^ll<<
^ y
•4i»:-#«:
'^
J alîu J^^ams i
^tt '^^B
3filn*art), '
BV
-_^ - r . - = -- =
^^^
5 35TON =_=_ :
-====•
^^^^^ «^^^
^^^^^B *' ^te '^ ■ JB
^5 à s. i^^^p^^M<(|^^^^^^B^B^^B
DICTIONNAIRE
POR
FRANÇOIS
ET
M^ PIERRE
T A T I F,
HOLLANDOIS,
MARIN.
HUITIEMEÈDITION,
Corrigée de fes fautes, & augmentée de plus de M moitié
JEAN H Ô L T R Ö P,
Qui a eu foin d'y inférer, non feulement un grand Nombre ds
Mots ^ de Phrafes , tmt propres , que figurées , proverbiales ,
burlesques ^^. maïs aujfi la plupart des Termes d'Arts
^ de Sciences^ comme
ïî'Architeoare. Grammaire. . Mcfiqae.
Agricakore. Guerre, WythoJogîe.
Anatosnie. Hîfroire. Navigation.
Arithmétique. Horlogerie, Négoce.
Agronomie. Hydraoliqae. Pêche. ,'
Blafon. Jardiuagf. Peinture,
C;)tanîe. Imprimerie» Pîiariracïe,
Chirurgie» Jurisprudence. Phiîofojhie»
Chymie. Logiqae. Phvfique.
Danfe. Manege- Poéfîe.
Éfcrime. Marjufa/lare. Pratique.
Fauconnerie. Mathématique. Rhétcriqae,
Fortification. Méchanique. Sculpture.
Géographie. Médecine. Théologie.
Géométrie Métaphyfique. Vériérie S&z.
expliqués félon, le befoin.
Précédés
par deuT. Liftes alphabétiques: l'une desNoms de Baptême, &
l'autre de ceux des Païs, Villes, Fleuves, Rivieresv, Monta-
gnes &c. qui différent le plus dans les deux Langues.
Le tout fiLr l' Orthographe de l'Académie ^ de Mr, Rejîaut , la plus
Juivie Êf autorifée.
<^>
à DOR T,
Chez ABRAHAM BLUSSÉ et FILS i;;?;
Aiicc Privikge,
PRIVILEGIE.
DE STAATEN VAN HOLLAND EN WESTVRIESLAND
Dceii te wecti'n: AiaôO ons te ker'ica is gtgeeven by AbrahAM
Elusse' tn Zoon, Ba.gtrs en Boekverkoopers binnen de Scad Dord-
recht, dat zy Snppli» tea op den 5 April 1708 van Wylen Jan van
Eyl, in levea mede Burger en Boekverkoper binnen de Stad Amfter-
dam, £m Pcbüqae Verkooping badden ge:<ogt alle de Exemplaaren
benevens de Copye vaa Privilegie van Pifter Maryns Oiaiomaire
Port tif 2 deelsn in Oftavo , op welk werk door ons den 21 Jony des
Jóars 1743 en wederoni den 13 Juny dts Jsars 1758 ganAig was ver-
Jeena Prolonp.aue var. Oftroy > voor den tyd van vyftien volgende
J-aren , om zaiks alleen en met ui:lloiting van alle anderen te ino-
geii drukken, doen drukken , uitgeven, verhandelen en verkoopsn ;
en dewyl de P^olongaiie van het by ons gunftig verleende laatfte
Ofcrcy met den 13 Juny aanftaande ftond te Expireeren, en de Sup-
plianten, welke thans bezig waaren met groote moeite, en zwaare
ïic{lea> het zelve Werk te herdrukken, beducht zynde , dat fcmtyda
doof baa^ZQchcige taenfclien dit Werk mogt nagedrukt, in deeze Pro-
vintie inj;ebr?gt , en verkopt worden tot groote p*aejndice van de Sap-
pliancen, zco wendeden zy Supplianten zich eerbiedig tot Ons, reve-
rentelyk verzoekende Prolongatie van het voor:^. Oftroy voor den tyd
van nog vyftien volgende jaaren , om met feclafie van alle anderen
het gem. Werk te mogen drukken, doen drukken , uitgeven, ver-
handelen , en verkoopen , op zodanige verbeurte en boete tegens de
Cor.t^aventeurs, as wy by voorige prolongatie hadden gelieven te
fteilen , verzoekende de Supplianten hier van gunilig te mogen ver,
krygen Qârov in Forma.
ZOO IS 'Tï Dat wy de zaaks en het voorfchreve verzoek overge-
merkt hebb'.nde, ende genegen wezende ter bede van de Supplianten,
oit onze regte wetenfchap , Souveraine magt, ende Authoriteit , de-
zelve Supplianten geconfctiteerd, geaccorûeerd. en geoftroyeerd heb-
ben, conferteeren , acccraeeren , en Oitroyeëren hen by deezen , dac
zy geduurende den tyd vau rog vyftien eerft ^gter een volgende Jaa- '
ren, het ven f. Boek genaamt PlETER Maryns Diaionnoire Portatif
2 deelen in Oftivo, in diervofcgen als zulks by den Supplianten is
verzogt, en hier voren uitgedrukt ftïat , binnen den voorf. onzen
La'da aJeei'. zr;ll?n rRo^en drukken , doen drukken, uitgeven ende
verhoopen, verbiedende daarooi alU n en een icgelyken het zelve
J3oek in 't geheel ofte ten deelen te drukken, naar te drukken, te
doen naai-drakken. te verhandelen, ofte verkoopen , ofce elders naar-
gei ru-kt binnen denzelven onzen lande te brengen, uittegeven ofce
te verhandelen , en ve;koopen, op verbetsrte van alle de Naargedruk-
te, ingebraj;te, virbandelde of verkogte Exemplaren, ende een boete
van Drie Diizend Galaers ^aar en boven te verbeuren, te appliceren
een derde part voor den Officier die de Calange doen zal, een derde
part voor den Arccen ter ï-iaaife diiar het Cafas voorvallen zal » en
het refteerei de derde part voorde Sapplianren, en dit telkens, 200
lüénigtnaal als dezel^en zullen werdea agterhaald. alles in dien ver-
ftai'de, cal wy de Snpplianttn, roet dezen onzen 0£troye alleen wil-
Undo- gratificeeren tot verhocding van hunne_ fchaade door het na-
druKken van het voort. Boek ,dsar door ingeenigen deele verflaan den
innehoude van dien te Acthcrifeeren > of te ie Advoueeren , ende veel
min
BJÎn het zel^e onder onze protefde en befchercîÎDg eerAe meerde?
Credit , aanzien ofce repatatie te geveû , nemaar de SappJiancen.
in Cas daar inne lets onbthoorlyks roude influeeren, aile het zelve
tot hunoen hfte zallen gehouden weezen ce verantwoorden, to^ di-a
eyude we] expreflelyk begeerendt dat by aldi^n zy deezen ooz^n
Oaroye yoor het zelve Bo-k zallen willen flellen , daar van geene
geabbrevieerde ofte gecontrah?erde mentie zallen cnogt-n maken , ne-
maar gehonden wezen, het zelve Oftroy in 'c geheel en zonder eeni-
ge OmiOle daar voor te drukken, ofte doen drukken» ende dat zy
gehouden zDlIen zyn een Exemplaar van het voorfchr. Boek op grooc
papier gebordin en wel «econditioneert te brengen in de Biblio heek
van onze Univernceit te Leyden , binnen den tyd van zes wedien n»
dat xy Sapplianten het zelve Bock znllen hebben beginnen uit te ge-
ven, op een boete van ze» hon-iert Galdena, na Expiratie der voorf.
zes weeken, by de Supplianten te verbeuren ten behoeve van de
Nederdnitfche Armen van de plaats alwaar de Sappliancen woonen ,
en voorts op pœne van met 'er daad verft?eken te zyn van h^t effeà
van deezen Oftroye. dat ook de Supplianten, fchoon byhetingaaa
van dif Oaroy een Exemplaar gelevert hebbande, aan de Voorfchr.
onzv-^ Bibliotheek , by zoo verre zy geduarendeden tyd van dit Oftrov
Jet zelve Boek zouden willen herdrukken, met eenige obfervatiën.
Noten, Vermeerdenogen, Veranderingen, Correélien of anders hoe
genaamt, of ook m een ander formaat , gehouden zullen zyn wederom
een ander Exemplaar van het zelve Boek , geconditioneert als voren ,
te brengen m de Voorfchr. Bibliotheek binnen den zelven tyd , en
op de boeten en poenaliteit als Voorfchr. en ten einde de fupplian,
ten dezen onzen Confente ende Oftroye mogen genieten als naar
behooren, latten Wy allen ende eenen iegelyken dien het aangaan
mag, dat zy de Supplianten van den inhoode van deezen, doen
laacen , ende gedooger. , roftelyk , vredelyk ende volkomentlyk genie-
ten ende gebruiken , CeflTeerende alle belet ter Contrarie , gegeeven in
den Haage, onder onzen Groofen Zegele hier am doen hangen, op
den zesden Maart, m 't Jaar onzes Heeren en Zaligmakers duizend
zeven honaert drie en feventig,
(IFas geiekent)
W. BENTINCK Vr.
(ta Laagerjiont)
Ter Ordonnantie van as Staacec
C. CLOTTÉRBOOKE,
Aan de Supplianten zyn, bene-
vens dit Oftroy ter handen ge-
fteld hy Extraft Aothencicq , haar
Ed. Gr. Mog. Refoliitien van dea
28 Juny I715 en 30 April 1728.
ten einde om zig daar na te re<
£Qleeren
AVER,
jij^ERTlSSEMENT.
L
utilité Gue Ie Public retire des bons Diaionnaires & parti-
j cal ier^ment de ceux de la Langue Françoi e . efi fi é viden-
te&riuniverfellement reconnue, qu'on na p.us befom de les
envoyer au Monde avec une Lettre de recommandation. Et de
^^^n.M np fait pas que h Langue françoife, à caufe de fon
Elé^ nce de fa Douceur ^DélicatelTe &c. eft parlée dans toutes
i.crmir.' de l'Europe, ou , qui plus eft, cultivée chez toutes les
Ntiordu Monde! t^ntfoitVeu Civilifées, que plufieurs même
La préfèrent à leur Langue maternelle, & que par Elle feule
on peut fe communiquer, foit de Bouche, ou par Ecrit avec les
Peuple les plus éloignés? Chofe fi bien connue du Mm.ftre
dEta% de l'Homme de cour, du Négociant, du voyageur &c.
mi'Elïe eft devenue, à jufte titre, la Langue régnante & du
Beau Monde &c. & quainfi il n'y a rien de plus jufte , de
plusnécefTaire que de la cultiver & d'en faciliter l'acquifition par
"les moyens les plus propres.
Four y contribuer, nous avons le plaifir d'ofFrir au Publi^^^^^
Huitième Édition d'un Diftionnaire Portatif, en 2 Volume.,
.^To François & Hollandois, & Hollandois & François; or
Comme il s'étoif glilTé, dans les Editions précédeiites ,' nom-
bre de fautes : que bien des Mots y font, ou mal orthographies
ou irlffifamment expliqués, & une infinité d'autre| entièrement
omis, nous avons tâché, malgré les grands f^^^^' ^ ^ f ^^i;
dier en cette Edition, & de la produire en meilleure forme en
avant confié pour cet effet la corredion , augmentation &c r&
pLr en accélérer l'impreffîon,) à deux Perfonnes , au fai de ce
pénible ouvrage; l'une s'étant chargée de la Premiere, & 1 autre
de la Seconde Partie. , ^ xt..„.« Rr i.
Nous croyons (en tant qu'un ouvrage de cette Nature & la
Grandeur du volume l'a voulu permettre) y avoir parfaitement
bi^n réufli. , . ^ , .,. j •, i„ ■d,^
Le Leaeur impartial en jugera lui même, a 1 égard de la Pre-
miore Partie , (nous indiquerons dans une autre Préface U Ré-
forme faite dans la féconde) par le Détail fuivant.
i«>. Onv a inféré une infinité de Mots, tant des Arts & des
Sciences, que d'autres; ainfi qu'une quantité de Phrafes ôcclli.x.
greffions, tant propres , que figurées, proverbiales, Satyriqi^s
eomi-
VOORBERICHT.
7-\-e akemesne Nuttigheid der goede Woorden-hoeken , en in 't by^
•^ zonder die der Franfclie Taal, is zóó openbaar en alömme erkend,
dat men dezelve thans niet meer met eenen Brief van aanbeveeling bs-
hoev' in de waereld te zenden. En in der daad :
Wien toch is niet hcwufl , dat de Franfche Taal, uit hoofde van
derzelver cierlykheld^ zoet-vloeyendheid, kiefchheid, en wat des meer
2y, gefpróken word aan alle de Hoven van Europa, of, dat 7iog meer
is^ bmffend word by alle 'eenigzints befchaafde volkeren der waereld:
dat zelfs veele van dien dezelve aan hunne Moeder fpraak den voor-
rang ge even, en dat men dus door Haar alleen inftaat is, om zyne.
gedagten, 't zy door de mond of penne aan de afgelégenfte volkeren
te kennen te geeven? Eene zaak, by den Staats-man, den Hoveling ^
den Koopman, den Reiziger enz. zóó wel bekend, dat Dezelve thans,,
te recht , mag aangemerkt worden als de heerfchende Taal , en die
der Edelften id?s Volks ; allerbillykji en allernoodigft is het derhalv n
dat ze beöeffend, en derzelver verkryging, door bekwaame middelen
gemakkelyk gemaakt worde. ,
Om hier in fnéde te werken , hebben wy thans het genoegen ,^ aan het
Gemeen aan te bieden, de agtfie uitgaave van eenen Didionnaire
portatif, inideelen, in 8vo, als: Franfch en Néderduitfch , en
Néderduitfch e/i Franfch. Dan,
Dewyl in de voorige uitgaaven een aantal van misfïdgen ingefloo-
ten , veele woorden er , of kwalyk in gefpeld, of niet volledig genoeg uit^
(relegd, en eene menigte andere gantfchelyk achtergebleeven waaren,
zoo hebben li/y getragt , oniiangezien de zwaare koften , by déze uit-
o-aave daar-inne te voorzien, en dezelve in eene bétere gedaante te voor-
fchynte brengen; hebbende ten dien einde de verbetering , vermeerde-
ring enz. van ditmoeyelyk werk, (en om dat het des te fpoediger zoude
voort- gaan ,) aan twee P.erfoonen , des verft aande , toevertrouwd ; de ééne
hetEerfte, en de andere het Tweede Deel daarvan op zich neemende,
Wy gelooven (voor zoo verre een werk van deezen aart en het be-
fték zulks 'heeft willen gedoogen) hlerinne volkómen geflaagd te hebben.
De onzydige I^eezer zal nopens dit 'ifte Deel (terwyl wy ons de aan-
wyzing der verbetering van 't ide Deel in een daar by gaande Berich's
voorbehouden) door het nàvoîgeîide daar zelfs van konnen oordeelen,
1^. Heeft men hier in gelajcht, een aantal woorden, zoo van
Kïinften en Weetenfchûppen,als andere ; als mede eene menigte van [preek-
wnen, zoo wel eigenàartige , als verbloemde , befchimpçnde , geefttge ,
' ® ^2 ^^^^'^
VI A TB RT I s s E M E N T.
comiques, burlesques &c. Bref, il y a à préfent dans ces ou-
vrage plus de ]\Iots primitifs de tous Genres , avec leurs diffé-
rentes fîgnifications, qu'il ne s'en trouve en bien d'autres Dic-
tionnaires (le Grand Dictionnaire de P. Marin excepté ; parce
que , pour des raifons , on ne l'a pas du tout confulté dans cette
correction, Ôcque, par conféquent, on ignore fon véritable con-
tenu); Mots &c. que pour la plupart on a empruntés des Auteurs
étrangers. Par laquelle Addition, ce volume s'eft grofîl de plus
de la moitié; Témoins; le double Nombre .des Pages, la Peti-
tefle du caractère &c.
2°. L'Orthographe des E'ditions précédentes étant , comme
nous venons de dire, fort vicieufe, on a été obligé de la cor-
riger en plufieurs endroits , & l'on a fuivi dans cette E'dition
celle de l'iîluftre Académie de Paris & de M. Reftaut, Avocat
au Parlement &c., comme étant la plus autorifée. '
3°o On a obfervé dans cet ouvrage, à l'égard des Mots vieil-
lis, obfcurs, équivoques, familiers, vulgaires &c. d'en donner
toute la définition poflible , foit par des Phrafes ou autrement.
Article, à la vérité, peu ou point obfervé dans les E'ditions pré-
cédentes , & qui par cela même font auffi très défeftueufes. No-
tez cependant fur ce chapitre.
4". Que, pour ne pas pafTer les bornes d'un Abrégé ou Dic-
tionnaire Portatif, on a été fouvent obligé, de ne donner ces
Dc'initions, ces Phrafes, qu'en François; mais qui néanmoins
font ménagées de façon, que tout homme, tant foit peu in-
tc^lligent, peut, & par elles, & par ce'qui immédiatement précè-
de . s'en former une parfaite idée, & renene ces phrafes &c. au jufte
en Ilollandois. ^
5^ On a eu foin de mettre auflî, dans ce Traité françois &
hollandoîs , derriere les Mots fubftantifs hollandois, la Lettre
qui en délîgne le Genre; c'eft à dire: lorfque les Genres difFé-
ï'ji-t dans les. deux Langues, ou lorsque les fîgnifications n'en
font pas trop nombreufes. Chofe qui, quelque utile qu'elle
foit, pour ceux qui n'entendent que peu ou point le Hollandois,
r/a point été obfervée par aucun des compilateurs de Diétion-
îDaircs, excepté d'un feul ; mais qui efl fort fujet à caution.
6^ On a ajouté aux verbes irréguliers, défeftifs ou Imperfon-
nels tout ce qui efl néceffaire pour leur éclaircilTement. Artî-
c'c, que, maigre fon uàlité, on n'a rencontré, que dans les
Dictionnaires étrangers.
7^. On a tâché d'accentuer par-tout le Hollandois , auflî bien que
;c yiuD^is, pour en faciliter la Prononciation. Les autres Die-
' ' ■ tion-
VOORBERICHT. vu
loertige enz. 'om kort te gaan y 'er zyn in dit JVerk meer Grond 'woor-
den , van allerlei Jlag, nevens derzelver beduidenij , „an 'er in vsele
andere IVoorden-boekcn te vinden zyn (Jict groote Woorden-hoek van
P. M Amii uitgezonderd; wyl rneji znlks , om redenen ^ in déze verbe-
tering niet te raade getrokken heeft , m dns van deszelfs wézentlyken in-
houd niets met zekerheid wea) ; woorden enz. welke men, voor't grootjle
gedeelte , van uitheemjche Schryveren ontleend heeft. Door welke By^
voeging dit Boek- deel meer als de helft vogroot is, gelyk by 't getal,
de verbreeding en verlenging der bladzyden, en de kleinere Druk-letter
ligt kan nfgemeeten worden.
2*. De J pelling der voorige uitgaaveny zoo als wy reeds gezegd
hebben, zeerflegt zynde., is meji genoodzaakt geweeft dezelve . op ver-
Jcheide plaat jen te veranderen^ en men heeft in déze uitgawe gevolgd
die van de Franfche Académie , en den Heer Rejlaut^ Advocaat enz» ,
als de meefl Gezag-voerende.
3°. Heeft menin dit Werk , ten opzigtedsr verouderde , duijiere ^ dub'
helzinnige, gemeene ofjlraat-taalige woorden enz. in acbt genomen^
om 'er alle mógelyke befchryving van te geeven, 't zy door fpreek-
wyzen als anderzins ; iets, dat waarlyk, in de voorige uitgaaven
weinig of niet betragt is, en even daarom ook zeer gebrekkig zyn;
onder tusfchen moeten wy den Leezer op dit ftuk erïnneren. Dat
4^. Om de Paaien van een' Dictionnaire Portatif niet te overfchry-
den, men dikwerf genoodzaakt is geweeft deeze Befchry vingen , of
fpreek-wyzen alleen iiv't Franfch te geeven, zóó nochtans ingericht ,
dat iemand^ die maar eenige kundigheid bezit , inflaat is., om, en door
dezelven, en door 't geene onmiddelyk voorafgaat, een volkomen denk»
beeld daar van te vormen, en deeze fpreekwyzen enz. in zyn volk
kragt in 't Néderduitfch óver te brengen.
5°. He^t men ook zorg gedraagen , om in dit Franfche en Néder-
duitfche Deel , achter de Hollandfche zelfftandige Naam-woorden , de
Geflacht-Letter te voegen , te weeten : wanneer de Geft achten der bei'
de Taaien verfchillen , of wanneer de betékenijjen daar van niet te me-
nigvuldig zyn. Eene zaak, hoe nuttig ook, voor die geene die het
Hollandfch in 't geheel niet , of niet genoegzaam verftaan , door nie-
mand der ÏVoorde?i-boek-opftelleren in acht genomen is; uitgezonderd
éénen éénigen; doch waar-Öp niet zeer te vertrouwen is.
6°. Heeft men by de onrégelmaatige , gebrekkige of onperfoonlyke
"jverk-woorden gevoegd , al 't geene ter hunner opheldering noodig is;
iets , dat men , ondanks zyne Nuttigheid , alleenlyk in uitheemfche
IVoor den-boeken ontmoet heeft,
7°. Heeft men gepoogt , om overal boven het Hollandfch, even zoo
wl als boven het Fran/ch^ de klanktékenen tcfleikn 3 om derzelver uit-
* 4 fpraak
vïTi AVERTISSEMENT.
tionnaires François & Hollandois n'en ont rien ; mais on e»
ignore la laifon.
8°. On a jugé plus propre , de drefTer à part & de placer au
devant , que d'inférer dans le corps de cet ouvrage , deux Liftes
alphabétiques, favoir:
V\JnQ des Noms de Baptême , des Hommes & des Femmes , &
L'Autre de ceux des Païs , Villes , Peuples , Montagnes , Pro-
yiontoircs, Mers, Fleuves, Fvivieres &c.
Nous" nous flattons ainfi, que cet ouvrage eft, comme nous
l'annonçons , rendu beaucoup meilleur, & que nous aurons
contribué par-là au Bien public. Qu'on ne s'imagine pour-
tant pas , que nous foyons aflez vains & préfomptueux , de
vouloir débiter un ouvrage de cette Nature pour complet,* Non!-
au contraire , on ne doute nullement, que par -ci, par -là, fur
lesveftiges d'autrui, on ne puifTes'ctre égaré, & que, malgré l'at-
tention la plus fcrupuleufe, on n'y rencontre des fautes d'im-
prefîion, des virgules mal-placées &.c. ; Bévues, que ïiom prions
le Lefleur indulgent , de vouloir pardonner , en coniuérant,
que, s'il eft vrai, à l'égard de toutes Productions humaines, il ne
l'cft pas moins en celle ci ; Que l'imparfait ne peut produire
lien de parfait; comme dans le cours de cette correction on n'a
que trop fouvent expérimenté. Pour n'en citer qu'un Exemple,
on n'a qu'à confidérer, que dans un des principaux Dictionnaiv
res, on ne trouve pas les Mots Voie {'wsg , wyze ^ middel enz.).
Voyage & ce qui en dérive, ni avec f , ni avec y; omiftions grolîîe-
les, il faut l'avouer; mais le moyen de les prévenir dans un ou-
vrage , où Argus même , avec tous fes yeux , ne fuffiroit pas ?
Que le Public en puifTe profiter , c'eft notre fouhait & le bu^
que nous nous y fommes propofé. adieu l
£ X-
VOORBERICHT. ' mx
fpraak gemak hy te zetten. De andere Franfche en Néderdidtfchc
morden-bocken hebben 'er niets van; maar men weet met waaróm.
8^. Heeft men gevoeglyker geoordeeld, afzonderlek op te fi ellen , en
liever vooraan in dit wtrky dan in den Text, te plaatfen, tyvee al-
phabétifche Lyjïen , als:
Eene van de Doop-naamen der Mannen en Vrouwen, en
U andere van de Benaamingen der Landfchappen , Steden^ Volke-
ren, Bergen, Kaapen, Zeeën ^ Stroomen, Rivieren, enz.
ïVy vleien ons dus , dat dit Werk , 200 als wy 't aankoïidigen , veel
verbeterd is , en wy daar ' door aan 't Gemeen mit zullen toegebragt
hebben, VtrbeeldiL echter niet, waarde Leezerl dat wy verwaand en
vermetel genoeg zyn , om een Werk , van dézen aart , voor voilédJg te
willen uitvent m ; Neen l in 't tegendeel , twyffeld men geenzin^ ƒ men
kan hier of daar, op bet voetfpoor van anderen, gedwaald hebben , cri
dat men' er, in weerwil der grootfte oplettenhehl , Drukfeilen, of kwa-
lyk gefielde comma's mz. in ontmoeten zal; M'sfùàgen , w::lke wy
den gunftigen Leezer verzoeken ten beften te duiden, in ovjnveeging
neemende, dat, ir.dien hetwaaragtig is, ten opzigtevan alle Menjche-
lyke voortbrengfelen , het niet minder zóó gelegen is in dit , naament^
lyk : Dat het onvolmaakte niets volmaakts kan voortbrengs-n ; ge~
lyk men in den Loop dezer verbetering maar alt e dikwerf onder-
vonden heeft. Om hier maar één voorbeeld van aan te haaien , Z09
gelieve men alleenlyk aan te merken , dat men in een der voornaamfts
Jvoor.denboeken niet vind de woorden voie (,weg, wyze,. middel enz.),
voyage en 't geen daar van afftamt, noch met i , noch met y; waar-
lyk Fjóve mh [Lagen, men kan, het niet ontkeimen; maar hoe is 't mó-
ge lyk die te verJweden, in een werk, w aar- in Argus zelf s , met alle zy ni
eogen, te kort fehieten zoude ?
Dat het Gemeen 'er 7iut van móge trekken , is onzc wenfch, en list
oogwit dat wy 'er in bedoeld hebben. Vaart wel l
* 5
LISTE
EXPLICATION
Des Ablréviatiom^ quife trouvent dans cet ouvrage, & de leur
Signification.
UITLEGGING
J)sr Verkortingen, die in dit Werk voorkómen , en wat ze heduU
den.
(m) Sabftantif mafcnlin.
(f) Subûantif féminin.
(n) Sabûantif neutre,
(adj.) Adjeaif, foit Nom oo Par-
ticipe.
(Pron.) Pronom.
(v. a.) Verbe aôlf.
(v.n.) Verbe neutre.
(v.r.) Verbe réciproqne ou reflé-
chi.
(y. irrég.) Verbe irregulier.
(v.iinperf.) Verbe imperfonnel.
(V. défea.) Verbe défeûif.
(part.) Participe.
(adv.) Adverbe.
(coDJ.) CoDJonâion, on conjonc
tif.
(prép.) Prépofition.
(interj.) Interjeftion.
(Prov.) Proverbe.
(vulg.) Expreflion vulgaire, fami-
lière» populaire, ou baffe.
item^ oo; (point & virgule) déno-
te qu'il fuit une autre fignifi-
cation.
? Point interrogatîf.
I Point admiratif , ou Exclama-
Uon.
Mamglfi zelffiandîg Nfom 'wcord.
f^rouu/elyk zelfflandii Nazm-^otrd»
Onzydig zelfjiandig Niam-woîri.
Byvcegelyk Naam- of Deel wjord.
Voornaam,
Daaieîyk of weriend werkwoord ,
0'^zydfg isferk- wanrj.
fVéJerboorig werk-woord,
Onrégelmaatig werk-woordg,
Onperfoonlyk werk^woorj.
Gebrekkig werk-woord,
Deei-w?ord,
Bywoord.
Koppel-woord y ofby voegende wyze,
Poorxetfel.
Tujfcbem <werpfeî.
{fpr, w.) Spreek-woord.
(gem. Vf.) Gemeen f laag of Jlraat'
taalig <W9ord,
item , of j {fifp en eomma) geeft te
kennen dat *er eene andere beteke-
nis volgt.
? Vraag, teken,
! yerofûnderings* teken of uitroeping^
LISTE
Liste Alphabétique
Des Noms de Baptême en François & Hollandois.
ALPHABETISCHE LYST
Der Doop-naamen in 't Franfch en Duîtfch.
Noms d'HOMMES, Naamen der MANNEN.
Aar on. yfarou,
Abe!. ^b.l.
Ab'-ahaiD. Abraham,
AJatn. ^Jam.
Adolphe. AJo'pbut^ AJo!f.
Adrien. Adriânos, jÉdriaan.
Albert. Albertusy Alber$.
Alphonfe. Alpbjufus.
Aaibroife. Ambrofius»
André, Andréat.
Anfelme. Anfelmut.
Aotoirc. Ambóny.
Arnand. Arnoldut^ Arnold.
Aaguftin. Augüfiinu$,
Aagofte. Aagù,flus.
Au-èle. Anrél.us.
Balthafar. Bahhazar,
Baptifte , on Bâtift*». Batiji,
Barnabe, Barnahas,
Barthélemi. Bartboloméut»
Baudouin. Bcuiewyn.
Benjamin. Benjamin,
Benoît. Bette dWa$,
Eîrnard. Beraardut,
Bertrand. Bertrarh,
Blaife. Blofius.
Boniface. àonifacius.
Ce far. Cefar,
Charles. Carohs , Càrel.
Chriftophe. Chnflopbe^ofCbrifl^ffel.
ChryfoRorr.e. Chryfoflomus,
Ci'aude. Claudiuî»
Ciément. Qlémtnt.
Conftantia. Corf,antinu>î,
Conrade. Conroai.
Corneille. CorKeliui, Cornelis,
Cyrille. Cytllu-.o
Daniel. Daniel.
David. David.
De lis. Dion:Jlu$^ Dsr^yf,
Didier. Dp/iUriut.
Dominique. Dominicus,
Edocard. Edward,
Elîe. SUau
Elifée. FMréu'.
Etienne. Stéfbam'S, Stéphew,
Eftace. Ëflanat.
Ezechias. liêzikiab»
Ezéchiel. Exécbtel.
Ferai and. Fendinanâus » FerdU
ftond.
Frai çois, {lee* Fxanfoa) Framis-
eus y Fratitz.
Frédfric. Frédericusy Frêderik,
Ga;:^riel, Gabriel,
Gautier, ff^uhertis, walrgff WQUterà
George. Georg , Joris.
Gervaife. Gervaas , Servaoi,
Giles. Gillis.
Guillaume, kf^ilbeîmms , v/ilbelma
milem. '
Gailfot. JViUemtje , wlm.
Henri. Hendrikut, Hendrll,
Hercule. Hercules.
Hierome. Hieronymui.
Horace. Horatius,
Hngues. Hugo.
itlltiJy^»''""'?'""'^-
jean. Jjbannes , Jan.
Jeannot. Jatije y btnsjg.
Jérémie. Jernn os.
Jérôme. Hisrcnymus,
Ignace. Ltsatius,
Job. Job.
Jonas. Jonas,
Jo feph Jofepbut , Jofg:b,
Joffe. Jot>fi»
Jofaé. Jofita,
rfaac. Ifàae,
Jule. Julias.
jvilien. Jutidtui,
JuOe. JuJItt.
Lambert. Lambertuf.
Lsnrent. Laurentius^ Laarents,
Léonard. Léonaraust Leendert,
Léopold. Léo[oUuty Léopold,
LeuVs» LCdfo/yk,
Luc.
Xuc. Lviat.
Malachie. Mahebhufl
Mire. Markus,
Ma tin. Msninvs , Martyn.
Matthieu. Mattbéas Matibys,
Maurice. Mauritius, Maurits.
Maximilien. MojnmiliaaB.
Michel. Miebiel.
Moïfe. Mozes,
Néüémie. Nébemias.
Nicolas.-] i^ioioaSyCleas.
Ncole. J '
Noër Noacb.
Olivier. Olivier,
Othon. Otto,
Patrice. Patricius,
Paul. Pauhsy Pool,
Philippe. Pbilippus , FbiVp*
Philipot. Piip^e,
Pierre. Péttus^ Pleur,
Pîei roc. Pietje,
Rémi. Remîgius.
Réaard. Rsinbard.
Rs^racd. Rfinoldt Rehoud.
R-Irhard. Rykcrt.
Robert. Robertvs»
Robichon. Roàbertje,
Rodolphe R-Jo'pbus,
R ger. Riitger.
Salomon. Snlomon,
Samuel. Sa'^uil,
Samfon. Samfon.
Séî-aftien. SêbafiiaaUi Bcfliaoe,
Silvain. Silvàrus.
Siîvift-e. Silvefier,
Sîiréon. Simeon.
Simon. Simon , Symen,
Théodore. Tceodàrsis , Dîsdsrik ,
Uirk,
Thierry. Difk.
Thorras. Tbom/if»
Timothée. Timatbe'ùt,
Tobie. Tobios.
U bain. Urbâmus,
Vdtentîn. f^alemtyn,
Vincent, l^incentiùs,
Za harie. Zacborias,
îvloûis de Femmes, î^aamea der
Vrnuwen,
Abigaïl, Ahigaè'i.
Arathe. j^githa^ Aagt.
A nés. AgmitbOy Agnief,
Alix. Eli.
A ifon. Elfjg,
Âithée. jiifbéa.
Anne, Anna.
Antoinette. A-^ibmîa,
Arabelie. Arabella.
Barbara. Babara^ Berber o
Beatrix. Beatrix.
Biüoite. BsnediSa,
Berthe. Bartba.
Brigiae. Bngitta,
Catherine. La. burina y Katryu,
Catir 1. Kaatje, Keetje ^ kneja»
Cécile. C ici Ja.
Charlotte. Cbarlotta.
Chfiaine. Cbrijüna.
Claire. Ciara ^ KÏaartj^,
Confiance. Confiaadü.
Déboia. Détora,
Diane. Dsâna.
Dorothée. Doroibéa^ Doortje.
Elifabeth. Elizabetb , Lysbet , Lysje,,
Ecarae. Emmefje,
Euher. Hijier.
Fanchon. t'roneynfje f Fransje,
Flore, ^iora.
Françoire. {kes fraDçoafe) Francyn.
Gertrade, Gertruda, Gert>mi,Trm$je.
Goillemette. JVillemyntje,
Hélène. Héléna, Léaa.
Jaqoeline. Jakelyn , Jahmy»,
Jaquette. Jacóba,
Jeanne y Jobanna , Jannetje,
Jeanneton. Jannetje,
Ifabelle. Ifabel.
Judith. JuJiih, JiJJiè,
Julienne. Juiiàsa.
Lucie. Lucia.
Lucrèce. Lvcré/îa,
Madelaine. MagdaléfOf MagdaUeti^
Magtel,
Manon. Mietje, Mârigie,
Margot. Mar grietje.
Marguerite. Har^erita^ Margriet,
Mart ha. Mart ba.
Marie. Maria, Miry^ Marytje.
Matiide. Matiîda.
Nanette , Nanoû , Naacis , Aanaatje,,
Rachel. Racbel.
Rebecca. Rebecca,
Rofe. Roosje.
Sara. Sara.
Sibille. Sibiïîat Sibil, -
Sophie. Sofbia, S9fy.
Saiànne. Swz^nna.
Sofon. SbZamteije, Soeije,
j Théodore. Tteodora.
lUrfaie. Urjuia^ Urjeh
LISTE
Liste Alphabétique*
En François et Hollandois^
De7 Noms des PciU, Filles, Peuples, Mers, Fleuves Rivières,
Détroits^ îles ^ Montagnes, Promontoires^ Vulcams ^c. les plus
remarquables ^ qui différent le plus dans les deux Langues.
Alphabétische Lyst^
In 't Fransch en Néderduitschj
Van de Naamen der Landen , Steden , Volkeren, Stroomen,!
Rivieren, Zee- en Land-engten , Eilanden, Bergen, Kaapen,
vuur -bergen enz. die 't alleraanmerkelykfl zyn , en in
de twee Taaien 't meeft van elkander verfchillen.
De Verkortingen die in déze Lyji voorkómen betekenen^ als volgt.
ATr. Afrika.
A"mer. Amèrlkj'
Az. Azia^ of Aziêé,
B. Berg.
E. o/ Eil. Eiland.
Êar. Puropa,
Gr. Groot.
K. of Koningr. Koningiryt,
L. Land y Landfcbap.
Middel, Z. Middeilandfcbs Zeffe
1^. Noord,
R. of Riv. Rivier.
St. Stadt.
H. at. of Hoofdfl. Hoofd/iadt^
Zee-h, Zes-bânje»,
Zee-ft. Zeefiadt,
Pe Leezer gelieve ook indagtig te zyn, dat ^ om déze Lyfi met geeae om-
noo'ditp woorden te betwaar en , wy vee 'e Naamen die in 't Fr an f eb em 't
Du-trcb bet zelve zyn, of d$e in bet Franfcb met bourg of q eindigen ^ t»
in bet Duiifcb in borg of en veranderen , acbtergehatffn bebbeM>
ÀSt (f) Aa (Naam vsnverfcieUene
Riviertjes in Frieilani , Ove-yjf.l,
Mu^J^rh ZwltferU Pikardié'a enz.
Jiroompndp),
Aar, ff) Aar (R. by Keulen, en in
't KaatQu Bern),
Aberden > (m) Aherdeem (n. ƒ. e%
Z;eb. in Scbotl.).
Abo , (m) Abo (n. H, fi, (» Zee-b,
van Finland).
Abyla, (f) Ah^a {Berg in AfrU
ka),
A Aby»-
±iv AB, AC. AE. àc,
Aöyffinie , ( f; Abijftnièn (^n. L. iu
Ajr.;,
Abyffir ien, ne (m. & f.) Abtffini^r
Aj:JJif»ifibe vrouw.
Acadie , ( f) AcaJièa (n. L. in iV.
^mer.),
Acadien , ne (m. & f.) Acadier ;
Aeadifcbe vrouw.
Ac haïe, (f) Acbayen (ü.L.inGrie-
kenk).
Achaïen, ne (m, & f.) Acbayer;
Aebayifcbe Vrouw.
Açores , (f. pi.) De Aforei (Eil.
in Amer.).
JEgée, (f. ^T/f- Archipel).
iEtot, Etnci 'brandende B. inSieil.),
Afrique, (f) Afrika (n. één der 4
Waereld-deelen).
Africain , ne (m. & f.) Afrikaan -,
Afrikaavfibe vrouut.
Agra, {Ok) Agra (n. fl. ƒ. vaa In-
do/iOB).
Aix , (m) Aix (n. H. 7?. »» Proven-
ce).
Aix lachapelle» (m) Aken (n.vrye
Rykfi. in Duitfcbl. beroemd door
baare Baden).
Albanie , (f) Aibâniem (n. L, in
Turk.).
Albanien, ne (m. fit.) Albanier
enz.
Albe royale, (f) StoeUweiJfenburg
(n.Ji. in Hongar.),
Alcmar» (m) Alkmaar (zeerfraaye
ft, im N. Holt.).
Alexandrie, y^) Alexanéria (Jï. in
Bgypt.).
Alger , (m) Jlgiers (n.Ji. en Koningr.
in Afr.).
Algérien, ne (a, & f.) élgeryn,
Allemagne, (f) Duitfcbîand {n).
Allemand , de (m. & i.) Daitfcber}
Duitfcbe vrouw,
Aloft y (m) Stadt en Graaffcbap
Aam.
Alpes, (f. pi.) De Alpen ofAlpi-
fcbe. Gebergten.
Alface » (f) Elza$ (m, L, in
Duitfcbl).
/imériqne ti f ) Amer ika (n. ééne der
4 waereld- deelen).
Américain , ne (m. & f.) Ameri-
kaan enz.
. AŒfterdaxD> (m) Amfïerdatn of Am-
AN. AP. AR. &c.
Jieiii'im (n. iitnd$ ta H>i.umdy aa»
de Jiuider-zse , uitneemend groot 9
volk'.ryk en pragtigy bandel dry-
v-nde\, zoo te water, ah te Landt
üp alle ffeweflen der waereld y en
vfjer Rykdom en iukontfien ménig
K ningkryk overtreffen).
Anco.ie, (f) Ancona fi. in Ital.).
Ândaîonfie , ( f ) Andalnziè'n (n. L,
in Spanien).
Angers, (m) Angiers (n* in An-
iou).
Angleterre, (f) Engeland (n. K,
en één der grootfie Eil. in de wae»
reld).
Anglois, fe (ta. & f.) Engelfcbttian ,
Engelander ; Engelfcbe vrouw.
Angola , ( f ) Angola ( Rivier i»
Afr.).
Antioche, (f ) Antioebièn {n. fi. im
Syrien).
Anvers, (m) Antwerpen {Gr. Ji. in
Brabant aan defcbelde).
Appennin, {va) 't Appennynfcbe
Gebergte {n. in Ital.).
Arabie , (f ) Arahîè'n (n. Gr. L, im
Azfê'n).
Arabe , (m. & f.) Arabier,
Aranjuez, (m) Lufî-plaatt des Ko-
nings van Spanten.
Archange! , (m) Arcbangel(n, fi. en
Zee-fo. in *t Noorden van Rus-
land).
Atchipel , (ns) Archipel (m. da: ge-
deelte der Middelnnfcbe en andere
Zeeën daar veele Eilandjes by mal-
kander leggen).
Arménie, (f) Arménien (n. L. in
Azien).
Arménien, ne (m. & f.) Arme-
niër enz.
Arnhem, (m) Arnbem {Hof- em
Hoofdfi. van Gelderland).
Arrasi (va) Atrecbt of Arras {n. fi,
in de Néderl.).
Afle , (f) Afia of Aziën (n. een der
4 waereld deelen).
Aûaciqae, (m. & f.) Inwoomder va»
Aziën,
Atturie, (f) Afiurien (n. L. im
Span.).
Athènes, (m) Atbeenem (n. fi. in
Griekenland),
Atlas, (m) Ailas {Berg im Afr.).
Aa»
AU. Bit.
Autriche, {t) Oojierruk (n).
Aatiic ien, ne (m. »Sc f.) Ooflen-
ryker.
Babel M&ndel , (m) De Zee-engte
tujfcbem de rooJd Zte en deu Oce-
aan.
Balcique* oa la Mer balciqne» (f)
De OjJI zee.
Barbarie, (f) Barharyen (n. L. in
Barbare, Moreftn) Barbaar ^ Moor.
Barcelone , (m) Barcelénièfi (n. Gr.
Jî. in Sp.m.).
Bdie, (f) Bâzel{xx.ft. in Zw'tf,).
Bstavie, (f) (n. Gr. Stadt en vef-
ting der Hollanders op 't Üiil.
Java),
Bavière, (f) Beijeren (n. Keur-
VQfJienJ, in DaitfcbL).
Bavarois, fe (ra. & f.) Beycr enz.
Baye, (f) Baai ^ imbam.
Bélem, {m) f^lek en Lujiplaats des
Kónings van Portugal.
Belgrade , (m) Belgrade (n. Turkfcbe
vejiimg in Europa).
Bengale , ( {) Bsngâlen ( K. in
Aziën.
Berbice, (f) De Berbhbe(R,in
Amer.).
Bergen oa Bergue , (m) Bergen (n.
Gr, Koopft. in Norvt.).
Berg-o^.Zoom y (m)Bergen-op'Zoom
(n. Stadt en Vffiing im de Nederig),
Berg faint-vinox ,(10) Winoxbergp.n
{fi. by Dtinkerken.)
Berlin, (m) Berlii (n, Groote en
fraaye Réjtdentiejladt des Kónings
'lan Pruiffen),
Berne, (m) Bern (n,ft. en Kanton
van dien naam in Zwitferl.),
Bifcaye> (f^ Biikaaytn (n. L, in
Span,),
Bohème, (f) Bobeemeu {n, K, in
Emropa),
Bohémien , ne (m, fie f;; 'Bobesmer
enz.
Bois le duc, ouBoldac» (m) 's Her-
tóggnbofcb (n. ft. en vefling in de
Néderl.),
Bologne, (m) Bolóniem (n. Gr, ft.
in Ital.),
Le Bolonez, (m) 't Boloneefche,
Bosnie , ( f) Bosnien (n. in Turk.).
Bosphore (m) De Bofpborut (m. Zee-
engte by KonJiantiMópeJ).
BO. BR. Ba CA. 1^
Boulogne, (f) Buulónje {Gr.fi. im
PtkarJièn).
Le Boalonnois, (m) *t Boulon..
ttcefcóe (d),
Bourilcaax, (m) Boirdeaux of Bir-
deeuws (Gr, Koopfi, in yrankr*),
Bourdelois,(m) i£en vaa B&urdeaax,
Bourgogne, (f) Bourgawien. L. im
l^ravkryk).
Bourp.aignon, ne (m. 5c f.) Bow»
góniè'r enz.
Brabant, (m) Brabant (n).
Brabançon , ne (m. & f.) Brobander
enz.
Brandebourg, fta) Brandenburg {n^
Ki urvorfiendom).
Brandebourgeoia , fe (m. & f.) Bram ■
deaburger,
Breda , (m) Breda (n. Gr. en fraayg
Stadt en fierke vefling indeNéderU}
Bréfil üu Brézil, (m) Braxili&t (n.
Gr, L. in Amerika),
Bretagne, (f) Brittaniè'n Cn. L. im
l^rankr),
Breton, ne (m, Ôc £.) Brittamig^
enz,
Bretagne (La grande) Groop-5n#-
tânien of Engeland en Sèbottand,
Breton , ne (m. & f.) Brit. enz.
Brille (La) Briel (m. Zeeft, ia
Hdll.),
Bragea, Bruggen (n.fl.in Vlaand.X
Bruxelles, ^re/^/ { Hoofd fl. vai
Brab,),
Bode, (m) Bnda of Offea fn.ft, im
Hongar.),
Bulgarie (La grande) (n. BtJgó.
riè'n in Tartariè'n],
Bulgarie (La petite) (n. Bnlgârien
in Turkyen),
Caire, co Ie grand caïre, (m) CoT-
rJ {Hoofdfi, van Egypte uittermaa.
ten groot).
Calabre, (f) Calabriëa {n. L. im
Lal.).
Calais, (m) Calis of Calais (n. Zet^
ft. in 't Kanaal).
Californe, (f) Cdlifirnien (n. L. im
N. Amer.).
Cambrai , (m) Kdmerik (n, fi. im
Vlaond.). ^ •'
Cambréfis , (m) •/ Land mu Kâmerik,
Candie, (f) Candia (Uil.emft. im
de MiddelU Zee)
krL CA. CE. CH. &e.
Çaodiot, te (ra. Öc f.) CânJier enz.
Candy, Candiit {fiadt e» Koningr.
op 't EU. Ceiln).
Canelle (Le Païs de 1») */ Ka
melland (op 't E'l. Ceihn),
Cantorbt^ry , (m) Kantelberg (n. fi.
in Engel i»J;. _
Cao, oa Pforsontoire , (m) Kjop ,
voYgcbergtP of Lan J punt , in zee.
Cap de bo nt; È-pérnnce.fm) fio^p
de goeJe H»jp (de zuidelyte Land
fhnt va» Aj\ ica , inet eene franye
St^t. Kifieel en tvin , de Hol
landlcbe O^Ji- hdifche' Maatfchoppy
t'fhebQO' ot'U , VOO zien , en alwaar
de Ooft I dijcbe Schepen om ver ver-
'ck-.nsi *én anker kömsn),
CArth«gèpe , (m) Cartagêna (n. St.
in Sp'*n. en Amer.)*
Cafr.ieune (La Mer) De Caspijcbe
CafTabie , (f) CaJ/kbiè'â (L. i» Pom-
meren).
Cacalonte , (f. Catahtiiën ( L. in
Spanten),
Catalaii , ne (m. & f.) Catalónier
enz.
Caudebec , (m) Stadt i» Norman-
diè'n , vermaard wegens Hoeden*
CeiUn , (m) CeiÏOH (n. Gr, EU. «
Indie^i},
Chine, (f) Cbina {Gr. Koningr. in
At:sfi).
Chinois , f« (ra. & f.) Chinees enz.
Chrétienté, (f) 't Krijïenryk (n).
Chdl'tophe (vSf.) Sinte Cbrlji~ffsl
(BfL t» Amer»),
Cleves, Kleef {f raaf 9 fl, e» Hsrtag-
dovi).
Cols , (m. pï.) La^^d engten , door
togun (met betrekking tof de Alpi-
fcbe Gebergten).
Cologne, (f) Kuten (n. gr. Koop-
ftait aan den Rhyn)).
Cologne (L'E'caorat de) */ Keur-
vo^fter.iom Keulen.
Confiance , ( f ) Cojlnitz (fi. in
Duitfibl.),
Conftantinople , ff) ConHanttnópel
(zeer groote <■■ o iryke Stadt, en ze-
tel dei Sültau» in Europifcb Tur.
ty?n).
Copenhagne , (m) Eop:enhdgen
(Uooffi. en ii'tel dei Kcningt van
CO CR. C7. DA.
D.^nemarketi » een zeer fraaya ZH'
en Eiandeiplaats).
Cornouaille, (f) Ko^nexval (n. L,
/.i Engeland).
Corfe , (f) Co'^fica (EU. in de Mid-
den Zff).
Corfe, (m- & f.) Corftiaan.
Courcrai , (m) Corttyk (n. Ji, in
Slaand.), ^ „ .
Cracovie , (f) Krokau (Gr. St. l»
Pool). , ^ -
Crpaiie , (f) Croatièn (n. L. iu
Hjngar.).
Croate , na. & f.) Croaat ent
Cypre, (f) CypHën (n. EU, it» ds
Middelt. Zee).
Cypriot , te (tn. & f.) Cypriaan^
Damas, (m) Damascui{n).
Danemarc, (m'*. Denemarken (n).
Danois , fe (m. & f.> Deen enz.
Dinube, (m) De Donau (Gr. Riv.).
Delfc , (m, Delft (tâmelyke groofe ,
fraayc en zinnelyke Stadt in Hol-
land ^ beroemd wegens baare Por»
eeleinf^.oHeksn).
Davis (Détroit de) De firaat Da-
vlds (in Groenland).
Détroit , fm) Zee-engte » firaat , *;
naauM) (aU: te GïhraUar).
Dixmude , (m) DixmuiJea (n. Sf.iia
naand,).
Domingae (St.) St, Domingo Stads
en Etl. in Amer.).
Dordrecht ca Don , (m) Dori:
reek* ofDcrdt (d'ovdfie en eerfiefiesn-
bebtsnde Stadi van Holland f gclé'
gen cp een Eilandje aan de Maas,
bier do Merwêde genaamd ^ tâme-
lyk groot fraai en bandeldryvenJ ,
zeer bekwaam voor de Scbeepvaart ,
hegunfiigd met bet fidpelreebs em
munt . e» beroemd wegens bet Syr.o-
das nkti onal is aldaar gehouden A° .
1618 efióip.)
Douvres , (tn) Doever (n. Si, eu
\ Zee b, iu Eng. in 't kanaal).
Dregde , (m) Dresden (n. Gr, St,
in Sr.r.), ^ ^
Drontheco , (q) Drontbsm (n. Gr,
t. in Nor 'Af.).
Djblin , (n3) Duhin (Hoofdü. en
Zp'' b. van Ierland).
Dd kerqne t (m, DJ^kerkei (n«
Gr. Zee .en taaiêl -plaats i'^ Fr»
Vlaand.}» E«'a-
ECL. EDI. EGL. tScc.
Bclufe , (f) Siuit (J), im ffoll,
Vlaamd.),
^ Ecoffe , ( f) Schotland (n). .
Ecoflbis, fe (m. & f.) Scbotlaader ,
fibof.
Edimboarg, (m) Bdi»h»rg (a.ff.ji.
in ScbotL).
Eglife , (X'Etat de V) De Eer-
kelyke Staat ( die de Paus be-
^ Zit),
^gypte, (f) Egypten(n).
Egyptien, ne (m. & f.) Egypte.
maar.
Elbe, (m) ö* i?/** {R.imDuUfcblX
Ems , (m) Dff £oti (f. R, /.
Duitfcbl,).
^^ckhüfe, (f) Bukbuizenifraaye fi,
»■ iv» aoll.)m
Efcaot, (m) D^ Sc^^W^ (12. /,
Brab.).
Efclavonie, (f) SlavétiUa (n. bv
Hong,), ^ '
Efpagne , (f) Spanièn (n).
Efpaguol , le (m. & ^.) 5po«,'jrJ.
Ethiopie, (f) Maoren-land:
Ethiopien, ne (m. & f.; Btbiopier,
Moor, '
Euphrate, (f) Bupbratss (R, i»
^zièm),
Bxirope,(£) Europa (f. een der 4
waereld-deeten). ^
Fez, (m) iT,^ (^. ^„ iTOT/Bgir. /»
Finlande, (f ) FinloBd (n\
Fmlandois, fe (m. & f.) F/^/öurf^r
of Fin,
Flandre ; (f) riaanderen (n, L, in
de NéderL). ^
Flamand, à^ {m. i. î.) Vlaaming ,
FJeffîngue, (f) VllJJing,^ ( ,g„e
^^j^^l^^';^»(nFiorentie»(n,Gr,fi. i»
'T.?^'^' (Villes) D^ «,^W^^.
FRA. FRI. GAL. <3cc x^/ir
France, (f; ^rj»*ryit (u Gr. Ao-
ningr.).
F/arçois, fe (m. & f.) Franfcb-^
mau etz. '
Francfort far le Me in , Francfort
aam de Mem {eeae gteate Kaopjl,
beroemd wegens baa>e MtJJen),
Francfort far l'oder , Francfort aan
de Oder , {met een' H. fcbool.),
François, (Les îles de St.) De Ei,
landen van St, Framifcus {im
Amer.),
Franconie , ( f ) Frankenfaad ( in
Duitfcbl.), ^
Frife, (f) f^riesland (n, eeee der
7 Prov,).
Frifon, ne (m. & f) rrieübi vrie»
zin,
Fone, ou Fionie, (f) Fuaen (o.£,
^ in Dénem,),
Farne», (m) ^urnsn (n. Vefting in
ylaand.),
Galice, (f) Galicien (L, r» Span.).
dom Wallis (i» SHg.),
Gallois, fe (m. & f.; Walfcb-man
enz, •*
Gand, (m) Gbend (n. fi. $» Staand X
Gafcogoe, (f) Gafiônien (L, in
yraakr,),
Gafcon, ne (m. <Sc f.) Gafconjer
enz.
Gènes, (m) Gênua (n. groote , prag^
fjge e» ryke Koopfiadt^ item Repa^
bliek in Italien),
Génois, fe (m. &. f.) Gênuees enz.
Genève, (f) Stadt en Republiek in
Savoyen aan *t Genéver meer j de
fiadt ts groot , -wel gebouwden ban.
deldryvende in allerlei manufaâuw
^ ren, "'
Genevois, (m) '/ Gebied van Ge^
nêve.
Genevois, fe (m, & f.) Geniver
enz.
Glaciale (La mer) De Eis-x.^e,
Gorcnm , (m) Gorkom of GornUbent
{eene fraaye Stadt en vefiing in
Holland). '' *
Gouda , on "Tergow , (m) Gouda
{Fraai - bebouwde Stadt in Hol-
land en beroemd wegens baare Pyo-
fabrieken gnx,)
** Gothie
sviij GOT. GRE. &c;
Guthi. , if) Uot'fwvt ■■ .>.
•G.ths ,(ai. p\.) (^Ottde G«'l6f».
G èse . ( f ) G-ifkentunJ (n:.
Gr.>c, Grccqae, -m. & f.; Gr/f* 5
Griekjchf f'O.-a».
Giifons (Les), D<j GracWJ^bun
de>'t, ^
Crifons .Xe Païs des) V Graaöw
hunU'lanJ {RefuhUck by en i» v^r
Grotfoiand, (m) Grof^rJard (n).
G oningue. (f) GrJ«;»?.» («rooj^
5*öif en eéne der 7 vereenigdt
Provint ten) f ' , , ,
Gaeldre . (f) Gelder tavd ( n. êen
grs'^t Hmagiom, en eéne der 7
Prov, van Uil.) ^, ^ ,^ ..
Gaeldrois, ie (m. & f.) GüSerJch-
Gaeldres, (f) GeUere» {Jierke vef-
Hsinant, (m; Hénegouwen {L, in de
Néierl), , ^
Ha^bo-arg , iTa)IIamhurg (n. Gr.
^^^- en Handelpl. in NéJ- Saxen).
Hanovre , i f) Banóver (n. Keur
vo^dend}m in Duitfcbl.).
Hanóvrien, ne ca. & fO ff^'o-
ram.
Hi.lem, (m) H^ar'em (G-- fr.taye
e.1 ryke Stadf ia Holland, vol
Fb'i'ien),
Hüy.^ (La) , De Harig of* s Graven.
h.igt{fipn Riront éren vlek of fiidt
in Hxltand , eene kleine rnyl van de
N Jee , vol fcbüjne Geboun-en en
Paleizen , de zetel der Hereuf
Stuaten Generaal mz. waarom bef,
met recht , ge-ioe^nd wori , bet
fraaifte en ptagtigfie vlek van de
voiiereld),
Hécla, (ra) Heela (brandende B?rg
in Eislani),
H-flTe , (f) Be (Ten of Hejfenland
in).
H '(Tien , ne <m. & f.) H^s ; HJft^.
Ho 'lande, (fj HoUard (n. ee-e
Gr.tJ-ffcfyflp in d? Néd^rlnni^n
de grootfie "n 'fraaijie di'r 7 ^^er.
eenigde P'ovintie».^ 'tlo'i'fnéden mei
ver'c'^eiie va.r-'ajre Rivieren en
Kntrtante» , op vopikfrs zyoi»/'^ zleb
vele pragtigp Sféd'^n en Ltiftbaizet
ots ia ecB' Groe^ vtrtisaeB, N3, door
HOL. HON. HOR. &c.
Jé'.'R Nj..m HAland verjiaut men
ook veeltyiii bet gantfche Gemeene'
teji of a-: 7 verè'intgde Lanijibap-
pen , oj in andere woorden de gtf j
beele Republiek 9 of 7 g îi»ie$rde
Provint i en).
Hollande Nord-) ou Weft-frîfe
( f ), Noord Hullofrd of IVeJi- vrtes-
laud (L. aan de ziUder zee waarin
verfcbeids fraaye Steden en vette
vteianden),
Hoi:ar.d.ïis, fe 'm.& f.) HMatdefi
HjHa^dfcbe vtouw.
Holface, (f) H.lfieinin).
Hongrie , (f) Hmgaryen (n).
Hougrois, fe (m. & f.) Hongaar
ene.
Horn, (m) Huorm {Gr. fraaye fi, in
N. HM),
Indes (Les), De Indien,
ïndoftan , ^m) I^dojian (n. Gr. Land
in Qofi indien).
Ingrie, (f) Ingermerland (n» L. i»
Rujland ,
Irlande, (f j Ierland <n. een Etl).
Irïandois , fe (m. & f) lerlander
etiz. "i»
mande , ( f) Tfla^d (fi. Eil in de
N-tee)»
inmdois , fe fm. & f.) Tflander enx^
ine OU Ile, (f) Ben Eiland (n).
Ifpahan, (m) Ifpaban (n. Hoofdffo
van Perztè'n),
Iftbme, (m) Een Land-punt (t}»
I:a ie , ( f ) Italien,
Icaüen, ne (tn. & f.) Italiaaner,
Italiaan. „ , ,
Ivtça, 1 f) Iviea (Stadf en Btland
in Je Middel zee). „., .
Jacraïq je , f ) Jamaica (Gr. Etland
in Amerika). ^ ..
Jipon, (tn) 5^upa» (n. Gr, Keizer^
ryk tn Aièn).
Japonnois, fe (m. & f.) Japonnees
Jernfalem, ''m) Jèrufalemin.Hoofdfl.
ven 't Heilige Ij-^'-d). ^. .
Jocrdaïn , (m; Jordaan (m. RiV- «
Jtiiéer f) Juiêa of 't Joodfcbe Lanâ
in éziè'A). c..«j.\
jaiers, tn) Gti^icb (n. een Stade)
item 't Guli eter land.
KON. LAC. LAG.
Konin^cj i^ , {m, Kont- gée* gen
(n. Gr. Zee- en Hjudeijiadt in
Lac , m I üea Mef^r (n) , als : Ie Uc
a'H«rlem, '/ üaariemmsr AUer
em.
La^iUnes , (f. pi.) Naam die men
gtefi aan de Grogten of Poelen
ujfcben welke l^e^té^ien is teggen'ie,
Leiaen « Leiden (n^ae grootfie btodt
in Hi land uau/i J^mH^rdam j
doorinùditi met fraayp Gr-ijtea en
Sirenen , : ol fraaye Gsbouweh en
Fabrieken , en zeer berosi.-id lam-
S eus baar e H;> ogc- S booi.)
Leii^fiG, (m) Letpxg (n. Gr. St, iu
Ónxem y beroemd wegens baare
H^Q^e Scbuoly eu jaarîykjtbe M s
of Kermis).
Leeuwaarde , T.eettwaarden 'Gr. en
ftaaye Hoofd St. van F'riesiand).
Levant, (m) De Levnt (f;.
L<;vaatin , iue (m. & f,; Bi'woonder
der Levant.
Liban , (m) Liban (m. B. ia A-
Z;è'i).
Lîè^e , (m) Luik {teer groote Koop-
ftadf en Btxfcb.ops zétel) . .
Lé pais 'de Liège, *. Litiker'.atid.
Litgcois> fe m^ Ltiikena.ir enz,
Lille , (f) Ryjfel (n. G-. kojp. en
fh'fd-St, rjan Ft^ l^laxind.),
Lisbonne, ^ f ) LitfaboH [a. ze r
gro'jte em ryke Zee- en Handei-
Siadt in Portugal j de Zé.ei des Kj-
ni»?s.
Lithâaaie, (f) LUtbouwen (n).
Lithcanieiii ne (m. & f.) Lii;büu-
wer.
Livonie^, ( f ) Lyfîand (n).
L.'vonien , ne (m. & f.) Lyfiander.
Livoarne , (f ) Livorno {n. Gr.Zee
en Handelploats in Lciiën),
Lombardie , ( f ) Lombardyen (n. L,
in Itaiièh).
Lo.iibard , de (m. & f.) Lombar-
dier,
.Londrea f (os) Londen of London (n.
;: IloofJfla U van iitt^chind , aan de
R. de Teems , eette der groot/ie fa
' P'olkrykfiü bandel plaatfsn ia Eu-
rop.3).
Lorraiue , ( f} Loibdrhge» (n). -
LOR. LOU. &c. XIX
Lorrain , ne \^ai, àc /.; Latb^n^.
ger,
Locivain , (m) Leuven {Gr.SiaJtmet
een Ho.^ge Scboji in Brabovt).
Madrid , -ySz) Mad id (n. fljifd St,
tK Sioeie»..
Majorque, f; ATi/fl-- ci [EU. en Stadt
i: d-> JYlJJel t.'Zes).
Maiabar , (mj Malabariè'n (n, L,
ia Az . ■ ■
Ml icca , f f ) MaLcca (L, in Az,).
M<ilaiâ ^L?s) , De Ma.cyers {volkin
riz.).
MaUi4Ê-8 , '( m ) Ms!cbe<en , (St. in
Brat.),
lyiiJto, (f) Malt ba {Ei l, in de Mid-
del). Z?e , soebebüorenie aan de
Rddef^ van Sint Jm).
M-. toia, ie (ra. & i.) Mihb'ezer^
M^ïichi , ( f ) 'j Kanaal (n. tuifcbea
-->aï>*'/, en lù*.gl.).
M"rsüie,rf) MaVfihëtt fn. Gr.
Klop en Z^e-St, m de Mtdj.ell.
Z„e'.
M 5? lei 11 ois, fe (m.&f.; Een Mar-
(i'-^aon,
Maftrrcht, (m)' Mja/iricbs {n. fier h
vefting ifi 'Je Néiet4.).
Mïyeuce (L'E eftorac de) 'i Kiür-
vàrj^iHd'tn Mfiott,
Mayèace , (f' Msr.t^ {d; BooffJ.
e» Ziivi d:S Kraru. aan -ien Rbyit},
M^aco, (mj Méaco (n. Gr, oV* in
Mecqae ,(£)Me£ea{Gr^fi.in A^ab.).
MéaiCï-rranéÈ , (fj De Middslhnd-
fcbe Zee of ft raat,
Mihün , (m) Meemn {n, St. i»
f l tand.).
M-af:^, (£) De Maat {Ri»,),
MvKiqua, (f) Mixicii (n. Gr. L. im
Ame:,).
Middeiboarg , (m'> Mid^ebur,^ 'n,
H}ofJ St. Man^ Z sland i'^ 't RiU
t^alcbsrea, is groot wsl bffbonwd
e^ ijer handel dryveti,
Mi'^an, (m) Miian (Ji. en L. iu
hal.).
M'.'anois. fe (n3. & f.) MPneezer,
Miianeg ;L^) 't M't>-i«ifc^>i'
M.aorque, (f) MuO'caif^iU ^« *
MtdJeli. Zie .
Miq-jeiets, \Le8} Naf''-i di& jmen
* * 2 «*^/»
ixxii SUR. SYR, TAM. &c.
Snri' ax'C , (f) Si*rn%aam i. eu vo,k-
plamhg '» jdner),
Syrie , ( f) Sjrièm (n. L. <a Tsr*.).
Tamife, (fj De Theems {K, ta
Eagl.).
Tanger, (m) Tj^g^fr (n.y?. ^« ^ar-
Tàrtarie , (f ^ Tartaryèi (n).
Tdoraa , {m, Taurut (Gebergte tm ^t.).
Tervére , (f) Terveer vS;. Ja
Tharingaer<f) Tburingen{L. its O.).
TiDr€ ^Le) De Tyfr^r (Gr. R. ia
lal.).
Tilbourg , (m) Tilbarg (G. ea fraai
vlek , til bol\andfcb Brab.),
Totol OU Tobolfca, Tobohko (n.
Hoofd/i» van Sibérien daar df
rvffifc'be Ballingen naar toe gebonden
wcr-Jsn).
Tofcane, (f) Tofkaanen ( L.
Ital.),
Tofcan , (m. &f.) Bçm Tofkajn.
Tcurnây , (m) Doormk ( n.
J/'laand.).
Tracülvanie, (f) Zevenbergen,
Tranfilvain, ne (tn. & f.) ^^t;^»-
Trèvea, Trier {Gr. fi» en Kearv.r-
JienJom),
Triiöe, (f) Tr/V^ (n.Ji. es zee b.
in Lal.).
Tripoli , ( •*) Trtpoli (Gr, fi* en
kiein Koniagr, in Afrika y eenRoof-
nefi).
Tripolitain , ne (m. & f.) Tripoli-
taan.
Tanis , (m) Tunis {Gr. Stadt en
k'ein Kmingr. in Jlfr. efn Ro'^fnefl).
Tanitien, ns <'m. & f.) Tunitiaan.
Turquie, (f) Turkten.
Toe, turcque (m. & f.) Turk snz.
Utrecht, (m) Utre(bt (Hoofdfi. en
éè» der 7 Holl. Prov. dl- S tait is
groot en aa-zienlyk ^ en btfft e ene
vermaarde B. School.)*
in
in
VAN. VAR. VAU. &c..
Vala^hie, [ f, h^aia^b e.i (..).
Va.aque , (ii». & f.) Walak
Vatdaies, ^Les) De wenden (zéker
oud ^olk).
Varfovie , ( f) Warfcbau (Gr. S.adt
in Poolen).
Vaudois, Les') De irsidenzen,
Vfccre. (Zte T^rvére;.
Ve^ife, (f) /^eȎiien (eene Stadff
Hertogdom en Republiek in Italien,
df Stadt is gebcutvd op meer Jan
70 BilcindjeSf zser groot , progt/g
en rykj.
Venetien , ne '"m. & f.> Venêtioan»
Verfailles , yerfaljes <pragttge Ltiji-
paati des Ko*ings van Frankryk),
Vibocrg, (m) Wyburg (fi. in Juu
land).
Vienne, (f) Vienne (fi.i^Vrankr.),
V-ieone, (f) JVeenen (Hoofdfi. in
Oofienryk de xét^l des R. Ketzers ,
^ zeer groot en fierk).
Virginie, (f) t^trginiën (L. in
.iivier.).
Viftule, (f) De Weixel (R. in Poo-
len).
Wefel . (m) ff^ézel {ft. aan den Ne^
dpr-kbyr>).
Weft^haiie , { f) Wejipbaalen (L. in
Daitfcbi ).
W*rft,,halien , ne (p) IV.fipbaaïer.
Weteraviei (f) De Weitercu (L,
»« D.)
Woïga , (Le) De ivolga (f. Gr. Riv,
in Rèjljnd).
Ypres, {To) Iperen{n.Gr,ft.inVf.),
Yflel , (n>) TJfei (Riv. in Hall.).
Zélande , ( f) Zeeland (n. eene- der
7 Verëenigde Provintiën , gelegen
aan de N. Zee y beroemd wegens
baar e Meekrappen).
Zélandois, fe ra. & ?.) P^en Zee-
- landt r of Zeeuw.
Zuiderzee , Een Zéê-boezem van de
N. Zee, by Amftetdam.
DICTION-
Pag. i
NOUVEAU
DICTIONNAIRE
FRANÇOIS ET HOLLANDOI&
A (m) A. (f) T>e eerfte Letter
• van bet A.B,Qt un bon A ,
éene goede A; il ne fait ni A , ni
tS, hy kent geen A voor een B^ hy
is een weetniet; il n'en à pas fait
une panfe d'A, by beeft 'er niets
aangedaan, (Spr. w.)
A. getskent met een (Accent gra-
ve * ) zwaar klankteken , is een Artikel
den Dativtts aanduidende , als : à
moi, aan myn-, à la Femme , aan
de f^rouw i à eux , 'aan hun i à qui
eft cette maifon ? wiens buis is dit?
à Monfieur A , van den Heer A', ^\
qui appartient ce livre ? wien hoort
dit boek toe? à moi, aan my.
A. is een Voor zet zei ( PrepoCttion)
als ."aller à Paris , naar Parys gaan}
demeorer à la Campagne , op het
Land woonen î il eft à l'Eglife , by
vi in de -Kerk ; à naidi , te middag ;
à minuit , te middernacht j à de-
tnain, regens morgen i à l'enfeigne
du lion rouge, tn 't iv apen van de
roode leeuw, à trois heures, ten
drie Uuren ; à trois jours de là >
drie dagen daar na , à vingt
lieues d'ici ^twintig mylen van hier-,
à deux doigts de la terre , t^vee
vwger breed van den^rondy à la fa-
veur de la nuit y onder begunjîiging
der nacbf, à ce prix là , tot die
prysi à raifon de fix pour cent ,
ttgens zes ten honderd.
irJet woQrd-lfgJje ( Particule ) A ,
word ook gebruikt in plaats vdn fieâ
f^oorzetzet avec, ppurj als mede oni
aan te wyzen waar toe iets gebrttikfi
word; ook bywoordelyk (Adverbiale—
leraent) om de manier ert hoedanig-*
held van iets aan te duiden j als ; bâ-
tir à Chaux & à Sable, met Kalk
eit Zand bouwen', travailler à 1 ai-
guille , met de naald werken ; ui»
pót à l'eau , een water-pot ; un mou-
lin à vent, een wind -molen; une
chailè à bras, een armjïoel; un©
boite à fuiïl « een tinteldoos 5 ua
tonneau à vin, een fFyn-vati di»
bois à brûler s brandhout', du drap
à fond d'or j laken met «en goude
grond i un carofle à fix chevaux *
een koets met zes paerden', c'eft ua
homme à carofle , het is een matt
die een koets /)Ottcf; travailler à Is
chandelle by de kaars werken i
peindre à l'huile ou « huile, met
oîy -verf Schilderen', on le fit déchi-
rer à des lions , men deed bgm
door leeuwen verfcheüren ; avoir une
un ducat à trois a een ducaat met
zig drién hebben ; deux à deux , twe&
aan twee; apprendre unö chofe al
fond , iets in de grcnd If eren; ap-^'
prendre à lire , leeren ieezen; c'efl
à vous à jouer, het is uw heurt en*
te fpeelen j à bon marohé , goecf
koop; à genoux, knielende; vêtu à
la mode françoife, gekleed na de
franfike mode;k l'épreuve du mous-
& ABA. I
qaet , heftafid ^-oor een fnaphaan-
fchoot'f un maître à danfer , een
dans - meejïer ; un homme à tout
faire , (PH man tot alles bekwaam ',
neaf à dix raille, omtrem negen of
tien duizend', à tort , ten onrechte ,
à rebours , verkeerd ; à la hâte ,
metter haajl, in der yl *, à l'étour-
die, cttbezonnen'f à mefureqoe, na
maatea dat', à grand' peine, ^Tiet
groote moeite -, pied à pied , i'oet
voor voet ; à merveille , ivonderlyk
tvet, à cela près, op dat na', à di-
re le vrni,o«z de^vaarhetd t:^ zeggen.
A. zonder toonteeken is de derde
perfoon , des tegenwoordigen tyds , van
de ' aantoonende VL'yzs des behutpzaa-
Kien iverhvoords > avoir , hebben ', als :
il a, by heeft.
Hier toe behoord het onperfoanlyk
nverkivoord, il y a> daar is f daar
:zyn', il y avoit, il y eut ,daar
ivas f daar waren j enz. Combien y
a t-ü, hoe lang is het geleden^', il y
a dix ans, tien jaaren-, combien de
lieues y a t-il d'ici à^ Paris ? koe
ver is Pat y s van hier^ il y a près
de cent lieoës , hyna honderd mylen.
Abaifle ^ (f}De cmderjie korji van
wen 'pajlei , of taart,
AbtifTé, ée (adj.) Ne êr gelaat en ,
verootmoedigd , vernederd,
Abai£"5ment , (m) Vernedering y
verootmoediging ? ( f) abailTemcnt de
courage , moedeloosheid.
AbaiiTer , ( v. a. ) Neêrlaaten , laa-
ger maaken , verootmoedigen ; abais-
fer un pont levis » eetie brug neer-
iaate» ; sibaiiTer une muraille de
deux piéz , een muur twee voet taa-
ger maaken; Dieu abaifle les or-
gueilleux, God vernederd dt Hoog-
moedigen; s'abaiffer » (v< r.) Zig
vernederen , laager worden ; l'eau
s'abaiiTe , het vjater valt; Ie vent
s'abaifle , de wind bedaard , gaat
ieggen.
AbaifTeur, (m) Spier daar bet
QÇg mede gejloofea word,
AbaloHrdir > ( zie Abafourdir ).
Abandon, (ra) i^erlaating; (f)
1'abandon des biens du monde >
de verlaating der waereldfcbe goede-
ren ; à l'abiijidon^ in 't wild f tsü
ABA.
prooi; laiffer fes enfans à l'aban-
don, zyne kinderen in 't wild laaten
loopen.
Abandonné , ée ( adj. ) Verlacten ;
abandonné des médecins, vc» de
geneesbeeren opgegeven.
Abandonné", (m) Een'cngebon^
den- ) overgegeven , ondeugend menfch.
Abandonnée ,( f) Straat-hoer , .-ii-
lemans-hoer.
Abandonnement , ^m) -Verlac'
ting ; orgebondenbeid ( f).
Abandonner , (v. a.) Verlaatcn ^
opgeeven, overïaaten; n'abandonnez
pas les étriers , {Spr. w.) laat u
belang niet vaarm', s'abandonner,
(v. r. ) à fes paflions, zyne driften y
harts-tochten opvolgen ;s'at5andonner
aa defcifpoir , z;g aüti de wanhoop
overgùven.
Abaque, (m) Het dekjiitk van het
kapitpfl eener zuil; reekentaf At je der
Ouden ( n ).
Abafourdir ,( v, s. ) Eahorig maa-
ken {beter Etourdir).
- Abâtardir, (v. a.) Doer, ontaar-
den , bederven -, s'abâtardir , ( V. r. )
ontaarden , bederven.
Abàtardiflement , (m) Verder-
ving; abàtardiflement des mœurs,
verbafiering der zgedm ( deze 3 woor^
den verouderen).
Abat-faim , (m) Eeri groot Jiufi
Vieefch ( n ).
Abat- jour , (m) Val -licht, koB'
koek 9 Kelder-vengjler (n).
Abattage, (m) Hakloon; het neir"
vellen van Èoomen ( n ).
Abattant, (m) Een ilind , luik,
neêrjlaand Ven ^ fier ( n).
Abattée , ( f ) De windvatting vaa
een Scbtp.
Abattement , (ta)VerJlaagetitheidy
moedeloosheid, matheid; neérwerping
(f) cette nouvelle le mît dans l'a-
battement , dfe tyding floeg hem
gantfch ter neêr.
Abatteur , ( m ') Iemand die neêr-
werpt , ter neêr maakt , omver-bakt ;
grand abatteur de bois, ^roo;^ ke'
gel werper ; zwetzer , opfnyder.
Abattis, (m) Een boop neerge-
velde dingen ,puip/fQOp; afvol "van ge*
flacbtf teeflin^
Abattre ,
ABA. ABB. ABC.
Abattre , ( v. a. & n. ) Neérwer-
pen , neérvellen , omverhahken , af-
jflauKy verzwakken; Ja pluie abat ie
vent , de regen doed de^wind leggen ;
abattre de la vraie route, de'rech-
fv Jh-eck niet houden ; Ie vaifTeaa
abat, het fchip dryfi af; abattre
un raifîeau , een öcbip doen bel
len , om te kielhaa'en; petite pluïe
abat grand vent , een kleine re-
gen flild een grooie wind , ef een
goed woord vtnd efn goede plaats ;
(^pr. w.) abattre le cuir d'un
Bœuf, een Os de buid af haaien ; a-
baltre le caquet , de moud [noereu;
abattre les rideaux , de Gordynen
laaten vallen ; abattre bien du bois ,
ve,l zaaken afdoen , vrcl Kegels wer-
pen, {Spr. w.) s'abattre, (v. r. )
Neervallen , bezzi-yken ; la chaleur
S*a.ba.t f de hit 'e vermitiderd -fion che-
val s'ell abattu fous lui , zyn paerd
is cnder hem ter necrgeflcri ; l'oifeau
s'abat , de vogel fïr'ykî ; il ne s'a-
bat peint dans le mal heur, /jy îaat
in ramp-fpoed den moed met zinken;
le navire s'abat, het fchip word an-
kerloos , valt af.
Abattu , ue (adj.) Qmgehouwen ,
neergeworpen , gejîecht ; verootmoe-
digt , neêi'Jlacbtig.
Abattures, (f. pi.) Struiken die
het Hert ter ne ér treed.
Abat-vent , (m ) fVindfcherm]{n)
tnat om de gewaffen voor fcherpewm-
den te dekken; (f) afdak in Je galm -
gaaten van een klokken- tooren.
Abbatial, aie (adj.) Het Peen tot
Gen Abt of den Abdye behoord {Lees
Jibhacial).
Abbaye , ( m ) Een Abdye.
Abbé, (m) Een Abt; Ie moine j
répond comme 1'abbé chante, ge-\
lyk de ouden zingen zoo piepen de jan-
gen; (Spr.w.) on vous attendra
comme les moines 1'abbé, men zat
al eetende naar u ivagtrn-
AbbelTe , f f) Een Âbdiffe,
ABC , ( m ) Een ABC, of Alpha-
bet, een ABC. hoek; (n) renvoyer,
quelcun à l'a, b, c, iemand voor]
een weetniet houden. Î
Ahcès , ( m] Een ^wefr C f) Effgr-
! ABD.ABE. ABH. ABI. 3
Abdicatie II , f. AJjiand (m>
neerlegging , verlaat ing.
Abdiqué, éc (a-Jj.) Neergelegd ^
afgeflaan.
Abdiquer , (v. a. ) Neerleggen.^
zlg ontjlaan ; ce Prince fut on-
traint d'abdiquer le Royaume, rf>>
l^orfl wierd genoodzaakt bet Ryk af
te leggen.
Abdomen, (m) (Lat. w.) DeTi^
onderbuik.
Abdufteur, (m) Spier daar een.
lid mede gedraaid word.
Abécédaire , ( ra; Een A. B. C."
Schoolier.
Abécher ou Abequer , (v. a.)
^azen.
A bée » ( f ) Schilt waar door het iva"
fer op het molen rad loopt (n)*
Abeille, (f) Honingbye,
Abequer , ( v. a. ) Een f^ogel aa^
Zen , voeden.
Aberration , f f) Afwyking (itz
S t er r enk. ).
Abêti, ie (ad). Dom gemaakt.
Abêtir, (v. a. ) Beejiachtig , dom
maaken; s'abêtir, (v. r ) Beefiacb"
tig dom voordien,
Ab hoc & ab hac , {Lat. w.) Zon-^
der onderfcheid.
Abhorré ,ée { adj. ) l^eraffchutvwd^
Abhorrer, (v. a.) Affchuuw heb-
ten; abhorrer le vice ,van ondeugcf
een afkeer he hen ; s'abhorrer foi
même, zig zelfs ver foei jen.
Abigeat , (m) f^ee-dtevery ^ (£)
( in rechten).
Abjeft , te , (adj.) Gering , rer-
acht-elyk; metier abjeél , ver acht e lyk.
ambacht ; être d'une naifTance bas-
fe & abjefte , van geringe geboorte
zyn; fentimens bas & d\i]e(ks,laage
gevoelens. ( Lees abjét )
Abjefltion, (f> t^ernedering , ver^
afhtelyke Jïaat ; vivre dans la der-
nière abjedion, in de grootJJe ver-
achting leeven.
Abime, (n) z/^ Abyme.
Ab-inteftat, Héritier ab-inteftat,
natuur lyke erfgenaam.
Abjuration, (f) Ajzweering,ver^
zaak ing.
Abjuré, ée (adj») Fenaakt, af.
gcZwQoren^
A 2 Ak-
4 ABÏ. ABL. ABN. ABO-
Abjurer , (v. ü.)JJzv;eeren,jer-
Uocbenen, verzaaken-, elle a abjuré
tout fentiment de pudeur & ver-
tu , zy beeft aile gevoel vanfcbaam-
H en deugd verzaakt.
Ablatif, {m) De TVegneemer.of
zesde naamval der dechnatie , ofbut-
''Ible ou Ablette, (m) ^itvifth,
Ableret, (m) ^ruitnet (n) om
kleine J^ifcb te vangen.
Abloc, (m) Grondjleen) voet on-
der ee% Gebouw»
Abluer,(v. a.) Laver une an-
eienne écriture, pour la faire re-
vivre , een gefchrift u/ajfcben.
Ablution , ( f ) JVaffchin^ , remt-
tint, (in de R. Kerk gebruikt).
Abnégation , ( f) rerloocbenwg,
tverzaaktngi abnégation de Toi mê-
me , zelfi verloocbenifigvanzynelu[îcn.
Aboi, Cm) Geblaf, gebas van een
kond» ^
Aboiement, (.m) Blaffing,
Aboier , (v. a,) Zie Aboyer. •
Abois ,(m. pi.) Zieltooging ,laat/te
ademtocht i({) être aux abois, ziV/-
foogen , in doods benaauwdhetd zyn ;
mettre fes ennemis aux abois ,2y«^
vymiden in de uiterp verlegenheid
krengen»
Aboli, ie (adj.) Vernietigdi af-
gefchaft.
Abolir, (v. a.) Femtetigen^ ver-
feeven; le tems a aboli plufieurs
ouvrage* des anciens , de tyd heeft
9eelé werken der ouden doen verkoren
gaan f abolir une loi» une coutu-
me , eene %et y eene gewoonte af-
fcbaffen. ^_ , ^
AboliOement', (no) Jffchaff.ng,
vernietiging^ (f)
Abolition , ( f ) Vernietiging , ver-
griffenis ^ kwytffheldtng ; demander
l'abolition d'un impôt, de affchaf-
fng van eene belajling eijfcben; il a
«û l'abolition de fon crime» zyn
misdaad is bem vergeeveu.
Abominable, (adj,) Gruwelyk.
Abominablement , ( adj .) Op eene
gruwelyke wyze.
Abomination > (f) Gruwel, af-
Jéhuivelykbtid,
ABO.
Abominer , (v. a.) Verfieijfl
(oud, w)
Abondamment, (adj.) Overvloi*
diglyk.
Abondance , ( f ) Overvloed , ( m ).'
Abondant, ante, (adj.) Over»
vloedig', d'abondant, (adv.) Daar
en bêven (in rechten).
Abonder, (v. n.) în overvloed
zyn-, abonder en fon fens, ixiaau^
"^yfi eigenwys zyn.
Abonné , ée (adj.) Vcrdraagea,
m verdrag getreeden.
Abonnement , (m) Verdrag^ ac^
eoord, (n).
Abonner , ( v. n. ) Verpachten , een
verdrag aangaan j s'abonner , (v. r.)
s'abonner avec un Chapelier, Cor-
donnier, &c. met een Hoeden-ma'
ker. Schoenmaker enz, een verdrag aan-
gaan , boe veel Hoeden , Schoenen bin*
»en zekeren tyd te leveren.
Abonni, ie (adj.) Verbeterd ^be*
ter geworden.
Abonnir, ( v. a. ) Verbeteren y ten
halven laat en droogen (by Pottebak-
kers)', s'abonnir, (v. r. ) beter y
deugdzaamer wtrden i}e vin s'abon-
nir par Ie temps , de wyn word
metter tyd beeter.)
Abord 5 (m) Jankomfî , toegang,
ff) voorkomen y à notre abord nous
fûmes attaquez, by onze aankomjl
wierden wy aangevallen; avoir l'a-
bord galant, een vriendelyk voorko-
men hebben; il a l'abord difficile ,
by is niet gemakkelyk tefpreeken,
d'Abord , (adv.) Terflond, în den
eerjîen aanvang ; d'abord que , zot
ras aïs ; tout d'abord , terjîovd.
Abordable , (adj.) Toegankelyk , ge-
naakbaar.
Abordage » ( m ) ^anklamping ,
entering , overzeiling , ( f )
Abordé, ée (adj.) Aangeland,
Aborder, (v-a.) Aanlanden ,aan'
koomen ; tot iemand naâiren ; abor-
der un VaifTeau , een Schip aan-
klampen ; over ze il en.
Abornement , ( ra ) Grens - bepa-^
ling (f).
Aborner , (v. a.) Bepaalen , grens-
paaien zetten.
Abortif , ive (adj.) Qt}tydig,ftKx\t
abQT'
ABO. ABR.
ftbörtif , onvotwajjen vrucht j enfant
abortif , ktnJ dat voor de tyd geboo-
ren word.
Abouchement » {m) Mondeling
gefprek, vereeniging ^fzaamenkowien,
in-
Aboucher, (v. a.) Iemand met een
ander in gefprek doen koomen; s'abou-
cher , met iemand mondgefprek hou-
den,
Abonquement , (m) Byvoeging van
nieuw op oud zout (f).
Abouquer , (v. a.) Nieuw zout op
be9 0ude leggen,
About , (m) Stop/luk aan 't einde
vati een boei-plank of huid van een Schip,
Aboaté , (adj.) Word gezegd in
Wapenk. van vier Hermelyn vellen ,
die kruiswyze op eikanderen leggen.
Aboutir , (v. a.) ^anpaalen , met
ten kant of fpits ergens aanraaken ,
aangrenzen ^ uitlaopen ; tout cela n'a-
bdutit qu'a me faire du mal, dit
Jîrekt nergens toe dan om my kwaad
f e- doen ; aboutir en pointe , fpits
toeloopen ; je ne fki ou aboutira
tout ceci , ik weet niet waar dit ol-
ies op uithoornen zal,
Aboutiflant , ante (ad]') aangren-
zende.
Aboutiflant, (m) Grenspaal-, fa-
voir les tenants & les aboutiflants
d'one affaire 4 alles wat aan een
zaak vajl is w'eeten.
AboutiflTement , (m) aangezet jiuky
ff lap; rypwordtng van een zweer.
Aboyant , ante (adj.) Blaffende.
Aboyer, (V. n.) Blaffen^ baffen,
keffen, lajleren , fchelden ; aboyer a-
prèfi quelque chofe, ergens vieng-
lyk naar verlangen; aboyer à la lu-
ne , tegens de maan blaffen (Spr. w.)
van iemand fpreeken die men niet fcba-
den kan , te vergeefs iets bejiaan,
Aboyeur, (m) Blaffer.
Abrégé, ée (adj.) f^erkort.
Abrégé , (m) Kort begrip , uittrek-
fel,(n) en abrégé , (adv.) in 't' kort.
Abrègement , (m) l^erkorting , ( f)
Abréger , (v. z.)Verknrten , inkrim-
pen; cette traverfe abrège le che-
min , die dwarsweg fnyd af; la de-
"bauche abrège les jours, de «ver-
ef(iad verkgrt bet kevt»%
ABR. ABS. s
Abréviateur, (m) yerkorter vcm
een Boek.
Abréviation , ( f) Letter^rtlaei'^
ting i verkorttng; écrire par abré-
Tiation , met verkorting fchryven,
Abréviature, (f) Verkorting.
Abreivé, ée (adj.) Gedrenkt, be^
vogtigd; tout le monde en eft a-
brenvé , een ydtr is 'er van onderricht.
Abreuver , (y. a.) naar de drinkt
plaats leiden, wateren', bevochtigen %
doortrekken ; bekend maaken , verwit-
tigen; grond verwen; abreuver la
terre, de aarde bevochtigen; ii en
abreuvera tout le monde, hy zat
het door de gantfche waereld rugtbaar
maaken; abreuver fon efprit des
fciences, zyn geeji met wetenfchap^
pen vervullen.
Abreuvoir, (m) Drinkplaats voor
Be effen.
Abri, (m) Schuilplaats, (f) zon*-
nefcherm , ( n ) opperwal , veilige
ree , ( f) être à l'abri , onder buts-
dak zyn; à l'abri des infultes, be-
dekt voor aanval , overlafi ; un hom-
me fans abri, c'efl un oîfeau fans
nid, een menfcb zonder fchuilptaats ^
is een vogel zonder neji , (Spr. w.)
Abricot, (m) Âbricoos , (f).
Abricotier, (m) Abricoos-boom.
Abrier,(v.a.)/^or regen of wind
bedekken , (by tuinl.)
Abrité , óe (adj.) Bedekt , (va*
vruchten gezegt).
Abrivent , (m) Windfcherm , (n).
Abrogation , ( f) Jffchaffing van
een wet of gewoonte.
Abrogé, ée (adj.) Af gefch aft, ver-
nietigd.
Abroger, (v. a.) Jffchaffpn,ver^'
nietige» , abroger un édit, een ge-
bod affchajfen.
Abrotone, (f) Averoue, (zeker
kruid).
Abruti, ie (^dj.) B eeft acht i g ge-
maakt.
Abrutir , (v a.) iemand beefach-
tig maaken; Ie vin l'a abruti, de
wyn heeft hem van zyn verjiand be-
roofd ; s'abrutir, (v. r.) onvernuftig»
dom worden.
Abrntiffement , (na) Gr90te dom-
heid ^ heejiagtigbeicft
A 3 Abfeft"
6 ABS.
Abfence, (f) . jueezigheid, ver-
iviUering y verjirojijing der zinnen y
of gedachten.
Abfem , ente ( adj.) Jfweizigj les
able'.cfont toujours tort, d'fii/uvi?-
Zf£e krygen altoos de fcbuld , (6fr. iv.)
s'Able liter, (v. r.) ^'chttrtlyven,
ergens van daan blyven; il fut obli-
gé «le s'abfenter de ia ville , hy
wierd genoodzaakt de jïad te rmmen.
Abüiiche, (f, Alzem-kruidy ( n )
vin d'abfinthe , alzem ivyu j il
adoucit toutes nos abfmthes , hy
verzacht , ah onze droefheid y ver-
driet , ongenoegen.
Abfolu , uë (adj.) OnafhangeÏyk;
commander d'un ton abfolu » met
macht gebieden; un Roi ablolu , een
onafhangelyk Koning.
Abfoiument , (adv.) Onafhange-
lyk y voljirektelyk i cela eft ablolu-
luent neceflaire , dat is ten ^enen-
maal noodfaakelyk,
Abfolution , (f) Fryfpraak , ver-
gijfenis van Zonden {in de R. Kerk
gebr. )
Abfolutoire , (adj.) Sentence
abfolacoire 9 vryfpreekend 'vcnnis.
Abforbé , ée (adj.) Opgepkt ,
verflonden.
Abforber, (v, a.) Opjïokken , op-
fiurpen; fes débauches ablarbent
tout fon bien, zyne brajjeryen -ver-
fAnden al zyn goed', la mer abfor-
bé Jes rivières, dg zee furpt de
rivier tn in.
Abfoudre, (v. a.) rryfpreeken -,
or.tjlaan.
Abfous , Abfoute, (adj.) Vry-
gefprooh'n > onfc huldig- "vry - ver-
klaard.
Abfoute , (f) Vry-verkïaaringvan
Sponden.
Abllérae , (ra) Een die geen wyn
drinkt.
S'Abftenir, (v. r.) Zig fpeentn y
orthouden , rj^n eeten en dnnhen
ivachtm; zig hoeden -, s'abftenir de
juger , zyn oordeel opfchorten.
Abilergent, ente (adj.) Zuive-
ret:d y reinigend.
Abltergent , (m) Zuiver etid middel.
(n)
Abfterger, (v. a.) Zuiveren ^ rei-
nigen, (in tleel-k.)
ABS. ABU. ABY.
Abireriif, ive (adj.) ..fvpegend,
Abilerûon , ' f j Zuivering. .
Abftinence ■> ( f ) Onthouding , maa"
tigheid in eeten of drir.ken.
Abllinent, ente ijsià\.) Maatig i»
fpys en drank.
Abftraftion , (f ) ^fi rekking , of-
zondering '■jan de g-- dachten.
Abftraire , (v. a.) aftrekken , af-
zonderen,
Aiiflrait, aite (adj.) afgetrokken,
afgezonderd , overnatuurkundig ; pen-
fées abftraices , diepzinnige gedach',
ten. -
Abflrus , ufe (adj.) Verhor getf^
duifier y diepzinnig.
Abfurde, (adj.) Ongerymd y be-
lachclyk.
Abfurdement , (adv.) Ongerymd'
lyk.
Abfurdïté, (f) Ongerymdheid.
Abfynche , (f) Zie Aijfinthe.
Abt;s, (m) Misbruik, (n) misjlag
(f) misverfïandy bedrog; (n) c'eft
un abus de labourer une terre fé-
che, htt is vruchteloos een dorre
grond te behouwen.
Abafé, ée (adj.) Misbruikt ; be-
droo^en.
Abu fer, (v, a.) Verleiden y bedrie-
gen; Abufer, en ufer mai , (v. n.)
Misbruiken , misduiden ; abufer de
fon pouvoir, zyn magt m.sbruiken',
s'abufer , (v. r.) ztg vergijfen , mis-
reekencn ; fi je ne n'abufe y indien ■
ik tny niet en bednege.
Abufeur , (ta) Verleider y bedrieger.
AbuCf, ive (adj.) Oneigentlyk y
valfch; terme abufif , verkeerde uit'
d ukking.
Abalivement, (sidv,) Misleidend ^
valjcbelyk.
Abu ter , (v. n.) Werpen , flaan ,
ivie bet eerfie fpeclen zal.
Abyme, (m) jifgrcnd y Helle; (f)
'/ midden vaneen fchild {in wapen-k.);
(n) être précipité du faîte de la^
gloire dans l'abyme do néant »
van een verheven fi aat plot zeling neé -
gtjîooten voorden; être abiœé de det-
tes , tot de oor en t9e in fcbulden
zitteti.
Abynaé, ée (adj.) Vergaan, wr-
Aby-
ABY. ACA. ACC.
Abymer , ( v. a. & n.) In 't ver^
é erf floot en -j verdelgen \ s'abymer ,
{y. r.) vergaan , zig ergens diep in be-
geven.
Acabit , (m) GoeJe of hvaade eî-
genfcbap cener 'ivucht ^ {£),
Académickn , (m) Lid van de
academie.
Académie, (f) Hosge fchooï , ry
fcbool; fcherm-fchool ; plaats ahvaar
gemecnclyk geJpeelJ zvorJ; 'genood'
(chap der geleerden.
Académique , (adj.) Academijchn
Académi<iuement, (adv.) wlcade-
tnifch.
Académille , ( m ) Een die op de
ry'fchool gaat.
Acanthe , ( f) Beerenklaauw , (ze-
ker kruid.)
Acariâtre , (adj.) S tyf koppig ,
hoofdig.
Acaufe , (prep.) Ter oorzaake', à
caufe que , om dat.
Accablant, ante (adj.) Droevig-,
moeielyk.
Accablé , ée (adj.) Overladen yover-
Jielpt ; accablé de triftefTe f van
droefheid overladen.
Accablement , (m) f^erdriet ; har:-
Zeer, (n) verdrukking, overlaading., (f).
Accabler , ( v. a. ) Overtaaden ,
overflelpen , verdrukken , bedrlven-,
être accablé de trldefTe , van droef-
heid overflelpt zyn; être acchblé de
faveurs , met gmijlen «verlaaden zyn ;
s'accabler d'affaires j zig met zaa-
ken overtaaden.
S'Accagnarder > (V, n,) Een vad-
zig , ondeugend leven leiden , flempem-
pen (gem..w.).
Accaparement, (m) Het opkoopen
en brengen van ivaaren van de e ene
markt naar de andere , om ze met
meer voordeel aldaar te verkoopm.
Accaparer, (v. a.) IVaaren vein
d» eene markt naar de andere bren-
gen , door vuile winzucht.
Accaremcnt, (m) Het hooren van
getuigen tegen e^nen befcbuldigd^n ,
(inrechten) (n).
Accarer , (v, a.) Getuigen tegen
eenenbefchuldigden booren , {inrecbten).
Accaftiliage, (m) Bak en fcha-.^s
'aan een fcbip.
ACC. 7
Accaaillé , ée (adj.) VaifTeau ac-
ctftillé , Sehip dat mef Jcbans en bak
ii voorzien.
Accéder, (v. n.) Tot eene vethn'
tcnis toetreeden , daar in deel neemen,
Accéleratif, ive(adj.) ^irbat/-
teiid.
Accélération , ( f) l^erhaafiing.
Accélérer , (v. z.) Eene zaak
voortdryven , voortzetten , verhaafïen,
Accen:, (ra) Toon -reken. Geluid'
teeken f (n) accent aigu , grave >
circonflexe, een fcherp , zwaar ,
omgeboogen geluid- teken y avoir bon
ou mauvais accent , goede of kivaa-
de uitfpraak hebben ; poufier de fu-
nèbres accens , rou-jü - geluid aatt~
heffen.
Accentuer, (v# a.) Het toon' te-
ken Jleilen.
Acceptable , (adj.) Aanneemelyk.
Acceptant , aute ( m & f ) u^att-
neerner , aanncemjîer.
Acceptation , ( f ) Aanneeming.
Accepté, ée (adj.) .Aangenomen.
Accepter , (v. a.) Aanneemen , ont-
fangen ; j'accepte les conditions
que vous me propofez , ik neem die
voorwaarden > die *gy my voorjlcld ,
aan.
Acceptear, (m) Aanneeiner ; il
aime mieux être l'accepteur que
le donneur, hy ii liever de aannee-
mer ah geever.
Acceptilation , ( î)Kwytfcbelding,
(in recbten).
Acception , ( f ) Aanrieemir.g ;aah-
zien ', fana acception ds Pérlbnnes,
zonder aanzien van Perfoonen , ce
mot a pluüeurs acceptions , dit
iL-aord heeft verfchiide beteekeniffen.
Accès , (m) Toegang , a.mval, aan^
komfl; (f) cliateau de difficile ac-
cès, plaats van een moeijelyke toe-
gang; accès de fièvre , aanvat van
'koorts; accès de folie, gekke hui.
Acceffible , (adj.) Genaakbaaf,
toegangelyk ; cette plac« n 'efl pas
accefljble , die plaats is niet te ge-
naakeo \ homme qui eil acc»fiîbie ,
een man die vriendelyk is .
Acceffion, (f) AcceflSan au trô-
ne , icwM/? tot dm throoM,
Acceffoirc ? ( ni 3c idj.) Aati-
A 4 *«'*'f •
$ ACC. I
tang fel f fftêift,gevoigi(n) mfiM- !
digheid, ( f) ce n'en ell qu'un ac-
ceffoire, dit is 'er maar een aan-
iangfel van ', la chofe n'eft qu'ac-
ceflbire , de zaak is maar byvoeglyk.
Accident , (m) Toeval , ongeluk ,
(n) ramp', (f) par accident, by
geval.
Accidentel , elle^adj.) Toevallig.
Accidentellement ? ( adv. ) Toe-
wal lig! y k , by geval.
Accife, (f) Belqfling op deWyn,
Bt^ryenz. frauder 1'accife , /woi-
keleft.
Acclamation , (f) ToejuiefMng.
Acclamper , (v. a. ) AcTclamper
un mât , een majl met wangen vajier
rnaaken.
Accointa nee , ( f X Omgang , ver-
kiezing y (oud U').
s'Accointer, (v. r.) Met iemand
Z'riendfchap maaken , {oud w.)
Accoifement , (m) Stillii^g ,
(oud w.)
Accoifer , (v. a,) Stillen y ver-
-zacht en y {oud w.)
AccöUade, (f) Omhelzen -^ don-
ner 1'accollade , Ridder paan -, ac-
collade, txvee Konynen aan 't fpit
gebonden.
Accollé , ée (adj.) Met een hals-
band voorzien y (in ÏVapen k.)
AccoUer , (v. a.) Omhelzen y om-
armen ; tivee Konynen aan 't fpit bin-
der., om te braad n ; accbller la
feotte à qaelcun , iemand zeer onder-
danig groeten , {Spr. vo.)
Accoilure , ( f) Een Stroo-band ,
(m).
Accoromodable, (adj.) Infchikke-
lyky dat by te leggen ts; cette affai-
re eft acconuTiodable , die zaak is
te vereffenen.
Accommodage , (m) Het gereed
tnaaken van fpys ; het opmaake» van
fen Parutk , (n).
Accoiïimoüanc, ante (adj.) Ge-
rief.yk y toegeevendy c'eft un efprît
accommodant j het is een infchikke-
lyk menfch.
Accommodation , ( f) Verdrag y
'i'prgelyky (nj.
Accorarnoaé, ée {^(\}^} Opgetooid ^
ACC.
Accommodement, (m) Gemak,
gerief y (n) verbetering , bevrediging ,
(f) verdrag y (n) il eft homme
d'acconiHiodemeiiL, by is een man
die ligt te verzoenen is ; trouver un
accommodement , een middel tot
verdrag vinden; Ie meilleur procès
ne vaut pas le plus mauvais ac-
commodement , een maager verdrag
ts beeter als een vet procès y {Spr. w.)
Accommoder , (v. a.) Opcieren-,
dienjlîg zyn; behaageni overeen bren-
gen, jchikken bevreedigen; mishande-
len y afrojfen ; accommoder un mai-
fon y een huis opcieren ; cet hérita-
ge m'accomnoode fort , die erffenis
komt my heel wel; accommoder un
different, een gefehil by leggen; il
ne l'a pas mal accommodé , hy beeft
hem ivakker afgerojl ; pouvea vous
m'accommoder de cela , kond gy
my daar mede gerieven ; s'accom-
moder , (v. r. ) zig opfchikken ; zyn
gemak neemen ; zig bevreedigen ; s'ac-
comm.der au teras , zig naar de
tyd fchikken; je ne m'accommode
point de cette maniere de vivre,
dte levens -wys JJaat my niet aan.
Accompagnateur, (ta) Een die
de generale bas fpeeîdy {in muftcq.)
Accompagné , ée (adj.) Vergezeld,
Accompagnement , (m) Verzel-
ling y Stoet y { £) aile de pronkjlukken
aan een Wapen-fchild.
Accompagner, (f. a.) Verzeilen;
de algemeene Bas fpeelen ; {in muftcq.)
la vieillefTe eft sccompagnée de
beaucoup d'infirmités, de ouderdom
is vceleU zwaki^eden onderworpen.
Accompli , ie (adj.) Volmaakt,
voleindigd, voltrokken , vervuld ; Prin-
ce accompli , volmaakt Vorjl.
Accomplir , (v. a.) Volbrengen ,
volvoeren y voltrekken ; accomplir fes
promefles, zyne beloften naarkomen.
Accompli iFement , (m) Vcltooi-
jingy voltrekking y vervulling y (f).
Accon , (m) Zeker fcbuit met een
platte bodem , ( f )
Accoquinan£,ante (adj.) Vie ac-
cocuinante, vadfige levens-wyze.
Accoquiner , (v. a.) Iemand er-
gens aan gevuenneny vadjig en ondeu.-^
"rend mciak^n-f s'accoqainer, (v. r.)
s'ac-
ACC.
al*accoquin«r au jeu , heet of bet
fpeelen worden.
Accord , ( m ) Qvereevjiemming \,
toejlemming , beivflliging , (f) ver-
drag, (n) j'en fuis i. 'accord avec
lui , tk ben het met bem eens; met-
tre d'adcord, te vreede flellen; je
fuis de cous bons accords , i* ben
gereed te doen al xvat de andere w/7-
/f«; accord de voix, d'inftrumens ,
isel-îuidendheid indejiem offpeehui-
geny tout d'un accord, eenpaarig-
tyk; d'accord, ik heb 'er niets tegen.
Accordable , (adj .) Uat ergens aan
poj^; vergunbaar, toejiaanbaar .
Accordailles , (t. pi. ) Hwwelyk-
fcheVoorzvaarden , (è^r^r Fiançailles)
Accordant, ante (adj.) Iwwtlh-
gendj overeenjlemmend.
Accorde , Bevel 't geen men aan
de roeijers geeft om gelyiaan teroeijen.
Accoraé, ée (adj.) Toegejiaan;
lerloofd; bevredigd.
Accordé, ée (m & f) Verloofde
bruidegom , brutd.
Accorder, (v. a.) Verkenen, toe-
Jlemmen î hevreedigen ; vereenigen ;
accorder une fiUe en matiage à
quelcun , een dochter aan iemaitd
ten huwelyk geeven ; accorder un
inftruinent , eenffeeltuig flellen ; ac-
corder , gdyk aanroeiien -, ( zee-v/. )
s'accorder , (v. r.) malkanderen ver-
fJaan ; ils accordent comiae chiens
& chaLS , zy leeven als katten en
honden-, kunnen malkanderen niet ver-
ffaan , (fpr. 'uf.)
1, Accordoir , (m) Steïhamertjef voor
een orgel of clavecirr.bel^
Accords, (f. pl.j Scboorea , Jiut-
ten, (zee-vü.)
Accorer , ( v. a. ) Qnderfïuttea ,
f c boor er, , (zee-v;.)
Accornéjée (adj.) Geboorud, {in
JVapen-k.)
Ace o re , te (adj.) Vriendelyk ,
beufch , beleefd j behendig , (ottd iv.)
Accorteméut , (aëv.) Beleefdelyk ,
{oud iv.)
Accortife , ( f) Heufchheïd, beleefd-
heid, (çucî w.)
Accöit-^bie , (adj.) Vricndelyk,
fpraakzaam.
Accoüf ; ée (adj.) genaderd.
ACC. 9
Accofter , (v. a.) Tot iemand na-
deren om hem te fpreeken ; aanlan-
den , (gem. w.) 8'acoofter, (v. r. )
saccolter de quelcun , zig by ie-
tnand vervoegen , met iemand gemeen-
fcbap maaken.
Accotar, (m) Schan-dek ,pot-dek ^
{zee w.)
Accote-pot, (m) Een pot-dekzel.
Accotter, (v. a.) ou s'accotter,
(▼. r.) Steunen, leunen , flutten.
Accottoir , (m) Steun , flut ,fchoor.
Accouchée , ( f ) Kraam-vrowu/ .
Accouchement , (ra) Kraam-btvjl-
Ung,{£)
Accoucher , (v. n. & a.) /« dt
kraam koomen;een vrouzv tn het krn^
derbaaren helpen.
Accoucheur , (m) Vroedmeefîer,
Accoucheufe , ( f) Vroedvrouiv,
Accouder , (v. n.) Met de elleboog
Ofiderfîennen ; S'accouder 9 (v. r.) op
de eUeboogen leunen.
Accoudoir, (ra) Steunzel ,{n) leun;
fchoorbalk , {in Bomv-k.) , (m)
Accouple , ( f ) Koppel band dey
jacht-honden , (m)
Accouplement, (m) Koppeling j
paar ing, { f)
Accoupler, (v. a.) t* Zamenbin^
den , koppelen , paar en j ces perfon-
nes font mal accouplées , die lieden
zyn kwalyk gepaard ; s'accoupler,
(v. r. ) zig zamenvoegen , zig paa-
l'en i les animaux ne s'accouplent
qu'en de certaines faifons , de die"
ren paaren alleen op zekere tyden.
Accourci,ie (adj.) Gekort, verk.rt.
Accourcir, (v. a.) Korten, korter
maaken; s'accourcir, (v. n.) Korter
ivorden; les jours s'accourciflent ,
de dagen korten.
Accourcifleraent, (m) Verkorting^
Accourir , (v. -n.) Toeloopen , toe^
fchieten.
Accourfie , (f) Gang langs de
kiel , van de voor- naar de achter-
fie even . {zee vc.)
Accouru, ue (adj.) Toegetoopen,
Accoufiner, (v. a.) Neef noemen^
{gem. w.)
Accoutrement , (m) Tooifel, (n>
opfcbik , [boert, w.)
Accoutrer , (y, a.) Toefielien , op-
10 ACC.
tooijeitf kleedcn, toctaakelett', teijle-
rerif mishandelen; havenen, (koen. en
gem. w.)
Accoutummce > (f) Aanwendzeli
(n) gewoonte (£) {oud w.)
Accoutumé, ée (adj.) Gewend y
gewoon .
à l 'Accoutumée , (adj.) Naar gc~
woont e.
Accoutamer, (v. a.) Gewennen ^
aanwenr.eu.
s'Accoutumer, (v. r.) ^ig ge-
wennen,
Accouvé, ée (adj,) Die in het
hoekje van den haart ledig zit , lui.
Accravanter. (v. £.) Verjtlettfi-
ren , {ov.d w.).
Accréditer , (v. a.) In aanzien
hrefigen , roem doen 'vtr^vcrven,
s'Accréditer , ( v. r. ) Zig gezien
en geacht maaken.
Àccretion, (f) Aangroeijing (in
geneesk.).
Accroc , (m) Scheur in een kleed;
hinderpaal.
Accroche ? ( f ) Beletzelj (n) /;/«-
demis , ( f ).
Accrocheraent , (ra) Aanhaaking ^
entering^ (£),
Accrocher > (v. a.) Aanhaaken ,
fcheuren ; verhinderen j aanklampen ;
enteren; bellefiJie & joiéchante ro-
be trouve toujours qui l'accroche'.
Mooi je meisjes en gefchenrde kleederen
lyden rjeel aanjîoot ^ (fpr. ai'.).
Accroire , faire accroire , (v. n.)
tpys maaken , iets doen gelooven ;
s'en faire accroire j IF'aanwys) laat'
dunkend zyn,
Accroifî'ement , (ca) Aavgroeîjing
( f ) vermeerdering.
Accroître, (v. a.) Fermeerderen ^
toeneemen.
s'Accroitre, (v. r.) AamvaJJen ,
zig uitbretden; s'accroitre en hon-
neur & en richeiles , in eer en ryk'
dommen toeneemen.
Accroupi , îe (adj.) il porte
, d'azur au Lion accroupi d'or,
Uy voert een leggende goûde Leemv
bp een blaaazv veld ^ (iii wci^enk.).
s'Accroupir, (v. r.) Ncêrhuîken.
AccroupiCtmcnt, (m) Neêrhuik-
ki:jg,if).
ACC. ACE.
Accru, uë (adj.) Vermeerderd ,
toegenomen.
Accrue, (î) Vermeerdering^ aan'
was van hand.
Accueil, (m) Onthaal (n) bejege-
ning (f).
Accuelli, ie (adj.) Onthaald.
Accueillir, (v, a.) Onthaalen,
ontfangen f bejegenen,
Accul , (riï) Naauwe plaats daar
men niet uit kan komen , ( f; item het
binnenjle van eene baai.
Acculé , ée (adj.) In een boek ge-
Jiti'jwdf gedreven ; cheval acculé >
Jîeigerend Paerd , ( in a^apenk. )
Acculer , (v. a.) Voortfinuwen , in
een hoek dryven ; acculer l'ennemi ,
de vyand bezetten ; s'acculer j (v. r.)
zig met den rug ergens tegen aanzetten.
Acculs, (m. pi,) Vos- das-hooien.
Accumulation , (f) Cp hooping ,
opjïapeling.
Accumuler, (v. a«) Vergaderen y
ophoopen.
Accüfable , (adj.) Dat te befchut-
digen is.
Accufateur, (m) Aanklaajer , be-
fchuldiger , aanbrenger.
Accufatif , (m) De befchuldiger of
Accufativus , ^de naamval der bui»
ging, (infpraakk.)
Accufation, (f) Befchuldiging, be-
tichting.
Accufatoire, (adj.) Iets dat ie-
fchuldigd,
Accufötrice, (f) Befchuldigjler ^
aanbrengjler.
AccuTé, ée (adj.) Befchuldigd,
aangeklaagd f beticht. .
AcGufé, ée (ra & f) Befchuldig-
de , aangeklaagde.
Accu fer, (v, a.) Befchuldigen ,
aanklaagen, betichten; a ecu fer la
receptfon d'une lettre de change,
den ontfang van een nvijfelbrief berich"
ten; accufer fon jeu , zynjpel ont-
dekken; s'accufer foi-mca:e, ztg
zelve» befcbuldigen.
Acenfé , ée (adj. ) In pacht geno-
men i verhuurd ; gehuurd.
Aceniement , (m) Verpachting , (f),
Acenfer , (v. «,) In pacht geeven^
verhuur en.
Acenfes, (f, pi.) Pacht-goederen.
Acei-
ACE. ACH.
Acerbe, (a j.) ff^rreJ , wraKff.
Acéré, ée (adj.) rerjiaald-, cou-
teau bieii acéré , mes Jat welfny^,
Acércr, ( v. a.) l'zer Vfrjlaalen.
Acertainer, (v. a.) f^erzekeren,
overtuigen.
Ac, turn, (m) Jlzyn ^ {Lat. w,
in chym. ).
Ach^ifonner, (y^ a. ) Kwellen y
(oudiv.)
Achalandé , ée (aiu]*)ff^el beklant.
Achaiander , (v. a.) Kalanten ,
neering aanbrengen j s'achalander ,
(v. r.) kalunten beginnen te krygen;
cettt fille ell forc achalandée , Jw
juffer lyd teel aanjloot.
' Acharné , ée (adj.) f^erivoed , bloed-
gierig.
Acharnement , (m) Greettge aan^
val op eenig aas , verzvoeaheid.
Acharner, (r. a.) Roofvogels tot
vleefcb eeten gewennen ; aanhitzen ,
tergen -y s'acharner, (v. r.) greetig-
lyk op eenig aas of tets anders vallen j
zig tegen maikunderen verbitteren 5
op iemand verwoed worden.
AchaL, (m) Koop, iets dat ge-
hokt is.
Ache , ( f) Eppe , (zeker kruid).
Ac hees, (m) Wormen tot aas voor
Fijch.
Achement , ( m ) Helm-dei, ( in
Wapen-k.)
Acheminé , ée (adj.) Begonnen,
aan de gang ; cette affaire eil bieü
acheminée, de zaak is wel aange-
legd ; un cheval acheminé , een
^aerd dat half bereden is.
Acheininernent , (m) aanleiding,
(f) middel out ergens toe te ger ar-
ken (n)
Acheminer, (v. a.) ^an de gang
helpen ; s'acheminer , (v. r.) de reis
aanneemeti, zig haajlen; il s'ache-
mine vers ia. chute , hy naderd tot
zyn ofidergang
Acheté , ée (adj.) Gekogt.
Acheter, (v. a.) Koopen; ache-
ter chèrement un petit plaifir , t-i-H
klein vermaak zeer duur betaaleo.
Acheteur , (m) Kocper.
Achevé , ée (adj.) l^ohindigdy vol-
maakt , volvoer J i c'eü. un homme
achevé, het is een volmaakt menfch}
ACÎLACI.ACO.ACQ. ii
c'efl un fou achevé^ het is een vol-
jlage gek.
Achèvement , (m) Voleindiging y
voltooi jing\ ( f)
Achever, (v. a.) Voleir.den , vol-
trekken , voltooijen ,volmaaken > ache-
ver de boire ceia , drirékt dat uit$
achevez de faire quelque chofe ,
iets afdoen; s'achever, (v. r.) ten
einde loopen; zig van kant helpen',
zig vol drinken.
Achcppement , (m) Ergernis ,(£}
hindrrpaal , ftruikelblok ; (m) pierre
d'achoppemtiit 5 JJeen des aanjicots,
Acide , (adj.) Zuur , fcherp ; aci-
de i (m) zimrigheïd , wrangheid..
Acidité , ( f) Zuurigheid.
Aci'iuler, (v. a.) Drank met zutu
re vochten vermengen , (;w genees-k.)
Acier, (m.) Staal, (n)
Acoint,inte (adj.) Gemeenzaam^
(oud w.)
Acolyte, (m) Geejlelyke oppajfer,
kaarfen aanjieeker by het ulltaar.
Aconce , (m) Een jongeling van
buitengewoone fchoonheid.
Aconit, (m) IVolfswortel , aconyty
(zeker vergiftig kr.)
Acoullique, (adj.) Nerf acoufti-
que , zenuw van het oor ; remèdes
acouftiques, gehoormiddelen.
Acquêt eur , ( m ; eurt , eufe , ( f)
Ferkryger , verwerver , verkrygerin.
Acquéri , (v. a.) i^erkrygen, be-
koa.ncn , erlangen , aanwinnen; s'nor-
quérir, (v. r.) voor z:g zelven vei-
krygen; s'acquérir des amis, z/jj
vrienden niaaken.
Acquêt , (m) herkregen goed, (n)
ivinpfif) il n'eft fi bel acquêt que
don , gegeeven goed is bejï.
Acquêtcr, (v.SL.) Verwerven, aan
zig brengen.
Acquiercement5(ni) Toejlemming,
bewilliging , berujUng.
AcquieYcer, (v. n .) ToeJIaatJ,
irrwiiligen , goedkeuren; acquiefcer à
la fenience , in het votmis berujien.
Acquis , (m) f-Wkregen kennis ,we^
tenfcbap, goederen,
Acqu:3 , fe (adj.) Verkregen,
Acquiûtion , ( f) Ver kry ging ^ver-^
werving.
Aeqöit, (m) Kwyt-fcbeldlng, (f\
n ACQ. ACR. ACT.
acquit de domne y toleedul -, acqait
à caotion , quitantie onder borgtogt-,
par manière d'acquit , ter loops ,
nveîjiaanshalven.
Acquitté, ée (adj.) Betaald, vol-
daan , gekweeten.
Acquitter, (v. a.) Betaah»,vol-
éoen i s'acquitter , (v. r.) s'acquit-
ter de fa promeiTe; de fon de-
voir, zyn beloften houden; zig van
zyn pligt kwyten.
Acre , (adj.) Scherp , bytend.
Acre , (m) j4kker ; een morgen tand.
Acreté , ( f) Scherpheid.
Acrimonie, (f) Scherpheid.
Acrocome ? ( m ) Een die lange
hairen heeft.
Acrofliche, (m) Naamdicht^ (n)
Acroteres, (m. pi.) Ptedejial tnet
frituren op de gevel y vorjien op een
dak -y voorgebergte.
A(fle, (ra) Daad, (f) 'juerk, be-
dry f, (n) handeling, { f) fchrift dat
voor een beamptfchryver is gemaakt ,
<n) .
Adeur, ( ra ) Toneel-fchouwburg-
fpeeler -, uitvoerder ,bej} ierder van\eeni-
ge zaak.
Adif,ive (adj.) Werkzaam yfnel,
voortvannJe , vlytig; verbe adlif,
bedryvend uerkwoord, ( in fpraak-k.)
Adioti , (f) Beweeging, drift,
éaad, handeling , zaak , aanfpraak j
l'aélion qai a mîs fin à la campa-
gne à écé des plus vigoureufes,
bet treffen waar mede de veldtogt een
einde genomen heeft is van de hevig-
fïe geweefi; afltions d'un orateur,
gebaar dens van een redenaar '^ inten-
ter aAion contre quelcun , iemand
gerechtelyk aanklaagen.
Aftionnaire, (m) Een die aandeel
heeft in een maatfchappy van koop-
baniet.
Aftionné , ée (adj.) In rechten be-
trokken.
Aftionner , (v. a.) In rechten be-
trek ketr.
Aftionnifte , (m) Bezitter van eeni-
ge aSie.
Aftivement , (adv.) Daaielyk ,
üverkelyk , tedryvelyk.
Afti V ité , r f ) ÏÏ^erkRüSj^iU , v/y-
fi'keidf vlti^beid.
ACT.ADA.ADE.ADH.&c.
Aftrice , ( f ) Toneel-fchouwburg-
fpeeljler»
Aftuel , elle (adj.) Daadelyk.
Aftnellement , (adv.) Inderdaad,
waarlyk ; thans , na ter tyd»
Acutangle , (m) Scherpe j hoek y
(in Landm. *.)
Adage , (m) Spreekwoord y (n) zi».
fpreuk.
Adaptation, (f) ToepaJJing.
Adapté , ée (adj .) Toegepc^.
Adapter, (v. a.) Toepaffen.
Addition, (f) Optelling, ver-
meerderingy {f)byvoegzely aanhang-
zei, (n)
Additionné, ée (adj.) Opgeteld.
Additionner , (v. a. ) Optellen^
op cy ff er en , tot een brengen.
' Addufteur , (adj.) Sp'xer om een
lid mede te beweegen,
Adduftion, {t) Beweeging , aan-
voering.
Ademption, , (f) Herroeping; a-
demption d'un legs, intrekking van
een legaat,
Adent, (m) Burghaak ,-(by tim-
merl. )
Adepte , (m) Goudmaker , die de
Jieen der wyzen meend gevor^en te
hebben .
Adextré , ée (aij.) ^an de rechter
zyde v^in het fchild Jiaande.
Adhérence , ( f) Aanhanging ,aan-
kleeving.
Adhérent, ente (adj.) Aanban^
gende , aankleevende.
Adhérent, (ra) Aa7jhanger.
Adhérer, (v. a.) Aankleev en , toe-
flaan , bewilligen.
Adhéfion, (f) Aanhechting, aan-
kleeving.
Adjacent, ente (adj.) Aangren-
zende.
Adjedif, (adj.)Nom adjeftif , èy-
voeglyk naamwoord, {in fpraak-k.)
Adjedtion, (f) Byvoeging.
Adje£kivement,(adv.) Byvoeglyk.
Adieu, (adv.) Vaarwel, God be-
waare u ; dire adieu au monde,
der waereld vaarwel zeggen ; fi vouS
fréquentez trop vos amis , adieu
l'étude, indien gy uzve vrienden te
veel bezoekt , is hei met de oeffening g^e-
daati', fais adieu ; tst weerziens ^
adieu
ADI. ADM.
adiea paniers vendanges font faî-
tes, mojlaard na de maattyd^ ifp^'
w.) adieu va ! overjlaag , in Gods
naam ! {zee w.)
Adjoindre , (v. a.) Byvoegen.
Adjoint, (m) Metgezel, adjunû,
^yzitter.
Adjoints , (m, pi.) Omjlandigbe-
den,byvoegfeU; les adjoints oa cir-
conftances d'une afifaire, ailes wat
Man een zaak vaft is.
Adjonaion, (f) Byvoeging.
Adipeux, eufe (adj.) Pet, (in
heel-A.)
Adirer , (v.a.) yerliezen, verleg-
gen -, des papiers adirez, verlegen
papieren,
Adicion , (f) Aanvaarding van
een erffenis , (/« rechten)
Adjudicataire , (m) Iemand die
iets van den Rechter toegeweezen is.
Adiudicatif, ive (adj.) Toewyzend.
Ad/'idication-, (f) Toewyzing in
het recht.
Adjugé, ée (adj.) Toegeweezen»
Adjuger, (v. a.) Toewyzen.
Adjuration, (f) Bezweering.
Adjurer, (v. a.) In Gods naam
J^ezweeren.
Admettre , (v. a.) Ontfangen , to3-
laten , toegang geeven.
Adminicule, (m) Hulpmiddel om
iets te bevuyzen , {in rechten) (n)
Adrainiftrateur, (m) Bedienaar,
9pzichïer, Bewindhebber.
Adminiftration , (f) Bediening.
Adminiftratrice, (f) Bejîierjîer.
Adminiftrer, (v. a) Bedienen, be-
Jïieren , bet bewind hebben.
Adnairable , (adj.) JVonderlyk , ver-
wonderend -, il fait un terne admi-
rable , het is fchoon weer.
Admirablement , (adv.) Wonder-
baarlyk j il joue admirablement,
hy fpeelt heel wel.
Admirateur, (m) Verwonderaar,
fryzer.
Admiratif, ive (adj.) Ver-
Wonderend; point admiratif, ver-
wondcrings-teeken , (in fpraak-k.)
Admiration, (f) Verwonde-
ring , ofgeroogtnheid; ravir tout le
monde en admiration , de geheele
w<9«yv/(»' in vcruQndering brengen.
, ÀDM. ADO. xi
Admirer, (v. a.) Ergens verbaasè .
vertMonderd over zyn', s'admirer foi
même , veel met zig zelven «p hebbefit^
Admis, ife (adj.) Toegelaten,
Admiffible , (adj.) jîanneetntlyki
dat door den beugel kan.
Admiûîon, (f) Toelaat ing, •
Admittation, (m) Toelaater,
Admodiateur , (m) Een Pacbfef\
Admodiation, ( f) Verpachting^
Admodier, (v. a.) Verpachten.
Admonêter, (v. a.) Vermaanetti
aanmaanen, bejiraffen.
Admoniteur, (m) Vermaaner.
Admonition , ( f ) fVaarfcbuuwingf,
bejiraffing.
Admonitrice , ( f) Bejiraffler,
Adolefcence,(f ) Jongelingfchap^
dès Tadolefcence , van der jeugd
af aan.
Adolefcent, ente (m & f) Jo»*
geltna ; jonge dochter.
Adfonique , ( adj . ) Adonifcb , ( b^
Latynfcbe Dicht, gebezigd)
Adonis, (m) Een zeer fchoowf^
Jongeling.
Adonifé, ée (adj.) Opgecterd^
Adonifer, (r. a.) Oppronken y ap^
eieren; s'adonifer , (v. v.) ztg (^
fchikken.
Adonné , ée (adj.) Genegen ; adon^
né au vin , genegen tot wyn.
s'Adonner, (v. r.) ^ig aan iets'.
overgeven -, Ie vent s'adonne , de winé
ruimd , {zee w.)
Adopté, ée (adj.) Aangenoomen^
Adopter, (v. a.) Voor zyn zona
of dochter aanneemen; adopter let
œuvres d'autrui , zig een aj^era^
werk toeeigenen.
Adoptif, ive (adj.) fils adoptif^
fille adopti-ye , Aanger.oonren zoon q^
dochter.
Adoption , (f) Verzoening, aan-
neeming tot kinderen.
Adorable, (adj.) Aanbiddelyk ,
aunb iddens waard i o- .
Adorateur , (m) AoKbidder, min^
njar , een die temand liefde toedraagd-
Adoration, (f) Aanbidding , e^r^
hewyzir.7. *
Adoré, ée {^à'i") j^ang^ebeeden.
Adorer, fv. a.) ASnbtdden, eet
hewyzen^ liefhthhen; cette mère a-
dai9
Î4 ADO. ADR.
dore fes enfans, die moeder ts mal
jfiet haar kinderen ; il adore jusques
aux défauts de fe.s anîis, hy ver-
heft zelfs de gebreken zyner vrienden;
adorer le veau d'or, eenen omvaar-
digen eerbiedigen ^ ifp^- ''^•)
Ados 9 (m) Schuins opgrhoopte aar-
de tegen een muur , {in Land-b.)
AdofTé, ée (adj.) '^4et den rug te-
gen malkanderen fïaande of leggende ,
{in Wapen~k.)
AdOiTer, (v- a.) Het eene trgen
het andere aan zetten ; s'adofler ,
^. r.) zig met den rug ergens tegen
aan zetten.
Adouber, (v. a.) Herjl ell en -, flop-
pen ; als : rioolen , e/7z.
Adouci, ie (adj.) Verzacht.
Adoucir, (v. a.) l^erzacbten ^ver-
zoeten , Jlillen ^bevredigen , maatigen';
Ja fievre eft adoucie , de koorts is
verminderd ; adoucir le Ton d'une
trompette ,fi?/' kïank van een trompet
broeken ; s'adoucir , (v. r.) zoeter
ivorden , verzachten.
AdoucifTantjante (adj.) Verzacht
tend.
. AdoucîfTement, {m) Verzachting^
verzoning , ( f)
. AdoucifTeur , (m) Glas-Jlyper-
Adoué , (adj.) Gepaard^ gekoppeld ,
{van Patryzen gezegd)
i Adpacres, il eft allé ad patres,
hy is naar de oudvaders gegaan ; g?-
Jlorven ■) {Lat. iv.)
■ Ad reffant, (ad j.)Z)<^f tebejïellen t%.
Ad re (Te, (f) Opfchrift op een brief
efpak -ybejïelplaan ; bericht om iemand
te vinden (n) ; handigheid , behendig-
heid , vernuft^ fchranderbeid ^ voor-
zichtigheid}, tour d'adréfTe , ^ot/?-
greep , gaauivigheid met de handen.
Adrs;ré,ée (adj.) RefteU .bezorgd.
Adrerrer, (v. a ) Bezeilen ;zàres-
fer un livre à quelcun, een bo^k
aan iemand opdragen ; adrefTer fes
prières à Dîeu, zyn gebed tot God
ri^ en; adrefTer, ( v. n.) mikken.^
aanleg^^n; s'adreiTer, (v. r.) s'a-
drefTer à quelcun, zig by iemand
vervoegen ; iemand aanranden , aan-
tajlen.
"Adrogition > (f) Soort vofj aan-
veeming tQf kmdy {in rfihten)
ADR.ADV.ADÜ.^O^R.
Adroic, te (adj. ôc ÏMtuc.) 6eben~
dig , gaaxv , fchrander , lijHg , ajge-
regt ; een loos man.
Adroitement, (adv.) Behendiglyk,
Adventif, ive (adj.) Toevallig;
biens alvertifs, goederen daar men
by toeval het bezit" van krygt.
Adverbe , (ra) Bywoord, (n
Adverbial, aie (adj.) Bywoorde^
Ïyk , {in fpraak-k.)
Adverbialement, (adv.) Bywoor-
delyk.
Adverbial ité , (f) ByivoordelyL
beid.
Adverfaire , (m) Tegenparty , «;<»-
derjïreever . vyand; nne advtrfaire,
een tegendingjler , vyandir.ne.
^ Adverfacif , tve (adj.) Conjonc-
tion adverfative, tegenJielUg voeg;*
woord , {in fpraak-k.)
Adverfe, (adj.) Tegengejïelde , te-
genJJrydige ; partie adverfe, tegen"
] ding er.
Adverfité, ( f) Onheil, (n) ramp^
tegenfpoed , (m) on s'abat aifément
dans l'adverfité , in tege-^fpoed ver-
liejï men ligt den moed.
Adulateur , ( m ) Pluimfiryker,
vlyer.
Adulation , ( f ) Pluimjïrykery.
Adulte, (fubft. & adj.) Een vol-
waffene ; huivbaar.
Adultère, (njbft.& adj.) Echtbreuk,
overfpel ; overfpeeler , echtfcbender;
ovrrfpee'fer ; overfpeelig.
Adultérer ,(v. n.) Overfpel bedry-
ve}i , {in rechten)
Ad'jlterin , ine (adj.) Dat in
overfpel geteeld is.
Adtiflc , (adï.) Sans; adufte, ver-
brand bloed, {in Heel-k.)
Aduftion,(f) Verbrandheid, {in
Heel-k.)
^ole, (ra) Mooi, de God der winden.
Aéré, ée {716].) Luchtig.
Aérer , (v. a.) Lucht geven.
Aérien, eme (a j.) Luchtig, 't
geen uit lucht bejiaat.
Aérier, (v. a.) Luchten, verlucht
ten , kvt/aade lucht uit een huis dr y ven,
Aerographie, (f) Lucht-befchry-
ving.
Aérotnancie, (f) Waarzegging uif
^B lufht,
Aéro*
AER. AFF.
Aéromccrie , ( f) Kottjl om de lucht
ti meet en.
AtTabilité , ( f) Cefçraakzaamheîd ,
btl-efdbeid.
Afevoie, (adj.) Beleefd^ vriende-^
lyk ^ j^raakzaam.
AiTdblenùenc > (adv.) Bclecfdeïyh.
Affsdi, ie (adj.) Laf , fmaakelocs
genioi'kï.
Affiuir, (v. a.) Walgelyk,fiaauw
mauk'jj.
Arr^ire , ( f) Eezigheid , zaak ,
handel; gefc-bil ; gebrek , (n) je viens
depprenare de belles affaires, ik
heb da.:r fraaye jiukken gehoord; af-
fiiitci amoureufe , liefde-werk ; je
fuis fins affaires , ik ben zonder
nverk; gens d'cffaires , Aoo//- fjf/{>-
/^r^ï s'attirer un rnéc hante affaire ,
z/g- een kieaade zaak op den b<ils haa-
ien ; ne vous faites point d'affaire
avec cet homn::e là, legd met die
man niet aan', avoir affaire , noodig
hdben;fiVoir affaire à quelcu?>, met
iewand iets te doen, gefchii hebben;
fiiirc (es aSaires, zyn gevoeg doeny
faire bien fea affaires, zyn zaaken
wet gade weî gade Jlacn j fe tirer
d'affaires, zig uit eenê moeitykheid
redden.
Affairé , ée (adj.) Il eft toujours
affairé , hy heeft het altoos volhan-^
digyhy is vol fchîilden , (fpr. rv.)
Anaiffe, ée , (adj.) JS e êr gedrukt ^
neêrgezakî,
Affaiffcment , (m) Neérzinking ^
neérzakkivg , ( f )
Afiàiffer , (v.a.) Stüuwen^noti'wen ,
pakken; s'^ffaiffer, (v. r.) Neerzak-
ken , zakken , ih een pakken.
Affaicage, (m) KonJ} cm een Roof-
vogel ter jacht af te rigten,(f)
Affaicé, ée (adj.) w^'ç^erigt, (f)
AffaiÈeire«t , (m) Jfrigting , ( f }
Affaiter, (v. a.) Een Roofvogel ter
jacht afrigten ; mrjhn op een dak
leggen.
Afiàitear, (m) Een aie een vogel
Affalé, (a.â].)^an laager ival ver-
malien , {zee w.)
. Affale \haal afy laat vallen ! (zeeiv,)
Affaler, (v. a.)^/Iateti, r.érlateu;
affaler une poulie, een katrol af~
fthaaken y {zee w.)
AFF. 15.
Affamé, ée , (adj.) Uitgehongerd,
hohg. rig , greetig ; ventre affame , n'a
point d'oreilles , in hongersnood
lufjîerd men naar geen reden , (fpr. w.)
luDic affamé y kleed dat te naauiv is ^
po a affamé , magere .luis , word ge^
zegd van een arm kaerel die eenfmee-
rig baantje gekreegen heeft.
Alfaraer, (v. a.) Uithongeren.
Affanures, (f. pi.) Koorn dat den
dorfchers of maaijers m plaats van
geld gegeven word.
Afféager , (v. a.) Riddermatig goed
verpachten.
Affedation , (f) Gemaaktheid ^
nabootzingy na-'dpiug; gemoeds-aan^
doening ; verpanding.
Affefté, ée (adj.) Gemaakt, ge-
divongen ; gehecht , verknogt , gefcbikt'y
cette fonime efl affedée à l'entre-
tien des temples , deze fomma gelds
is tot onderhoud der Kerkeu gefchïkt.
Affecter, (v. a.) Zig bevlytigen^
na iets fireeven ; verpanden ; il af-
fede un air grave, hy neemt een
flaatige houding aan y affefter fes
biens, zyn goederen verpanden ; af-
fefter une charge , r.acr een ampt
verlangen ,faan; cela m'affede fort 3
dat gaat my zeer ter harte.
Affeaif, ive (adj.) Ziekoerend y
beiveeglyk.
Affeaion,(f) rriendfhap, lief-
de, toegenegenheid, behartiging; ge-^
fïeldheid.
Affedionné , ée (adj.) Toegene^
gen, wel gezind.
Affsâ:ionn€ment,(adv.) Toe^ene^
genlyk.
Affeaionner ,(v:a.) Genegenzyn,
beminnen, veel werk van iets maaken-
faffedionner, (v.r.) s'affeftionner
a i'étude, de letteroej^ening ter harte
neemen,
Affedueufemenc, (adv.) Toegene-,
genlyk.
Affedueux, eufe (adj.) Hortelyk,
Arrcrente, (adj.) Part afférente.
toevallend gedeelte van een erfenis
Affermé, ée (adj.) Verpacht , èe^
pacht. ^
Affermer , (v. a.) Verpachten.
Affermi , ie (adj .) Verjhrkt , vaflep
gemaakt.
lö AFF.
Affermir, {y.a.)V'erJierkfHfJiaa^
ven j affermir fon pié y zyn voet vajl
Jiellen; s'affermir, (v. r.) zig beves-
tigen.
AffermiflTement , (m) Verjïerking ,
levefliging , f.aaving , ( f )
Affeté, ée (adj.) Gemaakt,
Afféterie , (f) Gemaaktheid in
manieren.
Affeurage , (m) Prys-fielïing op
waar en , (f)
Affeurer, (v. a.) Prys of tv aar de
bepaal CU.
Affiche j (f) Plak-fchrift, Pla-
taat , (n)
Affiché, ée (adj.) aangeplakt.
Afficher, (v.a.) Aanp lakken, aan-
Jlaan.
Afficheur, (m) Aanplakker.
Affidé, ée (adj.) hertrouwd, ge-
ffotnv.
Affilé, ée (adj.) Jangezet.
Affiler, (v.a.) Slypen, dtracdtrek-
ken , ivetten , aanzetten ; avoir Ia
langoe bien affilée, eene fyn gejlee-
pe tong hebben.
Affiliation , (f) ^anneeming tot
2oon.
A^ffilié, ée (adj.) Tot zoon aange-
nomrn.
Affilier , (v. a.) Tot kind aannee-
msh.
Affinage , (m) Zuivering, loutering.
Affiné, ée (adi.) Gezuiverd.
Affinement , (m) Zoutcring, (f)
Affiner > (v. a.) Zuiveren, loute-
ren; bedriegen 'y verfchalken; affiner,
(v. n./ Ie tem9 affine , hét weer
hiaart op.
Affiner ie', ff) Draad-trekkery .
A.ffineur, (m) TzerJraad-trekker ;
Louterer.
Affinité, (f) Zwagerfchap , ver-
vca'r'.tfckap ; affinité de mots , ge~
mpenfrhap , overeenkomji van woorden.
Affinoir , (m) Hennip-beekeL
Affiquets , (m. pi.) Hoofdcierfeh ,
f ooi fi Is, hul/els der Juffers.
Affirmatif,ive(adj.) Bevejligend,
Jïaavend.
Affirmation , (f) Yerzekerirg,
verklaaring 9 eed, bezweerii:g.
Affirmative ? ( f) Bcvjlig enie mee-
tmg.
AFF.
Affirmativement, (adv.) Mefver^
zekering , bekragtigend.
Affirmé, ée (adj ) Verzekerd y he~
vejligd.
Affirmer , (v. a.) Verzekeren^ fier-
klaar en , beé'edigen.
A&eurer, (v.a.)ff^at^rpas-maaken,
Affliftif, ive (adj.) Peine afflifti-
Ve , Lyfjiraf.
Affliaion, (f) Droefheid, kcm^
mer,{{) hartzeer, verdriet, (n)
Affligé, ée (adj.) Bedrukt, droe-
vig , neérjlagtig , treurig.
Affligeant, ante {&d].)Verdrietig ,
droevig ,^ kwellende.
Affliger, (v. a«) Kwellen, bedroe-
ven , verdriet aandoen; la guerre
affligé l'état, de kryg ve:oKtruJî den
Staat; affliger fon corps, zyn lig-
haam afmatten; s'affliger , (v. r.)
zig bedroeven.
Affluence ,{î)Overvloed , toevloed',
toeloop van me%fchen.
Affinent, ente (adj.) [Inioopende ,
i-nvloeijende.
Affluer, ( V. n.) Tcetoopen, tg za-
nten kopen , {weinig gebr.)
Affoibli , ie (adj.) Verzwakt.
Affoiblir , (v. a) Verzwakken,
krenken, ontzenuwen; s'affoiblir ,
( V. r. ) verzwakken . kragteloos
worden.
AffoiblifTant , ante (adj.) Ver-
zwakkende.
AffoiblilTement , (m) Verzwak-
king , ver minder inji ; (f) affoiblifîe-
ment de monnoie, verflegting van
qeld.
Aff lé , ée (adj .) Ver/1 ingerd , ver^
zot; une bonfTole affolée , ff« mis-
w^zend compas.
Affoler, (v.a,^Dé> hersfens kren-
ken , zot , ^ek maaken.
Affoli^', (v. n.) Cek worden ,
{gem-. zv^)
Aff orage , (m) R^cht , *t welk
men betaald om wyn in 't klein té
verkoopet;, (n)
Affouage , (m ' Recht om bout te
hakken in een bofch . (n)
Affouguer, (v. a.)V«wn/, driftig
maaken.
Affourche , (m) Ancre d'affour-
e he , Vertu . -anker in],
^ 'Aft
AFF.
Affotircher , (v. a.) Perfuijea,
voor en ach f er een ^4nker uitwerpen y
(zee IV.)
Affouragement , (ra) Het voeder
geeven aan de beejien , (n)
Affourager, (v.a.) de Beejien voe-
deren.
Affranchi, ie (adj. & fabft.) Be-
vryd, vrygemaakt , verlojl y vryge-
maakte Jlaaf, Jlaavtn.
Affranchir , (v. a.) Bevryden ^ver-
lojjen , JJuaken ; affranchir 'a pom-
pe, t/^powi/) vry houden (zee ai;.)> af-
franchir une lettre ,een brief fran-
keeren.
s'AfiFranchir , (v. r. ) 2^ig vry
fnaaken , ontjlaan.
AfFranchilTemenc, (m) VerloJJxng^
Jlaaking, vrymaaking , ( f)
Affres, (f. pi.) Groote vrceze.
Affrété, ée (adj.) Bevracht ■, ge-
huurd.
Affrètement , (m) Bevrachting ,
verhuuring , ( f )
Affréter , (v. a.) Een Stthip hun-
ren , bevrachten.
Affréteur, (m) Bevrachter^ huur-
der van een f chip.
Affreufement , (adv.) Séhrikkelyk^
yjfelyk-
Affreux, eufe (adj.) Vei'vaarlyk ,
affchuuwelyk , vreejjelyk.
Affriandé , ée (adj.) l-^eflekkerd.
Affriander, (v. a.) Vethkkeren.
s'Aftriander , (v. r. ) 2ig aan
lekkernyen ge^vennen.
Affriolé , ée (adj.) Verlekkerd ,
(gem. zv.)
Affrioler, (v. a.) Aanlokken ,ver-
lekkeren , {'gem. iv.)
Affront , (vn)Hoon ,fchimp, fmaad ,
verachting , belediging, (f)
Affrontailles,("f. pi.) Grenspaaten ,
in Landeryen.
Affronté, ée (adj.) Onteerd; met
het aangezicht tegens malkanderen
fiaande , (in vuapenk.)
Affronter, (v. a.) Hoonen; aan-
grypen , aantafien ; bedriegen ; affron-,
ter la mort & Ie danger, nog dood
fiog gevaar ontzien.
Affronteur, (m) Bedrieger.
Affronteufe , (f) Bedripgjler.
Affttblement, (m) Dtk-khed (n).
AFF. AFI. AGA. AGE. i?
Affubler, (v. Si.) Het boofd of aath
gezicht dekken.
Affût, (m) Raapaard y affuit vatÈ
het gephut , (n) fchuilplaats van een
Jager; (f) être à l'affût , op den
oppas Jlaany toeren.
Affûtage , (m) '/ Stellen van V ge-»
fcbut op de Raapaarden ; al het Schryn^,
werkers of Draaijers gereedfchqp )(n)
Affûté, ée (adj.) Op het Raapaerd
gejield; van gereedjc hap voorzien ;ge^
JJeepen , aangezet.
Affûter, (v. a.) Het gefchut op het
Radpaard flellèn; Jlypen , aanzetten.
Afin , (adv.) Op dat , ten einde; ir
fin de faire , ten einde om te doen i
afin que j'aille, op dat ik ga'.
Agacé, ée (adj.) Verbitterd ^ aan*
gehitsd, getergd ; Jlomp gemaakt.
Agace , ( f) Een foort van zwarte
Exter.
Agacement , (m) Stompheid der
tanden , ( f )
Agacer , (v. a.) De tanden jlomp
maaken; tergen ^ vergrammen f ver-
bitteren.
Agacerie , 0) Terging , aanlokking»
Agacin , (m) Exter-oog , Li k-doorn*
Agapes j (f. pi.) Liefde-maaltyden
by de eerjie ChrtJJenen.
Agaté , ( f) Agaat , ( Edel gejleente).
Age >(ra) Ouderdom (m) levenswyze ,
eeuwe ; ( f) agç d'or , d'argent,'
d'airain, de fer, goude, zilvere,
kopere , yzere eeuwe , âge de puber-
té , jaaren van huuwbaarheid ; âge
viril , mannelyke jaaren ; âge do
raifon , jaaren van onderfcheid; il
mourut à la fleur de fon âge , hf
Jîierf in 't bloeijen zyner jaaren ; les
gens d'âge , da oude lieden ; être fur
l'âge, bejaard zyn, être en age^
mondig zyn; en cet âge brutal, in
deeze booze eeuwe ; quel âge avez'
vous? hoe oud zyt gy\ bas âge , */«ûf'
fche 'jaaren; s'il vit il aura de l'â-
ge , hy zal metter tyd wel beteren-,
s'il vit âge d'homme , indien hy tot
rype jaaren komt ; l'agei n'eft fait
que pour les chevaux , iemands
fchoonheden moet men boven zyn jaaren
in 't oog houden , ( fpr. w.)
Agé,ée (aà].)'B-'jaard, oud; il
eft mort âgé, hy is aud gejlorven.
^ Ageïi"
T8 AGE. AGG. AGL AGN.
Ag.nrt , (f) ^aak-voederfchap ,
idzorging.
Agencement, {m)Schikking, (f)
Agencer , (v. a.) Schikken , in or-
de Ji ellen.
Agen.:a, (m) {Lat.iv.) ^^anteeken-"
fnemorie-boekje (n).
Agençai lié , ée (adj.) Geknield.
s'Agenouiller, (v. r.) Knielen.
Agenouilloir , (m) Bank om op te
knielen.
Agent , (m) Uitvoerder j afgezon-
dene ; zaak -verzorger y agent de
change > Makelaar m wijfels.
Aggravant , ante (adj .} Verzwaa-
rend.
Aggrave , (m) ou Aggravation ,
(f) lVaarfcbuu%ving gaande voor den
Kerker-ban , ( f )
Aggravé, ée (adj.) T^erzu-aard.
Aggraver , (v. a.) f-^er zwaar en.
s'Aggraver , (v. r.) Zwaarder uor-
den.
Agile, (adj.) Licht ^ vltig, tvak-
ier, vaerdig.
Agilement, (adv.)!!?^^, gezzvind.
Agilité, (f) Snelheid, vlugheid.
Agio , (m) Agio de banque , het
opgeld van de bank.
Agiotage , (m) Woeker., (f)
Agioter, (v. a.) fVoekeren , fcha-
cheren.
Agioteur, (m) TVoekeraar.
Agir, (v. n.) Handelen, doen, be-
dryven; la grâce agit en nous, de
genade vjerkt m ons-, maniere d'a-
gir , ivyze van doen ', il s'agit de
cela , hier van word gehandeld 3 il
s'agit de ma vie , myn leeven hangd
'er aan.
AgifFant, ante (adj.) Doende, he~
dryvende ; homme agiflant , een wak-
ker, vlytig , arbeïdfaam man.
Agitation , ( f ) Beweeging , ont-
fleltents i ( f ) gefchok (n).
Agité j éa (adj.) Bewoogen, be-
roerd.
Agiter , (v. a.) Beweegen , fcbud-
den jfchokken ; ontruften', zintwijlen.
s'Agiter, (v. r.) Zig ontrujien,
woelen.
Agnation , (f) Maagfchap tus-
{chen de mannelyke mhumehngeu vati
^am trader.
AGN. AGO AGR.
Ag'«f ac , (ni) 7. am , ^n)
Agntler ,(v.a.) Lamrnpren vjerpe}!.
Agnelet , (m) Lammeijc , (n)
Agnus-'. aftus , (m) Auifch-boom f
{heejier-ge: as).
Agouie, (f) Zieltooging , doods-
benauwdheid, (f) uiîerfie; (n) é rc à
l'agonie, met de aood ivorfrelen; la
vis des pauvre:- enclaves eft une
longue mort, ou yne agonie c n-
tiuuelle , het leeven: der arme^Jlaa-
ven is eeiw ïangzaame dood, of een
geduiinge zieltooging.
Agon i fiant, aace {aâ].)Stervende}
zieltoogende.
Agonifer, (v. a.) Zieltoogen, in
doods benaauwdheid zy^i.
AgratTe, (f) Haak, kram , (m)
Agraffer , (v.a.) Faji haakenjitts
aangrypen. ^ j.
Agraire , (adj.) Loi agraire, ac*
ker-v.et , (by de Romeinen)
Agrandi , ie (adj.) l'ergroot.
Agrandir j (v.a.) l^^ergrooten,uit-'
breiden.
S'Agrandir, (v. r.) Tot grootere
Jiaat opklimmen. |
AgrandiiTement , (m) Vergroot ing^]
aanwas, opkltmming , uitbreiding ,(f),
Agréable, fadj.) Aangenaam, be-
haaglyk , gevalt ig.
Agréable ,(my Joindre l'agréable
à l'atUe,het aavgenaame met het nut-
tige paaren , (n)
Agréablement , {dkàv.) Vermaake^
tyk , genoeglyk , hehaaglyk.
Agréé, éée (adj.) Voorzien, be-
haagd.
Agréer , (v. n. & a.) Behaagen^
welgevallen ; agréer un mariage ,
een huwelyk goed keuren ; agréer un
va j fléau , een f chip met zyn wand
voorzien.
Agréeur, (m) TakelmeeJJer.
Agrégation , ( f) Aanneeming , ont-
fanging.
Agrégé, ée (adj.) Aangenoomen.
Agréger, (v. a.) Aanneemen^ onf
fangen , {in een genoodfchap).
Agrément, (m) Lieftalligheid, he-
haaglykheid; goedkeuring', (f) opleg-
zel op Bor duur-w er k , (n)
Agrefler, {y, ^.)^é^nranden^be^
fpringen»
AGR.AGU. AH.AHA.&c.
AgrefTeur , (ra) ^lar.r ander , be-
fpri/iget,
Agreflion ^ ( f ) Aanranding, aanval.
Ag relie, (adj.) Onbefcba^ci , woeji,
plomp.
Ag rats , (m. pi.) Scherps wand , of
touwen , (n')
AgriculCurejX f) Land-acker-boUiv,
(m)
Agriffer , (v. a.) Met- klaauwen
vajï ma a ken.
s'Agriffer , (v. r.) Zyne klaawwen
ergms injlaan.
Agriocte, (f) Een foor p van zuti-
re kers. Mor e lie.
Agripper, (v. a.) Aangrypen, nee-
men.
Agrippeur, (m) Aangryper.
Agrouper , ou grouper, (v. a.)
Veele beelden by elkadr fchilderen , of
houwen.
Aguerri, ie(adj.) In den kryg ge-
oeffend.
Aguerrir, (v. a.) Tot den oorlog
africhten.
s'Aguerrir, (v.r.)-^'"^ i^ dekrygs-
kunde oe ff enen.
Aguets, (ra. pi.) Etre aux aguets,
cp dsn oppas Jlaan , loeren.
Ah/ (interj.) Ach, och\
Ahan , (ra) Zuckt; zwaar e arbeid:
Ahaner , (v. n.) Hygen , met groo-
tB moeite arbeiden , zwoegen.
Aheurtemenc ,(m) Haljlarrigheid,
eigenzinnigheid, (f)
s'Aheurcer, (v. r.) Zyn eigenzin
én wil volgen.
Ahi ! (interj.) Ach , ocb !
Aide, ("f) Hulp y byfiand, onder-
fïand.
Aide ,(m) Aide-major , Régiments
Adjudant y aide de cérémonies, on-
der-ceremonie-meejler fZiie de camp,
Generaal Adjudant -fZ-iàe de cuifine,
koks-maat , onder-'kok -, aide à ma-
çon , opperman.
A i 'aide / (adv.) Ter hulp , ter by~
Jiandl
Aidé, ée (adj.) Geholpen.
Aider, (v. a.) Helpen, byjîaan,dù
hand bieden ; dienen , dienji doen ; ai-
der à la lettre , in het leezen iets
toegeeven; il s'aide de la main gau-
cl^e, hy gémH ^m iwKerliçivà,
AID. AIE. AIG. 19
Aides, (f. pi.) Schattingen, ac-
cynfen; il va à la cour des aides,
hy borgd, haald op credit.
Aïeul ,( m) Grootvader ; nos aïeux,
onze voor-ouders.
Aïeule , ( f ) Grootmoeder.
Aiglantier, (m) Koózelaar , Roo*
zen- boom.
Aigle, (m) Arend-, menfch vaneeri
doordringend verband; ils donnèrent
delà terreur a l'aigle romaine,
zy brachten de fchrik in het roomfche-
heir.
Aigle, (f) De Roomfche Adelaar,
Aiglette , ( f ) Kletne Arend , in een
wapen.
Aiglon , (m) Jonge Arend.
Aiglure , (f) Roode vlak op de
rug van een f^alk.
Aigre , (adj.) Zuur, wrang yfcherp-,
bits , fpytig.
Aigre de cedre , (ro) Limonade.
Aigre-doux, (adj.) Zuur en zoet*
Aigre fin , (m) Zekere grooteWy"
ting ; item looze fchalk.
Aigrelet, ette (adj.) Zuurachtig.,
Aigrement, (adv.) Vimiglyk ,hef'.
tiglyk.
Aigret , ette (adj.) Zuurachtig.
Aigrette, (f) Kleine witte Rei-
ger (m) ; vederbofcb , kuif van eert
Koet spaar d; (f) cieraad met edele ge-
(ïeentens voor de Wouwen, (n)
Aigreur, (f) Zuurheid, wrang-
heid'ihaat ; afkeer , droefheid , (f) ver-
driet (n).
Aigri, ie (adj.) Verzuurd.
Aigrir , (v. a.) Zuur maaken , ver-
zuur en ; vertoornen.
s'Aigrir , (v. x.)Zuur worden y ver.-
grammen.
Aigu, uë (adj.) Scherp, fnydend^
bits; vernuftig j accent, aigu, eeri
fcherp toon-teeken, (in fpr. k.)
Aiguade, (f) Voorraad van zoet
water; plaats daar men het haald -^
faire aiguade , zoet water aanboord
haaien, (zee w.)
Aiguail , (m) Morgen-daauw , (f)
Aiguayer j (v.a.) Linnen wajfchen,
Aigue-marine, (ï) Soort van zee-
groene Agaat-fieen.
Aiguière, (f) Een lampet-kan.
Aigui4réçj(f )fî^« VQllg lampet-kan*
20 AiG. ail;
Ai^uîUade, (f) Zweep j pe'itfcb.
Aiguille, (f) Naald ifpits', hoo-
gefpitze roor^-Mj aiguille de tete,ae
boulToJe , hair- compas-naal'd -, ai-
guille de montre, de cadran, wy-
zer van een uiiriverk, zonnewyzer;
aiguille de fléau , evenaar van een
balans; aiguille, majljienge , uitleg-
ger , (zee 'u;.)de fil en aiguille, van
het begin tof het einde , {fpr. w.)
Aiguillée , (f) Naald met een
draad.
Aiguilletier, (m) Nejleling-maa-
kcr.
Aiguillette, (f) Nejlelhig ^ ryg-
fmer ; courir 1'aiguilletce., vodr
hoer fpeelen ; lacher 1'aiguillecte,
zyn buik loozen.
Aiguillstter , (v. a.) Nejlelen,
vajï rygen.
Atguillier , (na) Naaldemaaker ;
naaldekoker.
Aiguillon, (m) Prikkel, angel-,
cela fert d'aiguillon à la vertu,
dat diend tot aanfpoorwg der dengd.
Aiguillonné , ée (adj.) Aange-
fpoord.
Aiguillonner , (v. a.) Aanprikke-
len , aanfpooren , ophitzen.
Aiguifé, ée (adj.) Gejleepen.
Aiguifement , (ra) Slyping , (f)
Aiguifer> (v. a.) IVetten , Jlypen ,
aanpunten , Jcherpen ; aguifer fes
dents , zig tot een wakkere maaltyd
bereiden.
Ail, (m) (Aulx au pi.) Knoflook.
Aile, (f) Vlerk, wiek-, fnelhcid ,
gezwindheid ; befcherming > veei'en
vaneen lardeer-priem{ï);buitenjie lood
aan de glazen; (n) fur les aites du
vent , op de vleugelen des winds ; ro-
gner les ailes, kortwieken; il en
tirera pié ou aile , ^y zal 'er ha-
ring of kuit van hebben ;il en a dans
1'aile, hy IS in zyn wiek gefchooten;
il ne bat plus que d'une aile , hy
is uit de mat gejlaagen; (fpr.'w.) ai-
le gauche , de linker vleugel; des
bouts d'ailes , pennen ; fcbachten.
Ailé , ée (adj.) Gevleugeld; che-
val a'üé , gevleugeld paerd , Pegafos.
(by Dichters)
Aileron , (ra) Kleine vleugel ; vis-
i^jm ; divar spiank in f en water-rad}
AIL. AIM. AIN. A]0. AIR.
kleine kraakheenen aan de neus , ( f)
oor-lapje, (n)
Aillette , ( f) Binnenjle rand van
een fchoen.
Aillade, (£)Spys met knoflook toe
bereid.
Ailleurs , (adv.) Elders , in een
ander plaats; d'ailleurs, daarenbo-
ven ; van elders ; par ailleurs , door
een ander plaats.
Airaable, (adj.) Beminnelyk , be-
haaglyk.
Ajmant, (m) JZyl-magneet-fleett,
Aimanté, (é« (adj.) Met een zyl-
fleen , beflreeken.
Aimanter, (v. a.) Met een zyl-fleen
beflryken.
Airaantin , ine (adj.) 't Geen de
kracht van een zyl-fleen heeft.
Aimé , ée (adj.) Bemind, geliefd.
Aimer , (v. a.) Beminnen , lief-
hebben; aimer mieux, liever willen;
s'entr'aimer, malkanderen beminnen.
Aine, (f) De liefch.
Ainé , ée (m. & f.) Oudfle Zoon^
of Dochter.
AineiTe , (f) Droit d'ainefTe ,
eerflgeboorte recht.
Ainfi, (adv.) Zoo, dus , daarom %
dienvolgens; il eft ainfi fait, dit is
zyn naturel ; on eft ainfi fait , zoo
is de eeuw; ainfi n'avienne , God
verhoede het {oud w.) ; ainfi foit-il ,
het zy zoo , amen , ainfi il conclut,
derhalven befloot hy.
Ajourné, ée (adj.) Gedaagd.
Ajournas (ni) Een Gedaagde,
Ajournement , (m) Dagvaarding.
Ajourner , (v. a.) Dagvaarden j
voor V recht roepen.
Ajouté , ée (adj.) Bygevoegd, toe-
gevoegd.
Ajouter, (v. a.) Byvoegen, toe^
doen ; ajouter foi , geloof geeven.
Air , {va) De lucht '; zwier , manier;
bevalligheid {in Schild. k.);fprongy
fleigeringvan eenpaerd{tn de Ry-fch.);
flreek van de wind {f); liedje, ge-
zang, (n); cela à un air de maître,
dat' heeft een meeflerlyke zwier; d/s-
courir en l'air , zoo wat heen praa-
ten; prendre de grands airs, zig
grootfch aan/lellen; des contes en
l'air , beuzelachtige vertellingen ;
prenr-
ARA. AIR. AIS. AIT.AJU.
prendre l'air , lucht fcbi-ppen ; avoir
]'air grand ,een deftig gelaat hebben.
Arain, (m) Kopt^r {n); les inju-
res s'écrivent far l'airain & les
bienfaits fur le fable, beledigingen
ivorden nooit , maar iveldaden ras
vergeten; avoir un front d'airain,
onbefchaamd zyn ; le ciel eft d'ai-
rain , de hemel is ongiwjîig.
Aire , ( f ) Dorfchvloer 3 vlakte van
een vertrek-, nejî van een roofvogel;
grootte van een iviskon/iige f guur.
Airée , ( f ) Dorfchvloer met koorn.
Airer, (v. n.) Nefielen.
Airier, (v-a.) De kwaade lucht uit
een huis dryven ^ bewierooken.
Ais, (m) Berd y plank -, ais de
carton , blad bordpapier.
Aifade ou Aiflade , ( f) Het in-
komen van den fptegel , {zee w.)
Aifance 5 ( f ) Gemak , (n) bekwaam-
heid.
Ailances , (f. pU) Secreet , beime-
tyk gemak j (n).
Aifceau , (m) Kuipers-diffel.
Aife . (ra. & f.) Rufl , blydfchap , ( f)
genoegen (n); la guerre trouble l'ai-
Ve de nos jours , de oorlog fioort de
wellufl onzer dagen -y vivre à fon ai-
fe , op zyn gemak leven.
Aife , {zà].)Verblyd :,vrolyk , lujïig.
Aifé , (adj.) Ligt , gemakkelyk ; wei-
gegoed ; handelbaar ; les aifez , de
fiezoede lieden.
" a 1'Aife , (adv.) Zonder moeite;
fix homnies de front y palTent à
l'aife , fes man op een ry gaan 'er
gemakkelyk door.
Aifément , (m) Secreet , huisje ,
(n)
Aifément, (adv.) Gemakkelyk, Ug-
telyk.
Aiflelle , ( f) Oxel onder de armen.
Aifl*ette , ( f) Kleine diffel.
Aiflieu y (m) As van een wagen.
Aitiologie , ( f) Ziektens-oorzaak-
kunde.
Ajadant 9 (m) Adjudant in een
leger.
Ajuftages , (f. pi.) De toefiel-
ting van waterpypen , trompsn ,
enz.
Ajufte , ( f) Aanfplitzing van fow
;venj {zee w.>
AJU.ALA.ALB.ALC. 21
Ajufté , ée (adj.) Opgefchikt , ver-
effend.
Ajuftementj (m) Kleeding , veref-
fening, (f)
Ajufter, (v. a.) Opfchikken,optooi-
jen, vereffenen; ajufter des balan-^
ces , fchaalen gelyk maaken ; ajufter
bien les coups, de jlooten wel aan-
brengen , ( in de fçherm-fch.) ajufter
quelcun , iemand afroffen.
s'Ajufter , (v. r.) Zig opfihtMen ,
ztg voegen j overeenkomen.
Ajüftoir , (m) Kleine fchaal , {in
de munt gebezigd) (f)
Ajutage, {Zie Ajuftages.)
A la fin , ( adv. ) Eindelyk , ten
laatfien.
Alaife, (f) Sluit-fïuk , {by fchryn^
werk.)
Alambic , (ni) Dijîileer-ketel ; l'af-
faire a pafie par Valsimbic , de zaak
is naauw onderzocht.
Alambiquer , (v. a.)s'Alambiquer
l'efprit, OU la cervelle, zyn geeji
ofherffens e f gens over kzvellen.
Alan , (m) Groot e bulhond.
Alaque, (f) Phm , vierkant Jl uk
waar op een zuil rufi , (n)
Alarguer , (v. n.) Zig in de rui-
me zee b e ge even.
Alarme, (f) Wapen-kreet , alar-
me, vreeze, ontrulling , omjîeîtenis.
Alarmé , ée (adj.) f^erfchrikt , ont-
field.
Alarmer ? (v. a.) Verfchrikken , ont-
fiellen.
s'Alarmer, (v. r.) C'eft bien )à
de quoi tant s'alarmer j moet meit
zig daar over zoo ontjlellen ? .
Albâtre, (m) Albafier ; {n) wit-
heid , ( f)
Al berge , (f) F'roege perzik.
Albergier , {m)rropgeperzik-boom,
Albique, (f) Zeker wit of vet
kryt.
Albornos , (m) Mantel met een
kap , {by de Moor en)
Al bran , (m) Jonge wilde Eend.
Alchymie, {£)Smelt-konfi in tne-i
taaien, {lees Alkymie)
Aichymique , (adj.) Dat daar toe
behoord.
Alchymifte, (m) Mefaal-fmelter f,
Goud-Zoeker,
B 3 Alco^
22 ALC,ALE. ALF.ALG.
Alcolifer, (v. a.) Fynder , zuiver-
der maaken , {m Chym.)
Alcoran , (m) Net Turkjch Wet-
boek , (n) alcoran , (m)
Alcove , (ra. mais le plus Souv.
f.) Alkove, (m).
Alcyon , (ra) TsvogeL
Alderman , (m) Scheepen , Raads-
heer in Engeland.
Aledorienne ,(f) Steen die in de
maag der Haanen gevonden vuord.
Aleftoromancie , ( f) Waarzeg-
ging door middel van een Haan.
Aledlrion , (ra) Jonge Soldaat,
gunjïelir.g van Mars.
Alégre, (adj.) Vrolyh , blysteejïig.
Alégrementi (adv.) LuiUg/yk.
Alégresfe , ( f) Blydfchap , lujl.
Aléne , (f) Schoenmakers-els.
Alênier , (m) Elzen-maaher.
Alentir, (v. a.) Vertraagen; ver-
zachten., {heter ralentir)
Alentour , (adv.) Rondom , omleg-
gende ; d'alentour , rondsomme-, lieux
d'alentour, omleggende plaàtzen.
Alerion , (m) 'Kleine Arend zon-
der hek of klaauzven , (in Wapen-k.)
Alerte, (adj.) Wakker.^ vlug.
Alerte , (adv.) Sa^ vlakker Ipajl op!
Alethe, (ra) Indifche Fogel be-
kwaam ter Patrys jacht.
Alette ) (m) Kleine vleugel , ( in
Bouw-k.)
Aleu , (ra) Terre de franc aleu ,
vry erf-leen , (n)
Alevin , (m) Kleine Vîfcb ; groei.
Alevinage , (m) Uitfcbot van f^ifch.
Aleviner , (v. a.) Een vyver met
Vifch voorzien.
Alexipharraaque ou Aîexitere ,
(adj. & fubft. ra.) Tcgervergift , (n)
Alezan , (ra) Een ros PaerJ , F'os.
Alezan , ne (adj.) Ros- achtig
{van Paerden gezegd)
Aleze OU Aiaife , (f) Laaken om
een zieken in te koejïeren ; 't fmalfle
plankje van een paneel^ (n)
Alezé , ée , (adj.) Chevron ale-
zé 5 afgpjJomptp fparre , {in Wapen-k.) _
Al fange, (£) Soort van Latton%v.'
Al fier, (m) Spaanfche Vaandrig •,
(fpot-vu.)
Al gal ie, (f) Bolle pyp om dewa-
ferloozing ;# bevorderen , (m HeeLk.)
ALG. ALH. ALL
Alganon , (m) Ketting die de ga-
lei Slaaven draagen om ze te onder-
kennen , ( f )
Algarade , (f) Sthimp , fmaad ;
vyandelyke inval.
Algaroc , (ra) Braak-purgeer-poe-
der , (n)
Algébraïque, (adj*) Dat tot den
f el-regel behoord.
Algèbre , ( f) St el-r egel , Algebra -,
c'eft de 1'aigébre pour lui ,hy ver-
Jiaat 'er niets van , {fpr. iv.)
Aïgébrifte , (ra) Die de Algebra
verjiaat.
Algue ou goüëmon ,{ f) Zeegras i
wier , (n)
Alhandal , (m) Koloqnint-koekje ^
{by Apoth.)
Alhedade ou Alidade, (f) 2^eke-
re liniaal in Wiskunde gebezigd.
Alibi, (m) Uitvlugt , (f) elders
{Lat.w. in Recht.) prouver la faus-
feté de l'accufation ,par un alibi,
de ongegrondheid der befchuldiglng y
mpt op een ander plaats geiveejl te
hebben y bewyzen.
Alibi-forain ,{m)Iedele uitvlucht^
voorwending , ( f ) "
Aliborum , où raakre aliborum
(m) , een doorjlepen quant , looze vos ,
die voor geen een gat te vangen is.
Alichon, (ra) Plank van een wa-
ter-rad, waar op het water valt.
Aliénable, (adj ) Vervreemdbaar,
Aliénation, (f) Vervreemding .,
overdragt van goederen j afkeer-,
aliénation d'eCprit, verwerring van
zinnen.
Aliéner , (v. a.) Vervreemden;
aliéner des biens, goederen verkoo-
pen, vervreemden-, aliéner fes affec-
tions , zyne liefde aftrekken j s'aliéner,
(v.r.) zig afzonderen.
Alignement, {m) Afmeeting.
Aligner, (v. a.) Met een fnoer af-
meet en ; item h'fpringen , dekken , (be'-
trekkelyk tot Wolven).
Aliment, (ra) Voedzel, {n) fpyze ,
(f) onderhoud ,{n) les fciences font
les alimens de refprit,al? zveten-
fcbappen zyn Toedzel voor het verjïand.
Aiiroentaire, (adj.) Tot het on-
derhoud behorende -f penfion alimen-
taire , kojigelj^
AUmen-
ALI. ALK. ALL.
AHru. f. t , (V. a.) uideu., fpy-
ten , onder boUi.iiï: , {meejl tn Rychtjn).
A ijne'ueux, '-.uie(adj.) Sac ali-
nii-nceun, 'joedtnd Jap.
AH; éd , (m) .'^cgm van efn n'wwwe
Ltniey (ti)
A'inger, (v. a.) M(t Linnen voor-
zie}?.
AI.quante,(adj ) Partie aliquan-
te , een getal dat van de Jeclivge ove-
rig ;., als , 4 ï/: H ^'hf* 2.
Ai'quote , (adj.) i'arcie ahquote ,
getal dat in een groot er nit opgaat.
Aii.e. {Zie AÙz ).
Aiifé, ée. (Zie Alizé).
A'ifon , (f) Madame alifon , /V
zoo veel als domme , acinelooze Els ,
{l'^rouwen naam)
Alité, .?e (adj.) Bedlegerig.
Aliret , (v. a.) Het bed doen bou-
din ; s'alicer, zig te bedde leggen,
uit ho fde van ziekte.
A: i'^e , (f) De vrugt van een Lo-
tus-boom.
Alizé , ée arlj ) Vents alizez,
vajle-pajjaat-zvinden , (zee ii'.)
Alizier, (m) Een Lotus-boom.
Alkali, (m) (arab. iv.) Zout dat
uit de bergfioffen en kruiden getrokken
word,
Alkalifer, (v. a.) Zout uit de vii-
fieraalen en planten trekken.
Alkalifation, (f) Het uittrekken
daar van.
Alkekengï , (m) Jooden kar s , kriek
over zee.
Alk hermes , (m) Jlkermes , hart
verderkrnd rniddil , (in Geneesk.)
Alkool, (m) (arab. iv.) Een al-
der fyn,l e poeder , (in Chym.)
Alkoolifer, (v. a.) Tot een al~
derfynjle poeder Jlo ten.
Allaiter, (v. a..) Zoogen, met melk
voeden-, allaiter un enfant , ^f« kind
de borjl geven.
Allant, te (adj.) gaande-, les ?.l-
lans & les venans , de gaande en
komende man-, un allant, ^'fw die al-
tyd her om loopt en niets verzuimd.
Al I éc he me n t , ( m ) jdanlokking ,
(boert, w.) (f)
Allécher, ( V. a.) Aanlokken^
(boert, vu.)
Allée, (f) Laan,dreeffgangi(f)
ALL, 23
pad; (n) après piuneurs allées öc
venues , na veel heen en weer hopen ;
jelui ai donné l'aliée & Ie venir,
ik heb hem muilpeer en links en rechts
gegeven, (jpr. w.)
Allégation, (f) Aanhcaling van
eenig beuys-jluk offcbryver.
Ai'ége, (f Een Ligter , (zeker
f'^aartuig) (m)
A i légeance , ( f ) f^erligting , (Poet,
w.)
Allégement, (m) De ligt ing van
een Schip , ( f )
Allégement, (ra) f^erligting, (f)
(Soulagement is beter)
Alléger, (v, a.) Verligten-j ligten',
cela allégera (beter loulagera) Ie
mal , dat zal htt quaad verligten }
alléger un VailTeau , een Schip ligten,
AUégerir, (v. a.) f^erligten, lig-
ter maaien , (in de Ryjcbool)
Allégorie , ( f) FerUoemde fpreei»
wyze , Ie en fp reuk.
Allégorique , (adj.) Verbloemd ^
byfpreukig.
"Allégöriqueraent, (adv.) Ver.'
bloemdelyk.
AUégorifer, (v. a.) leis uitleggen,
rr.et gelykenijfen , redeneeren,
Allégorifeur , (00) Verbloemde re-
naar, (boert, w.)
AUégorifte , (m) Uitlegger van de
Schrift door gelykenijjen ,
Aaégre. (Zie Aiégre).
Alléguer, (v. a ) Bybrengen, aan^
haaien; alléguer un paîlage de i'E-
crLiure, een Schriftuur-plaats aan-
haalen; alléguer pour raifon , voor
reien voorwenden.
Alleluya, (m) Een Lofzang; loofJ
den Heere , ( hebreeuxvfcb w.) item
zuur e klaver, (een kruid)
Aller, (v.n.) Gaan ,enz. je vais,
tu vas , il va, nous allons, vousal-
lez, ils vont j(reg.)j'allois,j'anois,
je fuis,j'étois,je fus alléi (irreg.)
j'irai, tu iras, il ira, nous irons,
vous irez , ils iront j va , qu]il
aille, allons, allez, qu'ils ail^
lent; que j'aille, &c. j'irois, ta
irois,il iroit,&c. que j'allaflei
allant, allé; allez en paix, gaar
in vrede ; ne faire qu'aller &
venir, alfyd in beweging zyn; je ne^
B 4 » ferai
24 ALL.
ferai qu'aller & venir , ik zaî niet
tlyven , maar terjîond iveérom zyn ;
aller au devant àe, tegemoet gaan,
voorkomen-, aller à l'excès, buiten-
Spoor ig te werk gaan; je n'ai rien
dit qui aille à vous , tk heh niets
gezegt dat u raakt; comment vont
vos affaires? hoe ^aan u zaakenl un
rafoir qui va bien , een f ch eer mes
dat wel fnyd; les extravagans ne
vont gueres loin fans ennuyer ,
dte te veel praats hebben vervee len
ras; j'irai jusqu'à cent francs, ik
zat 'er honderd guldens aan waagen;
il Y va de vôtre honneur , uwe
éer hangd 'er aan^ efl ce ainfi que
vous y allez? is dat u maniere il
. va fortir , hy is gereed om tut te
gaan; il va être le plus infortuné
des hommes , hy jlaat op het punt
cm een allerongelukkigfi man te wor-
den; allez, vous n'êtes qu'un ap-
.prentif en cela , loop , gy zyt 'er
rog maar een Leerling in; aller par
haut & par bas , zig onder en boven
ontlajlen; cela s'en va fans dire,
dat /preekt van zelfs; au pis aller,
op zyn quaadjle genomen ; aller en
bateau , vaaren ; aller à cheval ,
en chariot, te paerd^ in een wagen
ryden; aller de pair avec quelcun,
met iemand gelyk 2y«- aller en cour-
fe , ter kaap vaaren; aller au plus
yrès du vent , foherp hy de wind
houden, loeven ; aller de bout au
vent, in de wind zeilen; aller vent
îargue , ruiinfchoots zeilen; ( zee-
woord ) toutes les eaux des
yivières vont à la mer, al het wa-
ter der rivieren loopt na zee; rien
lïe va plus vite que Ie temps ^
0iiets loopt rajjer als de tyd ; ce cal-
cul va à tant ^dceze nekening beloopt
200 veel; cette pieee de terre va
en pointe, dit Jiuk eindigt met een
_fKWf ; ces ouvriers vt^nt lentement,
xiie werklieden zyn langzaam m hun
doen-f le commerce ne va plus, de
koophandel gaat niet; comment va
votre fanté.^ hoe is 't met uw ge~
zv:dhcid ? aller eu le Rbi va à
pjed, op het buitje gaan-, Allons!
(inLgrJ.) kom aan! koml allons !al-
|pn| nous en, '; za ivakhr l Iç^at
all:
ons heen gaan ; allons! finiffons,
kom ! laat ons 'er een einde van maa^
ken.
Aller, (m) Il a eu l'aller & le ve-
nir , (fpr. w.) hy heeft op beide de
ooren gehad.
S'en Aller, (v. r.) Heenen gaan',
faire en aller, weg jaagen; il s'en
va pleuvoir , het gaat regenen j
s'en aller par terre , vallen
Alleure. (Zie Allure).
Allczer, (v. a.) 't Gefchut rei-
nigen.
Allézeur,(m) Injîrument daar toe
Alliage , (m( Menging der metaa-
len en andere dingen.
Alliaire, (f) ^Vilde knoflook.
Alliance, (f) l^erbnnd ; (n) rjgr-
maagfchapping ; vermenging ; { f)
Allié, ée (adj.) l-^erbonden; ver-
maagfchapt , vermengd.
Allié , ée (m. 6c f.) Een Bondge-
noot ; verwant.
Allier , (v. a.) Metaalen of iets
anders mengen; verbinden; s'allier ,
(v. r.) ztg verbinden} zig vermaag-
fchappen.
Allier, (m) Patrys-net , (n)
Allobroge , (m) Een Savoyaard,
een Dommerik, Lompert.
Allocation , {£) Goedkeuring ,
aanneeming e ener rekening.
Allocution , (f) Opentlyke aan-
fpraak van een Keizer of Legerhoofd
tot zyn volk, in oude gedenkjïukken
vertoond'
Allodial,^ ^le (adj.) Erflyk ; deç
biens allodiaux, onleenroerige Goe^
deren.
Alloi. (Zie Aloi).
Allonge. {Zie Alonge).
Allouable, (adj.) Dat men in eene
rekening toelaaten kan.
Alloué , (m) E enen in de plaats
van eenen anderen aangejlelde in eeni-
ge zaak; item een uitgeleerde Leer-
jongen die voor knegt hy zynen Mees-
ter blyft.
Allouer, (v, a.) Een poji in eene
rekentng gelden laat en, goedkeuren.
Allouvi,ie(aij.) Hongerig, vra-
trg als een IVolf.
AHuchon , (m) Tand die in het
kam rad van em Mole» vat,
^ A|l'4'
ALL. ALM. ALO. ALP,
AUumelle , (f) Lemmer van een
mes ( n ) > ten Priejiers rok zonder
mouwen.
Allumer , (v. a.) Aanjieeken ; al-
lumer de la difcorde , tweedragt
Jiigten, verivekken.
Allumette, (f) ZwavelJIok , (m)
iets daar men mee aanjïeekt.
Allure, (f) Gang, tred; (m) je
connois fes allures, tk ken zyn ma-
nieren.
AUufion, (f) Zinfpeeling.
Alluvion, (f) jianfpooring, aan-
was van land.
Almodie , ( f) Schuitje der Wil-
den, (n)
Almanach ou Calendrier , (m)
Almanak, Maandwyztr .
Aio cation. {Zie Allocation).
Aloë,ott Alois, {m)Aloe, {Art-
zpny).
Aloi , (m) Munt-Jlof; alloy ; item
waarde daar van ; fes connoiflan-
ces font de bon aloi , zyne kun-
digheden zyn egt.
Aloiau. {Zie Aloyau).
Alonge , ( f) Iets dat aangehecht
word om te vercenigen ; hairlok',
item {in Scheepsb.) een oplang ,Jleeker',
item Kromhouten.
Alongement , (m) f^er lenging; uit-
Jirekking.
Alonger, (v. a.) Verlengen, lan-
ger maaken; alanger Ie bras, den
arm ui;jleeken; alonger la courroie,
{fpr. w.) ongeoorloofiie wïnjl neemen.
Alopécie , ( f) Uitvalling van 't
hair.
Alors, {adv.) Als dan , toen , toen-
maals , op -die tyd.
Alofe , ( f) Een Elft , {vifch)
Alouchi , (ro) Gom van de Kaneel-
boom.
Alüuer. {Zie Allouer).
Alouette , ( f) Een Leeuwerik.
Alourdir, (v. a.) Dom mcaken,
i-?rdooven , {gem. w.)
Alouvi. (Zie Aliouvi).
Aloyage. {Zie Alliage).
Aloyau , f m) Een Harfï , dy-Jluk.
Aloyer, (v. a.) Metaalen mengen.
Alpen OU Alpage , (m,0«i^/'/ûfgc/
land, (n)
AlpUabet, {m) Het A, B,C, (n)
ALP. ALT. ALU. 2f
Alphabétique, ' adj. ) Alphabe-
tifch , volgens het A , Ü , C.
AUe. {Zie Halte).
Altérable , (adj.) Veranderbaar)
veranderlyk.
Altérant , ante (adj.) Dorfi wr-
wekktnd, {in Geneet k.)
Altératif , ive (adj.) Dat iets ver-
anderen , omkeeren kan.
Altération , (f) Verandering ;
ontjieltents ; dorjl.
Altersas, {oud w.) Twijl.
Altercation , ( f) Twijl , ( f) har-
rewarren , (n)
Altérer, (v. a.) Vérander m » ver-
valjchen; dorfi verwekken; la débau-
che altere la fanté , de overdaad
bederft de gezondheid» s'altérer ,(v.r.)
dorfi: g worden; erger worden.
Alternatif , ive (adj.) Beurte-
lings.
Alternative , (f) Avoir l'alter-
native , de keuze van twee zaakeii
hebben.
Alternativement , (adv.) By beur-
ten , by verwijfeliftg.
Alterne , (adj.) Beurtelings ge-
plaat fl ofjlaande.
Alterné , ée (adj.) (in Wapenk.)
Kruiswyze geplaatfi.
Alterner , (v. a.) By verwiffélïng
af en aahjïellen.
Akeffe, ( f)Son AltefTe 5érénis-
firae , Zyne , Haare Doorlugtige
Hoogheid.
Altier, ere (adj.) altierement ,
(adv.) Trots , fer , {weinig geb.)
Altimetrie, (f) Hoogte meeting,
Alude , (f) Gekleurd Schaapen-
leer , (n)
Aludel, (m) Sublimeer/>o^, (iy
Smelters)
Alvéole , (m) Sand-hot, celletje
van een Bye-korf; het binnenjle van
het oor; holligbeid daar een bloem in
legt op de plant.
Al vin {Zie Alevin).
Aluroelle. {Zie AUumelle).
Alumiere, (f) Aluin-maakery .
Alumineox, eufe (adj.) Aluinig,
Alun , (m) Aluin.
Aluner, (v.a.) Aluinen ^ in aluin.
water doopen.
Alure. ^Zie Allure),
^5 Am»'
2,6 AMA.
Amabilité , (f; Bemimens ivaer-
digheid.
Araadis , 'm) Ou bouts de man-
che , mouivtjes van binnen aan de
mouw gehegt.
Amadote, (f) Amadoten peer.
Amadou > (m) Tuntel , zxvam.
Amadouer, (v, a.) (^leien y flikke-
floijen , Pr pelen.
Amaigrir , (v. a ) Ma^er maaken ;
Jlegten , dunner mankm , (i y Timmerl.)
amaigrir un champ , eenen akker uit-
putten.
Amaigrir , ^v.n.) s'amaigrir , (v.r.)
yermageren , uitteeren.
Amaigriflement , ( Ri ) f^ermage-
rwg,(n '
Almagamation , (f) l^erkalking ,
Calcineering ^'a>2 Metaal.
Amalgamer, (v. a.) Metaal met
Kivikziher mengen , oplojfen.
s'Amalgamer, (v- r.) Zig Calci-
neeren.
Amande. {Zie Amende).
Amande, (f) Amandd', item pit,
kern van een 'urugt,
Amandé, (m) Amandet-melk, (f)
Amandier, (m) Amaideî-boom.
Amant, ànte (m. & f.) Minnaar;
Minnaar es.
Amarante ou Amaranthe , ( f) A-
fnarant 9 dutzend-fcboon , f.uweel-
bloem.
Araaranthine , (f) Een fôort van
Anemonie.
Amarque , ( f ) Haven-tomie , Baak ,
zee iv.)
Amarrage , (m) Het ankeren , mee-
ren van een Schip ; item het Anker-
toUTverk ; (n) zei zing van twee tou-
nx'en aan malkanderfn.
Amarrer, (f) Meer-touw, Kabel-
touw, (n)
Amarrer , (v. a ) Een Schip mee-
ren , vaji maaken ; item het wand
vafl maaken , beleggen , forren ,
(Scheeps w.)
Amas , (m) Vergaaring , meentgte,
(f) hoop.
Amaffer, (v. a.) T^er zamelen , by
een fchraapen, opraapen; s'amafTer ,
(v. I"-) ^y ^^^^ komen.
AmafTette, (f)' Schilders opraap-
mes of Spaant je, (n)
AMA. AMB.
Amatelorer , (v. a) Twee ên tweB
Matroozen by een zetten om te werken.
Amateur, (m) Beminnaar , Lief-
hebber.
Amatir , (v. a.) Goud of zilver
doof maaken y wit kooken.
Araauro e,(f) btar op V oog.
Amazone, (f) Heldtn, Amazoon.'
Ambaft, (m) Ambacht , {dijlriâ m
Vlaanœrev).
Ambages, (f. pi.) Croate omtvegen
in de reden.
Ambarvalles , (tî. pi.) Feejl ter
eer e van Cr re? by de oude Romeinen
om een overvloedige oogfi.
AmbafTade , (f) Gezantfchap , (n)
An;baffadeur , (m Gezant , Afge-
zant; aankondiger.
Amr^afladrice , ( f) Gezantsvromv ;
boodfchapjter. ^
Ambefas, (m) 2 eenen in dobbel-
fpel.
Ambidextre, {a.â].) Slinks en regts
zyn , beide handen even goed gebrui-
ken.
Ambigu , (m) Maaltyd daar de
ge r egt en en vrugten taffen s opgedra-
gen %vorden -y c'eft un ambigu on ne
fait ce cu'il eft , het is een mengel-
moes men weet niet wat hy is.
Ambigu , ne fadj.) Dubbelzinnig.
Ambiguïté, (f) Twypelagtigheid.
Ambigament,(a,dy.)DubbelziKnig-
lyk.
Ambitieufement > {diàY.)Staatzug-
tiglyk.
Ambitieux , eufe (adj. & fubft.)
Staatzugtig,eergierig;eenjlaatzugtïge.
Ambition , (f) Sterk verfangen
naar iets y JJaatzucht.
Ambitionner ,(v.a.) Zeer na iets
hegeeren , Jlaan.
Amble , (m) Cheval qui va l'am-
ble , l'aerd dat den tel gaat.
Ambier , (v. n.) {beter) aller
Tamble , den tel gaan.
Amble ur , (m) Een onderberyder
in een Konïngsjîal.
Ambîygcrie, (m) ou Angle ob-
tus , jlompen-hoek , {in Landm.)
Amblyopie, (f ) F'erduijîering der
oogen.
"Ambon , (m) Verheven plaats in
een Kerk voor de Zangen^
Ambo-
AMB. AME.
Ambonoclaftc , (m) Haater van
Kerk muziek.
Ambiurir ou Emboutir, (v. a.)
Gedreven 'werk maaken.
P^mb<jUi\^o\vlra)'VerktuiQi daar toe.
Ambre ,(m) Amber y Banfieeu ; zm-
bre gris , amber gry s ^{zekere govime)
Ambrer, (v.'a.) Amber en , met
amber bereiden.
Ambretce , ( f ) Amber bloem.
Ambroifie, (f) Goden-fpys , (by de
Digteren)
Ambulant , ante (adj.) Omivande-
lend , o mr ei zend.
Anbiilanc, {m) Een die op'tLand
heromryd om op ^f Collecteurs «g.' te
geven ; item een Reiziger j JZwerver ,
als Toneelfpeelders , enz.
Ambulatoire , (adj.) Plaats ver-
nviJTelend', onbejtendtg.
Ame, (f) Ziel, geeji , moed; z-
pie mercenaire , een baatzugtige
ziel ; rendre l'ame , de geeft geven;
fur mon ame, op myn v^ewijfen ; une
ame vivante , eene levendige ziel;
ma chère ame , m\n voacrde ziel;
l'ame d'un canon , de loop van een
gefchut; l'ame d'une dévife, de woor-
den van een zi nfpr eu k ; l'ame du vio-
lon , de ha/pel van een viool ; l'ame'
de fagot , 't hinnenfte van een takke-
boi ; ame de vin , aam ivyn.
Amé , ée (adj.) (ii de Koninglyke
brieven gebruikelyk) à nos amés &
féaux, aan onze lieve en getrouwe.
Ameifter , (m) Burgermeefter in
Straasborg.
Amélette. (Zie Omelette).
Amélioration, (f) Ferbeterîng ,
(in Rechten.)
Améliorer, (v. a.) Huis of Erf
verbeteren.
Améüoriflement , {mjP^erbstering,
A même , (adv.) Vouz êtes a
même , faites ce qu'il vous plai-
ra » gy zyt u eigen meefter, doed wat
u belieft , {weinig gebruikt)
Amen , (m) Het zy zoo , Amen.
Aménage , (m) Het aanvoeren,
voerloon , in)
Aménagement , (m) Het toevoe-
ren , (n)
Aménager , (v. a.) Hout aanvoeren.
AME. 27
Amendable , (adj.) Dat verbeterd
worden kan; item ftrafbaar wegens
geldboete.
Amende, (f) Geldboete; mettre k
l 'amende, in boete beftaan; bekeu'
ren ; amende honorable , opentlyke
Kerkboete.
Amendé, ée (adj.) f^erbeterd ; be"
mijl ; bekeurd.
Amendement, (m) Verbetering i
mijiing van Land ; boete oplegging j
betering van een en zieken; amende-
ment de vie , betering des levens.
Amender , (v. a.' & n.) Beteren
van ziekte; werk of Land verbeteren -^
boete opleggen ; s'amender , (v, r.)
bettr woraen tn gezondheid of zeden.
Amener, (v. a.) Aanvoeren; a-
mener des marchandifes, goederen
aanbrengen; amenez Ie avec vous,
brengt hem met u ; amener à la rai-
fon , tot reden brengeu ; amener les
voiles,a> zeilen flryken ; amener le
pavillon , de vlag flryken , zig
I overgeven ; amener un vaifleaa
! een Schip by haaien , r.aderen ,
j in wtnnen ; (zee w.) un malheur
* amené fon frère , 't eene ongeluk
komt by 't anderen , (fpr. zv.)
Aménité , ( f ) Aménité d'un
lieu , d' aangenaamheid van een plaat s.
Aménuiier , (v. a.) Verdunnen 9
dun fchaaven.
Amer , ere (ad].) Bitter ; fmerte-
lyk ; l'onde amere, de zoute zee.
Am-rr , (m) Gdl van Vifch, enz. ( f)
Amèrement, (adv.) Bitterlyk.
Amertume, (f) Bitterheid ;fmer^
te ,(f) ongenoegen (n) ; adoucir les a-
merturaes, de fmerten verzagten.
Ame fu rement , (m) Afmeeting, (£)
Amefurer , (v. a.) Afpaffen.
Améthyfte, (f) Amathyfi , (edel
^ejleente)
Ameublement , (m) Stoffeering ;
(f) avoir un fore joli ameuble-
ment , een fraaye huisraad hebben, '
Ameubler ou Emmeubler ,(v^a.)
Stnffeeren met huisraad. (Zie Meu-
bler).
Ameublir , (v. a.) (in Regten\
Vajle goederen onder de loffe rekenen^
item aarde ovifpitten.
Ameubliffement, (m) Hef maa-
if»
28 AME. AMI.
ken van vajle goederen tot tojje ', (n)
omfpltting ; ( f ) ^ ,
Ameutement, (m) 't Zamenkop-
pelen van jfagthonden.
Ameuter, (v. a.) Jagtbonden kop-
pelen i item honden of menfchen op-
biïzen ; s'ameuter , (v. r.) 't zamen
rotten* ^ ,. .
Ami , ie (fubft. & m. f. adj.)
Vriend-, vriendin-, vriendelyk; agir
en ami , als een vriend handelen i
jn'&mie,myn liefjle; les bons comp-
tes font les bons amis , effen reeke-
nmg maakt goede vriettdfchap , ami
lefteur ! befcheiden leezer !
A-mi , (adv.) A-rai chemin , half
•weg.
Amiable, (adj.) Vriendelyk.
à r Amiable , (adv.) Terminer
un different à l'amiable , een gefchil
in der minne effenen,
Amiableraent , (adv.) Vriende-
lyk.
Amiante , (ra) Steen vlas , gemaakt
van een fteen aldus genaamd.
Amical, (adj) Lettre amicale,
iprienden brief.
Amicalement , (adv.) f^nends-
ivyze.
Amia, (m) Pricjïerlyk hoofd- en
fchotider kleed, (n)
Amidon, (m) Styfzel ^ (r)
Amidon nier , (m) Styfzel-maaker-
verkooper.
Aniignarder , (v. a.) (beter Mi-
gnarier) Streelen , liefkoozen,
Amignoter, (v. a.) Bederven met
liefkoozen , gelyk de minnen de kinde-
ren doen.
Amincer, (v.,a.) Dun maak en ,
"jtrdunnen,
Amineur , (m) Een Zoiit-meeter.
Amiral, (m) Zee-voogd , jidmi-
raal ; /admiraals f chip.
Amiral, le (adj.) jidmiraalfch.
Amirale , (f) Admiraals Vrouw;
Admiraal-galei.
Amirauté , (f) Admiraalfehap ,
(n) Admiraliteit.
^mifiibilité, (f) Hoedanigheid van
IjPt gepn verhoren kan worden , {in de
God'^eleerdheid}
AmitTible , (adj.) l^erlieibaar,
Aüiit. {.Zie Amift).
AMM. AMN. AMO»
Amitié , ( f) Vriendfchap , beleefd-
heid; amitié des couleurs, overeen'
komjl der verwen ; (in Schilder k.) fai-
tez moi cette amitié , doed my die
gunji.
Ammites, (f) Zand-Jïeen.
Ammoniac ou ArmoniaC, (m)
Salmiac , (eene gomme)
Amnios , ( f ) Tweede dunne huid
die eene ongeboorene vrugt omvat.
Amniftie , ( f ) Vergiffenis van al'
Ie verongely kingen.
Amodiateur , (m) Pagter, ver-
pachter, {zie ook Fermier)
Amodiation, (f) Ferpagting.
Amodier, (v. a.) Pagttn; ver*
pagten, tn buur nemen of geven.
Amoindrir, (v. a.) Verminderen.
Amoindrir, (v. n ) s'amoindrir»
(v. r.) Minder , jlegter worden. /
AmoindrifTement , (m) Vermin-
dering , ( f)
Amoins de , (conj.) à moins de
vingt piftoles vous ne l'aurez pas > .
minder als 20 pifïoolen zult gy 't niet '
hebben; à moins que j'aye , ten zy
dat ik hebbe ; à moins que d'avoir <
étudié , ten zy dat men gejîudeerd
hebbe.
Amoife , ( f ) Eene dwars fparre.
Âmolettes, (f. p!.) Spil-braadfpit-
gaaten , {Scheeps. w.)
Amollir, (v, a.) Verzagten , week
maaken ; laj- verwyfd - maaken ; s'a-
moUir, (v, r.) gedwee worden; ver-
wyfd worden.
Amollifleraent , (m) Verzagting ,
(O
Amomie , (m) Jamaica peper.
Amonceler » (v. a.) Ophoopen.
Amonéter ,{v,a.)Vermaanen,{Zie
Admonêter).
Amonition , (f) Pain d'amonî.
tion , Ccmmis-b rood.
Amont, (adv.) Tegen Jiroom, op^
waards; le vent d'amont, rf'oo/î?«
wind.
Amorce, ( f ) Aas, lok-aas; (n)
aanlokking ; ( f ) het kruid op de pan
van een vutir-roer ; (n)
Amorcer , (v. a.) Aas aan een hen^
gel doen; iemand aanlokken ^ aamoe-
moedlgen ; kruid cp ds pan van ' een
. '■juur-roer doen,
Amor-
AMO. AMP*
Amorçoir , (m) Steek-boof der wa-
gen of rademakers , (n)
Amortir , (v. a.) ^flojjen j vetjïer-
•ûen-, uitblujfchen; amortir une ba-
Ie, een kogel dempen; amortir les
paflions, de hartstochten verkoelen -,
amortir les rentes, renten aflojfen.
Amortiflable, (adj.) Dat afgelojl
kan woraen»
Amortiffement , (m) ^flojjftng;
verjlerv'tng ; demping j ( f)
Amovibilité , ( f) Herroepelykheid ,
dat afgezet kan worden.
Amovible , (adj^) Herroepelyk.
Amour , (m) De God der liefde ,
Cupido 't de liefde ,de min ; pour l'a-
mour de moi, om mynent wil ;mon
amour, m'amour, myn fchat, mjn
hert; {in V meervoud is dit woord
féminin) als 't Itefde betekend.
Amouraché, ée (adj.) Verliefd.
s'Amouracher , (y» r,) Verliefd
worden , {gem. w.)
Amourette , (f) Heimelyke ihin-
handel; item kalverliefde.
Amoureurement ,(adv.) Mînnelyk.
Amoureux, eufe (adj,) Verliefd,
Ampateler, (v. a.) Wol blaauw
verwen.
Ampelite, (f) jiarde die zig in
oiie ontbind en dan diend om 't hoir
zwart te maaken.
Amphibie , (m. & adj.) Dat te
water en te land leefd; als een Otter ^enz.
Amphibologie , ( f) Dubbelzinnig-
heid.
Amphibologique , (adj.) Dubbel-
zinnig.
Amphibôlogiquement , (adv.)
Vubbelzirmiglyk.
Amphiptere , (m) Sta?2g met twee
vleugelen, (f)
Amphisbene , (m) Slan^ met twee
hoofden , ( f )
Amphifciens, Cm) Inwoonders van
de verzengde Lucht f reek .
Amphithéâtre , (m) Een ronde
Schouwburg , (f)
Amphiirite, (f) Godinneder zee.
Ample, (adj.) Ruim^breed^wyd ,
uitgebreid; robe ample , wyde roh ;
ample matière , wyd kftige Jloffe ,
ample pouvoir, uitgeftrekte magt,
Amplemeflt, (adv.) Breed,
AMP. AMÜ; öiT
Ampleur , ( f) Ruimte , van kh^
deren gezegd)
Ampliateur , (m) Uitbreider , ver-*
grooter.
Ampliatif , ive (adj,) DatuifJIrekty
vermeerderd.
Amphation , ( f) UitbreiÉng ; ver"
leng ing.
Amplier,(v.a.) Amplier Ie ter-
me d'un paiement , de tyd van be-
taaling verlengen; amplier un cri-
minel , eenen misdadiger zyn vonnis
opfchorten; amplier un prifonniei^
eenen gevangenen meer ruimte geven^
(m regten).
Amplificateur , (m) Uitbreider i
vergrooter ; (in redenk.) amplificateur
des impôts, É-fTi die meer fchattingei$
vraagd als hem toekomen.
Amplification , ( f ) Vergrooting^
cierlyke uitbreiding.
Amplifier, ( v. a.) Uitbreiden ,
vergrooten, door omjîandigheden.
Ampiifllme, (adj.) Zeer voortref-
felyk, {eertytel op de hooge Schooien
gebruikelyk ; als : Refteur amplis^
lime).
Amplitude , (f ) ÏVydte der Ster^^
ren op- en onder -gang y van de mid»
del-lyn.
Ampoule , (f) Een blaâr , (f)
watsr-blaasje ; glaze flesje; (n) la
fainte ampoule , oliefles ter zalvin^
ge der Koningen van Vrankryk.
Ampoulé, ée (adj.) Opgeblazen^
un ftyle ampoulé, een hoogdravende
flyt.
Am poulette, (m, plur.) Zand*
loopers , op een Schip.
Amputation , ( f) Lid-afzetting.
Amputer, (v. a.) Een lid ajzet-
ten, {in Heelk.)
Amuler. {Zie Amurer).
Amulette , (m) Een aan den hals
hangend geneesmiddel tegen toverye.
Amurca, (f) Olyf-olie droes ^ die-
nende tot gerieenniddi'l.
Amurer , (v. a.) Amurer Ja gran-
de voile , het fchoover zeil toezet-
ten , {ze^ w.)
Amures, (f. pi.) Hals -gaaien op
een Schip.
Amurant,ante (adj^ u4angenaamt
tydverdryvend,
Âma-
' |o AMU. ANA.
Amu^ment , (ra) TyJkwtJlwg ; tyJ-
korting , C f) tydverdryf, (n)
Araufer, (v. a.) Opbottden; by de
neus leiden-, s'amufer à raiionner
d'une chofe avec quelcun , temand
over eemtzaak met redenkaveling be-
zig houden ; il s'araufe à des fotti-
fes, hy houd zig met zotternyën op',
s'araufer aux acceffoires & négli-
ger le principal , de toevallige zaa-
ken gadejlaatîy en de hoofdzaak ver-
zuimen, , , s
Amufette, (f) Klein ver maak, {n)
fpeelpop » e f ) , ,
Amufeur, (m) Tyd-verdryver ; be-
drieger; misleider; amufeur de fil-
les, een' 'meisjes bed teger. ^
Amufoir, (m) Amuibir de petits
en fans, kinderachtig tyd verdryf,
Amydon. {Zie Amidon).
Amygdales , (f. pi ) ^-imandelen in
de keel y [in Ontleedk.)
An, (m) Jaar (n); 1'an folaire .
het zonnen-jaar-y 1'an de grace , het
jaar na Chrijli geboorte; j'ai trente
ans pafTé ^ ik ben boven de dertig jaa-
ren cud', bon an, mal ail , ce prè
rapporte tant , het eene jaar door
het- andere , brengd deze weide zoo
veel op.
Anabaptisme , ( m ) Weder doo-
ping , (f)
Anabaptifte , (m) Een doopgezrade ,
qvederdooper.
Anachorète, (m) Soort van Klui-
-cu^ar , Heremyt.
Anachronisme , (m) Misjlag in de
tydreekening.
Anagogie , (f) De geejïelyke be-
duidenis der Schrift»
Anagogique, (adj.) Fol geheim ,
diepzinnig.
Anagrammatifte , (m) Letter-keer-
digter.
Anagramme , (f) Naam-letter-
keer.
Anagyris , ( f) Boon-boom , (m;
(Jlinkend gewas)
Analeptique, (adj.) Verjlerkend t
{in Geneesk.)
Analogie , ( f) Overeenjiemming ,
gelykheid in de woorden , afleiding.
Analogique, (adj.) Overkomjiig.
Analogiquement, (adv.) Overeen^
komjliglyk.
ANA. ANC.
Analoque , (adj. & fabft. fti.)
Overeenkomende; overeenkomJJig , (£}
Analyfe , ( f) Oplojfmg van eene
zaak of reden.
Analyfer , (v. 'a.) Een zaak ont-
binden y ontleden.
Analyfte , (mj Een daar in ervaren.
Analytiqt^e, (adj.) OplofTend.
Ananas , (m) .Inanas ^ (z-^kere In-
diaanfche vrucht van een goede fmaak)
Anapefte, m) Foet van z korte
en I lange fyllabe , {in Poé'zy)
Anaueftique , (adj. m.) Dat van
dien aard is.
Anaplérotique , (adj. & fubfl.)
Vleefch maakend middel.
Anarchie, Cf) Heerfchlooshetd ,
fiaat van een land , 't welk zonder
opperhoofd , ovet^heid is.
Anarchique , (adj.) Gefcheiird ,
verward , zonder opperhoofd.
Anaflomofe , ( f) Vereenlging van
de uiterjie der aderen , {in Ontleedk,)
opening , (in Heelk.)
Araftomotique , (tn) Middelen om
de aderlatingen te h ever der en , (n) {in
Geneesk.
Anatliématifer , (v. a.) Vervloe-
ken ^ in den ban doen.
Anathême, (m) Vervloeking , (f)
Kerken-ban , (m)
Anatolisme, (m) Woeker-contraâj
(n)
Anatomie, ( f) Ontleedkunde (f);
naauw onderzoek, (n).ï
Anatom'que , (f ) Ontleed kundig.
Anacomiquement , (adv.) Ontleed-
kiindiglyk.
Anatomifé , ée (adj.) Ontleed-,
naaüxv onderzoekt,
Anatomifer, (v. a.) Een Lichaam
ontleeden j eene zaak naauw onder-
zoeken.
Anatomifte , (m) Omleeder ^ ont"
leedkundige.
Anatron , (m) Vlug zout én fchuim-
zei van glas, getrokken ^it de fmelt-
iroeSf item zilver dat zig aan on-,
deraardfche verivulfzels vind., (n)
Ance , (f) Zee boezem, kom, golf
of baay van weinig diepte.
Ancêtres, (m. pi.) Voor-ouders.
Ancette , ( f J Kleine Zee. boezem.
Ancettes>ou Cobes de boulines.
Leen-
ANC. AND.
%eeuviiers ougci m • ei iyk am touwen
door te Jli-eke.i y {^cheeps iv.-
Aoche , ( f ) Houte gout waaf door
het mul in ,ieu tremel of kijî van de
ffioolen valt j tongetje van een Scbal-
niey • (n)
An.h'jis, (m) ansjovis.
Auchiiiie , ( f . yikehi bloem.
Anchue j(f) [njlag -i^by ÏVee'jers).
An i.n, ne (adj.) (Jud; favoir
l'hiit 'i:e an.ieime <Sc moderne, t/f
eu.ie en hedendaagfche hijlorie ivee-
ten.
Anciens , (m. pi.) Anciens de
l'EguI'c , ouderlingen der Kerk ; les
anciens Pères, de Oudvaders; les
anciens du peuples, de voorjtanders
des Volks.
Anciennement, (adv.) f'^an ouds ,
eert y ds.
Anciennes, (f) Oude Bagynen.
Ancienneté , ( f) Ancieüaeté des
maifons , fliip ou.ihtid der gejlachten ;
Tancieniicté regie Ie rang , d'ou
der dom bepaald aen rang.
An::jag5 , (m) j-Jnker-grond , (f)
het werpen van 't Anker ',ütoxi d'an-
crage' , Haven-geld.
Aiicre , ( f ) jclieep-anker'. Anker
in > en muur (n) ; toevlucht'. Anker y
(óde iieel van een Oxhoofj)
Aiicré , ée (adj.) Geankerd -y (in
JVape^ik.) croix aacrée , kruii met
een anker.
Ancrer , (v. n.) Ankeren , vaji
Z)itcen', s'ancrer > (v. r.> zig ergens
heer zetten.
Ancrure, (f) Vouw in Laken,
(by : roog fcheerders)
A i-'fiabate , (m) Geblinde fchermer,
(by d ouden)
Anaaillots, (ni.pl.) Leeuivertjes ,
groüte Jlag rmgrn, (Scheeps w.)
A':ciain,(m) Gras dat de Maaijer
in eentn jlag afm:ait
Andoulle, (f) Beuling., worlh
Andouillé, ée (adj.) Tot ivorjï ge-
maakt.
Andouillers, (m. pi.) Kleine tak-
ken der hart s hoornen.
Anàûuidecre, ;f) Gehakt Kalfi'
vleefch , frikkedel.
Androgyne , (m) T-wfe-Jlachtig-
menfgh , (n)
AND.ANE.ANF.ANG. 3r
Ai'.droïde , (mj Alenfchelyke figuur
die door kunj} /preekt of gaat.
Ane, (m* jien Ezelibotmuil ibok^
fchraag , [voor Timmer l.) à laver ia
tete d'un àne , on y perd la lefii-
ve , hit is de Moriaan gefchuwd y
vergeej)'chen ar'veid; taie tn dos d'â-
ne, tytet een fchcrpen rug-, monter
fur l'une, bankeroet fpeelen ; fauter
du coq à l'ane, van den os op den
ezel , van den hjk op den tak fprm"
gen; (fpr. w.) contes de peaux d'à.'
nes f oude wyfs vertellingen ,( fpr. tv.}
Anéantir, (v. a. ) Vernietigen^
s'anéantir devant Dieu , zig voor
God verootmoedigen ^ tout s'anéantiC
à la ün , alles virgaat eindelyk.
AnéancifTeraent , (m) Vernieti'
Anecdote, (f) Gedenkfchrift , (n)
Anée , ( f) Een Kzels-vragt.
Anémone, (f) Klap-roos,
Anemoscope , (jd) IVtnd en weêf-^
ivyzer.
Anerie f ({)P lompheid ; onwetenheidm
AneiTe , ( f) Eene Ezelinne.
Anet, ouAneth,(m) Dille, {zé'
ker kruid)
Aneurisme , (m) Gezwel door
kwet zingen eener- flag - ader veroof'
zaakt.
Anfraiftueux, eufe (adj.) Bogtigg
kram , flangs-gevjys , kronkelend.
Anfraauoüté , (f; Bogtighetd ,
kromte.
Angar, (ni( fVagen fchuur , (f)
Ange,(m) Een Ketting- kogel, item
zeker Vijch gelyk aan een Roch.
Ange, (m) Een Engel; ange gar-
dien ou tutelaire , hcfcherm-engel ;
mon bel ange! myn lief engeltje.
Angéiographie , (f) Befchryving
der maat , gezvigt en vaat en.
Angéiologie , (f) Befchryving der
inwendige deelen des lighaams.
A g e 1 i q i) e , (f) Engelagtig , «<V-
fieekend.
Angeliquement , (adv.) Engetag-
ttglyk.
Angelot, Cm) Kleine kaas y item
zekere oude munt.
Angle, (m) Hoek; angle droit,
aigu, obtus, redliligne, mixti li-
gue , fpherique , curviligne , een
rech-^
â2 ANG. ANI. ANN;
rechte , fcherpe , y/owp^ , lynrechte ,
ongelyke^ kogel-ronUe , kromme hoek,
(in Landm. k.)
Anglec, (m) Ruimte tujfchen ver-
band Ji e enen ^ {in kiowwk.)
Angleux, eufe (adj.) Hoekig ;nnt
noix angleufe > een Jleen-noot.
Anglican , ane (adj.) l'Eglife
anglicane , de Kerk van Engeland.
Anglicisme, (m) Engelfche fpreek-
nvyze^ (f) .
Angoiffe, (f)^ngji; poire d'an-
goiffe , een kroppende peer -, bal die
de StruikroQVvrs de menfchen in de
mond Jieeken , om niet te kunnen
fchrecnwen ; angoiffe de la mort,
cioods-angfl.
Anguichure , (f) Jaagers fchou-
der-riem , (m)
Anguilkde , ( f ) Zweep van aals-
vel;JIag daarmede.
Anguille, (f) Aal;{m) eti pres-
fant trop l'anguille on la perd,
haajîige fpoed , zelden goed; il y a
anguille fous roche,, c^a^r is iets
heimetyks op til.
Anguilîers ou Anguillées, (f, pî.)
Lokgaaten op een Schip , ivaar door
het water naar d-' pomp loopt.
Angulaire, adj.) Pierre angulai-
re , Hoek'Jieen.
Anicrooche, (f) Uitvlucht, hin-
dernis , zivaarigheid.
Anier, iere (m. & f.J Ezel-dry-
ver, dry f Jf er.
Anil , (m) Plant waar van de in-
digo bereid ivord»
Animadverfion , (f) - j4anmer~
king , bertfping.
Animal , (m) Een dier , verjïan-
deloos menfcb.
Animal , aie (adj.) Efpric ani-
mal , dierlyke geejî ; vie animale ,
dierlyk. le even.
Animation ^ (f) Bezieling.
Animer, (v. a.) Bezielen-, aan-
moedigen ; gevoelig maaken -, s'ani-
mer , (v. r.) aangemoedigt ,vergrarnt
nvorden j een nieuwe glans verkry-
gen.
Animofité , ( f) Vyandfchap ,haatf
/verbittering.
Anis, (ra) Jlnys , (plant en zaad)
Annal j aie (adj.) Dc.t een jaar
ANN.
duüvd'y cömmiffion annale, hedît^
ning voor een jaar.
Annales ,,(f. plur.) De Jaarboeken,
Annalifie , (m) De Schryver daar
van.
Annate, (f) Jaarlykfche inkomjf
voor den Paus van een openfiaand
Kerkelyk ampt.
Anneau, (m) Eeft ring-, anneau
de clé£,JJeu f el-ring.
Année, (f) Een jaar, (n) jaars
tyd', (f) l'année coursLUte , het ho-
pende jaar.
Ahneler, (v. a») (beter boucler
les cheveux) he; hatf in lokken
krullen.
Annelet, (f) Klein ringetje, (n)
Annelets, (m. pi.) Lofwerk , (in
Bouivk,) (n) ' '
AnneLure, (f) Krulling van het
h air in lokken.
Ari nexe , ( f ) Byvoegzel , aanhang-
zei, (n)
Annexé , ée (adj.) Bygevoegd.
Annexer, (v. à,) Byvoegen, aan*
hangen.
Annexion, (f) Toevoeging.
Annihilation, (f) Vernietiging
Annihiler, (v- a.) Vernietigen.
An n ion, (f) Uitjlelvoor eenjaar
door den Kanzrlier aan een fchulde-
naar toegeftaan.
Anniverfaire , (adj. & fubft. fn.)
yaarlyks ; (n) verjaardag; mefle an-
niverfaire , jaarlykfche miffe.
Annonce, (f) Jfkortdigmg, be-
kendmaaking , Kerkgehod.
Annoncer , (v. a.) j^f kondigen y
bekendmaaken , boodfc happen.
Annonceur , (m) aankondiger.
Annonciade , ( f) Geejlelyke Rid-
der orden in Savoyen dus genaamd.
Annonciateur, (m) Een Dettr-
wagter,
Annonciation, (f) Maria-booJ-
f: p, (eenfeefi)
Anno ne , (f) Voorraad voor een
jaar.
Annotateur , (m) Een die aart^
merkingen op eenig gefchrift maakt.
Annotation, (f) Aameekening j
aanmerking , opfchryving.
Annoter, ( v. a.) ^anteekenen,
aanmerken ; item iemands goeder nt
opfcbry*
Ann. ano. ans. Ant.
opfchryverty inventarifeeren , {in Rech-
ten)
Annuel , elle (adj. & Tubrt.) Jaar-
lyksip&yer l' annacl fjaarlykfche gt-
regtii^heid betaaten.
Annuellement, (adv.) Jaarl^ki ,
alle jaaren.
Annuité, (f) Annuïteiten.
Annulaire ,/adj.) Doigt annulai-
re 9 ring vinger.
Annullation, (f) f^ernietiging.
AnnuUer , (v. «.) f^emietigen.
Anoblir , (v a.) Edel maaken-,
anoblir fon ftyle , zynen fcbryfjiyl
verbeteren.
AnoblifTement ,(m) Veradeiing ,(f)
Anodin , ine (adj.) Remede ano-
din., Verzachtend middel ^ (th Ge-
neesk.)
Anomal , aie (adj.) Verbe ino-
inal , onregeimaatig werkvioord , ( in
fpr. k.)
Anom-ilie, (f) Onregelmatigheid.
Anon , (m) Ezel- Veulen ^ {n)
Anonrer, (v. r.) EzpIs werpen ;
garnerende leezen offpreeken.
Anonyme, (adj.) Un auteur ano-
nyme , een naamloos fcbryver.
Anordie , ( f) Noofder fiorni op
de kujien van Mexico.
Anfe , ( f) Oor , band-vat , hengel
f;an een pat y manden, klok enz. faire
Ie poe à deux anfés , zyne handen in
de zyden zetten.
Anféatique, (adj.) Les villes iCn-
féatiqut'Sï de hanze Reeden.
Anfetce, 'm)Oortje , handvatje [ti).
Anfpeél, (m) Hand~fpeek,{zie Le-
vier)
AnTpelTade, (m) Een Lanfpajfaaty
onder Korporaal.
Antagomfte > (m) Tegenjireever ,
i/yand.
Antan , (m) (gem. ir.) Des neiges
d'anCan , fneeuw van 't vorige jaar.
Antanaclafe , ( f) {in Redenk.) Her-
haling vao een woord in verfcheideh
zinnen genomen.
Antanaire , (adj.) Faocon anta-
naire , Valk die zyn veeren van 't
vortge jaar nog heeft.
Antaraique ,(adj.)Pole antar£li-
que & ^ïC^c^vx^idezWt^fr en nQtrdtr
PotL
ANT. 3S
Ante , ( f) Las aan een MoQÏin rot^
Antécédetnnient , (adv.) /^eoft
gaandelyk.
Antécédent, ente (fubft.m. Ie adj.^
De vorige Jtelling i (f) voorgaande,
Antécefleur, (m) Leeroaf^ Prom
fijjfor in de Rechten.
Antechrift , (m) De jinti-chrift.
Antenne, (f) De Rei van efà
Schip y {zie ook Vergue)
Antépénultième, (adj. & fubft.>
De êp twee na laatjfe Syllabe van een-
woord,
Anteriaur , cure (adjo) Texnpë
interieur , voorgaande tyd.
Antérieurement , (adv.) Vroeger^
vöorgaandelyk.
Antériorité , (f) Antériorité
d'hypoteque, een vroegere verpaa-^
ding.
Ante, (m. pi.) Hoek pylaaren aa%
de Heidenfche Tempels.
Antefciens , (m. pi.) Tegen^oe^
tersj die op gelyken afjiand van da
middel-lyn avóonen.
Anteftature , ( f) Borjiweering ia
der yl opgeworpen.
Anthiope , ( f) Konitigin der Ama^
zoonen.
Anthologie , ( f) Verxameling vam~
Griekjche pUnt-digten.
Anthrax , (m) Karbonkel , pefi-*-
butly (f) *^-^
Anthropologie , (f) Figuurlyk^
befchryving in de Schrift.
Anthropomancie , ( f) fVaarzeg-<
geryuit d'ingnvanden wn een doQsf
menjch.
Anéhrópcitiorphïte , (m.& f.) Die
aan God eene menfchelyke eedaetmik
toefchryft. .
Anthropopathie , (f) Redenvoe-^
ring door welke men iets aan God toe-^
eigend, 't geen den den menfcbeo ay<
leen pajl.
Anthropophage , (lö. & f.) Men^,
fchen-eeter.
Anthropophagie, (/) Menfche^
eet ing. ^^
A^ntï , Zekei- voorzetzet Jlaàndê nféor
verfcheide woorden.
Antiapopleftique , (adj.) Reme-,
de antiopleftique, mfddel tegen de
geraaktheidyberçmf,
^ Àntr-
3f
ANT.
Àntibaccliîqup , C'm) MiJdol om
dg dror.kcnfchap te y er dr y ven'.
Vnticabinec , (m) Vertrek tujjchen
de zaal en linnen kamertje (n).
'Antichambre , (f) Zy -kamer,
t'oor-kamer. _ .
, Antichretien , enne (m. <5c r.;
Tegeti-chr ijlen.
.AiKichriftianisme , {m)Het Antt-
tbriftendom-. (n)
^Anticipation , ( f) Voor-inneernmg',
payer par anticipation ,5;oor utt be-
saaten. . ,^
Anticiper, (v. 2l:) Voor-mneemen,
Voorkomen ; il a anticipé fes gages ,
hy beeft zyne bezoldingen voor uit opge-
nomen. „ • t j '
Anticœur ; (m) Gezivel aan de
larfi der paerden^ (n) , ,,^ .■
Anticour ,( f) Voorhof, (n) (A^ant^
COViT is beeter). - , .i, , - ,.
Antidate, (f) Eenouder datum of
^az y als men fihryft , im)
, Antidaté, ;ée {&^].)Te vvoeg ge-
feékénd.
.Antidater, {v. 9..) Datum op een
h-'ief een dag te vroeg teekenen.
Antidota.ire , (m). Verzameling
van middelen tegen vergift. ' ,
.Antidote, (m) Tegen-vergift, (n)
Antienne, (f) Ker k-gezang , h y
afwiffelivg der fiemmen, ^
Antilles , ( f ) Eenfait-foom voor
êt» deur , (m) ^ ,. , . r .
.Antilogie, (O Strydtgoeicl der
mnhaaUngen van eer.ig Schryver.
. y^ntimelancoliqu.^ , (sidj. & fublt.)
Droefgeejïjg; middei tegen de droef-
geejfigheid i (n)
. Antimjine» {ï). Spiesglas,
Antipape , (m) Tègen-paus ,on<weu
ijge Paus. , _
AntîpaTalytiqùe , (adj- & fubft.)
Middel tegrn (ie tamheid.
' Antipathie , C^) afkeer , haat ,
tegenzin.
A.nripatbïque , (adj.) Tegenjirydig.
.. Antipcriftafe , ( f) Strydige hoe-
darighpjd als , koude en hitte,
Antl-peftilentiel^ elle (adj.) Dat
âf P^J^ geneefi.
Antiphonaire , (m) Een Boek wet
Koorzangen , (n)
Antihpone, (f) iJSis Antienne.)
ANT.ANU.ANX.AOU.
Antiphrafe, (f) Strydige fpreek-
%vyze.
Antipodes , (m. pi.) De tegen-
voeters j c'eft l'antipode de la rai-
Ion, dat firyd tegen 't gezond ver^
Jiand.
Antiptofe, (f) Verkeerde zetting
van een naamval , cafus (infpraakk.)
Antiquailles, (f) Oudheeden, on-
dervuetze meubilen of fcbilderyèn.
Antiquaire , (mj ^Een die in oud-
heden ervaren is ; oudheids-kenner .
Antiquariat , (m) Kennis der oud-
heden , {ï)
Antique , (fubft. & adj.) Owii; bel-
les antiques ,/raiïy^ oudertvetzefchil-
deryen , beelden, enz.
àl'Antique, (adv.) Op de otide-
wyze.
Antiquer, (V.a.) De fneê vaneen
bock met verfcbeide fguuren befchil'
deren.
Antiquité, ( f j De oudheid, vori-
ge eéuiven. ,
Antifalle, (£) Een voorzaat.
' Aritiftrophe , ( f) (in fpraakk.) Om-
keering eener fpreekivyze.
- Antithefe , ( f) Tegenjlelting , ( in
redenk.)
Ant'itype , (ro) Tegenbeeld, (n)
Antivenerien, (fubft. m. & adj.)
Geneesmiddel voor de Venus quaal.
Antoifer, (V. a.) Afijf mengen en
op hoopen leggen, {in Landb.)
Antoit,(ni) Een fchot -bout om iet f
aan malkander te houden , {infcheepsb )
Antré\ (m) Hol ,' (n) fpelonk ; ( f)
un antre affreux, naar , akelig hol.
Antropophage , (ra. & f.) Men-
fchen-eeter,
Amüter , s'anuiter , (v. r,) Door
de nagt overvallen worden j (men zegd
beeter .être furpris de la nuit).
Anus , (m) Het uiterfie van het
fondament , (n) (Lat. w.)
Anxiété , ( f) Benaauwdheid ,
angfi.
Abut, (m) Auguflus, oogjlmaandv
bogjl die geduurende die maand ge-\
fchied; il arriva la mi- août , /y
kwam half Augufli aan.
Acuter, (v, a.) Rypen^ ryp tna.i'
ken.
Aom;çrQDj (quö) S« ^<'^>"^* ,
i\PA.APE. APH.API.APO.
Apanage , ('m) Land ofgelJ 't welk
de yorjien hunnen laatjl - geboorenen
Kinderen in bezit geien; lea infirmi-
tez font les apanages de Ia veilles-
fe , de zwakheden zyn met den ouder-
{fum vergezeld , ofhet gevolg daarvan.
Apanager , (v. a.) //; bezit geven.
Apanager, (ra) Een met zodantgen
bezit.
Aparté , (m) u4llêenjpraak der To-
neelfpeeldert.
Af-athie, (f) OngevoeUghetd ^ ge-
ritjlheid des gemocds , (in l^ysff-)
Apathiquw- , (adj.) Ongevoelig.
■ Apédeute , (m) Een or.ivretende.
Apédeucisrae , (m) Or.ivectenheid,
in de fraaye letteren; (ignorance ts
gebruikelyker).
Apercher, (v. z.) Opffeurcn; z-
percher un oifeau , een vogel met
tet gezicht volgen om te zien waar hy
zig neder legd.
Apéritif, ive (adj.) Openende y (in
Ceneesk.
Apertement ou Manifeflement ,
(adv.) Openlyk.
A peu près, (adv.) Ten naajlenby.
Aphorisme ^ (m) Kortbondige
fpreuk , Jielregel.
Aphoriftique , (adj.) Zinfpreuktg.
Aphronitre, (m) Natuurlyke Sal-
peter; item fchutm daar van.
Apiquer,(v. n.) Apiquer Ia ver-
gue , de ree op toppen ; Ie cable api-
que ,de kabel hangt loodregt ^{zee w.)
Apis,(m) Eene Egiptifche Godheid.
Aplaner. {Zie Applaner).
Aplefter , ( v. a. ) De zeilen los
maaken , ter wind - vang Jïellen ,
(Scheeps w.)
Apliquer. (Zie Appliquer).
A plomb, (adv.) ö^f waterpas is;
fous I'équateur Ie foleil donne à
plomb , onder de middel-lyn fchynd de
zon regtjiandig neer.
Apocalypfe , (f) De Openbaaring.
Apocalyptique, (adj.) Dat open-
baaring behelsd.
Apocope , ( f ) Uitlaating van een
letter op het etnde van een woord.
Apocryphe, (adj.) Geheim, on-
bekend.
Apodiiflique , (m) Bewyzencf er.
9Vinvigen4 argmnç|it ; (n)
' APO. 33-
Apogée ,.(m} Top-punt derzonne,
daar ze het vcrjle van de aarde is ;
fa gloire eft dans fo.n apogée , zyn
roem is op het hoo^Jle gekomen.
Apcgraphe , (m) Copie van eeni^
boek ofgefchrift.. , •
Apoint , (m) Het Jlot eener ree-
kening.
Apologétique , (adj.) Z?« dat ver^
dedigd.
Apologie, (f) Ferdediging , ( f)
verweer-Jcbrift van iemand , (d)
Apologique , iadj.) l^erdedigend»
Apologifle , (re) Verdediger , ver*
antwoorder.
Apologue , (in) P'erdicbtzel , (n)
Apokronnir, (v.a.) Een Falk de
nagels affnyden.
Apomécometrie > (f) De mn-
ting van voorwerpen buiten het bereik,
Aponeurofe, (f) Het einde der
fpi er-aderen.
Apophlegmatismes , (m. pi.)
Kaauw middelen om de vogten uit
bet hoofd te trekken,
Apophthegme, (m) Een kortbon-
dtge fpreuk.
Apophygs, (f) Plaats daar de
pylaar uit zyn Baüs komt.
' Apophyfe , ( f) Uitfleeking of aan"
groeijing van eenig been,
Apopiedique, (adj.& fubft.) Be?
roerd.
Apoplexie , ( f) Geraaktheid,
Apore ,Cm) Een moeielyk voorfïetm
{in H'iik.) (n)
Apofiopefe , (f) j^f breeking , te
rug building van een gedeelte eener
reeuen,
Apoftafie , ( f) ^fvai van eeneRe"
lig te of Orden.
"'Apotlafier, (v. n.) Fan het geloof
vervallen.
Apoflat , te (m. & f.) Een afval-
lige.
Apofté, ée (adj.) Omgekogt*
Apofler, (y. a.) Omkoopen; apos-
ter de fauK témoins, valfcbe gstui'
gen aan/ie Hen,
A-poïï'üle , {£) Kant-teekentng.
Apoflilk-r, (v. a.) Rand of kant-
teekpningen maaien.
Apoltis, (f) Riembalk op een ga-.
ki,{tn)
C 2 Apofta-
5«t APO. APP. ^^^
'^Apoftolat,(m) Het Jpojletfcffdp,
ApoJieUampt , (n)
Apoftoliqae, (adj.) Jpn/ioUfcb.
Apoftoliquement , (adj.) ^P^Jfo-
Apoftoloram ,(m) ^'^'^f zalf uit
II ingrediënten bepaanJf.
Apoftrophe , (f) Teeken van een
êetter-mitlaating , fpraakwendwg tot
$,mand, {in de U'elfprekendh.)^
Apoftropher » (v. a.) Tot iemand
vivne reden wenden , rigten.
Apoftonie , ( f ) £«» Ettef gezwel ,
"Apoftnmer , (v, n.) Verzwseren ,
(t^/^rfuppurer)
Apothéofe, (f) Fergooding.
Apothéofé, ée (adjO Fergood.
Apothicaire, (na) Eene Apotbeeker.
Apothicaire rie , ( f ) EenJpêthetk,
ürtzeny-winkel,
Apothicaireffe,(f) Apotheeekers-
P^rouw. ^ , .
Apôtre , (m) Een Apojieliun bon
Apôtre , een tooxe , vrolyke kwant.
Apotropéen , enne (m.& f )Gr/<'*5
<«/.) een die iets, quaads afwend, af
Apozeme , (m) Zaùte gekookte ge-
neesdrank. , ^ ,. ^ „ ^. ^
Appaifé, ée (adj.) Bevredtgd , ge-
Appaifer, (V. a.) Stillen, bevre-
digen; appaifer Ie foif, une fédi-
tion, den dorjl y een oproer Jitllen.
Apparat, (m) Toejiely (m) pragt.
Apparaux, (m. pi.) Seheeps-ge-
reedfchap en toebehooren , (n)
Appareil , (m) Toejleh appareil
de guerre , krygs-toeruJUnge ; mettre,
lever l'appareil , de zwachtel enz,
9p een wonde leggen , afneemen»
Appareillé, ée (adj.) ToegeruJÏ ,
vaerdig gemaakt.
Appareiler, (v. a.) letspaaren;
vaerdig viaaken ; bet Zetl vaerdig maar
ien ; voilà un bon cheval je cher-
che l'appareiller, dat is een fc hoon
paerdfik zoek naar de weer gade daar
van.
s'Appareiller » (v. r.) Zig gereed
rnaaken.
Apparemment, (adr.) Waarfchy*
APP,
nety^; apparemment fe fera t-ii»
het zal mtjfcbien gebeuren.
Apparence , ( f ) Aanzien , hlyi ,
waarfchynelykheid -f toutes les appa-
rences font contre lui , alle waaf
fchynelykheden zyn tegens hem; hora
d'apparence j buiten waarfebynefyir
hetd.
Apparent , ente (adj.) Waarfcby
nelyk'y aanzienelyk -, les pluS app»-
rensde la Ville, de aanzieaelykjle
d;r Stad.
Apparenté, ée (adj.) BevrieBdt
vermaag f chapt.
s'Apparenter, (v. r.) Zig vfieti'
den , maagfcbap verwerven,
Appareirer, (v. a.) Lni maakeui
verdooven.
Appariement , (m) Paar ing , ( f)
Apparier , (v. a.) Paaren.
Appariteur , (m) Pedel , bedél 9
Deurwaarder van een hooee Stbooi of
Kerk. ^
Apparition, (f) Perfcbyneel 9 (n}
verfchyning.
Apparoir, (v.n.) Verfehyneny (it>
Rechten)
Apparoitre, (v. n.) Verfcbyneni
il apparût un fantôme , daar vfr»
fcheen een fp ook.
Appartement, (m) Vertrek (n);
être logé au premier appartement,
op de eerfte kamer woonen ; apparte-
ment de plein pié , een kamer gt*
lyks vloers.
Appartenance, (f) Toebehoorend
un maifon & fes appartenancei ,
een huis met deszelfs toebehooren.
Appartenant , ante (adj.) Toebe-
hoorend.
Appartenir, (v. n.) Toebehooren i
il appartient, Jbf-r behoord^ het betaamd.
Apparu, ue (adj.) Verfcheenen.
Appas, (m) Aanlokking , bekoor lyk^
betd, (f)
Appât, (m) Lokaas, (n)
Appâteler, ou Appâter, (v» n.)
appàteler de la volaille, gevogelte
met deeg mcjlen.
Appaumé ,ée(adj.) Met een vlak^
ke hand y {in fFapenk.)
Appauvri, ie (adj.) Verarmd.
Appauvrir, (v. a,) Ferarmen ,
arm maaksn.
Appaii
APP.
Appautriffemenc, (m) f^erarming,
Appeau , (m) Een Lok-pyp , Kwak-
keî-fluit.
Appel , (m) jlfleezing der naa-
men in monjieritig -y uitdaagmg; be-
roep op kooger Gerichts-hof.
Ajfpellanc, (m. &f.) l'AppelIant
& l'intimé , de eijfcher en gedaagde
in cas van appel.
Appellant , (m) Een Lok-vogel.
Appellatif, ive (adj.) Nom ap-
pellatif , gemeene naam van een
zaak.
Appellation, (f) Beroep op hoo-
ger recht (n).
Appelier, (v. a.) Roepen, noemen;
uitdaagen ; appelleeren ; appellet
quelcun en jugement , iemand voor
het gerecht roepen ienv o ier appeller
quelcun , iemand laaten roepen ; ce-
la s'appelle ainfi , dit word aldus
genoemd; je m'appelle, ik biet; ap-
pelier d'une fentence « , wegens
een vonnis beroepen tot.
Appendice, (f) Aanhang (m),
hyvoegzel (n),
Appendre, (v. a.) Ophangen , {als
Wapenen &c in een Kerk).
Appentis, (m) uifdak {n),fcbuur
Appercevable, (adj.) Befpeurlyk ,
zichtbaar.
Appercevoir, (v. a.) Be/peuren,
verneemen ; s'appercevoir, (y. r.)
befpeuren, gewaar worden.
Apperçu, uë (adj.) Befpeurd.
Appert, il appert, het blykt , (m
Rechten).
Appefantir, (v. a.) VerzwaareUf
zwaarder maaken; les néceflitez ap-
pefantiffent l'efprit , de behoeftig-
heid bezwaard het gemoed.
s'Appefantir, (v. r.) Zwaarder;
vaakrig worden.
Appétence, (f) Groote begeerlyk-
heid, lujï (£), verlangen (n).
Appéter, (y.a.) Begeeren, ver lan-
gen, naar iets heigen ; l'inftindt des
Animaux fait qu'ils n'appétent que
ce qui leur eft propre , de in^e-
fchapene driff der Dieren maakt dat
ze mets begefffn 6(ait bet gçem goed
VQor liun ff,
APP. 37
Appétibilité, (f) Lufl , neiging ,
(in fTysg.)
Appétitfant, ante (adj.) Stnaake-
tyk , dat eetlufl verwekt,
Appétiflement , (m) Verkleining,
Appetiflcr, (v. a. & n.) Tot eet-
lufl verwekken ; kl einder maaken , wor-
den; s'appetifler , (v. r.) klemder
worden.
Appétit, (m) Trek y lufi, eetlufl i
il n'eft fauce que d'appétit, hon-
ger is de befle faus.
Appétitif, ive (adj.) Begeersndt
luflend,
Appétition, (f) Verlangen (n),
lufl {{).
; Appiétrir, (v. n.) In waardyver*
ergere» , (by Koopl.)
Applaner, {y.z.)De wol van een
deeken ophaalen , rouwen,
Applaneur, (m) Een die zulks
doed.
Applanir, (v.a.) Vereffenen ,JJeg-
ten; bejliffen; applanir un chemin,
eenen weg baanen; applanir de diffi-
cxilt^z, zwarigheden Mt den weg rui^
men , vereffenen.
Applaniflement, (m) Vereffening^
beflffftng (f). -^ ^'
Appianifleur, (m) Laakenperffer»
Applatir, (v. a.) Plat maaken^
uttklopping,
Applatiflement , (m) Plat maa^
king , plat klopping.
Applaudir, (v. n.) Toejuichen, in
de banden kloppen ;ippÏ2L\xàir à quel-
que chofe , iets pryzen ; s'applau-
dir , (v. r.) zig zelfs pryzen.
Applaudiflement , (m) Toejui^
(hing ( f ). •
Applaudifleur , (m) Toejuicher,
Applicable, (adj.) Toep.jffelyk.
Application, (f) Toepaffmg; ap-
plication d'efprit , toelegging van 't
V erfland. Studie.
Applique , ( f) Iets dat men ergens
op legd.
Appliquer, (v. a.) Toepaffen; op-
leggen; aanhechten; aanwenden; ap-
pliquer , (donner) un foufflet à
quelcun, iemand een klap, oorvyg
geeven; appliquer Ia fonde à une
playe , het tent-yzer m een wond ge-
bruiken; s'appüqucr (v.r.) une chofe ,
C? zig
38 APP.
xig iets aanmatigen; s'appliquer à
<juelque chofe , zig ergens op toe-
leggen.
Appoint, (m) Kleine mum y die
in de betaahng van e^ne fomme byge-
voegd word f payement {by KoopL)
Appointé, ée (adj.j .ô'angejleld,
hejlooten (n) j un appointé. Sol-
daat die honger betaaling trekt als
endere.
Appointement , (m) Jaarlykfche
•wedde (f), tradlement (n), eene
fchikkinge (f), bejluit (n) y vajïfiel-
ling i« Rechts-gedingen (f).
Appointer , (v. a.) ^anjiellen-,
vajïjiellen; jaarivedde toeleggen ; ap-
pointer une caufe , eene zaak uit-
jiellen tot een ander termyn , {in
Rechten).
Appointiffer, (v. a.) Spits maa-
hn, (gem. iv.)
Apport, (m) Plaats daar men
uaaren te zamen brengt om te ver-
Jioopen,
Apportage,(m) Aanbrenging -y loon
daar va».
Apporter, (v. a.) Aanbrengen,
aandraagen ; apporter de bonnes
raifons, goede redenen geven; ditez
les chofes fans y apporter tant de
façons , /preekt zonder zoo veele om-
fiandigheeden te maaken.
Appeler , (y. a.) Appofer le fceau,
bei zêgel ergens op zetten.
Appofition , (f) Opzetting van
éten.
Appréciateur, (m) JVaardeerder.
Appréciation , ( f ) If^aardeering.
Apprécier, (v. a.) I^Faardeeren ,
9pprys jïellen.
Appréhender , (v. a.) Dugten,
vreezen ; in hegtenis neemen.
Appréhentif, ive (adj.) Dugtend,
hefchroomd.
Appréhenfion, (f) Vreeze; heg- \
tenis.
Apprendre, (v.a.) Leerem onder-
wyzen', verneenien; hooren; appren-
dre quelque chofe de, ou à quel-
cun , iets van , of aan iemand leer en ;
apprendre une nouvelle, eene ty-
ding hooren.
Apprentie, (f) Leermeisje (n).
Apprentif ou Apprenti , ( ra )
APP;
Leerling, Leerjonge ; n'être qu'un
apprenti à quelque chofe , nog
maar een leerling ,nieuweling , in tets
zyn,
ApprentJiTage, (m) Leertyd ,leer'
jaaren-y être en apprentiflage , in
de leer zyn-, brevet d'apprentifla-
ge , leer-bnef.
ApprentifTe. {Zie Apprentie).
Apprêt , (m) Bereiding , toebereî^
ding der jpyze -, toejlel ; gom-ivater
om iets te glanzen -, de verf op glas,
Apprétes'ou Mouilletes, (f. pi.)
Dunnp fneetjes brood om in eieren te
doop en.
Apprêter, (v. a.) Bereiden, ge^
reed maaken ; Laaken , Hoeden enz,
glanzen ; glas fchilderen -, apprêter
des viandes , fyzen toebereiden ;
s'ap; rêter , (v. r.) zio gereed maaken*
Apprêteur, (m) Glas-fchilder.
Appris, ife (adj.) Geleerd; onder-
wezen ; vcrnoomen ; bon ou mal ap-
pris , goed of quaad opgevoed.
Apprivoifer, (v. a.) Tam maa-
ken, temmen; la perfidie s'appri-
voife par les bienfaits, trouuloos-
beid word door weldaden over won''
nen > s'apprivoifer , (v. r.) tam wor-
den , eenen zagteren aart bekomen.
Approbateur, (m) Goedkeurder.
Approbatif , ive (adj.) Goedkeu.-
rend.
Approbation , ( f ) Goedkeuring,
Approbatrice, (f) Goedkeurjler.
Approchant, ante (adj,) Naby
komende ; ce font deux couleurs
fort apprqchantesl'une de l'autre,
dat zyn twee couleuren die weinig ver-
fcbillen ; approchant,(prep.) ten naas-
ten hy.
Approche , (f) Aannaderin^ j
lunettes d*approche , een verrekyker.
Approcher, (v. n. & a.) I^'ade-
ren; nader bybrengen; s'approcher,
(v- r.) zig naderen.
Approches, (f. pi.) Loopgraven^
toe gaygen.
Approfondir, (v. a.) Diepen ^
diep maaken; grondig onderzoeken.
Approfondiifement , (m) Door-
gronding { f)
Appfopriance , (f) In bezitnee-
ming.
Appro-
APP.APR.APT, APU. &c.
Approprié, ée (adj.) Toegepaji ,
toegeëigend. ■
Approprier , (V. a.) Toepajfen ^toe-
eigenen-, s'approprier, (v. r.) zig
aamnaatigcn , toeëigtwu
Apprpviûonnement,(m) Verzor-
ging (f)
Approvifionner , (v. a.) Voorraad
bezorgen, voorzien.
Approuver, (v, a.) Goedkeuren.
Appui , (m) Een lenn,J1eun, on-
derjleumng. Schoor (f)', je I'ai pris
à l'appui de ia boule, ik greep hem
juijî nep "jan pas (fpr. w.) ; cheval
de bon appni , een paerd dat zacht
op de handii-, à haut.ur d'appui,
op de hoogte van de bcrjl.
Appui-main , (m) Leunjlok voor
Schilders.
Appuyer , (v. a.) Leunen; onder-
Jleunen j s'appuyer contre quelque
chofe , ergens tegen leunen.
Apre, (adj.) öcherp, bits, zuur.
Aprement , (adv.) Sckerpslyk.
Après, (prep.) Na, naar; après
moi, na my; après quoi, waar na y
fi je me mets après vous, als ik u
aan 't lyf kume} après tout, einde-
lyk , ailes overwogen zynde; le jour
d'après, de volgende f/a_gj travailler
d'après nature , n'a 't leven werken ,
iets maaken', après Dieu, nous de-
vons la vie à nos Parents , naaj}
God zyn wy het leven aan onze Oude-
ren verfchùldigt ; être après quel-
que chofe , ergens aan zyn om te
maaken.
Après, (adv.) Ci-apres, hier na;
par après , naderhand, après de-
main , overmorgen.
Après - diné , (ra) Après-dinée,
( f }, après-midi (m)> de namiddag,
(m).
Après-foupé, ée (m. & f.) De
tyd na het avondmaal.
Apre té , ( f) Scherpheid ,ruuwheid.
Apie, (adj.) {oudw.) Gefchikt,
Aptitude » (f) Bekwaamheid.
Apurement , (m) {in Rechten) Het
doen eener nette rekening.
Apurer, (v.a.) Eene rekening dui-
delyk maaken.
Aquarius, (m) De ff^atfff^man ,
{een dtr 12 HemeHiek.)
AQU. ARA. ARB. 39
Aquatiic- , ,(adj.) J^ts da: in h«t
water geteeld lóprd, lêefd.
Aquatique, (adj.) üifeau aqua-
tique , water-vogel.
Aqueduc , [tn) f^aterleiding ( f).
Aqueux, eale y(!ià].}lVaterachtigm
Aquiiin, ine (adj.) Nezaquilin,
kromme of haviks neus.
Aquilon , (m) Noor de of koude wind»
Arabe , (ra. & f.) Arabier , een on-
befcbofte gierigaard.
Arabesque ou Arabique, (adj.)
Arabifch.
Arac, (ra) Zeekere O. Ind. Jierkâ
drank.
Arachnoïde , (f) VUes dat hef
crijlallyne vogt in 't oog bevat.
Araignée , ( f) Spinnekop > fpinne-
web ', doodshoofd blokken , (Scheeps iv,)
Araignés, (f. pi.) Tzere traliën
voor een vengjier.
Araires , {m-ç\.)Gereedftbap voor
den Landbouw.
Aramber , (V. a.) Aramber nu
Vaiffeau , een Schip aanklampen^
(zee w.)
Arame , (m) Paleis der Koningen
van Perfien (n).
Aranteles, (m. pi.) Zekere witte
fazelen die des zomers zorAtyds in dé
lucht zweven.
Arbalète, (f) Een voet- of hana^
boog ; item graadboog (m)
Arbalétrier , (m) Boog-fchutter i
boog'maaker .
Arbalétriers, (m. pi.) Dakfpar-
ren.
Arbalétrille ou Arbulete , ( f)
Graad-boog (m)
Arbitrage , (m) Bejlijmg , »//-
fpraak (f); mettre un chofe en
arbitrage , eene zaak aan de beflijfm'
ge van goemannen verblyven.
Arbitraire, (adj.) Pouvoir arbi.
traire , willekeurige magt.
Arbitrairement, (adv.) JVillekeu-
ri^lyk.
Arbitral , aie (adj.) Jugement ar-
bitral , uitfpraak van goede man-
nen.
Arbitraiement, (adv.) Op de wy-
ze van goemannen.
Arbic ration, (f) Waardeer ing,
(in Rechten) , , .
C 4 Arbi-
40 . ARB. ARC. i
Arbitre, (m) Scbeids-maniU^tt',
Vpperbeer > Ie franc arbitre , de vrye
>wtl; être l'arbitre de la vie & de
la mort ^Opperheer vcat leven en dood
Arbitrer y (v. a.) Uitjpreeken -, be-
jleehteȎ
Arborer , (v. a.) Arborer l'éten-
dart , de Jtandaard oprechten -, arbo-
rer le pavillon y de vlag opheijfen.
Arboufe ,(f) Een Hasg-appet.
Arboufier » [(m) E^ Haag-appeU
toom.
Arbre , (m) E^n boom ; arbre de
liauce futaye , een boog opgaande
§oaj» } arbre fruitier > vruebtdraa-
fende boom j arbre nain , dwerg
oompje ; arbre de grne , kraan-balk ;
arbre de meule, moolen-fpih, arbre
de preflbir, pers-fpil; arbre de gé-
néalogie , geJJacbt-boom.
Ambrifleau , ( m ) Boompje ( n ) ,
Weejier (f).
Arbrot , (m) Lym-Jlang ( hy Vt^ge"
laars),
Arbofte , (m) Sm»% ( f) , boompje
Cn) dat gelyk een Rozemaryn wafi»
Arc , (m) Een boog (fçhietgew. ) j
tfoog van een brug efvengjier', avoir
plufieurs cord<?3 à fon arc , ver-
fcbeide middelen om zîg te redden,
weet en j arc triomphal , eerboog ,
^erepoort'» arc boutant, muitr , py-
taar of iets dat onderfehraagd -, item
Hoofdman , zuil , daar een zaak op
fujl ofjleund; arc-en-ciel , regen-
boog; are de carofle, koetsboog.
Arcade, (f) Boogsgewyze opening,
vis van een brug , bril, enz.
Arcanfon , (m) Een foort van barji,
Arcafle , ( f ) Spiegel van een Schip-,
èlok zonder fchy f, {fcheeps iv.)
Arcaune, (£) Soort van rood kryt
(n).
Arceau , (m) Boogje (n) , boven een
deur of vengfter.
Arcenal ou Arfenal, (m) Tuig-
luis , Wapenhuis (n).
P^TcYiQMhich\,{Griekfcb€nLat.w.)
tvord voor verfcheidene woorden ge-
noegd €.n beduid iets o'vertreffelyks.
Are Hal , (m) Du fil d'arc hal , yzer-
i;coper-draad (n).
Archange , (/f^5 Arkange) (m)
^arts-^ngel.
ARC.
Arche, (|f) De ark j hoog ondey
een brug (ra).
Archée , ( f) Levensgeeft of kragt
waar door alles onderhouden wordf
(in Chym.)
Archelet, (m) Boogje (n).
Archer, (mj Een Boog-fcbutter »
Dienaar van 't Gerecht.
Archerot , (m) {oud w.) Boog-
fcbuttertje (n).
Archet , (m) Strykftok van een
l^ tooi 't drilboog van een Slootmaaker }
hoofd van een wieg.
Archetype, {lees Arketïpe) (m)
Een oorfpronkelyk fchrtft i model.
Archevêché, (m) Aarts-bisdom y
Aartsbtffchops-hof (n).
Archevêque , (ro) Aarts-btjchop,
Archiacoly te , (m) Aarts-dienaar
eenes Priefters.
Archicamerier , (m) Aartskame-
raar van den Paus.
Archichambellan , (m) Aartska-
mer aar van den Pau;.
Archichancelier , (m) Opperkan-
zelier.
Alchiconfraternité , (O ^arts-
breederfchap,
Archicoquin . (m) Een Aarts-,
fcbelm,
Archidiaconat , (m) Aarts-dia-
kenfchap (n).
Archidiaconé,(m) Geeftelyi rechts-
gebied (f waardigheid van een Aarts-
diaken (n).
Archidiacre, (m) Aarts-diaken,
Archiduc , (m) Aarts-bertog.
Archiduc hé, (m) Aarts-hertogdom
Archiduchefle . (f) Aarts-herto-
ginne,
Archiépifcopal,aIe (adj.) Aarts-
hijfchoplyk.
Archifou , (m) Aarts-gek.
Archimage , {td) Boofd dss Perjl^
fchen Godsdienft.
Archimandrite , (m ) Abt der
Griekfche Kerk.
Archipompe , ( f) Hoofd pomp op
een Schip.
Archiprêtre, (m) Aarts-priefter.
Arcbiprêcré , (m) Aarts-priefter-'
fchap(n),
Arcl^itefte , <©) Bovvrneefter.
Arcbi'
ARC. ARD. ARE.
Are huefton. graphe, (m) Be-
fcbryver van gebouwen.
Architettonographie , (f) Be-
fcbryving van gcbouiven.
Aichkeftuie , (f) Bouw-kunde-,
il y a cinq ordres d'architefturci
le tofc*n , le doriaue , le corin-
thien & le compolite ; daar zyn
vyf Bouw-ordens ; de toskantfcbe , de
donfcbe , de jonifche , de corintifcbe en
de zamengevoegde.
Architrave , ( f ) Hoofd-balk (m).
Archives , (f. pi.) Hand-vejlen;
plaats daar men dezelve bewaard.
ArchivÜle , (m) Een die dezelve
bewaard.
Archivolte, (xn) Een gedraaide
boog of balve cirkel (in Bouwk.).
Are h ure , (f) Kap die om de
Mootenjleenen is (m).
Arçon , (m) Zadel-boog ; ffoede-
maakers wol-boog.
Arçonner, (v. a.) Mjt den hoog
de wol bewerken {by Hoedemaakers).
Arçonneur, (m) De werker daar
l'an.
Arcot, (m) Slak,fchuim van Me-
taal (n).
Araique, (adj.) Pole arftique,
de noorder pool.
Arttore , (f) De wagen (ra) , (ze-
ker gejiernte).
Ardemment, (adv.) Vteriglyk.
Ardent , ente (adj.) f^ierig, drif-
tig; miroir ardent; een brand-fpte-
gel } buifïon ardent , brandende
bofcbfZiTàent defir ,vierïge begeerte.
Ardeur, (f) Hitte, drift, iever-,
ardeur du foleil , hme der zonne ',
avec ardeur, met iever.
Ardillon, (m) Tongetje van een
gffP («)•
Ardoife, (f) Eene Lei, Schalie.
Ardoifiere , (£) Lei-groeve, S cha-
iie-berg.
Ardre, (v. a.) Branden [oud w.) ,
en word alleen gebruikt dus, Ie feu
Sc. Antoine les arde.
Ardu , ue (adj.)Queftion ardue 9
moettlyke vraag.
Area , ( f ) Ziekte die het Hair
doed uitvallen.
A ren e, (f) Zand {n) . Jirydperk
itr ouden»
ARE. ARG. 41
Aréner, (v. a.) Injïorteny inzak*
ken {in Bouwk.)
Aréneux, eufe (adj.) Zandachtig»
Aréole , ( f) Roode cirkel rondom
de borji-tepels.
Aréomètre , (m) Glas om vochtea
mede te weegen (nj , {in fVisk.)
Aréopage , (m) Gerichtplaats def
^t ben er s (f).
Aréopagite , (aa) Richter daar van.
Aréüteftonique ,(m) Krygskunde ^
betreklyk tot bet aanvallen , aangry-
pen.
Aréotique, (m) Zweet-middel (n).
Arer, (v. a.) Arer ou chafTer
fur fes ancres, driftig zyn, door-
goao , fpiHen , {zeew»)}
Arête , (f) De poifTon , graaf
van de vifcb ; rand van een fchotel ,
(zie Arrête).
Arêtes, (f. pi.) Zenuw - gezwel'
len aan de beenen der Paerdên.
Arêtier, (m) Hoek-fparre y Dak-
fparre.
Aretieres, (f. pi.) Aangefirekefi
zyd-hoeken van 't dak.
Arganeau , (m) Anker-ring , groor
te y zere ring.
Argent, (m) Zilver-, geld-, ziL
vergeld {n) -, rykdom; zilver ond (in
fFapenk.); argent fin, bas, trait,
vif, /y«- Jlecht- getrokken- kwik-zih
ver i argent comptant , gereed geld%
argent courant , gangbaar geld-,
point d'argent , point de Suifle ,
geen geld , geen Zwitzer-, être couEt
i d'argent , niet by de gelden zyn; ar'
I gent bas, geld by de vifcb, dat ts,
by de koop.
Argenter , (v. a.) T^cr zilveren.
Argenterie , ( f) Ztlver-werk.
Argenteux, eufe (adj.) {gem,<w,)
Geldig, die geld heeft.
Argentier, (m) Zilver-fmit; zsL
verbewaarder van eenig Hef.
Argentifique, (adj.) Dat zilver
maakt.
Argentin , ine (adj.) Zilver-ver*
wig, helder blinkend.
Argentine, (f) Zilver. ^ruic^ (^ ■
Argif.le , ( f) Klei , potcffrd,.
Argilleux, eufe (adj.) Kleiagti^,
Argot, (m) Het uiterjle einde van
9en verjiorvfü tak ; onb^ndç ta^f
C 5 catf
42 ARG. ART.
var2 be edelaars of dieven y kraamer
l>atyn.
Argoter, (v, a.) Bet dorre hout
van een tak affnyden.
Argoulet , (m) Eenpgt menfch (n).
Argouün,(m) Galei-wachter, op-
ziender der Slaven.
Argue , (ca) Goudof zilver draad-
trekkery ( f) > item het eerjie werk-
tuig waar door 't getrokken word.
Arguer, (v.a.),Arguei- une cho-
fe à faux t ^^"^ ^^^* '^°°'^ valfch he-
fchuldigen , {in Rechten).
Argument ,(m) BeivysJIuk (n) , tn-
houd van een reden ( f).
Argumentant, (m) Tiviji- rede-
naar.
Argumentateur , {m)Een die gaer-
ne difputeerd.
Argumentation, (f) Twijï-rede-^
veering.
Argumenter , (v. a.) Bewys hy
"brengen.
Argus, (m) Argus., men zegt dat
hy loo oogen gehad heeft -, item een
Jcherpziende menfch.
Argutier , ( f) Spitsvmnigbeïd ^fne-
digheid.
Argyrogonie, (f) De 'Pbilofophi-
fche Steen.
Argyropée , ( f) Konjï om zilver
te maaken. ^
Arianisme > ( f) d'Ariaanfchè ket-
iery (m).
Aride, (adj.) Dor, droog, bar-,
terre aride, dorre aarde; un efpric
aride , een gering verjlanci.
Aridité, (f) Dorheid j onvruch-
baarheid des verjiands.
Arien , (m. Öc f.) Een Ariaanfche
Ketter of Ketterin.
Ariette , ( f) Airije om te zingen
of te fpeelen (n).
Arigot, (m) Zeker divars-f uitje.
Arifer , (v. a.) De raden neerla-
ten, (fcheeps iv.)
Ariftarque , ( f) Eenfirenge criti-
cus van gefchriften.
Ariftocratie , ( f) Adel regeeri)7g.
Ariftocratique , Cadj.) Un état
airiftocratique,^rw Staat daar de Re-
veering in de voornaamjïen des lands
• berujl.
Ariftocratique ment , (adv.) Ari-
JÏQcratifcb.
ARG. ARI.
AriAodemocratie, (f) Eene jR/-
g^ering uit den Adel en het f^olk be-
flaande.
Arithmancie , (f/ Konjl om door
getallen te raaden.
Aritliméticien , enne (m. & ï.)
Rekenmeejler. [
Arithmétique, (f. f. & adj.) Re-j
kenkonft ; dat daar toe behoord.
Arithmétiquement,(adv.) Reken-
kundiglyk.
Arlequin, f m) Hofnar.
Arlequinade , (f) Gekkerny,
Armadille, (f) Soort van ligt e'
Fregat.
Armateur , (m) Een Kaaper -, item
een Reeder 'van Scheepen.
Armature , ( f) Tzer^band-werk ,
(Jn Bouwk.)
Arme , ( f) Wapen , geweer ( n ) ;
faire des armes , fchermen ; être
fous les armes , in het geweer ftaan ;
pafTer un Soldat, par les armes,
een Soldaat harquebufeeren > armes a
feu , fcbietgeweer ; les armes d'une
famille , de wapenen van een ge~
Jlacht.
Armée, (f) Leeger (n); armée
navale, oorlog s-vloot.
Armeline , {£) Hermelynen-vel,
(n).
Armement , (m) Krygs-toerufting
Armer, (v. a.) Wapenen ; ar-
mer une poutre de bandes de fer ,
eenen balk met yzeren banden bejlaan jl
s'armer , (v. r.) zig xvapenen. {
Armée , {m) Een ftorm-hoed ; helm-y
{fguurl.) het hoofd; verftand. -,
Armiliaire,'(adj.) jSphère arrai-
liaire » cirkel- globe.
Armiftice , (m) Stitftand van
Wapenen. ' i
Armogan , (m) On a laifle pafTer'
l'armogan , men heeft de goede wind
verlegen, {zee w.) \
Armoire > ( f ) Een kaft ; kleér-kasi,
Armoiries, (f) Gef^acht -wape^
nen.
Armoifin , (m) Armofyn ,foort van
zyde ftoffe.
Armoniac, (adj.) Sel Armoniac,
Armoniak zout,
Armorefte ou Armorifte , ( ra)
ARM.ARO ARP. ARQ.'&c.
E«n die over de ff'aven-J\hi.., kunde
aeÇchreeven heeft , of die verjtaat.
Armoriai , (adj. & fubft. m.) K^r-
zamelpJg van verfcheïde geflacht-wa-
penen , en dat daar toe boord.
Avmovier f (v.a.)lVapens-fchilderen.
Armure, (f) (Vapentuig (n) i U.
patience efl: une armure impéné-
trable , lydzaamheid overivind alles.
Armurier, (m) J^'apenfmid.
Aromaces, (ra. pi.) ^^elriekende
dingen.
Aromatique, (adj.) Welriekend.
Aroroatiler , (v. a.) fFelriekende
kruiden onder iets mengen, welriekend
maaketi.
Aronde , ( f) Zwalwwe-ftaart , (;«
Bouwk.)
Arondelat , (m) Jonge Zwaluw.
Arondelles, (f- pi.) Kleine- ligte
Scheepjes ; de lunzen van een wiel.
Arpailleur, (m) Goudzoeker in de
fivieren ; opzoeker der mynen.
Arpent, (ra; Arpenc de terre,
£en morgen , mer gen tands.
Arpencage,(ra)//é'f Landmeeten{n).
Arpenter, (v. a.) Land- meet en;
met groote fcbreden gaan.
^ ' Arpenteur , (m) Landmeeter.
Arqué , ée (adj.) Geboogen, ge*
kromd.
Arquebufade, (f) ca coup d'ar-
quebufade , Schoot met een Bus of
Vuur-roif.
Arquebufe , (f) Vuur-roer (n),
Bus (f).
Arquebufer , (v. a.) IN eer fcbieten.
Arquebulerie, (f) Bus of Roer-
makery.
ArquebuCer , (m) Roer'maaker,
Bus-fchieter.
Arquer, (V. n.) Krommen, krom
maaken. .
Arrachement, (m) Uitrukkirge (f).
d'Arrache pied, (adv.) (fans cefle)
Zonder ophouden.
Arracher, (v. a.) Uitrukken, uit-
trekken.
Arracheur , (m) Arracheur de
dents , een tandtrekker.
Arrachis, (m) Het uittrekken van
jonge bcomen.
Arramber. (Zie Aramber).
Arramer, (v. a.) Laake» raamen,
uitrekken.
ARR. 43
Arrang , (ra) Een hye Boekbinder*
hiegt , {boert, w.)
Arrangement , (ra) Schikkinge ( f).
Arranger , (v. a.) Schikken , in cr-
i/f/ff//iWi s'arranger chez foi, t'buis
alles tn orden fchikken.
Arraper, (v. a.) Na zig kaapen,
haaien , {weinig gebr.)
Arrafement , (m) Laatfte laag
fteenen van een muur.
Arrafer, (v« a.) Steenen of iets
anders waterpas leggen.
Arreritemeiit, (m) Op rente gee-
ving (f).
Arrenter, (v a.) Op renten gee-
ven of neemen.
Arrérages , (ra. pi.) JgterflalUgc
renten , fchulden (f).
Arrérager, {y. n.) Renten op laa-
ten loopen.
Arrct, (m) Iets dat op, of tegeli
houd } befluit , vajljlelling , enz,
trouver l'arrêt d'une horologe,
het gebrek, waar door een uurwerk
Jlil jiaat , vv.den ; arrét de Parle-
ment , befluit van 't Parlement',
mettre en an-ét , in gyzeling (arrefï)
zetten if^ire unarret (laiüe) fur les
biens, een beflagop de goederen doen-;
arrét de furfeance , mtftel - brief i
arrét, veer van een roer, klok enz.
être fans arrêt , zonder beftendigheid
zyn.
Arrête, (f) Vifch graat; binnen-
ft e rand van een fc hotel of bord enz.
Arrête-bœuf ou arrête charrue ,
(m) Prang-uoriel ( f ) , dte veel vezels
heeft en de ploeg hincierd.
Arrêté , (m) Befluit (n) , vaftfteU
ling (f)j arrêté a'un compte , ƒ«/-
ting e ener rekening.
Arrêté ée (adjT) Opgehouden enz.
Arrêter, (v.a.) Acm- tegen, vaft-
op-houden ; vaftftellen , bepaalen , in
hegtenis {arrejt) neemen; arrêter le
fang, het bloed ftelpen; arrêter une
heure , een uur vaftftellen } arrêter
une perfonne , iemand in begtenii
neemen , arrefteeien ; arrêter les
eaux, de wateren ftremmen , ftuttem
arrêter avec des doux, met fpyken
vaft maaken ; arrêter un compte ^
un marché, ee>:e rekening, een koop
fkuitm } aurrêter an maifon , un la-
quais.
44 ' 'ARR.
qaais , ee» buis , een htegt huuren >
B'srrêter , (v.r.)J'taan blyven , zig op-
bowUn; s'arrêter à des bagatelles,
%ig met beuzelingen ophouden.
Arrêtifte ou Arrécographe 9 (m)
Verzamelaar van voKniJJené
Arrheraent, (m) V Koopen van
Eoorn terwyl op 't veld (iaat.
Arrher , (v. a.) Een Godspenning ,
geld op de hand geeven.
Arrhes, (f. pi.) Godspenning (m).
Arrière, (f) Het acht erft e gedeel-
te van een Schip (n).
Arrière, (adv.) Achter -^ en ar-
rière, te rug, achter uit; arrière
de moi Satan ! gaat achter my Sa-
tan! aller en arrière , achter uit
gaan ; être en arrière, ten achteren
zyn; demeurer en arrière ,/cbuldig
tlyvent achter blyven y venir v<ent
arrière , voor de wind zeilen.
Arriere-ban,(m) Öp-ontbieding des
adels, tot den Oorbg.
Arriere-boutique, ( f) Achter ivin-
èely winkel kamer.
Arrière-change , (m) Intreft van
In treft.
Arriere-corps , (m) Hoof J-muur ,
vtaar op het beeldwerk is (f).
Arriere-cour , ( f) Achterplaats,
of Hof
Arriere-faix, (m) De nageboor-
te (().
ArriçTe-f^Tmier,(m)Onder-pachter.
Arrîere-fief , (m) y^chter-leen (n).
Arrière fils ou fille, (m. & f.)
Klem zoon , of dochter.
Arriere-garde , (f) Afbterboede
c;-ï« een Lpger.
Arriere-main, (f) 't Averechtfe
van de hand,
Arriere-nevea, (m) Een achter-
neef -, na-neef.
Arriere-nièce , (f) Achter-ntgt.
Arriere-panage , (m) Drift van
Vee in 't bofch na den gewQunlyken
tyd , Ka drift.
Arriere-petite-fille, (f) Dochter
van een kinds kind.
Arrière - petit - fils , (m) Kinds»
kinds-ZGon.
Arrière-point , (m) De achter'
ft eek y iby Naaîfters).
Arfiere-foin:2a;e, (f) Xaaiftef/'
'ARR.
Arriere-faifipn , ( £) Het uchjaar (n)i
être fur 1'arriere faifon , in zyn af.
nemende jaaren komen.
Arriere-valTal , (aj) Achter Leen-
man.
Arriérer , (\r. a.) Arriérer un
payement , eené betaaling achteruit
zetten.,
Arriere-vouffure , (T) Boog-rott'
ding achter een deur of v eng ft er.
Arrimage ou Arrumage , (m)
Stouw ing der waar en in een Schtp{ï).
Arrimer , (v. a.) De laading ftuu^
wen, ftouwen.
Arrimears, (m. pi.) Schip-fiouwers.
Arrifler , (v. a.) Zeil of vlag ftry-
ken, neerftryken, {zee w.)
Arrivage, (m) Het inkomen, aan-
landen van veele goederen in een Ha-
ven (n).
Arrive , ( f )~ De zyde van 't Schip
die naar 't land gekeerd is.
Arrive! Hou afl arrive fous le
vent! hou aan ly ! n'arrive pas Ipceild
niet laagerï arrive tout! laat voof
de wind vallen l (zee w.)
Arrivé , ée (adj.) Aangekomen;
gebeurd; quand eft ce que cela cft
arrivé? wanneer is dat gebeurd?
Arrivée, (f) Aankomft; item tyd
daar van ; d'arrivée , (a.dv.)vandeit
aanvang.
Arriver , ( v. a. & n. ) Aankomen}
gebeuren ; voor de wind afhouden;
{zee w.) il lui arriva un malheur j^
daar beviel hem een ongeluk ; un mal»
heur n'arrive guère feul , een onge-
Ink komt zelden alleen; s'il vous ar-
rive (Je faire jamais cela ,200 gy dat
ooit weder doed; arriver à fon but ,
tot zyn oogwit gerqaken,
Arrogamment, (adv.) Verwaan-
delyk, trotfelyk.
Arrogance , ( f ) Verwaandheid y
trotsheid.
Arrogant , ante (adj. & fubft.)
Trots , een hoogmoedige.
Arroger, (v. ^.) Toeélgenen ; s'ar-
roger des horreurs, ztg gère aan'
maatigen.
Arroi , (m) (oud w.) Gevoîg van
dienaren , wagens en paerden (n) j ge-
reedfchap van een Valkenier )n).
Arrondi, ie (adj.) Afgerond, be-
fchaafd}
ARR. ARS. ART.
Jchaofd', un difcours bien arrondi;
ttne welgefcbikte rtJtnvoering,
Arrondir , (v. a.) Rond maahen >
9ene reden in goede orden fcbikken.
Arrondifleraent, (m) Jifrondingy
ver deel ing (f).
Arrondifleur , (m) Ee» die rond
maakt ; ( boertw. ) een die al te keu-
rig iets verdeeld^ fcbikt.
Arrofage, (m) Befproeijing ff).
Arrofement , (m) Begieting ( f).
Arrofer , (v. a.) Begieten , befpren-
gen; cette rivière arrofe lea mors
de ,die rivier befpoeldde muur en van,
Arrofoir , (m) Een Gieter,
Arrumage , arrumer. {Zie arri-
mage).
Ars OU Arts , (m. pi.) aderen
waar op de Paerden gelaten worden,
Arfenal , (m) Wapen-buis (n),
Arfenic, (m) Rottekruid, Arfeni-
cvm.
Arfenical, aie (adj.) ^ergiftig^
ah Rottekruid.
Arfi , ie (adj.) Gebrand, (oud w,)
Arfin, (m) {oud w.) Moord ^bran-
der.
Art , (m) Konjl, fchranderbeid }
art méchanique, handwerks konft;
art hermétique , fmehkonft ; arts
libéraux, vrye kon/ten.
Arteil, (m) Toon of teen van de
voet, {Zie Orteil).
Artémon, (m) Onderfte katrol van
ten takel { f)
Artère ^{î) De flagader.
Artériel, elle (adj.) Tot de Slag-
ader beboorende.
Arterieux , eufe {&d].)Pols-aderig.
Arteriotomie , (f) Opening dtr
jlagader.
Artichaud , (m) Eene j^rtifihok (f).
Article, (m) Een lid {n); artick
de £oi, geloofi artikel', article de la
mort, dooas-ftond ; article d'un
compte , poji eemr rekening.
Articulaire, (adj.) Maladie ar-
ticulaire, leeden-pyn , jigt.
Articulation, (f) Duidelyke uit-
fpraak', zamenvoeging van twee ge-
beenten s } rjerdeeling.
Articuler, (v. a.) DuideÏyk uit-
fpreeken ; ay« eijtk (fosT hd'Verdeehn-
Vêorjielkn,
ARS;ART.ARü.&c: 45
Artifice , (m) Lijf , kon/t , Jchran^
derbeid'f feu d'artifice ^ konjt - vuur^*
werk.
Artificiel > elle (adj .) Kunftig , da$
door kun/t gemaakt en niet natuur lyk $si
Artificiellement , (adv.) Kunftig^
lyk.
Artificier, (m) Konfi-imm^^irh
maaker.
Artificisufement , (adv.) Liftig'
lyk , bebendiglyk.
Artificieux, eufe (*dj.) Kunftig*
lyk f Uftiglyk,
Art lil er, (m) Een die aan *t Cf
f chut werkt.
Artillerie, (f) 't Qefcbut (n).
Artimon , (m) Mât d'artimon , be^-
zaan of achter maft ; voile d'arti-
mon , bezaan ze tl,
Artifan, {m) Ambachtsman , band'
werksman , konftenaar j ftitviwder ,
ftigter i oorzaak van iets,
Artifanne , ( f) jimbacbts-vrowm^i
Artifé , ée (adj.) Konftiglyk ge^
maakt.
Artifon , (m) Houtworm.
Artifte , (adj. & m,) Konfiig ^konjlt"
«aörjmain artifte, konftige hand,
Artiftement , (adv.) Konftiglyk.
Arufpice , (m) IVaarzegger uit de
ingewanden der Offerdieren y {by de
oude Rom.)
Arufpicine , (f) ïVaarzeggery
daar van.
Arzel , (adj.) Cheval arzel , Paerâ
het geen van achteren aan de regter
voet een witte vlak beeft.
AS. (m) Kaarten--aas (n)j as de-
cœur 9 de pique , de carreau , de
treile, harten» ruiten- fchoppsn- kla^
veren-aas.
A favoir, (adj.) Te vueeten', na"
mentlyk; (favoir is beter).
Asbefle , ( m ) Orb^an^aarvlcn
van zekere Jleen gemaakt,
Afcarides , {va. pi.) U^ormpjes dia
zig aan her f^^ridement zetten.
Afcendant,ante (adj.) Opgaande ^
opklimmende; ligne afcendant, op^
gaande linie,
Afcendant , (m) Opgang eener Jl er-
re (f); gezag (n)) keerfc happy (f--
teeken 't melk op de kim verfchynd ^
Z09 dra iemand gebgoren ivard^ pren»
dre
4? ApC.ASM.ASP.&c.
orç....i'arçendant far qaelcàn, den
bous 'óver icmatid fpecteH.
.Afcenfion, (f) Opklimming; He-
fnehanrt ; Hemelvaartsdag.
Afcétere, (.-.o) Kloojîer (n).
Afôétique , (adj .) Godvruchtig ; vie
afçétique , kloojîer-leve».
Afciens , (m. pi.) f^olk dat onder
dû Unie ^vooud.
Afcolies, (f. pi.) Feejien ter fera
iwî Pacchtis.
Afine , (adj.) Bête afine ^^ {in Rech-
ten) Ezel. ,
Asmodée,(m) Forjî der duijierm's.
Âfpeft, (m) Gezicht (n), befchou-
iving{î)} un afpeö: terrible, een
grimmig gelaat-, maifon d'un afpeâ;
agréable , een huis dat wel vertoond.
"Afperge , ( t') Afpergie , {zekere
plant\
Afpergér , (v. a.) Befprengen , be-
fproeien.
. Arpergès. {Zie Afperfoir).
Afpéritè,( ?)Scberpbeid ^fli-engheid.
Afperfer, (v. a.) Befprengen.
Afperfion , ( f ) Befprenging , ivei-
■^^' Afperfoir , (rn) Een Wy-kwajl ,
kwijpel'
Afphalte , (ra) Jooden-lym^
ACpic , (m) Adder , {zeker vergif-
tige Slang;) ; nardus {een kruid); lan-
gue d 'alp ie, kivaadfprekende tong;
huile d'afpic,ypy^-o//>.
Afpirant, te (adj.) Aanademend;
uitfprekende ; pompe afpirante, een
trek-pomp.
Afpirant , (ra) Iemand die naar
ienige plaats of waardigheid dingt;
item e ene letter die uitgefprooken
Tuord. ...
Afpiration, (f) Aanblazwg; mt-
galming ( f) ; vierige z'igt tot God
\m); verlangen naar iets (n).
Afpirer ,(v. a. & n.) Aanademen ;
verlangen; afpirer à quelque cho-
fe , naar iets trachten ; afpirer une
lettre , eene letter uitfpreeken,
Arçre,{m) Een afper, {Jiuk Turks
9eld).
Affableraent , (m) Hoop zand.
. Affabler, (v. ?,.) ^Met zand vul-
ien; aflabler un Vaifleau, (sn Schip
9p ten zatid-hank VQ.ereiu
I ASS. '
s'Affabler , (v. V.) Met het Schip
op een zand bank blyven zitten.
Aflafœtida , ( î ) Duivels-drek, (zi^
kere gomme). •'•■*'
Aflaiüant, te (adj.) Aangevallen ^
befprongen,
Affaillir, (v. a.) Befpringen, aan-
tajlm.
AflaitTonné, ée (adj.) Toebereid,
AiTaifTonnement, (m) Toebereiding
(f).
Aflaifonner, (v. a.) Gereed maa-
ien , klaar maaken ; aflaifonner les
viandt'S, de fpyzen toemaaken ; aflai-
fonner 1 agréable avec l'utile , het
nuttige met het aangenaame paaren.
'AfTaifonneur, (m) Bereider, ge^
reedmaaker.
Aflaflln , ine (m. & f.) Verrader^
lyke Moordenaar , Moordenaarjier.
AflTafiinant , ante (adj.) Verdrie"
tig j des complimens aflTaflinantSj
fverveelende complimenten.
Aflaflïnac, (m) Moord {{).
Aflâîïjné,ée (adj.) f^ermoord , om"
gebracht .
Afl'aflSnateur , (ra) Moordenaar^
ombrer.ger.
Afl'affiner , (v. a.) Heimelyk ver<
moorden , van kant helpen ; fcbelden ,
eerrooven; affafliner de coxx^Sy wak»
ker afroffen.
Afl^ation , (f) Braading, kooking
van iets in zyn eigen fap, als koffy enz,
Aflaut , (m) Aanval; befpringing -,
Jïorm ; prendre une Ville d'aÎTaut »
een Stad Jïormenderhand inneemen^
monter à l'aflaut , 7?or»j loopen; fai-
re aflaut d'efprit, zyn verjland ten
toon fie Hen.
Aflecution , ( f ) Verkryging vaa
een Geejïelyk ampt.
AiTéeur ou Affeyeur , (ra) Schat'
ter > taxeerder van den tmpoft , hoofd-
geld.
Aflï"emblage , (m) Verzameling ,
vergadering , byeen voeging van ver*
fcheide dingen (f).
Afl*emblé , ée (adj.) Vergaderd.
Aflemblée , ( f) Vergadering , fza»
menkomfl; bal,
Afl'erabler , (v. a.) Verzamelen,
vergaderen , byeen voegen; s'aflfem-
bier 3 (Y, r.) zig v§riamskn'
AffeiH»
A SS, ,
Aflembleur, (m) Een -vergaarder
dor bladen^ {by Boekb.).
AfTeiier , (v. a.) AtTener bien fon
coup , zyn jchoot , lUot aanbrengen. \
Afleoir,(v. a.) Zetten y neerzet-
ten ; affeoir un enfant , een kind
neerzetten y afleoir le camp, het le-
ger t:ee'r/1aan ; aûeoir fa vue fur
quelque chofe , zyne oogen op iets
vejiigen.
' s'AiTeoir, (v. r.) Zig nederzetten^
zitten.
Affermenter , (v. a.) Met eede
Jlerken, (oud iv. in Recht.)
AfTerteur , (m) Voorjîander der
ivaarheid.
Aflertion , ( f ) Stelling die men
fvoor waarachtig jlaande houd.
Atfercivement, (adv.) Bekrachti-
gen der wyze.
AflTervir, (v. a.) Te onderbrengen ^
dienftbaar maaken.
Aflerviflement , (m) Dienjïbaar-
heid , Slavernye (f).
Affeffeur, (m) Byzitter ^ (in Rech-
ten).
AfleiTorial, aie (adj.) Dat daar
toe behoord.
Affecte , achatte ou aiffette, (f)
JLeidekkers hamer (m).
Affez, (adv.) Genoeg -, affez bien,
ivel genoeg ; je me porte affez bien,
ik vaar redelyk uel.
Aff.du , ue (adj.) Gejïadig , vlytig ;
affidu en travail , naerjîig aan 't
werk.
Affidu ité, (f) Vlytigheid, y ver-,
avoir de l'affiduité à l'étude , de
Jlndte vlytjg betrapten,
Aüidument ? (adv.) levrig , naar-
Jliglyk.
Affiégé, ée (adj.) Belegerd', les
affiégez, de belegerde.'
Affiégeant, ante (adj.) Belegeren-
de; les affiégeants, (m. pi.) de be-
legeraars.
Affjégement, (m) Belegerhig,
Affiéger , (v. a.) Beleger en -, ie-
mand ergens om aan zyn.
Affierae. Zekere fponsachtige Jleen.
Affiente ou Affiento. Maatfcbap-
py van Kooplieden in America.
Affiette, (f) TafeUord'y legging ;
l'affiette de 1'arae , de zieh toejland)
ASS. 47
l'affiette du camp, de leger-plaats \
l'affiette d'une place , de legging
■van een plaats', affiette à raouchet-
tes ) een fnuiter bakje ; fon affiette à
diné pour lui y fchoon hy niet meê
gegeten heeft moet hy echter b et aal en ^
(Jpr. w.)
Alùettée, (f) Een bord vol.
Affjgnac, (m) ^anwyzing wegens
bet aal ing op goederen die 'er voor
verpand jlaan , (in Rechten).
AffignatioB , ( f) Dagvaarding
voor 't Gericht', aanwyzing ; don-
ner afllgnation , tyd -bejlemmen ;
payer une aiïîgnation , eene ajjigna"
tie voldoen.
Affigner, (v. a.) Aanwyzen-, tyd
en plaats befJemwen ', dagvaarden voor
't Gerecht ; affigner un lieu pour
habiter , een plaats om te bewoonen^
aanivyzen.
Affimilation , (f) Gelykmaaking
van iets ; overeen komjf.
Aiïimiléjée (adj.) Gelyk gemaakte
AÜlmiler, (v. a.) Gelyk maaken.
Aflis, ife, (adj.) Gereefen.
Affife, (f) Een ry Jleenen in een
muur (m).
Affifesj (f. pi.) Zit-dag (m), Ge^
richts-dagen,
Affiftance , ( f) Hulp , byjiand, on"
derjland} tegenwoordigheid.
Afliflant , ante (va. & f.) Raads-
man ^ byjïander in nood', meede-hel.
per-J een die tegenwoordig is.
Affifté, ée (adj.) Bygejlaan, ge^
bolpen.
Affjfter , (V. a. & n.) Byjïaan,
helpen-, tegenwoordig zyn; aflifter fes
amis de fes confeils, zyn vrienden
met zyn raad byJlaan ; afiifter au fer-
vice divin , de Godsdienjî bywoo-
nen,
Affociation , ( f ) Maatfchappy ( f },
Gezelfchap (n).
Affocié, (f. & adj.) Medehande^
laar ; medehandelende.
Affocier > (v. a.) Iemand aannee*
men tot maatfchappy.
s'Affocier, (w.r.)Ztg met iemand
verbinden , in maatfchappy treeden.
Affommer , (v. a.) Dood fl aan , ter
neer f aan; affommer de coups, ^e-
? weldi^ Jlaan iaiTommer par des im-
per*
4è 'Ass.
pörtunitez, iemand 'doodelyk vervee-
len.
Aflbmraoir, (m) Rotten -val,
fpreng.
AfTomption , (f) Marïa Hemel-
vaart j najïelhng eeuer flrHtreden.
. Affonnance , (f) GelykluiJend-
heid dfr ryfn woorden,
AflTortl , ie (adj.) f -^amen-ge-
/(hikt y gefineerd ; mariage mal 'as-
forti , qualyk gefchikt huzvelyk.
Affortiment l (m) fZamen-fcbik'
king , Ie verd & Ie bleju eft un vi-
lain afTortiment , groen en blaauw
komt jlegt by een; acheter un aflbr-
timent de marchandifes, p^m^ for-
teering van waar en koopen.
Affortir , (v. a. & n.) t' Zamen-
fckikken , t'zamen-vaegen , paaren;
'aflbrtir ce drap de quelque dou-
blure , de voeringen overeenkomjlig
i>et laaken zoeken.
Aflbrtiflant, ante (adj.) t'zamen-
voegend-, pajfend.
AfToter , (v. a.) {gem. w.) Zot maa-
iten.
Afroupi , ie (adj.) Gefufi y gejîîld.
Ailoupir , {v. a. ) In jlaap doen val-
len; verzachten; Ji: Hen; by leggen; ce
remèie à alToupi Ia douleur, dit
hulpmiddel beeft my verzacht ; affbu-
pir une querelle , een tivij) , oproer
gallen.
Aflbnpiflant , te (adj.) Stillend,
verzagtend; Ie pavot eft affoupis-
Iknt , Heulzaad is flaap verwekkend,
AfToupiflement , (m) Slaaperig-
hetd , ongpvoeligheid { f).
AfToupIir T (v. a.) Verzachten , buig-
zaam maaken. '
Afl*ourdir, (v. a.) Donf maaken,
voldoen; s'di^owràir,{v.r.)doof worden,
AflTou vir , (<. a.) Verzadigen , vol-
doen; aflbuvir fa rage, zyne woede
voldoen.
AtrouviflTement , (ra) l'AffbuvifTe-
ment de fes ç^^ons , de verzadiging
zyner driften.
Aflujetti, ie (adj.) Onderworpen.
AflTujettir , (v. a.) Onderworpen ,
enderdaanig maaken j s'aflujettir , (v.
r.) z'? onderwerpen,
Afirajettiffant>ante {zà].) Qnder"
xuerpetid*
AST,
AfluJettiflTemc^nt ^ (m) Onderdaü'
nigbeidy onderwerping (f).
Aflurance , ( f ) Verzekering ; kloek'
moedigheid i jioutheid; pand-jiell ng-,
lieu d 'aflurance, bewaarplaat i ^ ge^
vangenis j avoir anTurance d'une
chofe , zekerheid van iets hebben^
mettre fon aflurance en Dicl- , zyn
vertrouwen op Godftellen', aiTurance
de nier quelque chofe , ftoutbeid
om iets te ontkennen j police d'aflTu-
rance, verzekerings contraft o/police
van ajjurantien op goederen.
Alfuré, ée (adj.) Verzekerd ^ l'ss-
furé paye à fon AlTureur tant pour
cent y de verzekerder {ver affût eerder)
betaald aan den verzekeraar {affura»
deur) zoo veel ten loo.
Affurément } (adv.) Zekerlyk, on-
twyffelbaar.
AiFurer, (v. a.) Verzekeren-, aiTu-.
rer une uette , ï;oor een fc huid t pand-
zetten ; aiTmer un Vaiffeau , eeu
Schip ter a (Jurant ie ^ hamer verzeke-
ren; s'aflürer en quelcun, op /V-
mand bf'trouwen j s'aflTurer de Ia
bonté de quelcun , zig van temands
goedheid verzekerd houden;s'a{rnrer de
quelcun j iemand ir' hegtenis neemen.
Aflareurj.(m) Verzekeraar {^ffu^
radeur) van Scheepen , enz,
Attérisme y (m) Gefternte (n),ver'
zaameling van SPerren ( f).
Aftérisque , (m) Sterre (*) die in
de Boeken tot een teeken word gefteld.
Afthmatique, (adj ) Kort-ademig.
Aflhme , (m) Eng-borftigheid , kort-
ademt g beid (f).
Aftic , (m) Een bol been (voor het
vet der Schoenm.)
K^ngzle y{m) Zekere ring cf band
waar mede de Pylaaren onder en bo-
ven gecierd worden y ring voor aan
een Gefchut,
Aftral, aie (adj.) Het geen tot de
Sterren behoord,
Aftre, (n) Eene Sterre; obferver
les aftres, de Sterren waarneemen.
Aftreindre, (v.a.) Dwingen, ver-
plichten ; verftoppen ( in Geneesk. ) j
s'attreindre aux coutumes, zig aan
de gewoonten s binden.
Aftreint, (zd],)QçdW9fJgen, gebons
den; verftoj)t,
Aftriof,
AST.ASY.ATA.ATH.&c.
Aftridion , ( f) Dwang ; verftop-
ping.
Aftringent , te$(adj.) t'^amentrek-
kende ; remede aftringeru , /toppend
geneesmidct^l.
Aft roe , (ra) Strop van etn touw ;
item groot touw , {zee %v.)
Aftrolabe,(m) Sterren-hoogte-mee-
ter , Aftrolabium.
Aftrologie, (f) Sterren -beduid-
kunde.
Aftrologique, (adj.) ^ftrologifch.
Aftrologue , (m) Een Sterren-aan-
duider.
Aftronome,(m)£f'« Sterren-kyker.
Aftronomie , (f) Sterren - loop-
kunde.
Aftronomique ,(adj.) Sterren-kun-
dig.
Aftronomiquement ^ (adv.) Ster-
ren-kundiglyk.
Aftuce , (f) Loosheid j argtiftig-
' heid , (oud IV.)
Afy 1 e , (m) Toevlugt , vryplaats (f j .
Afymetrie, (f) Ongelyke maat,
{in Rekenk.)
Afymptote, (adj.) ff^ord gezegd
van 2 Linten die malkanderen altyd
naderen , en nooit , hoe lang ook getrok-
ken , door/nyden.
Acabale , (m) Soort van trom by de
Mooren.
Atermoiement. (^/^'Attermoye-
raent).
Athanor , (m) (in Smeltk,) Een
groot e Oven.
Athée, (m) Godverzaaker,
Athée, (adj.) Godloochenend.
Athéisme , (m) Godverzaaktng
Athêijlery (f).
Athéifte, {m) Godverzaaker y (be-
ter Athée).
Athlète , (œ) Een Kamp-jegter ;
(f guur!.) groote Voorjïdndsr van iets.
Athlétique, (adj.) IVorftelend.
Athmofphere, (f) Dàmp-kring i
gedeelte der lugt , 't welk het naape
by de aarde komt.
.Atinter, (v. a.) Onmaat ig opcie-
ren; (oud w.)
Atlante, (m) Een îajîdraigende fi-
guur , (in Griekfche bouwk.).
Atlas,- (m) Kaartboek vap de garit-
fcheiraereld \ eerjïe wervelbeen van dm
ATH.ATO.ATü&c. ü
Atmofphere,, (m) (^le Athmo-
fphere).
Atome, (m) yeezeltje , JioJJe , 00-
deelbaar ligbaam (n).
A tort Óc à travers, (adv.) Par«
1er à tort & à travers, tn 'f hon-
derd, zoo wat heen praat en.
Atour , (m) brouwen cieraad, op^
cieringe ( f) ; Dame d'aCour , Staats^
dame , Kamenier.
AtournarefTe ,( f) J^ercierjier eeuer
Bruid, (oudw.)
Atourner, (v. a.) Opcieren, op'
tooien.
Atout, (m) Troef blad (u) , (in heg
Kaart/pel).
Atrabilaire , (adj.) Gal-acbtig^
droefgeeftig.
Atrabile, (f) Zwarte gat.
Atraâylesj (m) Kardo benediSus^
(kruid).
At re , (m) Haarde Haardjleede j^
Haardjieê.
Atroce, (adj.) TJfelyk ,fchrikkelyki:
une crime atroce , eene gruwelyke-
misdaad.
Atrocité, (f) Atrocité d'un cri-
me, zwaarheid jafgryjjelykheid eener
misdaad.
Atronchement , (m) Regt van eem
Heer op zommige plaat zen.
Atrophie, (f) Uitteering.
Atrophié , ée (adj.) Membre a-4
trophié, lid dat geen voedzel heefim
Attabler , s'attabler , (v. r.) Aath
tafel gaan zitten , [gem. w.)
Attache, (f) Kram ^ houvaji f
fnaer , riem ; vlyt , yver ; -y^r-
plichtingyjlandet in een wind mooleni
étudier avec attache, neerjlig ftu-
deeren ; vivre fans attache , onbe*
dwongen leeven-, bas d'attache, ry-
koujfen ; chien d'attache , een bani^
bond.
Attaché , ée (adj.) f^ajlgemaakt.
Attachement , (m) f^erbintenis ;
dnfr , zucht, geneegenheid ', il a xxn
grand attachement pourfa maitrefle,
hy heeft groote liefde voor zyn rj^y/ïer.
Attacher, (v. a.) Binden, vaft^
maaken , hechten ; verbinden , verplicht
ten f attacher les veux fur q\x('\r. e
chofe , de oogen ergens opJJaan-, tnoü
devoir m'attache auprès <ie lu.^
D myn
50 ATT. '
myn plicht vordird hy hem te blyven.
s'Attacher ,(v, r.)^';? ergens aan-
hechten ; iets aangrypen j kleeveri ; s'at-
tacher à l'étude , zig aan de oejje-
ning overgeeven ; s'attacher auprès
d'un grand Seigneur > zig by een
groot Heer verbinden; s'attacher à
une opinion, èy een gevoehn blyven.
Attaches, (f.pl.) Loode ringetjes aan
de vengjler-roeden.
Attaquable ,(adj.)i^^^ ^^» *« '"^^'
Un is, aangrypelyk.
Attaquant , ,(m) Janvaller^ aan-
gryper.
Attaque, (f) Aanval; attaque
d'une place , aanfaJJing eef7er plaat-
ze; attaque de maladie, overval
van ziekte i donner une attaque à
quelcun , iemand bits bejegenen.
Attaqué , ée (rû}.) Aangetajî , enz.
Attaquer , (y. a.) Aanvallen , aan-
randen-, s'attaquer (v. r.) à quelcun ,
met îemaitd ruîzie zoeken.
Attédier, (v. a.) l^erdrieten, ver-
drietiq vallen , (oud w.).
Atteindre, (v. n.& a.) Bereiken,
ecbterbaalen ; atteindre fon but ^zyn
oogmerk bereiken-, je ne faurois l'at-
teindre , ik kan hem met achterhaa-
ien , byhaalen ; je ne puis pas at-
teindre jusques là , ik kan zoo ver
met reiken.
Atteint, te (adj.) Achterhaald;
atteint d'un cçtup de flèche , met
fenepyt getroffen; atteint d'amour,
door lirfde getroffen.
Atteinte , (f) Aanval-, une rade
atteinte ,een barde JJag ; donner at-
teinte à l'honneur de que4cun ,
iemands eer kzvetzen , benadeelen ; at-
teinte aux loix , kwetzing der wet-
ten ; être hors d'atteinte, buiten
vreeze , buiten bereik van iets zyn.
Attelage ,(m) Eenfpan trekdieren;
voorfpanmng ; wagentuig.
Attelé, (f) Haam ^ (zeker Paerden
*tiig ) ; Spalk voor gebroken leden.
Atteler , (v. a.) Aanfpannen ; (met-
tre les chevaux au caroiTe . is beter).
Attelier , ( m ) ÎVerkhuis ( n ) ,
loots ; fpinplaats voor z^wormen (£).
^Attenant, te (adj.) Naafi^elegen;
vigne attenante à la mienne ,w;y»-
gaard grensendi aan de vtyw»
ATT.
Attenant , (adv. & prep.) Attff,
nant l'un de l'autre , naaji malkan-
der en.
Attendant , te fadj ) JVagtcnde ,
veriuagîcnde ; prenez cela , en atten-
dant mieux, neemd dit op hoop van
heter.
En atten dan t , (adv. )Middeleruyl ,
ondertuffchen ;je vais devant en at-
tendant qu'il vienne y ikga voor uit
ondertuffchen tot dat hy komt.
Attendre , (v. a.) IVagten , ver'
ivagten; je l'attends, ik^wagt hem y
haar ;z.x.x.enàxe le -boiteux , (jpr. vu.)
nader bericht inv:a2,ten ; s'atten-
dre, (v. r.) verivagten } je ne
m'attendois pas à cela , ik had
dat niet verwagt , te gemoet gezien.
Attendrir , (v. a.) Vermurwen,
verzagten -, tot medelyden brengen;
s'attendrir, (v. Y.)zagt , murw , mals
zv orden.
. AttendrifTement , (m) Vermur^
tving (?) , mede fy den (n).
Attendu , ue (adj.) Gewagt , ver-
wagt.
Attendu, (conj.) Aangezien-, il
fut exempté du fervice, attendu
fon âge , hy wierd van den dienjl
vry gekend , uit hoofde van zynejaaren.
Attentat, (m) Àanjlag (m); misdaad
(f); horrible attentat, gruwzaam
beft aan, toeleg.
'Attentatoire , (adj.) {in Rechten)
Dat met de wetten flrydig is.
Attente, (f) Verwachting; con-
tre mon attente , tegens mynever-
voagting; pierre d'attente , kant of
bind Jïeen in eene muur; table d'at-.
tente , ledige f.een boven een deuryvoori
opfchriften.
Attenter, (v. n. Sc a.) Op kwaad
toeleggen ; attenter fur la vie &c.
de , op het leven enz. toeleggen van.
Attentif, ive(adj.) Oplettend ^op*^
merkzaam.
Attention ,^ ( f) Oplettendheid ,
aandagt.
Attentivement, (^dv.) Oplettende,
aandacht i^lyk.
Atténuant, (adj.) Bloed verdun*
nend, (in Geneesk.)
Atténuatif, iye (adj.) {Zh Atté-
nuant),
ATT.
Atténuation, (f) f^erzivakking ,
Verval van krachten ; verdunning.
Atténuer , (y.a.)l ''er zw akkert ; ver-
dutir.en; les jeunes & les veilles
atténuent le corps, vajlen en uaa~
hen verzwakt het lighaam.
At'.ermoyement, (m) Uitjlel van
betaaling.
Attermoyer, fv. a.) De tyj van
bet aal ing verlengen.
Atterrage , (m) Landkenning ,
(zee iv.)
Atterrer, (v. a.) Ter aarde wer-
pen, ni'érfmyten.
Atterrir , (v. n.) ^an land ko-
nterf, aanlanden, {zee iv.)
AtterriiTement , (m) Aanflikking ,
aamvas van landt door de vloed ver-
oorzaakt.
Atteftation , (f) Grtui^enis , ge-
tuigfchrift (n), atteilatie (f). .
Attelle , ée ,adj.) Getuigd, enz.
Attefter I (v. a.; Getuigenis gee-
ven , getuigen j betuigen , verklaar en ;
j'en actefte toute la Viile, ik roep
de gantfcbe Stadt 'er oz^er tot getuigen.
Acticisme ,, (m) Korte en zinryke
fpreektrant (f).
Atticurges , (f. pi,) Fierkante py-
laaren-y {in Bouzvk.)
Attiédir , (v.a.) Ferkoelen ,laau'w
maaken j attiédir l'auditeur , den
toehoorder verflaauwen-, s'attiédir,
(v, r.) vrrjlaauzven, onluflig worden.
Attiédiflement , (m) l'' er koeling
Attifer , (v. z.)Opfcbikken , (oudw.)
Attifet , (ni; y rouwen hoofdcierfel
(n) ; {oud w.)
Attirail , (m) Toeru/ling ( f) ; reis-
tuig (n)j bagage ( f); rattiraild'un
Vaifleau i Scheeps-toebehooren.
Attirant , ante (adj.) uiamt'ekkend.
Attirante, (f) Ken jïeep Imt ,
{eertyds gedragen).
Attirer, (v. a.) Aanfekken, tot
zig trekkpn; fa politeüe lui ?.ttir«--'
tous les cœurs y zynelcleefdbeid trekt
alle barten tot bem ; l'airrianc attire
le fer , de zeil-fîeen trekt bet yzerna
zig, s'attirer des enneiiùs, zig vy-
miden op den bals haaien.
' Attife-querelle, (m) TwLffmGutr^
(ItQkebrand^ aauhitzer»
ATT. ji
Attifer, (v, a,) Attifer le feu , bet
vuur aanjîooken j (fguurl.) olie in bct
vuur werpen, aanbitzen.
Attifeur, (m) Attifeufe, {£)Aan-
Jîooker , aanbitzer; aanjîookjler.
Attifonnoire , (m) f^uur-baaky
roer-yzer.
Attitrer , (v. a.) Attitrer quel-
cun , iemand îajl , commiflle gee~
ven.
Attitude , ( f) Houding , gejîalte
{Dansm. Beeldh. en Scbild. iv.)
Attoilon, {m) Een boop kleine E i^
landjes.
Attouchennient, (m) Aanraaking,
vocling {£).
Attouclier , (v. a.) Aanraak en ,
(oud w.)
Attradlif, ive (adj.) Vertu at-
tractive , aantrekkende kragt.
Attradion, (f) Aantrekking.
Attraftrice, (adj. f.) Het geen de
kracht beeft van aan te trekken,
Attraire , (v. a.) Aantrekken , aan-
lokken.
Attrait , (m) Aanîokzel-, lok-aas
(n) , aantrekking (f).
Attrape, (f) l^al, firik om iets
mede te vangen (m) -, takel waar by
een Scbip in 't kielhaalen of als't van
't Jiapel loopt , gebouden word.
Attrapemignon , (tsjï) Een fcbyn-
beilige.
Attraper , (v. a.) Vangen, krygen;
betrappen -jSLitraper un brochet üans
un piège , een fnoek met een Jirik
vangen , Jirik ken ', attraper fur Ie
f:iit , op de daad betrappen ; je ne
puis pas l'attraper , ik kan bent
niet agterbaalen; il m'a bien attra-
pé , hy beeft my fcboon by de neus ge-
bad y bedrogen ; attraper le fens
d'une ckofe, de zin van een zaak'
begrypen, vatten; les chevaux cou-
rent les bénéfices & les ânes. \e%
attrapent , {fpr. w. ) verjlandigff
Jlaan naar ampten en de gekken kry-
gen ze,
Attrapoire , (f) Een Jîrikyfim-
tne irck (ra).
Attrayant, te (adj.) Aanlokkende,
bekoorende.
Actremper. {Zie Tremper).
Attribuer, (y. a.) Tof eigenen, toe-
js ATT. AU. AVA,
fchryven ; s'attribuer , (v. r.) zt^
aanmaatigen.
Attribut , (m) Eigenschap , hoeda-
nigheid i iel s dat tot eenig ampt behoord
( f)jla miféricorde eïl un attribut
de Dieu aulTi bien que la Juftîce ,
de barmhertigheid is zoo uel een ei-
genfchap Gods als de Gerechtigheid.
Attributif, ive {a.Q].)Toi'r:genend.
Attribution, (f) yerleeningv an
f enig voorregî j toeîegging , eer.e bezol-
AttributSj (m. plur.) Zinnebeel-
den , {in een Schildery).
Attriflant , te (adj ) Bedroevend.
Attriflé , ée (adj.) Bedroefd.
Attriaer, {v.' a..) ^Bedroefd y be-
kommerd maaken ', s'atcrifler, (v.r.)
^ig bedroe-Jen.
Attrition , (f) Beroziiv tilt vree"^-
ze der Jîraf (n) ; het 'xryven van nvee
LigchaameH tegen elkander , {in Na-
fuurk.)
Attroupement , (m) r.^rgaaderingy
Jcbaare , meenigte ( f )•
Attrouper, (v. a.) rergaaderen,
hy malkander en doen komen ; s' zxiron-
per, (v. r.) by malkanderen loopen.
Au , (art. du datif m. in 't meerv,
»«x); aan dey aan het y als: au Pè-
re, aan de J^ader; aux Enfans,<3a«
de Kinderen-, au Vaifleau , aan het
Schip ,aux Vaifleaux, aan de Schee-
pen.
Au , (pff P-) «'" ■> ^fi > ^^^ » ^'' »
durci au feu , in 'tvuur gehard., tou-
cher au doigt , met den vtnger aan-
raaken ', pot au lait , een pot tot
melk , mei k-pot î au jugement- de
tous, na 't oordeel van allen -f^ être
au lit,/«V bedde zyn; su pis al-
ler , (adv.) ten ergjlen genomen , als
niets deugen ivil', au refle, (adv.)
^oor 't overige.
Avachir , s'avachir , (gem. ct^.)
JjOg , lui en ondeugend worden y ver-
flenzen , zerjlappen , (van leder gez.)
neerhangen {van takken gez ).
Avage, {ra) Zeker Meuls markt-
recht te Parys.
Aval, (m. Koopm. «/.) Borgtocht,
verzekeering negens eane Wijjelb. om
nis de betrokkene niet betaald , de ge-
ver o/ endoflant <fcMrvan dt waar^t
gefff dêm zaU
'ava;
Aval , (adv.) Neêrwaards , met den
jlroom; vent d'aval, zuid wejie»
wind.
Avalage , (m) Neêrvaart met dm
jlroom ; '/ neêrlaaten , neêrftryken van
iets met een takel of ivinde ; item loott
daar van.
Avalai fon, (f) Geweldige afloop ^
u-at er val; wegfpoeling van Huizen y
enz.
Avalanges ou Avalanches , (f. pi.)
Sneeuw val j groot e klompen fneeuw >
die van 't gebergte vallen en zomtyds
keele gebugten overdekken.
Avalant , te (adj.) Bateau avalant,
' een met de jlroom afvaar end e f c huit ; Ie
montant doit céder à l'avalant,
het opvaarende moet het afvaarende
Jchtp zvyken.
Avalé ,ée {aà].)Neérgelaaten ;met
deflroom neergekomen ; ivgeflokt , enz.
Avalée, (f) Zoo, veel 'een IVeever
af kan werken bevorens hy zyn e hoo-
rnen af en oprold.
Avaler , (v. a.) Injlokken , »^/r-
zirelgen; neérvaaren', voor de he'
! taaling eer.es fViffelbriefs inflaan ;
avaler un affront , een e belediging
! opkroppen; avaler du vin dans une
\ cave, wyn in een kelder neérlaate72',KMZ'
I 1er une branche , eenen tak af houwen,
i Avaleur , (m) Zwelger, vraat ^
j gulzigaatd ; avaleur de charettes
ferrées, eenfnoeshaan.
! Avalies , (f. pi.) Wol van vellen
. der geJJagte Schaapen.
I Avaloire , ( f ) Een zvyd keelgat (n);
itemflaart-riem (van eenPaerden-tuig))
jlamper (hy Hoedem.) (ro).
Avalure , (f) Nieuwe zwamagtigt^
Paerde-hoef
Avance, (f) Vooruit betaating (f) ;
voordeel ; uitjïek aan een gebouw ; ver-
fchot (n); donner dix pas d'avance
à quelcun , iemand tien fchreeden
voor uit geeven; faire des avances
pour îa réconciliation , beginzelen
tot eene bevrediging manken ; faire
une avance de mille francs, een
verfchot van looo guldens doen j par
avance , d'avance, (adv.) van te
voor en, vooraf.
Avancé , ée (adj.) Gevorderd '^
gar4e avancée ; vitgezetts wagt.,
At»î»
AVA.
it , (m,
voortgang , opkomjl (f j
Avancer, (v. n. »Sc a.) ï\rJeren,
voor t/c huiven f enz. avancer quelque
chofe , iets opper t'n , op de baan bren-
gen; avancer de 1'argent, geldver-
Jcbieten-, l'horloge avance, het uur-
werk loopt te ras; avancer l'horlo-
ge ,het uuriverk vooruit zetten ;a.v^n-
cer ua pas, eene fchreede voortgaan;
avancer fon départ , zyn vtrtrek
verhaajïen; avancer fes affaires, zy-
ne zaaken voortz.tten; je n'avance
guère, ik vorder e weinig; avancez
un peu cette table , fchuifd die ta-
fel een weinigje voor uit ; cette pier-
re avance trop, die /leen fchiet te
veel voor utt; avancer ia main , de
hand uitjleeken ; s'avancer, (v. r.)
voortrukken ; Ie blé s'avance fort ,
het koorn groeid wakker.
Avanie , (f) Afknesvelary, ge-
iveldenary der Turken ; befchimping.
Avant, C[rep.) Foor; avant Je
temps, voor den tyd; avant toutes
chofes , voor alle dinsea.
Avant, (adv.) Ferre, diep in;
bien avant dans la nuit, zeer diep
tn den nacht; en avant, \;oor uit;
porffjr en avant-, voor uitjlooten;
mettre enz.Y^nt,voordraagenyVQor-
jïellen; avant que , {koppel-w.) voor
dat.
Avant , (m) Het voor/chip ( n ) ,
voorjléven , de 'boegyètve de l'avant ,
vooruit kopen ) Ie vent fe rangea de
l'avant, de wind liep tegen; mettre
de l'avant , voorby zeilen; Vaifleau
trop fur l'avant, een voor -la/lig
Schip , (S-cbeeps w.)
Avantage , (m) Fbordeel (n) , win/ï
( f) ; het galioen van een Schip (n) ,
parier à l'avantage de quelcun ,
met roem van iemand f pree ken; cela
tourne à fon avantage, dat gedyd
tot zyn voordeel; il eut l'avantage
fur lui , h y had de overhand.
d'Avantage, (^ie Davantage).
Avantager, (v. a.) Bevcordee'en.
Avantageufement , (adv.) Foor-
deeliglyk.
Avantageux, eufe (adj.) Foordeelig.
Avant-bec, (m) Uitjhk (n) onder
^ I^Un h^g (^(fsr cfe hag op mjh
AVA. 53
Avant-bras , (m) v Gedeelte van
den arm , van den elleboog tot het
gewrigt van de hand, (n).
Avant-corps, (m) 'ƒ Foorgebouw
(n).
Avant-cour, (m) Foorhof (n).
Avant- coureur, (m) Foor koper.
Avant-couriere , ( f) Foorloopjier.
Avant-dernier , iere (adj.) Dat
voor den laatjlen gaat.
Avant-fofl"é,(m)Z?£' httitenjïe gragt
e ener vejling (f).
AvaDt-garde, (f) De voorhoedt;
1 'avant & l'arriére garde , de voqT'
en a gt et hoede.
Avant gout, (m) Foorfmaak.
Avant-hier, (adv.) Foor- af eêT'
gif eren.
A van tin , (m) Takje om te enten of
te pooten.
Avant-jour, (adv.) Foor 't opko^
men van den dag.
Avant-logis , ( m > Fcorhuis ( n ) ,
voorwooniBg (f).
Avant-mai a , (f) Het binnenlle
van de hand (n).
Avant-midi, (m. & adv.) De tyd
voor den middag; voor den middag.
Avant-mur, (m) Foor^mur (f).
Avant- part , ( f) Het gedeelte voor
uit (n).
Avant- pêche, (f) Froege Perzik,
Avant-piéd, {m) Foorjte gedeelte
van de voet.
Avant -poignet. {Zie Avant-
main).
Avant-portail, (m) Foor hof (n).
Avant-propos , (m) Foorreden ,
vooraffpraak ( f).
Avant-quart , (m) Focrfag van 't
quartier uiirs (n^.
Avant-toit, (m) Foordak , afdak
(n).
Avant-train, (m) Foorgefel van
een a f uit (n).
Avant- veil Ie , ( f ) JD^ avot^d voor
eenen heiligen avond.
Avanture. {2ie Aventure).
Avare , (fubft. & adj.) Giertg aard,
fchrok , vrek; gierig , vrekkig ^Uhraap-
agtig.
Avarement, (adv.) Gleriglyk.
Avarice , ( Î) Gierigheid.
Avaricieux; eufe. (^;> Avare).
^ 3 Arax
54 AVA. AüB. AUC,
Avarie, (f) Havengeld , anker •
i^eUh item zee-fchaden, havery, ava-
rice grofTe , havery gros ; {fchade die
men door 't overboord werpen of door
de Ze e-r over s aan de goederen lyd):
avarie ordinaire , kletm havery ,
(gezi'oone onkq/ien van 'f Schip).
Avafte , (adj .) Hou op , (S:hecps %v.)
A vau-l'eau, (aâv.) Aller ^ a
vau-l'eau , met den Jiroom neêr-
ivaards gaan.
Aubade, (f) Mor gen - muf t::^ dat
een mintjoar aan zyn nu. ''nar es
's.morgens vroeg fpeeld -, item geraas,
gefihreeuiv- (n).
Aubain , (m) t^reemdeïing , uitheem-
Jihe inivoonder.
Aubaine, (f) I^echt des Kon mg $ op
de erffenis van e enen Vreemdeling in
ay;; land geflorven (n).
Auban, {m) Recht het iv e Ik men
den Heer of zyne Gerechtsdienaaren be-
taald -, om vryheid te hebben van zyn
tvinkel of kraam te openen (n).
Aube , ( £) De dageraad-, Pries-
terlyke misgewaad ', 'plank van een
mooïen-rad ,waar op het water valt;
ferfie nagt ivagt , {plat voet ge-
naamd) (Óchetps w.)
Aube-épine ,( f) fVitte Haag-doorn
(m).
Auberge , ( f) Een Herberg.
Aabergifte, (m. & f.) Herbergier,
Waard , Hofpes ; Herbergierfier , Hos-
pita , JVaardtn.
Auberon , (m) Kram daar de
tong van een flot in fcbiet.
Auberonniere , (m) Plaatje daar
de kram aan vafl is.
Aubier ou Aubour , {ni) Spint in
't hout (n).
Aubifoin , (m) Blaamve koorn-
hloem (f).
Aubin , (m) Gebroken gang 'van een
Paerd. {Zie ook blanc d'oeuf).
Aubinet , (m) Het voor-vinken-net
(n) , [Scheeps w.)
Aubour. {Zie Aubier).
Aubrier, (m) Een Havik met een
u:tte Jiaart.
Audion , (f) Operibaare verkoo-
pinq van boeken.
AuAuaire, (m) Byvoegzel (n).
Aucun, une «'adj.) bans aucune
( f) Stoutheid , lier mi-
AÜC. AUD. AVE.
difficuicé, zonder eenige zwarigheid-i
en aucune manière , in geenerlei
wyze.
Aucunement? (adv.) Eenigzints',
geenzins.
Audace
felheid.
Audacieufennent, (adv.) Stoutelyk,
Audacieux 5 eufe (ad j .) 6>om; , Vf r-
métel.
Au deÇî, (prep.) Au deçà de la
rivière , aan deze zyde der rivière.
Au de là , (prep.) /Jan geer.e zyde.
Au devant , (adv.) Aller au de-
vant de quelcun , iemand te gemoe-
te çraan.
Audience, (f) Gehoor (n); au-
diëntie-zaal (f ) } donner audience ,
gehoor verleenen.
Audiencier , (m) Deurwaarder van
het laag e gerecht.
Auditeur, (m) Toehoorder; And*- »
teur des comptes, een Arnptenaar'<
die de Rekeningen opneemd, naziet.
Auditif, ive (adj.) 't Geen het ge-
hoor betreft. ,
Audition, (f) Audition des té-
moins, verhoonng der getuigen; au-
dicion des comptes, het nazien der
rekcrAugen.
AudKoire, (m) Gehoorplaats ; de
Vergadering (f).
Avé , (m) Groetenis van den Engel
aan M ar ia (f).
Avec , ( prep.) Met , mede; avec
moi , r,-^et my.
Aveindre , (v. a.) Uit een kafi haa-
ien , aanreiken , {vjeinig geh.)
Aveine ou Avoine , ( f) Haveif
(m).
Aveline, (f) Hazelnoot.
Avelinier, (m) Hazelaar, {betei'
Coudrier).
Avenage , (m) Haver-tiende , die
men aan den Grondheer verfchuldigt is.
Avenant, te (pare.) Le cas ave*
nant, het geval gebeurende.
Avenant , te (adj.). Chofe ave-
nante, een behoorlyW^zaak ; à l'a-
venant , (adv.) naar maat e, naar
advenaüt, (à proportion).
Avènement, (m) Avènement au
trône , konfi tot den troon.
"^ Avejiir, (v. u.) Gebeurmp (^-ord
aileett
AVE.
éilfee» împerCoïiiielyk geb.) ilavint,
bef gebeurc(e.
Avenir, (m) De toekomer.de tyd;
à l'avenir, IÎ7 V toekomende.
Avent , (m) Mvent , tydvoor Chrii-
ti geboorpey {in de R. Kerk).
Aventurej(f ) H^^aa^ingi^ï); voorval,
lotgeval {n); gefchiedetiis (f); avan-
tures galantes > minnen -gevallen y
difeur de bonne aventure, goft/pr
geluk zeggen j mal d'aventure , di'
fyt aan de vingers ; la grofle a-
yenture ,4>odemry , (Koopm. w.)
à l'Aventure, (adv.) Onbezonnen;
Û d'aventure, zoo by geval.
Aventurer, (v. a.) fVaagen.
Aventureux , cuie (adj.) ff^aag-
ogtig , {oud w.)
Aventurier, iere(ni.& £.) Waag-
hals ; zwerver , gelukzoeker; lan'd-
loopjfer.
Avenu, ue (adj.) Gebeurd, voor-
gevallen.
Avenue , (f) Toegang tot iets-,
laan , wandeldreef met boornen be-
plant (m).
Avérer, (v, a.) Beivyzen, ivaar-
maaken.
Averne , (m) De Helle , (woord
by Dicht, gebez.)
Averfaire. {Zie Adverfaire).
Averfe , (adv.) il pleut à ver-
fe , het regend dat het giet , het Jlag-
' regend.
Averfe. {Zie Adverfe).
Averfion, (f) Tegenzin {£),haat
afkeer (m).
Averfité. {Zie AdverGté).
Avertin,(n3) Ziekte des gemoeds
waar door iemand woedend word (f).
Avertir. ? (v. a.) JVaarfchuuwen ,
berichten.
Averciffement , (m) Bericht ( n } ,
waarfchuuzving {t').
Avertifleur , (m) JVaarfchuuwer
van 't Hof.
Avette , (f) Een Biet] e, {by Dich-
ters), .
Aveu , (m) Bé^^tenis y toejlemming,
bewilltging ; un homme fans aveu,
een Lamilooper , onbekend menjcb.
Aveugle, (fubft. & adj.) Een blin-
de; blind; aveugle né, een blind
geborene; au païs des aveugles les
AVE. AUG. AVI. j5
borg nes font Rois , in 't land aer
bl:nJen is een-oog Koning {fpr. w. )
paffion aveugle , blinde liefde.
à l'Aveugle, (adv, In den blinde.
Aveuglement, (adv.) Ulindelyk. .
Aveuglément, (m) Blindhetd{£);
onv erfland (n).
Aveugler, (v. a.) Blinden ^ ver-
blinden.
Aveuglettes ou à tâtons, (adv.)
Blindelings , by den iafi.
Auge , ( f) Trog , bak (m).
Augée, (f) Een hak vol.
Auget, (m) Eetenf-bakje voor een
P^QOgel-kooy (n).
- Augment, (m) Augmsnt de dot,
vermeerdering van Bruidfchat , {in
Rechten (f).
Augmentateur, trice, (m. & f.)
l^^ermeerderaar , vermeerderaarfer.
Augmentatif , iye (adj.) Fer meer-
derend.
Augmentation , (f) f^ermeerdt-
ring.
Augmenter , (v. a.) Vermeerde-
ren ; s'augmenter, (v. r.) toenee-
men , acmgroeijen.
Augurai , aie (adj.) Dat de ÏVaar-
zeggery aangaat.
Augure ; (m) Een waarzegger , wig-
gelaar (m) ; voorteeken (n) , voorfpel-
(ing , wiggslaary utt de vlugt der voge-
len (f).
Augurer, (v. a.) Iets voorbeduh
den, voorfpellen ; j'en augure quel-
que choie de bon, ik voorfpel daar
iets goeds uit.
Augufte, (adj.) Heerlyk , voortref'
felyk , uitmuntend.
Auguftèment, (adv.) Overheerlyk,
Avidluaillement , (m; Bezorging
van levensmiddelen { f).
Aviduailleur , (m) Een die een
Schip met levensmiddelen (vi^uaille)
voorziet.
Avide? (adj.) Greetig^ begeerig,
hongerig; avide de gloire, ecrzug^
tig.
Avidement , (adv.) Gretigtyk , zie*
rigtyk.
Avidité , (f) Gretigheid , begeerte.
Avilir, (v. a. Ik n.) l^erjlegten,
gering, verachtelyk maaken , of voor-
den ; m prys afjïitan,
D 4 Avi-
5(5 AVL AÜL. AÜM.
Avi I iffemenc , ( m ) f^erjlegtwg ,
verachting (f).
Avillons , (ra) De achter-klaau-
vjptt van een Roofvogel {by Valke-
niers).
Aviner , (v. a.) Met ivyn doortrek-
ien laat en.
Aujotird'hui, (adv.) Huiden, he-
den , van daag.
Aviron , (m) Een Roei-riem.
Avironner, (v. a.) Roeijen.
Avis, (m) Berigfy gevoelen (n);
raad {va)', donner des avis, raad
geeven; donner avis ,bengt geeven,
à mon avis , tia myn gedagten; let-
tre d'avis, advys-brief; il m'eft a-
▼is , my dunkt.
Avifé , ée (adj.) Bedagt^ voor-
zichtig ; bien , mal avifé , wel , kwa-
lyk bedagt.
Avifement , (m) Gedagten (f),
denkbeeld (n) , {oud w.)
Avifer , s'avifer , (v. n. & d..) er-
gens op bedagt zyn ; on y avifera ;
men zal 'er om denken , avifez vous y ,
itedenkt 'er U op -, il s'av'fa de Ie
iaire , hy vond goed het te doen.
Avitaillement , (m) Bezorging van
levensmiddelen.
Avitailler , _(v. a.) Van leeftogt
voorzien-, proviandeeren.
Aviver , (v. z.) Luchtig fchoon-
fnaakcn; polyjlen-, aviver une pier-
re &^c.eenjîeen zuiver vierkant maa-
ken; aviver le feu, het vuur helder
doen branden.
Avives, (f. pi.) Klieren aan de
gorgel van een Paerd.
Aulique, (adj.) Confeil aulique ,
JQizerlyke Ryks - hofraad ; chambre
aulique, Opperryks-kamer.
Aumailles , (f. pi.) .allerhande
Jioorn-vee (n).
Aumône, (f) .t^almoBS (n); faire
J 'au mône , aalmoejfen geven j deman-
tier l'aumône, beedelen.
Aumonée , ( f) Brood 't welk men
V2a P(n hegraafenis den armen geeft (n).
Aumóner, (v. a.) Begiftigen, iets
cis een aalmoes geven.
A n móne r ie , ' (f) Aalmoeffenier-
fch.p (nh
Auu.onier ,(m') j^almoejfinier ^Ka-
;fellaan op een bcbip.
AUM. AUN. AVO.
Auraönier, re (m. & f.) Een die
milddadig is aan den armen.
Auraôniere , ( f) Kerk-butdel (m).
Aumuce , (f) Armelyn bont, het
welk de Kanunnikken op den arm dra'
gen als zy den dienfl doen (n).
Au nage , (m) Ellen-maat { f).
Aunaie , ( f ) Elzen-bofch (n).
Aune, (m) Elzen-boom.
Aune, (f) Eene elle; il mefure
tout le monde à fon aune, hy cor-
dée ld een ieder naar zig zelven; je
fais ce qu'en vaut l'aune, ik weet
wat 'er op loopt y babiller tout du
long de l'aune , in de lengte heén
praaten-, au bout de l'aune faut le
drap, by Jlot vati rekening zal men
dit wel vinden , {fpr. w.)
KnnQT ,{v.?i..)Met de Elle meeten.
Auneur , (m) Amptenaar , die aan-
gefield is om de Ellen te yken en te
bezien.
Avocafler , fv. n.) Het ampt van
Advocaat woarveemen , {gem. w .)
Avocaflerie , (f) Het ampt van
een Advocaat (n) , {èem. en oud w.)
Avocat, (m) Voorfpraak, Advo-
caat.
Avocate , (f) Voorjlandjler , be-
fchermfler.
Avocatoire , (adj. & fubft.) Dat tot
de voorfpraak of deszelfs ampt behoord;
item Keizerlyk bevelfchrift.
Avoine , ( f) Haver. {Zie Aveine).
Avoinerie , (f) Plaats die met
haver bezaait is , baverland.
Avoir, (v. a.) Hebben, bezitten,
genieten; avoir du bien, ryk zyn;
avoir chaud, froid, warm, koud
zyn; avoir roin,zor^ draagen', (NB,
in 't Boekhouden zegt men doit avoir in
plaats van credit) ; y avoir , zyn , wee-
zen; il y a, daar is, daar zyn; il y a
huit jours, het is acht daagen geleden,
{Zie verder de uit legging van d'A.)
Avoir, (ra) Goea , vermogen, be-
zit (n); c'efl tout mon avoir y dat
is alles het geen ik bezit.
Avoifmement 9 (m) J^ykoming ,
nadering (f).
Avoifiner, (v. a.) Naderen, ge-
naaken ,Kabuurig zyn.
Avorté , ée (adj.) J\j[iskraamd >
mhl'aürd} mislukti
AVO. AUP. AUR. AUS.
AvürcemCiiC, (m) Misdragt , mis-
<Wfrpii!g der dieren (f).
Avorcer , (v. n.) Mtskraamen^mis-
draagen ; voor den tyd iverpeti } avor
ter en quelque entreprife, in eùni-
ge onderneemin^ mislukken.
Avorcon , (m) Misdragt , misge-
boorte , ontydige vnigt ( f) ; quel pe-
tic avorton ell cela.^ ^vat voor een
onderblyfzel is dat ^ avorton de l'es-
prit, jcbrift of werk dat niet wel
uitgevoerd is.
Avoué , (m) Schuts-heer , voorjian-
der eener Kerk of Kloojïer.
Avouer, (v. a.) Erkennen, beken-
nen , topjiemmen , goedkeuren.
Avouërie > ( f) Patroonfchap van
een Kerk (n).
Avoyé , (m) Amptman in fommi-
ge Zwitzer^che Steden.
Avoyer, (v.n.) Beginnen te waai'
jen , (zee w.)
Auparavant, (adv.) liante vooren,
ahoorens.
Au-pis-aller ^(advO Op zyn kwaad'
Jlen genomen.
Auprès, (adv.) By , digte by; ei
auprès, hier by.
Auprès , (prep.) Auprès du feu ,
^y het v««r; auprès de lui ^by hem-,
être auprès d'un grand Seigneur,
by een groot Heerwoonen, zyn; vo-
tre mal n'eft qu'une bagatelle au-
près du mien , une kwaal is maar
eene beuzeling by de myne.
Auréole , (m) Straalkrans , om het
hoofd der heiligen.
Auriculaire , (adj.) Confeffion
auriculaire , oorbiegt ; témoin au-
riculaire , oorgetuigen-, doigt auri-
cnkaxxe-, jcie ptnk of kleinjïe vinger.
Avril , (m) April, grasmaand;
l'avril des jours, de lente der dagen
{by Poëet en).
Anrillas , {m) Vaerd met lange
oor en.
Auronne , ( f) Averocn , {een kruid).
Aurore, (f) De dageraat {m);
't morgen rooi (n) ; eene frijfche
fchoonheid (f) j geele vergulde ko-
leur {{); de l'aurore au couchant,
van het ooflen tot het ivelJen.
Aufpice , (m) Voorzegger by de
lUidancn die uit j^e vlvgt j gezang enz.
AUS. AÜT. 57
der vogelen iets wiji te voorfpeilen j
item 't voorteken zelfs (n).
Aufpices ,(m. pi.) Né fous d'heu-
reux aufpices , onder gelukkige
voortekens of in eene gelukkige tyd ge'
booren; c'ell fous, vos aufpices que
je , het is onder uwc befchuttinge
dat ik enz.
Aufpicine , (f) Konfl om door de
vlugt , het gezang of eeten der voge-
len, tets te voorjpeUen.
Aufil , ( conj. ) Zoo, ook; aufS
grand que vous, zoo groot als gy -,
auffl beau que fage , zoo fchopn als
verjlandig; vous y avez été & moi
aulfi, gy bebt 'er gexveejl en ik ook;
ayez loin de vos affaires; arifiî ai
je , let op u zaaken; zoo doe ik ook;
il ell plus fage , auiïi eft il plus âgé ,
hy is wyzer , maar hy is ook ouder;
il efb auâj fage , que vaillant ? hy is
zoo voorzigtig , als dapper.
Auffî -bien que , (conj.) Zoo
wel als.
AufTi-peu que, (conj.) Zoo wei-
nig als.
Auffi-tót que, ( conj. ) Zoo ras
als; auffi-töt dit, auffi-tót fait, zoo
gezegd , zoo gedaan.
Aufler , (ni) Een zeer warme wind-,
zuiden wind.
Auflére , (adj.) Mener une vie
auftére , een fîreng leven lelden.
Auftérement , (adv.) Strengelyk.
Auftérité, (f) Strengheid.
Auftral, aie (adj.) Zuiderlyk^jto.
Ie auftral, zuidcr afpunt ; la mer
auftrale, de zuider-zee; terres au-
llrales , de zuid-landen.
Autan , (m) De zuid-oojle-ivind.
Autant , (adv.) Zoo veel ^ even
zoo veel; j'ai autant que vous, tk
heb zoo veel als gy; dix fois autant,
tienmaal zoo veel; ai-Uant de têtes,
autant d'avis , zoo veel hoofden , zoo
veel zinnen; je l'aime autant que
vous 5 tk bemin hem zoo zeer als ^y,
of als U;]e l'ai vendu tout autant,
ik heb hep juiji voor zoo veel vtr-
kogt.
d'Autant plus, (adv.) Zoo veel te
meer ; d'autant moins , des te min'
der; d'autant que, dewyl , vermits.
Autel, (m) Altaar, Qutaar (n);
D 5 îTiai-
5^8 AUT
maître ou grand Autel, bet hooge \
^utaar.
Auteur , Autrice , (m. & f.) Schry-
ver , uitvinder , oorzaak , aanvanger ,
Jiigter j fchryffier , uitvimijïer ( van
een boek of konji).
Authenticité, (f) irettigheid, ge-
kofwaar digbeid.
Authentique , (adj.) JVettig , ge-
loofwaardig.
Authentiquée , ( f) f^rouw die van
oVerfpel overtuigd word.
AuthentiquemenL, (adv.) Gela f-
waardiglyk.
Authentiquer, (v. a.) Een fcbrift
ondertekenen,
Autocéphale, (m) {Griekfch w.)
Een opperfle aayivoerder.
Autocrateur , trice {m.&i^ï.) Zelfs
behouder-, behouder effe - {titel in Rus-
land)»
Auto-da-fé, (ra) (Pcrtug.w.)ron-
KÏs der Inquifïtie.
Autographe , (m) Iemands eigen
bandfchrift (n).
Automate , (m) Kot7jJ-u'erktttig dat
door zig zelfs beweegd (n); item een
die zonder onderwys leerd.
Automnal, aie (adj.) Herfflacbtig',
fleur automnale, berfjî-bloem.
,AUT.AUV.AÜX.AXE.&c.
Autourferie , ( f) Koujt om de Ha-»
vikken ter jacht af te rechten.
Au tourfier, (m) Een die dezelve
daar toe af re ebt.
Au-travcrs OU A-travers, (prep.)
{het eerfïe regeerd de gen. en het zde
de accuf.) Dwars over , of door , au-
travers du corps , dwars door 't lyf-.
Automne, (f) Herfjï; {fguurl.)
aannaderende ouderdom (m).
Autorifation > (f) Macht -gezag-
geving.
Autorifer , (v. a.) Gezag geven -,
être autorifé de quelcun , van
iemand gevolmachtigd zyn.
Autorité, (f) Gezag ^ aanzien,
vermogen (n);ufer de fon autorité,
zyn gezag gebruiken j autorité de
quelque Auteur confidérabie , een
aangehaalde plaats van eenig ver-
maard Schryver-, autorité ^abfoluë,
onbepaalde magt.
Autour, (prep.) Omtrent ^ rond-
om } eet habit me coûte autour de
cent écu s , dit kleed kofî my omtrent
loo kroonen -, autour de l'Egiife,
rondom de Kerk-, tourner autour du
pot , om het kantje praaten ^{fpr. w.)
Autour, (adv.) Tourner tout au-
tour,»» 't rond draaien i rondom her
gaan.
Autour , (m) Een Havik.
a-travers ia Viiie, dzvars door'de
Stadt.
Autre i (m. & f.) Een ander , eene
andere', l'un ou l'autre , een van
beide-, m l'un, ni l'autre ,^é'f« van
beide; une autrefois, op een ander-
maal; l'autre jour, onlangs; l'un
vaut l'autre, de eene ts de andere
waard ; de parc & d'autre , van
zueérszyden , overal; c'eil bien un
autre homme, dat is een gantfch an-
der man ; c'ell une autre paire de
manches , dat is een andere zaak; à
d'autres , maakt dat de kinderen
wys; c'efl un autre Alexandre , /^^r
is een tweede Alexander.
Autrefois, (adv.) Eertyds , voor-
maals , weleer.
Autrement , (adv.) Anders, an-
derzints; on parle tout autrement
; ^ de cela, men fpreekt daar heel an-
ders van.
Autrepart, (adv.) Elders, op een
ander plaats.
Autruche, (f) Strats-vogel {m).
Autrui, (m) Iemand anders ; ie
bien d'autrui , een andermans goed;
il ne faut faire à autrui, que
ce que nous voudrions que nous
iîxt fait, men moet aan een ander
nietsdoen, 't geen wy niet willen dag
ons gefchiede.
Auvent, (m) Luiffel voor een win~
kei of huis (n).
Auvernas ou Auvernat , (m)
Zwaar e Orleanfche wyn. '*
Auvesque , (ra) Zekere aangenach
me appel-dravik (m).
Auxiliaire , (adj.) 't Geen hulp
geeft ; des troupes auxiliaires ,
hulp-benden ; des verbes auxiliaires,
behulpzaame werkwoorden.
Axe, (m) Spil, as van een bol;
l'axe du monde, de as van de waereld,
Axi , boort van peper.
Axiome j (m) Aangenomen grond-
'Jlel-regel. Axon-
AXI.AXO.AYA.AYE. &c.
Ar.onge < u Axunge, (f) Reuzel;
menfchen-vet tot een geneesmiddel be-
reid.
Ayant « ("part.) Hebbende.
Aye , (interj.j Ach I ochi
Ay^ ui. [Zie Aieul).
Azerolt', (m) Wilde mispel.
AzcroUer , (m) Pfilde mtspel-boom.
A?.imu., (m) iop kri>'g , top-boog.
Aziinutal, aie (aJj.) Top-kring-
achtig.
Azot, (m) Eerflejloffe der metaa-
len 5 {in Smeltk.)
A/.ur , (m) Btaauw , hemels-blaauw,
azuur (n).
Azuré , ée (adj,) Dat hemels-
blaauiv geverft ts; les voûtes azu-
rées , de azuur-gewelven , de hemel j
les plaints azurées , de azuure vel-
den-) de zee.
Axurer | (v. a. ) Hemels-blaauw
fchilderen.
Azye. {Zie Afyle).
Azyme, (m. «Scadj.) Pain azyme ,
ongezuurd brood; la féte des azy-
mes , het feefi der et^g- hevelde brooden.
Azymice , (m. & f.) Een die on-
gezuurd brood eet.
B.
B(m) B. (f) 2de Letter van het
' Af B , C; il eft marqué au
B, {dat is) boiteux-, boigne jboffa Î
hy is l'an onzen Lieven Heer get ee-
kend , als : kreupel , eenoogtg , gebuid *
B quarre, & B mol, B duur en B
mol y {in iVluftcq).
Babeurre, (m) Karnemelk (f).
Bauiclie, (f) :>cboot-hontje (n).
Babil,(m) Gebabbel y geklap, ge-
fnap (n).
Babillard, de (adj.) Klapachtig.
Babillard > de (m & f.} Klapper;
fnarjl^r, klappye.
Babill«fr ,(v. n.) Babbelen ^ klappen.
Babilloi re , ( f ) Ploegbankje ; klap-
' bankje (n).
Babijie , (f) De muil van een
-^ap^ Kop enz. (m) de grofles babi-
nes , groote lippen j groote fmoel.
BAB. BAC. 59
Babioles, ( f. pi.} .^-nder fpeeltuig,
poppen goed {w); beuzelingen.
Bâbord ou Basbord , (m; Bakboord^
de linkere zyde van een óchip.
Babouche ? ( f ) Een Turfche fcboen
(m),
Babouin, (m) Een Baviaan; bai-
fer Ie babouin , zig voor iemand ver-
ootmoedigen ; in de bus blaazen ,
{fpr. w.)
, Babouin , ine (m. & f.) Nar ,
aapengezigt ; zottinne, malocr.
Babouiner , (v. n.) Poeizen maa^
ken.
Bac , (ra) Praam, platte fchuit )
pont; water-trog ; f iintein-kajl (f).
Bacalas, (m/ Kajuii-lyjï van een
6 chip {f).
Bacaliau , fm) Kabeljau , Bakkeljau,
B:icca!auréat , (ra) Eer-trap van
een Candidaat na zyn examen.
Bacchanales, (f. pi.) Bacchus
feejien.
iJacchanalifer , (v. n.) 'Lujïig eéien
en drinken.
Bacchantes ? (f. pi.;) Bacehus Pries->
ter innen.
Bacchus, (m) Wyn-god, {by Poe.,
ten); item wyn.
Bache , {\r\)Wa gen-ze il , dekzel{n)„
Bachelier, {vù) Meejîer in deGad^
geleerdheid, IVysbegeene enz.
Bachique, (adj J Air bachique ;
drink -lied.
Bachot , (m) Veer-fchuitje (n).
Bachotage, (n.) He( overzetten ^
overvaaren (n).
Bachoteur , (ra) Veerman.
Bacille , (m) Zte-fer.kcl , {een kruid).
Bâclage, (m) Ilavcn-^tld; het re-
guleeren der Schepen in een haven , (n).
Bacier, (v. a.) Deur , vengjier of
haven met een boom Jluitrn ; orde
Jlellen op het in- en uitvaaren van
Scheepen in een haven; une affaire
bâclée , eene afgedaane zaak.
Bacquet. {Zie Baquct).
Baftréoles, (f. pi.; Snippers van
bladgoud.
Baciil, (m) Een Jïanrt-riem.
Baculer, (y. a.) Met een knuppel
fiaar..
Baculométrie . (f) Konf; om met.
eenJJok hoogt ens , enz. te meet en.
Ba-
^ BAD. BAF. BAG.
Badaud, aude, (m.&f.) Een b->t-
ferik, dommerik f gaapjiok i les ba-
dauds de Paris, û?f Paryfche gaapcrs.
Badaudage , (m) Het rondomgaa-
fen (n).
Badauder, (v. n.) Heen en weer
gaapen , Jïaan kyken als een gek.
'Bz.à^nàeviQ, {f) Zotterny.
Badaudi»me,(ra) Omozelbe id, gek-
heid {{),
Badelaire , ( f) ZiOfel , ( in Wa-
penk.)
Badigeon , (m) Mortel van Jteen-
gruis , {Metzeliv.)
Badigeonner, (v. a.) Met zooda-
nig bejlryken.
Badin, ne (adj.) Boertige korts-
ivytig.
Badin ,ne (m,& f.) Boerter , korts-
ivylige.
Badinage , (m) Klugt , fpotterny ,
iortsivyl (f).
Badine, (f) Vuurtangetje (n).
Badinement, (adv.) Op eene korts-
'U'ylige zvyze.
Badiner, (v. n. & a.) Boerten ,
gehfchoeren; zig kind'.^racbtig aanji el-
len-, Jlii7geren , wippen , {van iets dat
ha^gt).
Badinerie , ( f) Gekkery , boerte-
ry; kinderachtigheid.
Bafouer, (v. a.) Iemand uitmaa-
ken, bpfpGtten^ {gpm. u\)
Bafr'e , (f) igeni. tv.) Gulzigheid.
{Zie Gourmandife).
Bâfrer , (v. a.) (gem. iv.) Gulzig
e et en.
Bafreur , (m) {Zie Gourmand).
Bagage, (m) Reis-tuig (n) ; plier,
trouffer bagage .,inpakken yweg gaan ,
bet baazenpad kiezen.
Bagarre , (m) Oploop (m) , geraas
van volé (n) , [gem. zv.)
BagaTe , ( f) Hoer Jmots ^(gem. w.),
Bagatelle, (f) Kleinigheid.
y Bagaielles! ( interj.) Is 't anders
niet ! ivf ? ! zveg !
Bagaude , (m) Landlooper ^(oudw.)
Bagne , (m) Plaats daar men de
Slaaven opfiuit (f'.
Bagnolecce, (f) Een knif, muts
fier vrouivcn d:e 't hahe aangfzigt
hedAt.
ra^ue , ( f) Ring } Stfpk-rng (m) ;
BAG. BAH. BAT.
courir la bague, wa^of^ ringjleek.ft;
il s'en ert tiré bagues fauves , (ypr.
%v.) hy is 'er heels buids ^ zonder f cbaa-
de afgekomen.
Baguenaude , ( f ) Zeker oud rym
(n).
Baguenauder, {v. n.) Kinder Jlree-
ken begaan , {gem. iv.)
Baguenaudier , (m) Een Lanter-
fant; Ltnzen-boom.
Baguer , (v. a.) De plooijen aan
een kleed begten.
Baguette, (f) Roedje, Jlokje (n)j
fptts-roede (f); vuur-pyl-Jïok , laad-
Jïok , fiamper j Dearivaarders ftaf',
Trommel-jiok (m); pafTer par les ba-
guettes , door de fpits-roên hopen )
commander à baguette, met magt
beveeleny baguette divinatoire, w/-
chel-roê.
Baguier , (m) Rin^kajlje (n).
Bahut, (m) Reis-kqfer{n),kiJI{e).
Bahut er , (m) Koffer. maaker.
Bai , baie, (adj.;Cheval hd.iteen
karjïanje bruin Paerd ; bai clair ,
licht brui». '
Baie, (f) Bezie, heffe y baie de
laurier, laurier bézie ; baie , een
baay , bogt ( f ) > een open vak in een
muur voor een deur of vengjier (n)j
baie , b^driegcry , {dit laafjle een
geni. IV.)
Baier. {Zie Bayer).
Baigner, (v. n.&a.) Baaden ; be^
fpoelen j cette rivière baigne les
xïWLrs^die rivier befpoeld-, loopt ia^gs de
muuren y fe baigner, (v.r.) zig ba'aden.
Baigneur, eu fe (m. & f.) Baader,
baadjlery bad-meejler.
Baignoir , (m) BadJîoof{ f ) ; Baads
plaats.
Baignoire, (f) Bad^kuip (f),
waf ch- vat (n).
Baigu. {Zie Bégu) (ra).
Bail , (m) Baux , (plur.) Gifi ^gaa^
ve; J^uur-cédeli ceel-, pacbt -brief -,
bail d'amour , Huwelyks contraâ
(n).
Bail e , (m) De naam van den Ve-
netiaanfcben Gezant te Conjlantwo-
polen.
Baille , ( f ) Balie , tobbe , {Scheept
w.)
Bâillement , (en) geeu^f^g { *')•
BAI.
Bâiller, (v. n.) Geewwf»-, bâil-
ler après quelque chofe, ergens m
baaken.
Bâiller , (v. a.) Langen , aanrei-
ken-, bâiller à ferme , verpagfen', il
me l'a baillé belle, (fpr. «/.) hy
heeft my lelyk opgezet y ivat fraays
cp, de mouw gefpeld.
Baillerefle , ( f ) Verpacbtjier.
Eailiet, (adj.) Un Cheval baillet,
»en vaal Paerd.
Bailleul , Bailleur , (m) Een ber-
Jîelder van verrekte leden.
Bailleur, eufe (m. & f.) Gaapef ,
gaapjlok ', gaapjler.
Bailleur , (m) l^erpacbter ; bailleur
de caiïade , de bourdes , een bedrie-
ger , die iemand wat wys maakt.
Bailli , (m) Baljuw j i>chout , Jmpt-
man, Drojfaard.
Bailliage , (m) Baljuwfchap ,
Schout s-ampt (n).
Baillive , (f) SchoutinKe , (beter
femme de Bailli).
Bâillon , (m) Bal, prop die de
G aauw dieven iemand in mond Jiop-
pen om niet te fchr eeuwen.
Bâillonner j (v. a.) Den mondjlop-'
pen.
Bain , (m) Bad (n), bad-plaats ,
had-jîoof ( f ) ; prendre les bains ;,
de baden gebruiken.
Baïonnecte, (f) Spits en tweefny-
dend mes (n) î bajonnet die men op
een Jnophaan zet.
Eajou , (m) De bovenjle plank van
*t roei' van eenfchuit.
Bajoue, (f) Kinnebaks bammetje
(n).
Bajoues, (f. pi.) Zy-flukken van
$en glazrnmaakers looJtrrk':^ r.
Ea:ram ,' (m) Een pejl by de Tur-
ken (n).
Baifemaîn , ( m ) Een eerbiedige
handkus van een Vajfal aan fynen Leen-
heer (f).
Eairemaïns, (f. pi.) Groetenis,ge-
biedems (f).
Eai fendent , Cm) Kujfmg j voet -kus
van den Paus ( f).
BaiTer, (v. a) Zoenen <> kujfen-, je
vous baife les mains, ik ben u die-
fiaar% bai fer le verrou > de deur-
grendtl kiijfen-, bedroejd îf^en gaan y
BAI. BAL. 5«
(Jl>r.w.) ; les ais fe baifent , de plan*
kenjluiten dtgt aan malkander,
Baifer , (m) Een kus 9 zoen,
Baifeur , eafe (m. & f.) Kujfer,
die gaerne kujl,
Baifctter, (v. a') \{gem. w.) D/*-
wils kujfen.
BailTé, ée (adj.) Neergebogen, g&*
bukt.
Baiflement , (m) Bukking { f ).
Baifler , (v. a.) Neêrbukken , but»
gen', baifler les yeux, d'oogen neêf
flaan', baifler le pavilUon, de vlag
Jiryken j donner tête baiffée dans
4m combat ,fioutmoedig , onvertzaagù
IfS'f ^e'vegt ^aan.
Baifler, (v.n.) La ririère baifle^
de rivier valt, ebt-, le jour baifle ,
de dag daald; fon efprit taifl"e,2yi»
verjîand verzwakt.
Se Baifller , (v. r.) Zig bukken,
Baiflîer é , ( f ) Zinkfel , grondzop (n)*
Bai fur e > (f) De iveèke zyde wm
een brood.
f al , (m) Het bal, dans-gezelfcbap
■■
Balade i &c. {Zie Ballade).
Balafre, (î) Sneê,Jcbram in V
aangezi^f.
Balafrer, (v. a.) Een fneede in *t
aangezigt geven.
Balai, (m) Een bezem-, c'efl: un
balai neuf, nieuwe bezems vegen
fchoon , {fpr. w. ) balai du ciel ,
{fpr.w. by Zee-l.) de noord-^ejie-wind.,
Balaier. (Zie Balayer).
Balais, (adj.) Rubis balais, ^m
bleek robyn.
Balance, (f) Weegfchaal , fchaat -,
waag', evenaar j être en balance,
in twyffelagtigbeid zyn.
Balancement , (m) Slingering , on-
rujî, beweging.
Balancer , (v. a.) Stir geren ^fchon-
gelen , beivegen , in evenwigt houden -
overwegen, wikk.vi; le gain balança
la perte, de wirjl ïveegt de fcbade
op; balancer une affaire, ee}7e zaak
overwegen.
Balancer, (v. n.) Tf^ankeleny on^
zeker yn.
Ealancier , (m) Baîansmaaker^
Jlinger van (en- uvrwerk', onrufl van
een braa.ifpif,
«2.
fS2 BAL.
.. Balan^îrtes oa Valenclnes,(f. pi.)
Toppfnan(s brajfen -, zeker touwcrk
aan de tnaJJJiengen , raas van een Schip.
Balançoire ou Brandilloire , (f)
'Schofigel , fchopjhel. .
Balandran , (m) Reis-rrgen-mantel ;
duijierms , (by Poëten) {£).
Bal an e , (m) De pappe bogt van
een touiv (f). „ » .,
Ballau OU left, (m) Ballafl van
van een Schip (f)-
Balaulle , (m) i^ilde granaat -hloe s-
fem.
Balaaftier , (ra) IVddc granaat-
boom.
-Balayer , (v. a.) Reegen met een
hezetn.
Balayeur, (tn) Feeger -, bezem-
f}:aaker.
Balaye-jfe, (f) Veeg fier.
Balayures, (f. pi.) Uitvaagfel(n).
Baibuciement , (m) Stamenng ( f).
Balbutier, (v. n.) Stameren, be-
zwaard fpreeeken.
Balcon, (m) Uitjîek^ balkon (ni.
Baldachin ou Baldaquin , (m)
Hemel over het Sacrament of hoofd
van den Paus.
. Baleine, (f) Pm fFahifch (ra);
Walvifch been , balein (n).
Baleineau , (m) Jonge Wahifch.
Bal er. {Z,e Baller).
Balearille , (f) Een graadftok
(m), (by Zeelieden).
Balevre, (f) De onder lip; item
(in Bouivk.) een uitjiekendef^eendie ge~
iyk gemaakt moet ix'orden.
Balier. (ZïV Balayer).
Baline, (f) Grofpak-Unnen (n).
BaUre,i(f) Een baaken,'t zyton of
éiergelyk.
Balifer, (v. a) Een baaken zetten.
Ealifeur , (m) Baakenmeejler.
Bal i fier , (m) Zekere plant met
Ireede bladeren .> vjaar v^ede de Wil-
den de hutten bedekken.
Balifte, (f) fié"» machine by de
«uden om fieentn mede te iverpen.
Baliyage, (m) ^ftekening der boo-
jfien in een bofcb tot afkappen (f).
Baliveau, (m) Jonge boom die
tnen overlaat.
Baliverner , (y, n.j Zotternyen
vertillen^
bal;
Balivernes, (f. pi.) Onnut geklasf
(n), ktugties(t'. pL), * <
Ballade, (f) Zekere rym van drie
vaerzen die op dezelfde ivyze eindigen..
Balladin, ine (ra. & f.) Toneel-
danfr, poetzenmaaker ; danjlcr,
Balladoire, (f) Boeren-dam.
Ba Ie, (f) Bal; kaatsbal; kogel;
kramers mars (m) ; een baal goed ( f } j
kaf van koom (n) ; ballen by Druk-
kers (f); balie ramce, botit-ketting-
^o^f/; rnarchandife de ba!le,y7p^-
te waar; à vous la balle , ( /pr. av.)
dat komt u toe ; 't is u beurt ; pren-
dre Ja balie au bond, den bal in 't
opjluiten te rug flaan^ pouffer bien
une balle , een brJwelfJaan , kaatzen.
Balier, (v. n.) Danzen , (oud w.)
Ballet-, (rn) Dans van vermomde
perzoonen.
Balloire , ( f ) (in Scheepsb.) Scheer-
gang ^ zetgang; lange houten om een
.:chip na te bouwetK
Ballon, (m)l^f'^i?2d-bal , kloot, bol,'
Ballonnier, (ra) Bollen-maaker,
Ballot, (m) Een baal (£).
Baliotade, (f) Zekere fprong van
een Paerd tujfchni twee fiylen.
Ballotte, (f) Keur -bail et] e .i lot"
balletje (n).
Ballotter, (v. a.) Met hallen fpee-
len, heen en weer hut zelen ; met balletjes
zyne ftem in eenc verkiezinge geven ;
b^iUo^ter une affaire , eene zaak be--
raad/lagen y ballotter quelcun , ;V-
tnand herom pingeren ; voor de gek
houden.
Ballotin , (rn)Een jonge die teVe-
netien de keurkogeltjes trekt.
Bal on. (Zie Ballon)»
Balourd , ourde (m. & f.) Een
dom menfch , dommerik.
Balfamiiie, (f) Balfamine -, (een-'
plant).
Balfamique , (adj.) Balfemagtig,
Balfaraum , (m) Balfem-boom.
Ballan. (Zie Balzan).
Baluftrade , ( f) Hek ; balie voor
een huis.
Baluftre , (m) Scbei-flnk ef pylaar
■van een hok, flot-plaat ; arm van
Kerk-kroon.
Baluftrer, (v.n.) Mtt een hek or
puffen»
Ei.
BAL. BAM. BAN.
Balzan, (a ;j.) Cheval balzan,
J>aefJ m?t witte voeten.
Balzane, ( f > (Vitte fpat aan 't
: been van een PacrJ.
Bambin , (ni) Kind dat nog de
borji zuigd (n).
Bamboe haie , (f) Landgezicht ^
{in Schitderk.) (n).
Bamboches, (f. pi.) Levensgroot-
te fprelpoppen ; Bamboes-riet .
Bambou, (m) Bamboes y zeker dik
en boog riet dat in de Indien iva(}.
Ban , (m) Ban ; Landvoogd in Hoyu
garycn; Rrchts-gebied; Gebod ; Huzv-
lyks-voorjlell ingen (annonces) ; bal-
lingfibap ; ban & arrière ban , op-
bod van edele en onedele, die een Leen
bezitten ; ban de moulin , moolen-
divang-recbt.
Bananier, (m) Bananen-boom,
Banc , (m) Bat7k , zitbank j zand-
bank , zandplaat (f).
Bancelle, (f) Zitbankje (n).
Binche , (f) Gladde en zachte
Jieengrond ^ {zee w.)
Bancloche , ( f) Allarm-kloh i item
*t geraas daar meê.
Bandage , (m) Zwachtel, omwind-
zel ; yzer bejlag om raderen enz.
breukband.
Bandagifte, {m) Breukbandmaaker.
Bande , ( f) Zwachtel om te be-
winden -, y zere band-, Ut, fmal ge-
zaagd hout ; bande du Nord , du
Sud , Nooràer , Ziiider Jîreek ; met-
tre un VailTeau à la bande, een
Schip aan de eene zyde overhaalen ,
krengen j bande , gezelfcbap , meenig-
te ; faire bande aparc , zig van men-
fchen afzonderen.-
Bandes, (f. pi.) Benden, oorlogs-
leger- beir- krygs-benden.
Bandé, ée (adj.) Gefpannen; item
met Jlreepen ; {in fFàpenk.)
Bandeau , (m) Band voor d'oogen
of hoofd; ifem {in Bouwk,) lyjîwerk
boven een deur.
Bandelette , ( f ) Bandje , tyjlje (n).
Bander , (v. a.) Binden , f panne n -,
ophitzen ; bander une playe , een
wond verbinden; bander les yeux,
de oogen verblinden ; bander un arc ,
een boog fpannen ; bander un refTort,
#pö veérfpannert} bander fon efpric,
BAN. 67
zyne gedachten infpannen ; bander
une baile , een bal met de raket van-
gen en in 't net werpen ; fe bander ,
(V- r.) tezamen ratten.
Bander eau , (m) Een Trompet-lint
(n).
Banderole , (f) Scheeps -wimpel
(m) ; kivajije aan een trompet (n).
Bandiere, (f) Scheeps-vlag; (Pa-
villon is beter).
Bandins, {vQ.^\.)Tralie-'wsrk ach" ^
ter aan een Schip (n).
Bandit , (m) Struik-roover.
Bandoir, (ra) Span -rad van een
weefgetouw (n).
Bandoulier , (m) Land-looper^
Stritik-roover , f^ry-buiter.
Bandoulière, (f) Schouder -riem
(m).
Banlieue, {Î) Omtrek (n), diftrift
(n) van eenig plaats of gericht.
Bannal , aie (adj.) Dat tot de
Rechts-ban behoord; moulin bannal >
dwang-moolen,
Bannalité , ( f) Rechts-gebied (n).
Banne , (f) Groote mande; zeil
over een wagen , vaartuig of kraam %
tegen regen of zon.
Banneau , (m) Plat vaatwerk, om
door Laji-dieren gedragen te worden
(n).
Bannée, (f) 7?^»^^/ van een Heer
om zyne onderzaten te 1 dwingen op
zyn moolen te laat en maaien. . -Ç -.^
Eanner, (v. a.) Met een zeil be^
dekken.
Banneret , (m) Baander-Heer,
Ban nette, (f) Een korf gebruikt
voor Laji-dieren,
Banneton , (ra) Een f^ifch-kaar.
Banni, ie (adj. & fubft.) Geban-
nen ; een gebannene , verjaagde , ver-
wezene.
Bannier, (m) Een cpentlyke uit-
roeper.
Bannière , (f) Een Vaan, ba-
nier ,Seheepsvlag; bannière de con-
feil , witte vlag op een Admiraals
f chip; bannières, lappen die deSny-
der te rug houd.
Bûnnir, (v. a.) Bannen, verban-
nen, veru-yzen; fe bannir de tous
les plaifirs, xig van alle vern:aai
çnttfoen.
64 BAN.BAP.BAQ.BAR.
Banniflable , (adj.) Die te verivy-
zen is.
BannilTement , (m) Verdryvmg,
banning (£). ^ , , t
Banque, (f) Bank y JViJfeUank ,
Geld-bank.
Banque , (adj.) VaifTeau banque ,
ee\Schlp uitgeruj voor de Kabcljaaaw
"jangfl.
Banqueroute, (f) Faire banque-
Touce , banqueroi t J'peehn ; faire ban-
queroute à l'honneur, i^ eer vaar-
ivel zeggen. ^ ^ r » o\
Banqueroutier , lere , (m. & r.;
Sanauernrt-fpee/cfer-fpeeljfcr.
Banquet , (m) Gajlmaal (n)}
ixvord altcm van geejïelyke dingen ge-
xfgt) ; item een gat in 't mondjiuk van
een P aer den-gebit .
Banqueter ,, (v. n.) Gajh-eeren, (be-
ter fe régaler).
Banquette, (f) Opgeworpen voet-
$ad (n); optred aan eene borjiweering
(in yeflingb.) ; zitting zonder leun.
Banquier , (m) Een fViJfelaar',
Hoofdfpeetder.
Bans, (m. pi.) aflandig ing ; gebo-
den van verloofde perzoonen.
Banvin, (m) 't Recht van een Heer
om zyn wyn alleen te verkoopen.
Baptême , (m) De Doop,(iu dit , en 6
volgende woorden word de p niet uit-
gejprcken).
Baptifé , ée (adj.) Gedoopt,
Baptifer , (v.a.) Doopen; item een
klok onder de R. gezinden nrivyen; ah
meede een Matroos , die voor d'eerjle
maal op zee komt., dompelen.
Baptismal , aie (adj.) Dat tot den
Doop behoord.'
Baptifte , (m) Een Dooper.
Baptiilere , (rn)Doop-plaats ; Doop-
er él (f).
Baptiftere, (adj.) Extrait baptis-
tère , Doop-boek (n) , Doop-ceêl ( f).
Baquet , {xn) Een tobbe , kalkbak
{m)-} vlootje (n),
Baqueter , (v. a.) Met een vlootje
tiithoozen.
Riquetures, (f. pi.) Lek-wyn.
Bar , (m) Groote burrie , draagbaar ;
item een barbeel, (in IVapenk.)
Baragouin , (tn) IVantaal , onver-
Jlaanbaare taal j ook de fpreekgr daar
vatu
BAR.
Baragouiriage ,(m) Omerjïaaniaa^
re ivyze van JpreÀen,
Baragouiner, ( v. n.) Tateziaa-
len , koeter "jeaalen.
Baragouineux , eufe (adj.& fuWl.)
Onverjiaanbaar ; Tatewaaler.
Baraque , (m) Soldaten-hut , baràk,
Baraquer , (v. a.) fe baraquer
(v. r.) JZig hutten, tenten bouwen. ^
Ba rat, (m) l^erbodene handel; ver -
valfching , maskeering der waaren ,on~
dergejîooken waar , (in de Zeeh.)
B'jratas, {m) Een foort van Rotten,
Baratte , ( f ) Boter-karn.
B«Tatter , (v. a.) IVaaren verval-
fchen, veranderen; bedriegen, vryhutten.
Baratter ie > ( f ) Bedriegery , ver'
valfchinq der waaren, - ^
Baratteur, (m) Een bedrieger.
Barbacane , (() Schiet- togt- iva~-
ter-gat in een muur (n).
Barbare , (zid].)Onbejchaafd, wreed i
onmenfchelyk;grof;\}n peuple bai-
bare , een wild , woeji volk ; un lan-
gage barbare, een grove of vreemde
fpraak.
Barbare , (m) Een wreedaard.
Barbarement , (adj.) IVreedclyk ,
woejïelyk.
Barbarie , ( f ) Onmenfchelykb^id^
onbefchaafdheid. w
Barbarifer ,(v.a.) Te gens de regels
der Jpraah-kunde zondigen. ^■
Barbarisme, (m) Brabbehaal ('t).'.
Barbe ,(w)Paerduit Ba-rbaryen (n).' «
Barbe , ( ?} Baard; angels van koo-
renaairen -, vcfelen , iiitrajfzel-yfchim-
mei, uitJlagÇh la barbe de quelcun,
in iemands aangezigt j rire dans fa
barbe , (fpr. ^v.) in zyn vii\jl lachen ;
faire Ia barbe , yj-^f^^jTM 5 la fainte
barbe , de Konftape Is- kamer op een ^
Oorlog/chip ; barbs de renard , gom-
me tragant; barbe de bouc, geitem
baard , (zekere plant).
Barbé, ée (^.à). ) Gebaard , (in Wa-
penk.)
BarbraU /m) Barbeel (vifch); blaau-
we koornh/oein.
Barbelé, «fe (adj.) Dat weérhaa-
ken heeft; f.êcbe barbelée, een pyl
met %veérhaaken.
Barbe rie , ( f ) Het barbieren ,•
(nieuw ik'-)
/ / BAR;
Barbe rot , (m) Slûgte Barbier ,
ifpot w.)
fîarbes, (f. pi.) Puijîen onder de
tong der Paerden.
Barbet, (m) Gekrulde water-bond.
Barbette , ( f ). Een Nonnen hals-
- doek } teef van een ivater-hond
Barbeyer , (v. n.) Les voiles bàr-
beyent , de zeilen wapperen , (lingeren.
Barbier, (ra) Barbier ,baardfcbeer-
der.
Earbieton, (m) Jonge water-hond.
Barbillon , (m) Kleine Barbeel; kne-
vels aan de mond der l^ijfchen.
Barbon , (m) Een oude Gryzaard.
. . Éarboniiage , (m) Het baard-werk
(n). y
Barbote, (f) Puit-aal (m).
Barboter , (v. n. & a.) Slobberen
gelyk de Eenden doen ; mompelen ,
brommen , binnens monds fpreeken ,
preutelen; item als barbeyer.
Barboteur, (m) Een tamme Eend-
vogel.
Barbotine , ( f) Wormkrutd fn).
Barbouillage , (m) Stegte fchildery ,
kladder y , mor Jf er y (f),
barbouillé, ée (adj.) Geklad ^be-
rr}orsd.
Barbouiller , (v. ai) Bemorjfen ,
kladfchilderen; barbouiller le pa-
pier , het papier bemorsen ; fe bar-
bouiller yzyn góéde naam verkleinen;
fe barbouiller l'efprit de quelque
chofe , zyngeeji met iets onnuttigs be-
zwaar en.
Barbouilleur , (m) Bemorjfer , klad-
der ; kladfchilder.
Barbu, ue ("adj.) Gebaard.
Barbue , ( f) Heyl-bot {een vifch ) ;
item een plant of zetting met zyn
n^ortel.
Barbuquèt , (m) Een blaasje ofpuijl-
ji> aan 't uiterjïe der lipptn (n).
Bard , )m; (Zie Bar).
Bardache, (m) Een fcbandjonge.
Jïardane , ( f ) Klije , (een onkruid).
Barde , ( f-) Borji harnas van een
Paerd ( n ) ; fneede ^ofreep fpek (f).
Bardé , ée (adj.) Befpek: ; uitgerufl.
Bardeau , (m) Een Dekfpaan.
Bardelle , ( f) ^en Boeren zad»i (n).
Barder , (v. a ) Eén ^aerd karnai-
Jchm; iefs bsfpfkken»
BAR. 6$
Eardeur , (na) Burrie-drager , hand-
langer.
Bard is , (m) Zetgang van plank emp
een S chip y dat 'er het water niet inloopt.
Bardot , (m) Kleine muil-ezel.
Barer, (v.n.) l^an 't fpoor raaken,
(Jagcrs-w.y
Baret , (ra) Het gefcbreeavf van een
Olijant (n).
Barguinagè , (m) Getalm (n).
Barguigner, (v. a.) Talmen, din-
gen , tandtrekken , tn 't koopen of
doen van iets. .
Barguigneur, eufe (m.& f.) Tal-
mer y dmger , knihbelaar j talmjief y
dingjier , knibbelaarfler.
Baril , (ra) kaatje , tonnetje (n).
Barillage , ( f) Klein Vaatwerk (r)),_
Barillar , (ta) Scheeps-bcttelier.
Barillet, (m) Klein vaatje (n);
trommel in een zak-uur-werk (m);
pomp-buis (f).
Bariolage , (m) Schildering met
verfcbeide kou leur en (f).
Bariolé ,ée(adj.) Bo^t gefchildérd.
Baricler, (v. a.) Schilderen met
verfcbeide kouleuren.
Barique , ( f) Oxhóofd (n), (zie
Barrique).
Eàriquet, (m) Klein tonnetje, kin-
netje (n),
Barlong , gue (adj.) Lang-vierkant,
on gelyk lang.
Barnabites , (m. pi.) Bernahiter
Monnikken.
Baromètre, (m) Weêrç,las om de
zwaarte der lucht te ontdekken (ri).
Baron , (ra) Vryheer.
Baronne, (f) Vryvrouw.
Baronnet , (m) Kleine Vrybe^r.
Earonnie , ( f) Vrye-heerlykhetd.
Baroque , (adj.) Scheef; wonder-
lyk, mislyk ; des perles baroques,
fcheeve pa er l en.
Èaroscope , (m) Weêrglas (n) , (zit
Baroraetre;.
Bar o t , (m) Balk onder het Scheepsdek.
Baroté, ée (adj.) Votgefiuuwd tot
het dek.
Barotier, (m) Balk-legger.
Barotin , (m) Kleine dwars-balk.
Barque , ( f) Scheepje , Schuitje (n).
Barqu erole , ( f) Sfbuit zonder maft
l ( ^) Ligter (na).
K Bar-
66 BAR-
Barquette, (f> Soort van gebak
(n).
Barrage, (m) Straat- brug- hek-
ken-geld (n).
Barrage r , (m) Tollenaar.
Barras, ff) Pyn-boomen-harf} (m).
Barre , ( f ) Staaf ; Jiang ; fn'it-
toom-, roer-Jïok', zand-batik; Jlrpfp ,
fchrap , ondfr of door een gefcbrift ;
barre d'arcafle , bek-balk(inöcheê'psb.)
armes de ia barre, wildi> Zwyris-
fiagtanden.
Barré, ée (adj.) IngeJJooten , met
een boom geBooren.
Barreau , {m)Tzere-boom-fpyl ,prrs-
fpil; vierfchaar , gericht s-hali e (f);
terme de barreau , fladhuis woord.
• Barrer , (v. a.) Sluiten , grende-
len y betraliën ; eene reckening door-
Jïryken'f vaatwerk met dwarsduigen
voorzien.
Barres, (f. pi.) Jauër aux bar-
res, diefje fpeelen , (kwderfpel).
Barretone , (f) Muts van den
Grootmeefier van Maltha.
Barrete, (f) Cardinaah hoea(m);
f tem een muts^ calot (f).
Barreur , (m) Een die cp dtn op'
pas is , om bet wild op de jagt te
Jhiiten,
Barricade , ( f) Eenfïaghoom ,fchut-
boom (lïi).
Barricader, {v. a.) Met een boom
Jkiiteny fe barricader dans une mai-
fon , zig in een huis toe rammeyen.
Barrier, (m) Pers-ktiegt.
Barrière ', ( f) Slagboom j grens-
paal; hinderpaal (n).
Barril. (Zie Baril).
Barrique, (f) Eeh Oxhoofi {n).
{Zie Bariqae).
Barrure j ( f) Divarsfpaanen aan
ffK? Luit.
Barroir, (m) Een zzvfkboor (n).
Earfes, (f. pL) Clineefcbs thee-
doozen.
Bartavelle , (f) Een foort van
roode l^eldhoen.
Bas , balTe, (adj.) Laag;, nedrig^
zivak ; Ie b?.s bout d'une table ,
het laage einde van eerie tafel ; bas
fond , ondiiptPy dfoitgte ,bratjding;
la rivière eft baiTe , de rivier is
laag ; ondiep ; moc baS , gemeen
BAS.
ivoord , flraat'taal ', ame baffe > taage
geej}; bas or , argent, Jlegt goud,
'zilver; voix bafle, zagt e Jïem; mes-
Ce baiTe , Jlille mis ; naiflance bas-
ié y geringe afkotnJl;les bas officiers,
de onder off eieren ,zv oir la vue bas-
fe , byziende zyn ; acheter à bas
prix, goed koop koopen ; les eaux
font baltes chea lui , daar is by
hem niet veel ten bejïen (fpr. iv.) ;
faire main bafTe, den vyand neer-
zabelen.
Bas , (ra) Het onderjïe (n) ; au bas
de la lettre , aan' de voet van den
brief; Ie haut & le bas, het onder-
fie eti bet bovenjie ; het hooge en het laa-
ge ; devoiemenc par haut & par bas,
ontlajïin^ van boven en van onderen, i
Bas , (adv.) Beneden , onder ; il a
quatre chambres par en bas , hy
heeft vier kamers beneden ; mettre bas
les armes , de wapenen neerleggen;
mettre bas , jongen werpen {van die-
ren gez.) ; parler bas , zagtjes
fpreeken; fa maladie l'a mis bien
bas , zyne ziekte heeft hem zeer uit'
geput , verzwakt ; jouer argent bas ,
om gereed geld fpeelen; il efl bien
bas , het is f egt met hem gejleld; Ie
vin eft bas, au bas, de wyn is op
den bodem ■,]etter à bas , op de grond
werpen ; il eft à bas , hy is 'er onder ,
in eenjïegte ft and; en bas, beneden,
na beneden; ici bas, bier beneden y op
deeze vuaereïd; par en bas, van on-
deren , beneden heen ; d'en bas , van
beneden; là bas, daar onder, daar
beneden.
Bas , (m) Kous ; des bas , koufjen ;
bas au metier , geweven koujen^bets
à €trîer,y7i,t offopkouffen; bas d'e-
flame , fayette kouffen ; bas au tri-
coD,-ou bas brochés , gebreid de kous-
fen.
Bafane, (f) Bezaan-teer (n).
Ba fané, ée (adj.) Van de zon ver-
brand ; les troupes bafanées , de
f paan f eh? benden.
Bas-bord . (m) Scheeps-bak-bocrd;
een vlak Schip ; les bas-bords , de
bak boor ds ga/ïen ; basbord , bevel
vj'jo'^doni het roer na bak -boord te
ivenden , (n).
Bascule , ( f) Een ivlp , zwengel ,
BAS.
hcom van een brug of put ; vang van
een moolen ', fcbangel , hosplauk.
Bas-de ffas , (m) Tweede discant ,
(in Muftcq).
Bafe , ( f) Grondflag , voet ; grond-
regel (m).
Eas-fond , (ra) Ondiepte , bran-
ding (f).
Bas-fort, {m)Onderfle bolwerk {n).
Baüglofle , (m) Spier die de tong
neêrtrekt ( f ).
Bafilic , fm) Ba/iticum {een kruid)
(n); Baftliscus {eenSJange); item ze-
ker i(o ponder gefchut.
Bafilicon , (ra) Bafilkum , {tr(k-
zalf{£).
Eafilique, (f) Een groot gebouw
(n) of Kerk (f).
Eafilique, (adj.) Veine bafilique,
Hoofd- of lever-ader.
Bafin, (m) Bombazyn {een jïof).
Basque , (m) iichoot van een ivam-
hes -y courir comme un basque ,yî;ip/,
als een biskayer loopen.
Bas-relief, (m) Half verheven
beeld-werk , bas-relief (n).
Baff;: , (f) Crond-fiem , bas-, bas-
Jifi ; item eene droogte in zee.
Baffe-continue / ( f) De generaale
bas.
BaiTe-contre , ( f ) Te^en grond-Jfem»
Bafle-cour , (f) l^oorplaats (f),
voorplein , voorhof (n).
Bafle-eau, (f) Ebbe{?), laag wa-
ter (n).
Baiïe lice , ( f ) Tapyt va^i wolle en
zyde (n).
Eafle licier, (m)Een wever daarvan,
Baffement ,(adj.) Agir baffemenc ,
laag te werk gaan.
BafTes , (f. pï.) Hooge Jleenachtige
gronden , {zee w.) ■
BaflTvfle , (f) Laagheid-, nedrig-
heid; geringe toeftand.
BafTec , (m) Een Das-hondje.
BaiTe taille, (f) Tenor -ft em , {in
Mufuq).
BaiTe taille, (f) (/« Beeldhouwk.)
Half verheven werk.
BalTette, (f) Baflet , beefi y {zeker
Ka art [pel).
BafTïere. {Zie Bainfiere).
Baffin , (m) Een bekken (n) ;frhaal ,
kom (m)/, bad-kuip {ï)\ oyiderjleek-
BAS. ÈAT, (5?
bekken fn) ; Haven-kom (m) ; on l'a
fait cracher dans Ie baflin ^ men
beeft hem doen bloeden {fpr,w.)vex\r
dre au baiïln , in het bekken verkoopen»
Baflïne , (f) Groote kopere pan.
Baflïné , ée (ad j,) Befprengd.
Bafïïner , (v. n.) Met een bedpan
warmen ; eene wonde zuiveren , be^
fprengen.
Balllnet , (m) Pan van een fnap-
haan { f) ; Jlormhoed', Haanen-voet^
(een kruid).
• Bafifinoire , (f) Bedpan,
Baflon , (m) Baffon , {fpeeltuig).
. Ballant, ante (part. & adj.) 2o5-
rykend, genoegzaam , 'gent. w,).
Bafte , (m) Klaveren aas {in 't om-
berfpel).
Eafle , ( f) Stof y van bafl van hoo-
rnen gemaakt.
Bafte! (interj.) {gem. w.) Genoeg
hier van !
Bafter, (v. n.) fp^el gegoed zyn^
£qs affaires baftent mal > zyne zaa-
kenflaagen niet , {oud w.)
Baflerne 9 ( f) Eén reis-draag-Jioel
(m).
Baftide , ( f) Lujlhuis op 't Land
in Provence (n). .
BaftiÜe, (f) Oüwerwets Slot met
toorenen; een Stads gevangenhuts tn
Parys aldus genaamt.
làaA'ûlé yék {sidl.) Met toorenenvoor-
zt^n , (/« JVoperik.)
Baftingue , (f) Zeil-fcbans (f).
Schans - kleed ( " ) > ^P ^^>^ Krygs-
fch;p.
Baftion ,(ra) Bolwerk (in VeJ}ingh.)
(n); rainer un ballion , een bolwirk
ondergraaven.
Baftir , (v. a.) Een hoed met bever
hair overtrekken.
Baftonnable, (adj.) Die , of dat
flaag verdiend.
Baftonnade^ (f) Stoiftagen.
Baflonner , (v. a. ) Aiet flokksn
JJaau, ofrojfen.
Bas-ventre, (m) Onderlyf {r).
Bat , (m) Een pak-zade'l (n) -, vov.i
ne favez point ou le bât me bier-
fc , oy iieet niet waar tny ds fboesi
wf-'ngt, (fpr. w.)
E;u?!ge , (m) Tel cp Lajî-die^'pn.
Bataille , ( f) l-^eUfag \f. ** <'n\; 5
IL 2 ii-
68 BAT-
livrer bataille , Slag leeveren }
champ de bataille. Slagveld.
Batailler, (v. n.) Redén-tivifien,
"Bataillon, (m) Een bataljon yklet-
ne bende voetvolk.
Bâtard, arde (adj.) Een bajîaard,
onecht: kind.
Bâtarde , ( f) ^eker groot gefcbut,
item galey zeil (n) .
Batardeau , (m) Een dam of pene
heer in 't ivater. <
Batanliere, (f) Een boomqueekery.
Batardife , ( f ) Onegtheid.
Bacé, ée (adj.) Un ane bâté, een
gezadelde' j lajldragende Ezel.
Batea'j , (m) Bateau marchand ,
de pêcheur, à eau, à rames, een
rmrkt- vijfchers- water- of roei-fcbuit,
Eatèlage, (m) Schutte -vragt- of
huur ; poetzemaakery ( f }.
Eatelée , ( f ) Een Sehutts-laJÎ.
Bateler , (v. a.) l^àn een groot in
f en klein Vaartuig laaden.
Batelet, (m) Schuitje (n).
Bateleur, eufe (m. & f.) Klugt-
Jpeelder , hans-wo'jl > poetzen-maa-
ker ; klugt-fpeeldjler.
Batelier, (m) Schipper, Schuite-
t'oerder.
Eatême. &c. (^'e Baptême , enz.)
Bâter, (V. a.) Zadelen , {van Laji-
heejîen gezegd).
Bâti , ie (adj.) Gebouwd.
Bûtier , (ro) Draag-zadelmaaker.
Batifoler, (v^n.^Stoeijen , malien ,
(geni. tv.)
Bâtiment, (m) Een Schip-, eenGe-
howw (n).
Bâtir , (v. a.) Bouwen-^ bâtir à
chanv: & à ciment , met kalken tras
louiven; bâtir en l'air, bâtir des
châteaux en Efvagne, kajleelen in
del"chtkouiven (fpr. u>^) un homme
bien ou mal bâti , een loel of kwa-
lyk gemaakt man ; nous foromes
ainfi bâti^ , ivy zyn niet anders.
BatifTe , (f) De bouwing (f) , het
houiveri (n).
Batifleur,. (m) Bouwer , tiefbehher
lan bouwen.
Eatifte , (f) Kamerdoek (n).
Eatiture d'airain , ( f) Splinters
X'on koper.
BAT.
Bâton , (m) Stok rfîaf; bâton d*
jauge , peil- of roeiftok ; bâton de Ja-
cob , ou rayon aftronomique >
graad-boog; bâton de cire d'Efpa-
gne , een Jljkje , een pyp lak ; bâtoil
de chdiiî'e , fport van een ftoel ; bâ->
ton de vieillefiTe , fiaf des ouder-
doms; le bâton haut ou le bâton à
la main, met magt , nadruk; je fuis
alTuré de mon bâtoj;i , ik heb myne
zaak vajï {fpr. vu.) dormir à bâtons
rompus i ot2geruJî faapen ; le tour
de bâton, by vallet je , buitenkansje.
Batonné , ée (adj.) Geslaagen.
Bâtonnée d'eau, (f) Een water-
f lag met de pomp.
Bâtonner , (v. a.) Bâtonner un
article , Je pen door een artikel haa-
ien.
Bâtonnet , (m) Klein fiokje om me-
de tefpeelen (n).
Batonnier, (m) Staf dr aager, aan-
voerder.
Batrachite, (f) Steen die in het
lighaam der Kikvorfchen gevonden
word (m).
Batrachomyomachie , (f) Stryd
tuffchen de Kikvorfchen en de Rotten
(m).
Battage ^ (m) Het breeken der klui-
ten in een akker (n).
Battant , ante (adj.) Kloppende %
fovtir tambour battant , met slaande
trom uittrekken.
Battant , (m) Kleepelvan een klok-,
helft van een vouw-deur of vengper ;
klopper van een deur.
Battant l'œil , (m) Zeker kapfel
der Juffers {Î). ■'■
Batte , (f) Straatmaakers fïam-
per (in).
Batte à beurre ,(f )A'ar«^^o^(m).
Battée , ( f ) Een laag papier , zoo
veel als een Boekbinder o^ eene reis
klopt.
Battement , ( m) de cœur 9 batt^[
klopping.
Batterie, (f) Vechtery, gefchut'
wal , (battery); batterie de cuifine ^
keuken-gereedfchap.
Batteur, (m) Een die Slaat ,Slaa'
ger; batteur de pavé, de chemin y
Ledig-ganger 9 Straat-slyper ; bat-
teurs en grange, JDcrf chers -, bat-
teurs
BAT. BAV.
- leurs d'eftriide , 6ttoopers , Fry.
butter s.
Battoir, (m) Beuker y beukhamer^
klopper j boute ^legge j Bal - palbt
of raket.
Battologie , ( f ) Overtollige , onnoo-
dige herhaaling van woorden , ( in
Spraakk.)
Battre , (v. a. & n.) Slaan , kloppen ;
dorfchen ; battre quelcun dos &c
ventre, iemand ter deegen afrojfen;
battre le beurre, booter karnen -,
battre une Ville , eene Stad b'efchie-
ten ; battre la campagne , battre
bien du païs , heromzwerven , item
van zyn oogwit afgaan-, (fpr, w.)
battre Ie payé , Jiraatslypen ; battre
le tambour , Ia caifîe , de trommel
roeren-, battre Teftrade , ou Ia cam-
pagne , op kondfchap uitgaan; battre
la diane, de reveille y/^a» > battre
l'eau , hooi dorfchen-, verge effchen ar-
beid doen; Ie cœur me bat, het
bart klopt my ; Cheval qui bat à
la main , Paerd dat met de kop rukt ,
battre des mains , met de banden
klappen ; il ne bat plus que-d'une
aile ) het wil met hem niet meer
tukken; fe battre j s'entre battre j
malkanderen Jlaan , vegten.
Battu, ue (adj.) Gejlaagen; battu
du vent , door den wind geteijîerd, a-
voir les oreiiles battues de quel-
que chofe ,ifts zonder ophouden h oo-
ren; autant; vaut bien battu, que
naal battu , een klap min of meer komt
'er met op aan ; c4iemin battu , ge-
baende of bet reed en lueg ; du ba ecu
OU de rbr, de l'argent battu ^blad-
goud , blad- zilver ; Ie battu paye
l'amende , .d'onnozele moeten het ge-
lai^ betaalen.
Battue , ( f) Het kloppen der hos-
Çchen (Jagers w.); vifch-leeger ; Jfuk
afgefcheurd goud (n).
Battures, (f. pi.) JHet dorfchen y
dorfchloon (n) j brandingen tn zee.
Bau , baux , (ra) Verdek - balk in
f en Schip; bau de lof, voorjfe balk,
bau de dalle , hek- of agterjl e-balk;
faux baux, lajl-balken (zee-w.).
Bavard , arde faaj & fubft.) Snap^
pende ; fnapper ; fnapfler.
Bavarder , (v. n.) Klappenyfnappen,
BAÜ.BAY.BAZ.BE.BEA 6g
B.varderie, (f) lede> gefnap y ge*
klap (i>).
Bavardin , ine (m.. & f.) Eer. die
veel fnaps heeft.
Baubi, (m) Engetfche IVind-hondy
die op hetfpooroefadig blaft.
Baudj (m) fyind-hond van Barba-
ryetï.
Baudes, (f. p^l.) Zinkfieenen voov"
netten.
Baudet, (m) Ezel; plompert , bot-
muil • fchraag om op te zaagcn ;
bangkooi op een Schip.
Baudouinage, (m) Befpringing der
Bdudrier y (m) Leedere riem waar-
in den deegen hangt.
Baudruche ,(f Bereidde Offendarm
voor Goudflaai^ers m).
Baudufle , ( f)^Draai-tol (m).
Bave , (f ) Kwyl, zever (n).
Baver, (v- n.) Kwylen, zeveren.
Bavette ,,T) Kwyi-doek.Jïabbe (m).
Baveur, eufe (ra. & f.j Kwylder-,
kwyljler.
Baveufe , ( f) Kwab , {zekere Vifcb.)
Baveux, eufe (adj.) Kwyl-achtig^
zeverend.
Bauge , (f) RuJJplaats voor een
wild Zwyn ( f) ; gehakt Jiroo en leem
onder een gemengd , om meê tepleijU-
ren (n).
à Bauge , (adv.) Avoir tout à
bange , alles in overvloed hebben.
Baume , (m) Bnlzem ; balzem-boom,
Bauraier, (mj Balzem-hoom.
Bavoche , (f)'Slegte aft e eken ing,
Bavoché, (adj.) S legt afget eekend.
Bavocher, (v. a.) Slegt drukken,
Jlegt afteekenen.
Bavocbure , ( f) Slegte affchetzing,
Bavolet, {m)Hulzel der j ange boe.,
rinnen omtrent Parys (n).
Baux, (m. pi.) {Zie Bail).
' Bau X , (m. pi .) Verdek-balken , knie-
jukken in Scheepen.
Baye , ( f) {Zie Baie).
Bayer, (v.n.) Qaapen; bayer aux
corneiIIes,yîaa« gaapen, (fpr. w.)
Bayeur, eufe (m. & f.) Gaaper-,
gaapfler.
Bayonnette, (f) (Baïonnette is
beter) Bajonnetl, die men »p een fnap^
haan zet,
E 3 Bi'.
*fO BEA.
Bazoche ou Bafoche, (f) Onder
Gerechtshof in Parys(n)i een kwmk-
Jlaa, flreek(m).
Bé , (m) Het blaeten der Schaapet2(n)
Béant , ante {Ad].} G japende ; bdu-
che béante, met openen monde.
Béat , ace (m. & f.) i^en gewaan-
de gelukzalige.
Béarification, (f) Inw y ing onder
hit getal der heiligen.
Béatifié, ée (adj.) Hetltg of geluk-
zalig verklaard.
Bcatifier, (v. a.) Gelukzalig ver-
klaart'v. , ^. ,, -c
Eéatifiaue, (adj.) Vifion beatifi-
qiie, het gelukzalig aanjchouwpn.
Eéatilles, (f. pi) yiUerbande lek-
hernyen die men in paf.eyen daè^.
Béatitude , ( f) Gelukzaligheid.
Beau, bel, belle, (adj.; Schoon,
fraai., mooi., aartig ; beau temps,
J7J0O» If m- -, le beau monde, le grand
monde , ^f' grooten; un bel hom-
me, une belle femroe, een fcboon
tnan , eene fchoone vrouzv ; le beau
fexe , de vrouifelyke kunne; ce n'eft
pas du beau fiy lé , dat is niet fraay
(elegant); trahir fous un beau fem-
blanc d'amitié , ondcr denfchynyp.n
Hjriendfchap verraaden ; beau jeu,
beau retour , daar mm mei uitmeet^
vjord men meê ingemeeten (/pr.if.);beau
début , een mooi begin-, cheval qui
portp en beau lieu , een paerd dct
zyn baofd %tel houd) faire beau, ou
faire beau temps, moci xveér zyn;
avoir beaa faire , te vcrgeeffJ) ur-
heiden , doen; vous avez beau di-
re, il n'en fera rien , al zegd gy
fiog zoo veel, hy zal het niet doen-,
manquer, échaper belle, gelukkig
'ten gevaar ontfnappen-, une belle,
een fchoon vrouw s-perznon ; tout beau,
tout beau , {jsÀv:)zachtjeyis ; voila qui
€ftbeau,d^^ is fraai', il fait beau fe
promener, bet is mooi om te wan-
dalen. ■
' ' Beau, (m) Het fchoone, het mooye,
hei fraay e {w) .
Leai»coup„ (adv.) Feel ; zeer; de
beaucoup 5 veel meer; il .«'en faut
'beaucoup,' het fcheeld veel; il efl
i>las fiivar^t de baiicoup, hy is veel
geleerder; il n'efl: pas à beaucoup
près fi beau que . . . hy is in vtf
re na zco fraoi Kki aîs . . »
BEA. BEC. BED. BEE. &c.
Beau-fils, (m) Schoon-zoon.
Beau-frere y (m) Schoon-broedsr >
Zwaager,
Beauge, (f) (Zie Bauge).
Be.-iu-pere , (m) Schoon-niader %
Stiefvader.
Beau-pré , (m) Boegfpriet) voile
de beau-pré , fpriet-zeil.
Beau-revoir, (m) Het bygen van
een IVindhond op het fpoor (n).
Beauté , ( f ) Schoonheid , fraaiheid.
Bec, (m) Bek , fnavel ; fnuit (m) 5 >
tuitje van een lamp {xi); mauvais
bec , kwaade bek ; mo^n pauvre pe-
tit bec, myn liefbekj*; bec de cor-
bin , trekker of nyper { in heelk .) ;
naad-haakje {in Scheepsh.); bec d'a-
ne , kromme Jchiet-beitel ; fny-bunk ;
bec de canne, kan beitel; tangetje
.om koogels uit wonden te trekken ; te-
nir le bec en l'eau à quelcun , ie-
mand met iedele hoop ophouden ; bec
aifilé, gladde bek; bec de lièvre,
haazen - moud ; coup de bec, eett
fnaauw , Jieek ; bec de plume, pen-
nen fnavel; bec cornu, een dwaas;
b;c jaune , geele fnavel; jong oner-
vaaren leetUng; palier à quelcun la
plume par le bec, iemand voor het
lapje houden , wat om den mond fmee-
ren; il a bec & ongle, hy heeft hair
op zyn tanden, {fpr. w.)
Becafigue , (m) Een Vyg-eiter ^
groentje {zeker l-^oogel).
BecafTe , (f ) Sn.ppe (m).
Eecaireau , (m) Jonge Snip.
B-.calTme , ( f) Kleine Snip (m).
Beccard, (f) Het wyfje van e.
Zalm (n).
Béche, (f) Spade,fchop{m).
Eéchée , ( f) Een fcbop vol.
Bêcher, (v. a.) Spaayen, fpitten.
Béchu OU beccu, {àd].) Cebtki ,
gpfnaaveld.
Becune , ( f ) Soort van Zwaardvis.
Bedaine, (f) Dikke pens, hang-
buik; e^n kaogel (m).
B-ïdeau, (ra) Pedel, StafSraager
op booge Schooien , Kerk-dienaar,
B-deiin, (m) Boom-wolle.
Bndon , (m) Kleine trom, hy een
fluitje gebnf.kt ; dikpens.
Bée,(3Gj.)Horte ouverte àgucu-
1 1 e bé e , deur die wagen wyd open fi<^i' - »
Béer. {Zie B'iyei). .
BEG. BEI. BEL.
Beffroi , (m) Klok-huis (n) ; fVacht-
ef klokken-tooren ; alarm-klok.
Bégaiement, (m) Stamtling (f).
Bégayer, (v. a.) i>tameren , jia-
, meten.
Bègue, uë (adj.) Cheval bégu,
Paerddat van bet 5 de jaar af teckend.
Bègue, (adj.&fubit.) Stameleùd;
Jlamelaar.
Bégueule ,( f ) Zottinne, gaapjiok.
Béguin , (m) Kinder-muts ( f;.
Béguine, (f) Nonne; fchynheilige.
Béjaune, (m) Jonge (^alk -, plomp-
heid , bottigbeid ( f ).
Beignet , (m) Pannekoek , zujler
(m) , {zeker gebak). {Zie Bîgnet).
Belamie, {£) Monnikken-rok (m).
Bélandre, (m) Waartuig (n) aldus
genaamd.
Bêlant, ante (adj.) Blaetende.
Belchite, (adj.) Laine belchite,
wol van Schaapen , door een fpaanfcbe
ram geteeld.
Beiedin , (m) Gefponnene boom-wol-
te{f).
Bêlement , (m) Blaeting ( f).
Bêler, (v. n.) Blaeten..
Belette , ( f ) Een ti^ezettje (n).
' Belgicisme , (m) Nederlandjcbe
fpreekwyze (f).
Belgique, (adj.) Language belgi-
que , mdetduitjchefpraak.
Belier , (m) Een Ram (ra) 5 bet He-
meh-teken Aries (n).
Beliere , ( f) Kleepel-ring ; Kerk-
kroon-ring.
Belitr* , (m) Guit , fielt.
BelliUre , (adj.) Scboonasbtig. .
Belle-fiUe , (f) Schoondochtcr.l
Bellement , ( adv. ) Langzaam
(gem. iv.) marcher tont bellement,
beel zachtjes gaan.
Belle-mere , (f) Scboon-moeder.
Beile-fœur , ( f) Halve zujier ;
broeders-vrouw.
Belligérant, ante (adj.) Les par-
ties belligérances, t/l? oor/og voerettde
partyen.
Belliqueux , eafe (adj .) Strydbaar,
dapper.
Eelliffime, (adj.) Alkrfcboonjl
{gem, iv.)
Bellone, (f) Krygsgodimjs.
Bellot , Qttç (adj.) M^nigzints
fsboQfi*
BEL. BEN. BEQ. 71
1 Eélomancie , (fj ü^aarzeggtng
I door pylcn.
j Beloufe , (f) Balzakje aan êen
t ruk taf el (n).
Beloufer , (v. a.) In den balzak
floot en.
Se Beloufer, (v. r.) Zig bedriegen.
Belveder ou belvedère , (m) />«/ƒ-
plaats met eenjcboon gezicbt { f).
Bénfdicité, (m) Gebed voor den
eet en (n).
Bénédiéke, (m) Zacbte purgatie
(f).
Bénédiftin, ine (m. & f.) Bene-
diSiner Monnik; Nonne,
Bénédittion, (f) Zegening; don-
ner la bénédiaion à quelcun , ie-
mand den zegen geeven,
Bénédiaionnaire , (f) Een boek
r.iet lofzangen»
Bénéfice, (f) Nut , voordeel ; Ker^
kelyk ampt (n) ; bénéfice d'inven-
taire , beneficie van inventaris , {ze-
ker voorregt om een botdel te mogen
aanvaarden , zonder in de fcbulden
daar van gebonden te zyn).
Bénéficiaire , (adj.) Erfgenaam on'
der beneficie van inventaris.
Bénéficiai , aie (adj.) Dctt tot een
geejielyk ampt beboord.
Bénéficier , (m) Geejielyk Ampte*
naar,
Bénêt, (m. & adj.) Een Slegt-
hoofd. Jan Sul.
Èénévole , {adj.) Genegen, gunjlig,
Bénignement, (adv.) Gunpglyk.
Bénignité , ( f ) Toegenegenheid.
Bénin, bénigne, (adj.) Gunjlig,
toegenegen.
Béni, ie (adj.) Gezegend.
Bénir, (v.a.) Zegenen; bénir une
Eglife , eene Kerk inzvyden.
Bénic, ite (adj.) Gezegend, gewyd ;
eau bénite , wy-water.
Bénitier, (m) WywJiter-vat.
Béquée , ( f) Een bek vol; donner
la béquée à un oifeau, een voget
aazen.
Béqué, ée (adj.) Met een fnavel^
{in JVapenk.)
Béqueter, (v, a.) Pikken.
Béquillard, (m) Een die mei eei»
kruk gaat.
Béquille , ( f) Kruk (m) , bouten-
been (n).
E 4 Bé^
7^ BER.
Béquiller , (v. n.) Met kruiken
gaan (fchimpiv).
Béquiller, (v.a.) Een tuin-bed ligt
omj'pitten,
Béquillon , (m) Kleine fpitze aan
bloem-bladeren j }onge Kalken fnavel.
Bercail, (m) Schaaps - kooi y ttem
kerk.gemeente { f).
Berce , (f) Beerenklauiv , {zeker
kruid).
Berce, (m) Roodborjlje, (zeker vo-
geltje (n).
Berceau , (m) If^ieg ( f ) j gallery ,
wandel-laan in een tuin} dès le ber-
ceau , van kindsheid af ; étouffer
dans ie berceau , in de wieg fmoo-
^ret3;en berceau, boogs-ivyze.
BercelJes, (f. pl.> Emaljeer tan-
^S^fi^ y (Py Goudfm.)
Bercer, (v. a.) IViegeit ; iemand
ephouden-, fe bercer de chimères,
zig met herjfenfchimmen ophouden.
Eerche, (f) Een Draai-bas , (ze-
ker Gefchut).
Bergame, (f) Bergaamfcb Tapyt.
Bergamotce, (ï) Bergamot (een
Peer) y bergamot-olie (m).
Berge , (f) Steile waterkant ybers-
je (vaartuig).
Berger, ere (ra. & f.) Herder,
herdertn j minnaar ; minnaares.
Bergerette , (f) Een Joort van
dunne wyn.
Bergerie, (f) Scbaaps-kooi (f)-,
fermer Ie loup dans la bergerie,
de wolf by de fchaapen 'vertrouwen j
(dat is), een wond h^ekn eer ze gezui-
Vfrdis; hergeriQ , gemeente ^ 'kudde.
Bergeries , (f. çh) Herders-dif.hten.
Bergeronnette , ( f) Een Kwik-
jiaert , (zeker vogeltje).
Bergerot, otte (m.&f.) Herdert-
je, herderinnetje (n).
Berline , (O ^eker rytuig^van
£prlyn gekoomen , aldus genaamd (n).
Berlingot , (m) Soort van berlyn.
Berlue , ( f) Oogenfchemering j avoir
la berlue , ^ar^blind zyn-p onagtzaam
zy»,
Berme , ( f) Een berm , voet van
de wal.
Bernable, (adj.) Die verdiend be-
fpot te worden.
Bernardin , ine (m, & f.) Ber-
tardiwr Monnik; Nonne, *
BER. BES. BET.
Berne, (f) Opwipping in een de-
ken; mettre le pavillon en berne >
de vlag in een tfjouvn opjieeken.
Berneraent , (m) Opwerpmg ; fop-
ping, hoon.
Berner , (v. a.) In eene deken op^
gooijen; bejpotten.
Bernicle , ( gem. w. beteekenende
rien) , niets.
Berniquet, (m) Envoyer quelcun
au berniquet , iemand te gronde doen
gaan, (gem. w.)
Béryl , (m) Beril peen, .
Beface, (f) Knap~zak , hedel-zak;
être reduit à la beface, tot den be-
del zak y tot armoede gebragt zyn.
Eefacier , (va) Bedelaar , (fpotw. )
Befaiguë ou befiguè' , ( f) Steek-
byl; [^laazenmaakers hamer (va).
Beficles, (f. pi.; Een bril; met-
tez vos beficles , doed uwe oogt»
klaar open.
Eesnarde, (f) Slot dat van bui-
ten en bintten open en Poe gedaan
werd (n).
Befoche, (f) Eene fpaade.
Befogne, (f) fVerk (n) ,bezrgheid
(f) ; achever fa befogne ,_zy« werk
afdoen ; beaucoup de bruit & peu
de befogne, veel gefchreeuw én wei-
nig wol, veel praat en weinig werk y
tailler de la befogne à quelcun ,
iemand moeite verfchaffm ; aimer
fort la befogne faite , veel van ge-
daan werk houden; avoir de la be-
fogne , werk hebben ; befogne em-
brasante, moeielyk werk.
Befoin, (m) Nooddruft, noodwen-
digheid ; avoir befcin d'argent,
geld noodig hebben ; il eu. befoin > het
is noodig ; connoître fes amis aii
befoin , zyne vrienden in den nood
kennen.
Beflbn , enne (adj. & fubft.) Twee-
ling, (oud w.)
Beftial, aie (adj.) Beejïelyk, beejl-
agtig.
Bellialement , (advO Beejlagtiglyk.
Beftialité , (f) BeeJJagtigheid , on-
natuurlykbeid.
Befliaux, (m. pi.) Hoorn-vee (n),
Runderen.
Befliole, (f) Diertje, beefije (n).
Be^lion , (m) Leeuw > fnavel aan
*t gêljQm van ee» Sóhip, ^
BZ-
pET.BEÜ.BEV.BEY.&c.
Bétail , (n') Ht( Fee (n).
Béte, (f) Etn beeii-y béte à cor-
nes, hoorn- beej}; béte de fomme ,
Iajl-Jier\ béte fauvage, wild dier y
remüi.cer fur fa béte , zyn fchade
weer inhalen ; béte , etn- tee,i . gek ;
zottin; faite ja 'éce , den bce:'- pee-
In. , hét ' épaulée , een ongetrouivd
bei'w >yige-J meisje ; c'elh i nc bonne
bete , dat is een doortrapu knaap.
Bécel, (m) Zekere plant die d' In-
dianen geduurig kauwûn,
Bécile, (m) Plompheid, domheid.
Betoine , (f) Betonie , {zeker
kruid).
Becte, (f) Beet (eeu kruid).
Betterave , ( f) Beet-%uortel , kroot >
Tiez, de betterave > kroot-mus.
Beuglement , (m) Loeijing ( f) ,
gebulk (n) , -jan Rundvee.
Beugler^ (v. n.) Loeijen, bulken.
Beurre, (ra) Boter (f) du beur-
re frais, de mai, fort, fondu,
verfche ^gras ^Jierke, gefmoltene boter.
Beurré , (m) Zekere franfche peer
vQn een aangenaame fmaak.
Beurré, ée (adj.) Geboterd.
Beurrée , ( f ) Een boter-ham.
Beurrer , (v. a.) Boteren , Jlooven ,
Jmeeren met boter»
Beurrier, iere {m. & f.) Boter-
verkooper-, verkoopjïer.
Beurriere , (m) Boter-pot (m)^
Bévue, (f) Misfla^ , feil (m).
Bey , (m) Turkjch "woord , beteeke-
ner.de Heer , Stad- of Landvoogd.
Bezan , (m) Goude of zilvere pen-
'ving in een l^^apenfchild.
Bezoart ,(m) Bezoar-JJeen , croeien-
de in de maag van zekere dieren.
Bia , (m) Schelp, voor geld dienen-
de in Indien.
Biais ,(ra) Schuinte , dwarsheid (f);
je m'y prendrai d'un autre biais,
ik zil het anders aangrypeny met-
tre une chofe de biais, iets fchuins
aanli'ggen ; je ne vois qu'un biais
pou/ y réunîr,;it zie maar een mid-
del om 'er in te Jlaagen; vous avez
pris le bon biais, gy hebt het rég-
ie middel aangevat.
De biais, (adv.) Schuins, dwars.
Biaifement, (ra) Wyffeling , draai-
ji»gi helling van een Schip (f),
BIA. BIB. BIC. BID BIE. 75
Biaifer , (v. n. & di.) Schuins gaan{;
wyffelen , niet vaji in zyne fc7;oenen
Jlaan.
Biaris , (m) IValvifch met tanden.
Biberon , onne (ra. & f.) Dronk'
aard; zuipjler.
Bible , ( f) Bybel (mT, het oude en
nieuwe Verbond, of Tejiament (n).
Bibliographe , (ra) Kenner der
oude fchrijttn.
Bibliographie , (f) Kennis van
oude Schriften; konjï om naamlyfien
van boekeryën op te fielten.
Bibliographique , (adj.) Schrift^
kundig.
Bibliomane, (m) Een groote lief-
hebber vcia boeken.
Bibliomanie, (f) -Zucht, luji top
boeken.
Bibliophile , (m) Boek-beminnaar.
Bibliothécaire, (m; Boek bewaar^
der.
Bibliothèque , l f) Boeker y è', zaai
die vol boekn ts.
Bibus, un Pcëte de bibus , een
kreupele , armhar tige Poëet , (ironie).
Biceps, (f) Elleboog fpieren, {in
Omleecik).
Biche, (f) Hinde, 't wyfje van
een Hert.
Bichenage öu bichetage , (m)
Markt^geld van koorn.
Bichet , (m) hen f chef el in Bout'
goniën, {zekere kocrn-maat).
Bichon, onne (m. & f.) Schoot-
hondje , Jpaans-hondj e (n).
Bicoq , (m) De ^de voet onder een
Timmermans bok , waar mede zwaare
lajfen opgetild worden.
Bicoque, (f) Klem JJeedje (n),
of wooning ( f).
Bicqueter , (v. n.) Jonge werpen^
(van Geiten gezegd).
Bicornis , (m) Spier in de hand.
Bidet , {m) Klepper (ra)- Tslandfck
Paerdje (n).
Bidon , (ra) Houte bier-hut of flap
voor een bak , (fcheepsw.)
Bien , (ra) Goed , erfgoed (n) j Ie
fouverain bien, het opperjïe good^
biens meubles & immeubles, roe-
rende en onroerende goederen ; Ie bien
public, het gemeene beft; faire da
bien , goed doen; ne parier de per-
^ 5 fonact
74 BIE.
foiine'ni en bien, ni en mal^rncb
^oed ncch quaad van iemand fpree-
ken; gens de bien , vroome lieden ^
nul bien fans peine , geen roos zon-
der doornen', les biens de la terre,
bet veldgewas 'y biens d'Eglifej^É'^f-
telyke goedeiren ; bien vous faflTe , ivel
moet hst u bekoonipn.
'&ien, {a,àw.)lVel^goed;zecr;hitn
autrement , gant/eh anders -, eh bien i
«•■?/ aanl fort bien , zeer wel} aufll
bien que vous, 200 wel als ^yjaufli
grand que lui , zoo groo al s by;eh
bien que cela foit , wel laat dat
2>«j quand on eft bien on s'y doit
tenir » daar men wel is moet men
blyven.
Bien aîmé, ée (adj.) Welbemind.
Bien-dire, (ra) ff^elbefpraakibeid ,
welfprekendbeid ■( f).
Bien-être , (ra) IVelJland.
Bïenfafteur, bienfadrice , (m. &
f.) Weldoeuder ; weldoenjlcr.
BienfaiTance , ( f) WeLioemng.
Bienfaifant , ante (adj,) Wel-
doende.
Bienfait, te (adj.) Welgemaakt.
Bienfait, (m) Weldaad.
Bienfaiteur. (-^/VBientafteur).
Bienheureux , euie (adj.) Welge-
lukzalig.
Bienheureux , (m) Een gelukza-
Bien-Ioin , rconj.) bien-loin de
Ie croire , wel verre van b^t te ge-
loù-jeij. ,
BiendÇe, (conj.) bien que l'on
me dire , j'cboon men my z/gge.
^-Bl^ienféamment , (advO Weljiaan-
/delyk.
J Bignféance , (f) Gevoeglykheid',]a.
^~\bienféance demande cela , de be-
faamelykbeid vorderd zulks.
/ Bjenféant ,ante (adj.) Weljlaande.
\ Bien-tenant ,ajite (m. &f. )£■«?« ^/^
een anders goed bezit.
/^ (Bientôt, (adv.) Haajl , ras.
, [Bienveillance, (f) Genegevbeid y
gifnjl. ^ /
' Bienveillant , ante (adj.) /GÉ';2^_^f«.
(Bienvenue , ( f) Welkomp.
ƒ Bienvenu , ue (adj.) Soyez le
lîenvenu , zyt weÙekoom.] f
kBierre , (f) Bier (n) j J^ood-haar;
■'d-kiji.
Hcyre , (m) Een bever , ayloor.
BIF. BIG. BLJ.
Biez , (m) Water-leiding na een
moolen.
Biffé , ée (adj.) Doorfcbrapt.
Biffer , (y. a.) Doorfcbrappen.
Biffurcation , ( f) Plaats daar een
tak zig in tweè'n verfpreid.
Bigame , (m) Een die twee vrou-
wen ïe gelyk heeft , of voor de twee"
de maal trouwd.
Bigamie , ( f ) Huwelyk met twee
vrouwen te gelyk (n).
Bigarade, (f) Groot e citroen (tn).
Bigarré, ée (adj.) Bont ^ gefprik-
keld', compagnie bigarrée, gezel-
fcbap van allerlei onvoeglyke men-
fchen.
Bigarreau > ( m ) Spaanfcbe Kers,
Bigarrer, (v. a.) BefpikkeleUfbonP
maaken.
Bigarrure, (f) Bont-werk ^ bont-
fcbilder-werk \n) ; la bigarrure de
ce chapitre vous plaira , de veran-
dering in dit hoofdjiuk te vinden zal u
bekaagen.
Bigle , fadj. & fubfl.) Scheel; een
fcheele ; een Engelfche Jagt-hond om
Haazen en Konynen te vangen.
Bigler, (v, n.) Scheel zten.
Bigne , ( f) Buil (ra) , bultje (n).
Bignet, (m) Pannekoek,
Bigorne, (f) Een Smids fpeer-
baak (m)> aambeeld met twee arvien
(n).
Bigorneau , (m) Kleine fpeer-haak»
Bigorner ,(v.a.) /(?;5 op een f peer- .,
haak ronden , omklappen. >
Bigot , te ('tdi. <Sc fubfi.) Schy>i-
heilig, hy gelovig; eên fcbynbeilige ;
een kiveezel.
Bigot , (m) Een Slee , (zeker hout
met gaten om touwen door te Jïeekai^
dienende tot het rak ep een Schip).
Bigotelle ou bigotere , (f ) üTw^--
V el-band y knevft-bqrjîel (m).
Bigoter , (v. a.) Den huichelaar
Jpeeleiif (ger/t, w.)
Bigotene , (f) Huichelarye.
Bigotisrae, (m) By^eloof{ïi).
Bigue, (f) Geinbaik om een Schip
te kielen (m).
Biguer, (v. a.) Tuifcben, verruilen,
Bigues, (f. pi.) Stutten , gebruikt
in 't kielt n.
Bi jon, (m) Zekere foort van Ter-
pent y n.
Bijou j
A
BTJ. BIL.
Bijou , (m) Juiveel (i ïf , kleinodie ,
'fraaiheid (f).
Bijoutier . {m) Juwelier , Koopman
iujuweelen ; verzaamelaar vanpaai-
heden.
Bil, (m) Bil, ylUe in Engeland.
Bilan * (m) Staat eens Koopmans
van onpfang jen uitgaaf ^ balance.
Bilboquet, (m) l^angctfje (n) {kin-
der fpeeituiz)} een verguld quaji.
Bile , {^) De gal ; granfchap j mo-
dérer la bile , de gal matigen; bile
noire, zzvarte gal.
Biliaire , (adj.) Vaifleaux biliai-
res , gal vaatjes (in Ontleed-k.)
Bilieux, eufe (adj.) Galagtig ',nn
bilieux , een oploopend menfch.
Billard, (m) Truktafel (i); truk-
fpel (n); trukjlok (m).
Billarder, (v. n.) Z^yn trukbal twee
maal aanjiooten.
Bille, (f) Trukbal ', palfjiok i bind
knuppel voor f^oerlieden {va); beloü-
fer une bille, é-f» bal inde zak fpee-
len j doubler la bille , de bal vol
aanjiooten; faire fauter la bille, de
bal- u itfootefi.
Billebarrer , (v. a.) Een kleed ka-
kelbont maaken, {gem. w.)
Billebaude, (f) IVan-orden; à Ia
billebaude,m verwerring , (gem.w.)
Biller , (v. a.) Met een Jiok pak-
ken; trek-paerden de lyn aatifaan.
Billet, (m) Ceeltje, briefje, hand-
fchrift y Soldaaten quartier biljet {n);
ËiacMüt {Î); billet de fanté , ge-
zondheids pas ; billet doux, minne-
brief; je lui ai pr^té cinq cent
francs , dont il ra'a fait fon billet,
ik beb hem vyf honderd guldens ge-
leend, waar van hy my een briefje on-
der de hand gege even heeft; billet de
Loterie, de ^change, een Lotery-
een 'iv:Jfel -brief je; billet blanc, een
niet ; tirer au billet , looten ; billet
pour entrer dans la Comédie ,/oof-
je om in de Schouwburg te gaan.
. Billeté,tée (adj.) Gemerkt, ge-
nommerd; met blokjes bezaaid y {in
U^apeuk.)
Billeter, (m) Merker der waa-
ren.
Billette,(f) Teeken aan een Tol-
^is tot waarfibouwiifg dat men daar
BIL.BIM.BIN.BIO.&c. 75.
vertollen moet ; zilver vierkant blok-
je , {in If^apehk.) (n).
Billevcfée, {ï) Zotte inbeelding ^
inval , iedele waan.
B'üloïï , {m) l^ervalfcht , qtiaad f of
afgezet geld (n).
Billonnage , (ra) Kwaad, bedreeven
met het opwijjelen van ongangbaar
geld (n).
Billonner, (7. a.) Ongangbaar
geld opwiffelen en uiigeeven ; Jlegte
munt Jlaan.
Billonneur , {va) Uitgeever van
jlegte munt { f).
Billot , ( ni ) Een blok ; blok val;
fJult-Jlukje (in Scheeps-b.) ; billot de
nrieia! , mctaale klomp.
Bimauve,(f) Soort van zigtmaar-
kruid {in Kruidk.).
Eimbelot , (m) Kinder fpeelgoed (n).
Bimbelotier, (m) Poppegced-maa*
ker.
Binaire, (adj.) Tweevoudig ; nom'
bre binaire, tweeleedig getal; me-
fure binaire, zang-maat die in twee
tyden gejlaagen word.
Binard , (m) Een ivagen met vier
wielen , dienende tot het vervoeren
van zwaar e lajïen.
Biné , ée (adj ) f^oor de tweede
maal omgefpit.
Binément, (m) Tweede omfpittine
(f).
Biner , (v. a.) Een ^4kker voor de
tweede maal omfpitten; twee nuffen
op een dag doen.
Binet , (m) Eenprofytertje , om end-
jes kaars op te zetten ; een endje kaars
Bini, (m) Monnik die eenen meede-
broeder moet verzeilen.
Binocle, {m) ^errekyker voor beide
de oogen.
Binoculaire , (adj.) Aftroscope
binoculaire , dubbelde i^errekyker
voor de S terrekykers.
Biographe , (m) Levens-b efcbry
ver , {zelden gebruikt)
Bipédai, aie (adj.) Dcit twee voc5
lang is.
Bipède, (adj ) Twee-veetig.
Bipenne , ( f; jimazoonfche firyd^
byl (ra).
Biq,ue , (f) Een Geit {beter Cheyre),
75 BIQ. BIR. BIS.
Biquet , (rn) Een goud-fchaaltje (r).
Biqueter, [w.zl..) Daormeede wee-
gen.
Bi ramb rot , (m) {hoUandfcb w.)
Bie'T en brood (n).
Bire , ( f) Soort van Fifch-fuik.
Birette , (f) Muts die de jonge Je-
fui ten draagen.
Birloir ,(m) Iets dat bet dekzelvan
een kijl , open zyniie , ophoud.
Bis, ife (ady) Bruin, zivart; pain
bis , zwart , of roggen - brood.
Bis, (m) Repeteer-teeken , (in Mu-
ziek).
Bi Page , (m) Verver-jiting ( f) .
Bifaïeul, (m) Qver-groot-vader.
Bifaïeule , ( f) Ov er-groot-moeder.
Bisbille -, ( f; Twiji , kyffagie ,
{gem. w.).
Bis-blanc, (adj.) Da pain bis-
blanc , brood van fyn en grof meel.
Biscapit j(cn) (inRentek,) Een zaak
Z maal in tekening gebragt..
Biscornu, ue (adj.) Bacimentbis-
cornn , mismaakt geboutv ; du pain
biscornu , fcheef gebakken brood.
Biscocin, (ra) Zuiker-knekje.
Biscuit , (m) Tweebak , befchuit ;
valfche verf; s'embarquer fans bis-
cuit , zonder noodige middelen iets on-
derneemen.
Bife , ( f) Noorde wind (m) ; fluk-
je brood dat men de Schoolkinderen mee
geeft (n).
Biieau, (m) Schutn gejlepen rand
van een fpiegel ; rug van een mes;
rand van een ring-kas ; Zetters fpaan
(m) ; fchaaf-yzer ; orgel-pyp-dekzel
(n)ï ^y^^ *'^'^ ^^' brood alwaar geen
korjl is.
Bifeigle, (f) Schoenmaakers Ui-
hout.
Bifer, (v. a.) Bruin worden y (van
koorn gezegd).
Bifet, imi Hout-duif, wilde duif;
^ruin brood (n).
Bifecte, (f) Geringe kant, boere
tant.
Bifeur, (m) Zwart-verwer .
Bisraut, fm) IVismutb (mineraal).
Bifon, (m) Wilde Os; buffet (in
Jf^apenk.).
Bisquains, (m) Bereidde Schaaps-
Vilten met de wol 'er op.
BIS, BIT. BIV. BI^, .
Bisque, (£) Kragtiga foppe-, 1$
voor uit in 't bal fpel,
Biffac, (m) Knap-zak, bédsLzak;
réduire au biflac, tot den bêdeUzak
bremzen.
Bilfe , ( f) Slange (m Wapenk.),
BilTêtre , (nj) Ongeluk (n) , (gem, w.)
Eiflexte , (ra) Schrikkel-dag.
Biflextil , ile (adj.) Année biflex-
tile , fchrikkel-jaar,
Biftoquet , (m) Kleine billard-Jïok,
Biftorte , ( f) .ddder-tong , ( eea
kruid).
Biftortier , (m) Houte vyzet-Jlam-
per.
Eiüouri, (m) Incijle-mes , (by
IVondh.)
Biftourner5(v. a.) Een Paerd rui-
nen, met de ballen te vtrdraaijen.
Biftre , (m) Roet-zwart , (verfjïof),
Eifulque, (adj.) Gefpleeten y (by
Natuur k.)
Bicord , (m)Schiemans gaar en van
2 draad, voor de wevelingen van een
Schip (n).
Bitte, bittes," (f) Beeting, waar
aan de kabel vajl gemaakt wqrd.
Bitter, (v. a.) Bitter un cable,
een kabel aan de beeting vajl maaken.
Bitton , (m) Beeting ( f) , kruishout
op een galey (n).
BittonnieresoaAnguilleres,(f.pl.)
Lokgaten op een Schip, waar door
het water naar de pomp geleid wórd»
Bitume , (m) Jooden-lym ( f).
• Bitumineux, eufe (adj.) Lym-
ogtig.
Bivalve, (adj.) Dat met twee klap-
deuren ; of een dubbelde fchille is.
Biventer (m) Spier der onderjie
kinnebak (f).
Biviaire, (adj.) Place biviaire,
plaats daar twee wegen t'zamen ko"
men. ^
Bi voie , ( f) Weg die zig. in tweën
verfpreid.
Bivouac. (Zie Bihouac).
Bizard , (m) Bonte verf der tulpen»
Bizarre , (adj.) Wonderlyk ,mtslyk,
eigenzinnig , koppig.
Bizarre , (m) Eigenzinnig menfch,
Bizarreni'ent , (adv.) Wonderlyk ,
gekkelyk.
Biaarrerig , ( f) Misïykbeid, eigen-'
zinnig-
BIZ. BLA.
zmnjgheïd', ccac hiftoire ne plak
que par fa bizarrerie , die gefchiede-
nis behaagd a lie f n door des zelfs Vi r-
fchcidfnbeid.
JBize {Zie Bife;.
Blafard, arde (adj.) {oud en gem.
IV.) Bleek , flets f verjcbooten.
Blaireau. {Zie Bléreau).
Blairie , ( f) Drift-geld > om op een
weide te laaten graazen.
Blâmable, (adj.) Strafbaar , b e-
rifpplyk, wraakbaar.
Blâme , (m) Lajler , fchande jfchutd
(f); encourir le blâme ,J'cbahde be-
haalen ; en porter Ie blâine , de
fchtild 'er van draagen.
Blâmer , (v. a.) Lajïeren, verwy-
ten; blâmer un compte, {in Rech-
ten) eene rekening wraaken , tegen-
fpreeken.
Bianc , blanche , (a ij.) îVit^^grys^
zuiver , da fer blanc ^blik; dU pain
blanc , ivit brood ; bierre blan-
che , wit bter i cheveux blancs,
gryi hatr-y billet blanc, een ledig
briefje ^ een niet', argent blanc , zil-
ver gelde
Blanc, (m) Het witte (n); aller
du bianc au noir, van den hak op
den tak f pr ing en {fpr. w ) j tirer au
blanc, na het wit fchieten ; blanc
d'ceuf, het wit van een ei; livre
en biznc ^ongebonden boek ; en blanc,
onbefchreeven ; dire une chofe de
bfet en blanc ,iets onbezonnen zeggen.
Blanche. {Zie Blaac).
Bianc -bec, (m) Onervaren Jonge-
Jing.
Blanchai He , {]£ ) Uitfchot van vifchy
klein grut (n).
Blanchâtre , (adj.) Witagttg.
Blanche, (f) Halve Muziek-noot.
B.'anchement, (adv.) Reinlyk, zin-
velyk in Linnengoed.
Blanclierie, (f) Linnen of wafch-
hleekery; vertin of blik-hutte.
BIanchet,(m) Jf^itte doorzy g-doek .,
Pers-doek {in de Drukkery) (m) , wit
kamizool (n).
Blancheur, (f) tVitheU.
Blanchiment , (m) Het hleeken',
Vertinnen enz. (n).
Blanchir , (v. 3.) Wttten, wit
gpaaken-, blanchir de 1'argent, zil-
BLA. BLE. 77
ver wit kooken; blanchir, (v. n.)
grys zvoriïen ; la mer blanchir (mou-
tonne) , de zee fchuimt wit; toutes
mes peines ne font que blanchir,
aile myne moeite is vrugteloos.
Blanc biffage, (m) Eleekmge (f),
wafchloon (n).
Blanchiffcrie , ( f ) Bteekery,
wafch-huis.
Blanchiffeur , eufe (ro. & f.-; Blee-
ker ; bleekjîer.
Blanc-manger , (m) Eene met zut-
ker en amandelen enz, toebereide fpy
ze , fpaanfche pap (f).
Bianc-ralTis , (ra) Pommadetuzalf
(f).
Blanc-fcellé ^{m)Een gezegeld pa*
pier in blanco (n).
Blanc-Ggné . (m) Een getekend pa"
pier in blanco (n).
Blandices , (f. pi.) Vlyery , {oudw.)
Blanque , (f) Een Lotery^-boekje
met zwarte en witte bladeren ; ha-
zard à la blanque , onbezonne onder-
neem ing.
Blanquette, (f) If^itte wyn van
Languedok; dun wit bier (m).
Blafon , (m) U^apenfchild-kunde -,
loftuiting (f).
Eiafonner, {'7,z,)De Wapens uit-
leggen; item die behoorlyk fchilderen;
iemand roemen of lajieren.
Blafonneur , m) {weinig geb.) Be-
fchi^ver der Wapens.
Blafphémateur , (m) Gods lajie-
raar.
Blafphématoire , (adj.)Go*/^fr-
Blafphéme, (m)GodslaJïering (f).
Blafphémer , (v. a. 6c n.) God
lafleren; Godslajlering uitbraaken.
Blatier , (m) Kooren-kooper op 'g
Land. ^
Blaude, (f) Een boeren kiel, lin-
nen-rok (m).
Blaveole,'f)Blaauivekooren.'bloem'»
Blé. {Zie Bied).
Blêche, (adj.&fubft.) TrouwlooSé
valfch {fcheldw.)
Bied , {m)Kooren, graan (n);bled
en herbe, onrypkooren; bied fars-
zin, boekweit; bied de Turquie ou
maïs, Turkfche terwe;hleà meteil ,
meng-kooren i manger foa bied en
her*
7^5 BLE. BU. BLO.
jherbe , zyne tnkomjlen , voor ze ont fan-
gen zyn , veneeren , (fpr. iv.)
Bleime , ( f ) hif.amatie onJer aan
de voet van een Pae'td.
Blême, (adj.) Bleek, doodfch.
Blêmir, (v. n.) B'.eek worden ^be-
Jlerven.
BiêraifTement , (m) Bcjîervir.g ( f ).
Bléreiu, (m) Ken Das (n), {zeker
dier). . , ^,
BleiTé, ée (adj.) Gehwetjî , bleffe
à mort , ter dood toe gewonde
BleiTer, (v. a.) Kiveuen, wonden,
hefchaa.iigen.
BlefTure, ( f ) Kivetzuur, wonde,
Blecte , ( f ) M^fer-Xee>2 krmd).
Bleu , bleqe , (adj . & füDft.) Blauw ;
hlaiiwe verf; bJeu 'mourant , licht
hlattw; bleu tixT(\n\n , donker blauw .
Bl^uâcre, {aiû].) Blauwagtig.
Bleuir, (v. a. & n.) Blauw maa-
ien, b'auwen; blauw worden; faire
bleuir le fer, het- yzer blauw aan
doen loopen,
BI in, (m) Een rambîok y (in
Scheepsb.)
Blmde , blindes , ( f ) Blinden , tot
dekking , ( in l^ejîwgb.)
Blinder , (v. a.) Met blinden be-
dekken.
Bloc, (na) Een blok; Ezels-hoffd
(tn Scheepfb.) ; bioc de marbre , mar-
mere blok, vendre 'en bloc & en
tas , by den hoop verkoopen.
Blocage ou blocailie , (f) Gruis
(n) , puinhoop (m).
Blochec , (m) Een dwars fparreiï) .
Blocus, im) Befchanjfuiçf, blckee-
Ting, injluiting {?); (l'^cfting w.)
Blond, onde(acli.&fubft.) Blond-
ha:ri^, blond; een blond menfch.
Blonde , ( f i Zyde kant.
Blondin, ine (m. & f.) Een die
blond kair heeft.
Blondir, {m) Blond h&ir bekoomen^
Bloquer, (v^ a.) hfluiten , ver-
fchanffen; bloquer une ville , un
port , y mettre i€ blocus, ff« Jlad,
een haven inflzù'.en; bloquer , de ree-
ten van een Jchip met werk digt maa-
ken ; dr uk-letters verkeerd zetten;
metzelen zonder pas-lood.
Blot , Bloc OU Chouqu'et (m).
Ezels-hoofd ; 8cheeps..bïok ; werktuig
BLO, BLÜ. BOA. BOB. &c,
om de vaart die een Schip maakt me-
de te meeten , (öcheeps iv.)
Blottir , (v.a.) /« een duiken ,ver^
fcbuilen; les perdrix fe blotti(nint,
de %teldboenderen kruipen in een , ver-
frhuilen zïg.
Bluet , (m) Blauwe koren-bloém ( f ).
Bluette , (f) Sprankje, vonkje van
vuur of gloeiend yzer (•«).
Bluteau , (m) Aleet-buil.
Bluter, (v. a.) Builen,
Blutene , ( f ) MM~buitery,
Blut^oir. {Zie Bluteau).
Boage , (m) Die^jfi van een Vaffaï
aan zynen Heer met twee Offen voor
hem te ryden.
Bobèche , ( f)Pyp van een kavde^
laar.
. Bobine, (f) Een bobyn , klos, om
gaaren op te doen.
Bobiner , (v. a.) Gaaren op een bo-
byn winden ,fpoelen.
Bobineufe , ( f) Gaaren fpoelfter.
Bobo > (m) Ligte kneuzinge (f),
flootje (n).
Bocage , (m) Bofchje , bofcbagie (n).
Bocager, ere(adj.) Nymphe; bo-
cagere , bofch-nimph.
Bocal , (m) Beker , bocaal.
Bodinure , ( f ) Bewoeling van den .]i
anker-ring. a
Bodruclie , ( f) Fyn perkament van ;
Offendarmen bereid (n).
Boëffe , OU gratte boëfle,. ( f )<(
Kratz-borfiel in de munt.
Boëffer, (v. a.) Kratzen. .
Boete. {Zie Boîte)*
Bœuf, (m) Een Os (m) , Offen-vîeefch
(n) ; dommen os , vleegel.
Bogue, ( f ) Kajianje bolflery Hou*
ting {een vifch)."^
Bohémien, ienne, ou bohème,
(m. & f.) Heiaen , Land looper , goe'
der-geluk zegger; Land-loopjler. '
Boïard , (m) Hand-burrie ( f y.
Boie , ( f ) Fberbaai.
Boire, (v. a.) Drinken; boire à
la ronde, in't ronde drinken; boire,
des rafadesïde rouges bords, èoor-
den vol drinken; il boit,;?>y is tot den
drank vervallen; boire la, raillerie^
de befchimping verdraagen ; la terre
boit la pluye , de aarde tr^-kt de regen
na zig î ce papier boit > dat papier
A,uigt]
BOL
xaigt; boîre comme un trou, à tî-
relarigot , lujiig zuipen ; qui fait la
folie la boit , (fpr. iv.) zoo als men
zyn bed maakt zoo legt men; donner
pour boire , een dnnk penning gee-
ven; voilà pour boire , daar is een
drink-penning i ce foffé boit en ri-
vière, die Jloot krygt zyn water uit
de rivier.
lioire , (m) Het drinken (n).
Boirin , (m) Anker-boei.
Bois , (m) Een bofch-, bout (n) ;
bois épstis , dik bofch ; bois de char-
pente , timmerhout j bois mort,
dooJ , verdord bout \ bois en étant,
hout dat nog op de Jlam is -, bois de
haute futaye, een hoog bofch; bois
vif, gezond, groen hout; mort bois
ou d'entrée , balf vergaan hout;
bois de teinture, verf-hottt ^ bois
blanc, 'week , zagt hout ; bois
de cerf , het g^ewigt of de hoor-
nen van een hert, enz. bois à brû-
ler , brand hout; bois canards, ge»
zonken hout; bois flotté, vlot-hout;
bois échappés , dryf-hout ; - bois
merrein, vat-hout , pyp-hout; bois
de charronnage $ wagenmaakers'
hout ,*wagen-fchot ; bois de compte,
tel-haut ; bois de refend , hout dat
ligt kloofd; bois en grume , neerge-
veld , gehakt hout; bois chablis , door
den wind neergeveld hout; bois lavé,
fia de lyn gehakt hout ; bois bombé ,
krom gewaffen hout; bois gelif , /bwf
dat vol fpleeten is ; bois carié , ver-
moulu , verwormdivermollemdhouî ;
bois rabougris , kwafîjg bout , tiit-
fcbot ; bois ta '1 lis , ha-k-hout , een
hak-bofch; faire du ho is , een Schip
met brand-hout voorzien; a-.HtCre du
bois, hout afhakken y neérvvllen ; veel
kégeh werpen ; ne favoir de quel
bois fiire flèche, niet ivt-eten waar
men zig keeren of iveydm , --..vat men
aanvangen zal; trouver vifage de
bois, niemand t'hurs vinden \hois de
lit, bedfleê ; buis qui fe tourmen-
te, hout dat werk( , nog niet uitge-
loogd is; je fai de quel bois il re
chauffe, ik ken zy,2 manier, beftaan;
haut le bois, het geweer ont hooe
(by Krygsl.) ^
Boifd^e , (m; Befchutting (f); pa-
ntel-iterk (n).
BOL BOL. BOM. * 79
Boifer, ;v. a.) Mep hout befchic
ten , lambrifeeren,
Boiferie, (f) Houte befchot (n);
lambrizeering (f).
Boifeux, eufe (adj.) Houtig,
BoifTeau , (m) Een fchépel.
Boiflelée , ( f) Een fcbépel-vol citera
een fchépel zaai -land.
Boiflelier, (mj Een maaten-doo^
zen-maaker.
Eoilfon, (f) Drank fm).
Boite, (f) Regte tyd wanneer dti
wyn kan gedronken worden.
Boite, (f) Een doos, kas; munt^
blok ; gewrigt daar een been in dr aai d 9
boite à poudre, à poivre, démon-
tre , een poeder-, peper-doos , kas va»
een zak-horologie ; boite de roue ^bet
ave^gat van een wiel; on y eft comme
dans une boite , men zit 'er warm
in.
Boitement, (m) Hinking (f).
, Boiter, (v. n.) Hinken, kreapelJ
mank gaan.
Boiteux , eufe (adj. & fubft.) J^reu-^
pel, mank ; een kreupele; il faut at-
tendre le boiteux, {fpr. w.) men
moet d'eerJJe tyding niet gelooven.
Boîtier, (m)Doozen-njaaker;zalfi
bus (by Heelm.).
Eois-tout, (m){gem.w.) Glas zon-
der voet.
Eoiture, (f) (gem.w.) Zwelgery»
zuipery. -^ j ^
Bol OU bolus , (m) Eene mond-mt
medicynen.
Bombance, (f) Goede cier,nem~
pery ^ {gem. zv.)
Bombarde , ( f; Kort gefchut , hatu
bitz.
Bombardement, (m) Bombardes-
r/n^ (f).
Bombarder, (v. a.) Met vuur-hs-
gels , viei bomben befchieten.
Bombardier , fm) Bomm8>h-<werper9
Bümbardier.
Boni ha fin , fn-i) Bommezyn.
Bombe , ( f ) Bomme , vuur-kdgeï.
Bomber , (v. a.) Krom niaahn-
uitho^liv. •"
h^d^''' ' ^ ^ ^ 5orf^m.r>,. , (in Zee^
Bon ne (,dj.) Gced;mïld;deu^d^
zaam; uap^er -, flerk ; ejz, «n bon
go BON.
Cavalier, een goede Ruiter -, uh bon
' Médecin, een goed Geneesheer ; bon
xnot , kwinkjlag , klugtige uitdruk-
king ^ inval -^ n'ècre bon a rienjO^r-
gem toe dtenjiig zyn; à quoi boa ce-
ia ? waar toe ditnd dat ? trouver
bon ^goed vinden ; alle?, ou bon vous
ftmble , gaat daar het u goed dunkt;
un bon homme , een goed , deugdzaam
man , een onnozel man , een goed
bloed fles bons ou les gens de bien,
de vroome lieden ; il n'eft bon ni à
rôtir, ni à bouillir, hy deugd
nergens toe; un bon coquin j een
martsfchelm j ö ! la bonne raifon ,
et! dat 's een fc hoon bezvyf, de bon
cœur y van gantfcher harten-, les bons
comptes font les bons amis, effen
rekening rnaakt de beJJe irienden ;
vraiement «je vous, trouve bonne !
waarlyk ik vinde u fraai! je vous la
garde bonne , ik zal 't u w-l betaald
zetten ; faire bon pour quelcun ,
voor iemand in Jlaan , borg blyv^^n ,
tout cela eft bon , mais . . , dat
is altegaar mooi en goed , maar . . ;
c'eft un bon Apôtre, /^pf ts een rui-
gen ^poflel {boert, "jv-); un i)on pen-
dard , een olyke fielt ; fouhaiter, don-
yier Ie bon jour , goeden morgen^,
goeden dag wenfchen; les bons maî-
tres font les bons valets, goede
tneeflers maaken ^ede dienji boden.
Ben , (m) Het goede , het bejle
fn)j connoitre Ie bon & Ie beau
d'une affaire , het goede en het fraaye
van een zaak kennen; Ie bon de l'af-
faire eft . . , het b'efie van de zaak
i^ . . ; il y a cent écus de bon ,
daar zyn honderd kroonen te goeds. ^
Bon , (adv.) Goed<, tvel; fentir
bon, wel ruiken; tenir bon -, (land
houden; cela me coûte bon , dat^ kojl
my goed -veat; bon! voilà qui va
bien, goed', dat ^aat. wel.
Bonace, (f) TVind-ftilte ^ kalmte
•p zee; ^erudheid, vreede.
Bonafle , (adj.) Al tegoed^ te een-
voudig.
Bonbons, fm. pi.) Lekkemyen, fnoe-
^eryen voor kinderen.
Bonchretien , (m) Zekere lekkere
franfche peer.
Bond, {m)Wfcr-fprsng{n), opfiuh
BON.
f'"S (O Î prendre la balie aa
bond, den bal in 't opfiuiten vangen^
de regte tydvan iets waarneemen (fpr.
IV.) autant de bond , que de volée,
{fpr. w.) op beiderly wyze.
Bonde ,. ( f ) Sponde , of tap van een
vyver ; JJuisje ; fchotdeurtje (n).
Bondir , (v, n ) Opfpringen , hup-
pelen; opwellen ; les agneaux bondis-
fent, de lamineren fpringen; cela
me fait bondir le cœur', dat doed
my het hart walgen , opkomen.
Bondiflement , (m) Opwelling .^op-
fluit ing der maag (f).
Boadon , (m) Sponde , fpo^dgat (n).
Bandonner , (v. a.j Toefponden , toe-
fioppeit.
Bondonnier, (ra) Spond-hoör {nl.
Bonheur, (m) Geluk (n), welvaart
(f) j par bonheur, by geluk.
Bonboramie, (f) Goedaardigheid.
Bonifier , (v. a) l^erbetcren , ver~
goeden; bonifier un champ? een ak-
ker c.rbeteren.
Bonjour , (m) Donner, fouhaiter
Ie bonjour, goeden dag wenfchen.
Bonite , (m) Spring vtfch.
Bonnaire. {Zie Débonnaire).
Bonne'. {Zie Bon).
Bonneau , (m) Anker- teken (n),
boei{i).
Bonne-aventure , ( f) Goedergelui
{van Jf'aarzeggers),
Bonne-fois , une bonne fois , esni
voor al.
Bonnement , (adj.) Opregtetyk ,
il y va tout bonnement , /;y
gaat opregtelyk te werk; je ne fai
bonnement que dire, ik weetzvaar"
lyk niet zvat te zegden; avouer bon-
nement une chofe , een zaak rond-
borfîig bekennen.
Bonnet, (m) Muts; kuif; donner
le bonnet à quelcun , iemand pro-"
moveeren, de Doftorale Muts geven ;
opiner du bonnet , een ja broer
zyn; trille comme un 'bonnet de
Huit fans coife, {fpr. u\) zeer droe~
vig zyn; il a la tête près du bon.^
net ) {gpm. fpr. w.) hy is kort vaa.
ftofy zeer ophopend; porter le bon*
net verd , banquetoet zyn; j'y met-
trai mon bonnet , J* verred 'er myti
muts onder,
Ben*'
BON. BOQ. BOR.
Eounetac-le , ( t') uupe ecrbud (m).
Bonnecer, (v. a.) Iemand eerbie-
dig groeten y (gem. w.)
Bonneterie, (f) Mutzen-makery y
gild daar van (n).
Bonneteur, (m) Bedrieger, (S^"*-
' w.)
Bonnetier, iere (m. & f.) Mut-
zen-maaker , maakjier , of verkooper ,
z'erkoopjler,
Bonnci-quarré ,(m) PrieJJ ers muts
(f).
Bonnette y (f) Kleine Ravelyn ,
boive maan , buiien-iverk {in l^ejîing-
bouwkunde).
Bonnettes , (f. pi.) Bonnetten , zei-
len die by Jlil weer aan de groote zei-
'len gehegt vuorden ihonnette lardée,
een honnet-zeil -met fpek bejiooken om
een lekkagie meê te Jîoppen.
Bonté , ( f ) Goedheid; deugdzaam^
heid; gunjl ; il doit fa vie àla bon-
té de fon cheval , hy is zyn leeven
aan dejîerkte'van zynpaerJverfchuldtgt;
ayez la bonté de me vep.ir voir ,
weejl zoo goed en komt my bezoeken ;
cet homme eft la bonté même , die
man is de goedhsid zelfs-, je vous
fuis obligé de toutes vos bontés , ik
ben u voor alle uwe goedheden ten
hoogflen verplicht.
Bonze , (ra. & f.) Priejlers en Non-
nen in China,
Boqueteau , (ra) IVild Geite-bokje
(n).
Boquillon , (ra) Een Hout-bakker ^
{beter Bûcheron).
Borax, (m) Borax, gebruikt tot
*t foudeeren van goud.
Bord , (m) Boord, rand , kant (m) -,
fcheeps-boord (n) ; bas - bord , bak-
boord; Hrlbord . Jiuur-boord; venir
à bord, aan boord komen; mettre à
l'autre bord, bet /chip wenden; ren-
dre le bord, inloopen, een haven
aandoen; vaifTeau de haut, de bas-
bo rd , een groot , een klein f chip ; faire
«n bon bord > een goede boeg-Jlag
doen , wel gevorderd zyn ; un rouge
bord , e^n volle romer wyn ; j'ai Ion
nom fur le bord des lèvres, zyn
naam legd my op de tong; être fur
le bord de la fofle , op den rand
des grafsjlaatii beel oudzyn; cou-
BOR. 81
rir le bon^ bord , zee-roovery oef-
J'enen ; aller à boi d , aan boord gaan»
Bordage , (m) Boey-planken , bui-
ten huid van een f chip ; geringe dtenjl
die een boer aan zynen Heer ver-
fchuLügd is.
Bordayer, (v. n.) Laveer en; een
laagjchieten.
Bordé, ée (adj.) Bezoomd , be^
legd, geboord; chapeau bordé, een
omgeboorde hoed; canal bordé d'ar-
bres , gragt met hoornen beplant.
Bordé, (m) Goude^ zilvere , zyde
galon (n).
Bordée , {î)Loop,gang van eenfcbip
eer het wend; een laag van bet ge-
fchut ; donner la bordée à un vais-
ieau , een fchip de laag geeven.
Bordel , (m) ii>» Hoer-huiSy Hoe-
ren-kot (n) , Kit ^t); courir le bor-
del , Hoeren-j^agen.
Bordelage , (m) De inkomjien van
ecn boeren hoef ; 't hoeren leven.
Bordelier, (m) Hoeren jaager f
{oud w,)
Bordement , (m) Omboording , met
een andere verf {by Schilders),
Border, (v. a.) Bezoomen , beleg-
gen, boorden; 1'Armée bordoit la
rivière , bet Leger bezette den oever-,
border un vaiiTeau , eenfcbip bekUe-
den; border les voiles, de zeilen
aanhaalen; border une allée, een
wandel-pad op de zyae met boomen
bezetten; border un chapeau, een
boed ombüorden ; border un vailTeau,
een fchip op zy zeilen , of aanklampen,
Bor:leréau, (m) Lyjl , notitie van
geldfpecie , gewigt of maat { f) ; Zoo-
pertje van ontfang en uitgaaf {n).
Bordier , iere (m» & f.) Bezitter
van een gering Hoefje»
Bordier, (adj. & fubft.) Vaifleau
bordier, boordig fchip, dat aan de
eene zyde Jïerker ts , als aan de an-
dere (n). {men zegt ook Bordier).
Bordigue , ( f) Een l^ifcb-vang.
Bordure , .' f) Boordzel (n) , rand-,
raam (m) ; lyfl van een fpte^el , et^z-,
bordure de chapeau , kreel om een
hoed van goud, zilver enz.
Boréal, aie (adj.) Noordelyi.
Borée , {£)Noorde-wind(by Dicht.). "
Borgne, (adj. & f. jn.) Efn-oo^ig;
g2 BOR. BOS.
een een^oogige j cabaret borgne ,
JJfgt kroegje ; conte borgne , oude
iv^fs vertelltt7g f caufer comme une
pie borgne > (fpr. w.) de mond laa-
ien gaan als een Lazarus klap ; au
royaume des borgnes les aveugles
font Rois, in 't land der blinden is
één-oog Koning.
Borgne , (m) l^ifcb-fuik (f).
BorgnefTe, (f) Eene één-ooglge.
Bornage, (m.) De grens-bepaa-
ting ( f).
Bornager, (v. n.) Fan den eenen
oever na den anderen vaaren , gelyk
een Fe er man.
Bornai , (m) Celletje in een by-korf
(n).
Borne , ( f) Grens-paal-of teken ;
mettre des bornes à fes àeiirs^zyne
tegeertens paaien fielten'
Borné, ée (adj. & part.) Be-
paald; un efprit fort borné , een
zeer klein verfiand.
Borner, (v. a.) Paaien, bepaa-
len-f grens-paalen zetten -y fe borner ,
( V. r, ) zig inbinden , maat houden.
Bornoyer , (v. a.) Met een oog
toe mikken i, (by bouwlieden).
Boamoyeur , (ra) Een goede kyker,
mikker.
Bofan, (m) Zekere Turkfcbe drank.
Bofel, (m) Ring om de voet van
een pylaar.
Bosquet , (m) Lufi bofchje , fiarre-
bofchje (n),
Boflage , (m) Uitggbouivde fieen in
een muur y waar in een cieraad zal
gehouwen worden,
Boffe , ( f) Een bult , hochgel ; ou-
vrage relevé en boffi , gedreven
werk.
Boffelage ,(m) Gedreven werk{n).
Bofleler, (v. a.) Bulten', gedreven
loerk maaken.
Boflelure, (f) De natuurlyke boh
beid aan bloemen.
BolTeman, (m) Bootsman.
Boffer , (v. a.) Boffer 1'ancre , het
anker opzetten.
Boffetier , (m) Een rood gieter , ko-
per gieter.
Boffette , (f) Knopje op een boek
of paer de-tuig.
Boffeurs ou boffoirs , (ra) Kraan^
balken waar op bef anker rufi^
BOS. BOT. BÖÜ.
Boffu , ue (a ij. Ôcfubft.) Gebocheld ,
gebult > cimetière boifu , een iep
Kerkhof.
Boffuer , (v. a.) Iets bulten.
Boftangi , (m) Tuinman van den
groot en Heer.
Boflangibachi, (m) Opztender dier
Tuinliedfin.
Bofuel , (m) Geele kroon , reuk"
tulp (f).
Bot, (adj.m.) Pied bot, een horl-
voet.
Botal , (adj. m.) Trou botal ,ope-
ning waar door het bloed van ongeboo-
renene kinderen loopt.
Botanique , (f) Kruid-kunde.
Botanique , (adj.) Kruid-kundig.
Botanifle, (m) Een Kruid-kun-
dige.
Botte, (f) Eên Laers -, bundel,
bosje-, botte de plumes, een bosje
pennen; botte ,fioot yfieek (in fcherm-
fchool); botte, optred van een koets',
graiffer fes bottes ,zig tot eene lange
reize ; tot de dood gereed maaSen^
Botté , ée (adj.) Gelaarfi.
Bottelage , (m) Buffel binding (f).
Botteler, (v. a.) In bujfelen, bos-
f en binden.
Botteleur , (m) Buffel Jjïnder.
Botter, (v. a.) Laarfen aandoen,
maaken ; fe botter , (v. r.) zyn laar"
zen aantrekken.
Bottine > ( f ) Halve laars.
Bcuard , (m) Schroot-hamer,
Bouc, (m) Een bok; bouc émis-
faire , bok der verzoeninge door dt
IJraé'liten in de woefiyne gelaat en.
Boucage, (m) fVilde pimpernel j
(een kruid).
Boucan , (m) Roofler waar op de
Americanen het vleefch droogen; item
een Hoer-huis.
Boucaner , (v. a.) Vleefch droo^
ge»; na buffels jaag en op de w y ze der
wilden; item in Mot-huizen loopen.
Boucanier, (m) Boukanier, Roo^'
ver , Jaager tn America.
Boucaut, (m) Een vat (n), tonne
(f)-
Bouche , ( f) Koninglyke fpys^ka-
mtr.
Bouche, (f) De mond , opening
( f ) 3 '''^«"5 (oï) Î douche bien fen^
«iue^
feOÜ.
ducj wel befneJen mond j cheval
qui à la bouche délicate , een
paerd dat zagt in den bek is ; bouche
de rivière , mond van de rivier ; {zie
embouchure) avoir bouche à cour,
de vrye koji hebben-, elle n'en fait
point la petite bouche , zy wind
'er geen doekjes om; garder pour ia
bonne bouche , voor 't laatjie van
de maaltyd bewaaren; avoir bouche
coufuë, geen praat hebben-, n'avoir
ïii bouche ni éperon , geen hart
Jbebben , om iemand te antwoorden ;
dire de bouche , mondeling zeggen.
Bouchée > ( f ) Eene mond vol.
Boucher , (v. a.) Toejhppen , JJop-
pffi.
Boucher , re (m. Sc f.) Vleefch-
houwer , Jlagter ; vleefchhouwjier.
Boucherie, (f) l^leefcb-bat (f);
hloed-bad (n) ; Jlagtbank , Jlagting ( f).
, Bouchet , (m) Zuiker en kaneel-
water voor de zteken (n).
Boucheture, (f) Tüéflopping (fj;
bek (n).
BouchÏn , (m) Breette , buik van
ten fchip.
Bouchoir, (m) Oven deur.
Bouchon , (m) Een fiopzel (n) ,
Iturk (m); mon petit bouchon , myn
'lein hartje 'y bouchon de paille,
Hroo-wifchi à bon vin il ne faut
oint de bouchon , goede wyn heeft
een krans nodig , {fpr. w,)
Bouchonner, {v.a.)Met eenjiroo-
'ifeb wryven-fiets in een frommelen.
Bouchot, (m) Fifch-vang van tee-
ene korden.
Boucle , (f) Eene gefp ; bair krul ,
'joekel', boucles d'oreille, oor-rtn-
en j tenir fous boucle > in hegtenis
ouden.
Bouclement , (m) Toegefping', toe-
uiting (f).
Boucler, (y. a.) Toegefpen ; het
fair in boekels leggen-, boucler un
)órt, een haven fluiten iboaclcr une
ravalle , é»*" w^ merrie ringen.
Bouclier, (m) Een fchild , barjï-
apen; faire bouclier de quelque
;hofe , zig ergens meê befcbutten ;
aire levée de boucliers , veel toe-
'el maaken daar niets van word.
Boucon, (m) (gtm. «/.} Sènlteet ,
"---' lyal vergift»
BOU. 83
Bouâin , (m) Wilde Steenbok.
Boudelle , ( f _) Een penaeboutje (n),
flagpen ( f).
Bouder , (v. n,) Pruilen , morren »
zuurmuilen , preutelen.
Bouderie, (f) Pruiling.
Boudeur, eufe (m. & f.) Pruiler^
grimmer; pruiljler.
Boudin, (m) Een beuling , worjij.
Item bet knopje , beduin in de midden
van een glas-fchyf', ook de rand daar
van.
Boudiné , (f) Ronde glas-fcbyf.
Eoudinier , (m) Worji merkooper.
Boudiniere , (f) IForJi - boorntje
(n).
Boudinure, (f) Woeling om den
anker-ring ; anker-roering.
Boudoir, (ra) Klein eenzaam ver-'
trekje (n).
Boue , (f) Slyk, drek-, etter -, une
ame de boue , eene laage ziel; cirer
queicun de la boue , iemand uis
den drek , uit d'ar moede belpen.
Bouée, {f) Baaken} item auker-
boei.
Bouëment, (m) t*Zamen voeging^
lyming , {by Scbrynw.)
Bouer , (v. a.) Muntplaaten ffchroot
plat Jlaan.
Loueur, (m) SUk-nverker i vuilnis
opveeger.
Boueux , eufe (adj.) Slikker! g , mod-
derig, vuil.
, Bouffant, ante (adj.) Opblaazende^
opzwellende.
Bouffe , ( f ) Bakhuis , fmoel , (gem.
w.)
Bouffée, (£) Rukwind, windbuil
riekende damp; il n'étudie que par
bouffée , hy Jïudeerd alleen by vlaa-
gen.
Bouffer, (v. n. & a.) Opzwellen^
oploopend worden -, vleefsh opblaazen,
Bouffette , ( f) Linten quaji ,Jlrik'
je.
Bouffi, ie (^à^).) Opgeblaaxen', { fi-
guur L) hoogmoedig', les yeux bouf-»
fis, d'oQg€h gezwollen-, ftyle bouffi i
opgeblaazen flyt»
Bouffir , (v. n. & a.) Ophlaozen 9
opzwellen ; hoogmoedig worden.
Bouffiflurcp (f) Opzweiling %opgi-
zwallénbeidt'
F 8 ^uJF-
«4 Boa
Bouffoir, (m) Py^je ovi een Lam
Gp te blaazen.
Bouffon > onne ( m. f. & adj. )
Poetzen-klugten-tnaaker , nar; nar-
nn ; kortiwylïg , aardig.
BourTor.ner, (v. n.) Poetzen- gril-
ler.- klu^ten-maaken.
Bouffonnerie, (f) Poetzen-maa-
kery.
Bouge , (m) Schoenlatpers-potbuîs ;
klein kamertje (n); randzel , reis-zak;
huik van een tonne ; rand van een
tafel-bord {va); kromte van een Jïuk
hout ( f).
Boageoir , (m) Dieve lantaarentje ;
blaaktr.
Bouger, (v. n.) Zig houden waar
men is, (word gebruikt m^t een' ne-
gacivüs) ne bc3ugez pas Monfieur 5
zitjiil. doed geene moeite My.iheer;
il ne bouge pas de la maifon , hy
komt utt zyn huis niet.
Bougette, f f ) Reis-zakje , knap-
zaki? fn) , buidel (ra .
Bougie, (f) IVafch-kaars , ivafch-
Ucht.
Bougier , (v. a.) Beivafchlichten,
Bougran; (m) Styf-linnen (n),
Büugre , Bougrefle, (m.&f.) (^f«
ïeelyk woord) Een Sodomiet ; item een
vuile àfchurk , Schoelje; Teef.
Bouillant, ante (adj.) Ziedend,
kookend; oploopend , haajlig ; vlug van
Bouillar , (m) Regen-wolk (f) ,
{zee w.)
Bouille , (f) Vijfchers plons -Jïok
{r^),pols{ï).
Bouiller, (v. a.) In't water plon-
zen.
Bouilli , (m) Gekookt- of gezoden-
vleefch (n).
Bouilli, \i{z.à:y)Gezoden , gekookt.
Bouillie , ( f) Pap , bry.
Bouülir , (v. n.) Zieden , kooken ;
Ie vir. bout, de wyn werkt; cela
ne fait pas bouillir la marmite,
{fpr. 11'.), dapr kdtî defchoorjïeen niet
rjan rooken\ bouillir à gros b-^uil-
lon^ , hard of Jlerk kooken ; faire
bouillir de l'eau, water kooken.
Bouillit^. ire, (m) Het wit kooken
der muntjiukken.
Boftilloir , {m) Kopere pan daar t9ft
BOU.
Bouilloire , {f, IVater-ketsl.
Bouillon, (m) Bobbel (m), opweU
lit7g , ruifcbing , opbobbeling (f)}
vleffch-nat (n) ; foppe (f); item drifty
onjluimigbeid i f).
Bouilion blanc, (ra) ff^it wolle^
kruid ■n)
Bouillonnement , (m) Ziedingyop'
borreltng ; gijling ( f .
Bouillonner, (v. a. & n.) Opbor-
relen ^ opwellen, hard kook m.
Bouis, (m) Schoenmaakers Likboup
(n).
Boais. (Zie Buis).
Boulanger , ere (m. & f.) Bakker;
bakker inné.
Boulanger , (v. n. & a.) Het bak-
kers-hatidiverk oeffenen.
Boulangerie, (f; Bakkerye.
Bouldure , (f) Plaats of gragt
onder een moolen-rad.
Boule , (f) Bol, kloot , ronde
knop (m); tenir pied à boule , (,/■"'.
w.)op zyn zaaken acht ge even ; j ouer à
la boule , met de kloot fpeelen , à
bouie vue, onbedagtzaam>
Bouleau, (m) Berkenboom.
Bouler, (v. n.) De krop opblaazen
gplyk de Kropduiven.
Boulet , (m) Gefchut-kogel( f) ;bou-
let à c bain e , kettir,g~kügfl{{); bou->
let rouge , gloeijende kogel.
Boulecé, (adj.) Chevai bouleté,
Parrd dat zyn been verjîuikt heeft.
Boulette, (f) Kleine kogel (f),
balletje-, klootje (n). *
Boulevard ou boulevart, (m)
Bolwerk , fchans , voormuur (n) j ttem
bef cher mmg (f).
Bouleverfementj (m) Omkeertng ,
verwoejling (f).
Bouleverfer, (v. a.) Omwerpen^
cmftootm, 't onderfie boven keeren.
Boulimie, (f) E.en eet-koorts.
Boulin, (m) Duiven-nejl; balk- of
fleiger-gat m een muur (n).
Bouline , (f) Scheeps boelyn, waar
meê het zeil na de wind gehouden ^
wo-rd; aller à Ja bouline , by de
ivind zeilen ; haler fur les boulines f
(/e boelynen aanhaalen.
Bouliner , (v. n.) By de wind Trei-
len ; niet opregt hani^elen ; fieelen , (/«
Bo''-
, BOU.
Boulinenr , (m) Soldaat die in zyn
ti^en Léger vrybutt.
Boulingrin, (ra) Een gras-jiuk in
een tuin; groene klootbaan.
Boulingiie , ( f) Bram • zeil , bo-
venjle zeil aan de groot e majl (n).
Boulinier, (m Schip liat by de
wind zei ld (n).
Boulon , (m) Tzere bout met een
knop-, een rond yzer waar over loode
buizen gegooien worden.
Boulonner, (v. a.) Met een bout
vajl maaken.
Bouqut'r , (v. n.) Gedwongen iets
doen moeten , 'er aan geloovm moeten.
Bouqutt ,(m) Een bofk linten-, ten
ruikfr j flroowifch op iets dat te koop
is 'y bouquet de piumes, veder-bofch;
bouquet , cieraad op den rug van
een boek, Jiem^el; item verzameling
van zinryke jprt uken ; faire ou cane-
tiller un bouquec, een ruiker maa-
ien.
Bouquet , (m) Bokje j haazen-ram-
m el aar.
Bouquetier, (m) Bloem-pot.
Bouquetier, iere (m.&f.) Krans^
ntaaker-, bloemen vercierjler.
Bouquetin , fm) Steenbok.
Bouquin , (m) Een ouden bok; een
S^ter ; een geile gryzaard; fentir Ie
bouquin , ^/«^fw als een bok; bou-
quin , een oudverjleten boek.
Bouquiner, (v. n.) Befpringen -^
rammelen ; oude onnutte boeken koopen
of leezen.
Bouquinerie, (£) Plaats daar ou-
de boeken verkogt worden.
BouquineuTj (m) Een handelaar
in oude boeken,
Bouquiqifte , (m) Liefhebber van
zodanige boeken.
Bouracan, (m) Barkan ^ {zekere
fioj/e).
Bourasque. {Zie Bourrasque).
Bourbe, (f) Slik, modder.
Bourbelier > (f) IVilde Zwyns-
horJ}{£).
Bourbeux, eufe (adj.) Modderig.
Bourbier, (m) Modder-poel ; lais-
(èr quelcun dans Ie bourbier, ie-
mand in de pekel , in de nood laaten.
Bourbillon, (m) Etter-gezwel-^rop-
BOU. 85
Bourcer,ou carguer (v, n.) ica
voiles j De zeilen inbinden, reeven,
Bourcet ou tnifene , (f) Fokke^
maft {m)-,fokke-zeil (n).
Bourdaloue ou b- urdalou , (m)
Hoet-band ; item zedige ftoffe.
Bourde , ( f) Een leugen . knapuili
item ly-zeil by fttl weer gebruikt; uri
do;.neur de bourdes ,' een leugen
verteller.
Eourdel3ge,(m)(^iV Bordelage).
Bourdelais , (m) Zekere groote
druif.
Bourdelier ,(m) Grond-heer 9 Cyns-
heer.
Bourder , (v. n.) Liegen^t (gem. w.)
Bourdeur, eufe (ra. & f.) Leuge-
naar ; Leu^enaarfter, 1
Bourdillon, (m) Eiken hout tot
duigen gemaakt.
Bourdon, (ra) Hommel, hommel-
bye; brom-pyp van een orgel of doe-
del-zak (f) ; Pelgrimi-ftaf (m) ; uit-
laatmg van eenige woorden {by Let-
ter-Zrtters).
Bourdonnement, (m) Gehommel
(n), ruifching (f).
Bourdonner, (v. n.) Hommèlen,
ruifchen , ftommelen {van volk) ; brom-
men , preutelen.
Bourg , (m) Een vlek, dorp (n).
Bourgade, (f) Een groot vlek (n).
Bourgeois, oife (adj. & f.) Bur-
gerlyk ; burger ; burgerejfe ; fchips-ei-
genaar ;wer k-baas ; cela eft du der-
nier bourgeois, dat is zeer gemeen,
Bourgeoiferaent , (adv.) Op zyn
burgerjch ; eenvoudig.
Bo u rgeo ifie , ( f) Burgerfchap , Bur-
gery {£), burger-recht {u).
Bourg.on, (m) Pwfï ; knop (m) ,
knopje (n).
Bourgeonné , ée (adj.) GepuiJI^
geknopt.
Bourgeonner , (v. a.) Knoppen,
uitbotten j met puiften uitjlaan.
Bourguemaicre ou Bourg-meftre ,
(m) Een Burger meefter.
Bourguignote , (f) Storm-hoedj-
helm (ra).
Bourique. {Zie Bourrique). *
Bourléc, (m) Valfche vouw in La-
ken { f).
Bourrache > {i)Bcraasje {een kruid),
F 3 «our-
Se5 BOU.
•Tîourrade , ( f) A>« ƒ Qo/ ,[lag (m) ;
grof en bits antwoord in een difputa-
cie (n).
Bourrasque, (f) Een hui (f),
Jiorm-zvmd ; fchielyke oproer van
volk (tn)', quaade bui van ietnand( f).
Bourre , (f) Scheer hair (n); vlok-
ien (f); ioei-hair (n) ; prop die men
cp een fnaphaan doed {£ ) ; item prul.
Bourreau, (m) Een Beul ^ Scherp-
r echter-, Pym^er, Wreedaard.
Bourrée , (f) Een takkebo^je (n).
Bourreler, (v. a.) Pynigen, mar-
seleU', ytu'f//p»M,jconfcience bourre-
lée , ivroegend gewijfen.
Bourrelet, ou bourlet, (ra) Kin-
der valboed ; draag-krans; <ivrong ;
hijjentje in een hak-Jioelf tromp van
gen gefchut > virong aan een maji ; ga-
reel van een trek-paerd.
Bourrelier , (m; Een Gareel-maa-
ker.
Bourrelle , ( f) Beuls-vrouw.
Bourrer, (v. a.) Metlfcheer-hair
vullen ; de prop op 't geweer doen ;
Jiooten', iemand overfcbreewwen ; uit-
maaien; af kloppen.
Beurriers, (ra. pi.) Kaf van koorn
(n).
Bourrique, (f) Ezelinne (f); tn
'# gemeen een Ezel (m)-fjlegt paerd
(n), knol (f); bak om materialen in
op f e hyjfeni bak der Let dekkers,
Bburriquet , (m) Jonge Ezel,
Bourrir, (v. n.) Geraas maaken,
(word van Fetd- hoender en gezegd als
zy opvliegen).
Bourru, ue (adj.) Eigenzinnige
"koppig , korzelig ; vin bourru , ivyn die
mg onklaar is ; moine bourru , bul-
iebak , (derJtbeeldig fpook om kinderen
vervaard te maaken).
Bcurfe , ( f ) Beurs , tas j ioopmans
heurs } fchil ófbajl der vrugten ; hair-
zak ; au plus larron la bourfe , den
grootjie dief zyn beurs vertrouwen ,
^ de Wolf tot een* Schaap-berder maaken-,
ifpr. w.) aller à la bourfe , ter beur-
Je gaan.
Bourfeau,(m) Loodgieters klopper»
J^ïurfette , ( f ) Beursje (n).
Bourfier , iere (m. & f.) BeurfetJ-
^aaker- maakjïer; Slïidl^t die op
esn beurs ftadeerd.
BOU.
Bourfiiler, (V. n.) Geld te zamea
uitleggen om te verteeren.
Bourfon, (m) Klein beursje in da
broek-band (n).
Bourfüufler, (v. n.) Opblaazen ; z-
voir ie vifage bouffouflé , bet aan-'
gezigt opgeblaazen hebben.
Boiife , ( f) Koe-ü'rek.
BoufiUage , (m) Leem-metzeling (f).
BoufiUer, (v. a. & n.) Knoeijen,
brodden -, met leem , flyk , of koe-drek
metzelen.
Boufilleur , (m) Mrodder j leem-
metzelaar.
Boufin , (m) Klomp aarde die aan
hard-Jleen vajï is.
Bouflbie, (f) Zee-kompas (n),
Jlreek-wyzer (m).
Bout, (m) Ead, einde, tipje (n);
tepel (m)j bouc de chandelle, een
endje ka er s ; un petit bout d' hom--
me , eni klein menfchje ; en venir à
bouc , ten einde brengen , uitvoeren',
m^ patience eft à bout, myn geduld
is ten einde; k tout bout de champ,
alle oogenblikken ; au bout de l'an-
née , ten einde des jaars -, bout du
nez, tip van de neus; favoir quel-
que chofe au bout du doigt , iets op
zyn duimtje hebben; bout de ver-
gue , nok van de ree; bout de lof j
loef houwer; bout dehors, tfƒ« «/>-
Jleeker , oplang; (fcheeps w.) être au
bent de fon latin , niet meer wee'
ten wat men aanvangen zal ; un bout
de corde , een endje touw y le haut
bout, het hooger end, de hooger band;
tirer quelcun à haut portant,
iemand met de tromp op de borjl neér
fcbieten ; au bout da compte , by
flot van reekening; Ce mettre fur lé
bon bout , zig wakker opfchikkeny
bout à bout, punt tegen punt.
Boutade , (f) Il lui prend fou-
vent des boutades, Ay krygt femtyds
nukken , kuuren invallen»
Boutant , (adj.) {Zie Arc-boutant), <
Boutargue , ( f ) Soort van kaviard,.
Boute , ( f) fVater- of fcheeps-balie.
Bouté, ée (adj.) Cheval bouté,
Paerd dat regte fcbenkels heeft.
. Boutée , ( f) Een fcboor,]lut.
Boate-entrain , (m) Zekere grof
ne Spegt met ten zwarf flfkje op bef
fioo/d^
BOU.
hiofJf die andere opwakkerd ;{ figuurl,)
een vrolyken baas.
Boute-feu , (ra) Een brandjlichter ;
ijig') een ötookebrand , roervitik , twijl-
maaker ; een bus-fchieter ; een lont-Jink.
Boute-hors , (ra) Goede uitjpraaky
{oud w.)
Boute-hors , (m) Gyk yfpieryfpaak,
(zee w.)
Bouteille , ( f) Een fiefch , of fles ;
blaas op bet watef, ai mer la bou-
teille, veel van de flefcb baadt n.
Bouteillier, (m) Schenker des Ko-
iitngs , Keldermeejïer , Bottelier op
een f chip.
Boaier, fe bouter, (v. r.) Zig
mérzetten {oud w.) ; Bouter (v. a.) ua
Cuir , V V leef eb van de huidaffchaaven.
BouteroUe, (f) Beflag onder aan
eenfcheede (n).
Boutes ) (f) Ballen , tobben,
{fcheeps w.)
Boute felle , (m") Het geblaas te
paerd (n) ; fonner ie boute felle, te
paerd blaazen om op te zitten.
Boate-tout-cuire, (m^ Doorbren-
ger., verkwijler, {gem. av.)
Bouteux , {m) Net om garnaalen
te vangen (n).
Boutique , ( f) Een winkel j lever
boutique, een winkel opzetten', gar-
çon , fille de boutique ,winkel-knegt-
of dogter i faire de fon corps une
boutique d'apothicaire , van zyn
lichaam een' apotheek maaken; faire
de fa tête une boutique de grec 6c
de latin , niets dan griekfcb en latyn
leer en; boutique à j^oiffon^vifch'kaar.
Boutiquier, (m) Een winkelier.
Boutis , ( m ) Plaats daar het
zwarte wild wroet.
Boutoir i (m) Mes om de hoeven
der paerden af te fieeken (n) ; bou-
toir d'un fanglier , de fnuit van
een wild zwyn.
Bouton, (m) Een knoop', boom'
of plant-knop ; puifi die in het aange-
zigt komt i bouton de mire , een
mik-knop.
Boutonner , (v. a. fic n.) ïoi'itnoojp/'»;
ineppen fcbieten j met puijien uitjlaan.
Boutonnerie, {f) Knoopmaaiery.
Boutonnier , (m) Een Knoopmaaker.
Soutgnnieres (f) Sivgo^at (n).
BOU BOY. BOZ. BRA. Z7
Boucure, { f ^ btjpruitze/ , fpruis
van een boom; wynjleen-water , door
de Zilver-fmtts gebezigd om het Ztl-
ver wit te kooken (n).
Bouvart , (m) Jonge Stier,
Bouverie , ( f, OJen-fial.
Bouvet, (m) Een ploeg- fchaaf { f)^
{by Timmert.)
Bouvier? (m) OJJetjdryver , OJfen-
hoeder j een der Hem els- te kenen j quel
bouvier eft cela? wat plompen a
dat?
BouviUon, (m) Jonge Os.
Boyar , (m) Boy ar { eertytel den
grooten aan 't Mofcovifcb Hof gegeven).
hioyau , (m) Een darm ', fpeel~fn aar ;
affnydmgen , loop-graaven Jïangs~wy^
ze gemaakt {m krygsk.).
Boyautier, {ta) Een Snaar^maa*
ker.
Boye , ( f) Een boey , ton of an-
der teeken tn zee, {fcheeps w.)
Boy ér , (m) Boeijer { zeker Vaar-
tuig).
Bozel , (m) Ring om de voet van
een Pylaar.
Bracelet 9 (m) j4mi-band , arm^
cieraad.
Brac her, (v.n.) Uit al zyn magt
fchreeuwen.
Brac het, (m) Een brak j {zekere
Jacht- bond).
Brachial, (adj.) Muscle brachial,
arm-fpier {in Ontleedk.). "
Brachio , (m) Jong van een Beer ,
(n).
Brachmanes , (m. pi.) Indifckê
Wysgeeren.
Braconner, (v. n.) Op verbodene
velden jaagen.
Braconnier , {m)Jaager daar van,
Brague, (f) Broeking , vaftforring
van een fcheeps affuit.
Braie, (f) Scbeeps preefenmng{vaa
beteerd zeildoek , enz.)
Braier. {Zie Brayer).
Braillard, arde (adj.) Schreeuwer;
Scbreeuwjler , {gem. w.)
Brailler > (v, n.) Schreeuwen ^buU
ken.
Braillenr , eufe (adj.) Schreeuwer^
Schreeuwjier,
Braire, (v. n.) Balken ^ fcbreeu-
wen {war4 yan ËZfh £Mf^<^i 0/^ ^y
F 4 Imr.
88 BRA.
hun natmrlyk geluid voor thren gen).
Braife, (f) G/oeijende kool (m).
Bramer , (v. n.) Schreeuwen als
een hert (zie Réer).
Erarnin , (nji Een Indifche Pn'ejltr.
Bran ou bren , (m) I^rek (m) ;
uitwerp/el van een menfcb {n: ; groo-
ve zemel; bran de vous, ik heb den
brui van U.
Brancard , (m) Een rQS'haar,draag-
Jlcel ^ draag~bed.
Brancardier? (in) Een die dezelve
draagt. i
Branchage, (m) Tak-iverk , rys-
werk (n), telgen, kleine takjes.
Branche, (f) Tak im)j iets dat
ergens uit voortkomt ; branche de
veine, tak van een ader; branche
de généalogie , gejlacht-linie j bran-
che de cifeau , blad van een fchaar ;
branche urfine , ou acanthe , bee-
ren-klaauw.
Brancher, (v^.& n.) y^an een boom
Ophayjgen ; zig op een tak zetten.
Branchier, (tn) Jonge Roofvogel.
Branchies, (f. pj.) l^ifch-k/euiven
(in Geneesk.)
Branchu , ue fadj.) Getakt; un
arbre fort branchu, een digt getak-
te boom.
Brand , (m) Een Jlag-zwaerd (n).
Brandes, (f. pi.) Dorre , afgevalle-
ne takken ofboomen\een kreupel bofch.
làïa.nàebo\xr g ,{my Regen-rok f reis-
rok.
Brahderie , (f) Plaats alwaar
Jierke dranken gefiookt worden , Bran-
dery.
Bran de vin , (m) Brandewyn , (be-
ier Eau-de-vie}.
Brandillement , (m) Slingering (f),
Brandiller > (v. a.) ölir.geren,
Jcbongelen.
Brandilloire , (f) Schongel, wip
(ra)'
Brandir , (v. a.) Een geweer zwaai-
jew.
Branden , (m) Een flroo-fakkel ;
Proo-wifch ; gloeijende bouten die in
een brand opvliegen.
Brandonner,(v.a.)/É'«w^f arrefl
beleggen ; te koop jïellen.
Branlant, ante (adj.) Schuddende. |
Branie, (m) Mettre en branie , i
<M ieweeging , aan de gang belpen -,
BRA.
donner Ie branltaune affaire i,eene
zaak aandryven , voortzetten ; bran-
ie , etn hang-mat voor 't Scheeps-volk.
' Branie , (m) Een ronde dans.
Branlé , ée (adj.) Gefchud.
Branlement , (m) Schudding , wag-
geling ( f).
Eranier ,(v. a. & n.) Schudden ^flin-
geren , wapperen ; branler Ia mac foi-
re, met de kaaken-beenen fchermeh;
dent qui branie, tand die losjlaat',
les ennemis commencent à bran-
ler , de vyanden beginnen te wyken ;
branler au md.nchi: ^wankelen. (fpr.)
Branloire , ( f ) Klein keetentje
waar mede men den blaasbalk van een
Smids trekt (n).
Braque , (m) Een brak (zekere Jcgt^
hond).
Braquemart , (m) Een kort en breed
zwaard, nu met meer gebruikt (n).
Eraqueraent, (m) Gefchut fïelltng ;
wenaing van een wageti (f).
Eraquer, (v. a.) 't Gefchut JleU
len ; een wagen wenden.
Bras , (ra) Een arm ; à tour de
bras, uit al zyn macht ; il n'a pour
vivre que fes bras, hy bejlaat alleen
van zyn handwerk ; à pifcin bras,
by de vadtm ; fe jatter entre les
bras de queicun , zig in iemands ar-
men werpen ; c'eiî f on bras droit ,
Jat is zyn Jieunzel', ■prêter fon bras
à quelcHn, iemand de hand leen'en ',
demeurer les bras croifez, met de
handen over malkanderen blyven zit"
ten; livrer queicun au bras lécu-
lier , iemand aan den waereldlyken
Rechter overgeven ;hras de fauteuil,
leuning van een arm-floel.
Braler, (v. a.) Tzer aan malkan-
der zweeten , fmeeden,
Brafier , (m) Gloed ;gloeijende kool ,
vuur- pot (m) , komfoort (n) ; item
eene liefde-vlam»
Bralilier, (v. a. & n.) Over de
kooien braaden , rooflen.
Braflage , (m) Munt-geld, munt-
loon van het munten van geld (n).
Braflard , (m) ^^rm - ivapen (n) j
arm plaat ( f) van een oorlogs-held.
Brafle , (f) Inadem, vaam.
Bralfée , ( f) Een arm vol, zoo veel
men met ësn arm omvatten kan.
Bras-
BRA. BRE.
BraflTelet. {Zie Brac elet).
Brafler, (v. a ) h rouwen, onder
een metti^en j quaad Jïigten ; ce co-
quin a braffé cela concre lui , die
gui f heeft dat tegen hem gbrouwd;
braffer le^ vtrgues, de reen langs
fchi'pp brajferj) (zee w.)
B ^iirerie, (f) Brouwery.
Brafleur, eufe (m. & f.) Brou-
wer , Örouivjier.
Braffieres, (f. pi.) l^rouwen- of kin-
der-borjîroii (m).
Bi-alTin ,(m)Lirouiv-kuip , (f) brouw-
ketel (m); brouwfel (n).
BraiToir, {rü)Roer-jïok in de munt.
Bravache , (m) Snorker , fnoe'ver ,
opfnyder , zivetzer.
Bravade , ( f ) Trotsheid , gezivets ,
Dpgeblaazenheid.
Brave , (adj.) Deugdzaam ; dapper,
manhaftig , ontvertzaagd ; c'eft un
brave jdat is een onverfchrokken man ',
les braves cherchent à acquérir la*
gloire , de dapperen zoeken roem te
behaalen ; il fait le brave , hy fnyd
wakker op ; c'eft un brave homme ,
dat is een eerlyk man.
Bravé, ée (adj.) Getrotzeerd.
Bravement, (adv.) Kloekmoedig-
lyk, deftiglyk.
Braver, (v. a.) Trotzt^ren ,pogchen ,
opfnyden ; braver les dangers , cte
gevaar en trot zeeren.
Braverie, ( f ) Pracht , Jlaatzîe.
Bravoure , ( f ) Dapperheid , man-
haftigheid , onvertzaagdheid , iedele
roem , vermetelheid.
Bray ou bré , (ra) Teer, harpuis,
Brayer , (v, a) Een fchip met
harpuis of teer bejmeeren,
Brayer , (m) Breuk-band.
Brayetre , ( f) Klep ( f) , gulpje (n)
van e ene broek ; voorbroek.
Bray on, (m) JVryf-ihen^ flamper.
Bréant , (m) Een groene vlas-vtnk.
Brebiage , (m) Schatting die men
op de Schaapen legd ( f).
Brebis, (f) Een Schaap (n); la
brebis bêle , het Schaap blaet j un
troupeau de brebis , een kudde
Séhaapen; qui fe fait brebis le loup
le niange , al te goed is zyn buurmans
gek', faire un repas de brebis, een
muizen maaltyd doen > eetm zqnder
BRE. 29
drinken ; une brebiç galeofe gàtê
tout le troupeau y een Ichurfi Schaap
bederft 'er veele , {dat is) kwaad ge-
zeljchap moet me» altoos myden.
Brèche, {ï) Een bres, opening ■»
breuk in een muur , ofwal,fchaardein
een mes ( f)-, nadeel (n) ; il a fait une
grande brèche à fa réputation j/>y
heeft zyn eer en aanzien zeer verkleind ;
faire grande brèche aux proviflons j
den voorraad raerkelyk verminderen.
Breche-denc, (m) Iemand die een
oj meer der voorjie tanden quyt is.
Biechet , (mj Een Schaapen borfl-
fluk Î . orjl-been (in Ontleedk.).
Biécius OU crocs de palafij (mt
pi.) Talie haaken, {fcheeps w.)
Brtdtndin , (m) Siag-garnaat ,
{zee u.)
Bredouille, ( f) Gagner la \iTZ-'
doa'üle, dubbeld IV innen ; être en bre-
douille , verbyjierd, bedwelmd zyn.
Bredouiilemenc , (m) Hakkeling f
JÎ amer mg {£).
Bredouiller , (v. n,) Hakkelen ,
fa mer en..
Bredouilleur, eufe (m.&f.)flaJ^-
kelaar , Hakkelaarfier.
Bref, breve, {&Û].) Kort , beknopt.
Bref , (adv.) Kort om y en bref,
in korten, wel haaji.
Bref , (m) Paujfelyk brevet , of brief
(m); kort begrip van den roomftbe»
Godsdienji (n).
Brehaigne , (adj.) Biche brehai-
gne , onvruchtbaare Hinde.
Brelan, (m) Een Kaart-fpel me»
drie kaarten.
Brelandcr ,(v. n.)In dqbbel-offpeel-.
fchoolen geJJadig verkeeren.
Brelanaier , .(m^ Een tuijfcber^
dobbelaar , fpeelder.
Brélandi ier , iere (m. & QKoop-
en Ambachts-mcin die geen winkel
heeft ; marsdrauger.
Brelique - breloque , (adv.) Otf»
agtzaam , niet heel vaauw ziende ,
Breloque, (f) Prul, vodde.
Breme , ( f) Braajfem , (vifch').
Eren. (^;> Bran).
Bréneux, eufe (adj.) Bedrekf, be-
vuild.
Brequin , (m) Een boor, {Zie Vi-
lebrequin),
P 5 Brc^
po BRE. BRL
BreCl , (tn) Bois de brefil , brazh
lie- of r 00 J-bout (n).
' Brefiller, (v. a.) Met brazilie'hout
verwen.
Brefillet, (m) Soort van braziUe-
bout ( f ),
Breffin, (m) Palan, ou Gumde-
relTe , taaUe , takel-gyn , om jcheep
iets mee cp te hyjfen.
Bretailler, (v. n.) Om een haver
iaf va» leer , den degen trekken.
Bretaiileur , (m) Ken Snoever-,
Windmaaker , Voorvegter.
Brecauder, (v- a.> Een Paerd kort
oor en.
Bretelles, {£. pi.) Ledere band ^
draagzeel ; band om de broek op te
houden, {een galg genaamd).
Brette, (f) A>« lange degen (m).
Bretteler oa bretcer , (v.a.) Een
tauur af bikken , gelyk maaken.
Bretteur , (m) Een f^oorvegter ,
fen die een lange degen draagd.
Brevet, (m) Gunji-brief des Ko-
rnngs , Schrift ; A£le van aanjielling;
ieer-brtef.
Brévetaire, {m)Een dooreenBre-
vet aange/Jelde, of benoemde.
Bréviaire, (m) Een RoomfchKerk-
tfGety-boiek (n); dire Ton bréHai-
re , zyne getyden , dagelykfche gebe-
den Ie e zen.
Bréviateur, (m) Pauffelyke bullen-
fcbryver.
Breoil , (m) Een omheind bofcb,
dtergaarden.
Breailler, ou brouiller (v.a.)Ies
voiles , de zeilen reeven , opbinden.
Breuilles » (f. pi.) Het ingeivand
van een Haring.
Breuils , (m. pi.) Reef -banden,
{Scheept w.)
Breuvage « C"^) Drank.
Bribe , ( f) Een Jluk brood (n) ,
overgefchooten brok (ra).
Bricole , ( f) Ledere draag-band
(m) 9 j^agt-net (n)j draai , bogt van
een bal (m) ; Paerden-tuig (n)) c'eft
ane bricole,d^ is eene beuzelagttgt
merfcbooning.
Bricoler, (v. n.) Weerom fluiten y
U rug fpringen; uitvlugten maaken.
Bricoteau, {m)Tree van een weef-
getouw.
• Bride, (f) Een torn (m)i li^
( BRf.
cher Ia bride à un Cheval ^ n»
Paerd den toom vieren ; retenir la
bride à un Cheval , een Paerd kort
aan den toom houden -y lâcher la bri-
de à quelcun , iemand den vryen
teugel vieren ; lâcher la bride à
fes paGlons, ztg door zyne harts-toch-
ten laaten vervoeren; aller bride en
main dans une affaire, heel omzig-
tig in eene zaak te werk gaan', bri-
de de béguin , een keele-band; brides
à veau , fpreukjes voor eenvoudigen.
Bridé , ée (adj.) Getoomd, gebrei-
deld; la becafle eil bridée, c?^ vogei
ts in de knip, (fpr. w.).
Brider, (v. a.) Toornen ; betoomen ,
breidelen', brider 1'a.ncre , het anker
bekleeden om niet te diep te zakken.
Bridoir, (m) Kin-doek , km-band,
Bridon, (:n) Ltcbte toom.
Brief, brieve , (adj.) Kort, {ztê
Bref).
Brièvement, (adv.) Kortelyk ymet
weinig woorden.
Brièveté, (f) Kortheid.
Brifer , (v. a.) (gem, w.) Vreeten ,
gulzig e et en.
Brifeur, enfe (m. & f.) Vraat y
gulzigaard.
Brigade, (f) Een hoop Ruitery',of.
Voet-volk (ca) ; fchaare , meenigte(i)',
gezelfchap^ (n).
Brigadier, ( m ) Bevel -hebber ;
Brigadier.
Brigand , (ra) Struik-roover,
Brigandage, (m) Rooverye, dieve-
rye (f).
Brigander, (v. n.) Struik-rooven ^
plunderen.
Brigantin , (m) Een berkentyn-fcbip
(n).
Brignole , ( f) Zekere pruim ko-
mende van Brignolen.
Brigue, (f) Kuipery y na-jaaging
(f); la brigue étoit forte , de kui-
pery wasflerk.
Briguer, (v. a.) Kuipen; briguer
une charge , een ampt bekuipen.
Brigueur, (ra) Kuiper ,ampt-kuiper*
Brillant, ante (adj.) Gltnjïerend,
flonkerend, vlug, levendtg-, vrolyk ,
lujiig.
Brillant, (m) Luîfier y glans -, le»
vt9tHgb9i4 i vhtgheid {t)% " ^ .,
BRI.
Brillantcr, (v. sl.) Blinkend y glin-
fierend maaken.
.. Briller, (v. n.) Blinken, gUnJîe-
ren i levendig van aard zyn-, ceft
un efprit qui brille , dat is een
vlugge geejî.
Brimbale , (f) Gek-Jîok rjan de
pomp (m).
Brimbaler , (v. a.) De klokken lui-
den , alarm maaken.
Brimborion, (m) Vodderye , beu-
zel ing (f).
Brin , (m) Een grasje , ziertje ,
/piertje (n) ; brin à brin , van Jiukje
tQt beetje,
Brinde y (f) Kleine Merrie.
Brind'eftoc , (m) Pots , fpring-fiok
em over de Jloaten te fpringen.
Brindes, ^f. pi.) Faire des brin-
des, malkander en toe drinken, {oud vu.)
Brioche , ( f) Zeker gebak van Pa-
rys (n).
• Brioine, ( f) Een foort van wilde
wyngaard (m).
Brion , (m) Het bovenjïe Jiuk van
een S chips voor (leven (n).
. Brique , ( f ) Gebakken-JJeen, klin-
ker , mop-Jieen, tichel-jieen (m).
Briquet , (m) Tzer bejlag , als aan
tafels enz.(n).
Briquetage y (m) Nagemaakt te-
getwerk (n).
. Briqueter , (v. n.) Met tichel-
jieen beleggen î iets ticbel-wyze maa-
ken f nabootzen.
Briqueterie , (f) Steen-hakkerye
(f), i> teen-oven (ra).
Briquecier , (m) Steen-bakker.
Bris, (m) Breuk (m)î Jioating ,
bryzeling van een Schip, verbree-
king van iets , als van een zegel , ge-
'jangenbuhs , enz. (f).
Brifans, (f. pi.) Blinde klippen',
brandingen der zee.
Brife, (f) Avond wind y pajfaat
wind-, fchutbord aan eenjluis (m).
Brifé, ée {d^d'].) Verbryzeld; ge-
vouwen', porte brifée , een vouw-
deur-, un cœur brifé,*«ï verjlaagen
hart.
Brire-cou , (m) Een Jlegte tree op
een trap (m) , ongemakkelyk trapje
(n), (gem. w.)
^fifées, (f. fl.) Met takken ^e^
BRI. BRO. 9ï
Jiraoide wegen ; aller fur les brilèes
de quelcun , het voet-fpoor van ie-
mand volgen ■, hem cfn'ermyren.
Brifement, (m) < erbryzeling (f).
Brifer, v. a. C* n.; lerbryzelen* .
breeken; ils ont brifé enfemble, zy
zyn onvrienaen gewerden; brifona* Ja-.
deffas , laat ons niet meer daar
van fprecken; unt va Ja cruche à
l'eau qu'à la fin elle fe briié , de
kruik gaat zoo lang te wcter tot dat
zyberji.
Brife-vent , (m) Wind-fcherm van
riet in tuinen (nj.
Brifeur, (m) ^erbryzelaar-, bri-
feur d'iœages, beeld-Jiormer. .
Brifis, (m) Een platte gebroken
gevel.
Brifoir, (m) Een braak voor vlas
of hennip,
Brifure, (f) Balk of keep m een
wapen y {in l^'dpenk.)
Broc , (m) Een but , groote wyu-
kan , flap; manger quelque choft
de broc èn bouche , iets van hef
fpit in den mond Jï e eken y eet en zoa
ras het gaar is.
Brocanter, (v. n.) In rariteiten
handelen , ruilebuiten.
Brocanteur, (m) Rariteit - kraa-
mer, verruilder.
Brocard , (m) Een fpot- offchimp-re'
den f een Ji eek (n).
Brocarder, {v.ü.)Befchimpen, met
woorden Jieeken.
Brocardeur , eufe (tn. & f.) Be-
fchimper ; befchimpfler.
Brocart , (m) Coude of zilvere ge-
weeven Jloffe (f).
Brocatelle , ( f ) Stoffe waar van
hebangzels maakt.
Broccoli, (üï) Spruiten van oudi
koolflronken.
Broche , ( f) Een braad-fpit ifpylt-
je,/iokje om kaarjfen y haaringen enz,
aan te hangen ; tapje , zwikje in een
wyn-vat (n)^ fptl van een fpinne-
wiel ; fchoenmaakers bros ; rans aan
een druk-pers ; brey-naald (m) ; œeCr.
tre à la broche, aan het fptt Jlee-»
ken ; tourner la broche , bet fpit
draaijen; mettre une futaille ea
broche , een vat ontjieeken.
Broché, ée (adjO Gàreid, enz^
^2 BRO.
Brochée, (£) Een f pi f vol ge-
braad; een fpyl vol kaarjen.
Brocher, (v. a.) Bretjen; een na-
ftel in de hoef van een Pcierdjlaan ; de
polleveijen der fcboenen vajl pinnen j
verhieven werk op een Jl off e maaken ;
in der haajl iets afroffelen; brocher
un livre, een boek innaaien.
Brochév, (f. pi.) De Jlag-tanden
van een zviU Zuyn', de hoornen van
9 en Rbe e-bok.
Brochet, (m) Een Snoek (vifch).
Brocheton, (m) Een kleine Snoek.
Brochette, (f) Een houte fpectje
(n).
Brocheur, eufe (ra. & f.) Brei-
jer , breijier,
Brochoir , (m) Haef-fmits kUnk-
hamer.
Brochure , ( f) Ingenaaid boek ,
klein boekje' {n).
BiOje,(adj.) Bruin, zwartagtig
van vel.
Brodé, ée (adj.) Geborduurd j ge-
Jiikt.
Brodequin , (ra) Een broosje , half
laarsje, oud fchoeizel der toneelfpee-
leren(n); ttem been-yzer ter pyntging.
Broder, (v. a.) Borduuren , fit k-
ken-, breder un chapeau , een hoed
emboordm; broder du point , kant
tnet ople^-iverk vercteren ; broder
OU embellir un recic, een verbaal
wet veel omjlandigheden verderen.
Broderie, (f) Borduur -iverk ;
bloemperk {'r\);opfchikking eener reden.
Brodeur , eufe (m. & f.) Borduur-
der \ borduurjier ; autant pour le
brodeur, het verhaal is wakker op-
gec ierd.
Brodoir , (m) Hoedemaakers zyde-
Uos. , ^
B-oie , ( f) Een hennip-braak.
Broiement, (m) U^ryving der ver-
wen , enz.
Bronchade, (f) Mtstred t valfibe
fiap (nr,).
Bronchement,(m) Sruikeling (f).
Broncher , (v. n.) Struikelen; il
■n'efl: fi bon cheval qui ne bron-
che , hst bejîe paerd Jîruïkeld wel
eem , (fpr. w.)
Bronze, ;m) Metaal; zeker koper
9iet andere berg-jiofen vermengd {n)^
BRO.
cœar de bronze , jleene hart; Jet-
ter une ftatue en bronze , een me-
taaie beeld gieten.
Bronzé, ée (adj.) Verkoperd ; cnlx
hronzé , kamoes-leer.
Bronzer, (v. n.) Mef mef aal-verf
overjiryken.
Broquart, (m) Een jong Hert.
Broque, {() Spruit van oude kool-
flronken.
Broquettes , (f. pL) Kleine nagelt'
jes met ronde koppen,
Broflailles ou brouffaîlles ,(f.pl.)
Doornen, Jirui ken , haagen.
Broffe , ( f) Een borjlel , kleêr~bor-
Jiel, kzvajl (m).
Br offer , (v. a.) Afborjlelen ; door
beggen en Jiruiken loopen ; br offer
les lettres , de vormen afwajfchin
(by Drukkers).
Broffier , (ra) Borfiel-maaker.
Brou , (m) Spruitje , lootje , dat in
't voorjaar uit de hoornen komt (n) i
fchil van groene nooten , boljïer.
Brouaiiles, (f. pi.) I>jgewand van
vifch , enz.Jn)'
Brouéé, (f) Mijl, nevel, fiofre^
gen (m).
Brouet , (ra) Soppe , d'ie men gewoon
was aan de bruid te geven; ce fut
un maigre brouet , dat was eene
magere foppe.
Brouette, (f) Krui-waagen ; me-
ner la brouette , met de krui-waa-
gen ryden, loocen.
Brouetter, (v. a.) Kruijen.
Brouetteur ou brouettier, (ra)
Een Kruijer.
Brouhaha, (ra) Gefchreeuw; hand-
geklap in een bly-fpel (n) (gem. w.)
Broui , e, m ) Blaaspyp van een
emailleerder ( f). ^
Broui ie (adj.) Verzengd.
Brouillamini , (m) Mengelmoes (n) ;
verwar dp reden.
Brouillard , (m) Mifl , nevel; Koop'
mans klad-blopk; papier brouillard j
klad- of zuig-papier.
Brouille, (f) (Xie Brouillerie).
Brouillé, ée (adj.) Ofjder een ge^
mengd.
Brouilleraent , (ra) Brouillemenc
des couleurs , mengeling der klew
ren»
Srouil-
BRO. BRU.
Brouiller , (v. a.) /^ < rmengpn > ver-
njvarren; tweeAragt wrwekken -, ils
foUL brouilltz, zy zyn oneentg ge-
ivorderi; brouille; la cervelle , de
herflenen verwarren ; brouiller du
papier, f.afier bek/aMen; fe brouil-
ler, (v. r.) met iemand vriendfchap
brei'ken.
Brouillerie , (f) IWwarring ;
tweedragt, onluji ^ onrujl (£),
Brouillon, (m) Klad-papier daar
men iets ter hops op fcbrypy Koop-
mans klad-boek (n). ,
Brouillon, onne (m, &f.) Twijl-
Jïooker , Jloóke brand, wargeejl ; f wijl-
Jiookjïer. <
Brouir, (v. a.) Verbranden , ver -
Zengen , {van kooren gezegd).
BrouJlTiire, (f) y'erbranding van
de bïopjfem en bladeren der boomen.
Er> uflïn , (rn) ^wam van een majl-
boom ( f).
Broutant, ante (adj.) Bêcesbrou-
tantes, loof-eetende dieren.
Brouter, (v. a.) De toppen van 't
gras , de kleine takjes af-eeten^ af'
knabbelen , (gelyk de Geiten) de takken
korten (by Boven.).
Broucilles, (f. pi.) Dunne takken,
daar men takke-bojfen van maakt.
Brouts , (va. pi.) Spruitjts der boo-
men die de dieren af knabbelen.
Broyé, ée (aaj.) GemaaÏen, ge^
Jiampd.
Broyement , {beter Broiement)
(mj , Het maaien of wryven van ver-
wen of kleuren (n).
' Broyer , (v. a.) Maaien j wryven ,
Jiampen.
Broyeur , (m) Een wryver.
Broyon , (na^ Een wryfjleen , {by
Schild.). '
Bru , (f) Schoon 'dogter , {zoons
vrouw) .
Bruart, {m) Een groene Vlas-vink.
Brugnon , (ra) Zekere rood-veriit-
ge p(rfik{{), ^
Bruine , (.f) Mot-regen , Jiof-re-
gen (m).
Bruiner, (v. imperf.) Mot-rege-
tien , motten.
Bruire, (v. n.) Tieren, raazen ,
IruiJJ'chen.
BruilTement; (m) Raazing , bnm-
fcbwiif).
BRü. 95
Bruit , (m) Gei aas .geruifch ,getier
(n)j plus cie bruit que de beiogne,
veel gerucht s en wtinig wol ; fon
nom t'ait grand bruit dans ie mon-
de , zyn naam maakt een groot ge-
rucht in ue uatreld ; l\s exploit»
auront un bruit toujours durable,
zyne idaaden zullen eeuwiglyk ver-
maard zyn; faire courir un bruit,
een gerucht uitjîrooijen ; avoir da
bruit avec quelcun , met iemand
twij} hebben; à petit bruit, zacht-^
jes , Jîtlletjes.
Brûlant, ante (adj.) Brandende,
heet ; brûlant de zèle , van yver
blaakmde.
Brûlé, ée (adj.) Verbrand, ge-
brand.
Brûlé , (m) Aangebrand , gefmeuld;
omelette qui içnz le brûlé , firuif
die aangebrand is , of als zoodanig
riekt.
Brulement, (m) Brand -Jlicht ing ^
branding.
Brûler, (v. a.) Branden, verbran-
den.
Brûler, (v. n.) Verbranden, door
vuur verteerd worden j brûler de
quelque pafllon, van eenige drift
blaaken', il brûle d'envie de fe
venger , hy brand van verlangen om,
zig te wreeken; je brûle d'amour
pour elle , ik blaak van liefde toP
haar-, fa chandelle brûle par les
deux bouts , zyn kaars brand aan
twee kanten , {dat is) de man verteerd
zyn geld buitens, en de vrouw binnens
buts.
Brûleur, (m) Brand-Jïichter.
Brûlot, (m) Een brander, {fchip
waar mede andere in brand gejïooken
worden), werp-toorts ; j'ai avalé un
brûlot & j'en ai la gorge toute en
feu , tk heb een brand -brok {iets dat
t.' Jïerk gezouten en grpeperd is) inge^
Jlokt, en heb 'er de gloed nog van
in de keel.
Erulure , { f) Brand, gehrandheid^
Brumal, aie (adj.) Dât 's winters^
of tn den winti-r komt.
Brume , (f) I^en zwaar e mif} of
nevel 'm) , een' dik betrokki ne hi-ht { f )-
dans la brume tout le mon ie eft
pilote , uityd van nogd is t^oy meefler^
Bru-
i4 BRU. BU. BU A.
Brun, (m) Hrnine kleur , een bruhi-
hairige; bai-brun, kajianje bruin.
Brun , une (adj-) Bruhi; couleur
brune , esve bruine kleur ; humeur
brune, eenztvaarmoe digeinborjl.
Brune , ( f ) Een bruinet , vroww-
menjch dat bruin hjir beeft i fur la
brane y in iiefchemf ring.
Brunelle, (f) Beer en-cor , {zeker
Vfonde-kruid).
Brunec, ecte (adj.) Bruinachtig.
Brunette, (f) Bruinetje, bruin-
meisje (n).
Bruni, ie (adj.) Gebruineerd.
Brunir, (v. a.) Bruineeren, gtad-
maaken.
Bruniflage , (ra) Bruineer-werk (n).
Brunifleur, eufe (adj.) Bruineer-
der f bruineerjier.
Bruniffoir , (m) Een bruineer-fteen
tfftaal.
Braniflure , ( f) Het bruineeren.
Brasque , (ad j.) Haafiig , oploopend ^
Jïuurs, bars, wuft , wtld.
Brasquerabille , (m) Zeker Kaart-
fpel.
Brusquement , (adv.) Barjfelyk ,
haafitglyk , opjluivend.
Brusquer , (v. a.) Bars bejegenen.
Brusquerie , ( f)Barsteid,Jiuurs-
heid.
Brut , ute (adj .) Onvernuftig , ruuw;
fcête brute , onvermifttg dier ; fucre
brut, ruwe zuiker-^ diamant brut,
Ongeflepene diamant.
Brutal 5 aie (adj.& f.) Beejïagtig; on-
hefcboft ; een onbeschoft kaerel o/vrouw-
menfcb.
Brutalement, (adv.) Onhefchoftelyk.
Bratalifer, (v. a.& n.) Onbefchoft
iijegenen , beejïagtig leven.
Brutalité , ( f) Onbefchoftbeid.
Brute, (f) Een onvernufttg dier;
lés brutes , het redenlooze vee (n).
Brutier , (m) Een Havik , (zekere
Roofvogel.
Bruyant, ante {&à.].) Geraas maa-
iend., tierend; voix ,mer bruyante ,
harde flem ; bruijfende zee.
Bruyère, (f) Eene Hei ^ Heide.
Bu , bue {z.'i].)Gedronken ; bezoopen.
Buanderie , ( f ) Een waf: h-huis (n).
Buandier , iere (m. & i.)JVaJfcher ,
tvafchjier, {beter Blanchiffetu: , eufe)
BÜB. BÜC. BüE. BUF. &e.
Bube , ( f) Klein gezwel jpuijije op
bet vel (n).
Buberon, (ra) Kinder-tuit -, tutti
tuit-kan (f).
Bubon, (ra) Gezwel aan de Liefck
(n),pej}.buil(£).
Eabonocele ,(m) Een foor t van
breuk aan defchaamdeeïen,
Buccinateur ,{m)Een die de trom-
pet , bazuin blaaft. {oud w.)
Buccine , ( f ) Een Bazuin [oud w.)
Bucentaure , (ra) JZ'eker l^ene-
tiaanfcb groot, galjoen fchip (n).
Bûche , ( f) Een groote dikke blok
brandhout (ra) ; kers-blok ,} een dom
onverfïandig menfch (n)} een Haring-
buis (f).
Bûcher, (m) Hout-zolder', een hoop
hou- } hout-Jïapel- of myt.
Bûcher, (v. à.) Hout hakken tot
br and-hout.
Bûcheron , (m) Hout-kapper-bak-
ker ; opjlapèlaar daar van.
Bûchette, (f) Een Idein droog
houtje (n) , af-jal.
Buée, (f) Deloog-wafch(xn),{oudw.)
Buffet , (m) Èen aanr echt-taf el ,
tafel waar op men glazen , vaaten ,
enz. zet (f); al het zilver-werk dat
op de tafel diend; kas waar in d2 or~
gel-pypen Jiaan y Buffet , (n).
Buffeter, (v. n.) Een wyn-vat on-
derweeg open boor en om daar uit te
kunnen drinktn. -
Buffeteur , (m) Een die de vaaten
weet op te Jïeeken om 'er uit te drin-
ken.
Bafïïe,(m)5«/>/ , wilde os; Uére kol-
der (ra) ; een onverfïandig menfch (n) ;
cacher un buffle fousfon pourpoint,
een zot zyn.
Bugle , ( f) Beeren-oor , {zeker won-
de-kruid).
Buglofe , (f) OJfe-tong, (zeker
kruid).
Bugrane ou bougrane , (f) Pra»g-
•wortel (m) ,Jlal-kruid (n).
Buhots, (ra. pi.) Geverfde ganzen-
veeren die de pluim-maakers op hun
vengfler zetten.
Bujre OU buie (f) Een groote zil-
vere*ofporcelyne pot of kruik (m).
Buis , (m) Palm ; palm-boom (m) ;
een palm-boomen Ukhout der Schoen-
maa-
BÜI. BUL. BÜP. BUR.
nmakers (n) ; peigne de buis, een
palm boute kam (f).
Buiflbn , (m) Doorn-hofcb (n) ; doorn-
haage (f); buiflbn ^xàçnt ^branden-
de braam-bofcb ', planter des arbres
en buiflbn , dwerg - boomen plan-
ten.
Buiflbnnet, (m) Klein bofcbje (n).
Buiflbnnier , iere (adj.) Faire
l 'école buiflbnniere yfpeeten hi plaats
van fchool gaan', een krampje loopen.
Biilbe, (f) Bloem-bol (m).
Bulbeux , eufe (adj.) Bolacbtig,
dat met een bol waji.
Bullaire , (m) I^erzameïtng van
Bullen , ofpaujfelyke brieven ( f).
Bulle, (f) Eene Bulle, Paujfelyke
brief (m); fulminer une buUe , een
Kerkelyke Wet uitblikzemen j bulle
{in deNatuurk.) Lucbt-bolletje in heet
waters
Ballé,ée (ad}.) Met de noodige ze-
gels voorzien.
Bulletin , (m) Ordre der Overigbeid
toP bet buisvejien der Krygsheden -,
keur-eedel , waar by men zyn fiem
geeft; item gezondheids-pas.
Buraliflie, (m) Commis, fcbryver
çp een 's Lands- comptoir.
Burat , (m) Grof- of py-laken {n).
Bure, (f) Py, {grove fioffe)
Bureau , (na) Sebryftafel{f) ; Comp-
toir (n) ; bureau des polies, poji-comp-
t9ir,poJÏ-buis j bureau d'addrefle , ie-
mand die alle nieuws weet ; prendre
l'air du bureau , navorfcben nu at gevoe-
lens de Rechters over eene zaak heb-
ben j Ie bureau n'eft point pour
lui, de Rechters zyn niet voor hem;
bureau des impôts, het impoji-comp-
toir; Paris efl Ie grand bureau des
merveilles, Parys is het groot comp-
toir der wonderheeden,
Burelé, ée (adj.) Met fmalledwars-
fe fïrerpen bezet (in Wapenk.).
Buret , {m)Een purper vifch, daar
de ouden purpere verwe van bereid-
den.
Burette , ( f) Wyn-kan voor 't u4U
taar (m)', olie-fiesje (n).
Burettier, (m) Mis-dienaar.
Burgau , (m) Meer-Jlak { f).
Burgrave , (m) Burg^graaf.
Bnrin , (mj Graveer-yzer {n).
BüR. BÜS. BUT. 95
Buriner , (v. a.) Graveeren , fny^
den, uitjleeken.
Burlesque , (ad j.& f.) Boertig }fpot~
achttg j klugtige fchryf-Jlyl.
Burlesquement, (adv.) Boertiglyi.
fnaakeriglyk.
Burfal , aie (adj) Edit burfal,
geld-placcaat.
Bufc, (m) Plansjet in een ryg-lyf
(n).
Bufe , (m) Een Havik , {zekere Roof^
vogel); een gek , botmuil , Jïeiloor.
Büsquer , (v. a.) Busquer fortu-
ne , zyn geluk zoeken.
Basquiere . ( f) Schuif; item borfi^
aan een ryg-tyf.
Bufte , (m) Borjï^beeld (n).
Buftuaire , (mj Kampvechter by de
Romeinen.
But, (m) Oogmerk y oogwit y doel-
wit (n); arriver à fon but, zyn
oogmerk bereiken; frapper Ie bVit^ bet
doel treffen; de but en blanc , lojfe-
lyk , onbedagtelyk y zonder overleTi
jouer but à but , kamp op fpeelen.
Butage, (m) DienJÏ die eenenBoer
zynen Beer verfcbuldigd is.
Bute , ( f) Tzer om een Poerde^
hoef mede uit te fieeken (n).
Buté, ée (adj.) f^oargenoomen, ge^
mikt , gedoeld. *
Buteau , (m) Een onbeleefd menfcb»
Buter, (V. nO Mikken, doelen,
ergens op oogen.
Butiere ou buttiere, (adj.) ^f-
ker roer om mee naar de Vosel te
fchieten (n). ^
Butin, (m) Buit, roof die men op
den vyand haald. ^
Butiner, {v.z.)Buit maaken .roo-
ven , plunderen.
Butor, (m) Roerdomp ,putoor.(zf^
kere vogel). ^
Butor, orde (m. & f.) Een dom^
onbefchoft menfch {n). *
Butce, (f) Een opffeworpen beu.
^f f daar de fihutters flaan ; het
doel derfchutters {n); être en batte
a ren vie, de nyd ten doel zyn.
doel ; { figuur i.) na iets flreeven ; f»
butter , (V. r.) zig bepaalen.
Butyreux, eufp (adj.) Zaanlgy
roomtg, \ V j / 5>
Btt-
BUT.BUV.BUZ.C.&c.
Buvabi-e, (adj.) Drmkbaar.
Bu van de , ( f ) Zap dat men uit den
àroejfem der druiven haald (n).
Buveau , ( m ) îVinkel-baak , ( in
Bouwk.)
Buvetier , (m) JVaard van de drink-
plaats der Raadiheeren van 't Parle-
Biwette, (f) Drink- of ververfch-
plaats mor de Raadsheeren van 't
Buveur, fm) Drinker . zmper , zwei-
oer , likkebroér , nat-hals.
Buvotter, (v. n.) Met kleine teug-
jes drinken
Buze , (t") Pyp van een b laas-balk.
*:}:***-+***H=***îl-Hî*;!:***:M«-t**^--*îi^H:
C(m) C.(f) 3^^^ Letter van*t A,
' B j C , wordende voor a , o , en
U (in de franjche taal) uitgefprooken ,
els k [by voorb,) cabarec, colonne,
cuve j maar voor e en i heeft zy de
klank van f, (by voorb.) ciment, cé-
der ; insgelyks eok voor a , o , en vi 7
wanneer 'er een teekentje , (cediUe)
mder gefield word , (by voorb .) fa ,
■Façon, Leçon, François, enz.
Ça, , (adv.) Hier , herwaar ds ; cou-
rir ça & là j gins en herwaards ko-
pen; qui ça, qui là, de eene hier,
de andere 'daar.
pa,(interj.) Lujïig , wakker; ça
qu'on mette la main à l'oenvre ,
t'fa da*^ men de hand aan 't werkflâ.
Cabale , ( f ) Verborgen uitlegging
ier H. Sehrift , zamen-rotting van
fommigen die malkander en heimelyk
iu^r/ïa<3«, kabaal.
Cabaler, (v. a.) t' Zamen fpannen;
t' zanten rotten; iets kwaads heimelyk
ontwerpen.
Cabaleur , (m) t' Zaï^en-rotter , een
die met anderen t'zamenfpand om een
beimelyke aanjlag uit te voeren.
Cabaliae , (m) Jood die in de ver-
borgen uitlegging der H. Schrift erva-
ren is.
Cabalïftique , (adj.) Geheim-kun-
CAB.
dig ; verborgen j rcverie cabalïfti-
que , yuudfche mynieriiig.
Ca bat e , (.f) Éen klein hui s je, hut*
je , Jlulpje (n) j Zeemans kooi ( f) ;
ttem een bedekte platte of tent-fchuit.
Cabane r, (v. n.) Hutten opjiaan.
Cabanon, (m) Klein l^uije.
Caoaret , (m) Herberg ( f) , ffjn-
huis. Kroegje (n)> cabaret b;rgne,
Jlegt kro£'gj'i of daar weinig neer ing is.
Cabaretie - , iere (m. & f.) l^aard ,
ÏVaardln^ener herberg.
Cabare tique, (adj.) Kroegagtig y
Waards-huisagt ig .
Caba:- , (m) Een vygen-korf.
Cabafle , ( f ) Dronke todde, hoe-
ren-%vaardin.
CahdiTer ,(oud en gem. w.) Geld te
tarnen fchrmnpen; met bedrog zwan-
ger gaan ; iets heimelyks ivegkaapen ,
Jleelen. '
Cabaflet , (m) Een helm , flormhoed
voor deezen.
Cabéliau, m) Kabeljau.
Cabéftan, (m) Spil om 't anker mee
op te winden; cabeflan volant , loffe
fpil , hand fpil ; envoyer au cabéftan,
y voor de Ipil jl'-affen.
, Cabille, (f) Hoop volks, als: een
1 horde .arabieren , enz.
I Cabill-ts, (m. pi.) Juffers ^ rond-
; houten met 3 gaten aan het wand vari
! een Schip.
\ Cabinet, (m) Kafï , kuhmet; ge-^
! heim- fiudeer- fch-yf- pronk- konfl-
i rariteit-kamer f Itfl-huis , tuin-huisjey
prieel ; orgel-kafl , hand-orgel ; item*
geheime Staat s-raad. h
Cable , (m) Kabel , anker - touw '/
cable d'affourche , (grelin) lui-touwy;
bitter Ie cable, ^c/ kabel om de bee-^
ting vaji maaken j filer le cable, &o?j
vieren. ■' ' . ]
' Cableau , (m) Kleine kabel, boots-\
touw , tros« \
Câbler, (v. a.) Touw flaan , van^^
veele touzven een maaken. .'.
Cablot, (m) Klein touwije of reep»',
Caboc hard , de (adj .) Groot-koppig. ,
Caboche, (f) Een taats of fcboen-'
fpyker ; (flguurl.) hoofd-, kop.
' Cabochon, (rubft.& adj.) Schoen-,
fpyker; rubis caboehon, ongejlepen-
^ ■ Cabo-
CAB. CAC.
Cabotage , (m) Zeiling langt de
fCuJlen.
Caboter , (v. a.) Langs de- Kuflen^
vaaren , af en aan zeilen.
Cabotcier, (m) f^aartuig daar toe.
, Cabre, (f) Een Krtkkemik (iverk-
tutg om Scheep iets mede op te hys-
fen).
Cabré, (adj. m.) Cheval cabré ^
overeind Ji^^nd Paerd^ (in fFapenk.)
Cabrer , (v. n.) fe cabrer , (v. r.)
Steigeren; opjluiven; ce cheval fe
cabre, dat paerd jleigerd ^ un hom-
me fage ne fe cabre pas ^een verjlan-
dig man word niet toornig.
. Cabri , (m) Jonge Cetten-bok.
Cabriole ou capriole , (f) Lugte
Sprong^ krulfprong, kab riool.
Cabrioler ou caprioler > ( V. n. )
Springen.
Cabriolet, (r») Rytuig (dus ge-
naamd).
Cabrioléur oa caprioleur , (m)
Kabriool maaker.
Cabrions, (m. pi.) Blokken ^klam-
pen onder affuit-wielen om ze tegen
te houden.
Cabrit. {Zie Cabri).
Cabron , (m) Joag Geiten leer.
Cabus, (adj.) Choux cabus ou
pommé, Buis-kogl.
Caca, (m) Drek , kafi , (kinder
woord).
Cacaber , (v, n.) Schreeuwen als
een Veldhoen.
Cacade , ( f) Afgang , Jioelgang ;
fegte uttval eener zaak.
Cacao , (m) Kakau.
Cacaoyer ou cacaotier 9 (m) Ka^
'kau-boom.
Cachalot, (m) Kaasjelot, een der
grooijle foort vun Walvifchen.
Cache, (f) Schuil-plaats^fchuil-
boek ; fluip-winkel.
Cachement , (m) Verberging (f).
Cache-platine, (f) Loode plaat
over het londgat van een gefchut of
Jleutelgat.
Cacher, (v. a.) Verbergen y ver-
fleeken, geheim houden^ fe cacher,
'v. r.) zig verbergen, verfchuilev.
Cachet, (m) ZegH^Jignet , let-
tre de cachet , KoningU bevel brief.
Cacheté, it i^d'}) Verzegeld,
CAC. CAD. 5/
Cacheter, (v.a.) toezégeïe» 9 ver^
zegelen.
Cachette, (v. a.) Schuil- hoekje -,,
en cachette, in 't verborgen, ter
fmuiks.
Cachexie , (f) Verdorvene lighaam»
geflcldheid.
Cachot, (m) Donker hol in een ge»
vangenbuis.
Cachou, (ra) Zeker Tndiaanfchboom-
fap Itefiyk in de mond.
Cachrys, (m) Rozemaryn.
Cacique ^{ra) Bevelhebber der zwer*
vende yirabieren.
Cacochyme, (adj.) Ongezond ■» voi
met quaade vogten , (;« Geneesk.)
Cacochymie, (f) Quaade gefield^
beid des b toe ds.
Cacoethe, (adj.) Ulcère cacoe-
the , vergiftige zweer , {in heelk.)
Cacophonie , ( f ) Onaangenaam
geluid van t' zamenjlootende woorden,
Gacozéle ,' (m) Ontydige f ever.
Cacumine, (fj Gevel, fpitfe^
Cadaftre , (m) Schat of hoofd re*
gijler.
Cadavéreux, eufe (aâ},)Doodver^
wi^.
Cadavre, (m)Dooi/ lichaam, tyk (n).
Cadeau , (m) Cierlyke trek met dé
pen j cterlyke doch onnutte arbeid ; gajï-
maal', onnuttige iojlen.
Cadedis , ( interj. ) Slappremenf j,
(gafconier vloek).
Cadenas, (m) Hangjiot»
Cadenafler, (v. a.) Met een bang^
flot fluiten, {weinig gebr.)
Cadence, (f) Geregelde y gepafiê
maathouding in de zang- rym~ ry»
konfl of in een redenvoering , enz.
Cadencer , (v. a.) Cadencer les
périodes , de volzinnen (periodes)
wel afpaffen , aangenaam voor 't ge*
hoor maaken.
Cadene, (f) Slaven-ketting ; put"
ting aan de hoofd-touwen , {zee w,)
Cadenette , ( f) Middetfle lok van
een knoop-paruik-, hair-vlegt.
Cadet, ette (m. & f.) Jongde of
jonger broeder-zujier -, cadet aux gar-
des , cadet , adelborfl onder de gaf dei §
il eft mon cadet , hy is jonger inde
bedieninge als ik-, cadet de hautap*-
petit , e«nfmarmerffmulbrQ§r^,ci^'
93 CAD.CiE.CAF.CAG.
dets, (pi.) jongs beeren dien de Ko-
ning de ivis- feeken- bouw-kunde enz.
iaat Ie er en.
Cadette , ( f) /Vierkante vloerjieen.
Cadetter, (v. a.) Met zulke Jleenen
beleggen.
Cadi, (m) Turfche Richter.
Cadilesquer, (m) Opperrechter in
Turkyen.
Cadis , (m) Een foort van fergie.
Cadifé , (m) Soort van droget.
Cadmie. {Zie Calamie).
Cadmus, (m) Halve god by de
Grieken.
Cadole , (m) Klink van een deur (f).
Cadran , (m) Uur-wyzer, uur-plaut.
Cadrature, (f) 't P^ierendeel van
een ivyzer-plaat.
Cadre, &c. (Zie Quadre).
Caduc, uqae (adi.) Oud, zwak,
bouwvallig, vergankelyk ; Ie mal-ca-
duc, fi^ vallende ziekte.
Caducée, (m) Staf van Mercurius.
Caducité , (f) Bouwvalligheid,
verzwakkiKg.
Caduque. (Zie Caduc).
Et Caetera , (Latyns w.)in 't Franfcb
Jïeld men &c. enz. of, en zoo voort.
Cafard , arde (adj. & fubft.) Schyn-
heilig.
Caferderie, (f) Geveinjiheid , but-
chelary,
Café,(m) Kofy, Koffy-boon (f);
Koffy buis (n).
Cafetan ou CafFtan , f m) Rok die de
Turkf-he Keizer als een eer- teken geeft.
Cafetier 9 (m) Koffy- bande laar-
Jchenker.
Cafetière , ( f ) Koffy -kan-ket el-pot.
Caffila, (f) Bende, hoop reizigers
in Indien*
Cage, (f) Fogehkooi, kevie-, klein
beknopt buisje of kamertje ; bet geraam-
te van eenig gebouw ; mars van fchip j
kaas-vorm ; tralie op een Zilverfmids,
of voor eenig ander vengjier',de ruim-
te voor^ een trap of klok j mettre en
cage , in de kooi zetten ; item in een
gevangenhuis zetten.
Cagée , ( f) Een kooi vol,
Cagerotte, (f) Kaas-vorm. (Zie
Cage).
Cagier , (m) VogeUkraamer .
Cagnard , arde (adj, & f.) ^«/j 1
Miaardp (gem* w.)
CAG. CAH. CAI.
Cagnarder , (v. n.) / û izig leeven
Cagnarderie, (f) l'adztgheid.
Cagnardife , ( f) Luiheid.
Cagneux , eufe (adj.) Krom van
beenen.
Cagot, otte (adj. & f.) Scbynhei-
lig; huichelaar.
Cagotterie, (f) Schynheiligheid.
Cagotisrae , (m) Huiehelar'y ,fchyn'
heiligheid {Î).
Cagou , (m) Een aartsgierigaard,
vrek. (gem. iv.)
Cagoaillff , ( f ) Cieraad aan 't gal-
joen van een fchip.
Cague , (f ) Een Kaag, (vaartuig
in holland).
Cahier, (m) Ingenaaid fchryf boek ;
item een boek daar de bejluiten van
een Collegie in gefchreeven worden^
Cahieu. (Zie Gaïeu).
Cahin - caha, (adv.) Faire une
chofe cahin - caha , iets gedwongen^
met moeite doen.
Cahot, (m) Stoot, fchok, boffebot-
zing van een wagen.
Cahotage , (m) Hoffebatzing.
Cahoter, (v.a.) Schudden, floot en ^
boffeboffen.
Cahute , (m) Eene hut.
Caïc , (m) Galei-Jlaep.
Caier. (Zie Cahier).
Caïeu , Kleine bol , klaauwtje van
knoflook , enz'
Caille ,( f) Een kwartel ofwagtel.
Caillé, ée (adj.) Geftremd -, du
lait caillé , Jlremzel , gernnnene melk,
du fang caillé, geronnen bloed.
Oaillebotce, (f) Stuk geronnene
melk , klonter, klomp (m).
Caillebottis, (m) Tralie werk(n),
roojier (m) op 't dek van een fchip.
Caillement , (m) Klontering der
melk m de borjïen.
Cailler ,{v.z.,8>cx\.)LaatenJiremmen',
klonteren , dik worden j fe cailler ,
(v. r.) flremmen ^ e^iz.
Cailleteau, (ra) Jonge wagtet (f). ,
Cailletot , (m) Soort van kleine j
Tarbot.
Caillette , ( f) Het zakje of maagi
van een Schaap waar %n het lua
gemaakt word. j
Caillot , (œ) Stttk gergnnen bloed
CAL CAL.
Caillot-rofat , (m) Rooze peer ( f)
(zekere zoete peer).
Caillou, (m) Een kei-Jîeen , kei,
tuttrjîeen.
CâiUoutage , (m) Een hoop kel-
Jieenen.
Cairaacam , (ra) Kaimakam , groo-
te Staat s -bediende in Turkyen,
Caimand, aiide (m. &c f.) Land-
looper , fchooijer; fchooijïer.
Caimander , (v» n.) Bédelen,
Cajoler, (v. a.) Liifkoozen, flik-'
keflooijen, v Ie ij en ; cajoJer un vais-
feau , met een f chip door hulp van de
jlfoom tegen de wind vaaren , opdry.
ven.
Cajolerie, (f) f^leijery,liefkoo-
zery.
Cajoleur , eufe (m. & f.) Pluim-
Jlryker j vleijier.
Caïque. {Zie Caic).
Cainre , (f) Geld-ktjl , cafla {by
Boekh.) kiji , koffer; oranien ' kajï ;
trom ; battre Ia caiffe , de trommel
roeren; caifle de poulie, blok daar
de katrol-fchyf in is.
CaifTetins, (ra. pL) Rozyn-kijijes.
CaifTette , ( f) Kijije {n).
Caiffier, (m) Caffter , iemand die
de kas houd.
Caiffon , (m) Kijije y brood-pro-
viand-zvagen in een Leger j bóm-kaji ,
vuur-kiji.
Caj ute , ( f) Slaap-kcoi (in de Schee-
pen).
Cal , (m) Eelt , hardigheid aan
handen of voeten (f), (durillon)
Calade , ( f) Schuins heuveltje in
de Ry-fchool om een Paerd daar af te
laaten gallopeercn.
Calarnandre ou calamande , ( f)
Kalemink \fioffe).
CaTamédon , ( f) Leen-breuk (f ) ,
(inHeelk.)
Calament , (m) Ka lam int , wilde
polei y katte-kruid , (plant goed voor
de jigt).
C-dlsLmina.lTe , (2Là']^) Kalmynig.
Calamine, (f) Kobolt; kalamyn-
Jieen , waar mede het koper geel ge-
maakt word.
Calamiftrer , (v. a.) Krullen , nop-
pen
CAL. p9
foort kalmey^ eertyds ook zeiljïten,
kompas; item ioof-kikvors.
Calamité, (f) Elendigheid , jam- '
merlyke toefland.
Calamiteux , eufe (adj.) Elendig ,
rampzalig. «
Calamus aromaticus, (m) Pf^elrig'»
kende kalmus. (Lat. w.)
Calancre , ( f J Soort van grootê
Lyjier ; kalander , koren-worm j ka-
lander-moolen , mangel.
Calandrer , (v. a.) Kalandtren,
glad y glanzig maak en , mangelen,
Calandreur , (m) Kulanderer , glan^
zer.
Calangae, (f) Kreek , baai ,bogt,
kleine wyk voor l^aartuigen,
Calafdque , (adj.) Remede cala-
ftique , verzapende artzeny.
Caibas. (Zie Cale bas).
Calcaneora, (m) Bet hiel' of veer '
zen-been (n). (Lat. w,)
Calcanthura, (m) Rood gemaakte
vitriool. (Lat, w.)
Calcédoine, (f) Kalcedonie-Jleen
(m).
Calcet , (ta) Ezels-hoofd op een ga-
lei maf} (n).
Calcinacion, (f) P^erkalking der
metaalen.
Calciner, (v. a.) Ferkalken , tot kalk
branden.
Calcis, (m) Soort van een nagf
valk.
Calcul, (m) Optelling, oprekening ^
overrekening (f); item de fie en (m) ^
't graveel (n).
Calculable, (adj.) Dat opgerekend
kan worden.
Calculateur, trice (m.&f.) Opr^^
kenaar; optelfier.
Calculer, (v. a.) Rekenen, uitre-
kenen , oprekenen.
Calculeux , eufe (adj.) Steenagsig,
gruisagtig.
Cale , ( f) Het ruim in een fehip
(fond de cale ) ; het ktelhaalen ; vifch-
lood aan de lynen ; een baai of wyk
voor ftheepen in quaad wéér ; een
fchuinze wal of oord} y zer om gaten
mee te maaken , (by Smits) ', fpaan
die men onder een tafel of kafi zet om
niet te wagchelen j zekere boeren muts ,
Calamité , ( f) Een van de Ben [bef e I ook zekere muts voormaals door Lakeien
G 2 ge»
too CAL. I
gedraagen-, dunner ia cale a quel- j
cun, iemand kielhaalen ; donner Ja
cale à un vaiffeau , een fchip kiel-
haalen j il a porté la cale , hy is een
Lakei gewefji. ,
C-dlebas ou calbas , (m) Raake taa,-
je , {Scbeeps w.).
Calebaffe, (f) Een Kalebas.
Caleko in, (m) Schoemnaakers hoed
» f korf j f voor hun fpiriaal, f//?, enz.
Cj^leche, (f) Kalés {zeker open
Rytuig).
Caleç©n, (m) Onderbroek (f).
Caiéfaaion', (f) P'erivarmbig.
Calemar, (ra) Pennekoker,
Calendes, (f- pl-) D'eerjle dag ie-
der maand', verzameling der dorp-
Pr iejler s .
Calendrier , (ra) Almanak , Ka-
lender , maand- dflg-wyzer.
Calenge , ( f) (Rechts w.) Aanklagt.
Calenger, (v. a.) Pynlyk aanklaa-
een ; in hegtenis neemen,
" Caler,, (v. a.) Caler ou affiener
les voiles , de zeilen jiryken , neerla-
ten ', {figiiurl.) ztg na den tyd fchikken.
Calevile. {Zie Calleville).
Calfac ©u calfateur j (m) Kalfa-
terer. . ,„
Calfat , (m) Bet kalfateren van een
ten fchip (n>
Calfatage. {Zie Calfeutrage).
Calfater, (v. a.) Kalfateren,
Ca'fateur. {Zie Calfat).
Calfatin , (m) Kalfaat jongen.
Calfeutrage , (m) Kalfaterwg.
Calfeutrer , (v. a.) Kalfateren ,
dist maaken -> floppen .
Caliore, (m) Grootheid, ivydte van
eênig ding.
Calibrer, (v. a.) Van behoorîyke
grootte rnaaken. , . , , t
Calice, (m) Kelk., drwk-beker;
kmp ofkelk van een bloem.
Calife , (m) Opper -Priepr hy de
Sarazynen.
Califourchon , à Califourchon ,
(adv .) met de beenen fchryelings , 200
dis men te Paerd ryd.
Calin , ine (m. & f.) (gem. w.)
Leêg-geinger ,Sp!t;boefyttem een foor t
van met tin en lood gemengd metaal.
Câliner, fe câliner, (v. r.) Zyn
gemak neemen, zorgeloos leven.
CAL. CAM.
Caliogue. {Zie Carlingue)»
Caliorne , (f) Gyn-touw y taaktt
op een fchip.
Califte , (f} Naam die de Poëten
aan hunne Minnareffen geven.
Calleville, {£) Roode guldeling j
{eert appel) (m).
Calleux, eufe {d.A\.)l-^ereelt ,hardi
CiUigraphe , (m) Een Copifï.
Callofi:é, (f) Vereeltheid , hardig-
heid dèr huid.
Callots, (1-. pi.) Ruuwe fchalie of
leyjleenen (m. pi.).
Calme , (f. ra. & adj.) Stilte ,
kalmte ,rufl i£) ; flil.
Calraé, ée (adj.) Geflild; bevrs'
digd.
Calmer, (v. a.) Stillen^ hedaaren.
Calcbre, (m) Een kiel, ov:rtrek.
Caloïer, (ra) Griekfche Monnik.
Calomniateur , trice (ra. & f.)
Lajleraar , achter*lapper ; fchendfier.
Calomnie , ( f) ^-ichterklap , lajler-
faal.
Calomnier, (v. a. ) Lafleren^
fchenden , eerrooven.
Calomnieufement, (adv.) Achter-
klappend, valfchelyk.
Calomnieux, eufe (adj.) Schen-
dend, eerroovend.
Caloniere.( f) Een klap-hus , {kin-
der- fpeelt.)
Calotte , ( f) Platte muts ^ kakt.
Calquer, (v.a.) Afteekenen , affchet-
zen na tets.
Calvinisme, (ra) Het Calvinijien-
dom.
Calvinifle » (m) Een Calvinfl.
Calvitie , ( f) Kaalheid des boofds,
{weinig gebr.)
Calumet , (m) Groote tabaks-pyp ,
{by de Indiaan en).
Calus, (m) Eelt, vereeltheid ,har^
digheid aan handen en voeten ; been-
agtige fioffe (fubftantie) die de gebro-
kene beenen vereenigd •,{fgicurl.) ver-
floktheid, verharding , ongevoelig-
heid.
Calybite . (m. & f.) Een hutten bc
zvooner.
Calyphe. {Zie Calife).
Caraagnes , Vafle kooien in een
fchip.
Camaïeu, (m) Naam van zekere
Jleem
CAM.
^ten daar de natuur allerhande Jjçruu-
ren , beeld- enfrhildi\ -uerk in gevormd
heeft; item Jcbtlaerzverk vau éen ko'
leur, alslblaauiv op hl.iamv.
Camail, (rti) Koor-kap ; helm-dek.
Camarade, (m) Metgezel ^makker.
Camard,arde (m.f. de adj.) Plat-
neus ; platnevftg.
Cambage , (m) Bieraccyns.
Cambayes, Bensiaalfche Jüitioenen.
Cambifte, (ra) if^Jfelaar,
Cambouis ) (m) Het fmeer of vet
dat van een wiel afpers afdruipt.
Cambrafines, (f. pl.j i-yw^ ^gyp-
ttfche Lynwaaten.
Cambré, ée (adj.) Gekromd.
Cambrer, (v. a.) Krommen, krom
tnaaken , buigen als de doozen maa-
iers en fchoenmaakers doen.
Cambrure , ( f) Kromming , uithol-
ling , u' e hing.
Caméléon , (m) Kameleon (een dier
dat men voorgeeft van de lucht te lee-
Ven endtkivils van koleür teveranderen).
Cameléopard , (m) Dier van hals
als een Kameel en van huid als een
Luipaerd.
Cameline, (f) Een gryne rok.'
Camelot, (m) Kamelot, gryn (n),
(/o/f) il reflemble au caraelüt il
a pris fon pil, (fpr. w.) hy blyft
Zoo als hy is.
Cameloter , (y. a.) Ms kamelot
tiiaaken.
Camelotine, (f^ Stoffe gewaterd
als kamelot.
Camerier, (m) Kameraar (Pauje-
lyke bediende).
Camerifte , (m) Onder Kameraar.
Camerlingat , (m) Paujfelyk Scbat-
meefters-ampt (n).
Cameflingue , ( m ) PauJJelyke
Schatmeejfer.
Camion, (m) Kleine dunne fpelde
( f ) j kleine wagen (m) of kar ( f).
Canoifade , ("f) Donner la cami-
fade à l'ennemi , detf vyand in d?n
nagt overvallen.
Camirard , arde (jn, & f.) Zeker
Geefldryver in de Cevennes in J^rank-
ryk. \
Camifole, (f) Hemhdrok , borfirok
(m).
■ Camomille, (f) Kamilk {^lam).
CAM. ICI
Camoufîet, (m) Rookend papier;
donner un caraoutlet à quelcun,
iemand rook in de neus blaazen.
Camp, (m) Een Léger (n) , Leger-
plaats (f)j camp volant, vliegend
Léger-, affeoir le camp, het Léger
ncérjlaan.
Campagnard , arda (f. & adi.)
Landman , Boer } Boerin ', boerfch j
c'ell un franc campagnard , hy is
een r egt en boer.
Campagne, (f) Veld, Land (n);
veldtogt ( f) j raie campagne , vlak-
ke veld', bactre la campagne , het
wild opjaagen, op kondfchap uitgaan
(in den kryg)',veel Schryvers aanhaa
len die mets beduiden (in Redtveerk.) >
mai fon de campagne , een lufihuis y
buijenplaats ; pièce de campagne ,
velJfuk.
Campanaire , (m) Een Klokken-
gieter.
Campané j (f) Kampaan , franje
met knaflen aan een ledikant , fnj'
werk, enz.
Campanelle , ( f) Klok-bloem.
Campanile, (in) Klokken -toren.
(Zte Clocher).
Campé, ée (adj.) Gelégerd.
. Campêche, (f) Kampéfcben -lout
(n).
Campement, (m) Legering ^ kam-
peering (f)»
Camper, (v. a. & n.) Légeren;
het Léger neêrflaan ; fe camper , (v.r.)
zig légeren ; zig tn pofïuurji ellen ," {in
de fchermfch.). - .
Camperche, (f) Boom in een tçi-
pyt getouw (m).
Camphre, (m) Kamfer,
Camphré, ée (adj.) Met Kamfer
toebereid.
Campine , ( f) Een zeer fyn hoemje.
Campos , (m) Avoir campos , ver-
tof hebben (fchool w.).
Camus, ufe (adj. & f.) Stomp- plat",
neuzigi een plat-neus ; on l'a rendu
camus, hy beeft een neus gehaald y hy
is in zyn oogmerk mislukt, ^ .
Camufette, (f) Kletnjlomp-neuzig
meisje (n).
Canade , ( f) Seheeps-portie wyn of
water by de Portugiezen.
Canaille, (f) Gefpujs, gepeupel.,
X02 CAN.
't graauuf , jan hagel , fegt fchuim
van volk, jan rap en zyn maat-, ge-
boefte (n).
Canal , {m) Canaux , fpl.) i-en
gragt , haven , vaart j buis , pyp ( »«
Ontleed- en Bouivk.) groef voor een
iaad'Poki il y a en Chine un ca-
nal , qui a plus de 245 lieues & 72
éclufes , in Cbma is een vaart , die
meer als 245 mylen lang is en 71
Jluizen heeft; (figuurl.) il eft entré
par Ie bon c&na.[,hyis door het reg-
te middel bevorderd.
, C^nïimelle,(n ^ttiker-rïet(n).
Canapé, (m) Ruji-pel mor 2 of
nifer perfoonen,
Canapfa, (m) {gem. w.) Knapzak.
Canard , (m) TVaardy 't mannetje
van een Eend, Eendvogel; item wa-'
f er-hond ; bois canard , gezonken
bout', donner des canards à quel-
cun , iemand voor de gek houden.
Canarder, (v, Vi.) Iemand heimelyk
ter neer fchieten.
Canardiere , (f) Eende kooi (£);
item heimelyk fchietgat (n).
Canarie , (f ) Zekere gezwinde dans.
Canarie , (m) Ou ferin de cana-
rie , Kanary-vogel.
Canaftre , (do) Ledere kifl ( f ) ,
korf van riet (m); thee-kijï.
Cancan , (m) (gem. w.) Geraas.
Cancelle , (m) Kleine zee-krabbe.
Canceller, (v.a.)(»« Rechten) Uit-
febrappen, door baaien.
Cancer, (m) Kanker; Kreeft (een
der 12 hemels-tekenen).
Cancre , (m) Krab , zee-krab ; zin-
nebeeld der voorzigtighetd ; item een
iondsvot , fchohbejak.
Candélabre, (m) Groene kroon-kan-
delaar.
Candelette , ( f) Boeg-touw , par-
tuur-lyn , (fcbeeps «'.;.
Candeur , (f) Oprechtheid; agir
avec candeur, ongeveinjï handelen.
Candi, ie(adj.)5ucre candi, ia«-
dy-zuiker.
Candidat , (m) Iemand die naar
■fen ampt of waardigheid flaat.
Candide ,(adj,) Oprecht^ cfenhartig.
Candidement , (adv.) Ongeveins-
d/lyk.
Candir , (v. n.) ff^it of hard wof'
de» y kanàelizetfiHt
CAN.
Candou , (ra) Boom , waar van t
boutjes genomen en tegens malkander
gewreven zyndey vuur geven.
Cane, (f) 'f ïVyfje van een Eend*,
kaan [vaartuig).
CanCi^in , (m) Zeem , dun Schaa-
pen leer tot handfcboenen ; binnenjle
baji van Lindtn-boomen.
Caneton, (m) Jong Eend yîVaurd,
Canette, (f) Jong Eend (n).
Canetter, (v. n.) Waggelen als
Eenden.
Canevas , (m) Kanefas, zeildoek',
grof en yl 'linnen ; item opjiél , ruuwe
Jchets van e enig gefchrift.
Cangé , (m) Ryfi-water (n).
Cangette , ( f) Soort van dunne
fergie.
Caniche, (f) Teef vcin een fchoot^
hondje.
Caniculaire, (adj.) Jours canicu-
laires, bonds-dagen.
Canicule, (f) Hond-fier.
Canif, (m) {lees Ganif) Penne-
mesje (n).
Canificier ou c&aRer. Kajffien-boom,
Canin, ine (adj.) Faim canine,
honds-honger.
Caniveaux , (m. pi.) Groote JJraat-
fieenen.
Canivet , (m) Klein pennemesje (n).
Cannage , (m) Meeting met eene
canne of fiok (£).
Cannaie , ( f ) Riet-plaats , riet-hit.
Canne , ( f ) Riet , netJJok , rotting ;
meetjlok.
Cannelade , (m) Vaïken-fpys van
kaneel i enz.
Cannelas, (ra) Gezuikerde kaneel.
Canneler, (v. a.) Uitgroeven , uit-
hollen.
Cannelle , (f) Kaneel , (tweede
fchors van een boom op 't eiland Cey-
Ion) ; item de kleine uitholling aan een
naalden oog.
Cannellier, (m) Kaneel-boom.
Cannelure , ( f) Groeving , uithol-
ling.
Canner, (v. B.) Meeten met een
floky of canne.
Cannetille , ( f) Gedraaid zilver-
draad.
Canetiller, (v. a.) Me$ gedraaid
zilver-draad bewinden,
Can-
^
CAN.
Cannette , (f) Hoever fpoeltje y
rietje voor den injlag.
Cannuie. {Zit Canule).
Canon, (m) Gefchut, kanon -, iocp
van een Jhaphaan , pijiooi , enz. Jlot-
Pypf PyP 'z^^" <'*'" g/eter-, tat>ge we-
vers fpoel-, fchagf van een pen; poin-
ter Ie canon, het gefchut fiellen.
Canon , (m) Kerken-orden; kanon
letter (by Soekdr.) j droit canon ,
kerkeiyk recht.
Canonial, aie (adj.) Dat tot de
Kerken orden behoord.
CsLnome2itj(m)Domheeren ampt (n).
Canonicité,(f) Geloofs regelmaa-
tigheid.
Canonique, (adj.) Regelmaatig ,
txiettig.
Canoniquement > (adv.) Regel-
maat iglyk.
Canonifadon, {£) Heilig verklaa-
ring.
Canonifer, (v. a.) Onder 't getal
der heiligen Jïellen.
CanoniUe , (m) Een Kerken Rechts^
geleerde.
Canonnade , ( f ) Kanon-fchoot , be-
Jchieting.
Canon nage, (m) Kennis des Ker-
ken rechts.
CanQnner,(v.a.) Met kanon fchie-
ten , befchieten.
Canonnier, (m' Konjïapel.
Canonnière, (f) Een Schietgat;
Konflapels tent-, kinder klap-bus.
Canope , (m) Naam van zekere
heldere groote fier in het roer des
S chips , (een gefiernte).
Canot , (m) Indiaanfch fchuitje uit
een uitgeholde boom.
Canqueter, (v. n.) Kwaaken als
een Eend.
Cantal , (m) Zekere groote kaas in
Vrankryk.
Cantanettes , (f, pi.) Roergaten
van een Schip.
Cântar, (m) Zekere olie-maat in
Portugal.
^ Cancate,(f) Zekere fiem-muziek^
Cantharide , ( f) Spasnj'che vlieg.
Canthus , (m) De oog -hoek, [in
Qnleedk.).
Cantibay , (m) Een gefpleeten fiuk
■ hom dat nergens toe cfienfiig is ^ (oy
Schr-niv.),
CAN. CAP. 103
Cantine , (f) Vles-Âelder , reis-
kelder.
Cantinier , (m) Maaker daar van.
Cantique , (m) Lofzang ; le canti-
que des cantiques, het hooge lied.
Canton , (m) Gedeelte van een
land, quartier, Jireek , hoek ; can-
tons Suifles, Zwitzerjche kantons ,
(provint i en).
Canto nnade , (f) Hoek tn een
Schouwplaats.
Cantonné , ée (adj.) Gehoekt , (in
ff^cpenfch. k.)
Cantonner, (v.n.) Faire canton-
ner les troupes , f rop/?i'« hier endaar^
in dorpen in quartier leggen, i
Se Cantonner, (v. r.) Zig ergens
neerzetten j item zig verfchanjfen.
Cantonniere , ( f ) Behan^fel aan
de voet van een Ledikant Xn).
Canule, ( f ) Een buisje , fpuitje
(n) , (in hedk.)
Cap 9 (m) Hoofd (in deezen zin)
armé de pied en cap, -yjM 't hoofd
tot de voeten gewapend; parier cap
à cap, mondeling met iemand fpree-
ken Î cette pièce a cap & queue >
dat fiuk is nog in zyn geheel.
Cap , (m) Foor gebergte , kaap , land,
dat met een punt in zee fieekt ; dou-
bler le cap , een hoek te bever: , voor-
by zeilen j cap ou prouë, boeg , fie-
ven van een Schip; porter, mettre
le cap au vent, tegen de wind bou"
den , {iévenen ; où as ta le cap^.waav
heht gy de fiévenl caps de mouton.
Juffers ; cap de more ou c bou-
quet, ezels-boofd, (zee w.)
Capable , (adj.) Bequaam ; vatbaar^
(geleerd; un porc capable de conte-
nir &c» een haven vatbaar voor enz,
Capablement, (adv.) Bequaamlyk.
Capacité , ( f ) Bequaambeid > groot-
te; la capacité d'un lieu, de uitge-*
firektheid fan eene plaats.
Capage. (Zie Capitation).
Caparaçon, (m) Paerden dek -kleed
op fiai ; item fchabrak.
Caparaçonner, (v. a.) Een Paerd
daar meé bedekken,
Capax, (Lat. w.) (Zie Capable),
Capdeuil y(ïSi) Adelyk Stamhuïs (n).
Cape , ( f) Een kap , kaper ^fluijer ;
cape oa grand u'àcàpief Jc/toover-
G 4 m.h
104 ' CAP. l
2^;(, gfoote zeil van een Schip'» n'a- 1
voir que l'épée & Ja cape , ( jpr.if •)
'iveinig ef niets hebben; rire fous ca-
pe, i« zyn vuij} lagchen (fpr. iv.);
être à la cape , met het groote a>eJ
h f leggen.
Capéer. {Zie Cipaycr).
Capelan , (m) Een arme Paap.
Capeler, (v. a.) Het -ivant um de
tnafi aanleggen^ den maji bekleeden.
Capele:, (m) Gezwel aan de haa-
zen van een Paerd.
Capeline, (f) lif^ Jîrooien hoed',
vrouwen hoed met z' e éren.
Capeïcr. (Zie Capayer).
Gapend u ? (m) Zeker appel met
9 en korte JieeL
Capayer, (v. n.) Meteen zeil hy-
leggen.
Cap har, (m) Tôt, die de Chriflenen
ffie van ^lepfo naar 'Jerujalera vaa-
ren ^ den Turken bet aaien.
Capi-aga , (m) Gouverneur in 't
Vrouwen-'bof van den grooten Heer.
Capier. {Zie Câprier).
Capillaire, {m)P'rQuuen haïr (n),
(een kruid).
C'ipillaire, (adj.) Veines capil-
laires, de dunjîe aderen.
CapiJlature ., ( f) ou Capillement ,
(m) F'ezelagtigheidder wortelen of, bla-
deren.
Capillotade, (f) Opgefioofdvleefch
(ragout); mettre quelcan en capil-
lotade , iemand door de» heekel haa-
ien , doorjlryien , voor den gek houden.
Capioglan , (raj Oppajfer in 't Se-
rail.
Cap ion , (m) Steven luan een f chip
hy de kiel.
Capitaine, (m) Hoofdman , Hop-
rr.an y Kap Hein; Schipper.
Capitainerie s ( f ) Hopmanfehap ;
Slot-voogdyfchap (n),
Capitainefle , ( f) (Zie Capita-
Jie).
Capital, alc (adj.) Hoofd f voor-
ftaamJJe ', ennemi, crime capital,
bonfd vyand « hoofd-misdaad; peine
capitale, lyfjîrajey po inC capital ,
iood '.aak.
Capital , (m) Hoofdfom (f)^ ka-
pitaal (n), hoofdzaak (f).
^ Capitale, (f) /foo/^iö^.
GAP.
Capitalement , {này .)VoorHament^
tyk, hoofdzakelyk.
Capitan , (m) Blaaskaak , fnorker ,
zivetzer f fnoeshaan.
Capitan^bacha, (m) Turkfche Bâ-
cha ter zee.
Capitane , ( f) Hoofd-galei.
Capitation , ( f) Hoofd-geld (n).
Capitel, (m) De allerklaarjle locg
(f). Loogwater (n).
Capiteux , eufe (adj.) Vin capi-
teux, hoofdige wyn.
Capitole , (mj Het kapitoHum te
Romen (n).
Capiton, (m) Vlok-zyde (f).
Capitoul, (m) Raadsheer te Tou^
httfe.
Capitulaire , (adj.) Dat van 't ka^
pitt.eiis.
Capitulaire, (m) Kapittel veror^
dening ( f).
Capitul'airement , (adv.*) Op dg
wyze van 't kapittel.
Capitulant , (m) Een die fïem in
't kapittel heeft.
Capitulation , (f) Verdrag (n),
capitulatie (f).
Capituler, (v. n.) Verdrag maa^
ken y capituieeren wegens overgave.
Capitzi kiheïa> (m) Opperkamer
Heer in Turkyen.
Caplan , (m) Kaplaan (zeker vifch), ;
Capnomancie , * ( f ) fVaarzeggery .
uit rook.
Capoc , (m) Korte boom-woUe { f)»
Capon , (m) Ondeugende Scholier
die niets leerd en zyn makkers in 't
fpeelen maar bedriegd; penter om 'f
anker op të zetten als 't opgehaald
wordt
Caponner , (v. a.) Bedrieglyk fpee-
len ; het anker aan de penter vaj)
haakea.
Caponniere > (f ) Bedekte gang i,i
een gragt.
Capoquier , (m) Watten-boom.
Caporal, (m) Éen Corporaal ,Rot'
meefler.
Capofer , (v. a.) Het roer vafl/
maak en enzig aan de wind over ge evem
Capot, (m) Rok met een kap ; kf~
pot (in 't piquet fpel) ; faire cap(^ «
alles winnen-^ ü deffieore C8pot/*y
verlieji alles^ '^
' - ■%
/'
CAP. CAQ.
Câpre, (f) Een kappftr ^ {vrugt).
Câpre, (m) Kaaper ^ Zee-roover.
Caprice , (m) Eigenzinnigheid fjiyf-
ioppigheid; poètifche inval (f).
Capricieufera»nt, (adv.) Koppig-
lyk.
Cipricieux , eufe (adj.) Eigen-
zinnig.
Capricorne , (m) Steenbok , item een
der 12 Hemel s-teknen.
Câprier, (m) Kapper-boom.
Capriole. {Zie Cabriole).
Capron , (m) Eniplfche aardbezie.
Capfule , ( f ) Zekere aarde pot tot
(te fchêi ~ kunde {va) j klok ~ buis der
vruthten,
Captateur , (m) Een die in eene erffe-
nis weet in te Jluipen.
Capter ,_(v. a.; {oud w.) capter
ou concilier la bienveillance , de
genegenheid inwinnen,
Capcieulement, (adv.) Lijîiglyk.
Captieux, eufe (adj.) Bedriûglyk,
Captif, ive (adj. & fubA.) Ge-
vangen; een jlaafy racheter les cap-
tifs, de Slaaven vry koopm.
Captiver , (v. a.) Bedtvingen , onder
werpen -f captiver l'efprit ? het ver-
jïand gevangm neemen ; captiver
queicun , iemand verliefd maak/n.
Capciverie ,{£) Slaaven-handel {m).
Captivité , ( f) Gevankelykbeid ,
Jlaavernye , dwang.
Capture, (f) Roof, buit; gevan-
gen-neeming {in Recht,).
Capuce , ( f) Francifcaner-kap,
Capuchon, (m) Monniks.kap yreis^
muts , karpoets-muts { £).
Çapuchonné, (adj.) Zoodanig ge-
mutji.
Capucin, ine (m. & f.) Kapucy-
ner ' Monnik - Nonne.
Capucinade, (f) Slegt aan mal-
kander hangende redenvoering.
Caquage, (ra) Haring-kaak in^ (f).
, Caque, (f) Een tonnetje y Haring
. bonnetje {r\).
\ Caquer , (v. a.) Den Haring in
tonnen doen , kaaken.
CaqueroUe , ( f) Kopere vifcb-pot.
/Caqaefangue ,{£}{boert. w.) Bloed-
Uquet, (m) Qefnapy geklap y ge-
CAQ. CAR. 105
kakel'; avoii .^ caquet bien atii-
lé, een gladde bek beoben; rabait;e
Ie caquet de queicun , temanJ de»
viond Jhoeren.
Caqueter, (v, n.) KJappen , /nap-
pen; kakelen als de Exters.
Caqueterie , ( f) Klappery , /«op-
pery.
Caqueteur i euié (m. & f.) Snap'
per , fnapjler.
Caqueioire, (f) ^rmjioel, rnjï-
JljL'l (m) ; klap bankje , ploeg^bankje
(n).
Caquette, (f) Vifch-vaatje (n),
Caqueur, (m) Haring kaaker.
Car, {koppel-w.) IVant.
Carabin , (ra) Karabinier.
Carabinadé , (f) Karabinigrs
zwenk met het paerd.
Carabine , (f) Karabyn.
Carabiner, (v. n.) Met karabynen
fcbieten.
Carabinier. {Zïe Carabin).
Carache , (m) Tol ^ die de Chrijlc
nen den Sultan betaalen moeten.
Caracol (ra) ou caracole , (f) Zwen-
king 5 cmrenning , omwending van
een paerd (f).
Caracoler, (v. n,) Qmrennen met
een paerd.
Caracoaler, (v. n.) Korren als <h
Duiven,
CaraAére, (m) Boekjlaaf, Letter
{Î); merkteken {n); kar afi er -letter ;
hoedanigheid van iemand ; iemands
fchrift; Ie plus beau caradére de
Ja vertu c'ell l'humilité , het bejie
kenteken der deugd is de nedrigheid.
Caradérifer, (v.a.) Den aart of
hoedanigheid van iemand befchryven,
Caraàériftique , (adj.) Dat de ei-
genfchap van iets aanduid.
Carafe, (f) Zekere vies met eeë
langen hals.
Carafon, (m) Koel-vat (n).
Caramelle , (m) Bruin gezoden»
zuihr.
Caranguer , (v. n.) Arbeiden (Ma^
troozen w.)
Carapace , (f) Buitenjïe fchaal
eener Schildpad.'^
Caraque , ( f) Een kraak {vaartuig)»
Carat , {tri) Karaat {zeker goud ge»
wigt van 34 in efo mark),
Q 5 Cara-
loö CAR.
Caravane , (f ) Reis gezelfchap(n),
Karavaan (n).
Caravan fera, (ra) Herberg voor de-
zelve.
Caravelle , ( f) Karveel (fchip).
Carbatine , ( f) Een vers afgevil-
de huid.
Carbet, (m) Groot e hut der Wil-
den ( f).
Carbonnade, (f) Geroojl vteefcb
(n'.
Carbonnelle , ( f) Karbonkel , pejl-
buil.
Ckrbouilïon , (m) Tol van 't zout
in Normandien»
Carcailier, (v. n.) Sshre^un^n als
een Quartel.
Carcaife , ^f ) Glas-oven (m)
Carcan , (m) Een hals-band , hals-
keten.
CarcafTe , ( f ) Groot e vuurkogel;
romp , rif, geraamte van een dier ;
een mager menfch ; geraamte , lyk ,
romp van een fchip -^ (ook rouche ou
ruche genaamd).
Cardamine , ( f) Water-kers.
Cardafle , ( f) Groote kaarde.
■ Carde, (f) Wol kaarde.
Cardéé, (f) Een kaardfel (n).
Carder, (v. a.) Wol of zyde kaar-
den. ,
Cardeur , eufe (m & f.) Kaarder,
Kaardfier.
Csrdialgie, (f) Hartklopping , be-
naanwdheid (in Geneesk.)
Cardiaque , (adj.) Hartjlerkend.
Cardier, (ra) Kaarden-maaker.
Cardinal, (m) Een Kardinaal -^ ze-
kere kaarde om de vleug op laken te
geven.
Cardinal , aie (adj.) Les vcnts
cardinaux, de hoofd-winden', vertus
cardinales, hoof J- deugden.
Cardinalat , (m) Ka rdinaalfchap (e).
Cardinalisme , (m) Kardinaals
Jlavd.
Carême, (m) De vafien, vafientyd.
Carême-prenant, (m) Vafîen-
avond; vajien-avond gek.
Carénage , (m) Plaats om te kiel-
haaien.
• Carêne , (f) De kiel, bodem van
f^en fchip', donner la carêne à un
vailTeau ba wèure un vaifleaa en
CAR.
carêne, een fchip kiel baaien, om te
kalfatcren , fchoon te maaien.
Carêner , (v. a.) Een fchip kiel-
haaien, ka (fat er en.
Car e riant, an te (adj.) Liejkoozend^
fireelend,
CareiTe , (ï)Liefkoozing ,Jireeling,
Careffer, (v.a ) Liefkoozen ,Jireelen,
Caret, (^le Carret).
Cargaifon ,(i)De laading van een
fchip.
Cargue , (f) Gy-touw , gording ,
(fcheepsw.) cargues joints ,raab an.-
den of gorden.
Carguer , (v .a.) Opgyen , zeil min"
deren , opwinden ; item op zy zeilen >
hellen, krengen. ,
Carguebas. (Zie Calebas.
Cargueur , (m) Bramzeils-valbloL
Carie, (f) Verrotting , ineeting
der beenderen.
Carié, ée (adj.) Du bois carié,
verivormd hout.
Carier , fe carier , (v. r.) Rotten,
in-eeten'f ce bois fe carie, dat hout
word wormjieekig.
Carillon, (f) Wagentje met twee
wielen f ko etsje (n).
, Carlingue , ( f ) Kolfem , zaadhout y
tegen kiel van een fchip.
Carmélites, (f) Carmeliter Nonnen,
Carmes, (m) Worp van twee vie*
ren in tik-tak (n).
Carmes , (m) Carmeliter Mor.nikken,
Carmin, (m) Fyne roode verf(£),
Carminatif , ive (adj.) Wind-ver-.f
dryvend (in Geneesk.)
Carnage , (m) Slagting, neérlaagi.
({), bloedbad (n).
Carnaflïer , iere(adj.) Bloedgte'
rig, vleefch-eetend ; leloup eft fort
carnaflïer , (/^ Wolf is een verflindend
dier.
Carnation, {£) Vleefch-verwe,
Carnaval , (m) De vleefch- offlemp-
tyd(£) yvaflen-avonds vermakelykheid»
Carne, (f) Scherpe kant of hoek
van een tafel , fleen , enz.
Carné, ée (adj.) Vleefch^verwtg.
Carnele, (f) Rand om munt-fiukj
ken (n).
Carneler, (v. a.) Munt-randen.
Carnet , (m) Koopmans hand-/ of
fcbuld-boek* l
CAR.
Camîfiration ^{{)yieefch-<VQrding
der beenderen.
Se carniûer^ (v. r.) Tot vleefch
worJetJ.
Cirnofité , ( f ) ff^ild vleefch dat in
wonden is (n).
Carogne , ( F) Allemans-boir , looze
jeek..
Caron , (m) Zy-fpek (n); de l'eer-
tnan van het ryk d-^r dooden (by Poëten).
Caroncule, Klicrachttg vP'ej'b(n).
Carotide , ( f ) Halt- of pols-
ader.
Carotte , ( f) Geele peen ; Tabaks-
carotte.
Cirotter, {y»n,)Bang in het fpee-
Un zyn.
Carottier, ier€(ra. & f.; Een die
niet waofen wil.-
Carpe , C^) ^^^ karper, {zekere
vifcb) de voorhand (in heelk.).
Carpeau , (m) Een jonge karper.
Carpette , ( f) Pak-linnen (n).
Carpillon , (va) Een kleine karper.
Carquefe, (m) Een calcineer-oven.
Carquois, (ra) Pyl-koker ; Scheeps-
mars.
Carre , (f) Het bovenfle van den
hol van een hoed (T\)y de neus van een
fchoen of leeji (w).
Carré , ée (adj.) (2^ie Quarré).
Car f eau , (m) Een vierkant (n) j
fj« glaaze ruit (f); ruit (in Jloffen);
ruiten (in het kaart-fpel) j rajp-'oyl ( f)
(by Smits) ; vierkante vloer-Jleen, mop\
tegel-, vierkante oven (m)(by Potteb ))
pers-yzer(bySnyders)', tuin-bed ; zit-
of naai'kujftn (n)', djnder fleen (ra);
berghout (n)(infcheepsb.)f vloer fjïraat
( f) j jett^r fur le carreau , op den
grond werpen; coucher fur le car-
reau , op de flraat flaapeu.
Carrefour, (m) Kruis-iveg.
Carréger, (v. n.) Laveeren^kruis-
fen (in de middel, zee).
Carrelage, (m) Plaveifel (n).
Carrelé, ée (adj.) Geplaveid.
Carreler , (v. a.) Vloeren plaveien.
Carrelet , (m) Een fchol ( zeker
vifch) ; een fchoen-maakers naald.
Carrelette , (f ) Een glad-vyl , zoet-
vyl (by Jloot'tnaakers).
Carrelear, (m) Een vloer legger;
fchoenlapper.
Carrelure, (f) Het vloeren; het
CAR. 107
lappen van fchuenen (n); une bonne
carrelure de ventre , eene goede
maaltyd; een goea'e maag .vol.
C^rrtt, (en) Seizing , draad uit
oud toww-werk ; fchitdpad.
Carrier Î (ra) Steeu-breeker in een
groef; handelaar m Jieen.
Carrière , (f) Loopbaan ; fleen groe-
"y^ <^)'> peen-gruis in een baas; fe
donner carrière , zich goedf daagen
qeeven; achevé» , fournir fa carriè-
re, zyn levensloop eindigen; ouvrir
uneoeile carrière, eene fraaye floj^e
voordraagen.
Carriilon, (m) Klokken-fpel ; bet
beyeren der klokken ; het khnken der
glùazen ; geraas (n).
Carillunnement, (ra) Het fpeelen
der klokken (n).
Carrilionner, (v. a.) Met de klok^
ken fpeelen.
Carrofle , (ra) Eene koets , karos;
carrofTe coupé , eene halve koets mep
eene zitting ; cheval de carroffe,
een koeas-paerd -, een grof onverjlandig
f^enfch. J s
CaTTe{rierf(m)Een koetfen-maaker»
Carroufel, (m) Zeker ry- of rid'
ders-jpel Cn).
Carroufle , (f) Faire carroulfej
braaf drinken.
Carfaye , (f) Karfaay (zekere
fioffe).
Cartahu, (m Eenfcheeps-karnaat
touw (n).
Cane , ( f ) Speel-kaart j carte géo-
graphique , land-kaart ; carte mari-
ne , pas-zee-kaart , méler , couper,
donner les cartes, de kaarten ver-
fchieti», afneem n , geeven; être le
premier en carte , het eerfie om te
fpeelen zyn; donner la carte blan-
che à quelcun, iemand volle vry
heid,magt geeven; les cartes font
brouillées, de zaaken zim 'er ver'
ward uit.
Carteaux, (ra. pi.) Boek tnet zee-
kaarten.
Cartel , (m) Een uitdaag wgs-brief;
cartel ter ui twijfeling der krygs-ge^
vangen un.
Cartelette , (f) Dunne fcbaîte»
Jieen.
Cârtelle, (S) Dikke plank daar dt
mohnjleenfn op rujifn } fgn zwalp. .
Car-
108 CAR. CAS.
Cartier, (m) Kaarten-maaier-
of verkoop er.
Cartilage, (m) Het kraakbeen {In -
OtitheJk.) (n).
Cartilagineux, eufe (adj.) Kraak-
beenig.
Carcitarie , ( f } Zyde- gouS- of
xiher-dra.^d tot borduur zverk (m).
Carton, (m) Bord- kaart- kardovs-
papier (n).
Cartonnier, (m) Kardoes- bord-pa»
pier- maaker- i-trkooper.
Cartouche, (m) Kardoes', fchroot-
bus (m) ; patroon op een roer ; loof-
Mierk om een wapen (n).
Cartulaire , (m) f^erzameling van
brieven en oirkonden eenes kloojjers of
kerk.
Caryatides , (f. pi.) Frouiven beel-
den met lange kleederen {in Bouwk.)
Cas, (m) Zaak^ handel , daad (f ) ,
geval (n) ; cas criminel , flrafbaare
zaak', cas de conscience , gewet en s -
geval Î vilain cas , fchandelyke daad ;
trifte cas, droevig geval ; faire cas
d'une perfonue , werk van iemand
maaken; cas, naamval, cafus;(»«
fpr. k.); en tout cas, in alle geval;
en cas , ingeval; pofé Ie cas, que .. .
gejield, qenoomen, dat . . .
Cafanier, iere (adj.& fubfl.) Een
ajfchen-vryfler , kluifenaar; via cafa-
niere , een t' huis beminnend leeven.
Cafaque , ( f) Eeii Reis-of regen-rok
(m); tourner cafaque, zyw rokje om-
keer en , van Godsdienji veranderen.
Cafaquin, (m) Een eng rokje, jak-
Cascade , (f) Waterval; onbezon-
nenheid, overhaajiing.
Cascanes, (f. pi.) Gragten om de
vyandelike mynen te ontdekken.
Café' ( f) Hut; ruit van een dam-
'hord. '
Cafemate , ( f ) Moord-kelder , ver-
Wilf onder de wa/, kazemat {inFes-
tingb.)
Cafematté, (adj.) Gekazemat.
Cafer, (v. n.) Dammen, {in tik
tak).
Caferette , (f) Een kaas-vorm.
< Caferne , ( f) Soldaaten hut by de
wal.
Caferner, (v. a.& n.) Zulke bat-
un maakea of(iaar Ui woonen»
CAR. i
CafiUeux, eufe(adj.) ^roor,//)r<jl, '
{by Glazem.)
Casque, (np Helm ; Jlcrmhoed % ü
en a dans Ie casque , hy is befchonken ;
■daariseenfchroefby hem los, { fpr. w.)
CafTade, (fjDonneur decanaties,
bedrieger , die iemand ittsop de mouw
fpéld.
Cartaille, (f) De eerjle ploeg'mg
van nieuw land ,opfc beur ing.
Cafla n t , a n te (aü j .) Bros , broos , dat
ligt breekt.
Canration, (f) 4fJ'chaff.iig, Me
van vernietiging {in Rechten),
Cafle , ( f) Pennebakje ; Zetters Let-
ter-kas ; Gottdfmids frneltkroes ; kajfte
{een Geneesmiddel) ; voix cafle &c
débile , een' zagte , zwakke Jiem.
CafTé, ée (adj ) Gebrooken; zwak y
un homme cafl'é , een afgeleefd man ;
ton cd.Ç?é , zzvakke Jïem ; privilège-
cafle, vernietigt voorregt.
CalFe-cou ," (m) Een gevaarlyke
plaats.
Ca/re- cul, (m) Een zivaare val op
den aars.
Caffe-mufeau , (m) Een zwaarejlag
op den mond.
Cafle -noifette, (m) Een Nooten-
kraaker. ^^
Cafl'enolle, (f) Ga l- appel , tot '
verwen.
Cafi^er, {\'.z.) Breeken; cafl"er une
fentence, een vonnis vernietigen; cas-
Ce r un valet, <^^«' k^egt afdanken;
fe cafl'é r, (v, r.) gebrooken worden;
zwak worden.
Caflerole , (f) Een kopere pan^
kaflTerol.
Cafl'eron , fm) Vliegende Vifch.
Cafl'etée, (f) Een kas vol.
Caflle-tête, (m) Iets dat den kop
breekt ; wyn die hoofdig is.
Ca,ffetin,{m)yakje derLetter-kas {o).
Ca(rette, {f )Klein kasje{n).
Cafleur, (m) de raquettes, een
pocher , fnoever.
Caflïdoine , (f) Kalcedonie-feen,
Caflie, (f) OU caffxer ,{xà) Kajfi en- *
boom{m).
Caflïne, (f) Eenzaam Land-buis
{n),hut{€}.
Caflb lette ,( f) Metaale reuk- ofwte-
rook-vat; Balzem- of reuk-doosje (n) .
aangena&me , Ueffelyke rguk (m)-
Cag-
CAT.
Caflfonade , ( ra ) Meel zuiktr ,
I^elis.
Caflure, (f) Breeking , breuk in
kling of mes.
Caftaignette, (f. pi.) Klaphoutjes,
die de Mooren in 't danfen gebruiiten.
Caftagneux , (m) Een Duiker.
{Zie Plongeon).
Cartel , (m) Ken klein kajîeel (n).
Caftelogne , ( f) tene zeer fyne
ivolle deeken.
Caftille , ( f) Twijl onder huis-ge-
nooten.
Caftine , ( f) Speen-aarde om yzer
te doen fmelten.
Caftor, (ra) Ean Bever , fyne hoed.
Caftor & pollux, (m) Tweeling in
den dierenriem {in 6terretik.),
Caftorée, (f) Bévtr-geil.
Caftramétacion , ( f ) Konjl om een
Léger wel te plaatzen [by de Romei-
nen).
CafualÏté, (f) Toevalligheid.
Cafuel, elle (adj.) Gevallig; Ie
cafuelj het toevallige; caihel , kafua-
ris {Ind. yogel).
Caruellement , (adv.) Givalttglyk,
toevalliger wyze.
Cafuitte, (m) Een geweetens uit-
legger. ,
Catachrefe, (F) Misbruiking van
een woord {in fpraakk.).
Catacombes, (f. ^\.) Onderaar d-
fche begraaf-plaatzen.
Catadoupe , ( f) Waterval ( m ).
{Zie Catara^e).
Catafalque , (m) Pragtige tombe
op de Lykjïaatfie van een l^orfl.
Catagmatiques, (m. pi.) Artzeny
om hemen te heelen.
Cataleftes, (m) Een onvolkomen
werk der <juden (n).-
Catalepfie, (f) Beroerte tn het
hoofd.
Cataleptique , (m. & f.) Een ge-
raakte üp die wyze.
Catalogue , (m; Naamlyjl ( f) , Ca-
talogus (n).
Catapelte > C^) Zekere flraf aan
Misdadigers voor deezen , met dezelven
tuffchen twee planken te klemmen,
daar na aan de voeten op te hangen
en vervolgens te verbranden.
Cataplasme , (m) {leet Cataplâme)
CAT. 105»
Pap van kruiden om op een gezwel te
leggen.
Catapulte , (f) Een foort van
krygstuig der ouden om zwaare pylen y
fchigten mee te fchieten.
Catarafte , (f) IVaterval ( ï)',vlie$
op de oogen (n).
Catarre ou cacerre , (m) EeH
zinking ( f),
Catarreux , eul^ (adj.) Met zin-
kingen onderworpen.
Cataftrophe, (f) Droevige uit-
kamjl , einde , onver wagt geval.
Catéchiièr , (v. a.j In 't geloof on-
dtrwyzen, Katechizeeren.
Catéchisme , {m)Geloofs onderwys
{n), Katechismus (m).
Catéchifte , (m) Gehofs onderury-
zer.
Catéchiftique , (adj.) Geloofs o«-
derrigtend.
Catéchumène , (m. & f.) {lees Ka-
tekumene) Geloofs -leerling , Kate-
chifant, Katechifante.
Catégorie , (f) Ordenfchikking
der dingen; Qtre de même catégo-
rie , van het zelfde fiort zyn ( tn Lo-
gica).
Catégorique, (adj.) Reponfe ca-
tégorique, gepaji antwoord.
Catégoriquement , (adv.j Behoor-
lyk , ge -aji.
Cathédrale, (adj.) Eglife Cathé-
drale , hoofdkerk.
Cathédranc, (ra) Praefes by ee%e
oratie.
Cathédratique, (adj.) Dat tot ie
hoofdkerk behoord.
Cathédrer , (v. n.) l^oorzittiK .,
Praefes zyn.
Cathéter, (m) Een kromme huk,
om de water loozirig te bevorderen f^zr
theter.
Cathétérisme , (m) Operatie iiiar
meed e {t).
Catholicisme, Cm; Di- algemeene
Chrijïelyke her.
Catholicité, (f; Het waar e geloof
(n).
Catholicon , (m) Een algemeen
afdryvend middel voor quaade logten.
Catholique, (adj. & fubtt.) y^lge-
meen , regt gelovig ; un catholique à
gros grains , een gract yveraar,
C»-
iio CAT. CAV.
Catholiqueraent , (adv.) Regtge-
hovigy opregtelyk.
Caci , (m) Glans geeving aan Jlof-
f en.
Cadche, (f) Otter- hol (n).
Catimini, (adv.) {gem. w.) Hei-
viplyk , onvermoedclyk.
Catir, (v. a.) Persfen.
Cati fleur , (m) Een Pers/er.
CsLtoiptviqwd , (f) Spiegel-kuude.
Cacopcromancie, ( fjrf^aarzegge-
ry door een fp.egel.
Caitcroles , (f. pi.) Konyn-holen.
Cavalcade , ( f; Ryding , pragtige
cptogt te paprd.
Cavalcadear, {m)Beryder^ Pikeur.
Cavalerie , ( f) Rumry.
Cavaïet, (ra) Het dekzel van een
fmdt-oven.
Cavalier, (m) Een Ruiter \ Rid-
der y Kat {in yefliwgb.)'^ il eft bon
cavalier, hy zit wel te paerd.
Cavalier, iere (adj,) RiJderlyk,
ridderlyk ; Jloutelyk j mine cavalière ,
vrypojiig gelaat j à la cavalière ,(adv.)
f^ry , onbedwongen.
Cavalièrement, (adv.) Vrypojlig-
Jyk , vry , zonder omxvegen.
Cavalle, (f) Eene Merrie.
Cavalquet , ( m ) Trompetters
marfcb.
Cauchemar, (m) Nagt-merrie ( f).
Caudataire , (m) Sleepdrager.
Caudé, ée (adj.) Dat een Jiaart
heeft (in Wapenfcb. k.).
Cave , (adj.) La veine cave , de
holte lever ader.
Cave , ( f) Een kelder (m) ; fles kel-
dertje (n) j cave à vin , wvn-kelder.
Caveau, (m) Keldert je (n)j Graf-
kelder (m).
Caveçon. {Zie Cavefl'on).
Cavée , ( f) Een holle lue^ (m).
Cavehanne , ( f) Turkjch koffy
huis (n).
Cavelin , (m) Eene kaveling van
waaren ( f).
Caver , (v. a.) Uithollen ; het lig-
ehaam buigen {in fehermfch.)-, de bank
houden tn 't fpeelen.
Caverne , (O Eenfpelonk (f), hol{n).
Caverneux , eufe (adj.) Veine ca-
yerneufe, holle ader.
Cavernofité. (f) HolUgheid,
CAV. CAU.
Caveflbn , (ra) Neus-band, neus-
pranger, kaperjon voo* paerden.
Cavet , (ni) Hol fnywerk op py
laaren.
Caviar , (m) Kavtar {gemaakt van
kutt van Steur).
Cavillatiun,(f) l^alfch bewys-Jiuk,
(argument) (n), drogreden (f,.
Cavin , (m. Holle of bedekte weg
(in Krygsk.).
Cavité, (f) Holligheid.
Câufal , aie (adj; f^eroorzaakend
{in Spraakk.).
Caufalité, ( f) Oorfpronk (m).
Caufatif , ive (adj.) Dat oorzaak
aanduid {infpr. k.) als : car , want enz,
Caufe , ( f) Oorzaak , grond, Je huid-,
reden; regt^-zaak-geding , c^ak phy-
fique , morale , natuuriyke , zedelyke
oorzaak -y être pour la bonne caufe,
zio by 't geene recht is houden , voor
de goede zaak zyn; caufe premiere ,
féconde, efficiente, matérielle , fi-
nale , eerfle , tweede , werkende ,
jîoffelyke, eindelyke oorzaak ; à ces
caufes nous &c. {Rechtsw.) zoo is 't
dat wy enz. plaider une caufe , eene
zaak bepleiten ; donner gAÏn de cau-
fe , een zaak gewonnen geeven ; per-
dre fa caufe, zyne zaak verliezen ■ à
caufe, (voorz.) ter oorzaak; à caufe
que, (koppelw.) om dat , à caufe de
moi, om mynent willen.
Caufer, (v. a.) Veroorzaaken.
Casfer, (v. n.) Praaten, kouten,
Cauferie , ( f ) Gekout , gepraat (n).
Cau Peu r , eufe (C. &c ad j .) Praat er ,
praatvaar j praatjïer ^praatmoer , ï'a- "
mour ellcaufeur, de liefde is praat-
agtig.
Caufticité ,( f ) Brandende kragt.
Cauftique , (adj.) Ineetend, bran-
digy ligne cauftique, brandpunt in
een brandglas ; cauftique, bits , fchen-
dendf eerrovend.
Caatéle , ( f ) {oud w.) Loosheid.
Caoteleufement , (adv.) Lijlighk,
Cautel eu X , eufe (adj .) Lljiig , door-
trapt , fnedig.
Cautère , (m) Een fifiel ( f ) , cok
bet yzer daar ze meê gemaakt word
(n).
Cautérifation , (f) Het zettenvan
een fijiel,
Cau-
i
CAÜ.CE.CEA.CEC.CED.
Cat-tériré, ée (adj.) Confcience
cautéi vfée , toegejchroeid gewijfen.
Caucérifer, ( v. a. ) Branden,
Jchroeiert j een fijiet zetten.
Caution, (f) Bürgtogt , caution
folidaire , borg voot het geheel (in
folidum); être caution, borg zyn;
élargir Tous caution y onder borgtogt
ontjlaan; être fujet à caution, niet
zeer te vertrouwen zyn.
Cautionnage. , {va) Borgt ogt ge-
ving (f).
Cautionnement, (ra) Borgtogt (f),
verzekeringS'brief (m).
Cautionner, (v. a.) Bcrg blyven,
voor iemand injiaan»
Ce, cet, cette, (pron.) Deeze ,
die , dat , het -, ce garçon ci , deeze , die
jongen f cet homme là, deeze y die
man-, cette femme , deeze , die
vrouw; ce qu'il vous plaira, het
geen u believen zal; ce que je n'y
vai pas, c'efl: que je &c. de reden
waarom ik 'er niet gaa , ii dat ik enz.
à ce que je vois, na dat ik zie ; à
ce que j'apprend , achtervolgens , of
volgens het geene tk verneem; ce me
femble , my duvkt; ce font d'étran-
ges gens, bet zyn wonder lyke lieden ',
ce n'eft pas que je ne ^Miff^t ^ het is
niet dat ik niet kan j c'eft moi , ik ben
het ; c'a été voua , gy zyt het geweeji.
Céans , (adv.) Bier binnen ; ie maî-
tre eft il céans ? is de meejler t' huis?
Ceci , (pron.) Dit , deeze zaak , dit
ding.
Cécité. (Zie Aveuglement).
Cédant, ante (adj) Die tets af-
Jiaat.
Ceder, (v. a.) Wyken , afjlaan;
ceder fon oroit, zyn regt afjiaan ,
overgeeven ^ ceder k ia force ^ voor 't
geweld wyken; il lui cede en éru-
dition , hy is zoo geleerd niet als hy.
Cedille, (f) Tekentje dat men in
de franfche taal onder een c zet ; by
voorb ) r< ÇÛ ; bekomende dan de uit-
fpraak vas een f.
Cédrat, (m) Zeker welriekende Ci-
troen-boom .
Cedre , (ra) Ceder-boom.
Cedrie, (f) Ceder-harjl.
Cedule , (f) Een ceel^cedulle (f),
krïefje',.handfcbrifi{ïï).
CEL CEL. III
Ceignant , ante (adj,) Omgorden-
de , omvattende.
, Ceindre, (v. a) Gorden, omgor-
j den-, aangord.'H.
j Ceint , ie (adj.) ^angegordt.
I Ceintes, (f. pi.) Berghouten van
I een jchip.
Ceintrage ou cintrage,(m) Scheeps-
touw er k , om te gorden , vajl te- for ren,
Ceintre. {Zie Cif.tre).
Ceinture , ( f ) Gordel riem , gor-
del; broek-band {m) ; het middel-lyf
(n)j hand of lyfi {in Bouwk.); bonne
renommée vaut mieux que cein-
ture dorée , een goede naam is beter
als olie {Jpr. w.)
Ceinturette ,( f ) Een Jagers hoorn-
riem {va).
Ceinturier, (m) Gordelmaaker.
Ceinturon , {ni) Gordel, draag-
band, degenriem.
Cela, (prcn.) Dat-, ceci & cela,
dtt en dat.
Céladon , (m) Zee~groen (verf).
Celé, ée (adj.) Verborgen.
Célébrant, (ri:) Priefter die den
dienji doed.
Célébration, ( f) Viering,
Célèbre, (adj.) Beroemd, ver-
maard; vterlyky.plegtig.
Célébrer , (v. a.) Roemen , pryzen^
verkondigen; célébrer les louanges
du Seigneur, des Meeren hf vermel-
den ; célébrer Ia mefle , de mis vieren.
Célébrité , ( f) Beroemhkhetd , ver-
maardheid; plegtigheid.
Celer, (v. a.) l^erbergen, verhee-
len , geheim houden.
Céleri, (m) Sellery (f) (plant).
Célérité, (f) Gezwindheid, fpoed'
cette affaire demande célérité, die
zaak vereifcht fpoed.
Célefte, (adj.) Hemelfch i elohe
célefte , hemel - kloot.
Céleltin , (m) Celefliner Monnik.
Céliaque, (f) Zekere loop , waar
door defpys half verteerd, ontlafl.
Célibat, (m) Ongehuuwde Jîaat .
Célibataire, (m; Een or.gebuuwd
perfoon.
Celle. {Zie Celui).
Cellerage, (m) Impoft op kelder
wyn,
Cellérerie , ( f ) Keld&rmeejierfchap»
Cel-
ïia CEL. CEM. CEN.
Cellérier , iere ( £ ) Kelder'inepjler-
Meejlérejfe. ^
Cellier, (m) Spys -kelder.
Celiule, (m) Eene celle (f), klein
kamertje; vakje; landje in een kiji of
kaf}; byèn celletje {n).
Celui , (m) c^lle {?) -, ceux , cel-
les {^\.) {^ron.) Deeze ^ die, d.it ;
celui qui , celle qui , de geene die,
celui ci , celle ci , dceze , of deeze
hier; ceux là, celles là, die , of die
daar.
Cernent, &c. (Z/>Ciment, enz.)
Cénacle, (m) Avondmaal -kamer
onzes Zaligmaakers.
Cendre, (f) Afch; Ie jour dès
ceudi es , afchdag ; cendre gravelée,
potafch ; cendre de plomb , fchiet'-
hagel.
Cendré, ée (adj.) /ifch-verwtg.
Cendrée, (f) LooJphuim; fchiet-
hagel.
Cendreux, eufe (adj.) Beafcht.
Cendrier, (m) Âfch-vat , afch-tony
afch-gat; afchen-vyjler ; cendriere ,
( f ) afchen-vyjîerfche.
Cène , ( f ) La fainte cène , het bei-
ge Avondmaal , Nagtmaal.
Cénelle , ( f ) Hulfl-bézie.
Cengle, &c. {Zie Sangle).
Cénotaphe , (m) Ledig praalgraf
(n).
Cens , (m) Leenrente , grondpagt ,
grondfchatting , cyns ( f ).
Cenfable , (adj.) Cynsbaar.
Cenfal , (adj.) Makelaar in de
Levant.
Cenfe, (f) Pachthoeve , pachtgoed.
Cenfé , ée (adj.) Cela eu: cenfé
légitime y dat word voor wettig geagt,
gehouden.
Cenferie, (f) Makelaardy.
Cenfeur , (m) Berifper , hefiraffer ,
opziender ;Q.enïe\xv des livres, è^oor-
deeler , Vifitator der boeken.
Cenfier, (m. f. & adj) Grond-heer,
Land-v er pachter ; Land-verpachfler ;
f tem Pachter, Pachtfler daar van»
CenQcaire , (m) Een-Cyns-man.
CenGte, (adj.) Daar Cyns , pacht
van betaald moet worden.
Cenüve, (f) Cynsbaar beid.
Cenfivement, (adv.) Cynsbaarlyk,
Cenfurable, (adj.) Beflrafbaar,
Cenfiire, (f) Befïraffing.
CEN. CEP,
Cenfurer , (v. a.) Bejirafen',heQor'
deelen.
Cent , (adj. & fubft.^ Honderd-,
cent fois, honderd maal; il y en
eut cent de tués, daar wierden 'er
honderd van gedood; cela fe vend
au cent, dat zvord by 't honderd
verkogt ; cinq pour cent, vyf ten
honderd.
Centaine, (£) Honderd fluks.
Centaure , m) Een Paer4-menfch,
centaurus {by de Dichters).
Centaurée , ( f) Santorie {Genees-
kruid).
Centenaire, (adj.) Honderd jaarig.
Centenier , (m) Hoofdman over
honderd.
Centième, (adj.& fubft.) Honder-
Centon , (m) Soort van Poëzy uit
verfcheide Schryvers getrokken.
Cent-pieds , (m) Een Slang ( hon-
derd voet genaamd).
Central, aie (adj.) Le feu cen-
tral , het vuur in het middelpunt der
aarde.
Centre , (m) Het middelpunt ; cen-
tre de gravité , het 'middelpunt der
zwaarte ; éiTQ à.?ins fon centre, iets
daar men zyn behaagen infchept.
Centrifuge , (adj.) Dat zig van 't
middelpunt verwyderJ.
Centripète, (adj.) Dat na't mid-
delpunt neigt.
Cent-iojiTe, (m) Een van de Zwit-
zerfche Lyfwagt.
CentuEïvir, [m)^Een van de hon-''
derd mamun eertyds in Romen, ,;
Ceutumviral ,ale (adj.) Dat daar'],
aan behoorde.
Centuple, (ra) Honderd voud (n). ^ '
Centuriateur , (m) S^bryver der
Kerk -gefchiedeniffen .
Centurie, (f) Bende van honderd
man {by de Romeinen).
Centurion. {Zie Centenier).
Cep , (m) Een wynjiok.
Ce pees, (f. pi.) Scheutelingen van
een afgehouwen boom.
Cependant, (adv. & conj.) {lees
Spandang) Middelerwyl^ onder tus.,
fchen ; nogtans , echter , evenwel ; at- :
tendez un peu , j'écrirai cepen- ,
dant , vuagt e m weinig , jk zal onder-' \
tujében ^
CEP. CER.
fujjcben fcbryven • cela e^ vrai ace-
pendant vous ne voulez pas le
croire , daf is waar , en evenwel
wilt gy het niet gelooven.
Céphalalgie, (f) Kleine Hoofdpyn,
Céphalique, (adj.) Veine, pou-
dre céphalique , hoof J-ader-) poejef.
Ceppeau , (m) Mum-blok.
Ceps > (m) Boejen j blok , waar mei
of waar aan de gevangenen gekluiflerd
at'orden.
Cerac, (m) IFafch-zalve (£).
Ce ration , (f; Toebereidtng der
Jloffen tot fmelting.
Ceratoglcfle , (ra) Vleefch-fpter tot
beweging der tong {m Ont leedk.).
Cerbère , (m) 'De helhond Cerbe-
rus met 3 hoofden (by Heidenfche Dig-
ters).
Cerce. {Zie Cerche).
Cerceau, (m) Een hoep^ hoepet;
fuik {vogel net) ; chaffer un cerceau,
f en' hoep aandryven.
Cercelle, {ï) Een Taaling.
Cerche, (f) Boog-hoepel {m)waar
op een verwulf gemaakt word.
Cercle, (m) Kring , ring y cirkel,
kreit z y hoepel 'y chercher la quadra-
ture du cercle , iets zoeken dat. men
niet vinden kan; cercle de la Reine,
de opwagtinge der Konïnginne.
Cercler, (v. a.) Met hoepen beleg-
gen.
Cerclier, (m) Een hnepmaak?r.
Cercueil, (m) Dood-kiji , Lyk.kijl
(O; graf{n).
Cérémonial , (m) Ceremonie-boek
der Kerke (n).
Cérémonie, (f) Dienjïpleging ;
plegtigheid; kerk-gewoonte ; fans cé-
rémonie , zonder pUgtplegingen, zon-
der cmjlandigheden.
Cérémonijl , elle (adj.) Dienjl-
pligtig , kerk-gewoontig ; la loi céré-
inonielle, de ceremonieele , fchaduw-
agtige w'et.
Cérémonieux , fe (adj.) Esn die al
te veel omjlandigheden maakt.
Céres, (f) f^rugt^godinne (by de
tieidenen).
Cerï, {m)Een hert (n); courre le
cerf, een hert jaagen.
Cerfeuil, (m) Kervel {een kruid)
' CER. 11%
Cerf- volant, {m)Een hêverjchah
lebyter ; een vlieger {kinder fpeeltuig),
Cerifaiè , ( f; £en kerjfen- bogaard
(m).
Cerrife , ( f) Een kers , kriek,
Cerifier, (m) Een kerjjen-boom.
Cerne , (m) Een ring onder 't oog%
omtrek, cirkel; tover-cirkel.
Cerné, ée (adj.) ïi^s yeux cer-
nés , hlont en blaauwe oogen , ( zie
verder Cerner).
Cerneau , (m) De pit , kern { f)
van een noot ; kerjfen-jieen (n).
Cerner, (v. a.) Ergens een ring
omtrekken ; de pit , kern uit een noot
haaien ; de baji , fchors van £en boom
fchilhn.
Cerquemaneur , (m) Gezworene
Landmeeter in Picardien.
Certain, aine (adj.) Zeker , ge-
ivis; une nouvelle certaine, eene
zekere ofvajïe tyding; une certaine
nouvelle , eene zekere {eene lopende)
tyding; un certain, een zeker ie"
mand.
Certainement $ (adv.) Zekerlyk,
voorwaar.
Certes, (adv.) Zekerlyk^ gewis^
felyk.
Certificat , (m) Een' verklaaring (f)
verzekerings-brief {m). '
Certificateur , (m) Verzekeraar^
injlaander van eene borgtogt.
Certification , (f) Schriftelyke
verzekering, '
Certifier , (v. à.) Bekragtigen yver^
zekeren , betuigen.
Certir. {Zie Sertir),
Ctrthxxde,{î)Zekerheid, gewîshetd:
Cervaifon , {f) De tyd wanneer de
Herten vet zyn.
Cerveau, (m) Herjfen, brein, bet
bovenjie eener klok ; avoir le cer-
veau perclus , creux , mal tic hré
ou démonté , gering verdand i?eb^
ben , gek zyn.
Cervelas, (m) Eenfoort vanJJefk
gekruidde worjl.
Cervelet , (m) Het acbtfrbrein , (in
Ontleedk.). ' *
Cervelle , (f ) Het brein , de hers^
fenen; une bonne cervelle , een
goeden kop, goed verjiand ; c'eft
une pauvre eerveHe , v /> eetieH
« fegtê
1T4CER.CES.CET.CIÎA.
Jlfgten bloed; être en cervelle , in
bekommering zyn,
Cervier , ou Loup cervier. {Zie
Linx).
Cervoife , (f) Bier {oud w.).
Cerufe , (f) Lood-wif, {figuurt.)
vaîfche Jchyn.
Céfar , (m) Keizer ; rendez à cé-
far , ce qui eft à céfar , geeft den
keizer , ivat des k'/tzers is.
Céfarienne, (adj.) Fai^e l'opéra-
tion céfarienne , de keizers fneê
doen (in vroedkunde).
Cefîant, ante (adj.) Toute affaire
ceflante , aile werk ophoudende.
Ceflacion , ( f ) Opbouding , JJil-
Jîand.
Cefle , ( f ) Sans cefle , zender op-
houden.
Cefler, (v. n.) Ophouden, uitfchei-
den.
CeflTible, (adj.) Ophoudelyk.
Ceffion, (f) Afjtand , overgaaf %
faire ceffion de l'on bien , affïand
van zyn goed doen.
Ceûionnaire, (adj.) Een die iets
affîaat.
Cefte , (m) Gordel van Venus (m) ;
kolf y zweep y handfchoen met lood he-
Jlaagen der oude kampvegters (f).
Cefure, ("f) Ophoudtng in een vers
cfrym.
Cet. {Zie Ce).
Cetacée ,(adj.)Poiflbns cetacées,
groot e vifchen.
Ceterach, (m) Mild-kruid {n).
Cette. {Zie Ce).
Cetui-ci , cetui-là. {Zie Celui-ci).
Chablage, (m) Het aanjlaan van
de lyn aan een Trek-fcbuit of van touw
om iets op te hvffen.
Chableau , (m) Reep of lyn van een
Trek-fchuity item hystouw y karnaal-
toum {fcheeps w.)
Chaisier, (v. a.) Zoodanig touw
aanjlaan , vaji haaken-, chabler les
noix , de noot en afpaan.
C hâbleur , (m) Brug - opbaalder ;
een die op de rivieren de vaartuigen
voorthelpt; Haven-meejler te Parys.
Chablis , (m) Door den wind neer-
geveld hout.
Chablots, (m) Tqww om JifUagten
meévaji ti bitidea»
CHA.
Chabot, (m) PoJÎ {zekere vif ch).
Chacal , {m) Jakhals , {zeker dier
als een Vos dat de dooden opgraaf d).
Chacelas, (m) Zekere witte druif
(f)-
Chacun , une (pron.) Een iegelyk,
ieder y elk -, iedere y elke, ieder ding.
ChafFeurer, (v. a.) {oud w.) Be^
zoe delen , bekladden. •
Chafouin, ine (m. & f.) (fchelJ
w.) Aapen gezigt j iemand die mager
en fchraal is.
Chagrin , (m) Verdriet (n) , erger*
nis (f) ; fegryn leer (n).
Chagrin , ine (adj.) Verdrietig,
moeilyk.
Chagrinant, ante (adj.) Lafligy
ergerend.
Chagrinement , (adv.) Verdriet
tiglyk.
Chagriner, (v. a.) Kwellen, nfer-
driet aandoen', fe chagriner, (v. r.)
zig kwellen , un efprit bourru, fe
chagrine de tout, & chagrine les
autres , een wonderlyk humeur , kxveld
zig over alles, en kweld andere mee^
de.
Chai ne, (f) Ketting, keten -y ket-
ting van een weefgetouw , chaine de
montagnes , eene reeks her gen aan
malkander ; brifer fes chaines , zy-
ne liefde banden b re eken.
Chaineau , (m) Een loode buis,
Chainetier , (m) Een haaken en
oogen maaker.
Chaînette, (f) Horlogie-kettingt-
je (n), kleine ketting (f).
Chainon , (m) Schalm , fchaaket
van een keten .
Chair, (f) Vleefch (n)-, chair de
mouton , fchaapen vleefch; chair de
poiflbn , 'de fruit , 't vleefchig ge^
deelte van vifch , fruit ; il n'eft ni
chair, ni poiflbn , hy heeft geen
Codsdienjl, hy is niet met al.
C haire , ( f) Preek-Jioel ; catheder.
Chaife, (f) Eenjïoel (m); fchai-
ze (f) {rytuig); chaife à dos , à
bras, leun- armfioel ; chaife per-
cée, kakftoel ; chaife de moulin >
molenjlander ; chaife à porteurs >
draag-Jioel (m).
Chaland, de (m. & f.) Kalanf.
Çhalandife , {f)Kalarultfiei neering.
CHA.
<7haIcedoine , (f) KaUedonie-Jleen
{m).
Chaleur , (f) Hitte ^warmte ; rit-
ZigheiJ.
Chaleureux , eufe (adj.) Hitzig
van natuur {oud tv.).
Chalic, (m; Een beJJieé (F) ;(beter
bois du lis).
Chaloir, (v. n.) J^ig over iets be-
kommeren (gem. w. en word alleen
dus gebr.) il ne m'en chaut , bef
fc beeld my niet.
Chalon, (m) Zeker groot net (n).
Chaloupe, (f) Sloep, boot.
Chalumeau, (m) Hen halm van
Jiroo {ra) ; rietje ; riet f'uitje ; rietje
van een doedelzak enz. foudeer-pypje
(n).
Chalumet, (m) Rietje, mond-Jiuk
op een tabaks-pyp (n)
Cham , {fpr. Kam) (m) Cham of
oppervorjl der Tartaaren.
Chamade, (f) Battre la chama-
de, t/ip chamade paan, {word door de
belegerden gedaan als zy tot verdrag
en overgaaf komen willen).
Chamailler, ("v. n.) fe chamail-
ler , (v r.) In 't honderd^ links en
regts Jlaan,vegten, fchermutzelen ; item
in woorden , pennen-flryd geraaken,
Chamaillis, (m) Gevegt in 't hon-
derd , gefd^rntutzel (n), twifl (f).
Chamarrer^ (v. a.) Met goude en
zilver e paffimenten hoorden , beleggen.
Chamarrure, (f) Belegging daar
mee de.
Chambellage , (m) Zekere afgift
die de onder ~aat by veranderingen zy-
nen Leenheer geven moet.
Chambellan, (m) Kamer-heer.
Chambranle, (m) Lyfî- fny-werk
aan deuren 5 vengjlers enz. (n).
Chambre, (f) Kamer, vertrek
(n); kamer in een gefcbut ; groef in
glas-lood; kajuit; de Ruimte tuffchen
twee Jluis'deuren; chambre garnie,
gefloreerde kamer; chambre de ju-
Itice , des comptes , des afiurances,
noire , regt- reken- affurantie- peni-
tentie- bid-kamer ; eet homme a des
[Chambres à loXi^x y{fpr.xv.) dieman
is gek.
Chambré, ée (adj,) Ce canon eft
chambré , dtt jiuk is hvalyk gegooteu.
CHA. îfy
Chambrée, (f; Kamer-gezelfcbop
(n) ; een kamer vol.
ChambreJan, (m) Een beunhaas,
fmoorder {werk-gafl dte zyn proef niet
gedaan heeft) ; een t'huis legger^flaaper.
Chambrer, (v. n. & a.) Onder
eene tenee logeeren ; een kamer of holte
in een zadel' maak en.
Chambrerie, (ï) Kamer of ampt
van een kloojler-verzorger.
Cbambrette , (f) Kamertje (n).
Chambrier, (m) Kamer-heer ; in-
maander der tnkomjlen eener abdye.
Chambrière, (f) Kamenier , ka^
mer-maagd; de zweep in de ty-fchool;
fpinrokken-band.
Chambrillon , ( f) EenJJoofje, ge-
ringe dienflmeid , een poezegroei.
Chameau, (m) Een kameel of ié~
mei; item zeker vaat tuig, ligter ge-
naamd; poil de chameau,*e»wé'/j-/'a/V,
Chamelier, (m) Kémei - hoeder-
(m, pi.) Strand-mos-
dryver.
Chames ,
fel en.
Chamois, (m) Een wilde geit (ra) -,
bereid leer daar van (n).
Chamoifeur, (m) Een leer berei-
der.
Champ, (m) Een veld (n), akker
( m ) Î middel/luk van een kam ( n ) ;
champ de bataille ,yZög-ï;^/i/- champ
de raars, oorlog (by Oicht.); roue
de champ, kroon-rad (by Hor logfpm.)i
avoir un beau champ , pour étaler
fa valeur , fes talens , een fchoon
veld of gelegenheid hebben om zyn
dapperheid , bekwaamheden te too-
nen ; champ de tapiflerie , de grond
van een tapyt ; à tout bout de champ,
alle oogenbltk ; fur le champ , op
fïaande voet j donner la clef des
champs, op vtye voeten fl ellen', fe
mettre au champ, boos worden; à
travers champs , dwars door bet veldy
in 't wild; gagner le champ, weg
loopen.
Champart, (m) Koorn-tiende.
Champa.ter, (v. a.) Koorn-tiendê
ne e m en.
Champarterefle , (fubft. & adj.)
Een tiend fchuur (f).
Charoparteur , (m) Een tiend-man.
Champêtre , (adj.) Boerfcb ; tot het
H 2 iMHtf
,ïï6 en A-
' land behoorende ; la vie champêtre,
bet land'leeven ', maifon champêtre,
een land-huis.
Champignon , (m) Paddejioel , dut-
veîs-brood; bet zwarte puntje aan een
brandende kaers.
Champignonnière , (fj Plaats
daar paddejloelen gy oei jen.
Champion , (m) Een kamp-vech-
ter; (fguurl.) voorjiander , beid.
Chance, (f) Kans (£), geluk (n).
Chancel, (ta) Getraliede plaats in
een choor.
. Chancelant, anie (adj.) Wagge-
lend^ wankelend.
Chancélement , (m) fFaggeling;
wankeling (f).
Chanceler, (v. n.) Waggelen,
wankelen , weiffelen j fa fortune chan-
celle, zyn geluk JJaat op zwakke
voeten.
Chancelier , iere (m. & f.) Kan-
eelier-f kanceliers vrouiv.
Chancellerie , (f ) Kancelery , kan-
eely.
Chanceux, eufe (adj.) Gelukkig,
voorfpoedfg j me voilà bien chan-
ceux , bet geluk diend my.
Chancir^ (v. n.) fe chancir , (v.r.)
yerfcbimmelen.
Chanciffure, (f) Befchimmeling,
Jchimmel.
Chancre, (m) Kanker (f), (/«-
eetend gezwel) .
Chancreux , eufe (adj.) Kanker-
egtjg.
landeleu r , ( f ) Vrouwendag ,
Maria Licbtmis.
Chandelier, (ra) Kaarjen-maaker-
wrkooper.
Chandelier, (m) Kandelaar; blin-
de (in Vefïingb.) ; flut ( Scbeeps w.)
Chandelle , ( f) Een kaer: ; chan-
delle de veille , de glace, «^^^-^a^r^;
y5'kegel%\e jeu ne vaut pas la chan-
delle , bet zap is de kool niet waard ,
w/bet is de kojlen niet waard.
Chanfrein , (m.) Een Jîukje zwart
Jiof dat men oJ> 't voorboofd der rouw-
poerden zet y kol of bles voor de kop ;
veder -iojcb , kuif van een paerdy af-
ronding (tn Bouwk.).
Chanfreiner , (v. a.) /afronden ,
étfiberpt boehgn afneemsn (by Timm.).
CHA.
Change, (m) De wijfel; veraride^
ring , verruiling; lettre de change >
wijfelbrief', prendre Ie change, zig
bedriegen, d waaien.
Changeant, te (adj.) Veranderlyk,
onbejlendig , wuft.
Changement, (m) Verandering^
verwiifeling (f),
Changeouer, (v.a.) Dikwils ver-
anderen, tuifchen (gent. <w.).
Changer , (v. a. & n.) Verande-
ren , verwisfl en , tuifchen; changer
de note, van gedagten veranderen.
Changeur, (m) tVisfehar.
Chanoine, (m) Kanonnik, Dom-
beer.
Chanoinefre,(f) Sttft of geeflelyke
Dame.
Chanoinie, (f) Kanonnikfcbap .
Chanfon, (f) Een lied , gezang^
deuntje (n) ; chanter toujours la
même chanfon, a/^yi/ <üan een en de-
zelfde zaak fpreeken; chanfons que
tout cela, tout ce que vous nie
ditez font des chanfons, dat zyn
altemaal vertellingtjes.
Chanfonner, (v. a.) Liedjes maa-
ken.
Chanfonnîer , iere (m. & f.)
Liedjes-Jigter ; digtfler (gem. w.).
Chant, (m)Gezar.g (n),wyze(f)}
baanengekraai (n),
Chantcau , (m) Een homp (m),
fluk brood (n) ; las aan een kleed ( f) ;
't maanfïuk aan een vat-bodem (n).
Chantepleure , (f) Een gieter (in
een tuin): uyn tregter; bouten kraan
(m); riool (n) of waterloop (m), .
C hanter , (v. a.) Zingen ; kraaijen ;
chanter la palinodie, de fnot pfalm
zingen , op zyn mond kloppen , dat is ,
zyr.e woorden in den nek baaien , her-
roepen; lorsqu'une fois on éft rna-
rié il faut chanter , (fpr. w.) als
men eens getrouwd is moet men van
toon veranderen , een ander leeven lei' ,
den; chanter injures, pouilles oa'
goguettes à c\\xelcnn , iemand wakker
uirmaaken , de buid volfcbelden ; je lui
ai bien chanté fa gamme ,/^ beb hem
fcboon zyn l. s gegeeven ( Ipr. w.) ; fai*
re chanter quelcun , iemand tot re^
den brengen ; faire chanter un cri-
minel , een' misdadiger doen klappen ; j
c'elk!
CHA.
c*eft bien chance , bet is fraai ge-
zegt , {boen. IV.)
Chanterelle, ff) Een lok-vogel
(tn) ; quint , fyt^fte Jnaar van een fpeel-
tuig ( f).
Chanteur, euTe (na. & f.) Zin-
ger f zanger f zang/ïer , zangeresje.
Chantier, (rn) Houttuin (m)> tim-
vier werf (f) ; Jïapel(n) ; bier -ft e Hing j
groot e wagen fcbuur ; mettre un vais-
leau fur le chantier , een fcbip op
Jlapel zetten.
Chantignole, (f) Klamp waar op
de dwars-balken ruften', zeker gebak-
ken ft e en.
Chantourné, (m) Tapyt ~ cieraad
aan 't hwfd van een ledikant (n).
Chantourner , (v. a.) Een fiuk
hout of lood uitfnyden.
Chantre , (m. & f.) J^oor zanger ;
voor zang Jl er in een kloqfter;le s chan-
tres des bois, nagtegalen (f).
Chantrerie, (i*) J^oorzangerfchap
Chanvre, (m) Hennip yhennip^î)}
chanvre mâle, zadeling ^ zaafing -,
chanvre femelle, helling-^ cuillir,
roair, brifer le chanvre, den hen-
nip plukken , rooten , braaken.
Chanvrier , (m) Hennip-hêkelaar
of verkooper.
Chaos , (m) (lees Caos) Mengel-
Jilomp (m) ; verwerring ( f ) ; mengel-
moes (n); débrouiller le chaos, ■y^r-
werrede dingen in orden , brengen ,
ontwarren.
Chape , (f) Koor-kleed of hembd (n)i
tabbaard t rok der GeeJJelyken -, beu-
gel van een ^gefp (m) , Jlulp van een
dijïileer-kétel (f) offchotel\ difputer
la chape de 1'évéque, {fpr, w.) om
's keizers 'baard , of over iets, dat
om niet aangaat, zintwijien; cher-
cher chape chute, (fpr. w.) zig
door zyn gedrag in ongelegenheid
br enigen.
Chapeau, (m) Een hoed; 't kap-
laken (n) {voordeel beha hen de vragt
van een Schipper)-, parier chapeau
bas , bloot s hoof ds Cpreeken,
Chapelain, (m) Een kapellaan.
Chapeler, (v. a.) Chapeler du
pain, brood rafpen, ontkorjlen.
Chapelet, {ta) /Soo^f^raw; Pater»
CHA. nr
nofter; flyg-beugel{m); koraalen-fnoer
( f) ; koraalen boven op brandewyn j
Ie chapelet fe défile, {fpr. w.) bet
geflacht verminderd of de vriendjchqp
breekt.
Chapelier, iere (m. & f.) Hot'
demaaker ; Hoedemaakjïer.
Chapelle, (f) Y^apellê (f); oven*
verwulf zei (n).
Chapellerie, (f) Kdfellaanfchap*
Chapelure, (f) ylffcbrapzel van
brood (n).
Chaperon , (m) B^« kap { f) , kap-
zei (m) , kaproen ( f ) , {eertyds gedraa-
gen) y tnonmks-kap (f ) j kuif van een
vogel (f)i kap van een muur (f);
gepromoveerde Dcâors hoed (m) ) Pi-
Jfool-holjïer-kap {£) ; 't dwarshous
van een kruk (n)^
Chaperonné, ée (adj.) Gekapt^
{in JVapenk')
Chaperonner, (v» a.) Kappen.
Chaperonnier, (m) Een l^alk die
aan de kap gewend is.
Chapier, (m) Priejler in een mis-
gewaad.
Chapin, (m) Spaanfcbe kousfen m
fchoenen.
Chapiteau , {m) Het kapiteel eemt
zuil ; dekfluk , kap eener muur.
Chapitre, (m) Kapittel {î)^ af"
deeling { f) , hoofjjïuk (n) ; tenir cha-
pitre , kapittel , verzameling hou-
den', la converfation tomba fur le
chapitre d'un tel, het gefprek viei
over zulk een ; paflbns fur ce châ-
tre , laat ons die zaak voorby gaan.
C hapitrer , (v. a.) Bejlraffen , door^
haaien, iemand de biegt leezen ^ ka-
pittelen.
Chapon , (m) Kapoen y kapiiin',ze^
kere maat land om een adelyk land»
huis', een groot fluk brood dat men itf
de ketel kookt,
Chaponneau j (tn) Jonge kaputn,
Chaponner, (v. a.) Chaponner
un coq , een' haankapuinen,
Chaponniere, (f) Kapuinfchotet,
Chaque , (pron.) Ieder y yder;
chaque jour , ieder dag y chaqiiç
hl ure, teder uur.
Char, (m) Triumf- wagen der ott'
den.
Charagi (co) ^ekfrff tynf dj/ e^
TA 3 f 0<^
118 CHA.
^oden en Chrïjienen aan den grooten
Tnrk bet aaien moet er..
Charanfon , (m) Koren-worm.
Charbon , (m) Een kool ; pejl-buil
(f); caput mortuum , of bet laatjïe
cuerfchot van gejïookte dnigen.
Charbonnée ,(f) Gei-ooJlerJvleefchy
karbonnade.
Charbonner, (v. a.) Met een kool
aftekenen > iemand zivart maaken ,
zyn goede naam bezwalken.
Charbonnier, iere(m. 5cf.) Kool-
wan, kool-ver kooper., kool-brander-,
kool-brandjïer.
Charbonnière , ( f) Kool -brander y,
kool-plaats
Charbouiller, [v.z.) Verbranden,
bederven, {word van koren gezegd).
Charcuter , (v. a.) Spek klein Juy
den om te kookèn.
Charcutier, ere (m. & f.) Sp,k-
verkooper j fpek-Jlaa^er -, fpek-JJaag-
fler.
Chardon, (m) Een dijîel ,Jieekel ;
dijiel-kaard (by Droogfcheerders) ; pin-
nen op een hek , heining ; chardon bé-
nit, gezegende dijiel , kardebenedift
(kruid).
Chardonner ou laner , (.v. a.)
X)e wol opkaalen , rouiien. '
Chardonneret, (lu) Dijlel-vïnk ,
putter,
Chardonnet, (m) Kleine difiel.
Chardonniere , ( f) Een plaats vol
dijlels.
Charge , ( f) Een lajl , lading , vragt
(f) ; opzigt ; gevegt (n) j bediening {t ) ;
charge d'un mulet , laj} van een
muil-ezel ; charge d'un vaifTeau , /a-
ding van een fcbip ; avoir charge ,
iafi, bevel hebben y avoir une gran-
de famille à fa charge, een groot
huisgezin op zynen hals hebben ; il
-n'eft point en ma charge, hy is
niet onder myn opzigt, bewaanng;
entrer en charge , in bediening
treeden j charge , laading van een
fchietgeweer ; commencer la char-
ge, het gevegt beginnen i revenir à
la charge , nog eenmaal op den vyand
tos gaan; item zyn aanzoek vernieu-
ven'y fonner 5 battre la charge, tot
*t gevegt of aanval hlaazen , tromme-
ib ; cela m'eft à charge , dat is my
CHA.
tot een laji , dat verveeld wy ; à Ia
charge de , onder beding , mits dat j
femme de charge , huishoudjler.
Chargé, ée (adj.) {Zie Charger).
Chargement , (ra) Eene lading waa'
ren (f).
Charge o ir, (m) Een laad-lêpel.
Charger , (v. a.) Laaden , belaa-
den, belajien; chargerun navire,
een fchip belaaden -, charger d'une
commiflîon , met eene verrigting be-
lajien -, charger une fufil, een fnap"
haan /aaJfwj charger l'ennemi , c/^«
vyand aangrypen ; charger d.un cri-
me, met eene misdaad belajîen; cet
I arbre a bien chargé , die boom
' heeft wel gedraagen j charger un
compte , een rekening belajien j être
chargé de dettes, met f chu Iden averla-
! den zyn ; chargerune couleur , te dik,
; t^'donkerverwen',charger la, marcban-
dife de douane ,ûf^ koopmanfchap met
toi bezwaaren; charger la quenouille,
denjpinrokken aanleggen, klaar maa-
ken; chargé de \ies,met droejfem bezet;
charger le balancier , den onruji
e ener klok verzwaar en; charger tou-
tes les voiles , aile zeilen aanflaan.
Chargeur ,(m) Laad^r ,bevragter.
Chargeure, (f) Dwarsjiuk in een
wapen.
Chariage, (m) Het ryden; voeren;
voerloon (n); vragt (f).
Charier, (v. a.) Met een wa~
gen of kar voeren, ryden; la rivière
char ie , de rivier is aan 't krui"
jen y aan 't gaan; il faut charier
droit , meii moet regt handelen.
C hariot , (m) Een ^vagen (m) ; -
fleede {by Lyndraaijers { £).
Charitable , (adj.) Liefdadig , mild,
goed arms , meegaande , verdraag-
zaam.
Charitablement >(adv.) Liefderyk,
Cliaritatif, (m) Liefdegaaf, die
een Bisfcbop by nood eens heffen kan
(f).
Charité, (f) JVeldadigheld , lief.
de jegens thn noodlydenden ; aalmoes; #
charité bien ordonnée commence
par foi même, de liefde begind eerji
van zig Zi^lfs {fpr. w.).
La Charité 5 (f) ^ahwesfemersr
huis (n).
Cha-
CHA.
Charivari , (in) Gerammel van
potten en pannemy geraas ,get ter (n) f
oploop van volk (tn).
Charlatan, ane (m. & f.) Kwak-
zalver , kwakzaljfler ; bedneger , be-
driegjïer.
Charlataner ) (v. a.) Kwakzalven ,
zwetzen, bedriegen.
Charlatanerie, (f) Kwakzaivery ,
bedriegery.
Charlacanesque , (adj.) Kwakzal-
veragtig.
Charmant ,ante (adj.) Betoverend;
bekoorlyk , vermaakelyk.
Charme , (m) Jokboom (m) ; bstove-
ring ', bekoorlykheid , bivaUigheid(f).
Charmer, (v. a.) Betoveren; be-
koor en , aanlokken^ inneemen; char-
mer les douleurs , pyn Jlillen ; Ie
vin charme les chagrins, rf^ vuyr.
verdryft het hartzeer -y charmer la
bale, de kogel bezweeren.
Charmeur , {m) Bekoorder ^Hexen-
meejler.
Charmeufe , (f/ Een hoeragtig
vrouivmenfch.
Charmille , (f) Jonge jokboom om
heggen en laan en mee te maakeiJ.
Cbarmoye , (f) Jokboomen hegge.
Charnage, (m) l-'lee/ch tyd (f).
Charnaigre, (m) Zeker Jagt hond
die de konynen op dry ft.
Charnel , elle (adj.) VleeÇchelyk.
Charnellement, (adv.) Vleefchelyk.
Charneax, eufe (adj.) Vleefchig.
Charnier , (m) V leefch-kamer (f) ;
kneekel huis , beefi-huis j item plaats
daar het avondmaal uitgedeeld word
in de R. Kerk.
Charnière, (f) Scharnier van een
doos enz. j(n) aasplaats (by yalken.)
(f).
Charnu, ue {a.à].)Vleefchig ifappig.
Charnure , (f) f'leefchigheid (f)
het vleefch (n).
Charogne, (£) Een kreng (f),
jïinkend aas (n).
Charpente , (f) Timmer-werk;
bois de charpente, timmerhout (n).
C harpenter , (v. a.) Timmeren,
iimmer-werk maaken-, iets onbehendig
fnyden, hakken.
Charpente rie , (f) Hout -werk
■ van een buis ; bet timmeren (n).
CHA. 119
Charpentier , (m) Een Timmetm
man.
Charpie, (f) Pluk zei, wiek (voor
wonden)', y lande en charrie ) vie ef eb
in vezelen gt kookt.
Charrée', (f) Loog-af eb.
Charretée, (f; Eene kar vol y
karren vragt.
Charretier, (m) Kar rem an ; il ju-
re comme un charretier, hy vloekt
als een krygsheld j il n'eft fi bon
charretier qui ne verfe , daar is
geen paerd of het Jïruikeld wel eens^
{fir. w.)
Charrette, (f) Epne karre, kar»
Charriage. {Zie Chariage).
Charrier , (m) Een laogdoek , die
men over 't linnen f pre id en waar op
men de afch legt.
Charroi, (m) fVagen vragt {£), of
loon (n).
Charron , onne (m. & f.) If^a-
genmaaker; maakfler.
Charronnage , (m) tf^agen-maa-
kers-werk (n).
Charruage , (m) Opzigt over de
gemeene wegen en uitgave deswegen,
Charruë, (f) Een ploeg, mettre
la charruë devant les bœufs, het
paerd achter de ivagen f pannen , dap
is , eene zaak verkeerd doen.
Charte partie , ( f) ContraS va»
bevragting, vragt-briefy eer te par-
tie.
Chartier. {Zie Charretier).
C hart il , (m) Een wagen om koren
mee in te ryden.
C hartre, (f) Teering, quynende
ziekte; tomber en c hartre, de tee-
ring bekomen.
C hartre , ( f) Oirkonde , bewys va»
eenig voorrecht (n).
C har tr eufe, (f) Een karthuizer
kloojler.
Chartreux, eufe (ra. & f.) iSTar-
thuizer Monnik- , Nonne.
Chartrier, (m) Plaats daar d*oir^
konden eener abdye bewaard worden ^^
item bewaarder daar van.
Chartulaire, (ra) {lees Kartulai-
re) Een verzameling van oirkonden en
bef ch ei den eener kerk, kloofler , enz.
Chas, (m) Oog van een naald {n);
fiyfzel in d& kuip; pap gebruikp door
H 4 ds
I2C CHA.
de Weevers { î) -^-vak tujfchen twee bal-
ken (n) ; fiierigbeid eener koe ( f).
Chaferet, (m) Een kaas-vorm{f).
Chasnatarbalïï , (m) Opperfchau
meefier in 't Serail.
Chaflaky , (m. & f.) Een^ van den
groot en Heer zeer bemind Staatsdie-
naar ^ of Dame.
Chafle, {?) De jagt (f), jagt-
gezelfchap {n) ; aller à là chafle, op
cie jagt gaan; donner la chafTe à
quelcun ^iemand op de vïugt dryven;
à un vaiflVaa , jagt maaken op een
frhip; prendre ch&ffe, vlugten, weg -
toopen , afdeinzen ; chaffe , kaafs ( in
't kaats-fpel) ; deur/lag yzer (n) ; 't
houtiverk aan een zaag ; raam of lyjl
•van eenfpiegel enz ; reUquien kas ; aan-
JJag kam (m) van eé^i weefgetouw ;
teft van een fcheermes (n).
Chafle boffe, (f) Welgbree {een
kruid).
ChafTe -coquin , (m) Dienaar die
de fchavutten we^ jaagd,
Chafle-coufin, (m) Styve fiherm-
degen j verdorvene wyn voor onaange-
uame gajïen,
ChafTe-ennui , (m) Iets dat het
verdriet verdry ft.
Chaflelas, (m) Pietercelie wyn.
C hafTe-raarée , (m) ï^tfch^koper te
J>arys; zeevifcb-korfi
Chsfle-mulet, (ta) Ezel-dryver hy
gen vnoolen.
ChafTe-po ignée, (m)J5;<>» dryf-hout
0m het geveji van een degen vajï te
maaken (n).
Chaffer, (v.n.) Jaagen, weg jaa-
gen, verjaagen, ver dryven ; chafler
un clou, eenfpyker indryven, chas-
fer fur l'ancre, op het anker dry-
ven ; un bon chien chafle de race ,
de boom valt niet ver van de Jiam ;
't is een aartje na zyn vaartje (fpr.
'w.);lz faimehafl°e Ie loup d^bois,
honger is een fcherp zwaard {fpr. tv.);
un clou chafle l'autre , de zwakke
moet den ft erken wyken-, chafler fur
un vaifleau , op een fchip jagt tnaa-
ken.
' ChafTear , eufe (ra. & f.) Jaager,
^aa^ers'vromv.
' ^haaie; (f) Dragt der oogeo.
CHA.
Chaflïeux, eufe (adj.) Leepoogig.
C haflis , (m) Een raam , lyfi waar
mee men iets omvat of influit , veng-
fier-raam o/faffinet; borduur- y druk-
kers-, fcbildery - raam ; voet van een
tafel-/ fenêtre à c haflis, een fchuif-
raam.
Chaflbir, (m) .Kuipers dryf-hout.
Chafl:e, (adj.) Kuifch , eerbaar,
Chaftement, {adv,} Kuifbelyk, ■
Chaftetê, (f) Kuifchheid.
Chafuble, (f) Kazuifel {zeker
misgewaad of rok zonder mouwen).
Chafublier ,(m) Maaker daarvan.
Chat, Chatte, (m. & f.) Een ka-
ter ; kat ; jetter Ie chat aux jambes à
que[can,(fpr.)iemanddefhuldgeeveni
à bon chat bon rat , {fpr. w.) zy
zyn goed hy een-, acheter, vendre
le chat en poche , een kat in de zak
koopen, verkoopen {dat is zonder het
te zien); éveiller le chat qui dortj^
ou reveiller une querelle afloupie,
een oude wond openen, of oude koeijen
uit de Jloot haaien {fpr . w.) ; appeller
un chat , un chat & rolet un fripon ,
een dif^g by zyn , recbten naam noemen ;
chat échaudé craint l'eau froide,
een gebrande kat vreejl het koude wa-
ter ,of daar een ezel zich eens aau floot
wagt hy zig voor de tweede reis.
Châtaigne , (f) Kaftanje.
Châtaigne , ée (adj.) Kaftanje kleur.
Châtaigneraie , (f) Kajianien-
bofch.
Châtaignier v(nï) Kajlanien-boom.
Châtain ,^(adj.) Kajïanien bruin.
Château., (m) Een kaJïeel,/lot{n);
kampanje , fchans , plegt van eenfchtp
{ £) ; bâtir des châteaux en efpa-
gne , kajleelen in de lucht bouwen, (fpr,)
Châtelain , (m)_ ^mbagts'heer ^
borgt-voogd , kaftelein.
C hâte let, (m) Een flot je y gevan-
genhuis te Parys (n),
Chatellenie, (f) Kafteleny.
Chatepeleufe, (f) Kalander, ko-
ren-worm.
Châter, {Zie Chatter).
Chat- huant, (ra) Nagt-uil.
Chatiable, (adj.) Strafwaerdig,
Châtier, (v. a.) Kaftyden , tugti-
geti) Jfraffn -, châtier un enfant,
gea
i
CHA.
een kind Jlraffen ; châtier un ouvra-
ge j een werk befchaaven.
Châtiment, (m) Kaflydwg , tugt
Chaton ,(m) Kas i'aupen ring daar
de fieen in Jlaat j groer.e fchil van een
hazel-noci (f).
Chacouilleraent , (m) Kitteling (f).
Chatouiller , (v. a.) Kintelcn, ké~
telen; chatouiller 1'oreiile, het oor
Jireelen.
Chatouilleux, eufe (adj.) Kittel-
^S^'g i ^'?f gffioord, korfelig.
Châtré, ée (adj.J GrMdi un châ-
tré , een gelubde.
Châtrer , (v. a.) Lubben ^ fny den ;
châtrer les ruches, honing uit een
bye-korf ne e men ; châtrer un livre,
un fagot , uit een boek , van een tak-
kebos iets neemen.
Chatreur , (m)Een lubber , fnyder.
Chatte. (Zie Chat).
Chatte, (f) Een kat {zeker fchip
met 2 majlea).
Chattée , ( f ) Een worp jonge kat-
ten (n).
Chattemite , ( f) Eenefchynbetlige ,
huichelaarfier.
Chatter , (v. n.) Jonge katten wer-
pen.
Chattiere, (f) Een katte gat,
hol (n).
Chatton, (m) Jong katje (n).
Chaud» aude (adj. (Sc f.) Ifeet ,
warm j bitzlg ; ritzig , loopfch ; haafiig;
ieverigf il fait chaud, "t is warm
weê^ y eau chaude, warm y heet wa-
ter; fièvre chaude , heete koorts;
pleurer à chaudes larmes, bittere
traanen fchreijen; avoir les pieds
chauds , 'er warmtjes inzitten , het
%vel hebben ; avoir la tête chaude ,
zeer ophopend zyn , heet gebakerd
il faut battre le fer tandis qu'il eft
chaud , men moet bet yzer /meeden
terwyl bet heet is , dat is , de tyd
waarneeinen; fouffler Ie froid & le
chaud , in de eene hand water en in
de andere hand vuur draagen ; uit
twee monden fpreeken ( fpr.w.) ; tom-
her de fièvre en chaud mal, van
erger tot erger komtti ; une chienne
chaude , een' ritzige , îoopfcbe teef;
11 y faifoit fort efiaud, bet ging 'er
CHA. 121
heet toe; à la chaude, (adv.) in der
yl\ avoir chaud, warm zyn; être
chaud , geil zyn ; il vous la donae
toute chaude, hy fpeld u de leugen
heet en warm op de mouw , {fpr. w.y
Chaude, (fj Donner la chaude
à la befogne , bet werk gloeijend
tyxiaken , gloeijen; chaude Yuante,
vloeibaare gloé-tjing.
Chaudeau, (ir.) Kandeel (m), wyn
fopfe ( f).
Chaude-chafie , (f) Vervolging
van een givangenefx.
Chaudement , (adv.) JVarmtjes-,
hitzig ; haajiig ; onbezonnen.
Chaude-pifle, (f) Be koude pis
( f) ; f m druipt rd (m).
Chaoderet, (m) If'trktuig waarin
het metaal dun géflaagpn word.
Chauderon, (m) Kéiel;pomp-kap^
Chauderonnée , ( f) Een ketel vol,
Chauderonnerie ,(f) Koper-werk
(n); koper-handel (m).
Chauderonnier, (m) Koperjlager^
Chaudier, (v. n.) Loopfch gyn.
Chaudière, (f) Groot e kopere ké'
tel, brouw-kétel (m).
Chaudron. (Zie Chauderon).
Chauffage , (m) Brand, brand-haut
enz. a.les waar by men zig warmd.
C hauffe , ( f) Kool-pan of fchoorjleen
tn een fmelt -oven.
Chauffe-chemife, (m) E,en vuuf'
korf,
Chauffe-cire, [tn) Bediende eener
kamzetary die^ de brieven verzegeld.
Chauffe-lit*, (m) Bed-pan ( f), (^ie
Moine ou Baffinoire).
C hauffe-pied , (m) Een' Jîoof ( f ),
Chauffer, (v, a. & n.) ff^armeui
Ce chauffer, zich zvar men; je fai de
quel bois il fe chauffe, ik weet zyn
bejlaan , ik ken hem-
Chaufferette, (f) Stoof je y vuur^
pannetje (n).
Chauffeur, (m) Blaasbalg-trekker *
blaazer.
Chauffoir, (m) Plaats daar men
zich warmd; warme doek.
Chauffure,(f) Hamer/lag, afval
van yzer enz. (n).
Chaufour, (m) Kalk- oven.
Chaufourner, (v. n.) Kalk bran.
den.
H 5 Chau^
122 CHA.
Chaofournier , (m) Kalkbrander.
Chaume, (m) Koorn-Jloppel (£)',
dek-JiroQ {n,.
Chaumer, (v. a.) De Jloppels uit-
rukken.
Chaumière, (f) Een Jïrooye hut,
borren jlulp.
Chaumine , (f ) Klein hutje (n).
Chauffage , (m) Schoenen enkoujj'en.
ChïufTanc ,ante (adj.) Baschaus-
fants, koujfen dr e ligt aan te trtkken
zyn-, humeur chauifance , een fchik
kelyk gemoed) humeur.
Chauffe , ( f) Kous ; chauffes , (pi.)
OU haut de chauffes, culotte,
een broek -, chauffe d'hipocras , ffw
zygdoek; quitter les chauffes, (/pr.
w.) mondig ïvorden, de kinder fehoe-
ncn uittrekken -y tirer fes chauffes,
bet hazen-pad kiezen , {fpr. iv.)
Chauffée, {£) Dyk , dam (m) ,
kaai ( f ) ; à rez de chauffée , gelyk
met de grond.
Chauffe-pied , (m) Een aantrekker^
une charge eft un chauffe- pied de
mariage , {fpr. ixj.) een ampt is een
middel om te konnen trouwen»
Chauffes, (v. a.) Schoeien, f choe-
nen of koujfen aantrekken ; ce cor-
donnier chauffe bien , die fchoen^
maaker maakt goede fchoen en-, chaus-
fer un arbre , de voet van een boom
dekken; chauffez vos lunettes, zff
uw bril opice foulier chauffe bien,
die fchoen pajî wel -y il chauffe à tant
de points , zyne fchoenen zyn van
zoo veel Jleekf ils fe chauffent au
même point, {fpr. w.) zy zyn van
eenerly aart; fe chauffer une opi-
nion dans la tête , eene meening ei-
genzinnig vajî houden.
Chauffetier, (m) Yioujfen-maaker-
w e ever.
Chauffe-trape , ( f) l'^o et- angel.
Chauffette , ( f ) Onder-kous.
Chauffon , (m) Een zok ; datts-
fchoeu.
Chauffu're , (f) Scboeing ( f ) ,
fc^oeîfel (n) , al wat men aan de voe-
'fen trekt; trouver chauffure à fon
pied , zyn regte man of maat vinden ,
{fpe. w.)
Chauve, (adj.) Kaa/.
Chauve-fouris , (f) Flédermuis ,
CHA. CHE.
Chauveté, (fj Kaalheid,
Chauvir , (v. a.) Chauvir les
oreilles , de ooren epjleeken.
Chaux, (f) Kalki de la chaux
vive, éteinte ou fufée , ongelefchte ,
gelefchte kalk; de la chaux d'étain,
tin-afch; bâtir à chaux & à ciment,
met kalk en tras bouwen; tenir à
chaux & à ciment , wel vafl klee-
ven , ofy een zaak die bondig aange-
legt ts.
Chasnadar-Eafchj, (m) Opper-
fchatmeeifer in 't Serail.
Cheaus, (m) Jonge f^olf, Vos enz.
{Jagers w.)
Chécagne, (m) Onder-fchatmeejîer
in 't Serail.
Chécaya, (m) Officier der Janit-
zaaren naajî den Overjîen.
Chef, (m) Hoofd; Léger-hoofd; de
voornaamjîe van iets; chef d'efca-
are , fhout hy nag^t; chef de file,
vleugel-mau {by Sold.); chef de fa-
mille , huis-vuder; les chefs d'un
plaidoyer , de hoofdf.ukken van een
pleidooi; agir de fon chef, van zig
zelfs , na zyn eigen zin iets doen ;
chef , 't voorjle end of fiaalfïuk van
fioffen.
Chef-d'œuvre, (m) Meejîer-Jiuk ,
proef-Jîuk, konjîig werk.
Chef lieu, (m) Hoofi-pîaats,
Chégros, (m) Pekdraad.
Chelezzi , (m) Opper-huishouder des
Sultans.
Chelidoine, (f) Stinkende gouw,
fchel-wortel {geneeskruid).
Chelonité , (f) Zwaluwen -fleen
(m).
Chem.age, (m) Weg-geld {n).
Chêmer, (v. n.) (gem.w.) Gejlaa-
dig fcbreenwen , huilen als kinderen.
Chemin , (m) Een %veg; chemin
battu , frayé , gebaande , betreeden
weg; grand chemin , de land-JJraat ;
rebropffer chemin, te rug keeren;
chemin détourné, een afweg; che-
min de traverfe , dwarsweg ; che-
min fourchu , kruisweg ; chemin
de velours , zagte , gelyke weg;
une heure de chemin , een uur
gaans; une journée de chemin, ^f-w
dag reizens ; chemin , kelder-leer; al-
ler fon grand ch^taxn , opregt ^ vocf^
CHE.
,àe vuijl handelen -y chemin faifant,
en chemin faifant , /» 't voorby
gaan; chemin couvert, een bedekte
iveg {inyejiingb.)} chemin de l'écô-
le , een lange , langzaame weg.
Cheminée , (f ) Schoorjleen ^fchouiv.
C hemiVier ,{v .a.) ff^andelen igaan;
cheminer dvo'it iOpr egt e lyk handelen.
Chemife, (f) Ken henibd (n).
Chemifette, (f ) Eeu hembd-rok
(m).
Chênaie, ^f) Een eiken-bofch (n).
Chenal, (mj Het bed,guil van eenig
vaar-water.
Chenaler, (v. n.) Dooreen guil
vaaren.
Chêne , (m) Een eiken-boom , een
eik,
Chêneau , {m) Jonge eiken-boom-,
hang goot.
Chenet , (m) Brand-yzer (n).
Chêne-verd, (m) Steen-eik.
Cheneviere , (f) Kennip-akker
(m).
Chenevis , (ro) Kennip-zaad (n).
Chenevotte , ( î jKennip jiok yfchee-
ve (m).
Chenil, (m) Een honde-kot (n).
Chenille, (f) Een rups', item een
foort van pajfement.
Chenu, ue (adj.) {oud w.) Grys
van ouderdom', les cimes chenues
des montagnes, (/é- met fneeuw bedek-
te kruinen der bergen.
Cheoir. {Zte Choir).
Chepteil y(va)l^ee-pagt om de helft
der baat.
Chepu, (m) Stelling om hout op te
jlapelen.
Cher, ere (adj.) Duur., kojlhaar;
dierbaar , u-aard , lief', mon cher,
ma chère ; myn lieffie ; cher, (adv.)
cela eil cher, dat is duur.
Cherche ou cerce,(f) Eenbogen,
(in Bowu'k.)
Chercher, (v. a.) Zoeken, trag-
ten , opzoeken; aller chercher ,^^a«
haaien; chercher midi à quatorze !
|ieures, {fpr.w.) zwarigheid maaken
daar geene is.
Chercheur, eufe (m. & f.) ^of-
ktr y zoekjier ;ç\\firchèMr de franche
[ipées, een fcbuimlooper.
Chère, rf) Gajîery , goede der-,
CHE. 123
faire bonne ou raauvaife chère,
eene goede of eene Jlegttmaaltyd doen^
wel ofjlegt ciithaalen.
Chèrement , (adv.) Duur; Heft
téderlyk , hartelyk.
Chérir, (v.a.) Liefhebben, bemin'
nen.
Cherlesquier, (m) Turkfch Gene-
raal- Lieutenant.
C herté , ( f ; Duurte , fchaarsbeid ,
gebrek.
Chêruhin,{iT))Cherubin(zeker(ngel),
Chervi, (m) Zuiker-ivortel (f).
Cheaneghir-Ea'chi, (m) Desüul-
tans Opper-voorfnyder.
Chécif, ive (aó}.)Elendig , gering,
veragt.
Chétivement, (adv.) Armhartig-
lyk.
Chétron,(m) Laadje in een kifi
(n).
Cheval , (m) Een pacrd {n); chc-
vaux , paerden ; ruitery (£); cheval
fier , ardent , plein de feu , fouple ,
leger a la main , obéïffant , fidele ,
een,moedig , hitzig , vuurig , gedwee ,
ligt op de hand, gehoor zaaru^, getrouw
paerd ;chewa\ vicieux , ombrageux ,
tort en bouche , pefant à la main,
poufllf, eenpap.rd dat quaad y fcbig-^
tig, hard in den bek , zwaar op ae
hand, dampig is; cheval de caros-
ie, de main, de bat, de louage,
een koets, hand, loj} , huuy-paerd ',
cheval de pas , een pus-ganger , che-
val hongre , een ruin; cheval en-
tier, een hengji ; monter à cheval ,
te paerd fygtn, ryden ; être bien à
cheval , wel te paerd zitten; aller à
cheval , te paerd reiz-n , commen-
cer , travailler, achever un che-
val , beginnen een paerd te beryden ,
te temmen. af te rigten; cheval ma-
nn, een zee-paerd; tirer à quatre
chevaux , met vier paerden van een
trekken, vierevdeclen; c'tfl un che-
val , gros cheval, cheval de ca-
rofle , hy ts eet: grove vlegel; mon-
ter fur £es grands chevaux, toornig
worden , opvliegen , cp zyn pacrdje zyn
{fpr, w.); li eft mal à cheval, hee
ts flegt met hem gefield; à cheval
donné on ne regarde point ia
bouche , e9n gegeeven paerd kyit
mm
Ï24 CHE.
men niet in de mond; chmger fon
cheval borgne contre une aveugle,
eene Jlcgte ruiling doen ; l'œil du
maître engraîfe le cheval, het oog
vanden meefler rna^ikt de paerden vet
ùfy ivat men zelfs\ kan doen gaat bejl ,
il fait bon tenir fon cheval par
Ia bride, men moet zig niet nitklee-
def} voor men na bed gaat, dat is,
van zyn goed niet fcheiden loor men
dood is ', on lui fera voir que fon
cheval n'eft qu'une bête, (fpr.iv.)
men zal hem dopn zien dat hy niet
wel handelt ; brider fon cheval par
Ia queue, {fpr. «'.) eeri ding ver^
é^erd beginnen; les chevaux courent
les bénéfices & les ânes les attra-
pent , de wyze zoeken de ampten en
de zotten krygen ze ; il eft bon che-
val de trompette , hy laat zig niet
ligt fchrikken ; parler à cheval , trot-
ielyk fpreeken ; cheval ailé , een ge-
vleugeld paerd (by Poëten); cheval
de bois , houten paerd , Soldaat en
ezety cheval de frize, vriefche rui-
ner (in Vejiingb.) ; cheval fondu ,
hok Jiaa vafl (kinder-fpel\ ; cheval
gai ) effraie ou cabré , animé , ar-
mé , bardé, caparafiTonné, houlTé ,
eêH paerd dat zonder bit is , op zyn
cgterjle pootenjîaat y het eene oog van
em andere kleur heeft , de voet van een
andere kleur heeft , qeharnajl , gedekt ,
met een fchabrak voorzien is; (in
Waf enk.) fer à cheval, eenhoef-
yzer ; un petit cheval échapé, un
petit libertin, een wild knaapje; il
hàt de cette chofe toujours fon
cheval de bataille, hy maakt van
d!e zaak altoos zyn fterkfte bewys.
Chevalement , (m) Een Jîut om
iets op te leggen {in Bouivk.).
Chevaler, (v. a.) Onderfchraagen
(in Bouzvk.); heen en weer jagen; ie-
rsand geen rufl laaten om iets te be-
komen ; hout op een zaag-blnk leggen.
Chevalerie, (f) Ridder -or-
den.
Chevalet, (m) Een Schilders ezel
ffïi) ; p?n fchraag , een Jîut (n) ; kam
van een fpeeltuig met fnaaren (f);
aalg van eefi druk-pers ; raam daar
sfe misdadigers op gerekt wardev ( ï).
Càevalier, (ra) £len Rtdder; paerd
CHE.
(in 't S(haak-fp.); chevalier de ïa
coupe, liefhebber van de flefch ; che-
valier de 1'induftrie, een fpits-boef.
Chevalière, (f) Ridders-vrouiv;
ook eene die de Ridder-orden heeft.
Chevalin, ine (adj.) Béte che-
val i ne , een merrie paerd.
Cheval is, (m) Het diepfls van een
rivier dat n-.en by laag water in agt
moet neemen.
Chevance, (f) (oud w.) Goed,
goederen of bezit van iemand.
Chevauchable, (adj.) Chemin,
cheval chevauchable , f-fw vybaare
weg-paerd.
Chevauchée, (f)V Schouwen van
tvegen.
Chevaucher, (v. a.) Ryden (oud
w. in deezen zin) ; het eene Jiuk over
het andere leggen , als planken , leijen
enz.
à Chevauchons , (adv») Scbreije-
lings.
ChevauK legers, (ra. pi.) Ligte
Ruiters,
Chevêche, (f) Een nagt-raven.
Chevecier, (m) Een Sacrijiy-die^
naar.
Chevelu, ue (adj.) Langhairig^
een die lang h'air heeft.
Chevelure ,(?)Het hair deshoofds
(n) ; chevelure de comète , de Jl aart
van een komeet; chevelure de raci-^
nes , uitfchietzels , vezelen van wor--.
telen; chevelure, (by Dichters) het^
loof, alle de bladen van een boom.
Chever, {■v.z.)Een edele Jleen van
ondfir uitholltn , (Juweliers w.)
Chevet, (m) 't Hoofden-end van 'p i
bed ; hoofd-kuffen (n) , hoofd-peuluwe
(t;ràverfm) , al het geene waar op het
hoofd rufï ; groote blok die onder 't
gefchut gelegt word om het wel te fiel-
len; voering om de beetingen van een
fchip; àto'u de chevet, eeren-maaî
van een nieuwgetrouzvde Amptenaar
aan zyn confraters; épée de che-
vet , iets dat men altoos byzig heeft.
Cheveteau, (m) Kam-rad eetier
moolen (n).
Cqevêtre, (m) Een hal fJ er (lic ou).
Cheveu , (m) Een hair -, cheveux ,
hoofd' hair (u) ; cheveux blancs, j^ryf
bair ; fe prendre aux chsveux , maL
kiindt ^
cm.
stander by 't hair vafteh; prendra
J'occafion aux cheveux , de gele-
gentheid waameemen; tirer par les
cheveux , met het kair 'er by Jleepen
{fpr. w.) ; il ne tinc qu'à un che-
veu , het jcheeld maar ren hair's
breedte ; cheveux des plantes j ve-
zelen der planten ; couper un che- 1
veu en quatre , (fpr. ixi.) haïr kloo-
ven, miiggeziften.
Cheville , ( f ) Tzere of boute pin ,
yzere bout , fpil , fchoen-pin (m); au-
tant de trous que de chevillés , zoo
veel fpy kers , zoo veel gaat en (fpr. w.) j
cheville du pied, enklauw.
Cheviller, (v. a.) Vajl pinnen.
Cheviliette ^(f )£pw pimetje (n).
Chevillots, (m. pi.) Karveel-na-
gels , waar aan het fcheeps-wand vajl
gemaakt ivord.
Chevillure, (f) Takken van een
tferts-hoorn. {Zie Andouillers).
' Chevir, (v. n.) {oud w.) On ne
ne peut pas chevir de lui > men
kan met hem niet te regt komen.
ChevifTeraenc , (m) {oud w.) Ver-
felyk^ verdrag (n).
Chèvre, (f) Een Geit; bok om
iets mee op te winden-, prendre la
chèvre y opvliegen als een bofchje met
vlooi jen ^ quaad worden; fauve r la
chèvre & le choux, ^ire^' ongelukken
teffens afkeeren, (fpr. u.)
Chevreau , (m) Jong Geitje (n).
Chevre-feuille , (m) Kamper-foe-
lie ( f) , Geiten-blad (n).
Chevre-pied, (m) Een boks-voe-
tige, een krom been.
Chevrecer , (v. n,) Jonge Geitjes
werpen.
Chevrette , (f ) Eene Ree ; garnaat ,
garnaal ; " ^ipotheckers flroop-pot met
een tuit ', brand-yzer.
Chevreuil , (ra) Een Ree-bok.
Chevrier, (m) Een Geite-hoeder.
ChevrilJard , (m) Kleine Ree-bok.
Chevron , (m) Een fpar , rib, ke-
per in ee.n wapen (f).
Chevroter , (v. a.) Jonge Geitjes
werpen ; beeven m 't zingen.
Chevrotin , (m) Bereid Geiten- of
Bokken-lecr (n).
Chevrotine', {î) Hagel om Ree-
koiken mee te fcbietent
CHE. CHI. loi»
Chez, (conj.) By, tot y chea
moi y bymy,to mynent , chez t\o\xs ^
by 0ns , tot onzent, in onzen huize ^
in onzen lande; avoir un chez foi »
een' eigene wooning hebben ; je viens
de chez moi , ik kom van myn huis ; un
homme de chez vous , een man van ■
aw plaats ,of volgens flyl der koop l. van
colli , (Ital. zv.)
Cheze ,( f) Twee dag ploegens land
om een Jlot , den oudften zoon toebe-
hüorende,
Chiaoiix, (m) Turkfche Deurwaar-
der , Hof jonker.
Chiaire , ( f) Metaal-fcbuim ( n ) ;
Vliegen-drek ( £).
Chicambaut , (m) Bot-loef diend
aan kleine vaartuigen , als {Eperon) ^
't galjoen aan groDte fnheepen.
Chicane , ( f) IVoorden-fïryd , hair-
klovery ; item fpitsvinnigheid, looze
kunfijes; entendre bien' la chicane
dans les procès, 't muggeziften , kunfl^
jes in rechtsgedingen ivel verjïaan^
gens de chicane, pleitbezorgers y
(Procureurs) -, ufer de Ja chicane ,
uitvlugten maak en.
Chicaner , (v. a.) Hairktoven , mug..
genziften; uitvlugten maaken-, kibbe-
len , 't regt verkeeren , iemand onnoo-
dige moeilykheid aandoen, vexeeren;
chicaner le vent , tegen den wind
worjïelen {zeem.w.) chicaner le ter-
rain , zyn plaats dapper verdeedtgeny
chicaner fa vie , ztg wel weeren.
Chicanerie. {Zie Chicane).
Chicaneur, eufe (m. & f.) Hatr^
k lover; muggezifter. Zie verder 't werk-
woord.
Chicanier, iere (adj.) Twifizoe-
kend enz. (gem. zv.)
Chiche , {ad].)Karig , naauw , dean,
gierig; humeur chi'che, karig ge-
moed; chiche en paroles , fpac^r-
zaam in woorden; des pois chiches^
ciffers, ciff er-er ten, erweten.
Chiche -face, {m} Een knyzer ^
griens ; gierigaard.
Chichement, (adv.) Kariglyk.
Chicheté, (f) Kartgheid. ,
Chicorée, (f) Endtvie.
Chicct, (m) Overgebleven fluk of
ftomp van een afgebroken tand , zvortel
tel of boom; fcheutltng van een tak.
Chi-
12(5
CHI.
Chicotcr, (v. n.) Om an beuze-
ling kyven , hair-reepen..
Chicotin , (m) Koloquint ; item ze-
ker bitter ingrediënt dat aan de te-
pels gefmeerd word om de kinderen te
fpeenen.
Chien, ienne (m. & f.) Hond^
reu } teef > chien , haan van een
fnapbaan; kuipers hoeptang -, chien
chercheur ,y>^»''-*o'''^^? chien cou-
rant, een brak-, rhien couchant,
patrys-hmd; chien de garde , eeu
wogt-bond; meute de chiens, een
boop ja^t-honden ', chien de mer ou
chien "marin , z e e-hond -, rob , haai;
nos chiens ne chaffent pas bien
enfemble , {fpr. w.) a-y ^ verJJaan
malkauper «iV/j faire le chien cou-
chanc, (fpr. w.) nedrig zyn , vlei-
jen ; les bons chiens chaffent de
race, (fpr iv.) de kinderen aarden
na hunne ouders , of de boom valt
niet ver van de Jiani ; battre Ie chien
devant le lion , eenen minderen in 't
hyzynvan eenen meerderen ygelyk fchul-
dig^ftraffen j chien qui aboyé ne
mort point, blaffende honden byîen
niet (fpy. '^•) > pendant que le chien
pifte le loup s'en va, terwyl het
fchaapje blaei verliejl het een hapje _,
dat is , iiitJJel baard nadeel ; qui
veut noyer fon chien , dit qu'il a
]a rage, die een hondflaan wil, vind
ras een knuppel , fi ok {fpr. w.); c'eft
le chien de grand collier , hy
voerd bet hoogjîe woord (fpr. w» ) ;
qui aime bertrand , aime fon chien,
die iemand bemind , bemind ook wat hem
aangaat (fpr. w,); un "chien regar-
de bien un Evéque , een kat kjkt
Kvel een Keyzer aan (fpr. w.)i il efl
fou comme un jeune chien, dat is
een malkus , nialle gek van ^een jon-
gen; mener une vie de chien, een
beejîagtig leeven leiden ; un chien de
coquin, een honds-vot, lompe vent;
chien dent , bonds-ta>fd (een kruid) ;
chien , de bond (een gefîernte) ; chien-
ne chaude , ritzige , loopfche teef;
chienne chaude , ou une charo-
gne, chienne de voirie, een vuile
fmots, terf, ondeugende feeks ; chien-
ne de friponne , looze bedriegjîer ,
feeks.
I CHî.
Chîenner , (v. n.) ^onge bondem.
werpen. '
Chier, (y. n.) (onboflyk w.) Schy-
ten , (beter aller aux lieux) op het
huisje gaan ; chier de peur , van
vrees in zyn broek kakken; chier far
quelcun , in iemand fchyten ; chier
fur la befogne, arbeid bederven,
Chieur , eufe (m. & f.) Schyter y
fcbytfîer.
Chiffe, (f) Ce n'eft ^ue de la
chiffe , het zyn maar vodden , bet
deugd niet (van laaken of fioffen ge-
zegd).
Chiffon , (m) Fodde , lap, oude lomp.
Chiffon , onne (adj.) Branches
chiffonnes , wilde takken.
Chiffonné , ée (adj.) Gekreukd,
gefrommeld.
Chiffonner , ( v. a. ) Kreuken ,
frommelen ; chiffonner quelcun d'u-
ne maniere brusque & étourdie,.
iemand op eene onbefchofte wyze aan*
tafien , verhavenen.
Chiffonnier, iere (ra. & f.) Vod-
den-kraamer- raaper- raapfier.
Chiffre, (m) Het cyffer , cyfferge-
tal , verborgen fchrift (n) ; appren-
dre le chiffre, fife cyffer-konft leeren-,
écrire des lettres en chiffre, brie-
ven in cyffer fchryven ; chiffre ,
naamtrek ; un zéro en chiffre, een
nul in cyffer , een menfch die noch goed
noch quaad doen kan.
Chiffrer, (v. a.) Cyffer en.
Chiffreur, (m) Reken-nteejier, cyf-
feraar , een die in de cyffer-konfï er-
varen is.
Chignon, (m) De nek; donner
un coup de bâton fur le chignon
du cou, een fiok-flag in de nek gce-
ven.
Chimagrée , ( f ) Een ztmr , mor-
rig gezigt (n).
Chimère , ( f ) Herffenfchim , îe de-
le inbeelding ; vercierd gedrogt^byDich-
ters).
Chimérique , (adj .) l^ercierd , ver-
dicht , iedel.
Chimériquement , (adv.) Inge-
beelder wyze.
Chimérifer, (v. n.)-^^'^ niet hers-
fen-fchimmen ophouden j (beter fe re-
paitre de chimères}.
Cl»v
cm. CHL. CHO.
Chîna-china, ( f ) Kiiia'kinaf(ze-
krre ba/l tegen de koorts).
Chinfreneau , (m) Hardejlag ofjloot
in 't aangezicht of op ket hoofJ.
Chinquer, (v. n.) Zuipen y zivel-
gen {gem. w.).
Clr ournie , ( f ) Galei geboefte (n) y
roei-bankcn van een galet.
Chipoter , (v. a.J {ge^^' î^«) P^^~
zrlcn , knabbelen > zeer naauw dingen ;
talwen ; hairklooven.
Chipocier , (rn) Peuzelaar y knib-
belaar \ krakt cider.
Chippage, (m) Bereiding mn klei-
ne vellen (f).
Chipper , (v. a.) Chipper les
peaux , kleine vellen bereiden.
Chique, (f) Knikker (ra) daar de
kinderen mede fpeelen ; klein ko ff y bak-
je ifc hot eitje.
Chiquenaude, {î) ^Een kni;^ met
de vinger (m).
Chiquet , (m) Klein gedeelte van
ket geheel (n)j il m'a payé chiquet
à chiquet , by beeft my van beetje
tot beetje betaald.
Chiragre, (m)Een jigttge aanban-
den en voeten; de jigt zelfs.
Chirographaire , (nj) Crediteur
dieflegts een bloot handjchrift heeft,
(lees Kirographaire).
Chiromancie, (f) Handwaarzeg-
gery , (lees Ki).
Chiromancien , ienne (m. & f.)
Een hand-kyker, kykfïer y (lees Ki).
Chiron , (m) De Schutter , (een der
12 Hemel s-tek.).
Chirurgical , aie (adj.) Opérations
chirurgicales , xvondbeelers werkin-
gen.
Chirurgie , (£) De HeeUkonfl.
Chirurgien, (m) Een ïVond-beeler,
heel-meefier.
Chirurgique, (adj.) Het geen de
Heel-kunde aangaat.
Chiure, (f) l^liegen-drek', vlooi-
Jcheet (m).
Chloris, (f) Bloem-godinne.
Choc , (m) Stoot , hort ; il Ie ren-
verfa d 'un choc , by wierp hem met ee-
nenfÏQOt wderdevoef, foutenir Ie pre-
mier choc 5 de eerjie aanval weer-
Jiaan.
Chocaillon , ( £)Eft2e. dronke toddf.
CHO. 127
Ch ocoUt, (m) Chocolaat (£).
Chocolatier , (m) Een Chocoïaat-
maaker , verkooper , fchenker.
Chocolatière, (f) Een Chocolaat
kan ; cbocolaat-verkoopfler.
Chœur , (m) Het choor , koor (n) 9
plaats daar de zangers in de R. kerk
zitten (f), (lees coeur).
Choir, (V. a.) Italien y neerjior-
ten.
Choifir, (v. a.) Kiezen, verkiezen ^
uitkiezen f uitleezen.
Choix, (m) Keuze, keur, verkie-
zing ( f).
Chommable, (adj.) Jours chom-
mables , vier- dagen , feejï-dagen.
Chommage, (m) kiering (f) , hei"
Itgen - dag , maandag ( by werkUe*
den).
Chommer , (v. a.) Een feefl-dag
vieren ; ledig zitten ; maandag houden
(by ambachtS'l.).
Chopine, (f) Een mutsje, half
pint je (n) ; boire chopine , braaf
drinken-
Chopiner, (v. n.) Lujïig zuipen,
Chopinette , ( £)Deink-fchaal( f) ;
Pomp-emmertj^ (n).
Choppemênt, (m) ^at:fJoottf7ge(£)
(zelden gebr.)
Chopper, (v. n.) Ergens tegenjloo-
ten , {zelden g eb r . ) .
Choquant, ante (adj,) ^anflootetyk^
beledigend , bitzig.
Choqué, ée (adj.) Gejïooten, enz.
Choquer , (v. a.) Stooten, beledig
gen, ergeren, aav.grypen y choquer
les verres, met de glvazen klinken;
fans choquer que.'cun yZonderiemand
te holed'igcn; cela choque la bien-
féance , dat fîryd tegen de betamelyk,
beid', cela choque Ja vue & l'oreil-
le , dat quetfl het ocg en het oor.
ChoraciK ,(m. pi.) Cboor- ofkoor-ksn^
deren , (de ïfîefyllabe word ko uîtee--
fproken).
Chorégraphie , ( f ) Konfî om de»
dans a f te micten.
Chorévêque , (m) Een ricariust
Opper-veld-PrieJJer, (lees Ko).
Chorifte , (m) Koor-zanserL (lees
Ko). * " ^
Chorographie, (f; Land^befcbrv^
ving , ihes Ko],
128 CHO. CHR.
Chorographiqae , (adj.) Dat de
hand-befchryving aangaat, {lees Ko).
Chorus, (ra) Faire chorns, cboot'
of koor houden , belder zingen , {lees
Ko).
Chofe , ( f) Een zaak , daad { f) ,
ding (n); quelque choie , iets -.quci-
^"ne chole de beau, iets moois -.men
zegd ook chofe {ding) , ivamner men
zig de tuiam lan iets niet kun te bin-
nen brengen ; j 'ai parlé à chole , ik heb
dings gefpraoken.
Chou , (w) Koo/ ( f) ; jeune /:hou ,
jonge kool-, fprttitcn; choux blancs^
frilez , cabus rouges, de lavoie ,
fleurs , verts , fdlès, witte , kru!,JJuit,
roode , favoy , bloem , boere-kool zuur-
kool; chou pour chou , lood om oud-
yzer; je n'en donnerai -çs^s un
tronc de chou , ik zou 'er geen pyp
tabak voor geeven-, il en fera fcs
choux gras, hy zal 'er l'et van fop-
pen, zyn fortuin by maakeny^oMiX re-
venir à nos choux , om weder tot
onze zaak te komen (fpr. iv.).
Choucas , (m) Tamme kraai.
Chouette, (f) Steen-uil, kerk-uil
(m).
Chou-fleur, (tn) Bloem-kool, (zie
chou).
ChQuqaet, (m) Ezels-hoofd (p),
Jchecps-blok {zee iv.).
Chouffet , (m) '/Lekere drank die de
"Turken ma aki- n.
Choyer , (v. a.) Iemand zeer ont-
zien, myden, of groot ontzag voor ie-
mand hebben ; ie choyer , zig wach-
ten f hoeden , in acht neemen.
NB. l^an de woorden die met
Chr. beginnen word de letter
h niet uitgefprooken.
Chrême , (m) Heilige olie (m) ; het
vormzel (u) m de K. kerk gebr.).
Chrêraeau, (m) Mutsje dat men\de
kinderen , na dat zy het vormzel ont-
fanzen hebben, opzet (n).
Chrétien, ne (m. & f .) Een Chris-
ten , Cbnjiinne.
Chrétien, ne (adj.) Cbrifielyk ,
Chrijlelyke; parler chrétien , {dat is
parier François) franjcb fpreeken.
Chrétiennement, (adv.) Chrifetyk.
Chrétienté , ( f) Chrifienbeid ( f ) ,
Chnjiendom (n).
CHR,
Chrismation, (f) Toediemng ^an
't vormzel {in de R. kerk).
Christ, (m) Christus j als /er
jEsüs byjïaat leeft men Kri , en niet
Chrift.
Chriftianifer,(v. aO Tot eenchris"
ten maaken.
Christianisme , (m) Het Chrifïen-
dom (n). Chnflen Godtsctienfl.
Chromatique, fadj.) Chant chro-
matique , zang die uit veele halve no-
t-en befiaat.
Chronique , (f) Tyds - hefchry-
ving, kronyk ( f ) > najpraak , uit'
frooifel ; chronique fcandaleufe,
quaad gerucht ; les livres "des chro-
niques, de boeken der chronyken.
Chronique, (adj.) Maladie chro-
nique , lüngduurige ziekte^
Chroniqueur , (m) Jaar-boek-'
fchryver.
Chronographe , (m) Tyd-rekenaar.
Chronographie , (f) Tyd-reken-
kunde.
Chronologie, (f) Tyd-rekening,
Chronologique , (adj.) Het geen
de tyd-rekenin^ aangaat ; tables chro-
nologiques , tyd-reken- kundige ta-
felen.
Chronologifte , (m) Tyd-reken-
kundige.
Chronologue , (m) Tyd-befchryver ,
{oud w.)
Chronomètre , (m) Wiskunflîg
werktuig om de tyd te meeten (n).
Chry'focüUe , (f) Zeker edel ge-
fieente (n).
Chryfolite ,{m) Zekere goud-glan-
fige Jaspis-Jleen.
Chryfopée, (.f) Y^onfi om goud te
te maaken.
Chu , ue ( adj. ) Gevallen.
Chuchoter , (v. n.) In 't oor luis^
teren , fee zi ken.
Chuchoterie, (f) Heimelyk gt
fprek (n).
Chuchoteur, eufe (na. & f.) Fee-
ziker , heimelyke praat er- , praatfier.
Chut! :interj.)Sö5 ,fiil ,wees fiil !
Chute (f) Een val (m); chute
d'Adam , de val van Adam j la chute
de l'Empire Romaine , de onder-
gang des Roomfchen Ryks; chiite d'u-
ne periode , 't einde eetier rede,
Chy-
CH7.Cî:CIB.CIC.&c.
Chyie . (m) Gyl { f) , maag-zap
(n) , dat hpt bloed veroorzaakt.
• Chyiification , ( f) Gyt-verwek-
Chymie,(f4 De Jlook-kunde , JJof-
fchei- kunde , Jchei-konjl.
Chymique , (adj.;'^ Geen daar toe
behoord.
Chymifte, (m) Een f.of-jchct-kun-
dige.
Qi'i (adv.) Hier; eet horm:7e ei,
deeze^ man; celui ei, eeux ei, eel-
Je ei 7 eelles ei, deeze ; oX-^^xH ^
hier na; ei- contre ,/;/>r tegen orvr ;
ci-delTus, hier boven; ei-deflbus ,
hieronder; ci-devant , voor dezen ^
voormaals.
Ciboire , (ro) Öuxvel - hoflie of
ciborie kaftje (n)
Ciboule, (f) Bieslook.
Ciboulette , <J) Jonge bieslook.
Cicatrice , ( f) Een lid-teken (n).
Cicatricule, (f) Lid-teekemje{n)
Cicatrifant,(adj.) Met een lid-tee-
ken heelende.
Cicatrifatif, ive (adj.) Dat met
ten lid-teeken heeld.
Cicatrifer, (v. a.) Eene wonde met
een lid~teeken heelen ; fe cicatrifer ,
(v. r.) zyne kleéren fcheuren (figuurl.).
. Cicero j {va.)Soort van Druk-letter
tuffchen klein Romein en^ugujlyn( £).
^ Cicerole, (f> Kleine erweet , fts-
fer.
. Cicognat > (m) Jong van een Oje^
vaar (n), (Cicogneau ts meer in ge-
bruik).
Cicogne, (f) Ojevaar (m); con-
tes de la cicogne, oudg vuyfs ver-
tellingen.
Cidre, (m) Jppet-dranky cider.
Ciel, (m) Hemel, lucbtjlreek; Ie
ciel efl: beau > ferein , de lucht is
klaar y helder; Ie ciel fe hauffe , de
lucht klaart op {zee w.)j cl^lyhetbo-
venjle van een fchildery (by Schild.) ;
ciel de lit, gehemelte eener bedflee-
de ; {van deeze 2 woorden is het plur.
ciels en niet cieux)> remuer ciel &
terre contre quelcan , alle krachten
tegens iemand infpannen.
Cierge , (^u) Een was-kaers ( f).
Cicrger, {m) Was-Ucht-maaker oj
verkoopgr»
/CIG. CIL. CIM. cm. 129
Cigale, (f) Een fprinkhaan; Jla-^
pel ; een pcjï {zeker rivier-vtfch) (m).
Cigne , ^m; {Zie Cygne).
Cigogne, (f) Een Ojevaar (m),
{beter Cicogne).
Cigue, )i) Dolle kervel ,fcheerling
{zeker vergiftige plant die SccratesgC'
bruikte toen h\.> jierven moejl).
Cil , (m) Hatr de.r oogleden,
CiliaJre, (adj.) Ligament ciliai-
re , de band der oogen die het h-tfal-
lyr.e vngt bevat.
Cilice, (m) Een hairen-kleed {v\),
Cilindre, (m) {Zie Cylindre).
Cillement, (m) Blikking der oogen
Ciller, (v. a. & n.) Blikken met
de oogen ;graauwe oog-traauwen beko"
men {van Paerden gezegd).
Cimagrées ou Simagrées, (f. pi.)
Grillen , f rat zen , mislyke gebaar-
den.
Cimaife (f) {Zie Cymaife),
Cimarre , (f) Een Samaar.
Cimbale , ( f) {Zie Cymbale),
Cime , ( f) De top , kruin (m) , hei
toppunt (n) van een gebouw , berg enz»
Cimenr, (ra) Tarras , tras (m)?
ciment, cement van rood gebakkeu
fleen {by Goud f mit s gebr.) ; la verta
eft Ie vrai ciment de l'amitié, dû
deugd is de ivaare band der vriend^
fchap ; une affaire faite à chaux &:
à ciment , een zaak die bondig en
voji is.
Cimenter, (v. a.) Met tarras be^
leggen, metzelen ; cimenter rami-
tié , de vriendfchap bondig > fierk
maaken.
Cimentier, (m) TarraS'Verkooper»
Cimeterre, (m) Een jlag-zwaarà
(n) , Turkfche zabel (m).
Cimetière , (m) Kerkhof (n) 5 pîaats
daar veel- volk fneuveld (f).
Cimier, (m) Biljluk van een Os ^
Hert , enz. betmjiuk boven aan een ww
pen (n)«; ■ , .
Cinabre , (m) VermilUoen {verf).
Cincenelle , ( f ) Paardelyn voor
fcbuiten.
Cmefaftion ou cinergtlon, (f)
Tot afchmaaking {in Chyrh.\
Cinglage , (m) Loop van een Schip
in een etjn^Ml of 2^ uuren t
l (Jin-
130 CIN. CIP. CIR.
Cingleau , (m) ócbiet-loof (n) , (/»
Bûttu'k.)
Cingler, (v. n.) Zeden; met yol-
ie zeilen vaaren ; wakker upwaaijen ;
met een zweep of teen feitfchen-,Jlaau.
Cinnaraome, (m) Kaueel-boom.
Cinq, (adj.) /^y/; cinq fois, vyf
maal; Louïs cinq, Lodeivyk de vyj-
de-y un cinq en chiffre , mî vyf tu 'p
cyffer-getal. _
Cinquantaine, (f) Een vyftjg-tal
(n)-
Cinquante, (adj.) f^yftig.
Cinquantenier , (m) Bevelhebber
ever vyftig.
Cinquantième, (adj. & fubft.) De
vyfiigjle; 't vyfiig/îe deeL
Cinquenelie , ( f ) Tomv dat by bes
gefchiit gebruikt word.
Cinquième , (adj. & fubfl.) De
'Vyfde-, 't vyfde deel; en cinquième
lieu-, ten vyf Jen.
Cinquiémement,(adv.) Ten vyfden.
Cintrage , (m) Touw om te binden^
of HA gorden (n) {zee w.).
C'incre , (ra) Een boog (m) , ge-
welf, houtwerk waar over een gewelf
gemaakt word (n).
Cintré, ée (adj.) Met een gewelf
gemaakt.
Cintrer , (v. a.) Overwelven , boogs-
wyze maaken.
Cion. {Zie Selon).
Cippe, (m) Gedenk'Zuil (f).
Cirage , (m) Laarzen- of fchoen-
Jmeer (n).
Circoncire , (v. a.) Befnyden. .
Circoncis, (adj.) Befneeden; les
circoncis, de befneedene , {Jood. of
Mahom.).
Circoncifeur, (m) Bsfnyder.
Circonciflon, (f) Befnydenis, be-
fnydin^.
Circonférence, {£) Omtrek, ron-
de omloop (m).
Circonflexe, (adj.) Accent cir-
conflexe (A) , omgeboogen geluidtee-
ken.
Circonlocution , (f) Omfpraak,
ivydluftigheid.
Circoafcription , (f) Omfchryving;
depaaling.
Circonfçrire , (v. a.) Omfchryven^
tmtrekken binnen zyne grenzen^
CIR. CIS.
Circonfcrit, ite, (adj.) Bepaald,
in eene kring beflooten.
Circonfpeft , eue (adj.) Omzig-
fig, wys.
Circonfpeftion , (f) Voorzigtig-
heid; agir avec circonfpeftion, wjé"/
omzigtigbeid te werk gaan.
Circonflance , (f) Omjlandigheid
(f); 't aankleeven (n) eener zaak.
Circonilancier , (v. a.) De om-
fïandigheden van eene zaak ver haa-
ien.
Circonvallation , ( f) Omfchans-
fing.
Circonvenir, (v. a.) Bedriegen,
misleiden^ betrekken., {in Rechten).
Circonvention , ( f) Bedrog (n) ,
betrekking (f).
Circonvoifin, ine (adj.) iVfli««-
rig y omleggend.
Circonvolution, (f) Omloop, om-
wenteling der Planeeten,
Circuit, (f) Omtrek; circuit de
paroles, omweg van woorden.
Circulaire, (adj.) Lettres circu-
laires , rondlopende brieven.
Circulaireraent, (adv.) In 't ron-
de , rondlopend.
Circulateur, {mjOmzwerver , land-
loper.
Circulation , (f) Omloop; rou-
leering (f).
Circulatoire, (adj.)Vaifleatt cir-
culatoire , een vat dienende tot het
dikivils overbaalen van eenig vogt ,
{in Chym.).
Circuler, (v. n.) Omkopen; roa-
leeren.
Cire, (f) IVafch ofwa:; lak (n).
Ciré, ée (adj.) De la toile ci-
rée , gewafcht linnen.
Cirer , (v.a.) Met wafch bejlryken.
Cirier , (m) Een wafch- of wafch-
lichv maaker of verkooper.
Ciroëne , (m) Een pleijl^r die men-
op eene kneuzing legt.
Ciron, (m) 'Een ziertje, een klein
wormtje tujfcben vel en vleefch kor
mende (n).
Cirque , (m) Renperk der oude Ro-
meinen (n). ', , ^
Cirure, (f) Wafch-fmeerfel (n).
Cifaillement, (m)Hetfnyden,gra-
veeren (n),
Cifail'
CIS. CIT. CIV.
(Tirailler, (v. a.) Met een groote
fchaar fnyden , Joorkfiifptn.
Cifailles , (t\ pi.) Groote fchaar
om blik enz. meê te fnyden; item af-
vul , affr.ydzel.
Cifeau , (m) Een beitel (m) , gra-
veer-yz^r (n).
Cifeaux, (m. pi.) Een fchaar (f).
Cifeler , (v. a.) Uitjleeken met een
heitel , graveeren.
Cifelec, (mj Beiteltje (n).
Cifeleur, (m) Graveerder, uit-
fnyder.
, Cifcflure, (f) Snywcrk (n), gra-
veering ( f). .
Cifüir, (m) Goudfmits fchaar (£).
Ciflbïde , (f) Kromme linies (in
Meetk.)
Citadelle, (f) Kapel {T\)y Ves-
ting (f).
Citadin, ine (m. & f.) Burger',
burgcreffe , voornamentlyk in ital.
Jiceden.
Cication, (f) Dagvaarding', aan-
haalÏKg van eenig text enz.
Cité, (f) La fainte cité, de hei-
lige fïadt.
Citer , (v. a.) Dagvaarden voor 't
gericht (aSxgnar) ; eenig fchryver aan-
baaien (alléguer).
Citérieur, eure (adj.) ^an de'ize
Zyde leggende.
Citerne , ( f) Een regen-bak , regen-
put {va).
Cicerneau, (m) Kleine water-bak.
Citoyen, enne (n:. 6c f.) Stede-
fttig 1 Burger; Burgtreffe.
Citrin , ine (adj.) Citroen-kleurig,
Citron, (m) Een citroen (f).
Citronnât, (m) Citroen fnipprrs.
Citronné, ée (adj.) Met citroenen
toegemaakt.
Citronnelle, (f) C/Vro^w-liqueur.
Citronnier , Cm) Citroen-boom.
Citrouille , ( f) Een pompoen.
Civadiere, (f) De blinde, zeil
van de koegfpriet.
Cive , (f) Bies-look.
Civé. (m) Een Hazen Ragovt.
Civette, (f) Civet-kat; muikus;
bies-look tot falaad.
Civière, (f) Burrie, draagbaar.
Civil, ile (adj.) Burgerlyk; be-
leefd; droit civil , burger-recht.
CIV. CLA. 13Î
Civilement, (adv.) Burgerlyk ; be^
leefdelyk.
Civilifé, ée (adj.) Befcbaafd, be^
f c hei den.
Civilifer, (v. a.) Beleejd maaken y
befchaaven; eene f.rafwaardige zaak
in eene burger lyke veranderen , {in
Rechten).
Civilité, (f) Beleefdheid i ivelge^
manierdheid; civilitez , {f.pl.)pltgt~
pltegingen ; faites lui mes civilitez,
doed hem myne gebiedenis ; recevoir
quelcun avec beaucoup de civilité,
iemand zeer minzaam ontfangen.
Civique, (adj.) Couronne civi-
que, krans van eike loof., (eert y ds
door de Romeinen gefchonken aan een
burger die een medeburger zyn leeven
geredhad).
Ciabaud, (m) Brak met lange han^
gende ooren, of Jagt-hond , die ge-
jïadig en te v.'rgeeffch op het fpoof
jouxvd of haf f ; item een lob-oor , /ow-
pe vleegel ; votre chapeau fait le
ciabaud , uw' hoed hangt met den
rand neer.
Clabaudage, (m) Gefchreeuiv, ge-*
jouw van vee Ie honden (n).
Clabauder, (v. n.) Blaffen, jan-
ken ; item tieren , fchreeuwen , geraas
maaken ; iemands eere verkleinen,
Clabauderie, (f) Gefchreeuw, ge-
jouw , getier , geblaf (n).
Clabaudeur, eufe (m.&f.) La/liga
fchrecuwer , fchreeuwfier»
Claie, (f) Eene teene horde om
vrugten op te droogen; trainer fur la
claie , op de horde fleepen ; claies ,
(pi.'; horden tot etn fcbaaps-kooi m 't
veld.
Clair, aire (adj.) Klaar, helder -,
duidelyk ; une chambre claire , een
verlichte kamer; vue cWire , eenklaar
gezigt; ce bouillon eft trop clair,
dat nat is te dun; deniers clairs, ^é"-
reede penningen; étoffe claire, dun-
ne , yle poffe ; cheveux clairs, dun
hair; cela eft clair, dat is middag-
klaar; il eft clair que &c. het blykt
dat enz.
Clair, (m) Scbyn (f), licht (n);
clair de lune , de maane-fchyn ; il fait
àê]3ic]siir, het is al dag; clair obfcur,
het dage» €» fchaduweneënerfchildery,
i - CUir,
t^ CLA.
Clair, (adv.) Klaarlyk; duiJelyk;
chanter clair, helder zingen y voir
clair , fcherp zienyem fcherp •vprjïand
btbbcn i tirer à clair , ovenappen ,
kl aar en.
Clairement , (adv.) Klaarlyk , dui-
delyh
Caire-foudure, (f) Soldeer -tin
(n).
Clairet, ette (adj.) Ligt- of bleek-
rood; vin ciairec , bleeke rooJe wyn.
C.airetce, ^f; Kerjen-braniezvyn
(m).
Clairettes, (f. pi.) Nonm^n dus ge-
naamd.
Ci ai re- voie , ' f) Al te groote ruim-
te tujfchcn balken , boomen of tuin-
Jjedden-, porte à claire voie, tralie
deur.
Clairière, ( f) Onbeplante of dunne
plaats, in een bofi^b»
/ Ciairon , (ir.) Klaroen (fpeeHuig) ;
Kornet- reg ijler op een orgel (n),
Clair-femé ,ée {iidi,) Dun gezaaid;
ifig') zeldzaam , raar ; l'argent eft
elair-femé , het geld is raar.
Clair-voyance, {î) Door dringend-
heid , fcherpzinnigbeid.
Clair-voyant. ante (adj.) Scherp-
ziende ; efpric clair-voyant , een
doordringend ver/land.
Clameur, (m) Geroep ,gefchreeuiv f
geklaç; (m).
Clamp OU clan , (m) Een houte
klamp , boljhr , of klos (in fcbeepsb.).
Clampoiinier, (m) Een paerd met
dttnne en lange fchcnkels (n).
Clan, (m) Een houte kegge (f).
. Clandeftin , ine (adj.) Heimelyk
verborgen; mariage clandeftin , hu-
ivelyk dat onder den duim gefchied.
Clandeflinement, (adv.) Co eene
beimelyke wyze , in 't geniep , ter
fmutk of fmuig»
Clandeftinité, (f) Gebeimheid,
verhoolenheid.
Ciapet , (m) Klepie van een pomp (n).
Clapier, (tn) Een tam könyn ; ko-
nynen hok of hol (n)
CIapir,"(v. n.) Le lapin clapit ,
bet konyn fiipt. .
Claponnier. (.^:e Clamponnier).
Claque (f) fur les feiFes , »en
flagf klap (m) op de bille ik
CLA.
Claquedent, (m) Bedelaar ^fchoa-
jer , (gem. iv.)
Claquement , (ra) Geklap (n) j cla-
quement des dents, klopper-tanding
(f).
Claquemurer, (v. a.) OpJJuiten;Ce
claquemurer, (v. r.) zig op/iuiten,
(hoert, w.)
Claque-oreiile, (m) Neérhangenr
de hoed-, [gem. %v.)
Claquer , (v. n.) Klappen, geklap
maaken; fiire bien claquer fon
fouec , (fpr. iv.) een groot gerucht in
de waereld maaken -, claquer des
mains, des deuls yjn de handen klap'
pen yklarper-tanden ; c'aquer les fes-
ies ^kLpyen op de biikn geeven.
Claquet. (Zie CJiquet).
Ciaqueter, (v.n.) Schreeuwen als
een fpririkhaan.
Clarification, (f) Klaar maakingi'
Clarifier, (v. a.) Klajr maaken ,
klaaren; fe clarifier, (v. r.) klaar
•worden , (van z'ogten gr ze d).
Clarine, (f) Klein belletje aan den
hals der kseijen in een hofch (n).
Clarine, (adj.) Word van^ diereu
gezegd , die een klokje of fchelletje
draagen ,(in IFapenk.)
Clariffe , (f) Zekere Nonne dut
genaamd.
Clariiïïme ,rfubft.&acj.) Eer-tytet
voor een zeer beroemd of geleerd man»
Clarté, (f) Klaarheid, helderheid
(f); licht, fchynzd (n); lire à la
clarté de la lune, in den maane-
fchyit Ipezen ; faire apporter de la
clarté , licht doen brengen ; clarcé dé
ftyle , zuiverheid van Jlyl ; clarté de.'
teint, helderheid van kleur.
Clas, (m) (lees elk) Het luiden der
klokken , wanneer iemand gejïorven
is (n).
ClafTe , ( f ) Orde ( f ) , aanzren (n) ,
Klas> les balTes, les hautes clas-
fes, de laag e , de hooge fchoohn; c'ell
un auteur" de la premier^ clafTe,
het is een der brjïe fchryvers; divi-
fer en fix clalTes , in zes deelen ver-
deelcn-, durant mes clâlTes, geduu-
rende wv" fhool-tyd.
Claflique , (adj.) Auteurs claflï-
ques , fchryvers die in de lat, fchool
vertaald worden , zyn dus genaamd.
Ciâ-
CLA. CLE.
C'atîr. [Zie Claar).
Clavaire , (m) iiewaarder drr Do-
cumencen {in Kerit-k.).
Ciawau , (m) Knobbel (m) ,fchurff
(n), {zekere ziekte Jir Schaaken).
Claveaux, (m. pi.) Bind-jhenen ,
hincf-Jîukken , (tn Bomvk.).
C tavelée , ée (adj.) Geknobbeld ^
Jçburttig-y kettrrfch.
Clavelée , ( f ; Schvrff der Schaa-
pen. {Zie Claveau).
Claveflïn , (m) Klavecimbel, kla-
vier (f),
Clavette , ( f) Fene fpie.
^ Clavicule , ( f) Het Jleutel- of borjl-
heen {in Ontleedk.) (n).
Clavier, (tn) SUutel-ring', feutel-
àraager ; klavier van een orgel enz .
Claufe , ( f ) Beding , vooivcaarde ,
bepaaling , claufule in een contraft ,
tejlament enz.
Claufoir j (m) Shiit-Jleen eener
muur.
Clauftral, aie (adj.) Kloojïerlyk.
Claye. {Zie Claie).
Clayon, (m) Een kaas-korf.
Glayonnage, (m) Gezlogten rys-
iverk , teen-werk, horden-irerk (n).
Cléché, ée {a.d}.)Sleutel-rings K-y-
ze {in fFapenk.).
Clef, {lees clé) ( f) Sleutel; jl eut el
van een land ; fluit fieen van een ver-
wulf; muziek fleutel (m) ; flem-ka-
mertje {n) -ffleutel van een gefchrift ;
de trekker (m) , veer (f) van een
f naphaan -y flot-yzer (n) of bout onder'
aan een mafl (m) ; fauffe clef, nage-
maakte fleutel , een loop er y clef for-
cée ou fauffée , verdraaide fleutel;
jetter la clef fur la fufle , den fleu-
iel op het graf leggen, eene nalaten-
fchaf) vaaren laaten; puilTance des
clefs , de magt der flcutels { m de
kerk); clef à vis, /e *ro^/-y2f>r;_ clef
de violon, viool pinnet je i avoir la
clef des champs, voile vryheid ge-
nieten.
Clémence > ( f ) Goedheid , genade ,
goeder t i er endheid.
Clement , ente (adj.) Coedertie-
rend , zagtmoedig.
CJenciie , (f) Klink van een deur.
Clepfydie, (f) fVanr-mr-glas ,
CLE. CLL 13:)
Clëragre , ( t ) Ziekte in de wieken
der Rotfvogfls.
Clerc, {ns){lees cler) Een geeflelyk
perfoon ; een fchryver , kUrk by een
Ntitaris) pas de clerc, een miszag.
Clergé, (m) De geeflelykhcid (f).
Clérical , aie (adj.J Geefielyk ,pnes^
terlyk.
Cléricalemcnt, (ady.) Op de wyze
van geefielyk e.
C lé n c ature , ( f ) Geeflelyke fland,
Client, ente {m. ik f.) Ou par-
tie , eene die zyiie zaak (pleidooi)
aan een Advocaat toevertrouwd ^ ecu
c\\Qx\^ y party .
Cli^-ntelle, (f) Befchutïing, bc
fchermiKg.
Clif ire, (f) Een fpuit van vlie-'
ren hout.
Clignement , {m\ Blikkwg der
oogrn (f).
Cligne-mufTetteou climufTette, (f)
Schuileivinkje {zeker kinderfpel).
Cligner, (v. a.) Blikken^ knip-
oogen.
Clignotement ,(m) Geduurtgeblik-
khig der oogen { f)"
Clignoter, (v, n ) Gefladig blik-'
ken met de oogen»
Ciimadérrque , fadj.) Année cli-
raaftérique , geiaarlyk jaar , ( hier
door verflaat men ieder ide jaar net
iemands geboorte).
C\ïm^t^{m)Lucht-fireek{S);gewefï (n).
Clin, (m) En un clin d'œil, îti
een oogenbltk.
Clincaille , (f) Kraamery , fnuit-
zery ian koper , yzer , enz. j kopere^
munt.
Clinoailler ou quincailler, (m)
Tzer-kooper , of fnuitzery-vérkooper.
Clincaillerie , (f) Koopmanfchap
in yzer-werk. {Zte Clincaille).
( linche , ( f ) tiet JJukje yzerwacm
meê men de klink eener deur opligt»
Cîinquaille, {Zie Clincaille).
Clinquant , (m) Klater-goud-of zil-
ver {x\); allerhande klinkende waar\
valfche fchyn , woorden-klank {£).
Clique , ( f ) Bende { f ) , rot (n) j ils
font de la même clique , zy zyn
van eenerîey aart , van dezelve bende»
Cliquet ou claquet, (m) Klepper^
.onrtifl tn cm m^Qten-, ià l«ogae vj
1 2 cofi&=
134 CLT. CLO.
comme un cliquecde moulin ,haar
tong gaat als een Lazarus klep ,
{Jpr. w.)
Cliqueter, (v. n.) Klappen, klet-
teren.
Cliquetis, (m) Geraas (n) , klet-
tert ng (f) der wapenen.
Cliquette, (f) Jouer des cli-
quettes , op de klap-beentjfs fpeelen j
cliquettes de ladre , lazarus klep-
Cliqueur , (m) Een morvegter ;
guit , plug.
Clifle, (f) Eene horde van teen
gemaakt -, fcbeen offpalk (by Wondh.)
Clifler, (v. a.) Met horden 'voor-
zien ; f palken*
Cliver, (v. a.) Cliver un dia-
mant , een diamant klooven.
Cloaque , ( f) Een riool (n) , wa-
ter-hop (m); een vuil Jïinkend menfch
(n).
Cloche, (f) Een klok; jloof-pan;
glaaze tuin-klok; fonner les cloches,
de klokken luiden j baptifer une
cloche, eene klok inivyden-, fondeur
de cloches, een klok.gieïer\ cloche
fur la premiere peau , blaasje op
de boven huid; il eft temps de fon-
dre la cloche , het word tyd om van
deze zaak een einde te maaken {Jpr. w.)-,
être étonné comme un fondeur de
cloche , jlaan of men bctooverd was j
faire fonner la grofie cloche, aan
de groote kick trekken , den meejler
doen fpreeken ', cloche de hyacinthe,
kelk van een hiacinth-bhem.
Cloché, ée (adj.) Melon cloché,
meloen die onder een klok ryp gewor-
den is.
Clocheman , (m) Klok-luider ; hel-
hamel; fchaap dat de bel draagd.
Clochement, (m) Hinking (f).
A Clochepied , (adv.) Aller à
^clochepied , op één been hinken.
Clocher», (m) Klokken-toren (m) ;
stem kerfpel (n).
Clocher , (v. n.) Hinken j mank
f aan; ces vers clochent, dat zyn
veupele verzen; il ne faut pas clo-
cher devant les boiteux, voor de
geleerden is qiiaad te preeken.
Clocheton^ (n-».) Klein torentje (n).
Clochette, (f) Belletje, klokje
{n)i khi-èloem (f).
CLO.
Cloifon, (f) ScLutzel (n) , hel-
mng ; Jlot-plaat (f).
Clüifonnage, (m) Schot-xverk (n).
Cloifonné, ée (adj.) ^fgefchooten,
afgeheind met planken of Jïaketzels.
Cloître, (m) Een kloojler (n).
Cloîtrer, (v. a.) Klotderen, in een
kloojler zetten.
Cloïtrier, (ro) Khojler-portier.
Clopin', dopant, {gem. w.) Il
vient clopin, clopant, hy komt at
hinkende pink. :
Clopiner, (v. n.) Hinke - pinken ^
als een jichtige.
Cloporte, (ra) Pijfebed (zeker in-
feâ).
Ciorre , (v. a.) Sluiten; toemaa-
ken; bemuuren; clorre un compte,
een' rekening Jluiten.
Clos, (m) Omheinde plaats (m) of
land (n) j ring-vntur; hegge (£).
Clos, ofe (adj.) To'egejlooten ; be^
Jlooten ; omheind': fi tot qu'il eut les
yeux clos , zoo dra zyn oogen geloo-
ken waren ; ce font lettres clofes,
dat is een 'geheime zaak ; à yeux
clos, met gpjlooten oogen; fe tenir
clos & couvert, zig gpjlooten hou-
den; combattre en champs clos, in
een bejlooten veld vegten; ville clo-
fe , eene beinuurde fiadt ; du drap
clos & couvert , digt en gedekt la-
ken; pâques cl oies, de ee^e zondag
na paajfcben.
Cloifeau , (m) Een boeren moes-
■tuintje (n) .
Cloferie , (f) Een kleine boeren^
hoof.
ClofTement, (m) Het klokken van
eene hen (n).
ClolTer ou Glouffer, (v.n,) Klok-
ken , kakelen als eene hen.
Clotoir , (m) Steeker , fleek-priem
(m), (Mandemaakers werkt.)
Clôture, (f) Heining, ring-muur;
f,uiting eencr rekening.
Cloturier , (m) Mandemaaker in
grof w' er k.
Clou , (m) Spyker , nagel; bloed-
vin;\in clou chaiïe Tautre .(^pr. tv.)
het eene doed het andere wyken iriver
Ie clou à quelcun , (fpr.w.)iemanti
net van pas de mond fnoeren.
Clou de girofle , (m) Kruidnageh
Clou*
CLO. CLY. COA. &c.
Cloucourde , (f) Zekere hleeke
roode koren-bloem.
Cloué, ée (adjO Gefpykrrd; être
cloué, pal zitten , van zyn plaats
niet komen.
Clouer, (v. a.) ï^njï fpykeren.
Clouere , ( f) Spykir aanbeeld (n).
Clouter, (v. a.) Met kopnageltjes
bezetten.
Clouterie, (f) Spyker-maakery of
handel.
Cloutier, (m) Spyker-maakcr ofver-
kooper.
Clóutiere , ( f ) Zeker Jluk yzcr met
gaat en by de fpyker-fmids .
Clyftere, (m) Spuit-artzeny (f),
een lavement (n).
Co-accufé , (na) Mede hefchuldigde.
Coaftif, ive (adj.) Pouvoir coac-
tif , dwingende magt.
Coadjuteur, trice , (m.& f.) Me-
de-hulp , mede-helper 'f mede-belpjier,
Coadjutorerie , ( f) ^mpt daar
van (n).
Coagis , (m) Een Comtniflïonair ,
dus genaamd in de Levant.
Coagulation, (f; Stolling , Jirem-
tntng.
Coaguler, (v. a.) Stollen , dik wor-
den , klo'nteren.
Coaille, (f) De grofjJe vjol van
een Schaap.
Coailler , (v. n.) Met den Jïaart
quifpelen , {Jagers w.)
CoafTeraeni: , (ra) Gequaak der kik-
vorfchen.
CoalTer, (v. n.) Quaaken.
Cobes, (f. pi.) Lceuwers oogen in
't lyk (touzvtjes aan de zeilen daar
meu andere doorhaald (fcbeeps iv.)
Co-bourgeois, (m) Schips-rnede-
reeder, Participant.
Coc. {Zie Coq).
Cocagne, (f) {word alleen dus
gsb.)l?3LÏs de cocHgns yluilekkcr land.
Cocarde ,{{)Een vt'derbofcb(m);
Jlrikje (n). -
Cocafle , (adj.) {gem. w.) Eigen-
zinnig.
Cocatrix, (m) Eenfoort van baft-
liskus.
Cöccigruës, {{. pi.) Conter des
coccigruës, beiizelingen vertellen.
Coccus; (m) Scharlaken-boom»
COC. COD. COE. 135
Coche, (m) Reis-koets {f), tent-
fcbuit (m).
Coche , ( f) Een' zeiige , zog, (truie)
une vilaine coche , eene vuile zog «
dik vet vrouivmenjch.
Coche, (f) Keep i kerf in hout enz.
Cochemar. {Zie Cauchemar).
Cochenille , ( f) Konfenilje , (zeker
ivormtje tot fcharlaken rood gebezigd).
Cüchenilier, (v.a.) Met konfenil-
je verwen.
Cocber,^m) Een koetzier.^
Cocher, (v.a.) Le coq côche la
poule , de baan treed de hen.
Cochet, (m) Jon^ haantje (n).
Cochevis, (m) ten kuif-hemicrik.
Cochléaria, ou herbexBU cueillser ,
(m) Lepelblad (n). ' j
Cochon, (m) £^« l'^erken-, cochon
de lait, een fpeenverken.
Cochonnée , ( f ) Eeii- vt;)rp jonge
verkens, biggens.
Cochonner , (v. n.) p'erkefis wer-
pen , biggen.
Cochonnerie , ( f) Vuiligheid ,
morffery.
Cochonnet , (m) Klein verkerk] p;
een tol let je met 12 zydcny item het
merk of doel waar pa men met de
kloot werpt. ,■ ^
Coco , (m) Rokös-mot (f).
Cocon OU coucon , (m) Tonnetje
van een zy-vaorm (n).
Cocotier , (m) Kokos-boom.
Co ft ion , (f) Kooking , ver douwing
in de maag.
Cocu , (m) Een hoorn -dr aager.
Cocuagc , (m) Het hoorn-draager-
fchap (n).
Cocüfier , (v, a.) Tot eenen hoorn*
draager maaken.
Code , (m) Een IVet-hoek (n).
Codicillaire , (adj.) Dat tot een
codicil behoord.
Codicille, ('m) Codicil, t7^Mi6^«5-.
zei van een teftamcnt (n).
Codille, (m) De zet die iemand y
die de huofdfpeeler niet is ^ wint, {in
't omber fpcl).
Cü-donataire , (m. *& £.) Een dien
iets nevens eenen anderen gefchonken
word.
Coëffe , ( f ) Vrouwen - muts -, kap
van een hoed j het darm - vlies { in
I 4 Ont'
Ï3Ö COE. COF.
f}ntleedk,)'y een helm daar zommîge
kitnieren meè gehoor rn zvordcn.
Coëïïé, ée {^d'i) Geka_pt igcmutj'î',
il eft né coëffé , hy is tncf etn helm
gebooren; il e\\ cuëiTé de cetce fil-
le , hy is op dat meisie verliefd.
Ccëffer, (v. à.) Bet hair opzetten^
coëffeeren; cette peru^ue, ce cha-
peau vo'.is coëiTe bien, die paruik,
die hoeJ Jlaat u zvei ; coëfrer une
bouteille, een vies wel toejloppen;
coëfFer , dronken muaken; fe coëffcr ,
{.v. r.) zig kappen y hullen; eenen roes
drinken-, fe coëtrer de quelque ciio-
fe , ergens meê ingenomen zyn.
Coëffeur, eufe (m. & î.) Hatr op-
zetter ; kapjier.
Ccëffure, (f) Huïzp/ , kapzel (n).
CoégaJ, aïe (adj.) Gelykwaardig ,
volkomen gelyk.
Coërcitif, ive (adj.) Puiflance
coërcitive, dwingende magt.
Coercition , ( f } Overhe)ds dwang.
Coéternel, elle (adj.) Gelyk eeu-
ivig.
Co-évêque, (m) Mede-bijfchop^
Cœur, (m) Het hart (m), maag
( f) > {fig''*"^^') 't midden (n) • moed,
kloekmoedigheid ( f) ; verjiand , gemoed
(n), neiging (f), wil (m) , genegent -
beid, l\efde (f.); Ie cœnr bat, pal-
pite,' bei hart klopt; cela me fait
foulever Ie cœur, dat doed my de
macg opftygen , dat maakt my kwaa-
lyk', manquer de cœur, moed ont-
hreeken; prendre cœur, moed gry-
fen; donner du cœur, moed gee-
ven-, défaillance de cœur, bezwy-
ming ; de bon cœur , van goeder
harten-, apprendre par cœur, van
luiten leeren i prendre une chofe à
cœur, een zaak ter hanen neemen,
^ cœur ouvert , openhartig j mon
cœur, riiyn hartje-, diner par cœur,
te laat of na de maaltyd komen; être
a cœnr jeun (jùn), nugteren zyn-,
de l'abondance du cœur la bouche
parle, c/â-ûr het hart vol van is, daar
/preekt de mond van ( fpr, w.); Tas
de cœur, hanen~aas (in kaart-fpel) ;
au cœur de Phiver, in 't hartje
van de winter.
■ Coffin, (m) ^ftt bakd-kcrf met een
étekzel.
COF. COG. COH. COL
Cotfiner, (v. a.) Omkrullen, hui-
gin (bySchrynw.) ; fe coffiner , (v. r.)
omkrullen , als bloemen.
Coffre, (ra) Kene kijî (f), koffer
(n); de ron.p van een h^rt daar 't in-
geivand uit is (m) j de kar van een
druk-pers ( f ) , het buitenjle van een
klavecimbel.
Coffré, ée (adj. OpgeJJooten.
Coffier, (v. a.) f^'ajl of gevangen
zttsn i(gem. w.)
Coffret , (jd) Een koffertje (n).
Coffretier , (m, Koffer-kijlen-maa-
ker.
CognafTe , ( f ) Een wilde quee-peer.
Cognafïier, (tn) Een quee-boom.
Cognation , ( f) t^erwandfchap (n)
{in Rechten).
CogyéQ, (f) Een' byt , axe; aller
au bois fans cognée, (fpr. w.) zon-
der de nodige middelen iets onder-
neemen.
Cogne-fetu, (m) Hooi-dorfcher {dat
is) een die vcrgeeffche moeite doed y
'gem. 11'.).
Cogntr, (v. a.) Kloppen; injlaan,
indryven ; Jlooten ; cogner un clou ,
een fpyker indryven ; cogner à la
porte , aan de deur kloppen ; je me
fuis cogné la tête, ik heb myn hoofd
gfjlooten.
Ccgnoir, (m) Klopper ; dry f-hamer
{h y Drukkers).
Cohabitation, (f) Onwettige hy--
faciping.
Cohabiter, (v. n.) Bejlaapen.
Cohérence, (f) t' J^aamverbin-
ding van twee lighaamen . 't zamen-
hang eener rede (m), (liaifon).
Cohéritier, iere (m.& f.) M^de-
erfgenaam.
Cohéfion , ( f ) t* Samenvoeging
van twee dingen (in Natuurk.).
Cohobition , (f) Weder^^verbaa-
ling (in Chymie).
Cohober, (v. a.) Weder-overhaa-
len, opgieten en aftrekken.
Cohorte, ( f) Een bende van 500
man onder de oude Romeinen; item
een hoop volk, (boert, w.)
Cohue , ( £) Gewoel van veelemen-'
fchen (n).
Coi , coie , Cadj.) 5;//^ ^e tenir
coi, zig Jl f l houden.
COI. COL.
Coiffe. {Zie Cctitfe).
CoignalTe. {Zie Cognafle).
• Coignée. {Zie Cognét).
'Coignier, (m) Quee-boom.
Coimenc , (adv.) 6tillttjes{gem.'w.).
Coin , (m) Een hoek ; eene wigge ,
kegge , om te klonven ; bytel j muiit- ,
boekbinders -Jlcmpel ; klink vün een
tious ; être marqné au bon coin ,
(Jpr. IV ) van 't egte beJ , -van de
hejle Jlag zyn ,coin de rue ,een hoek
va»2 een J] raat ; par tous les coins
du monde , in alle hoeken van de
u'ûereld', porter des coins, haïr-
krullen-of fcheelen droagen.
Coïncidence, (f) l^allwg op het
zelfde punt , [in Meetk.)
Coïncider, (v. a.) Op het zelve
funt vallen, {in Meetk.)
Coine. {Zit Couenne).
Coing ou coin , (ra) Een quee-
appeL
Coïon, (m) Een bloodaart , lafhar-
tig nienfch (gem. w.) {beter lâche).
Coïonner ( v. a.) quelcun , »>-
mand fppen,
Coïonnerie , (f) Blooheiâ , laf-
hartigheid; zotterny.
l Coït, (m) Byjlaaping fpaaring (£).
Coite , (f) Een véder-bed (n) {be-
ter lit de plumes).
Coites, (f. pi.) Bedding onder een
f chip als 't van 'tjlapel hopt.
Col , (m) Ou paflage étroit , défilé,
fiaauwe doortogt.
Col , (m) Hals. {Zie Cou).
Colas, (ro) Tamme huis-raven,
Colature , ( f) Doorzygzel , ( in
kruidmengk .)
CoUégataire , (m) Een mede gele-
gateerde.
Colère-, (f) Gramfchap , woede
{ f) , toorn (m) } l'amour eft fans
raifon & Ia colére fans conkW^de
liefde is zonder reeden , en de toorn
zonder raad; fe mettre en colére,
toornig worden; Ja mer eft en co-
lére, de zee is onjluimtg.
Colére , Cadj,) Efprit cclére ,
hacjlig , gramfloorig gemoed.
Colérique 5 (adj.) Tcornig, oploo-
pend.
Colifichet, (m) Een keuzel/ng ,pnil
( f ) , papier e fnyzeltje (p),
\
COL. 13^
Colimaç on, (m) Een broddelaar^
{gem. w.)
Colin-maillard > (m) Elinde.mattf
r.etie (n), {zeker kinder-fp.)
Colintampon, (m) De zwitzerfche
mafh{£).
Colique, (f) Het buik-wee * kolyk
(n). .
Co^labefcence . (f) Neêrzakking
van iets door zyn eigen zvcaarte.
CoiJatéral , a!e (adj.) Ligne , fuc-
ceifion collatérale, zyie/zji^/r/;? li-
nie, erffenije; les collatéraux, ^(/«
zydelirigfche erfgenaamen. -
Coliateur, (m) Een die een geejïe-
eyk ampt vergeeven kan , dte het (ju3
vocandi) recht om te beroepen heeft,
Collatif, ive (adj.) f^ergeeflyk ,
dat vergeeven kan worden.
Collation, (f) Na-middags-onthyt
(n) ; koude maaltyd; vergeeving van
een geeflelyk ampt {?); item het regp
daar van (n)j overziening vanfchrif-
ten.
Coliationner, (v. a.) Het avond-
ontbyt , een koude - maaltyd doen ; af~ ^
fckriften tegens het origineele over-
zien, collationneeren.
Colle, (f) Lymy plak'Jïyfzel-pap,
CoUeflaire , (ni) AVrÂ'-coIleÔen-
boek (n).
Colle<ae , ( f) Algemeen ker k-gebed;
mis-gebed (nj j heffiiig , ingaaring der
lajlen , importen 3 mzamelirg der aal-,
moezen (f).
Collefteur , (m) Ingaarder der im-
porten , lotery enz.
Colleaif, iw G {dia].) l^erzaamel en-
de y mot collettif, een enkel woord
dat een m e enig te inzig bevat of door
verfiaan word{ïn fpraakk.) ^als: peu"
pi e , volk.
Colleaion, (f) Verzaameling, hy
een gaar ing.
Colleöivement, {a.dv.)Gezamenf'
lyk. {Zie Colleftif).
CoUégataire , (m.&f.) Een tnede'^
gelegateerde , legataris.
College , (m) School daar de jeugd
de gronden eener wetenfchap geleerd
worden ; genoodfchap (n) , vergadering ,
by eenkom]} (f).
Collégial , aie (adj.) Eglife col-
légiàlQfSfigt'ofJhft'knk, dom-kerk',
I 5 de«
138 COL.
des manières colléglaies ,fc/jool ma-
nieren , pedanterie.
Collégien , (m) Schoolier cener
booge-fchoole .
Collègue y (m) Mede-amptgenoot.
Coller, (v. a.) hymen, plakken -y
fe coller f (v. r.) aan malkaar klee-
ven, bakken-, fe coller contre un
mur 9 zich pal tegeus een muur zet-
ten-, êcre collé fur les livres ^Jlerk
ftudeeren.
Col lé rage > (m) Tmpoft op de ivyn.
Collerette ,(m)Een boerinnen hals-
doek (in Picardiën en Normandi£}7).
Collet , (m) Eenbef, kraag ; un pe-
tit collet, een abt; prendre quel-
cun au col-'et, iemand by den hals
grypen-, collet de manteau, kraag
van een mantel-, collet d'arbre, bet
onderjie van denjlam ecnes booms ; col-
let de mouton , halsjîuk van een
fchaap; prendre quelcun au collet,
temend by de kop vatten , arrefteeren.
Colleter, (v. a.) By den hals gry-
pen , ivorjlelen j Jlrikken zetten.
Colletin , (m) Kolder (m) , Léder-
'ne ivambais zonder moaiven (n}.
Collier, (m) Een hals-band (ra),
bals-cieraad (n); collier de perles,
cen paar el-fn oer -, collier de more,
tafel-rhîg-j chien au grand collier,
de voornaamjle uit de zvyk.
Colliger, (v. a. & n.) Verzaame-
Icn^ opzaamelen uit boeken (recueil-
lir); de là nous pouvons colliger,
daar konrwn zvy uit afmeete:^^ cpmaaken.
Colline, ( f ) Een he-uuel {m); ga-
gner la colline, {fpr. iv.) zig weg
pakken.
Colliquation, (f) Smelting, (in
Cbym. en Gencesk.).
Collifion , (f ) Stooting , botfwg van
twee lighaamen tegen elkander»
CoUocation , (f) Orden -rang-
Jchikktng.
Colloque , (m) t' Zamenfpraak , hy-
fenkomji over zaak en van GpdsdienJ} (f).
CoUoquer (v. a.) les créanciers
félon leur hypothèque, defchuld-
eifcbers volgens hun onderpand fchik-
ken, vsrdeelen ; le Pape le collo-
qua entre les îaints, de Paus plaat-
jy bem onder 't getal der heiligen.
CoUadei'; (v. n,) Met iemand bei-
COL.
melyke onder handeling hebben , onder
eene deeken met hem leggen (in Rechten).
Collufion , (f) Heimelykeverfland'
ho'J-ding tujfcben twee perfoonen , ten
nadeele van eenen derden (tn Rechten)»
Collufoire , (adj.) Bedrieglyk.
Collufoirement , (adv.) Op eene
bedriegelyke wyze.
Collyre , (m) Qogen-zalf ( f) , oog-
water (n).
Colombage, (m) E sne rel paalwerk
(in Bouwk.).
Colombe, (f) Eene dalf; kuipers
fc haaf -bank.
Colombeau , (m) jonge duif(ï).
Colombier, (m) Een duiven-kot
(n), duiven-Jlag ; item eene al tegroo-
te fpatie tujfchen de waarden , (by
Drukkers).
Colombin, ine*adj.) Fleur co-
lombine , een lood-verwige bloem,
Colombine , ( f) Duiven-miji.
Colon, (m) Hoef-pachter.
Colon , (m) Kronkel- of aars-darm
(in Ontleedk.).
Colonel , (ra) Overfïe , bevelhebber
van een troep voet-volk, Kornei.
Colonelle, (f) Compagnie Co-
lonelle , Ly/- compagnie van den.
Overfïe.
Colonie, (f) Volk-planting.
Colonnade , ( f) Rond gebouw op
zuilen rujlende (n).
Colonne, (f) Pylaar , zuil, ko-
lom ; drefïer une colonne , eene
zuil oprigten -, colonne de table,
de lit , voet van een tafel, jlyl van
een ledikant; c'eft une des colonnes
de l'églife , het is eene der kerk-be-
fchermers; marcher en deux colon-
nes, in 2 ryè'n gaan.
Colophane, (ï]Gezuiverde harjï(m).
Coloquinte , (f) Köloquint of
bittere appel,
Colorer , (v. a.) Kleuren , verwen;
colorsr un menfonge , een leugen
bewimpelen ; colorer le crime de
quelcun , de misdaad van iemand
verfchoonen.
Colorier , (v. a.) Eene fchildery zy*
ne behoor !yke kleur geeven.
Coloris , (m) Hetgeen den voorwer--
pen de vereifcbte Kleur geeft j het
koloryc.
Co^
COL. COM.
Colorifation , ( f) l^erf- of kleur-
verandering.
Colorlfte , (m) Schilder die het ko-
loryt IX! cl verjlaat.
Coioflal , aie (adj.) Van eene cn-
maatige grootte.
Coloile , (m) Een uittermaaten
groot beeld, reufer.-beeld {r\).
Coloftre , (m) Biejï , eerjie melk ;
geronnen melk in deborfien (f).
Colporter , (v- a.) Om den hals
of op den rug draagen , met een mars-
je omgaan.
Colpcrceur, eufe(m.&f.) Mars-
draagcr'y marsdraagjier, dte met hun
waar gaan venten ', item een nieuivji'
verkooper.
Coicie, (f) Vborplegtje op zekere
fcheepen (n).
Coiures , (f) Kruis-kringen , (in
S ter rek.).
Combat, (m) Stryd (ra), gevegt
(n)j teg'snfpoed, twijl; conibaC fan-
glanc , een bloedig gei'cgt ; combat
naval, een zee-Jlag-, donner, livrer
combat à l'ennemi, de vyand jlag
le ever en.
c:on3battant, (m) Krygsman jfryd-
baar man^ vegter.
Combattre , (v. a.) V egt en , jlry-
den , befiryden j combattre de pied
ferme , flryden , zonder een voet breed
te wyken ; combattre fes pallions ,
zyne hartstogten tegen gaan.
Combattu , ue (adj.) Gejlreeden,
hejïreeden , enz.
Combien , (adv.) Hoe veel ; hoe
zeer ; combien vous faut il ? hoe
veel moet gy hebben^, combien font
ils? hoe veel , hoe Jlerk zyn ze? com-
bien y a t-il ? hoe lange is het ge-
leeden? combien de fois? hoe dik-
wils? combien de temp s'i hoe langel
vous voiez combien je vous airae ,
gy ziet hoe zeer ik u bemin 'y com-
bien que , hoewel dat.
Combinaifon , (f) t' 2^amenvoe-
ging , corabinatie.
Combiner , (v. a.) Pye.nvoegen-,
nombre combiné , vereenigd getal;
les flottes combinées, de vereenigde
vlooten.
Comble, (m) Het dakwerk (n),top
t'an eea gebouw ; vorjl van een dak -,
COM. 139
comble plat , brifé , plat gebrooken
dak 'y il til arrivé au comble de»
honneurs , hy is tot den hoogjlen
eertrap verheeven-, pour comble de
malheur, tot een overmaat van on-
gelukken -, comble de foin , een hoop
hooi; de fond en comble, (adv.)
gantfch en gaar, tot den grond toe.
Comble, (adj.) Mefare ccmble ,
volle maat.
Combleau , (m) Zwaar touw om
het gffchut mee voort te trekken (n) ;
kanon-reep (f).
Combler, (v. a.) Vullen, vervul-
len , overladen ; combler un fofle ,
eene gracht dempen-, combler la rae-
fure , de maat vol meeten ; ttre com-
blé de p'aifirs,/» wellujien zivemmen.
Combktte, (f) Klocf in de voet
van e.'i hert {Jagers w.)
Combourgsois, (en) Mede-reeder ^
mede-eigenaar van een fchip.
Combourgeois , (m) Mede-burger^
(end w) ,
Combtiger , (v. 3.) (Scheeps w.)
Het vaat-werk met tvater vullen , om
ze digt te maaken , of te houden.
Combuftible, {3.^].) Dat hgt vuur
vat; rnatieres combullibles , ^rö»*/-
baare jf riffen.
Combuflion , (f) Verbranding ; op-
roer , mui ter y ; mettre toutencom-
buiiion, alles in vuur en vlam zet-
ten.
Comédie , (f ) Een blyfpel (n) ; al-
ler à la comédie , naar de fchouw^
burg y de comédie gaan.
Comédien, ienne (m. Sc f.) To-
tieel-fpreler, comédiant ; Toneel-
fpeeljler; veinzer, loos menfch.
Comète, (f) Staart-Jierre , co-
meet.
Comique , (m. f? adj.) Cee/lig ,
boertig , fnaaks ; pocce comique,
een dichter van bly~fpeelen , avanture
comique , klugtig voorval.
Comiquement, (adv.) ^ardiglyky
kodJiglyk.
Comité, (ra) Bevelhebber der ga-
lei-Jlaaven.
Co mité, (m) Vergadering van Com-
mijjarijfen in Engelav^J ( f),
Comraa , (m) Comma. {Zie Vir-
gule).
Com-
Î40 COM.
C;mmandan:, (a te (a:'}.) GeHe-
dencie; un commandaot , een levél-
hebber.
Commande, (f) C'eft de !a be-
füg.it de cc^vamdkwA^ y het is ucnbe-
fieca uirk.
Cora.Dandé, ée (adj.) Bevalen.
Commandemeiu , (m) Lajl (, f ) ,
bevel , gtbod [U] , ivet (f).
CjmiDanaer, (v. â.) Beveelen,ge-
bieietj.
C mmanderie , ( f) Een Afaltheefch
Ui-d 1er- goed (nj,
C.'m ^lannes , ff. pi ) Seizing, ka~
helgaarm dat de 6cbceps-jor,gcns aan
hu» gordel hebbeyi.
Ccin.Tiandeur , (m) Bevél-hebber ,
gebied: r, Kommindeur,
" Commaudice. (i?.'V Cornmendite).
Co.T3me , (adv.) Gelyk , als; toen-,
clzoo ; Jeger cotnme un François,
ligîzinnig als een jranfchma-a , il ar-
riv a coirime nouS' pariions de y
hy kwam aa>i toen wy fprakrn van',
die une chofe comme elle eft ,
èene zaak zeegen geiyk of zoo als ze is ;
ccnim- n y als ©ƒ} comme nous fom-
jïies amis , alzoo , deiiyl zvy vrienden
zyn; comme qu'^i , {oud u-,) hoe.
Commcm raifon ou coaiinémora-
tion, (f) Geaenking , herinnering ,
melding.
Commençant j (m) Een beginner ,
leerling.
CummencemenÉ, (m) Begin (n) ,
aanvang (rn).
Commencer , (v. a.) Beginnen ,
aanvangen; commencer un enfa t,
"Uri ':h-val , ee^ kind, een paerd de
eerjle lejfen g>'even.
Comraendaatre , (T. & adj.) Be-
zitter van een.'g geejielyk goed of dat
'er top hoo'\i » Jg niet v ügens d'ordfn.
Corrrhende , ( f ) Metcre une Ab-
baye ei co'Timenie, een' Abdy in
uvayrel.ilyke hand overg'even.
Comt^enditaire , (m) Mede lid
een-r ôocit^ceit kooplieden y die het
geld verftr kt.
Ccrame'^dite , ff) Société en
comm'-nditt" , eene Sociëteit kooplie-
den , ivaar van de eene di' penningen
iverfchaft en d;' andere d^ moeite ht' ff .
Ct^romenfal , (m; Tafel gezel ; com-
COM.
ir.en^aM'x.y. Konh.giyke bediendent die
de vrye kojï h.bhen.
Cummenfurabilité, f) (inMeetk.)
Meitbaarbetd met tets anders.
Commenfnrab'.e , (adj.) Dat ge-
meefen kan worden door of met een
ander ^ (tn Meetk.)
Comment , (a iv.) Hoe ? op wat wy-
zf? commtnt fdirt.<' l)oe of wat zal
zal men doen ? con:.nient ! eft il
raort.^ hoe l is hy dood^'
Commentaire, (m) l^erklaanng }
uitbreiding over eenig boek f f).
Commentateur ,' (m) Uitlegger van
een: g fchryver.
Commenter (v. a. ) un livrff,
vff klaaringen , uitbreidingen , aantee-
keningen op een boek maaken.
Commenter fv. n.) fur quelque
chofe , iets be dillen y ten ergfien uit-
leggen.
Commer ,fv. T^^J{hoert. engem.w.)
Gelykenijfen maaken.
Cornmerçable , {zà}.) Dienjïig tct
koophandel.
Commerçant, (adj. & f) Handel-
dryvend; handelaar, koopman.
Com.raerce, (m) Handel ^ koophan^
del :,omg .ng; commerce de lettres,
brief zviffeling ', avoir commerce avec
quelcun, omgang met iemana hebben i
commerce en gros , en detail ,AaH-
del in 't groot of gros, tn 't klein.
Commercer, (v. n.) Handel dry^
ven.
Coromere , ( f) Doopbefjfer , peet;
tout fe fait par compereS & par
commères, alles moet door hulp vdn_
S^oede vrienden verkreegen worden.
Comm:'ttant, ante (adj.) Toever^
trou-j. end e ; begaande , enz.
Commettant , (m Een die iets aan
een anders zorg aanvertrouwd -, iets in
coramiffie zend of geejt.
C mroettre , (v. a) Begaan, be-
dry \ en y aarfiellen }, aan een ander iets
overgeeven; commettre une faute,
un péché par ignorance, een mis-
Jlag , eene zonde door onwetendheid be^
gaan; commetf-e des Juges, Rech-
ters aanfellen; je commets cela à
vos foins, ik ^eef dat aan uwe zorgen
over ; commettre deux parfonnes
l'une avec l'autre, tW0ff ^erfoonen
COM.
aa» malkander hit zen -^ fe commet-
tre } (v. r.) zig ergens aan over ge e-
f}en^ inlaaten , of aan bloot fielten.
Comminatoire, (adj.)P«^ine cora'
niinacoire , dreigende jiraf.
Comminer, (v. a.; Met jiraf be-
dreigen.
Commis y (m) Een gelajîigde , een
faftoorj item awp/t «au r, kommies j
kantooi -bediende.
Commis, ife (adj.) Begaan j (zie
het ijuerkw. Commettre) .
Commue, (f) l^erbiurt valling
van een Leen.
Commifération , (f) Xedelyden^
deernis, ontferming.
Commiflaire , (m) Een gefielde
Rechter, CommifTaris om itts te on-
oier iets.
Commiflariat, (m) Ampt daarvan.
Commiffion , (f) Geiajiing, laji;
volmagt; bediening; item provifie ,
{koopm. w.) péché de commiflion &
d'omilïïon , zonde begaan , door bet
quaade te doen en het goede na te
laaten.
Commiflionnaire , (m) Een die ge~
iajijgdis jeen Commiffionariso/ Fac-
toor der Kooplieden.
CommifTure , ( f) f^oeg daar de
Jieenen te zamen gevoegd zyn.
Commictimus , (m) {Lat. w.) Let-
tres de committimus, bevel-fchnft y
■waer door een' zaak van e ene laagere
rechtbank gevorderd , en na eene hooge-
re getrokken word.
Committitur, (ra) {Lat. w.) Ver-
zoekjchrift om een overziefier vaneenig
geding-, proces, te hebben.
Commodat , (m) {Rechts w.) Ge-
leend goed (n).
Comraoiataire , (m. & f.) {Rechts
hv.) Een die zulks ter leen ontfaïigen
betft .
Commode , (m) Zeker vrouwen hul-
zei j {eert y ds gedragen).
Commode , (adj.; Gemakkelyk j rek-
kelyk , infchikkend.
Commodément, (adv.) Gemakke-
lyk.
C :)mmodité , ( f) Gemak (n) , ge-
legenheui {t')-, les coramoditez d'u-
ne maifon ; de gemakken van een
COM. 14 ï
^«/ij je n'ai pas maintenant la com-
modité de vous payer , !k heb thans
de geli-genheid niet om u te betaalen',
1^ rendre fescommodit^rz , zyw gemak
memen-yîàXies cela à votre com.iiO-
dite, doed dat op uiv gemak-, com-
moditez , het fecreet.
Cv.mmocion, ( f ) Beweeging., ont"
roering di^s Ughaams.
Commuer^ ( v. a. ) la peine , de
Jlrajfe '•.oor eene andere verwijft len y
{in Rechten).
Commun, une (adj.) Gemeen, gc
meeiizajm; la mort eft commune à
tous les hommes , de dood is allen
minfchen gemeen ; ils font bourfe
commune , zy teeren uit eene beurs ',
le lens comvnun , het gezond ver-
jîand ; opinion commune, gemeene
gf voelen -flcs gens du commun ou le
commun, de gemeerde man 5 vivre
en commun , in gemeenfcbap leeven',
efpric commun , gering ver/iand ^
vivre fur le commun , van aalmoes-
fen leeven.
Communauté, (f) Gemeente (f),
gîld{T\)', communauté de biens, i;^-
meenfchap van goederen.
Communaux ,(m. pl.)3emeen~brui-'
kende wei-landen , enz.
Commune , ( f ) Gemeente ( f), het
gemeen {n); des commuies, ^-etneeng
goederen-, chambre des communes ^
bet lagerhuis in Enge/and.
Communément , (adv.) Cela fe
die commuiiémtnt , dat word ge-
meenlyk gezegd.
Communiant , ante (adj. & fubft.)
Uitdeelende ; lede lid-rraat ; avond-
maal-gar.ger , ook die het uitdeeld.
Communicab'lité, (f) Mededeel-
baarheid; gemakktlykheid om met ie-
mand m gefprek of bekend te geraken.
Commun icable , (adj.) MedcdeeU,
haar; c'eft une maladie comm'uni-
cable, het is eene over ervende ziekte i
homme con^municable , iemand dia
ligt te fpreeken is.
Comnianicatif, ive (adj.) Mede-
deelzaam^, gemeenzaam ; un mal com-
mis nicatif ,<><'« oi;^r^ryw^,aâ«z^r^f«rf
Lfuaad; un homme communicatif,
een openhartig nierfch.
Communicacioa , (f) Gemeen^
maa*
14« COM.
maak Ing , iennis-geeving ; avoir une
étroite communication avec quel-
cun ) eene naaiiwe gemeenfchap met
iemand hebben ; lignes de communi-
cation , loop-gtaaven {in Krygsk.).
Coromnnier , (v. n.) Ten Avond-
maal gaan ; ket zelve tiitJeelen.
Communion , (f) Gemeenfchap ,
vereeniging; het Avondmaal.
Communiquer, (v. a.) Mededee-
len i bekend ' maciken ^ kond dotn ;
il m'a communiqué fon mal , hy
beeft my zyn kinaal aangezet ; Ce com-
muniquer (v. r.) à quelcun, zig in
vertrouiven by iemand uitlaaten.
Commutadf , ive l'adj.) Juftice
commucative , verwijfelende gerech-
figbeid.
Commutation, (f) Commutation
de peine, ijerwijfeling , verandering
•van flraffe.
Compafte , (adj.) t' Zamengedron-
gen , vap op malkander.
Compagne , ( f ) GczelUnne.
Compagnie , (f) Gezelfchap , ge-
rtoodfchap ( n ) -, maatfcbappy ; voir
compagnie , tn gezelfchappen verkee-
ren } être de bonne compagnie,
vermakelyk in gezelfchap zyn.
Compagnon , (m) Medgezel^ deel-
genoot; compagnon de voyage, m5-
gezél;c'e{t un bon compagrion , i/a;
Vs een vrolyke kivant ; petic compa-
gnon, een man van geringe afkomfi;
traiter de pair à compagi.on, met
zyn meerder gemeenzaam omgaan ;
qui a compagnon a maître , die em
medgezel heeft is zyn eigen meejîer
niet -. faire le compagnon , zig mees-
torlyk aanfl el len ; com^'dgnon de mé-
tier, ambagts-gezcl.
Comparable , (adj ) Vetgelykelyk.
Comparaifon , (m) Vergelyking,
gelykems; faire comparaifon d'une
chofe avec une autre , eene zaak
tnit eene andere ver^clyken; il n'y a
point de comparaifon, daar is
geengelykheid ; en comparaifon de . , .
in vergelyktng van , . .
Comparant, ante (adj. & ful^ft.)
Verfchynende ; verfchyner , compa-
rant j verfcbynfler y comparante, {in
Rechten'; on donne défaut aux com-
parants contre les noncomparants,
COM.
de agterhîyvetide worden wegens vef^
zuim ten voordeele der comparanten
gevonnîsd.
Comparatif, ive (adj.) De verge-
iykende trap {in fpraak k,).
Comparativement, (adv^ Op een
V er gety kende wyze.
Comparer, (v. a.) Fergelyken; Ce
comparer à quelcun , zig met ie-
mand gelykfJeller..
Comparition . (f) (-^T/é' Comparu-
tion).
Comparoir , (v. n.) Etre aQlgné
à comparoir , gedagvaard zyn om te
verfckynen {in Rechten).
Comparoître , (v. n.) Verfchyncn
voor een Rechter , enz.
Compartageant , (adj.) Mededee-
lende {men zegd beter copartageant).
Compartiment, (m) Cierlyk ingc
gelegd kabïnet-iverk ; bloem-ivsrk op
glaazen j in een tuin-perk, of tapyten
(n); verdeeling van iets (f).
Compartir . (v. a.) Verdeeien {be^
terCalve des compartiments).
Compartiteur , (ra) Regter dia in
eene zaak van een ander gevoelen is
als de berigter , en daar door de J^em^
men gelyk maakt.
Comparu, ue (adj.) J^erfcheeneny
gecompareerd {tn rechten).
Comparution , ( f ) f^erfchyning
voor het recht'
Compas, (m) Een paffer; Zee-
compas ; Schoenmaakers Alaat-flok;
diamant Slypers-compas ; compas de
va.TiàX.ïon, peil- compas ; faire tout
par mefure & par compas , alles
met groot é omzigtigheid doen ; Mar-
cher par compas, cp de maat gaan',
mefurer fes discours au compas,
zyne redenen met de paffer meeten,
Compafifement , (m) ^^fpajfmg ( f )•
Compaffer, (v. a.) Afpajen', af-
meeten; iets zv el inrichten; corapafler
fon tems , zyn tyd afmeeten ; des
manières compaflees , gedwongens
manier en i houdingen.
Compafïïon , ( f ) Medelyden ,
deernis , mededogen (n).
Compatibilité , ( f) Overeenkomfi y
gelykvorm igheid.
Compatible , (adj.) Overeenkom-
flig ï des Humeurs compatibles.
COM.
hu\neuren die wel over een komen ;
offices compatibles, ampten die te
gclyk door iemand bekleed kunnen wor-
den .
Compatir, (v. n.} Medelyden heb-
ben; overeenkomen ; compatir à la
douleur de quelcun , met iemands
f nier te medelyden hebben; les fous ne
peuvent compatir enfemble , gek-
ken kunnen malkaar niet verdraagen ,
lyden.
Compatiflant , ante (part.) Mede-
lydend.
Compatiüote , (ra. & f.) Een
landsman , landgenoot ; landsvrouiv.
Compenfation , (f ) l^erefening,
gelykjlelling ; compenfation de de-
pens , betaMng der pvoces-kojlen van
beide partyen ; il faut faire com-
penfacion des défauts de nos amis
avec leurs bonnes qualitez , men
moet de gebreeken van goede vrien-
den, tegen hunne goede hoedanigheden
overjlellen.
Compehfer , (v. a.) Vereffenen,
tegen s malkander gelyk pellen j Ie
profit compenfe la perte , de <winfl
vergoed het verlies ; cela ne peut
compenfer la perte , dat kandefcba-
de met opzveegen.
Comperage , (m) Gevaderfchap (n).
Compère, (m) Gevader; lujiige
quant ; tout va par compère &
commère , ailes gaat na gunjl en
vriendfchap.
Compétemment (adv.) Regtmaa-
tigf behoor lyk, toereikend, (fuffifam-
ment).
Compétence , ( f ) compétence,
d'un juge, wettigheid van een Rech-
ter ; entrer en coriipétence avec
quelcun pour une charge , met
iemand naar een ampt dingen , JJaan ;
cela n'eft pas de ma compétence ,
dat is boven myn bereik , bevatting ,
{of ook) dat is van myn Jurisdidie ,
of onder hoor igheid niet.
Compétent, te (adj.) juge com-
pétent , Wettig Rechter , ook een ge-
fchikt f fufTifant oordeelder van iets;
portion compétente, toebehoorende ,
toekomende deel ; âge compétent ,
vereifchte ouderdom.
Compéter (7, n,) recevoir ce qui
COM. 143
nous compéte (appartient) ontfan^
gen het geen ons toekomt.
Compétiteur , trice (ra) Mede-,
dinger; mededing Jïer naar iets ; {Zie
concurrent , ence).
Compilateur , (m) Verzamelaar^
een die uit andere boeken iets ver'
gaard en opfleld.
Compilation , (f) Verzameling,
opjiel uit verfcheide Schryvers.
Compiler , (v. a.) Uit verfcheide
Schryvers by een lergaaren en ocflellen^
CompifTer , (v. a.) Bepijfen.
Complaignant, ante (adj.) Klaa-
gcnde ; aanklaager , aanklaagfler {in*
rechten).
Complaindre , fe Complaindre^
{oud w.) {Zœ fe plaindre).
Complainte , (f) Aanklagt (f)
beklag (n) {in rechten).
Complaire, (v. n.) Behaagen . bp"
lieven , gedienjïig zyn ; zich naar ie-.
mcnds zinnelykheid fchikken ; fe com«
plaire en quelque chofe , ergens
behaagen in pbeppen.
Complailance , {{)GedienJïjgheidy
vriendelykheid.
Complaifant , ante (adj.) Gedierte
Jiig, beleefd, gerief yk.
Complant , (m) u^kker met jonge
hoornen of wynjiokken beplant , eene
pootery.
Complanter, (v. a.) Eenen akker
beplanten.
Complément, (m) Opvulling van
een ho.-k of boog {in Meetk.).
Complet, ete ou ette (adj.) Vot*
ledig, volkomen.
Complètement, {adv .) Voléoment"
lyk.
Compléter, (v. a.) Voltallig, vol-
komen ma a ken.
Complexe, (adj.)(//7 Redenk.)Tçr-'
mes complexes , t'zamengevoegde
ivoorden die een denkbeeld van tets op-'
leveren; als: homme prudent , é»^»
voorzigtig man.
Complexion, (f) Aart (m), ge..
fleldheïd des Ughaams.
Complexionné , ée (adj.) Mal
complexionné, qualyk gePield.
Complication (f) de "maux, de
malheurs, eene op een hoopmg , ver'
gaar ing van kwaaien of ongelukken.
Com*
14.^ COU.
Complice , (f) MeJe-pligfîg -,
med" JchuUige aan cène misdaad.
Complicité , ( fj. Medrpls^tigheiJ.
Complies ,(f. pi.) La$'zangm die in
de R. Kerk na het avond-gebed ge-
zongen worden.
C - rap ti ment , (m) Pfigt-pleeging
((f), compjirienc (n); faues iui
'me* compliments , groef hem van
rny; tréve de compliments , alle
complimenten aar. een zyde j com-
pliment de condoléance ? rouw-
beklag.
Complïmentaire , {m)^Een op
•wiens naam de handel eener Sociëteit
gevoerd ivord.
Complimenter, (v.a.) Begroeten,
zyne eerbied of pligt aan iemand be-
toonen.
, Complimenteur, eufe (m. & f . )
Éen die veel complimenten maakt.
Compliqué, ée (adj.) Maladie
compliquée , ziekte die uit verfchei-
de toevallen veroorzaakt is; affaire
compliquée, zaak die met eene an-
dere veriT>engd, ler-verd is.
Complo!.,(m) Heimelyke t* zamen-
rotting , t' zamenfpanning (f), booze
aanjlag (m).
Ccmpioter,(v.a.)Êf;ï^« boozen aan-
Jlag ma a ken; berâadjlaagen , .\s ont
comploté ma ruine, zy hebben myn
endergang g-zivooren.
Componcrion , ( f) Beromv ( n ) ,
drrethe'id over zyne zonden.
Comportement , (m) Gedrag (n) ,
{oud iv". zie Condu/te).
Comporter, ^v. a.) Lyden , verdraa-
gen , didden j fi i e temps le comporte ,
indien de tyd bet toelaat , vereifcht >
ce font des plaifirs que comporte
]a jeuneffe, dat zyn vermakeiykheden
die de jeugd mede brengd ; fe com-
porcer (v. r.) bien , zig wel ge-
dtaagen.
Compofé, ée (adj.) f Zamenge-
fteld, begaande; Jlaatig, de/tig inge-
baaraen. {Zie verder bet zvimiv.).
Compofé . (m) Een t' zamenjielzel
Compofer, (v. a. & n.) t' Zamen
fielten; opjlellen ; Letter-zetten; com-
■ pofer une medicine , een ge^iees-
drank bereiden; coropoler des vers,
COM'
verfen maaken ; compofer un thè-
me, eene thema maaken; c'eft une
hifloire qu'il a com.jofée, dat is
een' ge fchi edenis die hy zelfs t' zamen
geflarj}, verzonneti heeft; compofer,
Aria's componeeren (in Muziek}^
compofer un diiférend , een gefchil
by leggen-, compofer fa mine , fes
geftes , zyn gelaat , gebeerden in de
plooi fchikken ; compofer avec Ten-
némi , avec les créanciers , met
zyne vyanden , crediteuren , een ver-
drag , vergelyk maaken ; fe compo-
fer , (v. r.) zig zekere gebeerden gee^
ven; zig Ji il ge laat en.
Compofeur , (m) Een Jlegt Auteur
of Scbryver.
Compofite, (adj.) Ordre compor-
te , de t'zamengeflelde of romeinfche
bouw-orden.
Compofiteur,(m) Een Letter-zet-
ter; muziek compontjï ; vrede -maa-
ker^ enz.
Compofition , {£) Opjïel , t' za-
menvocging , vergelyk, verdrag; Let-
terzetting.
Compofoir ,(m) Letter-gteters.zet-
plani (f).
Corapofteur , (m) Letter-zetters -
zet-kaak.
Compotateur . (m) Een Likkebroer,
N'a thaïs.
Corapotation ,(f ) Drink-gelag (n) ^
teering.
Compote, (f) Gefioofde appelen of
peerpn ; une compote de pigeon-
neaux , geftoofde duiven ; mettre les
yeux, la tête à la compote à quel-
cun, iemand een paar blaauwe oogen
geeven , het hoofd murw flaan.
Compréhenlible , (adj.-) Begrypc-
lyk.
Compréhenfion , ( f ) Bevatting^
bçgrip. .,
-Comprendre, (v. a.) Begrypen^
bevatten ;]e le comprends bien, ik
begryp hetivel; ce païs là comprend
tant de villes, dat landfcbap bevat
in Zig zoo veel fleeden; non com-
pris , uitgenomen.
Comprefle , (f) Een gevouwen
doekje , comprès ^dat men op een wond
legt (n).
Compreffibilité ; (m) Hoedanigheid
COM.
vaa iets dat te zamen gedrukt kan
ivarden {in Natuurk.).
Comprefïïble,(adj.) t' Zamendruk-
kelyk in Natuurk.).
^ Corapreflion , (f ) t' Zamendrukkmg
(der lucht).
. Comprimer, (v. a.) t' ZamenJruk-
ken {in Natuurk.).
Compris, ife (adj.) Begrepen y be-
vat-, vous me devez tanc , y com-
pris les . , . ,non compris les , . ,
gy zyt my zoo veel fchuLiig de . . 'er
onder begrepen f 'er niet onder begre-
pen. '
Compromettre, (v. n. & a.) Ter
bejïijfmg , u.tfpraak van goemannen
(Arbiters) iets Jlellen j compromet-
tre quelcun , temand 4n ongelegent-
heid brengen; fe compromettre, (v.
r.) zig in eenigen tivijl t daar men
geen eer e van heeft., itilaaien; zyne
eere te pand zetten; il ne faut pas
fe compromettre avec £es domefti-
ques , men moet zig met zyn bedien-
den niet inlaat en.
Compromis, ife (adj.) {Zie Com-
promettre).
Compromis » (m) Bewilliging tot
eene uitfpraak van goede mannen , on
ne doit pas mettre fon iionneur en
compromis , men moet zyne eere niet
in gevaar Jiellen i mettre une choie
en compromis , een' zaak in com-
promis, f f'r uitfpraak van fcheîds-lie-
den (Arbiters) yîf//p«.
Corapromiflaire , (m) Een fcheids-
man , fcheids-richter.
Comprovincial , (adj.) IVat van
eene provincie is.
Comptable, (adj. & fubft.) Ver-
avtwoordelyk , een die rekening moet
doen y of iets dat in rekening kan ge-
bragt worden-
Comptant, (adj.Sf fubft.) Vendre
compcant , voor gereed geld verkoo-
pen ; cent mille écus comptant , hon-
derd duizend kroonen baar geld-, il
m'a dit des fottifes, mais je 1'ai
paie tout comptant , hy heeft my
wat zottemyen gezegt y maar ik heb
hem wel betaald.
Compte , (m) Reekening , telling
( f) > gf-^a/ (n) } rendre compte , reke-
ning doen ', verjlag doen , rekenfcbap get-
COM. I4>
vrn-, clorre un compte, een' reke-
ning Jluitsn ; mettre en ligne de
compte, /« rekaning brengen; je n'y
trouve pas mon compte , ik vinde
'er geene rekening , geen voordeel by i
recevoir à compte ou à bon comp-
te , op rekening , in mind^rwg ont-
fangen; au bout du compte , ten
laatjien , ailes overwoogen zynde j
compte rond , effen rekening ; à vo-
tre compte , na uw' meenif/g ; fai*e
ou tenir compte de quelque cho-"
fe , iets hoog agten ; de compce tait,
als alles afgedaan is; à ce compte,
op die wyze; Maître des comptes,
Rentmeejter ; manger à bon compte ,
{fpr.w.) 'er niaar opaan eeten, zon-
dfr zig ergens aan te kremen;coTnp-'
te ou cahier de recette ou de mi-
fe , rekening of boek van ontfangfl of
uitgaaf; acheter à bon compte, gofdf
koop koopen; il eh a pour fon comp-,
te , hy is moot bedot , bedroogen ; un
livre de compte , een fchuld-hoek j
fouder un compce , een' rekening
/luiten-, ouvrir un cotnpte , een' re-
kening openen , voor Je eerjle maal in
't groot boek fielten ; pàirer en , ou por-
ter, mettre, c> ucherfur un compte^
op een, t'ek nir^g fchryven , Jîellen , no-
leeren ; bordereau ou extrait de
compte , uittrekfel , extradl eenér
rekening, rekemng-cowr^int ; la fol-
de du compte , het JJot (fa!do) der
rekening; affirmer un Compte, eene
rekening met eedebekragtigen ^apoftil-
1er un compte , aanteekeningen op
eene rekening maaken , wat recht of
niet recht is; les bons comptes fonC
les bons amis, effen rekening maakt:
de bejie vrienden , {fpr. w.) faire boft
compte , goed koop , civiel verkoo^
pen ; en fin de compte , op 't etnd,
op 't laatjl.
Corapte-pas ou Pedometre , (mj
Een weg-meeter , {werkt, in de ff^is--
kunde om de fchreeden die men gaat
te weeten), ,
Compté , ée (adj.) Gerekend enz.^
tout compté , tout rabattu , vous
me devez tant, wanneer alles ^ere^
kend en afgetrokken is , zyt gy my zo9
veel fchuldig.
Compter, (y, a.) Rtkimn-, tellen i
K afrê' -
ï4ö COU. CON.
afff'kenpn ; < ene rekening Jlu'iten ; he-
taalen ; compter avec queicun , met
iemand rekr-nen ; compter une fora
me , eeue fomme t Hen , cp: ellen ;
compter fur, queicun , op iemand
Jiaai maaken \ je compte que , ik
maak Jlaat dat.
Compteur, (ra) Een Rekenmeejter'i
teller.
C.moroir,(m) Rek en- taf si -, toon
bGok;fchryf-kamer {ï] , kantoor (n).
Cora,>u.rer (v. a.) un contrad ,
&r. eenen Notaris tot het ^-ertoonen
van een contraft enz. dwingen.
Corapulfeur , (m) Dwinger daar
van.
Corapul foire , (m' D wang-j cbrift
daar toe van den Rechter (n).
Comput , (m) Konjï om ebbe en
vloed uit te rekenen (f), {by Zeel.).
' Computifte , {m)Tyd-rekenaar , Al-
manak maaker.
Comtal, aie (adj.) Graaffelyk.
Comte, (m) Hen Graaf; Comte
palatin , Palts-graaf.
Comté , (m') Een Graaffchap (n).
ComtefTe , ' f) Eene (iravin.
Concapitaine, (ra) Een mede Hop-
man
Concafler , C^. a.) Kneuzen , bree-
hen ., Jlampm't concaffer des aman-
des, amandelen kraaken.
C o n caténat i o n , ( f ) Aaneenfchake-
ling {in IVysge^rte).
Co -cave , 'adj.) Uitgehold y hol;
miroir concave ,.^^« holle fpiegel'
Concavité, {?) Holltgheid;cori-
cavité de la lune , het binnenjïe der
maan.
Concéder, (v. a.) Infchtkken, toe-
geeven y toejîaan ; je vojs concède
la «majeure de cet aigument , de
hoofdjielling van dit beivys geef tk
u toe
Concentration, ff) De bereiding
der qumtefTenS uit eene (loffe.
Concentrer, (v.a.) Naar hetmid-
del-ru't dryven , 'e froid concentre
Za cha'eur, de koude dryft de hitte
te amen; fe concentrer, (v. r.)zig
t' zamen trekken.
Con entriqne,(adi.) Cercle con-
centr que , cirkel die nevens eenen
anderen uit bet middél-punt ^effQkken is.
CON.
Concept, (m) Denkbeeld -, begrip
van iets (in Na tuur k.) ; item voor-
flag , ontwerp , voomeemen (in Koopb.),
Conception, (f) Ontfangenis , be-
vrugting; 't fee/l der onfdngenis van
Maria; • ela n'eft pas de faciie con-
cept ïo;'- , dat is niet lii^t te begrypen;
belles conceptions , mooije in-jal^
len.
Concernant, (participe) Noopen-
de , aangaande. .
Concerner , (v. a.) Raaken , be-
treffen; Ia 1 bert? publique concer-
■ ne ciaacun , de openbaare vryheid
gaat ieder een aan ; cela ne me con-
cerne pas, dat raakt my met.
Concert , (m) Gelykluiding van
fiemmen offpMtuigen (£)) concert
(n) , kamer daar gefpeeld word ( f ) j
il faut agir de concert , men moet
eenflemmig te werk gaan.
Concertant , ante (adj.) Mede
fpeelende.
Concerté, ée (adj.) Foorbedugt;
chofes bien concertées, wel over-
legde zaaken of dtngen.
Concerter , (v. a.) Stemmen of
fpeel tuigen gelykluidend maaken j con-
cert houden; iets overweegen, over-
leggen.
Conceffion, (f) (van Concéder)
Toegeeving , inwilliging , vergunning
(f).
Concefiïonnaire , (m)Een die iets
toegeeft in een reden-twifi.
Concevable, (adj.) Bevatbaar ; la
cho^e n'eft pas concevable , cfe zaaé
is niet te ^e^rypen.
CoTjnevoif , (v a.) Ontfangen ^
zwanger worden ; begrypen , hefeffen y
een ontwerp eigens van maaken ; con-
cevoir de l'horreur, met fchrikbe-
var gen worden.
Conche, (f) {boert, ir.) Etre en
bonne ou mauvaife conche , wel of
Jleçt toegetaakeld , gekleed zyn.
Conchyle, (m) Purper pak, moS'
fel.
Conchyliolog'e , ( f) Schulp-kunde^
Concierge, (ra. & ï.) Kaflelein \
deurwagter eener comédie j Cipier
van een s^evangenis.
Conciergerie ,( £) ^mpteenes Kas-
t deins. Cipier s (n)) item gevangenis (f).
Con-
CON.
Concile ,(m) Groote Kerhelyke ver-
gadering ybyeenkouvl ( f) , concilie (a)
vergaderplaats (ra) jaftes, décrets, dé-
cifions du concile, handelingpn,be-
Jluiten , vonnijfen van bet concilie.
Conciliabule, (m) Ketterfcbe by-
eenkomjl ( f).
Conciliaceur, ~ trice (m. & f.)
Vereeniger , bevredigen , cm die tivijl
by legt; item een die Jirydige dingen
over een brengt.
Conciliation , ( f ) ycreenigïng ;
overeenbrenging.
Concilier, "(v. a.) Les paiTLïges
d'un livre y de plaatzen 'jan een bock
overeenbrengen , gelykluidend maaken ;
fe concilier, (v. r.) la bienveil-
lance des juges, zig de toe^enegent-
keid der Rechters weet en te ver kr y gen.
Concis, fe (adj.) Kvrt f beknopt;
un ftyie net & concis, fé'w nette be-
knopte Jlyl
Conciûon , (f^ Beknoptheid, kort-
heid.
Concitoyen, enne (adj. & fubft.)
Mede-burgerlyk ; mede-burger- , bur-
ger ejf e .
Conclave, (m) F'erkiei-plaats der
Paufen^
Cónclavifte , (m) Bediende van een
Kardinaal die mfê in het conclave
gaat.
Concluant , ante (a^j.) Argument
concluant, ontégenzeggeCyk x^ bondig
bewys-Jîuk.
Conclure, (v. a. & n.) BeJJuiten;
je conclus de rout cela, ik bejluit
uit allen deezen ; conclure un ma-
riage , ceû huwelyk Jluiten.
Conclu fion , ( f ) Bejluit , Jlot (n).
Concodlion, ( f) Verduuwing {men
zegt gemeenlyk coélion).
Concombre , (m) Komkommer.
Concomitance, ( f ) f^ergelfckap-
pîng (in The-il.).
Concomitant, ante (adj.) Ferzel-
bnd; la grâce' concomitante , de
medewerkende genade.
Concordance, (f) dçs Evange-
liftes , overeenJJemming der Evange-
liften; concordances de la Bible,
Byhels woordenboek.
Concordant, ante (adj.) Overeen-
Jîcmme*i:f.
I CON. 147
' Concordat, (m) l^erdrag^ verge^
lyk , traftaat (n) , (/« geejiel. of relh
gie zaaktn).
Concorde, (f) Eendragt , eenig"
hcid , vree de.
Concourir, {y.z.)t' Zamenloopen;
behulpzaam zyn , medewerken ; tout
concourt à la fortune , ailes vloeit
tot zyn geluk te zamen; concourir
pour le prix , ont den prys dingen.
Concours, (m) t' Zamenloop y toe-
loop van nienfchen ; medewerking ,
hulp.
Concret , (adj.) (m redenk.) Za-
mengejïeld; als : Blancheur , wttheid ,
(terme concret) geeft beide het on-
derwerp en de hoedanigheid te kennen.
Concrètement , (adv.) Conliderer
les chofes concrètement & abftrai-
temen t , de dingen geheellyk of t' za-
mengejîeld en ofzonderlyk of afgetrok-
ken befchouwen.
Coiicretion , ( f ) t' ZamenJlelUng
van verfchetde dingen \ item hard of
dikwordinge van iets dat zagt en dun
is (in Natuurk.).
Conçu, ue (adj.) (van coucevoir)
Om fangen , zwanger geworden ; be-
grepen; il avoit conçu le defleii^
de ,/»y had betvoorneemen gevat ^om,
Concubinage,(m) Byzitfchap (n),
onwettige byflaaping , boeleering ( f).
Concubinaire , {m)Een die eenby-
zit heeft, een boel.
Concubine , (f) Bywyf (n) , by
zit (f).
Concupifcence , (f) Begeerlyk-
heid , quaade neiging of lujl.
Concupi cible , (adj.) Appétit con-
çu pifcible , begeerlyke luji , wil.
Concurremment, (adv.) Geza-
mentlyk , om Jïryd iagiCCez concurre-
ment avec eet homme Ikffpand tt
gelyk met dien man aan.
Concurrence, (f) Mededinging ^
medeflreevir.g na iets ; byeenkomfl van
fchuldeifchers die gelyk recht hebben.
Concurrent , ente (adj.& fubft.)
M'dedingend , kuipend ; mededinger ,
een die met eenen anderen ergens naar
faat.
Concuffion, (f) Knéveïary; faire
des concuffions, bet volk veel geld
ofperffen, uifzui^e»^
K a C»n-
J43 CON.
Concuflîonnaire , (m) Een bloed-
zuiger , Jîrooper van 't gemeen.
Condamnable, (adj.) Strafivaar-
dig ; berifpelyk ^wraakbaar; Ton pro-
cédé eft condamnable,zy« batiJel ts
te laaken.
Condamnation , (f) yerwyzirtg y
VKroordeeli»g ; paHer condamnation ,
fchuîd, ongelyk bekennen) fubir con-
damnacioa , zig een vonnis onder-
werpen.
Condamner, {v. a.) Veroordeelen,
••jerivyzen; haken; condamner à la
mort, ter dood verivyzen; condam-
ner la conduite de quelcun , ie-
mands gedrag laaken ; condamner
une po rte , een deur toefpykeren ; fe
condamner (v. r.) foi même , zig
zelfs veroordeelen,
Condenfation , (f) Verdihkingy
condenfation de l'air , verdikking
der luckt.
Condenfer, (v. a.) Verdikken, {in
Natuurk.).
Condeputé , (m) Mede-afgeveer-
digde.
Condefcendance, (f) Toegeevend-
keid, infchikkendheid aan die geinen
die beneeden ons zyn,
Cpndefcendant, ante (adj.) Toe-
geevend; il a l'humeur condefcen-
dante , hy ts meêgaavide van aart.
Condefcendre , (v. n.) Zig naar
iemands wil fchikken; onzen minderen
wat toegeeven ; condefcendre aux
foiblefTes. de quelcun, aan iemands
zivakheden wat toegeeven.
Condefcente, (f) Neerlegging der
voo^dyfchap.
Condition, (f) Terug vorder-
ring der verloorene of afgencmene din-
gen [volgens 't Roomfche recht).
Condifciple , (m) Medeleerling ,
fchool-makker.
Condition, (f) Natuur^ hoeda-
nigheid ; voorvL'aarde ; Jiaat, beroe-
ping-, waardigheid , aanzien; à con-
dition que, onder voorivaarde dat;
j'accepte cette condition , ik neeme
die aanbiedivge aan; chercher con-
dition, een huur zoeken; un hom.-
me de condition, e^ man van aan-
zien.
Conditionné, é« (adj.) Bedongen;
CON.
gejleld; livre bien ou mal condi-
tionné , boek dat wel of kwalyk uit'
ziet of geconditionneerd is.
Conditionnel, elle (adj.) Voor-
waar de lyk , met beding,
Conditionnellement,(adv.)^öö»'-
waardelyk , onder beding.
Conditionner, (v. a.) Bedingen,
voorwaarde maaken;iets in een zeke-
ren jiaat brengen, bereiden, maaken.
Condoléance, {£)Rouw-kUgtii)^
rouw-beklag (n).
Condutfieur , trice (m. & f.) Leids^
man, bejïierder , voorganger ; bejiierd-
Jler, leidjler.
Conduire, (v. a.) Leiden, gelei-
den; aanvoeren; befiuiren , onderwy
zen ; conduire un aveugle, eenen
blinden leiden; conduire un cheval»
een paerd mennen; conduire l'artil-
lerie, het gefchiit aanvoeren; con-
duire une armée , een léger gebie-
den; conduire un état , een JJaat be-
jiieren j ce chennn conduit à la
ville , die weg leui naar de fi ad; la
vertu conduit aa véritable bon-
heur , de deugd is de weg naar het
waatagtige geluk ; conduire bien fa
barque, zyne zaaken wel beflieren%
conduire un enfant dans fa jeu-
ne fle , een kind in zyn jeugd ondef
wyzen , onder opzigt hebben; fe con-
duire, (v. r.) alleen gaan; zig ge-
draagen ; un aveugle fe conduit
bien avec fon bâton , een blinden
gaat zeer wel alleen met zyn fiok , fe
conduire fagement , zig wyffelyk ge-
draag en.
Conduit , te (adj.) Geleid enz.
Conduit, (m) Een waterhuis (f),
riool (n), pyp (£); conduits d'uri-
ne, water-peezen.
Conduite, (f) Gedrag (n) , Ie-
venswyze (f); opzigt, bewind (n)}
enz. une bonne conduite , een goed
gedrag, avoir la conduite -d'un en-
fant , d'une armée , de bejltering
over èen kind., het geleide over een
heir of léaer hebben; une conduite
J'eau , eene water leiding.
Condyle , (m) Finger-lid, knokkel
(in Ontleedk.).
Cône , (m) (in Mf^th.) Kegel (m),
rondt fpits ah gvn zuiker-trood. \
Con-
CON.
Confabulateur, (m) Een Praater,
{boert. IV.).
Confabulation , (f) t' Zamenkou-
ting y vriendelyk gefprek , [boert. iv.).
Confibaler , (v. n.)^' Zamenpraa'
ten, kouten, {boert, w.),
Confcdion , ( f) Tocbcreid'mge van
geneesmiddelen , zuiker-iverk enz. con-
leftion du chyle , gyl-maaking (in
Geneesk.)\ confeAion d'un inven-
taire , her maaken van een inven-
taris.
Confédération , (f) Bondgenoot-
fcbap.
Confédéré, ée (adj. & fubft.) Ver-
bonden ; Bondgenoot , Bondgenoot e,
Confédérer, fe Confédérer , (v.
r.) jZig verbinden) een verbond aan-
gaan.
Conférence, (f) Gefprek (n) , on-
derhandeling : by eenkom]} ', vergely-
kim (f).
Conférencier, (m)£f»^/V gefchrif-
ten tegens malkander overziet.
Conférer , (v. a.) Conférer Ia
verfion avec l'original, de overzet-
ting tegens het oorfpromkelyke houden ,
overzien; Ie Roi lui a conféré
une charge y de Koning heeft hem
eene bediening opgedraagen;r.onférçr
les ordres, de orden aan eenig gees-
telyke toedienen -, conférer avecquel-
cun , met iemand gefprek houden.
ConfefTe , ( f) Aller à confeffe ,
ter biegt gaan.
Confefler, (v. a.) Bskennen, bely-
den, biegt en y le confeffer, (v- r.)
ter ba egt gaan; fe confeffer au re-
nard , by den duivel te biegte gaan j
fauce confeffée eft à demi -par-
donnée , beleden misdaad is half ver-
geèven. .
ConfefTeur, (m) Biegtvader-, be-
tyder.
Confefllon, (f) Belydenis y beken-
tenis, biegt.
Confeüïonnal , (m) Êiegtfloel.
Confiance, (f) t^ertrouwen (n) ,
hoop , toeverlaat j item floutheid (f) ;
en confiance, in vertrouwen; parier
à quelcun avec confiance ) vrymoe-
dig tot iemand fpreeken.
Confiant , ante (adj.) Fertrwwend',
Jioutmoedi^*
I CON. 149
Confidemment > (adv.) Invertrou-
wen ; vrypofltglyk , Jfautelyk.
Confidence, (f) yertrouwen , ver-
trouwendheid dte men in iemand Jleldi
vrypoJJigheid; faire confidence d'u-
ne cho'fe à quelcun , iets in ver-
trouwen aan iemand openbaaren.
Confident , (m. & f.) Vertrouwe-
hr.g , boezem-vriend- of vriendin.
Confidentiaire , (na) Eén die een
geejlelyk ampt voor eenen anderen
waarneemd.
Confiier , (v. a.) Vertrouwen y aan-
betrouwen; fe confier, (v. r.) ziek
vertrouwen, zyn hoop fielten.
Configuration , (f) De uiterlyke
gedaante; als mede de t' zamenfchik-
king van eenig ding', 't afpeû der
planeeten.
Confiner, (v. a.) Janpaalen^aan-^
grenzen f bannen \ opfluiten; la Hol-
lande confine à l'Allemagne, /&/-
land grenfî aan Duitfchland; il eft
confiné dans fa tnaifon , hem is aan^
gezegt niet uit zyn huis ta komen; fe
confiner , (v. r.) zig opsluiten , ver-
bergen , op eene plaats houden.
Confins , (ra. pi.) De Grenzen y
Landpaalen,
Confire, (y. a.) Lmaaken, inzul-
ten , konfyten.
Confirmatif, ive (&dj*) Bevejligend,
Confirmation , ( f) Bevejliging ; het
vormzel (in de R. Kerk).
Confirmer , (v. a.) Beveiligen , be-
kragtigen ', vormen (in de R. Kerk) ; fç
confirmer , (v. r.) bevefiigd worden»
Confifcable , (ad j.) Verbeurdelyk.
Confifcation , ^f) Verbeurt -vef
klaar ing > verbeurt maak ytjg-.
Confifeur, (c^ Banket- of zuikef'
hakker.
Confisquer, (v. a.) Verbeurt ver-
klaaren; fes biens font confisqués,
zyne goederen zyn verbeurt', c'eft un
homme confisqué , een man daar
wegens zyn gefï el geen geneezen aants.
Confit , ite (d,à].) Ingemaakt ;con-'
fit en dévotion , en maüce , vet
aandagt , boosheid. ,
Confiture ,-(f) Ingemaakte vrugt
(£)'^ zuikergebak (n).
Confiturier, iere (ra. & f.) Zuh
k-r- bakker i konfiurier, bankci-bakjler.
K 3 C^P-"
150 CON.
Conflit, (m) ^tryJ (f), gevfgt
(n), tiviji (f).
Confluent , (m) t' Zamenvlocd{£} ;
cette ville eft bâtie au confluent
des peux rivières , die jîad is op de
zamenvloeijing der twee jlroomen ge-
bouivd. ^^
Confondre , (v. a.) Verwerren,
onder een mengen-, het eene^joor het
andere neemen of aanzten ; bejchacmd
of verlegen maokcn , doen verjïomm n;
confondre les choies , deizaakenon-
€fer een mengen; cela Ie confondit,
dat hielp hun m de war, van zyn
fiuk , maakte hem befcbaamd ; con-
fondre fon adverfaire, zyne tegen-
party verlegen , befcbaamd maaken;
voas me cor.fonuez de toutes vos
civiutés , gy maakt my met alk tiive
beleefd bed f n verlegen.
Conf.ndu, ue. (adj.) Verward ,
hefchaanid.
Conformation , (f) Conforma-
tion des parties du corps , notuur-
lyke gedaante der lichaams-deelen.
Conforme, (adj.) Cxelykjïaltig, ge-
iykvormg-, overeenkomflig.
Conformément , (aüv.) Overeen-
komjïiglyk; agir conformément aux
ordres de quelcun , na iemands be-
veelen te werk gaan.
Conformer, (v. a.) Schikken f rich-
îen\ fe conformer à quelque cho-
fe , zich na iets fchikken.
Confot mité, ( f ) Gelykvormigheiâ ,
overeerJiomft ; la conformué d'hu-
meurs entretient la paix dans le
ménage, gelykheid van zinnen onder-
houd de vrede in een huisgezin.
Confort , (m) Verfîerking ^, troofl ,
hulp ( f ) , {oud w.)
Confortatif, ive (adj. & fubft.)
Verjierkend, verkwikkend; verfierkend
geneesmiddel.
Confortatîon , ( f ) cela eft bbn
pour la confortation des nerfs, üraf
j^ goed tot verflerking der zenuwen.
.Conforter ,"(v- a.) Verfierken ,kragt
gecven; le vin vieux conforte l'e-
ftomac 9 de oude wyn verfierkt de
maag.
Cor.frairiei ( f ) Broederfchap<, gil-
ie-broerfchap , gilde (n) ; être de la
grande confrairie , van 't gnaie
CON.
giU, onder bet getal der Hoomdraa^
girs zyn.
Confraternité, (f) Broederfcbap ,
Monnikbruérfchap (n).
Confrère, (m) Medebroeder, gtU
debroeder y makker <, metgezel.
Confrérie. {Zie Confrairie).
Confrontation , ' f) Vergelyking',
verhooring ; Confrontation des écri-
tures, vergelykmg der fchriften tegen$
malkander > confrontation des té-
moins , vrrhooring der getuigen , in
tegenwoordigheid van den bejchuldigden
of vergelyking der getuigen met elkan-
der.
Confronté , ée (adj.) Vergeleken 9
verhoord.
Confronter, (v. a.) Tegen of over
malkander flellen , vergelyken > con-
fronter des païïages d'écriture,
c^chrifteur plaatzen met malkander
over-zien; confronter des témoins,
getuigen tegen malkander hooren j con-
fronter iès témoins au criminel,
aetuïgen in byzyn des misdadigers
verhooren.
Confus , ufe (adj.) Befcbaamd,
verlegen; verzvard; cri confus , een
verward gefchreeuw; bruit confus,
onzéker gerucht; difcours confus,
verwarde reden ; je fuis confus de
toutes vos civilit?z , ik ben be-
fcbaamd over alle uwe beleefdbee-
di-n.
Confufément , (adj.) Verwarde-
lyk , dujlerlyk.
Confufion, (f) Verwerring , op-
roer ; fchaamie; Ie battre en confu-
fion , in 't hortderd vechten ; oonfu-
fïon des langues ; verivarring der
fpraaken; couvrir quelcun de con-
fuüon, iemand befcbaamd maaken',
avoir de la confufion , befcbaamd
zyn; confufion de rubans, een bos
linten; en confufion, (adw .)verwarde-
lyk.
Confutation , (f) Wederlegging
van een bewyijii'k.
Confuter , (v. a.) Iets wederleg-
gen , beantwoorden , omvérflootcn {Zie
réfuter).
Congé , (m) Jffcheid; verlof {n) ,
opzegging van geleende penningen
fcheaps-pas ; los-ceél op koop-waaren,
don-
CON.
donner le congc a an domeftique ,
à un SoldaCî een dienjl-hode laoten
gaarii een üüldaat afdanken-^ obctnir
congé , affchiid erlangen; arendre
congé de fes amis , van zyne vrien-
den affcheid neernen J jour de con-
gé , opecl-dog.
Congédie , ée (adj.) Afgedankt t
{Zie congé iierj.
.Congédier , (v. a.) Verlof of af-
fcheid geeven ; afdanken , paspoort
geeven ; ontjlaan , gaan laat en.
CungéiaLion , (f) Het t'zamen
loopcn van vloeibaar e dingen fJioUihg ,
Jiremmingi congélation des grais
fes , JioUing van het vet.
Congeler, (v. a.) Doen Jlremmen ,
Jiollen, bevrtefen-y (e congéier (v. r.)
bevriezen , dik worden.
Congénères, ladj.) mufcles con-
génères , Spieren van gelyke joort of
bevjecging.
Congellion, (f) Gezwel {in heelk.)
Conglobation , (f; t erzameltng
van bewys-gronden {in redenk.)
Congloméré , ée (adj.) Des glan-
des conglomérées , o. eenen hoop
leggonde klieren {in ontl. k.)
Conglutination , (f) t' Zamen-
kleeving , lyming.
Conglutiner , (v. a ) t' Zamen-
bindeny lymen; fe conglaliner , f zd-
menkleeven.
■ Congratulation, (f) Gelukiven-
fcbing ; mede verheuging met een ander.
Congratuler, (v. a.) Geluk iven-
fcben , begroeten , zich met een ander
vifrbiydeni (féliciter, ts beti-r).
Congre, (ra) Zee-aal.
Congrégation, {î)Geeflelykebroe-
derfchap , vergadering , by een komjl.
Congres, (m) Bywoonmg van man
en vroww; byeenkomfi -, congres, tot
het Jluiteii van vrede.
Coiigru, ue (adj.i portion con-
grue, een behoorlyk deel t congru,
regelmatig {infpraak).
'Congruent, ente (adj.) Overeen-
koomende, richt ig (infpraak).
CoDgruisme , (ra) Overeenjiem-
tning f , overeenkom/l ; (f) {Tbeol. w.j
Congrument ou corredeme:.t ,
(adv.) parier congrument, «3 den
regel fpreeken {infpraak.]
CON. 151
Conjeftural, rt:c ^adj.) Dat by de
gis ts , onzeker t los.
Conjedturaiemenc, (adv.) By gis-
Jing f vertiioedelyk.
Conjedure , ( f) Gij/ing, vermoe^
ding.
Conjefturer, (v. a.) Giffen , raa-
men , vei moidtn.
Conjoin;re, (v. a.) t' Zamenvoh
gen ^b.ter joindre enfembie).
Conjoint, te (adj.,i t'Zamen ge-
i'Of'^iz } les conjoints, de getrouwde
{in r- chten).
Conjointement, {didw.)Gezam£nt'
iyk', te zamen.
Conjonftif, ive (adj.) t'Zamen^
voegend. jf
Conjondlion , (f) t*Zamenvo'?~ J^
ging; ( f kopp- 1 woord {vd) {infpraak.};
nar-. & venus écoient en conjonc- ■■^^^
tion , mars en venus ontmoetten mal-
kanderen {in fier» ek.)
Coujonftive , ( f) Het wit der
oogen {tn Ontleedk.) j koppel woord [in
Jpraakk.)
Conjo -dure , ( f) Tydgewrigt (n)
fiaat , toef and', (f^ conjonârure fa-
vorable , gunflige tydS'Omfandigheid.
Conjouir, (v. n.) s'aller conjouir
avec quelcun, zig met iemand gaan
verheugen (oud-w.)
Co;!Joviiirdnce , (f) .Letcre de
conjouiflance . brief van geiukwen-
fching.
'Conique , (adj.) Kegel-vorm ig ;
fedion comque , de kigel-fneede ,
{in nieitk.)
Conjugaifon > (f ) Tyd-voegwgy
co jugatie , {in jpraaA.) ; t' zamen-
voeging der zenuwm {in Ontleedk.)
Conjugal, aie ,adj.) lien conju-
gal , huweiyks band.
Co'^jugaiement, (adv.) Op de ivy
ze van egte lieden.
Conjuguer, (v, a.) t' zamenkoppe-
len , by een voegen; conjuguer un
verbe , een werk woord venoegeny
conjageeren.
Conjurateur , • (m) Bezweerder ,
du lelbanner.
Conjurateur, (^/e conjuré).
Conjuration , ( f ) B^zweering ,
t' amen ziveering , t' zamenjpauning
( f) » eed-gefpan (n),
K 4 Con-
ïja CON.
Conjuré, ée (adj.) Zamengezivoo-
reii; un conjuré , een t' zamerizweer-
der ^ vloekgenoct ,
Conjurer, (v. z.) t' ^amenfpamenf
ren aan/Ja^ maaken, bezweer en; fmee-
ken , verzoeken ; vous avez conjuré
ma perte , gy hebt myn verderf ge-
fmeed ; je vous conjure de faire
"cela, ik bid U dat te doen-, conju-
rer le diable , den duivel bezweeren.
Connécable , (m) Konjîapel , ka-
Ttonnier ; ook eertyds Opperveld-over-
• Connexe, (adj.) ^an een verknogt
ofgehegt.
Connexion , (f)t' zamenhang (m) >
overeenkomjft (f), verband (n).
Connexiié , ( i) u' ZamenhaKgelyk-
beid.
Connu , (m) Konyn (oud-rv).
Conniller, (v. n.) Uitvliigten zoe~
hen (g f m. en oud if.)
Connilliere, ( f ) Uitvlugt , voor-
wend ing.
Connivence, (f) Oogfuiking, poe-
laating.
Conniver, (v. n.) Oogïutken ^ door
de vingtTs zien , iets ongemerkt door
laat en gaan.
' Connoiflable , (adj.) Kenbaar ,
iennelyk.
Connoiflance , (f) Kennis , kun-
digheid (f); faire connoiflance avec
quelcun , met iemand kennis maa-
ken ; prendre connoiflance d'une
affaire , een' zaak onderzoeken,
Connoiflemenc , (m) Vragt-brief,
cognoflement.
Connoifleur , eufe (m. & f.)
Keiiner-, kcnjler van iets.
Connoïtre, (v. a.) Kennen -^ ver-
baan-, faire connoïtre, doen blyken ,
'te kennen geven ; connoïtre d'une
affaire , kennis van eene zaak neenien
of daar over vonnijfen (in Rechten ;
il a des fubtiütés où l'on ne con
lioît rien , hy heeft fpitsvinnighedfn
de omuig.ianbaar zyn; connoïtre là
.guerre , het oot7o/ verjlaan ; je ne
m'y connois pas," ik verjlâ 'er niets
van; le connoïtre en quelque cho-
(éi in iets ervaren zyn.
Connu ^ ue (adJO Gekend; bekend,
èerowsd»
CON.
Conque , ( f ) Groote Zee-fchutp ;
Zee-hoorn der tritonnen.
Conquérant , (m) Overwinnaar ,
zegenpraaler.
Conquérante, (f) Overwinnaar-
[fier, eene die veele minnaars maakt.
Conquérir , (v. a.) Overwinnen y
veroveren , inneemen,
! Conquet, (m) aangewonnen goed
.flaande een huwelyk (nj.
! Conquête , (,f ) Overwinning ,
, verovering.
I Conquècer y (v. a.) - Veroveren
(oud w.) Zie. conquérir.
I Conquis, quife(adj.)OifK«;ow;fWî
vermeejierd.
j Gonfacrant, (m) Inwyer, een die
' inzegent.
Confacré, ée(adj.) Toegewyd, toe-
geheiligd.
Coniàcre'r , (v. a.) Toewyen , toe-
heiligen , opofferen ; confacter un
evéque , eenen Bisfehop inwyden; con-
facrer Ton nom à la pofterité , zyn
naam by den na-neef vereeuwigen \
confacrêr un mot, een woord door
't gebruik wettigen.
Confangüin, guine (fubft. &adj.*)
Een bloed-verwant ; frères confan-
guins , broeders van *s vaders zyde
-alleen.
Cor.fanguinité , ( f ) Bloedver-
wantfchap ; dégré de confanguinité >
trap van bloedverwandfchap.
Confcience , ( f) Geweeten , ge~
wiffen, gemoed (n); Confcientie ( f);
agir contre fa conlcience , tegen zyn
geweeten handelen; remords de con-
fcience , knaaging van 't geweeteni
avoir la confcience large, eenruim
gemoed hebben ; en confcience > tn
ivaarheid.
Confciencieufement , (adv.) Ge-
moede lyk.
Confciencieux , eufe (adj.) Vroom ,
opregt; un horome confcientieux ,
ten man van een naauw geweten.
Confcript , (m) Raadsheer by de
Romeinen,
Conl'écrateur , (m) Inwyer,
Confécration, (f) Inwying , inzé..
gening.
Confécntif , ive (adj.) trois jours
confecütifsj drie (tcbtgr een vplge^idè
dagen, Con-
CON.
Confécutîveraenc , (adv.) Vervol^
gens f onmidJelyk achter een.
Confeil, (m) Raad (m>} raadsla
gwg (f) raacfs-mai} ; raads-'vefgiiJe-
rinçr-^ raaiis'VergaderpLiats ', confeil
d'écat, Raad van Ótaattn -, confeil
privé, gehiime Raad; confcril de
guerre , Krygsraad , conleü de
Dieu, Godi-raadhejluit } confeil au-
lique. Hof- raad.
Confeiile , ée (adj.) Geraaden-,
Confeiller, (v. a.) Readen, raad-
gé-vetij aanraaden ; fe confeiller à
quelcun, by iemand om raad gaan.
Confeiller, ere (m. & fj Raads-
heer , raadsman j raadsheers - vrouw ;
confeiller d'écat , lai , clerc , ftaats ,
ivaereldlyk , geejleiyk raadsheer.
Confentant, ante (adj.) Toejlaan-
de , inwilligende.
Confentement, (ra) Toejierfiming ,
bnvilliging', d'un commun confen-
teraenc, eenjïemmiglyk,
Confentir, (v.n.)ToeJlemmen , be-
^u^iWgen, toejlaan', qui ie tait, con-
fent, die ztvygd die confenteerd.
Conféquemment ,(adv.) Gevulglyk.
Conféquence,( f) Gfï;o/^ {n);aan-
gelegenheid {ï) ; tirer une conie-quen-
ce , een gevolg trekaen ; affaire d'une
niauvaife conféquence , zaak van
een kwaad gevolg ; chofe de confó^
que nee , zaak van geivigt of aatigêle-
genheid; gens de conféquence, Lie-
den van aanzien.
Conféquent , (m) Gevolg eener ke-
'<wyst'eden (f).
Conféquent, ente (adj.) Daar uit
volgende ; par conféquent ;, byge-
mlg j daarom.
Confervateur , trice (ra. & f.)
Beivaarderi befchermer , vcor/f ander ;
behoudjier.
Confervation ^ (f) Bewaaring ,
befchernung , handhaavitjg.
Confervatoire , (adj.) cour con-
fervatoire ,eenGerechts-hofin Frank-
ryk dat de privilegiën voorjïaat.
Conferve , (f) Een ivater-bak-,
ingemaakte of ingezulte dingen ; Con-
ferve de citron , conferf van et--
ïroen; aller de conferve , in gezel-
schap vaaren (zee «/.)
• Conferver j (v. a.) Bewaaren^ be-
CON. 153
f cher men , handhaaven, in goeden fiand'
houdeo -, fe conierver, bewaard wor-
den , duuren.
Cjnferres , <f. pi.) Brillen f die-
nende alleen tof bewaaring van het
gezicht. '
Confidence, (f) Zetting , zinking
van grond -fop {in Natuurk.)
Coniidérabie, (aci).) Aaumerklyk ,
van aanbelayig , groot ; avoir pour
chalans les perfonnes les pluscon-
liderables de la, Ville, de aanztene-
lykpe uit de 6tad tot ka tant en heb-
ben.
Coniidérablement , (adv.) jian-
merklyk > grootelyks.
Confidérant, ante (adj.) Voorztg-
tig igem. w.)
Confidération , (f) Overweging^
overdenking (f; inzicht; ontzag (nj;
conlidéracion de Ja mort, befpiege-,
hng over d.n dood; avoir conüdéra-
tion poar les gens de qualité, eer-
bied voor lieden van aanzien hebbsni
à votre confidération , om uwenf
wil.
Confidéré , ée (adj.) Overwogen j
aanzienelyk.
Confidérément , (adv.) Foorzig--
tig/yk , bedagtzaamlyk.
Conüderer , (v. a.) Aanmerken^
overwegen ; befcbouwen; hoog-achten,
Confignataire , (m) Een aan wien
eenig geld of goed , waar over getiviji
woid j in heivaaring word gegeven,
tot uit einde der zaake , een feques-
rer.
ConCgnation , (f) De overgaaf
of in beivaa^flelling van dien; item
de zending van Koopmanfc happen , aan
een ar.der om die in commiflie te ver^
koopen.
Configner, (v. a.) Betrouxven , in
handen Jlellen ; configner de 1'ar-
gent au greffe , geld in de griffie on-
der recht leggen; je vous -^onfigne
ce prilbnnier, ik geef U dien ge-
vangenen over ; configner des mar-
chandifes , goederen tn coHJiniflie
zer.din.
Confiftance , (f) ToeJJand eene^
zaake; bejlendigheid; vajïigheid; tel-
le étoit la confiftance de ia Monar-
chie ,zot/fl?;/^ <wa$ de t^ejland van 't
K 5 ryk's
154 <^0N.
ryk , être dans I à^e le confiftance ,
inde kragt der jaaren zyn , l'affaire a
pris fa confillance , de zaak heeft
zyn bondigheid i zyn beJJag bekomt»;
mauvaile conliflance, y/t;g^^ gefield-
beid; cette étoffe , ce lucre n'a
point de confiftance , die Jloffe , die
zuiker heeft geen dikte , geborJen^
beid.
CoJififter , (v. n.) Bejiaan; voiia
en quoi confitte la difficulté , zie
daar ivaar de zwarigheid in bejiaat ,
geleden is.
Confiftoire , (m) Kerkenraad .
Confiftorial , aie (adj.) Dat tot
den Kt rkenraad behoord.
Confiitoralcraent, (adv.) Na de
ivyze des Kcrkenraads^
Confolable , (adj.) PWtrooJJelyk ,
vertroojibaar.
Confolant , ante (adj.) Vertroos-
tende.
ConfoIaCeur , trice (m- & f.) Ver-
troojier y troojler ; confoiateur j de
troojier, de H. Geejl ; confolateur
des malades , ^iekentroofler.
Xonfolation , (f) Vertrooflmg ,
troofl ', recevoir de Ia confolation ,
vertroofl worden j mon unique con-
folation, myn eenige trooji.
Confoïacoire, (adj) epitre con-
folatoire , trooji-brief.
Confole , ( f) Deur-fiyl , ffeun-paal
pinant (in bouwk.)
Confoler , (v, a.) PWtrooflen ,
trooJien;Ce confoler? (v. r.) zig te
ir eden pellen.
Confolidant , (ra) Heel pleifter.
Confolidation , (f) l- ereeniging
dçs vrugt-gebru'iks met den eigendom
vau eenig goed {in rechten)-, Con'oli-
dation d'une ^\siy e , fluit ing ., toe hee-
ling eener ivonde ; c o n Ib 1 i cl at i o n d 'a-
mitié, verjlerking der vriendfchap.
Confolider , (v. a.) une playe ,
tene wonde doen fluiten , toeheelen-y
confolider un traité , een verdrag
jjaaven i bondig maakcn i confolider
1'ufufrait à Ia propriété , het
"jrugt -gebruik met den eigendom ver-
eenigen.
Confomraateur , (f) Foleindiger,
volvoerder ; conforamateur de la foi ,
vohinàer des geloofs.
CON.
Confommatiua , (f) f^ottnkkhg,
volbrenging; ver(eering , conihmpae ;
confuraniacion du mariage; des fiè-
cies-, voltrekking des huwelvks; einde
der wereld; co^fommation desuen-
rées; des marchandifes , verteering
der levensmiddelen; vertier y Jlyting
der waar en.
Confommé , (m) Krachtig vleefch-
nat (n) fofpe (f).
Confommé , ée (adj.) Voleindigt
enz.
Confommer, (v. a.) Voleinden vol-
trtkken; confommer ia vlagde, het
vleejch fïerk uitkooken; un mariage,
een hitwelyk voltrekken ; des marchan-
difes , waaren verjlyten , vertieren.
Confomptif, ive (adj.) Teering-
agtig.
Conlbmption , (f) De teering ^
uitteer ing , item verteering , confump-
tie der Levensnii idtlen. ,
Conforma nee , (f) Gelykluiden^
heid; 't zamitfiemming.
Confonnant , te (adj.) Gelyktui-
i dend ; overeenjïemmend ; meedefiem-
' m end.
Confonne, (adj. & f.) confonne
! OU lettre confonne , een meede^
j klinker^
I Confort, (m) Metgezel , compag-
j non , participant.
Conibude , (f) Waal-wortel \_
fmeer-^wortel (Genees k.)
Confpirateur, trice (m.& ï,))t'Za-
monzweerder , vloekverwant ; t' za~
i menziv eerfier.
! Confpiration , (f) t'Zamen^pan-
■ ningf t' zamenzweering ^ aanJJag.
Confpirer , (v. n. ik a.) t'J^a-
j menzweeren , t' zamenrotten; confpi-
; rerla mort de QVie\c\xn,eerïen toeleg
\ maaken om iemand het Leven te be~
1 neemen ; tout confpire à votre
! perte , alles werkt mee tot uwen on~
\ dergan^.
j Conftamment, (adv.) Standvaflig-
1 lykf bejlendiglyk fgejïadiglyk ; zeker lyk ,
gewijfelyk.
Conftance , (f) Standvafligheid ;
volher ding.
Confiant , ante {2ià].) Standvas-
tig ; zéker ; amant confiant , een
Jlandvqfiig mimaar; il n'y arien de
plus
CON.
plus conftant , aaar is niets zéker-
der.
Conftater, (v. a.) E^e zaak gron-
delyk be-vyzen {in Rechten).
Conftellation,(f) CJiernte; être
né fous une heureuA conftella-
tion , or.Jer een gelukkig teken geboo-
ren z.yn.
Conlltr , (v. n.) ii confie , que. . .
bep ii bpkend , vajîy dat , . . {in Rechten).
Conftertiation , ( f ) Ontftelfenis ,
ontroering , neérjlagtigheid.
Coniterner , (v. a.) Ontjîellen^yver-
fchrikken.
Cnnllipation , (f) Verjîopping y
bardlyvigheid.
Conftiper, (v.a.) F'er/ioppen, bin-
den , hurJlyvig manken.
Conltituaric. ente (adj.) Magtgé-
ver , aanjieller , cor,{lituent.
Conlbtué, ée (adj.) Aangejieldy
un homme bien conftitué , een luel
gej}tld meyifch -, rente conflituée j op-
geregte rent.
Conftituer , (v. a.) Aanjiellen , enz.
magt geven 'f renten oprigten; le me-
lange des éléments conditue les
corps, uit de vermenging der hoofd-
Jîoffen {elementen) bejîaan de Ligcbaa-
177 en ; Ce cunftituer juge d'une af-
faire , Zfg tot Rechter eener zaak op-
tverpen ; fe conftituer pleige , zig
borg peilen.
Conrtitut deprécaire , JVegfchen-
ktng van goederen ^waar van men het
vmgt-gebruik aan zig behoud,
Ccnaitution, (f) Ligchaams ge-
fieldbeid j oprichting ; aan/selling ,
magt geving.
Conaitutionnaire ,(m. & f.) Jlaii-
Jielkr-y oprichter.
Conftrudlear, (m) Spier die tets
toetrekt.
Conftriftion, ( £)t' Zamentrekking ,
toetrekktng.
ConÜringent,ente (adj.) t'Zamen-
trekkend.
ConllruAion, (f) Botiwing, /lich-
ting; u-onrd-fchikkmg , (conltruftie)
{in fpraak.)
Conlïruire, (v. a.) Stichten, bou-
wen ; woorden t* zamenfchikken.
CcnÜruit, ité(adj.) Gebouwd; ge-
Schikt,
CON. I5J
Confubflantialité , (f) Medenxe^
zendlykheid, midezcljjlandigheid; (in
Theol.)
Confubftantiel, elle (adj.) Mede.,
ivezig.
Conftantiellement , (adj.) Mede-
zelfjïandtglyk.
Conful ) (m) Romeinfch-burger-
mee/Ier eertyds , nu conCxxl of fcbeids-
man .,er Kooplieden.
Conlulaire , (adj.) dignité confa-
laire , Burgermeeflerlyke -waardig-
heid.
Confulairemenc , (adv.) Burger-
mei'Jierlyk ', dog nu op de ivyze van een
Conful..
Confulat , (m) Burgermpefïerfchap ;
Conluls ampt (n).
Confultanc , (m) Een ra ad-vragen-
de -, Avocat conlultant , jddvocaaf
die men confuleerd.
Confultation , (f) Raadpleging*^
raadgeeving.
Confukative , (adj.) avoir voix
confultative, eene raadgevende J} e m
hebben.
Confulter , (v. a.) Faad-plegen-,
raadvraagen j beraa.iJJaagen ; conful-
ter fes forces, zy-";f magt overwegen,
jiagaan; confuker les iiy xes, de boe-
ken nazien ; cojifuker Ie chevet,
{fpr. w.) iets rypelyk overwegen y 'er
eerji opjlaapen.
Confukenr , (m) Raad ge ever ^
(m gepjlel. zaaken of ordens),
Confumer, (v. e..) F'erteeren ver-
kwifien , doorbrengen ; confumer fes
forces , zyne krachten krenken , ver-
fpilleu ', confumer d'ennuis , van
zorg , kommer of verdriet verteerd
worden.
Conta£l , (m) Aanraaking van twee
ligchaamen , {in Natuurk.
Contadin, (m) Inwoonder van het
Land.
ContagieuK, eufe (adj.) Eefmette-
lyk , aanjieekend.
Contagion , ( f) Befmefting , PefT;
zede-bederving,
Contailles', (f, pi.) De Jlegtjle
zyde van djn zy-wirm.
Contamination, (f) Bezoedeling ^
{oud. 7V.) *
Contaminer , (v. a.) Bevlekken,
bezoe-
Î5(5 CON. .
^'zoedeten (oud. îr.) {Zie Souiller).
Conce, {va) Reeketutig (Zie comp-
ta)- r t .
Conte, (ni) Verdigtzel, fprookje,
fraatie (n) verftcnng , vertelling,
kktgt{i)', conte agréable, verma-
ieiyke , aardige vertelling i conte
pour rire , lach-praaije; conte gras ,
engezoHteo of vuil praatje , contes a
fîormir debout , praatjes voor de
fiak; conte de vieille, de peau
ci'ane, de la cigogne , de ma mère
l*oie,' borgne , jaune, blea , en
l'air, oudwvfi vertelling, fpi^rcks-
p-japje, ' hiap'til > quels^ contes.'
'i:;atte praatjes ! contes étranges ,
ti'onderbaare of vreemde vertellingen;
ce font des contes que tout cela,
i^at zyfi al te maal vertellingen.
Contemplateur, trice (m. & f.)
B^^chouwer, overdettker ; befchouwjler.
Contemplatif, iv€ (adj.) Befpie-
seknd, opgf:trohke}7 in gedachten; Théo-
.iogîe contem^ilative > bcfcboîiiveade
Q^.geleerdhetd»
Contemplation , ( f ) Ecjchowwîng ,
^efpiegeling.
'Contempler, (v. a.) Bcfchouwen ,
kefpie^efen , overdenken; contempler
les deux , dentlémel lefchwiven.
Contemporain , aine (adj. & f.)
A.«teurs contemporains, gelyktydige
i^çhryvers ; c'eft mon contemporain ,
^f is^ myn tyd genoot.
Contemp!eur , (m) Veragter , ver-
pKo^der. . ,^
Contemrtible ,'(adj.) Fir^gf^ly* ,
mvfmadelyk.
Contenance ,(^) Inhoud (va) {van een
feaJ', er.z.) houding , grjlalte , zwier
if),» gelaat, poftuur(n}> cette fem-
Bgfô ne fait quelle contenance te-
Wtiïï , die vromv weet niet welke hou-
i^vg: ay aani*eemen zal ^ porter quel-
<Que chofe par contenance, Jeti uit
f^H.aamhil-Jpn draagen ; perdre con-
t<ènance, verlegen worden ; épier la
e:?.\>,ïer,ance des ennemis , des vyands
if)uJr,:g , oogmerk hef pi eden.
Coûte aaji t , (ra) Le contenant eft
tsjtijours plus grani que le con-
tà^\i\ de omtrek , omvang van iets,
l<i (ilt^i groot er als den inhoud.
^CiQateodanç. , atüe ,adj.; Princes
CON.
contendants , parties contendan-
tes , Jlrydende yorjlff) yfïrydende par-
tyen.
Contenir, (v.a.) Inhouden, bevat'
ten , behelzen ; beteugelen , hibiniien
enz,; livre qui contient l'hiftoire
de ... , boek dat de gefchi edenis ,
hifcorie hehelfl van . , . 3 la cham-
bre ne peut pas les contenir tous,
de kamer kan ze niet alle hergen 5
contenir Je peuple dans fon de-
voir, 7;^? volkin hunnen pligt houden.
Se Contenir, (v. r.) Zig inbin'
den; fe contenir dans les bornes
de la raifon , binnen de paaien van
redelykhetd blyven.
Content, ente, {&à].) Vergenoegt ,
te vreeden , voldaan.
Contentement, (m) Genoegen{n);
voldoening; betaaling {ï); contente-
ment paffe richêfle , vergenoeging
gaat boven rykdom;le contentemenE
eft plus dans Je cœur & la fatisfac-
tion eft plus dans les paiTuins, hier
uit blykt hetverfchil tuffc hen deze twee
fynonyma (gelykluidende woorden).
Contenter , (v. a.) (Vergenoegen,
te vreeden Jïellen , voldoen; contenter
fes paffions, zyne luflen boeten ; fe
contenter, (v. r.) ztg vergenoegen.
Contentieufement, (adv.) Twijl-.
gieriglyk.
Contentieux, eufe (m.tScf.) Tii;//?..
gieriq , hyfa^tig.
Contention, (f) Twifliï), krak-
keel {n) ; contention d'efprit, »«-
fpanning van geefi.
Contenu, (mj Le contenu d'une
lettre , den inhoud van een brief.
Contenu , ue (adj.) Begreepen ,
vervat.
Conter, (v.a.) Vertellen, verhaa-
len , conter une avanture , een ge-
val vertellen; conter des fornettes»
des fagots, ou, en conter des bel-
les, klugtjes vertellen; il nous en a
bien conté, hy heeft ons zoo wat
wy s gemaakt; en conter à une fera- ^^
me , lui conter fleurettes , een -
vrouwsperfoon zoo wat voor praaten , . \
op de mouw fpelden ; elle s'en fait
conter ,zy laat zig wat wys maaken, ;
Conter, (v. a.) Tellen ^ rekenen, ,
{Zie Coirpter).
Con- '
CON.
€oiîteftable , (adj.) Betwîjïbaar ,
dat beiwijly tegengefproken kan war-
den.
Conteftant, ante (adj. & fubft.)
Twijhncie ; les conceflants , de twis-
tende, krakkeelende f art y én.
Conteflation , ( f) 'Betwtjïiag ,
jiryd \ f), krakkeel , gpiling (n).
Contefter» (v. a.) Twijien ^ Jlry-
den , krakkeelen 3 iemand iets betwis-
ten,
Gontenr, eufe (m. & f.) Vertel-
ler-, zivetzer -f verte/fier -, conceur
de fornectes , een beuzelaar f klugt-
virteller.
Coutexture , (f) t' 2^amenbindwg
(f), t' iamenweeffel (n); (als van
fpieren , -vezels enz.).
Contigu 5 ue (adj.) yî anpaa lende -,
maifon contigue, naaji gelegen huis.
Contiguité, {f ) Aanraakwg , aan-
paaling , aanjlooting.
Continence , ( f) Ingetogenheid ,
maatigheid , onthouding.
Continent, ente (adj.) Ingetogen,
maat i g , kuifch.
Continent, (m) Het vajle Land,
(in Landbefibr.).
Contingence , (f) Gebeurt elyhheid;
felon la concingence des affaires,
des cas , na dat de zaaken uitvallen.
Contingent , ente Ou caïuel, elle
(adj.) , Gebeur lyk y onzeker , dat ge-
beuren kan of niet.
Contingent, (m) Aandeel y con-
tingent (n).
Continu, ne (adj.) Geduurig, ge-
Jiadig ; fièvre continue , een aan-
houdende koortt; quantité continue ,
eene aan een hangende of onafgebroke-
ne hoeveelhei'i (quantiteit) ; bafle
continue, generaale bas {in Muftcq).
Continuateur , (m) Fervolgcr ,
vsortzetter van eenig werk of fcbrift.
Continuation, (f) Volherd{fig(f)j
vervolg (n).
Continue, ( f )La continue l'em-
porte , den' aanhouder wint ; à la con-
. tinue, by vervolg van tyd , by aan-
houding.
Continuel, elle (adj.) Geduurig,
gefiaadig, onophoudelyk.
Continuellement »" (adv.) Ceduu-
rïglyk , zonder ojhouJen.
CON. IJ7
Contïnuemenc, (cdv.) (leus'^lcoa-
tinûraent) Geduurig^ onophoudelyk» i
Continuer , (v. a.) Volberden , aan-
houden , vervolgen j continuer une
muraille ,eene muur langer of verder
voortbouwen j continuer quelcun
dans fon emploi , iemand in zyne
bediening laat en blyven of langer àou^
den.
Continuité, (£) Vervolg (n) , 0»-
'af^ebrokenheid , aanhouding , voortvaar
ring van iets.
Contondant, ante (adj.) Plette^
rend, dat qtietjl of kneiifi , en niet
fnyd , als : een knuppel , enz. Qm
He elk.).
Contorfion (f) des membres,
^irir.ging, draatjing, bogi-maaking der
ledemaat en.
Contour , (m) Omtrek , omkreits
van iets ;\e vafte contonr, het waS'
reldrond (by Dicht.).
Contourner, (v. a.) Den omtrek
ergens adn maaken, als aan Schilde*
ryen enz.
Contrat. (Zie Contrat'.
Contraftant, (adj. & fubfl.) Em
verdrag , verding , verbintenis aan^
gaande ; item t' zamentrekkend , m-
krimpend (in Ontleedk.) ; item een die
eene verbintenis aangaat , een con-
traftant, f^»^ contraftante.
Contrafte , (m) Een verkort woord
(in Spraakk.).
Contrader, (v. n.) Een verdrag^
eene verbintenis aangaan , maaken j
un mineur ne peut valablemenc
contrafter , een minderjaarige ka»
geen contraù. van eeni^e waarde maa-
ken of aangaan. Contrafter, (v. a.)
Bekomen, verkrygen; contrafter oa
gagner une rmladie , eene ziekte kry-
gen; coutraéter une habitude, eetie
gewoonte aanreemen , zich iets aan-
wennen -^ co nzrâOiir des deitis ,fchul-
den maaken ; contrafter amitié ,'
vriendfchap maaken ; fe contrader ,
(v, r.) t' Zamentrekken , krimpen
( van zenuwen ) ; verkort worden ( tn
Spraakk.)..
Contradion , ( f) Krimping , t*zû^
mentrekking der zenuwen ; in een f mat-
ting van twee letteren (in Spraakk.)^
Coiitraftuel , elle (adj.) 't Geen
têt
158 CON.
tot eert verdrag behoord > contraét-
maatig.
Contrafture, (f) Verdunning der
zuilen.
Contradifteur , (m) Tegenfpreeker ,
tegenparty {in Rechten).
Concradiftion , (f) Tegenfpraak
(f), cela implique contradiction,
dat beheljl tegcnJJrydigheid.
Conc-adidoire, (ajj.) Tegenfpre-
ielyk ,tegenfirydig , arréc contradic-
toire , vonnis door den Rechter in 't
byzyn van tivee partyen uitgefprooken.
Contradiaoireraeiit,(adj ) Tegen-
Jirydiglyk,
Contraignable, {TLà].)Die te dwin-
gen y te noodzaaken is.
Contreindre , (v. a.) Divingen ,
noodzaake.ï , dringen., tiypen , klem-
men, be!2a.7u:veny enz. , contraindre
quelcun , iemand noodzaaken ; eet ha-
bit me contraint, dat kleed kUmt
nty i rétade Ie contraint ,de letter-
oeffening (Jiudie) valt hem t'ivaar ; fe
contraindre , (v- r.) zich bedwingen,
maat i gen.
Contraint, ainte (adj.) Gedivon-
tren , genoodzaakt ; il efl fort con-
traint avec les perfonnes de qua-
lité , bv (iaat by lieden van aanzien
zeer verlegen; rtyle contraint, ge-
divongen jlyl % conrraint dans fon
habit , »>î zyn kleed geprangd.
Contrainte, ff) D-wang fm) , ge-
veeld (n)ï fans contrainte, ow^^iw/OK-
oen ; contrainte de corps, lyfsdwangf
arreft ; la contrainte eft grande
dans cette rcailon , men Ie fd zeer
gedwongen, georeerd in dat huis.
Contraire , (adj, & fubfl.) Strydig,
tegenflrydig, niet overeenkomende; a-
voir Ïe vent contraire, den vjind
iegen hebben , tegen den ivindvaaren;
la fortune lui fut contraire, het
geluk diende hem niet ;cor.txa.\r e à la
fanté , flrydig met de gezondheid; Ie
froid & le chaud font deuK con-
traires , de koude en' bitte zyn twee
(irydige dingen j au contraire (adv.)
in 't tegendeel.
Contrariant , ante (adj.) Tegen.
Jlrevend; humeur contrariante, te-
gen firevige imhorjl.
Contrarier, (v. a.) IFederJireven ^
CON.
ivederfpreeken , dwanboomen ; voua
ne faites que contrarier, gy docd
niet dan tegenjlreeven , tegenkanten.
Contrariété , ( f ) Tegendrydigheid
(f), verfchil(n).
Contraile, (m) IFoordenJiryd y rc
dentivi/i (oud w,).
Contralle , (m) Verfcheidendheid
(T), verfchil in de voorwerpen (n)(i«
Schild, en Boinvk.).
Concrafter, (v. a. & n.) De ge'
JlelteniJTen der voorwerpen verfcheiden-
lyk vertoonen , zulks aat het eene ge"
bûogen en het aider e Jlaande is enz.
Contrat , (m) Verdrag, overeen-
kom]}, voorwaarde (f); conti-at de
mariage, huwelykfche voorwaarde;
faire, pafler, drefler un contrat,
een contraft maaken.
Contravention (f )auxloix, over*
treeding , verbreekmge der wetten.
Contre, (prep.) Tegen ,tegens;te-
gens over; nevens; agir contre les
loix , tegens de wetten handelen ; aller
contre vent & marée , tegen wind
en/iroom vaaren ; il étoit affis con-
tre moi , hy zat neffens my , il eft
logé contre i'Fglife, hy woond digt
by de Kerk; mettez ce pot contre
le feu , zet die pot digt by het vuur ;
je n'ai rien à 'dire contre , ik heb
'et' niets tegen te zeggen ; dire le
pour & le contre, het voor en te-
gen, bet pro en contra zeggen; ci
contre , hier tegens over; tout con-
tre , digt by , nevens aan.
Contre Amiral , (m) Schout hy
nacht, {zee w.)
Contre-balancer , (v. a.) Cette
perte ne peut contre-balancer le
profit qu'il a fait auparavant , dat
verlies kan de winjl , die hy te vooren
gedaan heeft , niet opweegen of daar
by vergeieeken zvorden.
Contrebande , ( f ) Marchandifes
de contrebande, verbodene waaren.
Contrebandier, (m) Een die ver-
bodene waaren inbrengt , een fluikhan-
delaar.
Contrebarre , (f) Streep ter lin^
kerband (in Wapenk.)
Contre-bas , (adv.) Nederwaards.
Contre-bafle , (f) Tegen bas (in
Muziek),
COT
Contre-batterie, (f) Te^en-fchht-
fcbans; (f guur/.) aankanting tegens
vyanjelyke aaufJagen.
Contre-billeL, (m) Hamifchrift dat
het voor: ge vernietigj,, een revers.
Contre -bittes , (f. pi.) Beeting-
. knies ofJJuindfers (in Scbeipsb.)
Concre-bondir , (v. n.) Terug
^privgen {als een bal)
Contre-carêne , ( f J Tegenkiel ,
kolfem ecncr galei.
Contre-carrcr , (v. a.) Tegerflree-
ven , zig tegen iemand aankanten ,
iemand Jen voet dwars zetten , binderen.
Contrée hange , {m) l^erivijfeling,
ruiling (f).
Cohcre-charme > (m) Middel te-
gen de toovirye (n).
Contre-chalîîs, ^m) Raam of horde
die tegens eene andere aangez et word (f).
Contre-cœar , fm) Tegenzin j /laan-
de plaat in een Schoorfleen , faire une
chofe àcontre cœar , iets met tegen-
zin doen.
Contre coup, (m) Weêrjlutt ^weer-
Jlag ; bleffé par Ie conr re-coup ,
van den weérjluit gekwetjï; j'ai eu le
contre-coup de vôtre malheur,
ik heb de weérfluit ^ het gevoelen van
uw ongeluk gehad.
Contre-danfe , (f) Een conter-
dans.
Contredire , (v. a.) Tegen/pree-
ken ; ces chofes fe contredifent ,
die dingen fpreeken zich zehen tegen.
NB. dit werkw. word p.ef-onjageerd
als dire , uitgenomen dat mm zegt
vous contredirez en niet contredi-
tez.
Contredirant , -ante fadj. & fabft.)
Tegenfpreekende , twijlgierig ; een te-
genfpreeker.
Contredit, (m) Tegenfpraak • we-
derlegging (f) ; fans contredit , zon-
der tegenfpraak.
Contredit, ite ^adj.) Zie contve-
^ dire).
Contrée , C f ) Een Landfchap ,
gewefl(n) La^rdflreek (f).
Contre-enquêce , (f) Contra-on-
derzoek (tn Rechten) (n).
Contre-efpalier , fm) tegen- lat-
werk in een tuin Gm boQmen tegen op
te leiden (n).
CON. 15^
Contre-éïambot , ()n) Sïemphout
(n) aan den achterftéven van een
Schip.
Contre-étrave , (m) Sïemphout (n)
aan de vosrfléven.
Contrefaçon, (f) Nadruk van
een boek-, namoakzel van iets (n),
Contrcfaftion , (f) Nadruk van
een'ig boek.
Contrefaire , (v. a.) Namaaken,
nabootzen een hoek nadrukken', contre-
faire l'écriture de quelcun, iemands
hand nafchry ven; contrefaire le dé-
vot , de fchynhetiige fpeelen;
Contrefaifeur j (m) Nabêotzer,
na'daper ; nadrukker.
Contrefait , aite (adj.) Nagebootfl,
nagevolgd ; mismaaki , lelyk j on 3
coi.fisqué tous les exemplaires
contrefaits, men heeft alle de nage-
drukte exemplaaren , verbeurd ver-
klaard.
Contrefanons , (m. pi.) Nok gor.
dingen (zee jv.)
Contrefafce, (f) tegen-band, Ivfl
(in Wapenk.) "^
Contre-fenêtre, (f) Een dubbeld
vengfter, (n).
Contre-fiches, ff. pi.) Kruîsban-
den , (in Bouwk.)
Contre-finefle , (f) Tegenlijl (m).
Contre-forts , (m. pi.) Tegen pi-
laaren , muur die eene andere onder-
fchoort (?).
Contrefugue, (f) ÏVeêrgalm in 't
zingen.
Contregage, (m) Tegenpand (n).
Contregager , (v. a.) Een tegen-
genpand neemen.
Contre-garde ,( f) Driehoekige
horjlweering , tot dekking van een bol- '
werk (in veflingb).
Contre-hacher, fv. a.) De fcha.
duw op een plaat door kruis JJreekett
rjerdonkeren (hy Graveerders).
Contre-hachures, (f. pi.) Kruis-
Jïreeken op een kopere plaat.
Cnntre-hâtier , ('m) StaanJe fpit-
yzer met verfcheide haaken.
Contre-haut , (adv.) Na boven ,
opwaards (in bouwk.)
Contre-hermine , (f) Een zwart
veldmet zilver gefpikkeld (in IVapenk.)
Contre-Jauger , (v. a.) De balken
tegens
160 CON.
tpgens malkander af^ajfen ('m Bouwk.)
Contre-jour , (m) l^alfcb-licbt (n).
Contre-jumelles , (f. pi.) ^teene
ivangen in een riool.
Contre-latte , ( f) Spar of rib van
een dak , waar op de latten gefpykerd
worden.
Contre-Iatter , (v. a.) Dak-fparren
leggen^
"Contre-Iattoir , (m) Lat-hamer.
Contre-lettre, (f) {^ie contre-
promefie).
Contre-maiCre , (m) Bootsman
of onderjliiurman op een Schip.
Contreman dement , (m) Tegen-
KK'él (n) ; herroeping ( f).
Contremander , (v. a.) ^yn bevel
herroepen , ee>} tegen bevel 2ceven.
Contre-marche, (f) Terug -togt^
contra-marjch.
Contre-marée , ( f ) De tegenvloed.
Contre-marque, ( î) Tegeu-merk ;
item een valfcb y nagemaakt merk.
Contre-marqaer, (v, a.) Tekenen
met een conx.ra.-merk ; item een merk
nabootzen ; ook een paarden tand mer-
ken.
Contre-mine , (f) Tegen -inyn;
Ïfjï tegen lift.
Contre-miner , (v. a.) quelcan ,
1'ennemi , teg^n iemand , den vyand
inzverken, contramineeren.
Contre-monc , (adv.) aller contre-
jnont OU à contre-monc , tegen
Jlroom vaaren ; tomber à la renver-
fe les pieds conTre-mont , achter
over met de voeten om hoog vallen.
Contremur , (m) Tegen-mtoir (f).
Contremurer , (v. a.) Een' tegen
mutir metzelen ; contremurer un
foffé , een' gragt niet muuren beklee-
den. ' ,
Contreongle, (m) Verkeerd fpoor
(n)(Jagtw.)
Contre-ordre , (m) Een tegenhe-
vèl (n).
Contrepalé, ée (adj.) Tegen mal-
kander gepaald (in IVapenh.)
Contre- partie , (f) difcant, te-
genzang {ta) {in Muziek) /Vf'»» con-
tX3.-boek.
Contrepaflant', (adj.) Tegen mal-
kander fcbrydend {in IVapenk.)
Contrepefer , (7. a.) Tegen opwet"
gen.
CbN.
Contre-pied , (ra) Hef tegendeel
(n)) il fauc prendre le contre-pied
df ce qu'il dit , men moet het geene
hy zegt net anders om , averegts ver--
Jiaan.
Contrepoids , (m) Tegemvigt ;
lood van 't braad fpit (n); Koorde
danfers Jiok (m).
Contrepoil , (m) à contre poil,
tfgfn 't ha ir in, tegen de vleug ; pren-
dre une chofe à centre poil , eene
zaak verkeerdeïyk opvatten , verjiaan.
Concrepomter, (v. a.) Bejlikken ^
als dekens , behanzzels enz^ eene bot-
ter y tegen eene andere opwerpen y item
tegefifpreeken , ivederjireeven.
Contrepüintier, , ou contrepoin-
teur, Tapyt-maaker ffikker.
Contre-poifon, (m; Tegengift (n).
Contrepoite , (f) Tweede deur f
voordeur»
Confeportear , (m) Een die met
zyn wasr omloopt.
Contreporter , (v. a.) Met Koop-
manfchappen omlooptn.
Contrepefer, (v. a) Een pofl ver-
keerd overdragen {By Boekhoud).
Contripofition , ( f ) Verkeerde
overJra^ing.
Contre-potencé , ée (adj.) Met
krukken kruiswyze gejield (in JVapenk.)^
Contrépreuve ,(ai) Overdruk eener
plaat.
Contrépreuver , (v. a. ) Over-
drukken , dat is , ivanneer de Plaat-
drukkers een vel fchoon papier leggen
op een nog nat zynde gedrukte plaat y
waar door de f guur verkeerd op hét
e er ft e komt te/laan. ^
Contre-promefTe , (f) Een tegen-
fchrift , revers (n), waar door een
vorig gefchrift vernietigt word of zyn
recht verlieji f men zegt ook contre-
Lettre.
Contre-quille, (m) ou carlingue,
de kolfem van een Schip.
Cotitre-j-ampant , ante (adj.)^^«'-
pende tegen malkander {in fVapenk.)
Conrre-ronde , ( f ) Tegen-ronde
{in Krygsk.)
Contre-rufe, (f) Tei^ev-UJi.
Con:re-falut , (m) Tegen-groet met
bet gefchut.
Contre-fangIori,,(m) Zadel-riém ,
die
CON.
' me aan den buikhem vajl gemaakt
nord.
Contre-fcarpe , ff) De buiten
kant der gragt y eener vejiing.
Concre-fcél , (m) Tegenzûgel ^ op
de linker hand (n).
Contre-fcellerj (v. a.) Tegen ze-
gelen.
Contre-feing , (m) Neven of mede
ondertekening (f).
Concre-Pens , (m) f^erkeerden , te-
gengpjlelden zin ; prendre le contre
Tens d'une chofe, iets in eenen ave-
regtfen zin opvatten ^ agir à contre
(eus, verkeerdelyk te werk gaan.
Contre-figner ,(v. a.) Neven of^ta
onderffhryven , laager onder (tkenen.
Contretemps, (m) Onverwagt toe-
val (n) , hinderpaal (m) ; fâcheux
contretemps , verdrietige tujfchen-
iowjî; faire un contretemps, eene
omydige daad begaan ; contre temps ,
tred builende maat; h contre temps,
ontydig , ten onpajje.
Contre-tirer, (v. a.) Eene Schil-
dery enz. nateekenen , natrekken , na-
hootzen.
Contrevallation > (f) Tegenhorjî-
weering.
Contrevenant, ante (adj. & f.)
Overtreedende 'f overtreeder eenes ge-
kods , vergelyks , enz.
Contrevenir (v. n.) aux ordres
du Roi , des Konings beveelen over-
treeden.
Contrevent, (m) Een houten ve^g-
Jiert een blind voor de glaazen{v\).
Contrevérité, (f) ^oljcbe loftuj.-
ting , fpotfchrift.
Contre-vifite, (f) Een tweede vi-
fitatie der Tollenaaren.
Contribuable , (adj.) Schatting
fchuldig.
Contribuer, (v. a.) Schatting be-
taalen -y toebrengen 'y contribuer à la
fortune de quelcun , tct iemands
geluk het zyne toedoen , hem helpen^
Contribution , ( f) payer de gros-
fes contributions ygroote brandfchat-
tingen betaalen , contribution au
fol la livre, OU, au mare lalivre(/«
rechten) inboetir.g , verlies eenes Credi-
teurs/» een' gefailleerden boedel.
Contrifter, (v. a.) Bedroeden,
CON. 161
Contrit, ite (adj.) Bedroefd we^
gens zyne zonden.
Contrition, (f) Droefheid (f)
berouiv (n). '
Controle , (m) Een contra -bc/^
item een controHeurs ampt (n).
Contrôler 5 (v. a.) V contra-^oé-*
houden ; van anderen qualyk fpreeken
of op dezelve vitten.
Controleur, {vn)Een contrz-boek-
houder ; een knibbelaar , vitter,
Controverfe, (f) Religie-/ii;/(7.
Controverfé , ée (adj.) lieu de
L'écriture controverfé , Een Schrif-
tuurplaats daar over getwifl word.
Controverfiflte , (ro) Een die Jlry-
dige geloofsjiukken verdedigt of daar
over jchryft,
Controuvaille , (f) Een verdigt-
zei (n), fabel (f).
Controuver {v. a.) des menfon-
ges , leugens lierzinnen, verderen.
Contumace , (f) Ongehoorzaam^
beid , koppigheid van eenen gedaagden^
dog niet voor 't gerecht verfchyn enden
perfoon ; jager , condamner par con-
tumace ^ by verjïek of wegens achter-
blyvin (Default;« rechten) vonnisfen.
Conturaacer, (v. a.)'U^egens ach-
terblyven (default o/non-comparitie)
vonnijjen.
Contumax , (adj. & f) Ongehoor'
zaam'f een die uit koppigheid niet voer
't gerecht verfcbynd , compareerd
(Rechts w.)
Contus, ufe (adj.) Gequetfl ) ge-
kneufl {Heelm. w.)
Contufion, ( f) Kneuzing{by Heelm.)
Convaincant, te (ad j.) Oirr/ï</f f wûf.
Convaincre , (v. a.j Overtuigen.
Convalefcence , (f) Geneezing ^
wederverkryging der gezondheid.
Convalefcent, te (adj. & f) Her-
fielt end; een die aan 't béteren is.
Convenable ,(adj.) Behoorlyk ,&?-
quaam-y cela eft convenable au bien
de 1'état , dat is dienjiig voor 't ge-'
meene bejl ; temps convenable à
l'ouvrage , de nodige of behoorlyko
tyd tot bet werk.
Convenablement , (adv.) Behoor"
lyker ^vyze.
Convenance , (f) Overeenkomjl ;
ces chofts n'ont poinc de conve-
I« nance^
it2 CON.
jiance, éRe dmgenbebben gieM SeJyi-
keid met malkander.
Convenant , ante (adj.) {oud w.)
WeUioegend.
Convenir, (v. n.) Betaamen, Be-
kûoreH , overeenkomen , pajfett y cela
AC convient pas, dat betaamt niet',
•onvenir de quelque chofe, over
ittwes eenig worden, accordeeren.
Conventicale , (ra) Geheime by-
9tnkomji , Jluip vergadering ( f).
Convention , ( t) Overeenkomft {£) ,
90rdragy accocrd (n).
Conventionnel, ell« (adj.) Dat
in een vergelyk begreepen is.
Conventioneiiemcnt , (adv.) Met
merdrag.
Conventualité, (f) KUoJier-brot'
dcrfcbap.
Conventuel , elle (adj.) Ktoojierîyk.
Conventaellemcnt, (adv.) Kloos'
gtrlyk.
Convera , fe (adj.) Frere convers ;
focor converfe , leeke-broér -, leeke-
smjïer in een kïoojler.
Converfable , (adj.) Vriendelyk j il
«'efl: pas conver fable, daar is met
kern niet om te gaan,
Converlktion, (f) Omgang y ver-
héering\ t' zamenfpraai ; lier con-
Tcriktion avec quelcun , z;a& met
ïtmOKd in een gejjprek inlaaten,
Converfer, (v. n.) f^erkeeren, om-
gang hebben 'y gefprek houden.
ConverCon , ( f ) Bekeer inq der zon-
daarea -, verwiffeling , verandering
der metaalen ; bet wenden , omdraai-
jen der Soldaaten.
Converfo , (m) '/ Dek tujfcbea de
graote en fokke majl (Portug, w.)
Converti, ie (adj. & fubft.) Be-
heerd i veranderd-, les nouveaux con-
verti» 9 de nieuw bekeerde.
Convertible ,(adj.) Da(_ veranderd
ban worden.
Convertir, (v« a.) Bekeeren-, om-
'wmden , veranderen ; convertir 1 'eau
en y IQ f het water inwyn veranderen',
convertir le mal en bien , het kwaad
in geed veranderen ; fe convertir,
iv. r.) aicb bekeeren y veranderd wor-
den,
Coarertiffement , (m) Omfmehing ,
fnermétring dtr mtf aaien ^ enz, ( f).
CON. COO.
Cônvertiffeur , (m} Bekeerder,
Convexe , (adj.) Bol-rond, kogéU.
rond', miroir convexe , hol-fpiegel.
Convexité, (f) Bol-rondighgidp
rondte,
Convidïon , ( f) Overtuiging.
Convié, ée (adj. & fubft.) Geaom
digt ; een genodigde y een gaji.
Convier , (v. a.) Nodigen , te ^ajl
verzoeken ; la pauvreté le convia i
&c. de armoede dwong hem te enz.
Convive , (m) Mede-gajl.
Convocation, (f) t' Zamen rot"
pmg , befchryving.
Convoi, (m) Geleide; fcbeepS'ge"
leide , konvoy (n) ; toevoer van een
Léger , f) j convoi funèbre , lyk-
ftaatfie.
Convoitable , (adj.) Begeerlyk ybe-
geerbaar j {oud w,).
Convoiter, (v. a.) Zetr begeer en^
{oud w.).
Convoiteux, eufe (adj.) 'Begeer^,
lyk , {oud w,)*
Convoitife, (f) Groot e begeer lyK-
heidy iuji (f), verlangen (n).
Convoler (v. n.) en fécondes no-
ces, voor de ide maal trouwen ,
{Rechts w.).
Convoquer (v. a. ) les Etats, dê
Staaten t'. zamen roepen.
Convoyer , (v.a.) Geleiden , kon-
voyeeren tegens vyandelyke aanval,
Convulfif, ive (adj.) Stuiptrek"
kend,
Convulfion, (f) Stuip, ftuiptrek-
kingy kramptrekking ; {figuurj,) ge^
dwongene, onnatuurlyke gehaerden-^item
fcbudding, beroering in een Staat', of
ook van een e aardbeving,
Convulfionnaire , (m) Een die
Jiuiptrekkiijgen beeft, waar door men
ook eenige nieuwe Geejïdryvers ver-
(laat,
Coobligé, ée (adj. & fubft.) Mede
verpUgt; een mede -verbondene voor
eene Jchuld.
Cooperateur, (m) Mede-werker,
mede-arbeider.
Coopération, (f) Mede-werking.
Coopéracrice , (f) Mede-wertjier.i
Coopérer , (v. n.) Mede-werken.
Cooptation, (f) Verkiezing , aa»-
neeming (wm bQOgefth. gekr,)
COO. COP. COQ.
Coopter , (v. a.) Eenpartgiyk ver-
Jtiezen , aanneemen (op hooge/ch.)»
Copartageant ,ante (adj.&fabil.)
Mede-deelagtig ; mede-deelgenoot.
Copeau , (m) Eea fpaan (van bout).
Copec. (Zte Copique).
Coperrautant, (m) Een die een
leen of geejlelyk ampt met eenen ande-
ren ruild.
Copie , ( f ) Jffthrift (n) ; copy ;
nabootzing , îtamaaking ( t) ; opjîel(n) ;
Boekdrukkers eopy ( f ) ; copie colla-
tionnée à l'original, afjTcbrift dat
tegen bet oorfprûngkelyke overgeleezen
is -f ce tableau n'eft qu'une copie,
idie fchildery is maar eea nataank-
zeU
Copier, (v. a4 ^ffcbryveny ce-
pieeren , namaaken,
Copieufement , (adv.) Saigner ,
boire copieufement , overvloediglyk ,
ruim aderlaaten ; wakker drinken.
Copieux, eufe (adj.) Une langue
copieufe , eene taal die ryk van woor-
dett is,
Copique, (m) Een copek , (Rujifcbe
munt , loo in een roebel , omtrent een
halve Jluiv. hoU. waard),
Copifte, (m) Nafcbryver, Copift.
Copropriétaire, (m. & f.) Meds-
eigenaar ; mede-bezitjler,
Copcer , (v. a.) Kleppen ^ de klok
kleppen.
Copulatif, ive (ad..) Koppelend,
samenvoegend (in fpraakk.) .
Copulation, (i)Vaaring^ zamen-
voeging, koppeling.
Copule , (f) 't' Zamhpaaring. ^
Coq , (m) Een baan ; coq de bruie-
re , kor-baan ; chanc du coq , baanen
gekraai; coq d'inde , een kalkoen,
kalkoenfche haan-, coq de clocher ,
weer-baan van een tooren; c'eft Ie
coq du village , hy is de voornaam-
fie van bet dorp , bet baantje van de
baan 'f il eft là comme un coq en
pâte , by beeft daar goede dagen
(fpr, w.) Î coq à l'âne, ongerymde ,
ongezoute redenvoering , van den os
cp den ezel; ce que vous ditez là
eft un franc coq à l'âne, het geen
gy daar zegt , bangd aan malkanderen
als droog zand (fpr. w.).
Coque , ( f j Eyerfsbaalf dop , noot-
COQ. ic^
fcbaai , fcbel van vrtigtm 9 iomnttj»
van een zy-worm ; kmk , draai in eea
touw-, manger un œuf à la coque,
een ei uit den dop eeten.
Coquelicot, (f) Klapper-roos (f) 3
bet baanen'gekraai (n).
Coqueliner, (v. n.) Kraaien als
een baan,
Coqueloarde , ( f) Anemoon (zekâ-
re bloem).
Coqueluche, (f) Kinkhoejl (m);
monniks-kap (f); il eft la coquelu-
che de Ia cour, by is aan het bof
by zonder wel gezien.
Coqueluchon> (m) Een Monniks-
kap ( £).
Coquèmard, (m) Een ketel, moav
om water in te beet en.
Coquerico ,(m)'t Haanen-gekraai
(n).
Coqueron , (m) 'tf^oor-onder (n),
kombuis op kleine vaartuigen ( f).
Coquefigrue , ( f) (Zie Coccigrue).
Coquet , ette (adj. & fubft.) Etre
coquet , losacbtig zyn ; gaerne va»
den minnebandel praaten ; zich ge-
maakt opfcbikksn; een pronker-, pronk-
fier , ioi Vrouws-perföon.
Cöqueter , (v. n.) Fb« den minne-,
handel fpreeken , gemaakt , zwierig
zyn, zich opkwikken; met eenen riem
in eenfioep van achteren wrikken.
Coqu^'tier , (m) Een eyer-verkoo-
per (m)'y f ch aaltje , om een ey in den
dop op te zetten.
Coquetterie , ( f) Loffe minne-han-
del ; gemaakte opfcbik (m).
Coquillage, (ro) Schulp-werk (n)',
verzameling daar van (f).
Coquille , (£) Schelp ; eyer , (/
noot-fchaal, dop-, allerhande fnuitze-
ry waar (ï); flakken-huis (n); ren-
trer dans fa coquille . in zyn fcbulp
kruipen j ztcb hergen , ergens van af-
zien; qui a de l'argent a des co-
quilles > voor geld is alles te heko-
komen; à qui vendez vous vos co-
quilles? wie denkt gy dat gy voor
hebt? il vend bien fes coquilles, ^y
laat zich wel betaalen.
Coquillier, (m) (Verzameling (f),
kabinet vanfcbulpen (n)'
Coquillon , (m) Roerhaak (in de
munt gebr.),
L 2 Co-
J64. COQ, COR.
Coquin , ine ^adj. & fubfl.) Guit-
acht ig , ondeugend; een guit , fcbobbe-
jiik , feit , Jchelm ; e ene ondeugende
feeks.
Coquinaille , (f) Een hoop geboef-
te ) fchelmcn- of bédel-pak (n).
Coquiner, (v. n.) Met boevenJJuk-
ken , guitery omgaan ; rtnkelrooyen.
Coqüinerie, (f) Scbelmjïuk (n) ,
fchelmery , ondcugeudheïd ( f).
Coquiole, (f) Dravig {foort van
onkruid onder 't koorn).
Cor , (m) Een hoorn , jacht- of pop-
hoorn ; tak van efn hert i-hoorn; fon-
ner du cor, cp den hoorn blaazen ;
crier à cor&à cri, uit al zynmagt
fchreeuwen; cor ,een likdoorn', exter-
cog.
Corail, (m) Koraal (n); koraal-
boom (zee-gezvas).
Corailleur , (m) Kor aal-v ijfch er.
Corallin, ine (adj.) Koraal-ver-
wig.
Coralline , ( f) Koraal-boom (m) ,
{zekere plant).
Coralloïdes, (f. pi.) TVit koraal-
zaad (n).
Corbeau, (m) Een Rave ('zekere
roofvogel)', neut (modillon) ondtr een
hqlk; enterdreg {zee w.); doodgraver
(by pef-'-.iektei.
Corbeille, (f) Korf (m).
Corbeillée , (f) Een korf vol.
Corbillard, (m) bekere pof wagen.
Corbillat, (m) Jonge Raven.
Corbillon, (m) Draag-kcrf; item
zeker kinder-fpel, aldus : je vous vends
le corbillon y men vraagd, qa'y met
on 2 moetende dan het antwoord uit-
komen op on , of anders pand geeven.
Corbin , (m)Bec de corbin ,/ré',i>-
tangetje (by IVondb.) {n); naad-baak
(m Scheepsb.) (m).
Cordage, fm) Touwerk (n).
Cordager ou faire du cordage,
lyniiraaiien , tounfaan.
Cor Ie , ( f ) Tottxx; , koord (n) , reep ,
lyn , fnoeryfiaar (m); ne toucher
pas cette corde là, trekt aan dat
touwtje met , roer die zaak niet aan ;
avoir plufieurs cordes à fon arc,
fneer als eenen raad weeten; fe met-
tre la corde au cou , zich in eene
moeielyke zaak feeken; gens de fac
COR.
& de corde, galgen-aas , Jïegt vêlh^
je; frifer la corde, den bal fnyën -
(tn de Kaatsb.) ; filer fa corde , een
Jirop voor zyn eigen hals maaken^
corde de bois , een hout-myt , fiapel._^
Cordé, ée (adj.) Ballots cordés,
gepakte baaien; bois cordé , gejiapeld
hout; rave cordée , f okkige radys.
Cordeau, (m). Lyn, meetfnoer.
Cordeler , (v. a.) Breien , vlechten.
Cordelette, (f) Snoertje, touwt-
je (n).
Cordelier, iere (m. & f.) Fran-
ctfcaner Monnik ; Nonne ; parier latin
devant les cordeliers, voor den ge-
leerden is quaad preeken , avoir la
confcience large comme la manche
d'un cordelier , een ruim gemoed
hebben; aller fur la haquenée des
cordeliers , op zyn moeders veulen
ryden (fpr. w.)
- Cordelle , (f) Gezelfcbap y aan^
hang , fnoer.
Corder , (v. a.) Lyndraa^en , tatm
f aan; corder des ballots; du bois,
baaien pakken; hout flapelen , vaamen.
Corde rie > ( f ) Een lyn-baan , touw-
fagpry.
Cordial, aie (adj.) Hartelyk , op-
recht; ami cordial , afFedion cor-'
diale, hartelyke vriend ■, genegent beid',
un cordial ,eene bartfterking of hart-
f erkend g neesmiddel.
Cordialement , (adv,) Hartelyk y
opregtelyk-
Cordialité, ( f) Hartelykbetd , op-
regte vyiendfhap, genegent beid.
Cordier , (m) Lyndraayer, Touw-
fager.
Cordon , (ra) Draad, fireng daar
bet touw van gemaakt word; rand op
ei>n muur ; rand op gemunt geld ; Ridder
band; cordon de chapeau , hoedi-
band; cordon de foulier , fcboen-
riem; cordon à lacer, een ryg fnoer;
oorden à la ratière, geweven pand.
Cordonner , (v. a.) Ee» fnoer ■
breien , vlechten ; munt randen. f
Cordonnerie, (f) EenScboenmaa-^
kers winkel (n) ; Schoenmarkt.
Cordonnet, (m) Rygfiioer,
Cordonnier,(m)£É'w Schoenmaaier,
Cordouan , (m) Spaanfcb-leêr i^
kordouaan-Zf/r.
Co.
COR.
Coriace, (adj ) Vaai; viande co-
riace, taai vhefcb; homme coria-
ce , een vrek.
Coriandre ,( f) Korianderzaad (n)r
Corüeuou Coarlis,(ni) Een wulp
(zekere watervogel).
Corme, {t)l^rugf van een Sorbetu
boo-1.
Cormier, (m) Sorben-hoom. .
Cormoran, (m) Een waterrave.
Cornage, (m) Hoorn geld, impoft
op 't ho'>rn vee.
Cornailier, (v. n.) Scheef ingaan
(ah fpykers enz)
Cornaline, (e)Kornalyn (n) (zeker
edel ^ejleente.
Co"rnard , (m) Een Hoorndraager ,
Hoornbeep (gem. en fmadelyk iv.i
Cornardife, (f) thormiragery.
Corne , ( f) Een hoorn , paarde
hoef (m) ; bètes à cornes , hoorn-
vee ; corne de cerf, herts-hoorn;
elle fait porter des cornes à f n
-mari , zy maakt haar man tot een
hoorndrager ; il fuc aufli étonné que
fi les cornes lui venoient à Ia tê-
te , dat kwapi hem zoo vreemd voor
als of hy te keulen had hooren donde-
ren {fpr. ir.); corne d'abondance,
hoorn des overvlopds.
Cornée, (f) 't Hoornvlies van 't
oog (n).
Corneille; (f) Kraai (m); cor-
neille emmantelée , een bonte-kraai,
Corneraent, (m) Tuitwg- (f), ge-
ruif in de oor en (n).
Corneraufe, (f) Eenzakpyp, doe-
delzak (m).
Corner , (v. T),) Op den hoorn blaa-
zen; tuiten; Jïinken ; les oreilles me
cornent, d' oor en tuiten my; vian-
de qui corne, vleefcb dat een fnufjey
reuk je weg heeft.
Corner , ( v. a. ) Iets uitbazuinen ,
ruchtbaar maaken.
Cornet, (mt Een blaas-hoorn; kor-
net, (op een orgel); cornet de po-
ftillon , een pol-hoorn j cornet de
papier, eenpéperhui: ; cornet , Cpr eek-
hoorn voor eenen dooven ; kruid- boom ;
fnajl-koker op een klein vaartuig ; inkt-
hoorn ; cornet d'épiffe ou EpifToir
fplits-hoorn,
Cornetier , (m) £m hoirn-berei'
COR- 165
Cornette , (m) Standaard-draager ,
cornet.
Cornette, (f) Kornet rhuts (zeker
vrouiven-dragt) ; Standaard der ruite-
ry ; cornets plaats.
Corneur , (m) Hoorn blaazef.
Corniche, (f; Lyft , lyjliverk (n)
(in Bouw-k.); dryf-tol (m).
Cornichon , (m) Hoorntje (n).
Cornichons, (m. pi.) Kleine kon^
kommertjes , agurrikjes.
Cornicr , (m; //a kJïyl(inBouw. k,)
Cornière , (f) Loode dak-goot',
cornières, Hek-jlutten , veeringen,
ter zyden de Spiegel van een Schip.
Cornillas, (m) Het -jong van een
kraai (n).
CornouiUe , (f) Kornoelje.
Cornouiller, (m) Kornoelje-boomt
Cornu, ue (adj.) Gehoornd, da:
hoornen heeft; iets dat m t hoehen en .
winkels of uitjlekende kanten is j uii
compliment cornu , een mal com-
pliment.
Cornue, (f) Dijlileer-fles met een'
kromme hals , retort [in Cbym.)
Corolitique, (adj.) Dat met hof-
werk omwonden is (in Bouwk.)
Corollaire , (m) Toegift { f) , aan-^
hangzel , gevolg (n) eener voorjiel lin-
ge (in redenk.)
Coronal, Ie (adj.) Dat tot de
bersfen-pan behoord.
Corporal,(m) Gewyde altaardoek.
Corporéité, (f) Ligchaamlykheid.
Corporel , elle (adj-.) Ltgcbaamc-
lyk; punition corporelle , lyfjlraf.
Corporellement, (adw.) Ligehaa-
melyk.
Corporifier , (v. a.) Beligchaamen ,
wederom een ligchaam doen aanneemen
(tn Cbym.).
Corps , (ro) Ligchaam ; compagnie,
bende (r); corps fans ame, ligchaam
zonder ziel, een die geejl noch leven
heeft ; drôle de corps , aardige
fnaak ; malin corps", doortrapte
knaap; corps mort, dood ligchaam;
eet homme n'eft pas de notre
corps, die man behoord niet tot ons
gezelfchap ; corps de metier , een
gilde; corps de droit, een wetboek;
corps d'armée , krygs-heir y bende-,
corps de garde, wacbt-hujs ; garde
L 3 du
166
COR.
du corps, îyfwagt', corps de jnpe,
ryçi-keurs-lyf; vih qui a du corps,
krachtige ivyn-, à fon corps défen-
dant, verueerencier wyze ; fe battre
corps à corps , tien regen èin vecj)-
ten-, fe jatter à corps perdu fur
1 •ennemi , dol , onver tzaagd op den
vyand aanvallen ; prife de corps ,
ferfoonelyle arreft.
Corpulence , (f) grofTe on peti-
te corpulence, vetheid of tengerheid
des ligcbaams.
Corpufcule , (m) Ligchaamtje (n),
Jlofie (m Katuurk.)
Corradoux ou Couradoux , (m)
Tujfchen - zvydte , tujfchen twee dek-
ken{î).
Ccrre£t, efte (adj.) Goed ^ zonder
gebrek , volkomen -, ftyle correâ: ,
befchaafde Jlyl-y ce deffein eft cor-
reél ) die fchets is naar de kunjî.
Correftement , (adv.) Ztiiverhk-,
écrire , parler correftement , zeer
net fchryven , fprceken.
Correftear , (m) Verbeteraar ;
froef-Uezer > correétor op eene Druk-
kery.
Correftif, ive (adj.) Verbeterend',
verzagtend.
Cerreftif , (m) Verzagtend middel
(in Geneesk,en r^denvocring).
Correftion, ( f ) Verbetering, be-
rifping ', vermaaning y ccrreAion des
mœurs , verbetering der zeeden j mai-
fon decojreâ:icn, Béter-huis , Tugt-
buis ; coVreftion des épreuves,
proe^-tiazienÎKg , corredie; faufcor-
rcftion , onder verbetering.
Correftrice , ( f) Verbeteraarjîer,
Corrégidor , (ra) Onder-rechter in
Spanien.
Corrélatif, eve (adj.) Betrekkelyk -,
père Ô* fiis font des termes corré-
latift , Vader en Zoon zyn betrekkely-
ke ivoor den.
Corrélation , (f) Betrekking die
twee dingen op elkaar hebben.
Correfpnndance , ( f ) Onderhande-
ling', correfpondancedefentimens,
éverset.komjl van gevoelens,
Corrsrpondant,ante (adj. & fubft.)
Mt' Je handelend , overeenkovijl^g ; me-
■^ebandelaar , handeiaarjler .
Correfpondre 5 (v. n.) Omkrban-
COR.
delen , corrclj^ondeeren ; correfpoa-
dre à l'amitié deqnelcun , iemands >
vrtendfchap erkennen^ fe correfpon-'
dre avec quelque chofe , ergens
mede gemeenfcbap hebben.
Corridor , (m) Een galderye die
rontom een huis loopt (f).
Corriger, (v. a.) Verbeteren-^ be-
Jlrajfen , berifpen ; corriger un ou-
vrage , een werk befchaaven ; corri.-»^
ger une épreuve, een proef nazien ^
corrigeeren; fe corriger, zig béte-
ren.
Corrigible , (adj t) eet homme n'eft
pas corrigible , die man is niet te
verbeteren.
Corroboratif, ive (adj.) Potion
corroborative , verjierkende drank.
Corroborer , (v. a.) Verjierken,
kragt geeven.
Corroder , (v. a.) Doorknaagen,
doorvreeten-, (als Jlerk water).
Corroi , (ra) Leêr-heretding , Leér-
tottu'ing {{). / .
Corrompre, (v.a.) Verderven y be-
derven I veranderen ; verleiden ; les
mauvaifes compagnies corrompent
les bonnes mœurs > quaade t' zamen-
fpreekingen bederven goede zeeden ;
corrompre des témoins » getuigen
omkoopen j corrompre une pafTage
de l'écriture, ^f» fchriftuurplaats ver-
valfchen ; corrompre , den erf op leer
maaken {by Leêrtouwers) ; (fe corrom-
pre , (v. r.) bederven , verrotten.
Corrompu , oe (adj.) Bedorven f ^
ondeugend.
Gorrofif, ive (adj.) Ineetend, by
tend j corrofif {vn) , fcberp geneesmid-
del (n).
Corrofion, (f) Ineeting,
Corroyer, (v. a.) Leer bereiden y
i yzer aan malkaar laffen ; kalk bouwen j
hout in den haak fchaaven.
Corroyeur , (m) Een LeSrtouwer,
Corrupteur, trice (m. & f.) Be-»
derver , verleider ; bederf fier.
Corruptibilicé, (f) Verder f yk dtng.
Corruptible, fadj./ Vergankelyki
chofe corruptible, verderfiyk dingi
Je ge corruptible, Rechter die om te
knopen is.
Corruption , ( f) Verdervin^ y ver-
valfcbing -, o^koqping } eor rupUP»
jdes 1
COR. COS.
îwmeurs , des mœurs ; vtrdtrving
der voeten , der zeden.
Cors , (m) Cerf de dix cor» , een
Hert met lo takken.
Corûge , (va) De ligchaams gejlalte
van de fcbouderen tot de heupen ( f).
Corfaire , (m) Een zee-roover , kaa-
$er,
Corfelet, (m) Een horJl'barnas{n).
Corfet , (m) Een boerinnen rokslyfy
korfec (n).
Cortège , (m) Een Jioet (,f ) , gevolg
<n).
Cortical , aie (adj .) B^Jîig , fcbors-
Jig (van cortex, baj} , Lat. w.).
Corvéable , (adj.) Die Leenheeren
dienjî onderworpen is.
Corvée ,(£)De dienjl die een Leen-
man zynen Leen-heer fchutdig is , leen-
dienji > item verdrietigen arbeid.
Corvette, (f) Soort van een dub-
belde Jloep ( f } , vaarende met zeilen
en riemen , gemeenlyk by een vloot , om
9p kondfcbap uit te gaan en tyding te
brengen j een advys jagt (n).
Corus, (ra) (Lat.iv,) IVefi- noord-
we/ie wind.
Coryphée, (m) 't Hoofd, de voor-
naarnjie eene fefte of bende,
Co-feignear, (m) Mede-heer,
Cosmétique , (adj, & fabft.) Blau-
iet-zalfT
Cosmographe , (xa) ïVaereld-be-
fchryver.
Cosmographie, (f) IVaereld-be-
fchryving.
Cosmographique , (zà].)Dat daar
toe behoord.
Cosmolabe , (m) JFerktuig om he-
mel en aarde te meeten, i
Cosmopolitain , aine(m. & f.) Een
burger f Jnwoonder der waereld , een
die geen t'buis heeft.
Coffe , ( f) De fchil,peul van er-
•Vüteten ofboonen j kous , yzere ring in een
touw , om bet doorfnyden voor te komen.
Coffer, (v. n.) fe coffer, (v. r.)
Net de koppen floot en als de rammen.
Coffon , (m) Etn koorn-hout- of
vrugt-wormtje,
Coffu, U8(adj.)ö/* vanfebilfdik-
hajlig.
Coaal, aie (»dj.) £?«; m 49 rib'
Un bthooré^
COT. 107
Côte , ( f) Een rib -, zee-kufl ^ftrand ;
ril) (f), inhotit (rv) van een fchip%riy
aan bladeren (f)igeflagt (n), af kom/
( £) ; côte en écorre , een' fleile kufl }
côte morte , een Monniks nagelaten»
inboel; cote à cote, naafi malkan-
der; rafer ou ranger la cote , kmgs
de kufi vaaren.
Cote. (Zie Quote).
Côté, (m) De zyde , de kant (f);
à coté (prep.) de la porte, ter zj-
den de deur-, de côté (adv.) regarder
de coté , van ter zyden , dwers zien»
Coteau , (m) Een heuveltje (n).
Côtelette, (f) Een ribbetje', dt«
côtelettes , een verkent barstje»
Coter , (v. a.) Iets aanbaalen , by-
brengen (citer) i op Jen rug van em
gefchrift tekenen wat bet behelfl j co-
ter Ie prix, den prys melden , no-
teeren.
Coterie , (f) Beu vrolyk gezeU
fcbap, (gem. «/.).
Cote-rougc , ( f) Kaas met roode
korjlen.
Cothurne , (m) Broosje , laarsje der
oude Toneelfpeelders (n).
Côtier, (adj.) Pilote cotier, ee»
Stuurman die ee» goece Land-kev-
ner is.
Cotiere, (f) Landjlrekkingy langi
kujï (f)'yeen muur-bed in e^n turn (n).
Cotignac, (m) Quee-vleefcb (n).
Cotillon, (m) Een trouwen on^
der rok.
Cotir , (v. a.) Kneuzen , kwetzen ,
(gem, W' van vrugten gezegd).
Cotifation, (f) Schatting, belas»
ting,
Cotifer , (v. a.) Schatten , beïaflen,
CotiOure , ( f) Kneuzing vanvrug-
ten.
Cotité. (Zie Quotité),
Coton , (m) Katoen (n) y boom-wol'
te (f); noppen, wolligbeid op laaien;
vlasbaard (ra).
Cotonner, (v.a.) Met katoen val-
len i fe cotonner, (v. r.) met nep'
pen , vlokken opwerpen ; voos worden.
Cotonneux, eufe (adj.) Wollig^^
week y voos , (van vrugten gezegd).
Cotonnier, (m) Katoen-boom,
Cotonnin«} (f> Qf(^ ilitQftf f^f
xtilen (n;,
L 4 C«i
168 COT. COU.
Côtoyer, (v. a.) Langs de kujli' ja-
ren ; ergens langs gaan.
Cotrec, (mj Takkebos (m), kmip-
pei-hout{n);h\xilQ de cotret y ribben-
fmeer , Jlaag.
Cotte , ( f) Geringe Froutven-fok
(m)jcotte de Tùa.WlQtmalien-kolder',
cotte d'armes, wapenrok.
Cotteron, (m) Kort vrouwen on-
derrokje.
Co-tuteur, (m) Mede-voogd,
Cou , {in Proü zpgd en fcbryft men
cou, en in Poèzy col) xa) de hals'y
lauter au cou de quelcun, iemand
om den hals vliegen -, mettre la bri-
de fur le cou , den toom vieren ; met-
tre quelcun la corde au cou , ie-
' wand den Jlrop om den hals doen',
rompre Ie cou , den hals breeken j
rompre Ie cou à une affaire, een
zaak verbruien} cou de pied, het
bovenfie gedeelte van de voet , devreek.
Couard , arde (m. & f.) Bloodaard ^
lafhartige y {een weinig oud). {Zie lâ-
che , poltron).
Couardife , ( f) Lafhartigheid ,
vertzaagtheid.
Couchant , (adj.) IFord alleen ge-
zegd van chien couchant > leggende
hond', j'arrivai à foleil couchant,
ik kwam by zonnen ondergang , cou-
chant du foleil y zonnen ondergang ,
het wejlen.
Couche, (f) Bedjleê, krib-, hinder
hur {f); tiiin-bed (n); grund, grond-
verf (by Schilders) ; pleger ing , laag
kalk (by Metzel.) -, laaq, , rei van
iaas , fie enen , enz. kolf van een vuur-
roer; grondlegging (in Bouwk.); inzet
{in 't fpeelen) (ï)^ couche nuptia-
le , htiwelyks bed; fouiller la cou-
che , het bed bevlekken • couches,
(plur.) het hraambed; être en cou-
ches,/» de kraam leggen; relever,
fortir de couches, uit het kraambed
komen ; fauffe couche , een miskraam;
une couche de pain & une couche
de fromage , een' fneê brood met een'
Jheê kaas daar op.
Couchée , (f) Nagt-leger , nagt-
verblyf(n) ; item kojîen daar van.
Coucher , (y. a.) N'eêrleggen ; cou-
cher un malade , eenen 'zieken te
bed ieggen; coucher fur l'Etat, in
COU.
rekening invoeren j coucher par é-
crit , tn gpfchrift jiellen; coucher au
jeu , in 't f pel zetten ; coucher la
vigne, de vuynranken in d'aarde leg-
gen , Of» nieuwe Jiammeti te maaken >
coucher par terre, ter aarde , op
de grond leggen; coucher un fuûl
en joue , een fnaphaan aanleggen^
coucher quelqu* chofe en joue,op
iets mikken, het oog hebben; coucher
l'or , het goud opdragen (by l^erguld.);
coucher, (v. n.) leggen , Jlaapen ',
coucher dehors, buiten 's huis fiaa-
pen; coucher fur la dure, op de
grond fi aapen; fe coucher, (v. r.)
na bed gaan , zich leggen; comme on
fait fon lic on fe couche, van te
vooren bedongen maakt daar na geen
krakkeel {fpr. w.) ; allez vous cou-
cher, gaat na bed; il n'eft pas en-
core temps de s'aller coucher, het
is noz gPP^ tyd om na bed te gaan; fe
coucher par terre, zich op de grond
leggen; ie foleil fe couche, de zon
gaat ond(r.
Coucher, (m) Prier Dieu à fon
coucher , God bidden als men na bed
gaat; je ne le voi qu'à fon lever
éc coucher ,/^ 2/V hem niet dan wan-
neer hy opfiaat of na bed gaat ; ie
coucher du foieil , zonnen onder-
gang.
Couchette, (f) Rufi-bank, fiaap-
bank.
Coucheur, eufe (m. &c f.) By/Jaap ,
byfiaaper ; byfiaapjl'sr ; fiaap-gezél.
Couchoir , (m; Fergulders palm-
houtje.
Couci-couci. {Zie Couffi-coufli).
Concon. (Zie Cocon).
Coucou , (m) Koekoek.
Coude , (m } De elleboog (rn ; krom-
te , bogt (f)) haufler Ie coude,
braaf zwelgen , zuipen {fpr. w.).
Coudée, (f) Elleboogs-lengte ; a-
voir les coudées franches , de
handen ruim hebben.
Couder , (v. a.) Den elleboog van
een mouw maaken (by Kleerm.).
Coudoyer , (vt a.) Met de elleboo-
gen fiooten.
Coudrai e , ( £)Bofch met hazelaars
beplant (n).
CQudran,Qu godron , goudron ,\ f)
Har
cou. I
Harpuii daar de iS chippers bun touw
werk mede /meeren (n).
Coudranner , (v. a.) Touw teeren.
Coudranneur, (m) Een touwteer-
der.
Coudre , (v. a.) Naaijen ; byvoe-
gen , aanhegten ; coudre la peau du
renard à celle du lion , het vos-
fen-vel aan de leeuwen-huid begten ,
{dat is) lijl , beleid by magt voegen.
Coudre ou coudrier , (m) Haze-
laar , hazel-noot en-boom.
Coudrer, (v.a.) Het leder runnen,
looijen,
Coudrette , ( f) {oud w.) {Zie Cou-
draie).
Coudroir , (m) Looi-kuip,'^
Covendeur ou co-vendeur , (m)
Een mede-verkooper.
Coënne, (f) Zwaard of zwoerd
van fpfkm
Coënneux,(adj,)Sang coënneux,
Jlymigy kleeverig bloed.
Coverfé , (adj.) Tegengekeerd {in
meetk.)
Couets ,. (m. pi.) Halzen , fmyten ,
{zekere groot e zeil-touiven).
Couetce. ^ie coite.
Couillons , (m. pi.) De ballen,
Coulage,(m) Lekkafe, uitlooping (f).
Coulamment > (adv.) Parier écri-
re coulamraent , vlug fpreeken ,
fchryven.
Coulant, ante (adj.) Ruiffeau
coulant, vlietende beek-, ftyle cou-
lant, vloeiende fchryfji y l ', nœnd cou-
lant, eenjïrik knoop.
Coulant , (m) ten coulant,.. ( zeker
bals juweel der Juffrouwen)..
Couiej(f) EenMonniks koor-kleed
met wyde mouwen Cn).
Coulé ? (m) Het overfpringen of
even aanroeren eener noot in Mu-
ziek (n).
Coulée, (f) Scherpheid of rondheid
ivan een Schip.
Coulement , (m) l^locijtng , vlie-
ting { f),
Couler , (V. n. & a.) Vïoeijen , vlie-
ten , loopen-, les larmes lui coulent
des yeux, de traanen biggelen hem
of haar uit d'oogen ; chandelle qui
coule , een kaars die afloopt \ Ie temps
coule infenliblement, de tyd gaat
COÜ. icSö
ongevoelig voor by, 1'echelle a cou-
lé & il s'eft tué > de ladder is uitge-
glipt en hy ts dood gevallen; couler
de 1'argent en la main du juge ,
den' Kegter geld in de hand Jieeken-,
faire couler une claufe dans un
teflament , eene claufule m een teJJa-
ment meê invloeijen laaten j couler
du lait , melk door een' teems gieten ;
couler derriere une haye , achter
eene hegge heen fluipen ; couler à
fond, in de grond zinken, item een
Schip in de grond fchieten , boor en ;
la vigne , les fruits ont coulé,
de druiven , de vru^ten zyn afgeval-
len-, il faut couler iur cette note,
die noot moet men fleepende aanroe-
ren-, vers qui coulent doucement,
zoet-vloeijinde verf m j couler par
delTus un endroit , in een gefchrift
lets even aanroeren; la. danfe confis-
te à favoir bien couler , couper,
pirouetter, t/^ dans beJJaat ,in lugtjes
te keeren en rond te draayen-, fe cou-
ler en quelque endroit, ergens in-
fluipen. . .
Couleur , ( f ) Verf, koleur ; fchyn
{ S) , voorwendzel (n) .
Coulevrée ou Couleuvrée, ( f)
J^Filde wyngaard (m). ' ""-•";^*,
Coalevriae, (f) Een flang {zéker^
lang veldjîuk, gefchut).
Couleuvre , ( f ) Een flang ; il a
bien avalé des couleuvres, {fpr.) .
hy heeft veel verdriet uitgejlaan.
Coulis, (ra) Doorgezégen zap van
vleefch enz. (n) item dunne gyps of
pleijïer ( f).
Coulis, (adj.) Vent coulis, togt
wind , die aoor fpleeien of fcheurm
doordringt.
CoulifTe , ( f ) Eenfponde , een hoU'
te groef, waar in een raam op en neer-
gaat ( f ) , item een fcberni op een To-
neel (n).
Couloir , (m) Een teems ( f ) , door-
flag , zyg-doek (m) , drup-vat (n) , item
een doorgang in een Schip (m).
Couloire , (f) Zyg-korf by de
JVynpers (m) ; vlootje met gaâten {by
Wynkopers (n).
C^oulpe , ( f) Schuld , zonden-fchu/d.
Coulure , (f) Jiet hopen , vïoeijen,
vlieten.
L 5 Coupj
17© COU.
Coup, (m) Eenjlag; fisot ; houw
wond ; greep ; aonval j poets , Jlreck ;
feu^ {in't drtnken) (f )j coup de poing,
een vuifl-Jlag-, coup d'épée ^ floot ^
Jieek met een degen ; coup mortel ,
coTip de jarnac , dvidtiyke Jlag,
bouw , jlesk , ofu-ond; porter , parer
11 a coop, een floot toe brengen , af-
heren (pareeren) ; porter coup,
^raak zyti; à coups de miin , met
inloot e handen, of met het zweer d tn
ile 'vuifl ; tirer un coup , een fchoot
doen; coup de partance , afjlheids
fcboot'y coup de canon , de tonner-
re , de vent , Kanon -fchoot , donder
flag , rukwind; coup d'état , flaat-
kundige flreek i overleg y coup four-
Té, bêimelyke fl*oot ; achterklap i coup
de langue , een fleek , een graww ,
fnanuw ; donner un coup de pied ,
eenfehop géven; un coup de vin,
een teug vuyn; coup à'e(^3.i y cenproêf-
fluk j coap de Maitre , een Meefler-
fluk; coup de filet, een trek met het
net j coup de dez , een Teerling worp ;
coup de malheur, ongelukkige flag ,
toeval, coup de Ciel, ganfl des He-
tnels , coup de fortune , de hazard ,
een geval van 't fortuin , 't geluk ;
coup'de defespoir, ivanhopige aan.
flag ; coup de g race , dè-^hàrt floot
aan een misdadiger ; prendre une
Ville fans coup férir , eene Stad,
X onder flag of floot inneemen ; coup
fur coup , flag op flag ; zonder tus-
fchenpoizing -y un coup, eens, een-
maal -y poar Ie coup, pour ce coup
ci , voer dn maal; tout acoöp, ge-
zivind; tout d'un coup , plotzeling,
eensklaps ; après coap , te laat; à
coup fur» gewis, zekerlyk ; avoir
un coup de hache , een flag van de
moolen iveg hebben (fpr. w.)i farte
un manvais coup , een flegte fireek
tegaan ; le coup vaut la balle ,
(fpr.) 'fis de moeite ivaerd', ce mur
prend coup , dit muur krygt een
%ogt; donner des coups fourrés,
fchoot en onder water , beimelyke fleeien
geevm {fpr, ) ; fes plus grands
coups font rués, hy beeft zyn befle
dagen ^ehad , hy it zyn oieefle kragt
ai quyt {fpr.) ; fur de fon coup,
zyner zaah g^ufis; U moindre fau..
COU.
te porte coup ; de geringfle mt^flag
i s nadeel ig-f faim un grand coop,
een' groote daad doen ; deviner la
chofe du premier coop , de zaak
in den eerflen raaden ; buvons un
coup, laat ons eens J of een teug drin-
ken; faire entrer à coups de mar-
teau, met den hamer indryven ; fe
fourrer aux coups , zig wder 't
vegten begeven ; aller aux cODpa tê-
te baiffée, wiverfcbrokke» aan de flag
gaan ; d'an coup d'œil , met een op-
flag van 't oog , terflond; faire d'une
pierre deux coups , twee vliegen met
eene klap flaan {fpr.)} tirer à coups
perdus , in 't wtld fcbieten; il y au-
ra bien des coup? donnés ^ daar
zal wakker gevogten worden.
Coupable , (adj. & f.) Schuldige
de fchaldige.
Coupe , (f) Drinkbeker , beker ^
kelk {ra) fchaal (f).
Coupe , ( f) 't Hakken , afhakken
(n) van bout ; de fneê van iets {f) ,
't afneemen der kaarten ; ii a Ia cou-
pe bonne , hy bakt,fnyd goed , {by
Steenh. en Snyders),
Coupé, (ra) Een zékere fnee , draai
in den dans (m).
Coupeau, (m) De top (m), kruin
{ f) van een berg; houten fpaan (m).
Coupe-bourgeon , (m) Zéker in^
feft dat de toppen van de wyngaard
eet»
Coupe-cu » (m) Een , die , als by
geveoanen heeft , ophoud met fpeelen ;
jouer à coupe-cu , zonder revengi«
fpeelen , in eens af.
Coupe-gorge, (m) Moord-kuil (f)
winkel daar men bedrogen word y on-
der-knie fchegge aan de voorfléven van
een Schip (m).
Coupe- jarret , (m) Moordenaar j
Struikrover.
Coupelle , ( f) Smeltkroes ', kruid-
lépel (m)> affiner à Ia coupelle, in
de fmeltkroes louteren; mettre , pas-
fer à Ia coupelle , iemand op de proef
zetten,
Coupeller, (v.a.) Jh de fmeltkroes
doen , loutere».
Coupe pâte , (ra) En deeg-mes
{by Bakkers) (n).
Qouper, (v. «.) Snydm^ durrpy-
tfttt^
cou.
iùn , affnyden j bakken , af hakken
kappen aj kappen -y hovuen ofhtmwemi
une chaîne de montagne» roope
toute cette province > len' r.rks van
bergm fcheid dat giinifcf?e La*iJ afi
couper les bleds, het k-cren ajrnaai-
jetj-f couper du bois, bo'ut hakken,
kappentf couper les mats, de tnajlen
kappen {Zee w.)y couper la büurfe ,
de beurs f'iyden-f couper la gorge,
vermoorden , item te fjeel doen betaa-
len', couper l'herbe fous les pieds
à quelcun , iemand het gras ofider
de voeten ivpg maaijcn (fpr,) couper
la parole à quelcun , iemand in de
réden vallcii ; couper les cartes,
de kaarten afneemen-, couper la me-
fure , de maat afjïryhen > couper
court , eene rede afhreeken j pour
couper court, am kort te zyn; cou-
per l'ennemi, dcn <vyand affnydeny
couper les vivres, de leeftogt , het
provi&ntaff'nydenf couper chemina
quelque chofe , den voortgang van
iets beletten, fe couper , zig fnydeny
ztg zelfs tegenfpreeken-f de beenen in
*t gaan tegen malkander Jlaan ; ce
cheval fe coupe , dat paard Jlaat
aan ; coupé de canaux , met grag-
ten , vüarten, kanaalett dsorjheeden -,
ftyle coupé, gebroken , korte fcbryf-
Jiyl; coupé, (m (f^apenk,) verdeeld',
il s'eft coupé Ie doigt , by beeft
zig de vinger afgefmeden , afgehakt.
Couperet, (m) Een hakmes (n).
Couperoie, (f) Koperrood {n).
Conperofé, ée (adj.) Viikge coa-
perofé, puijïig aangeztgt.
Coupe-têce , (m) Bok Jïaa vaji ,
(zéker Kinder fpél).
Coupeur, eufe (m. & f.) Een die
iets fayd of bakt,,fnydfr , hakker j een
druiven-leezer ; coupeur de bourfe ,
beurfen-fnyder , gauwdief; coupeur
<ie bois, hout-hakker.
Couple , (mafc. ah het de man
en vrouw betekend) j un heureux
couple d'amants? een gelukkig paar
menfcben.
Couple , (fem. als men fpreekt
van andere dingen) une couple
d'œufs , de pigeonneaux , een paar
eieren , duiven.
Coupler , (v. a.) Kopfdfti} P^'
re» f f'^amenbioika.
COU. i7£
Couplet de Chanlbn , (ta) tfn
ven van een Lied > btugzel voit egn
deur.
Couplecerj (v. a.) lemaadmetver-
fen wakker doorbaohi}.
Coupoir , (m) Groot» hnie-fchaar
in de Munt (f).
Coupole, (f) Eea rond dak (n),
koepel (m).
Coupon , (m) Een lap fiof, over-
fchot j item eene zekere boeveelbeid
brandhout , vaamhout.
Coupure , ( f) Eene fneé , fneedc ;
coupures > ( f. pL) affny dingen , vcr-
fchansziagen (in vejiingi.)
Cour, (f) Het Hof; mor of ach-
ter plaats aan een buis {.ï); Haf-
raad (m) , gens de cour, hove'in-
gen', eet homme là entend bien fa
cour, die manverjlaat het bof lèeven
wel', eau bénite de cour, iedele
vleieryen der hovelingen ; faire la
cour à quelcun , zyn hofby iemand
maken , hem opwagten.
Couradoux , (m) Tujfchsn-wydte
tuffchen twee dekken ( f) {Zee-w.)
Courage , (m) Moed (ra) , dapper-
heid {ï); prendre courage, moed'
grypen; fi j'en croyois mon coura-
ge , indien ik na myn hart te werk
ging', courage, hou moed ,t*zalufiigl
Courageulcment , (adv .) Kloekfiice-
diglyk.
Courageux, eufe (adj.) Ktoekmoe-
dig , Jlout 9 dapper.
Couramment , (adv.) GezivinJ »
ter loops; faire quelque chofe cou-
ramment , iets voor de vuijï doen.
Courant, (m) De fïroom ; vloed van
't water (n) ; loop {vn) , gewoonte {i)
van tets;\ç co\iraint,de hopende maand.
Courant , ante (adj.) Loopend^
Jlroomend, vlietend; année couran-
te, bet hopende jaar; monnoye cou-
rante , gangbaargeld; prix courant,
vajle prys , prys courant ; chien
courant, een brak {zeker Jagtbond).
Tout Courant , (adv.) Faerdig,
gezwind , zonder moeite.
Courante , ( f) Courant > ( zekere
dans),
Courantïn , (m) Zekere vuur-pyt t
die f in 'f l^ranfff^ p ÇV^K ee» toum
kopt 9
Coari
ï72 cou.
Courbaton , (m) Knie , gastel ( f }>
krombout (n) , {in fcheepsb.).
Courbatu, ue (adj.) ^fgereeden ,
afgewerkt.
Courbature, (f) Styfheid , afge-
matheid eenes pacrds.
Courbe, (adj.) Krom, gebogen; li-
gne courbe . een kromme lyn.
Courbe , ( f) Krom hout , fehips^
knie ; gezwel in de baazen der Paer-
den (n).
Courbé, ée (adj.) Gekromd, ge-
hogen.
Courbement, (adv. & fubft. m.)
Krommelyk; buiging, kromming.
Courber , (v. a.) Krommen ; fe
courber > (v r.) zich ki ommen, bui-
gen.
Courbette , (f) Sprong van een
Paerd (m).
Courbetter , (v. n.) Korte laage
fprongen maaken {in de Ry-fchool),
Courbure, (f) Kromte, bogt (m).
Courcailler (v. n ) Slaan als een
Kwakkel. \
Courcaillet , (m) Geluid van een
Kwakkel} Kwakkel-fluitje of heem je (n).
Courcelle , (f j Klein hofje (n).
Courcite ou Courcives , (f. pi.)
Scbeeps waarifigen, gangboorden.
Courçon , (m) Een korte flaf yzer.
Courée ou Couret,(f) Harpuis
(n) voor den bodem van een fchip y te-
gen s de wormen.
Coureur , (m) Looper , hard-looper ;
najaager van iets-, landlooper , zwer-
ver; ondeugende jongen (m) ; hard-
draavend Paerd (n).
Conreufe , ( £)Een fïraathoer ,toop-
Jïer , klayeie.
Courge , (f) Kauwoerde {zeker ge-
was). ■
Courier, (m) Pof. -bode, fiaaten-
hode , courier.
Couriere , . f) .De dageraad ; de
maan {word by de Dicht, aldus gen.).
Courir ou Courre , (v. n. & a.)
Loopen , rennen ; kruijfen ; zwerven ;
€Ourir à bride abactue, met lofjen
toom ryden; courir à une chofe ,
trgens najîaan; courir à fa ruine,
in zyn eigen verderf loopen; courir
après quelcun , iemand naloopen ; le ;
tems court , de tyd hopt voort ; le «
COU.
bruit court qu'il eft mort , bet ge-
I rucht loopt da^ hy dood is; il courût
une certaine nouvelle , daar liep
eene zekere tyding; nous courûmes
, piufieurs bordées, xt/y hebben dikwils
gewend 'zee w.) ; courir les ruës ,
langs de flraat loopen , rinkelrooijen ;
il a couru le monde, hy heeft de
waereld dooegereifî ; courir risque ,
gevaa' loopen; courir les bals, van
het eene gezelfchap naar het andtre
loopen; courir la prétantaine, her-
om loopen ; courir les tables , op
fchuim loopen; courre ou courir fus,
aanvallen , 'er op intoopen ; courir
«n bénéfice, naar een ampt fiaan;
courir la pofte, te pojl ryden; cou-
rir le plat païs , het land afloopen ,
Jîroopen, plunderen; courir les mers,
in zee kruijjen , dezelve onveilig maa-
ken; courir fur le marché de quel-
cun , in iemands koop, beding vallen;
courir fur les brifées de quelcun ,
iemand onderfieek doen , de loef affny-
öl?»; l'eau court, het vjater loopt;
courir nord , noordwaards loopen,
zeilen; où court il? waar flévend hy
na toe , over wat boeg wend /'y ? ce
tonneau court , dat vat lekt ; cou-
rir les ruelles, le guilledou , les
bordels, in mot huizen, by de hoeren
loopen; la mode qui coût, de alge-
mcene mode; faire courir les fon-
tes , de gezondheden rond drinken ; è-
tre fou à courir les rues , geheel
zinneloos zvn; courir la bague , na
den ringfleeken; courir aux armes,
de wapenen opvatten , courir en
lice ou dans la carrière ,in de loop-
baan , in het flrydperk loopen.
Courlis ou Courlieu , (m) Een wulp
{zeker water-vogel).
Couronne, (f) Kroon; kruin,
krans {Î j; couronne impériale ,kei-
zerlyke kroon; on lui offrit la cou-
ronne , men bood hem de kroon > het
ryk aan; couronne de fleurs y een
bloemkrans^ triple couronne , eene
drie dubbelde kroon.
Couronné, ée (adj.) Les têces
couronnées , de gekroonde hoofden.
Couronnement, (m) Krooning {£);
kap offpits, cieraad van een gebouw
(m)} voleinding y volt 9oij ing (f).
Coji-
cou. 1
Couronner, (v. a.) Krooncti', vol-
einden , voltooijen ; la fin couronne
l'œuvre , hep einde kroor.d het uerk;
couronner la valeur , de dapperheid
beloon en.
Couronnure, (f) De kroon van
de herti-hoomen.
Courre , (v. n.) Courre le cerf?
een hert jaagen.{Zie verder Co\xt\t).
Courroie-, ( f ) Ledere riem y band
(m); faire du cuir d'autrui large
courroie, uit een ander mans leer
breede riemen fny den f (fpr. w.)
Courroucer, (v.a.) f^ergrammen;
fe courroucer , (v. r.) gramjïoorig
tvorden-^ bruijfchen , onfluimiçi worden.
Courroux, (m) Granifchap , woe-
de; onjluimigbeid {{).
Courroyer. {Zie Corroyer).
Cours, (m) Loop (m) , koers,
Jïreek y gangbaarheid enz., cours
d'une rivière , loop eener rivier;
prendre fon cours vers la France,
zyn koers naar f^rankryk Jlellen ; voya-
ge de long cours , een lange reis,
cours desaftres , Jierren-hop ; ce li-
vre n'a plus de cours, dat boek^ is
niet meer gezogt; monnoie qui a
cours f^angbaar geld ; COUTS dn chan-
ge , wijfel-cours ', cours de ventre,
de buik-loop; faire fon cours dephi-
lofophie , tn de wysgeerte fludeeren;
cours de la vie , de levens-loop.
Courfe, (f) Loop (m), kruîjing
(f); achever fa courfe, zynen loop
voleindigen j aller en courte , op
huit uitgaan, firoopen, krutjfen , ter
kaap vaaren; faire des courfesdans
le païs ennemi, »'« 's vyands land
Jiroopen.
Courfier, (m) Stryd-paerd , veld-
parrd; -grof gefchut op een galei (n) ;
middel-gang op een galei.
Courliere , ( f) Koebrug , bedekte
gang op eenfchip.
Courfon, (m) Een loot , fcheutUng
van een jonge boom.
Court, te (adj.) Kort, klein; van
horten duur; prendre le plus court,
de kortfle weg injlaan; avoir la vue
courte , by ziende zyn , geen vooruit-
zigt hebben; tenir la bride courte à
quelcun 5 iemand in den teugel hou-
den ; être conrt d'argent , gelel
COU. ^ I7S
noodig hebben; court d'haleine , kart
adeimg.
Court , ( adv. ) Kort ; s'arrêter
tout court , Jcbielyk Jîeeken blyven ;
demeurer court , niett mecr te zeg-
gen weeten,Jli'eken blyven; tenir de
coure , kort houden.
Courtage, (m) Makelaardye (£),
Courtaud , aude (m. & f.) Een
kort en wel gezet man of vrouw 5
een knol ; ttem een paerd of hond ^
wiens Jiaart en ooren afgefnéden zyn ;
korte haffen {fpeeltui^); courtaud de
boutique , een winkel knegt (fpot w.).
Courtauder, (v. a.) Oe fiaert af-
fnyden, kortooren.
Court-baton. {Zie Cour-baton).
Court-bouillon, (m) Een fop van
wyn , laurierblaaden , rozemaryn y
zout , peper en oranje appelen , waar
in men vifchjiooft (f).
Court-boutoaf (m) Een boute pin.
Courte botte , (m) Een klein meafch,
een propje (n), {boert. w.).
Courte boule, (f) Kegel fp el (n),
daar de fpeelers digt by paan.
Courte- haleine y (f) Kortademig-
heid.
Courtement , (adv.) Kortelyk, ia
weinig woorden.
Courte-paille , (f) Tirer à la
courte-paille, om het lapgjle Jltoot-
je, trekken {zeker fpel),
Courte-paurae , (f) Een korte kaats-
baan.
Courte-pointe , (f) Geflikte dê^
ken, pronk-déken . fprei .
Courtier , {m)Een makelaar , cour-
tier de chevaux , een roskammer •
courtier de mariage , een koppelaar.
Courtil , (m) Plaatsje , klein boe--
ren hofje (n).
Courtilliere , (f) Zeker wormtie
dat de meloenen , latouw enz, bederft.
Courtine , ( f) Een muur (m) tus-
fchen twee bolwerken , een gordyn ge-
naamd; voorhangzel van een out aar
{n); bed-gordyn, {dog hier voor zegt
men beter rideau) (f). , "
Court-jointé, (m) Een paerd me$
korte kniebuigingen.
Courtifan, (m) Een hoveling, hof-
bediende ; pluimjlryker } liefhebber van
de fexe.
Cour-
174 GOU.
Court jfime , (f) Sfn* tpenbaare
boer.
Courtifer, (v. a.) Zy» hofby ie-
mand maaken , pluimjlryken om gunfi
te erlangen.
Courtois , fe (adj.) {verouderetkiuu)
ILufcb, i'riendelyk , beleefd.
Courtoifement, (adv.) Beleefdelyk.
Courtoiiie , ( f) Heufchheid.
Couvton , (m) Korte hennip.
Courtpendu , (m) Zekere appel
' met een korte Jieel.
Coufin » ine (ra, & f.) Neef^ neev -,
mgt (ktmieren van tzvee broeders , txvee
zujïers of broeder en zujler) ; coufin
germain , volle neef; coafine ger-
iraine, volle nigt', coufin, een ver-
dere aanveru-ant {neef) ; byzondere goe-
de vriend; confin y tytel die de Ko-
ningen aan vreemde f^orjien, Kardi-
daalen euz. ^eeven,
Coufin , (tn) Ben' rnugge ( f ) , {fig.)
f mar et ze r , fmul-broêr ; item zekere
lekkrri' koek te l-arys , waar in boter ,
ei j eren en kaas.
Coufinage, (m) Neeffchap (n);
vriendf-bap ( f).
Couüner, (v.a.) fe Confiner, (v.
r.) Z::h neef noemen , (gem. w.).
Coufoir,(tn) Een Boekbinders naai-
bank (f).
CoDiTi-coiTÏÏï, (gem, w.) Il s'eft ac-
quitté de cette commiflion couflï-
coufii , hy heeft die laji zo9 wat f zoo
wat uit^i"i'9erd.
Couffin , (m) Een kuffen , hoofiL
kujftn , zadel-kujfen (n) , enz. Mok on-
der 't achter end van een fcheeps ge-
fchut.
Couflûnet, (m) Kuffentje\ verguld
knjfer.tie (n) , enz.
Coufu, ue (adj.) Genaaid.
Cout , (m) De kojlen , prys van
iets dat men koopt of laat maaken.
Coûtant, (adj.) (alleen dus) Ache-
ter une chofe au i»rix contant, /Vff
tot den gewoonlyken prys koopen.
Couteau, (m) Een mes (n); klein
pronk-dt'çentje ; couteau pliant, een
knip mesje; couteau de chafie, een
hert-vanger ; couteau à fcie , een
ff een-zaag; jouër des couteaux, "yaw
hér trekken , met de kling fpeelen
(fpr. w.)i iis font' à couteaux ti
cou.
téi 9 zy leeven in groot i wittig*
beid.
Coutelas , (m) Een zabet; item /y-
zeil (n) (bonnette à étui) aan uit-
fiékers , oplangen (boute hors) vaji-'
gemaakt {Scbeeps w.)
Coutelerie, (f) Een Mejfen-maa-
kery.
Coutelier , (m) EenMeJfen-maaker,
Coutelière, (f) Een Mejfe-koo-
kertje.
Coûter, (v. n.) Kojlen, gelden;
coûter de Ia peine , du foin , moei-
te y zorg kojien; quoiqu'il en coûte ,
wat bet ook kojle ; il voua en coûte j
je Ie vois bien, gy doed het met
gaerne , ik zie het wel.
Coûteux, eufe (d,d\.)Kofïbaar ^geU
dig 5 (gem. w.)
Coutier, (m) Tyk-iveever.
Coutieres, (f. pi.) ÏVant ^ touwerk
aan een galet-majl.
Coutil , (na) Tyk , bedde-tyk (f).
Coutillade , ( f) Een fneé, wond,
jaap met een mes.
Coacre, (m) Een ploeg -yzer (n).
Coutume , ( f) Gewoonte ( f) , ge-
bruik; tol-recht (n) ; avoir coutume j
on , de coutume , gewoon zyn.
Coutumier, re (adj.) Droit cou-
tumier , een geu-oonlyk recht.
Coütumier , (m) Een wet- of co-
ûnim-boek (n).
Coutumierement , (adv.) Gewoon-
lyk.
Couture,, (£) De naad {(); het
naaijen (n) ; naad tujfchen twee plan-
ken (f); battre une armée à platte
couture , een Léger totaliter ver'
Jlaan.
Couturerie, ff) Een' naai-kamer.
Couturier, iere (m.&f.) Een boe-
ren-fnyder ; een' naaifïer; couturière
en linge , en drap , een linnen , wol-
len naaijîer.
Couvée , (f) Een gebroed, broed-
ze l jongen (n) ; couvée , het gejlacbt ;
toute cette couvée ne vaut rien,
dat gantfcbe gejlacbt , gebroed deugd
nut.
Couvent , (m) Een Kloofler.
Couver , (v. a. & n.) Uitbroeden ^
broeden , broeijen ; over een vuurpan of
flo^ zitten y broeijen} Ie feu couve
fous
cou.
ibtts les cendres, b/ff vmt Jkfld
éfider de afcbe ; couver un deffein ,
ېn aan/Iag fmeedett ', coaver les cen-
dres , ajche-vy/ien , altyd aebter de
kagchel zttten.
Couvercle , (m) Een duizel (n) ,
oven-deur (f) ; il n'eft fi décrépite >
qui ne trouve à la fin couvercle à
ù. marmite , daar is geen pot zoo
Jcbeef of men vind 'er nog wel een
dekzel toe, {fpr, w.)
Couverfeau , (m) Bekleedzel van
Jïoelen (n).
Couvert, (m) Tafel goed (n), al
wat toe een tafel behoord', buisvejïing
(f), logies, dak (n); dekking (£)
van iets', omjlag (m), couvert (n)
van een brief-, mettre le couvert,
de tafel dikken', une table à 12 cou-
verts, een' tafel voor 12 perfoonen -,
donner le couvert à un voyageur ,
eenen reiziger buisvejî'mg geeven; je
vous écris fous le couvert de, ii
fcbryv' u onder 't couvert van ; à cou-
vert , ou , à l'abri , (adv.) veilig , be-
fcbut', fe mettre à couvert de, zich
bedekken of fchuilen voor; à couvert
des infultes, bedekt voor aanval.
Couvert , erte (adjO Gedekt , ge-
kleed', geveinj), loos; overfchaduwd-,
table couverte, een gedekte tafel;
il étoit fort bien couvert , hy was
wel uitgedojl; c'eft un homme bien
couvert, bet is een zwyger; allée
couverte, bedekte laan; temps cou-
vert , duifiet'e lucht ; couvert de hon-
te , met fchaamte bedekt ; un drap
trop couvert, een al te wollig la-
ken-, chemin couvert, bedekte weg
eener vejling ; païs couvert , gedekt
land; X^rvir quelcun à plats, cou-
verts , fetftond met bedekte fchotels
onthaalen , dat is , niet '^voor de vuijï ,
opregt met hem handelen of ook bei-
melyk b,nadeelen,
Couvertement » (adv.) Bedekt ,
beimelyk , gevemsdelyh.
Couverture , ( f. ) Deken ; dekzel
(n) ; dekmantel , fchyn (m) , voorwend-
zei (n) ; couverture de raaifon ,
dak van een buts; couverture d'm-
livre, band van een boek; fous cou-
verture d'amitié, onder den dekwat}-
tel van ff-iendffkap.
COÜ. CRA. i7>
CoDVerturier, (m) Een dekenma^
ker; verkooper.
Couvet, (m) Een vuur-pot , lollen
pot,
Couvcufe , ( f) Broei , of leg-hen,
Couvi , (adj.) Un œuf couvi,
een vuil Ei,
Couvre-Chef, (m) Boerinnen falie ^
regen- kleed*
Couvre-feu , (m) Een vuur-fcbtrm
(n).
Couvre-pied, (m) Een voet-zak.
Couvreur , (m) Een Lei-dekker.
Couvreofe, ( f) Leidekkers-vrouw j
Stoekn'matfier.
Couvrir, (v. a.) Dekken, bedek-
ken ^ bewimpelen; befcbermen, bevei-
ligen (in Krygsk.) ; befpringen {van
Paerden , Stieren , en Honden gezegd) ;
Couvrir Ia table , de tafel dekken ;
Couvrir Ie feu , bet vuur inreeke-
nen; couvrir de honte, befcbaamd,
maaken; couvrir Ia terre de fol-
dats & la mer de vaiflTeaux , hef
l^eld met Krygs-benden en de Zee mer
Scheepen bedekken; couvrir fon jeu,
zyn fpel of oogmerk bedekt boudenf
couvrir la joue, een oorvyg geevem
ifpr. w.) fe couvrir du voile de
dévotion , den dekmantel van God"
vrugt omhangen.
Se Couvrir , (v. r.) Zyn hoed op^
zetten ; Ie temps fe couvre , de
lucht betrekt ; fe CQïJvrir d'un bois,
zig achter een bofch' verfchansfen ; fe
couvrir d'un fac meuillé , laffe y
beuzelachtige virfcboonine ir^renaem
ifpr. w.) ^
Crac, {m) Krak (m) gekraak, g^
luid van iets dat breekt (n).
C rac hat , (m) Speekzel (n)fpuig ( f >.
Crachement , (m) Spuuwing , roz-
cbeling ( f ). . "^ *
Cracher, (v. a.) Spuuwen fpuigm
rogcbelen; cracher au nez de quel-
cun, ietnand in het aangezigt fpuu^
iven j (figuur I,) hem boenen; cracher zn
bafïln , in de bos blaazen , boete ge»^
ven; il cracha du grec & du \z..
x.\x\ yhy fprak ten onpas grickfch en
iatyn; c'eft fon père tout craché,
(ƒƒ>»-. vj.) hy gelykt volmaakt zynen
y ader; cracher blanc, dorjl hebben
Jpr.w.)
Cra-
176 CRA.
Cracheur, eufe (m. & f.) Eenfpu-
veer , rogchelaar ; rogchelaarjier.
Crachdir,(m) Spuuw-potje (n)qaiS"
^pedoer (m).
Crachotement, (m)Qeduurigefpuu-
Kving (f).
Crachoter, fv. n.) Ne faire que
crachoter , op den duur fpuuwen , rog-
ehelen.
Craie, (f) Kryt (n) j craie rou-
ge, rood-kryt.
Craignant, (adj.) Une perfonne
V craignant Dieu , een Godvreezend
Metifch.
Craindre , (v. a.) f^reezen ; eeren,
ontzag toedraagen ;
Craint , ainte (adj.) Gevreesd; ont-
zien.
Crainte , ( f) P'reeze ; crainte fer-
vile , filiale ,_ Jïaaffche , kwderlyie
vreeze; de crainte de , de crainte
que , op dat niet , uit vreeze dat.
Craintif, ive (adj.) Freesagtig,
hloo , hefchroomd.
Craintivement, (adj.) Bevreesd ^
fchroomagtiglyk.
Cramoifi , (m) Karmozyn-kleur-ver-
we-rood.
Cramoifi, ie (adj.) Soie cramo-
fie , karmozyn zyde; fou en cramoi-
fi , een voljlagm ^ek.
Crampe, (fubft. &adi.) De kramp
Crampon , (m) Kram , houvajî.
Cramponner , (v. a.) f^aj} kram-
men.
Cran , (m) ou coche , entaillu-
re , kerv , keep , fneê ( f ).
Crâne , ( f ) Het bekkeneel (n) , de
bersfenpan, ■
Crapaud , (m) Een Padde ( f ) ;
être chargé d'argent comme un
crapaud de plumes , met geld be-
zwaard zyn , ah een pad met veeren.
Craupaudaille, ( f) Soort van krip
{zekere Jloffe).
Crapaudiere, (f) Plaats daar een
meenigte Padden zyn.
Crapaudine, (f) Padde-JIeen (ze-
ier edel gejleeme) (m) ; plaat daar de
fpil van een deur in draait ( f) j dui-
zenblad (zekere bloem) ; pigeons à la
craupaudine , Duiven die men op den
roojler braad.
CRA. CRE.
Crapule , ( f) Dronkenfchap,
Cpapuler, (v. n.) Zig voldrinkefié
Crapuleux, eufe (adj.) Dronken ^
vol ; bezoopen.
Craquelin, (m) Krakeling (gebak),
Ci-aquement, (m) KnarsCmg (f),
gekraak (n).
Craquer, (v. n.) Kraaken ^ knars--
Jen.
Craqueter, (v. n.) Kraaken, ge-
knars muaken ; klateren.
Craqueur , eufe (m. & f.) Pog-
cher , windmaaker j zivetfler, '
Craffe , (fubft. f. & adj.) Vuilig-
heid ^ Jmeerigheid; grof; dom; igno-
rance crafle , onbefcbofte domheid;
humeurs crafles , Jlymerige vochten.
Crafleux , eufe (adj.) Vuil , be^
fmeerd, bemorjï.
Cravans , (m) Zeker leelyk fchulp-
iverk , dat onder aan de Schepen gaat
zitten jwanneer zy lang op zee zyn (n).
Cravate, (f) Een hals-doek, das
(m).
Crayon, (m) Teeken-kryt ; pot-lood
(n) lojfefchets, afbeelding van eenig
Perfoon ( f).
Crayonné , ée (adj.) Geteekend.
Crayonner, (v.a.) Teekenen , fcbet-
f en.
Crayonneur, (m) Teekenaar.
Crayonneux, eufe (adj). Krytagttg,
Créance, (f) Geloof; betrouwen
(n) ; meening ; ajouter créance à
quelque chofe , ergens geloof aan
Jlaan; avoir de la créance, aan-
zien , credit hebben ; être de légè-
re créance , ligtgeloovig zyn ; fa
cTéance eft bonne , zyne Jchuld is
goed.
Créancier , iere (m. & f.) Schuld-
eijfcber , crediteur; fchuld-eifcherfe.
Créât, (m) Een onder-jîalmeejier ,
pikeur.
Créateur, (m) Schepper,
Création, (f) Schepping.
Créature , ( f ) Schepzel ; gefchaa-
pen weezen (n); une jolie créature,
een fchoon Vrouw-menfcb.
Crécelle ou crécerelle., (f ) Een
ratel (m).
Crèche ,({)Een kribbe ( f ) , eetbak
voor dieren (m).
Crédence , ( f ) Klein kasje by den
altaar
CRE.
wâUaar {in de R. Kerk)i aanrecht ta'
feitje (n).
Crédibilité, (f) Motifs de cré-
dibilité i beweegredenen om te gfloo-
vett.
Crédit, (m) Geloofd credit (n),
gezag; aanztrn (n) , conferver fon
crédit, zyn geloof of credit bewaa-
ren-, faire crédit, temand borgen ;
perdre fon crédit, zyn gt^zag, aan-
zien verliezen ; vous parlez à cré-
dit , gy fpreekt zonder bewys.
Créditer ( v. a. ) un article ,
een pofl in crédit brengen.
Crédule, (adj ) Ligrgeloovig.
Crédulité, (f) Ligtgetoovigheid,
Créé, ée (adj.) Gefcbapen.
■ Créer, (v. a.) Scheppen ; verkte-.
zen y aan/ieUen; créer des magi-
ftrats , Overheden verkiezen ; créer
«ne dette , een fchuld maaken ; créer
une rente, eene jaarlykfcbe rente op-
rigten.
Crémaillère, ( f ) Een heugel (m).
Crémaillon , ou Crémillon, (m)
Klein heugeîtje (n).
Crème, (f) Room (m); bet befle,
de kern van iets -y crème fouettée,
doorgeklutfie roomi (figunrl.), een re-
den daar wel pronk-ivcorden doch geen
zaaken in zyn; crème de tartre , ge-
zuiverde wynfleen tot poeder bereid.
Crêmer, (v. n.) Tot room worden
(van melk gezegd).
Crémière , (f) Een room-verkoop-
Jler.
Créneau, (m) Kanteel-, fchietgat
in een Stads wal (n).
Créneler, (v. a) Tonrens , wallen
met fchiet-en ky k-gaten voorzien ;
tanden in raderen maaken, met ker-
^ ven fnyde/i.
Cre nelure , (f) Tanding, ker-
ving ; randing der muntfitikken.
Crêpe , (m) Lnnfcr (m) floers (n).
Crêper, (v. a.) Dtgt in malkan-
der krullen y frifeeren.
Crépi, ie (adj.) Bepteifïerdy cuir
crépi , ç^eërfd-leêr.
Crépi , (m) Pleiflerkalk ( f ).
Crépin, (m) Perdre fon faint
crépin , zyn gantfch boeltje verlie-
zen.
. Crépine, (f) frange franje ^ die
CRE. Ï77
me» aan àe behangzels der Ledikan*
vert zet.
Crépir (v. a.) un mur, du cuir,
eene muur bepleifleren ; leér erven.
Crépiffurc , ( f ) Pleiflering , be-
flryking.
Crépodaille. {Zie crapaudaille).
Crépon , (m) Krtp (n) {zekere fîof.
fi)-
Crépu , ue (adj.) Gekronkeld ichs-
veux crépus , gekruld hoir.
Crépufcule, (m) Schemering (f),
bet morgen-of avond-rood (n).
Créquier , (mj Soort vpn wilde
pru-.m-boom.
Crcfeau, (m) {Zie carifel).
Creil.?.i , (m) Kers of hors (zeker
kruid).
Creflonniere, (£) Plaats daar bet
zelve waf}.
Créte , (f) Crête de coq , een
ha.:ne7-kam , kuif, lever, baiffer Ia
crête , de kam opfleeken , hoogmoedig
zyn j laat en hangen , de moed verlie-
zen ; créce de bied, fpitfe kooren
fchelf
Crété, ée (adj.) Gekuifd, gekamd*
Créteier ,(v. n.) Kakelen als de
Hennen.
Crevaille, (f) Slempery (gem.w.)
CrevafTe , (f) Spleet y fcheur ,berjf»
Crevafrer,(v. a.) Kloovenmaaken ; fe
crevaffer , (v.r.) openberjien ,fcheuren.
Creve-cœur, (ra) Hartzeer y ver*
driet (n).
Crevé, ée (adj.) Geberflen , enz,
{Zie crever).
Crever, (v. n. & a.) Berji^n; je
creve de chaud , ik verfmagt van
hitte; crever de rire , lagchen dat
men zyn buik vajl houd ; crerer un
paté, eenpaftei'opfnyden; crever [qs
yeux , de oogen uitjieeken; crever un
cheval, een paerd den bek afryden^
il s'eft crevé à force de travailler,
hy is onder 'f werken bezweeken.
Creufement, (m) Uitholling , uit*
graaving ( £),
Creufer, (v. a,) Uitgraaven\ vît*
hollen ; creufer bien avant dans une
fcitnte, eene wetetifchap diep uitvor-'
fchen.
Creufet , (m) Eene /melt-kroes { f ).
Creux, eufe (adj.) HqI, diep, le-.
M digi
î?5 CRE. CRÎ.
tftg; fofCé fort creux, eene zeer die-
f e gragt ; ventre creux, een ledige
buik ; un fonge creux , een ydele
droom % un discours creux, <'f« l^ff^
redenvoering ; des yeux creux , holle
wogen.
Creux, (m) HoUe ^ diepte ff); Ie
creux de la main, d'un voile, de
■holte der bar.d , buik in een zeil.
Cri, (m) G^fc breeuw, geroep, ge-
ilag(n)', poulfer des cris, roepen,
Jchreewweti', chercher quelcun à cor
& cri , met allé magt na iemand zoe-
ken.
Criailler, (v. n.) Roepen, fchreeu-
nven , raazen , iieren , fchenden.
Criailierie , ( f ) Gefcbreiuw , ge-
tier (n).
Criailleur , eufe (m. & f.) Schreeu-
wer ; fcbreeuujler.
Criant , ante (adj.) Roepende,
fcbreeuwende ; wraakroepend.
Criard ,• arde (fîibft. & adj J Een
fchreeuiver ; fchreeuwjîer ; dettes cri-
ardes , kleme fchulden die men vlytig
inmaand ; oifeau criard > een vogel
éfie altyJ fchreeuivd.
■ Crible , (m) Een zeef (f).
Cribler, (v. a.) Ziften» {figuurt.)
iets naauw onderzoeken , vaifleau cri-
blé , f en door de worm gegeten fchip.
Cribleur , (m) Een zifter.
Cribîeux , eufe (adj.) Met gaten
aU éen z^ff.
Crîblures, (f. pi.) Uitziftzel (n).
•Cribration, ( f ) Doorzifting..
Cric , (m) Een dommekragt, win-
ëfe'f item een werktuig by Koetzier s
êm rytuigen te ligten.
Cric-crac » (m) Het Jlooten van
^laazen tegens malkander-, ma (Te, to-
pe , cric & crac (ou croc) , uitdruk-
king der drinkebroers , als zy de ge-
'ZQndheid van iemand drinken en met
iie glaazen klinken.
Criée , ( f) OpentÏyke uitroep (m)
restens verkoop van goederen.
Crier, (v. n.) Roepen tfchreeuwen ^
uitry^pan-y crier du fruit, metvrtig-
ten langs dti Jïraat roepen ; crier ven-
geance , uraak fcbreeuwen ; crier
contre quelcun, met iemand t' on-
vreden zyn; on a tant crié noël
qu'il €ft venu , me-fi b*iefc zqq lang
CRf.
pnafchen gercfpen tot dat hf g^hmfÊi
is, (fpr. w.)
Crïerie, (f) QefchreeuvPi geroep,
Crieur , eufe (m. & f.) Uitroeper%
vrouw die langs de flraaten alle oude
dingen opkoopt en verkoopt.
Cr^me, (m) Misdaad (f),verbree*
king (n); crime capital, hoofd-mis-
daad, die de dood verdiend j criniö
de léze majefté , misdaad van ge-
quetjle majejïeit.
Criminafifer, (v. a.) Iets tot eene
misdaad rekenen , crimineel maaier, ^
Criminel, elle (adj.& fubft.)M/5-
dadigt fïrafwaardig', een misdadiger»
Criminellement, (adv,) Misda-
dig/yk; pouriuivre une perfonne
criminellement, iemand pynlyk ver-
volgen.
Crin , (m) 't Lange hair van een
paerd y paerds-hair (n).
Crinier, (m) Een hair bereider.
Crinière , ( f •; Maanen van een
paerd-, item een kleed over deszelfs
bals en kop , een kap.
Crinon , (ra) Soort van dovwvorm
der kinderen.
Crique, (f) Een' kreek (f), klein
haventje (n) , veor fchepen.
Criquer , (v. n.) Les herbes fè-
ches criquent , de dorre kruiden rut.»
fchen , kraaken.
Criquet , (m) Een klein gering
paerd , jakhals , fchanslooper,
Crife , ( f) Het toppunt , 't uiterfie
eener ziekte (n) , die het lotgeval der
zieken ten goeden of ten quaaden he^
fijl'i ook dus y l'affaire eft dans la
crife , de zaak zal ras ten einde ko-
pen , zy» uitjlag hebben.
Crjflal, &c. (Zie Cryftal, enz.)
Crit, (m) Een foor t van een pook ^
een kris.
Crithophage , (m. & f.) Een lief-
hebber van gerjl.
Critiquable , (adj.) Berifpelyk, be~
rifpensivaerdig.
Critique ," (adj.) Berifpend, oor-
deelkundig ; hagchèlyk ;huraeur, efpric
critique , bedilziek gemoed, humeurj
un ouvrage critique , een oordeel-
kundig ,b e oor delend werk; ua temps j
line conjondlure critique , een hag"
ehelyk , wijfehallig tydsgewrigt » af*
faire
. CRI. CRO.
faire critique , eene netelige zaai;
jour critique , dag die den ioop der
ziekte aanduid.
Critijiue, (ra) Een btoordeefder ,
Ben criticus van een ander zyne fchrif-
tttt ; item een bertfper , bedilier.
Critique , ( f j Qorcieelkuude , om
eenig werk te beoordeelea ; item be-
rtfping , bejirajing.
Critiquer, (v. a.) Ber i/pen jbedil-
dillen , beoordeolen.
Critiqueur , (m) {Zie un Criti-
que).
Croacement ou CroaOement ,(m)
Gekras , güfchreeuw der Raven (n).
Groacer ou Croaffer , (v. nj Kras-
f en , fcbreeuwen als een Raven.
Croc , (ra) Een haak , vuurbaak ,
hootbaak (m) ; item de kraaking ( f)
i^an iets dat breekt i mettre le croc
en jambe à quelcun , (fpr. w.) />-
9nand een beentje zetten dat hy valty
of iemand dwanboomea , den voet
dwars zetten-, ce procès eft pendu
en croc, dat geding y procès, is 'aan
^^ fpyfier gehangen.
Croche , ( f) Een Jhiart-noot ( in
Muziek).
Crochet, (m) Een haak om iets
aan te bangen j een haak om een Jlot
mee open te Jleeken } être fur les
crochets de quelcun , op iemands
kojîen teeren ', crochets de portefaix,
een dragers riem , zeel ^in Vrankryk ;
crochets . haakjes van een paren-
thefis.
Crochetage, (m) Het draagea-,
draagloon.
Crocheter, (v.a.) Crochjeterune
porte, em deur op- of open-Jleeken.
Cro^heteur , eufe (m. & f.) Een
kruijer , 'draager ; pakkedraagfier.
Crochetons, (m. pi.) Spylen van
■een pakdraagers draag-tuig.
Crochu , ue (adj.) Gekromd , om~
géboogen-, avoir les mains crochues,
diefagtig zyn.
Crocodile , (m) Ai-oW//, larmes
de crocodile , geveinsde rraanen.
Croiler, (v. n.) {Valken, w.) Fleer-
zen , fchyten, .
Croire, (v. a,) Geloovent aannee- f
men; iemands raad volgen -, on Ie 1
crgit riche ,fw#o gohoff dat ky ryk isi
CRO. 170
Croifade , ( f ) Kruisvaart { f) ; bes
zuider-kruis (n) , (zi-e u;.}
Croifé, ée (adj.) Kruijfelings ge-*,
maakt , gekieperd; fe tenir les bras
croifés, Irég zitten.
Croiiee, {£)I:ïJïag van een webbe^
kruts-raam (in Lauwk,).
Crolfcment, (m) Kruijfwçr der JIq-^
retten {ut de Jchermfch.). ^
Croiler , (v. a.) Kruis-wyze leggen^
diK inj!ag doorfcbieten ( by l'f^eevers ) 5
een mande vlegten ; kruijfen {zee w.) 5
een fcbrift de pen docrhaalen', een kruin
maaken ; hinderpaalen zetten ; Ie croi--
Ter, (v. r.) zich kruijfelings leggen^
Croifette, (f) Etn kruisje (n)s
kruis-ivonel ( f) (zeker kruid).
Croire UI- , (m)Een kruijer ter zeem
Croificrc , ( f) Plaats , vuater daof*
de bcheepea kruijfe» {n).
Croifillon , (m) Dwars hout vaià
een kruis (n) ; kruis van een raam.
Croifoirc, (f) Een boute of yzeir»
werktuig o-m Scheeps befchuit te maa"
ken (u).
CroifTance, (f) PTasdom (m)s
croiflances (pi.) zee-gras.
CroifTant , (m) Halve of wajfenda
maan ( f) j het turkfch wapen (n) ; bQ'^
veniers rond fnoeimes (n).
Croüure, (f) ZnJIag , keper vam
dejergie, (van laken is het filure).
Croît, (m) ^anwasy aanfokking^
(van dieren gezegd).
Croître, (v. n. & a.) fTafen , toe^
neemen^ grooter worden -, les joura
croifTent, de dagen lengen ^ il croît
ici de bon blé , 'er groeid hier goed
koren-, CDauvaife herbe croît toa«
jours , onkruid vergaat niet; Ia pluie
a crû la rivière , de regen beeft dt
rtvier doen zwellen,
C roix , (f ) Kruis ; Lyden (n) , droef-
heid, elende (£); planter la croix
de J. C.y bet Evangelium predikem
attacher en croix , aa» 't kruis.
hegten '^ n'avoir ni croix ni pile»
noch kruis taoch mutit hebben ; jouer à
croix & à pile , kruis of munt fpeelen^
Croix de par Dieu, een ^,B, C
boekje,
Cromorne , {ta) Krtmhiiom {orgel
regifler) ^
M a Crt*.
i«o CRO.
• Cronc, (ra) Kraan op de wyzevan
een windmolen. {Zit ook Gruë).
Croquant , ante (adj. & fubft.)
Knarjfende ; een bedelaar ^ een plug.
Croquante , ( f) Knapkoek. ^
Croque, (f) Manger du pain à
la croque au fel , zout en brood
eeten.
Croquelardon , (m) (boert, w.)
Een fchuimlooper , panlikker.
Croquer (v. n.) entre les dents,
tujfchen de tanden kraaken , knappen ,
knarjfen.
Croquer , (v. a.) Eeten , opknap-
pen , fcbranfen ; behendig wen Jieelen ,
kaapen; eenig werk fchtetyk voor zyn
gat tappen , knoeijen ; ïe chac croque
les fouris ,£/p kat knapt de mutzen op ;
Je renard croque les poules , de
vos jîpcld de hoenders ; croquer le
marmot ,(fpr.)laKgvoorJe deurjîaan
zva^ten', croquer , aanhaaken ( zee w .').
Croqueur , (m) Een looze fcbaîk ,
bedrieger , kaaper.
Croquignole, {î)'Kriok-Jlsg^ knip
CrofTe , (m) Bijfchopsjîaf; kolf om
'mtê te fpeelen; kolf van eeu vuur-roer.
CroiTé , ée (adj.) Gekolfd ; abbé
croffé , geftaafde abt.
CrofTer, (v. n.) Kolven.
CrofTettes , (f. pi.) ^fgefnedene
wynranken van een jaar oud , cieraad
hoven aan een deur ofvengller kozyn;
kalk rnridfom een dak-vengjier.
CrolTeur, (m) Een Kolver.
Crotte , ( f) Slyk , modder ; Schaa-
pen-keutels, Muizen Jlront enz.
Crotter, (v. a.) Bif^ykt cfvuilmia-
ken , bek loi ter ca y poète crotté Jlegte
digtcr,
Crotton, (m) (béter cachot) onder-
aardfch gevangenis.
Croulant, ante (zà].) Schuddend,
édifice croulant, Bouwvallig gebouw.
Croulement, (m) Schudding, (f).
Crouler , (v. n.) Schudden, wag-
frelen , dreunen i dreigen om in te JJor-
^ten.
CrouHer, iere (m. & f) LosIeg_
gend zand (v\), losfe aarde (f).
Croupade , ( f) Hooge fprong van
een Paerd (in de Ry-fchool.)
Croupe , (f) Het agterjïe of het
kruis van een Paard {ri)fpirs, kruin '
CRO. CRU.
van een berg (m) j mettre en crou-
pe , achter zich op het paerd zetten ;
venir en croupe, achteraan komen-
Croupé , ée (adj.) Cheval bien
croupe « een Padrd dat mooi ge-
bild is.
à Croupetons, (adv.) üp zyn gat
zittende.
Crouphider, (v. n.) EenSchipvan
achteren vertttyen , vaft maaken.
Croupier , (m) Een die achter op
't paard ztt ; een die voor een ander ,
die niet fpeelen kan ,fpeeld, of voor de
helft fpee Ld', een Helper.
Croupière , (f) Staert-riem van
een paerd (m) ; elle hauffe la crou-
pière , zyn heeft minnaers met wien
zy mooi wéér fpeeld-, ta.iller àes crou-
pières à quejcun , iemand moeilykhe-
den veroorzaak en \ mouiller en crou-
pière, het anker van achteren uit-
werpen.
Croupion, (m) Hét fluit-been (n)
de fluit (m).
Croupir, (v. n.) Stiljïaan ; lui,
ledig zitten-^ croupir dans Ie péché,
in de zonden volher den.
Croupiflant, ante Tadj.) De 1'eau
croupifTante , fiiljlaande , flinkend
water.
Crouflille, (f) Korstïe brood (n).
Crouftiller, (v. a.) Een kortjlje of
mondvol brood eeten (gem. w.)
Crouftilleux , eufe (adj.) Kortswy-
lig, klugtig, (gem. w.)
Croûte , ( f) Korf} , van brood, paS'
tei , wond , aarde enz.
Croûtelette, ff) Een korfïje (n),
Croutier, (m) Opkcoper van oude
beelden , fchilderyen.
Croûton , (m) Een korfl brood.
Croyable , (adj.) Geloofwaardig ,
gelooflyk.
Croyance , (f) Geloof, vertrou-
wen , meening.
Croyant, (adj. & f.) Gelovende;
een geloovige.
Crû , (m) Gewat (n); vin de mon
crû, wynvan myn eigen gewas; cela
n'&a pas de (on crû , dat komt uit
zyn iooker niet.
Crû , ûe (ad j.) Gewaffen , gegroeid y
toegenomen ; geloofd, gemeend.
Cruauté , ( f) Wreedheid Jir engheid»
Cru-
CRU. CRY. CU.
Cruche, (f) Een kruik; tant va
la cruche à l'eau qu'enfin elle fe
cafle, ou fe brife , {Jpr.iv.)de kruik
gaat zoo lang te water tot dat zy lerji ;
vous le feriez devenir cruche , gy
zult bent gek, dol viaaken (fpr. av.)*
Cruchée, (f) Een kruik z-ol.
Crucherie , ( f) Botheid ^ domheid.
Cruchon, (m) Kruikje (n).
Crucial, ale«(adj.) Incifion cru-
ciale, kruis fneê {in Heelk,)
Crucifère , (adj.) Colonne cru-
cifère , Pilaar met een crucifix.
Crucifiement, (m) KtuiJJïgitig.
Crue fié, ée (adj.) Gehuijt , ge-
kruijpgd.
Crucifier, (v. a.) KruiJJigen.
Crucifix, (m) Een kruisbeeld (n);
mangeur de crucifix , een huiche-
laar.
Crucifixion (m) Kruijjîging (f).
Crud , ue (adjO Rauw , ongekookt ;
onbewerkt , ruuw j onbeleefd , onbe-
fchaafd; chair crue, ruuw vleefeh;
humeurs crues , rauwe vogten; des
manières crues , grove mameren.
hCrud,(&dv. )Blootsbeens;otigezadeld.
Crudité , ( f) Rauwigheid , rauwheid.
Crue , (f) aanwas van water ,
vermeei^dering der tollen enz.
Cruel, elle (adj.) If^reed y Jireng -,
un cruel, een wreedaard.
Cruellemeut , (adv.) IVreedelyk.
Cruement, (adv.) Rauw \ boerjch ,
onbefchoftelyk.
Crural, le (adj.) Veine crurale,
fchenkel-ader (in Ontl. k.)
Crypte , ( f) Onderaardfcb ver-
wulf, hol (n).
Crypto-portique, (m) Verborgen
gang , zoo wel onder ah boven de aar-
de.
Cryftal , (m) Kriftal {zéker door-
luchtig ge/Ieente) ; het krijiallyne eener
bron (nj.
Cryftallin , ine (adj.) Krijlallyn,
klaar ; Ie criftallin , de krijiallyne vogt
der oogen.
Cryflallifation , (f) Verandering
in krijïal {tn Chym.)
Crydallifer , (v. a.) Krijlallynen ^
klaar , doorfchynend maak^n,
Cu. {Zie Cal).
Cube , (m) Een vierhoekig vierkant
oh een teerling {in Land-meetk.)
CüB.CüC.CUE.CUr. i8r
Cubique, (adj.) Nombre cubique
ou cube, cubik getal.
Cubital, aie (adj.) Muscle cubi-
tal , elleboog f pi er {in Ontleekd.)
Cuculle, (t) Eene monniks Kap y
kovel.
Cucurbite, (f) Dijîileer Kolf (n)
{in Chym.)
Cueille, (f) Breedte des zeildoeks.
Cueillette, ( f ) Inzameling van
vrugten , pennirgen enz. charger à
cupilletce, goederen van verfcheiden
perzoonen landen.
Cueilleur , eufe (m. & f.) Pluk-
ker; plukjler.
Ca-^Uïir ,{'V. a..) Plukken , inzamelen.
Cueilloir , (m) Fruit mande. >
Cuiller , ( f ) Een Lépel{m)\Pomp^
boor {£,; Lepelaar {z^ker Vogel)-,
cueiller à pot,een pol-leprlJchep-l<peL
Cailierée, ( f ; Een Upel-vol (m).
Cuilieron, (m) De holte, het blad
van een lepel.
Cuir, (m) Leer; vel{n) huid (f)j
cuir verd, crwà., onbereid leer; fai-
re boire Ie cuir, het leer in de week
leggen; vifage de cuir bouilli, een
zeer lelyk aangezigt.
CuirafTe , ( f) Üarnos (n).
Cuiratfer, (v. a.) Met een harnai
wapenen.
CuiraflTier , (m) Een die met een
harnas gewapend is , e?n kuraffier.
Cuire, (v. a. & n.) Kooken , bak-
ken , braaden ; enz, cuipe Ie pot j depot
kooken; cuire du pain, brood bak'
ken; il vous en cuira, het zal U
rouwen ;ï'e cuire j{v .r,) gaar worden-,
ma bleffure me cuit , myne wondfleekt
my.
Cuifant , ante (adj.) Smertelyk-,
gevaelig ; regret cuifant} douleur
CU i fan ce.
Cuifine, (f) De keuken; faire la
cuifine , kooken , voor kok fpeelen.
Cuifinerie, (f) Keuken -werk (n).
Cuifinier, iere(m.&f.) Een Kok;
kook-boek ; Keuken-meid.
Cuifle,(f) De d^e , une cuifTe
de volaille, een houtje van een vogel.
Cuiflbn , (f) Het kooken, bakken,
braaden; avoir foin de la cuilTon ,
op het bakken enz. agt geven ; pain
decuiflon, huisbakien brood ; cuis-
M 3 foo>
TSt CUÎ. CÜL'.
fon , fmerte ; l'cntir une grande cuj's-
fon dans l'œil , dans les reins,
groot e pyn in het oog ♦ ir. de londettfn ge~
boelen ; cuifTon de vigne , hrûtui,
hitte in de uyngaard;
CoijTot, (ni) Een Ref-bout.
Cuiiftre , (m) Oppajfer in een'Jcbool ;
een ^kbool-ios. *
Cait , te (adj.) Gekoekt ^ gezooden ,
gebakken , gaar ; cela e ft trop cüic ,
OU n'eA pas afTu^z cuit , dat ts te
gnar c^niet gaar genoig , {Zie ver-
der cuire). . . , ,,
Cöite , ( f) ^ei kooken, bakken; een
Bven vol, een bakzcl% Ia coice de la
thaux, des briques, bei kalk br ar-
den, het JT een bakken.
Cuivre , (m) Koper (n>.
Cuivrette , ( f) Koper mor.djïm aan
een HoboQt enz.
Cul , {lees cu) (m) Het gat , den
A&rs, A^* a ebt er ly f, item de voet vaa
verfebeide dingen daar men het opzet ,
als van een glas , pot enz. ; cul d'un
vaifleau , het gat van een Schip;
cul de fac ^Jïraat of weg di» geen uit-
gang heeft; cul de chapeau, de hol
wan ten hoed; cul d'une aiguille ,
})et oog eener naald', cul d'an muid,
«fe kop van een vat; cul de lampe,
ée -wet van een lamp , item een finaal
Jïrikje, vignet je ov.der een capitcel of
op 't eïr'.de van een boek ; als meede
zéker cieraad van een verwulf enz:
(ifi Bnttwk.)', cul de plomb, een man
die altyd zit , afzonder ophouden , pal
Man zyn werk is ; cul de jatte , een
^nan zonder beenen, ineen bouten hak;
cul blanc, een witflacrt {zfker mgeiy,
cul de baite foff^, een diep donker
lol , gevangenis , cachot ; cul de
yort , /oöïv - linonp , water - knoop
ifcbceps w.) j mettre cul én vent ,
lenzen, voor de wind laaten dryven
(fche^'ps w.)', mettre un tonneau
fur cul , een vat op zyn end zetten;
«ui decharette, het agter end van
§en wagen i col écorché, hlik-aars;
*al de baseau , ' de bodem van een
fthutt; cul d'artichaut, dé fi oei van
f0n artifchok; faire Ie cul de poule,
gen' fpiize mond, eer.en nat zetten -y
il en a dans Ie cul , {fpr, w.) hy
iseft ivak.ker ten t&jrir^ gevaarene
CÖL.
fcbcxde geteedem arrêter quelcun Cir
cul , iemand hinderen van zyn plaats
te g^an-y on Ic tient au cul, men
b'ejt hem by de turven , in goede be-
xvaaring ; éCre à cul , niet weetevt
xvaar heen y ' er onder zyn; donner
da pied bu cul à un valet , eenen
knegt weg iaagen; y aller de cnl-&
de tète,fnet alle magt ergens aan
gaan; montrer Ie cal, weg iQOien,
'van een' zaak afgaan of die 'laaten
Jiceken; tirer le cul en arrière,
zyn gat te rug trekken , zyn woord
niet houden; à écorche cul , tegen
dank, met onwil ; cul par defTüS tê-
te , het onder jl e boven , over kop en
faert ; vouloir petcer plus haut
que Ie cal, hooger vliegen willen als
men vlerken heeft (fpr, w.); fe gta-
tèr Ie cul au foleil y {fpr^ w.) lui-
jpren, lui zyn.
CuIaiTe , (f) De agterjie fchroef
aan een vuur-roer j broek , kamer van
een gef chut ; cette femme eft renfor-
cjée fur la cnlafle , dat vrouwmenfch
is wakker gebild.
Culbute , ( f) Tuimeling , buiteling;
faire une culbute, tuimelen.
Culbuter , (v. n. & a.) Tuimelen ,
hals over knp vallen; omfmyten.
Cu Ie ! Haal agter uitl (fcheepsw.).
Culée, (f) Stamp, floot van een
fchip tegen de grond {zee ^v.)^ hoek^
muur waar op de boog van een hrug
rujl {in Bonwk.)t
Caler, (v- n.) Achter uit , overfiuut
dr y ven {zee w.)
Culeron , (m) Beuling of tis van de
Jlaert-rtem. eenes paerds (n).
Culier, (adj.) Eoyau culier , de»
aars-darm {in Ontteedk.),
Culiere, (f) Een druipfieen onder
een goot.
Culot, (m) Bodem van een Kerk-
lamp, enz. een die het laatfie in 't ge'
zelfchap aangenomen is; klomp die over
blvft {in Scheikunde).
'Culotte , (f) Een broek.
Culotter, (v. a.) Een kind in de
broek feeken.
Culottiji , (m) Een naauwe- broek -,
kind dat eerfi in de broek gefiooken is.
Culte , (m) Godsdienji, eerbewy-
CUL.CÜM.CüN.CüP.&c.( CÜR. CUS. .183
Cultivateux-, (m) Een bi-bou-jucr y\ maaken-, fe curer les aents &c. z^«
, {zelden gcbr.). j ra«(/p« enz. fchoon maaken ; curer Jee
j chardons,^?/? wol ui f de k aar den J\ e eken.
/-. ... ^. £^ Priem waar mede
aankvueeker
Cultiver ,{y . a.,) Bi-bouzwn i aan
/•itw/v/ï; cultiver les bc-lles lettres,
de fraaye kutijïen beoeffenen; cultiver
le commerce , den haud:l vjortzerten-,
cultiver l'acûicié, vriendfchap onder-
bonden y aankiveekevp
Cal tu re, (f) De landbouw, beoef-
fening der wetenfchappcn.
Cumin , (m) Komyn (n).
Cumulatif, ive (adj.) Ophoopend,
vo!,
Cumnlativement , (adv.) Geza-
mentlyk; (en corps) {tn Rechten).
Cumuler, (v. a.) Bvu-yzen op een
flapelen {in Rechten).
Cunette ou Cuvette, (f) Mid-
del-floot in een droog? buiten gragt
uitgegraven {in l^ejiingb.).
Cupidité, (f) Begeerlykfmd.
Cupidon , OU l'Amour, (m) Z?^
Minne-gody Kupido.
Curable , (adj.) Geneesbaar ) ge-
neeslyk.
Curage, (m) Water-péper.
Curatelle , ( f) Vocgiyfchap , mom-
laar f chap (n).
Curateur , (m) Een . voogd ; bezor-
ger van 's Lands hooge fchoolen , Cu-
rator.
Curatif, iye (adj.) Geneezend,
Curation, (f) Geneezing.
Curatrice , (f) Eene voogdeffe.
Carcuma , (m) Kurkuma {geele verf-
fiof en nuttig tegen de waterzugt ?
Cure, (f) Geneezing, wondhee-
ling', kerfpel , gemeente ; Paftory(fj';
Pajhorfchap {n) , zielbezorgmg { f).
Caré,(m) Priejïerfcbap , Pajioor ,
JZielverzorger.
Care-dent, (m) Een tande/lotker.
Curée, (f) Het geene men den
Jagt-honden geeft van 't wild dat ze
gevangen hebben.
Cure-oreille, (m) Een oor'lepeltje
(n).
Cure-pied , (m) Tzer , om het bin-
nenjie der paerden - hoeven fchoon te
T^aaken (n) {by Hoeffmits).
Curer , (v* a.) Schoon maaien , rei-
Ktgen-y curer une bergerie, un privé ,
une charrue, een'Jial^ gragt ,' fe-
frea i pheg rmigen of ruimsn yfcboon
i Curette , (f) Priem waar
men de wol uit de kaarden Jleekt (m);
fteen-tang {by IVondb.).
Cureur, (m)Cureur de lieux , de
! \iuils , f creet- ruimer , put- reiniger,
I Curial , aie (adj.) /iet geen tot
j een Paltory behoord,
I Curie, (f) Zekere rot-verdeeling
der oude Romeinen van looo man.
] Carieufement , (adv.) ff^eetgierig-^
I Curieux, eufe (adj,&^ubft.)/F^^f-
^iVr/<f, nieuwsgierig; zindelyk , net -,
zonderling; aardig; il eft curieux
dans fes habits, hy is zindelyk op
zyn kleeren ; nouvelle curieufe,
zeldzame tyding; livre curieux , e^»
fraai boek ; vous êtes bien curieux,
gy zyt zcer nieuwsgierig; un curieux,
een nieuwsgierige.
Curion, (m; Romeinfch Rotmeejier.
Curiofité , {£) Nieuwsgierigheid;
kasje met fpeel-popjes voor kinderen ;
des curiofités , liefhehberyen, rari-
teiten.
Curoir, (m) Een jlok waar mede
de Landbouwers de ploeg fchoon maa-
ken.
Curfeur , (m) Het kruis "jan een
graadboog (n) {zee w.).
Curviligne, (adj.) Angle, figure
curviligne, een kromme boek off*
gu^r {in Landmeetk.),
Curvité , ( f) Kromheid der tynen
{tn Landmeetk.)
Curiile, (adj.)Chaife curule,»Vo9-
re zit~Jioel {by de Romeinfche Overheid
gebr.).
Curures, (f. pi.) Slyk, modder^
die men uit een opgedroogde vyver
haald.
Cuftöde, (f) Kap van pijlool bol-
fiers; matras in een koets y kas waar
in de Hoftie in de R, Kerk bewaar^
word; fous la cuftode , in V beim^
lyk.
Cuftode, (m) Opperfie van (u^nige
geejielyke ordens.
Cullodie, (f) Prioorfcbap (n). ■
Cuftodinos, (m) Een die een ^ees'
telyk ampt voQf f «7f (flijf^r waarneemt,
M 4 Ciiti^
ï84 cüT. CUV. cy. &c.
Cuticule , (f) üe opperbma > in
Omleedk»),
Ca vage , (m) Plaats daar men kui-
ken zet{Ï).
I Cuve, (f) Eene kuip -, pers-kuip;
enz. déjeuner à fond de cuve , een
goed ontbyt doen.
Cuvé, ée (adj.^. {Zie Cuver).
Cuveau , (rn) Een kmpje (n).
Cuvée , ( f ) ^^"^ *"'P "^ol-, du vin
ée Ja premiere cuvée, uyn van de
ecrjlc perfwg.
Cuver , (v. a.) De uïtgeperfle drui-
ven- trojfen eenige tyd in de kuip laa-
ten trekken; cuver fon vin, zynen
roes uitJJaapen.
Cuvette , ( f) Een klein kuipje ;
waf ch -vat (n) {in eet zaaien).
Cuvier, ^m) Een wafch-tobbe {m);
vifcb-vlootje (n).
Cy , (adv.; Hier. {Zie Ci).
Cycle , (m) Cycle folaire , lunai-
re , zonne-kring van i8 , maane-kring
van ig jaar en.
Cygne , (m) Een Zwaan ; een voor-
naam Dichter.
Cylindre , (m) Een langwerpig
rond ligchaam als een zuil (n) } rhl
êm de aarde gelyk te maaken (m).
Cylindrique, (adj.)La»^ii;frpf^rof7i/.
Cymaife , ( f) Kroonlyji aan een
gebouw.
Cymbale, (f) Een' Cymbaal {zeker
Jpeeltuig).
Cyme , ( f) Steel van planten of
kruiden (m). {Zic^ verder Cime).
Cynique, (adj. & fubft.) Un cy-
ftique , OU Philofophe cynique,
een Cynifche yf^ysgeer , als Diogenes,
éie alle grootheid verachtede , en , vol-
gens ingecving der natuur , onbefchaamd
Reefde.
Cyprès, (m) Een Cypr effen-boom.
Czar, Czarine , (m.& f.) Keizer,
Keizerin van Rusland,
D.
D(m) D , ( f) 4* Letter van 't
' A y B f C; de letter D komen-
de op het einde van een wosrd e» bet
D. DA. DAA. DAC. &c.
volgeme met een v o kaal begnmende,
word zomtyds als een t uitgefpreokeuy
{by voorb.) Grand afFronteur , {lees
Grant affronteur) enz,
Da,(interj.) Oui-da,ia tog , ja
zeker ; nenni-da , neen tog niet ,
{gem w.).
Daalder , (m) Een daalder {zeker
Hollandfche munt , waardig 30 JJ.).
D'abord , ladv.) TerJJónd , aan-
flonds , ftraks , op fiaande voet, {Zie
Abordj.
Dace , ( f) Belafiing , tol > (impôt,
Douane).
Dacroïde , (adj) {in Heelk.) playe
dacroïde , druipende , hopende wond,
Daftyle, (m) Een voet van één
lange en twee kort^ letter sreepen {in
Dicbtk.y
Daélyliomancie, (f) Soort van
waarzeggery door middel van ringen.
Daftyliüue , (adj.) I\.aylifcb.
Daaylonomie , ( f) Telkonfi op de
vingeren.
Dada, (m) Hui! huil buipaardje
(n) {kiv.der w.)
Dadais, (m) Een Jan f ui, een on^
nozelen bloed,.
Dagen , (m) ^fgod der Pbilifiynen,
Dagorne , (f) Een' Koe met een
gebroken hoorn-, {figuurl.) een leelyk
oud bfisie.
Dague , ( f) Een pook , dolk ; korte
breede degen; dagues , (plur.) eerfie
hoornen van een hert-, il eft fin com-
me une dague de plomb, by is ge-
flêpen als een loode pook.
Daguer, (v. a.) {oud w.) Doorjlee-
ken, doorpriemen.
Daguet , (m) Een jong bert,---
Daigner, (v. n.) f^erwaerdigen',ïl
n'a pas daigné me parier , by beeft
my niet verwacrdtgt met my te fpree-
ken ^ of het beeft hem niet eens gelieft
met my te fpreeken.
Daillots, (m. pi.) Ringen, leeu-
wertjes aan 't Jiagzeil.
Dain , Daine , (m. & f.) Een Das
{zeker dier).
Daintier, (m) Herten hal.
Dais, {rn{ Verbemelte in) boven den
troon der Koningen , of over Fet Sa-
crament in Procefïïe.
Dalle , ( f ; Ken' mwt , fneé ( f) i
dalle
II
DAL. DAM.
dalle de Saumon, een' moot Zalm '^
dalle, een gootjleen m een' keuken-,
. een JJypJieen der maaijers j daal of
waterlop van een f chips pomp; tégel-
Jieen ^m).
Dalot, (m) Spie-gaf op een f chip
(n).
Dam» (m) (oudw) Schade; h mon
dam , ter myner fchacte ; Jiraffe der
verdoemden {m Godgeleerdh.).
Damas, m) DamaJJ (n) (jioje).
Damasquiner, (v. a.; Iets als da~
majl werken ; yzer ofjïaal mét ander
metaul tnl.ggen.
Dama^quuieur, m) Damaji-wee-
Ver-f mleggfr.
Damasquinure , ( f) Ingelegd werk
(n).
Damafler , (v. a.) Bhemwerk op
ly Kwaad maak en.
Damaffin , m) Damajl met goude
of zilvere bloemen.
Damaflure, (f) Servet goed met
bloemen (n).
Dame , ( f) Een Mevrouw , voor-
naame Juffrouw; dam in 't fchaak-
fpd; Dame du logis, rf^ yrouw van
't buis; Danoe d'atour, Juweel-be
waarjier der Koninginne -, Damt
d'honneur . Staat-dame.
^ Dame, (interj.) {gem. w.) Dame !
je n'en fai rien , waarlyk ik weet
*er niets van.
Dame damée , ( f) Een ï^rouw van
rang.
Dame- Jeanne , (f) Een vulgelt y
(zeker drinkfles der Matroozen).
Damelopre , (m) Damlooper , (ze-
ker vaartuig in bolland).
Damer , (v. a.j Eet dam opzetten ^
dammen (in fchaakfp.); item iemand
Mevrouw noemen ; damer le pion à
quelcun , iemand onder/leek doen.
( JPr- w.)
Dameret , (m) Szlet-jonker , Salet-
fop Î Joffer dienaar.
Damier, (ro) Een fehaak-bord ,
dam-bord.
Damnable , (aâj.) f^erdoemelyk ^
(zegt Dannable).
Damnablement, (adv.) f^erdoeme-
lyk.
Damnation , ( î)Ferd<ieming , ver-
«iQfimenis, J
DAM. DAN, DAR. 185
Damné, ée (a^ïj. a i'ubft.) ler-
doemd; les damnez , de verdoemde.
Damner , (v, a.) Verdoemen.
Damoifeau ou Damoiftl ,(m)£^fl
pronker , verwyfde en ingebeelde Öa-
let pop.
Damoifelle , (f) Juf rouw, (in
reebten anders DemoifeUe).
Dénché , ée (auj.) Getand als een
zaag (in IVapenk.).
Uandin , ine ^m. & f.) Een zul,
een onnozele gek; zot tin.
Dandiner, (v. n.) Gekke gehacrden
maaken ; Te dandiner , zig op een
Jhel als een gek zitten te viHegen.
Danger , (ra) Gevaar (n) ; danger*
naturels, blinJe klippen {Zee w.)
Dangereufement , (adv.) Gevaar-
lyk.
Dangereux, eufe {^à].)Gsvaarlyk.
Danojs , oife (.adj.) Parler danois ,
deenfch fpreeken.
Dans, (prep.) In ^binnen ;àrix\^ Ia
chambre, inde kamer; dans aeux
jours, binnen, of, ov.r twee dagen i
dans peu , binnen korten-
Danfe , ( f) Een dans (m) ; après
la panfe, vient la danfe , na 't ee^
ten, ten dans (fpr.) , entrer en dan-
fe , aan den dans gaan ; item in een'
zaak ingewikkeld worden,
Danfcr, (v. n.) Danfen , il ne
fait fur quel pied danfer , by weet
niet op wat been by fJaan zal,
wat aan te vangen by is ten einde
raad; je Ie ferai bien danfer , tk
zal bem wel drillen , krvgpv.
Danfeur, eufe (ra. & f.)' Een dan-
fer ; danjler ; danfeur de corde ,
koorden-danfer,.
Dard, (m) Een werpfpies, fchigt ,
band-pyl; lancer un dard, eenpyl
werpen, ^■'
Dardanaire , (m) Eeti koren fcba^»
eberer,die zulks opkoopt, en ter ftype-
rinç( terug boud.
'Darder, (v. a.) Een' pyl zverpenz
darder un couteau , e*'a mes wer
pen) le foleil darde fes rayons, dl
zon Jchi et ha are Jlrca len u it.
Dardeur , (ni) Een pylwerpçr.
J^^jdiUe,(t)DeJieng,fpyl van
ten Angelier enz.
Dardiller, ,v. rï,)ZyK'fïeng fcbieten,
M 5 D'à,
la^DAR.DAT.DAÜ.DE.
Darius, {m) Hv-fJtp Linnen (n).
D3.riole, (f) i£en boter koek (ra),
Jiruifiï).
Darioletce , (f) BêoJfchap/Ier tn
mimi? handel {^rm.'W.)
Darnc, (f ƒ Een moot van vïfch ,
(been er dalle,).
Darfe ou'darfine, (f) Eîffîn (ra)
kom , <i)k rjan eer. haven die met eene
kettinq of boom geflooten kan ivnrden.
Dartrè , ( f ) üuuivworm ywtjlag {m)
z'uurighelj (f).
Dartreux, eufe (adj.) Met vuurig-
beiii bezet.
Dataire , (m) Pausfclyke Kantze-
lier y die de documetiten der BeneS-
cien op Ke^kl. ampten tékmd.
Date , ( f) Dagteekening ( f) , da-
tum (tn).
Dater, (v. a.) Dagteekensn , da-
tecren,
Darerie , ( f) Plaats te Romen daar
de do came nten g i'da^tckend worden.
Datif, (m) De gever , ^de naam-
rol der buiging (in fpraakk,)
Dative, (adj.)Tute]ie dativ€ , voog-
(fyfchap door d'overigheid aangeJïeJd.
Datte, (f) Ern dadel.
Dattier , (m) Dadelboom.
D'avantage, (adv.) Meer , daaren-
hoven.
Daube, (f j Zekere f jus om teflooven.
Dauber, (v. a.) Zulke faus maa-
hin ; item voor de gek houden j be-
fcbi'-npen ; at'roJTen, knuffelen.
Daubeur , (m) Een /potter , {Zie
railleur.
Daugebrot, (m) Een dogger {zeker
'Vaariuig tot de Kabeljau-vangjl).
Davier , (ra) Kuipers -hoeptang {£);
Pelikaan (m) , om tanden mee uit te
trekken.
Dauphin , (m) Een Dolphyn {zé-
kpr vifcb) , item de Kroonprins van
PWankryk.
Dauphine , (f) GcmaaUnne van
den Kroonprins van yrankryk.
D'autanc. (Zie Autant).
De , du , de la , àes{.4rtikels <, aie
zomtyds in't duitfch niet uitgedrukt itior-
den) van , van de enz.; de l'eau , wattr;
van het water', de la toile ,iynwaad;
iDan het lynwaad ; du vin , wyn ; van
den wyn , of des-, wyns j de braves Sol-
DE. DEB.
dûts , wakkere ÓolJaaten ; van wak»
kere Soldaaten\ des hommes, Men^
fcben; 1'an (f e Menfchen', la loi de
Dieu, de wet Gods-, un habit de
drap,rf« lakens kleed % un c?.roflc
de louage, een huur-koets-, un hom-
me de biï;n , een vroom man.
De {voorzetzel) van ; te , om te ;
être obligé de faire , genoodzaakt
zyn te doen ; de- tout mon cœur >
met al myn hart, de nuit, de jour,
by der nagt , by den dag ; de grand
matin , heel vroeg ; de grâce , ik bid
'er tl om ', fe mocquer de qaelcun ,
K:et iemand de gek f c beer en ; de
quoi vous mettez vous en pei-
ne ? waar over bekommerd gy u?
afTez d'argent , gelds genoeg j beau-
coup d'honnear, veel eer-, c'eft de
la dernière fojie, het ts de grootjie-
dwaasheid ; ce fot d'Officier , die
dwazen Officier ; mon coquin de va-
let , myn fchelm van een knegt ; il ne
reviendra de dix ans ,^y zalingeen
tien jaaren weérkomen', je viens de
lui parler, ik heb hem zoo aanjlonJs
grfproken-f de bien en mieux, hoe
langer hoe beter ; de mal en pis ,
hoe langer hoe erger 'f de deux jours
l'un, om den anderen dag ; dans un
an d'ici, over een Jaar -, de par le
Roi , door de Koning j de ce que >
daff de la forte , op die wyze', de
plus, daarenboven^ ^og'y en moins
de rien , in een oogenbhk ; il n'a
pas mangé de tout le Jour ; hy
beeft den gantfcben dag niet gege-^
ten Î repouffer de la main , met de
hand trrug JJooten ; jouer de la fiute,
Qpde fuit fpeeleni je viens d'auprès
du feu , ik kom van 't vuur af '^ fe
feparer d'avec quelcun, van iemand
fcheiden 'f je viens de chez vous,*
ik kom van uwent; il eft forti d'en-
tre nous, hy heeft ons gezelfchap ver~
laaten.
Dé, (m) Een vinger hoed ; dobbet-
Jleen , teerling ; Ie dé en eft jetté,
{fpr. w.) de zaak is bejlooten ; fans
flatter lede, {fpr.w.) zonder omwe-
gen 9 verfcbooning j à vous le dé , bet
is WW beurt. ■'■
Débaclage, (m) Het losgaan van 't
ys,dryf-ys in), ^
De-
DEB,
Debacle, (f) Oprmimh^ der Sche-
pen in een Hctjcm nMor amdt^t > ittm
ysgatig; la debacle a emporcé dea
ponts & d^s moulins , de fsgang
heeft httg^cns en tnofrns mci' gcvuerJ.
pébaclcmene. {Zte debacle.)
béUcler, (v. a. & n.) [>e bakens
opruimen ; een deur cf vvngjier open
breekrrt'y la glace debacle « het ys
brpfkt/os, is aan 't gaan -, lafoireeft
finie, les marchands débadent, de
Kermis is gedaan , de kraamlieJen
breken np.
Débacleor , fra) Een Hanjenmrtfer ,
een die order op bet terug "joaren of
fcbctveelen der leege Sc/M'peti JielJ.
Débagouler, (v. a.) Onhedagtelyk
fpreekerty 'er iets uitlappen,
■ Déballage , (m) QntpakJdng der waa^
ren{£).
Déballer, (v. a.) Ootpakken.
Débandade , (f) à la débandade,
in V iviid 9 vmejielyk*
''' Débandejnent, (m) V Los fpannen
"jan een boog, 't avegioope» der Sol-
àaaten (n).
Débander, (v. a.) Débander nn
are, un ftiüljctf» boog teen fnaphaan oat-
fparmen; un hr?iS, e en' arm ont zivag-
telen ; un criminel , een misdadiger
omblinden ; l'efprit , de herjfens ruji
geven ; Ce débander, (v. r.) wegloopeif,
afdrojfen {als Joldaaten) , les corde*
fe débandent , de touwen geeven
*neê; Ie tenipsfe débande, betweêr
cmlaat.
Débanquer , (v. a.) D^ bank win-
nen (in 't bajfet fpel).
Débaptifer ,(T-a.) Omdoopen ^eenen
hinderen naam geven.
Débarafler, (-^/^Débarraffer).
Débarbouiller , (v. a.^ Reinigen ,
afwifchen,
Débarcadoor, (m) Een ios-plaatj
voor fcbeeptn ( f).
Débar^age , (m) LoJJtvg der fchee-
pen ; ontlojimg (f),
Débarder , (v» a.) f^an zyn' rug
ontlajïen ;loJ[en^ {word meejl van brand-
hout of ander hout verflaan).
Débardeur, (m) Een bout -laffer
de*- fcheepen.
Débarquadour.f^iV Débarcadour.)
Débarquement , (m) Omfcbeeping ,
hnding (f).
DEB. 187
I Débarquer, (v^ n.) Ontfcherpen,
am land gaan, lo^Jcn,
DébarrafTer , (v. a.) ChJtwerren ^
entuikkelem bevryden; fe débarrafler
(v. r.}, zig onttvorren, ontdoen^ los
maaien (van iets),
Débarrer, (v. a,) Ontjluiten ; dé-
barrer une porte, dfe» boom van een'
deur dofn.
Débat, (m) Qefchil (n), twijï (f);
après pluûeurs débats, na veel tuis-
te».
Débâter , (v. a.) Ontzadelen , het
pak-zadel afneemen ; un âne débaté >
eet» Hoereajager.
Débattre , (v. a.) Twiffen; afdoen
voor 't recht ; débattre un compte ,
eene rekening betivifien, bepleiten-, fe
débattre ,(v« r.) zicbplaagen , quelle» ,
moeite geven ; met de wieken klappen
als een vogel.
Débattu, ue (adj,) Ocderzogt-, un
poiot débattu, een' afgedaane zaak%
on a longtemps débattu cette affai-
re , men beeft die zaak lang onder-
zogtf betwifl.
Débauche, {?) Gqflery , fJempem-
pery ; overdaad-, item of^gebor.denbeid
wellufl , omzwiering ; honnête dé-
bauche, vralyke teering y luJJigheid',
plongé dans la débauche , in da
welluji verzoopen.
Débauché, ée (adj.)i Ongebonden-,
verleid y un débauché, een zwierboly
ligt mi s j een fmarotzer , flempemper 5
débauchée ( f) , een ontugtig f^rou-
menfcb.
Débaucher, Cv,a.) l'^erleidertyver^
voeren y ven zyn pligf brengen-, débau-
cher un jeune homme , une fille ,
eeu Jofjgman , eene jonge Dogter ver-
legden , débaucher un valet , een*
knegt van iemand aftroonen-, fe débau-
cher , zich aan cngebondenheid overge^'
ven.
Débaucheur, eufe (m. & f.) r?f-
teider; verleidfler, koppelaar]} er.
Débentur, (m) (Lat.w.)Quitantie
van een Hof bediende aan den Koning (f).
Débet, (m) {Lat, w.) Schuld (f )i
Débet (n). ^*
DébifFer , (v. a.) être tout débiffé,
gantfch verdorven {van maag) zyn.
Débile , (adj.) ^tt'ji&,TOa?/f/oof,
\kragteloos, Dç]iU
î88 DEB.
Débilement, (adv.) ZwcAietyk.
DébilitatLon des nerfs, {£) f^er-
Zwakking der zenuwen.
Débilité, (f) Zwakheid.
Débiliter, (v. a.) i^erzwakken.
Débillarder, (v. a.) Een Jiuk hout
hthakken , bejlegten , verdunnen.
Débiller (v. a.') les chevaux,
de paarden van een' trekfcbuit los
m a aken.
Débit , (m) Verkoop , aftrek , ver-
tier ; vlugheid m bet f preeken , il a
un beau débit , by heeft mooi wat te
doen j {figuur t.) hy kan zyn woord wel
doen , hy f s vlug ter fpraak.
Débitant, (m) Een die in het klein
verkoopt.
Débiter, (v. a.) Waaren verkoo-
pen , vertieren , afzetten , aan den man
brengen; een' rekening belajien , debi-
teeren j bout ,Jïeen tot planken , plaa-
ten zaagen ; een goede ut t fpraak heb-
ben ; il débite bien , hy is mooi ter
taal'f on débite, wté-k verhaald y men
zegt 'f débiter un cable , een' kabel
van de beeting doen^ bot geven {zee
«;.) ; débiter ie bois , het hout af-
meetenyom op zyn lengte en dikte tP
maakeu (in Botiwk.) } fcie à débiter ,
^an-zaag.
Debiteur, trice (m. & f.) Schul-
denaar ; fcbuldenaarjler.
DeDÏtenr de nouvelles , Een nietiws
verkondiger ; debiteufe , een Praat-
moer , klappeie.
Debitis , (m) Volmagt wegens eener
fchuldvordéring {£).
Déblai, (m) (geut. w.) Ontlafling ,
hevryding ( f).
Déblayer, (w.a.) Omtajïen vanbe-
zwaarnis y {gem. w.).
Déboire, (m) Kwaade r.afmaak^,
wànfmaak (m).
Déboîtement, (m) Verfluiking.
Déboîter , (v. a.) DéboîteV un
os ) een been verfîiiiken , verwrikken.
Débonder, (v. a. & n.) Een' vy-
ver aftappen^ de fluis openen'» met ge-
weld uitbruîffchen , uitberflen.
Débondonner , (v. a.) De bom ,
Jiop uit een vat trekken.
Débonnaire, (adj.) Prince dé-
bonnaire , zagtmoedig l^orji.
pébonnaireraent , (ad/.) ^Jgt-
mwdig!yk.
DEB.
Débonnaireté , (f) Zagtmoedig-
beid f goedaardigheid.
Débord. (Zie Débordement)^
Débordé, ée (adj.) Overjirabmd -,
mener une vie débordée, een ruk.
keloos leeven leiden.
Débordement , (m) OverJJrooming ;
ongebondenheid.
Déborder , (v. n.) Overjlrcomen ,
overloopen {van rivieren) ; de kanten ,
boorden van een rok neemen ; voor uit-
jieeken {van balken); fe déborder »
zich van een ander [chip los maaken
{zee w.)}fe déborder en vices, een
fchandelyk leeven leiden.
Débordoir , (m) Snymes {by Kui-
pers en Loodg.).
DébofTer, (v. a.) Débofler Ie ca-
ble , de flopper los maaken , {zee w.).
Débotter, {v. a.) Ont laarzen ; fe
débotter , (v. r.) zyn laarzen uit'
trekken.
Débouché, (m) Trouver un dé-
bouché pour une marchandife , ^f «e
gi'legentheid , uitweg , ter afzetting
e^ner waar e vinden.
Déboucheraent, (m) Ontfiopping ^
opening (f) j uitweg ^ middel.
Déboucher, (v. a.) Openen , ont-
Jitppen,
Déboucler , (v. a.) Eene Merrie ont'
ringen; déboucler une perruque,
eene pruik uitkammen.
Débouillir, (v. a.) Staaltjes, lap-
jes afkooken, om te zien of de kleur
vaji is (-by Verwers).
Débouquement , (m) Uitloopingy
(zee w).
Débouquer, (v. n.) Een engte den
zee uitkopen , (zee w.),
Débourber, (v. a.) Uitbaggeren;
uit de modder trekken ; fpeenen ( van
l^tfch gezegd).
Débourgeoifer , (v. a.) Van der
burgerfiand veradelen.
Débourrer, (v. a.) De fcheerwol
uittrekken ; iemand befcbaaven , met
de waereld leer en omgaan ; fe dé-
bourrer , rv, r.) befchaafd worden.
Débourfé, (m) Verphot (n).
Débourfement, (m) Verfchot (n) ,
uitgaaf (f).
Débourfer, (v. a.) Geld uit geeven,
verfcbieten*
Dé-
DEB.
Debout, (m) Staande j fe tenir
debout, over eind Jlaan-, être dé-
bout % op de been zyn ; debout / reis
op,Jia opl dé bouc au vent, vlûk in
de iviiid; avoir vent débout, tegen
de wind opzeilfii; pafTer debout jV; y
paflVeren (van ivaaren).
Débûutement ,(m) Ontzegging (f)
(in rechten).
Débouter, (v. a.) Ontzeggen, af-
Jlaan; on l'a débouté de fa deman-
de , men heeft hem met zynen eifch af-
geweezeit.
Déboutonner (v. a.) un habit, ^^»
kleed ontknoopen , tos maaken.
Débrailler, (". a.) fe débrailler,
(v. r. ) 2^yne kleederen van vooren wyd
open zetten , de borfi ontblooten.
Débredouiller, (v. a.) Het dubbel-
de J'prl in tiktak , door een gewin fper-
ren , de f y breeken.
Débridée ,( f) Pleijlerof voêr-geld
van eenpaerd (n).
Débridement , (m) Onttoomtng (f).
Débrider, (v. a.) Onttoomen, den
tmm afdoen ; fans débrider , zonder
Pusfcbenpoozinge.
Débris, (m) Wrak van een fchip ,
overblyfzel ; puinhoop (n) ; débris
d'une armée , overfchot eenes beirs.
Débrouillement, (m) Ontwerring
(f); débrouillement du chaos, de
in orden fchikking van den chaos,
mengel of klomp»
Débrouiller, (v. a.) Ontwerren ,in
ordre brengen ; débrouiller une in-
trigue , achter een' heimelyke onder-
handeling komen.
Débrutalifer, (v. a.) Temmen ^be-
fcbaaven, gpfchikt maaken.
Débrutir, (v. a.) Glad maaken ^
polvjien (van fpi egels).
. Débuchemcnt , (m) Het ryzen
uit zyn léger offchuilplaats.
Débucher, (v. n. & a.) Uit zyn
hol voor den dag komen -, opjaagen ,
(Jai^ers iv.).
Débusquer (v. a.) 1'ennemi , den
vyand 'er uit jaagen, verdryven-, dé-
busquer fon rival , zynen mededin-
ger , medevryer 'er uitbonzetT.'
Début, fm) Begin (n), aanz>ang ,
aanval , eerjïe zet; eerfle Jlag of worp
in 't kegel fpel enz, (m)-, v©îià uu
DEB DEC. i8p
beau début, dat is ten mooi begm^
début d'un discours , begin eenet
reden.
Débuter, (v. a.) De eerflen flag in
't kégel-fpel eni. doen(iirer unt bou-
le); débuter avec efprit , iets wel
beginnen ; c'eft bien débuté , dat 's wet
aangelegd, of ([pottende) dat is een
heerlyk begin waarlyk !
Deçà , (prep. & adv.) Courir de-
çà 3c delà , herwaards en derwaards^
been en weer loopen; toute s les nou-
velles de deçà , aile de tydingen van,
dêeze kant ; au dtÇa, en deçà, par
deçà , aan deeze zyde.
Décacheter , (v. a.) Ontzégelen^
het zégel opbreeken , afdoen.
Décade , ( f ) Een tien-tal (n) (van
hoekdeelen).
Décadence, (f) Ondergang (m);
aller, tomber en décadence , i« *p
verval koomen.
Décagone , (adj. & f. m.) Tîen-hoe^
kig ; een tien-hoek (in Meetk.).
Décaiffc^r, (v. a.) Uit de kajlen of
bakken doen (Tuimn. w.)
Décalogue , (m) De tien gebooden
(n. pL), de wet (f).
Décalquer ,(v- Zi.)Een kopere plaat
afdrukken, een afdruk maaken.
Décameron , (m) F'erhaal (n) van
eene tiendaagfche gefchiedents.
Décampernent , (m) Opbreek ing van
een léger (f).
Décamper, (v. n.) Het léger op-
breeken y de vlugt neemen , opkraamen,
zyne biezen pakken.
Décanat, (m) Het Dékendom (n),
(Kerkel. waardigh.).
Décantation , ( f) ^fgieting , ( in
Chvm.).
Décanter , (v. a.) Iets zagtjes af-
gieten.
Décapiter, (v. a.) Onthoofden.
Décarréler, (v. a.) Ontvloeren.
Décaftyle , (m) Gebouw met lopy-
laar en op een ry(n).
Décéder , (v. n .) Overly den, fierven,
Déceindre, (v, a.) Ontgorden.
Déceinc, einte (adj.) Öntgord.
Déc^lement , (m) Ontdekking,
openbaanng (f).
Déceler , (v. a.) Iets dat geheim is
voor dffi ifag brmgen.
Jöo DEC.
Décembre , (m) IVinter-inaand'De'
ceraber.
Décemment, (adv.) Beboorlyk ^ ge-
voeqlyK
Décemvir, (m) Een der io regee-
irende Raadsheereu eeriyds te Romen y
Décemvirat , (m) Ampt daar van.
Décence, {€) Betaamlykheid ^ ge-
voeglykheid.
Décennaire , (adj.) Tien jaar oud.
Décennal , aie (adj.) Tienjaarig,
Décent, ente (adj.) Betaamlyk-,
îiabic décent , iveljlaand , Jiaatig
kleed.
Déception , ( f ) Bedrog (n) , valfcb-
heid , misleiding (f).
Décerner, (Y. a.) Toe-erkennen ^be-
Jîuiten; belaJJen , beveelen-, la triom-
phe fût décerné a&c. lie triomf werd
toe gekend aan enz. la cour a décerné ,
het hof heeft verordend') décerner un
décret de prife de corps, een per-
foonlyk arreft verkenen.
Décès , (m) Overlyden (n) , dood,
Décevable, (adj.) Ligt te bedrie-
gen.
Décevant , ante (adj.) Bedrieglyk.
Décevoir, (v. a.) Misleiden y be-
àftegen. {Zie Tromper).
Déchagriner, (v. a.> In een goede
luim brengen.
Déchaînement, (m) Scheiding , uit-
vaaring.
Déchaîner» (v» a.) Ontketenen-,
aanhitzen, opfiooken; fe déchaîner
contre çuelcan , tegen iemand uir-
*vaaren , de huid vol f c benden.
Déchalander ou défachalander,
(v. a.) Onttrekken y enderkruipen.
Déchanter, (v. n.) Il y a bien à
déchanter , 't gaat 'er zoo niet als
tnen wel dagt , 't fcheeld veel.
Déchaperonner, (v. a.) De kuif
tf kap aftrekken.
Décharge , ( f ) Ontlaadtng , loffing
(van koopmanfch.) ', gemeene miflhoopi
ontlajiing (in Geneesk.) ; drop van een
dak j veffcbooning ; décharge de con-
fcience ^verligting des gemoeds ; don-
ner une décharge à quelcun , ie-
mand een kwytings-brief mede geeven;
feire une décharge , eett meenigte
roers gelyk aff: bieten.
péchar^er, (v. a.) Jfiaadeny om-
DEC.
laflen-y ledigen -, verltgten; nitjlorten%
geeven ; verfthoonen , ontfchuldigen i.
vrj maakeiiy ontheffefi-, quyten; dé-
charger, un chariot, een wagen ont j
laaden ; décharger Ton ventre , zyn
buik loozen j décharger le canon y
het gefcbut loffen\ il lui déchargea
un coup de poing , hy gaf hem eeu
lap om de oàreti; être déchargé des
témoins, van de getuigen veronfchuL
digf zyn j décharger le peuple des
fubfides, bet volk der fchattingen ont^
heffen ; décharger ia confcience ,
zyn gemoed bevryden ; décharger fon
cœur, zya hart openen , uitjiorten-,
décharger un jcontra; een verdrag
vernietigen; décharger, uitdoen, door
doen {by Ko»pl.}-^ décharger les voi-
les, de zeilen afbrasfen (zee-w.)
Se Décharger , (v. r.) Zig ont-
leden y zyn gevoeg 'efoett, zig' ontfchul->'
digen-y fe décharger iar quelcun,
ztg opiemandverlaateny couleur quÏ
fe décharge , kleur die verfckiet-, Ie
tems s'eft déchargé, het weer is cp-
gekelderd.
Déchargeur , (m) Een loffer der
fcbeepen.
Décharné, ée {■aA].)- Schraal y uit-
geteerd-, ftyle décharné, flegte JîyL
Décharner, (v. a..} Het vleefc/r van
bet gebeente doen ; vermageren , uittee-
ren van eene ziekte.
Décharpir 5 (v. a.) Twee vegtende
luiden fchei den (gèm, w.)
DéchafTer (v. a.) une cheville ,
een' hout uitdryveu.
Déchaumer , (v. a.) Een' jakker
opfch^uren , ploegen,
DéchauiTement , Cm) Ontfcboeijing 5
lofmaaking der aarde om een boom,
Déchaufler , (v. a.) Iemand ont»
fchoeijen; déchauflir une dent, bet
tand>vleefcb losmaken; déchaufTer un
arbre » een boom lugt geven -, déchaüs-
fer la volaille , de poot en van 't ge-
vogelte affcbroeijen (by Koks)» ^
Déchéance» (f) à Peine de dé-
chéance de fon droit, op verbeurte
om van zyn regt vervallen of verjîéken
te zyn.
Déchet , {ïd) P^erlies (n) ; vermin-
dering (f) in prys of waarde-, por-
ter le déchet , de fchade draa~
DEC.
geni déchet, 't afJryven van ftn
Schip.
Déchevelé, ée (adj.) Met hangend
bair.
Décheveler , (v. a.) Een IVyf de
kap aftyekken-y het hair los fcheuren.
Déchiffrable, (adj.) Dat uitgecyf-
jerd -^ uitgelegd kan zvorden,
DéchifFrenient , (m) Ontcyffering ,
oniwarring , onthioopwg.
Déchitfrer , (v. a.) Omcyfferen ; o»/-
knoopen, ontivarren , ontdekken ; dé-
chiffrer une chofe difficile , een
moetlyke zaak t-erjîaan ; déchiffrer
une intrigue , eene onderhandeling
mtdekken; déchiifrer qaslcun;, ie-
mand afpchilderen , open leggen.
Déchiffreur, (m) Een die cyfferge-
tallen , ofmoeilykfchrifî uitlegd, enver-
klacrd.
Déchiqueter, (v. a ) rerfnyden,
verjmpperen , door kerven-^ déchique-
ter des étoifes , Jloff'en met bloemen
maaken.
Déchiqueture , (f) Snipper (m)
offhydzel van iets (n).
Déchirage , (m) Bois de déchira-
ge ibrandhoud van oude Scheepen.
Déchirement , (m) Verfcheuring,
Déchirer , (v. a.) f^erfcheiiren ^ry-
nni vernielen-, fchenden , lajleren; 1$
populace le vouloit déchirer , hei
gemeene volk uUde hem verfcheuren :
déchirer quelcun , iemand fchenden y
il ne s'efl pas fait déchirer le man-
teau , hy het zig niet Jlerk bidden
(fpr. u:)
Déchirure 5 (t') Scheur, [tnkîeede-
ren).
Déchoir, oa déchoir, (v. n.) Al-
let^gskens verminderen , in verval
koomen ; verzwakken ; déchoir de
fon efpérance , van zyn hoop verjlé.
ken worden; déchoir, afdryven (zee
u-oord).
Dechouer , (y. a.) ^en Vaartuig
dat va f} is weder doen vlotten.
Déchu, ue (adj.) Vervallen, afge-
vallen. •'■*
Décidé , ée (adj.) Bef^iJI.
Décider, (V. a.) Beflechten , beJTis-
fen, voanijen-, décider une difficul-
té, etKe zwaarigheid beOiffen ; c'eft à
v»us à décider dp raaVortune, bet
DEC. ipï
f^^ aan u om my gelukkig te maaken,
Déciller les yenx, (v. a.) De oo-
gen openen.
Décimable „ (adj.) Dat tiend on-
derworpen is.
Décimal, aie (adj.) Dat de tiend
aangiint.
Décimateur, (m) Een tiend heffer.
Décimation , ( f; Vcrttending ;
hoting om den tienden man.
Décime, oudime(f) De tiend van
koren ^nz.
Décimer , (v. a.) Om den tienden
man dobbel, n , {in Krygsk.)
Décictrer, (v. à.) De[hoitte boog
onder een verwulf wegneeir.en
Décimroir, (m) Ken jlra'at-hamer.
DéciCf, ire (adj.) Bejliffend, uit-
ivyzena.
ui^praaT' ^^^^'^'^'"'S , h^Mng,
DécifioDnaire , (m) Bejlijjer.
Dicjfivemeat , (adv.) Eéflijfendfr
pécifoire, (adj.) Serment déci-
foire bffliffer.de eed {in rechten),
Déclamateur , (m) Een publiek
redenaar -, heftige fcbryvcr-, gebaar-^
maaker , fcbretwwer , zwetzer.
Déclamation, (f) Scboul-gefprek
Cn); uitvaaring in woorden, doorhaa-
itng ; hoogdravendheid i item gebaer Jeu
van een redenaar-
Déclamatoire , (adj.) Style dé-
clamatoire , fchool-trant.
Déclamer , (v. a.) Een openbaart
reden doen {op fchool) ; tegen tets uit.
•vaaren, fchre( uwen y tieren.
Déclaratif , ive {ad).)Verklaarend.
Déclaration, (f) Verklaaring , te-
tutgjng; déclaration de guerre
(yorlogs-verklaaring-, déclaration del
ttarchandifes à la douane, aan.
geevmg der waaren op den tol . 't
^onvoy; donner une déclaration
de fon bien , sene opgave doen, eene
lyjt rjan zyne goederen gteven.
Décii^racoire, (adj.) Aftss décla-
Déclaré, ée (adj.) Verklaard enz. >
ennemi déclaré , openhaaren of eel
zwooren vyand. *
Déeiarcr, (y, a.) Vtrkharcn, he-
ken/-
192 DEC.
iend moaUn , aan^cûven ; déclarer
la guerre, den oorlog aankondigen;
fe déciarer {:our quelcun,2iV^ vour
iemand ver klaar en.
• Déc'em-her une porte, (v. a.;
Een' deur by de kli k openen.
Déc.'icq, (m) tien hei ^ het-blok.
Déclin, (rr,) ^f^a>^g ; tomber dans
le déclin , in 't verval raaken ; dé-
clin du j u^ , de l'à'^e, V afnee-
men van den dag, der jaarer..
Déclinable , (a- ij.) Dat geboogenge-
déclinr €• d kan worden ,(in fcraakk.),
Décliraifon , (f) Buiging y {in
fpraakk.);AéAh)'AÏ^ox\ du T leiljde
la bouffole ^afwsking der zonnevan 't
compas.
Déclinant, (adj.) Cadran décli-
nant , af wy kende zonne-wyzer.
Déclinât öire , (adj.) Exception
déclir.atoire, on dérlinatöire (f.m.),
Uitvhigttot ivraaking, onttrekkivg van
den Rechter ivaar voor men gedaagd is.
Déclinatoire , (m) 'Werktuig om
de afivyking eener muur , waar tegen
nteft een zonne-wyzer plaat zen- wil,
te vinden 'n).
Décliner, (v. a.) Afneemen, daa-
ten Î verzwakifen -, afwyken (mjlerrek.)-,
Ie jour décline , de dag daald; il
commence à décliner , hy begtnd te
verzwakken» '
Décliner, (v. a.) Butgen, décr-
neeren (in fpraak.)-, déclin r la ju-
risdiftion , den Rechter cfhetrichts-
gehied wraaken.
Déclorre , (v. a.) Een beïnifig af-
hreeken ; openen.
Déclouer , (v. a.) De fpykers los
manken , uitjlaan.
Décochement , ''m) Affchieting (f).
Décocher , (v. a.) Affchieten ,
werpen {als pylen, enz.)
Décoftion , ( f) Afziedzel van krui.-
tien een , decoftura (n).
Décoëffer, (v.a.) Omkappen; dé-
coëffer une bouteille , een flefch ope-
nen.
Déco^noir, (m) Een Jluit- hout (by
Boekdruk.)
Décollement, (m) Lotmaaking van
het gclymde (f).
Décoller, (v. a.) Het gelymdg los
tnaaken-, onthoofden y ontbàîzen.
DEC.
Décollorer, (v. a.) De iJeur doeti
ve^'liezen , verfchieten.
Decombrer, v. a.) De puin ^ bet
gruii opruimen.
Décombres , (ra. pi.) Puin , gruis.
Décompofer, (v. a.) Ontbinden (tn
Chym ) iemand ontjiellen , van zynjiuk
helpen.
Décompofition , ( f ) Ontbinding ^
fche'dwg {tn Chym.)
Ttécota^te , (m) Karting (f), af-
trek.
Décompter , (v. a.) Aftrekken , af-
korten , ^rabattre).
Déconcerté, ée(ad\.)OnPeld f ver-
légen ^ vatf zyn fluk.
"Déconcerter, fv.a.) Ontjîellen-, il
aime à déconcerter les gens , by
boud veel van de lieden verlegen te
maaken; déconcerter les delTeinS
de fes ennemis, de aanjlagen zyner
vyanden veriedtlen ; déconcerter ,
wanluîdenheid veroorzaaken (inmufuq.)
Se Déconcerter , (v. r.) Buiten
pojîuur raaken.
Déconfire (v. n.) les ennemis,
den i^and totaliter verjlaan.
Décon.fiture , ( f ) Nederlaag.
Déconfort , (m) Neerjlagtigheid
(f). (Zie défolation).
Déconforter , (v. n.) Neêrjhxgtig
maaken ; (défoler is beter).
Déconfeiller , (v. a.) Afraaden.
Décontenancer, (v.a.) Ont/le lien ,
verlegen maaken.
Se Décontenancer, ('v. r.)Schaam'
rood worden.
Déconvenue , ( f ) Ongehik (n) ,
(oud. w.^'
Décorateur , (m) Een opfcbikker,
Décrration , ( f ) Verciering.
Décorder , (v. a.) Een touw les
draaien.
^ DrVorer? (V. a.) l^ercieren.
Décorum, (m) (Lat. w) Garder
le décorum > de weljfaanlykheid in
agt K-emen; (fauver le dehors).
Découcher , (v.-n. & a.) Buiten
's buis Jlaapen ; een ander zyn bed doen .
ruimin.
Découdre, (v. 2.) Los tornen; los
maaken (zee. w.)\ il en faut décou-
dre, men moet daar over hand gemeen
worde» (fpr, w,); affaire découruë",
zuak
DEC.
iàhk die kivalyk gejîetd it', ftyle de-
co.ufu , een flegte Jiyl.
Découlant , ante (adj.) l^loeiiende.
Découlemenc,(m) ^fJruiping ,af-
vloeijing ( f ).
; Découler, (v. n.) y^floopen, afîek-
ften, afdaalen; la Tueur lui découle
de toutes parts, het zweet loopt hem
van alle kanten af.
Découpé , (m) Een bloemjîuk in een
tuin.
Découper, (v. a.) Aan Jiukkenfny-
den y met figuuren uitfnyden.
Découpenr, eufe (m. & f.) Een
die Jhffen of lakens pikeerd.
^ Découplement , (m) Ontkoppeling ,
losmaak ing ( f; (van honden, o [Jen, enz.)
Découpler, (v. a.) Ontkopprlen.
Découpure , (f) Üttfnyding, uit-
hakknig.
Déc ouragé, ée (adj.) Moedeloos.
^ Découragement ,''(m) Moedeloos-
heid, tieérjlagtigheid (£). .
Décourager, (v. a.) Den moedbe-
neemen .. neêrjlagtig maaken , affchrik-
hnyTe décourager, (V. r.) den moed
laten zakken , zinken,
Décours 5 (ra) Het afneemen der
maap (n), -'y
Découfu , ue (adj.) Ontornd; fes
affaires font fqrt découfues, zyne
zaaken ft aan Ibeeljle^t,
Découfure , ( £ ) Opentorning, fcheur.
■ Découvert, erte (adj.) Ontbloot;
cntdekt. _ '
à Découvert , (adv.) Opentlyk , in
de opene lucht j bloot , voor alle man»
Découverte, ( f) Ontdekking , vin-
ding van iets; envoyer à la décou-
verte , op kondfchap uitzenden , re-
co.snofceeren laaten.
• Découvrir , (v. a.) Ontdekken ;
découvrir on pot , het dekzel van
een pot afneemen ; découvrir un fe-
cret , een geheim ontdekken , daar
achter koomen , ƒ ook , zulks openbaa-
ren; fe découvrir^ zich ontbloot en,
ontdekken , item zich bekend maaken ;
zich voor iemand open leggen ; Ie temps
fe découvre, het weer klaart op.
Décrafler, (v. a.) t^an vuiltghetd
reinigen ; (fguurl.) befchaaven j fe dé-
crafïer, gemanierd worde».
Décréditement , (m) Verlies vat
•€redit; geloof, gunjienz,(n)».
DEC. ÏP3
Décréditer , (v. a.) Iemand zyn
credit, geloof of aanzien beneemen.
Décrépit, ite (adj.) 5fo*-oK</, uitge-
leefd; age décrépit,vieille décrépitCi
Déciépiiation , ( f ) Drooging , uit-
branding van gemeen zout (in Chym.)
Décrépitèr, (v. a.) Gemeen zout
uitdroogen , uitbranden (in Chym)
Décrépitude, (f) Een zeer boogê
ouderdom (m).
Décret, (m) Bejluit, vonnis (n)-,
gebod , infiellwg (£); een gee/ielyk
wetboek (n) ; décrets de Diea, de
Goddelyke rdadsbefluiten.
DécrétaLe, (f) Paujfelyke brief by
wyze van ren gebod ; les décretales »
het pauffelyk wetboek.
Décréter , (v. a.) Üit laft des ge-'
rechts gevangen neemen ; goederen, ten
overftaan van 't gerecht , voor de fchut"
den verkoopen ; ietsgerechtelyk beveelem, ,
Décreufer, (v. a.) De zyde met
witte zeep cpkookeny om de verf tg
doen vatten {by verw.)
Décri , (m) Afzetting (van munt)
(f); être dans un décri public,
in eene algemeene veragtiag , eer en
agting kwyt zyn.
Décrier (v. a.) la monnoie „
geld afzetten; décrier quelcun, ie-
mands eer. en aanzien krenken , hem ge-
haai maaken. ;
Décrire, (v. a.) Befcbryveny dé-
crire une ligne , eene lyn trekken,
haaien ; décrite une chofe , eene zaak
befchryHen.
Décrocher , (v. a.) Los haaken, ont'
haaken.
Décroire , (v. a.) (Alleenlyk dus}
je ne le croi, ni ne le décroi , ih
getoove nocP ja , notb neen (gem. w.)
DécroifTement , (m) jijgang (œ) »
vermindering ( f).
Décroître, (v. n,) AJheemen, af-
loopen , verminderen ; le Nîl croît
quarante jours &en décroit autant ^
de Nyl waft 40. dagen , en loopt ook
zoo veel dagen af>
Décrotter , (v. a.) j^fveegen yfchoon^
maàken, borjielen; elle lîierite bien
d'être décrottée, zyn is wel waard
eens gelief kooft te worden (boert <m.)
Décrotteur, (00) Utn fcboen-poet'^
fer.
IP4 DEC. DED.
Décrottoire , (f) Een fcboen-Ur-
Décrouter; (v. b») Ce Cerf va
décrouter fa tête, det hert gaat zyn
hoofd ergens tegen aan fchuuren ; dé-
crouter un ^-diéyeene pajïei de korji
«flikten.
Décru ,ûe (adj.) afgenomen, ver-
minderd.
Décruer , fv.a.) Rnmv gaar en , of
zyde , eer bet geverfd word , hogen ,
{by f^erw,}.
Déçu , ue'(ad],)\Bedroogen , misleid.
Décuire , (v. a.) Dun maaken j fe
éécaire , (v. r.) dun of week worden
{vanflroop en fuiker gezegd)*
Décuple , (f. m. & adj.j Tien-vottd ;
tienvoudig.
Décurie , ( f ) Rot van tien Soldaa-
Pftt by de oude Romeinen (n).
Décurion , (m) Een Rotmeejier daar
van.
Dédaigner, (v. a.) f^erfmaaden y
veragten,
Dódaigneufement, (adv .) F'erfma-
delyi , met veragtin^.
Dédaigneux, eule (adj.) Verfraa-
iende^ veragtende.
Dédain , (m) Verfmading , verag-
ting, afkeer (f).
Dédale, (na) Doolhof', groote ver-
werring (fguurt.).
Dedans , (adv.) Binnen j entrer
dedans > binnen gaan ; mettre Jes voi-
Its dedans, de zeilen inneemen (zpe \
tv.) 'f par dedans la ville, door de
Jiad; par dedans, aa dedans, va»
binnen.
Dedans , (m) Le dedans d'une
maifon , het binnertfte , bet inwgndige
van eev huit (n).
Dédicace , ( f ) Inwyding eemr Ker-
ke ^ opdragt van een boek.
Dédicateur, (m) Opdraager van
êfnig boek.
Dédicatoire, ( f ) Epître dédica-
ce ire , opdragt-brief.
Dédier, (v. a.) Toebeiligen,toewy-
den ;, dédier un livre à quelcan , ie-
mand ee» boek •pdraagen j fe dédier aux
études, 2;V/b aande fiudie overgeeven.
Délire, (v. a.) Ontiemen , zicb
fiiet houden aan 't ii-oord of doen van
ern ander i un honnête homme ne
fe dédit jamais , ern eerlyk mam koud
DED. DEE. DEF.
altoos zyn woord -y fe dédire de fcs
anciennes maximes , van zyne oude
grondregelen afwyken.
Dédit , (m) Herroeping van 't gee-
ne men gezegd heeft; le 'dédit eft de
20 écxis\de rouw-koop is 20 kroonen ;
avoir fon dit & dédit fbevoegd zyn^
zyn woord te houden , of niet te houden*
Dédommagement , (rp) Vergoeding
van fchade (f).
Dédommager , (v. a.) Schadeloos
houden of fl ellen.
Dédorer , (v. a.) Dédorer nn
CarofTe , het verguldzel van een Koets
afdoen,
Dédormîr, (v. n.) Lauw worde»
(van water gezegd).
Dédoubler , (v. a.) De voering
uitdoen.
Déduaion , ( f) Aftrekking , afkor-
ting (f)j verbaal (n)i il m'a paie
cent florins en déduftion , hy heeft
my honderd guldens in mindering be-'
taafd; déduftion longue , een lang y
breedvoerig verhaal , berigt.
Déduire , (v. a.) Aftrekken , af-
korten ; iets omjlandig verhaalen ( in
Rechten) 'y iets van eene andere zaak
afleiden.
Déduit, ite (adj.) Afgeleid enz.
Déduit , (m) Vermaak (n), uit-
fpanningi , tvd-korting ( f ). --^
Déeffe, (f ) Godirnie; {fig*)fchoonbeidé-
DéfHcher,re défàcher ,(v.a. & r.)
S'il eft fâché, qu'il fe défàche,/»-
dien hy boos word , dat by weer goed
worde (fpr. w.).
Défaillance, (f) Flauwte ; achter^
blyviKg , non-comparitie (in Rechten);
afdruiping {in Chym.); tomber en dé-
faillance, bezwymen.
DéfaiUanc , ante (m. & f.) Een
die nalaat ig is voor deti Rechter te ver -
fchynen •> Non-comparant.
Défaillir , (v.n.& de f.) Ontbreeken y
les forces me défaillent, dekragten
begeeven my ; rien me défaut , niets
ontbreekt my.
Défaire , (v. a.) Ontdoen , los maa-
ken^ uit den Jtaaop doen; défaire une
montre teen horolo^ie uit malkander^
doen ; défaire un nœud , een' knoop los
maaken ; défaire un mariage , een bu^
welyk breeken , je vous prie de me ,
défaire de cela , ik bidde u tny daar ..:
vati'
DEF.
cae te ontlaJJen ; défaire (on entant,
zyn kin J vt/rdoen f ombrengen i défaire
une armée, een léger verflaan; fe défai-
re, (v.r.) zich ontdoen , los tnaakcn ; ztcb
zelven verdoen, het leeven benermen ,
cfook, zich ruineeren; fans fe dé-
faire , il répondit , zonder zich te
on t/lellen , antwoordde hy ; fe défaire
d'une charge , d'iin valec , een ampt
neerleggen, zich van een knegt ont-
doen.
Défait, te (adj.) Verjlaagen', ma-
ger, ongedaan -y elle eft triite & dé-
faite, zy ziet 'er droevig en ongedaan
uit, {Zie verder défaire). .
Défaite , ( f) Nederlaag eenes heirs-,
aftrek , afzetting van ivaaren j ce drap
éfl: d'une belle défaite , dat laken
is van goede aftrek , is wel te verkoo-
pen ; trouver des défaites y ontfchul-
digitt gen vinden y zich redden-^ voilà
une plaifance défaite ! dat is eene
aardige verfchooning !
Défalqoement, (m) Korting, {Zie
Rabais).
Défalquer, Cv. a.) Afkorten , af-
trekken. {Zie rabattre , fouftraire ,
déduire).
Défaveur , ( f) Qngunfl {oud iv.) ,
{beter disgrâce).
Défavorable, (adj.) Ongunfîig."
Défdut, (m) Gebrek , feil 'f il n'y
a perfonne fans défaut , daar is nie-
mand zonder gebrek ; Ie défaut des
côtes , de plaats ond.'r de ribben j les
chiens font en défaut , de honden
Zyn van 't fipoor; mettre quelcnn
en défaut , iemand in de war hel-
pen ; faire défaut, niet op de daging
verfcbynen; encourir défaut, a/j een
ongehoorzaame befchuldigd ivorden , of
in fïraf vervallen {in Rechten) ; au dé-
faut de , by gebrek , on/Ientenis of man-
queraent van', à fon défaut, hy ni^t
daar zyfide.
, Défeaif, (adj. .m.) Verbe défec-
tif , H^erkwoord dat alle iyden niet
beeft.
Défe<aion, (f) Afvalling, verjaa-
ting {eerter party); verduijiering der
zonne.
Défeftuèufement , (adv.) Gebrek-
kelyk.
Défédueux, eufe {9A]*)Gehrtkkig\
DEF. 19S
livre défeAueuK ,frotf* daar tstê astn
ontbreekt y o/ defeA boek.
Défeauoüié, (f) Gebrek (n), on~
Vùlkomenheid (f).
Dé fenda nt , (adj .) Verbiedend ; ver-
dedigend , befchermend ', à fon corps
défendant , verweerender ivyze.
Défendeur, Défenderefle, (m. &
f) l^erweerder, verantiMoorder ; ge-
daagde {in Rechten) ; verdedig fier eaz<,
Défendre, (v. a.) Verbieden, ver-'
ivepre,i, verdedigen, befchermen -, dé-
fendre l'entrée du port aux enne-
mis, den vyand bet inkomen van dt
haven beletten j défendre une caufe,
eene rechts-zaak verdedigen ; défen^
dre quelque chofe, iets verbieden;
défendre & mai fon à quelcun, i>-
mand zyn huis ontzeggen-, fe défen-
dre, (v. r.) zich verweeireiïi verde-^
digen; fe défendre du prix, over.
den prys dingen ; je ne faurois me
dêfeixlre de Tairoer yik kan my niet
beletten, niet nalaaten haar te bemin'
nen ; fe défendre du fo Ie il , zich^
voor de zon dekken ; il eft rare de fe
défendre de la bonne fortune, 'f /f
wat zeldzaams door den voorfpoed
niet vervoerd te iMorden.
Défendu , ue (adjJ Verboden enz,
{Zie déf.^ndr.-).
Défens, (m)Bois,eau en défens,
bojch , water , daar niet gehakt , vet
in g^dreeven , water daar niet in ^e--
vijcht , mag worden.
Défenfable,(adj.) Verdedigbaar (n).
Défenfe, (f) Verdediging, befcber-
mina; verbod', verArttwoordtng {in
Rechten)', fchans( f), bolwerk (n) {m,
Vejlingb.) ; iets dat uitfli-ekt tot waar-
fc houw ing wegens gevaar,
Défenfes, (f, pi.) De grootfie of
Jlagtanden van wilde Zwynen enz-i
item wryfhottten , oplangen , {zes w.)»
Défenféur, (m) BefchermSf, voor-
fi ander , verdediger.
Défenfif, ive (adj.) Armes défen-
fives , verdedigende wapenen.
Défenfive ,( f ) Etre fur la défen-
five , op zjn hoede zyn.
Déférant , ante (adj.) Toegeevendp
eerbiedig.
Déférence , (f) Ontzag (n) , eerbied,
gedraaging , voeging (f) j avoir de la
igö DEP.
déférence pour quelcun , agmgi
fchikkelykheici voor iemand hebben.
Déférer (v. n.) aux avis de quel-
cxxn, [iemands raad achtervolgen ? ztch
door ontzag of eerbied daar aan ge-
dr aa gen»
Déférer, (v. a.) j4anklaagen -^ gee-
ven, opdrongen ; on lui déf ra ce
titre , men gaf hem dim titel; on l'a
ééféré , men beeft hem aangeklaagd ^
aangegeeven.
Déferler , fv. a.) Déferler les
Toiles, de zeilen ^ los maaken , Jlaa-
ten , (zee iv.)
Défermer, (v. a.) Ontjluiten, los
laaten.
Déferrer, (v. a.) De hoef-yzers ,
hengzeis enz. afdoen} déferrer quel-
cun, iemand verlegen maaken ^ van
zynjluk afhelpen.
Dé fet,(m) Livre qui a un défet,
hoek dat niet compleet , datàeieâ is.
Défeuilié, ée (adj.) Ontbladerd.
Défi,(m) Uiteisfching^ uitdaaging (f).
Défiance , ( f ) Mistrouiven , wati-
trouwen (n); la défiance eft la mè-
re de Ia fureté, het m/strouzven is
4e moeder van de zekerheid.
V)t%.vixl^z.nt&{?ià.\,)Mistrouvi}endenz.
Déficit , {Lat. xv.) Het ontbreekt ,
{in Rechten),
Défier^ (v. a.) Uitdagen, uiteis-
fchen, trotfeeren item mistrouwen; je
vous en défie , ik wed van neen; Ie
défier fv. r.) zich zelven mistrouwen.
Défigurer j (v. a.) Mismaaken ,
fcberden.
Défilé, (m) Eên enge of naawwe
weg , engte.
Défiler , (v. a.) Achter malkander
een enge weg doorgaan ; ontfnoeren ,
ontrygen ; de kaerjfea van de fpylen aj-
trekken-y défiler une aiguiUe , den
draad uit eene naald trekken-, fe défi-
ler , (v, r.) los gaan ^ hreek^n; Je
chapelet s'eft défilé, de vriendfchap
is gcfcheiden , {fpr. w.)
Définir, (v. a) Befchryven, uit-
beelden, bepaalen; définir la fubftan-
ce de 1 'ame , de zelfjlandigheid der
ziele f^effhryven.
Défini, ie (adj.) Befchreven, uit-
^f /"?(/; article dé^^ni , bepaald woord-
leedie (in fpraalk.).
Définitear , (m) Raadgesi'er v-a»
DEF.
den Generaal of Provintiaal d?r
Geejïelyken.
Définitif, ive (adj.) Sentence défi-
nitive, vonnis ten einde van zaaken (n).
Définition , ( f) Befchryving ,fche$'
zing e ener zaak.
En Définitive ,(adv.) Tot eind van
zaaken (in Rechten).
Définitiveçient , (adv.) Juger dé-
finicivement , het eindvonnis uit-
fp ree ken.
Définitoire, (tó) Raad-kamer by
geejïelyken.
Défleurir, (v. n.) ^yn bloejfem
verliezen of ophouden te bloei jen.
Défloration , ( f) Schoffeer ing ,
ontmaagding eener jonge dochter {in
Rechten.)
Déflorer , (v. a.) Schoffeeren ^fcbett'
den {in Rechien),
Défoncement, (m) Injiooting van
den bodem.
Défoncer, (v. a.) Den bodem in-
paan-, fe dénoncer, (v. r.) uitfprin'
gen; tonneau qni fe défonce, vat
daar den bodem uttfprit?gt ; lit qui fe
àéîonce i bed waar van de onderla-
gen invallen.
Déformer , (v. a.) Iets mismaa-
ken , bederven , uit zyn vorm helpen.
Défouetter, {v.a.) Het touw waar
mede een boek gecordeerd Js j los-
maak en {Boekb. w%)
Défourner , (v. a.) Ztg berjiellen
{in Billard fp.)
Défrayer, (v. a.) Koji-vry houden ,
voor iemand bet aaien ; défrayer une
compagnie de bons mots, eengezel-
fchap met fraaye klugtjes vermaken.
Défrichement , (ra) Opfcheuring
opploeging; opheldering éener zdak.
Défricher, (v. a.) 'Défricher une
terre , eenen akker opfcheuren , opploe^
gen , van onkruid ■zuiveren ; défricher
une afi^aire , eene zaak ontvouwen , op-,
helderen.
Déixicheifr , (m) Een die zulks doed.
Défrifer , (v. a.) Omkrullen.
Défrnncer, (v. a.) üntplooyen.
Défroque, (e)Hetgoed''u) ,r.alaten-
fcbap van een AJonnik(bpter de po u i l l'e).
Défroquer , (v. a.) Een Monnik' uit
de kap praaten , maaken dat hy die
verlaat > op den tuin hangt , of hem de- ,
Zelve sntmanen , iemand epligten f een
i
DEF. DEC.
geSeett? làn zy,i gut-à outzettffi; Ce
öéfjoquer, Je ka^j vfrlaten.
Défuner , (v. a.j On; takelen {van
^ Scheepen gez.j.
Défunt , unte fa -Ij.) O^'erl^eJen,
ge/ior^eti; Ie Roi (léfiint, Je Koning
zaliger-, la défunte reine, ivylen Je
Koninginne {Zie ïcw).
Dej^açé, éc (a ij.; /Vy, los\ onbe-
dwonget: ; gelojl ; un air dégagé , een
lojfe zwier Sf onbeJwjngen grlaat.
Dégag'Mnent ,(m) Klein geheim ^-er-
trek, affcbeiJir.g ', hsmaaking yontjlaa-
jTing.
Dégager , (v.a.) Lqfen dat verpand
is ; bevryèn , uitu-ikkelen ; dég '.^er fo .1
cœur de l': acéret du monde, zyn hart
van 't ivaereldfch belang aftrekken; dé-
gager la parole dequelcun, iemand
van zyn woord ontfaait; Ie dégager,
zich losmaaken , uttvuikkelen , bevryden.
Dégaine, ; f ) D'une belle dég'ii-
ne , op eene klugtige ivyze , (boert w.)
Dégainer , (v. a.) Uit de fcheede
doen j -^47» leer , den degen trekken.
Dégaineur , {ta) Zwetzer , voorveg-
ter.
Déganter , (v. a.) Se dégapter >
de baiidfcboenen uittrekken. *
Dégarnir , f v. a.) Van aeraad^ meu-
hilen enz. ontblooten ; dégarnir un
vaiflcau , une place ; een Schip ont-
takelen , eene vejling ontblooten.
Dégafconner , (v. a.) Iemand de
fpreekwyze y fnorkery der gasconjers af-
leeren.
Dégât , {m)Verwoejling yplonderingy
fcbade ( f j.
Dégâter, (f) £eter faire un dégât.
Dégauchir, (v.a.) Dégauchir une
pierre , un bois j een'Jleen , een bout
de beboortyke vorm geven.
Dégel, (m) Ontdooi jing { f ), dooi (m).
Dégeler,(v.à. & n.)Ontdooijen^ dooi-
jen;Çe dégeler (v. r.)> dootjenyfmelten.
Dégénération , (f) Ontaarding ,
verbajîertng.
Dégénérer » (v. n.) Ontaarden ,
verbafteren ; veranderen.
Dégingandé, ée {aà].) Haveloos ^
ongehavend in kleedenn.
Dégluer, (v.a.) Losmaaken datge-
•lymd is; degluer les paupières, Je
Wgléden los maaken.
Déglutition, (f) NfêrslaKhing (ta
DEG. 19^
Dégnbillfir, {v.z.) Braaken ^ fpuu-
wen , kot zen {gent. af )
Dégobillis , (m) Braakzel (n),
igem. w.)
Dégoifer , (t. a.) Zingen , kweelen ;
fnappen.
Dégorgernent . (m) Reiniging ^door-
Jleeking , mtbretking van tets dat ver-
Jlcpt ii ; dégorgement cie bile , over-
looping van gai.
Dégorgeoir, (m) Laad-priem (by
Kanonniers).
Dégorger, (v. a.) Een goot door-
fîe^ken ; rivier-vtfcb verwateren; bet,
laad-ga zuiveren; fe dégorger, zig
ontîajlen {van rivieren gez.)
Dégourdir, (v.a.) Ueverdooving ,
verjlyving , verkl»umùbeid van leen lid
verJryven ; dégourdir de l'eau , de
koude van het water wat af^eemen.
Se Dégourdir, (v. r.) IV e ér ge-
voel krygen ; {figuurl.) vlugger , fnedi-
ger van geejl worden.
Dégourd iffement, (m) Verdryving
der doovigbeidofverjîyvtng ttit êenigUd
(f ) enz.
Dégoût , {m)DroJ> (m) , leeking , lek-
king, afdruip in g ( £).
Dégoût , {m)Onfmaakelyiheid, waî-
ging; afkeer (f)^ le dégoùcde cette
vie , het verdriet , de ongeneugte deezes
levens; j'en ai un dégoût 5 cela me
donne du dégoût.
Dégoûtant, ante {zâ].)Walgelyki
onaangenaam ; af druppend.
Dégoûté, ée (adj.) Die een walg
heeft; faire le dégoûté , zig vies,
kiefcb aanjlellen; un bon dégoûté, een
îooze fnaak die zig vies houd wegens
iets dat hy geerne had item een iro-
lyke Quant.
Dégoûter , (v. a.) Walgen ; onaan-
genaam , af keer i g maaken.
Dégoutter,(v. xi.)^'4fdruppen^ lekken.
Dégradation , ( f ) Ontédeling , be-
roQving van iemands eer ; dégradation^
verjlimmering y beJerving van Lande-
rijen enz.; dégradation , vei^zag'
ting van bet licht in een fchildery.
ÏDégradé, ée (adj.) Afgezet, vais-
feau dégradé , een fleet y wrak {zee,
w.) (Zie het 'werk' w.)
Dégrader, (v. a.) Afzetten, onté-
delen; fcbenden , orteeren , en cenc
lieux il.m'* dégçadé , by field ï?iy^
N 3 ' ö%\\
198 DEC.
6ver al ten toon ; dégrader des bâti-
mens, des bois , de» terres, gebnu-
wen , bo^chen^ landeryen ofbreeken,
omhaalen^ verwocften^ vcfnicle»; dé-
grader un vain eau , eenScèlp afkeu-
ren", dégrader la lumière d'un ta-
bf eau , bit licht in esru/ fcbiUery ver-
zakten.
■ bégraffer, (v* a.) Qmbaaken, las-
haak en.
Dégraifler,(^. a.)//p# vet affchep-
pen y Jmeer^vlakken uit doen ; {figuurl.)
iemand een gedeelte van zyn goed af-
inévelen , bi^m vermager eta.
Dégraifleur, (m) Een die f meer-
vlakken uit doet.
Dégrapiner, (v. a.) De mter -haa-
ien los maaken {Zetnv.)
'■- Dcgras, (m) Vifch-traan,
Dégravoyer , (v. a.) Los fpoelen
{van paaien gezegd).
Dégré , (m) Een flap , tree, trap ;
graad , het ^ócjle gedeelte van een cirkel
(in Landmeetk,)'f monter les degrés,
de trappen opklimmen 'f dégré de gloi-
re ,rröp vaw r^r j dégré de paren-
tage , lid , trap in maagfcbap j il a
palTé par tous les degrés de Ia fa-
culté , by beeft alle degraaden der we-
tenfchap door ge loop en; dégré métaphy-
öque jovematuurkar.dtge volmaaktheid,
prendre fes degrés , promoveeren.
Dégringoler (v. a.) les montées,
jthielyk de trappen afloopen,
Dégroffage , (m) He e goud-draad-
trekken (n).
DégroiTer , (v. a.) Goxtd- of zilver-
draad-trekken , dunner maaken.
Dégrolfir » (v. a.) Ferdunneu , een
êffttte blok in 't ruuiv uitbouwen {by
fyeldh.)
"Déguerpir , (v. a ) Eene erfenis ,
■een huis enz. laat en vaaren, af/laan
(iti Rechter.).
DéguerpiiTement , (m) F'erlaating ,
«''JiavJ van vajle goederen aan een an-
aer. • ■
Déguealer , (v. n.) Braaken , fpuu-
wen [gem. w.)
■^Déguifé, ée (adj.) F'ermomd, ver-
iieed., enz.
Dégaiferaent , (m) Bewimpeling,
vermomming (f),dekmantel(m), bui-
^.helary (f). ^
Déguifer j (v. 3.) Veranderen , ver^ v
DEH. DEL
mommen ; verbloemen , bewimpelen j
bedekken v déguifef fon nom , zyrt-
naam ver ander en, eenen valfcben aan-
neemen; fe déguifer, zi g onkenbaar
maaken, verkleed.^»; fe dégnifer en
ami , zig als een vriend vonrïiellen,
Déhaler, (v.a..)^De tdoor dé zonne
verbrande huid , wit maaken.
Déhanché, ée (ddj. Ontheu^t»
Déharnachement, {m)/'Jftuiging (f).
Déharnacher (v. a.) un clxevai,
een paerd onttuigen^
Déhérence , ou déshérence , ( f)
Recht vol yens 't welke de Koning of
Landheer van die geene , die zonder
teftament of wettige erfgenamen ko-
men te JJerven^ erfd (n).
Dehors , (adv.) Buiten ; par de-
hors, van buiten-, au dehors, uitér-
lyk; mettre quelcun dehors; iemand
buiten de deur zetten.
Dehors, f m) Het uitwendige (n) ,
de uiterlyke fchyn (od) ; buiren-iuerken^
(in vejïingb.)', faaver Ie dehors, het
uiterlyke in agt neemen.
Déjà, (adv.) -'ilreede, reeds, be-
reids.
Déicide , (m) Gods-moord.
DcjeAion, (f) Stoelgang (m) uit-
werping ( f) (in Geneesk.)
Déjctter , fe déjetter(v.nAr.) Op-
krimpen,krom worden (van hout gez.).
Déjeuner , (v. n,) Ontbyten.
Déjeûner ca déjeuné , (m) Het
onthyt (n) ; il n'en a pas pour un
déjeuné , daar is niets ten hefien
(fpr. w.)
Déification , ( f ) P^ergoodmg.
Déifier, (v. a.) Vergooden , onder
't getal der gooden fiellen', (figustrl.j
iemand zeer boog pryzen.
Déjoindre, (v, z.) Scheiden y ont''
binden, los maakea.
Déjouer, (v. n.) If^apperen , flod-
deren , na de wind dr aai jen (als vlag-
gen wimpels , weêrhaanen enz.) faire
déjouer quelcun , iemand in zyn
zaaken over hoop werpen.
Déifme ,(m)Godiflendom ,het gevoer [,
van hun die fl egt s gslooven'er een God '"
len is (n).
Déifie , (ra. & f.) Godifi, vrjgeefi.
Déité , ( f) Godheid.
Déjuc , (m) Tyd wannftr bet ge-
ogelfg den roeji vtrlaat^ ''
DEI. DEI.
Déjucher y (v. a.; i^an den roejlof
Jiok jaagen,
Deiviril , ile (adj.) GodJJyk en
Menfchelyk.
Delà > (adv.) Van daar ^ daar van
daatt; de là vient, daar uirfpruit.
Delà y (prep.) .-lan de andere zy-
de-, de delà , vcm de andere zyde;
au delà , aan de overzyde j pur de
là y aan de andere zyde y faire ce
qu'on peut Ôc par delà , doen dat
men kan en nog meer j promettre par
delà de fon pouvoir , meer belooven
als m(H volbrengen kan.
Délabré, ée (adj.) Gefcheurd , ge-
plukt ; Jlegt , verward; vaifleau déla-
bré , een ontramponeerd Schip ; répu-
tation délabrée , gefchonde eer; vos
affaires ëtoient "fort délabrées,
uwe zaaken waaren zeer verward.
Délabrement , (m) Slegte toejland»
Délabrer , (v. a.) ^anJJukkenfiheu-
ren; in wanorden brengen, bederven,
krenken i cette perte m'a délabré, ii;7
verlies heeft my veel terug gezet.
Délacé, ée (adj.) Ontrégen.
Délacer, (v. a.) Ontrygen.
Délai , (m) Uitjlel (n) , vertoeving ,
opjehorting eener zaak ( f) ; fans dé-
lai » zonder uitjlel , terjlond.
Délaïer. {Zie Délayer).
Délaiflement , (m)Ferlaating, over-
geeving van iets (f).
DélaifTer , (v. a.) Verlaat en j de
banden van iets aftrekken 3 délailTer
un héritage , ecne erffenis laaten
vaaren.
Délardement ,. (m) afronding , {in
Bouwk.)
Délarder, (v. a.) ^ffchaaven, af-
ronden, {in Bouwk.)
DélalTement , (m) Vermaak, tyd-
ver dr y f {n) , verkwikking , rttji { f).
DélafTer, (v. a.) Verkwikken-, uit-
fpanning geeveny délafTer fon efprit
des occupations férieufes , zynen
geejl van ernjiige bezigheden aftrek-
ken } fe délafler de fes fatigues,
va» zyne vermoeidheid uitrujlen.
Délateur, (m) aanbrenger f ver-
klikker.
Délation > ( f ) aanbrenging , ver-
klikking.
Délatter, (v. a.) De laf f m i'an
f^» (iak afnesmio.
DEL. 199
Dilarer, (v. a.) Bleek maaken ^
{alleenlyk dtts) cette conleur efttrop
délavée , die kleur is te bleek{byVervf.)
Délayer, (v- &.) fVeeken, mengen»
brjlaan , roeren , als pap , eyeren , enz.^
Déleftable , (aûj.) Vèrmakelyk -,
l'utile & ie déleftable , het nuttige
en hef vermakclyke.
Délégation, (f) Vermaak, ge-
neugte (n),
Délefter, (v. a.) Vermaaken.
Délégation ,{£) Bevel (n) , lajl (m)
aan eenen Rechter gegeeven.
Délégué, ée (adj. & fnbft.)^-^^-
zonden y aangjleld-, een afgezondene»
Déléguer, (v. a.) j^fzenden, de-
puteerenj aanjlellen.
Déleftage , (m) Uitfchieting van
den ballajl ( f) {zee w.).
Délefter , (v. a.) Den ballaji uit-
vjerpeu (zee w.).
Délefreur , (m) Uitfcbieter van den
ballaj}.
Déliaifon, (f) Ontbinding , van mal-
kaar valling van kalk off een.
Délibation , ( f) Verkleining van
naam of eer {in Reebten).
Délibératif, ive (adj.) Overweg-
gende; voix déliberative , jlem in
de Raadsvergadering.
Délibération , ( f) Overvréeging , be-
Délibéré,(m)^fM bejluit , {tn Reibt,)
raadjlaging.
Délibéré, ée (adj.) Bejlooten; on-
befchroomd i àe propos délibéré, w^
voordagt; d'un pas délibéré, met
jloutefchreeden.
Délibérément, (adv.) Stoutelyi,
onverfchroiken.
Délibérer , (v. n.) Over<meegen , be-^
raadflaagen -, je délibère de faire
cela , ik overleg om dat te doen ; on
a délibéré d'attaquer l'ennemi >
rpen heeft bejlooten om den vyand aan
te klampen.
Délicat, ate (adj.) Lekker ; kiefch -,
net; fcherpzinnig ; haajiigy netelig i
tenger^ teer , zwak ; des mets délicats,
lekkere fpyzen, avoir la peau délicate,
een zagt vel hebben ; efprit délicat , een
fneedige geef} }il eft délicat là deffus, by
is daar onvergenoegd Oî/wjaffaire déli-
cate ,«t7f>%^ ofteére zaâf>,compIexion
I délicate ^zvtakke Hgchaamsge^tUkeid',
N 4 le
SLpo PEL.
W verre & Ia porcelaine font des
ynatières délicates, glas en porcelyn
zyn teêre ixiaaren ; vaë délicate ^een
zwak gezigt; oreille délicate, een
fyngehoor ; conduite délicr.te,^pr/y*,
onbefprooken gedrag; ftyle délicat,ztt/-
verejlyi; peinture délicate , konjU-
ge fchiki''ry; être touc. à t'ait délicat ,
zeer gemakkelyk zyn-y avoir Ja main
délicate , een' konfiige hand hebben.
Délicatement , (àdv.) Lekkirlyk;
téderlyky konjligîyk , cierlyk cm.
Delicater, {v. a.) Koejieren y ge-
tftakkelyk opbrengen , opvoeden { van
Kinderen gez.); Te delicater, (v. r.)
zuh goed doen , zich zehen koeperen.
DélicatefTe, (f) Lekkcrny ; teder-
heid ; neteligheid ; fcherpzinnigheid;
avoir de ladélicateÏTe pour fe^ ajn-
{tem\nsyzit7dslyk, puntig cpzy^ie kleede-
ren -zyw; vivre avec délicateffe , der-
fel , wellujlig leven > favoir toute s les
délicatefles d'une langue , alle fjet
fraaye, het cierlyke eener faal kennen ,
vaeeten; délicatefle de confcience ,
tederheid van gemoed ; avoir une
grande délicatefle d'efprit , vlug
n>an geejl zyn.
■ Délices , (f. pi .) Fermaakelykhedenj
geneugten! -y goûter les délices d'un
païs , d$ aanminnigheden eeneslands
fmaaken; les livres font toutes mes
délices, de boeken zyn myn groot fte
rjermaak', fe plonger dans les délices,
zich in de wellvjien haaden. (NB. in fi n jj .
is dit woord maÇc, maar zelden gebr.).
Délicieufement , (adv.) Manger,
vivre délicieuferaent , lekker eeten ,
vieliufiig leven.
Délicieux , eufe (adj.) Lekker ■,
nj)ellufiig ; païs dél icieu k , aangenaam
landsdouw \ vin délicieux , lekkere
veyn.
Délicoler , (v. a ) Onthal/lere» , ce
clieval fe délicole, dat paerd om-
kaljlerd zich zelfs.
Délié , ée (adj.) Ontbonden; dun,
fyn'y fil délié, ^/'« dunne draad ',tr&ït
délié de ia plume ^fyne trek met de
pen ; efp-r it di\ i é , fr.fedi^e geeji^
- Péliement, (m) Ontbinding (f).
Délier , (v. b.> Ontbinden , losmaa-
ietr.
■;. Délinéation i( f) Schets ,teekening.
Délinquant, ante (m. &t tj Een
DEL. DEMc
fchutdtge, eert misdadige y (in Rechten)»
Déiinquer , (v. n.) Overtreeden ^
misdoen, {in Rechten).
Délire, (m) RaaskalUng (f)jêtre
en délire , buiten kennis zy>i.
Délit , (ra) Misdaad (m) ,oveft¥ee^
^'".? (^)> être trouvé c-n ri3i;ant
délit , op beeter daad betrapt werden.
_ Déliter, (v.a.) ïl ne faut pas dé-
liter les pierres, men moet de Jiee-
npn niet anders -, dan zy in de Jieen-
groe-ve gele e gen hebben , leggen , \Met->^
zei. w.).
Délivrance, (f) F'erloJ/ïng ^ léve-
^ing (Livraifon).
Délivre j (ra) D? nageboorte van
Koeijvn enz.
Délivrer, (v. a.) Verlojfen^ red"
den\ cvprleeveren; délivrer' un cap-
tif, ei'n gevarigene verlojjen ; délivrer
une femme, een vrouw in 't kiuder-
baarrn byjiaan; délivrer des mar-
chandifes , Koopmanfchappen leeve-
fY« ; Ie dé!ivr<;r (v. t.) d'un en-
fa^it , in de. kraam komen , verlojfen.
Délogement , (ra) Ferbuizing , ver-
trekking (f).
Déloger, (v. a. & n.) Verhuizen,
üpbreeken ; déloger fans trompette ,
OU à la fourdine, met een JiiÏle trom
vertrekken , met de noorder zon ver-
huizen , banqueroet fpcelen ; déloger
les e-nnemis , de vyanden verdryven,
'Déloty{m)Tzere kous die men voor
het Jlyten in een touw doed.
Déloyal, aie (adj.) Trouwloosy on-
trouiv.
Déloyalement, (adj.) Trouwlooslyk.
Déloyauté, (f) Trouwloosheid.
Déluge, (ra) De zondvloed; délu-
ge de peuple , de maux , de lar-
mes, een meenigte volks , ongelukken^
traanen vloed.
Déluter, (v. a.) Den leem van een
diJJileer-kétel afdoen, {in Chym.y
Démaigrir , (v. a.) Hout of Jïeen
fcberper , dunner maaken , {in Bouwk.)»
Démaigriflement , (m) Dunner,
fpitzer maaking,
Démaillotter, (v. a.) Ontzwagte"
len {een Kind).
Demain , (adv.) Morgen j après de-
main, overmorgen.
Démancher, (v. a.) Het begt of
de jieel afdoen y uittrekken ;U déman-^
ciie' -,
DEM.
cher , (v. r.) cecte affaire fe dé-
manche , die zaak Jiaat Jlcgt.
Denunde , ( f) ^raag { f) t ver-
zoek (n), eifcb (m), {in liecbten).
Demander, (v. a.) i- rangen , ver-
zoeken, e if eken y demander pardon,
om vergiffenis buiden ; demander 1 'au-
morje , bédelen; demander une fille
en mariage , een rneisj.» ten huvelyk
verzoeken; cela demande trop d'at-
tention, dat vorderd te veel oplet-
tendheid ; on vous a demandé trois
fois , nifn heeft driemaal na u ge-
vraagd} les bleds demandent de la
pluie ,de graamm ver langen na ré gent
Demandeur, eufe (m. & f.) ^'«'zoe-
ker; verzoekJJrr; bedelaar , bédelaarjler,
■ Demandeur, demanderefTe, (m.
& f.) Man ofJ^rouw die iemana voor
bet recht roept ', eifcher-, eifchjier; agn-
klaager ', aanklaag fier.
Dé mangea ifon , ( f) Jeuking ; avoir
une furieufe démangeaifon à par-
ler , een onver zaadelyke luji tot fpree-
ken hebben.
Démanger, (v. n.) Jeuken; fierke
begeerte naar iets hebben; les mains
lui d mangent, hy was geeme aan
den dans , {fpr, tu.)
Démantèlement, (m) Slooping{î).
Démanteler, (v. a.) De wallen of
fierktens eener fiad fioopen»
> Démantibuler (v. a.) la mâchoire ,
bet kaakebeen èrffiw;(^jf,) démantibu-
ler, uit zynfchik, in wan-orden brengen.
Démarage ,(ra) Los of driftig raa^
king of ontmeertng van een fchip ( f ) ,
Démarche , ( f ) Gang , tred (ra) ,
gedrag (n) ; avoir la démarche gra-
ve, een defiige.gang hebben ; obftr-
ver toutes les démarches d'une per-
fonne , op iemands gedrag , handel en
wandel agt geeven.
Démarer, (v. n.) Het anker lig-
ten , ontmeeren , loi niaaken i{zee iv.).
' Démarier j- (v. a.) Ecbt fcheiden.
Déraarquor , (v.&.)Een mert uit-
wisfchen ; cheval qui démarque,
paerd dat niet meer tékend.
Démasquer , (v, a.) Ontmaskeren -,
bekend ma'aken.
Démâter , (v. a.) Démâter un
Vaiffeau , een fchip ontmaften.
Démêlé , (m) Krakkeel ,gefcbil (n) ;
avoir uu fâcheux dégiêle avec quel-
DEM. 2Qt
cnn ; een verdrietig gefchil met iemand
hebben.
Démêler, (v. a.) Onwarren; on-
derfcheiden; befiegtrn; ;e n'ai rien ^
déniéler avec vous,;.!- heb niets met
u tefehafen; démêler un different,
eengefchu bcjîegten ; démêler une per-
foiine dts autres, iemand ondsr veele,
andere onderkennen; Te démêler, (v.
r.) zuh los maaken , redden.
Démembrement, (m) l^erfchearing
van lid tot lid; démembrement de
l'Eminré y fcheuringf verdeelihg des
Ryhs.
Démembrer., (v. a.) Ontleeden,
verdeelen , fcheuren -, démembrer un
chapon, un Royaume.
Dé ménagement, (m) FéT/»öizr«g (f);
le déménagement coûte, reizen kofl
geld, verhuizen kofl bed-(Jroo (fpr. w.)
Déménager , (v. a.) teerhuizen ^
on l'a obligé de déménager fore
vite , men heeft hem fchielyk zyn bie-,
zen doen pakken. ,
Démence, (f) Dollighetd , rar^r-
ny-y il eft tombé en démence, hy is
krankzinnig geivorden.
Se Démener , (v. r.) Zig bewee-
gen; il s'eil bien démené pour faire
réuiïîr vôtre affaire, omuw^ zaak uit
te voeren^ heejt hy zig wcikker geweerd,
^ Démenti , (m) Donner un dérx^en-
ti à quelcun , iemand tot een leuge-
naar maaken; il en aura Ie démen-
ti , ^y zal zyn oogmerk niet bef eiken.
Démentir , (v. a.) Iemand heeten
liegen-, niet over een komen ; fes ac-
tions démentent fes paroles , zyn
daadenjlryden metzyne woorden; dé-
mentir foncaradère , zyne waardig-
heid benadeelen ; un homme qui ne
fe dément point, een man die al-
toos dezelfde is.
Démérite, (m) Slegt gedrag (n).
Démériter , (v. n.) Zondigen, iets
firafwaardigs doen.
Démefuré , ée (adj.) Owma/z^ ; gros*
feur démefurée , huitengewoone dikte»
Démefurément , (adv.) Onmaatig-
lyk, uittermaaten.
Démettre , (v. a.) afzetten , van ee-
nig ampt ; démettre un bras , eenen
arm verfluiken; fe démettre (v. r.) ,
zyn ampt neer leggen; démettre le pied,
zynen voet uit de lid gaan , verfiuiken»
N 5 • De-
202 DEM.
Démeublem^nt , (m) Otttblooting
van huisraad ( f).
Démeubler, (v. a.) Den huisraad
nvei^neemen.
Demeurant , te fa dj.) ïVonfnde
hlyvende; un demeurant, een over-
fchQt, rejiant; au demeurant , (adv.)
voor 't overige (ouJw.)
l?emeurc , (f) l-f^oonjleede (f),
verblyf(n); voilà le lieu de ma de-
meure , daar is tnyn woonplaats ; être
en deraeore , ten achteren zyn , ach-
ter hiyven mi't de het aaiing , of ver-
jchynhig •voor 't gerecht.
Demeurer , {v. n.) If^oonen ; vertoe-
ven , h4vven 'yjYiljiaan ; hiyven Jlaan ; te
kort fchieiz'ii (in 't Bal fpel) ; demeu-
rer au troillerae étage > op de der-
de verdiepwp ivoonsn ; demeurez avec
nous, blyft y vtrtoefJ hy ons; de-
roeure, ou }-i te tuëyJJaJlil, of ik
treek u dsn Ixtls ; demeurez ici juf-
<ju'à ce que je revienne, blyf hier ^
tot dat ik weder koome; demeurer
dans le èlence , zivy^en ; il demeu-
re bien long temps , hy blyft lang uit;
la viftoire nous eil; demeurée , de
overwinning is aan ons gebleven ; il n'en
demeurera pas là, hy zal het daar
ni^by (aateû; demeurer court dans
un difcours , in e ene reden hiyven
Jieeken; demeurer inmobile , onbe-
•weeglyk blyven ; demeurer fur le
champ de bataille , op het fagveld
dood hiyven j demeurer d'accord,
bekennen , toeJJaàn.
Demi,ie (ajj .) haif (voor een fubft. is
dit woord ihdéclin., maar na een
fubft//i bet feniin. demie ;) by voorb.
demi-arpent (m), een halve morgen
lands ; demi- aune ( f ) , een halve elle ;
demi-heure(f ), een half uur -, enz . ;
nnjour& demi, and er halven dag-,
uue heure '6c demie , anderhalfuur j
midi & demi , half-een , enz.
à Demi , (adv.) Ten halven , à de-
mi ivre , half dronken.
Demie , ( f) La demie eft fon-
née > het half uur is ge/laaiden.
Démis, ife (adj.) Afitezet -, vaneen
ampt ; avoir la jambe démife , 't
been verjïuikt hebben.
' Démiflion, (f) Nederlegaing van
een ampt ; demander fa uémiCion,
zyn ontjlagj demiffie tjarzoekeu.
DEM.
Bémocratïe , ( f) J^olks-regeeriftg,
Démocratique, (adj.) Gouverne-
ment démocratique , volks-regeering.
Demoifelle, (f) Juffrouw, kame-
nier (f) i Jiraat-Jiampen i ttnne water
fiefch, om 't bed te warme»; fchoen-
iapper , (zekere vlinder) (ra).
Démolir^ (v. a.) Jfbreeken , Jlech-
teu , jloopen.
Démolition ,( f) Afbfeehng ,JJecb'
tirtg , flooping.
Démon , (m) Duivel , booze geeft ;
(m) woede , razerny{ f ) j fon demon
commencé à l'agiter , zyn geeji be-
gind hem te kwellen; c'eft un pecit
démon , 't is een boos duiveltje y een
klein deugemetje.
Démoniaque, (adj. & fubft.) Dut-
velfch, raazend; een bezeet^n menfeh,
Démonographe, (m) Een die over
de duivelen gefchreeven heeft.
Démonomanie, Cf) Duivelkunde.
Dérnonftrable , (adj.) Betoogbaar ,
bewyslyk.
Démonftrateur, (m) Betooger , be^
wyzer.
Démonftratif , ive (adj.) Betoo-
gend, beivyzend; argument démon-
ÛràZlffbondigeJluit-reden; pronom dé-
monftr&tif , aanwyzend , aantooHcnd
voornaam-woord , (in fpraakk.) preuve
démonftrative , een wiskundig bewys,
Démonftration ; ( f ) Betooging ( f)
hewys(n); démonftration d'amitié ,
vriendfcbaps blyk ; grande démonftra-
tion de joie ,grootû vreugd-betuiging,
Démonftrativement , (adv.) prou-
ver démonftrativeraent, bondi^lyk,
klaarlyk bewyzen. ^
Démonter > (v. a.) Uit het zadel
ligten; cavalier démonté , Ruiter dit
zyn paard quyt is ; démonter un
canon , een gefchut van 't affuit
doen , démonter une armoire , een
kajl. uit malkander doen; il a la cer-
velle démontée, het horologie is bf
hem eyitjïeld , hy is niet wel by zyn
zinnen; on l'a démonté, men heeft
hem zyn paard ontnomen , of men heeft
hem van zyn jlel geholpen^ ontjield;
fe démonter , (v. r.) uit zyn Jlel
raaken , verar^eren.
Démontrer , (v. a.) Betoogf» be^
wyzen f aantowetJ. _^
Da-
DEN.
Démerdre , (y. c) Loslaofev,
vaaren laojin ; il ne démord pas ,
by laat niet los.
Démouvoir , (v. a.) lemanJ he~
ueege» -van. ietwes af te zien ; fe ét-
mouvoir, (v. r.) 'ycm iet f afj}aan;
{in re eb ten).
Dému,ue(adj.) ^fgrJîaanÇin recbt.).
Dcinunir , (v. a.) Jfbreeken, JIoq-
pm ; Vunj1irii:te > "V^n 'jcaptnen berooven.
Déimucr , (v.B.) Ontmuuren , een'
niufxr ajbreeknif wegneemen.
Déuaticr, (v. a.) Dénatter une
chaife , fsnjïoel ontinatten.
Dénacuralifer , (v. a.) Iemand zyn
burger-recht ontneemen»
'Dénaturé , ée (adj.) OmatuurJyk ;
wreed y onmenfchelyk.
Dénaturer, (v.z.) Iets van natuur
veranderen ; dénaturer fonbien , zyn
goed verkoopgn.
Denché , ou endenché , (adj.)
Getand (in Wapenk.)
Dendrite,(m) Zekere -witte Jïeen,
waar op indrukzelen van boomen of
planten Jïaan.
Dénégation > (f ) Loochening, ont-
kenning {in rechten).
Péneral , (m) Monjïer van munt-
Specie.
Déni , (m) Weigering , ontkenning -,
déni d'une dette , loochening èener
fcbuld, {in rechten).
Déniaifé, ée (adj.) Loos y liflig ,
behendig ; c'eft nu dénaiifé , dat is
ten doortrapte k4iaap.
ï)tnïz,\Çkmtntj{m)Betrekking y poets
acm een en eenvoudige».
Déniaifer , (v. a.) Optigten , be-
trekken ; loos lyk bedriegen-, loos, cfoor-
flépen maakenf fe déniaifer , door-
JJépen worden.
Dénicher , (v. a. & n.) Uit de
nejl Ugten , verjaagen f verdryven',
vernejieleny uit bet neji vliegen; il efl
déniché ce matin , hy is deze mor-
gen voortgegaan.
Dénicheur, (ra) -E^« die jonge vo-
gels uit de neJi haald; dénicheur de
fauvettes; «•» Joorjieepen quant, die door
liefde tot de kunne zyn fortuin maakt.
Dénier, (v. a ) IVeigeren-, looche-
nen , dénier une faveor , eene gunfï
weigeren ; dénier un crime , eene
mkduad (mtkenmn.
DEN. 203
Denier, (m) Hen Penning (gedeel-
te van eenfJuiv.); alle groote en klet-
ne mBnt ; voet op welke men een' bun-
del dryft, ce marchand afîx deniers
dans cet armement , die Koopman j
beeft een zesde gedeelte in dit Schip ;
deniers oilifa 9 geld dat ledig legd ,
deniers clairs Bc liquides, gereed
geld', faire des deniers bons, voor
een fomme gelds borge blyven, denier
à Dieu , een Goodspenning ; Huur-pen-
nir.g } ùener de boite , JJuk geld , dat
van ieder flag gehouden Word {by
munt.); deniers, (m, pi.) faire unô
levée de deniers, geld Ugten.
Dénigrement , (m) Kwaadfpree-
kin^y fchelding (f).
Dénigrer , (v. a.) Zwart maaken ^
fchenden, lajleren, eerrooven.
Dénombrement , (m) Optelling ;
opgave (f).
Dénominateur, (m) Noemer (in
Cyfferkoujl).
Dénominatif, ive (adj.) 't Geen
de regte naam van iets uitdrukt.
Dénomination, (i» f) Benoeming»
Dénommé, ée (adj.) Genoemd.
Dénommer, (v. a..) Benoemen puoe^
men (In rechten).
Dénoncer, (v. a.) aankondigen^
aanklaagen j dénoncer la guerre,
den oorlog aanzeggen; dénoncer fes
complices, zyne medemakkers beklap-
pen.
Péiïonciateur , (ra) aankondiger ^
aanklaager, verklikker.
Dénonciation , (f) Aanklaaging;
afkondiging des Kerken-bans ; dénon-
ciation de la guerre , aankondiging
van den oorlog.
Dénotation, (f) Aanwyzing (f),
kenmerk (n).
Dénoter , (v. a.) Beteekenen , aatu
duiden, te kennen geven.
Dénouement , (m) Onf knooping ^
verklaaring , oplojfing (f).
Dénouer , (v.a.) Ontknoopen , iets
uit de knoop doen j ' ontvouwen , eene
zwaar igheid oploiïen.
Denrée , ( f) tetbaare waar ; Kaop^
manfchap.
Denfe , (adj.) Dik, in een geJrotu
gen, (in natuurk.)
Deniité , ( f) Dikte , gedroagenbeid^
DenCj
204 DEN. DEP.
Dent ) ( f) Hen tand ; tand van een
zang, vyl y ryff karrij moienraJ , egge- of
Jïeuiflyfchaarde in een mes , ^«z. déchi-
rer à belles dents, verfcbeuren ; don-
ner un coup de dent , een beet ,
houw, graauw geeven; parler des
groffes dentis, iet.untj trots bejege-
nen, avoir un dent de lait contre
^uelcun , esn ivrok op iemand heb'
fc<?«; mettre un cheval furies dents,
een pacrd den bek afryden j elle a
mis fon gaîand fur ies dents , zy
heeft haaren minnaar uitgeput-, dent de
lait, œillère, T72elk, ofoog tand, denx.s
canines , machelieres, ou groffes
dents, bon ds -tanden , kiezen -fii n'en
tâtera que d'une dent , hy zal 'er
niet een beet van hebben y vouloir
prendre la lune avec les dents ,
tnmogelyke zaaken onderivi^/den , of ter
uitvoer willen brengen-, il eft favant
jusqu'aux dents , zyn <verfiand zit
hem wat laag; montrer les dents,
icyn tanden laat en zien ; avoir les
dents longues, hongerig zyir; rire du
bout des dents , gemaakt , gedwongen
lagchen; malgré fes dents, in fpyt
van hem y donner un coup de dent
àquelcun, iemand een fîeek geeven;
parler entre fes dents, mompelen.
Dentale, (adj.) Het geen met be-
hulp der tanden uitgejprooken word.
Denté , ée (adj.) Getand; une roue
dentée, een getand rad.
Dentée , ( f) Kwetzing , houw met
de tanden.
Dentelé, ée (adj.) Getand.
Denteler , (v. a.) Denteler une
fcie , een zaag tanden.
Dentelle , ( f) Kam , fçelde werk.
Dentelure, (f) Getand werk (n).
Denticule , (f) Sny -werk met tan-
den , (in Bouwk.),
Dentier , (m) Eene rei tanden (m) ,
het gebit (n).
Dentifrice , (m) Tand-poeyer (f),
Dentifte , (m) Een Tand-m^'ejler.
D ntare , ( f) Tanding.
Dénuement, (m) Oniblootitig (f),
^ {gelden gebr.).
Dénuer, (v. a.) Ontblooten , be-
roóven,
Dépaïfer. (Zie Depayfer) ^
Dépaqueter, (v. a.) Ontpakken^
\ DEP.
f De par (prep.) ie Roi , van wegers
den Koning. ■• ■>
Dépareiller (v. a.) des gants &c.
handfcbo,"ncn enz. ouspaaren.
Déparer (v. a.) uh aut'el, een al-
taar ontcieren. i '
. Déparier , (v. z,.) Ontpaaren,('U'ord
van dieren gezegd).
Déparler , (v. n.) Ophouden van
fpreeken; il ne deparla point, zyit
mond blindde niet.
Départ, (m) Vertrek (n),reize(f) ;
être fur fon départ , op zyn vertrek
zyn ; eau dej départ , lepel-water f
tot oplojfmg van goud cf zilver.
Départager , (v. a.) De gelykheid
der fiemmen verdcelen.
Département, (m) To^gefchikt ge-
deelte o/ quartier ff r hejlrering ofa.ö.-
miniftratie , item verdeeling van een
huis; b^lajling enz.
Départie, (f) Jfreize, [oud w.)
Départir, (v. a.) Uitdeden, ver-
deelen ; het goud van het zilver fchei-
den; départir des grâces, gunjl be-
wyzen; fe départir, (v. r.) de fon
droit , de fon devoir , van zyn reckt
afflaan , van zyn pligt afvyken.
Dépafler , (v. a.) IFeder Uithaalen,
intrekken ; depaflez ce ruban , haal dar
lint weder uit ; dépafler un vaifTeau |
een fchip voorby zeilen, (zee w.).
Dépaver , (v. ik.)\Een Jiraat of vloer
opbreeken.
Depayfer', (y.&.) Iemand verplaat-
fen , uitlandig maaken ; doorjïeepen
maaken; bedriegen; c'eft à la cour
qu'on fe depayfe, aan bet hef leerd
men modens.
Dépècement 9 (m) Aan Jiukken hak-
-kingiï).
Dépecer > (v. 'a.) In Jiukken hou-
wen , JJaan , fnydeh ; dépecer uu
vieux bâtiment ,eenoudfchipfoopen.
Dépêche , ( t ) Staats-hrief (m).
Dépêcher, (v. a.) Afvaardigen ^
i'?ts fcbiflyk doen ; am bals brengen ,'
van kant helpen; Ce dépécher, (v.r.)
sich haajien , fpoeden.
Dépeindre , (v. à.) Affebilderen ^
afmaaien , befchryven .
Dépeint, einte (adj.) Afgefchit-
deri enz.
Dépendamment , (advO ^P^'^^"
gelyker wyze, D§»
DEP.
Dépendance , ( f) Afhanf^elyiheid^
üanbang , aankleeven \ être dans la
dépendance , van iemand afhangen \
chofe avec toutes fes dépendances,
eene zaak met al baar aankleeven.
Dépendant , ante (adj.) AJhctngen-
de i afhangelyk; aller en dépendant,
op de lywaarjle man pajjen; venir
en dépendant , naar de lywaarJJe
man zakken (zee iv.); fief dépen-
dant , leer-goed dat verbefd word.
Dépendre , (v. a.) Afueement af-
hangen , dat opgehangen geweeji ts.
Dépendre, \v,n.) Jjhangelyk zyn,
aj hangen; la fortune des gens dé-
pend foüvent de leur merite, het
geluk der mevfchen hangd dikwerf van
hunne verdienjien af.
Dépens, (m. pi.) OnkoJJen , kos-
ten , fchade (f), nadeel (n); vivre
anx dépens d'autrui , op een an-
ders beurs teeren; être condamné
aux dépens , in de kojïen verwezen
zyn (in Rechten).
Dépenfe , ( f ) Uitgaaf , onkojîen ;
fpin^ eetens-kas in een huis y faire
une grofTe dépenfe , groote onkojien
doen ', dépenfes fourdes , heimelyke
uitgaven.
Dé pen fer, (v. a.J Uitgeeven-, ver-
teer en -y verkwijîen.
Dépenfier , iere (adj. & fubft.)
Verkwijlend ; vetkwtfter , doorbrengt r ;
Jpys-meeJIfr. .^
Déperdition , (f) Ondergang (m),
het vergaan (n).
Dépérir , (v. n.) Verminderen ;
vergaan; l'aimée d- périt, het léger
verfmelt.
Dépériflemenr, , (m) Ondergang
(m), verval (n).
Dépérrer, (v.a.) Ontwikkelen ; ^é-
pêtrer un cheval , een paerd ttit het
fiyk trekken; fe dépêtrer (v. r.) de
quelcun ,z/V/^ van temand losmaaken.
Dépeuplé, ée (adj.) Volkelaos.
Dé peuplement, (m) Ow/vo/^m^ (f).
Dépeupler, (v.à.) Ontvolken ,van
volk ontblooteti ; dépensier un étang,
une foret , een vyver van vifch , een
hfch van hoornen of wildbraad ont-
Dépilation,(f) Uitvalling van het
iatr^
DEP. 205 '
Dépilatoire , (m) Zalve cm he$
bair uit te doen vallen (f).
Dépiler, (v. a.) Het bair uittrek^
ken of doen uitvallen.
Dépiquer, (v. a.) Verzetten^ ver^
zagten , vertrao/len ; cela me dépi-
que de toutes mes pertes, dat ver^
zoet al myn fchade , (zelden gebr,).
Dépifter, (v.a.) Van 't fpoorbren..
gen y (Jagers w.).
Dépit , (m) Sfyt , kwelling ( f ) ,
verdriet (n); en dépit , in weer-
wil.
Se Dépiter, (v. r.) Ztch kivellen,^
vergrammen y toornig maaken, fe, dé-
piter contre fon ventre, eenevoor^
deelige zaak laaten vaaren , (h>riW.).
Dépiteux , eufe (adj.) Toornig ,
moeijelyk , gémelyk (van kinderen gez.)
Déplacement, (m) Ferplaatzm^
Cf.'.
Déplacer, (v. a.) Verplaatzen ', fe
déplacer , van zyn plaats afgaan,'
Déplaire , (v. n.) Mishaagen ; ne
vous en déplaife, met uw verlof i
fe déplaire , (v. r.) een misbaage»
krygen ; nioeijelyk worden.
Déplaifant , ante (ad].) Mishaag-
lyk , onaangenaam ; verdrietig.
Déplaiûr , (m) Ongenoegen , onge-
neugte , misnoegen (n).
Déplanter , (v. a.) Een plant ver-
zetten.
Déplantoir > (m) Tuinmans bûor ^
voor planten (f).
Déplier, (v. a.) Ontvouwen, open
doen y open leggen.
Dépliffer, (v. a.) déplilTer une
jupe, een' vrouwen rok ontplooijen.
Déplorable, (adj.) Beklaaglyk^
jam mer lyk.
Déplorableraent, (adv.) BekÏaag-
lyk.
Diplorer, (v. a.) Beklaagen , be-
fcbreyen^ brweenen.
Déployer , (v. a.) Ontvouwen; ver-
toonen ; déployer fa puilTance en
quelque chofe, lyw magt ergens tri
doen blyken ; déployer les voiles,
de zeilen los maaken (zee ty.) ; rire à
gorge déployée, luidkeels lagchen.
Déplumer , (y, a.) De veeren uit-
trekken. (Zie ÏMumcr).
De plus, (adv.) Daarenboven.
De.
20Ö DEP.
Pépolîr (v. a.) de l'acier , de
gUifts van het Jîaal afJoen.
Déponent , (adj.) Verbe dépo-
nent, een verbum deponens , ( r«
Lat/jpraaH.),
Déport , (m) payable fans déport,
betaaWnar zor.der uitjlel ('" keckîen).
Déporteraenta , (m.) Gedrag {t\),
levensrvyze (f).
Se Déporter (v. r.) d'une affaire,
zicb eener zaak onttrekken,
Dépofant , ante (adj. & fubd»)
Getuigeyidc ; afzpttpnóe ; een getuigen ,
eene getuige; dépofant, dépofante ,
(i« Rechten).
Dépofer j (v. a.) Getuigen '^ van
zyn ampt afzetten; dépofer de 1'ar-
gent au gxèSeygeld in de grijjie leg-
gen; il a dépofé contre elle, hy
kceft tegen haar getuigd.
Dépofitaire , (m) Een in wi-ens
handen iets , om te beivaaren , gejleld
is , een bewaarder.
Dépofiteur, (m) De geever daar
Dépofition , (f ) y^fzctting van een
arnpt ( f) ; getuigenis (n) ; on a ju-
gé fuivant la dépofition des té-
moins , men heefi volgens het getui-
genis der getuigen geoordeeld.
Dépofféder , (v. a.) Iemand uit
zyn bezit Jlooten.
DépofleCiOn, (f) Omzetting , fioo-
tin^ uit het bezit.
Dépofter (v. a.) l'er.nemi , den
vyand uit zyn pofl dryven.
Dépôt ,(m) l-^ertrowwd goed, pand
(n); verzameling van kwaade vogten
in het ligchaam ( f) ; grond-fop , zetjel
in een pis-glas (n)»
Dépoter, (v. a.) Een^ plant uit een
pot ncemen, <
DépouiJle, ( f) *# l^el eener Jl an g ;
çfgelegde kleêren ; inzameling van den
oog! f ; kuit , roof dte men op den vyand
kaatd.
Dépouillé, ée (adj.)RfîiàepoDil-
îé, een onttroonde Koning; jouer aa
Roi dépouillé {zeker fpel);{fguurl.)
t'zamenjpanning van veelen om iemand
ten gro'tde te doen gaan.
Dépouillement, (m) Beroovîng ,
ont doening (f).
Dépouiller, (v. a.) Uitfchudden^
•nîkleeden, afflrgopcn , omblogitvn , bg-
DEP.
'i'ooven ; dépouiller une terre , âÊ
vrugten van eenen akker inoogflen ; on
l'a dépouillé de tous fes biens ymen
heeft hem van al zyn goederen beroof J^
dépouiller fon humeur farouche,
tyn' fluturfchen inborfl afleggen ; dé-
pouiller le vieil hoinme, den ou-
! den menfch afleggen; fe dépouiller,
(v. r.) ziih ontkleeden , zich uitfchud-
den ; il ne faut pas le dépouiller
avant'que de fe coucher, mep moet
zich niet cntblooten voor dat men te
bedde gaat , {fpr. w.).
Dépourvoïr,(v. a.) Berooven van
't geene noodig is.
Dépourvu, ue (adj.) Beroofd ^
ontbloot ; depourvu de fens , zin-
neloos.
Au dépourvu, (adv.) Onvoorziens^
onverhoeds»
Dépravation, (£)l^erdorvendheidf
ondeugd, ongeregetdbeid ; déprava-
tion d'appetit > vreemde eet-luji.
Dépravé, ée (adj.) Bedorven; on-
geregeld, boos; goût dépravé, een
verkeerde fmaak ; inceurs dépravées ,
bedorven zeden.
Dépraver , (v. a.) Bederven , on-
deugend maaken {van fmaak f» zeden
gezegd).
Déprécation , ( f ) Afbidding , af-
fmpeking.
Déprédation , (f) IWwoeJïing ,
plundering ; befleeling , (■■:'Wtv:ding
van iets dat eenen anderen toebehoord.
Dépréder, (v. a.) Marchandifes
déprédées, geroofde goederen, (zvord
verjiaan van iets dat geftrand is).
Déprendre , (v. a.) Ontbinden,
los maaken; déprendre deux chiens
qui fe battent, twee vegtende hotiden
fcheid^n , déprendre (v. n.) los gaan ;
fe déprendre, (v. r.) zig ergens van
ontdoen.
Dépréoccupé, ée (adj.) Onbevoor^
oordeelde vry.
De près , (adv.) Voir une chofe
de près , eene zaak van naby befcbou-
wen.
DéprefTsr , (v. a.) Dépreflez ces
livres là ^ baald die boeken uit de
pers.
Dépreflïon , ( f) Vernedering ; neer-
drukking van een ligchaam door een
ander
DEP. DEQ. DER.
mnder dat zwaarder u («« Natuurk.)-,
gerinoe jiaax ,
Depri , {vci) Het aangeeven der uit-
gaande ivaaren ; het aangeeven eener
erffenis aan een' Leenheer.
Déprier , (v. a.) Opzeggen ; aprèa
m'avoir prier à dîner, il m'a en-
voyé déprier , ua dat by my ten
middag-maal genootfigJ bact , beeft hy
my weder opgezegd»
Déprier, (v. a.) Waartn ter uit-
voer aangeeven ; den Leenheer het ge-
erfde goed aangeeven , om 'er bet leen
van te voldoen.
Déprimer, (v. a.) Onderdrukken ^
verootmoedigen {beter rabaiiTer).
Déprifer, (v.a.) Feragten, laaken.
Se Dépromettre ( v. r. ) d'une
affaire , aan een' zaak wanhoopen.
Dépnceler, (v. a.) Den maagdom
beneemen.
Dépucellement , (m) Ontmaag-
ding ( f;.
Depuis , (adv. & prep.) Fan y ze-
dert ; depuis peu , onlangs', depuis
quand, zedert wanneer '^ cela s'eft
pafTé depuis, dat is zedert , daarna
omgegaan; depuis- que , zedert dat.
Dépuration ^ (m) Reiniging (in
Chym.),
Dépuratoire , (adj.) Reinigend (in
Chym).
Dépurer , (v« a.) Reinigen (inChym,)
Députation , ( f) afzending , be-
zending.
Dépnté , (m) Gezondene, afgezatft.
Députer, (v. a.) jifzenden , af-
vaardigen.
Dequoi, (pron.) ÏVaar van-, de-
quoi parlez vous/* waar var.fpreekt
gy^ dequoi s'agit il? wat is 'er te
doen .t watts het onderwerp? n'avoir
pas dequoi payer, niets hebben om
te betaaleny vous n'avez pas dequoi
d'outer. , çy hebt geen reden om te
twyfelen; avoir dequoi, ryk zyn\
il n'y a pas dequoi , bet is geendan-
kens xvatrd', voilà bien dequoi vous
mettre en peine , dat is waarlyk
de moeite waard om u te ontrujlen.
Déracinement , (m) UitroeijiKir (f ).
Déraciner, (v. a.) Ontwortelen;
tiitroeijen.
Dérader , (v. n.) Ui$ de reê dry.
vtn (Zee w.)
DER. 207
Déraifon , ( £) Onbillykheid, (wei-
nig geb.)
Dóraifonnable , (adj.) Onbetaame-
lyk , onredelyk.
Déraifonnablement, (adv.) Qnbit^
lyk.
Déraifonnément , (m) Malle rede-
neering.
Déraifonnément, (?ià\\)Gekkelyk.
Déraifonner, (v.n.) Molredeneeren.
Dérangeaient , (mj IVanféhikking ,
wanorde ( f).
Déranger « (v.a.) In wan orde bif en-
gen , verplaatzeit ; van 't JJak afbren-
gen ^ verwarren; fun premier argu-
ment dérangea tout à fait fon ad-
verûire , zyneerfie bewysreden , bvagt
zynen tegendrnger geheel en al van zyn
Jluk.
Déraper , (v. n.) Uit de grond
Jpringen, los raaken (Zee w.)
Dératé , ée (adj.) Loos , lijli^ y un
dératé, eenjltmme vos.
Dérater, (v.a.) De milt uitfnydeft.
Dérayure > ( f ) De laatjie voort
die men maakt als men 't land ploegd.
Derechef, (adv.) fFederom , nog-
maals , op nieuw (oud w.)
Déréglé , ée (adj.) Ongeregeld^
ongefchikt ; ambition déréglée , on-
maatige (laats-zugt ; vie déréglée^
een ongebonden leven.
Dérèglement , (m) Ongeregelâbeid^
ongefchikt beid , ongebo^denbeid (f)';
dérèglement de mœurs, bederving
der zeden.
Dérèglement, (adv.) Ongeregeld»^
ongebonden.
Dérégler , (v. a.) In wanorde brev^
gen.
Se Dérégler, (v. r.) Uitfpatter.^
verwddercn.
Dérider, (v. a.) Ontrimpeten y glad'
maaken ; (fg.) fe dérider (v. r.) ïrr-
vroly^^en.
Dérifion , ( f) Befpottifig , fehimp :,
uitfagcbing. '
Dérivatif, ive (a^^j.) afkomende r,
QorfpfOYigelyk (in fpraatk.)
Dérivation, (f) Jfkomft , oor-
Jjprong (m) (in fpraakk.); afdryving^
(ze o w.)
Dérive, ff) AUer à U dérive,
vervallen y wegdtyntn {zee w.)
Déri-
!iù3 DER.
Dérivé, ée (adj.) Jfgekome» , o-j-
pel}amd', ajgedreeven , vervallen.
Dériver, (v. n. &c a.) ^fnoomen-,
van zyn koers ufdryven; moc ^^}'^f-
rive da grec » -woorJ van 't griekjch
afkomdig > de river les eaux , les
mots', de wateren, de woorden aflei-
den ; dériver un clou, een geklon-
ken fpyker los maaken.
Dernier, iere (adj.) De laatjiei
Ie dernier jour, de laafie dag - \e
dernier desh^icmes, de er g Ji e der
menjchen, une adion de la aernie-
re cri^auté , een' daad van d'uiterjle
ivreedhetd, ]> fuis dans Ie dernier
ch^^rin , tk ben ten uiter/ien bedroefd -,
avcir la de>niere obligation, de
gr;:otfle verpUgting hebben ; en der-
nier lieu, ten laatften.
. D'amie renient, (adv.) A^« ladtfie-
!yk, onlangs-, kortelings.
Dérobé, ée (adj.) Gejlooleny efca-
lier dernbê , een' heimelyke trop y
des heures dérobées, ledtge uuren ^
tujfchey} tyds -, à ia dérobée , (adv.)
fierliivyfo , in 't heimclyk^
. Dérober, (v. a.) Steeletg, ontwen-
den; verbergen; votre maifon déro-
be là vue à la notre , uiv huis be-
neemd ons licht; dérober des fèves,
boonen fcbillen ; fe dérober (v. r.) , zig
pu u-e? paki.en ; fe dérober à la
vue , uif het oog verdwyneti. ■
Dérogation , (f J Fernietiging ee-
ner vorige Afte.
Dérogatoire , (adj.) 't Geen tets
vernietigd (in Rechten).
Dérogeance, (f) Benadeeling, ver-
minderir.g desadehoms.
Dérogeant , ante (adj») Benadee-
tend; opheffend.
Dércger, (v. n.) a ure loi , eene
wet verzwakken; Ie trafic déroge à
la nobleffeen France , de koophandel
vernietigd den adeldom in Vrankryk ;
fans déroger à votre droit , zonder
uw regt te beneemen , te benadeelen ;
cela déroge à votre caradère , dat
benadeeld uw caraéler.
Déroider , (v. a.) De fïyfte benee-
rnen , Jlap maaken.
Dérougir, (v.n. &a.) Defchaam-
te laaten vaaren j di roodbiid benee-
men.
DER. DES.
Dérouiller, (v. a.) Den roep èr
gens afdoen ; (fguurl) befchaaven.
Déroulement , (m) Ontrolling (f).
Dérouler, (v. a.) Ontrollen.
Déroute , ( f) Nederlaag ; mettre
en déroute , op de .vlugt dr y ven -^
mettre quelcunen déroute, iemand
in een twifl reden doen verfiommen,
Déroucer (v.>a.) quelcun , iemand
van den weg ; van zyn oogmerk afhel-
pen ; fe dérouter , verdwaalen.
Derriere, (prep. & adv.) Achter-,
par derriere , vamacbteren;^orx.i^ de
derriere, achterdeur;. Ie. derriere,
(f. m.) bet achterfie van ietsi.
Dervis ,{m)Turkfche Monnik , Prie^
fïer. .
Des , (Art. plur) des hommes ,
Menfchen , of van de Menfchen.
Dès, (prep.) Dès te berceau, van
de wieg af; dès aujourd'hui , van
heden af; dés que je vous vis, van
het oogenblik dat tk u zag.
Déiabufement', (m) Onderngting
(f).
Dérabu^er,(v.a.)0«^<?rn??^«,^'ö«, •
den dwaalweg , of uit den droom helpen ,
van eene andere en betere meemng doen
worden; fe défabüfer , betere begrip-
pen vormen , zy7ie dwaling ontdek-
ken ,
Défaccorder , (v. à.) Ontflellen
(van rpeeku'gen),
Défaccoupler , "(v. a.) Ontkop)e-
len, ontfpannen.
Délaccoutumance, ( f) Afwenning ,
ontwenning (weinig geb.)
Défaccoutumer , (v. a.) Ontwen^
nen ; fe défaccoutumer, (v. r.) ztg '
ontwennen. /^ t>»'
Défachalander, (v. a.) (Zie De-
cbalander.) .
Défaffieurer, (v. a.) Scheef, niet
water -pas bouwen , óf meet en.
Défaffourcher , (v. a.) Het vertul-
anker ligt en.
Défagencer , (v. a.) Ontfchtkken.
Défagréable, (adj.) Onaangenaam
onbevallig. r>, i '
Défagréablement , (adv.) Onbe-
haaqlyk , onaangenaamlyk.
Délagréer, (v. nj Mishaa^en.
Défagréer (v. a.r un Vatireatt»
een Scbip Qottokeka*
Defa-
DES.
'Uéfagrément , ;^m) Onbevallighetd
(h.
Défaigri, ie (adj.) Ontzuurd.
Défairer , (v, a.) Ken roof vogel
uit zyn nep haaien of jaagen.
' Déraju(ler,(v.a.) Omfc hikken y ver-
warren ; van zyn gang helpen.
Défalcérer, (v. a.) Den dorjl les-
fchen,
Défancher , (v. a.) Het momijluk
' va)i een blaas-xnCivxxraent afneemen.
Défancrer . (v. a.) Het anker ligtcn.
Défappareiller, (v. a.) Onrpaarcit.
Défappliquer, (v. a.) aftrekken,
{vcin c nig^ bezigheid).
Défappointer j (?.a.) De bezolding
ontneemen.
Défapprendre , (v. a.) f^erleeren,
ont Zeeren , vergseten.
Défapprobaceur, (m) ^/keurder.
Défappropriatïon , ( f ) Overgaa-
ve des eigendom s .
Se Défapproprier , (v. r-) ^ig
van eiqene goeder e fi ontdoen.
Défapprouver , (v. a.) afkeuren y
wraaken.
Pélkrborer , (v. a.) Een majl of vlag
Jïryken , neerlaat en.
Défarçonner , ; (v. a») Uh de za-
del ligten ; défarçonner quelcon,
iemand buiten ^oüuar brengen, ver-
légen maaken.
D:^rargenter, (v. a.) Qmzilveren.
Défarmé, ée (adj.) Ontwapend.
Défarraement , (m) Onttakeling ,
ontwapening ; afdanking ( f),
Défarmer, (v. a.) Ontwapenen',
onttakelen {van Krygil. en Scheepen
gezegd) , iemands gramfcbap verzag-
ten. (f^iurl.)
Défarranger, (v.a.) Vanzynptaats
zetten , verplaatzen {Zie déranger).
Défarroi , (m) Etre dans un tri-
fte défarroi , in een arme en elendige
toejland zyn.
DéfaflTembler , (v. a.) Scheiden,
uitmalkander doen,
Üéfaffbcier , flr# a.) Gezelfchappen ,
eompagniefchappen fcbeiden.
Défaflbrtir , (v. a.) Iets y dat by
malkander pafl , fcheiden.
DéfafTurer, (v. a.) Iemand onze-
ker maaken, omtrenf ats dat by f e
V09rgn geloofdf.
DBS. sLoi
Défaftre, {m) Rampfpoed (n) , ofi-;
hei-l , ongeluk (n).
Défaarcux, eufe (adj.) Ongelukkig
{by Dicht,)
Dt'fatrifler, (v. a.) Troofien y ver»
blyden.
Défavantage , (m) F'erlies (n) fcha^-
de (f) ; ceia eft à fon défavanta-
ge , daijïreki tot zyn nadeel -^ ils fu-
rent vaincus par le défavantagedüi
lieu , zy wierden door de nadeelighetd
der plaats overwonnen,
Défavantager , (v. a.) Bmadeelertc
Défavantageufement, (adv.) iVia-
deeli^lyk.
Dèfavantageux, eufe (adj.) Scba^
delyk , nadeelig.
Défaveu, (m) Ontkenning iloogchâ'
ning , contrarie- wré-wm^ < ().
Défaveugler^(v. a ) Zi'nde maà'
ken , de cogen openen ; onJerrigten.
Défavouer , (v. a.) Ontkennen -, ap-
Jlemmen,, afkeuren ; défavouer uli
crime, eene misdaad ontkennen 't défa-^
vouer quelcun pour Ion ûis^iemané
voor zyn zoon niet erkennen.
Défceller , (v. flo) Het zégel of-
neemen,
Defcendance^ (f) ^fkon^jl, jîam.
{m) , gejlaôht (n).
Pefcendant , ante (adj.) Afdaa-^
lende , afkomfiig , fpruitende ; alleç
en defcendant la montagne , vat»
den berg nederwaarts gaan^
Defcendants , (m. pi.) Nakomelif!^
gen y na-neeven , het nagejlaéht-
Defcendre , (v. n«& a.) afgaan , af^
klimmen, neérdaalen, neerlaten, af"
loQpen ; afkomfiig ^ zyn ; afftammenf
defcendre à terré , voet aan larttt
zetten i de fcandre de cheval, van 'fi
paerdjlygen ; defcendre dans Ie dé-»
tail , iich in byzonderheden van eepk
zaak inlaat en; defcendre la riviè-
re, de rivier afvaar en, af komen ; dt'^
fcendre les degrés j de trappen af.,
gaan', defcendre an inftrumeni; de
raufique à cordes , een fkaar-JpeeU
tuig laagerjlelten ; defcendre^ vin
dans la cave , wyn in de kelder af.
laaten ; defcendre nn tableau ,' eeri
fcbildery afneemen; il croît être dé-
fcendu de , hy meent afkomfiig u
zyn vani Tes cheveux lui d^f£en",
tto DES.
dent jusqu'à la ceinture , zyn haïr
bangd bem tot de middelen toe -, la
marée defcend, de vioed gaat af,
bet ebt % defcendre Ia garde , 'van de
wagt aftrekken.
Defcendu, ue (adj.) ^fgeklommen,
neergelaten , enz.
Defcenfion, (f) Het ondergaan
eener Jlerre (n).
Defcente, (f) Jfkomji , afgang ^
uedergang , af klimming j neérlating met
een katrol; landing-, vyanJelyke in-
nfal ; bangenJe goot ; een breuk (;n
Heeli.) ; zakking van 't •voedzel in de
maag;£3.ire une defcente, eene lan-
ding, inval doen; à la dercsnte, tn
'f afkomen.
Défcription ^f) d'un païs , Be-
fchryving van een land.
DéCemballage f(m)Ontpakkittg ( f).
Déûmballer , (v. a.) Ompakken.
Défembarquement , (m) Qntfchee-
ping ( f )•
Défembarquer , (v. a.) Otttfchee^
pen, loffen.
Défèmbourber , (v. a.) Uit de mod-
der trekken, haaien-, vif ch verwateren.
Défemparer , Tv. n.) rerlaaten-,
défemparer un lieu, een plaats rui-
men-, déftraparer un vaifTeau , een
febip reddeloos f chieten, (zee tir.)
Défempenné, ée (adj.) yéderloos,
Défempefer , (v. a.) Hetjlyfzel uit
bet linnen doen.
Défemplir, (v. a.) Ledigen,
Défemprifonnsr, (v. a.) Utt de
gevangenis ver loffen , ontjlaan.
Défenchantement , (m) Onttóve-
ring (f).
Défenchanter, (v. a.) Onttoveren.
Défenclouer, (v. a.) De te diep
geflagene boef-nagels uittrekken.
Défendorrair , (v. a.) fFakker maa-
ken.
Défenfler, (v. n. & a.) Stinken , dun-
ner worden of müaken.
Défenflure, (f) Slinking.
Défengager (v. a.) ou retirer jZ^o^-
fen (een pand).
Défenger, (v. a.) f^an ongedierte
zuiveren.
Défengréner, (v. a.) Haver ont-
houden.
Défenivrer , (7. a.) Qmnucbteren -,
DÈS.
fe défenivrer, (w,r. )nucbteren ivor^
den.
Défenlaceraenc , ( m ) Ontvlegting
(f)-
Défenlacer, (v. a.) Ontvlegting-,
fe défenlacer, (v. r.) zicb uit de
firjk redden.
Défennayer, (v. a.) d'OrUufï ver-
dryven, la leeture défennuye , bet
leezen verdryft d'or.ïuji j fe défen-
nnyer, (v. r.) Zich verlufïigen. .
Défenrayer , (v. a.) De fpaak uit
een vt'iel trekken.
Défenrhumer, (v.a.) De verkoud-
heid ver dryven. \
Défenroier, (y. a.) Jfdanken , van
de rol uitfchrappen.
Défenrouer ^ (v. a.) Heesheid ^
fchorheid ver dryven.
Défenfabler, (v. a.) Uif bet zand
redden , vlot krygen»
Défenfeigne'r (v.a.) quelque cho-
fe à quelcun , iemand iets verleerea^
afleer en.
Défenfevelir, (v. a.) Opgraaven,
Défenforceler, (v. a.) Onttoveren.
Défenorcellement , (m) Onttove-
ring , (£).
Défentêter, (7. a.) Uit bet hooft
praat en. ^
Défentortiller, (v. a.) Losdraai*
jen, ontwinden.
Défentraver, (v.a.) Ontkluijieren.
Défenvénimer , (v. a.) 't Vergift
verdryven , daar van zuiveren.
Déféquiper, (v. a O Onttakelen,
Défère, (n) fVoefiyn y wildernis,
woefleny ( f ),
Défert , te (adj.) IVoefi , onbewoond^
païs défert, ivoefl land; champ dé-
fert j onbebouwde akker -, appel dé-
fert 1 verzuimd appel.
Déferter (v. a.) un païs, een land
verwoeJJen, toteene woejlyne of wilder^
nts maaken ; déferter un lieu , een
plaats heimelyk verlaaten ; déferter
quelcun , iemand in de vreemde ach-
ter laaten; déferter, (v. n.) weg-
hopen , afJroffen van zyn Regiment.
Déferteur, (m) Overlooper , weg-
haper ; verlaaser van een gezelfchap 9
band' werk enz.
Défertion, (f) P^fTÏaating; weg^
looping i verzutming {in Retbten)*
DES.
A la ddfefpérade , (adv,) Op een
dolle wyze.
Déftfpéré, ée (adj.) fTanhoopig;
l'affaire eft défefpérée, Je zaak is
ioopeloos; c'efl: un défefpéré , où un
déterminé, het is een dol ^ onver t-
zaagd menfch ; en de f» fpérés , als
wanhoopige f dolle menfeben,
Défelpérérnenc j(adv.) Qnvertzaag-
delyk,
Déiefpérer, (v. a. & n.) In wan-
boon 'brengen , boopeloos maakcn ; wan-
hoopen ; fe déiefpérer , (v. r.) boo-
peloos worden,
Déferpoir, (m) Wanhoop (().
Dc-^habillé, {in)Een nagt gewaad,
Déshab'Uér, (v. a.) Ot.tkleedehi
fe déshibiller , (v. r.) zich ontkleeden.
Déi;habice , ée (adj.j 0>ibewcQnd.
Béshabir.s-r t(v,a.)Ónbewoo*id maa-
ien , (is onbruikl.)^
Déshabituer, (m) Ontwennen; fe
deshabicuer, (v. r.) zich ontwet7ntn.
Déshérence, (f) Erffems aan den
Leenheer vervallen , uit gebrek van
wettige erven.
Déshériter, (v. a.) Onterven,
Déshonnête , (adJ.) Oneerlyk jfcban-
delyk,
Déshonnêtement , (adv.) Oneer-
lyk^ onfatzoenlyk»
Déshonnêteté, (f) Oneerlykbeid ,
fchande.
'Désh.onnexir^{m)Oneeryfchande{Ï).
Déshonorable, (adj.) Ontéerende,
fcbandelyk.
Déshonorer , (v. a.) Onteeren ,
Jchenden.
Déshumanifer , (v. a.)Ontmenfcben.
péQgnacif , (adj.) aanduidend,
Défignation , ( f) Aanwyzing,
Défignêr (v. a.) qüelcan, iemand
aanwyzen , te kennen geeven , benoemen*
Défincorporer , (v. a.) Van zyn
ligchaam aj[fcheiden,
Définence , ( £) Uitgang, einde van
een woord (in fpraakk.),
Définfatuer , (v, a.) Van een zotte
waan of inbeelding geneezen.
Définfeder , (v. a.) Van befmetting
zuiveren.
Définfe^lion, (f) Getieeztng daar
van,
Péfinterefféjée (adj.) Onpartydigf
zondgr eigen belang , vry.
. DES. Êït
Défintéreflemcnt , (m) Onbaatzug.-
tigheid.
Définterefler (v. a.) quelcun, ie-
mand belangeloos , vry maaken,
Délir , (m) Verlangen (n) , begeer-^
fe ( f).
Défirable , (adj.) fVenfihelyk,
Délirer , (v- a.) Be^eere» , verlan^
gen , wenfcben,
Défireux , eufc (adj.) Ftrlangen"
de y hegeerig.
Déüitemciic, (m) Jlfjland*
DéSftv-r, (V. a,) fe déiiller , (V. r.)
Afjïaan van tets,
Dèslà , (adv.) Van daar af,
Déiiiaëe , (m) Scheiding { {),
Dés lors, (adv.) Van toen off van
die tyéfaf.
Désobéir , (v. n.) Ongehoorzaam
zyn,
DésobéïfTance j ( f ) Ongehoonaanf
beid,
Désobéiffant , ante (adj.) Onge^
hoorzaam.
DcsobligeaiEinent, (advO Onheus
fcbelyk.
Désobligeant, ante (adj.) Onbc
ieefdy oüvriendelyk,
Désoblii/er, (v. a.) OndienJJ doen ^
ongerioegen geeven.
D^^occ'Tpation , [(f) LéJigheid^
verliciigi:7g.
Désoccupé j ée (adj .) Zonder ham
zigheid.
Désoccuper, Cv. n.) fe dé^occu-
per , (v. r.) Zicb <i>er ledigen y van bé-^
zigheid ontdoen.
Désœuvré, ée (adj.) Ledige zon"
der werk.
Défolant , ante (adj-) Verwoeflend^
mistroojiend.
Défolateur, (m) Verwoefler,
Défolation , ( f ) Verwoejiing, ver^
floofing; droefheid, bekommering.
Défolé, ée (adj.) Bedroeft ^ ver^
woejl.
Défoler, (y.a,)Venvoeflenfbeder'>
ven ; bedroeven.
Défopilatif , ive (adj.) Openend^
(in Geneesk,).
D'^<opilation, (ï) Opening,
Défopiler, (v, a.) De verjioppifi"
gen w'egneemen , (in Geneesk,).
Désordonné, ée (*dj.) Vie dés-
O a «f-
212 DES.
ordonnée, ongeregelde tewnsivyze.
Désordcnnémçnc, (adv.) Onma-
Défordre , ( f ) JVanorde , verwar-
tittg , ongpfchiktheidy Jlordiiiheid,
âéfbrienter , (v. a ) Iemand utt
zyn land voeren ; een zonne-wyzer ver-
zetten ; iemand tn "jerwarring , cfvan
zynftuk brengen.
Déformais, (adv.) /^^« «« voort-
aan , in 't toekomende. '
Déforner, (v. a.) Qfitcieren.
Défüfler, (v. a.) Het been utt bet
vleefch doen.
Défourdir, (v. a.) Ontweeven , los
maahen. ,^^ , , .
Defponlktion , (f) Trouwbelofte.
Öefpotat , (m) Land of waerdig-
heid eener onbepaalde o/ defpotifche
Regeering.
Defpote , (m) Willekeurig Vorjl ;
item titul van den Vorji van Walla-
chien (Defpodar).
Defpoticité , (f) Willehurige
maçkt.
Defpotique , (adj.) Oppermagtig ,
^v^llpkpurig , zelfs heerfchend.
Defpotiquement i(a.àv.)Oppermag'
ffglyi-
Defpotifme, (m) Onbepaalde magt.
Defpumation, (f) Jffchuiming{in
r^» Apotheek)*
DefpnTOçr, (v. a.) Affchuimen.
DeQOuamation , (f) Jlfneeming der
rcoven van wonden (in Heetk)
Defiacrer , (v. a.) Ontheiligen , ont-
weiïen. x ^r . .
DdTaigner, (v. a.) Huiden van 't
bloed reinigen.
Deflaifir , fe deffaiür (v. r.) d'un
gage, een pand terug geven, vaaren,
glippen laatpn,
Deflaifliffement , (m) Loslaattng,
ever^evin^ , glipping , van iets dat men
vali^had'd).
DeffaiTonner, (v a.) Buiten tyds
ploegen of zaajen.
Deflfaler , (v. a.) Ontz&uten , wee.-
ten.
DelTangler (v. a.") un cheval,
een paerd de buikriem los macken,
Deflaouler ou delTouler fv. a. &
n.) Nugttren maaken -, nugteren ivor-
éen»
DÈS.
DelTéchement , (ni) Uitdrooging y
ver dor ring , vermager ing (f).
Deffécher ,(v.a.) Uitdroogen ; ver-
dorren ; vermageren , uitteeren.
Defllein , (m) Voorneemen , oo^-
merk fn), tOfJpg (f)j ontwerpt (n) f
afrekening , affchêtzing (f) ; à des-
fein , (adv.) met opzet , met voor^
dagt, met oogmerk.
Deffeler, '(v. a.) Ontzaadelen,
DefTerre , (f) Il eft dur à la
deflerre , hy isvajl houdend, keurig.
Deflerrer , (v. a.) {van ferrer)
Omfluiten , los maaken.
DeflTert , (m) Het nageregt , het
deflTérc (n).
Deflerte, (f) Het overfchot eener
tafel ; het verrigten van een kirkbe-
diende (n).
Deffervice , (ra) Ondienji (m) , na-
deel (n) , trek ( f).
DefTervir, (v. a.) Iemand ondienji
doen; de tafel opneemen-, eene kerk cf
dienfi daar van waarneemen .
Defficatif, ive (adj.) Opdroogende
{in Meelk.)
Deflication , (f) Opdrooging der
voeten.
Deffiller. {Zie déciUer).
Deffinateur , (m) Tekenaar , teken
meefter , fchetzer.
Deffiner , (v. a.) Tekenen , affchet-
zen.
Deflbler , (v. a. ) Den hoef van \
eens paards voet afdoen ; de landsdouw ,t
veranderen. h
Deflbucjer, (v. a.) Het foldeerzet'f
los maaken. - ^
DefTouIer. (^/V deffaouler.) ;
Deffous , (adv. prep. & fubfi:.) ;,
Onder, hei o^derfie : tirez cela de|
delTons la table, haald dat "jan onder
de tafel iveg ; être au defl'ous dé-
quelcun ) beneden , onder iemand, min^
der zyn, pardenbus, onder-, ùe óe
fous, van onderen', fens deffus des*
fous , hrt onderfle boven ; over kop'
overjftaart yin de tvar, in den holbel •,
bas de de flous, onderkoujfen ; avoif
du deflbus , onderleggen , overmand
zyn -f Ie deflbus du pied ,^ het onder-
fie, de zool van de i'o^f; vingt ans&
au deffous ; 20 jaar en daarzonder,
Deffus, (adv. prep. & fubtt.) Bo~
vtnj
â
DES.
ven^ op', cy dtiFus, hier hoven -, par
deflus, ^o-yf/; , lan bovet$; daar en
boven-, lever les yeux de défias el-
le , d'oogen van haar aJÜraaijc/t ; par
defTus tout cela , hrjcn dit aljes-,
m'ayanC paie, il rac donna encore
quelque chpfe par dtilus, my be
taald hebbeiide , gaf hy my njq iets
daar en boven; fauier par deflfus le
cheval , over 't paard he^'n fpringen ;
cela tonabn de défias la table , dat
viel van de tafel af; au défilas de
lui , boven hen* ; au defifus de la na-
tuie, boven de natuur; il eftau dcs-
fus du vent, hy ts boven de wind ^
hy beeft de loef; il loge au defi'us ,
hy ivoond boven op ; brifons là deffus )
laat ons daar affcbeiden\ je lui par-
lai làdefl*us , ik jprak hem daarover;
le deflus, het bovenfïe ; ra-^ttre le
defi'us, het opfchnft fchryven; avoir
]e deffus , de overhand hebben; le
deflTus du vent, de loef {zee w.); Ie
Uefiàis , de boven-Jîem , (in mufiek.)i
prendre le defilus, de quelcun , de
booger hand van iemand neemem le
par deflus (m) y de over-maat, toe~
Deftin, (m) Befcbik, noodlot ^ iets
dat over iemand beJJooten en niet te
ontgaan is.
Deltination , ( f) Schikking tot iets ;
loS'plaats van een Schip.
Deftiné , ée {^à].)Gefchikt,hefîemd ;
vaifleau deftiné pour un certain
■port, fcbip dat naar een zekere ba-
ven hevragt is.
Deftinée , ( f) Ongeluk , noodlot (n).
Deftiner (v. a.) Toefchikken , toe-
leggen ; on Ie deftxne à 1'eglife ,
men fchikt hem tot den herhen-dienft.
Deftituable, (adj.) Die afgezet kan
^ivorden {van ampten gez.)
Deftituer , (v. a.) Afzetten {van
ampten) ; berooven , ontbhosen van
goederen enz.
Deftitution, (f) Ontblooting, be~
rooving , afzetting,
Dfiftraûeur , trice (m. &; f.) f^er-
nielder , verivoefler ; vemielfïer.
Deftruftion , (f) Verwoefling ( f ) ,
endergang (m),
Défunion, (f) P^erdeeïing^ fchei-
DES. DET. 2T3
Défunir, (v. a.) l^erdeeteny fcbei-
den ; tiveedragt ntaaken.
pécachement , (m) Affcheiding^
afzondering van aardfchg dtngeo (f) »
afgezonden krygshoop.
Détacher, (v. a.) Ontbinden ^ ont^
hegten, los maaken; affcheiden; vlak'»
ken wegneemen j décacher un ta-
bleau > eene fchildery afneemen ; dé-
tacher les flegmes > de fluimen los
maaken ; détacher quelques trou-
pe», eenrge troepen afzenden; fe dé-
tacher, (V. r.) zig los maaken f ont-
doen; los gaan f openen; fe détacher
du monde , zig van d« ivaereld ont-
doen y losmactken; pièces détachées,
buiten werken i» eene vefiing ', feuil-
les détachées, /o/T^ ofbyzondere bla-
den.
Détacheor , (m) Een die de vlak-
ken uit de kleedcren doed, {^te dé- .
graifiTeur).
Détail , (m) Vendre en détail,
by het flukofin 't klem vtrkoopen ; fai-
re un détail de quelque chofe, iets
"jan fluk tot ftuk ver baal en; un détail
fâcheux ) een' verdrietige ivydloopig-,
beid.
Détailler , (v. 3.) Klein fnyden 5
•'« '/ klein, of fluks VDyzeverkoopen , uit-
fnyden y uitventen ', eene zaak in 't klein ,
omjlandig verbaaleîi.
Détailleur , erefTe (m. & f.)
Kraamer f uitventer; uitfnydjier.
Décaiilifte , (m) Een liefhebb&f^
om iets breedvoerig te verbaalen,
Détaïer y (v. a. & n.) öpkraamen
{als waaren); ixeggaan,
Détalinguer, (v. a.) Het ankers
touw los maakgn.
Déteindre , (v. a.) Ontvenven^
de kleur heneemen.
Dételer, (v. a.) Uit [pannen {als
paerden ofojftn)».
Détendre (v. a.) un arc , een' boog
ontfpannen; détendre les voiles, de
zeilen afiieemen, los maaken»
Détenir, (v. a.) yajl houden ^ ge-
vangen boude» , terug houden , verbin-
der f n 5 détenu ,ue, in hegtenisyin 't
ziekbed gehouden.
Détente, (f) De trekker, van een
vuur-roer.
détenteur, Çjice (ta. & t) Sc»
3 ' '4i»
2Ï4 DET.
^die een ander zyn goed terug houd.
Détention , (f) l^'ajihouMrég in
hegtenis f bewaar ing , verbinder itJff ,
teru^ houding.
Décerger » (v. a.) 4f voer en , reini-
gen (in Geneesk.)
Détérioration , (f) ^erderving,
verjlimmering.
üéiériorer » (v.a.) Verergeren, be-
derven (in Rechten).
Déterrainacif, ive (adj.) Bepaa-
lend , vaOJJi^Uend.
Détermination j ( f ) Bepaaling y
vajîjîellingr
Déterminé , ée {&d].)Befiooten ,be-
paald; Jlout , onverfcbrokkenyonvert-
zaagt yOHvertnoûd i c'eft un détermi-
né, /^ff is een ivaagbals -, een dolkop;
en déterminé > als een dolle»
Déterminénjent, (adv.) Bepaal-
der wyze ^ item onverfcbrokkener
wyze. .
Déterminer , (v. a.) Bejluiten , be-
paaien ; iemand tot iets beweegen -, ce-
lar détermine le mouvement de ce
côté là, dat bepaald , ofrigt de be-
fveeging na die kant.
Déterrer, (v. a.) Opgraaven-, ont-
dekken .. uitvinden.
DéCert'eur , (m) Opgraaver-, ont-
dekker {van iets).
Déterfif , i"e (adj.) Reinigend, zui-
verend (tn Geneesk.),
Déteftab e i{^à].)f-^erfoeîjelyk fgru-
welyk f ajfchuwelyk.
Déteftabiement , {2i.ày.)Grou'welyk.
Déceftatioîi, (f) ^fgryzing , af-
fchuuiv.
Détpfler, (v. a) F^erfoeijen, ver-
affchuwwen.
Détignonner, (v. a.) Iemand het
ha'r v.tmkk'n., {gem. w.)
Détïrer , {v.&.)Uit-reitken (als hn^
i2en);uit malkander trekken.
' Détifer (v.a.)le feu, het vuur in
reUnen^ ulîdoeno
Dé'ounation, ff) Kraakîng der
jicffcn in eea fmcltkroes.
Déunncr, (v. n.) Kraaken', uit
der. icon vallen (in Muziek).
Détordre , (v. a.) Ontwringen ^ los
draaije-'?', fe détordre le pied, zyn
n^oîi terivringen, vet wrikken,
Dfctorquer , (v. &>) Verdvaaijen ^
{eine meening)»
DET.
Détors , orfe (adj.) {van détordre)
f^eru rongen.
Détorfe , (f) Verwrikking , ver-
rekking , ivreeking , wrikking.
Détortilier, (v. a.) Ontvlechten ^
lasdraaijen,
Détouper , (y. a. ) Omjloppen ,
openen. ■
Détoupillonner , (v. a.) D'onnut-
te takken van een oranje -boom af-
fnoeijcfi.
Détour, (m) Een omweg (m) , af^
ivendifïg 'y kromte (f); chercher des
détours, omivegen, uitvlugten zoe-
ken i détour de paroles, wydloopig-
heid van woorden , omweg.
Détcrurbier, (m) Hindernis ^ jloo'
^'*^S (^)' hinderpaal (m).
Détournement , (m) ^fivending ,
afleiding, verhindering (f), ' ■
Détourner, (v. a.) Afwenden, af-
leiden ; détourner quelcun de fon
chemin, iemand van zynen weg af-
brengen -, détourner fes effets, uyne
goederen verJJeeken , 'verbergen ; dé-
tourner quelcun de fon deflein ,
iemand van zyn oogmerk afbrengen ;
détoarner Ie fens d'un paflage,(/é>ö
zin van eentext verdraaijen ; fe dé-
tourner, (v. r.) ter zyden gaan-, zich
a/wenden,
Détrafter (v. n.) de quelcun , if-
mand lajieren , fchenden, eer-roovenm
Décrafteur , ( m ) Jgterklapper >
kwaadfprs'eker , lajleraar»
Détraftion, (f) Agterklap, eer^
rooving.
Détraper, (v, a.) Los maaken,be~
vryden (dat in een val gevangen is).
Détraqué, ée (adj.) Moulin dé-
traqué i OKtJielde tnoolen.
Détraquer (v. a.) un horologe ,
een uurwerk ontÛellen', détraquer une
compagnie , een gezelfchap op den
doolweg brengen; détraquer un che-
val , een paerd zyn goede gang doen
vergeeten (in^de Ryfcbool).
Décrem.-e, (f) Peindre en dé-
trempe, met water-verw fchilde^
ren.
Détremper (v.a.) du hareng , ha-
hng weeken ; détremper de la chaux,
de i'acier, kalk hejiaatfs faal zagt-,
tnaaken, , ,
DET. DEV.
Détreffe , (f) y^ngji, benaautvd-
heidt kommer.
Détriment , (m) Schade ( f ) , vér-
ités y nadeel (n) , (»« Rechten).
Détroit, (m) Zee- ojLind-cngfey uit-
Jlrekking van 't Rechtsgebied (f) ; dé-
troit de Gibralter, de'Jiraat van Gi-
bralt er.
Détromper, fv. a.) Onderrigten,
uit den dut helpen ; Ce détromper,
zicb van dwaalhrg hertellen.
Détrôner , (v. a.) I^^an den trcon
Jiootenof zetten , omtroonen.
DétronfTéjée (adj.) Faire unevi-
Cte en robe détroafTée, een plegtig
bezoek afleç^gen , {fpr. w.).
DétroufTer, (v. a.) Ne ér laat en y
herooven; détrouiTer une jupe, eeu
opgefpelde rok neerlaat en-, on i'a dé-
troufTé én chemin , men heeft bem
onderwegen uitgefcbucf.
Décrouffear"^ (ra) Een 8ruik-roover,
dief.
Détruire, (v. a.) Vernielen, ver^
MDoefieny verdelgen.
Détruit, ice (adj.) Verdelgd, ver-
nvoefi.
Dette, (f) Schuld', dettes avives
& paffives jfchulden die men te vorderen
en tebetaalenheeftiContraLâernne det-
te ,eene fcbuld maaken -, ètte noyé de
dettes, fo^ de ooren toe infchulden zitten.
Dévaler , (v. a.) Neêrdaalen , neêr-
taaten ; dévaler un chaudron , een ke-
tel laager hangen {beter defcendre).
Dévalifer, (v. a.) Berooveri; on
l'adévalifé^mew^f.?// hem uitgeschud.
Devancer, (v. a.) Vooruit gaan-,
overtreffen; devancer l'aurore, voor
den djgeraat opjiaan', il Ie devance
en tout , hy overtreft bem in alles.
Devancier, iere im, & €,) Voor-
zaat , Voorzaatin {in ampten); les
devanciers , de Voorzaaten , voor-
ouderen {beter prédéceffeur).
Devant , (fubfl. adv. & prep.) Le
devant d'un logis, het voorde ge-
deelte van een huis-, aller au devant
de quelcun , iemand te gemoet gaan;
aller au devant du mal , het kwaad
Jiuiteny aller au devant de l'enne-
mi > tegen den vyand aantrekken ; bâ-
tir fur le devant, dik, gezet avor-
den; prendre les devants, de voor-
togi oemm j VQQr^f vaaren 3 </(? ^as
DEV. SLjs
afwtnnen; marcher devant j voorutt
gaan ; par devant ,ï>a« vooren; pren-
dre le pas devant i de voortred nee*
iT7en; comparoitre devant le Juge,
voor den Rechter verfchynën; devant
la porte, i;oor dè deur; demeurer
devant (vis-à-vis) i'Ji^iife, tégen
over de Kerk woonen; j'irai devant
vous , ik zal voor « gaan ; remettre
quelcun fon devoir devant les
yeux , iemand zynen. pîigt voor oogen
houden of fi ellen; ötez vous de datant
moi, gaat uit myn oogen.
Devant , ante (part, van devoir)
fchuldig zynde.
Devanteau , devantier , (m) Een
voorfchoot , fchorts-kleed (n), {2^ie Ta-
blier).
Dévaflation) (f) Verwoefiing.
Dévafter, (V. a.) Verwoefieti, om-
keeren.
Développement, (m) Ontzwagte-
ling, ontwinding; oplojftng { f ).
Développer , (v. a.) Ontwinden ,
omzwagtelen; item eenenfieen op zyn
maat houwen; aile deelenvan eeniggû"
bouw op eene tekening vertoonen ; déve-
lopper un myftère, une difficulté,
een geheim ontdekken y eene zwaar igheid
oplojen, ophelderen; fe développer
d'une mauvaife affaire , zich uit eene
kwasde zaak redden , wikkelen.
Devenir > (v. n.) tVorden; on ne
fait ce qui! eft devenu , men weet
niet wat van bem geworden , waar hy
gebteeven is ; que deviendra tout
cela ? wat zal dat worden ? je ne fai
que devenir, »i& weet niet ivat ik zal
beginnen ; devenir d'évèque meu-
nier OU aumônier, in een armoedige
flaat vervallen , (fpr. w.)
Deventer, (v. a.) Te kevert aan
braffen , {zee w.)
Devenu, ue (adj.) Geworden.
Dévergondé, ée (adj.) Scbaamtt"
loos , die eer noch fchaamte beeft.
Déverrouillex*, (v.a.) Ontgrendelen,
Devers, (prep.) Tegen s i jegens t
naar, tot ; avoir des papiers pat
devers lui , papieren onder zich heb"
hen , {in Rechten).
Dévêtir (v. a.) quelcun , iemand
uitkleeden -fVan zyn ampt ontzetten ;ï(^
dévêtir, (v. r.) zicb ontkleeden; zie»,
ergens van çutdoeUf (in B-scbten^o
jîtf . DEV.
' bivêtîflenaenc , (m) Qntkleeding
(F); afjiand y ontJoenhig van iets,
Dévêrw * ne (adj.) Ontkleed ^ enz.
Déxiation , (f) j^fivykivg, (in
Sfernk.).
■ Dévidé, ée [uà].) Opgewonden.
Dévider, (v. a.) Opwinden , hafpe-
Setiy tot hluuwp>,9 jireiigen rnaaken-^
dévider uoe fourberie, een bedrog
finttutnden.
Devidcur, eufe (m. & f.) Hafpe-
îaari hafpelaarjhr.
■ Dévidoir, (m) Een hafpel.
Deui! , (m) kouw (m), droefieid
( f) , fouu'gewand (n) -, lykjlaatfte ( f ) ;
prendre le deuil , den rouw aanner-
fnen-, porter le deuil, rouw draa-
gen porter le deuil de fa blanchis-
îeufe .vuil linnen aan hebben (fpr.iv.j;
grand j petit deuil, zwaarey Jigte
Devin , ine (nj. & f.) Een waar-
^e^ger-f waarzpgfier.
'Deviaer^(v.a..)fVaarzeggen ; gi/Jen ,
raaden; deviner les fêtes quand el-
les font venues, dingen, na dat ze
gebeurd zyn , voorzeggen.
DevinerefTév (£)t.Éri ivaarzegjier.
Devineur, (m) Een waarzegger.
Dévirer, (v. n.) Met een fchip
wverjiaag gaanyle cable dévire de
deffus le cabeftan , 't tuuw hopt te-
gen op de fpil {zee w.)
Devis ,(ra) Befiek , omwerp van een
gebouw^ beft ek of eer ter van eenfchlp{tï).
' . Dévifager , (v. a.) Iemand in het
aangezigt krabben , fc henden.
Devile ,(f) Zmfpreuk, gedenk fpreuk.
\ Devifer, (v. u.) Praaten, kouten,
f nappen.
Dévoiement, (m) Buikloop,
Dévoilement, {m)Ontdekking (f).
Dévoiler, (v.a.) Ontjlutjeren , het
éek-kleed afligten; dévoiler un mys-
tère , epn geheim ontdekken j bloot
fiel^n.
Deyoir, (v. a.) Schuldig zyn, ver-
fligt zyn y il doit au tiers & au
fluart, hy is olie man ff huldig ; je
vous dois la vie, ik ben u 't leven
verfchuîdigd', vous deviez l'aflifler ,
Îjy moej) hem helpen, byfîaan; la mu-
îque moderne n'en doit rien à
ï-ancienDie I çh pfiffndflagffbe mu-
DEV.
ziek wykt geenziiits voor de oude.
Devoir, (ni) Pligt (raj, fchuldig-
beid if); s'acquiter de fes devoirs,
ztch van zynen pligt kivyten j man-
quer à fon devoir, zyn pligt ver-
zutmen; derniers devoirs , laafîe
eer, lykflaatfe y ranger quelcun à
fon devoir, iematui tot zyn pligt
brengen; fe mettre en dev ;ir de
faire, zich in 't pofluur f.ellcn om
tednen; rendre fes devoirs à quel-
cun j zyn pligt, onderdanigheid aan
iemand bczvyzcn. ^
Dévcle ,(f)Faire la dévoie ,niet
eenen trek haaien (in 't Kaartfpel).
Dévolu, ue (adj.) ^anbefiQrvin,te
leurt gevaileii.
Dévolut, ou dévolu, (m) Obte-
nir un bénéfice par cevolut, een,
geeflelyk arnpt ydoor aanbtfîérving ,ver-
krygen.
iJévölutaire , (m) Een die naar
zoodanig amptflaat, of het verkrygj.
Dévülutif, ive (adj.) Dat aanbe-
val d (in JR echt en).
Dévolution , (f) jianbevalUng (in
Rechten).
JDévorant , ante (j&ó].)yerjlindend,
■verteerend. ■
Divoraceur , (m) Verjlinder , op'
zwelger , opflokker ; dévorateurS de
livres , een die fierk leefï.
Dévoré, ée (adj.) Vérjlonden,
Dévorer, (v. a.) y'erflinden j op-
flokken , gulzig eeten j zeer naar iets
verlangen i Ie tems dévore tout, cfe"
tyd verfind alles; dévorer un li- "
vre , een boek ras, doch zonder aan-^^
dagt , uitïeezen.
JDévpreur de livres. {Zie devo-
rateur).
Dévot, ote (adj. & fubft.) God-
vrugtig; een godsdienjiige.
Dévotement , (adj .) Godvrugtiglyk ;
prier Dieu dévotement, met aan-
dagt God bidden..
DévotieufemenC, (adv.) Gods dien-
fi'gh^ > {oud w.)
DévotieuK, eufe (adj.) Godvrug- ^
tig; aandagttg, {oud w.) -r
Dévotion, (f) Gödvrugt , GüdS'
dienfligheid; faire fes dévotions , de
Godsdienfipligten hvaarneemen j il eft à .
laa dévQCionj hyJiaQl fqttfiyncH^nft^
DEV' DEÜ.DEX DEV.&c.
Dévouement, (m) Totiiiying, op-
dragt , oyöfer'n^g
■ Dévouer, (v. a.) Toeivydctjf opoX'
f éren; être dévoué au Itrvic^. tic
qudcun ^ am iemands dtenjï' geheii-
lyk overgi'i^ee.en zyn.
D«ivoyèr, (v. a.) .ffJwanlen ; den
buikloop veroorzaakeri; fe dévoy'-^r,
(v. r.) i^cin de ivrg divaalen , afdoo-
len.
Deujiéronome , (m) Deuterono-
miuoi", of tweede weP , {laatjie boek
'Mozes).
Deux, (ad.].)T<vee; il font deux,
zy zyn mei hun heidens deux à deux,
twee aan twee ; deux fois , twee
maal; «n deux, een twee.
Deuxième, (adj.) De tweede*
Deuxièmement ,(adj.) Ten tweede.
Dextérité, ( f) Gaauwheid y behen-
digheid , vlugheid.
Dextre , ( f) fVord gezegd van de
r egt er hand Gods.
Dextrement , (adv.) Kunjligïyk , be-
hendi^lyk , {gem. w.)
Dey , (m) Dey , bevelhebber te Tu-
nis of Algiers.
■ Dl , onaffchetdelyk woord-Ïeedje aan
fommige franfche woorden.
Dia, xvoord dat de frarfche Karlie-
den bezigen , om hunne paerden links
om te wenden, il n'entend ni dia,
ni à iîurhaut , hy verfiaat geen re-
den , {fpr. w.)
Diable, (m) Duivel , Satan; c'eft
un méchant diable, het is een boo'
ze duivel; le diable eft aax vaches ,
't is ailes in beweeging', c'eft là le
diable, daar zit de" zwaartgheid;£a.i-
re le diable à quatre , verfcbrikklyk
raazin en tieren; il n'eft pas fi dia-
ble qu'il eft noir , hy is zoo boos
niet als hy 'er uitziet (fpr. w. ),
Diablement, (adv.) Duivelfch j il eft
diablement fort là-defTus, *y is daar
ifeel flerk op gezet.
Diablerie, (f) Duivelskonji , to-
ver y ; boosaardigheid ( f) j geraas
(n).
DiablefTe , (f) Duivelin (f),
boosaardig vrouwmenfc-h (n).
, Diablotin, (m) Klein duiveltje (n).
Diabolique, (adj.) Duivelfch.
Diaboliquement, (ady.) Dmelftbt
DIA. 2î7
Diaconat , (mj Diakenfchap (n).
DiaconelTe , ( f ) jJ-iaconefTe ,
{vrouw die in de oude Kerk den armen
bi'Z'.rgde). S
DicLConie, (f) Bezorging der ar'
men , Diacony.
Diacre , (m; Diaken, deeken ; armen^
verzorger.
Diadème, (m) Kontnglyke kroon(£)
hoofdcicrjel (n;.
bia^noftic, (adj.m.) Symptôme
diagnoftic , kenteeken der ziekte.
Diagonal, aie (adj.) Ligne dia-
gonale , linie dis van deneenen hoek ,
door het middelpunt , na den anderen
gaat.
Diagonalement , (adv.) Diagonaal-
fche tv y ze.
Dialeae j (m) Landtaal ^ uitfpraak
van een by zonder Landfchap ( f) het
dialea (n).
Dialefticien , (m) Redcnkundige*
Dialeaique , {f)Redeneet -kunde, be-
Kvyskonjl.
Dialeéliquement , (adv.) Volgens
de redeneer-kunde.
Dialogifer, (v. n.) t' Zamenfpraa^
ken maaken^
Diaiogifrae, (m) Iets dat in vra,*
gen en antwoorden ingerigt is.
Dialogifte , (m. & f.) 6-cbryver daar
van.
Dialogue , (m) t' Zamenfpraak (f).
Dialoguer, (v. a.) t' Zamen Jpree^
ken.
BlamsLUt, (m) Diamantjïeen', dia-
mant brut, ruuuie diamant.
Diamantaire, (m) Diamant-flyper.
Diamétral, aie (adj.) Middel ly f
nig.
Diamétralement, (adv.) Middel/y^
nig; fentiments diamétralement op-
pofés , gevoelefis die regtflreeks tegen
malkander hopen.
Diamètre , (m) Middellyn ( £),
Diane, (f) Diana, deJagt.-godin^
ne; battre la diane, dereveiljeJJaan
(dat met het aanbreeken van den dag
gefchied).
Diantre , (m) Duivel , drommel »
droes-, diantre foit du fou, dedrom^
mel haale den gek.
Diapalme , (m) Dia^ahia, (eep
trek-pleifier),
O 5 I>Ul-
2ï8 DIA. DIC. DID,
Diapasrae, (m) IVe Ir tekende poeder
Diapafon , (m) Middel to9n ? halve
toon; wjirument o^n de org^l-pypon ^
gaatjes 'der fluiten af te paffen.
Diaphane , (adj.) Corps diapha-
ne ydoorfchynend ligchaam.
Diaphanéité, (ra) Doorfcbynendheid
Diaphorédque , (adj.) Zweet-ver-
wekkend,
Diaphragme , (m) Middelrift (n)
(in OmÏeedk.)
Diapré Î ée , (adj.) Bont^ veelver-
Wig {in fFapenk.)
Diaprure, ( f) Bontheid (oudw.)
Diarrhée, (f) Buikloop , loop.
Diafyrme , (m) Bcïagchelyke opvyze-
ting verheffing van iets {in Kh^ioricd)
Disteffaron y (m) Een quart in
muziek.
Diatribe , ( f) Verhandeling , fchooï-
vojfts^ werk,
Dldame , (m) PTilde polei {een Gs-
neesk.) { f).
DIélateur, (m) Oppergezaghebber
(by de oude Rom.)
Diftature, (f) ^^mpt daar van.
Diaée, (jf) L^s die de meejlerden
feholieren voorzegt.
Difter , (v. a.) Iets van woord tot
woord voordigten , dideeren ^ Ia rai-
Ibn nous difte, de reden leerdons.
Diûion , ( f ) Een woord (n) \fpreek-
ivyze (f)i diftion noble , deftige
manier van zeggen.
Diftionnaire , (m) IVoorden-boek
(n) , woorden-fchat (m) 9 un bon dic-
tionnaire eft un ouvrage difficile ,
een goed woorden-boek is een moeijelyk
werk.
Di£lon , (m) Uitfpraak » wyzing
(f) {in reebten) ; item fpreuk , fpteek-
wyze ^ inval (f).
Diftum , (m) {Lat. en Rechts-w.)
Rechtlyke kennisneeming in een vonnis j
item rechterlyke uitfpraak in een zaak
Didaftiqae , (adj.) Dat tot het on-
derwys behoord ^ leerzaam.
Didafcale , (m) Een onderwyzer y
l^eeraar.
Dideau, (m) Xet dat v>orde mond
DÎE. DIF.
van em rivier gefpannen word (f],
Diéréfe , ( f) Verdeeling van een
tweeklank in 2 lettergreepen ; als : Païs ,
Land.
Piéf« OU dié fis , (m) Een halve
toon j' een kruis {in muziek.)
Diéce , ( f) Maath'judlng in eeten
en drinken , faire diéte , ou vivre de
regime, op zyn gezondheid leven ^ een
goed dieet houden.
Diéce (f), Kyksdag (m).
Diététique, {£) Dièet-kunde.
Dieu, (m) God; J es dieux païens,
de beidenfche goden; Dieu vous affi-
fte , Dieu vous foit en aide , Gcd
helpe u; plût à Dieu, gave God;
à Dieu ne plaife , dat verhoede God;
Dieu merci, Go;i dank ; adieu , vaar
wel; faire ou dire fesadieux, affcheid
neemen; Dieu aidant, met Qods hulp..
Diffamant , ante (adj.) Eer-ro»
vend.
Diffamateur, (m) Lafieraar , eer-
dief.
Diffamation ,( f ) Eer-roving y las-
ter.
Diffamatoire , (adj.) Libelle àif-
famatoire, eer-rovend pasquil , blauw
boekje.
DifiTamer , (v. a.) Eer-roven, fcben-
den , lajleren , verkleinen.
Différemment , (adv.) Verfchei-
dentlyk , op een' verfcbillende wyze»
Différence, ( f ) Verfcbil 9 onder-
fcbeid (n).
Différencier , (v. a.) Onderfc heiden,
het onderfcheid van dingen aanduiden.
Different, ente {ad'}.)Verfchtllend,
onderfchetden.
Different ou diflFerend > (m) Ver-
fcbil (n) , oneenigbeid , firyd {f); vui-
der OU terminer un different, een
verfchil beJJiffen.
Différer , (v. a.) Uitflellen, ver-
fchuiven, opzetten.
Différer, (v. n.) Verfcbillen , an-
ders zyn.
Difficile, (adj.) Moeilyk , zwaar.
DifRcilenient, (adj) Moeilyk.
Difficulté , ( f) Zwaarigbeid ,moei'
lykheid; difficulté d'urine, de koude
pis.
Difficultueux, eufe (adj.) Zwarig-
heid maakend) vol bedenkingetr.
DIF. DÎG. DIL.
Difforme, (adj.) îVanjialtig yWan-
fchapen , leelyk^ mismaakt.
Difforrner, (v. a.) Leelyk , WJ»-
fcbapen maakcn , mismaaken.
Ditïorraité, (f) IVanJlaltigheid y
DIL. DIM. 219
Dilatabilité, (f) Uitjlrekkings-krachi
{in QntleeJk.).
Dilatable, (adj.) Uitrekkelyk.
Dilatateur, (m) Spier die de neui
verit^yderd (f).
lelykheid. I Dilatation', (f) des artères.
Diffus, ufe (ad].) Uitgebreid i ver-^ uitzi'tti>ig , verwydtng der fag-ade-
fpreidi aylcdïSaS, wydloopiget wil- ren. ^ . ,. . ^ .o v r-
Jefïyl. 1 Dilatatoire, (adj. & fubft.) ^^r-
VWnCement, (idv.) fryJhopig!yk f^wyJ-nd ; een uitzettende tang {by
verfpreid, in 't wild. ' ffondheelen).
Ditfufion (f) de la lumière,. Dilater, (v. a. Uit/pannen y ver-
verfpreiding des ligts. ; wyirn {in Ileelk.)
Digame. {Zie Bigame.) i DiJatoire , (adj.) Da$ tyd uitjieîd
Digérer, fv. a.) ^*^i/oöU'm, ver^ {in rechten),
duuwerïy "jerteeren-, (overdenken ; inof- , Dilayer, Cv.a.) Uisjiellen {oudw.)
den fchikken ; digérer un affront , (i^/> différer.)
eenen hoonverdra,igen-,verduuwen\ di- ^ Dileaion , { £) Pour l'amour du
■ - ~ * ' fils de ta dileôion , om den wille dei
gérer une matière , een* jleffe wel
ûveriveegen , wel 'jerdeelen.
Digefte, (m) Verzameling van wet-
ten ( f) , wetboek van Jujiiniaan (n).
Digeftif Î ive (adj.) Dat verdou-
wmg veroorzaakt.
Digeftion , ( f) Verdouwing , ver-
teering i cela eft de dure digeftion,
dat is hard te verdouwen ,■ te verdraa-
gen-y digeflion d'un ouvrage , de
verdeeling van een werk.
Diglyphe , (m) Stuk met twee groe-
ven {in Bouwk.) (n).
Digne (adj.) If^aardig ; digne de
louange, de foi, tofwaerdig, geloof-
waardig.
Dignement , (adv.) JVaardiglyk ',
parier dignement d'un fojet , na
verdienjïen van eene zaak fpreeken.
Dignitaire, (m) Bezitter van een
geejielyi ompt.
Dignité, (f) Waardigheid, deftig-
heid ; fcboonhesdf uitmuntendheid.
Digon, (m) Wimpelflok {zeew.)
Digrefficn , ( f) Uitweiding ( f) ,
fiit/Jap f of omweg in een reden (m).
D'i^ue f {£) Dyk, dam; hinderpaal
(ra); la licence a ravagé toutes ces
digues t de ongebondenheid heeft alle
deeze hmderpaalen verbryfeld
Diguer (v. a.) un c
heval
paard de fpofiren geven
pi lacération, {ï) yerfcheuring{in
ontleedk,),
• Dilapider, (v, a.) OntiQodtge kos-
tett verfpillena
zoons uwer liefde.
Dilemme , (m) Tweeleedige fluit-re-
den , waar door de tégenparty , of
antagcaift in verlegenheid gebragt
word (f).
Diligemment, (adv.) Naarfiiglyk*
Diligence, (m) Naerjlighetd ^vlyt y
nyverheid{£); item Pojiwagen-f trek-
fchuit', faire fes diligences contre
q\ielrnn , iematict in rechten vervolgen.
Diligent, ente {zd]. Naarfiigyvly
tig , mejlig , nyverig .
Diligenter, (v. a. & n.) Verhaat.'
ten , voortzetten; Ce diligenter (v. r.) ,
zich haaflen , /poeden.
Dimanche , (m) JZondag.
Dîme , ( f) Payer, lever les dîmes,
de tiend betaaten, heffen.
Dimenfion , ( f ) Jfmeeting , afdeS"
ling ; uitgebreidheid , als : hoogte , leng*
te y breedte en diepte van een ding.
Dïraer , (v. a.) Fertienden , den
tiend verpagten of heffett.
Dïmerie , ( f ) Land , daar de tiend
van betaald word.
Dimetre, (adj) Dat tot genjanu
b:fih vers behoord en 4 voeten heeft.
Dimeur, (m) Tiend-heffer y tiend"
man,
Dlnaier , (tn) Tiend-verpagter.
Diminuer, (v. a. & n.) Vermin»
deren , mtnderen , afneemen y verzwak-
ken^
Diminutif, ive (adj.) Fierminde"
• rend, verkleinend-, un diaainutif (m) ,
few
MO DIM.DIN. DÎO.&c.
*en verminJerend woofà {in fpraafi^-)
als fenimt;lecce(î;aw femme) '•jrouwtje.
Diminution, (f) l^errmnciering y
ajjlag.
DimiiTion. (f) (Zie démiOton).
DimifToire , (m) Bifchops mlmagt-
brief, om iemand in de orden aan te
neemen.
Diraiirorial,aIe (adj.) Lettres di-
XUifToriales. {Zie dimiflbire.)
DinanHerie, (f) allerhande geel
koper-werk {kamende van Dînant).
Dinandier, (m) Koper-Jlager y of
kraamer.
Dinatoire , (adj ) Top bet middag-
maal of tot die tyd behoor e»de.
Dindan, (m) Bombam, {geluid der
klokken).
Dinde, (f) Knlkoenfche hen,
Dmdon , (m) Jonge kalkoen.
Dindonneau, (m) Kieken van een
kalkoen (n).
Dindonnier,'ïere (m. & f-) Kal-
koen-dryver y ofverkooper-, dryfjîeryof
verkoopjfer.
Dîné.(rà) Middag-maal {Zie dîner).
Dînée ,(f ) Middags pleifler -plaats.
Diner, (v. n.) 't Middagmaal hou-
den; qui dort dine , de Jlaap voed
(fpr. w.)
Diner ou diné, (iT») 't Middag-
tnaal (n).
Dîneur, (m) C'eft un beau dîneur,
't is een braaven eeter.
Dintiers, (lu. pi.) De nieren van
een Hert.
Diocéfain, aine (m.& f.) Een die
^nder een Bisdom hoàrd.
Diocèfe, (m) Een Bisdom (n).
Dioptrique, (f) Verrekyk - kunde ,
om glazen daar toe te bereiden,
Diphchongue , (f) Tweeklank y
dubbelde klink-letter.
Diplôme , {m) Brief van magtgee-
ving ; genade brief, opene brief van
ten Vorjl.
Dire , (v. a.) Zeggen , vertellen y op-
zegden', dire des nouvelles , mV^tt;^
vertellen-J 4ire , réciter fa leçon,
"zyne les opzeggen-^ dire la mefle, de
misdoen^ leeze'n-, que veut dire ce-
la? wat beduid dat ? c'efl à dire ,
dat is te zeegen j ce n'eft pas à dire
pour cela, que , het geefi daarom
getn gevolg f dat) <iire des injures^
DIR.
fchelden', trouver à dire, te hsrifpen
vinden, te zeggen hebben-, il n'y a
rien à dire , daar is nie^s op te zeg-
gen-, il y a bien à dire du vrai aa
faux , daar is een byjîer verfchil tus-
fchen waar beid en valfchheid; on dit,
men zegt', 'er word verhaald; il s'en
trouva plus de 60 à dire , daar ont-
braken 'er meer als 60; fi cela arri-
ve je l'irai dire à Rome , als dat
gebeurd ivil ik wel wat weezen , of wat
verbeuren (fpr. tv.); mon petit doigc
me Ta die . 't is genoeg dat ik het
weet (fpr. w.); c'eft tout dire, dat
is al 't geen gezegd kan worden , of
meer heb ik niet te zeggen; auffitóc
dit, auffîtôt fait, zoo ras gezegd,
zoo ras gedaan; ne dire ixiôt,Jiil-
zwygen; il dit que non^ by zegt
van neen ; Ce dire , (v. r.) zich noe-
men , uitgeeven voor ; il fe dit Mé-
decin , by geeft zich uit voor een Ge^
neesheer, of Do dot ; foi difant hérï
tier ^zich uitgeevende voor erfgenaam;
Ie fermon eft dit, de preek is uit;
Philippe - dit Ie hardi, Philippus
toegenaamd de Jioute ; Ie dit , la
ditç , le fusdit. Ia fusdite , de bo-
vengemelie; mon fusdit Sieor, myn
voorgem. Heer; Ie 2ome dudit, ou
du fusdit mois, cfe« 2oJïe derzelve
maand, of dito; à ce qu'il die, na
dat hy zegt.
Dire ,(:n) Het zeggen(n); au dire ,
OU, félon le dire de tout le monde, na
't zeggen van een y der ; par oui-di-
re , door booten zeggen; à fon dire,
volgens zyn zeggen.
Dîre^a, ede (adj.) Regtjîreeks y re-
gelregt ; ligne direfte , regte lyn ;
par des voies direAes,ni indirec-
tes , diredlelyk , nochte indirede-
lyk, op geenerly avyzf; Seigneur di-
reft, regte Leenheer; vue direde,
regdregt gezigt.
Dirède, ( f ) Een onmiddelyk leen-
"(n)(
Direderaent , (adv.) Regelregt ,
regtjîreeks.
Direfteur , (m) Bewindhebber , be-
Jiîerder; directeur de confcience,
btegt-vader.
Dire A ion , ( f ) Bewind , hefiier ,
opzigt , befiél (n) ; ligne de direftior.^
regt-lsn {in Migtft'U
DIS.
Dîreftoire , (m) Poorfcbrifi (n)
waar na zich te rigten j plaats daar
een CoUegie vergaderd.
Direftrice , ( f) Bejiierjier.
Diriger, (v. a.) Bejheren , regee-'
ren , het opzigt hebben.
Dirimant j ante (adj,) Dat een hu-
welyk onwettig maakt,
Difceptation , ( f ) Twijircden ,zin-
tivtjïing.
Difcernement , (m) Oordeel ( n ) ,
kennis^ onderfcheiding (£); un hom-
me ians difcernement, een menfcb
zender oordeel.
Difcerner(v. a,)lebien d'avec le
mal , het goede van het quaad onder-
Je heiden , onderkennen.
Difciple , (m) Leerling , Scboolier.
Difciplinable , (adj.) Onder wys-
haar ; regeerbaar; gedweeg.
Difcipline , (f) Onderuys (n),
tugt;geejjel(£)i difcipline ecclé-
fiaftique , militaire, Kerkelyke tugt y
krygs-tugt.
Dircipliné, ée (adj.) Enfant bien
difcipline , een wel onderweezén
kind j des troupes bien difcipli-
rées, voel geoejfende krygslieden.
Diicipliner , (v. a.) Onderivyzen ,
afrigten ^ oeffenen ; fe difcipliner ,
(V. r.) zich zelfs tugtigen.
Discontinnation , (f) ^fiaating,
(iitfcheiding , ophouding.
Discontinuer (v, a. & n.) un tra-
vail f van een werk ophouden ., uitfchei-
den , discontinuer d'écrire , ophou.
den tnet fchryvfn.
Disconvenance 9 (f) Ongelykheid
(f), verfchil(n).
Disconvenir 5 (v. n.) Verfcbilten y
niet overeenkomen ; je ne disconviens
pas, ik fpreek niet tégen.
Discoird, (m). (^ie Discorde).
Discordant, ante (adj.) ÎVanluî-
dendi niet overeenkomend.
Discorde, (f) Txveedragt ^ twee-
fpalty oncemgheid; femer la discor-
de , twifl zaaijen-, pomme de dis-
corde , tu'ijî-appel.
Discorde, (f) Godinne des twee-
dragts der heidenen.
Discorder , (v. n.) Niet overeen-
Jlemmen ; oneenig zyn.
Discoureur, eufe (m.& f.) Praa-
ttr, praatvaar; praatmoer ^ fnapfltr.
DIS. -?,,
Discourir , (v. n.) Redeneeren^
praat en.
Discours, (m) Redenvoering , re-»
deneering , reden ( f ) > gefprck (n).
Disccwrtois , oife (adj.) {oud w.)
Onkoflyk y onbeleefd.
Discourtoifie , (f) (oud w.) Onr
beufchheid.
Discrédit , (m) Kîeinagting (f) ,
m;5-credit (n) , zonder aanzien.
Discret, ete (adj.)' Befcheiden%
homme discret , een voorzigtig man»
Discrètement , (adv.) Befcheident-*
lyk , omzipigtyk.
Discrétion , (f) Befcheidenheid y
voorztgtigheid; âge de discrétion »
jaar en van onderfchetd; fe rendre à
discrétion , zicb op genade en onge-
nade y of zonder voorwaarden over-
geeven-f vivre à discrétion , na
zyn goeddunken leeven ; les Soldats y
vivent .à discrétioTi , de Soldaaten
houden *er huis na hun goeddunken.
Disculper, (v. a.) Vryfpreekett^
verontfchuldigen {van een misdaad)^
Discurfif , (ive (adj.) Dat met de.
reden kan verklaard worden , ( m
Redenk.).
Discuflîon j ( f) Nafpoorîng (f);otî^
derzoek (n) , entrer en discuflîon
d'une affaire , eene zaak uitpluizen.
Discuté , ée (adj.) Onderzogt.
Discuter, (v.a.) Onderzoeken y na-
vorsfchen , uitpluizen ; discuter les
biens d'un débiteur , de goederea
van ren fcbuldenaar onderzoeken en
waardeeren,
Difert, erte (adj.) JVelfpreekend,
Difertement , (adv.) Cierlyk, i»
fpreeken of fchryven.
Difette, (f) Gebrek (n), behoef-
tigheîd{î).
Difetteux, eufe (m. & f.) Een be-*
hoeftige , noodlydende , {oud w.)
Difeur, eufe (m. & f.) Verteller y
verieljier-y difeur de bons mots y een
die geejïige fpreukjes verteld i difeur
de nouvelles , een nieuw s -ver tel der
of kraamer ; difenfe de bagatelles ,
een beuzelaarjler.
Disgrâce , ( f) IFangur/fl ^ ongena'
de f f); ongeluk (n) ; tomber en dis-
grâce , in ongunjî geraaken ; ongeluk^
kig worden.
Disgracié, <îe (adj.)/« ongunli ver-
vaU
DIS.
vSllen ; disgracié de la nature , lee-
lyk t mismaakt.
Disgracier fv. a.) ^elcun, tp-
manJ in onge.^ade brengen-, zyn aan-
zien af credit heneemen,
Disgracv UK, eufe (adj.) Onaange-
oaav- . cMpv.fjft.'ff. ,~< .,
Disgrég. ion 5 (f) Jffcbeidmg ,
verfpreiding.
Disgréger, (v- a.) '"^an malRande-
renfcheiden .'verprcoiien.
Disjoindre, 'v. a.) l^an malkon-
deren doen , fchniden.
DisjonAif, ive edj.) Scheiden.
Disjonftion, (f) Scheiding.
Dislocation , (f) f^erjîuiking i ver-
xwikkitig (in lieelk.).
Disloquer (v. a») un bras , een
arm verfluîken ; d\s\oK\\xeT la cervel-
le , de herffenen ontjlelîen.
Dîf parate, '' f ) Euitenfpocrigbeid,
mtydige daad ( fpaanfcb w.).
Difparité, (f) î^erjchil (n), onge-
lyhheid.
Dirparition, (f) Verdivyning.
Disparoître , (v. n.) f^erdwynen ,
onzichtbaar ivnrden ; zich wegpakken.
Difoaru, ue (adj.) P^erdweenen.
Dîfpendieux, enfe (adj.) 't Geen
veel kojt: ovprda'adig.
Difpenfaire, (m) Apotheekers me-
dicatTent-^oe* (n^.
Dirp-nf^teur ,trice (m.&f.) Uit-
deel er ^ ultdeelfler.
Difpenfation (f )desSacrements ,•
uitdeeltng: der Bofidzêgplen.
Difpfi^'fe , ( f) Ontflag . verlof (n) ,
vryheid. . ^ „
Dirpenfer, (v. a.^ Ontjlaany be-
vryden ; uîtdeelen; difnenfer quelcan
de cnelaue chofe , temand ergens
van bevrvden , rjerfcboonen-, difpenfer
fes favéors , zyne gunji uhdceîen j
fe difpenfer (v. r.) de fon devoir,
van zsr. phi^.t cfivyken; je ne faurois
me difpep<*er, /* kaK niet nalaaten
Difperrer , (v. a.) Verfpreiden ^
iferfrnoije».
Difoerfion- {Ç) Verjîrooiiing.
Difr^os, (adj.) Ligt^ vlug,vaer-
àig ', sefchikt.
Difpofé , ée (adj.") Etre bien ou
mal difpofé , wel of hwalyk te pas ,
sezond of ongezond zyru ( Zie Dif-
pofer).
DIS.
Dirporer, (v. a. & n.) Schikken^
in order Jlellen; difpofer les chofe3
en bon ordre > de zaaken in goede
crder Jiellen i il l'a voit difpofé à ce-
la» hy had hem daar toe bewogen,
overreed; difpofer de fon hiev, over
zyn goed bejielien , difponeeren ;
Dieu a difpofé de lui, God heeft
hem tot zich genomen ^ difpofer de
marchandifes > koopwaaren verhande-
len , daar over difponeeren; fe diC.
pofer (v. r.) à partir, zich gereed
maaken om te vertrekken.
Difpoficif , ive (adj. & fabft.) Re-
mede difpofitif y voorbereidend ge-
neesmiddel j dat gedeelte van een von-
nis waar in de reshterlyke uitfpraak
geleden is.
Difpofition , ( f) Gejleldheid , toe-
Jiand-y befchikking', gen-^genbeid ^ lufi ^
'neiging j il laifTa tout à fa difpoQ-
tipn , hy liet alles aan zyn believen',
n'avoir rien à fa dîfpofition , ner^
gens niagt over hebben ; je ne fuis
pas dans la difpoCtion d'y aller j
ik heb geen genegenheid om 'er te gaan;
n'avoir aucune difpoCticr à l'étu-
de ) geen trek tut de letter - oeffemng
hebben 'y être en bonne dîfpofition,
in goeden ivfljiand zyn ; difpofition
teftamentaire , wegmaaking van goed
hy uiterjle wille. J'
Difproportion , (f) Ongelykheid , ^
onévenredigbeid.
Difproportionner , (v. a.) Ongelyk '
maaken.
DifpDtable , (adj^) Betwifibaar,
Difputaillerie, (f) ledele twiji.
Difpute , (f) Gerchil (n) reden-
twiji'y difpuit (op hooge Schooien).
Difputêr, (sr.n.Sia.)ZtnttwiJien;
difpute r fon fentitnent, zyn gevoelen
beweer en , betwifien.
Se Difouter , (v. r.) Met malkan-
deren gefchil hebhen,, twifieyf-, fe dif-
putêr Ie terrain , malkander bet veld
bet wijl en.
Difputeur, fm) Een twijlgierige f
krakkeeler, harrewarrer.
Difque, (m) Plat-ronde werpfteen
(by de ouden) , zon- en maan -fcbyf;
fcbyf der gezicht-glaazen.
Difquiûtion,"(f) Naauwe navof-
fcbitJg , uit^luizing ( f) ondenoek /n).
DIS.
DiHeAeur, ou Anatomîde , (m)
Een ontlcecfer,
Dinreftion , ( f ) Ontletding ; injlui-
ken fnydwg.
DiiTemblible , (adj.) Ongelyk, on-
overeenkomjîig.
Diflemblance , ( f ) Ongclykheid.
DifTenteric. {Zie dyfenceriej,
Diffention ou diflT^nfion , (f)
Tiviji , tweeJragt , oneeiughcui. j
Diiiéquer ( v. a.) un corps, een
Ugchaari ontleeden ; difféquer des
viandes, jîpy^fw cierlyk voorfnyden,
DifTéqueur , (m) Ontleeder j voor-
fnyder,
Dilfertateur , (m) Ben die over eene
Jiqfe of materie handeld, difputeerd.
DifTertation , ( f ) verhandeling ( f),
difpuit (n).
DifTerter , (v. n.) Over een Jïuk
difputeeren , handelen.
Dilïlmüaire , (adj.) f^an ongelyke
aart of natuur,
Difltmilitude , ( f ) Ongelykheid.
Diflïmnlateur , trice (m. & f.)
veinzer; veinjler.
Diffimulation ^ (f) Veinzïng,
Diflimulé, ée (adj.&f.) GeveinJ} ,
een veinzer.
DinnmuÏer, (v. a. & n.) Veinzen,
verbergen f niet voor de vuiJJ hande-
len.
Diffipateur, trice (m. & f.) Ver^
qui fier; doorbreng fj er.
DiTipacion , ( f) Verquijiing ; ver-
ftrooiiing van gedagfen.
Difllper , (v. a.) fon bien , zyn
goed verquiflen i doorbrengen; efprit
difltpé, verjïrooid verjland; les vents
difllpent les nuagf^s, de winden ver^
dry'en de, wolken; {e difT-per , (v. r.)
verfpreid worden , uitdampen {alt fpi-
ritus).
DilTola , ue (adj,)Ombonden , losge-
maak: ; vie diflTolne , ongehmdene ,
ruhkehnfe , losbanaige levemwyze.
DilTolvanCjante (adj. & f.) Op-
lojfend ; I'ean forte eft un difiol-
vant, hei fierk water is een ontbin-
der.
Din*olubIe, (adv.) OploJJelyi, ont-
hindbaar.
Diffolunrent , (adv.) Ongebonden,
rukkilooslyk.
DÎS. ^2%
Diflblutif , ive <,adj.) Oplojfend-,
ontbindetïd.
Diffülation , (f) Ontbinding , op-
lojfm^; ongebondenheid f ongeregeltheid
van leven,
DifTonance, (f) Valfchs toon (f)
misgeluid (n).
Diffonant , ante (adj.) Niet wel
klinkende.
DiH'oudre (v, a. ) les metaax,
un mariage , de metaalen,een huive-
lyk ontbinden; fd difTcvidre, (v. r. )
zig ontbinden y fmelten.
D in o as, oüce (adj.) Ontbonden,
gefmolren-, !e locieté s'eft difToute,
het f^ezflfchap ts gefchelden.
Diffuader, (v. a.) u4fraaden»
DifTuafion , (f) Jfrcadir.g.
Öinyiiabe, (adj.) Van twee letter-.
gr e epen.
Diftance (f) d'un lieo, afjland^
vérheid van een plaats ; la diftarce
entre deux perfonnes , onderfcbeid
tujfchen twee perfoonei.
Disant, ante (ad/.) j^fgelêgen, af-
leggende»
Di/tendre, (v. a.) Uit-rekien.
Diftention oudillenfion, (£)Uft-^
rekking , als : van zenuwen enz,
Diftillateur , (m) Een brander ^
Jierken drank- Jlooker.
Di. 'filiation , ( f ) j^fdruiping ; over'
haaling^ , ft ook ing.
Diftiller, (v. a. & n.) Stooken ^
overhaaten , waterbranden , diftiUeren ;
afdruipen , afzypen -, diftiller fon ef-
prit, zyii geeft tjuelien ,vermceijen.
Diftinô , infto (adj.) Dujdelyk ,
klaar , onderftheider, , verfchillend-,
idée diflinfle , duidelyk denkbeeld;
chofes diftinûes , verfchillende din.-
gen.
Diftiniflement , (adv.) Duidelyk
onderfcheidert lyk.
Diftinaïf, ivë (ad|.> Onder fchei-
der.d ; marque diftinttive , verJchiU
duidend kenmerk.
DiüinéVion ,(f) Onderfcheid^ver^
r^^?7 (n) ; traiter quelcun avec di-
ftir.iftïon , ierrand met merkelyk on^
derfcbe.'dy mcimeer eerbied bejegenen.
Diilingo , (m) Verfclnl {School w.>
(n). ^
Didinguer, (y. a.) Onderfcheiden ^
ftH DIS. DIT.
verfchil maak>n enz. ne pouvoir di-
ftinguer les ohofes , de dwgm met
komen onJerfcbeiden , uit malkanderen
kemien; c'eft cela qui le diftingue
des autres , dat maakt hem "jan aw-
deren kenbaar , of zonderd hem uit ,
verheft hem ; fe clia.inguer (v. r.)
zt2 onderCcheideti', z!g beroemd maa^
ken, uitjferkrn, uitmunten; c'eil un
homme d'un merite dilUngué, 't
is een man van hyzorJere verdlenpn;
être d'une raiffance diftmguée ,
van eene aanziemyke geboarte , her-
iomfl zyn.
Diftique, (m) Tivee regelig vers
van een i'Olle zin.
Diftorfion , r f ) l^efwrïnging yver-
draaiiing, vertrekking
Diftraftioh , (f) l^erjïrooing (van
gedagten) ; aftrekking ; onttrekking ;
vdtzon -ferin'i van vreemde goederen in
genes fchuldenaars hoedel. ^
Di'lralire, (v. a.) Aftrekken ^ enz.
diftraire quelcun.de fon travail,
iemand van zyn werk aftrekken , daar
in fiooréii'^ diftraire d'tme femme,
van eene fomma aftrekken ; cela jn'a
été diftrait , dat is my onttrokken;
diftraire la jnrifdidlion, hep behoor-
lyke recbtsgrbfed hy eenen anderen
overbrengen, fe diftraire (v. r.); zig
onttrekken , aftrekken.
Diftrait , aite (adj.) afgetrokken
enz. homrae diftrait , een man vol
gedagten.
Diftribaer (v. a. ) fes faveurs,
zyne gunjicn uitdeelen-, diftribuer les
troupes , de troepen verdeeten.
Diftributeur , trice (m. &f.)' Uit-
deeler^ uitdeelfier.
Diftributif , ive (adj. ) UUdeelend,
verdeelend.
Diftribution, (f) Uttdeeling , ver-
deeling.
Diftributivement, (adv.) UHdee-
Under wvze.
Diftrift , (m) Regts-gebied , dis-
trift (n).
Dit,(m) Avoir fon dit & fon
àédit , zy»7 ze!^gs>i en ivederzeggen
Ubben\ les dits & faks des anciens,
de zvoorden en daaden der ouden.
Dit, ite ''adj.). {Zie dire.)
Diton, (m) Ruimte in Muziek van
% tQonen,
DIV.
Divan , fm) Raad van den groot^-^
Heer.
Divergence, {{)Van eenfpreiding
(iu Zigtk.).
Divergent , ente (adj.) Rayoni
diVergents, -ya» een Jpreidende Jiraa-
len.
Divers . erfe (adj.) l^erfcheidett^^ -
onderfcbeiden j diverfes perfonnesjij
verjcheide perfoonen.
Diverfement , (adv.) On en par-
Ie diverfement, mih f preekt 'er on-
dcrfcheidenlyk van.
Diverfi fiable, (adj.) fWanderlyk.
Diverfiüer , (v. a.) l^eranderen ^on-
derfcbei(jlen maaken , tets op verfcheide"
ne ivyten voorflellen.
Diverfion, (f) Fair? diverfion I
l'ennemi , den vyand eene afwen-
ding , diverfie maaken ; faire di-
verfion à î^ douleur , zyne fmert
verdryven ; diverfion d'humeurs,
afleiding , verdeelin^ der vogten^
'Diverfité , {Ç)J^erfcheid'er\heid{î)i
onderfcheid , verfchïl (n).
Divertir , ( v. a. )% Verheugen ,
vermaaken ; afwenden , afleiden ;
Ia Comédie divertit , lm toneel-
fpel vermaakt ; divertir qaelcun
de quelque chofe , iemand ergens
van afraaden; divertir l'argent pu-
blic , 's lands geld te zoek maaken ;
fe divertir, (v. r.) zyn vermaak nee-
men ; fe divertir dé quelcun , ie~
may^d foppen , voor de gek houden.
DivertilTant, ante '(a.d'].) f^ermaa- ^
kelyk, aangenaam; kortswy'dg, klug-
tig.
DÎ vertiftement , (m) Vermaak , gè^ ,
neugte (n) ; divertiftement de de--,
niers, nuttetooze befteeding van geld.
Dividende , (m) Getat dat gedeetd
zal worden.
Divin, ine (adj.) Goddelyk; pro-
vidence divine , de Goddelyke voor-
zienigheid; penfée divine , eene voor- •
treffelyke gedagte ; beauté divine ,
uitmuntende fchoonbetd.
Divination , (f) ïFaarzeggery ^
wigchelary.
Divinatrice, (adj. f.) Faculté di-
vinatrice, waarzeggend vermogen.
Divinement, (adv») <Jöuüip/y* } «?>-
muntend,
DÎÎ
DIV. DIX.
"Divinifer , (v. a.) Onder 't getal der
gnden Hellen , vergoden.
Divinité, (f) GoSeid, Goddelyk-
heid; uitmuntende fchoonheid.
• Divis, (m) Pofleder par divis,
by oanbedeeling bezitten , (in Rechten).
Divifer_, (v. a.) Scheiden , verdee-
len; divifer un livre en deux to
mes , een bork in twee deelen verdee-
len ;■ divifer un nombre > een getal
'uerdeclen y divideeren ; fe diviier,
(V. r. ) verdeeld wordon -, oneenig
worden.
*• Divifeur , (m) De deeter , divifor y
(in Rékenk.)
■Divifibilité (f) de la matière,
de deelbaarheid der Jloffe {in Na-
tuur k.)
Divifible , (adj.) l^erdeeîbaar,
Diwiflon , ( f ) f^erdeeling , _ afdee-
ling (Jn reden- en cyfferk.) -f diviOe,
(by Drukkers) ; verdeeling van voetvolk
of ruit er y -^ divifion d'une efcadre ,
fmaldeel , gedeelte van een vloot {zee
IV.) mettre de la divifion » tiveedragt,
oneenigheid Jiooken.
Divorce, {va) Echt Jch ei ding (f))
lettre de divorce, fcheid-brief , il a
fait divorce avec l'Èglife , avecle
bon fens, hy is van de Kerk y van 't
gezond verjïand afgeweeken j vivre
dans Ie divorce , in twijï , tiveefpalt
Ie even.
Diurétique, (adj,) Afzettend y pis-
dryvend {in Geneesk.)
Diurnaire , (m) Dagelykze aantê-
ken^iar iian 'sKonings verrigtingen.
■ Diurnal , (m) Een dagelyks gebe-
den boek {in de R. Kerk.)
Diurne , (adj.) Mouvement diur-
ne , dagelykfcbe omloop {in Sterrek.)
■ Divulgation , (f; Verbreiding ,
rug tb aar maaking.
Divuigué , ée (adj.) f^erfpreia^
rugtbaar gemaakt.
■ Divulguer , {■v.d..)Gemeen^of rugt-
baar maaken yverfpreiden ; d ivulguer
on fecret , een geheim openbaaren.
Dix , (adj. '& fubft.) tien-, les
dix commandements , de tien gebo-
den ; dix fois, tien maal; le dix de
cœur , de carreau , harten- , ruiten-
tien { in Kaartfp. ) ; NB. ivamieer
ket woord dix ty een ander getal ge-
DIX.DIZ.DOCDOD. 22y
voegd is y Jleldmen daar eene diviüc
(-) luffchen beide , als : dix-fept , dix-s
huit , dix-neuf i zeventien , achttien j,
nt'^f;;//V»j quatre- vingt-dix &c. , ne-
gentig ; wordende echter niet geplaatjf
tuffchen de woorden cent dix of
mille dix.
Dixième, (adj.&c.) De tiende jheè
tiende deel,
Dixiémement ,(adv.) Ten tiendend
Dizain , (m) Dicht van lo verfen i
ry van lo koraalen aan een Pater-
nofler.
Dizaine , (f) Een Tien-tal (n).
Dizeau , (m) Een boop van lo fchoO"
ven koren.
Dizenier, (m) Rotmeejler over een
tien-tal.
Docile , (adj.) Leerzaam ..hegrype-
lyk ; gehoorzaam , gedwee , buigzaam»
Docilement, (adj.) Leerzactmlykm
Docilité, (f) Leerzaamheid y vat'
baarheid, gezeggelykheid.
Dode , i adj .*) Gf/^É-r^ ; ho rome doc-
te , een geleerd man; les dodtes, ds
geleerden,
Dodement , (adv.) Geleerdelyk,
Doâ:eur,(m) Een Leeraar ,T>oôiOr^
Doaoral , aie (adj.) Meejlerlyk^
Doftoraai.
Doftorat, (m)De eer-trap van esti
Lee ra ar.
Doftorerie, (f) Doftoors Pro^
motie-f7jaa/(n).
Doftrinaire , (m) Kerk-vader,
Dodrine, (f) Leere^ Leering y we^
tenfchap.
Document, (m) Bewys (n), oir-'
konde ( f) , document (n) , {in Recht,)^
Dodécaèdre , (m) Ligchaam mes
li gelyke vlaktens {in Meetk.).
Dodécagone, (m) Een ii boek {in
Meetk.).
Dodeliner, (v. a.) Heen en weer
beweegen, wiegen y in fl aap juffen,
Dodine , ( f) Soort vanEenden-faus*
Dodiner , (v. a.) Te veel koejleren o
te zagt behandelen ; fe dodinisr j (v. r.)
y.i^h goede dagen ge even.
Dodo , {tri) Zuija zui , {woord yge-
brttikt om kinderen in flaap te wiegen)»
Dodu, ue (adj.) l^et , poezelig,
Dogat ,(m) '; Hfrto^ ampt van Fe-
vetten,
F 99'
22(5 ÜOQ. 1301.
VogQy{m)De Hertog of Doge van
Vénitien.
Dogefle, (f) De Hcrtog'r.u
Dogmatique, (adj.) Omierivyzend',
leerend \ prendre uu ion dograaci-
que , meejli rayj'ig fprce'irn,
Dogmatiqusmenc , (adj.) Lecre^de,
Uerfleltigcr nyze.
Dogmatifer, (v. n.) Niemve leer-
pukken op de baan brengen; zich btt
leer-ampt aar.rr.ajtigen.
Dogmatileur;, (m) Invoerder ecner
nieuwe of valfcbe leere.
Dogrnacifte, (m) Lecraar eenrrive-
fchap , 1-olgem zekere grondregelen ^
Dogme, (m) Lcer-jtuk y J^strjld-
lir.g ( f ).
Dügre-bot, (m) Buis ,(vifchfcbuït).
Dogue , (m) i!'e:i engelfcha dogqe. ^
Doguer, fe dcguer, (v. n. öc r.)
^icb met de hoornen flooterj.
Doguin , ine (m. & f.) Steen-
dogge.
Doigt OU doit, (m) Een vinger;
vingerbreed'tïeen van de voet ; klaauw
(van zekere dieren -, als : van een Aap ,
Krokodil^ en Roofvogel); doigt de
Dlea, dl vinger of magt Gods; tou-
cher, montrer au doigt, met den
vinger aanraaken , aamvyzen ; un
doigt de vin , een weinige een vin-
verhoed vol ivyns ; être à quatre
doigts de la mort, na by zyn einde
zyn; vous avez mis le doigt defTus,
{fpr, iv.) gy hebt ket geraaden ; fa-
voir quelque choië fur le bout du
doigt, ifpr. u'.) icts ter deeg wes-
ten , kennen ; il s'en mordra les
doigts, (/pr.tf.) het zal hem rouwen;
les doigts lui démangent, hy ivilde
geerne aan de flag^ vreezen; j'en met-
trois le doigt au fcu , {fpr. tv.) ik
ivil 'er op zwceren ; on n'tn donne
qu'à lèche doigt , (fpr. %v.) men
geeft 'er maar fpaarzaam van; ils
lont coram.e les deux doigta ds la
rcain, (fpr. tv.) zy zyn zeer goede
vrif?nden ; j'ai beau irordre mes
doigts , (fpr. iv.) 't is te vergeefs my
te vermoeijen.
Doigter , (v. a.) De fnaaren met
de vingers aanroeren (in Muziek).
Doigtier , (mj Vingerling (m) , /Juif-
ji (n).
DOT. DOL. DOM.
Doit, (î;<?« devoir) is fchuldig of dé-
bet; doit avoir, moet hebben of is
credit. ^
Doite,(f) Ces écheveauxne font
pas d'une même doite , die Jireenin
zyn niet van eener dikte of gefpin , (by
JVeevers).
Dol, (m) Bedrog (n), lifï (f), (i»
Rechten , oud w.)
Doléance,(f) Geklag , bezwaar
(n),(^em. iv.)
Dolemment , "(adj.) Jammerlyk^
(oudw.)
Dolent, entç (adj.) Droevig y ker^ -■
mend , weeklagend.
Doler , (v. a.) Schaaven-, met een*
byl Jlegteny bekakken.
Doloire, (f) Emfchaaf{ï)',Kui'
per f dijfel (m).
Dom , OU don , (Spaanfh w.) Heer, •
Domaine , (m) Eigen vajîe goede-
ren , als : Landeryen enz. j 's Lands in-
komjï ( f).
Domanial, aie (adj.) ^^«^ ^^^'' ^'^
behoord»
Dorae , (m) Een hopg rond dak(n) ^
koepel (m).
Domefticité , ( f ) Huisgenootfcbap.
Domellique , (fubft. & adj.) Huis-
genoot^ dienjlbode, bediende; affaires
doraeftiques, huislyke zaaken; ani- ^
m^l domeftique , een tam dier , huis-
dier; guerre domeftique, inlandfche ^
ki-yg; huis-krahkeel; Ie domeftique,
het huis gezin , huis-wezen.
Doraelliquement, (adv.) Vivre do-
meiliquement , buislyk , ofjlil leeven.
Domicile, (m) ff^'oonjfeede , woo-
ning , buis.
Domicilier, fe domicilier ,(v. r.)
^ich ergens ter woon neèrzetteti.
Domifier (v. a.) Ie Ciel , den Hê-
mei in 1 2 huizen afieelen , ( by Sterrck.)
Dominant, ante (adj.) Heerfchen-
de-, reg^'erende.
Dominateur, trice (.m. 8c £.) Heer-
fcher , heerfchcrin.
Domination , (f) Macht y heer-
fchappy.
Dominer ,(v. n.) Heerfchen., macht,
heerfehappy voeren ; fa palTion Ie
domine, zyne drift overheerfcht bem;^
la bile domine dans &c. , de ga^
heeft de overhand in enz.; montagne
■' qui
DOM. DON.
qai domine la ville, berg die hoo-
ger als dejiaJ hgd.
Dominicain, aine (m. & f.) Een
Dominikaner Monnik, NoKne.
Dominical , aie (adj.) Oraifon do -
minicale , het gebed onzes Heeren ; Ia
Jettre dominicale ^de zondags letter.
Dominicale, ( t ) Epijlel- en Evan-
gelie-boek (n).
Dominicalier, (m) Prediker daar
van.
Domino, (m) Priefters winf^r-kap.
Dorainocerie , ( f) Gemarmerdpa-
pier (n). /
Dominotier , (m) Marmer-gecou-
leurd-piipier-kraamer of maaker.
Dommage, (m) Schaade (fj, na-
deel ■> verlies (n) ; c'eft dommage que ,
bet is jammer dat.
Dommageable , (adj.; Schaadelyk,
nadeelig.
Domtable, (adj.) Tembaar , dat te
temmen is.
Domcer , (v. a ) Temmen , beteu-
gelen , bedwingen, qedwee maaken.
Domceur, (ra) Overzvinnaar , ver-
overaar.
Don, (m) Gift (Î), gefchenk (n);
don gratuit , eene vrywillige gift ; il
a de beaux dons, hy beeft fchoone
gaaven , bekwaamheeden.
Donataire , (m. &c f.) Een die er-
gens mede begiftigd is.
Donateur, trice"(m. & f.) Begif-
tiger , fchenker.
Donatif, (ra) Genade-gift (f). •
Donation, (f) Gift y gave^ erf-
gave , maaking by uiterfien wille-
Donc , Dan , der halven, dien-
volgens -, que faut il donc faire?
wat moet men dan den ^
Dondon, (f) Een fraai dik in een
gedrongen f^rotiws-perfoon (n).
Donjon, (m) De hoogJJe en fterk-
jie plaats of toom van een Kafleel of
f^ejiing (f). * ^
Donjonné, ée (adj.) Met toornen
(in IVapenk.).
Donne, (f) Een Koftpeïaarjfer.
Doni^é, ée (adj.) Gegeeven f ver-
eerd; enz. donné à la Haye, gegee-
ven in den Hage.
Donner, (v. a.) Geeven , befcben-
ken , verëeren ; donner l'aumône , eene
«talmoes geeven; donner un bon con-
DÖN. 227
feil > goeden raad gecjen ; donnei:*
avis , kennis geeven ; donner defl
loix , luetfen voorfihryven ; donner
caution, borg Jieilen ; donner fà
parole, zy» woord geeven , o/ pafree-
ren j donner fon 3pprobation,go^£/-
keuren; donrer fentence ,w«M«wy-
zen; donner la vie, het leven gee-
v:n , f chenken ; donner fa vie pour
fa patrie , zyn leven voor zyn vader-
land waagen; donnez moi ce livre,
geef my dat boek ; donner la main à
quelcun , iemand de band bieden; je
vous donne le bon jour, le bon
foir , ik wenfch u golden morgen,
goeden dag , goeden avond , goeden
nacht; cela donne de i'appetit,t/aï
verwekt eet- luj) ; donner du plaiûr >
vermaak aandoen ; donner de la pei-
ne , moeite geeven ; donner des
coups de bkton, flolftaagen geeven;
donner la qufftion à un criminel,
een' misdadiger pynigen; donner touc
fon tems à l'étude, at zyn tyd aan
de Letïer-oeffenin^n bejieeden; donner
les mains à quelque chofe , iets toe-
Jlemmen; donner bataille, flag //.
veren; donner de l'air, lucbt gee-
ven; donner un livre au public,
een boek in 't Hebt geeven; donner
au but, het doelwit treffen; donner
au; hazard, waagen; danner dans
Je piége, dans Ie panneau, in den
Prik vallen ; donner dans la vuë , in 't
oog hopen; donner de la tête con^
tre quelque chofe , zyn hoofd ergeni
tegen aan Jlooten ; ne (avoir ou don-
ner de la tête , geen uitkomfl wee-
ten; donner en gage, te pand gee-
ven; chambre qui donne fur le
jardin , kamer die op den tuin uitr.
ziet; donner à entendre, :e, kennen
geeven; donner à boire, te drinken
geeven, tappen; donner à manger,
te eet en geeven , ordinaris houden^ '
en donner à garder, wys maa-
ken, op de mouw fpellen (fpr. w.);
donner les cartes , de kaart gee-*-
ven; donner à la cote, de kuji ver-
kiezen; 't tegen de wal aanzetten-,
donner le feu au canon , losbran-
den; donner dedans, inloopin , in-'
zeilen; donner vent devant, door
den wind opdumven , om te wenden ;
donne vent devant, leg uw roer aan
P a /y3
i2S DON. DOR.
Ty ; cet homme a donné df s verges
pour fe faire fouetter, die man is
oorzaak van zyn eigm ongeluk.
Se Donner (v.r.) à quelcan,z/Vé
can iemand ovrrgpeven ; je me don-
nerai l'honneur de vous venir
Voir,i> zal my Je e ere gteven van u
te komen zien; fe donner trop de
liberté, te we! vryheid necmen •> fe
donner patience , geduld neetnen,
cffjjenen; fe donner du bon temS".
Triwi werr/pef/en; fe donner de la
peine, ted mjeire neemen-, fe don-
ner des aire, proukt^n. -
Donneur, eufe (ra. & f.) Gecver,
begiftiger; befchenkjler (gem. tv.).
Dont , (j>tin.} IFaar van , van
fvièn, van wie-, vciii ivelk?-, c^ed: lui
dont nous parlons , by is 't van
vjif-n ivy fpreek'en.
DonzelJe (f) voor Démoifelle ,
Juffer , (gem. en boert, w.)
. Dorade , (f) Zee-lraajfem (tn),
I {zeier vifcb).
Doré, éé .fadj.) Per^uU -, goud-
geel; vermeil doré, verguld zilver ;
cuir doré , verguld leer; papier do-
ré, verguld papier ; foupes dorées ,
wentel -broodjes; pourpier àoré.gce-
le pojielein [zé^'r kruid); la légende
dorée, de gulJe .legende [in de R.
Ke'-k) ; bonne rencrumée vaut mieux
que ceint::!re dorée , een loede naam
is heter ah olie , (fpr. w.)
s Dorénavant , (acij.j f'^oortaan , van
KU af aan.
Dorer, (v, a.) F'ergutden; dorer
un livre, een boek vergulden; dorer
ia pilule , cr> til vergulden; {fq, ) eene
zaak opfmukhen; dorer un vaifleau,
een fcbip fm^eren , hurpaiten.
Doreur, (m) P^irgulder.
Doriqtre, (aij.) Ordre dorique,
de dorifche bouxv-orde.
Dorloter, ("v.a.) LiefkoozeUfvlei-
jrn , ftreelen ; fe dorloter , '(v. r^ zyn
geinak zoeken.
Dormant, ante fadj,) Sïaapende;
- ifts dat 'Uap zit of Ugt ; eau dorman-
te iftiljhîand water ; manœuvres dor-
inintes & coulantes , fJaand en hopend
v-and (fcbeeps w.); pont 'dormant,
ctir vafte brug enz.
Dorineur 5"^ eufe (adj.) Slaap£r,
nêr.pjier.
DOR. DOS. DDT.
Dormir, (v. n.) Slaapen; dormit
à bâtons rompus, ongerufi Jlaapen%
il n'y a pas de pire eau , que celle
qui dort, zwygende liedin zyn niet
ligt te vertrouwen; il ne faut point
réveiller le chat qui dort , mert
moet den flaapendm bond niet wakker
maaken, een netelige zaak nie* weer
o V haaien; qui dort dine, de Jlaap
voed; dormir la graiïe matinée, een
gat in den dag faipen ; dormir fans
débrider ,//a/3p(7J zonder wakker wor-
den; l'eau dort, het water jlaat fl il.
Dormir, (m) Het faapen (n), de
(laap. ,.
Dormitïf , ive (adj. & tQbQ^Blaap-
Vtrivekkend.
Doroir , (m) Kwafje waar mede
men gebak bejkrykt (n) ; verguld-quaji,
Dorophage , (m) Een die van ge
fcbenken Uefd.
Dortoir, (m) Slaap-kamer in een
Khojler (f).
Tiornre, (^) P^rguîdzel (d). "
Dos , (m) De rug (van een menfcb 9
c/iVr , kam, mes, enz.); tourner le
dos, den rug toekeer en; weg toope^i^
't haazen-pad kiezen , zyne hielen laaten
zien, battre quelcan dos & ventre,
iemand wakker afroffen , monter un
cheval à dos, zonder zadel ryden; à
dos d'âne, met een' fcherpeh rug)
dos d'âne , een Slagtcrs bank , als
een h'JUte paerd; boog boven de Jluur-
plegt; tuinbed dat boog in de mid-
den is.
Dofe , (f) j4rtzeny-maat , zoo veel
men t effens gebruikt.
Do fer, (v. a.) j^lrtzeny , medicyn
afpoffen , afweegen.
DcfTe , ( f ) Ken [ihoei-plank,
DoiTeret , fra) F.en fieene beer , pi^
laar , feunzel.
Dofllcr, fm) Rui^^e-jluk fn), leun
van een foei of bank (f); hoofden-eind.
van een léüikant n) ; naam-lyfi op ern'
hundel geding-f ukken <by PraÜtz.) (f).
Doiïiere, (f) Draag-riem ; diffel-
boom-riem (n). ^
Dot , ( £)Huwelyks-gift ( f) ,'bruid-
fchat (ra);
Dotal , aie (adj.) Ten huwelyks-gcei
behcore>ide.
Dotation, (f) Huwelykfcbe uit-
zetting,
* Do-
DOU.
Doter (v. a.) une fille, une églh
fe , eerw dogter , crue ketk he^ij^ig.t}.
■13'où > (aciv.) Fan waar^. waarvan
daan?;,f)uc quel lieu'"
Douaire, (m) If^eJuw gift, Lyf-
togt {£). ^
Douairière, (f) l- ooruaame wedw
tve i Reine douairière.
Douane, ( f) JUt tolhuis (n); item
de toi , licem (m) , recbt<^u (n. \.\.)
Douaner, (v. a.) De waann met
den tol-jîer.tpel bedrukken.
Douanier , (m) Tollenaar , Konvoi-
mefjier.
'Doublage , (m) F'erdubbeling (fnieu-
we baiten-huid van een fchip ( f).
Double, (adj.) -^^«^^<'/; cœur dou-
ble, valjcb hert f rendre au double,
dubbel wedergeeven y à double fens,
dubbelzinnig.
Double, (m) Het dubbel-deel (n)j
een cortfe $n yrankryk (n); een duit
m Holland (m); cela ne vaut pas
MC double; dat 's geenffelJ waard;
le double d'un écrie , de copie , het
duplo van een geschrift.
Doubleau, (na) Ds Jpitze of fcher-
pe booet aan een verwulf.
Doubleaux , (m. pi.) Dwars -balken
(in Bouwk.).
Doublement , (m) Verdubbeling ( f).
Doublement, (adv.) Dubbel y twee
maal zoo veel.
Doubler, (v.'a.) Verdubbelen; âou-
bier Ie pas, zich haajlen ; doubler
un habit, een kleed voeren; doubler
un vaiflTeau, een f chip verdubbelen;
doubler un cap, une pointe, een'
hoek voorby zeilen.
Doublet, (m) Een valfchen Jieen;
twee gelyke oogen in '( teerling fpel.
DoubleLte , ( f) Een orgel regtjlcr,
van tivee voet lang (n).
Doublon , (m) Spaanfche f ijl ooi -,
dubbelde ducaat (f).
Doublure, (f) Voering.
Douceâtre, (adj.) Zoetagtig.
Doucement , (m) Parler douce-
ment , zoetjes , zagtjes fpreeken ; mar-
cher doucement , zagtjes , langzaam
treeden; on vit doucement. dans la
folitude , men leefd zoetelyk in d'een-
zaamheid,
- Doucerqent,(^interj,)^-35fjV5!/-"}ö!
|) juceret , etce ( adj. & futrft,; Zq^-
DOU.
42>
te'yi f mamerlyK , of die zicb zoo aan-
jtAd.
Doucereux, eufe (ad. & fibfl:.}
Smaakloos ^laf; et'n Uefkoozcr der jon-
ge Juffers; faire Ie doucereux ; vin
j fade ÔC doucereux.
D.üucct, ette (adj.) Faire Ie dou-
ce t , zich verliefd aanjhllen.
I Doucette, (f) Geveinsd vrouw-
1 meifcb; ttrm vette-kcus (velJ-falaad)»
i Douceur , ( f) Zoetigheid ( in de
i fmaak) ; aan^enaambeid (in de reuk
enjlem); za^theid [in het gevoel) ; des
j douceurs , lekkernyen ; une uouceurj,
\een voordeeltje f o/ prefent ; diie des<
douceurs , met minne-praatjes onder-
I houden.
I Douche i(P)Chergsetivg van berg^
! water , om zwakke leeden te doen her-
Jïellen ; donner la douche à quel-
cun , iemand bad- wat er op het lyf
pompen.
Poucine , (f) Kroonlyff aan een,
gebouw (m). (Zie odk Cymaife) > j/^w»
lyjï'fchaaf.
Doué , (adj.) Begjftigd {-.net een*
lyf-togt) j begaafd iVertierd (methoeda^
ni gh eden).
Douge. (Zie Douche).
Douelle , (f) De ttithakktng van
duigen , of van Jjeenen tot een verivuïf
Douer, (v. a.) Begaaven, vereis^
ren 5 met een lyftogt begiftigen.
Douille , ( f) Mûêr voor de krap-
zer aan een laad/lok; de yzere band
onder aen een piek; de fcbaft voor de
jleel aan eenfchop enz.
Douillet, ette (adj.) Teer , teder ^
zwak.
Douillettement, (adv.) Téderlyk,
zag^elyk.
Douleur , ( f) Smert , droefheid (f) ^'"
verdriet (n),; douleur de tètej de
dents, hoofd' of tand-pyn.
Se Douloir, (oud w.) (Zie fs
Plaindre).
D£)uloureufement , (adv.) Smerte-
lyk. ■
Douloureux, eufe (zd].) Smerte-
lyk , beklaaglyk , verdrietig , hard.
Doute, (m) Twyffel; ecre en dou-
te, in twyffel fiaan; mettre en dou-
te , in twyffel trekken ; iever de*
doutes 5 twyffelingen oploffen ; fans
douté, zmder twyffetf'Qngetwyffelé,
P 2 JP^ï*-
r:o DOU. DRA.
Douter, (v. n.)TwyffeJen, ils ne
fe doutöienc de rien , zy ivaaren
nergens op verdacht ; je m'en doutois
bi-rn, ik Jit^t bet wel.
Dciiteufement , (adv.) Tivyfel-
agtiglyk.
Douteux , eu ^e (adj.) T^vyjfehgn^ ,
onzeker; événtruent forc doiueux ,
eer.e zeer tityXfel^l^^'g^ gebrurtenis.
Douvain,' ;ru) i^'at-buut , pyp-bout
(n).
Douve , ( f) Een duig van een tot^ ;
g^'ngp r-an een Xa/ftel } fchut-borJ aan
een verlaat -^ muur va ft een water-kom;
bj'jnpn-voet {zeker kruïd).
Doux, doace , Cadj.) J^o^t , za^t 5
za^tzimug ; vin doux , zagte wyrt ;
cdeur douce , een liefïyke reuk ;
temps doux y-Z^gt weer j v ie do u-
cc, een Jiily 'gerujl léven; humeur
douce, zjgte aart , inborji ; biiiet
doux, minne-brief; faire des yeux
4oux , verliefd zien; filer doux,
fchoone woorden geeven; tout doux,
ZCÎgtjCS,
Douiain , (m) Een oude franfcbe
Jiuiver ; gedicht vhn 12 verzen {cud w.).
Douzaine, (f) Txvaalf^ een do-
zyn ; à la douzanie , hy 't d&iyn ; un
Poëte à la douzaine, een fïegt Dich-
ter; il ne s'en trouvé pas à la dou-
zaine , men vind 'er viet veel vat:.
Douze, (adj. & fxihû.) Twaalf; li-
vre en douze , ou in douze, boek in
\2en of duodecimo {by Drakk.);
Charles douze, Karel deizde; le
douze du mois, de 12de der maand.
Douzième, (adj. & fubll.) De
twaaîfjr , bet twaalfde deel. , ,
Douzièmement , (adv.) Ten twaalf-
dtn.
Doozil , (m) Eenzwikje in een ton
(n).
üoxologie , ( f) Lnf-zang (als van
de Engelen in' de' Brthlemitifche velden).
Doyen , (m) Deken, oud/Ie van een
CoW^gie ;Dom liékcn; item de langfl
gcvangeve of ondfle kopgr.r.ger.
Doyenné , 'm) Dom-aékenfcbapCi),
JDom-dékcn; Dom-hun (n).
Drachme , ( f ) Een vierde deel
van een loot (n) -, zekers Griekfeke
'/Tiunt t wr^ardig Cjluiv.
' Dracuncules , (f) Wormen die\
{la;:a)
DRA.
tujfchen 't vleefcb en de huid groeijen.
Dragan , {m) Spiegel van een' galei.
Dragée, (f) Klein zuiker- gebak,
oh : anys , kollen enz^ (nj ; hagel om te
fchietcn; écart;er «a dragée , in 't
(preeken , fpeekzel uit den mond wer-
pen; dragée, (f) mengzel voor de
pa '.r den.
^Drageoir, (m) Doos waar in de
J^^J/^rs bet zutker-gebak doen.
Drageon, (m) Ùitjpruitzel by den
wortel van boomen of kruiden.
Drageonner, (v. d.) 'Uitfchieten ,
uitfprutten.
Dragon, (m) Een draak {zekere
_ j een boosaardig menfch (n)j fr«
Hoos , of onweérs hoofd ; dragon de
vent, een r^ervel-tvind; Ie dragon,
ds draak {in Sterrpk.).
Dragon , (m) Soldaat die te paerd
en te voet diend , Dragonder; à la
dragonne , (adv.) op zyn dragonderfch .
Dra^onné ,ée (adj.) Met een draak
veraerd {in l^apenk.).
Dragon ncau, (m) Lange worrn dia
sufj'chen vel en vleefcb komt.
Dragonner, (v. a.) Met geweld
modzaaken.
Drague, (f) Een bagger - fpaade ^
eene dr egge; drague de canon, èroÊ--
king {zee w.).
Draguer, (v. n.) Eene gragt uit-
fpttten , uitbaggeren ; draguer l'an-
cre , bet anker vijfeben (zee w.).
Dramatique , (adj.) Poëte , poëme
dramatique , toneel-dichter , toneel-
fiuk , of dicht.
Drame , (m) Toneel-dieht.
Drap , (m) Laken (zekere floffe) ',
marchand de drap , een laken koo'
per-^ habit de drap, een laken-kleed-, -
drap de pié , een tapyt ; drap de
lit, flaop-îaken; mettre un homme
en beaux draps blancs, iemand be^
fcRimpen , uitzetten , afmaaien ; au
bout de l'aune faut le drap , bet
e ir de zal de laji draagen-^ tailler en
plein drap , 'voUe geleegenbeid hebben
om iets te doen (fpr. woorden .
Drapeau, (m) Een vaandel; oud
linnen , lompen.
Draper , (v. n.) Laken maaken ,
wolle w\''cven; draper une chambre,
een' kamer met rouw behangen ; dra-
per .
DRA. DRE.
per un carofTe &c. , len koets enz.
met laken bekleeden j draper quel-
Cun, iemandbefpotten y ten toon Jiel-
htt.
Draperie, (f) Laken-banJel (m);
>lte-zi'^everye (£).
Drapier , (tn) Een laken-weevcr ; la-
ken -handelaar.
Drayer , (v. a) jiffchaavcn, {by
Leér-bereiders).
Drayoire , (m) Schaaf -mes (n).
Dreche, (f) Mout, malt,
Drege, (fj Drcgr.et (n).
Drelin , (mj GekUnk (n) ) klank
' Jn een bel , fcbel •ƒ klokje.
Drefle, (f) Stukje leer dat men
tvjfcben de fchoenzjolen fieekt (n).
Drefler, (v. a. & n.) Regt maa-
ken ; o^regten ; af regt en ; opfïellen ;
drelTer un bâton , eeréeyj fiok regt
maaken } drefler una ftatue , een
Jiandbeeld oprigten ; drefTer une bat-
terie , eene batcery cp'w.rpen -^ dres-
fer des tentes, tent-n opflaan; dres-
fer fon intention , fd marche , zyne
meening , zyn' gang rtgten ; drefler
les quilles , de kegels oprigten , op-
zetten -, drefler d'alignement 5 een'
muur na het meetfnoer oprigten , dres-
fer an pavé, een vloer gelyk fiam-
pen-, dreflTer une pièce de bois, een
Jluk bout bebakken , regt maaken j
drefljer un lit, een bed opmaaken;
drefler des embûches, htnJerlaagen
leggen y drefler un chapeau , ecn'
hqed toeregten , zyn vorm ge even ,
dreflTer un drap» een laken raamen;
dreflTer une vigne , een' ivyngaard
toerigten-, drefl'cr une planche , une
couche, een tuinbeJ toerigten; ares-
fer ua livre, een boek regt kloppen y
dreflTer les oreilles , de ooren opjiee-
ken , opfpitzen ; drefler du linge ,
linnen rekken y opdoen; drefler du po-
tage, foep toebereiden ; drefTer un
écrit, een gefchrift cp/iellen; dres-
fer un compte, ^r«' rekening opmaa-
ken ; dreflifr un cheval , een paerd
cfrigten-y dreflJer des Soldats, 60/-
daasen drillen, ofrigten j ce chien
drefle & va droit, die kond volgt
regt betfpoor; drefl'er les vergues,
DRE. DRL DRO. 231
zetten; cela fait drclTer lés che-
veux, dat doed de bairen te berge
ryz'ny fe drcfl*er, (v. r.) zicb op-
r egt en.
Dreflbir , (m) Een fchenk-tafel ; item
een werktuig om de hekel-pinnen meê
rent te maaken.
Drille , (m) Een VigtmiSy deugniet j
een vrolyken baas, (geni. iu.).
Driller, (v. n.) Tlnigs loop en y
draaven; afdrojfen (gem. w.).
Drilles, (f-pl.) Oude lompen , flar-
den,
DriUear. (Zie Chiffonnier).
Diilieux , euie (a.d}.)Gefcheurd, ge-
plukt.
, Drifl'e , ( f ) Kardeel (n) , vat (m)
om de reen op te hyffen , of té laaten
vallen [zee w.).
Drograan ou Drogusman , (m)
Tolk by de Turken.
Drogue j ( f) Drogerye ; ^rtzeny ;
il fait bien faire valoir fa drogue ,
by lueet zyn waar wel aan de man te
belpen , duur te verkoopen ; drogues ,
prullery , flegte waar.
Droguer , (v. a.) Geneesmiddelen
Ingpeven.
Droguerie , (f) Het vijfchen en
zouten van den Haring.
Droguet, (fJ Drogét (n), {zekere
ftoffe),
Droguier, (m)- Kas (f), cabinet
(n ; van een Natuurkundige.
Droguiite , (m) Drogifï , een die
droger y en verkoopt.
Droit , te {z-'Y}.) Regt ,dat niet krom
is } bi(lyk , recht ; oprecht enz» ; bâton
droit, eenregteflok; chemin droit,
ern regte weg; angle droit, regte
boek ; cœur droit, oprecht kart , avoir
le fens droit , zyn volte verfïand heb-
ben; à droit, (adv.) ter regter hand ^
regts om; marcher droit à l'enne-
mi, regt op den vyand aantrekkeit y
homme qui va droit, een man die
voor df vuifi , opr (ht , zonder omwe-
gen bandeld ; à bon droit, te recht >
met recht 'f aller tout droit, regt toe
gaan»
Droit , (m"» Het recht (n) , de wet ,
Rechtsgeleerdheid ( f) enz, ; droit di^
de reè'n regt brajjen (zee w.); dreflTer I vin , humain , cjTil , canon , cou'-
route à nord, zyn' kners -noordelyk \ tümler , naturel, public, Goddelyk^
P 4 me»-^
5^2 DRU.
rrùnjchetyk > hvr^erijs , keriehi , îands,
fujtuuriyJt y roomfci:e ( jos publicum)
r?cbfy droit de gens, bet recbt der
vuveren; droit ce guerre, de Dcur-
geoilie » krygs-bu ger-recst j avoir
droicde . . ., r^cht betteyi om . . .;
payer les droits > de rechten ^ tollen
hetJ/iiea ; faire droit, reebt doen^
recbt ktbten ; ó:re à aroit , zyn zack
recbt ffetbïn; violer le droit, bfi
rerbt fcbenJtr. ; étudier en droit, m
de recbteti Itad>-eren.
Droice, (f) O e rfgterband \ reg-
t?rK:4eugel eener année ; mm zegt ook ^
la main droite, l'aiic droite , a
droite , ter regterb.-.nJ.
Droitement, (adv.) Aller droite-
nenc en te iogne,of recbt elyk'joor ae
vuijî bande Un.
Droitier, iere (adj.) Regts , niet
Imks , {weinig getr,).
Droiture, {{) Ùprechtbeid, rede-
lykhfiJ ^ droiture d'efprit, j^^ro^-
cerbeid 'jJfï oordeel; aller en , oa à
droiture , ou diredementà. . ,regt
ice g^aa r.a . . .
DroitGrier,ierefadj.XottJ«;.)^^^r-
te?r.i:g , recbtmaaîig.
Drôie, (adj.) KJugng ,- fraaifch\
cela eïl drôle, dat is kiugtig-, c'efl
hh drù!e ou un drôle de cor^Sybet
is een fnaak.
Drôlement ,^adv.) Koddîglyk ^aar-
digh k.
Drôkrie, (f) Snaalerye , koddig-
beiJ.
Drôleffe , (f) Klugtig , fnaaks ef
fcbûamteh'S vrou'Ji'Tne?ifcb fn).
Dromadaire, (m) È en Dromedaris
(fonrt lan Kameel).
' D'offart, (m) DrcJ^aart ^Drejivcm
êPi't'.g dcrp enz.
Dr ouine , ( f ) Kéteîboeters zak , voor
het scre=d*ibap (m).
Drouineur, (m) Kétel-boeter , ké-
ffl~ljppfr.
Dra, De (adj.) 5«?/, kloek ^ dik,
iizt hy ma'iajr ; i'herbe y étoit
drue , hft gras j^ or d 'er i.i ; cet oi-
feào ett ara , 'die vogel ts tJug , kan
hpafi uiivliigen; tomber dra «Sc me-
nu comme mruches, lallen alsbaft,
regm , in ir.eenigte , Ê^e drue , een
DRU. DU. DUB. DUC. &c.
Druide, (m) i'r.-fier vuor deezèH
by de oude Gallen (franfcben).
Druidi-me, (,m; Leere derzehen.
Drayade, {£j Bojcb r.imfederHeh
\ den en,
I Dd, (art. gen. & abl. item nom
& accuH ling. m&£c.] Le fceptre du
Roi, de fcepter des Konings ; venir
j du château, vaa 7 kafieel kzjmen}
I eu vin, ziyr, ; du ^'^in , brood ; Du»
j (p: epoiLtie; tirer eu coffre , uit bet
koffer hajiien ; du ccmmencetnent ,
I in den begtnr^-, du vivant de, fvet
j bet leveH -va»! • du moins, ten min-
Jler, J point du tout, gant/rb niet.
j Dû , (m; Cela eft mon dû, dat ts
; '/ gtt>:e my toekomt; votre ûù , uvt'
fcbttld , ou-'- debet.
i Dû , due (adj.) Verjcbuldigd ^ la
gloire n'cit due qu'à . . , de eere^
cfroem beh»ord alleen aan ...
Djbication , (f ) Aangenomen( on-
zekerbeid (ht redenk.).
Dubitativement, (adv.) Twyjfet-
agtiger vryze.
Dac , (m) Hertog ; item een Kat uil ,
{zekere Roofiegel).
Durai, aie (adj.) Couronne du-
cale , berto'jyke kroon.
Djcale , l f) Of ene trief, patec;
van a^n r..ad ^an yenetim.
Dacat , (ro) Ducaat.
Dacaton , (m) Ducaton.
Duché , (m) Hertogdom (n).
Djiche^ty {Î) Eene Hertogtnne.
Duftüe, (adj.) Smeedig y bet geen
ui tgejlajgen , getrokken kan uord^n.
Dudiiité (f) du métal, taaiheid ^
frneejigbeid der metaalen.
Duegne, (f) Qpzienjier, Gouver-
nante eener jonge Ju^er in Span-
}ni.
Duel, (m.) Twee-Jlryd (m) , twee-
gevegt (n); nombre duel, tu-eetou-
dig getal (in Griekfcbe fpraakk.).
Dueilifte , (m) Eer. iampzegter.
Duement , (adv.) Behoor lyk , betaa-
melyk.
Duire, (v. n. def.) Dienen, he-
bi.Tgen ; voyez C cela vous duit,
zier of u dat -van nut zveezen kan.
Duïcifier, (V. a.) Zoet maaken {ir^
Cbym.).
Dalcinée, (f) Gir^ Mtan^reji.
Dal-
DUL.DÜN.DUP.DUR.
Duicoré , (a jj.) Mercure dulco-
ré , zoetgemaakte kwik.
Dulie , ( t') D'.enji die mm den En-
gfleii of Heiligpn beuuyjl {in de R,
Kerk).
Dune ,(f)Eefi âuin,zand-berg{tn).
Dunette , ( f) We > kampanje op
eenfch'p.
Duo , (m) Muziek-fluk dat met tzvee
Jïemmen gezmgen word (n).
Dupe j (f)Lien omoozel menfcb(n)}
il eil la dupe de touc Ie monde,
beel de ivaereld bedot hem , houd hem
voor de zot.
Duper, (v. a.) Bedriegen^ mislei-
den f foppen , voor de zot houden.
Duperie , ( f) Bedrog (n) , fchalk-
beid.
Duplicata , (m) Het dubbel van
ecr.ig Jchrift,
Duplication, (f) l^erdubbeling {in
Rekenk.).
Duplicité , (f ) Dubbelzinnigheid 'f
duplicité de cœur , dubbelhartigheid.
Duplique , ( f) Tweede ant%voord
van dèn gedaagden of aangeklaagden
{in Rechten).
Dupliquer , (v. n,) Een tweede
antwoord geeven {in Reehten).
Dur, dure, (adj.) Hard, taat ,
zwaar ^Jireng , enz. du pain dur , oud
bakken brood -, il a le ventre dur, Z'y
is hardlyvig ; dure extrémité , uitpr-
Jie nood ; il a l'oreille dure , hy is
wat hardhoorende , wat doof; ftyle dur,
onvloeibaare Jîyl'f il eft dur à la des-
ferre , hy bjud niet veel van aflangen;
cela eft dur comme fer, dat as zoo
bard als yzer; il a le cœur dur, hy
is onbeweeglyk'f un livre dur à la
vente ,' een boek dat niet wel afgaat ;
dur à la fatigue, hard om fatiguen
uit tejiaan.
Durai, aie (adj.) Dat van B dur
is {in Muziek},
Durant (prep.) la nuit, l'hiver j
geduurende de nagt , den winter; du-
rant que, inmiddels dat.
Durcir, (v. a. & n.) Harden , hard
maaktn j durcir, fe durcir, (v. r.)
hard worden.
Dure, (f) Coucher fur la dure,
çf de bloote grond leggen»
Durée (f.; des fieclesj d^ gsduur-
DUR. DÜV. DUU. &c. 233;
zaamhetd der eeuwen; di. longue a u-
rée , van lauge duur.
Durement , (adv.) Hard; traiter
quelcun durement, temand bits be-
\ jegoten. •
Durer, (v. n.) Duuren, uithouden
enz.; étoffe qui dure longtemjjs j,
Jioffe die lang dtiurd; je ne faur'^is
durer du mal de dentg, ik nar. het
van tandpyn'niet harden; le temps
m'a duré, de tyd is my lang geval-
je ne puis durer de chaud , ik kan
van hifte niet duuren; on ne fauroic
durer avec lui , niemand kan met
hem omgaan ; ne pouvoir durer en
place , niet lajig op eene fieê blyven
konnen.
Duret, ette (adj.) Hardagtig.
Dureté, { f ) Hardigbeid , vereelt-
heid; dureté He cœur, ongevoelig-
heid de^ harten; dureté de ftyle,
Jîompheid van Jlyl; <iire à qùelcun
des duretés , iemand bits bejegmen^
dureté d'oreille , doofheid.
Durillon , (m) Eelt in de handen.
Durillonner, (v. n.) Eeltagtig
worden.
D.u riu feule , (adj.) Een weinig hard.
Duvet , (m) Dons , zagte veeren
{van een vogel); een vlas-baard.
Duveteux, (adj.) Met dons -veeren
bezet.
Duumvir, {vn) Een tweeman, (ze-
ker Romeinfcb-bifrj^er-hepr),
Duumviral, aie (adj.) Tweeman-'
nelyk.
Duumvirat , (m) Tweemanfcbap (n),
Dynaftie , (f) Heerfchappye van
veele Koningen die na elkaar gere-
geerd hebben,
■ Dyfpepfle, (f) Onverdcuwelykheid
{m Geneesk.).
Dyfpnée , ( f ) Enghorjiighetd ( ifS
Geneesk.).
Dyflenterie , ( f ) Roode-loop , bloed'
gan^.
Dyfurie , (f) De koude pis (tu
Geneesk.)* ■
P5
E.
S34 E. EAü;
E.
E(m) E. (f) De sdc Letter van
' 't Alphabeth of A y B, C, en
zie der vocaalèn of klh:k-letteren.
Men onJcrfcheid dczplve voornaamem-
lyk i;j 3 foor ten ; by voork. in de
ixiourden fermeté , nettc:é , brevçté ,
is de eerfle een e o ijvert ( ofoperie
e , om dat ze met eene opene mond
Tiitgefproketi word}} de ^ Ja'^ een e
Eiuet,obfcur ou teminin (offiomme
e, om dat ze heel zrgt uugrfproken
ivord) en de 3de word genoemd é fzr-
méou mafcaiin {of gfflootene é,met
ec-n accent aigu of fc-berp klank- teeken
be teekend en h<:rd uitgpfproken ).
KB. tot de e oavert, beboordnn ook
nog die geenc ,die met een accent gra-
ve (zwaar klank-teeken) y als: in jvo-
cè^s, accès &c. of een een accenc^cir-
conflex {omgebogen teekrn), als: tn
fête, bête, &c. geterkend zyn, om
dat ze ook met ecne opene mond uit-
grfproken ivorden ; eindeJyk is 'er ook
K9g eene e in de franffbe taal y die
mrn met 2 puncrurns iet eekend , en ë
trema noemd , dienende voornavientlyk
cm aan ts duiden , dat ze met de
voorgaande vocaal geen diphtongue
(ttvee klank) maakt ; ah : in aëré , poè-
te, &c. dit zy genoeg', zie 'verder
bier over de Grammaires.
Eau. (f) IVater-, eau de pluie ,
de fontaine , trouble , courante ,
dormante , foniraache , falée , dou-
ce, d'arquebufade , d'orge , regen »
bron , troebel , vlietend , flilftaànd ,
brak y zout y zoet, wonde, garji-wa-
t,''r; eau rofe , roofe water ; ea.\i for-
te yfierk water ; eau bénite , wy-wa-
ter; eau de vie , branJcwyn; Ie vif
OU Ie haut de 1'eau (pleine marée),
hoog water , fpring - ty ; baffe eau ,
morte eau (ba^Te marée) , laag wa-
ter , ebbe; il tombe de l'eau, het
regend; l'eau morte , baifle , bet wa-
ter vloetti valt ; faire de l'eau ,wa-
tL-)-en , piffen ; item lerfcb ^varer in-
wemen (fairó aiguaie) {fchseps w.) »
EBA.
prendre les eaux, de baden gebrui-
ken-, ce vaiffeau fait eau , dat fcbip
is lek; mettre un vailTeau à l'eau,
een fcbip tn 't water , van flaapel laa-
ten hopen ; ce navire tîre tant
d'eau , dat fcbip gaat zoo diep; don-
ner l'eau à una étoffe, de glans aan
eene floj^e geeven; donner une cou-
leur d'eau au fer, bet yzer blauw
aan laaten hopen ; ces perles ont
une belle eau, die paerlen hebben
esn fchoon water ; meure quelcua
tout en eau ; iemand geheellyk in 't
zwset helpen ; fondre en eau (eri
larmes) , tn traanen fmelten ; l'eau
lui en vient à la bouche ,^yM;a/Fr-
tMJdt 'er van ; un Médecin d'eau
douce, eenfïegten u4rtz; ces poires
ont bonne eau , die peeren zyn zeer
fatfig ; pêcher en eau trouble , in
troebel water vijf cher, {fpr. w.); il
n'efl pire eau, que celle qui dort ,
fTtlle -waters hebben diepe gronden
{fpr. w.); les eaux font baffes chez
lui , zyn goed is op ; faire venir
Peau au -moulin , de zooden aan den
dyk brengen (fpr. w.) ; mettre de
1'cau dans fon vin, zyne oplopend-
heid intoomen {fpr. ar.); nager en
grande eau , alles vol op hebben ; il
eft heureux comme Ie poiffon dans
1'cau , by leefd als een vifch , in 't
water; laiffer courir l'eau , ziek
nergens aan kleunen; ils fe reffem-
blent comme deux goûtes d'eau yzy
^elyken mal^anderen als twee druppe-
len water; tenir quelcun Ie bec à
l'ea,u., iemand met fcbooyie praatjes op-
houden {fpr. w.) ; tout s'en eft allé
à vau 1'eau , alles is in rook verdwee-
nen {fpr. w.);J)aX.tre 1'eau, hooi dor-
fcben y vergceffche moeite doen {fpr. w.);
porter de 1'eau à la mer, water tn
zee yoffparrenynaar Noorwegen brengen
{fpr. ^v.); nager entre deux eaux,
ohder water zwemmen; { figuur l. ) wyf-
fe'en, niet weet en wat zyde te kiezçn,
wat te befluiten ; à fleur d'eau , ge-
lyk s het water ; water-pas .
s'E'bahir, (v. r.^ ^icb verwonde-
ren, verbaafi flaan ; ébahi , i€ (adj.)
verwonderd y verbaasd, oud w.)
E'bahiffement, (m) f^erwonderin^ s^
verbaafi beid (£), {oud w.)
E'bar-
EBA. EBE. EBL.
E'barbcr, ( v. a. ) (Jr.duiarden.,
dert haard fcbeeren; ets befnydm, bet
v.iuive afneemen ^gelyk tnnaken; élar-
bv?r un livTrï , une plume.
I^ ',bar boir > (m) Suymes (by Schoenm.
en Bofkh.).
E'baroui ,(adj.) VaifTeau ébaroui,
bejchandtgd , lekfckipy (zee iv,)
E'bat,(ni) /^t;/ï, rjrvlykheid (f);
prendre fes ébats, zymrrmaak Me-
neny {grm. w.)
E'battement , (m) Vermaak , korts-
■yl (n), {oud w.)
s")''/batt:re , (v. r.) ^yn 'vermaak
veemen^ (oud w.)
Ebaubi , ie Ca<ij«) Verwonderd,
verbaasd j (gem. en boert, w.)
Ebauche, (f)Een ruuw ontwerp
(n),fchets{£).
E'bauché, ée (adj.) Gefcbetji,
E'baucher, (v, z.) yïff'cheezen-, af-
riïCen, grond-tékenivg maaken , grond-
tekenen -, ébaucher une ' ftatue , eeh
beeld uit den ruuwev. houwen j ébau-
cher un discours , eene reden ont-
werpen.
E'bauchoir,(m) Beeldhouwers Jïeek-
heitel 'y lyndraaijers groove hekel -^
groot e fermoor (by Scheept-timmel,) ;
in 't algemeen een werktuig waar mee
eenig werk uit bet ruuxve gemaakt
Kvord,
_E'baudir , (v. a.) Vrolyk maaken;
s'ébaudir, (v. r.) Zich vermaaken ^
{oud W.)
E'baadifTeraent, (m) Verlujïiging
(f } , (oud w.)
E'be , ( f) Ebbe', il y a ébe , hef
water begint te vallen.
E'bénè , ( f) Ebben-bout (n).
E'béner , (y. a.) De kleur van 't
ebben-hout , aan ander hout geeven.
E'bénier, (m) Een ebben-boom.
E'bénifte , (m) Een ebben-hout-wer-
ker.
>E'bertauder , (v.a.) WolU flcffen
voor de errjle maal fcheeren.
E'blouïr , 'V. a.) Verblinden, fchit-
tprèn yfchémeren ; cette lumière m*é-
blouït, dat licht fcbitterd my in de
oogen-^ la beauté, Ia fortune, l'élo-
quence éblouïr, t/i? fchoonheid , het
geluk., de welfpnkeadheid verblind,
bcnéield, enz»
EBL. EBO. EBR. 235
E'blouïirant > ante (z.öj.) Scht.'te^
renij beauté éblouiffante , verruk-
kende J c boon hei d.
E'blouïflcmeiit, (m) Verblinding ,
fchéme^iiTg der oogea { t' }.
E'borgr er, (v. 'd.)Een-oogig maa-
ken-, item een buis het licht beneemen,
E'bouülir ,(v. n.) ou s'ébouiilifj
(v. r.) Vcrkooken ,' dik kookcn.^
E'boulement , (n:) Jtijiorting , in-
zakking ( f) {van muur of aarde).
E'bouler, (v. n.) s'ebouier ,(v. r.)
Injïorten , inzakken.
E'boulis, (m) Dat tngeflort of in-
gevallen IS , als: puin , grais , aarde^
boomen , enz.
E'bouqueufe, (f) Laken-nopJIer.
E'bourgsionnement , (m) Befnoei-
jing , affnoesjir^g ( £).
E'bourgeonner (v. a.)- Ia vigne,
lés arbres, de wyngaard , de boomen
uitfnosijen , van bet quaade bout^ of on-
nutte knoppen enz, zuiveren.
E'bourgeonneur , (m) Smeijer , be-
fnoeijer.
E'bourifFéjée (adj O^oor^j» wind
verhavend.
E'bouziner , (v. a.) Het ruuwe van
Jleen hakken,
E'branchement, (m) Affnoeijing der
takken (f).
E'brancher (v. a.) un arbre, een
boom fnoeijen, dunnen, de takken af-
fnoeijen.
lS.'hra.nlewenty(m)Schuddmg,fcbok-
king', ontjleltenis ({).
Ebranler, (v. a.) Schudden , f chok-
ken , doen ivaggelen , doen wankelen ,
on/Jf ellen, enz. ébrariler une murail-
le , een' muur doen fchudden ; ébran-
ler le conrage, den moed beneemen -,
ébranler îes ioix, ae wetten kren-
ken -^iz fidélité ne fût jamais ébran-
lée , zyne getrouwheid , of trouw was
nooit bewogeh , gefchonden , was altoos
(]andva/}ig; s'ébranler, (v. r.) wag-
j gc^e" > wankelen ; il répondit fans
js'éhranler, hy antwoordde zonder
^ eenige aandoening ; l'armée s'ébranle
pour &c. bet léger, maakte zich ge-*
reed om enz,
E'brécher (v. a.) un couteau , une
I taiTe &c. een fchaarde in eer mes ^
\fchoteltje enz, maaken, breeken,
E'bre-
235 EBR. EBU. EGA.
Jb'brciicr, (v.a.)^V» kind ^ dat zich
bevuild becft^ reinigen.
E'brieié. [Zte Ivreffe).
E'brillade , (f) Eei'ruk met den
toom (m- (m d-' Ryfcbool).
E'brouer , (v. n.) ou s'ébrouer,
(v. r.) Snuiven , proejien (jvan faerden
gezegd),
E'bruiter, (v. a.) Rugthaar maa-
ken , s'ébruiter , (v. r.) rug t baar
worden.
EDuUif ion , ( f) Op'U'ftîin^ , opkoo-
iingi ontfieekinj in 't bloed; butten-
fpooY %heid der hrrsfenen.
E 'ca( hement,(m) f^erplettering (f).
E' achtr, (v. a.) Platjlaan-, tyeed
tn dun m.iaken, verpletteren} nez é-
caché } plüt:e neus.
E 'ca h€ur (m) d'or , Goud-Jlaager.
E^catVr (v. a.) l'ofier , de teenen
Jplytm [by Mandenn?.).
E 'caille , ( f) Een fâbub , fchilfer ;
pouron à é ailles, gpfchubde vifch;
écaille d'huicre , een oejier-fcb lp ,
fcbflp; écailïe de pierre, de fer,
Jleen- ^^ r -fchilfer ., hamer flag.
E'cailler (v. a.) dupoiiFon, Vtfcb
fihjon maaken; s'écailler, (v. T.)ûf-
fcbilferen , met fchilfen vün mctlkan-
der vallen'. Ia troupe écaillée , Z?f^
gef-hubde betr , {dat is) de vifcbeyi.
E'cailler, ere (adj.) Oejï er-ver ~
koopfr , verkoopfer.
E'cailUux , enie [dia].) Schilfer a g-
tig , fchilferig .
E'cale , ( f) Schaal ^ fchil van een
ei, noot <, enz.; faire écale , voor
onweer ergens in kopen f (zee ir.)
E'caler' (v. a • des noix, nooten
bolfier n; écaler des huitres, oejiers
cpe>T loen.
E\arbouiller (^^.a.) la cervelle ^
de hersfer.en injlaan, verpletteren.
E'rarlace , ( f) Scharlaken verf,
E'rarquillement , {m)lVydvaneen
zettiKg der beenen (f), {gern. u't)
E'carqu{Iler(v.a.) les jambes, Ie
yeux, de beenen wyd van een zetten;
iie oogen wyd open fperri'n, (qem. iv.,
JE'. art , (ra) .^fvyking , ofJzvjaling
uitiv^king ( f) ; écart de conduire,
ofuyking vnn p igt ; faire un écart
dans un discour.- , een' uttflap , ait-
weiding in eeff redsnvocring maaken.^
ECA. ECG. EGE. ECH.
buiten het befiek gaan; faire des é-
carts , buitenfpoorige verkiviflir.g traa-
ken; écart d'os j^twyÂing jvèrwrik-
kiijg van een been; écart iUttfihietivg^
verlegging eener kaart; faire un e-
cart , een tree voor uit doen in het
danfen; à l'écart, (adv.) ter zyden,
achter af; tirer quelcun à l'écart,
iemand ter zyden memen; fe loger à
l'écart, achter af^Jlil veoonen.
E'carté, ée (adj.) afgelegen; ver-
flrooid; ruë écartée , eerie achter-
Jiraat; lieux écartées , afgelegene
plaatze».
E'carteler, (v. a.) l^i erende el en ,
met 4 paerden vau een trekken.
E'carteler, (v. n.) In ^ quartier en
verJeelen (in IVapenk.).
E'cartelure, (f) l^erdeeling in 4
quart itren' (in JVapenk.).
E'cartement , (m) Verivrikking^uit
een zetting y verftuiking der leden,
E'carttr, (v. a.) l-^erwyder-.n , ver-
flrooijen ; een i ge taarten in 't ombren
wèg werpen ; écarter fes ennemis ,
zyy/e vyanden verjaagen , verjirooijen;
fiilil qui écarte la dragée ^eenfnap-
haan die den hagel verfpreid; écarter
la foule , het gedrang des volks vcsn
een doen wyken , ruimte maaken';
s'écarter, (v. r.) zich van eene plaats
verwyderen; s'écarter de fon che-
min, van den regien weg Ojdwaalen ;
s'éearter des fencimens des autres,
van een anders gevoelen verfchillen;
s'éearter de fon lüjet, van zyn on-
' derwerp afivyken.'-
Ecriénafte, (m) De Prediker.
Eccléfiaftique, (ad/ &fübft.) Ker-,
kelykf geejle/yk; een geejielyke , g'es-
telyk of kerkelyk perjuon ; difcipline
eccléliaftique, kerkelyke tugt^
Eccléliaftiquemenc » (adv.) Kerke-
kelyk-i ge.Jlelyk.
Eccope * (f) (Griekfch w.) Snee iy»
eene wond of bersfen jpan ( by l^ond-
heelers).
Eccoprotique, (m) (Griekfch w.)
Zagt laxeer middel.
E'cerveié , ée (adj. 3e fubfl:.) Hers-
fenloQs;dom;ecn dommerik; eene mair
loot. '
E'chafaud, (m) Een fchavot (n);
jfeliagie f feigering (f) (b.y M'etrel.).
JEcha-
ECH. .
E'chafanda^e , (m) StetiagiiWerk',
item bet opflaan van dien (ii).
E'chafauder, (v. n.) Stellagien op-
rigten,
E'chalas, (m) Een tvyHgaard-Jlaak,
E'chalaflemenc, (m) OndcrjJutting
der ivyngaarden ( f).
E'chalafier, (v. a.) Staaken in de
wyngaarden zetten.
E'chalote , (f) Charlotte (zeker
look).
E'champir, ou réchampir, (v. a.)
Een tafereel met loofive^-k en andere
ti eraaden omtrekken {by Schild.).
E'chancrer, (v. a.) Afronden, rond
affnyden {by Kleérm.).
E'chancrure , ( f) Ronde uitfnyding.
E'chandole , (m) Dak-fpaan,
E'change , (rn) Ruiling , ivijjeling
(£)i échange des prifonniera, uit-
■iviffeling van gevangenen', il a ce vi-
ce , mais en échange il a plufiears
vertus , by heeft dat gebrek , maar
daarentegen veele goede hoedanigheden.
E'changer, (v. a.) Verruilen y ver-
mangelen , uitivijfelen ; échanger but
à but , gelyk op'wijfelen ; échanger
avec retour , met toegift ruilen,
E'chanfon , (m) Schenker van ee»
Koning ofVorfi.
E'chanfonnerie , (f) Ampt daar
van (n); des Konings ivynkelder (m),
E'chantiller , (v.a.) Maaten ofge-
wtgt yken,
E'chantillon , (m) Staaltje y mon-
fter van eenige koopmar>fchap ; téken ,
't welk de Ridders der Doelfchutters,
tot een bewys dat zy wel gefchoott'n
hebben ^ neem en; c'eft un échantillon
de îfoii ftyle , dat is een fîaahje y
proef 'î>an zyn Jlyl,
E'chancillonner , (r. a.) Maaten of
geivigt yken»
E'chappacoîre , ( f ) Uitvlugf/t ede-
le verfchooning,
E'c happé, (ra)Paerdvan tweeder-
ly ras of aart geteeld,
E'chappée , ( f) Onbedagtzaamheid-,
onbezonnenheid der jonge lieden (f); ver-
fchiet in eenè fchildery (n) ; dire des
bonnes chofes par échappées, by
vlaaien tets fraais zeggen
E'chappement , (m) Het aflloopéti
eenif Horologie ki.'ttiyg {n)^
ECH. i%j
E'chapper , (v. i . & a.) Omkomen ,
ontvlieden, ohtjnappen; il Ta échap-
pé belle , hy ts bet fcboon ontfnapt ;
il fait Ie cheval échappé , by is
een ligtmisy doorbrenger y il lui é-
chappa de dire cela, dat viel bem
uit den mond', s'é. happer en paro-
les dèslionnétea, zich in vuile ivoêr-
den uitiaaten.
E'chajde , ( f} Een fplinter y d om
,(m).
E'çhardonner (v.a.) une terre s
een land van dijielen ,fiékels zuiveren,
E'chardonnoir , {m)lVerkruig daar
toe (n;, eenjieeker (m).
E'charner, (v.a.) Het vleefch va»
een huid affchaaven {by Leértouwers),
E'charnoir , (m) Schaafmes daar
toe (n).
E'charnure, (f) AfjTchaqfzel (n);
de affchaaving van dien ( f). ^ .
E'charpe, (f) Vrouwen Jïuijer of
falie i fcberp offjerp der Officieren ; ge-
flikt horfi-lyf der Juffers ; dra -g-band ^
avoir Tefprit en écharpe, een flàg
van de moolen weg hebben , half zoP
zyn; écharpe de poulie , een blok
zonder fcbyf', porter le bras en ér
charpe , den arm in een band draa^
gen • écharpe célefte , den dieren'
kreits (in Stirrek.).
E 'char per, (v.a.) Een jïag, houvt
van ter zyden geeven ; bet bhk op hei
bout naaijen, blok op naaijen (dat is)
een touzvJJaan, om iets, dat men ojp*
hyffen wil, {zee w.)
E'chars, arfe (adj.) Gierig, kaa^
rig , {oud. w.)
E'chars, arfe (adj.) Vent échars »
fchraale , ongejiaadige wmd iTa^^ nuoie,
écharle, mum van al te geringe al-
loy.
F/charfement , (adv.) Gienglyk,
(oud XV.)
Echarfer, (v. a.) Le vent échar-
fe t de wit:d is ongfjlaadig.
E'charfeté , ( f) Geringe alloy of
waarde van muitten. • •
E^chailcs, (f. pi.) Stelten, om op $e
gaan; jiengen, maften die men in de^
grond zet , om ewa ftellagie te maakeii
(by Met zei.).
E'c hauboulé , ée (skSl,) Vol-vuur tg"
beid, blynen,
È'chwi-
ao?? ECH.
E'chauboulure , (f) FaungheiJ ,
toode plekken op het veL
E'chaadé, (m) Zeker klein paryfch
gebak (n).
E'chauder , (v.a.) Met heet water
hroeiien fjchrorijefr, s'échauder,(v.r.)
zich' branden j chat échaudé craint
l'eau froide, dajr- d-n ezel zich eens
aan fïoot , vjagf hy zich taor de fWee-
de maalÇfpr. w.) ^, , ,
Echaudoir, (m) Slagt-pïaats der
heejfen-.ivafch-plaats der ivolle^ of ge-
verfde ftoffen^ enz. {i). _
È'chaüffailbn , ( f) rerhittitig,ver~
hramiing', ulijlag , bïaareu.
E'chaufFeiïïcnc , ( m) l^^srivarn^ng ,
verhitting. ;- t^ /•
E'chaufter, (v. a. Sc n.) Verhitten,
heet maakcn > /verztarmen ; aanmoedi-
gen, hitzig ivorder: ;éch^\if?iiT la biie
à queicun, tcmaird yv-rig, toornig
maaken ; s'échauifer , (v. r.) beet
nvorden, zich ver bit t e» x^ item driftig,
tooryùg tvorden.
E'chauffourée , (f) Een domme
(Ir eek , acnjlag.
E'chacffure , ( f) Het warmen (n) ;
hitzigheid, ontJheking{ï\
E'chauguette,(f) Een wagt-toren
(m).
, E'chanler (v. a.) Ie bied , het zaai-
toren met kalk-ivater bcCprengen.
E'che, (f) Aas {r\) om vifch meê
te vangen. {Zje An-rorce).
E'chéance,( f) reyjal-tvdivanf^is-
. fels enz.).
-E'phec , (tr.) Een fuk^ (n),fcbaak
van 't fchaokfprl; donner échec &
mat, den komng vafl zetten-, donner
échec & mat à tous les plats , alle
fcbotels leegen-y tenir en échec, on-
der teugel c/ commando houden-, l'ar-
mée reçût un grand échec, het lé-
ger ontfr.g een' qrcote neerlaag-
E'checs, (m. pK) Jouer aux é-
cliecs , op het jchaak-bord fpeelen,
fchaoken,
E'cheleiite, Cf) Eene bel , fcheL
E'chelie', (f) Eene ladder, leer-,
Jïorm-ladder ; ivrvrlivg aan de maft
van een fchip; mylfchaal eener kaart ;
duim-fhe , maat-ftok (in Bouwk.)-
graad-ftok ler z r ; éclielle de ruban ,
' Unten-bofcb der Juffers ; après lui , il'
ECH.
faut tirer l 'échelle , {fpr. w.) ah
hy 'er aan geiveejl is mag men het
ivel opgeeven.
E*cheliette,'(f) Een kbtn laddert-
7 (n).
É'chelliér, (m) Kraan-ladder (f).
-E'chelon , (m) Spurt eemr ladder
(O-
E'chemer^ (Vo'2i.) Een byen-fwerm
uiilaate.u
E'eheneaU5{m) Aarden tregter der
Geelgieters.
E'clienilïer (v. a.) les arbres, Sec.
de rupzen uit de boomcn enz. doen.
E'chenilioir, (m) IVerktuJg daar
toe.
E'cheoir, ou échöir,(v.n.) Ver-
vallen , verfhynpn j te beurt vallen »
aanbevallen ', (NB. \tit werkw. word
genoegzaam alken gebruikt Î in de te-
genw. tyd t il échet; zde voorl.tyd ,
j 'échus j toek. tyd, j'éeherrai; on-
volm. tyd, j'écherroisj ivenfch. tyd ,
que j'échûfle ; deeiw. échéant); le
terme ell échu, de tyd , hettermyn
is verfcheenen; Ia lettre eft échue,
de iviffelbrief is vervallen ; échu en
partagé . ten deel gevallen.
E 'cher , (v. a.) ji^as aan een' ben-
gel doe».
E'cheveau,(ro) Eenjirenggaaren
of zyde.
E'chevelé, éefadj.) Met verwarde^
ontvlogtene of loffe hairen.
E'ch'evin , (m) Een Schepen.
E'chevinage , (m) */ tctjépenCchap
(n)^ Schépevs pkiats (f),
,E'chif,(adj.) Hongerig {van Jagt-
bonden g<z.).
E'chiffre, (m) Leun eener trap(£),
E'chignole, {f)£obyn {£), klos
(n). »
E'chilïon , (tn) JVater-hoos ,in de
middellandfche zee ,, anders Trombe ,
Trompe ou Dragon d'eau , ge-
naamd.
E'chin, (m) Geneesheer in 't Se-
rail.
E'chine, (f) Rugge-graad (m);
item fyft op een pilaar ( f).
E'cbinée,(f) Rugge-ftuk van een
Verken (n).
E'chiner,-(v. a.) Den rugge-graad
hreskën-, afroffen.
Echi-
ECH. ECI. ECL.
E'chiqaeté , ée (adj.) Cefchakeerd,
ruitswyze als een fchaak-bord,
E.chiquier, (m) Een fchaak-hord
(n).
E'cho,(ni) (/ra Eco) Ecboyoweir-
galm , weerklank.
E'cho ,(^)De nymphe EchOidogter
der lucht (by Dichters).
Ë'choraes ,(m.pl.) De dollen^roei-
f innen eener Jluep,
E'chométrie , (() Botnv-kunjï om
den echo te maak en.
E'choppe, (f) Een pet-huis (n),
kraath , winkel voor een huis j een ets-
naald {by Graveerders') ( f).
E'choueraent, (ra) Stranding (f).
Echouer , (v. a. & n.) Stranden ,
fchipbreuk lyden; mislukken; Ie navi-
re échova, f het fchip Jlrandde ; il a é-
choué dans fon deflein , hy is in
zyn voorneemen mislukt ; il a échoué
If na.y ir^ f hy heeft het fchip op Jirand
gezet.
E'chu, ue (zé}.) Vervallen , enz.
{Zie E'cheoir).
W chViX-Q ^{t) Aanbevalling van goe-
deren.
E'cimer (v. a.) un arbre , een*
boom aftoppen.
E'clabouffer , (v. a.) Bejlyken , be-
fpatten.
E'clabouflTure , (f ) BeJIyking , be-
fpatting.
E'clair , (tn) Blikzem , ivcérlicht;
il fait des éclairs, het blikzemd; vi-
te comme un èc\z\x y getwind als een
blitz j éclair , het blinken van een
degen.
E'claircie , (f) Een helle plaats
aan den hemel {by ZeeMeden)»
E'claircir, (v. a.)Opbe!dLren , op-
klaaren enz. ; éclaircir une difficul-
té , eene zzvaarigheid oplojfen; éclair -
cir quelcun d'une choie , iemand
l^cht in çene zaak gecveit yonderrigter. ;
éclaircirde i'czn ^ water klaar maa-
■ ken ; Ie canon éclaircit les rangs ,
het gefcbut maakt de gelederen dun;
éclaircir une couche, een tuin-bed
dunnen , lucht gei ven ; s'éclaircir ,
(v. r.) opklaaren , helder iveêr wor-
den; klaar worden; s'éclaircir d'u-
ne ch o fe , onder rigt ing nopens eena
zaak neemen.
ECL, 239
E'claircifrement(m) d'une choiè,
verklaaring , uitlegging , oplojfwg van
eene zaak; c'eft un homme àéclair-
ciflement , 't is een twijlgierig menfch,
E'claire , ( f) Gouw - wortel ( m ) ,
{zeker kruid).
E'claire , ée (adj.) Verlicht; une
mai fon éclairée, een licht j luchtig
huis ; c'eft un homme fort éclairé,
dat ts een zeer gelet rd man.
E'clairer, (v. a.) Lichten, ver-
lichten , voorlichten ; éclairer moi ,
licht my; Ie foleil éclaire le .'mon-
de, de zon verlicht de waereld;
éclairer quelcun, op iemand acht
geeven,
E'clairer, (v. n.) Weêrtichteni
blikzemen,
E'clamé , (adj.) Verminkt y lam
{van dieren gez.)
E'clanche ( f) demouton y Achter-
bout van een fchaap ■) (m).
E'clat, (m) Splinter van bmt^
fcherf van fieen enz.; Cs brifer en
éclats , affplinteren , affchilferen.
E'clat , (m) Glans , luijler ( f) j ge^
fcbater , geraas (n) ; rugtbaarheid
(f); éclat d'un diamant, glans va»
een diamant ; cela fit un grand é-
clat dans Ie mond#, dat baarde een
groot gerugt in dewaereld; éclats de
rire , gefchater van lagchen ; éclaC
de tonnerre , donder Jlag,
E 'datant, ante (adj.) Schitterend ^
glinjlerend; doorlugtig ; voortreffelyk ;
bruit éclatant, groot geraas y ge-
weld , gekraak.
E'clater,'v. n.) Affplinteren, af-
fchilferen ; glinfleren , fchitteren ; ge-
raas maakfin; voix qui éclate, £?oor-
klir.kende Jlem; l'affaire éclata enfin,
de zaak werd eindelyk rugtbaar ; é-
clater de rire, overluid lagchen^
éclater en injures , in fcbeld-woor-
di>n uitbarf.en; faire éclatf-r fes xeT-
fen time nes, zich erçrens gevoelig over
tooncn; ce bois s'éclate aiferaenc,
dat hout fcheurd y berjl ligt,
E'clipfi {{) ac foleii , de lune,
verduijlering der ZQ>ine , der maane ,
(ek ips) ; vous avc^ fcUt une longue
éclipie, gy hrbt lang afwezig ge--
wpcjl; éciipfe, vrrmindtring van ie-
mands roem of eer,
E clip*
S40 ECL. ECO.
b'clipferou s'éciipfer, (V.n& r.)
Verduijleren , taanen ; s'éclipfer ,
verJuyfiefi , uit het gfzig'' raakpn;
fa beauté éclipfe Ia vócre , haare
fibaonbcid beneveld de uzvc.
E'cUptique , ( f) Zonne-iveg , krin^
die di^n jaàrlykfchen loop der zonne
aanivyji (m).
E'clipciv^ue, ('adj) Dat tof de ver-
duijlertn^ beh-oord,
E'cli'^e , (f; Een kaas-vorrri', rib
van een hiit (f ) \fpcilk (by Healm^) (m) ;
Jpaan-bniii (n) tot trommPK, doózefij enz.
È'rl) ^Ter , !V. s.) Spalken Un Heelk.).
■ E'clDppé , ée (adj.) l^'erminkt ^
kriupr l.
E'clorre , (y. n.) Uit den dop koo-
men-f Ie jour corcmence àéciorre,
de dag breekt aan; faire éclorre
Jes fltars, bloemm doen ontluiken;
fss defTeirs font far Ie point d'é-
clone , zyne voorneemens jlaan ras
bekend te worden.
E'clos, of-^ (adj.) Uit den dop ge-
hoomen , gebroed ; ontlooken j bekend
gmvordtn,
E'clufé , (f) Een fuis; porte d'é-
cVùk t jchutdet4r; lâcher les éclu-
fes, de'jluizcn o^n zetten.
3Éclu.'ée , ( f ) Een Jluis vol water.
E'ccbans ou écubiers, (iiu pi.)
Kluisgaten op een fchip y daar de ka-
lel doorgaat.
F'cofroi, (rh) Het fny bord (by
Schoenm.).
E'colâtrê, (m) Kanonntk die ver-
pli^t is voor niet te ondenvyzen.
É'cole, (f) Een fehool ; Koliegie ;
petites écoles, laage fchoolen ; tenir
école , fchool houden ; envoyer quel-
cun à Vécole, iemand zyne misjla^
gen aarii'yzcn.i faire 1'école buif-
fonniere , e^n krampje loop en , lan-
terfanten; ceia fent de l'école, dat
is fchooh'ofjig.
E'colifcr iere, (i/i. &*f) Een
fchoolier , leer'ÏKg ; fchootierjler.
E'coUetcé, ée (adj.) Uitgehold als
tpn halve maan.
- E'conduire , ('v. a.) WeigerenfOnt-
zeggen , afivyzen , (gem. iv.).
É'concnjac , (in) Het bewind over
ee^e huishouding.
E'conome, (adj. Öc fubft.) Huis-
t ÉCÖ.
\boudelyk, zuinig; huisbouder, huts^t'
\ zorger ; hutsbezorgjier.
E'cónomie , ( f ) Huishouding ; goe^
de inrigting; avoir de l'économie j
Spaarzaam zyn,overJeg hebben i l'éco-
nomie d'un état , d'inrigttng der
s' land s VeJlieVtng ; Çaas 1 "ancienne
économie, onder 't oude verbond of
bejlier.
E'conomiqueœenE , (adv) Huis-
houdciyk.
E'conomifer, (v. a.) Met Spaar-
zaamheid te werk gaan.
E 'co f '6, (f) Een hoosvât ; item
'jerdeeliiég der vleefcbige deelen-^ in '$
fnyien van de kanker , {by Heelm.).
E'coTce, (f) De fcborjfe, fcbil,
baji ; het uit°rjie , het uitwendige van
een' zaak.
E'corcer j (v. a.) Boomen /chilien y
ontfchorjfé'n.
à E'corchecu , (adv.) Tegen de zin,
met onivil; à ésorchecu , op de bil-
len Jleepen^ glyen.
É'corcher , (v. a.^ Villen , dehuidf
bet vel af haaien , affiroopen ; fchraa-
me» , het vel affloot en; ce cabaretier
écorche les gens , die waerd fnyd ^
fcbeerd de Luiden; méchante mufî-
que éCorcîie les <itei\\es , Jlegte mu-
ziek quetji bet gehoor ; écorcher une
langue, un auteur, een taal qualyk
fpreeken , rabraaken ; een boek flegr
overzetten i voTJS criez avant qu'on
vous écorche , gy fchreeuwd eer g^
gppagen ^vordt (fpr. w. ) ce fruit ;
écorche Ja langue, dat fruit byt op
de pong ; écorcher Ie renard ,
{fpr. w.) braaken , overgeeven; s'é-
corchtr, (v. r.) zich fchaaven , de
huid afjlooten ; een' blik-aars ryden.
E'corcherie , (f) VHplaats; item
herberg alwaar tneyi de menfchen ti
veel reekend , daar de fchaar uitbangd.
E'corcheur, (m) Eenviller-, duu-
re waerd, fny er.
E'corchure , ( f) Schraaming , op-
baaling. afjirooping van 't vel; blik-
aars , door 't ryden.
E'corcier , (in) Schors ofrun-fchttur
(f).
E'core , ff) Eenfïeile ival , ofkufiji
écores , futten ^ fchooren ; (»'»
fcheeps-b,), ' ■
■ Ecor=
ECO.
Ecorner , (v. a.) De Hoornen af-
poote-t 9 afbreeken\ écornor une ta-
ble, de boeken van een tafel hreeken;
^corner une armée , een léger fcbu-
de, hinder^ afbreuk doen.
EVornifler, (v. a.) Panlikken; op
fchuim loop.n,
E'corniflerie , ( f) Panîikkery.
E'corniiieur , enfe (m &f)jPaM-
ïikker , fcbuim-tooper , tafel- broer j
fchuim-loopfter.
EYofle, (f) Schil, bafi van hoo-
nen , er wéten , enz.
E'coner, <w. &) uitdoppen , pellen.
E'cofleur, eufe, (m. 3c f.) Uit-
peiler ; peljier.
Eert, (m) Gelag-geld y aandeel,
item Jhmp van een boom met takken ;
(n) payer foii écot, zyn gelag be-
taalen.
E»ootards. ( Zie Porte-haubans).
E'cocé, ée(adj.) Getakt ,{ iu IVa-
penk. ;.
E'couëne, (f) Eenjïot-vyl,
E'couer , (v. a .) De Jiaert affhy-
den , af krappen , korten,
, E'cüuets, (m. pi.) Halzen , fmy-
ten 9 (fc^^eps w.).
E'coufle , ;m) Kieken-dief, wouiv >
(zeker roof-vogel).
E'coulement , (m) Afwatering ,
waterloozïng , ( f ).
E'couler, (v. n.) Afloopen, af-
vloeijen ; faire écouler l'eau , bet
ivater laaten afloopen ; s'é. ouler ,
{y . r .) afloopen 'f ontjluipen; Ie tems
s'eft écoulé , de tyd is voorby,
E'courgée , (f) ^oort van een
zweep met verfcheide riemen.
E'coarté, ée (adj.) Gekortoord.
E'courter > (v. a.) De jhert en
eoren offnyden ; iets afkorten , korter
maaken.
E'coutant, ante (adj. & fiïbft.)
Hoorende ; toehoorder , toehoordfter .
, E'coute , {Î) Luijler-hoekje (n)j
foeur écoute , tiiifler zujler in een
kloofïer', être aux écoutes, luijler-
vinken , fiaan ' luijieren j écoutes ,
fchootenUeker tomV'Werkaan de zeilen).
E'couter , (v. a.) Hooren , aanhoo-
re» , toelaiJiei\n , gehoor geeven; s'é-
couter parler, ""i/Jf zelven boeren
fpf^eken.
ECO. ECR., , 24r
E'ccuteur, (m) Luijieraar , toe-,
hoorder.
E'couteux(adj,)chéva" écouteux^'
Springend > fcbigi>g paerd » (n).
EVoucüle, (f) Het lutk van een
/cbtp,(n).
E'coutillon , (m) Opening in 't
luik van eenfcbip{ f); klein luikje (n).
E'couvette , {oud-w^ Zie Baiai <if
Vergettej.
E'couvillon, (m) Een oven-divyli
wtjfcber^omhetgcfchutfchotin ie maaken..
EVüuvillonner, (y. a.) Den oveti
uitJwylen ; eenjluk gepbut uitwijfcben^
E'cran, (m) Futir-fcberm, (n).
E'crafer , (v. a.; Vermorzelen , ver»
hryzeien, verpletteren', écraier quel-
cau , iemand in de grond helden.
E'créraer, (v. a.) Dè room van de
melk fcbepperi»
E'crovifTe, (f) Een kreeft', een
der 12 Hemel-t'eekènen ; écrevifle de
rivière, de raer, rivier- zee-kreeft,}
des yeoK d'écreviflfi , Kreeft en-oogeu^
(in Genees-k. geb.).
s'E'crier, (v. r.) Ukroepen , uit-
fchreeuwen-, s'écrier de joye, de
douleur, van blydfchap juuhen, van
fmert fchr eeuwen,
E'crille , ( f ) Een hq/kr in een
vyver ^ (in).
B.'crin, (ui) Een ring-knjïje, (n).
É'crire , (v. a.) Scbryven, in ge-^
fchnft fïellen , befchryvet:.
E'crjt, (m) Een gefcbrtft,fcbrife^
bsnd-fchrift -y document (n).
_ E*crit, E'crite, (adj.) Gefcbreér,
ven', opgefleld.
E»criteau, (m) Een opfcbrifi (n)
op doozen , kajfen ,voor eenig httys, enz.
E-critoire, (f) Een inkt-kooker
(m) j fchryftuig , (n).
E'criture, (f) Schrift; (n); ig
Heilige Schrift ( f).
E'crivain , (ra) Een fcbryver ;
fcbryfmeejier.
E'crou , (m) Het gat (n),ûfe moer
( f ) , vdn een' fcbróef.
E'crou , (m) Lyji der otàoften aan
een hof-, rolie der gevangenen in een
kerker, (f).
E'crouë, (f) {Zie 'Ecroxx).
E'crouëlles , (f. plqr. ) Krop^zweer
I (f) , klier-gezwel, konhtj^s-zeer (n).
Q Ecrouera
242 ECR.ECÖ.
" E'crouer, (v.a.} Op de rot der gs-
VJngencn zetten.
Ecrouïr , (v. a.) Metaal koud ba-
meren.
fcrouiflement , (ta) Koud bame.
rhig (f). » . ,
E'crcmlement , {Tn]Beeving , fcuud^
dir.g (f).
■ V.'cronlev ,{v .z.) Schud.ien ^bewee-
gen; s'écrouler, IV. r.» dreigen cm
in te Jiorten ; injisrten , tot een puin-
hoop worden.
E'orouter, fv. z.)0ntkorjïen.
E'crû , ùe (adj.) Fil écrù , ruuw
garen-, coile écrxie , ongebleekt li/:t:e>J.
E'cu , (m)Een zvJpen-fcbild (n) ; een
franjche kroon van 6o fels (f); il eil
Ie père aux écus,cu,il a desécus,
iy f s zeer ryk , ky heeft fpUrt.
E'cQbiers , (m. pi.) Kluis-gaten
(zee IV,), {Zie Ecobans).
E'caeil, (m) Een' klip, een blinde
klip in zee (f).
E'cuelle , ( f) Een kom , fchaal { f),
tyute v.ap ,bji{Tt^; rogner l'écaelle
à.qaelcun, (fpr. w) temand zyn ïn-
iomft , of teer-geld befnoeijen ; écuelle
de cabesftan , metaal e bos voor de
fpil, (zee U-.)
E'cuellée , ( f ) Eeti kom vol,
E'cnier. (Zie E'cayer).
E'juifler, (v. a.) Em boom in 't
nesrvellen fplitteren , Jplyten ; item
ver lam men , (boert, w.)
E'caler, (v. a.) De hiel van ee*j
f^boen neergaan , neêrkakken.
Ê'culon , (m; Een groote lepel loor
Wdfchlicbtmaaiers .
E':.oms , ( f) Scbulm (n).
E*camenique. (.^xVOecurncnique).
E'cumer , (v. a. & n.) Sckuïruen,
affcir.iimen; écumer Ie mer, de zee
fihuimen , zee-rooven.
Ecutneur, (m) Een zee-f:buimer ,
zceraaveryitem een panlikker ,fcbuim-
hoper.
E'cameux, eofe (adj.) Scbuimig,
fbuimend.
» E'catEoire, (f) Een fctmm-fpaan
E'curerj (v. a.) Schuuren; écurer
nn puits, een put reir.tgen.
E'cureuil > ( B2 ) Em Eikiargntje
In).
ECU. EDE, EDÎ. &c.
E\'urear,(m) Xachtiverker jfecreet^
ruimer y put reiniger.
E'cureufe, Een* fcbuurjier.
E'curie, (f) Een Jîaî, paerde-fial
(m).
E'cnïïbn, (ra) Hst fchild van een
wapen (n), fot-plaat (f) ; zekere etir
f/ff^ o/'ocaleering (f)> kruid-kujfen-
tje om op de maag te leggen (n);
maagplesfïer j fpiegel aan een fcbip
E'cafTonner, (v. a.) Enten, ocu-
leeren.
E'cuiTonnoïr, (m) Ocnleer-mes (n).
E'cuyer , .(m) Ridder , Edelman ,
Scbihiknajp ( eert yt el ) ', Stalmeejier ;
grand écuyer , opper-fialnteefler ; é-
cnyer , bof- jonker , lei- jonker eener
Dame; écuyer tranchant, voorfny-
dcr; écuyer de cuifine , opp er-kok ^
écoyer , pikeur, berydcr.
E'dentéjée (adj.) Tandeloos ; c'eü
une vieille édentée y 't is een tan-
{ dchos besje; peigne édentéjfcie é-
dencée , kam , zaag waar in eenige
tanden gcbrooken zyn.
E'denter, \,y. a.) De tanden uit'
breeken.
Ediôal , als (adj.) Dat tot , of, van
een bevel (edift) is.
E'dinanc, ante (adj.) Stichtelyk,
EViiflcateur , (m) Bouwer , Jïicbteri
liefhebber van bcuwen.
E'dification , ( f) Opbouwing ^fiicb^
tir.g; j'ai lû ce chapitre avec beac-
coup d'édification yik beb dat hoofd-
Jluk met vsel ftichting gelezen,
E'difice,Cm) Gebouw (n).
E'diSer, (v.a.) Eeuwen, fikb:en,
('bâtir is beter in deezen zin); édifier
Ion prochain, zynen nasjîènjlichten.
Edile , (m) Een wykmeejler ;fabryk
eerîyds in Romen.
E'dilité, (f) /Jmpt daar van.
E'dit , (m) Gebod, bevél (n).
E'diteur , (m) Uitgeever van een
boek.
E'dition',(f) Druk, uitgaave van
een boek.
E'drédon , (m) Dons-veeren eener
ralk.
EMacation , ( f) Opyoeding.
E'dulcoraxion,, (f) Vtrëoetittg (in
den ^Pi^tbe^k). ^,^^^^
EFF.
È'dalcorer, (v. a.)f^erzoHen ^zc^
maakm.
Effaçable, (adj.) Uitwifchbaar. ^
Etficer, (v. a ) UitiviJTchen y uit-
veege^t, dorJoen , doorhaatrn , "if-
fchra^pen; eff^-ct-r unt ligne, eenen
regel Joorhaalen-, il a rf^dcé la gloi-
1-e de . , hy heeft Jen roem vcrduif.eni
van . ; cfîàcé de la mémoire , uit het
geheugen gegaan.
Effaçure , 'f) Uitwiffching , enz.
{Zie ook Rr.tnre).
Effam r. {Zie Effeuiller).
Effare - , {alleen gebr. in 't deeliv.)
être i^ffaré, rjgrfchrikt , verplet zyn.
Effaroucher, (v. a.) l>'erwilderen ,
fchuuzv maaven.
Effaufihr fv. a.) un ruban, een
lint uirfazelen , uirraaffelen.
Effectif , ive {-xô.].} iVaartyk ,dari-
delyki raille écus effoftifs, duizend
kroonen baar geld -^ un horume effec-
tif, een mflnvan zyn ivoor d.
Effeftivement , (adv.) JVaarlyk,
inderdaad.
Effeéluer , (v. a.) Uitvoeren , ver-
rigten.
Effemination , ( f) Vrouwen werk
(n) , wyvery ( f).
Efféminé, ée (a.dj. ) T^e^wy fd ,bloó ;
un efféminé , een verivyfd mansper-
zoon.
Effeminer , f v. a.) T^erivyfd rnaahen.
Effervefcence , (f) Opzieding, op-
•walming {in Chym. en Natuurk.).
Effet, (m) Uitu'erking,uitzverkzel y
daad, gewrogt; goed; remonter de l'ef-
fet à la caufe , va;/ het gewrogte tot
de oorzaak opklimmen ; il n'y a
point d'effet , fans caufe > 'er is
geen gewrogt y zonder oorzaak ^ c'eft
un pur effet de votre imagination,
het is eene enkele uitwerking van uwe
verbeelding \ mettre en effet , in 't
werk Jïellen ; paroles fans effets ,
woorden zonder daaden ; tont cela ne
fit .-.ucun effet, dit was alles zonder
vrugt ; les canons eurent un bon
effet , het gefchut was van goede uit-
werking ; ces maifons font un très
bel , un vilain effet, deeze huizen
maaken eene fraaye , lelyke vertoo-
fiing ; les effets d'un marchand , de
roerende goederen, effeften' van eeu
[ EFF. 2.^2
I koopman ; on effet , (adv.) inderdaad ^
pour , ou , à cet effet , (adv.) ten dien
einde.
Effeuillement , (m) Ontbladering
(f).
Effeuiller (v. ?.; un arbre , een'"
hoorn ontbladeren.
Efficace, (adj. & fubff,) Krachtige
grace efficace, medewerkende genade»
la prière du jofte eft de grande
efficace , het gebed des rechtvaardigen
is van grooté kragt.
Efficacement , (adv.) Kragtdaa^
diqlyk , met nadruk.
"Efficacité, (f) Kragt, invloed.
Efficient , ente (adj.) Caufe effi-
ciente , werkende oorzaak ( in iVa«
tuurk.).
Effigïe, (f) Beeltenis (n), afbeeh
ding (f 1 ; pendre en efngie ,»» beeU.
tems ophangen.
Effigier (v. a.) quelcun, iemanâ
in beeltenis flrajfen.
Effiler , (v. a.) De draaden ergens
uittrekken } s'efhler , (v. r.) uitraaf'
felen , los gaan ; vifage effilé , fchraa»
Ie, magere tronie-, cou effilé, dunne
hals.
Effilure, (f) Uit trekking, uitfaa^
zeling.
Effioler (v. a.) Ie bied , het groe-
ne koren, ais het te weelig groeide
jlompen.
Effianué, ée cadj.) Cheval effla-
nué, een paerd dat dfn bek afgeree-
den is,
Efflanquer, (v. a.) j^fmatten, af-
dr y ven.
Effleurer, l[v. a.) Dp bloem weg
neemen\ ligt quetzen, enz.; Ie coup
n*a fait qu'effleurer la peau , djf
fchoot heeft Jlegts de huid gefchaafdi
effleurer une matière > eene zaak
maar évèn aanroeren,
Effluxion, (f) OmJJagy omkeering
{hy Vrouwen).
Effondrement, (m) Uitfpitting (Qô
Effondrer, (v. a.) Uttfpitten,
uitgraaven; gevogelte of vifch fcboon
maaken , reinigen ; effondrer da
drap, laken al te fier k f pannen.
Effondrilles, (f. pi.) Grond-Jopf
zinkzeli kiel-water.
Efforcer, (v.n.) s'efforcer , (v. r.)
Q a Zéth
244 EFF. EGA.
Siich bfimopijen ^a^mg.'i tu taaten hg-
gen y beyvpren; ie ra<^ fuis efforcé
de, tk heb myn beJJ gedaan om enz. ^
Effort , {m) Poogiffg , fîrfeving ; fai-
re les derniers efforcs, zyn uiterjîe
vlyt ^ kragt aatuvenJfn ; cheval qui
a pris un effort, een paerd dat zUh
verri>kt heeft.
Effraaion, (f) Opbreeking^ inbreer
k(ng.
Effrayant, ante (acij.) Verfchrik-
ken } , 'verfcbrikkelyk.
Effrayer , (v.a.) f^erfcbrikkcn , ver-
vaard, bang maaken.
Effréné , ée (adj.) Ongeregeld y
tooinloos , wild; licence effrénée ,
dolzinnige moedwil-, n^^nrice effrénée,
buitenfpoorige gierigheid.
Effrénément , (adv.) Toomhosiyky
dolzinniglyk.
Effriter, (v. a.) Eenen akker uit-
mergelen , fymgen.
Effroi , (ra) Schrik , ontJîeUenis ,
'üreeze (f).
Effronté, ée |adj.) Onhefchaamd ;
an effronté , een fchaamteloos menfch.
Effrontément , (m) Onbefchaamdelyk,
Effronterie, (f) Onbefchaamdheid.
Effroyable, (adj.) V^erfcbrikkelyk ,
yffelyk.
Effroyablement , (adv.) yerfchrik-
ietyk ; dépenfer effroyablement ,
yjfelyk <, geweldig veel verteeren.
Effumer, (v. a.) Iets ter loops af-
fchetzen , fcbilderen.
Effuöon , (f) Uitflorting y uitgie-
ting \ effufion de fang , de bile ,
hloed-florting ; overlooping van gal j ef-
fufion de cœur, uitjîorttng , opening
des barten.
E'gaiement , (m) Verbeuging , Uis-
ti^heid.
"E'gal, aie (adj. & fubft.) Gèlyk j
e f en; deux cho fes , égales, twee ge-
lyke dingen; Dieu n'a ooint d'égal,
God heeft geen getyk; chemin éga'
OU uni , een gelyke iveg; cela m'cft
igzXydat is my 't zelfde; hamen r
é^,a)e y eenïg^zifid gemoed, inhorfi % il
efi: fon égal , hy is zy,i gelyk; à l'é-
gial (en comparaifon) de cela, in
venrelyking van dat; traiter d'égal
i égal , gelyk tegen gelyk handelen^
S»^alfment, (ady.) Gelykelyk.
EGA. EGI. EGL:
E'^aleraen- , (m) l^ergelyking»
E'galer, (v.a.) Effenen ^^elyk mas^.
ken, -venaaren; la mort égale toas
les hommes, de dood maakt de men"
fcben gelyk ; égaler la vertu d'A-
' lexandre , de dapperheid van Jlexan^
\der gelyk komen; s'égaler (v. r.) à
;qaelGun^ zich met iemand gelyk.
flellen,
E'^alifation, (f) Vereffening ^ ge-
lykjieili-g.
\ F.'galifer (v. a.) les partages, de
verdetlingm gelyk maaken , (m Rech'
ten).
E'galité, ( f) Gelyk beid, effenheid f
evenredigheid. ^
E'^alures , (f. pi.) l^itte plekken op
^ den rug e ene» Valk.
j E 'gard , m) 4c ht ing , eerbied ; op-
' zigt ; avoir égard pour quelcan >
agting voor iemand hebben; avoir é-
gard au temps , à fon honneur,
den tyd aanzien , zyn eer in agt nee'
men ; en uTer mal à l'égard de
quelcun, ten 'opzigte van iemand quaJyk
handelen; à votre égard, ten uiveu
opzigte-, en égard, aiant é^ard que,
overwegende dat,
E'garé, ée (adj.) Verdwaald; ver-
legd , verleid; brebis égarées , ver^
dwaalde fchaapen ; papiers égarez 9
verlegen papieren; des yeux égarez,
verwilderde oogen ; il a l'efprit égaré ,
zyn verft and is op den hol.
E^g^reraent , (m'i Afdwaaling , doo-
ling (f)j kwaad gedrag (n).
E 'garer , (v. a.) Doen dooien; van
den r egt e a weg afbrengen; vervoeren-,
égarer quelque chofe, iets verlie-
zen , verlegden ; s'égarer , (v. r.)
verdwaalen , van zyn zynen weg afraa-
keny zich vergiffen; aan 't fuffen raa-
ken.
E'garoté, (adj.) Cheval égaroté,
paerd dat aan de fchoft bezeerd is.
E'^audir, (v. n.) {oud w,) {Zie fe
Réjouir).
F'gayé ,ée {a,d].) Verheugd, verblyd,
E'gciyer, (v. a.) Verheugen, ver-
vrolyken ; égayer l'ePprit , den geefl
verheugen; égayer un 'discours, ^/"«^
reden fmaakelyk maaken; égayer un
arbre , een boom dunnen , lucbt gee-
w«> S'égayer, (v. r.) zlsb vtrvrólyken,
Egi-
EGI. EGL EGO. EGR.
E',;ide, (t) óihiU van Jüyiter en
IMinerva (n).
EV'ancitr, (m) EenEglantttr , of
Wilde Roozm-boom.
E'jjlancinfc,(f} If^ilJe roos,Eglan-
tier-blopm.
E'ghfe , (f) Eene Kerk-, vergade-
ring J.r gp/oovigfn-,homn\t£ d'églil'e,
een kerkeiyke , geijl.-iykty cour d'é-
glife , kerkelyk gi recht a-hof \ églife
cathédrale jö't' hüofd-kerky églife vi-
fible, invifible, militante, triom-
phante, primitive, de zichtbaare,
onzichtbaare , J]- y Jende , zegen^véta-
lende , eerjie kerk,
E'glogue, (f) Herders-zang.
£*goger , (v. a.) K;» eene huid de
ooren en het etnd van dejiaart qffny-
den, (by L^érbereiders).
E'gohine, (f) Een band-zaag.
E'gorger , (vVa.) Di keel afnyden-,
•vermoorden * om hals brengen.
s'E'gofiller , (v. r.) ^ich zelven
overfcbreeuwen , heefch fchreeuwen.
E'goairer,f V. a,) Pellen. {Zie E'cos-
ÏCT).
E*gout, (m) Een riool f vuilnis -zyp
(n)i afdrop , afloop van een dak;goot-
Jïecn.
E'goatter, (v- -n.) Uitlekken ; égout-
ter lavaiflelle, laatwerk laaten uit-
drU'pen , druogen.
E'gouttoir , (m) Roojier om iets op
af re laat m druipen.
E'^ramer , (v- a.) (Zie E'gréner).
E'grapper , (v. a.j Druiven af-
plukken,
E'gratigner, (7. 9.) Met de nagels
tirabben. ^
E/grattgneur , eufç (m. &f.) {Zie
Découpear); (
E'gratignure, (f) Krab^fcbrapy
Jchraam met de nagel».
E'gravillonner , (v. a.) Orange-
kajfen enz. met nieuwe aarde voorzien.
E'grenée, (adj.) E'coffe égrenée,
oningepakte fioffe.
E'gréner, (v. a. & n.) Het zaad
uit de gfwajfen baaien enz. 5 ce cou-
teaa égrené, t/a* mes fchaard ^ breekt
ö/ï s'égrener, (v. r.) uitkorlen, uit-
vallen.
Egrillard , arde (adj. & fubft.)
Frolyk , lu/ïig , f^vevcffg ', ^n kortswy-
fi^efhaak»
t EGR.EGÜ.EH. &c. «43
L\ :uoi. , ,inj /\onJier , tralie in
\ e.n vyjer.
I E'griler, (v. a.) Twee diamanten
tegen malli(inde,ten wryven , {by Ju-
weliers).
E*grifoir, (m) Dcosje om de dia~
inant-poedt'r m te bewaaren (n).
E'^rugeoire, ( f } ou E'grugeoir,
{ïTi} Zekere vyzel om bet zottt iofyn te
Jiamf-en (m)j noot-rafpje (nj,
E'gtu^er, (v. a. Zout^ enz, fiam-
ptn i fyn maaken , verhryzelen.
E'grugeure ,( f) Het geen gekneuJJ,
verbryzi-ld is (r)).
E'guéer (v. a.) du linge , linnen
uitfpoelen.
E'gueuler , (v. a.) De bals van een-
f.efcb brecken-y s'égüeuler, (v. r.) zich
Qvet f car touwen.
E'guiileter fv. a.) les canons, ^é'r
gefcbut overal wel vafi maaken , {zee w).
Eh.' (interj.) j4cb t och l eh bien'!
wel nuleh. non ,' och necnl
E'hanché, ée (adj.) Q)itheupt.
E'herber , (v« a.) U'^ieden , het w^
kruid uitroeijen , {beter Sarcler).
E'iionté 5 ée (adj.) Scbaamreloos.
E'houper , (v. a.) De boomen af-
tojptn.
E'jaculation , ( f ) Uitfcbieting , uit-
f puit ing {in Heel- en Ontleedk.).
E'jacQlatoire , (&d].}Uitfcbietendei
uitjpuitende {in Heel- en Ontleedk.);
prière éjaculatoire , zïelzugteud ge-
bed.
E'jaculer, (v. a.) Uitwerpen, uit-
fchieten {in Ht el- en Ontleedk.),
E'jamber (v, a.) Ie tabac, den ta-
bak Jireepen.
Elaboration, (f) Vlytige beilr-
heidmg,
E'labouré, ée (adj.) Sang bien é-
labouré , wel gekookt bloed y ouvrage
bien élabouré , wel uitgewerkte arbeidt.
E'laguer (v. a.) on arbre , de over-
tollige takken uit een' boom fnoeijen.
E*iaifer, (v. z.,) Muntjlukken gelyk
maaken,
E'lan , (cj) Een E'land {zeker wild
dier).
E'ian , (m) Scbielyke fprong , uit'
fchieting-y uitwerping , fJwger ing -y hef'
tige tfekf neiging tot iets.
Elancement; (n;^ Scbielyhbewee-
Q 3 git'g t
24<5 ELA. ELE.
ging f uitfchietJng , utiiverping; élan-
cement de cœur, zugt, uitgang des
harten-, élancement de douleur,
Jîeeking, klopping y fchieting van pyn;
élancement, vooruit peking, vooruit
fchifting van iets (in Bouivk.),
E'iancer (v. a. & n.) des traits, 1
Pyle» uirfchietenywerpen; ivegflingeren-,
élancer des cris , fchr eeuwen , ge-
fcbreeuw uitgeeven ; Ie doigt m'élan-
ce , de vivger Jleekt my, s'élancer ,
(V. r.) uitfcbieten enz.; un lion s'é-
lança fur \mI, een leeuw fchoot op
hem uit ; il s'élança dans l'onde ,*y
fcbóot , fprong in 't water; cheval é-
'lancé , W» mager rank paerJ; hom-
me élancé, TÉ-w magere fpier ing , lan-
ge lenden (boert. iv.)
E'largir, (v. a.) JP^yder^ hreeder
tnaakea , verivyden , uitjf rekken; é-
largir u;i habit , een kleed^uit leggen ,
tvyder maaken; élargir uh prifon-
nier, een gevangene op vrye voelen
Jïellen j s'élargir , (v. r.) vuyder , uit-
gsjirekter wordm.
E'largiflement , (m) F'trivyding ;
'Uitzetting ^uitlegging ff); omjlag van
senen gevangenen (n).
E'iargiflure (f) d'un habit, uit-
legging van een kleed.
EÜafticité, (f) Uitzetting, opfpan-
nin^ , veérkragt.
É'lallique , (aû?j.) Dat eene uitzet-
tende kragt , veérkragt heeft..
E'ledeur , (m) Een Keurvorjï.
E'leftif , ive (adj.) Ferkiesbaar,
E'leftion ,(f) Keuze^ verkiezing.
E'ledoral , aie (adj.) Keurvqrflelyk.
, E'lettorat , (m) - Keurvorjlfcbap j
Jieurvorftendom .
E'ieârice , ( f) Keurvorjlin.
E'learicUé , (f) Aantrekkende
kragt.
E'ieârique, (adj.) Aantrekkend.
E'leftrifer, (v.a.) Elearifeeren.
■E"lej£kci^iYey (ca) Een Jïik-genees-
vjiddrl (n)„
EÜégaminent , (adv.) Cterlyk ,
fraai.
■• E!iégance , ( f) CierlykheiJ, zuiver-
heid, tvelfpreekendbeid.
E"iégant,ante (adj.) Cterlyk y ^eU
Jpreekend; discours élé^anc , eene
fierlyke redsnvoering.
ELE.
E'Iégïaque, (adj.) Vers élégiaques,
treur-dichten.
E'légie , ( f) Treur-zang (m) , treüt'
dicht (n).
E'légir , (v. a.) Lyflen fchaaven
(by fcb-ryn w.)
Ê'lément, (tn) Hoofd-JJof(f) Elé~
ment (n); ks éléments d'une fcien-
ce , de eerjle heginzelen van eene
konjï; être dans fon élément, in
zyn fcbik of élément zyn; élément
liquide, de zee; (by Poëten)
E'iéphant , (m) Olifant of ele-
fant; faire d'une mouche un élé-
phant , van eenfcbeet eeti donderjlag
maakeh (boert-w.); eene zaak wakker
ver^rooten.
EÜcphanticue, (adj.) Elefar.tifch,
E'iefe. (Zie Al ai Ce).
E'iévation , ( f ) Ferhepng , verhoo-
ging; hoogte -f opheffing-, depuis foa
élévation , ze der t zyne verheffing ;
Élévation d'un bâtînient ; hoogte
van een gebouw -, élévation de l'Hol^
tie -, opheffing van de Hofly (in de R.
Kerk) ; élévation de ftyle , hoogdra-
vendheid van Jiyl -, élévation de
courage , kloekmoedigheid , éléva- ,
cion du Cœur , opheffing des har^
ten ', élévation du pole , pools
hooate.
E'lévatoire , (m) Een ophaalder der :
beenen (Heelm. werkt.).
E'iéve , (m) Een leerling-, Fbedjler'
Uns-
È'lévé, ée (adj.) Verbeven ^ ver-
hoogd; opgevoed; enz. lieu élevé,
verbeeven plaats ; élevé en dignité ,
tot aanzien verheven; bien ou mal
élevé , wel ofqualyk opgebragt ; pouls
élevé, jierke pols,
E'iévement , (m) Verheffing ( î);
(weinig gebr.).
Enlever , (v.a.) Verheffen , verhoo"
gen ; opligten ; ophyjfen ; opvoeden ;
élever les yeux, d'oogen om hoog
heffen , élever fa voix , fon cœur à.
Dieu, zynejîem, zyn hart tot Ged
verheffen; élever une muraille,
eene muur optrekken, cpregten; éle-
ver un obélisque, une ftatue, eene
gedenk - naald , 'of zuil , jîandbeeld op-
rlgten; le foleil élevé les vapeurs,
de zon trekp de dampen op', Ia fonu-
ELE. ELI.
ne l'a élevé, het geluk beeft hem
verheven; élever des enfants , des
oifeaux , kinden n , vogels opvOideu ,
epkweeken f opbrengen it\ev<r öti, ar-
bres, boomen aanhveeken , s'éiever
(v. r.) zich verheffen , om huogfteigen;
item hoogmoedig worden ; s'élever
contre fon prince, tégen zynen vorji
cpjlaan f wecrfpannig M-crdenj rebel-
léeren; il scleva une faricufe
tempête, daar onrjlünd^ verhief zich
een geweldigejlorm ; s'élever, (zee w.)
van laager wal m de diepte koomen ;
s'élever , opzwellen ophopen.
E'ievure, (f) Een puiji 9 blaar ,
hlein, op zwelling.
E'lider , (v. a.) Eene letter uttlaa-
tent verzwygen (in fpr. k.).
E'ligibilicé , ( f) l^erkieslykheid.
E'ligible, fadj.) Verkiesbaar.
E'iiraer, s'élimer, (v. n. & r.)
{meefi gebr. in de t'zamengefi. tyden ,
als : ) cette eCoife s'eft d'abord éli-
mée , die doffe is t erfland verfleeten,
afgedraagen.
E'iingue, (f) Een leng f Jlrop die
men om een pak Jlaat y dat men ophyf-
fen Wil
E'iingaet , (m) Een pal om eenfpil
mee te fioppen.
E'lire (v. a.) un Roi, een* Koning
verkiezen,
E'lifées, Cadj.ni, pi.) les champs
elifées, d'Elizèifche velden {verdigt
Paradys der Heidenen).
E'lirer(v.a ) une pièce de drap, een
fîuk laken by da zelfkant trekken om
het gelyk te maak en.
E*lifion, (f) Uitlaating eener let'
ter (in fpraak k,)
E'lite, (f) 'f Uttgeleezene (n);
gens d'élite , uitgelezen volk-, 1'élite
'des troupes , uitgelezene manfchap.
E'lixation , (f) ^fzieding, af-
kooking (by ^poth.) ^
E*lixir,(m) Uittrekzel (n)i(éhxir
by ^potb.) *,
Elle, (pronom.) Zy, ell^e eft ,
zy is.
Ellébore , (m) Nieskruid ; (n\
EUipfe, (f) Uitlaating van een
woord ( in fpraakk. ) ; een eirond ( in
pieetk. ).
Elliptique, (adJO Eirond^ ovael»
ELM.ELO.ELU.&c. 247
Elme , (mj Le feu St, Eime, ze^
kcT lucht. teken dat zich zomtyds na
eenenfiorm op de fche/>pen vertoond. ..
E'Jocher, (v. a.) Iets dat met de
wortel hüud heen en weer fchudden , .
wii^^elen»
E'jocucion (f) claire & nette,
klaure en zuivere nitfpraak.
•E'ioge , (m) Lof eden , loftuiting ( f).
E'iogifte , (m) Lof-redenaar ef cp-
Jlelder.
E'ioignéjée (adj.) Jfgelégen ^ ver-
wydsrd; je fais bien éloigné de le
croire , ik ben 'tr vtrre van af het
te gelooven.
E'ioignement , (m) afgelegenheid,
verwydering > verheid (f),
E'ioigner (v. a.) d'un lieu, vati
een plaats verivyderen , verre wegzen-
den j éloignez cette chaife du feu ,
fcbuip die fîoel van 't vuur af y s'é-
loigner , (v, r.) zich weg maaken-,
vùortzeilen ; zich van ieti vreemd hm-
den.
E'iogatîon y(î)JfJiandvan de eene
planeet tot de andere.
E'ionger, (v. s.) Een krygs-vlcut
unflrekken , uitbreiden.
E'ioquemment, (adv.) Met weî-
fpreekendheid.
E'ioquence, (f) JFeîfpreekendheid'9
Eloquent, ente (adj.) /^Wj^r^-f-
kend, cierlyk.
E'iu , (m) Ecn uitverkorene j item.,
Commijfaris der fchatting in Vrankryk,
E'iu , ue (adj.j Verkoren , verkozeiu
E'iuder, (v. a.) Teleur Jlel Un; é^
luder une propofîtion , eene voor-
telling met liji ontwyken; Alexandre
en coupant le nœud gordien éluda
l'oracle, Alexander de gordiaanfcbsr
knoop doorbakkende , veredelde de god-
fpr aak,
E'iyfées. (Zie E'lifées).
E'mail , (m) Smalt (zekere htaauwe
verfiblaauwfel)y peindre en émail,
in bvand'ùerf fchitderen-, l'émail des
prez, de bloem-cieraad der velden.
E'mailler , (v. a.) Brand-fchilderefif
doorvlammen , fchakeertn^ met ver^
fcheide kleuren verderen , éraaljee-
ren,
E'mailleur,(m) Brand-verf-fchilder ^
éinaljeerder,
Q ^ ' E'mail-
24^ EMA. EMB.
• E/ir.aillure , (f) Eiraijterlr.f.
Emanation ff) da St. Efprit ,
nitvloeijir.g , ui(gcÈ7g van den H.
Geefi.
E'mandpation , (f) Omjïagmt de
voogdy (n) {in Riekten).
E'manciper, (v. a.) rrymaaken ,
vryjlclh'n , van de voogdy cntjlaan ;
S'émanciper, (v. r.) te veel vrybeid
Keemen , uit dm hardfprittgen.
E'mané , ée (adj.) ^rifgevloeid ^étnZ'
né du Ciel } van den Hemel afge-
daald.
Emaner, (v. r.) Jlfdaahn ^ zyn
oirJproKg neemen-. Ja vertu divine
émanoic de notre Seigneur , deGod-
delyke kragt ging uit van onzen Heer e.
' É'margemenc , (m) Het tekenen (n)
op Jen rande'enir rékeninj.
E'marger , (v. a.) Op den rand té-
ienm ^ {iri aentck.).
E 'marine fj (v. a.) De vif eb-netter
rnet zir.k-iood ^i/oorzien,
Emafculer j (v. a.) Ontmannen,
Er-^babuoiner , (v. a.) In Jlaap
^iegen ,mct J'choone woorden ohikiden.
' EœbâUiortner. (^f^ Bâillonner).
EmPa'lage, (m) Inpakkmg (f}j
^ai-iocn (n) ' '
Emballer, (v. a.) Inpakken^ pak-
Âen } zzveïze, op'nyden.
Emballeur , eofe (m. & f.) Een
akker ) zwetzer, klugt -vertelier > ver-
'eljUr.
'• Embarbé , adj.) Gebaard.
EmDarder, (v. a.) Jfroudertf gçe-
ren . {zee iv.)
Embargo, /m' JB'JIa^' opfcheepen;
mettre un embargo, in b^flag nee-
fiith . {zee «-.)
Emberq é, ée (adj.) Ingejcheept.
7?.ixbarq^3emtnt , (m) yJ^chfepirg,
injchcping ; verbintems , it7lau:ing{f).
Emtai quer , (v. a, ) Infcheeptn ; vous
m'avez cûibarquédans une méchan-
te affaire , gy hebt niy in y ene quaa-
de zaak ingezvikkeU ; s'embarquer ,
(v.^r.} tr fch-ep gaan i zich ergir.i in
Iddten^ in-ivtkkelet. ; s'embarquer favs
hihc'viit .."zond'^r de r.oodige rniJdelen
iets Ci: herneem ^v ., '' fpr. w.) ''
EriJirras, (m) ■ erivarring ., rr-oei-
^cly'któfndi cnffeltttiis s fûb'ik., veriége--
* id; jcttgr quelcuii dans l'embar- i
i
EMB.
ras , iemand in verlégenkit l brengen \
fe tirer d'embarras, zich ergens uit^
redden»
^ Embar raflant, ante (adj.) Verdrîe-'
tig y moeijelyk.
ErrjbarrafTé , ée (adj.) Ontjleld,
verfchrikt ^ verlegen y être embaçras-
fé de fa perfonne , met zicb- zelfs
geen raadweeten , verlegen zyn ; avoir
la' tête embarraiïëe , bet hocfd bezet
hebben; discours embarraffé , eene -
veru-arde reden.
Embarraïïeraent , (m) Belemmeringf
verwari-ir.g (f).
Embarrafler, (v. a.) Hinderen, be-
letten , vervee len; cela l'a fort cm-
hiLtraffé f dat heeft hem veel vuerksge-
geeven; cela vous embarraffé, dat
verveeld of hinderd « ; embarraffer
une affaire, eene zaak vertvarren; ^
s'embarrafTer , (v. r.) zich inlaaten;
belemmerd ftaan; il s'embarrafTe de
tout , ^oor de geringfe zaak fïaat hy
verlegen; s'erobarralfer dans quel-
que affaire, zich in eene zaak inwik-
kelen ; fa tête s'embarrafTe , by word
ügthoofdig', je ne m'embarrafTe de
rien , ik kreun my nergeni aan.
Embarrer , ^v. n.) s'embarrer , (v.
r.) Cheval qui s'eû embarré , een
paerd dat over de landier-boom ge-
fprongen is.
EmbafTade. {Zie AmbafTade).
Eir.bafTement , (m) Grondflag onder
een huis.
Embataillonner, (v. a.) /«Batail-
lons vormen , fcbikken.
Embâter, (v.a.) Zadelen ^ het pak-
zadel opleggen. '
Embâtcnné, (adj.) Met fiokieti ge-
wapend-, {oud w.)
Erabattage , (m) Het beflaan der
wielen met 'yzere banden (n).
EmbattfeS , (m. pi.) Püflaat-wm-
den,
Embattre (v.a.) les rouës, wielen
met yzere banden beflaan {b\ Smits)»
Embauchage , (m) Beflelling van
een hiegt op een winkel ( f).
Embaucher, (v. a.) Een knegt op
een winkel befieedfn (gemeenlyk van
Icboenmaakers verfiaan) ; item jong
volk tot den krytsdif^njl vervoeren.
EiMB.
hefieed»-', item een ijerleiJcr , zie!-
'Verkcoper,
Embaumement , (m) Balztminc^ ( f).
Etnbaumer , (v. a. Een tigchacnn
halzfmen j iets een liejlyke g* ur , reuk
geevcn.
Embéguiner ,(v.a,) Het houfdver-
bir.den , taeloUen ; s'embé^uiner de
quelque chofe , ieti in Jen kop kry-
gen y van ingenoomen worden.
Embelle , (m) Hals , kuil van ten
fchtp.
Embellir , (v. a. & n.) Opfchilke:},
opcieren j hoe langer hoe fchoor.der
worden; embellir une maifon , gen
huis opjchikken ; elie embellit tous
les jours , zy word hoe langer hoe
fraayer.
Embellifleraent , (m) Opfcbikking
(f), cieraad, vercierfel (n).
Emberloquer , (v. a.) Iemand er-
gens van ingenomen doen zyn,{gem,w.)
s'Emberiucoquer , (v. r.) Ergens
voor ingenoomen zyn , (gent. w.)
Embefas, (m) Twee aazen {in V
iaartfp;).
Erabefogné, ée(adj.) Vol bezigheid
zyn.
Emblaver, ou emblayer , (v. a.)
Bezaaijen {heter enfemencer).
Etnblayure, (f) Bezaaid land (n).
Emblée , d'emblée , ( f) Met den
eerjien aanval , by overrompelltjg ;
prendre une ville d'emblée , eeae
jîad Jiormender hand, of by verrajjing
jjineemen.
Emb) ématique , (adj .) Zinnebeeldig.
Emblêm.e , (m) Zinnebeeld (n).
Embler, (v. a.) &teelen , behefidig
wegneemen.
Embuer, (v. a.) Een groot e plaats
bejlaan, {zee va.)
Erablure , ( f) Bezaaid land (n).
Erabodinare , .( f ) Anker-roering ,
ivoelzel , (zee w.)
Emboire, (v. a.) Lszuigen, zyn
giet: s verliezen (by Scbild.).
Emboifer, (v. a.) Met zoete woor-
den ove: reeden j leugens ver tellen y
{gem. w.)
Emboifeur, eufe (m. & f.) Mis-
Uider , zwetzer ; leugenaarjïer.
Emboîtement, (m) üluiting ^ineen
njoegin^derkendsrsu {in Oütleedk') ( f;.
EMB. 24^;
Emboîter, (v. a,; In doozm doen;
iets ergens invoegen , inj:bien-n ; s'em-
boîter, (v. r.) tn maik^inderen fchie-
ten , pajjen.
Emboïture , ( f) Sluiting , t'zamen-
voeging; f ch enk el van een wagcn-as.
Embonpoint , (m) Frifcuheid des
ligchaams ; avoir de l'embonpoint,
weivaarende zyn.
Erabordurer, (v. a.) In ein lyji
zetten.
EmbofTnrc , (f ) ]t''aire une en.bos-
fure au c&ble f Jprtnkels , J'plitzen op
de touwen zetten ^ {zee w.)
Emboucheaaent, (m) Het leggen
van het gebit ia den tnottd van een
paerd (n).
Emboucher, (v. a.) Een paerd het
gebit in den mond leggen -, emboucher
une trompette , an trompet aan
den mond brengen; emboucher quel-
can , iemand onderregten-, s'embou-
cher (v. r.) en mer , ztch 1» z.eont-
iajien{van rivieren gez.).
Enabouclioir , (m) Schoenmaakers
laarzen-leeji.
Embouchure, (f) Het gebit van
een paerd; mondjiuk aan een hl aas -
fpeeltuig (n) ; embouchnie de canon,
de fourneau ^ de mond van een ge-
fcbut, van een jl ook -oven; emtowchvi-
re de rivière , mond , uitloop van eene
rivier 't embouchure de chandelier,
pyp van een kandelaar.
Embouclé, ée (adj.) Gegespd (in
ff^apenk,).
Embouer, (v.a.) Bejl\ken, bemod-
deren {gem.w.)', {beter eïïdmre de
boue).
Embouquer, (v. n.) Ecne zee-eng-
te inzeilcn , {zee w.)
Embourbé, ée (adj.) In de modder
gezakt; jurer comme un chartier
embourbé, vloeken als een Krygsheld
{fpr. w.)
Embourber, (v. a.) In de modder^
in het Jlyk fmyten j s'embourber , (v.
r. zich bemodderen , in de modder zak.
ken; s'embourber dans Ie vice, in
de zonden verfmooren j s*enibour°
her r:a^?.« une affaire, zich aan eene
zaak verft imkeren.
Embourer, (v. a.) Iets metfcbeer-
hair vullen^ opjiop^ea,
250 EMB.
Embourrure , ( f; l^^ulzel, bekleed-
ztl (n).
Emboarfement » (ra) In de zak
deekinsi (£).
Emboarfer, (v. a.) I*i de beurs ,
iu de zak flee-ken.
Embouffure {f). {Zie Embo{rure\
Emboutir, (V. a.) Een Jluk zilver
JUimpen , dyyvetj j ouvrage erabouci ,
gedreeven arbeid.
Erabraquer, (v. a.) Eentowwt'huis
haaien {zee iv.),dat is ^Jiyfaankaalen.
Ernbrafemtmt,, (mj Brai:d{m);Qp-
TceT', muitcry {f); afneeming , wyJer
maaking Jer kozynen van een deur of
vetigfler , 'van linnen, 'om meer ligt te
ietctnen.
Erabrafer, (v. a.) Verpranden, in
hranJjïeektn; ontfteeken; s'embrafer,
<v. r.) in brand raaken^ vuur vatten;
vos beaüx yeux m'embrafent, wwe
Jibaons o ogen ont fï eek en my j embra-
f^r > deur- of veyigjïer -kozynen van
lianen affieeken , wyder maaken , om
tHCer ligt te doen invallen.
Embraffade ^ (f) OmkelziKg , om-
arming.
Embraflement , (m) Omhelzing (fj.
Embrafff r , (v. a.j Omhelzen j om-
armen', omvatten; embrafl^r la ver-
ra , ^e deugd omhelzen ; ce livre era-
braffe bien des choCes, dat boek be-
hsisd, bevat veele dingen; embrafler
Ïe parti de queican, iemands zyde
Mezen; embralTer une affaire, eene
zadk ondemecmen ; l'océan embrafle
toute la tçrre, de zee omringd
de- gantfche aarde; qui ti'Op embrâs-
fe> mal étreint, die te veel onder-
neemi , flaagd kxvalyk (fpr. w.) .
EmbraiTure, (fj'^ï-» bind-houp of
y zere beugel»
Embrafure , ( f) Een fchietgat in
ee& muur; embrafure -de porte eu
de fenêtre , fckuinsheid in een raam
txa een deur of v eng fier wyder open te
Iminsn, zetten en meer ligt te maaken ;
embrafure de fourneau , gat van
emt f ook -oven y waar in men den hals
. xan de kolf zet.
Embrener, (v. a.) Befcbyten , bs-
jironten , bekakken , {gem. w.)
Embrevement , (m) Invoepng j ;o-
Jkekiag ( f j {in Boiéwk.}.
I EMB. EME.
Embrever, (v. a.) Een Jluk hout
! in een ander infchieten, tnfponden.
Embrion. {Zie Embryon).
Embrocation , (f) Kruider-bad
voor e>enig deel des Ugcbaams ; item bet
inwryven van dien.
Embrochement, (m) Het aan 't
fpit fleeken.
Embrocher ,(v. a.) Aan 't fpip
fleeken ; (fguarl'.) aan den degen rygen.
Erabrouiilemenc,(m) Verwarring
Embrouiller , (v. a.) Verwarren >
verbrodden; embrouiller une affaire,
een zaak in de war helpen,
Embruiner, (v. a. & n.) Door de
mot , ryp befchadigen , befchadigd
worden >
Embrumé, ée (adj.) Temps em-^
brumé , miftig , mottig weer , een
dikke lucht \ terre embrumée , een be-
neveld land {zee w.).
Embrancher, (v. a,) Invoegen, in-
fleeken , infponaen {by Timmer L).
Embrunir, (v. a.) Bruin fchilde-
ren , bruin maaken.
Embryon,(m) Ongeborene vrugt ; on-
rype vrugt (f )> item een onderblyfzel (n) .
Embu , ue (adj.) Ingezoogen {by
Schilders).
Embûches, (f,^ pi.) Hinderlaagen -,
drefler des embûches , hinderlaagen
legioen.
Embûcher, (v. n.) Wegfchuiten in
een bcfch,
Embufler > (v. a.) Zich in een kol-
der fie eken,
Embufcade, (f) Hinderlaag.
s'Embusquer , (v. r.) Zich in eert
hinderlaag verbergen.
Embut, (m) tregter , (Entonnoir
is beter).
E'mender. {Zie Amender).
E'meraude^ (f) Smaragd, {zeker
edel gefieente).
E'mergent, ente (adj.) L'an é-
mergent., het jaar der opkomfi van iets,
E'meri , (m) Een amarilfieen.
E'm.érillon, (ra) Een Smaerle^
Steen^valk {zekere kleine Roofvogel);
Item Touu'Jlaagers wiel.
E'merilionrjé, ée (adj.) Fr\fcb^
levendig van kleur.
E'flaéricé,(adj.) ProfefTeuréiaérité ,
"^ koog-
EME. EML EMM.
boog-leerat.ir die ive^ens zyne hoogç
jaaren of andere gi'breeken , zyn amft
niet lat:ger kunnende bekleeden 9 echter
daarvan de inkomjlen no^ geniefi un
ém-^rité, een dié uitgediend beefi,
Eraerfion , ( f ) ^ocr den dag ko-
ming , als van een verduijlerde Ji^re
die te voorfchyu komt,
E'merveiller , (v. a.) Verbaajl
Jlaan ; s'émerveiller , (v. r.) zich
verwonderen-^ (geni. w.).
E'mécique , (adj.) Dat braaking
verwekt.
E'mécique, (33) Braakmiddel (n).
E'meute , ( f) Oproer , oploop (m) ,
rumoer (n) .
p'meutir, (v. n.) Den drek hozen,
(f^alken. w.).
E 'mier , (v. a.) Kruimelen, brok-
kelen.
E'mietter. (Z^ie E'raier).
E'Kiincer, (v. a,) Dun maaken.
F/minemment| (adv.) Fbortreffelyk,
nitjleckender wyze. *
E'minence, (f) Hoogte; uitmun-
tendh'id; item tytel eenes Kardinaals j
l'ennemi fe pofta fur une érainen-
ce . de vyand poftéerde zicb op eene
hoogte. ^
E'rainent, ente (adj.) Hoog; voor-
treffelyk', lieu eminent, een hooge
plaats i qualité eminente , booge
Jiaat j rang eminent , verheven rang ;
péril oa danger eminent, (imminent)
of, dreigend gevaar,
E'minentiffime, (adj.) Allervoor-
treffelykjie.
^ E'mir, fm) Naam der nakomelin-
gen van Mahomet.
E'miflaire, (m) Een uitgezondene;
uitzendeïing ; een verfpieder ; un émis-
saire de Satan, een werktuig des
Satans.
E'raiflion, ff) Uitzending; uit-
Jiooting iVémiSion des rayons, rf'«/V-
Jchieting , uitkoomlng der jlraalen.
Emmaigrir, (v. a.) Vermageren,
tna^er maaken.
Emmailloter, (v. a.) Bakeren, in
de I uur en doen.
Eratranchernent , {vù)Steel ,ofbrgt
imnaaking (f).
Emmancher , (v. a.) Een begi ei
deel ergens aan maaken»
EMM. EMO. 25t
Emmanchear, (mj Ken hegt- , o/,
Jïeel-maaker.
Emraanequiner , (v. a«) Jonge boo-
nen in mandens zetten im te pooten,
E«' mantelé , ée (adj.; In eenen
marétel tofgefrommeld^ toegcjlommfld;
corneille emmantciec , een bonte
krnai.
Eramariné , (adj.) Homme em-
mariné, een man tot de zee gewent.
Emmarintr (v. a.) un vaiffeau^
een f chip bemannen,
s'Emmarquifer , (v. r.) Zich Mark-
graaf laat en noemen.
E mmén ajïemenc , { f ) Bu ïs-fioffee"
rim( y oprigting eener huisboudir.g ( f).
Emménager, (v. a.) Een huis Jlojr
feeren; eene huishoudihg opregten; s'em-
ménager, (v. r.) zich met huisraad
voofzien, zich in eene huishouding
zetten.
Emmener , (v- a.) IVegvoeren , weg"
leiden, meê votret^ , mede neemen; il
m'emmenoit avec lui , hy nam my
met zich.
Emmenotter , (v. a.)Bôeijen , kluiS'
teren, YZX.<^rnQÜ.Qxs aandoen.
Emmeubler , (v.a.) Iemand buis^
raad verkoopen, leenen.
Erçsnieller, (v.a.) Toemaaken mes
honing; honing om den mond fmeeren f
zoete woorden geeven,
Emmiellure, (f) Honing-.zalf(voor
paerden).
Emmitoufler , (v. a.) (oud w.) s'em-
mitoufler d'un manteau, zich met
een mantel warmtjes toebakeren.
Emmitrer (v. a.) un Evêque , eenen
Biffchop my teren.
Emmoncler, (v. a.) Opboopen,
{Zie Amonceler).
Emmortoifer, (v. a.) Ie een groef
infi?eken , indryven {in Bouwk.).
Emmotté, éf^ (adj.) Arbre emmot-
té , ei^n boom wiens wortelen nog met
aarde bezet zyn.
EramoMer, (v. a.) Muilbanden}
metT. une mufeliere.
E'moëller, (v. a.) Het merg uit-
doen.
E'moi, (m) (oud w.) Vreeze , >om^ i
me^ {?). I
E'nioilient, iente (adj.) Remède
éaaoUient, verzagtend gsneesmidâeL
£'xn« ■■
k^2 EMO. EMP.
'E'mf^lam^nt y {cüjA'ut, voordeel (Vi).
E'inonftolre. (Zie E'raanâ;oire).
Em.ndê, (f) Drek der Roofvo-
gels (nij,
E'mjr.dsx (v. a.) un arbr€, fi^en
boom opjujci'jen»
E moHdes, (f.pl-) --^Mn^^*'^ *^^-
Iten. t- • X
E'mora^ie. {Zie Heraorrh^igie).
E'mor -eler , (v. a.j A-m f.ukjes
breeketi; é-iiorceler une terre, f^«<?«
akker in klerr.e deelen vcrdeelea.
E'rajtion, (f) Ontroering , ont-
fleltems'f beroerte -y cela me donna
"quelqaa émotion ,dat gaf «ly eenige
ontjieitems j exciter , aflbupir des
émotions, beroertens veruekkett ^Jitl-
hn i avoir encore quelque émo
lion,«o^ eenigs verheffing van koorts
iiebben.
E'motter, (v. a,) De kluiten bree-
ken , in Jîukken Jlaan»
E'moucher (v.a.) un cheval, een
faerd van de vliegen redden-, émou-
cher, (ho^'rt. vu.) geeffelen, Jïaan.
E'moQchette , (f) Vliegen- kleed
der paerden (n).
E -mouchoir, (f) Vliegen- lap y
ivaatjer (m).
E'moudre (v.a.) un couteau &c.,
een mes fypen. ,
E'mouleur , ou , gagne-petit , (m)
Slyper j fcbaare'Jlyper , f.iep-fcbaare-
tnes. ..
E'molu , ue (adj.) Gejleepen^u en
eft tout frais émolu,^y is 'erverjcb
op afgerigt.
Emouffer, (v. a.) Stomp, of aot
maakeny émoufler la pomce , de
punt pomp maaken,afbreeken; émouöTer
uu canif, een penne-mes bot maaken-y
ia erop grande étude éraouffe 1'es-
prit , de al te groote Jïudie maakt de
geeji , bet verfiand jiomp j s'émoufler,
(v. r.) boi worden.
E'moufiTer, (v.a.) Het mos afdoen.
E'mouvoir , (v. a.) Beweegen, be-
voeren , ontroeren ; émouvoir les
paflTions, de hartstogten gaande maa-
ken-y s'émouvoir, (v. r.) zich bewee-
gen , ontroeren , ontjleüen ; onjiuimig
ivorden (ah de zee).
Empailler, (v.a.) Iets met Jlroo
EMP.
Empailleur , euie (m. & f.) St^j
per , floelfn marter; matjier.
Empalement, (m) Spitting , fpit-
zing ( f j.
Empaler, (v a.) Aan een paal
fpitten.
Empan, (m) Een' fpan (f), {zeke^
re lengte).
Empanacher , (v. a.) Met een* vé-
der-bos of pluim verderen ; (fguurl. )
hoornen opzetten.
Empai.é, ée (adj.) Marteau em-
pan é , hamer die aan de eene zyd&
fcherp is.
Empanner , (v. a.) Een fcbip kiel-
haalt n, op zy haaien.
Empanon , (m) Eindhout , dwars-
balk.
Empaqueter, (v.a.) Inpakken^ op-
pakken.
Einparagé , ée (adj.) Met zyns ge-
lyk gepaard {woord in Anjou qebr.).
Erapat'cher , (v. a.) Vreemd vee
dat men op zynen akker vind in pand
neemen.
Emparer, s'emparer (v. r.) d'u-
ne ville, eene fiadt bemagtigen j tn-
neemen ; s'emparer de i'efprit de
quelcun , zich van iemands gemoed
meefier maaken»
Empaaeler, (v. a.) fVolle floffen
met pajiel of weed verwen.
Empâtement, (m) Grondjlag, voet
van een gebouw , wal , muur enz. béd'
ding (f) van een kraan.
Empâter , (v. a.) Met deeg of pap
hefmeeren ; met verf dik cverjiryken.
Empâter, (v. a.) Speetten in een
wiel fieeken > verfcherven ; dat is : 2
/lukken bout tegen malkander voegen ,
(/« Scbeepsb.).
Erapat ure , ( f) Verfcberving , ( in
Scbeepsb.).
Erapaumer, (v. a.) {gem. w.) Met
de vlakke handflaan , vatten , grypen,
d> ukken -y emp&amer une affaire, eene
zaak met ernji aangrypen j empaumer
l'efprit de quelcun, iemand geheel
inneemen , by de neus letden ; empau-
mer un fouilet , een' muil-peer gee-
ven.
Empaumure , ( f) Het binnenfle vcfi
een bandfchoen ; het gfwigt of de boo-
ms vaa een bert»
EMP.
Empeau , (m) Ocaleei^yx.
Empêchement, (m) Belet, beîêizel
{n), verhindering (f).
Empêcher, (v. a.) Beletten y ver-
hinderen j ophouden, tegenhouden ; Ie
voilà bien empêché! hoe is zoa vol
hézigheeden ? o^ daar heeft hy genoeg
meê te Jiellen 'f il eft empêché àdre'<-
fer fes comptes, by is bezig om zyne
rekeningen op te maaken ; mon pere
eft empêché, myn vader heeft belet \
faire 1'empéché , zich gelaaten vol
bezigheeden te zyn; être empêché de
fa perfonne , niet wetten vu at met zich
zelven te doen-, s'empêcher, (v. r.)
zich onthouden \ jè ne faurois m'em-
pêcht^r de rire, de dire , ik kan
m'y niet om houden van te lagcheity te
zegden.
Empeigne, (f) Het over Ie ^r van
«eti fcfjoen (n).
Erapeloté, (adj.) Faucon empelo-
té , F'alk die niet verdouwen kan hgt
geen zy ge ge et en beeft,
Empennacher.(^/^ Empanacher).
Êmpennelle, (f) Kat {zeker klein
werp-anker.)
Empenneller, (r. a.) De kat uit-
werpen.
Erapenner, (v. a.) Pylen met vee-
ren voorzien.
Empereur , (m) Keizer.
Erapefage, (m) Styving , doorhaa-
ling ( f)\
Êmpefer (v. a.) du linge , linften
Jlyven , doorhaalen ; empefer ou
mouil'ei la voile, het zeil begieten,
Efnpefeur, (eafe (m. &f.) ütyvery
Pyfder.
Empefler', (v. a.) Befme^ten , mpt
Jiank vervullen , vergeeven ; (Jiguurl, )
tnet kettery befmetten ; haleine em-
peftée , flmkende , vuile adem.
< Empêtrer, (v. a.) Strikken, met
een Jïrik binden -^ empêtrer on che-
val , een paerd de voeten binden yfirik-
ken-, s'empêtrer, (v. r.) zich ver-
warren , vafl of gebreid raaken ; che-
val qui 3'empêire , paerd' dat in bet
tuig verward.
Empiiafe , ('m) Nadruk <^ kragt .
klem ; mot plein d'erophafe , een
Woord dat van groots nadruk is.
Emphaféj ée (adj.) Hoogaravend»
EMP. '' 2J3
Emphatique, (adj.) Nadrukkelyki
terme emphatique , kragtige uitdruk"
king.
Emphatique<nent , (adv.) Mei na.
druk,
Erhphraftiqtie , (adj,) f^erjloppende^
{in Geneesk.)t
Emphyfeme, (m) Oploopwg (f)
der wonden f bletnen y {in Heelk.).
Emphytéofe , ( f) Erf-leen (n) , erf-
pagt (f) van 99 jaar (;« Rechten).
Emphytéote , (m) Een die zulks on-
der zich beeft.
Emphytéotique, (ad/.) Bail em-
phytéotique , Pagtbriefvan 99 jaar*
Empiégé,ée (adj.) f^erjirikt y ge-
vangen.
Empiétant , ante (adj.) Met de
klaauiven vafihouden {in IVapenk.).
Empiété, ée (adj.) Dat goede loo-
pers , rappe voeten heeft , (Jagen «;.).
Empiéter, (v. a.) Met de klaauwen
wegvoeren {gelyk Roofvogtls, ; empié-
ter une colonne, een' voet onder een
zuil maaken.
Empiéter (v. n.) fur les droits
de quelcun , iemands recht zich aan-
maatigen , in iemands recht invalhn^
Empifrer , (v. a.) Fiullen, mejïen^
ophoozen j s'empifrer , (v. t.) zTch
meffen.
Empilement, (m) Opflapeling.
Empiler, (v.a.) Qpftapelen, opzei-'
ten , op hrjopen leggen, *
Empirance ( f) de Ia monnoie 9
de Ia m?irch2Lnà\^e ,f-^erjlegting , ver-
mindering der munten of waaren.
E ra pil- ? , (m) Keizer ryk , Ryk ; em-
pire des lettres , de geleerde wae-
relJ ; 1'empife de la mer , de beer-
fchappy der zee-^ avoir empire fur
quelcun ,_ magt over iemand beb^
ben; emuire doux , zag te r r geering ^
heerfchappy ; avec empire , met hoog-
moed.
Empiré, ée (adj.) P^erërgerd ^ver-
Jlimmerd,
Empiré?. {Zie Empvrée).
Empirement. (Zie E;T)pî(-ance),
Empirer, rv.n. &a.) P'crèr^eren^
vprjïimmerev ; J]im*ner wrdeu ; ïl em-
pire de jour en jour, hs w.rd van
d'ig tot dag er-^er ; cette ri-f^n a
empiré ik taufe , die reden heeff zvn*
zuak
t34 EMP.
zaan verergerd; marchandlfes em-
pirées y verdorvene of in prys vermin-
derde waar en.
Empirique, (adj.) Médecin em-
pirique , ren Quakzalver.
Empirisme , (m) Quakzalvery.
Emotacement , (rn) Bouwgrond ,
bouwplaats ; item bet zolderen van 't
zout.
Emplacer, (v. a.) H?t zout zolde-
ren , opltgqen.
Empla.tique ,(adj.) J/er (leppend {in
Geyieesk.).
Emjlaftratic^, (f) OcuÏeering.
Emplâtre, (f) Ee^ ple-Jter ; em-
plâtre d'ente , hoom-zvas^ , ent-zi-as ',
e' te a un emp'àtre de mari , zy
heft een ' rekten ' droomerd van een
màn; c'pfl: un ^Tai emplâtre , hy is
een regt uthkuiken, {in 'deezen ztn is
bet mtfcul.).
Emplâtrier, (m) Pleifer -kafl.
Emplecte , ( f ^ Ïrkoop-,. faire une
bonne e.mi^\et\.e -leengoi'de inkoop doen»
Emplir (v.a.)ïine"^verre , een glas
vullen, vol manken; s'empür, (v.r.)
zich vullen , vol ioopc» , vol -worden .
Emu'oi, (m) u^mpt (n) , bediening
(f), avoir de l'emploi, eene bedie-
ning , bezigheid hebben ; un bon em-
ploi , een goed ampt ; emploi de
quelque c)yoi'Q ^aan-iVendir.g van iets;
fa ->■ emploi , vnl'rhe pof in eene ree-
kening -^ doub'e emploi, eev pof die
iu-eemanl ir. reekening gebra-^t is.
Emplover, ^v. a.) Gebruiken', be-
zigen f aanlegden , hefeederi ; employer
qqelaati , lewn^'d te w^-rk feilen ; em-
ployer k- vc-d & Ie fee, alles aan-
wenden , niets onbeproefd laaten ; s'em-
pï-yer , (v. r.) zich toeleggen^ be-
jïtpd n.
Emplumer , (v. a.) Met veeren .^pen-
nen bpfeeken -, s'emplumer , (v. r.) zich
ve^ryken , befprkken.
Em;'Ocher , (v.g.) {gem. iv.) Zak-
*?> , in d'^ zak fleeken.
Empoigner , (v. a.) Met de vuif
vatten , aangrypen,
Empointer (v. a.)une étoffe, eene
Jïofft' ry^en^ hei^ten (hv Snyders)*
'Empois, (m) Styfzel (f).
Empoifonni-meiit , (m) F'ergeeving >
embrenging met vergift ( f).
EmpojTonnér, (v. a.) Vergeeyon^
met vergift ombrengen; empoiibnner
les adlions de quelcun 9 iemands
daaden ten qu naden utt leggen.
Empoifonneur ,' (m) f^ergeever;
item een Jlegte kok -, een bederver , ver-
leider.
Empoifonr-^ufa , (f) Een ver geef-
fer , gtftmpn^fter.
Emj)oifïer"', (v. a.) Bepekhen (en-
duire de potx).
EmpoifTonnement, (m) Bezetting
met vifch (f). ^
EmpoifTonner (v. a.) un étang 9
een' vyver met groei, jonge vifch be-
zetten. "
Emporté, ée (adj. & fubfl.) TFeg-
gebragt , meêganamen ; overwonnen*,
opl-)'-)pcnd i haaf 1 g , door drift vervoerd.
Emporté, ée (m. & f.) Een oploo-
pend, haaf tg menfcb.
Emportement, (ra) Haafigheid,
ópioopendheid, onfluîmigheîd , vervoerd-
hei d; zotte inval ; un furieux em-
portement , eens geweldige drift ; no-
ble emportement j loflykeyver } gram-
fchap.
Emporte-pièce , (m) Schoenmaakers
krom mes (n).
Emporter , (v, a.) Wegdraagen ,
medenecmen ; afjouwen , afrukken ; be-
komen ; veroveren » overwinnen , ir.nee-
men enz. ; emporter quelque cho-
ie , iets wegdraagen , meéneemen ; weq-
kaapen ; cela emporte bien au tempsj
aat neema veel tyd weg ; emporter
un bras, eenen arm af:ouwen; em-
porter la viftoire, ae overwinning
den zeegen behaaien ; emporter une
place û'aflaut, een plaats jlormender-
hand veroveren ; une faignée empor-
tera cette fièvre , eene ader laat ing zal
die koorts wegneemen ; l'emporter for
quelcun , iemand overtreffen , het van
iemand winnen; ce mot là emporte
deux chofes, dat woord heeft twee
beteekeniffen; l'ufage l'emporte, het
gebruik wmd het, beeft de overhand',
s'emporter, (v. r.)baajiig worden,; il
s'emporte aifement , hy word ligt
toornig; fe l^ifler emporter à ia
flatterie , zich door de vleijery ver-
voeren laaten ; eet arbre s'emporte »
die boom fchiet groote onvrngtbaare
tak*'
EMP. EMÜ. 1
takken , ^groeid te iveelig » ( HwC' j
niers w.)\ '
Empoter, (v. a.) In potten zetten
(by Bloemijlen),
Empoulette , ( f) Glas (n) , looper,
zandlooper (m). {Zie ook Ampou-
lette).
Emponrprer j {^.3..)Purperen^met
bloed beverzven (by Dicht,).
Empreindre, (v.a.) Inprenten, in-
drukken^ infnyden.
Empreint, einte (adj.) Ingedrukt,
Empreinte (f) d'un cachet, in-
drukzel van een Signet (n).
Empreffé , ée (adj.) Faire Tem-
prefTé , zeer bezig zyn.
Empreflement , (m) Tver (m) , vuu-
rigbeid (f) ; il témoigne aflez d'em-
preflement pour ces chor-: s , hy be-
toond zeer veel yver in die zaak ; tra-
vailler avec empreflement, vlytig
arbeiden,
s'EmprefTer , (v. r,) Zeer bezig
zyn , met yver, vlyt iets verrigten.
Emprifonnement , (m) Gevange-
nis , kerker ( f).
Emprifonner, (v.a.) In de gevan-
genis zetten.
Emprunt j (m) Leening (£),al het
geene men leent (n); cheval d'em-
prunt , ^f/f-f»^ p^fr*/; vivre d'em-
prunt, op de pof leeven.
Emprunter, (v. a.) Leenen\ il a-
voit emprunté fon nom de, hy had
zynen naam ontleend van.
Emprunteur, eufe (ra. & f.) Lee-
ner ; leenJJer.
Empuantir, (v.a.) Stinkende maa-
ien , met Jlank vervallen j s'empuan-
tir, (v. T.)Jlinkende worden,
Empyr.ée , ( f ) Le ciel erapyrée ,
de derde of hoogjh hemel.
E'mu , ue {:xd].)OntrQerd ^bewogm;
je ne l'ai jamais vu fi ému , ik heb
hem nooit zqq ontjleld gezien j une po-
pulace émue, opr^erige meenigte\ il
£ le pouls ému , zyn pois ts ontjleld.
E 'mulateur , ; m) Medejireever , ms'
dedifjger , na-yveraar.
E'mulation, (f) Na-yver , volg-
Zlichtom een ander voorby te J}ree*jen.
' E'mulatrice , ( f ; Navolgjier.
E 'mule, (mj Mededinger , metde-
/Ireever,
EMU. EN. ENA. (Txc. 255
E'mulgent , ente (adj.) Uitmelkem-
de (in Geneesk.).
E'mulfion , ( f ) Een amandel-meik
{in Geneesk. gebr.).
E'munaoïre , (m) Ontlajler , {kUer
of vaatje des ligcbaamsdie dejlymenz,
na zich trêkt).
En, ,(prepofition ofvonrzetzel) heeft
verfchetde beteekenijfen , als: être ea
France, in l^rankryk zyn; aller en
Angleterre , naar Engeland gaa^i
en été, des zomers-, en haut ^bovenji
en bas , beneden ; en dehors , van bus-
ten J en après , en faite , daar na , in *t
vervolg', en fin, eindelyi; être ea.
robe de chambre, in zyn japon zyn^
agir en Roi , als een Koning heer-
Jchen ; en vertu de . . , uit kragt van.,%
en mori i^articulicr ,T7iy aangaande^
en dormaht, al Jlaapende; en man-
geant, fl/ff^PMtf^i en difant cela, dat
zeggende ; en paflant , in 't voorby gaanti
c'ell un importun je veux m'en dé-
faire , dan f s een lajlige ik zal 'er mf
van ontdoen -f il avoit deuK fils, it
lui en eft mort un , hy had twee zoo-
nen , een van dien is geJJorven ; j'en.
fiais bien aife, ik ben 'er blyce om}
j'en fuis fâché, ket fpyt my; j'en
fuis furpris, ik ben 'er over vervcfon^
derd'y qu'en ditez vous ? wat zrgd
gy 'er vanl il s'en repentira, j&y zai
'er berouw van hebben', c'en eft fait,
bet is 'er mee gedaan ; vous parlez
d'argent, en avex vous? gy JpretH
van geld, hebt gy zvat^ oui j'en ai,
ja ik heb wat; je n'en ai point, ik
hebhetnirt;en voulez vous être?
wiîd gy meê doen , meê van de party
zyw j'en vouloir àquelcun ,bet opis^
mand gelaaden hebbeyi; j'en luis' là,
i'Jtismyn humeur; j'en fuis de mê-
me , ik ben ook zoo ; j'en tiens , ik bem
aan 't koe vofi , ik heb het voor myn he-
zen; s'en aller, weggaan; s'en re-
tourner, te rug komen; j'en viens,
[^ *om^ 'er van daan; je ne fai o^
j'en fuis , ik iveet ivaar ik my keerem
ofzvenden zal.
Enarrher , (v. a.) rergoüdspemöif-
gen'
En avant , fadv.) Vocnvaards,
En bas, (adv.) ^^edtrwaards, he-
neden,
E!3
256 ENC.
En ça, (adv.) Depuis mille ans
en ça , zedert duizend jaar en her-
waar ds (gem.' w.}.
Encabanement, (m) liet inkomen^
t» trek ken, ivvalhn dpr zyden van een
fcbip-, (ze f w.).
Encager, {v. a.) Kooijen , in een
ktiOi.zetten^Jluiten. »
EncaiiTement, (m) V Ktjleu (n) ,
cpflurtin^ in hil^cn (f).,
"Encaifler, (v. a.) In hijlen of bas-
ten gakken, f uiten i encatfTer de l'ar-
gent, gf-U in de kiji leggen; encais-
fer •■yi or^üger, een orange-bowi kiS'
ten^ '"« fi^'^ bak zetten (by Tuint.).
Encan,, (ra) Opetibaare ver kooping
(f); vendre à l'encan, t?y openbaare
uttroep verkoopen.
s'Encana'ller, (v. r.) Met plug-
gen , jan hagel verkecren^
Encappé,,ée (adj.) être encap-
pé , tujfchen twee kaapen geraakt zyn
\zee~-w.).
Encaqaer (v. a."» du hareng, ba-
ring in tonnen pakken,
Encaftelé , ée (adj.) cheval en^
caftelé , Paerd wiens boef van den
voet tezamen tuafi.
^nciiX\i\^ge^{m)Vertuining{zeew,).
Encavement, (m) Keldering (f);
ket ir.flaan van iets in den kelder (n).
EncaverC.v. a.) quelque boiflon,
Eenrgen drank injïaan, inkelderen.
• Encaveur, (m) Een bier- of wyn-
draager.y
Eaceindre, (v« a.) Omvangen,
emringen , omcingelen,
Enceint, einte , (part.) Omringd;
Ville enceinte de murailles, een
Jiadt met muuren omringd; femme
enceinte , eene zwangere vrouw ; être
enceinte , bevrugt zvn.
Enceinte, ( f ) Begrip {n); om-
trek (m) va*i wal of muur»
Encélade, (m) Een der magtîgjlé
reuzen die den Hemel bejîormen wil-
den.
Encens, (m) IVierookx lof (m) ,
ioftuitintr; vleijery ( t') ; aimer l'en-
cens , gaerne get>ree:fen zyn ; donner
de l'encens, pryzen^ verheffen.
Encenferaent , ( m ) IFterookivig
(£),
Encenfer, (v. a.) fFteraoken} en-
ENC.
cenfer quelcnn , i. ma^dpfysett i vér-
hiffen , den wierook toezwaa'jen-
Encenfeur, (m) F.en wierot^er;
vlyr-r ; fchryver van hf-fchrijten. '
Encenroir,(m) Reuk- ofwif^rook-vat
(n) ; mettre la .main à i'enCATjfoirj»
zich ht'î kerkpïyk gezag canmaatigen.
Encéphale , (m) Ben hoojd-worm
(in Geneesk.).
Enctphal'Ce , ( f j Zéker Jîeen ge^
lyk een kerjTenpan,
Enchaînemenr , (m) yfaneenfchaa-
keling (f); t'zamnharg im).
Enchaîner, .v. a.) Ketenen^ aa*%
een ké ten y of, ketttvg va fi klwfleren^
fluiteiz , bceij n , gevayjgen zette:i,
I Enchaînure, ( f ) l^Wbind'.ng , cOft-
eesifchaktlîug ( f )„
Enci^-ncé, ée fadj.) Betovverd}
bekonrlyk, bphaaglyk . betooverend;\in
palai- frncl.L lîcé , eets heerlyk paleys;
item betoverd paleis.
Enchanu^er , (v, aO Hout op fia-
peli zetten ; vaten op jiellingen leggen»
Enchantement, (m) Betoavering;
bekoorlykheid ( f ) ; plein d'enchante-
ment, vol verrukking.
Enchanter, ( v. a.) Betoveren;
brkooren ; verrukken ; cette mufique
noils enchante, die muziek verrukt
ons.
Enchanter îe ,(f) Tavery j bexeryi
guifhelary , bedrtegery.
Enchanteu*-, tereiTe , (m. & f. )
Toovenaar , duivels-konjlenaar ; guiche-
laar , bsdrieger ; toverejfe , bedrieg-
per , loos vrouw-menfch ; bekoorende
fchoonhe'd.
Enchaperonner, (v. a.) Een',
valk kappen ; het hoofd met een rouw-
kap of fluyer dekken^
Encharger, (v. n.) {oUd w.) {Zie
charger).
ERchâffement , (m) Inzetting, bet
inzetten-
EnchâflTer , (v. a.) In een kas zet-
ten {als reliquïenjj enchàiïer une
pierre dans l'or, eenen fieen in *f
goud zetten; enchâfler une fenêtre,
een vengjîer in zyn raam zetten ; un
mot bien enchâffé , een wel inge-
voegd woord; s'enchâner (v. r. )
dans un fantenil , zich in eenLeun-
fwei pkikkm , zetten*
Eni
ENC.
i'.üchanrure , (f) Inzettinçt.
E-nchauiré , fadj ) Ecu enchauflTé ,
Sr.becf Joorfneeden fcbilJ {tnivapenk.).
Enchère , ( f) l^erhoog.tng di-f pry-
/es , verduuring., duutder mcujkihg;
faire une enchère, een hooger bod
doen y meer bieden; mettre ou vendre
à l'enchère , ajn dfn boogjlbicdenden
verkoopen; une folle enchère» een
gek y al te hoog boi ; payer la folle
enchère , den rouw-koop bt- taaien.
Enchérir ,(v.a.) f^erduuren y duur-
^er maakeny den prys doen Jîygpn
I opi jagen ; j'ai enchéri cela fur lui ,
I ik heb in dat Jîuk boven hem ^f.boden '^
le bled eft enchéri , het karen is
opgejlagen j enchérir fur ce qu'un
autre a fait ou dit , by bet geene
een ander gedaan of gezegt hcejt nog
iets bydoen , zalks vermeerderen.
Enchériffement » (m) l^erduiirhi^,
hooger bieding , verhooging , vcrmeer-
dering { f ).
Enchérifteur (m) vendre au der-
nier enchérifTeur, Aan den haogjl-
biedenden verkoopen.
Enchevau hure ,(f) Overmaïkan-
derfchieting {in bouwk.).
Enchevêtrer, (v. a.) Halfleren
(al§ Laji-dieren) ', virbinderen-, s'en-
chevêtrer, ^v. r.) zich veriverren
vêrjïrikken , als een paerd in zyn' hal-
Jier, riem.
Enchevêtrure , (f) Ferflrikking ,
veriverring in den haljier ; itevi kwet-
zing daar van; als meede eene ope-
ning met bindhouten , daar een fchoor-
fteen door gaat.
Enchevillé.ée (adj.) Gefcbenkeld,
met fchenkels voorzien.
Enchifrené, ée (adj.) Verkoud.
Enchifrenement 9 (m) l^erkoitd-
heid{Ï).
Enchifrener, (v. ,a.) Verkouden,
verkoudheid verqorzaahen.
, 'Enc\Tevy{y,z,.)Met wafchbejlrykevy
hewa[fen.
Encifer , (va.) Bnomen hefnoeijen.
- Enclave , ( ï)Injluiting een'es dingt
in een ander ^
Enclave ,ée (adj.) Inge/looien , ter-
5 'e enclavée jians une autre , een
'and dat in een ander infchier.
.Enclavement, (m) ïnjchieiivgy m-
faaiting ff).
ENC. 257
Enclaver, (v.a.) Influiten ^ infchie^
tin (van lanJtn of Reiken enz. gez.).
Enclin, ine (adj.) Gtnecgen, ge-
neigd , hellende; enclin au mai, toi
het, quaad ^eneegen.
EncUner. {Zie Incliner).
Enclitique, (adj.) Mot encliti-
que, uoord dat aan een ander hangd
{in Spraa.kk.),
Encloïcrer, (v. a.) In een Kloojier
zetten.
Enclorre , (v. a ) iKjluiten. ( Zie
Enfermer).
Enclos, (m) Een brjïooten plàati>
of omtrek daar van.
Enclotir, (v. a.) In een bol jan-,
gen; s'enclotir > (v. r.) zich in eetj
bol verjleeken {als kunynen enz.).
' EncIoturej( f) Lifluiting » inzooming.
Endouer (v. a,) un cheval 5 un
canon ^ een paerd 9 een gefcbut vema"
gelen.
Enclouure, {ï)Fernageling; voi-
là l'enclcuàre j daar is de zuaarig-
kcid. „ ,
Enclunje, (f) Een aambeeld; item
zeker heen in 't oor;, een hakmes by
Leidekkers; être entre l'enrlurae &
le marteau, in de kne^p ^ in't utterfte
gevaar zyn;. fouehé d'enclume 3
aambçelds blok.
Englumeau , (m) Klein aambeeldje».
Eucöchement , (m) Inkerving , aari'
legging der Py/ ( f ).
Encocher , (v; a.) Iets inkerverii
de pyl op den boog leggen.
Encochure , ( f) Inkerving ; nok van
de ree y {fcheeps w.).
Encoffrer, (v. a.) Kif} en , in een
kif of koffer fluiten.
Encoignure ,'( f) Hoek tn een huis
(rn).
Encollage, (rn) Overjlryking mes
/y»'(f;. , . .
Encoller, (v. a.) Met Jym over-
fryken. , , .
Ençolurô , oîj enco,ulure(r) d'up
cheval, d'un cy^ne, de bals {dat
is de ,gedaar.te , of , bet tnoakzel daar
van)van een'paerd y ziùaanenz \{Jîg.) je.
le.connois à l'encolure, ik ken bem
!acn zyne geftalté.
Encombre, (m) Hindernis ; puin-
hoop, {oud nx!.) '
R Fn>
Ö58 ENC,
iîncorabrement, (m) Ovtrîaading
njan eenfchip , of belemmering daar van.
Encombrer y (v.z.) Een' Jiraat enz.
mit puinhoop belemmeren.
Encomiafte ^ m)Een Lof-redenaar.
Encontre, (f) {oud w.)'On$moe-
ting. [Zie Rencontre).
a 1'Encontre , (adv. & prep.) Te-
gen, daar tegen » aller à 1'encontre
d'une chofe, zich tr^en eene zaak
verzetten , dezelve tegrn gaan.
Encoquer, {v.a..)izee w.) De beu-
gels aan de ree f c huiven of /laan.
Encoquure , ( €) Het aanjlaan daar
van.
EncorbeJlenient , (m) Uitfleeking
van eenflcen aan een' muxir.
Encorder , (v. a.) Een hoog met
ten pees voorzien.
Encore, (adv.) Nog, daarenhavsn-,
pas encore, nog niet -^ je vous de-
mande encore cetce grace, ik ver-
zoek u nog om deezpgunjf'j fi vous le
imitez encore, indtengy 't v:eêr doed.
Encore que (conj.) vous foyez,
fchoon , alhoewel gy zyt.
Encornail, (m) Gat met eenfcbyf
hoven aan een mafï.
Encornailler , (v. a.) Tot een hoorn-
draager maakeni s'encornailler , (v.
r.) in het groote gild treeden.
Encorné, (adj.) Gehoornd; un ja-
•^art encorné f eenverzweering in een
paerde hoef.
Encorner, (v>3L»)Met hoornen f of ,
boom voorzien.
Encorneter , (v. 3.) In een papte-
re buisje , peper huis je doen.
Encouragé , (adj.) Aayjgemoedigt.
Encouragement , (m) Aanmoedi-
ging (f).
Encourager , (v. a.) Aanmoedigen,
moedgeeveny opwekken.
Encourement , (m) Op den hals
baal mg , belooping (f).
Encourir 'v. a.) la peine ; l'ex-
communication , zich de Jîraf op den
hals haaien j den kerken -ban onder-
gaan.
Encourtiner , (v. a.) Met gordy-
nen behangen.
EncralTer , (v. a.) Bevuilen , be-
/metten ; s'encraffer , (v. r.) vuil en
{motzig worden ; l'efpric s'eocrafiTe '
ENC. END.
dans Ia province , het verflapd
verroejl op 't land.
Encre , ( f) Inkt (m).
Encrêper , s'encrêper , (v. n,)
Een floers aandoen.
Encrier , (m) Inkt-kooker (m) > inkt-.
hoorn, iitkt-vat (n)j Drukkers inkt-
bak (m).
Encroué, (adj.) Arbre encroué,
een boom die in 't vallen in eenen ande-
ren is blyven hangen.
Encroûter (v. a.) un mur, een*
muur met kalk enz. bewerpen.
Encuirafler, s'encairafler ,(v. n.)
T^uil, morjfig, fmeertg worden. {Zit
EncraiTer),
Enculaffer, (v. a.) Het flaart-Jiuk ,
cf, de fiaart-fchroef aan een vuur-roer
maaken.
Encuvement, (m) Inkuiping (f),
Encuver, (v. a.) In de kuip doen f
te weeken zetten.
Encyclopédie, (() Begrip, kring,
die alle wetenfchappen ia zicb bevat»
Endante. (Zie Eiidente).
Endécagone , (m) Figuur van IZ
zyden {in Meetk.), v
Endécafyllabe , (m) Rym van ir^
lettergreepen{ f).
En dedans , (adv.) yàa binnen ,
binnenwaafds»
En dehors, (adv.) Vanbuit en ,huh..
temvaards. , '
Endémique , (adj.) Maladie en-f
démique, gemeene ziekte in fommige .
landen.
Endenché , (adj.) Getand (in JVa-
penkunde),
Endente , (f ) Intanding(ïn Bouwk. 1.
Endenter, (v. a.) Tanden aan een
molen-rad maaken ; iets tanden.
En dépit, (prep.) In weerwil, in
Jpyt ', je ferai cela en dépit de lui,
ik zal dat in weerwil van hem doen.
Endetté , ée (adj.) Etre fort en-
detté, dtep infchuldenfieeken.
Endetter, (v. a.) Met fchulden be-
zwaareny s'endetter, (v. r.) zith in
fcbulderi fie eken.
Èndêvé, ée (adj. & fubil.) ^^^
zend; een raazend* , (gem. w.)
Endêver , (v n.) Kwaad, moei je-
lyk worden ; il me fait endêver , hy
maakt my raazgnde f (gem» w)
END.
Endiablé, ée ia ij. 8c fubft.) Fer-
nvoedy bezet en, dol; een uitzinnige ^ be-
zetene.
s'Endimancher ,(v. r.)-Df T.ondag-
fchp kleéren aantrekken , {gem. %v.)
Endive > f f) End) vie of endivie.
Endodirïner , (v. a.) Qnderwyzen,
leeren , {boert, tv.)
Endommagement , (m) Befcbadi-
giv^ ( f).
Endommager, (v. a.) Befchadigen^
benadeelen.
Endormeur, (m) Een die iemand
mjlaap wiegd, ivat wys maakt, een
beuzelaar.
Endormi, ie ''adj.) Slaaperig ,
vaakerig ; in Jlaap gevallen '^ j'ai la
janabe toute endormie, ca > engour-
die, mya been Jlaapt.^
Endormie, (f) SÏaap-kruid (n).
Endormir, (v. a.) i» Jlaap bren-
gen, doen Jlaapeny endormir un en-
fant, een kind in f aap tviegen; en-
dormir quelcun , />f7ja«i verleiden,
Met zoete woorden bedriegen > s'en-
dormir , (v. r,) m Jlaap vaUen\ s'en-
dormir au plus fort de fes affaires,
tiyne bézigheeden -verzuimen j s'en-
dormir dans Ie péché, in de zonde
volherden. '
. Endormi Tement , (m) -Staapertg-
beid, dojheid, ongevoeligheid (f).
Endofle , (f) Laj} (ra) , moeits ,
moeijelykbeid van eene zaak ; ( im V
franfch word de op één na laatjle fyl-
labe lang uitgefprookep).
Endoflement , (m) Achter - opfchry-
ving, rug ' teekening , endoffeering
(f) , (van wijels enz. gez.).
Endoffer, (v. a.) Op de rug nee-
men-, endotTer une lettre de chan-
ge , een wijjelbrief endoffeeren (by
Baniiuiers); endofTer un livre, een
boek ruggen , ronden {by Boekb.).
Endoffeur (m) d'une lettre ds
change , Rug-teekenaar , endoffeur
van een wiffelbrief. ,
Endroit, (m) Plaats^ Jîresk (f),
oord (n) ; èn eet endroit Fà , in die
plaats-, endro/t d'une étoffe ,de reg-
ter zyde van eenige Jioffe; vons ne
connpifTcz eet homme que par fes
mauvais endroits, gy kend die man
allefn door zyne ondeugden -, ύntreT
END. ENE. ENF. 2S^
quelque chofe par Ie bel endroit,
iets op het allervoordeeligjie voorJieU
len ; c'eft Ie plus bel eniroit de fa
vie , dat is het bejle by in al zyn h"
ven gedaan heeft; en mgn endroit ^
Omtrent my , ten mynen opzigte.
Enduire, '(v. a.) Be^leijieren, be-.
JJryken; enduire de poijc, bepekkenj,
beteeren»
EnduifTon, (f) Bepleijiering ^ bt-
Jiryking.
Enduit, te (adj.) BepleiJierd,over^
Jirecken.
Enduit, (m) Pleijiering , pteijier'-
kalk ( f).
Endurant, ante (tdj.) Lydzaamt
geduldig.
Endurci, ie (adj.) Cœur endur^
ei , een verbard harte.
Endurcir, (v. a.) Harden . bard
maaken ; endurcir au travail , toi
den arbeid gewennen ; s'endurcir »
(v. r.) verJJokt worden , verbarden ^
zich ergens aan gewennen.
Endurciffement, (m) f^erhatrdir.'g',
verjlokking des harten {£).
Endurer, (v. a.) f^erdraagen ^ /y-
den , dulden.
E'néide , {ï)Eneis of Mneai ^{eBn
heldendichfvan Virgilius),
E'nergie , ( f ) Kragt , nadruk j mot
plein d'énergie , een woord vol tia^
druk.
E'nergique, (adj.) Nadrukkelyk,
E'nergiquemen£,(adv.}iïf(Pf kragç^
met nadruk.
E'nergumene , (m. & f.) Een bf
zétene.
E'nervation , ( f ) Ontzêmtwing,
E'nervé, ée {s^A}.) Ontzenuwd ifkj"
Ie énervé , Jlegte ,of, zenuwlooze JïyL
E'nerver , (v. a.) Ontzenuwen , ver'
zwakken, krenken, kragteloos maaken^
, Enfaîteaù , ou faitie re , (m) l^orjl"
pan (f).
Enfaitément , ( f) Dekking dar
vorfien.
Enfaiter, (v,. a.) De nok of mrfi
van een dak detktn. -
Enfonce , (f j De kindsheid, kina»
fche iaaren ; dès fon enfance , van zyn
kindsheid af i enfance du mande, biS
begin der waereld.
Enfanfer^ (ib) ggn kind (n) j faire
R t A '«sar
2/^o ENk
l*t Tant, zich knuteragiig aanfIcUen;
enfant troué, een vomieltng; en-
fa'it de chœur , een choor-zanger ;
c'eft l'enfatit de fa mère , dat is
moeders kinJ; êcrc en cravail d'en-
fant, in dc'H arbeid zyn; enfant gâ-
té, een bedorven kind; les er^fans
perduü d'une armée , de verhoren
hoop van een lé-jpr -^ une belle enfant,
een mooi meisje; courage mes en-
fans , fa ! wakker mannen ! t
Fnfintement , (m) Kinder-baaring^
kaar ing (f).
Enfanter, (v. a.) Kinder-baarm ^
in de krcum komen ; enfanter une
bonne penfée , eene goede gedagte
voortbrengen.
E ifantiilage, (m) Kinder-klap (£) ,
kinier-Jireeken.
EnTantin, ine fadj.) Kinder'dgtig;
jeo enfantin, kinder-fpel.
Enfantife, (f) Kinderagtigbeid ,
{oud w.'
Enfariné, ée (adj.) Btmeeld.
Enfariner, (v. a.) Met meel be-
J}rooiien, bemcelen; bepoeijeren ; i! cft
venu la gnenle enfarinée , by is
vol hoop en verwagting gekomen.
Enfer _, (m) De 'hel , helle (f);
helfch levpn^ getier <n )•.
Enfermer, C v. a ) I^i fluit en ^ op
puiten; enfermer à la cîef, onder 't
fl:)t 'hiiteK;ce discour? enferme-, J.V
reden hehelfi ; s'e "fermer, fv. r.) zich
op/luiten; enf rmer Ie l'oup da-^s la
btrgerie , ^e kit in de kAder fluiten ;
een won i van buitere heel n ( fpr. W-);
cela ff.nt l'enfermé, dat ruikt muf.'
Enferrer , (y. a.) DnorJJe'ken , do^r-
ryçen -, s'enferrer , (v. r) zich zel-
ven doorfîppken j tot zyn fchade iets
zegi^en ofdoen.
Enficeler, (v. a.) Met een koord
binden.
E-fi'ade, (f)_ i?y , réels-, longue
enfila ie d'hifloires, lange reeks van
grrc'<iedenifr>-n ; enfilade au jea.quaad
fortutn m 't fpeelen.
Enfiler, (v. a.) .^anrygen , door-
fleeken , enz. ; enfiler des perles.
paerlon fnoeren, rygen; enfiler une
aigu il le , e^^npn naali vademen ; enfi
1er un chemin , une r e, een wg ,
tene Jiraat infiacui , inho^en-^ enfiler
ENF.
un discours, eer.e reden beginnen , le
cabeftan enfilt le cable en virant,
in bet ivinden gaat d, kabel om de
fpil; enfiler la venelle , '; bazenpad
kiezen , wegloûpefui fpr. w.); enfiler
la tranchée 4 de loopgraven regelregf
hejchieten; -'enfiler , (v. r.) zich door^
fleeken ; item zicb in een zaak in^
laat en.
Enfin, (adv.) Eindelyk , ten laat'
ften-, met een woord, om kort te gaan.
Enflammer, (v. a.) Aanfteeken^
ontjleeken ; ophitfen , toornig ' maaken ;
s'enflammer , (v. r.) ontjieeken , toof
nig worden enz.
Enfléchure , (f. pi.) mvelingeny
{fcheeps w.).
Enfl-mént , Cm) Opzwelling ^ op^
blaazing ( f ).
Enfler, (v. a. & n.) Opblaazen ,
doen zivellen ; hoogmoedig , flout maa-
ken; enfler Ton iiyle ,zyn fchryftrayit,
/iyl hoogdravend mnaken; enfler un
compte , een' rekening opzw lien ,
gront.:^r maaken ; le vent enfle les
voiles , de wind doed de zeilen zwel-
len; !e fleuve enfle, de rtvier zuetd-,
s'enfler, (v. r.) opzwellen, opkopen;
uitzetten ; trots , hoogmoedig worden.
E'tflure , ( f) O-^zwelling , zwelling^
hoogdravendheid. *
Enf -nçage, (ra) Het toejlaan van
•vaatwerk (n).
Enfoncement (m) d'une vallée ^
de diepte, holte van een dal , vallei] e -^
enfoncement d'une porte, *^; op-
loopen , openhonfen van een deur.
, Enfohc=-r (v. a.' une porte, eene .
deur mot geweld op den grond loopen^
enfoncer une barique, een oxhoofd
den bodem injlaan ; enfoncer des pi-
lotis, paaien in den grond hei jen; en-
foncer l'épée jusqu'à la garde, den
degen to* aan 't geveji injfooten; en-
foncer le chapeau , den hoed neer-
drukken, tn de oogen trekken; enfon-
cer un bataillon, in een' 'krygsbende
inbrpekcn; enfoncer un plat, eene
fchotel bol maaken; enfoncer deff'
tonneaux, den bodem in vaten zet-
ten ; enfoncer une matière , een'
'lak diep uithaalen , onderzoeken y en-
foncer un vaifieau , een fcbip doe»
Zinken^ in den grond boor en; en f on--
eer 3
ENF. ENG,
eer, (v. r.v iH'iti.y ft gronde gaan;
s'' nfoncer , (v i.; Ziuktn^ ztco er-
gens ver tn (ietktn , dit^ m b gee.en.
Er>tbiiceur, (ra) Üjiuoter , open-
bor.fc'r; Item een windmutker
Enfonçure, ( t') dodim jlukkeman
Vaaiiverki bolli^heid^ mzinking , in-
zakking van iets; onderlaag? van een
bed, enz.
Enforcir, (v. a.& n.) Verjïerken y
P erker wordt n,
Enfoi mer , ;,v. a.) Op de vorm of
leeji JJaan , doeu.
Enfouir (v. a.) un tréfor, fes ta-
lens , een' fchcit > .yne gaaven tn de
aarde begraaven.
E ifouilTeaie it , (m) Begraaving (f).
Enfoareher , (v. a.) Óchryelings op
iets zitten (als op een paerd).
Enfourchure, (f; Gaffel vormige
gediiante.
Enfourner (v. a.) da pain, brood
in den oven fcöieten; il n'y a qu'à
bien enfourner d'abord, het voor-
naam/Ie fs wel te beginnen {fpr- iv.}.
Enfreindre, {V. à.J Breeken, quet-
zen ; enfreindre les loix , de wetten
overtreeden,
'Enfroquer, (v. a.) Tot een Mon-
nik maaken , het Monniks gewaad aan-
doen.
Enfuir , s'enfuir , (mt. n.) Weg~
vlieden^ wegjoopen; ils s'enfuirent,
zy liepen weg; le poe s'enfuit, de
^ot loopt over ; l'huile &c. s'enfuit
du vaifleau, de olie enz. lekt.j ioopt
uit 't vat.
Enfumer , (v. a.) Berooken, met
rook iveg jaagtn; enfumer une ter-
re , een land bem ijlen.
Eiifutailler , (v. a.) In vaatwerk
doen.
Engagé , (ra) E'en die zich verpand f
%)erbonden ^eeft.
Engagé, ée (adj.) Terpand , ver-
bonden , enz.
Engageant, ante (adj.) Aantrekke-
lyk , tnneemend , bekoorend.
Engageant, (m) Een firik , Unt op
de borjl.
Engageantes , (F, pi.) Mouwen , lub-
ben der Juffers.
Engagemc-nt, (m) l^er'patiding i, te
pand zetting; v^rbindnis (f), con-
ENG.
26\
traft (n); dienji-neemtvig ^ verhuunng
( f) ; engagement de aeux aircées,
aafi een- taaking , Jlag , gevegt van '
twee h' ir légers.
Engager, (v. a.) i^erpanden , ver^
zettin y Chz.; je fuis tngagé à cela,
tk hen daar t^e lerbonden , genood'-
zaait; je Ie tai >our vous enga-
gera me rendre un lervice , ik doe
bet om u verbindend ,verpligt te maa^
ken , my een dienjl te doen ; en gainer
des Soldats, Soldaaten werven; en-
gager la ckf flans un« ferrure, den
peut el in een put i ajl maaken , ver^
Jraaijen; s'ei.^ager, (v. r.) zich ver-
binden y zich borg pellen ; zicb ver-
buuren , dienp neemen ; s'engager ea
quelque chofe ^z:ch in iets inluaten %
s'engager les ûoigts dans une fen-
te, (/f vingers in eene j-pleet klemmen ^
s'engager er.tre les rochers , tus.-
J'chn de rotzcn inloopen, verwarren.
Engagifte, (m) Een pand bezitter.
Engainer, (v^. a.) In de Jcbeed»
pee ken.
Engallage, (m) Verwing met gal-
(f).
Engaller, (v,a.) Gallen , met gal-
appelen verwen.
Engarder. (Zie Garder).
Ei^gcance , ( f) Gebroed , gebroed-
fel; engeance de vipères, adderen
gehroedfel; engeance de tous maux j
oirfprong van alle quaad.
E.igfcigner on Enginer y (v. a.)
{oud w.) Bi dr ie gen.
Engclcr , s'Enaeler , (v. r.) {gem,
w.) Bevriezen , winter-hielen krygen.
E gelure , (f) Vintet-hiel^ kak->
hiel; de winter aan handen of voeten»
Engendrer, (v, a.) Teehn, voort-
brengen , baaren , verwekken , veroor-
zaaken , ia familiarité engendre le
mépris , {fpr. w.) al te croate ge-
meenzaamheid baard veragtir.g; s'en-
gendrer, (v. r.) geteeld worden ^^
voortbrengen.
"Engei , (v. a.) {gem. w.) Be-
zaaiden , tepooten ; met iets qt4aqds las-
tig vallen i belemmeren ; mef ongedier-
te bezetten.
Engerber , (v. a.) In fchooven bir*.-
den , oppapelen.
Engin , (m) IVerktutg van allerlei
R 5 * ^9*^-
252 EN'G.
foorf waar meede gnote iragt ian ge-
daan worden , als : kraanen , domme-
hragten , wind-aas van een mooie» enz.
Englober, (v. a.J Mengen ^ onder
ten mengen.
■ Engloutir, (^.&.) Injïdkken, opjlok-'
ken y inz-welgen , verbinden; (figuurl,)
olies doorbrengen.
Engluer, (v. a.) Belymen, meilym
hejlryken.
Engoncer, (v. a.) Cet habit vous
engonce trop , dap kleed fchort te
boog op.
Ejjgorgement , (m) Verjïopping ,
verjhkkitig ( f ).
Engorger (v. a.) un tuyau , eene
pyp verjloppen-, s'engorger, (v, r.)
verfîopt , bezet raaken.
- Engouement, (m) Verkroppîng.
Engouer, {v .z.jl^erkroppen; s'en-
gouer , (v. r.) zich overzivelgen.
J^ngouftrer , s'engouffre-r , (v. r. &
r.) In eene diepte zinken , •vallen , of>
gezwolgen worden.
Engouler , (v. z.) (gem* w.) Op-
Jlokken, verzwelgen.
'Engourdi j ie (siï].)J^erjJ y fd ; mem-
bres engonrdis f Jiramm e, Jïyve of
Jlaapende ledemaat en.
Engoardir i (v.z.) F'erjïyven, Vf r-
Jlrammen , verdooven; Ie froid en-
gourdit les mains, de koude verJlyjH
de handen.
EngourdiflVment, (m) l'^prjlyrftr.g ,
verjlramming , verdooving ; dofwording
des verjîands ( f).
Engrais , (m) Mejîing j vetweide
(î , mejï Jîal (m) '^mettre, des bœufs,
des oies à l'engrais, v^en , ganzen
Hjet mejîen.
ErgraifTeraent (us) des terres ,mis-
ii-ng der akkers (£).
Engraifler , (v. n. & a,) ^et maa-
ien j vet weiden; engraifTer un co-
chon, de la volaille , een varken,
gevogelte vet mejlen ; engraifler Ia
terre, het land bem-Jlen; engraiffer
fes habit." . zyne khederen befm eren ,
vet maaken; eJiè eugraifle extrême-
taent, zy word geweldig vet-, s'en-
graifler , (v. r.) vet worden , zicb
Jmerrig maaken ; zich verryken.
Eng angtr fv. a.) Ie bied, bet
graan :n et fihuurea doen.
ENG. ENH.
Engraver, (v.a.) In j op bet zand
aan ne grond raaken ^ {zee w.]
Engrelé, ée (a^j.) Uitgerond, met
punten {in IVapenk.).
Engrclure, (t; Ronde puntjes aan
kanten.
Engrener, (v.a.) Het kooren inden
molen tremel , of, tregter doen ; engre-
ner les chevaux , de paerden met ha-
ver voeren; roue qui engrené bien,
rad dat met zyn tanden wel invalt (by
tturwerkm.); engrener la porape , d$
pomp lens pompen (zee w.;; engrener
un procès «îkc. een procès, enz, be-
ginnen; mal engrené , quaalyk aan-
gevangen.
Engroffëejfadj.) Femme engros-
fée , eene bevrugte vrouw.
Engrofler, (v. a.) Bezwangeren^
beflaapen <, bevrugten.
EngrcKevir i {m) Vergrooter van iets,
EngroŒr, (v. a. & n.) Fergroa-
tcn , verdikken ; dik worden.
s'Engrumeler , (v. r.) Klonteren;
fing engrumelé, geronnen bloed.
Engueniiler, (v. a.) Fient eren, tot
vodden maaken.
Enguiché, ée {z.à\.) Met een mond-
fiuk (in fFapenk.).
Enguichure , (f) Jagthoorn-riem
Cm).
Enhardir, (v. a.) (A^^. de h werd
in dit en de volgende woorden uit^y-
fpropken.) Stout^vrypojïig maaken; s't r-
har dir , {v.T.) zicb verJJouten , vry-
pcjïig worden.
Enharnachement, (m) Toetuieing
{f). V / , 5 s
Énharnacher (v. a.) un cheval ,
een paerd tuigen; item kleeden , uit-
rujïen, bptootjen.
En haut, (adv.) ^öi'^;d'enhaut,
van boven.
Enhazé, ée (adj.) Door onnuttige
bezigheden bezet = {gem^ w-).
En huiler, (v. a.) Beoliën, oliën.
Enjabler, (v. a. ) De bodems der
vaten in gergels fluiten {by kuipers).
EnjaJoufer; (v. a.) Jaloers maa-
ken.
Enjambée , (f) Eene fcbreede*,
fchreê.
Enjambement, {zoi) Overfpringi
(i ) > {in Dichtk,), ' ^
ENJ. ENL,
Enjamber, (v. n.) (jverfchryJen y
cnjambtr par oeffus , overheen f^bry-
den-f vers qui enjambe far le vers
fuivanc, dubt uaar van de uitleg-
ging in het volgende vers gevonJtrj
ii>urJ ; er jamber, indringen {in iemavdi
gebied).
Enjaveler , (v. a.) Hit gemaaide
koorn op hooj'jes brengen, opb^nden.
Enjauler ou Enjaier (v. a.) une
ancre, bft anker Jiotken (zee w.).
Enjeu, (m) Inleg (m) > het geld dat
men in een fpel inzet (n).
E'nigraacique , (adj.) Verborgen^
dtiijieir , raajftidchttg.
E nig'Tiaciquement, (adj.) Ver-
horgentlyk.
E'nigme, (f) Haadfel (njj duijie-
re zaak.
Enjoindre, (v. z.) Beveelen, he-
tajiem je vous enjoins de faire ce-
la , ik beveel u dat te dcen.
Enjoint, ointe (adj.) Bevoolen,
Enjolivement , (m) Opfcbikking
( f) , tieraad {n).
X Enjoliver , (v. a.) Opfchikken, op-
iooijen , verderen.
Enjoliveur, (m) Vertierder \ {knoop-
maakers enz, worden ook aldus ge-
naamd).
Enjolivure, (f) Çieraad (n),
epjmukking.
EnjoUer, (v. a.) Met fthoone
woorden bedriegen , misleiden, (gem.w).
EnjoUeur, eufe (ra. & f.) Be-
drieger , guigchelaar-j bedriegjier.
Enjoué, ée (adj.) Levendig j geef-
tig', efprit enjoué, vrolyks geefi;
ftyle enjoué, luchtige Jiyl.
Enjoutment , (m) Vrolykheid ,
geejiigheidy aardigheid ( f).
Enjouer , (v. a.) Vervrolyken >
htjlig maaken»
Enivré, ée (adj.) Dronken; ver-
blind,
Enivrenaent, (m) Dronkenjcbap ;
verblindheid (f).
Enivrer, (v. a.) Dronken^ zat
maaken -y s'enivrer, (v. r.) zig dron-
ieti drinken, dronken worden; fa for-
tune l'enivre , zyn geluk verblind hem.
Enlacement , (ra) Verjirikking (f).
Enlacer, (v. a.) Vangen, ver flrik-
^e» ', verfcbalken ; a'eniaçer $ (,Y» f»)
ENL. ENN. 2(53
Enlaçure , ( f) Vajinageling dtr
balken (in bcuwk.)
Enlaidi, ie (adj.) Verleelykt.
.Enlaidir, (v. a. &n.) Leelyk maO'
ken; leelyk tvorden.
Enlaidiffement , (m) Verteelyking
(O-
Enlevé, ée (adj.) Opgenomen ^
enz; enlevé en lair, in dé lucht op-
gevoerd. '
Enlèvement, (m) Roof {m); op^
ligting, tvegjihaaking {{).
Enlever, (v. a.) Opheffen, opUg-
ten , optillen ; met geweld weg - ruk-
ken ; enlever une fille, een meisje
weg-voeren , Schaaken ; enlever I4
peau , de huid bezeeren , affcbaaven ;
cela me fut enlevé, dat wierdmy
ontnomen; enlever des marchandi-
fes , goederen opkoopeu , om 'er de
prys van te verhoogen; s'enlever
(v. r.) opzwellen , oploop en.
Eulevure , ( f ) Puif, ,peukel , hleini
item verheven werk.
Enlier, (v. a.) Sternen wel teza-
men binden (by Met zei,).
Enligner, (v. a.) Volgens de tyn
metzelen.
Enluminé, ée (adj.) Verlicht, af~
gezet; carte enluminée, eene afge-
zette kaart ; nez enluminé, een
paijîagtige neus.
Enluminer, (v. a.) Mef cOuleu-
ren afzetten, verlichten.
Enlumineur , eufe (m. & f.) af-
zetter , afzetfler van plaat en.
Enluminure, (f) Het afzetten ^
het kkuren.
Ennéadécatéride , {£) De tyd van
negentien jaaren ; maan-cirkel.
Ennemi , le (fubft m. & f. & adj.)
Vyand; vyandinne; vyandelyk; enne-
mi juré, een gezwooren vyand; je
fuis ennemi du menfonge , ik ben
een vyand van leugens; les troupes
ennemies, de vyandelyke troepen.
Ennoblir, (v. a.) Veredelen, {Zie
ook Anoblir).
Ennui, (m) Verdriet, ongenoegen
(n).
Ennuiter, (v. n.) {oud w,) {Zie
Anoiter).
Ennuyant, ant^ ifiàDVerveeUnd,
2(54 ENN. ENO. ENQ.
'tiinuyer, (v. a.) ^'^erveelen, quel-
len , verdriet aandoen ; s'ennuyer
(V. r.) je m'ennaye ici , bet verveelt
my hier. r j -
Ennüyeufement , (adv.) Verdne-
filykf verdrietelyk. .
Ennoyeux, eufe (adj.) f^erdne-
iig y lajlig, verveelend.
• Enoifeler, (v. a.) Een jonge valk
ter iagt gewennen.
Enombrer, (v. a.) Overfchadwwen.
E'noncé, ée (adj. & labft.) Ver-
klaard, uitgedrukt -y üitdrukkelyk arti-
kel in een gefchrift ; un faux énoncé,
eene valfche verklaarin^.
E'noiicer , (v. 'a.; Uitfpreeken ,
uitdrukken, verklaaretj ; s'énoncer
(V-. r.) il s'éhonce fort bien, hy
drukt zich zehen zeer wel uit.
E'nonciatif , ive (adj.) Uitdruk-
kend , verklaarend.
E'nonciar.ion, (f) Ui*drukksr.gj
tijffpraak ; il a l'énonciafion heu
reufe , by /preekt 'fraai , cierlyk.
Enorgueillir , (v. a.) Hoovaard:g
mdaken , ve'rhoovaardigen ; s'enor-
gueillir (v. r.) ^''O^^» ^oot-aan/Zg worûf^-w.
E'norme, (adj.) Onmaatig ; gru-
ivelyk; une grandçîar énorme, eene
buiten gemeene grootte; un crime
énorme , eene gruwelyke , yjfelyke
misdaad.
E'norraément, (adv.) Onmaatig-
iyk; fchrikkelyk , yjfelyk.
E-nosmité , (f) Grwwelykheid ,
qfjTchouwplykbeid ; onmaatige grootte.
EnoiTé s ée (adj.) Die een been in
de 'keet gcf-tkt heeft.
Enquéranc, ante (arlj.) Nieuws-
gierig , navorfchend , vraagachtig.
Enquérir , (v, n.) NavorfcbeiJ ,
onderzoeken ; s'enquerir diligem-
menc , neerjiig na/peuren.
Enqperre, (v. a.) {oud w. gebr.
in wapptik.) Armes àenquerre ywa-
pen-fchiîd^n die onderzoek onderwer-
pen zyn.
Enquête, (f) Navraagt navor-
fr,hif!g\ fdire une enquéce , onder.
ioek d^ea.
Enquêter » s'Enquêter, {v. r.)
(oud IV.) O'iJtrzoekeHy nâ-Dorfcben ; je
iiip m 'en quête point de cela, ik te'
>9mmerg wv dGir met over. •
ENQ. ENR.
Enquêteur , ( m; Aangejlelde wdeir-
zoeker eener zaak.
Enquinauder, (v. a.) yerUiden ^
bedriegen.
Enquis, ife (adj.) O^derzogt.
Enraciné, ée (adj.) Ingeworteld.
Enraciner, s'Enraciner, (v. r,)
Inwortelen^ wortel fchieten.
Enragé, ée (adj.) Razend^ çiol;
chien enragé , dollen hond', un en-
ragé , een uitzinnige.
Enrageant, ante tadj.) Dot-maa-
kend.
Enragérnent , (adv.) Uitzînmglyk,
Enrager, (v. n.) Dol, raazend y
uitzinnig , zeer toornig worden j faire
enrager que.'cun , iemand doi-, toor-
nig maaken; enrager de faim, ver-
woeden honger hubbet ; mufique enra-
gée, katten - gelol j r>aare muziek ^
travail enragé , werk om dol te wor-
den; prendre patitn<.e en enra-
geant, (fpr.) te^en davk geduld oef-
fene'n.
Enrayer , (v. a.) D'eerfle voor e
ploegen; de fpylen , fpaóken in een
wiel zetten , item een rytuig flremmen^
ophouden.
Enfayoir, {m) Ketting y waardoor
bet wiel geJJremd word ( f).
Enrayure, (f) D'eerfle voore van
een akker. -
Enrégimenter, (v. al) Opregten
tot een Regiment", jV^ot daar tn aan-
neemen.
Enregiflremenr , (on) Infchryving
(f).
Enregidrer, (v. a.) Infchryven ,
intekenen.
EnrhHmé , ée (adj.) Verhoud.
Enrhuroer , (v. a.) Ferioud maa-
ken; s'enrhumer (v. r») verkoud wor-
den , verbouwen.
Enrhumure^ (f) Verkeuding.
Enrichir (v. a.) qnelcan, iemand
ryk maaken , verryken ; enrichir uri
livre, een hoek vermeerderen y ver-
deren ; enrichir un conte , by eene
vertelling iets toevoegen.
s'Enrichir, (v. r.)^ Ryk worden,
verryk-^n ; enrichi , ie (adj.) ver.-
rykt , ver Cl er d ; verbeterd.
EnrichiOement, (m) Verryking;
i*em opci?ri>ig , verbetering van iets ( f).
ENR. EN S.
Enrôlement, (m; Optekening^ in-
fcbryvtng , werving ( f).
Enrôler , (v. a.; Opfchryven , inte-
kenen -y enrôler des foldata , folJaaten
aanneemen.
Enroué, ée (adj.) voix enrouée,
Heefcbe Jiem.
Enrouement, (m) Heefchbeid,fchor-
beid ( f ).
Enrouer, (r. a.) Heefch ■, fchor
maaken-y s'enrouer (v. r.) heefcb
worden .
Enrouiiler, (v. r.) f^errocjlen,
roeJJig maaken; l'efprit s'enrouille ,
bet verjlaud verre Jï , word lomp.
Enroulçraenc, (m) Slekken-vornit-
ge figuur op tum-bedden.
Enrouler (v. a.) quelque chofe ,
iets inrollen, oprollen y te zamen roU
Un.
' Enrue , (f) Eene zeer breede ak-
ker-voore.
Enramer. 2^ie Enrhumer).
Enfabler (v. a.) un vaifleau , Een
fchip op 't zand jiuuren , in 't zand
zetten.
Enfacher, (v, a.) Zakken, inzak-
hen doen.
Enfafraner , (v. a.) Met fqffraan
veriven.
Enfaifinément, (m) In V bezit
gelling; bezit neetning} {van een leen
énz.) i f).
Enfaifiner (v. a.) quelcun d'une
terre , iemand in 't bezit van een
landgoed jii'tlen.
Enlang:anter > (v. a-..) Bebloeden ,
bebloed maaken > enfanglanté , ée
(adj.) met bloed bejprengt.
Enfeigne, (m; Eeti vendrig , vaan-
draag er.
Enfeigne , ( f) Een teken-, uithang-
bord y vendel , vaandel ; fcheeps-vlag ,
Prinfi'-vlagy être logé à l'enfeigne
de ia lune, onder den btooten bemel
jlaapen{fpr. u'. ) j enfeigne de vin,
wynkrans; bord daar opfiaat, wyn
f e koop 'y vous me connoitrez à ces
enfeignes, gy zult my aan die tekens
kennen -y il ne croit rien qu'à bon-
nes en (Vignes , by gelooft niets als met
goed bçwys.
Enfeignement , (ro) Qnderwyzing
(f) î onderu'fs (a). ^
ENS, ^6%
Enfeigner, (v, a.) Onderwyzen],
leertn , Leeraeren j onder rigt en.
Enfel , (m) Fontenel yzer {hf
Heelm.).
Enfellé, ée (adj.) cheval enfel-
lé, Paerd met een ingebogen rug.
Enfemble , (adv.) t'zamen , geza-
mentlyk , teffens , te gader , l'enfem-
ble (m) d'un bâtiment , bet geheele
van een gebouw.
Enfemencement 5 (m) Bezaaijing
Enferaencer, (v. a.) Bezaaijen.
Enfépulturé , (adj.) Begraaven.
Enferrer, (v. a".) In tuin-kajfen
zetten.
Enferrer , (v. a.) {oud w.) Lfim-
ten y inhouden.'
Enfevelir (v. a.) un mort, Eeneè
dooden begraaven; s'énfevelir (v. r.)
dans la foiitude,z/r/j in d'eenzaam-
heid begraaven y opjluiten -y s'enfeve-
lir dans la débauche , zich aan den
overdaad verJlingererT-y enfeveli dans
la mélancolie, inde aroefgeejïigheid
gedompeld.
Enfevelifleraênt, (m) Begraavine
(f)-
EnfeuJilement, (m) Hoogte der
borjiweering onder een veng/ïer.
Enfimer (v. a.) un driap , Een la-
ken dat men fcheeren wil met vet
befmeeren.
Enforceler , (v. a.) Betoveren.
Enfor^eleur , (m) Betoveraar.
E nfo réellement , (m) Beb£xing
( f).
EnfouFrer, ( v. a. ) Zivavelen ^
bezwaveien.
Enfouple ou ënfuble , (f) Een
wfvers boom (ra).
Enfoyer, (v. ?i.) Den pek. draad
borjielen.
Eniuble. {Zie Enfouple).
, Enfuite (prep.) enfuïte d'e cela ,
daar na; enfuite de quoi, waar
na; enfuite (adv.), daar na; ver-
volgens.
Ènfuivant , (adj.) Le jour enfui-
vaht ; de velgende dag (in Rechten).
s'Enfuivre , (v. r.) {word alleen
geb. in de ^de perfoon) il s'enfuit
donc de là néceffairement, queA^c»
daar volgt dan neodzaakelyk utt,
R 5 dat
25^
ENT.
dat enz; comme s'c-nfiiit, als voJgt;
^ui s'enfuiveiïc , die hierna volgen.
Eoubkmenc, (ra Het bovenjievan
een muur y . waarop de daifparren
ruften.
Entaher, (v. a.) Bezoedelm-, en-
taché de vice ? met ondeugd befmet.
Entaille, (f) Een kerj\ keep (m).
Entailler, (v. a.) Inketpen, in-
ierven.
Entaillure. {Zie Entaille).
Entame. {Zie Entamure).
Entamer, (v. a.) Ontginnen ^ op-
Jnyden; entamer un melon, un
paia,>iP» me toen , een brood ont-
ginnen, openfaydeu'y entamer un dis-
cours , eene reden aanvangen', enta-
mer an corps de troupes, onder
een boop krygslieden een gat maaken j
entamer la réputation de quelcun,
iemand in zyne eer e aantajlen; fe
laifler entamer, zich van zyn' ver-
binxinisofbejluit laat en aftrekken, item
zyn recht laat en krenken.
Entamure , ( f) De ontginning van
iets; d'eerjie fnee van brood enz; de
liant van 't brotd.
En tant que, (conj.) In zooverre;
Ie Roi en tant que Roi, de Koning
moor zoo verre hy Koning is y of y de
Koning als Koning.
Entaffé, ée (adj.) Opgehoopt, op'
gejiapeld.
Entaff^ment, (m) Ophooping, op-
fiapeling (f); entaflTement d'affai-
res, op eenjïapeling van zaaken.
EntafTer , (v. a.) Ophoopen , opfia-
pelen , op malkander leggen , Jïapelen j
en ta (Ter Ie bied , het koorn op hoopen
leggen-, entafr<?ï- des tréfors , fcbatten
vergaaren ; entafler argument fur
argument , het eene hevoysjluk op het
andere ftapelen , by brengen; entafler
crime fur crime, misdaad op mis-
daad begaan.
Ente , ( f) Ent , gif el', las aan een
tholen-roede.
Entement, (m) Enting (f).
Entenal, (m) iVyngaard loot y om
t^ vcrpooten.
Entendement, (m) Het verjiandy
oordeel (n).
Entendeur , (m) Een die ver/iaat-,
à bçu entendeur peu de paroles,
ENT.
een half woord is genoeg voor den wy-
zen^
Entendre , (v. a.) Verjiaan , hoo.
ren, enz.; il ne faut pas condamner
avant que d'entendre , men moet
eerfi booren , alvorens men vonntsd;
j'entends qu'on m'obéiffe , ik wil
dat men my gehoorzaame; je ne fan-
rois entendre à deux chofes à la
fois y ik kan geen twee dingen gelyk
doen; entendre la chofe, eene "zaak
verjiaan , kundig Zyn; il n'y veut pas
entendre , by wd 'er niet na lujjîe-
ren; donner à entendre , te kennen
geeven; vous n'y entendez rien, f y
begrypt 'er ni et s van ; ^' qui. enàrQ en,
ou, à quelquechnfe, zich ergens op
verjiaan ; cela s'entend , dat ver--
fiaat zich.
Entendu , ne (adj.) Verjiaan , ge-
boord; verjiandig , ervaren , wel inge-
rigt; il eft fprt entendu dans les
mathématiques, hy is zeer ervaren
in de wiskonjî; maifon bien enten-
due , een wel ingerigt , wel gebouwd
huis; habit bien entendu^, een wel
gemaakt kleed; aflfaire bien ou mal
entendue, eenwel of quaalyk aange^
legde zaak ; faire 1'entendu , zich
neuswys , vsrwaaad aanjiellen,
MaJ-Entendu, (m) C'eft un mal-
entendu, bet is een misbegrtp (n/a
misvatting (f).
Entente , (f) Meening, zin van
iets; un mot à double entente, ^f»
woord dat tweezins verjiaan kan wer-
den; l'entente de ce tableau eft ad-
mirable, de fchikking , ordonnantie
van die fcbildery is zeer f raat.
Enter , (v. a.) Enten , inenten y
griffelen; enter en fente, en cou-
ronne , in een kloove, in den bojl en-
fen; enter en écuffbn , œillet oa
bouton , eculeeren ; enter deux
pièces de bois, twee bouten in mal-
kander voeden,
Entérinement, (m) Bekragtiging y
volding! Kg e en er zaak {in Rechten),
Entériner, (v, a.) Iets gerecbtelyk
bevejligen, zyn volkomenheid, zyn be-
Jlag greven,
Enterocele , ( f) Een darm breuk.
Enterrement ,(m) Begraaffenis( f).
Enterrer , (y, g.) Begraaven y ter
aarde
ENT. '
aarde bejtellen ivnu^rrer fon fecret ,
zyn geheim bewaarend enterrer les
fuiaiiles, het vaat-werk in den hal-
lajl ingraaven {zee ir.) ; être enterré
tout vif, nxet niemand verkeiren;
enterrer des herbes , groente in
d'aarde leggen (by Tuinl.)
r.ntêté, êe(adj.( Eigezinnig ^ Jiyf-
boofdig j vooringenomen , verzot op
iets.
Entêtement , (m) S ty f hoofdigheid ,
koppigheid, eigcnzitmighetd , inbeel-
ding i 'vcor ingenomenheid rjan iets;
revenir de fes entêcetnencs > tot
zich ze/ven komen ^zyne eigenzinnigheid
laat en vaaren.
Entêter, (v. a.) In 't hoofd Jïygen;
Ie vin entête , de wyn vliegt in 't
hoofd; les louanges entêtent, de
loftuitingen niaaken opgeblaazenbeid;
5'entêter (v. r.) de quelque chofe,
vat: iets ingenomen 'worden; s'entêter
de fon favoir, over zyne geleerdheid
verwaand zyn. <
Efithoufiafrue , (m) Geejldryvery;
drift, vervoering van zinnen (f).
Enthoufiafmer, (v. a..) Sterke drift
mroorzaaken , vervoeren van zinnen.
Enthoufiafte , (m) Een geejïdry-
luer , een die vervoerd "jvord van zin-
nen.
Enthymênje, (m) Een b'ewys van
twee fï e Hingen {in bedenk.).
Entiché, ée (adj.)fiuits entichés,
aangejlokene vrugten; entiché d'hé-
réfie , met ketter y bef met.
Enticher, (v. a.) {voeïrAg geb.)
Aanjïeeken f beginnen te verrotten.
Entier, ier« (adj.) Geheel, Vol'-
komen , gantfch ; cheval entier , een
hengfi; une entière félicité, eene
volkemene gelukzaligheid-, un homme
entier, une femme entière, een
eigenzinnig man , eigenzinnige vrouw.
Entier (m) ou nombre entier,
een heel of ongebroken getal ; Ia chofe
eft encore en fon entier , de zaak
is noch in zyn geheel.
Entièrement, (m) Geheellyk ,
gantfchelyk , volkomentlyk .
Entité , (f) Het zyn , of aanw-
zen van iets (n) j {in Boven-natuurk.).
Entoiler, Iv. v.) Igts op linnen
üoaij^n , vafi heckten.
ENT. 2()2
Entoir ^ (m) hen ent-mes (n).
Entoifer , (v. a.) Iets by de roê
opt eekenen.
Entonnement,(m) Het vaatenvan
eenig vocht.
Entonnement , (m) Hot opheffbn'i
inzetten van een zang {ï\).
Entonner, (v. a.) t^aaten, in va-
ten gieten , doen.
Entonner, (v. a.) Opheffen y in-
, zetten , op zingen.
Entonnoir, (m) Een tregter.
Entorfe , (f) y'erwrikking , ver-
draaijin^ der Ledemaat en , en^. ,
Entortillement , (m) Omwinding ,
cmJJingering { f).
E'^'ortiller, (v. a.) Omwinden
enz. Le lierre entortille les ar-
bres , de klimop , of, klim omjlingerd de
hoornen; ûyle entortillé , verwarde
fchryftrant ; cheveux entortillés,
hair dat in lokken gemaakt is.
Entour, (m) Omvang, omtrek.
Entourer, (v. a.) Omvangen , om-
ringen, bezetten.
Entourner (v. a.) un cable , eeu
kabel opfcheeren ; iets rond leggen ; iets
rond uitfnyden^
Entournure, (f) Ronding der
k leederen.
s'Entr'accoUer, (v. r.) Malkatt"
der omhelzen.
s'Entr'accufer , (v. r.) Malkende-
ren bifchuldigen.
Entr'ade, (m) Een tuJTchen-fpet
(n).
Entrage , (m) Handgeld (n) ; gofis-
penning (m) wegens eenig g^ed of
verpagting j item het aanvaarden der
pagt.
s'Entr'aider, (v. r.) Malkander
helpen , byflaan» i
Entrailles, (f, plur, ) d'Ingcwan»
den; vuider les entrailles, d'inge^
wanden nitbaalen j les entrailles
paternelles, het vaderlyk medechO"
gen.
s'Entr'aimer, (v. a.) Malkander
beminnen , liefhebben.
Entraîner , (v. a.) TVegfleepefif
wegvoeren ;^ il ra'entrain de fon cô-
té , ^y haalde my ovpt' aan zynezyde%
être entraîné par fes pafllons , doot
zyns drift go weggevoerd worden ; on
Ten-
i2<58
ENl".
l'eiitraina au lupolice, mi» Jïeeptc
bem naar dt gerichts-plaats.
Entrait , (rn) Bind-balk , hoofJ-
halk {in Bouwk.).
Entrant, ^nte {&à].) Intreedende;
un homaie entrant, een vrypo/lig
man , die zich gezellig , gemeenzaam
weet te maaken.
s'Entr'appeller, (v. r.) Malkau-
der roepen.
s'Entr'approcher, (v.r.) Malkan-
der naderen-
Entraver (v. a.) un cheval, Ee»
paerd kluift eren
s'Entr'avercir , (v. r.) Malkander
waarfchuuiven.
Entraves, (pi.) KluiJJers, voet-
hlokken der poerden ; item alle foort
van bcletzeïen , kluijieringen.
Entravon, (m) Leêre riem aan
de kluifiers. '
Entre, (prep.) Tujfchen^, onder-,
entre vous &; moi , tujfchen u en
fny; entre mes livres, onder myne
hoeken; cela ell entre les mains de,
&c»dat is in de handen van enz.; il eft Ie
plas favant d'entre les Profeflears,
ky is de geleerdjie onder de Profeffo-
:ren ; il ne l'aura jamais d'entre
mes mains , by zal het nooit uit my-
ne banden hebben ; entre deux > tuf-
fcben beiden , tamelyk.
Entre-bâiller , (r, a.) (alleen dus
gebr.) Laifler la porte, la fenêtre
entrebâillée, de deur , het vengjler
Jbalf open laaten.
s'Eotre-baifer , (v. r.) Malkander
iujfen.
s'Entre- battre, (v. r.) Malkander
flaan.
s'Entre-blefîer, (v. r.) Malkander
t^uetzen,
s' Entre- brouiller, (v. r.) Met
malkander onëenis^ worden.
s'Envre-careffer , (y. r.). Malkan-
der liejkoozen.
s'Entre-chamailler, (v. r.) Met
fTialkander vegten.
Entrechat , (m) Een kruis-Jprong
(in 't danfen).
» Entre-choquer , s'entre « cho-
quer, (v. r.) Tégen elkander Jî^oten ^
potzen.
Xntre-c©Ionne ? (f) o a entre co-
! ENT.
lonnement, {mj Ruimte tujfcbentwn
Pylae» en.
sEi.tre-combattre, (v. r.) t'^a-
men Jlryden.
s'Entre-communiquer , (v. r.)
Malkanderen mededelen y berigten.
s'Entre-connoître, (v. r.) Mal-.
kander kmnen.
Entrecoupe, (f) Tujfchen fneed^,
opening,
Entre-couper, (v. a.) Afhreekeny
hinderen -y verdeeten y affnyden; païs
entre- roupé de montagrits, een
land doorfneeden^ verdeeld met ber-
gen; les foupirs entre-couvent la
voix , de zugten breeken de fiem,
s'entre-conper, (v. r.) doorfnyden ;
malbander fny den.
s'Entr'écrire , (v. r ) Malkander
fchryven , brief-wijfeling houden.
s'Entre-rroifer , (v. r.) Kruis-
tvyze door malkander loopen.
s'Entre-déchaufler , (v. r.) Mal-
kander ontfchoeijen ; fchoenen en koujfen
uittrekken.
s'Entre-déchirer , (v. r.) Malkan-
der' verfcheuren ; lajieren,
s'Etitredéfaire , (v. t.) Malkan-
der verdoen, ruineeren j om haïs
brengen.
s'Ëntre-demander, (v. r.) Mal-
kander vraagen.
s'Entre-dépécher , (v. r.) Tcf
malkander zenden , afveerdigen.
s'Entre-détruire , (v. r.) Mal-
kander vernielen', verwoejlen.
Encre-deux, (adv.) tujfcheti bei-
den , tujfchen in ', tamelyk.
Entre-deux, (m) Tujfchen-ruimte^
bet middeijle; de middilweg,
s'Entre-diiFamer, (v. r.) Malkan-
der fcben den ■, eer rooven.
s'E tre-dire , (v. r.) Malkanderen
zeggen.
s'Entre-donnerj (y. x.) Malkan-
deren geevfn.
Entrée, {t) Ingang y intréd , in-
tree; opening enz ^ laifTer l'entrée
libre d'une ville , den ingang eener
Had vry laaten; l'entrée d'une mai-
fin, d'ingang van een httisi l'entrée
du port, bet inkomen; de mond van
een zee-haven; faire fon entrée,
zyne intree doen ; l'entrée d'une
bou"
ENT.
iboateîlle, &c. d'openinç^ van e^n
vles\ enz. il a entree an confeil,
hy ma^ in Jpn Raad verfcbyn&ti ; à
fon entrée dans ie morde , by zyn
komji onJcr 't menfchJom -, à i'encr«ie
du jeu» in 't begin van 't fpel; en-
trée de table , bet eer/ie gercgt;
entrée de rivÏere, de mond vaneen
rivier-^ entrée de ferrure, Jl utel-
^at j droits d'entrée > inkomende
regten; encrée, overdraging der pof-
ten uit hi't oude in hit nieuwe bock.
s'Entre-fa-her, (v. r.) Malkander
quaad maaken , vergrammen.
Entrefaites, (f. plur.) (word
nooit alleen gebruikt)-, fur ces entre-
faites, terwyl dat gebeurde; il ar-
riva fur ces entrefaites j by kwam
middelerwyl aan.
s'Encreflatter, (v.r.) Malkander
vlyen.
s'Entre-fouetter, (v. r.) Malkan-
de*'en geejfelen.
s'Ènt' e frapper, (v. r.) Malkan-
der en Jl aan , kloppen.
s'E itre-froifler, (v. r,) Malkan-
deren kneuZ n , bhitzen.
Entregent , (m) {gem. w.) Gema-
hierdhetd y àartigheid in den omgang.
s'Entr'égorger, (v, r.) Malkan-
der den bals affnyden , vermoorden.
s'Entre-gronder » (7. r.) Malkan-
der bekyven.
s'Entre-haïr , (v. r.) Malkander
baaten.
s'Entre hanter , (v. r.) Met mal-
kander omgaan., verkeeren.
s'Entre heurter , (v. a.) Malkan-
der Jiqotsn.
JlntrelaLcementi(w)DoorvUgti»g(f).
Entrelacer, (v. t.) Doorvlegten ^
t'zamenvlegten-y un discours entre-
lacé devers, eene redenvoering jtj et
verfen doormengt.
Entrelacs , (m) Iets dat door een-
gevlogten of gedraaid is ^ als een knoop,
óf de Jlrik'letter van een llgneC; door
eengevlogten loof» werk.
Entrelarder, (v. a.) Doorfpekken -,
doormengen^ aU zoete-koek met fnip-
pers i un discours entrelardé de
&c ) eene redenvoering doormengt
fnèt enz.
Entre-ligne, (f) Én fujfcbefy
ENT.
nóg
9'Entre-Ioucr, (v. r.) Malkander
pryzen.
Entre-Iuire , (v. n.) Even door-
fchynen , fchêmeren.
s'Entre-mander , (v. r.) Malkan-
der berigten.
s'Entre-raanger, (v. r.) Malian-
der opècten-, elkaar ge duur i g in'$ bair
zitten.
s'^Entr'embarrafler , (v.r.) Malkan-
der belemmeren.
s'Entrembrafler , (v. r.) Malkan-
der omhelzen.
Entre-mêler > (v. a.) Vermengen^
onder een mengen; s'entre-mêler ,
(v.r.) zich tr^ens inmengen.
Entre-mets, (ra) De ttijfchen ge-
'rechten cp ecne maaltyd.
Entremetteur, eufe (m. & f.)
Middelaar , tujfchenfpraak ; koppelaar-^
middelaarjier; koppelaar/Ier.
s'Entre-mettre, (v. r.) 2^fcb tr^
gens injleeken, mede hemoeijen.
Entre-mife , (f) Bemiddeling y
tujfcben-komj} , tujfvhenfpraak ; c'eft
par i'entremife d un tel , que , hgt
is door de tujfchen-komji , hulp ^ van
zoo een, dat enz.
Entre-modiilon , (m), Ruimte
tujfchen twee krollen , kraagen ( m
Bouwk.).
s'Éntre-moquer, (v. r.) Malkan^
der befpotten , begekken^
s'Entre-mordre , (v. t.) Malkan "
der byten.
Êntre-nager, (v. r.) Tujfchen wind
en water zwemmen , dryven.
s'Entre-nuire, (v. r.) Elkander
benaieelen.
s'Èntr'envoyer,(v. r.) Aan mal-
kander zenden.
Entre-ouir (v. a.) quelque cho-
fe,^ iets half booren,
Entre-ouvrir, (v, a.) Halfopen
doen.
s'Entre- parier, (v. r.) Malkander
fpreeken.
Éntre-parleur, ffn) Een die op
een fcbouwplaats fpree kende word in-
gevoerd i een tujfchen fpreeker,
Entre-pas, (m) Èen halve of ge-
broken pasgang {in de Ëyfch.).
Entre-paiïer, (v. a.) Tujchen
doorgaan j doorjlaan,
sT.n^.
J270 ENT.
s Entre-percer, 'v. r.) Malkan-
deren doorjleeken ; door tnalkmider
dringen.
s'Entre.piller, (v. r.) Malkander
pïUKderftj, beroo-jcn.
s'Entre-piquer, (v. r.) Maïhan-
der fteeken ; malkander Jleekcn onder
ivatcr gceveti. _
s-Encre-plaider, (v- r.; MetmaÏ-
handt ren pleiter. ^ ^
Entrepos. {Zie Entrepot).
Entrepos . (m) Tuffchenpqozmg ^
rujl ( f ) , rjicr-avond (m» ; écrire par
entrepos , by tujchenpoozing fcl?ry-
ven.
Entrepofer , (v. a.) TTaaren op
een Jlapel'pfaats neerleggen.
Entreporoor,fra) Iemand die^ of een
Schip dat aldaar loft.
Entrepôt , (mi Haven of plaats
daâr de Koopmans goederen opgelojï',
opgpjlage» of verladen worden; ville
d'entrepôt , JJapel plaats, daar de
goederen verjlapeid ivorden.
s'Entre-pouffer, {v. r.) Malkander
Jiooten.
Entreprenant, ante (aJj.) Stout ,
iloekmoéaig ^ onvertraagd; c'eft un
homme fort entreprenant , by is
ten zeerjîcut , gerefolveerd man.
Entreprendre ('v.a.)quelque cho-
fe , tets ondemeemen , onderwinden , be-
Jiaan ; entreprendre quelcun , ie-
mand aantajlen , onder handen neemen ,
tot reden zoeken te brengen ; entre-
prendre furies droits, fur la char-
ge ,furl'autorité, fur la vie de quel-
cun , in iemands recht, bediening , ge-
zag vallen , naar iemands leven Jïaan.
Entrepreneur, eufe (m, & f.) On-
derneemer , aann^emer ; aanneemjier ,
een die iefs wigtigs durft ondernee-
men.
s'Entre-prefler, (v. r.) Malkander
dringen.
s'Entreprêter ? (v. r.) ^an mal-
kanderen leenen.
Entrepris, ife (adj.) Ondernomen y
aangevangen , begonnen ; aangegre-
pen ; entrepris Cperçlus) tam.
Entreparife , ( f) Onderneeming (ï)^
voornemen (n) , aanjïag op iemanS
leven, inval in iemands recht (ra);
ane entreprife hardie, eenfioutbe-
ENT.
flaan; venira bout de fon entre-
prife , zyn aanjlag uitvoeren.
s'Entre-quereller , (v. r.) Mee
malkanderen tivijîen, krakkeel hebhen.
Entrer, (v. n.) Ingaan, inkomen ■;
imreeden; entrer à table, aan tafel
gaan; entrer danslamaif n, in het
buis treeden; entrer dans Ie port,
in de Haven loopen; entrer en pos-
feflion de quelque chofe , in 't bû"
zit van ieis treeden; entrer dans les
interets de quelcun , m de belangens
va*i ier/tand treeden ; entrer dans Ie
fens de quelcun, iemands meening,
gevoelen vatten , goedkeuren ; entrer
dans fa 2cme année, in zyn lojle
jaar gaan of treeden; entrer dans Ie
détail des chofes, tot de byzonder-
heden der zaaken komen ; entrer en
difcours 9 eene reden aanvangen ; en-
trer en roatiero-, tot de zaak komen;
entrer en proces , een geding , pro-
ces aanvangen; entrer dans Ie mon-
de, in gezèlfchap , onder Menfchen ko-
men ; entrer en colère, haaftig ,
gramJÏQorig worden ; entrer dans 1 'es-
prit, in den zin komen; entrer dans
une affaire , zich in eene zaak men-.
\ gen; entrer en condition , in een.
\ dienjl, of, kuur treeden ; entrer dans Ie
j fer vice , zich in den dienjl be ge even ;
j entrer en religion , en charge , hes
Kiooffer leven ; een ampt aanvaerden ;
entrer en paralelle avec quelcun,
iemands gelyk worden ; entrer en rut,
loopfch , ritjlg worden ; il entre
quatre aunes dans cet habit >, trois
pintes dans ce pot , daar gaan vier
ellen m dat kleed , drie pinten in die
kan; que vous entrez mal dans ma
penfée ! 'wat vat gy myne meening
kwalykl des médicaments où il en-
tre &c. geneesmiddelen daar inko-
men enz.
Entrer (v. a.) un vaifTeau , een
Schip inbrengen.
s'Enti e-regarder , (v. r.) Malkan-
der bezien , aankyken,
Entre-regne , (m) Tuffcben regee-
ring (f), een interregnum.
} s'Entre-rencontrsr , (v. r.) Mal-
kander ontmoeten,
■ s'Entre-repondre , (v« r») ^^''
1 kander antwoordtat ^
rEvr
ENT.
■ »»EfitrC-reflembler, (T. r.) Mat^
tonder getyken,
sEntrefalaer , (v. r.) Malkander
groeten.
8'Entre-fecourir , (v r.) Malkan-
der hi'lpeny hyftaàn.
ETnCre-fol , (m) Een bangAamer
s'Entre-foufFrir , (v. r.) Malkander
Verdraagen, dulden,
Entre-foarcil, (m) fTydte tujfcben
de twee ivet:kbraattwen.
Entre-fuite, (f) f^ervolg ^ t* za-
nenbang (dit woord verouderd).
s'Entre- fuivre , (v. r.) Op mal-
kander volgen,
s'Entretailler, (v.^r.) Cheval qui
s 'ent retaille , Paerd dat in 't gaan
de voeten tegen malkander Jioof of
Jlaat.
Entretaillure , (f) Sebaaving of
quctfuur daar van»
Entretemps, (m) Een tujfcben-tyd
(f); un heureux entretems , eene
gunjiige geïegenbetd ^ ofjlonde,
Entreténement (m) des foldats,
het onderhoud der Soldaaten,
Entretenir, (v. a.)- Onderbonden -,
entretenir une familie > een buisge-
zin levensmiddelen verfchaffen , ónder-
houden ; entretenir une armée , een
léger onderhouden j entretenir une
maifon, een huis onderhouden, in goe-
den Jlaat houden -^ entretenir la paix,
de vrede ^ onderhouden 9 bewaar en -y
entretenir l'amitié , de vriendfchap
onderhouden; entretenir les défian-
ces, bet misvertrouwen aan^eeken;
entretenir quelcun , met iemand
fpreeken ; entretenir queicun de bel-
les promefTes , iemand met fchoone
behften slaande houden ; s'entretenir,
(v. r.) il ne gagne pas de quoi s'en-
tretenir , hy wint zoo veel niet dat
by zi^ kan onderhouiien ; s 'entretenir
avec quelcun de quelnue chofe ,
met iemand over eene zaak redenkave-
ten.
Entretenu , ue {zà].)Ouderhouden ,"
§nz.
Entretien , f m) Onderhoud(n) leef >
fagt ; t' znmenfpraak , rédeniviJÏeling
( f) ; gezelfcbap (n) ; l'entretien coû-
te tanc ,1 de» êndfrbauj koji zoo veel 1
ENT. ENV. 27 Î
les mauvais entretiens gâtent le»
bonnes mœurs, kivaade zamenfpree'-
kingen bederven goede zeden.
EntretitTu , uë (adj.) Doorwee^
ven , doorvlogten , doormengd,
Entretoile , ( f ) Binnenwerk va»
kant , tt{Jchen twee Jlukken Lynwaafi
(n).
Entretoife , (f) Bind-hout {in
Bouwk.)
s' Entre-toucher, (v. r.) Malkan-^
der raakeny aattpaalen.
s'Entre-traiter, (v. r.) Malkaw.
der onthaalen,
s'Entretuer, (v. r.) Malkander
dooden, ombrengen»
s'Entrevêcher, (v, r.) 2^ig ergens
inwikkelen , toeftommelen , dat men
zig niet roeren kan.
Entrevoir , (v. a.) Een weinig
zien , ten balven zien j entrevoir l'in-
tention de quelcun , iemands oog-
merk ten balven bemerken j s'entre-
voir, (v. r.) malkander bezoeken.
Entrevoux , (m) Ruimte tujjcben
twee dwars-halken {in Botiwk.)
Entrevue , ( f ) t' ZamenJiomfii
convenir d'une entrevue , eene
byeenkomfi beraamen.
Entr'ouvert , erte (adj.) Half
open,
Entr*ouvrir, (v. a.) Ten halven
open doen ; s'entr'ouvrir , (v. r.)
half open gaan ; gaapen,
Enture , ( f) Enting , inenting {Ho'
vent Ti;.)
Envahi , ie (adj.) Verooverdy
enz.
Envahir (v. a.) un Royaume,
een Koningryk , aanvallen , bemachti-
gen.
Envelioter, (v. a.) Op kleine hoo-
pen leggen {in den Landb.)
Enveloppe, {?) Omjlag (m), be^
kleedzel (n) ; 'borjl-weering {in Ves*.
tingb.) ; enveloppe d'une lettre,
d'un paquet , omjlag , oouvert van
een Brief; omjlag van een pak; dire
quelque chofe fous de belles enve-
loppes, iets onder fraai îe verbloemde
woorden zeggen.
Enveloppement , (m) Omwindféi
(n) , inwikkefing ( £). .
Enveloppé ée (adj.) dans de
%^^ ENV.
laaavaifes affaires, in kwaade zaa-
ken ingewikké'lci ; difcours envelop-
pé , bewimpeld gefprek.
Fnvelopper , (v. a.) Omwinden y
inrollen f inwikkelen; s'envelopper
^v. r.) dans fon raanteau , zicb in
zyn mantel toemoffelen.
Enveloppeur, (ra) Een verbloemde
Scbryvef of redenaar ; item inpakker.
Enverimer, (v. a.) I^ergifiigen;
envenitDer refpric de quelcun,
iemands geefi verbitteren , kwaadaar-
diii maaken.
"Enverger, (vy a.) Met teenenvhg-
sen.
Enverguer, (v. a.) Een zeil aan
tfe ree Jlaan , vajl hinden {Zee nv.)
Envergure , (f) Het aanjlaan ; item
afpa[fwg , afmeeting daar van.
Envers , (prep.j Jegens, omtrent',
charitable envers les pauvres, lief-
ifaadig omtrent den armfn.
Envers , (m) De verkeerde , ofyave-
rfgtfe zyde van iets { f) ; l'envers du
drap, d'averegtfe zyde van 't laken;
à l'envers , (adv.) verkeerd , ave-
regfSf être couché à l'envers , op
zyn rug leggen; avoir l'efprit à l'en-
vers , arf>'^^fj, o^'^rf f niet wel by zyn
zinnen zyn ; prendre tout à l'en-
vf rs , ailes verkeerd opvatten,
Ervi , (ro) {Word alleen dusgebr.)
travailler, étudier à l*envi,o»ï Jîryûf,
Qtn'tbefi , om 't eerfî werken, ftmieeren.
Envie, (f) Nyd , afgunft , baat y
lufl, neiging ; porter envie à quel-
cun , op iemand nydig zyn ; vôtre fort
eft digne d'envie, uwjlaat is beny-
dfm waardig; je meurs d'envie de
le voir, ik brande van verlangen
«rn hem te zien -, avoir envie de
aoanger, lujl tot eeten hebben; ce!a
fait envie , dat doed watertanden ;
j'ai quelque envie d'aller à la fel-
le , ik heb eenige trek tof ftoel-^ang ;
fi 1'envie m'en prend , indien ik
"er lufl ror/frry^, l'envie lui prit de &e.
hy kreeg lu fJ ^ om enz. envie de fem-
iqaes grofTfs , beluflheid , lujl der
zwangere f^rouiven.
Envies, (f. pi.) Nynagels.
Envieilli ,ie (adj.) Pécheur en-
vi e illi , verouderde , ".et har de zon-
éaar.
ENV. ENY. E'OL.
Envieillir ( v. a. ) Oud maaken i-
s'envieillir,,(v. r.) oui ivorden.
Envier, Cv. a.) Benyden , misgun^
nen; une charge enviée de tout le
monde, bediening naar welke ieder
een begeerig «V; envier ie point j op
de meefle cogen iets zetten {in 't Spel)^
Envieux , eufe (adj. &c fubft.)
Nydig , afgunjïjg ; een wangunjhge y
een nydigaard; fon merite lui fait
des en vieux, zy« verdienjie verwekt
hem benyders.
Enviné,.ée (adj) Met wyn voor-
zien.
Environ , (prep.) 5 Omtrent, ten
naa/ien by.
Environnement, (m) Omringing,
(f). :
Environner , (v. a.) Omringen y
omcingelen , bezetten.
Environs , (fn. pi.) De omleggen-
de plaat zen.
Envifager , (v. ».) ^anfcbouwen ,,
befchouwen j overdenken , voor oogen
Jlellen.
Envitailler , (v. a.) Met leeftoge
voorzien.
E*numérat;ear , (m) Opteller,
E'nuroération, (f) Optelling.
Envoi (m) demarchandifes, zen^
ding { f) van goederen.
Envoile;-, (v. n.), Buigen , krom-
men, s'envoiler, (v. r.) krom wor-
den.
Envoifiné,ée (adj.) Die huuren
beeft , gehuurd.
Envolé, ée (adj.) IVeggevlogen.
s'Envoler , (v. r.) ff^egvliegen;
ontfnappen.
Envoûtement, (m) Betovering met
een xvojfchen beeld.
Envoûter, (v.a.) Iemand door die
betovering dooden.
Envoyé, ée (adj.) Gezonden»
Envoyé , (m) Een afgezant.
Envoyer , (v. a.) Zenden , afzen-
den , toezenden ; . envoyer quelcun au
devant de, iemand te gemoet zenden
aan enz.; envoyer quérir quelcun,
iemand laaten haaien; envoyer fon
laquais, zyn knegt weg jaagen.
Enyvré. (Zie Enivré , enz.)
E'ole, (m) E'oqI, (de God dey
ivittJen) .
E'öli-
EOL. EP A.
E'olipyle , (fti) f'f^inJ-kogel , holle
kogel ( f,).
Epaae,(f) Hef verfcbil van ii
dagen tttjfchcn het nuane en zonne
jaar.
. E'pagneul , eule (m. & f.) Patrp-
hand.
E'pais, aifre(adj.) Dik ydikketgrofy
grove; digt ; planchf: épaifTe , dikke
plank Î épais de trois doigts , drie
vtnger dik , drap épais , dik, zwaar
laken; bois épais , een dig: bofcb;
liqueur épaiffe ^dikke » drabbige vogt ;
air épais, dikke Lucht ; efprit épais,
een plomp verjland; il donna Ie pre-
mier dans lè plus épais de la Ca-
valerie , hywaf d'eerjie die op 't dik-
Jle van de Ruitery inviel.
E'paifleur , ( f ) Dikte ; digte; trois
pieds d'épaifleur , drie ^'oet dik;
épaifleur d'un bois, bet digjïe van
een bofch.
E'paiflîr 9 (v. a.) T^erdikken , dik,
digt niaaken , s'épaiflir , (v. r.) ver-
dikken , dik worden ; lomp van verjland
worden; l'air s'épaifllt , de lucht ver-
dikt.
E'païfliflement , (ni) Verdikking (f).
-E'pamprer, (v.a) Den wyngaard
afbladeren.
Epanchement (m) de quelque li-
queur j de bile; de cœur , uîtftor-.
f ing v.in eenig vogt', overloop van gal-
le ; ui'Jlorting des harten, gulhartige
beid ( f).
E'pa-.xher, [v. a.) Uitgieten , uit-
Jlorten^rletiiivn; épancher foncœur,
zyn hart openbaaren; J. C. a épan-
ché fon fang,y. C. beeft zyn bloed
vergooien', s'épancher, (v. r.) uitge-
Jïort , geplengt worden.
E'panchoir, (m) Stortgat van een
waterloop (n).
E'pandre, (v. a.) Verfprpiden,uit-
Jpreiden ; uit (lort m ; s'épandre , (v. r.)
zig verfpreiden ; Ie fleuve s'épand
dans la plaine; de rivier verfpreid
_zich over de vlakte; Ie bruit s'épan-
dit , het gerugt verfpreidde zich.
E'pandu, ue (adj.) Verfpreid , ge-
Jicrt.
E'panorthole , (f ) Cierlyke verbete-
ring der vorige reden eer ing {in Ké-
denk ).
EPA. ï?7i
E'panoui, ie (adj.) OJttlooken.
E'panouir, (v. n.} s'E'panouirj
(v. r.) ontluiken, opengaan; fleur qui
s'épanouit , bloem die ontluikt ; foi\
coeur, fa rate s'épanouit, zyn hart
ontlmkt , word vrolyk.
E'panouiflTemeqt , (m) Ontluiking
der JMo:men ; vrolykbeid des harten
(f),
Ê'parer, (v. n.) s'E'parer, (v.r-)
De voetep te verre uitjlaan {in de
Ryfch.)
E'pargnant , ante (adj.) Spaar^
zaam , zuinig.
Epargne , ( î) Spaarzaamheid, zui-
nigheid , vergaaring ; Koninglykefchat^
kijl; Treforier de l'épargne, 'sKo'
nings fchat-bewaarder.
È'pargner, (v. a.) Spaaren , bem
zuinigen; épargner les troupes, fon
argent ; de troepen , zyn geld fpaa^
ren; n'épargner ni âge, ni fexe *
noth jaareo , nach gejlacl/t verfchoonen ;
s'épargner, (v. r,) zich zeïven ont-
zien, vieren.
E'parpiller, (v. a,) Hier en daar
vetrjl rooi jen , verTpreiden ; le vent
éparpille les cneveux , de winJ
fpreid het hair van een; éparpiller
du fumier , mifi van een fpreiden-,
s'éparpiller la rate, (fpr.w.) vro-
lyk zyn.
E 'pars, (m) Een vlagge-JIak; ara
van een draagjloel.
E 'pars, arfe (adj..) Gens épars ça
& là, hier en daar verfirooid Voljt^
cheveux épars , verfpreidde , lojfe bai-
ren.
E 'parvin, (m) Het fpat (n) {zeker
gezwel aan de bèenen der paerden).
E'pater, (v. a.) De voet van een
glas enz. afbreeken; un nez épaté,
eene platte neus.
E'patique. {Zie Hépatique),
E 'pave , (f) Cejïrand of verloor en
gsed ; item verdwaald vee dat de
Landheer eigend; ook een vreemdeling
wiens berkomji of Vaderland men nief
weet.
E'paufure , (f) ^fgefprongen fuk
van eenen gehouwen jleen.
E'pavite. {Zie Efpavite),
E'paule, (f) De feboudsr j épaule
d'un baftion, zyde , flank eenes bai-
^74 EPA. ËPE.
«rr^/;éparue de moaion , Jïrj^f-byi ^
breeJe byl (by 1 maner L) ; épaule
d'étang, vyvenLim-, épank- de vais-
fcau , de wrtKging , draaijing der^ boeg
van een Schip; porter fur fes épau-
les, op zyne [chouderen drciagen ; il
I VOUS paijera par defTus Tépanle , hy
zal u over Schouder {dat is) metbeiaa-
lenifpr. -w.) ; regarder les gens par
deirtjs l'épauie , de luiden over de
fùkoudrr {dat is) met veragting aan-
zien ; il fent l'épaule de möuion , by
Jiinkt als een Bok.
E'paulés , (f) Een floot , duuw
met de i'chouder ; voor-kwartier van
een Schaap ; travailler par épaulées ,
by horten en ftooten arbeiden.
F'paulement , (m) f^erfcha>7sjtrg ,
bor'^: weer ing (f).
E'pauler , (v. a.) Ontfchouderen ,
de fchouder verrekken , uit het lid
trekken ; verfchansfen , dekken ; een
fnuur enz.fchoorcn., onderftutten ; onder»
fchraagen, byjlaan ; béte épaulée,
een ' hedrogpn 't^ryfler,
E'paulette , (f) Schouder - naad ,
Jïrnokje.
E'paulïere, ff) 't Schouder -fiuk
van een Harnas fn).
E'oéautre , {m) Spelt {een flag van
iór>^) { f).
E'pée y{^)Een degen {m); porter
- l'éoée , den degen drangen; mectre
Pépée à la main , mettre la main
à l'épée , den dégen aangrypen -, gar-
de , pcmeau d'épée, gsvefs , knop
van een dégen', prendre l'épée , den
déqen . het zwaard opvatten j pafTer
tout au fil de l'épée , ailes ter nesr
zabeler. , over de kVng laaten fprin-
gen \ fe faire une paffage l'épée à la
main , zig 'er door zabeien; un hom-
m^d'épév?, een kryg$~rnan', fe bat-
tre /ie l'épée blanche , ntet denhloo-
ten dégen vegteny fon épée eft vier-
ge , hy heeft nog geen dégen getrok-
ken ; n'avoir que l'épée & la cape ,
niett hfbhen arm , een kaale Jonker
zyn ; être a'ix épées & aux cou-
teanx, grfîaJig tntwtjl leven; ils'eft
pafTé Toa épév.- au travers du corps,
by hreft zich zelven doo^-flooken ; c'eft
fon épée de chevet, ûTiï; is zyn hart-
ader {fpr, iv.)'û eft oé pour l'épée,
I EPE. EPH.
by is voor den Krygs-Jiand grbcoren',
fon épée ne tient pas au fourreau,
zyn dégen zit los in de fcbcê.
E'peiche , (f) Roodfpecht {zeker
Fo^el).
E'peller (v.a.) un mot, een woord
fpe'len.
E'penthefe, (f) Inzetting van een
of mtcr letteren in een woo^d.
E'perda , ue (adj.) Demeurer
éperdu y verfield, verbaafî Jlaan bfy-
ven.
E'perduroent, (adv.) Aimer éper-
dnment , met bart en zid beminnen',
être éperdument amoureux, op het
uitrrjh t defperaat verliefd zyn.
E'perlan, (m) Spiering {Vifch).
E'peron, (m) Eenfpoor; tegen py-
taar <, Jhene beer; bet galjoen ^ de fna-
vel van een Schip; donner de l'épe-
ron, met de fpooren fteeken ; don-
nons un coup «l'éperon jufques là,
Ir.at ons daar na toe rennen ; n'a-
voir ni bouche ni éperon , een
paerd dat noch va toom , noch fpooren
luifJerd; item een me^ifch die nergens
toe gefchikt /jj il a befbin d'éperon,
by moet aangefpoord worden.
E'peronne, ée (adj.) Gcfpoord , met
fpooren voorzien.
E'peronner (v. a.)nn eheval,^^»
paerd aanfpooren , de fpooren geeven.
E'peronnier, iere (m. & f.) Een
fpoorrmaaker.
E'pervier, ou Eprevier,(m)£^^«
j fperivcr {vo^el) , een werp-net ; item
I een Boekdrukkers jonqe,
I E'pervin. {^ie E'parvin)»'
E'peter , eu Empiéter, (v. a.)
Eenfluk van de weg af ploegen»
E'péus, (m) Bequaame werker in
krygstuig.
É'pha, (m) {Hebr. <w.) Zekere koo-
retitnaat by de Ifroelîten.
E'phémere ,Cadj.)ö^^ maar eenen
dag duurd; fièvre éphémère, koorts
van 24 uuren.
E'phémérides, {?. pi.) Dag-boek ,
Journaal ; item réken-tafel van den
dagelykfchen loop derjflerren.
E'phialtes, (m) Nagt-merrie (f)*
{Zie Incube).
E'phod , (m) Zeker Priefïerlyk
kleed by de Jood^n,
JE'pho-
EPI.
■> E'phore , (m) Opptr-regter in Spar
fa if voor dt't'zrn.
JE 'pi , (m) Ken' aar y koren-aar {£) ;
bles a m 't \ oor hoof A der paerJen ; é-
pis, punren , fpitzen aan tralie- of
tent-werk) moncer en épis, in aaren
fcbietm.
E'picarpe, (m) Pols - pleiJJer voor
de koorts.
E'pice , (f) E'piccs, fpl.) Krui-
den , krui Jrncr yen , fpt'd'ry.'n ; jain
d'é^'ice ^ pâppy-kock ; épii.cs %gcricbti-
kojlea-, vacantie gehi<-n.
Epiceni", {vn) ÏSLïannvoórJ dat bei-
den i^ejlackten gemren is.
E'picer, (v. a.) KruiJ>^n , met fpe-
ceryen toemciaken; épicé, ée (adj.)
gekruid.
E'picerie, ( f) Allerbande kruide-
neryen,
F.'pirïer, iere (adj.) Kruide nier y
iruiè'iier ; kruiè'nterjlir.
E picaritn. (m) Een Epicurijl.
F/üicurisrae , (m> De leer vanE-
picuur { f).
Epicycle (m) de Ia lune , bykring
van dr maan ( f).
E ' pi d'-'- mi e ,{f)Aar>jï eekend e ,land-
aart- of g t^ m s ene zirkte.
E'pidémique, (ad),) Maladie épi-
démiq'.-'e , befmettelyke land-ziekte ;
un vice, un mal épidémique , eene
ondeugd, een qtiaadaan eenig volk eigen,
E'piderme , (m) De opperhuid^ tuj-
tcnhuid {in Ontleedk.),
E'piément , (m) l^erfpicding j be-
loert»^ {()t (iveinig gebr.),
E'pîer iv.a.) quelcun , iemand be.
fpieden , beheren , épier l'occalldn,
le moment , de gelegenheid , het
oogenhlik waarnermen.
E'pier, (v. n.) In aaren fchiefcn.
E'pierrer, (v. a.) ^ an fleenen zui-
veren (alj een tuifî rny.).
E'pieu , {cû)Een jagt-fpriet ,zwyK~
/prie t.
E'pigaftre , (m) Opper-fmcerbitiky
{in Onrlcedk.).
E'pii^aftrique , (adj.) Dap daar toe
behoord.
E'piglotce, (i) Hi-t lelietje van de
keel (n).
E'piçrammatique,(adj.) Epigram-
maiilch.
EPI. -575
E'pigrammatiHtj (adj.) Eeu punt-
dichter.
E'pigramme , (f) Etn puntdicht,
kort y zit:ryk opfchrifi of gedicht (n).
E'pigruphi: , {f) Opfc h nft op em
geb'juiv (nj.
E'pikie , ( f ) Maatiging , welke,
zonder . onbiliyk te zyn , de wet ver-
zakt.
"E'pil&pfie (f)Mal caduc, ou haut
mal (m) t^allcnde ziekte.
E'piteptiquc , (adj. & fubft.) Dat
van de ^'all-nde ziekte is , of een die
zulks or.derivorpen is.
E'pilogue y (m) Sluitrede , korte
herhaaling of toepajfing van 't geen ge-'
zegt is (f).
E'piloguer (v. a. & n.) fur tout,
op alles u-at te zeggen 9 te bedillen
we et en.
E 'p i 1 ogueur , ^m) Bediller, berisper.
E'pinard , (m) E'pinars , (pi.)
Spiriagie ( f) , (een Mceskr.),
E'pine , ( f ) Een doorn; prikkel (m^;
épine du dos, rugge-graat ; on ne
trouve point de rofcs fans épines,
geen roc'Zni zonder doordien {fpr.w.);
marcher fur des épines, op ejjeren
gaa*i y niet toetreeden, la vie eft
plt-ine d'épineâ , bet leven is vol
mocijflykheid.
E'pinette, (f) Een klavec-cymbel.
E pine-vinette , (f; Een bage^
d-jortj', barbarijfe (ra).
E'pineuK , eufe (adj.) Doornig y
doorrùigtig', moetjelyk; lieu épineux,
een plaats lol klippen \ la voie da
falut eil: écroite & épineufe -, de
iVeg der zaligheid is naauiv en moei-
jelyk.
E'pingle, (f) denfpeld cf fpelle -,
tirer fin ópingie du jt^u yuithetfpel,
of ook ergens van affchetden ', donner
des épingle? aux f-'rvantts, de meis-
jes fpelde geld geeven.
É'piriglier , (ra) ' pAde-maaker-y of y
verkicper ; fpelde-kujfen ; fpoel van een
fpinr.e-wiel'
E'pinier, iere (adj.) Moelle épi-
niere, 't rugiie-merg.
E*piniers , (ra. pi) Doonie firui-^
ken , wilde zwyns léger.
E'pinocher « (v. n.) {gem. %v.)
Pfuzelen y kieskaauwen,
S 2 JC'pii^lia-
2^5 EPI.
E'piphanje , C f ) Drle-Komngendag
(rn* (fête des Rois mages).
E'piphoncme, (m) {in redftjeerk.)
Gedenkfp>eiik waar mede eene reden
O'-fl oten 'ivord.
'E'piplKire, (m) Gepadi^ hopen der
oo?rn met ontjleeking (n) (»« Heplu.)
EpiDhyfe, (f) Een heen i^) dat
air) eru ander g^^^rceidtt (in Hee.s.)
E'pi-'Iocele', (f) Een net-breuk (in
E niploiqae ,Cadj.) V Geen tot zuIk
♦;.'► behoor J (in Ontltedk.)
E'piplöoïi, (m) Darm net (n) (in
Ontlredk.)
E'Dique (âdj.) Poëme épique ,
Uclden-dickt.
É'piscopal, aie (âdj.) Bîjfchoppe-
lyk.
E'piscopat , (m) bisdom (n) j bis-
fchnppelyh wacrdigheid (£).
E'piscnpaux , (m. plur.) De bis-
fchoppelyke 'f de leden der Anglicaan-
fche kerk.
Eïpiscopifant, (m) Een die naar
een bisdom dingt,
E'piscopifer , (v. n.) Naar een
bisdom Jlaam.
E'pirode, Tm) Dicht-Jluk y dat van
het hoofd dicht afwykt en alleen voor
de aartigheit daar in gelajl word
(n).
E'pifodirr ,(v.a.) 2^odjnire dicht
Jluhken maaksn, in brengen.
E'pifodique, (adj.) Dat van dien
aart is.
E'pilfer (v. a.) une corde ^ Een
touw fplitzen.
E'pilToir , (ra) SpUts-hoorn fplits-
fzer 'n).
E'pïffr.ire, (f) Splifftn^.
E'piflolaire , (adj.) flyle épirio-
iaire , brief-flyl.
E'piftyle, (f) Balk die van den
eenenpylaer na den anderen gaat (m).
E'pitaphe , (m) Graffchrift (n).
E'pite, (f) Deatel , iviggedietn
f ene andere ^ejlooken vuord om ze te
dikker.^ (in Scheepsb.).
E'pit-halame , (m) Een bruiloft s-
dicht'\v\) of zang.
E'pithete , (, f ) Een byvoeglyke
naam , uitdrukkende de hoedanigheid
ei.ier zeak; iiem een toenaam of ty tel >
EPI. EPL. EPO;
E'pitié , (m) Kogel-kaii ia een
fcbip (f).
JE^.'pîcoîr, (m) Deutel yzer (n)
(in Scheepsb. (Zie E'pite).
E^itoge , (f) Pref!dents-*<ip (m
Parys).
_E'pitome, (m) Een kort begrip ^
Uittr Ife^ (r:).
E'picomcr , (v. a.) Een kort be^
grip, Corapendium maaken,
E'pitre, (f) Ken zend brief y brief
(va) -f épicre dé-:iicatoire , een op~
dragt ; opdragts-briff.
E'piaigner , ou Emplaigner >
(v. a.) Deix'olcpkratzen (byDroogfch.)
E'plaïgncur , ou Enjplàigneur ,
(îd) Opkratzir daar van.
E'ploré, ée,ou épleuré,ée(adj.)
Bekreeten, bitterlyk iveenende.
E'ploijé, ée fadj.) Met uitgeflrek-
te vleugelen (in Wapenk.).
E'nluehement /m) Uitpluizing (f).
E'plucher , (v. a.) Uitpluizen y uit-
leezen; éplucher de Ia falade, (k-
laad, of JJa fchoonmaaken-, éplucher
des arbres, boomen zuiveren-, éplu-
cher une affaire , eene zaak naauio
onderzoeken , uitpluizen.
E'plucheur, eafe (ra. & f.) Uit-
pluizer', naauwe onderzoekfier.
E'pluchoir , (ra) Mandemaakers
rnesje (f).
E'plucbares, (f. plar.) Vuilig.
heidf enz die men by 't fcboonmaakett
der groentens wegwerpt.
E'pode , ( f) Ülot-zang , na-zang.
E'pointer (v. a.) un clou. Een
fpyker de punt afbreeken.
E'pointure, (f) ^errekking der
fch'jfr van een hond.
E'pois, (m) Tak n,an een Herts-
hoorn.
E'ponge, (f) Een fpons , fpongie ;
il boic comrae une éponge , hy
zuipt als een tempelier (fpr. w.).
E*pontilles , ( f. plur. ) Berkoenen,
fiuttpri^ kruis-houten (in Scheepsb.).
E'popée, (f) Een belden- ji ebt (n).
E'poqae, (f) Tyds.ftip (n) , aan^
vang eener tydreekening (m).
É'poudrer, (v. a.) Het flofafvee-
gen , uitkloppen.
s'E'DCiiffer, (v. r.) Zig heimelyk
wegPakkeni ive^gaan (gem. w)-
Ê'pouil.
EPO. EPR.
F,'ponilIer, (v. a.) Luizen y de
îutzen afvatigen, afkamrr.ev.
s'E'poumoniier , (v. r.) Zich bui-
rrn aciem iQopen of xvtrken,
E'poafailles , ( t\ plur. ) De
trouw (m) , pl'gtightiJ Jfs buuwe-
lyks (f).
E'poufe f ( f) BruiJ; huis-irouiv ,
beminde , gemaalin ; épou fe de Chrift,
d/f Bruid (dat is de Ktrk) zan Krif-
tus»
E'poufé , (m) Bruidegom > nieuw
getrouwde man.
E'po'jfée, (f) Bruid, nieuw ge-
rouwde vrouw.
E'poufer, (v. a.) Trouwen, ten
huuwelyk neemen , bauwen ; pour être
libre il ne faut époufer, dat ts-j
il ne faut s'attacher à perfonne,
men moet zich aan niemand verbinden',
époufer la querelle d'autrui , ie-
mands twiji aanneemen ^ ztcb in zyn
plaatt J^eïlen; époufer une opinion,
een gevoelen aanneemen; s'époufer,
(V. r) met malkatjder trouwen.
E'poufeur , (m) {boert, w.) Een
vryer,
E'ponflTeter, (v. a.) ^ffloffen, af-
borfielen ; item iemand afrojfen.
E'rOiiflette , {Zie Vergettes).
E'poavantable , (adj.) f^erfchrik-
kelyk j vervaarlyk , affchuuwelyk.
E'pouvantablement, (adv.) TJJe^
lyk , afgryjfelyk,
E'pouvantail ) (m^ Een moUk^iets
waar meede men de vogels verjaagd
of vervaard maakt.
E'pouvante, (f) Schrik, ontfieïte-
nis 'f donner l'épouvante , ar.g/J aan-
jaagen; prendre 1' pouvante, met
fchrik bevangen worden,
E'pouvaaté , ée (adj.) Ferfcbrikt ,
ontjïeld.
E'pouvantement , (m) Verfchrik-..
kinu, fchrik.
E'pouvanter, (v. a.) Verfchrik-
ken f fchrik , ontjïeltenis aanjaagen ;
s'épouvanter de peu de chof^, van
eene beuzeling vervaard worden, ont-
Jiellen.
E'poux, (m) Bruidegom , gemaal j
beminde.
E'preindre fv. a.) des citronS;
citroenen uifdrukketJ , utt^erjçv*
EPR. EPT. EPÜ. 277
E'prcinte, {f) Peifwg tot Jioel-
gang. ■
E'previer. {Zie Epervier).
E'preuve, (f) Prcej , proeve;
toets; ondervinding i drukkers proef-
blad ; féconde épreuve , tweede
proef-blad, revif^e > prendre l'é-
preuve, de proef neemen} mettre à
l'épreuve , ter toets jiellen ; à l'é-
preuve d'un mousquet, delà pluie,
de la médifance , bejiand voor een
fnaphaan , voor den regen , voor achier-
klap9
E'pris, ife (adj.) de colère, met
gramfchap ingenomen ; épris d'a-
mour, verliefd, met liefde 9 bevan-
gen.
E'prouver , (v. a.) Beproeven,
toetfen , onderzoeken , ander t aden ', je
1'ai éprouvé, ik btb het onderzogt ,
cf ik heb het ondervonden ; éprouver
un ami, l'or, een vriend ^^ het goud
beproeven; s'éprouver foi -même,
zich zelfs beproeven.
E'prouvette, (f) Een tent-yzsr ,
pro vet (n) om een wond te peilen.. '~^
Eptâgone, (m) Een zs-yen-boek (/»
Meetk.).
E'pucer , (v. a.) Vlooijen, de
vlooiden afvangen; s'épucer (V. r.)
zich vlooijen.
E'puifable , (adj.) Uitputbaar.
E'puifement, (ra) Uitputting ,uït'
fchepping^ ontleedigtng (f); épuife-
men: de forces, uitputting, verfpil-
ling der kragten.
E'puifer , ( v. a. ) Uitputten, uit-
fcheppen, ledigen; épuifer un puits,
eer.en put ledig uitfcheppen ; épui(er
la patience de quelcnn, iemands
geduld ten einde brengen; épuifer fes
forces , zyn' kragten verfpillen , é-
puifer une matière, eene Jloffe, ma-
terie tot den bodem uit haaien , alles
daar van zeggen dat gezegd kan worden.
E'puifette, (f)Een klein netje (n),
om een vogel in een vlugt of een vifcb
in een beun in te fcheppen.
E ' pul is, (m) JVild tund-vïeefch{n),
E'pulotique, (m) Een t'zamen-
trekkend geneesmiddel (n).
E • p u re , ( f ) Grond' tekening van
eenig gebouw.
E'purer; (y, &,) ^uiversttf reini^
S 3 gen^
273 EPÜ. EQU.
geti , louteren , klaar tnajken ; épurer
l'or j goud louteren; épurer one li-
queur , eene vogt klaaren ; épurer un
langage, f f «^ taal zuiveren; un ftyle
épuré , een zuivere nette fcbryf
trant,
E*purp«, (f) Springkruidt pur-
geerkruid (n).
E'quarrir, (v. a.) /« den baak,
vnrkant maaken, fchaaven of bou-
wen.
E'quarriflage , (m) Fierkant maa-
king y hakkirg (f).
E'quarrifTement: , (m) I^ierkant
fttJaking , fchaa-jmg (f).
E'quarrifToir, (id) ^ierkaKte Jlag-
beitel.
E'quateur, (m) {lees écouateur)
Vt middel lyn, linie die de aarde im
éeclen verdeeld,
E'quacion, ff) {lees écouafion)
Getskmaakin^ , vereffening,
E'querre, (f) Een ivinkel-haak
(m) {in Meetk.),
E'queftre, (adj.) {lees écoueftre)
Ridderlyk , te paerd; flatue équeflre,
een beeld te paerd.
E'quiangle, (adj.) Gelyk-hoekit^.
E'quidiftant , ante (adj.) {lees
écouidiftant) Op gelyken ofjland.
I E'quilatéral ,ale(adj-)(/^^-ïécoai-
• latéral) Gelykzvdig.
E'quilatere, (adj.) (lees écouila-
tere) Gelykzydig,
E^quilibre, (m) Eyemvigt; Ia ba-
lance eil en équilibre , de fchaal
Jlaat gelyk;àeKX\ Puiffances qui font
en équilibre, tivee Mogendhcedendie
gclyk in magt zyn.
' E'quimukiple , (adj.) Van gplyke
hoeveelheden bejlaande {in Reker,k.).
E'quinoxe , (œ) Dag en nagt-eve-
ning (f) tyd des jaars , wanneer dag
en nagt even lar.g zyn.
E'quinoxial, aie (sdj.) ligne
équinoxiale , de middel-lyn , //;;;r.
E'quipage , (m) Toeruftwg , baga-
gie ; toetckeli»? , montuur (f) ; vous
voilà dans un'^bei équipai^e, gy zyt
fehoon utt^edvfl , 1'équipage , het
Jcheeps-valk {zee iv.) ; avoir équi-
page , rytuig en paerden houden,
E'c;uip^e, ff) Eene da-aaze onder-
nèemii:g ( f ) , ligtvaerdtg bejlaan (n;.
EQU. ERA.
E'qoipemeiic (mj d'une flotte,
uitrujii*^g , toerujiing ( f) , eener
vlont.
E'quiper,(v. a.) UitruJJen , toeta-
kelen y toerufien; équiper un vaiH-
feau , une flotte , un foldat , een
fchip , eene vloot , een foldaat , uit'
ruften; s'équiper, (v. r.) zicb toe-
rufien, uitrujien.
E'q ui po hen ce ,( f) Evenredigheid y
gelykivaarjjgheid.
E'quiDolIent , ente, (adj. &
fubft. ) Gelyk , evenredig ; evenredig-
heid.
E'quipoller, (v. a.) Gelyk opwee-
gen, even gelyk zyn.
E'quiries, fm. plur.) Zekere rid-
der feefien by de Romeinen.
E'quitable , (adj.) Regtmaatig ,
biUyb y betaamelyk.
E'quiCablement, (f) Billiklyk ,
rechtvaerdiglyk.
E'quité, (f) Regtmaatigbeid , bil-
Ukhfiid, betaamelykbeid.
E'quivalemment, (adv.) Gelyk-
waardig lyk.
E'quivaïence, (v. a.) Gelyke-
w a ar de.
E'quivalenc, ente (adj. & fubfl.)
GelykgpldenJ , qelykwaardig ; even-
waaruigheid ; donner, payer l'é-
quivalenc, gelykewaarde geeven, bè-
ta al en .
E'quivaloir ,(v. n.) Gelykgelden of
ivaard zy».
E'quivoque, (adj.) DubbelzmKÎg y
tvjyffelacht}^; ufe-- d'équivoane ,
dubbelztnr.ighedcn gebruiken ; parier
par équivoque , dubbelzinnig fpree-
ken; mot équivoque, dubbelzinnig
ivQord ; hr.nirat équivoque , een
val f eb meufch.
E'quivoquer, {v. n.'^ Duhbelzin-
nigheSen maaken, dubbelzinnig fpree-
ken; s'éqaivoquer (v. r.) d'ivaaleny
feilen.
E'rable, (m) Een maft boom.
E'rafler (v. a.) les épingles éra-
flent la peau , de fpelden rytem, haa-
Iti» het vel op.
E'raP-ure, (f) Opbaaling, fcbraa-
ming, opfcheuring.
EVaiilé, ée (adj.) Uitgeraafeld',
œil éraills , rood opgefpalkt oo^. _
E 'rail
ERA. ERE. ERG. ERI. &c.
E'raillemenc, (ra) Omk^ering van
bet onJerJle oog -lid (f).
E'raüler, (v. a.) Schiften, vdn
een fcbeurcn , rekken ; b'é railler j
(v. r.^ Jch'ften (van jlojfcn gez.).
E ' ra 1 Uure , ( t') Sch^j(^>^g ; ryting.
E'rater , (v. a.) De milt uitfny-
Jen-y vervrolyken-, enfant ératé , vro-
lyk , levend' g knij.
Ere, (f) Ty J-begin y (n) tyd-ree-
kening ( f) j l 'ere chrétienne , Je tyd-
reekening der Chrifienei].
Erefteur ,(m) Opngter ,(inOntlk.)
mufcles ereûsurs, oprigteude fpie
ren.
E'reftion, (f) Oprigting, opry-
zin^ , oprigting; aanjltlling i érec-
tion en coracé, verheffing tot een
Graaffctiap.
E'reincer , fv. a.) De lendenen
breeken'y iets 'verzwakken, éreinter
une plume , een' p.'n brakken; (men
zegt ook érener, en éreiner).
E'réfipele , (f) Roos {zekere
ziekte).
Ergo I (m) Derhalven , by gevolg
{in redenk.) {lat. iv.).
Ergoglu , (adv.) Dat wil niet met
al zeggen {gem.fpr. iv.).
Ergoc > (ra) o^O'JTj les ergots d'un
coq , defpooren lan een' haan ; mon-
ter fur fes ergots, op zyn paeraje
zyn , floitt fpreeken.
Ergoté 1 ée (adj.) Gefpoord,
Ergoter, (v. a.) f^itten, bairkho-
ven (gem. iv.},
Ergocerie, (f) Fittery y knibbe-
laary.
Ergoteur, (m) Tivipr , Vitter ,
knihhelaar {gem, w.).
E*iiger , (v. a.) Oprigten , Jïigten;
ériger une ftatue , ent beeld oprig-
ten-f ériger une terre en duché,
een' land tot een hertogdtm verhef-
fen', s'ériger (v. r.) en auteur, en
cenfeur, zkh voor een fchryver,
autheur aitgeeven ^zicb voor een net-
ter, beoordeelder opwerpen of zich zulks
aanmiatïgen.
E'riflbn , (m^ Een dregge, of klein
ankertje met vier armen.
Erminette, (f; Dijfd-, {na) {kui-
pers en t immer l. werkt.).
Ermitage, {^ic Hermitige).
ERO.ERR.ERS. ERU. 370
E'rofiun , (f) Ineeting , tnvreeting,
knaaging.
Erotique (adj.) Délire erotique,
een foort van dotligheiJ , uit al te grooté
liefde or.tjlaande.
Erraut, ante, (adj.) Dwaalmde-,
duüïende^; chevalier errant , dooien'
de ndder ; éioïles erra.ntes , duaal-
Jlerren ; Juif erraot ,de Joodfche wan-
deLiar.
Errata, (m) {Lat. w.) Lyfl van
druk feilen of fouten (f).
Erraciquu (adj.) étoile erratique,
dwaal-Jlerre , planeet; feu errati-'
q'.je, dwaal-licbt ; fièvre erratique,
kjorts die geen Jïreek houd.
Erre , (f) Spjor , ii-f^> aller grand*
erre, een jlerken gai g hebben; erre
d'un vaifTeau , de vaart van eeit
f chip.
Errémenter, (v. a.) Een gading ^
(procès) xvederom aanvarigen daar men
het ge laat en beeft.
Errements, (m. plur.) Volvoering
van een qeding,
Erréner,(v. a.) De lendenen bree-
ken. (Zie ook E 're int er).
Errer, (v. n.) Dwaalen , dool-n;
m'tsgrypen , misvatten , fujet à errer,
onderhevig ie dwaalen, te feilen.
Erres ,( f plur.) Sponren , voet-
flappen; rompre les erres, bet fpoor
v:rtreeden;Ç\i\vrQ les erres de quel-
CLin,' iemands voetfïap f en volgen.
Erres (f. plur.) donner des er-
res , eenen goodspenning geven; den-
koop f uiten.
Erreur, (f) Dwaaling, doolitjg ,.
misJJag misvatting; erreur de cal-
cul , misrekening.
Errine , (f) Nies-poeijer , pul-
ver, 1
Erroné , ée (adj.) Dwaalend ,
valfch; opinion erronée, een ver-
keerd gevoelen.
Erronément y (adv.) Valfcbelyk
verkeer delyk.
Ers, (m) Wikken -y {zeker peulgo-
W~i).
Erudit , (adj.) Geleerd.
ï E'ruditioTi , ( f j Geleerdheid, ken-
nis, weten fchap; c'jù. un homnie
d'une grande érudition, bet is een
man van groote geleerdheid,
S 4 Erugi-
28o ERU ERY. ES ESC.
Krugineux, eufe (ndj.) Roejiig ,
gr oen - re rj) tg (als zan koper).
E'ruptiun , (f) Uitbreeking (nis
n>an een trümlende berg , kinder pokken
em).
Erysminro, Cm) Jf''ildp mojirrt.
Es, (prep.) (tr f\/ alleen in de
practyk en dns gd^ruikt) n aitre es
arts , vieejler in de vrye konjlen; paf-
fe es é'.udc-s des Notaires, lerlâcten
(gepafTeeid; teti comptoir e der No-
ta riflVn.
Efrabraa , Cm) Eetie honte jlccl ,
fthdbél; 1-oet bar.k.
Efrabel'e, (f). {Zie Efcabeau^.
Efcabïon, (m) De voet <cQn een
bûrfl-berld.
Efcache etiz. (Zie E<"arlic.
Eicadre , ff) Een fmaldêel , vhnt-
deel f Esquador van een vloot fchee-
jpen ; chef d'escadre , een fchout by
aagt.
Escadron, (m) Eene Ruiter-benden
( f') van omtrent ico man.
Escadronner ,(v. n.) tn/lag-orden
gejchaard Jïaan ( van Ruiters ge-
zegd).
Escafe , ( f) Donner une efcafe ,
Een vort onder den aars geeven.
Escafer, (v. a) Een fcbop onder
het gat geeven , een bal met de voet
Jlooten.
Escafignon , (m) Ziveiterigbeid ,
ef flank der voeten ( f).
""Escalade, (f) BekUmmirg met
Jiorm- ladders. '
Escalader, fv. a.) Met flor m- loe-
ren bt klimmen ; esraiader les monts,
d? bergen opklau eren.
Escalier , (rn) ^en trap-, escalier
à vis, een' ivent^t-trap ; esczii^v àe-
robé , een'heirr.elyle trap.
Escalin , (m) Fen fchplUfig.
Escamote , (f) Gr,ochelaars hol-
le:^ e (n).
'Escamoter, (v. a.) Met het bol-
lerje fpé-rleny ( by goochel.) behrniig-
lyk voegr.eemen , rollen , omfutze-
Un
E<r?in-ot?ur, (m) JJ'^,g-moffeïaar ;
gfio.'beli'iar. ' ""
• -'Escamper , (v. n.) J luiten ^ zyn
h,ezt*i pakk-n ^ or.tfr.jppen ^ (gem. v..).
Excmpeue ^£) jrer.dre dó la".
E5C. •
poudre d'escampeue , heimelyk ont-
[ruippen , weglorpen.
E'capade, (f) Rakkeloosheid; fai-
re des escapades ^ lanterfanten^ bui.,
ten fprongen maaken , zyn pligt ver-
zuimen ; escaçade ^ ontivyksngy or.t-
looping ; item een valfche fprong van
een paerd dn cte Ryfsb.).
Fscaibillat, ate (adj.) Luflig ,
vrylyk , jhreg (gem. '.v.) j un escar-
billac , ernvrclyken baas.
Escarbit , (m) Kalfaat - kijlje (in
fchrepsb.).
Eficarbot, (m) Een kever (zehr
infeft;,
Escarboucle, Cf) Een karbonkel,
(z'-ker edel g' fleert p).
E^carboruiler.fii^VE'carbouilIer};
Escarcelle, (î) Beurs, buidel,
zak^ (gem. en boert, w ).
Escargot , (ro) Een fcheïp-fak (f) ,
(zeker Infeft).
Escarmouche, (f) Schermutze-
ling ( f) , gevecht (n).
Escarmoucher , (v. r.) Schermut-
zelen, een voorgevecht houden.
Escarmoucheur, (m) Een foher-
mtitzeler.
Escarfe, C^) Schuinfe voet aan
een muur , u-al of gragt eener vef-
ting.
Escarpé, ée (adj.) Steil, onge-^
naakbaar-y montagne escarpée , <'^w'
fleile berg.
Escarpement, (m) Steile offîee-
ki»'^.
Escarper (v. a.) un roc , een rots
fleil ajfleeken , ongenaakbaar maak en.
Escarpin , (m) Een dunne fcboen
zonder hiel, dan s -fcboen '^ item om