(logo)
(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections

Search: Advanced Search

Anonymous User (login or join us)Upload
See other formats

Full text of "Dictionnaire portatif : François et Hollandois"



^ll<< 



^ y 



•4i»:-#«: 







'^ 







J alîu J^^ams i 


^tt '^^B 


3filn*art), ' 


BV 


-_^ - r . - = -- = 


^^^ 


5 35TON =_=_ : 


-====• 


^^^^^ «^^^ 




^^^^^B *' ^te '^ ■ JB 


^5 à s. i^^^p^^M<(|^^^^^^B^B^^B 





DICTIONNAIRE 



POR 

FRANÇOIS 



ET 

M^ PIERRE 



T A T I F, 

HOLLANDOIS, 



MARIN. 

HUITIEMEÈDITION, 
Corrigée de fes fautes, & augmentée de plus de M moitié 

JEAN H Ô L T R Ö P, 

Qui a eu foin d'y inférer, non feulement un grand Nombre ds 

Mots ^ de Phrafes , tmt propres , que figurées , proverbiales , 

burlesques ^^. maïs aujfi la plupart des Termes d'Arts 

^ de Sciences^ comme 

ïî'Architeoare. Grammaire. . Mcfiqae. 

Agricakore. Guerre, WythoJogîe. 

Anatosnie. Hîfroire. Navigation. 

Arithmétique. Horlogerie, Négoce. 

Agronomie. Hydraoliqae. Pêche. ,' 

Blafon. Jardiuagf. Peinture, 

C;)tanîe. Imprimerie» Pîiariracïe, 

Chirurgie» Jurisprudence. Phiîofojhie» 

Chymie. Logiqae. Phvfique. 

Danfe. Manege- Poéfîe. 

Éfcrime. Marjufa/lare. Pratique. 

Fauconnerie. Mathématique. Rhétcriqae, 

Fortification. Méchanique. Sculpture. 

Géographie. Médecine. Théologie. 

Géométrie Métaphyfique. Vériérie S&z. 

expliqués félon, le befoin. 
Précédés 
par deuT. Liftes alphabétiques: l'une desNoms de Baptême, & 
l'autre de ceux des Païs, Villes, Fleuves, Rivieresv, Monta- 
gnes &c. qui différent le plus dans les deux Langues. 
Le tout fiLr l' Orthographe de l'Académie ^ de Mr, Rejîaut , la plus 
Juivie Êf autorifée. 

<^> 

à DOR T, 
Chez ABRAHAM BLUSSÉ et FILS i;;?; 

Aiicc Privikge, 



PRIVILEGIE. 



DE STAATEN VAN HOLLAND EN WESTVRIESLAND 
Dceii te wecti'n: AiaôO ons te ker'ica is gtgeeven by AbrahAM 
Elusse' tn Zoon, Ba.gtrs en Boekverkoopers binnen de Scad Dord- 
recht, dat zy Snppli» tea op den 5 April 1708 van Wylen Jan van 
Eyl, in levea mede Burger en Boekverkoper binnen de Stad Amfter- 
dam, £m Pcbüqae Verkooping badden ge:<ogt alle de Exemplaaren 
benevens de Copye vaa Privilegie van Pifter Maryns Oiaiomaire 
Port tif 2 deelsn in Oftavo , op welk werk door ons den 21 Jony des 
Jóars 1743 en wederoni den 13 Juny dts Jsars 1758 ganAig was ver- 
Jeena Prolonp.aue var. Oftroy > voor den tyd van vyftien volgende 
J-aren , om zaiks alleen en met ui:lloiting van alle anderen te ino- 
geii drukken, doen drukken , uitgeven, verhandelen en verkoopsn ; 
en dewyl de P^olongaiie van het by ons gunftig verleende laatfte 
Ofcrcy met den 13 Juny aanftaande ftond te Expireeren, en de Sup- 
plianten, welke thans bezig waaren met groote moeite, en zwaare 
ïic{lea> het zelve Werk te herdrukken, beducht zynde , dat fcmtyda 
doof baa^ZQchcige taenfclien dit Werk mogt nagedrukt, in deeze Pro- 
vintie inj;ebr?gt , en verkopt worden tot groote p*aejndice van de Sap- 
pliancen, zco wendeden zy Supplianten zich eerbiedig tot Ons, reve- 
rentelyk verzoekende Prolongatie van het voor:^. Oftroy voor den tyd 
van nog vyftien volgende jaaren , om met feclafie van alle anderen 
het gem. Werk te mogen drukken, doen drukken , uitgeven, ver- 
handelen , en verkoopen , op zodanige verbeurte en boete tegens de 
Cor.t^aventeurs, as wy by voorige prolongatie hadden gelieven te 
fteilen , verzoekende de Supplianten hier van gunilig te mogen ver, 
krygen Qârov in Forma. 

ZOO IS 'Tï Dat wy de zaaks en het voorfchreve verzoek overge- 
merkt hebb'.nde, ende genegen wezende ter bede van de Supplianten, 
oit onze regte wetenfchap , Souveraine magt, ende Authoriteit , de- 
zelve Supplianten geconfctiteerd, geaccorûeerd. en geoftroyeerd heb- 
ben, conferteeren , acccraeeren , en Oitroyeëren hen by deezen , dac 
zy geduurende den tyd vau rog vyftien eerft ^gter een volgende Jaa- ' 
ren, het ven f. Boek genaamt PlETER Maryns Diaionnoire Portatif 
2 deelen in Oftivo, in diervofcgen als zulks by den Supplianten is 
verzogt, en hier voren uitgedrukt ftïat , binnen den voorf. onzen 
La'da aJeei'. zr;ll?n rRo^en drukken , doen drukken, uitgeven ende 
verhoopen, verbiedende daarooi alU n en een icgelyken het zelve 
J3oek in 't geheel ofte ten deelen te drukken, naar te drukken, te 
doen naai-drakken. te verhandelen, ofte verkoopen , ofce elders naar- 
gei ru-kt binnen denzelven onzen lande te brengen, uittegeven ofce 
te verhandelen , en ve;koopen, op verbetsrte van alle de Naargedruk- 
te, ingebraj;te, virbandelde of verkogte Exemplaren, ende een boete 
van Drie Diizend Galaers ^aar en boven te verbeuren, te appliceren 
een derde part voor den Officier die de Calange doen zal, een derde 
part voor den Arccen ter ï-iaaife diiar het Cafas voorvallen zal » en 
het refteerei de derde part voorde Sapplianren, en dit telkens, 200 
lüénigtnaal als dezel^en zullen werdea agterhaald. alles in dien ver- 
ftai'de, cal wy de Snpplianttn, roet dezen onzen 0£troye alleen wil- 
Undo- gratificeeren tot verhocding van hunne_ fchaade door het na- 
druKken van het voort. Boek ,dsar door ingeenigen deele verflaan den 
innehoude van dien te Acthcrifeeren > of te ie Advoueeren , ende veel 

min 






BJÎn het zel^e onder onze protefde en befchercîÎDg eerAe meerde? 
Credit , aanzien ofce repatatie te geveû , nemaar de SappJiancen. 
in Cas daar inne lets onbthoorlyks roude influeeren, aile het zelve 
tot hunoen hfte zallen gehouden weezen ce verantwoorden, to^ di-a 
eyude we] expreflelyk begeerendt dat by aldi^n zy deezen ooz^n 
Oaroye yoor het zelve Bo-k zallen willen flellen , daar van geene 
geabbrevieerde ofte gecontrah?erde mentie zallen cnogt-n maken , ne- 
maar gehonden wezen, het zelve Oftroy in 'c geheel en zonder eeni- 
ge OmiOle daar voor te drukken, ofte doen drukken» ende dat zy 
gehouden zDlIen zyn een Exemplaar van het voorfchr. Boek op grooc 
papier gebordin en wel «econditioneert te brengen in de Biblio heek 
van onze Univernceit te Leyden , binnen den tyd van zes wedien n» 
dat xy Sapplianten het zelve Bock znllen hebben beginnen uit te ge- 
ven, op een boete van ze» hon-iert Galdena, na Expiratie der voorf. 
zes weeken, by de Supplianten te verbeuren ten behoeve van de 
Nederdnitfche Armen van de plaats alwaar de Sappliancen woonen , 
en voorts op pœne van met 'er daad verft?eken te zyn van h^t effeà 
van deezen Oftroye. dat ook de Supplianten, fchoon byhetingaaa 
van dif Oaroy een Exemplaar gelevert hebbande, aan de Voorfchr. 
onzv-^ Bibliotheek , by zoo verre zy geduarendeden tyd van dit Oftrov 
Jet zelve Boek zouden willen herdrukken, met eenige obfervatiën. 
Noten, Vermeerdenogen, Veranderingen, Correélien of anders hoe 
genaamt, of ook m een ander formaat , gehouden zullen zyn wederom 
een ander Exemplaar van het zelve Boek , geconditioneert als voren , 
te brengen m de Voorfchr. Bibliotheek binnen den zelven tyd , en 
op de boeten en poenaliteit als Voorfchr. en ten einde de fupplian, 
ten dezen onzen Confente ende Oftroye mogen genieten als naar 
behooren, latten Wy allen ende eenen iegelyken dien het aangaan 
mag, dat zy de Supplianten van den inhoode van deezen, doen 
laacen , ende gedooger. , roftelyk , vredelyk ende volkomentlyk genie- 
ten ende gebruiken , CeflTeerende alle belet ter Contrarie , gegeeven in 
den Haage, onder onzen Groofen Zegele hier am doen hangen, op 
den zesden Maart, m 't Jaar onzes Heeren en Zaligmakers duizend 
zeven honaert drie en feventig, 

(IFas geiekent) 

W. BENTINCK Vr. 

(ta Laagerjiont) 

Ter Ordonnantie van as Staacec 

C. CLOTTÉRBOOKE, 

Aan de Supplianten zyn, bene- 
vens dit Oftroy ter handen ge- 
fteld hy Extraft Aothencicq , haar 
Ed. Gr. Mog. Refoliitien van dea 
28 Juny I715 en 30 April 1728. 
ten einde om zig daar na te re< 
£Qleeren 



AVER, 



jij^ERTlSSEMENT. 



L 



utilité Gue Ie Public retire des bons Diaionnaires & parti- 
j cal ier^ment de ceux de la Langue Françoi e . efi fi é viden- 
te&riuniverfellement reconnue, qu'on na p.us befom de les 
envoyer au Monde avec une Lettre de recommandation. Et de 

^^^n.M np fait pas que h Langue françoife, à caufe de fon 
Elé^ nce de fa Douceur ^DélicatelTe &c. eft parlée dans toutes 
i.crmir.' de l'Europe, ou , qui plus eft, cultivée chez toutes les 
Ntiordu Monde! t^ntfoitVeu Civilifées, que plufieurs même 
La préfèrent à leur Langue maternelle, & que par Elle feule 
on peut fe communiquer, foit de Bouche, ou par Ecrit avec les 
Peuple les plus éloignés? Chofe fi bien connue du Mm.ftre 
dEta% de l'Homme de cour, du Négociant, du voyageur &c. 
mi'Elïe eft devenue, à jufte titre, la Langue régnante & du 
Beau Monde &c. & quainfi il n'y a rien de plus jufte , de 
plusnécefTaire que de la cultiver & d'en faciliter l'acquifition par 
"les moyens les plus propres. 

Four y contribuer, nous avons le plaifir d'ofFrir au Publi^^^^^ 
Huitième Édition d'un Diftionnaire Portatif, en 2 Volume., 
.^To François & Hollandois, & Hollandois & François; or 

Comme il s'étoif glilTé, dans les Editions précédeiites ,' nom- 
bre de fautes : que bien des Mots y font, ou mal orthographies 
ou irlffifamment expliqués, & une infinité d'autre| entièrement 
omis, nous avons tâché, malgré les grands f^^^^' ^ ^ f ^^i; 
dier en cette Edition, & de la produire en meilleure forme en 
avant confié pour cet effet la corredion , augmentation &c r& 
pLr en accélérer l'impreffîon,) à deux Perfonnes , au fai de ce 
pénible ouvrage; l'une s'étant chargée de la Premiere, & 1 autre 
de la Seconde Partie. , ^ xt..„.« Rr i. 

Nous croyons (en tant qu'un ouvrage de cette Nature & la 
Grandeur du volume l'a voulu permettre) y avoir parfaitement 

bi^n réufli. , . ^ , .,. j •, i„ ■d,^ 

Le Leaeur impartial en jugera lui même, a 1 égard de la Pre- 
miore Partie , (nous indiquerons dans une autre Préface U Ré- 
forme faite dans la féconde) par le Détail fuivant. 

i«>. Onv a inféré une infinité de Mots, tant des Arts & des 
Sciences, que d'autres; ainfi qu'une quantité de Phrafes ôcclli.x. 
greffions, tant propres , que figurées, proverbiales, Satyriqi^s 



eomi- 



VOORBERICHT. 

7-\-e akemesne Nuttigheid der goede Woorden-hoeken , en in 't by^ 
•^ zonder die der Franfclie Taal, is zóó openbaar en alömme erkend, 
dat men dezelve thans niet meer met eenen Brief van aanbeveeling bs- 
hoev' in de waereld te zenden. En in der daad : 

Wien toch is niet hcwufl , dat de Franfche Taal, uit hoofde van 
derzelver cierlykheld^ zoet-vloeyendheid, kiefchheid, en wat des meer 
2y, gefpróken word aan alle de Hoven van Europa, of, dat 7iog meer 
is^ bmffend word by alle 'eenigzints befchaafde volkeren der waereld: 
dat zelfs veele van dien dezelve aan hunne Moeder fpraak den voor- 
rang ge even, en dat men dus door Haar alleen inftaat is, om zyne. 
gedagten, 't zy door de mond of penne aan de afgelégenfte volkeren 
te kennen te geeven? Eene zaak, by den Staats-man, den Hoveling ^ 
den Koopman, den Reiziger enz. zóó wel bekend, dat Dezelve thans,, 
te recht , mag aangemerkt worden als de heerfchende Taal , en die 
der Edelften id?s Volks ; allerbillykji en allernoodigft is het derhalv n 
dat ze beöeffend, en derzelver verkryging, door bekwaame middelen 
gemakkelyk gemaakt worde. , 

Om hier in fnéde te werken , hebben wy thans het genoegen ,^ aan het 
Gemeen aan te bieden, de agtfie uitgaave van eenen Didionnaire 
portatif, inideelen, in 8vo, als: Franfch en Néderduitfch , en 
Néderduitfch e/i Franfch. Dan, 

Dewyl in de voorige uitgaaven een aantal van misfïdgen ingefloo- 
ten , veele woorden er , of kwalyk in gefpeld, of niet volledig genoeg uit^ 
(relegd, en eene menigte andere gantfchelyk achtergebleeven waaren, 
zoo hebben li/y getragt , oniiangezien de zwaare koften , by déze uit- 
o-aave daar-inne te voorzien, en dezelve in eene bétere gedaante te voor- 
fchynte brengen; hebbende ten dien einde de verbetering , vermeerde- 
ring enz. van ditmoeyelyk werk, (en om dat het des te fpoediger zoude 
voort- gaan ,) aan twee P.erfoonen , des verft aande , toevertrouwd ; de ééne 
hetEerfte, en de andere het Tweede Deel daarvan op zich neemende, 
Wy gelooven (voor zoo verre een werk van deezen aart en het be- 
fték zulks 'heeft willen gedoogen) hlerinne volkómen geflaagd te hebben. 

De onzydige I^eezer zal nopens dit 'ifte Deel (terwyl wy ons de aan- 
wyzing der verbetering van 't ide Deel in een daar by gaande Berich's 
voorbehouden) door het nàvoîgeîide daar zelfs van konnen oordeelen, 

1^. Heeft men hier in gelajcht, een aantal woorden, zoo van 
Kïinften en Weetenfchûppen,als andere ; als mede eene menigte van [preek- 
wnen, zoo wel eigenàartige , als verbloemde , befchimpçnde , geefttge , 

' ® ^2 ^^^^'^ 



VI A TB RT I s s E M E N T. 

comiques, burlesques &c. Bref, il y a à préfent dans ces ou- 
vrage plus de ]\Iots primitifs de tous Genres , avec leurs diffé- 
rentes fîgnifications, qu'il ne s'en trouve en bien d'autres Dic- 
tionnaires (le Grand Dictionnaire de P. Marin excepté ; parce 
que , pour des raifons , on ne l'a pas du tout confulté dans cette 
correction, Ôcque, par conféquent, on ignore fon véritable con- 
tenu); Mots &c. que pour la plupart on a empruntés des Auteurs 
étrangers. Par laquelle Addition, ce volume s'eft grofîl de plus 
de la moitié; Témoins; le double Nombre .des Pages, la Peti- 
tefle du caractère &c. 

2°. L'Orthographe des E'ditions précédentes étant , comme 
nous venons de dire, fort vicieufe, on a été obligé de la cor- 
riger en plufieurs endroits , & l'on a fuivi dans cette E'dition 
celle de l'iîluftre Académie de Paris & de M. Reftaut, Avocat 
au Parlement &c., comme étant la plus autorifée. ' 

3°o On a obfervé dans cet ouvrage, à l'égard des Mots vieil- 
lis, obfcurs, équivoques, familiers, vulgaires &c. d'en donner 
toute la définition poflible , foit par des Phrafes ou autrement. 
Article, à la vérité, peu ou point obfervé dans les E'ditions pré- 
cédentes , & qui par cela même font auffi très défeftueufes. No- 
tez cependant fur ce chapitre. 

4". Que, pour ne pas pafTer les bornes d'un Abrégé ou Dic- 
tionnaire Portatif, on a été fouvent obligé, de ne donner ces 
Dc'initions, ces Phrafes, qu'en François; mais qui néanmoins 
font ménagées de façon, que tout homme, tant foit peu in- 
tc^lligent, peut, & par elles, & par ce'qui immédiatement précè- 
de . s'en former une parfaite idée, & renene ces phrafes &c. au jufte 
en Ilollandois. ^ 

5^ On a eu foin de mettre auflî, dans ce Traité françois & 
hollandoîs , derriere les Mots fubftantifs hollandois, la Lettre 
qui en délîgne le Genre; c'eft à dire: lorfque les Genres difFé- 
ï'ji-t dans les. deux Langues, ou lorsque les fîgnifications n'en 
font pas trop nombreufes. Chofe qui, quelque utile qu'elle 
foit, pour ceux qui n'entendent que peu ou point le Hollandois, 
r/a point été obfervée par aucun des compilateurs de Diétion- 
îDaircs, excepté d'un feul ; mais qui efl fort fujet à caution. 

6^ On a ajouté aux verbes irréguliers, défeftifs ou Imperfon- 
nels tout ce qui efl néceffaire pour leur éclaircilTement. Artî- 
c'c, que, maigre fon uàlité, on n'a rencontré, que dans les 
Dictionnaires étrangers. 

7^. On a tâché d'accentuer par-tout le Hollandois , auflî bien que 
;c yiuD^is, pour en faciliter la Prononciation. Les autres Die- 

' ' ■ tion- 



VOORBERICHT. vu 

loertige enz. 'om kort te gaan y 'er zyn in dit JVerk meer Grond 'woor- 
den , van allerlei Jlag, nevens derzelver beduidenij , „an 'er in vsele 
andere IVoorden-boekcn te vinden zyn (Jict groote Woorden-hoek van 
P. M Amii uitgezonderd; wyl rneji znlks , om redenen ^ in déze verbe- 
tering niet te raade getrokken heeft , m dns van deszelfs wézentlyken in- 
houd niets met zekerheid wea) ; woorden enz. welke men, voor't grootjle 
gedeelte , van uitheemjche Schryveren ontleend heeft. Door welke By^ 
voeging dit Boek- deel meer als de helft vogroot is, gelyk by 't getal, 
de verbreeding en verlenging der bladzyden, en de kleinere Druk-letter 
ligt kan nfgemeeten worden. 

2*. De J pelling der voorige uitgaaveny zoo als wy reeds gezegd 
hebben, zeerflegt zynde., is meji genoodzaakt geweeft dezelve . op ver- 
Jcheide plaat jen te veranderen^ en men heeft in déze uitgawe gevolgd 
die van de Franfche Académie , en den Heer Rejlaut^ Advocaat enz» , 
als de meefl Gezag-voerende. 

3°. Heeft menin dit Werk , ten opzigtedsr verouderde , duijiere ^ dub' 
helzinnige, gemeene ofjlraat-taalige woorden enz. in acbt genomen^ 
om 'er alle mógelyke befchryving van te geeven, 't zy door fpreek- 
wyzen als anderzins ; iets, dat waarlyk, in de voorige uitgaaven 
weinig of niet betragt is, en even daarom ook zeer gebrekkig zyn; 
onder tusfchen moeten wy den Leezer op dit ftuk erïnneren. Dat 

4^. Om de Paaien van een' Dictionnaire Portatif niet te overfchry- 
den, men dikwerf genoodzaakt is geweeft deeze Befchry vingen , of 
fpreek-wyzen alleen iiv't Franfch te geeven, zóó nochtans ingericht , 
dat iemand^ die maar eenige kundigheid bezit , inflaat is., om, en door 
dezelven, en door 't geene onmiddelyk voorafgaat, een volkomen denk» 
beeld daar van te vormen, en deeze fpreekwyzen enz. in zyn volk 
kragt in 't Néderduitfch óver te brengen. 

5°. He^t men ook zorg gedraagen , om in dit Franfche en Néder- 
duitfche Deel , achter de Hollandfche zelfftandige Naam-woorden , de 
Geflacht-Letter te voegen , te weeten : wanneer de Geft achten der bei' 
de Taaien verfchillen , of wanneer de betékenijjen daar van niet te me- 
nigvuldig zyn. Eene zaak, hoe nuttig ook, voor die geene die het 
Hollandfch in 't geheel niet , of niet genoegzaam verftaan , door nie- 
mand der ÏVoorde?i-boek-opftelleren in acht genomen is; uitgezonderd 
éénen éénigen; doch waar-Öp niet zeer te vertrouwen is. 

6°. Heeft men by de onrégelmaatige , gebrekkige of onperfoonlyke 
"jverk-woorden gevoegd , al 't geene ter hunner opheldering noodig is; 
iets , dat men , ondanks zyne Nuttigheid , alleenlyk in uitheemfche 
IVoor den-boeken ontmoet heeft, 

7°. Heeft men gepoogt , om overal boven het Hollandfch, even zoo 
wl als boven het Fran/ch^ de klanktékenen tcfleikn 3 om derzelver uit- 

* 4 fpraak 



vïTi AVERTISSEMENT. 

tionnaires François & Hollandois n'en ont rien ; mais on e» 
ignore la laifon. 

8°. On a jugé plus propre , de drefTer à part & de placer au 
devant , que d'inférer dans le corps de cet ouvrage , deux Liftes 
alphabétiques, favoir: 

V\JnQ des Noms de Baptême , des Hommes & des Femmes , & 

L'Autre de ceux des Païs , Villes , Peuples , Montagnes , Pro- 
yiontoircs, Mers, Fleuves, Fvivieres &c. 

Nous" nous flattons ainfi, que cet ouvrage eft, comme nous 
l'annonçons , rendu beaucoup meilleur, & que nous aurons 
contribué par-là au Bien public. Qu'on ne s'imagine pour- 
tant pas , que nous foyons aflez vains & préfomptueux , de 
vouloir débiter un ouvrage de cette Nature pour complet,* Non!- 
au contraire , on ne doute nullement, que par -ci, par -là, fur 
lesveftiges d'autrui, on ne puifTes'ctre égaré, & que, malgré l'at- 
tention la plus fcrupuleufe, on n'y rencontre des fautes d'im- 
prefîion, des virgules mal-placées &.c. ; Bévues, que ïiom prions 
le Lefleur indulgent , de vouloir pardonner , en coniuérant, 
que, s'il eft vrai, à l'égard de toutes Productions humaines, il ne 
l'cft pas moins en celle ci ; Que l'imparfait ne peut produire 
lien de parfait; comme dans le cours de cette correction on n'a 
que trop fouvent expérimenté. Pour n'en citer qu'un Exemple, 
on n'a qu'à confidérer, que dans un des principaux Dictionnaiv 
res, on ne trouve pas les Mots Voie {'wsg , wyze ^ middel enz.). 
Voyage & ce qui en dérive, ni avec f , ni avec y; omiftions grolîîe- 
les, il faut l'avouer; mais le moyen de les prévenir dans un ou- 
vrage , où Argus même , avec tous fes yeux , ne fuffiroit pas ? 

Que le Public en puifTe profiter , c'eft notre fouhait & le bu^ 
que nous nous y fommes propofé. adieu l 






£ X- 



VOORBERICHT. ' mx 

fpraak gemak hy te zetten. De andere Franfche en Néderdidtfchc 
morden-bocken hebben 'er niets van; maar men weet met waaróm. 

8^. Heeft men gevoeglyker geoordeeld, afzonderlek op te fi ellen , en 
liever vooraan in dit wtrky dan in den Text, te plaatfen, tyvee al- 
phabétifche Lyjïen , als: 

Eene van de Doop-naamen der Mannen en Vrouwen, en 

U andere van de Benaamingen der Landfchappen , Steden^ Volke- 
ren, Bergen, Kaapen, Zeeën ^ Stroomen, Rivieren, enz. 

ïVy vleien ons dus , dat dit Werk , 200 als wy 't aankoïidigen , veel 
verbeterd is , en wy daar ' door aan 't Gemeen mit zullen toegebragt 
hebben, VtrbeeldiL echter niet, waarde Leezerl dat wy verwaand en 
vermetel genoeg zyn , om een Werk , van dézen aart , voor voilédJg te 
willen uitvent m ; Neen l in 't tegendeel , twyffeld men geenzin^ ƒ men 
kan hier of daar, op bet voetfpoor van anderen, gedwaald hebben , cri 
dat men' er, in weerwil der grootfte oplettenhehl , Drukfeilen, of kwa- 
lyk gefielde comma's mz. in ontmoeten zal; M'sfùàgen , w::lke wy 
den gunftigen Leezer verzoeken ten beften te duiden, in ovjnveeging 
neemende, dat, ir.dien hetwaaragtig is, ten opzigtevan alle Menjche- 
lyke voortbrengfelen , het niet minder zóó gelegen is in dit , naament^ 
lyk : Dat het onvolmaakte niets volmaakts kan voortbrengs-n ; ge~ 
lyk men in den Loop dezer verbetering maar alt e dikwerf onder- 
vonden heeft. Om hier maar één voorbeeld van aan te haaien , Z09 
gelieve men alleenlyk aan te merken , dat men in een der voornaamfts 
Jvoor.denboeken niet vind de woorden voie (,weg, wyze,. middel enz.), 
voyage en 't geen daar van afftamt, noch met i , noch met y; waar- 
lyk Fjóve mh [Lagen, men kan, het niet ontkeimen; maar hoe is 't mó- 
ge lyk die te verJweden, in een werk, w aar- in Argus zelf s , met alle zy ni 
eogen, te kort fehieten zoude ? 

Dat het Gemeen 'er 7iut van móge trekken , is onzc wenfch, en list 
oogwit dat wy 'er in bedoeld hebben. Vaart wel l 



* 5 

LISTE 



EXPLICATION 

Des Ablréviatiom^ quife trouvent dans cet ouvrage, & de leur 

Signification. 

UITLEGGING 

J)sr Verkortingen, die in dit Werk voorkómen , en wat ze heduU 

den. 



(m) Sabftantif mafcnlin. 

(f) Subûantif féminin. 

(n) Sabûantif neutre, 

(adj.) Adjeaif, foit Nom oo Par- 
ticipe. 

(Pron.) Pronom. 

(v. a.) Verbe aôlf. 

(v.n.) Verbe neutre. 

(v.r.) Verbe réciproqne ou reflé- 
chi. 

(y. irrég.) Verbe irregulier. 

(v.iinperf.) Verbe imperfonnel. 

(V. défea.) Verbe défeûif. 

(part.) Participe. 

(adv.) Adverbe. 

(coDJ.) CoDJonâion, on conjonc 
tif. 

(prép.) Prépofition. 

(interj.) Interjeftion. 

(Prov.) Proverbe. 

(vulg.) Expreflion vulgaire, fami- 
lière» populaire, ou baffe. 

item^ oo; (point & virgule) déno- 
te qu'il fuit une autre fignifi- 
cation. 
? Point interrogatîf. 
I Point admiratif , ou Exclama- 
Uon. 



Mamglfi zelffiandîg Nfom 'wcord. 
f^rouu/elyk zelfflandii Nazm-^otrd» 
Onzydig zelfjiandig Niam-woîri. 
Byvcegelyk Naam- of Deel wjord. 

Voornaam, 

Daaieîyk of weriend werkwoord , 
0'^zydfg isferk- wanrj. 
fVéJerboorig werk-woord, 

Onrégelmaatig werk-woordg, 

Onperfoonlyk werk^woorj. 

Gebrekkig werk-woord, 

Deei-w?ord, 

Bywoord. 

Koppel-woord y ofby voegende wyze, 

Poorxetfel. 

Tujfcbem <werpfeî. 

{fpr, w.) Spreek-woord. 

(gem. Vf.) Gemeen f laag of Jlraat' 
taalig <W9ord, 

item , of j {fifp en eomma) geeft te 
kennen dat *er eene andere beteke- 
nis volgt. 

? Vraag, teken, 

! yerofûnderings* teken of uitroeping^ 






LISTE 



Liste Alphabétique 

Des Noms de Baptême en François & Hollandois. 

ALPHABETISCHE LYST 

Der Doop-naamen in 't Franfch en Duîtfch. 

Noms d'HOMMES, Naamen der MANNEN. 



Aar on. yfarou, 

Abe!. ^b.l. 

Ab'-ahaiD. Abraham, 

AJatn. ^Jam. 

Adolphe. AJo'pbut^ AJo!f. 

Adrien. Adriânos, jÉdriaan. 

Albert. Albertusy Alber$. 

Alphonfe. Alpbjufus. 

Aaibroife. Ambrofius» 

André, Andréat. 

Anfelme. Anfelmut. 

Aotoirc. Ambóny. 

Arnand. Arnoldut^ Arnold. 

Aaguftin. Augüfiinu$, 

Aagofte. Aagù,flus. 

Au-èle. Anrél.us. 

Balthafar. Bahhazar, 

Baptifte , on Bâtift*». Batiji, 

Barnabe, Barnahas, 

Barthélemi. Bartboloméut» 

Baudouin. Bcuiewyn. 

Benjamin. Benjamin, 

Benoît. Bette dWa$, 

Eîrnard. Beraardut, 

Bertrand. Bertrarh, 

Blaife. Blofius. 

Boniface. àonifacius. 

Ce far. Cefar, 

Charles. Carohs , Càrel. 

Chriftophe. Chnflopbe^ofCbrifl^ffel. 

ChryfoRorr.e. Chryfoflomus, 

Ci'aude. Claudiuî» 

Ciément. Qlémtnt. 

Conftantia. Corf,antinu>î, 

Conrade. Conroai. 

Corneille. CorKeliui, Cornelis, 

Cyrille. Cytllu-.o 

Daniel. Daniel. 

David. David. 

De lis. Dion:Jlu$^ Dsr^yf, 

Didier. Dp/iUriut. 

Dominique. Dominicus, 

Edocard. Edward, 

Elîe. SUau 



Elifée. FMréu'. 

Etienne. Stéfbam'S, Stéphew, 

Eftace. Ëflanat. 

Ezechias. liêzikiab» 

Ezéchiel. Exécbtel. 

Ferai and. Fendinanâus » FerdU 

ftond. 
Frai çois, {lee* Fxanfoa) Framis- 

eus y Fratitz. 
Frédfric. Frédericusy Frêderik, 
Ga;:^riel, Gabriel, 
Gautier, ff^uhertis, walrgff WQUterà 
George. Georg , Joris. 
Gervaife. Gervaas , Servaoi, 
Giles. Gillis. 
Guillaume, kf^ilbeîmms , v/ilbelma 

milem. ' 

Gailfot. JViUemtje , wlm. 
Henri. Hendrikut, Hendrll, 
Hercule. Hercules. 
Hierome. Hieronymui. 
Horace. Horatius, 
Hngues. Hugo. 

itlltiJy^»''""'?'""'^- 

jean. Jjbannes , Jan. 

Jeannot. Jatije y btnsjg. 

Jérémie. Jernn os. 

Jérôme. Hisrcnymus, 

Ignace. Ltsatius, 

Job. Job. 

Jonas. Jonas, 

Jo feph Jofepbut , Jofg:b, 

Joffe. Jot>fi» 

Jofaé. Jofita, 

rfaac. Ifàae, 

Jule. Julias. 

jvilien. Jutidtui, 

JuOe. JuJItt. 

Lambert. Lambertuf. 

Lsnrent. Laurentius^ Laarents, 

Léonard. Léonaraust Leendert, 

Léopold. Léo[oUuty Léopold, 

LeuVs» LCdfo/yk, 

Luc. 



Xuc. Lviat. 

Malachie. Mahebhufl 

Mire. Markus, 

Ma tin. Msninvs , Martyn. 

Matthieu. Mattbéas Matibys, 

Maurice. Mauritius, Maurits. 

Maximilien. MojnmiliaaB. 

Michel. Miebiel. 

Moïfe. Mozes, 

Néüémie. Nébemias. 

Nicolas.-] i^ioioaSyCleas. 

Ncole. J ' 

Noër Noacb. 

Olivier. Olivier, 

Othon. Otto, 

Patrice. Patricius, 

Paul. Pauhsy Pool, 

Philippe. Pbilippus , FbiVp* 

Philipot. Piip^e, 

Pierre. Péttus^ Pleur, 

Pîei roc. Pietje, 

Rémi. Remîgius. 

Réaard. Rsinbard. 

Rs^racd. Rfinoldt Rehoud. 

R-Irhard. Rykcrt. 

Robert. Robertvs» 

Robichon. Roàbertje, 

Rodolphe R-Jo'pbus, 

R ger. Riitger. 

Salomon. Snlomon, 

Samuel. Sa'^uil, 

Samfon. Samfon. 

Séî-aftien. SêbafiiaaUi Bcfliaoe, 

Silvain. Silvàrus. 

Siîvift-e. Silvefier, 

Sîiréon. Simeon. 

Simon. Simon , Symen, 

Théodore. Tceodàrsis , Dîsdsrik , 

Uirk, 
Thierry. Difk. 
Thorras. Tbom/if» 
Timothée. Timatbe'ùt, 
Tobie. Tobios. 
U bain. Urbâmus, 
Vdtentîn. f^alemtyn, 
Vincent, l^incentiùs, 
Za harie. Zacborias, 

îvloûis de Femmes, î^aamea der 

Vrnuwen, 
Abigaïl, Ahigaè'i. 
Arathe. j^githa^ Aagt. 
A nés. AgmitbOy Agnief, 
Alix. Eli. 
A ifon. Elfjg, 
Âithée. jiifbéa. 



Anne, Anna. 

Antoinette. A-^ibmîa, 

Arabelie. Arabella. 

Barbara. Babara^ Berber o 

Beatrix. Beatrix. 

Biüoite. BsnediSa, 

Berthe. Bartba. 

Brigiae. Bngitta, 

Catherine. La. burina y Katryu, 

Catir 1. Kaatje, Keetje ^ kneja» 

Cécile. C ici Ja. 

Charlotte. Cbarlotta. 

Chfiaine. Cbrijüna. 

Claire. Ciara ^ KÏaartj^, 

Confiance. Confiaadü. 

Déboia. Détora, 

Diane. Dsâna. 

Dorothée. Doroibéa^ Doortje. 

Elifabeth. Elizabetb , Lysbet , Lysje,, 

Ecarae. Emmefje, 

Euher. Hijier. 

Fanchon. t'roneynfje f Fransje, 

Flore, ^iora. 

Françoire. {kes fraDçoafe) Francyn. 

Gertrade, Gertruda, Gert>mi,Trm$je. 

Goillemette. JVillemyntje, 

Hélène. Héléna, Léaa. 

Jaqoeline. Jakelyn , Jahmy», 

Jaquette. Jacóba, 

Jeanne y Jobanna , Jannetje, 

Jeanneton. Jannetje, 

Ifabelle. Ifabel. 

Judith. JuJiih, JiJJiè, 

Julienne. Juiiàsa. 

Lucie. Lucia. 

Lucrèce. Lvcré/îa, 

Madelaine. MagdaléfOf MagdaUeti^ 

Magtel, 
Manon. Mietje, Mârigie, 
Margot. Mar grietje. 
Marguerite. Har^erita^ Margriet, 
Mart ha. Mart ba. 
Marie. Maria, Miry^ Marytje. 
Matiide. Matiîda. 
Nanette , Nanoû , Naacis , Aanaatje,, 
Rachel. Racbel. 
Rebecca. Rebecca, 
Rofe. Roosje. 
Sara. Sara. 

Sibille. Sibiïîat Sibil, - 
Sophie. Sofbia, S9fy. 
Saiànne. Swz^nna. 
Sofon. SbZamteije, Soeije, 
j Théodore. Tteodora. 
lUrfaie. Urjuia^ Urjeh 

LISTE 



Liste Alphabétique* 

En François et Hollandois^ 

De7 Noms des PciU, Filles, Peuples, Mers, Fleuves Rivières, 

Détroits^ îles ^ Montagnes, Promontoires^ Vulcams ^c. les plus 

remarquables ^ qui différent le plus dans les deux Langues. 

Alphabétische Lyst^ 

In 't Fransch en Néderduitschj 

Van de Naamen der Landen , Steden , Volkeren, Stroomen,! 

Rivieren, Zee- en Land-engten , Eilanden, Bergen, Kaapen, 

vuur -bergen enz. die 't alleraanmerkelykfl zyn , en in 

de twee Taaien 't meeft van elkander verfchillen. 



De Verkortingen die in déze Lyji voorkómen betekenen^ als volgt. 



ATr. Afrika. 

A"mer. Amèrlkj' 

Az. Azia^ of Aziêé, 

B. Berg. 

E. o/ Eil. Eiland. 

Êar. Puropa, 

Gr. Groot. 

K. of Koningr. Koningiryt, 



L. Land y Landfcbap. 

Middel, Z. Middeilandfcbs Zeffe 

1^. Noord, 

R. of Riv. Rivier. 

St. Stadt. 

H. at. of Hoofdfl. Hoofd/iadt^ 

Zee-h, Zes-bânje», 

Zee-ft. Zeefiadt, 



Pe Leezer gelieve ook indagtig te zyn, dat ^ om déze Lyfi met geeae om- 
noo'ditp woorden te betwaar en , wy vee 'e Naamen die in 't Fr an f eb em 't 
Du-trcb bet zelve zyn, of d$e in bet Franfcb met bourg of q eindigen ^ t» 
in bet Duiifcb in borg of en veranderen , acbtergehatffn bebbeM> 



ÀSt (f) Aa (Naam vsnverfcieUene 
Riviertjes in Frieilani , Ove-yjf.l, 
Mu^J^rh ZwltferU Pikardié'a enz. 
Jiroompndp), 

Aar, ff) Aar (R. by Keulen, en in 
't KaatQu Bern), 



Aberden > (m) Aherdeem (n. ƒ. e% 

Z;eb. in Scbotl.). 
Abo , (m) Abo (n. H, fi, (» Zee-b, 

van Finland). 
Abyla, (f) Ah^a {Berg in AfrU 
ka), 
A Aby»- 



±iv AB, AC. AE. àc, 

Aöyffinie , ( f; Abijftnièn (^n. L. iu 

Ajr.;, 
Abyffir ien, ne (m. & f.) Abtffini^r 

Aj:JJif»ifibe vrouw. 
Acadie , ( f) AcaJièa (n. L. in iV. 

^mer.), 
Acadien , ne (m. & f.) Acadier ; 

Aeadifcbe vrouw. 
Ac haïe, (f) Acbayen (ü.L.inGrie- 

kenk). 
Achaïen, ne (m, & f.) Acbayer; 

Aebayifcbe Vrouw. 
Açores , (f. pi.) De Aforei (Eil. 

in Amer.). 
JEgée, (f. ^T/f- Archipel). 
iEtot, Etnci 'brandende B. inSieil.), 
Afrique, (f) Afrika (n. één der 4 

Waereld-deelen). 
Africain , ne (m. & f.) Afrikaan -, 

Afrikaavfibe vrouut. 
Agra, {Ok) Agra (n. fl. ƒ. vaa In- 

do/iOB). 
Aix , (m) Aix (n. H. 7?. »» Proven- 
ce). 
Aix lachapelle» (m) Aken (n.vrye 

Rykfi. in Duitfcbl. beroemd door 

baare Baden). 
Albanie , (f) Aibâniem (n. L, in 

Turk.). 
Albanien, ne (m. fit.) Albanier 

enz. 
Albe royale, (f) StoeUweiJfenburg 

(n.Ji. in Hongar.), 
Alcmar» (m) Alkmaar (zeerfraaye 

ft, im N. Holt.). 
Alexandrie, y^) Alexanéria (Jï. in 

Bgypt.). 
Alger , (m) Jlgiers (n.Ji. en Koningr. 

in Afr.). 
Algérien, ne (a, & f.) élgeryn, 
Allemagne, (f) Duitfcbîand {n). 
Allemand , de (m. & i.) Daitfcber} 

Duitfcbe vrouw, 
Aloft y (m) Stadt en Graaffcbap 

Aam. 
Alpes, (f. pi.) De Alpen ofAlpi- 

fcbe. Gebergten. 
Alface » (f) Elza$ (m, L, in 

Duitfcbl). 
/imériqne ti f ) Amer ika (n. ééne der 

4 waereld- deelen). 
Américain , ne (m. & f.) Ameri- 
kaan enz. 
. AŒfterdaxD> (m) Amfïerdatn of Am- 



AN. AP. AR. &c. 

Jieiii'im (n. iitnd$ ta H>i.umdy aa» 
de Jiuider-zse , uitneemend groot 9 
volk'.ryk en pragtigy bandel dry- 
v-nde\, zoo te water, ah te Landt 
üp alle ffeweflen der waereld y en 
vfjer Rykdom en iukontfien ménig 
K ningkryk overtreffen). 

Anco.ie, (f) Ancona fi. in Ital.). 

Ândaîonfie , ( f ) Andalnziè'n (n. L, 
in Spanien). 

Angers, (m) Angiers (n* in An- 
iou). 

Angleterre, (f) Engeland (n. K, 
en één der grootfie Eil. in de wae» 
reld). 

Anglois, fe (ta. & f.) Engelfcbttian , 
Engelander ; Engelfcbe vrouw. 

Angola , ( f ) Angola ( Rivier i» 
Afr.). 

Antioche, (f ) Antioebièn {n. fi. im 
Syrien). 

Anvers, (m) Antwerpen {Gr. Ji. in 
Brabant aan defcbelde). 

Appennin, {va) 't Appennynfcbe 
Gebergte {n. in Ital.). 

Arabie , (f ) Arahîè'n (n. Gr. L, im 
Azfê'n). 

Arabe , (m. & f.) Arabier, 

Aranjuez, (m) Lufî-plaatt des Ko- 
nings van Spanten. 

Archange! , (m) Arcbangel(n, fi. en 
Zee-fo. in *t Noorden van Rus- 
land). 

Atchipel , (ns) Archipel (m. da: ge- 
deelte der Middelnnfcbe en andere 
Zeeën daar veele Eilandjes by mal- 
kander leggen). 

Arménie, (f) Arménien (n. L. in 
Azien). 

Arménien, ne (m. & f.) Arme- 
niër enz. 

Arnhem, (m) Arnbem {Hof- em 
Hoofdfi. van Gelderland). 

Arrasi (va) Atrecbt of Arras {n. fi, 

in de Néderl.). 
Afle , (f) Afia of Aziën (n. een der 

4 waereld deelen). 
Aûaciqae, (m. & f.) Inwoomder va» 

Aziën, 
Atturie, (f) Afiurien (n. L. im 

Span.). 
Athènes, (m) Atbeenem (n. fi. in 

Griekenland), 
Atlas, (m) Ailas {Berg im Afr.). 

Aa» 



AU. Bit. 

Autriche, {t) Oojierruk (n). 

Aatiic ien, ne (m. »Sc f.) Ooflen- 
ryker. 

Babel M&ndel , (m) De Zee-engte 
tujfcbem de rooJd Zte en deu Oce- 
aan. 

Balcique* oa la Mer balciqne» (f) 
De OjJI zee. 

Barbarie, (f) Barharyen (n. L. in 

Barbare, Moreftn) Barbaar ^ Moor. 
Barcelone , (m) Barcelénièfi (n. Gr. 

Jî. in Sp.m.). 
Bdie, (f) Bâzel{xx.ft. in Zw'tf,). 
Bstavie, (f) (n. Gr. Stadt en vef- 

ting der Hollanders op 't Üiil. 

Java), 
Bavière, (f) Beijeren (n. Keur- 

VQfJienJ, in DaitfcbL). 
Bavarois, fe (ra. & f.) Beycr enz. 
Baye, (f) Baai ^ imbam. 
Bélem, {m) f^lek en Lujiplaats des 

Kónings van Portugal. 
Belgrade , (m) Belgrade (n. Turkfcbe 

vejiimg in Europa). 
Bengale , ( {) Bsngâlen ( K. in 

Aziën. 
Berbice, (f) De Berbhbe(R,in 

Amer.). 
Bergen oa Bergue , (m) Bergen (n. 

Gr, Koopft. in Norvt.). 
Berg-o^.Zoom y (m)Bergen-op'Zoom 

(n. Stadt en Vffiing im de Nederig), 
Berg faint-vinox ,(10) Winoxbergp.n 

{fi. by Dtinkerken.) 
Berlin, (m) Berlii (n, Groote en 

fraaye Réjtdentiejladt des Kónings 

'lan Pruiffen), 
Berne, (m) Bern (n,ft. en Kanton 

van dien naam in Zwitferl.), 
Bifcaye> (f^ Biikaaytn (n. L, in 

Span,), 
Bohème, (f) Bobeemeu {n, K, in 

Emropa), 
Bohémien , ne (m, fie f;; 'Bobesmer 

enz. 
Bois le duc, ouBoldac» (m) 's Her- 

tóggnbofcb (n. ft. en vefling in de 

Néderl.), 
Bologne, (m) Bolóniem (n. Gr, ft. 

in Ital.), 
Le Bolonez, (m) 't Boloneefche, 
Bosnie , ( f) Bosnien (n. in Turk.). 
Bosphore (m) De Bofpborut (m. Zee- 
engte by KonJiantiMópeJ). 



BO. BR. Ba CA. 1^ 

Boulogne, (f) Buulónje {Gr.fi. im 

PtkarJièn). 
Le Boalonnois, (m) *t Boulon.. 

ttcefcóe (d), 
Bourilcaax, (m) Boirdeaux of Bir- 

deeuws (Gr, Koopfi, in yrankr*), 
Bourdelois,(m) i£en vaa B&urdeaax, 
Bourgogne, (f) Bourgawien. L. im 

l^ravkryk). 

Bourp.aignon, ne (m. 5c f.) Bow» 

góniè'r enz. 
Brabant, (m) Brabant (n). 
Brabançon , ne (m. & f.) Brobander 

enz. 
Brandebourg, fta) Brandenburg {n^ 

Ki urvorfiendom). 
Brandebourgeoia , fe (m. & f.) Bram ■ 

deaburger, 
Breda , (m) Breda (n. Gr. en fraayg 

Stadt en fierke vefling indeNéderU} 
Bréfil üu Brézil, (m) Braxili&t (n. 

Gr, L. in Amerika), 
Bretagne, (f) Brittaniè'n Cn. L. im 

l^rankr), 
Breton, ne (m, Ôc £.) Brittamig^ 

enz, 
Bretagne (La grande) Groop-5n#- 

tânien of Engeland en Sèbottand, 
Breton , ne (m. & f.) Brit. enz. 
Brille (La) Briel (m. Zeeft, ia 

Hdll.), 
Bragea, Bruggen (n.fl.in Vlaand.X 
Bruxelles, ^re/^/ { Hoofd fl. vai 

Brab,), 
Bode, (m) Bnda of Offea fn.ft, im 

Hongar.), 
Bulgarie (La grande) (n. BtJgó. 

riè'n in Tartariè'n], 
Bulgarie (La petite) (n. Bnlgârien 

in Turkyen), 
Caire, co Ie grand caïre, (m) CoT- 

rJ {Hoofdfi, van Egypte uittermaa. 

ten groot). 
Calabre, (f) Calabriëa {n. L. im 

Lal.). 
Calais, (m) Calis of Calais (n. Zet^ 

ft. in 't Kanaal). 
Californe, (f) Cdlifirnien (n. L. im 

N. Amer.). 
Cambrai , (m) Kdmerik (n, fi. im 

Vlaond.). ^ •' 

Cambréfis , (m) •/ Land mu Kâmerik, 
Candie, (f) Candia (Uil.emft. im 

de MiddelU Zee) 



krL CA. CE. CH. &e. 

Çaodiot, te (ra. Öc f.) CânJier enz. 

Candy, Candiit {fiadt e» Koningr. 
op 't EU. Ceiln). 

Canelle (Le Païs de 1») */ Ka 
melland (op 't E'l. Ceihn), 

Cantorbt^ry , (m) Kantelberg (n. fi. 
in Engel i»J;. _ 

Cao, oa Pforsontoire , (m) Kjop , 
voYgcbergtP of Lan J punt , in zee. 

Cap de bo nt; È-pérnnce.fm) fio^p 
de goeJe H»jp (de zuidelyte Land 
fhnt va» Aj\ ica , inet eene franye 
St^t. Kifieel en tvin , de Hol 
landlcbe O^Ji- hdifche' Maatfchoppy 
t'fhebQO' ot'U , VOO zien , en alwaar 
de Ooft I dijcbe Schepen om ver ver- 
'ck-.nsi *én anker kömsn), 

CArth«gèpe , (m) Cartagêna (n. St. 
in Sp'*n. en Amer.)* 

Cafr.ieune (La Mer) De Caspijcbe 

CafTabie , (f) CaJ/kbiè'â (L. i» Pom- 

meren). 
Cacalonte , (f. Catahtiiën ( L. in 

Spanten), 
Catalaii , ne (m. & f.) Catalónier 

enz. 
Caudebec , (m) Stadt i» Norman- 

diè'n , vermaard wegens Hoeden* 
CeiUn , (m) CeiÏOH (n. Gr, EU. « 

Indie^i}, 
Chine, (f) Cbina {Gr. Koningr. in 

At:sfi). 
Chinois , f« (ra. & f.) Chinees enz. 
Chrétienté, (f) 't Krijïenryk (n). 
Chdl'tophe (vSf.) Sinte Cbrlji~ffsl 

(BfL t» Amer»), 
Cleves, Kleef {f raaf 9 fl, e» Hsrtag- 

dovi). 
Cols , (m. pï.) La^^d engten , door 
togun (met betrekking tof de Alpi- 
fcbe Gebergten). 
Cologne, (f) Kuten (n. gr. Koop- 

ftait aan den Rhyn)). 
Cologne (L'E'caorat de) */ Keur- 

vo^fter.iom Keulen. 
Confiance , ( f ) Cojlnitz (fi. in 

Duitfibl.), 
Conftantinople , ff) ConHanttnópel 
(zeer groote <■■ o iryke Stadt, en ze- 
tel dei Sültau» in Europifcb Tur. 
ty?n). 
Copenhagne , (m) Eop:enhdgen 
(Uooffi. en ii'tel dei Kcningt van 



CO CR. C7. DA. 

D.^nemarketi » een zeer fraaya ZH' 
en Eiandeiplaats). 

Cornouaille, (f) Ko^nexval (n. L, 
/.i Engeland). 

Corfe , (f) Co'^fica (EU. in de Mid- 
den Zff). 

Corfe, (m- & f.) Corftiaan. 

Courcrai , (m) Corttyk (n. Ji, in 
Slaand.), ^ „ . 

Cracovie , (f) Krokau (Gr. St. l» 
Pool). , ^ - 

Crpaiie , (f) Croatièn (n. L. iu 
Hjngar.). 

Croate , na. & f.) Croaat ent 

Cypre, (f) CypHën (n. EU, it» ds 
Middelt. Zee). 

Cypriot , te (tn. & f.) Cypriaan^ 

Damas, (m) Damascui{n). 

Danemarc, (m'*. Denemarken (n). 

Danois , fe (m. & f.> Deen enz. 

Dinube, (m) De Donau (Gr. Riv.). 

Delfc , (m, Delft (tâmelyke groofe , 
fraayc en zinnelyke Stadt in Hol- 
land ^ beroemd wegens baare Por» 
eeleinf^.oHeksn). 

Davis (Détroit de) De firaat Da- 
vlds (in Groenland). 

Détroit , fm) Zee-engte » firaat , *; 
naauM) (aU: te GïhraUar). 

Dixmude , (m) DixmuiJea (n. Sf.iia 
naand,). 

Domingae (St.) St, Domingo Stads 
en Etl. in Amer.). 

Dordrecht ca Don , (m) Dori: 
reek* ofDcrdt (d'ovdfie en eerfiefiesn- 
bebtsnde Stadi van Holland f gclé' 
gen cp een Eilandje aan de Maas, 
bier do Merwêde genaamd ^ tâme- 
lyk groot fraai en bandeldryvenJ , 
zeer bekwaam voor de Scbeepvaart , 
hegunfiigd met bet fidpelreebs em 
munt . e» beroemd wegens bet Syr.o- 
das nkti onal is aldaar gehouden A° . 

1618 efióip.) 

Douvres , (tn) Doever (n. Si, eu 
\ Zee b, iu Eng. in 't kanaal). 
Dregde , (m) Dresden (n. Gr, St, 

in Sr.r.), ^ ^ 

Drontheco , (q) Drontbsm (n. Gr, 

t. in Nor 'Af.). 
Djblin , (n3) Duhin (Hoofdü. en 

Zp'' b. van Ierland). 
Dd kerqne t (m, DJ^kerkei (n« 
Gr. Zee .en taaiêl -plaats i'^ Fr» 
Vlaand.}» E«'a- 



ECL. EDI. EGL. tScc. 

Bclufe , (f) Siuit (J), im ffoll, 

Vlaamd.), 
^ Ecoffe , ( f) Schotland (n). . 
Ecoflbis, fe (m. & f.) Scbotlaader , 

fibof. 
Edimboarg, (m) Bdi»h»rg (a.ff.ji. 

in ScbotL). 
Eglife , (X'Etat de V) De Eer- 

kelyke Staat ( die de Paus be- 

^ Zit), 

^gypte, (f) Egypten(n). 
Egyptien, ne (m. & f.) Egypte. 

maar. 
Elbe, (m) ö* i?/** {R.imDuUfcblX 
Ems , (m) Dff £oti (f. R, /. 

Duitfcbl,). 
^^ckhüfe, (f) Bukbuizenifraaye fi, 

»■ iv» aoll.)m 
Efcaot, (m) D^ Sc^^W^ (12. /, 

Brab.). 

Efclavonie, (f) SlavétiUa (n. bv 
Hong,), ^ ' 

Efpagne , (f) Spanièn (n). 

Efpaguol , le (m. & ^.) 5po«,'jrJ. 

Ethiopie, (f) Maoren-land: 

Ethiopien, ne (m. & f.; Btbiopier, 
Moor, ' 

Euphrate, (f) Bupbratss (R, i» 
^zièm), 

Bxirope,(£) Europa (f. een der 4 
waereld-deeten). ^ 

Fez, (m) iT,^ (^. ^„ iTOT/Bgir. /» 

Finlande, (f ) FinloBd (n\ 
Fmlandois, fe (m. & f.) F/^/öurf^r 

of Fin, 
Flandre ; (f) riaanderen (n, L, in 

de NéderL). ^ 

Flamand, à^ {m. i. î.) Vlaaming , 
FJeffîngue, (f) VllJJing,^ ( ,g„e 

^^j^^l^^';^»(nFiorentie»(n,Gr,fi. i» 
'T.?^'^' (Villes) D^ «,^W^^. 



FRA. FRI. GAL. <3cc x^/ir 

France, (f; ^rj»*ryit (u Gr. Ao- 

ningr.). 
F/arçois, fe (m. & f.) Franfcb-^ 

mau etz. ' 

Francfort far le Me in , Francfort 
aam de Mem {eeae gteate Kaopjl, 
beroemd wegens baa>e MtJJen), 
Francfort far l'oder , Francfort aan 

de Oder , {met een' H. fcbool.), 
François, (Les îles de St.) De Ei, 
landen van St, Framifcus {im 
Amer.), 
Franconie , ( f ) Frankenfaad ( in 

Duitfcbl.), ^ 

Frife, (f) f^riesland (n, eeee der 

7 Prov,). 
Frifon, ne (m. & f) rrieübi vrie» 

zin, 
Fone, ou Fionie, (f) Fuaen (o.£, 
^ in Dénem,), 
Farne», (m) ^urnsn (n. Vefting in 

ylaand.), 
Galice, (f) Galicien (L, r» Span.). 

dom Wallis (i» SHg.), 
Gallois, fe (m. & f.; Walfcb-man 

enz, •* 

Gand, (m) Gbend (n. fi. $» Staand X 
Gafcogoe, (f) Gafiônien (L, in 

yraakr,), 

Gafcon, ne (m. <Sc f.) Gafconjer 
enz. 

Gènes, (m) Gênua (n. groote , prag^ 
fjge e» ryke Koopfiadt^ item Repa^ 
bliek in Italien), 

Génois, fe (m. &. f.) Gênuees enz. 

Genève, (f) Stadt en Republiek in 
Savoyen aan *t Genéver meer j de 
fiadt ts groot , -wel gebouwden ban. 
deldryvende in allerlei manufaâuw 

^ ren, "' 

Genevois, (m) '/ Gebied van Ge^ 
nêve. 

Genevois, fe (m, & f.) Geniver 
enz. 

Glaciale (La mer) De Eis-x.^e, 

Gorcnm , (m) Gorkom of GornUbent 
{eene fraaye Stadt en vefiing in 
Holland). '' * 

Gouda , on "Tergow , (m) Gouda 
{Fraai - bebouwde Stadt in Hol- 
land en beroemd wegens baare Pyo- 
fabrieken gnx,) 

** Gothie 



sviij GOT. GRE. &c; 

Guthi. , if) Uot'fwvt ■■ .>. 
•G.ths ,(ai. p\.) (^Ottde G«'l6f». 
G èse . ( f ) G-ifkentunJ (n:. 
Gr.>c, Grccqae, -m. & f.; Gr/f* 5 

Griekjchf f'O.-a». 
Giifons (Les), D<j GracWJ^bun 

de>'t, ^ 

Crifons .Xe Païs des) V Graaöw 

hunU'lanJ {RefuhUck by en i» v^r 

Grotfoiand, (m) Grof^rJard (n). 

G oningue. (f) GrJ«;»?.» («rooj^ 
5*öif en eéne der 7 vereenigdt 
Provint ten) f ' , , , 

Gaeldre . (f) Gelder tavd ( n. êen 
grs'^t Hmagiom, en eéne der 7 
Prov, van Uil.) ^, ^ ,^ .. 

Gaeldrois, ie (m. & f.) GüSerJch- 

Gaeldres, (f) GeUere» {Jierke vef- 

Hsinant, (m; Hénegouwen {L, in de 
Néierl), , ^ 

Ha^bo-arg , iTa)IIamhurg (n. Gr. 
^^^- en Handelpl. in NéJ- Saxen). 

Hanovre , i f) Banóver (n. Keur 
vo^dend}m in Duitfcbl.). 

Hanóvrien, ne ca. & fO ff^'o- 
ram. 

Hi.lem, (m) H^ar'em (G-- fr.taye 
e.1 ryke Stadf ia Holland, vol 
Fb'i'ien), 

Hüy.^ (La) , De Harig of* s Graven. 
h.igt{fipn Riront éren vlek of fiidt 
in Hxltand , eene kleine rnyl van de 
N Jee , vol fcbüjne Geboun-en en 
Paleizen , de zetel der Hereuf 
Stuaten Generaal mz. waarom bef, 
met recht , ge-ioe^nd wori , bet 
fraaifte en ptagtigfie vlek van de 
voiiereld), 

Hécla, (ra) Heela (brandende B?rg 
in Eislani), 

H-flTe , (f) Be (Ten of Hejfenland 
in). 

H '(Tien , ne <m. & f.) H^s ; HJft^. 

Ho 'lande, (fj HoUard (n. ee-e 
Gr.tJ-ffcfyflp in d? Néd^rlnni^n 
de grootfie "n 'fraaijie di'r 7 ^^er. 
eenigde P'ovintie».^ 'tlo'i'fnéden mei 
ver'c'^eiie va.r-'ajre Rivieren en 
Kntrtante» , op vopikfrs zyoi»/'^ zleb 
vele pragtigp Sféd'^n en Ltiftbaizet 
ots ia ecB' Groe^ vtrtisaeB, N3, door 



HOL. HON. HOR. &c. 

Jé'.'R Nj..m HAland verjiaut men 

ook veeltyiii bet gantfche Gemeene' 

teji of a-: 7 verè'intgde Lanijibap- 

pen , oj in andere woorden de gtf j 

beele Republiek 9 of 7 g îi»ie$rde 

Provint i en). 
Hollande Nord-) ou Weft-frîfe 

( f ), Noord Hullofrd of IVeJi- vrtes- 

laud (L. aan de ziUder zee waarin 

verfcbeids fraaye Steden en vette 

vteianden), 
Hoi:ar.d.ïis, fe 'm.& f.) HMatdefi 

HjHa^dfcbe vtouw. 
Holface, (f) H.lfieinin). 
Hongrie , (f) Hmgaryen (n). 
Hougrois, fe (m. & f.) Hongaar 

ene. 
Horn, (m) Huorm {Gr. fraaye fi, in 

N. HM), 
Indes (Les), De Indien, 
ïndoftan , ^m) I^dojian (n. Gr. Land 

in Qofi indien). 
Ingrie, (f) Ingermerland (n» L. i» 

Rujland , 
Irlande, (f j Ierland <n. een Etl). 
Irïandois , fe (m. & f) lerlander 

etiz. "i» 

mande , ( f) Tfla^d (fi. Eil in de 

N-tee)» 
inmdois , fe fm. & f.) Tflander enx^ 
ine OU Ile, (f) Ben Eiland (n). 
Ifpahan, (m) Ifpaban (n. Hoofdffo 

van Perztè'n), 
Iftbme, (m) Een Land-punt (t}» 
I:a ie , ( f ) Italien, 
Icaüen, ne (tn. & f.) Italiaaner, 

Italiaan. „ , , 

Ivtça, 1 f) Iviea (Stadf en Btland 

in Je Middel zee). „., . 

Jacraïq je , f ) Jamaica (Gr. Etland 

in Amerika). ^ .. 

Jipon, (tn) 5^upa» (n. Gr, Keizer^ 

ryk tn Aièn). 
Japonnois, fe (m. & f.) Japonnees 

Jernfalem, ''m) Jèrufalemin.Hoofdfl. 

ven 't Heilige Ij-^'-d). ^. . 

Jocrdaïn , (m; Jordaan (m. RiV- « 

Jtiiéer f) Juiêa of 't Joodfcbe Lanâ 
in éziè'A). c..«j.\ 

jaiers, tn) Gti^icb (n. een Stade) 
item 't Guli eter land. 



KON. LAC. LAG. 

Konin^cj i^ , {m, Kont- gée* gen 
(n. Gr. Zee- en Hjudeijiadt in 

Lac , m I üea Mef^r (n) , als : Ie Uc 
a'H«rlem, '/ üaariemmsr AUer 
em. 

La^iUnes , (f. pi.) Naam die men 

gtefi aan de Grogten of Poelen 

ujfcben welke l^e^té^ien is teggen'ie, 

Leiaen « Leiden (n^ae grootfie btodt 
in Hi land uau/i J^mH^rdam j 
doorinùditi met fraayp Gr-ijtea en 
Sirenen , : ol fraaye Gsbouweh en 
Fabrieken , en zeer berosi.-id lam- 
S eus baar e H;> ogc- S booi.) 

Leii^fiG, (m) Letpxg (n. Gr. St, iu 
Ónxem y beroemd wegens baare 
H^Q^e Scbuoly eu jaarîykjtbe M s 
of Kermis). 

Leeuwaarde , T.eettwaarden 'Gr. en 
ftaaye Hoofd St. van F'riesiand). 

Levant, (m) De Levnt (f;. 

L<;vaatin , iue (m. & f,; Bi'woonder 
der Levant. 

Liban , (m) Liban (m. B. ia A- 

Z;è'i). 
Lîè^e , (m) Luik {teer groote Koop- 

ftadf en Btxfcb.ops zétel) . . 
Lé pais 'de Liège, *. Litiker'.atid. 
Litgcois> fe m^ Ltiikena.ir enz, 
Lille , (f) Ryjfel (n. G-. kojp. en 

fh'fd-St, rjan Ft^ l^laxind.), 
Lisbonne, ^ f ) LitfaboH [a. ze r 

gro'jte em ryke Zee- en Handei- 

Siadt in Portugal j de Zé.ei des Kj- 

ni»?s. 
Lithâaaie, (f) LUtbouwen (n). 
Lithcanieiii ne (m. & f.) Lii;büu- 

wer. 
Livonie^, ( f ) Lyfîand (n). 
L.'vonien , ne (m. & f.) Lyfiander. 
Livoarne , (f ) Livorno {n. Gr.Zee 

en Handelploats in Lciiën), 
Lombardie , ( f ) Lombardyen (n. L, 

in Itaiièh). 
Lo.iibard , de (m. & f.) Lombar- 

dier, 
.Londrea f (os) Londen of London (n. 
;: IloofJfla U van iitt^chind , aan de 

R. de Teems , eette der groot/ie fa 
' P'olkrykfiü bandel plaatfsn ia Eu- 

rop.3). 
Lorraiue , ( f} Loibdrhge» (n). - 



LOR. LOU. &c. XIX 

Lorrain , ne \^ai, àc /.; Latb^n^. 

ger, 
Locivain , (m) Leuven {Gr.SiaJtmet 

een Ho.^ge Scboji in Brabovt). 
Madrid , -ySz) Mad id (n. fljifd St, 

tK Sioeie».. 
Majorque, f; ATi/fl-- ci [EU. en Stadt 

i: d-> JYlJJel t.'Zes). 
Maiabar , (mj Malabariè'n (n, L, 

ia Az . ■ ■ 

Ml icca , f f ) MaLcca (L, in Az,). 
M<ilaiâ ^L?s) , De Ma.cyers {volkin 

riz.). 

MaUi4Ê-8 , '( m ) Ms!cbe<en , (St. in 

Brat.), 
lyiiJto, (f) Malt ba {Ei l, in de Mid- 
del). Z?e , soebebüorenie aan de 

Rddef^ van Sint Jm). 
M-. toia, ie (ra. & i.) Mihb'ezer^ 
M^ïichi , ( f ) 'j Kanaal (n. tuifcbea 

-->aï>*'/, en lù*.gl.). 
M"rsüie,rf) MaVfihëtt fn. Gr. 

Klop en Z^e-St, m de Mtdj.ell. 

Z„e'. 
M 5? lei 11 ois, fe (m.&f.; Een Mar- 

(i'-^aon, 
Maftrrcht, (m)' Mja/iricbs {n. fier h 

vefting ifi 'Je Néiet4.). 
Mïyeuce (L'E eftorac de) 'i Kiür- 

vàrj^iHd'tn Mfiott, 
Mayèace , (f' Msr.t^ {d; BooffJ. 

e» Ziivi d:S Kraru. aan -ien Rbyit}, 
M^aco, (mj Méaco (n. Gr, oV* in 

Mecqae ,(£)Me£ea{Gr^fi.in A^ab.). 
MéaiCï-rranéÈ , (fj De Middslhnd- 

fcbe Zee of ft raat, 
Mihün , (m) Meemn {n, St. i» 

f l tand.). 
M-af:^, (£) De Maat {Ri»,), 
MvKiqua, (f) Mixicii (n. Gr. L. im 

Ame:,). 
Middeiboarg , (m'> Mid^ebur,^ 'n, 

H}ofJ St. Man^ Z sland i'^ 't RiU 

t^alcbsrea, is groot wsl bffbonwd 

e^ ijer handel dryveti, 
Mi'^an, (m) Miian (Ji. en L. iu 

hal.). 
M'.'anois. fe (n3. & f.) MPneezer, 
Miianeg ;L^) 't M't>-i«ifc^>i' 
M.aorque, (f) MuO'caif^iU ^« * 

MtdJeli. Zie . 
Miq-jeiets, \Le8} Naf''-i di& jmen 

* * 2 «*^/» 



ixxii SUR. SYR, TAM. &c. 

Snri' ax'C , (f) Si*rn%aam i. eu vo,k- 

plamhg '» jdner), 
Syrie , ( f) Sjrièm (n. L. <a Tsr*.). 
Tamife, (fj De Theems {K, ta 

Eagl.). 
Tanger, (m) Tj^g^fr (n.y?. ^« ^ar- 

Tàrtarie , (f ^ Tartaryèi (n). 
Tdoraa , {m, Taurut (Gebergte tm ^t.). 
Tervére , (f) Terveer vS;. Ja 

Tharingaer<f) Tburingen{L. its O.). 
TiDr€ ^Le) De Tyfr^r (Gr. R. ia 

lal.). 
Tilbourg , (m) Tilbarg (G. ea fraai 

vlek , til bol\andfcb Brab.), 
Totol OU Tobolfca, Tobohko (n. 

Hoofd/i» van Sibérien daar df 

rvffifc'be Ballingen naar toe gebonden 

wcr-Jsn). 
Tofcane, (f) Tofkaanen ( L. 

Ital.), 
Tofcan , (m. &f.) Bçm Tofkajn. 
Tcurnây , (m) Doormk ( n. 

J/'laand.). 
Tracülvanie, (f) Zevenbergen, 
Tranfilvain, ne (tn. & f.) ^^t;^»- 

Trèvea, Trier {Gr. fi» en Kearv.r- 
JienJom), 

Triiöe, (f) Tr/V^ (n.Ji. es zee b. 
in Lal.). 

Tripoli , ( •*) Trtpoli (Gr, fi* en 
kiein Koniagr, in Afrika y eenRoof- 
nefi). 

Tripolitain , ne (m. & f.) Tripoli- 
taan. 

Tanis , (m) Tunis {Gr. Stadt en 
k'ein Kmingr. in Jlfr. efn Ro'^fnefl). 

Tanitien, ns <'m. & f.) Tunitiaan. 

Turquie, (f) Turkten. 

Toe, turcque (m. & f.) Turk snz. 

Utrecht, (m) Utre(bt (Hoofdfi. en 
éè» der 7 Holl. Prov. dl- S tait is 
groot en aa-zienlyk ^ en btfft e ene 
vermaarde B. School.)* 



in 



in 



VAN. VAR. VAU. &c.. 

Vala^hie, [ f, h^aia^b e.i (..). 
Va.aque , (ii». & f.) Walak 
Vatdaies, ^Les) De wenden (zéker 

oud ^olk). 
Varfovie , ( f) Warfcbau (Gr. S.adt 

in Poolen). 
Vaudois, Les') De irsidenzen, 
Vfccre. (Zte T^rvére;. 
Ve^ife, (f) /^eȎiien (eene Stadff 

Hertogdom en Republiek in Italien, 

df Stadt is gebcutvd op meer Jan 

70 BilcindjeSf zser groot , progt/g 

en rykj. 
Venetien , ne '"m. & f.> Venêtioan» 
Verfailles , yerfaljes <pragttge Ltiji- 

paati des Ko*ings van Frankryk), 
Vibocrg, (m) Wyburg (fi. in Juu 

land). 
Vienne, (f) Vienne (fi.i^Vrankr.), 
V-ieone, (f) JVeenen (Hoofdfi. in 

Oofienryk de xét^l des R. Ketzers , 

^ zeer groot en fierk). 
Virginie, (f) t^trginiën (L. in 

.iivier.). 
Viftule, (f) De Weixel (R. in Poo- 
len). 
Wefel . (m) ff^ézel {ft. aan den Ne^ 

dpr-kbyr>). 
Weft^haiie , { f) Wejipbaalen (L. in 

Daitfcbi ). 
W*rft,,halien , ne (p) IV.fipbaaïer. 
Weteraviei (f) De Weitercu (L, 

»« D.) 
Woïga , (Le) De ivolga (f. Gr. Riv, 

in Rèjljnd). 
Ypres, {To) Iperen{n.Gr,ft.inVf.), 
Yflel , (n>) TJfei (Riv. in Hall.). 
Zélande , ( f) Zeeland (n. eene- der 

7 Verëenigde Provintiën , gelegen 

aan de N. Zee y beroemd wegens 

baar e Meekrappen). 
Zélandois, fe ra. & ?.) P^en Zee- 
- landt r of Zeeuw. 
Zuiderzee , Een Zéê-boezem van de 
N. Zee, by Amftetdam. 



DICTION- 



Pag. i 

NOUVEAU 

DICTIONNAIRE 

FRANÇOIS ET HOLLANDOI& 



A (m) A. (f) T>e eerfte Letter 
• van bet A.B,Qt un bon A , 
éene goede A; il ne fait ni A , ni 
tS, hy kent geen A voor een B^ hy 
is een weetniet; il n'en à pas fait 
une panfe d'A, by beeft 'er niets 
aangedaan, (Spr. w.) 

A. getskent met een (Accent gra- 
ve * ) zwaar klankteken , is een Artikel 
den Dativtts aanduidende , als : à 
moi, aan myn-, à la Femme , aan 
de f^rouw i à eux , 'aan hun i à qui 
eft cette maifon ? wiens buis is dit? 
à Monfieur A , van den Heer A', ^\ 
qui appartient ce livre ? wien hoort 
dit boek toe? à moi, aan my. 

A. is een Voor zet zei ( PrepoCttion) 
als ."aller à Paris , naar Parys gaan} 
demeorer à la Campagne , op het 
Land woonen î il eft à l'Eglife , by 
vi in de -Kerk ; à naidi , te middag ; 
à minuit , te middernacht j à de- 
tnain, regens morgen i à l'enfeigne 
du lion rouge, tn 't iv apen van de 
roode leeuw, à trois heures, ten 
drie Uuren ; à trois jours de là > 
drie dagen daar na , à vingt 
lieues d'ici ^twintig mylen van hier-, 
à deux doigts de la terre , t^vee 
vwger breed van den^rondy à la fa- 
veur de la nuit y onder begunjîiging 
der nacbf, à ce prix là , tot die 
prysi à raifon de fix pour cent , 
ttgens zes ten honderd. 

irJet woQrd-lfgJje ( Particule ) A , 



word ook gebruikt in plaats vdn fieâ 
f^oorzetzet avec, ppurj als mede oni 
aan te wyzen waar toe iets gebrttikfi 
word; ook bywoordelyk (Adverbiale— 
leraent) om de manier ert hoedanig-* 
held van iets aan te duiden j als ; bâ- 
tir à Chaux & à Sable, met Kalk 
eit Zand bouwen', travailler à 1 ai- 
guille , met de naald werken ; ui» 
pót à l'eau , een water-pot ; un mou- 
lin à vent, een wind -molen; une 
chailè à bras, een armjïoel; un© 
boite à fuiïl « een tinteldoos 5 ua 
tonneau à vin, een fFyn-vati di» 
bois à brûler s brandhout', du drap 
à fond d'or j laken met «en goude 
grond i un carofle à fix chevaux * 
een koets met zes paerden', c'eft ua 
homme à carofle , het is een matt 
die een koets /)Ottcf; travailler à Is 
chandelle by de kaars werken i 
peindre à l'huile ou « huile, met 
oîy -verf Schilderen', on le fit déchi- 
rer à des lions , men deed bgm 
door leeuwen verfcheüren ; avoir une 
un ducat à trois a een ducaat met 
zig drién hebben ; deux à deux , twe& 
aan twee; apprendre unö chofe al 
fond , iets in de grcnd If eren; ap-^' 
prendre à lire , leeren ieezen; c'efl 
à vous à jouer, het is uw heurt en* 
te fpeelen j à bon marohé , goecf 
koop; à genoux, knielende; vêtu à 
la mode françoife, gekleed na de 
franfike mode;k l'épreuve du mous- 



& ABA. I 

qaet , heftafid ^-oor een fnaphaan- 
fchoot'f un maître à danfer , een 
dans - meejïer ; un homme à tout 
faire , (PH man tot alles bekwaam ', 
neaf à dix raille, omtrem negen of 
tien duizend', à tort , ten onrechte , 
à rebours , verkeerd ; à la hâte , 
metter haajl, in der yl *, à l'étour- 
die, cttbezonnen'f à mefureqoe, na 
maatea dat', à grand' peine, ^Tiet 
groote moeite -, pied à pied , i'oet 
voor voet ; à merveille , ivonderlyk 
tvet, à cela près, op dat na', à di- 
re le vrni,o«z de^vaarhetd t:^ zeggen. 

A. zonder toonteeken is de derde 
perfoon , des tegenwoordigen tyds , van 
de ' aantoonende VL'yzs des behutpzaa- 
Kien iverhvoords > avoir , hebben ', als : 
il a, by heeft. 

Hier toe behoord het onperfoanlyk 
nverkivoord, il y a> daar is f daar 
:zyn', il y avoit, il y eut ,daar 
ivas f daar waren j enz. Combien y 
a t-ü, hoe lang is het geleden^', il y 
a dix ans, tien jaaren-, combien de 
lieues y a t-il d'ici à^ Paris ? koe 
ver is Pat y s van hier^ il y a près 
de cent lieoës , hyna honderd mylen. 

Abaifle ^ (f}De cmderjie korji van 
wen 'pajlei , of taart, 

AbtifTé, ée (adj.) Ne êr gelaat en , 
verootmoedigd , vernederd, 

Abai£"5ment , (m) Vernedering y 
verootmoediging ? ( f) abailTemcnt de 
courage , moedeloosheid. 

AbaiiTer , ( v. a. ) Neêrlaaten , laa- 
ger maaken , verootmoedigen ; abais- 
fer un pont levis » eetie brug neer- 
iaate» ; sibaiiTer une muraille de 
deux piéz , een muur twee voet taa- 
ger maaken; Dieu abaifle les or- 
gueilleux, God vernederd dt Hoog- 
moedigen; s'abaiffer » (v< r.) Zig 
vernederen , laager worden ; l'eau 
s'abaiiTe , het vjater valt; Ie vent 
s'abaifle , de wind bedaard , gaat 
ieggen. 

AbaifTeur, (m) Spier daar bet 
QÇg mede gejloofea word, 

AbaloHrdir > ( zie Abafourdir ). 

Abandon, (ra) i^erlaating; (f) 
1'abandon des biens du monde > 
de verlaating der waereldfcbe goede- 
ren ; à l'abiijidon^ in 't wild f tsü 



ABA. 

prooi; laiffer fes enfans à l'aban- 
don, zyne kinderen in 't wild laaten 
loopen. 

Abandonné , ée ( adj. ) Verlacten ; 
abandonné des médecins, vc» de 
geneesbeeren opgegeven. 

Abandonné", (m) Een'cngebon^ 
den- ) overgegeven , ondeugend menfch. 

Abandonnée ,( f) Straat-hoer , .-ii- 
lemans-hoer. 

Abandonnement , ^m) -Verlac' 
ting ; orgebondenbeid ( f). 

Abandonner , (v. a.) Verlaatcn ^ 
opgeeven, overïaaten; n'abandonnez 
pas les étriers , {Spr. w.) laat u 
belang niet vaarm', s'abandonner, 
(v. r. ) à fes paflions, zyne driften y 
harts-tochten opvolgen ;s'at5andonner 
aa defcifpoir , z;g aüti de wanhoop 
overgùven. 

Abaque, (m) Het dekjiitk van het 
kapitpfl eener zuil; reekentaf At je der 
Ouden ( n ). 

Abafourdir ,( v, s. ) Eahorig maa- 
ken {beter Etourdir). 
- Abâtardir, (v. a.) Doer, ontaar- 
den , bederven -, s'abâtardir , ( V. r. ) 
ontaarden , bederven. 

Abàtardiflement , (m) Verder- 
ving; abàtardiflement des mœurs, 
verbafiering der zgedm ( deze 3 woor^ 
den verouderen). 

Abat-faim , (m) Eeri groot Jiufi 
Vieefch ( n ). 

Abat- jour , (m) Val -licht, koB' 
koek 9 Kelder-vengjler (n). 

Abattage, (m) Hakloon; het neir" 
vellen van Èoomen ( n ). 

Abattant, (m) Een ilind , luik, 
neêrjlaand Ven ^ fier ( n). 

Abattée , ( f ) De windvatting vaa 
een Scbtp. 

Abattement , (ta)VerJlaagetitheidy 
moedeloosheid, matheid; neérwerping 
(f) cette nouvelle le mît dans l'a- 
battement , dfe tyding floeg hem 
gantfch ter neêr. 

Abatteur , ( m ') Iemand die neêr- 
werpt , ter neêr maakt , omver-bakt ; 
grand abatteur de bois, ^roo;^ ke' 
gel werper ; zwetzer , opfnyder. 

Abattis, (m) Een boop neerge- 
velde dingen ,puip/fQOp; afvol "van ge* 
flacbtf teeflin^ 

Abattre , 



ABA. ABB. ABC. 

Abattre , ( v. a. & n. ) Neérwer- 
pen , neérvellen , omverhahken , af- 
jflauKy verzwakken; Ja pluie abat ie 
vent , de regen doed de^wind leggen ; 
abattre de la vraie route, de'rech- 
fv Jh-eck niet houden ; Ie vaifTeaa 
abat, het fchip dryfi af; abattre 
un raifîeau , een öcbip doen bel 
len , om te kielhaa'en; petite pluïe 
abat grand vent , een kleine re- 
gen flild een grooie wind , ef een 
goed woord vtnd efn goede plaats ; 
(^pr. w.) abattre le cuir d'un 
Bœuf, een Os de buid af haaien ; a- 
baltre le caquet , de moud [noereu; 
abattre les rideaux , de Gordynen 
laaten vallen ; abattre bien du bois , 
ve,l zaaken afdoen , vrcl Kegels wer- 
pen, {Spr. w.) s'abattre, (v. r. ) 
Neervallen , bezzi-yken ; la chaleur 
S*a.ba.t f de hit 'e vermitiderd -fion che- 
val s'ell abattu fous lui , zyn paerd 
is cnder hem ter necrgeflcri ; l'oifeau 
s'abat , de vogel fïr'ykî ; il ne s'a- 
bat peint dans le mal heur, /jy îaat 
in ramp-fpoed den moed met zinken; 
le navire s'abat, het fchip word an- 
kerloos , valt af. 

Abattu , ue (adj.) Qmgehouwen , 
neergeworpen , gejîecht ; verootmoe- 
digt , neêi'Jlacbtig. 

Abattures, (f. pi.) Struiken die 
het Hert ter ne ér treed. 

Abat-vent , (m ) fVindfcherm]{n) 
tnat om de gewaffen voor fcherpewm- 
den te dekken; (f) afdak in Je galm - 
gaaten van een klokken- tooren. 

Abbatial, aie (adj.) Het Peen tot 
Gen Abt of den Abdye behoord {Lees 
Jibhacial). 

Abbaye , ( m ) Een Abdye. 

Abbé, (m) Een Abt; Ie moine j 
répond comme 1'abbé chante, ge-\ 
lyk de ouden zingen zoo piepen de jan- 
gen; (Spr.w.) on vous attendra 
comme les moines 1'abbé, men zat 
al eetende naar u ivagtrn- 

AbbelTe , f f) Een Âbdiffe, 

ABC , ( m ) Een ABC, of Alpha- 
bet, een ABC. hoek; (n) renvoyer, 
quelcun à l'a, b, c, iemand voor] 
een weetniet houden. Î 

Ahcès , ( m] Een ^wefr C f) Effgr- 



! ABD.ABE. ABH. ABI. 3 

Abdicatie II , f. AJjiand (m> 
neerlegging , verlaat ing. 

Abdiqué, éc (a-Jj.) Neergelegd ^ 
afgeflaan. 

Abdiquer , (v. a. ) Neerleggen.^ 
zlg ontjlaan ; ce Prince fut on- 
traint d'abdiquer le Royaume, rf>> 
l^orfl wierd genoodzaakt bet Ryk af 
te leggen. 

Abdomen, (m) (Lat. w.) DeTi^ 
onderbuik. 

Abdufteur, (m) Spier daar een. 
lid mede gedraaid word. 

Abécédaire , ( ra; Een A. B. C." 
Schoolier. 

Abécher ou Abequer , (v. a.) 
^azen. 

A bée » ( f ) Schilt waar door het iva" 
fer op het molen rad loopt (n)* 
Abeille, (f) Honingbye, 
Abequer , ( v. a. ) Een f^ogel aa^ 
Zen , voeden. 

Aberration , f f) Afwyking (itz 
S t er r enk. ). 
Abêti, ie (ad). Dom gemaakt. 
Abêtir, (v. a. ) Beejiachtig , dom 
maaken; s'abêtir, (v. r ) Beefiacb" 
tig dom voordien, 

Ab hoc & ab hac , {Lat. w.) Zon-^ 
der onderfcheid. 
Abhorré ,ée { adj. ) l^eraffchutvwd^ 
Abhorrer, (v. a.) Affchuuw heb- 
ten; abhorrer le vice ,van ondeugcf 
een afkeer he hen ; s'abhorrer foi 
même, zig zelfs ver foei jen. 

Abigeat , (m) f^ee-dtevery ^ (£) 
( in rechten). 

Abjeft , te , (adj.) Gering , rer- 
acht-elyk; metier abjeél , ver acht e lyk. 
ambacht ; être d'une naifTance bas- 
fe & abjefte , van geringe geboorte 
zyn; fentimens bas & d\i]e(ks,laage 
gevoelens. ( Lees abjét ) 

Abjefltion, (f> t^ernedering , ver^ 
afhtelyke Jïaat ; vivre dans la der- 
nière abjedion, in de grootJJe ver- 
achting leeven. 
Abime, (n) z/^ Abyme. 
Ab-inteftat, Héritier ab-inteftat, 
natuur lyke erfgenaam. 

Abjuration, (f) Ajzweering,ver^ 
zaak ing. 

Abjuré, ée (adj») Fenaakt, af. 
gcZwQoren^ 
A 2 Ak- 



4 ABÏ. ABL. ABN. ABO- 

Abjurer , (v. ü.)JJzv;eeren,jer- 
Uocbenen, verzaaken-, elle a abjuré 
tout fentiment de pudeur & ver- 
tu , zy beeft aile gevoel vanfcbaam- 
H en deugd verzaakt. 

Ablatif, {m) De TVegneemer.of 
zesde naamval der dechnatie , ofbut- 

''Ible ou Ablette, (m) ^itvifth, 

Ableret, (m) ^ruitnet (n) om 
kleine J^ifcb te vangen. 

Abloc, (m) Grondjleen) voet on- 
der ee% Gebouw» 

Abluer,(v. a.) Laver une an- 
eienne écriture, pour la faire re- 
vivre , een gefchrift u/ajfcben. 

Ablution , ( f ) JVaffchin^ , remt- 
tint, (in de R. Kerk gebruikt). 

Abnégation , ( f) rerloocbenwg, 
tverzaaktngi abnégation de Toi mê- 
me , zelfi verloocbenifigvanzynelu[îcn. 

Aboi, Cm) Geblaf, gebas van een 
kond» ^ 

Aboiement, (.m) Blaffing, 

Aboier , (v. a,) Zie Aboyer. • 

Abois ,(m. pi.) Zieltooging ,laat/te 
ademtocht i({) être aux abois, ziV/- 
foogen , in doods benaauwdhetd zyn ; 
mettre fes ennemis aux abois ,2y«^ 
vymiden in de uiterp verlegenheid 
krengen» 

Aboli, ie (adj.) Vernietigdi af- 
gefchaft. 

Abolir, (v. a.) Femtetigen^ ver- 
feeven; le tems a aboli plufieurs 
ouvrage* des anciens , de tyd heeft 
9eelé werken der ouden doen verkoren 
gaan f abolir une loi» une coutu- 
me , eene %et y eene gewoonte af- 
fcbaffen. ^_ , ^ 

AboliOement', (no) Jffchaff.ng, 
vernietiging^ (f) 

Abolition , ( f ) Vernietiging , ver- 
griffenis ^ kwytffheldtng ; demander 
l'abolition d'un impôt, de affchaf- 
fng van eene belajling eijfcben; il a 
«û l'abolition de fon crime» zyn 
misdaad is bem vergeeveu. 

Abominable, (adj,) Gruwelyk. 

Abominablement , ( adj .) Op eene 
gruwelyke wyze. 

Abomination > (f) Gruwel, af- 
Jéhuivelykbtid, 



ABO. 

Abominer , (v. a.) Verfieijfl 
(oud, w) 
Abondamment, (adj.) Overvloi* 

diglyk. 

Abondance , ( f ) Overvloed , ( m ).' 

Abondant, ante, (adj.) Over» 
vloedig', d'abondant, (adv.) Daar 
en bêven (in rechten). 

Abonder, (v. n.) în overvloed 
zyn-, abonder en fon fens, ixiaau^ 
"^yfi eigenwys zyn. 

Abonné , ée (adj.) Vcrdraagea, 
m verdrag getreeden. 

Abonnement , (m) Verdrag^ ac^ 
eoord, (n). 

Abonner , ( v. n. ) Verpachten , een 
verdrag aangaan j s'abonner , (v. r.) 
s'abonner avec un Chapelier, Cor- 
donnier, &c. met een Hoeden-ma' 
ker. Schoenmaker enz, een verdrag aan- 
gaan , boe veel Hoeden , Schoenen bin* 
»en zekeren tyd te leveren. 

Abonni, ie (adj.) Verbeterd ^be* 
ter geworden. 

Abonnir, ( v. a. ) Verbeteren y ten 
halven laat en droogen (by Pottebak- 
kers)', s'abonnir, (v. r. ) beter y 
deugdzaamer wtrden i}e vin s'abon- 
nir par Ie temps , de wyn word 
metter tyd beeter.) 

Abord 5 (m) Jankomfî , toegang, 
ff) voorkomen y à notre abord nous 
fûmes attaquez, by onze aankomjl 
wierden wy aangevallen; avoir l'a- 
bord galant, een vriendelyk voorko- 
men hebben; il a l'abord difficile , 
by is niet gemakkelyk tefpreeken, 

d'Abord , (adv.) Terflond, în den 
eerjîen aanvang ; d'abord que , zot 
ras aïs ; tout d'abord , terjîovd. 

Abordable , (adj.) Toegankelyk , ge- 
naakbaar. 

Abordage » ( m ) ^anklamping , 
entering , overzeiling , ( f ) 

Abordé, ée (adj.) Aangeland, 

Aborder, (v-a.) Aanlanden ,aan' 
koomen ; tot iemand naâiren ; abor- 
der un VaifTeau , een Schip aan- 
klampen ; over ze il en. 

Abornement , ( ra ) Grens - bepa-^ 

ling (f). 

Aborner , (v. a.) Bepaalen , grens- 
paaien zetten. 

Abortif , ive (adj.) Qt}tydig,ftKx\t 

abQT' 



ABO. ABR. 

ftbörtif , onvotwajjen vrucht j enfant 
abortif , ktnJ dat voor de tyd geboo- 
ren word. 

Abouchement » {m) Mondeling 
gefprek, vereeniging ^fzaamenkowien, 

in- 

Aboucher, (v. a.) Iemand met een 
ander in gefprek doen koomen; s'abou- 
cher , met iemand mondgefprek hou- 
den, 

Abonquement , (m) Byvoeging van 
nieuw op oud zout (f). 

Abouquer , (v. a.) Nieuw zout op 
be9 0ude leggen, 

About , (m) Stop/luk aan 't einde 
vati een boei-plank of huid van een Schip, 

Aboaté , (adj.) Word gezegd in 
Wapenk. van vier Hermelyn vellen , 
die kruiswyze op eikanderen leggen. 

Aboutir , (v. a.) ^anpaalen , met 
ten kant of fpits ergens aanraaken , 
aangrenzen ^ uitlaopen ; tout cela n'a- 
bdutit qu'a me faire du mal, dit 
Jîrekt nergens toe dan om my kwaad 
f e- doen ; aboutir en pointe , fpits 
toeloopen ; je ne fki ou aboutira 
tout ceci , ik weet niet waar dit ol- 
ies op uithoornen zal, 

Aboutiflant , ante (ad]') aangren- 
zende. 

Aboutiflant, (m) Grenspaal-, fa- 
voir les tenants & les aboutiflants 
d'one affaire 4 alles wat aan een 
zaak vajl is w'eeten. 

AboutiflTement , (m) aangezet jiuky 
ff lap; rypwordtng van een zweer. 

Aboyant , ante (adj.) Blaffende. 

Aboyer, (V. n.) Blaffen^ baffen, 
keffen, lajleren , fchelden ; aboyer a- 
prèfi quelque chofe, ergens vieng- 
lyk naar verlangen; aboyer à la lu- 
ne , tegens de maan blaffen (Spr. w.) 
van iemand fpreeken die men niet fcba- 
den kan , te vergeefs iets bejiaan, 

Aboyeur, (m) Blaffer. 

Abrégé, ée (adj.) f^erkort. 

Abrégé , (m) Kort begrip , uittrek- 
fel,(n) en abrégé , (adv.) in 't' kort. 

Abrègement , (m) l^erkorting , ( f) 

Abréger , (v. z.)Verknrten , inkrim- 
pen; cette traverfe abrège le che- 
min , die dwarsweg fnyd af; la de- 
"bauche abrège les jours, de «ver- 
ef(iad verkgrt bet kevt»% 



ABR. ABS. s 

Abréviateur, (m) yerkorter vcm 
een Boek. 

Abréviation , ( f) Letter^rtlaei'^ 
ting i verkorttng; écrire par abré- 
Tiation , met verkorting fchryven, 

Abréviature, (f) Verkorting. 

Abreivé, ée (adj.) Gedrenkt, be^ 
vogtigd; tout le monde en eft a- 
brenvé , een ydtr is 'er van onderricht. 

Abreuver , (y. a.) naar de drinkt 
plaats leiden, wateren', bevochtigen % 
doortrekken ; bekend maaken , verwit- 
tigen; grond verwen; abreuver la 
terre, de aarde bevochtigen; ii en 
abreuvera tout le monde, hy zat 
het door de gantfche waereld rugtbaar 
maaken; abreuver fon efprit des 
fciences, zyn geeji met wetenfchap^ 
pen vervullen. 

Abreuvoir, (m) Drinkplaats voor 
Be effen. 

Abri, (m) Schuilplaats, (f) zon*- 
nefcherm , ( n ) opperwal , veilige 
ree , ( f) être à l'abri , onder buts- 
dak zyn; à l'abri des infultes, be- 
dekt voor aanval , overlafi ; un hom- 
me fans abri, c'efl un oîfeau fans 
nid, een menfcb zonder fchuilptaats ^ 
is een vogel zonder neji , (Spr. w.) 

Abricot, (m) Âbricoos , (f). 

Abricotier, (m) Abricoos-boom. 

Abrier,(v.a.)/^or regen of wind 
bedekken , (by tuinl.) 

Abrité , óe (adj.) Bedekt , (va* 
vruchten gezegt). 

Abrivent , (m) Windfcherm , (n). 

Abrogation , ( f) Jffchaffing van 
een wet of gewoonte. 

Abrogé, ée (adj.) Af gefch aft, ver- 
nietigd. 

Abroger, (v. a.) Jffchaffpn,ver^' 
nietige» , abroger un édit, een ge- 
bod affchajfen. 

Abrotone, (f) Averoue, (zeker 
kruid). 

Abruti, ie (^dj.) B eeft acht i g ge- 
maakt. 

Abrutir , (v a.) iemand beefach- 
tig maaken; Ie vin l'a abruti, de 
wyn heeft hem van zyn verjiand be- 
roofd ; s'abrutir, (v. r.) onvernuftig» 
dom worden. 

Abrntiffement , (na) Gr90te dom- 
heid ^ heejiagtigbeicft 

A 3 Abfeft" 



6 ABS. 

Abfence, (f) . jueezigheid, ver- 
iviUering y verjirojijing der zinnen y 
of gedachten. 

Abfem , ente ( adj.) Jfweizigj les 
able'.cfont toujours tort, d'fii/uvi?- 
Zf£e krygen altoos de fcbuld , (6fr. iv.) 

s'Able liter, (v. r.) ^'chttrtlyven, 
ergens van daan blyven; il fut obli- 
gé «le s'abfenter de ia ville , hy 
wierd genoodzaakt de jïad te rmmen. 

Abüiiche, (f, Alzem-kruidy ( n ) 
vin d'abfinthe , alzem ivyu j il 
adoucit toutes nos abfmthes , hy 
verzacht , ah onze droefheid y ver- 
driet , ongenoegen. 

Abfolu , uë (adj.) OnafhangeÏyk; 
commander d'un ton abfolu » met 
macht gebieden; un Roi ablolu , een 
onafhangelyk Koning. 

Abfoiument , (adv.) Onafhange- 
lyk y voljirektelyk i cela eft ablolu- 
luent neceflaire , dat is ten ^enen- 
maal noodfaakelyk, 

Abfolution , (f) Fryfpraak , ver- 
gijfenis van Zonden {in de R. Kerk 
gebr. ) 

Abfolutoire , (adj.) Sentence 
abfolacoire 9 vryfpreekend 'vcnnis. 

Abforbé , ée (adj.) Opgepkt , 
verflonden. 

Abforber, (v, a.) Opjïokken , op- 
fiurpen; fes débauches ablarbent 
tout fon bien, zyne brajjeryen -ver- 
fAnden al zyn goed', la mer abfor- 
bé Jes rivières, dg zee furpt de 
rivier tn in. 

Abfoudre, (v. a.) rryfpreeken -, 
or.tjlaan. 

Abfous , Abfoute, (adj.) Vry- 
gefprooh'n > onfc huldig- "vry - ver- 
klaard. 

Abfoute , (f) Vry-verkïaaringvan 
Sponden. 

Abllérae , (ra) Een die geen wyn 
drinkt. 

S'Abftenir, (v. r.) Zig fpeentn y 
orthouden , rj^n eeten en dnnhen 
ivachtm; zig hoeden -, s'abftenir de 
juger , zyn oordeel opfchorten. 

Abilergent, ente (adj.) Zuive- 
ret:d y reinigend. 

Abltergent , (m) Zuiver etid middel. 
(n) 

Abfterger, (v. a.) Zuiveren ^ rei- 
nigen, (in tleel-k.) 



ABS. ABU. ABY. 

Abireriif, ive (adj.) ..fvpegend, 

Abilerûon , ' f j Zuivering. . 

Abftinence ■> ( f ) Onthouding , maa" 
tigheid in eeten of drir.ken. 

Abllinent, ente ijsià\.) Maatig i» 
fpys en drank. 

Abftraftion , (f ) ^fi rekking , of- 
zondering '■jan de g-- dachten. 

Abftraire , (v. a.) aftrekken , af- 
zonderen, 

Aiiflrait, aite (adj.) afgetrokken, 
afgezonderd , overnatuurkundig ; pen- 
fées abftraices , diepzinnige gedach', 
ten. - 

Abflrus , ufe (adj.) Verhor getf^ 
duifier y diepzinnig. 

Abfurde, (adj.) Ongerymd y be- 
lachclyk. 

Abfurdement , (adv.) Ongerymd' 
lyk. 

Abfurdïté, (f) Ongerymdheid. 

Abfynche , (f) Zie Aijfinthe. 

Abt;s, (m) Misbruik, (n) misjlag 
(f) misverfïandy bedrog; (n) c'eft 
un abus de labourer une terre fé- 
che, htt is vruchteloos een dorre 
grond te behouwen. 

Abafé, ée (adj.) Misbruikt ; be- 
droo^en. 

Abu fer, (v, a.) Verleiden y bedrie- 
gen; Abufer, en ufer mai , (v. n.) 
Misbruiken , misduiden ; abufer de 
fon pouvoir, zyn magt m.sbruiken', 
s'abufer , (v. r.) ztg vergijfen , mis- 
reekencn ; fi je ne n'abufe y indien ■ 
ik tny niet en bednege. 

Abufeur , (ta) Verleider y bedrieger. 

AbuCf, ive (adj.) Oneigentlyk y 
valfch; terme abufif , verkeerde uit' 
d ukking. 

Abalivement, (sidv,) Misleidend ^ 
valjcbelyk. 

Abu ter , (v. n.) Werpen , flaan , 
ivie bet eerfie fpeclen zal. 

Abyme, (m) jifgrcnd y Helle; (f) 
'/ midden vaneen fchild {in wapen-k.); 
(n) être précipité du faîte de la^ 
gloire dans l'abyme do néant » 
van een verheven fi aat plot zeling neé - 
gtjîooten voorden; être abiœé de det- 
tes , tot de oor en t9e in fcbulden 
zitteti. 

Abynaé, ée (adj.) Vergaan, wr- 

Aby- 



ABY. ACA. ACC. 

Abymer , ( v. a. & n.) In 't ver^ 
é erf floot en -j verdelgen \ s'abymer , 
{y. r.) vergaan , zig ergens diep in be- 
geven. 

Acabit , (m) GoeJe of hvaade eî- 
genfcbap cener 'ivucht ^ {£), 

Académickn , (m) Lid van de 
academie. 

Académie, (f) Hosge fchooï , ry 
fcbool; fcherm-fchool ; plaats ahvaar 
gemecnclyk geJpeelJ zvorJ; 'genood' 
(chap der geleerden. 

Académique , (adj.) Academijchn 

Académi<iuement, (adv.) wlcade- 
tnifch. 

Académille , ( m ) Een die op de 
ry'fchool gaat. 

Acanthe , ( f) Beerenklaauw , (ze- 
ker kruid.) 

Acariâtre , (adj.) S tyf koppig , 
hoofdig. 

Acaufe , (prep.) Ter oorzaake', à 
caufe que , om dat. 

Accablant, ante (adj.) Droevig-, 
moeielyk. 

Accablé , ée (adj.) Overladen yover- 
Jielpt ; accablé de triftefTe f van 
droefheid overladen. 

Accablement , (m) f^erdriet ; har:- 
Zeer, (n) verdrukking, overlaading., (f). 

Accabler , ( v. a. ) Overtaaden , 
overflelpen , verdrukken , bedrlven-, 
être accablé de trldefTe , van droef- 
heid overflelpt zyn; être acchblé de 
faveurs , met gmijlen «verlaaden zyn ; 
s'accabler d'affaires j zig met zaa- 
ken overtaaden. 

S'Accagnarder > (V, n,) Een vad- 
zig , ondeugend leven leiden , flempem- 
pen (gem..w.). 

Accaparement, (m) Het opkoopen 
en brengen van ivaaren van de e ene 
markt naar de andere , om ze met 
meer voordeel aldaar te verkoopm. 

Accaparer, (v. a.) IVaaren vein 
d» eene markt naar de andere bren- 
gen , door vuile winzucht. 

Accaremcnt, (m) Het hooren van 
getuigen tegen e^nen befcbuldigd^n , 
(inrechten) (n). 

Accarer , (v, a.) Getuigen tegen 
eenenbefchuldigden booren , {inrecbten). 

Accaftiliage, (m) Bak en fcha-.^s 
'aan een fcbip. 



ACC. 7 

Accaaillé , ée (adj.) VaifTeau ac- 
ctftillé , Sehip dat mef Jcbans en bak 
ii voorzien. 

Accéder, (v. n.) Tot eene vethn' 
tcnis toetreeden , daar in deel neemen, 

Accéleratif, ive(adj.) ^irbat/- 
teiid. 

Accélération , ( f) l^erhaafiing. 

Accélérer , (v. z.) Eene zaak 
voortdryven , voortzetten , verhaafïen, 

Accen:, (ra) Toon -reken. Geluid' 
teeken f (n) accent aigu , grave > 
circonflexe, een fcherp , zwaar , 
omgeboogen geluid- teken y avoir bon 
ou mauvais accent , goede of kivaa- 
de uitfpraak hebben ; poufier de fu- 
nèbres accens , rou-jü - geluid aatt~ 
heffen. 

Accentuer, (v# a.) Het toon' te- 
ken Jleilen. 

Acceptable , (adj.) Aanneemelyk. 

Acceptant , aute ( m & f ) u^att- 
neerner , aanncemjîer. 

Acceptation , ( f ) Aanneeming. 

Accepté, ée (adj.) .Aangenomen. 

Accepter , (v. a.) Aanneemen , ont- 
fangen ; j'accepte les conditions 
que vous me propofez , ik neem die 
voorwaarden > die *gy my voorjlcld , 
aan. 

Acceptear, (m) Aanneeiner ; il 
aime mieux être l'accepteur que 
le donneur, hy ii liever de aannee- 
mer ah geever. 

Acceptilation , ( î)Kwytfcbelding, 
(in recbten). 

Acception , ( f ) Aanrieemir.g ;aah- 
zien ', fana acception ds Pérlbnnes, 
zonder aanzien van Perfoonen , ce 
mot a pluüeurs acceptions , dit 
iL-aord heeft verfchiide beteekeniffen. 

Accès , (m) Toegang , a.mval, aan^ 
komfl; (f) cliateau de difficile ac- 
cès, plaats van een moeijelyke toe- 
gang; accès de fièvre , aanvat van 
'koorts; accès de folie, gekke hui. 

Acceffible , (adj.) Genaakbaaf, 
toegangelyk ; cette plac« n 'efl pas 
accefljble , die plaats is niet te ge- 
naakeo \ homme qui eil acc»fiîbie , 
een man die vriendelyk is . 

Acceffion, (f) AcceflSan au trô- 
ne , icwM/? tot dm throoM, 

Acceffoirc ? ( ni 3c idj.) Aati- 

A 4 *«'*'f • 



$ ACC. I 

tang fel f fftêift,gevoigi(n) mfiM- ! 
digheid, ( f) ce n'en ell qu'un ac- 
ceffoire, dit is 'er maar een aan- 
iangfel van ', la chofe n'eft qu'ac- 
ceflbire , de zaak is maar byvoeglyk. 

Accident , (m) Toeval , ongeluk , 
(n) ramp', (f) par accident, by 
geval. 

Accidentel , elle^adj.) Toevallig. 

Accidentellement ? ( adv. ) Toe- 
wal lig! y k , by geval. 

Accife, (f) Belqfling op deWyn, 
Bt^ryenz. frauder 1'accife , /woi- 
keleft. 

Acclamation , (f) ToejuiefMng. 

Acclamper , (v. a. ) AcTclamper 
un mât , een majl met wangen vajier 
rnaaken. 

Accointa nee , ( f X Omgang , ver- 
kiezing y (oud U'). 

s'Accointer, (v. r.) Met iemand 
Z'riendfchap maaken , {oud w.) 

Accoifement , (m) Stillii^g , 
(oud w.) 

Accoifer , (v. a,) Stillen y ver- 
-zacht en y {oud w.) 

AccöUade, (f) Omhelzen -^ don- 
ner 1'accollade , Ridder paan -, ac- 
collade, txvee Konynen aan 't fpit 
gebonden. 

Accollé , ée (adj.) Met een hals- 
band voorzien y (in ÏVapen k.) 

AccoUer , (v. a.) Omhelzen y om- 
armen ; tivee Konynen aan 't fpit bin- 
der., om te braad n ; accbller la 
feotte à qaelcun , iemand zeer onder- 
danig groeten , {Spr. vo.) 

Accoilure , ( f) Een Stroo-band , 
(m). 

Accoromodable, (adj.) Infchikke- 
lyky dat by te leggen ts; cette affai- 
re eft acconuTiodable , die zaak is 
te vereffenen. 

Accommodage , (m) Het gereed 
tnaaken van fpys ; het opmaake» van 
fen Parutk , (n). 

Accoiïimoüanc, ante (adj.) Ge- 
rief.yk y toegeevendy c'eft un efprît 
accommodant j het is een infchikke- 
lyk menfch. 

Accommodation , ( f) Verdrag y 
'i'prgelyky (nj. 

Accorarnoaé, ée {^(\}^} Opgetooid ^ 



ACC. 

Accommodement, (m) Gemak, 
gerief y (n) verbetering , bevrediging , 
(f) verdrag y (n) il eft homme 
d'acconiHiodemeiiL, by is een man 
die ligt te verzoenen is ; trouver un 
accommodement , een middel tot 
verdrag vinden; Ie meilleur procès 
ne vaut pas le plus mauvais ac- 
commodement , een maager verdrag 
ts beeter als een vet procès y {Spr. w.) 

Accommoder , (v. a.) Opcieren-, 
dienjlîg zyn; behaageni overeen bren- 
gen, jchikken bevreedigen; mishande- 
len y afrojfen ; accommoder un mai- 
fon y een huis opcieren ; cet hérita- 
ge m'accomnoode fort , die erffenis 
komt my heel wel; accommoder un 
different, een gefehil by leggen; il 
ne l'a pas mal accommodé , hy beeft 
hem ivakker afgerojl ; pouvea vous 
m'accommoder de cela , kond gy 
my daar mede gerieven ; s'accom- 
moder , (v. r. ) zig opfchikken ; zyn 
gemak neemen ; zig bevreedigen ; s'ac- 
comm.der au teras , zig naar de 
tyd fchikken; je ne m'accommode 
point de cette maniere de vivre, 
dte levens -wys JJaat my niet aan. 

Accompagnateur, (ta) Een die 
de generale bas fpeeîdy {in muftcq.) 

Accompagné , ée (adj.) Vergezeld, 

Accompagnement , (m) Verzel- 
ling y Stoet y { £) aile de pronkjlukken 
aan een Wapen-fchild. 

Accompagner, (f. a.) Verzeilen; 
de algemeene Bas fpeelen ; {in muftcq.) 
la vieillefTe eft sccompagnée de 
beaucoup d'infirmités, de ouderdom 
is vceleU zwaki^eden onderworpen. 

Accompli , ie (adj.) Volmaakt, 
voleindigd, voltrokken , vervuld ; Prin- 
ce accompli , volmaakt Vorjl. 

Accomplir , (v. a.) Volbrengen , 
volvoeren y voltrekken ; accomplir fes 
promefles, zyne beloften naarkomen. 

Accompli iFement , (m) Vcltooi- 
jingy voltrekking y vervulling y (f). 

Accon , (m) Zeker fcbuit met een 
platte bodem , ( f ) 

Accoquinan£,ante (adj.) Vie ac- 
cocuinante, vadfige levens-wyze. 

Accoquiner , (v. a.) Iemand er- 
gens aan gevuenneny vadjig en ondeu.-^ 
"rend mciak^n-f s'accoqainer, (v. r.) 

s'ac- 



ACC. 

al*accoquin«r au jeu , heet of bet 
fpeelen worden. 

Accord , ( m ) Qvereevjiemming \, 
toejlemming , beivflliging , (f) ver- 
drag, (n) j'en fuis i. 'accord avec 
lui , tk ben het met bem eens; met- 
tre d'adcord, te vreede flellen; je 
fuis de cous bons accords , i* ben 
gereed te doen al xvat de andere w/7- 
/f«; accord de voix, d'inftrumens , 
isel-îuidendheid indejiem offpeehui- 
geny tout d'un accord, eenpaarig- 
tyk; d'accord, ik heb 'er niets tegen. 

Accordable , (adj .) Uat ergens aan 
poj^; vergunbaar, toejiaanbaar . 

Accordailles , (t. pi. ) Hwwelyk- 
fcheVoorzvaarden , (è^r^r Fiançailles) 

Accordant, ante (adj.) Iwwtlh- 
gendj overeenjlemmend. 

Accorde , Bevel 't geen men aan 
de roeijers geeft om gelyiaan teroeijen. 

Accoraé, ée (adj.) Toegejiaan; 
lerloofd; bevredigd. 

Accordé, ée (m & f) Verloofde 
bruidegom , brutd. 

Accorder, (v. a.) Verkenen, toe- 
Jlemmen î hevreedigen ; vereenigen ; 
accorder une fiUe en matiage à 
quelcun , een dochter aan iemaitd 
ten huwelyk geeven ; accorder un 
inftruinent , eenffeeltuig flellen ; ac- 
corder , gdyk aanroeiien -, ( zee-v/. ) 
s'accorder , (v. r.) malkanderen ver- 
fJaan ; ils accordent comiae chiens 
& chaLS , zy leeven als katten en 
honden-, kunnen malkanderen niet ver- 
ffaan , (fpr. 'uf.) 
1, Accordoir , (m) Steïhamertjef voor 
een orgel of clavecirr.bel^ 

Accords, (f. pl.j Scboorea , Jiut- 
ten, (zee-vü.) 

Accorer , ( v. a. ) Qnderfïuttea , 
f c boor er, , (zee-v;.) 

Accornéjée (adj.) Geboorud, {in 
JVapen-k.) 

Ace o re , te (adj.) Vriendelyk , 
beufch , beleefd j behendig , (ottd iv.) 

Accorteméut , (aëv.) Beleefdelyk , 
{oud iv.) 

Accortife , ( f) Heufchheïd, beleefd- 
heid, (çucî w.) 

Accöit-^bie , (adj.) Vricndelyk, 
fpraakzaam. 

Accoüf ; ée (adj.) genaderd. 



ACC. 9 

Accofter , (v. a.) Tot iemand na- 
deren om hem te fpreeken ; aanlan- 
den , (gem. w.) 8'acoofter, (v. r. ) 
saccolter de quelcun , zig by ie- 
tnand vervoegen , met iemand gemeen- 
fcbap maaken. 

Accotar, (m) Schan-dek ,pot-dek ^ 
{zee w.) 

Accote-pot, (m) Een pot-dekzel. 

Accotter, (v. a.) ou s'accotter, 
(▼. r.) Steunen, leunen , flutten. 

Accottoir , (m) Steun , flut ,fchoor. 

Accouchée , ( f ) Kraam-vrowu/ . 

Accouchement , (ra) Kraam-btvjl- 
Ung,{£) 

Accoucher , (v. n. & a.) /« dt 
kraam koomen;een vrouzv tn het krn^ 
derbaaren helpen. 

Accoucheur , (m) Vroedmeefîer, 

Accoucheufe , ( f) Vroedvrouiv, 

Accouder , (v. n.) Met de elleboog 
Ofiderfîennen ; S'accouder 9 (v. r.) op 
de eUeboogen leunen. 

Accoudoir, (ra) Steunzel ,{n) leun; 
fchoorbalk , {in Bomv-k.) , (m) 

Accouple , ( f ) Koppel band dey 
jacht-honden , (m) 

Accouplement, (m) Koppeling j 
paar ing, { f) 

Accoupler, (v. a.) t* Zamenbin^ 
den , koppelen , paar en j ces perfon- 
nes font mal accouplées , die lieden 
zyn kwalyk gepaard ; s'accoupler, 
(v. r. ) zig zamenvoegen , zig paa- 
l'en i les animaux ne s'accouplent 
qu'en de certaines faifons , de die" 
ren paaren alleen op zekere tyden. 

Accourci,ie (adj.) Gekort, verk.rt. 

Accourcir, (v. a.) Korten, korter 
maaken; s'accourcir, (v. n.) Korter 
ivorden; les jours s'accourciflent , 
de dagen korten. 

Accourcifleraent, (m) Verkorting^ 

Accourir , (v. -n.) Toeloopen , toe^ 
fchieten. 

Accourfie , (f) Gang langs de 
kiel , van de voor- naar de achter- 
fie even . {zee vc.) 

Accouru, ue (adj.) Toegetoopen, 

Accoufiner, (v. a.) Neef noemen^ 
{gem. w.) 

Accoutrement , (m) Tooifel, (n> 
opfcbik , [boert, w.) 

Accoutrer , (y, a.) Toefielien , op- 



10 ACC. 

tooijeitf kleedcn, toctaakelett', teijle- 
rerif mishandelen; havenen, (koen. en 
gem. w.) 

Accoutummce > (f) Aanwendzeli 
(n) gewoonte (£) {oud w.) 

Accoutumé, ée (adj.) Gewend y 
gewoon . 

à l 'Accoutumée , (adj.) Naar gc~ 
woont e. 

Accoutamer, (v. a.) Gewennen ^ 
aanwenr.eu. 

s'Accoutumer, (v. r.) ^ig ge- 
wennen, 

Accouvé, ée (adj,) Die in het 
hoekje van den haart ledig zit , lui. 

Accravanter. (v. £.) Verjtlettfi- 
ren , {ov.d w.). 

Accréditer , (v. a.) In aanzien 
hrefigen , roem doen 'vtr^vcrven, 

s'Accréditer , ( v. r. ) Zig gezien 
en geacht maaken. 

Àccretion, (f) Aangroeijing (in 
geneesk.). 

Accroc , (m) Scheur in een kleed; 
hinderpaal. 

Accroche ? ( f ) Beletzelj (n) /;/«- 
demis , ( f ). 

Accrocheraent , (ra) Aanhaaking ^ 
entering^ (£), 

Accrocher > (v. a.) Aanhaaken , 
fcheuren ; verhinderen j aanklampen ; 
enteren; bellefiJie & joiéchante ro- 
be trouve toujours qui l'accroche'. 
Mooi je meisjes en gefchenrde kleederen 
lyden rjeel aanjîoot ^ (fpr. ai'.). 

Accroire , faire accroire , (v. n.) 
tpys maaken , iets doen gelooven ; 
s'en faire accroire j IF'aanwys) laat' 
dunkend zyn, 

Accroifî'ement , (ca) Aavgroeîjing 
( f ) vermeerdering. 

Accroître, (v. a.) Fermeerderen ^ 
toeneemen. 

s'Accroitre, (v. r.) AamvaJJen , 
zig uitbretden; s'accroitre en hon- 
neur & en richeiles , in eer en ryk' 
dommen toeneemen. 

Accroupi , îe (adj.) il porte 
, d'azur au Lion accroupi d'or, 
Uy voert een leggende goûde Leemv 
bp een blaaazv veld ^ (iii wci^enk.). 

s'Accroupir, (v. r.) Ncêrhuîken. 

AccroupiCtmcnt, (m) Neêrhuik- 
ki:jg,if). 



ACC. ACE. 

Accru, uë (adj.) Vermeerderd , 
toegenomen. 

Accrue, (î) Vermeerdering^ aan' 
was van hand. 

Accueil, (m) Onthaal (n) bejege- 
ning (f). 

Accuelli, ie (adj.) Onthaald. 

Accueillir, (v, a.) Onthaalen, 
ontfangen f bejegenen, 

Accul , (riï) Naauwe plaats daar 
men niet uit kan komen , ( f; item het 
binnenjle van eene baai. 

Acculé , ée (adj.) In een boek ge- 
Jiti'jwdf gedreven ; cheval acculé > 
Jîeigerend Paerd , ( in a^apenk. ) 

Acculer , (v. a.) Voortfinuwen , in 
een hoek dryven ; acculer l'ennemi , 
de vyand bezetten ; s'acculer j (v. r.) 
zig met den rug ergens tegen aanzetten. 

Acculs, (m. pi,) Vos- das-hooien. 

Accumulation , (f) Cp hooping , 
opjïapeling. 

Accumuler, (v. a«) Vergaderen y 
ophoopen. 

Accüfable , (adj.) Dat te befchut- 
digen is. 

Accufateur, (m) Aanklaajer , be- 
fchuldiger , aanbrenger. 

Accufatif , (m) De befchuldiger of 
Accufativus , ^de naamval der bui» 
ging, (infpraakk.) 

Accufation, (f) Befchuldiging, be- 
tichting. 

Accufatoire, (adj.) Iets dat ie- 
fchuldigd, 

Accufötrice, (f) Befchuldigjler ^ 
aanbrengjler. 

AccuTé, ée (adj.) Befchuldigd, 
aangeklaagd f beticht. . 

AcGufé, ée (ra & f) Befchuldig- 
de , aangeklaagde. 

Accu fer, (v, a.) Befchuldigen , 
aanklaagen, betichten; a ecu fer la 
receptfon d'une lettre de change, 
den ontfang van een nvijfelbrief berich" 
ten; accufer fon jeu , zynjpel ont- 
dekken; s'accufer foi-mca:e, ztg 
zelve» befcbuldigen. 

Acenfé , ée (adj. ) In pacht geno- 
men i verhuurd ; gehuurd. 

Aceniement , (m) Verpachting , (f), 

Acenfer , (v. «,) In pacht geeven^ 
verhuur en. 

Acenfes, (f, pi.) Pacht-goederen. 
Acei- 



ACE. ACH. 

Acerbe, (a j.) ff^rreJ , wraKff. 

Acéré, ée (adj.) rerjiaald-, cou- 
teau bieii acéré , mes Jat welfny^, 

Acércr, ( v. a.) l'zer Vfrjlaalen. 

Acertainer, (v. a.) f^erzekeren, 
overtuigen. 

Ac, turn, (m) Jlzyn ^ {Lat. w, 
in chym. ). 

Ach^ifonner, (y^ a. ) Kwellen y 
(oudiv.) 

Achalandé , ée (aiu]*)ff^el beklant. 

Achaiander , (v. a.) Kalanten , 
neering aanbrengen j s'achalander , 
(v. r.) kalunten beginnen te krygen; 
cettt fille ell forc achalandée , Jw 
juffer lyd teel aanjloot. 
' Acharné , ée (adj.) f^erivoed , bloed- 
gierig. 

Acharnement , (m) Greettge aan^ 
val op eenig aas , verzvoeaheid. 

Acharner, (r. a.) Roofvogels tot 
vleefcb eeten gewennen ; aanhitzen , 
tergen -y s'acharner, (v. r.) greetig- 
lyk op eenig aas of tets anders vallen j 
zig tegen maikunderen verbitteren 5 
op iemand verwoed worden. 

AchaL, (m) Koop, iets dat ge- 
hokt is. 

Ache , ( f) Eppe , (zeker kruid). 

Ac hees, (m) Wormen tot aas voor 
Fijch. 

Achement , ( m ) Helm-dei, ( in 
Wapen-k.) 

Acheminé , ée (adj.) Begonnen, 
aan de gang ; cette affaire eil bieü 
acheminée, de zaak is wel aange- 
legd ; un cheval acheminé , een 
^aerd dat half bereden is. 

Acheininernent , (m) aanleiding, 
(f) middel out ergens toe te ger ar- 
ken (n) 

Acheminer, (v. a.) ^an de gang 
helpen ; s'acheminer , (v. r.) de reis 
aanneemeti, zig haajlen; il s'ache- 
mine vers ia. chute , hy naderd tot 
zyn ofidergang 

Acheté , ée (adj.) Gekogt. 

Acheter, (v. a.) Koopen; ache- 
ter chèrement un petit plaifir , t-i-H 
klein vermaak zeer duur betaaleo. 

Acheteur , (m) Kocper. 

Achevé , ée (adj.) l^ohindigdy vol- 
maakt , volvoer J i c'eü. un homme 
achevé, het is een volmaakt menfch} 



ACÎLACI.ACO.ACQ. ii 

c'efl un fou achevé^ het is een vol- 
jlage gek. 

Achèvement , (m) Voleindiging y 
voltooi jing\ ( f) 

Achever, (v. a.) Voleir.den , vol- 
trekken , voltooijen ,volmaaken > ache- 
ver de boire ceia , drirékt dat uit$ 
achevez de faire quelque chofe , 
iets afdoen; s'achever, (v. r.) ten 
einde loopen; zig van kant helpen', 
zig vol drinken. 

Achcppement , (m) Ergernis ,(£} 
hindrrpaal , ftruikelblok ; (m) pierre 
d'achoppemtiit 5 JJeen des aanjicots, 

Acide , (adj.) Zuur , fcherp ; aci- 
de i (m) zimrigheïd , wrangheid.. 

Acidité , ( f) Zuurigheid. 

Aci'iuler, (v. a.) Drank met zutu 
re vochten vermengen , (;w genees-k.) 

Acier, (m.) Staal, (n) 

Acoint,inte (adj.) Gemeenzaam^ 
(oud w.) 

Acolyte, (m) Geejlelyke oppajfer, 
kaarfen aanjieeker by het ulltaar. 

Aconce , (m) Een jongeling van 
buitengewoone fchoonheid. 

Aconit, (m) IVolfswortel , aconyty 
(zeker vergiftig kr.) 

Acoullique, (adj.) Nerf acoufti- 
que , zenuw van het oor ; remèdes 
acouftiques, gehoormiddelen. 

Acquêt eur , ( m ; eurt , eufe , ( f) 
Ferkryger , verwerver , verkrygerin. 

Acquéri , (v. a.) i^erkrygen, be- 
koa.ncn , erlangen , aanwinnen; s'nor- 
quérir, (v. r.) voor z:g zelven vei- 
krygen; s'acquérir des amis, z/jj 
vrienden niaaken. 

Acquêt , (m) herkregen goed, (n) 
ivinpfif) il n'eft fi bel acquêt que 
don , gegeeven goed is bejï. 

Acquêtcr, (v.SL.) Verwerven, aan 
zig brengen. 

Acquiercement5(ni) Toejlemming, 
bewilliging , berujUng. 

AcquieYcer, (v. n .) ToeJIaatJ, 
irrwiiligen , goedkeuren; acquiefcer à 
la fenience , in het votmis berujien. 

Acquis , (m) f-Wkregen kennis ,we^ 
tenfcbap, goederen, 

Acqu:3 , fe (adj.) Verkregen, 

Acquiûtion , ( f) Ver kry ging ^ver-^ 
werving. 

Aeqöit, (m) Kwyt-fcbeldlng, (f\ 



n ACQ. ACR. ACT. 

acquit de domne y toleedul -, acqait 
à caotion , quitantie onder borgtogt-, 
par manière d'acquit , ter loops , 
nveîjiaanshalven. 

Acquitté, ée (adj.) Betaald, vol- 
daan , gekweeten. 

Acquitter, (v. a.) Betaah»,vol- 
éoen i s'acquitter , (v. r.) s'acquit- 
ter de fa promeiTe; de fon de- 
voir, zyn beloften houden; zig van 
zyn pligt kwyten. 

Acre , (adj.) Scherp , bytend. 

Acre , (m) j4kker ; een morgen tand. 

Acreté , ( f) Scherpheid. 

Acrimonie, (f) Scherpheid. 

Acrocome ? ( m ) Een die lange 
hairen heeft. 

Acrofliche, (m) Naamdicht^ (n) 

Acroteres, (m. pi.) Ptedejial tnet 
frituren op de gevel y vorjien op een 
dak -y voorgebergte. 

A(fle, (ra) Daad, (f) 'juerk, be- 
dry f, (n) handeling, { f) fchrift dat 
voor een beamptfchryver is gemaakt , 
<n) . 

Adeur, ( ra ) Toneel-fchouwburg- 
fpeeler -, uitvoerder ,bej} ierder van\eeni- 
ge zaak. 

Adif,ive (adj.) Werkzaam yfnel, 
voortvannJe , vlytig; verbe adlif, 
bedryvend uerkwoord, ( in fpraak-k.) 

Adioti , (f) Beweeging, drift, 
éaad, handeling , zaak , aanfpraak j 
l'aélion qai a mîs fin à la campa- 
gne à écé des plus vigoureufes, 
bet treffen waar mede de veldtogt een 
einde genomen heeft is van de hevig- 
fïe geweefi; afltions d'un orateur, 
gebaar dens van een redenaar '^ inten- 
ter aAion contre quelcun , iemand 
gerechtelyk aanklaagen. 

Aftionnaire, (m) Een die aandeel 
heeft in een maatfchappy van koop- 
baniet. 

Aftionné , ée (adj.) In rechten be- 
trokken. 

Aftionner , (v. a.) In rechten be- 
trek ketr. 

Aftionnifte , (m) Bezitter van eeni- 
ge aSie. 

Aftivement , (adv.) Daaielyk , 
üverkelyk , tedryvelyk. 

Afti V ité , r f ) ÏÏ^erkRüSj^iU , v/y- 
fi'keidf vlti^beid. 



ACT.ADA.ADE.ADH.&c. 

Aftrice , ( f ) Toneel-fchouwburg- 
fpeeljler» 

Aftuel , elle (adj.) Daadelyk. 

Aftnellement , (adv.) Inderdaad, 
waarlyk ; thans , na ter tyd» 

Acutangle , (m) Scherpe j hoek y 
(in Landm. *.) 

Adage , (m) Spreekwoord y (n) zi». 
fpreuk. 

Adaptation, (f) ToepaJJing. 

Adapté , ée (adj .) Toegepc^. 

Adapter, (v. a.) Toepaffen. 

Addition, (f) Optelling, ver- 
meerderingy {f)byvoegzely aanhang- 
zei, (n) 

Additionné, ée (adj.) Opgeteld. 

Additionner , (v. a. ) Optellen^ 
op cy ff er en , tot een brengen. 
' Addufteur , (adj.) Sp'xer om een 
lid mede te beweegen, 

Adduftion, {t) Beweeging , aan- 
voering. 

Ademption, , (f) Herroeping; a- 
demption d'un legs, intrekking van 
een legaat, 

Adent, (m) Burghaak ,-(by tim- 
merl. ) 

Adepte , (m) Goudmaker , die de 
Jieen der wyzen meend gevor^en te 
hebben . 

Adextré , ée (aij.) ^an de rechter 
zyde v^in het fchild Jiaande. 

Adhérence , ( f) Aanhanging ,aan- 
kleeving. 

Adhérent, ente (adj.) Aanban^ 
gende , aankleevende. 

Adhérent, (ra) Aa7jhanger. 

Adhérer, (v. a.) Aankleev en , toe- 
flaan , bewilligen. 

Adhéfion, (f) Aanhechting, aan- 
kleeving. 

Adjacent, ente (adj.) Aangren- 
zende. 

Adjedif, (adj.)Nom adjeftif , èy- 
voeglyk naamwoord, {in fpraak-k.) 

Adjedtion, (f) Byvoeging. 

Adje£kivement,(adv.) Byvoeglyk. 

Adieu, (adv.) Vaarwel, God be- 
waare u ; dire adieu au monde, 
der waereld vaarwel zeggen ; fi vouS 
fréquentez trop vos amis , adieu 
l'étude, indien gy uzve vrienden te 
veel bezoekt , is hei met de oeffening g^e- 
daati', fais adieu ; tst weerziens ^ 
adieu 



ADI. ADM. 

adiea paniers vendanges font faî- 
tes, mojlaard na de maattyd^ ifp^' 
w.) adieu va ! overjlaag , in Gods 
naam ! {zee w.) 

Adjoindre , (v. a.) Byvoegen. 

Adjoint, (m) Metgezel, adjunû, 
^yzitter. 

Adjoints , (m, pi.) Omjlandigbe- 
den,byvoegfeU; les adjoints oa cir- 
conftances d'une afifaire, ailes wat 
Man een zaak vaft is. 

Adjonaion, (f) Byvoeging. 

Adipeux, eufe (adj.) Pet, (in 
heel-A.) 

Adirer , (v.a.) yerliezen, verleg- 
gen -, des papiers adirez, verlegen 
papieren, 

Adicion , (f) Aanvaarding van 
een erffenis , (/« rechten) 

Adjudicataire , (m) Iemand die 
iets van den Rechter toegeweezen is. 

Adiudicatif, ive (adj.) Toewyzend. 

Ad/'idication-, (f) Toewyzing in 
het recht. 

Adjugé, ée (adj.) Toegeweezen» 

Adjuger, (v. a.) Toewyzen. 

Adjuration, (f) Bezweering. 

Adjurer, (v. a.) In Gods naam 
J^ezweeren. 

Admettre , (v. a.) Ontfangen , to3- 
laten , toegang geeven. 

Adminicule, (m) Hulpmiddel om 
iets te bevuyzen , {in rechten) (n) 

Adrainiftrateur, (m) Bedienaar, 
9pzichïer, Bewindhebber. 

Adminiftration , (f) Bediening. 

Adminiftratrice, (f) Bejîierjîer. 

Adminiftrer, (v. a) Bedienen, be- 
Jïieren , bet bewind hebben. 

Adnairable , (adj.) JVonderlyk , ver- 
wonderend -, il fait un terne admi- 
rable , het is fchoon weer. 

Admirablement , (adv.) Wonder- 
baarlyk j il joue admirablement, 
hy fpeelt heel wel. 

Admirateur, (m) Verwonderaar, 
fryzer. 

Admiratif, ive (adj.) Ver- 
Wonderend; point admiratif, ver- 
wondcrings-teeken , (in fpraak-k.) 

Admiration, (f) Verwonde- 
ring , ofgeroogtnheid; ravir tout le 
monde en admiration , de geheele 
w<9«yv/(»' in vcruQndering brengen. 



, ÀDM. ADO. xi 

Admirer, (v. a.) Ergens verbaasè . 
vertMonderd over zyn', s'admirer foi 
même , veel met zig zelven «p hebbefit^ 

Admis, ife (adj.) Toegelaten, 

Admiffible , (adj.) jîanneetntlyki 
dat door den beugel kan. 

Admiûîon, (f) Toelaat ing, • 

Admittation, (m) Toelaater, 

Admodiateur , (m) Een Pacbfef\ 

Admodiation, ( f) Verpachting^ 

Admodier, (v. a.) Verpachten. 

Admonêter, (v. a.) Vermaanetti 
aanmaanen, bejiraffen. 

Admoniteur, (m) Vermaaner. 

Admonition , ( f ) fVaarfcbuuwingf, 
bejiraffing. 

Admonitrice , ( f) Bejiraffler, 

Adolefcence,(f ) Jongelingfchap^ 
dès Tadolefcence , van der jeugd 
af aan. 

Adolefcent, ente (m & f) Jo»* 
geltna ; jonge dochter. 

Adfonique , ( adj . ) Adonifcb , ( b^ 
Latynfcbe Dicht, gebezigd) 

Adonis, (m) Een zeer fchoowf^ 
Jongeling. 

Adonifé, ée (adj.) Opgecterd^ 

Adonifer, (r. a.) Oppronken y ap^ 
eieren; s'adonifer , (v. v.) ztg (^ 
fchikken. 

Adonné , ée (adj.) Genegen ; adon^ 
né au vin , genegen tot wyn. 

s'Adonner, (v. r.) ^ig aan iets'. 
overgeven -, Ie vent s'adonne , de winé 
ruimd , {zee w.) 

Adopté, ée (adj.) Aangenoomen^ 

Adopter, (v. a.) Voor zyn zona 
of dochter aanneemen; adopter let 
œuvres d'autrui , zig een aj^era^ 
werk toeeigenen. 

Adoptif, ive (adj.) fils adoptif^ 
fille adopti-ye , Aanger.oonren zoon q^ 
dochter. 

Adoption , (f) Verzoening, aan- 
neeming tot kinderen. 

Adorable, (adj.) Aanbiddelyk , 
aunb iddens waard i o- . 

Adorateur , (m) AoKbidder, min^ 
njar , een die temand liefde toedraagd- 

Adoration, (f) Aanbidding , e^r^ 
hewyzir.7. * 

Adoré, ée {^à'i") j^ang^ebeeden. 

Adorer, fv. a.) ASnbtdden, eet 
hewyzen^ liefhthhen; cette mère a- 

dai9 



Î4 ADO. ADR. 

dore fes enfans, die moeder ts mal 
jfiet haar kinderen ; il adore jusques 
aux défauts de fe.s anîis, hy ver- 
heft zelfs de gebreken zyner vrienden; 
adorer le veau d'or, eenen omvaar- 
digen eerbiedigen ^ ifp^- ''^•) 

Ados 9 (m) Schuins opgrhoopte aar- 
de tegen een muur , {in Land-b.) 

AdofTé, ée (adj.) '^4et den rug te- 
gen malkanderen fïaande of leggende , 
{in Wapen~k.) 

AdOiTer, (v- a.) Het eene trgen 
het andere aan zetten ; s'adofler , 
^. r.) zig met den rug ergens tegen 
aan zetten. 

Adouber, (v. a.) Herjl ell en -, flop- 
pen ; als : rioolen , e/7z. 

Adouci, ie (adj.) Verzacht. 

Adoucir, (v. a.) l^erzacbten ^ver- 
zoeten , Jlillen ^bevredigen , maatigen'; 
Ja fievre eft adoucie , de koorts is 
verminderd ; adoucir le Ton d'une 
trompette ,fi?/' kïank van een trompet 
broeken ; s'adoucir , (v. r.) zoeter 
ivorden , verzachten. 

AdoucifTantjante (adj.) Verzacht 
tend. 

. AdoucîfTement, {m) Verzachting^ 
verzoning , ( f) 
. AdoucifTeur , (m) Glas-Jlyper- 

Adoué , (adj.) Gepaard^ gekoppeld , 
{van Patryzen gezegd) 
i Adpacres, il eft allé ad patres, 
hy is naar de oudvaders gegaan ; g?- 
Jlorven ■) {Lat. iv.) 
■ Ad reffant, (ad j.)Z)<^f tebejïellen t%. 

Ad re (Te, (f) Opfchrift op een brief 
efpak -ybejïelplaan ; bericht om iemand 
te vinden (n) ; handigheid , behendig- 
heid , vernuft^ fchranderbeid ^ voor- 
zichtigheid}, tour d'adréfTe , ^ot/?- 
greep , gaauivigheid met de handen. 

Adrs;ré,ée (adj.) RefteU .bezorgd. 

Adrerrer, (v. a ) Bezeilen ;zàres- 
fer un livre à quelcun, een bo^k 
aan iemand opdragen ; adrefTer fes 
prières à Dîeu, zyn gebed tot God 
ri^ en; adrefTer, ( v. n.) mikken.^ 
aanleg^^n; s'adreiTer, (v. r.) s'a- 
drefTer à quelcun, zig by iemand 
vervoegen ; iemand aanranden , aan- 
tajlen. 

"Adrogition > (f) Soort vofj aan- 
veeming tQf kmdy {in rfihten) 



ADR.ADV.ADÜ.^O^R. 

Adroic, te (adj. ôc ÏMtuc.) 6eben~ 

dig , gaaxv , fchrander , lijHg , ajge- 

regt ; een loos man. 

Adroitement, (adv.) Behendiglyk, 

Adventif, ive (adj.) Toevallig; 

biens alvertifs, goederen daar men 



by toeval het bezit" van krygt. 
Adverbe , (ra) Bywoord, (n 
Adverbial, aie (adj.) Bywoorde^ 
Ïyk , {in fpraak-k.) 

Adverbialement, (adv.) Bywoor- 
delyk. 

Adverbial ité , (f) ByivoordelyL 
beid. 

Adverfaire , (m) Tegenparty , «;<»- 
derjïreever . vyand; nne advtrfaire, 
een tegendingjler , vyandir.ne. 

^ Adverfacif , tve (adj.) Conjonc- 
tion adverfative, tegenJielUg voeg;* 
woord , {in fpraak-k.) 

Adverfe, (adj.) Tegengejïelde , te- 
genJJrydige ; partie adverfe, tegen" 
] ding er. 

Adverfité, ( f) Onheil, (n) ramp^ 
tegenfpoed , (m) on s'abat aifément 
dans l'adverfité , in tege-^fpoed ver- 
liejï men ligt den moed. 

Adulateur , ( m ) Pluimfiryker, 
vlyer. 

Adulation , ( f ) Pluimjïrykery. 

Adulte, (fubft. & adj.) Een vol- 
waffene ; huivbaar. 

Adultère, (njbft.& adj.) Echtbreuk, 
overfpel ; overfpeeler , echtfcbender; 
ovrrfpee'fer ; overfpeelig. 

Adultérer ,(v. n.) Overfpel bedry- 
ve}i , {in rechten) 

Ad'jlterin , ine (adj.) Dat in 
overfpel geteeld is. 

Adtiflc , (adï.) Sans; adufte, ver- 
brand bloed, {in Heel-k.) 

Aduftion,(f) Verbrandheid, {in 
Heel-k.) 

^ole, (ra) Mooi, de God der winden. 

Aéré, ée {716].) Luchtig. 

Aérer , (v. a.) Lucht geven. 

Aérien, eme (a j.) Luchtig, 't 
geen uit lucht bejiaat. 

Aérier, (v. a.) Luchten, verlucht 
ten , kvt/aade lucht uit een huis dr y ven, 

Aerographie, (f) Lucht-befchry- 
ving. 

Aérotnancie, (f) Waarzegging uif 
^B lufht, 

Aéro* 



AER. AFF. 

Aéromccrie , ( f) Kottjl om de lucht 
ti meet en. 

AtTabilité , ( f) Cefçraakzaamheîd , 
btl-efdbeid. 

Afevoie, (adj.) Beleefd^ vriende-^ 
lyk ^ j^raakzaam. 

AiTdblenùenc > (adv.) Bclecfdeïyh. 

Affsdi, ie (adj.) Laf , fmaakelocs 
genioi'kï. 

Affiuir, (v. a.) Walgelyk,fiaauw 
mauk'jj. 

Arr^ire , ( f) Eezigheid , zaak , 
handel; gefc-bil ; gebrek , (n) je viens 
depprenare de belles affaires, ik 
heb da.:r fraaye jiukken gehoord; af- 
fiiitci amoureufe , liefde-werk ; je 
fuis fins affaires , ik ben zonder 
nverk; gens d'cffaires , Aoo//- fjf/{>- 
/^r^ï s'attirer un rnéc hante affaire , 
z/g- een kieaade zaak op den b<ils haa- 
ien ; ne vous faites point d'affaire 
avec cet homn::e là, legd met die 
man niet aan', avoir affaire , noodig 
hdben;fiVoir affaire à quelcu?>, met 
iewand iets te doen, gefchii hebben; 
fiiirc (es aSaires, zyn gevoeg doeny 
faire bien fea affaires, zyn zaaken 
wet gade weî gade Jlacn j fe tirer 
d'affaires, zig uit eenê moeitykheid 
redden. 

Affairé , ée (adj.) Il eft toujours 
affairé , hy heeft het altoos volhan-^ 
digyhy is vol fchîilden , (fpr. rv.) 

Anaiffe, ée , (adj.) JS e êr gedrukt ^ 
neêrgezakî, 

Affaiffcment , (m) Neérzinking ^ 
neérzakkivg , ( f ) 

Afiàiffer , (v.a.) Stüuwen^noti'wen , 
pakken; s'^ffaiffer, (v. r.) Neerzak- 
ken , zakken , ih een pakken. 

Affaicage, (m) KonJ} cm een Roof- 
vogel ter jacht af te rigten,(f) 

Affaicé, ée (adj.) w^'ç^erigt, (f) 

AffaiÈeire«t , (m) Jfrigting , ( f } 

Affaiter, (v. a.) Een Roofvogel ter 
jacht afrigten ; mrjhn op een dak 
leggen. 

Afiàitear, (m) Een aie een vogel 

Affalé, (a.â].)^an laager ival ver- 
malien , {zee w.) 
. Affale \haal afy laat vallen ! (zeeiv,) 

Affaler, (v. a.)^/Iateti, r.érlateu; 
affaler une poulie, een katrol af~ 
fthaaken y {zee w.) 



AFF. 15. 

Affamé, ée , (adj.) Uitgehongerd, 
hohg. rig , greetig ; ventre affame , n'a 
point d'oreilles , in hongersnood 
lufjîerd men naar geen reden , (fpr. w.) 
luDic affamé y kleed dat te naauiv is ^ 
po a affamé , magere .luis , word ge^ 
zegd van een arm kaerel die eenfmee- 
rig baantje gekreegen heeft. 

Alfaraer, (v. a.) Uithongeren. 

Affanures, (f. pi.) Koorn dat den 
dorfchers of maaijers m plaats van 
geld gegeven word. 

Afféager , (v. a.) Riddermatig goed 
verpachten. 

Affedation , (f) Gemaaktheid ^ 
nabootzingy na-'dpiug; gemoeds-aan^ 
doening ; verpanding. 

Affefté, ée (adj.) Gemaakt, ge- 
divongen ; gehecht , verknogt , gefcbikt'y 
cette fonime efl affedée à l'entre- 
tien des temples , deze fomma gelds 
is tot onderhoud der Kerkeu gefchïkt. 

Affecter, (v. a.) Zig bevlytigen^ 
na iets fireeven ; verpanden ; il af- 
fede un air grave, hy neemt een 
flaatige houding aan y affefter fes 
biens, zyn goederen verpanden ; af- 
fefter une charge , r.acr een ampt 
verlangen ,faan; cela m'affede fort 3 
dat gaat my zeer ter harte. 

Affeaif, ive (adj.) Ziekoerend y 
beiveeglyk. 

Affeaion,(f) rriendfhap, lief- 
de, toegenegenheid, behartiging; ge-^ 
fïeldheid. 

Affedionné , ée (adj.) Toegene^ 
gen, wel gezind. 

Affsâ:ionn€ment,(adv.) Toe^ene^ 
genlyk. 

Affeaionner ,(v:a.) Genegenzyn, 
beminnen, veel werk van iets maaken- 
faffedionner, (v.r.) s'affeftionner 
a i'étude, de letteroej^ening ter harte 
neemen, 

Affedueufemenc, (adv.) Toegene-, 
genlyk. 

Affedueux, eufe (adj.) Hortelyk, 

Arrcrente, (adj.) Part afférente. 
toevallend gedeelte van een erfenis 

Affermé, ée (adj.) Verpacht , èe^ 
pacht. ^ 

Affermer , (v. a.) Verpachten. 

Affermi , ie (adj .) Verjhrkt , vaflep 
gemaakt. 



lö AFF. 

Affermir, {y.a.)V'erJierkfHfJiaa^ 
ven j affermir fon pié y zyn voet vajl 
Jiellen; s'affermir, (v. r.) zig beves- 
tigen. 

AffermiflTement , (m) Verjïerking , 
levefliging , f.aaving , ( f ) 

Affeté, ée (adj.) Gemaakt, 

Afféterie , (f) Gemaaktheid in 
manieren. 

Affeurage , (m) Prys-fielïing op 
waar en , (f) 

Affeurer, (v. a.) Prys of tv aar de 
bepaal CU. 

Affiche j (f) Plak-fchrift, Pla- 
taat , (n) 

Affiché, ée (adj.) aangeplakt. 

Afficher, (v.a.) Aanp lakken, aan- 
Jlaan. 

Afficheur, (m) Aanplakker. 

Affidé, ée (adj.) hertrouwd, ge- 
ffotnv. 

Affilé, ée (adj.) Jangezet. 

Affiler, (v.a.) Slypen, dtracdtrek- 
ken , ivetten , aanzetten ; avoir Ia 
langoe bien affilée, eene fyn gejlee- 
pe tong hebben. 

Affiliation , (f) ^anneeming tot 
2oon. 

A^ffilié, ée (adj.) Tot zoon aange- 
nomrn. 

Affilier , (v. a.) Tot kind aannee- 
msh. 

Affinage , (m) Zuivering, loutering. 

Affiné, ée (adi.) Gezuiverd. 

Affinement , (m) Zoutcring, (f) 

Affiner > (v. a.) Zuiveren, loute- 
ren; bedriegen 'y verfchalken; affiner, 
(v. n./ Ie tem9 affine , hét weer 
hiaart op. 

Affiner ie', ff) Draad-trekkery . 

A.ffineur, (m) TzerJraad-trekker ; 
Louterer. 

Affinité, (f) Zwagerfchap , ver- 
vca'r'.tfckap ; affinité de mots , ge~ 
mpenfrhap , overeenkomji van woorden. 

Affinoir , (m) Hennip-beekeL 

Affiquets , (m. pi.) Hoofdcierfeh , 
f ooi fi Is, hul/els der Juffers. 

Affirmatif,ive(adj.) Bevejligend, 
Jïaavend. 

Affirmation , (f) Yerzekerirg, 
verklaaring 9 eed, bezweerii:g. 

Affirmative ? ( f) Bcvjlig enie mee- 
tmg. 



AFF. 

Affirmativement, (adv.) Mefver^ 
zekering , bekragtigend. 

Affirmé, ée (adj ) Verzekerd y he~ 
vejligd. 

Affirmer , (v. a.) Verzekeren^ fier- 
klaar en , beé'edigen. 

A&eurer, (v.a.)ff^at^rpas-maaken, 

Affliftif, ive (adj.) Peine afflifti- 
Ve , Lyfjiraf. 

Affliaion, (f) Droefheid, kcm^ 
mer,{{) hartzeer, verdriet, (n) 

Affligé, ée (adj.) Bedrukt, droe- 
vig , neérjlagtig , treurig. 

Affligeant, ante {&d].)Verdrietig , 
droevig ,^ kwellende. 

Affliger, (v. a«) Kwellen, bedroe- 
ven , verdriet aandoen; la guerre 
affligé l'état, de kryg ve:oKtruJî den 
Staat; affliger fon corps, zyn lig- 
haam afmatten; s'affliger , (v. r.) 
zig bedroeven. 

Affluence ,{î)Overvloed , toevloed', 
toeloop van me%fchen. 

Affinent, ente (adj.) [Inioopende , 
i-nvloeijende. 

Affluer, ( V. n.) Tcetoopen, tg za- 
nten kopen , {weinig gebr.) 

Affoibli , ie (adj.) Verzwakt. 

Affoiblir , (v. a) Verzwakken, 
krenken, ontzenuwen; s'affoiblir , 
( V. r. ) verzwakken . kragteloos 
worden. 

AffoiblifTant , ante (adj.) Ver- 
zwakkende. 

AffoiblilTement , (m) Verzwak- 
king , ver minder inji ; (f) affoiblifîe- 
ment de monnoie, verflegting van 
qeld. 

Aff lé , ée (adj .) Ver/1 ingerd , ver^ 
zot; une bonfTole affolée , ff« mis- 
w^zend compas. 

Affoler, (v.a,^Dé> hersfens kren- 
ken , zot , ^ek maaken. 

Affoli^', (v. n.) Cek worden , 
{gem-. zv^) 

Aff orage , (m) R^cht , *t welk 
men betaald om wyn in 't klein té 
verkoopet;, (n) 

Affouage , (m ' Recht om bout te 
hakken in een bofch . (n) 

Affouguer, (v. a.)V«wn/, driftig 
maaken. 

Affourche , (m) Ancre d'affour- 
e he , Vertu . -anker in], 

^ 'Aft 



AFF. 

Affotircher , (v. a.) Perfuijea, 

voor en ach f er een ^4nker uitwerpen y 
(zee IV.) 

Affouragement , (ra) Het voeder 
geeven aan de beejien , (n) 

Affourager, (v.a.) de Beejien voe- 
deren. 

Affranchi, ie (adj. & fabft.) Be- 
vryd, vrygemaakt , verlojl y vryge- 
maakte Jlaaf, Jlaavtn. 

Affranchir , (v. a.) Bevryden ^ver- 
lojjen , JJuaken ; affranchir 'a pom- 
pe, t/^powi/) vry houden (zee ai;.)> af- 
franchir une lettre ,een brief fran- 
keeren. 

s'AfiFranchir , (v. r. ) 2^ig vry 
fnaaken , ontjlaan. 

AfFranchilTemenc, (m) VerloJJxng^ 
Jlaaking, vrymaaking , ( f) 

Affres, (f. pi.) Groote vrceze. 

Affrété, ée (adj.) Bevracht ■, ge- 
huurd. 

Affrètement , (m) Bevrachting , 
verhuuring , ( f ) 

Affréter , (v. a.) Een Stthip hun- 
ren , bevrachten. 

Affréteur, (m) Bevrachter^ huur- 
der van een f chip. 

Affreufement , (adv.) Séhrikkelyk^ 
yjfelyk- 

Affreux, eufe (adj.) Vei'vaarlyk , 
affchuuwelyk , vreejjelyk. 

Affriandé , ée (adj.) l-^eflekkerd. 

Affriander, (v. a.) Vethkkeren. 

s'Aftriander , (v. r. ) 2ig aan 
lekkernyen ge^vennen. 

Affriolé , ée (adj.) Verlekkerd , 
(gem. zv.) 

Affrioler, (v. a.) Aanlokken ,ver- 
lekkeren , {'gem. iv.) 

Affront , (vn)Hoon ,fchimp, fmaad , 
verachting , belediging, (f) 

Affrontailles,("f. pi.) Grenspaaten , 
in Landeryen. 

Affronté, ée (adj.) Onteerd; met 
het aangezicht tegens malkanderen 
fiaande , (in vuapenk.) 

Affronter, (v. a.) Hoonen; aan- 
grypen , aantafien ; bedriegen ; affron-, 
ter la mort & Ie danger, nog dood 
fiog gevaar ontzien. 

Affronteur, (m) Bedrieger. 

Affronteufe , (f) Bedripgjler. 

Affttblement, (m) Dtk-khed (n). 



AFF. AFI. AGA. AGE. i? 

Affubler, (v. Si.) Het boofd of aath 
gezicht dekken. 

Affût, (m) Raapaard y affuit vatÈ 
het gephut , (n) fchuilplaats van een 
Jager; (f) être à l'affût , op den 
oppas Jlaany toeren. 

Affûtage , (m) '/ Stellen van V ge-» 
fcbut op de Raapaarden ; al het Schryn^, 
werkers of Draaijers gereedfchqp )(n) 

Affûté, ée (adj.) Op het Raapaerd 
gejield; van gereedjc hap voorzien ;ge^ 
JJeepen , aangezet. 

Affûter, (v. a.) Het gefchut op het 
Radpaard flellèn; Jlypen , aanzetten. 

Afin , (adv.) Op dat , ten einde; ir 
fin de faire , ten einde om te doen i 
afin que j'aille, op dat ik ga'. 

Agacé, ée (adj.) Verbitterd ^ aan* 
gehitsd, getergd ; Jlomp gemaakt. 

Agace , ( f) Een foort van zwarte 
Exter. 

Agacement , (m) Stompheid der 
tanden , ( f ) 

Agacer , (v. a.) De tanden jlomp 
maaken; tergen ^ vergrammen f ver- 
bitteren. 

Agacerie , 0) Terging , aanlokking» 

Agacin , (m) Exter-oog , Li k-doorn* 

Agapes j (f. pi.) Liefde-maaltyden 
by de eerjie ChrtJJenen. 

Agaté , ( f) Agaat , ( Edel gejleente). 

Age >(ra) Ouderdom (m) levenswyze , 
eeuwe ; ( f) agç d'or , d'argent,' 
d'airain, de fer, goude, zilvere, 
kopere , yzere eeuwe , âge de puber- 
té , jaaren van huuwbaarheid ; âge 
viril , mannelyke jaaren ; âge do 
raifon , jaaren van onderfcheid; il 
mourut à la fleur de fon âge , hf 
Jîierf in 't bloeijen zyner jaaren ; les 
gens d'âge , da oude lieden ; être fur 
l'âge, bejaard zyn, être en age^ 
mondig zyn; en cet âge brutal, in 
deeze booze eeuwe ; quel âge avez' 
vous? hoe oud zyt gy\ bas âge , */«ûf' 
fche 'jaaren; s'il vit il aura de l'â- 
ge , hy zal metter tyd wel beteren-, 
s'il vit âge d'homme , indien hy tot 
rype jaaren komt ; l'agei n'eft fait 
que pour les chevaux , iemands 
fchoonheden moet men boven zyn jaaren 
in 't oog houden , ( fpr. w.) 

Agé,ée (aà].)'B-'jaard, oud; il 
eft mort âgé, hy is aud gejlorven. 

^ Ageïi" 



T8 AGE. AGG. AGL AGN. 

Ag.nrt , (f) ^aak-voederfchap , 
idzorging. 

Agencement, {m)Schikking, (f) 

Agencer , (v. a.) Schikken , in or- 
de Ji ellen. 

Agen.:a, (m) {Lat.iv.) ^^anteeken-" 
fnemorie-boekje (n). 

Agençai lié , ée (adj.) Geknield. 

s'Agenouiller, (v. r.) Knielen. 

Agenouilloir , (m) Bank om op te 
knielen. 

Agent , (m) Uitvoerder j afgezon- 
dene ; zaak -verzorger y agent de 
change > Makelaar m wijfels. 

Aggravant , ante (adj .} Verzwaa- 
rend. 

Aggrave , (m) ou Aggravation , 
(f) lVaarfcbuu%ving gaande voor den 
Kerker-ban , ( f ) 

Aggravé, ée (adj.) T^erzu-aard. 

Aggraver , (v. a.) f-^er zwaar en. 

s'Aggraver , (v. r.) Zwaarder uor- 
den. 

Agile, (adj.) Licht ^ vltig, tvak- 
ier, vaerdig. 

Agilement, (adv.)!!?^^, gezzvind. 

Agilité, (f) Snelheid, vlugheid. 

Agio , (m) Agio de banque , het 
opgeld van de bank. 

Agiotage , (m) Woeker., (f) 

Agioter, (v. a.) fVoekeren , fcha- 
cheren. 

Agioteur, (m) TVoekeraar. 

Agir, (v. n.) Handelen, doen, be- 
dryven; la grâce agit en nous, de 
genade vjerkt m ons-, maniere d'a- 
gir , ivyze van doen ', il s'agit de 
cela , hier van word gehandeld 3 il 
s'agit de ma vie , myn leeven hangd 
'er aan. 

AgifFant, ante (adj.) Doende, he~ 
dryvende ; homme agiflant , een wak- 
ker, vlytig , arbeïdfaam man. 

Agitation , ( f ) Beweeging , ont- 
fleltents i ( f ) gefchok (n). 

Agité j éa (adj.) Bewoogen, be- 
roerd. 

Agiter , (v. a.) Beweegen , fcbud- 
den jfchokken ; ontruften', zintwijlen. 

s'Agiter, (v. r.) Zig ontrujien, 
woelen. 

Agnation , (f) Maagfchap tus- 
{chen de mannelyke mhumehngeu vati 

^am trader. 



AGN. AGO AGR. 

Ag'«f ac , (ni) 7. am , ^n) 

Agntler ,(v.a.) Lamrnpren vjerpe}!. 

Agnelet , (m) Lammeijc , (n) 

Agnus-'. aftus , (m) Auifch-boom f 
{heejier-ge: as). 

Agouie, (f) Zieltooging , doods- 
benauwdheid, (f) uiîerfie; (n) é rc à 
l'agonie, met de aood ivorfrelen; la 
vis des pauvre:- enclaves eft une 
longue mort, ou yne agonie c n- 
tiuuelle , het leeven: der arme^Jlaa- 
ven is eeiw ïangzaame dood, of een 
geduiinge zieltooging. 

Agon i fiant, aace {aâ].)Stervende} 
zieltoogende. 

Agonifer, (v. a.) Zieltoogen, in 
doods benaauwdheid zy^i. 

AgratTe, (f) Haak, kram , (m) 

Agraffer , (v.a.) Faji haakenjitts 
aangrypen. ^ j. 

Agraire , (adj.) Loi agraire, ac* 
ker-v.et , (by de Romeinen) 

Agrandi , ie (adj.) l'ergroot. 

Agrandir j (v.a.) l^^ergrooten,uit-' 
breiden. 

S'Agrandir, (v. r.) Tot grootere 
Jiaat opklimmen. | 

AgrandiiTement , (m) Vergroot ing^] 
aanwas, opkltmming , uitbreiding ,(f), 

Agréable, fadj.) Aangenaam, be- 
haaglyk , gevalt ig. 

Agréable ,(my Joindre l'agréable 
à l'atUe,het aavgenaame met het nut- 
tige paaren , (n) 

Agréablement , {dkàv.) Vermaake^ 
tyk , genoeglyk , hehaaglyk. 

Agréé, éée (adj.) Voorzien, be- 
haagd. 

Agréer , (v. n. & a.) Behaagen^ 
welgevallen ; agréer un mariage , 
een huwelyk goed keuren ; agréer un 
va j fléau , een f chip met zyn wand 
voorzien. 

Agréeur, (m) TakelmeeJJer. 

Agrégation , ( f) Aanneeming , ont- 
fanging. 

Agrégé, ée (adj.) Aangenoomen. 

Agréger, (v. a.) Aanneemen^ onf 
fangen , {in een genoodfchap). 

Agrément, (m) Lieftalligheid, he- 
haaglykheid; goedkeuring', (f) opleg- 
zel op Bor duur-w er k , (n) 

Agrefler, {y, ^.)^é^nranden^be^ 
fpringen» 



AGR.AGU. AH.AHA.&c. 

AgrefTeur , (ra) ^lar.r ander , be- 
fpri/iget, 

Agreflion ^ ( f ) Aanranding, aanval. 

Ag relie, (adj.) Onbefcba^ci , woeji, 
plomp. 

Ag rats , (m. pi.) Scherps wand , of 
touwen , (n') 

AgriculCurejX f) Land-acker-boUiv, 
(m) 

Agriffer , (v. a.) Met- klaauwen 
vajï ma a ken. 

s'Agriffer , (v. r.) Zyne klaawwen 
ergms injlaan. 

Agriocte, (f) Een foor p van zuti- 
re kers. Mor e lie. 

Agripper, (v. a.) Aangrypen, nee- 
men. 

Agrippeur, (m) Aangryper. 

Agrouper , ou grouper, (v. a.) 
Veele beelden by elkadr fchilderen , of 
houwen. 

Aguerri, ie(adj.) In den kryg ge- 
oeffend. 

Aguerrir, (v. a.) Tot den oorlog 
africhten. 

s'Aguerrir, (v.r.)-^'"^ i^ dekrygs- 
kunde oe ff enen. 

Aguets, (ra. pi.) Etre aux aguets, 
cp dsn oppas Jlaan , loeren. 

Ah/ (interj.) Ach, och\ 

Ahan , (ra) Zuckt; zwaar e arbeid: 

Ahaner , (v. n.) Hygen , met groo- 
tB moeite arbeiden , zwoegen. 

Aheurtemenc ,(m) Haljlarrigheid, 
eigenzinnigheid, (f) 

s'Aheurcer, (v. r.) Zyn eigenzin 
én wil volgen. 

Ahi ! (interj.) Ach , ocb ! 

Aide, ("f) Hulp y byfiand, onder- 
fïand. 

Aide ,(m) Aide-major , Régiments 
Adjudant y aide de cérémonies, on- 
der-ceremonie-meejler fZiie de camp, 
Generaal Adjudant -fZ-iàe de cuifine, 
koks-maat , onder-'kok -, aide à ma- 
çon , opperman. 

A i 'aide / (adv.) Ter hulp , ter by~ 
Jiandl 

Aidé, ée (adj.) Geholpen. 

Aider, (v. a.) Helpen, byjîaan,dù 
hand bieden ; dienen , dienji doen ; ai- 
der à la lettre , in het leezen iets 
toegeeven; il s'aide de la main gau- 
cl^e, hy gémH ^m iwKerliçivà, 



AID. AIE. AIG. 19 

Aides, (f. pi.) Schattingen, ac- 
cynfen; il va à la cour des aides, 
hy borgd, haald op credit. 

Aïeul ,( m) Grootvader ; nos aïeux, 
onze voor-ouders. 

Aïeule , ( f ) Grootmoeder. 

Aiglantier, (m) Koózelaar , Roo* 
zen- boom. 

Aigle, (m) Arend-, menfch vaneeri 
doordringend verband; ils donnèrent 
delà terreur a l'aigle romaine, 
zy brachten de fchrik in het roomfche- 
heir. 

Aigle, (f) De Roomfche Adelaar, 

Aiglette , ( f ) Kletne Arend , in een 
wapen. 

Aiglon , (m) Jonge Arend. 

Aiglure , (f) Roode vlak op de 
rug van een f^alk. 

Aigre , (adj.) Zuur, wrang yfcherp-, 
bits , fpytig. 

Aigre de cedre , (ro) Limonade. 

Aigre-doux, (adj.) Zuur en zoet* 

Aigre fin , (m) Zekere grooteWy" 
ting ; item looze fchalk. 

Aigrelet, ette (adj.) Zuurachtig., 

Aigrement, (adv.) Vimiglyk ,hef'. 
tiglyk. 

Aigret , ette (adj.) Zuurachtig. 

Aigrette, (f) Kleine witte Rei- 
ger (m) ; vederbofcb , kuif van eert 
Koet spaar d; (f) cieraad met edele ge- 
(ïeentens voor de Wouwen, (n) 

Aigreur, (f) Zuurheid, wrang- 
heid'ihaat ; afkeer , droefheid , (f) ver- 
driet (n). 

Aigri, ie (adj.) Verzuurd. 

Aigrir , (v. a.) Zuur maaken , ver- 
zuur en ; vertoornen. 

s'Aigrir , (v. x.)Zuur worden y ver.- 
grammen. 

Aigu, uë (adj.) Scherp, fnydend^ 
bits; vernuftig j accent, aigu, eeri 
fcherp toon-teeken, (in fpr. k.) 

Aiguade, (f) Voorraad van zoet 
water; plaats daar men het haald -^ 
faire aiguade , zoet water aanboord 
haaien, (zee w.) 

Aiguail , (m) Morgen-daauw , (f) 

Aiguayer j (v.a.) Linnen wajfchen, 

Aigue-marine, (ï) Soort van zee- 
groene Agaat-fieen. 

Aiguière, (f) Een lampet-kan. 

Aigui4réçj(f )fî^« VQllg lampet-kan* 



20 AiG. ail; 

Ai^uîUade, (f) Zweep j pe'itfcb. 
Aiguille, (f) Naald ifpits', hoo- 
gefpitze roor^-Mj aiguille de tete,ae 
boulToJe , hair- compas-naal'd -, ai- 
guille de montre, de cadran, wy- 
zer van een uiiriverk, zonnewyzer; 
aiguille de fléau , evenaar van een 
balans; aiguille, majljienge , uitleg- 
ger , (zee 'u;.)de fil en aiguille, van 
het begin tof het einde , {fpr. w.) 

Aiguillée , (f) Naald met een 
draad. 

Aiguilletier, (m) Nejleling-maa- 

kcr. 

Aiguillette, (f) Nejlelhig ^ ryg- 
fmer ; courir 1'aiguilletce., vodr 
hoer fpeelen ; lacher 1'aiguillecte, 
zyn buik loozen. 

Aiguillstter , (v. a.) Nejlelen, 
vajï rygen. 

Atguillier , (na) Naaldemaaker ; 
naaldekoker. 

Aiguillon, (m) Prikkel, angel-, 
cela fert d'aiguillon à la vertu, 
dat diend tot aanfpoorwg der dengd. 

Aiguillonné , ée (adj.) Aange- 
fpoord. 

Aiguillonner , (v. a.) Aanprikke- 
len , aanfpooren , ophitzen. 

Aiguifé, ée (adj.) Gejleepen. 

Aiguifement , (ra) Slyping , (f) 

Aiguifer> (v. a.) IVetten , Jlypen , 
aanpunten , Jcherpen ; aguifer fes 
dents , zig tot een wakkere maaltyd 
bereiden. 

Ail, (m) (Aulx au pi.) Knoflook. 

Aile, (f) Vlerk, wiek-, fnelhcid , 
gezwindheid ; befcherming > veei'en 
vaneen lardeer-priem{ï);buitenjie lood 
aan de glazen; (n) fur les aites du 
vent , op de vleugelen des winds ; ro- 
gner les ailes, kortwieken; il en 
tirera pié ou aile , ^y zal 'er ha- 
ring of kuit van hebben ;il en a dans 
1'aile, hy IS in zyn wiek gefchooten; 
il ne bat plus que d'une aile , hy 
is uit de mat gejlaagen; (fpr.'w.) ai- 
le gauche , de linker vleugel; des 
bouts d'ailes , pennen ; fcbachten. 

Ailé , ée (adj.) Gevleugeld; che- 
val a'üé , gevleugeld paerd , Pegafos. 
(by Dichters) 

Aileron , (ra) Kleine vleugel ; vis- 
i^jm ; divar spiank in f en water-rad} 



AIL. AIM. AIN. A]0. AIR. 

kleine kraakheenen aan de neus , ( f) 
oor-lapje, (n) 

Aillette , ( f) Binnenjle rand van 
een fchoen. 

Aillade, (£)Spys met knoflook toe 
bereid. 

Ailleurs , (adv.) Elders , in een 
ander plaats; d'ailleurs, daarenbo- 
ven ; van elders ; par ailleurs , door 
een ander plaats. 

Airaable, (adj.) Beminnelyk , be- 
haaglyk. 

Ajmant, (m) JZyl-magneet-fleett, 

Aimanté, (é« (adj.) Met een zyl- 
fleen , beflreeken. 

Aimanter, (v. a.) Met een zyl-fleen 
beflryken. 

Airaantin , ine (adj.) 't Geen de 
kracht van een zyl-fleen heeft. 

Aimé , ée (adj.) Bemind, geliefd. 

Aimer , (v. a.) Beminnen , lief- 
hebben; aimer mieux, liever willen; 
s'entr'aimer, malkanderen beminnen. 

Aine, (f) De liefch. 

Ainé , ée (m. & f.) Oudfle Zoon^ 
of Dochter. 

AineiTe , (f) Droit d'ainefTe , 
eerflgeboorte recht. 

Ainfi, (adv.) Zoo, dus , daarom % 
dienvolgens; il eft ainfi fait, dit is 
zyn naturel ; on eft ainfi fait , zoo 
is de eeuw; ainfi n'avienne , God 
verhoede het {oud w.) ; ainfi foit-il , 
het zy zoo , amen , ainfi il conclut, 
derhalven befloot hy. 

Ajourné, ée (adj.) Gedaagd. 

Ajournas (ni) Een Gedaagde, 

Ajournement , (m) Dagvaarding. 

Ajourner , (v. a.) Dagvaarden j 
voor V recht roepen. 

Ajouté , ée (adj.) Bygevoegd, toe- 
gevoegd. 

Ajouter, (v. a.) Byvoegen, toe^ 
doen ; ajouter foi , geloof geeven. 

Air , {va) De lucht '; zwier , manier; 
bevalligheid {in Schild. k.);fprongy 
fleigeringvan eenpaerd{tn de Ry-fch.); 
flreek van de wind {f); liedje, ge- 
zang, (n); cela à un air de maître, 
dat' heeft een meeflerlyke zwier; d/s- 
courir en l'air , zoo wat heen praa- 
ten; prendre de grands airs, zig 
grootfch aan/lellen; des contes en 
l'air , beuzelachtige vertellingen ; 
prenr- 



ARA. AIR. AIS. AIT.AJU. 

prendre l'air , lucht fcbi-ppen ; avoir 
]'air grand ,een deftig gelaat hebben. 

Arain, (m) Kopt^r {n); les inju- 
res s'écrivent far l'airain & les 
bienfaits fur le fable, beledigingen 
ivorden nooit , maar iveldaden ras 
vergeten; avoir un front d'airain, 
onbefchaamd zyn ; le ciel eft d'ai- 
rain , de hemel is ongiwjîig. 

Aire , ( f ) Dorfchvloer 3 vlakte van 
een vertrek-, nejî van een roofvogel; 
grootte van een iviskon/iige f guur. 

Airée , ( f ) Dorfchvloer met koorn. 

Airer, (v. n.) Nefielen. 

Airier, (v-a.) De kwaade lucht uit 
een huis dryven ^ bewierooken. 

Ais, (m) Berd y plank -, ais de 
carton , blad bordpapier. 

Aifade ou Aiflade , ( f) Het in- 
komen van den fptegel , {zee w.) 

Aifance 5 ( f ) Gemak , (n) bekwaam- 
heid. 

Ailances , (f. pU) Secreet , beime- 
tyk gemak j (n). 

Aifceau , (m) Kuipers-diffel. 

Aife . (ra. & f.) Rufl , blydfchap , ( f) 
genoegen (n); la guerre trouble l'ai- 
Ve de nos jours , de oorlog fioort de 
wellufl onzer dagen -y vivre à fon ai- 
fe , op zyn gemak leven. 

Aife , {zà].)Verblyd :,vrolyk , lujïig. 

Aifé , (adj.) Ligt , gemakkelyk ; wei- 
gegoed ; handelbaar ; les aifez , de 
fiezoede lieden. 

" a 1'Aife , (adv.) Zonder moeite; 
fix homnies de front y palTent à 
l'aife , fes man op een ry gaan 'er 
gemakkelyk door. 

Aifément , (m) Secreet , huisje , 

(n) 

Aifément, (adv.) Gemakkelyk, Ug- 
telyk. 

Aiflelle , ( f) Oxel onder de armen. 

Aifl*ette , ( f) Kleine diffel. 

Aiflieu y (m) As van een wagen. 

Aitiologie , ( f) Ziektens-oorzaak- 
kunde. 

Ajadant 9 (m) Adjudant in een 
leger. 

Ajuftages , (f. pi.) De toefiel- 
ting van waterpypen , trompsn , 
enz. 

Ajufte , ( f) Aanfplitzing van fow 
;venj {zee w.> 



AJU.ALA.ALB.ALC. 21 

Ajufté , ée (adj.) Opgefchikt , ver- 
effend. 

Ajuftementj (m) Kleeding , veref- 
fening, (f) 

Ajufter, (v. a.) Opfchikken,optooi- 
jen, vereffenen; ajufter des balan-^ 
ces , fchaalen gelyk maaken ; ajufter 
bien les coups, de jlooten wel aan- 
brengen , ( in de fçherm-fch.) ajufter 
quelcun , iemand afroffen. 

s'Ajufter , (v. r.) Zig opfihtMen , 
ztg voegen j overeenkomen. 

Ajüftoir , (m) Kleine fchaal , {in 
de munt gebezigd) (f) 

Ajutage, {Zie Ajuftages.) 
A la fin , ( adv. ) Eindelyk , ten 
laatfien. 

Alaife, (f) Sluit-fïuk , {by fchryn^ 
werk.) 

Alambic , (ni) Dijîileer-ketel ; l'af- 
faire a pafie par Valsimbic , de zaak 
is naauw onderzocht. 

Alambiquer , (v. a.)s'Alambiquer 
l'efprit, OU la cervelle, zyn geeji 
ofherffens e f gens over kzvellen. 
Alan , (m) Groot e bulhond. 
Alaque, (f) Phm , vierkant Jl uk 
waar op een zuil rufi , (n) 

Alarguer , (v. n.) Zig in de rui- 
me zee b e ge even. 

Alarme, (f) Wapen-kreet , alar- 
me, vreeze, ontrulling , omjîeîtenis. 
Alarmé , ée (adj.) f^erfchrikt , ont- 
field. 

Alarmer ? (v. a.) Verfchrikken , ont- 
fiellen. 

s'Alarmer, (v. r.) C'eft bien )à 
de quoi tant s'alarmer j moet meit 
zig daar over zoo ontjlellen ? . 

Albâtre, (m) Albafier ; {n) wit- 
heid , ( f) 

Al berge , (f) F'roege perzik. 
Albergier , {m)rropgeperzik-boom, 
Albique, (f) Zeker wit of vet 
kryt. 

Albornos , (m) Mantel met een 
kap , {by de Moor en) 
Al bran , (m) Jonge wilde Eend. 
Alchymie, {£)Smelt-konfi in tne-i 
taaien, {lees Alkymie) 

Aichymique , (adj.) Dat daar toe 
behoord. 

Alchymifte, (m) Mefaal-fmelter f, 
Goud-Zoeker, 

B 3 Alco^ 



22 ALC,ALE. ALF.ALG. 

Alcolifer, (v. a.) Fynder , zuiver- 
der maaken , {m Chym.) 

Alcoran , (m) Net Turkjch Wet- 
boek , (n) alcoran , (m) 

Alcove , (ra. mais le plus Souv. 
f.) Alkove, (m). 

Alcyon , (ra) TsvogeL 

Alderman , (m) Scheepen , Raads- 
heer in Engeland. 

Aledorienne ,(f) Steen die in de 
maag der Haanen gevonden vuord. 

Aleftoromancie , ( f) Waarzeg- 
ging door middel van een Haan. 

Aledlrion , (ra) Jonge Soldaat, 
gunjïelir.g van Mars. 

Alégre, (adj.) Vrolyh , blysteejïig. 

Alégrementi (adv.) LuiUg/yk. 

Alégresfe , ( f) Blydfchap , lujl. 

Aléne , (f) Schoenmakers-els. 

Alênier , (m) Elzen-maaher. 

Alentir, (v. a.) Vertraagen; ver- 
zachten., {heter ralentir) 

Alentour , (adv.) Rondom , omleg- 
gende ; d'alentour , rondsomme-, lieux 
d'alentour, omleggende plaàtzen. 

Alerion , (m) 'Kleine Arend zon- 
der hek of klaauzven , (in Wapen-k.) 

Alerte, (adj.) Wakker.^ vlug. 

Alerte , (adv.) Sa^ vlakker Ipajl op! 

Alethe, (ra) Indifche Fogel be- 
kwaam ter Patrys jacht. 

Alette ) (m) Kleine vleugel , ( in 
Bouw-k.) 

Aleu , (ra) Terre de franc aleu , 
vry erf-leen , (n) 

Alevin , (m) Kleine Vîfcb ; groei. 

Alevinage , (m) Uitfcbot van f^ifch. 

Aleviner , (v. a.) Een vyver met 
Vifch voorzien. 

Alexipharraaque ou Aîexitere , 
(adj. & fubft. ra.) Tcgervergift , (n) 

Alezan , (ra) Een ros PaerJ , F'os. 

Alezan , ne (adj.) Ros- achtig 
{van Paerden gezegd) 

Aleze OU Aiaife , (f) Laaken om 
een zieken in te koejïeren ; 't fmalfle 
plankje van een paneel^ (n) 

Alezé , ée , (adj.) Chevron ale- 
zé 5 afgpjJomptp fparre , {in Wapen-k.) _ 

Al fange, (£) Soort van Latton%v.' 

Al fier, (m) Spaanfche Vaandrig •, 
(fpot-vu.) 

Al gal ie, (f) Bolle pyp om dewa- 
ferloozing ;# bevorderen , (m HeeLk.) 



ALG. ALH. ALL 

Alganon , (m) Ketting die de ga- 
lei Slaaven draagen om ze te onder- 
kennen , ( f ) 

Algarade , (f) Sthimp , fmaad ; 
vyandelyke inval. 

Algaroc , (ra) Braak-purgeer-poe- 
der , (n) 

Algébraïque, (adj*) Dat tot den 
f el-regel behoord. 

Algèbre , ( f) St el-r egel , Algebra -, 
c'eft de 1'aigébre pour lui ,hy ver- 
Jiaat 'er niets van , {fpr. iv.) 

Aïgébrifte , (ra) Die de Algebra 
verjiaat. 

Algue ou goüëmon ,{ f) Zeegras i 
wier , (n) 

Alhandal , (m) Koloqnint-koekje ^ 
{by Apoth.) 

Alhedade ou Alidade, (f) 2^eke- 
re liniaal in Wiskunde gebezigd. 

Alibi, (m) Uitvlugt , (f) elders 
{Lat.w. in Recht.) prouver la faus- 
feté de l'accufation ,par un alibi, 
de ongegrondheid der befchuldiglng y 
mpt op een ander plaats geiveejl te 
hebben y bewyzen. 

Alibi-forain ,{m)Iedele uitvlucht^ 
voorwending , ( f ) " 

Aliborum , où raakre aliborum 
(m) , een doorjlepen quant , looze vos , 
die voor geen een gat te vangen is. 

Alichon, (ra) Plank van een wa- 
ter-rad, waar op het water valt. 

Aliénable, (adj ) Vervreemdbaar, 

Aliénation, (f) Vervreemding ., 
overdragt van goederen j afkeer-, 
aliénation d'eCprit, verwerring van 
zinnen. 

Aliéner , (v. a.) Vervreemden; 
aliéner des biens, goederen verkoo- 
pen, vervreemden-, aliéner fes affec- 
tions , zyne liefde aftrekken j s'aliéner, 
(v.r.) zig afzonderen. 

Alignement, {m) Afmeeting. 

Aligner, (v. a.) Met een fnoer af- 
meet en ; item h'fpringen , dekken , (be'- 
trekkelyk tot Wolven). 

Aliment, (ra) Voedzel, {n) fpyze , 
(f) onderhoud ,{n) les fciences font 
les alimens de refprit,al? zveten- 
fcbappen zyn Toedzel voor het verjïand. 

Aiiroentaire, (adj.) Tot het on- 
derhoud behorende -f penfion alimen- 
taire , kojigelj^ 

AUmen- 



ALI. ALK. ALL. 

AHru. f. t , (V. a.) uideu., fpy- 
ten , onder boUi.iiï: , {meejl tn Rychtjn). 

A ijne'ueux, '-.uie(adj.) Sac ali- 
nii-nceun, 'joedtnd Jap. 

AH; éd , (m) .'^cgm van efn n'wwwe 
Ltniey (ti) 

A'inger, (v. a.) M(t Linnen voor- 
zie}?. 

AI.quante,(adj ) Partie aliquan- 
te , een getal dat van de Jeclivge ove- 
rig ;., als , 4 ï/: H ^'hf* 2. 

Ai'quote , (adj.) i'arcie ahquote , 
getal dat in een groot er nit opgaat. 

Aii.e. {Zie AÙz ). 

Aiifé, ée. (Zie Alizé). 

A'ifon , (f) Madame alifon , /V 
zoo veel als domme , acinelooze Els , 
{l'^rouwen naam) 

Alité, .?e (adj.) Bedlegerig. 

Aliret , (v. a.) Het bed doen bou- 
din ; s'alicer, zig te bedde leggen, 
uit ho fde van ziekte. 

A: i'^e , (f) De vrugt van een Lo- 
tus-boom. 

Alizé , ée arlj ) Vents alizez, 
vajle-pajjaat-zvinden , (zee ii'.) 

Alizier, (m) Een Lotus-boom. 

Alkali, (m) (arab. iv.) Zout dat 
uit de bergfioffen en kruiden getrokken 
word, 

Alkalifer, (v. a.) Zout uit de vii- 
fieraalen en planten trekken. 

Alkalifation, (f) Het uittrekken 
daar van. 

Alkekengï , (m) Jooden kar s , kriek 
over zee. 

Alk hermes , (m) Jlkermes , hart 
verderkrnd rniddil , (in Geneesk.) 

Alkool, (m) (arab. iv.) Een al- 
der fyn,l e poeder , (in Chym.) 

Alkoolifer, (v. a.) Tot een al~ 
derfynjle poeder Jlo ten. 

Allaiter, (v. a..) Zoogen, met melk 
voeden-, allaiter un enfant , ^f« kind 
de borjl geven. 

Allant, te (adj.) gaande-, les ?.l- 
lans & les venans , de gaande en 
komende man-, un allant, ^'fw die al- 
tyd her om loopt en niets verzuimd. 

Al I éc he me n t , ( m ) jdanlokking , 
(boert, w.) (f) 

Allécher, ( V. a.) Aanlokken^ 
(boert, vu.) 

Allée, (f) Laan,dreeffgangi(f) 



ALL, 23 

pad; (n) après piuneurs allées öc 
venues , na veel heen en weer hopen ; 
jelui ai donné l'aliée & Ie venir, 
ik heb hem muilpeer en links en rechts 
gegeven, (jpr. w.) 

Allégation, (f) Aanhcaling van 
eenig beuys-jluk offcbryver. 

Ai'ége, (f Een Ligter , (zeker 
f'^aartuig) (m) 

A i légeance , ( f ) f^erligting , (Poet, 
w.) 

Allégement, (m) De ligt ing van 
een Schip , ( f ) 

Allégement, (ra) f^erligting, (f) 
(Soulagement is beter) 

Alléger, (v, a.) Verligten-j ligten', 
cela allégera (beter loulagera) Ie 
mal , dat zal htt quaad verligten } 
alléger un VailTeau , een Schip ligten, 

AUégerir, (v. a.) f^erligten, lig- 
ter maaien , (in de Ryjcbool) 

Allégorie , ( f) FerUoemde fpreei» 
wyze , Ie en fp reuk. 

Allégorique , (adj.) Verbloemd ^ 
byfpreukig. 

"Allégöriqueraent, (adv.) Ver.' 
bloemdelyk. 

AUégorifer, (v. a.) leis uitleggen, 
rr.et gelykenijfen , redeneeren, 

Allégorifeur , (00) Verbloemde re- 
naar, (boert, w.) 

AUégorifte , (m) Uitlegger van de 
Schrift door gelykenijjen , 

Aaégre. (Zie Aiégre). 

Alléguer, (v. a ) Bybrengen, aan^ 
haaien; alléguer un paîlage de i'E- 
crLiure, een Schriftuur-plaats aan- 
haalen; alléguer pour raifon , voor 
reien voorwenden. 

Alleluya, (m) Een Lofzang; loofJ 
den Heere , ( hebreeuxvfcb w.) item 
zuur e klaver, (een kruid) 

Aller, (v.n.) Gaan ,enz. je vais, 
tu vas , il va, nous allons, vousal- 
lez, ils vont j(reg.)j'allois,j'anois, 
je fuis,j'étois,je fus alléi (irreg.) 
j'irai, tu iras, il ira, nous irons, 
vous irez , ils iront j va , qu]il 
aille, allons, allez, qu'ils ail^ 
lent; que j'aille, &c. j'irois, ta 
irois,il iroit,&c. que j'allaflei 
allant, allé; allez en paix, gaar 
in vrede ; ne faire qu'aller & 
venir, alfyd in beweging zyn; je ne^ 
B 4 » ferai 



24 ALL. 

ferai qu'aller & venir , ik zaî niet 
tlyven , maar terjîond iveérom zyn ; 
aller au devant àe, tegemoet gaan, 
voorkomen-, aller à l'excès, buiten- 
Spoor ig te werk gaan; je n'ai rien 
dit qui aille à vous , tk heh niets 
gezegt dat u raakt; comment vont 
vos affaires? hoe ^aan u zaakenl un 
rafoir qui va bien , een f ch eer mes 
dat wel fnyd; les extravagans ne 
vont gueres loin fans ennuyer , 
dte te veel praats hebben vervee len 
ras; j'irai jusqu'à cent francs, ik 
zat 'er honderd guldens aan waagen; 
il Y va de vôtre honneur , uwe 
éer hangd 'er aan^ efl ce ainfi que 
vous y allez? is dat u maniere il 
. va fortir , hy is gereed om tut te 
gaan; il va être le plus infortuné 
des hommes , hy jlaat op het punt 
cm een allerongelukkigfi man te wor- 
den; allez, vous n'êtes qu'un ap- 
.prentif en cela , loop , gy zyt 'er 
rog maar een Leerling in; aller par 
haut & par bas , zig onder en boven 
ontlajlen; cela s'en va fans dire, 
dat /preekt van zelfs; au pis aller, 
op zyn quaadjle genomen ; aller en 
bateau , vaaren ; aller à cheval , 
en chariot, te paerd^ in een wagen 
ryden; aller de pair avec quelcun, 
met iemand gelyk 2y«- aller en cour- 
fe , ter kaap vaaren; aller au plus 
yrès du vent , foherp hy de wind 
houden, loeven ; aller de bout au 
vent, in de wind zeilen; aller vent 
îargue , ruiinfchoots zeilen; ( zee- 
woord ) toutes les eaux des 
yivières vont à la mer, al het wa- 
ter der rivieren loopt na zee; rien 
lïe va plus vite que Ie temps ^ 
0iiets loopt rajjer als de tyd ; ce cal- 
cul va à tant ^dceze nekening beloopt 
200 veel; cette pieee de terre va 
en pointe, dit Jiuk eindigt met een 
_fKWf ; ces ouvriers vt^nt lentement, 
xiie werklieden zyn langzaam m hun 
doen-f le commerce ne va plus, de 
koophandel gaat niet; comment va 
votre fanté.^ hoe is 't met uw ge~ 
zv:dhcid ? aller eu le Rbi va à 
pjed, op het buitje gaan-, Allons! 
(inLgrJ.) kom aan! koml allons !al- 
|pn| nous en, '; za ivakhr l Iç^at 



all: 

ons heen gaan ; allons! finiffons, 
kom ! laat ons 'er een einde van maa^ 
ken. 

Aller, (m) Il a eu l'aller & le ve- 
nir , (fpr. w.) hy heeft op beide de 
ooren gehad. 

S'en Aller, (v. r.) Heenen gaan', 
faire en aller, weg jaagen; il s'en 
va pleuvoir , het gaat regenen j 
s'en aller par terre , vallen 
Alleure. (Zie Allure). 
Allczer, (v. a.) 't Gefchut rei- 
nigen. 

Allézeur,(m) Injîrument daar toe 
Alliage , (m( Menging der metaa- 
len en andere dingen. 
Alliaire, (f) ^Vilde knoflook. 
Alliance, (f) l^erbnnd ; (n) rjgr- 
maagfchapping ; vermenging ; { f) 

Allié, ée (adj.) l-^erbonden; ver- 
maagfchapt , vermengd. 

Allié , ée (m. 6c f.) Een Bondge- 
noot ; verwant. 

Allier , (v. a.) Metaalen of iets 
anders mengen; verbinden; s'allier , 
(v. r.) ztg verbinden} zig vermaag- 
fchappen. 

Allier, (m) Patrys-net , (n) 
Allobroge , (m) Een Savoyaard, 
een Dommerik, Lompert. 

Allocation , {£) Goedkeuring , 
aanneeming e ener rekening. 

Allocution , (f) Opentlyke aan- 
fpraak van een Keizer of Legerhoofd 
tot zyn volk, in oude gedenkjïukken 
vertoond' 

Allodial,^ ^le (adj.) Erflyk ; deç 
biens allodiaux, onleenroerige Goe^ 
deren. 
Alloi. (Zie Aloi). 
Allonge. {Zie Alonge). 
Allouable, (adj.) Dat men in eene 
rekening toelaaten kan. 

Alloué , (m) E enen in de plaats 
van eenen anderen aangejlelde in eeni- 
ge zaak; item een uitgeleerde Leer- 
jongen die voor knegt hy zynen Mees- 
ter blyft. 

Allouer, (v, a.) Een poji in eene 
rekentng gelden laat en, goedkeuren. 

Allouvi,ie(aij.) Hongerig, vra- 
trg als een IVolf. 

AHuchon , (m) Tand die in het 
kam rad van em Mole» vat, 

^ A|l'4' 



ALL. ALM. ALO. ALP, 

AUumelle , (f) Lemmer van een 
mes ( n ) > ten Priejiers rok zonder 
mouwen. 

Allumer , (v. a.) Aanjieeken ; al- 
lumer de la difcorde , tweedragt 
Jiigten, verivekken. 

Allumette, (f) ZwavelJIok , (m) 
iets daar men mee aanjïeekt. 

Allure, (f) Gang, tred; (m) je 
connois fes allures, tk ken zyn ma- 
nieren. 

AUufion, (f) Zinfpeeling. 

Alluvion, (f) jianfpooring, aan- 
was van land. 

Almodie , ( f) Schuitje der Wil- 
den, (n) 

Almanach ou Calendrier , (m) 
Almanak, Maandwyztr . 

Aio cation. {Zie Allocation). 

Aloë,ott Alois, {m)Aloe, {Art- 
zpny). 

Aloi , (m) Munt-Jlof; alloy ; item 
waarde daar van ; fes connoiflan- 
ces font de bon aloi , zyne kun- 
digheden zyn egt. 

Aloiau. {Zie Aloyau). 

Alonge , ( f) Iets dat aangehecht 
word om te vercenigen ; hairlok', 
item {in Scheepsb.) een oplang ,Jleeker', 
item Kromhouten. 

Alongement , (m) f^er lenging; uit- 
Jirekking. 

Alonger, (v. a.) Verlengen, lan- 
ger maaken; alanger Ie bras, den 
arm ui;jleeken; alonger la courroie, 
{fpr. w.) ongeoorloofiie wïnjl neemen. 

Alopécie , ( f) Uitvalling van 't 
hair. 

Alors, {adv.) Als dan , toen , toen- 
maals , op -die tyd. 

Alofe , ( f) Een Elft , {vifch) 

Alouchi , (ro) Gom van de Kaneel- 
boom. 

Alüuer. {Zie Allouer). 

Alouette , ( f) Een Leeuwerik. 

Alourdir, (v. a.) Dom mcaken, 
i-?rdooven , {gem. w.) 

Alouvi. (Zie Aliouvi). 

Aloyage. {Zie Alliage). 

Aloyau , f m) Een Harfï , dy-Jluk. 

Aloyer, (v. a.) Metaalen mengen. 

Alpen OU Alpage , (m,0«i^/'/ûfgc/ 
land, (n) 

AlpUabet, {m) Het A, B,C, (n) 



ALP. ALT. ALU. 2f 

Alphabétique, ' adj. ) Alphabe- 
tifch , volgens het A , Ü , C. 
AUe. {Zie Halte). 
Altérable , (adj.) Veranderbaar) 
veranderlyk. 

Altérant , ante (adj.) Dorfi wr- 
wekktnd, {in Geneet k.) 

Altératif , ive (adj.) Dat iets ver- 
anderen , omkeeren kan. 

Altération , (f) Verandering ; 
ontjieltents ; dorjl. 

Altersas, {oud w.) Twijl. 

Altercation , ( f) Twijl , ( f) har- 
rewarren , (n) 

Altérer, (v. a.) Vérander m » ver- 
valjchen; dorfi verwekken; la débau- 
che altere la fanté , de overdaad 
bederft de gezondheid» s'altérer ,(v.r.) 
dorfi: g worden; erger worden. 

Alternatif , ive (adj.) Beurte- 
lings. 

Alternative , (f) Avoir l'alter- 
native , de keuze van twee zaakeii 
hebben. 

Alternativement , (adv.) By beur- 
ten , by verwijfeliftg. 

Alterne , (adj.) Beurtelings ge- 
plaat fl ofjlaande. 

Alterné , ée (adj.) (in Wapenk.) 
Kruiswyze geplaatfi. 

Alterner , (v. a.) By verwiffélïng 
af en aahjïellen. 

Akeffe, ( f)Son AltefTe 5érénis- 
firae , Zyne , Haare Doorlugtige 
Hoogheid. 

Altier, ere (adj.) altierement , 
(adv.) Trots , fer , {weinig geb.) 

Altimetrie, (f) Hoogte meeting, 

Alude , (f) Gekleurd Schaapen- 
leer , (n) 

Aludel, (m) Sublimeer/>o^, (iy 
Smelters) 

Alvéole , (m) Sand-hot, celletje 
van een Bye-korf; het binnenjle van 
het oor; holligbeid daar een bloem in 
legt op de plant. 

Al vin {Zie Alevin). 

Aluroelle. {Zie AUumelle). 

Alumiere, (f) Aluin-maakery . 

Alumineox, eufe (adj.) Aluinig, 

Alun , (m) Aluin. 

Aluner, (v.a.) Aluinen ^ in aluin. 
water doopen. 

Alure. ^Zie Allure), 
^5 Am»' 



2,6 AMA. 

Amabilité , (f; Bemimens ivaer- 
digheid. 

Araadis , 'm) Ou bouts de man- 
che , mouivtjes van binnen aan de 
mouw gehegt. 

Amadote, (f) Amadoten peer. 

Amadou > (m) Tuntel , zxvam. 

Amadouer, (v, a.) (^leien y flikke- 
floijen , Pr pelen. 

Amaigrir , (v. a ) Ma^er maaken ; 
Jlegten , dunner mankm , (i y Timmerl.) 
amaigrir un champ , eenen akker uit- 
putten. 

Amaigrir , ^v.n.) s'amaigrir , (v.r.) 
yermageren , uitteeren. 

Amaigriflement , ( Ri ) f^ermage- 

rwg,(n ' 

Almagamation , (f) l^erkalking , 
Calcineering ^'a>2 Metaal. 

Amalgamer, (v. a.) Metaal met 
Kivikziher mengen , oplojfen. 

s'Amalgamer, (v- r.) Zig Calci- 
neeren. 

Amande. {Zie Amende). 

Amande, (f) Amandd', item pit, 
kern van een 'urugt, 

Amandé, (m) Amandet-melk, (f) 

Amandier, (m) Amaideî-boom. 

Amant, ànte (m. & f.) Minnaar; 
Minnaar es. 

Amarante ou Amaranthe , ( f) A- 
fnarant 9 dutzend-fcboon , f.uweel- 
bloem. 

Araaranthine , (f) Een fôort van 
Anemonie. 

Amarque , ( f ) Haven-tomie , Baak , 
zee iv.) 

Amarrage , (m) Het ankeren , mee- 
ren van een Schip ; item het Anker- 
toUTverk ; (n) zei zing van twee tou- 
nx'en aan malkanderfn. 

Amarrer, (f) Meer-touw, Kabel- 
touw, (n) 

Amarrer , (v. a ) Een Schip mee- 
ren , vaji maaken ; item het wand 
vafl maaken , beleggen , forren , 
(Scheeps w.) 

Amas , (m) Vergaaring , meentgte, 
(f) hoop. 

Amaffer, (v. a.) T^er zamelen , by 
een fchraapen, opraapen; s'amafTer , 
(v. I"-) ^y ^^^^ komen. 

AmafTette, (f)' Schilders opraap- 
mes of Spaant je, (n) 



AMA. AMB. 

Amatelorer , (v. a) Twee ên tweB 
Matroozen by een zetten om te werken. 

Amateur, (m) Beminnaar , Lief- 
hebber. 

Amatir , (v. a.) Goud of zilver 
doof maaken y wit kooken. 

Araauro e,(f) btar op V oog. 

Amazone, (f) Heldtn, Amazoon.' 

Ambaft, (m) Ambacht , {dijlriâ m 
Vlaanœrev). 

Ambages, (f. pi.) Croate omtvegen 
in de reden. 

Ambarvalles , (tî. pi.) Feejl ter 
eer e van Cr re? by de oude Romeinen 
om een overvloedige oogfi. 

AmbafTade , (f) Gezantfchap , (n) 

An;baffadeur , (m Gezant , Afge- 
zant; aankondiger. 

Amr^afladrice , ( f) Gezantsvromv ; 
boodfchapjter. ^ 

Ambefas, (m) 2 eenen in dobbel- 
fpel. 

Ambidextre, {a.â].) Slinks en regts 
zyn , beide handen even goed gebrui- 
ken. 

Ambigu , (m) Maaltyd daar de 
ge r egt en en vrugten taffen s opgedra- 
gen %vorden -y c'eft un ambigu on ne 
fait ce cu'il eft , het is een mengel- 
moes men weet niet wat hy is. 

Ambigu , ne fadj.) Dubbelzinnig. 

Ambiguïté, (f) Twypelagtigheid. 

Ambigament,(a,dy.)DubbelziKnig- 
lyk. 

Ambitieufement > {diàY.)Staatzug- 
tiglyk. 

Ambitieux , eufe (adj. & fubft.) 
Staatzugtig,eergierig;eenjlaatzugtïge. 

Ambition , (f) Sterk verfangen 
naar iets y JJaatzucht. 

Ambitionner ,(v.a.) Zeer na iets 
hegeeren , Jlaan. 

Amble , (m) Cheval qui va l'am- 
ble , l'aerd dat den tel gaat. 

Ambier , (v. n.) {beter) aller 
Tamble , den tel gaan. 

Amble ur , (m) Een onderberyder 
in een Konïngsjîal. 

Ambîygcrie, (m) ou Angle ob- 
tus , jlompen-hoek , {in Landm.) 

Amblyopie, (f ) F'erduijîering der 
oogen. 

"Ambon , (m) Verheven plaats in 
een Kerk voor de Zangen^ 

Ambo- 



AMB. AME. 

Ambonoclaftc , (m) Haater van 
Kerk muziek. 

Ambiurir ou Emboutir, (v. a.) 
Gedreven 'werk maaken. 
P^mb<jUi\^o\vlra)'VerktuiQi daar toe. 

Ambre ,(m) Amber y Banfieeu ; zm- 
bre gris , amber gry s ^{zekere govime) 

Ambrer, (v.'a.) Amber en , met 
amber bereiden. 

Ambretce , ( f ) Amber bloem. 

Ambroifie, (f) Goden-fpys , (by de 
Digteren) 

Ambulant , ante (adj.) Omivande- 
lend , o mr ei zend. 

Anbiilanc, {m) Een die op'tLand 
heromryd om op ^f Collecteurs «g.' te 
geven ; item een Reiziger j JZwerver , 
als Toneelfpeelders , enz. 

Ambulatoire , (adj.) Plaats ver- 
nviJTelend', onbejtendtg. 

Ame, (f) Ziel, geeji , moed; z- 
pie mercenaire , een baatzugtige 
ziel ; rendre l'ame , de geeft geven; 
fur mon ame, op myn v^ewijfen ; une 
ame vivante , eene levendige ziel; 
ma chère ame , m\n voacrde ziel; 
l'ame d'un canon , de loop van een 
gefchut; l'ame d'une dévife, de woor- 
den van een zi nfpr eu k ; l'ame du vio- 
lon , de ha/pel van een viool ; l'ame' 
de fagot , 't hinnenfte van een takke- 
boi ; ame de vin , aam ivyn. 

Amé , ée (adj.) (ii de Koninglyke 
brieven gebruikelyk) à nos amés & 
féaux, aan onze lieve en getrouwe. 

Ameifter , (m) Burgermeefter in 
Straasborg. 

Amélette. (Zie Omelette). 

Amélioration, (f) Ferbeterîng , 
(in Rechten.) 

Améliorer, (v. a.) Huis of Erf 
verbeteren. 

Améüoriflement , {mjP^erbstering, 

A même , (adv.) Vouz êtes a 
même , faites ce qu'il vous plai- 
ra » gy zyt u eigen meefter, doed wat 
u belieft , {weinig gebruikt) 

Amen , (m) Het zy zoo , Amen. 

Aménage , (m) Het aanvoeren, 
voerloon , in) 

Aménagement , (m) Het toevoe- 
ren , (n) 

Aménager , (v. a.) Hout aanvoeren. 



AME. 27 

Amendable , (adj.) Dat verbeterd 
worden kan; item ftrafbaar wegens 
geldboete. 

Amende, (f) Geldboete; mettre k 
l 'amende, in boete beftaan; bekeu' 
ren ; amende honorable , opentlyke 
Kerkboete. 

Amendé, ée (adj.) f^erbeterd ; be" 
mijl ; bekeurd. 

Amendement, (m) Verbetering i 
mijiing van Land ; boete oplegging j 
betering van een en zieken; amende- 
ment de vie , betering des levens. 

Amender , (v. a.' & n.) Beteren 

van ziekte; werk of Land verbeteren -^ 

boete opleggen ; s'amender , (v, r.) 

bettr woraen tn gezondheid of zeden. 

Amener, (v. a.) Aanvoeren; a- 

mener des marchandifes, goederen 

aanbrengen; amenez Ie avec vous, 

brengt hem met u ; amener à la rai- 

fon , tot reden brengeu ; amener les 

voiles,a> zeilen flryken ; amener le 

pavillon , de vlag flryken , zig 

I overgeven ; amener un vaifleaa 

! een Schip by haaien , r.aderen , 

j in wtnnen ; (zee w.) un malheur 

* amené fon frère , 't eene ongeluk 

komt by 't anderen , (fpr. zv.) 

Aménité , ( f ) Aménité d'un 
lieu , d' aangenaamheid van een plaat s. 
Aménuiier , (v. a.) Verdunnen 9 
dun fchaaven. 

Amer , ere (ad].) Bitter ; fmerte- 
lyk ; l'onde amere, de zoute zee. 
Am-rr , (m) Gdl van Vifch, enz. ( f) 
Amèrement, (adv.) Bitterlyk. 
Amertume, (f) Bitterheid ;fmer^ 
te ,(f) ongenoegen (n) ; adoucir les a- 
merturaes, de fmerten verzagten. 
Ame fu rement , (m) Afmeeting, (£) 
Amefurer , (v. a.) Afpaffen. 
Améthyfte, (f) Amathyfi , (edel 
^ejleente) 

Ameublement , (m) Stoffeering ; 
(f) avoir un fore joli ameuble- 
ment , een fraaye huisraad hebben, ' 
Ameubler ou Emmeubler ,(v^a.) 
Stnffeeren met huisraad. (Zie Meu- 
bler). 

Ameublir , (v. a.) (in Regten\ 
Vajle goederen onder de loffe rekenen^ 
item aarde ovifpitten. 
Ameubliffement, (m) Hef maa- 

if» 



28 AME. AMI. 

ken van vajle goederen tot tojje ', (n) 
omfpltting ; ( f ) ^ , 

Ameutement, (m) 't Zamenkop- 
pelen van jfagthonden. 

Ameuter, (v. a.) Jagtbonden kop- 
pelen i item honden of menfchen op- 
biïzen ; s'ameuter , (v. r.) 't zamen 
rotten* ^ ,. . 

Ami , ie (fubft. & m. f. adj.) 
Vriend-, vriendin-, vriendelyk; agir 
en ami , als een vriend handelen i 
jn'&mie,myn liefjle; les bons comp- 
tes font les bons amis , effen reeke- 
nmg maakt goede vriettdfchap , ami 
lefteur ! befcheiden leezer ! 

A-mi , (adv.) A-rai chemin , half 
•weg. 

Amiable, (adj.) Vriendelyk. 

à r Amiable , (adv.) Terminer 
un different à l'amiable , een gefchil 
in der minne effenen, 

Amiableraent , (adv.) Vriende- 
lyk. 

Amiante , (ra) Steen vlas , gemaakt 
van een fteen aldus genaamd. 

Amical, (adj) Lettre amicale, 
iprienden brief. 

Amicalement , (adv.) f^nends- 
ivyze. 

Amia, (m) Pricjïerlyk hoofd- en 
fchotider kleed, (n) 

Amidon, (m) Styfzel ^ (r) 

Amidon nier , (m) Styfzel-maaker- 
verkooper. 

Aniignarder , (v. a.) (beter Mi- 
gnarier) Streelen , liefkoozen, 

Amignoter, (v. a.) Bederven met 
liefkoozen , gelyk de minnen de kinde- 
ren doen. 

Amincer, (v.,a.) Dun maak en , 
"jtrdunnen, 

Amineur , (m) Een Zoiit-meeter. 

Amiral, (m) Zee-voogd , jidmi- 
raal ; /admiraals f chip. 

Amiral, le (adj.) jidmiraalfch. 

Amirale , (f) Admiraals Vrouw; 
Admiraal-galei. 

Amirauté , (f) Admiraalfehap , 
(n) Admiraliteit. 

^mifiibilité, (f) Hoedanigheid van 
IjPt gepn verhoren kan worden , {in de 
God'^eleerdheid} 

AmitTible , (adj.) l^erlieibaar, 

Aüiit. {.Zie Amift). 



AMM. AMN. AMO» 

Amitié , ( f) Vriendfchap , beleefd- 
heid; amitié des couleurs, overeen' 
komjl der verwen ; (in Schilder k.) fai- 
tez moi cette amitié , doed my die 
gunji. 

Ammites, (f) Zand-Jïeen. 

Ammoniac ou ArmoniaC, (m) 
Salmiac , (eene gomme) 

Amnios , ( f ) Tweede dunne huid 
die eene ongeboorene vrugt omvat. 

Amniftie , ( f ) Vergiffenis van al' 
Ie verongely kingen. 

Amodiateur , (m) Pagter, ver- 
pachter, {zie ook Fermier) 

Amodiation, (f) Ferpagting. 

Amodier, (v. a.) Pagttn; ver* 
pagten, tn buur nemen of geven. 

Amoindrir, (v. a.) Verminderen. 

Amoindrir, (v. n ) s'amoindrir» 
(v. r.) Minder , jlegter worden. / 

AmoindrifTement , (m) Vermin- 
dering , ( f) 

Amoins de , (conj.) à moins de 
vingt piftoles vous ne l'aurez pas > . 
minder als 20 pifïoolen zult gy 't niet ' 
hebben; à moins que j'aye , ten zy 
dat ik hebbe ; à moins que d'avoir < 
étudié , ten zy dat men gejîudeerd 
hebbe. 

Amoife , ( f ) Eene dwars fparre. 

Âmolettes, (f. p!.) Spil-braadfpit- 
gaaten , {Scheeps. w.) 

Amollir, (v, a.) Verzagten , week 
maaken ; laj- verwyfd - maaken ; s'a- 
moUir, (v, r.) gedwee worden; ver- 
wyfd worden. 

Amollifleraent , (m) Verzagting , 

(O 

Amomie , (m) Jamaica peper. 

Amonceler » (v. a.) Ophoopen. 

Amonéter ,{v,a.)Vermaanen,{Zie 
Admonêter). 

Amonition , (f) Pain d'amonî. 
tion , Ccmmis-b rood. 

Amont, (adv.) Tegen Jiroom, op^ 
waards; le vent d'amont, rf'oo/î?« 
wind. 

Amorce, ( f ) Aas, lok-aas; (n) 
aanlokking ; ( f ) het kruid op de pan 
van een vutir-roer ; (n) 

Amorcer , (v. a.) Aas aan een hen^ 
gel doen; iemand aanlokken ^ aamoe- 
moedlgen ; kruid cp ds pan van ' een 
. '■juur-roer doen, 

Amor- 



AMO. AMP* 

Amorçoir , (m) Steek-boof der wa- 
gen of rademakers , (n) 

Amortir , (v. a.) ^flojjen j vetjïer- 
•ûen-, uitblujfchen; amortir une ba- 
Ie, een kogel dempen; amortir les 
paflions, de hartstochten verkoelen -, 
amortir les rentes, renten aflojfen. 

Amortiflable, (adj.) Dat afgelojl 
kan woraen» 

Amortiffement , (m) ^flojjftng; 
verjlerv'tng ; demping j ( f) 

Amovibilité , ( f) Herroepelykheid , 
dat afgezet kan worden. 

Amovible , (adj^) Herroepelyk. 

Amour , (m) De God der liefde , 
Cupido 't de liefde ,de min ; pour l'a- 
mour de moi, om mynent wil ;mon 
amour, m'amour, myn fchat, mjn 
hert; {in V meervoud is dit woord 
féminin) als 't Itefde betekend. 

Amouraché, ée (adj.) Verliefd. 

s'Amouracher , (y» r,) Verliefd 
worden , {gem. w.) 

Amourette , (f) Heimelyke ihin- 
handel; item kalverliefde. 

Amoureurement ,(adv.) Mînnelyk. 

Amoureux, eufe (adj,) Verliefd, 

Ampateler, (v. a.) Wol blaauw 
verwen. 

Ampelite, (f) jiarde die zig in 
oiie ontbind en dan diend om 't hoir 
zwart te maaken. 

Amphibie , (m. & adj.) Dat te 
water en te land leefd; als een Otter ^enz. 

Amphibologie , ( f) Dubbelzinnig- 
heid. 

Amphibologique , (adj.) Dubbel- 
zinnig. 

Amphibôlogiquement , (adv.) 
Vubbelzirmiglyk. 

Amphiptere , (m) Sta?2g met twee 
vleugelen, (f) 

Amphisbene , (m) Slan^ met twee 
hoofden , ( f ) 

Amphifciens, Cm) Inwoonders van 
de verzengde Lucht f reek . 

Amphithéâtre , (m) Een ronde 
Schouwburg , (f) 

Amphiirite, (f) Godinneder zee. 

Ample, (adj.) Ruim^breed^wyd , 
uitgebreid; robe ample , wyde roh ; 
ample matière , wyd kftige Jloffe , 
ample pouvoir, uitgeftrekte magt, 

Amplemeflt, (adv.) Breed, 



AMP. AMÜ; öiT 

Ampleur , ( f) Ruimte , van kh^ 
deren gezegd) 

Ampliateur , (m) Uitbreider , ver-* 
grooter. 

Ampliatif , ive (adj,) DatuifJIrekty 
vermeerderd. 

Amphation , ( f) UitbreiÉng ; ver" 
leng ing. 

Amplier,(v.a.) Amplier Ie ter- 
me d'un paiement , de tyd van be- 
taaling verlengen; amplier un cri- 
minel , eenen misdadiger zyn vonnis 
opfchorten; amplier un prifonniei^ 
eenen gevangenen meer ruimte geven^ 
(m regten). 

Amplificateur , (m) Uitbreider i 
vergrooter ; (in redenk.) amplificateur 
des impôts, É-fTi die meer fchattingei$ 
vraagd als hem toekomen. 

Amplification , ( f ) Vergrooting^ 
cierlyke uitbreiding. 

Amplifier, ( v. a.) Uitbreiden , 
vergrooten, door omjîandigheden. 

Ampiifllme, (adj.) Zeer voortref- 
felyk, {eertytel op de hooge Schooien 
gebruikelyk ; als : Refteur amplis^ 
lime). 

Amplitude , (f ) ÏVydte der Ster^^ 
ren op- en onder -gang y van de mid» 
del-lyn. 

Ampoule , (f) Een blaâr , (f) 
watsr-blaasje ; glaze flesje; (n) la 
fainte ampoule , oliefles ter zalvin^ 
ge der Koningen van Vrankryk. 

Ampoulé, ée (adj.) Opgeblazen^ 
un ftyle ampoulé, een hoogdravende 
flyt. 

Am poulette, (m, plur.) Zand* 
loopers , op een Schip. 

Amputation , ( f) Lid-afzetting. 

Amputer, (v. a.) Een lid ajzet- 
ten, {in Heelk.) 

Amuler. {Zie Amurer). 

Amulette , (m) Een aan den hals 
hangend geneesmiddel tegen toverye. 

Amurca, (f) Olyf-olie droes ^ die- 
nende tot gerieenniddi'l. 

Amurer , (v. a.) Amurer Ja gran- 
de voile , het fchoover zeil toezet- 
ten , {ze^ w.) 

Amures, (f. pi.) Hals -gaaien op 
een Schip. 

Amurant,ante (adj^ u4angenaamt 
tydverdryvend, 

Âma- 



' |o AMU. ANA. 

Amu^ment , (ra) TyJkwtJlwg ; tyJ- 
korting , C f) tydverdryf, (n) 

Araufer, (v. a.) Opbottden; by de 
neus leiden-, s'amufer à raiionner 
d'une chofe avec quelcun , temand 
over eemtzaak met redenkaveling be- 
zig houden ; il s'araufe à des fotti- 
fes, hy houd zig met zotternyën op', 
s'araufer aux acceffoires & négli- 
ger le principal , de toevallige zaa- 
ken gadejlaatîy en de hoofdzaak ver- 
zuimen, , , s 

Amufette, (f) Klein ver maak, {n) 
fpeelpop » e f ) , , 

Amufeur, (m) Tyd-verdryver ; be- 
drieger; misleider; amufeur de fil- 
les, een' 'meisjes bed teger. ^ 

Amufoir, (m) Amuibir de petits 
en fans, kinderachtig tyd verdryf, 

Amydon. {Zie Amidon). 

Amygdales , (f. pi ) ^-imandelen in 
de keel y [in Ontleedk.) 

An, (m) Jaar (n); 1'an folaire . 
het zonnen-jaar-y 1'an de grace , het 
jaar na Chrijli geboorte; j'ai trente 
ans pafTé ^ ik ben boven de dertig jaa- 
ren cud', bon an, mal ail , ce prè 
rapporte tant , het eene jaar door 
het- andere , brengd deze weide zoo 
veel op. 

Anabaptisme , ( m ) Weder doo- 
ping , (f) 

Anabaptifte , (m) Een doopgezrade , 
qvederdooper. 

Anachorète, (m) Soort van Klui- 
-cu^ar , Heremyt. 

Anachronisme , (m) Misjlag in de 
tydreekening. 

Anagogie , (f) De geejïelyke be- 
duidenis der Schrift» 

Anagogique, (adj.) Fol geheim , 
diepzinnig. 

Anagrammatifte , (m) Letter-keer- 
digter. 

Anagramme , (f) Naam-letter- 
keer. 

Anagyris , ( f) Boon-boom , (m; 
(Jlinkend gewas) 

Analeptique, (adj.) Verjlerkend t 
{in Geneesk.) 

Analogie , ( f) Overeenjiemming , 
gelykheid in de woorden , afleiding. 
Analogique, (adj.) Overkomjiig. 

Analogiquement, (adv.) Overeen^ 
komjliglyk. 



ANA. ANC. 

Analoque , (adj. & fabft. fti.) 
Overeenkomende; overeenkomJJig , (£} 

Analyfe , ( f) Oplojfmg van eene 
zaak of reden. 

Analyfer , (v. 'a.) Een zaak ont- 
binden y ontleden. 

Analyfte , (mj Een daar in ervaren. 

Analytiqt^e, (adj.) OplofTend. 

Ananas , (m) .Inanas ^ (z-^kere In- 
diaanfche vrucht van een goede fmaak) 

Anapefte, m) Foet van z korte 
en I lange fyllabe , {in Poé'zy) 

Anaueftique , (adj. m.) Dat van 
dien aard is. 

Anaplérotique , (adj. & fubfl.) 
Vleefch maakend middel. 

Anarchie, Cf) Heerfchlooshetd , 
fiaat van een land , 't welk zonder 
opperhoofd , ovet^heid is. 

Anarchique , (adj.) Gefcheiird , 
verward , zonder opperhoofd. 

Anaflomofe , ( f) Vereenlging van 
de uiterjie der aderen , {in Ontleedk,) 
opening , (in Heelk.) 

Araftomotique , (tn) Middelen om 
de aderlatingen te h ever der en , (n) {in 
Geneesk. 

Anatliématifer , (v. a.) Vervloe- 
ken ^ in den ban doen. 

Anathême, (m) Vervloeking , (f) 
Kerken-ban , (m) 

Anatolisme, (m) Woeker-contraâj 
(n) 

Anatomie, ( f) Ontleedkunde (f); 
naauw onderzoek, (n).ï 

Anatom'que , (f ) Ontleed kundig. 

Anacomiquement , (adv.) Ontleed- 
kiindiglyk. 

Anatomifé , ée (adj.) Ontleed-, 
naaüxv onderzoekt, 

Anatomifer, (v. a.) Een Lichaam 
ontleeden j eene zaak naauw onder- 
zoeken. 

Anatomifte , (m) Omleeder ^ ont" 
leedkundige. 

Anatron , (m) Vlug zout én fchuim- 
zei van glas, getrokken ^it de fmelt- 
iroeSf item zilver dat zig aan on-, 
deraardfche verivulfzels vind., (n) 

Ance , (f) Zee boezem, kom, golf 
of baay van weinig diepte. 

Ancêtres, (m. pi.) Voor-ouders. 

Ancette , ( f J Kleine Zee. boezem. 

Ancettes>ou Cobes de boulines. 
Leen- 



ANC. AND. 

%eeuviiers ougci m • ei iyk am touwen 
door te Jli-eke.i y {^cheeps iv.- 

Aoche , ( f ) Houte gout waaf door 
het mul in ,ieu tremel of kijî van de 
ffioolen valt j tongetje van een Scbal- 
niey • (n) 

An.h'jis, (m) ansjovis. 

Auchiiiie , ( f . yikehi bloem. 

Anchue j(f) [njlag -i^by ÏVee'jers). 

An i.n, ne (adj.) (Jud; favoir 
l'hiit 'i:e an.ieime <Sc moderne, t/f 
eu.ie en hedendaagfche hijlorie ivee- 
ten. 

Anciens , (m. pi.) Anciens de 
l'EguI'c , ouderlingen der Kerk ; les 
anciens Pères, de Oudvaders; les 
anciens du peuples, de voorjtanders 
des Volks. 

Anciennement, (adv.) f'^an ouds , 
eert y ds. 

Anciennes, (f) Oude Bagynen. 

Ancienneté , ( f) Ancieüaeté des 
maifons , fliip ou.ihtid der gejlachten ; 
Tancieniicté regie Ie rang , d'ou 
der dom bepaald aen rang. 

An::jag5 , (m) j-Jnker-grond , (f) 
het werpen van 't Anker ',ütoxi d'an- 
crage' , Haven-geld. 

Aiicre , ( f ) jclieep-anker'. Anker 
in > en muur (n) ; toevlucht'. Anker y 
(óde iieel van een Oxhoofj) 

Aiicré , ée (adj.) Geankerd -y (in 
JVape^ik.) croix aacrée , kruii met 
een anker. 

Ancrer , (v. n.) Ankeren , vaji 
Z)itcen', s'ancrer > (v. r.> zig ergens 
heer zetten. 

Ancrure, (f) Vouw in Laken, 
(by : roog fcheerders) 

A i-'fiabate , (m) Geblinde fchermer, 
(by d ouden) 

Anaaillots, (ni.pl.) Leeuivertjes , 
groüte Jlag rmgrn, (Scheeps w.) 

A':ciain,(m) Gras dat de Maaijer 
in eentn jlag afm:ait 

Andoulle, (f) Beuling., worlh 

Andouillé, ée (adj.) Tot ivorjï ge- 
maakt. 

Andouillers, (m. pi.) Kleine tak- 
ken der hart s hoornen. 

Anàûuidecre, ;f) Gehakt Kalfi' 
vleefch , frikkedel. 

Androgyne , (m) T-wfe-Jlachtig- 
menfgh , (n) 



AND.ANE.ANF.ANG. 3r 

Ai'.droïde , (mj Alenfchelyke figuur 
die door kunj} /preekt of gaat. 

Ane, (m* jien Ezelibotmuil ibok^ 
fchraag , [voor Timmer l.) à laver ia 
tete d'un àne , on y perd la lefii- 
ve , hit is de Moriaan gefchuwd y 
vergeej)'chen ar'veid; taie tn dos d'â- 
ne, tytet een fchcrpen rug-, monter 
fur l'une, bankeroet fpeelen ; fauter 
du coq à l'ane, van den os op den 
ezel , van den hjk op den tak fprm" 
gen; (fpr. w.) contes de peaux d'à.' 
nes f oude wyfs vertellingen ,( fpr. tv.} 

Anéantir, (v. a. ) Vernietigen^ 
s'anéantir devant Dieu , zig voor 
God verootmoedigen ^ tout s'anéantiC 
à la ün , alles virgaat eindelyk. 

AnéancifTeraent , (m) Vernieti' 

Anecdote, (f) Gedenkfchrift , (n) 

Anée , ( f) Een Kzels-vragt. 

Anémone, (f) Klap-roos, 

Anemoscope , (jd) IVtnd en weêf-^ 
ivyzer. 

Anerie f ({)P lompheid ; onwetenheidm 

AneiTe , ( f) Eene Ezelinne. 

Anet, ouAneth,(m) Dille, {zé' 
ker kruid) 

Aneurisme , (m) Gezwel door 
kwet zingen eener- flag - ader veroof' 
zaakt. 

Anfraiftueux, eufe (adj.) Bogtigg 
kram , flangs-gevjys , kronkelend. 

Anfraauoüté , (f; Bogtighetd , 
kromte. 

Angar, (ni( fVagen fchuur , (f) 

Ange,(m) Een Ketting- kogel, item 
zeker Vijch gelyk aan een Roch. 

Ange, (m) Een Engel; ange gar- 
dien ou tutelaire , hcfcherm-engel ; 
mon bel ange! myn lief engeltje. 

Angéiographie , (f) Befchryving 
der maat , gezvigt en vaat en. 

Angéiologie , (f) Befchryving der 
inwendige deelen des lighaams. 

A g e 1 i q i) e , (f) Engelagtig , «<V- 
fieekend. 

Angeliquement , (adv.) Engetag- 
ttglyk. 

Angelot, Cm) Kleine kaas y item 
zekere oude munt. 

Angle, (m) Hoek; angle droit, 
aigu, obtus, redliligne, mixti li- 
gue , fpherique , curviligne , een 

rech-^ 



â2 ANG. ANI. ANN; 

rechte , fcherpe , y/owp^ , lynrechte , 
ongelyke^ kogel-ronUe , kromme hoek, 
(in Landm. k.) 

Anglec, (m) Ruimte tujfchen ver- 
band Ji e enen ^ {in kiowwk.) 

Angleux, eufe (adj.) Hoekig ;nnt 
noix angleufe > een Jleen-noot. 

Anglican , ane (adj.) l'Eglife 
anglicane , de Kerk van Engeland. 

Anglicisme, (m) Engelfche fpreek- 
nvyze^ (f) . 

Angoiffe, (f)^ngji; poire d'an- 
goiffe , een kroppende peer -, bal die 
de StruikroQVvrs de menfchen in de 
mond Jieeken , om niet te kunnen 
fchrecnwen ; angoiffe de la mort, 
cioods-angfl. 

Anguichure , (f) Jaagers fchou- 
der-riem , (m) 

Anguilkde , ( f ) Zweep van aals- 
vel;JIag daarmede. 

Anguille, (f) Aal;{m) eti pres- 
fant trop l'anguille on la perd, 
haajîige fpoed , zelden goed; il y a 
anguille fous roche,, c^a^r is iets 
heimetyks op til. 

Anguilîers ou Anguillées, (f, pî.) 
Lokgaaten op een Schip , ivaar door 
het water naar d-' pomp loopt. 

Angulaire, adj.) Pierre angulai- 
re , Hoek'Jieen. 

Anicrooche, (f) Uitvlucht, hin- 
dernis , zivaarigheid. 

Anier, iere (m. & f.J Ezel-dry- 
ver, dry f Jf er. 

Anil , (m) Plant waar van de in- 
digo bereid ivord» 

Animadverfion , (f) - j4anmer~ 
king , bertfping. 

Animal , (m) Een dier , verjïan- 
deloos menfcb. 

Animal , aie (adj.) Efpric ani- 
mal , dierlyke geejî ; vie animale , 
dierlyk. le even. 

Animation ^ (f) Bezieling. 

Animer, (v. a.) Bezielen-, aan- 
moedigen ; gevoelig maaken -, s'ani- 
mer , (v. r.) aangemoedigt ,vergrarnt 
nvorden j een nieuwe glans verkry- 
gen. 

Animofité , ( f) Vyandfchap ,haatf 
/verbittering. 

Anis, (ra) Jlnys , (plant en zaad) 

Annal j aie (adj.) Dc.t een jaar 



ANN. 

duüvd'y cömmiffion annale, hedît^ 
ning voor een jaar. 

Annales ,,(f. plur.) De Jaarboeken, 

Annalifie , (m) De Schryver daar 
van. 

Annate, (f) Jaarlykfche inkomjf 
voor den Paus van een openfiaand 
Kerkelyk ampt. 

Anneau, (m) Eeft ring-, anneau 
de clé£,JJeu f el-ring. 

Année, (f) Een jaar, (n) jaars 
tyd', (f) l'année coursLUte , het ho- 
pende jaar. 

Ahneler, (v. a») (beter boucler 
les cheveux) he; hatf in lokken 
krullen. 

Annelet, (f) Klein ringetje, (n) 

Annelets, (m. pi.) Lofwerk , (in 
Bouivk,) (n) ' ' 

AnneLure, (f) Krulling van het 
h air in lokken. 

Ari nexe , ( f ) Byvoegzel , aanhang- 
zei, (n) 

Annexé , ée (adj.) Bygevoegd. 

Annexer, (v. à,) Byvoegen, aan* 
hangen. 

Annexion, (f) Toevoeging. 

Annihilation, (f) Vernietiging 

Annihiler, (v- a.) Vernietigen. 

An n ion, (f) Uitjlelvoor eenjaar 
door den Kanzrlier aan een fchulde- 
naar toegeftaan. 

Anniverfaire , (adj. & fubft. fn.) 
yaarlyks ; (n) verjaardag; mefle an- 
niverfaire , jaarlykfche miffe. 

Annonce, (f) Jfkortdigmg, be- 
kendmaaking , Kerkgehod. 

Annoncer , (v. a.) j^f kondigen y 
bekendmaaken , boodfc happen. 

Annonceur , (m) aankondiger. 

Annonciade , ( f) Geejlelyke Rid- 
der orden in Savoyen dus genaamd. 

Annonciateur, (m) Een Dettr- 
wagter, 

Annonciation, (f) Maria-booJ- 
f: p, (eenfeefi) 

Anno ne , (f) Voorraad voor een 
jaar. 

Annotateur , (m) Een die aart^ 
merkingen op eenig gefchrift maakt. 

Annotation, (f) Aameekening j 
aanmerking , opfchryving. 

Annoter, ( v. a.) ^anteekenen, 

aanmerken ; item iemands goeder nt 

opfcbry* 



Ann. ano. ans. Ant. 

opfchryverty inventarifeeren , {in Rech- 
ten) 

Annuel , elle (adj. & Tubrt.) Jaar- 
lyksip&yer l' annacl fjaarlykfche gt- 
regtii^heid betaaten. 

Annuellement, (adv.) Jaarl^ki , 
alle jaaren. 

Annuité, (f) Annuïteiten. 

Annulaire ,/adj.) Doigt annulai- 
re 9 ring vinger. 

Annullation, (f) f^ernietiging. 

AnnuUer , (v. «.) f^emietigen. 

Anoblir , (v a.) Edel maaken-, 
anoblir fon ftyle , zynen fcbryfjiyl 
verbeteren. 

AnoblifTement ,(m) Veradeiing ,(f) 

Anodin , ine (adj.) Remede ano- 
din., Verzachtend middel ^ (th Ge- 
neesk.) 

Anomal , aie (adj.) Verbe ino- 
inal , onregeimaatig werkvioord , ( in 
fpr. k.) 

Anom-ilie, (f) Onregelmatigheid. 

Anon , (m) Ezel- Veulen ^ {n) 

Anonrer, (v. r.) EzpIs werpen ; 
garnerende leezen offpreeken. 

Anonyme, (adj.) Un auteur ano- 
nyme , een naamloos fcbryver. 

Anordie , ( f) Noofder fiorni op 
de kujien van Mexico. 

Anfe , ( f) Oor , band-vat , hengel 
f;an een pat y manden, klok enz. faire 
Ie poe à deux anfés , zyne handen in 
de zyden zetten. 

Anféatique, (adj.) Les villes iCn- 
féatiqut'Sï de hanze Reeden. 

Anfetce, 'm)Oortje , handvatje [ti). 

Anfpeél, (m) Hand~fpeek,{zie Le- 
vier) 

AnTpelTade, (m) Een Lanfpajfaaty 
onder Korporaal. 

Antagomfte > (m) Tegenjireever , 
i/yand. 

Antan , (m) (gem. ir.) Des neiges 
d'anCan , fneeuw van 't vorige jaar. 

Antanaclafe , ( f) {in Redenk.) Her- 
haling vao een woord in verfcheideh 
zinnen genomen. 

Antanaire , (adj.) Faocon anta- 
naire , Valk die zyn veeren van 't 
vortge jaar nog heeft. 

Antaraique ,(adj.)Pole antar£li- 
que & ^ïC^c^vx^idezWt^fr en nQtrdtr 
PotL 



ANT. 3S 

Ante , ( f) Las aan een MoQÏin rot^ 

Antécédetnnient , (adv.) /^eoft 
gaandelyk. 

Antécédent, ente (fubft.m. Ie adj.^ 
De vorige Jtelling i (f) voorgaande, 

Antécefleur, (m) Leeroaf^ Prom 
fijjfor in de Rechten. 

Antechrift , (m) De jinti-chrift. 

Antenne, (f) De Rei van efà 
Schip y {zie ook Vergue) 

Antépénultième, (adj. & fubft.> 
De êp twee na laatjfe Syllabe van een- 
woord, 

Anteriaur , cure (adjo) Texnpë 
interieur , voorgaande tyd. 

Antérieurement , (adv.) Vroeger^ 
vöorgaandelyk. 

Antériorité , (f) Antériorité 
d'hypoteque, een vroegere verpaa-^ 
ding. 

Ante, (m. pi.) Hoek pylaaren aa% 
de Heidenfche Tempels. 

Antefciens , (m. pi.) Tegen^oe^ 
tersj die op gelyken afjiand van da 
middel-lyn avóonen. 

Anteftature , ( f) Borjiweering ia 
der yl opgeworpen. 

Anthiope , ( f) Konitigin der Ama^ 
zoonen. 

Anthologie , ( f) Verxameling vam~ 
Griekjche pUnt-digten. 

Anthrax , (m) Karbonkel , pefi-*- 
butly (f) *^-^ 

Anthropologie , (f) Figuurlyk^ 
befchryving in de Schrift. 

Anthropomancie , ( f) fVaarzeg-< 
geryuit d'ingnvanden wn een doQsf 
menjch. 

Anéhrópcitiorphïte , (m.& f.) Die 
aan God eene menfchelyke eedaetmik 
toefchryft. . 

Anthropopathie , (f) Redenvoe-^ 
ring door welke men iets aan God toe-^ 
eigend, 't geen den den menfcbeo ay< 
leen pajl. 

Anthropophage , (lö. & f.) Men^, 
fchen-eeter. 

Anthropophagie, (/) Menfche^ 
eet ing. ^^ 

A^ntï , Zekei- voorzetzet Jlaàndê nféor 
verfcheide woorden. 

Antiapopleftique , (adj.) Reme-, 
de antiopleftique, mfddel tegen de 
geraaktheidyberçmf, 

^ Àntr- 



3f 



ANT. 



Àntibaccliîqup , C'm) MiJdol om 
dg dror.kcnfchap te y er dr y ven'. 
Vnticabinec , (m) Vertrek tujjchen 
de zaal en linnen kamertje (n). 

'Antichambre , (f) Zy -kamer, 
t'oor-kamer. _ . 

, Antichretien , enne (m. <5c r.; 
Tegeti-chr ijlen. 

.AiKichriftianisme , {m)Het Antt- 
tbriftendom-. (n) 

^Anticipation , ( f) Voor-inneernmg', 
payer par anticipation ,5;oor utt be- 
saaten. . ,^ 

Anticiper, (v. 2l:) Voor-mneemen, 
Voorkomen ; il a anticipé fes gages , 
hy beeft zyne bezoldingen voor uit opge- 
nomen. „ • t j ' 
Anticœur ; (m) Gezivel aan de 
larfi der paerden^ (n) , ,,^ .■ 

Anticour ,( f) Voorhof, (n) (A^ant^ 
COViT is beeter). - , .i, , - ,. 

Antidate, (f) Eenouder datum of 
^az y als men fihryft , im) 

, Antidaté, ;ée {&^].)Te vvoeg ge- 
feékénd. 

.Antidater, {v. 9..) Datum op een 
h-'ief een dag te vroeg teekenen. 

Antidota.ire , (m). Verzameling 
van middelen tegen vergift. ' , 
.Antidote, (m) Tegen-vergift, (n) 
Antienne, (f) Ker k-gezang , h y 
afwiffelivg der fiemmen, ^ 

Antilles , ( f ) Eenfait-foom voor 
êt» deur , (m) ^ ,. , . r . 

.Antilogie, (O Strydtgoeicl der 
mnhaaUngen van eer.ig Schryver. 
. y^ntimelancoliqu.^ , (sidj. & fublt.) 
Droefgeejïjg; middei tegen de droef- 
geejfigheid i (n) 
. Antimjine» {ï). Spiesglas, 

Antipape , (m) Tègen-paus ,on<weu 
ijge Paus. , _ 

AntîpaTalytiqùe , (adj- & fubft.) 
Middel tegrn (ie tamheid. 
' Antipathie , C^) afkeer , haat , 
tegenzin. 

A.nripatbïque , (adj.) Tegenjirydig. 
.. Antipcriftafe , ( f) Strydige hoe- 
darighpjd als , koude en hitte, 

Antl-peftilentiel^ elle (adj.) Dat 
âf P^J^ geneefi. 

Antiphonaire , (m) Een Boek wet 
Koorzangen , (n) 
Antihpone, (f) iJSis Antienne.) 



ANT.ANU.ANX.AOU. 

Antiphrafe, (f) Strydige fpreek- 
%vyze. 

Antipodes , (m. pi.) De tegen- 
voeters j c'eft l'antipode de la rai- 
Ion, dat firyd tegen 't gezond ver^ 
Jiand. 

Antiptofe, (f) Verkeerde zetting 
van een naamval , cafus (infpraakk.) 
Antiquailles, (f) Oudheeden, on- 
dervuetze meubilen of fcbilderyèn. 

Antiquaire , (mj ^Een die in oud- 
heden ervaren is ; oudheids-kenner . 

Antiquariat , (m) Kennis der oud- 
heden , {ï) 

Antique , (fubft. & adj.) Owii; bel- 
les antiques ,/raiïy^ oudertvetzefchil- 
deryen , beelden, enz. 

àl'Antique, (adv.) Op de otide- 
wyze. 

Antiquer, (V.a.) De fneê vaneen 
bock met verfcbeide fguuren befchil' 
deren. 

Antiquité, ( f j De oudheid, vori- 
ge eéuiven. , 
Antifalle, (£) Een voorzaat. 
' Aritiftrophe , ( f) (in fpraakk.) Om- 
keering eener fpreekivyze. 

- Antithefe , ( f) Tegenjlelting , ( in 
redenk.) 
Ant'itype , (ro) Tegenbeeld, (n) 
Antivenerien, (fubft. m. & adj.) 
Geneesmiddel voor de Venus quaal. 

Antoifer, (V. a.) Afijf mengen en 
op hoopen leggen, {in Landb.) 

Antoit,(ni) Een fchot -bout om iet f 
aan malkander te houden , {infcheepsb ) 
Antré\ (m) Hol ,' (n) fpelonk ; ( f) 
un antre affreux, naar , akelig hol. 

Antropophage , (ra. & f.) Men- 
fchen-eeter, 

Amüter , s'anuiter , (v. r,) Door 
de nagt overvallen worden j (men zegd 
beeter .être furpris de la nuit). 

Anus , (m) Het uiterfie van het 
fondament , (n) (Lat. w.) 

Anxiété , ( f) Benaauwdheid , 
angfi. 

Abut, (m) Auguflus, oogjlmaandv 
bogjl die geduurende die maand ge-\ 
fchied; il arriva la mi- août , /y 
kwam half Augufli aan. 

Acuter, (v, a.) Rypen^ ryp tna.i' 
ken. 

Aom;çrQDj (quö) S« ^<'^>"^* , 



i\PA.APE. APH.API.APO. 

Apanage , ('m) Land ofgelJ 't welk 
de yorjien hunnen laatjl - geboorenen 
Kinderen in bezit geien; lea infirmi- 
tez font les apanages de Ia veilles- 
fe , de zwakheden zyn met den ouder- 
{fum vergezeld , ofhet gevolg daarvan. 

Apanager , (v. a.) //; bezit geven. 

Apanager, (ra) Een met zodantgen 
bezit. 

Aparté , (m) u4llêenjpraak der To- 
neelfpeeldert. 

Af-athie, (f) OngevoeUghetd ^ ge- 
ritjlheid des gemocds , (in l^ysff-) 

Apathiquw- , (adj.) Ongevoelig. 
■ Apédeute , (m) Een or.ivretende. 

Apédeucisrae , (m) Or.ivectenheid, 
in de fraaye letteren; (ignorance ts 
gebruikelyker). 

Apercher, (v. z.) Opffeurcn; z- 
percher un oifeau , een vogel met 
tet gezicht volgen om te zien waar hy 
zig neder legd. 

Apéritif, ive (adj.) Openende y (in 
Ceneesk. 

Apertement ou Manifeflement , 
(adv.) Openlyk. 

A peu près, (adv.) Ten naajlenby. 

Aphorisme ^ (m) Kortbondige 
fpreuk , Jielregel. 

Aphoriftique , (adj.) Zinfpreuktg. 

Aphronitre, (m) Natuurlyke Sal- 
peter; item fchutm daar van. 

Apiquer,(v. n.) Apiquer Ia ver- 
gue , de ree op toppen ; Ie cable api- 
que ,de kabel hangt loodregt ^{zee w.) 

Apis,(m) Eene Egiptifche Godheid. 

Aplaner. {Zie Applaner). 

Aplefter , ( v. a. ) De zeilen los 
maaken , ter wind - vang Jïellen , 
(Scheeps w.) 

Apliquer. (Zie Appliquer). 

A plomb, (adv.) ö^f waterpas is; 
fous I'équateur Ie foleil donne à 
plomb , onder de middel-lyn fchynd de 
zon regtjiandig neer. 

Apocalypfe , (f) De Openbaaring. 

Apocalyptique, (adj.) Dat open- 
baaring behelsd. 

Apocope , ( f ) Uitlaating van een 
letter op het etnde van een woord. 

Apocryphe, (adj.) Geheim, on- 
bekend. 

Apodiiflique , (m) Bewyzencf er. 
9Vinvigen4 argmnç|it ; (n) 



' APO. 33- 

Apogée ,.(m} Top-punt derzonne, 
daar ze het vcrjle van de aarde is ; 
fa gloire eft dans fo.n apogée , zyn 
roem is op het hoo^Jle gekomen. 

Apcgraphe , (m) Copie van eeni^ 
boek ofgefchrift.. , • 

Apoint , (m) Het Jlot eener ree- 
kening. 

Apologétique , (adj.) Z?« dat ver^ 
dedigd. 

Apologie, (f) Ferdediging , ( f) 
verweer-Jcbrift van iemand , (d) 

Apologique , iadj.) l^erdedigend» 

Apologifle , (re) Verdediger , ver* 
antwoorder. 

Apologue , (in) P'erdicbtzel , (n) 

Apokronnir, (v.a.) Een Falk de 
nagels affnyden. 

Apomécometrie > (f) De mn- 
ting van voorwerpen buiten het bereik, 

Aponeurofe, (f) Het einde der 
fpi er-aderen. 

Apophlegmatismes , (m. pi.) 
Kaauw middelen om de vogten uit 
bet hoofd te trekken, 

Apophthegme, (m) Een kortbon- 
dtge fpreuk. 

Apophygs, (f) Plaats daar de 
pylaar uit zyn Baüs komt. 

' Apophyfe , ( f) Uitfleeking of aan" 
groeijing van eenig been, 

Apopiedique, (adj.& fubft.) Be? 
roerd. 

Apoplexie , ( f) Geraaktheid, 

Apore ,Cm) Een moeielyk voorfïetm 
{in H'iik.) (n) 

Apofiopefe , (f) j^f breeking , te 
rug building van een gedeelte eener 
reeuen, 

Apoftafie , ( f) ^fvai van eeneRe" 
lig te of Orden. 

"'Apotlafier, (v. n.) Fan het geloof 
vervallen. 

Apoflat , te (m. & f.) Een afval- 
lige. 

Apofté, ée (adj.) Omgekogt* 

Apofler, (y. a.) Omkoopen; apos- 
ter de fauK témoins, valfcbe gstui' 
gen aan/ie Hen, 

A-poïï'üle , {£) Kant-teekentng. 

Apoflilk-r, (v. a.) Rand of kant- 
teekpningen maaien. 

Apoltis, (f) Riembalk op een ga-. 
ki,{tn) 

C 2 Apofta- 



5«t APO. APP. ^^^ 

'^Apoftolat,(m) Het Jpojletfcffdp, 
ApoJieUampt , (n) 

Apoftoliqae, (adj.) Jpn/ioUfcb. 

Apoftoliquement , (adj.) ^P^Jfo- 

Apoftoloram ,(m) ^'^'^f zalf uit 
II ingrediënten bepaanJf. 

Apoftrophe , (f) Teeken van een 
êetter-mitlaating , fpraakwendwg tot 
$,mand, {in de U'elfprekendh.)^ 

Apoftropher » (v. a.) Tot iemand 
vivne reden wenden , rigten. 

Apoftonie , ( f ) £«» Ettef gezwel , 

"Apoftnmer , (v, n.) Verzwseren , 
(t^/^rfuppurer) 

Apothéofe, (f) Fergooding. 

Apothéofé, ée (adjO Fergood. 

Apothicaire, (na) Eene Apotbeeker. 

Apothicaire rie , ( f ) EenJpêthetk, 
ürtzeny-winkel, 

Apothicaireffe,(f) Apotheeekers- 

P^rouw. ^ , . 

Apôtre , (m) Een Apojieliun bon 
Apôtre , een tooxe , vrolyke kwant. 

Apotropéen , enne (m.& f )Gr/<'*5 
<«/.) een die iets, quaads afwend, af 

Apozeme , (m) Zaùte gekookte ge- 
neesdrank. , ^ ,. ^ „ ^. ^ 
Appaifé, ée (adj.) Bevredtgd , ge- 

Appaifer, (V. a.) Stillen, bevre- 
digen; appaifer Ie foif, une fédi- 
tion, den dorjl y een oproer Jitllen. 

Apparat, (m) Toejiely (m) pragt. 

Apparaux, (m. pi.) Seheeps-ge- 
reedfchap en toebehooren , (n) 

Appareil , (m) Toejleh appareil 
de guerre , krygs-toeruJUnge ; mettre, 
lever l'appareil , de zwachtel enz, 
9p een wonde leggen , afneemen» 

Appareillé, ée (adj.) ToegeruJÏ , 
vaerdig gemaakt. 

Appareiler, (v. a.) letspaaren; 
vaerdig viaaken ; bet Zetl vaerdig maar 
ien ; voilà un bon cheval je cher- 
che l'appareiller, dat is een fc hoon 
paerdfik zoek naar de weer gade daar 
van. 

s'Appareiller » (v. r.) Zig gereed 
rnaaken. 

Apparemment, (adr.) Waarfchy* 



APP, 

nety^; apparemment fe fera t-ii» 

het zal mtjfcbien gebeuren. 

Apparence , ( f ) Aanzien , hlyi , 
waarfchynelykheid -f toutes les appa- 
rences font contre lui , alle waaf 
fchynelykheden zyn tegens hem; hora 
d'apparence j buiten waarfebynefyir 
hetd. 

Apparent , ente (adj.) Waarfcby 
nelyk'y aanzienelyk -, les pluS app»- 
rensde la Ville, de aanzieaelykjle 
d;r Stad. 

Apparenté, ée (adj.) BevrieBdt» 
vermaag f chapt. 

s'Apparenter, (v. r.) Zig vfieti' 
den , maagfcbap verwerven, 

Appareirer, (v. a.) Lni maakeui 
verdooven. 

Appariement , (m) Paar ing , ( f) 

Apparier , (v. a.) Paaren. 

Appariteur , (m) Pedel , bedél 9 
Deurwaarder van een hooee Stbooi of 
Kerk. ^ 

Apparition, (f) Perfcbyneel 9 (n} 
verfchyning. 

Apparoir, (v.n.) Verfehyneny (it> 
Rechten) 

Apparoitre, (v. n.) Verfcbyneni 
il apparût un fantôme , daar vfr» 
fcheen een fp ook. 

Appartement, (m) Vertrek (n); 
être logé au premier appartement, 
op de eerfte kamer woonen ; apparte- 
ment de plein pié , een kamer gt* 
lyks vloers. 

Appartenance, (f) Toebehoorend 
un maifon & fes appartenancei , 
een huis met deszelfs toebehooren. 

Appartenant , ante (adj.) Toebe- 
hoorend. 

Appartenir, (v. n.) Toebehooren i 
il appartient, Jbf-r behoord^ het betaamd. 

Apparu, ue (adj.) Verfcheenen. 

Appas, (m) Aanlokking , bekoor lyk^ 
betd, (f) 

Appât, (m) Lokaas, (n) 

Appâteler, ou Appâter, (v» n.) 
appàteler de la volaille, gevogelte 
met deeg mcjlen. 

Appaumé ,ée(adj.) Met een vlak^ 
ke hand y {in fFapenk.) 

Appauvri, ie (adj.) Verarmd. 

Appauvrir, (v. a,) Ferarmen , 
arm maaksn. 

Appaii 



APP. 

Appautriffemenc, (m) f^erarming, 

Appeau , (m) Een Lok-pyp , Kwak- 
keî-fluit. 

Appel , (m) jlfleezing der naa- 
men in monjieritig -y uitdaagmg; be- 
roep op kooger Gerichts-hof. 

Ajfpellanc, (m. &f.) l'AppelIant 
& l'intimé , de eijfcher en gedaagde 
in cas van appel. 

Appellant , (m) Een Lok-vogel. 

Appellatif, ive (adj.) Nom ap- 
pellatif , gemeene naam van een 
zaak. 

Appellation, (f) Beroep op hoo- 
ger recht (n). 

Appelier, (v. a.) Roepen, noemen; 
uitdaagen ; appelleeren ; appellet 
quelcun en jugement , iemand voor 
het gerecht roepen ienv o ier appeller 
quelcun , iemand laaten roepen ; ce- 
la s'appelle ainfi , dit word aldus 
genoemd; je m'appelle, ik biet; ap- 
pelier d'une fentence « , wegens 
een vonnis beroepen tot. 

Appendice, (f) Aanhang (m), 
hyvoegzel (n), 

Appendre, (v. a.) Ophangen , {als 
Wapenen &c in een Kerk). 

Appentis, (m) uifdak {n),fcbuur 

Appercevable, (adj.) Befpeurlyk , 
zichtbaar. 

Appercevoir, (v. a.) Be/peuren, 
verneemen ; s'appercevoir, (y. r.) 
befpeuren, gewaar worden. 

Apperçu, uë (adj.) Befpeurd. 

Appert, il appert, het blykt , (m 
Rechten). 

Appefantir, (v. a.) VerzwaareUf 
zwaarder maaken; les néceflitez ap- 
pefantiffent l'efprit , de behoeftig- 
heid bezwaard het gemoed. 

s'Appefantir, (v. r.) Zwaarder; 
vaakrig worden. 

Appétence, (f) Groote begeerlyk- 
heid, lujï (£), verlangen (n). 

Appéter, (y.a.) Begeeren, ver lan- 
gen, naar iets heigen ; l'inftindt des 
Animaux fait qu'ils n'appétent que 
ce qui leur eft propre , de in^e- 
fchapene driff der Dieren maakt dat 
ze mets begefffn 6(ait bet gçem goed 
VQor liun ff, 



APP. 37 

Appétibilité, (f) Lufl , neiging , 
(in fTysg.) 

Appétitfant, ante (adj.) Stnaake- 
tyk , dat eetlufl verwekt, 

Appétiflement , (m) Verkleining, 

Appetiflcr, (v. a. & n.) Tot eet- 
lufl verwekken ; kl einder maaken , wor- 
den; s'appetifler , (v. r.) klemder 
worden. 

Appétit, (m) Trek y lufi, eetlufl i 
il n'eft fauce que d'appétit, hon- 
ger is de befle faus. 

Appétitif, ive (adj.) Begeersndt 
luflend, 

Appétition, (f) Verlangen (n), 
lufl {{). 

; Appiétrir, (v. n.) In waardyver* 
ergere» , (by Koopl.) 

Applaner, {y.z.)De wol van een 
deeken ophaalen , rouwen, 

Applaneur, (m) Een die zulks 
doed. 

Applanir, (v.a.) Vereffenen ,JJeg- 
ten; bejliffen; applanir un chemin, 
eenen weg baanen; applanir de diffi- 
cxilt^z, zwarigheden Mt den weg rui^ 
men , vereffenen. 

Applaniflement, (m) Vereffening^ 
beflffftng (f). -^ ^' 

Appianifleur, (m) Laakenperffer» 

Applatir, (v. a.) Plat maaken^ 
uttklopping, 

Applatiflement , (m) Plat maa^ 
king , plat klopping. 

Applaudir, (v. n.) Toejuichen, in 
de banden kloppen ;ippÏ2L\xàir à quel- 
que chofe , iets pryzen ; s'applau- 
dir , (v. r.) zig zelfs pryzen. 

Applaudiflement , (m) Toejui^ 
(hing ( f ). • 

Applaudifleur , (m) Toejuicher, 

Applicable, (adj.) Toep.jffelyk. 

Application, (f) Toepaffmg; ap- 
plication d'efprit , toelegging van 't 
V erfland. Studie. 

Applique , ( f) Iets dat men ergens 
op legd. 

Appliquer, (v. a.) Toepaffen; op- 
leggen; aanhechten; aanwenden; ap- 
pliquer , (donner) un foufflet à 
quelcun, iemand een klap, oorvyg 
geeven; appliquer Ia fonde à une 
playe , het tent-yzer m een wond ge- 
bruiken; s'appüqucr (v.r.) une chofe , 
C? zig 



38 APP. 

xig iets aanmatigen; s'appliquer à 
<juelque chofe , zig ergens op toe- 
leggen. 

Appoint, (m) Kleine mum y die 
in de betaahng van e^ne fomme byge- 
voegd word f payement {by KoopL) 

Appointé, ée (adj.j .ô'angejleld, 
hejlooten (n) j un appointé. Sol- 
daat die honger betaaling trekt als 
endere. 

Appointement , (m) Jaarlykfche 
•wedde (f), tradlement (n), eene 
fchikkinge (f), bejluit (n) y vajïfiel- 
ling i« Rechts-gedingen (f). 

Appointer , (v. a.) ^anjiellen-, 
vajïjiellen; jaarivedde toeleggen ; ap- 
pointer une caufe , eene zaak uit- 
jiellen tot een ander termyn , {in 
Rechten). 

Appointiffer, (v. a.) Spits maa- 
hn, (gem. iv.) 

Apport, (m) Plaats daar men 
uaaren te zamen brengt om te ver- 
Jioopen, 

Apportage,(m) Aanbrenging -y loon 
daar va». 

Apporter, (v. a.) Aanbrengen, 
aandraagen ; apporter de bonnes 
raifons, goede redenen geven; ditez 
les chofes fans y apporter tant de 
façons , /preekt zonder zoo veele om- 
fiandigheeden te maaken. 

Appeler , (y. a.) Appofer le fceau, 
bei zêgel ergens op zetten. 

Appofition , (f) Opzetting van 
éten. 

Appréciateur, (m) JVaardeerder. 

Appréciation , ( f ) If^aardeering. 

Apprécier, (v. a.) I^Faardeeren , 
9pprys jïellen. 

Appréhender , (v. a.) Dugten, 
vreezen ; in hegtenis neemen. 

Appréhentif, ive (adj.) Dugtend, 
hefchroomd. 

Appréhenfion, (f) Vreeze; heg- \ 
tenis. 

Apprendre, (v.a.) Leerem onder- 
wyzen', verneenien; hooren; appren- 
dre quelque chofe de, ou à quel- 
cun , iets van , of aan iemand leer en ; 
apprendre une nouvelle, eene ty- 
ding hooren. 

Apprentie, (f) Leermeisje (n). 

Apprentif ou Apprenti , ( ra ) 



APP; 

Leerling, Leerjonge ; n'être qu'un 
apprenti à quelque chofe , nog 
maar een leerling ,nieuweling , in tets 
zyn, 

ApprentJiTage, (m) Leertyd ,leer' 
jaaren-y être en apprentiflage , in 
de leer zyn-, brevet d'apprentifla- 
ge , leer-bnef. 

ApprentifTe. {Zie Apprentie). 

Apprêt , (m) Bereiding , toebereî^ 
ding der jpyze -, toejlel ; gom-ivater 
om iets te glanzen -, de verf op glas, 

Apprétes'ou Mouilletes, (f. pi.) 
Dunnp fneetjes brood om in eieren te 
doop en. 

Apprêter, (v. a.) Bereiden, ge^ 
reed maaken ; Laaken , Hoeden enz, 
glanzen ; glas fchilderen -, apprêter 
des viandes , fyzen toebereiden ; 
s'ap; rêter , (v. r.) zio gereed maaken* 

Apprêteur, (m) Glas-fchilder. 

Appris, ife (adj.) Geleerd; onder- 
wezen ; vcrnoomen ; bon ou mal ap- 
pris , goed of quaad opgevoed. 

Apprivoifer, (v. a.) Tam maa- 
ken, temmen; la perfidie s'appri- 
voife par les bienfaits, trouuloos- 
beid word door weldaden over won'' 
nen > s'apprivoifer , (v. r.) tam wor- 
den , eenen zagteren aart bekomen. 

Approbateur, (m) Goedkeurder. 

Approbatif , ive (adj.) Goedkeu.- 
rend. 

Approbation , ( f ) Goedkeuring, 

Approbatrice, (f) Goedkeurjler. 

Approchant, ante (adj,) Naby 
komende ; ce font deux couleurs 
fort apprqchantesl'une de l'autre, 
dat zyn twee couleuren die weinig ver- 
fcbillen ; approchant,(prep.) ten naas- 
ten hy. 

Approche , (f) Aannaderin^ j 
lunettes d*approche , een verrekyker. 

Approcher, (v. n. & a.) I^'ade- 
ren; nader bybrengen; s'approcher, 
(v- r.) zig naderen. 

Approches, (f. pi.) Loopgraven^ 
toe gaygen. 

Approfondir, (v. a.) Diepen ^ 
diep maaken; grondig onderzoeken. 

Approfondiifement , (m) Door- 
gronding { f) 

Appfopriance , (f) In bezitnee- 
ming. 

Appro- 



APP.APR.APT, APU. &c. 

Approprié, ée (adj.) Toegepaji , 
toegeëigend. ■ 

Approprier , (V. a.) Toepajfen ^toe- 
eigenen-, s'approprier, (v. r.) zig 
aamnaatigcn , toeëigtwu 

Apprpviûonnement,(m) Verzor- 
ging (f) 

Approvifionner , (v. a.) Voorraad 
bezorgen, voorzien. 

Approuver, (v, a.) Goedkeuren. 

Appui , (m) Een lenn,J1eun, on- 
derjleumng. Schoor (f)', je I'ai pris 
à l'appui de ia boule, ik greep hem 
juijî nep "jan pas (fpr. w.) ; cheval 
de bon appni , een paerd dat zacht 
op de handii-, à haut.ur d'appui, 
op de hoogte van de bcrjl. 

Appui-main , (m) Leunjlok voor 
Schilders. 

Appuyer , (v. a.) Leunen; onder- 
Jleunen j s'appuyer contre quelque 
chofe , ergens tegen leunen. 

Apre, (adj.) öcherp, bits, zuur. 

Aprement , (adv.) Sckerpslyk. 

Après, (prep.) Na, naar; après 
moi, na my; après quoi, waar na y 
fi je me mets après vous, als ik u 
aan 't lyf kume} après tout, einde- 
lyk , ailes overwogen zynde; le jour 
d'après, de volgende f/a_gj travailler 
d'après nature , n'a 't leven werken , 
iets maaken', après Dieu, nous de- 
vons la vie à nos Parents , naaj} 
God zyn wy het leven aan onze Oude- 
ren verfchùldigt ; être après quel- 
que chofe , ergens aan zyn om te 
maaken. 

Après, (adv.) Ci-apres, hier na; 
par après , naderhand, après de- 
main , overmorgen. 

Après - diné , (ra) Après-dinée, 
( f }, après-midi (m)> de namiddag, 

(m). 

Après-foupé, ée (m. & f.) De 
tyd na het avondmaal. 

Apre té , ( f) Scherpheid ,ruuwheid. 

Apie, (adj.) {oudw.) Gefchikt, 

Aptitude » (f) Bekwaamheid. 

Apurement , (m) {in Rechten) Het 
doen eener nette rekening. 

Apurer, (v.a.) Eene rekening dui- 
delyk maaken. 

Aquarius, (m) De ff^atfff^man , 
{een dtr 12 HemeHiek.) 



AQU. ARA. ARB. 39 

Aquatiic- , ,(adj.) J^ts da: in h«t 
water geteeld lóprd, lêefd. 

Aquatique, (adj.) üifeau aqua- 
tique , water-vogel. 
Aqueduc , [tn) f^aterleiding ( f). 
Aqueux, eale y(!ià].}lVaterachtigm 
Aquiiin, ine (adj.) Nezaquilin, 
kromme of haviks neus. 
Aquilon , (m) Noor de of koude wind» 
Arabe , (ra. & f.) Arabier , een on- 
befcbofte gierigaard. 

Arabesque ou Arabique, (adj.) 
Arabifch. 

Arac, (ra) Zeekere O. Ind. Jierkâ 
drank. 

Arachnoïde , (f) VUes dat hef 
crijlallyne vogt in 't oog bevat. 

Araignée , ( f) Spinnekop > fpinne- 
web ', doodshoofd blokken , (Scheeps iv,) 
Araignés, (f. pi.) Tzere traliën 
voor een vengjier. 

Araires , {m-ç\.)Gereedftbap voor 
den Landbouw. 

Aramber , (V. a.) Aramber nu 
Vaiffeau , een Schip aanklampen^ 
(zee w.) 

Arame , (m) Paleis der Koningen 
van Perfien (n). 

Aranteles, (m. pi.) Zekere witte 
fazelen die des zomers zorAtyds in dé 
lucht zweven. 

Arbalète, (f) Een voet- of hana^ 
boog ; item graadboog (m) 

Arbalétrier , (m) Boog-fchutter i 
boog'maaker . 

Arbalétriers, (m. pi.) Dakfpar- 
ren. 

Arbalétrille ou Arbulete , ( f) 
Graad-boog (m) 

Arbitrage , (m) Bejlijmg , »//- 
fpraak (f); mettre un chofe en 
arbitrage , eene zaak aan de beflijfm' 
ge van goemannen verblyven. 

Arbitraire, (adj.) Pouvoir arbi. 
traire , willekeurige magt. 

Arbitrairement, (adv.) JVillekeu- 
ri^lyk. 

Arbitral , aie (adj.) Jugement ar- 
bitral , uitfpraak van goede man- 
nen. 

Arbitraiement, (adv.) Op de wy- 
ze van goemannen. 

Arbic ration, (f) Waardeer ing, 

(in Rechten) , , . 

C 4 Arbi- 



40 . ARB. ARC. i 

Arbitre, (m) Scbeids-maniU^tt', 
Vpperbeer > Ie franc arbitre , de vrye 
>wtl; être l'arbitre de la vie & de 
la mort ^Opperheer vcat leven en dood 

Arbitrer y (v. a.) Uitjpreeken -, be- 
jleehteȎ 

Arborer , (v. a.) Arborer l'éten- 
dart , de Jtandaard oprechten -, arbo- 
rer le pavillon y de vlag opheijfen. 

Arboufe ,(f) Een Hasg-appet. 

Arboufier » [(m) E^ Haag-appeU 
toom. 

Arbre , (m) E^n boom ; arbre de 
liauce futaye , een boog opgaande 
§oaj» } arbre fruitier > vruebtdraa- 

fende boom j arbre nain , dwerg 
oompje ; arbre de grne , kraan-balk ; 
arbre de meule, moolen-fpih, arbre 
de preflbir, pers-fpil; arbre de gé- 
néalogie , geJJacbt-boom. 

Ambrifleau , ( m ) Boompje ( n ) , 
Weejier (f). 

Arbrot , (m) Lym-Jlang ( hy Vt^ge" 
laars), 

Arbofte , (m) Sm»% ( f) , boompje 
Cn) dat gelyk een Rozemaryn wafi» 

Arc , (m) Een boog (fçhietgew. ) j 
tfoog van een brug efvengjier', avoir 
plufieurs cord<?3 à fon arc , ver- 
fcbeide middelen om zîg te redden, 
weet en j arc triomphal , eerboog , 
^erepoort'» arc boutant, muitr , py- 
taar of iets dat onderfehraagd -, item 
Hoofdman , zuil , daar een zaak op 
fujl ofjleund; arc-en-ciel , regen- 
boog; are de carofle, koetsboog. 

Arcade, (f) Boogsgewyze opening, 
vis van een brug , bril, enz. 

Arcanfon , (m) Een foort van barji, 

Arcafle , ( f ) Spiegel van een Schip-, 
èlok zonder fchy f, {fcheeps iv.) 

Arcaune, (£) Soort van rood kryt 
(n). 

Arceau , (m) Boogje (n) , boven een 
deur of vengfter. 

Arcenal ou Arfenal, (m) Tuig- 
luis , Wapenhuis (n). 

P^TcYiQMhich\,{Griekfcb€nLat.w.) 
tvord voor verfcheidene woorden ge- 
noegd €.n beduid iets o'vertreffelyks. 

Are Hal , (m) Du fil d'arc hal , yzer- 
i;coper-draad (n). 

Archange , (/f^5 Arkange) (m) 
^arts-^ngel. 



ARC. 

Arche, (|f) De ark j hoog ondey 
een brug (ra). 

Archée , ( f) Levensgeeft of kragt 
waar door alles onderhouden wordf 
(in Chym.) 

Archelet, (m) Boogje (n). 

Archer, (mj Een Boog-fcbutter » 
Dienaar van 't Gerecht. 

Archerot , (m) {oud w.) Boog- 
fcbuttertje (n). 

Archet , (m) Strykftok van een 
l^ tooi 't drilboog van een Slootmaaker } 
hoofd van een wieg. 

Archetype, {lees Arketïpe) (m) 
Een oorfpronkelyk fchrtft i model. 

Archevêché, (m) Aarts-bisdom y 
Aartsbtffchops-hof (n). 

Archevêque , (ro) Aarts-btjchop, 

Archiacoly te , (m) Aarts-dienaar 
eenes Priefters. 

Archicamerier , (m) Aartskame- 
raar van den Paus. 

Archichambellan , (m) Aartska- 
mer aar van den Pau;. 

Archichancelier , (m) Opperkan- 
zelier. 

Alchiconfraternité , (O ^arts- 
breederfchap, 

Archicoquin . (m) Een Aarts-, 
fcbelm, 

Archidiaconat , (m) Aarts-dia- 
kenfchap (n). 

Archidiaconé,(m) Geeftelyi rechts- 
gebied (f waardigheid van een Aarts- 
diaken (n). 

Archidiacre, (m) Aarts-diaken, 

Archiduc , (m) Aarts-bertog. 

Archiduc hé, (m) Aarts-hertogdom 

Archiduchefle . (f) Aarts-herto- 
ginne, 

Archiépifcopal,aIe (adj.) Aarts- 
hijfchoplyk. 

Archifou , (m) Aarts-gek. 

Archimage , {td) Boofd dss Perjl^ 
fchen Godsdienft. 

Archimandrite , (m ) Abt der 
Griekfche Kerk. 

Archipompe , ( f) Hoofd pomp op 
een Schip. 

Archiprêtre, (m) Aarts-priefter. 

Arcbiprêcré , (m) Aarts-priefter-' 
fchap(n), 

Arcl^itefte , <©) Bovvrneefter. 

Arcbi' 



ARC. ARD. ARE. 

Are huefton. graphe, (m) Be- 
fcbryver van gebouwen. 

Architettonographie , (f) Be- 
fcbryving van gcbouiven. 

Aichkeftuie , (f) Bouw-kunde-, 
il y a cinq ordres d'architefturci 
le tofc*n , le doriaue , le corin- 
thien & le compolite ; daar zyn 
vyf Bouw-ordens ; de toskantfcbe , de 
donfcbe , de jonifche , de corintifcbe en 
de zamengevoegde. 

Architrave , ( f ) Hoofd-balk (m). 

Archives , (f. pi.) Hand-vejlen; 
plaats daar men dezelve bewaard. 

ArchivÜle , (m) Een die dezelve 
bewaard. 

Archivolte, (xn) Een gedraaide 
boog of balve cirkel (in Bouwk.). 

Are h ure , (f) Kap die om de 
Mootenjleenen is (m). 

Arçon , (m) Zadel-boog ; ffoede- 
maakers wol-boog. 

Arçonner, (v. a.) Mjt den hoog 
de wol bewerken {by Hoedemaakers). 

Arçonneur, (m) De werker daar 
l'an. 

Arcot, (m) Slak,fchuim van Me- 
taal (n). 

Araique, (adj.) Pole arftique, 
de noorder pool. 

Arttore , (f) De wagen (ra) , (ze- 
ker gejiernte). 

Ardemment, (adv.) Vteriglyk. 

Ardent , ente (adj.) f^ierig, drif- 
tig; miroir ardent; een brand-fpte- 
gel } buifïon ardent , brandende 
bofcbfZiTàent defir ,vierïge begeerte. 

Ardeur, (f) Hitte, drift, iever-, 
ardeur du foleil , hme der zonne ', 
avec ardeur, met iever. 

Ardillon, (m) Tongetje van een 

gffP («)• 

Ardoife, (f) Eene Lei, Schalie. 

Ardoifiere , (£) Lei-groeve, S cha- 
iie-berg. 

Ardre, (v. a.) Branden [oud w.) , 
en word alleen gebruikt dus, Ie feu 
Sc. Antoine les arde. 

Ardu , ue (adj.)Queftion ardue 9 
moettlyke vraag. 

Area , ( f ) Ziekte die het Hair 
doed uitvallen. 

A ren e, (f) Zand {n) . Jirydperk 
itr ouden» 



ARE. ARG. 41 

Aréner, (v. a.) Injïorteny inzak* 
ken {in Bouwk.) 

Aréneux, eufe (adj.) Zandachtig» 

Aréole , ( f) Roode cirkel rondom 
de borji-tepels. 

Aréomètre , (m) Glas om vochtea 
mede te weegen (nj , {in fVisk.) 

Aréopage , (m) Gerichtplaats def 
^t ben er s (f). 

Aréopagite , (aa) Richter daar van. 

Aréüteftonique ,(m) Krygskunde ^ 
betreklyk tot bet aanvallen , aangry- 
pen. 

Aréotique, (m) Zweet-middel (n). 

Arer, (v. a.) Arer ou chafTer 
fur fes ancres, driftig zyn, door- 
goao , fpiHen , {zeew»)} 

Arête , (f) De poifTon , graaf 
van de vifcb ; rand van een fchotel , 
(zie Arrête). 

Arêtes, (f. pi.) Zenuw - gezwel' 
len aan de beenen der Paerdên. 

Arêtier, (m) Hoek-fparre y Dak- 
fparre. 

Aretieres, (f. pi.) Aangefirekefi 
zyd-hoeken van 't dak. 

Arganeau , (m) Anker-ring , groor 
te y zere ring. 

Argent, (m) Zilver-, geld-, ziL 
vergeld {n) -, rykdom; zilver ond (in 
fFapenk.); argent fin, bas, trait, 
vif, /y«- Jlecht- getrokken- kwik-zih 
ver i argent comptant , gereed geld% 
argent courant , gangbaar geld-, 
point d'argent , point de Suifle , 
geen geld , geen Zwitzer-, être couEt 
i d'argent , niet by de gelden zyn; ar' 
I gent bas, geld by de vifcb, dat ts, 
by de koop. 

Argenter , (v. a.) T^cr zilveren. 

Argenterie , ( f) Ztlver-werk. 

Argenteux, eufe (adj.) {gem,<w,) 
Geldig, die geld heeft. 

Argentier, (m) Zilver-fmit; zsL 
verbewaarder van eenig Hef. 

Argentifique, (adj.) Dat zilver 
maakt. 

Argentin , ine (adj.) Zilver-ver* 
wig, helder blinkend. 

Argentine, (f) Zilver. ^ruic^ (^ ■ 

Argif.le , ( f) Klei , potcffrd,. 

Argilleux, eufe (adj.) Kleiagti^, 

Argot, (m) Het uiterjle einde van 
9en verjiorvfü tak ; onb^ndç ta^f 

C 5 catf 



42 ARG. ART. 

var2 be edelaars of dieven y kraamer 
l>atyn. 

Argoter, (v, a.) Bet dorre hout 
van een tak affnyden. 

Argoulet , (m) Eenpgt menfch (n). 

Argouün,(m) Galei-wachter, op- 
ziender der Slaven. 

Argue , (ca) Goudof zilver draad- 
trekkery ( f) > item het eerjie werk- 
tuig waar door 't getrokken word. 

Arguer, (v.a.),Arguei- une cho- 
fe à faux t ^^"^ ^^^* '^°°'^ valfch he- 
fchuldigen , {in Rechten). 

Argument ,(m) BeivysJIuk (n) , tn- 
houd van een reden ( f). 

Argumentant, (m) Tiviji- rede- 
naar. 

Argumentateur , {m)Een die gaer- 
ne difputeerd. 

Argumentation, (f) Twijï-rede-^ 
veering. 

Argumenter , (v. a.) Bewys hy 
"brengen. 

Argus, (m) Argus., men zegt dat 
hy loo oogen gehad heeft -, item een 
Jcherpziende menfch. 

Argutier , ( f) Spitsvmnigbeïd ^fne- 
digheid. 

Argyrogonie, (f) De 'Pbilofophi- 
fche Steen. 

Argyropée , ( f) Konjï om zilver 
te maaken. ^ 

Arianisme > ( f) d'Ariaanfchè ket- 
iery (m). 

Aride, (adj.) Dor, droog, bar-, 
terre aride, dorre aarde; un efpric 
aride , een gering verjlanci. 

Aridité, (f) Dorheid j onvruch- 
baarheid des verjiands. 

Arien , (m. Öc f.) Een Ariaanfche 
Ketter of Ketterin. 

Ariette , ( f) Airije om te zingen 
of te fpeelen (n). 

Arigot, (m) Zeker divars-f uitje. 

Arifer , (v. a.) De raden neerla- 
ten, (fcheeps iv.) 

Ariftarque , ( f) Eenfirenge criti- 
cus van gefchriften. 

Ariftocratie , ( f) Adel regeeri)7g. 
Ariftocratique , Cadj.) Un état 
airiftocratique,^rw Staat daar de Re- 
veering in de voornaamjïen des lands 
• berujl. 

Ariftocratique ment , (adv.) Ari- 
JÏQcratifcb. 



ARG. ARI. 

AriAodemocratie, (f) Eene jR/- 
g^ering uit den Adel en het f^olk be- 
flaande. 

Arithmancie , (f/ Konjl om door 
getallen te raaden. 

Aritliméticien , enne (m. & ï.) 
Rekenmeejler. [ 

Arithmétique, (f. f. & adj.) Re-j 
kenkonft ; dat daar toe behoord. 

Arithmétiquement,(adv.) Reken- 
kundiglyk. 

Arlequin, f m) Hofnar. 

Arlequinade , (f) Gekkerny, 

Armadille, (f) Soort van ligt e' 
Fregat. 

Armateur , (m) Een Kaaper -, item 
een Reeder 'van Scheepen. 

Armature , ( f) Tzer^band-werk , 
(Jn Bouwk.) 

Arme , ( f) Wapen , geweer ( n ) ; 
faire des armes , fchermen ; être 
fous les armes , in het geweer ftaan ; 
pafTer un Soldat, par les armes, 
een Soldaat harquebufeeren > armes a 
feu , fcbietgeweer ; les armes d'une 
famille , de wapenen van een ge~ 
Jlacht. 

Armée, (f) Leeger (n); armée 
navale, oorlog s-vloot. 

Armeline , {£) Hermelynen-vel, 
(n). 

Armement , (m) Krygs-toerufting 

Armer, (v. a.) Wapenen ; ar- 
mer une poutre de bandes de fer , 
eenen balk met yzeren banden bejlaan jl 
s'armer , (v. r.) zig xvapenen. { 

Armée , {m) Een ftorm-hoed ; helm-y 
{fguurl.) het hoofd; verftand. -, 

Armiliaire,'(adj.) jSphère arrai- 
liaire » cirkel- globe. 

Armiftice , (m) Stitftand van 
Wapenen. ' i 

Armogan , (m) On a laifle pafTer' 
l'armogan , men heeft de goede wind 
verlegen, {zee w.) \ 

Armoire > ( f ) Een kaft ; kleér-kasi, 

Armoiries, (f) Gef^acht -wape^ 
nen. 

Armoifin , (m) Armofyn ,foort van 
zyde ftoffe. 

Armoniac, (adj.) Sel Armoniac, 
Armoniak zout, 

Armorefte ou Armorifte , ( ra) 



ARM.ARO ARP. ARQ.'&c. 

E«n die over de ff'aven-J\hi.., kunde 
aeÇchreeven heeft , of die verjtaat. 

Armoriai , (adj. & fubft. m.) K^r- 
zamelpJg van verfcheïde geflacht-wa- 
penen , en dat daar toe boord. 

Avmovier f (v.a.)lVapens-fchilderen. 
Armure, (f) (Vapentuig (n) i U. 
patience efl: une armure impéné- 
trable , lydzaamheid overivind alles. 
Armurier, (m) J^'apenfmid. 
Aromaces, (ra. pi.) ^^elriekende 
dingen. 
Aromatique, (adj.) Welriekend. 
Aroroatiler , (v. a.) fFelriekende 
kruiden onder iets mengen, welriekend 
maaketi. 

Aronde , ( f) Zwalwwe-ftaart , (;« 
Bouwk.) 

Arondelat , (m) Jonge Zwaluw. 
Arondelles, (f- pi.) Kleine- ligte 
Scheepjes ; de lunzen van een wiel. 

Arpailleur, (m) Goudzoeker in de 
fivieren ; opzoeker der mynen. 

Arpent, (ra; Arpenc de terre, 
£en morgen , mer gen tands. 

Arpencage,(ra)//é'f Landmeeten{n). 
Arpenter, (v. a.) Land- meet en; 
met groote fcbreden gaan. 
^ ' Arpenteur , (m) Landmeeter. 
Arqué , ée (adj.) Geboogen, ge* 
kromd. 

Arquebufade, (f) ca coup d'ar- 
quebufade , Schoot met een Bus of 
Vuur-roif. 

Arquebufe , (f) Vuur-roer (n), 
Bus (f). 

Arquebufer , (v. a.) IN eer fcbieten. 
Arquebulerie, (f) Bus of Roer- 
makery. 

ArquebuCer , (m) Roer'maaker, 
Bus-fchieter. 

Arquer, (V. n.) Krommen, krom 
maaken. . 

Arrachement, (m) Uitrukkirge (f). 
d'Arrache pied, (adv.) (fans cefle) 
Zonder ophouden. 

Arracher, (v. a.) Uitrukken, uit- 
trekken. 

Arracheur , (m) Arracheur de 
dents , een tandtrekker. 

Arrachis, (m) Het uittrekken van 
jonge bcomen. 

Arramber. (Zie Aramber). 
Arramer, (v. a.) Laake» raamen, 
uitrekken. 



ARR. 43 

Arrang , (ra) Een hye Boekbinder* 
hiegt , {boert, w.) 

Arrangement , (ra) Schikkinge ( f). 
Arranger , (v. a.) Schikken , in cr- 
i/f/ff//iWi s'arranger chez foi, t'buis 
alles tn orden fchikken. 

Arraper, (v. a.) Na zig kaapen, 
haaien , {weinig gebr.) 

Arrafement , (m) Laatfte laag 
fteenen van een muur. 

Arrafer, (v« a.) Steenen of iets 
anders waterpas leggen. 

Arreritemeiit, (m) Op rente gee- 
ving (f). 

Arrenter, (v a.) Op renten gee- 
ven of neemen. 

Arrérages , (ra. pi.) JgterflalUgc 
renten , fchulden (f). 

Arrérager, {y. n.) Renten op laa- 
ten loopen. 

Arrct, (m) Iets dat op, of tegeli 
houd } befluit , vajljlelling , enz, 
trouver l'arrêt d'une horologe, 
het gebrek, waar door een uurwerk 
Jlil jiaat , vv.den ; arrét de Parle- 
ment , befluit van 't Parlement', 
mettre en an-ét , in gyzeling (arrefï) 
zetten if^ire unarret (laiüe) fur les 
biens, een beflagop de goederen doen-; 
arrét de furfeance , mtftel - brief i 
arrét, veer van een roer, klok enz. 
être fans arrêt , zonder beftendigheid 
zyn. 

Arrête, (f) Vifch graat; binnen- 
ft e rand van een fc hotel of bord enz. 

Arrête-bœuf ou arrête charrue , 
(m) Prang-uoriel ( f ) , dte veel vezels 
heeft en de ploeg hincierd. 

Arrêté , (m) Befluit (n) , vaftfteU 
ling (f)j arrêté a'un compte , ƒ«/- 
ting e ener rekening. 
Arrêté ée (adjT) Opgehouden enz. 
Arrêter, (v.a.) Acm- tegen, vaft- 
op-houden ; vaftftellen , bepaalen , in 
hegtenis {arrejt) neemen; arrêter le 
fang, het bloed ftelpen; arrêter une 
heure , een uur vaftftellen } arrêter 
une perfonne , iemand in begtenii 
neemen , arrefteeien ; arrêter les 
eaux, de wateren ftremmen , ftuttem 
arrêter avec des doux, met fpyken 
vaft maaken ; arrêter un compte ^ 
un marché, ee>:e rekening, een koop 
fkuitm } aurrêter an maifon , un la- 
quais. 



44 ' 'ARR. 

qaais , ee» buis , een htegt huuren > 
B'srrêter , (v.r.)J'taan blyven , zig op- 
bowUn; s'arrêter à des bagatelles, 
%ig met beuzelingen ophouden. 

Arrêtifte ou Arrécographe 9 (m) 
Verzamelaar van voKniJJené 

Arrheraent, (m) V Koopen van 
Eoorn terwyl op 't veld (iaat. 

Arrher , (v. a.) Een Godspenning , 
geld op de hand geeven. 

Arrhes, (f. pi.) Godspenning (m). 

Arrière, (f) Het acht erft e gedeel- 
te van een Schip (n). 

Arrière, (adv.) Achter -^ en ar- 
rière, te rug, achter uit; arrière 
de moi Satan ! gaat achter my Sa- 
tan! aller en arrière , achter uit 
gaan ; être en arrière, ten achteren 
zyn; demeurer en arrière ,/cbuldig 
tlyvent achter blyven y venir v<ent 
arrière , voor de wind zeilen. 

Arriere-ban,(m) Öp-ontbieding des 
adels, tot den Oorbg. 

Arriere-boutique, ( f) Achter ivin- 
èely winkel kamer. 

Arrière-change , (m) Intreft van 
In treft. 

Arriere-corps , (m) Hoof J-muur , 
vtaar op het beeldwerk is (f). 

Arriere-cour , ( f) Achterplaats, 
of Hof 

Arriere-faix, (m) De nageboor- 
te ((). 

ArriçTe-f^Tmier,(m)Onder-pachter. 

Arrîere-fief , (m) y^chter-leen (n). 

Arrière fils ou fille, (m. & f.) 
Klem zoon , of dochter. 

Arriere-garde , (f) Afbterboede 
c;-ï« een Lpger. 

Arriere-main, (f) 't Averechtfe 
van de hand, 

Arriere-nevea, (m) Een achter- 
neef -, na-neef. 

Arriere-nièce , (f) Achter-ntgt. 

Arriere-panage , (m) Drift van 
Vee in 't bofch na den gewQunlyken 
tyd , Ka drift. 

Arriere-petite-fille, (f) Dochter 
van een kinds kind. 

Arrière - petit - fils , (m) Kinds» 
kinds-ZGon. 

Arrière-point , (m) De achter' 
ft eek y iby Naaîfters). 

Arfiere-foin:2a;e, (f) Xaaiftef/' 



'ARR. 

Arriere-faifipn , ( £) Het uchjaar (n)i 
être fur 1'arriere faifon , in zyn af. 
nemende jaaren komen. 

Arriere-valTal , (aj) Achter Leen- 
man. 

Arriérer , (\r. a.) Arriérer un 
payement , eené betaaling achteruit 
zetten., 

Arriere-vouffure , (T) Boog-rott' 
ding achter een deur of v eng ft er. 

Arrimage ou Arrumage , (m) 
Stouw ing der waar en in een Schtp{ï). 

Arrimer , (v. a.) De laading ftuu^ 
wen, ftouwen. 

Arrimears, (m. pi.) Schip-fiouwers. 

Arrifler , (v. a.) Zeil of vlag ftry- 
ken, neerftryken, {zee w.) 

Arrivage, (m) Het inkomen, aan- 
landen van veele goederen in een Ha- 
ven (n). 

Arrive , ( f )~ De zyde van 't Schip 
die naar 't land gekeerd is. 

Arrive! Hou afl arrive fous le 
vent! hou aan ly ! n'arrive pas Ipceild 
niet laagerï arrive tout! laat voof 
de wind vallen l (zee w.) 

Arrivé , ée (adj.) Aangekomen; 
gebeurd; quand eft ce que cela cft 
arrivé? wanneer is dat gebeurd? 

Arrivée, (f) Aankomft; item tyd 
daar van ; d'arrivée , (a.dv.)vandeit 
aanvang. 

Arriver , ( v. a. & n. ) Aankomen} 
gebeuren ; voor de wind afhouden; 
{zee w.) il lui arriva un malheur j^ 
daar beviel hem een ongeluk ; un mal» 
heur n'arrive guère feul , een onge- 
Ink komt zelden alleen; s'il vous ar- 
rive (Je faire jamais cela ,200 gy dat 
ooit weder doed; arriver à fon but , 
tot zyn oogwit gerqaken, 

Arrogamment, (adv.) Verwaan- 
delyk, trotfelyk. 

Arrogance , ( f ) Verwaandheid y 
trotsheid. 

Arrogant , ante (adj. & fubft.) 
Trots , een hoogmoedige. 

Arroger, (v. ^.) Toeélgenen ; s'ar- 
roger des horreurs, ztg gère aan' 
maatigen. 

Arroi , (m) (oud w.) Gevoîg van 
dienaren , wagens en paerden (n) j ge- 
reedfchap van een Valkenier )n). 

Arrondi, ie (adj.) Afgerond, be- 
fchaafd} 



ARR. ARS. ART. 

Jchaofd', un difcours bien arrondi; 
ttne welgefcbikte rtJtnvoering, 

Arrondir , (v. a.) Rond maahen > 
9ene reden in goede orden fcbikken. 

Arrondifleraent, (m) Jifrondingy 
ver deel ing (f). 

Arrondifleur , (m) Ee» die rond 
maakt ; ( boertw. ) een die al te keu- 
rig iets verdeeld^ fcbikt. 

Arrofage, (m) Befproeijing ff). 

Arrofement , (m) Begieting ( f). 

Arrofer , (v. a.) Begieten , befpren- 
gen; cette rivière arrofe lea mors 
de ,die rivier befpoeldde muur en van, 

Arrofoir , (m) Een Gieter, 

Arrumage , arrumer. {Zie arri- 
mage). 

Ars OU Arts , (m. pi.) aderen 
waar op de Paerden gelaten worden, 

Arfenal , (m) Wapen-buis (n), 

Arfenic, (m) Rottekruid, Arfeni- 
cvm. 

Arfenical, aie (adj.) ^ergiftig^ 
ah Rottekruid. 

Arfi , ie (adj.) Gebrand, (oud w,) 

Arfin, (m) {oud w.) Moord ^bran- 
der. 

Art , (m) Konjl, fchranderbeid } 
art méchanique, handwerks konft; 
art hermétique , fmehkonft ; arts 
libéraux, vrye kon/ten. 

Arteil, (m) Toon of teen van de 
voet, {Zie Orteil). 

Artémon, (m) Onderfte katrol van 
ten takel { f) 

Artère ^{î) De flagader. 

Artériel, elle (adj.) Tot de Slag- 
ader beboorende. 

Arterieux , eufe {&d].)Pols-aderig. 

Arteriotomie , (f) Opening dtr 
jlagader. 

Artichaud , (m) Eene j^rtifihok (f). 

Article, (m) Een lid {n); artick 
de £oi, geloofi artikel', article de la 
mort, dooas-ftond ; article d'un 
compte , poji eemr rekening. 

Articulaire, (adj.) Maladie ar- 
ticulaire, leeden-pyn , jigt. 

Articulation, (f) Duidelyke uit- 
fpraak', zamenvoeging van twee ge- 
beenten s } rjerdeeling. 

Articuler, (v. a.) DuideÏyk uit- 
fpreeken ; ay« eijtk (fosT hd'Verdeehn- 
Vêorjielkn, 



ARS;ART.ARü.&c: 45 

Artifice , (m) Lijf , kon/t , Jchran^ 
derbeid'f feu d'artifice ^ konjt - vuur^* 
werk. 

Artificiel > elle (adj .) Kunftig , da$ 
door kun/t gemaakt en niet natuur lyk $si 

Artificiellement , (adv.) Kunftig^ 
lyk. 

Artificier, (m) Konfi-imm^^irh 
maaker. 

Artificisufement , (adv.) Liftig' 
lyk , bebendiglyk. 

Artificieux, eufe (*dj.) Kunftig* 
lyk f Uftiglyk, 

Art lil er, (m) Een die aan *t Cf 
f chut werkt. 

Artillerie, (f) 't Qefcbut (n). 

Artimon , (m) Mât d'artimon , be^- 
zaan of achter maft ; voile d'arti- 
mon , bezaan ze tl, 

Artifan, {m) Ambachtsman , band' 
werksman , konftenaar j ftitviwder , 
ftigter i oorzaak van iets, 

Artifanne , ( f) jimbacbts-vrowm^i 

Artifé , ée (adj.) Konftiglyk ge^ 
maakt. 

Artifon , (m) Houtworm. 

Artifte , (adj. & m,) Konfiig ^konjlt" 
«aörjmain artifte, konftige hand, 

Artiftement , (adv.) Konftiglyk. 

Arufpice , (m) IVaarzegger uit de 
ingewanden der Offerdieren y {by de 
oude Rom.) 

Arufpicine , (f) ïVaarzeggery 
daar van. 

Arzel , (adj.) Cheval arzel , Paerâ 
het geen van achteren aan de regter 
voet een witte vlak beeft. 

AS. (m) Kaarten--aas (n)j as de- 
cœur 9 de pique , de carreau , de 
treile, harten» ruiten- fchoppsn- kla^ 
veren-aas. 

A favoir, (adj.) Te vueeten', na" 
mentlyk; (favoir is beter). 

Asbefle , ( m ) Orb^an^aarvlcn 
van zekere Jleen gemaakt, 

Afcarides , {va. pi.) U^ormpjes dia 
zig aan her f^^ridement zetten. 

Afcendant,ante (adj.) Opgaande ^ 
opklimmende; ligne afcendant, op^ 
gaande linie, 

Afcendant , (m) Opgang eener Jl er- 
re (f); gezag (n)) keerfc happy (f-- 
teeken 't melk op de kim verfchynd ^ 
Z09 dra iemand gebgoren ivard^ pren» 

dre 



4? ApC.ASM.ASP.&c. 

orç....i'arçendant far qaelcàn, den 
bous 'óver icmatid fpecteH. 

.Afcenfion, (f) Opklimming; He- 
fnehanrt ; Hemelvaartsdag. 

Afcétere, (.-.o) Kloojîer (n). 

Afôétique , (adj .) Godvruchtig ; vie 
afçétique , kloojîer-leve». 

Afciens , (m. pi.) f^olk dat onder 
dû Unie ^vooud. 

Afcolies, (f. pi.) Feejien ter fera 
iwî Pacchtis. 

Afine , (adj.) Bête afine ^^ {in Rech- 
ten) Ezel. , 

Asmodée,(m) Forjî der duijierm's. 

Âfpeft, (m) Gezicht (n), befchou- 
iving{î)} un afpeö: terrible, een 
grimmig gelaat-, maifon d'un afpeâ; 
agréable , een huis dat wel vertoond. 
"Afperge , ( t') Afpergie , {zekere 
plant\ 

Afpergér , (v. a.) Befprengen , be- 
fproeien. 
. Arpergès. {Zie Afperfoir). 

Afpéritè,( ?)Scberpbeid ^fli-engheid. 

Afperfer, (v. a.) Befprengen. 

Afperfion , ( f ) Befprenging , ivei- 

■^^' Afperfoir , (rn) Een Wy-kwajl , 

kwijpel' 

Afphalte , (ra) Jooden-lym^ 

ACpic , (m) Adder , {zeker vergif- 
tige Slang;) ; nardus {een kruid); lan- 
gue d 'alp ie, kivaadfprekende tong; 
huile d'afpic,ypy^-o//>. 

Afpirant, te (adj.) Aanademend; 
uitfprekende ; pompe afpirante, een 
trek-pomp. 

Afpirant , (ra) Iemand die naar 
ienige plaats of waardigheid dingt; 
item e ene letter die uitgefprooken 
Tuord. ... 

Afpiration, (f) Aanblazwg; mt- 
galming ( f) ; vierige z'igt tot God 
\m); verlangen naar iets (n). 

Afpirer ,(v. a. & n.) Aanademen ; 
verlangen; afpirer à quelque cho- 
fe , naar iets trachten ; afpirer une 
lettre , eene letter uitfpreeken, 

Arçre,{m) Een afper, {Jiuk Turks 

9eld). 

Affableraent , (m) Hoop zand. 
. Affabler, (v. ?,.) ^Met zand vul- 
ien; aflabler un Vaifleau, (sn Schip 
9p ten zatid-hank VQ.ereiu 



I ASS. ' 

s'Affabler , (v. V.) Met het Schip 
op een zand bank blyven zitten. 

Aflafœtida , ( î ) Duivels-drek, (zi^ 
kere gomme). •'•■*' 

Aflaiüant, te (adj.) Aangevallen ^ 
befprongen, 

Affaillir, (v. a.) Befpringen, aan- 
tajlm. 

AflaitTonné, ée (adj.) Toebereid, 

AiTaifTonnement, (m) Toebereiding 
(f). 

Aflaifonner, (v. a.) Gereed maa- 
ien , klaar maaken ; aflaifonner les 
viandt'S, de fpyzen toemaaken ; aflai- 
fonner 1 agréable avec l'utile , het 
nuttige met het aangenaame paaren. 

'AfTaifonneur, (m) Bereider, ge^ 
reedmaaker. 

Aflaflln , ine (m. & f.) Verrader^ 
lyke Moordenaar , Moordenaarjier. 

AflTafiinant , ante (adj.) Verdrie" 
tig j des complimens aflTaflinantSj 
fverveelende complimenten. 

Aflaflïnac, (m) Moord {{). 

Aflâîïjné,ée (adj.) f^ermoord , om" 
gebracht . 

Afl'aflSnateur , (ra) Moordenaar^ 
ombrer.ger. 

Afl'affiner , (v. a.) Heimelyk ver< 
moorden , van kant helpen ; fcbelden , 
eerrooven; affafliner de coxx^Sy wak» 
ker afroffen. 

Afl^ation , (f) Braading, kooking 
van iets in zyn eigen fap, als koffy enz, 

Aflaut , (m) Aanval; befpringing -, 
Jïorm ; prendre une Ville d'aÎTaut » 
een Stad Jïormenderhand inneemen^ 
monter à l'aflaut , 7?or»j loopen; fai- 
re aflaut d'efprit, zyn verjland ten 
toon fie Hen. 

Aflecution , ( f ) Verkryging vaa 
een Geejïelyk ampt. 

AiTéeur ou Affeyeur , (ra) Schat' 
ter > taxeerder van den tmpoft , hoofd- 
geld. 

Aflï"emblage , (m) Verzameling , 
vergadering , byeen voeging van ver* 
fcheide dingen (f). 

Afl*emblé , ée (adj.) Vergaderd. 

Aflemblée , ( f) Vergadering , fza» 
menkomfl; bal, 

Afl'erabler , (v. a.) Verzamelen, 
vergaderen , byeen voegen; s'aflfem- 

bier 3 (Y, r.) zig v§riamskn' 

AffeiH» 



A SS, , 

Aflembleur, (m) Een -vergaarder 
dor bladen^ {by Boekb.). 

AfTeiier , (v. a.) AtTener bien fon 
coup , zyn jchoot , lUot aanbrengen. \ 

Afleoir,(v. a.) Zetten y neerzet- 
ten ; affeoir un enfant , een kind 
neerzetten y afleoir le camp, het le- 
ger t:ee'r/1aan ; aûeoir fa vue fur 
quelque chofe , zyne oogen op iets 
vejiigen. 

' s'AiTeoir, (v. r.) Zig nederzetten^ 
zitten. 

Affermenter , (v. a.) Met eede 
Jlerken, (oud iv. in Recht.) 

AfTerteur , (m) Voorjîander der 
ivaarheid. 

Aflertion , ( f ) Stelling die men 
fvoor waarachtig jlaande houd. 

Atfercivement, (adv.) Bekrachti- 
gen der wyze. 

AflTervir, (v. a.) Te onderbrengen ^ 
dienftbaar maaken. 

Aflerviflement , (m) Dienjïbaar- 
heid , Slavernye (f). 

Affeffeur, (m) Byzitter ^ (in Rech- 
ten). 

AfleiTorial, aie (adj.) Dat daar 
toe behoord. 

Affecte , achatte ou aiffette, (f) 
JLeidekkers hamer (m). 

Affez, (adv.) Genoeg -, affez bien, 
ivel genoeg ; je me porte affez bien, 
ik vaar redelyk uel. 

Aff.du , ue (adj.) Gejïadig , vlytig ; 
affidu en travail , naerjîig aan 't 
werk. 

Affidu ité, (f) Vlytigheid, y ver-, 
avoir de l'affiduité à l'étude , de 
Jlndte vlytjg betrapten, 

Aüidument ? (adv.) levrig , naar- 
Jliglyk. 

Affiégé, ée (adj.) Belegerd', les 
affiégez, de belegerde.' 

Affiégeant, ante (adj.) Belegeren- 
de; les affiégeants, (m. pi.) de be- 
legeraars. 

Affjégement, (m) Belegerhig, 

Affiéger , (v. a.) Beleger en -, ie- 
mand ergens om aan zyn. 

Affierae. Zekere fponsachtige Jleen. 

Affiente ou Affiento. Maatfcbap- 
py van Kooplieden in America. 

Affiette, (f) TafeUord'y legging ; 
l'affiette de 1'arae , de zieh toejland) 



ASS. 47 

l'affiette du camp, de leger-plaats \ 
l'affiette d'une place , de legging 
■van een plaats', affiette à raouchet- 
tes ) een fnuiter bakje ; fon affiette à 
diné pour lui y fchoon hy niet meê 
gegeten heeft moet hy echter b et aal en ^ 
(Jpr. w.) 

Alùettée, (f) Een bord vol. 

Affjgnac, (m) ^anwyzing wegens 
bet aal ing op goederen die 'er voor 
verpand jlaan , (in Rechten). 

AffignatioB , ( f) Dagvaarding 
voor 't Gericht', aanwyzing ; don- 
ner afllgnation , tyd -bejlemmen ; 
payer une aiïîgnation , eene ajjigna" 
tie voldoen. 

Affigner, (v. a.) Aanwyzen-, tyd 
en plaats befJemwen ', dagvaarden voor 
't Gerecht ; affigner un lieu pour 
habiter , een plaats om te bewoonen^ 
aanivyzen. 

Affimilation , (f) Gelykmaaking 
van iets ; overeen komjf. 

Aiïimiléjée (adj.) Gelyk gemaakte 

AÜlmiler, (v. a.) Gelyk maaken. 

Aflis, ife, (adj.) Gereefen. 

Affife, (f) Een ry Jleenen in een 
muur (m). 

Affifesj (f. pi.) Zit-dag (m), Ge^ 
richts-dagen, 

Affiftance , ( f) Hulp , byjiand, on" 
derjland} tegenwoordigheid. 

Afliflant , ante (va. & f.) Raads- 
man ^ byjïander in nood', meede-hel. 
per-J een die tegenwoordig is. 

Affifté, ée (adj.) Bygejlaan, ge^ 
bolpen. 

Affjfter , (V. a. & n.) Byjïaan, 
helpen-, tegenwoordig zyn; aflifter fes 
amis de fes confeils, zyn vrienden 
met zyn raad byJlaan ; afiifter au fer- 
vice divin , de Godsdienjî bywoo- 
nen, 

Affociation , ( f ) Maatfchappy ( f }, 
Gezelfchap (n). 

Affocié, (f. & adj.) Medehande^ 
laar ; medehandelende. 

Affocier > (v. a.) Iemand aannee* 
men tot maatfchappy. 

s'Affocier, (w.r.)Ztg met iemand 
verbinden , in maatfchappy treeden. 

Affommer , (v. a.) Dood fl aan , ter 
neer f aan; affommer de coups, ^e- 
? weldi^ Jlaan iaiTommer par des im- 
per* 



4è 'Ass. 

pörtunitez, iemand 'doodelyk vervee- 
len. 

Aflbmraoir, (m) Rotten -val, 
fpreng. 

AfTomption , (f) Marïa Hemel- 
vaart j najïelhng eeuer flrHtreden. 

. Affonnance , (f) GelykluiJend- 
heid dfr ryfn woorden, 

AflTortl , ie (adj.) f -^amen-ge- 
/(hikt y gefineerd ; mariage mal 'as- 
forti , qualyk gefchikt huzvelyk. 

Affortiment l (m) fZamen-fcbik' 
king , Ie verd & Ie bleju eft un vi- 
lain afTortiment , groen en blaauw 
komt jlegt by een; acheter un aflbr- 
timent de marchandifes, p^m^ for- 
teering van waar en koopen. 

Affortir , (v. a. & n.) t' Zamen- 
fckikken , t'zamen-vaegen , paaren; 
'aflbrtir ce drap de quelque dou- 
blure , de voeringen overeenkomjlig 
i>et laaken zoeken. 

Aflbrtiflant, ante (adj.) t'zamen- 
voegend-, pajfend. 

AfToter , (v. a.) {gem. w.) Zot maa- 
iten. 

Afroupi , ie (adj.) Gefufi y gejîîld. 

Ailoupir , {v. a. ) In jlaap doen val- 
len; verzachten; Ji: Hen; by leggen; ce 
remèie à alToupi Ia douleur, dit 
hulpmiddel beeft my verzacht ; affbu- 
pir une querelle , een tivij) , oproer 
gallen. 

Aflbnpiflant , te (adj.) Stillend, 
verzagtend; Ie pavot eft affoupis- 
Iknt , Heulzaad is flaap verwekkend, 

AfToupiflement , (m) Slaaperig- 
hetd , ongpvoeligheid { f). 

AfToupIir T (v. a.) Verzachten , buig- 
zaam maaken. ' 

Afl*ourdir, (v. a.) Donf maaken, 
voldoen; s'di^owràir,{v.r.)doof worden, 

AflTou vir , (<. a.) Verzadigen , vol- 
doen; aflbuvir fa rage, zyne woede 
voldoen. 

AtrouviflTement , (ra) l'AffbuvifTe- 
ment de fes ç^^ons , de verzadiging 
zyner driften. 

Aflujetti, ie (adj.) Onderworpen. 

AflTujettir , (v. a.) Onderworpen , 
enderdaanig maaken j s'aflujettir , (v. 
r.) z'? onderwerpen, 

Afirajettiffant>ante {zà].) Qnder" 
xuerpetid* 



AST, 

AfluJettiflTemc^nt ^ (m) Onderdaü' 
nigbeidy onderwerping (f). 

Aflurance , ( f ) Verzekering ; kloek' 
moedigheid i jioutheid; pand-jiell ng-, 
lieu d 'aflurance, bewaarplaat i ^ ge^ 
vangenis j avoir anTurance d'une 
chofe , zekerheid van iets hebben^ 
mettre fon aflurance en Dicl- , zyn 
vertrouwen op Godftellen', aiTurance 
de nier quelque chofe , ftoutbeid 
om iets te ontkennen j police d'aflTu- 
rance, verzekerings contraft o/police 
van ajjurantien op goederen. 

Alfuré, ée (adj.) Verzekerd ^ l'ss- 
furé paye à fon AlTureur tant pour 
cent y de verzekerder {ver affût eerder) 
betaald aan den verzekeraar {affura» 
deur) zoo veel ten loo. 

Affurément } (adv.) Zekerlyk, on- 
twyffelbaar. 

AiFurer, (v. a.) Verzekeren-, aiTu-. 
rer une uette , ï;oor een fc huid t pand- 
zetten ; aiTmer un Vaiffeau , eeu 
Schip ter a (Jurant ie ^ hamer verzeke- 
ren; s'aflürer en quelcun, op /V- 
mand bf'trouwen j s'aflTurer de Ia 
bonté de quelcun , zig van temands 
goedheid verzekerd houden;s'a{rnrer de 
quelcun j iemand ir' hegtenis neemen. 

Aflareurj.(m) Verzekeraar {^ffu^ 
radeur) van Scheepen , enz, 

Attérisme y (m) Gefternte (n),ver' 
zaameling van SPerren ( f). 

Aftérisque , (m) Sterre (*) die in 
de Boeken tot een teeken word gefteld. 

Afthmatique, (adj ) Kort-ademig. 

Aflhme , (m) Eng-borftigheid , kort- 
ademt g beid (f). 

Aftic , (m) Een bol been (voor het 
vet der Schoenm.) 

K^ngzle y{m) Zekere ring cf band 
waar mede de Pylaaren onder en bo- 
ven gecierd worden y ring voor aan 
een Gefchut, 

Aftral, aie (adj.) Het geen tot de 
Sterren behoord, 

Aftre, (n) Eene Sterre; obferver 
les aftres, de Sterren waarneemen. 

Aftreindre, (v.a.) Dwingen, ver- 
plichten ; verftoppen ( in Geneesk. ) j 
s'attreindre aux coutumes, zig aan 
de gewoonten s binden. 

Aftreint, (zd],)QçdW9fJgen, gebons 
den; verftoj)t, 

Aftriof, 



AST.ASY.ATA.ATH.&c. 

Aftridion , ( f) Dwang ; verftop- 
ping. 

Aftringent , te$(adj.) t'^amentrek- 
kende ; remede aftringeru , /toppend 
geneesmidct^l. 

Aft roe , (ra) Strop van etn touw ; 
item groot touw , {zee %v.) 

Aftrolabe,(m) Sterren-hoogte-mee- 
ter , Aftrolabium. 

Aftrologie, (f) Sterren -beduid- 
kunde. 

Aftrologique, (adj.) ^ftrologifch. 

Aftrologue , (m) Een Sterren-aan- 
duider. 

Aftronome,(m)£f'« Sterren-kyker. 

Aftronomie , (f) Sterren - loop- 
kunde. 

Aftronomique ,(adj.) Sterren-kun- 
dig. 

Aftronomiquement ^ (adv.) Ster- 
ren-kundiglyk. 

Aftuce , (f) Loosheid j argtiftig- 
' heid , (oud IV.) 

Afy 1 e , (m) Toevlugt , vryplaats (f j . 

Afymetrie, (f) Ongelyke maat, 
{in Rekenk.) 

Afymptote, (adj.) ff^ord gezegd 
van 2 Linten die malkanderen altyd 
naderen , en nooit , hoe lang ook getrok- 
ken , door/nyden. 

Acabale , (m) Soort van trom by de 
Mooren. 

Atermoiement. (^/^'Attermoye- 
raent). 

Athanor , (m) (in Smeltk,) Een 
groot e Oven. 

Athée, (m) Godverzaaker, 

Athée, (adj.) Godloochenend. 

Athéisme , (m) Godverzaaktng 
Athêijlery (f). 

Athéifte, {m) Godverzaaker y (be- 
ter Athée). 

Athlète , (œ) Een Kamp-jegter ; 
(f guur!.) groote Voorjïdndsr van iets. 

Athlétique, (adj.) IVorftelend. 

Athmofphere, (f) Dàmp-kring i 
gedeelte der lugt , 't welk het naape 
by de aarde komt. 

.Atinter, (v. a.) Onmaat ig opcie- 
ren; (oud w.) 

Atlante, (m) Een îajîdraigende fi- 
guur , (in Griekfche bouwk.). 

Atlas,- (m) Kaartboek vap de garit- 
fcheiraereld \ eerjïe wervelbeen van dm 



ATH.ATO.ATü&c. ü 

Atmofphere,, (m) (^le Athmo- 
fphere). 

Atome, (m) yeezeltje , JioJJe , 00- 
deelbaar ligbaam (n). 

A tort Óc à travers, (adv.) Par« 
1er à tort & à travers, tn 'f hon- 
derd, zoo wat heen praat en. 

Atour , (m) brouwen cieraad, op^ 
cieringe ( f) ; Dame d'aCour , Staats^ 
dame , Kamenier. 

AtournarefTe ,( f) J^ercierjier eeuer 
Bruid, (oudw.) 

Atourner, (v. a.) Opcieren, op' 
tooien. 

Atout, (m) Troef blad (u) , (in heg 
Kaart/pel). 

Atrabilaire , (adj.) Gal-acbtig^ 
droefgeeftig. 

Atrabile, (f) Zwarte gat. 

Atraâylesj (m) Kardo benediSus^ 
(kruid). 

At re , (m) Haarde Haardjleede j^ 
Haardjieê. 

Atroce, (adj.) TJfelyk ,fchrikkelyki: 
une crime atroce , eene gruwelyke- 
misdaad. 

Atrocité, (f) Atrocité d'un cri- 
me, zwaarheid jafgryjjelykheid eener 
misdaad. 

Atronchement , (m) Regt van eem 
Heer op zommige plaat zen. 

Atrophie, (f) Uitteering. 

Atrophié , ée (adj.) Membre a-4 
trophié, lid dat geen voedzel heefim 

Attabler , s'attabler , (v. r.) Aath 
tafel gaan zitten , [gem. w.) 

Attache, (f) Kram ^ houvaji f 
fnaer , riem ; vlyt , yver ; -y^r- 
plichtingyjlandet in een wind mooleni 
étudier avec attache, neerjlig ftu- 
deeren ; vivre fans attache , onbe* 
dwongen leeven-, bas d'attache, ry- 
koujfen ; chien d'attache , een bani^ 
bond. 

Attaché , ée (adj.) f^ajlgemaakt. 

Attachement , (m) f^erbintenis ; 
dnfr , zucht, geneegenheid ', il a xxn 
grand attachement pourfa maitrefle, 
hy heeft groote liefde voor zyn rj^y/ïer. 

Attacher, (v. a.) Binden, vaft^ 
maaken , hechten ; verbinden , verplicht 
ten f attacher les veux fur q\x('\r. e 
chofe , de oogen ergens opJJaan-, tnoü 
devoir m'attache auprès <ie lu.^ 
D myn 



50 ATT. ' 

myn plicht vordird hy hem te blyven. 

s'Attacher ,(v, r.)^';? ergens aan- 
hechten ; iets aangrypen j kleeveri ; s'at- 
tacher à l'étude , zig aan de oejje- 
ning overgeeven ; s'attacher auprès 
d'un grand Seigneur > zig by een 
groot Heer verbinden; s'attacher à 
une opinion, èy een gevoehn blyven. 

Attaches, (f.pl.) Loode ringetjes aan 
de vengjler-roeden. 

Attaquable ,(adj.)i^^^ ^^» *« '"^^' 
Un is, aangrypelyk. 

Attaquant , ,(m) Janvaller^ aan- 
gryper. 

Attaque, (f) Aanval; attaque 
d'une place , aanfaJJing eef7er plaat- 
ze; attaque de maladie, overval 
van ziekte i donner une attaque à 
quelcun , iemand bits bejegenen. 

Attaqué , ée (rû}.) Aangetajî , enz. 

Attaquer , (y. a.) Aanvallen , aan- 
randen-, s'attaquer (v. r.) à quelcun , 
met îemaitd ruîzie zoeken. 

Attédier, (v. a.) l^erdrieten, ver- 
drietiq vallen , (oud w.). 

Atteindre, (v. n.& a.) Bereiken, 
ecbterbaalen ; atteindre fon but ^zyn 
oogmerk bereiken-, je ne faurois l'at- 
teindre , ik kan hem met achterhaa- 
ien , byhaalen ; je ne puis pas at- 
teindre jusques là , ik kan zoo ver 
met reiken. 

Atteint, te (adj.) Achterhaald; 
atteint d'un cçtup de flèche , met 
fenepyt getroffen; atteint d'amour, 
door lirfde getroffen. 

Atteinte , (f) Aanval-, une rade 
atteinte ,een barde JJag ; donner at- 
teinte à l'honneur de que4cun , 
iemands eer kzvetzen , benadeelen ; at- 
teinte aux loix , kwetzing der wet- 
ten ; être hors d'atteinte, buiten 
vreeze , buiten bereik van iets zyn. 

Attelage ,(m) Eenfpan trekdieren; 
voorfpanmng ; wagentuig. 

Attelé, (f) Haam ^ (zeker Paerden 
*tiig ) ; Spalk voor gebroken leden. 

Atteler , (v. a.) Aanfpannen ; (met- 
tre les chevaux au caroiTe . is beter). 

Attelier , ( m ) ÎVerkhuis ( n ) , 
loots ; fpinplaats voor z^wormen (£). 

^Attenant, te (adj.) Naafi^elegen; 
vigne attenante à la mienne ,w;y»- 
gaard grensendi aan de vtyw» 



ATT. 

Attenant , (adv. & prep.) Attff, 
nant l'un de l'autre , naaji malkan- 
der en. 

Attendant , te fadj ) JVagtcnde , 
veriuagîcnde ; prenez cela , en atten- 
dant mieux, neemd dit op hoop van 
heter. 

En atten dan t , (adv. )Middeleruyl , 
ondertuffchen ;je vais devant en at- 
tendant qu'il vienne y ikga voor uit 
ondertuffchen tot dat hy komt. 

Attendre , (v. a.) IVagten , ver' 
ivagten; je l'attends, ik^wagt hem y 
haar ;z.x.x.enàxe le -boiteux , (jpr. vu.) 
nader bericht inv:a2,ten ; s'atten- 
dre, (v. r.) verivagten } je ne 
m'attendois pas à cela , ik had 
dat niet verwagt , te gemoet gezien. 

Attendrir , (v. a.) Vermurwen, 
verzagten -, tot medelyden brengen; 
s'attendrir, (v. Y.)zagt , murw , mals 
zv orden. 

. AttendrifTement , (m) Vermur^ 
tving (?) , mede fy den (n). 

Attendu , ue (adj.) Gewagt , ver- 
wagt. 

Attendu, (conj.) Aangezien-, il 
fut exempté du fervice, attendu 
fon âge , hy wierd van den dienjl 
vry gekend , uit hoofde van zynejaaren. 

Attentat, (m) Àanjlag (m); misdaad 
(f); horrible attentat, gruwzaam 
beft aan, toeleg. 

'Attentatoire , (adj.) {in Rechten) 
Dat met de wetten flrydig is. 

Attente, (f) Verwachting; con- 
tre mon attente , tegens mynever- 
voagting; pierre d'attente , kant of 
bind Jïeen in eene muur; table d'at-. 
tente , ledige f.een boven een deuryvoori 
opfchriften. 

Attenter, (v. n. Sc a.) Op kwaad 
toeleggen ; attenter fur la vie &c. 
de , op het leven enz. toeleggen van. 

Attentif, ive(adj.) Oplettend ^op*^ 
merkzaam. 

Attention ,^ ( f) Oplettendheid , 
aandagt. 

Attentivement, (^dv.) Oplettende, 
aandacht i^lyk. 

Atténuant, (adj.) Bloed verdun* 
nend, (in Geneesk.) 

Atténuatif, iye (adj.) {Zh Atté- 
nuant), 



ATT. 

Atténuation, (f) f^erzivakking , 
Verval van krachten ; verdunning. 

Atténuer , (y.a.)l ''er zw akkert ; ver- 
dutir.en; les jeunes & les veilles 
atténuent le corps, vajlen en uaa~ 
hen verzwakt het lighaam. 

At'.ermoyement, (m) Uitjlel van 
betaaling. 

Attermoyer, fv. a.) De tyj van 
bet aal ing verlengen. 

Atterrage , (m) Landkenning , 
(zee iv.) 

Atterrer, (v. a.) Ter aarde wer- 
pen, ni'érfmyten. 

Atterrir , (v. n.) ^an land ko- 
nterf, aanlanden, {zee iv.) 

AtterriiTement , (m) Aanflikking , 
aamvas van landt door de vloed ver- 
oorzaakt. 

Atteftation , (f) Grtui^enis , ge- 
tuigfchrift (n), atteilatie (f). . 

Attelle , ée ,adj.) Getuigd, enz. 

Attefter I (v. a.; Getuigenis gee- 
ven , getuigen j betuigen , verklaar en ; 
j'en actefte toute la Viile, ik roep 
de gantfcbe Stadt 'er oz^er tot getuigen. 

Acticisme ,, (m) Korte en zinryke 
fpreektrant (f). 

Atticurges , (f. pi,) Fierkante py- 
laaren-y {in Bouzvk.) 

Attiédir , (v.a.) Ferkoelen ,laau'w 
maaken j attiédir l'auditeur , den 
toehoorder verflaauwen-, s'attiédir, 
(v, r.) vrrjlaauzven, onluflig worden. 

Attiédiflement , (m) l'' er koeling 

Attifer , (v. z.)Opfcbikken , (oudw.) 

Attifet , (ni; y rouwen hoofdcierfel 
(n) ; {oud w.) 

Attirail , (m) Toeru/ling ( f) ; reis- 
tuig (n)j bagage ( f); rattiraild'un 
Vaifleau i Scheeps-toebehooren. 

Attirant , ante (adj.) uiamt'ekkend. 

Attirante, (f) Ken jïeep Imt , 
{eertyds gedragen). 

Attirer, (v. a.) Aanfekken, tot 
zig trekkpn; fa politeüe lui ?.ttir«--' 
tous les cœurs y zynelcleefdbeid trekt 
alle barten tot bem ; l'airrianc attire 
le fer , de zeil-fîeen trekt bet yzerna 
zig, s'attirer des enneiiùs, zig vy- 
miden op den bals haaien. 
' Attife-querelle, (m) TwLffmGutr^ 
(ItQkebrand^ aauhitzer» 



ATT. ji 

Attifer, (v, a,) Attifer le feu , bet 
vuur aanjîooken j (fguurl.) olie in bct 
vuur werpen, aanbitzen. 

Attifeur, (m) Attifeufe, {£)Aan- 
Jîooker , aanbitzer; aanjîookjler. 

Attifonnoire , (m) f^uur-baaky 
roer-yzer. 

Attitrer , (v. a.) Attitrer quel- 
cun , iemand îajl , commiflle gee~ 
ven. 

Attitude , ( f) Houding , gejîalte 
{Dansm. Beeldh. en Scbild. iv.) 

Attoilon, {m) Een boop kleine E i^ 
landjes. 

Attouchennient, (m) Aanraaking, 
vocling {£). 

Attouclier , (v. a.) Aanraak en , 
(oud w.) 

Attradlif, ive (adj.) Vertu at- 
tractive , aantrekkende kragt. 
Attradion, (f) Aantrekking. 
Attraftrice, (adj. f.) Het geen de 
kracht beeft van aan te trekken, 

Attraire , (v. a.) Aantrekken , aan- 
lokken. 

Attrait , (m) Aanîokzel-, lok-aas 
(n) , aantrekking (f). 

Attrape, (f) l^al, firik om iets 
mede te vangen (m) -, takel waar by 
een Scbip in 't kielhaalen of als't van 
't Jiapel loopt , gebouden word. 

Attrapemignon , (tsjï) Een fcbyn- 
beilige. 

Attraper , (v. a.) Vangen, krygen; 
betrappen -jSLitraper un brochet üans 
un piège , een fnoek met een Jirik 
vangen , Jirik ken ', attraper fur Ie 
f:iit , op de daad betrappen ; je ne 
puis pas l'attraper , ik kan bent 
niet agterbaalen; il m'a bien attra- 
pé , hy beeft my fcboon by de neus ge- 
bad y bedrogen ; attraper le fens 
d'une ckofe, de zin van een zaak' 
begrypen, vatten; les chevaux cou- 
rent les bénéfices & les ânes. \e% 
attrapent , {fpr. w. ) verjlandigff 
Jlaan naar ampten en de gekken kry- 
gen ze, 

Attrapoire , (f) Een Jîrikyfim- 
tne irck (ra). 

Attrayant, te (adj.) Aanlokkende, 
bekoorende. 
Actremper. {Zie Tremper). 
Attribuer, (y. a.) Tof eigenen, toe- 



js ATT. AU. AVA, 

fchryven ; s'attribuer , (v. r.) zt^ 
aanmaatigen. 

Attribut , (m) Eigenschap , hoeda- 
nigheid i iel s dat tot eenig ampt behoord 
( f)jla miféricorde eïl un attribut 
de Dieu aulTi bien que la Juftîce , 
de barmhertigheid is zoo uel een ei- 
genfchap Gods als de Gerechtigheid. 

Attributif, ive {a.Q].)Toi'r:genend. 

Attribution, (f) yerleeningv an 
f enig voorregî j toeîegging , eer.e bezol- 

AttributSj (m. plur.) Zinnebeel- 
den , {in een Schildery). 

Attriflant , te (adj ) Bedroevend. 

Attriflé , ée (adj.) Bedroefd. 

Attriaer, {v.' a..) ^Bedroefd y be- 
kommerd maaken ', s'atcrifler, (v.r.) 
^ig bedroe-Jen. 

Attrition , (f) Beroziiv tilt vree"^- 
ze der Jîraf (n) ; het 'xryven van nvee 
LigchaameH tegen elkander , {in Na- 
fuurk.) 

Attroupement , (m) r.^rgaaderingy 
Jcbaare , meenigte ( f )• 

Attrouper, (v. a.) rergaaderen, 
hy malkander en doen komen ; s' zxiron- 
per, (v. r.) by malkanderen loopen. 

Au , (art. du datif m. in 't meerv, 
»«x); aan dey aan het y als: au Pè- 
re, aan de J^ader; aux Enfans,<3a« 
de Kinderen-, au Vaifleau , aan het 
Schip ,aux Vaifleaux, aan de Schee- 
pen. 

Au , (pff P-) «'" ■> ^fi > ^^^ » ^'' » 
durci au feu , in 'tvuur gehard., tou- 
cher au doigt , met den vtnger aan- 
raaken ', pot au lait , een pot tot 
melk , mei k-pot î au jugement- de 
tous, na 't oordeel van allen -f^ être 
au lit,/«V bedde zyn; su pis al- 
ler , (adv.) ten ergjlen genomen , als 
niets deugen ivil', au refle, (adv.) 
^oor 't overige. 

Avachir , s'avachir , (gem. ct^.) 
JjOg , lui en ondeugend worden y ver- 
flenzen , zerjlappen , (van leder gez.) 
neerhangen {van takken gez ). 

Avage, {ra) Zeker Meuls markt- 
recht te Parys. 

Aval, (m. Koopm. «/.) Borgtocht, 
verzekeering negens eane Wijjelb. om 
nis de betrokkene niet betaald , de ge- 
ver o/ endoflant <fcMrvan dt waar^t 
gefff dêm zaU 



'ava; 

Aval , (adv.) Neêrwaards , met den 
jlroom; vent d'aval, zuid wejie» 
wind. 

Avalage , (m) Neêrvaart met dm 
jlroom ; '/ neêrlaaten , neêrftryken van 
iets met een takel of ivinde ; item loott 
daar van. 

Avalai fon, (f) Geweldige afloop ^ 
u-at er val; wegfpoeling van Huizen y 
enz. 

Avalanges ou Avalanches , (f. pi.) 
Sneeuw val j groot e klompen fneeuw > 
die van 't gebergte vallen en zomtyds 
keele gebugten overdekken. 
Avalant , te (adj.) Bateau avalant, 
' een met de jlroom afvaar end e f c huit ; Ie 
montant doit céder à l'avalant, 
het opvaarende moet het afvaarende 
Jchtp zvyken. 

Avalé ,ée {aà].)Neérgelaaten ;met 
deflroom neergekomen ; ivgeflokt , enz. 
Avalée, (f) Zoo, veel 'een IVeever 
af kan werken bevorens hy zyn e hoo- 
rnen af en oprold. 

Avaler , (v. a.) Injlokken , »^/r- 
zirelgen; neérvaaren', voor de he' 
! taaling eer.es fViffelbriefs inflaan ; 
avaler un affront , een e belediging 
! opkroppen; avaler du vin dans une 
\ cave, wyn in een kelder neérlaate72',KMZ' 
I 1er une branche , eenen tak af houwen, 
i Avaleur , (m) Zwelger, vraat ^ 
j gulzigaatd ; avaleur de charettes 

ferrées, eenfnoeshaan. 
! Avalies , (f. pi.) Wol van vellen 
. der geJJagte Schaapen. 
I Avaloire , ( f ) Een zvyd keelgat (n); 
itemflaart-riem (van eenPaerden-tuig)) 
jlamper (hy Hoedem.) (ro). 

Avalure , (f) Nieuwe zwamagtigt^ 
Paerde-hoef 

Avance, (f) Vooruit betaating (f) ; 
voordeel ; uitjïek aan een gebouw ; ver- 
fchot (n); donner dix pas d'avance 
à quelcun , iemand tien fchreeden 
voor uit geeven; faire des avances 
pour îa réconciliation , beginzelen 
tot eene bevrediging manken ; faire 
une avance de mille francs, een 
verfchot van looo guldens doen j par 
avance , d'avance, (adv.) van te 
voor en, vooraf. 

Avancé , ée (adj.) Gevorderd '^ 
gar4e avancée ; vitgezetts wagt., 
At»î» 



AVA. 

it , (m, 
voortgang , opkomjl (f j 

Avancer, (v. n. »Sc a.) ï\rJeren, 
voor t/c huiven f enz. avancer quelque 
chofe , iets opper t'n , op de baan bren- 
gen; avancer de 1'argent, geldver- 
Jcbieten-, l'horloge avance, het uur- 
werk loopt te ras; avancer l'horlo- 
ge ,het uuriverk vooruit zetten ;a.v^n- 
cer ua pas, eene fchreede voortgaan; 
avancer fon départ , zyn vtrtrek 
verhaajïen; avancer fes affaires, zy- 
ne zaaken voortz.tten; je n'avance 
guère, ik vorder e weinig; avancez 
un peu cette table , fchuifd die ta- 
fel een weinigje voor uit ; cette pier- 
re avance trop, die /leen fchiet te 
veel voor utt; avancer ia main , de 
hand uitjleeken ; s'avancer, (v. r.) 
voortrukken ; Ie blé s'avance fort , 
het koorn groeid wakker. 

Avanie , (f) Afknesvelary, ge- 
iveldenary der Turken ; befchimping. 

Avant, C[rep.) Foor; avant Je 
temps, voor den tyd; avant toutes 
chofes , voor alle dinsea. 

Avant, (adv.) Ferre, diep in; 
bien avant dans la nuit, zeer diep 
tn den nacht; en avant, \;oor uit; 
porffjr en avant-, voor uitjlooten; 
mettre enz.Y^nt,voordraagenyVQor- 
jïellen; avant que , {koppel-w.) voor 
dat. 

Avant , (m) Het voor/chip ( n ) , 
voorjléven , de 'boegyètve de l'avant , 
vooruit kopen ) Ie vent fe rangea de 
l'avant, de wind liep tegen; mettre 
de l'avant , voorby zeilen; Vaifleau 
trop fur l'avant, een voor -la/lig 
Schip , (S-cbeeps w.) 

Avantage , (m) Fbordeel (n) , win/ï 
( f) ; het galioen van een Schip (n) , 
parier à l'avantage de quelcun , 
met roem van iemand f pree ken; cela 
tourne à fon avantage, dat gedyd 
tot zyn voordeel; il eut l'avantage 
fur lui , h y had de overhand. 

d'Avantage, (^ie Davantage). 

Avantager, (v. a.) Bevcordee'en. 

Avantageufement , (adv.) Foor- 
deeliglyk. 

Avantageux, eufe (adj.) Foordeelig. 

Avant-bec, (m) Uitjhk (n) onder 
^ I^Un h^g (^(fsr cfe hag op mjh 



AVA. 53 

Avant-bras , (m) v Gedeelte van 
den arm , van den elleboog tot het 
gewrigt van de hand, (n). 

Avant-corps, (m) 'ƒ Foorgebouw 
(n). 

Avant-cour, (m) Foorhof (n). 

Avant- coureur, (m) Foor koper. 

Avant-couriere , ( f) Foorloopjier. 

Avant-dernier , iere (adj.) Dat 
voor den laatjlen gaat. 

Avant-fofl"é,(m)Z?£' httitenjïe gragt 
e ener vejling (f). 

AvaDt-garde, (f) De voorhoedt; 
1 'avant & l'arriére garde , de voqT' 
en a gt et hoede. 

Avant gout, (m) Foorfmaak. 

Avant-hier, (adv.) Foor- af eêT' 
gif eren. 

A van tin , (m) Takje om te enten of 
te pooten. 

Avant-jour, (adv.) Foor 't opko^ 
men van den dag. 

Avant-logis , ( m > Fcorhuis ( n ) , 
voorwooniBg (f). 

Avant-mai a , (f) Het binnenlle 
van de hand (n). 

Avant-midi, (m. & adv.) De tyd 
voor den middag; voor den middag. 

Avant-mur, (m) Foor^mur (f). 

Avant- part , ( f) Het gedeelte voor 
uit (n). 

Avant- pêche, (f) Froege Perzik, 

Avant-piéd, {m) Foorjte gedeelte 
van de voet. 

Avant -poignet. {Zie Avant- 
main). 

Avant-portail, (m) Foor hof (n). 

Avant-propos , (m) Foorreden , 
vooraffpraak ( f). 

Avant-quart , (m) Focrfag van 't 
quartier uiirs (n^. 

Avant-toit, (m) Foordak , afdak 
(n). 

Avant-train, (m) Foorgefel van 
een a f uit (n). 

Avant- veil Ie , ( f ) JD^ avot^d voor 
eenen heiligen avond. 

Avanture. {2ie Aventure). 

Avare , (fubft. & adj.) Giertg aard, 
fchrok , vrek; gierig , vrekkig ^Uhraap- 
agtig. 

Avarement, (adv.) Gleriglyk. 

Avarice , ( Î) Gierigheid. 

Avaricieux; eufe. (^;> Avare). 
^ 3 Arax 



54 AVA. AüB. AUC, 

Avarie, (f) Havengeld , anker • 
i^eUh item zee-fchaden, havery, ava- 
rice grofTe , havery gros ; {fchade die 
men door 't overboord werpen of door 
de Ze e-r over s aan de goederen lyd): 
avarie ordinaire , kletm havery , 
(gezi'oone onkq/ien van 'f Schip). 
Avafte , (adj .) Hou op , (S:hecps %v.) 
A vau-l'eau, (aâv.) Aller ^ a 
vau-l'eau , met den Jiroom neêr- 
ivaards gaan. 

Aubade, (f) Mor gen - muf t::^ dat 
een mintjoar aan zyn nu. ''nar es 
's.morgens vroeg fpeeld -, item geraas, 
gefihreeuiv- (n). 

Aubain , (m) t^reemdeïing , uitheem- 
Jihe inivoonder. 

Aubaine, (f) I^echt des Kon mg $ op 
de erffenis van e enen Vreemdeling in 
ay;; land geflorven (n). 

Auban, {m) Recht het iv e Ik men 
den Heer of zyne Gerechtsdienaaren be- 
taald -, om vryheid te hebben van zyn 
tvinkel of kraam te openen (n). 

Aube , ( £) De dageraad-, Pries- 
terlyke misgewaad ', 'plank van een 
mooïen-rad ,waar op het water valt; 
ferfie nagt ivagt , {plat voet ge- 
naamd) (Óchetps w.) 

Aube-épine ,( f) fVitte Haag-doorn 
(m). 

Auberge , ( f) Een Herberg. 
Aabergifte, (m. & f.) Herbergier, 
Waard , Hofpes ; Herbergierfier , Hos- 
pita , JVaardtn. 

Auberon , (m) Kram daar de 
tong van een flot in fcbiet. 

Auberonniere , (m) Plaatje daar 
de kram aan vafl is. 

Aubier ou Aubour , {ni) Spint in 
't hout (n). 

Aubifoin , (m) Blaamve koorn- 
hloem (f). 

Aubin , (m) Gebroken gang 'van een 
Paerd. {Zie ook blanc d'oeuf). 

Aubinet , (m) Het voor-vinken-net 
(n) , [Scheeps w.) 

Aubour. {Zie Aubier). 
Aubrier, (m) Een Havik met een 
u:tte Jiaart. 

Audion , (f) Operibaare verkoo- 
pinq van boeken. 

AuAuaire, (m) Byvoegzel (n). 
Aucun, une «'adj.) bans aucune 



( f) Stoutheid , lier mi- 



AÜC. AUD. AVE. 

difficuicé, zonder eenige zwarigheid-i 
en aucune manière , in geenerlei 
wyze. 

Aucunement? (adv.) Eenigzints', 
geenzins. 

Audace 
felheid. 

Audacieufennent, (adv.) Stoutelyk, 
Audacieux 5 eufe (ad j .) 6>om; , Vf r- 
métel. 

Au deÇî, (prep.) Au deçà de la 
rivière , aan deze zyde der rivière. 
Au de là , (prep.) /Jan geer.e zyde. 
Au devant , (adv.) Aller au de- 
vant de quelcun , iemand te gemoe- 
te çraan. 

Audience, (f) Gehoor (n); au- 
diëntie-zaal (f ) } donner audience , 
gehoor verleenen. 

Audiencier , (m) Deurwaarder van 
het laag e gerecht. 

Auditeur, (m) Toehoorder; And*- » 
teur des comptes, een Arnptenaar'< 
die de Rekeningen opneemd, naziet. 

Auditif, ive (adj.) 't Geen het ge- 
hoor betreft. , 

Audition, (f) Audition des té- 
moins, verhoonng der getuigen; au- 
dicion des comptes, het nazien der 
rekcrAugen. 

AudKoire, (m) Gehoorplaats ; de 
Vergadering (f). 

Avé , (m) Groetenis van den Engel 
aan M ar ia (f). 

Avec , ( prep.) Met , mede; avec 
moi , r,-^et my. 

Aveindre , (v. a.) Uit een kafi haa- 
ien , aanreiken , {vjeinig geh.) 

Aveine ou Avoine , ( f) Haveif 
(m). 

Aveline, (f) Hazelnoot. 
Avelinier, (m) Hazelaar, {betei' 
Coudrier). 

Avenage , (m) Haver-tiende , die 
men aan den Grondheer verfchuldigt is. 
Avenant, te (pare.) Le cas ave* 
nant, het geval gebeurende. 

Avenant , te (adj.). Chofe ave- 
nante, een behoorlyW^zaak ; à l'a- 
venant , (adv.) naar maat e, naar 
advenaüt, (à proportion). 

Avènement, (m) Avènement au 
trône , konfi tot den troon. 
"^ Avejiir, (v. u.) Gebeurmp (^-ord 
aileett 



AVE. 

éilfee» împerCoïiiielyk geb.) ilavint, 
bef gebeurc(e. 

Avenir, (m) De toekomer.de tyd; 
à l'avenir, IÎ7 V toekomende. 

Avent , (m) Mvent , tydvoor Chrii- 
ti geboorpey {in de R. Kerk). 

Aventurej(f ) H^^aa^ingi^ï); voorval, 
lotgeval {n); gefchiedetiis (f); avan- 
tures galantes > minnen -gevallen y 
difeur de bonne aventure, goft/pr 
geluk zeggen j mal d'aventure , di' 
fyt aan de vingers ; la grofle a- 
yenture ,4>odemry , (Koopm. w.) 

à l'Aventure, (adv.) Onbezonnen; 
Û d'aventure, zoo by geval. 
Aventurer, (v. a.) fVaagen. 
Aventureux , cuie (adj.) ff^aag- 
ogtig , {oud w.) 

Aventurier, iere(ni.& £.) Waag- 
hals ; zwerver , gelukzoeker; lan'd- 
loopjfer. 

Avenu, ue (adj.) Gebeurd, voor- 
gevallen. 

Avenue , (f) Toegang tot iets-, 
laan , wandeldreef met boornen be- 
plant (m). 

Avérer, (v, a.) Beivyzen, ivaar- 
maaken. 

Averne , (m) De Helle , (woord 
by Dicht, gebez.) 
Averfaire. {Zie Adverfaire). 
Averfe , (adv.) il pleut à ver- 
fe , het regend dat het giet , het Jlag- 
' regend. 

Averfe. {Zie Adverfe). 
Averfion, (f) Tegenzin {£),haat 
afkeer (m). 

Averfité. {Zie AdverGté). 
Avertin,(n3) Ziekte des gemoeds 
waar door iemand woedend word (f). 
Avertir. ? (v. a.) JVaarfchuuwen , 
berichten. 

Averciffement , (m) Bericht ( n } , 
waarfchuuzving {t'). 

Avertifleur , (m) JVaarfchuuwer 
van 't Hof. 

Avette , (f) Een Biet] e, {by Dich- 
ters), . 

Aveu , (m) Bé^^tenis y toejlemming, 
bewilltging ; un homme fans aveu, 
een Lamilooper , onbekend menjcb. 

Aveugle, (fubft. & adj.) Een blin- 
de; blind; aveugle né, een blind 
geborene; au païs des aveugles les 



AVE. AUG. AVI. j5 

borg nes font Rois , in 't land aer 
bl:nJen is een-oog Koning {fpr. w. ) 
paffion aveugle , blinde liefde. 

à l'Aveugle, (adv, In den blinde. 

Aveuglement, (adv.) Ulindelyk. . 

Aveuglément, (m) Blindhetd{£); 
onv erfland (n). 

Aveugler, (v. a.) Blinden ^ ver- 
blinden. 

Aveuglettes ou à tâtons, (adv.) 
Blindelings , by den iafi. 

Auge , ( f) Trog , bak (m). 

Augée, (f) Een hak vol. 

Auget, (m) Eetenf-bakje voor een 
P^QOgel-kooy (n). 

- Augment, (m) Augmsnt de dot, 
vermeerdering van Bruidfchat , {in 
Rechten (f). 

Augmentateur, trice, (m. & f.) 
l^^ermeerderaar , vermeerderaarfer. 

Augmentatif , iye (adj.) Fer meer- 
derend. 

Augmentation , (f) f^ermeerdt- 
ring. 

Augmenter , (v. a.) Vermeerde- 
ren ; s'augmenter, (v. r.) toenee- 
men , acmgroeijen. 

Augurai , aie (adj.) Dat de ÏVaar- 
zeggery aangaat. 

Augure ; (m) Een waarzegger , wig- 
gelaar (m) ; voorteeken (n) , voorfpel- 
(ing , wiggslaary utt de vlugt der voge- 
len (f). 

Augurer, (v. a.) Iets voorbeduh 
den, voorfpellen ; j'en augure quel- 
que choie de bon, ik voorfpel daar 
iets goeds uit. 

Augufte, (adj.) Heerlyk , voortref' 
felyk , uitmuntend. 

Auguftèment, (adv.) Overheerlyk, 

Avidluaillement , (m; Bezorging 
van levensmiddelen { f). 

Aviduailleur , (m) Een die een 
Schip met levensmiddelen (vi^uaille) 
voorziet. 

Avide? (adj.) Greetig^ begeerig, 
hongerig; avide de gloire, ecrzug^ 
tig. 

Avidement , (adv.) Gretigtyk , zie* 
rigtyk. 

Avidité , (f) Gretigheid , begeerte. 

Avilir, (v. a. Ik n.) l^erjlegten, 
gering, verachtelyk maaken , of voor- 
den ; m prys afjïitan, 

D 4 Avi- 



5(5 AVL AÜL. AÜM. 

Avi I iffemenc , ( m ) f^erjlegtwg , 
verachting (f). 

Avillons , (ra) De achter-klaau- 
vjptt van een Roofvogel {by Valke- 
niers). 

Aviner , (v. a.) Met ivyn doortrek- 
ien laat en. 

Aujotird'hui, (adv.) Huiden, he- 
den , van daag. 
Aviron , (m) Een Roei-riem. 
Avironner, (v. a.) Roeijen. 
Avis, (m) Berigfy gevoelen (n); 
raad {va)', donner des avis, raad 
geeven; donner avis ,bengt geeven, 
à mon avis , tia myn gedagten; let- 
tre d'avis, advys-brief; il m'eft a- 
▼is , my dunkt. 

Avifé , ée (adj.) Bedagt^ voor- 
zichtig ; bien , mal avifé , wel , kwa- 
lyk bedagt. 

Avifement , (m) Gedagten (f), 
denkbeeld (n) , {oud w.) 

Avifer , s'avifer , (v. n. & d..) er- 
gens op bedagt zyn ; on y avifera ; 
men zal 'er om denken , avifez vous y , 
itedenkt 'er U op -, il s'av'fa de Ie 
iaire , hy vond goed het te doen. 

Avitaillement , (m) Bezorging van 
levensmiddelen. 

Avitailler , _(v. a.) Van leeftogt 
voorzien-, proviandeeren. 

Aviver , (v. z.) Luchtig fchoon- 
fnaakcn; polyjlen-, aviver une pier- 
re &^c.eenjîeen zuiver vierkant maa- 
ken; aviver le feu, het vuur helder 
doen branden. 

Avives, (f. pi.) Klieren aan de 
gorgel van een Paerd. 

Aulique, (adj.) Confeil aulique , 
JQizerlyke Ryks - hofraad ; chambre 
aulique, Opperryks-kamer. 

Aumailles , (f. pi.) .allerhande 
Jioorn-vee (n). 

Aumône, (f) .t^almoBS (n); faire 
J 'au mône , aalmoejfen geven j deman- 
tier l'aumône, beedelen. 

Aumonée , ( f) Brood 't welk men 
V2a P(n hegraafenis den armen geeft (n). 
Aumóner, (v. a.) Begiftigen, iets 
cis een aalmoes geven. 

A n móne r ie , ' (f) Aalmoeffenier- 
fch.p (nh 

Auu.onier ,(m') j^almoejfinier ^Ka- 
;fellaan op een bcbip. 



AUM. AUN. AVO. 

Auraönier, re (m. & f.) Een die 
milddadig is aan den armen. 
Auraôniere , ( f) Kerk-butdel (m). 
Aumuce , (f) Armelyn bont, het 
welk de Kanunnikken op den arm dra' 
gen als zy den dienfl doen (n). 
Au nage , (m) Ellen-maat { f). 
Aunaie , ( f ) Elzen-bofch (n). 
Aune, (m) Elzen-boom. 
Aune, (f) Eene elle; il mefure 
tout le monde à fon aune, hy cor- 
dée ld een ieder naar zig zelven; je 
fais ce qu'en vaut l'aune, ik weet 
wat 'er op loopt y babiller tout du 
long de l'aune , in de lengte heén 
praaten-, au bout de l'aune faut le 
drap, by Jlot vati rekening zal men 
dit wel vinden , {fpr. w.) 

KnnQT ,{v.?i..)Met de Elle meeten. 
Auneur , (m) Amptenaar , die aan- 
gefield is om de Ellen te yken en te 
bezien. 

Avocafler , fv. n.) Het ampt van 
Advocaat woarveemen , {gem. w .) 

Avocaflerie , (f) Het ampt van 
een Advocaat (n) , {èem. en oud w.) 

Avocat, (m) Voorfpraak, Advo- 
caat. 

Avocate , (f) Voorjlandjler , be- 
fchermfler. 

Avocatoire , (adj. & fubft.) Dat tot 

de voorfpraak of deszelfs ampt behoord; 

item Keizerlyk bevelfchrift. 

Avoine , ( f) Haver. {Zie Aveine). 

Avoinerie , (f) Plaats die met 

haver bezaait is , baverland. 

Avoir, (v. a.) Hebben, bezitten, 
genieten; avoir du bien, ryk zyn; 
avoir chaud, froid, warm, koud 
zyn; avoir roin,zor^ draagen', (NB, 
in 't Boekhouden zegt men doit avoir in 
plaats van credit) ; y avoir , zyn , wee- 
zen; il y a, daar is, daar zyn; il y a 
huit jours, het is acht daagen geleden, 
{Zie verder de uit legging van d'A.) 

Avoir, (ra) Goea , vermogen, be- 
zit (n); c'efl tout mon avoir y dat 
is alles het geen ik bezit. 

Avoifmement 9 (m) J^ykoming , 
nadering (f). 

Avoifiner, (v. a.) Naderen, ge- 
naaken ,Kabuurig zyn. 

Avorté , ée (adj.) J\j[iskraamd > 
mhl'aürd} mislukti 



AVO. AUP. AUR. AUS. 

AvürcemCiiC, (m) Misdragt , mis- 
<Wfrpii!g der dieren (f). 

Avorcer , (v. n.) Mtskraamen^mis- 
draagen ; voor den tyd iverpeti } avor 
ter en quelque entreprife, in eùni- 
ge onderneemin^ mislukken. 

Avorcon , (m) Misdragt , misge- 
boorte , ontydige vnigt ( f) ; quel pe- 
tic avorton ell cela.^ ^vat voor een 
onderblyfzel is dat ^ avorton de l'es- 
prit, jcbrift of werk dat niet wel 
uitgevoerd is. 

Avoué , (m) Schuts-heer , voorjian- 
der eener Kerk of Kloojïer. 

Avouer, (v. a.) Erkennen, beken- 
nen , topjiemmen , goedkeuren. 

Avouërie > ( f) Patroonfchap van 
een Kerk (n). 

Avoyé , (m) Amptman in fommi- 
ge Zwitzer^che Steden. 

Avoyer, (v.n.) Beginnen te waai' 
jen , (zee w.) 

Auparavant, (adv.) liante vooren, 
ahoorens. 

Au-pis-aller ^(advO Op zyn kwaad' 
Jlen genomen. 

Auprès, (adv.) By , digte by; ei 
auprès, hier by. 

Auprès , (prep.) Auprès du feu , 
^y het v««r; auprès de lui ^by hem-, 
être auprès d'un grand Seigneur, 
by een groot Heerwoonen, zyn; vo- 
tre mal n'eft qu'une bagatelle au- 
près du mien , une kwaal is maar 
eene beuzeling by de myne. 

Auréole , (m) Straalkrans , om het 
hoofd der heiligen. 

Auriculaire , (adj.) Confeffion 
auriculaire , oorbiegt ; témoin au- 
riculaire , oorgetuigen-, doigt auri- 
cnkaxxe-, jcie ptnk of kleinjïe vinger. 

Avril , (m) April, grasmaand; 
l'avril des jours, de lente der dagen 
{by Poëet en). 

Anrillas , {m) Vaerd met lange 
oor en. 

Auronne , ( f) Averocn , {een kruid). 

Aurore, (f) De dageraat {m); 
't morgen rooi (n) ; eene frijfche 
fchoonheid (f) j geele vergulde ko- 
leur {{); de l'aurore au couchant, 
van het ooflen tot het ivelJen. 

Aufpice , (m) Voorzegger by de 
lUidancn die uit j^e vlvgt j gezang enz. 



AUS. AÜT. 57 

der vogelen iets wiji te voorfpeilen j 
item 't voorteken zelfs (n). 

Aufpices ,(m. pi.) Né fous d'heu- 
reux aufpices , onder gelukkige 
voortekens of in eene gelukkige tyd ge' 
booren; c'ell fous, vos aufpices que 
je , het is onder uwc befchuttinge 
dat ik enz. 

Aufpicine , (f) Konfl om door de 
vlugt , het gezang of eeten der voge- 
len, tets te voorjpeUen. 

Aufil , ( conj. ) Zoo, ook; aufS 
grand que vous, zoo groot als gy -, 
auffl beau que fage , zoo fchopn als 
verjlandig; vous y avez été & moi 
aulfi, gy bebt 'er gexveejl en ik ook; 
ayez loin de vos affaires; arifiî ai 
je , let op u zaaken; zoo doe ik ook; 
il ell plus fage , auiïi eft il plus âgé , 
hy is wyzer , maar hy is ook ouder; 
il efb auâj fage , que vaillant ? hy is 
zoo voorzigtig , als dapper. 

Auffî -bien que , (conj.) Zoo 
wel als. 

AufTi-peu que, (conj.) Zoo wei- 
nig als. 

Auffi-tót que, ( conj. ) Zoo ras 
als; auffi-töt dit, auffi-tót fait, zoo 
gezegd , zoo gedaan. 

Aufler , (ni) Een zeer warme wind-, 
zuiden wind. 

Auflére , (adj.) Mener une vie 
auftére , een fîreng leven lelden. 

Auftérement , (adv.) Strengelyk. 

Auftérité, (f) Strengheid. 

Auftral, aie (adj.) Zuiderlyk^jto. 
Ie auftral, zuidcr afpunt ; la mer 
auftrale, de zuider-zee; terres au- 
llrales , de zuid-landen. 

Autan , (m) De zuid-oojle-ivind. 

Autant , (adv.) Zoo veel ^ even 
zoo veel; j'ai autant que vous, tk 
heb zoo veel als gy; dix fois autant, 
tienmaal zoo veel; ai-Uant de têtes, 
autant d'avis , zoo veel hoofden , zoo 
veel zinnen; je l'aime autant que 
vous 5 tk bemin hem zoo zeer als ^y, 
of als U;]e l'ai vendu tout autant, 
ik heb hep juiji voor zoo veel vtr- 
kogt. 

d'Autant plus, (adv.) Zoo veel te 
meer ; d'autant moins , des te min' 
der; d'autant que, dewyl , vermits. 

Autel, (m) Altaar, Qutaar (n); 
D 5 îTiai- 



5^8 AUT 

maître ou grand Autel, bet hooge \ 
^utaar. 

Auteur , Autrice , (m. & f.) Schry- 
ver , uitvinder , oorzaak , aanvanger , 
Jiigter j fchryffier , uitvimijïer ( van 
een boek of konji). 

Authenticité, (f) irettigheid, ge- 
kofwaar digbeid. 

Authentique , (adj.) JVettig , ge- 
loofwaardig. 

Authentiquée , ( f) f^rouw die van 
oVerfpel overtuigd word. 

AuthentiquemenL, (adv.) Gela f- 
waardiglyk. 

Authentiquer, (v. a.) Een fcbrift 
ondertekenen, 

Autocéphale, (m) {Griekfch w.) 
Een opperfle aayivoerder. 

Autocrateur , trice {m.&i^ï.) Zelfs 
behouder-, behouder effe - {titel in Rus- 
land)» 

Auto-da-fé, (ra) (Pcrtug.w.)ron- 
KÏs der Inquifïtie. 

Autographe , (m) Iemands eigen 
bandfchrift (n). 

Automate , (m) Kot7jJ-u'erktttig dat 
door zig zelfs beweegd (n); item een 
die zonder onderwys leerd. 

Automnal, aie (adj.) Herfflacbtig', 
fleur automnale, berfjî-bloem. 



,AUT.AUV.AÜX.AXE.&c. 

Autourferie , ( f) Koujt om de Ha-» 
vikken ter jacht af te rechten. 

Au tourfier, (m) Een die dezelve 
daar toe af re ebt. 

Au-travcrs OU A-travers, (prep.) 
{het eerfïe regeerd de gen. en het zde 
de accuf.) Dwars over , of door , au- 
travers du corps , dwars door 't lyf-. 



Automne, (f) Herfjï; {fguurl.) 
aannaderende ouderdom (m). 

Autorifation > (f) Macht -gezag- 
geving. 

Autorifer , (v. a.) Gezag geven -, 
être autorifé de quelcun , van 
iemand gevolmachtigd zyn. 

Autorité, (f) Gezag ^ aanzien, 
vermogen (n);ufer de fon autorité, 
zyn gezag gebruiken j autorité de 
quelque Auteur confidérabie , een 
aangehaalde plaats van eenig ver- 
maard Schryver-, autorité ^abfoluë, 
onbepaalde magt. 

Autour, (prep.) Omtrent ^ rond- 
om } eet habit me coûte autour de 
cent écu s , dit kleed kofî my omtrent 
loo kroonen -, autour de l'Egiife, 
rondom de Kerk-, tourner autour du 
pot , om het kantje praaten ^{fpr. w.) 

Autour, (adv.) Tourner tout au- 
tour,»» 't rond draaien i rondom her 
gaan. 

Autour , (m) Een Havik. 



a-travers ia Viiie, dzvars door'de 
Stadt. 

Autre i (m. & f.) Een ander , eene 
andere', l'un ou l'autre , een van 
beide-, m l'un, ni l'autre ,^é'f« van 
beide; une autrefois, op een ander- 
maal; l'autre jour, onlangs; l'un 
vaut l'autre, de eene ts de andere 
waard ; de parc & d'autre , van 
zueérszyden , overal; c'eil bien un 
autre homme, dat is een gantfch an- 
der man ; c'ell une autre paire de 
manches , dat is een andere zaak; à 
d'autres , maakt dat de kinderen 
wys; c'efl un autre Alexandre , /^^r 
is een tweede Alexander. 

Autrefois, (adv.) Eertyds , voor- 
maals , weleer. 

Autrement , (adv.) Anders, an- 
derzints; on parle tout autrement 
; ^ de cela, men fpreekt daar heel an- 
ders van. 

Autrepart, (adv.) Elders, op een 
ander plaats. 
Autruche, (f) Strats-vogel {m). 
Autrui, (m) Iemand anders ; ie 
bien d'autrui , een andermans goed; 
il ne faut faire à autrui, que 
ce que nous voudrions que nous 
iîxt fait, men moet aan een ander 
nietsdoen, 't geen wy niet willen dag 
ons gefchiede. 

Auvent, (m) Luiffel voor een win~ 
kei of huis (n). 

Auvernas ou Auvernat , (m) 
Zwaar e Orleanfche wyn. '* 

Auvesque , (ra) Zekere aangenach 
me appel-dravik (m). 

Auxiliaire , (adj.) 't Geen hulp 
geeft ; des troupes auxiliaires , 
hulp-benden ; des verbes auxiliaires, 
behulpzaame werkwoorden. 

Axe, (m) Spil, as van een bol; 
l'axe du monde, de as van de waereld, 
Axi , boort van peper. 
Axiome j (m) Aangenomen grond- 
'Jlel-regel. Axon- 



AXI.AXO.AYA.AYE. &c. 

Ar.onge < u Axunge, (f) Reuzel; 
menfchen-vet tot een geneesmiddel be- 
reid. 

Ayant « ("part.) Hebbende. 

Aye , (interj.j Ach I ochi 

Ay^ ui. [Zie Aieul). 

Azerolt', (m) Wilde mispel. 

AzcroUer , (m) Pfilde mtspel-boom. 

A?.imu., (m) iop kri>'g , top-boog. 

Aziinutal, aie (aJj.) Top-kring- 
achtig. 

Azot, (m) Eerflejloffe der metaa- 
len 5 {in Smeltk.) 

A/.ur , (m) Btaauw , hemels-blaauw, 
azuur (n). 

Azuré , ée (adj,) Dat hemels- 
blaauiv geverft ts; les voûtes azu- 
rées , de azuur-gewelven , de hemel j 
les plaints azurées , de azuure vel- 
den-) de zee. 

Axurer | (v. a. ) Hemels-blaauw 
fchilderen. 

Azye. {Zie Afyle). 

Azyme, (m. «Scadj.) Pain azyme , 
ongezuurd brood; la féte des azy- 
mes , het feefi der et^g- hevelde brooden. 

Azymice , (m. & f.) Een die on- 
gezuurd brood eet. 

B. 

B(m) B. (f) 2de Letter van het 
' Af B , C; il eft marqué au 
B, {dat is) boiteux-, boigne jboffa Î 
hy is l'an onzen Lieven Heer get ee- 
kend , als : kreupel , eenoogtg , gebuid * 
B quarre, & B mol, B duur en B 
mol y {in iVluftcq). 

Babeurre, (m) Karnemelk (f). 

Bauiclie, (f) :>cboot-hontje (n). 

Babil,(m) Gebabbel y geklap, ge- 
fnap (n). 

Babillard, de (adj.) Klapachtig. 

Babillard > de (m & f.} Klapper; 
fnarjl^r, klappye. 

Babill«fr ,(v. n.) Babbelen ^ klappen. 

Babilloi re , ( f ) Ploegbankje ; klap- 
' bankje (n). 

Babijie , (f) De muil van een 
-^ap^ Kop enz. (m) de grofles babi- 
nes , groote lippen j groote fmoel. 



BAB. BAC. 59 

Babioles, ( f. pi.} .^-nder fpeeltuig, 
poppen goed {w); beuzelingen. 

Bâbord ou Basbord , (m; Bakboord^ 
de linkere zyde van een óchip. 

Babouche ? ( f ) Een Turfche fcboen 
(m), 

Babouin, (m) Een Baviaan; bai- 
fer Ie babouin , zig voor iemand ver- 
ootmoedigen ; in de bus blaazen , 
{fpr. w.) 

, Babouin , ine (m. & f.) Nar , 
aapengezigt ; zottinne, malocr. 

Babouiner , (v. n.) Poeizen maa^ 
ken. 

Bac , (ra) Praam, platte fchuit ) 
pont; water-trog ; f iintein-kajl (f). 

Bacalas, (m/ Kajuii-lyjï van een 
6 chip {f). 

Bacaliau , fm) Kabeljau , Bakkeljau, 

B:icca!auréat , (ra) Eer-trap van 
een Candidaat na zyn examen. 

Bacchanales, (f. pi.) Bacchus 
feejien. 

iJacchanalifer , (v. n.) 'Lujïig eéien 
en drinken. 

Bacchantes ? (f. pi.;) Bacehus Pries-> 
ter innen. 

Bacchus, (m) Wyn-god, {by Poe., 
ten); item wyn. 

Bache , {\r\)Wa gen-ze il , dekzel{n)„ 

Bachelier, {vù) Meejîer in deGad^ 
geleerdheid, IVysbegeene enz. 

Bachique, (adj J Air bachique ; 
drink -lied. 

Bachot , (m) Veer-fchuitje (n). 

Bachotage, (n.) He( overzetten ^ 
overvaaren (n). 

Bachoteur , (ra) Veerman. 

Bacille , (m) Zte-fer.kcl , {een kruid). 

Bâclage, (m) Ilavcn-^tld; het re- 
guleeren der Schepen in een haven , (n). 

Bacier, (v. a.) Deur , vengjier of 
haven met een boom Jluitrn ; orde 
Jlellen op het in- en uitvaaren van 
Scheepen in een haven; une affaire 
bâclée , eene afgedaane zaak. 

Bacquet. {Zie Baquct). 

Baftréoles, (f. pi.; Snippers van 
bladgoud. 

Baciil, (m) Een Jïanrt-riem. 

Baculer, (y. a.) Met een knuppel 
fiaar.. 

Baculométrie . (f) Konf; om met. 
eenJJok hoogt ens , enz. te meet en. 

Ba- 



^ BAD. BAF. BAG. 

Badaud, aude, (m.&f.) Een b->t- 
ferik, dommerik f gaapjiok i les ba- 
dauds de Paris, û?f Paryfche gaapcrs. 

Badaudage , (m) Het rondomgaa- 
fen (n). 

Badauder, (v. n.) Heen en weer 
gaapen , Jïaan kyken als een gek. 

'Bz.à^nàeviQ, {f) Zotterny. 

Badaudi»me,(ra) Omozelbe id, gek- 
heid {{), 

Badelaire , ( f) ZiOfel , ( in Wa- 
penk.) 

Badigeon , (m) Mortel van Jteen- 
gruis , {Metzeliv.) 

Badigeonner, (v. a.) Met zooda- 
nig bejlryken. 

Badin, ne (adj.) Boertige korts- 
ivytig. 

Badin ,ne (m,& f.) Boerter , korts- 
ivylige. 

Badinage , (m) Klugt , fpotterny , 
iortsivyl (f). 

Badine, (f) Vuurtangetje (n). 

Badinement, (adv.) Op eene korts- 
'U'ylige zvyze. 

Badiner, (v. n. & a.) Boerten , 
gehfchoeren; zig kind'.^racbtig aanji el- 
len-, Jlii7geren , wippen , {van iets dat 
ha^gt). 

Badinerie , ( f) Gekkery , boerte- 
ry; kinderachtigheid. 

Bafouer, (v. a.) Iemand uitmaa- 
ken, bpfpGtten^ {gpm. u\) 

Bafr'e , (f) igeni. tv.) Gulzigheid. 
{Zie Gourmandife). 

Bâfrer , (v. a.) (gem. iv.) Gulzig 
e et en. 

Bafreur , (m) {Zie Gourmand). 

Bagage, (m) Reis-tuig (n) ; plier, 
trouffer bagage .,inpakken yweg gaan , 
bet baazenpad kiezen. 

Bagarre , (m) Oploop (m) , geraas 
van volé (n) , [gem. zv.) 

BagaTe , ( f) Hoer Jmots ^(gem. w.), 

Bagatelle, (f) Kleinigheid. 
y Bagaielles! ( interj.) Is 't anders 
niet ! ivf ? ! zveg ! 

Bagaude , (m) Landlooper ^(oudw.) 

Bagne , (m) Plaats daar men de 
Slaaven opfiuit (f'. 

Bagnolecce, (f) Een knif, muts 
fier vrouivcn d:e 't hahe aangfzigt 
hedAt. 

ra^ue , ( f) Ring } Stfpk-rng (m) ; 



BAG. BAH. BAT. 

courir la bague, wa^of^ ringjleek.ft; 
il s'en ert tiré bagues fauves , (ypr. 
%v.) hy is 'er heels buids ^ zonder f cbaa- 
de afgekomen. 

Baguenaude , ( f ) Zeker oud rym 
(n). 

Baguenauder, {v. n.) Kinder Jlree- 
ken begaan , {gem. iv.) 

Baguenaudier , (m) Een Lanter- 
fant; Ltnzen-boom. 

Baguer , (v. a.) De plooijen aan 
een kleed begten. 

Baguette, (f) Roedje, Jlokje (n)j 
fptts-roede (f); vuur-pyl-Jïok , laad- 
Jïok , fiamper j Dearivaarders ftaf', 
Trommel-jiok (m); pafTer par les ba- 
guettes , door de fpits-roên hopen ) 
commander à baguette, met magt 
beveeleny baguette divinatoire, w/- 
chel-roê. 

Baguier , (m) Rin^kajlje (n). 

Bahut, (m) Reis-kqfer{n),kiJI{e). 

Bahut er , (m) Koffer. maaker. 

Bai , baie, (adj.;Cheval hd.iteen 
karjïanje bruin Paerd ; bai clair , 
licht brui». ' 

Baie, (f) Bezie, heffe y baie de 
laurier, laurier bézie ; baie , een 
baay , bogt ( f ) > een open vak in een 
muur voor een deur of vengjier (n)j 
baie , b^driegcry , {dit laafjle een 
geni. IV.) 

Baier. {Zie Bayer). 

Baigner, (v. n.&a.) Baaden ; be^ 
fpoelen j cette rivière baigne les 
xïWLrs^die rivier befpoeld-, loopt ia^gs de 
muuren y fe baigner, (v.r.) zig ba'aden. 

Baigneur, eu fe (m. & f.) Baader, 
baadjlery bad-meejler. 

Baignoir , (m) BadJîoof{ f ) ; Baads 
plaats. 

Baignoire, (f) Bad^kuip (f), 
waf ch- vat (n). 

Baigu. {Zie Bégu) (ra). 

Bail , (m) Baux , (plur.) Gifi ^gaa^ 
ve; J^uur-cédeli ceel-, pacbt -brief -, 
bail d'amour , Huwelyks contraâ 
(n). 

Bail e , (m) De naam van den Ve- 
netiaanfcben Gezant te Conjlantwo- 
polen. 

Baille , ( f ) Balie , tobbe , {Scheept 
w.) 

Bâillement , (en) geeu^f^g { *')• 



BAI. 

Bâiller, (v. n.) Geewwf»-, bâil- 
ler après quelque chofe, ergens m 

baaken. 

Bâiller , (v. a.) Langen , aanrei- 
ken-, bâiller à ferme , verpagfen', il 
me l'a baillé belle, (fpr. «/.) hy 
heeft my lelyk opgezet y ivat fraays 
cp, de mouw gefpeld. 

Baillerefle , ( f ) Verpacbtjier. 

Eailiet, (adj.) Un Cheval baillet, 
»en vaal Paerd. 

Bailleul , Bailleur , (m) Een ber- 
Jîelder van verrekte leden. 

Bailleur, eufe (m. & f.) Gaapef , 
gaapjlok ', gaapjler. 

Bailleur , (m) l^erpacbter ; bailleur 
de caiïade , de bourdes , een bedrie- 
ger , die iemand wat wys maakt. 

Bailli , (m) Baljuw j i>chout , Jmpt- 
man, Drojfaard. 

Bailliage , (m) Baljuwfchap , 
Schout s-ampt (n). 

Baillive , (f) SchoutinKe , (beter 
femme de Bailli). 

Bâillon , (m) Bal, prop die de 
G aauw dieven iemand in mond Jiop- 
pen om niet te fchr eeuwen. 

Bâillonner j (v. a.) Den mondjlop-' 
pen. 

Bain , (m) Bad (n), bad-plaats , 
had-jîoof ( f ) ; prendre les bains ;, 
de baden gebruiken. 

Baïonnecte, (f) Spits en tweefny- 
dend mes (n) î bajonnet die men op 
een Jnophaan zet. 

Eajou , (m) De bovenjle plank van 
*t roei' van eenfchuit. 

Bajoue, (f) Kinnebaks bammetje 
(n). 

Bajoues, (f. pi.) Zy-flukken van 
$en glazrnmaakers looJtrrk':^ r. 

Ea:ram ,' (m) Een pejl by de Tur- 
ken (n). 

Baifemaîn , ( m ) Een eerbiedige 
handkus van een Vajfal aan fynen Leen- 
heer (f). 

Eairemaïns, (f. pi.) Groetenis,ge- 
biedems (f). 

Eai fendent , Cm) Kujfmg j voet -kus 
van den Paus ( f). 

BaiTer, (v. a) Zoenen <> kujfen-, je 
vous baife les mains, ik ben u die- 
fiaar% bai fer le verrou > de deur- 
grendtl kiijfen-, bedroejd îf^en gaan y 



BAI. BAL. 5« 

(Jl>r.w.) ; les ais fe baifent , de plan* 
kenjluiten dtgt aan malkander, 

Baifer , (m) Een kus 9 zoen, 

Baifeur , eafe (m. & f.) Kujfer, 
die gaerne kujl, 

Baifctter, (v. a') \{gem. w.) D/*- 
wils kujfen. 

BailTé, ée (adj.) Neergebogen, g&* 
bukt. 

Baiflement , (m) Bukking { f ). 

Baifler , (v. a.) Neêrbukken , but» 
gen', baifler les yeux, d'oogen neêf 
flaan', baifler le pavilUon, de vlag 
Jiryken j donner tête baiffée dans 
4m combat ,fioutmoedig , onvertzaagù 
IfS'f ^e'vegt ^aan. 

Baifler, (v.n.) La ririère baifle^ 
de rivier valt, ebt-, le jour baifle , 
de dag daald; fon efprit taifl"e,2yi» 
verjîand verzwakt. 

Se Baifller , (v. r.) Zig bukken, 

Baiflîer é , ( f ) Zinkfel , grondzop (n)* 

Bai fur e > (f) De iveèke zyde wm 
een brood. 

f al , (m) Het bal, dans-gezelfcbap 
■■ 

Balade i &c. {Zie Ballade). 

Balafre, (î) Sneê,Jcbram in V 
aangezi^f. 

Balafrer, (v. a.) Een fneede in *t 
aangezigt geven. 

Balai, (m) Een bezem-, c'efl: un 
balai neuf, nieuwe bezems vegen 
fchoon , {fpr. w. ) balai du ciel , 
{fpr.w. by Zee-l.) de noord-^ejie-wind., 

Balaier. (Zie Balayer). 

Balais, (adj.) Rubis balais, ^m 
bleek robyn. 

Balance, (f) Weegfchaal , fchaat -, 
waag', evenaar j être en balance, 
in twyffelagtigbeid zyn. 

Balancement , (m) Slingering , on- 
rujî, beweging. 

Balancer , (v. a.) Stir geren ^fchon- 
gelen , beivegen , in evenwigt houden - 
overwegen, wikk.vi; le gain balança 
la perte, de wirjl ïveegt de fcbade 
op; balancer une affaire, ee}7e zaak 
overwegen. 

Balancer, (v. n.) Tf^ankeleny on^ 
zeker yn. 

Ealancier , (m) Baîansmaaker^ 
Jlinger van (en- uvrwerk', onrufl van 
een braa.ifpif, 

«2. 



fS2 BAL. 

.. Balan^îrtes oa Valenclnes,(f. pi.) 

Toppfnan(s brajfen -, zeker touwcrk 
aan de tnaJJJiengen , raas van een Schip. 

Balançoire ou Brandilloire , (f) 
'Schofigel , fchopjhel. . 

Balandran , (m) Reis-rrgen-mantel ; 
duijierms , (by Poëten) {£). 

Bal an e , (m) De pappe bogt van 
een touiv (f). „ » ., 

Ballau OU left, (m) Ballafl van 
van een Schip (f)- 

Balaulle , (m) i^ilde granaat -hloe s- 
fem. 

Balaaftier , (ra) IVddc granaat- 
boom. 

-Balayer , (v. a.) Reegen met een 
hezetn. 

Balayeur, (tn) Feeger -, bezem- 
f}:aaker. 

Balaye-jfe, (f) Veeg fier. 

Balayures, (f. pi.) Uitvaagfel(n). 

Baibuciement , (m) Stamenng ( f). 

Balbutier, (v. n.) Stameren, be- 
zwaard fpreeeken. 

Balcon, (m) Uitjîek^ balkon (ni. 

Baldachin ou Baldaquin , (m) 
Hemel over het Sacrament of hoofd 
van den Paus. 

. Baleine, (f) Pm fFahifch (ra); 
Walvifch been , balein (n). 

Baleineau , (m) Jonge Wahifch. 

Bal er. {Z,e Baller). 

Balearille , (f) Een graadftok 
(m), (by Zeelieden). 

Balevre, (f) De onder lip; item 
(in Bouivk.) een uitjiekendef^eendie ge~ 
iyk gemaakt moet ix'orden. 

Balier. (ZïV Balayer). 

Baline, (f) Grofpak-Unnen (n). 

BaUre,i(f) Een baaken,'t zyton of 
éiergelyk. 

Balifer, (v. a) Een baaken zetten. 

Ealifeur , (m) Baakenmeejler. 

Bal i fier , (m) Zekere plant met 
Ireede bladeren .> vjaar v^ede de Wil- 
den de hutten bedekken. 

Balifte, (f) fié"» machine by de 
«uden om fieentn mede te iverpen. 

Baliyage, (m) ^ftekening der boo- 
jfien in een bofcb tot afkappen (f). 

Baliveau, (m) Jonge boom die 
tnen overlaat. 

Baliverner , (y, n.j Zotternyen 
vertillen^ 



bal; 

Balivernes, (f. pi.) Onnut geklasf 
(n), ktugties(t'. pL), * < 

Ballade, (f) Zekere rym van drie 
vaerzen die op dezelfde ivyze eindigen.. 

Balladin, ine (ra. & f.) Toneel- 
danfr, poetzenmaaker ; danjlcr, 

Balladoire, (f) Boeren-dam. 

Ba Ie, (f) Bal; kaatsbal; kogel; 
kramers mars (m) ; een baal goed ( f } j 
kaf van koom (n) ; ballen by Druk- 
kers (f); balie ramce, botit-ketting- 
^o^f/; rnarchandife de ba!le,y7p^- 
te waar; à vous la balle , ( /pr. av.) 
dat komt u toe ; 't is u beurt ; pren- 
dre Ja balie au bond, den bal in 't 
opjluiten te rug flaan^ pouffer bien 
une balle , een brJwelfJaan , kaatzen. 

Balier, (v. n.) Danzen , (oud w.) 

Ballet-, (rn) Dans van vermomde 
perzoonen. 

Balloire , ( f ) (in Scheepsb.) Scheer- 
gang ^ zetgang; lange houten om een 
.:chip na te bouwetK 

Ballon, (m)l^f'^i?2d-bal , kloot, bol,' 

Ballonnier, (ra) Bollen-maaker, 

Ballot, (m) Een baal (£). 

Baliotade, (f) Zekere fprong van 
een Paerd tujfchni twee fiylen. 

Ballotte, (f) Keur -bail et] e .i lot" 
balletje (n). 

Ballotter, (v. a.) Met hallen fpee- 
len, heen en weer hut zelen ; met balletjes 
zyne ftem in eenc verkiezinge geven ; 
b^iUo^ter une affaire , eene zaak be-- 
raad/lagen y ballotter quelcun , ;V- 
tnand herom pingeren ; voor de gek 
houden. 

Ballotin , (rn)Een jonge die teVe- 
netien de keurkogeltjes trekt. 

Bal on. (Zie Ballon)» 

Balourd , ourde (m. & f.) Een 
dom menfch , dommerik. 

Balfamiiie, (f) Balfamine -, (een-' 
plant). 

Balfamique , (adj.) Balfemagtig, 

Balfaraum , (m) Balfem-boom. 

Ballan. (Zie Balzan). 

Baluftrade , ( f) Hek ; balie voor 
een huis. 

Baluftre , (m) Scbei-flnk ef pylaar 
■van een hok, flot-plaat ; arm van 
Kerk-kroon. 

Baluftrer, (v.n.) Mtt een hek or 
puffen» 

Ei. 



BAL. BAM. BAN. 

Balzan, (a ;j.) Cheval balzan, 
J>aefJ m?t witte voeten. 

Balzane, ( f > (Vitte fpat aan 't 
: been van een PacrJ. 

Bambin , (ni) Kind dat nog de 
borji zuigd (n). 

Bamboe haie , (f) Landgezicht ^ 
{in Schitderk.) (n). 

Bamboches, (f. pi.) Levensgroot- 
te fprelpoppen ; Bamboes-riet . 

Bambou, (m) Bamboes y zeker dik 
en boog riet dat in de Indien iva(}. 

Ban , (m) Ban ; Landvoogd in Hoyu 
garycn; Rrchts-gebied; Gebod ; Huzv- 
lyks-voorjlell ingen (annonces) ; bal- 
lingfibap ; ban & arrière ban , op- 
bod van edele en onedele, die een Leen 
bezitten ; ban de moulin , moolen- 
divang-recbt. 

Bananier, (m) Bananen-boom, 

Banc , (m) Bat7k , zitbank j zand- 
bank , zandplaat (f). 

Bancelle, (f) Zitbankje (n). 

Binche , (f) Gladde en zachte 
Jieengrond ^ {zee w.) 

Bancloche , ( f) Allarm-kloh i item 
*t geraas daar meê. 

Bandage , (m) Zwachtel, omwind- 
zel ; yzer bejlag om raderen enz. 
breukband. 

Bandagifte, {m) Breukbandmaaker. 

Bande , ( f) Zwachtel om te be- 
winden -, y zere band-, Ut, fmal ge- 
zaagd hout ; bande du Nord , du 
Sud , Nooràer , Ziiider Jîreek ; met- 
tre un VailTeau à la bande, een 
Schip aan de eene zyde overhaalen , 
krengen j bande , gezelfcbap , meenig- 
te ; faire bande aparc , zig van men- 
fchen afzonderen.- 

Bandes, (f. pi.) Benden, oorlogs- 
leger- beir- krygs-benden. 

Bandé, ée (adj.) Gefpannen; item 
met Jlreepen ; {in fFàpenk.) 

Bandeau , (m) Band voor d'oogen 
of hoofd; ifem {in Bouwk,) lyjîwerk 
boven een deur. 

Bandelette , ( f ) Bandje , tyjlje (n). 

Bander , (v. a.) Binden , f panne n -, 
ophitzen ; bander une playe , een 
wond verbinden; bander les yeux, 
de oogen verblinden ; bander un arc , 
een boog fpannen ; bander un refTort, 
#pö veérfpannert} bander fon efpric, 



BAN. 67 

zyne gedachten infpannen ; bander 
une baile , een bal met de raket van- 
gen en in 't net werpen ; fe bander , 
(V- r.) tezamen ratten. 

Bander eau , (m) Een Trompet-lint 
(n). 

Banderole , (f) Scheeps -wimpel 
(m) ; kivajije aan een trompet (n). 

Bandiere, (f) Scheeps-vlag; (Pa- 
villon is beter). 

Bandins, {vQ.^\.)Tralie-'wsrk ach" ^ 
ter aan een Schip (n). 

Bandit , (m) Struik-roover. 

Bandoir, (ra) Span -rad van een 
weefgetouw (n). 

Bandoulier , (m) Land-looper^ 
Stritik-roover , f^ry-buiter. 

Bandoulière, (f) Schouder -riem 
(m). 

Banlieue, {Î) Omtrek (n), diftrift 
(n) van eenig plaats of gericht. 

Bannal , aie (adj.) Dat tot de 
Rechts-ban behoord; moulin bannal > 
dwang-moolen, 

Bannalité , ( f) Rechts-gebied (n). 

Banne , (f) Groote mande; zeil 
over een wagen , vaartuig of kraam % 
tegen regen of zon. 

Banneau , (m) Plat vaatwerk, om 
door Laji-dieren gedragen te worden 
(n). 

Bannée, (f) 7?^»^^/ van een Heer 
om zyne onderzaten te 1 dwingen op 
zyn moolen te laat en maaien. . -Ç -.^ 

Eanner, (v. a.) Met een zeil be^ 
dekken. 

Banneret , (m) Baander-Heer, 

Ban nette, (f) Een korf gebruikt 
voor Laji-dieren, 

Banneton , (ra) Een f^ifch-kaar. 

Banni, ie (adj. & fubft.) Geban- 
nen ; een gebannene , verjaagde , ver- 
wezene. 

Bannier, (m) Een cpentlyke uit- 
roeper. 

Bannière , (f) Een Vaan, ba- 
nier ,Seheepsvlag; bannière de con- 
feil , witte vlag op een Admiraals 
f chip; bannières, lappen die deSny- 
der te rug houd. 

Bûnnir, (v. a.) Bannen, verban- 
nen, veru-yzen; fe bannir de tous 
les plaifirs, xig van alle vern:aai 
çnttfoen. 



64 BAN.BAP.BAQ.BAR. 

Banniflable , (adj.) Die te verivy- 
zen is. 

BannilTement , (m) Verdryvmg, 
banning (£). ^ , , t 

Banque, (f) Bank y JViJfeUank , 
Geld-bank. 

Banque , (adj.) VaifTeau banque , 
ee\Schlp uitgeruj voor de Kabcljaaaw 
"jangfl. 

Banqueroute, (f) Faire banque- 
Touce , banqueroi t J'peehn ; faire ban- 
queroute à l'honneur, i^ eer vaar- 
ivel zeggen. ^ ^ r » o\ 

Banqueroutier , lere , (m. & r.; 
Sanauernrt-fpee/cfer-fpeeljfcr. 

Banquet , (m) Gajlmaal (n)} 
ixvord altcm van geejïelyke dingen ge- 
xfgt) ; item een gat in 't mondjiuk van 
een P aer den-gebit . 

Banqueter ,, (v. n.) Gajh-eeren, (be- 
ter fe régaler). 

Banquette, (f) Opgeworpen voet- 
$ad (n); optred aan eene borjiweering 
(in yeflingb.) ; zitting zonder leun. 

Banquier , (m) Een fViJfelaar', 
Hoofdfpeetder. 

Bans, (m. pi.) aflandig ing ; gebo- 
den van verloofde perzoonen. 

Banvin, (m) 't Recht van een Heer 
om zyn wyn alleen te verkoopen. 

Baptême , (m) De Doop,(iu dit , en 6 
volgende woorden word de p niet uit- 
gejprcken). 

Baptifé , ée (adj.) Gedoopt, 

Baptifer , (v.a.) Doopen; item een 
klok onder de R. gezinden nrivyen; ah 
meede een Matroos , die voor d'eerjle 
maal op zee komt., dompelen. 

Baptismal , aie (adj.) Dat tot den 
Doop behoord.' 

Baptifte , (m) Een Dooper. 

Baptiilere , (rn)Doop-plaats ; Doop- 
er él (f). 

Baptiftere, (adj.) Extrait baptis- 
tère , Doop-boek (n) , Doop-ceêl ( f). 

Baquet , {xn) Een tobbe , kalkbak 
{m)-} vlootje (n), 

Baqueter , (v. a.) Met een vlootje 
tiithoozen. 

Riquetures, (f. pi.) Lek-wyn. 

Bar , (m) Groote burrie , draagbaar ; 
item een barbeel, (in IVapenk.) 

Baragouin , (tn) IVantaal , onver- 
Jlaanbaare taal j ook de fpreekgr daar 
vatu 



BAR. 

Baragouiriage ,(m) Omerjïaaniaa^ 
re ivyze van JpreÀen, 

Baragouiner, ( v. n.) Tateziaa- 
len , koeter "jeaalen. 

Baragouineux , eufe (adj.& fuWl.) 
Onverjiaanbaar ; Tatewaaler. 

Baraque , (m) Soldaten-hut , baràk, 

Baraquer , (v. a.) fe baraquer 
(v. r.) JZig hutten, tenten bouwen. ^ 

Ba rat, (m) l^erbodene handel; ver - 
valfching , maskeering der waaren ,on~ 
dergejîooken waar , (in de Zeeh.) 

B'jratas, {m) Een foort van Rotten, 

Baratte , ( f ) Boter-karn. 

B«Tatter , (v. a.) IVaaren verval- 
fchen, veranderen; bedriegen, vryhutten. 

Baratter ie > ( f ) Bedriegery , ver' 
valfchinq der waaren, - ^ 

Baratteur, (m) Een bedrieger. 

Barbacane , (() Schiet- togt- iva~- 
ter-gat in een muur (n). 

Barbare , (zid].)Onbejchaafd, wreed i 
onmenfchelyk;grof;\}n peuple bai- 
bare , een wild , woeji volk ; un lan- 
gage barbare, een grove of vreemde 
fpraak. 

Barbare , (m) Een wreedaard. 

Barbarement , (adj.) IVreedclyk , 
woejïelyk. 

Barbarie , ( f ) Onmenfchelykb^id^ 
onbefchaafdheid. w 

Barbarifer ,(v.a.) Te gens de regels 
der Jpraah-kunde zondigen. ^■ 

Barbarisme, (m) Brabbehaal ('t).'. 

Barbe ,(w)Paerduit Ba-rbaryen (n).' « 

Barbe , ( ?} Baard; angels van koo- 
renaairen -, vcfelen , iiitrajfzel-yfchim- 
mei, uitJlagÇh la barbe de quelcun, 
in iemands aangezigt j rire dans fa 
barbe , (fpr. ^v.) in zyn vii\jl lachen ; 
faire Ia barbe , yj-^f^^jTM 5 la fainte 
barbe , de Konftape Is- kamer op een ^ 
Oorlog/chip ; barbs de renard , gom- 
me tragant; barbe de bouc, geitem 
baard , (zekere plant). 

Barbé, ée (^.à). ) Gebaard , (in Wa- 
penk.) 

BarbraU /m) Barbeel (vifch); blaau- 
we koornh/oein. 

Barbelé, «fe (adj.) Dat weérhaa- 
ken heeft; f.êcbe barbelée, een pyl 
met %veérhaaken. 

Barbe rie , ( f ) Het barbieren ,• 
(nieuw ik'-) 



/ / BAR; 

Barbe rot , (m) Slûgte Barbier , 
ifpot w.) 

fîarbes, (f. pi.) Puijîen onder de 
tong der Paerden. 

Barbet, (m) Gekrulde water-bond. 

Barbette , ( f ). Een Nonnen hals- 
- doek } teef van een ivater-hond 

Barbeyer , (v. n.) Les voiles bàr- 
beyent , de zeilen wapperen , (lingeren. 

Barbier, (ra) Barbier ,baardfcbeer- 
der. 

Earbieton, (m) Jonge water-hond. 

Barbillon , (m) Kleine Barbeel; kne- 
vels aan de mond der l^ijfchen. 

Barbon , (m) Een oude Gryzaard. 
. . Éarboniiage , (m) Het baard-werk 
(n). y 

Barbote, (f) Puit-aal (m). 

Barboter , (v. n. & a.) Slobberen 
gelyk de Eenden doen ; mompelen , 
brommen , binnens monds fpreeken , 
preutelen; item als barbeyer. 

Barboteur, (m) Een tamme Eend- 
vogel. 

Barbotine , ( f) Wormkrutd fn). 

Barbouillage , (m) Stegte fchildery , 
kladder y , mor Jf er y (f), 

barbouillé, ée (adj.) Geklad ^be- 
rr}orsd. 

Barbouiller , (v. ai) Bemorjfen , 
kladfchilderen; barbouiller le pa- 
pier , het papier bemorsen ; fe bar- 
bouiller yzyn góéde naam verkleinen; 
fe barbouiller l'efprit de quelque 
chofe , zyngeeji met iets onnuttigs be- 
zwaar en. 

Barbouilleur , (m) Bemorjfer , klad- 
der ; kladfchilder. 

Barbu, ue ("adj.) Gebaard. 

Barbue , ( f) Heyl-bot {een vifch ) ; 
item een plant of zetting met zyn 
n^ortel. 

Barbuquèt , (m) Een blaasje ofpuijl- 
ji> aan 't uiterjïe der lipptn (n). 

Bard , )m; (Zie Bar). 

Bardache, (m) Een fcbandjonge. 

Jïardane , ( f ) Klije , (een onkruid). 

Barde , ( f-) Borji harnas van een 
Paerd ( n ) ; fneede ^ofreep fpek (f). 

Bardé , ée (adj.) Befpek: ; uitgerufl. 

Bardeau , (m) Een Dekfpaan. 

Bardelle , ( f) ^en Boeren zad»i (n). 

Barder , (v. a ) Eén ^aerd karnai- 
Jchm; iefs bsfpfkken» 



BAR. 6$ 

Eardeur , (na) Burrie-drager , hand- 
langer. 

Bard is , (m) Zetgang van plank emp 
een S chip y dat 'er het water niet inloopt. 

Bardot , (m) Kleine muil-ezel. 

Barer, (v.n.) l^an 't fpoor raaken, 
(Jagcrs-w.y 

Baret , (ra) Het gefcbreeavf van een 
Olijant (n). 

Barguinagè , (m) Getalm (n). 

Barguigner, (v. a.) Talmen, din- 
gen , tandtrekken , tn 't koopen of 
doen van iets. . 

Barguigneur, eufe (m.& f.) Tal- 
mer y dmger , knihbelaar j talmjief y 
dingjier , knibbelaarfler. 

Baril , (ra) kaatje , tonnetje (n). 

Barillage , ( f) Klein Vaatwerk (r)),_ 

Barillar , (ta) Scheeps-bcttelier. 

Barillet, (m) Klein vaatje (n); 
trommel in een zak-uur-werk (m); 
pomp-buis (f). 

Bariolage , (m) Schildering met 
verfcbeide kou leur en (f). 

Bariolé ,ée(adj.) Bo^t gefchildérd. 

Baricler, (v. a.) Schilderen met 
verfcbeide kouleuren. 

Barique , ( f) Oxhóofd (n), (zie 
Barrique). 

Eàriquet, (m) Klein tonnetje, kin- 
netje (n), 

Barlong , gue (adj.) Lang-vierkant, 
on gelyk lang. 

Barnabites , (m. pi.) Bernahiter 
Monnikken. 

Baromètre, (m) Weêrç,las om de 
zwaarte der lucht te ontdekken (ri). 

Baron , (ra) Vryheer. 

Baronne, (f) Vryvrouw. 

Baronnet , (m) Kleine Vrybe^r. 

Earonnie , ( f) Vrye-heerlykhetd. 

Baroque , (adj.) Scheef; wonder- 
lyk, mislyk ; des perles baroques, 
fcheeve pa er l en. 

Èaroscope , (m) Weêrglas (n) , (zit 
Baroraetre;. 

Bar o t , (m) Balk onder het Scheepsdek. 

Baroté, ée (adj.) Votgefiuuwd tot 
het dek. 

Barotier, (m) Balk-legger. 

Barotin , (m) Kleine dwars-balk. 

Barque , ( f) Scheepje , Schuitje (n). 

Barqu erole , ( f) Sfbuit zonder maft 
l ( ^) Ligter (na). 

K Bar- 



66 BAR- 

Barquette, (f> Soort van gebak 
(n). 

Barrage, (m) Straat- brug- hek- 
ken-geld (n). 

Barrage r , (m) Tollenaar. 

Barras, ff) Pyn-boomen-harf} (m). 

Barre , ( f ) Staaf ; Jiang ; fn'it- 
toom-, roer-Jïok', zand-batik; Jlrpfp , 
fchrap , ondfr of door een gefcbrift ; 
barre d'arcafle , bek-balk(inöcheê'psb.) 
armes de ia barre, wildi> Zwyris- 
fiagtanden. 

Barré, ée (adj.) IngeJJooten , met 
een boom geBooren. 

Barreau , {m)Tzere-boom-fpyl ,prrs- 
fpil; vierfchaar , gericht s-hali e (f); 
terme de barreau , fladhuis woord. 
• Barrer , (v. a.) Sluiten , grende- 
len y betraliën ; eene reckening door- 
Jïryken'f vaatwerk met dwarsduigen 
voorzien. 

Barres, (f. pi.) Jauër aux bar- 
res, diefje fpeelen , (kwderfpel). 

Barretone , (f) Muts van den 
Grootmeefier van Maltha. 

Barrete, (f) Cardinaah hoea(m); 
f tem een muts^ calot (f). 

Barreur , (m) Een die cp dtn op' 
pas is , om bet wild op de jagt te 
Jhiiten, 

Barricade , ( f) Eenfïaghoom ,fchut- 
boom (lïi). 

Barricader, {v. a.) Met een boom 
Jkiiteny fe barricader dans une mai- 
fon , zig in een huis toe rammeyen. 

Barrier, (m) Pers-ktiegt. 

Barrière ', ( f) Slagboom j grens- 
paal; hinderpaal (n). 

Barril. (Zie Baril). 

Barrique, (f) Eeh Oxhoofi {n). 
{Zie Bariqae). 

Barrure j ( f) Divarsfpaanen aan 
ffK? Luit. 

Barroir, (m) Een zzvfkboor (n). 

Earfes, (f. pL) Clineefcbs thee- 
doozen. 

Bartavelle , (f) Een foort van 
roode l^eldhoen. 

Bas , balTe, (adj.) Laag;, nedrig^ 
zivak ; Ie b?.s bout d'une table , 
het laage einde van eerie tafel ; bas 
fond , ondiiptPy dfoitgte ,bratjding; 
la rivière eft baiTe , de rivier is 
laag ; ondiep ; moc baS , gemeen 



BAS. 

ivoord , flraat'taal ', ame baffe > taage 
geej}; bas or , argent, Jlegt goud, 
'zilver; voix bafle, zagt e Jïem; mes- 
Ce baiTe , Jlille mis ; naiflance bas- 
ié y geringe afkotnJl;les bas officiers, 
de onder off eieren ,zv oir la vue bas- 
fe , byziende zyn ; acheter à bas 
prix, goed koop koopen ; les eaux 
font baltes chea lui , daar is by 
hem niet veel ten bejïen (fpr. iv.) ; 
faire main bafTe, den vyand neer- 
zabelen. 

Bas , (ra) Het onderjïe (n) ; au bas 
de la lettre , aan' de voet van den 
brief; Ie haut & le bas, het onder- 
fie eti bet bovenjie ; het hooge en het laa- 
ge ; devoiemenc par haut & par bas, 
ontlajïin^ van boven en van onderen, i 

Bas , (adv.) Beneden , onder ; il a 
quatre chambres par en bas , hy 
heeft vier kamers beneden ; mettre bas 
les armes , de wapenen neerleggen; 
mettre bas , jongen werpen {van die- 
ren gez.) ; parler bas , zagtjes 
fpreeken; fa maladie l'a mis bien 
bas , zyne ziekte heeft hem zeer uit' 
geput , verzwakt ; jouer argent bas , 
om gereed geld fpeelen; il efl bien 
bas , het is f egt met hem gejleld; Ie 
vin eft bas, au bas, de wyn is op 
den bodem ■,]etter à bas , op de grond 
werpen ; il eft à bas , hy is 'er onder , 
in eenjïegte ft and; en bas, beneden, 
na beneden; ici bas, bier beneden y op 
deeze vuaereïd; par en bas, van on- 
deren , beneden heen ; d'en bas , van 
beneden; là bas, daar onder, daar 
beneden. 

Bas , (m) Kous ; des bas , koufjen ; 
bas au metier , geweven koujen^bets 
à €trîer,y7i,t offopkouffen; bas d'e- 
flame , fayette kouffen ; bas au tri- 
coD,-ou bas brochés , gebreid de kous- 
fen. 

Bafane, (f) Bezaan-teer (n). 

Ba fané, ée (adj.) Van de zon ver- 
brand ; les troupes bafanées , de 
f paan f eh? benden. 

Bas-bord . (m) Scheeps-bak-bocrd; 
een vlak Schip ; les bas-bords , de 
bak boor ds ga/ïen ; basbord , bevel 
vj'jo'^doni het roer na bak -boord te 
ivenden , (n). 

Bascule , ( f) Een ivlp , zwengel , 



BAS. 

hcom van een brug of put ; vang van 
een moolen ', fcbangel , hosplauk. 

Bas-de ffas , (m) Tweede discant , 
(in Muftcq). 

Bafe , ( f) Grondflag , voet ; grond- 
regel (m). 

Eas-fond , (ra) Ondiepte , bran- 
ding (f). 

Bas-fort, {m)Onderfle bolwerk {n). 

Baüglofle , (m) Spier die de tong 
neêrtrekt ( f ). 

Bafilic , fm) Ba/iticum {een kruid) 
(n); Baftliscus {eenSJange); item ze- 
ker i(o ponder gefchut. 

Bafilicon , (ra) Bafilkum , {tr(k- 
zalf{£). 

Eafilique, (f) Een groot gebouw 
(n) of Kerk (f). 

Eafilique, (adj.) Veine bafilique, 
Hoofd- of lever-ader. 

Bafin, (m) Bombazyn {een jïof). 

Basque , (m) iichoot van een ivam- 
hes -y courir comme un basque ,yî;ip/, 
als een biskayer loopen. 

Bas-relief, (m) Half verheven 
beeld-werk , bas-relief (n). 

Baff;: , (f) Crond-fiem , bas-, bas- 
Jifi ; item eene droogte in zee. 

Baffe-continue / ( f) De generaale 
bas. 

BaiTe-contre , ( f ) Te^en grond-Jfem» 

Bafle-cour , (f) l^oorplaats (f), 
voorplein , voorhof (n). 

Bafle-eau, (f) Ebbe{?), laag wa- 
ter (n). 

Baiïe lice , ( f ) Tapyt va^i wolle en 
zyde (n). 

Eafle licier, (m)Een wever daarvan, 

Baffement ,(adj.) Agir baffemenc , 
laag te werk gaan. 

BafTes , (f. pï.) Hooge Jleenachtige 
gronden , {zee w.) ■ 

BaflTvfle , (f) Laagheid-, nedrig- 
heid; geringe toeftand. 

BafTec , (m) Een Das-hondje. 

BaiTe taille, (f) Tenor -ft em , {in 
Mufuq). 

BaiTe taille, (f) (/« Beeldhouwk.) 
Half verheven werk. 

BalTette, (f) Baflet , beefi y {zeker 
Ka art [pel). 

BafTïere. {Zie Bainfiere). 

Baffin , (m) Een bekken (n) ;frhaal , 
kom (m)/, bad-kuip {ï)\ oyiderjleek- 



BAS. ÈAT, (5? 

bekken fn) ; Haven-kom (m) ; on l'a 
fait cracher dans Ie baflin ^ men 
beeft hem doen bloeden {fpr,w.)vex\r 
dre au baiïln , in het bekken verkoopen» 
Baflïne , (f) Groote kopere pan. 
Baflïné , ée (ad j,) Befprengd. 
Bafïïner , (v. n.) Met een bedpan 
warmen ; eene wonde zuiveren , be^ 
fprengen. 

Balllnet , (m) Pan van een fnap- 
haan { f) ; Jlormhoed', Haanen-voet^ 
(een kruid). 
• Bafifinoire , (f) Bedpan, 

Baflon , (m) Baffon , {fpeeltuig). 
. Ballant, ante (part. & adj.) 2o5- 
rykend, genoegzaam , 'gent. w,). 

Bafte , (m) Klaveren aas {in 't om- 
berfpel). 

Eafle , ( f) Stof y van bafl van hoo- 
rnen gemaakt. 

Bafte! (interj.) {gem. w.) Genoeg 
hier van ! 

Bafter, (v. n.) fp^el gegoed zyn^ 
£qs affaires baftent mal > zyne zaa- 
kenflaagen niet , {oud w.) 

Baflerne 9 ( f) Eén reis-draag-Jioel 
(m). 

Baftide , ( f) Lujlhuis op 't Land 
in Provence (n). . 

BaftiÜe, (f) Oüwerwets Slot met 
toorenen; een Stads gevangenhuts tn 
Parys aldus genaamt. 

làaA'ûlé yék {sidl.) Met toorenenvoor- 
zt^n , (/« JVoperik.) 

Baftingue , (f) Zeil-fcbans (f). 
Schans - kleed ( " ) > ^P ^^>^ Krygs- 
fch;p. 

Baftion ,(ra) Bolwerk (in VeJ}ingh.) 
(n); rainer un ballion , een bolwirk 
ondergraaven. 

Baftir , (v. a.) Een hoed met bever 
hair overtrekken. 

Baftonnable, (adj.) Die , of dat 
flaag verdiend. 

Baftonnade^ (f) Stoiftagen. 
Baflonner , (v. a. ) Aiet flokksn 
JJaau, ofrojfen. 

Bas-ventre, (m) Onderlyf {r). 
Bat , (m) Een pak-zade'l (n) -, vov.i 
ne favez point ou le bât me bier- 
fc , oy iieet niet waar tny ds fboesi 
wf-'ngt, (fpr. w.) 
E;u?!ge , (m) Tel cp Lajî-die^'pn. 
Bataille , ( f) l-^eUfag \f. ** <'n\; 5 
IL 2 ii- 



68 BAT- 

livrer bataille , Slag leeveren } 
champ de bataille. Slagveld. 
Batailler, (v. n.) Redén-tivifien, 

"Bataillon, (m) Een bataljon yklet- 
ne bende voetvolk. 

Bâtard, arde (adj.) Een bajîaard, 
onecht: kind. 

Bâtarde , ( f) ^eker groot gefcbut, 
item galey zeil (n) . 

Batardeau , (m) Een dam of pene 
heer in 't ivater. < 

Batanliere, (f) Een boomqueekery. 

Batardife , ( f ) Onegtheid. 

Bacé, ée (adj.) Un ane bâté, een 
gezadelde' j lajldragende Ezel. 

Batea'j , (m) Bateau marchand , 
de pêcheur, à eau, à rames, een 
rmrkt- vijfchers- water- of roei-fcbuit, 

Eatèlage, (m) Schutte -vragt- of 
huur ; poetzemaakery ( f }. 

Eatelée , ( f ) Een Sehutts-laJÎ. 

Bateler , (v. a.) l^àn een groot in 
f en klein Vaartuig laaden. 

Batelet, (m) Schuitje (n). 

Bateleur, eufe (m. & f.) Klugt- 
Jpeelder , hans-wo'jl > poetzen-maa- 
ker ; klugt-fpeeldjler. 

Batelier, (m) Schipper, Schuite- 
t'oerder. 

Eatême. &c. (^'e Baptême , enz.) 

Bâter, (V. a.) Zadelen , {van Laji- 
heejîen gezegd). 

Bâti , ie (adj.) Gebouwd. 

Bûtier , (ro) Draag-zadelmaaker. 

Batifoler, (v^n.^Stoeijen , malien , 
(geni. tv.) 

Bâtiment, (m) Een Schip-, eenGe- 
howw (n). 

Bâtir , (v. a.) Bouwen-^ bâtir à 
chanv: & à ciment , met kalken tras 
louiven; bâtir en l'air, bâtir des 
châteaux en Efvagne, kajleelen in 
del"chtkouiven (fpr. u>^) un homme 
bien ou mal bâti , een loel of kwa- 
lyk gemaakt man ; nous foromes 
ainfi bâti^ , ivy zyn niet anders. 

BatifTe , (f) De bouwing (f) , het 
houiveri (n). 

Batifleur,. (m) Bouwer , tiefbehher 
lan bouwen. 

Eatifte , (f) Kamerdoek (n). 

Eatiture d'airain , ( f) Splinters 
X'on koper. 



BAT. 

Bâton , (m) Stok rfîaf; bâton d* 
jauge , peil- of roeiftok ; bâton de Ja- 
cob , ou rayon aftronomique > 
graad-boog; bâton de cire d'Efpa- 
gne , een Jljkje , een pyp lak ; bâtoil 
de chdiiî'e , fport van een ftoel ; bâ-> 
ton de vieillefiTe , fiaf des ouder- 
doms; le bâton haut ou le bâton à 
la main, met magt , nadruk; je fuis 
alTuré de mon bâtoj;i , ik heb myne 
zaak vajï {fpr. vu.) dormir à bâtons 
rompus i ot2geruJî faapen ; le tour 
de bâton, by vallet je , buitenkansje. 

Batonné , ée (adj.) Geslaagen. 

Bâtonnée d'eau, (f) Een water- 
f lag met de pomp. 

Bâtonner , (v. a.) Bâtonner un 
article , Je pen door een artikel haa- 
ien. 

Bâtonnet , (m) Klein fiokje om me- 
de tefpeelen (n). 

Batonnier, (m) Staf dr aager, aan- 
voerder. 

Batrachite, (f) Steen die in het 
lighaam der Kikvorfchen gevonden 
word (m). 

Batrachomyomachie , (f) Stryd 
tuffchen de Kikvorfchen en de Rotten 
(m). 

Battage ^ (m) Het breeken der klui- 
ten in een akker (n). 

Battant , ante (adj.) Kloppende % 
fovtir tambour battant , met slaande 
trom uittrekken. 

Battant , (m) Kleepelvan een klok-, 
helft van een vouw-deur of vengper ; 
klopper van een deur. 

Battant l'œil , (m) Zeker kapfel 
der Juffers {Î). ■'■ 

Batte , (f) Straatmaakers fïam- 
per (in). 

Batte à beurre ,(f )A'ar«^^o^(m). 

Battée , ( f ) Een laag papier , zoo 
veel als een Boekbinder o^ eene reis 
klopt. 

Battement , ( m) de cœur 9 batt^[ 
klopping. 

Batterie, (f) Vechtery, gefchut' 
wal , (battery); batterie de cuifine ^ 
keuken-gereedfchap. 

Batteur, (m) Een die Slaat ,Slaa' 
ger; batteur de pavé, de chemin y 
Ledig-ganger 9 Straat-slyper ; bat- 
teurs en grange, JDcrf chers -, bat- 
teurs 



BAT. BAV. 

- leurs d'eftriide , 6ttoopers , Fry. 
butter s. 

Battoir, (m) Beuker y beukhamer^ 
klopper j boute ^legge j Bal - palbt 
of raket. 

Battologie , ( f ) Overtollige , onnoo- 
dige herhaaling van woorden , ( in 
Spraakk.) 

Battre , (v. a. & n.) Slaan , kloppen ; 
dorfchen ; battre quelcun dos &c 
ventre, iemand ter deegen afrojfen; 
battre le beurre, booter karnen -, 
battre une Ville , eene Stad b'efchie- 
ten ; battre la campagne , battre 
bien du païs , heromzwerven , item 
van zyn oogwit afgaan-, (fpr, w.) 
battre Ie payé , Jiraatslypen ; battre 
le tambour , Ia caifîe , de trommel 
roeren-, battre Teftrade , ou Ia cam- 
pagne , op kondfchap uitgaan; battre 
la diane, de reveille y/^a» > battre 
l'eau , hooi dorfchen-, verge effchen ar- 
beid doen; Ie cœur me bat, het 
bart klopt my ; Cheval qui bat à 
la main , Paerd dat met de kop rukt , 
battre des mains , met de banden 
klappen ; il ne bat plus que-d'une 
aile ) het wil met hem niet meer 
tukken; fe battre j s'entre battre j 
malkanderen Jlaan , vegten. 

Battu, ue (adj.) Gejlaagen; battu 
du vent , door den wind geteijîerd, a- 
voir les oreiiles battues de quel- 
que chofe ,ifts zonder ophouden h oo- 
ren; autant; vaut bien battu, que 
naal battu , een klap min of meer komt 
'er met op aan ; c4iemin battu , ge- 
baende of bet reed en lueg ; du ba ecu 
OU de rbr, de l'argent battu ^blad- 
goud , blad- zilver ; Ie battu paye 
l'amende , .d'onnozele moeten het ge- 
lai^ betaalen. 

Battue , ( f) Het kloppen der hos- 
Çchen (Jagers w.); vifch-leeger ; Jfuk 
afgefcheurd goud (n). 

Battures, (f. pi.) JHet dorfchen y 
dorfchloon (n) j brandingen tn zee. 

Bau , baux , (ra) Verdek - balk in 
f en Schip; bau de lof, voorjfe balk, 
bau de dalle , hek- of agterjl e-balk; 
faux baux, lajl-balken (zee-w.). 

Bavard , arde faaj & fubft.) Snap^ 
pende ; fnapper ; fnapfler. 
Bavarder , (v. n.) Klappenyfnappen, 



BAÜ.BAY.BAZ.BE.BEA 6g 

B.varderie, (f) lede> gefnap y ge* 
klap (i>). 

Bavardin , ine (m.. & f.) Eer. die 
veel fnaps heeft. 

Baubi, (m) Engetfche IVind-hondy 
die op hetfpooroefadig blaft. 

Baudj (m) fyind-hond van Barba- 
ryetï. 

Baudes, (f. p^l.) Zinkfieenen voov" 
netten. 

Baudet, (m) Ezel; plompert , bot- 
muil • fchraag om op te zaagcn ; 
bangkooi op een Schip. 

Baudouinage, (m) Befpringing der 

Bdudrier y (m) Leedere riem waar- 
in den deegen hangt. 

Baudruche ,(f Bereidde Offendarm 
voor Goudflaai^ers m). 

Baudufle , ( f)^Draai-tol (m). 

Bave , (f ) Kwyl, zever (n). 

Baver, (v- n.) Kwylen, zeveren. 

Bavette ,,T) Kwyi-doek.Jïabbe (m). 

Baveur, eufe (ra. & f.j Kwylder-, 
kwyljler. 

Baveufe , ( f) Kwab , {zekere Vifcb.) 

Baveux, eufe (adj.) Kwyl-achtig^ 
zeverend. 

Bauge , (f) RuJJplaats voor een 
wild Zwyn ( f) ; gehakt Jiroo en leem 
onder een gemengd , om meê tepleijU- 
ren (n). 

à Bauge , (adv.) Avoir tout à 
bange , alles in overvloed hebben. 

Baume , (m) Bnlzem ; balzem-boom, 

Bauraier, (mj Balzem-hoom. 

Bavoche , (f)'Slegte aft e eken ing, 

Bavoché, (adj.) S legt afget eekend. 

Bavocher, (v. a.) Slegt drukken, 
Jlegt afteekenen. 

Bavocbure , ( f) Slegte affchetzing, 

Bavolet, {m)Hulzel der j ange boe., 
rinnen omtrent Parys (n). 

Baux, (m. pi.) {Zie Bail). 
' Bau X , (m. pi .) Verdek-balken , knie- 
jukken in Scheepen. 

Baye , ( f) {Zie Baie). 

Bayer, (v.n.) Qaapen; bayer aux 
corneiIIes,yîaa« gaapen, (fpr. w.) 

Bayeur, eufe (m. & f.) Gaaper-, 
gaapfler. 

Bayonnette, (f) (Baïonnette is 
beter) Bajonnetl, die men »p een fnap^ 
haan zet, 

E 3 Bi'. 



*fO BEA. 

Bazoche ou Bafoche, (f) Onder 
Gerechtshof in Parys(n)i een kwmk- 
Jlaa, flreek(m). 

Bé , (m) Het blaeten der Schaapet2(n) 
Béant , ante {Ad].} G japende ; bdu- 
che béante, met openen monde. 

Béat , ace (m. & f.) i^en gewaan- 
de gelukzalige. 

Béarification, (f) Inw y ing onder 
hit getal der heiligen. 

Béatifié, ée (adj.) Hetltg of geluk- 
zalig verklaard. 

Bcatifier, (v. a.) Gelukzalig ver- 

klaart'v. , ^. ,, -c 

Eéatifiaue, (adj.) Vifion beatifi- 
qiie, het gelukzalig aanjchouwpn. 

Eéatilles, (f. pi) yiUerbande lek- 
hernyen die men in paf.eyen daè^. 
Béatitude , ( f) Gelukzaligheid. 
Beau, bel, belle, (adj.; Schoon, 
fraai., mooi., aartig ; beau temps, 
J7J0O» If m- -, le beau monde, le grand 
monde , ^f' grooten; un bel hom- 
me, une belle femroe, een fcboon 
tnan , eene fchoone vrouzv ; le beau 
fexe , de vrouifelyke kunne; ce n'eft 
pas du beau fiy lé , dat is niet fraay 
(elegant); trahir fous un beau fem- 
blanc d'amitié , ondcr denfchynyp.n 
Hjriendfchap verraaden ; beau jeu, 
beau retour , daar mm mei uitmeet^ 
vjord men meê ingemeeten (/pr.if.);beau 
début , een mooi begin-, cheval qui 
portp en beau lieu , een paerd dct 
zyn baofd %tel houd) faire beau, ou 
faire beau temps, moci xveér zyn; 
avoir beaa faire , te vcrgeeffJ) ur- 
heiden , doen; vous avez beau di- 
re, il n'en fera rien , al zegd gy 
fiog zoo veel, hy zal het niet doen-, 
manquer, échaper belle, gelukkig 
'ten gevaar ontfnappen-, une belle, 
een fchoon vrouw s-perznon ; tout beau, 
tout beau , {jsÀv:)zachtjeyis ; voila qui 
€ftbeau,d^^ is fraai', il fait beau fe 
promener, bet is mooi om te wan- 
dalen. ■ 

' ' Beau, (m) Het fchoone, het mooye, 
hei fraay e {w) . 

Leai»coup„ (adv.) Feel ; zeer; de 
beaucoup 5 veel meer; il .«'en faut 
'beaucoup,' het fcheeld veel; il efl 
i>las fiivar^t de baiicoup, hy is veel 
geleerder; il n'efl: pas à beaucoup 
près fi beau que . . . hy is in vtf 
re na zco fraoi Kki aîs . . » 



BEA. BEC. BED. BEE. &c. 

Beau-fils, (m) Schoon-zoon. 

Beau-frere y (m) Schoon-broedsr > 
Zwaager, 

Beauge, (f) (Zie Bauge). 

Be.-iu-pere , (m) Schoon-niader % 
Stiefvader. 

Beau-pré , (m) Boegfpriet) voile 
de beau-pré , fpriet-zeil. 

Beau-revoir, (m) Het bygen van 
een IVindhond op het fpoor (n). 

Beauté , ( f ) Schoonheid , fraaiheid. 
Bec, (m) Bek , fnavel ; fnuit (m) 5 > 
tuitje van een lamp {xi); mauvais 
bec , kwaade bek ; mo^n pauvre pe- 
tit bec, myn liefbekj*; bec de cor- 
bin , trekker of nyper { in heelk .) ; 
naad-haakje {in Scheepsh.); bec d'a- 
ne , kromme Jchiet-beitel ; fny-bunk ; 
bec de canne, kan beitel; tangetje 
.om koogels uit wonden te trekken ; te- 
nir le bec en l'eau à quelcun , ie- 
mand met iedele hoop ophouden ; bec 
aifilé, gladde bek; bec de lièvre, 
haazen - moud ; coup de bec, eett 
fnaauw , Jieek ; bec de plume, pen- 
nen fnavel; bec cornu, een dwaas; 
b;c jaune , geele fnavel; jong oner- 
vaaren leetUng; palier à quelcun la 
plume par le bec, iemand voor het 



lapje houden , wat om den mond fmee- 
ren; il a bec & ongle, hy heeft hair 
op zyn tanden, {fpr. w.) 

Becafigue , (m) Een Vyg-eiter ^ 
groentje {zeker l-^oogel). 

BecafTe , (f ) Sn.ppe (m). 

Eecaireau , (m) Jonge Snip. 

B-.calTme , ( f) Kleine Snip (m). 

Beccard, (f) Het wyfje van e. 
Zalm (n). 

Béche, (f) Spade,fchop{m). 

Eéchée , ( f) Een fcbop vol. 

Bêcher, (v. a.) Spaayen, fpitten. 

Béchu OU beccu, {àd].) Cebtki , 
gpfnaaveld. 

Becune , ( f ) Soort van Zwaardvis. 

Bedaine, (f) Dikke pens, hang- 
buik; e^n kaogel (m). 

B-ïdeau, (ra) Pedel, StafSraager 
op booge Schooien , Kerk-dienaar, 

B-deiin, (m) Boom-wolle. 

Bndon , (m) Kleine trom, hy een 
fluitje gebnf.kt ; dikpens. 

Bée,(3Gj.)Horte ouverte àgucu- 
1 1 e bé e , deur die wagen wyd open fi<^i' - » 

Béer. {Zie B'iyei). . 



BEG. BEI. BEL. 

Beffroi , (m) Klok-huis (n) ; fVacht- 
ef klokken-tooren ; alarm-klok. 

Bégaiement, (m) Stamtling (f). 

Bégayer, (v. a.) i>tameren , jia- 
, meten. 

Bègue, uë (adj.) Cheval bégu, 
Paerddat van bet 5 de jaar af teckend. 

Bègue, (adj.&fubit.) Stameleùd; 
Jlamelaar. 

Bégueule ,( f ) Zottinne, gaapjiok. 

Béguin , (m) Kinder-muts ( f;. 

Béguine, (f) Nonne; fchynheilige. 

Béjaune, (m) Jonge (^alk -, plomp- 
heid , bottigbeid ( f ). 

Beignet , (m) Pannekoek , zujler 
(m) , {zeker gebak). {Zie Bîgnet). 

Belamie, {£) Monnikken-rok (m). 

Bélandre, (m) Waartuig (n) aldus 
genaamd. 

Bêlant, ante (adj.) Blaetende. 

Belchite, (adj.) Laine belchite, 
wol van Schaapen , door een fpaanfcbe 
ram geteeld. 

Beiedin , (m) Gefponnene boom-wol- 
te{f). 

Bêlement , (m) Blaeting ( f). 

Bêler, (v. n.) Blaeten.. 

Belette , ( f ) Een ti^ezettje (n). 
' Belgicisme , (m) Nederlandjcbe 
fpreekwyze (f). 

Belgique, (adj.) Language belgi- 
que , mdetduitjchefpraak. 

Belier , (m) Een Ram (ra) 5 bet He- 
meh-teken Aries (n). 

Beliere , ( f) Kleepel-ring ; Kerk- 
kroon-ring. 

Belitr* , (m) Guit , fielt. 

BelliUre , (adj.) Scboonasbtig. . 

Belle-fiUe , (f) Schoondochtcr.l 

Bellement , ( adv. ) Langzaam 
(gem. iv.) marcher tont bellement, 
beel zachtjes gaan. 

Belle-mere , (f) Scboon-moeder. 

Beile-fœur , ( f) Halve zujier ; 
broeders-vrouw. 

Belligérant, ante (adj.) Les par- 
ties belligérances, t/l? oor/og voerettde 
partyen. 

Belliqueux , eafe (adj .) Strydbaar, 
dapper. 

Eelliffime, (adj.) Alkrfcboonjl 
{gem, iv.) 

Bellone, (f) Krygsgodimjs. 

Bellot , Qttç (adj.) M^nigzints 
fsboQfi* 



BEL. BEN. BEQ. 71 

1 Eélomancie , (fj ü^aarzeggtng 
I door pylcn. 

j Beloufe , (f) Balzakje aan êen 
t ruk taf el (n). 

Beloufer , (v. a.) In den balzak 
floot en. 

Se Beloufer, (v. r.) Zig bedriegen. 

Belveder ou belvedère , (m) />«/ƒ- 
plaats met eenjcboon gezicbt { f). 

Bénfdicité, (m) Gebed voor den 
eet en (n). 

Bénédiéke, (m) Zacbte purgatie 

(f). 

Bénédiftin, ine (m. & f.) Bene- 
diSiner Monnik; Nonne, 

Bénédittion, (f) Zegening; don- 
ner la bénédiaion à quelcun , ie- 
mand den zegen geeven, 

Bénédiaionnaire , (f) Een boek 
r.iet lofzangen» 

Bénéfice, (f) Nut , voordeel ; Ker^ 
kelyk ampt (n) ; bénéfice d'inven- 
taire , beneficie van inventaris , {ze- 
ker voorregt om een botdel te mogen 
aanvaarden , zonder in de fcbulden 
daar van gebonden te zyn). 

Bénéficiaire , (adj.) Erfgenaam on' 
der beneficie van inventaris. 

Bénéficiai , aie (adj.) Dctt tot een 
geejielyk ampt beboord. 

Bénéficier , (m) Geejielyk Ampte* 
naar, 

Bénêt, (m. & adj.) Een Slegt- 
hoofd. Jan Sul. 

Èénévole , {adj.) Genegen, gunjlig, 

Bénignement, (adv.) Gunpglyk. 

Bénignité , ( f ) Toegenegenheid. 

Bénin, bénigne, (adj.) Gunjlig, 
toegenegen. 

Béni, ie (adj.) Gezegend. 

Bénir, (v.a.) Zegenen; bénir une 
Eglife , eene Kerk inzvyden. 

Bénic, ite (adj.) Gezegend, gewyd ; 
eau bénite , wy-water. 

Bénitier, (m) WywJiter-vat. 

Béquée , ( f) Een bek vol; donner 
la béquée à un oifeau, een voget 
aazen. 

Béqué, ée (adj.) Met een fnavel^ 
{in JVapenk.) 

Béqueter, (v, a.) Pikken. 

Béquillard, (m) Een die mei eei» 
kruk gaat. 

Béquille , ( f) Kruk (m) , bouten- 
been (n). 

E 4 Bé^ 



7^ BER. 

Béquiller , (v. n.) Met kruiken 
gaan (fchimpiv). 

Béquiller, (v.a.) Een tuin-bed ligt 
omj'pitten, 

Béquillon , (m) Kleine fpitze aan 
bloem-bladeren j }onge Kalken fnavel. 

Bercail, (m) Schaaps - kooi y ttem 
kerk.gemeente { f). 

Berce , (f) Beerenklauiv , {zeker 
kruid). 

Berce, (m) Roodborjlje, (zeker vo- 
geltje (n). 

Berceau , (m) If^ieg ( f ) j gallery , 
wandel-laan in een tuin} dès le ber- 
ceau , van kindsheid af ; étouffer 
dans ie berceau , in de wieg fmoo- 
^ret3;en berceau, boogs-ivyze. 

BercelJes, (f. pl.> Emaljeer tan- 
^S^fi^ y (Py Goudfm.) 

Bercer, (v. a.) IViegeit ; iemand 
ephouden-, fe bercer de chimères, 
zig met herjfenfchimmen ophouden. 

Eerche, (f) Een Draai-bas , (ze- 
ker Gefchut). 

Bergame, (f) Bergaamfcb Tapyt. 

Bergamotce, (ï) Bergamot (een 
Peer) y bergamot-olie (m). 

Berge , (f) Steile waterkant ybers- 
je (vaartuig). 

Berger, ere (ra. & f.) Herder, 
herdertn j minnaar ; minnaares. 

Bergerette , (f) Een Joort van 
dunne wyn. 

Bergerie, (f) Scbaaps-kooi (f)-, 
fermer Ie loup dans la bergerie, 
de wolf by de fchaapen 'vertrouwen j 
(dat is), een wond h^ekn eer ze gezui- 
Vfrdis; hergeriQ , gemeente ^ 'kudde. 

Bergeries , (f. çh) Herders-dif.hten. 

Bergeronnette , ( f) Een Kwik- 
jiaert , (zeker vogeltje). 

Bergerot, otte (m.&f.) Herdert- 
je, herderinnetje (n). 

Berline , (O ^eker rytuig^van 
£prlyn gekoomen , aldus genaamd (n). 

Berlingot , (m) Soort van berlyn. 

Berlue , ( f) Oogenfchemering j avoir 
la berlue , ^ar^blind zyn-p onagtzaam 
zy», 

Berme , ( f) Een berm , voet van 
de wal. 

Bernable, (adj.) Die verdiend be- 
fpot te worden. 

Bernardin , ine (m, & f.) Ber- 
tardiwr Monnik; Nonne, * 



BER. BES. BET. 

Berne, (f) Opwipping in een de- 
ken; mettre le pavillon en berne > 
de vlag in een tfjouvn opjieeken. 

Berneraent , (m) Opwerpmg ; fop- 
ping, hoon. 

Berner , (v. a.) In eene deken op^ 
gooijen; bejpotten. 

Bernicle , ( gem. w. beteekenende 
rien) , niets. 

Berniquet, (m) Envoyer quelcun 
au berniquet , iemand te gronde doen 
gaan, (gem. w.) 

Béryl , (m) Beril peen, . 

Beface, (f) Knap~zak , hedel-zak; 
être reduit à la beface, tot den be- 
del zak y tot armoede gebragt zyn. 

Eefacier , (va) Bedelaar , (fpotw. ) 

Befaiguë ou befiguè' , ( f) Steek- 
byl; [^laazenmaakers hamer (va). 

Beficles, (f. pi.; Een bril; met- 
tez vos beficles , doed uwe oogt» 
klaar open. 

Eesnarde, (f) Slot dat van bui- 
ten en bintten open en Poe gedaan 
werd (n). 

Befoche, (f) Eene fpaade. 

Befogne, (f) fVerk (n) ,bezrgheid 
(f) ; achever fa befogne ,_zy« werk 
afdoen ; beaucoup de bruit & peu 
de befogne, veel gefchreeuw én wei- 
nig wol, veel praat en weinig werk y 
tailler de la befogne à quelcun , 
iemand moeite verfchaffm ; aimer 
fort la befogne faite , veel van ge- 
daan werk houden; avoir de la be- 
fogne , werk hebben ; befogne em- 
brasante, moeielyk werk. 

Befoin, (m) Nooddruft, noodwen- 
digheid ; avoir befcin d'argent, 
geld noodig hebben ; il eu. befoin > het 
is noodig ; connoître fes amis aii 
befoin , zyne vrienden in den nood 
kennen. 

Beflbn , enne (adj. & fubft.) Twee- 
ling, (oud w.) 

Beftial, aie (adj.) Beejïelyk, beejl- 
agtig. 

Bellialement , (advO Beejlagtiglyk. 

Beftialité , (f) BeeJJagtigheid , on- 
natuurlykbeid. 

Befliaux, (m. pi.) Hoorn-vee (n), 
Runderen. 

Befliole, (f) Diertje, beefije (n). 

Be^lion , (m) Leeuw > fnavel aan 
*t gêljQm van ee» Sóhip, ^ 

BZ- 



pET.BEÜ.BEV.BEY.&c. 

Bétail , (n') Ht( Fee (n). 

Béte, (f) Etn beeii-y béte à cor- 
nes, hoorn- beej}; béte de fomme , 
Iajl-Jier\ béte fauvage, wild dier y 
remüi.cer fur fa béte , zyn fchade 
weer inhalen ; béte , etn- tee,i . gek ; 
zottin; faite ja 'éce , den bce:'- pee- 
In. , hét ' épaulée , een ongetrouivd 
bei'w >yige-J meisje ; c'elh i nc bonne 
bete , dat is een doortrapu knaap. 

Bécel, (m) Zekere plant die d' In- 
dianen geduurig kauwûn, 

Bécile, (m) Plompheid, domheid. 

Betoine , (f) Betonie , {zeker 
kruid). 

Becte, (f) Beet (eeu kruid). 

Betterave , ( f) Beet-%uortel , kroot > 
Tiez, de betterave > kroot-mus. 

Beuglement , (m) Loeijing ( f) , 
gebulk (n) , -jan Rundvee. 

Beugler^ (v. n.) Loeijen, bulken. 

Beurre, (ra) Boter (f) du beur- 
re frais, de mai, fort, fondu, 
verfche ^gras ^Jierke, gefmoltene boter. 

Beurré , (m) Zekere franfche peer 
vQn een aangenaame fmaak. 

Beurré, ée (adj.) Geboterd. 

Beurrée , ( f ) Een boter-ham. 

Beurrer , (v. a.) Boteren , Jlooven , 
Jmeeren met boter» 

Beurrier, iere {m. & f.) Boter- 
verkooper-, verkoopjïer. 

Beurriere , (m) Boter-pot (m)^ 

Bévue, (f) Misfla^ , feil (m). 

Bey , (m) Turkjch "woord , beteeke- 
ner.de Heer , Stad- of Landvoogd. 

Bezan , (m) Goude of zilvere pen- 
'ving in een l^^apenfchild. 

Bezoart ,(m) Bezoar-JJeen , croeien- 
de in de maag van zekere dieren. 

Bia , (m) Schelp, voor geld dienen- 
de in Indien. 

Biais ,(ra) Schuinte , dwarsheid (f); 
je m'y prendrai d'un autre biais, 
ik zil het anders aangrypeny met- 
tre une chofe de biais, iets fchuins 
aanli'ggen ; je ne vois qu'un biais 
pou/ y réunîr,;it zie maar een mid- 
del om 'er in te Jlaagen; vous avez 
pris le bon biais, gy hebt het rég- 
ie middel aangevat. 

De biais, (adv.) Schuins, dwars. 

Biaifement, (ra) Wyffeling , draai- 
ji»gi helling van een Schip (f), 



BIA. BIB. BIC. BID BIE. 75 

Biaifer , (v. n. & di.) Schuins gaan{; 
wyffelen , niet vaji in zyne fc7;oenen 
Jlaan. 

Biaris , (m) IValvifch met tanden. 

Biberon , onne (ra. & f.) Dronk' 
aard; zuipjler. 

Bible , ( f) Bybel (mT, het oude en 
nieuwe Verbond, of Tejiament (n). 

Bibliographe , (ra) Kenner der 
oude fchrijttn. 

Bibliographie , (f) Kennis van 
oude Schriften; konjï om naamlyfien 
van boekeryën op te fielten. 

Bibliographique , (adj.) Schrift^ 
kundig. 

Bibliomane, (m) Een groote lief- 
hebber vcia boeken. 

Bibliomanie, (f) -Zucht, luji top 
boeken. 

Bibliophile , (m) Boek-beminnaar. 

Bibliothécaire, (m; Boek bewaar^ 
der. 

Bibliothèque , l f) Boeker y è', zaai 
die vol boekn ts. 

Bibus, un Pcëte de bibus , een 
kreupele , armhar tige Poëet , (ironie). 

Biceps, (f) Elleboog fpieren, {in 
Omleecik). 

Biche, (f) Hinde, 't wyfje van 
een Hert. 

Bichenage öu bichetage , (m) 
Markt^geld van koorn. 

Bichet , (m) hen f chef el in Bout' 
goniën, {zekere kocrn-maat). 

Bichon, onne (m. & f.) Schoot- 
hondje , Jpaans-hondj e (n). 

Bicoq , (m) De ^de voet onder een 
Timmermans bok , waar mede zwaare 
lajfen opgetild worden. 

Bicoque, (f) Klem JJeedje (n), 
of wooning ( f). 

Bicqueter , (v. n.) Jonge werpen^ 
(van Geiten gezegd). 

Bicornis , (m) Spier in de hand. 

Bidet , {m) Klepper (ra)- Tslandfck 
Paerdje (n). 

Bidon , (ra) Houte bier-hut of flap 
voor een bak , (fcheepsw.) 

Bien , (ra) Goed , erfgoed (n) j Ie 
fouverain bien, het opperjïe good^ 
biens meubles & immeubles, roe- 
rende en onroerende goederen ; Ie bien 
public, het gemeene beft; faire da 
bien , goed doen; ne parier de per- 

^ 5 fonact 



74 BIE. 

foiine'ni en bien, ni en mal^rncb 
^oed ncch quaad van iemand fpree- 
ken; gens de bien , vroome lieden ^ 
nul bien fans peine , geen roos zon- 
der doornen', les biens de la terre, 
bet veldgewas 'y biens d'Eglifej^É'^f- 
telyke goedeiren ; bien vous faflTe , ivel 
moet hst u bekoonipn. 

'&ien, {a,àw.)lVel^goed;zecr;hitn 
autrement , gant/eh anders -, eh bien i 
«•■?/ aanl fort bien , zeer wel} aufll 
bien que vous, 200 wel als ^yjaufli 
grand que lui , zoo groo al s by;eh 
bien que cela foit , wel laat dat 
2>«j quand on eft bien on s'y doit 
tenir » daar men wel is moet men 
blyven. 

Bien aîmé, ée (adj.) Welbemind. 

Bien-dire, (ra) ff^elbefpraakibeid , 
welfprekendbeid ■( f). 

Bien-être , (ra) IVelJland. 

Bïenfafteur, bienfadrice , (m. & 
f.) Weldoeuder ; weldoenjlcr. 

BienfaiTance , ( f) WeLioemng. 

Bienfaifant , ante (adj,) Wel- 
doende. 

Bienfait, te (adj.) Welgemaakt. 

Bienfait, (m) Weldaad. 

Bienfaiteur. (-^/VBientafteur). 

Bienheureux , euie (adj.) Welge- 
lukzalig. 

Bienheureux , (m) Een gelukza- 

Bien-Ioin , rconj.) bien-loin de 
Ie croire , wel verre van b^t te ge- 
loù-jeij. , 

BiendÇe, (conj.) bien que l'on 
me dire , j'cboon men my z/gge. 
^-Bl^ienféamment , (advO Weljiaan- 
/delyk. 
J Bignféance , (f) Gevoeglykheid',]a. 
^~\bienféance demande cela , de be- 
faamelykbeid vorderd zulks. 
/ Bjenféant ,ante (adj.) Weljlaande. 
\ Bien-tenant ,ajite (m. &f. )£■«?« ^/^ 
een anders goed bezit. 
/^ (Bientôt, (adv.) Haajl , ras. 

, [Bienveillance, (f) Genegevbeid y 
gifnjl. ^ / 

' Bienveillant , ante (adj.) /GÉ';2^_^f«. 
(Bienvenue , ( f) Welkomp. 
ƒ Bienvenu , ue (adj.) Soyez le 
lîenvenu , zyt weÙekoom.] f 
kBierre , (f) Bier (n) j J^ood-haar; 
■'d-kiji. 
Hcyre , (m) Een bever , ayloor. 



BIF. BIG. BLJ. 

Biez , (m) Water-leiding na een 
moolen. 

Biffé , ée (adj.) Doorfcbrapt. 

Biffer , (y. a.) Doorfcbrappen. 

Biffurcation , ( f) Plaats daar een 
tak zig in tweè'n verfpreid. 

Bigame , (m) Een die twee vrou- 
wen ïe gelyk heeft , of voor de twee" 
de maal trouwd. 

Bigamie , ( f ) Huwelyk met twee 
vrouwen te gelyk (n). 

Bigarade, (f) Groot e citroen (tn). 

Bigarré, ée (adj.) Bont ^ gefprik- 
keld', compagnie bigarrée, gezel- 
fcbap van allerlei onvoeglyke men- 
fchen. 

Bigarreau > ( m ) Spaanfcbe Kers, 

Bigarrer, (v. a.) BefpikkeleUfbonP 
maaken. 

Bigarrure, (f) Bont-werk ^ bont- 
fcbilder-werk \n) ; la bigarrure de 
ce chapitre vous plaira , de veran- 
dering in dit hoofdjiuk te vinden zal u 
bekaagen. 

Bigle , fadj. & fubfl.) Scheel; een 
fcheele ; een Engelfche Jagt-hond om 
Haazen en Konynen te vangen. 

Bigler, (v, n.) Scheel zten. 

Bigne , ( f) Buil (ra) , bultje (n). 

Bignet, (m) Pannekoek, 

Bigorne, (f) Een Smids fpeer- 
baak (m)> aambeeld met twee arvien 
(n). 

Bigorneau , (m) Kleine fpeer-haak» 

Bigorner ,(v.a.) /(?;5 op een f peer- ., 
haak ronden , omklappen. > 

Bigot , te ('tdi. <Sc fubfi.) Schy>i- 
heilig, hy gelovig; eên fcbynbeilige ; 
een kiveezel. 

Bigot , (m) Een Slee , (zeker hout 
met gaten om touwen door te Jïeekai^ 
dienende tot het rak ep een Schip). 

Bigotelle ou bigotere , (f ) üTw^-- 
V el-band y knevft-bqrjîel (m). 

Bigoter , (v. a.) Den huichelaar 
Jpeeleiif (ger/t, w.) 

Bigotene , (f) Huichelarye. 

Bigotisrae, (m) By^eloof{ïi). 

Bigue, (f) Geinbaik om een Schip 
te kielen (m). 

Biguer, (v. a.) Tuifcben, verruilen, 

Bigues, (f. pi.) Stutten , gebruikt 
in 't kielt n. 

Bi jon, (m) Zekere foort van Ter- 
pent y n. 

Bijou j 



A 



BTJ. BIL. 

Bijou , (m) Juiveel (i ïf , kleinodie , 
'fraaiheid (f). 

Bijoutier . {m) Juwelier , Koopman 
iujuweelen ; verzaamelaar vanpaai- 
heden. 

Bil, (m) Bil, ylUe in Engeland. 

Bilan * (m) Staat eens Koopmans 
van onpfang jen uitgaaf ^ balance. 

Bilboquet, (m) l^angctfje (n) {kin- 
der fpeeituiz)} een verguld quaji. 

Bile , {^) De gal ; granfchap j mo- 
dérer la bile , de gal matigen; bile 
noire, zzvarte gal. 

Biliaire , (adj.) Vaifleaux biliai- 
res , gal vaatjes (in Ontleed-k.) 

Bilieux, eufe (adj.) Galagtig ',nn 
bilieux , een oploopend menfch. 

Billard, (m) Truktafel (i); truk- 
fpel (n); trukjlok (m). 

Billarder, (v. n.) Z^yn trukbal twee 
maal aanjiooten. 

Bille, (f) Trukbal ', palfjiok i bind 
knuppel voor f^oerlieden {va); beloü- 
fer une bille, é-f» bal inde zak fpee- 
len j doubler la bille , de bal vol 
aanjiooten; faire fauter la bille, de 
bal- u itfootefi. 

Billebarrer , (v. a.) Een kleed ka- 
kelbont maaken, {gem. w.) 

Billebaude, (f) IVan-orden; à Ia 
billebaude,m verwerring , (gem.w.) 

Biller , (v. a.) Met een Jiok pak- 
ken; trek-paerden de lyn aatifaan. 

Billet, (m) Ceeltje, briefje, hand- 
fchrift y Soldaaten quartier biljet {n); 
ËiacMüt {Î); billet de fanté , ge- 
zondheids pas ; billet doux, minne- 
brief; je lui ai pr^té cinq cent 
francs , dont il ra'a fait fon billet, 
ik beb hem vyf honderd guldens ge- 
leend, waar van hy my een briefje on- 
der de hand gege even heeft; billet de 
Loterie, de ^change, een Lotery- 
een 'iv:Jfel -brief je; billet blanc, een 
niet ; tirer au billet , looten ; billet 
pour entrer dans la Comédie ,/oof- 
je om in de Schouwburg te gaan. 
. Billeté,tée (adj.) Gemerkt, ge- 
nommerd; met blokjes bezaaid y {in 
U^apeuk.) 

Billeter, (m) Merker der waa- 
ren. 

Billette,(f) Teeken aan een Tol- 
^is tot waarfibouwiifg dat men daar 



BIL.BIM.BIN.BIO.&c. 75. 

vertollen moet ; zilver vierkant blok- 
je , {in If^apehk.) (n). 

Billevcfée, {ï) Zotte inbeelding ^ 
inval , iedele waan. 

B'üloïï , {m) l^ervalfcht , qtiaad f of 
afgezet geld (n). 

Billonnage , (ra) Kwaad, bedreeven 
met het opwijjelen van ongangbaar 
geld (n). 

Billonner, (7. a.) Ongangbaar 
geld opwiffelen en uiigeeven ; Jlegte 
munt Jlaan. 

Billonneur , {va) Uitgeever van 
jlegte munt { f). 

Billot , ( ni ) Een blok ; blok val; 
fJult-Jlukje (in Scheeps-b.) ; billot de 
nrieia! , mctaale klomp. 

Bimauve,(f) Soort van zigtmaar- 
kruid {in Kruidk.). 

Eimbelot , (m) Kinder fpeelgoed (n). 

Bimbelotier, (m) Poppegced-maa* 
ker. 

Binaire, (adj.) Tweevoudig ; nom' 
bre binaire, tweeleedig getal; me- 
fure binaire, zang-maat die in twee 
tyden gejlaagen word. 

Binard , (m) Een ivagen met vier 
wielen , dienende tot het vervoeren 
van zwaar e lajïen. 

Biné , ée (adj ) f^oor de tweede 
maal omgefpit. 

Binément, (m) Tweede omfpittine 

(f). 

Biner , (v. a.) Een ^4kker voor de 
tweede maal omfpitten; twee nuffen 
op een dag doen. 

Binet , (m) Eenprofytertje , om end- 
jes kaars op te zetten ; een endje kaars 

Bini, (m) Monnik die eenen meede- 
broeder moet verzeilen. 

Binocle, {m) ^errekyker voor beide 
de oogen. 

Binoculaire , (adj.) Aftroscope 
binoculaire , dubbelde i^errekyker 
voor de S terrekykers. 

Biographe , (m) Levens-b efcbry 
ver , {zelden gebruikt) 

Bipédai, aie (adj.) Dcit twee voc5 
lang is. 

Bipède, (adj ) Twee-veetig. 

Bipenne , ( f; jimazoonfche firyd^ 
byl (ra). 

Biq,ue , (f) Een Geit {beter Cheyre), 



75 BIQ. BIR. BIS. 

Biquet , (rn) Een goud-fchaaltje (r). 
Biqueter, [w.zl..) Daormeede wee- 
gen. 

Bi ramb rot , (m) {hoUandfcb w.) 
Bie'T en brood (n). 

Bire , ( f) Soort van Fifch-fuik. 
Birette , (f) Muts die de jonge Je- 
fui ten draagen. 

Birloir ,(m) Iets dat bet dekzelvan 
een kijl , open zyniie , ophoud. 

Bis, ife (ady) Bruin, zivart; pain 
bis , zwart , of roggen - brood. 

Bis, (m) Repeteer-teeken , (in Mu- 
ziek). 

Bi Page , (m) Verver-jiting ( f) . 

Bifaïeul, (m) Qver-groot-vader. 

Bifaïeule , ( f) Ov er-groot-moeder. 

Bisbille -, ( f; Twiji , kyffagie , 
{gem. w.). 

Bis-blanc, (adj.) Da pain bis- 
blanc , brood van fyn en grof meel. 

Biscapit j(cn) (inRentek,) Een zaak 
Z maal in tekening gebragt.. 

Biscornu, ue (adj.) Bacimentbis- 
cornn , mismaakt geboutv ; du pain 
biscornu , fcheef gebakken brood. 

Biscocin, (ra) Zuiker-knekje. 

Biscuit , (m) Tweebak , befchuit ; 
valfche verf; s'embarquer fans bis- 
cuit , zonder noodige middelen iets on- 
derneemen. 

Bife , ( f) Noorde wind (m) ; fluk- 
je brood dat men de Schoolkinderen mee 
geeft (n). 

Biieau, (m) Schutn gejlepen rand 
van een fpiegel ; rug van een mes; 
rand van een ring-kas ; Zetters fpaan 
(m) ; fchaaf-yzer ; orgel-pyp-dekzel 
(n)ï ^y^^ *'^'^ ^^' brood alwaar geen 
korjl is. 

Bifeigle, (f) Schoenmaakers Ui- 
hout. 

Bifer, (v. a.) Bruin worden y (van 
koorn gezegd). 

Bifet, imi Hout-duif, wilde duif; 
^ruin brood (n). 

Bifecte, (f) Geringe kant, boere 
tant. 

Bifeur, (m) Zwart-verwer . 

Bisraut, fm) IVismutb (mineraal). 

Bifon, (m) Wilde Os; buffet (in 
Jf^apenk.). 

Bisquains, (m) Bereidde Schaaps- 
Vilten met de wol 'er op. 



BIS, BIT. BIV. BI^, . 

Bisque, (£) Kragtiga foppe-, 1$ 
voor uit in 't bal fpel, 

Biffac, (m) Knap-zak, bédsLzak; 
réduire au biflac, tot den bêdeUzak 
bremzen. 

Bilfe , ( f) Slange (m Wapenk.), 

BilTêtre , (nj) Ongeluk (n) , (gem, w.) 

Eiflexte , (ra) Schrikkel-dag. 

Biflextil , ile (adj.) Année biflex- 
tile , fchrikkel-jaar, 

Biftoquet , (m) Kleine billard-Jïok, 

Biftorte , ( f) .ddder-tong , ( eea 
kruid). 

Biftortier , (m) Houte vyzet-Jlam- 
per. 

Eiüouri, (m) Incijle-mes , (by 
IVondh.) 

Biftourner5(v. a.) Een Paerd rui- 
nen, met de ballen te vtrdraaijen. 

Biftre , (m) Roet-zwart , (verfjïof), 

Eifulque, (adj.) Gefpleeten y (by 
Natuur k.) 

Bicord , (m)Schiemans gaar en van 
2 draad, voor de wevelingen van een 
Schip (n). 

Bitte, bittes," (f) Beeting, waar 
aan de kabel vajl gemaakt wqrd. 

Bitter, (v. a.) Bitter un cable, 
een kabel aan de beeting vajl maaken. 

Bitton , (m) Beeting ( f) , kruishout 
op een galey (n). 

BittonnieresoaAnguilleres,(f.pl.) 
Lokgaten op een Schip, waar door 
het water naar de pomp geleid wórd» 

Bitume , (m) Jooden-lym ( f). 
• Bitumineux, eufe (adj.) Lym- 
ogtig. 

Bivalve, (adj.) Dat met twee klap- 
deuren ; of een dubbelde fchille is. 

Biventer (m) Spier der onderjie 
kinnebak (f). 

Biviaire, (adj.) Place biviaire, 
plaats daar twee wegen t'zamen ko" 
men. ^ 

Bi voie , ( f) Weg die zig. in tweën 
verfpreid. 

Bivouac. (Zie Bihouac). 

Bizard , (m) Bonte verf der tulpen» 

Bizarre , (adj.) Wonderlyk ,mtslyk, 
eigenzinnig , koppig. 

Bizarre , (m) Eigenzinnig menfch, 

Bizarreni'ent , (adv.) Wonderlyk , 
gekkelyk. 

Biaarrerig , ( f) Misïykbeid, eigen-' 
zinnig- 



BIZ. BLA. 

zmnjgheïd', ccac hiftoire ne plak 
que par fa bizarrerie , die gefchiede- 
nis behaagd a lie f n door des zelfs Vi r- 
fchcidfnbeid. 

JBize {Zie Bife;. 

Blafard, arde (adj.) {oud en gem. 
IV.) Bleek , flets f verjcbooten. 

Blaireau. {Zie Bléreau). 

Blairie , ( f) Drift-geld > om op een 
weide te laaten graazen. 

Blâmable, (adj.) Strafbaar , b e- 
rifpplyk, wraakbaar. 

Blâme , (m) Lajler , fchande jfchutd 
(f); encourir le blâme ,J'cbahde be- 
haalen ; en porter Ie blâine , de 
fchtild 'er van draagen. 

Blâmer , (v. a.) Lajïeren, verwy- 
ten; blâmer un compte, {in Rech- 
ten) eene rekening wraaken , tegen- 
fpreeken. 

Bianc , blanche , (a ij.) îVit^^grys^ 
zuiver , da fer blanc ^blik; dU pain 
blanc , ivit brood ; bierre blan- 
che , wit bter i cheveux blancs, 
gryi hatr-y billet blanc, een ledig 
briefje ^ een niet', argent blanc , zil- 
ver gelde 

Blanc, (m) Het witte (n); aller 
du bianc au noir, van den hak op 
den tak f pr ing en {fpr. w ) j tirer au 
blanc, na het wit fchieten ; blanc 
d'ceuf, het wit van een ei; livre 
en biznc ^ongebonden boek ; en blanc, 
onbefchreeven ; dire une chofe de 
bfet en blanc ,iets onbezonnen zeggen. 

Blanche. {Zie Blaac). 

Bianc -bec, (m) Onervaren Jonge- 
Jing. 

Blanchai He , {]£ ) Uitfchot van vifchy 
klein grut (n). 

Blanchâtre , (adj.) Witagttg. 

Blanche, (f) Halve Muziek-noot. 

B.'anchement, (adv.) Reinlyk, zin- 
velyk in Linnengoed. 

Blanclierie, (f) Linnen of wafch- 
hleekery; vertin of blik-hutte. 

BIanchet,(m) Jf^itte doorzy g-doek ., 
Pers-doek {in de Drukkery) (m) , wit 
kamizool (n). 

Blancheur, (f) tVitheU. 

Blanchiment , (m) Het hleeken', 
Vertinnen enz. (n). 

Blanchir , (v. 3.) Wttten, wit 
gpaaken-, blanchir de 1'argent, zil- 



BLA. BLE. 77 

ver wit kooken; blanchir, (v. n.) 
grys zvoriïen ; la mer blanchir (mou- 
tonne) , de zee fchuimt wit; toutes 
mes peines ne font que blanchir, 
aile myne moeite is vrugteloos. 

Blanc biffage, (m) Eleekmge (f), 
wafchloon (n). 

Blanchiffcrie , ( f ) Bteekery, 
wafch-huis. 

Blanchiffeur , eufe (ro. & f.-; Blee- 
ker ; bleekjîer. 

Blanc-manger , (m) Eene met zut- 
ker en amandelen enz, toebereide fpy 
ze , fpaanfche pap (f). 

Bianc-ralTis , (ra) Pommadetuzalf 
(f). 

Blanc-fcellé ^{m)Een gezegeld pa* 
pier in blanco (n). 

Blanc-Ggné . (m) Een getekend pa" 
pier in blanco (n). 

Blandices , (f. pi.) Vlyery , {oudw.) 

Blanque , (f) Een Lotery^-boekje 
met zwarte en witte bladeren ; ha- 
zard à la blanque , onbezonne onder- 
neem ing. 

Blanquette, (f) If^itte wyn van 
Languedok; dun wit bier (m). 

Blafon , (m) U^apenfchild-kunde -, 
loftuiting (f). 

Eiafonner, {'7,z,)De Wapens uit- 
leggen; item die behoorlyk fchilderen; 
iemand roemen of lajieren. 

Blafonneur , m) {weinig geb.) Be- 
fchi^ver der Wapens. 

Blafphémateur , (m) Gods lajie- 
raar. 

Blafphématoire , (adj.)Go*/^fr- 

Blafphéme, (m)GodslaJïering (f). 

Blafphémer , (v. a. 6c n.) God 
lafleren; Godslajlering uitbraaken. 

Blatier , (m) Kooren-kooper op 'g 
Land. ^ 

Blaude, (f) Een boeren kiel, lin- 
nen-rok (m). 

Blaveole,'f)Blaauivekooren.'bloem'» 

Blé. {Zie Bied). 

Blêche, (adj.&fubft.) TrouwlooSé 
valfch {fcheldw.) 

Bied , {m)Kooren, graan (n);bled 
en herbe, onrypkooren; bied fars- 
zin, boekweit; bied de Turquie ou 
maïs, Turkfche terwe;hleà meteil , 
meng-kooren i manger foa bied en 

her* 



7^5 BLE. BU. BLO. 

jherbe , zyne tnkomjlen , voor ze ont fan- 
gen zyn , veneeren , (fpr. iv.) 

Bleime , ( f ) hif.amatie onJer aan 
de voet van een Pae'td. 

Blême, (adj.) Bleek, doodfch. 

Blêmir, (v. n.) B'.eek worden ^be- 
Jlerven. 

BiêraifTement , (m) Bcjîervir.g ( f ). 

Bléreiu, (m) Ken Das (n), {zeker 
dier). . , ^, 

BleiTé, ée (adj.) Gehwetjî , bleffe 
à mort , ter dood toe gewonde 

BleiTer, (v. a.) Kiveuen, wonden, 
hefchaa.iigen. 

BlefTure, ( f ) Kivetzuur, wonde, 

Blecte , ( f ) M^fer-Xee>2 krmd). 

Bleu , bleqe , (adj . & füDft.) Blauw ; 
hlaiiwe verf; bJeu 'mourant , licht 
hlattw; bleu tixT(\n\n , donker blauw . 

Bl^uâcre, {aiû].) Blauwagtig. 

Bleuir, (v. a. & n.) Blauw maa- 
ien, b'auwen; blauw worden; faire 
bleuir le fer, het- yzer blauw aan 
doen loopen, 

BI in, (m) Een rambîok y (in 
Scheepsb.) 

Blmde , blindes , ( f ) Blinden , tot 
dekking , ( in l^ejîwgb.) 

Blinder , (v. a.) Met blinden be- 
dekken. 

Bloc, (na) Een blok; Ezels-hoffd 
(tn Scheepfb.) ; bioc de marbre , mar- 
mere blok, vendre 'en bloc & en 
tas , by den hoop verkoopen. 

Blocage ou blocailie , (f) Gruis 
(n) , puinhoop (m). 

Blochec , (m) Een dwars fparreiï) . 

Blocus, im) Befchanjfuiçf, blckee- 
Ting, injluiting {?); (l'^cfting w.) 

Blond, onde(acli.&fubft.) Blond- 
ha:ri^, blond; een blond menfch. 

Blonde , ( f i Zyde kant. 

Blondin, ine (m. & f.) Een die 
blond kair heeft. 

Blondir, {m) Blond h&ir bekoomen^ 

Bloquer, (v^ a.) hfluiten , ver- 
fchanffen; bloquer une ville , un 
port , y mettre i€ blocus, ff« Jlad, 
een haven inflzù'.en; bloquer , de ree- 
ten van een Jchip met werk digt maa- 
ken ; dr uk-letters verkeerd zetten; 
metzelen zonder pas-lood. 

Blot , Bloc OU Chouqu'et (m). 
Ezels-hoofd ; 8cheeps..bïok ; werktuig 



BLO, BLÜ. BOA. BOB. &c, 

om de vaart die een Schip maakt me- 
de te meeten , (öcheeps iv.) 

Blottir , (v.a.) /« een duiken ,ver^ 
fcbuilen; les perdrix fe blotti(nint, 
de %teldboenderen kruipen in een , ver- 
frhuilen zïg. 

Bluet , (m) Blauwe koren-bloém ( f ). 

Bluette , (f) Sprankje, vonkje van 
vuur of gloeiend yzer (•«). 

Bluteau , (m) Aleet-buil. 

Bluter, (v. a.) Builen, 

Blutene , ( f ) MM~buitery, 

Blut^oir. {Zie Bluteau). 

Boage , (m) Die^jfi van een Vaffaï 
aan zynen Heer met twee Offen voor 
hem te ryden. 

Bobèche , ( f)Pyp van een kavde^ 
laar. 

. Bobine, (f) Een bobyn , klos, om 
gaaren op te doen. 

Bobiner , (v. a.) Gaaren op een bo- 
byn winden ,fpoelen. 

Bobineufe , ( f) Gaaren fpoelfter. 

Bobo > (m) Ligte kneuzinge (f), 
flootje (n). 

Bocage , (m) Bofchje , bofcbagie (n). 

Bocager, ere(adj.) Nymphe; bo- 
cagere , bofch-nimph. 

Bocal , (m) Beker , bocaal. 

Bodinure , ( f ) Bewoeling van den .]i 
anker-ring. a 

Bodruclie , ( f) Fyn perkament van ; 
Offendarmen bereid (n). 

Boëffe , OU gratte boëfle,. ( f )<( 
Kratz-borfiel in de munt. 

Boëffer, (v. a.) Kratzen. . 

Boete. {Zie Boîte)* 

Bœuf, (m) Een Os (m) , Offen-vîeefch 
(n) ; dommen os , vleegel. 

Bogue, ( f ) Kajianje bolflery Hou* 
ting {een vifch)."^ 

Bohémien, ienne, ou bohème, 
(m. & f.) Heiaen , Land looper , goe' 
der-geluk zegger; Land-loopjler. ' 

Boïard , (m) Hand-burrie ( f y. 

Boie , ( f ) Fberbaai. 

Boire, (v. a.) Drinken; boire à 
la ronde, in't ronde drinken; boire, 
des rafadesïde rouges bords, èoor- 
den vol drinken; il boit,;?>y is tot den 
drank vervallen; boire la, raillerie^ 
de befchimping verdraagen ; la terre 
boit la pluye , de aarde tr^-kt de regen 
na zig î ce papier boit > dat papier 
A,uigt] 



BOL 

xaigt; boîre comme un trou, à tî- 
relarigot , lujiig zuipen ; qui fait la 
folie la boit , (fpr. iv.) zoo als men 
zyn bed maakt zoo legt men; donner 
pour boire , een dnnk penning gee- 
ven; voilà pour boire , daar is een 
drink-penning i ce foffé boit en ri- 
vière, die Jloot krygt zyn water uit 
de rivier. 

lioire , (m) Het drinken (n). 

Boirin , (m) Anker-boei. 

Bois , (m) Een bofch-, bout (n) ; 
bois épstis , dik bofch ; bois de char- 
pente , timmerhout j bois mort, 
dooJ , verdord bout \ bois en étant, 
hout dat nog op de Jlam is -, bois de 
haute futaye, een hoog bofch; bois 
vif, gezond, groen hout; mort bois 
ou d'entrée , balf vergaan hout; 
bois de teinture, verf-hottt ^ bois 
blanc, 'week , zagt hout ; bois 
de cerf , het g^ewigt of de hoor- 
nen van een hert, enz. bois à brû- 
ler , brand hout; bois canards, ge» 
zonken hout; bois flotté, vlot-hout; 
bois échappés , dryf-hout ; - bois 
merrein, vat-hout , pyp-hout; bois 
de charronnage $ wagenmaakers' 
hout ,*wagen-fchot ; bois de compte, 
tel-haut ; bois de refend , hout dat 
ligt kloofd; bois en grume , neerge- 
veld , gehakt hout; bois chablis , door 
den wind neergeveld hout; bois lavé, 
fia de lyn gehakt hout ; bois bombé , 
krom gewaffen hout; bois gelif , /bwf 
dat vol fpleeten is ; bois carié , ver- 
moulu , verwormdivermollemdhouî ; 
bois rabougris , kwafîjg bout , tiit- 
fcbot ; bois ta '1 lis , ha-k-hout , een 
hak-bofch; faire du ho is , een Schip 
met brand-hout voorzien; a-.HtCre du 
bois, hout afhakken y neérvvllen ; veel 
kégeh werpen ; ne favoir de quel 
bois fiire flèche, niet ivt-eten waar 
men zig keeren of iveydm , --..vat men 
aanvangen zal; trouver vifage de 
bois, niemand t'hurs vinden \hois de 
lit, bedfleê ; buis qui fe tourmen- 
te, hout dat werk( , nog niet uitge- 
loogd is; je fai de quel bois il re 
chauffe, ik ken zy,2 manier, beftaan; 
haut le bois, het geweer ont hooe 
(by Krygsl.) ^ 

Boifd^e , (m; Befchutting (f); pa- 
ntel-iterk (n). 



BOL BOL. BOM. * 79 

Boifer, ;v. a.) Mep hout befchic 
ten , lambrifeeren, 

Boiferie, (f) Houte befchot (n); 
lambrizeering (f). 

Boifeux, eufe (adj.) Houtig, 

BoifTeau , (m) Een fchépel. 

Boiflelée , ( f) Een fcbépel-vol citera 
een fchépel zaai -land. 

Boiflelier, (mj Een maaten-doo^ 
zen-maaker. 

Eoilfon, (f) Drank fm). 

Boite, (f) Regte tyd wanneer dti 
wyn kan gedronken worden. 

Boite, (f) Een doos, kas; munt^ 
blok ; gewrigt daar een been in dr aai d 9 
boite à poudre, à poivre, démon- 
tre , een poeder-, peper-doos , kas va» 
een zak-horologie ; boite de roue ^bet 
ave^gat van een wiel; on y eft comme 
dans une boite , men zit 'er warm 
in. 

Boitement, (m) Hinking (f). 
, Boiter, (v. n.) Hinken, kreapelJ 
mank gaan. 

Boiteux , eufe (adj. & fubft.) J^reu-^ 
pel, mank ; een kreupele; il faut at- 
tendre le boiteux, {fpr. w.) men 
moet d'eerJJe tyding niet gelooven. 

Boîtier, (m)Doozen-njaaker;zalfi 
bus (by Heelm.). 

Eois-tout, (m){gem.w.) Glas zon- 
der voet. 

Eoiture, (f) (gem.w.) Zwelgery» 
zuipery. -^ j ^ 

Bol OU bolus , (m) Eene mond-mt 

medicynen. 

Bombance, (f) Goede cier,nem~ 
pery ^ {gem. zv.) 

Bombarde , ( f; Kort gefchut , hatu 
bitz. 

Bombardement, (m) Bombardes- 

r/n^ (f). 

Bombarder, (v. a.) Met vuur-hs- 
gels , viei bomben befchieten. 

Bombardier , fm) Bomm8>h-<werper9 
Bümbardier. 

Boni ha fin , fn-i) Bommezyn. 

Bombe , ( f ) Bomme , vuur-kdgeï. 

Bomber , (v. a.) Krom niaahn- 
uitho^liv. •" 

h^d^''' ' ^ ^ ^ 5orf^m.r>,. , (in Zee^ 

Bon ne (,dj.) Gced;mïld;deu^d^ 
zaam; uap^er -, flerk ; ejz, «n bon 



go BON. 

Cavalier, een goede Ruiter -, uh bon 
' Médecin, een goed Geneesheer ; bon 
xnot , kwinkjlag , klugtige uitdruk- 
king ^ inval -^ n'ècre bon a rienjO^r- 
gem toe dtenjiig zyn; à quoi boa ce- 
ia ? waar toe ditnd dat ? trouver 
bon ^goed vinden ; alle?, ou bon vous 
ftmble , gaat daar het u goed dunkt; 
un bon homme , een goed , deugdzaam 
man , een onnozel man , een goed 
bloed fles bons ou les gens de bien, 
de vroome lieden ; il n'eft bon ni à 
rôtir, ni à bouillir, hy deugd 
nergens toe; un bon coquin j een 
martsfchelm j ö ! la bonne raifon , 
et! dat 's een fc hoon bezvyf, de bon 
cœur y van gantfcher harten-, les bons 
comptes font les bons amis, effen 
rekening rnaakt de beJJe irienden ; 
vraiement «je vous, trouve bonne ! 
waarlyk ik vinde u fraai! je vous la 
garde bonne , ik zal 't u w-l betaald 
zetten ; faire bon pour quelcun , 
voor iemand in Jlaan , borg blyv^^n , 
tout cela eft bon , mais . . , dat 
is altegaar mooi en goed , maar . . ; 
c'eft un bon Apôtre, /^pf ts een rui- 
gen ^poflel {boert, "jv-); un i)on pen- 
dard , een olyke fielt ; fouhaiter, don- 
yier Ie bon jour , goeden morgen^, 
goeden dag wenfchen; les bons maî- 
tres font les bons valets, goede 
tneeflers maaken ^ede dienji boden. 

Ben , (m) Het goede , het bejle 
fn)j connoitre Ie bon & Ie beau 
d'une affaire , het goede en het fraaye 
van een zaak kennen; Ie bon de l'af- 
faire eft . . , het b'efie van de zaak 
i^ . . ; il y a cent écus de bon , 
daar zyn honderd kroonen te goeds. ^ 

Bon , (adv.) Goed<, tvel; fentir 
bon, wel ruiken; tenir bon -, (land 
houden; cela me coûte bon , dat^ kojl 
my goed -veat; bon! voilà qui va 
bien, goed', dat ^aat. wel. 

Bonace, (f) TVind-ftilte ^ kalmte 
•p zee; ^erudheid, vreede. 

Bonafle , (adj.) Al tegoed^ te een- 
voudig. 

Bonbons, fm. pi.) Lekkemyen, fnoe- 
^eryen voor kinderen. 

Bonchretien , (m) Zekere lekkere 
franfche peer. 

Bond, {m)Wfcr-fprsng{n), opfiuh 



BON. 

f'"S (O Î prendre la balie aa 
bond, den bal in 't opfiuiten vangen^ 
de regte tydvan iets waarneemen (fpr. 
IV.) autant de bond , que de volée, 
{fpr. w.) op beiderly wyze. 

Bonde ,. ( f ) Sponde , of tap van een 
vyver ; JJuisje ; fchotdeurtje (n). 

Bondir , (v, n ) Opfpringen , hup- 
pelen; opwellen ; les agneaux bondis- 
fent, de lamineren fpringen; cela 
me fait bondir le cœur', dat doed 
my het hart walgen , opkomen. 

Bondiflement , (m) Opwelling .^op- 
fluit ing der maag (f). 

Boadon , (m) Sponde , fpo^dgat (n). 

Bandonner , (v. a.j Toefponden , toe- 
fioppeit. 

Bondonnier, (ra) Spond-hoör {nl. 

Bonheur, (m) Geluk (n), welvaart 
(f) j par bonheur, by geluk. 

Bonboramie, (f) Goedaardigheid. 

Bonifier , (v. a) l^erbetcren , ver~ 
goeden; bonifier un champ? een ak- 
ker c.rbeteren. 

Bonjour , (m) Donner, fouhaiter 
Ie bonjour, goeden dag wenfchen. 

Bonite , (m) Spring vtfch. 

Bonnaire. {Zie Débonnaire). 

Bonne'. {Zie Bon). 

Bonneau , (m) Anker- teken (n), 
boei{i). 

Bonne-aventure , ( f) Goedergelui 
{van Jf'aarzeggers), 

Bonne-fois , une bonne fois , esni 
voor al. 

Bonnement , (adj.) Opregtetyk , 
il y va tout bonnement , /;y 
gaat opregtelyk te werk; je ne fai 
bonnement que dire, ik weetzvaar" 
lyk niet zvat te zegden; avouer bon- 
nement une chofe , een zaak rond- 
borfîig bekennen. 

Bonnet, (m) Muts; kuif; donner 
le bonnet à quelcun , iemand pro-" 
moveeren, de Doftorale Muts geven ; 
opiner du bonnet , een ja broer 
zyn; trille comme un 'bonnet de 
Huit fans coife, {fpr. u\) zeer droe~ 
vig zyn; il a la tête près du bon.^ 
net ) {gpm. fpr. w.) hy is kort vaa. 
ftofy zeer ophopend; porter le bon* 
net verd , banquetoet zyn; j'y met- 
trai mon bonnet , J* verred 'er myti 
muts onder, 

Ben*' 



BON. BOQ. BOR. 

Eounetac-le , ( t') uupe ecrbud (m). 

Bonnecer, (v. a.) Iemand eerbie- 
dig groeten y (gem. w.) 

Bonneterie, (f) Mutzen-makery y 
gild daar van (n). 

Bonneteur, (m) Bedrieger, (S^"*- 
' w.) 

Bonnetier, iere (m. & f.) Mut- 
zen-maaker , maakjier , of verkooper , 
z'erkoopjler, 

Bonnci-quarré ,(m) PrieJJ ers muts 

(f). 

Bonnette y (f) Kleine Ravelyn , 
boive maan , buiien-iverk {in l^ejîing- 
bouwkunde). 

Bonnettes , (f. pi.) Bonnetten , zei- 
len die by Jlil weer aan de groote zei- 
'len gehegt vuorden ihonnette lardée, 
een honnet-zeil -met fpek bejiooken om 
een lekkagie meê te Jîoppen. 

Bonté , ( f ) Goedheid; deugdzaam^ 
heid; gunjl ; il doit fa vie àla bon- 
té de fon cheval , hy is zyn leeven 
aan dejîerkte'van zynpaerJverfchuldtgt; 
ayez la bonté de me vep.ir voir , 
weejl zoo goed en komt my bezoeken ; 
cet homme eft la bonté même , die 
man is de goedhsid zelfs-, je vous 
fuis obligé de toutes vos bontés , ik 
ben u voor alle uwe goedheden ten 
hoogflen verplicht. 

Bonze , (ra. & f.) Priejlers en Non- 
nen in China, 

Boqueteau , (ra) IVild Geite-bokje 
(n). 

Boquillon , (ra) Een Hout-bakker ^ 
{beter Bûcheron). 

Borax, (m) Borax, gebruikt tot 
*t foudeeren van goud. 

Bord , (m) Boord, rand , kant (m) -, 
fcheeps-boord (n) ; bas - bord , bak- 
boord; Hrlbord . Jiuur-boord; venir 
à bord, aan boord komen; mettre à 
l'autre bord, bet /chip wenden; ren- 
dre le bord, inloopen, een haven 
aandoen; vaifTeau de haut, de bas- 
bo rd , een groot , een klein f chip ; faire 
«n bon bord > een goede boeg-Jlag 
doen , wel gevorderd zyn ; un rouge 
bord , e^n volle romer wyn ; j'ai Ion 
nom fur le bord des lèvres, zyn 
naam legd my op de tong; être fur 
le bord de la fofle , op den rand 
des grafsjlaatii beel oudzyn; cou- 



BOR. 81 

rir le bon^ bord , zee-roovery oef- 
J'enen ; aller à boi d , aan boord gaan» 

Bordage , (m) Boey-planken , bui- 
ten huid van een f chip ; geringe dtenjl 
die een boer aan zynen Heer ver- 
fchuLügd is. 

Bordayer, (v. n.) Laveer en; een 
laagjchieten. 

Bordé, ée (adj.) Bezoomd , be^ 
legd, geboord; chapeau bordé, een 
omgeboorde hoed; canal bordé d'ar- 
bres , gragt met hoornen beplant. 

Bordé, (m) Goude^ zilvere , zyde 
galon (n). 

Bordée , {î)Loop,gang van eenfcbip 
eer het wend; een laag van bet ge- 
fchut ; donner la bordée à un vais- 
ieau , een fchip de laag geeven. 

Bordel , (m) ii>» Hoer-huiSy Hoe- 
ren-kot (n) , Kit ^t); courir le bor- 
del , Hoeren-j^agen. 

Bordelage , (m) De inkomjien van 
ecn boeren hoef ; 't hoeren leven. 

Bordelier, (m) Hoeren jaager f 
{oud w,) 

Bordement , (m) Omboording , met 
een andere verf {by Schilders), 

Border, (v. a.) Bezoomen , beleg- 
gen, boorden; 1'Armée bordoit la 
rivière , bet Leger bezette den oever-, 
border un vaiiTeau , eenfcbip bekUe- 
den; border les voiles, de zeilen 
aanhaalen; border une allée, een 
wandel-pad op de zyae met boomen 
bezetten; border un chapeau, een 
boed ombüorden ; border un vailTeau, 
een fchip op zy zeilen , of aanklampen, 

Bor:leréau, (m) Lyjl , notitie van 
geldfpecie , gewigt of maat { f) ; Zoo- 
pertje van ontfang en uitgaaf {n). 

Bordier , iere (m» & f.) Bezitter 
van een gering Hoefje» 

Bordier, (adj. & fubft.) Vaifleau 
bordier, boordig fchip, dat aan de 
eene zyde Jïerker ts , als aan de an- 
dere (n). {men zegt ook Bordier). 

Bordigue , ( f) Een l^ifcb-vang. 

Bordure , .' f) Boordzel (n) , rand-, 
raam (m) ; lyfl van een fpte^el , et^z-, 
bordure de chapeau , kreel om een 
hoed van goud, zilver enz. 

Boréal, aie (adj.) Noordelyi. 

Borée , {£)Noorde-wind(by Dicht.). " 

Borgne, (adj. & f. jn.) Efn-oo^ig; 



g2 BOR. BOS. 

een een^oogige j cabaret borgne , 
JJfgt kroegje ; conte borgne , oude 
iv^fs vertelltt7g f caufer comme une 
pie borgne > (fpr. w.) de mond laa- 
ien gaan als een Lazarus klap ; au 
royaume des borgnes les aveugles 
font Rois, in 't land der blinden is 
één-oog Koning. 

Borgne , (m) l^ifcb-fuik (f). 

BorgnefTe, (f) Eene één-ooglge. 

Bornage, (m.) De grens-bepaa- 
ting ( f). 

Bornager, (v. n.) Fan den eenen 
oever na den anderen vaaren , gelyk 
een Fe er man. 

Bornai , (m) Celletje in een by-korf 
(n). 

Borne , ( f) Grens-paal-of teken ; 
mettre des bornes à fes àeiirs^zyne 
tegeertens paaien fielten' 

Borné, ée (adj. & part.) Be- 
paald; un efprit fort borné , een 
zeer klein verfiand. 

Borner, (v. a.) Paaien, bepaa- 
len-f grens-paalen zetten -y fe borner , 
( V. r, ) zig inbinden , maat houden. 

Bornoyer , (v. a.) Met een oog 
toe mikken i, (by bouwlieden). 

Boamoyeur , (ra) Een goede kyker, 
mikker. 

Bofan, (m) Zekere Turkfcbe drank. 

Bofel, (m) Ring om de voet van 
een pylaar. 

Bosquet , (m) Lufi bofchje , fiarre- 
bofchje (n), 

Boflage , (m) Uitggbouivde fieen in 
een muur y waar in een cieraad zal 
gehouwen worden, 

Boffe , ( f) Een bult , hochgel ; ou- 
vrage relevé en boffi , gedreven 
werk. 

Boffelage ,(m) Gedreven werk{n). 

Bofleler, (v. a.) Bulten', gedreven 
loerk maaken. 

Boflelure, (f) De natuurlyke boh 
beid aan bloemen. 

BolTeman, (m) Bootsman. 

Boffer , (v. a.) Boffer 1'ancre , het 
anker opzetten. 

Boffetier , (m) Een rood gieter , ko- 
per gieter. 

Boffette , (f) Knopje op een boek 
of paer de-tuig. 

Boffeurs ou boffoirs , (ra) Kraan^ 
balken waar op bef anker rufi^ 



BOS. BOT. BÖÜ. 

Boffu , ue (a ij. Ôcfubft.) Gebocheld , 
gebult > cimetière boifu , een iep 
Kerkhof. 

Boffuer , (v. a.) Iets bulten. 

Boftangi , (m) Tuinman van den 
groot en Heer. 

Boflangibachi, (m) Opztender dier 
Tuinliedfin. 

Bofuel , (m) Geele kroon , reuk" 
tulp (f). 

Bot, (adj.m.) Pied bot, een horl- 
voet. 

Botal , (adj. m.) Trou botal ,ope- 
ning waar door het bloed van ongeboo- 
renene kinderen loopt. 

Botanique , (f) Kruid-kunde. 

Botanique , (adj.) Kruid-kundig. 

Botanifle, (m) Een Kruid-kun- 
dige. 

Botte, (f) Eên Laers -, bundel, 
bosje-, botte de plumes, een bosje 
pennen; botte ,fioot yfieek (in fcherm- 
fchool); botte, optred van een koets', 
graiffer fes bottes ,zig tot eene lange 
reize ; tot de dood gereed maaSen^ 

Botté , ée (adj.) Gelaarfi. 

Bottelage , (m) Buffel binding (f). 

Botteler, (v. a.) In bujfelen, bos- 
f en binden. 

Botteleur , (m) Buffel Jjïnder. 

Botter, (v. a.) Laarfen aandoen, 
maaken ; fe botter , (v. r.) zyn laar" 
zen aantrekken. 

Bottine > ( f ) Halve laars. 

Bcuard , (m) Schroot-hamer, 

Bouc, (m) Een bok; bouc émis- 
faire , bok der verzoeninge door dt 
IJraé'liten in de woefiyne gelaat en. 

Boucage, (m) fVilde pimpernel j 
(een kruid). 

Boucan , (m) Roofler waar op de 
Americanen het vleefch droogen; item 
een Hoer-huis. 

Boucaner , (v. a.) Vleefch droo^ 
ge»; na buffels jaag en op de w y ze der 
wilden; item in Mot-huizen loopen. 

Boucanier, (m) Boukanier, Roo^' 
ver , Jaager tn America. 

Boucaut, (m) Een vat (n), tonne 

(f)- 

Bouche , ( f) Koninglyke fpys^ka- 
mtr. 

Bouche, (f) De mond , opening 

( f ) 3 '''^«"5 (oï) Î douche bien fen^ 

«iue^ 



feOÜ. 

ducj wel befneJen mond j cheval 
qui à la bouche délicate , een 
paerd dat zagt in den bek is ; bouche 
de rivière , mond van de rivier ; {zie 
embouchure) avoir bouche à cour, 
de vrye koji hebben-, elle n'en fait 
point la petite bouche , zy wind 
'er geen doekjes om; garder pour ia 
bonne bouche , voor 't laatjie van 
de maaltyd bewaaren; avoir bouche 
coufuë, geen praat hebben-, n'avoir 
ïii bouche ni éperon , geen hart 
Jbebben , om iemand te antwoorden ; 
dire de bouche , mondeling zeggen. 

Bouchée > ( f ) Eene mond vol. 

Boucher , (v. a.) Toejhppen , JJop- 
pffi. 

Boucher , re (m. Sc f.) Vleefch- 
houwer , Jlagter ; vleefchhouwjier. 

Boucherie, (f) l^leefcb-bat (f); 
hloed-bad (n) ; Jlagtbank , Jlagting ( f). 
, Bouchet , (m) Zuiker en kaneel- 
water voor de zteken (n). 

Boucheture, (f) Tüéflopping (fj; 
bek (n). 

BouchÏn , (m) Breette , buik van 
ten fchip. 

Bouchoir, (m) Oven deur. 

Bouchon , (m) Een fiopzel (n) , 

Iturk (m); mon petit bouchon , myn 

'lein hartje 'y bouchon de paille, 

Hroo-wifchi à bon vin il ne faut 

oint de bouchon , goede wyn heeft 

een krans nodig , {fpr. w,) 

Bouchonner, {v.a.)Met eenjiroo- 
'ifeb wryven-fiets in een frommelen. 

Bouchot, (m) Fifch-vang van tee- 
ene korden. 

Boucle , (f) Eene gefp ; bair krul , 
'joekel', boucles d'oreille, oor-rtn- 
en j tenir fous boucle > in hegtenis 
ouden. 

Bouclement , (m) Toegefping', toe- 
uiting (f). 

Boucler, (y. a.) Toegefpen ; het 
fair in boekels leggen-, boucler un 
)órt, een haven fluiten iboaclcr une 
ravalle , é»*" w^ merrie ringen. 

Bouclier, (m) Een fchild , barjï- 

apen; faire bouclier de quelque 
;hofe , zig ergens meê befcbutten ; 
aire levée de boucliers , veel toe- 
'el maaken daar niets van word. 

Boucon, (m) (gtm. «/.} Sènlteet , 

"---' lyal vergift» 



BOU. 83 

Bouâin , (m) Wilde Steenbok. 
Boudelle , ( f _) Een penaeboutje (n), 
flagpen ( f). 

Bouder , (v. n,) Pruilen , morren » 
zuurmuilen , preutelen. 

Bouderie, (f) Pruiling. 

Boudeur, eufe (m. & f.) Pruiler^ 
grimmer; pruiljler. 

Boudin, (m) Een beuling , worjij. 
Item bet knopje , beduin in de midden 
van een glas-fchyf', ook de rand daar 
van. 

Boudiné , (f) Ronde glas-fcbyf. 

Eoudinier , (m) Worji merkooper. 

Boudiniere , (f) IForJi - boorntje 
(n). 

Boudinure, (f) Woeling om den 
anker-ring ; anker-roering. 

Boudoir, (ra) Klein eenzaam ver-' 
trekje (n). 

Boue , (f) Slyk, drek-, etter -, une 
ame de boue , eene laage ziel; cirer 
queicun de la boue , iemand uis 
den drek , uit d'ar moede belpen. 

Bouée, {f) Baaken} item auker- 
boei. 

Bouëment, (m) t*Zamen voeging^ 
lyming , {by Scbrynw.) 

Bouer , (v. a.) Muntplaaten ffchroot 
plat Jlaan. 

Loueur, (m) SUk-nverker i vuilnis 
opveeger. 

Boueux , eufe (adj.) Slikker! g , mod- 
derig, vuil. 

, Bouffant, ante (adj.) Opblaazende^ 
opzwellende. 

Bouffe , ( f ) Bakhuis , fmoel , (gem. 
w.) 

Bouffée, (£) Rukwind, windbuil 
riekende damp; il n'étudie que par 
bouffée , hy Jïudeerd alleen by vlaa- 
gen. 

Bouffer, (v. n. & a.) Opzwellen^ 
oploopend worden -, vleefsh opblaazen, 

Bouffette , ( f) Linten quaji ,Jlrik' 
je. 

Bouffi, ie (^à^).) Opgeblaaxen', { fi- 
guur L) hoogmoedig', les yeux bouf-» 
fis, d'oQg€h gezwollen-, ftyle bouffi i 
opgeblaazen flyt» 

Bouffir , (v. n. & a.) Ophlaozen 9 
opzwellen ; hoogmoedig worden. 

Bouffiflurcp (f) Opzweiling %opgi- 
zwallénbeidt' 

F 8 ^uJF- 



«4 Boa 

Bouffoir, (m) Py^je ovi een Lam 
Gp te blaazen. 

Bouffon > onne ( m. f. & adj. ) 
Poetzen-klugten-tnaaker , nar; nar- 
nn ; kortiwylïg , aardig. 

BourTor.ner, (v. n.) Poetzen- gril- 
ler.- klu^ten-maaken. 

Bouffonnerie, (f) Poetzen-maa- 
kery. 

Bouge , (m) Schoenlatpers-potbuîs ; 
klein kamertje (n); randzel , reis-zak; 
huik van een tonne ; rand van een 
tafel-bord {va); kromte van een Jïuk 
hout ( f). 

Boageoir , (m) Dieve lantaarentje ; 
blaaktr. 

Bouger, (v. n.) Zig houden waar 
men is, (word gebruikt m^t een' ne- 
gacivüs) ne bc3ugez pas Monfieur 5 
zitjiil. doed geene moeite My.iheer; 
il ne bouge pas de la maifon , hy 
komt utt zyn huis niet. 

Bougette, f f ) Reis-zakje , knap- 
zaki? fn) , buidel (ra . 

Bougie, (f) IVafch-kaars , ivafch- 
Ucht. 

Bougier , (v. a.) Beivafchlichten, 

Bougran; (m) Styf-linnen (n), 

Büugre , Bougrefle, (m.&f.) (^f« 
ïeelyk woord) Een Sodomiet ; item een 
vuile àfchurk , Schoelje; Teef. 

Bouillant, ante (adj.) Ziedend, 
kookend; oploopend , haajlig ; vlug van 

Bouillar , (m) Regen-wolk (f) , 
{zee w.) 

Bouille , (f) Vijfchers plons -Jïok 
{r^),pols{ï). 

Bouiller, (v. a.) In't water plon- 
zen. 

Bouilli , (m) Gekookt- of gezoden- 
vleefch (n). 

Bouilli, \i{z.à:y)Gezoden , gekookt. 

Bouillie , ( f) Pap , bry. 

Bouülir , (v. n.) Zieden , kooken ; 
Ie vir. bout, de wyn werkt; cela 
ne fait pas bouillir la marmite, 
{fpr. 11'.), dapr kdtî defchoorjïeen niet 
rjan rooken\ bouillir à gros b-^uil- 
lon^ , hard of Jlerk kooken ; faire 
bouillir de l'eau, water kooken. 

Bouillit^. ire, (m) Het wit kooken 
der muntjiukken. 

Boftilloir , {m) Kopere pan daar t9ft 



BOU. 

Bouilloire , {f, IVater-ketsl. 

Bouillon, (m) Bobbel (m), opweU 
lit7g , ruifcbing , opbobbeling (f)} 
vleffch-nat (n) ; foppe (f); item drifty 
onjluimigbeid i f). 

Bouilion blanc, (ra) ff^it wolle^ 
kruid ■n) 

Bouillonnement , (m) Ziedingyop' 
borreltng ; gijling ( f . 

Bouillonner, (v. a. & n.) Opbor- 
relen ^ opwellen, hard kook m. 

Bouis, (m) Schoenmaakers Likboup 
(n). 

Boais. (Zie Buis). 

Boulanger , ere (m. & f.) Bakker; 
bakker inné. 

Boulanger , (v. n. & a.) Het bak- 
kers-hatidiverk oeffenen. 

Boulangerie, (f; Bakkerye. 

Bouldure , (f) Plaats of gragt 
onder een moolen-rad. 

Boule , (f) Bol, kloot , ronde 
knop (m); tenir pied à boule , (,/■"'. 
w.)op zyn zaaken acht ge even ; j ouer à 
la boule , met de kloot fpeelen , à 
bouie vue, onbedagtzaam> 

Bouleau, (m) Berkenboom. 

Bouler, (v. n.) De krop opblaazen 
gplyk de Kropduiven. 

Boulet , (m) Gefchut-kogel( f) ;bou- 
let à c bain e , kettir,g~kügfl{{); bou-> 
let rouge , gloeijende kogel. 

Boulecé, (adj.) Chevai bouleté, 
Parrd dat zyn been verjîuikt heeft. 

Boulette, (f) Kleine kogel (f), 
balletje-, klootje (n). * 

Boulevard ou boulevart, (m) 
Bolwerk , fchans , voormuur (n) j ttem 
bef cher mmg (f). 

Bouleverfementj (m) Omkeertng , 
verwoejling (f). 

Bouleverfer, (v. a.) Omwerpen^ 
cmftootm, 't onderfie boven keeren. 

Boulimie, (f) E.en eet-koorts. 
Boulin, (m) Duiven-nejl; balk- of 
fleiger-gat m een muur (n). 

Bouline , (f) Scheeps boelyn, waar 
meê het zeil na de wind gehouden ^ 
wo-rd; aller à Ja bouline , by de 
ivind zeilen ; haler fur les boulines f 
(/e boelynen aanhaalen. 

Bouliner , (v. n.) By de wind Trei- 
len ; niet opregt hani^elen ; fieelen , (/« 

Bo''- 



, BOU. 

Boulinenr , (m) Soldaat die in zyn 
ti^en Léger vrybutt. 

Boulingrin, (ra) Een gras-jiuk in 
een tuin; groene klootbaan. 

Boulingiie , ( f) Bram • zeil , bo- 
venjle zeil aan de groot e majl (n). 

Boulinier, (m Schip liat by de 
wind zei ld (n). 

Boulon , (m) Tzere bout met een 
knop-, een rond yzer waar over loode 
buizen gegooien worden. 

Boulonner, (v. a.) Met een bout 
vajl maaken. 

Bouqut'r , (v. n.) Gedwongen iets 
doen moeten , 'er aan geloovm moeten. 

Bouqutt ,(m) Een bofk linten-, ten 
ruikfr j flroowifch op iets dat te koop 
is 'y bouquet de piumes, veder-bofch; 
bouquet , cieraad op den rug van 
een boek, Jiem^el; item verzameling 
van zinryke jprt uken ; faire ou cane- 
tiller un bouquec, een ruiker maa- 
ien. 

Bouquet , (m) Bokje j haazen-ram- 
m el aar. 

Bouquetier, (m) Bloem-pot. 

Bouquetier, iere (m.&f.) Krans^ 
ntaaker-, bloemen vercierjler. 

Bouquetin , fm) Steenbok. 

Bouquin , (m) Een ouden bok; een 
S^ter ; een geile gryzaard; fentir Ie 
bouquin , ^/«^fw als een bok; bou- 
quin , een oudverjleten boek. 

Bouquiner, (v. n.) Befpringen -^ 
rammelen ; oude onnutte boeken koopen 
of leezen. 

Bouquinerie, (£) Plaats daar ou- 
de boeken verkogt worden. 

BouquineuTj (m) Een handelaar 
in oude boeken, 

Bouquiqifte , (m) Liefhebber van 
zodanige boeken. 

Bouracan, (m) Barkan ^ {zekere 
fioj/e). 

Bourasque. {Zie Bourrasque). 

Bourbe, (f) Slik, modder. 

Bourbelier > (f) IVilde Zwyns- 
horJ}{£). 

Bourbeux, eufe (adj.) Modderig. 

Bourbier, (m) Modder-poel ; lais- 
(èr quelcun dans Ie bourbier, ie- 
mand in de pekel , in de nood laaten. 

Bourbillon, (m) Etter-gezwel-^rop- 



BOU. 85 

Bourcer,ou carguer (v, n.) ica 
voiles j De zeilen inbinden, reeven, 

Bourcet ou tnifene , (f) Fokke^ 
maft {m)-,fokke-zeil (n). 

Bourdaloue ou b- urdalou , (m) 
Hoet-band ; item zedige ftoffe. 

Bourde , ( f) Een leugen . knapuili 
item ly-zeil by fttl weer gebruikt; uri 
do;.neur de bourdes ,' een leugen 
verteller. 

Eourdel3ge,(m)(^iV Bordelage). 

Bourdelais , (m) Zekere groote 
druif. 

Bourdelier ,(m) Grond-heer 9 Cyns- 
heer. 

Bourder , (v. n.) Liegen^t (gem. w.) 

Bourdeur, eufe (ra. & f.) Leuge- 
naar ; Leu^enaarfter, 1 

Bourdillon, (m) Eiken hout tot 
duigen gemaakt. 

Bourdon, (ra) Hommel, hommel- 
bye; brom-pyp van een orgel of doe- 
del-zak (f) ; Pelgrimi-ftaf (m) ; uit- 
laatmg van eenige woorden {by Let- 
ter-Zrtters). 

Bourdonnement, (m) Gehommel 
(n), ruifching (f). 

Bourdonner, (v. n.) Hommèlen, 
ruifchen , ftommelen {van volk) ; brom- 
men , preutelen. 

Bourg , (m) Een vlek, dorp (n). 

Bourgade, (f) Een groot vlek (n). 

Bourgeois, oife (adj. & f.) Bur- 
gerlyk ; burger ; burgerejfe ; fchips-ei- 
genaar ;wer k-baas ; cela eft du der- 
nier bourgeois, dat is zeer gemeen, 

Bourgeoiferaent , (adv.) Op zyn 
burgerjch ; eenvoudig. 

Bo u rgeo ifie , ( f) Burgerfchap , Bur- 
gery {£), burger-recht {u). 

Bourg.on, (m) Pwfï ; knop (m) , 
knopje (n). 

Bourgeonné , ée (adj.) GepuiJI^ 
geknopt. 

Bourgeonner , (v. a.) Knoppen, 
uitbotten j met puiften uitjlaan. 

Bourguemaicre ou Bourg-meftre , 
(m) Een Burger meefter. 

Bourguignote , (f) Storm-hoedj- 
helm (ra). 

Bourique. {Zie Bourrique). * 

Bourléc, (m) Valfche vouw in La- 
ken { f). 

Bourrache > {i)Bcraasje {een kruid), 
F 3 «our- 



Se5 BOU. 

•Tîourrade , ( f) A>« ƒ Qo/ ,[lag (m) ; 
grof en bits antwoord in een difputa- 
cie (n). 

Bourrasque, (f) Een hui (f), 
Jiorm-zvmd ; fchielyke oproer van 
volk (tn)', quaade bui van ietnand( f). 

Bourre , (f) Scheer hair (n); vlok- 
ien (f); ioei-hair (n) ; prop die men 
cp een fnaphaan doed {£ ) ; item prul. 

Bourreau, (m) Een Beul ^ Scherp- 
r echter-, Pym^er, Wreedaard. 

Bourrée , (f) Een takkebo^je (n). 

Bourreler, (v. a.) Pynigen, mar- 
seleU', ytu'f//p»M,jconfcience bourre- 
lée , ivroegend gewijfen. 

Bourrelet, ou bourlet, (ra) Kin- 
der valboed ; draag-krans; <ivrong ; 
hijjentje in een hak-Jioelf tromp van 
gen gefchut > virong aan een maji ; ga- 
reel van een trek-paerd. 

Bourrelier , (m; Een Gareel-maa- 
ker. 

Bourrelle , ( f) Beuls-vrouw. 

Bourrer, (v. a.) Metlfcheer-hair 
vullen ; de prop op 't geweer doen ; 
Jiooten', iemand overfcbreewwen ; uit- 
maaien; af kloppen. 

Beurriers, (ra. pi.) Kaf van koorn 
(n). 

Bourrique, (f) Ezelinne (f); tn 
'# gemeen een Ezel (m)-fjlegt paerd 
(n), knol (f); bak om materialen in 
op f e hyjfeni bak der Let dekkers, 

Bburriquet , (m) Jonge Ezel, 

Bourrir, (v. n.) Geraas maaken, 
(word van Fetd- hoender en gezegd als 
zy opvliegen). 

Bourru, ue (adj.) Eigenzinnige 
"koppig , korzelig ; vin bourru , ivyn die 
mg onklaar is ; moine bourru , bul- 
iebak , (derJtbeeldig fpook om kinderen 
vervaard te maaken). 

Bcurfe , ( f ) Beurs , tas j ioopmans 
heurs } fchil ófbajl der vrugten ; hair- 
zak ; au plus larron la bourfe , den 
grootjie dief zyn beurs vertrouwen , 
^ de Wolf tot een* Schaap-berder maaken-, 
ifpr. w.) aller à la bourfe , ter beur- 
Je gaan. 

Bourfeau,(m) Loodgieters klopper» 

J^ïurfette , ( f ) Beursje (n). 

Bourfier , iere (m. & f.) BeurfetJ- 
^aaker- maakjïer; Slïidl^t die op 
esn beurs ftadeerd. 



BOU. 

Bourfiiler, (V. n.) Geld te zamea 
uitleggen om te verteeren. 

Bourfon, (m) Klein beursje in da 
broek-band (n). 

Bourfüufler, (v. n.) Opblaazen ; z- 
voir ie vifage bouffouflé , bet aan-' 
gezigt opgeblaazen hebben. 

Boiife , ( f) Koe-ü'rek. 

BoufiUage , (m) Leem-metzeling (f). 

BoufiUer, (v. a. & n.) Knoeijen, 
brodden -, met leem , flyk , of koe-drek 
metzelen. 

Boufilleur , (m) Mrodder j leem- 
metzelaar. 

Boufin , (m) Klomp aarde die aan 
hard-Jleen vajï is. 

Bouflbie, (f) Zee-kompas (n), 
Jlreek-wyzer (m). 

Bout, (m) Ead, einde, tipje (n); 
tepel (m)j bouc de chandelle, een 
endje ka er s ; un petit bout d' hom-- 
me , eni klein menfchje ; en venir à 
bouc , ten einde brengen , uitvoeren', 
m^ patience eft à bout, myn geduld 
is ten einde; k tout bout de champ, 
alle oogenblikken ; au bout de l'an- 
née , ten einde des jaars -, bout du 
nez, tip van de neus; favoir quel- 
que chofe au bout du doigt , iets op 
zyn duimtje hebben; bout de ver- 
gue , nok van de ree; bout de lof j 
loef houwer; bout dehors, tfƒ« «/>- 
Jleeker , oplang; (fcheeps w.) être au 
bent de fon latin , niet meer wee' 
ten wat men aanvangen zal ; un bout 
de corde , een endje touw y le haut 
bout, het hooger end, de hooger band; 
tirer quelcun à haut portant, 
iemand met de tromp op de borjl neér 
fcbieten ; au bout da compte , by 
flot van reekening; Ce mettre fur lé 
bon bout , zig wakker opfchikkeny 
bout à bout, punt tegen punt. 

Boutade , (f) Il lui prend fou- 
vent des boutades, Ay krygt femtyds 
nukken , kuuren invallen» 

Boutant , (adj.) {Zie Arc-boutant), < 

Boutargue , ( f ) Soort van kaviard,. 

Boute , ( f) fVater- of fcheeps-balie. 
Bouté, ée (adj.) Cheval bouté, 
Paerd dat regte fcbenkels heeft. 
. Boutée , ( f) Een fcboor,]lut. 

Boate-entrain , (m) Zekere grof 

ne Spegt met ten zwarf flfkje op bef 

fioo/d^ 



BOU. 

hiofJf die andere opwakkerd ;{ figuurl,) 
een vrolyken baas. 

Boute-feu , (ra) Een brandjlichter ; 

ijig') een ötookebrand , roervitik , twijl- 

maaker ; een bus-fchieter ; een lont-Jink. 

Boute-hors , (ra) Goede uitjpraaky 

{oud w.) 

Boute-hors , (m) Gyk yfpieryfpaak, 
(zee w.) 

Bouteille , ( f) Een fiefch , of fles ; 
blaas op bet watef, ai mer la bou- 
teille, veel van de flefcb baadt n. 

Bouteillier, (m) Schenker des Ko- 
iitngs , Keldermeejïer , Bottelier op 
een f chip. 

Boaier, fe bouter, (v. r.) Zig 
mérzetten {oud w.) ; Bouter (v. a.) ua 
Cuir , V V leef eb van de huidaffchaaven. 

BouteroUe, (f) Beflag onder aan 
eenfcheede (n). 

Boutes ) (f) Ballen , tobben, 
{fcheeps w.) 

Boute felle , (m") Het geblaas te 
paerd (n) ; fonner ie boute felle, te 
paerd blaazen om op te zitten. 

Boate-tout-cuire, (m^ Doorbren- 
ger., verkwijler, {gem. av.) 

Bouteux , {m) Net om garnaalen 
te vangen (n). 

Boutique , ( f) Een winkel j lever 
boutique, een winkel opzetten', gar- 
çon , fille de boutique ,winkel-knegt- 
of dogter i faire de fon corps une 
boutique d'apothicaire , van zyn 
lichaam een' apotheek maaken; faire 
de fa tête une boutique de grec 6c 
de latin , niets dan griekfcb en latyn 
leer en; boutique à j^oiffon^vifch'kaar. 

Boutiquier, (m) Een winkelier. 

Boutis , ( m ) Plaats daar het 
zwarte wild wroet. 

Boutoir i (m) Mes om de hoeven 
der paerden af te fieeken (n) ; bou- 
toir d'un fanglier , de fnuit van 
een wild zwyn. 

Bouton, (m) Een knoop', boom' 
of plant-knop ; puifi die in het aange- 
zigt komt i bouton de mire , een 
mik-knop. 

Boutonner , (v. a. fic n.) ïoi'itnoojp/'»; 
ineppen fcbieten j met puijien uitjlaan. 

Boutonnerie, {f) Knoopmaaiery. 

Boutonnier , (m) Een Knoopmaaker. 

Soutgnnieres (f) Sivgo^at (n). 



BOU BOY. BOZ. BRA. Z7 

Boucure, { f ^ btjpruitze/ , fpruis 
van een boom; wynjleen-water , door 
de Zilver-fmtts gebezigd om het Ztl- 
ver wit te kooken (n). 

Bouvart , (m) Jonge Stier, 

Bouverie , ( f, OJen-fial. 

Bouvet, (m) Een ploeg- fchaaf { f)^ 
{by Timmert.) 

Bouvier? (m) OJJetjdryver , OJfen- 
hoeder j een der Hem els- te kenen j quel 
bouvier eft cela? wat plompen a 
dat? 

BouviUon, (m) Jonge Os. 

Boyar , (m) Boy ar { eertytel den 
grooten aan 't Mofcovifcb Hof gegeven). 

hioyau , (m) Een darm ', fpeel~fn aar ; 
affnydmgen , loop-graaven Jïangs~wy^ 
ze gemaakt {m krygsk.). 

Boyautier, {ta) Een Snaar^maa* 
ker. 

Boye , ( f) Een boey , ton of an- 
der teeken tn zee, {fcheeps w.) 

Boy ér , (m) Boeijer { zeker Vaar- 
tuig). 

Bozel , (m) Ring om de voet van 
een Pylaar. 

Bracelet 9 (m) j4mi-band , arm^ 
cieraad. 

Brac her, (v.n.) Uit al zyn magt 
fchreeuwen. 

Brac het, (m) Een brak j {zekere 
Jacht- bond). 

Brachial, (adj.) Muscle brachial, 
arm-fpier {in Ontleedk.). " 

Brachio , (m) Jong van een Beer , 
(n). 

Brachmanes , (m. pi.) Indifckê 
Wysgeeren. 

Braconner, (v. n.) Op verbodene 
velden jaagen. 

Braconnier , {m)Jaager daar van, 

Brague, (f) Broeking , vaftforring 
van een fcheeps affuit. 

Braie, (f) Scbeeps preefenmng{vaa 
beteerd zeildoek , enz.) 

Braier. {Zie Brayer). 

Braillard, arde (adj.) Schreeuwer; 
Scbreeuwjler , {gem. w.) 

Brailler > (v, n.) Schreeuwen ^buU 
ken. 

Braillenr , eufe (adj.) Schreeuwer^ 
Schreeuwjier, 

Braire, (v. n.) Balken ^ fcbreeu- 

wen {war4 yan ËZfh £Mf^<^i 0/^ ^y 

F 4 Imr. 



88 BRA. 

hun natmrlyk geluid voor thren gen). 
Braife, (f) G/oeijende kool (m). 
Bramer , (v. n.) Schreeuwen als 
een hert (zie Réer). 
Erarnin , (nji Een Indifche Pn'ejltr. 
Bran ou bren , (m) I^rek (m) ; 
uitwerp/el van een menfcb {n: ; groo- 
ve zemel; bran de vous, ik heb den 
brui van U. 

Brancard , (m) Een rQS'haar,draag- 
Jlcel ^ draag~bed. 

Brancardier? (in) Een die dezelve 
draagt. i 

Branchage, (m) Tak-iverk , rys- 
werk (n), telgen, kleine takjes. 

Branche, (f) Tak im)j iets dat 
ergens uit voortkomt ; branche de 
veine, tak van een ader; branche 
de généalogie , gejlacht-linie j bran- 
che de cifeau , blad van een fchaar ; 
branche urfine , ou acanthe , bee- 
ren-klaauw. 

Brancher, (v^.& n.) y^an een boom 
Ophayjgen ; zig op een tak zetten. 

Branchier, (tn) Jonge Roofvogel. 

Branchies, (f. pj.) l^ifch-k/euiven 
(in Geneesk.) 

Branchu , ue fadj.) Getakt; un 
arbre fort branchu, een digt getak- 
te boom. 

Brand , (m) Een Jlag-zwaerd (n). 

Brandes, (f. pi.) Dorre , afgevalle- 
ne takken ofboomen\een kreupel bofch. 

làïa.nàebo\xr g ,{my Regen-rok f reis- 
rok. 

Brahderie , (f) Plaats alwaar 
Jierke dranken gefiookt worden , Bran- 
dery. 

Bran de vin , (m) Brandewyn , (be- 
ier Eau-de-vie}. 

Brandillement , (m) Slingering (f), 

Brandiller > (v. a.) ölir.geren, 
Jcbongelen. 

Brandilloire , (f) Schongel, wip 
(ra)' 

Brandir , (v. a.) Een geweer zwaai- 
jew. 

Branden , (m) Een flroo-fakkel ; 
Proo-wifch ; gloeijende bouten die in 
een brand opvliegen. 

Brandonner,(v.a.)/É'«w^f arrefl 
beleggen ; te koop jïellen. 

Branlant, ante (adj.) Schuddende. | 

Branie, (m) Mettre en branie , i 
<M ieweeging , aan de gang belpen -, 



BRA. 

donner Ie branltaune affaire i,eene 

zaak aandryven , voortzetten ; bran- 
ie , etn hang-mat voor 't Scheeps-volk. 
' Branie , (m) Een ronde dans. 

Branlé , ée (adj.) Gefchud. 

Branlement , (m) Schudding , wag- 
geling ( f). 

Eranier ,(v. a. & n.) Schudden ^flin- 
geren , wapperen ; branler Ia mac foi- 
re, met de kaaken-beenen fchermeh; 
dent qui branie, tand die losjlaat', 
les ennemis commencent à bran- 
ler , de vyanden beginnen te wyken ; 
branler au md.nchi: ^wankelen. (fpr.) 

Branloire , ( f ) Klein keetentje 
waar mede men den blaasbalk van een 
Smids trekt (n). 

Braque , (m) Een brak (zekere Jcgt^ 
hond). 

Braquemart , (m) Een kort en breed 
zwaard, nu met meer gebruikt (n). 

Eraqueraent, (m) Gefchut fïelltng ; 
wenaing van een wageti (f). 

Eraquer, (v. a.) 't Gefchut JleU 
len ; een wagen wenden. 

Bras , (ra) Een arm ; à tour de 
bras, uit al zyn macht ; il n'a pour 
vivre que fes bras, hy bejlaat alleen 
van zyn handwerk ; à pifcin bras, 
by de vadtm ; fe jatter entre les 
bras de queicun , zig in iemands ar- 
men werpen ; c'eiî f on bras droit , 
Jat is zyn Jieunzel', ■prêter fon bras 
à quelcHn, iemand de hand leen'en ', 
demeurer les bras croifez, met de 
handen over malkanderen blyven zit" 
ten; livrer queicun au bras lécu- 
lier , iemand aan den waereldlyken 
Rechter overgeven ;hras de fauteuil, 
leuning van een arm-floel. 

Braler, (v. a.) Tzer aan malkan- 
der zweeten , fmeeden, 

Brafier , (m) Gloed ;gloeijende kool , 
vuur- pot (m) , komfoort (n) ; item 
eene liefde-vlam» 

Bralilier, (v. a. & n.) Over de 
kooien braaden , rooflen. 

Braflage , (m) Munt-geld, munt- 
loon van het munten van geld (n). 

Braflard , (m) ^^rm - ivapen (n) j 
arm plaat ( f) van een oorlogs-held. 
Brafle , (f) Inadem, vaam. 
Bralfée , ( f) Een arm vol, zoo veel 
men met ësn arm omvatten kan. 

Bras- 



BRA. BRE. 

BraflTelet. {Zie Brac elet). 

Brafler, (v. a ) h rouwen, onder 
een metti^en j quaad Jïigten ; ce co- 
quin a braffé cela concre lui , die 
gui f heeft dat tegen hem gbrouwd; 
braffer le^ vtrgues, de reen langs 
fchi'pp brajferj) (zee w.) 

B ^iirerie, (f) Brouwery. 

Brafleur, eufe (m. & f.) Brou- 
wer , Örouivjier. 

Braffieres, (f. pi.) l^rouwen- of kin- 
der-borjîroii (m). 

Bi-alTin ,(m)Lirouiv-kuip , (f) brouw- 
ketel (m); brouwfel (n). 

BraiToir, {rü)Roer-jïok in de munt. 

Bravache , (m) Snorker , fnoe'ver , 
opfnyder , zivetzer. 

Bravade , ( f ) Trotsheid , gezivets , 
Dpgeblaazenheid. 

Brave , (adj.) Deugdzaam ; dapper, 
manhaftig , ontvertzaagd ; c'eft un 
brave jdat is een onverfchrokken man ', 
les braves cherchent à acquérir la* 
gloire , de dapperen zoeken roem te 
behaalen ; il fait le brave , hy fnyd 
wakker op ; c'eft un brave homme , 
dat is een eerlyk man. 

Bravé, ée (adj.) Getrotzeerd. 

Bravement, (adv.) Kloekmoedig- 
lyk, deftiglyk. 

Braver, (v. a.) Trotzt^ren ,pogchen , 
opfnyden ; braver les dangers , cte 
gevaar en trot zeeren. 

Braverie, ( f ) Pracht , Jlaatzîe. 

Bravoure , ( f ) Dapperheid , man- 
haftigheid , onvertzaagdheid , iedele 
roem , vermetelheid. 

Bray ou bré , (ra) Teer, harpuis, 

Brayer , (v, a) Een fchip met 
harpuis of teer bejmeeren, 

Brayer , (m) Breuk-band. 

Brayetre , ( f) Klep ( f) , gulpje (n) 
van e ene broek ; voorbroek. 

Bray on, (m) JVryf-ihen^ flamper. 

Bréant , (m) Een groene vlas-vtnk. 

Brebiage , (m) Schatting die men 
op de Schaapen legd ( f). 

Brebis, (f) Een Schaap (n); la 
brebis bêle , het Schaap blaet j un 
troupeau de brebis , een kudde 
Séhaapen; qui fe fait brebis le loup 
le niange , al te goed is zyn buurmans 
gek', faire un repas de brebis, een 
muizen maaltyd doen > eetm zqnder 



BRE. 29 

drinken ; une brebiç galeofe gàtê 
tout le troupeau y een Ichurfi Schaap 
bederft 'er veele , {dat is) kwaad ge- 
zeljchap moet me» altoos myden. 

Brèche, {ï) Een bres, opening ■» 
breuk in een muur , ofwal,fchaardein 
een mes ( f)-, nadeel (n) ; il a fait une 
grande brèche à fa réputation j/>y 
heeft zyn eer en aanzien zeer verkleind ; 
faire grande brèche aux proviflons j 
den voorraad raerkelyk verminderen. 

Breche-denc, (m) Iemand die een 
oj meer der voorjie tanden quyt is. 

Biechet , (mj Een Schaapen borfl- 
fluk Î . orjl-been (in Ontleedk.). 

Biécius OU crocs de palafij (mt 
pi.) Talie haaken, {fcheeps w.) 

Brtdtndin , (m) Siag-garnaat , 
{zee u.) 

Bredouille, ( f) Gagner la \iTZ-' 
doa'üle, dubbeld IV innen ; être en bre- 
douille , verbyjierd, bedwelmd zyn. 

Bredouiilemenc , (m) Hakkeling f 
JÎ amer mg {£). 

Bredouiller , (v. n,) Hakkelen , 
fa mer en.. 

Bredouilleur, eufe (m.&f.)flaJ^- 
kelaar , Hakkelaarfier. 

Bref, breve, {&Û].) Kort , beknopt. 

Bref , (adv.) Kort om y en bref, 
in korten, wel haaji. 

Bref , (m) Paujfelyk brevet , of brief 
(m); kort begrip van den roomftbe» 
Godsdienji (n). 

Brehaigne , (adj.) Biche brehai- 
gne , onvruchtbaare Hinde. 

Brelan, (m) Een Kaart-fpel me» 
drie kaarten. 

Brelandcr ,(v. n.)In dqbbel-offpeel-. 
fchoolen geJJadig verkeeren. 

Brelanaier , .(m^ Een tuijfcber^ 
dobbelaar , fpeelder. 

Brélandi ier , iere (m. & QKoop- 
en Ambachts-mcin die geen winkel 
heeft ; marsdrauger. 

Brelique - breloque , (adv.) Otf» 
agtzaam , niet heel vaauw ziende , 

Breloque, (f) Prul, vodde. 

Breme , ( f) Braajfem , (vifch'). 

Eren. (^;> Bran). 

Bréneux, eufe (adj.) Bedrekf, be- 
vuild. 

Brequin , (m) Een boor, {Zie Vi- 
lebrequin), 
P 5 Brc^ 



po BRE. BRL 

BreCl , (tn) Bois de brefil , brazh 
lie- of r 00 J-bout (n). 
' Brefiller, (v. a.) Met brazilie'hout 
verwen. 

Brefillet, (m) Soort van braziUe- 
bout ( f ), 

Breffin, (m) Palan, ou Gumde- 
relTe , taaUe , takel-gyn , om jcheep 
iets mee cp te hyjfen. 

Bretailler, (v. n.) Om een haver 
iaf va» leer , den degen trekken. 

Bretaiileur , (m) Ken Snoever-, 
Windmaaker , Voorvegter. 

Brecauder, (v- a.> Een Paerd kort 
oor en. 

Bretelles, {£. pi.) Ledere band ^ 
draagzeel ; band om de broek op te 
houden, {een galg genaamd). 

Brette, (f) A>« lange degen (m). 

Bretteler oa bretcer , (v.a.) Een 
tauur af bikken , gelyk maaken. 

Bretteur , (m) Een f^oorvegter , 
fen die een lange degen draagd. 

Brevet, (m) Gunji-brief des Ko- 
rnngs , Schrift ; A£le van aanjielling; 
ieer-brtef. 

Brévetaire, {m)Een dooreenBre- 
vet aange/Jelde, of benoemde. 

Bréviaire, (m) Een RoomfchKerk- 
tfGety-boiek (n); dire Ton bréHai- 
re , zyne getyden , dagelykfche gebe- 
den Ie e zen. 

Bréviateur, (m) Pauffelyke bullen- 
fcbryver. 

Breoil , (m) Een omheind bofcb, 
dtergaarden. 

Breailler, ou brouiller (v.a.)Ies 
voiles , de zeilen reeven , opbinden. 

Breuilles » (f. pi.) Het ingeivand 
van een Haring. 

Breuils , (m. pi.) Reef -banden, 
{Scheept w.) 

Breuvage « C"^) Drank. 

Bribe , ( f) Een Jluk brood (n) , 
overgefchooten brok (ra). 

Bricole , ( f) Ledere draag-band 
(m) 9 j^agt-net (n)j draai , bogt van 
een bal (m) ; Paerden-tuig (n)) c'eft 
ane bricole,d^ is eene beuzelagttgt 
merfcbooning. 

Bricoler, (v. n.) Weerom fluiten y 
U rug fpringen; uitvlugten maaken. 

Bricoteau, {m)Tree van een weef- 
getouw. 
• Bride, (f) Een torn (m)i li^ 



( BRf. 

cher Ia bride à un Cheval ^ n» 
Paerd den toom vieren ; retenir la 
bride à un Cheval , een Paerd kort 
aan den toom houden -y lâcher la bri- 
de à quelcun , iemand den vryen 
teugel vieren ; lâcher la bride à 
fes paGlons, ztg door zyne harts-toch- 
ten laaten vervoeren; aller bride en 
main dans une affaire, heel omzig- 
tig in eene zaak te werk gaan', bri- 
de de béguin , een keele-band; brides 
à veau , fpreukjes voor eenvoudigen. 

Bridé , ée (adj.) Getoomd, gebrei- 
deld; la becafle eil bridée, c?^ vogei 
ts in de knip, (fpr. w.). 

Brider, (v. a.) Toornen ; betoomen , 
breidelen', brider 1'a.ncre , het anker 
bekleeden om niet te diep te zakken. 

Bridoir, (m) Kin-doek , km-band, 

Bridon, (:n) Ltcbte toom. 

Brief, brieve , (adj.) Kort, {ztê 
Bref). 

Brièvement, (adv.) Kortelyk ymet 
weinig woorden. 

Brièveté, (f) Kortheid. 

Brifer , (v. a.) (gem, w.) Vreeten , 
gulzig e et en. 

Brifeur, enfe (m. & f.) Vraat y 
gulzigaard. 

Brigade, (f) Een hoop Ruitery',of. 
Voet-volk (ca) ; fchaare , meenigte(i)', 
gezelfchap^ (n). 

Brigadier, ( m ) Bevel -hebber ; 
Brigadier. 

Brigand , (ra) Struik-roover, 

Brigandage, (m) Rooverye, dieve- 
rye (f). 

Brigander, (v. n.) Struik-rooven ^ 
plunderen. 

Brigantin , (m) Een berkentyn-fcbip 
(n). 

Brignole , ( f) Zekere pruim ko- 
mende van Brignolen. 

Brigue, (f) Kuipery y na-jaaging 
(f); la brigue étoit forte , de kui- 
pery wasflerk. 

Briguer, (v. a.) Kuipen; briguer 
une charge , een ampt bekuipen. 

Brigueur, (ra) Kuiper ,ampt-kuiper* 

Brillant, ante (adj.) Gltnjïerend, 
flonkerend, vlug, levendtg-, vrolyk , 
lujiig. 

Brillant, (m) Luîfier y glans -, le» 
vt9tHgb9i4 i vhtgheid {t)% " ^ ., 



BRI. 

Brillantcr, (v. sl.) Blinkend y glin- 
fierend maaken. 

.. Briller, (v. n.) Blinken, gUnJîe- 
ren i levendig van aard zyn-, ceft 
un efprit qui brille , dat is een 
vlugge geejî. 

Brimbale , (f) Gek-Jîok rjan de 
pomp (m). 

Brimbaler , (v. a.) De klokken lui- 
den , alarm maaken. 

Brimborion, (m) Vodderye , beu- 
zel ing (f). 

Brin , (m) Een grasje , ziertje , 
/piertje (n) ; brin à brin , van Jiukje 
tQt beetje, 

Brinde y (f) Kleine Merrie. 

Brind'eftoc , (m) Pots , fpring-fiok 
em over de Jloaten te fpringen. 

Brindes, ^f. pi.) Faire des brin- 
des, malkander en toe drinken, {oud vu.) 

Brioche , ( f) Zeker gebak van Pa- 
rys (n). 

• Brioine, ( f) Een foort van wilde 
wyngaard (m). 

Brion , (m) Het bovenjïe Jiuk van 
een S chips voor (leven (n). 
. Brique , ( f ) Gebakken-JJeen, klin- 
ker , mop-Jieen, tichel-jieen (m). 

Briquet , (m) Tzer bejlag , als aan 
tafels enz.(n). 

Briquetage y (m) Nagemaakt te- 
getwerk (n). 

. Briqueter , (v. n.) Met tichel- 
jieen beleggen î iets ticbel-wyze maa- 
ken f nabootzen. 

Briqueterie , (f) Steen-hakkerye 
(f), i> teen-oven (ra). 

Briquecier , (m) Steen-bakker. 

Bris, (m) Breuk (m)î Jioating , 
bryzeling van een Schip, verbree- 
king van iets , als van een zegel , ge- 
'jangenbuhs , enz. (f). 

Brifans, (f. pi.) Blinde klippen', 
brandingen der zee. 

Brife, (f) Avond wind y pajfaat 
wind-, fchutbord aan eenjluis (m). 

Brifé, ée {d^d'].) Verbryzeld; ge- 
vouwen', porte brifée , een vouw- 
deur-, un cœur brifé,*«ï verjlaagen 
hart. 

Brire-cou , (m) Een Jlegte tree op 
een trap (m) , ongemakkelyk trapje 
(n), (gem. w.) 

^fifées, (f. fl.) Met takken ^e^ 



BRI. BRO. 9ï 

Jiraoide wegen ; aller fur les brilèes 
de quelcun , het voet-fpoor van ie- 
mand volgen ■, hem cfn'ermyren. 

Brifement, (m) < erbryzeling (f). 

Brifer, v. a. C* n.; lerbryzelen* . 
breeken; ils ont brifé enfemble, zy 
zyn onvrienaen gewerden; brifona* Ja-. 
deffas , laat ons niet meer daar 
van fprecken; unt va Ja cruche à 
l'eau qu'à la fin elle fe briié , de 
kruik gaat zoo lang te wcter tot dat 
zyberji. 

Brife-vent , (m) Wind-fcherm van 
riet in tuinen (nj. 

Brifeur, (m) ^erbryzelaar-, bri- 
feur d'iœages, beeld-Jiormer. . 

Brifis, (m) Een platte gebroken 
gevel. 

Brifoir, (m) Een braak voor vlas 
of hennip, 

Brifure, (f) Balk of keep m een 
wapen y {in l^'dpenk.) 

Broc , (m) Een but , groote wyu- 
kan , flap; manger quelque choft 
de broc èn bouche , iets van hef 
fpit in den mond Jï e eken y eet en zoa 
ras het gaar is. 

Brocanter, (v. n.) In rariteiten 
handelen , ruilebuiten. 

Brocanteur, (m) Rariteit - kraa- 
mer, verruilder. 

Brocard , (m) Een fpot- offchimp-re' 
den f een Ji eek (n). 

Brocarder, {v.ü.)Befchimpen, met 
woorden Jieeken. 

Brocardeur , eufe (tn. & f.) Be- 
fchimper ; befchimpfler. 

Brocart , (m) Coude of zilvere ge- 
weeven Jloffe (f). 

Brocatelle , ( f ) Stoffe waar van 
hebangzels maakt. 

Broccoli, (üï) Spruiten van oudi 
koolflronken. 

Broche , ( f) Een braad-fpit ifpylt- 
je,/iokje om kaarjfen y haaringen enz, 
aan te hangen ; tapje , zwikje in een 
wyn-vat (n)^ fptl van een fpinne- 
wiel ; fchoenmaakers bros ; rans aan 
een druk-pers ; brey-naald (m) ; œeCr. 
tre à la broche, aan het fptt Jlee-» 
ken ; tourner la broche , bet fpit 
draaijen; mettre une futaille ea 
broche , een vat ontjieeken. 

Broché, ée (adjO Gàreid, enz^ 



^2 BRO. 

Brochée, (£) Een f pi f vol ge- 
braad; een fpyl vol kaarjen. 

Brocher, (v. a.) Bretjen; een na- 
ftel in de hoef van een Pcierdjlaan ; de 
polleveijen der fcboenen vajl pinnen j 
verhieven werk op een Jl off e maaken ; 
in der haajl iets afroffelen; brocher 
un livre, een boek innaaien. 

Brochév, (f. pi.) De Jlag-tanden 
van een zviU Zuyn', de hoornen van 
9 en Rbe e-bok. 

Brochet, (m) Een Snoek (vifch). 

Brocheton, (m) Een kleine Snoek. 

Brochette, (f) Een houte fpectje 
(n). 

Brocheur, eufe (ra. & f.) Brei- 
jer , breijier, 

Brochoir , (m) Haef-fmits kUnk- 
hamer. 

Brochure , ( f) Ingenaaid boek , 
klein boekje' {n). 

BiOje,(adj.) Bruin, zwartagtig 
van vel. 

Brodé, ée (adj.) Geborduurd j ge- 
Jiikt. 

Brodequin , (ra) Een broosje , half 
laarsje, oud fchoeizel der toneelfpee- 
leren(n); ttem been-yzer ter pyntging. 

Broder, (v. a.) Borduuren , fit k- 
ken-, breder un chapeau , een hoed 
emboordm; broder du point , kant 
tnet ople^-iverk vercteren ; broder 
OU embellir un recic, een verbaal 
wet veel omjlandigheden verderen. 

Broderie, (f) Borduur -iverk ; 
bloemperk {'r\);opfchikking eener reden. 

Brodeur , eufe (m. & f.) Borduur- 
der \ borduurjier ; autant pour le 
brodeur, het verhaal is wakker op- 
gec ierd. 

Brodoir , (m) Hoedemaakers zyde- 
Uos. , ^ 

B-oie , ( f) Een hennip-braak. 

Broiement, (m) U^ryving der ver- 
wen , enz. 

Bronchade, (f) Mtstred t valfibe 
fiap (nr,). 

Bronchement,(m) Sruikeling (f). 

Broncher , (v. n.) Struikelen; il 
■n'efl: fi bon cheval qui ne bron- 
che , hst bejîe paerd Jîruïkeld wel 
eem , (fpr. w.) 

Bronze, ;m) Metaal; zeker koper 
9iet andere berg-jiofen vermengd {n)^ 



BRO. 

cœar de bronze , jleene hart; Jet- 
ter une ftatue en bronze , een me- 
taaie beeld gieten. 

Bronzé, ée (adj.) Verkoperd ; cnlx 
hronzé , kamoes-leer. 

Bronzer, (v. n.) Mef mef aal-verf 
overjiryken. 

Broquart, (m) Een jong Hert. 

Broque, {() Spruit van oude kool- 
flronken. 

Broquettes , (f. pL) Kleine nagelt' 
jes met ronde koppen, 

Broflailles ou brouffaîlles ,(f.pl.) 
Doornen, Jirui ken , haagen. 

Broffe , ( f) Een borjlel , kleêr~bor- 
Jiel, kzvajl (m). 

Br offer , (v. a.) Afborjlelen ; door 
beggen en Jiruiken loopen ; br offer 
les lettres , de vormen afwajfchin 
(by Drukkers). 

Broffier , (ra) Borfiel-maaker. 

Brou , (m) Spruitje , lootje , dat in 
't voorjaar uit de hoornen komt (n) i 
fchil van groene nooten , boljïer. 

Brouaiiles, (f. pi.) I>jgewand van 
vifch , enz.Jn)' 

Brouéé, (f) Mijl, nevel, fiofre^ 
gen (m). 

Brouet , (ra) Soppe , d'ie men gewoon 
was aan de bruid te geven; ce fut 
un maigre brouet , dat was eene 
magere foppe. 

Brouette, (f) Krui-waagen ; me- 
ner la brouette , met de krui-waa- 
gen ryden, loocen. 

Brouetter, (v. a.) Kruijen. 

Brouetteur ou brouettier, (ra) 
Een Kruijer. 

Brouhaha, (ra) Gefchreeuw; hand- 
geklap in een bly-fpel (n) (gem. w.) 

Broui , e, m ) Blaaspyp van een 
emailleerder ( f). ^ 

Broui ie (adj.) Verzengd. 

Brouillamini , (m) Mengelmoes (n) ; 
verwar dp reden. 

Brouillard , (m) Mifl , nevel; Koop' 
mans klad-blopk; papier brouillard j 
klad- of zuig-papier. 

Brouille, (f) (Xie Brouillerie). 

Brouillé, ée (adj.) Ofjder een ge^ 
mengd. 

Brouilleraent , (ra) Brouillemenc 
des couleurs , mengeling der klew 
ren» 

Srouil- 



BRO. BRU. 

Brouiller , (v. a.) /^ < rmengpn > ver- 
njvarren; tweeAragt wrwekken -, ils 
foUL brouilltz, zy zyn oneentg ge- 
ivorderi; brouille; la cervelle , de 
herflenen verwarren ; brouiller du 
papier, f.afier bek/aMen; fe brouil- 
ler, (v. r.) met iemand vriendfchap 
brei'ken. 

Brouillerie , (f) IWwarring ; 
tweedragt, onluji ^ onrujl (£), 

Brouillon, (m) Klad-papier daar 
men iets ter hops op fcbrypy Koop- 
mans klad-boek (n). , 

Brouillon, onne (m, &f.) Twijl- 
Jïooker , Jloóke brand, wargeejl ; f wijl- 
Jiookjïer. < 

Brouir, (v. a.) Verbranden , ver - 
Zengen , {van kooren gezegd). 

BrouJlTiire, (f) y'erbranding van 
de bïopjfem en bladeren der boomen. 

Er> uflïn , (rn) ^wam van een majl- 
boom ( f). 

Broutant, ante (adj.) Bêcesbrou- 
tantes, loof-eetende dieren. 

Brouter, (v. a.) De toppen van 't 
gras , de kleine takjes af-eeten^ af' 
knabbelen , (gelyk de Geiten) de takken 
korten (by Boven.). 

Broucilles, (f. pi.) Dunne takken, 
daar men takke-bojfen van maakt. 

Brouts , (va. pi.) Spruitjts der boo- 
men die de dieren af knabbelen. 

Broyé, ée (aaj.) GemaaÏen, ge^ 
Jiampd. 

Broyement , {beter Broiement) 
(mj , Het maaien of wryven van ver- 
wen of kleuren (n). 

' Broyer , (v. a.) Maaien j wryven , 
Jiampen. 

Broyeur , (m) Een wryver. 

Broyon , (na^ Een wryfjleen , {by 
Schild.). ' 

Bru , (f) Schoon 'dogter , {zoons 
vrouw) . 

Bruart, {m) Een groene Vlas-vink. 

Brugnon , (ra) Zekere rood-veriit- 
ge p(rfik{{), ^ 

Bruine , (.f) Mot-regen , Jiof-re- 
gen (m). 

Bruiner, (v. imperf.) Mot-rege- 
tien , motten. 

Bruire, (v. n.) Tieren, raazen , 
IruiJJ'chen. 

BruilTement; (m) Raazing , bnm- 
fcbwiif). 



BRü. 95 

Bruit , (m) Gei aas .geruifch ,getier 
(n)j plus cie bruit que de beiogne, 
veel gerucht s en wtinig wol ; fon 
nom t'ait grand bruit dans ie mon- 
de , zyn naam maakt een groot ge- 
rucht in ue uatreld ; l\s exploit» 
auront un bruit toujours durable, 
zyne idaaden zullen eeuwiglyk ver- 
maard zyn; faire courir un bruit, 
een gerucht uitjîrooijen ; avoir da 
bruit avec quelcun , met iemand 
twij} hebben; à petit bruit, zacht-^ 
jes , Jîtlletjes. 

Brûlant, ante (adj.) Brandende, 
heet ; brûlant de zèle , van yver 
blaakmde. 

Brûlé, ée (adj.) Verbrand, ge- 
brand. 

Brûlé , (m) Aangebrand , gefmeuld; 
omelette qui içnz le brûlé , firuif 
die aangebrand is , of als zoodanig 
riekt. 

Brulement, (m) Brand -Jlicht ing ^ 
branding. 

Brûler, (v. a.) Branden, verbran- 
den. 

Brûler, (v. n.) Verbranden, door 
vuur verteerd worden j brûler de 
quelque pafllon, van eenige drift 
blaaken', il brûle d'envie de fe 
venger , hy brand van verlangen om, 
zig te wreeken; je brûle d'amour 
pour elle , ik blaak van liefde toP 
haar-, fa chandelle brûle par les 
deux bouts , zyn kaars brand aan 
twee kanten , {dat is) de man verteerd 
zyn geld buitens, en de vrouw binnens 
buts. 

Brûleur, (m) Brand-Jïichter. 

Brûlot, (m) Een brander, {fchip 
waar mede andere in brand gejïooken 
worden), werp-toorts ; j'ai avalé un 
brûlot & j'en ai la gorge toute en 
feu , tk heb een brand -brok {iets dat 
t.' Jïerk gezouten en grpeperd is) inge^ 
Jlokt, en heb 'er de gloed nog van 
in de keel. 

Erulure , { f) Brand, gehrandheid^ 

Brumal, aie (adj.) Dât 's winters^ 
of tn den winti-r komt. 

Brume , (f) I^en zwaar e mif} of 
nevel 'm) , een' dik betrokki ne hi-ht { f )- 
dans la brume tout le mon ie eft 
pilote , uityd van nogd is t^oy meefler^ 

Bru- 



i4 BRU. BU. BU A. 

Brun, (m) Hrnine kleur , een bruhi- 
hairige; bai-brun, kajianje bruin. 

Brun , une (adj-) Bruhi; couleur 
brune , esve bruine kleur ; humeur 
brune, eenztvaarmoe digeinborjl. 

Brune , ( f ) Een bruinet , vroww- 
menjch dat bruin hjir beeft i fur la 
brane y in iiefchemf ring. 

Brunelle, (f) Beer en-cor , {zeker 
Vfonde-kruid). 

Brunec, ecte (adj.) Bruinachtig. 

Brunette, (f) Bruinetje, bruin- 
meisje (n). 

Bruni, ie (adj.) Gebruineerd. 

Brunir, (v. a.) Bruineeren, gtad- 
maaken. 

Bruniflage , (ra) Bruineer-werk (n). 

Brunifleur, eufe (adj.) Bruineer- 
der f bruineerjier. 

Bruniffoir , (m) Een bruineer-fteen 
tfftaal. 

Braniflure , ( f) Het bruineeren. 

Brasque , (ad j.) Haafiig , oploopend ^ 
Jïuurs, bars, wuft , wtld. 

Brasquerabille , (m) Zeker Kaart- 
fpel. 

Brusquement , (adv.) Barjfelyk , 
haafitglyk , opjluivend. 

Brusquer , (v. a.) Bars bejegenen. 

Brusquerie , ( f)Barsteid,Jiuurs- 
heid. 

Brut , ute (adj .) Onvernuftig , ruuw; 
fcête brute , onvermifttg dier ; fucre 
brut, ruwe zuiker-^ diamant brut, 
Ongeflepene diamant. 

Brutal 5 aie (adj.& f.) Beejïagtig; on- 
hefcboft ; een onbeschoft kaerel o/vrouw- 
menfcb. 

Brutalement, (adv.) Onhefchoftelyk. 

Bratalifer, (v. a.& n.) Onbefchoft 
iijegenen , beejïagtig leven. 

Brutalité , ( f) Onbefchoftbeid. 

Brute, (f) Een onvernufttg dier; 
lés brutes , het redenlooze vee (n). 

Brutier , (m) Een Havik , (zekere 
Roofvogel. 

Bruyant, ante {&à.].) Geraas maa- 
iend., tierend; voix ,mer bruyante , 
harde flem ; bruijfende zee. 

Bruyère, (f) Eene Hei ^ Heide. 

Bu , bue {z.'i].)Gedronken ; bezoopen. 

Buanderie , ( f ) Een waf: h-huis (n). 

Buandier , iere (m. & i.)JVaJfcher , 
tvafchjier, {beter Blanchiffetu: , eufe) 



BÜB. BÜC. BüE. BUF. &e. 

Bube , ( f) Klein gezwel jpuijije op 
bet vel (n). 
Buberon, (ra) Kinder-tuit -, tutti 

tuit-kan (f). 

Bubon, (ra) Gezwel aan de Liefck 
(n),pej}.buil(£). 

Eabonocele ,(m) Een foor t van 
breuk aan defchaamdeeïen, 

Buccinateur ,{m)Een die de trom- 
pet , bazuin blaaft. {oud w.) 

Buccine , ( f ) Een Bazuin [oud w.) 

Bucentaure , (ra) JZ'eker l^ene- 
tiaanfcb groot, galjoen fchip (n). 

Bûche , ( f) Een groote dikke blok 
brandhout (ra) ; kers-blok ,} een dom 
onverfïandig menfch (n)} een Haring- 
buis (f). 

Bûcher, (m) Hout-zolder', een hoop 
hou- } hout-Jïapel- of myt. 

Bûcher, (v. à.) Hout hakken tot 
br and-hout. 

Bûcheron , (m) Hout-kapper-bak- 
ker ; opjlapèlaar daar van. 

Bûchette, (f) Een Idein droog 
houtje (n) , af-jal. 

Buée, (f) Deloog-wafch(xn),{oudw.) 

Buffet , (m) Èen aanr echt-taf el , 
tafel waar op men glazen , vaaten , 
enz. zet (f); al het zilver-werk dat 
op de tafel diend; kas waar in d2 or~ 
gel-pypen Jiaan y Buffet , (n). 

Buffeter, (v. n.) Een wyn-vat on- 
derweeg open boor en om daar uit te 
kunnen drinktn. - 

Buffeteur , (m) Een die de vaaten 
weet op te Jïeeken om 'er uit te drin- 
ken. 

Bafïïe,(m)5«/>/ , wilde os; Uére kol- 
der (ra) ; een onverfïandig menfch (n) ; 
cacher un buffle fousfon pourpoint, 
een zot zyn. 

Bugle , ( f) Beeren-oor , {zeker won- 
de-kruid). 

Buglofe , (f) OJfe-tong, (zeker 
kruid). 

Bugrane ou bougrane , (f) Pra»g- 
•wortel (m) ,Jlal-kruid (n). 

Buhots, (ra. pi.) Geverfde ganzen- 
veeren die de pluim-maakers op hun 
vengfler zetten. 

Bujre OU buie (f) Een groote zil- 
vere*ofporcelyne pot of kruik (m). 

Buis , (m) Palm ; palm-boom (m) ; 

een palm-boomen Ukhout der Schoen- 

maa- 



BÜI. BUL. BÜP. BUR. 

nmakers (n) ; peigne de buis, een 
palm boute kam (f). 

Buiflbn , (m) Doorn-hofcb (n) ; doorn- 
haage (f); buiflbn ^xàçnt ^branden- 
de braam-bofcb ', planter des arbres 
en buiflbn , dwerg - boomen plan- 
ten. 

Buiflbnnet, (m) Klein bofcbje (n). 

Buiflbnnier , iere (adj.) Faire 
l 'école buiflbnniere yfpeeten hi plaats 
van fchool gaan', een krampje loopen. 

Biilbe, (f) Bloem-bol (m). 

Bulbeux , eufe (adj.) Bolacbtig, 
dat met een bol waji. 

Bullaire , (m) I^erzameïtng van 
Bullen , ofpaujfelyke brieven ( f). 

Bulle, (f) Eene Bulle, Paujfelyke 
brief (m); fulminer une buUe , een 
Kerkelyke Wet uitblikzemen j bulle 
{in deNatuurk.) Lucbt-bolletje in heet 
waters 

Ballé,ée (ad}.) Met de noodige ze- 
gels voorzien. 

Bulletin , (m) Ordre der Overigbeid 
toP bet buisvejien der Krygsheden -, 
keur-eedel , waar by men zyn fiem 
geeft; item gezondheids-pas. 

Buraliflie, (m) Commis, fcbryver 
çp een 's Lands- comptoir. 

Burat , (m) Grof- of py-laken {n). 

Bure, (f) Py, {grove fioffe) 

Bureau , (na) Sebryftafel{f) ; Comp- 
toir (n) ; bureau des polies, poji-comp- 
t9ir,poJÏ-buis j bureau d'addrefle , ie- 
mand die alle nieuws weet ; prendre 
l'air du bureau , navorfcben nu at gevoe- 
lens de Rechters over eene zaak heb- 
ben j Ie bureau n'eft point pour 
lui, de Rechters zyn niet voor hem; 
bureau des impôts, het impoji-comp- 
toir; Paris efl Ie grand bureau des 
merveilles, Parys is het groot comp- 
toir der wonderheeden, 

Burelé, ée (adj.) Met fmalledwars- 
fe fïrerpen bezet (in Wapenk.). 

Buret , {m)Een purper vifch, daar 
de ouden purpere verwe van bereid- 
den. 

Burette , ( f) Wyn-kan voor 't u4U 
taar (m)', olie-fiesje (n). 

Burettier, (m) Mis-dienaar. 

Burgau , (m) Meer-Jlak { f). 

Burgrave , (m) Burg^graaf. 

Bnrin , (mj Graveer-yzer {n). 



BüR. BÜS. BUT. 95 

Buriner , (v. a.) Graveeren , fny^ 
den, uitjleeken. 

Burlesque , (ad j.& f.) Boertig }fpot~ 
achttg j klugtige fchryf-Jlyl. 

Burlesquement, (adv.) Boertiglyi. 
fnaakeriglyk. 

Burfal , aie (adj) Edit burfal, 
geld-placcaat. 

Bufc, (m) Plansjet in een ryg-lyf 
(n). 

Bufe , (m) Een Havik , {zekere Roof^ 
vogel); een gek , botmuil , Jïeiloor. 

Büsquer , (v. a.) Busquer fortu- 
ne , zyn geluk zoeken. 

Basquiere . ( f) Schuif; item borfi^ 
aan een ryg-tyf. 

Bufte , (m) Borjï^beeld (n). 

Buftuaire , (mj Kampvechter by de 
Romeinen. 

But, (m) Oogmerk y oogwit y doel- 
wit (n); arriver à fon but, zyn 
oogmerk bereiken; frapper Ie bVit^ bet 
doel treffen; de but en blanc , lojfe- 
lyk , onbedagtelyk y zonder overleTi 
jouer but à but , kamp op fpeelen. 

Butage, (m) DienJÏ die eenenBoer 
zynen Beer verfcbuldigd is. 

Bute , ( f) Tzer om een Poerde^ 
hoef mede uit te fieeken (n). 

Buté, ée (adj.) f^oargenoomen, ge^ 
mikt , gedoeld. * 

Buteau , (m) Een onbeleefd menfcb» 

Buter, (V. nO Mikken, doelen, 
ergens op oogen. 

Butiere ou buttiere, (adj.) ^f- 
ker roer om mee naar de Vosel te 
fchieten (n). ^ 

Butin, (m) Buit, roof die men op 
den vyand haald. ^ 

Butiner, {v.z.)Buit maaken .roo- 
ven , plunderen. 

Butor, (m) Roerdomp ,putoor.(zf^ 
kere vogel). ^ 

Butor, orde (m. & f.) Een dom^ 
onbefchoft menfch {n). * 

Butce, (f) Een opffeworpen beu. 
^f f daar de fihutters flaan ; het 
doel derfchutters {n); être en batte 
a ren vie, de nyd ten doel zyn. 

doel ; { figuur i.) na iets flreeven ; f» 
butter , (V. r.) zig bepaalen. 

Butyreux, eufp (adj.) Zaanlgy 
roomtg, \ V j / 5> 

Btt- 



BUT.BUV.BUZ.C.&c. 

Buvabi-e, (adj.) Drmkbaar. 

Bu van de , ( f ) Zap dat men uit den 
àroejfem der druiven haald (n). 

Buveau , ( m ) îVinkel-baak , ( in 
Bouwk.) 

Buvetier , (m) JVaard van de drink- 
plaats der Raadiheeren van 't Parle- 

Biwette, (f) Drink- of ververfch- 
plaats mor de Raadsheeren van 't 

Buveur, fm) Drinker . zmper , zwei- 
oer , likkebroér , nat-hals. 

Buvotter, (v. n.) Met kleine teug- 
jes drinken 

Buze , (t") Pyp van een b laas-balk. 



*:}:***-+***H=***îl-Hî*;!:***:M«-t**^--*îi^H: 



C(m) C.(f) 3^^^ Letter van*t A, 
' B j C , wordende voor a , o , en 
U (in de franjche taal) uitgefprooken , 
els k [by voorb,) cabarec, colonne, 
cuve j maar voor e en i heeft zy de 
klank van f, (by voorb.) ciment, cé- 
der ; insgelyks eok voor a , o , en vi 7 
wanneer 'er een teekentje , (cediUe) 
mder gefield word , (by voorb .) fa , 
■Façon, Leçon, François, enz. 

Ça, , (adv.) Hier , herwaar ds ; cou- 
rir ça & là j gins en herwaards ko- 
pen; qui ça, qui là, de eene hier, 
de andere 'daar. 

pa,(interj.) Lujïig , wakker; ça 
qu'on mette la main à l'oenvre , 
t'fa da*^ men de hand aan 't werkflâ. 

Cabale , ( f ) Verborgen uitlegging 
ier H. Sehrift , zamen-rotting van 
fommigen die malkander en heimelyk 
iu^r/ïa<3«, kabaal. 

Cabaler, (v. a.) t' Zamen fpannen; 
t' zanten rotten; iets kwaads heimelyk 
ontwerpen. 

Cabaleur , (m) t' Zaï^en-rotter , een 
die met anderen t'zamenfpand om een 
beimelyke aanjlag uit te voeren. 

Cabaliae , (m) Jood die in de ver- 
borgen uitlegging der H. Schrift erva- 
ren is. 

Cabalïftique , (adj.) Geheim-kun- 



CAB. 

dig ; verborgen j rcverie cabalïfti- 
que , yuudfche mynieriiig. 

Ca bat e , (.f) Éen klein hui s je, hut* 
je , Jlulpje (n) j Zeemans kooi ( f) ; 
ttem een bedekte platte of tent-fchuit. 

Cabane r, (v. n.) Hutten opjiaan. 

Cabanon, (m) Klein l^uije. 

Caoaret , (m) Herberg ( f) , ffjn- 
huis. Kroegje (n)> cabaret b;rgne, 
Jlegt kro£'gj'i of daar weinig neer ing is. 

Cabaretie - , iere (m. & f.) l^aard , 
ÏVaardln^ener herberg. 

Cabare tique, (adj.) Kroegagtig y 
Waards-huisagt ig . 

Caba:- , (m) Een vygen-korf. 

Cabafle , ( f ) Dronke todde, hoe- 
ren-%vaardin. 

CahdiTer ,(oud en gem. w.) Geld te 
tarnen fchrmnpen; met bedrog zwan- 
ger gaan ; iets heimelyks ivegkaapen , 
Jleelen. ' 

Cabaflet , (m) Een helm , flormhoed 
voor deezen. 

Cabéliau, m) Kabeljau. 

Cabéftan, (m) Spil om 't anker mee 
op te winden; cabeflan volant , loffe 
fpil , hand fpil ; envoyer au cabéftan, 
y voor de Ipil jl'-affen. 
, Cabille, (f) Hoop volks, als: een 
1 horde .arabieren , enz. 
I Cabill-ts, (m. pi.) Juffers ^ rond- 
; houten met 3 gaten aan het wand vari 
! een Schip. 

\ Cabinet, (m) Kafï , kuhmet; ge-^ 

! heim- fiudeer- fch-yf- pronk- konfl- 

i rariteit-kamer f Itfl-huis , tuin-huisjey 

prieel ; orgel-kafl , hand-orgel ; item* 

geheime Staat s-raad. h 

Cable , (m) Kabel , anker - touw '/ 
cable d'affourche , (grelin) lui-touwy; 
bitter Ie cable, ^c/ kabel om de bee-^ 
ting vaji maaken j filer le cable, &o?j 
vieren. ■' ' . ] 

' Cableau , (m) Kleine kabel, boots-\ 
touw , tros« \ 

Câbler, (v. a.) Touw flaan , van^^ 
veele touzven een maaken. .'. 

Cablot, (m) Klein touwije of reep»', 

Caboc hard , de (adj .) Groot-koppig. , 

Caboche, (f) Een taats of fcboen-' 
fpyker ; (flguurl.) hoofd-, kop. 
' Cabochon, (rubft.& adj.) Schoen-, 
fpyker; rubis caboehon, ongejlepen- 

^ ■ Cabo- 



CAB. CAC. 

Cabotage , (m) Zeiling langt de 
fCuJlen. 

Caboter , (v. a.) Langs de- Kuflen^ 
vaaren , af en aan zeilen. 

Cabotcier, (m) f^aartuig daar toe. 

, Cabre, (f) Een Krtkkemik (iverk- 
tutg om Scheep iets mede op te hys- 
fen). 

Cabré, (adj. m.) Cheval cabré ^ 
overeind Ji^^nd Paerd^ (in fFapenk.) 

Cabrer , (v. n.) fe cabrer , (v. r.) 
Steigeren; opjluiven; ce cheval fe 
cabre, dat paerd jleigerd ^ un hom- 
me fage ne fe cabre pas ^een verjlan- 
dig man word niet toornig. 
. Cabri , (m) Jonge Cetten-bok. 

Cabriole ou capriole , (f) Lugte 
Sprong^ krulfprong, kab riool. 

Cabrioler ou caprioler > ( V. n. ) 
Springen. 

Cabriolet, (r») Rytuig (dus ge- 
naamd). 

Cabrioléur oa caprioleur , (m) 
Kabriool maaker. 

Cabrions, (m. pi.) Blokken ^klam- 
pen onder affuit-wielen om ze tegen 
te houden. 

Cabrit. {Zie Cabri). 

Cabron , (m) Joag Geiten leer. 

Cabus, (adj.) Choux cabus ou 
pommé, Buis-kogl. 

Caca, (m) Drek , kafi , (kinder 
woord). 

Cacaber , (v, n.) Schreeuwen als 
een Veldhoen. 

Cacade , ( f) Afgang , Jioelgang ; 
fegte uttval eener zaak. 

Cacao , (m) Kakau. 

Cacaoyer ou cacaotier 9 (m) Ka^ 
'kau-boom. 

Cachalot, (m) Kaasjelot, een der 
grooijle foort vun Walvifchen. 

Cache, (f) Schuil-plaats^fchuil- 
boek ; fluip-winkel. 

Cachement , (m) Verberging (f). 

Cache-platine, (f) Loode plaat 
over het londgat van een gefchut of 
Jleutelgat. 

Cacher, (v. a.) Verbergen y ver- 
fleeken, geheim houden^ fe cacher, 
'v. r.) zig verbergen, verfchuilev. 

Cachet, (m) ZegH^Jignet , let- 
tre de cachet , KoningU bevel brief. 

Cacheté, it i^d'}) Verzegeld, 



CAC. CAD. 5/ 

Cacheter, (v.a.) toezégeïe» 9 ver^ 
zegelen. 

Cachette, (v. a.) Schuil- hoekje -,, 
en cachette, in 't verborgen, ter 
fmuiks. 

Cachexie , (f) Verdorvene lighaam» 
geflcldheid. 

Cachot, (m) Donker hol in een ge» 
vangenbuis. 

Cachou, (ra) Zeker Tndiaanfchboom- 
fap Itefiyk in de mond. 

Cachrys, (m) Rozemaryn. 
Cacique ^{ra) Bevelhebber der zwer* 
vende yirabieren. 

Cacochyme, (adj.) Ongezond ■» voi 
met quaade vogten , (;« Geneesk.) 

Cacochymie, (f) Quaade gefield^ 
beid des b toe ds. 

Cacoethe, (adj.) Ulcère cacoe- 
the , vergiftige zweer , {in heelk.) 

Cacophonie , ( f ) Onaangenaam 
geluid van t' zamenjlootende woorden, 
Gacozéle ,' (m) Ontydige f ever. 
Cacumine, (fj Gevel, fpitfe^ 
Cadaftre , (m) Schat of hoofd re* 
gijler. 

Cadavéreux, eufe (aâ},)Doodver^ 

wi^. 

Cadavre, (m)Dooi/ lichaam, tyk (n). 

Cadeau , (m) Cierlyke trek met dé 

pen j cterlyke doch onnutte arbeid ; gajï- 

maal', onnuttige iojlen. 

Cadedis , ( interj. ) Slappremenf j, 
(gafconier vloek). 
Cadenas, (m) Hangjiot» 
Cadenafler, (v. a.) Met een bang^ 
flot fluiten, {weinig gebr.) 

Cadence, (f) Geregelde y gepafiê 
maathouding in de zang- rym~ ry» 
konfl of in een redenvoering , enz. 

Cadencer , (v. a.) Cadencer les 
périodes , de volzinnen (periodes) 
wel afpaffen , aangenaam voor 't ge* 
hoor maaken. 

Cadene, (f) Slaven-ketting ; put" 
ting aan de hoofd-touwen , {zee w,) 

Cadenette , ( f) Middetfle lok van 
een knoop-paruik-, hair-vlegt. 

Cadet, ette (m. & f.) Jongde of 
jonger broeder-zujier -, cadet aux gar- 
des , cadet , adelborfl onder de gaf dei § 
il eft mon cadet , hy is jonger inde 
bedieninge als ik-, cadet de hautap*- 
petit , e«nfmarmerffmulbrQ§r^,ci^' 



93 CAD.CiE.CAF.CAG. 

dets, (pi.) jongs beeren dien de Ko- 
ning de ivis- feeken- bouw-kunde enz. 
iaat Ie er en. 

Cadette , ( f) /Vierkante vloerjieen. 

Cadetter, (v. a.) Met zulke Jleenen 
beleggen. 

Cadi, (m) Turfche Richter. 

Cadilesquer, (m) Opperrechter in 
Turkyen. 

Cadis , (m) Een foort van fergie. 

Cadifé , (m) Soort van droget. 

Cadmie. {Zie Calamie). 

Cadmus, (m) Halve god by de 
Grieken. 

Cadole , (m) Klink van een deur (f). 

Cadran , (m) Uur-wyzer, uur-plaut. 

Cadrature, (f) 't P^ierendeel van 
een ivyzer-plaat. 

Cadre, &c. (Zie Quadre). 

Caduc, uqae (adi.) Oud, zwak, 
bouwvallig, vergankelyk ; Ie mal-ca- 
duc, fi^ vallende ziekte. 

Caducée, (m) Staf van Mercurius. 

Caducité , (f) Bouwvalligheid, 
verzwakkiKg. 

Caduque. (Zie Caduc). 

Et Caetera , (Latyns w.)in 't Franfcb 
Jïeld men &c. enz. of, en zoo voort. 

Cafard , arde (adj. & fubft.) Schyn- 
heilig. 

Caferderie, (f) Geveinjiheid , but- 
chelary, 

Café,(m) Kofy, Koffy-boon (f); 
Koffy buis (n). 

Cafetan ou CafFtan , f m) Rok die de 
Turkf-he Keizer als een eer- teken geeft. 

Cafetier 9 (m) Koffy- bande laar- 
Jchenker. 

Cafetière , ( f ) Koffy -kan-ket el-pot. 

Caffila, (f) Bende, hoop reizigers 
in Indien* 

Cage, (f) Fogehkooi, kevie-, klein 
beknopt buisje of kamertje ; bet geraam- 
te van eenig gebouw ; mars van fchip j 
kaas-vorm ; tralie op een Zilverfmids, 
of voor eenig ander vengjier',de ruim- 
te voor^ een trap of klok j mettre en 
cage , in de kooi zetten ; item in een 
gevangenhuis zetten. 

Cagée , ( f) Een kooi vol, 

Cagerotte, (f) Kaas-vorm. (Zie 
Cage). 

Cagier , (m) VogeUkraamer . 

Cagnard , arde (adj, & f.) ^«/j 1 
Miaardp (gem* w.) 



CAG. CAH. CAI. 

Cagnarder , (v. n.) / û izig leeven 

Cagnarderie, (f) l'adztgheid. 

Cagnardife , ( f) Luiheid. 

Cagneux , eufe (adj.) Krom van 
beenen. 

Cagot, otte (adj. & f.) Scbynhei- 
lig; huichelaar. 

Cagotterie, (f) Schynheiligheid. 

Cagotisrae , (m) Huiehelar'y ,fchyn' 
heiligheid {Î). 

Cagou , (m) Een aartsgierigaard, 
vrek. (gem. iv.) 

Cagoaillff , ( f ) Cieraad aan 't gal- 
joen van een fchip. 

Cague , (f ) Een Kaag, (vaartuig 
in holland). 

Cahier, (m) Ingenaaid fchryf boek ; 
item een boek daar de bejluiten van 
een Collegie in gefchreeven worden^ 

Cahieu. (Zie Gaïeu). 

Cahin - caha, (adv.) Faire une 
chofe cahin - caha , iets gedwongen^ 
met moeite doen. 

Cahot, (m) Stoot, fchok, boffebot- 
zing van een wagen. 

Cahotage , (m) Hoffebatzing. 

Cahoter, (v.a.) Schudden, floot en ^ 
boffeboffen. 

Cahute , (m) Eene hut. 

Caïc , (m) Galei-Jlaep. 

Caier. (Zie Cahier). 

Caïeu , Kleine bol , klaauwtje van 
knoflook , enz' 

Caille ,( f) Een kwartel ofwagtel. 

Caillé, ée (adj.) Geftremd -, du 
lait caillé , Jlremzel , gernnnene melk, 
du fang caillé, geronnen bloed. 

Oaillebotce, (f) Stuk geronnene 
melk , klonter, klomp (m). 

Caillebottis, (m) Tralie werk(n), 
roojier (m) op 't dek van een fchip. 

Caillement , (m) Klontering der 
melk m de borjïen. 

Cailler ,{v.z.,8>cx\.)LaatenJiremmen', 
klonteren , dik worden j fe cailler , 
(v. r.) flremmen ^ e^iz. 

Cailleteau, (ra) Jonge wagtet (f). , 

Cailletot , (m) Soort van kleine j 
Tarbot. 

Caillette , ( f) Het zakje of maagi 
van een Schaap waar %n het lua 
gemaakt word. j 

Caillot , (œ) Stttk gergnnen bloed 



CAL CAL. 

Caillot-rofat , (m) Rooze peer ( f) 
(zekere zoete peer). 

Caillou, (m) Een kei-Jîeen , kei, 
tuttrjîeen. 

CâiUoutage , (m) Een hoop kel- 
Jieenen. 

Cairaacam , (ra) Kaimakam , groo- 
te Staat s -bediende in Turkyen, 

Caimand, aiide (m. &c f.) Land- 

looper , fchooijer; fchooijïer. 

Caimander , (v» n.) Bédelen, 

Cajoler, (v. a.) Liifkoozen, flik-' 

keflooijen, v Ie ij en ; cajoJer un vais- 

feau , met een f chip door hulp van de 

jlfoom tegen de wind vaaren , opdry. 

ven. 

Cajolerie, (f) f^leijery,liefkoo- 
zery. 

Cajoleur , eufe (m. & f.) Pluim- 
Jlryker j vleijier. 

Caïque. {Zie Caic). 
Cainre , (f) Geld-ktjl , cafla {by 
Boekh.) kiji , koffer; oranien ' kajï ; 
trom ; battre Ia caiffe , de trommel 
roeren; caifle de poulie, blok daar 
de katrol-fchyf in is. 
CaifTetins, (ra. pL) Rozyn-kijijes. 
CaifTette , ( f) Kijije {n). 
Caiffier, (m) Caffter , iemand die 
de kas houd. 

Caiffon , (m) Kijije y brood-pro- 
viand-zvagen in een Leger j bóm-kaji , 
vuur-kiji. 

Caj ute , ( f) Slaap-kcoi (in de Schee- 
pen). 

Cal , (m) Eelt , hardigheid aan 
handen of voeten (f), (durillon) 

Calade , ( f) Schuins heuveltje in 
de Ry-fchool om een Paerd daar af te 
laaten gallopeercn. 

Calarnandre ou calamande , ( f) 
Kalemink \fioffe). 

CaTamédon , ( f) Leen-breuk (f ) , 
(inHeelk.) 

Calament , (m) Ka lam int , wilde 
polei y katte-kruid , (plant goed voor 
de jigt). 
C-dlsLmina.lTe , (2Là']^) Kalmynig. 
Calamine, (f) Kobolt; kalamyn- 
Jieen , waar mede het koper geel ge- 
maakt word. 

Calamiftrer , (v. a.) Krullen , nop- 
pen 



CAL. p9 

foort kalmey^ eertyds ook zeiljïten, 
kompas; item ioof-kikvors. 

Calamité, (f) Elendigheid , jam- ' 
merlyke toefland. 

Calamiteux , eufe (adj.) Elendig , 
rampzalig. « 

Calamus aromaticus, (m) Pf^elrig'» 
kende kalmus. (Lat. w.) 

Calancre , ( f J Soort van grootê 
Lyjier ; kalander , koren-worm j ka- 
lander-moolen , mangel. 

Calandrer , (v. a.) Kalandtren, 
glad y glanzig maak en , mangelen, 

Calandreur , (m) Kulanderer , glan^ 
zer. 

Calangae, (f) Kreek , baai ,bogt, 
kleine wyk voor l^aartuigen, 

Calafdque , (adj.) Remede cala- 
ftique , verzapende artzeny. 
Caibas. (Zie Cale bas). 
Calcaneora, (m) Bet hiel' of veer ' 
zen-been (n). (Lat. w,) 

Calcanthura, (m) Rood gemaakte 
vitriool. (Lat, w.) 

Calcédoine, (f) Kalcedonie-Jleen 
(m). 

Calcet , (ta) Ezels-hoofd op een ga- 
lei maf} (n). 

Calcinacion, (f) P^erkalking der 
metaalen. 

Calciner, (v. a.) Ferkalken , tot kalk 
branden. 

Calcis, (m) Soort van een nagf 
valk. 

Calcul, (m) Optelling, oprekening ^ 
overrekening (f); item de fie en (m) ^ 
't graveel (n). 

Calculable, (adj.) Dat opgerekend 
kan worden. 

Calculateur, trice (m.&f.) Opr^^ 
kenaar; optelfier. 

Calculer, (v. a.) Rekenen, uitre- 
kenen , oprekenen. 

Calculeux , eufe (adj.) Steenagsig, 
gruisagtig. 

Cale , ( f) Het ruim in een fehip 
(fond de cale ) ; het ktelhaalen ; vifch- 
lood aan de lynen ; een baai of wyk 
voor ftheepen in quaad wéér ; een 
fchuinze wal of oord} y zer om gaten 
mee te maaken , (by Smits) ', fpaan 
die men onder een tafel of kafi zet om 
niet te wagchelen j zekere boeren muts , 



Calamité , ( f) Een van de Ben [bef e I ook zekere muts voormaals door Lakeien 

G 2 ge» 



too CAL. I 

gedraagen-, dunner ia cale a quel- j 
cun, iemand kielhaalen ; donner Ja 
cale à un vaiffeau , een fchip kiel- 
haalen j il a porté la cale , hy is een 
Lakei gewefji. , 

C-dlebas ou calbas , (m) Raake taa,- 
je , {Scbeeps w.). 

Calebaffe, (f) Een Kalebas. 

Caleko in, (m) Schoemnaakers hoed 
» f korf j f voor hun fpiriaal, f//?, enz. 

Cj^leche, (f) Kalés {zeker open 
Rytuig). 

Caleç©n, (m) Onderbroek (f). 

Caiéfaaion', (f) P'erivarmbig. 

Calemar, (ra) Pennekoker, 

Calendes, (f- pl-) D'eerjle dag ie- 
der maand', verzameling der dorp- 
Pr iejler s . 

Calendrier , (ra) Almanak , Ka- 
lender , maand- dflg-wyzer. 

Calenge , ( f) (Rechts w.) Aanklagt. 

Calenger, (v. a.) Pynlyk aanklaa- 
een ; in hegtenis neemen, 
" Caler,, (v. a.) Caler ou affiener 
les voiles , de zeilen jiryken , neerla- 
ten ', {figiiurl.) ztg na den tyd fchikken. 

Calevile. {Zie Calleville). 

Calfac ©u calfateur j (m) Kalfa- 
terer. . ,„ 

Calfat , (m) Bet kalfateren van een 
ten fchip (n> 

Calfatage. {Zie Calfeutrage). 

Calfater, (v. a.) Kalfateren, 

Ca'fateur. {Zie Calfat). 

Calfatin , (m) Kalfaat jongen. 

Calfeutrage , (m) Kalfaterwg. 

Calfeutrer , (v. a.) Kalfateren , 
dist maaken -> floppen . 

Caliore, (m) Grootheid, ivydte van 
eênig ding. 

Calibrer, (v. a.) Van behoorîyke 
grootte rnaaken. , . , , t 

Calice, (m) Kelk., drwk-beker; 
kmp ofkelk van een bloem. 

Calife , (m) Opper -Priepr hy de 
Sarazynen. 

Califourchon , à Califourchon , 
(adv .) met de beenen fchryelings , 200 
dis men te Paerd ryd. 

Calin , ine (m. & f.) (gem. w.) 
Leêg-geinger ,Sp!t;boefyttem een foor t 
van met tin en lood gemengd metaal. 

Câliner, fe câliner, (v. r.) Zyn 
gemak neemen, zorgeloos leven. 



CAL. CAM. 

Caliogue. {Zie Carlingue)» 

Caliorne , (f) Gyn-touw y taaktt 
op een fchip. 

Califte , (f} Naam die de Poëten 
aan hunne Minnareffen geven. 

Calleville, {£) Roode guldeling j 
{eert appel) (m). 

Calleux, eufe {d.A\.)l-^ereelt ,hardi 

CiUigraphe , (m) Een Copifï. 

Callofi:é, (f) Vereeltheid , hardig- 
heid dèr huid. 

Callots, (1-. pi.) Ruuwe fchalie of 
leyjleenen (m. pi.). 

Calme , (f. ra. & adj.) Stilte , 
kalmte ,rufl i£) ; flil. 

Calraé, ée (adj.) Geflild; bevrs' 
digd. 

Calmer, (v. a.) Stillen^ hedaaren. 

Calcbre, (m) Een kiel, ov:rtrek. 

Caloïer, (ra) Griekfche Monnik. 

Calomniateur , trice (ra. & f.) 
Lajleraar , achter*lapper ; fchendfier. 

Calomnie , ( f) ^-ichterklap , lajler- 
faal. 

Calomnier, (v. a. ) Lafleren^ 
fchenden , eerrooven. 

Calomnieufement, (adv.) Achter- 
klappend, valfchelyk. 

Calomnieux, eufe (adj.) Schen- 
dend, eerroovend. 

Caloniere.( f) Een klap-hus , {kin- 
der- fpeelt.) 

Calotte , ( f) Platte muts ^ kakt. 

Calquer, (v.a.) Afteekenen , affchet- 
zen na tets. 

Calvinisme, (ra) Het Calvinijien- 
dom. 

Calvinifle » (m) Een Calvinfl. 

Calvitie , ( f) Kaalheid des boofds, 
{weinig gebr.) 

Calumet , (m) Groote tabaks-pyp , 
{by de Indiaan en). 

Calus, (m) Eelt, vereeltheid ,har^ 
digheid aan handen en voeten ; been- 
agtige fioffe (fubftantie) die de gebro- 
kene beenen vereenigd •,{fgicurl.) ver- 
floktheid, verharding , ongevoelig- 
heid. 

Calybite . (m. & f.) Een hutten bc 
zvooner. 

Calyphe. {Zie Calife). 

Caraagnes , Vafle kooien in een 
fchip. 

Camaïeu, (m) Naam van zekere 
Jleem 



CAM. 

^ten daar de natuur allerhande Jjçruu- 
ren , beeld- enfrhildi\ -uerk in gevormd 
heeft; item Jcbtlaerzverk vau éen ko' 
leur, alslblaauiv op hl.iamv. 

Camail, (rti) Koor-kap ; helm-dek. 
Camarade, (m) Metgezel ^makker. 

Camard,arde (m.f. de adj.) Plat- 
neus ; platnevftg. 

Cambage , (m) Bieraccyns. 

Cambayes, Bensiaalfche Jüitioenen. 

Cambifte, (ra) if^Jfelaar, 

Cambouis ) (m) Het fmeer of vet 
dat van een wiel afpers afdruipt. 

Cambrafines, (f. pl.j i-yw^ ^gyp- 
ttfche Lynwaaten. 

Cambré, ée (adj.) Gekromd. 

Cambrer, (v. a.) Krommen, krom 
tnaaken , buigen als de doozen maa- 
iers en fchoenmaakers doen. 

Cambrure , ( f) Kromming , uithol- 
ling , u' e hing. 

Caméléon , (m) Kameleon (een dier 
dat men voorgeeft van de lucht te lee- 
Ven endtkivils van koleür teveranderen). 

Cameléopard , (m) Dier van hals 
als een Kameel en van huid als een 
Luipaerd. 

Cameline, (f) Een gryne rok.' 

Camelot, (m) Kamelot, gryn (n), 
(/o/f) il reflemble au caraelüt il 
a pris fon pil, (fpr. w.) hy blyft 
Zoo als hy is. 

Cameloter , (y. a.) Ms kamelot 
tiiaaken. 

Camelotine, (f^ Stoffe gewaterd 
als kamelot. 

Camerier, (m) Kameraar (Pauje- 
lyke bediende). 

Camerifte , (m) Onder Kameraar. 

Camerlingat , (m) Paujfelyk Scbat- 
meefters-ampt (n). 

Cameflingue , ( m ) PauJJelyke 
Schatmeejfer. 

Camion, (m) Kleine dunne fpelde 
( f ) j kleine wagen (m) of kar ( f). 

Canoifade , ("f) Donner la cami- 
fade à l'ennemi , detf vyand in d?n 
nagt overvallen. 

Camirard , arde (jn, & f.) Zeker 
Geefldryver in de Cevennes in J^rank- 
ryk. \ 

Camifole, (f) Hemhdrok , borfirok 
(m). 
■ Camomille, (f) Kamilk {^lam). 



CAM. ICI 

Camoufîet, (m) Rookend papier; 
donner un caraoutlet à quelcun, 
iemand rook in de neus blaazen. 

Camp, (m) Een Léger (n) , Leger- 
plaats (f)j camp volant, vliegend 
Léger-, affeoir le camp, het Léger 
ncérjlaan. 

Campagnard , arda (f. & adi.) 
Landman , Boer } Boerin ', boerfch j 
c'ell un franc campagnard , hy is 
een r egt en boer. 

Campagne, (f) Veld, Land (n); 
veldtogt ( f) j raie campagne , vlak- 
ke veld', bactre la campagne , het 
wild opjaagen, op kondfchap uitgaan 
(in den kryg)',veel Schryvers aanhaa 
len die mets beduiden (in Redtveerk.) > 
mai fon de campagne , een lufihuis y 
buijenplaats ; pièce de campagne , 
velJfuk. 

Campanaire , (m) Een Klokken- 
gieter. 

Campané j (f) Kampaan , franje 
met knaflen aan een ledikant , fnj' 
werk, enz. 

Campanelle , ( f) Klok-bloem. 

Campanile, (in) Klokken -toren. 
(Zte Clocher). 

Campé, ée (adj.) Gelégerd. 
. Campêche, (f) Kampéfcben -lout 
(n). 

Campement, (m) Legering ^ kam- 
peering (f)» 

Camper, (v. a. & n.) Légeren; 
het Léger neêrflaan ; fe camper , (v.r.) 
zig légeren ; zig tn pofïuurji ellen ," {in 
de fchermfch.). - . 

Camperche, (f) Boom in een tçi- 
pyt getouw (m). 

Camphre, (m) Kamfer, 

Camphré, ée (adj.) Met Kamfer 
toebereid. 

Campine , ( f) Een zeer fyn hoemje. 

Campos , (m) Avoir campos , ver- 
tof hebben (fchool w.). 

Camus, ufe (adj. & f.) Stomp- plat", 
neuzigi een plat-neus ; on l'a rendu 
camus, hy beeft een neus gehaald y hy 
is in zyn oogmerk mislukt, ^ . 

Camufette, (f) Kletnjlomp-neuzig 
meisje (n). 

Canade , ( f) Seheeps-portie wyn of 
water by de Portugiezen. 

Canaille, (f) Gefpujs, gepeupel., 



X02 CAN. 

't graauuf , jan hagel , fegt fchuim 
van volk, jan rap en zyn maat-, ge- 
boefte (n). 

Canal , {m) Canaux , fpl.) i-en 
gragt , haven , vaart j buis , pyp ( »« 
Ontleed- en Bouivk.) groef voor een 
iaad'Poki il y a en Chine un ca- 
nal , qui a plus de 245 lieues & 72 
éclufes , in Cbma is een vaart , die 
meer als 245 mylen lang is en 71 
Jluizen heeft; (figuurl.) il eft entré 
par Ie bon c&na.[,hyis door het reg- 
te middel bevorderd. 
, C^nïimelle,(n ^ttiker-rïet(n). 

Canapé, (m) Ruji-pel mor 2 of 
nifer perfoonen, 

Canapfa, (m) {gem. w.) Knapzak. 

Canard , (m) TVaardy 't mannetje 
van een Eend, Eendvogel; item wa-' 
f er-hond ; bois canard , gezonken 
bout', donner des canards à quel- 
cun , iemand voor de gek houden. 

Canarder, (v, Vi.) Iemand heimelyk 
ter neer fchieten. 

Canardiere , (f) Eende kooi (£); 
item heimelyk fchietgat (n). 

Canarie , (f ) Zekere gezwinde dans. 

Canarie , (m) Ou ferin de cana- 
rie , Kanary-vogel. 

Canaftre , (do) Ledere kifl ( f ) , 
korf van riet (m); thee-kijï. 

Cancan , (m) (gem. w.) Geraas. 

Cancelle , (m) Kleine zee-krabbe. 

Canceller, (v.a.)(»« Rechten) Uit- 
febrappen, door baaien. 

Cancer, (m) Kanker; Kreeft (een 
der 12 hemels-tekenen). 

Cancre , (m) Krab , zee-krab ; zin- 
nebeeld der voorzigtighetd ; item een 
iondsvot , fchohbejak. 

Candélabre, (m) Groene kroon-kan- 
delaar. 

Candelette , ( f) Boeg-touw , par- 
tuur-lyn , (fcbeeps «'.;. 

Candeur , (f) Oprechtheid; agir 
avec candeur, ongeveinjï handelen. 

Candi, ie(adj.)5ucre candi, ia«- 
dy-zuiker. 

Candidat , (m) Iemand die naar 
■fen ampt of waardigheid flaat. 

Candide ,(adj,) Oprecht^ cfenhartig. 

Candidement , (adv.) Ongeveins- 
d/lyk. 

Candir , (v. n.) ff^it of hard wof' 
de» y kanàelizetfiHt 



CAN. 

Candou , (ra) Boom , waar van t 
boutjes genomen en tegens malkander 
gewreven zyndey vuur geven. 

Cane, (f) 'f ïVyfje van een Eend*, 
kaan [vaartuig). 

CanCi^in , (m) Zeem , dun Schaa- 
pen leer tot handfcboenen ; binnenjle 
baji van Lindtn-boomen. 

Caneton, (m) Jong Eend yîVaurd, 

Canette, (f) Jong Eend (n). 

Canetter, (v. n.) Waggelen als 
Eenden. 

Canevas , (m) Kanefas, zeildoek', 
grof en yl 'linnen ; item opjiél , ruuwe 
Jchets van e enig gefchrift. 

Cangé , (m) Ryfi-water (n). 

Cangette , ( f) Soort van dunne 
fergie. 

Caniche, (f) Teef vcin een fchoot^ 
hondje. 

Caniculaire, (adj.) Jours canicu- 
laires, bonds-dagen. 

Canicule, (f) Hond-fier. 

Canif, (m) {lees Ganif) Penne- 
mesje (n). 

Canificier ou c&aRer. Kajffien-boom, 

Canin, ine (adj.) Faim canine, 
honds-honger. 

Caniveaux , (m. pi.) Groote JJraat- 
fieenen. 

Canivet , (m) Klein pennemesje (n). 

Cannage , (m) Meeting met eene 
canne of fiok (£). 

Cannaie , ( f ) Riet-plaats , riet-hit. 

Canne , ( f ) Riet , netJJok , rotting ; 
meetjlok. 

Cannelade , (m) Vaïken-fpys van 
kaneel i enz. 

Cannelas, (ra) Gezuikerde kaneel. 

Canneler, (v. a.) Uitgroeven , uit- 
hollen. 

Cannelle , (f) Kaneel , (tweede 
fchors van een boom op 't eiland Cey- 
Ion) ; item de kleine uitholling aan een 
naalden oog. 

Cannellier, (m) Kaneel-boom. 

Cannelure , ( f) Groeving , uithol- 
ling. 

Canner, (v. B.) Meeten met een 
floky of canne. 

Cannetille , ( f) Gedraaid zilver- 
draad. 

Canetiller, (v. a.) Me$ gedraaid 
zilver-draad bewinden, 

Can- 



^ 



CAN. 

Cannette , (f) Hoever fpoeltje y 
rietje voor den injlag. 

Cannuie. {Zit Canule). 

Canon, (m) Gefchut, kanon -, iocp 
van een Jhaphaan , pijiooi , enz. Jlot- 
Pypf PyP 'z^^" <'*'" g/eter-, tat>ge we- 
vers fpoel-, fchagf van een pen; poin- 
ter Ie canon, het gefchut fiellen. 

Canon , (m) Kerken-orden; kanon 
letter (by Soekdr.) j droit canon , 
kerkeiyk recht. 

Canonial, aie (adj.) Dat tot de 
Kerken orden behoord. 

CsLnome2itj(m)Domheeren ampt (n). 

Canonicité,(f) Geloofs regelmaa- 
tigheid. 

Canonique, (adj.) Regelmaatig , 
txiettig. 

Canoniquement > (adv.) Regel- 
maat iglyk. 

Canonifadon, {£) Heilig verklaa- 
ring. 

Canonifer, (v. a.) Onder 't getal 
der heiligen Jïellen. 

CanoniUe , (m) Een Kerken Rechts^ 
geleerde. 

Canonnade , ( f ) Kanon-fchoot , be- 
Jchieting. 

Canon nage, (m) Kennis des Ker- 
ken rechts. 

CanQnner,(v.a.) Met kanon fchie- 
ten , befchieten. 

Canonnier, (m' Konjïapel. 

Canonnière, (f) Een Schietgat; 
Konflapels tent-, kinder klap-bus. 

Canope , (m) Naam van zekere 
heldere groote fier in het roer des 
S chips , (een gefiernte). 

Canot , (m) Indiaanfch fchuitje uit 
een uitgeholde boom. 

Canqueter, (v. n.) Kwaaken als 
een Eend. 

Cantal , (m) Zekere groote kaas in 
Vrankryk. 

Cantanettes , (f, pi.) Roergaten 
van een Schip. 

Cântar, (m) Zekere olie-maat in 
Portugal. 
^ Cancate,(f) Zekere fiem-muziek^ 

Cantharide , ( f) Spasnj'che vlieg. 

Canthus , (m) De oog -hoek, [in 
Qnleedk.). 

Cantibay , (m) Een gefpleeten fiuk 
■ hom dat nergens toe cfienfiig is ^ (oy 
Schr-niv.), 



CAN. CAP. 103 

Cantine , (f) Vles-Âelder , reis- 
kelder. 

Cantinier , (m) Maaker daar van. 

Cantique , (m) Lofzang ; le canti- 
que des cantiques, het hooge lied. 

Canton , (m) Gedeelte van een 
land, quartier, Jireek , hoek ; can- 
tons Suifles, Zwitzerjche kantons , 
(provint i en). 

Canto nnade , (f) Hoek tn een 
Schouwplaats. 

Cantonné , ée (adj.) Gehoekt , (in 
ff^cpenfch. k.) 

Cantonner, (v.n.) Faire canton- 
ner les troupes , f rop/?i'« hier endaar^ 
in dorpen in quartier leggen, i 

Se Cantonner, (v. r.) Zig ergens 
neerzetten j item zig verfchanjfen. 

Cantonniere , ( f ) Behan^fel aan 
de voet van een Ledikant Xn). 

Canule, ( f ) Een buisje , fpuitje 
(n) , (in hedk.) 

Cap 9 (m) Hoofd (in deezen zin) 
armé de pied en cap, -yjM 't hoofd 
tot de voeten gewapend; parier cap 
à cap, mondeling met iemand fpree- 
ken Î cette pièce a cap & queue > 
dat fiuk is nog in zyn geheel. 

Cap , (m) Foor gebergte , kaap , land, 
dat met een punt in zee fieekt ; dou- 
bler le cap , een hoek te bever: , voor- 
by zeilen j cap ou prouë, boeg , fie- 
ven van een Schip; porter, mettre 
le cap au vent, tegen de wind bou" 
den , {iévenen ; où as ta le cap^.waav 
heht gy de fiévenl caps de mouton. 
Juffers ; cap de more ou c bou- 
quet, ezels-boofd, (zee w.) 

Capable , (adj.) Bequaam ; vatbaar^ 
(geleerd; un porc capable de conte- 
nir &c» een haven vatbaar voor enz, 

Capablement, (adv.) Bequaamlyk. 

Capacité , ( f ) Bequaambeid > groot- 
te; la capacité d'un lieu, de uitge-* 
firektheid fan eene plaats. 

Capage. (Zie Capitation). 

Caparaçon, (m) Paerden dek -kleed 
op fiai ; item fchabrak. 

Caparaçonner, (v. a.) Een Paerd 
daar meé bedekken, 

Capax, (Lat. w.) (Zie Capable), 

Capdeuil y(ïSi) Adelyk Stamhuïs (n). 

Cape , ( f) Een kap , kaper ^fluijer ; 

cape oa grand u'àcàpief Jc/toover- 

G 4 m.h 



104 ' CAP. l 

2^;(, gfoote zeil van een Schip'» n'a- 1 
voir que l'épée & Ja cape , ( jpr.if •) 
'iveinig ef niets hebben; rire fous ca- 
pe, i« zyn vuij} lagchen (fpr. iv.); 
être à la cape , met het groote a>eJ 
h f leggen. 

Capéer. {Zie Cipaycr). 

Capelan , (m) Een arme Paap. 

Capeler, (v. a.) Het -ivant um de 
tnafi aanleggen^ den maji bekleeden. 

Capele:, (m) Gezwel aan de haa- 
zen van een Paerd. 

Capeline, (f) lif^ Jîrooien hoed', 
vrouwen hoed met z' e éren. 

Capeïcr. (Zie Capayer). 

Gapend u ? (m) Zeker appel met 
9 en korte JieeL 

Capayer, (v. n.) Meteen zeil hy- 
leggen. 

Cap har, (m) Tôt, die de Chriflenen 
ffie van ^lepfo naar 'Jerujalera vaa- 
ren ^ den Turken bet aaien. 

Capi-aga , (m) Gouverneur in 't 
Vrouwen-'bof van den grooten Heer. 

Capier. {Zie Câprier). 

Capillaire, {m)P'rQuuen haïr (n), 
(een kruid). 

C'ipillaire, (adj.) Veines capil- 
laires, de dunjîe aderen. 

CapiJlature ., ( f) ou Capillement , 
(m) F'ezelagtigheidder wortelen of, bla- 
deren. 

Capillotade, (f) Opgefioofdvleefch 
(ragout); mettre quelcan en capil- 
lotade , iemand door de» heekel haa- 
ien , doorjlryien , voor den gek houden. 

Capioglan , (raj Oppajfer in 't Se- 
rail. 

Cap ion , (m) Steven luan een f chip 
hy de kiel. 

Capitaine, (m) Hoofdman , Hop- 
rr.an y Kap Hein; Schipper. 

Capitainerie s ( f ) Hopmanfehap ; 
Slot-voogdyfchap (n), 

Capitainefle , ( f) (Zie Capita- 
Jie). 

Capital, alc (adj.) Hoofd f voor- 
ftaamJJe ', ennemi, crime capital, 
bonfd vyand « hoofd-misdaad; peine 
capitale, lyfjîrajey po inC capital , 
iood '.aak. 

Capital , (m) Hoofdfom (f)^ ka- 
pitaal (n), hoofdzaak (f). 
^ Capitale, (f) /foo/^iö^. 



GAP. 

Capitalement , {này .)VoorHament^ 
tyk, hoofdzakelyk. 

Capitan , (m) Blaaskaak , fnorker , 
zivetzer f fnoeshaan. 

Capitan^bacha, (m) Turkfche Bâ- 
cha ter zee. 

Capitane , ( f) Hoofd-galei. 

Capitation , ( f) Hoofd-geld (n). 

Capitel, (m) De allerklaarjle locg 
(f). Loogwater (n). 

Capiteux , eufe (adj.) Vin capi- 
teux, hoofdige wyn. 

Capitole , (mj Het kapitoHum te 
Romen (n). 

Capiton, (m) Vlok-zyde (f). 

Capitoul, (m) Raadsheer te Tou^ 
httfe. 

Capitulaire , (adj.) Dat van 't ka^ 
pitt.eiis. 

Capitulaire, (m) Kapittel veror^ 
dening ( f). 

Capitul'airement , (adv.*) Op dg 
wyze van 't kapittel. 

Capitulant , (m) Een die fïem in 
't kapittel heeft. 

Capitulation , (f) Verdrag (n), 
capitulatie (f). 

Capituler, (v. n.) Verdrag maa^ 
ken y capituieeren wegens overgave. 

Capitzi kiheïa> (m) Opperkamer 
Heer in Turkyen. 

Caplan , (m) Kaplaan (zeker vifch), ; 

Capnomancie , * ( f ) fVaarzeggery . 
uit rook. 

Capoc , (m) Korte boom-woUe { f)» 

Capon , (m) Ondeugende Scholier 
die niets leerd en zyn makkers in 't 
fpeelen maar bedriegd; penter om 'f 
anker op të zetten als 't opgehaald 
wordt 

Caponner , (v. a.) Bedrieglyk fpee- 
len ; het anker aan de penter vaj) 
haakea. 

Caponniere > (f ) Bedekte gang i,i 
een gragt. 

Capoquier , (m) Watten-boom. 

Caporal, (m) Éen Corporaal ,Rot' 
meefler. 

Capofer , (v. a.) Het roer vafl/ 
maak en enzig aan de wind over ge evem 

Capot, (m) Rok met een kap ; kf~ 
pot (in 't piquet fpel) ; faire cap(^ « 
alles winnen-^ ü deffieore C8pot/*y 
verlieji alles^ '^ 

' - ■% 

/' 



CAP. CAQ. 

Câpre, (f) Een kappftr ^ {vrugt). 

Câpre, (m) Kaaper ^ Zee-roover. 

Caprice , (m) Eigenzinnigheid fjiyf- 
ioppigheid; poètifche inval (f). 

Capricieufera»nt, (adv.) Koppig- 
lyk. 

Cipricieux , eufe (adj.) Eigen- 
zinnig. 

Capricorne , (m) Steenbok , item een 
der 12 Hemel s-teknen. 

Câprier, (m) Kapper-boom. 

Capriole. {Zie Cabriole). 

Capron , (m) Eniplfche aardbezie. 

Capfule , ( f ) Zekere aarde pot tot 
(te fchêi ~ kunde {va) j klok ~ buis der 
vruthten, 

Captateur , (m) Een die in eene erffe- 
nis weet in te Jluipen. 

Capter ,_(v. a.; {oud w.) capter 
ou concilier la bienveillance , de 
genegenheid inwinnen, 

Capcieulement, (adv.) Lijîiglyk. 

Captieux, eufe (adj.) Bedriûglyk, 

Captif, ive (adj. & fubA.) Ge- 
vangen; een jlaafy racheter les cap- 
tifs, de Slaaven vry koopm. 

Captiver , (v. a.) Bedtvingen , onder 
werpen -f captiver l'efprit ? het ver- 
jïand gevangm neemen ; captiver 
queicun , iemand verliefd maak/n. 

Capciverie ,{£) Slaaven-handel {m). 

Captivité , ( f) Gevankelykbeid , 
Jlaavernye , dwang. 

Capture, (f) Roof, buit; gevan- 
gen-neeming {in Recht,). 

Capuce , ( f) Francifcaner-kap, 

Capuchon, (m) Monniks.kap yreis^ 
muts , karpoets-muts { £). 

Çapuchonné, (adj.) Zoodanig ge- 
mutji. 

Capucin, ine (m. & f.) Kapucy- 
ner ' Monnik - Nonne. 

Capucinade, (f) Slegt aan mal- 
kander hangende redenvoering. 

Caquage, (ra) Haring-kaak in^ (f). 
, Caque, (f) Een tonnetje y Haring 
. bonnetje {r\). 

\ Caquer , (v. a.) Den Haring in 
tonnen doen , kaaken. 

CaqueroUe , ( f) Kopere vifcb-pot. 
/Caqaefangue ,{£}{boert. w.) Bloed- 

Uquet, (m) Qefnapy geklap y ge- 



CAQ. CAR. 105 

kakel'; avoii .^ caquet bien atii- 
lé, een gladde bek beoben; rabait;e 
Ie caquet de queicun , temanJ de» 
viond Jhoeren. 

Caqueter, (v, n.) KJappen , /nap- 
pen; kakelen als de Exters. 

Caqueterie , ( f) Klappery , /«op- 
pery. 

Caqueteur i euié (m. & f.) Snap' 
per , fnapjler. 

Caqueioire, (f) ^rmjioel, rnjï- 
JljL'l (m) ; klap bankje , ploeg^bankje 
(n). 

Caquette, (f) Vifch-vaatje (n), 

Caqueur, (m) Haring kaaker. 

Car, {koppel-w.) IVant. 

Carabin , (ra) Karabinier. 

Carabinadé , (f) Karabinigrs 
zwenk met het paerd. 

Carabine , (f) Karabyn. 

Carabiner, (v. n.) Met karabynen 
fcbieten. 

Carabinier. {Zïe Carabin). 

Carache , (m) Tol ^ die de Chrijlc 
nen den Sultan betaalen moeten. 

Caracol (ra) ou caracole , (f) Zwen- 
king 5 cmrenning , omwending van 
een paerd (f). 

Caracoler, (v. n,) Qmrennen met 
een paerd. 

Caracoaler, (v. n.) Korren als <h 
Duiven, 

CaraAére, (m) Boekjlaaf, Letter 
{Î); merkteken {n); kar afi er -letter ; 
hoedanigheid van iemand ; iemands 
fchrift; Ie plus beau caradére de 
Ja vertu c'ell l'humilité , het bejie 
kenteken der deugd is de nedrigheid. 

Caradérifer, (v.a.) Den aart of 
hoedanigheid van iemand befchryven, 

Caraàériftique , (adj.) Dat de ei- 
genfchap van iets aanduid. 

Carafe, (f) Zekere vies met eeë 
langen hals. 

Carafon, (m) Koel-vat (n). 

Caramelle , (m) Bruin gezoden» 
zuihr. 

Caranguer , (v. n.) Arbeiden (Ma^ 
troozen w.) 

Carapace , (f) Buitenjïe fchaal 
eener Schildpad.'^ 

Caraque , ( f) Een kraak {vaartuig)» 

Carat , {tri) Karaat {zeker goud ge» 
wigt van 34 in efo mark), 

Q 5 Cara- 



loö CAR. 

Caravane , (f ) Reis gezelfchap(n), 
Karavaan (n). 

Caravan fera, (ra) Herberg voor de- 
zelve. 
Caravelle , ( f) Karveel (fchip). 
Carbatine , ( f) Een vers afgevil- 
de huid. 

Carbet, (m) Groot e hut der Wil- 
den ( f). 

Carbonnade, (f) Geroojl vteefcb 
(n'. 

Carbonnelle , ( f) Karbonkel , pejl- 
buil. 

Ckrbouilïon , (m) Tol van 't zout 
in Normandien» 

Carcailier, (v. n.) Sshre^un^n als 
een Quartel. 

Carcaife , ^f ) Glas-oven (m) 

Carcan , (m) Een hals-band , hals- 
keten. 

CarcafTe , ( f ) Groot e vuurkogel; 
romp , rif, geraamte van een dier ; 
een mager menfch ; geraamte , lyk , 
romp van een fchip -^ (ook rouche ou 
ruche genaamd). 

Cardamine , ( f) Water-kers. 

Cardafle , ( f) Groote kaarde. 
■ Carde, (f) Wol kaarde. 

Cardéé, (f) Een kaardfel (n). 

Carder, (v. a.) Wol of zyde kaar- 
den. , 

Cardeur , eufe (m & f.) Kaarder, 
Kaardfier. 

Csrdialgie, (f) Hartklopping , be- 
naanwdheid (in Geneesk.) 

Cardiaque , (adj.) Hartjlerkend. 

Cardier, (ra) Kaarden-maaker. 

Cardinal, (m) Een Kardinaal -^ ze- 
kere kaarde om de vleug op laken te 
geven. 

Cardinal , aie (adj.) Les vcnts 
cardinaux, de hoofd-winden', vertus 
cardinales, hoof J- deugden. 

Cardinalat , (m) Ka rdinaalfchap (e). 

Cardinalisme , (m) Kardinaals 
Jlavd. 

Carême, (m) De vafien, vafientyd. 

Carême-prenant, (m) Vafîen- 
avond; vajien-avond gek. 

Carénage , (m) Plaats om te kiel- 
haaien. 

• Carêne , (f) De kiel, bodem van 
f^en fchip', donner la carêne à un 
vailTeau ba wèure un vaifleaa en 



CAR. 

carêne, een fchip kiel baaien, om te 
kalfatcren , fchoon te maaien. 

Carêner , (v. a.) Een fchip kiel- 
haaien, ka (fat er en. 

Car e riant, an te (adj.) Liejkoozend^ 
fireelend, 

CareiTe , (ï)Liefkoozing ,Jireeling, 

Careffer, (v.a ) Liefkoozen ,Jireelen, 

Caret, (^le Carret). 

Cargaifon ,(i)De laading van een 
fchip. 

Cargue , (f) Gy-touw , gording , 
(fcheepsw.) cargues joints ,raab an.- 
den of gorden. 

Carguer , (v .a.) Opgyen , zeil min" 
deren , opwinden ; item op zy zeilen > 
hellen, krengen. , 

Carguebas. (Zie Calebas. 

Cargueur , (m) Bramzeils-valbloL 

Carie, (f) Verrotting , ineeting 
der beenderen. 

Carié, ée (adj.) Du bois carié, 
verivormd hout. 

Carier , fe carier , (v. r.) Rotten, 
in-eeten'f ce bois fe carie, dat hout 
word wormjieekig. 

Carillon, (f) Wagentje met twee 
wielen f ko etsje (n). 
, Carlingue , ( f ) Kolfem , zaadhout y 
tegen kiel van een fchip. 

Carmélites, (f) Carmeliter Nonnen, 

Carmes, (m) Worp van twee vie* 
ren in tik-tak (n). 

Carmes , (m) Carmeliter Mor.nikken, 

Carmin, (m) Fyne roode verf(£), 

Carminatif , ive (adj.) Wind-ver-.f 
dryvend (in Geneesk.) 

Carnage , (m) Slagting, neérlaagi. 
({), bloedbad (n). 

Carnaflïer , iere(adj.) Bloedgte' 
rig, vleefch-eetend ; leloup eft fort 
carnaflïer , (/^ Wolf is een verflindend 
dier. 

Carnation, {£) Vleefch-verwe, 

Carnaval , (m) De vleefch- offlemp- 
tyd(£) yvaflen-avonds vermakelykheid» 

Carne, (f) Scherpe kant of hoek 
van een tafel , fleen , enz. 

Carné, ée (adj.) Vleefch^verwtg. 

Carnele, (f) Rand om munt-fiukj 
ken (n). 

Carneler, (v. a.) Munt-randen. 

Carnet , (m) Koopmans hand-/ of 
fcbuld-boek* l 



CAR. 

Camîfiration ^{{)yieefch-<VQrding 
der beenderen. 

Se carniûer^ (v. r.) Tot vleefch 
worJetJ. 

Cirnofité , ( f ) ff^ild vleefch dat in 
wonden is (n). 

Carogne , ( F) Allemans-boir , looze 
jeek.. 

Caron , (m) Zy-fpek (n); de l'eer- 
tnan van het ryk d-^r dooden (by Poëten). 

Caroncule, Klicrachttg vP'ej'b(n). 

Carotide , ( f ) Halt- of pols- 
ader. 

Carotte , ( f) Geele peen ; Tabaks- 
carotte. 

Cirotter, {y»n,)Bang in het fpee- 
Un zyn. 

Carottier, ier€(ra. & f.; Een die 
niet waofen wil.- 

Carpe , C^) ^^^ karper, {zekere 
vifcb) de voorhand (in heelk.). 

Carpeau , (m) Een jonge karper. 

Carpette , ( f) Pak-linnen (n). 

Carpillon , (va) Een kleine karper. 

Carquefe, (m) Een calcineer-oven. 

Carquois, (ra) Pyl-koker ; Scheeps- 
mars. 

Carre , (f) Het bovenfle van den 
hol van een hoed (T\)y de neus van een 
fchoen of leeji (w). 

Carré , ée (adj.) (2^ie Quarré). 

Car f eau , (m) Een vierkant (n) j 
fj« glaaze ruit (f); ruit (in Jloffen); 
ruiten (in het kaart-fpel) j rajp-'oyl ( f) 
(by Smits) ; vierkante vloer-Jleen, mop\ 
tegel-, vierkante oven (m)(by Potteb )) 
pers-yzer(bySnyders)', tuin-bed ; zit- 
of naai'kujftn (n)', djnder fleen (ra); 
berghout (n)(infcheepsb.)f vloer fjïraat 
( f) j jett^r fur le carreau , op den 
grond werpen; coucher fur le car- 
reau , op de flraat flaapeu. 

Carrefour, (m) Kruis-iveg. 

Carréger, (v. n.) Laveeren^kruis- 
fen (in de middel, zee). 

Carrelage, (m) Plaveifel (n). 

Carrelé, ée (adj.) Geplaveid. 

Carreler , (v. a.) Vloeren plaveien. 

Carrelet , (m) Een fchol ( zeker 
vifch) ; een fchoen-maakers naald. 

Carrelette , (f ) Een glad-vyl , zoet- 
vyl (by Jloot'tnaakers). 

Carrelear, (m) Een vloer legger; 
fchoenlapper. 

Carrelure, (f) Het vloeren; het 



CAR. 107 

lappen van fchuenen (n); une bonne 
carrelure de ventre , eene goede 
maaltyd; een goea'e maag .vol. 

C^rrtt, (en) Seizing , draad uit 
oud toww-werk ; fchitdpad. 

Carrier Î (ra) Steeu-breeker in een 
groef; handelaar m Jieen. 

Carrière , (f) Loopbaan ; fleen groe- 
"y^ <^)'> peen-gruis in een baas; fe 
donner carrière , zich goedf daagen 
qeeven; achevé» , fournir fa carriè- 
re, zyn levensloop eindigen; ouvrir 
uneoeile carrière, eene fraaye floj^e 
voordraagen. 

Carriilon, (m) Klokken-fpel ; bet 
beyeren der klokken ; het khnken der 
glùazen ; geraas (n). 

Carillunnement, (ra) Het fpeelen 
der klokken (n). 

Carrilionner, (v. a.) Met de klok^ 
ken fpeelen. 

Carrofle , (ra) Eene koets , karos; 
carrofTe coupé , eene halve koets mep 
eene zitting ; cheval de carroffe, 
een koeas-paerd -, een grof onverjlandig 
f^enfch. J s 

CaTTe{rierf(m)Een koetfen-maaker» 

Carroufel, (m) Zeker ry- of rid' 
ders-jpel Cn). 

Carroufle , (f) Faire carroulfej 
braaf drinken. 

Carfaye , (f) Karfaay (zekere 
fioffe). 

Cartahu, (m Eenfcheeps-karnaat 

touw (n). 

Cane , ( f ) Speel-kaart j carte géo- 
graphique , land-kaart ; carte mari- 
ne , pas-zee-kaart , méler , couper, 
donner les cartes, de kaarten ver- 
fchieti», afneem n , geeven; être le 
premier en carte , het eerfie om te 
fpeelen zyn; donner la carte blan- 
che à quelcun, iemand volle vry 
heid,magt geeven; les cartes font 
brouillées, de zaaken zim 'er ver' 
ward uit. 

Carteaux, (ra. pi.) Boek tnet zee- 
kaarten. 

Cartel , (m) Een uitdaag wgs-brief; 
cartel ter ui twijfeling der krygs-ge^ 
vangen un. 

Cartelette , (f) Dunne fcbaîte» 
Jieen. 

Cârtelle, (S) Dikke plank daar dt 
mohnjleenfn op rujifn } fgn zwalp. . 

Car- 



108 CAR. CAS. 

Cartier, (m) Kaarten-maaier- 

of verkoop er. 

Cartilage, (m) Het kraakbeen {In - 
OtitheJk.) (n). 

Cartilagineux, eufe (adj.) Kraak- 
beenig. 

Carcitarie , ( f } Zyde- gouS- of 
xiher-dra.^d tot borduur zverk (m). 

Carton, (m) Bord- kaart- kardovs- 
papier (n). 

Cartonnier, (m) Kardoes- bord-pa» 
pier- maaker- i-trkooper. 

Cartouche, (m) Kardoes', fchroot- 
bus (m) ; patroon op een roer ; loof- 
Mierk om een wapen (n). 

Cartulaire , (m) f^erzameling van 
brieven en oirkonden eenes kloojjers of 
kerk. 

Caryatides , (f. pi.) Frouiven beel- 
den met lange kleederen {in Bouwk.) 

Cas, (m) Zaak^ handel , daad (f ) , 
geval (n) ; cas criminel , flrafbaare 
zaak', cas de conscience , gewet en s - 
geval Î vilain cas , fchandelyke daad ; 
trifte cas, droevig geval ; faire cas 
d'une perfonue , werk van iemand 
maaken; cas, naamval, cafus;(»« 
fpr. k.); en tout cas, in alle geval; 
en cas , ingeval; pofé Ie cas, que .. . 
gejield, qenoomen, dat . . . 

Cafanier, iere (adj.& fubfl.) Een 
ajfchen-vryfler , kluifenaar; via cafa- 
niere , een t' huis beminnend leeven. 

Cafaque , ( f) Eeii Reis-of regen-rok 
(m); tourner cafaque, zyw rokje om- 
keer en , van Godsdienji veranderen. 

Cafaquin, (m) Een eng rokje, jak- 
Cascade , (f) Waterval; onbezon- 
nenheid, overhaajiing. 

Cascanes, (f. pi.) Gragten om de 
vyandelike mynen te ontdekken. 

Café' ( f) Hut; ruit van een dam- 
'hord. ' 

Cafemate , ( f ) Moord-kelder , ver- 
Wilf onder de wa/, kazemat {inFes- 
tingb.) 

Cafematté, (adj.) Gekazemat. 

Cafer, (v. n.) Dammen, {in tik 
tak). 

Caferette , (f) Een kaas-vorm. 
< Caferne , ( f) Soldaaten hut by de 
wal. 

Caferner, (v. a.& n.) Zulke bat- 
un maakea of(iaar Ui woonen» 



CAR. i 

CafiUeux, eufe(adj.) ^roor,//)r<jl, ' 
{by Glazem.) 

Casque, (np Helm ; Jlcrmhoed % ü 
en a dans Ie casque , hy is befchonken ; 
■daariseenfchroefby hem los, { fpr. w.) 

CafTade, (fjDonneur decanaties, 
bedrieger , die iemand ittsop de mouw 
fpéld. 

Cartaille, (f) De eerjle ploeg'mg 
van nieuw land ,opfc beur ing. 

Cafla n t , a n te (aü j .) Bros , broos , dat 
ligt breekt. 

Canration, (f) 4fJ'chaff.iig, Me 
van vernietiging {in Rechten), 

Cafle , ( f) Pennebakje ; Zetters Let- 
ter-kas ; Gottdfmids frneltkroes ; kajfte 
{een Geneesmiddel) ; voix cafle &c 
débile , een' zagte , zwakke Jiem. 

CafTé, ée (adj ) Gebrooken; zwak y 
un homme cafl'é , een afgeleefd man ; 
ton cd.Ç?é , zzvakke Jïem ; privilège- 
cafle, vernietigt voorregt. 

CalFe-cou ," (m) Een gevaarlyke 
plaats. 

Ca/re- cul, (m) Een zivaare val op 
den aars. 

Caffe-mufeau , (m) Een zwaarejlag 
op den mond. 

Cafle -noifette, (m) Een Nooten- 
kraaker. ^^ 

Cafl'enolle, (f) Ga l- appel , tot ' 
verwen. 

Cafi^er, {\'.z.) Breeken; cafl"er une 
fentence, een vonnis vernietigen; cas- 
Ce r un valet, <^^«' k^egt afdanken; 
fe cafl'é r, (v, r.) gebrooken worden; 
zwak worden. 

Caflerole , (f) Een kopere pan^ 
kaflTerol. 

Cafl'eron , fm) Vliegende Vifch. 

Cafl'etée, (f) Een kas vol. 

Caflle-tête, (m) Iets dat den kop 
breekt ; wyn die hoofdig is. 

Ca,ffetin,{m)yakje derLetter-kas {o). 

Ca(rette, {f )Klein kasje{n). 

Cafleur, (m) de raquettes, een 
pocher , fnoever. 

Caflïdoine , (f) Kalcedonie-feen, 

Caflie, (f) OU caffxer ,{xà) Kajfi en- * 
boom{m). 

Caflïne, (f) Eenzaam Land-buis 
{n),hut{€}. 

Caflb lette ,( f) Metaale reuk- ofwte- 
rook-vat; Balzem- of reuk-doosje (n) . 
aangena&me , Ueffelyke rguk (m)- 

Cag- 



CAT. 

Caflfonade , ( ra ) Meel zuiktr , 

I^elis. 
Caflure, (f) Breeking , breuk in 

kling of mes. 

Caftaignette, (f. pi.) Klaphoutjes, 
die de Mooren in 't danfen gebruiiten. 
Caftagneux , (m) Een Duiker. 
{Zie Plongeon). 
Cartel , (m) Ken klein kajîeel (n). 
Caftelogne , ( f) tene zeer fyne 
ivolle deeken. 

Caftille , ( f) Twijl onder huis-ge- 
nooten. 

Caftine , ( f) Speen-aarde om yzer 
te doen fmelten. 
Caftor, (ra) Ean Bever , fyne hoed. 
Caftor & pollux, (m) Tweeling in 
den dierenriem {in 6terretik.), 
Caftorée, (f) Bévtr-geil. 
Caftramétacion , ( f ) Konjl om een 
Léger wel te plaatzen [by de Romei- 
nen). 

CafualÏté, (f) Toevalligheid. 
Cafuel, elle (adj.) Gevallig; Ie 
cafuelj het toevallige; caihel , kafua- 
ris {Ind. yogel). 

Caruellement , (adv.) Givalttglyk, 
toevalliger wyze. 

Cafuitte, (m) Een geweetens uit- 
legger. , 

Catachrefe, (F) Misbruiking van 
een woord {in fpraakk.). 

Catacombes, (f. ^\.) Onderaar d- 
fche begraaf-plaatzen. 

Catadoupe , ( f) Waterval ( m ). 
{Zie Catara^e). 

Catafalque , (m) Pragtige tombe 
op de Lykjïaatfie van een l^orfl. 

Catagmatiques, (m. pi.) Artzeny 
om hemen te heelen. 

Cataleftes, (m) Een onvolkomen 
werk der <juden (n).- 

Catalepfie, (f) Beroerte tn het 
hoofd. 

Cataleptique , (m. & f.) Een ge- 
raakte üp die wyze. 

Catalogue , (m; Naamlyjl ( f) , Ca- 
talogus (n). 

Catapelte > C^) Zekere flraf aan 
Misdadigers voor deezen , met dezelven 
tuffchen twee planken te klemmen, 
daar na aan de voeten op te hangen 
en vervolgens te verbranden. 
Cataplasme , (m) {leet Cataplâme) 



CAT. 105» 

Pap van kruiden om op een gezwel te 
leggen. 

Catapulte , (f) Een foort van 
krygstuig der ouden om zwaare pylen y 
fchigten mee te fchieten. 

Catarafte , (f) IVaterval ( ï)',vlie$ 
op de oogen (n). 

Catarre ou cacerre , (m) EeH 
zinking ( f), 

Catarreux , eul^ (adj.) Met zin- 
kingen onderworpen. 

Cataftrophe, (f) Droevige uit- 
kamjl , einde , onver wagt geval. 

Catéchiièr , (v. a.j In 't geloof on- 
dtrwyzen, Katechizeeren. 

Catéchisme , {m)Geloofs onderwys 
{n), Katechismus (m). 

Catéchifte , (m) Gehofs onderury- 
zer. 

Catéchiftique , (adj.) Geloofs o«- 
derrigtend. 

Catéchumène , (m. & f.) {lees Ka- 
tekumene) Geloofs -leerling , Kate- 
chifant, Katechifante. 

Catégorie , (f) Ordenfchikking 
der dingen; Qtre de même catégo- 
rie , van het zelfde fiort zyn ( tn Lo- 
gica). 

Catégorique, (adj.) Reponfe ca- 
tégorique, gepaji antwoord. 

Catégoriquement , (adv.j Behoor- 
lyk , ge -aji. 

Cathédrale, (adj.) Eglife Cathé- 
drale , hoofdkerk. 

Cathédranc, (ra) Praefes by ee%e 
oratie. 

Cathédratique, (adj.) Dat tot ie 
hoofdkerk behoord. 

Cathédrer , (v. n.) l^oorzittiK ., 
Praefes zyn. 

Cathéter, (m) Een kromme huk, 
om de water loozirig te bevorderen f^zr 
theter. 

Cathétérisme , (m) Operatie iiiar 
meed e {t). 

Catholicisme, Cm; Di- algemeene 
Chrijïelyke her. 

Catholicité, (f; Het waar e geloof 
(n). 

Catholicon , (m) Een algemeen 
afdryvend middel voor quaade logten. 

Catholique, (adj. & fubtt.) y^lge- 
meen , regt gelovig ; un catholique à 
gros grains , een gract yveraar, 

C»- 



iio CAT. CAV. 

Catholiqueraent , (adv.) Regtge- 
hovigy opregtelyk. 

Caci , (m) Glans geeving aan Jlof- 
f en. 

Cadche, (f) Otter- hol (n). 
Catimini, (adv.) {gem. w.) Hei- 
viplyk , onvermoedclyk. 
Catir, (v. a.) Persfen. 
Cati fleur , (m) Een Pers/er. 
CsLtoiptviqwd , (f) Spiegel-kuude. 
Cacopcromancie, ( fjrf^aarzegge- 
ry door een fp.egel. 

Caitcroles , (f. pi.) Konyn-holen. 
Cavalcade , ( f; Ryding , pragtige 
cptogt te paprd. 
Cavalcadear, {m)Beryder^ Pikeur. 
Cavalerie , ( f) Rumry. 
Cavaïet, (ra) Het dekzel van een 
fmdt-oven. 

Cavalier, (m) Een Ruiter \ Rid- 
der y Kat {in yefliwgb.)'^ il eft bon 
cavalier, hy zit wel te paerd. 

Cavalier, iere (adj,) RiJderlyk, 
ridderlyk ; Jloutelyk j mine cavalière , 
vrypojiig gelaat j à la cavalière ,(adv.) 
f^ry , onbedwongen. 

Cavalièrement, (adv.) Vrypojlig- 
Jyk , vry , zonder omxvegen. 
Cavalle, (f) Eene Merrie. 
Cavalquet , ( m ) Trompetters 
marfcb. 

Cauchemar, (m) Nagt-merrie ( f). 
Caudataire , (m) Sleepdrager. 
Caudé, ée (adj.) Dat een Jiaart 
heeft (in Wapenfcb. k.). 

Cave , (adj.) La veine cave , de 
holte lever ader. 

Cave , ( f) Een kelder (m) ; fles kel- 
dertje (n) j cave à vin , wvn-kelder. 
Caveau, (m) Keldert je (n)j Graf- 
kelder (m). 
Caveçon. {Zie Cavefl'on). 
Cavée , ( f) Een holle lue^ (m). 
Cavehanne , ( f) Turkjch koffy 
huis (n). 

Cavelin , (m) Eene kaveling van 
waaren ( f). 

Caver , (v. a.) Uithollen ; het lig- 
ehaam buigen {in fehermfch.)-, de bank 
houden tn 't fpeelen. 
Caverne , (O Eenfpelonk (f), hol{n). 
Caverneux , eufe (adj.) Veine ca- 
yerneufe, holle ader. 
Cavernofité. (f) HolUgheid, 



CAV. CAU. 

Caveflbn , (ra) Neus-band, neus- 
pranger, kaperjon voo* paerden. 

Cavet , (ni) Hol fnywerk op py 
laaren. 

Caviar , (m) Kavtar {gemaakt van 
kutt van Steur). 

Cavillatiun,(f) l^alfch bewys-Jiuk, 
(argument) (n), drogreden (f,. 

Cavin , (m. Holle of bedekte weg 
(in Krygsk.). 
Cavité, (f) Holligheid. 
Câufal , aie (adj; f^eroorzaakend 
{in Spraakk.). 
Caufalité, ( f) Oorfpronk (m). 
Caufatif , ive (adj.) Dat oorzaak 
aanduid {infpr. k.) als : car , want enz, 
Caufe , ( f) Oorzaak , grond, Je huid-, 
reden; regt^-zaak-geding , c^ak phy- 
fique , morale , natuuriyke , zedelyke 
oorzaak -y être pour la bonne caufe, 
zio by 't geene recht is houden , voor 
de goede zaak zyn; caufe premiere , 
féconde, efficiente, matérielle , fi- 
nale , eerfle , tweede , werkende , 
jîoffelyke, eindelyke oorzaak ; à ces 
caufes nous &c. {Rechtsw.) zoo is 't 
dat wy enz. plaider une caufe , eene 
zaak bepleiten ; donner gAÏn de cau- 
fe , een zaak gewonnen geeven ; per- 
dre fa caufe, zyne zaak verliezen ■ à 
caufe, (voorz.) ter oorzaak; à caufe 
que, (koppelw.) om dat , à caufe de 
moi, om mynent willen. 
Caufer, (v. a.) Veroorzaaken. 
Casfer, (v. n.) Praaten, kouten, 
Cauferie , ( f ) Gekout , gepraat (n). 
Cau Peu r , eufe (C. &c ad j .) Praat er , 
praatvaar j praatjïer ^praatmoer , ï'a- " 
mour ellcaufeur, de liefde is praat- 
agtig. 

Caufticité ,( f ) Brandende kragt. 
Cauftique , (adj.) Ineetend, bran- 
digy ligne cauftique, brandpunt in 
een brandglas ; cauftique, bits , fchen- 
dendf eerrovend. 

Caatéle , ( f ) {oud w.) Loosheid. 
Caoteleufement , (adv.) Lijlighk, 
Cautel eu X , eufe (adj .) Lljiig , door- 
trapt , fnedig. 

Cautère , (m) Een fifiel ( f ) , cok 
bet yzer daar ze meê gemaakt word 
(n). 

Cautérifation , (f) Het zettenvan 
een fijiel, 

Cau- 



i 



CAÜ.CE.CEA.CEC.CED. 

Cat-tériré, ée (adj.) Confcience 
cautéi vfée , toegejchroeid gewijfen. 

Caucérifer, ( v. a. ) Branden, 
Jchroeiert j een fijiet zetten. 

Caution, (f) Bürgtogt , caution 
folidaire , borg voot het geheel (in 
folidum); être caution, borg zyn; 
élargir Tous caution y onder borgtogt 
ontjlaan; être fujet à caution, niet 
zeer te vertrouwen zyn. 

Cautionnage. , {va) Borgt ogt ge- 
ving (f). 

Cautionnement, (ra) Borgtogt (f), 
verzekeringS'brief (m). 

Cautionner, (v. a.) Bcrg blyven, 
voor iemand injiaan» 

Ce, cet, cette, (pron.) Deeze , 
die , dat , het -, ce garçon ci , deeze , die 
jongen f cet homme là, deeze y die 
man-, cette femme , deeze , die 
vrouw; ce qu'il vous plaira, het 
geen u believen zal; ce que je n'y 
vai pas, c'efl: que je &c. de reden 
waarom ik 'er niet gaa , ii dat ik enz. 
à ce que je vois, na dat ik zie ; à 
ce que j'apprend , achtervolgens , of 
volgens het geene tk verneem; ce me 
femble , my duvkt; ce font d'étran- 
ges gens, bet zyn wonder lyke lieden ', 
ce n'eft pas que je ne ^Miff^t ^ het is 
niet dat ik niet kan j c'eft moi , ik ben 
het ; c'a été voua , gy zyt het geweeji. 

Céans , (adv.) Bier binnen ; ie maî- 
tre eft il céans ? is de meejler t' huis? 

Ceci , (pron.) Dit , deeze zaak , dit 
ding. 

Cécité. (Zie Aveuglement). 

Cédant, ante (adj) Die tets af- 
Jiaat. 

Ceder, (v. a.) Wyken , afjlaan; 
ceder fon oroit, zyn regt afjiaan , 
overgeeven ^ ceder k ia force ^ voor 't 
geweld wyken; il lui cede en éru- 
dition , hy is zoo geleerd niet als hy. 

Cedille, (f) Tekentje dat men in 
de franfche taal onder een c zet ; by 
voorb ) r< ÇÛ ; bekomende dan de uit- 
fpraak vas een f. 

Cédrat, (m) Zeker welriekende Ci- 
troen-boom . 

Cedre , (ra) Ceder-boom. 

Cedrie, (f) Ceder-harjl. 

Cedule , (f) Een ceel^cedulle (f), 
krïefje',.handfcbrifi{ïï). 



CEL CEL. III 

Ceignant , ante (adj,) Omgorden- 
de , omvattende. 
, Ceindre, (v. a) Gorden, omgor- 
j den-, aangord.'H. 
j Ceint , ie (adj.) ^angegordt. 
I Ceintes, (f. pi.) Berghouten van 
I een jchip. 

Ceintrage ou cintrage,(m) Scheeps- 
touw er k , om te gorden , vajl te- for ren, 

Ceintre. {Zie Cif.tre). 

Ceinture , ( f ) Gordel riem , gor- 
del; broek-band {m) ; het middel-lyf 
(n)j hand of lyfi {in Bouwk.); bonne 
renommée vaut mieux que cein- 
ture dorée , een goede naam is beter 
als olie {Jpr. w.) 

Ceinturette ,( f ) Een Jagers hoorn- 
riem {va). 

Ceinturier, (m) Gordelmaaker. 

Ceinturon , {ni) Gordel, draag- 
band, degenriem. 

Cela, (prcn.) Dat-, ceci & cela, 
dtt en dat. 

Céladon , (m) Zee~groen (verf). 

Celé, ée (adj.) Verborgen. 

Célébrant, (ri:) Priefter die den 
dienji doed. 

Célébration, ( f) Viering, 

Célèbre, (adj.) Beroemd, ver- 
maard; vterlyky.plegtig. 

Célébrer , (v. a.) Roemen , pryzen^ 
verkondigen; célébrer les louanges 
du Seigneur, des Meeren hf vermel- 
den ; célébrer Ia mefle , de mis vieren. 

Célébrité , ( f) Beroemhkhetd , ver- 
maardheid; plegtigheid. 

Celer, (v. a.) l^erbergen, verhee- 
len , geheim houden. 

Céleri, (m) Sellery (f) (plant). 

Célérité, (f) Gezwindheid, fpoed' 
cette affaire demande célérité, die 
zaak vereifcht fpoed. 

Célefte, (adj.) Hemelfch i elohe 
célefte , hemel - kloot. 

Céleltin , (m) Celefliner Monnik. 

Céliaque, (f) Zekere loop , waar 
door defpys half verteerd, ontlafl. 

Célibat, (m) Ongehuuwde Jîaat . 

Célibataire, (m; Een or.gebuuwd 
perfoon. 

Celle. {Zie Celui). 

Cellerage, (m) Impoft op kelder 
wyn, 

Cellérerie , ( f ) Keld&rmeejierfchap» 
Cel- 



ïia CEL. CEM. CEN. 

Cellérier , iere ( £ ) Kelder'inepjler- 
Meejlérejfe. ^ 

Cellier, (m) Spys -kelder. 
Celiule, (m) Eene celle (f), klein 
kamertje; vakje; landje in een kiji of 
kaf}; byèn celletje {n). 

Celui , (m) c^lle {?) -, ceux , cel- 
les {^\.) {^ron.) Deeze ^ die, d.it ; 
celui qui , celle qui , de geene die, 
celui ci , celle ci , dceze , of deeze 
hier; ceux là, celles là, die , of die 
daar. 

Cernent, &c. (Z/>Ciment, enz.) 

Cénacle, (m) Avondmaal -kamer 
onzes Zaligmaakers. 

Cendre, (f) Afch; Ie jour dès 
ceudi es , afchdag ; cendre gravelée, 
potafch ; cendre de plomb , fchiet'- 
hagel. 

Cendré, ée (adj.) /ifch-verwtg. 

Cendrée, (f) LooJphuim; fchiet- 
hagel. 

Cendreux, eufe (adj.) Beafcht. 

Cendrier, (m) Âfch-vat , afch-tony 
afch-gat; afchen-vyjler ; cendriere , 
( f ) afchen-vyjîerfche. 

Cène , ( f ) La fainte cène , het bei- 
ge Avondmaal , Nagtmaal. 

Cénelle , ( f ) Hulfl-bézie. 

Cengle, &c. {Zie Sangle). 

Cénotaphe , (m) Ledig praalgraf 
(n). 

Cens , (m) Leenrente , grondpagt , 
grondfchatting , cyns ( f ). 

Cenfable , (adj.) Cynsbaar. 

Cenfal , (adj.) Makelaar in de 
Levant. 

Cenfe, (f) Pachthoeve , pachtgoed. 

Cenfé , ée (adj.) Cela eu: cenfé 
légitime y dat word voor wettig geagt, 
gehouden. 

Cenferie, (f) Makelaardy. 

Cenfeur , (m) Berifper , hefiraffer , 
opziender ;Q.enïe\xv des livres, è^oor- 
deeler , Vifitator der boeken. 

Cenfier, (m. f. & adj) Grond-heer, 
Land-v er pachter ; Land-verpachfler ; 
f tem Pachter, Pachtfler daar van» 

CenQcaire , (m) Een-Cyns-man. 

CenGte, (adj.) Daar Cyns , pacht 
van betaald moet worden. 

Cenüve, (f) Cynsbaar beid. 
Cenfivement, (adv.) Cynsbaarlyk, 

Cenfurable, (adj.) Beflrafbaar, 

Cenfiire, (f) Befïraffing. 



CEN. CEP, 

Cenfurer , (v. a.) Bejirafen',heQor' 
deelen. 

Cent , (adj. & fubft.^ Honderd-, 
cent fois, honderd maal; il y en 
eut cent de tués, daar wierden 'er 
honderd van gedood; cela fe vend 
au cent, dat zvord by 't honderd 
verkogt ; cinq pour cent, vyf ten 
honderd. 

Centaine, (£) Honderd fluks. 

Centaure , m) Een Paer4-menfch, 
centaurus {by de Dichters). 

Centaurée , ( f) Santorie {Genees- 
kruid). 

Centenaire, (adj.) Honderd jaarig. 

Centenier , (m) Hoofdman over 
honderd. 

Centième, (adj.& fubft.) Honder- 

Centon , (m) Soort van Poëzy uit 
verfcheide Schryvers getrokken. 

Cent-pieds , (m) Een Slang ( hon- 
derd voet genaamd). 

Central, aie (adj.) Le feu cen- 
tral , het vuur in het middelpunt der 
aarde. 

Centre , (m) Het middelpunt ; cen- 
tre de gravité , het 'middelpunt der 
zwaarte ; éiTQ à.?ins fon centre, iets 
daar men zyn behaagen infchept. 

Centrifuge , (adj.) Dat zig van 't 
middelpunt verwyderJ. 

Centripète, (adj.) Dat na't mid- 
delpunt neigt. 

Cent-iojiTe, (m) Een van de Zwit- 
zerfche Lyfwagt. 

CentuEïvir, [m)^Een van de hon-'' 
derd mamun eertyds in Romen, ,; 

Ceutumviral ,ale (adj.) Dat daar'], 
aan behoorde. 

Centuple, (ra) Honderd voud (n). ^ ' 

Centuriateur , (m) S^bryver der 
Kerk -gefchiedeniffen . 

Centurie, (f) Bende van honderd 
man {by de Romeinen). 

Centurion. {Zie Centenier). 

Cep , (m) Een wynjiok. 

Ce pees, (f. pi.) Scheutelingen van 
een afgehouwen boom. 

Cependant, (adv. & conj.) {lees 
Spandang) Middelerwyl^ onder tus., 
fchen ; nogtans , echter , evenwel ; at- : 
tendez un peu , j'écrirai cepen- , 
dant , vuagt e m weinig , jk zal onder-' \ 
tujében ^ 



CEP. CER. 

fujjcben fcbryven • cela e^ vrai ace- 
pendant vous ne voulez pas le 
croire , daf is waar , en evenwel 
wilt gy het niet gelooven. 
Céphalalgie, (f) Kleine Hoofdpyn, 
Céphalique, (adj.) Veine, pou- 
dre céphalique , hoof J-ader-) poejef. 
Ceppeau , (m) Mum-blok. 
Ceps > (m) Boejen j blok , waar mei 
of waar aan de gevangenen gekluiflerd 
at'orden. 
Cerac, (m) IFafch-zalve (£). 
Ce ration , (f; Toebereidtng der 
Jloffen tot fmelting. 

Ceratoglcfle , (ra) Vleefch-fpter tot 
beweging der tong {m Ont leedk.). 

Cerbère , (m) 'De helhond Cerbe- 
rus met 3 hoofden (by Heidenfche Dig- 
ters). 
Cerce. {Zie Cerche). 
Cerceau, (m) Een hoep^ hoepet; 
fuik {vogel net) ; chaffer un cerceau, 
f en' hoep aandryven. 
Cercelle, {ï) Een Taaling. 
Cerche, (f) Boog-hoepel {m)waar 
op een verwulf gemaakt word. 

Cercle, (m) Kring , ring y cirkel, 
kreit z y hoepel 'y chercher la quadra- 
ture du cercle , iets zoeken dat. men 
niet vinden kan; cercle de la Reine, 
de opwagtinge der Konïnginne. 

Cercler, (v. a.) Met hoepen beleg- 
gen. 
Cerclier, (m) Een hnepmaak?r. 
Cercueil, (m) Dood-kiji , Lyk.kijl 
(O; graf{n). 

Cérémonial , (m) Ceremonie-boek 
der Kerke (n). 

Cérémonie, (f) Dienjïpleging ; 
plegtigheid; kerk-gewoonte ; fans cé- 
rémonie , zonder pUgtplegingen, zon- 
der cmjlandigheden. 

Cérémonijl , elle (adj.) Dienjl- 
pligtig , kerk-gewoontig ; la loi céré- 
inonielle, de ceremonieele , fchaduw- 
agtige w'et. 

Cérémonieux , fe (adj.) Esn die al 
te veel omjlandigheden maakt. 

Céres, (f) f^rugt^godinne (by de 
tieidenen). 

Cerï, {m)Een hert (n); courre le 
cerf, een hert jaagen. 
Cerfeuil, (m) Kervel {een kruid) 



' CER. 11% 

Cerf- volant, {m)Een hêverjchah 
lebyter ; een vlieger {kinder fpeeltuig), 

Cerifaiè , ( f; £en kerjfen- bogaard 
(m). 

Cerrife , ( f) Een kers , kriek, 

Cerifier, (m) Een kerjjen-boom. 

Cerne , (m) Een ring onder 't oog% 
omtrek, cirkel; tover-cirkel. 

Cerné, ée (adj.) ïi^s yeux cer- 
nés , hlont en blaauwe oogen , ( zie 
verder Cerner). 

Cerneau , (m) De pit , kern { f) 
van een noot ; kerjfen-jieen (n). 

Cerner, (v. a.) Ergens een ring 
omtrekken ; de pit , kern uit een noot 
haaien ; de baji , fchors van £en boom 
fchilhn. 

Cerquemaneur , (m) Gezworene 
Landmeeter in Picardien. 

Certain, aine (adj.) Zeker , ge- 
ivis; une nouvelle certaine, eene 
zekere ofvajïe tyding; une certaine 
nouvelle , eene zekere {eene lopende) 
tyding; un certain, een zeker ie" 
mand. 

Certainement $ (adv.) Zekerlyk, 
voorwaar. 

Certes, (adv.) Zekerlyk^ gewis^ 
felyk. 

Certificat , (m) Een' verklaaring (f) 
verzekerings-brief {m). ' 

Certificateur , (m) Verzekeraar^ 
injlaander van eene borgtogt. 

Certification , (f) Schriftelyke 
verzekering, ' 

Certifier , (v. à.) Bekragtigen yver^ 
zekeren , betuigen. 

Certir. {Zie Sertir), 

Ctrthxxde,{î)Zekerheid, gewîshetd: 

Cervaifon , {f) De tyd wanneer de 
Herten vet zyn. 

Cerveau, (m) Herjfen, brein, bet 
bovenjie eener klok ; avoir le cer- 
veau perclus , creux , mal tic hré 
ou démonté , gering verdand i?eb^ 
ben , gek zyn. 

Cervelas, (m) Eenfoort vanJJefk 
gekruidde worjl. 

Cervelet , (m) Het acbtfrbrein , (in 
Ontleedk.). ' * 

Cervelle , (f ) Het brein , de hers^ 

fenen; une bonne cervelle , een 

goeden kop, goed verjiand ; c'eft 

une pauvre eerveHe , v /> eetieH 

« fegtê 



1T4CER.CES.CET.CIÎA. 

Jlfgten bloed; être en cervelle , in 
bekommering zyn, 

Cervier , ou Loup cervier. {Zie 
Linx). 

Cervoife , (f) Bier {oud w.). 

Cerufe , (f) Lood-wif, {figuurt.) 
vaîfche Jchyn. 

Céfar , (m) Keizer ; rendez à cé- 
far , ce qui eft à céfar , geeft den 
keizer , ivat des k'/tzers is. 

Céfarienne, (adj.) Fai^e l'opéra- 
tion céfarienne , de keizers fneê 
doen (in vroedkunde). 

Cefîant, ante (adj.) Toute affaire 
ceflante , aile werk ophoudende. 

Ceflacion , ( f ) Opbouding , JJil- 
Jîand. 

Cefle , ( f ) Sans cefle , zender op- 
houden. 

Cefler, (v. n.) Ophouden, uitfchei- 
den. 

CeflTible, (adj.) Ophoudelyk. 

Ceffion, (f) Afjtand , overgaaf % 
faire ceffion de l'on bien , affïand 
van zyn goed doen. 

Ceûionnaire, (adj.) Een die iets 
affîaat. 

Cefte , (m) Gordel van Venus (m) ; 
kolf y zweep y handfchoen met lood he- 
Jlaagen der oude kampvegters (f). 

Cefure, ("f) Ophoudtng in een vers 
cfrym. 

Cet. {Zie Ce). 

Cetacée ,(adj.)Poiflbns cetacées, 
groot e vifchen. 

Ceterach, (m) Mild-kruid {n). 

Cette. {Zie Ce). 

Cetui-ci , cetui-là. {Zie Celui-ci). 

Chablage, (m) Het aanjlaan van 
de lyn aan een Trek-fcbuit of van touw 
om iets op te hvffen. 

Chableau , (m) Reep of lyn van een 
Trek-fchuity item hystouw y karnaal- 
toum {fcheeps w.) 

Chaisier, (v. a.) Zoodanig touw 
aanjlaan , vaji haaken-, chabler les 
noix , de noot en afpaan. 

C hâbleur , (m) Brug - opbaalder ; 
een die op de rivieren de vaartuigen 
voorthelpt; Haven-meejler te Parys. 

Chablis , (m) Door den wind neer- 
geveld hout. 

Chablots, (m) Tqww om JifUagten 
meévaji ti bitidea» 



CHA. 

Chabot, (m) PoJÎ {zekere vif ch). 
Chacal , {m) Jakhals , {zeker dier 
als een Vos dat de dooden opgraaf d). 
Chacelas, (m) Zekere witte druif 

(f)- 

Chacun , une (pron.) Een iegelyk, 
ieder y elk -, iedere y elke, ieder ding. 

ChafFeurer, (v. a.) {oud w.) Be^ 
zoe delen , bekladden. • 

Chafouin, ine (m. & f.) (fchelJ 
w.) Aapen gezigt j iemand die mager 
en fchraal is. 

Chagrin , (m) Verdriet (n) , erger* 
nis (f) ; fegryn leer (n). 

Chagrin , ine (adj.) Verdrietig, 
moeilyk. 

Chagrinant, ante (adj.) Lafligy 
ergerend. 

Chagrinement , (adv.) Verdriet 
tiglyk. 

Chagriner, (v. a.) Kwellen, nfer- 
driet aandoen', fe chagriner, (v. r.) 
zig kwellen , un efprit bourru, fe 
chagrine de tout, & chagrine les 
autres , een wonderlyk humeur , kxveld 
zig over alles, en kweld andere mee^ 
de. 

Chai ne, (f) Ketting, keten -y ket- 
ting van een weefgetouw , chaine de 
montagnes , eene reeks her gen aan 
malkander ; brifer fes chaines , zy- 
ne liefde banden b re eken. 

Chaineau , (m) Een loode buis, 
Chainetier , (m) Een haaken en 
oogen maaker. 

Chaînette, (f) Horlogie-kettingt- 
je (n), kleine ketting (f). 

Chainon , (m) Schalm , fchaaket 
van een keten . 

Chair, (f) Vleefch (n)-, chair de 
mouton , fchaapen vleefch; chair de 
poiflbn , 'de fruit , 't vleefchig ge^ 
deelte van vifch , fruit ; il n'eft ni 
chair, ni poiflbn , hy heeft geen 
Codsdienjl, hy is niet met al. 
C haire , ( f) Preek-Jioel ; catheder. 
Chaife, (f) Eenjïoel (m); fchai- 
ze (f) {rytuig); chaife à dos , à 
bras, leun- armfioel ; chaife per- 
cée, kakftoel ; chaife de moulin > 
molenjlander ; chaife à porteurs > 
draag-Jioel (m). 
Chaland, de (m. & f.) Kalanf. 
Çhalandife , {f)Kalarultfiei neering. 



CHA. 

<7haIcedoine , (f) KaUedonie-Jleen 
{m). 

Chaleur , (f) Hitte ^warmte ; rit- 
ZigheiJ. 

Chaleureux , eufe (adj.) Hitzig 
van natuur {oud tv.). 

Chalic, (m; Een beJJieé (F) ;(beter 
bois du lis). 

Chaloir, (v. n.) J^ig over iets be- 
kommeren (gem. w. en word alleen 
dus gebr.) il ne m'en chaut , bef 
fc beeld my niet. 

Chalon, (m) Zeker groot net (n). 

Chaloupe, (f) Sloep, boot. 

Chalumeau, (m) Hen halm van 
Jiroo {ra) ; rietje ; riet f'uitje ; rietje 
van een doedelzak enz. foudeer-pypje 
(n). 

Chalumet, (m) Rietje, mond-Jiuk 
op een tabaks-pyp (n) 



Cham , {fpr. Kam) (m) Cham of 
oppervorjl der Tartaaren. 

Chamade, (f) Battre la chama- 
de, t/ip chamade paan, {word door de 
belegerden gedaan als zy tot verdrag 
en overgaaf komen willen). 

Chamailler, ("v. n.) fe chamail- 
ler , (v r.) In 't honderd^ links en 
regts Jlaan,vegten, fchermutzelen ; item 
in woorden , pennen-flryd geraaken, 

Chamaillis, (m) Gevegt in 't hon- 
derd , gefd^rntutzel (n), twifl (f). 

Chamarrer^ (v. a.) Met goude en 
zilver e paffimenten hoorden , beleggen. 

Chamarrure, (f) Belegging daar 
mee de. 

Chambellage , (m) Zekere afgift 
die de onder ~aat by veranderingen zy- 
nen Leenheer geven moet. 

Chambellan, (m) Kamer-heer. 

Chambranle, (m) Lyfî- fny-werk 
aan deuren 5 vengjlers enz. (n). 

Chambre, (f) Kamer, vertrek 
(n); kamer in een gefcbut ; groef in 
glas-lood; kajuit; de Ruimte tuffchen 
twee Jluis'deuren; chambre garnie, 
gefloreerde kamer; chambre de ju- 
Itice , des comptes , des afiurances, 
noire , regt- reken- affurantie- peni- 
tentie- bid-kamer ; eet homme a des 
[Chambres à loXi^x y{fpr.xv.) dieman 
is gek. 

Chambré, ée (adj,) Ce canon eft 
chambré , dtt jiuk is hvalyk gegooteu. 



CHA. îfy 

Chambrée, (f; Kamer-gezelfcbop 
(n) ; een kamer vol. 

ChambreJan, (m) Een beunhaas, 
fmoorder {werk-gafl dte zyn proef niet 
gedaan heeft) ; een t'huis legger^flaaper. 

Chambrer, (v. n. & a.) Onder 
eene tenee logeeren ; een kamer of holte 
in een zadel' maak en. 

Chambrerie, (ï) Kamer of ampt 
van een kloojler-verzorger. 

Cbambrette , (f) Kamertje (n). 

Chambrier, (m) Kamer-heer ; in- 
maander der tnkomjlen eener abdye. 

Chambrière, (f) Kamenier , ka^ 
mer-maagd; de zweep in de ty-fchool; 
fpinrokken-band. 

Chambrillon , ( f) EenJJoofje, ge- 
ringe dienflmeid , een poezegroei. 

Chameau, (m) Een kameel of ié~ 
mei; item zeker vaat tuig, ligter ge- 
naamd; poil de chameau,*e»wé'/j-/'a/V, 

Chamelier, (m) Kémei - hoeder- 

(m, pi.) Strand-mos- 



dryver. 

Chames , 
fel en. 

Chamois, (m) Een wilde geit (ra) -, 
bereid leer daar van (n). 

Chamoifeur, (m) Een leer berei- 
der. 

Champ, (m) Een veld (n), akker 
( m ) Î middel/luk van een kam ( n ) ; 
champ de bataille ,yZög-ï;^/i/- champ 
de raars, oorlog (by Oicht.); roue 
de champ, kroon-rad (by Hor logfpm.)i 
avoir un beau champ , pour étaler 
fa valeur , fes talens , een fchoon 
veld of gelegenheid hebben om zyn 
dapperheid , bekwaamheden te too- 
nen ; champ de tapiflerie , de grond 
van een tapyt ; à tout bout de champ, 
alle oogenbltk ; fur le champ , op 
fïaande voet j donner la clef des 
champs, op vtye voeten fl ellen', fe 
mettre au champ, boos worden; à 
travers champs , dwars door bet veldy 
in 't wild; gagner le champ, weg 
loopen. 

Champart, (m) Koorn-tiende. 

Champa.ter, (v. a.) Koorn-tiendê 
ne e m en. 

Champarterefle , (fubft. & adj.) 
Een tiend fchuur (f). 

Charoparteur , (m) Een tiend-man. 

Champêtre , (adj.) Boerfcb ; tot het 

H 2 iMHtf 



,ïï6 en A- 

' land behoorende ; la vie champêtre, 
bet land'leeven ', maifon champêtre, 
een land-huis. 

Champignon , (m) Paddejioel , dut- 
veîs-brood; bet zwarte puntje aan een 
brandende kaers. 

Champignonnière , (fj Plaats 
daar paddejloelen gy oei jen. 

Champion , (m) Een kamp-vech- 
ter; (fguurl.) voorjiander , beid. 

Chance, (f) Kans (£), geluk (n). 

Chancel, (ta) Getraliede plaats in 
een choor. 

. Chancelant, anie (adj.) Wagge- 
lend^ wankelend. 

Chancélement , (m) fFaggeling; 
wankeling (f). 

Chanceler, (v. n.) Waggelen, 
wankelen , weiffelen j fa fortune chan- 
celle, zyn geluk JJaat op zwakke 
voeten. 

Chancelier , iere (m. & f.) Kan- 
eelier-f kanceliers vrouiv. 

Chancellerie , (f ) Kancelery , kan- 
eely. 

Chanceux, eufe (adj.) Gelukkig, 
voorfpoedfg j me voilà bien chan- 
ceux , bet geluk diend my. 

Chancir^ (v. n.) fe chancir , (v.r.) 
yerfcbimmelen. 

Chanciffure, (f) Befchimmeling, 
Jchimmel. 

Chancre, (m) Kanker (f), (/«- 
eetend gezwel) . 
Chancreux , eufe (adj.) Kanker- 



egtjg. 



landeleu r , ( f ) Vrouwendag , 
Maria Licbtmis. 

Chandelier, (ra) Kaarjen-maaker- 
wrkooper. 

Chandelier, (m) Kandelaar; blin- 
de (in Vefïingb.) ; flut ( Scbeeps w.) 

Chandelle , ( f) Een kaer: ; chan- 
delle de veille , de glace, «^^^-^a^r^; 
y5'kegel%\e jeu ne vaut pas la chan- 
delle , bet zap is de kool niet waard , 
w/bet is de kojlen niet waard. 

Chanfrein , (m.) Een Jîukje zwart 
Jiof dat men oJ> 't voorboofd der rouw- 
poerden zet y kol of bles voor de kop ; 
veder -iojcb , kuif van een paerdy af- 
ronding (tn Bouwk.). 

Chanfreiner , (v. a.) /afronden , 
étfiberpt boehgn afneemsn (by Timm.). 



CHA. 

Change, (m) De wijfel; veraride^ 
ring , verruiling; lettre de change > 
wijfelbrief', prendre Ie change, zig 
bedriegen, d waaien. 

Changeant, te (adj.) Veranderlyk, 
onbejlendig , wuft. 

Changement, (m) Verandering^ 
verwiifeling (f), 

Changeouer, (v.a.) Dikwils ver- 
anderen, tuifchen (gent. <w.). 

Changer , (v. a. & n.) Verande- 
ren , verwisfl en , tuifchen; changer 
de note, van gedagten veranderen. 

Changeur, (m) tVisfehar. 

Chanoine, (m) Kanonnik, Dom- 
beer. 

Chanoinefre,(f) Sttft of geeflelyke 
Dame. 

Chanoinie, (f) Kanonnikfcbap . 

Chanfon, (f) Een lied , gezang^ 
deuntje (n) ; chanter toujours la 
même chanfon, a/^yi/ <üan een en de- 
zelfde zaak fpreeken; chanfons que 
tout cela, tout ce que vous nie 
ditez font des chanfons, dat zyn 
altemaal vertellingtjes. 

Chanfonner, (v. a.) Liedjes maa- 
ken. 

Chanfonnîer , iere (m. & f.) 
Liedjes-Jigter ; digtfler (gem. w.). 

Chant, (m)Gezar.g (n),wyze(f)} 
baanengekraai (n), 

Chantcau , (m) Een homp (m), 
fluk brood (n) ; las aan een kleed ( f) ; 
't maanfïuk aan een vat-bodem (n). 

Chantepleure , (f) Een gieter (in 
een tuin): uyn tregter; bouten kraan 
(m); riool (n) of waterloop (m), . 

C hanter , (v. a.) Zingen ; kraaijen ; 
chanter la palinodie, de fnot pfalm 
zingen , op zyn mond kloppen , dat is , 
zyr.e woorden in den nek baaien , her- 
roepen; lorsqu'une fois on éft rna- 
rié il faut chanter , (fpr. w.) als 
men eens getrouwd is moet men van 
toon veranderen , een ander leeven lei' , 
den; chanter injures, pouilles oa' 
goguettes à c\\xelcnn , iemand wakker 
uirmaaken , de buid volfcbelden ; je lui 
ai bien chanté fa gamme ,/^ beb hem 
fcboon zyn l. s gegeeven ( Ipr. w.) ; fai* 
re chanter quelcun , iemand tot re^ 
den brengen ; faire chanter un cri- 
minel , een' misdadiger doen klappen ; j 

c'elk! 



CHA. 

c*eft bien chance , bet is fraai ge- 
zegt , {boen. IV.) 

Chanterelle, ff) Een lok-vogel 
(tn) ; quint , fyt^fte Jnaar van een fpeel- 
tuig ( f). 

Chanteur, euTe (na. & f.) Zin- 
ger f zanger f zang/ïer , zangeresje. 

Chantier, (rn) Houttuin (m)> tim- 
vier werf (f) ; Jïapel(n) ; bier -ft e Hing j 
groot e wagen fcbuur ; mettre un vais- 
leau fur le chantier , een fcbip op 
Jlapel zetten. 

Chantignole, (f) Klamp waar op 
de dwars-balken ruften', zeker gebak- 
ken ft e en. 

Chantourné, (m) Tapyt ~ cieraad 
aan 't hwfd van een ledikant (n). 

Chantourner , (v. a.) Een fiuk 
hout of lood uitfnyden. 

Chantre , (m. & f.) J^oor zanger ; 
voor zang Jl er in een kloqfter;le s chan- 
tres des bois, nagtegalen (f). 

Chantrerie, (i*) J^oorzangerfchap 

Chanvre, (m) Hennip yhennip^î)} 
chanvre mâle, zadeling ^ zaafing -, 
chanvre femelle, helling-^ cuillir, 
roair, brifer le chanvre, den hen- 
nip plukken , rooten , braaken. 

Chanvrier , (m) Hennip-hêkelaar 
of verkooper. 

Chaos , (m) (lees Caos) Mengel- 
Jilomp (m) ; verwerring ( f ) ; mengel- 
moes (n); débrouiller le chaos, ■y^r- 
werrede dingen in orden , brengen , 
ontwarren. 

Chape , (f) Koor-kleed of hembd (n)i 
tabbaard t rok der GeeJJelyken -, beu- 
gel van een ^gefp (m) , Jlulp van een 
dijïileer-kétel (f) offchotel\ difputer 
la chape de 1'évéque, {fpr, w.) om 
's keizers 'baard , of over iets, dat 
om niet aangaat, zintwijien; cher- 
cher chape chute, (fpr. w.) zig 
door zyn gedrag in ongelegenheid 
br enigen. 

Chapeau, (m) Een hoed; 't kap- 
laken (n) {voordeel beha hen de vragt 
van een Schipper)-, parier chapeau 
bas , bloot s hoof ds Cpreeken, 

Chapelain, (m) Een kapellaan. 

Chapeler, (v. a.) Chapeler du 
pain, brood rafpen, ontkorjlen. 

Chapelet, {ta) /Soo^f^raw; Pater» 



CHA. nr 

nofter; flyg-beugel{m); koraalen-fnoer 
( f) ; koraalen boven op brandewyn j 
Ie chapelet fe défile, {fpr. w.) bet 
geflacht verminderd of de vriendjchqp 
breekt. 

Chapelier, iere (m. & f.) Hot' 
demaaker ; Hoedemaakjïer. 

Chapelle, (f) Y^apellê (f); oven* 
verwulf zei (n). 

Chapellerie, (f) Kdfellaanfchap* 

Chapelure, (f) ylffcbrapzel van 
brood (n). 

Chaperon , (m) B^« kap { f) , kap- 
zei (m) , kaproen ( f ) , {eertyds gedraa- 
gen) y tnonmks-kap (f ) j kuif van een 
vogel (f)i kap van een muur (f); 
gepromoveerde Dcâors hoed (m) ) Pi- 
Jfool-holjïer-kap {£) ; 't dwarshous 
van een kruk (n)^ 

Chaperonné, ée (adj.) Gekapt^ 
{in JVapenk') 

Chaperonner, (v» a.) Kappen. 

Chaperonnier, (m) Een l^alk die 
aan de kap gewend is. 

Chapier, (m) Priejler in een mis- 
gewaad. 

Chapin, (m) Spaanfcbe kousfen m 
fchoenen. 

Chapiteau , {m) Het kapiteel eemt 
zuil ; dekfluk , kap eener muur. 

Chapitre, (m) Kapittel {î)^ af" 
deeling { f) , hoofjjïuk (n) ; tenir cha- 
pitre , kapittel , verzameling hou- 
den', la converfation tomba fur le 
chapitre d'un tel, het gefprek viei 
over zulk een ; paflbns fur ce châ- 
tre , laat ons die zaak voorby gaan. 

C hapitrer , (v. a.) Bejlraffen , door^ 
haaien, iemand de biegt leezen ^ ka- 
pittelen. 

Chapon , (m) Kapoen y kapiiin',ze^ 
kere maat land om een adelyk land» 
huis', een groot fluk brood dat men itf 
de ketel kookt, 

Chaponneau j (tn) Jonge kaputn, 

Chaponner, (v. a.) Chaponner 
un coq , een' haankapuinen, 

Chaponniere, (f) Kapuinfchotet, 

Chaque , (pron.) Ieder y yder; 
chaque jour , ieder dag y chaqiiç 
hl ure, teder uur. 

Char, (m) Triumf- wagen der ott' 
den. 

Charagi (co) ^ekfrff tynf dj/ e^ 

TA 3 f 0<^ 



118 CHA. 

^oden en Chrïjienen aan den grooten 
Tnrk bet aaien moet er.. 

Charanfon , (m) Koren-worm. 

Charbon , (m) Een kool ; pejl-buil 
(f); caput mortuum , of bet laatjïe 
cuerfchot van gejïookte dnigen. 

Charbonnée ,(f) Gei-ooJlerJvleefchy 
karbonnade. 

Charbonner, (v. a.) Met een kool 
aftekenen > iemand zivart maaken , 
zyn goede naam bezwalken. 

Charbonnier, iere(m. 5cf.) Kool- 
wan, kool-ver kooper., kool-brander-, 
kool-brandjïer. 

Charbonnière , ( f) Kool -brander y, 
kool-plaats 

Charbouiller, [v.z.) Verbranden, 
bederven, {word van koren gezegd). 

Charcuter , (v. a.) Spek klein Juy 
den om te kookèn. 

Charcutier, ere (m. & f.) Sp,k- 
verkooper j fpek-Jlaa^er -, fpek-JJaag- 
fler. 

Chardon, (m) Een dijîel ,Jieekel ; 
dijiel-kaard (by Droogfcheerders) ; pin- 
nen op een hek , heining ; chardon bé- 
nit, gezegende dijiel , kardebenedift 
(kruid). 

Chardonner ou laner , (.v. a.) 
X)e wol opkaalen , rouiien. ' 

Chardonneret, (lu) Dijlel-vïnk , 
putter, 

Chardonnet, (m) Kleine difiel. 

Chardonniere , ( f) Een plaats vol 
dijlels. 

Charge , ( f) Een lajl , lading , vragt 
(f) ; opzigt ; gevegt (n) j bediening {t ) ; 
charge d'un mulet , laj} van een 
muil-ezel ; charge d'un vaifTeau , /a- 
ding van een fcbip ; avoir charge , 
iafi, bevel hebben y avoir une gran- 
de famille à fa charge, een groot 
huisgezin op zynen hals hebben ; il 
-n'eft point en ma charge, hy is 
niet onder myn opzigt, bewaanng; 
entrer en charge , in bediening 
treeden j charge , laading van een 
fchietgeweer ; commencer la char- 
ge, het gevegt beginnen i revenir à 
la charge , nog eenmaal op den vyand 
tos gaan; item zyn aanzoek vernieu- 
ven'y fonner 5 battre la charge, tot 
*t gevegt of aanval hlaazen , tromme- 
ib ; cela m'eft à charge , dat is my 



CHA. 

tot een laji , dat verveeld wy ; à Ia 
charge de , onder beding , mits dat j 
femme de charge , huishoudjler. 
Chargé, ée (adj.) {Zie Charger). 

Chargement , (ra) Eene lading waa' 
ren (f). 

Charge o ir, (m) Een laad-lêpel. 

Charger , (v. a.) Laaden , belaa- 
den, belajien; chargerun navire, 
een fchip belaaden -, charger d'une 
commiflîon , met eene verrigting be- 
lajien -, charger une fufil, een fnap" 
haan /aaJfwj charger l'ennemi , c/^« 
vyand aangrypen ; charger d.un cri- 
me, met eene misdaad belajîen; cet 
I arbre a bien chargé , die boom 
' heeft wel gedraagen j charger un 
compte , een rekening belajien j être 
chargé de dettes, met f chu Iden averla- 
! den zyn ; chargerune couleur , te dik, 
; t^'donkerverwen',charger la, marcban- 
dife de douane ,ûf^ koopmanfchap met 
toi bezwaaren; charger la quenouille, 
denjpinrokken aanleggen, klaar maa- 
ken; chargé de \ies,met droejfem bezet; 
charger le balancier , den onruji 
e ener klok verzwaar en; charger tou- 
tes les voiles , aile zeilen aanflaan. 

Chargeur ,(m) Laad^r ,bevragter. 

Chargeure, (f) Dwarsjiuk in een 
wapen. 

Chariage, (m) Het ryden; voeren; 
voerloon (n); vragt (f). 

Charier, (v. a.) Met een wa~ 
gen of kar voeren, ryden; la rivière 
char ie , de rivier is aan 't krui" 
jen y aan 't gaan; il faut charier 
droit , meii moet regt handelen. 

C hariot , (m) Een ^vagen (m) ; - 
fleede {by Lyndraaijers { £). 

Charitable , (adj.) Liefdadig , mild, 
goed arms , meegaande , verdraag- 
zaam. 

Charitablement >(adv.) Liefderyk, 

Cliaritatif, (m) Liefdegaaf, die 
een Bisfcbop by nood eens heffen kan 

(f). 

Charité, (f) JVeldadigheld , lief. 
de jegens thn noodlydenden ; aalmoes; # 
charité bien ordonnée commence 
par foi même, de liefde begind eerji 
van zig Zi^lfs {fpr. w.). 

La Charité 5 (f) ^ahwesfemersr 
huis (n). 

Cha- 



CHA. 

Charivari , (in) Gerammel van 
potten en pannemy geraas ,get ter (n) f 
oploop van volk (tn). 

Charlatan, ane (m. & f.) Kwak- 
zalver , kwakzaljfler ; bedneger , be- 
driegjïer. 

Charlataner ) (v. a.) Kwakzalven , 
zwetzen, bedriegen. 

Charlatanerie, (f) Kwakzaivery , 
bedriegery. 

Charlacanesque , (adj.) Kwakzal- 
veragtig. 

Charmant ,ante (adj.) Betoverend; 
bekoorlyk , vermaakelyk. 

Charme , (m) Jokboom (m) ; bstove- 
ring ', bekoorlykheid , bivaUigheid(f). 

Charmer, (v. a.) Betoveren; be- 
koor en , aanlokken^ inneemen; char- 
mer les douleurs , pyn Jlillen ; Ie 
vin charme les chagrins, rf^ vuyr. 
verdryft het hartzeer -y charmer la 
bale, de kogel bezweeren. 

Charmeur , {m) Bekoorder ^Hexen- 
meejler. 

Charmeufe , (f/ Een hoeragtig 
vrouivmenfch. 

Charmille , (f) Jonge jokboom om 
heggen en laan en mee te maakeiJ. 

Cbarmoye , (f) Jokboomen hegge. 

Charnage, (m) l-'lee/ch tyd (f). 

Charnaigre, (m) Zeker Jagt hond 
die de konynen op dry ft. 

Charnel , elle (adj.) VleeÇchelyk. 

Charnellement, (adv.) Vleefchelyk. 

Charneax, eufe (adj.) Vleefchig. 

Charnier , (m) V leefch-kamer (f) ; 
kneekel huis , beefi-huis j item plaats 
daar het avondmaal uitgedeeld word 
in de R. Kerk. 

Charnière, (f) Scharnier van een 
doos enz. j(n) aasplaats (by yalken.) 
(f). 

Charnu, ue {a.à].)Vleefchig ifappig. 

Charnure , (f) f'leefchigheid (f) 
het vleefch (n). 

Charogne, (£) Een kreng (f), 
jïinkend aas (n). 

Charpente , (f) Timmer-werk; 
bois de charpente, timmerhout (n). 

C harpenter , (v. a.) Timmeren, 
iimmer-werk maaken-, iets onbehendig 
fnyden, hakken. 

Charpente rie , (f) Hout -werk 
■ van een buis ; bet timmeren (n). 



CHA. 119 

Charpentier , (m) Een Timmetm 
man. 

Charpie, (f) Pluk zei, wiek (voor 
wonden)', y lande en charrie ) vie ef eb 
in vezelen gt kookt. 

Charrée', (f) Loog-af eb. 

Charretée, (f; Eene kar vol y 
karren vragt. 

Charretier, (m) Kar rem an ; il ju- 
re comme un charretier, hy vloekt 
als een krygsheld j il n'eft fi bon 
charretier qui ne verfe , daar is 
geen paerd of het Jïruikeld wel eens^ 
{fir. w.) 

Charrette, (f) Epne karre, kar» 

Charriage. {Zie Chariage). 

Charrier , (m) Een laogdoek , die 
men over 't linnen f pre id en waar op 
men de afch legt. 

Charroi, (m) fVagen vragt {£), of 
loon (n). 

Charron , onne (m. & f.) If^a- 
genmaaker; maakfler. 

Charronnage , (m) tf^agen-maa- 
kers-werk (n). 

Charruage , (m) Opzigt over de 
gemeene wegen en uitgave deswegen, 

Charruë, (f) Een ploeg, mettre 
la charruë devant les bœufs, het 
paerd achter de ivagen f pannen , dap 
is , eene zaak verkeerd doen. 

Charte partie , ( f) ContraS va» 
bevragting, vragt-briefy eer te par- 
tie. 

Chartier. {Zie Charretier). 

C hart il , (m) Een wagen om koren 
mee in te ryden. 

C hartre, (f) Teering, quynende 
ziekte; tomber en c hartre, de tee- 
ring bekomen. 

C hartre , ( f) Oirkonde , bewys va» 
eenig voorrecht (n). 

C har tr eufe, (f) Een karthuizer 
kloojler. 

Chartreux, eufe (ra. & f.) iSTar- 
thuizer Monnik- , Nonne. 

Chartrier, (m) Plaats daar d*oir^ 
konden eener abdye bewaard worden ^^ 
item bewaarder daar van. 

Chartulaire, (ra) {lees Kartulai- 
re) Een verzameling van oirkonden en 
bef ch ei den eener kerk, kloofler , enz. 

Chas, (m) Oog van een naald {n); 

fiyfzel in d& kuip; pap gebruikp door 

H 4 ds 



I2C CHA. 

de Weevers { î) -^-vak tujfchen twee bal- 
ken (n) ; fiierigbeid eener koe ( f). 
Chaferet, (m) Een kaas-vorm{f). 
Chasnatarbalïï , (m) Opperfchau 
meefier in 't Serail. 

Chaflaky , (m. & f.) Een^ van den 
groot en Heer zeer bemind Staatsdie- 
naar ^ of Dame. 

Chafle, {?) De jagt (f), jagt- 
gezelfchap {n) ; aller à là chafle, op 
cie jagt gaan; donner la chafTe à 
quelcun ^iemand op de vïugt dryven; 
à un vaiflVaa , jagt maaken op een 
frhip; prendre ch&ffe, vlugten, weg - 
toopen , afdeinzen ; chaffe , kaafs ( in 
't kaats-fpel) ; deur/lag yzer (n) ; 't 
houtiverk aan een zaag ; raam of lyjl 
•van eenfpiegel enz ; reUquien kas ; aan- 
JJag kam (m) van eé^i weefgetouw ; 
teft van een fcheermes (n). 

Chafle boffe, (f) Welgbree {een 
kruid). 

ChafTe -coquin , (m) Dienaar die 
de fchavutten we^ jaagd, 

Chafle-coufin, (m) Styve fiherm- 
degen j verdorvene wyn voor onaange- 
uame gajïen, 

ChafTe-ennui , (m) Iets dat het 
verdriet verdry ft. 

Chaflelas, (m) Pietercelie wyn. 
C hafTe-raarée , (m) ï^tfch^koper te 
J>arys; zeevifcb-korfi 

Chsfle-mulet, (ta) Ezel-dryver hy 
gen vnoolen. 

ChafTe-po ignée, (m)J5;<>» dryf-hout 
0m het geveji van een degen vajï te 
maaken (n). 

Chaffer, (v.n.) Jaagen, weg jaa- 
gen, verjaagen, ver dryven ; chafler 
un clou, eenfpyker indryven, chas- 
fer fur l'ancre, op het anker dry- 
ven ; un bon chien chafle de race , 
de boom valt niet ver van de Jiam ; 
't is een aartje na zyn vaartje (fpr. 
'w.);lz faimehafl°e Ie loup d^bois, 
honger is een fcherp zwaard {fpr. tv.); 
un clou chafle l'autre , de zwakke 
moet den ft erken wyken-, chafler fur 
un vaifleau , op een fchip jagt tnaa- 
ken. 

' ChafTear , eufe (ra. & f.) Jaager, 
^aa^ers'vromv. 
' ^haaie; (f) Dragt der oogeo. 



CHA. 

Chaflïeux, eufe (adj.) Leepoogig. 

C haflis , (m) Een raam , lyfi waar 
mee men iets omvat of influit , veng- 
fier-raam o/faffinet; borduur- y druk- 
kers-, fcbildery - raam ; voet van een 
tafel-/ fenêtre à c haflis, een fchuif- 
raam. 

Chaflbir, (m) .Kuipers dryf-hout. 

Chafl:e, (adj.) Kuifch , eerbaar, 

Chaftement, {adv,} Kuifbelyk, ■ 

Chaftetê, (f) Kuifchheid. 

Chafuble, (f) Kazuifel {zeker 
misgewaad of rok zonder mouwen). 

Chafublier ,(m) Maaker daarvan. 

Chat, Chatte, (m. & f.) Een ka- 
ter ; kat ; jetter Ie chat aux jambes à 
que[can,(fpr.)iemanddefhuldgeeveni 
à bon chat bon rat , {fpr. w.) zy 
zyn goed hy een-, acheter, vendre 
le chat en poche , een kat in de zak 
koopen, verkoopen {dat is zonder het 
te zien); éveiller le chat qui dortj^ 
ou reveiller une querelle afloupie, 
een oude wond openen, of oude koeijen 
uit de Jloot haaien {fpr . w.) ; appeller 
un chat , un chat & rolet un fripon , 
een dif^g by zyn , recbten naam noemen ; 
chat échaudé craint l'eau froide, 
een gebrande kat vreejl het koude wa- 
ter ,of daar een ezel zich eens aau floot 
wagt hy zig voor de tweede reis. 

Châtaigne , (f) Kaftanje. 

Châtaigne , ée (adj.) Kaftanje kleur. 

Châtaigneraie , (f) Kajianien- 
bofch. 

Châtaignier v(nï) Kajlanien-boom. 

Châtain ,^(adj.) Kajïanien bruin. 

Château., (m) Een kaJïeel,/lot{n); 
kampanje , fchans , plegt van eenfchtp 
{ £) ; bâtir des châteaux en efpa- 
gne , kajleelen in de lucht bouwen, (fpr,) 

Châtelain , (m)_ ^mbagts'heer ^ 
borgt-voogd , kaftelein. 

C hâte let, (m) Een flot je y gevan- 
genhuis te Parys (n), 

Chatellenie, (f) Kafteleny. 

Chatepeleufe, (f) Kalander, ko- 
ren-worm. 

Châter, {Zie Chatter). 

Chat- huant, (ra) Nagt-uil. 

Chatiable, (adj.) Strafwaerdig, 

Châtier, (v. a.) Kaftyden , tugti- 
geti) Jfraffn -, châtier un enfant, 

gea 



i 



CHA. 

een kind Jlraffen ; châtier un ouvra- 
ge j een werk befchaaven. 

Châtiment, (m) Kaflydwg , tugt 

Chaton ,(m) Kas i'aupen ring daar 
de fieen in Jlaat j groer.e fchil van een 
hazel-noci (f). 

Chacouilleraent , (m) Kitteling (f). 

Chatouiller , (v. a.) Kintelcn, ké~ 
telen; chatouiller 1'oreiile, het oor 
Jireelen. 

Chatouilleux, eufe (adj.) Kittel- 
^S^'g i ^'?f gffioord, korfelig. 

Châtré, ée (adj.J GrMdi un châ- 
tré , een gelubde. 

Châtrer , (v. a.) Lubben ^ fny den ; 
châtrer les ruches, honing uit een 
bye-korf ne e men ; châtrer un livre, 
un fagot , uit een boek , van een tak- 
kebos iets neemen. 

Chatreur , (m)Een lubber , fnyder. 

Chatte. (Zie Chat). 

Chatte, (f) Een kat {zeker fchip 
met 2 majlea). 

Chattée , ( f ) Een worp jonge kat- 
ten (n). 

Chattemite , ( f) Eenefchynbetlige , 
huichelaarfier. 

Chatter , (v. n.) Jonge katten wer- 
pen. 

Chattiere, (f) Een katte gat, 
hol (n). 

Chatton, (m) Jong katje (n). 

Chaud» aude (adj. (Sc f.) Ifeet , 
warm j bitzlg ; ritzig , loopfch ; haafiig; 
ieverigf il fait chaud, "t is warm 
weê^ y eau chaude, warm y heet wa- 
ter; fièvre chaude , heete koorts; 
pleurer à chaudes larmes, bittere 
traanen fchreijen; avoir les pieds 
chauds , 'er warmtjes inzitten , het 
%vel hebben ; avoir la tête chaude , 
zeer ophopend zyn , heet gebakerd 
il faut battre le fer tandis qu'il eft 
chaud , men moet bet yzer /meeden 
terwyl bet heet is , dat is , de tyd 
waarneeinen; fouffler Ie froid & le 
chaud , in de eene hand water en in 
de andere hand vuur draagen ; uit 
twee monden fpreeken ( fpr.w.) ; tom- 
her de fièvre en chaud mal, van 
erger tot erger komtti ; une chienne 
chaude , een' ritzige , îoopfcbe teef; 
11 y faifoit fort efiaud, bet ging 'er 



CHA. 121 

heet toe; à la chaude, (adv.) in der 
yl\ avoir chaud, warm zyn; être 
chaud , geil zyn ; il vous la donae 
toute chaude, hy fpeld u de leugen 
heet en warm op de mouw , {fpr. w.y 

Chaude, (fj Donner la chaude 
à la befogne , bet werk gloeijend 
tyxiaken , gloeijen; chaude Yuante, 
vloeibaare gloé-tjing. 

Chaudeau, (ir.) Kandeel (m), wyn 
fopfe ( f). 

Chaude-chafie , (f) Vervolging 
van een givangenefx. 

Chaudement , (adv.) JVarmtjes-, 
hitzig ; haajiig ; onbezonnen. 

Chaude-pifle, (f) Be koude pis 
( f) ; f m druipt rd (m). 

Chaoderet, (m) If'trktuig waarin 
het metaal dun géflaagpn word. 

Chauderon, (m) Kéiel;pomp-kap^ 

Chauderonnée , ( f) Een ketel vol, 

Chauderonnerie ,(f) Koper-werk 
(n); koper-handel (m). 

Chauderonnier, (m) Koperjlager^ 

Chaudier, (v. n.) Loopfch gyn. 

Chaudière, (f) Groot e kopere ké' 
tel, brouw-kétel (m). 

Chaudron. (Zie Chauderon). 

Chauffage , (m) Brand, brand-haut 
enz. a.les waar by men zig warmd. 

C hauffe , ( f) Kool-pan of fchoorjleen 
tn een fmelt -oven. 

Chauffe-chemife, (m) E,en vuuf' 
korf, 

Chauffe-cire, [tn) Bediende eener 
kamzetary die^ de brieven verzegeld. 

Chauffe-lit*, (m) Bed-pan ( f), (^ie 
Moine ou Baffinoire). 

C hauffe-pied , (m) Een' Jîoof ( f ), 

Chauffer, (v, a. & n.) ff^armeui 
Ce chauffer, zich zvar men; je fai de 
quel bois il fe chauffe, ik weet zyn 
bejlaan , ik ken hem- 

Chaufferette, (f) Stoof je y vuur^ 
pannetje (n). 

Chauffeur, (m) Blaasbalg-trekker * 
blaazer. 

Chauffoir, (m) Plaats daar men 
zich warmd; warme doek. 

Chauffure,(f) Hamer/lag, afval 
van yzer enz. (n). 

Chaufour, (m) Kalk- oven. 

Chaufourner, (v. n.) Kalk bran. 
den. 

H 5 Chau^ 



122 CHA. 

Chaofournier , (m) Kalkbrander. 

Chaume, (m) Koorn-Jloppel (£)', 
dek-JiroQ {n,. 

Chaumer, (v. a.) De Jloppels uit- 
rukken. 

Chaumière, (f) Een Jïrooye hut, 
borren jlulp. 

Chaumine , (f ) Klein hutje (n). 

Chauffage , (m) Schoenen enkoujj'en. 

ChïufTanc ,ante (adj.) Baschaus- 
fants, koujfen dr e ligt aan te trtkken 
zyn-, humeur chauifance , een fchik 
kelyk gemoed) humeur. 

Chauffe , ( f) Kous ; chauffes , (pi.) 
OU haut de chauffes, culotte, 
een broek -, chauffe d'hipocras , ffw 
zygdoek; quitter les chauffes, (/pr. 
w.) mondig ïvorden, de kinder fehoe- 
ncn uittrekken -y tirer fes chauffes, 
bet hazen-pad kiezen , {fpr. iv.) 

Chauffée, {£) Dyk , dam (m) , 
kaai ( f ) ; à rez de chauffée , gelyk 
met de grond. 

Chauffe-pied , (m) Een aantrekker^ 
une charge eft un chauffe- pied de 
mariage , {fpr. ixj.) een ampt is een 
middel om te konnen trouwen» 

Chauffes, (v. a.) Schoeien, f choe- 
nen of koujfen aantrekken ; ce cor- 
donnier chauffe bien , die fchoen^ 
maaker maakt goede fchoen en-, chaus- 
fer un arbre , de voet van een boom 
dekken; chauffez vos lunettes, zff 
uw bril opice foulier chauffe bien, 
die fchoen pajî wel -y il chauffe à tant 
de points , zyne fchoenen zyn van 
zoo veel Jleekf ils fe chauffent au 
même point, {fpr. w.) zy zyn van 
eenerly aart; fe chauffer une opi- 
nion dans la tête , eene meening ei- 
genzinnig vajî houden. 

Chauffetier, (m) Yioujfen-maaker- 
w e ever. 

Chauffe-trape , ( f) l'^o et- angel. 

Chauffette , ( f ) Onder-kous. 

Chauffon , (m) Een zok ; datts- 
fchoeu. 

Chauffu're , (f) Scboeing ( f ) , 
fc^oeîfel (n) , al wat men aan de voe- 
'fen trekt; trouver chauffure à fon 
pied , zyn regte man of maat vinden , 
{fpe. w.) 

Chauve, (adj.) Kaa/. 

Chauve-fouris , (f) Flédermuis , 



CHA. CHE. 

Chauveté, (fj Kaalheid, 

Chauvir , (v. a.) Chauvir les 
oreilles , de ooren epjleeken. 

Chaux, (f) Kalki de la chaux 
vive, éteinte ou fufée , ongelefchte , 
gelefchte kalk; de la chaux d'étain, 
tin-afch; bâtir à chaux & à ciment, 
met kalk en tras bouwen; tenir à 
chaux & à ciment , wel vafl klee- 
ven , ofy een zaak die bondig aange- 
legt ts. 

Chasnadar-Eafchj, (m) Opper- 
fchatmeeifer in 't Serail. 

Cheaus, (m) Jonge f^olf, Vos enz. 
{Jagers w.) 

Chécagne, (m) Onder-fchatmeejîer 
in 't Serail. 

Chécaya, (m) Officier der Janit- 
zaaren naajî den Overjîen. 

Chef, (m) Hoofd; Léger-hoofd; de 
voornaamjîe van iets; chef d'efca- 
are , fhout hy nag^t; chef de file, 
vleugel-mau {by Sold.); chef de fa- 
mille , huis-vuder; les chefs d'un 
plaidoyer , de hoofdf.ukken van een 
pleidooi; agir de fon chef, van zig 
zelfs , na zyn eigen zin iets doen ; 
chef , 't voorjle end of fiaalfïuk van 
fioffen. 

Chef-d'œuvre, (m) Meejîer-Jiuk , 
proef-Jîuk, konjîig werk. 

Chef lieu, (m) Hoofi-pîaats, 

Chégros, (m) Pekdraad. 

Chelezzi , (m) Opper-huishouder des 
Sultans. 

Chelidoine, (f) Stinkende gouw, 
fchel-wortel {geneeskruid). 

Chelonité , (f) Zwaluwen -fleen 
(m). 

Chem.age, (m) Weg-geld {n). 

Chêmer, (v. n.) (gem.w.) Gejlaa- 
dig fcbreenwen , huilen als kinderen. 

Chemin , (m) Een %veg; chemin 
battu , frayé , gebaande , betreeden 
weg; grand chemin , de land-JJraat ; 
rebropffer chemin, te rug keeren; 
chemin détourné, een afweg; che- 
min de traverfe , dwarsweg ; che- 
min fourchu , kruisweg ; chemin 
de velours , zagte , gelyke weg; 
une heure de chemin , een uur 
gaans; une journée de chemin, ^f-w 
dag reizens ; chemin , kelder-leer; al- 
ler fon grand ch^taxn , opregt ^ vocf^ 



CHE. 

,àe vuijl handelen -y chemin faifant, 
en chemin faifant , /» 't voorby 
gaan; chemin couvert, een bedekte 
iveg {inyejiingb.)} chemin de l'écô- 
le , een lange , langzaame weg. 

Cheminée , (f ) Schoorjleen ^fchouiv. 

C hemiVier ,{v .a.) ff^andelen igaan; 
cheminer dvo'it iOpr egt e lyk handelen. 

Chemife, (f) Ken henibd (n). 

Chemifette, (f ) Eeu hembd-rok 
(m). 

Chênaie, ^f) Een eiken-bofch (n). 

Chenal, (mj Het bed,guil van eenig 
vaar-water. 

Chenaler, (v. n.) Dooreen guil 
vaaren. 

Chêne , (m) Een eiken-boom , een 
eik, 

Chêneau , {m) Jonge eiken-boom-, 
hang goot. 

Chenet , (m) Brand-yzer (n). 

Chêne-verd, (m) Steen-eik. 

Cheneviere , (f) Kennip-akker 
(m). 

Chenevis , (ro) Kennip-zaad (n). 

Chenevotte , ( î jKennip jiok yfchee- 
ve (m). 

Chenil, (m) Een honde-kot (n). 

Chenille, (f) Een rups', item een 
foort van pajfement. 

Chenu, ue (adj.) {oud w.) Grys 
van ouderdom', les cimes chenues 
des montagnes, (/é- met fneeuw bedek- 
te kruinen der bergen. 

Cheoir. {Zte Choir). 

Chepteil y(va)l^ee-pagt om de helft 
der baat. 

Chepu, (m) Stelling om hout op te 
jlapelen. 

Cher, ere (adj.) Duur., kojlhaar; 
dierbaar , u-aard , lief', mon cher, 
ma chère ; myn lieffie ; cher, (adv.) 
cela eil cher, dat is duur. 

Cherche ou cerce,(f) Eenbogen, 
(in Bowu'k.) 

Chercher, (v. a.) Zoeken, trag- 
ten , opzoeken; aller chercher ,^^a« 
haaien; chercher midi à quatorze ! 
|ieures, {fpr.w.) zwarigheid maaken 
daar geene is. 

Chercheur, eufe (m. & f.) ^of- 
ktr y zoekjier ;ç\\firchèMr de franche 
[ipées, een fcbuimlooper. 
Chère, rf) Gajîery , goede der-, 



CHE. 123 

faire bonne ou raauvaife chère, 
eene goede of eene Jlegttmaaltyd doen^ 
wel ofjlegt ciithaalen. 

Chèrement , (adv.) Duur; Heft 
téderlyk , hartelyk. 

Chérir, (v.a.) Liefhebben, bemin' 
nen. 

Cherlesquier, (m) Turkfch Gene- 
raal- Lieutenant. 

C herté , ( f ; Duurte , fchaarsbeid , 
gebrek. 

Chêruhin,{iT))Cherubin(zeker(ngel), 

Chervi, (m) Zuiker-ivortel (f). 

Cheaneghir-Ea'chi, (m) Desüul- 
tans Opper-voorfnyder. 

Chécif, ive (aó}.)Elendig , gering, 
veragt. 

Chétivement, (adv.) Armhartig- 
lyk. 

Chétron,(m) Laadje in een kifi 
(n). 

Cheval , (m) Een pacrd {n); chc- 
vaux , paerden ; ruitery (£); cheval 
fier , ardent , plein de feu , fouple , 
leger a la main , obéïffant , fidele , 
een,moedig , hitzig , vuurig , gedwee , 
ligt op de hand, gehoor zaaru^, getrouw 
paerd ;chewa\ vicieux , ombrageux , 
tort en bouche , pefant à la main, 
poufllf, eenpap.rd dat quaad y fcbig-^ 
tig, hard in den bek , zwaar op ae 
hand, dampig is; cheval de caros- 
ie, de main, de bat, de louage, 
een koets, hand, loj} , huuy-paerd ', 
cheval de pas , een pus-ganger , che- 
val hongre , een ruin; cheval en- 
tier, een hengji ; monter à cheval , 
te paerd fygtn, ryden ; être bien à 
cheval , wel te paerd zitten; aller à 
cheval , te paerd reiz-n , commen- 
cer , travailler, achever un che- 
val , beginnen een paerd te beryden , 
te temmen. af te rigten; cheval ma- 
nn, een zee-paerd; tirer à quatre 
chevaux , met vier paerden van een 
trekken, vierevdeclen; c'tfl un che- 
val , gros cheval, cheval de ca- 
rofle , hy ts eet: grove vlegel; mon- 
ter fur £es grands chevaux, toornig 
worden , opvliegen , cp zyn pacrdje zyn 
{fpr, w.); li eft mal à cheval, hee 
ts flegt met hem gefield; à cheval 
donné on ne regarde point ia 
bouche , e9n gegeeven paerd kyit 

mm 



Ï24 CHE. 

men niet in de mond; chmger fon 
cheval borgne contre une aveugle, 
eene Jlcgte ruiling doen ; l'œil du 
maître engraîfe le cheval, het oog 
vanden meefler rna^ikt de paerden vet 
ùfy ivat men zelfs\ kan doen gaat bejl , 
il fait bon tenir fon cheval par 
Ia bride, men moet zig niet nitklee- 
def} voor men na bed gaat, dat is, 
van zyn goed niet fcheiden loor men 
dood is ', on lui fera voir que fon 
cheval n'eft qu'une bête, (fpr.iv.) 
men zal hem dopn zien dat hy niet 
wel handelt ; brider fon cheval par 
Ia queue, {fpr. «'.) eeri ding ver^ 
é^erd beginnen; les chevaux courent 
les bénéfices & les ânes les attra- 
pent , de wyze zoeken de ampten en 
de zotten krygen ze ; il eft bon che- 
val de trompette , hy laat zig niet 
ligt fchrikken ; parler à cheval , trot- 
ielyk fpreeken ; cheval ailé , een ge- 
vleugeld paerd (by Poëten); cheval 
de bois , houten paerd , Soldaat en 
ezety cheval de frize, vriefche rui- 
ner (in Vejiingb.) ; cheval fondu , 
hok Jiaa vafl (kinder-fpel\ ; cheval 
gai ) effraie ou cabré , animé , ar- 
mé , bardé, caparafiTonné, houlTé , 
eêH paerd dat zonder bit is , op zyn 
cgterjle pootenjîaat y het eene oog van 
em andere kleur heeft , de voet van een 
andere kleur heeft , qeharnajl , gedekt , 
met een fchabrak voorzien is; (in 
Waf enk.) fer à cheval, eenhoef- 
yzer ; un petit cheval échapé, un 
petit libertin, een wild knaapje; il 
hàt de cette chofe toujours fon 
cheval de bataille, hy maakt van 
d!e zaak altoos zyn fterkfte bewys. 

Chevalement , (m) Een Jîut om 
iets op te leggen {in Bouivk.). 

Chevaler, (v. a.) Onderfchraagen 
(in Bouzvk.); heen en weer jagen; ie- 
rsand geen rufl laaten om iets te be- 
komen ; hout op een zaag-blnk leggen. 

Chevalerie, (f) Ridder -or- 
den. 

Chevalet, (m) Een Schilders ezel 
ffïi) ; p?n fchraag , een Jîut (n) ; kam 
van een fpeeltuig met fnaaren (f); 
aalg van eefi druk-pers ; raam daar 
sfe misdadigers op gerekt wardev ( ï). 

Càevalier, (ra) £len Rtdder; paerd 



CHE. 

(in 't S(haak-fp.); chevalier de ïa 
coupe, liefhebber van de flefch ; che- 
valier de 1'induftrie, een fpits-boef. 

Chevalière, (f) Ridders-vrouiv; 
ook eene die de Ridder-orden heeft. 

Chevalin, ine (adj.) Béte che- 
val i ne , een merrie paerd. 

Cheval is, (m) Het diepfls van een 
rivier dat n-.en by laag water in agt 
moet neemen. 

Chevance, (f) (oud w.) Goed, 
goederen of bezit van iemand. 

Chevauchable, (adj.) Chemin, 
cheval chevauchable , f-fw vybaare 
weg-paerd. 

Chevauchée, (f)V Schouwen van 
tvegen. 

Chevaucher, (v. a.) Ryden (oud 
w. in deezen zin) ; het eene Jiuk over 
het andere leggen , als planken , leijen 
enz. 

à Chevauchons , (adv») Scbreije- 
lings. 

ChevauK legers, (ra. pi.) Ligte 
Ruiters, 

Chevêche, (f) Een nagt-raven. 

Chevecier, (m) Een Sacrijiy-die^ 
naar. 

Chevelu, ue (adj.) Langhairig^ 
een die lang h'air heeft. 

Chevelure ,(?)Het hair deshoofds 
(n) ; chevelure de comète , de Jl aart 
van een komeet; chevelure de raci-^ 
nes , uitfchietzels , vezelen van wor--. 
telen; chevelure, (by Dichters) het^ 
loof, alle de bladen van een boom. 

Chever, {■v.z.)Een edele Jleen van 
ondfir uitholltn , (Juweliers w.) 

Chevet, (m) 't Hoofden-end van 'p i 
bed ; hoofd-kuffen (n) , hoofd-peuluwe 
(t;ràverfm) , al het geene waar op het 
hoofd rufï ; groote blok die onder 't 
gefchut gelegt word om het wel te fiel- 
len; voering om de beetingen van een 
fchip; àto'u de chevet, eeren-maaî 
van een nieuwgetrouzvde Amptenaar 
aan zyn confraters; épée de che- 
vet , iets dat men altoos byzig heeft. 

Cheveteau, (m) Kam-rad eetier 
moolen (n). 

Cqevêtre, (m) Een hal fJ er (lic ou). 

Cheveu , (m) Een hair -, cheveux , 
hoofd' hair (u) ; cheveux blancs, j^ryf 
bair ; fe prendre aux chsveux , maL 
kiindt ^ 



cm. 

stander by 't hair vafteh; prendra 
J'occafion aux cheveux , de gele- 
gentheid waameemen; tirer par les 
cheveux , met het kair 'er by Jleepen 
{fpr. w.) ; il ne tinc qu'à un che- 
veu , het jcheeld maar ren hair's 
breedte ; cheveux des plantes j ve- 
zelen der planten ; couper un che- 1 
veu en quatre , (fpr. ixi.) haïr kloo- 
ven, miiggeziften. 

Cheville , ( f ) Tzere of boute pin , 
yzere bout , fpil , fchoen-pin (m); au- 
tant de trous que de chevillés , zoo 
veel fpy kers , zoo veel gaat en (fpr. w.) j 
cheville du pied, enklauw. 

Cheviller, (v. a.) Vajl pinnen. 

Cheviliette ^(f )£pw pimetje (n). 

Chevillots, (m. pi.) Karveel-na- 
gels , waar aan het fcheeps-wand vajl 
gemaakt ivord. 

Chevillure, (f) Takken van een 
tferts-hoorn. {Zie Andouillers). 
' Chevir, (v. n.) {oud w.) On ne 
ne peut pas chevir de lui > men 
kan met hem niet te regt komen. 

ChevifTeraenc , (m) {oud w.) Ver- 
felyk^ verdrag (n). 

Chèvre, (f) Een Geit; bok om 
iets mee op te winden-, prendre la 
chèvre y opvliegen als een bofchje met 
vlooi jen ^ quaad worden; fauve r la 
chèvre & le choux, ^ire^' ongelukken 
teffens afkeeren, (fpr. u.) 

Chevreau , (m) Jong Geitje (n). 

Chevre-feuille , (m) Kamper-foe- 
lie ( f) , Geiten-blad (n). 

Chevre-pied, (m) Een boks-voe- 
tige, een krom been. 

Chevrecer , (v. n,) Jonge Geitjes 
werpen. 

Chevrette , (f ) Eene Ree ; garnaat , 
garnaal ; " ^ipotheckers flroop-pot met 
een tuit ', brand-yzer. 

Chevreuil , (ra) Een Ree-bok. 

Chevrier, (m) Een Geite-hoeder. 

ChevrilJard , (m) Kleine Ree-bok. 

Chevron , (m) Een fpar , rib, ke- 
per in ee.n wapen (f). 

Chevroter , (v. a.) Jonge Geitjes 
werpen ; beeven m 't zingen. 

Chevrotin , (m) Bereid Geiten- of 
Bokken-lecr (n). 

Chevrotine', {î) Hagel om Ree- 
koiken mee te fcbietent 



CHE. CHI. loi» 

Chez, (conj.) By, tot y chea 
moi y bymy,to mynent , chez t\o\xs ^ 
by 0ns , tot onzent, in onzen huize ^ 
in onzen lande; avoir un chez foi » 
een' eigene wooning hebben ; je viens 
de chez moi , ik kom van myn huis ; un 
homme de chez vous , een man van ■ 
aw plaats ,of volgens flyl der koop l. van 
colli , (Ital. zv.) 

Cheze ,( f) Twee dag ploegens land 
om een Jlot , den oudften zoon toebe- 
hüorende, 

Chiaoiix, (m) Turkfche Deurwaar- 
der , Hof jonker. 

Chiaire , ( f) Metaal-fcbuim ( n ) ; 
Vliegen-drek ( £). 

Chicambaut , (m) Bot-loef diend 
aan kleine vaartuigen , als {Eperon) ^ 
't galjoen aan groDte fnheepen. 

Chicane , ( f) IVoorden-fïryd , hair- 
klovery ; item fpitsvinnigheid, looze 
kunfijes; entendre bien' la chicane 
dans les procès, 't muggeziften , kunfl^ 
jes in rechtsgedingen ivel verjïaan^ 
gens de chicane, pleitbezorgers y 
(Procureurs) -, ufer de Ja chicane , 
uitvlugten maak en. 

Chicaner , (v. a.) Hairktoven , mug.. 
genziften; uitvlugten maaken-, kibbe- 
len , 't regt verkeeren , iemand onnoo- 
dige moeilykheid aandoen, vexeeren; 
chicaner le vent , tegen den wind 
worjïelen {zeem.w.) chicaner le ter- 
rain , zyn plaats dapper verdeedtgeny 
chicaner fa vie , ztg wel weeren. 

Chicanerie. {Zie Chicane). 

Chicaneur, eufe (m. & f.) Hatr^ 
k lover; muggezifter. Zie verder 't werk- 
woord. 

Chicanier, iere (adj.) Twifizoe- 
kend enz. (gem. zv.) 

Chiche , {ad].)Karig , naauw , dean, 
gierig; humeur chi'che, karig ge- 
moed; chiche en paroles , fpac^r- 
zaam in woorden; des pois chiches^ 
ciffers, ciff er-er ten, erweten. 

Chiche -face, {m} Een knyzer ^ 
griens ; gierigaard. 

Chichement, (adv.) Kariglyk. 

Chicheté, (f) Kartgheid. , 

Chicorée, (f) Endtvie. 

Chicct, (m) Overgebleven fluk of 
ftomp van een afgebroken tand , zvortel 
tel of boom; fcheutltng van een tak. 

Chi- 



12(5 



CHI. 



Chicotcr, (v. n.) Om an beuze- 
ling kyven , hair-reepen.. 

Chicotin , (m) Koloquint ; item ze- 
ker bitter ingrediënt dat aan de te- 
pels gefmeerd word om de kinderen te 
fpeenen. 

Chien, ienne (m. & f.) Hond^ 
reu } teef > chien , haan van een 
fnapbaan; kuipers hoeptang -, chien 
chercheur ,y>^»''-*o'''^^? chien cou- 
rant, een brak-, rhien couchant, 
patrys-hmd; chien de garde , eeu 
wogt-bond; meute de chiens, een 
boop ja^t-honden ', chien de mer ou 
chien "marin , z e e-hond -, rob , haai; 
nos chiens ne chaffent pas bien 
enfemble , {fpr. w.) a-y ^ verJJaan 
malkauper «iV/j faire le chien cou- 
chanc, (fpr. w.) nedrig zyn , vlei- 
jen ; les bons chiens chaffent de 
race, (fpr iv.) de kinderen aarden 
na hunne ouders , of de boom valt 
niet ver van de Jiani ; battre Ie chien 
devant le lion , eenen minderen in 't 
hyzynvan eenen meerderen ygelyk fchul- 
dig^ftraffen j chien qui aboyé ne 
mort point, blaffende honden byîen 
niet (fpy. '^•) > pendant que le chien 
pifte le loup s'en va, terwyl het 
fchaapje blaei verliejl het een hapje _, 
dat is , iiitJJel baard nadeel ; qui 
veut noyer fon chien , dit qu'il a 
]a rage, die een hondflaan wil, vind 
ras een knuppel , fi ok {fpr. w.); c'eft 
le chien de grand collier , hy 
voerd bet hoogjîe woord (fpr. w» ) ; 
qui aime bertrand , aime fon chien, 
die iemand bemind , bemind ook wat hem 
aangaat (fpr. w,); un "chien regar- 
de bien un Evéque , een kat kjkt 
Kvel een Keyzer aan (fpr. w.)i il efl 
fou comme un jeune chien, dat is 
een malkus , nialle gek van ^een jon- 
gen; mener une vie de chien, een 
beejîagtig leeven leiden ; un chien de 
coquin, een honds-vot, lompe vent; 
chien dent , bonds-ta>fd (een kruid) ; 
chien , de bond (een gefîernte) ; chien- 
ne chaude , ritzige , loopfche teef; 
chienne chaude , ou une charo- 
gne, chienne de voirie, een vuile 
fmots, terf, ondeugende feeks ; chien- 
ne de friponne , looze bedriegjîer , 
feeks. 



I CHî. 

Chîenner , (v. n.) ^onge bondem. 
werpen. ' 

Chier, (y. n.) (onboflyk w.) Schy- 
ten , (beter aller aux lieux) op het 
huisje gaan ; chier de peur , van 
vrees in zyn broek kakken; chier far 
quelcun , in iemand fchyten ; chier 
fur la befogne, arbeid bederven, 

Chieur , eufe (m. & f.) Schyter y 
fcbytfîer. 

Chiffe, (f) Ce n'eft ^ue de la 
chiffe , het zyn maar vodden , bet 
deugd niet (van laaken of fioffen ge- 
zegd). 

Chiffon , (m) Fodde , lap, oude lomp. 

Chiffon , onne (adj.) Branches 
chiffonnes , wilde takken. 

Chiffonné , ée (adj.) Gekreukd, 
gefrommeld. 

Chiffonner , ( v. a. ) Kreuken , 
frommelen ; chiffonner quelcun d'u- 
ne maniere brusque & étourdie,. 
iemand op eene onbefchofte wyze aan* 
tafien , verhavenen. 

Chiffonnier, iere (ra. & f.) Vod- 
den-kraamer- raaper- raapfier. 

Chiffre, (m) Het cyffer , cyfferge- 
tal , verborgen fchrift (n) ; appren- 
dre le chiffre, fife cyffer-konft leeren-, 
écrire des lettres en chiffre, brie- 
ven in cyffer fchryven ; chiffre , 
naamtrek ; un zéro en chiffre, een 
nul in cyffer , een menfch die noch goed 
noch quaad doen kan. 

Chiffrer, (v. a.) Cyffer en. 

Chiffreur, (m) Reken-nteejier, cyf- 
feraar , een die in de cyffer-konfï er- 
varen is. 

Chignon, (m) De nek; donner 
un coup de bâton fur le chignon 
du cou, een fiok-flag in de nek gce- 
ven. 

Chimagrée , ( f ) Een ztmr , mor- 
rig gezigt (n). 

Chimère , ( f ) Herffenfchim , îe de- 
le inbeelding ; vercierd gedrogt^byDich- 
ters). 

Chimérique , (adj .) l^ercierd , ver- 
dicht , iedel. 

Chimériquement , (adv.) Inge- 
beelder wyze. 

Chimérifer, (v. n.)-^^'^ niet hers- 
fen-fchimmen ophouden j (beter fe re- 
paitre de chimères}. 

Cl»v 



cm. CHL. CHO. 

Chîna-china, ( f ) Kiiia'kinaf(ze- 
krre ba/l tegen de koorts). 

Chinfreneau , (m) Hardejlag ofjloot 
in 't aangezicht of op ket hoofJ. 

Chinquer, (v. n.) Zuipen y zivel- 
gen {gem. w.). 

Clr ournie , ( f ) Galei geboefte (n) y 
roei-bankcn van een galet. 

Chipoter , (v. a.J {ge^^' î^«) P^^~ 
zrlcn , knabbelen > zeer naauw dingen ; 
talwen ; hairklooven. 

Chipocier , (rn) Peuzelaar y knib- 
belaar \ krakt cider. 

Chippage, (m) Bereiding mn klei- 
ne vellen (f). 

Chipper , (v. a.) Chipper les 
peaux , kleine vellen bereiden. 

Chique, (f) Knikker (ra) daar de 
kinderen mede fpeelen ; klein ko ff y bak- 
je ifc hot eitje. 

Chiquenaude, {î) ^Een kni;^ met 
de vinger (m). 

Chiquet , (m) Klein gedeelte van 
ket geheel (n)j il m'a payé chiquet 
à chiquet , by beeft my van beetje 
tot beetje betaald. 

Chiragre, (m)Een jigttge aanban- 
den en voeten; de jigt zelfs. 

Chirographaire , (nj) Crediteur 
dieflegts een bloot handjchrift heeft, 
(lees Kirographaire). 

Chiromancie, (f) Handwaarzeg- 
gery , (lees Ki). 

Chiromancien , ienne (m. & f.) 
Een hand-kyker, kykfïer y (lees Ki). 

Chiron , (m) De Schutter , (een der 
12 Hemel s-tek.). 

Chirurgical , aie (adj.) Opérations 
chirurgicales , xvondbeelers werkin- 
gen. 

Chirurgie , (£) De HeeUkonfl. 

Chirurgien, (m) Een ïVond-beeler, 
heel-meefier. 

Chirurgique, (adj.) Het geen de 
Heel-kunde aangaat. 

Chiure, (f) l^liegen-drek', vlooi- 
Jcheet (m). 

Chloris, (f) Bloem-godinne. 

Choc , (m) Stoot , hort ; il Ie ren- 
verfa d 'un choc , by wierp hem met ee- 
nenfÏQOt wderdevoef, foutenir Ie pre- 
mier choc 5 de eerjie aanval weer- 
Jiaan. 

Chocaillon , ( £)Eft2e. dronke toddf. 



CHO. 127 

Ch ocoUt, (m) Chocolaat (£). 

Chocolatier , (m) Een Chocoïaat- 
maaker , verkooper , fchenker. 

Chocolatière, (f) Een Chocolaat 
kan ; cbocolaat-verkoopfler. 

Chœur , (m) Het choor , koor (n) 9 
plaats daar de zangers in de R. kerk 
zitten (f), (lees coeur). 

Choir, (V. a.) Italien y neerjior- 
ten. 

Choifir, (v. a.) Kiezen, verkiezen ^ 
uitkiezen f uitleezen. 

Choix, (m) Keuze, keur, verkie- 
zing ( f). 

Chommable, (adj.) Jours chom- 
mables , vier- dagen , feejï-dagen. 

Chommage, (m) kiering (f) , hei" 
Itgen - dag , maandag ( by werkUe* 
den). 

Chommer , (v. a.) Een feefl-dag 
vieren ; ledig zitten ; maandag houden 
(by ambachtS'l.). 

Chopine, (f) Een mutsje, half 
pint je (n) ; boire chopine , braaf 
drinken- 

Chopiner, (v. n.) Lujïig zuipen, 

Chopinette , ( £)Deink-fchaal( f) ; 
Pomp-emmertj^ (n). 

Choppemênt, (m) ^at:fJoottf7ge(£) 
(zelden gebr.) 

Chopper, (v. n.) Ergens tegenjloo- 
ten , {zelden g eb r . ) . 

Choquant, ante (adj,) ^anflootetyk^ 
beledigend , bitzig. 

Choqué, ée (adj.) Gejïooten, enz. 

Choquer , (v. a.) Stooten, beledig 
gen, ergeren, aav.grypen y choquer 
les verres, met de glvazen klinken; 
fans choquer que.'cun yZonderiemand 
te holed'igcn; cela choque la bien- 
féance , dat fîryd tegen de betamelyk, 
beid', cela choque Ja vue & l'oreil- 
le , dat quetfl het ocg en het oor. 

ChoraciK ,(m. pi.) Cboor- ofkoor-ksn^ 
deren , (de ïfîefyllabe word ko uîtee-- 
fproken). 

Chorégraphie , ( f ) Konfî om de» 
dans a f te micten. 

Chorévêque , (m) Een ricariust 
Opper-veld-PrieJJer, (lees Ko). 

Chorifte , (m) Koor-zanserL (lees 
Ko). * " ^ 

Chorographie, (f; Land^befcbrv^ 
ving , ihes Ko], 



128 CHO. CHR. 

Chorographiqae , (adj.) Dat de 

hand-befchryving aangaat, {lees Ko). 

Chorus, (ra) Faire chorns, cboot' 
of koor houden , belder zingen , {lees 
Ko). 

Chofe , ( f) Een zaak , daad { f) , 
ding (n); quelque choie , iets -.quci- 
^"ne chole de beau, iets moois -.men 
zegd ook chofe {ding) , ivamner men 
zig de tuiam lan iets niet kun te bin- 
nen brengen ; j 'ai parlé à chole , ik heb 
dings gefpraoken. 

Chou , (w) Koo/ ( f) ; jeune /:hou , 
jonge kool-, fprttitcn; choux blancs^ 
frilez , cabus rouges, de lavoie , 
fleurs , verts , fdlès, witte , kru!,JJuit, 
roode , favoy , bloem , boere-kool zuur- 
kool; chou pour chou , lood om oud- 
yzer; je n'en donnerai -çs^s un 
tronc de chou , ik zou 'er geen pyp 
tabak voor geeven-, il en fera fcs 
choux gras, hy zal 'er l'et van fop- 
pen, zyn fortuin by maakeny^oMiX re- 
venir à nos choux , om weder tot 
onze zaak te komen (fpr. iv.). 

Choucas , (m) Tamme kraai. 

Chouette, (f) Steen-uil, kerk-uil 
(m). 

Chou-fleur, (tn) Bloem-kool, (zie 
chou). 

ChQuqaet, (m) Ezels-hoofd (p), 
Jchecps-blok {zee iv.). 

Chouffet , (m) '/Lekere drank die de 
"Turken ma aki- n. 

Choyer , (v. a.) Iemand zeer ont- 
zien, myden, of groot ontzag voor ie- 
mand hebben ; ie choyer , zig wach- 
ten f hoeden , in acht neemen. 

NB. l^an de woorden die met 
Chr. beginnen word de letter 
h niet uitgefprooken. 

Chrême , (m) Heilige olie (m) ; het 
vormzel (u) m de K. kerk gebr.). 

Chrêraeau, (m) Mutsje dat men\de 
kinderen , na dat zy het vormzel ont- 
fanzen hebben, opzet (n). 

Chrétien, ne (m. & f .) Een Chris- 
ten , Cbnjiinne. 

Chrétien, ne (adj.) Cbrifielyk , 
Chrijlelyke; parler chrétien , {dat is 
parier François) franjcb fpreeken. 

Chrétiennement, (adv.) Chrifetyk. 

Chrétienté , ( f) Chrifienbeid ( f ) , 
Chnjiendom (n). 



CHR, 

Chrismation, (f) Toediemng ^an 
't vormzel {in de R. kerk). 

Christ, (m) Christus j als /er 
jEsüs byjïaat leeft men Kri , en niet 
Chrift. 

Chriftianifer,(v. aO Tot eenchris" 
ten maaken. 

Christianisme , (m) Het Chrifïen- 
dom (n). Chnflen Godtsctienfl. 

Chromatique, fadj.) Chant chro- 
matique , zang die uit veele halve no- 
t-en befiaat. 

Chronique , (f) Tyds - hefchry- 
ving, kronyk ( f ) > najpraak , uit' 
frooifel ; chronique fcandaleufe, 
quaad gerucht ; les livres "des chro- 
niques, de boeken der chronyken. 

Chronique, (adj.) Maladie chro- 
nique , lüngduurige ziekte^ 

Chroniqueur , (m) Jaar-boek-' 
fchryver. 

Chronographe , (m) Tyd-rekenaar. 

Chronographie , (f) Tyd-reken- 
kunde. 

Chronologie, (f) Tyd-rekening, 

Chronologique , (adj.) Het geen 
de tyd-rekenin^ aangaat ; tables chro- 
nologiques , tyd-reken- kundige ta- 
felen. 

Chronologifte , (m) Tyd-reken- 
kundige. 

Chronologue , (m) Tyd-befchryver , 
{oud w.) 

Chronomètre , (m) Wiskunflîg 
werktuig om de tyd te meeten (n). 

Chry'focüUe , (f) Zeker edel ge- 
fieente (n). 

Chryfolite ,{m) Zekere goud-glan- 
fige Jaspis-Jleen. 

Chryfopée, (.f) Y^onfi om goud te 
te maaken. 

Chu , ue ( adj. ) Gevallen. 

Chuchoter , (v. n.) In 't oor luis^ 
teren , fee zi ken. 

Chuchoterie, (f) Heimelyk gt 
fprek (n). 

Chuchoteur, eufe (na. & f.) Fee- 
ziker , heimelyke praat er- , praatfier. 

Chut! :interj.)Sö5 ,fiil ,wees fiil ! 

Chute (f) Een val (m); chute 
d'Adam , de val van Adam j la chute 
de l'Empire Romaine , de onder- 
gang des Roomfchen Ryks; chiite d'u- 
ne periode , 't einde eetier rede, 

Chy- 



CH7.Cî:CIB.CIC.&c. 

Chyie . (m) Gyl { f) , maag-zap 
(n) , dat hpt bloed veroorzaakt. 
• Chyiification , ( f) Gyt-verwek- 

Chymie,(f4 De Jlook-kunde , JJof- 
fchei- kunde , Jchei-konjl. 

Chymique , (adj.;'^ Geen daar toe 
behoord. 

Chymifte, (m) Een f.of-jchct-kun- 
dige. 

Qi'i (adv.) Hier; eet horm:7e ei, 
deeze^ man; celui ei, eeux ei, eel- 
Je ei 7 eelles ei, deeze ; oX-^^xH ^ 
hier na; ei- contre ,/;/>r tegen orvr ; 
ci-delTus, hier boven; ei-deflbus , 
hieronder; ci-devant , voor dezen ^ 
voormaals. 

Ciboire , (ro) Öuxvel - hoflie of 
ciborie kaftje (n) 

Ciboule, (f) Bieslook. 

Ciboulette , <J) Jonge bieslook. 

Cicatrice , ( f) Een lid-teken (n). 

Cicatricule, (f) Lid-teekemje{n) 

Cicatrifant,(adj.) Met een lid-tee- 
ken heelende. 

Cicatrifatif, ive (adj.) Dat met 
ten lid-teeken heeld. 

Cicatrifer, (v. a.) Eene wonde met 
een lid~teeken heelen ; fe cicatrifer , 
(v. r.) zyne kleéren fcheuren (figuurl.). 
. Cicero j {va.)Soort van Druk-letter 
tuffchen klein Romein en^ugujlyn( £). 
^ Cicerole, (f> Kleine erweet , fts- 
fer. 
. Cicognat > (m) Jong van een Oje^ 
vaar (n), (Cicogneau ts meer in ge- 
bruik). 

Cicogne, (f) Ojevaar (m); con- 
tes de la cicogne, oudg vuyfs ver- 
tellingen. 

Cidre, (m) Jppet-dranky cider. 

Ciel, (m) Hemel, lucbtjlreek; Ie 
ciel efl: beau > ferein , de lucht is 
klaar y helder; Ie ciel fe hauffe , de 
lucht klaart op {zee w.)j cl^lyhetbo- 
venjle van een fchildery (by Schild.) ; 
ciel de lit, gehemelte eener bedflee- 
de ; {van deeze 2 woorden is het plur. 
ciels en niet cieux)> remuer ciel & 
terre contre quelcan , alle krachten 
tegens iemand infpannen. 

Cierge , (^u) Een was-kaers ( f). 

Cicrger, {m) Was-Ucht-maaker oj 
verkoopgr» 



/CIG. CIL. CIM. cm. 129 

Cigale, (f) Een fprinkhaan; Jla-^ 
pel ; een pcjï {zeker rivier-vtfch) (m). 

Cigne , ^m; {Zie Cygne). 

Cigogne, (f) Een Ojevaar (m), 
{beter Cicogne). 

Cigue, )i) Dolle kervel ,fcheerling 
{zeker vergiftige plant die SccratesgC' 
bruikte toen h\.> jierven moejl). 

Cil , (m) Hatr de.r oogleden, 

CiliaJre, (adj.) Ligament ciliai- 
re , de band der oogen die het h-tfal- 
lyr.e vngt bevat. 

Cilice, (m) Een hairen-kleed {v\), 

Cilindre, (m) {Zie Cylindre). 

Cillement, (m) Blikking der oogen 

Ciller, (v. a. & n.) Blikken met 
de oogen ;graauwe oog-traauwen beko" 
men {van Paerden gezegd). 

Cimagrées ou Simagrées, (f. pi.) 
Grillen , f rat zen , mislyke gebaar- 
den. 

Cimaife (f) {Zie Cymaife), 

Cimarre , (f) Een Samaar. 

Cimbale , ( f) {Zie Cymbale), 

Cime , ( f) De top , kruin (m) , hei 
toppunt (n) van een gebouw , berg enz» 

Cimenr, (ra) Tarras , tras (m)? 
ciment, cement van rood gebakkeu 
fleen {by Goud f mit s gebr.) ; la verta 
eft Ie vrai ciment de l'amitié, dû 
deugd is de ivaare band der vriend^ 
fchap ; une affaire faite à chaux &: 
à ciment , een zaak die bondig en 
voji is. 

Cimenter, (v. a.) Met tarras be^ 
leggen, metzelen ; cimenter rami- 
tié , de vriendfchap bondig > fierk 
maaken. 

Cimentier, (m) TarraS'Verkooper» 

Cimeterre, (m) Een jlag-zwaarà 
(n) , Turkfche zabel (m). 

Cimetière , (m) Kerkhof (n) 5 pîaats 
daar veel- volk fneuveld (f). 

Cimier, (m) Biljluk van een Os ^ 
Hert , enz. betmjiuk boven aan een ww 
pen (n)«; ■ , . 

Cinabre , (m) VermilUoen {verf). 

Cincenelle , ( f ) Paardelyn voor 
fcbuiten. 

Cmefaftion ou cinergtlon, (f) 
Tot afchmaaking {in Chyrh.\ 

Cinglage , (m) Loop van een Schip 
in een etjn^Ml of 2^ uuren t 

l (Jin- 



130 CIN. CIP. CIR. 

Cingleau , (m) ócbiet-loof (n) , (/» 
Bûttu'k.) 

Cingler, (v. n.) Zeden; met yol- 
ie zeilen vaaren ; wakker upwaaijen ; 
met een zweep of teen feitfchen-,Jlaau. 

Cinnaraome, (m) Kaueel-boom. 

Cinq, (adj.) /^y/; cinq fois, vyf 
maal; Louïs cinq, Lodeivyk de vyj- 
de-y un cinq en chiffre , mî vyf tu 'p 
cyffer-getal. _ 

Cinquantaine, (f) Een vyftjg-tal 
(n)- 

Cinquante, (adj.) f^yftig. 

Cinquantenier , (m) Bevelhebber 

ever vyftig. 

Cinquantième, (adj. & fubft.) De 
vyfiigjle; 't vyfiig/îe deeL 

Cinquenelie , ( f ) Tomv dat by bes 
gefchiit gebruikt word. 

Cinquième , (adj. & fubfl.) De 
'Vyfde-, 't vyfde deel; en cinquième 
lieu-, ten vyf Jen. 

Cinquiémement,(adv.) Ten vyfden. 

Cintrage , (m) Touw om te binden^ 
of HA gorden (n) {zee w.). 

C'incre , (ra) Een boog (m) , ge- 
welf, houtwerk waar over een gewelf 
gemaakt word (n). 

Cintré, ée (adj.) Met een gewelf 
gemaakt. 

Cintrer , (v. a.) Overwelven , boogs- 
wyze maaken. 

Cion. {Zie Selon). 

Cippe, (m) Gedenk'Zuil (f). 

Cirage , (m) Laarzen- of fchoen- 
Jmeer (n). 

Circoncire , (v. a.) Befnyden. . 

Circoncis, (adj.) Befneeden; les 
circoncis, de befneedene , {Jood. of 
Mahom.). 

Circoncifeur, (m) Bsfnyder. 

Circonciflon, (f) Befnydenis, be- 
fnydin^. 

Circonférence, {£) Omtrek, ron- 
de omloop (m). 

Circonflexe, (adj.) Accent cir- 
conflexe (A) , omgeboogen geluidtee- 
ken. 

Circonlocution , (f) Omfpraak, 
ivydluftigheid. 

Circoafcription , (f) Omfchryving; 
depaaling. 

Circonfçrire , (v. a.) Omfchryven^ 
tmtrekken binnen zyne grenzen^ 



CIR. CIS. 

Circonfcrit, ite, (adj.) Bepaald, 
in eene kring beflooten. 

Circonfpeft , eue (adj.) Omzig- 
fig, wys. 

Circonfpeftion , (f) Voorzigtig- 
heid; agir avec circonfpeftion, wjé"/ 
omzigtigbeid te werk gaan. 

Circonflance , (f) Omjlandigheid 
(f); 't aankleeven (n) eener zaak. 

Circonilancier , (v. a.) De om- 
fïandigheden van eene zaak ver haa- 
ien. 

Circonvallation , ( f) Omfchans- 
fing. 

Circonvenir, (v. a.) Bedriegen, 
misleiden^ betrekken., {in Rechten). 

Circonvention , ( f) Bedrog (n) , 
betrekking (f). 

Circonvoifin, ine (adj.) iVfli««- 
rig y omleggend. 

Circonvolution, (f) Omloop, om- 
wenteling der Planeeten, 

Circuit, (f) Omtrek; circuit de 
paroles, omweg van woorden. 

Circulaire, (adj.) Lettres circu- 
laires , rondlopende brieven. 

Circulaireraent, (adv.) In 't ron- 
de , rondlopend. 

Circulateur, {mjOmzwerver , land- 
loper. 

Circulation , (f) Omloop; rou- 
leering (f). 

Circulatoire, (adj.)Vaifleatt cir- 
culatoire , een vat dienende tot het 
dikivils overbaalen van eenig vogt , 
{in Chym.). 

Circuler, (v. n.) Omkopen; roa- 
leeren. 

Cire, (f) IVafch ofwa:; lak (n). 

Ciré, ée (adj.) De la toile ci- 
rée , gewafcht linnen. 

Cirer , (v.a.) Met wafch bejlryken. 

Cirier , (m) Een wafch- of wafch- 
lichv maaker of verkooper. 

Ciroëne , (m) Een pleijl^r die men- 
op eene kneuzing legt. 

Ciron, (m) 'Een ziertje, een klein 
wormtje tujfcben vel en vleefch kor 
mende (n). 

Cirque , (m) Renperk der oude Ro- 
meinen (n). ', , ^ 

Cirure, (f) Wafch-fmeerfel (n). 

Cifaillement, (m)Hetfnyden,gra- 



veeren (n), 



Cifail' 



CIS. CIT. CIV. 

(Tirailler, (v. a.) Met een groote 
fchaar fnyden , Joorkfiifptn. 

Cifailles , (t\ pi.) Groote fchaar 
om blik enz. meê te fnyden; item af- 
vul , affr.ydzel. 

Cifeau , (m) Een beitel (m) , gra- 
veer-yz^r (n). 

Cifeaux, (m. pi.) Een fchaar (f). 

Cifeler , (v. a.) Uitjleeken met een 
heitel , graveeren. 

Cifelec, (mj Beiteltje (n). 

Cifeleur, (m) Graveerder, uit- 
fnyder. 

, Cifcflure, (f) Snywcrk (n), gra- 
veering ( f). . 

Cifüir, (m) Goudfmits fchaar (£). 

Ciflbïde , (f) Kromme linies (in 
Meetk.) 

Citadelle, (f) Kapel {T\)y Ves- 
ting (f). 

Citadin, ine (m. & f.) Burger', 
burgcreffe , voornamentlyk in ital. 
Jiceden. 

Cication, (f) Dagvaarding', aan- 
haalÏKg van eenig text enz. 

Cité, (f) La fainte cité, de hei- 
lige fïadt. 

Citer , (v. a.) Dagvaarden voor 't 
gericht (aSxgnar) ; eenig fchryver aan- 
baaien (alléguer). 

Citérieur, eure (adj.) ^an de'ize 
Zyde leggende. 

Citerne , ( f) Een regen-bak , regen- 
put {va). 

Cicerneau, (m) Kleine water-bak. 

Citoyen, enne (n:. 6c f.) Stede- 
fttig 1 Burger; Burgtreffe. 

Citrin , ine (adj.) Citroen-kleurig, 

Citron, (m) Een citroen (f). 

Citronnât, (m) Citroen fnipprrs. 

Citronné, ée (adj.) Met citroenen 
toegemaakt. 

Citronnelle, (f) C/Vro^w-liqueur. 

Citronnier , Cm) Citroen-boom. 

Citrouille , ( f) Een pompoen. 

Civadiere, (f) De blinde, zeil 
van de koegfpriet. 

Cive , (f) Bies-look. 

Civé. (m) Een Hazen Ragovt. 

Civette, (f) Civet-kat; muikus; 
bies-look tot falaad. 

Civière, (f) Burrie, draagbaar. 

Civil, ile (adj.) Burgerlyk; be- 
leefd; droit civil , burger-recht. 



CIV. CLA. 13Î 

Civilement, (adv.) Burgerlyk ; be^ 
leefdelyk. 
Civilifé, ée (adj.) Befcbaafd, be^ 

f c hei den. 

Civilifer, (v. a.) Beleejd maaken y 
befchaaven; eene f.rafwaardige zaak 
in eene burger lyke veranderen , {in 
Rechten). 

Civilité, (f) Beleefdheid i ivelge^ 
manierdheid; civilitez , {f.pl.)pltgt~ 
pltegingen ; faites lui mes civilitez, 
doed hem myne gebiedenis ; recevoir 
quelcun avec beaucoup de civilité, 
iemand zeer minzaam ontfangen. 

Civique, (adj.) Couronne civi- 
que, krans van eike loof., (eert y ds 
door de Romeinen gefchonken aan een 
burger die een medeburger zyn leeven 
geredhad). 

Ciabaud, (m) Brak met lange han^ 
gende ooren, of Jagt-hond , die ge- 
jïadig en te v.'rgeeffch op het fpoof 
jouxvd of haf f ; item een lob-oor , /ow- 
pe vleegel ; votre chapeau fait le 
ciabaud , uw' hoed hangt met den 
rand neer. 

Clabaudage, (m) Gefchreeuiv, ge-* 
jouw van vee Ie honden (n). 

Clabauder, (v. n.) Blaffen, jan- 
ken ; item tieren , fchreeuwen , geraas 
maaken ; iemands eere verkleinen, 

Clabauderie, (f) Gefchreeuw, ge- 
jouw , getier , geblaf (n). 

Clabaudeur, eufe (m.&f.) La/liga 
fchrecuwer , fchreeuwfier» 

Claie, (f) Eene teene horde om 
vrugten op te droogen; trainer fur la 
claie , op de horde fleepen ; claies , 
(pi.'; horden tot etn fcbaaps-kooi m 't 
veld. 

Clair, aire (adj.) Klaar, helder -, 
duidelyk ; une chambre claire , een 
verlichte kamer; vue cWire , eenklaar 
gezigt; ce bouillon eft trop clair, 
dat nat is te dun; deniers clairs, ^é"- 
reede penningen; étoffe claire, dun- 
ne , yle poffe ; cheveux clairs, dun 
hair; cela eft clair, dat is middag- 
klaar; il eft clair que &c. het blykt 
dat enz. 

Clair, (m) Scbyn (f), licht (n); 
clair de lune , de maane-fchyn ; il fait 
àê]3ic]siir, het is al dag; clair obfcur, 
het dage» €» fchaduweneënerfchildery, 
i - CUir, 



t^ CLA. 

Clair, (adv.) Klaarlyk; duiJelyk; 
chanter clair, helder zingen y voir 
clair , fcherp zienyem fcherp •vprjïand 
btbbcn i tirer à clair , ovenappen , 
kl aar en. 

Clairement , (adv.) Klaarlyk , dui- 
delyh 

Caire-foudure, (f) Soldeer -tin 
(n). 

Clairet, ette (adj.) Ligt- of bleek- 
rood; vin ciairec , bleeke rooJe wyn. 
C.airetce, ^f; Kerjen-braniezvyn 
(m). 

Clairettes, (f. pi.) Nonm^n dus ge- 
naamd. 

Ci ai re- voie , ' f) Al te groote ruim- 
te tujfchcn balken , boomen of tuin- 
Jjedden-, porte à claire voie, tralie 
deur. 

Clairière, ( f) Onbeplante of dunne 
plaats, in een bofi^b» 
/ Ciairon , (ir.) Klaroen (fpeeHuig) ; 
Kornet- reg ijler op een orgel (n), 

Clair-femé ,ée {iidi,) Dun gezaaid; 
ifig') zeldzaam , raar ; l'argent eft 
elair-femé , het geld is raar. 

Clair-voyance, {î) Door dringend- 
heid , fcherpzinnigbeid. 

Clair-voyant. ante (adj.) Scherp- 
ziende ; efpric clair-voyant , een 
doordringend ver/land. 

Clameur, (m) Geroep ,gefchreeuiv f 
geklaç; (m). 

Clamp OU clan , (m) Een houte 
klamp , boljhr , of klos (in fcbeepsb.). 

Clampoiinier, (m) Een paerd met 
dttnne en lange fchcnkels (n). 

Clan, (m) Een houte kegge (f). 
. Clandeftin , ine (adj.) Heimelyk 
verborgen; mariage clandeftin , hu- 
ivelyk dat onder den duim gefchied. 

Clandeflinement, (adv.) Co eene 
beimelyke wyze , in 't geniep , ter 
fmutk of fmuig» 

Clandeftinité, (f) Gebeimheid, 
verhoolenheid. 

Ciapet , (m) Klepie van een pomp (n). 
Clapier, (tn) Een tam könyn ; ko- 
nynen hok of hol (n) 

CIapir,"(v. n.) Le lapin clapit , 
bet konyn fiipt. . 

Claponnier. (.^:e Clamponnier). 
Claque (f) fur les feiFes , »en 
flagf klap (m) op de bille ik 



CLA. 

Claquedent, (m) Bedelaar ^fchoa- 

jer , (gem. iv.) 

Claquement , (ra) Geklap (n) j cla- 
quement des dents, klopper-tanding 

(f). 

Claquemurer, (v. a.) OpJJuiten;Ce 
claquemurer, (v. r.) zig op/iuiten, 
(hoert, w.) 

Claque-oreiile, (m) Neérhangenr 
de hoed-, [gem. %v.) 

Claquer , (v. n.) Klappen, geklap 
maaken; fiire bien claquer fon 
fouec , (fpr. iv.) een groot gerucht in 
de waereld maaken -, claquer des 
mains, des deuls yjn de handen klap' 
pen yklarper-tanden ; c'aquer les fes- 
ies ^kLpyen op de biikn geeven. 
Claquet. (Zie CJiquet). 
Ciaqueter, (v.n.) Schreeuwen als 
een fpririkhaan. 
Clarification, (f) Klaar maakingi' 
Clarifier, (v. a.) Klajr maaken , 
klaaren; fe clarifier, (v. r.) klaar 
•worden , (van z'ogten gr ze d). 

Clarine, (f) Klein belletje aan den 
hals der kseijen in een hofch (n). 

Clarine, (adj.) Word van^ diereu 
gezegd , die een klokje of fchelletje 
draagen ,(in IFapenk.) 

Clariffe , (f) Zekere Nonne dut 
genaamd. 

Clariiïïme ,rfubft.&acj.) Eer-tytet 
voor een zeer beroemd of geleerd man» 
Clarté, (f) Klaarheid, helderheid 
(f); licht, fchynzd (n); lire à la 
clarté de la lune, in den maane- 
fchyit Ipezen ; faire apporter de la 
clarté , licht doen brengen ; clarcé dé 
ftyle , zuiverheid van Jlyl ; clarté de.' 
teint, helderheid van kleur. 

Clas, (m) (lees elk) Het luiden der 
klokken , wanneer iemand gejïorven 
is (n). 

ClafTe , ( f ) Orde ( f ) , aanzren (n) , 
Klas> les balTes, les hautes clas- 
fes, de laag e , de hooge fchoohn; c'ell 
un auteur" de la premier^ clafTe, 
het is een der brjïe fchryvers; divi- 
fer en fix clalTes , in zes deelen ver- 
deelcn-, durant mes clâlTes, geduu- 
rende wv" fhool-tyd. 

Claflique , (adj.) Auteurs claflï- 
ques , fchryvers die in de lat, fchool 
vertaald worden , zyn dus genaamd. 

Ciâ- 



CLA. CLE. 

C'atîr. [Zie Claar). 

Clavaire , (m) iiewaarder drr Do- 
cumencen {in Kerit-k.). 

Ciawau , (m) Knobbel (m) ,fchurff 
(n), {zekere ziekte Jir Schaaken). 

Claveaux, (m. pi.) Bind-jhenen , 
hincf-Jîukken , (tn Bomvk.). 

C tavelée , ée (adj.) Geknobbeld ^ 
Jçburttig-y kettrrfch. 

Clavelée , ( f ; Schvrff der Schaa- 
pen. {Zie Claveau). 

Claveflïn , (m) Klavecimbel, kla- 
vier (f), 

Clavette , ( f) Fene fpie. 
^ Clavicule , ( f) Het Jleutel- of borjl- 
heen {in Ontleedk.) (n). 

Clavier, (tn) SUutel-ring', feutel- 
àraager ; klavier van een orgel enz . 

Claufe , ( f ) Beding , vooivcaarde , 
bepaaling , claufule in een contraft , 
tejlament enz. 

Claufoir j (m) Shiit-Jleen eener 
muur. 

Clauftral, aie (adj.) Kloojïerlyk. 

Claye. {Zie Claie). 

Clayon, (m) Een kaas-korf. 

Glayonnage, (m) Gezlogten rys- 
iverk , teen-werk, horden-irerk (n). 

Cléché, ée {a.d}.)Sleutel-rings K-y- 
ze {in fFapenk.). 

Clef, {lees clé) ( f) Sleutel; jl eut el 
van een land ; fluit fieen van een ver- 
wulf; muziek fleutel (m) ; flem-ka- 
mertje {n) -ffleutel van een gefchrift ; 
de trekker (m) , veer (f) van een 
f naphaan -y flot-yzer (n) of bout onder' 
aan een mafl (m) ; fauffe clef, nage- 
maakte fleutel , een loop er y clef for- 
cée ou fauffée , verdraaide fleutel; 
jetter la clef fur la fufle , den fleu- 
iel op het graf leggen, eene nalaten- 
fchaf) vaaren laaten; puilTance des 
clefs , de magt der flcutels { m de 
kerk); clef à vis, /e *ro^/-y2f>r;_ clef 
de violon, viool pinnet je i avoir la 
clef des champs, voile vryheid ge- 
nieten. 

Clémence > ( f ) Goedheid , genade , 
goeder t i er endheid. 

Clement , ente (adj.) Coedertie- 
rend , zagtmoedig. 

CJenciie , (f) Klink van een deur. 

Clepfydie, (f) fVanr-mr-glas , 



CLE. CLL 13:) 

Clëragre , ( t ) Ziekte in de wieken 
der Rotfvogfls. 

Clerc, {ns){lees cler) Een geeflelyk 
perfoon ; een fchryver , kUrk by een 
Ntitaris) pas de clerc, een miszag. 

Clergé, (m) De geeflelykhcid (f). 

Clérical , aie (adj.J Geefielyk ,pnes^ 
terlyk. 

Cléricalemcnt, (ady.) Op de wyze 
van geefielyk e. 

C lé n c ature , ( f ) Geeflelyke fland, 

Client, ente {m. ik f.) Ou par- 
tie , eene die zyiie zaak (pleidooi) 
aan een Advocaat toevertrouwd ^ ecu 
c\\Qx\^ y party . 

Cli^-ntelle, (f) Befchutïing, bc 
fchermiKg. 

Clif ire, (f) Een fpuit van vlie-' 
ren hout. 

Clignement , {m\ Blikkwg der 
oogrn (f). 

Cligne-mufTetteou climufTette, (f) 
Schuileivinkje {zeker kinderfpel). 

Cligner, (v. a.) Blikken^ knip- 
oogen. 

Clignotement ,(m) Geduurtgeblik- 
khig der oogen { f)" 

Clignoter, (v, n ) Gefladig blik-' 
ken met de oogen» 

Ciimadérrque , fadj.) Année cli- 
raaftérique , geiaarlyk jaar , ( hier 
door verflaat men ieder ide jaar net 
iemands geboorte). 
C\ïm^t^{m)Lucht-fireek{S);gewefï (n). 
Clin, (m) En un clin d'œil, îti 
een oogenbltk. 

Clincaille , (f) Kraamery , fnuit- 
zery ian koper , yzer , enz. j kopere^ 
munt. 

Clinoailler ou quincailler, (m) 
Tzer-kooper , of fnuitzery-vérkooper. 

Clincaillerie , (f) Koopmanfchap 
in yzer-werk. {Zte Clincaille). 

( linche , ( f ) tiet JJukje yzerwacm 
meê men de klink eener deur opligt» 

Cîinquaille, {Zie Clincaille). 

Clinquant , (m) Klater-goud-of zil- 
ver {x\); allerhande klinkende waar\ 
valfche fchyn , woorden-klank {£). 

Clique , ( f ) Bende { f ) , rot (n) j ils 
font de la même clique , zy zyn 
van eenerîey aart , van dezelve bende» 

Cliquet ou claquet, (m) Klepper^ 

.onrtifl tn cm m^Qten-, ià l«ogae vj 

1 2 cofi&= 



134 CLT. CLO. 

comme un cliquecde moulin ,haar 
tong gaat als een Lazarus klep , 
{Jpr. w.) 

Cliqueter, (v. n.) Klappen, klet- 
teren. 

Cliquetis, (m) Geraas (n) , klet- 
tert ng (f) der wapenen. 

Cliquette, (f) Jouer des cli- 
quettes , op de klap-beentjfs fpeelen j 
cliquettes de ladre , lazarus klep- 

Cliqueur , (m) Een morvegter ; 
guit , plug. 

Clifle, (f) Eene horde van teen 
gemaakt -, fcbeen offpalk (by Wondh.) 

Clifler, (v. a.) Met horden 'voor- 
zien ; f palken* 

Cliver, (v. a.) Cliver un dia- 
mant , een diamant klooven. 

Cloaque , ( f) Een riool (n) , wa- 
ter-hop (m); een vuil Jïinkend menfch 
(n). 

Cloche, (f) Een klok; jloof-pan; 
glaaze tuin-klok; fonner les cloches, 
de klokken luiden j baptifer une 
cloche, eene klok inivyden-, fondeur 
de cloches, een klok.gieïer\ cloche 
fur la premiere peau , blaasje op 
de boven huid; il eft temps de fon- 
dre la cloche , het word tyd om van 
deze zaak een einde te maaken {Jpr. w.)-, 
être étonné comme un fondeur de 
cloche , jlaan of men bctooverd was j 
faire fonner la grofie cloche, aan 
de groote kick trekken , den meejler 
doen fpreeken ', cloche de hyacinthe, 
kelk van een hiacinth-bhem. 

Cloché, ée (adj.) Melon cloché, 
meloen die onder een klok ryp gewor- 
den is. 

Clocheman , (m) Klok-luider ; hel- 
hamel; fchaap dat de bel draagd. 

Clochement, (m) Hinking (f). 

A Clochepied , (adv.) Aller à 
^clochepied , op één been hinken. 

Clocher», (m) Klokken-toren (m) ; 
stem kerfpel (n). 

Clocher , (v. n.) Hinken j mank 

f aan; ces vers clochent, dat zyn 
veupele verzen; il ne faut pas clo- 
cher devant les boiteux, voor de 
geleerden is qiiaad te preeken. 

Clocheton^ (n-».) Klein torentje (n). 
Clochette, (f) Belletje, klokje 
{n)i khi-èloem (f). 



CLO. 

Cloifon, (f) ScLutzel (n) , hel- 
mng ; Jlot-plaat (f). 

Clüifonnage, (m) Schot-xverk (n). 

Cloifonné, ée (adj.) ^fgefchooten, 
afgeheind met planken of Jïaketzels. 

Cloître, (m) Een kloojler (n). 

Cloîtrer, (v. a.) Klotderen, in een 
kloojler zetten. 

Cloïtrier, (ro) Khojler-portier. 

Clopin', dopant, {gem. w.) Il 
vient clopin, clopant, hy komt at 
hinkende pink. : 

Clopiner, (v. n.) Hinke - pinken ^ 
als een jichtige. 

Cloporte, (ra) Pijfebed (zeker in- 
feâ). 

Ciorre , (v. a.) Sluiten; toemaa- 
ken; bemuuren; clorre un compte, 
een' rekening Jluiten. 

Clos, (m) Omheinde plaats (m) of 
land (n) j ring-vntur; hegge (£). 

Clos, ofe (adj.) To'egejlooten ; be^ 
Jlooten ; omheind': fi tot qu'il eut les 
yeux clos , zoo dra zyn oogen geloo- 
ken waren ; ce font lettres clofes, 
dat is een 'geheime zaak ; à yeux 
clos, met gpjlooten oogen; fe tenir 
clos & couvert, zig gpjlooten hou- 
den; combattre en champs clos, in 
een bejlooten veld vegten; ville clo- 
fe , eene beinuurde fiadt ; du drap 
clos & couvert , digt en gedekt la- 
ken; pâques cl oies, de ee^e zondag 
na paajfcben. 

Cloifeau , (m) Een boeren moes- 
■tuintje (n) . 

Cloferie , (f) Een kleine boeren^ 
hoof. 

ClofTement, (m) Het klokken van 
eene hen (n). 

ClolTer ou Glouffer, (v.n,) Klok- 
ken , kakelen als eene hen. 

Clotoir , (m) Steeker , fleek-priem 
(m), (Mandemaakers werkt.) 

Clôture, (f) Heining, ring-muur; 
f,uiting eencr rekening. 

Cloturier , (m) Mandemaaker in 
grof w' er k. 

Clou , (m) Spyker , nagel; bloed- 
vin;\in clou chaiïe Tautre .(^pr. tv.) 
het eene doed het andere wyken iriver 
Ie clou à quelcun , (fpr.w.)iemanti 
net van pas de mond fnoeren. 

Clou de girofle , (m) Kruidnageh 
Clou* 



CLO. CLY. COA. &c. 

Cloucourde , (f) Zekere hleeke 

roode koren-bloem. 

Cloué, ée (adjO Gefpykrrd; être 
cloué, pal zitten , van zyn plaats 
niet komen. 

Clouer, (v. a.) ï^njï fpykeren. 

Clouere , ( f) Spykir aanbeeld (n). 

Clouter, (v. a.) Met kopnageltjes 
bezetten. 

Clouterie, (f) Spyker-maakery of 
handel. 

Cloutier, (m) Spyker-maakcr ofver- 
kooper. 

Clóutiere , ( f ) Zeker Jluk yzcr met 
gaat en by de fpyker-fmids . 

Clyftere, (m) Spuit-artzeny (f), 
een lavement (n). 

Co-accufé , (na) Mede hefchuldigde. 

Coaftif, ive (adj.) Pouvoir coac- 
tif , dwingende magt. 

Coadjuteur, trice , (m.& f.) Me- 
de-hulp , mede-helper 'f mede-belpjier, 

Coadjutorerie , ( f) ^mpt daar 
van (n). 

Coagis , (m) Een Comtniflïonair , 
dus genaamd in de Levant. 

Coagulation, (f; Stolling , Jirem- 
tntng. 

Coaguler, (v. a.) Stollen , dik wor- 
den , klo'nteren. 

Coaille, (f) De grofjJe vjol van 
een Schaap. 

Coailler , (v. n.) Met den Jïaart 
quifpelen , {Jagers w.) 

CoafTeraeni: , (ra) Gequaak der kik- 
vorfchen. 

CoalTer, (v. n.) Quaaken. 

Cobes, (f. pi.) Lceuwers oogen in 
't lyk (touzvtjes aan de zeilen daar 
meu andere doorhaald (fcbeeps iv.) 

Co-bourgeois, (m) Schips-rnede- 
reeder, Participant. 

Coc. {Zie Coq). 

Cocagne, (f) {word alleen dus 
gsb.)l?3LÏs de cocHgns yluilekkcr land. 

Cocarde ,{{)Een vt'derbofcb(m); 
Jlrikje (n). - 

Cocafle , (adj.) {gem. w.) Eigen- 
zinnig. 

Cocatrix, (m) Eenfoort van baft- 
liskus. 

Cöccigruës, {{. pi.) Conter des 
coccigruës, beiizelingen vertellen. 

Coccus; (m) Scharlaken-boom» 



COC. COD. COE. 135 

Coche, (m) Reis-koets {f), tent- 
fcbuit (m). 

Coche , ( f) Een' zeiige , zog, (truie) 
une vilaine coche , eene vuile zog « 

dik vet vrouivmenjch. 

Coche, (f) Keep i kerf in hout enz. 

Cochemar. {Zie Cauchemar). 

Cochenille , ( f) Konfenilje , (zeker 
ivormtje tot fcharlaken rood gebezigd). 

Cüchenilier, (v.a.) Met konfenil- 
je verwen. 

Cocber,^m) Een koetzier.^ 

Cocher, (v.a.) Le coq côche la 
poule , de baan treed de hen. 

Cochet, (m) Jon^ haantje (n). 

Cochevis, (m) ten kuif-hemicrik. 

Cochléaria, ou herbexBU cueillser , 
(m) Lepelblad (n). ' j 

Co