(logo)
(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Open Source Books | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections

Search: Advanced Search

Anonymous User (login or join us)Upload
See other formats

Full text of "Dictionnaire portatif : François et Hollandois"



^ll<< 



^ y 



•4i»:-#«: 







'^ 







J alîu J^^ams i 


^tt '^^B 


3filn*art), ' 


BV 


-_^ - r . - = -- = 


^^^ 


5 35TON =_=_ : 


-====• 


^^^^^ «^^^ 




^^^^^B *' ^te '^ ■ JB 


^5 à s. i^^^p^^M<(|^^^^^^B^B^^B 





DICTIONNAIRE 



POR 

FRANÇOIS 



ET 

M^ PIERRE 



T A T I F, 

HOLLANDOIS, 



MARIN. 

HUITIEMEÈDITION, 
Corrigée de fes fautes, & augmentée de plus de M moitié 

JEAN H Ô L T R Ö P, 

Qui a eu foin d'y inférer, non feulement un grand Nombre ds 

Mots ^ de Phrafes , tmt propres , que figurées , proverbiales , 

burlesques ^^. maïs aujfi la plupart des Termes d'Arts 

^ de Sciences^ comme 

ïî'Architeoare. Grammaire. . Mcfiqae. 

Agricakore. Guerre, WythoJogîe. 

Anatosnie. Hîfroire. Navigation. 

Arithmétique. Horlogerie, Négoce. 

Agronomie. Hydraoliqae. Pêche. ,' 

Blafon. Jardiuagf. Peinture, 

C;)tanîe. Imprimerie» Pîiariracïe, 

Chirurgie» Jurisprudence. Phiîofojhie» 

Chymie. Logiqae. Phvfique. 

Danfe. Manege- Poéfîe. 

Éfcrime. Marjufa/lare. Pratique. 

Fauconnerie. Mathématique. Rhétcriqae, 

Fortification. Méchanique. Sculpture. 

Géographie. Médecine. Théologie. 

Géométrie Métaphyfique. Vériérie S&z. 

expliqués félon, le befoin. 
Précédés 
par deuT. Liftes alphabétiques: l'une desNoms de Baptême, & 
l'autre de ceux des Païs, Villes, Fleuves, Rivieresv, Monta- 
gnes &c. qui différent le plus dans les deux Langues. 
Le tout fiLr l' Orthographe de l'Académie ^ de Mr, Rejîaut , la plus 
Juivie Êf autorifée. 

<^> 

à DOR T, 
Chez ABRAHAM BLUSSÉ et FILS i;;?; 

Aiicc Privikge, 



PRIVILEGIE. 



DE STAATEN VAN HOLLAND EN WESTVRIESLAND 
Dceii te wecti'n: AiaôO ons te ker'ica is gtgeeven by AbrahAM 
Elusse' tn Zoon, Ba.gtrs en Boekverkoopers binnen de Scad Dord- 
recht, dat zy Snppli» tea op den 5 April 1708 van Wylen Jan van 
Eyl, in levea mede Burger en Boekverkoper binnen de Stad Amfter- 
dam, £m Pcbüqae Verkooping badden ge:<ogt alle de Exemplaaren 
benevens de Copye vaa Privilegie van Pifter Maryns Oiaiomaire 
Port tif 2 deelsn in Oftavo , op welk werk door ons den 21 Jony des 
Jóars 1743 en wederoni den 13 Juny dts Jsars 1758 ganAig was ver- 
Jeena Prolonp.aue var. Oftroy > voor den tyd van vyftien volgende 
J-aren , om zaiks alleen en met ui:lloiting van alle anderen te ino- 
geii drukken, doen drukken , uitgeven, verhandelen en verkoopsn ; 
en dewyl de P^olongaiie van het by ons gunftig verleende laatfte 
Ofcrcy met den 13 Juny aanftaande ftond te Expireeren, en de Sup- 
plianten, welke thans bezig waaren met groote moeite, en zwaare 
ïic{lea> het zelve Werk te herdrukken, beducht zynde , dat fcmtyda 
doof baa^ZQchcige taenfclien dit Werk mogt nagedrukt, in deeze Pro- 
vintie inj;ebr?gt , en verkopt worden tot groote p*aejndice van de Sap- 
pliancen, zco wendeden zy Supplianten zich eerbiedig tot Ons, reve- 
rentelyk verzoekende Prolongatie van het voor:^. Oftroy voor den tyd 
van nog vyftien volgende jaaren , om met feclafie van alle anderen 
het gem. Werk te mogen drukken, doen drukken , uitgeven, ver- 
handelen , en verkoopen , op zodanige verbeurte en boete tegens de 
Cor.t^aventeurs, as wy by voorige prolongatie hadden gelieven te 
fteilen , verzoekende de Supplianten hier van gunilig te mogen ver, 
krygen Qârov in Forma. 

ZOO IS 'Tï Dat wy de zaaks en het voorfchreve verzoek overge- 
merkt hebb'.nde, ende genegen wezende ter bede van de Supplianten, 
oit onze regte wetenfchap , Souveraine magt, ende Authoriteit , de- 
zelve Supplianten geconfctiteerd, geaccorûeerd. en geoftroyeerd heb- 
ben, conferteeren , acccraeeren , en Oitroyeëren hen by deezen , dac 
zy geduurende den tyd vau rog vyftien eerft ^gter een volgende Jaa- ' 
ren, het ven f. Boek genaamt PlETER Maryns Diaionnoire Portatif 
2 deelen in Oftivo, in diervofcgen als zulks by den Supplianten is 
verzogt, en hier voren uitgedrukt ftïat , binnen den voorf. onzen 
La'da aJeei'. zr;ll?n rRo^en drukken , doen drukken, uitgeven ende 
verhoopen, verbiedende daarooi alU n en een icgelyken het zelve 
J3oek in 't geheel ofte ten deelen te drukken, naar te drukken, te 
doen naai-drakken. te verhandelen, ofte verkoopen , ofce elders naar- 
gei ru-kt binnen denzelven onzen lande te brengen, uittegeven ofce 
te verhandelen , en ve;koopen, op verbetsrte van alle de Naargedruk- 
te, ingebraj;te, virbandelde of verkogte Exemplaren, ende een boete 
van Drie Diizend Galaers ^aar en boven te verbeuren, te appliceren 
een derde part voor den Officier die de Calange doen zal, een derde 
part voor den Arccen ter ï-iaaife diiar het Cafas voorvallen zal » en 
het refteerei de derde part voorde Sapplianren, en dit telkens, 200 
lüénigtnaal als dezel^en zullen werdea agterhaald. alles in dien ver- 
ftai'de, cal wy de Snpplianttn, roet dezen onzen 0£troye alleen wil- 
Undo- gratificeeren tot verhocding van hunne_ fchaade door het na- 
druKken van het voort. Boek ,dsar door ingeenigen deele verflaan den 
innehoude van dien te Acthcrifeeren > of te ie Advoueeren , ende veel 

min 






BJÎn het zel^e onder onze protefde en befchercîÎDg eerAe meerde? 
Credit , aanzien ofce repatatie te geveû , nemaar de SappJiancen. 
in Cas daar inne lets onbthoorlyks roude influeeren, aile het zelve 
tot hunoen hfte zallen gehouden weezen ce verantwoorden, to^ di-a 
eyude we] expreflelyk begeerendt dat by aldi^n zy deezen ooz^n 
Oaroye yoor het zelve Bo-k zallen willen flellen , daar van geene 
geabbrevieerde ofte gecontrah?erde mentie zallen cnogt-n maken , ne- 
maar gehonden wezen, het zelve Oftroy in 'c geheel en zonder eeni- 
ge OmiOle daar voor te drukken, ofte doen drukken» ende dat zy 
gehouden zDlIen zyn een Exemplaar van het voorfchr. Boek op grooc 
papier gebordin en wel «econditioneert te brengen in de Biblio heek 
van onze Univernceit te Leyden , binnen den tyd van zes wedien n» 
dat xy Sapplianten het zelve Bock znllen hebben beginnen uit te ge- 
ven, op een boete van ze» hon-iert Galdena, na Expiratie der voorf. 
zes weeken, by de Supplianten te verbeuren ten behoeve van de 
Nederdnitfche Armen van de plaats alwaar de Sappliancen woonen , 
en voorts op pœne van met 'er daad verft?eken te zyn van h^t effeà 
van deezen Oftroye. dat ook de Supplianten, fchoon byhetingaaa 
van dif Oaroy een Exemplaar gelevert hebbande, aan de Voorfchr. 
onzv-^ Bibliotheek , by zoo verre zy geduarendeden tyd van dit Oftrov 
Jet zelve Boek zouden willen herdrukken, met eenige obfervatiën. 
Noten, Vermeerdenogen, Veranderingen, Correélien of anders hoe 
genaamt, of ook m een ander formaat , gehouden zullen zyn wederom 
een ander Exemplaar van het zelve Boek , geconditioneert als voren , 
te brengen m de Voorfchr. Bibliotheek binnen den zelven tyd , en 
op de boeten en poenaliteit als Voorfchr. en ten einde de fupplian, 
ten dezen onzen Confente ende Oftroye mogen genieten als naar 
behooren, latten Wy allen ende eenen iegelyken dien het aangaan 
mag, dat zy de Supplianten van den inhoode van deezen, doen 
laacen , ende gedooger. , roftelyk , vredelyk ende volkomentlyk genie- 
ten ende gebruiken , CeflTeerende alle belet ter Contrarie , gegeeven in 
den Haage, onder onzen Groofen Zegele hier am doen hangen, op 
den zesden Maart, m 't Jaar onzes Heeren en Zaligmakers duizend 
zeven honaert drie en feventig, 

(IFas geiekent) 

W. BENTINCK Vr. 

(ta Laagerjiont) 

Ter Ordonnantie van as Staacec 

C. CLOTTÉRBOOKE, 

Aan de Supplianten zyn, bene- 
vens dit Oftroy ter handen ge- 
fteld hy Extraft Aothencicq , haar 
Ed. Gr. Mog. Refoliitien van dea 
28 Juny I715 en 30 April 1728. 
ten einde om zig daar na te re< 
£Qleeren 



AVER, 



jij^ERTlSSEMENT. 



L 



utilité Gue Ie Public retire des bons Diaionnaires & parti- 
j cal ier^ment de ceux de la Langue Françoi e . efi fi é viden- 
te&riuniverfellement reconnue, qu'on na p.us befom de les 
envoyer au Monde avec une Lettre de recommandation. Et de 

^^^n.M np fait pas que h Langue françoife, à caufe de fon 
Elé^ nce de fa Douceur ^DélicatelTe &c. eft parlée dans toutes 
i.crmir.' de l'Europe, ou , qui plus eft, cultivée chez toutes les 
Ntiordu Monde! t^ntfoitVeu Civilifées, que plufieurs même 
La préfèrent à leur Langue maternelle, & que par Elle feule 
on peut fe communiquer, foit de Bouche, ou par Ecrit avec les 
Peuple les plus éloignés? Chofe fi bien connue du Mm.ftre 
dEta% de l'Homme de cour, du Négociant, du voyageur &c. 
mi'Elïe eft devenue, à jufte titre, la Langue régnante & du 
Beau Monde &c. & quainfi il n'y a rien de plus jufte , de 
plusnécefTaire que de la cultiver & d'en faciliter l'acquifition par 
"les moyens les plus propres. 

Four y contribuer, nous avons le plaifir d'ofFrir au Publi^^^^^ 
Huitième Édition d'un Diftionnaire Portatif, en 2 Volume., 
.^To François & Hollandois, & Hollandois & François; or 

Comme il s'étoif glilTé, dans les Editions précédeiites ,' nom- 
bre de fautes : que bien des Mots y font, ou mal orthographies 
ou irlffifamment expliqués, & une infinité d'autre| entièrement 
omis, nous avons tâché, malgré les grands f^^^^' ^ ^ f ^^i; 
dier en cette Edition, & de la produire en meilleure forme en 
avant confié pour cet effet la corredion , augmentation &c r& 
pLr en accélérer l'impreffîon,) à deux Perfonnes , au fai de ce 
pénible ouvrage; l'une s'étant chargée de la Premiere, & 1 autre 
de la Seconde Partie. , ^ xt..„.« Rr i. 

Nous croyons (en tant qu'un ouvrage de cette Nature & la 
Grandeur du volume l'a voulu permettre) y avoir parfaitement 

bi^n réufli. , . ^ , .,. j •, i„ ■d,^ 

Le Leaeur impartial en jugera lui même, a 1 égard de la Pre- 
miore Partie , (nous indiquerons dans une autre Préface U Ré- 
forme faite dans la féconde) par le Détail fuivant. 

i«>. Onv a inféré une infinité de Mots, tant des Arts & des 
Sciences, que d'autres; ainfi qu'une quantité de Phrafes ôcclli.x. 
greffions, tant propres , que figurées, proverbiales, Satyriqi^s 



eomi- 



VOORBERICHT. 

7-\-e akemesne Nuttigheid der goede Woorden-hoeken , en in 't by^ 
•^ zonder die der Franfclie Taal, is zóó openbaar en alömme erkend, 
dat men dezelve thans niet meer met eenen Brief van aanbeveeling bs- 
hoev' in de waereld te zenden. En in der daad : 

Wien toch is niet hcwufl , dat de Franfche Taal, uit hoofde van 
derzelver cierlykheld^ zoet-vloeyendheid, kiefchheid, en wat des meer 
2y, gefpróken word aan alle de Hoven van Europa, of, dat 7iog meer 
is^ bmffend word by alle 'eenigzints befchaafde volkeren der waereld: 
dat zelfs veele van dien dezelve aan hunne Moeder fpraak den voor- 
rang ge even, en dat men dus door Haar alleen inftaat is, om zyne. 
gedagten, 't zy door de mond of penne aan de afgelégenfte volkeren 
te kennen te geeven? Eene zaak, by den Staats-man, den Hoveling ^ 
den Koopman, den Reiziger enz. zóó wel bekend, dat Dezelve thans,, 
te recht , mag aangemerkt worden als de heerfchende Taal , en die 
der Edelften id?s Volks ; allerbillykji en allernoodigft is het derhalv n 
dat ze beöeffend, en derzelver verkryging, door bekwaame middelen 
gemakkelyk gemaakt worde. , 

Om hier in fnéde te werken , hebben wy thans het genoegen ,^ aan het 
Gemeen aan te bieden, de agtfie uitgaave van eenen Didionnaire 
portatif, inideelen, in 8vo, als: Franfch en Néderduitfch , en 
Néderduitfch e/i Franfch. Dan, 

Dewyl in de voorige uitgaaven een aantal van misfïdgen ingefloo- 
ten , veele woorden er , of kwalyk in gefpeld, of niet volledig genoeg uit^ 
(relegd, en eene menigte andere gantfchelyk achtergebleeven waaren, 
zoo hebben li/y getragt , oniiangezien de zwaare koften , by déze uit- 
o-aave daar-inne te voorzien, en dezelve in eene bétere gedaante te voor- 
fchynte brengen; hebbende ten dien einde de verbetering , vermeerde- 
ring enz. van ditmoeyelyk werk, (en om dat het des te fpoediger zoude 
voort- gaan ,) aan twee P.erfoonen , des verft aande , toevertrouwd ; de ééne 
hetEerfte, en de andere het Tweede Deel daarvan op zich neemende, 
Wy gelooven (voor zoo verre een werk van deezen aart en het be- 
fték zulks 'heeft willen gedoogen) hlerinne volkómen geflaagd te hebben. 

De onzydige I^eezer zal nopens dit 'ifte Deel (terwyl wy ons de aan- 
wyzing der verbetering van 't ide Deel in een daar by gaande Berich's 
voorbehouden) door het nàvoîgeîide daar zelfs van konnen oordeelen, 

1^. Heeft men hier in gelajcht, een aantal woorden, zoo van 
Kïinften en Weetenfchûppen,als andere ; als mede eene menigte van [preek- 
wnen, zoo wel eigenàartige , als verbloemde , befchimpçnde , geefttge , 

' ® ^2 ^^^^'^ 



VI A TB RT I s s E M E N T. 

comiques, burlesques &c. Bref, il y a à préfent dans ces ou- 
vrage plus de ]\Iots primitifs de tous Genres , avec leurs diffé- 
rentes fîgnifications, qu'il ne s'en trouve en bien d'autres Dic- 
tionnaires (le Grand Dictionnaire de P. Marin excepté ; parce 
que , pour des raifons , on ne l'a pas du tout confulté dans cette 
correction, Ôcque, par conféquent, on ignore fon véritable con- 
tenu); Mots &c. que pour la plupart on a empruntés des Auteurs 
étrangers. Par laquelle Addition, ce volume s'eft grofîl de plus 
de la moitié; Témoins; le double Nombre .des Pages, la Peti- 
tefle du caractère &c. 

2°. L'Orthographe des E'ditions précédentes étant , comme 
nous venons de dire, fort vicieufe, on a été obligé de la cor- 
riger en plufieurs endroits , & l'on a fuivi dans cette E'dition 
celle de l'iîluftre Académie de Paris & de M. Reftaut, Avocat 
au Parlement &c., comme étant la plus autorifée. ' 

3°o On a obfervé dans cet ouvrage, à l'égard des Mots vieil- 
lis, obfcurs, équivoques, familiers, vulgaires &c. d'en donner 
toute la définition poflible , foit par des Phrafes ou autrement. 
Article, à la vérité, peu ou point obfervé dans les E'ditions pré- 
cédentes , & qui par cela même font auffi très défeftueufes. No- 
tez cependant fur ce chapitre. 

4". Que, pour ne pas pafTer les bornes d'un Abrégé ou Dic- 
tionnaire Portatif, on a été fouvent obligé, de ne donner ces 
Dc'initions, ces Phrafes, qu'en François; mais qui néanmoins 
font ménagées de façon, que tout homme, tant foit peu in- 
tc^lligent, peut, & par elles, & par ce'qui immédiatement précè- 
de . s'en former une parfaite idée, & renene ces phrafes &c. au jufte 
en Ilollandois. ^ 

5^ On a eu foin de mettre auflî, dans ce Traité françois & 
hollandoîs , derriere les Mots fubftantifs hollandois, la Lettre 
qui en délîgne le Genre; c'eft à dire: lorfque les Genres difFé- 
ï'ji-t dans les. deux Langues, ou lorsque les fîgnifications n'en 
font pas trop nombreufes. Chofe qui, quelque utile qu'elle 
foit, pour ceux qui n'entendent que peu ou point le Hollandois, 
r/a point été obfervée par aucun des compilateurs de Diétion- 
îDaircs, excepté d'un feul ; mais qui efl fort fujet à caution. 

6^ On a ajouté aux verbes irréguliers, défeftifs ou Imperfon- 
nels tout ce qui efl néceffaire pour leur éclaircilTement. Artî- 
c'c, que, maigre fon uàlité, on n'a rencontré, que dans les 
Dictionnaires étrangers. 

7^. On a tâché d'accentuer par-tout le Hollandois , auflî bien que 
;c yiuD^is, pour en faciliter la Prononciation. Les autres Die- 

' ' ■ tion- 



VOORBERICHT. vu 

loertige enz. 'om kort te gaan y 'er zyn in dit JVerk meer Grond 'woor- 
den , van allerlei Jlag, nevens derzelver beduidenij , „an 'er in vsele 
andere IVoorden-boekcn te vinden zyn (Jict groote Woorden-hoek van 
P. M Amii uitgezonderd; wyl rneji znlks , om redenen ^ in déze verbe- 
tering niet te raade getrokken heeft , m dns van deszelfs wézentlyken in- 
houd niets met zekerheid wea) ; woorden enz. welke men, voor't grootjle 
gedeelte , van uitheemjche Schryveren ontleend heeft. Door welke By^ 
voeging dit Boek- deel meer als de helft vogroot is, gelyk by 't getal, 
de verbreeding en verlenging der bladzyden, en de kleinere Druk-letter 
ligt kan nfgemeeten worden. 

2*. De J pelling der voorige uitgaaveny zoo als wy reeds gezegd 
hebben, zeerflegt zynde., is meji genoodzaakt geweeft dezelve . op ver- 
Jcheide plaat jen te veranderen^ en men heeft in déze uitgawe gevolgd 
die van de Franfche Académie , en den Heer Rejlaut^ Advocaat enz» , 
als de meefl Gezag-voerende. 

3°. Heeft menin dit Werk , ten opzigtedsr verouderde , duijiere ^ dub' 
helzinnige, gemeene ofjlraat-taalige woorden enz. in acbt genomen^ 
om 'er alle mógelyke befchryving van te geeven, 't zy door fpreek- 
wyzen als anderzins ; iets, dat waarlyk, in de voorige uitgaaven 
weinig of niet betragt is, en even daarom ook zeer gebrekkig zyn; 
onder tusfchen moeten wy den Leezer op dit ftuk erïnneren. Dat 

4^. Om de Paaien van een' Dictionnaire Portatif niet te overfchry- 
den, men dikwerf genoodzaakt is geweeft deeze Befchry vingen , of 
fpreek-wyzen alleen iiv't Franfch te geeven, zóó nochtans ingericht , 
dat iemand^ die maar eenige kundigheid bezit , inflaat is., om, en door 
dezelven, en door 't geene onmiddelyk voorafgaat, een volkomen denk» 
beeld daar van te vormen, en deeze fpreekwyzen enz. in zyn volk 
kragt in 't Néderduitfch óver te brengen. 

5°. He^t men ook zorg gedraagen , om in dit Franfche en Néder- 
duitfche Deel , achter de Hollandfche zelfftandige Naam-woorden , de 
Geflacht-Letter te voegen , te weeten : wanneer de Geft achten der bei' 
de Taaien verfchillen , of wanneer de betékenijjen daar van niet te me- 
nigvuldig zyn. Eene zaak, hoe nuttig ook, voor die geene die het 
Hollandfch in 't geheel niet , of niet genoegzaam verftaan , door nie- 
mand der ÏVoorde?i-boek-opftelleren in acht genomen is; uitgezonderd 
éénen éénigen; doch waar-Öp niet zeer te vertrouwen is. 

6°. Heeft men by de onrégelmaatige , gebrekkige of onperfoonlyke 
"jverk-woorden gevoegd , al 't geene ter hunner opheldering noodig is; 
iets , dat men , ondanks zyne Nuttigheid , alleenlyk in uitheemfche 
IVoor den-boeken ontmoet heeft, 

7°. Heeft men gepoogt , om overal boven het Hollandfch, even zoo 
wl als boven het Fran/ch^ de klanktékenen tcfleikn 3 om derzelver uit- 

* 4 fpraak 



vïTi AVERTISSEMENT. 

tionnaires François & Hollandois n'en ont rien ; mais on e» 
ignore la laifon. 

8°. On a jugé plus propre , de drefTer à part & de placer au 
devant , que d'inférer dans le corps de cet ouvrage , deux Liftes 
alphabétiques, favoir: 

V\JnQ des Noms de Baptême , des Hommes & des Femmes , & 

L'Autre de ceux des Païs , Villes , Peuples , Montagnes , Pro- 
yiontoircs, Mers, Fleuves, Fvivieres &c. 

Nous" nous flattons ainfi, que cet ouvrage eft, comme nous 
l'annonçons , rendu beaucoup meilleur, & que nous aurons 
contribué par-là au Bien public. Qu'on ne s'imagine pour- 
tant pas , que nous foyons aflez vains & préfomptueux , de 
vouloir débiter un ouvrage de cette Nature pour complet,* Non!- 
au contraire , on ne doute nullement, que par -ci, par -là, fur 
lesveftiges d'autrui, on ne puifTes'ctre égaré, & que, malgré l'at- 
tention la plus fcrupuleufe, on n'y rencontre des fautes d'im- 
prefîion, des virgules mal-placées &.c. ; Bévues, que ïiom prions 
le Lefleur indulgent , de vouloir pardonner , en coniuérant, 
que, s'il eft vrai, à l'égard de toutes Productions humaines, il ne 
l'cft pas moins en celle ci ; Que l'imparfait ne peut produire 
lien de parfait; comme dans le cours de cette correction on n'a 
que trop fouvent expérimenté. Pour n'en citer qu'un Exemple, 
on n'a qu'à confidérer, que dans un des principaux Dictionnaiv 
res, on ne trouve pas les Mots Voie {'wsg , wyze ^ middel enz.). 
Voyage & ce qui en dérive, ni avec f , ni avec y; omiftions grolîîe- 
les, il faut l'avouer; mais le moyen de les prévenir dans un ou- 
vrage , où Argus même , avec tous fes yeux , ne fuffiroit pas ? 

Que le Public en puifTe profiter , c'eft notre fouhait & le bu^ 
que nous nous y fommes propofé. adieu l 






£ X- 



VOORBERICHT. ' mx 

fpraak gemak hy te zetten. De andere Franfche en Néderdidtfchc 
morden-bocken hebben 'er niets van; maar men weet met waaróm. 

8^. Heeft men gevoeglyker geoordeeld, afzonderlek op te fi ellen , en 
liever vooraan in dit wtrky dan in den Text, te plaatfen, tyvee al- 
phabétifche Lyjïen , als: 

Eene van de Doop-naamen der Mannen en Vrouwen, en 

U andere van de Benaamingen der Landfchappen , Steden^ Volke- 
ren, Bergen, Kaapen, Zeeën ^ Stroomen, Rivieren, enz. 

ïVy vleien ons dus , dat dit Werk , 200 als wy 't aankoïidigen , veel 
verbeterd is , en wy daar ' door aan 't Gemeen mit zullen toegebragt 
hebben, VtrbeeldiL echter niet, waarde Leezerl dat wy verwaand en 
vermetel genoeg zyn , om een Werk , van dézen aart , voor voilédJg te 
willen uitvent m ; Neen l in 't tegendeel , twyffeld men geenzin^ ƒ men 
kan hier of daar, op bet voetfpoor van anderen, gedwaald hebben , cri 
dat men' er, in weerwil der grootfte oplettenhehl , Drukfeilen, of kwa- 
lyk gefielde comma's mz. in ontmoeten zal; M'sfùàgen , w::lke wy 
den gunftigen Leezer verzoeken ten beften te duiden, in ovjnveeging 
neemende, dat, ir.dien hetwaaragtig is, ten opzigtevan alle Menjche- 
lyke voortbrengfelen , het niet minder zóó gelegen is in dit , naament^ 
lyk : Dat het onvolmaakte niets volmaakts kan voortbrengs-n ; ge~ 
lyk men in den Loop dezer verbetering maar alt e dikwerf onder- 
vonden heeft. Om hier maar één voorbeeld van aan te haaien , Z09 
gelieve men alleenlyk aan te merken , dat men in een der voornaamfts 
Jvoor.denboeken niet vind de woorden voie (,weg, wyze,. middel enz.), 
voyage en 't geen daar van afftamt, noch met i , noch met y; waar- 
lyk Fjóve mh [Lagen, men kan, het niet ontkeimen; maar hoe is 't mó- 
ge lyk die te verJweden, in een werk, w aar- in Argus zelf s , met alle zy ni 
eogen, te kort fehieten zoude ? 

Dat het Gemeen 'er 7iut van móge trekken , is onzc wenfch, en list 
oogwit dat wy 'er in bedoeld hebben. Vaart wel l 



* 5 

LISTE 



EXPLICATION 

Des Ablréviatiom^ quife trouvent dans cet ouvrage, & de leur 

Signification. 

UITLEGGING 

J)sr Verkortingen, die in dit Werk voorkómen , en wat ze heduU 

den. 



(m) Sabftantif mafcnlin. 

(f) Subûantif féminin. 

(n) Sabûantif neutre, 

(adj.) Adjeaif, foit Nom oo Par- 
ticipe. 

(Pron.) Pronom. 

(v. a.) Verbe aôlf. 

(v.n.) Verbe neutre. 

(v.r.) Verbe réciproqne ou reflé- 
chi. 

(y. irrég.) Verbe irregulier. 

(v.iinperf.) Verbe imperfonnel. 

(V. défea.) Verbe défeûif. 

(part.) Participe. 

(adv.) Adverbe. 

(coDJ.) CoDJonâion, on conjonc 
tif. 

(prép.) Prépofition. 

(interj.) Interjeftion. 

(Prov.) Proverbe. 

(vulg.) Expreflion vulgaire, fami- 
lière» populaire, ou baffe. 

item^ oo; (point & virgule) déno- 
te qu'il fuit une autre fignifi- 
cation. 
? Point interrogatîf. 
I Point admiratif , ou Exclama- 
Uon. 



Mamglfi zelffiandîg Nfom 'wcord. 
f^rouu/elyk zelfflandii Nazm-^otrd» 
Onzydig zelfjiandig Niam-woîri. 
Byvcegelyk Naam- of Deel wjord. 

Voornaam, 

Daaieîyk of weriend werkwoord , 
0'^zydfg isferk- wanrj. 
fVéJerboorig werk-woord, 

Onrégelmaatig werk-woordg, 

Onperfoonlyk werk^woorj. 

Gebrekkig werk-woord, 

Deei-w?ord, 

Bywoord. 

Koppel-woord y ofby voegende wyze, 

Poorxetfel. 

Tujfcbem <werpfeî. 

{fpr, w.) Spreek-woord. 

(gem. Vf.) Gemeen f laag of Jlraat' 
taalig <W9ord, 

item , of j {fifp en eomma) geeft te 
kennen dat *er eene andere beteke- 
nis volgt. 

? Vraag, teken, 

! yerofûnderings* teken of uitroeping^ 






LISTE 



Liste Alphabétique 

Des Noms de Baptême en François & Hollandois. 

ALPHABETISCHE LYST 

Der Doop-naamen in 't Franfch en Duîtfch. 

Noms d'HOMMES, Naamen der MANNEN. 



Aar on. yfarou, 

Abe!. ^b.l. 

Ab'-ahaiD. Abraham, 

AJatn. ^Jam. 

Adolphe. AJo'pbut^ AJo!f. 

Adrien. Adriânos, jÉdriaan. 

Albert. Albertusy Alber$. 

Alphonfe. Alpbjufus. 

Aaibroife. Ambrofius» 

André, Andréat. 

Anfelme. Anfelmut. 

Aotoirc. Ambóny. 

Arnand. Arnoldut^ Arnold. 

Aaguftin. Augüfiinu$, 

Aagofte. Aagù,flus. 

Au-èle. Anrél.us. 

Balthafar. Bahhazar, 

Baptifte , on Bâtift*». Batiji, 

Barnabe, Barnahas, 

Barthélemi. Bartboloméut» 

Baudouin. Bcuiewyn. 

Benjamin. Benjamin, 

Benoît. Bette dWa$, 

Eîrnard. Beraardut, 

Bertrand. Bertrarh, 

Blaife. Blofius. 

Boniface. àonifacius. 

Ce far. Cefar, 

Charles. Carohs , Càrel. 

Chriftophe. Chnflopbe^ofCbrifl^ffel. 

ChryfoRorr.e. Chryfoflomus, 

Ci'aude. Claudiuî» 

Ciément. Qlémtnt. 

Conftantia. Corf,antinu>î, 

Conrade. Conroai. 

Corneille. CorKeliui, Cornelis, 

Cyrille. Cytllu-.o 

Daniel. Daniel. 

David. David. 

De lis. Dion:Jlu$^ Dsr^yf, 

Didier. Dp/iUriut. 

Dominique. Dominicus, 

Edocard. Edward, 

Elîe. SUau 



Elifée. FMréu'. 

Etienne. Stéfbam'S, Stéphew, 

Eftace. Ëflanat. 

Ezechias. liêzikiab» 

Ezéchiel. Exécbtel. 

Ferai and. Fendinanâus » FerdU 

ftond. 
Frai çois, {lee* Fxanfoa) Framis- 

eus y Fratitz. 
Frédfric. Frédericusy Frêderik, 
Ga;:^riel, Gabriel, 
Gautier, ff^uhertis, walrgff WQUterà 
George. Georg , Joris. 
Gervaife. Gervaas , Servaoi, 
Giles. Gillis. 
Guillaume, kf^ilbeîmms , v/ilbelma 

milem. ' 

Gailfot. JViUemtje , wlm. 
Henri. Hendrikut, Hendrll, 
Hercule. Hercules. 
Hierome. Hieronymui. 
Horace. Horatius, 
Hngues. Hugo. 

itlltiJy^»''""'?'""'^- 

jean. Jjbannes , Jan. 

Jeannot. Jatije y btnsjg. 

Jérémie. Jernn os. 

Jérôme. Hisrcnymus, 

Ignace. Ltsatius, 

Job. Job. 

Jonas. Jonas, 

Jo feph Jofepbut , Jofg:b, 

Joffe. Jot>fi» 

Jofaé. Jofita, 

rfaac. Ifàae, 

Jule. Julias. 

jvilien. Jutidtui, 

JuOe. JuJItt. 

Lambert. Lambertuf. 

Lsnrent. Laurentius^ Laarents, 

Léonard. Léonaraust Leendert, 

Léopold. Léo[oUuty Léopold, 

LeuVs» LCdfo/yk, 

Luc. 



Xuc. Lviat. 

Malachie. Mahebhufl 

Mire. Markus, 

Ma tin. Msninvs , Martyn. 

Matthieu. Mattbéas Matibys, 

Maurice. Mauritius, Maurits. 

Maximilien. MojnmiliaaB. 

Michel. Miebiel. 

Moïfe. Mozes, 

Néüémie. Nébemias. 

Nicolas.-] i^ioioaSyCleas. 

Ncole. J ' 

Noër Noacb. 

Olivier. Olivier, 

Othon. Otto, 

Patrice. Patricius, 

Paul. Pauhsy Pool, 

Philippe. Pbilippus , FbiVp* 

Philipot. Piip^e, 

Pierre. Péttus^ Pleur, 

Pîei roc. Pietje, 

Rémi. Remîgius. 

Réaard. Rsinbard. 

Rs^racd. Rfinoldt Rehoud. 

R-Irhard. Rykcrt. 

Robert. Robertvs» 

Robichon. Roàbertje, 

Rodolphe R-Jo'pbus, 

R ger. Riitger. 

Salomon. Snlomon, 

Samuel. Sa'^uil, 

Samfon. Samfon. 

Séî-aftien. SêbafiiaaUi Bcfliaoe, 

Silvain. Silvàrus. 

Siîvift-e. Silvefier, 

Sîiréon. Simeon. 

Simon. Simon , Symen, 

Théodore. Tceodàrsis , Dîsdsrik , 

Uirk, 
Thierry. Difk. 
Thorras. Tbom/if» 
Timothée. Timatbe'ùt, 
Tobie. Tobios. 
U bain. Urbâmus, 
Vdtentîn. f^alemtyn, 
Vincent, l^incentiùs, 
Za harie. Zacborias, 

îvloûis de Femmes, î^aamea der 

Vrnuwen, 
Abigaïl, Ahigaè'i. 
Arathe. j^githa^ Aagt. 
A nés. AgmitbOy Agnief, 
Alix. Eli. 
A ifon. Elfjg, 
Âithée. jiifbéa. 



Anne, Anna. 

Antoinette. A-^ibmîa, 

Arabelie. Arabella. 

Barbara. Babara^ Berber o 

Beatrix. Beatrix. 

Biüoite. BsnediSa, 

Berthe. Bartba. 

Brigiae. Bngitta, 

Catherine. La. burina y Katryu, 

Catir 1. Kaatje, Keetje ^ kneja» 

Cécile. C ici Ja. 

Charlotte. Cbarlotta. 

Chfiaine. Cbrijüna. 

Claire. Ciara ^ KÏaartj^, 

Confiance. Confiaadü. 

Déboia. Détora, 

Diane. Dsâna. 

Dorothée. Doroibéa^ Doortje. 

Elifabeth. Elizabetb , Lysbet , Lysje,, 

Ecarae. Emmefje, 

Euher. Hijier. 

Fanchon. t'roneynfje f Fransje, 

Flore, ^iora. 

Françoire. {kes fraDçoafe) Francyn. 

Gertrade, Gertruda, Gert>mi,Trm$je. 

Goillemette. JVillemyntje, 

Hélène. Héléna, Léaa. 

Jaqoeline. Jakelyn , Jahmy», 

Jaquette. Jacóba, 

Jeanne y Jobanna , Jannetje, 

Jeanneton. Jannetje, 

Ifabelle. Ifabel. 

Judith. JuJiih, JiJJiè, 

Julienne. Juiiàsa. 

Lucie. Lucia. 

Lucrèce. Lvcré/îa, 

Madelaine. MagdaléfOf MagdaUeti^ 

Magtel, 
Manon. Mietje, Mârigie, 
Margot. Mar grietje. 
Marguerite. Har^erita^ Margriet, 
Mart ha. Mart ba. 
Marie. Maria, Miry^ Marytje. 
Matiide. Matiîda. 
Nanette , Nanoû , Naacis , Aanaatje,, 
Rachel. Racbel. 
Rebecca. Rebecca, 
Rofe. Roosje. 
Sara. Sara. 

Sibille. Sibiïîat Sibil, - 
Sophie. Sofbia, S9fy. 
Saiànne. Swz^nna. 
Sofon. SbZamteije, Soeije, 
j Théodore. Tteodora. 
lUrfaie. Urjuia^ Urjeh 

LISTE 



Liste Alphabétique* 

En François et Hollandois^ 

De7 Noms des PciU, Filles, Peuples, Mers, Fleuves Rivières, 

Détroits^ îles ^ Montagnes, Promontoires^ Vulcams ^c. les plus 

remarquables ^ qui différent le plus dans les deux Langues. 

Alphabétische Lyst^ 

In 't Fransch en Néderduitschj 

Van de Naamen der Landen , Steden , Volkeren, Stroomen,! 

Rivieren, Zee- en Land-engten , Eilanden, Bergen, Kaapen, 

vuur -bergen enz. die 't alleraanmerkelykfl zyn , en in 

de twee Taaien 't meeft van elkander verfchillen. 



De Verkortingen die in déze Lyji voorkómen betekenen^ als volgt. 



ATr. Afrika. 

A"mer. Amèrlkj' 

Az. Azia^ of Aziêé, 

B. Berg. 

E. o/ Eil. Eiland. 

Êar. Puropa, 

Gr. Groot. 

K. of Koningr. Koningiryt, 



L. Land y Landfcbap. 

Middel, Z. Middeilandfcbs Zeffe 

1^. Noord, 

R. of Riv. Rivier. 

St. Stadt. 

H. at. of Hoofdfl. Hoofd/iadt^ 

Zee-h, Zes-bânje», 

Zee-ft. Zeefiadt, 



Pe Leezer gelieve ook indagtig te zyn, dat ^ om déze Lyfi met geeae om- 
noo'ditp woorden te betwaar en , wy vee 'e Naamen die in 't Fr an f eb em 't 
Du-trcb bet zelve zyn, of d$e in bet Franfcb met bourg of q eindigen ^ t» 
in bet Duiifcb in borg of en veranderen , acbtergehatffn bebbeM> 



ÀSt (f) Aa (Naam vsnverfcieUene 
Riviertjes in Frieilani , Ove-yjf.l, 
Mu^J^rh ZwltferU Pikardié'a enz. 
Jiroompndp), 

Aar, ff) Aar (R. by Keulen, en in 
't KaatQu Bern), 



Aberden > (m) Aherdeem (n. ƒ. e% 

Z;eb. in Scbotl.). 
Abo , (m) Abo (n. H, fi, (» Zee-b, 

van Finland). 
Abyla, (f) Ah^a {Berg in AfrU 
ka), 
A Aby»- 



±iv AB, AC. AE. àc, 

Aöyffinie , ( f; Abijftnièn (^n. L. iu 

Ajr.;, 
Abyffir ien, ne (m. & f.) Abtffini^r 

Aj:JJif»ifibe vrouw. 
Acadie , ( f) AcaJièa (n. L. in iV. 

^mer.), 
Acadien , ne (m. & f.) Acadier ; 

Aeadifcbe vrouw. 
Ac haïe, (f) Acbayen (ü.L.inGrie- 

kenk). 
Achaïen, ne (m, & f.) Acbayer; 

Aebayifcbe Vrouw. 
Açores , (f. pi.) De Aforei (Eil. 

in Amer.). 
JEgée, (f. ^T/f- Archipel). 
iEtot, Etnci 'brandende B. inSieil.), 
Afrique, (f) Afrika (n. één der 4 

Waereld-deelen). 
Africain , ne (m. & f.) Afrikaan -, 

Afrikaavfibe vrouut. 
Agra, {Ok) Agra (n. fl. ƒ. vaa In- 

do/iOB). 
Aix , (m) Aix (n. H. 7?. »» Proven- 
ce). 
Aix lachapelle» (m) Aken (n.vrye 

Rykfi. in Duitfcbl. beroemd door 

baare Baden). 
Albanie , (f) Aibâniem (n. L, in 

Turk.). 
Albanien, ne (m. fit.) Albanier 

enz. 
Albe royale, (f) StoeUweiJfenburg 

(n.Ji. in Hongar.), 
Alcmar» (m) Alkmaar (zeerfraaye 

ft, im N. Holt.). 
Alexandrie, y^) Alexanéria (Jï. in 

Bgypt.). 
Alger , (m) Jlgiers (n.Ji. en Koningr. 

in Afr.). 
Algérien, ne (a, & f.) élgeryn, 
Allemagne, (f) Duitfcbîand {n). 
Allemand , de (m. & i.) Daitfcber} 

Duitfcbe vrouw, 
Aloft y (m) Stadt en Graaffcbap 

Aam. 
Alpes, (f. pi.) De Alpen ofAlpi- 

fcbe. Gebergten. 
Alface » (f) Elza$ (m, L, in 

Duitfcbl). 
/imériqne ti f ) Amer ika (n. ééne der 

4 waereld- deelen). 
Américain , ne (m. & f.) Ameri- 
kaan enz. 
. AŒfterdaxD> (m) Amfïerdatn of Am- 



AN. AP. AR. &c. 

Jieiii'im (n. iitnd$ ta H>i.umdy aa» 
de Jiuider-zse , uitneemend groot 9 
volk'.ryk en pragtigy bandel dry- 
v-nde\, zoo te water, ah te Landt 
üp alle ffeweflen der waereld y en 
vfjer Rykdom en iukontfien ménig 
K ningkryk overtreffen). 

Anco.ie, (f) Ancona fi. in Ital.). 

Ândaîonfie , ( f ) Andalnziè'n (n. L, 
in Spanien). 

Angers, (m) Angiers (n* in An- 
iou). 

Angleterre, (f) Engeland (n. K, 
en één der grootfie Eil. in de wae» 
reld). 

Anglois, fe (ta. & f.) Engelfcbttian , 
Engelander ; Engelfcbe vrouw. 

Angola , ( f ) Angola ( Rivier i» 
Afr.). 

Antioche, (f ) Antioebièn {n. fi. im 
Syrien). 

Anvers, (m) Antwerpen {Gr. Ji. in 
Brabant aan defcbelde). 

Appennin, {va) 't Appennynfcbe 
Gebergte {n. in Ital.). 

Arabie , (f ) Arahîè'n (n. Gr. L, im 
Azfê'n). 

Arabe , (m. & f.) Arabier, 

Aranjuez, (m) Lufî-plaatt des Ko- 
nings van Spanten. 

Archange! , (m) Arcbangel(n, fi. en 
Zee-fo. in *t Noorden van Rus- 
land). 

Atchipel , (ns) Archipel (m. da: ge- 
deelte der Middelnnfcbe en andere 
Zeeën daar veele Eilandjes by mal- 
kander leggen). 

Arménie, (f) Arménien (n. L. in 
Azien). 

Arménien, ne (m. & f.) Arme- 
niër enz. 

Arnhem, (m) Arnbem {Hof- em 
Hoofdfi. van Gelderland). 

Arrasi (va) Atrecbt of Arras {n. fi, 

in de Néderl.). 
Afle , (f) Afia of Aziën (n. een der 

4 waereld deelen). 
Aûaciqae, (m. & f.) Inwoomder va» 

Aziën, 
Atturie, (f) Afiurien (n. L. im 

Span.). 
Athènes, (m) Atbeenem (n. fi. in 

Griekenland), 
Atlas, (m) Ailas {Berg im Afr.). 

Aa» 



AU. Bit. 

Autriche, {t) Oojierruk (n). 

Aatiic ien, ne (m. »Sc f.) Ooflen- 
ryker. 

Babel M&ndel , (m) De Zee-engte 
tujfcbem de rooJd Zte en deu Oce- 
aan. 

Balcique* oa la Mer balciqne» (f) 
De OjJI zee. 

Barbarie, (f) Barharyen (n. L. in 

Barbare, Moreftn) Barbaar ^ Moor. 
Barcelone , (m) Barcelénièfi (n. Gr. 

Jî. in Sp.m.). 
Bdie, (f) Bâzel{xx.ft. in Zw'tf,). 
Bstavie, (f) (n. Gr. Stadt en vef- 

ting der Hollanders op 't Üiil. 

Java), 
Bavière, (f) Beijeren (n. Keur- 

VQfJienJ, in DaitfcbL). 
Bavarois, fe (ra. & f.) Beycr enz. 
Baye, (f) Baai ^ imbam. 
Bélem, {m) f^lek en Lujiplaats des 

Kónings van Portugal. 
Belgrade , (m) Belgrade (n. Turkfcbe 

vejiimg in Europa). 
Bengale , ( {) Bsngâlen ( K. in 

Aziën. 
Berbice, (f) De Berbhbe(R,in 

Amer.). 
Bergen oa Bergue , (m) Bergen (n. 

Gr, Koopft. in Norvt.). 
Berg-o^.Zoom y (m)Bergen-op'Zoom 

(n. Stadt en Vffiing im de Nederig), 
Berg faint-vinox ,(10) Winoxbergp.n 

{fi. by Dtinkerken.) 
Berlin, (m) Berlii (n, Groote en 

fraaye Réjtdentiejladt des Kónings 

'lan Pruiffen), 
Berne, (m) Bern (n,ft. en Kanton 

van dien naam in Zwitferl.), 
Bifcaye> (f^ Biikaaytn (n. L, in 

Span,), 
Bohème, (f) Bobeemeu {n, K, in 

Emropa), 
Bohémien , ne (m, fie f;; 'Bobesmer 

enz. 
Bois le duc, ouBoldac» (m) 's Her- 

tóggnbofcb (n. ft. en vefling in de 

Néderl.), 
Bologne, (m) Bolóniem (n. Gr, ft. 

in Ital.), 
Le Bolonez, (m) 't Boloneefche, 
Bosnie , ( f) Bosnien (n. in Turk.). 
Bosphore (m) De Bofpborut (m. Zee- 
engte by KonJiantiMópeJ). 



BO. BR. Ba CA. 1^ 

Boulogne, (f) Buulónje {Gr.fi. im 

PtkarJièn). 
Le Boalonnois, (m) *t Boulon.. 

ttcefcóe (d), 
Bourilcaax, (m) Boirdeaux of Bir- 

deeuws (Gr, Koopfi, in yrankr*), 
Bourdelois,(m) i£en vaa B&urdeaax, 
Bourgogne, (f) Bourgawien. L. im 

l^ravkryk). 

Bourp.aignon, ne (m. 5c f.) Bow» 

góniè'r enz. 
Brabant, (m) Brabant (n). 
Brabançon , ne (m. & f.) Brobander 

enz. 
Brandebourg, fta) Brandenburg {n^ 

Ki urvorfiendom). 
Brandebourgeoia , fe (m. & f.) Bram ■ 

deaburger, 
Breda , (m) Breda (n. Gr. en fraayg 

Stadt en fierke vefling indeNéderU} 
Bréfil üu Brézil, (m) Braxili&t (n. 

Gr, L. in Amerika), 
Bretagne, (f) Brittaniè'n Cn. L. im 

l^rankr), 
Breton, ne (m, Ôc £.) Brittamig^ 

enz, 
Bretagne (La grande) Groop-5n#- 

tânien of Engeland en Sèbottand, 
Breton , ne (m. & f.) Brit. enz. 
Brille (La) Briel (m. Zeeft, ia 

Hdll.), 
Bragea, Bruggen (n.fl.in Vlaand.X 
Bruxelles, ^re/^/ { Hoofd fl. vai 

Brab,), 
Bode, (m) Bnda of Offea fn.ft, im 

Hongar.), 
Bulgarie (La grande) (n. BtJgó. 

riè'n in Tartariè'n], 
Bulgarie (La petite) (n. Bnlgârien 

in Turkyen), 
Caire, co Ie grand caïre, (m) CoT- 

rJ {Hoofdfi, van Egypte uittermaa. 

ten groot). 
Calabre, (f) Calabriëa {n. L. im 

Lal.). 
Calais, (m) Calis of Calais (n. Zet^ 

ft. in 't Kanaal). 
Californe, (f) Cdlifirnien (n. L. im 

N. Amer.). 
Cambrai , (m) Kdmerik (n, fi. im 

Vlaond.). ^ •' 

Cambréfis , (m) •/ Land mu Kâmerik, 
Candie, (f) Candia (Uil.emft. im 

de MiddelU Zee) 



krL CA. CE. CH. &e. 

Çaodiot, te (ra. Öc f.) CânJier enz. 

Candy, Candiit {fiadt e» Koningr. 
op 't EU. Ceiln). 

Canelle (Le Païs de 1») */ Ka 
melland (op 't E'l. Ceihn), 

Cantorbt^ry , (m) Kantelberg (n. fi. 
in Engel i»J;. _ 

Cao, oa Pforsontoire , (m) Kjop , 
voYgcbergtP of Lan J punt , in zee. 

Cap de bo nt; È-pérnnce.fm) fio^p 
de goeJe H»jp (de zuidelyte Land 
fhnt va» Aj\ ica , inet eene franye 
St^t. Kifieel en tvin , de Hol 
landlcbe O^Ji- hdifche' Maatfchoppy 
t'fhebQO' ot'U , VOO zien , en alwaar 
de Ooft I dijcbe Schepen om ver ver- 
'ck-.nsi *én anker kömsn), 

CArth«gèpe , (m) Cartagêna (n. St. 
in Sp'*n. en Amer.)* 

Cafr.ieune (La Mer) De Caspijcbe 

CafTabie , (f) CaJ/kbiè'â (L. i» Pom- 

meren). 
Cacalonte , (f. Catahtiiën ( L. in 

Spanten), 
Catalaii , ne (m. & f.) Catalónier 

enz. 
Caudebec , (m) Stadt i» Norman- 

diè'n , vermaard wegens Hoeden* 
CeiUn , (m) CeiÏOH (n. Gr, EU. « 

Indie^i}, 
Chine, (f) Cbina {Gr. Koningr. in 

At:sfi). 
Chinois , f« (ra. & f.) Chinees enz. 
Chrétienté, (f) 't Krijïenryk (n). 
Chdl'tophe (vSf.) Sinte Cbrlji~ffsl 

(BfL t» Amer»), 
Cleves, Kleef {f raaf 9 fl, e» Hsrtag- 

dovi). 
Cols , (m. pï.) La^^d engten , door 
togun (met betrekking tof de Alpi- 
fcbe Gebergten). 
Cologne, (f) Kuten (n. gr. Koop- 

ftait aan den Rhyn)). 
Cologne (L'E'caorat de) */ Keur- 

vo^fter.iom Keulen. 
Confiance , ( f ) Cojlnitz (fi. in 

Duitfibl.), 
Conftantinople , ff) ConHanttnópel 
(zeer groote <■■ o iryke Stadt, en ze- 
tel dei Sültau» in Europifcb Tur. 
ty?n). 
Copenhagne , (m) Eop:enhdgen 
(Uooffi. en ii'tel dei Kcningt van 



CO CR. C7. DA. 

D.^nemarketi » een zeer fraaya ZH' 
en Eiandeiplaats). 

Cornouaille, (f) Ko^nexval (n. L, 
/.i Engeland). 

Corfe , (f) Co'^fica (EU. in de Mid- 
den Zff). 

Corfe, (m- & f.) Corftiaan. 

Courcrai , (m) Corttyk (n. Ji, in 
Slaand.), ^ „ . 

Cracovie , (f) Krokau (Gr. St. l» 
Pool). , ^ - 

Crpaiie , (f) Croatièn (n. L. iu 
Hjngar.). 

Croate , na. & f.) Croaat ent 

Cypre, (f) CypHën (n. EU, it» ds 
Middelt. Zee). 

Cypriot , te (tn. & f.) Cypriaan^ 

Damas, (m) Damascui{n). 

Danemarc, (m'*. Denemarken (n). 

Danois , fe (m. & f.> Deen enz. 

Dinube, (m) De Donau (Gr. Riv.). 

Delfc , (m, Delft (tâmelyke groofe , 
fraayc en zinnelyke Stadt in Hol- 
land ^ beroemd wegens baare Por» 
eeleinf^.oHeksn). 

Davis (Détroit de) De firaat Da- 
vlds (in Groenland). 

Détroit , fm) Zee-engte » firaat , *; 
naauM) (aU: te GïhraUar). 

Dixmude , (m) DixmuiJea (n. Sf.iia 
naand,). 

Domingae (St.) St, Domingo Stads 
en Etl. in Amer.). 

Dordrecht ca Don , (m) Dori: 
reek* ofDcrdt (d'ovdfie en eerfiefiesn- 
bebtsnde Stadi van Holland f gclé' 
gen cp een Eilandje aan de Maas, 
bier do Merwêde genaamd ^ tâme- 
lyk groot fraai en bandeldryvenJ , 
zeer bekwaam voor de Scbeepvaart , 
hegunfiigd met bet fidpelreebs em 
munt . e» beroemd wegens bet Syr.o- 
das nkti onal is aldaar gehouden A° . 

1618 efióip.) 

Douvres , (tn) Doever (n. Si, eu 
\ Zee b, iu Eng. in 't kanaal). 
Dregde , (m) Dresden (n. Gr, St, 

in Sr.r.), ^ ^ 

Drontheco , (q) Drontbsm (n. Gr, 

t. in Nor 'Af.). 
Djblin , (n3) Duhin (Hoofdü. en 

Zp'' b. van Ierland). 
Dd kerqne t (m, DJ^kerkei (n« 
Gr. Zee .en taaiêl -plaats i'^ Fr» 
Vlaand.}» E«'a- 



ECL. EDI. EGL. tScc. 

Bclufe , (f) Siuit (J), im ffoll, 

Vlaamd.), 
^ Ecoffe , ( f) Schotland (n). . 
Ecoflbis, fe (m. & f.) Scbotlaader , 

fibof. 
Edimboarg, (m) Bdi»h»rg (a.ff.ji. 

in ScbotL). 
Eglife , (X'Etat de V) De Eer- 

kelyke Staat ( die de Paus be- 

^ Zit), 

^gypte, (f) Egypten(n). 
Egyptien, ne (m. & f.) Egypte. 

maar. 
Elbe, (m) ö* i?/** {R.imDuUfcblX 
Ems , (m) Dff £oti (f. R, /. 

Duitfcbl,). 
^^ckhüfe, (f) Bukbuizenifraaye fi, 

»■ iv» aoll.)m 
Efcaot, (m) D^ Sc^^W^ (12. /, 

Brab.). 

Efclavonie, (f) SlavétiUa (n. bv 
Hong,), ^ ' 

Efpagne , (f) Spanièn (n). 

Efpaguol , le (m. & ^.) 5po«,'jrJ. 

Ethiopie, (f) Maoren-land: 

Ethiopien, ne (m. & f.; Btbiopier, 
Moor, ' 

Euphrate, (f) Bupbratss (R, i» 
^zièm), 

Bxirope,(£) Europa (f. een der 4 
waereld-deeten). ^ 

Fez, (m) iT,^ (^. ^„ iTOT/Bgir. /» 

Finlande, (f ) FinloBd (n\ 
Fmlandois, fe (m. & f.) F/^/öurf^r 

of Fin, 
Flandre ; (f) riaanderen (n, L, in 

de NéderL). ^ 

Flamand, à^ {m. i. î.) Vlaaming , 
FJeffîngue, (f) VllJJing,^ ( ,g„e 

^^j^^l^^';^»(nFiorentie»(n,Gr,fi. i» 
'T.?^'^' (Villes) D^ «,^W^^. 



FRA. FRI. GAL. <3cc x^/ir 

France, (f; ^rj»*ryit (u Gr. Ao- 

ningr.). 
F/arçois, fe (m. & f.) Franfcb-^ 

mau etz. ' 

Francfort far le Me in , Francfort 
aam de Mem {eeae gteate Kaopjl, 
beroemd wegens baa>e MtJJen), 
Francfort far l'oder , Francfort aan 

de Oder , {met een' H. fcbool.), 
François, (Les îles de St.) De Ei, 
landen van St, Framifcus {im 
Amer.), 
Franconie , ( f ) Frankenfaad ( in 

Duitfcbl.), ^ 

Frife, (f) f^riesland (n, eeee der 

7 Prov,). 
Frifon, ne (m. & f) rrieübi vrie» 

zin, 
Fone, ou Fionie, (f) Fuaen (o.£, 
^ in Dénem,), 
Farne», (m) ^urnsn (n. Vefting in 

ylaand.), 
Galice, (f) Galicien (L, r» Span.). 

dom Wallis (i» SHg.), 
Gallois, fe (m. & f.; Walfcb-man 

enz, •* 

Gand, (m) Gbend (n. fi. $» Staand X 
Gafcogoe, (f) Gafiônien (L, in 

yraakr,), 

Gafcon, ne (m. <Sc f.) Gafconjer 
enz. 

Gènes, (m) Gênua (n. groote , prag^ 
fjge e» ryke Koopfiadt^ item Repa^ 
bliek in Italien), 

Génois, fe (m. &. f.) Gênuees enz. 

Genève, (f) Stadt en Republiek in 
Savoyen aan *t Genéver meer j de 
fiadt ts groot , -wel gebouwden ban. 
deldryvende in allerlei manufaâuw 

^ ren, "' 

Genevois, (m) '/ Gebied van Ge^ 
nêve. 

Genevois, fe (m, & f.) Geniver 
enz. 

Glaciale (La mer) De Eis-x.^e, 

Gorcnm , (m) Gorkom of GornUbent 
{eene fraaye Stadt en vefiing in 
Holland). '' * 

Gouda , on "Tergow , (m) Gouda 
{Fraai - bebouwde Stadt in Hol- 
land en beroemd wegens baare Pyo- 
fabrieken gnx,) 

** Gothie 



sviij GOT. GRE. &c; 

Guthi. , if) Uot'fwvt ■■ .>. 
•G.ths ,(ai. p\.) (^Ottde G«'l6f». 
G èse . ( f ) G-ifkentunJ (n:. 
Gr.>c, Grccqae, -m. & f.; Gr/f* 5 

Griekjchf f'O.-a». 
Giifons (Les), D<j GracWJ^bun 

de>'t, ^ 

Crifons .Xe Païs des) V Graaöw 

hunU'lanJ {RefuhUck by en i» v^r 

Grotfoiand, (m) Grof^rJard (n). 

G oningue. (f) GrJ«;»?.» («rooj^ 
5*öif en eéne der 7 vereenigdt 
Provint ten) f ' , , , 

Gaeldre . (f) Gelder tavd ( n. êen 
grs'^t Hmagiom, en eéne der 7 
Prov, van Uil.) ^, ^ ,^ .. 

Gaeldrois, ie (m. & f.) GüSerJch- 

Gaeldres, (f) GeUere» {Jierke vef- 

Hsinant, (m; Hénegouwen {L, in de 
Néierl), , ^ 

Ha^bo-arg , iTa)IIamhurg (n. Gr. 
^^^- en Handelpl. in NéJ- Saxen). 

Hanovre , i f) Banóver (n. Keur 
vo^dend}m in Duitfcbl.). 

Hanóvrien, ne ca. & fO ff^'o- 
ram. 

Hi.lem, (m) H^ar'em (G-- fr.taye 
e.1 ryke Stadf ia Holland, vol 
Fb'i'ien), 

Hüy.^ (La) , De Harig of* s Graven. 
h.igt{fipn Riront éren vlek of fiidt 
in Hxltand , eene kleine rnyl van de 
N Jee , vol fcbüjne Geboun-en en 
Paleizen , de zetel der Hereuf 
Stuaten Generaal mz. waarom bef, 
met recht , ge-ioe^nd wori , bet 
fraaifte en ptagtigfie vlek van de 
voiiereld), 

Hécla, (ra) Heela (brandende B?rg 
in Eislani), 

H-flTe , (f) Be (Ten of Hejfenland 
in). 

H '(Tien , ne <m. & f.) H^s ; HJft^. 

Ho 'lande, (fj HoUard (n. ee-e 
Gr.tJ-ffcfyflp in d? Néd^rlnni^n 
de grootfie "n 'fraaijie di'r 7 ^^er. 
eenigde P'ovintie».^ 'tlo'i'fnéden mei 
ver'c'^eiie va.r-'ajre Rivieren en 
Kntrtante» , op vopikfrs zyoi»/'^ zleb 
vele pragtigp Sféd'^n en Ltiftbaizet 
ots ia ecB' Groe^ vtrtisaeB, N3, door 



HOL. HON. HOR. &c. 

Jé'.'R Nj..m HAland verjiaut men 

ook veeltyiii bet gantfche Gemeene' 

teji of a-: 7 verè'intgde Lanijibap- 

pen , oj in andere woorden de gtf j 

beele Republiek 9 of 7 g îi»ie$rde 

Provint i en). 
Hollande Nord-) ou Weft-frîfe 

( f ), Noord Hullofrd of IVeJi- vrtes- 

laud (L. aan de ziUder zee waarin 

verfcbeids fraaye Steden en vette 

vteianden), 
Hoi:ar.d.ïis, fe 'm.& f.) HMatdefi 

HjHa^dfcbe vtouw. 
Holface, (f) H.lfieinin). 
Hongrie , (f) Hmgaryen (n). 
Hougrois, fe (m. & f.) Hongaar 

ene. 
Horn, (m) Huorm {Gr. fraaye fi, in 

N. HM), 
Indes (Les), De Indien, 
ïndoftan , ^m) I^dojian (n. Gr. Land 

in Qofi indien). 
Ingrie, (f) Ingermerland (n» L. i» 

Rujland , 
Irlande, (f j Ierland <n. een Etl). 
Irïandois , fe (m. & f) lerlander 

etiz. "i» 

mande , ( f) Tfla^d (fi. Eil in de 

N-tee)» 
inmdois , fe fm. & f.) Tflander enx^ 
ine OU Ile, (f) Ben Eiland (n). 
Ifpahan, (m) Ifpaban (n. Hoofdffo 

van Perztè'n), 
Iftbme, (m) Een Land-punt (t}» 
I:a ie , ( f ) Italien, 
Icaüen, ne (tn. & f.) Italiaaner, 

Italiaan. „ , , 

Ivtça, 1 f) Iviea (Stadf en Btland 

in Je Middel zee). „., . 

Jacraïq je , f ) Jamaica (Gr. Etland 

in Amerika). ^ .. 

Jipon, (tn) 5^upa» (n. Gr, Keizer^ 

ryk tn Aièn). 
Japonnois, fe (m. & f.) Japonnees 

Jernfalem, ''m) Jèrufalemin.Hoofdfl. 

ven 't Heilige Ij-^'-d). ^. . 

Jocrdaïn , (m; Jordaan (m. RiV- « 

Jtiiéer f) Juiêa of 't Joodfcbe Lanâ 
in éziè'A). c..«j.\ 

jaiers, tn) Gti^icb (n. een Stade) 
item 't Guli eter land. 



KON. LAC. LAG. 

Konin^cj i^ , {m, Kont- gée* gen 
(n. Gr. Zee- en Hjudeijiadt in 

Lac , m I üea Mef^r (n) , als : Ie Uc 
a'H«rlem, '/ üaariemmsr AUer 
em. 

La^iUnes , (f. pi.) Naam die men 

gtefi aan de Grogten of Poelen 

ujfcben welke l^e^té^ien is teggen'ie, 

Leiaen « Leiden (n^ae grootfie btodt 
in Hi land uau/i J^mH^rdam j 
doorinùditi met fraayp Gr-ijtea en 
Sirenen , : ol fraaye Gsbouweh en 
Fabrieken , en zeer berosi.-id lam- 
S eus baar e H;> ogc- S booi.) 

Leii^fiG, (m) Letpxg (n. Gr. St, iu 
Ónxem y beroemd wegens baare 
H^Q^e Scbuoly eu jaarîykjtbe M s 
of Kermis). 

Leeuwaarde , T.eettwaarden 'Gr. en 
ftaaye Hoofd St. van F'riesiand). 

Levant, (m) De Levnt (f;. 

L<;vaatin , iue (m. & f,; Bi'woonder 
der Levant. 

Liban , (m) Liban (m. B. ia A- 

Z;è'i). 
Lîè^e , (m) Luik {teer groote Koop- 

ftadf en Btxfcb.ops zétel) . . 
Lé pais 'de Liège, *. Litiker'.atid. 
Litgcois> fe m^ Ltiikena.ir enz, 
Lille , (f) Ryjfel (n. G-. kojp. en 

fh'fd-St, rjan Ft^ l^laxind.), 
Lisbonne, ^ f ) LitfaboH [a. ze r 

gro'jte em ryke Zee- en Handei- 

Siadt in Portugal j de Zé.ei des Kj- 

ni»?s. 
Lithâaaie, (f) LUtbouwen (n). 
Lithcanieiii ne (m. & f.) Lii;büu- 

wer. 
Livonie^, ( f ) Lyfîand (n). 
L.'vonien , ne (m. & f.) Lyfiander. 
Livoarne , (f ) Livorno {n. Gr.Zee 

en Handelploats in Lciiën), 
Lombardie , ( f ) Lombardyen (n. L, 

in Itaiièh). 
Lo.iibard , de (m. & f.) Lombar- 

dier, 
.Londrea f (os) Londen of London (n. 
;: IloofJfla U van iitt^chind , aan de 

R. de Teems , eette der groot/ie fa 
' P'olkrykfiü bandel plaatfsn ia Eu- 

rop.3). 
Lorraiue , ( f} Loibdrhge» (n). - 



LOR. LOU. &c. XIX 

Lorrain , ne \^ai, àc /.; Latb^n^. 

ger, 
Locivain , (m) Leuven {Gr.SiaJtmet 

een Ho.^ge Scboji in Brabovt). 
Madrid , -ySz) Mad id (n. fljifd St, 

tK Sioeie».. 
Majorque, f; ATi/fl-- ci [EU. en Stadt 

i: d-> JYlJJel t.'Zes). 
Maiabar , (mj Malabariè'n (n, L, 

ia Az . ■ ■ 

Ml icca , f f ) MaLcca (L, in Az,). 
M<ilaiâ ^L?s) , De Ma.cyers {volkin 

riz.). 

MaUi4Ê-8 , '( m ) Ms!cbe<en , (St. in 

Brat.), 
lyiiJto, (f) Malt ba {Ei l, in de Mid- 
del). Z?e , soebebüorenie aan de 

Rddef^ van Sint Jm). 
M-. toia, ie (ra. & i.) Mihb'ezer^ 
M^ïichi , ( f ) 'j Kanaal (n. tuifcbea 

-->aï>*'/, en lù*.gl.). 
M"rsüie,rf) MaVfihëtt fn. Gr. 

Klop en Z^e-St, m de Mtdj.ell. 

Z„e'. 
M 5? lei 11 ois, fe (m.&f.; Een Mar- 

(i'-^aon, 
Maftrrcht, (m)' Mja/iricbs {n. fier h 

vefting ifi 'Je Néiet4.). 
Mïyeuce (L'E eftorac de) 'i Kiür- 

vàrj^iHd'tn Mfiott, 
Mayèace , (f' Msr.t^ {d; BooffJ. 

e» Ziivi d:S Kraru. aan -ien Rbyit}, 
M^aco, (mj Méaco (n. Gr, oV* in 

Mecqae ,(£)Me£ea{Gr^fi.in A^ab.). 
MéaiCï-rranéÈ , (fj De Middslhnd- 

fcbe Zee of ft raat, 
Mihün , (m) Meemn {n, St. i» 

f l tand.). 
M-af:^, (£) De Maat {Ri»,), 
MvKiqua, (f) Mixicii (n. Gr. L. im 

Ame:,). 
Middeiboarg , (m'> Mid^ebur,^ 'n, 

H}ofJ St. Man^ Z sland i'^ 't RiU 

t^alcbsrea, is groot wsl bffbonwd 

e^ ijer handel dryveti, 
Mi'^an, (m) Miian (Ji. en L. iu 

hal.). 
M'.'anois. fe (n3. & f.) MPneezer, 
Miianeg ;L^) 't M't>-i«ifc^>i' 
M.aorque, (f) MuO'caif^iU ^« * 

MtdJeli. Zie . 
Miq-jeiets, \Le8} Naf''-i di& jmen 

* * 2 «*^/» 



ixxii SUR. SYR, TAM. &c. 

Snri' ax'C , (f) Si*rn%aam i. eu vo,k- 

plamhg '» jdner), 
Syrie , ( f) Sjrièm (n. L. <a Tsr*.). 
Tamife, (fj De Theems {K, ta 

Eagl.). 
Tanger, (m) Tj^g^fr (n.y?. ^« ^ar- 

Tàrtarie , (f ^ Tartaryèi (n). 
Tdoraa , {m, Taurut (Gebergte tm ^t.). 
Tervére , (f) Terveer vS;. Ja 

Tharingaer<f) Tburingen{L. its O.). 
TiDr€ ^Le) De Tyfr^r (Gr. R. ia 

lal.). 
Tilbourg , (m) Tilbarg (G. ea fraai 

vlek , til bol\andfcb Brab.), 
Totol OU Tobolfca, Tobohko (n. 

Hoofd/i» van Sibérien daar df 

rvffifc'be Ballingen naar toe gebonden 

wcr-Jsn). 
Tofcane, (f) Tofkaanen ( L. 

Ital.), 
Tofcan , (m. &f.) Bçm Tofkajn. 
Tcurnây , (m) Doormk ( n. 

J/'laand.). 
Tracülvanie, (f) Zevenbergen, 
Tranfilvain, ne (tn. & f.) ^^t;^»- 

Trèvea, Trier {Gr. fi» en Kearv.r- 
JienJom), 

Triiöe, (f) Tr/V^ (n.Ji. es zee b. 
in Lal.). 

Tripoli , ( •*) Trtpoli (Gr, fi* en 
kiein Koniagr, in Afrika y eenRoof- 
nefi). 

Tripolitain , ne (m. & f.) Tripoli- 
taan. 

Tanis , (m) Tunis {Gr. Stadt en 
k'ein Kmingr. in Jlfr. efn Ro'^fnefl). 

Tanitien, ns <'m. & f.) Tunitiaan. 

Turquie, (f) Turkten. 

Toe, turcque (m. & f.) Turk snz. 

Utrecht, (m) Utre(bt (Hoofdfi. en 
éè» der 7 Holl. Prov. dl- S tait is 
groot en aa-zienlyk ^ en btfft e ene 
vermaarde B. School.)* 



in 



in 



VAN. VAR. VAU. &c.. 

Vala^hie, [ f, h^aia^b e.i (..). 
Va.aque , (ii». & f.) Walak 
Vatdaies, ^Les) De wenden (zéker 

oud ^olk). 
Varfovie , ( f) Warfcbau (Gr. S.adt 

in Poolen). 
Vaudois, Les') De irsidenzen, 
Vfccre. (Zte T^rvére;. 
Ve^ife, (f) /^eȎiien (eene Stadff 

Hertogdom en Republiek in Italien, 

df Stadt is gebcutvd op meer Jan 

70 BilcindjeSf zser groot , progt/g 

en rykj. 
Venetien , ne '"m. & f.> Venêtioan» 
Verfailles , yerfaljes <pragttge Ltiji- 

paati des Ko*ings van Frankryk), 
Vibocrg, (m) Wyburg (fi. in Juu 

land). 
Vienne, (f) Vienne (fi.i^Vrankr.), 
V-ieone, (f) JVeenen (Hoofdfi. in 

Oofienryk de xét^l des R. Ketzers , 

^ zeer groot en fierk). 
Virginie, (f) t^trginiën (L. in 

.iivier.). 
Viftule, (f) De Weixel (R. in Poo- 
len). 
Wefel . (m) ff^ézel {ft. aan den Ne^ 

dpr-kbyr>). 
Weft^haiie , { f) Wejipbaalen (L. in 

Daitfcbi ). 
W*rft,,halien , ne (p) IV.fipbaaïer. 
Weteraviei (f) De Weitercu (L, 

»« D.) 
Woïga , (Le) De ivolga (f. Gr. Riv, 

in Rèjljnd). 
Ypres, {To) Iperen{n.Gr,ft.inVf.), 
Yflel , (n>) TJfei (Riv. in Hall.). 
Zélande , ( f) Zeeland (n. eene- der 

7 Verëenigde Provintiën , gelegen 

aan de N. Zee y beroemd wegens 

baar e Meekrappen). 
Zélandois, fe ra. & ?.) P^en Zee- 
- landt r of Zeeuw. 
Zuiderzee , Een Zéê-boezem van de 
N. Zee, by Amftetdam. 



DICTION- 



Pag. i 

NOUVEAU 

DICTIONNAIRE 

FRANÇOIS ET HOLLANDOI& 



A (m) A. (f) T>e eerfte Letter 
• van bet A.B,Qt un bon A , 
éene goede A; il ne fait ni A , ni 
tS, hy kent geen A voor een B^ hy 
is een weetniet; il n'en à pas fait 
une panfe d'A, by beeft 'er niets 
aangedaan, (Spr. w.) 

A. getskent met een (Accent gra- 
ve * ) zwaar klankteken , is een Artikel 
den Dativtts aanduidende , als : à 
moi, aan myn-, à la Femme , aan 
de f^rouw i à eux , 'aan hun i à qui 
eft cette maifon ? wiens buis is dit? 
à Monfieur A , van den Heer A', ^\ 
qui appartient ce livre ? wien hoort 
dit boek toe? à moi, aan my. 

A. is een Voor zet zei ( PrepoCttion) 
als ."aller à Paris , naar Parys gaan} 
demeorer à la Campagne , op het 
Land woonen î il eft à l'Eglife , by 
vi in de -Kerk ; à naidi , te middag ; 
à minuit , te middernacht j à de- 
tnain, regens morgen i à l'enfeigne 
du lion rouge, tn 't iv apen van de 
roode leeuw, à trois heures, ten 
drie Uuren ; à trois jours de là > 
drie dagen daar na , à vingt 
lieues d'ici ^twintig mylen van hier-, 
à deux doigts de la terre , t^vee 
vwger breed van den^rondy à la fa- 
veur de la nuit y onder begunjîiging 
der nacbf, à ce prix là , tot die 
prysi à raifon de fix pour cent , 
ttgens zes ten honderd. 

irJet woQrd-lfgJje ( Particule ) A , 



word ook gebruikt in plaats vdn fieâ 
f^oorzetzet avec, ppurj als mede oni 
aan te wyzen waar toe iets gebrttikfi 
word; ook bywoordelyk (Adverbiale— 
leraent) om de manier ert hoedanig-* 
held van iets aan te duiden j als ; bâ- 
tir à Chaux & à Sable, met Kalk 
eit Zand bouwen', travailler à 1 ai- 
guille , met de naald werken ; ui» 
pót à l'eau , een water-pot ; un mou- 
lin à vent, een wind -molen; une 
chailè à bras, een armjïoel; un© 
boite à fuiïl « een tinteldoos 5 ua 
tonneau à vin, een fFyn-vati di» 
bois à brûler s brandhout', du drap 
à fond d'or j laken met «en goude 
grond i un carofle à fix chevaux * 
een koets met zes paerden', c'eft ua 
homme à carofle , het is een matt 
die een koets /)Ottcf; travailler à Is 
chandelle by de kaars werken i 
peindre à l'huile ou « huile, met 
oîy -verf Schilderen', on le fit déchi- 
rer à des lions , men deed bgm 
door leeuwen verfcheüren ; avoir une 
un ducat à trois a een ducaat met 
zig drién hebben ; deux à deux , twe& 
aan twee; apprendre unö chofe al 
fond , iets in de grcnd If eren; ap-^' 
prendre à lire , leeren ieezen; c'efl 
à vous à jouer, het is uw heurt en* 
te fpeelen j à bon marohé , goecf 
koop; à genoux, knielende; vêtu à 
la mode françoife, gekleed na de 
franfike mode;k l'épreuve du mous- 



& ABA. I 

qaet , heftafid ^-oor een fnaphaan- 
fchoot'f un maître à danfer , een 
dans - meejïer ; un homme à tout 
faire , (PH man tot alles bekwaam ', 
neaf à dix raille, omtrem negen of 
tien duizend', à tort , ten onrechte , 
à rebours , verkeerd ; à la hâte , 
metter haajl, in der yl *, à l'étour- 
die, cttbezonnen'f à mefureqoe, na 
maatea dat', à grand' peine, ^Tiet 
groote moeite -, pied à pied , i'oet 
voor voet ; à merveille , ivonderlyk 
tvet, à cela près, op dat na', à di- 
re le vrni,o«z de^vaarhetd t:^ zeggen. 

A. zonder toonteeken is de derde 
perfoon , des tegenwoordigen tyds , van 
de ' aantoonende VL'yzs des behutpzaa- 
Kien iverhvoords > avoir , hebben ', als : 
il a, by heeft. 

Hier toe behoord het onperfoanlyk 
nverkivoord, il y a> daar is f daar 
:zyn', il y avoit, il y eut ,daar 
ivas f daar waren j enz. Combien y 
a t-ü, hoe lang is het geleden^', il y 
a dix ans, tien jaaren-, combien de 
lieues y a t-il d'ici à^ Paris ? koe 
ver is Pat y s van hier^ il y a près 
de cent lieoës , hyna honderd mylen. 

Abaifle ^ (f}De cmderjie korji van 
wen 'pajlei , of taart, 

AbtifTé, ée (adj.) Ne êr gelaat en , 
verootmoedigd , vernederd, 

Abai£"5ment , (m) Vernedering y 
verootmoediging ? ( f) abailTemcnt de 
courage , moedeloosheid. 

AbaiiTer , ( v. a. ) Neêrlaaten , laa- 
ger maaken , verootmoedigen ; abais- 
fer un pont levis » eetie brug neer- 
iaate» ; sibaiiTer une muraille de 
deux piéz , een muur twee voet taa- 
ger maaken; Dieu abaifle les or- 
gueilleux, God vernederd dt Hoog- 
moedigen; s'abaiffer » (v< r.) Zig 
vernederen , laager worden ; l'eau 
s'abaiiTe , het vjater valt; Ie vent 
s'abaifle , de wind bedaard , gaat 
ieggen. 

AbaifTeur, (m) Spier daar bet 
QÇg mede gejloofea word, 

AbaloHrdir > ( zie Abafourdir ). 

Abandon, (ra) i^erlaating; (f) 
1'abandon des biens du monde > 
de verlaating der waereldfcbe goede- 
ren ; à l'abiijidon^ in 't wild f tsü 



ABA. 

prooi; laiffer fes enfans à l'aban- 
don, zyne kinderen in 't wild laaten 
loopen. 

Abandonné , ée ( adj. ) Verlacten ; 
abandonné des médecins, vc» de 
geneesbeeren opgegeven. 

Abandonné", (m) Een'cngebon^ 
den- ) overgegeven , ondeugend menfch. 

Abandonnée ,( f) Straat-hoer , .-ii- 
lemans-hoer. 

Abandonnement , ^m) -Verlac' 
ting ; orgebondenbeid ( f). 

Abandonner , (v. a.) Verlaatcn ^ 
opgeeven, overïaaten; n'abandonnez 
pas les étriers , {Spr. w.) laat u 
belang niet vaarm', s'abandonner, 
(v. r. ) à fes paflions, zyne driften y 
harts-tochten opvolgen ;s'at5andonner 
aa defcifpoir , z;g aüti de wanhoop 
overgùven. 

Abaque, (m) Het dekjiitk van het 
kapitpfl eener zuil; reekentaf At je der 
Ouden ( n ). 

Abafourdir ,( v, s. ) Eahorig maa- 
ken {beter Etourdir). 
- Abâtardir, (v. a.) Doer, ontaar- 
den , bederven -, s'abâtardir , ( V. r. ) 
ontaarden , bederven. 

Abàtardiflement , (m) Verder- 
ving; abàtardiflement des mœurs, 
verbafiering der zgedm ( deze 3 woor^ 
den verouderen). 

Abat-faim , (m) Eeri groot Jiufi 
Vieefch ( n ). 

Abat- jour , (m) Val -licht, koB' 
koek 9 Kelder-vengjler (n). 

Abattage, (m) Hakloon; het neir" 
vellen van Èoomen ( n ). 

Abattant, (m) Een ilind , luik, 
neêrjlaand Ven ^ fier ( n). 

Abattée , ( f ) De windvatting vaa 
een Scbtp. 

Abattement , (ta)VerJlaagetitheidy 
moedeloosheid, matheid; neérwerping 
(f) cette nouvelle le mît dans l'a- 
battement , dfe tyding floeg hem 
gantfch ter neêr. 

Abatteur , ( m ') Iemand die neêr- 
werpt , ter neêr maakt , omver-bakt ; 
grand abatteur de bois, ^roo;^ ke' 
gel werper ; zwetzer , opfnyder. 

Abattis, (m) Een boop neerge- 
velde dingen ,puip/fQOp; afvol "van ge* 
flacbtf teeflin^ 

Abattre , 



ABA. ABB. ABC. 

Abattre , ( v. a. & n. ) Neérwer- 
pen , neérvellen , omverhahken , af- 
jflauKy verzwakken; Ja pluie abat ie 
vent , de regen doed de^wind leggen ; 
abattre de la vraie route, de'rech- 
fv Jh-eck niet houden ; Ie vaifTeaa 
abat, het fchip dryfi af; abattre 
un raifîeau , een öcbip doen bel 
len , om te kielhaa'en; petite pluïe 
abat grand vent , een kleine re- 
gen flild een grooie wind , ef een 
goed woord vtnd efn goede plaats ; 
(^pr. w.) abattre le cuir d'un 
Bœuf, een Os de buid af haaien ; a- 
baltre le caquet , de moud [noereu; 
abattre les rideaux , de Gordynen 
laaten vallen ; abattre bien du bois , 
ve,l zaaken afdoen , vrcl Kegels wer- 
pen, {Spr. w.) s'abattre, (v. r. ) 
Neervallen , bezzi-yken ; la chaleur 
S*a.ba.t f de hit 'e vermitiderd -fion che- 
val s'ell abattu fous lui , zyn paerd 
is cnder hem ter necrgeflcri ; l'oifeau 
s'abat , de vogel fïr'ykî ; il ne s'a- 
bat peint dans le mal heur, /jy îaat 
in ramp-fpoed den moed met zinken; 
le navire s'abat, het fchip word an- 
kerloos , valt af. 

Abattu , ue (adj.) Qmgehouwen , 
neergeworpen , gejîecht ; verootmoe- 
digt , neêi'Jlacbtig. 

Abattures, (f. pi.) Struiken die 
het Hert ter ne ér treed. 

Abat-vent , (m ) fVindfcherm]{n) 
tnat om de gewaffen voor fcherpewm- 
den te dekken; (f) afdak in Je galm - 
gaaten van een klokken- tooren. 

Abbatial, aie (adj.) Het Peen tot 
Gen Abt of den Abdye behoord {Lees 
Jibhacial). 

Abbaye , ( m ) Een Abdye. 

Abbé, (m) Een Abt; Ie moine j 
répond comme 1'abbé chante, ge-\ 
lyk de ouden zingen zoo piepen de jan- 
gen; (Spr.w.) on vous attendra 
comme les moines 1'abbé, men zat 
al eetende naar u ivagtrn- 

AbbelTe , f f) Een Âbdiffe, 

ABC , ( m ) Een ABC, of Alpha- 
bet, een ABC. hoek; (n) renvoyer, 
quelcun à l'a, b, c, iemand voor] 
een weetniet houden. Î 

Ahcès , ( m] Een ^wefr C f) Effgr- 



! ABD.ABE. ABH. ABI. 3 

Abdicatie II , f. AJjiand (m> 
neerlegging , verlaat ing. 

Abdiqué, éc (a-Jj.) Neergelegd ^ 
afgeflaan. 

Abdiquer , (v. a. ) Neerleggen.^ 
zlg ontjlaan ; ce Prince fut on- 
traint d'abdiquer le Royaume, rf>> 
l^orfl wierd genoodzaakt bet Ryk af 
te leggen. 

Abdomen, (m) (Lat. w.) DeTi^ 
onderbuik. 

Abdufteur, (m) Spier daar een. 
lid mede gedraaid word. 

Abécédaire , ( ra; Een A. B. C." 
Schoolier. 

Abécher ou Abequer , (v. a.) 
^azen. 

A bée » ( f ) Schilt waar door het iva" 
fer op het molen rad loopt (n)* 
Abeille, (f) Honingbye, 
Abequer , ( v. a. ) Een f^ogel aa^ 
Zen , voeden. 

Aberration , f f) Afwyking (itz 
S t er r enk. ). 
Abêti, ie (ad). Dom gemaakt. 
Abêtir, (v. a. ) Beejiachtig , dom 
maaken; s'abêtir, (v. r ) Beefiacb" 
tig dom voordien, 

Ab hoc & ab hac , {Lat. w.) Zon-^ 
der onderfcheid. 
Abhorré ,ée { adj. ) l^eraffchutvwd^ 
Abhorrer, (v. a.) Affchuuw heb- 
ten; abhorrer le vice ,van ondeugcf 
een afkeer he hen ; s'abhorrer foi 
même, zig zelfs ver foei jen. 

Abigeat , (m) f^ee-dtevery ^ (£) 
( in rechten). 

Abjeft , te , (adj.) Gering , rer- 
acht-elyk; metier abjeél , ver acht e lyk. 
ambacht ; être d'une naifTance bas- 
fe & abjefte , van geringe geboorte 
zyn; fentimens bas & d\i]e(ks,laage 
gevoelens. ( Lees abjét ) 

Abjefltion, (f> t^ernedering , ver^ 
afhtelyke Jïaat ; vivre dans la der- 
nière abjedion, in de grootJJe ver- 
achting leeven. 
Abime, (n) z/^ Abyme. 
Ab-inteftat, Héritier ab-inteftat, 
natuur lyke erfgenaam. 

Abjuration, (f) Ajzweering,ver^ 
zaak ing. 

Abjuré, ée (adj») Fenaakt, af. 
gcZwQoren^ 
A 2 Ak- 



4 ABÏ. ABL. ABN. ABO- 

Abjurer , (v. ü.)JJzv;eeren,jer- 
Uocbenen, verzaaken-, elle a abjuré 
tout fentiment de pudeur & ver- 
tu , zy beeft aile gevoel vanfcbaam- 
H en deugd verzaakt. 

Ablatif, {m) De TVegneemer.of 
zesde naamval der dechnatie , ofbut- 

''Ible ou Ablette, (m) ^itvifth, 

Ableret, (m) ^ruitnet (n) om 
kleine J^ifcb te vangen. 

Abloc, (m) Grondjleen) voet on- 
der ee% Gebouw» 

Abluer,(v. a.) Laver une an- 
eienne écriture, pour la faire re- 
vivre , een gefchrift u/ajfcben. 

Ablution , ( f ) JVaffchin^ , remt- 
tint, (in de R. Kerk gebruikt). 

Abnégation , ( f) rerloocbenwg, 
tverzaaktngi abnégation de Toi mê- 
me , zelfi verloocbenifigvanzynelu[îcn. 

Aboi, Cm) Geblaf, gebas van een 
kond» ^ 

Aboiement, (.m) Blaffing, 

Aboier , (v. a,) Zie Aboyer. • 

Abois ,(m. pi.) Zieltooging ,laat/te 
ademtocht i({) être aux abois, ziV/- 
foogen , in doods benaauwdhetd zyn ; 
mettre fes ennemis aux abois ,2y«^ 
vymiden in de uiterp verlegenheid 
krengen» 

Aboli, ie (adj.) Vernietigdi af- 
gefchaft. 

Abolir, (v. a.) Femtetigen^ ver- 
feeven; le tems a aboli plufieurs 
ouvrage* des anciens , de tyd heeft 
9eelé werken der ouden doen verkoren 
gaan f abolir une loi» une coutu- 
me , eene %et y eene gewoonte af- 
fcbaffen. ^_ , ^ 

AboliOement', (no) Jffchaff.ng, 
vernietiging^ (f) 

Abolition , ( f ) Vernietiging , ver- 
griffenis ^ kwytffheldtng ; demander 
l'abolition d'un impôt, de affchaf- 
fng van eene belajling eijfcben; il a 
«û l'abolition de fon crime» zyn 
misdaad is bem vergeeveu. 

Abominable, (adj,) Gruwelyk. 

Abominablement , ( adj .) Op eene 
gruwelyke wyze. 

Abomination > (f) Gruwel, af- 
Jéhuivelykbtid, 



ABO. 

Abominer , (v. a.) Verfieijfl 
(oud, w) 
Abondamment, (adj.) Overvloi* 

diglyk. 

Abondance , ( f ) Overvloed , ( m ).' 

Abondant, ante, (adj.) Over» 
vloedig', d'abondant, (adv.) Daar 
en bêven (in rechten). 

Abonder, (v. n.) în overvloed 
zyn-, abonder en fon fens, ixiaau^ 
"^yfi eigenwys zyn. 

Abonné , ée (adj.) Vcrdraagea, 
m verdrag getreeden. 

Abonnement , (m) Verdrag^ ac^ 
eoord, (n). 

Abonner , ( v. n. ) Verpachten , een 
verdrag aangaan j s'abonner , (v. r.) 
s'abonner avec un Chapelier, Cor- 
donnier, &c. met een Hoeden-ma' 
ker. Schoenmaker enz, een verdrag aan- 
gaan , boe veel Hoeden , Schoenen bin* 
»en zekeren tyd te leveren. 

Abonni, ie (adj.) Verbeterd ^be* 
ter geworden. 

Abonnir, ( v. a. ) Verbeteren y ten 
halven laat en droogen (by Pottebak- 
kers)', s'abonnir, (v. r. ) beter y 
deugdzaamer wtrden i}e vin s'abon- 
nir par Ie temps , de wyn word 
metter tyd beeter.) 

Abord 5 (m) Jankomfî , toegang, 
ff) voorkomen y à notre abord nous 
fûmes attaquez, by onze aankomjl 
wierden wy aangevallen; avoir l'a- 
bord galant, een vriendelyk voorko- 
men hebben; il a l'abord difficile , 
by is niet gemakkelyk tefpreeken, 

d'Abord , (adv.) Terflond, în den 
eerjîen aanvang ; d'abord que , zot 
ras aïs ; tout d'abord , terjîovd. 

Abordable , (adj.) Toegankelyk , ge- 
naakbaar. 

Abordage » ( m ) ^anklamping , 
entering , overzeiling , ( f ) 

Abordé, ée (adj.) Aangeland, 

Aborder, (v-a.) Aanlanden ,aan' 
koomen ; tot iemand naâiren ; abor- 
der un VaifTeau , een Schip aan- 
klampen ; over ze il en. 

Abornement , ( ra ) Grens - bepa-^ 

ling (f). 

Aborner , (v. a.) Bepaalen , grens- 
paaien zetten. 

Abortif , ive (adj.) Qt}tydig,ftKx\t 

abQT' 



ABO. ABR. 

ftbörtif , onvotwajjen vrucht j enfant 
abortif , ktnJ dat voor de tyd geboo- 
ren word. 

Abouchement » {m) Mondeling 
gefprek, vereeniging ^fzaamenkowien, 

in- 

Aboucher, (v. a.) Iemand met een 
ander in gefprek doen koomen; s'abou- 
cher , met iemand mondgefprek hou- 
den, 

Abonquement , (m) Byvoeging van 
nieuw op oud zout (f). 

Abouquer , (v. a.) Nieuw zout op 
be9 0ude leggen, 

About , (m) Stop/luk aan 't einde 
vati een boei-plank of huid van een Schip, 

Aboaté , (adj.) Word gezegd in 
Wapenk. van vier Hermelyn vellen , 
die kruiswyze op eikanderen leggen. 

Aboutir , (v. a.) ^anpaalen , met 
ten kant of fpits ergens aanraaken , 
aangrenzen ^ uitlaopen ; tout cela n'a- 
bdutit qu'a me faire du mal, dit 
Jîrekt nergens toe dan om my kwaad 
f e- doen ; aboutir en pointe , fpits 
toeloopen ; je ne fki ou aboutira 
tout ceci , ik weet niet waar dit ol- 
ies op uithoornen zal, 

Aboutiflant , ante (ad]') aangren- 
zende. 

Aboutiflant, (m) Grenspaal-, fa- 
voir les tenants & les aboutiflants 
d'one affaire 4 alles wat aan een 
zaak vajl is w'eeten. 

AboutiflTement , (m) aangezet jiuky 
ff lap; rypwordtng van een zweer. 

Aboyant , ante (adj.) Blaffende. 

Aboyer, (V. n.) Blaffen^ baffen, 
keffen, lajleren , fchelden ; aboyer a- 
prèfi quelque chofe, ergens vieng- 
lyk naar verlangen; aboyer à la lu- 
ne , tegens de maan blaffen (Spr. w.) 
van iemand fpreeken die men niet fcba- 
den kan , te vergeefs iets bejiaan, 

Aboyeur, (m) Blaffer. 

Abrégé, ée (adj.) f^erkort. 

Abrégé , (m) Kort begrip , uittrek- 
fel,(n) en abrégé , (adv.) in 't' kort. 

Abrègement , (m) l^erkorting , ( f) 

Abréger , (v. z.)Verknrten , inkrim- 
pen; cette traverfe abrège le che- 
min , die dwarsweg fnyd af; la de- 
"bauche abrège les jours, de «ver- 
ef(iad verkgrt bet kevt»% 



ABR. ABS. s 

Abréviateur, (m) yerkorter vcm 
een Boek. 

Abréviation , ( f) Letter^rtlaei'^ 
ting i verkorttng; écrire par abré- 
Tiation , met verkorting fchryven, 

Abréviature, (f) Verkorting. 

Abreivé, ée (adj.) Gedrenkt, be^ 
vogtigd; tout le monde en eft a- 
brenvé , een ydtr is 'er van onderricht. 

Abreuver , (y. a.) naar de drinkt 
plaats leiden, wateren', bevochtigen % 
doortrekken ; bekend maaken , verwit- 
tigen; grond verwen; abreuver la 
terre, de aarde bevochtigen; ii en 
abreuvera tout le monde, hy zat 
het door de gantfche waereld rugtbaar 
maaken; abreuver fon efprit des 
fciences, zyn geeji met wetenfchap^ 
pen vervullen. 

Abreuvoir, (m) Drinkplaats voor 
Be effen. 

Abri, (m) Schuilplaats, (f) zon*- 
nefcherm , ( n ) opperwal , veilige 
ree , ( f) être à l'abri , onder buts- 
dak zyn; à l'abri des infultes, be- 
dekt voor aanval , overlafi ; un hom- 
me fans abri, c'efl un oîfeau fans 
nid, een menfcb zonder fchuilptaats ^ 
is een vogel zonder neji , (Spr. w.) 

Abricot, (m) Âbricoos , (f). 

Abricotier, (m) Abricoos-boom. 

Abrier,(v.a.)/^or regen of wind 
bedekken , (by tuinl.) 

Abrité , óe (adj.) Bedekt , (va* 
vruchten gezegt). 

Abrivent , (m) Windfcherm , (n). 

Abrogation , ( f) Jffchaffing van 
een wet of gewoonte. 

Abrogé, ée (adj.) Af gefch aft, ver- 
nietigd. 

Abroger, (v. a.) Jffchaffpn,ver^' 
nietige» , abroger un édit, een ge- 
bod affchajfen. 

Abrotone, (f) Averoue, (zeker 
kruid). 

Abruti, ie (^dj.) B eeft acht i g ge- 
maakt. 

Abrutir , (v a.) iemand beefach- 
tig maaken; Ie vin l'a abruti, de 
wyn heeft hem van zyn verjiand be- 
roofd ; s'abrutir, (v. r.) onvernuftig» 
dom worden. 

Abrntiffement , (na) Gr90te dom- 
heid ^ heejiagtigbeicft 

A 3 Abfeft" 



6 ABS. 

Abfence, (f) . jueezigheid, ver- 
iviUering y verjirojijing der zinnen y 
of gedachten. 

Abfem , ente ( adj.) Jfweizigj les 
able'.cfont toujours tort, d'fii/uvi?- 
Zf£e krygen altoos de fcbuld , (6fr. iv.) 

s'Able liter, (v. r.) ^'chttrtlyven, 
ergens van daan blyven; il fut obli- 
gé «le s'abfenter de ia ville , hy 
wierd genoodzaakt de jïad te rmmen. 

Abüiiche, (f, Alzem-kruidy ( n ) 
vin d'abfinthe , alzem ivyu j il 
adoucit toutes nos abfmthes , hy 
verzacht , ah onze droefheid y ver- 
driet , ongenoegen. 

Abfolu , uë (adj.) OnafhangeÏyk; 
commander d'un ton abfolu » met 
macht gebieden; un Roi ablolu , een 
onafhangelyk Koning. 

Abfoiument , (adv.) Onafhange- 
lyk y voljirektelyk i cela eft ablolu- 
luent neceflaire , dat is ten ^enen- 
maal noodfaakelyk, 

Abfolution , (f) Fryfpraak , ver- 
gijfenis van Zonden {in de R. Kerk 
gebr. ) 

Abfolutoire , (adj.) Sentence 
abfolacoire 9 vryfpreekend 'vcnnis. 

Abforbé , ée (adj.) Opgepkt , 
verflonden. 

Abforber, (v, a.) Opjïokken , op- 
fiurpen; fes débauches ablarbent 
tout fon bien, zyne brajjeryen -ver- 
fAnden al zyn goed', la mer abfor- 
bé Jes rivières, dg zee furpt de 
rivier tn in. 

Abfoudre, (v. a.) rryfpreeken -, 
or.tjlaan. 

Abfous , Abfoute, (adj.) Vry- 
gefprooh'n > onfc huldig- "vry - ver- 
klaard. 

Abfoute , (f) Vry-verkïaaringvan 
Sponden. 

Abllérae , (ra) Een die geen wyn 
drinkt. 

S'Abftenir, (v. r.) Zig fpeentn y 
orthouden , rj^n eeten en dnnhen 
ivachtm; zig hoeden -, s'abftenir de 
juger , zyn oordeel opfchorten. 

Abilergent, ente (adj.) Zuive- 
ret:d y reinigend. 

Abltergent , (m) Zuiver etid middel. 
(n) 

Abfterger, (v. a.) Zuiveren ^ rei- 
nigen, (in tleel-k.) 



ABS. ABU. ABY. 

Abireriif, ive (adj.) ..fvpegend, 

Abilerûon , ' f j Zuivering. . 

Abftinence ■> ( f ) Onthouding , maa" 
tigheid in eeten of drir.ken. 

Abllinent, ente ijsià\.) Maatig i» 
fpys en drank. 

Abftraftion , (f ) ^fi rekking , of- 
zondering '■jan de g-- dachten. 

Abftraire , (v. a.) aftrekken , af- 
zonderen, 

Aiiflrait, aite (adj.) afgetrokken, 
afgezonderd , overnatuurkundig ; pen- 
fées abftraices , diepzinnige gedach', 
ten. - 

Abflrus , ufe (adj.) Verhor getf^ 
duifier y diepzinnig. 

Abfurde, (adj.) Ongerymd y be- 
lachclyk. 

Abfurdement , (adv.) Ongerymd' 
lyk. 

Abfurdïté, (f) Ongerymdheid. 

Abfynche , (f) Zie Aijfinthe. 

Abt;s, (m) Misbruik, (n) misjlag 
(f) misverfïandy bedrog; (n) c'eft 
un abus de labourer une terre fé- 
che, htt is vruchteloos een dorre 
grond te behouwen. 

Abafé, ée (adj.) Misbruikt ; be- 
droo^en. 

Abu fer, (v, a.) Verleiden y bedrie- 
gen; Abufer, en ufer mai , (v. n.) 
Misbruiken , misduiden ; abufer de 
fon pouvoir, zyn magt m.sbruiken', 
s'abufer , (v. r.) ztg vergijfen , mis- 
reekencn ; fi je ne n'abufe y indien ■ 
ik tny niet en bednege. 

Abufeur , (ta) Verleider y bedrieger. 

AbuCf, ive (adj.) Oneigentlyk y 
valfch; terme abufif , verkeerde uit' 
d ukking. 

Abalivement, (sidv,) Misleidend ^ 
valjcbelyk. 

Abu ter , (v. n.) Werpen , flaan , 
ivie bet eerfie fpeclen zal. 

Abyme, (m) jifgrcnd y Helle; (f) 
'/ midden vaneen fchild {in wapen-k.); 
(n) être précipité du faîte de la^ 
gloire dans l'abyme do néant » 
van een verheven fi aat plot zeling neé - 
gtjîooten voorden; être abiœé de det- 
tes , tot de oor en t9e in fcbulden 
zitteti. 

Abynaé, ée (adj.) Vergaan, wr- 

Aby- 



ABY. ACA. ACC. 

Abymer , ( v. a. & n.) In 't ver^ 
é erf floot en -j verdelgen \ s'abymer , 
{y. r.) vergaan , zig ergens diep in be- 
geven. 

Acabit , (m) GoeJe of hvaade eî- 
genfcbap cener 'ivucht ^ {£), 

Académickn , (m) Lid van de 
academie. 

Académie, (f) Hosge fchooï , ry 
fcbool; fcherm-fchool ; plaats ahvaar 
gemecnclyk geJpeelJ zvorJ; 'genood' 
(chap der geleerden. 

Académique , (adj.) Academijchn 

Académi<iuement, (adv.) wlcade- 
tnifch. 

Académille , ( m ) Een die op de 
ry'fchool gaat. 

Acanthe , ( f) Beerenklaauw , (ze- 
ker kruid.) 

Acariâtre , (adj.) S tyf koppig , 
hoofdig. 

Acaufe , (prep.) Ter oorzaake', à 
caufe que , om dat. 

Accablant, ante (adj.) Droevig-, 
moeielyk. 

Accablé , ée (adj.) Overladen yover- 
Jielpt ; accablé de triftefTe f van 
droefheid overladen. 

Accablement , (m) f^erdriet ; har:- 
Zeer, (n) verdrukking, overlaading., (f). 

Accabler , ( v. a. ) Overtaaden , 
overflelpen , verdrukken , bedrlven-, 
être accablé de trldefTe , van droef- 
heid overflelpt zyn; être acchblé de 
faveurs , met gmijlen «verlaaden zyn ; 
s'accabler d'affaires j zig met zaa- 
ken overtaaden. 

S'Accagnarder > (V, n,) Een vad- 
zig , ondeugend leven leiden , flempem- 
pen (gem..w.). 

Accaparement, (m) Het opkoopen 
en brengen van ivaaren van de e ene 
markt naar de andere , om ze met 
meer voordeel aldaar te verkoopm. 

Accaparer, (v. a.) IVaaren vein 
d» eene markt naar de andere bren- 
gen , door vuile winzucht. 

Accaremcnt, (m) Het hooren van 
getuigen tegen e^nen befcbuldigd^n , 
(inrechten) (n). 

Accarer , (v, a.) Getuigen tegen 
eenenbefchuldigden booren , {inrecbten). 

Accaftiliage, (m) Bak en fcha-.^s 
'aan een fcbip. 



ACC. 7 

Accaaillé , ée (adj.) VaifTeau ac- 
ctftillé , Sehip dat mef Jcbans en bak 
ii voorzien. 

Accéder, (v. n.) Tot eene vethn' 
tcnis toetreeden , daar in deel neemen, 

Accéleratif, ive(adj.) ^irbat/- 
teiid. 

Accélération , ( f) l^erhaafiing. 

Accélérer , (v. z.) Eene zaak 
voortdryven , voortzetten , verhaafïen, 

Accen:, (ra) Toon -reken. Geluid' 
teeken f (n) accent aigu , grave > 
circonflexe, een fcherp , zwaar , 
omgeboogen geluid- teken y avoir bon 
ou mauvais accent , goede of kivaa- 
de uitfpraak hebben ; poufier de fu- 
nèbres accens , rou-jü - geluid aatt~ 
heffen. 

Accentuer, (v# a.) Het toon' te- 
ken Jleilen. 

Acceptable , (adj.) Aanneemelyk. 

Acceptant , aute ( m & f ) u^att- 
neerner , aanncemjîer. 

Acceptation , ( f ) Aanneeming. 

Accepté, ée (adj.) .Aangenomen. 

Accepter , (v. a.) Aanneemen , ont- 
fangen ; j'accepte les conditions 
que vous me propofez , ik neem die 
voorwaarden > die *gy my voorjlcld , 
aan. 

Acceptear, (m) Aanneeiner ; il 
aime mieux être l'accepteur que 
le donneur, hy ii liever de aannee- 
mer ah geever. 

Acceptilation , ( î)Kwytfcbelding, 
(in recbten). 

Acception , ( f ) Aanrieemir.g ;aah- 
zien ', fana acception ds Pérlbnnes, 
zonder aanzien van Perfoonen , ce 
mot a pluüeurs acceptions , dit 
iL-aord heeft verfchiide beteekeniffen. 

Accès , (m) Toegang , a.mval, aan^ 
komfl; (f) cliateau de difficile ac- 
cès, plaats van een moeijelyke toe- 
gang; accès de fièvre , aanvat van 
'koorts; accès de folie, gekke hui. 

Acceffible , (adj.) Genaakbaaf, 
toegangelyk ; cette plac« n 'efl pas 
accefljble , die plaats is niet te ge- 
naakeo \ homme qui eil acc»fiîbie , 
een man die vriendelyk is . 

Acceffion, (f) AcceflSan au trô- 
ne , icwM/? tot dm throoM, 

Acceffoirc ? ( ni 3c idj.) Aati- 

A 4 *«'*'f • 



$ ACC. I 

tang fel f fftêift,gevoigi(n) mfiM- ! 
digheid, ( f) ce n'en ell qu'un ac- 
ceffoire, dit is 'er maar een aan- 
iangfel van ', la chofe n'eft qu'ac- 
ceflbire , de zaak is maar byvoeglyk. 

Accident , (m) Toeval , ongeluk , 
(n) ramp', (f) par accident, by 
geval. 

Accidentel , elle^adj.) Toevallig. 

Accidentellement ? ( adv. ) Toe- 
wal lig! y k , by geval. 

Accife, (f) Belqfling op deWyn, 
Bt^ryenz. frauder 1'accife , /woi- 
keleft. 

Acclamation , (f) ToejuiefMng. 

Acclamper , (v. a. ) AcTclamper 
un mât , een majl met wangen vajier 
rnaaken. 

Accointa nee , ( f X Omgang , ver- 
kiezing y (oud U'). 

s'Accointer, (v. r.) Met iemand 
Z'riendfchap maaken , {oud w.) 

Accoifement , (m) Stillii^g , 
(oud w.) 

Accoifer , (v. a,) Stillen y ver- 
-zacht en y {oud w.) 

AccöUade, (f) Omhelzen -^ don- 
ner 1'accollade , Ridder paan -, ac- 
collade, txvee Konynen aan 't fpit 
gebonden. 

Accollé , ée (adj.) Met een hals- 
band voorzien y (in ÏVapen k.) 

AccoUer , (v. a.) Omhelzen y om- 
armen ; tivee Konynen aan 't fpit bin- 
der., om te braad n ; accbller la 
feotte à qaelcun , iemand zeer onder- 
danig groeten , {Spr. vo.) 

Accoilure , ( f) Een Stroo-band , 
(m). 

Accoromodable, (adj.) Infchikke- 
lyky dat by te leggen ts; cette affai- 
re eft acconuTiodable , die zaak is 
te vereffenen. 

Accommodage , (m) Het gereed 
tnaaken van fpys ; het opmaake» van 
fen Parutk , (n). 

Accoiïimoüanc, ante (adj.) Ge- 
rief.yk y toegeevendy c'eft un efprît 
accommodant j het is een infchikke- 
lyk menfch. 

Accommodation , ( f) Verdrag y 
'i'prgelyky (nj. 

Accorarnoaé, ée {^(\}^} Opgetooid ^ 



ACC. 

Accommodement, (m) Gemak, 
gerief y (n) verbetering , bevrediging , 
(f) verdrag y (n) il eft homme 
d'acconiHiodemeiiL, by is een man 
die ligt te verzoenen is ; trouver un 
accommodement , een middel tot 
verdrag vinden; Ie meilleur procès 
ne vaut pas le plus mauvais ac- 
commodement , een maager verdrag 
ts beeter als een vet procès y {Spr. w.) 

Accommoder , (v. a.) Opcieren-, 
dienjlîg zyn; behaageni overeen bren- 
gen, jchikken bevreedigen; mishande- 
len y afrojfen ; accommoder un mai- 
fon y een huis opcieren ; cet hérita- 
ge m'accomnoode fort , die erffenis 
komt my heel wel; accommoder un 
different, een gefehil by leggen; il 
ne l'a pas mal accommodé , hy beeft 
hem ivakker afgerojl ; pouvea vous 
m'accommoder de cela , kond gy 
my daar mede gerieven ; s'accom- 
moder , (v. r. ) zig opfchikken ; zyn 
gemak neemen ; zig bevreedigen ; s'ac- 
comm.der au teras , zig naar de 
tyd fchikken; je ne m'accommode 
point de cette maniere de vivre, 
dte levens -wys JJaat my niet aan. 

Accompagnateur, (ta) Een die 
de generale bas fpeeîdy {in muftcq.) 

Accompagné , ée (adj.) Vergezeld, 

Accompagnement , (m) Verzel- 
ling y Stoet y { £) aile de pronkjlukken 
aan een Wapen-fchild. 

Accompagner, (f. a.) Verzeilen; 
de algemeene Bas fpeelen ; {in muftcq.) 
la vieillefTe eft sccompagnée de 
beaucoup d'infirmités, de ouderdom 
is vceleU zwaki^eden onderworpen. 

Accompli , ie (adj.) Volmaakt, 
voleindigd, voltrokken , vervuld ; Prin- 
ce accompli , volmaakt Vorjl. 

Accomplir , (v. a.) Volbrengen , 
volvoeren y voltrekken ; accomplir fes 
promefles, zyne beloften naarkomen. 

Accompli iFement , (m) Vcltooi- 
jingy voltrekking y vervulling y (f). 

Accon , (m) Zeker fcbuit met een 
platte bodem , ( f ) 

Accoquinan£,ante (adj.) Vie ac- 
cocuinante, vadfige levens-wyze. 

Accoquiner , (v. a.) Iemand er- 
gens aan gevuenneny vadjig en ondeu.-^ 
"rend mciak^n-f s'accoqainer, (v. r.) 

s'ac- 



ACC. 

al*accoquin«r au jeu , heet of bet 
fpeelen worden. 

Accord , ( m ) Qvereevjiemming \, 
toejlemming , beivflliging , (f) ver- 
drag, (n) j'en fuis i. 'accord avec 
lui , tk ben het met bem eens; met- 
tre d'adcord, te vreede flellen; je 
fuis de cous bons accords , i* ben 
gereed te doen al xvat de andere w/7- 
/f«; accord de voix, d'inftrumens , 
isel-îuidendheid indejiem offpeehui- 
geny tout d'un accord, eenpaarig- 
tyk; d'accord, ik heb 'er niets tegen. 

Accordable , (adj .) Uat ergens aan 
poj^; vergunbaar, toejiaanbaar . 

Accordailles , (t. pi. ) Hwwelyk- 
fcheVoorzvaarden , (è^r^r Fiançailles) 

Accordant, ante (adj.) Iwwtlh- 
gendj overeenjlemmend. 

Accorde , Bevel 't geen men aan 
de roeijers geeft om gelyiaan teroeijen. 

Accoraé, ée (adj.) Toegejiaan; 
lerloofd; bevredigd. 

Accordé, ée (m & f) Verloofde 
bruidegom , brutd. 

Accorder, (v. a.) Verkenen, toe- 
Jlemmen î hevreedigen ; vereenigen ; 
accorder une fiUe en matiage à 
quelcun , een dochter aan iemaitd 
ten huwelyk geeven ; accorder un 
inftruinent , eenffeeltuig flellen ; ac- 
corder , gdyk aanroeiien -, ( zee-v/. ) 
s'accorder , (v. r.) malkanderen ver- 
fJaan ; ils accordent comiae chiens 
& chaLS , zy leeven als katten en 
honden-, kunnen malkanderen niet ver- 
ffaan , (fpr. 'uf.) 
1, Accordoir , (m) Steïhamertjef voor 
een orgel of clavecirr.bel^ 

Accords, (f. pl.j Scboorea , Jiut- 
ten, (zee-vü.) 

Accorer , ( v. a. ) Qnderfïuttea , 
f c boor er, , (zee-v;.) 

Accornéjée (adj.) Geboorud, {in 
JVapen-k.) 

Ace o re , te (adj.) Vriendelyk , 
beufch , beleefd j behendig , (ottd iv.) 

Accorteméut , (aëv.) Beleefdelyk , 
{oud iv.) 

Accortife , ( f) Heufchheïd, beleefd- 
heid, (çucî w.) 

Accöit-^bie , (adj.) Vricndelyk, 
fpraakzaam. 

Accoüf ; ée (adj.) genaderd. 



ACC. 9 

Accofter , (v. a.) Tot iemand na- 
deren om hem te fpreeken ; aanlan- 
den , (gem. w.) 8'acoofter, (v. r. ) 
saccolter de quelcun , zig by ie- 
tnand vervoegen , met iemand gemeen- 
fcbap maaken. 

Accotar, (m) Schan-dek ,pot-dek ^ 
{zee w.) 

Accote-pot, (m) Een pot-dekzel. 

Accotter, (v. a.) ou s'accotter, 
(▼. r.) Steunen, leunen , flutten. 

Accottoir , (m) Steun , flut ,fchoor. 

Accouchée , ( f ) Kraam-vrowu/ . 

Accouchement , (ra) Kraam-btvjl- 
Ung,{£) 

Accoucher , (v. n. & a.) /« dt 
kraam koomen;een vrouzv tn het krn^ 
derbaaren helpen. 

Accoucheur , (m) Vroedmeefîer, 

Accoucheufe , ( f) Vroedvrouiv, 

Accouder , (v. n.) Met de elleboog 
Ofiderfîennen ; S'accouder 9 (v. r.) op 
de eUeboogen leunen. 

Accoudoir, (ra) Steunzel ,{n) leun; 
fchoorbalk , {in Bomv-k.) , (m) 

Accouple , ( f ) Koppel band dey 
jacht-honden , (m) 

Accouplement, (m) Koppeling j 
paar ing, { f) 

Accoupler, (v. a.) t* Zamenbin^ 
den , koppelen , paar en j ces perfon- 
nes font mal accouplées , die lieden 
zyn kwalyk gepaard ; s'accoupler, 
(v. r. ) zig zamenvoegen , zig paa- 
l'en i les animaux ne s'accouplent 
qu'en de certaines faifons , de die" 
ren paaren alleen op zekere tyden. 

Accourci,ie (adj.) Gekort, verk.rt. 

Accourcir, (v. a.) Korten, korter 
maaken; s'accourcir, (v. n.) Korter 
ivorden; les jours s'accourciflent , 
de dagen korten. 

Accourcifleraent, (m) Verkorting^ 

Accourir , (v. -n.) Toeloopen , toe^ 
fchieten. 

Accourfie , (f) Gang langs de 
kiel , van de voor- naar de achter- 
fie even . {zee vc.) 

Accouru, ue (adj.) Toegetoopen, 

Accoufiner, (v. a.) Neef noemen^ 
{gem. w.) 

Accoutrement , (m) Tooifel, (n> 
opfcbik , [boert, w.) 

Accoutrer , (y, a.) Toefielien , op- 



10 ACC. 

tooijeitf kleedcn, toctaakelett', teijle- 
rerif mishandelen; havenen, (koen. en 
gem. w.) 

Accoutummce > (f) Aanwendzeli 
(n) gewoonte (£) {oud w.) 

Accoutumé, ée (adj.) Gewend y 
gewoon . 

à l 'Accoutumée , (adj.) Naar gc~ 
woont e. 

Accoutamer, (v. a.) Gewennen ^ 
aanwenr.eu. 

s'Accoutumer, (v. r.) ^ig ge- 
wennen, 

Accouvé, ée (adj,) Die in het 
hoekje van den haart ledig zit , lui. 

Accravanter. (v. £.) Verjtlettfi- 
ren , {ov.d w.). 

Accréditer , (v. a.) In aanzien 
hrefigen , roem doen 'vtr^vcrven, 

s'Accréditer , ( v. r. ) Zig gezien 
en geacht maaken. 

Àccretion, (f) Aangroeijing (in 
geneesk.). 

Accroc , (m) Scheur in een kleed; 
hinderpaal. 

Accroche ? ( f ) Beletzelj (n) /;/«- 
demis , ( f ). 

Accrocheraent , (ra) Aanhaaking ^ 
entering^ (£), 

Accrocher > (v. a.) Aanhaaken , 
fcheuren ; verhinderen j aanklampen ; 
enteren; bellefiJie & joiéchante ro- 
be trouve toujours qui l'accroche'. 
Mooi je meisjes en gefchenrde kleederen 
lyden rjeel aanjîoot ^ (fpr. ai'.). 

Accroire , faire accroire , (v. n.) 
tpys maaken , iets doen gelooven ; 
s'en faire accroire j IF'aanwys) laat' 
dunkend zyn, 

Accroifî'ement , (ca) Aavgroeîjing 
( f ) vermeerdering. 

Accroître, (v. a.) Fermeerderen ^ 
toeneemen. 

s'Accroitre, (v. r.) AamvaJJen , 
zig uitbretden; s'accroitre en hon- 
neur & en richeiles , in eer en ryk' 
dommen toeneemen. 

Accroupi , îe (adj.) il porte 
, d'azur au Lion accroupi d'or, 
Uy voert een leggende goûde Leemv 
bp een blaaazv veld ^ (iii wci^enk.). 

s'Accroupir, (v. r.) Ncêrhuîken. 

AccroupiCtmcnt, (m) Neêrhuik- 
ki:jg,if). 



ACC. ACE. 

Accru, uë (adj.) Vermeerderd , 
toegenomen. 

Accrue, (î) Vermeerdering^ aan' 
was van hand. 

Accueil, (m) Onthaal (n) bejege- 
ning (f). 

Accuelli, ie (adj.) Onthaald. 

Accueillir, (v, a.) Onthaalen, 
ontfangen f bejegenen, 

Accul , (riï) Naauwe plaats daar 
men niet uit kan komen , ( f; item het 
binnenjle van eene baai. 

Acculé , ée (adj.) In een boek ge- 
Jiti'jwdf gedreven ; cheval acculé > 
Jîeigerend Paerd , ( in a^apenk. ) 

Acculer , (v. a.) Voortfinuwen , in 
een hoek dryven ; acculer l'ennemi , 
de vyand bezetten ; s'acculer j (v. r.) 
zig met den rug ergens tegen aanzetten. 

Acculs, (m. pi,) Vos- das-hooien. 

Accumulation , (f) Cp hooping , 
opjïapeling. 

Accumuler, (v. a«) Vergaderen y 
ophoopen. 

Accüfable , (adj.) Dat te befchut- 
digen is. 

Accufateur, (m) Aanklaajer , be- 
fchuldiger , aanbrenger. 

Accufatif , (m) De befchuldiger of 
Accufativus , ^de naamval der bui» 
ging, (infpraakk.) 

Accufation, (f) Befchuldiging, be- 
tichting. 

Accufatoire, (adj.) Iets dat ie- 
fchuldigd, 

Accufötrice, (f) Befchuldigjler ^ 
aanbrengjler. 

AccuTé, ée (adj.) Befchuldigd, 
aangeklaagd f beticht. . 

AcGufé, ée (ra & f) Befchuldig- 
de , aangeklaagde. 

Accu fer, (v, a.) Befchuldigen , 
aanklaagen, betichten; a ecu fer la 
receptfon d'une lettre de change, 
den ontfang van een nvijfelbrief berich" 
ten; accufer fon jeu , zynjpel ont- 
dekken; s'accufer foi-mca:e, ztg 
zelve» befcbuldigen. 

Acenfé , ée (adj. ) In pacht geno- 
men i verhuurd ; gehuurd. 

Aceniement , (m) Verpachting , (f), 

Acenfer , (v. «,) In pacht geeven^ 
verhuur en. 

Acenfes, (f, pi.) Pacht-goederen. 
Acei- 



ACE. ACH. 

Acerbe, (a j.) ff^rreJ , wraKff. 

Acéré, ée (adj.) rerjiaald-, cou- 
teau bieii acéré , mes Jat welfny^, 

Acércr, ( v. a.) l'zer Vfrjlaalen. 

Acertainer, (v. a.) f^erzekeren, 
overtuigen. 

Ac, turn, (m) Jlzyn ^ {Lat. w, 
in chym. ). 

Ach^ifonner, (y^ a. ) Kwellen y 
(oudiv.) 

Achalandé , ée (aiu]*)ff^el beklant. 

Achaiander , (v. a.) Kalanten , 
neering aanbrengen j s'achalander , 
(v. r.) kalunten beginnen te krygen; 
cettt fille ell forc achalandée , Jw 
juffer lyd teel aanjloot. 
' Acharné , ée (adj.) f^erivoed , bloed- 
gierig. 

Acharnement , (m) Greettge aan^ 
val op eenig aas , verzvoeaheid. 

Acharner, (r. a.) Roofvogels tot 
vleefcb eeten gewennen ; aanhitzen , 
tergen -y s'acharner, (v. r.) greetig- 
lyk op eenig aas of tets anders vallen j 
zig tegen maikunderen verbitteren 5 
op iemand verwoed worden. 

AchaL, (m) Koop, iets dat ge- 
hokt is. 

Ache , ( f) Eppe , (zeker kruid). 

Ac hees, (m) Wormen tot aas voor 
Fijch. 

Achement , ( m ) Helm-dei, ( in 
Wapen-k.) 

Acheminé , ée (adj.) Begonnen, 
aan de gang ; cette affaire eil bieü 
acheminée, de zaak is wel aange- 
legd ; un cheval acheminé , een 
^aerd dat half bereden is. 

Acheininernent , (m) aanleiding, 
(f) middel out ergens toe te ger ar- 
ken (n) 

Acheminer, (v. a.) ^an de gang 
helpen ; s'acheminer , (v. r.) de reis 
aanneemeti, zig haajlen; il s'ache- 
mine vers ia. chute , hy naderd tot 
zyn ofidergang 

Acheté , ée (adj.) Gekogt. 

Acheter, (v. a.) Koopen; ache- 
ter chèrement un petit plaifir , t-i-H 
klein vermaak zeer duur betaaleo. 

Acheteur , (m) Kocper. 

Achevé , ée (adj.) l^ohindigdy vol- 
maakt , volvoer J i c'eü. un homme 
achevé, het is een volmaakt menfch} 



ACÎLACI.ACO.ACQ. ii 

c'efl un fou achevé^ het is een vol- 
jlage gek. 

Achèvement , (m) Voleindiging y 
voltooi jing\ ( f) 

Achever, (v. a.) Voleir.den , vol- 
trekken , voltooijen ,volmaaken > ache- 
ver de boire ceia , drirékt dat uit$ 
achevez de faire quelque chofe , 
iets afdoen; s'achever, (v. r.) ten 
einde loopen; zig van kant helpen', 
zig vol drinken. 

Achcppement , (m) Ergernis ,(£} 
hindrrpaal , ftruikelblok ; (m) pierre 
d'achoppemtiit 5 JJeen des aanjicots, 

Acide , (adj.) Zuur , fcherp ; aci- 
de i (m) zimrigheïd , wrangheid.. 

Acidité , ( f) Zuurigheid. 

Aci'iuler, (v. a.) Drank met zutu 
re vochten vermengen , (;w genees-k.) 

Acier, (m.) Staal, (n) 

Acoint,inte (adj.) Gemeenzaam^ 
(oud w.) 

Acolyte, (m) Geejlelyke oppajfer, 
kaarfen aanjieeker by het ulltaar. 

Aconce , (m) Een jongeling van 
buitengewoone fchoonheid. 

Aconit, (m) IVolfswortel , aconyty 
(zeker vergiftig kr.) 

Acoullique, (adj.) Nerf acoufti- 
que , zenuw van het oor ; remèdes 
acouftiques, gehoormiddelen. 

Acquêt eur , ( m ; eurt , eufe , ( f) 
Ferkryger , verwerver , verkrygerin. 

Acquéri , (v. a.) i^erkrygen, be- 
koa.ncn , erlangen , aanwinnen; s'nor- 
quérir, (v. r.) voor z:g zelven vei- 
krygen; s'acquérir des amis, z/jj 
vrienden niaaken. 

Acquêt , (m) herkregen goed, (n) 
ivinpfif) il n'eft fi bel acquêt que 
don , gegeeven goed is bejï. 

Acquêtcr, (v.SL.) Verwerven, aan 
zig brengen. 

Acquiercement5(ni) Toejlemming, 
bewilliging , berujUng. 

AcquieYcer, (v. n .) ToeJIaatJ, 
irrwiiligen , goedkeuren; acquiefcer à 
la fenience , in het votmis berujien. 

Acquis , (m) f-Wkregen kennis ,we^ 
tenfcbap, goederen, 

Acqu:3 , fe (adj.) Verkregen, 

Acquiûtion , ( f) Ver kry ging ^ver-^ 
werving. 

Aeqöit, (m) Kwyt-fcbeldlng, (f\ 



n ACQ. ACR. ACT. 

acquit de domne y toleedul -, acqait 
à caotion , quitantie onder borgtogt-, 
par manière d'acquit , ter loops , 
nveîjiaanshalven. 

Acquitté, ée (adj.) Betaald, vol- 
daan , gekweeten. 

Acquitter, (v. a.) Betaah»,vol- 
éoen i s'acquitter , (v. r.) s'acquit- 
ter de fa promeiTe; de fon de- 
voir, zyn beloften houden; zig van 
zyn pligt kwyten. 

Acre , (adj.) Scherp , bytend. 

Acre , (m) j4kker ; een morgen tand. 

Acreté , ( f) Scherpheid. 

Acrimonie, (f) Scherpheid. 

Acrocome ? ( m ) Een die lange 
hairen heeft. 

Acrofliche, (m) Naamdicht^ (n) 

Acroteres, (m. pi.) Ptedejial tnet 
frituren op de gevel y vorjien op een 
dak -y voorgebergte. 

A(fle, (ra) Daad, (f) 'juerk, be- 
dry f, (n) handeling, { f) fchrift dat 
voor een beamptfchryver is gemaakt , 
<n) . 

Adeur, ( ra ) Toneel-fchouwburg- 
fpeeler -, uitvoerder ,bej} ierder van\eeni- 
ge zaak. 

Adif,ive (adj.) Werkzaam yfnel, 
voortvannJe , vlytig; verbe adlif, 
bedryvend uerkwoord, ( in fpraak-k.) 

Adioti , (f) Beweeging, drift, 
éaad, handeling , zaak , aanfpraak j 
l'aélion qai a mîs fin à la campa- 
gne à écé des plus vigoureufes, 
bet treffen waar mede de veldtogt een 
einde genomen heeft is van de hevig- 
fïe geweefi; afltions d'un orateur, 
gebaar dens van een redenaar '^ inten- 
ter aAion contre quelcun , iemand 
gerechtelyk aanklaagen. 

Aftionnaire, (m) Een die aandeel 
heeft in een maatfchappy van koop- 
baniet. 

Aftionné , ée (adj.) In rechten be- 
trokken. 

Aftionner , (v. a.) In rechten be- 
trek ketr. 

Aftionnifte , (m) Bezitter van eeni- 
ge aSie. 

Aftivement , (adv.) Daaielyk , 
üverkelyk , tedryvelyk. 

Afti V ité , r f ) ÏÏ^erkRüSj^iU , v/y- 
fi'keidf vlti^beid. 



ACT.ADA.ADE.ADH.&c. 

Aftrice , ( f ) Toneel-fchouwburg- 
fpeeljler» 

Aftuel , elle (adj.) Daadelyk. 

Aftnellement , (adv.) Inderdaad, 
waarlyk ; thans , na ter tyd» 

Acutangle , (m) Scherpe j hoek y 
(in Landm. *.) 

Adage , (m) Spreekwoord y (n) zi». 
fpreuk. 

Adaptation, (f) ToepaJJing. 

Adapté , ée (adj .) Toegepc^. 

Adapter, (v. a.) Toepaffen. 

Addition, (f) Optelling, ver- 
meerderingy {f)byvoegzely aanhang- 
zei, (n) 

Additionné, ée (adj.) Opgeteld. 

Additionner , (v. a. ) Optellen^ 
op cy ff er en , tot een brengen. 
' Addufteur , (adj.) Sp'xer om een 
lid mede te beweegen, 

Adduftion, {t) Beweeging , aan- 
voering. 

Ademption, , (f) Herroeping; a- 
demption d'un legs, intrekking van 
een legaat, 

Adent, (m) Burghaak ,-(by tim- 
merl. ) 

Adepte , (m) Goudmaker , die de 
Jieen der wyzen meend gevor^en te 
hebben . 

Adextré , ée (aij.) ^an de rechter 
zyde v^in het fchild Jiaande. 

Adhérence , ( f) Aanhanging ,aan- 
kleeving. 

Adhérent, ente (adj.) Aanban^ 
gende , aankleevende. 

Adhérent, (ra) Aa7jhanger. 

Adhérer, (v. a.) Aankleev en , toe- 
flaan , bewilligen. 

Adhéfion, (f) Aanhechting, aan- 
kleeving. 

Adjacent, ente (adj.) Aangren- 
zende. 

Adjedif, (adj.)Nom adjeftif , èy- 
voeglyk naamwoord, {in fpraak-k.) 

Adjedtion, (f) Byvoeging. 

Adje£kivement,(adv.) Byvoeglyk. 

Adieu, (adv.) Vaarwel, God be- 
waare u ; dire adieu au monde, 
der waereld vaarwel zeggen ; fi vouS 
fréquentez trop vos amis , adieu 
l'étude, indien gy uzve vrienden te 
veel bezoekt , is hei met de oeffening g^e- 
daati', fais adieu ; tst weerziens ^ 
adieu 



ADI. ADM. 

adiea paniers vendanges font faî- 
tes, mojlaard na de maattyd^ ifp^' 
w.) adieu va ! overjlaag , in Gods 
naam ! {zee w.) 

Adjoindre , (v. a.) Byvoegen. 

Adjoint, (m) Metgezel, adjunû, 
^yzitter. 

Adjoints , (m, pi.) Omjlandigbe- 
den,byvoegfeU; les adjoints oa cir- 
conftances d'une afifaire, ailes wat 
Man een zaak vaft is. 

Adjonaion, (f) Byvoeging. 

Adipeux, eufe (adj.) Pet, (in 
heel-A.) 

Adirer , (v.a.) yerliezen, verleg- 
gen -, des papiers adirez, verlegen 
papieren, 

Adicion , (f) Aanvaarding van 
een erffenis , (/« rechten) 

Adjudicataire , (m) Iemand die 
iets van den Rechter toegeweezen is. 

Adiudicatif, ive (adj.) Toewyzend. 

Ad/'idication-, (f) Toewyzing in 
het recht. 

Adjugé, ée (adj.) Toegeweezen» 

Adjuger, (v. a.) Toewyzen. 

Adjuration, (f) Bezweering. 

Adjurer, (v. a.) In Gods naam 
J^ezweeren. 

Admettre , (v. a.) Ontfangen , to3- 
laten , toegang geeven. 

Adminicule, (m) Hulpmiddel om 
iets te bevuyzen , {in rechten) (n) 

Adrainiftrateur, (m) Bedienaar, 
9pzichïer, Bewindhebber. 

Adminiftration , (f) Bediening. 

Adminiftratrice, (f) Bejîierjîer. 

Adminiftrer, (v. a) Bedienen, be- 
Jïieren , bet bewind hebben. 

Adnairable , (adj.) JVonderlyk , ver- 
wonderend -, il fait un terne admi- 
rable , het is fchoon weer. 

Admirablement , (adv.) Wonder- 
baarlyk j il joue admirablement, 
hy fpeelt heel wel. 

Admirateur, (m) Verwonderaar, 
fryzer. 

Admiratif, ive (adj.) Ver- 
Wonderend; point admiratif, ver- 
wondcrings-teeken , (in fpraak-k.) 

Admiration, (f) Verwonde- 
ring , ofgeroogtnheid; ravir tout le 
monde en admiration , de geheele 
w<9«yv/(»' in vcruQndering brengen. 



, ÀDM. ADO. xi 

Admirer, (v. a.) Ergens verbaasè . 
vertMonderd over zyn', s'admirer foi 
même , veel met zig zelven «p hebbefit^ 

Admis, ife (adj.) Toegelaten, 

Admiffible , (adj.) jîanneetntlyki 
dat door den beugel kan. 

Admiûîon, (f) Toelaat ing, • 

Admittation, (m) Toelaater, 

Admodiateur , (m) Een Pacbfef\ 

Admodiation, ( f) Verpachting^ 

Admodier, (v. a.) Verpachten. 

Admonêter, (v. a.) Vermaanetti 
aanmaanen, bejiraffen. 

Admoniteur, (m) Vermaaner. 

Admonition , ( f ) fVaarfcbuuwingf, 
bejiraffing. 

Admonitrice , ( f) Bejiraffler, 

Adolefcence,(f ) Jongelingfchap^ 
dès Tadolefcence , van der jeugd 
af aan. 

Adolefcent, ente (m & f) Jo»* 
geltna ; jonge dochter. 

Adfonique , ( adj . ) Adonifcb , ( b^ 
Latynfcbe Dicht, gebezigd) 

Adonis, (m) Een zeer fchoowf^ 
Jongeling. 

Adonifé, ée (adj.) Opgecterd^ 

Adonifer, (r. a.) Oppronken y ap^ 
eieren; s'adonifer , (v. v.) ztg (^ 
fchikken. 

Adonné , ée (adj.) Genegen ; adon^ 
né au vin , genegen tot wyn. 

s'Adonner, (v. r.) ^ig aan iets'. 
overgeven -, Ie vent s'adonne , de winé 
ruimd , {zee w.) 

Adopté, ée (adj.) Aangenoomen^ 

Adopter, (v. a.) Voor zyn zona 
of dochter aanneemen; adopter let 
œuvres d'autrui , zig een aj^era^ 
werk toeeigenen. 

Adoptif, ive (adj.) fils adoptif^ 
fille adopti-ye , Aanger.oonren zoon q^ 
dochter. 

Adoption , (f) Verzoening, aan- 
neeming tot kinderen. 

Adorable, (adj.) Aanbiddelyk , 
aunb iddens waard i o- . 

Adorateur , (m) AoKbidder, min^ 
njar , een die temand liefde toedraagd- 

Adoration, (f) Aanbidding , e^r^ 
hewyzir.7. * 

Adoré, ée {^à'i") j^ang^ebeeden. 

Adorer, fv. a.) ASnbtdden, eet 
hewyzen^ liefhthhen; cette mère a- 

dai9 



Î4 ADO. ADR. 

dore fes enfans, die moeder ts mal 
jfiet haar kinderen ; il adore jusques 
aux défauts de fe.s anîis, hy ver- 
heft zelfs de gebreken zyner vrienden; 
adorer le veau d'or, eenen omvaar- 
digen eerbiedigen ^ ifp^- ''^•) 

Ados 9 (m) Schuins opgrhoopte aar- 
de tegen een muur , {in Land-b.) 

AdofTé, ée (adj.) '^4et den rug te- 
gen malkanderen fïaande of leggende , 
{in Wapen~k.) 

AdOiTer, (v- a.) Het eene trgen 
het andere aan zetten ; s'adofler , 
^. r.) zig met den rug ergens tegen 
aan zetten. 

Adouber, (v. a.) Herjl ell en -, flop- 
pen ; als : rioolen , e/7z. 

Adouci, ie (adj.) Verzacht. 

Adoucir, (v. a.) l^erzacbten ^ver- 
zoeten , Jlillen ^bevredigen , maatigen'; 
Ja fievre eft adoucie , de koorts is 
verminderd ; adoucir le Ton d'une 
trompette ,fi?/' kïank van een trompet 
broeken ; s'adoucir , (v. r.) zoeter 
ivorden , verzachten. 

AdoucifTantjante (adj.) Verzacht 
tend. 

. AdoucîfTement, {m) Verzachting^ 
verzoning , ( f) 
. AdoucifTeur , (m) Glas-Jlyper- 

Adoué , (adj.) Gepaard^ gekoppeld , 
{van Patryzen gezegd) 
i Adpacres, il eft allé ad patres, 
hy is naar de oudvaders gegaan ; g?- 
Jlorven ■) {Lat. iv.) 
■ Ad reffant, (ad j.)Z)<^f tebejïellen t%. 

Ad re (Te, (f) Opfchrift op een brief 
efpak -ybejïelplaan ; bericht om iemand 
te vinden (n) ; handigheid , behendig- 
heid , vernuft^ fchranderbeid ^ voor- 
zichtigheid}, tour d'adréfTe , ^ot/?- 
greep , gaauivigheid met de handen. 

Adrs;ré,ée (adj.) RefteU .bezorgd. 

Adrerrer, (v. a ) Bezeilen ;zàres- 
fer un livre à quelcun, een bo^k 
aan iemand opdragen ; adrefTer fes 
prières à Dîeu, zyn gebed tot God 
ri^ en; adrefTer, ( v. n.) mikken.^ 
aanleg^^n; s'adreiTer, (v. r.) s'a- 
drefTer à quelcun, zig by iemand 
vervoegen ; iemand aanranden , aan- 
tajlen. 

"Adrogition > (f) Soort vofj aan- 
veeming tQf kmdy {in rfihten) 



ADR.ADV.ADÜ.^O^R. 

Adroic, te (adj. ôc ÏMtuc.) 6eben~ 

dig , gaaxv , fchrander , lijHg , ajge- 

regt ; een loos man. 

Adroitement, (adv.) Behendiglyk, 

Adventif, ive (adj.) Toevallig; 

biens alvertifs, goederen daar men 



by toeval het bezit" van krygt. 
Adverbe , (ra) Bywoord, (n 
Adverbial, aie (adj.) Bywoorde^ 
Ïyk , {in fpraak-k.) 

Adverbialement, (adv.) Bywoor- 
delyk. 

Adverbial ité , (f) ByivoordelyL 
beid. 

Adverfaire , (m) Tegenparty , «;<»- 
derjïreever . vyand; nne advtrfaire, 
een tegendingjler , vyandir.ne. 

^ Adverfacif , tve (adj.) Conjonc- 
tion adverfative, tegenJielUg voeg;* 
woord , {in fpraak-k.) 

Adverfe, (adj.) Tegengejïelde , te- 
genJJrydige ; partie adverfe, tegen" 
] ding er. 

Adverfité, ( f) Onheil, (n) ramp^ 
tegenfpoed , (m) on s'abat aifément 
dans l'adverfité , in tege-^fpoed ver- 
liejï men ligt den moed. 

Adulateur , ( m ) Pluimfiryker, 
vlyer. 

Adulation , ( f ) Pluimjïrykery. 

Adulte, (fubft. & adj.) Een vol- 
waffene ; huivbaar. 

Adultère, (njbft.& adj.) Echtbreuk, 
overfpel ; overfpeeler , echtfcbender; 
ovrrfpee'fer ; overfpeelig. 

Adultérer ,(v. n.) Overfpel bedry- 
ve}i , {in rechten) 

Ad'jlterin , ine (adj.) Dat in 
overfpel geteeld is. 

Adtiflc , (adï.) Sans; adufte, ver- 
brand bloed, {in Heel-k.) 

Aduftion,(f) Verbrandheid, {in 
Heel-k.) 

^ole, (ra) Mooi, de God der winden. 

Aéré, ée {716].) Luchtig. 

Aérer , (v. a.) Lucht geven. 

Aérien, eme (a j.) Luchtig, 't 
geen uit lucht bejiaat. 

Aérier, (v. a.) Luchten, verlucht 
ten , kvt/aade lucht uit een huis dr y ven, 

Aerographie, (f) Lucht-befchry- 
ving. 

Aérotnancie, (f) Waarzegging uif 
^B lufht, 

Aéro* 



AER. AFF. 

Aéromccrie , ( f) Kottjl om de lucht 
ti meet en. 

AtTabilité , ( f) Cefçraakzaamheîd , 
btl-efdbeid. 

Afevoie, (adj.) Beleefd^ vriende-^ 
lyk ^ j^raakzaam. 

AiTdblenùenc > (adv.) Bclecfdeïyh. 

Affsdi, ie (adj.) Laf , fmaakelocs 
genioi'kï. 

Affiuir, (v. a.) Walgelyk,fiaauw 
mauk'jj. 

Arr^ire , ( f) Eezigheid , zaak , 
handel; gefc-bil ; gebrek , (n) je viens 
depprenare de belles affaires, ik 
heb da.:r fraaye jiukken gehoord; af- 
fiiitci amoureufe , liefde-werk ; je 
fuis fins affaires , ik ben zonder 
nverk; gens d'cffaires , Aoo//- fjf/{>- 
/^r^ï s'attirer un rnéc hante affaire , 
z/g- een kieaade zaak op den b<ils haa- 
ien ; ne vous faites point d'affaire 
avec cet homn::e là, legd met die 
man niet aan', avoir affaire , noodig 
hdben;fiVoir affaire à quelcu?>, met 
iewand iets te doen, gefchii hebben; 
fiiirc (es aSaires, zyn gevoeg doeny 
faire bien fea affaires, zyn zaaken 
wet gade weî gade Jlacn j fe tirer 
d'affaires, zig uit eenê moeitykheid 
redden. 

Affairé , ée (adj.) Il eft toujours 
affairé , hy heeft het altoos volhan-^ 
digyhy is vol fchîilden , (fpr. rv.) 

Anaiffe, ée , (adj.) JS e êr gedrukt ^ 
neêrgezakî, 

Affaiffcment , (m) Neérzinking ^ 
neérzakkivg , ( f ) 

Afiàiffer , (v.a.) Stüuwen^noti'wen , 
pakken; s'^ffaiffer, (v. r.) Neerzak- 
ken , zakken , ih een pakken. 

Affaicage, (m) KonJ} cm een Roof- 
vogel ter jacht af te rigten,(f) 

Affaicé, ée (adj.) w^'ç^erigt, (f) 

AffaiÈeire«t , (m) Jfrigting , ( f } 

Affaiter, (v. a.) Een Roofvogel ter 
jacht afrigten ; mrjhn op een dak 
leggen. 

Afiàitear, (m) Een aie een vogel 

Affalé, (a.â].)^an laager ival ver- 
malien , {zee w.) 
. Affale \haal afy laat vallen ! (zeeiv,) 

Affaler, (v. a.)^/Iateti, r.érlateu; 
affaler une poulie, een katrol af~ 
fthaaken y {zee w.) 



AFF. 15. 

Affamé, ée , (adj.) Uitgehongerd, 
hohg. rig , greetig ; ventre affame , n'a 
point d'oreilles , in hongersnood 
lufjîerd men naar geen reden , (fpr. w.) 
luDic affamé y kleed dat te naauiv is ^ 
po a affamé , magere .luis , word ge^ 
zegd van een arm kaerel die eenfmee- 
rig baantje gekreegen heeft. 

Alfaraer, (v. a.) Uithongeren. 

Affanures, (f. pi.) Koorn dat den 
dorfchers of maaijers m plaats van 
geld gegeven word. 

Afféager , (v. a.) Riddermatig goed 
verpachten. 

Affedation , (f) Gemaaktheid ^ 
nabootzingy na-'dpiug; gemoeds-aan^ 
doening ; verpanding. 

Affefté, ée (adj.) Gemaakt, ge- 
divongen ; gehecht , verknogt , gefcbikt'y 
cette fonime efl affedée à l'entre- 
tien des temples , deze fomma gelds 
is tot onderhoud der Kerkeu gefchïkt. 

Affecter, (v. a.) Zig bevlytigen^ 
na iets fireeven ; verpanden ; il af- 
fede un air grave, hy neemt een 
flaatige houding aan y affefter fes 
biens, zyn goederen verpanden ; af- 
fefter une charge , r.acr een ampt 
verlangen ,faan; cela m'affede fort 3 
dat gaat my zeer ter harte. 

Affeaif, ive (adj.) Ziekoerend y 
beiveeglyk. 

Affeaion,(f) rriendfhap, lief- 
de, toegenegenheid, behartiging; ge-^ 
fïeldheid. 

Affedionné , ée (adj.) Toegene^ 
gen, wel gezind. 

Affsâ:ionn€ment,(adv.) Toe^ene^ 
genlyk. 

Affeaionner ,(v:a.) Genegenzyn, 
beminnen, veel werk van iets maaken- 
faffedionner, (v.r.) s'affeftionner 
a i'étude, de letteroej^ening ter harte 
neemen, 

Affedueufemenc, (adv.) Toegene-, 
genlyk. 

Affedueux, eufe (adj.) Hortelyk, 

Arrcrente, (adj.) Part afférente. 
toevallend gedeelte van een erfenis 

Affermé, ée (adj.) Verpacht , èe^ 
pacht. ^ 

Affermer , (v. a.) Verpachten. 

Affermi , ie (adj .) Verjhrkt , vaflep 
gemaakt. 



lö AFF. 

Affermir, {y.a.)V'erJierkfHfJiaa^ 
ven j affermir fon pié y zyn voet vajl 
Jiellen; s'affermir, (v. r.) zig beves- 
tigen. 

AffermiflTement , (m) Verjïerking , 
levefliging , f.aaving , ( f ) 

Affeté, ée (adj.) Gemaakt, 

Afféterie , (f) Gemaaktheid in 
manieren. 

Affeurage , (m) Prys-fielïing op 
waar en , (f) 

Affeurer, (v. a.) Prys of tv aar de 
bepaal CU. 

Affiche j (f) Plak-fchrift, Pla- 
taat , (n) 

Affiché, ée (adj.) aangeplakt. 

Afficher, (v.a.) Aanp lakken, aan- 
Jlaan. 

Afficheur, (m) Aanplakker. 

Affidé, ée (adj.) hertrouwd, ge- 
ffotnv. 

Affilé, ée (adj.) Jangezet. 

Affiler, (v.a.) Slypen, dtracdtrek- 
ken , ivetten , aanzetten ; avoir Ia 
langoe bien affilée, eene fyn gejlee- 
pe tong hebben. 

Affiliation , (f) ^anneeming tot 
2oon. 

A^ffilié, ée (adj.) Tot zoon aange- 
nomrn. 

Affilier , (v. a.) Tot kind aannee- 
msh. 

Affinage , (m) Zuivering, loutering. 

Affiné, ée (adi.) Gezuiverd. 

Affinement , (m) Zoutcring, (f) 

Affiner > (v. a.) Zuiveren, loute- 
ren; bedriegen 'y verfchalken; affiner, 
(v. n./ Ie tem9 affine , hét weer 
hiaart op. 

Affiner ie', ff) Draad-trekkery . 

A.ffineur, (m) TzerJraad-trekker ; 
Louterer. 

Affinité, (f) Zwagerfchap , ver- 
vca'r'.tfckap ; affinité de mots , ge~ 
mpenfrhap , overeenkomji van woorden. 

Affinoir , (m) Hennip-beekeL 

Affiquets , (m. pi.) Hoofdcierfeh , 
f ooi fi Is, hul/els der Juffers. 

Affirmatif,ive(adj.) Bevejligend, 
Jïaavend. 

Affirmation , (f) Yerzekerirg, 
verklaaring 9 eed, bezweerii:g. 

Affirmative ? ( f) Bcvjlig enie mee- 
tmg. 



AFF. 

Affirmativement, (adv.) Mefver^ 
zekering , bekragtigend. 

Affirmé, ée (adj ) Verzekerd y he~ 
vejligd. 

Affirmer , (v. a.) Verzekeren^ fier- 
klaar en , beé'edigen. 

A&eurer, (v.a.)ff^at^rpas-maaken, 

Affliftif, ive (adj.) Peine afflifti- 
Ve , Lyfjiraf. 

Affliaion, (f) Droefheid, kcm^ 
mer,{{) hartzeer, verdriet, (n) 

Affligé, ée (adj.) Bedrukt, droe- 
vig , neérjlagtig , treurig. 

Affligeant, ante {&d].)Verdrietig , 
droevig ,^ kwellende. 

Affliger, (v. a«) Kwellen, bedroe- 
ven , verdriet aandoen; la guerre 
affligé l'état, de kryg ve:oKtruJî den 
Staat; affliger fon corps, zyn lig- 
haam afmatten; s'affliger , (v. r.) 
zig bedroeven. 

Affluence ,{î)Overvloed , toevloed', 
toeloop van me%fchen. 

Affinent, ente (adj.) [Inioopende , 
i-nvloeijende. 

Affluer, ( V. n.) Tcetoopen, tg za- 
nten kopen , {weinig gebr.) 

Affoibli , ie (adj.) Verzwakt. 

Affoiblir , (v. a) Verzwakken, 
krenken, ontzenuwen; s'affoiblir , 
( V. r. ) verzwakken . kragteloos 
worden. 

AffoiblifTant , ante (adj.) Ver- 
zwakkende. 

AffoiblilTement , (m) Verzwak- 
king , ver minder inji ; (f) affoiblifîe- 
ment de monnoie, verflegting van 
qeld. 

Aff lé , ée (adj .) Ver/1 ingerd , ver^ 
zot; une bonfTole affolée , ff« mis- 
w^zend compas. 

Affoler, (v.a,^Dé> hersfens kren- 
ken , zot , ^ek maaken. 

Affoli^', (v. n.) Cek worden , 
{gem-. zv^) 

Aff orage , (m) R^cht , *t welk 
men betaald om wyn in 't klein té 
verkoopet;, (n) 

Affouage , (m ' Recht om bout te 
hakken in een bofch . (n) 

Affouguer, (v. a.)V«wn/, driftig 
maaken. 

Affourche , (m) Ancre d'affour- 
e he , Vertu . -anker in], 

^ 'Aft 



AFF. 

Affotircher , (v. a.) Perfuijea, 

voor en ach f er een ^4nker uitwerpen y 
(zee IV.) 

Affouragement , (ra) Het voeder 
geeven aan de beejien , (n) 

Affourager, (v.a.) de Beejien voe- 
deren. 

Affranchi, ie (adj. & fabft.) Be- 
vryd, vrygemaakt , verlojl y vryge- 
maakte Jlaaf, Jlaavtn. 

Affranchir , (v. a.) Bevryden ^ver- 
lojjen , JJuaken ; affranchir 'a pom- 
pe, t/^powi/) vry houden (zee ai;.)> af- 
franchir une lettre ,een brief fran- 
keeren. 

s'AfiFranchir , (v. r. ) 2^ig vry 
fnaaken , ontjlaan. 

AfFranchilTemenc, (m) VerloJJxng^ 
Jlaaking, vrymaaking , ( f) 

Affres, (f. pi.) Groote vrceze. 

Affrété, ée (adj.) Bevracht ■, ge- 
huurd. 

Affrètement , (m) Bevrachting , 
verhuuring , ( f ) 

Affréter , (v. a.) Een Stthip hun- 
ren , bevrachten. 

Affréteur, (m) Bevrachter^ huur- 
der van een f chip. 

Affreufement , (adv.) Séhrikkelyk^ 
yjfelyk- 

Affreux, eufe (adj.) Vei'vaarlyk , 
affchuuwelyk , vreejjelyk. 

Affriandé , ée (adj.) l-^eflekkerd. 

Affriander, (v. a.) Vethkkeren. 

s'Aftriander , (v. r. ) 2ig aan 
lekkernyen ge^vennen. 

Affriolé , ée (adj.) Verlekkerd , 
(gem. zv.) 

Affrioler, (v. a.) Aanlokken ,ver- 
lekkeren , {'gem. iv.) 

Affront , (vn)Hoon ,fchimp, fmaad , 
verachting , belediging, (f) 

Affrontailles,("f. pi.) Grenspaaten , 
in Landeryen. 

Affronté, ée (adj.) Onteerd; met 
het aangezicht tegens malkanderen 
fiaande , (in vuapenk.) 

Affronter, (v. a.) Hoonen; aan- 
grypen , aantafien ; bedriegen ; affron-, 
ter la mort & Ie danger, nog dood 
fiog gevaar ontzien. 

Affronteur, (m) Bedrieger. 

Affronteufe , (f) Bedripgjler. 

Affttblement, (m) Dtk-khed (n). 



AFF. AFI. AGA. AGE. i? 

Affubler, (v. Si.) Het boofd of aath 
gezicht dekken. 

Affût, (m) Raapaard y affuit vatÈ 
het gephut , (n) fchuilplaats van een 
Jager; (f) être à l'affût , op den 
oppas Jlaany toeren. 

Affûtage , (m) '/ Stellen van V ge-» 
fcbut op de Raapaarden ; al het Schryn^, 
werkers of Draaijers gereedfchqp )(n) 

Affûté, ée (adj.) Op het Raapaerd 
gejield; van gereedjc hap voorzien ;ge^ 
JJeepen , aangezet. 

Affûter, (v. a.) Het gefchut op het 
Radpaard flellèn; Jlypen , aanzetten. 

Afin , (adv.) Op dat , ten einde; ir 
fin de faire , ten einde om te doen i 
afin que j'aille, op dat ik ga'. 

Agacé, ée (adj.) Verbitterd ^ aan* 
gehitsd, getergd ; Jlomp gemaakt. 

Agace , ( f) Een foort van zwarte 
Exter. 

Agacement , (m) Stompheid der 
tanden , ( f ) 

Agacer , (v. a.) De tanden jlomp 
maaken; tergen ^ vergrammen f ver- 
bitteren. 

Agacerie , 0) Terging , aanlokking» 

Agacin , (m) Exter-oog , Li k-doorn* 

Agapes j (f. pi.) Liefde-maaltyden 
by de eerjie ChrtJJenen. 

Agaté , ( f) Agaat , ( Edel gejleente). 

Age >(ra) Ouderdom (m) levenswyze , 
eeuwe ; ( f) agç d'or , d'argent,' 
d'airain, de fer, goude, zilvere, 
kopere , yzere eeuwe , âge de puber- 
té , jaaren van huuwbaarheid ; âge 
viril , mannelyke jaaren ; âge do 
raifon , jaaren van onderfcheid; il 
mourut à la fleur de fon âge , hf 
Jîierf in 't bloeijen zyner jaaren ; les 
gens d'âge , da oude lieden ; être fur 
l'âge, bejaard zyn, être en age^ 
mondig zyn; en cet âge brutal, in 
deeze booze eeuwe ; quel âge avez' 
vous? hoe oud zyt gy\ bas âge , */«ûf' 
fche 'jaaren; s'il vit il aura de l'â- 
ge , hy zal metter tyd wel beteren-, 
s'il vit âge d'homme , indien hy tot 
rype jaaren komt ; l'agei n'eft fait 
que pour les chevaux , iemands 
fchoonheden moet men boven zyn jaaren 
in 't oog houden , ( fpr. w.) 

Agé,ée (aà].)'B-'jaard, oud; il 
eft mort âgé, hy is aud gejlorven. 

^ Ageïi" 



T8 AGE. AGG. AGL AGN. 

Ag.nrt , (f) ^aak-voederfchap , 
idzorging. 

Agencement, {m)Schikking, (f) 

Agencer , (v. a.) Schikken , in or- 
de Ji ellen. 

Agen.:a, (m) {Lat.iv.) ^^anteeken-" 
fnemorie-boekje (n). 

Agençai lié , ée (adj.) Geknield. 

s'Agenouiller, (v. r.) Knielen. 

Agenouilloir , (m) Bank om op te 
knielen. 

Agent , (m) Uitvoerder j afgezon- 
dene ; zaak -verzorger y agent de 
change > Makelaar m wijfels. 

Aggravant , ante (adj .} Verzwaa- 
rend. 

Aggrave , (m) ou Aggravation , 
(f) lVaarfcbuu%ving gaande voor den 
Kerker-ban , ( f ) 

Aggravé, ée (adj.) T^erzu-aard. 

Aggraver , (v. a.) f-^er zwaar en. 

s'Aggraver , (v. r.) Zwaarder uor- 
den. 

Agile, (adj.) Licht ^ vltig, tvak- 
ier, vaerdig. 

Agilement, (adv.)!!?^^, gezzvind. 

Agilité, (f) Snelheid, vlugheid. 

Agio , (m) Agio de banque , het 
opgeld van de bank. 

Agiotage , (m) Woeker., (f) 

Agioter, (v. a.) fVoekeren , fcha- 
cheren. 

Agioteur, (m) TVoekeraar. 

Agir, (v. n.) Handelen, doen, be- 
dryven; la grâce agit en nous, de 
genade vjerkt m ons-, maniere d'a- 
gir , ivyze van doen ', il s'agit de 
cela , hier van word gehandeld 3 il 
s'agit de ma vie , myn leeven hangd 
'er aan. 

AgifFant, ante (adj.) Doende, he~ 
dryvende ; homme agiflant , een wak- 
ker, vlytig , arbeïdfaam man. 

Agitation , ( f ) Beweeging , ont- 
fleltents i ( f ) gefchok (n). 

Agité j éa (adj.) Bewoogen, be- 
roerd. 

Agiter , (v. a.) Beweegen , fcbud- 
den jfchokken ; ontruften', zintwijlen. 

s'Agiter, (v. r.) Zig ontrujien, 
woelen. 

Agnation , (f) Maagfchap tus- 
{chen de mannelyke mhumehngeu vati 

^am trader. 



AGN. AGO AGR. 

Ag'«f ac , (ni) 7. am , ^n) 

Agntler ,(v.a.) Lamrnpren vjerpe}!. 

Agnelet , (m) Lammeijc , (n) 

Agnus-'. aftus , (m) Auifch-boom f 
{heejier-ge: as). 

Agouie, (f) Zieltooging , doods- 
benauwdheid, (f) uiîerfie; (n) é rc à 
l'agonie, met de aood ivorfrelen; la 
vis des pauvre:- enclaves eft une 
longue mort, ou yne agonie c n- 
tiuuelle , het leeven: der arme^Jlaa- 
ven is eeiw ïangzaame dood, of een 
geduiinge zieltooging. 

Agon i fiant, aace {aâ].)Stervende} 
zieltoogende. 

Agonifer, (v. a.) Zieltoogen, in 
doods benaauwdheid zy^i. 

AgratTe, (f) Haak, kram , (m) 

Agraffer , (v.a.) Faji haakenjitts 
aangrypen. ^ j. 

Agraire , (adj.) Loi agraire, ac* 
ker-v.et , (by de Romeinen) 

Agrandi , ie (adj.) l'ergroot. 

Agrandir j (v.a.) l^^ergrooten,uit-' 
breiden. 

S'Agrandir, (v. r.) Tot grootere 
Jiaat opklimmen. | 

AgrandiiTement , (m) Vergroot ing^] 
aanwas, opkltmming , uitbreiding ,(f), 

Agréable, fadj.) Aangenaam, be- 
haaglyk , gevalt ig. 

Agréable ,(my Joindre l'agréable 
à l'atUe,het aavgenaame met het nut- 
tige paaren , (n) 

Agréablement , {dkàv.) Vermaake^ 
tyk , genoeglyk , hehaaglyk. 

Agréé, éée (adj.) Voorzien, be- 
haagd. 

Agréer , (v. n. & a.) Behaagen^ 
welgevallen ; agréer un mariage , 
een huwelyk goed keuren ; agréer un 
va j fléau , een f chip met zyn wand 
voorzien. 

Agréeur, (m) TakelmeeJJer. 

Agrégation , ( f) Aanneeming , ont- 
fanging. 

Agrégé, ée (adj.) Aangenoomen. 

Agréger, (v. a.) Aanneemen^ onf 
fangen , {in een genoodfchap). 

Agrément, (m) Lieftalligheid, he- 
haaglykheid; goedkeuring', (f) opleg- 
zel op Bor duur-w er k , (n) 

Agrefler, {y, ^.)^é^nranden^be^ 
fpringen» 



AGR.AGU. AH.AHA.&c. 

AgrefTeur , (ra) ^lar.r ander , be- 
fpri/iget, 

Agreflion ^ ( f ) Aanranding, aanval. 

Ag relie, (adj.) Onbefcba^ci , woeji, 
plomp. 

Ag rats , (m. pi.) Scherps wand , of 
touwen , (n') 

AgriculCurejX f) Land-acker-boUiv, 
(m) 

Agriffer , (v. a.) Met- klaauwen 
vajï ma a ken. 

s'Agriffer , (v. r.) Zyne klaawwen 
ergms injlaan. 

Agriocte, (f) Een foor p van zuti- 
re kers. Mor e lie. 

Agripper, (v. a.) Aangrypen, nee- 
men. 

Agrippeur, (m) Aangryper. 

Agrouper , ou grouper, (v. a.) 
Veele beelden by elkadr fchilderen , of 
houwen. 

Aguerri, ie(adj.) In den kryg ge- 
oeffend. 

Aguerrir, (v. a.) Tot den oorlog 
africhten. 

s'Aguerrir, (v.r.)-^'"^ i^ dekrygs- 
kunde oe ff enen. 

Aguets, (ra. pi.) Etre aux aguets, 
cp dsn oppas Jlaan , loeren. 

Ah/ (interj.) Ach, och\ 

Ahan , (ra) Zuckt; zwaar e arbeid: 

Ahaner , (v. n.) Hygen , met groo- 
tB moeite arbeiden , zwoegen. 

Aheurtemenc ,(m) Haljlarrigheid, 
eigenzinnigheid, (f) 

s'Aheurcer, (v. r.) Zyn eigenzin 
én wil volgen. 

Ahi ! (interj.) Ach , ocb ! 

Aide, ("f) Hulp y byfiand, onder- 
fïand. 

Aide ,(m) Aide-major , Régiments 
Adjudant y aide de cérémonies, on- 
der-ceremonie-meejler fZiie de camp, 
Generaal Adjudant -fZ-iàe de cuifine, 
koks-maat , onder-'kok -, aide à ma- 
çon , opperman. 

A i 'aide / (adv.) Ter hulp , ter by~ 
Jiandl 

Aidé, ée (adj.) Geholpen. 

Aider, (v. a.) Helpen, byjîaan,dù 
hand bieden ; dienen , dienji doen ; ai- 
der à la lettre , in het leezen iets 
toegeeven; il s'aide de la main gau- 
cl^e, hy gémH ^m iwKerliçivà, 



AID. AIE. AIG. 19 

Aides, (f. pi.) Schattingen, ac- 
cynfen; il va à la cour des aides, 
hy borgd, haald op credit. 

Aïeul ,( m) Grootvader ; nos aïeux, 
onze voor-ouders. 

Aïeule , ( f ) Grootmoeder. 

Aiglantier, (m) Koózelaar , Roo* 
zen- boom. 

Aigle, (m) Arend-, menfch vaneeri 
doordringend verband; ils donnèrent 
delà terreur a l'aigle romaine, 
zy brachten de fchrik in het roomfche- 
heir. 

Aigle, (f) De Roomfche Adelaar, 

Aiglette , ( f ) Kletne Arend , in een 
wapen. 

Aiglon , (m) Jonge Arend. 

Aiglure , (f) Roode vlak op de 
rug van een f^alk. 

Aigre , (adj.) Zuur, wrang yfcherp-, 
bits , fpytig. 

Aigre de cedre , (ro) Limonade. 

Aigre-doux, (adj.) Zuur en zoet* 

Aigre fin , (m) Zekere grooteWy" 
ting ; item looze fchalk. 

Aigrelet, ette (adj.) Zuurachtig., 

Aigrement, (adv.) Vimiglyk ,hef'. 
tiglyk. 

Aigret , ette (adj.) Zuurachtig. 

Aigrette, (f) Kleine witte Rei- 
ger (m) ; vederbofcb , kuif van eert 
Koet spaar d; (f) cieraad met edele ge- 
(ïeentens voor de Wouwen, (n) 

Aigreur, (f) Zuurheid, wrang- 
heid'ihaat ; afkeer , droefheid , (f) ver- 
driet (n). 

Aigri, ie (adj.) Verzuurd. 

Aigrir , (v. a.) Zuur maaken , ver- 
zuur en ; vertoornen. 

s'Aigrir , (v. x.)Zuur worden y ver.- 
grammen. 

Aigu, uë (adj.) Scherp, fnydend^ 
bits; vernuftig j accent, aigu, eeri 
fcherp toon-teeken, (in fpr. k.) 

Aiguade, (f) Voorraad van zoet 
water; plaats daar men het haald -^ 
faire aiguade , zoet water aanboord 
haaien, (zee w.) 

Aiguail , (m) Morgen-daauw , (f) 

Aiguayer j (v.a.) Linnen wajfchen, 

Aigue-marine, (ï) Soort van zee- 
groene Agaat-fieen. 

Aiguière, (f) Een lampet-kan. 

Aigui4réçj(f )fî^« VQllg lampet-kan* 



20 AiG. ail; 

Ai^uîUade, (f) Zweep j pe'itfcb. 
Aiguille, (f) Naald ifpits', hoo- 
gefpitze roor^-Mj aiguille de tete,ae 
boulToJe , hair- compas-naal'd -, ai- 
guille de montre, de cadran, wy- 
zer van een uiiriverk, zonnewyzer; 
aiguille de fléau , evenaar van een 
balans; aiguille, majljienge , uitleg- 
ger , (zee 'u;.)de fil en aiguille, van 
het begin tof het einde , {fpr. w.) 

Aiguillée , (f) Naald met een 
draad. 

Aiguilletier, (m) Nejleling-maa- 

kcr. 

Aiguillette, (f) Nejlelhig ^ ryg- 
fmer ; courir 1'aiguilletce., vodr 
hoer fpeelen ; lacher 1'aiguillecte, 
zyn buik loozen. 

Aiguillstter , (v. a.) Nejlelen, 
vajï rygen. 

Atguillier , (na) Naaldemaaker ; 
naaldekoker. 

Aiguillon, (m) Prikkel, angel-, 
cela fert d'aiguillon à la vertu, 
dat diend tot aanfpoorwg der dengd. 

Aiguillonné , ée (adj.) Aange- 
fpoord. 

Aiguillonner , (v. a.) Aanprikke- 
len , aanfpooren , ophitzen. 

Aiguifé, ée (adj.) Gejleepen. 

Aiguifement , (ra) Slyping , (f) 

Aiguifer> (v. a.) IVetten , Jlypen , 
aanpunten , Jcherpen ; aguifer fes 
dents , zig tot een wakkere maaltyd 
bereiden. 

Ail, (m) (Aulx au pi.) Knoflook. 

Aile, (f) Vlerk, wiek-, fnelhcid , 
gezwindheid ; befcherming > veei'en 
vaneen lardeer-priem{ï);buitenjie lood 
aan de glazen; (n) fur les aites du 
vent , op de vleugelen des winds ; ro- 
gner les ailes, kortwieken; il en 
tirera pié ou aile , ^y zal 'er ha- 
ring of kuit van hebben ;il en a dans 
1'aile, hy IS in zyn wiek gefchooten; 
il ne bat plus que d'une aile , hy 
is uit de mat gejlaagen; (fpr.'w.) ai- 
le gauche , de linker vleugel; des 
bouts d'ailes , pennen ; fcbachten. 

Ailé , ée (adj.) Gevleugeld; che- 
val a'üé , gevleugeld paerd , Pegafos. 
(by Dichters) 

Aileron , (ra) Kleine vleugel ; vis- 
i^jm ; divar spiank in f en water-rad} 



AIL. AIM. AIN. A]0. AIR. 

kleine kraakheenen aan de neus , ( f) 
oor-lapje, (n) 

Aillette , ( f) Binnenjle rand van 
een fchoen. 

Aillade, (£)Spys met knoflook toe 
bereid. 

Ailleurs , (adv.) Elders , in een 
ander plaats; d'ailleurs, daarenbo- 
ven ; van elders ; par ailleurs , door 
een ander plaats. 

Airaable, (adj.) Beminnelyk , be- 
haaglyk. 

Ajmant, (m) JZyl-magneet-fleett, 

Aimanté, (é« (adj.) Met een zyl- 
fleen , beflreeken. 

Aimanter, (v. a.) Met een zyl-fleen 
beflryken. 

Airaantin , ine (adj.) 't Geen de 
kracht van een zyl-fleen heeft. 

Aimé , ée (adj.) Bemind, geliefd. 

Aimer , (v. a.) Beminnen , lief- 
hebben; aimer mieux, liever willen; 
s'entr'aimer, malkanderen beminnen. 

Aine, (f) De liefch. 

Ainé , ée (m. & f.) Oudfle Zoon^ 
of Dochter. 

AineiTe , (f) Droit d'ainefTe , 
eerflgeboorte recht. 

Ainfi, (adv.) Zoo, dus , daarom % 
dienvolgens; il eft ainfi fait, dit is 
zyn naturel ; on eft ainfi fait , zoo 
is de eeuw; ainfi n'avienne , God 
verhoede het {oud w.) ; ainfi foit-il , 
het zy zoo , amen , ainfi il conclut, 
derhalven befloot hy. 

Ajourné, ée (adj.) Gedaagd. 

Ajournas (ni) Een Gedaagde, 

Ajournement , (m) Dagvaarding. 

Ajourner , (v. a.) Dagvaarden j 
voor V recht roepen. 

Ajouté , ée (adj.) Bygevoegd, toe- 
gevoegd. 

Ajouter, (v. a.) Byvoegen, toe^ 
doen ; ajouter foi , geloof geeven. 

Air , {va) De lucht '; zwier , manier; 
bevalligheid {in Schild. k.);fprongy 
fleigeringvan eenpaerd{tn de Ry-fch.); 
flreek van de wind {f); liedje, ge- 
zang, (n); cela à un air de maître, 
dat' heeft een meeflerlyke zwier; d/s- 
courir en l'air , zoo wat heen praa- 
ten; prendre de grands airs, zig 
grootfch aan/lellen; des contes en 
l'air , beuzelachtige vertellingen ; 
prenr- 



ARA. AIR. AIS. AIT.AJU. 

prendre l'air , lucht fcbi-ppen ; avoir 
]'air grand ,een deftig gelaat hebben. 

Arain, (m) Kopt^r {n); les inju- 
res s'écrivent far l'airain & les 
bienfaits fur le fable, beledigingen 
ivorden nooit , maar iveldaden ras 
vergeten; avoir un front d'airain, 
onbefchaamd zyn ; le ciel eft d'ai- 
rain , de hemel is ongiwjîig. 

Aire , ( f ) Dorfchvloer 3 vlakte van 
een vertrek-, nejî van een roofvogel; 
grootte van een iviskon/iige f guur. 

Airée , ( f ) Dorfchvloer met koorn. 

Airer, (v. n.) Nefielen. 

Airier, (v-a.) De kwaade lucht uit 
een huis dryven ^ bewierooken. 

Ais, (m) Berd y plank -, ais de 
carton , blad bordpapier. 

Aifade ou Aiflade , ( f) Het in- 
komen van den fptegel , {zee w.) 

Aifance 5 ( f ) Gemak , (n) bekwaam- 
heid. 

Ailances , (f. pU) Secreet , beime- 
tyk gemak j (n). 

Aifceau , (m) Kuipers-diffel. 

Aife . (ra. & f.) Rufl , blydfchap , ( f) 
genoegen (n); la guerre trouble l'ai- 
Ve de nos jours , de oorlog fioort de 
wellufl onzer dagen -y vivre à fon ai- 
fe , op zyn gemak leven. 

Aife , {zà].)Verblyd :,vrolyk , lujïig. 

Aifé , (adj.) Ligt , gemakkelyk ; wei- 
gegoed ; handelbaar ; les aifez , de 
fiezoede lieden. 

" a 1'Aife , (adv.) Zonder moeite; 
fix homnies de front y palTent à 
l'aife , fes man op een ry gaan 'er 
gemakkelyk door. 

Aifément , (m) Secreet , huisje , 

(n) 

Aifément, (adv.) Gemakkelyk, Ug- 
telyk. 

Aiflelle , ( f) Oxel onder de armen. 

Aifl*ette , ( f) Kleine diffel. 

Aiflieu y (m) As van een wagen. 

Aitiologie , ( f) Ziektens-oorzaak- 
kunde. 

Ajadant 9 (m) Adjudant in een 
leger. 

Ajuftages , (f. pi.) De toefiel- 
ting van waterpypen , trompsn , 
enz. 

Ajufte , ( f) Aanfplitzing van fow 
;venj {zee w.> 



AJU.ALA.ALB.ALC. 21 

Ajufté , ée (adj.) Opgefchikt , ver- 
effend. 

Ajuftementj (m) Kleeding , veref- 
fening, (f) 

Ajufter, (v. a.) Opfchikken,optooi- 
jen, vereffenen; ajufter des balan-^ 
ces , fchaalen gelyk maaken ; ajufter 
bien les coups, de jlooten wel aan- 
brengen , ( in de fçherm-fch.) ajufter 
quelcun , iemand afroffen. 

s'Ajufter , (v. r.) Zig opfihtMen , 
ztg voegen j overeenkomen. 

Ajüftoir , (m) Kleine fchaal , {in 
de munt gebezigd) (f) 

Ajutage, {Zie Ajuftages.) 
A la fin , ( adv. ) Eindelyk , ten 
laatfien. 

Alaife, (f) Sluit-fïuk , {by fchryn^ 
werk.) 

Alambic , (ni) Dijîileer-ketel ; l'af- 
faire a pafie par Valsimbic , de zaak 
is naauw onderzocht. 

Alambiquer , (v. a.)s'Alambiquer 
l'efprit, OU la cervelle, zyn geeji 
ofherffens e f gens over kzvellen. 
Alan , (m) Groot e bulhond. 
Alaque, (f) Phm , vierkant Jl uk 
waar op een zuil rufi , (n) 

Alarguer , (v. n.) Zig in de rui- 
me zee b e ge even. 

Alarme, (f) Wapen-kreet , alar- 
me, vreeze, ontrulling , omjîeîtenis. 
Alarmé , ée (adj.) f^erfchrikt , ont- 
field. 

Alarmer ? (v. a.) Verfchrikken , ont- 
fiellen. 

s'Alarmer, (v. r.) C'eft bien )à 
de quoi tant s'alarmer j moet meit 
zig daar over zoo ontjlellen ? . 

Albâtre, (m) Albafier ; {n) wit- 
heid , ( f) 

Al berge , (f) F'roege perzik. 
Albergier , {m)rropgeperzik-boom, 
Albique, (f) Zeker wit of vet 
kryt. 

Albornos , (m) Mantel met een 
kap , {by de Moor en) 
Al bran , (m) Jonge wilde Eend. 
Alchymie, {£)Smelt-konfi in tne-i 
taaien, {lees Alkymie) 

Aichymique , (adj.) Dat daar toe 
behoord. 

Alchymifte, (m) Mefaal-fmelter f, 
Goud-Zoeker, 

B 3 Alco^ 



22 ALC,ALE. ALF.ALG. 

Alcolifer, (v. a.) Fynder , zuiver- 
der maaken , {m Chym.) 

Alcoran , (m) Net Turkjch Wet- 
boek , (n) alcoran , (m) 

Alcove , (ra. mais le plus Souv. 
f.) Alkove, (m). 

Alcyon , (ra) TsvogeL 

Alderman , (m) Scheepen , Raads- 
heer in Engeland. 

Aledorienne ,(f) Steen die in de 
maag der Haanen gevonden vuord. 

Aleftoromancie , ( f) Waarzeg- 
ging door middel van een Haan. 

Aledlrion , (ra) Jonge Soldaat, 
gunjïelir.g van Mars. 

Alégre, (adj.) Vrolyh , blysteejïig. 

Alégrementi (adv.) LuiUg/yk. 

Alégresfe , ( f) Blydfchap , lujl. 

Aléne , (f) Schoenmakers-els. 

Alênier , (m) Elzen-maaher. 

Alentir, (v. a.) Vertraagen; ver- 
zachten., {heter ralentir) 

Alentour , (adv.) Rondom , omleg- 
gende ; d'alentour , rondsomme-, lieux 
d'alentour, omleggende plaàtzen. 

Alerion , (m) 'Kleine Arend zon- 
der hek of klaauzven , (in Wapen-k.) 

Alerte, (adj.) Wakker.^ vlug. 

Alerte , (adv.) Sa^ vlakker Ipajl op! 

Alethe, (ra) Indifche Fogel be- 
kwaam ter Patrys jacht. 

Alette ) (m) Kleine vleugel , ( in 
Bouw-k.) 

Aleu , (ra) Terre de franc aleu , 
vry erf-leen , (n) 

Alevin , (m) Kleine Vîfcb ; groei. 

Alevinage , (m) Uitfcbot van f^ifch. 

Aleviner , (v. a.) Een vyver met 
Vifch voorzien. 

Alexipharraaque ou Aîexitere , 
(adj. & fubft. ra.) Tcgervergift , (n) 

Alezan , (ra) Een ros PaerJ , F'os. 

Alezan , ne (adj.) Ros- achtig 
{van Paerden gezegd) 

Aleze OU Aiaife , (f) Laaken om 
een zieken in te koejïeren ; 't fmalfle 
plankje van een paneel^ (n) 

Alezé , ée , (adj.) Chevron ale- 
zé 5 afgpjJomptp fparre , {in Wapen-k.) _ 

Al fange, (£) Soort van Latton%v.' 

Al fier, (m) Spaanfche Vaandrig •, 
(fpot-vu.) 

Al gal ie, (f) Bolle pyp om dewa- 
ferloozing ;# bevorderen , (m HeeLk.) 



ALG. ALH. ALL 

Alganon , (m) Ketting die de ga- 
lei Slaaven draagen om ze te onder- 
kennen , ( f ) 

Algarade , (f) Sthimp , fmaad ; 
vyandelyke inval. 

Algaroc , (ra) Braak-purgeer-poe- 
der , (n) 

Algébraïque, (adj*) Dat tot den 
f el-regel behoord. 

Algèbre , ( f) St el-r egel , Algebra -, 
c'eft de 1'aigébre pour lui ,hy ver- 
Jiaat 'er niets van , {fpr. iv.) 

Aïgébrifte , (ra) Die de Algebra 
verjiaat. 

Algue ou goüëmon ,{ f) Zeegras i 
wier , (n) 

Alhandal , (m) Koloqnint-koekje ^ 
{by Apoth.) 

Alhedade ou Alidade, (f) 2^eke- 
re liniaal in Wiskunde gebezigd. 

Alibi, (m) Uitvlugt , (f) elders 
{Lat.w. in Recht.) prouver la faus- 
feté de l'accufation ,par un alibi, 
de ongegrondheid der befchuldiglng y 
mpt op een ander plaats geiveejl te 
hebben y bewyzen. 

Alibi-forain ,{m)Iedele uitvlucht^ 
voorwending , ( f ) " 

Aliborum , où raakre aliborum 
(m) , een doorjlepen quant , looze vos , 
die voor geen een gat te vangen is. 

Alichon, (ra) Plank van een wa- 
ter-rad, waar op het water valt. 

Aliénable, (adj ) Vervreemdbaar, 

Aliénation, (f) Vervreemding ., 
overdragt van goederen j afkeer-, 
aliénation d'eCprit, verwerring van 
zinnen. 

Aliéner , (v. a.) Vervreemden; 
aliéner des biens, goederen verkoo- 
pen, vervreemden-, aliéner fes affec- 
tions , zyne liefde aftrekken j s'aliéner, 
(v.r.) zig afzonderen. 

Alignement, {m) Afmeeting. 

Aligner, (v. a.) Met een fnoer af- 
meet en ; item h'fpringen , dekken , (be'- 
trekkelyk tot Wolven). 

Aliment, (ra) Voedzel, {n) fpyze , 
(f) onderhoud ,{n) les fciences font 
les alimens de refprit,al? zveten- 
fcbappen zyn Toedzel voor het verjïand. 

Aiiroentaire, (adj.) Tot het on- 
derhoud behorende -f penfion alimen- 
taire , kojigelj^ 

AUmen- 



ALI. ALK. ALL. 

AHru. f. t , (V. a.) uideu., fpy- 
ten , onder boUi.iiï: , {meejl tn Rychtjn). 

A ijne'ueux, '-.uie(adj.) Sac ali- 
nii-nceun, 'joedtnd Jap. 

AH; éd , (m) .'^cgm van efn n'wwwe 
Ltniey (ti) 

A'inger, (v. a.) M(t Linnen voor- 
zie}?. 

AI.quante,(adj ) Partie aliquan- 
te , een getal dat van de Jeclivge ove- 
rig ;., als , 4 ï/: H ^'hf* 2. 

Ai'quote , (adj.) i'arcie ahquote , 
getal dat in een groot er nit opgaat. 

Aii.e. {Zie AÙz ). 

Aiifé, ée. (Zie Alizé). 

A'ifon , (f) Madame alifon , /V 
zoo veel als domme , acinelooze Els , 
{l'^rouwen naam) 

Alité, .?e (adj.) Bedlegerig. 

Aliret , (v. a.) Het bed doen bou- 
din ; s'alicer, zig te bedde leggen, 
uit ho fde van ziekte. 

A: i'^e , (f) De vrugt van een Lo- 
tus-boom. 

Alizé , ée arlj ) Vents alizez, 
vajle-pajjaat-zvinden , (zee ii'.) 

Alizier, (m) Een Lotus-boom. 

Alkali, (m) (arab. iv.) Zout dat 
uit de bergfioffen en kruiden getrokken 
word, 

Alkalifer, (v. a.) Zout uit de vii- 
fieraalen en planten trekken. 

Alkalifation, (f) Het uittrekken 
daar van. 

Alkekengï , (m) Jooden kar s , kriek 
over zee. 

Alk hermes , (m) Jlkermes , hart 
verderkrnd rniddil , (in Geneesk.) 

Alkool, (m) (arab. iv.) Een al- 
der fyn,l e poeder , (in Chym.) 

Alkoolifer, (v. a.) Tot een al~ 
derfynjle poeder Jlo ten. 

Allaiter, (v. a..) Zoogen, met melk 
voeden-, allaiter un enfant , ^f« kind 
de borjl geven. 

Allant, te (adj.) gaande-, les ?.l- 
lans & les venans , de gaande en 
komende man-, un allant, ^'fw die al- 
tyd her om loopt en niets verzuimd. 

Al I éc he me n t , ( m ) jdanlokking , 
(boert, w.) (f) 

Allécher, ( V. a.) Aanlokken^ 
(boert, vu.) 

Allée, (f) Laan,dreeffgangi(f) 



ALL, 23 

pad; (n) après piuneurs allées öc 
venues , na veel heen en weer hopen ; 
jelui ai donné l'aliée & Ie venir, 
ik heb hem muilpeer en links en rechts 
gegeven, (jpr. w.) 

Allégation, (f) Aanhcaling van 
eenig beuys-jluk offcbryver. 

Ai'ége, (f Een Ligter , (zeker 
f'^aartuig) (m) 

A i légeance , ( f ) f^erligting , (Poet, 
w.) 

Allégement, (m) De ligt ing van 
een Schip , ( f ) 

Allégement, (ra) f^erligting, (f) 
(Soulagement is beter) 

Alléger, (v, a.) Verligten-j ligten', 
cela allégera (beter loulagera) Ie 
mal , dat zal htt quaad verligten } 
alléger un VailTeau , een Schip ligten, 

AUégerir, (v. a.) f^erligten, lig- 
ter maaien , (in de Ryjcbool) 

Allégorie , ( f) FerUoemde fpreei» 
wyze , Ie en fp reuk. 

Allégorique , (adj.) Verbloemd ^ 
byfpreukig. 

"Allégöriqueraent, (adv.) Ver.' 
bloemdelyk. 

AUégorifer, (v. a.) leis uitleggen, 
rr.et gelykenijfen , redeneeren, 

Allégorifeur , (00) Verbloemde re- 
naar, (boert, w.) 

AUégorifte , (m) Uitlegger van de 
Schrift door gelykenijjen , 

Aaégre. (Zie Aiégre). 

Alléguer, (v. a ) Bybrengen, aan^ 
haaien; alléguer un paîlage de i'E- 
crLiure, een Schriftuur-plaats aan- 
haalen; alléguer pour raifon , voor 
reien voorwenden. 

Alleluya, (m) Een Lofzang; loofJ 
den Heere , ( hebreeuxvfcb w.) item 
zuur e klaver, (een kruid) 

Aller, (v.n.) Gaan ,enz. je vais, 
tu vas , il va, nous allons, vousal- 
lez, ils vont j(reg.)j'allois,j'anois, 
je fuis,j'étois,je fus alléi (irreg.) 
j'irai, tu iras, il ira, nous irons, 
vous irez , ils iront j va , qu]il 
aille, allons, allez, qu'ils ail^ 
lent; que j'aille, &c. j'irois, ta 
irois,il iroit,&c. que j'allaflei 
allant, allé; allez en paix, gaar 
in vrede ; ne faire qu'aller & 
venir, alfyd in beweging zyn; je ne^ 
B 4 » ferai 



24 ALL. 

ferai qu'aller & venir , ik zaî niet 
tlyven , maar terjîond iveérom zyn ; 
aller au devant àe, tegemoet gaan, 
voorkomen-, aller à l'excès, buiten- 
Spoor ig te werk gaan; je n'ai rien 
dit qui aille à vous , tk heh niets 
gezegt dat u raakt; comment vont 
vos affaires? hoe ^aan u zaakenl un 
rafoir qui va bien , een f ch eer mes 
dat wel fnyd; les extravagans ne 
vont gueres loin fans ennuyer , 
dte te veel praats hebben vervee len 
ras; j'irai jusqu'à cent francs, ik 
zat 'er honderd guldens aan waagen; 
il Y va de vôtre honneur , uwe 
éer hangd 'er aan^ efl ce ainfi que 
vous y allez? is dat u maniere il 
. va fortir , hy is gereed om tut te 
gaan; il va être le plus infortuné 
des hommes , hy jlaat op het punt 
cm een allerongelukkigfi man te wor- 
den; allez, vous n'êtes qu'un ap- 
.prentif en cela , loop , gy zyt 'er 
rog maar een Leerling in; aller par 
haut & par bas , zig onder en boven 
ontlajlen; cela s'en va fans dire, 
dat /preekt van zelfs; au pis aller, 
op zyn quaadjle genomen ; aller en 
bateau , vaaren ; aller à cheval , 
en chariot, te paerd^ in een wagen 
ryden; aller de pair avec quelcun, 
met iemand gelyk 2y«- aller en cour- 
fe , ter kaap vaaren; aller au plus 
yrès du vent , foherp hy de wind 
houden, loeven ; aller de bout au 
vent, in de wind zeilen; aller vent 
îargue , ruiinfchoots zeilen; ( zee- 
woord ) toutes les eaux des 
yivières vont à la mer, al het wa- 
ter der rivieren loopt na zee; rien 
lïe va plus vite que Ie temps ^ 
0iiets loopt rajjer als de tyd ; ce cal- 
cul va à tant ^dceze nekening beloopt 
200 veel; cette pieee de terre va 
en pointe, dit Jiuk eindigt met een 
_fKWf ; ces ouvriers vt^nt lentement, 
xiie werklieden zyn langzaam m hun 
doen-f le commerce ne va plus, de 
koophandel gaat niet; comment va 
votre fanté.^ hoe is 't met uw ge~ 
zv:dhcid ? aller eu le Rbi va à 
pjed, op het buitje gaan-, Allons! 
(inLgrJ.) kom aan! koml allons !al- 
|pn| nous en, '; za ivakhr l Iç^at 



all: 

ons heen gaan ; allons! finiffons, 
kom ! laat ons 'er een einde van maa^ 
ken. 

Aller, (m) Il a eu l'aller & le ve- 
nir , (fpr. w.) hy heeft op beide de 
ooren gehad. 

S'en Aller, (v. r.) Heenen gaan', 
faire en aller, weg jaagen; il s'en 
va pleuvoir , het gaat regenen j 
s'en aller par terre , vallen 
Alleure. (Zie Allure). 
Allczer, (v. a.) 't Gefchut rei- 
nigen. 

Allézeur,(m) Injîrument daar toe 
Alliage , (m( Menging der metaa- 
len en andere dingen. 
Alliaire, (f) ^Vilde knoflook. 
Alliance, (f) l^erbnnd ; (n) rjgr- 
maagfchapping ; vermenging ; { f) 

Allié, ée (adj.) l-^erbonden; ver- 
maagfchapt , vermengd. 

Allié , ée (m. 6c f.) Een Bondge- 
noot ; verwant. 

Allier , (v. a.) Metaalen of iets 
anders mengen; verbinden; s'allier , 
(v. r.) ztg verbinden} zig vermaag- 
fchappen. 

Allier, (m) Patrys-net , (n) 
Allobroge , (m) Een Savoyaard, 
een Dommerik, Lompert. 

Allocation , {£) Goedkeuring , 
aanneeming e ener rekening. 

Allocution , (f) Opentlyke aan- 
fpraak van een Keizer of Legerhoofd 
tot zyn volk, in oude gedenkjïukken 
vertoond' 

Allodial,^ ^le (adj.) Erflyk ; deç 
biens allodiaux, onleenroerige Goe^ 
deren. 
Alloi. (Zie Aloi). 
Allonge. {Zie Alonge). 
Allouable, (adj.) Dat men in eene 
rekening toelaaten kan. 

Alloué , (m) E enen in de plaats 
van eenen anderen aangejlelde in eeni- 
ge zaak; item een uitgeleerde Leer- 
jongen die voor knegt hy zynen Mees- 
ter blyft. 

Allouer, (v, a.) Een poji in eene 
rekentng gelden laat en, goedkeuren. 

Allouvi,ie(aij.) Hongerig, vra- 
trg als een IVolf. 

AHuchon , (m) Tand die in het 
kam rad van em Mole» vat, 

^ A|l'4' 



ALL. ALM. ALO. ALP, 

AUumelle , (f) Lemmer van een 
mes ( n ) > ten Priejiers rok zonder 
mouwen. 

Allumer , (v. a.) Aanjieeken ; al- 
lumer de la difcorde , tweedragt 
Jiigten, verivekken. 

Allumette, (f) ZwavelJIok , (m) 
iets daar men mee aanjïeekt. 

Allure, (f) Gang, tred; (m) je 
connois fes allures, tk ken zyn ma- 
nieren. 

AUufion, (f) Zinfpeeling. 

Alluvion, (f) jianfpooring, aan- 
was van land. 

Almodie , ( f) Schuitje der Wil- 
den, (n) 

Almanach ou Calendrier , (m) 
Almanak, Maandwyztr . 

Aio cation. {Zie Allocation). 

Aloë,ott Alois, {m)Aloe, {Art- 
zpny). 

Aloi , (m) Munt-Jlof; alloy ; item 
waarde daar van ; fes connoiflan- 
ces font de bon aloi , zyne kun- 
digheden zyn egt. 

Aloiau. {Zie Aloyau). 

Alonge , ( f) Iets dat aangehecht 
word om te vercenigen ; hairlok', 
item {in Scheepsb.) een oplang ,Jleeker', 
item Kromhouten. 

Alongement , (m) f^er lenging; uit- 
Jirekking. 

Alonger, (v. a.) Verlengen, lan- 
ger maaken; alanger Ie bras, den 
arm ui;jleeken; alonger la courroie, 
{fpr. w.) ongeoorloofiie wïnjl neemen. 

Alopécie , ( f) Uitvalling van 't 
hair. 

Alors, {adv.) Als dan , toen , toen- 
maals , op -die tyd. 

Alofe , ( f) Een Elft , {vifch) 

Alouchi , (ro) Gom van de Kaneel- 
boom. 

Alüuer. {Zie Allouer). 

Alouette , ( f) Een Leeuwerik. 

Alourdir, (v. a.) Dom mcaken, 
i-?rdooven , {gem. w.) 

Alouvi. (Zie Aliouvi). 

Aloyage. {Zie Alliage). 

Aloyau , f m) Een Harfï , dy-Jluk. 

Aloyer, (v. a.) Metaalen mengen. 

Alpen OU Alpage , (m,0«i^/'/ûfgc/ 
land, (n) 

AlpUabet, {m) Het A, B,C, (n) 



ALP. ALT. ALU. 2f 

Alphabétique, ' adj. ) Alphabe- 
tifch , volgens het A , Ü , C. 
AUe. {Zie Halte). 
Altérable , (adj.) Veranderbaar) 
veranderlyk. 

Altérant , ante (adj.) Dorfi wr- 
wekktnd, {in Geneet k.) 

Altératif , ive (adj.) Dat iets ver- 
anderen , omkeeren kan. 

Altération , (f) Verandering ; 
ontjieltents ; dorjl. 

Altersas, {oud w.) Twijl. 

Altercation , ( f) Twijl , ( f) har- 
rewarren , (n) 

Altérer, (v. a.) Vérander m » ver- 
valjchen; dorfi verwekken; la débau- 
che altere la fanté , de overdaad 
bederft de gezondheid» s'altérer ,(v.r.) 
dorfi: g worden; erger worden. 

Alternatif , ive (adj.) Beurte- 
lings. 

Alternative , (f) Avoir l'alter- 
native , de keuze van twee zaakeii 
hebben. 

Alternativement , (adv.) By beur- 
ten , by verwijfeliftg. 

Alterne , (adj.) Beurtelings ge- 
plaat fl ofjlaande. 

Alterné , ée (adj.) (in Wapenk.) 
Kruiswyze geplaatfi. 

Alterner , (v. a.) By verwiffélïng 
af en aahjïellen. 

Akeffe, ( f)Son AltefTe 5érénis- 
firae , Zyne , Haare Doorlugtige 
Hoogheid. 

Altier, ere (adj.) altierement , 
(adv.) Trots , fer , {weinig geb.) 

Altimetrie, (f) Hoogte meeting, 

Alude , (f) Gekleurd Schaapen- 
leer , (n) 

Aludel, (m) Sublimeer/>o^, (iy 
Smelters) 

Alvéole , (m) Sand-hot, celletje 
van een Bye-korf; het binnenjle van 
het oor; holligbeid daar een bloem in 
legt op de plant. 

Al vin {Zie Alevin). 

Aluroelle. {Zie AUumelle). 

Alumiere, (f) Aluin-maakery . 

Alumineox, eufe (adj.) Aluinig, 

Alun , (m) Aluin. 

Aluner, (v.a.) Aluinen ^ in aluin. 
water doopen. 

Alure. ^Zie Allure), 
^5 Am»' 



2,6 AMA. 

Amabilité , (f; Bemimens ivaer- 
digheid. 

Araadis , 'm) Ou bouts de man- 
che , mouivtjes van binnen aan de 
mouw gehegt. 

Amadote, (f) Amadoten peer. 

Amadou > (m) Tuntel , zxvam. 

Amadouer, (v, a.) (^leien y flikke- 
floijen , Pr pelen. 

Amaigrir , (v. a ) Ma^er maaken ; 
Jlegten , dunner mankm , (i y Timmerl.) 
amaigrir un champ , eenen akker uit- 
putten. 

Amaigrir , ^v.n.) s'amaigrir , (v.r.) 
yermageren , uitteeren. 

Amaigriflement , ( Ri ) f^ermage- 

rwg,(n ' 

Almagamation , (f) l^erkalking , 
Calcineering ^'a>2 Metaal. 

Amalgamer, (v. a.) Metaal met 
Kivikziher mengen , oplojfen. 

s'Amalgamer, (v- r.) Zig Calci- 
neeren. 

Amande. {Zie Amende). 

Amande, (f) Amandd', item pit, 
kern van een 'urugt, 

Amandé, (m) Amandet-melk, (f) 

Amandier, (m) Amaideî-boom. 

Amant, ànte (m. & f.) Minnaar; 
Minnaar es. 

Amarante ou Amaranthe , ( f) A- 
fnarant 9 dutzend-fcboon , f.uweel- 
bloem. 

Araaranthine , (f) Een fôort van 
Anemonie. 

Amarque , ( f ) Haven-tomie , Baak , 
zee iv.) 

Amarrage , (m) Het ankeren , mee- 
ren van een Schip ; item het Anker- 
toUTverk ; (n) zei zing van twee tou- 
nx'en aan malkanderfn. 

Amarrer, (f) Meer-touw, Kabel- 
touw, (n) 

Amarrer , (v. a ) Een Schip mee- 
ren , vaji maaken ; item het wand 
vafl maaken , beleggen , forren , 
(Scheeps w.) 

Amas , (m) Vergaaring , meentgte, 
(f) hoop. 

Amaffer, (v. a.) T^er zamelen , by 
een fchraapen, opraapen; s'amafTer , 
(v. I"-) ^y ^^^^ komen. 

AmafTette, (f)' Schilders opraap- 
mes of Spaant je, (n) 



AMA. AMB. 

Amatelorer , (v. a) Twee ên tweB 
Matroozen by een zetten om te werken. 

Amateur, (m) Beminnaar , Lief- 
hebber. 

Amatir , (v. a.) Goud of zilver 
doof maaken y wit kooken. 

Araauro e,(f) btar op V oog. 

Amazone, (f) Heldtn, Amazoon.' 

Ambaft, (m) Ambacht , {dijlriâ m 
Vlaanœrev). 

Ambages, (f. pi.) Croate omtvegen 
in de reden. 

Ambarvalles , (tî. pi.) Feejl ter 
eer e van Cr re? by de oude Romeinen 
om een overvloedige oogfi. 

AmbafTade , (f) Gezantfchap , (n) 

An;baffadeur , (m Gezant , Afge- 
zant; aankondiger. 

Amr^afladrice , ( f) Gezantsvromv ; 
boodfchapjter. ^ 

Ambefas, (m) 2 eenen in dobbel- 
fpel. 

Ambidextre, {a.â].) Slinks en regts 
zyn , beide handen even goed gebrui- 
ken. 

Ambigu , (m) Maaltyd daar de 
ge r egt en en vrugten taffen s opgedra- 
gen %vorden -y c'eft un ambigu on ne 
fait ce cu'il eft , het is een mengel- 
moes men weet niet wat hy is. 

Ambigu , ne fadj.) Dubbelzinnig. 

Ambiguïté, (f) Twypelagtigheid. 

Ambigament,(a,dy.)DubbelziKnig- 
lyk. 

Ambitieufement > {diàY.)Staatzug- 
tiglyk. 

Ambitieux , eufe (adj. & fubft.) 
Staatzugtig,eergierig;eenjlaatzugtïge. 

Ambition , (f) Sterk verfangen 
naar iets y JJaatzucht. 

Ambitionner ,(v.a.) Zeer na iets 
hegeeren , Jlaan. 

Amble , (m) Cheval qui va l'am- 
ble , l'aerd dat den tel gaat. 

Ambier , (v. n.) {beter) aller 
Tamble , den tel gaan. 

Amble ur , (m) Een onderberyder 
in een Konïngsjîal. 

Ambîygcrie, (m) ou Angle ob- 
tus , jlompen-hoek , {in Landm.) 

Amblyopie, (f ) F'erduijîering der 
oogen. 

"Ambon , (m) Verheven plaats in 
een Kerk voor de Zangen^ 

Ambo- 



AMB. AME. 

Ambonoclaftc , (m) Haater van 
Kerk muziek. 

Ambiurir ou Emboutir, (v. a.) 
Gedreven 'werk maaken. 
P^mb<jUi\^o\vlra)'VerktuiQi daar toe. 

Ambre ,(m) Amber y Banfieeu ; zm- 
bre gris , amber gry s ^{zekere govime) 

Ambrer, (v.'a.) Amber en , met 
amber bereiden. 

Ambretce , ( f ) Amber bloem. 

Ambroifie, (f) Goden-fpys , (by de 
Digteren) 

Ambulant , ante (adj.) Omivande- 
lend , o mr ei zend. 

Anbiilanc, {m) Een die op'tLand 
heromryd om op ^f Collecteurs «g.' te 
geven ; item een Reiziger j JZwerver , 
als Toneelfpeelders , enz. 

Ambulatoire , (adj.) Plaats ver- 
nviJTelend', onbejtendtg. 

Ame, (f) Ziel, geeji , moed; z- 
pie mercenaire , een baatzugtige 
ziel ; rendre l'ame , de geeft geven; 
fur mon ame, op myn v^ewijfen ; une 
ame vivante , eene levendige ziel; 
ma chère ame , m\n voacrde ziel; 
l'ame d'un canon , de loop van een 
gefchut; l'ame d'une dévife, de woor- 
den van een zi nfpr eu k ; l'ame du vio- 
lon , de ha/pel van een viool ; l'ame' 
de fagot , 't hinnenfte van een takke- 
boi ; ame de vin , aam ivyn. 

Amé , ée (adj.) (ii de Koninglyke 
brieven gebruikelyk) à nos amés & 
féaux, aan onze lieve en getrouwe. 

Ameifter , (m) Burgermeefter in 
Straasborg. 

Amélette. (Zie Omelette). 

Amélioration, (f) Ferbeterîng , 
(in Rechten.) 

Améliorer, (v. a.) Huis of Erf 
verbeteren. 

Améüoriflement , {mjP^erbstering, 

A même , (adv.) Vouz êtes a 
même , faites ce qu'il vous plai- 
ra » gy zyt u eigen meefter, doed wat 
u belieft , {weinig gebruikt) 

Amen , (m) Het zy zoo , Amen. 

Aménage , (m) Het aanvoeren, 
voerloon , in) 

Aménagement , (m) Het toevoe- 
ren , (n) 

Aménager , (v. a.) Hout aanvoeren. 



AME. 27 

Amendable , (adj.) Dat verbeterd 
worden kan; item ftrafbaar wegens 
geldboete. 

Amende, (f) Geldboete; mettre k 
l 'amende, in boete beftaan; bekeu' 
ren ; amende honorable , opentlyke 
Kerkboete. 

Amendé, ée (adj.) f^erbeterd ; be" 
mijl ; bekeurd. 

Amendement, (m) Verbetering i 
mijiing van Land ; boete oplegging j 
betering van een en zieken; amende- 
ment de vie , betering des levens. 

Amender , (v. a.' & n.) Beteren 

van ziekte; werk of Land verbeteren -^ 

boete opleggen ; s'amender , (v, r.) 

bettr woraen tn gezondheid of zeden. 

Amener, (v. a.) Aanvoeren; a- 

mener des marchandifes, goederen 

aanbrengen; amenez Ie avec vous, 

brengt hem met u ; amener à la rai- 

fon , tot reden brengeu ; amener les 

voiles,a> zeilen flryken ; amener le 

pavillon , de vlag flryken , zig 

I overgeven ; amener un vaifleaa 

! een Schip by haaien , r.aderen , 

j in wtnnen ; (zee w.) un malheur 

* amené fon frère , 't eene ongeluk 

komt by 't anderen , (fpr. zv.) 

Aménité , ( f ) Aménité d'un 
lieu , d' aangenaamheid van een plaat s. 
Aménuiier , (v. a.) Verdunnen 9 
dun fchaaven. 

Amer , ere (ad].) Bitter ; fmerte- 
lyk ; l'onde amere, de zoute zee. 
Am-rr , (m) Gdl van Vifch, enz. ( f) 
Amèrement, (adv.) Bitterlyk. 
Amertume, (f) Bitterheid ;fmer^ 
te ,(f) ongenoegen (n) ; adoucir les a- 
merturaes, de fmerten verzagten. 
Ame fu rement , (m) Afmeeting, (£) 
Amefurer , (v. a.) Afpaffen. 
Améthyfte, (f) Amathyfi , (edel 
^ejleente) 

Ameublement , (m) Stoffeering ; 
(f) avoir un fore joli ameuble- 
ment , een fraaye huisraad hebben, ' 
Ameubler ou Emmeubler ,(v^a.) 
Stnffeeren met huisraad. (Zie Meu- 
bler). 

Ameublir , (v. a.) (in Regten\ 
Vajle goederen onder de loffe rekenen^ 
item aarde ovifpitten. 
Ameubliffement, (m) Hef maa- 

if» 



28 AME. AMI. 

ken van vajle goederen tot tojje ', (n) 
omfpltting ; ( f ) ^ , 

Ameutement, (m) 't Zamenkop- 
pelen van jfagthonden. 

Ameuter, (v. a.) Jagtbonden kop- 
pelen i item honden of menfchen op- 
biïzen ; s'ameuter , (v. r.) 't zamen 
rotten* ^ ,. . 

Ami , ie (fubft. & m. f. adj.) 
Vriend-, vriendin-, vriendelyk; agir 
en ami , als een vriend handelen i 
jn'&mie,myn liefjle; les bons comp- 
tes font les bons amis , effen reeke- 
nmg maakt goede vriettdfchap , ami 
lefteur ! befcheiden leezer ! 

A-mi , (adv.) A-rai chemin , half 
•weg. 

Amiable, (adj.) Vriendelyk. 

à r Amiable , (adv.) Terminer 
un different à l'amiable , een gefchil 
in der minne effenen, 

Amiableraent , (adv.) Vriende- 
lyk. 

Amiante , (ra) Steen vlas , gemaakt 
van een fteen aldus genaamd. 

Amical, (adj) Lettre amicale, 
iprienden brief. 

Amicalement , (adv.) f^nends- 
ivyze. 

Amia, (m) Pricjïerlyk hoofd- en 
fchotider kleed, (n) 

Amidon, (m) Styfzel ^ (r) 

Amidon nier , (m) Styfzel-maaker- 
verkooper. 

Aniignarder , (v. a.) (beter Mi- 
gnarier) Streelen , liefkoozen, 

Amignoter, (v. a.) Bederven met 
liefkoozen , gelyk de minnen de kinde- 
ren doen. 

Amincer, (v.,a.) Dun maak en , 
"jtrdunnen, 

Amineur , (m) Een Zoiit-meeter. 

Amiral, (m) Zee-voogd , jidmi- 
raal ; /admiraals f chip. 

Amiral, le (adj.) jidmiraalfch. 

Amirale , (f) Admiraals Vrouw; 
Admiraal-galei. 

Amirauté , (f) Admiraalfehap , 
(n) Admiraliteit. 

^mifiibilité, (f) Hoedanigheid van 
IjPt gepn verhoren kan worden , {in de 
God'^eleerdheid} 

AmitTible , (adj.) l^erlieibaar, 

Aüiit. {.Zie Amift). 



AMM. AMN. AMO» 

Amitié , ( f) Vriendfchap , beleefd- 
heid; amitié des couleurs, overeen' 
komjl der verwen ; (in Schilder k.) fai- 
tez moi cette amitié , doed my die 
gunji. 

Ammites, (f) Zand-Jïeen. 

Ammoniac ou ArmoniaC, (m) 
Salmiac , (eene gomme) 

Amnios , ( f ) Tweede dunne huid 
die eene ongeboorene vrugt omvat. 

Amniftie , ( f ) Vergiffenis van al' 
Ie verongely kingen. 

Amodiateur , (m) Pagter, ver- 
pachter, {zie ook Fermier) 

Amodiation, (f) Ferpagting. 

Amodier, (v. a.) Pagttn; ver* 
pagten, tn buur nemen of geven. 

Amoindrir, (v. a.) Verminderen. 

Amoindrir, (v. n ) s'amoindrir» 
(v. r.) Minder , jlegter worden. / 

AmoindrifTement , (m) Vermin- 
dering , ( f) 

Amoins de , (conj.) à moins de 
vingt piftoles vous ne l'aurez pas > . 
minder als 20 pifïoolen zult gy 't niet ' 
hebben; à moins que j'aye , ten zy 
dat ik hebbe ; à moins que d'avoir < 
étudié , ten zy dat men gejîudeerd 
hebbe. 

Amoife , ( f ) Eene dwars fparre. 

Âmolettes, (f. p!.) Spil-braadfpit- 
gaaten , {Scheeps. w.) 

Amollir, (v, a.) Verzagten , week 
maaken ; laj- verwyfd - maaken ; s'a- 
moUir, (v, r.) gedwee worden; ver- 
wyfd worden. 

Amollifleraent , (m) Verzagting , 

(O 

Amomie , (m) Jamaica peper. 

Amonceler » (v. a.) Ophoopen. 

Amonéter ,{v,a.)Vermaanen,{Zie 
Admonêter). 

Amonition , (f) Pain d'amonî. 
tion , Ccmmis-b rood. 

Amont, (adv.) Tegen Jiroom, op^ 
waards; le vent d'amont, rf'oo/î?« 
wind. 

Amorce, ( f ) Aas, lok-aas; (n) 
aanlokking ; ( f ) het kruid op de pan 
van een vutir-roer ; (n) 

Amorcer , (v. a.) Aas aan een hen^ 
gel doen; iemand aanlokken ^ aamoe- 
moedlgen ; kruid cp ds pan van ' een 
. '■juur-roer doen, 

Amor- 



AMO. AMP* 

Amorçoir , (m) Steek-boof der wa- 
gen of rademakers , (n) 

Amortir , (v. a.) ^flojjen j vetjïer- 
•ûen-, uitblujfchen; amortir une ba- 
Ie, een kogel dempen; amortir les 
paflions, de hartstochten verkoelen -, 
amortir les rentes, renten aflojfen. 

Amortiflable, (adj.) Dat afgelojl 
kan woraen» 

Amortiffement , (m) ^flojjftng; 
verjlerv'tng ; demping j ( f) 

Amovibilité , ( f) Herroepelykheid , 
dat afgezet kan worden. 

Amovible , (adj^) Herroepelyk. 

Amour , (m) De God der liefde , 
Cupido 't de liefde ,de min ; pour l'a- 
mour de moi, om mynent wil ;mon 
amour, m'amour, myn fchat, mjn 
hert; {in V meervoud is dit woord 
féminin) als 't Itefde betekend. 

Amouraché, ée (adj.) Verliefd. 

s'Amouracher , (y» r,) Verliefd 
worden , {gem. w.) 

Amourette , (f) Heimelyke ihin- 
handel; item kalverliefde. 

Amoureurement ,(adv.) Mînnelyk. 

Amoureux, eufe (adj,) Verliefd, 

Ampateler, (v. a.) Wol blaauw 
verwen. 

Ampelite, (f) jiarde die zig in 
oiie ontbind en dan diend om 't hoir 
zwart te maaken. 

Amphibie , (m. & adj.) Dat te 
water en te land leefd; als een Otter ^enz. 

Amphibologie , ( f) Dubbelzinnig- 
heid. 

Amphibologique , (adj.) Dubbel- 
zinnig. 

Amphibôlogiquement , (adv.) 
Vubbelzirmiglyk. 

Amphiptere , (m) Sta?2g met twee 
vleugelen, (f) 

Amphisbene , (m) Slan^ met twee 
hoofden , ( f ) 

Amphifciens, Cm) Inwoonders van 
de verzengde Lucht f reek . 

Amphithéâtre , (m) Een ronde 
Schouwburg , (f) 

Amphiirite, (f) Godinneder zee. 

Ample, (adj.) Ruim^breed^wyd , 
uitgebreid; robe ample , wyde roh ; 
ample matière , wyd kftige Jloffe , 
ample pouvoir, uitgeftrekte magt, 

Amplemeflt, (adv.) Breed, 



AMP. AMÜ; öiT 

Ampleur , ( f) Ruimte , van kh^ 
deren gezegd) 

Ampliateur , (m) Uitbreider , ver-* 
grooter. 

Ampliatif , ive (adj,) DatuifJIrekty 
vermeerderd. 

Amphation , ( f) UitbreiÉng ; ver" 
leng ing. 

Amplier,(v.a.) Amplier Ie ter- 
me d'un paiement , de tyd van be- 
taaling verlengen; amplier un cri- 
minel , eenen misdadiger zyn vonnis 
opfchorten; amplier un prifonniei^ 
eenen gevangenen meer ruimte geven^ 
(m regten). 

Amplificateur , (m) Uitbreider i 
vergrooter ; (in redenk.) amplificateur 
des impôts, É-fTi die meer fchattingei$ 
vraagd als hem toekomen. 

Amplification , ( f ) Vergrooting^ 
cierlyke uitbreiding. 

Amplifier, ( v. a.) Uitbreiden , 
vergrooten, door omjîandigheden. 

Ampiifllme, (adj.) Zeer voortref- 
felyk, {eertytel op de hooge Schooien 
gebruikelyk ; als : Refteur amplis^ 
lime). 

Amplitude , (f ) ÏVydte der Ster^^ 
ren op- en onder -gang y van de mid» 
del-lyn. 

Ampoule , (f) Een blaâr , (f) 
watsr-blaasje ; glaze flesje; (n) la 
fainte ampoule , oliefles ter zalvin^ 
ge der Koningen van Vrankryk. 

Ampoulé, ée (adj.) Opgeblazen^ 
un ftyle ampoulé, een hoogdravende 
flyt. 

Am poulette, (m, plur.) Zand* 
loopers , op een Schip. 

Amputation , ( f) Lid-afzetting. 

Amputer, (v. a.) Een lid ajzet- 
ten, {in Heelk.) 

Amuler. {Zie Amurer). 

Amulette , (m) Een aan den hals 
hangend geneesmiddel tegen toverye. 

Amurca, (f) Olyf-olie droes ^ die- 
nende tot gerieenniddi'l. 

Amurer , (v. a.) Amurer Ja gran- 
de voile , het fchoover zeil toezet- 
ten , {ze^ w.) 

Amures, (f. pi.) Hals -gaaien op 
een Schip. 

Amurant,ante (adj^ u4angenaamt 
tydverdryvend, 

Âma- 



' |o AMU. ANA. 

Amu^ment , (ra) TyJkwtJlwg ; tyJ- 
korting , C f) tydverdryf, (n) 

Araufer, (v. a.) Opbottden; by de 
neus leiden-, s'amufer à raiionner 
d'une chofe avec quelcun , temand 
over eemtzaak met redenkaveling be- 
zig houden ; il s'araufe à des fotti- 
fes, hy houd zig met zotternyën op', 
s'araufer aux acceffoires & négli- 
ger le principal , de toevallige zaa- 
ken gadejlaatîy en de hoofdzaak ver- 
zuimen, , , s 

Amufette, (f) Klein ver maak, {n) 
fpeelpop » e f ) , , 

Amufeur, (m) Tyd-verdryver ; be- 
drieger; misleider; amufeur de fil- 
les, een' 'meisjes bed teger. ^ 

Amufoir, (m) Amuibir de petits 
en fans, kinderachtig tyd verdryf, 

Amydon. {Zie Amidon). 

Amygdales , (f. pi ) ^-imandelen in 
de keel y [in Ontleedk.) 

An, (m) Jaar (n); 1'an folaire . 
het zonnen-jaar-y 1'an de grace , het 
jaar na Chrijli geboorte; j'ai trente 
ans pafTé ^ ik ben boven de dertig jaa- 
ren cud', bon an, mal ail , ce prè 
rapporte tant , het eene jaar door 
het- andere , brengd deze weide zoo 
veel op. 

Anabaptisme , ( m ) Weder doo- 
ping , (f) 

Anabaptifte , (m) Een doopgezrade , 
qvederdooper. 

Anachorète, (m) Soort van Klui- 
-cu^ar , Heremyt. 

Anachronisme , (m) Misjlag in de 
tydreekening. 

Anagogie , (f) De geejïelyke be- 
duidenis der Schrift» 

Anagogique, (adj.) Fol geheim , 
diepzinnig. 

Anagrammatifte , (m) Letter-keer- 
digter. 

Anagramme , (f) Naam-letter- 
keer. 

Anagyris , ( f) Boon-boom , (m; 
(Jlinkend gewas) 

Analeptique, (adj.) Verjlerkend t 
{in Geneesk.) 

Analogie , ( f) Overeenjiemming , 
gelykheid in de woorden , afleiding. 
Analogique, (adj.) Overkomjiig. 

Analogiquement, (adv.) Overeen^ 
komjliglyk. 



ANA. ANC. 

Analoque , (adj. & fabft. fti.) 
Overeenkomende; overeenkomJJig , (£} 

Analyfe , ( f) Oplojfmg van eene 
zaak of reden. 

Analyfer , (v. 'a.) Een zaak ont- 
binden y ontleden. 

Analyfte , (mj Een daar in ervaren. 

Analytiqt^e, (adj.) OplofTend. 

Ananas , (m) .Inanas ^ (z-^kere In- 
diaanfche vrucht van een goede fmaak) 

Anapefte, m) Foet van z korte 
en I lange fyllabe , {in Poé'zy) 

Anaueftique , (adj. m.) Dat van 
dien aard is. 

Anaplérotique , (adj. & fubfl.) 
Vleefch maakend middel. 

Anarchie, Cf) Heerfchlooshetd , 
fiaat van een land , 't welk zonder 
opperhoofd , ovet^heid is. 

Anarchique , (adj.) Gefcheiird , 
verward , zonder opperhoofd. 

Anaflomofe , ( f) Vereenlging van 
de uiterjie der aderen , {in Ontleedk,) 
opening , (in Heelk.) 

Araftomotique , (tn) Middelen om 
de aderlatingen te h ever der en , (n) {in 
Geneesk. 

Anatliématifer , (v. a.) Vervloe- 
ken ^ in den ban doen. 

Anathême, (m) Vervloeking , (f) 
Kerken-ban , (m) 

Anatolisme, (m) Woeker-contraâj 
(n) 

Anatomie, ( f) Ontleedkunde (f); 
naauw onderzoek, (n).ï 

Anatom'que , (f ) Ontleed kundig. 

Anacomiquement , (adv.) Ontleed- 
kiindiglyk. 

Anatomifé , ée (adj.) Ontleed-, 
naaüxv onderzoekt, 

Anatomifer, (v. a.) Een Lichaam 
ontleeden j eene zaak naauw onder- 
zoeken. 

Anatomifte , (m) Omleeder ^ ont" 
leedkundige. 

Anatron , (m) Vlug zout én fchuim- 
zei van glas, getrokken ^it de fmelt- 
iroeSf item zilver dat zig aan on-, 
deraardfche verivulfzels vind., (n) 

Ance , (f) Zee boezem, kom, golf 
of baay van weinig diepte. 

Ancêtres, (m. pi.) Voor-ouders. 

Ancette , ( f J Kleine Zee. boezem. 

Ancettes>ou Cobes de boulines. 
Leen- 



ANC. AND. 

%eeuviiers ougci m • ei iyk am touwen 
door te Jli-eke.i y {^cheeps iv.- 

Aoche , ( f ) Houte gout waaf door 
het mul in ,ieu tremel of kijî van de 
ffioolen valt j tongetje van een Scbal- 
niey • (n) 

An.h'jis, (m) ansjovis. 

Auchiiiie , ( f . yikehi bloem. 

Anchue j(f) [njlag -i^by ÏVee'jers). 

An i.n, ne (adj.) (Jud; favoir 
l'hiit 'i:e an.ieime <Sc moderne, t/f 
eu.ie en hedendaagfche hijlorie ivee- 
ten. 

Anciens , (m. pi.) Anciens de 
l'EguI'c , ouderlingen der Kerk ; les 
anciens Pères, de Oudvaders; les 
anciens du peuples, de voorjtanders 
des Volks. 

Anciennement, (adv.) f'^an ouds , 
eert y ds. 

Anciennes, (f) Oude Bagynen. 

Ancienneté , ( f) Ancieüaeté des 
maifons , fliip ou.ihtid der gejlachten ; 
Tancieniicté regie Ie rang , d'ou 
der dom bepaald aen rang. 

An::jag5 , (m) j-Jnker-grond , (f) 
het werpen van 't Anker ',ütoxi d'an- 
crage' , Haven-geld. 

Aiicre , ( f ) jclieep-anker'. Anker 
in > en muur (n) ; toevlucht'. Anker y 
(óde iieel van een Oxhoofj) 

Aiicré , ée (adj.) Geankerd -y (in 
JVape^ik.) croix aacrée , kruii met 
een anker. 

Ancrer , (v. n.) Ankeren , vaji 
Z)itcen', s'ancrer > (v. r.> zig ergens 
heer zetten. 

Ancrure, (f) Vouw in Laken, 
(by : roog fcheerders) 

A i-'fiabate , (m) Geblinde fchermer, 
(by d ouden) 

Anaaillots, (ni.pl.) Leeuivertjes , 
groüte Jlag rmgrn, (Scheeps w.) 

A':ciain,(m) Gras dat de Maaijer 
in eentn jlag afm:ait 

Andoulle, (f) Beuling., worlh 

Andouillé, ée (adj.) Tot ivorjï ge- 
maakt. 

Andouillers, (m. pi.) Kleine tak- 
ken der hart s hoornen. 

Anàûuidecre, ;f) Gehakt Kalfi' 
vleefch , frikkedel. 

Androgyne , (m) T-wfe-Jlachtig- 
menfgh , (n) 



AND.ANE.ANF.ANG. 3r 

Ai'.droïde , (mj Alenfchelyke figuur 
die door kunj} /preekt of gaat. 

Ane, (m* jien Ezelibotmuil ibok^ 
fchraag , [voor Timmer l.) à laver ia 
tete d'un àne , on y perd la lefii- 
ve , hit is de Moriaan gefchuwd y 
vergeej)'chen ar'veid; taie tn dos d'â- 
ne, tytet een fchcrpen rug-, monter 
fur l'une, bankeroet fpeelen ; fauter 
du coq à l'ane, van den os op den 
ezel , van den hjk op den tak fprm" 
gen; (fpr. w.) contes de peaux d'à.' 
nes f oude wyfs vertellingen ,( fpr. tv.} 

Anéantir, (v. a. ) Vernietigen^ 
s'anéantir devant Dieu , zig voor 
God verootmoedigen ^ tout s'anéantiC 
à la ün , alles virgaat eindelyk. 

AnéancifTeraent , (m) Vernieti' 

Anecdote, (f) Gedenkfchrift , (n) 

Anée , ( f) Een Kzels-vragt. 

Anémone, (f) Klap-roos, 

Anemoscope , (jd) IVtnd en weêf-^ 
ivyzer. 

Anerie f ({)P lompheid ; onwetenheidm 

AneiTe , ( f) Eene Ezelinne. 

Anet, ouAneth,(m) Dille, {zé' 
ker kruid) 

Aneurisme , (m) Gezwel door 
kwet zingen eener- flag - ader veroof' 
zaakt. 

Anfraiftueux, eufe (adj.) Bogtigg 
kram , flangs-gevjys , kronkelend. 

Anfraauoüté , (f; Bogtighetd , 
kromte. 

Angar, (ni( fVagen fchuur , (f) 

Ange,(m) Een Ketting- kogel, item 
zeker Vijch gelyk aan een Roch. 

Ange, (m) Een Engel; ange gar- 
dien ou tutelaire , hcfcherm-engel ; 
mon bel ange! myn lief engeltje. 

Angéiographie , (f) Befchryving 
der maat , gezvigt en vaat en. 

Angéiologie , (f) Befchryving der 
inwendige deelen des lighaams. 

A g e 1 i q i) e , (f) Engelagtig , «<V- 
fieekend. 

Angeliquement , (adv.) Engetag- 
ttglyk. 

Angelot, Cm) Kleine kaas y item 
zekere oude munt. 

Angle, (m) Hoek; angle droit, 
aigu, obtus, redliligne, mixti li- 
gue , fpherique , curviligne , een 

rech-^ 



â2 ANG. ANI. ANN; 

rechte , fcherpe , y/owp^ , lynrechte , 
ongelyke^ kogel-ronUe , kromme hoek, 
(in Landm. k.) 

Anglec, (m) Ruimte tujfchen ver- 
band Ji e enen ^ {in kiowwk.) 

Angleux, eufe (adj.) Hoekig ;nnt 
noix angleufe > een Jleen-noot. 

Anglican , ane (adj.) l'Eglife 
anglicane , de Kerk van Engeland. 

Anglicisme, (m) Engelfche fpreek- 
nvyze^ (f) . 

Angoiffe, (f)^ngji; poire d'an- 
goiffe , een kroppende peer -, bal die 
de StruikroQVvrs de menfchen in de 
mond Jieeken , om niet te kunnen 
fchrecnwen ; angoiffe de la mort, 
cioods-angfl. 

Anguichure , (f) Jaagers fchou- 
der-riem , (m) 

Anguilkde , ( f ) Zweep van aals- 
vel;JIag daarmede. 

Anguille, (f) Aal;{m) eti pres- 
fant trop l'anguille on la perd, 
haajîige fpoed , zelden goed; il y a 
anguille fous roche,, c^a^r is iets 
heimetyks op til. 

Anguilîers ou Anguillées, (f, pî.) 
Lokgaaten op een Schip , ivaar door 
het water naar d-' pomp loopt. 

Angulaire, adj.) Pierre angulai- 
re , Hoek'Jieen. 

Anicrooche, (f) Uitvlucht, hin- 
dernis , zivaarigheid. 

Anier, iere (m. & f.J Ezel-dry- 
ver, dry f Jf er. 

Anil , (m) Plant waar van de in- 
digo bereid ivord» 

Animadverfion , (f) - j4anmer~ 
king , bertfping. 

Animal , (m) Een dier , verjïan- 
deloos menfcb. 

Animal , aie (adj.) Efpric ani- 
mal , dierlyke geejî ; vie animale , 
dierlyk. le even. 

Animation ^ (f) Bezieling. 

Animer, (v. a.) Bezielen-, aan- 
moedigen ; gevoelig maaken -, s'ani- 
mer , (v. r.) aangemoedigt ,vergrarnt 
nvorden j een nieuwe glans verkry- 
gen. 

Animofité , ( f) Vyandfchap ,haatf 
/verbittering. 

Anis, (ra) Jlnys , (plant en zaad) 

Annal j aie (adj.) Dc.t een jaar 



ANN. 

duüvd'y cömmiffion annale, hedît^ 
ning voor een jaar. 

Annales ,,(f. plur.) De Jaarboeken, 

Annalifie , (m) De Schryver daar 
van. 

Annate, (f) Jaarlykfche inkomjf 
voor den Paus van een openfiaand 
Kerkelyk ampt. 

Anneau, (m) Eeft ring-, anneau 
de clé£,JJeu f el-ring. 

Année, (f) Een jaar, (n) jaars 
tyd', (f) l'année coursLUte , het ho- 
pende jaar. 

Ahneler, (v. a») (beter boucler 
les cheveux) he; hatf in lokken 
krullen. 

Annelet, (f) Klein ringetje, (n) 

Annelets, (m. pi.) Lofwerk , (in 
Bouivk,) (n) ' ' 

AnneLure, (f) Krulling van het 
h air in lokken. 

Ari nexe , ( f ) Byvoegzel , aanhang- 
zei, (n) 

Annexé , ée (adj.) Bygevoegd. 

Annexer, (v. à,) Byvoegen, aan* 
hangen. 

Annexion, (f) Toevoeging. 

Annihilation, (f) Vernietiging 

Annihiler, (v- a.) Vernietigen. 

An n ion, (f) Uitjlelvoor eenjaar 
door den Kanzrlier aan een fchulde- 
naar toegeftaan. 

Anniverfaire , (adj. & fubft. fn.) 
yaarlyks ; (n) verjaardag; mefle an- 
niverfaire , jaarlykfche miffe. 

Annonce, (f) Jfkortdigmg, be- 
kendmaaking , Kerkgehod. 

Annoncer , (v. a.) j^f kondigen y 
bekendmaaken , boodfc happen. 

Annonceur , (m) aankondiger. 

Annonciade , ( f) Geejlelyke Rid- 
der orden in Savoyen dus genaamd. 

Annonciateur, (m) Een Dettr- 
wagter, 

Annonciation, (f) Maria-booJ- 
f: p, (eenfeefi) 

Anno ne , (f) Voorraad voor een 
jaar. 

Annotateur , (m) Een die aart^ 
merkingen op eenig gefchrift maakt. 

Annotation, (f) Aameekening j 
aanmerking , opfchryving. 

Annoter, ( v. a.) ^anteekenen, 

aanmerken ; item iemands goeder nt 

opfcbry* 



Ann. ano. ans. Ant. 

opfchryverty inventarifeeren , {in Rech- 
ten) 

Annuel , elle (adj. & Tubrt.) Jaar- 
lyksip&yer l' annacl fjaarlykfche gt- 
regtii^heid betaaten. 

Annuellement, (adv.) Jaarl^ki , 
alle jaaren. 

Annuité, (f) Annuïteiten. 

Annulaire ,/adj.) Doigt annulai- 
re 9 ring vinger. 

Annullation, (f) f^ernietiging. 

AnnuUer , (v. «.) f^emietigen. 

Anoblir , (v a.) Edel maaken-, 
anoblir fon ftyle , zynen fcbryfjiyl 
verbeteren. 

AnoblifTement ,(m) Veradeiing ,(f) 

Anodin , ine (adj.) Remede ano- 
din., Verzachtend middel ^ (th Ge- 
neesk.) 

Anomal , aie (adj.) Verbe ino- 
inal , onregeimaatig werkvioord , ( in 
fpr. k.) 

Anom-ilie, (f) Onregelmatigheid. 

Anon , (m) Ezel- Veulen ^ {n) 

Anonrer, (v. r.) EzpIs werpen ; 
garnerende leezen offpreeken. 

Anonyme, (adj.) Un auteur ano- 
nyme , een naamloos fcbryver. 

Anordie , ( f) Noofder fiorni op 
de kujien van Mexico. 

Anfe , ( f) Oor , band-vat , hengel 
f;an een pat y manden, klok enz. faire 
Ie poe à deux anfés , zyne handen in 
de zyden zetten. 

Anféatique, (adj.) Les villes iCn- 
féatiqut'Sï de hanze Reeden. 

Anfetce, 'm)Oortje , handvatje [ti). 

Anfpeél, (m) Hand~fpeek,{zie Le- 
vier) 

AnTpelTade, (m) Een Lanfpajfaaty 
onder Korporaal. 

Antagomfte > (m) Tegenjireever , 
i/yand. 

Antan , (m) (gem. ir.) Des neiges 
d'anCan , fneeuw van 't vorige jaar. 

Antanaclafe , ( f) {in Redenk.) Her- 
haling vao een woord in verfcheideh 
zinnen genomen. 

Antanaire , (adj.) Faocon anta- 
naire , Valk die zyn veeren van 't 
vortge jaar nog heeft. 

Antaraique ,(adj.)Pole antar£li- 
que & ^ïC^c^vx^idezWt^fr en nQtrdtr 
PotL 



ANT. 3S 

Ante , ( f) Las aan een MoQÏin rot^ 

Antécédetnnient , (adv.) /^eoft 
gaandelyk. 

Antécédent, ente (fubft.m. Ie adj.^ 
De vorige Jtelling i (f) voorgaande, 

Antécefleur, (m) Leeroaf^ Prom 
fijjfor in de Rechten. 

Antechrift , (m) De jinti-chrift. 

Antenne, (f) De Rei van efà 
Schip y {zie ook Vergue) 

Antépénultième, (adj. & fubft.> 
De êp twee na laatjfe Syllabe van een- 
woord, 

Anteriaur , cure (adjo) Texnpë 
interieur , voorgaande tyd. 

Antérieurement , (adv.) Vroeger^ 
vöorgaandelyk. 

Antériorité , (f) Antériorité 
d'hypoteque, een vroegere verpaa-^ 
ding. 

Ante, (m. pi.) Hoek pylaaren aa% 
de Heidenfche Tempels. 

Antefciens , (m. pi.) Tegen^oe^ 
tersj die op gelyken afjiand van da 
middel-lyn avóonen. 

Anteftature , ( f) Borjiweering ia 
der yl opgeworpen. 

Anthiope , ( f) Konitigin der Ama^ 
zoonen. 

Anthologie , ( f) Verxameling vam~ 
Griekjche pUnt-digten. 

Anthrax , (m) Karbonkel , pefi-*- 
butly (f) *^-^ 

Anthropologie , (f) Figuurlyk^ 
befchryving in de Schrift. 

Anthropomancie , ( f) fVaarzeg-< 
geryuit d'ingnvanden wn een doQsf 
menjch. 

Anéhrópcitiorphïte , (m.& f.) Die 
aan God eene menfchelyke eedaetmik 
toefchryft. . 

Anthropopathie , (f) Redenvoe-^ 
ring door welke men iets aan God toe-^ 
eigend, 't geen den den menfcbeo ay< 
leen pajl. 

Anthropophage , (lö. & f.) Men^, 
fchen-eeter. 

Anthropophagie, (/) Menfche^ 
eet ing. ^^ 

A^ntï , Zekei- voorzetzet Jlaàndê nféor 
verfcheide woorden. 

Antiapopleftique , (adj.) Reme-, 
de antiopleftique, mfddel tegen de 
geraaktheidyberçmf, 

^ Àntr- 



3f 



ANT. 



Àntibaccliîqup , C'm) MiJdol om 
dg dror.kcnfchap te y er dr y ven'. 
Vnticabinec , (m) Vertrek tujjchen 
de zaal en linnen kamertje (n). 

'Antichambre , (f) Zy -kamer, 
t'oor-kamer. _ . 

, Antichretien , enne (m. <5c r.; 
Tegeti-chr ijlen. 

.AiKichriftianisme , {m)Het Antt- 
tbriftendom-. (n) 

^Anticipation , ( f) Voor-inneernmg', 
payer par anticipation ,5;oor utt be- 
saaten. . ,^ 

Anticiper, (v. 2l:) Voor-mneemen, 
Voorkomen ; il a anticipé fes gages , 
hy beeft zyne bezoldingen voor uit opge- 
nomen. „ • t j ' 
Anticœur ; (m) Gezivel aan de 
larfi der paerden^ (n) , ,,^ .■ 

Anticour ,( f) Voorhof, (n) (A^ant^ 
COViT is beeter). - , .i, , - ,. 

Antidate, (f) Eenouder datum of 
^az y als men fihryft , im) 

, Antidaté, ;ée {&^].)Te vvoeg ge- 
feékénd. 

.Antidater, {v. 9..) Datum op een 
h-'ief een dag te vroeg teekenen. 

Antidota.ire , (m). Verzameling 
van middelen tegen vergift. ' , 
.Antidote, (m) Tegen-vergift, (n) 
Antienne, (f) Ker k-gezang , h y 
afwiffelivg der fiemmen, ^ 

Antilles , ( f ) Eenfait-foom voor 
êt» deur , (m) ^ ,. , . r . 

.Antilogie, (O Strydtgoeicl der 
mnhaaUngen van eer.ig Schryver. 
. y^ntimelancoliqu.^ , (sidj. & fublt.) 
Droefgeejïjg; middei tegen de droef- 
geejfigheid i (n) 
. Antimjine» {ï). Spiesglas, 

Antipape , (m) Tègen-paus ,on<weu 
ijge Paus. , _ 

AntîpaTalytiqùe , (adj- & fubft.) 
Middel tegrn (ie tamheid. 
' Antipathie , C^) afkeer , haat , 
tegenzin. 

A.nripatbïque , (adj.) Tegenjirydig. 
.. Antipcriftafe , ( f) Strydige hoe- 
darighpjd als , koude en hitte, 

Antl-peftilentiel^ elle (adj.) Dat 
âf P^J^ geneefi. 

Antiphonaire , (m) Een Boek wet 
Koorzangen , (n) 
Antihpone, (f) iJSis Antienne.) 



ANT.ANU.ANX.AOU. 

Antiphrafe, (f) Strydige fpreek- 
%vyze. 

Antipodes , (m. pi.) De tegen- 
voeters j c'eft l'antipode de la rai- 
Ion, dat firyd tegen 't gezond ver^ 
Jiand. 

Antiptofe, (f) Verkeerde zetting 
van een naamval , cafus (infpraakk.) 
Antiquailles, (f) Oudheeden, on- 
dervuetze meubilen of fcbilderyèn. 

Antiquaire , (mj ^Een die in oud- 
heden ervaren is ; oudheids-kenner . 

Antiquariat , (m) Kennis der oud- 
heden , {ï) 

Antique , (fubft. & adj.) Owii; bel- 
les antiques ,/raiïy^ oudertvetzefchil- 
deryen , beelden, enz. 

àl'Antique, (adv.) Op de otide- 
wyze. 

Antiquer, (V.a.) De fneê vaneen 
bock met verfcbeide fguuren befchil' 
deren. 

Antiquité, ( f j De oudheid, vori- 
ge eéuiven. , 
Antifalle, (£) Een voorzaat. 
' Aritiftrophe , ( f) (in fpraakk.) Om- 
keering eener fpreekivyze. 

- Antithefe , ( f) Tegenjlelting , ( in 
redenk.) 
Ant'itype , (ro) Tegenbeeld, (n) 
Antivenerien, (fubft. m. & adj.) 
Geneesmiddel voor de Venus quaal. 

Antoifer, (V. a.) Afijf mengen en 
op hoopen leggen, {in Landb.) 

Antoit,(ni) Een fchot -bout om iet f 
aan malkander te houden , {infcheepsb ) 
Antré\ (m) Hol ,' (n) fpelonk ; ( f) 
un antre affreux, naar , akelig hol. 

Antropophage , (ra. & f.) Men- 
fchen-eeter, 

Amüter , s'anuiter , (v. r,) Door 
de nagt overvallen worden j (men zegd 
beeter .être furpris de la nuit). 

Anus , (m) Het uiterfie van het 
fondament , (n) (Lat. w.) 

Anxiété , ( f) Benaauwdheid , 
angfi. 

Abut, (m) Auguflus, oogjlmaandv 
bogjl die geduurende die maand ge-\ 
fchied; il arriva la mi- août , /y 
kwam half Augufli aan. 

Acuter, (v, a.) Rypen^ ryp tna.i' 
ken. 

Aom;çrQDj (quö) S« ^<'^>"^* , 



i\PA.APE. APH.API.APO. 

Apanage , ('m) Land ofgelJ 't welk 
de yorjien hunnen laatjl - geboorenen 
Kinderen in bezit geien; lea infirmi- 
tez font les apanages de Ia veilles- 
fe , de zwakheden zyn met den ouder- 
{fum vergezeld , ofhet gevolg daarvan. 

Apanager , (v. a.) //; bezit geven. 

Apanager, (ra) Een met zodantgen 
bezit. 

Aparté , (m) u4llêenjpraak der To- 
neelfpeeldert. 

Af-athie, (f) OngevoeUghetd ^ ge- 
ritjlheid des gemocds , (in l^ysff-) 

Apathiquw- , (adj.) Ongevoelig. 
■ Apédeute , (m) Een or.ivretende. 

Apédeucisrae , (m) Or.ivectenheid, 
in de fraaye letteren; (ignorance ts 
gebruikelyker). 

Apercher, (v. z.) Opffeurcn; z- 
percher un oifeau , een vogel met 
tet gezicht volgen om te zien waar hy 
zig neder legd. 

Apéritif, ive (adj.) Openende y (in 
Ceneesk. 

Apertement ou Manifeflement , 
(adv.) Openlyk. 

A peu près, (adv.) Ten naajlenby. 

Aphorisme ^ (m) Kortbondige 
fpreuk , Jielregel. 

Aphoriftique , (adj.) Zinfpreuktg. 

Aphronitre, (m) Natuurlyke Sal- 
peter; item fchutm daar van. 

Apiquer,(v. n.) Apiquer Ia ver- 
gue , de ree op toppen ; Ie cable api- 
que ,de kabel hangt loodregt ^{zee w.) 

Apis,(m) Eene Egiptifche Godheid. 

Aplaner. {Zie Applaner). 

Aplefter , ( v. a. ) De zeilen los 
maaken , ter wind - vang Jïellen , 
(Scheeps w.) 

Apliquer. (Zie Appliquer). 

A plomb, (adv.) ö^f waterpas is; 
fous I'équateur Ie foleil donne à 
plomb , onder de middel-lyn fchynd de 
zon regtjiandig neer. 

Apocalypfe , (f) De Openbaaring. 

Apocalyptique, (adj.) Dat open- 
baaring behelsd. 

Apocope , ( f ) Uitlaating van een 
letter op het etnde van een woord. 

Apocryphe, (adj.) Geheim, on- 
bekend. 

Apodiiflique , (m) Bewyzencf er. 
9Vinvigen4 argmnç|it ; (n) 



' APO. 33- 

Apogée ,.(m} Top-punt derzonne, 
daar ze het vcrjle van de aarde is ; 
fa gloire eft dans fo.n apogée , zyn 
roem is op het hoo^Jle gekomen. 

Apcgraphe , (m) Copie van eeni^ 
boek ofgefchrift.. , • 

Apoint , (m) Het Jlot eener ree- 
kening. 

Apologétique , (adj.) Z?« dat ver^ 
dedigd. 

Apologie, (f) Ferdediging , ( f) 
verweer-Jcbrift van iemand , (d) 

Apologique , iadj.) l^erdedigend» 

Apologifle , (re) Verdediger , ver* 
antwoorder. 

Apologue , (in) P'erdicbtzel , (n) 

Apokronnir, (v.a.) Een Falk de 
nagels affnyden. 

Apomécometrie > (f) De mn- 
ting van voorwerpen buiten het bereik, 

Aponeurofe, (f) Het einde der 
fpi er-aderen. 

Apophlegmatismes , (m. pi.) 
Kaauw middelen om de vogten uit 
bet hoofd te trekken, 

Apophthegme, (m) Een kortbon- 
dtge fpreuk. 

Apophygs, (f) Plaats daar de 
pylaar uit zyn Baüs komt. 

' Apophyfe , ( f) Uitfleeking of aan" 
groeijing van eenig been, 

Apopiedique, (adj.& fubft.) Be? 
roerd. 

Apoplexie , ( f) Geraaktheid, 

Apore ,Cm) Een moeielyk voorfïetm 
{in H'iik.) (n) 

Apofiopefe , (f) j^f breeking , te 
rug building van een gedeelte eener 
reeuen, 

Apoftafie , ( f) ^fvai van eeneRe" 
lig te of Orden. 

"'Apotlafier, (v. n.) Fan het geloof 
vervallen. 

Apoflat , te (m. & f.) Een afval- 
lige. 

Apofté, ée (adj.) Omgekogt* 

Apofler, (y. a.) Omkoopen; apos- 
ter de fauK témoins, valfcbe gstui' 
gen aan/ie Hen, 

A-poïï'üle , {£) Kant-teekentng. 

Apoflilk-r, (v. a.) Rand of kant- 
teekpningen maaien. 

Apoltis, (f) Riembalk op een ga-. 
ki,{tn) 

C 2 Apofta- 



5«t APO. APP. ^^^ 

'^Apoftolat,(m) Het Jpojletfcffdp, 
ApoJieUampt , (n) 

Apoftoliqae, (adj.) Jpn/ioUfcb. 

Apoftoliquement , (adj.) ^P^Jfo- 

Apoftoloram ,(m) ^'^'^f zalf uit 
II ingrediënten bepaanJf. 

Apoftrophe , (f) Teeken van een 
êetter-mitlaating , fpraakwendwg tot 
$,mand, {in de U'elfprekendh.)^ 

Apoftropher » (v. a.) Tot iemand 
vivne reden wenden , rigten. 

Apoftonie , ( f ) £«» Ettef gezwel , 

"Apoftnmer , (v, n.) Verzwseren , 
(t^/^rfuppurer) 

Apothéofe, (f) Fergooding. 

Apothéofé, ée (adjO Fergood. 

Apothicaire, (na) Eene Apotbeeker. 

Apothicaire rie , ( f ) EenJpêthetk, 
ürtzeny-winkel, 

Apothicaireffe,(f) Apotheeekers- 

P^rouw. ^ , . 

Apôtre , (m) Een Apojieliun bon 
Apôtre , een tooxe , vrolyke kwant. 

Apotropéen , enne (m.& f )Gr/<'*5 
<«/.) een die iets, quaads afwend, af 

Apozeme , (m) Zaùte gekookte ge- 
neesdrank. , ^ ,. ^ „ ^. ^ 
Appaifé, ée (adj.) Bevredtgd , ge- 

Appaifer, (V. a.) Stillen, bevre- 
digen; appaifer Ie foif, une fédi- 
tion, den dorjl y een oproer Jitllen. 

Apparat, (m) Toejiely (m) pragt. 

Apparaux, (m. pi.) Seheeps-ge- 
reedfchap en toebehooren , (n) 

Appareil , (m) Toejleh appareil 
de guerre , krygs-toeruJUnge ; mettre, 
lever l'appareil , de zwachtel enz, 
9p een wonde leggen , afneemen» 

Appareillé, ée (adj.) ToegeruJÏ , 
vaerdig gemaakt. 

Appareiler, (v. a.) letspaaren; 
vaerdig viaaken ; bet Zetl vaerdig maar 
ien ; voilà un bon cheval je cher- 
che l'appareiller, dat is een fc hoon 
paerdfik zoek naar de weer gade daar 
van. 

s'Appareiller » (v. r.) Zig gereed 
rnaaken. 

Apparemment, (adr.) Waarfchy* 



APP, 

nety^; apparemment fe fera t-ii» 

het zal mtjfcbien gebeuren. 

Apparence , ( f ) Aanzien , hlyi , 
waarfchynelykheid -f toutes les appa- 
rences font contre lui , alle waaf 
fchynelykheden zyn tegens hem; hora 
d'apparence j buiten waarfebynefyir 
hetd. 

Apparent , ente (adj.) Waarfcby 
nelyk'y aanzienelyk -, les pluS app»- 
rensde la Ville, de aanzieaelykjle 
d;r Stad. 

Apparenté, ée (adj.) BevrieBdt 
vermaag f chapt. 

s'Apparenter, (v. r.) Zig vfieti' 
den , maagfcbap verwerven, 

Appareirer, (v. a.) Lni maakeui 
verdooven. 

Appariement , (m) Paar ing , ( f) 

Apparier , (v. a.) Paaren. 

Appariteur , (m) Pedel , bedél 9 
Deurwaarder van een hooee Stbooi of 
Kerk. ^ 

Apparition, (f) Perfcbyneel 9 (n} 
verfchyning. 

Apparoir, (v.n.) Verfehyneny (it> 
Rechten) 

Apparoitre, (v. n.) Verfcbyneni 
il apparût un fantôme , daar vfr» 
fcheen een fp ook. 

Appartement, (m) Vertrek (n); 
être logé au premier appartement, 
op de eerfte kamer woonen ; apparte- 
ment de plein pié , een kamer gt* 
lyks vloers. 

Appartenance, (f) Toebehoorend 
un maifon & fes appartenancei , 
een huis met deszelfs toebehooren. 

Appartenant , ante (adj.) Toebe- 
hoorend. 

Appartenir, (v. n.) Toebehooren i 
il appartient, Jbf-r behoord^ het betaamd. 

Apparu, ue (adj.) Verfcheenen. 

Appas, (m) Aanlokking , bekoor lyk^ 
betd, (f) 

Appât, (m) Lokaas, (n) 

Appâteler, ou Appâter, (v» n.) 
appàteler de la volaille, gevogelte 
met deeg mcjlen. 

Appaumé ,ée(adj.) Met een vlak^ 
ke hand y {in fFapenk.) 

Appauvri, ie (adj.) Verarmd. 

Appauvrir, (v. a,) Ferarmen , 
arm maaksn. 

Appaii 



APP. 

Appautriffemenc, (m) f^erarming, 

Appeau , (m) Een Lok-pyp , Kwak- 
keî-fluit. 

Appel , (m) jlfleezing der naa- 
men in monjieritig -y uitdaagmg; be- 
roep op kooger Gerichts-hof. 

Ajfpellanc, (m. &f.) l'AppelIant 
& l'intimé , de eijfcher en gedaagde 
in cas van appel. 

Appellant , (m) Een Lok-vogel. 

Appellatif, ive (adj.) Nom ap- 
pellatif , gemeene naam van een 
zaak. 

Appellation, (f) Beroep op hoo- 
ger recht (n). 

Appelier, (v. a.) Roepen, noemen; 
uitdaagen ; appelleeren ; appellet 
quelcun en jugement , iemand voor 
het gerecht roepen ienv o ier appeller 
quelcun , iemand laaten roepen ; ce- 
la s'appelle ainfi , dit word aldus 
genoemd; je m'appelle, ik biet; ap- 
pelier d'une fentence « , wegens 
een vonnis beroepen tot. 

Appendice, (f) Aanhang (m), 
hyvoegzel (n), 

Appendre, (v. a.) Ophangen , {als 
Wapenen &c in een Kerk). 

Appentis, (m) uifdak {n),fcbuur 

Appercevable, (adj.) Befpeurlyk , 
zichtbaar. 

Appercevoir, (v. a.) Be/peuren, 
verneemen ; s'appercevoir, (y. r.) 
befpeuren, gewaar worden. 

Apperçu, uë (adj.) Befpeurd. 

Appert, il appert, het blykt , (m 
Rechten). 

Appefantir, (v. a.) VerzwaareUf 
zwaarder maaken; les néceflitez ap- 
pefantiffent l'efprit , de behoeftig- 
heid bezwaard het gemoed. 

s'Appefantir, (v. r.) Zwaarder; 
vaakrig worden. 

Appétence, (f) Groote begeerlyk- 
heid, lujï (£), verlangen (n). 

Appéter, (y.a.) Begeeren, ver lan- 
gen, naar iets heigen ; l'inftindt des 
Animaux fait qu'ils n'appétent que 
ce qui leur eft propre , de in^e- 
fchapene driff der Dieren maakt dat 
ze mets begefffn 6(ait bet gçem goed 
VQor liun ff, 



APP. 37 

Appétibilité, (f) Lufl , neiging , 
(in fTysg.) 

Appétitfant, ante (adj.) Stnaake- 
tyk , dat eetlufl verwekt, 

Appétiflement , (m) Verkleining, 

Appetiflcr, (v. a. & n.) Tot eet- 
lufl verwekken ; kl einder maaken , wor- 
den; s'appetifler , (v. r.) klemder 
worden. 

Appétit, (m) Trek y lufi, eetlufl i 
il n'eft fauce que d'appétit, hon- 
ger is de befle faus. 

Appétitif, ive (adj.) Begeersndt 
luflend, 

Appétition, (f) Verlangen (n), 
lufl {{). 

; Appiétrir, (v. n.) In waardyver* 
ergere» , (by Koopl.) 

Applaner, {y.z.)De wol van een 
deeken ophaalen , rouwen, 

Applaneur, (m) Een die zulks 
doed. 

Applanir, (v.a.) Vereffenen ,JJeg- 
ten; bejliffen; applanir un chemin, 
eenen weg baanen; applanir de diffi- 
cxilt^z, zwarigheden Mt den weg rui^ 
men , vereffenen. 

Applaniflement, (m) Vereffening^ 
beflffftng (f). -^ ^' 

Appianifleur, (m) Laakenperffer» 

Applatir, (v. a.) Plat maaken^ 
uttklopping, 

Applatiflement , (m) Plat maa^ 
king , plat klopping. 

Applaudir, (v. n.) Toejuichen, in 
de banden kloppen ;ippÏ2L\xàir à quel- 
que chofe , iets pryzen ; s'applau- 
dir , (v. r.) zig zelfs pryzen. 

Applaudiflement , (m) Toejui^ 
(hing ( f ). • 

Applaudifleur , (m) Toejuicher, 

Applicable, (adj.) Toep.jffelyk. 

Application, (f) Toepaffmg; ap- 
plication d'efprit , toelegging van 't 
V erfland. Studie. 

Applique , ( f) Iets dat men ergens 
op legd. 

Appliquer, (v. a.) Toepaffen; op- 
leggen; aanhechten; aanwenden; ap- 
pliquer , (donner) un foufflet à 
quelcun, iemand een klap, oorvyg 
geeven; appliquer Ia fonde à une 
playe , het tent-yzer m een wond ge- 
bruiken; s'appüqucr (v.r.) une chofe , 
C? zig 



38 APP. 

xig iets aanmatigen; s'appliquer à 
<juelque chofe , zig ergens op toe- 
leggen. 

Appoint, (m) Kleine mum y die 
in de betaahng van e^ne fomme byge- 
voegd word f payement {by KoopL) 

Appointé, ée (adj.j .ô'angejleld, 
hejlooten (n) j un appointé. Sol- 
daat die honger betaaling trekt als 
endere. 

Appointement , (m) Jaarlykfche 
•wedde (f), tradlement (n), eene 
fchikkinge (f), bejluit (n) y vajïfiel- 
ling i« Rechts-gedingen (f). 

Appointer , (v. a.) ^anjiellen-, 
vajïjiellen; jaarivedde toeleggen ; ap- 
pointer une caufe , eene zaak uit- 
jiellen tot een ander termyn , {in 
Rechten). 

Appointiffer, (v. a.) Spits maa- 
hn, (gem. iv.) 

Apport, (m) Plaats daar men 
uaaren te zamen brengt om te ver- 
Jioopen, 

Apportage,(m) Aanbrenging -y loon 
daar va». 

Apporter, (v. a.) Aanbrengen, 
aandraagen ; apporter de bonnes 
raifons, goede redenen geven; ditez 
les chofes fans y apporter tant de 
façons , /preekt zonder zoo veele om- 
fiandigheeden te maaken. 

Appeler , (y. a.) Appofer le fceau, 
bei zêgel ergens op zetten. 

Appofition , (f) Opzetting van 
éten. 

Appréciateur, (m) JVaardeerder. 

Appréciation , ( f ) If^aardeering. 

Apprécier, (v. a.) I^Faardeeren , 
9pprys jïellen. 

Appréhender , (v. a.) Dugten, 
vreezen ; in hegtenis neemen. 

Appréhentif, ive (adj.) Dugtend, 
hefchroomd. 

Appréhenfion, (f) Vreeze; heg- \ 
tenis. 

Apprendre, (v.a.) Leerem onder- 
wyzen', verneenien; hooren; appren- 
dre quelque chofe de, ou à quel- 
cun , iets van , of aan iemand leer en ; 
apprendre une nouvelle, eene ty- 
ding hooren. 

Apprentie, (f) Leermeisje (n). 

Apprentif ou Apprenti , ( ra ) 



APP; 

Leerling, Leerjonge ; n'être qu'un 
apprenti à quelque chofe , nog 
maar een leerling ,nieuweling , in tets 
zyn, 

ApprentJiTage, (m) Leertyd ,leer' 
jaaren-y être en apprentiflage , in 
de leer zyn-, brevet d'apprentifla- 
ge , leer-bnef. 

ApprentifTe. {Zie Apprentie). 

Apprêt , (m) Bereiding , toebereî^ 
ding der jpyze -, toejlel ; gom-ivater 
om iets te glanzen -, de verf op glas, 

Apprétes'ou Mouilletes, (f. pi.) 
Dunnp fneetjes brood om in eieren te 
doop en. 

Apprêter, (v. a.) Bereiden, ge^ 
reed maaken ; Laaken , Hoeden enz, 
glanzen ; glas fchilderen -, apprêter 
des viandes , fyzen toebereiden ; 
s'ap; rêter , (v. r.) zio gereed maaken* 

Apprêteur, (m) Glas-fchilder. 

Appris, ife (adj.) Geleerd; onder- 
wezen ; vcrnoomen ; bon ou mal ap- 
pris , goed of quaad opgevoed. 

Apprivoifer, (v. a.) Tam maa- 
ken, temmen; la perfidie s'appri- 
voife par les bienfaits, trouuloos- 
beid word door weldaden over won'' 
nen > s'apprivoifer , (v. r.) tam wor- 
den , eenen zagteren aart bekomen. 

Approbateur, (m) Goedkeurder. 

Approbatif , ive (adj.) Goedkeu.- 
rend. 

Approbation , ( f ) Goedkeuring, 

Approbatrice, (f) Goedkeurjler. 

Approchant, ante (adj,) Naby 
komende ; ce font deux couleurs 
fort apprqchantesl'une de l'autre, 
dat zyn twee couleuren die weinig ver- 
fcbillen ; approchant,(prep.) ten naas- 
ten hy. 

Approche , (f) Aannaderin^ j 
lunettes d*approche , een verrekyker. 

Approcher, (v. n. & a.) I^'ade- 
ren; nader bybrengen; s'approcher, 
(v- r.) zig naderen. 

Approches, (f. pi.) Loopgraven^ 
toe gaygen. 

Approfondir, (v. a.) Diepen ^ 
diep maaken; grondig onderzoeken. 

Approfondiifement , (m) Door- 
gronding { f) 

Appfopriance , (f) In bezitnee- 
ming. 

Appro- 



APP.APR.APT, APU. &c. 

Approprié, ée (adj.) Toegepaji , 
toegeëigend. ■ 

Approprier , (V. a.) Toepajfen ^toe- 
eigenen-, s'approprier, (v. r.) zig 
aamnaatigcn , toeëigtwu 

Apprpviûonnement,(m) Verzor- 
ging (f) 

Approvifionner , (v. a.) Voorraad 
bezorgen, voorzien. 

Approuver, (v, a.) Goedkeuren. 

Appui , (m) Een lenn,J1eun, on- 
derjleumng. Schoor (f)', je I'ai pris 
à l'appui de ia boule, ik greep hem 
juijî nep "jan pas (fpr. w.) ; cheval 
de bon appni , een paerd dat zacht 
op de handii-, à haut.ur d'appui, 
op de hoogte van de bcrjl. 

Appui-main , (m) Leunjlok voor 
Schilders. 

Appuyer , (v. a.) Leunen; onder- 
Jleunen j s'appuyer contre quelque 
chofe , ergens tegen leunen. 

Apre, (adj.) öcherp, bits, zuur. 

Aprement , (adv.) Sckerpslyk. 

Après, (prep.) Na, naar; après 
moi, na my; après quoi, waar na y 
fi je me mets après vous, als ik u 
aan 't lyf kume} après tout, einde- 
lyk , ailes overwogen zynde; le jour 
d'après, de volgende f/a_gj travailler 
d'après nature , n'a 't leven werken , 
iets maaken', après Dieu, nous de- 
vons la vie à nos Parents , naaj} 
God zyn wy het leven aan onze Oude- 
ren verfchùldigt ; être après quel- 
que chofe , ergens aan zyn om te 
maaken. 

Après, (adv.) Ci-apres, hier na; 
par après , naderhand, après de- 
main , overmorgen. 

Après - diné , (ra) Après-dinée, 
( f }, après-midi (m)> de namiddag, 

(m). 

Après-foupé, ée (m. & f.) De 
tyd na het avondmaal. 

Apre té , ( f) Scherpheid ,ruuwheid. 

Apie, (adj.) {oudw.) Gefchikt, 

Aptitude » (f) Bekwaamheid. 

Apurement , (m) {in Rechten) Het 
doen eener nette rekening. 

Apurer, (v.a.) Eene rekening dui- 
delyk maaken. 

Aquarius, (m) De ff^atfff^man , 
{een dtr 12 HemeHiek.) 



AQU. ARA. ARB. 39 

Aquatiic- , ,(adj.) J^ts da: in h«t 
water geteeld lóprd, lêefd. 

Aquatique, (adj.) üifeau aqua- 
tique , water-vogel. 
Aqueduc , [tn) f^aterleiding ( f). 
Aqueux, eale y(!ià].}lVaterachtigm 
Aquiiin, ine (adj.) Nezaquilin, 
kromme of haviks neus. 
Aquilon , (m) Noor de of koude wind» 
Arabe , (ra. & f.) Arabier , een on- 
befcbofte gierigaard. 

Arabesque ou Arabique, (adj.) 
Arabifch. 

Arac, (ra) Zeekere O. Ind. Jierkâ 
drank. 

Arachnoïde , (f) VUes dat hef 
crijlallyne vogt in 't oog bevat. 

Araignée , ( f) Spinnekop > fpinne- 
web ', doodshoofd blokken , (Scheeps iv,) 
Araignés, (f. pi.) Tzere traliën 
voor een vengjier. 

Araires , {m-ç\.)Gereedftbap voor 
den Landbouw. 

Aramber , (V. a.) Aramber nu 
Vaiffeau , een Schip aanklampen^ 
(zee w.) 

Arame , (m) Paleis der Koningen 
van Perfien (n). 

Aranteles, (m. pi.) Zekere witte 
fazelen die des zomers zorAtyds in dé 
lucht zweven. 

Arbalète, (f) Een voet- of hana^ 
boog ; item graadboog (m) 

Arbalétrier , (m) Boog-fchutter i 
boog'maaker . 

Arbalétriers, (m. pi.) Dakfpar- 
ren. 

Arbalétrille ou Arbulete , ( f) 
Graad-boog (m) 

Arbitrage , (m) Bejlijmg , »//- 
fpraak (f); mettre un chofe en 
arbitrage , eene zaak aan de beflijfm' 
ge van goemannen verblyven. 

Arbitraire, (adj.) Pouvoir arbi. 
traire , willekeurige magt. 

Arbitrairement, (adv.) JVillekeu- 
ri^lyk. 

Arbitral , aie (adj.) Jugement ar- 
bitral , uitfpraak van goede man- 
nen. 

Arbitraiement, (adv.) Op de wy- 
ze van goemannen. 

Arbic ration, (f) Waardeer ing, 

(in Rechten) , , . 

C 4 Arbi- 



40 . ARB. ARC. i 

Arbitre, (m) Scbeids-maniU^tt', 
Vpperbeer > Ie franc arbitre , de vrye 
>wtl; être l'arbitre de la vie & de 
la mort ^Opperheer vcat leven en dood 

Arbitrer y (v. a.) Uitjpreeken -, be- 
jleehteȎ 

Arborer , (v. a.) Arborer l'éten- 
dart , de Jtandaard oprechten -, arbo- 
rer le pavillon y de vlag opheijfen. 

Arboufe ,(f) Een Hasg-appet. 

Arboufier » [(m) E^ Haag-appeU 
toom. 

Arbre , (m) E^n boom ; arbre de 
liauce futaye , een boog opgaande 
§oaj» } arbre fruitier > vruebtdraa- 

fende boom j arbre nain , dwerg 
oompje ; arbre de grne , kraan-balk ; 
arbre de meule, moolen-fpih, arbre 
de preflbir, pers-fpil; arbre de gé- 
néalogie , geJJacbt-boom. 

Ambrifleau , ( m ) Boompje ( n ) , 
Weejier (f). 

Arbrot , (m) Lym-Jlang ( hy Vt^ge" 
laars), 

Arbofte , (m) Sm»% ( f) , boompje 
Cn) dat gelyk een Rozemaryn wafi» 

Arc , (m) Een boog (fçhietgew. ) j 
tfoog van een brug efvengjier', avoir 
plufieurs cord<?3 à fon arc , ver- 
fcbeide middelen om zîg te redden, 
weet en j arc triomphal , eerboog , 
^erepoort'» arc boutant, muitr , py- 
taar of iets dat onderfehraagd -, item 
Hoofdman , zuil , daar een zaak op 
fujl ofjleund; arc-en-ciel , regen- 
boog; are de carofle, koetsboog. 

Arcade, (f) Boogsgewyze opening, 
vis van een brug , bril, enz. 

Arcanfon , (m) Een foort van barji, 

Arcafle , ( f ) Spiegel van een Schip-, 
èlok zonder fchy f, {fcheeps iv.) 

Arcaune, (£) Soort van rood kryt 
(n). 

Arceau , (m) Boogje (n) , boven een 
deur of vengfter. 

Arcenal ou Arfenal, (m) Tuig- 
luis , Wapenhuis (n). 

P^TcYiQMhich\,{Griekfcb€nLat.w.) 
tvord voor verfcheidene woorden ge- 
noegd €.n beduid iets o'vertreffelyks. 

Are Hal , (m) Du fil d'arc hal , yzer- 
i;coper-draad (n). 

Archange , (/f^5 Arkange) (m) 
^arts-^ngel. 



ARC. 

Arche, (|f) De ark j hoog ondey 
een brug (ra). 

Archée , ( f) Levensgeeft of kragt 
waar door alles onderhouden wordf 
(in Chym.) 

Archelet, (m) Boogje (n). 

Archer, (mj Een Boog-fcbutter » 
Dienaar van 't Gerecht. 

Archerot , (m) {oud w.) Boog- 
fcbuttertje (n). 

Archet , (m) Strykftok van een 
l^ tooi 't drilboog van een Slootmaaker } 
hoofd van een wieg. 

Archetype, {lees Arketïpe) (m) 
Een oorfpronkelyk fchrtft i model. 

Archevêché, (m) Aarts-bisdom y 
Aartsbtffchops-hof (n). 

Archevêque , (ro) Aarts-btjchop, 

Archiacoly te , (m) Aarts-dienaar 
eenes Priefters. 

Archicamerier , (m) Aartskame- 
raar van den Paus. 

Archichambellan , (m) Aartska- 
mer aar van den Pau;. 

Archichancelier , (m) Opperkan- 
zelier. 

Alchiconfraternité , (O ^arts- 
breederfchap, 

Archicoquin . (m) Een Aarts-, 
fcbelm, 

Archidiaconat , (m) Aarts-dia- 
kenfchap (n). 

Archidiaconé,(m) Geeftelyi rechts- 
gebied (f waardigheid van een Aarts- 
diaken (n). 

Archidiacre, (m) Aarts-diaken, 

Archiduc , (m) Aarts-bertog. 

Archiduc hé, (m) Aarts-hertogdom 

Archiduchefle . (f) Aarts-herto- 
ginne, 

Archiépifcopal,aIe (adj.) Aarts- 
hijfchoplyk. 

Archifou , (m) Aarts-gek. 

Archimage , {td) Boofd dss Perjl^ 
fchen Godsdienft. 

Archimandrite , (m ) Abt der 
Griekfche Kerk. 

Archipompe , ( f) Hoofd pomp op 
een Schip. 

Archiprêtre, (m) Aarts-priefter. 

Arcbiprêcré , (m) Aarts-priefter-' 
fchap(n), 

Arcl^itefte , <©) Bovvrneefter. 

Arcbi' 



ARC. ARD. ARE. 

Are huefton. graphe, (m) Be- 
fcbryver van gebouwen. 

Architettonographie , (f) Be- 
fcbryving van gcbouiven. 

Aichkeftuie , (f) Bouw-kunde-, 
il y a cinq ordres d'architefturci 
le tofc*n , le doriaue , le corin- 
thien & le compolite ; daar zyn 
vyf Bouw-ordens ; de toskantfcbe , de 
donfcbe , de jonifche , de corintifcbe en 
de zamengevoegde. 

Architrave , ( f ) Hoofd-balk (m). 

Archives , (f. pi.) Hand-vejlen; 
plaats daar men dezelve bewaard. 

ArchivÜle , (m) Een die dezelve 
bewaard. 

Archivolte, (xn) Een gedraaide 
boog of balve cirkel (in Bouwk.). 

Are h ure , (f) Kap die om de 
Mootenjleenen is (m). 

Arçon , (m) Zadel-boog ; ffoede- 
maakers wol-boog. 

Arçonner, (v. a.) Mjt den hoog 
de wol bewerken {by Hoedemaakers). 

Arçonneur, (m) De werker daar 
l'an. 

Arcot, (m) Slak,fchuim van Me- 
taal (n). 

Araique, (adj.) Pole arftique, 
de noorder pool. 

Arttore , (f) De wagen (ra) , (ze- 
ker gejiernte). 

Ardemment, (adv.) Vteriglyk. 

Ardent , ente (adj.) f^ierig, drif- 
tig; miroir ardent; een brand-fpte- 
gel } buifïon ardent , brandende 
bofcbfZiTàent defir ,vierïge begeerte. 

Ardeur, (f) Hitte, drift, iever-, 
ardeur du foleil , hme der zonne ', 
avec ardeur, met iever. 

Ardillon, (m) Tongetje van een 

gffP («)• 

Ardoife, (f) Eene Lei, Schalie. 

Ardoifiere , (£) Lei-groeve, S cha- 
iie-berg. 

Ardre, (v. a.) Branden [oud w.) , 
en word alleen gebruikt dus, Ie feu 
Sc. Antoine les arde. 

Ardu , ue (adj.)Queftion ardue 9 
moettlyke vraag. 

Area , ( f ) Ziekte die het Hair 
doed uitvallen. 

A ren e, (f) Zand {n) . Jirydperk 
itr ouden» 



ARE. ARG. 41 

Aréner, (v. a.) Injïorteny inzak* 
ken {in Bouwk.) 

Aréneux, eufe (adj.) Zandachtig» 

Aréole , ( f) Roode cirkel rondom 
de borji-tepels. 

Aréomètre , (m) Glas om vochtea 
mede te weegen (nj , {in fVisk.) 

Aréopage , (m) Gerichtplaats def 
^t ben er s (f). 

Aréopagite , (aa) Richter daar van. 

Aréüteftonique ,(m) Krygskunde ^ 
betreklyk tot bet aanvallen , aangry- 
pen. 

Aréotique, (m) Zweet-middel (n). 

Arer, (v. a.) Arer ou chafTer 
fur fes ancres, driftig zyn, door- 
goao , fpiHen , {zeew»)} 

Arête , (f) De poifTon , graaf 
van de vifcb ; rand van een fchotel , 
(zie Arrête). 

Arêtes, (f. pi.) Zenuw - gezwel' 
len aan de beenen der Paerdên. 

Arêtier, (m) Hoek-fparre y Dak- 
fparre. 

Aretieres, (f. pi.) Aangefirekefi 
zyd-hoeken van 't dak. 

Arganeau , (m) Anker-ring , groor 
te y zere ring. 

Argent, (m) Zilver-, geld-, ziL 
vergeld {n) -, rykdom; zilver ond (in 
fFapenk.); argent fin, bas, trait, 
vif, /y«- Jlecht- getrokken- kwik-zih 
ver i argent comptant , gereed geld% 
argent courant , gangbaar geld-, 
point d'argent , point de Suifle , 
geen geld , geen Zwitzer-, être couEt 
i d'argent , niet by de gelden zyn; ar' 
I gent bas, geld by de vifcb, dat ts, 
by de koop. 

Argenter , (v. a.) T^cr zilveren. 

Argenterie , ( f) Ztlver-werk. 

Argenteux, eufe (adj.) {gem,<w,) 
Geldig, die geld heeft. 

Argentier, (m) Zilver-fmit; zsL 
verbewaarder van eenig Hef. 

Argentifique, (adj.) Dat zilver 
maakt. 

Argentin , ine (adj.) Zilver-ver* 
wig, helder blinkend. 

Argentine, (f) Zilver. ^ruic^ (^ ■ 

Argif.le , ( f) Klei , potcffrd,. 

Argilleux, eufe (adj.) Kleiagti^, 

Argot, (m) Het uiterjle einde van 
9en verjiorvfü tak ; onb^ndç ta^f 

C 5 catf 



42 ARG. ART. 

var2 be edelaars of dieven y kraamer 
l>atyn. 

Argoter, (v, a.) Bet dorre hout 
van een tak affnyden. 

Argoulet , (m) Eenpgt menfch (n). 

Argouün,(m) Galei-wachter, op- 
ziender der Slaven. 

Argue , (ca) Goudof zilver draad- 
trekkery ( f) > item het eerjie werk- 
tuig waar door 't getrokken word. 

Arguer, (v.a.),Arguei- une cho- 
fe à faux t ^^"^ ^^^* '^°°'^ valfch he- 
fchuldigen , {in Rechten). 

Argument ,(m) BeivysJIuk (n) , tn- 
houd van een reden ( f). 

Argumentant, (m) Tiviji- rede- 
naar. 

Argumentateur , {m)Een die gaer- 
ne difputeerd. 

Argumentation, (f) Twijï-rede-^ 
veering. 

Argumenter , (v. a.) Bewys hy 
"brengen. 

Argus, (m) Argus., men zegt dat 
hy loo oogen gehad heeft -, item een 
Jcherpziende menfch. 

Argutier , ( f) Spitsvmnigbeïd ^fne- 
digheid. 

Argyrogonie, (f) De 'Pbilofophi- 
fche Steen. 

Argyropée , ( f) Konjï om zilver 
te maaken. ^ 

Arianisme > ( f) d'Ariaanfchè ket- 
iery (m). 

Aride, (adj.) Dor, droog, bar-, 
terre aride, dorre aarde; un efpric 
aride , een gering verjlanci. 

Aridité, (f) Dorheid j onvruch- 
baarheid des verjiands. 

Arien , (m. Öc f.) Een Ariaanfche 
Ketter of Ketterin. 

Ariette , ( f) Airije om te zingen 
of te fpeelen (n). 

Arigot, (m) Zeker divars-f uitje. 

Arifer , (v. a.) De raden neerla- 
ten, (fcheeps iv.) 

Ariftarque , ( f) Eenfirenge criti- 
cus van gefchriften. 

Ariftocratie , ( f) Adel regeeri)7g. 
Ariftocratique , Cadj.) Un état 
airiftocratique,^rw Staat daar de Re- 
veering in de voornaamjïen des lands 
• berujl. 

Ariftocratique ment , (adv.) Ari- 
JÏQcratifcb. 



ARG. ARI. 

AriAodemocratie, (f) Eene jR/- 
g^ering uit den Adel en het f^olk be- 
flaande. 

Arithmancie , (f/ Konjl om door 
getallen te raaden. 

Aritliméticien , enne (m. & ï.) 
Rekenmeejler. [ 

Arithmétique, (f. f. & adj.) Re-j 
kenkonft ; dat daar toe behoord. 

Arithmétiquement,(adv.) Reken- 
kundiglyk. 

Arlequin, f m) Hofnar. 

Arlequinade , (f) Gekkerny, 

Armadille, (f) Soort van ligt e' 
Fregat. 

Armateur , (m) Een Kaaper -, item 
een Reeder 'van Scheepen. 

Armature , ( f) Tzer^band-werk , 
(Jn Bouwk.) 

Arme , ( f) Wapen , geweer ( n ) ; 
faire des armes , fchermen ; être 
fous les armes , in het geweer ftaan ; 
pafTer un Soldat, par les armes, 
een Soldaat harquebufeeren > armes a 
feu , fcbietgeweer ; les armes d'une 
famille , de wapenen van een ge~ 
Jlacht. 

Armée, (f) Leeger (n); armée 
navale, oorlog s-vloot. 

Armeline , {£) Hermelynen-vel, 
(n). 

Armement , (m) Krygs-toerufting 

Armer, (v. a.) Wapenen ; ar- 
mer une poutre de bandes de fer , 
eenen balk met yzeren banden bejlaan jl 
s'armer , (v. r.) zig xvapenen. { 

Armée , {m) Een ftorm-hoed ; helm-y 
{fguurl.) het hoofd; verftand. -, 

Armiliaire,'(adj.) jSphère arrai- 
liaire » cirkel- globe. 

Armiftice , (m) Stitftand van 
Wapenen. ' i 

Armogan , (m) On a laifle pafTer' 
l'armogan , men heeft de goede wind 
verlegen, {zee w.) \ 

Armoire > ( f ) Een kaft ; kleér-kasi, 

Armoiries, (f) Gef^acht -wape^ 
nen. 

Armoifin , (m) Armofyn ,foort van 
zyde ftoffe. 

Armoniac, (adj.) Sel Armoniac, 
Armoniak zout, 

Armorefte ou Armorifte , ( ra) 



ARM.ARO ARP. ARQ.'&c. 

E«n die over de ff'aven-J\hi.., kunde 
aeÇchreeven heeft , of die verjtaat. 

Armoriai , (adj. & fubft. m.) K^r- 
zamelpJg van verfcheïde geflacht-wa- 
penen , en dat daar toe boord. 

Avmovier f (v.a.)lVapens-fchilderen. 
Armure, (f) (Vapentuig (n) i U. 
patience efl: une armure impéné- 
trable , lydzaamheid overivind alles. 
Armurier, (m) J^'apenfmid. 
Aromaces, (ra. pi.) ^^elriekende 
dingen. 
Aromatique, (adj.) Welriekend. 
Aroroatiler , (v. a.) fFelriekende 
kruiden onder iets mengen, welriekend 
maaketi. 

Aronde , ( f) Zwalwwe-ftaart , (;« 
Bouwk.) 

Arondelat , (m) Jonge Zwaluw. 
Arondelles, (f- pi.) Kleine- ligte 
Scheepjes ; de lunzen van een wiel. 

Arpailleur, (m) Goudzoeker in de 
fivieren ; opzoeker der mynen. 

Arpent, (ra; Arpenc de terre, 
£en morgen , mer gen tands. 

Arpencage,(ra)//é'f Landmeeten{n). 
Arpenter, (v. a.) Land- meet en; 
met groote fcbreden gaan. 
^ ' Arpenteur , (m) Landmeeter. 
Arqué , ée (adj.) Geboogen, ge* 
kromd. 

Arquebufade, (f) ca coup d'ar- 
quebufade , Schoot met een Bus of 
Vuur-roif. 

Arquebufe , (f) Vuur-roer (n), 
Bus (f). 

Arquebufer , (v. a.) IN eer fcbieten. 
Arquebulerie, (f) Bus of Roer- 
makery. 

ArquebuCer , (m) Roer'maaker, 
Bus-fchieter. 

Arquer, (V. n.) Krommen, krom 
maaken. . 

Arrachement, (m) Uitrukkirge (f). 
d'Arrache pied, (adv.) (fans cefle) 
Zonder ophouden. 

Arracher, (v. a.) Uitrukken, uit- 
trekken. 

Arracheur , (m) Arracheur de 
dents , een tandtrekker. 

Arrachis, (m) Het uittrekken van 
jonge bcomen. 

Arramber. (Zie Aramber). 
Arramer, (v. a.) Laake» raamen, 
uitrekken. 



ARR. 43 

Arrang , (ra) Een hye Boekbinder* 
hiegt , {boert, w.) 

Arrangement , (ra) Schikkinge ( f). 
Arranger , (v. a.) Schikken , in cr- 
i/f/ff//iWi s'arranger chez foi, t'buis 
alles tn orden fchikken. 

Arraper, (v. a.) Na zig kaapen, 
haaien , {weinig gebr.) 

Arrafement , (m) Laatfte laag 
fteenen van een muur. 

Arrafer, (v« a.) Steenen of iets 
anders waterpas leggen. 

Arreritemeiit, (m) Op rente gee- 
ving (f). 

Arrenter, (v a.) Op renten gee- 
ven of neemen. 

Arrérages , (ra. pi.) JgterflalUgc 
renten , fchulden (f). 

Arrérager, {y. n.) Renten op laa- 
ten loopen. 

Arrct, (m) Iets dat op, of tegeli 
houd } befluit , vajljlelling , enz, 
trouver l'arrêt d'une horologe, 
het gebrek, waar door een uurwerk 
Jlil jiaat , vv.den ; arrét de Parle- 
ment , befluit van 't Parlement', 
mettre en an-ét , in gyzeling (arrefï) 
zetten if^ire unarret (laiüe) fur les 
biens, een beflagop de goederen doen-; 
arrét de furfeance , mtftel - brief i 
arrét, veer van een roer, klok enz. 
être fans arrêt , zonder beftendigheid 
zyn. 

Arrête, (f) Vifch graat; binnen- 
ft e rand van een fc hotel of bord enz. 

Arrête-bœuf ou arrête charrue , 
(m) Prang-uoriel ( f ) , dte veel vezels 
heeft en de ploeg hincierd. 

Arrêté , (m) Befluit (n) , vaftfteU 
ling (f)j arrêté a'un compte , ƒ«/- 
ting e ener rekening. 
Arrêté ée (adjT) Opgehouden enz. 
Arrêter, (v.a.) Acm- tegen, vaft- 
op-houden ; vaftftellen , bepaalen , in 
hegtenis {arrejt) neemen; arrêter le 
fang, het bloed ftelpen; arrêter une 
heure , een uur vaftftellen } arrêter 
une perfonne , iemand in begtenii 
neemen , arrefteeien ; arrêter les 
eaux, de wateren ftremmen , ftuttem 
arrêter avec des doux, met fpyken 
vaft maaken ; arrêter un compte ^ 
un marché, ee>:e rekening, een koop 
fkuitm } aurrêter an maifon , un la- 
quais. 



44 ' 'ARR. 

qaais , ee» buis , een htegt huuren > 
B'srrêter , (v.r.)J'taan blyven , zig op- 
bowUn; s'arrêter à des bagatelles, 
%ig met beuzelingen ophouden. 

Arrêtifte ou Arrécographe 9 (m) 
Verzamelaar van voKniJJené 

Arrheraent, (m) V Koopen van 
Eoorn terwyl op 't veld (iaat. 

Arrher , (v. a.) Een Godspenning , 
geld op de hand geeven. 

Arrhes, (f. pi.) Godspenning (m). 

Arrière, (f) Het acht erft e gedeel- 
te van een Schip (n). 

Arrière, (adv.) Achter -^ en ar- 
rière, te rug, achter uit; arrière 
de moi Satan ! gaat achter my Sa- 
tan! aller en arrière , achter uit 
gaan ; être en arrière, ten achteren 
zyn; demeurer en arrière ,/cbuldig 
tlyvent achter blyven y venir v<ent 
arrière , voor de wind zeilen. 

Arriere-ban,(m) Öp-ontbieding des 
adels, tot den Oorbg. 

Arriere-boutique, ( f) Achter ivin- 
èely winkel kamer. 

Arrière-change , (m) Intreft van 
In treft. 

Arriere-corps , (m) Hoof J-muur , 
vtaar op het beeldwerk is (f). 

Arriere-cour , ( f) Achterplaats, 
of Hof 

Arriere-faix, (m) De nageboor- 
te ((). 

ArriçTe-f^Tmier,(m)Onder-pachter. 

Arrîere-fief , (m) y^chter-leen (n). 

Arrière fils ou fille, (m. & f.) 
Klem zoon , of dochter. 

Arriere-garde , (f) Afbterboede 
c;-ï« een Lpger. 

Arriere-main, (f) 't Averechtfe 
van de hand, 

Arriere-nevea, (m) Een achter- 
neef -, na-neef. 

Arriere-nièce , (f) Achter-ntgt. 

Arriere-panage , (m) Drift van 
Vee in 't bofch na den gewQunlyken 
tyd , Ka drift. 

Arriere-petite-fille, (f) Dochter 
van een kinds kind. 

Arrière - petit - fils , (m) Kinds» 
kinds-ZGon. 

Arrière-point , (m) De achter' 
ft eek y iby Naaîfters). 

Arfiere-foin:2a;e, (f) Xaaiftef/' 



'ARR. 

Arriere-faifipn , ( £) Het uchjaar (n)i 
être fur 1'arriere faifon , in zyn af. 
nemende jaaren komen. 

Arriere-valTal , (aj) Achter Leen- 
man. 

Arriérer , (\r. a.) Arriérer un 
payement , eené betaaling achteruit 
zetten., 

Arriere-vouffure , (T) Boog-rott' 
ding achter een deur of v eng ft er. 

Arrimage ou Arrumage , (m) 
Stouw ing der waar en in een Schtp{ï). 

Arrimer , (v. a.) De laading ftuu^ 
wen, ftouwen. 

Arrimears, (m. pi.) Schip-fiouwers. 

Arrifler , (v. a.) Zeil of vlag ftry- 
ken, neerftryken, {zee w.) 

Arrivage, (m) Het inkomen, aan- 
landen van veele goederen in een Ha- 
ven (n). 

Arrive , ( f )~ De zyde van 't Schip 
die naar 't land gekeerd is. 

Arrive! Hou afl arrive fous le 
vent! hou aan ly ! n'arrive pas Ipceild 
niet laagerï arrive tout! laat voof 
de wind vallen l (zee w.) 

Arrivé , ée (adj.) Aangekomen; 
gebeurd; quand eft ce que cela cft 
arrivé? wanneer is dat gebeurd? 

Arrivée, (f) Aankomft; item tyd 
daar van ; d'arrivée , (a.dv.)vandeit 
aanvang. 

Arriver , ( v. a. & n. ) Aankomen} 
gebeuren ; voor de wind afhouden; 
{zee w.) il lui arriva un malheur j^ 
daar beviel hem een ongeluk ; un mal» 
heur n'arrive guère feul , een onge- 
Ink komt zelden alleen; s'il vous ar- 
rive (Je faire jamais cela ,200 gy dat 
ooit weder doed; arriver à fon but , 
tot zyn oogwit gerqaken, 

Arrogamment, (adv.) Verwaan- 
delyk, trotfelyk. 

Arrogance , ( f ) Verwaandheid y 
trotsheid. 

Arrogant , ante (adj. & fubft.) 
Trots , een hoogmoedige. 

Arroger, (v. ^.) Toeélgenen ; s'ar- 
roger des horreurs, ztg gère aan' 
maatigen. 

Arroi , (m) (oud w.) Gevoîg van 
dienaren , wagens en paerden (n) j ge- 
reedfchap van een Valkenier )n). 

Arrondi, ie (adj.) Afgerond, be- 
fchaafd} 



ARR. ARS. ART. 

Jchaofd', un difcours bien arrondi; 
ttne welgefcbikte rtJtnvoering, 

Arrondir , (v. a.) Rond maahen > 
9ene reden in goede orden fcbikken. 

Arrondifleraent, (m) Jifrondingy 
ver deel ing (f). 

Arrondifleur , (m) Ee» die rond 
maakt ; ( boertw. ) een die al te keu- 
rig iets verdeeld^ fcbikt. 

Arrofage, (m) Befproeijing ff). 

Arrofement , (m) Begieting ( f). 

Arrofer , (v. a.) Begieten , befpren- 
gen; cette rivière arrofe lea mors 
de ,die rivier befpoeldde muur en van, 

Arrofoir , (m) Een Gieter, 

Arrumage , arrumer. {Zie arri- 
mage). 

Ars OU Arts , (m. pi.) aderen 
waar op de Paerden gelaten worden, 

Arfenal , (m) Wapen-buis (n), 

Arfenic, (m) Rottekruid, Arfeni- 
cvm. 

Arfenical, aie (adj.) ^ergiftig^ 
ah Rottekruid. 

Arfi , ie (adj.) Gebrand, (oud w,) 

Arfin, (m) {oud w.) Moord ^bran- 
der. 

Art , (m) Konjl, fchranderbeid } 
art méchanique, handwerks konft; 
art hermétique , fmehkonft ; arts 
libéraux, vrye kon/ten. 

Arteil, (m) Toon of teen van de 
voet, {Zie Orteil). 

Artémon, (m) Onderfte katrol van 
ten takel { f) 

Artère ^{î) De flagader. 

Artériel, elle (adj.) Tot de Slag- 
ader beboorende. 

Arterieux , eufe {&d].)Pols-aderig. 

Arteriotomie , (f) Opening dtr 
jlagader. 

Artichaud , (m) Eene j^rtifihok (f). 

Article, (m) Een lid {n); artick 
de £oi, geloofi artikel', article de la 
mort, dooas-ftond ; article d'un 
compte , poji eemr rekening. 

Articulaire, (adj.) Maladie ar- 
ticulaire, leeden-pyn , jigt. 

Articulation, (f) Duidelyke uit- 
fpraak', zamenvoeging van twee ge- 
beenten s } rjerdeeling. 

Articuler, (v. a.) DuideÏyk uit- 
fpreeken ; ay« eijtk (fosT hd'Verdeehn- 
Vêorjielkn, 



ARS;ART.ARü.&c: 45 

Artifice , (m) Lijf , kon/t , Jchran^ 
derbeid'f feu d'artifice ^ konjt - vuur^* 
werk. 

Artificiel > elle (adj .) Kunftig , da$ 
door kun/t gemaakt en niet natuur lyk $si 

Artificiellement , (adv.) Kunftig^ 
lyk. 

Artificier, (m) Konfi-imm^^irh 
maaker. 

Artificisufement , (adv.) Liftig' 
lyk , bebendiglyk. 

Artificieux, eufe (*dj.) Kunftig* 
lyk f Uftiglyk, 

Art lil er, (m) Een die aan *t Cf 
f chut werkt. 

Artillerie, (f) 't Qefcbut (n). 

Artimon , (m) Mât d'artimon , be^- 
zaan of achter maft ; voile d'arti- 
mon , bezaan ze tl, 

Artifan, {m) Ambachtsman , band' 
werksman , konftenaar j ftitviwder , 
ftigter i oorzaak van iets, 

Artifanne , ( f) jimbacbts-vrowm^i 

Artifé , ée (adj.) Konftiglyk ge^ 
maakt. 

Artifon , (m) Houtworm. 

Artifte , (adj. & m,) Konfiig ^konjlt" 
«aörjmain artifte, konftige hand, 

Artiftement , (adv.) Konftiglyk. 

Arufpice , (m) IVaarzegger uit de 
ingewanden der Offerdieren y {by de 
oude Rom.) 

Arufpicine , (f) ïVaarzeggery 
daar van. 

Arzel , (adj.) Cheval arzel , Paerâ 
het geen van achteren aan de regter 
voet een witte vlak beeft. 

AS. (m) Kaarten--aas (n)j as de- 
cœur 9 de pique , de carreau , de 
treile, harten» ruiten- fchoppsn- kla^ 
veren-aas. 

A favoir, (adj.) Te vueeten', na" 
mentlyk; (favoir is beter). 

Asbefle , ( m ) Orb^an^aarvlcn 
van zekere Jleen gemaakt, 

Afcarides , {va. pi.) U^ormpjes dia 
zig aan her f^^ridement zetten. 

Afcendant,ante (adj.) Opgaande ^ 
opklimmende; ligne afcendant, op^ 
gaande linie, 

Afcendant , (m) Opgang eener Jl er- 
re (f); gezag (n)) keerfc happy (f-- 
teeken 't melk op de kim verfchynd ^ 
Z09 dra iemand gebgoren ivard^ pren» 

dre 



4? ApC.ASM.ASP.&c. 

orç....i'arçendant far qaelcàn, den 
bous 'óver icmatid fpecteH. 

.Afcenfion, (f) Opklimming; He- 
fnehanrt ; Hemelvaartsdag. 

Afcétere, (.-.o) Kloojîer (n). 

Afôétique , (adj .) Godvruchtig ; vie 
afçétique , kloojîer-leve». 

Afciens , (m. pi.) f^olk dat onder 
dû Unie ^vooud. 

Afcolies, (f. pi.) Feejien ter fera 
iwî Pacchtis. 

Afine , (adj.) Bête afine ^^ {in Rech- 
ten) Ezel. , 

Asmodée,(m) Forjî der duijierm's. 

Âfpeft, (m) Gezicht (n), befchou- 
iving{î)} un afpeö: terrible, een 
grimmig gelaat-, maifon d'un afpeâ; 
agréable , een huis dat wel vertoond. 
"Afperge , ( t') Afpergie , {zekere 
plant\ 

Afpergér , (v. a.) Befprengen , be- 
fproeien. 
. Arpergès. {Zie Afperfoir). 

Afpéritè,( ?)Scberpbeid ^fli-engheid. 

Afperfer, (v. a.) Befprengen. 

Afperfion , ( f ) Befprenging , ivei- 

■^^' Afperfoir , (rn) Een Wy-kwajl , 

kwijpel' 

Afphalte , (ra) Jooden-lym^ 

ACpic , (m) Adder , {zeker vergif- 
tige Slang;) ; nardus {een kruid); lan- 
gue d 'alp ie, kivaadfprekende tong; 
huile d'afpic,ypy^-o//>. 

Afpirant, te (adj.) Aanademend; 
uitfprekende ; pompe afpirante, een 
trek-pomp. 

Afpirant , (ra) Iemand die naar 
ienige plaats of waardigheid dingt; 
item e ene letter die uitgefprooken 
Tuord. ... 

Afpiration, (f) Aanblazwg; mt- 
galming ( f) ; vierige z'igt tot God 
\m); verlangen naar iets (n). 

Afpirer ,(v. a. & n.) Aanademen ; 
verlangen; afpirer à quelque cho- 
fe , naar iets trachten ; afpirer une 
lettre , eene letter uitfpreeken, 

Arçre,{m) Een afper, {Jiuk Turks 

9eld). 

Affableraent , (m) Hoop zand. 
. Affabler, (v. ?,.) ^Met zand vul- 
ien; aflabler un Vaifleau, (sn Schip 
9p ten zatid-hank VQ.ereiu 



I ASS. ' 

s'Affabler , (v. V.) Met het Schip 
op een zand bank blyven zitten. 

Aflafœtida , ( î ) Duivels-drek, (zi^ 
kere gomme). •'•■*' 

Aflaiüant, te (adj.) Aangevallen ^ 
befprongen, 

Affaillir, (v. a.) Befpringen, aan- 
tajlm. 

AflaitTonné, ée (adj.) Toebereid, 

AiTaifTonnement, (m) Toebereiding 
(f). 

Aflaifonner, (v. a.) Gereed maa- 
ien , klaar maaken ; aflaifonner les 
viandt'S, de fpyzen toemaaken ; aflai- 
fonner 1 agréable avec l'utile , het 
nuttige met het aangenaame paaren. 

'AfTaifonneur, (m) Bereider, ge^ 
reedmaaker. 

Aflaflln , ine (m. & f.) Verrader^ 
lyke Moordenaar , Moordenaarjier. 

AflTafiinant , ante (adj.) Verdrie" 
tig j des complimens aflTaflinantSj 
fverveelende complimenten. 

Aflaflïnac, (m) Moord {{). 

Aflâîïjné,ée (adj.) f^ermoord , om" 
gebracht . 

Afl'aflSnateur , (ra) Moordenaar^ 
ombrer.ger. 

Afl'affiner , (v. a.) Heimelyk ver< 
moorden , van kant helpen ; fcbelden , 
eerrooven; affafliner de coxx^Sy wak» 
ker afroffen. 

Afl^ation , (f) Braading, kooking 
van iets in zyn eigen fap, als koffy enz, 

Aflaut , (m) Aanval; befpringing -, 
Jïorm ; prendre une Ville d'aÎTaut » 
een Stad Jïormenderhand inneemen^ 
monter à l'aflaut , 7?or»j loopen; fai- 
re aflaut d'efprit, zyn verjland ten 
toon fie Hen. 

Aflecution , ( f ) Verkryging vaa 
een Geejïelyk ampt. 

AiTéeur ou Affeyeur , (ra) Schat' 
ter > taxeerder van den tmpoft , hoofd- 
geld. 

Aflï"emblage , (m) Verzameling , 
vergadering , byeen voeging van ver* 
fcheide dingen (f). 

Afl*emblé , ée (adj.) Vergaderd. 

Aflemblée , ( f) Vergadering , fza» 
menkomfl; bal, 

Afl'erabler , (v. a.) Verzamelen, 
vergaderen , byeen voegen; s'aflfem- 

bier 3 (Y, r.) zig v§riamskn' 

AffeiH» 



A SS, , 

Aflembleur, (m) Een -vergaarder 
dor bladen^ {by Boekb.). 

AfTeiier , (v. a.) AtTener bien fon 
coup , zyn jchoot , lUot aanbrengen. \ 

Afleoir,(v. a.) Zetten y neerzet- 
ten ; affeoir un enfant , een kind 
neerzetten y afleoir le camp, het le- 
ger t:ee'r/1aan ; aûeoir fa vue fur 
quelque chofe , zyne oogen op iets 
vejiigen. 

' s'AiTeoir, (v. r.) Zig nederzetten^ 
zitten. 

Affermenter , (v. a.) Met eede 
Jlerken, (oud iv. in Recht.) 

AfTerteur , (m) Voorjîander der 
ivaarheid. 

Aflertion , ( f ) Stelling die men 
fvoor waarachtig jlaande houd. 

Atfercivement, (adv.) Bekrachti- 
gen der wyze. 

AflTervir, (v. a.) Te onderbrengen ^ 
dienftbaar maaken. 

Aflerviflement , (m) Dienjïbaar- 
heid , Slavernye (f). 

Affeffeur, (m) Byzitter ^ (in Rech- 
ten). 

AfleiTorial, aie (adj.) Dat daar 
toe behoord. 

Affecte , achatte ou aiffette, (f) 
JLeidekkers hamer (m). 

Affez, (adv.) Genoeg -, affez bien, 
ivel genoeg ; je me porte affez bien, 
ik vaar redelyk uel. 

Aff.du , ue (adj.) Gejïadig , vlytig ; 
affidu en travail , naerjîig aan 't 
werk. 

Affidu ité, (f) Vlytigheid, y ver-, 
avoir de l'affiduité à l'étude , de 
Jlndte vlytjg betrapten, 

Aüidument ? (adv.) levrig , naar- 
Jliglyk. 

Affiégé, ée (adj.) Belegerd', les 
affiégez, de belegerde.' 

Affiégeant, ante (adj.) Belegeren- 
de; les affiégeants, (m. pi.) de be- 
legeraars. 

Affjégement, (m) Belegerhig, 

Affiéger , (v. a.) Beleger en -, ie- 
mand ergens om aan zyn. 

Affierae. Zekere fponsachtige Jleen. 

Affiente ou Affiento. Maatfcbap- 
py van Kooplieden in America. 

Affiette, (f) TafeUord'y legging ; 
l'affiette de 1'arae , de zieh toejland) 



ASS. 47 

l'affiette du camp, de leger-plaats \ 
l'affiette d'une place , de legging 
■van een plaats', affiette à raouchet- 
tes ) een fnuiter bakje ; fon affiette à 
diné pour lui y fchoon hy niet meê 
gegeten heeft moet hy echter b et aal en ^ 
(Jpr. w.) 

Alùettée, (f) Een bord vol. 

Affjgnac, (m) ^anwyzing wegens 
bet aal ing op goederen die 'er voor 
verpand jlaan , (in Rechten). 

AffignatioB , ( f) Dagvaarding 
voor 't Gericht', aanwyzing ; don- 
ner afllgnation , tyd -bejlemmen ; 
payer une aiïîgnation , eene ajjigna" 
tie voldoen. 

Affigner, (v. a.) Aanwyzen-, tyd 
en plaats befJemwen ', dagvaarden voor 
't Gerecht ; affigner un lieu pour 
habiter , een plaats om te bewoonen^ 
aanivyzen. 

Affimilation , (f) Gelykmaaking 
van iets ; overeen komjf. 

Aiïimiléjée (adj.) Gelyk gemaakte 

AÜlmiler, (v. a.) Gelyk maaken. 

Aflis, ife, (adj.) Gereefen. 

Affife, (f) Een ry Jleenen in een 
muur (m). 

Affifesj (f. pi.) Zit-dag (m), Ge^ 
richts-dagen, 

Affiftance , ( f) Hulp , byjiand, on" 
derjland} tegenwoordigheid. 

Afliflant , ante (va. & f.) Raads- 
man ^ byjïander in nood', meede-hel. 
per-J een die tegenwoordig is. 

Affifté, ée (adj.) Bygejlaan, ge^ 
bolpen. 

Affjfter , (V. a. & n.) Byjïaan, 
helpen-, tegenwoordig zyn; aflifter fes 
amis de fes confeils, zyn vrienden 
met zyn raad byJlaan ; afiifter au fer- 
vice divin , de Godsdienjî bywoo- 
nen, 

Affociation , ( f ) Maatfchappy ( f }, 
Gezelfchap (n). 

Affocié, (f. & adj.) Medehande^ 
laar ; medehandelende. 

Affocier > (v. a.) Iemand aannee* 
men tot maatfchappy. 

s'Affocier, (w.r.)Ztg met iemand 
verbinden , in maatfchappy treeden. 

Affommer , (v. a.) Dood fl aan , ter 
neer f aan; affommer de coups, ^e- 
? weldi^ Jlaan iaiTommer par des im- 
per* 



4è 'Ass. 

pörtunitez, iemand 'doodelyk vervee- 
len. 

Aflbmraoir, (m) Rotten -val, 
fpreng. 

AfTomption , (f) Marïa Hemel- 
vaart j najïelhng eeuer flrHtreden. 

. Affonnance , (f) GelykluiJend- 
heid dfr ryfn woorden, 

AflTortl , ie (adj.) f -^amen-ge- 
/(hikt y gefineerd ; mariage mal 'as- 
forti , qualyk gefchikt huzvelyk. 

Affortiment l (m) fZamen-fcbik' 
king , Ie verd & Ie bleju eft un vi- 
lain afTortiment , groen en blaauw 
komt jlegt by een; acheter un aflbr- 
timent de marchandifes, p^m^ for- 
teering van waar en koopen. 

Affortir , (v. a. & n.) t' Zamen- 
fckikken , t'zamen-vaegen , paaren; 
'aflbrtir ce drap de quelque dou- 
blure , de voeringen overeenkomjlig 
i>et laaken zoeken. 

Aflbrtiflant, ante (adj.) t'zamen- 
voegend-, pajfend. 

AfToter , (v. a.) {gem. w.) Zot maa- 
iten. 

Afroupi , ie (adj.) Gefufi y gejîîld. 

Ailoupir , {v. a. ) In jlaap doen val- 
len; verzachten; Ji: Hen; by leggen; ce 
remèie à alToupi Ia douleur, dit 
hulpmiddel beeft my verzacht ; affbu- 
pir une querelle , een tivij) , oproer 
gallen. 

Aflbnpiflant , te (adj.) Stillend, 
verzagtend; Ie pavot eft affoupis- 
Iknt , Heulzaad is flaap verwekkend, 

AfToupiflement , (m) Slaaperig- 
hetd , ongpvoeligheid { f). 

AfToupIir T (v. a.) Verzachten , buig- 
zaam maaken. ' 

Afl*ourdir, (v. a.) Donf maaken, 
voldoen; s'di^owràir,{v.r.)doof worden, 

AflTou vir , (<. a.) Verzadigen , vol- 
doen; aflbuvir fa rage, zyne woede 
voldoen. 

AtrouviflTement , (ra) l'AffbuvifTe- 
ment de fes ç^^ons , de verzadiging 
zyner driften. 

Aflujetti, ie (adj.) Onderworpen. 

AflTujettir , (v. a.) Onderworpen , 
enderdaanig maaken j s'aflujettir , (v. 
r.) z'? onderwerpen, 

Afirajettiffant>ante {zà].) Qnder" 
xuerpetid* 



AST, 

AfluJettiflTemc^nt ^ (m) Onderdaü' 
nigbeidy onderwerping (f). 

Aflurance , ( f ) Verzekering ; kloek' 
moedigheid i jioutheid; pand-jiell ng-, 
lieu d 'aflurance, bewaarplaat i ^ ge^ 
vangenis j avoir anTurance d'une 
chofe , zekerheid van iets hebben^ 
mettre fon aflurance en Dicl- , zyn 
vertrouwen op Godftellen', aiTurance 
de nier quelque chofe , ftoutbeid 
om iets te ontkennen j police d'aflTu- 
rance, verzekerings contraft o/police 
van ajjurantien op goederen. 

Alfuré, ée (adj.) Verzekerd ^ l'ss- 
furé paye à fon AlTureur tant pour 
cent y de verzekerder {ver affût eerder) 
betaald aan den verzekeraar {affura» 
deur) zoo veel ten loo. 

Affurément } (adv.) Zekerlyk, on- 
twyffelbaar. 

AiFurer, (v. a.) Verzekeren-, aiTu-. 
rer une uette , ï;oor een fc huid t pand- 
zetten ; aiTmer un Vaiffeau , eeu 
Schip ter a (Jurant ie ^ hamer verzeke- 
ren; s'aflürer en quelcun, op /V- 
mand bf'trouwen j s'aflTurer de Ia 
bonté de quelcun , zig van temands 
goedheid verzekerd houden;s'a{rnrer de 
quelcun j iemand ir' hegtenis neemen. 

Aflareurj.(m) Verzekeraar {^ffu^ 
radeur) van Scheepen , enz, 

Attérisme y (m) Gefternte (n),ver' 
zaameling van SPerren ( f). 

Aftérisque , (m) Sterre (*) die in 
de Boeken tot een teeken word gefteld. 

Afthmatique, (adj ) Kort-ademig. 

Aflhme , (m) Eng-borftigheid , kort- 
ademt g beid (f). 

Aftic , (m) Een bol been (voor het 
vet der Schoenm.) 

K^ngzle y{m) Zekere ring cf band 
waar mede de Pylaaren onder en bo- 
ven gecierd worden y ring voor aan 
een Gefchut, 

Aftral, aie (adj.) Het geen tot de 
Sterren behoord, 

Aftre, (n) Eene Sterre; obferver 
les aftres, de Sterren waarneemen. 

Aftreindre, (v.a.) Dwingen, ver- 
plichten ; verftoppen ( in Geneesk. ) j 
s'attreindre aux coutumes, zig aan 
de gewoonten s binden. 

Aftreint, (zd],)QçdW9fJgen, gebons 
den; verftoj)t, 

Aftriof, 



AST.ASY.ATA.ATH.&c. 

Aftridion , ( f) Dwang ; verftop- 
ping. 

Aftringent , te$(adj.) t'^amentrek- 
kende ; remede aftringeru , /toppend 
geneesmidct^l. 

Aft roe , (ra) Strop van etn touw ; 
item groot touw , {zee %v.) 

Aftrolabe,(m) Sterren-hoogte-mee- 
ter , Aftrolabium. 

Aftrologie, (f) Sterren -beduid- 
kunde. 

Aftrologique, (adj.) ^ftrologifch. 

Aftrologue , (m) Een Sterren-aan- 
duider. 

Aftronome,(m)£f'« Sterren-kyker. 

Aftronomie , (f) Sterren - loop- 
kunde. 

Aftronomique ,(adj.) Sterren-kun- 
dig. 

Aftronomiquement ^ (adv.) Ster- 
ren-kundiglyk. 

Aftuce , (f) Loosheid j argtiftig- 
' heid , (oud IV.) 

Afy 1 e , (m) Toevlugt , vryplaats (f j . 

Afymetrie, (f) Ongelyke maat, 
{in Rekenk.) 

Afymptote, (adj.) ff^ord gezegd 
van 2 Linten die malkanderen altyd 
naderen , en nooit , hoe lang ook getrok- 
ken , door/nyden. 

Acabale , (m) Soort van trom by de 
Mooren. 

Atermoiement. (^/^'Attermoye- 
raent). 

Athanor , (m) (in Smeltk,) Een 
groot e Oven. 

Athée, (m) Godverzaaker, 

Athée, (adj.) Godloochenend. 

Athéisme , (m) Godverzaaktng 
Athêijlery (f). 

Athéifte, {m) Godverzaaker y (be- 
ter Athée). 

Athlète , (œ) Een Kamp-jegter ; 
(f guur!.) groote Voorjïdndsr van iets. 

Athlétique, (adj.) IVorftelend. 

Athmofphere, (f) Dàmp-kring i 
gedeelte der lugt , 't welk het naape 
by de aarde komt. 

.Atinter, (v. a.) Onmaat ig opcie- 
ren; (oud w.) 

Atlante, (m) Een îajîdraigende fi- 
guur , (in Griekfche bouwk.). 

Atlas,- (m) Kaartboek vap de garit- 
fcheiraereld \ eerjïe wervelbeen van dm 



ATH.ATO.ATü&c. ü 

Atmofphere,, (m) (^le Athmo- 
fphere). 

Atome, (m) yeezeltje , JioJJe , 00- 
deelbaar ligbaam (n). 

A tort Óc à travers, (adv.) Par« 
1er à tort & à travers, tn 'f hon- 
derd, zoo wat heen praat en. 

Atour , (m) brouwen cieraad, op^ 
cieringe ( f) ; Dame d'aCour , Staats^ 
dame , Kamenier. 

AtournarefTe ,( f) J^ercierjier eeuer 
Bruid, (oudw.) 

Atourner, (v. a.) Opcieren, op' 
tooien. 

Atout, (m) Troef blad (u) , (in heg 
Kaart/pel). 

Atrabilaire , (adj.) Gal-acbtig^ 
droefgeeftig. 

Atrabile, (f) Zwarte gat. 

Atraâylesj (m) Kardo benediSus^ 
(kruid). 

At re , (m) Haarde Haardjleede j^ 
Haardjieê. 

Atroce, (adj.) TJfelyk ,fchrikkelyki: 
une crime atroce , eene gruwelyke- 
misdaad. 

Atrocité, (f) Atrocité d'un cri- 
me, zwaarheid jafgryjjelykheid eener 
misdaad. 

Atronchement , (m) Regt van eem 
Heer op zommige plaat zen. 

Atrophie, (f) Uitteering. 

Atrophié , ée (adj.) Membre a-4 
trophié, lid dat geen voedzel heefim 

Attabler , s'attabler , (v. r.) Aath 
tafel gaan zitten , [gem. w.) 

Attache, (f) Kram ^ houvaji f 
fnaer , riem ; vlyt , yver ; -y^r- 
plichtingyjlandet in een wind mooleni 
étudier avec attache, neerjlig ftu- 
deeren ; vivre fans attache , onbe* 
dwongen leeven-, bas d'attache, ry- 
koujfen ; chien d'attache , een bani^ 
bond. 

Attaché , ée (adj.) f^ajlgemaakt. 

Attachement , (m) f^erbintenis ; 
dnfr , zucht, geneegenheid ', il a xxn 
grand attachement pourfa maitrefle, 
hy heeft groote liefde voor zyn rj^y/ïer. 

Attacher, (v. a.) Binden, vaft^ 
maaken , hechten ; verbinden , verplicht 
ten f attacher les veux fur q\x('\r. e 
chofe , de oogen ergens opJJaan-, tnoü 
devoir m'attache auprès <ie lu.^ 
D myn 



50 ATT. ' 

myn plicht vordird hy hem te blyven. 

s'Attacher ,(v, r.)^';? ergens aan- 
hechten ; iets aangrypen j kleeveri ; s'at- 
tacher à l'étude , zig aan de oejje- 
ning overgeeven ; s'attacher auprès 
d'un grand Seigneur > zig by een 
groot Heer verbinden; s'attacher à 
une opinion, èy een gevoehn blyven. 

Attaches, (f.pl.) Loode ringetjes aan 
de vengjler-roeden. 

Attaquable ,(adj.)i^^^ ^^» *« '"^^' 
Un is, aangrypelyk. 

Attaquant , ,(m) Janvaller^ aan- 
gryper. 

Attaque, (f) Aanval; attaque 
d'une place , aanfaJJing eef7er plaat- 
ze; attaque de maladie, overval 
van ziekte i donner une attaque à 
quelcun , iemand bits bejegenen. 

Attaqué , ée (rû}.) Aangetajî , enz. 

Attaquer , (y. a.) Aanvallen , aan- 
randen-, s'attaquer (v. r.) à quelcun , 
met îemaitd ruîzie zoeken. 

Attédier, (v. a.) l^erdrieten, ver- 
drietiq vallen , (oud w.). 

Atteindre, (v. n.& a.) Bereiken, 
ecbterbaalen ; atteindre fon but ^zyn 
oogmerk bereiken-, je ne faurois l'at- 
teindre , ik kan hem met achterhaa- 
ien , byhaalen ; je ne puis pas at- 
teindre jusques là , ik kan zoo ver 
met reiken. 

Atteint, te (adj.) Achterhaald; 
atteint d'un cçtup de flèche , met 
fenepyt getroffen; atteint d'amour, 
door lirfde getroffen. 

Atteinte , (f) Aanval-, une rade 
atteinte ,een barde JJag ; donner at- 
teinte à l'honneur de que4cun , 
iemands eer kzvetzen , benadeelen ; at- 
teinte aux loix , kwetzing der wet- 
ten ; être hors d'atteinte, buiten 
vreeze , buiten bereik van iets zyn. 

Attelage ,(m) Eenfpan trekdieren; 
voorfpanmng ; wagentuig. 

Attelé, (f) Haam ^ (zeker Paerden 
*tiig ) ; Spalk voor gebroken leden. 

Atteler , (v. a.) Aanfpannen ; (met- 
tre les chevaux au caroiTe . is beter). 

Attelier , ( m ) ÎVerkhuis ( n ) , 
loots ; fpinplaats voor z^wormen (£). 

^Attenant, te (adj.) Naafi^elegen; 
vigne attenante à la mienne ,w;y»- 
gaard grensendi aan de vtyw» 



ATT. 

Attenant , (adv. & prep.) Attff, 
nant l'un de l'autre , naaji malkan- 
der en. 

Attendant , te fadj ) JVagtcnde , 
veriuagîcnde ; prenez cela , en atten- 
dant mieux, neemd dit op hoop van 
heter. 

En atten dan t , (adv. )Middeleruyl , 
ondertuffchen ;je vais devant en at- 
tendant qu'il vienne y ikga voor uit 
ondertuffchen tot dat hy komt. 

Attendre , (v. a.) IVagten , ver' 
ivagten; je l'attends, ik^wagt hem y 
haar ;z.x.x.enàxe le -boiteux , (jpr. vu.) 
nader bericht inv:a2,ten ; s'atten- 
dre, (v. r.) verivagten } je ne 
m'attendois pas à cela , ik had 
dat niet verwagt , te gemoet gezien. 

Attendrir , (v. a.) Vermurwen, 
verzagten -, tot medelyden brengen; 
s'attendrir, (v. Y.)zagt , murw , mals 
zv orden. 

. AttendrifTement , (m) Vermur^ 
tving (?) , mede fy den (n). 

Attendu , ue (adj.) Gewagt , ver- 
wagt. 

Attendu, (conj.) Aangezien-, il 
fut exempté du fervice, attendu 
fon âge , hy wierd van den dienjl 
vry gekend , uit hoofde van zynejaaren. 

Attentat, (m) Àanjlag (m); misdaad 
(f); horrible attentat, gruwzaam 
beft aan, toeleg. 

'Attentatoire , (adj.) {in Rechten) 
Dat met de wetten flrydig is. 

Attente, (f) Verwachting; con- 
tre mon attente , tegens mynever- 
voagting; pierre d'attente , kant of 
bind Jïeen in eene muur; table d'at-. 
tente , ledige f.een boven een deuryvoori 
opfchriften. 

Attenter, (v. n. Sc a.) Op kwaad 
toeleggen ; attenter fur la vie &c. 
de , op het leven enz. toeleggen van. 

Attentif, ive(adj.) Oplettend ^op*^ 
merkzaam. 

Attention ,^ ( f) Oplettendheid , 
aandagt. 

Attentivement, (^dv.) Oplettende, 
aandacht i^lyk. 

Atténuant, (adj.) Bloed verdun* 
nend, (in Geneesk.) 

Atténuatif, iye (adj.) {Zh Atté- 
nuant), 



ATT. 

Atténuation, (f) f^erzivakking , 
Verval van krachten ; verdunning. 

Atténuer , (y.a.)l ''er zw akkert ; ver- 
dutir.en; les jeunes & les veilles 
atténuent le corps, vajlen en uaa~ 
hen verzwakt het lighaam. 

At'.ermoyement, (m) Uitjlel van 
betaaling. 

Attermoyer, fv. a.) De tyj van 
bet aal ing verlengen. 

Atterrage , (m) Landkenning , 
(zee iv.) 

Atterrer, (v. a.) Ter aarde wer- 
pen, ni'érfmyten. 

Atterrir , (v. n.) ^an land ko- 
nterf, aanlanden, {zee iv.) 

AtterriiTement , (m) Aanflikking , 
aamvas van landt door de vloed ver- 
oorzaakt. 

Atteftation , (f) Grtui^enis , ge- 
tuigfchrift (n), atteilatie (f). . 

Attelle , ée ,adj.) Getuigd, enz. 

Attefter I (v. a.; Getuigenis gee- 
ven , getuigen j betuigen , verklaar en ; 
j'en actefte toute la Viile, ik roep 
de gantfcbe Stadt 'er oz^er tot getuigen. 

Acticisme ,, (m) Korte en zinryke 
fpreektrant (f). 

Atticurges , (f. pi,) Fierkante py- 
laaren-y {in Bouzvk.) 

Attiédir , (v.a.) Ferkoelen ,laau'w 
maaken j attiédir l'auditeur , den 
toehoorder verflaauwen-, s'attiédir, 
(v, r.) vrrjlaauzven, onluflig worden. 

Attiédiflement , (m) l'' er koeling 

Attifer , (v. z.)Opfcbikken , (oudw.) 

Attifet , (ni; y rouwen hoofdcierfel 
(n) ; {oud w.) 

Attirail , (m) Toeru/ling ( f) ; reis- 
tuig (n)j bagage ( f); rattiraild'un 
Vaifleau i Scheeps-toebehooren. 

Attirant , ante (adj.) uiamt'ekkend. 

Attirante, (f) Ken jïeep Imt , 
{eertyds gedragen). 

Attirer, (v. a.) Aanfekken, tot 
zig trekkpn; fa politeüe lui ?.ttir«--' 
tous les cœurs y zynelcleefdbeid trekt 
alle barten tot bem ; l'airrianc attire 
le fer , de zeil-fîeen trekt bet yzerna 
zig, s'attirer des enneiiùs, zig vy- 
miden op den bals haaien. 
' Attife-querelle, (m) TwLffmGutr^ 
(ItQkebrand^ aauhitzer» 



ATT. ji 

Attifer, (v, a,) Attifer le feu , bet 
vuur aanjîooken j (fguurl.) olie in bct 
vuur werpen, aanbitzen. 

Attifeur, (m) Attifeufe, {£)Aan- 
Jîooker , aanbitzer; aanjîookjler. 

Attifonnoire , (m) f^uur-baaky 
roer-yzer. 

Attitrer , (v. a.) Attitrer quel- 
cun , iemand îajl , commiflle gee~ 
ven. 

Attitude , ( f) Houding , gejîalte 
{Dansm. Beeldh. en Scbild. iv.) 

Attoilon, {m) Een boop kleine E i^ 
landjes. 

Attouchennient, (m) Aanraaking, 
vocling {£). 

Attouclier , (v. a.) Aanraak en , 
(oud w.) 

Attradlif, ive (adj.) Vertu at- 
tractive , aantrekkende kragt. 
Attradion, (f) Aantrekking. 
Attraftrice, (adj. f.) Het geen de 
kracht beeft van aan te trekken, 

Attraire , (v. a.) Aantrekken , aan- 
lokken. 

Attrait , (m) Aanîokzel-, lok-aas 
(n) , aantrekking (f). 

Attrape, (f) l^al, firik om iets 
mede te vangen (m) -, takel waar by 
een Scbip in 't kielhaalen of als't van 
't Jiapel loopt , gebouden word. 

Attrapemignon , (tsjï) Een fcbyn- 
beilige. 

Attraper , (v. a.) Vangen, krygen; 
betrappen -jSLitraper un brochet üans 
un piège , een fnoek met een Jirik 
vangen , Jirik ken ', attraper fur Ie 
f:iit , op de daad betrappen ; je ne 
puis pas l'attraper , ik kan bent 
niet agterbaalen; il m'a bien attra- 
pé , hy beeft my fcboon by de neus ge- 
bad y bedrogen ; attraper le fens 
d'une ckofe, de zin van een zaak' 
begrypen, vatten; les chevaux cou- 
rent les bénéfices & les ânes. \e% 
attrapent , {fpr. w. ) verjlandigff 
Jlaan naar ampten en de gekken kry- 
gen ze, 

Attrapoire , (f) Een Jîrikyfim- 
tne irck (ra). 

Attrayant, te (adj.) Aanlokkende, 
bekoorende. 
Actremper. {Zie Tremper). 
Attribuer, (y. a.) Tof eigenen, toe- 



js ATT. AU. AVA, 

fchryven ; s'attribuer , (v. r.) zt^ 
aanmaatigen. 

Attribut , (m) Eigenschap , hoeda- 
nigheid i iel s dat tot eenig ampt behoord 
( f)jla miféricorde eïl un attribut 
de Dieu aulTi bien que la Juftîce , 
de barmhertigheid is zoo uel een ei- 
genfchap Gods als de Gerechtigheid. 

Attributif, ive {a.Q].)Toi'r:genend. 

Attribution, (f) yerleeningv an 
f enig voorregî j toeîegging , eer.e bezol- 

AttributSj (m. plur.) Zinnebeel- 
den , {in een Schildery). 

Attriflant , te (adj ) Bedroevend. 

Attriflé , ée (adj.) Bedroefd. 

Attriaer, {v.' a..) ^Bedroefd y be- 
kommerd maaken ', s'atcrifler, (v.r.) 
^ig bedroe-Jen. 

Attrition , (f) Beroziiv tilt vree"^- 
ze der Jîraf (n) ; het 'xryven van nvee 
LigchaameH tegen elkander , {in Na- 
fuurk.) 

Attroupement , (m) r.^rgaaderingy 
Jcbaare , meenigte ( f )• 

Attrouper, (v. a.) rergaaderen, 
hy malkander en doen komen ; s' zxiron- 
per, (v. r.) by malkanderen loopen. 

Au , (art. du datif m. in 't meerv, 
»«x); aan dey aan het y als: au Pè- 
re, aan de J^ader; aux Enfans,<3a« 
de Kinderen-, au Vaifleau , aan het 
Schip ,aux Vaifleaux, aan de Schee- 
pen. 

Au , (pff P-) «'" ■> ^fi > ^^^ » ^'' » 
durci au feu , in 'tvuur gehard., tou- 
cher au doigt , met den vtnger aan- 
raaken ', pot au lait , een pot tot 
melk , mei k-pot î au jugement- de 
tous, na 't oordeel van allen -f^ être 
au lit,/«V bedde zyn; su pis al- 
ler , (adv.) ten ergjlen genomen , als 
niets deugen ivil', au refle, (adv.) 
^oor 't overige. 

Avachir , s'avachir , (gem. ct^.) 
JjOg , lui en ondeugend worden y ver- 
flenzen , zerjlappen , (van leder gez.) 
neerhangen {van takken gez ). 

Avage, {ra) Zeker Meuls markt- 
recht te Parys. 

Aval, (m. Koopm. «/.) Borgtocht, 
verzekeering negens eane Wijjelb. om 
nis de betrokkene niet betaald , de ge- 
ver o/ endoflant <fcMrvan dt waar^t 
gefff dêm zaU 



'ava; 

Aval , (adv.) Neêrwaards , met den 
jlroom; vent d'aval, zuid wejie» 
wind. 

Avalage , (m) Neêrvaart met dm 
jlroom ; '/ neêrlaaten , neêrftryken van 
iets met een takel of ivinde ; item loott 
daar van. 

Avalai fon, (f) Geweldige afloop ^ 
u-at er val; wegfpoeling van Huizen y 
enz. 

Avalanges ou Avalanches , (f. pi.) 
Sneeuw val j groot e klompen fneeuw > 
die van 't gebergte vallen en zomtyds 
keele gebugten overdekken. 
Avalant , te (adj.) Bateau avalant, 
' een met de jlroom afvaar end e f c huit ; Ie 
montant doit céder à l'avalant, 
het opvaarende moet het afvaarende 
Jchtp zvyken. 

Avalé ,ée {aà].)Neérgelaaten ;met 
deflroom neergekomen ; ivgeflokt , enz. 
Avalée, (f) Zoo, veel 'een IVeever 
af kan werken bevorens hy zyn e hoo- 
rnen af en oprold. 

Avaler , (v. a.) Injlokken , »^/r- 
zirelgen; neérvaaren', voor de he' 
! taaling eer.es fViffelbriefs inflaan ; 
avaler un affront , een e belediging 
! opkroppen; avaler du vin dans une 
\ cave, wyn in een kelder neérlaate72',KMZ' 
I 1er une branche , eenen tak af houwen, 
i Avaleur , (m) Zwelger, vraat ^ 
j gulzigaatd ; avaleur de charettes 

ferrées, eenfnoeshaan. 
! Avalies , (f. pi.) Wol van vellen 
. der geJJagte Schaapen. 
I Avaloire , ( f ) Een zvyd keelgat (n); 
itemflaart-riem (van eenPaerden-tuig)) 
jlamper (hy Hoedem.) (ro). 

Avalure , (f) Nieuwe zwamagtigt^ 
Paerde-hoef 

Avance, (f) Vooruit betaating (f) ; 
voordeel ; uitjïek aan een gebouw ; ver- 
fchot (n); donner dix pas d'avance 
à quelcun , iemand tien fchreeden 
voor uit geeven; faire des avances 
pour îa réconciliation , beginzelen 
tot eene bevrediging manken ; faire 
une avance de mille francs, een 
verfchot van looo guldens doen j par 
avance , d'avance, (adv.) van te 
voor en, vooraf. 

Avancé , ée (adj.) Gevorderd '^ 
gar4e avancée ; vitgezetts wagt., 
At»î» 



AVA. 

it , (m, 
voortgang , opkomjl (f j 

Avancer, (v. n. »Sc a.) ï\rJeren, 
voor t/c huiven f enz. avancer quelque 
chofe , iets opper t'n , op de baan bren- 
gen; avancer de 1'argent, geldver- 
Jcbieten-, l'horloge avance, het uur- 
werk loopt te ras; avancer l'horlo- 
ge ,het uuriverk vooruit zetten ;a.v^n- 
cer ua pas, eene fchreede voortgaan; 
avancer fon départ , zyn vtrtrek 
verhaajïen; avancer fes affaires, zy- 
ne zaaken voortz.tten; je n'avance 
guère, ik vorder e weinig; avancez 
un peu cette table , fchuifd die ta- 
fel een weinigje voor uit ; cette pier- 
re avance trop, die /leen fchiet te 
veel voor utt; avancer ia main , de 
hand uitjleeken ; s'avancer, (v. r.) 
voortrukken ; Ie blé s'avance fort , 
het koorn groeid wakker. 

Avanie , (f) Afknesvelary, ge- 
iveldenary der Turken ; befchimping. 

Avant, C[rep.) Foor; avant Je 
temps, voor den tyd; avant toutes 
chofes , voor alle dinsea. 

Avant, (adv.) Ferre, diep in; 
bien avant dans la nuit, zeer diep 
tn den nacht; en avant, \;oor uit; 
porffjr en avant-, voor uitjlooten; 
mettre enz.Y^nt,voordraagenyVQor- 
jïellen; avant que , {koppel-w.) voor 
dat. 

Avant , (m) Het voor/chip ( n ) , 
voorjléven , de 'boegyètve de l'avant , 
vooruit kopen ) Ie vent fe rangea de 
l'avant, de wind liep tegen; mettre 
de l'avant , voorby zeilen; Vaifleau 
trop fur l'avant, een voor -la/lig 
Schip , (S-cbeeps w.) 

Avantage , (m) Fbordeel (n) , win/ï 
( f) ; het galioen van een Schip (n) , 
parier à l'avantage de quelcun , 
met roem van iemand f pree ken; cela 
tourne à fon avantage, dat gedyd 
tot zyn voordeel; il eut l'avantage 
fur lui , h y had de overhand. 

d'Avantage, (^ie Davantage). 

Avantager, (v. a.) Bevcordee'en. 

Avantageufement , (adv.) Foor- 
deeliglyk. 

Avantageux, eufe (adj.) Foordeelig. 

Avant-bec, (m) Uitjhk (n) onder 
^ I^Un h^g (^(fsr cfe hag op mjh 



AVA. 53 

Avant-bras , (m) v Gedeelte van 
den arm , van den elleboog tot het 
gewrigt van de hand, (n). 

Avant-corps, (m) 'ƒ Foorgebouw 
(n). 

Avant-cour, (m) Foorhof (n). 

Avant- coureur, (m) Foor koper. 

Avant-couriere , ( f) Foorloopjier. 

Avant-dernier , iere (adj.) Dat 
voor den laatjlen gaat. 

Avant-fofl"é,(m)Z?£' httitenjïe gragt 
e ener vejling (f). 

AvaDt-garde, (f) De voorhoedt; 
1 'avant & l'arriére garde , de voqT' 
en a gt et hoede. 

Avant gout, (m) Foorfmaak. 

Avant-hier, (adv.) Foor- af eêT' 
gif eren. 

A van tin , (m) Takje om te enten of 
te pooten. 

Avant-jour, (adv.) Foor 't opko^ 
men van den dag. 

Avant-logis , ( m > Fcorhuis ( n ) , 
voorwooniBg (f). 

Avant-mai a , (f) Het binnenlle 
van de hand (n). 

Avant-midi, (m. & adv.) De tyd 
voor den middag; voor den middag. 

Avant-mur, (m) Foor^mur (f). 

Avant- part , ( f) Het gedeelte voor 
uit (n). 

Avant- pêche, (f) Froege Perzik, 

Avant-piéd, {m) Foorjte gedeelte 
van de voet. 

Avant -poignet. {Zie Avant- 
main). 

Avant-portail, (m) Foor hof (n). 

Avant-propos , (m) Foorreden , 
vooraffpraak ( f). 

Avant-quart , (m) Focrfag van 't 
quartier uiirs (n^. 

Avant-toit, (m) Foordak , afdak 
(n). 

Avant-train, (m) Foorgefel van 
een a f uit (n). 

Avant- veil Ie , ( f ) JD^ avot^d voor 
eenen heiligen avond. 

Avanture. {2ie Aventure). 

Avare , (fubft. & adj.) Giertg aard, 
fchrok , vrek; gierig , vrekkig ^Uhraap- 
agtig. 

Avarement, (adv.) Gleriglyk. 

Avarice , ( Î) Gierigheid. 

Avaricieux; eufe. (^;> Avare). 
^ 3 Arax 



54 AVA. AüB. AUC, 

Avarie, (f) Havengeld , anker • 
i^eUh item zee-fchaden, havery, ava- 
rice grofTe , havery gros ; {fchade die 
men door 't overboord werpen of door 
de Ze e-r over s aan de goederen lyd): 
avarie ordinaire , kletm havery , 
(gezi'oone onkq/ien van 'f Schip). 
Avafte , (adj .) Hou op , (S:hecps %v.) 
A vau-l'eau, (aâv.) Aller ^ a 
vau-l'eau , met den Jiroom neêr- 
ivaards gaan. 

Aubade, (f) Mor gen - muf t::^ dat 
een mintjoar aan zyn nu. ''nar es 
's.morgens vroeg fpeeld -, item geraas, 
gefihreeuiv- (n). 

Aubain , (m) t^reemdeïing , uitheem- 
Jihe inivoonder. 

Aubaine, (f) I^echt des Kon mg $ op 
de erffenis van e enen Vreemdeling in 
ay;; land geflorven (n). 

Auban, {m) Recht het iv e Ik men 
den Heer of zyne Gerechtsdienaaren be- 
taald -, om vryheid te hebben van zyn 
tvinkel of kraam te openen (n). 

Aube , ( £) De dageraad-, Pries- 
terlyke misgewaad ', 'plank van een 
mooïen-rad ,waar op het water valt; 
ferfie nagt ivagt , {plat voet ge- 
naamd) (Óchetps w.) 

Aube-épine ,( f) fVitte Haag-doorn 
(m). 

Auberge , ( f) Een Herberg. 
Aabergifte, (m. & f.) Herbergier, 
Waard , Hofpes ; Herbergierfier , Hos- 
pita , JVaardtn. 

Auberon , (m) Kram daar de 
tong van een flot in fcbiet. 

Auberonniere , (m) Plaatje daar 
de kram aan vafl is. 

Aubier ou Aubour , {ni) Spint in 
't hout (n). 

Aubifoin , (m) Blaamve koorn- 
hloem (f). 

Aubin , (m) Gebroken gang 'van een 
Paerd. {Zie ook blanc d'oeuf). 

Aubinet , (m) Het voor-vinken-net 
(n) , [Scheeps w.) 

Aubour. {Zie Aubier). 
Aubrier, (m) Een Havik met een 
u:tte Jiaart. 

Audion , (f) Operibaare verkoo- 
pinq van boeken. 

AuAuaire, (m) Byvoegzel (n). 
Aucun, une «'adj.) bans aucune 



( f) Stoutheid , lier mi- 



AÜC. AUD. AVE. 

difficuicé, zonder eenige zwarigheid-i 
en aucune manière , in geenerlei 
wyze. 

Aucunement? (adv.) Eenigzints', 
geenzins. 

Audace 
felheid. 

Audacieufennent, (adv.) Stoutelyk, 
Audacieux 5 eufe (ad j .) 6>om; , Vf r- 
métel. 

Au deÇî, (prep.) Au deçà de la 
rivière , aan deze zyde der rivière. 
Au de là , (prep.) /Jan geer.e zyde. 
Au devant , (adv.) Aller au de- 
vant de quelcun , iemand te gemoe- 
te çraan. 

Audience, (f) Gehoor (n); au- 
diëntie-zaal (f ) } donner audience , 
gehoor verleenen. 

Audiencier , (m) Deurwaarder van 
het laag e gerecht. 

Auditeur, (m) Toehoorder; And*- » 
teur des comptes, een Arnptenaar'< 
die de Rekeningen opneemd, naziet. 

Auditif, ive (adj.) 't Geen het ge- 
hoor betreft. , 

Audition, (f) Audition des té- 
moins, verhoonng der getuigen; au- 
dicion des comptes, het nazien der 
rekcrAugen. 

AudKoire, (m) Gehoorplaats ; de 
Vergadering (f). 

Avé , (m) Groetenis van den Engel 
aan M ar ia (f). 

Avec , ( prep.) Met , mede; avec 
moi , r,-^et my. 

Aveindre , (v. a.) Uit een kafi haa- 
ien , aanreiken , {vjeinig geh.) 

Aveine ou Avoine , ( f) Haveif 
(m). 

Aveline, (f) Hazelnoot. 
Avelinier, (m) Hazelaar, {betei' 
Coudrier). 

Avenage , (m) Haver-tiende , die 
men aan den Grondheer verfchuldigt is. 
Avenant, te (pare.) Le cas ave* 
nant, het geval gebeurende. 

Avenant , te (adj.). Chofe ave- 
nante, een behoorlyW^zaak ; à l'a- 
venant , (adv.) naar maat e, naar 
advenaüt, (à proportion). 

Avènement, (m) Avènement au 
trône , konfi tot den troon. 
"^ Avejiir, (v. u.) Gebeurmp (^-ord 
aileett 



AVE. 

éilfee» împerCoïiiielyk geb.) ilavint, 
bef gebeurc(e. 

Avenir, (m) De toekomer.de tyd; 
à l'avenir, IÎ7 V toekomende. 

Avent , (m) Mvent , tydvoor Chrii- 
ti geboorpey {in de R. Kerk). 

Aventurej(f ) H^^aa^ingi^ï); voorval, 
lotgeval {n); gefchiedetiis (f); avan- 
tures galantes > minnen -gevallen y 
difeur de bonne aventure, goft/pr 
geluk zeggen j mal d'aventure , di' 
fyt aan de vingers ; la grofle a- 
yenture ,4>odemry , (Koopm. w.) 

à l'Aventure, (adv.) Onbezonnen; 
Û d'aventure, zoo by geval. 
Aventurer, (v. a.) fVaagen. 
Aventureux , cuie (adj.) ff^aag- 
ogtig , {oud w.) 

Aventurier, iere(ni.& £.) Waag- 
hals ; zwerver , gelukzoeker; lan'd- 
loopjfer. 

Avenu, ue (adj.) Gebeurd, voor- 
gevallen. 

Avenue , (f) Toegang tot iets-, 
laan , wandeldreef met boornen be- 
plant (m). 

Avérer, (v, a.) Beivyzen, ivaar- 
maaken. 

Averne , (m) De Helle , (woord 
by Dicht, gebez.) 
Averfaire. {Zie Adverfaire). 
Averfe , (adv.) il pleut à ver- 
fe , het regend dat het giet , het Jlag- 
' regend. 

Averfe. {Zie Adverfe). 
Averfion, (f) Tegenzin {£),haat 
afkeer (m). 

Averfité. {Zie AdverGté). 
Avertin,(n3) Ziekte des gemoeds 
waar door iemand woedend word (f). 
Avertir. ? (v. a.) JVaarfchuuwen , 
berichten. 

Averciffement , (m) Bericht ( n } , 
waarfchuuzving {t'). 

Avertifleur , (m) JVaarfchuuwer 
van 't Hof. 

Avette , (f) Een Biet] e, {by Dich- 
ters), . 

Aveu , (m) Bé^^tenis y toejlemming, 
bewilltging ; un homme fans aveu, 
een Lamilooper , onbekend menjcb. 

Aveugle, (fubft. & adj.) Een blin- 
de; blind; aveugle né, een blind 
geborene; au païs des aveugles les 



AVE. AUG. AVI. j5 

borg nes font Rois , in 't land aer 
bl:nJen is een-oog Koning {fpr. w. ) 
paffion aveugle , blinde liefde. 

à l'Aveugle, (adv, In den blinde. 

Aveuglement, (adv.) Ulindelyk. . 

Aveuglément, (m) Blindhetd{£); 
onv erfland (n). 

Aveugler, (v. a.) Blinden ^ ver- 
blinden. 

Aveuglettes ou à tâtons, (adv.) 
Blindelings , by den iafi. 

Auge , ( f) Trog , bak (m). 

Augée, (f) Een hak vol. 

Auget, (m) Eetenf-bakje voor een 
P^QOgel-kooy (n). 

- Augment, (m) Augmsnt de dot, 
vermeerdering van Bruidfchat , {in 
Rechten (f). 

Augmentateur, trice, (m. & f.) 
l^^ermeerderaar , vermeerderaarfer. 

Augmentatif , iye (adj.) Fer meer- 
derend. 

Augmentation , (f) f^ermeerdt- 
ring. 

Augmenter , (v. a.) Vermeerde- 
ren ; s'augmenter, (v. r.) toenee- 
men , acmgroeijen. 

Augurai , aie (adj.) Dat de ÏVaar- 
zeggery aangaat. 

Augure ; (m) Een waarzegger , wig- 
gelaar (m) ; voorteeken (n) , voorfpel- 
(ing , wiggslaary utt de vlugt der voge- 
len (f). 

Augurer, (v. a.) Iets voorbeduh 
den, voorfpellen ; j'en augure quel- 
que choie de bon, ik voorfpel daar 
iets goeds uit. 

Augufte, (adj.) Heerlyk , voortref' 
felyk , uitmuntend. 

Auguftèment, (adv.) Overheerlyk, 

Avidluaillement , (m; Bezorging 
van levensmiddelen { f). 

Aviduailleur , (m) Een die een 
Schip met levensmiddelen (vi^uaille) 
voorziet. 

Avide? (adj.) Greetig^ begeerig, 
hongerig; avide de gloire, ecrzug^ 
tig. 

Avidement , (adv.) Gretigtyk , zie* 
rigtyk. 

Avidité , (f) Gretigheid , begeerte. 

Avilir, (v. a. Ik n.) l^erjlegten, 
gering, verachtelyk maaken , of voor- 
den ; m prys afjïitan, 

D 4 Avi- 



5(5 AVL AÜL. AÜM. 

Avi I iffemenc , ( m ) f^erjlegtwg , 
verachting (f). 

Avillons , (ra) De achter-klaau- 
vjptt van een Roofvogel {by Valke- 
niers). 

Aviner , (v. a.) Met ivyn doortrek- 
ien laat en. 

Aujotird'hui, (adv.) Huiden, he- 
den , van daag. 
Aviron , (m) Een Roei-riem. 
Avironner, (v. a.) Roeijen. 
Avis, (m) Berigfy gevoelen (n); 
raad {va)', donner des avis, raad 
geeven; donner avis ,bengt geeven, 
à mon avis , tia myn gedagten; let- 
tre d'avis, advys-brief; il m'eft a- 
▼is , my dunkt. 

Avifé , ée (adj.) Bedagt^ voor- 
zichtig ; bien , mal avifé , wel , kwa- 
lyk bedagt. 

Avifement , (m) Gedagten (f), 
denkbeeld (n) , {oud w.) 

Avifer , s'avifer , (v. n. & d..) er- 
gens op bedagt zyn ; on y avifera ; 
men zal 'er om denken , avifez vous y , 
itedenkt 'er U op -, il s'av'fa de Ie 
iaire , hy vond goed het te doen. 

Avitaillement , (m) Bezorging van 
levensmiddelen. 

Avitailler , _(v. a.) Van leeftogt 
voorzien-, proviandeeren. 

Aviver , (v. z.) Luchtig fchoon- 
fnaakcn; polyjlen-, aviver une pier- 
re &^c.eenjîeen zuiver vierkant maa- 
ken; aviver le feu, het vuur helder 
doen branden. 

Avives, (f. pi.) Klieren aan de 
gorgel van een Paerd. 

Aulique, (adj.) Confeil aulique , 
JQizerlyke Ryks - hofraad ; chambre 
aulique, Opperryks-kamer. 

Aumailles , (f. pi.) .allerhande 
Jioorn-vee (n). 

Aumône, (f) .t^almoBS (n); faire 
J 'au mône , aalmoejfen geven j deman- 
tier l'aumône, beedelen. 

Aumonée , ( f) Brood 't welk men 
V2a P(n hegraafenis den armen geeft (n). 
Aumóner, (v. a.) Begiftigen, iets 
cis een aalmoes geven. 

A n móne r ie , ' (f) Aalmoeffenier- 
fch.p (nh 

Auu.onier ,(m') j^almoejfinier ^Ka- 
;fellaan op een bcbip. 



AUM. AUN. AVO. 

Auraönier, re (m. & f.) Een die 
milddadig is aan den armen. 
Auraôniere , ( f) Kerk-butdel (m). 
Aumuce , (f) Armelyn bont, het 
welk de Kanunnikken op den arm dra' 
gen als zy den dienfl doen (n). 
Au nage , (m) Ellen-maat { f). 
Aunaie , ( f ) Elzen-bofch (n). 
Aune, (m) Elzen-boom. 
Aune, (f) Eene elle; il mefure 
tout le monde à fon aune, hy cor- 
dée ld een ieder naar zig zelven; je 
fais ce qu'en vaut l'aune, ik weet 
wat 'er op loopt y babiller tout du 
long de l'aune , in de lengte heén 
praaten-, au bout de l'aune faut le 
drap, by Jlot vati rekening zal men 
dit wel vinden , {fpr. w.) 

KnnQT ,{v.?i..)Met de Elle meeten. 
Auneur , (m) Amptenaar , die aan- 
gefield is om de Ellen te yken en te 
bezien. 

Avocafler , fv. n.) Het ampt van 
Advocaat woarveemen , {gem. w .) 

Avocaflerie , (f) Het ampt van 
een Advocaat (n) , {èem. en oud w.) 

Avocat, (m) Voorfpraak, Advo- 
caat. 

Avocate , (f) Voorjlandjler , be- 
fchermfler. 

Avocatoire , (adj. & fubft.) Dat tot 

de voorfpraak of deszelfs ampt behoord; 

item Keizerlyk bevelfchrift. 

Avoine , ( f) Haver. {Zie Aveine). 

Avoinerie , (f) Plaats die met 

haver bezaait is , baverland. 

Avoir, (v. a.) Hebben, bezitten, 
genieten; avoir du bien, ryk zyn; 
avoir chaud, froid, warm, koud 
zyn; avoir roin,zor^ draagen', (NB, 
in 't Boekhouden zegt men doit avoir in 
plaats van credit) ; y avoir , zyn , wee- 
zen; il y a, daar is, daar zyn; il y a 
huit jours, het is acht daagen geleden, 
{Zie verder de uit legging van d'A.) 

Avoir, (ra) Goea , vermogen, be- 
zit (n); c'efl tout mon avoir y dat 
is alles het geen ik bezit. 

Avoifmement 9 (m) J^ykoming , 
nadering (f). 

Avoifiner, (v. a.) Naderen, ge- 
naaken ,Kabuurig zyn. 

Avorté , ée (adj.) J\j[iskraamd > 
mhl'aürd} mislukti 



AVO. AUP. AUR. AUS. 

AvürcemCiiC, (m) Misdragt , mis- 
<Wfrpii!g der dieren (f). 

Avorcer , (v. n.) Mtskraamen^mis- 
draagen ; voor den tyd iverpeti } avor 
ter en quelque entreprife, in eùni- 
ge onderneemin^ mislukken. 

Avorcon , (m) Misdragt , misge- 
boorte , ontydige vnigt ( f) ; quel pe- 
tic avorton ell cela.^ ^vat voor een 
onderblyfzel is dat ^ avorton de l'es- 
prit, jcbrift of werk dat niet wel 
uitgevoerd is. 

Avoué , (m) Schuts-heer , voorjian- 
der eener Kerk of Kloojïer. 

Avouer, (v. a.) Erkennen, beken- 
nen , topjiemmen , goedkeuren. 

Avouërie > ( f) Patroonfchap van 
een Kerk (n). 

Avoyé , (m) Amptman in fommi- 
ge Zwitzer^che Steden. 

Avoyer, (v.n.) Beginnen te waai' 
jen , (zee w.) 

Auparavant, (adv.) liante vooren, 
ahoorens. 

Au-pis-aller ^(advO Op zyn kwaad' 
Jlen genomen. 

Auprès, (adv.) By , digte by; ei 
auprès, hier by. 

Auprès , (prep.) Auprès du feu , 
^y het v««r; auprès de lui ^by hem-, 
être auprès d'un grand Seigneur, 
by een groot Heerwoonen, zyn; vo- 
tre mal n'eft qu'une bagatelle au- 
près du mien , une kwaal is maar 
eene beuzeling by de myne. 

Auréole , (m) Straalkrans , om het 
hoofd der heiligen. 

Auriculaire , (adj.) Confeffion 
auriculaire , oorbiegt ; témoin au- 
riculaire , oorgetuigen-, doigt auri- 
cnkaxxe-, jcie ptnk of kleinjïe vinger. 

Avril , (m) April, grasmaand; 
l'avril des jours, de lente der dagen 
{by Poëet en). 

Anrillas , {m) Vaerd met lange 
oor en. 

Auronne , ( f) Averocn , {een kruid). 

Aurore, (f) De dageraat {m); 
't morgen rooi (n) ; eene frijfche 
fchoonheid (f) j geele vergulde ko- 
leur {{); de l'aurore au couchant, 
van het ooflen tot het ivelJen. 

Aufpice , (m) Voorzegger by de 
lUidancn die uit j^e vlvgt j gezang enz. 



AUS. AÜT. 57 

der vogelen iets wiji te voorfpeilen j 
item 't voorteken zelfs (n). 

Aufpices ,(m. pi.) Né fous d'heu- 
reux aufpices , onder gelukkige 
voortekens of in eene gelukkige tyd ge' 
booren; c'ell fous, vos aufpices que 
je , het is onder uwc befchuttinge 
dat ik enz. 

Aufpicine , (f) Konfl om door de 
vlugt , het gezang of eeten der voge- 
len, tets te voorjpeUen. 

Aufil , ( conj. ) Zoo, ook; aufS 
grand que vous, zoo groot als gy -, 
auffl beau que fage , zoo fchopn als 
verjlandig; vous y avez été & moi 
aulfi, gy bebt 'er gexveejl en ik ook; 
ayez loin de vos affaires; arifiî ai 
je , let op u zaaken; zoo doe ik ook; 
il ell plus fage , auiïi eft il plus âgé , 
hy is wyzer , maar hy is ook ouder; 
il efb auâj fage , que vaillant ? hy is 
zoo voorzigtig , als dapper. 

Auffî -bien que , (conj.) Zoo 
wel als. 

AufTi-peu que, (conj.) Zoo wei- 
nig als. 

Auffi-tót que, ( conj. ) Zoo ras 
als; auffi-töt dit, auffi-tót fait, zoo 
gezegd , zoo gedaan. 

Aufler , (ni) Een zeer warme wind-, 
zuiden wind. 

Auflére , (adj.) Mener une vie 
auftére , een fîreng leven lelden. 

Auftérement , (adv.) Strengelyk. 

Auftérité, (f) Strengheid. 

Auftral, aie (adj.) Zuiderlyk^jto. 
Ie auftral, zuidcr afpunt ; la mer 
auftrale, de zuider-zee; terres au- 
llrales , de zuid-landen. 

Autan , (m) De zuid-oojle-ivind. 

Autant , (adv.) Zoo veel ^ even 
zoo veel; j'ai autant que vous, tk 
heb zoo veel als gy; dix fois autant, 
tienmaal zoo veel; ai-Uant de têtes, 
autant d'avis , zoo veel hoofden , zoo 
veel zinnen; je l'aime autant que 
vous 5 tk bemin hem zoo zeer als ^y, 
of als U;]e l'ai vendu tout autant, 
ik heb hep juiji voor zoo veel vtr- 
kogt. 

d'Autant plus, (adv.) Zoo veel te 
meer ; d'autant moins , des te min' 
der; d'autant que, dewyl , vermits. 

Autel, (m) Altaar, Qutaar (n); 
D 5 îTiai- 



5^8 AUT 

maître ou grand Autel, bet hooge \ 
^utaar. 

Auteur , Autrice , (m. & f.) Schry- 
ver , uitvinder , oorzaak , aanvanger , 
Jiigter j fchryffier , uitvimijïer ( van 
een boek of konji). 

Authenticité, (f) irettigheid, ge- 
kofwaar digbeid. 

Authentique , (adj.) JVettig , ge- 
loofwaardig. 

Authentiquée , ( f) f^rouw die van 
oVerfpel overtuigd word. 

AuthentiquemenL, (adv.) Gela f- 
waardiglyk. 

Authentiquer, (v. a.) Een fcbrift 
ondertekenen, 

Autocéphale, (m) {Griekfch w.) 
Een opperfle aayivoerder. 

Autocrateur , trice {m.&i^ï.) Zelfs 
behouder-, behouder effe - {titel in Rus- 
land)» 

Auto-da-fé, (ra) (Pcrtug.w.)ron- 
KÏs der Inquifïtie. 

Autographe , (m) Iemands eigen 
bandfchrift (n). 

Automate , (m) Kot7jJ-u'erktttig dat 
door zig zelfs beweegd (n); item een 
die zonder onderwys leerd. 

Automnal, aie (adj.) Herfflacbtig', 
fleur automnale, berfjî-bloem. 



,AUT.AUV.AÜX.AXE.&c. 

Autourferie , ( f) Koujt om de Ha-» 
vikken ter jacht af te rechten. 

Au tourfier, (m) Een die dezelve 
daar toe af re ebt. 

Au-travcrs OU A-travers, (prep.) 
{het eerfïe regeerd de gen. en het zde 
de accuf.) Dwars over , of door , au- 
travers du corps , dwars door 't lyf-. 



Automne, (f) Herfjï; {fguurl.) 
aannaderende ouderdom (m). 

Autorifation > (f) Macht -gezag- 
geving. 

Autorifer , (v. a.) Gezag geven -, 
être autorifé de quelcun , van 
iemand gevolmachtigd zyn. 

Autorité, (f) Gezag ^ aanzien, 
vermogen (n);ufer de fon autorité, 
zyn gezag gebruiken j autorité de 
quelque Auteur confidérabie , een 
aangehaalde plaats van eenig ver- 
maard Schryver-, autorité ^abfoluë, 
onbepaalde magt. 

Autour, (prep.) Omtrent ^ rond- 
om } eet habit me coûte autour de 
cent écu s , dit kleed kofî my omtrent 
loo kroonen -, autour de l'Egiife, 
rondom de Kerk-, tourner autour du 
pot , om het kantje praaten ^{fpr. w.) 

Autour, (adv.) Tourner tout au- 
tour,»» 't rond draaien i rondom her 
gaan. 

Autour , (m) Een Havik. 



a-travers ia Viiie, dzvars door'de 
Stadt. 

Autre i (m. & f.) Een ander , eene 
andere', l'un ou l'autre , een van 
beide-, m l'un, ni l'autre ,^é'f« van 
beide; une autrefois, op een ander- 
maal; l'autre jour, onlangs; l'un 
vaut l'autre, de eene ts de andere 
waard ; de parc & d'autre , van 
zueérszyden , overal; c'eil bien un 
autre homme, dat is een gantfch an- 
der man ; c'ell une autre paire de 
manches , dat is een andere zaak; à 
d'autres , maakt dat de kinderen 
wys; c'efl un autre Alexandre , /^^r 
is een tweede Alexander. 

Autrefois, (adv.) Eertyds , voor- 
maals , weleer. 

Autrement , (adv.) Anders, an- 
derzints; on parle tout autrement 
; ^ de cela, men fpreekt daar heel an- 
ders van. 

Autrepart, (adv.) Elders, op een 
ander plaats. 
Autruche, (f) Strats-vogel {m). 
Autrui, (m) Iemand anders ; ie 
bien d'autrui , een andermans goed; 
il ne faut faire à autrui, que 
ce que nous voudrions que nous 
iîxt fait, men moet aan een ander 
nietsdoen, 't geen wy niet willen dag 
ons gefchiede. 

Auvent, (m) Luiffel voor een win~ 
kei of huis (n). 

Auvernas ou Auvernat , (m) 
Zwaar e Orleanfche wyn. '* 

Auvesque , (ra) Zekere aangenach 
me appel-dravik (m). 

Auxiliaire , (adj.) 't Geen hulp 
geeft ; des troupes auxiliaires , 
hulp-benden ; des verbes auxiliaires, 
behulpzaame werkwoorden. 

Axe, (m) Spil, as van een bol; 
l'axe du monde, de as van de waereld, 
Axi , boort van peper. 
Axiome j (m) Aangenomen grond- 
'Jlel-regel. Axon- 



AXI.AXO.AYA.AYE. &c. 

Ar.onge < u Axunge, (f) Reuzel; 
menfchen-vet tot een geneesmiddel be- 
reid. 

Ayant « ("part.) Hebbende. 

Aye , (interj.j Ach I ochi 

Ay^ ui. [Zie Aieul). 

Azerolt', (m) Wilde mispel. 

AzcroUer , (m) Pfilde mtspel-boom. 

A?.imu., (m) iop kri>'g , top-boog. 

Aziinutal, aie (aJj.) Top-kring- 
achtig. 

Azot, (m) Eerflejloffe der metaa- 
len 5 {in Smeltk.) 

A/.ur , (m) Btaauw , hemels-blaauw, 
azuur (n). 

Azuré , ée (adj,) Dat hemels- 
blaauiv geverft ts; les voûtes azu- 
rées , de azuur-gewelven , de hemel j 
les plaints azurées , de azuure vel- 
den-) de zee. 

Axurer | (v. a. ) Hemels-blaauw 
fchilderen. 

Azye. {Zie Afyle). 

Azyme, (m. «Scadj.) Pain azyme , 
ongezuurd brood; la féte des azy- 
mes , het feefi der et^g- hevelde brooden. 

Azymice , (m. & f.) Een die on- 
gezuurd brood eet. 

B. 

B(m) B. (f) 2de Letter van het 
' Af B , C; il eft marqué au 
B, {dat is) boiteux-, boigne jboffa Î 
hy is l'an onzen Lieven Heer get ee- 
kend , als : kreupel , eenoogtg , gebuid * 
B quarre, & B mol, B duur en B 
mol y {in iVluftcq). 

Babeurre, (m) Karnemelk (f). 

Bauiclie, (f) :>cboot-hontje (n). 

Babil,(m) Gebabbel y geklap, ge- 
fnap (n). 

Babillard, de (adj.) Klapachtig. 

Babillard > de (m & f.} Klapper; 
fnarjl^r, klappye. 

Babill«fr ,(v. n.) Babbelen ^ klappen. 

Babilloi re , ( f ) Ploegbankje ; klap- 
' bankje (n). 

Babijie , (f) De muil van een 
-^ap^ Kop enz. (m) de grofles babi- 
nes , groote lippen j groote fmoel. 



BAB. BAC. 59 

Babioles, ( f. pi.} .^-nder fpeeltuig, 
poppen goed {w); beuzelingen. 

Bâbord ou Basbord , (m; Bakboord^ 
de linkere zyde van een óchip. 

Babouche ? ( f ) Een Turfche fcboen 
(m), 

Babouin, (m) Een Baviaan; bai- 
fer Ie babouin , zig voor iemand ver- 
ootmoedigen ; in de bus blaazen , 
{fpr. w.) 

, Babouin , ine (m. & f.) Nar , 
aapengezigt ; zottinne, malocr. 

Babouiner , (v. n.) Poeizen maa^ 
ken. 

Bac , (ra) Praam, platte fchuit ) 
pont; water-trog ; f iintein-kajl (f). 

Bacalas, (m/ Kajuii-lyjï van een 
6 chip {f). 

Bacaliau , fm) Kabeljau , Bakkeljau, 

B:icca!auréat , (ra) Eer-trap van 
een Candidaat na zyn examen. 

Bacchanales, (f. pi.) Bacchus 
feejien. 

iJacchanalifer , (v. n.) 'Lujïig eéien 
en drinken. 

Bacchantes ? (f. pi.;) Bacehus Pries-> 
ter innen. 

Bacchus, (m) Wyn-god, {by Poe., 
ten); item wyn. 

Bache , {\r\)Wa gen-ze il , dekzel{n)„ 

Bachelier, {vù) Meejîer in deGad^ 
geleerdheid, IVysbegeene enz. 

Bachique, (adj J Air bachique ; 
drink -lied. 

Bachot , (m) Veer-fchuitje (n). 

Bachotage, (n.) He( overzetten ^ 
overvaaren (n). 

Bachoteur , (ra) Veerman. 

Bacille , (m) Zte-fer.kcl , {een kruid). 

Bâclage, (m) Ilavcn-^tld; het re- 
guleeren der Schepen in een haven , (n). 

Bacier, (v. a.) Deur , vengjier of 
haven met een boom Jluitrn ; orde 
Jlellen op het in- en uitvaaren van 
Scheepen in een haven; une affaire 
bâclée , eene afgedaane zaak. 

Bacquet. {Zie Baquct). 

Baftréoles, (f. pi.; Snippers van 
bladgoud. 

Baciil, (m) Een Jïanrt-riem. 

Baculer, (y. a.) Met een knuppel 
fiaar.. 

Baculométrie . (f) Konf; om met. 
eenJJok hoogt ens , enz. te meet en. 

Ba- 



^ BAD. BAF. BAG. 

Badaud, aude, (m.&f.) Een b->t- 
ferik, dommerik f gaapjiok i les ba- 
dauds de Paris, û?f Paryfche gaapcrs. 

Badaudage , (m) Het rondomgaa- 
fen (n). 

Badauder, (v. n.) Heen en weer 
gaapen , Jïaan kyken als een gek. 

'Bz.à^nàeviQ, {f) Zotterny. 

Badaudi»me,(ra) Omozelbe id, gek- 
heid {{), 

Badelaire , ( f) ZiOfel , ( in Wa- 
penk.) 

Badigeon , (m) Mortel van Jteen- 
gruis , {Metzeliv.) 

Badigeonner, (v. a.) Met zooda- 
nig bejlryken. 

Badin, ne (adj.) Boertige korts- 
ivytig. 

Badin ,ne (m,& f.) Boerter , korts- 
ivylige. 

Badinage , (m) Klugt , fpotterny , 
iortsivyl (f). 

Badine, (f) Vuurtangetje (n). 

Badinement, (adv.) Op eene korts- 
'U'ylige zvyze. 

Badiner, (v. n. & a.) Boerten , 
gehfchoeren; zig kind'.^racbtig aanji el- 
len-, Jlii7geren , wippen , {van iets dat 
ha^gt). 

Badinerie , ( f) Gekkery , boerte- 
ry; kinderachtigheid. 

Bafouer, (v. a.) Iemand uitmaa- 
ken, bpfpGtten^ {gpm. u\) 

Bafr'e , (f) igeni. tv.) Gulzigheid. 
{Zie Gourmandife). 

Bâfrer , (v. a.) (gem. iv.) Gulzig 
e et en. 

Bafreur , (m) {Zie Gourmand). 

Bagage, (m) Reis-tuig (n) ; plier, 
trouffer bagage .,inpakken yweg gaan , 
bet baazenpad kiezen. 

Bagarre , (m) Oploop (m) , geraas 
van volé (n) , [gem. zv.) 

BagaTe , ( f) Hoer Jmots ^(gem. w.), 

Bagatelle, (f) Kleinigheid. 
y Bagaielles! ( interj.) Is 't anders 
niet ! ivf ? ! zveg ! 

Bagaude , (m) Landlooper ^(oudw.) 

Bagne , (m) Plaats daar men de 
Slaaven opfiuit (f'. 

Bagnolecce, (f) Een knif, muts 
fier vrouivcn d:e 't hahe aangfzigt 
hedAt. 

ra^ue , ( f) Ring } Stfpk-rng (m) ; 



BAG. BAH. BAT. 

courir la bague, wa^of^ ringjleek.ft; 
il s'en ert tiré bagues fauves , (ypr. 
%v.) hy is 'er heels buids ^ zonder f cbaa- 
de afgekomen. 

Baguenaude , ( f ) Zeker oud rym 
(n). 

Baguenauder, {v. n.) Kinder Jlree- 
ken begaan , {gem. iv.) 

Baguenaudier , (m) Een Lanter- 
fant; Ltnzen-boom. 

Baguer , (v. a.) De plooijen aan 
een kleed begten. 

Baguette, (f) Roedje, Jlokje (n)j 
fptts-roede (f); vuur-pyl-Jïok , laad- 
Jïok , fiamper j Dearivaarders ftaf', 
Trommel-jiok (m); pafTer par les ba- 
guettes , door de fpits-roên hopen ) 
commander à baguette, met magt 
beveeleny baguette divinatoire, w/- 
chel-roê. 

Baguier , (m) Rin^kajlje (n). 

Bahut, (m) Reis-kqfer{n),kiJI{e). 

Bahut er , (m) Koffer. maaker. 

Bai , baie, (adj.;Cheval hd.iteen 
karjïanje bruin Paerd ; bai clair , 
licht brui». ' 

Baie, (f) Bezie, heffe y baie de 
laurier, laurier bézie ; baie , een 
baay , bogt ( f ) > een open vak in een 
muur voor een deur of vengjier (n)j 
baie , b^driegcry , {dit laafjle een 
geni. IV.) 

Baier. {Zie Bayer). 

Baigner, (v. n.&a.) Baaden ; be^ 
fpoelen j cette rivière baigne les 
xïWLrs^die rivier befpoeld-, loopt ia^gs de 
muuren y fe baigner, (v.r.) zig ba'aden. 

Baigneur, eu fe (m. & f.) Baader, 
baadjlery bad-meejler. 

Baignoir , (m) BadJîoof{ f ) ; Baads 
plaats. 

Baignoire, (f) Bad^kuip (f), 
waf ch- vat (n). 

Baigu. {Zie Bégu) (ra). 

Bail , (m) Baux , (plur.) Gifi ^gaa^ 
ve; J^uur-cédeli ceel-, pacbt -brief -, 
bail d'amour , Huwelyks contraâ 
(n). 

Bail e , (m) De naam van den Ve- 
netiaanfcben Gezant te Conjlantwo- 
polen. 

Baille , ( f ) Balie , tobbe , {Scheept 
w.) 

Bâillement , (en) geeu^f^g { *')• 



BAI. 

Bâiller, (v. n.) Geewwf»-, bâil- 
ler après quelque chofe, ergens m 

baaken. 

Bâiller , (v. a.) Langen , aanrei- 
ken-, bâiller à ferme , verpagfen', il 
me l'a baillé belle, (fpr. «/.) hy 
heeft my lelyk opgezet y ivat fraays 
cp, de mouw gefpeld. 

Baillerefle , ( f ) Verpacbtjier. 

Eailiet, (adj.) Un Cheval baillet, 
»en vaal Paerd. 

Bailleul , Bailleur , (m) Een ber- 
Jîelder van verrekte leden. 

Bailleur, eufe (m. & f.) Gaapef , 
gaapjlok ', gaapjler. 

Bailleur , (m) l^erpacbter ; bailleur 
de caiïade , de bourdes , een bedrie- 
ger , die iemand wat wys maakt. 

Bailli , (m) Baljuw j i>chout , Jmpt- 
man, Drojfaard. 

Bailliage , (m) Baljuwfchap , 
Schout s-ampt (n). 

Baillive , (f) SchoutinKe , (beter 
femme de Bailli). 

Bâillon , (m) Bal, prop die de 
G aauw dieven iemand in mond Jiop- 
pen om niet te fchr eeuwen. 

Bâillonner j (v. a.) Den mondjlop-' 
pen. 

Bain , (m) Bad (n), bad-plaats , 
had-jîoof ( f ) ; prendre les bains ;, 
de baden gebruiken. 

Baïonnecte, (f) Spits en tweefny- 
dend mes (n) î bajonnet die men op 
een Jnophaan zet. 

Eajou , (m) De bovenjle plank van 
*t roei' van eenfchuit. 

Bajoue, (f) Kinnebaks bammetje 
(n). 

Bajoues, (f. pi.) Zy-flukken van 
$en glazrnmaakers looJtrrk':^ r. 

Ea:ram ,' (m) Een pejl by de Tur- 
ken (n). 

Baifemaîn , ( m ) Een eerbiedige 
handkus van een Vajfal aan fynen Leen- 
heer (f). 

Eairemaïns, (f. pi.) Groetenis,ge- 
biedems (f). 

Eai fendent , Cm) Kujfmg j voet -kus 
van den Paus ( f). 

BaiTer, (v. a) Zoenen <> kujfen-, je 
vous baife les mains, ik ben u die- 
fiaar% bai fer le verrou > de deur- 
grendtl kiijfen-, bedroejd îf^en gaan y 



BAI. BAL. 5« 

(Jl>r.w.) ; les ais fe baifent , de plan* 
kenjluiten dtgt aan malkander, 

Baifer , (m) Een kus 9 zoen, 

Baifeur , eafe (m. & f.) Kujfer, 
die gaerne kujl, 

Baifctter, (v. a') \{gem. w.) D/*- 
wils kujfen. 

BailTé, ée (adj.) Neergebogen, g&* 
bukt. 

Baiflement , (m) Bukking { f ). 

Baifler , (v. a.) Neêrbukken , but» 
gen', baifler les yeux, d'oogen neêf 
flaan', baifler le pavilUon, de vlag 
Jiryken j donner tête baiffée dans 
4m combat ,fioutmoedig , onvertzaagù 
IfS'f ^e'vegt ^aan. 

Baifler, (v.n.) La ririère baifle^ 
de rivier valt, ebt-, le jour baifle , 
de dag daald; fon efprit taifl"e,2yi» 
verjîand verzwakt. 

Se Baifller , (v. r.) Zig bukken, 

Baiflîer é , ( f ) Zinkfel , grondzop (n)* 

Bai fur e > (f) De iveèke zyde wm 
een brood. 

f al , (m) Het bal, dans-gezelfcbap 
■■ 

Balade i &c. {Zie Ballade). 

Balafre, (î) Sneê,Jcbram in V 
aangezi^f. 

Balafrer, (v. a.) Een fneede in *t 
aangezigt geven. 

Balai, (m) Een bezem-, c'efl: un 
balai neuf, nieuwe bezems vegen 
fchoon , {fpr. w. ) balai du ciel , 
{fpr.w. by Zee-l.) de noord-^ejie-wind., 

Balaier. (Zie Balayer). 

Balais, (adj.) Rubis balais, ^m 
bleek robyn. 

Balance, (f) Weegfchaal , fchaat -, 
waag', evenaar j être en balance, 
in twyffelagtigbeid zyn. 

Balancement , (m) Slingering , on- 
rujî, beweging. 

Balancer , (v. a.) Stir geren ^fchon- 
gelen , beivegen , in evenwigt houden - 
overwegen, wikk.vi; le gain balança 
la perte, de wirjl ïveegt de fcbade 
op; balancer une affaire, ee}7e zaak 
overwegen. 

Balancer, (v. n.) Tf^ankeleny on^ 
zeker yn. 

Ealancier , (m) Baîansmaaker^ 
Jlinger van (en- uvrwerk', onrufl van 
een braa.ifpif, 

«2. 



fS2 BAL. 

.. Balan^îrtes oa Valenclnes,(f. pi.) 

Toppfnan(s brajfen -, zeker touwcrk 
aan de tnaJJJiengen , raas van een Schip. 

Balançoire ou Brandilloire , (f) 
'Schofigel , fchopjhel. . 

Balandran , (m) Reis-rrgen-mantel ; 
duijierms , (by Poëten) {£). 

Bal an e , (m) De pappe bogt van 
een touiv (f). „ » ., 

Ballau OU left, (m) Ballafl van 
van een Schip (f)- 

Balaulle , (m) i^ilde granaat -hloe s- 
fem. 

Balaaftier , (ra) IVddc granaat- 
boom. 

-Balayer , (v. a.) Reegen met een 
hezetn. 

Balayeur, (tn) Feeger -, bezem- 
f}:aaker. 

Balaye-jfe, (f) Veeg fier. 

Balayures, (f. pi.) Uitvaagfel(n). 

Baibuciement , (m) Stamenng ( f). 

Balbutier, (v. n.) Stameren, be- 
zwaard fpreeeken. 

Balcon, (m) Uitjîek^ balkon (ni. 

Baldachin ou Baldaquin , (m) 
Hemel over het Sacrament of hoofd 
van den Paus. 

. Baleine, (f) Pm fFahifch (ra); 
Walvifch been , balein (n). 

Baleineau , (m) Jonge Wahifch. 

Bal er. {Z,e Baller). 

Balearille , (f) Een graadftok 
(m), (by Zeelieden). 

Balevre, (f) De onder lip; item 
(in Bouivk.) een uitjiekendef^eendie ge~ 
iyk gemaakt moet ix'orden. 

Balier. (ZïV Balayer). 

Baline, (f) Grofpak-Unnen (n). 

BaUre,i(f) Een baaken,'t zyton of 
éiergelyk. 

Balifer, (v. a) Een baaken zetten. 

Ealifeur , (m) Baakenmeejler. 

Bal i fier , (m) Zekere plant met 
Ireede bladeren .> vjaar v^ede de Wil- 
den de hutten bedekken. 

Balifte, (f) fié"» machine by de 
«uden om fieentn mede te iverpen. 

Baliyage, (m) ^ftekening der boo- 
jfien in een bofcb tot afkappen (f). 

Baliveau, (m) Jonge boom die 
tnen overlaat. 

Baliverner , (y, n.j Zotternyen 
vertillen^ 



bal; 

Balivernes, (f. pi.) Onnut geklasf 
(n), ktugties(t'. pL), * < 

Ballade, (f) Zekere rym van drie 
vaerzen die op dezelfde ivyze eindigen.. 

Balladin, ine (ra. & f.) Toneel- 
danfr, poetzenmaaker ; danjlcr, 

Balladoire, (f) Boeren-dam. 

Ba Ie, (f) Bal; kaatsbal; kogel; 
kramers mars (m) ; een baal goed ( f } j 
kaf van koom (n) ; ballen by Druk- 
kers (f); balie ramce, botit-ketting- 
^o^f/; rnarchandife de ba!le,y7p^- 
te waar; à vous la balle , ( /pr. av.) 
dat komt u toe ; 't is u beurt ; pren- 
dre Ja balie au bond, den bal in 't 
opjluiten te rug flaan^ pouffer bien 
une balle , een brJwelfJaan , kaatzen. 

Balier, (v. n.) Danzen , (oud w.) 

Ballet-, (rn) Dans van vermomde 
perzoonen. 

Balloire , ( f ) (in Scheepsb.) Scheer- 
gang ^ zetgang; lange houten om een 
.:chip na te bouwetK 

Ballon, (m)l^f'^i?2d-bal , kloot, bol,' 

Ballonnier, (ra) Bollen-maaker, 

Ballot, (m) Een baal (£). 

Baliotade, (f) Zekere fprong van 
een Paerd tujfchni twee fiylen. 

Ballotte, (f) Keur -bail et] e .i lot" 
balletje (n). 

Ballotter, (v. a.) Met hallen fpee- 
len, heen en weer hut zelen ; met balletjes 
zyne ftem in eenc verkiezinge geven ; 
b^iUo^ter une affaire , eene zaak be-- 
raad/lagen y ballotter quelcun , ;V- 
tnand herom pingeren ; voor de gek 
houden. 

Ballotin , (rn)Een jonge die teVe- 
netien de keurkogeltjes trekt. 

Bal on. (Zie Ballon)» 

Balourd , ourde (m. & f.) Een 
dom menfch , dommerik. 

Balfamiiie, (f) Balfamine -, (een-' 
plant). 

Balfamique , (adj.) Balfemagtig, 

Balfaraum , (m) Balfem-boom. 

Ballan. (Zie Balzan). 

Baluftrade , ( f) Hek ; balie voor 
een huis. 

Baluftre , (m) Scbei-flnk ef pylaar 
■van een hok, flot-plaat ; arm van 
Kerk-kroon. 

Baluftrer, (v.n.) Mtt een hek or 
puffen» 

Ei. 



BAL. BAM. BAN. 

Balzan, (a ;j.) Cheval balzan, 
J>aefJ m?t witte voeten. 

Balzane, ( f > (Vitte fpat aan 't 
: been van een PacrJ. 

Bambin , (ni) Kind dat nog de 
borji zuigd (n). 

Bamboe haie , (f) Landgezicht ^ 
{in Schitderk.) (n). 

Bamboches, (f. pi.) Levensgroot- 
te fprelpoppen ; Bamboes-riet . 

Bambou, (m) Bamboes y zeker dik 
en boog riet dat in de Indien iva(}. 

Ban , (m) Ban ; Landvoogd in Hoyu 
garycn; Rrchts-gebied; Gebod ; Huzv- 
lyks-voorjlell ingen (annonces) ; bal- 
lingfibap ; ban & arrière ban , op- 
bod van edele en onedele, die een Leen 
bezitten ; ban de moulin , moolen- 
divang-recbt. 

Bananier, (m) Bananen-boom, 

Banc , (m) Bat7k , zitbank j zand- 
bank , zandplaat (f). 

Bancelle, (f) Zitbankje (n). 

Binche , (f) Gladde en zachte 
Jieengrond ^ {zee w.) 

Bancloche , ( f) Allarm-kloh i item 
*t geraas daar meê. 

Bandage , (m) Zwachtel, omwind- 
zel ; yzer bejlag om raderen enz. 
breukband. 

Bandagifte, {m) Breukbandmaaker. 

Bande , ( f) Zwachtel om te be- 
winden -, y zere band-, Ut, fmal ge- 
zaagd hout ; bande du Nord , du 
Sud , Nooràer , Ziiider Jîreek ; met- 
tre un VailTeau à la bande, een 
Schip aan de eene zyde overhaalen , 
krengen j bande , gezelfcbap , meenig- 
te ; faire bande aparc , zig van men- 
fchen afzonderen.- 

Bandes, (f. pi.) Benden, oorlogs- 
leger- beir- krygs-benden. 

Bandé, ée (adj.) Gefpannen; item 
met Jlreepen ; {in fFàpenk.) 

Bandeau , (m) Band voor d'oogen 
of hoofd; ifem {in Bouwk,) lyjîwerk 
boven een deur. 

Bandelette , ( f ) Bandje , tyjlje (n). 

Bander , (v. a.) Binden , f panne n -, 
ophitzen ; bander une playe , een 
wond verbinden; bander les yeux, 
de oogen verblinden ; bander un arc , 
een boog fpannen ; bander un refTort, 
#pö veérfpannert} bander fon efpric, 



BAN. 67 

zyne gedachten infpannen ; bander 
une baile , een bal met de raket van- 
gen en in 't net werpen ; fe bander , 
(V- r.) tezamen ratten. 

Bander eau , (m) Een Trompet-lint 
(n). 

Banderole , (f) Scheeps -wimpel 
(m) ; kivajije aan een trompet (n). 

Bandiere, (f) Scheeps-vlag; (Pa- 
villon is beter). 

Bandins, {vQ.^\.)Tralie-'wsrk ach" ^ 
ter aan een Schip (n). 

Bandit , (m) Struik-roover. 

Bandoir, (ra) Span -rad van een 
weefgetouw (n). 

Bandoulier , (m) Land-looper^ 
Stritik-roover , f^ry-buiter. 

Bandoulière, (f) Schouder -riem 
(m). 

Banlieue, {Î) Omtrek (n), diftrift 
(n) van eenig plaats of gericht. 

Bannal , aie (adj.) Dat tot de 
Rechts-ban behoord; moulin bannal > 
dwang-moolen, 

Bannalité , ( f) Rechts-gebied (n). 

Banne , (f) Groote mande; zeil 
over een wagen , vaartuig of kraam % 
tegen regen of zon. 

Banneau , (m) Plat vaatwerk, om 
door Laji-dieren gedragen te worden 
(n). 

Bannée, (f) 7?^»^^/ van een Heer 
om zyne onderzaten te 1 dwingen op 
zyn moolen te laat en maaien. . -Ç -.^ 

Eanner, (v. a.) Met een zeil be^ 
dekken. 

Banneret , (m) Baander-Heer, 

Ban nette, (f) Een korf gebruikt 
voor Laji-dieren, 

Banneton , (ra) Een f^ifch-kaar. 

Banni, ie (adj. & fubft.) Geban- 
nen ; een gebannene , verjaagde , ver- 
wezene. 

Bannier, (m) Een cpentlyke uit- 
roeper. 

Bannière , (f) Een Vaan, ba- 
nier ,Seheepsvlag; bannière de con- 
feil , witte vlag op een Admiraals 
f chip; bannières, lappen die deSny- 
der te rug houd. 

Bûnnir, (v. a.) Bannen, verban- 
nen, veru-yzen; fe bannir de tous 
les plaifirs, xig van alle vern:aai 
çnttfoen. 



64 BAN.BAP.BAQ.BAR. 

Banniflable , (adj.) Die te verivy- 
zen is. 

BannilTement , (m) Verdryvmg, 
banning (£). ^ , , t 

Banque, (f) Bank y JViJfeUank , 
Geld-bank. 

Banque , (adj.) VaifTeau banque , 
ee\Schlp uitgeruj voor de Kabcljaaaw 
"jangfl. 

Banqueroute, (f) Faire banque- 
Touce , banqueroi t J'peehn ; faire ban- 
queroute à l'honneur, i^ eer vaar- 
ivel zeggen. ^ ^ r » o\ 

Banqueroutier , lere , (m. & r.; 
Sanauernrt-fpee/cfer-fpeeljfcr. 

Banquet , (m) Gajlmaal (n)} 
ixvord altcm van geejïelyke dingen ge- 
xfgt) ; item een gat in 't mondjiuk van 
een P aer den-gebit . 

Banqueter ,, (v. n.) Gajh-eeren, (be- 
ter fe régaler). 

Banquette, (f) Opgeworpen voet- 
$ad (n); optred aan eene borjiweering 
(in yeflingb.) ; zitting zonder leun. 

Banquier , (m) Een fViJfelaar', 
Hoofdfpeetder. 

Bans, (m. pi.) aflandig ing ; gebo- 
den van verloofde perzoonen. 

Banvin, (m) 't Recht van een Heer 
om zyn wyn alleen te verkoopen. 

Baptême , (m) De Doop,(iu dit , en 6 
volgende woorden word de p niet uit- 
gejprcken). 

Baptifé , ée (adj.) Gedoopt, 

Baptifer , (v.a.) Doopen; item een 
klok onder de R. gezinden nrivyen; ah 
meede een Matroos , die voor d'eerjle 
maal op zee komt., dompelen. 

Baptismal , aie (adj.) Dat tot den 
Doop behoord.' 

Baptifte , (m) Een Dooper. 

Baptiilere , (rn)Doop-plaats ; Doop- 
er él (f). 

Baptiftere, (adj.) Extrait baptis- 
tère , Doop-boek (n) , Doop-ceêl ( f). 

Baquet , {xn) Een tobbe , kalkbak 
{m)-} vlootje (n), 

Baqueter , (v. a.) Met een vlootje 
tiithoozen. 

Riquetures, (f. pi.) Lek-wyn. 

Bar , (m) Groote burrie , draagbaar ; 
item een barbeel, (in IVapenk.) 

Baragouin , (tn) IVantaal , onver- 
Jlaanbaare taal j ook de fpreekgr daar 
vatu 



BAR. 

Baragouiriage ,(m) Omerjïaaniaa^ 
re ivyze van JpreÀen, 

Baragouiner, ( v. n.) Tateziaa- 
len , koeter "jeaalen. 

Baragouineux , eufe (adj.& fuWl.) 
Onverjiaanbaar ; Tatewaaler. 

Baraque , (m) Soldaten-hut , baràk, 

Baraquer , (v. a.) fe baraquer 
(v. r.) JZig hutten, tenten bouwen. ^ 

Ba rat, (m) l^erbodene handel; ver - 
valfching , maskeering der waaren ,on~ 
dergejîooken waar , (in de Zeeh.) 

B'jratas, {m) Een foort van Rotten, 

Baratte , ( f ) Boter-karn. 

B«Tatter , (v. a.) IVaaren verval- 
fchen, veranderen; bedriegen, vryhutten. 

Baratter ie > ( f ) Bedriegery , ver' 
valfchinq der waaren, - ^ 

Baratteur, (m) Een bedrieger. 

Barbacane , (() Schiet- togt- iva~- 
ter-gat in een muur (n). 

Barbare , (zid].)Onbejchaafd, wreed i 
onmenfchelyk;grof;\}n peuple bai- 
bare , een wild , woeji volk ; un lan- 
gage barbare, een grove of vreemde 
fpraak. 

Barbare , (m) Een wreedaard. 

Barbarement , (adj.) IVreedclyk , 
woejïelyk. 

Barbarie , ( f ) Onmenfchelykb^id^ 
onbefchaafdheid. w 

Barbarifer ,(v.a.) Te gens de regels 
der Jpraah-kunde zondigen. ^■ 

Barbarisme, (m) Brabbehaal ('t).'. 

Barbe ,(w)Paerduit Ba-rbaryen (n).' « 

Barbe , ( ?} Baard; angels van koo- 
renaairen -, vcfelen , iiitrajfzel-yfchim- 
mei, uitJlagÇh la barbe de quelcun, 
in iemands aangezigt j rire dans fa 
barbe , (fpr. ^v.) in zyn vii\jl lachen ; 
faire Ia barbe , yj-^f^^jTM 5 la fainte 
barbe , de Konftape Is- kamer op een ^ 
Oorlog/chip ; barbs de renard , gom- 
me tragant; barbe de bouc, geitem 
baard , (zekere plant). 

Barbé, ée (^.à). ) Gebaard , (in Wa- 
penk.) 

BarbraU /m) Barbeel (vifch); blaau- 
we koornh/oein. 

Barbelé, «fe (adj.) Dat weérhaa- 
ken heeft; f.êcbe barbelée, een pyl 
met %veérhaaken. 

Barbe rie , ( f ) Het barbieren ,• 
(nieuw ik'-) 



/ / BAR; 

Barbe rot , (m) Slûgte Barbier , 
ifpot w.) 

fîarbes, (f. pi.) Puijîen onder de 
tong der Paerden. 

Barbet, (m) Gekrulde water-bond. 

Barbette , ( f ). Een Nonnen hals- 
- doek } teef van een ivater-hond 

Barbeyer , (v. n.) Les voiles bàr- 
beyent , de zeilen wapperen , (lingeren. 

Barbier, (ra) Barbier ,baardfcbeer- 
der. 

Earbieton, (m) Jonge water-hond. 

Barbillon , (m) Kleine Barbeel; kne- 
vels aan de mond der l^ijfchen. 

Barbon , (m) Een oude Gryzaard. 
. . Éarboniiage , (m) Het baard-werk 
(n). y 

Barbote, (f) Puit-aal (m). 

Barboter , (v. n. & a.) Slobberen 
gelyk de Eenden doen ; mompelen , 
brommen , binnens monds fpreeken , 
preutelen; item als barbeyer. 

Barboteur, (m) Een tamme Eend- 
vogel. 

Barbotine , ( f) Wormkrutd fn). 

Barbouillage , (m) Stegte fchildery , 
kladder y , mor Jf er y (f), 

barbouillé, ée (adj.) Geklad ^be- 
rr}orsd. 

Barbouiller , (v. ai) Bemorjfen , 
kladfchilderen; barbouiller le pa- 
pier , het papier bemorsen ; fe bar- 
bouiller yzyn góéde naam verkleinen; 
fe barbouiller l'efprit de quelque 
chofe , zyngeeji met iets onnuttigs be- 
zwaar en. 

Barbouilleur , (m) Bemorjfer , klad- 
der ; kladfchilder. 

Barbu, ue ("adj.) Gebaard. 

Barbue , ( f) Heyl-bot {een vifch ) ; 
item een plant of zetting met zyn 
n^ortel. 

Barbuquèt , (m) Een blaasje ofpuijl- 
ji> aan 't uiterjïe der lipptn (n). 

Bard , )m; (Zie Bar). 

Bardache, (m) Een fcbandjonge. 

Jïardane , ( f ) Klije , (een onkruid). 

Barde , ( f-) Borji harnas van een 
Paerd ( n ) ; fneede ^ofreep fpek (f). 

Bardé , ée (adj.) Befpek: ; uitgerufl. 

Bardeau , (m) Een Dekfpaan. 

Bardelle , ( f) ^en Boeren zad»i (n). 

Barder , (v. a ) Eén ^aerd karnai- 
Jchm; iefs bsfpfkken» 



BAR. 6$ 

Eardeur , (na) Burrie-drager , hand- 
langer. 

Bard is , (m) Zetgang van plank emp 
een S chip y dat 'er het water niet inloopt. 

Bardot , (m) Kleine muil-ezel. 

Barer, (v.n.) l^an 't fpoor raaken, 
(Jagcrs-w.y 

Baret , (ra) Het gefcbreeavf van een 
Olijant (n). 

Barguinagè , (m) Getalm (n). 

Barguigner, (v. a.) Talmen, din- 
gen , tandtrekken , tn 't koopen of 
doen van iets. . 

Barguigneur, eufe (m.& f.) Tal- 
mer y dmger , knihbelaar j talmjief y 
dingjier , knibbelaarfler. 

Baril , (ra) kaatje , tonnetje (n). 

Barillage , ( f) Klein Vaatwerk (r)),_ 

Barillar , (ta) Scheeps-bcttelier. 

Barillet, (m) Klein vaatje (n); 
trommel in een zak-uur-werk (m); 
pomp-buis (f). 

Bariolage , (m) Schildering met 
verfcbeide kou leur en (f). 

Bariolé ,ée(adj.) Bo^t gefchildérd. 

Baricler, (v. a.) Schilderen met 
verfcbeide kouleuren. 

Barique , ( f) Oxhóofd (n), (zie 
Barrique). 

Eàriquet, (m) Klein tonnetje, kin- 
netje (n), 

Barlong , gue (adj.) Lang-vierkant, 
on gelyk lang. 

Barnabites , (m. pi.) Bernahiter 
Monnikken. 

Baromètre, (m) Weêrç,las om de 
zwaarte der lucht te ontdekken (ri). 

Baron , (ra) Vryheer. 

Baronne, (f) Vryvrouw. 

Baronnet , (m) Kleine Vrybe^r. 

Earonnie , ( f) Vrye-heerlykhetd. 

Baroque , (adj.) Scheef; wonder- 
lyk, mislyk ; des perles baroques, 
fcheeve pa er l en. 

Èaroscope , (m) Weêrglas (n) , (zit 
Baroraetre;. 

Bar o t , (m) Balk onder het Scheepsdek. 

Baroté, ée (adj.) Votgefiuuwd tot 
het dek. 

Barotier, (m) Balk-legger. 

Barotin , (m) Kleine dwars-balk. 

Barque , ( f) Scheepje , Schuitje (n). 

Barqu erole , ( f) Sfbuit zonder maft 
l ( ^) Ligter (na). 

K Bar- 



66 BAR- 

Barquette, (f> Soort van gebak 
(n). 

Barrage, (m) Straat- brug- hek- 
ken-geld (n). 

Barrage r , (m) Tollenaar. 

Barras, ff) Pyn-boomen-harf} (m). 

Barre , ( f ) Staaf ; Jiang ; fn'it- 
toom-, roer-Jïok', zand-batik; Jlrpfp , 
fchrap , ondfr of door een gefcbrift ; 
barre d'arcafle , bek-balk(inöcheê'psb.) 
armes de ia barre, wildi> Zwyris- 
fiagtanden. 

Barré, ée (adj.) IngeJJooten , met 
een boom geBooren. 

Barreau , {m)Tzere-boom-fpyl ,prrs- 
fpil; vierfchaar , gericht s-hali e (f); 
terme de barreau , fladhuis woord. 
• Barrer , (v. a.) Sluiten , grende- 
len y betraliën ; eene reckening door- 
Jïryken'f vaatwerk met dwarsduigen 
voorzien. 

Barres, (f. pi.) Jauër aux bar- 
res, diefje fpeelen , (kwderfpel). 

Barretone , (f) Muts van den 
Grootmeefier van Maltha. 

Barrete, (f) Cardinaah hoea(m); 
f tem een muts^ calot (f). 

Barreur , (m) Een die cp dtn op' 
pas is , om bet wild op de jagt te 
Jhiiten, 

Barricade , ( f) Eenfïaghoom ,fchut- 
boom (lïi). 

Barricader, {v. a.) Met een boom 
Jkiiteny fe barricader dans une mai- 
fon , zig in een huis toe rammeyen. 

Barrier, (m) Pers-ktiegt. 

Barrière ', ( f) Slagboom j grens- 
paal; hinderpaal (n). 

Barril. (Zie Baril). 

Barrique, (f) Eeh Oxhoofi {n). 
{Zie Bariqae). 

Barrure j ( f) Divarsfpaanen aan 
ffK? Luit. 

Barroir, (m) Een zzvfkboor (n). 

Earfes, (f. pL) Clineefcbs thee- 
doozen. 

Bartavelle , (f) Een foort van 
roode l^eldhoen. 

Bas , balTe, (adj.) Laag;, nedrig^ 
zivak ; Ie b?.s bout d'une table , 
het laage einde van eerie tafel ; bas 
fond , ondiiptPy dfoitgte ,bratjding; 
la rivière eft baiTe , de rivier is 
laag ; ondiep ; moc baS , gemeen 



BAS. 

ivoord , flraat'taal ', ame baffe > taage 
geej}; bas or , argent, Jlegt goud, 
'zilver; voix bafle, zagt e Jïem; mes- 
Ce baiTe , Jlille mis ; naiflance bas- 
ié y geringe afkotnJl;les bas officiers, 
de onder off eieren ,zv oir la vue bas- 
fe , byziende zyn ; acheter à bas 
prix, goed koop koopen ; les eaux 
font baltes chea lui , daar is by 
hem niet veel ten bejïen (fpr. iv.) ; 
faire main bafTe, den vyand neer- 
zabelen. 

Bas , (ra) Het onderjïe (n) ; au bas 
de la lettre , aan' de voet van den 
brief; Ie haut & le bas, het onder- 
fie eti bet bovenjie ; het hooge en het laa- 
ge ; devoiemenc par haut & par bas, 
ontlajïin^ van boven en van onderen, i 

Bas , (adv.) Beneden , onder ; il a 
quatre chambres par en bas , hy 
heeft vier kamers beneden ; mettre bas 
les armes , de wapenen neerleggen; 
mettre bas , jongen werpen {van die- 
ren gez.) ; parler bas , zagtjes 
fpreeken; fa maladie l'a mis bien 
bas , zyne ziekte heeft hem zeer uit' 
geput , verzwakt ; jouer argent bas , 
om gereed geld fpeelen; il efl bien 
bas , het is f egt met hem gejleld; Ie 
vin eft bas, au bas, de wyn is op 
den bodem ■,]etter à bas , op de grond 
werpen ; il eft à bas , hy is 'er onder , 
in eenjïegte ft and; en bas, beneden, 
na beneden; ici bas, bier beneden y op 
deeze vuaereïd; par en bas, van on- 
deren , beneden heen ; d'en bas , van 
beneden; là bas, daar onder, daar 
beneden. 

Bas , (m) Kous ; des bas , koufjen ; 
bas au metier , geweven koujen^bets 
à €trîer,y7i,t offopkouffen; bas d'e- 
flame , fayette kouffen ; bas au tri- 
coD,-ou bas brochés , gebreid de kous- 
fen. 

Bafane, (f) Bezaan-teer (n). 

Ba fané, ée (adj.) Van de zon ver- 
brand ; les troupes bafanées , de 
f paan f eh? benden. 

Bas-bord . (m) Scheeps-bak-bocrd; 
een vlak Schip ; les bas-bords , de 
bak boor ds ga/ïen ; basbord , bevel 
vj'jo'^doni het roer na bak -boord te 
ivenden , (n). 

Bascule , ( f) Een ivlp , zwengel , 



BAS. 

hcom van een brug of put ; vang van 
een moolen ', fcbangel , hosplauk. 

Bas-de ffas , (m) Tweede discant , 
(in Muftcq). 

Bafe , ( f) Grondflag , voet ; grond- 
regel (m). 

Eas-fond , (ra) Ondiepte , bran- 
ding (f). 

Bas-fort, {m)Onderfle bolwerk {n). 

Baüglofle , (m) Spier die de tong 
neêrtrekt ( f ). 

Bafilic , fm) Ba/iticum {een kruid) 
(n); Baftliscus {eenSJange); item ze- 
ker i(o ponder gefchut. 

Bafilicon , (ra) Bafilkum , {tr(k- 
zalf{£). 

Eafilique, (f) Een groot gebouw 
(n) of Kerk (f). 

Eafilique, (adj.) Veine bafilique, 
Hoofd- of lever-ader. 

Bafin, (m) Bombazyn {een jïof). 

Basque , (m) iichoot van een ivam- 
hes -y courir comme un basque ,yî;ip/, 
als een biskayer loopen. 

Bas-relief, (m) Half verheven 
beeld-werk , bas-relief (n). 

Baff;: , (f) Crond-fiem , bas-, bas- 
Jifi ; item eene droogte in zee. 

Baffe-continue / ( f) De generaale 
bas. 

BaiTe-contre , ( f ) Te^en grond-Jfem» 

Bafle-cour , (f) l^oorplaats (f), 
voorplein , voorhof (n). 

Bafle-eau, (f) Ebbe{?), laag wa- 
ter (n). 

Baiïe lice , ( f ) Tapyt va^i wolle en 
zyde (n). 

Eafle licier, (m)Een wever daarvan, 

Baffement ,(adj.) Agir baffemenc , 
laag te werk gaan. 

BafTes , (f. pï.) Hooge Jleenachtige 
gronden , {zee w.) ■ 

BaflTvfle , (f) Laagheid-, nedrig- 
heid; geringe toeftand. 

BafTec , (m) Een Das-hondje. 

BaiTe taille, (f) Tenor -ft em , {in 
Mufuq). 

BaiTe taille, (f) (/« Beeldhouwk.) 
Half verheven werk. 

BalTette, (f) Baflet , beefi y {zeker 
Ka art [pel). 

BafTïere. {Zie Bainfiere). 

Baffin , (m) Een bekken (n) ;frhaal , 
kom (m)/, bad-kuip {ï)\ oyiderjleek- 



BAS. ÈAT, (5? 

bekken fn) ; Haven-kom (m) ; on l'a 
fait cracher dans Ie baflin ^ men 
beeft hem doen bloeden {fpr,w.)vex\r 
dre au baiïln , in het bekken verkoopen» 
Baflïne , (f) Groote kopere pan. 
Baflïné , ée (ad j,) Befprengd. 
Bafïïner , (v. n.) Met een bedpan 
warmen ; eene wonde zuiveren , be^ 
fprengen. 

Balllnet , (m) Pan van een fnap- 
haan { f) ; Jlormhoed', Haanen-voet^ 
(een kruid). 
• Bafifinoire , (f) Bedpan, 

Baflon , (m) Baffon , {fpeeltuig). 
. Ballant, ante (part. & adj.) 2o5- 
rykend, genoegzaam , 'gent. w,). 

Bafte , (m) Klaveren aas {in 't om- 
berfpel). 

Eafle , ( f) Stof y van bafl van hoo- 
rnen gemaakt. 

Bafte! (interj.) {gem. w.) Genoeg 
hier van ! 

Bafter, (v. n.) fp^el gegoed zyn^ 
£qs affaires baftent mal > zyne zaa- 
kenflaagen niet , {oud w.) 

Baflerne 9 ( f) Eén reis-draag-Jioel 
(m). 

Baftide , ( f) Lujlhuis op 't Land 
in Provence (n). . 

BaftiÜe, (f) Oüwerwets Slot met 
toorenen; een Stads gevangenhuts tn 
Parys aldus genaamt. 

làaA'ûlé yék {sidl.) Met toorenenvoor- 
zt^n , (/« JVoperik.) 

Baftingue , (f) Zeil-fcbans (f). 
Schans - kleed ( " ) > ^P ^^>^ Krygs- 
fch;p. 

Baftion ,(ra) Bolwerk (in VeJ}ingh.) 
(n); rainer un ballion , een bolwirk 
ondergraaven. 

Baftir , (v. a.) Een hoed met bever 
hair overtrekken. 

Baftonnable, (adj.) Die , of dat 
flaag verdiend. 

Baftonnade^ (f) Stoiftagen. 
Baflonner , (v. a. ) Aiet flokksn 
JJaau, ofrojfen. 

Bas-ventre, (m) Onderlyf {r). 
Bat , (m) Een pak-zade'l (n) -, vov.i 
ne favez point ou le bât me bier- 
fc , oy iieet niet waar tny ds fboesi 
wf-'ngt, (fpr. w.) 
E;u?!ge , (m) Tel cp Lajî-die^'pn. 
Bataille , ( f) l-^eUfag \f. ** <'n\; 5 
IL 2 ii- 



68 BAT- 

livrer bataille , Slag leeveren } 
champ de bataille. Slagveld. 
Batailler, (v. n.) Redén-tivifien, 

"Bataillon, (m) Een bataljon yklet- 
ne bende voetvolk. 

Bâtard, arde (adj.) Een bajîaard, 
onecht: kind. 

Bâtarde , ( f) ^eker groot gefcbut, 
item galey zeil (n) . 

Batardeau , (m) Een dam of pene 
heer in 't ivater. < 

Batanliere, (f) Een boomqueekery. 

Batardife , ( f ) Onegtheid. 

Bacé, ée (adj.) Un ane bâté, een 
gezadelde' j lajldragende Ezel. 

Batea'j , (m) Bateau marchand , 
de pêcheur, à eau, à rames, een 
rmrkt- vijfchers- water- of roei-fcbuit, 

Eatèlage, (m) Schutte -vragt- of 
huur ; poetzemaakery ( f }. 

Eatelée , ( f ) Een Sehutts-laJÎ. 

Bateler , (v. a.) l^àn een groot in 
f en klein Vaartuig laaden. 

Batelet, (m) Schuitje (n). 

Bateleur, eufe (m. & f.) Klugt- 
Jpeelder , hans-wo'jl > poetzen-maa- 
ker ; klugt-fpeeldjler. 

Batelier, (m) Schipper, Schuite- 
t'oerder. 

Eatême. &c. (^'e Baptême , enz.) 

Bâter, (V. a.) Zadelen , {van Laji- 
heejîen gezegd). 

Bâti , ie (adj.) Gebouwd. 

Bûtier , (ro) Draag-zadelmaaker. 

Batifoler, (v^n.^Stoeijen , malien , 
(geni. tv.) 

Bâtiment, (m) Een Schip-, eenGe- 
howw (n). 

Bâtir , (v. a.) Bouwen-^ bâtir à 
chanv: & à ciment , met kalken tras 
louiven; bâtir en l'air, bâtir des 
châteaux en Efvagne, kajleelen in 
del"chtkouiven (fpr. u>^) un homme 
bien ou mal bâti , een loel of kwa- 
lyk gemaakt man ; nous foromes 
ainfi bâti^ , ivy zyn niet anders. 

BatifTe , (f) De bouwing (f) , het 
houiveri (n). 

Batifleur,. (m) Bouwer , tiefbehher 
lan bouwen. 

Eatifte , (f) Kamerdoek (n). 

Eatiture d'airain , ( f) Splinters 
X'on koper. 



BAT. 

Bâton , (m) Stok rfîaf; bâton d* 
jauge , peil- of roeiftok ; bâton de Ja- 
cob , ou rayon aftronomique > 
graad-boog; bâton de cire d'Efpa- 
gne , een Jljkje , een pyp lak ; bâtoil 
de chdiiî'e , fport van een ftoel ; bâ-> 
ton de vieillefiTe , fiaf des ouder- 
doms; le bâton haut ou le bâton à 
la main, met magt , nadruk; je fuis 
alTuré de mon bâtoj;i , ik heb myne 
zaak vajï {fpr. vu.) dormir à bâtons 
rompus i ot2geruJî faapen ; le tour 
de bâton, by vallet je , buitenkansje. 

Batonné , ée (adj.) Geslaagen. 

Bâtonnée d'eau, (f) Een water- 
f lag met de pomp. 

Bâtonner , (v. a.) Bâtonner un 
article , Je pen door een artikel haa- 
ien. 

Bâtonnet , (m) Klein fiokje om me- 
de tefpeelen (n). 

Batonnier, (m) Staf dr aager, aan- 
voerder. 

Batrachite, (f) Steen die in het 
lighaam der Kikvorfchen gevonden 
word (m). 

Batrachomyomachie , (f) Stryd 
tuffchen de Kikvorfchen en de Rotten 
(m). 

Battage ^ (m) Het breeken der klui- 
ten in een akker (n). 

Battant , ante (adj.) Kloppende % 
fovtir tambour battant , met slaande 
trom uittrekken. 

Battant , (m) Kleepelvan een klok-, 
helft van een vouw-deur of vengper ; 
klopper van een deur. 

Battant l'œil , (m) Zeker kapfel 
der Juffers {Î). ■'■ 

Batte , (f) Straatmaakers fïam- 
per (in). 

Batte à beurre ,(f )A'ar«^^o^(m). 

Battée , ( f ) Een laag papier , zoo 
veel als een Boekbinder o^ eene reis 
klopt. 

Battement , ( m) de cœur 9 batt^[ 
klopping. 

Batterie, (f) Vechtery, gefchut' 
wal , (battery); batterie de cuifine ^ 
keuken-gereedfchap. 

Batteur, (m) Een die Slaat ,Slaa' 
ger; batteur de pavé, de chemin y 
Ledig-ganger 9 Straat-slyper ; bat- 
teurs en grange, JDcrf chers -, bat- 
teurs 



BAT. BAV. 

- leurs d'eftriide , 6ttoopers , Fry. 
butter s. 

Battoir, (m) Beuker y beukhamer^ 
klopper j boute ^legge j Bal - palbt 
of raket. 

Battologie , ( f ) Overtollige , onnoo- 
dige herhaaling van woorden , ( in 
Spraakk.) 

Battre , (v. a. & n.) Slaan , kloppen ; 
dorfchen ; battre quelcun dos &c 
ventre, iemand ter deegen afrojfen; 
battre le beurre, booter karnen -, 
battre une Ville , eene Stad b'efchie- 
ten ; battre la campagne , battre 
bien du païs , heromzwerven , item 
van zyn oogwit afgaan-, (fpr, w.) 
battre Ie payé , Jiraatslypen ; battre 
le tambour , Ia caifîe , de trommel 
roeren-, battre Teftrade , ou Ia cam- 
pagne , op kondfchap uitgaan; battre 
la diane, de reveille y/^a» > battre 
l'eau , hooi dorfchen-, verge effchen ar- 
beid doen; Ie cœur me bat, het 
bart klopt my ; Cheval qui bat à 
la main , Paerd dat met de kop rukt , 
battre des mains , met de banden 
klappen ; il ne bat plus que-d'une 
aile ) het wil met hem niet meer 
tukken; fe battre j s'entre battre j 
malkanderen Jlaan , vegten. 

Battu, ue (adj.) Gejlaagen; battu 
du vent , door den wind geteijîerd, a- 
voir les oreiiles battues de quel- 
que chofe ,ifts zonder ophouden h oo- 
ren; autant; vaut bien battu, que 
naal battu , een klap min of meer komt 
'er met op aan ; c4iemin battu , ge- 
baende of bet reed en lueg ; du ba ecu 
OU de rbr, de l'argent battu ^blad- 
goud , blad- zilver ; Ie battu paye 
l'amende , .d'onnozele moeten het ge- 
lai^ betaalen. 

Battue , ( f) Het kloppen der hos- 
Çchen (Jagers w.); vifch-leeger ; Jfuk 
afgefcheurd goud (n). 

Battures, (f. pi.) JHet dorfchen y 
dorfchloon (n) j brandingen tn zee. 

Bau , baux , (ra) Verdek - balk in 
f en Schip; bau de lof, voorjfe balk, 
bau de dalle , hek- of agterjl e-balk; 
faux baux, lajl-balken (zee-w.). 

Bavard , arde faaj & fubft.) Snap^ 
pende ; fnapper ; fnapfler. 
Bavarder , (v. n.) Klappenyfnappen, 



BAÜ.BAY.BAZ.BE.BEA 6g 

B.varderie, (f) lede> gefnap y ge* 
klap (i>). 

Bavardin , ine (m.. & f.) Eer. die 
veel fnaps heeft. 

Baubi, (m) Engetfche IVind-hondy 
die op hetfpooroefadig blaft. 

Baudj (m) fyind-hond van Barba- 
ryetï. 

Baudes, (f. p^l.) Zinkfieenen voov" 
netten. 

Baudet, (m) Ezel; plompert , bot- 
muil • fchraag om op te zaagcn ; 
bangkooi op een Schip. 

Baudouinage, (m) Befpringing der 

Bdudrier y (m) Leedere riem waar- 
in den deegen hangt. 

Baudruche ,(f Bereidde Offendarm 
voor Goudflaai^ers m). 

Baudufle , ( f)^Draai-tol (m). 

Bave , (f ) Kwyl, zever (n). 

Baver, (v- n.) Kwylen, zeveren. 

Bavette ,,T) Kwyi-doek.Jïabbe (m). 

Baveur, eufe (ra. & f.j Kwylder-, 
kwyljler. 

Baveufe , ( f) Kwab , {zekere Vifcb.) 

Baveux, eufe (adj.) Kwyl-achtig^ 
zeverend. 

Bauge , (f) RuJJplaats voor een 
wild Zwyn ( f) ; gehakt Jiroo en leem 
onder een gemengd , om meê tepleijU- 
ren (n). 

à Bauge , (adv.) Avoir tout à 
bange , alles in overvloed hebben. 

Baume , (m) Bnlzem ; balzem-boom, 

Bauraier, (mj Balzem-hoom. 

Bavoche , (f)'Slegte aft e eken ing, 

Bavoché, (adj.) S legt afget eekend. 

Bavocher, (v. a.) Slegt drukken, 
Jlegt afteekenen. 

Bavocbure , ( f) Slegte affchetzing, 

Bavolet, {m)Hulzel der j ange boe., 
rinnen omtrent Parys (n). 

Baux, (m. pi.) {Zie Bail). 
' Bau X , (m. pi .) Verdek-balken , knie- 
jukken in Scheepen. 

Baye , ( f) {Zie Baie). 

Bayer, (v.n.) Qaapen; bayer aux 
corneiIIes,yîaa« gaapen, (fpr. w.) 

Bayeur, eufe (m. & f.) Gaaper-, 
gaapfler. 

Bayonnette, (f) (Baïonnette is 
beter) Bajonnetl, die men »p een fnap^ 
haan zet, 

E 3 Bi'. 



*fO BEA. 

Bazoche ou Bafoche, (f) Onder 
Gerechtshof in Parys(n)i een kwmk- 
Jlaa, flreek(m). 

Bé , (m) Het blaeten der Schaapet2(n) 
Béant , ante {Ad].} G japende ; bdu- 
che béante, met openen monde. 

Béat , ace (m. & f.) i^en gewaan- 
de gelukzalige. 

Béarification, (f) Inw y ing onder 
hit getal der heiligen. 

Béatifié, ée (adj.) Hetltg of geluk- 
zalig verklaard. 

Bcatifier, (v. a.) Gelukzalig ver- 

klaart'v. , ^. ,, -c 

Eéatifiaue, (adj.) Vifion beatifi- 
qiie, het gelukzalig aanjchouwpn. 

Eéatilles, (f. pi) yiUerbande lek- 
hernyen die men in paf.eyen daè^. 
Béatitude , ( f) Gelukzaligheid. 
Beau, bel, belle, (adj.; Schoon, 
fraai., mooi., aartig ; beau temps, 
J7J0O» If m- -, le beau monde, le grand 
monde , ^f' grooten; un bel hom- 
me, une belle femroe, een fcboon 
tnan , eene fchoone vrouzv ; le beau 
fexe , de vrouifelyke kunne; ce n'eft 
pas du beau fiy lé , dat is niet fraay 
(elegant); trahir fous un beau fem- 
blanc d'amitié , ondcr denfchynyp.n 
Hjriendfchap verraaden ; beau jeu, 
beau retour , daar mm mei uitmeet^ 
vjord men meê ingemeeten (/pr.if.);beau 
début , een mooi begin-, cheval qui 
portp en beau lieu , een paerd dct 
zyn baofd %tel houd) faire beau, ou 
faire beau temps, moci xveér zyn; 
avoir beaa faire , te vcrgeeffJ) ur- 
heiden , doen; vous avez beau di- 
re, il n'en fera rien , al zegd gy 
fiog zoo veel, hy zal het niet doen-, 
manquer, échaper belle, gelukkig 
'ten gevaar ontfnappen-, une belle, 
een fchoon vrouw s-perznon ; tout beau, 
tout beau , {jsÀv:)zachtjeyis ; voila qui 
€ftbeau,d^^ is fraai', il fait beau fe 
promener, bet is mooi om te wan- 
dalen. ■ 

' ' Beau, (m) Het fchoone, het mooye, 
hei fraay e {w) . 

Leai»coup„ (adv.) Feel ; zeer; de 
beaucoup 5 veel meer; il .«'en faut 
'beaucoup,' het fcheeld veel; il efl 
i>las fiivar^t de baiicoup, hy is veel 
geleerder; il n'efl: pas à beaucoup 
près fi beau que . . . hy is in vtf 
re na zco fraoi Kki aîs . . » 



BEA. BEC. BED. BEE. &c. 

Beau-fils, (m) Schoon-zoon. 

Beau-frere y (m) Schoon-broedsr > 
Zwaager, 

Beauge, (f) (Zie Bauge). 

Be.-iu-pere , (m) Schoon-niader % 
Stiefvader. 

Beau-pré , (m) Boegfpriet) voile 
de beau-pré , fpriet-zeil. 

Beau-revoir, (m) Het bygen van 
een IVindhond op het fpoor (n). 

Beauté , ( f ) Schoonheid , fraaiheid. 
Bec, (m) Bek , fnavel ; fnuit (m) 5 > 
tuitje van een lamp {xi); mauvais 
bec , kwaade bek ; mo^n pauvre pe- 
tit bec, myn liefbekj*; bec de cor- 
bin , trekker of nyper { in heelk .) ; 
naad-haakje {in Scheepsh.); bec d'a- 
ne , kromme Jchiet-beitel ; fny-bunk ; 
bec de canne, kan beitel; tangetje 
.om koogels uit wonden te trekken ; te- 
nir le bec en l'eau à quelcun , ie- 
mand met iedele hoop ophouden ; bec 
aifilé, gladde bek; bec de lièvre, 
haazen - moud ; coup de bec, eett 
fnaauw , Jieek ; bec de plume, pen- 
nen fnavel; bec cornu, een dwaas; 
b;c jaune , geele fnavel; jong oner- 
vaaren leetUng; palier à quelcun la 
plume par le bec, iemand voor het 



lapje houden , wat om den mond fmee- 
ren; il a bec & ongle, hy heeft hair 
op zyn tanden, {fpr. w.) 

Becafigue , (m) Een Vyg-eiter ^ 
groentje {zeker l-^oogel). 

BecafTe , (f ) Sn.ppe (m). 

Eecaireau , (m) Jonge Snip. 

B-.calTme , ( f) Kleine Snip (m). 

Beccard, (f) Het wyfje van e. 
Zalm (n). 

Béche, (f) Spade,fchop{m). 

Eéchée , ( f) Een fcbop vol. 

Bêcher, (v. a.) Spaayen, fpitten. 

Béchu OU beccu, {àd].) Cebtki , 
gpfnaaveld. 

Becune , ( f ) Soort van Zwaardvis. 

Bedaine, (f) Dikke pens, hang- 
buik; e^n kaogel (m). 

B-ïdeau, (ra) Pedel, StafSraager 
op booge Schooien , Kerk-dienaar, 

B-deiin, (m) Boom-wolle. 

Bndon , (m) Kleine trom, hy een 
fluitje gebnf.kt ; dikpens. 

Bée,(3Gj.)Horte ouverte àgucu- 
1 1 e bé e , deur die wagen wyd open fi<^i' - » 

Béer. {Zie B'iyei). . 



BEG. BEI. BEL. 

Beffroi , (m) Klok-huis (n) ; fVacht- 
ef klokken-tooren ; alarm-klok. 

Bégaiement, (m) Stamtling (f). 

Bégayer, (v. a.) i>tameren , jia- 
, meten. 

Bègue, uë (adj.) Cheval bégu, 
Paerddat van bet 5 de jaar af teckend. 

Bègue, (adj.&fubit.) Stameleùd; 
Jlamelaar. 

Bégueule ,( f ) Zottinne, gaapjiok. 

Béguin , (m) Kinder-muts ( f;. 

Béguine, (f) Nonne; fchynheilige. 

Béjaune, (m) Jonge (^alk -, plomp- 
heid , bottigbeid ( f ). 

Beignet , (m) Pannekoek , zujler 
(m) , {zeker gebak). {Zie Bîgnet). 

Belamie, {£) Monnikken-rok (m). 

Bélandre, (m) Waartuig (n) aldus 
genaamd. 

Bêlant, ante (adj.) Blaetende. 

Belchite, (adj.) Laine belchite, 
wol van Schaapen , door een fpaanfcbe 
ram geteeld. 

Beiedin , (m) Gefponnene boom-wol- 
te{f). 

Bêlement , (m) Blaeting ( f). 

Bêler, (v. n.) Blaeten.. 

Belette , ( f ) Een ti^ezettje (n). 
' Belgicisme , (m) Nederlandjcbe 
fpreekwyze (f). 

Belgique, (adj.) Language belgi- 
que , mdetduitjchefpraak. 

Belier , (m) Een Ram (ra) 5 bet He- 
meh-teken Aries (n). 

Beliere , ( f) Kleepel-ring ; Kerk- 
kroon-ring. 

Belitr* , (m) Guit , fielt. 

BelliUre , (adj.) Scboonasbtig. . 

Belle-fiUe , (f) Schoondochtcr.l 

Bellement , ( adv. ) Langzaam 
(gem. iv.) marcher tont bellement, 
beel zachtjes gaan. 

Belle-mere , (f) Scboon-moeder. 

Beile-fœur , ( f) Halve zujier ; 
broeders-vrouw. 

Belligérant, ante (adj.) Les par- 
ties belligérances, t/l? oor/og voerettde 
partyen. 

Belliqueux , eafe (adj .) Strydbaar, 
dapper. 

Eelliffime, (adj.) Alkrfcboonjl 
{gem, iv.) 

Bellone, (f) Krygsgodimjs. 

Bellot , Qttç (adj.) M^nigzints 
fsboQfi* 



BEL. BEN. BEQ. 71 

1 Eélomancie , (fj ü^aarzeggtng 
I door pylcn. 

j Beloufe , (f) Balzakje aan êen 
t ruk taf el (n). 

Beloufer , (v. a.) In den balzak 
floot en. 

Se Beloufer, (v. r.) Zig bedriegen. 

Belveder ou belvedère , (m) />«/ƒ- 
plaats met eenjcboon gezicbt { f). 

Bénfdicité, (m) Gebed voor den 
eet en (n). 

Bénédiéke, (m) Zacbte purgatie 

(f). 

Bénédiftin, ine (m. & f.) Bene- 
diSiner Monnik; Nonne, 

Bénédittion, (f) Zegening; don- 
ner la bénédiaion à quelcun , ie- 
mand den zegen geeven, 

Bénédiaionnaire , (f) Een boek 
r.iet lofzangen» 

Bénéfice, (f) Nut , voordeel ; Ker^ 
kelyk ampt (n) ; bénéfice d'inven- 
taire , beneficie van inventaris , {ze- 
ker voorregt om een botdel te mogen 
aanvaarden , zonder in de fcbulden 
daar van gebonden te zyn). 

Bénéficiaire , (adj.) Erfgenaam on' 
der beneficie van inventaris. 

Bénéficiai , aie (adj.) Dctt tot een 
geejielyk ampt beboord. 

Bénéficier , (m) Geejielyk Ampte* 
naar, 

Bénêt, (m. & adj.) Een Slegt- 
hoofd. Jan Sul. 

Èénévole , {adj.) Genegen, gunjlig, 

Bénignement, (adv.) Gunpglyk. 

Bénignité , ( f ) Toegenegenheid. 

Bénin, bénigne, (adj.) Gunjlig, 
toegenegen. 

Béni, ie (adj.) Gezegend. 

Bénir, (v.a.) Zegenen; bénir une 
Eglife , eene Kerk inzvyden. 

Bénic, ite (adj.) Gezegend, gewyd ; 
eau bénite , wy-water. 

Bénitier, (m) WywJiter-vat. 

Béquée , ( f) Een bek vol; donner 
la béquée à un oifeau, een voget 
aazen. 

Béqué, ée (adj.) Met een fnavel^ 
{in JVapenk.) 

Béqueter, (v, a.) Pikken. 

Béquillard, (m) Een die mei eei» 
kruk gaat. 

Béquille , ( f) Kruk (m) , bouten- 
been (n). 

E 4 Bé^ 



7^ BER. 

Béquiller , (v. n.) Met kruiken 
gaan (fchimpiv). 

Béquiller, (v.a.) Een tuin-bed ligt 
omj'pitten, 

Béquillon , (m) Kleine fpitze aan 
bloem-bladeren j }onge Kalken fnavel. 

Bercail, (m) Schaaps - kooi y ttem 
kerk.gemeente { f). 

Berce , (f) Beerenklauiv , {zeker 
kruid). 

Berce, (m) Roodborjlje, (zeker vo- 
geltje (n). 

Berceau , (m) If^ieg ( f ) j gallery , 
wandel-laan in een tuin} dès le ber- 
ceau , van kindsheid af ; étouffer 
dans ie berceau , in de wieg fmoo- 
^ret3;en berceau, boogs-ivyze. 

BercelJes, (f. pl.> Emaljeer tan- 
^S^fi^ y (Py Goudfm.) 

Bercer, (v. a.) IViegeit ; iemand 
ephouden-, fe bercer de chimères, 
zig met herjfenfchimmen ophouden. 

Eerche, (f) Een Draai-bas , (ze- 
ker Gefchut). 

Bergame, (f) Bergaamfcb Tapyt. 

Bergamotce, (ï) Bergamot (een 
Peer) y bergamot-olie (m). 

Berge , (f) Steile waterkant ybers- 
je (vaartuig). 

Berger, ere (ra. & f.) Herder, 
herdertn j minnaar ; minnaares. 

Bergerette , (f) Een Joort van 
dunne wyn. 

Bergerie, (f) Scbaaps-kooi (f)-, 
fermer Ie loup dans la bergerie, 
de wolf by de fchaapen 'vertrouwen j 
(dat is), een wond h^ekn eer ze gezui- 
Vfrdis; hergeriQ , gemeente ^ 'kudde. 

Bergeries , (f. çh) Herders-dif.hten. 

Bergeronnette , ( f) Een Kwik- 
jiaert , (zeker vogeltje). 

Bergerot, otte (m.&f.) Herdert- 
je, herderinnetje (n). 

Berline , (O ^eker rytuig^van 
£prlyn gekoomen , aldus genaamd (n). 

Berlingot , (m) Soort van berlyn. 

Berlue , ( f) Oogenfchemering j avoir 
la berlue , ^ar^blind zyn-p onagtzaam 
zy», 

Berme , ( f) Een berm , voet van 
de wal. 

Bernable, (adj.) Die verdiend be- 
fpot te worden. 

Bernardin , ine (m, & f.) Ber- 
tardiwr Monnik; Nonne, * 



BER. BES. BET. 

Berne, (f) Opwipping in een de- 
ken; mettre le pavillon en berne > 
de vlag in een tfjouvn opjieeken. 

Berneraent , (m) Opwerpmg ; fop- 
ping, hoon. 

Berner , (v. a.) In eene deken op^ 
gooijen; bejpotten. 

Bernicle , ( gem. w. beteekenende 
rien) , niets. 

Berniquet, (m) Envoyer quelcun 
au berniquet , iemand te gronde doen 
gaan, (gem. w.) 

Béryl , (m) Beril peen, . 

Beface, (f) Knap~zak , hedel-zak; 
être reduit à la beface, tot den be- 
del zak y tot armoede gebragt zyn. 

Eefacier , (va) Bedelaar , (fpotw. ) 

Befaiguë ou befiguè' , ( f) Steek- 
byl; [^laazenmaakers hamer (va). 

Beficles, (f. pi.; Een bril; met- 
tez vos beficles , doed uwe oogt» 
klaar open. 

Eesnarde, (f) Slot dat van bui- 
ten en bintten open en Poe gedaan 
werd (n). 

Befoche, (f) Eene fpaade. 

Befogne, (f) fVerk (n) ,bezrgheid 
(f) ; achever fa befogne ,_zy« werk 
afdoen ; beaucoup de bruit & peu 
de befogne, veel gefchreeuw én wei- 
nig wol, veel praat en weinig werk y 
tailler de la befogne à quelcun , 
iemand moeite verfchaffm ; aimer 
fort la befogne faite , veel van ge- 
daan werk houden; avoir de la be- 
fogne , werk hebben ; befogne em- 
brasante, moeielyk werk. 

Befoin, (m) Nooddruft, noodwen- 
digheid ; avoir befcin d'argent, 
geld noodig hebben ; il eu. befoin > het 
is noodig ; connoître fes amis aii 
befoin , zyne vrienden in den nood 
kennen. 

Beflbn , enne (adj. & fubft.) Twee- 
ling, (oud w.) 

Beftial, aie (adj.) Beejïelyk, beejl- 
agtig. 

Bellialement , (advO Beejlagtiglyk. 

Beftialité , (f) BeeJJagtigheid , on- 
natuurlykbeid. 

Befliaux, (m. pi.) Hoorn-vee (n), 
Runderen. 

Befliole, (f) Diertje, beefije (n). 

Be^lion , (m) Leeuw > fnavel aan 
*t gêljQm van ee» Sóhip, ^ 

BZ- 



pET.BEÜ.BEV.BEY.&c. 

Bétail , (n') Ht( Fee (n). 

Béte, (f) Etn beeii-y béte à cor- 
nes, hoorn- beej}; béte de fomme , 
Iajl-Jier\ béte fauvage, wild dier y 
remüi.cer fur fa béte , zyn fchade 
weer inhalen ; béte , etn- tee,i . gek ; 
zottin; faite ja 'éce , den bce:'- pee- 
In. , hét ' épaulée , een ongetrouivd 
bei'w >yige-J meisje ; c'elh i nc bonne 
bete , dat is een doortrapu knaap. 

Bécel, (m) Zekere plant die d' In- 
dianen geduurig kauwûn, 

Bécile, (m) Plompheid, domheid. 

Betoine , (f) Betonie , {zeker 
kruid). 

Becte, (f) Beet (eeu kruid). 

Betterave , ( f) Beet-%uortel , kroot > 
Tiez, de betterave > kroot-mus. 

Beuglement , (m) Loeijing ( f) , 
gebulk (n) , -jan Rundvee. 

Beugler^ (v. n.) Loeijen, bulken. 

Beurre, (ra) Boter (f) du beur- 
re frais, de mai, fort, fondu, 
verfche ^gras ^Jierke, gefmoltene boter. 

Beurré , (m) Zekere franfche peer 
vQn een aangenaame fmaak. 

Beurré, ée (adj.) Geboterd. 

Beurrée , ( f ) Een boter-ham. 

Beurrer , (v. a.) Boteren , Jlooven , 
Jmeeren met boter» 

Beurrier, iere {m. & f.) Boter- 
verkooper-, verkoopjïer. 

Beurriere , (m) Boter-pot (m)^ 

Bévue, (f) Misfla^ , feil (m). 

Bey , (m) Turkjch "woord , beteeke- 
ner.de Heer , Stad- of Landvoogd. 

Bezan , (m) Goude of zilvere pen- 
'ving in een l^^apenfchild. 

Bezoart ,(m) Bezoar-JJeen , croeien- 
de in de maag van zekere dieren. 

Bia , (m) Schelp, voor geld dienen- 
de in Indien. 

Biais ,(ra) Schuinte , dwarsheid (f); 
je m'y prendrai d'un autre biais, 
ik zil het anders aangrypeny met- 
tre une chofe de biais, iets fchuins 
aanli'ggen ; je ne vois qu'un biais 
pou/ y réunîr,;it zie maar een mid- 
del om 'er in te Jlaagen; vous avez 
pris le bon biais, gy hebt het rég- 
ie middel aangevat. 

De biais, (adv.) Schuins, dwars. 

Biaifement, (ra) Wyffeling , draai- 
ji»gi helling van een Schip (f), 



BIA. BIB. BIC. BID BIE. 75 

Biaifer , (v. n. & di.) Schuins gaan{; 
wyffelen , niet vaji in zyne fc7;oenen 
Jlaan. 

Biaris , (m) IValvifch met tanden. 

Biberon , onne (ra. & f.) Dronk' 
aard; zuipjler. 

Bible , ( f) Bybel (mT, het oude en 
nieuwe Verbond, of Tejiament (n). 

Bibliographe , (ra) Kenner der 
oude fchrijttn. 

Bibliographie , (f) Kennis van 
oude Schriften; konjï om naamlyfien 
van boekeryën op te fielten. 

Bibliographique , (adj.) Schrift^ 
kundig. 

Bibliomane, (m) Een groote lief- 
hebber vcia boeken. 

Bibliomanie, (f) -Zucht, luji top 
boeken. 

Bibliophile , (m) Boek-beminnaar. 

Bibliothécaire, (m; Boek bewaar^ 
der. 

Bibliothèque , l f) Boeker y è', zaai 
die vol boekn ts. 

Bibus, un Pcëte de bibus , een 
kreupele , armhar tige Poëet , (ironie). 

Biceps, (f) Elleboog fpieren, {in 
Omleecik). 

Biche, (f) Hinde, 't wyfje van 
een Hert. 

Bichenage öu bichetage , (m) 
Markt^geld van koorn. 

Bichet , (m) hen f chef el in Bout' 
goniën, {zekere kocrn-maat). 

Bichon, onne (m. & f.) Schoot- 
hondje , Jpaans-hondj e (n). 

Bicoq , (m) De ^de voet onder een 
Timmermans bok , waar mede zwaare 
lajfen opgetild worden. 

Bicoque, (f) Klem JJeedje (n), 
of wooning ( f). 

Bicqueter , (v. n.) Jonge werpen^ 
(van Geiten gezegd). 

Bicornis , (m) Spier in de hand. 

Bidet , {m) Klepper (ra)- Tslandfck 
Paerdje (n). 

Bidon , (ra) Houte bier-hut of flap 
voor een bak , (fcheepsw.) 

Bien , (ra) Goed , erfgoed (n) j Ie 
fouverain bien, het opperjïe good^ 
biens meubles & immeubles, roe- 
rende en onroerende goederen ; Ie bien 
public, het gemeene beft; faire da 
bien , goed doen; ne parier de per- 

^ 5 fonact 



74 BIE. 

foiine'ni en bien, ni en mal^rncb 
^oed ncch quaad van iemand fpree- 
ken; gens de bien , vroome lieden ^ 
nul bien fans peine , geen roos zon- 
der doornen', les biens de la terre, 
bet veldgewas 'y biens d'Eglifej^É'^f- 
telyke goedeiren ; bien vous faflTe , ivel 
moet hst u bekoonipn. 

'&ien, {a,àw.)lVel^goed;zecr;hitn 
autrement , gant/eh anders -, eh bien i 
«•■?/ aanl fort bien , zeer wel} aufll 
bien que vous, 200 wel als ^yjaufli 
grand que lui , zoo groo al s by;eh 
bien que cela foit , wel laat dat 
2>«j quand on eft bien on s'y doit 
tenir » daar men wel is moet men 
blyven. 

Bien aîmé, ée (adj.) Welbemind. 

Bien-dire, (ra) ff^elbefpraakibeid , 
welfprekendbeid ■( f). 

Bien-être , (ra) IVelJland. 

Bïenfafteur, bienfadrice , (m. & 
f.) Weldoeuder ; weldoenjlcr. 

BienfaiTance , ( f) WeLioemng. 

Bienfaifant , ante (adj,) Wel- 
doende. 

Bienfait, te (adj.) Welgemaakt. 

Bienfait, (m) Weldaad. 

Bienfaiteur. (-^/VBientafteur). 

Bienheureux , euie (adj.) Welge- 
lukzalig. 

Bienheureux , (m) Een gelukza- 

Bien-Ioin , rconj.) bien-loin de 
Ie croire , wel verre van b^t te ge- 
loù-jeij. , 

BiendÇe, (conj.) bien que l'on 
me dire , j'cboon men my z/gge. 
^-Bl^ienféamment , (advO Weljiaan- 
/delyk. 
J Bignféance , (f) Gevoeglykheid',]a. 
^~\bienféance demande cela , de be- 
faamelykbeid vorderd zulks. 
/ Bjenféant ,ante (adj.) Weljlaande. 
\ Bien-tenant ,ajite (m. &f. )£■«?« ^/^ 
een anders goed bezit. 
/^ (Bientôt, (adv.) Haajl , ras. 

, [Bienveillance, (f) Genegevbeid y 
gifnjl. ^ / 

' Bienveillant , ante (adj.) /GÉ';2^_^f«. 
(Bienvenue , ( f) Welkomp. 
ƒ Bienvenu , ue (adj.) Soyez le 
lîenvenu , zyt weÙekoom.] f 
kBierre , (f) Bier (n) j J^ood-haar; 
■'d-kiji. 
Hcyre , (m) Een bever , ayloor. 



BIF. BIG. BLJ. 

Biez , (m) Water-leiding na een 
moolen. 

Biffé , ée (adj.) Doorfcbrapt. 

Biffer , (y. a.) Doorfcbrappen. 

Biffurcation , ( f) Plaats daar een 
tak zig in tweè'n verfpreid. 

Bigame , (m) Een die twee vrou- 
wen ïe gelyk heeft , of voor de twee" 
de maal trouwd. 

Bigamie , ( f ) Huwelyk met twee 
vrouwen te gelyk (n). 

Bigarade, (f) Groot e citroen (tn). 

Bigarré, ée (adj.) Bont ^ gefprik- 
keld', compagnie bigarrée, gezel- 
fcbap van allerlei onvoeglyke men- 
fchen. 

Bigarreau > ( m ) Spaanfcbe Kers, 

Bigarrer, (v. a.) BefpikkeleUfbonP 
maaken. 

Bigarrure, (f) Bont-werk ^ bont- 
fcbilder-werk \n) ; la bigarrure de 
ce chapitre vous plaira , de veran- 
dering in dit hoofdjiuk te vinden zal u 
bekaagen. 

Bigle , fadj. & fubfl.) Scheel; een 
fcheele ; een Engelfche Jagt-hond om 
Haazen en Konynen te vangen. 

Bigler, (v, n.) Scheel zten. 

Bigne , ( f) Buil (ra) , bultje (n). 

Bignet, (m) Pannekoek, 

Bigorne, (f) Een Smids fpeer- 
baak (m)> aambeeld met twee arvien 
(n). 

Bigorneau , (m) Kleine fpeer-haak» 

Bigorner ,(v.a.) /(?;5 op een f peer- ., 
haak ronden , omklappen. > 

Bigot , te ('tdi. <Sc fubfi.) Schy>i- 
heilig, hy gelovig; eên fcbynbeilige ; 
een kiveezel. 

Bigot , (m) Een Slee , (zeker hout 
met gaten om touwen door te Jïeekai^ 
dienende tot het rak ep een Schip). 

Bigotelle ou bigotere , (f ) üTw^-- 
V el-band y knevft-bqrjîel (m). 

Bigoter , (v. a.) Den huichelaar 
Jpeeleiif (ger/t, w.) 

Bigotene , (f) Huichelarye. 

Bigotisrae, (m) By^eloof{ïi). 

Bigue, (f) Geinbaik om een Schip 
te kielen (m). 

Biguer, (v. a.) Tuifcben, verruilen, 

Bigues, (f. pi.) Stutten , gebruikt 
in 't kielt n. 

Bi jon, (m) Zekere foort van Ter- 
pent y n. 

Bijou j 



A 



BTJ. BIL. 

Bijou , (m) Juiveel (i ïf , kleinodie , 
'fraaiheid (f). 

Bijoutier . {m) Juwelier , Koopman 
iujuweelen ; verzaamelaar vanpaai- 
heden. 

Bil, (m) Bil, ylUe in Engeland. 

Bilan * (m) Staat eens Koopmans 
van onpfang jen uitgaaf ^ balance. 

Bilboquet, (m) l^angctfje (n) {kin- 
der fpeeituiz)} een verguld quaji. 

Bile , {^) De gal ; granfchap j mo- 
dérer la bile , de gal matigen; bile 
noire, zzvarte gal. 

Biliaire , (adj.) Vaifleaux biliai- 
res , gal vaatjes (in Ontleed-k.) 

Bilieux, eufe (adj.) Galagtig ',nn 
bilieux , een oploopend menfch. 

Billard, (m) Truktafel (i); truk- 
fpel (n); trukjlok (m). 

Billarder, (v. n.) Z^yn trukbal twee 
maal aanjiooten. 

Bille, (f) Trukbal ', palfjiok i bind 
knuppel voor f^oerlieden {va); beloü- 
fer une bille, é-f» bal inde zak fpee- 
len j doubler la bille , de bal vol 
aanjiooten; faire fauter la bille, de 
bal- u itfootefi. 

Billebarrer , (v. a.) Een kleed ka- 
kelbont maaken, {gem. w.) 

Billebaude, (f) IVan-orden; à Ia 
billebaude,m verwerring , (gem.w.) 

Biller , (v. a.) Met een Jiok pak- 
ken; trek-paerden de lyn aatifaan. 

Billet, (m) Ceeltje, briefje, hand- 
fchrift y Soldaaten quartier biljet {n); 
ËiacMüt {Î); billet de fanté , ge- 
zondheids pas ; billet doux, minne- 
brief; je lui ai pr^té cinq cent 
francs , dont il ra'a fait fon billet, 
ik beb hem vyf honderd guldens ge- 
leend, waar van hy my een briefje on- 
der de hand gege even heeft; billet de 
Loterie, de ^change, een Lotery- 
een 'iv:Jfel -brief je; billet blanc, een 
niet ; tirer au billet , looten ; billet 
pour entrer dans la Comédie ,/oof- 
je om in de Schouwburg te gaan. 
. Billeté,tée (adj.) Gemerkt, ge- 
nommerd; met blokjes bezaaid y {in 
U^apeuk.) 

Billeter, (m) Merker der waa- 
ren. 

Billette,(f) Teeken aan een Tol- 
^is tot waarfibouwiifg dat men daar 



BIL.BIM.BIN.BIO.&c. 75. 

vertollen moet ; zilver vierkant blok- 
je , {in If^apehk.) (n). 

Billevcfée, {ï) Zotte inbeelding ^ 
inval , iedele waan. 

B'üloïï , {m) l^ervalfcht , qtiaad f of 
afgezet geld (n). 

Billonnage , (ra) Kwaad, bedreeven 
met het opwijjelen van ongangbaar 
geld (n). 

Billonner, (7. a.) Ongangbaar 
geld opwiffelen en uiigeeven ; Jlegte 
munt Jlaan. 

Billonneur , {va) Uitgeever van 
jlegte munt { f). 

Billot , ( ni ) Een blok ; blok val; 
fJult-Jlukje (in Scheeps-b.) ; billot de 
nrieia! , mctaale klomp. 

Bimauve,(f) Soort van zigtmaar- 
kruid {in Kruidk.). 

Eimbelot , (m) Kinder fpeelgoed (n). 

Bimbelotier, (m) Poppegced-maa* 
ker. 

Binaire, (adj.) Tweevoudig ; nom' 
bre binaire, tweeleedig getal; me- 
fure binaire, zang-maat die in twee 
tyden gejlaagen word. 

Binard , (m) Een ivagen met vier 
wielen , dienende tot het vervoeren 
van zwaar e lajïen. 

Biné , ée (adj ) f^oor de tweede 
maal omgefpit. 

Binément, (m) Tweede omfpittine 

(f). 

Biner , (v. a.) Een ^4kker voor de 
tweede maal omfpitten; twee nuffen 
op een dag doen. 

Binet , (m) Eenprofytertje , om end- 
jes kaars op te zetten ; een endje kaars 

Bini, (m) Monnik die eenen meede- 
broeder moet verzeilen. 

Binocle, {m) ^errekyker voor beide 
de oogen. 

Binoculaire , (adj.) Aftroscope 
binoculaire , dubbelde i^errekyker 
voor de S terrekykers. 

Biographe , (m) Levens-b efcbry 
ver , {zelden gebruikt) 

Bipédai, aie (adj.) Dcit twee voc5 
lang is. 

Bipède, (adj ) Twee-veetig. 

Bipenne , ( f; jimazoonfche firyd^ 
byl (ra). 

Biq,ue , (f) Een Geit {beter Cheyre), 



75 BIQ. BIR. BIS. 

Biquet , (rn) Een goud-fchaaltje (r). 
Biqueter, [w.zl..) Daormeede wee- 
gen. 

Bi ramb rot , (m) {hoUandfcb w.) 
Bie'T en brood (n). 

Bire , ( f) Soort van Fifch-fuik. 
Birette , (f) Muts die de jonge Je- 
fui ten draagen. 

Birloir ,(m) Iets dat bet dekzelvan 
een kijl , open zyniie , ophoud. 

Bis, ife (ady) Bruin, zivart; pain 
bis , zwart , of roggen - brood. 

Bis, (m) Repeteer-teeken , (in Mu- 
ziek). 

Bi Page , (m) Verver-jiting ( f) . 

Bifaïeul, (m) Qver-groot-vader. 

Bifaïeule , ( f) Ov er-groot-moeder. 

Bisbille -, ( f; Twiji , kyffagie , 
{gem. w.). 

Bis-blanc, (adj.) Da pain bis- 
blanc , brood van fyn en grof meel. 

Biscapit j(cn) (inRentek,) Een zaak 
Z maal in tekening gebragt.. 

Biscornu, ue (adj.) Bacimentbis- 
cornn , mismaakt geboutv ; du pain 
biscornu , fcheef gebakken brood. 

Biscocin, (ra) Zuiker-knekje. 

Biscuit , (m) Tweebak , befchuit ; 
valfche verf; s'embarquer fans bis- 
cuit , zonder noodige middelen iets on- 
derneemen. 

Bife , ( f) Noorde wind (m) ; fluk- 
je brood dat men de Schoolkinderen mee 
geeft (n). 

Biieau, (m) Schutn gejlepen rand 
van een fpiegel ; rug van een mes; 
rand van een ring-kas ; Zetters fpaan 
(m) ; fchaaf-yzer ; orgel-pyp-dekzel 
(n)ï ^y^^ *'^'^ ^^' brood alwaar geen 
korjl is. 

Bifeigle, (f) Schoenmaakers Ui- 
hout. 

Bifer, (v. a.) Bruin worden y (van 
koorn gezegd). 

Bifet, imi Hout-duif, wilde duif; 
^ruin brood (n). 

Bifecte, (f) Geringe kant, boere 
tant. 

Bifeur, (m) Zwart-verwer . 

Bisraut, fm) IVismutb (mineraal). 

Bifon, (m) Wilde Os; buffet (in 
Jf^apenk.). 

Bisquains, (m) Bereidde Schaaps- 
Vilten met de wol 'er op. 



BIS, BIT. BIV. BI^, . 

Bisque, (£) Kragtiga foppe-, 1$ 
voor uit in 't bal fpel, 

Biffac, (m) Knap-zak, bédsLzak; 
réduire au biflac, tot den bêdeUzak 
bremzen. 

Bilfe , ( f) Slange (m Wapenk.), 

BilTêtre , (nj) Ongeluk (n) , (gem, w.) 

Eiflexte , (ra) Schrikkel-dag. 

Biflextil , ile (adj.) Année biflex- 
tile , fchrikkel-jaar, 

Biftoquet , (m) Kleine billard-Jïok, 

Biftorte , ( f) .ddder-tong , ( eea 
kruid). 

Biftortier , (m) Houte vyzet-Jlam- 
per. 

Eiüouri, (m) Incijle-mes , (by 
IVondh.) 

Biftourner5(v. a.) Een Paerd rui- 
nen, met de ballen te vtrdraaijen. 

Biftre , (m) Roet-zwart , (verfjïof), 

Eifulque, (adj.) Gefpleeten y (by 
Natuur k.) 

Bicord , (m)Schiemans gaar en van 
2 draad, voor de wevelingen van een 
Schip (n). 

Bitte, bittes," (f) Beeting, waar 
aan de kabel vajl gemaakt wqrd. 

Bitter, (v. a.) Bitter un cable, 
een kabel aan de beeting vajl maaken. 

Bitton , (m) Beeting ( f) , kruishout 
op een galey (n). 

BittonnieresoaAnguilleres,(f.pl.) 
Lokgaten op een Schip, waar door 
het water naar de pomp geleid wórd» 

Bitume , (m) Jooden-lym ( f). 
• Bitumineux, eufe (adj.) Lym- 
ogtig. 

Bivalve, (adj.) Dat met twee klap- 
deuren ; of een dubbelde fchille is. 

Biventer (m) Spier der onderjie 
kinnebak (f). 

Biviaire, (adj.) Place biviaire, 
plaats daar twee wegen t'zamen ko" 
men. ^ 

Bi voie , ( f) Weg die zig. in tweën 
verfpreid. 

Bivouac. (Zie Bihouac). 

Bizard , (m) Bonte verf der tulpen» 

Bizarre , (adj.) Wonderlyk ,mtslyk, 
eigenzinnig , koppig. 

Bizarre , (m) Eigenzinnig menfch, 

Bizarreni'ent , (adv.) Wonderlyk , 
gekkelyk. 

Biaarrerig , ( f) Misïykbeid, eigen-' 
zinnig- 



BIZ. BLA. 

zmnjgheïd', ccac hiftoire ne plak 
que par fa bizarrerie , die gefchiede- 
nis behaagd a lie f n door des zelfs Vi r- 
fchcidfnbeid. 

JBize {Zie Bife;. 

Blafard, arde (adj.) {oud en gem. 
IV.) Bleek , flets f verjcbooten. 

Blaireau. {Zie Bléreau). 

Blairie , ( f) Drift-geld > om op een 
weide te laaten graazen. 

Blâmable, (adj.) Strafbaar , b e- 
rifpplyk, wraakbaar. 

Blâme , (m) Lajler , fchande jfchutd 
(f); encourir le blâme ,J'cbahde be- 
haalen ; en porter Ie blâine , de 
fchtild 'er van draagen. 

Blâmer , (v. a.) Lajïeren, verwy- 
ten; blâmer un compte, {in Rech- 
ten) eene rekening wraaken , tegen- 
fpreeken. 

Bianc , blanche , (a ij.) îVit^^grys^ 
zuiver , da fer blanc ^blik; dU pain 
blanc , ivit brood ; bierre blan- 
che , wit bter i cheveux blancs, 
gryi hatr-y billet blanc, een ledig 
briefje ^ een niet', argent blanc , zil- 
ver gelde 

Blanc, (m) Het witte (n); aller 
du bianc au noir, van den hak op 
den tak f pr ing en {fpr. w ) j tirer au 
blanc, na het wit fchieten ; blanc 
d'ceuf, het wit van een ei; livre 
en biznc ^ongebonden boek ; en blanc, 
onbefchreeven ; dire une chofe de 
bfet en blanc ,iets onbezonnen zeggen. 

Blanche. {Zie Blaac). 

Bianc -bec, (m) Onervaren Jonge- 
Jing. 

Blanchai He , {]£ ) Uitfchot van vifchy 
klein grut (n). 

Blanchâtre , (adj.) Witagttg. 

Blanche, (f) Halve Muziek-noot. 

B.'anchement, (adv.) Reinlyk, zin- 
velyk in Linnengoed. 

Blanclierie, (f) Linnen of wafch- 
hleekery; vertin of blik-hutte. 

BIanchet,(m) Jf^itte doorzy g-doek ., 
Pers-doek {in de Drukkery) (m) , wit 
kamizool (n). 

Blancheur, (f) tVitheU. 

Blanchiment , (m) Het hleeken', 
Vertinnen enz. (n). 

Blanchir , (v. 3.) Wttten, wit 
gpaaken-, blanchir de 1'argent, zil- 



BLA. BLE. 77 

ver wit kooken; blanchir, (v. n.) 
grys zvoriïen ; la mer blanchir (mou- 
tonne) , de zee fchuimt wit; toutes 
mes peines ne font que blanchir, 
aile myne moeite is vrugteloos. 

Blanc biffage, (m) Eleekmge (f), 
wafchloon (n). 

Blanchiffcrie , ( f ) Bteekery, 
wafch-huis. 

Blanchiffeur , eufe (ro. & f.-; Blee- 
ker ; bleekjîer. 

Blanc-manger , (m) Eene met zut- 
ker en amandelen enz, toebereide fpy 
ze , fpaanfche pap (f). 

Bianc-ralTis , (ra) Pommadetuzalf 
(f). 

Blanc-fcellé ^{m)Een gezegeld pa* 
pier in blanco (n). 

Blanc-Ggné . (m) Een getekend pa" 
pier in blanco (n). 

Blandices , (f. pi.) Vlyery , {oudw.) 

Blanque , (f) Een Lotery^-boekje 
met zwarte en witte bladeren ; ha- 
zard à la blanque , onbezonne onder- 
neem ing. 

Blanquette, (f) If^itte wyn van 
Languedok; dun wit bier (m). 

Blafon , (m) U^apenfchild-kunde -, 
loftuiting (f). 

Eiafonner, {'7,z,)De Wapens uit- 
leggen; item die behoorlyk fchilderen; 
iemand roemen of lajieren. 

Blafonneur , m) {weinig geb.) Be- 
fchi^ver der Wapens. 

Blafphémateur , (m) Gods lajie- 
raar. 

Blafphématoire , (adj.)Go*/^fr- 

Blafphéme, (m)GodslaJïering (f). 

Blafphémer , (v. a. 6c n.) God 
lafleren; Godslajlering uitbraaken. 

Blatier , (m) Kooren-kooper op 'g 
Land. ^ 

Blaude, (f) Een boeren kiel, lin- 
nen-rok (m). 

Blaveole,'f)Blaauivekooren.'bloem'» 

Blé. {Zie Bied). 

Blêche, (adj.&fubft.) TrouwlooSé 
valfch {fcheldw.) 

Bied , {m)Kooren, graan (n);bled 
en herbe, onrypkooren; bied fars- 
zin, boekweit; bied de Turquie ou 
maïs, Turkfche terwe;hleà meteil , 
meng-kooren i manger foa bied en 

her* 



7^5 BLE. BU. BLO. 

jherbe , zyne tnkomjlen , voor ze ont fan- 
gen zyn , veneeren , (fpr. iv.) 

Bleime , ( f ) hif.amatie onJer aan 
de voet van een Pae'td. 

Blême, (adj.) Bleek, doodfch. 

Blêmir, (v. n.) B'.eek worden ^be- 
Jlerven. 

BiêraifTement , (m) Bcjîervir.g ( f ). 

Bléreiu, (m) Ken Das (n), {zeker 
dier). . , ^, 

BleiTé, ée (adj.) Gehwetjî , bleffe 
à mort , ter dood toe gewonde 

BleiTer, (v. a.) Kiveuen, wonden, 
hefchaa.iigen. 

BlefTure, ( f ) Kivetzuur, wonde, 

Blecte , ( f ) M^fer-Xee>2 krmd). 

Bleu , bleqe , (adj . & füDft.) Blauw ; 
hlaiiwe verf; bJeu 'mourant , licht 
hlattw; bleu tixT(\n\n , donker blauw . 

Bl^uâcre, {aiû].) Blauwagtig. 

Bleuir, (v. a. & n.) Blauw maa- 
ien, b'auwen; blauw worden; faire 
bleuir le fer, het- yzer blauw aan 
doen loopen, 

BI in, (m) Een rambîok y (in 
Scheepsb.) 

Blmde , blindes , ( f ) Blinden , tot 
dekking , ( in l^ejîwgb.) 

Blinder , (v. a.) Met blinden be- 
dekken. 

Bloc, (na) Een blok; Ezels-hoffd 
(tn Scheepfb.) ; bioc de marbre , mar- 
mere blok, vendre 'en bloc & en 
tas , by den hoop verkoopen. 

Blocage ou blocailie , (f) Gruis 
(n) , puinhoop (m). 

Blochec , (m) Een dwars fparreiï) . 

Blocus, im) Befchanjfuiçf, blckee- 
Ting, injluiting {?); (l'^cfting w.) 

Blond, onde(acli.&fubft.) Blond- 
ha:ri^, blond; een blond menfch. 

Blonde , ( f i Zyde kant. 

Blondin, ine (m. & f.) Een die 
blond kair heeft. 

Blondir, {m) Blond h&ir bekoomen^ 

Bloquer, (v^ a.) hfluiten , ver- 
fchanffen; bloquer une ville , un 
port , y mettre i€ blocus, ff« Jlad, 
een haven inflzù'.en; bloquer , de ree- 
ten van een Jchip met werk digt maa- 
ken ; dr uk-letters verkeerd zetten; 
metzelen zonder pas-lood. 

Blot , Bloc OU Chouqu'et (m). 
Ezels-hoofd ; 8cheeps..bïok ; werktuig 



BLO, BLÜ. BOA. BOB. &c, 

om de vaart die een Schip maakt me- 
de te meeten , (öcheeps iv.) 

Blottir , (v.a.) /« een duiken ,ver^ 
fcbuilen; les perdrix fe blotti(nint, 
de %teldboenderen kruipen in een , ver- 
frhuilen zïg. 

Bluet , (m) Blauwe koren-bloém ( f ). 

Bluette , (f) Sprankje, vonkje van 
vuur of gloeiend yzer (•«). 

Bluteau , (m) Aleet-buil. 

Bluter, (v. a.) Builen, 

Blutene , ( f ) MM~buitery, 

Blut^oir. {Zie Bluteau). 

Boage , (m) Die^jfi van een Vaffaï 
aan zynen Heer met twee Offen voor 
hem te ryden. 

Bobèche , ( f)Pyp van een kavde^ 
laar. 

. Bobine, (f) Een bobyn , klos, om 
gaaren op te doen. 

Bobiner , (v. a.) Gaaren op een bo- 
byn winden ,fpoelen. 

Bobineufe , ( f) Gaaren fpoelfter. 

Bobo > (m) Ligte kneuzinge (f), 
flootje (n). 

Bocage , (m) Bofchje , bofcbagie (n). 

Bocager, ere(adj.) Nymphe; bo- 
cagere , bofch-nimph. 

Bocal , (m) Beker , bocaal. 

Bodinure , ( f ) Bewoeling van den .]i 
anker-ring. a 

Bodruclie , ( f) Fyn perkament van ; 
Offendarmen bereid (n). 

Boëffe , OU gratte boëfle,. ( f )<( 
Kratz-borfiel in de munt. 

Boëffer, (v. a.) Kratzen. . 

Boete. {Zie Boîte)* 

Bœuf, (m) Een Os (m) , Offen-vîeefch 
(n) ; dommen os , vleegel. 

Bogue, ( f ) Kajianje bolflery Hou* 
ting {een vifch)."^ 

Bohémien, ienne, ou bohème, 
(m. & f.) Heiaen , Land looper , goe' 
der-geluk zegger; Land-loopjler. ' 

Boïard , (m) Hand-burrie ( f y. 

Boie , ( f ) Fberbaai. 

Boire, (v. a.) Drinken; boire à 
la ronde, in't ronde drinken; boire, 
des rafadesïde rouges bords, èoor- 
den vol drinken; il boit,;?>y is tot den 
drank vervallen; boire la, raillerie^ 
de befchimping verdraagen ; la terre 
boit la pluye , de aarde tr^-kt de regen 
na zig î ce papier boit > dat papier 
A,uigt] 



BOL 

xaigt; boîre comme un trou, à tî- 
relarigot , lujiig zuipen ; qui fait la 
folie la boit , (fpr. iv.) zoo als men 
zyn bed maakt zoo legt men; donner 
pour boire , een dnnk penning gee- 
ven; voilà pour boire , daar is een 
drink-penning i ce foffé boit en ri- 
vière, die Jloot krygt zyn water uit 
de rivier. 

lioire , (m) Het drinken (n). 

Boirin , (m) Anker-boei. 

Bois , (m) Een bofch-, bout (n) ; 
bois épstis , dik bofch ; bois de char- 
pente , timmerhout j bois mort, 
dooJ , verdord bout \ bois en étant, 
hout dat nog op de Jlam is -, bois de 
haute futaye, een hoog bofch; bois 
vif, gezond, groen hout; mort bois 
ou d'entrée , balf vergaan hout; 
bois de teinture, verf-hottt ^ bois 
blanc, 'week , zagt hout ; bois 
de cerf , het g^ewigt of de hoor- 
nen van een hert, enz. bois à brû- 
ler , brand hout; bois canards, ge» 
zonken hout; bois flotté, vlot-hout; 
bois échappés , dryf-hout ; - bois 
merrein, vat-hout , pyp-hout; bois 
de charronnage $ wagenmaakers' 
hout ,*wagen-fchot ; bois de compte, 
tel-haut ; bois de refend , hout dat 
ligt kloofd; bois en grume , neerge- 
veld , gehakt hout; bois chablis , door 
den wind neergeveld hout; bois lavé, 
fia de lyn gehakt hout ; bois bombé , 
krom gewaffen hout; bois gelif , /bwf 
dat vol fpleeten is ; bois carié , ver- 
moulu , verwormdivermollemdhouî ; 
bois rabougris , kwafîjg bout , tiit- 
fcbot ; bois ta '1 lis , ha-k-hout , een 
hak-bofch; faire du ho is , een Schip 
met brand-hout voorzien; a-.HtCre du 
bois, hout afhakken y neérvvllen ; veel 
kégeh werpen ; ne favoir de quel 
bois fiire flèche, niet ivt-eten waar 
men zig keeren of iveydm , --..vat men 
aanvangen zal; trouver vifage de 
bois, niemand t'hurs vinden \hois de 
lit, bedfleê ; buis qui fe tourmen- 
te, hout dat werk( , nog niet uitge- 
loogd is; je fai de quel bois il re 
chauffe, ik ken zy,2 manier, beftaan; 
haut le bois, het geweer ont hooe 
(by Krygsl.) ^ 

Boifd^e , (m; Befchutting (f); pa- 
ntel-iterk (n). 



BOL BOL. BOM. * 79 

Boifer, ;v. a.) Mep hout befchic 
ten , lambrifeeren, 

Boiferie, (f) Houte befchot (n); 
lambrizeering (f). 

Boifeux, eufe (adj.) Houtig, 

BoifTeau , (m) Een fchépel. 

Boiflelée , ( f) Een fcbépel-vol citera 
een fchépel zaai -land. 

Boiflelier, (mj Een maaten-doo^ 
zen-maaker. 

Eoilfon, (f) Drank fm). 

Boite, (f) Regte tyd wanneer dti 
wyn kan gedronken worden. 

Boite, (f) Een doos, kas; munt^ 
blok ; gewrigt daar een been in dr aai d 9 
boite à poudre, à poivre, démon- 
tre , een poeder-, peper-doos , kas va» 
een zak-horologie ; boite de roue ^bet 
ave^gat van een wiel; on y eft comme 
dans une boite , men zit 'er warm 
in. 

Boitement, (m) Hinking (f). 
, Boiter, (v. n.) Hinken, kreapelJ 
mank gaan. 

Boiteux , eufe (adj. & fubft.) J^reu-^ 
pel, mank ; een kreupele; il faut at- 
tendre le boiteux, {fpr. w.) men 
moet d'eerJJe tyding niet gelooven. 

Boîtier, (m)Doozen-njaaker;zalfi 
bus (by Heelm.). 

Eois-tout, (m){gem.w.) Glas zon- 
der voet. 

Eoiture, (f) (gem.w.) Zwelgery» 
zuipery. -^ j ^ 

Bol OU bolus , (m) Eene mond-mt 

medicynen. 

Bombance, (f) Goede cier,nem~ 
pery ^ {gem. zv.) 

Bombarde , ( f; Kort gefchut , hatu 
bitz. 

Bombardement, (m) Bombardes- 

r/n^ (f). 

Bombarder, (v. a.) Met vuur-hs- 
gels , viei bomben befchieten. 

Bombardier , fm) Bomm8>h-<werper9 
Bümbardier. 

Boni ha fin , fn-i) Bommezyn. 

Bombe , ( f ) Bomme , vuur-kdgeï. 

Bomber , (v. a.) Krom niaahn- 
uitho^liv. •" 

h^d^''' ' ^ ^ ^ 5orf^m.r>,. , (in Zee^ 

Bon ne (,dj.) Gced;mïld;deu^d^ 
zaam; uap^er -, flerk ; ejz, «n bon 



go BON. 

Cavalier, een goede Ruiter -, uh bon 
' Médecin, een goed Geneesheer ; bon 
xnot , kwinkjlag , klugtige uitdruk- 
king ^ inval -^ n'ècre bon a rienjO^r- 
gem toe dtenjiig zyn; à quoi boa ce- 
ia ? waar toe ditnd dat ? trouver 
bon ^goed vinden ; alle?, ou bon vous 
ftmble , gaat daar het u goed dunkt; 
un bon homme , een goed , deugdzaam 
man , een onnozel man , een goed 
bloed fles bons ou les gens de bien, 
de vroome lieden ; il n'eft bon ni à 
rôtir, ni à bouillir, hy deugd 
nergens toe; un bon coquin j een 
martsfchelm j ö ! la bonne raifon , 
et! dat 's een fc hoon bezvyf, de bon 
cœur y van gantfcher harten-, les bons 
comptes font les bons amis, effen 
rekening rnaakt de beJJe irienden ; 
vraiement «je vous, trouve bonne ! 
waarlyk ik vinde u fraai! je vous la 
garde bonne , ik zal 't u w-l betaald 
zetten ; faire bon pour quelcun , 
voor iemand in Jlaan , borg blyv^^n , 
tout cela eft bon , mais . . , dat 
is altegaar mooi en goed , maar . . ; 
c'eft un bon Apôtre, /^pf ts een rui- 
gen ^poflel {boert, "jv-); un i)on pen- 
dard , een olyke fielt ; fouhaiter, don- 
yier Ie bon jour , goeden morgen^, 
goeden dag wenfchen; les bons maî- 
tres font les bons valets, goede 
tneeflers maaken ^ede dienji boden. 

Ben , (m) Het goede , het bejle 
fn)j connoitre Ie bon & Ie beau 
d'une affaire , het goede en het fraaye 
van een zaak kennen; Ie bon de l'af- 
faire eft . . , het b'efie van de zaak 
i^ . . ; il y a cent écus de bon , 
daar zyn honderd kroonen te goeds. ^ 

Bon , (adv.) Goed<, tvel; fentir 
bon, wel ruiken; tenir bon -, (land 
houden; cela me coûte bon , dat^ kojl 
my goed -veat; bon! voilà qui va 
bien, goed', dat ^aat. wel. 

Bonace, (f) TVind-ftilte ^ kalmte 
•p zee; ^erudheid, vreede. 

Bonafle , (adj.) Al tegoed^ te een- 
voudig. 

Bonbons, fm. pi.) Lekkemyen, fnoe- 
^eryen voor kinderen. 

Bonchretien , (m) Zekere lekkere 
franfche peer. 

Bond, {m)Wfcr-fprsng{n), opfiuh 



BON. 

f'"S (O Î prendre la balie aa 
bond, den bal in 't opfiuiten vangen^ 
de regte tydvan iets waarneemen (fpr. 
IV.) autant de bond , que de volée, 
{fpr. w.) op beiderly wyze. 

Bonde ,. ( f ) Sponde , of tap van een 
vyver ; JJuisje ; fchotdeurtje (n). 

Bondir , (v, n ) Opfpringen , hup- 
pelen; opwellen ; les agneaux bondis- 
fent, de lamineren fpringen; cela 
me fait bondir le cœur', dat doed 
my het hart walgen , opkomen. 

Bondiflement , (m) Opwelling .^op- 
fluit ing der maag (f). 

Boadon , (m) Sponde , fpo^dgat (n). 

Bandonner , (v. a.j Toefponden , toe- 
fioppeit. 

Bondonnier, (ra) Spond-hoör {nl. 

Bonheur, (m) Geluk (n), welvaart 
(f) j par bonheur, by geluk. 

Bonboramie, (f) Goedaardigheid. 

Bonifier , (v. a) l^erbetcren , ver~ 
goeden; bonifier un champ? een ak- 
ker c.rbeteren. 

Bonjour , (m) Donner, fouhaiter 
Ie bonjour, goeden dag wenfchen. 

Bonite , (m) Spring vtfch. 

Bonnaire. {Zie Débonnaire). 

Bonne'. {Zie Bon). 

Bonneau , (m) Anker- teken (n), 
boei{i). 

Bonne-aventure , ( f) Goedergelui 
{van Jf'aarzeggers), 

Bonne-fois , une bonne fois , esni 
voor al. 

Bonnement , (adj.) Opregtetyk , 
il y va tout bonnement , /;y 
gaat opregtelyk te werk; je ne fai 
bonnement que dire, ik weetzvaar" 
lyk niet zvat te zegden; avouer bon- 
nement une chofe , een zaak rond- 
borfîig bekennen. 

Bonnet, (m) Muts; kuif; donner 
le bonnet à quelcun , iemand pro-" 
moveeren, de Doftorale Muts geven ; 
opiner du bonnet , een ja broer 
zyn; trille comme un 'bonnet de 
Huit fans coife, {fpr. u\) zeer droe~ 
vig zyn; il a la tête près du bon.^ 
net ) {gpm. fpr. w.) hy is kort vaa. 
ftofy zeer ophopend; porter le bon* 
net verd , banquetoet zyn; j'y met- 
trai mon bonnet , J* verred 'er myti 
muts onder, 

Ben*' 



BON. BOQ. BOR. 

Eounetac-le , ( t') uupe ecrbud (m). 

Bonnecer, (v. a.) Iemand eerbie- 
dig groeten y (gem. w.) 

Bonneterie, (f) Mutzen-makery y 
gild daar van (n). 

Bonneteur, (m) Bedrieger, (S^"*- 
' w.) 

Bonnetier, iere (m. & f.) Mut- 
zen-maaker , maakjier , of verkooper , 
z'erkoopjler, 

Bonnci-quarré ,(m) PrieJJ ers muts 

(f). 

Bonnette y (f) Kleine Ravelyn , 
boive maan , buiien-iverk {in l^ejîing- 
bouwkunde). 

Bonnettes , (f. pi.) Bonnetten , zei- 
len die by Jlil weer aan de groote zei- 
'len gehegt vuorden ihonnette lardée, 
een honnet-zeil -met fpek bejiooken om 
een lekkagie meê te Jîoppen. 

Bonté , ( f ) Goedheid; deugdzaam^ 
heid; gunjl ; il doit fa vie àla bon- 
té de fon cheval , hy is zyn leeven 
aan dejîerkte'van zynpaerJverfchuldtgt; 
ayez la bonté de me vep.ir voir , 
weejl zoo goed en komt my bezoeken ; 
cet homme eft la bonté même , die 
man is de goedhsid zelfs-, je vous 
fuis obligé de toutes vos bontés , ik 
ben u voor alle uwe goedheden ten 
hoogflen verplicht. 

Bonze , (ra. & f.) Priejlers en Non- 
nen in China, 

Boqueteau , (ra) IVild Geite-bokje 
(n). 

Boquillon , (ra) Een Hout-bakker ^ 
{beter Bûcheron). 

Borax, (m) Borax, gebruikt tot 
*t foudeeren van goud. 

Bord , (m) Boord, rand , kant (m) -, 
fcheeps-boord (n) ; bas - bord , bak- 
boord; Hrlbord . Jiuur-boord; venir 
à bord, aan boord komen; mettre à 
l'autre bord, bet /chip wenden; ren- 
dre le bord, inloopen, een haven 
aandoen; vaifTeau de haut, de bas- 
bo rd , een groot , een klein f chip ; faire 
«n bon bord > een goede boeg-Jlag 
doen , wel gevorderd zyn ; un rouge 
bord , e^n volle romer wyn ; j'ai Ion 
nom fur le bord des lèvres, zyn 
naam legd my op de tong; être fur 
le bord de la fofle , op den rand 
des grafsjlaatii beel oudzyn; cou- 



BOR. 81 

rir le bon^ bord , zee-roovery oef- 
J'enen ; aller à boi d , aan boord gaan» 

Bordage , (m) Boey-planken , bui- 
ten huid van een f chip ; geringe dtenjl 
die een boer aan zynen Heer ver- 
fchuLügd is. 

Bordayer, (v. n.) Laveer en; een 
laagjchieten. 

Bordé, ée (adj.) Bezoomd , be^ 
legd, geboord; chapeau bordé, een 
omgeboorde hoed; canal bordé d'ar- 
bres , gragt met hoornen beplant. 

Bordé, (m) Goude^ zilvere , zyde 
galon (n). 

Bordée , {î)Loop,gang van eenfcbip 
eer het wend; een laag van bet ge- 
fchut ; donner la bordée à un vais- 
ieau , een fchip de laag geeven. 

Bordel , (m) ii>» Hoer-huiSy Hoe- 
ren-kot (n) , Kit ^t); courir le bor- 
del , Hoeren-j^agen. 

Bordelage , (m) De inkomjien van 
ecn boeren hoef ; 't hoeren leven. 

Bordelier, (m) Hoeren jaager f 
{oud w,) 

Bordement , (m) Omboording , met 
een andere verf {by Schilders), 

Border, (v. a.) Bezoomen , beleg- 
gen, boorden; 1'Armée bordoit la 
rivière , bet Leger bezette den oever-, 
border un vaiiTeau , eenfcbip bekUe- 
den; border les voiles, de zeilen 
aanhaalen; border une allée, een 
wandel-pad op de zyae met boomen 
bezetten; border un chapeau, een 
boed ombüorden ; border un vailTeau, 
een fchip op zy zeilen , of aanklampen, 

Bor:leréau, (m) Lyjl , notitie van 
geldfpecie , gewigt of maat { f) ; Zoo- 
pertje van ontfang en uitgaaf {n). 

Bordier , iere (m» & f.) Bezitter 
van een gering Hoefje» 

Bordier, (adj. & fubft.) Vaifleau 
bordier, boordig fchip, dat aan de 
eene zyde Jïerker ts , als aan de an- 
dere (n). {men zegt ook Bordier). 

Bordigue , ( f) Een l^ifcb-vang. 

Bordure , .' f) Boordzel (n) , rand-, 
raam (m) ; lyfl van een fpte^el , et^z-, 
bordure de chapeau , kreel om een 
hoed van goud, zilver enz. 

Boréal, aie (adj.) Noordelyi. 

Borée , {£)Noorde-wind(by Dicht.). " 

Borgne, (adj. & f. jn.) Efn-oo^ig; 



g2 BOR. BOS. 

een een^oogige j cabaret borgne , 
JJfgt kroegje ; conte borgne , oude 
iv^fs vertelltt7g f caufer comme une 
pie borgne > (fpr. w.) de mond laa- 
ien gaan als een Lazarus klap ; au 
royaume des borgnes les aveugles 
font Rois, in 't land der blinden is 
één-oog Koning. 

Borgne , (m) l^ifcb-fuik (f). 

BorgnefTe, (f) Eene één-ooglge. 

Bornage, (m.) De grens-bepaa- 
ting ( f). 

Bornager, (v. n.) Fan den eenen 
oever na den anderen vaaren , gelyk 
een Fe er man. 

Bornai , (m) Celletje in een by-korf 
(n). 

Borne , ( f) Grens-paal-of teken ; 
mettre des bornes à fes àeiirs^zyne 
tegeertens paaien fielten' 

Borné, ée (adj. & part.) Be- 
paald; un efprit fort borné , een 
zeer klein verfiand. 

Borner, (v. a.) Paaien, bepaa- 
len-f grens-paalen zetten -y fe borner , 
( V. r, ) zig inbinden , maat houden. 

Bornoyer , (v. a.) Met een oog 
toe mikken i, (by bouwlieden). 

Boamoyeur , (ra) Een goede kyker, 
mikker. 

Bofan, (m) Zekere Turkfcbe drank. 

Bofel, (m) Ring om de voet van 
een pylaar. 

Bosquet , (m) Lufi bofchje , fiarre- 
bofchje (n), 

Boflage , (m) Uitggbouivde fieen in 
een muur y waar in een cieraad zal 
gehouwen worden, 

Boffe , ( f) Een bult , hochgel ; ou- 
vrage relevé en boffi , gedreven 
werk. 

Boffelage ,(m) Gedreven werk{n). 

Bofleler, (v. a.) Bulten', gedreven 
loerk maaken. 

Boflelure, (f) De natuurlyke boh 
beid aan bloemen. 

BolTeman, (m) Bootsman. 

Boffer , (v. a.) Boffer 1'ancre , het 
anker opzetten. 

Boffetier , (m) Een rood gieter , ko- 
per gieter. 

Boffette , (f) Knopje op een boek 
of paer de-tuig. 

Boffeurs ou boffoirs , (ra) Kraan^ 
balken waar op bef anker rufi^ 



BOS. BOT. BÖÜ. 

Boffu , ue (a ij. Ôcfubft.) Gebocheld , 
gebult > cimetière boifu , een iep 
Kerkhof. 

Boffuer , (v. a.) Iets bulten. 

Boftangi , (m) Tuinman van den 
groot en Heer. 

Boflangibachi, (m) Opztender dier 
Tuinliedfin. 

Bofuel , (m) Geele kroon , reuk" 
tulp (f). 

Bot, (adj.m.) Pied bot, een horl- 
voet. 

Botal , (adj. m.) Trou botal ,ope- 
ning waar door het bloed van ongeboo- 
renene kinderen loopt. 

Botanique , (f) Kruid-kunde. 

Botanique , (adj.) Kruid-kundig. 

Botanifle, (m) Een Kruid-kun- 
dige. 

Botte, (f) Eên Laers -, bundel, 
bosje-, botte de plumes, een bosje 
pennen; botte ,fioot yfieek (in fcherm- 
fchool); botte, optred van een koets', 
graiffer fes bottes ,zig tot eene lange 
reize ; tot de dood gereed maaSen^ 

Botté , ée (adj.) Gelaarfi. 

Bottelage , (m) Buffel binding (f). 

Botteler, (v. a.) In bujfelen, bos- 
f en binden. 

Botteleur , (m) Buffel Jjïnder. 

Botter, (v. a.) Laarfen aandoen, 
maaken ; fe botter , (v. r.) zyn laar" 
zen aantrekken. 

Bottine > ( f ) Halve laars. 

Bcuard , (m) Schroot-hamer, 

Bouc, (m) Een bok; bouc émis- 
faire , bok der verzoeninge door dt 
IJraé'liten in de woefiyne gelaat en. 

Boucage, (m) fVilde pimpernel j 
(een kruid). 

Boucan , (m) Roofler waar op de 
Americanen het vleefch droogen; item 
een Hoer-huis. 

Boucaner , (v. a.) Vleefch droo^ 
ge»; na buffels jaag en op de w y ze der 
wilden; item in Mot-huizen loopen. 

Boucanier, (m) Boukanier, Roo^' 
ver , Jaager tn America. 

Boucaut, (m) Een vat (n), tonne 

(f)- 

Bouche , ( f) Koninglyke fpys^ka- 
mtr. 

Bouche, (f) De mond , opening 

( f ) 3 '''^«"5 (oï) Î douche bien fen^ 

«iue^ 



feOÜ. 

ducj wel befneJen mond j cheval 
qui à la bouche délicate , een 
paerd dat zagt in den bek is ; bouche 
de rivière , mond van de rivier ; {zie 
embouchure) avoir bouche à cour, 
de vrye koji hebben-, elle n'en fait 
point la petite bouche , zy wind 
'er geen doekjes om; garder pour ia 
bonne bouche , voor 't laatjie van 
de maaltyd bewaaren; avoir bouche 
coufuë, geen praat hebben-, n'avoir 
ïii bouche ni éperon , geen hart 
Jbebben , om iemand te antwoorden ; 
dire de bouche , mondeling zeggen. 

Bouchée > ( f ) Eene mond vol. 

Boucher , (v. a.) Toejhppen , JJop- 
pffi. 

Boucher , re (m. Sc f.) Vleefch- 
houwer , Jlagter ; vleefchhouwjier. 

Boucherie, (f) l^leefcb-bat (f); 
hloed-bad (n) ; Jlagtbank , Jlagting ( f). 
, Bouchet , (m) Zuiker en kaneel- 
water voor de zteken (n). 

Boucheture, (f) Tüéflopping (fj; 
bek (n). 

BouchÏn , (m) Breette , buik van 
ten fchip. 

Bouchoir, (m) Oven deur. 

Bouchon , (m) Een fiopzel (n) , 

Iturk (m); mon petit bouchon , myn 

'lein hartje 'y bouchon de paille, 

Hroo-wifchi à bon vin il ne faut 

oint de bouchon , goede wyn heeft 

een krans nodig , {fpr. w,) 

Bouchonner, {v.a.)Met eenjiroo- 
'ifeb wryven-fiets in een frommelen. 

Bouchot, (m) Fifch-vang van tee- 
ene korden. 

Boucle , (f) Eene gefp ; bair krul , 
'joekel', boucles d'oreille, oor-rtn- 
en j tenir fous boucle > in hegtenis 
ouden. 

Bouclement , (m) Toegefping', toe- 
uiting (f). 

Boucler, (y. a.) Toegefpen ; het 
fair in boekels leggen-, boucler un 
)órt, een haven fluiten iboaclcr une 
ravalle , é»*" w^ merrie ringen. 

Bouclier, (m) Een fchild , barjï- 

apen; faire bouclier de quelque 
;hofe , zig ergens meê befcbutten ; 
aire levée de boucliers , veel toe- 
'el maaken daar niets van word. 

Boucon, (m) (gtm. «/.} Sènlteet , 

"---' lyal vergift» 



BOU. 83 

Bouâin , (m) Wilde Steenbok. 
Boudelle , ( f _) Een penaeboutje (n), 
flagpen ( f). 

Bouder , (v. n,) Pruilen , morren » 
zuurmuilen , preutelen. 

Bouderie, (f) Pruiling. 

Boudeur, eufe (m. & f.) Pruiler^ 
grimmer; pruiljler. 

Boudin, (m) Een beuling , worjij. 
Item bet knopje , beduin in de midden 
van een glas-fchyf', ook de rand daar 
van. 

Boudiné , (f) Ronde glas-fcbyf. 

Eoudinier , (m) Worji merkooper. 

Boudiniere , (f) IForJi - boorntje 
(n). 

Boudinure, (f) Woeling om den 
anker-ring ; anker-roering. 

Boudoir, (ra) Klein eenzaam ver-' 
trekje (n). 

Boue , (f) Slyk, drek-, etter -, une 
ame de boue , eene laage ziel; cirer 
queicun de la boue , iemand uis 
den drek , uit d'ar moede belpen. 

Bouée, {f) Baaken} item auker- 
boei. 

Bouëment, (m) t*Zamen voeging^ 
lyming , {by Scbrynw.) 

Bouer , (v. a.) Muntplaaten ffchroot 
plat Jlaan. 

Loueur, (m) SUk-nverker i vuilnis 
opveeger. 

Boueux , eufe (adj.) Slikker! g , mod- 
derig, vuil. 

, Bouffant, ante (adj.) Opblaazende^ 
opzwellende. 

Bouffe , ( f ) Bakhuis , fmoel , (gem. 
w.) 

Bouffée, (£) Rukwind, windbuil 
riekende damp; il n'étudie que par 
bouffée , hy Jïudeerd alleen by vlaa- 
gen. 

Bouffer, (v. n. & a.) Opzwellen^ 
oploopend worden -, vleefsh opblaazen, 

Bouffette , ( f) Linten quaji ,Jlrik' 
je. 

Bouffi, ie (^à^).) Opgeblaaxen', { fi- 
guur L) hoogmoedig', les yeux bouf-» 
fis, d'oQg€h gezwollen-, ftyle bouffi i 
opgeblaazen flyt» 

Bouffir , (v. n. & a.) Ophlaozen 9 
opzwellen ; hoogmoedig worden. 

Bouffiflurcp (f) Opzweiling %opgi- 
zwallénbeidt' 

F 8 ^uJF- 



«4 Boa 

Bouffoir, (m) Py^je ovi een Lam 
Gp te blaazen. 

Bouffon > onne ( m. f. & adj. ) 
Poetzen-klugten-tnaaker , nar; nar- 
nn ; kortiwylïg , aardig. 

BourTor.ner, (v. n.) Poetzen- gril- 
ler.- klu^ten-maaken. 

Bouffonnerie, (f) Poetzen-maa- 
kery. 

Bouge , (m) Schoenlatpers-potbuîs ; 
klein kamertje (n); randzel , reis-zak; 
huik van een tonne ; rand van een 
tafel-bord {va); kromte van een Jïuk 
hout ( f). 

Boageoir , (m) Dieve lantaarentje ; 
blaaktr. 

Bouger, (v. n.) Zig houden waar 
men is, (word gebruikt m^t een' ne- 
gacivüs) ne bc3ugez pas Monfieur 5 
zitjiil. doed geene moeite My.iheer; 
il ne bouge pas de la maifon , hy 
komt utt zyn huis niet. 

Bougette, f f ) Reis-zakje , knap- 
zaki? fn) , buidel (ra . 

Bougie, (f) IVafch-kaars , ivafch- 
Ucht. 

Bougier , (v. a.) Beivafchlichten, 

Bougran; (m) Styf-linnen (n), 

Büugre , Bougrefle, (m.&f.) (^f« 
ïeelyk woord) Een Sodomiet ; item een 
vuile àfchurk , Schoelje; Teef. 

Bouillant, ante (adj.) Ziedend, 
kookend; oploopend , haajlig ; vlug van 

Bouillar , (m) Regen-wolk (f) , 
{zee w.) 

Bouille , (f) Vijfchers plons -Jïok 
{r^),pols{ï). 

Bouiller, (v. a.) In't water plon- 
zen. 

Bouilli , (m) Gekookt- of gezoden- 
vleefch (n). 

Bouilli, \i{z.à:y)Gezoden , gekookt. 

Bouillie , ( f) Pap , bry. 

Bouülir , (v. n.) Zieden , kooken ; 
Ie vir. bout, de wyn werkt; cela 
ne fait pas bouillir la marmite, 
{fpr. 11'.), dapr kdtî defchoorjïeen niet 
rjan rooken\ bouillir à gros b-^uil- 
lon^ , hard of Jlerk kooken ; faire 
bouillir de l'eau, water kooken. 

Bouillit^. ire, (m) Het wit kooken 
der muntjiukken. 

Boftilloir , {m) Kopere pan daar t9ft 



BOU. 

Bouilloire , {f, IVater-ketsl. 

Bouillon, (m) Bobbel (m), opweU 
lit7g , ruifcbing , opbobbeling (f)} 
vleffch-nat (n) ; foppe (f); item drifty 
onjluimigbeid i f). 

Bouilion blanc, (ra) ff^it wolle^ 
kruid ■n) 

Bouillonnement , (m) Ziedingyop' 
borreltng ; gijling ( f . 

Bouillonner, (v. a. & n.) Opbor- 
relen ^ opwellen, hard kook m. 

Bouis, (m) Schoenmaakers Likboup 
(n). 

Boais. (Zie Buis). 

Boulanger , ere (m. & f.) Bakker; 
bakker inné. 

Boulanger , (v. n. & a.) Het bak- 
kers-hatidiverk oeffenen. 

Boulangerie, (f; Bakkerye. 

Bouldure , (f) Plaats of gragt 
onder een moolen-rad. 

Boule , (f) Bol, kloot , ronde 
knop (m); tenir pied à boule , (,/■"'. 
w.)op zyn zaaken acht ge even ; j ouer à 
la boule , met de kloot fpeelen , à 
bouie vue, onbedagtzaam> 

Bouleau, (m) Berkenboom. 

Bouler, (v. n.) De krop opblaazen 
gplyk de Kropduiven. 

Boulet , (m) Gefchut-kogel( f) ;bou- 
let à c bain e , kettir,g~kügfl{{); bou-> 
let rouge , gloeijende kogel. 

Boulecé, (adj.) Chevai bouleté, 
Parrd dat zyn been verjîuikt heeft. 

Boulette, (f) Kleine kogel (f), 
balletje-, klootje (n). * 

Boulevard ou boulevart, (m) 
Bolwerk , fchans , voormuur (n) j ttem 
bef cher mmg (f). 

Bouleverfementj (m) Omkeertng , 
verwoejling (f). 

Bouleverfer, (v. a.) Omwerpen^ 
cmftootm, 't onderfie boven keeren. 

Boulimie, (f) E.en eet-koorts. 
Boulin, (m) Duiven-nejl; balk- of 
fleiger-gat m een muur (n). 

Bouline , (f) Scheeps boelyn, waar 
meê het zeil na de wind gehouden ^ 
wo-rd; aller à Ja bouline , by de 
ivind zeilen ; haler fur les boulines f 
(/e boelynen aanhaalen. 

Bouliner , (v. n.) By de wind Trei- 
len ; niet opregt hani^elen ; fieelen , (/« 

Bo''- 



, BOU. 

Boulinenr , (m) Soldaat die in zyn 
ti^en Léger vrybutt. 

Boulingrin, (ra) Een gras-jiuk in 
een tuin; groene klootbaan. 

Boulingiie , ( f) Bram • zeil , bo- 
venjle zeil aan de groot e majl (n). 

Boulinier, (m Schip liat by de 
wind zei ld (n). 

Boulon , (m) Tzere bout met een 
knop-, een rond yzer waar over loode 
buizen gegooien worden. 

Boulonner, (v. a.) Met een bout 
vajl maaken. 

Bouqut'r , (v. n.) Gedwongen iets 
doen moeten , 'er aan geloovm moeten. 

Bouqutt ,(m) Een bofk linten-, ten 
ruikfr j flroowifch op iets dat te koop 
is 'y bouquet de piumes, veder-bofch; 
bouquet , cieraad op den rug van 
een boek, Jiem^el; item verzameling 
van zinryke jprt uken ; faire ou cane- 
tiller un bouquec, een ruiker maa- 
ien. 

Bouquet , (m) Bokje j haazen-ram- 
m el aar. 

Bouquetier, (m) Bloem-pot. 

Bouquetier, iere (m.&f.) Krans^ 
ntaaker-, bloemen vercierjler. 

Bouquetin , fm) Steenbok. 

Bouquin , (m) Een ouden bok; een 
S^ter ; een geile gryzaard; fentir Ie 
bouquin , ^/«^fw als een bok; bou- 
quin , een oudverjleten boek. 

Bouquiner, (v. n.) Befpringen -^ 
rammelen ; oude onnutte boeken koopen 
of leezen. 

Bouquinerie, (£) Plaats daar ou- 
de boeken verkogt worden. 

BouquineuTj (m) Een handelaar 
in oude boeken, 

Bouquiqifte , (m) Liefhebber van 
zodanige boeken. 

Bouracan, (m) Barkan ^ {zekere 
fioj/e). 

Bourasque. {Zie Bourrasque). 

Bourbe, (f) Slik, modder. 

Bourbelier > (f) IVilde Zwyns- 
horJ}{£). 

Bourbeux, eufe (adj.) Modderig. 

Bourbier, (m) Modder-poel ; lais- 
(èr quelcun dans Ie bourbier, ie- 
mand in de pekel , in de nood laaten. 

Bourbillon, (m) Etter-gezwel-^rop- 



BOU. 85 

Bourcer,ou carguer (v, n.) ica 
voiles j De zeilen inbinden, reeven, 

Bourcet ou tnifene , (f) Fokke^ 
maft {m)-,fokke-zeil (n). 

Bourdaloue ou b- urdalou , (m) 
Hoet-band ; item zedige ftoffe. 

Bourde , ( f) Een leugen . knapuili 
item ly-zeil by fttl weer gebruikt; uri 
do;.neur de bourdes ,' een leugen 
verteller. 

Eourdel3ge,(m)(^iV Bordelage). 

Bourdelais , (m) Zekere groote 
druif. 

Bourdelier ,(m) Grond-heer 9 Cyns- 
heer. 

Bourder , (v. n.) Liegen^t (gem. w.) 

Bourdeur, eufe (ra. & f.) Leuge- 
naar ; Leu^enaarfter, 1 

Bourdillon, (m) Eiken hout tot 
duigen gemaakt. 

Bourdon, (ra) Hommel, hommel- 
bye; brom-pyp van een orgel of doe- 
del-zak (f) ; Pelgrimi-ftaf (m) ; uit- 
laatmg van eenige woorden {by Let- 
ter-Zrtters). 

Bourdonnement, (m) Gehommel 
(n), ruifching (f). 

Bourdonner, (v. n.) Hommèlen, 
ruifchen , ftommelen {van volk) ; brom- 
men , preutelen. 

Bourg , (m) Een vlek, dorp (n). 

Bourgade, (f) Een groot vlek (n). 

Bourgeois, oife (adj. & f.) Bur- 
gerlyk ; burger ; burgerejfe ; fchips-ei- 
genaar ;wer k-baas ; cela eft du der- 
nier bourgeois, dat is zeer gemeen, 

Bourgeoiferaent , (adv.) Op zyn 
burgerjch ; eenvoudig. 

Bo u rgeo ifie , ( f) Burgerfchap , Bur- 
gery {£), burger-recht {u). 

Bourg.on, (m) Pwfï ; knop (m) , 
knopje (n). 

Bourgeonné , ée (adj.) GepuiJI^ 
geknopt. 

Bourgeonner , (v. a.) Knoppen, 
uitbotten j met puiften uitjlaan. 

Bourguemaicre ou Bourg-meftre , 
(m) Een Burger meefter. 

Bourguignote , (f) Storm-hoedj- 
helm (ra). 

Bourique. {Zie Bourrique). * 

Bourléc, (m) Valfche vouw in La- 
ken { f). 

Bourrache > {i)Bcraasje {een kruid), 
F 3 «our- 



Se5 BOU. 

•Tîourrade , ( f) A>« ƒ Qo/ ,[lag (m) ; 
grof en bits antwoord in een difputa- 
cie (n). 

Bourrasque, (f) Een hui (f), 
Jiorm-zvmd ; fchielyke oproer van 
volk (tn)', quaade bui van ietnand( f). 

Bourre , (f) Scheer hair (n); vlok- 
ien (f); ioei-hair (n) ; prop die men 
cp een fnaphaan doed {£ ) ; item prul. 

Bourreau, (m) Een Beul ^ Scherp- 
r echter-, Pym^er, Wreedaard. 

Bourrée , (f) Een takkebo^je (n). 

Bourreler, (v. a.) Pynigen, mar- 
seleU', ytu'f//p»M,jconfcience bourre- 
lée , ivroegend gewijfen. 

Bourrelet, ou bourlet, (ra) Kin- 
der valboed ; draag-krans; <ivrong ; 
hijjentje in een hak-Jioelf tromp van 
gen gefchut > virong aan een maji ; ga- 
reel van een trek-paerd. 

Bourrelier , (m; Een Gareel-maa- 
ker. 

Bourrelle , ( f) Beuls-vrouw. 

Bourrer, (v. a.) Metlfcheer-hair 
vullen ; de prop op 't geweer doen ; 
Jiooten', iemand overfcbreewwen ; uit- 
maaien; af kloppen. 

Beurriers, (ra. pi.) Kaf van koorn 
(n). 

Bourrique, (f) Ezelinne (f); tn 
'# gemeen een Ezel (m)-fjlegt paerd 
(n), knol (f); bak om materialen in 
op f e hyjfeni bak der Let dekkers, 

Bburriquet , (m) Jonge Ezel, 

Bourrir, (v. n.) Geraas maaken, 
(word van Fetd- hoender en gezegd als 
zy opvliegen). 

Bourru, ue (adj.) Eigenzinnige 
"koppig , korzelig ; vin bourru , ivyn die 
mg onklaar is ; moine bourru , bul- 
iebak , (derJtbeeldig fpook om kinderen 
vervaard te maaken). 

Bcurfe , ( f ) Beurs , tas j ioopmans 
heurs } fchil ófbajl der vrugten ; hair- 
zak ; au plus larron la bourfe , den 
grootjie dief zyn beurs vertrouwen , 
^ de Wolf tot een* Schaap-berder maaken-, 
ifpr. w.) aller à la bourfe , ter beur- 
Je gaan. 

Bourfeau,(m) Loodgieters klopper» 

J^ïurfette , ( f ) Beursje (n). 

Bourfier , iere (m. & f.) BeurfetJ- 
^aaker- maakjïer; Slïidl^t die op 
esn beurs ftadeerd. 



BOU. 

Bourfiiler, (V. n.) Geld te zamea 
uitleggen om te verteeren. 

Bourfon, (m) Klein beursje in da 
broek-band (n). 

Bourfüufler, (v. n.) Opblaazen ; z- 
voir ie vifage bouffouflé , bet aan-' 
gezigt opgeblaazen hebben. 

Boiife , ( f) Koe-ü'rek. 

BoufiUage , (m) Leem-metzeling (f). 

BoufiUer, (v. a. & n.) Knoeijen, 
brodden -, met leem , flyk , of koe-drek 
metzelen. 

Boufilleur , (m) Mrodder j leem- 
metzelaar. 

Boufin , (m) Klomp aarde die aan 
hard-Jleen vajï is. 

Bouflbie, (f) Zee-kompas (n), 
Jlreek-wyzer (m). 

Bout, (m) Ead, einde, tipje (n); 
tepel (m)j bouc de chandelle, een 
endje ka er s ; un petit bout d' hom-- 
me , eni klein menfchje ; en venir à 
bouc , ten einde brengen , uitvoeren', 
m^ patience eft à bout, myn geduld 
is ten einde; k tout bout de champ, 
alle oogenblikken ; au bout de l'an- 
née , ten einde des jaars -, bout du 
nez, tip van de neus; favoir quel- 
que chofe au bout du doigt , iets op 
zyn duimtje hebben; bout de ver- 
gue , nok van de ree; bout de lof j 
loef houwer; bout dehors, tfƒ« «/>- 
Jleeker , oplang; (fcheeps w.) être au 
bent de fon latin , niet meer wee' 
ten wat men aanvangen zal ; un bout 
de corde , een endje touw y le haut 
bout, het hooger end, de hooger band; 
tirer quelcun à haut portant, 
iemand met de tromp op de borjl neér 
fcbieten ; au bout da compte , by 
flot van reekening; Ce mettre fur lé 
bon bout , zig wakker opfchikkeny 
bout à bout, punt tegen punt. 

Boutade , (f) Il lui prend fou- 
vent des boutades, Ay krygt femtyds 
nukken , kuuren invallen» 

Boutant , (adj.) {Zie Arc-boutant), < 

Boutargue , ( f ) Soort van kaviard,. 

Boute , ( f) fVater- of fcheeps-balie. 
Bouté, ée (adj.) Cheval bouté, 
Paerd dat regte fcbenkels heeft. 
. Boutée , ( f) Een fcboor,]lut. 

Boate-entrain , (m) Zekere grof 

ne Spegt met ten zwarf flfkje op bef 

fioo/d^ 



BOU. 

hiofJf die andere opwakkerd ;{ figuurl,) 
een vrolyken baas. 

Boute-feu , (ra) Een brandjlichter ; 

ijig') een ötookebrand , roervitik , twijl- 

maaker ; een bus-fchieter ; een lont-Jink. 

Boute-hors , (ra) Goede uitjpraaky 

{oud w.) 

Boute-hors , (m) Gyk yfpieryfpaak, 
(zee w.) 

Bouteille , ( f) Een fiefch , of fles ; 
blaas op bet watef, ai mer la bou- 
teille, veel van de flefcb baadt n. 

Bouteillier, (m) Schenker des Ko- 
iitngs , Keldermeejïer , Bottelier op 
een f chip. 

Boaier, fe bouter, (v. r.) Zig 
mérzetten {oud w.) ; Bouter (v. a.) ua 
Cuir , V V leef eb van de huidaffchaaven. 

BouteroUe, (f) Beflag onder aan 
eenfcheede (n). 

Boutes ) (f) Ballen , tobben, 
{fcheeps w.) 

Boute felle , (m") Het geblaas te 
paerd (n) ; fonner ie boute felle, te 
paerd blaazen om op te zitten. 

Boate-tout-cuire, (m^ Doorbren- 
ger., verkwijler, {gem. av.) 

Bouteux , {m) Net om garnaalen 
te vangen (n). 

Boutique , ( f) Een winkel j lever 
boutique, een winkel opzetten', gar- 
çon , fille de boutique ,winkel-knegt- 
of dogter i faire de fon corps une 
boutique d'apothicaire , van zyn 
lichaam een' apotheek maaken; faire 
de fa tête une boutique de grec 6c 
de latin , niets dan griekfcb en latyn 
leer en; boutique à j^oiffon^vifch'kaar. 

Boutiquier, (m) Een winkelier. 

Boutis , ( m ) Plaats daar het 
zwarte wild wroet. 

Boutoir i (m) Mes om de hoeven 
der paerden af te fieeken (n) ; bou- 
toir d'un fanglier , de fnuit van 
een wild zwyn. 

Bouton, (m) Een knoop', boom' 
of plant-knop ; puifi die in het aange- 
zigt komt i bouton de mire , een 
mik-knop. 

Boutonner , (v. a. fic n.) ïoi'itnoojp/'»; 
ineppen fcbieten j met puijien uitjlaan. 

Boutonnerie, {f) Knoopmaaiery. 

Boutonnier , (m) Een Knoopmaaker. 

Soutgnnieres (f) Sivgo^at (n). 



BOU BOY. BOZ. BRA. Z7 

Boucure, { f ^ btjpruitze/ , fpruis 
van een boom; wynjleen-water , door 
de Zilver-fmtts gebezigd om het Ztl- 
ver wit te kooken (n). 

Bouvart , (m) Jonge Stier, 

Bouverie , ( f, OJen-fial. 

Bouvet, (m) Een ploeg- fchaaf { f)^ 
{by Timmert.) 

Bouvier? (m) OJJetjdryver , OJfen- 
hoeder j een der Hem els- te kenen j quel 
bouvier eft cela? wat plompen a 
dat? 

BouviUon, (m) Jonge Os. 

Boyar , (m) Boy ar { eertytel den 
grooten aan 't Mofcovifcb Hof gegeven). 

hioyau , (m) Een darm ', fpeel~fn aar ; 
affnydmgen , loop-graaven Jïangs~wy^ 
ze gemaakt {m krygsk.). 

Boyautier, {ta) Een Snaar^maa* 
ker. 

Boye , ( f) Een boey , ton of an- 
der teeken tn zee, {fcheeps w.) 

Boy ér , (m) Boeijer { zeker Vaar- 
tuig). 

Bozel , (m) Ring om de voet van 
een Pylaar. 

Bracelet 9 (m) j4mi-band , arm^ 
cieraad. 

Brac her, (v.n.) Uit al zyn magt 
fchreeuwen. 

Brac het, (m) Een brak j {zekere 
Jacht- bond). 

Brachial, (adj.) Muscle brachial, 
arm-fpier {in Ontleedk.). " 

Brachio , (m) Jong van een Beer , 
(n). 

Brachmanes , (m. pi.) Indifckê 
Wysgeeren. 

Braconner, (v. n.) Op verbodene 
velden jaagen. 

Braconnier , {m)Jaager daar van, 

Brague, (f) Broeking , vaftforring 
van een fcheeps affuit. 

Braie, (f) Scbeeps preefenmng{vaa 
beteerd zeildoek , enz.) 

Braier. {Zie Brayer). 

Braillard, arde (adj.) Schreeuwer; 
Scbreeuwjler , {gem. w.) 

Brailler > (v, n.) Schreeuwen ^buU 
ken. 

Braillenr , eufe (adj.) Schreeuwer^ 
Schreeuwjier, 

Braire, (v. n.) Balken ^ fcbreeu- 

wen {war4 yan ËZfh £Mf^<^i 0/^ ^y 

F 4 Imr. 



88 BRA. 

hun natmrlyk geluid voor thren gen). 
Braife, (f) G/oeijende kool (m). 
Bramer , (v. n.) Schreeuwen als 
een hert (zie Réer). 
Erarnin , (nji Een Indifche Pn'ejltr. 
Bran ou bren , (m) I^rek (m) ; 
uitwerp/el van een menfcb {n: ; groo- 
ve zemel; bran de vous, ik heb den 
brui van U. 

Brancard , (m) Een rQS'haar,draag- 
Jlcel ^ draag~bed. 

Brancardier? (in) Een die dezelve 
draagt. i 

Branchage, (m) Tak-iverk , rys- 
werk (n), telgen, kleine takjes. 

Branche, (f) Tak im)j iets dat 
ergens uit voortkomt ; branche de 
veine, tak van een ader; branche 
de généalogie , gejlacht-linie j bran- 
che de cifeau , blad van een fchaar ; 
branche urfine , ou acanthe , bee- 
ren-klaauw. 

Brancher, (v^.& n.) y^an een boom 
Ophayjgen ; zig op een tak zetten. 

Branchier, (tn) Jonge Roofvogel. 

Branchies, (f. pj.) l^ifch-k/euiven 
(in Geneesk.) 

Branchu , ue fadj.) Getakt; un 
arbre fort branchu, een digt getak- 
te boom. 

Brand , (m) Een Jlag-zwaerd (n). 

Brandes, (f. pi.) Dorre , afgevalle- 
ne takken ofboomen\een kreupel bofch. 

làïa.nàebo\xr g ,{my Regen-rok f reis- 
rok. 

Brahderie , (f) Plaats alwaar 
Jierke dranken gefiookt worden , Bran- 
dery. 

Bran de vin , (m) Brandewyn , (be- 
ier Eau-de-vie}. 

Brandillement , (m) Slingering (f), 

Brandiller > (v. a.) ölir.geren, 
Jcbongelen. 

Brandilloire , (f) Schongel, wip 
(ra)' 

Brandir , (v. a.) Een geweer zwaai- 
jew. 

Branden , (m) Een flroo-fakkel ; 
Proo-wifch ; gloeijende bouten die in 
een brand opvliegen. 

Brandonner,(v.a.)/É'«w^f arrefl 
beleggen ; te koop jïellen. 

Branlant, ante (adj.) Schuddende. | 

Branie, (m) Mettre en branie , i 
<M ieweeging , aan de gang belpen -, 



BRA. 

donner Ie branltaune affaire i,eene 

zaak aandryven , voortzetten ; bran- 
ie , etn hang-mat voor 't Scheeps-volk. 
' Branie , (m) Een ronde dans. 

Branlé , ée (adj.) Gefchud. 

Branlement , (m) Schudding , wag- 
geling ( f). 

Eranier ,(v. a. & n.) Schudden ^flin- 
geren , wapperen ; branler Ia mac foi- 
re, met de kaaken-beenen fchermeh; 
dent qui branie, tand die losjlaat', 
les ennemis commencent à bran- 
ler , de vyanden beginnen te wyken ; 
branler au md.nchi: ^wankelen. (fpr.) 

Branloire , ( f ) Klein keetentje 
waar mede men den blaasbalk van een 
Smids trekt (n). 

Braque , (m) Een brak (zekere Jcgt^ 
hond). 

Braquemart , (m) Een kort en breed 
zwaard, nu met meer gebruikt (n). 

Eraqueraent, (m) Gefchut fïelltng ; 
wenaing van een wageti (f). 

Eraquer, (v. a.) 't Gefchut JleU 
len ; een wagen wenden. 

Bras , (ra) Een arm ; à tour de 
bras, uit al zyn macht ; il n'a pour 
vivre que fes bras, hy bejlaat alleen 
van zyn handwerk ; à pifcin bras, 
by de vadtm ; fe jatter entre les 
bras de queicun , zig in iemands ar- 
men werpen ; c'eiî f on bras droit , 
Jat is zyn Jieunzel', ■prêter fon bras 
à quelcHn, iemand de hand leen'en ', 
demeurer les bras croifez, met de 
handen over malkanderen blyven zit" 
ten; livrer queicun au bras lécu- 
lier , iemand aan den waereldlyken 
Rechter overgeven ;hras de fauteuil, 
leuning van een arm-floel. 

Braler, (v. a.) Tzer aan malkan- 
der zweeten , fmeeden, 

Brafier , (m) Gloed ;gloeijende kool , 
vuur- pot (m) , komfoort (n) ; item 
eene liefde-vlam» 

Bralilier, (v. a. & n.) Over de 
kooien braaden , rooflen. 

Braflage , (m) Munt-geld, munt- 
loon van het munten van geld (n). 

Braflard , (m) ^^rm - ivapen (n) j 
arm plaat ( f) van een oorlogs-held. 
Brafle , (f) Inadem, vaam. 
Bralfée , ( f) Een arm vol, zoo veel 
men met ësn arm omvatten kan. 

Bras- 



BRA. BRE. 

BraflTelet. {Zie Brac elet). 

Brafler, (v. a ) h rouwen, onder 
een metti^en j quaad Jïigten ; ce co- 
quin a braffé cela concre lui , die 
gui f heeft dat tegen hem gbrouwd; 
braffer le^ vtrgues, de reen langs 
fchi'pp brajferj) (zee w.) 

B ^iirerie, (f) Brouwery. 

Brafleur, eufe (m. & f.) Brou- 
wer , Örouivjier. 

Braffieres, (f. pi.) l^rouwen- of kin- 
der-borjîroii (m). 

Bi-alTin ,(m)Lirouiv-kuip , (f) brouw- 
ketel (m); brouwfel (n). 

BraiToir, {rü)Roer-jïok in de munt. 

Bravache , (m) Snorker , fnoe'ver , 
opfnyder , zivetzer. 

Bravade , ( f ) Trotsheid , gezivets , 
Dpgeblaazenheid. 

Brave , (adj.) Deugdzaam ; dapper, 
manhaftig , ontvertzaagd ; c'eft un 
brave jdat is een onverfchrokken man ', 
les braves cherchent à acquérir la* 
gloire , de dapperen zoeken roem te 
behaalen ; il fait le brave , hy fnyd 
wakker op ; c'eft un brave homme , 
dat is een eerlyk man. 

Bravé, ée (adj.) Getrotzeerd. 

Bravement, (adv.) Kloekmoedig- 
lyk, deftiglyk. 

Braver, (v. a.) Trotzt^ren ,pogchen , 
opfnyden ; braver les dangers , cte 
gevaar en trot zeeren. 

Braverie, ( f ) Pracht , Jlaatzîe. 

Bravoure , ( f ) Dapperheid , man- 
haftigheid , onvertzaagdheid , iedele 
roem , vermetelheid. 

Bray ou bré , (ra) Teer, harpuis, 

Brayer , (v, a) Een fchip met 
harpuis of teer bejmeeren, 

Brayer , (m) Breuk-band. 

Brayetre , ( f) Klep ( f) , gulpje (n) 
van e ene broek ; voorbroek. 

Bray on, (m) JVryf-ihen^ flamper. 

Bréant , (m) Een groene vlas-vtnk. 

Brebiage , (m) Schatting die men 
op de Schaapen legd ( f). 

Brebis, (f) Een Schaap (n); la 
brebis bêle , het Schaap blaet j un 
troupeau de brebis , een kudde 
Séhaapen; qui fe fait brebis le loup 
le niange , al te goed is zyn buurmans 
gek', faire un repas de brebis, een 
muizen maaltyd doen > eetm zqnder 



BRE. 29 

drinken ; une brebiç galeofe gàtê 
tout le troupeau y een Ichurfi Schaap 
bederft 'er veele , {dat is) kwaad ge- 
zeljchap moet me» altoos myden. 

Brèche, {ï) Een bres, opening ■» 
breuk in een muur , ofwal,fchaardein 
een mes ( f)-, nadeel (n) ; il a fait une 
grande brèche à fa réputation j/>y 
heeft zyn eer en aanzien zeer verkleind ; 
faire grande brèche aux proviflons j 
den voorraad raerkelyk verminderen. 

Breche-denc, (m) Iemand die een 
oj meer der voorjie tanden quyt is. 

Biechet , (mj Een Schaapen borfl- 
fluk Î . orjl-been (in Ontleedk.). 

Biécius OU crocs de palafij (mt 
pi.) Talie haaken, {fcheeps w.) 

Brtdtndin , (m) Siag-garnaat , 
{zee u.) 

Bredouille, ( f) Gagner la \iTZ-' 
doa'üle, dubbeld IV innen ; être en bre- 
douille , verbyjierd, bedwelmd zyn. 

Bredouiilemenc , (m) Hakkeling f 
JÎ amer mg {£). 

Bredouiller , (v. n,) Hakkelen , 
fa mer en.. 

Bredouilleur, eufe (m.&f.)flaJ^- 
kelaar , Hakkelaarfier. 

Bref, breve, {&Û].) Kort , beknopt. 

Bref , (adv.) Kort om y en bref, 
in korten, wel haaji. 

Bref , (m) Paujfelyk brevet , of brief 
(m); kort begrip van den roomftbe» 
Godsdienji (n). 

Brehaigne , (adj.) Biche brehai- 
gne , onvruchtbaare Hinde. 

Brelan, (m) Een Kaart-fpel me» 
drie kaarten. 

Brelandcr ,(v. n.)In dqbbel-offpeel-. 
fchoolen geJJadig verkeeren. 

Brelanaier , .(m^ Een tuijfcber^ 
dobbelaar , fpeelder. 

Brélandi ier , iere (m. & QKoop- 
en Ambachts-mcin die geen winkel 
heeft ; marsdrauger. 

Brelique - breloque , (adv.) Otf» 
agtzaam , niet heel vaauw ziende , 

Breloque, (f) Prul, vodde. 

Breme , ( f) Braajfem , (vifch'). 

Eren. (^;> Bran). 

Bréneux, eufe (adj.) Bedrekf, be- 
vuild. 

Brequin , (m) Een boor, {Zie Vi- 
lebrequin), 
P 5 Brc^ 



po BRE. BRL 

BreCl , (tn) Bois de brefil , brazh 
lie- of r 00 J-bout (n). 
' Brefiller, (v. a.) Met brazilie'hout 
verwen. 

Brefillet, (m) Soort van braziUe- 
bout ( f ), 

Breffin, (m) Palan, ou Gumde- 
relTe , taaUe , takel-gyn , om jcheep 
iets mee cp te hyjfen. 

Bretailler, (v. n.) Om een haver 
iaf va» leer , den degen trekken. 

Bretaiileur , (m) Ken Snoever-, 
Windmaaker , Voorvegter. 

Brecauder, (v- a.> Een Paerd kort 
oor en. 

Bretelles, {£. pi.) Ledere band ^ 
draagzeel ; band om de broek op te 
houden, {een galg genaamd). 

Brette, (f) A>« lange degen (m). 

Bretteler oa bretcer , (v.a.) Een 
tauur af bikken , gelyk maaken. 

Bretteur , (m) Een f^oorvegter , 
fen die een lange degen draagd. 

Brevet, (m) Gunji-brief des Ko- 
rnngs , Schrift ; A£le van aanjielling; 
ieer-brtef. 

Brévetaire, {m)Een dooreenBre- 
vet aange/Jelde, of benoemde. 

Bréviaire, (m) Een RoomfchKerk- 
tfGety-boiek (n); dire Ton bréHai- 
re , zyne getyden , dagelykfche gebe- 
den Ie e zen. 

Bréviateur, (m) Pauffelyke bullen- 
fcbryver. 

Breoil , (m) Een omheind bofcb, 
dtergaarden. 

Breailler, ou brouiller (v.a.)Ies 
voiles , de zeilen reeven , opbinden. 

Breuilles » (f. pi.) Het ingeivand 
van een Haring. 

Breuils , (m. pi.) Reef -banden, 
{Scheept w.) 

Breuvage « C"^) Drank. 

Bribe , ( f) Een Jluk brood (n) , 
overgefchooten brok (ra). 

Bricole , ( f) Ledere draag-band 
(m) 9 j^agt-net (n)j draai , bogt van 
een bal (m) ; Paerden-tuig (n)) c'eft 
ane bricole,d^ is eene beuzelagttgt 
merfcbooning. 

Bricoler, (v. n.) Weerom fluiten y 
U rug fpringen; uitvlugten maaken. 

Bricoteau, {m)Tree van een weef- 
getouw. 
• Bride, (f) Een torn (m)i li^ 



( BRf. 

cher Ia bride à un Cheval ^ n» 
Paerd den toom vieren ; retenir la 
bride à un Cheval , een Paerd kort 
aan den toom houden -y lâcher la bri- 
de à quelcun , iemand den vryen 
teugel vieren ; lâcher la bride à 
fes paGlons, ztg door zyne harts-toch- 
ten laaten vervoeren; aller bride en 
main dans une affaire, heel omzig- 
tig in eene zaak te werk gaan', bri- 
de de béguin , een keele-band; brides 
à veau , fpreukjes voor eenvoudigen. 

Bridé , ée (adj.) Getoomd, gebrei- 
deld; la becafle eil bridée, c?^ vogei 
ts in de knip, (fpr. w.). 

Brider, (v. a.) Toornen ; betoomen , 
breidelen', brider 1'a.ncre , het anker 
bekleeden om niet te diep te zakken. 

Bridoir, (m) Kin-doek , km-band, 

Bridon, (:n) Ltcbte toom. 

Brief, brieve , (adj.) Kort, {ztê 
Bref). 

Brièvement, (adv.) Kortelyk ymet 
weinig woorden. 

Brièveté, (f) Kortheid. 

Brifer , (v. a.) (gem, w.) Vreeten , 
gulzig e et en. 

Brifeur, enfe (m. & f.) Vraat y 
gulzigaard. 

Brigade, (f) Een hoop Ruitery',of. 
Voet-volk (ca) ; fchaare , meenigte(i)', 
gezelfchap^ (n). 

Brigadier, ( m ) Bevel -hebber ; 
Brigadier. 

Brigand , (ra) Struik-roover, 

Brigandage, (m) Rooverye, dieve- 
rye (f). 

Brigander, (v. n.) Struik-rooven ^ 
plunderen. 

Brigantin , (m) Een berkentyn-fcbip 
(n). 

Brignole , ( f) Zekere pruim ko- 
mende van Brignolen. 

Brigue, (f) Kuipery y na-jaaging 
(f); la brigue étoit forte , de kui- 
pery wasflerk. 

Briguer, (v. a.) Kuipen; briguer 
une charge , een ampt bekuipen. 

Brigueur, (ra) Kuiper ,ampt-kuiper* 

Brillant, ante (adj.) Gltnjïerend, 
flonkerend, vlug, levendtg-, vrolyk , 
lujiig. 

Brillant, (m) Luîfier y glans -, le» 
vt9tHgb9i4 i vhtgheid {t)% " ^ ., 



BRI. 

Brillantcr, (v. sl.) Blinkend y glin- 
fierend maaken. 

.. Briller, (v. n.) Blinken, gUnJîe- 
ren i levendig van aard zyn-, ceft 
un efprit qui brille , dat is een 
vlugge geejî. 

Brimbale , (f) Gek-Jîok rjan de 
pomp (m). 

Brimbaler , (v. a.) De klokken lui- 
den , alarm maaken. 

Brimborion, (m) Vodderye , beu- 
zel ing (f). 

Brin , (m) Een grasje , ziertje , 
/piertje (n) ; brin à brin , van Jiukje 
tQt beetje, 

Brinde y (f) Kleine Merrie. 

Brind'eftoc , (m) Pots , fpring-fiok 
em over de Jloaten te fpringen. 

Brindes, ^f. pi.) Faire des brin- 
des, malkander en toe drinken, {oud vu.) 

Brioche , ( f) Zeker gebak van Pa- 
rys (n). 

• Brioine, ( f) Een foort van wilde 
wyngaard (m). 

Brion , (m) Het bovenjïe Jiuk van 
een S chips voor (leven (n). 
. Brique , ( f ) Gebakken-JJeen, klin- 
ker , mop-Jieen, tichel-jieen (m). 

Briquet , (m) Tzer bejlag , als aan 
tafels enz.(n). 

Briquetage y (m) Nagemaakt te- 
getwerk (n). 

. Briqueter , (v. n.) Met tichel- 
jieen beleggen î iets ticbel-wyze maa- 
ken f nabootzen. 

Briqueterie , (f) Steen-hakkerye 
(f), i> teen-oven (ra). 

Briquecier , (m) Steen-bakker. 

Bris, (m) Breuk (m)î Jioating , 
bryzeling van een Schip, verbree- 
king van iets , als van een zegel , ge- 
'jangenbuhs , enz. (f). 

Brifans, (f. pi.) Blinde klippen', 
brandingen der zee. 

Brife, (f) Avond wind y pajfaat 
wind-, fchutbord aan eenjluis (m). 

Brifé, ée {d^d'].) Verbryzeld; ge- 
vouwen', porte brifée , een vouw- 
deur-, un cœur brifé,*«ï verjlaagen 
hart. 

Brire-cou , (m) Een Jlegte tree op 
een trap (m) , ongemakkelyk trapje 
(n), (gem. w.) 

^fifées, (f. fl.) Met takken ^e^ 



BRI. BRO. 9ï 

Jiraoide wegen ; aller fur les brilèes 
de quelcun , het voet-fpoor van ie- 
mand volgen ■, hem cfn'ermyren. 

Brifement, (m) < erbryzeling (f). 

Brifer, v. a. C* n.; lerbryzelen* . 
breeken; ils ont brifé enfemble, zy 
zyn onvrienaen gewerden; brifona* Ja-. 
deffas , laat ons niet meer daar 
van fprecken; unt va Ja cruche à 
l'eau qu'à la fin elle fe briié , de 
kruik gaat zoo lang te wcter tot dat 
zyberji. 

Brife-vent , (m) Wind-fcherm van 
riet in tuinen (nj. 

Brifeur, (m) ^erbryzelaar-, bri- 
feur d'iœages, beeld-Jiormer. . 

Brifis, (m) Een platte gebroken 
gevel. 

Brifoir, (m) Een braak voor vlas 
of hennip, 

Brifure, (f) Balk of keep m een 
wapen y {in l^'dpenk.) 

Broc , (m) Een but , groote wyu- 
kan , flap; manger quelque choft 
de broc èn bouche , iets van hef 
fpit in den mond Jï e eken y eet en zoa 
ras het gaar is. 

Brocanter, (v. n.) In rariteiten 
handelen , ruilebuiten. 

Brocanteur, (m) Rariteit - kraa- 
mer, verruilder. 

Brocard , (m) Een fpot- offchimp-re' 
den f een Ji eek (n). 

Brocarder, {v.ü.)Befchimpen, met 
woorden Jieeken. 

Brocardeur , eufe (tn. & f.) Be- 
fchimper ; befchimpfler. 

Brocart , (m) Coude of zilvere ge- 
weeven Jloffe (f). 

Brocatelle , ( f ) Stoffe waar van 
hebangzels maakt. 

Broccoli, (üï) Spruiten van oudi 
koolflronken. 

Broche , ( f) Een braad-fpit ifpylt- 
je,/iokje om kaarjfen y haaringen enz, 
aan te hangen ; tapje , zwikje in een 
wyn-vat (n)^ fptl van een fpinne- 
wiel ; fchoenmaakers bros ; rans aan 
een druk-pers ; brey-naald (m) ; œeCr. 
tre à la broche, aan het fptt Jlee-» 
ken ; tourner la broche , bet fpit 
draaijen; mettre une futaille ea 
broche , een vat ontjieeken. 

Broché, ée (adjO Gàreid, enz^ 



^2 BRO. 

Brochée, (£) Een f pi f vol ge- 
braad; een fpyl vol kaarjen. 

Brocher, (v. a.) Bretjen; een na- 
ftel in de hoef van een Pcierdjlaan ; de 
polleveijen der fcboenen vajl pinnen j 
verhieven werk op een Jl off e maaken ; 
in der haajl iets afroffelen; brocher 
un livre, een boek innaaien. 

Brochév, (f. pi.) De Jlag-tanden 
van een zviU Zuyn', de hoornen van 
9 en Rbe e-bok. 

Brochet, (m) Een Snoek (vifch). 

Brocheton, (m) Een kleine Snoek. 

Brochette, (f) Een houte fpectje 
(n). 

Brocheur, eufe (ra. & f.) Brei- 
jer , breijier, 

Brochoir , (m) Haef-fmits kUnk- 
hamer. 

Brochure , ( f) Ingenaaid boek , 
klein boekje' {n). 

BiOje,(adj.) Bruin, zwartagtig 
van vel. 

Brodé, ée (adj.) Geborduurd j ge- 
Jiikt. 

Brodequin , (ra) Een broosje , half 
laarsje, oud fchoeizel der toneelfpee- 
leren(n); ttem been-yzer ter pyntging. 

Broder, (v. a.) Borduuren , fit k- 
ken-, breder un chapeau , een hoed 
emboordm; broder du point , kant 
tnet ople^-iverk vercteren ; broder 
OU embellir un recic, een verbaal 
wet veel omjlandigheden verderen. 

Broderie, (f) Borduur -iverk ; 
bloemperk {'r\);opfchikking eener reden. 

Brodeur , eufe (m. & f.) Borduur- 
der \ borduurjier ; autant pour le 
brodeur, het verhaal is wakker op- 
gec ierd. 

Brodoir , (m) Hoedemaakers zyde- 
Uos. , ^ 

B-oie , ( f) Een hennip-braak. 

Broiement, (m) U^ryving der ver- 
wen , enz. 

Bronchade, (f) Mtstred t valfibe 
fiap (nr,). 

Bronchement,(m) Sruikeling (f). 

Broncher , (v. n.) Struikelen; il 
■n'efl: fi bon cheval qui ne bron- 
che , hst bejîe paerd Jîruïkeld wel 
eem , (fpr. w.) 

Bronze, ;m) Metaal; zeker koper 
9iet andere berg-jiofen vermengd {n)^ 



BRO. 

cœar de bronze , jleene hart; Jet- 
ter une ftatue en bronze , een me- 
taaie beeld gieten. 

Bronzé, ée (adj.) Verkoperd ; cnlx 
hronzé , kamoes-leer. 

Bronzer, (v. n.) Mef mef aal-verf 
overjiryken. 

Broquart, (m) Een jong Hert. 

Broque, {() Spruit van oude kool- 
flronken. 

Broquettes , (f. pL) Kleine nagelt' 
jes met ronde koppen, 

Broflailles ou brouffaîlles ,(f.pl.) 
Doornen, Jirui ken , haagen. 

Broffe , ( f) Een borjlel , kleêr~bor- 
Jiel, kzvajl (m). 

Br offer , (v. a.) Afborjlelen ; door 
beggen en Jiruiken loopen ; br offer 
les lettres , de vormen afwajfchin 
(by Drukkers). 

Broffier , (ra) Borfiel-maaker. 

Brou , (m) Spruitje , lootje , dat in 
't voorjaar uit de hoornen komt (n) i 
fchil van groene nooten , boljïer. 

Brouaiiles, (f. pi.) I>jgewand van 
vifch , enz.Jn)' 

Brouéé, (f) Mijl, nevel, fiofre^ 
gen (m). 

Brouet , (ra) Soppe , d'ie men gewoon 
was aan de bruid te geven; ce fut 
un maigre brouet , dat was eene 
magere foppe. 

Brouette, (f) Krui-waagen ; me- 
ner la brouette , met de krui-waa- 
gen ryden, loocen. 

Brouetter, (v. a.) Kruijen. 

Brouetteur ou brouettier, (ra) 
Een Kruijer. 

Brouhaha, (ra) Gefchreeuw; hand- 
geklap in een bly-fpel (n) (gem. w.) 

Broui , e, m ) Blaaspyp van een 
emailleerder ( f). ^ 

Broui ie (adj.) Verzengd. 

Brouillamini , (m) Mengelmoes (n) ; 
verwar dp reden. 

Brouillard , (m) Mifl , nevel; Koop' 
mans klad-blopk; papier brouillard j 
klad- of zuig-papier. 

Brouille, (f) (Xie Brouillerie). 

Brouillé, ée (adj.) Ofjder een ge^ 
mengd. 

Brouilleraent , (ra) Brouillemenc 
des couleurs , mengeling der klew 
ren» 

Srouil- 



BRO. BRU. 

Brouiller , (v. a.) /^ < rmengpn > ver- 
njvarren; tweeAragt wrwekken -, ils 
foUL brouilltz, zy zyn oneentg ge- 
ivorderi; brouille; la cervelle , de 
herflenen verwarren ; brouiller du 
papier, f.afier bek/aMen; fe brouil- 
ler, (v. r.) met iemand vriendfchap 
brei'ken. 

Brouillerie , (f) IWwarring ; 
tweedragt, onluji ^ onrujl (£), 

Brouillon, (m) Klad-papier daar 
men iets ter hops op fcbrypy Koop- 
mans klad-boek (n). , 

Brouillon, onne (m, &f.) Twijl- 
Jïooker , Jloóke brand, wargeejl ; f wijl- 
Jiookjïer. < 

Brouir, (v. a.) Verbranden , ver - 
Zengen , {van kooren gezegd). 

BrouJlTiire, (f) y'erbranding van 
de bïopjfem en bladeren der boomen. 

Er> uflïn , (rn) ^wam van een majl- 
boom ( f). 

Broutant, ante (adj.) Bêcesbrou- 
tantes, loof-eetende dieren. 

Brouter, (v. a.) De toppen van 't 
gras , de kleine takjes af-eeten^ af' 
knabbelen , (gelyk de Geiten) de takken 
korten (by Boven.). 

Broucilles, (f. pi.) Dunne takken, 
daar men takke-bojfen van maakt. 

Brouts , (va. pi.) Spruitjts der boo- 
men die de dieren af knabbelen. 

Broyé, ée (aaj.) GemaaÏen, ge^ 
Jiampd. 

Broyement , {beter Broiement) 
(mj , Het maaien of wryven van ver- 
wen of kleuren (n). 

' Broyer , (v. a.) Maaien j wryven , 
Jiampen. 

Broyeur , (m) Een wryver. 

Broyon , (na^ Een wryfjleen , {by 
Schild.). ' 

Bru , (f) Schoon 'dogter , {zoons 
vrouw) . 

Bruart, {m) Een groene Vlas-vink. 

Brugnon , (ra) Zekere rood-veriit- 
ge p(rfik{{), ^ 

Bruine , (.f) Mot-regen , Jiof-re- 
gen (m). 

Bruiner, (v. imperf.) Mot-rege- 
tien , motten. 

Bruire, (v. n.) Tieren, raazen , 
IruiJJ'chen. 

BruilTement; (m) Raazing , bnm- 
fcbwiif). 



BRü. 95 

Bruit , (m) Gei aas .geruifch ,getier 
(n)j plus cie bruit que de beiogne, 
veel gerucht s en wtinig wol ; fon 
nom t'ait grand bruit dans ie mon- 
de , zyn naam maakt een groot ge- 
rucht in ue uatreld ; l\s exploit» 
auront un bruit toujours durable, 
zyne idaaden zullen eeuwiglyk ver- 
maard zyn; faire courir un bruit, 
een gerucht uitjîrooijen ; avoir da 
bruit avec quelcun , met iemand 
twij} hebben; à petit bruit, zacht-^ 
jes , Jîtlletjes. 

Brûlant, ante (adj.) Brandende, 
heet ; brûlant de zèle , van yver 
blaakmde. 

Brûlé, ée (adj.) Verbrand, ge- 
brand. 

Brûlé , (m) Aangebrand , gefmeuld; 
omelette qui içnz le brûlé , firuif 
die aangebrand is , of als zoodanig 
riekt. 

Brulement, (m) Brand -Jlicht ing ^ 
branding. 

Brûler, (v. a.) Branden, verbran- 
den. 

Brûler, (v. n.) Verbranden, door 
vuur verteerd worden j brûler de 
quelque pafllon, van eenige drift 
blaaken', il brûle d'envie de fe 
venger , hy brand van verlangen om, 
zig te wreeken; je brûle d'amour 
pour elle , ik blaak van liefde toP 
haar-, fa chandelle brûle par les 
deux bouts , zyn kaars brand aan 
twee kanten , {dat is) de man verteerd 
zyn geld buitens, en de vrouw binnens 
buts. 

Brûleur, (m) Brand-Jïichter. 

Brûlot, (m) Een brander, {fchip 
waar mede andere in brand gejïooken 
worden), werp-toorts ; j'ai avalé un 
brûlot & j'en ai la gorge toute en 
feu , tk heb een brand -brok {iets dat 
t.' Jïerk gezouten en grpeperd is) inge^ 
Jlokt, en heb 'er de gloed nog van 
in de keel. 

Erulure , { f) Brand, gehrandheid^ 

Brumal, aie (adj.) Dât 's winters^ 
of tn den winti-r komt. 

Brume , (f) I^en zwaar e mif} of 
nevel 'm) , een' dik betrokki ne hi-ht { f )- 
dans la brume tout le mon ie eft 
pilote , uityd van nogd is t^oy meefler^ 

Bru- 



i4 BRU. BU. BU A. 

Brun, (m) Hrnine kleur , een bruhi- 
hairige; bai-brun, kajianje bruin. 

Brun , une (adj-) Bruhi; couleur 
brune , esve bruine kleur ; humeur 
brune, eenztvaarmoe digeinborjl. 

Brune , ( f ) Een bruinet , vroww- 
menjch dat bruin hjir beeft i fur la 
brane y in iiefchemf ring. 

Brunelle, (f) Beer en-cor , {zeker 
Vfonde-kruid). 

Brunec, ecte (adj.) Bruinachtig. 

Brunette, (f) Bruinetje, bruin- 
meisje (n). 

Bruni, ie (adj.) Gebruineerd. 

Brunir, (v. a.) Bruineeren, gtad- 
maaken. 

Bruniflage , (ra) Bruineer-werk (n). 

Brunifleur, eufe (adj.) Bruineer- 
der f bruineerjier. 

Bruniffoir , (m) Een bruineer-fteen 
tfftaal. 

Braniflure , ( f) Het bruineeren. 

Brasque , (ad j.) Haafiig , oploopend ^ 
Jïuurs, bars, wuft , wtld. 

Brasquerabille , (m) Zeker Kaart- 
fpel. 

Brusquement , (adv.) Barjfelyk , 
haafitglyk , opjluivend. 

Brusquer , (v. a.) Bars bejegenen. 

Brusquerie , ( f)Barsteid,Jiuurs- 
heid. 

Brut , ute (adj .) Onvernuftig , ruuw; 
fcête brute , onvermifttg dier ; fucre 
brut, ruwe zuiker-^ diamant brut, 
Ongeflepene diamant. 

Brutal 5 aie (adj.& f.) Beejïagtig; on- 
hefcboft ; een onbeschoft kaerel o/vrouw- 
menfcb. 

Brutalement, (adv.) Onhefchoftelyk. 

Bratalifer, (v. a.& n.) Onbefchoft 
iijegenen , beejïagtig leven. 

Brutalité , ( f) Onbefchoftbeid. 

Brute, (f) Een onvernufttg dier; 
lés brutes , het redenlooze vee (n). 

Brutier , (m) Een Havik , (zekere 
Roofvogel. 

Bruyant, ante {&à.].) Geraas maa- 
iend., tierend; voix ,mer bruyante , 
harde flem ; bruijfende zee. 

Bruyère, (f) Eene Hei ^ Heide. 

Bu , bue {z.'i].)Gedronken ; bezoopen. 

Buanderie , ( f ) Een waf: h-huis (n). 

Buandier , iere (m. & i.)JVaJfcher , 
tvafchjier, {beter Blanchiffetu: , eufe) 



BÜB. BÜC. BüE. BUF. &e. 

Bube , ( f) Klein gezwel jpuijije op 
bet vel (n). 
Buberon, (ra) Kinder-tuit -, tutti 

tuit-kan (f). 

Bubon, (ra) Gezwel aan de Liefck 
(n),pej}.buil(£). 

Eabonocele ,(m) Een foor t van 
breuk aan defchaamdeeïen, 

Buccinateur ,{m)Een die de trom- 
pet , bazuin blaaft. {oud w.) 

Buccine , ( f ) Een Bazuin [oud w.) 

Bucentaure , (ra) JZ'eker l^ene- 
tiaanfcb groot, galjoen fchip (n). 

Bûche , ( f) Een groote dikke blok 
brandhout (ra) ; kers-blok ,} een dom 
onverfïandig menfch (n)} een Haring- 
buis (f). 

Bûcher, (m) Hout-zolder', een hoop 
hou- } hout-Jïapel- of myt. 

Bûcher, (v. à.) Hout hakken tot 
br and-hout. 

Bûcheron , (m) Hout-kapper-bak- 
ker ; opjlapèlaar daar van. 

Bûchette, (f) Een Idein droog 
houtje (n) , af-jal. 

Buée, (f) Deloog-wafch(xn),{oudw.) 

Buffet , (m) Èen aanr echt-taf el , 
tafel waar op men glazen , vaaten , 
enz. zet (f); al het zilver-werk dat 
op de tafel diend; kas waar in d2 or~ 
gel-pypen Jiaan y Buffet , (n). 

Buffeter, (v. n.) Een wyn-vat on- 
derweeg open boor en om daar uit te 
kunnen drinktn. - 

Buffeteur , (m) Een die de vaaten 
weet op te Jïeeken om 'er uit te drin- 
ken. 

Bafïïe,(m)5«/>/ , wilde os; Uére kol- 
der (ra) ; een onverfïandig menfch (n) ; 
cacher un buffle fousfon pourpoint, 
een zot zyn. 

Bugle , ( f) Beeren-oor , {zeker won- 
de-kruid). 

Buglofe , (f) OJfe-tong, (zeker 
kruid). 

Bugrane ou bougrane , (f) Pra»g- 
•wortel (m) ,Jlal-kruid (n). 

Buhots, (ra. pi.) Geverfde ganzen- 
veeren die de pluim-maakers op hun 
vengfler zetten. 

Bujre OU buie (f) Een groote zil- 
vere*ofporcelyne pot of kruik (m). 

Buis , (m) Palm ; palm-boom (m) ; 

een palm-boomen Ukhout der Schoen- 

maa- 



BÜI. BUL. BÜP. BUR. 

nmakers (n) ; peigne de buis, een 
palm boute kam (f). 

Buiflbn , (m) Doorn-hofcb (n) ; doorn- 
haage (f); buiflbn ^xàçnt ^branden- 
de braam-bofcb ', planter des arbres 
en buiflbn , dwerg - boomen plan- 
ten. 

Buiflbnnet, (m) Klein bofcbje (n). 

Buiflbnnier , iere (adj.) Faire 
l 'école buiflbnniere yfpeeten hi plaats 
van fchool gaan', een krampje loopen. 

Biilbe, (f) Bloem-bol (m). 

Bulbeux , eufe (adj.) Bolacbtig, 
dat met een bol waji. 

Bullaire , (m) I^erzameïtng van 
Bullen , ofpaujfelyke brieven ( f). 

Bulle, (f) Eene Bulle, Paujfelyke 
brief (m); fulminer une buUe , een 
Kerkelyke Wet uitblikzemen j bulle 
{in deNatuurk.) Lucbt-bolletje in heet 
waters 

Ballé,ée (ad}.) Met de noodige ze- 
gels voorzien. 

Bulletin , (m) Ordre der Overigbeid 
toP bet buisvejien der Krygsheden -, 
keur-eedel , waar by men zyn fiem 
geeft; item gezondheids-pas. 

Buraliflie, (m) Commis, fcbryver 
çp een 's Lands- comptoir. 

Burat , (m) Grof- of py-laken {n). 

Bure, (f) Py, {grove fioffe) 

Bureau , (na) Sebryftafel{f) ; Comp- 
toir (n) ; bureau des polies, poji-comp- 
t9ir,poJÏ-buis j bureau d'addrefle , ie- 
mand die alle nieuws weet ; prendre 
l'air du bureau , navorfcben nu at gevoe- 
lens de Rechters over eene zaak heb- 
ben j Ie bureau n'eft point pour 
lui, de Rechters zyn niet voor hem; 
bureau des impôts, het impoji-comp- 
toir; Paris efl Ie grand bureau des 
merveilles, Parys is het groot comp- 
toir der wonderheeden, 

Burelé, ée (adj.) Met fmalledwars- 
fe fïrerpen bezet (in Wapenk.). 

Buret , {m)Een purper vifch, daar 
de ouden purpere verwe van bereid- 
den. 

Burette , ( f) Wyn-kan voor 't u4U 
taar (m)', olie-fiesje (n). 

Burettier, (m) Mis-dienaar. 

Burgau , (m) Meer-Jlak { f). 

Burgrave , (m) Burg^graaf. 

Bnrin , (mj Graveer-yzer {n). 



BüR. BÜS. BUT. 95 

Buriner , (v. a.) Graveeren , fny^ 
den, uitjleeken. 

Burlesque , (ad j.& f.) Boertig }fpot~ 
achttg j klugtige fchryf-Jlyl. 

Burlesquement, (adv.) Boertiglyi. 
fnaakeriglyk. 

Burfal , aie (adj) Edit burfal, 
geld-placcaat. 

Bufc, (m) Plansjet in een ryg-lyf 
(n). 

Bufe , (m) Een Havik , {zekere Roof^ 
vogel); een gek , botmuil , Jïeiloor. 

Büsquer , (v. a.) Busquer fortu- 
ne , zyn geluk zoeken. 

Basquiere . ( f) Schuif; item borfi^ 
aan een ryg-tyf. 

Bufte , (m) Borjï^beeld (n). 

Buftuaire , (mj Kampvechter by de 
Romeinen. 

But, (m) Oogmerk y oogwit y doel- 
wit (n); arriver à fon but, zyn 
oogmerk bereiken; frapper Ie bVit^ bet 
doel treffen; de but en blanc , lojfe- 
lyk , onbedagtelyk y zonder overleTi 
jouer but à but , kamp op fpeelen. 

Butage, (m) DienJÏ die eenenBoer 
zynen Beer verfcbuldigd is. 

Bute , ( f) Tzer om een Poerde^ 
hoef mede uit te fieeken (n). 

Buté, ée (adj.) f^oargenoomen, ge^ 
mikt , gedoeld. * 

Buteau , (m) Een onbeleefd menfcb» 

Buter, (V. nO Mikken, doelen, 
ergens op oogen. 

Butiere ou buttiere, (adj.) ^f- 
ker roer om mee naar de Vosel te 
fchieten (n). ^ 

Butin, (m) Buit, roof die men op 
den vyand haald. ^ 

Butiner, {v.z.)Buit maaken .roo- 
ven , plunderen. 

Butor, (m) Roerdomp ,putoor.(zf^ 
kere vogel). ^ 

Butor, orde (m. & f.) Een dom^ 
onbefchoft menfch {n). * 

Butce, (f) Een opffeworpen beu. 
^f f daar de fihutters flaan ; het 
doel derfchutters {n); être en batte 
a ren vie, de nyd ten doel zyn. 

doel ; { figuur i.) na iets flreeven ; f» 
butter , (V. r.) zig bepaalen. 

Butyreux, eufp (adj.) Zaanlgy 
roomtg, \ V j / 5> 

Btt- 



BUT.BUV.BUZ.C.&c. 

Buvabi-e, (adj.) Drmkbaar. 

Bu van de , ( f ) Zap dat men uit den 
àroejfem der druiven haald (n). 

Buveau , ( m ) îVinkel-baak , ( in 
Bouwk.) 

Buvetier , (m) JVaard van de drink- 
plaats der Raadiheeren van 't Parle- 

Biwette, (f) Drink- of ververfch- 
plaats mor de Raadsheeren van 't 

Buveur, fm) Drinker . zmper , zwei- 
oer , likkebroér , nat-hals. 

Buvotter, (v. n.) Met kleine teug- 
jes drinken 

Buze , (t") Pyp van een b laas-balk. 



*:}:***-+***H=***îl-Hî*;!:***:M«-t**^--*îi^H: 



C(m) C.(f) 3^^^ Letter van*t A, 
' B j C , wordende voor a , o , en 
U (in de franjche taal) uitgefprooken , 
els k [by voorb,) cabarec, colonne, 
cuve j maar voor e en i heeft zy de 
klank van f, (by voorb.) ciment, cé- 
der ; insgelyks eok voor a , o , en vi 7 
wanneer 'er een teekentje , (cediUe) 
mder gefield word , (by voorb .) fa , 
■Façon, Leçon, François, enz. 

Ça, , (adv.) Hier , herwaar ds ; cou- 
rir ça & là j gins en herwaards ko- 
pen; qui ça, qui là, de eene hier, 
de andere 'daar. 

pa,(interj.) Lujïig , wakker; ça 
qu'on mette la main à l'oenvre , 
t'fa da*^ men de hand aan 't werkflâ. 

Cabale , ( f ) Verborgen uitlegging 
ier H. Sehrift , zamen-rotting van 
fommigen die malkander en heimelyk 
iu^r/ïa<3«, kabaal. 

Cabaler, (v. a.) t' Zamen fpannen; 
t' zanten rotten; iets kwaads heimelyk 
ontwerpen. 

Cabaleur , (m) t' Zaï^en-rotter , een 
die met anderen t'zamenfpand om een 
beimelyke aanjlag uit te voeren. 

Cabaliae , (m) Jood die in de ver- 
borgen uitlegging der H. Schrift erva- 
ren is. 

Cabalïftique , (adj.) Geheim-kun- 



CAB. 

dig ; verborgen j rcverie cabalïfti- 
que , yuudfche mynieriiig. 

Ca bat e , (.f) Éen klein hui s je, hut* 
je , Jlulpje (n) j Zeemans kooi ( f) ; 
ttem een bedekte platte of tent-fchuit. 

Cabane r, (v. n.) Hutten opjiaan. 

Cabanon, (m) Klein l^uije. 

Caoaret , (m) Herberg ( f) , ffjn- 
huis. Kroegje (n)> cabaret b;rgne, 
Jlegt kro£'gj'i of daar weinig neer ing is. 

Cabaretie - , iere (m. & f.) l^aard , 
ÏVaardln^ener herberg. 

Cabare tique, (adj.) Kroegagtig y 
Waards-huisagt ig . 

Caba:- , (m) Een vygen-korf. 

Cabafle , ( f ) Dronke todde, hoe- 
ren-%vaardin. 

CahdiTer ,(oud en gem. w.) Geld te 
tarnen fchrmnpen; met bedrog zwan- 
ger gaan ; iets heimelyks ivegkaapen , 
Jleelen. ' 

Cabaflet , (m) Een helm , flormhoed 
voor deezen. 

Cabéliau, m) Kabeljau. 

Cabéftan, (m) Spil om 't anker mee 
op te winden; cabeflan volant , loffe 
fpil , hand fpil ; envoyer au cabéftan, 
y voor de Ipil jl'-affen. 
, Cabille, (f) Hoop volks, als: een 
1 horde .arabieren , enz. 
I Cabill-ts, (m. pi.) Juffers ^ rond- 
; houten met 3 gaten aan het wand vari 
! een Schip. 

\ Cabinet, (m) Kafï , kuhmet; ge-^ 

! heim- fiudeer- fch-yf- pronk- konfl- 

i rariteit-kamer f Itfl-huis , tuin-huisjey 

prieel ; orgel-kafl , hand-orgel ; item* 

geheime Staat s-raad. h 

Cable , (m) Kabel , anker - touw '/ 
cable d'affourche , (grelin) lui-touwy; 
bitter Ie cable, ^c/ kabel om de bee-^ 
ting vaji maaken j filer le cable, &o?j 
vieren. ■' ' . ] 

' Cableau , (m) Kleine kabel, boots-\ 
touw , tros« \ 

Câbler, (v. a.) Touw flaan , van^^ 
veele touzven een maaken. .'. 

Cablot, (m) Klein touwije of reep»', 

Caboc hard , de (adj .) Groot-koppig. , 

Caboche, (f) Een taats of fcboen-' 
fpyker ; (flguurl.) hoofd-, kop. 
' Cabochon, (rubft.& adj.) Schoen-, 
fpyker; rubis caboehon, ongejlepen- 

^ ■ Cabo- 



CAB. CAC. 

Cabotage , (m) Zeiling langt de 
fCuJlen. 

Caboter , (v. a.) Langs de- Kuflen^ 
vaaren , af en aan zeilen. 

Cabotcier, (m) f^aartuig daar toe. 

, Cabre, (f) Een Krtkkemik (iverk- 
tutg om Scheep iets mede op te hys- 
fen). 

Cabré, (adj. m.) Cheval cabré ^ 
overeind Ji^^nd Paerd^ (in fFapenk.) 

Cabrer , (v. n.) fe cabrer , (v. r.) 
Steigeren; opjluiven; ce cheval fe 
cabre, dat paerd jleigerd ^ un hom- 
me fage ne fe cabre pas ^een verjlan- 
dig man word niet toornig. 
. Cabri , (m) Jonge Cetten-bok. 

Cabriole ou capriole , (f) Lugte 
Sprong^ krulfprong, kab riool. 

Cabrioler ou caprioler > ( V. n. ) 
Springen. 

Cabriolet, (r») Rytuig (dus ge- 
naamd). 

Cabrioléur oa caprioleur , (m) 
Kabriool maaker. 

Cabrions, (m. pi.) Blokken ^klam- 
pen onder affuit-wielen om ze tegen 
te houden. 

Cabrit. {Zie Cabri). 

Cabron , (m) Joag Geiten leer. 

Cabus, (adj.) Choux cabus ou 
pommé, Buis-kogl. 

Caca, (m) Drek , kafi , (kinder 
woord). 

Cacaber , (v, n.) Schreeuwen als 
een Veldhoen. 

Cacade , ( f) Afgang , Jioelgang ; 
fegte uttval eener zaak. 

Cacao , (m) Kakau. 

Cacaoyer ou cacaotier 9 (m) Ka^ 
'kau-boom. 

Cachalot, (m) Kaasjelot, een der 
grooijle foort vun Walvifchen. 

Cache, (f) Schuil-plaats^fchuil- 
boek ; fluip-winkel. 

Cachement , (m) Verberging (f). 

Cache-platine, (f) Loode plaat 
over het londgat van een gefchut of 
Jleutelgat. 

Cacher, (v. a.) Verbergen y ver- 
fleeken, geheim houden^ fe cacher, 
'v. r.) zig verbergen, verfchuilev. 

Cachet, (m) ZegH^Jignet , let- 
tre de cachet , KoningU bevel brief. 

Cacheté, it i^d'}) Verzegeld, 



CAC. CAD. 5/ 

Cacheter, (v.a.) toezégeïe» 9 ver^ 
zegelen. 

Cachette, (v. a.) Schuil- hoekje -,, 
en cachette, in 't verborgen, ter 
fmuiks. 

Cachexie , (f) Verdorvene lighaam» 
geflcldheid. 

Cachot, (m) Donker hol in een ge» 
vangenbuis. 

Cachou, (ra) Zeker Tndiaanfchboom- 
fap Itefiyk in de mond. 

Cachrys, (m) Rozemaryn. 
Cacique ^{ra) Bevelhebber der zwer* 
vende yirabieren. 

Cacochyme, (adj.) Ongezond ■» voi 
met quaade vogten , (;« Geneesk.) 

Cacochymie, (f) Quaade gefield^ 
beid des b toe ds. 

Cacoethe, (adj.) Ulcère cacoe- 
the , vergiftige zweer , {in heelk.) 

Cacophonie , ( f ) Onaangenaam 
geluid van t' zamenjlootende woorden, 
Gacozéle ,' (m) Ontydige f ever. 
Cacumine, (fj Gevel, fpitfe^ 
Cadaftre , (m) Schat of hoofd re* 
gijler. 

Cadavéreux, eufe (aâ},)Doodver^ 

wi^. 

Cadavre, (m)Dooi/ lichaam, tyk (n). 

Cadeau , (m) Cierlyke trek met dé 

pen j cterlyke doch onnutte arbeid ; gajï- 

maal', onnuttige iojlen. 

Cadedis , ( interj. ) Slappremenf j, 
(gafconier vloek). 
Cadenas, (m) Hangjiot» 
Cadenafler, (v. a.) Met een bang^ 
flot fluiten, {weinig gebr.) 

Cadence, (f) Geregelde y gepafiê 
maathouding in de zang- rym~ ry» 
konfl of in een redenvoering , enz. 

Cadencer , (v. a.) Cadencer les 
périodes , de volzinnen (periodes) 
wel afpaffen , aangenaam voor 't ge* 
hoor maaken. 

Cadene, (f) Slaven-ketting ; put" 
ting aan de hoofd-touwen , {zee w,) 

Cadenette , ( f) Middetfle lok van 
een knoop-paruik-, hair-vlegt. 

Cadet, ette (m. & f.) Jongde of 
jonger broeder-zujier -, cadet aux gar- 
des , cadet , adelborfl onder de gaf dei § 
il eft mon cadet , hy is jonger inde 
bedieninge als ik-, cadet de hautap*- 
petit , e«nfmarmerffmulbrQ§r^,ci^' 



93 CAD.CiE.CAF.CAG. 

dets, (pi.) jongs beeren dien de Ko- 
ning de ivis- feeken- bouw-kunde enz. 
iaat Ie er en. 

Cadette , ( f) /Vierkante vloerjieen. 

Cadetter, (v. a.) Met zulke Jleenen 
beleggen. 

Cadi, (m) Turfche Richter. 

Cadilesquer, (m) Opperrechter in 
Turkyen. 

Cadis , (m) Een foort van fergie. 

Cadifé , (m) Soort van droget. 

Cadmie. {Zie Calamie). 

Cadmus, (m) Halve god by de 
Grieken. 

Cadole , (m) Klink van een deur (f). 

Cadran , (m) Uur-wyzer, uur-plaut. 

Cadrature, (f) 't P^ierendeel van 
een ivyzer-plaat. 

Cadre, &c. (Zie Quadre). 

Caduc, uqae (adi.) Oud, zwak, 
bouwvallig, vergankelyk ; Ie mal-ca- 
duc, fi^ vallende ziekte. 

Caducée, (m) Staf van Mercurius. 

Caducité , (f) Bouwvalligheid, 
verzwakkiKg. 

Caduque. (Zie Caduc). 

Et Caetera , (Latyns w.)in 't Franfcb 
Jïeld men &c. enz. of, en zoo voort. 

Cafard , arde (adj. & fubft.) Schyn- 
heilig. 

Caferderie, (f) Geveinjiheid , but- 
chelary, 

Café,(m) Kofy, Koffy-boon (f); 
Koffy buis (n). 

Cafetan ou CafFtan , f m) Rok die de 
Turkf-he Keizer als een eer- teken geeft. 

Cafetier 9 (m) Koffy- bande laar- 
Jchenker. 

Cafetière , ( f ) Koffy -kan-ket el-pot. 

Caffila, (f) Bende, hoop reizigers 
in Indien* 

Cage, (f) Fogehkooi, kevie-, klein 
beknopt buisje of kamertje ; bet geraam- 
te van eenig gebouw ; mars van fchip j 
kaas-vorm ; tralie op een Zilverfmids, 
of voor eenig ander vengjier',de ruim- 
te voor^ een trap of klok j mettre en 
cage , in de kooi zetten ; item in een 
gevangenhuis zetten. 

Cagée , ( f) Een kooi vol, 

Cagerotte, (f) Kaas-vorm. (Zie 
Cage). 

Cagier , (m) VogeUkraamer . 

Cagnard , arde (adj, & f.) ^«/j 1 
Miaardp (gem* w.) 



CAG. CAH. CAI. 

Cagnarder , (v. n.) / û izig leeven 

Cagnarderie, (f) l'adztgheid. 

Cagnardife , ( f) Luiheid. 

Cagneux , eufe (adj.) Krom van 
beenen. 

Cagot, otte (adj. & f.) Scbynhei- 
lig; huichelaar. 

Cagotterie, (f) Schynheiligheid. 

Cagotisrae , (m) Huiehelar'y ,fchyn' 
heiligheid {Î). 

Cagou , (m) Een aartsgierigaard, 
vrek. (gem. iv.) 

Cagoaillff , ( f ) Cieraad aan 't gal- 
joen van een fchip. 

Cague , (f ) Een Kaag, (vaartuig 
in holland). 

Cahier, (m) Ingenaaid fchryf boek ; 
item een boek daar de bejluiten van 
een Collegie in gefchreeven worden^ 

Cahieu. (Zie Gaïeu). 

Cahin - caha, (adv.) Faire une 
chofe cahin - caha , iets gedwongen^ 
met moeite doen. 

Cahot, (m) Stoot, fchok, boffebot- 
zing van een wagen. 

Cahotage , (m) Hoffebatzing. 

Cahoter, (v.a.) Schudden, floot en ^ 
boffeboffen. 

Cahute , (m) Eene hut. 

Caïc , (m) Galei-Jlaep. 

Caier. (Zie Cahier). 

Caïeu , Kleine bol , klaauwtje van 
knoflook , enz' 

Caille ,( f) Een kwartel ofwagtel. 

Caillé, ée (adj.) Geftremd -, du 
lait caillé , Jlremzel , gernnnene melk, 
du fang caillé, geronnen bloed. 

Oaillebotce, (f) Stuk geronnene 
melk , klonter, klomp (m). 

Caillebottis, (m) Tralie werk(n), 
roojier (m) op 't dek van een fchip. 

Caillement , (m) Klontering der 
melk m de borjïen. 

Cailler ,{v.z.,8>cx\.)LaatenJiremmen', 
klonteren , dik worden j fe cailler , 
(v. r.) flremmen ^ e^iz. 

Cailleteau, (ra) Jonge wagtet (f). , 

Cailletot , (m) Soort van kleine j 
Tarbot. 

Caillette , ( f) Het zakje of maagi 
van een Schaap waar %n het lua 
gemaakt word. j 

Caillot , (œ) Stttk gergnnen bloed 



CAL CAL. 

Caillot-rofat , (m) Rooze peer ( f) 
(zekere zoete peer). 

Caillou, (m) Een kei-Jîeen , kei, 
tuttrjîeen. 

CâiUoutage , (m) Een hoop kel- 
Jieenen. 

Cairaacam , (ra) Kaimakam , groo- 
te Staat s -bediende in Turkyen, 

Caimand, aiide (m. &c f.) Land- 

looper , fchooijer; fchooijïer. 

Caimander , (v» n.) Bédelen, 

Cajoler, (v. a.) Liifkoozen, flik-' 

keflooijen, v Ie ij en ; cajoJer un vais- 

feau , met een f chip door hulp van de 

jlfoom tegen de wind vaaren , opdry. 

ven. 

Cajolerie, (f) f^leijery,liefkoo- 
zery. 

Cajoleur , eufe (m. & f.) Pluim- 
Jlryker j vleijier. 

Caïque. {Zie Caic). 
Cainre , (f) Geld-ktjl , cafla {by 
Boekh.) kiji , koffer; oranien ' kajï ; 
trom ; battre Ia caiffe , de trommel 
roeren; caifle de poulie, blok daar 
de katrol-fchyf in is. 
CaifTetins, (ra. pL) Rozyn-kijijes. 
CaifTette , ( f) Kijije {n). 
Caiffier, (m) Caffter , iemand die 
de kas houd. 

Caiffon , (m) Kijije y brood-pro- 
viand-zvagen in een Leger j bóm-kaji , 
vuur-kiji. 

Caj ute , ( f) Slaap-kcoi (in de Schee- 
pen). 

Cal , (m) Eelt , hardigheid aan 
handen of voeten (f), (durillon) 

Calade , ( f) Schuins heuveltje in 
de Ry-fchool om een Paerd daar af te 
laaten gallopeercn. 

Calarnandre ou calamande , ( f) 
Kalemink \fioffe). 

CaTamédon , ( f) Leen-breuk (f ) , 
(inHeelk.) 

Calament , (m) Ka lam int , wilde 
polei y katte-kruid , (plant goed voor 
de jigt). 
C-dlsLmina.lTe , (2Là']^) Kalmynig. 
Calamine, (f) Kobolt; kalamyn- 
Jieen , waar mede het koper geel ge- 
maakt word. 

Calamiftrer , (v. a.) Krullen , nop- 
pen 



CAL. p9 

foort kalmey^ eertyds ook zeiljïten, 
kompas; item ioof-kikvors. 

Calamité, (f) Elendigheid , jam- ' 
merlyke toefland. 

Calamiteux , eufe (adj.) Elendig , 
rampzalig. « 

Calamus aromaticus, (m) Pf^elrig'» 
kende kalmus. (Lat. w.) 

Calancre , ( f J Soort van grootê 
Lyjier ; kalander , koren-worm j ka- 
lander-moolen , mangel. 

Calandrer , (v. a.) Kalandtren, 
glad y glanzig maak en , mangelen, 

Calandreur , (m) Kulanderer , glan^ 
zer. 

Calangae, (f) Kreek , baai ,bogt, 
kleine wyk voor l^aartuigen, 

Calafdque , (adj.) Remede cala- 
ftique , verzapende artzeny. 
Caibas. (Zie Cale bas). 
Calcaneora, (m) Bet hiel' of veer ' 
zen-been (n). (Lat. w,) 

Calcanthura, (m) Rood gemaakte 
vitriool. (Lat, w.) 

Calcédoine, (f) Kalcedonie-Jleen 
(m). 

Calcet , (ta) Ezels-hoofd op een ga- 
lei maf} (n). 

Calcinacion, (f) P^erkalking der 
metaalen. 

Calciner, (v. a.) Ferkalken , tot kalk 
branden. 

Calcis, (m) Soort van een nagf 
valk. 

Calcul, (m) Optelling, oprekening ^ 
overrekening (f); item de fie en (m) ^ 
't graveel (n). 

Calculable, (adj.) Dat opgerekend 
kan worden. 

Calculateur, trice (m.&f.) Opr^^ 
kenaar; optelfier. 

Calculer, (v. a.) Rekenen, uitre- 
kenen , oprekenen. 

Calculeux , eufe (adj.) Steenagsig, 
gruisagtig. 

Cale , ( f) Het ruim in een fehip 
(fond de cale ) ; het ktelhaalen ; vifch- 
lood aan de lynen ; een baai of wyk 
voor ftheepen in quaad wéér ; een 
fchuinze wal of oord} y zer om gaten 
mee te maaken , (by Smits) ', fpaan 
die men onder een tafel of kafi zet om 
niet te wagchelen j zekere boeren muts , 



Calamité , ( f) Een van de Ben [bef e I ook zekere muts voormaals door Lakeien 

G 2 ge» 



too CAL. I 

gedraagen-, dunner ia cale a quel- j 
cun, iemand kielhaalen ; donner Ja 
cale à un vaiffeau , een fchip kiel- 
haalen j il a porté la cale , hy is een 
Lakei gewefji. , 

C-dlebas ou calbas , (m) Raake taa,- 
je , {Scbeeps w.). 

Calebaffe, (f) Een Kalebas. 

Caleko in, (m) Schoemnaakers hoed 
» f korf j f voor hun fpiriaal, f//?, enz. 

Cj^leche, (f) Kalés {zeker open 
Rytuig). 

Caleç©n, (m) Onderbroek (f). 

Caiéfaaion', (f) P'erivarmbig. 

Calemar, (ra) Pennekoker, 

Calendes, (f- pl-) D'eerjle dag ie- 
der maand', verzameling der dorp- 
Pr iejler s . 

Calendrier , (ra) Almanak , Ka- 
lender , maand- dflg-wyzer. 

Calenge , ( f) (Rechts w.) Aanklagt. 

Calenger, (v. a.) Pynlyk aanklaa- 
een ; in hegtenis neemen, 
" Caler,, (v. a.) Caler ou affiener 
les voiles , de zeilen jiryken , neerla- 
ten ', {figiiurl.) ztg na den tyd fchikken. 

Calevile. {Zie Calleville). 

Calfac ©u calfateur j (m) Kalfa- 
terer. . ,„ 

Calfat , (m) Bet kalfateren van een 
ten fchip (n> 

Calfatage. {Zie Calfeutrage). 

Calfater, (v. a.) Kalfateren, 

Ca'fateur. {Zie Calfat). 

Calfatin , (m) Kalfaat jongen. 

Calfeutrage , (m) Kalfaterwg. 

Calfeutrer , (v. a.) Kalfateren , 
dist maaken -> floppen . 

Caliore, (m) Grootheid, ivydte van 
eênig ding. 

Calibrer, (v. a.) Van behoorîyke 
grootte rnaaken. , . , , t 

Calice, (m) Kelk., drwk-beker; 
kmp ofkelk van een bloem. 

Calife , (m) Opper -Priepr hy de 
Sarazynen. 

Califourchon , à Califourchon , 
(adv .) met de beenen fchryelings , 200 
dis men te Paerd ryd. 

Calin , ine (m. & f.) (gem. w.) 
Leêg-geinger ,Sp!t;boefyttem een foor t 
van met tin en lood gemengd metaal. 

Câliner, fe câliner, (v. r.) Zyn 
gemak neemen, zorgeloos leven. 



CAL. CAM. 

Caliogue. {Zie Carlingue)» 

Caliorne , (f) Gyn-touw y taaktt 
op een fchip. 

Califte , (f} Naam die de Poëten 
aan hunne Minnareffen geven. 

Calleville, {£) Roode guldeling j 
{eert appel) (m). 

Calleux, eufe {d.A\.)l-^ereelt ,hardi 

CiUigraphe , (m) Een Copifï. 

Callofi:é, (f) Vereeltheid , hardig- 
heid dèr huid. 

Callots, (1-. pi.) Ruuwe fchalie of 
leyjleenen (m. pi.). 

Calme , (f. ra. & adj.) Stilte , 
kalmte ,rufl i£) ; flil. 

Calraé, ée (adj.) Geflild; bevrs' 
digd. 

Calmer, (v. a.) Stillen^ hedaaren. 

Calcbre, (m) Een kiel, ov:rtrek. 

Caloïer, (ra) Griekfche Monnik. 

Calomniateur , trice (ra. & f.) 
Lajleraar , achter*lapper ; fchendfier. 

Calomnie , ( f) ^-ichterklap , lajler- 
faal. 

Calomnier, (v. a. ) Lafleren^ 
fchenden , eerrooven. 

Calomnieufement, (adv.) Achter- 
klappend, valfchelyk. 

Calomnieux, eufe (adj.) Schen- 
dend, eerroovend. 

Caloniere.( f) Een klap-hus , {kin- 
der- fpeelt.) 

Calotte , ( f) Platte muts ^ kakt. 

Calquer, (v.a.) Afteekenen , affchet- 
zen na tets. 

Calvinisme, (ra) Het Calvinijien- 
dom. 

Calvinifle » (m) Een Calvinfl. 

Calvitie , ( f) Kaalheid des boofds, 
{weinig gebr.) 

Calumet , (m) Groote tabaks-pyp , 
{by de Indiaan en). 

Calus, (m) Eelt, vereeltheid ,har^ 
digheid aan handen en voeten ; been- 
agtige fioffe (fubftantie) die de gebro- 
kene beenen vereenigd •,{fgicurl.) ver- 
floktheid, verharding , ongevoelig- 
heid. 

Calybite . (m. & f.) Een hutten bc 
zvooner. 

Calyphe. {Zie Calife). 

Caraagnes , Vafle kooien in een 
fchip. 

Camaïeu, (m) Naam van zekere 
Jleem 



CAM. 

^ten daar de natuur allerhande Jjçruu- 
ren , beeld- enfrhildi\ -uerk in gevormd 
heeft; item Jcbtlaerzverk vau éen ko' 
leur, alslblaauiv op hl.iamv. 

Camail, (rti) Koor-kap ; helm-dek. 
Camarade, (m) Metgezel ^makker. 

Camard,arde (m.f. de adj.) Plat- 
neus ; platnevftg. 

Cambage , (m) Bieraccyns. 

Cambayes, Bensiaalfche Jüitioenen. 

Cambifte, (ra) if^Jfelaar, 

Cambouis ) (m) Het fmeer of vet 
dat van een wiel afpers afdruipt. 

Cambrafines, (f. pl.j i-yw^ ^gyp- 
ttfche Lynwaaten. 

Cambré, ée (adj.) Gekromd. 

Cambrer, (v. a.) Krommen, krom 
tnaaken , buigen als de doozen maa- 
iers en fchoenmaakers doen. 

Cambrure , ( f) Kromming , uithol- 
ling , u' e hing. 

Caméléon , (m) Kameleon (een dier 
dat men voorgeeft van de lucht te lee- 
Ven endtkivils van koleür teveranderen). 

Cameléopard , (m) Dier van hals 
als een Kameel en van huid als een 
Luipaerd. 

Cameline, (f) Een gryne rok.' 

Camelot, (m) Kamelot, gryn (n), 
(/o/f) il reflemble au caraelüt il 
a pris fon pil, (fpr. w.) hy blyft 
Zoo als hy is. 

Cameloter , (y. a.) Ms kamelot 
tiiaaken. 

Camelotine, (f^ Stoffe gewaterd 
als kamelot. 

Camerier, (m) Kameraar (Pauje- 
lyke bediende). 

Camerifte , (m) Onder Kameraar. 

Camerlingat , (m) Paujfelyk Scbat- 
meefters-ampt (n). 

Cameflingue , ( m ) PauJJelyke 
Schatmeejfer. 

Camion, (m) Kleine dunne fpelde 
( f ) j kleine wagen (m) of kar ( f). 

Canoifade , ("f) Donner la cami- 
fade à l'ennemi , detf vyand in d?n 
nagt overvallen. 

Camirard , arde (jn, & f.) Zeker 
Geefldryver in de Cevennes in J^rank- 
ryk. \ 

Camifole, (f) Hemhdrok , borfirok 
(m). 
■ Camomille, (f) Kamilk {^lam). 



CAM. ICI 

Camoufîet, (m) Rookend papier; 
donner un caraoutlet à quelcun, 
iemand rook in de neus blaazen. 

Camp, (m) Een Léger (n) , Leger- 
plaats (f)j camp volant, vliegend 
Léger-, affeoir le camp, het Léger 
ncérjlaan. 

Campagnard , arda (f. & adi.) 
Landman , Boer } Boerin ', boerfch j 
c'ell un franc campagnard , hy is 
een r egt en boer. 

Campagne, (f) Veld, Land (n); 
veldtogt ( f) j raie campagne , vlak- 
ke veld', bactre la campagne , het 
wild opjaagen, op kondfchap uitgaan 
(in den kryg)',veel Schryvers aanhaa 
len die mets beduiden (in Redtveerk.) > 
mai fon de campagne , een lufihuis y 
buijenplaats ; pièce de campagne , 
velJfuk. 

Campanaire , (m) Een Klokken- 
gieter. 

Campané j (f) Kampaan , franje 
met knaflen aan een ledikant , fnj' 
werk, enz. 

Campanelle , ( f) Klok-bloem. 

Campanile, (in) Klokken -toren. 
(Zte Clocher). 

Campé, ée (adj.) Gelégerd. 
. Campêche, (f) Kampéfcben -lout 
(n). 

Campement, (m) Legering ^ kam- 
peering (f)» 

Camper, (v. a. & n.) Légeren; 
het Léger neêrflaan ; fe camper , (v.r.) 
zig légeren ; zig tn pofïuurji ellen ," {in 
de fchermfch.). - . 

Camperche, (f) Boom in een tçi- 
pyt getouw (m). 

Camphre, (m) Kamfer, 

Camphré, ée (adj.) Met Kamfer 
toebereid. 

Campine , ( f) Een zeer fyn hoemje. 

Campos , (m) Avoir campos , ver- 
tof hebben (fchool w.). 

Camus, ufe (adj. & f.) Stomp- plat", 
neuzigi een plat-neus ; on l'a rendu 
camus, hy beeft een neus gehaald y hy 
is in zyn oogmerk mislukt, ^ . 

Camufette, (f) Kletnjlomp-neuzig 
meisje (n). 

Canade , ( f) Seheeps-portie wyn of 
water by de Portugiezen. 

Canaille, (f) Gefpujs, gepeupel., 



X02 CAN. 

't graauuf , jan hagel , fegt fchuim 
van volk, jan rap en zyn maat-, ge- 
boefte (n). 

Canal , {m) Canaux , fpl.) i-en 
gragt , haven , vaart j buis , pyp ( »« 
Ontleed- en Bouivk.) groef voor een 
iaad'Poki il y a en Chine un ca- 
nal , qui a plus de 245 lieues & 72 
éclufes , in Cbma is een vaart , die 
meer als 245 mylen lang is en 71 
Jluizen heeft; (figuurl.) il eft entré 
par Ie bon c&na.[,hyis door het reg- 
te middel bevorderd. 
, C^nïimelle,(n ^ttiker-rïet(n). 

Canapé, (m) Ruji-pel mor 2 of 
nifer perfoonen, 

Canapfa, (m) {gem. w.) Knapzak. 

Canard , (m) TVaardy 't mannetje 
van een Eend, Eendvogel; item wa-' 
f er-hond ; bois canard , gezonken 
bout', donner des canards à quel- 
cun , iemand voor de gek houden. 

Canarder, (v, Vi.) Iemand heimelyk 
ter neer fchieten. 

Canardiere , (f) Eende kooi (£); 
item heimelyk fchietgat (n). 

Canarie , (f ) Zekere gezwinde dans. 

Canarie , (m) Ou ferin de cana- 
rie , Kanary-vogel. 

Canaftre , (do) Ledere kifl ( f ) , 
korf van riet (m); thee-kijï. 

Cancan , (m) (gem. w.) Geraas. 

Cancelle , (m) Kleine zee-krabbe. 

Canceller, (v.a.)(»« Rechten) Uit- 
febrappen, door baaien. 

Cancer, (m) Kanker; Kreeft (een 
der 12 hemels-tekenen). 

Cancre , (m) Krab , zee-krab ; zin- 
nebeeld der voorzigtighetd ; item een 
iondsvot , fchohbejak. 

Candélabre, (m) Groene kroon-kan- 
delaar. 

Candelette , ( f) Boeg-touw , par- 
tuur-lyn , (fcbeeps «'.;. 

Candeur , (f) Oprechtheid; agir 
avec candeur, ongeveinjï handelen. 

Candi, ie(adj.)5ucre candi, ia«- 
dy-zuiker. 

Candidat , (m) Iemand die naar 
■fen ampt of waardigheid flaat. 

Candide ,(adj,) Oprecht^ cfenhartig. 

Candidement , (adv.) Ongeveins- 
d/lyk. 

Candir , (v. n.) ff^it of hard wof' 
de» y kanàelizetfiHt 



CAN. 

Candou , (ra) Boom , waar van t 
boutjes genomen en tegens malkander 
gewreven zyndey vuur geven. 

Cane, (f) 'f ïVyfje van een Eend*, 
kaan [vaartuig). 

CanCi^in , (m) Zeem , dun Schaa- 
pen leer tot handfcboenen ; binnenjle 
baji van Lindtn-boomen. 

Caneton, (m) Jong Eend yîVaurd, 

Canette, (f) Jong Eend (n). 

Canetter, (v. n.) Waggelen als 
Eenden. 

Canevas , (m) Kanefas, zeildoek', 
grof en yl 'linnen ; item opjiél , ruuwe 
Jchets van e enig gefchrift. 

Cangé , (m) Ryfi-water (n). 

Cangette , ( f) Soort van dunne 
fergie. 

Caniche, (f) Teef vcin een fchoot^ 
hondje. 

Caniculaire, (adj.) Jours canicu- 
laires, bonds-dagen. 

Canicule, (f) Hond-fier. 

Canif, (m) {lees Ganif) Penne- 
mesje (n). 

Canificier ou c&aRer. Kajffien-boom, 

Canin, ine (adj.) Faim canine, 
honds-honger. 

Caniveaux , (m. pi.) Groote JJraat- 
fieenen. 

Canivet , (m) Klein pennemesje (n). 

Cannage , (m) Meeting met eene 
canne of fiok (£). 

Cannaie , ( f ) Riet-plaats , riet-hit. 

Canne , ( f ) Riet , netJJok , rotting ; 
meetjlok. 

Cannelade , (m) Vaïken-fpys van 
kaneel i enz. 

Cannelas, (ra) Gezuikerde kaneel. 

Canneler, (v. a.) Uitgroeven , uit- 
hollen. 

Cannelle , (f) Kaneel , (tweede 
fchors van een boom op 't eiland Cey- 
Ion) ; item de kleine uitholling aan een 
naalden oog. 

Cannellier, (m) Kaneel-boom. 

Cannelure , ( f) Groeving , uithol- 
ling. 

Canner, (v. B.) Meeten met een 
floky of canne. 

Cannetille , ( f) Gedraaid zilver- 
draad. 

Canetiller, (v. a.) Me$ gedraaid 
zilver-draad bewinden, 

Can- 



^ 



CAN. 

Cannette , (f) Hoever fpoeltje y 
rietje voor den injlag. 

Cannuie. {Zit Canule). 

Canon, (m) Gefchut, kanon -, iocp 
van een Jhaphaan , pijiooi , enz. Jlot- 
Pypf PyP 'z^^" <'*'" g/eter-, tat>ge we- 
vers fpoel-, fchagf van een pen; poin- 
ter Ie canon, het gefchut fiellen. 

Canon , (m) Kerken-orden; kanon 
letter (by Soekdr.) j droit canon , 
kerkeiyk recht. 

Canonial, aie (adj.) Dat tot de 
Kerken orden behoord. 

CsLnome2itj(m)Domheeren ampt (n). 

Canonicité,(f) Geloofs regelmaa- 
tigheid. 

Canonique, (adj.) Regelmaatig , 
txiettig. 

Canoniquement > (adv.) Regel- 
maat iglyk. 

Canonifadon, {£) Heilig verklaa- 
ring. 

Canonifer, (v. a.) Onder 't getal 
der heiligen Jïellen. 

CanoniUe , (m) Een Kerken Rechts^ 
geleerde. 

Canonnade , ( f ) Kanon-fchoot , be- 
Jchieting. 

Canon nage, (m) Kennis des Ker- 
ken rechts. 

CanQnner,(v.a.) Met kanon fchie- 
ten , befchieten. 

Canonnier, (m' Konjïapel. 

Canonnière, (f) Een Schietgat; 
Konflapels tent-, kinder klap-bus. 

Canope , (m) Naam van zekere 
heldere groote fier in het roer des 
S chips , (een gefiernte). 

Canot , (m) Indiaanfch fchuitje uit 
een uitgeholde boom. 

Canqueter, (v. n.) Kwaaken als 
een Eend. 

Cantal , (m) Zekere groote kaas in 
Vrankryk. 

Cantanettes , (f, pi.) Roergaten 
van een Schip. 

Cântar, (m) Zekere olie-maat in 
Portugal. 
^ Cancate,(f) Zekere fiem-muziek^ 

Cantharide , ( f) Spasnj'che vlieg. 

Canthus , (m) De oog -hoek, [in 
Qnleedk.). 

Cantibay , (m) Een gefpleeten fiuk 
■ hom dat nergens toe cfienfiig is ^ (oy 
Schr-niv.), 



CAN. CAP. 103 

Cantine , (f) Vles-Âelder , reis- 
kelder. 

Cantinier , (m) Maaker daar van. 

Cantique , (m) Lofzang ; le canti- 
que des cantiques, het hooge lied. 

Canton , (m) Gedeelte van een 
land, quartier, Jireek , hoek ; can- 
tons Suifles, Zwitzerjche kantons , 
(provint i en). 

Canto nnade , (f) Hoek tn een 
Schouwplaats. 

Cantonné , ée (adj.) Gehoekt , (in 
ff^cpenfch. k.) 

Cantonner, (v.n.) Faire canton- 
ner les troupes , f rop/?i'« hier endaar^ 
in dorpen in quartier leggen, i 

Se Cantonner, (v. r.) Zig ergens 
neerzetten j item zig verfchanjfen. 

Cantonniere , ( f ) Behan^fel aan 
de voet van een Ledikant Xn). 

Canule, ( f ) Een buisje , fpuitje 
(n) , (in hedk.) 

Cap 9 (m) Hoofd (in deezen zin) 
armé de pied en cap, -yjM 't hoofd 
tot de voeten gewapend; parier cap 
à cap, mondeling met iemand fpree- 
ken Î cette pièce a cap & queue > 
dat fiuk is nog in zyn geheel. 

Cap , (m) Foor gebergte , kaap , land, 
dat met een punt in zee fieekt ; dou- 
bler le cap , een hoek te bever: , voor- 
by zeilen j cap ou prouë, boeg , fie- 
ven van een Schip; porter, mettre 
le cap au vent, tegen de wind bou" 
den , {iévenen ; où as ta le cap^.waav 
heht gy de fiévenl caps de mouton. 
Juffers ; cap de more ou c bou- 
quet, ezels-boofd, (zee w.) 

Capable , (adj.) Bequaam ; vatbaar^ 
(geleerd; un porc capable de conte- 
nir &c» een haven vatbaar voor enz, 

Capablement, (adv.) Bequaamlyk. 

Capacité , ( f ) Bequaambeid > groot- 
te; la capacité d'un lieu, de uitge-* 
firektheid fan eene plaats. 

Capage. (Zie Capitation). 

Caparaçon, (m) Paerden dek -kleed 
op fiai ; item fchabrak. 

Caparaçonner, (v. a.) Een Paerd 
daar meé bedekken, 

Capax, (Lat. w.) (Zie Capable), 

Capdeuil y(ïSi) Adelyk Stamhuïs (n). 

Cape , ( f) Een kap , kaper ^fluijer ; 

cape oa grand u'àcàpief Jc/toover- 

G 4 m.h 



104 ' CAP. l 

2^;(, gfoote zeil van een Schip'» n'a- 1 
voir que l'épée & Ja cape , ( jpr.if •) 
'iveinig ef niets hebben; rire fous ca- 
pe, i« zyn vuij} lagchen (fpr. iv.); 
être à la cape , met het groote a>eJ 
h f leggen. 

Capéer. {Zie Cipaycr). 

Capelan , (m) Een arme Paap. 

Capeler, (v. a.) Het -ivant um de 
tnafi aanleggen^ den maji bekleeden. 

Capele:, (m) Gezwel aan de haa- 
zen van een Paerd. 

Capeline, (f) lif^ Jîrooien hoed', 
vrouwen hoed met z' e éren. 

Capeïcr. (Zie Capayer). 

Gapend u ? (m) Zeker appel met 
9 en korte JieeL 

Capayer, (v. n.) Meteen zeil hy- 
leggen. 

Cap har, (m) Tôt, die de Chriflenen 
ffie van ^lepfo naar 'Jerujalera vaa- 
ren ^ den Turken bet aaien. 

Capi-aga , (m) Gouverneur in 't 
Vrouwen-'bof van den grooten Heer. 

Capier. {Zie Câprier). 

Capillaire, {m)P'rQuuen haïr (n), 
(een kruid). 

C'ipillaire, (adj.) Veines capil- 
laires, de dunjîe aderen. 

CapiJlature ., ( f) ou Capillement , 
(m) F'ezelagtigheidder wortelen of, bla- 
deren. 

Capillotade, (f) Opgefioofdvleefch 
(ragout); mettre quelcan en capil- 
lotade , iemand door de» heekel haa- 
ien , doorjlryien , voor den gek houden. 

Capioglan , (raj Oppajfer in 't Se- 
rail. 

Cap ion , (m) Steven luan een f chip 
hy de kiel. 

Capitaine, (m) Hoofdman , Hop- 
rr.an y Kap Hein; Schipper. 

Capitainerie s ( f ) Hopmanfehap ; 
Slot-voogdyfchap (n), 

Capitainefle , ( f) (Zie Capita- 
Jie). 

Capital, alc (adj.) Hoofd f voor- 
ftaamJJe ', ennemi, crime capital, 
bonfd vyand « hoofd-misdaad; peine 
capitale, lyfjîrajey po inC capital , 
iood '.aak. 

Capital , (m) Hoofdfom (f)^ ka- 
pitaal (n), hoofdzaak (f). 
^ Capitale, (f) /foo/^iö^. 



GAP. 

Capitalement , {này .)VoorHament^ 
tyk, hoofdzakelyk. 

Capitan , (m) Blaaskaak , fnorker , 
zivetzer f fnoeshaan. 

Capitan^bacha, (m) Turkfche Bâ- 
cha ter zee. 

Capitane , ( f) Hoofd-galei. 

Capitation , ( f) Hoofd-geld (n). 

Capitel, (m) De allerklaarjle locg 
(f). Loogwater (n). 

Capiteux , eufe (adj.) Vin capi- 
teux, hoofdige wyn. 

Capitole , (mj Het kapitoHum te 
Romen (n). 

Capiton, (m) Vlok-zyde (f). 

Capitoul, (m) Raadsheer te Tou^ 
httfe. 

Capitulaire , (adj.) Dat van 't ka^ 
pitt.eiis. 

Capitulaire, (m) Kapittel veror^ 
dening ( f). 

Capitul'airement , (adv.*) Op dg 
wyze van 't kapittel. 

Capitulant , (m) Een die fïem in 
't kapittel heeft. 

Capitulation , (f) Verdrag (n), 
capitulatie (f). 

Capituler, (v. n.) Verdrag maa^ 
ken y capituieeren wegens overgave. 

Capitzi kiheïa> (m) Opperkamer 
Heer in Turkyen. 

Caplan , (m) Kaplaan (zeker vifch), ; 

Capnomancie , * ( f ) fVaarzeggery . 
uit rook. 

Capoc , (m) Korte boom-woUe { f)» 

Capon , (m) Ondeugende Scholier 
die niets leerd en zyn makkers in 't 
fpeelen maar bedriegd; penter om 'f 
anker op të zetten als 't opgehaald 
wordt 

Caponner , (v. a.) Bedrieglyk fpee- 
len ; het anker aan de penter vaj) 
haakea. 

Caponniere > (f ) Bedekte gang i,i 
een gragt. 

Capoquier , (m) Watten-boom. 

Caporal, (m) Éen Corporaal ,Rot' 
meefler. 

Capofer , (v. a.) Het roer vafl/ 
maak en enzig aan de wind over ge evem 

Capot, (m) Rok met een kap ; kf~ 
pot (in 't piquet fpel) ; faire cap(^ « 
alles winnen-^ ü deffieore C8pot/*y 
verlieji alles^ '^ 

' - ■% 

/' 



CAP. CAQ. 

Câpre, (f) Een kappftr ^ {vrugt). 

Câpre, (m) Kaaper ^ Zee-roover. 

Caprice , (m) Eigenzinnigheid fjiyf- 
ioppigheid; poètifche inval (f). 

Capricieufera»nt, (adv.) Koppig- 
lyk. 

Cipricieux , eufe (adj.) Eigen- 
zinnig. 

Capricorne , (m) Steenbok , item een 
der 12 Hemel s-teknen. 

Câprier, (m) Kapper-boom. 

Capriole. {Zie Cabriole). 

Capron , (m) Eniplfche aardbezie. 

Capfule , ( f ) Zekere aarde pot tot 
(te fchêi ~ kunde {va) j klok ~ buis der 
vruthten, 

Captateur , (m) Een die in eene erffe- 
nis weet in te Jluipen. 

Capter ,_(v. a.; {oud w.) capter 
ou concilier la bienveillance , de 
genegenheid inwinnen, 

Capcieulement, (adv.) Lijîiglyk. 

Captieux, eufe (adj.) Bedriûglyk, 

Captif, ive (adj. & fubA.) Ge- 
vangen; een jlaafy racheter les cap- 
tifs, de Slaaven vry koopm. 

Captiver , (v. a.) Bedtvingen , onder 
werpen -f captiver l'efprit ? het ver- 
jïand gevangm neemen ; captiver 
queicun , iemand verliefd maak/n. 

Capciverie ,{£) Slaaven-handel {m). 

Captivité , ( f) Gevankelykbeid , 
Jlaavernye , dwang. 

Capture, (f) Roof, buit; gevan- 
gen-neeming {in Recht,). 

Capuce , ( f) Francifcaner-kap, 

Capuchon, (m) Monniks.kap yreis^ 
muts , karpoets-muts { £). 

Çapuchonné, (adj.) Zoodanig ge- 
mutji. 

Capucin, ine (m. & f.) Kapucy- 
ner ' Monnik - Nonne. 

Capucinade, (f) Slegt aan mal- 
kander hangende redenvoering. 

Caquage, (ra) Haring-kaak in^ (f). 
, Caque, (f) Een tonnetje y Haring 
. bonnetje {r\). 

\ Caquer , (v. a.) Den Haring in 
tonnen doen , kaaken. 

CaqueroUe , ( f) Kopere vifcb-pot. 
/Caqaefangue ,{£}{boert. w.) Bloed- 

Uquet, (m) Qefnapy geklap y ge- 



CAQ. CAR. 105 

kakel'; avoii .^ caquet bien atii- 
lé, een gladde bek beoben; rabait;e 
Ie caquet de queicun , temanJ de» 
viond Jhoeren. 

Caqueter, (v, n.) KJappen , /nap- 
pen; kakelen als de Exters. 

Caqueterie , ( f) Klappery , /«op- 
pery. 

Caqueteur i euié (m. & f.) Snap' 
per , fnapjler. 

Caqueioire, (f) ^rmjioel, rnjï- 
JljL'l (m) ; klap bankje , ploeg^bankje 
(n). 

Caquette, (f) Vifch-vaatje (n), 

Caqueur, (m) Haring kaaker. 

Car, {koppel-w.) IVant. 

Carabin , (ra) Karabinier. 

Carabinadé , (f) Karabinigrs 
zwenk met het paerd. 

Carabine , (f) Karabyn. 

Carabiner, (v. n.) Met karabynen 
fcbieten. 

Carabinier. {Zïe Carabin). 

Carache , (m) Tol ^ die de Chrijlc 
nen den Sultan betaalen moeten. 

Caracol (ra) ou caracole , (f) Zwen- 
king 5 cmrenning , omwending van 
een paerd (f). 

Caracoler, (v. n,) Qmrennen met 
een paerd. 

Caracoaler, (v. n.) Korren als <h 
Duiven, 

CaraAére, (m) Boekjlaaf, Letter 
{Î); merkteken {n); kar afi er -letter ; 
hoedanigheid van iemand ; iemands 
fchrift; Ie plus beau caradére de 
Ja vertu c'ell l'humilité , het bejie 
kenteken der deugd is de nedrigheid. 

Caradérifer, (v.a.) Den aart of 
hoedanigheid van iemand befchryven, 

Caraàériftique , (adj.) Dat de ei- 
genfchap van iets aanduid. 

Carafe, (f) Zekere vies met eeë 
langen hals. 

Carafon, (m) Koel-vat (n). 

Caramelle , (m) Bruin gezoden» 
zuihr. 

Caranguer , (v. n.) Arbeiden (Ma^ 
troozen w.) 

Carapace , (f) Buitenjïe fchaal 
eener Schildpad.'^ 

Caraque , ( f) Een kraak {vaartuig)» 

Carat , {tri) Karaat {zeker goud ge» 
wigt van 34 in efo mark), 

Q 5 Cara- 



loö CAR. 

Caravane , (f ) Reis gezelfchap(n), 
Karavaan (n). 

Caravan fera, (ra) Herberg voor de- 
zelve. 
Caravelle , ( f) Karveel (fchip). 
Carbatine , ( f) Een vers afgevil- 
de huid. 

Carbet, (m) Groot e hut der Wil- 
den ( f). 

Carbonnade, (f) Geroojl vteefcb 
(n'. 

Carbonnelle , ( f) Karbonkel , pejl- 
buil. 

Ckrbouilïon , (m) Tol van 't zout 
in Normandien» 

Carcailier, (v. n.) Sshre^un^n als 
een Quartel. 

Carcaife , ^f ) Glas-oven (m) 

Carcan , (m) Een hals-band , hals- 
keten. 

CarcafTe , ( f ) Groot e vuurkogel; 
romp , rif, geraamte van een dier ; 
een mager menfch ; geraamte , lyk , 
romp van een fchip -^ (ook rouche ou 
ruche genaamd). 

Cardamine , ( f) Water-kers. 

Cardafle , ( f) Groote kaarde. 
■ Carde, (f) Wol kaarde. 

Cardéé, (f) Een kaardfel (n). 

Carder, (v. a.) Wol of zyde kaar- 
den. , 

Cardeur , eufe (m & f.) Kaarder, 
Kaardfier. 

Csrdialgie, (f) Hartklopping , be- 
naanwdheid (in Geneesk.) 

Cardiaque , (adj.) Hartjlerkend. 

Cardier, (ra) Kaarden-maaker. 

Cardinal, (m) Een Kardinaal -^ ze- 
kere kaarde om de vleug op laken te 
geven. 

Cardinal , aie (adj.) Les vcnts 
cardinaux, de hoofd-winden', vertus 
cardinales, hoof J- deugden. 

Cardinalat , (m) Ka rdinaalfchap (e). 

Cardinalisme , (m) Kardinaals 
Jlavd. 

Carême, (m) De vafien, vafientyd. 

Carême-prenant, (m) Vafîen- 
avond; vajien-avond gek. 

Carénage , (m) Plaats om te kiel- 
haaien. 

• Carêne , (f) De kiel, bodem van 
f^en fchip', donner la carêne à un 
vailTeau ba wèure un vaifleaa en 



CAR. 

carêne, een fchip kiel baaien, om te 
kalfatcren , fchoon te maaien. 

Carêner , (v. a.) Een fchip kiel- 
haaien, ka (fat er en. 

Car e riant, an te (adj.) Liejkoozend^ 
fireelend, 

CareiTe , (ï)Liefkoozing ,Jireeling, 

Careffer, (v.a ) Liefkoozen ,Jireelen, 

Caret, (^le Carret). 

Cargaifon ,(i)De laading van een 
fchip. 

Cargue , (f) Gy-touw , gording , 
(fcheepsw.) cargues joints ,raab an.- 
den of gorden. 

Carguer , (v .a.) Opgyen , zeil min" 
deren , opwinden ; item op zy zeilen > 
hellen, krengen. , 

Carguebas. (Zie Calebas. 

Cargueur , (m) Bramzeils-valbloL 

Carie, (f) Verrotting , ineeting 
der beenderen. 

Carié, ée (adj.) Du bois carié, 
verivormd hout. 

Carier , fe carier , (v. r.) Rotten, 
in-eeten'f ce bois fe carie, dat hout 
word wormjieekig. 

Carillon, (f) Wagentje met twee 
wielen f ko etsje (n). 
, Carlingue , ( f ) Kolfem , zaadhout y 
tegen kiel van een fchip. 

Carmélites, (f) Carmeliter Nonnen, 

Carmes, (m) Worp van twee vie* 
ren in tik-tak (n). 

Carmes , (m) Carmeliter Mor.nikken, 

Carmin, (m) Fyne roode verf(£), 

Carminatif , ive (adj.) Wind-ver-.f 
dryvend (in Geneesk.) 

Carnage , (m) Slagting, neérlaagi. 
({), bloedbad (n). 

Carnaflïer , iere(adj.) Bloedgte' 
rig, vleefch-eetend ; leloup eft fort 
carnaflïer , (/^ Wolf is een verflindend 
dier. 

Carnation, {£) Vleefch-verwe, 

Carnaval , (m) De vleefch- offlemp- 
tyd(£) yvaflen-avonds vermakelykheid» 

Carne, (f) Scherpe kant of hoek 
van een tafel , fleen , enz. 

Carné, ée (adj.) Vleefch^verwtg. 

Carnele, (f) Rand om munt-fiukj 
ken (n). 

Carneler, (v. a.) Munt-randen. 

Carnet , (m) Koopmans hand-/ of 
fcbuld-boek* l 



CAR. 

Camîfiration ^{{)yieefch-<VQrding 
der beenderen. 

Se carniûer^ (v. r.) Tot vleefch 
worJetJ. 

Cirnofité , ( f ) ff^ild vleefch dat in 
wonden is (n). 

Carogne , ( F) Allemans-boir , looze 
jeek.. 

Caron , (m) Zy-fpek (n); de l'eer- 
tnan van het ryk d-^r dooden (by Poëten). 

Caroncule, Klicrachttg vP'ej'b(n). 

Carotide , ( f ) Halt- of pols- 
ader. 

Carotte , ( f) Geele peen ; Tabaks- 
carotte. 

Cirotter, {y»n,)Bang in het fpee- 
Un zyn. 

Carottier, ier€(ra. & f.; Een die 
niet waofen wil.- 

Carpe , C^) ^^^ karper, {zekere 
vifcb) de voorhand (in heelk.). 

Carpeau , (m) Een jonge karper. 

Carpette , ( f) Pak-linnen (n). 

Carpillon , (va) Een kleine karper. 

Carquefe, (m) Een calcineer-oven. 

Carquois, (ra) Pyl-koker ; Scheeps- 
mars. 

Carre , (f) Het bovenfle van den 
hol van een hoed (T\)y de neus van een 
fchoen of leeji (w). 

Carré , ée (adj.) (2^ie Quarré). 

Car f eau , (m) Een vierkant (n) j 
fj« glaaze ruit (f); ruit (in Jloffen); 
ruiten (in het kaart-fpel) j rajp-'oyl ( f) 
(by Smits) ; vierkante vloer-Jleen, mop\ 
tegel-, vierkante oven (m)(by Potteb )) 
pers-yzer(bySnyders)', tuin-bed ; zit- 
of naai'kujftn (n)', djnder fleen (ra); 
berghout (n)(infcheepsb.)f vloer fjïraat 
( f) j jett^r fur le carreau , op den 
grond werpen; coucher fur le car- 
reau , op de flraat flaapeu. 

Carrefour, (m) Kruis-iveg. 

Carréger, (v. n.) Laveeren^kruis- 
fen (in de middel, zee). 

Carrelage, (m) Plaveifel (n). 

Carrelé, ée (adj.) Geplaveid. 

Carreler , (v. a.) Vloeren plaveien. 

Carrelet , (m) Een fchol ( zeker 
vifch) ; een fchoen-maakers naald. 

Carrelette , (f ) Een glad-vyl , zoet- 
vyl (by Jloot'tnaakers). 

Carrelear, (m) Een vloer legger; 
fchoenlapper. 

Carrelure, (f) Het vloeren; het 



CAR. 107 

lappen van fchuenen (n); une bonne 
carrelure de ventre , eene goede 
maaltyd; een goea'e maag .vol. 

C^rrtt, (en) Seizing , draad uit 
oud toww-werk ; fchitdpad. 

Carrier Î (ra) Steeu-breeker in een 
groef; handelaar m Jieen. 

Carrière , (f) Loopbaan ; fleen groe- 
"y^ <^)'> peen-gruis in een baas; fe 
donner carrière , zich goedf daagen 
qeeven; achevé» , fournir fa carriè- 
re, zyn levensloop eindigen; ouvrir 
uneoeile carrière, eene fraaye floj^e 
voordraagen. 

Carriilon, (m) Klokken-fpel ; bet 
beyeren der klokken ; het khnken der 
glùazen ; geraas (n). 

Carillunnement, (ra) Het fpeelen 
der klokken (n). 

Carrilionner, (v. a.) Met de klok^ 
ken fpeelen. 

Carrofle , (ra) Eene koets , karos; 
carrofTe coupé , eene halve koets mep 
eene zitting ; cheval de carroffe, 
een koeas-paerd -, een grof onverjlandig 
f^enfch. J s 

CaTTe{rierf(m)Een koetfen-maaker» 

Carroufel, (m) Zeker ry- of rid' 
ders-jpel Cn). 

Carroufle , (f) Faire carroulfej 
braaf drinken. 

Carfaye , (f) Karfaay (zekere 
fioffe). 

Cartahu, (m Eenfcheeps-karnaat 

touw (n). 

Cane , ( f ) Speel-kaart j carte géo- 
graphique , land-kaart ; carte mari- 
ne , pas-zee-kaart , méler , couper, 
donner les cartes, de kaarten ver- 
fchieti», afneem n , geeven; être le 
premier en carte , het eerfie om te 
fpeelen zyn; donner la carte blan- 
che à quelcun, iemand volle vry 
heid,magt geeven; les cartes font 
brouillées, de zaaken zim 'er ver' 
ward uit. 

Carteaux, (ra. pi.) Boek tnet zee- 
kaarten. 

Cartel , (m) Een uitdaag wgs-brief; 
cartel ter ui twijfeling der krygs-ge^ 
vangen un. 

Cartelette , (f) Dunne fcbaîte» 
Jieen. 

Cârtelle, (S) Dikke plank daar dt 
mohnjleenfn op rujifn } fgn zwalp. . 

Car- 



108 CAR. CAS. 

Cartier, (m) Kaarten-maaier- 

of verkoop er. 

Cartilage, (m) Het kraakbeen {In - 
OtitheJk.) (n). 

Cartilagineux, eufe (adj.) Kraak- 
beenig. 

Carcitarie , ( f } Zyde- gouS- of 
xiher-dra.^d tot borduur zverk (m). 

Carton, (m) Bord- kaart- kardovs- 
papier (n). 

Cartonnier, (m) Kardoes- bord-pa» 
pier- maaker- i-trkooper. 

Cartouche, (m) Kardoes', fchroot- 
bus (m) ; patroon op een roer ; loof- 
Mierk om een wapen (n). 

Cartulaire , (m) f^erzameling van 
brieven en oirkonden eenes kloojjers of 
kerk. 

Caryatides , (f. pi.) Frouiven beel- 
den met lange kleederen {in Bouwk.) 

Cas, (m) Zaak^ handel , daad (f ) , 
geval (n) ; cas criminel , flrafbaare 
zaak', cas de conscience , gewet en s - 
geval Î vilain cas , fchandelyke daad ; 
trifte cas, droevig geval ; faire cas 
d'une perfonue , werk van iemand 
maaken; cas, naamval, cafus;(»« 
fpr. k.); en tout cas, in alle geval; 
en cas , ingeval; pofé Ie cas, que .. . 
gejield, qenoomen, dat . . . 

Cafanier, iere (adj.& fubfl.) Een 
ajfchen-vryfler , kluifenaar; via cafa- 
niere , een t' huis beminnend leeven. 

Cafaque , ( f) Eeii Reis-of regen-rok 
(m); tourner cafaque, zyw rokje om- 
keer en , van Godsdienji veranderen. 

Cafaquin, (m) Een eng rokje, jak- 
Cascade , (f) Waterval; onbezon- 
nenheid, overhaajiing. 

Cascanes, (f. pi.) Gragten om de 
vyandelike mynen te ontdekken. 

Café' ( f) Hut; ruit van een dam- 
'hord. ' 

Cafemate , ( f ) Moord-kelder , ver- 
Wilf onder de wa/, kazemat {inFes- 
tingb.) 

Cafematté, (adj.) Gekazemat. 

Cafer, (v. n.) Dammen, {in tik 
tak). 

Caferette , (f) Een kaas-vorm. 
< Caferne , ( f) Soldaaten hut by de 
wal. 

Caferner, (v. a.& n.) Zulke bat- 
un maakea of(iaar Ui woonen» 



CAR. i 

CafiUeux, eufe(adj.) ^roor,//)r<jl, ' 
{by Glazem.) 

Casque, (np Helm ; Jlcrmhoed % ü 
en a dans Ie casque , hy is befchonken ; 
■daariseenfchroefby hem los, { fpr. w.) 

CafTade, (fjDonneur decanaties, 
bedrieger , die iemand ittsop de mouw 
fpéld. 

Cartaille, (f) De eerjle ploeg'mg 
van nieuw land ,opfc beur ing. 

Cafla n t , a n te (aü j .) Bros , broos , dat 
ligt breekt. 

Canration, (f) 4fJ'chaff.iig, Me 
van vernietiging {in Rechten), 

Cafle , ( f) Pennebakje ; Zetters Let- 
ter-kas ; Gottdfmids frneltkroes ; kajfte 
{een Geneesmiddel) ; voix cafle &c 
débile , een' zagte , zwakke Jiem. 

CafTé, ée (adj ) Gebrooken; zwak y 
un homme cafl'é , een afgeleefd man ; 
ton cd.Ç?é , zzvakke Jïem ; privilège- 
cafle, vernietigt voorregt. 

CalFe-cou ," (m) Een gevaarlyke 
plaats. 

Ca/re- cul, (m) Een zivaare val op 
den aars. 

Caffe-mufeau , (m) Een zwaarejlag 
op den mond. 

Cafle -noifette, (m) Een Nooten- 
kraaker. ^^ 

Cafl'enolle, (f) Ga l- appel , tot ' 
verwen. 

Cafi^er, {\'.z.) Breeken; cafl"er une 
fentence, een vonnis vernietigen; cas- 
Ce r un valet, <^^«' k^egt afdanken; 
fe cafl'é r, (v, r.) gebrooken worden; 
zwak worden. 

Caflerole , (f) Een kopere pan^ 
kaflTerol. 

Cafl'eron , fm) Vliegende Vifch. 

Cafl'etée, (f) Een kas vol. 

Caflle-tête, (m) Iets dat den kop 
breekt ; wyn die hoofdig is. 

Ca,ffetin,{m)yakje derLetter-kas {o). 

Ca(rette, {f )Klein kasje{n). 

Cafleur, (m) de raquettes, een 
pocher , fnoever. 

Caflïdoine , (f) Kalcedonie-feen, 

Caflie, (f) OU caffxer ,{xà) Kajfi en- * 
boom{m). 

Caflïne, (f) Eenzaam Land-buis 
{n),hut{€}. 

Caflb lette ,( f) Metaale reuk- ofwte- 
rook-vat; Balzem- of reuk-doosje (n) . 
aangena&me , Ueffelyke rguk (m)- 

Cag- 



CAT. 

Caflfonade , ( ra ) Meel zuiktr , 

I^elis. 
Caflure, (f) Breeking , breuk in 

kling of mes. 

Caftaignette, (f. pi.) Klaphoutjes, 
die de Mooren in 't danfen gebruiiten. 
Caftagneux , (m) Een Duiker. 
{Zie Plongeon). 
Cartel , (m) Ken klein kajîeel (n). 
Caftelogne , ( f) tene zeer fyne 
ivolle deeken. 

Caftille , ( f) Twijl onder huis-ge- 
nooten. 

Caftine , ( f) Speen-aarde om yzer 
te doen fmelten. 
Caftor, (ra) Ean Bever , fyne hoed. 
Caftor & pollux, (m) Tweeling in 
den dierenriem {in 6terretik.), 
Caftorée, (f) Bévtr-geil. 
Caftramétacion , ( f ) Konjl om een 
Léger wel te plaatzen [by de Romei- 
nen). 

CafualÏté, (f) Toevalligheid. 
Cafuel, elle (adj.) Gevallig; Ie 
cafuelj het toevallige; caihel , kafua- 
ris {Ind. yogel). 

Caruellement , (adv.) Givalttglyk, 
toevalliger wyze. 

Cafuitte, (m) Een geweetens uit- 
legger. , 

Catachrefe, (F) Misbruiking van 
een woord {in fpraakk.). 

Catacombes, (f. ^\.) Onderaar d- 
fche begraaf-plaatzen. 

Catadoupe , ( f) Waterval ( m ). 
{Zie Catara^e). 

Catafalque , (m) Pragtige tombe 
op de Lykjïaatfie van een l^orfl. 

Catagmatiques, (m. pi.) Artzeny 
om hemen te heelen. 

Cataleftes, (m) Een onvolkomen 
werk der <juden (n).- 

Catalepfie, (f) Beroerte tn het 
hoofd. 

Cataleptique , (m. & f.) Een ge- 
raakte üp die wyze. 

Catalogue , (m; Naamlyjl ( f) , Ca- 
talogus (n). 

Catapelte > C^) Zekere flraf aan 
Misdadigers voor deezen , met dezelven 
tuffchen twee planken te klemmen, 
daar na aan de voeten op te hangen 
en vervolgens te verbranden. 
Cataplasme , (m) {leet Cataplâme) 



CAT. 105» 

Pap van kruiden om op een gezwel te 
leggen. 

Catapulte , (f) Een foort van 
krygstuig der ouden om zwaare pylen y 
fchigten mee te fchieten. 

Catarafte , (f) IVaterval ( ï)',vlie$ 
op de oogen (n). 

Catarre ou cacerre , (m) EeH 
zinking ( f), 

Catarreux , eul^ (adj.) Met zin- 
kingen onderworpen. 

Cataftrophe, (f) Droevige uit- 
kamjl , einde , onver wagt geval. 

Catéchiièr , (v. a.j In 't geloof on- 
dtrwyzen, Katechizeeren. 

Catéchisme , {m)Geloofs onderwys 
{n), Katechismus (m). 

Catéchifte , (m) Gehofs onderury- 
zer. 

Catéchiftique , (adj.) Geloofs o«- 
derrigtend. 

Catéchumène , (m. & f.) {lees Ka- 
tekumene) Geloofs -leerling , Kate- 
chifant, Katechifante. 

Catégorie , (f) Ordenfchikking 
der dingen; Qtre de même catégo- 
rie , van het zelfde fiort zyn ( tn Lo- 
gica). 

Catégorique, (adj.) Reponfe ca- 
tégorique, gepaji antwoord. 

Catégoriquement , (adv.j Behoor- 
lyk , ge -aji. 

Cathédrale, (adj.) Eglife Cathé- 
drale , hoofdkerk. 

Cathédranc, (ra) Praefes by ee%e 
oratie. 

Cathédratique, (adj.) Dat tot ie 
hoofdkerk behoord. 

Cathédrer , (v. n.) l^oorzittiK ., 
Praefes zyn. 

Cathéter, (m) Een kromme huk, 
om de water loozirig te bevorderen f^zr 
theter. 

Cathétérisme , (m) Operatie iiiar 
meed e {t). 

Catholicisme, Cm; Di- algemeene 
Chrijïelyke her. 

Catholicité, (f; Het waar e geloof 
(n). 

Catholicon , (m) Een algemeen 
afdryvend middel voor quaade logten. 

Catholique, (adj. & fubtt.) y^lge- 
meen , regt gelovig ; un catholique à 
gros grains , een gract yveraar, 

C»- 



iio CAT. CAV. 

Catholiqueraent , (adv.) Regtge- 
hovigy opregtelyk. 

Caci , (m) Glans geeving aan Jlof- 
f en. 

Cadche, (f) Otter- hol (n). 
Catimini, (adv.) {gem. w.) Hei- 
viplyk , onvermoedclyk. 
Catir, (v. a.) Persfen. 
Cati fleur , (m) Een Pers/er. 
CsLtoiptviqwd , (f) Spiegel-kuude. 
Cacopcromancie, ( fjrf^aarzegge- 
ry door een fp.egel. 

Caitcroles , (f. pi.) Konyn-holen. 
Cavalcade , ( f; Ryding , pragtige 
cptogt te paprd. 
Cavalcadear, {m)Beryder^ Pikeur. 
Cavalerie , ( f) Rumry. 
Cavaïet, (ra) Het dekzel van een 
fmdt-oven. 

Cavalier, (m) Een Ruiter \ Rid- 
der y Kat {in yefliwgb.)'^ il eft bon 
cavalier, hy zit wel te paerd. 

Cavalier, iere (adj,) RiJderlyk, 
ridderlyk ; Jloutelyk j mine cavalière , 
vrypojiig gelaat j à la cavalière ,(adv.) 
f^ry , onbedwongen. 

Cavalièrement, (adv.) Vrypojlig- 
Jyk , vry , zonder omxvegen. 
Cavalle, (f) Eene Merrie. 
Cavalquet , ( m ) Trompetters 
marfcb. 

Cauchemar, (m) Nagt-merrie ( f). 
Caudataire , (m) Sleepdrager. 
Caudé, ée (adj.) Dat een Jiaart 
heeft (in Wapenfcb. k.). 

Cave , (adj.) La veine cave , de 
holte lever ader. 

Cave , ( f) Een kelder (m) ; fles kel- 
dertje (n) j cave à vin , wvn-kelder. 
Caveau, (m) Keldert je (n)j Graf- 
kelder (m). 
Caveçon. {Zie Cavefl'on). 
Cavée , ( f) Een holle lue^ (m). 
Cavehanne , ( f) Turkjch koffy 
huis (n). 

Cavelin , (m) Eene kaveling van 
waaren ( f). 

Caver , (v. a.) Uithollen ; het lig- 
ehaam buigen {in fehermfch.)-, de bank 
houden tn 't fpeelen. 
Caverne , (O Eenfpelonk (f), hol{n). 
Caverneux , eufe (adj.) Veine ca- 
yerneufe, holle ader. 
Cavernofité. (f) HolUgheid, 



CAV. CAU. 

Caveflbn , (ra) Neus-band, neus- 
pranger, kaperjon voo* paerden. 

Cavet , (ni) Hol fnywerk op py 
laaren. 

Caviar , (m) Kavtar {gemaakt van 
kutt van Steur). 

Cavillatiun,(f) l^alfch bewys-Jiuk, 
(argument) (n), drogreden (f,. 

Cavin , (m. Holle of bedekte weg 
(in Krygsk.). 
Cavité, (f) Holligheid. 
Câufal , aie (adj; f^eroorzaakend 
{in Spraakk.). 
Caufalité, ( f) Oorfpronk (m). 
Caufatif , ive (adj.) Dat oorzaak 
aanduid {infpr. k.) als : car , want enz, 
Caufe , ( f) Oorzaak , grond, Je huid-, 
reden; regt^-zaak-geding , c^ak phy- 
fique , morale , natuuriyke , zedelyke 
oorzaak -y être pour la bonne caufe, 
zio by 't geene recht is houden , voor 
de goede zaak zyn; caufe premiere , 
féconde, efficiente, matérielle , fi- 
nale , eerfle , tweede , werkende , 
jîoffelyke, eindelyke oorzaak ; à ces 
caufes nous &c. {Rechtsw.) zoo is 't 
dat wy enz. plaider une caufe , eene 
zaak bepleiten ; donner gAÏn de cau- 
fe , een zaak gewonnen geeven ; per- 
dre fa caufe, zyne zaak verliezen ■ à 
caufe, (voorz.) ter oorzaak; à caufe 
que, (koppelw.) om dat , à caufe de 
moi, om mynent willen. 
Caufer, (v. a.) Veroorzaaken. 
Casfer, (v. n.) Praaten, kouten, 
Cauferie , ( f ) Gekout , gepraat (n). 
Cau Peu r , eufe (C. &c ad j .) Praat er , 
praatvaar j praatjïer ^praatmoer , ï'a- " 
mour ellcaufeur, de liefde is praat- 
agtig. 

Caufticité ,( f ) Brandende kragt. 
Cauftique , (adj.) Ineetend, bran- 
digy ligne cauftique, brandpunt in 
een brandglas ; cauftique, bits , fchen- 
dendf eerrovend. 

Caatéle , ( f ) {oud w.) Loosheid. 
Caoteleufement , (adv.) Lijlighk, 
Cautel eu X , eufe (adj .) Lljiig , door- 
trapt , fnedig. 

Cautère , (m) Een fifiel ( f ) , cok 
bet yzer daar ze meê gemaakt word 
(n). 

Cautérifation , (f) Het zettenvan 
een fijiel, 

Cau- 



i 



CAÜ.CE.CEA.CEC.CED. 

Cat-tériré, ée (adj.) Confcience 
cautéi vfée , toegejchroeid gewijfen. 

Caucérifer, ( v. a. ) Branden, 
Jchroeiert j een fijiet zetten. 

Caution, (f) Bürgtogt , caution 
folidaire , borg voot het geheel (in 
folidum); être caution, borg zyn; 
élargir Tous caution y onder borgtogt 
ontjlaan; être fujet à caution, niet 
zeer te vertrouwen zyn. 

Cautionnage. , {va) Borgt ogt ge- 
ving (f). 

Cautionnement, (ra) Borgtogt (f), 
verzekeringS'brief (m). 

Cautionner, (v. a.) Bcrg blyven, 
voor iemand injiaan» 

Ce, cet, cette, (pron.) Deeze , 
die , dat , het -, ce garçon ci , deeze , die 
jongen f cet homme là, deeze y die 
man-, cette femme , deeze , die 
vrouw; ce qu'il vous plaira, het 
geen u believen zal; ce que je n'y 
vai pas, c'efl: que je &c. de reden 
waarom ik 'er niet gaa , ii dat ik enz. 
à ce que je vois, na dat ik zie ; à 
ce que j'apprend , achtervolgens , of 
volgens het geene tk verneem; ce me 
femble , my duvkt; ce font d'étran- 
ges gens, bet zyn wonder lyke lieden ', 
ce n'eft pas que je ne ^Miff^t ^ het is 
niet dat ik niet kan j c'eft moi , ik ben 
het ; c'a été voua , gy zyt het geweeji. 

Céans , (adv.) Bier binnen ; ie maî- 
tre eft il céans ? is de meejler t' huis? 

Ceci , (pron.) Dit , deeze zaak , dit 
ding. 

Cécité. (Zie Aveuglement). 

Cédant, ante (adj) Die tets af- 
Jiaat. 

Ceder, (v. a.) Wyken , afjlaan; 
ceder fon oroit, zyn regt afjiaan , 
overgeeven ^ ceder k ia force ^ voor 't 
geweld wyken; il lui cede en éru- 
dition , hy is zoo geleerd niet als hy. 

Cedille, (f) Tekentje dat men in 
de franfche taal onder een c zet ; by 
voorb ) r< ÇÛ ; bekomende dan de uit- 
fpraak vas een f. 

Cédrat, (m) Zeker welriekende Ci- 
troen-boom . 

Cedre , (ra) Ceder-boom. 

Cedrie, (f) Ceder-harjl. 

Cedule , (f) Een ceel^cedulle (f), 
krïefje',.handfcbrifi{ïï). 



CEL CEL. III 

Ceignant , ante (adj,) Omgorden- 
de , omvattende. 
, Ceindre, (v. a) Gorden, omgor- 
j den-, aangord.'H. 
j Ceint , ie (adj.) ^angegordt. 
I Ceintes, (f. pi.) Berghouten van 
I een jchip. 

Ceintrage ou cintrage,(m) Scheeps- 
touw er k , om te gorden , vajl te- for ren, 

Ceintre. {Zie Cif.tre). 

Ceinture , ( f ) Gordel riem , gor- 
del; broek-band {m) ; het middel-lyf 
(n)j hand of lyfi {in Bouwk.); bonne 
renommée vaut mieux que cein- 
ture dorée , een goede naam is beter 
als olie {Jpr. w.) 

Ceinturette ,( f ) Een Jagers hoorn- 
riem {va). 

Ceinturier, (m) Gordelmaaker. 

Ceinturon , {ni) Gordel, draag- 
band, degenriem. 

Cela, (prcn.) Dat-, ceci & cela, 
dtt en dat. 

Céladon , (m) Zee~groen (verf). 

Celé, ée (adj.) Verborgen. 

Célébrant, (ri:) Priefter die den 
dienji doed. 

Célébration, ( f) Viering, 

Célèbre, (adj.) Beroemd, ver- 
maard; vterlyky.plegtig. 

Célébrer , (v. a.) Roemen , pryzen^ 
verkondigen; célébrer les louanges 
du Seigneur, des Meeren hf vermel- 
den ; célébrer Ia mefle , de mis vieren. 

Célébrité , ( f) Beroemhkhetd , ver- 
maardheid; plegtigheid. 

Celer, (v. a.) l^erbergen, verhee- 
len , geheim houden. 

Céleri, (m) Sellery (f) (plant). 

Célérité, (f) Gezwindheid, fpoed' 
cette affaire demande célérité, die 
zaak vereifcht fpoed. 

Célefte, (adj.) Hemelfch i elohe 
célefte , hemel - kloot. 

Céleltin , (m) Celefliner Monnik. 

Céliaque, (f) Zekere loop , waar 
door defpys half verteerd, ontlafl. 

Célibat, (m) Ongehuuwde Jîaat . 

Célibataire, (m; Een or.gebuuwd 
perfoon. 

Celle. {Zie Celui). 

Cellerage, (m) Impoft op kelder 
wyn, 

Cellérerie , ( f ) Keld&rmeejierfchap» 
Cel- 



ïia CEL. CEM. CEN. 

Cellérier , iere ( £ ) Kelder'inepjler- 
Meejlérejfe. ^ 

Cellier, (m) Spys -kelder. 
Celiule, (m) Eene celle (f), klein 
kamertje; vakje; landje in een kiji of 
kaf}; byèn celletje {n). 

Celui , (m) c^lle {?) -, ceux , cel- 
les {^\.) {^ron.) Deeze ^ die, d.it ; 
celui qui , celle qui , de geene die, 
celui ci , celle ci , dceze , of deeze 
hier; ceux là, celles là, die , of die 
daar. 

Cernent, &c. (Z/>Ciment, enz.) 

Cénacle, (m) Avondmaal -kamer 
onzes Zaligmaakers. 

Cendre, (f) Afch; Ie jour dès 
ceudi es , afchdag ; cendre gravelée, 
potafch ; cendre de plomb , fchiet'- 
hagel. 

Cendré, ée (adj.) /ifch-verwtg. 

Cendrée, (f) LooJphuim; fchiet- 
hagel. 

Cendreux, eufe (adj.) Beafcht. 

Cendrier, (m) Âfch-vat , afch-tony 
afch-gat; afchen-vyjler ; cendriere , 
( f ) afchen-vyjîerfche. 

Cène , ( f ) La fainte cène , het bei- 
ge Avondmaal , Nagtmaal. 

Cénelle , ( f ) Hulfl-bézie. 

Cengle, &c. {Zie Sangle). 

Cénotaphe , (m) Ledig praalgraf 
(n). 

Cens , (m) Leenrente , grondpagt , 
grondfchatting , cyns ( f ). 

Cenfable , (adj.) Cynsbaar. 

Cenfal , (adj.) Makelaar in de 
Levant. 

Cenfe, (f) Pachthoeve , pachtgoed. 

Cenfé , ée (adj.) Cela eu: cenfé 
légitime y dat word voor wettig geagt, 
gehouden. 

Cenferie, (f) Makelaardy. 

Cenfeur , (m) Berifper , hefiraffer , 
opziender ;Q.enïe\xv des livres, è^oor- 
deeler , Vifitator der boeken. 

Cenfier, (m. f. & adj) Grond-heer, 
Land-v er pachter ; Land-verpachfler ; 
f tem Pachter, Pachtfler daar van» 

CenQcaire , (m) Een-Cyns-man. 

CenGte, (adj.) Daar Cyns , pacht 
van betaald moet worden. 

Cenüve, (f) Cynsbaar beid. 
Cenfivement, (adv.) Cynsbaarlyk, 

Cenfurable, (adj.) Beflrafbaar, 

Cenfiire, (f) Befïraffing. 



CEN. CEP, 

Cenfurer , (v. a.) Bejirafen',heQor' 
deelen. 

Cent , (adj. & fubft.^ Honderd-, 
cent fois, honderd maal; il y en 
eut cent de tués, daar wierden 'er 
honderd van gedood; cela fe vend 
au cent, dat zvord by 't honderd 
verkogt ; cinq pour cent, vyf ten 
honderd. 

Centaine, (£) Honderd fluks. 

Centaure , m) Een Paer4-menfch, 
centaurus {by de Dichters). 

Centaurée , ( f) Santorie {Genees- 
kruid). 

Centenaire, (adj.) Honderd jaarig. 

Centenier , (m) Hoofdman over 
honderd. 

Centième, (adj.& fubft.) Honder- 

Centon , (m) Soort van Poëzy uit 
verfcheide Schryvers getrokken. 

Cent-pieds , (m) Een Slang ( hon- 
derd voet genaamd). 

Central, aie (adj.) Le feu cen- 
tral , het vuur in het middelpunt der 
aarde. 

Centre , (m) Het middelpunt ; cen- 
tre de gravité , het 'middelpunt der 
zwaarte ; éiTQ à.?ins fon centre, iets 
daar men zyn behaagen infchept. 

Centrifuge , (adj.) Dat zig van 't 
middelpunt verwyderJ. 

Centripète, (adj.) Dat na't mid- 
delpunt neigt. 

Cent-iojiTe, (m) Een van de Zwit- 
zerfche Lyfwagt. 

CentuEïvir, [m)^Een van de hon-'' 
derd mamun eertyds in Romen, ,; 

Ceutumviral ,ale (adj.) Dat daar'], 
aan behoorde. 

Centuple, (ra) Honderd voud (n). ^ ' 

Centuriateur , (m) S^bryver der 
Kerk -gefchiedeniffen . 

Centurie, (f) Bende van honderd 
man {by de Romeinen). 

Centurion. {Zie Centenier). 

Cep , (m) Een wynjiok. 

Ce pees, (f. pi.) Scheutelingen van 
een afgehouwen boom. 

Cependant, (adv. & conj.) {lees 
Spandang) Middelerwyl^ onder tus., 
fchen ; nogtans , echter , evenwel ; at- : 
tendez un peu , j'écrirai cepen- , 
dant , vuagt e m weinig , jk zal onder-' \ 
tujében ^ 



CEP. CER. 

fujjcben fcbryven • cela e^ vrai ace- 
pendant vous ne voulez pas le 
croire , daf is waar , en evenwel 
wilt gy het niet gelooven. 
Céphalalgie, (f) Kleine Hoofdpyn, 
Céphalique, (adj.) Veine, pou- 
dre céphalique , hoof J-ader-) poejef. 
Ceppeau , (m) Mum-blok. 
Ceps > (m) Boejen j blok , waar mei 
of waar aan de gevangenen gekluiflerd 
at'orden. 
Cerac, (m) IFafch-zalve (£). 
Ce ration , (f; Toebereidtng der 
Jloffen tot fmelting. 

Ceratoglcfle , (ra) Vleefch-fpter tot 
beweging der tong {m Ont leedk.). 

Cerbère , (m) 'De helhond Cerbe- 
rus met 3 hoofden (by Heidenfche Dig- 
ters). 
Cerce. {Zie Cerche). 
Cerceau, (m) Een hoep^ hoepet; 
fuik {vogel net) ; chaffer un cerceau, 
f en' hoep aandryven. 
Cercelle, {ï) Een Taaling. 
Cerche, (f) Boog-hoepel {m)waar 
op een verwulf gemaakt word. 

Cercle, (m) Kring , ring y cirkel, 
kreit z y hoepel 'y chercher la quadra- 
ture du cercle , iets zoeken dat. men 
niet vinden kan; cercle de la Reine, 
de opwagtinge der Konïnginne. 

Cercler, (v. a.) Met hoepen beleg- 
gen. 
Cerclier, (m) Een hnepmaak?r. 
Cercueil, (m) Dood-kiji , Lyk.kijl 
(O; graf{n). 

Cérémonial , (m) Ceremonie-boek 
der Kerke (n). 

Cérémonie, (f) Dienjïpleging ; 
plegtigheid; kerk-gewoonte ; fans cé- 
rémonie , zonder pUgtplegingen, zon- 
der cmjlandigheden. 

Cérémonijl , elle (adj.) Dienjl- 
pligtig , kerk-gewoontig ; la loi céré- 
inonielle, de ceremonieele , fchaduw- 
agtige w'et. 

Cérémonieux , fe (adj.) Esn die al 
te veel omjlandigheden maakt. 

Céres, (f) f^rugt^godinne (by de 
tieidenen). 

Cerï, {m)Een hert (n); courre le 
cerf, een hert jaagen. 
Cerfeuil, (m) Kervel {een kruid) 



' CER. 11% 

Cerf- volant, {m)Een hêverjchah 
lebyter ; een vlieger {kinder fpeeltuig), 

Cerifaiè , ( f; £en kerjfen- bogaard 
(m). 

Cerrife , ( f) Een kers , kriek, 

Cerifier, (m) Een kerjjen-boom. 

Cerne , (m) Een ring onder 't oog% 
omtrek, cirkel; tover-cirkel. 

Cerné, ée (adj.) ïi^s yeux cer- 
nés , hlont en blaauwe oogen , ( zie 
verder Cerner). 

Cerneau , (m) De pit , kern { f) 
van een noot ; kerjfen-jieen (n). 

Cerner, (v. a.) Ergens een ring 
omtrekken ; de pit , kern uit een noot 
haaien ; de baji , fchors van £en boom 
fchilhn. 

Cerquemaneur , (m) Gezworene 
Landmeeter in Picardien. 

Certain, aine (adj.) Zeker , ge- 
ivis; une nouvelle certaine, eene 
zekere ofvajïe tyding; une certaine 
nouvelle , eene zekere {eene lopende) 
tyding; un certain, een zeker ie" 
mand. 

Certainement $ (adv.) Zekerlyk, 
voorwaar. 

Certes, (adv.) Zekerlyk^ gewis^ 
felyk. 

Certificat , (m) Een' verklaaring (f) 
verzekerings-brief {m). ' 

Certificateur , (m) Verzekeraar^ 
injlaander van eene borgtogt. 

Certification , (f) Schriftelyke 
verzekering, ' 

Certifier , (v. à.) Bekragtigen yver^ 
zekeren , betuigen. 

Certir. {Zie Sertir), 

Ctrthxxde,{î)Zekerheid, gewîshetd: 

Cervaifon , {f) De tyd wanneer de 
Herten vet zyn. 

Cerveau, (m) Herjfen, brein, bet 
bovenjie eener klok ; avoir le cer- 
veau perclus , creux , mal tic hré 
ou démonté , gering verdand i?eb^ 
ben , gek zyn. 

Cervelas, (m) Eenfoort vanJJefk 
gekruidde worjl. 

Cervelet , (m) Het acbtfrbrein , (in 
Ontleedk.). ' * 

Cervelle , (f ) Het brein , de hers^ 

fenen; une bonne cervelle , een 

goeden kop, goed verjiand ; c'eft 

une pauvre eerveHe , v /> eetieH 

« fegtê 



1T4CER.CES.CET.CIÎA. 

Jlfgten bloed; être en cervelle , in 
bekommering zyn, 

Cervier , ou Loup cervier. {Zie 
Linx). 

Cervoife , (f) Bier {oud w.). 

Cerufe , (f) Lood-wif, {figuurt.) 
vaîfche Jchyn. 

Céfar , (m) Keizer ; rendez à cé- 
far , ce qui eft à céfar , geeft den 
keizer , ivat des k'/tzers is. 

Céfarienne, (adj.) Fai^e l'opéra- 
tion céfarienne , de keizers fneê 
doen (in vroedkunde). 

Cefîant, ante (adj.) Toute affaire 
ceflante , aile werk ophoudende. 

Ceflacion , ( f ) Opbouding , JJil- 
Jîand. 

Cefle , ( f ) Sans cefle , zender op- 
houden. 

Cefler, (v. n.) Ophouden, uitfchei- 
den. 

CeflTible, (adj.) Ophoudelyk. 

Ceffion, (f) Afjtand , overgaaf % 
faire ceffion de l'on bien , affïand 
van zyn goed doen. 

Ceûionnaire, (adj.) Een die iets 
affîaat. 

Cefte , (m) Gordel van Venus (m) ; 
kolf y zweep y handfchoen met lood he- 
Jlaagen der oude kampvegters (f). 

Cefure, ("f) Ophoudtng in een vers 
cfrym. 

Cet. {Zie Ce). 

Cetacée ,(adj.)Poiflbns cetacées, 
groot e vifchen. 

Ceterach, (m) Mild-kruid {n). 

Cette. {Zie Ce). 

Cetui-ci , cetui-là. {Zie Celui-ci). 

Chablage, (m) Het aanjlaan van 
de lyn aan een Trek-fcbuit of van touw 
om iets op te hvffen. 

Chableau , (m) Reep of lyn van een 
Trek-fchuity item hystouw y karnaal- 
toum {fcheeps w.) 

Chaisier, (v. a.) Zoodanig touw 
aanjlaan , vaji haaken-, chabler les 
noix , de noot en afpaan. 

C hâbleur , (m) Brug - opbaalder ; 
een die op de rivieren de vaartuigen 
voorthelpt; Haven-meejler te Parys. 

Chablis , (m) Door den wind neer- 
geveld hout. 

Chablots, (m) Tqww om JifUagten 
meévaji ti bitidea» 



CHA. 

Chabot, (m) PoJÎ {zekere vif ch). 
Chacal , {m) Jakhals , {zeker dier 
als een Vos dat de dooden opgraaf d). 
Chacelas, (m) Zekere witte druif 

(f)- 

Chacun , une (pron.) Een iegelyk, 
ieder y elk -, iedere y elke, ieder ding. 

ChafFeurer, (v. a.) {oud w.) Be^ 
zoe delen , bekladden. • 

Chafouin, ine (m. & f.) (fchelJ 
w.) Aapen gezigt j iemand die mager 
en fchraal is. 

Chagrin , (m) Verdriet (n) , erger* 
nis (f) ; fegryn leer (n). 

Chagrin , ine (adj.) Verdrietig, 
moeilyk. 

Chagrinant, ante (adj.) Lafligy 
ergerend. 

Chagrinement , (adv.) Verdriet 
tiglyk. 

Chagriner, (v. a.) Kwellen, nfer- 
driet aandoen', fe chagriner, (v. r.) 
zig kwellen , un efprit bourru, fe 
chagrine de tout, & chagrine les 
autres , een wonderlyk humeur , kxveld 
zig over alles, en kweld andere mee^ 
de. 

Chai ne, (f) Ketting, keten -y ket- 
ting van een weefgetouw , chaine de 
montagnes , eene reeks her gen aan 
malkander ; brifer fes chaines , zy- 
ne liefde banden b re eken. 

Chaineau , (m) Een loode buis, 
Chainetier , (m) Een haaken en 
oogen maaker. 

Chaînette, (f) Horlogie-kettingt- 
je (n), kleine ketting (f). 

Chainon , (m) Schalm , fchaaket 
van een keten . 

Chair, (f) Vleefch (n)-, chair de 
mouton , fchaapen vleefch; chair de 
poiflbn , 'de fruit , 't vleefchig ge^ 
deelte van vifch , fruit ; il n'eft ni 
chair, ni poiflbn , hy heeft geen 
Codsdienjl, hy is niet met al. 
C haire , ( f) Preek-Jioel ; catheder. 
Chaife, (f) Eenjïoel (m); fchai- 
ze (f) {rytuig); chaife à dos , à 
bras, leun- armfioel ; chaife per- 
cée, kakftoel ; chaife de moulin > 
molenjlander ; chaife à porteurs > 
draag-Jioel (m). 
Chaland, de (m. & f.) Kalanf. 
Çhalandife , {f)Kalarultfiei neering. 



CHA. 

<7haIcedoine , (f) KaUedonie-Jleen 
{m). 

Chaleur , (f) Hitte ^warmte ; rit- 
ZigheiJ. 

Chaleureux , eufe (adj.) Hitzig 
van natuur {oud tv.). 

Chalic, (m; Een beJJieé (F) ;(beter 
bois du lis). 

Chaloir, (v. n.) J^ig over iets be- 
kommeren (gem. w. en word alleen 
dus gebr.) il ne m'en chaut , bef 
fc beeld my niet. 

Chalon, (m) Zeker groot net (n). 

Chaloupe, (f) Sloep, boot. 

Chalumeau, (m) Hen halm van 
Jiroo {ra) ; rietje ; riet f'uitje ; rietje 
van een doedelzak enz. foudeer-pypje 
(n). 

Chalumet, (m) Rietje, mond-Jiuk 
op een tabaks-pyp (n) 



Cham , {fpr. Kam) (m) Cham of 
oppervorjl der Tartaaren. 

Chamade, (f) Battre la chama- 
de, t/ip chamade paan, {word door de 
belegerden gedaan als zy tot verdrag 
en overgaaf komen willen). 

Chamailler, ("v. n.) fe chamail- 
ler , (v r.) In 't honderd^ links en 
regts Jlaan,vegten, fchermutzelen ; item 
in woorden , pennen-flryd geraaken, 

Chamaillis, (m) Gevegt in 't hon- 
derd , gefd^rntutzel (n), twifl (f). 

Chamarrer^ (v. a.) Met goude en 
zilver e paffimenten hoorden , beleggen. 

Chamarrure, (f) Belegging daar 
mee de. 

Chambellage , (m) Zekere afgift 
die de onder ~aat by veranderingen zy- 
nen Leenheer geven moet. 

Chambellan, (m) Kamer-heer. 

Chambranle, (m) Lyfî- fny-werk 
aan deuren 5 vengjlers enz. (n). 

Chambre, (f) Kamer, vertrek 
(n); kamer in een gefcbut ; groef in 
glas-lood; kajuit; de Ruimte tuffchen 
twee Jluis'deuren; chambre garnie, 
gefloreerde kamer; chambre de ju- 
Itice , des comptes , des afiurances, 
noire , regt- reken- affurantie- peni- 
tentie- bid-kamer ; eet homme a des 
[Chambres à loXi^x y{fpr.xv.) dieman 
is gek. 

Chambré, ée (adj,) Ce canon eft 
chambré , dtt jiuk is hvalyk gegooteu. 



CHA. îfy 

Chambrée, (f; Kamer-gezelfcbop 
(n) ; een kamer vol. 

ChambreJan, (m) Een beunhaas, 
fmoorder {werk-gafl dte zyn proef niet 
gedaan heeft) ; een t'huis legger^flaaper. 

Chambrer, (v. n. & a.) Onder 
eene tenee logeeren ; een kamer of holte 
in een zadel' maak en. 

Chambrerie, (ï) Kamer of ampt 
van een kloojler-verzorger. 

Cbambrette , (f) Kamertje (n). 

Chambrier, (m) Kamer-heer ; in- 
maander der tnkomjlen eener abdye. 

Chambrière, (f) Kamenier , ka^ 
mer-maagd; de zweep in de ty-fchool; 
fpinrokken-band. 

Chambrillon , ( f) EenJJoofje, ge- 
ringe dienflmeid , een poezegroei. 

Chameau, (m) Een kameel of ié~ 
mei; item zeker vaat tuig, ligter ge- 
naamd; poil de chameau,*e»wé'/j-/'a/V, 

Chamelier, (m) Kémei - hoeder- 

(m, pi.) Strand-mos- 



dryver. 

Chames , 
fel en. 

Chamois, (m) Een wilde geit (ra) -, 
bereid leer daar van (n). 

Chamoifeur, (m) Een leer berei- 
der. 

Champ, (m) Een veld (n), akker 
( m ) Î middel/luk van een kam ( n ) ; 
champ de bataille ,yZög-ï;^/i/- champ 
de raars, oorlog (by Oicht.); roue 
de champ, kroon-rad (by Hor logfpm.)i 
avoir un beau champ , pour étaler 
fa valeur , fes talens , een fchoon 
veld of gelegenheid hebben om zyn 
dapperheid , bekwaamheden te too- 
nen ; champ de tapiflerie , de grond 
van een tapyt ; à tout bout de champ, 
alle oogenbltk ; fur le champ , op 
fïaande voet j donner la clef des 
champs, op vtye voeten fl ellen', fe 
mettre au champ, boos worden; à 
travers champs , dwars door bet veldy 
in 't wild; gagner le champ, weg 
loopen. 

Champart, (m) Koorn-tiende. 

Champa.ter, (v. a.) Koorn-tiendê 
ne e m en. 

Champarterefle , (fubft. & adj.) 
Een tiend fchuur (f). 

Charoparteur , (m) Een tiend-man. 

Champêtre , (adj.) Boerfcb ; tot het 

H 2 iMHtf 



,ïï6 en A- 

' land behoorende ; la vie champêtre, 
bet land'leeven ', maifon champêtre, 
een land-huis. 

Champignon , (m) Paddejioel , dut- 
veîs-brood; bet zwarte puntje aan een 
brandende kaers. 

Champignonnière , (fj Plaats 
daar paddejloelen gy oei jen. 

Champion , (m) Een kamp-vech- 
ter; (fguurl.) voorjiander , beid. 

Chance, (f) Kans (£), geluk (n). 

Chancel, (ta) Getraliede plaats in 
een choor. 

. Chancelant, anie (adj.) Wagge- 
lend^ wankelend. 

Chancélement , (m) fFaggeling; 
wankeling (f). 

Chanceler, (v. n.) Waggelen, 
wankelen , weiffelen j fa fortune chan- 
celle, zyn geluk JJaat op zwakke 
voeten. 

Chancelier , iere (m. & f.) Kan- 
eelier-f kanceliers vrouiv. 

Chancellerie , (f ) Kancelery , kan- 
eely. 

Chanceux, eufe (adj.) Gelukkig, 
voorfpoedfg j me voilà bien chan- 
ceux , bet geluk diend my. 

Chancir^ (v. n.) fe chancir , (v.r.) 
yerfcbimmelen. 

Chanciffure, (f) Befchimmeling, 
Jchimmel. 

Chancre, (m) Kanker (f), (/«- 
eetend gezwel) . 
Chancreux , eufe (adj.) Kanker- 



egtjg. 



landeleu r , ( f ) Vrouwendag , 
Maria Licbtmis. 

Chandelier, (ra) Kaarjen-maaker- 
wrkooper. 

Chandelier, (m) Kandelaar; blin- 
de (in Vefïingb.) ; flut ( Scbeeps w.) 

Chandelle , ( f) Een kaer: ; chan- 
delle de veille , de glace, «^^^-^a^r^; 
y5'kegel%\e jeu ne vaut pas la chan- 
delle , bet zap is de kool niet waard , 
w/bet is de kojlen niet waard. 

Chanfrein , (m.) Een Jîukje zwart 
Jiof dat men oJ> 't voorboofd der rouw- 
poerden zet y kol of bles voor de kop ; 
veder -iojcb , kuif van een paerdy af- 
ronding (tn Bouwk.). 

Chanfreiner , (v. a.) /afronden , 
étfiberpt boehgn afneemsn (by Timm.). 



CHA. 

Change, (m) De wijfel; veraride^ 
ring , verruiling; lettre de change > 
wijfelbrief', prendre Ie change, zig 
bedriegen, d waaien. 

Changeant, te (adj.) Veranderlyk, 
onbejlendig , wuft. 

Changement, (m) Verandering^ 
verwiifeling (f), 

Changeouer, (v.a.) Dikwils ver- 
anderen, tuifchen (gent. <w.). 

Changer , (v. a. & n.) Verande- 
ren , verwisfl en , tuifchen; changer 
de note, van gedagten veranderen. 

Changeur, (m) tVisfehar. 

Chanoine, (m) Kanonnik, Dom- 
beer. 

Chanoinefre,(f) Sttft of geeflelyke 
Dame. 

Chanoinie, (f) Kanonnikfcbap . 

Chanfon, (f) Een lied , gezang^ 
deuntje (n) ; chanter toujours la 
même chanfon, a/^yi/ <üan een en de- 
zelfde zaak fpreeken; chanfons que 
tout cela, tout ce que vous nie 
ditez font des chanfons, dat zyn 
altemaal vertellingtjes. 

Chanfonner, (v. a.) Liedjes maa- 
ken. 

Chanfonnîer , iere (m. & f.) 
Liedjes-Jigter ; digtfler (gem. w.). 

Chant, (m)Gezar.g (n),wyze(f)} 
baanengekraai (n), 

Chantcau , (m) Een homp (m), 
fluk brood (n) ; las aan een kleed ( f) ; 
't maanfïuk aan een vat-bodem (n). 

Chantepleure , (f) Een gieter (in 
een tuin): uyn tregter; bouten kraan 
(m); riool (n) of waterloop (m), . 

C hanter , (v. a.) Zingen ; kraaijen ; 
chanter la palinodie, de fnot pfalm 
zingen , op zyn mond kloppen , dat is , 
zyr.e woorden in den nek baaien , her- 
roepen; lorsqu'une fois on éft rna- 
rié il faut chanter , (fpr. w.) als 
men eens getrouwd is moet men van 
toon veranderen , een ander leeven lei' , 
den; chanter injures, pouilles oa' 
goguettes à c\\xelcnn , iemand wakker 
uirmaaken , de buid volfcbelden ; je lui 
ai bien chanté fa gamme ,/^ beb hem 
fcboon zyn l. s gegeeven ( Ipr. w.) ; fai* 
re chanter quelcun , iemand tot re^ 
den brengen ; faire chanter un cri- 
minel , een' misdadiger doen klappen ; j 

c'elk! 



CHA. 

c*eft bien chance , bet is fraai ge- 
zegt , {boen. IV.) 

Chanterelle, ff) Een lok-vogel 
(tn) ; quint , fyt^fte Jnaar van een fpeel- 
tuig ( f). 

Chanteur, euTe (na. & f.) Zin- 
ger f zanger f zang/ïer , zangeresje. 

Chantier, (rn) Houttuin (m)> tim- 
vier werf (f) ; Jïapel(n) ; bier -ft e Hing j 
groot e wagen fcbuur ; mettre un vais- 
leau fur le chantier , een fcbip op 
Jlapel zetten. 

Chantignole, (f) Klamp waar op 
de dwars-balken ruften', zeker gebak- 
ken ft e en. 

Chantourné, (m) Tapyt ~ cieraad 
aan 't hwfd van een ledikant (n). 

Chantourner , (v. a.) Een fiuk 
hout of lood uitfnyden. 

Chantre , (m. & f.) J^oor zanger ; 
voor zang Jl er in een kloqfter;le s chan- 
tres des bois, nagtegalen (f). 

Chantrerie, (i*) J^oorzangerfchap 

Chanvre, (m) Hennip yhennip^î)} 
chanvre mâle, zadeling ^ zaafing -, 
chanvre femelle, helling-^ cuillir, 
roair, brifer le chanvre, den hen- 
nip plukken , rooten , braaken. 

Chanvrier , (m) Hennip-hêkelaar 
of verkooper. 

Chaos , (m) (lees Caos) Mengel- 
Jilomp (m) ; verwerring ( f ) ; mengel- 
moes (n); débrouiller le chaos, ■y^r- 
werrede dingen in orden , brengen , 
ontwarren. 

Chape , (f) Koor-kleed of hembd (n)i 
tabbaard t rok der GeeJJelyken -, beu- 
gel van een ^gefp (m) , Jlulp van een 
dijïileer-kétel (f) offchotel\ difputer 
la chape de 1'évéque, {fpr, w.) om 
's keizers 'baard , of over iets, dat 
om niet aangaat, zintwijien; cher- 
cher chape chute, (fpr. w.) zig 
door zyn gedrag in ongelegenheid 
br enigen. 

Chapeau, (m) Een hoed; 't kap- 
laken (n) {voordeel beha hen de vragt 
van een Schipper)-, parier chapeau 
bas , bloot s hoof ds Cpreeken, 

Chapelain, (m) Een kapellaan. 

Chapeler, (v. a.) Chapeler du 
pain, brood rafpen, ontkorjlen. 

Chapelet, {ta) /Soo^f^raw; Pater» 



CHA. nr 

nofter; flyg-beugel{m); koraalen-fnoer 
( f) ; koraalen boven op brandewyn j 
Ie chapelet fe défile, {fpr. w.) bet 
geflacht verminderd of de vriendjchqp 
breekt. 

Chapelier, iere (m. & f.) Hot' 
demaaker ; Hoedemaakjïer. 

Chapelle, (f) Y^apellê (f); oven* 
verwulf zei (n). 

Chapellerie, (f) Kdfellaanfchap* 

Chapelure, (f) ylffcbrapzel van 
brood (n). 

Chaperon , (m) B^« kap { f) , kap- 
zei (m) , kaproen ( f ) , {eertyds gedraa- 
gen) y tnonmks-kap (f ) j kuif van een 
vogel (f)i kap van een muur (f); 
gepromoveerde Dcâors hoed (m) ) Pi- 
Jfool-holjïer-kap {£) ; 't dwarshous 
van een kruk (n)^ 

Chaperonné, ée (adj.) Gekapt^ 
{in JVapenk') 

Chaperonner, (v» a.) Kappen. 

Chaperonnier, (m) Een l^alk die 
aan de kap gewend is. 

Chapier, (m) Priejler in een mis- 
gewaad. 

Chapin, (m) Spaanfcbe kousfen m 
fchoenen. 

Chapiteau , {m) Het kapiteel eemt 
zuil ; dekfluk , kap eener muur. 

Chapitre, (m) Kapittel {î)^ af" 
deeling { f) , hoofjjïuk (n) ; tenir cha- 
pitre , kapittel , verzameling hou- 
den', la converfation tomba fur le 
chapitre d'un tel, het gefprek viei 
over zulk een ; paflbns fur ce châ- 
tre , laat ons die zaak voorby gaan. 

C hapitrer , (v. a.) Bejlraffen , door^ 
haaien, iemand de biegt leezen ^ ka- 
pittelen. 

Chapon , (m) Kapoen y kapiiin',ze^ 
kere maat land om een adelyk land» 
huis', een groot fluk brood dat men itf 
de ketel kookt, 

Chaponneau j (tn) Jonge kaputn, 

Chaponner, (v. a.) Chaponner 
un coq , een' haankapuinen, 

Chaponniere, (f) Kapuinfchotet, 

Chaque , (pron.) Ieder y yder; 
chaque jour , ieder dag y chaqiiç 
hl ure, teder uur. 

Char, (m) Triumf- wagen der ott' 
den. 

Charagi (co) ^ekfrff tynf dj/ e^ 

TA 3 f 0<^ 



118 CHA. 

^oden en Chrïjienen aan den grooten 
Tnrk bet aaien moet er.. 

Charanfon , (m) Koren-worm. 

Charbon , (m) Een kool ; pejl-buil 
(f); caput mortuum , of bet laatjïe 
cuerfchot van gejïookte dnigen. 

Charbonnée ,(f) Gei-ooJlerJvleefchy 
karbonnade. 

Charbonner, (v. a.) Met een kool 
aftekenen > iemand zivart maaken , 
zyn goede naam bezwalken. 

Charbonnier, iere(m. 5cf.) Kool- 
wan, kool-ver kooper., kool-brander-, 
kool-brandjïer. 

Charbonnière , ( f) Kool -brander y, 
kool-plaats 

Charbouiller, [v.z.) Verbranden, 
bederven, {word van koren gezegd). 

Charcuter , (v. a.) Spek klein Juy 
den om te kookèn. 

Charcutier, ere (m. & f.) Sp,k- 
verkooper j fpek-Jlaa^er -, fpek-JJaag- 
fler. 

Chardon, (m) Een dijîel ,Jieekel ; 
dijiel-kaard (by Droogfcheerders) ; pin- 
nen op een hek , heining ; chardon bé- 
nit, gezegende dijiel , kardebenedift 
(kruid). 

Chardonner ou laner , (.v. a.) 
X)e wol opkaalen , rouiien. ' 

Chardonneret, (lu) Dijlel-vïnk , 
putter, 

Chardonnet, (m) Kleine difiel. 

Chardonniere , ( f) Een plaats vol 
dijlels. 

Charge , ( f) Een lajl , lading , vragt 
(f) ; opzigt ; gevegt (n) j bediening {t ) ; 
charge d'un mulet , laj} van een 
muil-ezel ; charge d'un vaifTeau , /a- 
ding van een fcbip ; avoir charge , 
iafi, bevel hebben y avoir une gran- 
de famille à fa charge, een groot 
huisgezin op zynen hals hebben ; il 
-n'eft point en ma charge, hy is 
niet onder myn opzigt, bewaanng; 
entrer en charge , in bediening 
treeden j charge , laading van een 
fchietgeweer ; commencer la char- 
ge, het gevegt beginnen i revenir à 
la charge , nog eenmaal op den vyand 
tos gaan; item zyn aanzoek vernieu- 
ven'y fonner 5 battre la charge, tot 
*t gevegt of aanval hlaazen , tromme- 
ib ; cela m'eft à charge , dat is my 



CHA. 

tot een laji , dat verveeld wy ; à Ia 
charge de , onder beding , mits dat j 
femme de charge , huishoudjler. 
Chargé, ée (adj.) {Zie Charger). 

Chargement , (ra) Eene lading waa' 
ren (f). 

Charge o ir, (m) Een laad-lêpel. 

Charger , (v. a.) Laaden , belaa- 
den, belajien; chargerun navire, 
een fchip belaaden -, charger d'une 
commiflîon , met eene verrigting be- 
lajien -, charger une fufil, een fnap" 
haan /aaJfwj charger l'ennemi , c/^« 
vyand aangrypen ; charger d.un cri- 
me, met eene misdaad belajîen; cet 
I arbre a bien chargé , die boom 
' heeft wel gedraagen j charger un 
compte , een rekening belajien j être 
chargé de dettes, met f chu Iden averla- 
! den zyn ; chargerune couleur , te dik, 
; t^'donkerverwen',charger la, marcban- 
dife de douane ,ûf^ koopmanfchap met 
toi bezwaaren; charger la quenouille, 
denjpinrokken aanleggen, klaar maa- 
ken; chargé de \ies,met droejfem bezet; 
charger le balancier , den onruji 
e ener klok verzwaar en; charger tou- 
tes les voiles , aile zeilen aanflaan. 

Chargeur ,(m) Laad^r ,bevragter. 

Chargeure, (f) Dwarsjiuk in een 
wapen. 

Chariage, (m) Het ryden; voeren; 
voerloon (n); vragt (f). 

Charier, (v. a.) Met een wa~ 
gen of kar voeren, ryden; la rivière 
char ie , de rivier is aan 't krui" 
jen y aan 't gaan; il faut charier 
droit , meii moet regt handelen. 

C hariot , (m) Een ^vagen (m) ; - 
fleede {by Lyndraaijers { £). 

Charitable , (adj.) Liefdadig , mild, 
goed arms , meegaande , verdraag- 
zaam. 

Charitablement >(adv.) Liefderyk, 

Cliaritatif, (m) Liefdegaaf, die 
een Bisfcbop by nood eens heffen kan 

(f). 

Charité, (f) JVeldadigheld , lief. 
de jegens thn noodlydenden ; aalmoes; # 
charité bien ordonnée commence 
par foi même, de liefde begind eerji 
van zig Zi^lfs {fpr. w.). 

La Charité 5 (f) ^ahwesfemersr 
huis (n). 

Cha- 



CHA. 

Charivari , (in) Gerammel van 
potten en pannemy geraas ,get ter (n) f 
oploop van volk (tn). 

Charlatan, ane (m. & f.) Kwak- 
zalver , kwakzaljfler ; bedneger , be- 
driegjïer. 

Charlataner ) (v. a.) Kwakzalven , 
zwetzen, bedriegen. 

Charlatanerie, (f) Kwakzaivery , 
bedriegery. 

Charlacanesque , (adj.) Kwakzal- 
veragtig. 

Charmant ,ante (adj.) Betoverend; 
bekoorlyk , vermaakelyk. 

Charme , (m) Jokboom (m) ; bstove- 
ring ', bekoorlykheid , bivaUigheid(f). 

Charmer, (v. a.) Betoveren; be- 
koor en , aanlokken^ inneemen; char- 
mer les douleurs , pyn Jlillen ; Ie 
vin charme les chagrins, rf^ vuyr. 
verdryft het hartzeer -y charmer la 
bale, de kogel bezweeren. 

Charmeur , {m) Bekoorder ^Hexen- 
meejler. 

Charmeufe , (f/ Een hoeragtig 
vrouivmenfch. 

Charmille , (f) Jonge jokboom om 
heggen en laan en mee te maakeiJ. 

Cbarmoye , (f) Jokboomen hegge. 

Charnage, (m) l-'lee/ch tyd (f). 

Charnaigre, (m) Zeker Jagt hond 
die de konynen op dry ft. 

Charnel , elle (adj.) VleeÇchelyk. 

Charnellement, (adv.) Vleefchelyk. 

Charneax, eufe (adj.) Vleefchig. 

Charnier , (m) V leefch-kamer (f) ; 
kneekel huis , beefi-huis j item plaats 
daar het avondmaal uitgedeeld word 
in de R. Kerk. 

Charnière, (f) Scharnier van een 
doos enz. j(n) aasplaats (by yalken.) 
(f). 

Charnu, ue {a.à].)Vleefchig ifappig. 

Charnure , (f) f'leefchigheid (f) 
het vleefch (n). 

Charogne, (£) Een kreng (f), 
jïinkend aas (n). 

Charpente , (f) Timmer-werk; 
bois de charpente, timmerhout (n). 

C harpenter , (v. a.) Timmeren, 
iimmer-werk maaken-, iets onbehendig 
fnyden, hakken. 

Charpente rie , (f) Hout -werk 
■ van een buis ; bet timmeren (n). 



CHA. 119 

Charpentier , (m) Een Timmetm 
man. 

Charpie, (f) Pluk zei, wiek (voor 
wonden)', y lande en charrie ) vie ef eb 
in vezelen gt kookt. 

Charrée', (f) Loog-af eb. 

Charretée, (f; Eene kar vol y 
karren vragt. 

Charretier, (m) Kar rem an ; il ju- 
re comme un charretier, hy vloekt 
als een krygsheld j il n'eft fi bon 
charretier qui ne verfe , daar is 
geen paerd of het Jïruikeld wel eens^ 
{fir. w.) 

Charrette, (f) Epne karre, kar» 

Charriage. {Zie Chariage). 

Charrier , (m) Een laogdoek , die 
men over 't linnen f pre id en waar op 
men de afch legt. 

Charroi, (m) fVagen vragt {£), of 
loon (n). 

Charron , onne (m. & f.) If^a- 
genmaaker; maakfler. 

Charronnage , (m) tf^agen-maa- 
kers-werk (n). 

Charruage , (m) Opzigt over de 
gemeene wegen en uitgave deswegen, 

Charruë, (f) Een ploeg, mettre 
la charruë devant les bœufs, het 
paerd achter de ivagen f pannen , dap 
is , eene zaak verkeerd doen. 

Charte partie , ( f) ContraS va» 
bevragting, vragt-briefy eer te par- 
tie. 

Chartier. {Zie Charretier). 

C hart il , (m) Een wagen om koren 
mee in te ryden. 

C hartre, (f) Teering, quynende 
ziekte; tomber en c hartre, de tee- 
ring bekomen. 

C hartre , ( f) Oirkonde , bewys va» 
eenig voorrecht (n). 

C har tr eufe, (f) Een karthuizer 
kloojler. 

Chartreux, eufe (ra. & f.) iSTar- 
thuizer Monnik- , Nonne. 

Chartrier, (m) Plaats daar d*oir^ 
konden eener abdye bewaard worden ^^ 
item bewaarder daar van. 

Chartulaire, (ra) {lees Kartulai- 
re) Een verzameling van oirkonden en 
bef ch ei den eener kerk, kloofler , enz. 

Chas, (m) Oog van een naald {n); 

fiyfzel in d& kuip; pap gebruikp door 

H 4 ds 



I2C CHA. 

de Weevers { î) -^-vak tujfchen twee bal- 
ken (n) ; fiierigbeid eener koe ( f). 
Chaferet, (m) Een kaas-vorm{f). 
Chasnatarbalïï , (m) Opperfchau 
meefier in 't Serail. 

Chaflaky , (m. & f.) Een^ van den 
groot en Heer zeer bemind Staatsdie- 
naar ^ of Dame. 

Chafle, {?) De jagt (f), jagt- 
gezelfchap {n) ; aller à là chafle, op 
cie jagt gaan; donner la chafTe à 
quelcun ^iemand op de vïugt dryven; 
à un vaiflVaa , jagt maaken op een 
frhip; prendre ch&ffe, vlugten, weg - 
toopen , afdeinzen ; chaffe , kaafs ( in 
't kaats-fpel) ; deur/lag yzer (n) ; 't 
houtiverk aan een zaag ; raam of lyjl 
•van eenfpiegel enz ; reUquien kas ; aan- 
JJag kam (m) van eé^i weefgetouw ; 
teft van een fcheermes (n). 

Chafle boffe, (f) Welgbree {een 
kruid). 

ChafTe -coquin , (m) Dienaar die 
de fchavutten we^ jaagd, 

Chafle-coufin, (m) Styve fiherm- 
degen j verdorvene wyn voor onaange- 
uame gajïen, 

ChafTe-ennui , (m) Iets dat het 
verdriet verdry ft. 

Chaflelas, (m) Pietercelie wyn. 
C hafTe-raarée , (m) ï^tfch^koper te 
J>arys; zeevifcb-korfi 

Chsfle-mulet, (ta) Ezel-dryver hy 
gen vnoolen. 

ChafTe-po ignée, (m)J5;<>» dryf-hout 
0m het geveji van een degen vajï te 
maaken (n). 

Chaffer, (v.n.) Jaagen, weg jaa- 
gen, verjaagen, ver dryven ; chafler 
un clou, eenfpyker indryven, chas- 
fer fur l'ancre, op het anker dry- 
ven ; un bon chien chafle de race , 
de boom valt niet ver van de Jiam ; 
't is een aartje na zyn vaartje (fpr. 
'w.);lz faimehafl°e Ie loup d^bois, 
honger is een fcherp zwaard {fpr. tv.); 
un clou chafle l'autre , de zwakke 
moet den ft erken wyken-, chafler fur 
un vaifleau , op een fchip jagt tnaa- 
ken. 

' ChafTear , eufe (ra. & f.) Jaager, 
^aa^ers'vromv. 
' ^haaie; (f) Dragt der oogeo. 



CHA. 

Chaflïeux, eufe (adj.) Leepoogig. 

C haflis , (m) Een raam , lyfi waar 
mee men iets omvat of influit , veng- 
fier-raam o/faffinet; borduur- y druk- 
kers-, fcbildery - raam ; voet van een 
tafel-/ fenêtre à c haflis, een fchuif- 
raam. 

Chaflbir, (m) .Kuipers dryf-hout. 

Chafl:e, (adj.) Kuifch , eerbaar, 

Chaftement, {adv,} Kuifbelyk, ■ 

Chaftetê, (f) Kuifchheid. 

Chafuble, (f) Kazuifel {zeker 
misgewaad of rok zonder mouwen). 

Chafublier ,(m) Maaker daarvan. 

Chat, Chatte, (m. & f.) Een ka- 
ter ; kat ; jetter Ie chat aux jambes à 
que[can,(fpr.)iemanddefhuldgeeveni 
à bon chat bon rat , {fpr. w.) zy 
zyn goed hy een-, acheter, vendre 
le chat en poche , een kat in de zak 
koopen, verkoopen {dat is zonder het 
te zien); éveiller le chat qui dortj^ 
ou reveiller une querelle afloupie, 
een oude wond openen, of oude koeijen 
uit de Jloot haaien {fpr . w.) ; appeller 
un chat , un chat & rolet un fripon , 
een dif^g by zyn , recbten naam noemen ; 
chat échaudé craint l'eau froide, 
een gebrande kat vreejl het koude wa- 
ter ,of daar een ezel zich eens aau floot 
wagt hy zig voor de tweede reis. 

Châtaigne , (f) Kaftanje. 

Châtaigne , ée (adj.) Kaftanje kleur. 

Châtaigneraie , (f) Kajianien- 
bofch. 

Châtaignier v(nï) Kajlanien-boom. 

Châtain ,^(adj.) Kajïanien bruin. 

Château., (m) Een kaJïeel,/lot{n); 
kampanje , fchans , plegt van eenfchtp 
{ £) ; bâtir des châteaux en efpa- 
gne , kajleelen in de lucht bouwen, (fpr,) 

Châtelain , (m)_ ^mbagts'heer ^ 
borgt-voogd , kaftelein. 

C hâte let, (m) Een flot je y gevan- 
genhuis te Parys (n), 

Chatellenie, (f) Kafteleny. 

Chatepeleufe, (f) Kalander, ko- 
ren-worm. 

Châter, {Zie Chatter). 

Chat- huant, (ra) Nagt-uil. 

Chatiable, (adj.) Strafwaerdig, 

Châtier, (v. a.) Kaftyden , tugti- 
geti) Jfraffn -, châtier un enfant, 

gea 



i 



CHA. 

een kind Jlraffen ; châtier un ouvra- 
ge j een werk befchaaven. 

Châtiment, (m) Kaflydwg , tugt 

Chaton ,(m) Kas i'aupen ring daar 
de fieen in Jlaat j groer.e fchil van een 
hazel-noci (f). 

Chacouilleraent , (m) Kitteling (f). 

Chatouiller , (v. a.) Kintelcn, ké~ 
telen; chatouiller 1'oreiile, het oor 
Jireelen. 

Chatouilleux, eufe (adj.) Kittel- 
^S^'g i ^'?f gffioord, korfelig. 

Châtré, ée (adj.J GrMdi un châ- 
tré , een gelubde. 

Châtrer , (v. a.) Lubben ^ fny den ; 
châtrer les ruches, honing uit een 
bye-korf ne e men ; châtrer un livre, 
un fagot , uit een boek , van een tak- 
kebos iets neemen. 

Chatreur , (m)Een lubber , fnyder. 

Chatte. (Zie Chat). 

Chatte, (f) Een kat {zeker fchip 
met 2 majlea). 

Chattée , ( f ) Een worp jonge kat- 
ten (n). 

Chattemite , ( f) Eenefchynbetlige , 
huichelaarfier. 

Chatter , (v. n.) Jonge katten wer- 
pen. 

Chattiere, (f) Een katte gat, 
hol (n). 

Chatton, (m) Jong katje (n). 

Chaud» aude (adj. (Sc f.) Ifeet , 
warm j bitzlg ; ritzig , loopfch ; haafiig; 
ieverigf il fait chaud, "t is warm 
weê^ y eau chaude, warm y heet wa- 
ter; fièvre chaude , heete koorts; 
pleurer à chaudes larmes, bittere 
traanen fchreijen; avoir les pieds 
chauds , 'er warmtjes inzitten , het 
%vel hebben ; avoir la tête chaude , 
zeer ophopend zyn , heet gebakerd 
il faut battre le fer tandis qu'il eft 
chaud , men moet bet yzer /meeden 
terwyl bet heet is , dat is , de tyd 
waarneeinen; fouffler Ie froid & le 
chaud , in de eene hand water en in 
de andere hand vuur draagen ; uit 
twee monden fpreeken ( fpr.w.) ; tom- 
her de fièvre en chaud mal, van 
erger tot erger komtti ; une chienne 
chaude , een' ritzige , îoopfcbe teef; 
11 y faifoit fort efiaud, bet ging 'er 



CHA. 121 

heet toe; à la chaude, (adv.) in der 
yl\ avoir chaud, warm zyn; être 
chaud , geil zyn ; il vous la donae 
toute chaude, hy fpeld u de leugen 
heet en warm op de mouw , {fpr. w.y 

Chaude, (fj Donner la chaude 
à la befogne , bet werk gloeijend 
tyxiaken , gloeijen; chaude Yuante, 
vloeibaare gloé-tjing. 

Chaudeau, (ir.) Kandeel (m), wyn 
fopfe ( f). 

Chaude-chafie , (f) Vervolging 
van een givangenefx. 

Chaudement , (adv.) JVarmtjes-, 
hitzig ; haajiig ; onbezonnen. 

Chaude-pifle, (f) Be koude pis 
( f) ; f m druipt rd (m). 

Chaoderet, (m) If'trktuig waarin 
het metaal dun géflaagpn word. 

Chauderon, (m) Kéiel;pomp-kap^ 

Chauderonnée , ( f) Een ketel vol, 

Chauderonnerie ,(f) Koper-werk 
(n); koper-handel (m). 

Chauderonnier, (m) Koperjlager^ 

Chaudier, (v. n.) Loopfch gyn. 

Chaudière, (f) Groot e kopere ké' 
tel, brouw-kétel (m). 

Chaudron. (Zie Chauderon). 

Chauffage , (m) Brand, brand-haut 
enz. a.les waar by men zig warmd. 

C hauffe , ( f) Kool-pan of fchoorjleen 
tn een fmelt -oven. 

Chauffe-chemife, (m) E,en vuuf' 
korf, 

Chauffe-cire, [tn) Bediende eener 
kamzetary die^ de brieven verzegeld. 

Chauffe-lit*, (m) Bed-pan ( f), (^ie 
Moine ou Baffinoire). 

C hauffe-pied , (m) Een' Jîoof ( f ), 

Chauffer, (v, a. & n.) ff^armeui 
Ce chauffer, zich zvar men; je fai de 
quel bois il fe chauffe, ik weet zyn 
bejlaan , ik ken hem- 

Chaufferette, (f) Stoof je y vuur^ 
pannetje (n). 

Chauffeur, (m) Blaasbalg-trekker * 
blaazer. 

Chauffoir, (m) Plaats daar men 
zich warmd; warme doek. 

Chauffure,(f) Hamer/lag, afval 
van yzer enz. (n). 

Chaufour, (m) Kalk- oven. 

Chaufourner, (v. n.) Kalk bran. 
den. 

H 5 Chau^ 



122 CHA. 

Chaofournier , (m) Kalkbrander. 

Chaume, (m) Koorn-Jloppel (£)', 
dek-JiroQ {n,. 

Chaumer, (v. a.) De Jloppels uit- 
rukken. 

Chaumière, (f) Een Jïrooye hut, 
borren jlulp. 

Chaumine , (f ) Klein hutje (n). 

Chauffage , (m) Schoenen enkoujj'en. 

ChïufTanc ,ante (adj.) Baschaus- 
fants, koujfen dr e ligt aan te trtkken 
zyn-, humeur chauifance , een fchik 
kelyk gemoed) humeur. 

Chauffe , ( f) Kous ; chauffes , (pi.) 
OU haut de chauffes, culotte, 
een broek -, chauffe d'hipocras , ffw 
zygdoek; quitter les chauffes, (/pr. 
w.) mondig ïvorden, de kinder fehoe- 
ncn uittrekken -y tirer fes chauffes, 
bet hazen-pad kiezen , {fpr. iv.) 

Chauffée, {£) Dyk , dam (m) , 
kaai ( f ) ; à rez de chauffée , gelyk 
met de grond. 

Chauffe-pied , (m) Een aantrekker^ 
une charge eft un chauffe- pied de 
mariage , {fpr. ixj.) een ampt is een 
middel om te konnen trouwen» 

Chauffes, (v. a.) Schoeien, f choe- 
nen of koujfen aantrekken ; ce cor- 
donnier chauffe bien , die fchoen^ 
maaker maakt goede fchoen en-, chaus- 
fer un arbre , de voet van een boom 
dekken; chauffez vos lunettes, zff 
uw bril opice foulier chauffe bien, 
die fchoen pajî wel -y il chauffe à tant 
de points , zyne fchoenen zyn van 
zoo veel Jleekf ils fe chauffent au 
même point, {fpr. w.) zy zyn van 
eenerly aart; fe chauffer une opi- 
nion dans la tête , eene meening ei- 
genzinnig vajî houden. 

Chauffetier, (m) Yioujfen-maaker- 
w e ever. 

Chauffe-trape , ( f) l'^o et- angel. 

Chauffette , ( f ) Onder-kous. 

Chauffon , (m) Een zok ; datts- 
fchoeu. 

Chauffu're , (f) Scboeing ( f ) , 
fc^oeîfel (n) , al wat men aan de voe- 
'fen trekt; trouver chauffure à fon 
pied , zyn regte man of maat vinden , 
{fpe. w.) 

Chauve, (adj.) Kaa/. 

Chauve-fouris , (f) Flédermuis , 



CHA. CHE. 

Chauveté, (fj Kaalheid, 

Chauvir , (v. a.) Chauvir les 
oreilles , de ooren epjleeken. 

Chaux, (f) Kalki de la chaux 
vive, éteinte ou fufée , ongelefchte , 
gelefchte kalk; de la chaux d'étain, 
tin-afch; bâtir à chaux & à ciment, 
met kalk en tras bouwen; tenir à 
chaux & à ciment , wel vafl klee- 
ven , ofy een zaak die bondig aange- 
legt ts. 

Chasnadar-Eafchj, (m) Opper- 
fchatmeeifer in 't Serail. 

Cheaus, (m) Jonge f^olf, Vos enz. 
{Jagers w.) 

Chécagne, (m) Onder-fchatmeejîer 
in 't Serail. 

Chécaya, (m) Officier der Janit- 
zaaren naajî den Overjîen. 

Chef, (m) Hoofd; Léger-hoofd; de 
voornaamjîe van iets; chef d'efca- 
are , fhout hy nag^t; chef de file, 
vleugel-mau {by Sold.); chef de fa- 
mille , huis-vuder; les chefs d'un 
plaidoyer , de hoofdf.ukken van een 
pleidooi; agir de fon chef, van zig 
zelfs , na zyn eigen zin iets doen ; 
chef , 't voorjle end of fiaalfïuk van 
fioffen. 

Chef-d'œuvre, (m) Meejîer-Jiuk , 
proef-Jîuk, konjîig werk. 

Chef lieu, (m) Hoofi-pîaats, 

Chégros, (m) Pekdraad. 

Chelezzi , (m) Opper-huishouder des 
Sultans. 

Chelidoine, (f) Stinkende gouw, 
fchel-wortel {geneeskruid). 

Chelonité , (f) Zwaluwen -fleen 
(m). 

Chem.age, (m) Weg-geld {n). 

Chêmer, (v. n.) (gem.w.) Gejlaa- 
dig fcbreenwen , huilen als kinderen. 

Chemin , (m) Een %veg; chemin 
battu , frayé , gebaande , betreeden 
weg; grand chemin , de land-JJraat ; 
rebropffer chemin, te rug keeren; 
chemin détourné, een afweg; che- 
min de traverfe , dwarsweg ; che- 
min fourchu , kruisweg ; chemin 
de velours , zagte , gelyke weg; 
une heure de chemin , een uur 
gaans; une journée de chemin, ^f-w 
dag reizens ; chemin , kelder-leer; al- 
ler fon grand ch^taxn , opregt ^ vocf^ 



CHE. 

,àe vuijl handelen -y chemin faifant, 
en chemin faifant , /» 't voorby 
gaan; chemin couvert, een bedekte 
iveg {inyejiingb.)} chemin de l'écô- 
le , een lange , langzaame weg. 

Cheminée , (f ) Schoorjleen ^fchouiv. 

C hemiVier ,{v .a.) ff^andelen igaan; 
cheminer dvo'it iOpr egt e lyk handelen. 

Chemife, (f) Ken henibd (n). 

Chemifette, (f ) Eeu hembd-rok 
(m). 

Chênaie, ^f) Een eiken-bofch (n). 

Chenal, (mj Het bed,guil van eenig 
vaar-water. 

Chenaler, (v. n.) Dooreen guil 
vaaren. 

Chêne , (m) Een eiken-boom , een 
eik, 

Chêneau , {m) Jonge eiken-boom-, 
hang goot. 

Chenet , (m) Brand-yzer (n). 

Chêne-verd, (m) Steen-eik. 

Cheneviere , (f) Kennip-akker 
(m). 

Chenevis , (ro) Kennip-zaad (n). 

Chenevotte , ( î jKennip jiok yfchee- 
ve (m). 

Chenil, (m) Een honde-kot (n). 

Chenille, (f) Een rups', item een 
foort van pajfement. 

Chenu, ue (adj.) {oud w.) Grys 
van ouderdom', les cimes chenues 
des montagnes, (/é- met fneeuw bedek- 
te kruinen der bergen. 

Cheoir. {Zte Choir). 

Chepteil y(va)l^ee-pagt om de helft 
der baat. 

Chepu, (m) Stelling om hout op te 
jlapelen. 

Cher, ere (adj.) Duur., kojlhaar; 
dierbaar , u-aard , lief', mon cher, 
ma chère ; myn lieffie ; cher, (adv.) 
cela eil cher, dat is duur. 

Cherche ou cerce,(f) Eenbogen, 
(in Bowu'k.) 

Chercher, (v. a.) Zoeken, trag- 
ten , opzoeken; aller chercher ,^^a« 
haaien; chercher midi à quatorze ! 
|ieures, {fpr.w.) zwarigheid maaken 
daar geene is. 

Chercheur, eufe (m. & f.) ^of- 
ktr y zoekjier ;ç\\firchèMr de franche 
[ipées, een fcbuimlooper. 
Chère, rf) Gajîery , goede der-, 



CHE. 123 

faire bonne ou raauvaife chère, 
eene goede of eene Jlegttmaaltyd doen^ 
wel ofjlegt ciithaalen. 

Chèrement , (adv.) Duur; Heft 
téderlyk , hartelyk. 

Chérir, (v.a.) Liefhebben, bemin' 
nen. 

Cherlesquier, (m) Turkfch Gene- 
raal- Lieutenant. 

C herté , ( f ; Duurte , fchaarsbeid , 
gebrek. 

Chêruhin,{iT))Cherubin(zeker(ngel), 

Chervi, (m) Zuiker-ivortel (f). 

Cheaneghir-Ea'chi, (m) Desüul- 
tans Opper-voorfnyder. 

Chécif, ive (aó}.)Elendig , gering, 
veragt. 

Chétivement, (adv.) Armhartig- 
lyk. 

Chétron,(m) Laadje in een kifi 
(n). 

Cheval , (m) Een pacrd {n); chc- 
vaux , paerden ; ruitery (£); cheval 
fier , ardent , plein de feu , fouple , 
leger a la main , obéïffant , fidele , 
een,moedig , hitzig , vuurig , gedwee , 
ligt op de hand, gehoor zaaru^, getrouw 
paerd ;chewa\ vicieux , ombrageux , 
tort en bouche , pefant à la main, 
poufllf, eenpap.rd dat quaad y fcbig-^ 
tig, hard in den bek , zwaar op ae 
hand, dampig is; cheval de caros- 
ie, de main, de bat, de louage, 
een koets, hand, loj} , huuy-paerd ', 
cheval de pas , een pus-ganger , che- 
val hongre , een ruin; cheval en- 
tier, een hengji ; monter à cheval , 
te paerd fygtn, ryden ; être bien à 
cheval , wel te paerd zitten; aller à 
cheval , te paerd reiz-n , commen- 
cer , travailler, achever un che- 
val , beginnen een paerd te beryden , 
te temmen. af te rigten; cheval ma- 
nn, een zee-paerd; tirer à quatre 
chevaux , met vier paerden van een 
trekken, vierevdeclen; c'tfl un che- 
val , gros cheval, cheval de ca- 
rofle , hy ts eet: grove vlegel; mon- 
ter fur £es grands chevaux, toornig 
worden , opvliegen , cp zyn pacrdje zyn 
{fpr, w.); li eft mal à cheval, hee 
ts flegt met hem gefield; à cheval 
donné on ne regarde point ia 
bouche , e9n gegeeven paerd kyit 

mm 



Ï24 CHE. 

men niet in de mond; chmger fon 
cheval borgne contre une aveugle, 
eene Jlcgte ruiling doen ; l'œil du 
maître engraîfe le cheval, het oog 
vanden meefler rna^ikt de paerden vet 
ùfy ivat men zelfs\ kan doen gaat bejl , 
il fait bon tenir fon cheval par 
Ia bride, men moet zig niet nitklee- 
def} voor men na bed gaat, dat is, 
van zyn goed niet fcheiden loor men 
dood is ', on lui fera voir que fon 
cheval n'eft qu'une bête, (fpr.iv.) 
men zal hem dopn zien dat hy niet 
wel handelt ; brider fon cheval par 
Ia queue, {fpr. «'.) eeri ding ver^ 
é^erd beginnen; les chevaux courent 
les bénéfices & les ânes les attra- 
pent , de wyze zoeken de ampten en 
de zotten krygen ze ; il eft bon che- 
val de trompette , hy laat zig niet 
ligt fchrikken ; parler à cheval , trot- 
ielyk fpreeken ; cheval ailé , een ge- 
vleugeld paerd (by Poëten); cheval 
de bois , houten paerd , Soldaat en 
ezety cheval de frize, vriefche rui- 
ner (in Vejiingb.) ; cheval fondu , 
hok Jiaa vafl (kinder-fpel\ ; cheval 
gai ) effraie ou cabré , animé , ar- 
mé , bardé, caparafiTonné, houlTé , 
eêH paerd dat zonder bit is , op zyn 
cgterjle pootenjîaat y het eene oog van 
em andere kleur heeft , de voet van een 
andere kleur heeft , qeharnajl , gedekt , 
met een fchabrak voorzien is; (in 
Waf enk.) fer à cheval, eenhoef- 
yzer ; un petit cheval échapé, un 
petit libertin, een wild knaapje; il 
hàt de cette chofe toujours fon 
cheval de bataille, hy maakt van 
d!e zaak altoos zyn fterkfte bewys. 

Chevalement , (m) Een Jîut om 
iets op te leggen {in Bouivk.). 

Chevaler, (v. a.) Onderfchraagen 
(in Bouzvk.); heen en weer jagen; ie- 
rsand geen rufl laaten om iets te be- 
komen ; hout op een zaag-blnk leggen. 

Chevalerie, (f) Ridder -or- 
den. 

Chevalet, (m) Een Schilders ezel 
ffïi) ; p?n fchraag , een Jîut (n) ; kam 
van een fpeeltuig met fnaaren (f); 
aalg van eefi druk-pers ; raam daar 
sfe misdadigers op gerekt wardev ( ï). 

Càevalier, (ra) £len Rtdder; paerd 



CHE. 

(in 't S(haak-fp.); chevalier de ïa 
coupe, liefhebber van de flefch ; che- 
valier de 1'induftrie, een fpits-boef. 

Chevalière, (f) Ridders-vrouiv; 
ook eene die de Ridder-orden heeft. 

Chevalin, ine (adj.) Béte che- 
val i ne , een merrie paerd. 

Cheval is, (m) Het diepfls van een 
rivier dat n-.en by laag water in agt 
moet neemen. 

Chevance, (f) (oud w.) Goed, 
goederen of bezit van iemand. 

Chevauchable, (adj.) Chemin, 
cheval chevauchable , f-fw vybaare 
weg-paerd. 

Chevauchée, (f)V Schouwen van 
tvegen. 

Chevaucher, (v. a.) Ryden (oud 
w. in deezen zin) ; het eene Jiuk over 
het andere leggen , als planken , leijen 
enz. 

à Chevauchons , (adv») Scbreije- 
lings. 

ChevauK legers, (ra. pi.) Ligte 
Ruiters, 

Chevêche, (f) Een nagt-raven. 

Chevecier, (m) Een Sacrijiy-die^ 
naar. 

Chevelu, ue (adj.) Langhairig^ 
een die lang h'air heeft. 

Chevelure ,(?)Het hair deshoofds 
(n) ; chevelure de comète , de Jl aart 
van een komeet; chevelure de raci-^ 
nes , uitfchietzels , vezelen van wor--. 
telen; chevelure, (by Dichters) het^ 
loof, alle de bladen van een boom. 

Chever, {■v.z.)Een edele Jleen van 
ondfir uitholltn , (Juweliers w.) 

Chevet, (m) 't Hoofden-end van 'p i 
bed ; hoofd-kuffen (n) , hoofd-peuluwe 
(t;ràverfm) , al het geene waar op het 
hoofd rufï ; groote blok die onder 't 
gefchut gelegt word om het wel te fiel- 
len; voering om de beetingen van een 
fchip; àto'u de chevet, eeren-maaî 
van een nieuwgetrouzvde Amptenaar 
aan zyn confraters; épée de che- 
vet , iets dat men altoos byzig heeft. 

Cheveteau, (m) Kam-rad eetier 
moolen (n). 

Cqevêtre, (m) Een hal fJ er (lic ou). 

Cheveu , (m) Een hair -, cheveux , 
hoofd' hair (u) ; cheveux blancs, j^ryf 
bair ; fe prendre aux chsveux , maL 
kiindt ^ 



cm. 

stander by 't hair vafteh; prendra 
J'occafion aux cheveux , de gele- 
gentheid waameemen; tirer par les 
cheveux , met het kair 'er by Jleepen 
{fpr. w.) ; il ne tinc qu'à un che- 
veu , het jcheeld maar ren hair's 
breedte ; cheveux des plantes j ve- 
zelen der planten ; couper un che- 1 
veu en quatre , (fpr. ixi.) haïr kloo- 
ven, miiggeziften. 

Cheville , ( f ) Tzere of boute pin , 
yzere bout , fpil , fchoen-pin (m); au- 
tant de trous que de chevillés , zoo 
veel fpy kers , zoo veel gaat en (fpr. w.) j 
cheville du pied, enklauw. 

Cheviller, (v. a.) Vajl pinnen. 

Cheviliette ^(f )£pw pimetje (n). 

Chevillots, (m. pi.) Karveel-na- 
gels , waar aan het fcheeps-wand vajl 
gemaakt ivord. 

Chevillure, (f) Takken van een 
tferts-hoorn. {Zie Andouillers). 
' Chevir, (v. n.) {oud w.) On ne 
ne peut pas chevir de lui > men 
kan met hem niet te regt komen. 

ChevifTeraenc , (m) {oud w.) Ver- 
felyk^ verdrag (n). 

Chèvre, (f) Een Geit; bok om 
iets mee op te winden-, prendre la 
chèvre y opvliegen als een bofchje met 
vlooi jen ^ quaad worden; fauve r la 
chèvre & le choux, ^ire^' ongelukken 
teffens afkeeren, (fpr. u.) 

Chevreau , (m) Jong Geitje (n). 

Chevre-feuille , (m) Kamper-foe- 
lie ( f) , Geiten-blad (n). 

Chevre-pied, (m) Een boks-voe- 
tige, een krom been. 

Chevrecer , (v. n,) Jonge Geitjes 
werpen. 

Chevrette , (f ) Eene Ree ; garnaat , 
garnaal ; " ^ipotheckers flroop-pot met 
een tuit ', brand-yzer. 

Chevreuil , (ra) Een Ree-bok. 

Chevrier, (m) Een Geite-hoeder. 

ChevrilJard , (m) Kleine Ree-bok. 

Chevron , (m) Een fpar , rib, ke- 
per in ee.n wapen (f). 

Chevroter , (v. a.) Jonge Geitjes 
werpen ; beeven m 't zingen. 

Chevrotin , (m) Bereid Geiten- of 
Bokken-lecr (n). 

Chevrotine', {î) Hagel om Ree- 
koiken mee te fcbietent 



CHE. CHI. loi» 

Chez, (conj.) By, tot y chea 
moi y bymy,to mynent , chez t\o\xs ^ 
by 0ns , tot onzent, in onzen huize ^ 
in onzen lande; avoir un chez foi » 
een' eigene wooning hebben ; je viens 
de chez moi , ik kom van myn huis ; un 
homme de chez vous , een man van ■ 
aw plaats ,of volgens flyl der koop l. van 
colli , (Ital. zv.) 

Cheze ,( f) Twee dag ploegens land 
om een Jlot , den oudften zoon toebe- 
hüorende, 

Chiaoiix, (m) Turkfche Deurwaar- 
der , Hof jonker. 

Chiaire , ( f) Metaal-fcbuim ( n ) ; 
Vliegen-drek ( £). 

Chicambaut , (m) Bot-loef diend 
aan kleine vaartuigen , als {Eperon) ^ 
't galjoen aan groDte fnheepen. 

Chicane , ( f) IVoorden-fïryd , hair- 
klovery ; item fpitsvinnigheid, looze 
kunfijes; entendre bien' la chicane 
dans les procès, 't muggeziften , kunfl^ 
jes in rechtsgedingen ivel verjïaan^ 
gens de chicane, pleitbezorgers y 
(Procureurs) -, ufer de Ja chicane , 
uitvlugten maak en. 

Chicaner , (v. a.) Hairktoven , mug.. 
genziften; uitvlugten maaken-, kibbe- 
len , 't regt verkeeren , iemand onnoo- 
dige moeilykheid aandoen, vexeeren; 
chicaner le vent , tegen den wind 
worjïelen {zeem.w.) chicaner le ter- 
rain , zyn plaats dapper verdeedtgeny 
chicaner fa vie , ztg wel weeren. 

Chicanerie. {Zie Chicane). 

Chicaneur, eufe (m. & f.) Hatr^ 
k lover; muggezifter. Zie verder 't werk- 
woord. 

Chicanier, iere (adj.) Twifizoe- 
kend enz. (gem. zv.) 

Chiche , {ad].)Karig , naauw , dean, 
gierig; humeur chi'che, karig ge- 
moed; chiche en paroles , fpac^r- 
zaam in woorden; des pois chiches^ 
ciffers, ciff er-er ten, erweten. 

Chiche -face, {m} Een knyzer ^ 
griens ; gierigaard. 

Chichement, (adv.) Kariglyk. 

Chicheté, (f) Kartgheid. , 

Chicorée, (f) Endtvie. 

Chicct, (m) Overgebleven fluk of 
ftomp van een afgebroken tand , zvortel 
tel of boom; fcheutltng van een tak. 

Chi- 



12(5 



CHI. 



Chicotcr, (v. n.) Om an beuze- 
ling kyven , hair-reepen.. 

Chicotin , (m) Koloquint ; item ze- 
ker bitter ingrediënt dat aan de te- 
pels gefmeerd word om de kinderen te 
fpeenen. 

Chien, ienne (m. & f.) Hond^ 
reu } teef > chien , haan van een 
fnapbaan; kuipers hoeptang -, chien 
chercheur ,y>^»''-*o'''^^? chien cou- 
rant, een brak-, rhien couchant, 
patrys-hmd; chien de garde , eeu 
wogt-bond; meute de chiens, een 
boop ja^t-honden ', chien de mer ou 
chien "marin , z e e-hond -, rob , haai; 
nos chiens ne chaffent pas bien 
enfemble , {fpr. w.) a-y ^ verJJaan 
malkauper «iV/j faire le chien cou- 
chanc, (fpr. w.) nedrig zyn , vlei- 
jen ; les bons chiens chaffent de 
race, (fpr iv.) de kinderen aarden 
na hunne ouders , of de boom valt 
niet ver van de Jiani ; battre Ie chien 
devant le lion , eenen minderen in 't 
hyzynvan eenen meerderen ygelyk fchul- 
dig^ftraffen j chien qui aboyé ne 
mort point, blaffende honden byîen 
niet (fpy. '^•) > pendant que le chien 
pifte le loup s'en va, terwyl het 
fchaapje blaei verliejl het een hapje _, 
dat is , iiitJJel baard nadeel ; qui 
veut noyer fon chien , dit qu'il a 
]a rage, die een hondflaan wil, vind 
ras een knuppel , fi ok {fpr. w.); c'eft 
le chien de grand collier , hy 
voerd bet hoogjîe woord (fpr. w» ) ; 
qui aime bertrand , aime fon chien, 
die iemand bemind , bemind ook wat hem 
aangaat (fpr. w,); un "chien regar- 
de bien un Evéque , een kat kjkt 
Kvel een Keyzer aan (fpr. w.)i il efl 
fou comme un jeune chien, dat is 
een malkus , nialle gek van ^een jon- 
gen; mener une vie de chien, een 
beejîagtig leeven leiden ; un chien de 
coquin, een honds-vot, lompe vent; 
chien dent , bonds-ta>fd (een kruid) ; 
chien , de bond (een gefîernte) ; chien- 
ne chaude , ritzige , loopfche teef; 
chienne chaude , ou une charo- 
gne, chienne de voirie, een vuile 
fmots, terf, ondeugende feeks ; chien- 
ne de friponne , looze bedriegjîer , 
feeks. 



I CHî. 

Chîenner , (v. n.) ^onge bondem. 
werpen. ' 

Chier, (y. n.) (onboflyk w.) Schy- 
ten , (beter aller aux lieux) op het 
huisje gaan ; chier de peur , van 
vrees in zyn broek kakken; chier far 
quelcun , in iemand fchyten ; chier 
fur la befogne, arbeid bederven, 

Chieur , eufe (m. & f.) Schyter y 
fcbytfîer. 

Chiffe, (f) Ce n'eft ^ue de la 
chiffe , het zyn maar vodden , bet 
deugd niet (van laaken of fioffen ge- 
zegd). 

Chiffon , (m) Fodde , lap, oude lomp. 

Chiffon , onne (adj.) Branches 
chiffonnes , wilde takken. 

Chiffonné , ée (adj.) Gekreukd, 
gefrommeld. 

Chiffonner , ( v. a. ) Kreuken , 
frommelen ; chiffonner quelcun d'u- 
ne maniere brusque & étourdie,. 
iemand op eene onbefchofte wyze aan* 
tafien , verhavenen. 

Chiffonnier, iere (ra. & f.) Vod- 
den-kraamer- raaper- raapfier. 

Chiffre, (m) Het cyffer , cyfferge- 
tal , verborgen fchrift (n) ; appren- 
dre le chiffre, fife cyffer-konft leeren-, 
écrire des lettres en chiffre, brie- 
ven in cyffer fchryven ; chiffre , 
naamtrek ; un zéro en chiffre, een 
nul in cyffer , een menfch die noch goed 
noch quaad doen kan. 

Chiffrer, (v. a.) Cyffer en. 

Chiffreur, (m) Reken-nteejier, cyf- 
feraar , een die in de cyffer-konfï er- 
varen is. 

Chignon, (m) De nek; donner 
un coup de bâton fur le chignon 
du cou, een fiok-flag in de nek gce- 
ven. 

Chimagrée , ( f ) Een ztmr , mor- 
rig gezigt (n). 

Chimère , ( f ) Herffenfchim , îe de- 
le inbeelding ; vercierd gedrogt^byDich- 
ters). 

Chimérique , (adj .) l^ercierd , ver- 
dicht , iedel. 

Chimériquement , (adv.) Inge- 
beelder wyze. 

Chimérifer, (v. n.)-^^'^ niet hers- 
fen-fchimmen ophouden j (beter fe re- 
paitre de chimères}. 

Cl»v 



cm. CHL. CHO. 

Chîna-china, ( f ) Kiiia'kinaf(ze- 
krre ba/l tegen de koorts). 

Chinfreneau , (m) Hardejlag ofjloot 
in 't aangezicht of op ket hoofJ. 

Chinquer, (v. n.) Zuipen y zivel- 
gen {gem. w.). 

Clr ournie , ( f ) Galei geboefte (n) y 
roei-bankcn van een galet. 

Chipoter , (v. a.J {ge^^' î^«) P^^~ 
zrlcn , knabbelen > zeer naauw dingen ; 
talwen ; hairklooven. 

Chipocier , (rn) Peuzelaar y knib- 
belaar \ krakt cider. 

Chippage, (m) Bereiding mn klei- 
ne vellen (f). 

Chipper , (v. a.) Chipper les 
peaux , kleine vellen bereiden. 

Chique, (f) Knikker (ra) daar de 
kinderen mede fpeelen ; klein ko ff y bak- 
je ifc hot eitje. 

Chiquenaude, {î) ^Een kni;^ met 
de vinger (m). 

Chiquet , (m) Klein gedeelte van 
ket geheel (n)j il m'a payé chiquet 
à chiquet , by beeft my van beetje 
tot beetje betaald. 

Chiragre, (m)Een jigttge aanban- 
den en voeten; de jigt zelfs. 

Chirographaire , (nj) Crediteur 
dieflegts een bloot handjchrift heeft, 
(lees Kirographaire). 

Chiromancie, (f) Handwaarzeg- 
gery , (lees Ki). 

Chiromancien , ienne (m. & f.) 
Een hand-kyker, kykfïer y (lees Ki). 

Chiron , (m) De Schutter , (een der 
12 Hemel s-tek.). 

Chirurgical , aie (adj.) Opérations 
chirurgicales , xvondbeelers werkin- 
gen. 

Chirurgie , (£) De HeeUkonfl. 

Chirurgien, (m) Een ïVond-beeler, 
heel-meefier. 

Chirurgique, (adj.) Het geen de 
Heel-kunde aangaat. 

Chiure, (f) l^liegen-drek', vlooi- 
Jcheet (m). 

Chloris, (f) Bloem-godinne. 

Choc , (m) Stoot , hort ; il Ie ren- 
verfa d 'un choc , by wierp hem met ee- 
nenfÏQOt wderdevoef, foutenir Ie pre- 
mier choc 5 de eerjie aanval weer- 
Jiaan. 

Chocaillon , ( £)Eft2e. dronke toddf. 



CHO. 127 

Ch ocoUt, (m) Chocolaat (£). 

Chocolatier , (m) Een Chocoïaat- 
maaker , verkooper , fchenker. 

Chocolatière, (f) Een Chocolaat 
kan ; cbocolaat-verkoopfler. 

Chœur , (m) Het choor , koor (n) 9 
plaats daar de zangers in de R. kerk 
zitten (f), (lees coeur). 

Choir, (V. a.) Italien y neerjior- 
ten. 

Choifir, (v. a.) Kiezen, verkiezen ^ 
uitkiezen f uitleezen. 

Choix, (m) Keuze, keur, verkie- 
zing ( f). 

Chommable, (adj.) Jours chom- 
mables , vier- dagen , feejï-dagen. 

Chommage, (m) kiering (f) , hei" 
Itgen - dag , maandag ( by werkUe* 
den). 

Chommer , (v. a.) Een feefl-dag 
vieren ; ledig zitten ; maandag houden 
(by ambachtS'l.). 

Chopine, (f) Een mutsje, half 
pint je (n) ; boire chopine , braaf 
drinken- 

Chopiner, (v. n.) Lujïig zuipen, 

Chopinette , ( £)Deink-fchaal( f) ; 
Pomp-emmertj^ (n). 

Choppemênt, (m) ^at:fJoottf7ge(£) 
(zelden gebr.) 

Chopper, (v. n.) Ergens tegenjloo- 
ten , {zelden g eb r . ) . 

Choquant, ante (adj,) ^anflootetyk^ 
beledigend , bitzig. 

Choqué, ée (adj.) Gejïooten, enz. 

Choquer , (v. a.) Stooten, beledig 
gen, ergeren, aav.grypen y choquer 
les verres, met de glvazen klinken; 
fans choquer que.'cun yZonderiemand 
te holed'igcn; cela choque la bien- 
féance , dat fîryd tegen de betamelyk, 
beid', cela choque Ja vue & l'oreil- 
le , dat quetfl het ocg en het oor. 

ChoraciK ,(m. pi.) Cboor- ofkoor-ksn^ 
deren , (de ïfîefyllabe word ko uîtee-- 
fproken). 

Chorégraphie , ( f ) Konfî om de» 
dans a f te micten. 

Chorévêque , (m) Een ricariust 
Opper-veld-PrieJJer, (lees Ko). 

Chorifte , (m) Koor-zanserL (lees 
Ko). * " ^ 

Chorographie, (f; Land^befcbrv^ 
ving , ihes Ko], 



128 CHO. CHR. 

Chorographiqae , (adj.) Dat de 

hand-befchryving aangaat, {lees Ko). 

Chorus, (ra) Faire chorns, cboot' 
of koor houden , belder zingen , {lees 
Ko). 

Chofe , ( f) Een zaak , daad { f) , 
ding (n); quelque choie , iets -.quci- 
^"ne chole de beau, iets moois -.men 
zegd ook chofe {ding) , ivamner men 
zig de tuiam lan iets niet kun te bin- 
nen brengen ; j 'ai parlé à chole , ik heb 
dings gefpraoken. 

Chou , (w) Koo/ ( f) ; jeune /:hou , 
jonge kool-, fprttitcn; choux blancs^ 
frilez , cabus rouges, de lavoie , 
fleurs , verts , fdlès, witte , kru!,JJuit, 
roode , favoy , bloem , boere-kool zuur- 
kool; chou pour chou , lood om oud- 
yzer; je n'en donnerai -çs^s un 
tronc de chou , ik zou 'er geen pyp 
tabak voor geeven-, il en fera fcs 
choux gras, hy zal 'er l'et van fop- 
pen, zyn fortuin by maakeny^oMiX re- 
venir à nos choux , om weder tot 
onze zaak te komen (fpr. iv.). 

Choucas , (m) Tamme kraai. 

Chouette, (f) Steen-uil, kerk-uil 
(m). 

Chou-fleur, (tn) Bloem-kool, (zie 
chou). 

ChQuqaet, (m) Ezels-hoofd (p), 
Jchecps-blok {zee iv.). 

Chouffet , (m) '/Lekere drank die de 
"Turken ma aki- n. 

Choyer , (v. a.) Iemand zeer ont- 
zien, myden, of groot ontzag voor ie- 
mand hebben ; ie choyer , zig wach- 
ten f hoeden , in acht neemen. 

NB. l^an de woorden die met 
Chr. beginnen word de letter 
h niet uitgefprooken. 

Chrême , (m) Heilige olie (m) ; het 
vormzel (u) m de K. kerk gebr.). 

Chrêraeau, (m) Mutsje dat men\de 
kinderen , na dat zy het vormzel ont- 
fanzen hebben, opzet (n). 

Chrétien, ne (m. & f .) Een Chris- 
ten , Cbnjiinne. 

Chrétien, ne (adj.) Cbrifielyk , 
Chrijlelyke; parler chrétien , {dat is 
parier François) franjcb fpreeken. 

Chrétiennement, (adv.) Chrifetyk. 

Chrétienté , ( f) Chrifienbeid ( f ) , 
Chnjiendom (n). 



CHR, 

Chrismation, (f) Toediemng ^an 
't vormzel {in de R. kerk). 

Christ, (m) Christus j als /er 
jEsüs byjïaat leeft men Kri , en niet 
Chrift. 

Chriftianifer,(v. aO Tot eenchris" 
ten maaken. 

Christianisme , (m) Het Chrifïen- 
dom (n). Chnflen Godtsctienfl. 

Chromatique, fadj.) Chant chro- 
matique , zang die uit veele halve no- 
t-en befiaat. 

Chronique , (f) Tyds - hefchry- 
ving, kronyk ( f ) > najpraak , uit' 
frooifel ; chronique fcandaleufe, 
quaad gerucht ; les livres "des chro- 
niques, de boeken der chronyken. 

Chronique, (adj.) Maladie chro- 
nique , lüngduurige ziekte^ 

Chroniqueur , (m) Jaar-boek-' 
fchryver. 

Chronographe , (m) Tyd-rekenaar. 

Chronographie , (f) Tyd-reken- 
kunde. 

Chronologie, (f) Tyd-rekening, 

Chronologique , (adj.) Het geen 
de tyd-rekenin^ aangaat ; tables chro- 
nologiques , tyd-reken- kundige ta- 
felen. 

Chronologifte , (m) Tyd-reken- 
kundige. 

Chronologue , (m) Tyd-befchryver , 
{oud w.) 

Chronomètre , (m) Wiskunflîg 
werktuig om de tyd te meeten (n). 

Chry'focüUe , (f) Zeker edel ge- 
fieente (n). 

Chryfolite ,{m) Zekere goud-glan- 
fige Jaspis-Jleen. 

Chryfopée, (.f) Y^onfi om goud te 
te maaken. 

Chu , ue ( adj. ) Gevallen. 

Chuchoter , (v. n.) In 't oor luis^ 
teren , fee zi ken. 

Chuchoterie, (f) Heimelyk gt 
fprek (n). 

Chuchoteur, eufe (na. & f.) Fee- 
ziker , heimelyke praat er- , praatfier. 

Chut! :interj.)Sö5 ,fiil ,wees fiil ! 

Chute (f) Een val (m); chute 
d'Adam , de val van Adam j la chute 
de l'Empire Romaine , de onder- 
gang des Roomfchen Ryks; chiite d'u- 
ne periode , 't einde eetier rede, 

Chy- 



CH7.Cî:CIB.CIC.&c. 

Chyie . (m) Gyl { f) , maag-zap 
(n) , dat hpt bloed veroorzaakt. 
• Chyiification , ( f) Gyt-verwek- 

Chymie,(f4 De Jlook-kunde , JJof- 
fchei- kunde , Jchei-konjl. 

Chymique , (adj.;'^ Geen daar toe 
behoord. 

Chymifte, (m) Een f.of-jchct-kun- 
dige. 

Qi'i (adv.) Hier; eet horm:7e ei, 
deeze^ man; celui ei, eeux ei, eel- 
Je ei 7 eelles ei, deeze ; oX-^^xH ^ 
hier na; ei- contre ,/;/>r tegen orvr ; 
ci-delTus, hier boven; ei-deflbus , 
hieronder; ci-devant , voor dezen ^ 
voormaals. 

Ciboire , (ro) Öuxvel - hoflie of 
ciborie kaftje (n) 

Ciboule, (f) Bieslook. 

Ciboulette , <J) Jonge bieslook. 

Cicatrice , ( f) Een lid-teken (n). 

Cicatricule, (f) Lid-teekemje{n) 

Cicatrifant,(adj.) Met een lid-tee- 
ken heelende. 

Cicatrifatif, ive (adj.) Dat met 
ten lid-teeken heeld. 

Cicatrifer, (v. a.) Eene wonde met 
een lid~teeken heelen ; fe cicatrifer , 
(v. r.) zyne kleéren fcheuren (figuurl.). 
. Cicero j {va.)Soort van Druk-letter 
tuffchen klein Romein en^ugujlyn( £). 
^ Cicerole, (f> Kleine erweet , fts- 
fer. 
. Cicognat > (m) Jong van een Oje^ 
vaar (n), (Cicogneau ts meer in ge- 
bruik). 

Cicogne, (f) Ojevaar (m); con- 
tes de la cicogne, oudg vuyfs ver- 
tellingen. 

Cidre, (m) Jppet-dranky cider. 

Ciel, (m) Hemel, lucbtjlreek; Ie 
ciel efl: beau > ferein , de lucht is 
klaar y helder; Ie ciel fe hauffe , de 
lucht klaart op {zee w.)j cl^lyhetbo- 
venjle van een fchildery (by Schild.) ; 
ciel de lit, gehemelte eener bedflee- 
de ; {van deeze 2 woorden is het plur. 
ciels en niet cieux)> remuer ciel & 
terre contre quelcan , alle krachten 
tegens iemand infpannen. 

Cierge , (^u) Een was-kaers ( f). 

Cicrger, {m) Was-Ucht-maaker oj 
verkoopgr» 



/CIG. CIL. CIM. cm. 129 

Cigale, (f) Een fprinkhaan; Jla-^ 
pel ; een pcjï {zeker rivier-vtfch) (m). 

Cigne , ^m; {Zie Cygne). 

Cigogne, (f) Een Ojevaar (m), 
{beter Cicogne). 

Cigue, )i) Dolle kervel ,fcheerling 
{zeker vergiftige plant die SccratesgC' 
bruikte toen h\.> jierven moejl). 

Cil , (m) Hatr de.r oogleden, 

CiliaJre, (adj.) Ligament ciliai- 
re , de band der oogen die het h-tfal- 
lyr.e vngt bevat. 

Cilice, (m) Een hairen-kleed {v\), 

Cilindre, (m) {Zie Cylindre). 

Cillement, (m) Blikking der oogen 

Ciller, (v. a. & n.) Blikken met 
de oogen ;graauwe oog-traauwen beko" 
men {van Paerden gezegd). 

Cimagrées ou Simagrées, (f. pi.) 
Grillen , f rat zen , mislyke gebaar- 
den. 

Cimaife (f) {Zie Cymaife), 

Cimarre , (f) Een Samaar. 

Cimbale , ( f) {Zie Cymbale), 

Cime , ( f) De top , kruin (m) , hei 
toppunt (n) van een gebouw , berg enz» 

Cimenr, (ra) Tarras , tras (m)? 
ciment, cement van rood gebakkeu 
fleen {by Goud f mit s gebr.) ; la verta 
eft Ie vrai ciment de l'amitié, dû 
deugd is de ivaare band der vriend^ 
fchap ; une affaire faite à chaux &: 
à ciment , een zaak die bondig en 
voji is. 

Cimenter, (v. a.) Met tarras be^ 
leggen, metzelen ; cimenter rami- 
tié , de vriendfchap bondig > fierk 
maaken. 

Cimentier, (m) TarraS'Verkooper» 

Cimeterre, (m) Een jlag-zwaarà 
(n) , Turkfche zabel (m). 

Cimetière , (m) Kerkhof (n) 5 pîaats 
daar veel- volk fneuveld (f). 

Cimier, (m) Biljluk van een Os ^ 
Hert , enz. betmjiuk boven aan een ww 
pen (n)«; ■ , . 

Cinabre , (m) VermilUoen {verf). 

Cincenelle , ( f ) Paardelyn voor 
fcbuiten. 

Cmefaftion ou cinergtlon, (f) 
Tot afchmaaking {in Chyrh.\ 

Cinglage , (m) Loop van een Schip 
in een etjn^Ml of 2^ uuren t 

l (Jin- 



130 CIN. CIP. CIR. 

Cingleau , (m) ócbiet-loof (n) , (/» 
Bûttu'k.) 

Cingler, (v. n.) Zeden; met yol- 
ie zeilen vaaren ; wakker upwaaijen ; 
met een zweep of teen feitfchen-,Jlaau. 

Cinnaraome, (m) Kaueel-boom. 

Cinq, (adj.) /^y/; cinq fois, vyf 
maal; Louïs cinq, Lodeivyk de vyj- 
de-y un cinq en chiffre , mî vyf tu 'p 
cyffer-getal. _ 

Cinquantaine, (f) Een vyftjg-tal 
(n)- 

Cinquante, (adj.) f^yftig. 

Cinquantenier , (m) Bevelhebber 

ever vyftig. 

Cinquantième, (adj. & fubft.) De 
vyfiigjle; 't vyfiig/îe deeL 

Cinquenelie , ( f ) Tomv dat by bes 
gefchiit gebruikt word. 

Cinquième , (adj. & fubfl.) De 
'Vyfde-, 't vyfde deel; en cinquième 
lieu-, ten vyf Jen. 

Cinquiémement,(adv.) Ten vyfden. 

Cintrage , (m) Touw om te binden^ 
of HA gorden (n) {zee w.). 

C'incre , (ra) Een boog (m) , ge- 
welf, houtwerk waar over een gewelf 
gemaakt word (n). 

Cintré, ée (adj.) Met een gewelf 
gemaakt. 

Cintrer , (v. a.) Overwelven , boogs- 
wyze maaken. 

Cion. {Zie Selon). 

Cippe, (m) Gedenk'Zuil (f). 

Cirage , (m) Laarzen- of fchoen- 
Jmeer (n). 

Circoncire , (v. a.) Befnyden. . 

Circoncis, (adj.) Befneeden; les 
circoncis, de befneedene , {Jood. of 
Mahom.). 

Circoncifeur, (m) Bsfnyder. 

Circonciflon, (f) Befnydenis, be- 
fnydin^. 

Circonférence, {£) Omtrek, ron- 
de omloop (m). 

Circonflexe, (adj.) Accent cir- 
conflexe (A) , omgeboogen geluidtee- 
ken. 

Circonlocution , (f) Omfpraak, 
ivydluftigheid. 

Circoafcription , (f) Omfchryving; 
depaaling. 

Circonfçrire , (v. a.) Omfchryven^ 
tmtrekken binnen zyne grenzen^ 



CIR. CIS. 

Circonfcrit, ite, (adj.) Bepaald, 
in eene kring beflooten. 

Circonfpeft , eue (adj.) Omzig- 
fig, wys. 

Circonfpeftion , (f) Voorzigtig- 
heid; agir avec circonfpeftion, wjé"/ 
omzigtigbeid te werk gaan. 

Circonflance , (f) Omjlandigheid 
(f); 't aankleeven (n) eener zaak. 

Circonilancier , (v. a.) De om- 
fïandigheden van eene zaak ver haa- 
ien. 

Circonvallation , ( f) Omfchans- 
fing. 

Circonvenir, (v. a.) Bedriegen, 
misleiden^ betrekken., {in Rechten). 

Circonvention , ( f) Bedrog (n) , 
betrekking (f). 

Circonvoifin, ine (adj.) iVfli««- 
rig y omleggend. 

Circonvolution, (f) Omloop, om- 
wenteling der Planeeten, 

Circuit, (f) Omtrek; circuit de 
paroles, omweg van woorden. 

Circulaire, (adj.) Lettres circu- 
laires , rondlopende brieven. 

Circulaireraent, (adv.) In 't ron- 
de , rondlopend. 

Circulateur, {mjOmzwerver , land- 
loper. 

Circulation , (f) Omloop; rou- 
leering (f). 

Circulatoire, (adj.)Vaifleatt cir- 
culatoire , een vat dienende tot het 
dikivils overbaalen van eenig vogt , 
{in Chym.). 

Circuler, (v. n.) Omkopen; roa- 
leeren. 

Cire, (f) IVafch ofwa:; lak (n). 

Ciré, ée (adj.) De la toile ci- 
rée , gewafcht linnen. 

Cirer , (v.a.) Met wafch bejlryken. 

Cirier , (m) Een wafch- of wafch- 
lichv maaker of verkooper. 

Ciroëne , (m) Een pleijl^r die men- 
op eene kneuzing legt. 

Ciron, (m) 'Een ziertje, een klein 
wormtje tujfcben vel en vleefch kor 
mende (n). 

Cirque , (m) Renperk der oude Ro- 
meinen (n). ', , ^ 

Cirure, (f) Wafch-fmeerfel (n). 

Cifaillement, (m)Hetfnyden,gra- 



veeren (n), 



Cifail' 



CIS. CIT. CIV. 

(Tirailler, (v. a.) Met een groote 
fchaar fnyden , Joorkfiifptn. 

Cifailles , (t\ pi.) Groote fchaar 
om blik enz. meê te fnyden; item af- 
vul , affr.ydzel. 

Cifeau , (m) Een beitel (m) , gra- 
veer-yz^r (n). 

Cifeaux, (m. pi.) Een fchaar (f). 

Cifeler , (v. a.) Uitjleeken met een 
heitel , graveeren. 

Cifelec, (mj Beiteltje (n). 

Cifeleur, (m) Graveerder, uit- 
fnyder. 

, Cifcflure, (f) Snywcrk (n), gra- 
veering ( f). . 

Cifüir, (m) Goudfmits fchaar (£). 

Ciflbïde , (f) Kromme linies (in 
Meetk.) 

Citadelle, (f) Kapel {T\)y Ves- 
ting (f). 

Citadin, ine (m. & f.) Burger', 
burgcreffe , voornamentlyk in ital. 
Jiceden. 

Cication, (f) Dagvaarding', aan- 
haalÏKg van eenig text enz. 

Cité, (f) La fainte cité, de hei- 
lige fïadt. 

Citer , (v. a.) Dagvaarden voor 't 
gericht (aSxgnar) ; eenig fchryver aan- 
baaien (alléguer). 

Citérieur, eure (adj.) ^an de'ize 
Zyde leggende. 

Citerne , ( f) Een regen-bak , regen- 
put {va). 

Cicerneau, (m) Kleine water-bak. 

Citoyen, enne (n:. 6c f.) Stede- 
fttig 1 Burger; Burgtreffe. 

Citrin , ine (adj.) Citroen-kleurig, 

Citron, (m) Een citroen (f). 

Citronnât, (m) Citroen fnipprrs. 

Citronné, ée (adj.) Met citroenen 
toegemaakt. 

Citronnelle, (f) C/Vro^w-liqueur. 

Citronnier , Cm) Citroen-boom. 

Citrouille , ( f) Een pompoen. 

Civadiere, (f) De blinde, zeil 
van de koegfpriet. 

Cive , (f) Bies-look. 

Civé. (m) Een Hazen Ragovt. 

Civette, (f) Civet-kat; muikus; 
bies-look tot falaad. 

Civière, (f) Burrie, draagbaar. 

Civil, ile (adj.) Burgerlyk; be- 
leefd; droit civil , burger-recht. 



CIV. CLA. 13Î 

Civilement, (adv.) Burgerlyk ; be^ 
leefdelyk. 
Civilifé, ée (adj.) Befcbaafd, be^ 

f c hei den. 

Civilifer, (v. a.) Beleejd maaken y 
befchaaven; eene f.rafwaardige zaak 
in eene burger lyke veranderen , {in 
Rechten). 

Civilité, (f) Beleefdheid i ivelge^ 
manierdheid; civilitez , {f.pl.)pltgt~ 
pltegingen ; faites lui mes civilitez, 
doed hem myne gebiedenis ; recevoir 
quelcun avec beaucoup de civilité, 
iemand zeer minzaam ontfangen. 

Civique, (adj.) Couronne civi- 
que, krans van eike loof., (eert y ds 
door de Romeinen gefchonken aan een 
burger die een medeburger zyn leeven 
geredhad). 

Ciabaud, (m) Brak met lange han^ 
gende ooren, of Jagt-hond , die ge- 
jïadig en te v.'rgeeffch op het fpoof 
jouxvd of haf f ; item een lob-oor , /ow- 
pe vleegel ; votre chapeau fait le 
ciabaud , uw' hoed hangt met den 
rand neer. 

Clabaudage, (m) Gefchreeuiv, ge-* 
jouw van vee Ie honden (n). 

Clabauder, (v. n.) Blaffen, jan- 
ken ; item tieren , fchreeuwen , geraas 
maaken ; iemands eere verkleinen, 

Clabauderie, (f) Gefchreeuw, ge- 
jouw , getier , geblaf (n). 

Clabaudeur, eufe (m.&f.) La/liga 
fchrecuwer , fchreeuwfier» 

Claie, (f) Eene teene horde om 
vrugten op te droogen; trainer fur la 
claie , op de horde fleepen ; claies , 
(pi.'; horden tot etn fcbaaps-kooi m 't 
veld. 

Clair, aire (adj.) Klaar, helder -, 
duidelyk ; une chambre claire , een 
verlichte kamer; vue cWire , eenklaar 
gezigt; ce bouillon eft trop clair, 
dat nat is te dun; deniers clairs, ^é"- 
reede penningen; étoffe claire, dun- 
ne , yle poffe ; cheveux clairs, dun 
hair; cela eft clair, dat is middag- 
klaar; il eft clair que &c. het blykt 
dat enz. 

Clair, (m) Scbyn (f), licht (n); 
clair de lune , de maane-fchyn ; il fait 
àê]3ic]siir, het is al dag; clair obfcur, 
het dage» €» fchaduweneënerfchildery, 
i - CUir, 



t^ CLA. 

Clair, (adv.) Klaarlyk; duiJelyk; 
chanter clair, helder zingen y voir 
clair , fcherp zienyem fcherp •vprjïand 
btbbcn i tirer à clair , ovenappen , 
kl aar en. 

Clairement , (adv.) Klaarlyk , dui- 
delyh 

Caire-foudure, (f) Soldeer -tin 
(n). 

Clairet, ette (adj.) Ligt- of bleek- 
rood; vin ciairec , bleeke rooJe wyn. 
C.airetce, ^f; Kerjen-braniezvyn 
(m). 

Clairettes, (f. pi.) Nonm^n dus ge- 
naamd. 

Ci ai re- voie , ' f) Al te groote ruim- 
te tujfchcn balken , boomen of tuin- 
Jjedden-, porte à claire voie, tralie 
deur. 

Clairière, ( f) Onbeplante of dunne 
plaats, in een bofi^b» 
/ Ciairon , (ir.) Klaroen (fpeeHuig) ; 
Kornet- reg ijler op een orgel (n), 

Clair-femé ,ée {iidi,) Dun gezaaid; 
ifig') zeldzaam , raar ; l'argent eft 
elair-femé , het geld is raar. 

Clair-voyance, {î) Door dringend- 
heid , fcherpzinnigbeid. 

Clair-voyant. ante (adj.) Scherp- 
ziende ; efpric clair-voyant , een 
doordringend ver/land. 

Clameur, (m) Geroep ,gefchreeuiv f 
geklaç; (m). 

Clamp OU clan , (m) Een houte 
klamp , boljhr , of klos (in fcbeepsb.). 

Clampoiinier, (m) Een paerd met 
dttnne en lange fchcnkels (n). 

Clan, (m) Een houte kegge (f). 
. Clandeftin , ine (adj.) Heimelyk 
verborgen; mariage clandeftin , hu- 
ivelyk dat onder den duim gefchied. 

Clandeflinement, (adv.) Co eene 
beimelyke wyze , in 't geniep , ter 
fmutk of fmuig» 

Clandeftinité, (f) Gebeimheid, 
verhoolenheid. 

Ciapet , (m) Klepie van een pomp (n). 
Clapier, (tn) Een tam könyn ; ko- 
nynen hok of hol (n) 

CIapir,"(v. n.) Le lapin clapit , 
bet konyn fiipt. . 

Claponnier. (.^:e Clamponnier). 
Claque (f) fur les feiFes , »en 
flagf klap (m) op de bille ik 



CLA. 

Claquedent, (m) Bedelaar ^fchoa- 

jer , (gem. iv.) 

Claquement , (ra) Geklap (n) j cla- 
quement des dents, klopper-tanding 

(f). 

Claquemurer, (v. a.) OpJJuiten;Ce 
claquemurer, (v. r.) zig op/iuiten, 
(hoert, w.) 

Claque-oreiile, (m) Neérhangenr 
de hoed-, [gem. %v.) 

Claquer , (v. n.) Klappen, geklap 
maaken; fiire bien claquer fon 
fouec , (fpr. iv.) een groot gerucht in 
de waereld maaken -, claquer des 
mains, des deuls yjn de handen klap' 
pen yklarper-tanden ; c'aquer les fes- 
ies ^kLpyen op de biikn geeven. 
Claquet. (Zie CJiquet). 
Ciaqueter, (v.n.) Schreeuwen als 
een fpririkhaan. 
Clarification, (f) Klaar maakingi' 
Clarifier, (v. a.) Klajr maaken , 
klaaren; fe clarifier, (v. r.) klaar 
•worden , (van z'ogten gr ze d). 

Clarine, (f) Klein belletje aan den 
hals der kseijen in een hofch (n). 

Clarine, (adj.) Word van^ diereu 
gezegd , die een klokje of fchelletje 
draagen ,(in IFapenk.) 

Clariffe , (f) Zekere Nonne dut 
genaamd. 

Clariiïïme ,rfubft.&acj.) Eer-tytet 
voor een zeer beroemd of geleerd man» 
Clarté, (f) Klaarheid, helderheid 
(f); licht, fchynzd (n); lire à la 
clarté de la lune, in den maane- 
fchyit Ipezen ; faire apporter de la 
clarté , licht doen brengen ; clarcé dé 
ftyle , zuiverheid van Jlyl ; clarté de.' 
teint, helderheid van kleur. 

Clas, (m) (lees elk) Het luiden der 
klokken , wanneer iemand gejïorven 
is (n). 

ClafTe , ( f ) Orde ( f ) , aanzren (n) , 
Klas> les balTes, les hautes clas- 
fes, de laag e , de hooge fchoohn; c'ell 
un auteur" de la premier^ clafTe, 
het is een der brjïe fchryvers; divi- 
fer en fix clalTes , in zes deelen ver- 
deelcn-, durant mes clâlTes, geduu- 
rende wv" fhool-tyd. 

Claflique , (adj.) Auteurs claflï- 
ques , fchryvers die in de lat, fchool 
vertaald worden , zyn dus genaamd. 

Ciâ- 



CLA. CLE. 

C'atîr. [Zie Claar). 

Clavaire , (m) iiewaarder drr Do- 
cumencen {in Kerit-k.). 

Ciawau , (m) Knobbel (m) ,fchurff 
(n), {zekere ziekte Jir Schaaken). 

Claveaux, (m. pi.) Bind-jhenen , 
hincf-Jîukken , (tn Bomvk.). 

C tavelée , ée (adj.) Geknobbeld ^ 
Jçburttig-y kettrrfch. 

Clavelée , ( f ; Schvrff der Schaa- 
pen. {Zie Claveau). 

Claveflïn , (m) Klavecimbel, kla- 
vier (f), 

Clavette , ( f) Fene fpie. 
^ Clavicule , ( f) Het Jleutel- of borjl- 
heen {in Ontleedk.) (n). 

Clavier, (tn) SUutel-ring', feutel- 
àraager ; klavier van een orgel enz . 

Claufe , ( f ) Beding , vooivcaarde , 
bepaaling , claufule in een contraft , 
tejlament enz. 

Claufoir j (m) Shiit-Jleen eener 
muur. 

Clauftral, aie (adj.) Kloojïerlyk. 

Claye. {Zie Claie). 

Clayon, (m) Een kaas-korf. 

Glayonnage, (m) Gezlogten rys- 
iverk , teen-werk, horden-irerk (n). 

Cléché, ée {a.d}.)Sleutel-rings K-y- 
ze {in fFapenk.). 

Clef, {lees clé) ( f) Sleutel; jl eut el 
van een land ; fluit fieen van een ver- 
wulf; muziek fleutel (m) ; flem-ka- 
mertje {n) -ffleutel van een gefchrift ; 
de trekker (m) , veer (f) van een 
f naphaan -y flot-yzer (n) of bout onder' 
aan een mafl (m) ; fauffe clef, nage- 
maakte fleutel , een loop er y clef for- 
cée ou fauffée , verdraaide fleutel; 
jetter la clef fur la fufle , den fleu- 
iel op het graf leggen, eene nalaten- 
fchaf) vaaren laaten; puilTance des 
clefs , de magt der flcutels { m de 
kerk); clef à vis, /e *ro^/-y2f>r;_ clef 
de violon, viool pinnet je i avoir la 
clef des champs, voile vryheid ge- 
nieten. 

Clémence > ( f ) Goedheid , genade , 
goeder t i er endheid. 

Clement , ente (adj.) Coedertie- 
rend , zagtmoedig. 

CJenciie , (f) Klink van een deur. 

Clepfydie, (f) fVanr-mr-glas , 



CLE. CLL 13:) 

Clëragre , ( t ) Ziekte in de wieken 
der Rotfvogfls. 

Clerc, {ns){lees cler) Een geeflelyk 
perfoon ; een fchryver , kUrk by een 
Ntitaris) pas de clerc, een miszag. 

Clergé, (m) De geeflelykhcid (f). 

Clérical , aie (adj.J Geefielyk ,pnes^ 
terlyk. 

Cléricalemcnt, (ady.) Op de wyze 
van geefielyk e. 

C lé n c ature , ( f ) Geeflelyke fland, 

Client, ente {m. ik f.) Ou par- 
tie , eene die zyiie zaak (pleidooi) 
aan een Advocaat toevertrouwd ^ ecu 
c\\Qx\^ y party . 

Cli^-ntelle, (f) Befchutïing, bc 
fchermiKg. 

Clif ire, (f) Een fpuit van vlie-' 
ren hout. 

Clignement , {m\ Blikkwg der 
oogrn (f). 

Cligne-mufTetteou climufTette, (f) 
Schuileivinkje {zeker kinderfpel). 

Cligner, (v. a.) Blikken^ knip- 
oogen. 

Clignotement ,(m) Geduurtgeblik- 
khig der oogen { f)" 

Clignoter, (v, n ) Gefladig blik-' 
ken met de oogen» 

Ciimadérrque , fadj.) Année cli- 
raaftérique , geiaarlyk jaar , ( hier 
door verflaat men ieder ide jaar net 
iemands geboorte). 
C\ïm^t^{m)Lucht-fireek{S);gewefï (n). 
Clin, (m) En un clin d'œil, îti 
een oogenbltk. 

Clincaille , (f) Kraamery , fnuit- 
zery ian koper , yzer , enz. j kopere^ 
munt. 

Clinoailler ou quincailler, (m) 
Tzer-kooper , of fnuitzery-vérkooper. 

Clincaillerie , (f) Koopmanfchap 
in yzer-werk. {Zte Clincaille). 

( linche , ( f ) tiet JJukje yzerwacm 
meê men de klink eener deur opligt» 

Cîinquaille, {Zie Clincaille). 

Clinquant , (m) Klater-goud-of zil- 
ver {x\); allerhande klinkende waar\ 
valfche fchyn , woorden-klank {£). 

Clique , ( f ) Bende { f ) , rot (n) j ils 
font de la même clique , zy zyn 
van eenerîey aart , van dezelve bende» 

Cliquet ou claquet, (m) Klepper^ 

.onrtifl tn cm m^Qten-, ià l«ogae vj 

1 2 cofi&= 



134 CLT. CLO. 

comme un cliquecde moulin ,haar 
tong gaat als een Lazarus klep , 
{Jpr. w.) 

Cliqueter, (v. n.) Klappen, klet- 
teren. 

Cliquetis, (m) Geraas (n) , klet- 
tert ng (f) der wapenen. 

Cliquette, (f) Jouer des cli- 
quettes , op de klap-beentjfs fpeelen j 
cliquettes de ladre , lazarus klep- 

Cliqueur , (m) Een morvegter ; 
guit , plug. 

Clifle, (f) Eene horde van teen 
gemaakt -, fcbeen offpalk (by Wondh.) 

Clifler, (v. a.) Met horden 'voor- 
zien ; f palken* 

Cliver, (v. a.) Cliver un dia- 
mant , een diamant klooven. 

Cloaque , ( f) Een riool (n) , wa- 
ter-hop (m); een vuil Jïinkend menfch 
(n). 

Cloche, (f) Een klok; jloof-pan; 
glaaze tuin-klok; fonner les cloches, 
de klokken luiden j baptifer une 
cloche, eene klok inivyden-, fondeur 
de cloches, een klok.gieïer\ cloche 
fur la premiere peau , blaasje op 
de boven huid; il eft temps de fon- 
dre la cloche , het word tyd om van 
deze zaak een einde te maaken {Jpr. w.)-, 
être étonné comme un fondeur de 
cloche , jlaan of men bctooverd was j 
faire fonner la grofie cloche, aan 
de groote kick trekken , den meejler 
doen fpreeken ', cloche de hyacinthe, 
kelk van een hiacinth-bhem. 

Cloché, ée (adj.) Melon cloché, 
meloen die onder een klok ryp gewor- 
den is. 

Clocheman , (m) Klok-luider ; hel- 
hamel; fchaap dat de bel draagd. 

Clochement, (m) Hinking (f). 

A Clochepied , (adv.) Aller à 
^clochepied , op één been hinken. 

Clocher», (m) Klokken-toren (m) ; 
stem kerfpel (n). 

Clocher , (v. n.) Hinken j mank 

f aan; ces vers clochent, dat zyn 
veupele verzen; il ne faut pas clo- 
cher devant les boiteux, voor de 
geleerden is qiiaad te preeken. 

Clocheton^ (n-».) Klein torentje (n). 
Clochette, (f) Belletje, klokje 
{n)i khi-èloem (f). 



CLO. 

Cloifon, (f) ScLutzel (n) , hel- 
mng ; Jlot-plaat (f). 

Clüifonnage, (m) Schot-xverk (n). 

Cloifonné, ée (adj.) ^fgefchooten, 
afgeheind met planken of Jïaketzels. 

Cloître, (m) Een kloojler (n). 

Cloîtrer, (v. a.) Klotderen, in een 
kloojler zetten. 

Cloïtrier, (ro) Khojler-portier. 

Clopin', dopant, {gem. w.) Il 
vient clopin, clopant, hy komt at 
hinkende pink. : 

Clopiner, (v. n.) Hinke - pinken ^ 
als een jichtige. 

Cloporte, (ra) Pijfebed (zeker in- 
feâ). 

Ciorre , (v. a.) Sluiten; toemaa- 
ken; bemuuren; clorre un compte, 
een' rekening Jluiten. 

Clos, (m) Omheinde plaats (m) of 
land (n) j ring-vntur; hegge (£). 

Clos, ofe (adj.) To'egejlooten ; be^ 
Jlooten ; omheind': fi tot qu'il eut les 
yeux clos , zoo dra zyn oogen geloo- 
ken waren ; ce font lettres clofes, 
dat is een 'geheime zaak ; à yeux 
clos, met gpjlooten oogen; fe tenir 
clos & couvert, zig gpjlooten hou- 
den; combattre en champs clos, in 
een bejlooten veld vegten; ville clo- 
fe , eene beinuurde fiadt ; du drap 
clos & couvert , digt en gedekt la- 
ken; pâques cl oies, de ee^e zondag 
na paajfcben. 

Cloifeau , (m) Een boeren moes- 
■tuintje (n) . 

Cloferie , (f) Een kleine boeren^ 
hoof. 

ClofTement, (m) Het klokken van 
eene hen (n). 

ClolTer ou Glouffer, (v.n,) Klok- 
ken , kakelen als eene hen. 

Clotoir , (m) Steeker , fleek-priem 
(m), (Mandemaakers werkt.) 

Clôture, (f) Heining, ring-muur; 
f,uiting eencr rekening. 

Cloturier , (m) Mandemaaker in 
grof w' er k. 

Clou , (m) Spyker , nagel; bloed- 
vin;\in clou chaiïe Tautre .(^pr. tv.) 
het eene doed het andere wyken iriver 
Ie clou à quelcun , (fpr.w.)iemanti 
net van pas de mond fnoeren. 

Clou de girofle , (m) Kruidnageh 
Clou* 



CLO. CLY. COA. &c. 

Cloucourde , (f) Zekere hleeke 

roode koren-bloem. 

Cloué, ée (adjO Gefpykrrd; être 
cloué, pal zitten , van zyn plaats 
niet komen. 

Clouer, (v. a.) ï^njï fpykeren. 

Clouere , ( f) Spykir aanbeeld (n). 

Clouter, (v. a.) Met kopnageltjes 
bezetten. 

Clouterie, (f) Spyker-maakery of 
handel. 

Cloutier, (m) Spyker-maakcr ofver- 
kooper. 

Clóutiere , ( f ) Zeker Jluk yzcr met 
gaat en by de fpyker-fmids . 

Clyftere, (m) Spuit-artzeny (f), 
een lavement (n). 

Co-accufé , (na) Mede hefchuldigde. 

Coaftif, ive (adj.) Pouvoir coac- 
tif , dwingende magt. 

Coadjuteur, trice , (m.& f.) Me- 
de-hulp , mede-helper 'f mede-belpjier, 

Coadjutorerie , ( f) ^mpt daar 
van (n). 

Coagis , (m) Een Comtniflïonair , 
dus genaamd in de Levant. 

Coagulation, (f; Stolling , Jirem- 
tntng. 

Coaguler, (v. a.) Stollen , dik wor- 
den , klo'nteren. 

Coaille, (f) De grofjJe vjol van 
een Schaap. 

Coailler , (v. n.) Met den Jïaart 
quifpelen , {Jagers w.) 

CoafTeraeni: , (ra) Gequaak der kik- 
vorfchen. 

CoalTer, (v. n.) Quaaken. 

Cobes, (f. pi.) Lceuwers oogen in 
't lyk (touzvtjes aan de zeilen daar 
meu andere doorhaald (fcbeeps iv.) 

Co-bourgeois, (m) Schips-rnede- 
reeder, Participant. 

Coc. {Zie Coq). 

Cocagne, (f) {word alleen dus 
gsb.)l?3LÏs de cocHgns yluilekkcr land. 

Cocarde ,{{)Een vt'derbofcb(m); 
Jlrikje (n). - 

Cocafle , (adj.) {gem. w.) Eigen- 
zinnig. 

Cocatrix, (m) Eenfoort van baft- 
liskus. 

Cöccigruës, {{. pi.) Conter des 
coccigruës, beiizelingen vertellen. 

Coccus; (m) Scharlaken-boom» 



COC. COD. COE. 135 

Coche, (m) Reis-koets {f), tent- 
fcbuit (m). 

Coche , ( f) Een' zeiige , zog, (truie) 
une vilaine coche , eene vuile zog « 

dik vet vrouivmenjch. 

Coche, (f) Keep i kerf in hout enz. 

Cochemar. {Zie Cauchemar). 

Cochenille , ( f) Konfenilje , (zeker 
ivormtje tot fcharlaken rood gebezigd). 

Cüchenilier, (v.a.) Met konfenil- 
je verwen. 

Cocber,^m) Een koetzier.^ 

Cocher, (v.a.) Le coq côche la 
poule , de baan treed de hen. 

Cochet, (m) Jon^ haantje (n). 

Cochevis, (m) ten kuif-hemicrik. 

Cochléaria, ou herbexBU cueillser , 
(m) Lepelblad (n). ' j 

Cochon, (m) £^« l'^erken-, cochon 
de lait, een fpeenverken. 

Cochonnée , ( f ) Eeii- vt;)rp jonge 
verkens, biggens. 

Cochonner , (v. n.) p'erkefis wer- 
pen , biggen. 

Cochonnerie , ( f) Vuiligheid , 
morffery. 

Cochonnet , (m) Klein verkerk] p; 
een tol let je met 12 zydcny item het 
merk of doel waar pa men met de 
kloot werpt. ,■ ^ 

Coco , (m) Rokös-mot (f). 

Cocon OU coucon , (m) Tonnetje 
van een zy-vaorm (n). 

Cocotier , (m) Kokos-boom. 

Co ft ion , (f) Kooking , ver douwing 
in de maag. 

Cocu , (m) Een hoorn -dr aager. 

Cocuagc , (m) Het hoorn-draager- 
fchap (n). 

Cocüfier , (v, a.) Tot eenen hoorn* 
draager maaken. 

Code , (m) Een IVet-hoek (n). 

Codicillaire , (adj.) Dat tot een 
codicil behoord. 

Codicille, ('m) Codicil, t7^Mi6^«5-. 
zei van een teftamcnt (n). 

Codille, (m) De zet die iemand y 
die de huofdfpeeler niet is ^ wint, {in 
't omber fpcl). 

Cü-donataire , (m. *& £.) Een dien 
iets nevens eenen anderen gefchonken 
word. 

Coëffe , ( f ) Vrouwen - muts -, kap 
van een hoed j het darm - vlies { in 

I 4 Ont' 



Ï3Ö COE. COF. 

f}ntleedk,)'y een helm daar zommîge 
kitnieren meè gehoor rn zvordcn. 

Coëïïé, ée {^d'i) Geka_pt igcmutj'î', 
il eft né coëffé , hy is tncf etn helm 
gebooren; il e\\ cuëiTé de cetce fil- 
le , hy is op dat meisie verliefd. 

Ccëffer, (v. à.) Bet hair opzetten^ 
coëffeeren; cette peru^ue, ce cha- 
peau vo'.is coëiTe bien, die paruik, 
die hoeJ Jlaat u zvei ; coëfrer une 
bouteille, een vies wel toejloppen; 
coëfFer , dronken muaken; fe coëffcr , 
{.v. r.) zig kappen y hullen; eenen roes 
drinken-, fe coëtrer de quelque ciio- 
fe , ergens meê ingenomen zyn. 

Coëffeur, eufe (m. & î.) Hatr op- 
zetter ; kapjier. 

Ccëffure, (f) Huïzp/ , kapzel (n). 

CoégaJ, aïe (adj.) Gelykwaardig , 
volkomen gelyk. 

Coërcitif, ive (adj.) Puiflance 
coërcitive, dwingende magt. 

Coercition , ( f } Overhe)ds dwang. 

Coéternel, elle (adj.) Gelyk eeu- 
ivig. 

Co-évêque, (m) Mede-bijfchop^ 

Cœur, (m) Het hart (m), maag 
( f) > {fig''*"^^') 't midden (n) • moed, 
kloekmoedigheid ( f) ; verjiand , gemoed 
(n), neiging (f), wil (m) , genegent - 
beid, l\efde (f.); Ie cœnr bat, pal- 
pite,' bei hart klopt; cela me fait 
foulever Ie cœur, dat doed my de 
macg opftygen , dat maakt my kwaa- 
lyk', manquer de cœur, moed ont- 
hreeken; prendre cœur, moed gry- 
fen; donner du cœur, moed gee- 
ven-, défaillance de cœur, bezwy- 
ming ; de bon cœur , van goeder 
harten-, apprendre par cœur, van 
luiten leeren i prendre une chofe à 
cœur, een zaak ter hanen neemen, 
^ cœur ouvert , openhartig j mon 
cœur, riiyn hartje-, diner par cœur, 
te laat of na de maaltyd komen; être 
a cœnr jeun (jùn), nugteren zyn-, 
de l'abondance du cœur la bouche 
parle, c/â-ûr het hart vol van is, daar 
/preekt de mond van ( fpr, w.); Tas 
de cœur, hanen~aas (in kaart-fpel) ; 
au cœur de Phiver, in 't hartje 
van de winter. 

■ Coffin, (m) ^ftt bakd-kcrf met een 
étekzel. 



COF. COG. COH. COL 

Cotfiner, (v. a.) Omkrullen, hui- 
gin (bySchrynw.) ; fe coffiner , (v. r.) 
omkrullen , als bloemen. 

Coffre, (ra) Kene kijî (f), koffer 
(n); de ron.p van een h^rt daar 't in- 
geivand uit is (m) j de kar van een 
druk-pers ( f ) , het buitenjle van een 
klavecimbel. 

Coffré, ée (adj. OpgeJJooten. 

Coffier, (v. a.) f^'ajl of gevangen 
zttsn i(gem. w.) 

Coffret , (jd) Een koffertje (n). 

Coffretier , (m, Koffer-kijlen-maa- 
ker. 

CognafTe , ( f ) Een wilde quee-peer. 

Cognafïier, (tn) Een quee-boom. 

Cognation , ( f) t^erwandfchap (n) 
{in Rechten). 

CogyéQ, (f) Een' byt , axe; aller 
au bois fans cognée, (fpr. w.) zon- 
der de nodige middelen iets onder- 
neemen. 

Cogne-fetu, (m) Hooi-dorfcher {dat 
is) een die vcrgeeffche moeite doed y 
'gem. 11'.). 

Cogntr, (v. a.) Kloppen; injlaan, 
indryven ; Jlooten ; cogner un clou , 
een fpyker indryven ; cogner à la 
porte , aan de deur kloppen ; je me 
fuis cogné la tête, ik heb myn hoofd 
gfjlooten. 

Ccgnoir, (m) Klopper ; dry f-hamer 
{h y Drukkers). 

Cohabitation, (f) Onwettige hy-- 
faciping. 

Cohabiter, (v. n.) Bejlaapen. 

Cohérence, (f) t' J^aamverbin- 
ding van twee lighaamen . 't zamen- 
hang eener rede (m), (liaifon). 

Cohéritier, iere (m.& f.) M^de- 
erfgenaam. 

Cohéfion , ( f ) t* Samenvoeging 
van twee dingen (in Natuurk.). 

Cohobition , (f) Weder^^verbaa- 
ling (in Chymie). 

Cohober, (v. a.) Weder-overhaa- 
len, opgieten en aftrekken. 

Cohorte, ( f) Een bende van 500 
man onder de oude Romeinen; item 
een hoop volk, (boert, w.) 

Cohue , ( £) Gewoel van veelemen-' 
fchen (n). 

Coi , coie , Cadj.) 5;//^ ^e tenir 
coi, zig Jl f l houden. 



COI. COL. 

Coiffe. {Zie Cctitfe). 

CoignalTe. {Zie Cognafle). 
• Coignée. {Zie Cognét). 
'Coignier, (m) Quee-boom. 

Coimenc , (adv.) 6tillttjes{gem.'w.). 

Coin , (m) Een hoek ; eene wigge , 
kegge , om te klonven ; bytel j muiit- , 
boekbinders -Jlcmpel ; klink vün een 
tious ; être marqné au bon coin , 
(Jpr. IV ) van 't egte beJ , -van de 
hejle Jlag zyn ,coin de rue ,een hoek 
va»2 een J] raat ; par tous les coins 
du monde , in alle hoeken van de 
u'ûereld', porter des coins, haïr- 
krullen-of fcheelen droagen. 

Coïncidence, (f) l^allwg op het 
zelfde punt , [in Meetk.) 

Coïncider, (v. a.) Op het zelve 
funt vallen, {in Meetk.) 

Coine. {Zit Couenne). 

Coing ou coin , (ra) Een quee- 
appeL 

Coïon, (m) Een bloodaart , lafhar- 
tig nienfch (gem. w.) {beter lâche). 

Coïonner ( v. a.) quelcun , »>- 
mand fppen, 

Coïonnerie , (f) Blooheiâ , laf- 
hartigheid; zotterny. 
l Coït, (m) Byjlaaping fpaaring (£). 

Coite , (f) Een véder-bed (n) {be- 
ter lit de plumes). 

Coites, (f. pi.) Bedding onder een 
f chip als 't van 'tjlapel hopt. 

Col , (m) Ou paflage étroit , défilé, 
fiaauwe doortogt. 

Col , (m) Hals. {Zie Cou). 

Colas, (ro) Tamme huis-raven, 

Colature , ( f) Doorzygzel , ( in 
kruidmengk .) 

CoUégataire , (m) Een mede gele- 
gateerde. 

Colère-, (f) Gramfchap , woede 
{ f) , toorn (m) } l'amour eft fans 
raifon & Ia colére fans conkW^de 
liefde is zonder reeden , en de toorn 
zonder raad; fe mettre en colére, 
toornig worden; Ja mer eft en co- 
lére, de zee is onjluimtg. 

Colére , Cadj,) Efprit cclére , 
hacjlig , gramfloorig gemoed. 

Colérique 5 (adj.) Tcornig, oploo- 
pend. 

Colifichet, (m) Een keuzel/ng ,pnil 
( f ) , papier e fnyzeltje (p), 



\ 



COL. 13^ 

Colimaç on, (m) Een broddelaar^ 
{gem. w.) 

Colin-maillard > (m) Elinde.mattf 
r.etie (n), {zeker kinder-fp.) 

Colintampon, (m) De zwitzerfche 
mafh{£). 

Colique, (f) Het buik-wee * kolyk 
(n). . 

Co^labefcence . (f) Neêrzakking 
van iets door zyn eigen zvcaarte. 

CoiJatéral , a!e (adj.) Ligne , fuc- 
ceifion collatérale, zyie/zji^/r/;? li- 
nie, erffenije; les collatéraux, ^(/« 
zydelirigfche erfgenaamen. - 

Coliateur, (m) Een die een geejïe- 
eyk ampt vergeeven kan , dte het (ju3 
vocandi) recht om te beroepen heeft, 

Collatif, ive (adj.) f^ergeeflyk , 
dat vergeeven kan worden. 

Collation, (f) Na-middags-onthyt 
(n) ; koude maaltyd; vergeeving van 
een geeflelyk ampt {?); item het regp 
daar van (n)j overziening vanfchrif- 
ten. 

Coliationner, (v. a.) Het avond- 
ontbyt , een koude - maaltyd doen ; af~ ^ 
fckriften tegens het origineele over- 
zien, collationneeren. 

Colle, (f) Lymy plak'Jïyfzel-pap, 

CoUeflaire , (ni) AVrÂ'-coIleÔen- 
boek (n). 

Colle<ae , ( f) Algemeen ker k-gebed; 
mis-gebed (nj j heffiiig , ingaaring der 
lajlen , importen 3 mzamelirg der aal-, 
moezen (f). 

Collefteur , (m) Ingaarder der im- 
porten , lotery enz. 

Colleaif, iw G {dia].) l^erzaamel en- 
de y mot collettif, een enkel woord 
dat een m e enig te inzig bevat of door 
verfiaan word{ïn fpraakk.) ^als: peu" 
pi e , volk. 

Colleaion, (f) Verzaameling, hy 
een gaar ing. 

Colleöivement, {a.dv.)Gezamenf' 
lyk. {Zie Colleftif). 

CoUégataire , (m.&f.) Een tnede'^ 
gelegateerde , legataris. 

College , (m) School daar de jeugd 
de gronden eener wetenfchap geleerd 
worden ; genoodfchap (n) , vergadering , 
by eenkom]} (f). 

Collégial , aie (adj.) Eglife col- 

légiàlQfSfigt'ofJhft'knk, dom-kerk', 

I 5 de« 



138 COL. 

des manières colléglaies ,fc/jool ma- 
nieren , pedanterie. 

Collégien , (m) Schoolier cener 
booge-fchoole . 

Collègue y (m) Mede-amptgenoot. 

Coller, (v. a.) hymen, plakken -y 
fe coller f (v. r.) aan malkaar klee- 
ven, bakken-, fe coller contre un 
mur 9 zich pal tegeus een muur zet- 
ten-, êcre collé fur les livres ^Jlerk 
ftudeeren. 

Col lé rage > (m) Tmpoft op de ivyn. 

Collerette ,(m)Een boerinnen hals- 
doek (in Picardiën en Normandi£}7). 

Collet , (m) Eenbef, kraag ; un pe- 
tit collet, een abt; prendre quel- 
cun au col-'et, iemand by den hals 
grypen-, collet de manteau, kraag 
van een mantel-, collet d'arbre, bet 
onderjie van denjlam ecnes booms ; col- 
let de mouton , halsjîuk van een 
fchaap; prendre quelcun au collet, 
temend by de kop vatten , arrefteeren. 

Colleter, (v. a.) By den hals gry- 
pen , ivorjlelen j Jlrikken zetten. 

Colletin , (m) Kolder (m) , Léder- 
'ne ivambais zonder moaiven (n}. 

Collier, (m) Een hals-band (ra), 
bals-cieraad (n); collier de perles, 
cen paar el-fn oer -, collier de more, 
tafel-rhîg-j chien au grand collier, 
de voornaamjle uit de zvyk. 

Colliger, (v. a. & n.) Verzaame- 
Icn^ opzaamelen uit boeken (recueil- 
lir); de là nous pouvons colliger, 
daar konrwn zvy uit afmeete:^^ cpmaaken. 

Colline, ( f ) Een he-uuel {m); ga- 
gner la colline, {fpr. iv.) zig weg 
pakken. 

Colliquation, (f) Smelting, (in 
Cbym. en Gencesk.). 

Collifion , (f ) Stooting , botfwg van 
twee lighaamen tegen elkander» 

CoUocation , (f) Orden -rang- 
Jchikktng. 

Colloque , (m) t' Zamenfpraak , hy- 
fenkomji over zaak en van GpdsdienJ} (f). 

CoUoquer (v. a.) les créanciers 
félon leur hypothèque, defchuld- 
eifcbers volgens hun onderpand fchik- 
ken, vsrdeelen ; le Pape le collo- 
qua entre les îaints, de Paus plaat- 
jy bem onder 't getal der heiligen. 

CoUadei'; (v. n,) Met iemand bei- 



COL. 

melyke onder handeling hebben , onder 
eene deeken met hem leggen (in Rechten). 

Collufion , (f) Heimelykeverfland' 
ho'J-ding tujfcben twee perfoonen , ten 
nadeele van eenen derden (tn Rechten)» 

Collufoire , (adj.) Bedrieglyk. 

Collufoirement , (adv.) Op eene 
bedriegelyke wyze. 

Collyre , (m) Qogen-zalf ( f) , oog- 
water (n). 

Colombage, (m) E sne rel paalwerk 
(in Bouwk.). 

Colombe, (f) Eene dalf; kuipers 
fc haaf -bank. 

Colombeau , (m) jonge duif(ï). 

Colombier, (m) Een duiven-kot 
(n), duiven-Jlag ; item eene al tegroo- 
te fpatie tujfchen de waarden , (by 
Drukkers). 

Colombin, ine*adj.) Fleur co- 
lombine , een lood-verwige bloem, 

Colombine , ( f) Duiven-miji. 

Colon, (m) Hoef-pachter. 

Colon , (m) Kronkel- of aars-darm 
(in Ontleedk.). 

Colonel , (ra) Overfïe , bevelhebber 
van een troep voet-volk, Kornei. 

Colonelle, (f) Compagnie Co- 
lonelle , Ly/- compagnie van den. 
Overfïe. 

Colonie, (f) Volk-planting. 

Colonnade , ( f) Rond gebouw op 
zuilen rujlende (n). 

Colonne, (f) Pylaar , zuil, ko- 
lom ; drefïer une colonne , eene 
zuil oprigten -, colonne de table, 
de lit , voet van een tafel, jlyl van 
een ledikant; c'eft une des colonnes 
de l'églife , het is eene der kerk-be- 
fchermers; marcher en deux colon- 
nes, in 2 ryè'n gaan. 

Colophane, (ï]Gezuiverde harjï(m). 

Coloquinte , (f) Köloquint of 
bittere appel, 

Colorer , (v. a.) Kleuren , verwen; 
colorsr un menfonge , een leugen 
bewimpelen ; colorer le crime de 
quelcun , de misdaad van iemand 
verfchoonen. 

Colorier , (v. a.) Eene fchildery zy* 
ne behoor !yke kleur geeven. 

Coloris , (m) Hetgeen den voorwer-- 
pen de vereifcbte Kleur geeft j het 
koloryc. 

Co^ 



COL. COM. 

Colorifation , ( f) l^erf- of kleur- 
verandering. 

Colorlfte , (m) Schilder die het ko- 
loryt IX! cl verjlaat. 

Coioflal , aie (adj.) Van eene cn- 
maatige grootte. 

Coloile , (m) Een uittermaaten 
groot beeld, reufer.-beeld {r\). 

Coloftre , (m) Biejï , eerjie melk ; 
geronnen melk in deborfien (f). 

Colporter , (v- a.) Om den hals 
of op den rug draagen , met een mars- 
je omgaan. 

Colpcrceur, eufe(m.&f.) Mars- 
draagcr'y marsdraagjier, dte met hun 
waar gaan venten ', item een nieuivji' 
verkooper. 

Coicie, (f) Vborplegtje op zekere 
fcheepen (n). 

Coiures , (f) Kruis-kringen , (in 
S ter rek.). 

Combat, (m) Stryd (ra), gevegt 
(n)j teg'snfpoed, twijl; conibaC fan- 
glanc , een bloedig gei'cgt ; combat 
naval, een zee-Jlag-, donner, livrer 
combat à l'ennemi, de vyand jlag 
le ever en. 

c:on3battant, (m) Krygsman jfryd- 
baar man^ vegter. 

Combattre , (v. a.) V egt en , jlry- 
den , befiryden j combattre de pied 
ferme , flryden , zonder een voet breed 
te wyken ; combattre fes pallions , 
zyne hartstogten tegen gaan. 

Combattu , ue (adj.) Gejlreeden, 
hejïreeden , enz. 

Combien , (adv.) Hoe veel ; hoe 
zeer ; combien vous faut il ? hoe 
veel moet gy hebben^, combien font 
ils? hoe veel , hoe Jlerk zyn ze? com- 
bien y a t-il ? hoe lange is het ge- 
leeden? combien de fois? hoe dik- 
wils? combien de temp s'i hoe langel 
vous voiez combien je vous airae , 
gy ziet hoe zeer ik u bemin 'y com- 
bien que , hoewel dat. 

Combinaifon , (f) t' 2^amenvoe- 
ging , corabinatie. 

Combiner , (v. a.) Pye.nvoegen-, 
nombre combiné , vereenigd getal; 
les flottes combinées, de vereenigde 
vlooten. 

Comble, (m) Het dakwerk (n),top 
t'an eea gebouw ; vorjl van een dak -, 



COM. 139 

comble plat , brifé , plat gebrooken 
dak 'y il til arrivé au comble de» 
honneurs , hy is tot den hoogjlen 
eertrap verheeven-, pour comble de 
malheur, tot een overmaat van on- 
gelukken -, comble de foin , een hoop 
hooi; de fond en comble, (adv.) 
gantfch en gaar, tot den grond toe. 

Comble, (adj.) Mefare ccmble , 
volle maat. 

Combleau , (m) Zwaar touw om 
het gffchut mee voort te trekken (n) ; 
kanon-reep (f). 

Combler, (v. a.) Vullen, vervul- 
len , overladen ; combler un fofle , 
eene gracht dempen-, combler la rae- 
fure , de maat vol meeten ; ttre com- 
blé de p'aifirs,/» wellujien zivemmen. 

Combktte, (f) Klocf in de voet 
van e.'i hert {Jagers w.) 

Combourgsois, (en) Mede-reeder ^ 
mede-eigenaar van een fchip. 

Combourgeois , (m) Mede-burger^ 
(end w) , 

Combtiger , (v. 3.) (Scheeps w.) 
Het vaat-werk met tvater vullen , om 
ze digt te maaken , of te houden. 

Combuftible, {3.^].) Dat hgt vuur 
vat; rnatieres combullibles , ^rö»*/- 
baare jf riffen. 

Combuflion , (f) Verbranding ; op- 
roer , mui ter y ; mettre toutencom- 
buiiion, alles in vuur en vlam zet- 
ten. 

Comédie , (f ) Een blyfpel (n) ; al- 
ler à la comédie , naar de fchouw^ 
burg y de comédie gaan. 

Comédien, ienne (m. Sc f.) To- 
tieel-fpreler, comédiant ; Toneel- 
fpeeljler; veinzer, loos menfch. 

Comète, (f) Staart-Jierre , co- 
meet. 

Comique , (m. f? adj.) Cee/lig , 
boertig , fnaaks ; pocce comique, 
een dichter van bly~fpeelen , avanture 
comique , klugtig voorval. 

Comiquement, (adv.) ^ardiglyky 
kodJiglyk. 

Comité, (ra) Bevelhebber der ga- 
lei-Jlaaven. 

Co mité, (m) Vergadering van Com- 
mijjarijfen in Engelav^J ( f), 

Comraa , (m) Comma. {Zie Vir- 
gule). 

Com- 



Î40 COM. 

C;mmandan:, (a te (a:'}.) GeHe- 
dencie; un commandaot , een levél- 
hebber. 

Commande, (f) C'eft de !a be- 
füg.it de cc^vamdkwA^ y het is ucnbe- 
fieca uirk. 

Cora.Dandé, ée (adj.) Bevalen. 

Commandemeiu , (m) Lajl (, f ) , 
bevel , gtbod [U] , ivet (f). 

CjmiDanaer, (v. â.) Beveelen,ge- 
bieietj. 

C mmanderie , ( f) Een Afaltheefch 
Ui-d 1er- goed (nj, 

C.'m ^lannes , ff. pi ) Seizing, ka~ 
helgaarm dat de 6cbceps-jor,gcns aan 
hu» gordel hebbeyi. 

Ccin.Tiandeur , (m) Bevél-hebber , 
gebied: r, Kommindeur, 
" Commaudice. (i?.'V Cornmendite). 

Co.T3me , (adv.) Gelyk , als; toen-, 
clzoo ; Jeger cotnme un François, 
ligîzinnig als een jranfchma-a , il ar- 
riv a coirime nouS' pariions de y 
hy kwam aa>i toen wy fprakrn van', 
die une chofe comme elle eft , 
èene zaak zeegen geiyk of zoo als ze is ; 
ccnim- n y als ©ƒ} comme nous fom- 
jïies amis , alzoo , deiiyl zvy vrienden 
zyn; comme qu'^i , {oud u-,) hoe. 

Commcm raifon ou coaiinémora- 
tion, (f) Geaenking , herinnering , 
melding. 

Commençant j (m) Een beginner , 
leerling. 

CummencemenÉ, (m) Begin (n) , 
aanvang (rn). 

Commencer , (v. a.) Beginnen , 
aanvangen; commencer un enfa t, 
"Uri ':h-val , ee^ kind, een paerd de 
eerjle lejfen g>'even. 

Comraendaatre , (T. & adj.) Be- 
zitter van een.'g geejielyk goed of dat 
'er top hoo'\i » Jg niet v ügens d'ordfn. 

Corrrhende , ( f ) Metcre une Ab- 
baye ei co'Timenie, een' Abdy in 
uvayrel.ilyke hand overg'even. 

Comt^enditaire , (m) Mede lid 
een-r ôocit^ceit kooplieden y die het 
geld verftr kt. 

Ccrame'^dite , ff) Société en 
comm'-nditt" , eene Sociëteit kooplie- 
den , ivaar van de eene di' penningen 
iverfchaft en d;' andere d^ moeite ht' ff . 

Ct^romenfal , (m; Tafel gezel ; com- 



COM. 

ir.en^aM'x.y. Konh.giyke bediendent die 
de vrye kojï h.bhen. 

Cummenfurabilité, f) (inMeetk.) 
Meitbaarbetd met tets anders. 

Commenfnrab'.e , (adj.) Dat ge- 
meefen kan worden door of met een 
ander ^ (tn Meetk.) 

Comment , (a iv.) Hoe ? op wat wy- 
zf? commtnt fdirt.<' l)oe of wat zal 
zal men doen ? con:.nient ! eft il 
raort.^ hoe l is hy dood^' 

Commentaire, (m) l^erklaanng } 
uitbreiding over eenig boek f f). 

Commentateur ,' (m) Uitlegger van 
een: g fchryver. 

Commenter (v. a. ) un livrff, 
vff klaaringen , uitbreidingen , aantee- 
keningen op een boek maaken. 

Commenter fv. n.) fur quelque 
chofe , iets be dillen y ten ergfien uit- 
leggen. 

Commer ,fv. T^^J{hoert. engem.w.) 
Gelykenijfen maaken. 

Cornmerçable , {zà}.) Dienjïig tct 
koophandel. 

Commerçant, (adj. & f) Handel- 
dryvend; handelaar, koopman. 

Com.raerce, (m) Handel ^ koophan^ 
del :,omg .ng; commerce de lettres, 
brief zviffeling ', avoir commerce avec 
quelcun, omgang met iemana hebben i 
commerce en gros , en detail ,AaH- 
del in 't groot of gros, tn 't klein. 

Commercer, (v. n.) Handel dry^ 
ven. 

Coromere , ( f) Doopbefjfer , peet; 
tout fe fait par compereS & par 
commères, alles moet door hulp vdn_ 
S^oede vrienden verkreegen worden. 

Comm:'ttant, ante (adj.) Toever^ 
trou-j. end e ; begaande , enz. 

Commettant , (m Een die iets aan 
een anders zorg aanvertrouwd -, iets in 
coramiffie zend of geejt. 

C mroettre , (v. a) Begaan, be- 
dry \ en y aarfiellen }, aan een ander iets 
overgeeven; commettre une faute, 
un péché par ignorance, een mis- 
Jlag , eene zonde door onwetendheid be^ 
gaan; commetf-e des Juges, Rech- 
ters aanfellen; je commets cela à 
vos foins, ik ^eef dat aan uwe zorgen 
over ; commettre deux parfonnes 
l'une avec l'autre, tW0ff ^erfoonen 



COM. 

aa» malkander hit zen -^ fe commet- 
tre } (v. r.) zig ergens aan over ge e- 
f}en^ inlaaten , of aan bloot fielten. 

Comminatoire, (adj.)P«^ine cora' 
niinacoire , dreigende jiraf. 

Comminer, (v. a.; Met jiraf be- 
dreigen. 

Commis y (m) Een gelajîigde , een 
faftoorj item awp/t «au r, kommies j 
kantooi -bediende. 

Commis, ife (adj.) Begaan j (zie 
het ijuerkw. Commettre) . 

Commue, (f) l^erbiurt valling 
van een Leen. 

Commifération , (f) Xedelyden^ 
deernis, ontferming. 

Commiflaire , (m) Een gefielde 
Rechter, CommifTaris om itts te on- 



oier iets. 

Commiflariat, (m) Ampt daarvan. 

Commiffion , (f) Geiajiing, laji; 
volmagt; bediening; item provifie , 
{koopm. w.) péché de commiflion & 
d'omilïïon , zonde begaan , door bet 
quaade te doen en het goede na te 
laaten. 

Commiflionnaire , (m) Een die ge~ 
iajijgdis jeen Commiffionariso/ Fac- 
toor der Kooplieden. 

CommifTure , ( f) f^oeg daar de 
Jieenen te zamen gevoegd zyn. 

Commictimus , (m) {Lat. w.) Let- 
tres de committimus, bevel-fchnft y 
■waer door een' zaak van e ene laagere 
rechtbank gevorderd , en na eene hooge- 
re getrokken word. 

Committitur, (ra) {Lat. w.) Ver- 
zoekjchrift om een overziefier vaneenig 
geding-, proces, te hebben. 

Commodat , (m) {Rechts w.) Ge- 
leend goed (n). 

Comraoiataire , (m. & f.) {Rechts 
hv.) Een die zulks ter leen ontfaïigen 
betft . 

Commode , (m) Zeker vrouwen hul- 
zei j {eert y ds gedragen). 

Commode , (adj.; Gemakkelyk j rek- 
kelyk , infchikkend. 

Commodément, (adv.) Gemakke- 
lyk. 

C :)mmodité , ( f) Gemak (n) , ge- 
legenheui {t')-, les coramoditez d'u- 
ne maifon ; de gemakken van een 



COM. 14 ï 

^«/ij je n'ai pas maintenant la com- 
modité de vous payer , !k heb thans 
de geli-genheid niet om u te betaalen', 
1^ rendre fescommodit^rz , zyw gemak 
memen-yîàXies cela à votre com.iiO- 
dite, doed dat op uiv gemak-, com- 
moditez , het fecreet. 

Cv.mmocion, ( f ) Beweeging., ont" 
roering di^s Ughaams. 

Commuer^ ( v. a. ) la peine , de 
Jlrajfe '•.oor eene andere verwijft len y 
{in Rechten). 

Commun, une (adj.) Gemeen, gc 
meeiizajm; la mort eft commune à 
tous les hommes , de dood is allen 
minfchen gemeen ; ils font bourfe 
commune , zy teeren uit eene beurs ', 
le lens comvnun , het gezond ver- 
jîand ; opinion commune, gemeene 
gf voelen -flcs gens du commun ou le 
commun, de gemeerde man 5 vivre 
en commun , in gemeenfcbap leeven', 
efpric commun , gering ver/iand ^ 
vivre fur le commun , van aalmoes- 
fen leeven. 

Communauté, (f) Gemeente (f), 
gîld{T\)', communauté de biens, i;^- 
meenfchap van goederen. 

Communaux ,(m. pl.)3emeen~brui-' 
kende wei-landen , enz. 

Commune , ( f ) Gemeente ( f), het 
gemeen {n); des commuies, ^-etneeng 
goederen-, chambre des communes ^ 
bet lagerhuis in Enge/and. 

Communément , (adv.) Cela fe 
die commuiiémtnt , dat word ge- 
meenlyk gezegd. 

Communiant , ante (adj. & fubft.) 
Uitdeelende ; lede lid-rraat ; avond- 
maal-gar.ger , ook die het uitdeeld. 

Communicab'lité, (f) Mededeel- 
baarheid; gemakktlykheid om met ie- 
mand m gefprek of bekend te geraken. 
Commun icable , (adj.) MedcdeeU, 
haar; c'eft une maladie comm'uni- 
cable, het is eene over ervende ziekte i 
homme con^municable , iemand dia 
ligt te fpreeken is. 

Comnianicatif, ive (adj.) Mede- 
deelzaam^, gemeenzaam ; un mal com- 
mis nicatif ,<><'« oi;^r^ryw^,aâ«z^r^f«rf 
Lfuaad; un homme communicatif, 
een openhartig nierfch. 
Communicacioa , (f) Gemeen^ 
maa* 



14« COM. 

maak Ing , iennis-geeving ; avoir une 
étroite communication avec quel- 
cun ) eene naaiiwe gemeenfchap met 
iemand hebben ; lignes de communi- 
cation , loop-gtaaven {in Krygsk.). 

Coromnnier , (v. n.) Ten Avond- 
maal gaan ; ket zelve tiitJeelen. 

Communion , (f) Gemeenfchap , 
vereeniging; het Avondmaal. 

Communiquer, (v. a.) Mededee- 
len i bekend ' maciken ^ kond dotn ; 
il m'a communiqué fon mal , hy 
beeft my zyn kinaal aangezet ; Ce com- 
muniquer (v. r.) à quelcun, zig in 
vertrouiven by iemand uitlaaten. 

Commutadf , ive l'adj.) Juftice 
commucative , verwijfelende gerech- 
figbeid. 

Commutation, (f) Commutation 
de peine, ijerwijfeling , verandering 
•van flraffe. 

Compafte , (adj.) t' Zamengedron- 
gen , vap op malkander. 

Compagne , ( f ) GczelUnne. 

Compagnie , (f) Gezelfchap , ge- 
rtoodfchap ( n ) -, maatfcbappy ; voir 
compagnie , tn gezelfchappen verkee- 
ren } être de bonne compagnie, 
vermakelyk in gezelfchap zyn. 

Compagnon , (m) Medgezel^ deel- 
genoot; compagnon de voyage, m5- 
gezél;c'e{t un bon compagrion , i/a; 
Vs een vrolyke kivant ; petic compa- 
gnon, een man van geringe afkomfi; 
traiter de pair à compagi.on, met 
zyn meerder gemeenzaam omgaan ; 
qui a compagnon a maître , die em 
medgezel heeft is zyn eigen meejîer 
niet -. faire le compagnon , zig mees- 
torlyk aanfl el len ; com^'dgnon de mé- 
tier, ambagts-gezcl. 

Comparable , (adj ) Vetgelykelyk. 

Comparaifon , (m) Vergelyking, 
gelykems; faire comparaifon d'une 
chofe avec une autre , eene zaak 
tnit eene andere ver^clyken; il n'y a 
point de comparaifon, daar is 
geengelykheid ; en comparaifon de . , . 
in vergelyktng van , . . 

Comparant, ante (adj. & ful^ft.) 
Verfchynende ; verfchyner , compa- 
rant j verfcbynfler y comparante, {in 
Rechten'; on donne défaut aux com- 
parants contre les noncomparants, 



COM. 

de agterhîyvetide worden wegens vef^ 
zuim ten voordeele der comparanten 
gevonnîsd. 

Comparatif, ive (adj.) De verge- 
iykende trap {in fpraak k,). 

Comparativement, (adv^ Op een 
V er gety kende wyze. 

Comparer, (v. a.) Fergelyken; Ce 
comparer à quelcun , zig met ie- 
mand gelykfJeller.. 

Comparition . (f) (-^T/é' Comparu- 
tion). 

Comparoir , (v. n.) Etre aQlgné 
à comparoir , gedagvaard zyn om te 
verfckynen {in Rechten). 

Comparoître , (v. n.) Verfchyncn 
voor een Rechter , enz. 

Compartageant , (adj.) Mededee- 
lende {men zegd beter copartageant). 

Compartiment, (m) Cierlyk ingc 
gelegd kabïnet-iverk ; bloem-ivsrk op 
glaazen j in een tuin-perk, of tapyten 
(n); verdeeling van iets (f). 

Compartir . (v. a.) Verdeeien {be^ 
terCalve des compartiments). 

Compartiteur , (ra) Regter dia in 
eene zaak van een ander gevoelen is 
als de berigter , en daar door de J^em^ 
men gelyk maakt. 

Comparu, ue (adj.) J^erfcheeneny 
gecompareerd {tn rechten). 

Comparution , ( f ) f^erfchyning 
voor het recht' 

Compas, (m) Een paffer; Zee- 
compas ; Schoenmaakers Alaat-flok; 
diamant Slypers-compas ; compas de 
va.TiàX.ïon, peil- compas ; faire tout 
par mefure & par compas , alles 
met groot é omzigtigheid doen ; Mar- 
cher par compas, cp de maat gaan', 
mefurer fes discours au compas, 
zyne redenen met de paffer meeten, 

Compafifement , (m) ^^fpajfmg ( f )• 

Compaffer, (v. a.) Afpajen', af- 
meeten; iets zv el inrichten; corapafler 
fon tems , zyn tyd afmeeten ; des 
manières compaflees , gedwongens 
manier en i houdingen. 

Compafïïon , ( f ) Medelyden , 
deernis , mededogen (n). 

Compatibilité , ( f) Overeenkomfi y 
gelykvorm igheid. 

Compatible , (adj.) Overeenkom- 
flig ï des Humeurs compatibles. 



COM. 

hu\neuren die wel over een komen ; 
offices compatibles, ampten die te 
gclyk door iemand bekleed kunnen wor- 
den . 

Compatir, (v. n.} Medelyden heb- 
ben; overeenkomen ; compatir à la 
douleur de quelcun , met iemands 
f nier te medelyden hebben; les fous ne 
peuvent compatir enfemble , gek- 
ken kunnen malkaar niet verdraagen , 
lyden. 

Compatiflant , ante (part.) Mede- 
lydend. 

Compatiüote , (ra. & f.) Een 
landsman , landgenoot ; landsvrouiv. 

Compenfation , (f ) l^erefening, 
gelykjlelling ; compenfation de de- 
pens , betaMng der pvoces-kojlen van 
beide partyen ; il faut faire com- 
penfacion des défauts de nos amis 
avec leurs bonnes qualitez , men 
moet de gebreeken van goede vrien- 
den, tegen hunne goede hoedanigheden 
overjlellen. 

Compehfer , (v. a.) Vereffenen, 
tegen s malkander gelyk pellen j Ie 
profit compenfe la perte , de <winfl 
vergoed het verlies ; cela ne peut 
compenfer la perte , dat kandefcba- 
de met opzveegen. 

Comperage , (m) Gevaderfchap (n). 

Compère, (m) Gevader; lujiige 
quant ; tout va par compère & 
commère , ailes gaat na gunjl en 
vriendfchap. 

Compétemment (adv.) Regtmaa- 
tigf behoor lyk, toereikend, (fuffifam- 
ment). 

Compétence , ( f ) compétence, 
d'un juge, wettigheid van een Rech- 
ter ; entrer en coriipétence avec 
quelcun pour une charge , met 
iemand naar een ampt dingen , JJaan ; 
cela n'eft pas de ma compétence , 
dat is boven myn bereik , bevatting , 
{of ook) dat is van myn Jurisdidie , 
of onder hoor igheid niet. 

Compétent, te (adj.) juge com- 
pétent , Wettig Rechter , ook een ge- 
fchikt f fufTifant oordeelder van iets; 
portion compétente, toebehoorende , 
toekomende deel ; âge compétent , 
vereifchte ouderdom. 
Compéter (7, n,) recevoir ce qui 



COM. 143 

nous compéte (appartient) ontfan^ 
gen het geen ons toekomt. 

Compétiteur , trice (ra) Mede-, 
dinger; mededing Jïer naar iets ; {Zie 
concurrent , ence). 

Compilateur , (m) Verzamelaar^ 
een die uit andere boeken iets ver' 
gaard en opfleld. 

Compilation , (f) Verzameling, 
opjiel uit verfcheide Schryvers. 

Compiler , (v. a.) Uit verfcheide 
Schryvers by een lergaaren en ocflellen^ 

CompifTer , (v. a.) Bepijfen. 

Complaignant, ante (adj.) Klaa- 
gcnde ; aanklaager , aanklaagfler {in* 
rechten). 

Complaindre , fe Complaindre^ 
{oud w.) {Zœ fe plaindre). 

Complainte , (f) Aanklagt (f) 
beklag (n) {in rechten). 

Complaire, (v. n.) Behaagen . bp" 
lieven , gedienjïig zyn ; zich naar ie-. 
mcnds zinnelykheid fchikken ; fe com« 
plaire en quelque chofe , ergens 
behaagen in pbeppen. 

Complailance , {{)GedienJïjgheidy 
vriendelykheid. 

Complaifant , ante (adj.) Gedierte 
Jiig, beleefd, gerief yk. 

Complant , (m) u^kker met jonge 
hoornen of wynjiokken beplant , eene 
pootery. 

Complanter, (v. a.) Eenen akker 
beplanten. 

Complément, (m) Opvulling van 
een ho.-k of boog {in Meetk.). 

Complet, ete ou ette (adj.) Vot* 
ledig, volkomen. 

Complètement, {adv .) Voléoment" 
lyk. 

Compléter, (v. a.) Voltallig, vol- 
komen ma a ken. 

Complexe, (adj.)(//7 Redenk.)Tçr-' 
mes complexes , t'zamengevoegde 
ivoorden die een denkbeeld van tets op-' 
leveren; als: homme prudent , é»^» 
voorzigtig man. 

Complexion, (f) Aart (m), ge.. 
fleldheïd des Ughaams. 

Complexionné , ée (adj.) Mal 
complexionné, qualyk gePield. 

Complication (f) de "maux, de 
malheurs, eene op een hoopmg , ver' 
gaar ing van kwaaien of ongelukken. 

Com* 



14.^ COU. 

Complice , (f) MeJe-pligfîg -, 

med" JchuUige aan cène misdaad. 

Complicité , ( fj. Medrpls^tigheiJ. 

Complies ,(f. pi.) La$'zangm die in 
de R. Kerk na het avond-gebed ge- 
zongen worden. 

C - rap ti ment , (m) Pfigt-pleeging 
((f), compjirienc (n); faues iui 
'me* compliments , groef hem van 
rny; tréve de compliments , alle 
complimenten aar. een zyde j com- 
pliment de condoléance ? rouw- 
beklag. 

Complïmentaire , {m)^Een op 
•wiens naam de handel eener Sociëteit 
gevoerd ivord. 

Complimenter, (v.a.) Begroeten, 
zyne eerbied of pligt aan iemand be- 
toonen. 

, Complimenteur, eufe (m. & f . ) 
Éen die veel complimenten maakt. 

Compliqué, ée (adj.) Maladie 
compliquée , ziekte die uit verfchei- 
de toevallen veroorzaakt is; affaire 
compliquée, zaak die met eene an- 
dere veriT>engd, ler-verd is. 

Complo!.,(m) Heimelyke t* zamen- 
rotting , t' zamenfpanning (f), booze 
aanjlag (m). 

Ccmpioter,(v.a.)Êf;ï^« boozen aan- 
Jlag ma a ken; berâadjlaagen , .\s ont 
comploté ma ruine, zy hebben myn 
endergang g-zivooren. 

Componcrion , ( f) Beromv ( n ) , 
drrethe'id over zyne zonden. 

Comportement , (m) Gedrag (n) , 
{oud iv". zie Condu/te). 

Comporter, ^v. a.) Lyden , verdraa- 
gen , didden j fi i e temps le comporte , 
indien de tyd bet toelaat , vereifcht > 
ce font des plaifirs que comporte 
]a jeuneffe, dat zyn vermakeiykheden 
die de jeugd mede brengd ; fe com- 
porcer (v. r.) bien , zig wel ge- 
dtaagen. 

Compofé, ée (adj.) f Zamenge- 
fteld, begaande; Jlaatig, de/tig inge- 
baaraen. {Zie verder bet zvimiv.). 
Compofé . (m) Een t' zamenjielzel 

Compofer, (v. a. & n.) t' Zamen 

fielten; opjlellen ; Letter-zetten; com- 

■ pofer une medicine , een ge^iees- 

drank bereiden; coropoler des vers, 



COM' 

verfen maaken ; compofer un thè- 
me, eene thema maaken; c'eft une 
hifloire qu'il a com.jofée, dat is 
een' ge fchi edenis die hy zelfs t' zamen 
geflarj}, verzonneti heeft; compofer, 
Aria's componeeren (in Muziek}^ 
compofer un diiférend , een gefchil 
by leggen-, compofer fa mine , fes 
geftes , zyn gelaat , gebeerden in de 
plooi fchikken ; compofer avec Ten- 
némi , avec les créanciers , met 
zyne vyanden , crediteuren , een ver- 
drag , vergelyk maaken ; fe compo- 
fer , (v. r.) zig zekere gebeerden gee^ 
ven; zig Ji il ge laat en. 

Compofeur , (m) Een Jlegt Auteur 
of Scbryver. 

Compofite, (adj.) Ordre compor- 
te , de t'zamengeflelde of romeinfche 
bouw-orden. 

Compofiteur,(m) Een Letter-zet- 
ter; muziek compontjï ; vrede -maa- 
ker^ enz. 

Compofition , {£) Opjïel , t' za- 
menvocging , vergelyk, verdrag; Let- 
terzetting. 

Compofoir ,(m) Letter-gteters.zet- 
plani (f). 

Corapofteur , (m) Letter-zetters - 
zet-kaak. 

Compotateur . (m) Een Likkebroer, 
N'a thaïs. 

Corapotation ,(f ) Drink-gelag (n) ^ 
teering. 

Compote, (f) Gefioofde appelen of 
peerpn ; une compote de pigeon- 
neaux , geftoofde duiven ; mettre les 
yeux, la tête à la compote à quel- 
cun, iemand een paar blaauwe oogen 
geeven , het hoofd murw flaan. 

Compréhenlible , (adj.-) Begrypc- 
lyk. 

Compréhenfion , ( f ) Bevatting^ 
bçgrip. ., 

-Comprendre, (v. a.) Begrypen^ 
bevatten ;]e le comprends bien, ik 
begryp hetivel; ce païs là comprend 
tant de villes, dat landfcbap bevat 
in Zig zoo veel fleeden; non com- 
pris , uitgenomen. 

Comprefle , (f) Een gevouwen 
doekje , comprès ^dat men op een wond 
legt (n). 

Compreffibilité ; (m) Hoedanigheid 



COM. 

vaa iets dat te zamen gedrukt kan 
ivarden {in Natuurk.). 

Comprefïïble,(adj.) t' Zamendruk- 
kelyk in Natuurk.). 
^ Corapreflion , (f ) t' Zamendrukkmg 
(der lucht). 

. Comprimer, (v. a.) t' ZamenJruk- 
ken {in Natuurk.). 

Compris, ife (adj.) Begrepen y be- 
vat-, vous me devez tanc , y com- 
pris les . , . ,non compris les , . , 
gy zyt my zoo veel fchuLiig de . . 'er 
onder begrepen f 'er niet onder begre- 
pen. ' 

Compromettre, (v. n. & a.) Ter 
bejïijfmg , u.tfpraak van goemannen 
(Arbiters) iets Jlellen j compromet- 
tre quelcun , temand 4n ongelegent- 
heid brengen; fe compromettre, (v. 
r.) zig in eenigen tivijl t daar men 
geen eer e van heeft., itilaaien; zyne 
eere te pand zetten; il ne faut pas 
fe compromettre avec £es domefti- 
ques , men moet zig met zyn bedien- 
den niet inlaat en. 

Compromis, ife (adj.) {Zie Com- 
promettre). 

Compromis » (m) Bewilliging tot 
eene uitfpraak van goede mannen , on 
ne doit pas mettre fon iionneur en 
compromis , men moet zyne eere niet 
in gevaar Jiellen i mettre une choie 
en compromis , een' zaak in com- 
promis, f f'r uitfpraak van fcheîds-lie- 
den (Arbiters) yîf//p«. 

Corapromiflaire , (m) Een fcheids- 
man , fcheids-richter. 

Comprovincial , (adj.) IVat van 
eene provincie is. 

Comptable, (adj. & fubft.) Ver- 
avtwoordelyk , een die rekening moet 
doen y of iets dat in rekening kan ge- 
bragt worden- 

Comptant, (adj.Sf fubft.) Vendre 
compcant , voor gereed geld verkoo- 
pen ; cent mille écus comptant , hon- 
derd duizend kroonen baar geld-, il 
m'a dit des fottifes, mais je 1'ai 
paie tout comptant , hy heeft my 
wat zottemyen gezegt y maar ik heb 
hem wel betaald. 

Compte , (m) Reekening , telling 
( f) > gf-^a/ (n) } rendre compte , reke- 
ning doen ', verjlag doen , rekenfcbap get- 



COM. I4> 

vrn-, clorre un compte, een' reke- 
ning Jluitsn ; mettre en ligne de 
compte, /« rekaning brengen; je n'y 
trouve pas mon compte , ik vinde 
'er geene rekening , geen voordeel by i 
recevoir à compte ou à bon comp- 
te , op rekening , in mind^rwg ont- 
fangen; au bout du compte , ten 
laatjien , ailes overwoogen zynde j 
compte rond , effen rekening ; à vo- 
tre compte , na uw' meenif/g ; fai*e 
ou tenir compte de quelque cho-" 
fe , iets hoog agten ; de compce tait, 
als alles afgedaan is; à ce compte, 
op die wyze; Maître des comptes, 
Rentmeejter ; manger à bon compte , 
{fpr.w.) 'er niaar opaan eeten, zon- 
dfr zig ergens aan te kremen;coTnp-' 
te ou cahier de recette ou de mi- 
fe , rekening of boek van ontfangfl of 
uitgaaf; acheter à bon compte, gofdf 
koop koopen; il eh a pour fon comp-, 
te , hy is moot bedot , bedroogen ; un 
livre de compte , een fchuld-hoek j 
fouder un compce , een' rekening 
/luiten-, ouvrir un cotnpte , een' re- 
kening openen , voor Je eerjle maal in 
't groot boek fielten ; pàirer en , ou por- 
ter, mettre, c> ucherfur un compte^ 
op een, t'ek nir^g fchryven , Jîellen , no- 
leeren ; bordereau ou extrait de 
compte , uittrekfel , extradl eenér 
rekening, rekemng-cowr^int ; la fol- 
de du compte , het JJot (fa!do) der 
rekening; affirmer un Compte, eene 
rekening met eedebekragtigen ^apoftil- 
1er un compte , aanteekeningen op 
eene rekening maaken , wat recht of 
niet recht is; les bons comptes fonC 
les bons amis, effen rekening maakt: 
de bejie vrienden , {fpr. w.) faire boft 
compte , goed koop , civiel verkoo^ 
pen ; en fin de compte , op 't etnd, 
op 't laatjl. 

Corapte-pas ou Pedometre , (mj 
Een weg-meeter , {werkt, in de ff^is-- 
kunde om de fchreeden die men gaat 
te weeten), , 

Compté , ée (adj.) Gerekend enz.^ 
tout compté , tout rabattu , vous 
me devez tant, wanneer alles ^ere^ 
kend en afgetrokken is , zyt gy my zo9 
veel fchuldig. 

Compter, (y, a.) Rtkimn-, tellen i 
K afrê' - 



ï4ö COU. CON. 

afff'kenpn ; < ene rekening Jlu'iten ; he- 
taalen ; compter avec queicun , met 
iemand rekr-nen ; compter une fora 
me , eeue fomme t Hen , cp: ellen ; 
compter fur, queicun , op iemand 
Jiaai maaken \ je compte que , ik 
maak Jlaat dat. 

Compteur, (ra) Een Rekenmeejter'i 
teller. 

C.moroir,(m) Rek en- taf si -, toon 
bGok;fchryf-kamer {ï] , kantoor (n). 

Cora,>u.rer (v. a.) un contrad , 
&r. eenen Notaris tot het ^-ertoonen 
van een contraft enz. dwingen. 

Corapulfeur , (m) Dwinger daar 
van. 

Corapul foire , (m' D wang-j cbrift 
daar toe van den Rechter (n). 

Comput , (m) Konjï om ebbe en 
vloed uit te rekenen (f), {by Zeel.). 
' Computifte , {m)Tyd-rekenaar , Al- 
manak maaker. 

Comtal, aie (adj.) Graaffelyk. 

Comte, (m) Hen Graaf; Comte 
palatin , Palts-graaf. 

Comté , (m') Een Graaffchap (n). 

ComtefTe , ' f) Eene (iravin. 

Concapitaine, (ra) Een mede Hop- 
man 

Concafler , C^. a.) Kneuzen , bree- 
hen ., Jlampm't concaffer des aman- 
des, amandelen kraaken. 

C o n caténat i o n , ( f ) Aaneenfchake- 
ling {in IVysge^rte). 

Co -cave , 'adj.) Uitgehold y hol; 
miroir concave ,.^^« holle fpiegel' 

Concavité, {?) Holltgheid;cori- 
cavité de la lune , het binnenjïe der 
maan. 

Concéder, (v. a.) Infchtkken, toe- 
geeven y toejîaan ; je vojs concède 
la «majeure de cet aigument , de 
hoofdjielling van dit beivys geef tk 
u toe 

Concentration, ff) De bereiding 
der qumtefTenS uit eene (loffe. 

Concentrer, (v.a.) Naar hetmid- 
del-ru't dryven , 'e froid concentre 
Za cha'eur, de koude dryft de hitte 
te amen; fe concentrer, (v. r.)zig 
t' zamen trekken. 

Con entriqne,(adi.) Cercle con- 
centr que , cirkel die nevens eenen 
anderen uit bet middél-punt ^effQkken is. 



CON. 

Concept, (m) Denkbeeld -, begrip 
van iets (in Na tuur k.) ; item voor- 
flag , ontwerp , voomeemen (in Koopb.), 

Conception, (f) Ontfangenis , be- 
vrugting; 't fee/l der onfdngenis van 
Maria; • ela n'eft pas de faciie con- 
cept ïo;'- , dat is niet lii^t te begrypen; 
belles conceptions , mooije in-jal^ 
len. 

Concernant, (participe) Noopen- 
de , aangaande. . 

Concerner , (v. a.) Raaken , be- 
treffen; Ia 1 bert? publique concer- 
■ ne ciaacun , de openbaare vryheid 
gaat ieder een aan ; cela ne me con- 
cerne pas, dat raakt my met. 

Concert , (m) Gelykluiding van 
fiemmen offpMtuigen (£)) concert 
(n) , kamer daar gefpeeld word ( f ) j 
il faut agir de concert , men moet 
eenflemmig te werk gaan. 

Concertant , ante (adj.) Mede 
fpeelende. 

Concerté, ée (adj.) Foorbedugt; 
chofes bien concertées, wel over- 
legde zaaken of dtngen. 

Concerter , (v. a.) Stemmen of 
fpeel tuigen gelykluidend maaken j con- 
cert houden; iets overweegen, over- 
leggen. 

Conceffion, (f) (van Concéder) 
Toegeeving , inwilliging , vergunning 

(f). 

Concefiïonnaire , (m)Een die iets 
toegeeft in een reden-twifi. 

Concevable, (adj.) Bevatbaar ; la 
cho^e n'eft pas concevable , cfe zaaé 
is niet te ^e^rypen. 

CoTjnevoif , (v a.) Ontfangen ^ 
zwanger worden ; begrypen , hefeffen y 
een ontwerp eigens van maaken ; con- 
cevoir de l'horreur, met fchrikbe- 
var gen worden. 

Conche, (f) {boert, ir.) Etre en 
bonne ou mauvaife conche , wel of 
Jleçt toegetaakeld , gekleed zyn. 

Conchyle, (m) Purper pak, moS' 
fel. 

Conchyliolog'e , ( f) Schulp-kunde^ 

Concierge, (ra. & ï.) Kaflelein \ 
deurwagter eener comédie j Cipier 
van een s^evangenis. 

Conciergerie ,( £) ^mpteenes Kas- 
t deins. Cipier s (n)) item gevangenis (f). 

Con- 



CON. 

Concile ,(m) Groote Kerhelyke ver- 
gadering ybyeenkouvl ( f) , concilie (a) 
vergaderplaats (ra) jaftes, décrets, dé- 
cifions du concile, handelingpn,be- 
Jluiten , vonnijfen van bet concilie. 

Conciliabule, (m) Ketterfcbe by- 
eenkomjl ( f). 

Conciliaceur, ~ trice (m. & f.) 
Vereeniger , bevredigen , cm die tivijl 
by legt; item een die Jirydige dingen 
over een brengt. 

Conciliation , ( f ) ycreenigïng ; 
overeenbrenging. 

Concilier, "(v. a.) Les paiTLïges 
d'un livre y de plaatzen 'jan een bock 
overeenbrengen , gelykluidend maaken ; 
fe concilier, (v. r.) la bienveil- 
lance des juges, zig de toe^enegent- 
keid der Rechters weet en te ver kr y gen. 

Concis, fe (adj.) Kvrt f beknopt; 
un ftyie net & concis, fé'w nette be- 
knopte Jlyl 

Conciûon , (f^ Beknoptheid, kort- 
heid. 

Concitoyen, enne (adj. & fubft.) 
Mede-burgerlyk ; mede-burger- , bur- 
ger ejf e . 

Conclave, (m) F'erkiei-plaats der 
Paufen^ 

Cónclavifte , (m) Bediende van een 
Kardinaal die mfê in het conclave 
gaat. 

Concluant , ante (a^j.) Argument 
concluant, ontégenzeggeCyk x^ bondig 
bewys-Jîuk. 

Conclure, (v. a. & n.) BeJJuiten; 
je conclus de rout cela, ik bejluit 
uit allen deezen ; conclure un ma- 
riage , ceû huwelyk Jluiten. 

Conclu fion , ( f ) Bejluit , Jlot (n). 

Concodlion, ( f) Verduuwing {men 
zegt gemeenlyk coélion). 

Concombre , (m) Komkommer. 

Concomitance, ( f ) f^ergelfckap- 
pîng (in The-il.). 

Concomitant, ante (adj.) Ferzel- 
bnd; la grâce' concomitante , de 
medewerkende genade. 

Concordance, (f) dçs Evange- 
liftes , overeenJJemming der Evange- 
liften; concordances de la Bible, 
Byhels woordenboek. 

Concordant, ante (adj.) Overeen- 
Jîcmme*i:f. 



I CON. 147 

' Concordat, (m) l^erdrag^ verge^ 
lyk , traftaat (n) , (/« geejiel. of relh 
gie zaaktn). 

Concorde, (f) Eendragt , eenig" 
hcid , vree de. 

Concourir, {y.z.)t' Zamenloopen; 
behulpzaam zyn , medewerken ; tout 
concourt à la fortune , ailes vloeit 
tot zyn geluk te zamen; concourir 
pour le prix , ont den prys dingen. 

Concours, (m) t' Zamenloop y toe- 
loop van nienfchen ; medewerking , 
hulp. 

Concret , (adj.) (m redenk.) Za- 
mengejïeld; als : Blancheur , wttheid , 
(terme concret) geeft beide het on- 
derwerp en de hoedanigheid te kennen. 

Concrètement , (adv.) Conliderer 
les chofes concrètement & abftrai- 
temen t , de dingen geheellyk of t' za- 
mengejîeld en ofzonderlyk of afgetrok- 
ken befchouwen. 

Coiicretion , ( f ) t' ZamenJlelUng 
van verfchetde dingen \ item hard of 
dikwordinge van iets dat zagt en dun 
is (in Natuurk.). 

Conçu, ue (adj.) (van coucevoir) 
Om fangen , zwanger geworden ; be- 
grepen; il avoit conçu le defleii^ 
de ,/»y had betvoorneemen gevat ^om, 

Concubinage,(m) Byzitfchap (n), 
onwettige byflaaping , boeleering ( f). 

Concubinaire , {m)Een die eenby- 
zit heeft, een boel. 

Concubine , (f) Bywyf (n) , by 
zit (f). 

Concupifcence , (f) Begeerlyk- 
heid , quaade neiging of lujl. 

Concupi cible , (adj.) Appétit con- 
çu pifcible , begeerlyke luji , wil. 

Concurremment, (adv.) Geza- 
mentlyk , om Jïryd iagiCCez concurre- 
ment avec eet homme Ikffpand tt 
gelyk met dien man aan. 

Concurrence, (f) Mededinging ^ 
medeflreevir.g na iets ; byeenkomfl van 
fchuldeifchers die gelyk recht hebben. 

Concurrent , ente (adj.& fubft.) 
M'dedingend , kuipend ; mededinger , 
een die met eenen anderen ergens naar 
faat. 

Concuffion, (f) Knéveïary; faire 
des concuffions, bet volk veel geld 
ofperffen, uifzui^e»^ 

K a C»n- 



J43 CON. 

Concuflîonnaire , (m) Een bloed- 
zuiger , Jîrooper van 't gemeen. 

Condamnable, (adj.) Strafivaar- 
dig ; berifpelyk ^wraakbaar; Ton pro- 
cédé eft condamnable,zy« batiJel ts 
te laaken. 

Condamnation , (f) yerwyzirtg y 
VKroordeeli»g ; paHer condamnation , 
fchuîd, ongelyk bekennen) fubir con- 
damnacioa , zig een vonnis onder- 
werpen. 

Condamner, {v. a.) Veroordeelen, 
••jerivyzen; haken; condamner à la 
mort, ter dood verivyzen; condam- 
ner la conduite de quelcun , ie- 
mands gedrag laaken ; condamner 
une po rte , een deur toefpykeren ; fe 
condamner (v. r.) foi même , zig 
zelfs veroordeelen, 

Condenfation , (f) Verdihkingy 
condenfation de l'air , verdikking 
der luckt. 

Condenfer, (v. a.) Verdikken, {in 
Natuurk.). 

Condeputé , (m) Mede-afgeveer- 
digde. 

Condefcendance, (f) Toegeevend- 
keid, infchikkendheid aan die geinen 
die beneeden ons zyn, 

Cpndefcendant, ante (adj.) Toe- 
geevend; il a l'humeur condefcen- 
dante , hy ts meêgaavide van aart. 

Condefcendre , (v. n.) Zig naar 
iemands wil fchikken; onzen minderen 
wat toegeeven ; condefcendre aux 
foiblefTes. de quelcun, aan iemands 
zivakheden wat toegeeven. 

Condefcente, (f) Neerlegging der 
voo^dyfchap. 

Condition, (f) Terug vorder- 
ring der verloorene of afgencmene din- 
gen [volgens 't Roomfche recht). 

Condifciple , (m) Medeleerling , 
fchool-makker. 

Condition, (f) Natuur^ hoeda- 
nigheid ; voorvL'aarde ; Jiaat, beroe- 
ping-, waardigheid , aanzien; à con- 
dition que, onder voorivaarde dat; 
j'accepte cette condition , ik neeme 
die aanbiedivge aan; chercher con- 
dition, een huur zoeken; un hom.- 
me de condition, e^ man van aan- 
zien. 

Conditionné, é« (adj.) Bedongen; 



CON. 

gejleld; livre bien ou mal condi- 
tionné , boek dat wel of kwalyk uit' 
ziet of geconditionneerd is. 

Conditionnel, elle (adj.) Voor- 
waar de lyk , met beding, 

Conditionnellement,(adv.)^öö»'- 
waardelyk , onder beding. 

Conditionner, (v. a.) Bedingen, 
voorwaarde maaken;iets in een zeke- 
ren jiaat brengen, bereiden, maaken. 

Condoléance, {£)Rouw-kUgtii)^ 
rouw-beklag (n). 

Condutfieur , trice (m. & f.) Leids^ 
man, bejïierder , voorganger ; bejiierd- 
Jler, leidjler. 

Conduire, (v. a.) Leiden, gelei- 
den; aanvoeren; befiuiren , onderwy 
zen ; conduire un aveugle, eenen 
blinden leiden; conduire un cheval» 
een paerd mennen; conduire l'artil- 
lerie, het gefchiit aanvoeren; con- 
duire une armée , een léger gebie- 
den; conduire un état , een JJaat be- 
jiieren j ce chennn conduit à la 
ville , die weg leui naar de fi ad; la 
vertu conduit aa véritable bon- 
heur , de deugd is de weg naar het 
waatagtige geluk ; conduire bien fa 
barque, zyne zaaken wel beflieren% 
conduire un enfant dans fa jeu- 
ne fle , een kind in zyn jeugd ondef 
wyzen , onder opzigt hebben; fe con- 
duire, (v. r.) alleen gaan; zig ge- 
draagen ; un aveugle fe conduit 
bien avec fon bâton , een blinden 
gaat zeer wel alleen met zyn fiok , fe 
conduire fagement , zig wyffelyk ge- 
draag en. 

Conduit , te (adj.) Geleid enz. 

Conduit, (m) Een waterhuis (f), 
riool (n), pyp (£); conduits d'uri- 
ne, water-peezen. 

Conduite, (f) Gedrag (n) , Ie- 
venswyze (f); opzigt, bewind (n)} 
enz. une bonne conduite , een goed 
gedrag, avoir la conduite -d'un en- 
fant , d'une armée , de bejltering 
over èen kind., het geleide over een 
heir of léaer hebben; une conduite 
J'eau , eene water leiding. 

Condyle , (m) Finger-lid, knokkel 
(in Ontleedk.). 

Cône , (m) (in Mf^th.) Kegel (m), 
rondt fpits ah gvn zuiker-trood. \ 

Con- 



CON. 

Confabulateur, (m) Een Praater, 
{boert. IV.). 

Confabulation , (f) t' Zamenkou- 
ting y vriendelyk gefprek , [boert. iv.). 

Confibaler , (v. n.)^' Zamenpraa' 
ten, kouten, {boert, w.), 

Confcdion , ( f) Tocbcreid'mge van 
geneesmiddelen , zuiker-iverk enz. con- 
leftion du chyle , gyl-maaking (in 
Geneesk.)\ confeAion d'un inven- 
taire , her maaken van een inven- 
taris. 

Confédération , (f) Bondgenoot- 
fcbap. 

Confédéré, ée (adj. & fubft.) Ver- 
bonden ; Bondgenoot , Bondgenoot e, 

Confédérer, fe Confédérer , (v. 
r.) jZig verbinden) een verbond aan- 
gaan. 

Conférence, (f) Gefprek (n) , on- 
derhandeling : by eenkom]} ', vergely- 

kim (f). 

Conférencier, (m)£f»^/V gefchrif- 
ten tegens malkander overziet. 

Conférer , (v. a.) Conférer Ia 
verfion avec l'original, de overzet- 
ting tegens het oorfpromkelyke houden , 
overzien; Ie Roi lui a conféré 
une charge y de Koning heeft hem 
eene bediening opgedraagen;r.onférçr 
les ordres, de orden aan eenig gees- 
telyke toedienen -, conférer avecquel- 
cun , met iemand gefprek houden. 

ConfefTe , ( f) Aller à confeffe , 
ter biegt gaan. 

Confefler, (v. a.) Bskennen, bely- 
den, biegt en y le confeffer, (v- r.) 
ter ba egt gaan; fe confeffer au re- 
nard , by den duivel te biegte gaan j 
fauce confeffée eft à demi -par- 
donnée , beleden misdaad is half ver- 
geèven. . 

ConfefTeur, (m) Biegtvader-, be- 
tyder. 

Confefllon, (f) Belydenis y beken- 
tenis, biegt. 

Confeüïonnal , (m) Êiegtfloel. 

Confiance, (f) t^ertrouwen (n) , 
hoop , toeverlaat j item floutheid (f) ; 
en confiance, in vertrouwen; parier 
à quelcun avec confiance ) vrymoe- 
dig tot iemand fpreeken. 

Confiant , ante (adj.) Fertrwwend', 
Jioutmoedi^* 



I CON. 149 

Confidemment > (adv.) Invertrou- 
wen ; vrypofltglyk , Jfautelyk. 

Confidence, (f) yertrouwen , ver- 
trouwendheid dte men in iemand Jleldi 
vrypoJJigheid; faire confidence d'u- 
ne cho'fe à quelcun , iets in ver- 
trouwen aan iemand openbaaren. 

Confident , (m. & f.) Vertrouwe- 
hr.g , boezem-vriend- of vriendin. 

Confidentiaire , (na) Eén die een 
geejlelyk ampt voor eenen anderen 
waarneemd. 

Confiier , (v. a.) Vertrouwen y aan- 
betrouwen; fe confier, (v. r.) ziek 
vertrouwen, zyn hoop fielten. 

Configuration , (f) De uiterlyke 
gedaante; als mede de t' zamenfchik- 
king van eenig ding', 't afpeû der 
planeeten. 

Confiner, (v. a.) Janpaalen^aan-^ 
grenzen f bannen \ opfluiten; la Hol- 
lande confine à l'Allemagne, /&/- 
land grenfî aan Duitfchland; il eft 
confiné dans fa tnaifon , hem is aan^ 
gezegt niet uit zyn huis ta komen; fe 
confiner , (v. r.) zig opsluiten , ver- 
bergen , op eene plaats houden. 

Confins , (ra. pi.) De Grenzen y 
Landpaalen, 

Confire, (y. a.) Lmaaken, inzul- 
ten , konfyten. 

Confirmatif, ive (&dj*) Bevejligend, 

Confirmation , ( f) Bevejliging ; het 
vormzel (in de R. Kerk). 

Confirmer , (v. a.) Beveiligen , be- 
kragtigen ', vormen (in de R. Kerk) ; fç 
confirmer , (v. r.) bevefiigd worden» 

Confifcable , (ad j.) Verbeurdelyk. 

Confifcation , ^f) Verbeurt -vef 
klaar ing > verbeurt maak ytjg-. 

Confifeur, (c^ Banket- of zuikef' 
hakker. 

Confisquer, (v. a.) Verbeurt ver- 
klaaren; fes biens font confisqués, 
zyne goederen zyn verbeurt', c'eft un 
homme confisqué , een man daar 
wegens zyn gefï el geen geneezen aants. 
Confit , ite (d,à].) Ingemaakt ;con-' 
fit en dévotion , en maüce , vet 
aandagt , boosheid. , 

Confiture ,-(f) Ingemaakte vrugt 
(£)'^ zuikergebak (n). 

Confiturier, iere (ra. & f.) Zuh 
k-r- bakker i konfiurier, bankci-bakjler. 

K 3 C^P-" 



150 CON. 

Conflit, (m) ^tryJ (f), gevfgt 
(n), tiviji (f). 

Confluent , (m) t' Zamenvlocd{£} ; 
cette ville eft bâtie au confluent 
des peux rivières , die jîad is op de 
zamenvloeijing der twee jlroomen ge- 
bouivd. ^^ 

Confondre , (v. a.) Verwerren, 
onder een mengen-, het eene^joor het 
andere neemen of aanzten ; bejchacmd 
of verlegen maokcn , doen verjïomm n; 
confondre les choies , deizaakenon- 
€fer een mengen; cela Ie confondit, 
dat hielp hun m de war, van zyn 
fiuk , maakte hem befcbaamd ; con- 
fondre fon adverfaire, zyne tegen- 
party verlegen , befcbaamd maaken; 
voas me cor.fonuez de toutes vos 
civiutés , gy maakt my met alk tiive 
beleefd bed f n verlegen. 

Conf.ndu, ue. (adj.) Verward , 
hefchaanid. 

Conformation , (f) Conforma- 
tion des parties du corps , notuur- 
lyke gedaante der lichaams-deelen. 

Conforme, (adj.) Cxelykjïaltig, ge- 
iykvormg-, overeenkomflig. 

Conformément , (aüv.) Overeen- 
komjïiglyk; agir conformément aux 
ordres de quelcun , na iemands be- 
veelen te werk gaan. 

Conformer, (v. a.) Schikken f rich- 
îen\ fe conformer à quelque cho- 
fe , zich na iets fchikken. 

Confot mité, ( f ) Gelykvormigheiâ , 
overeerJiomft ; la conformué d'hu- 
meurs entretient la paix dans le 
ménage, gelykheid van zinnen onder- 
houd de vrede in een huisgezin. 

Confort , (m) Verfîerking ^, troofl , 
hulp ( f ) , {oud w.) 

Confortatif, ive (adj. & fubft.) 
Verjierkend, verkwikkend; verfierkend 
geneesmiddel. 

Confortatîon , ( f ) cela eft bbn 
pour la confortation des nerfs, üraf 
j^ goed tot verflerking der zenuwen. 

.Conforter ,"(v- a.) Verfierken ,kragt 
gecven; le vin vieux conforte l'e- 
ftomac 9 de oude wyn verfierkt de 
maag. 

Cor.frairiei ( f ) Broederfchap<, gil- 
ie-broerfchap , gilde (n) ; être de la 
grande confrairie , van 't gnaie 



CON. 

giU, onder bet getal der Hoomdraa^ 
girs zyn. 

Confraternité, (f) Broederfcbap , 
Monnikbruérfchap (n). 

Confrère, (m) Medebroeder, gtU 
debroeder y makker <, metgezel. 

Confrérie. {Zie Confrairie). 

Confrontation , ' f) Vergelyking', 
verhooring ; Confrontation des écri- 
tures, vergelykmg der fchriften tegen$ 
malkander > confrontation des té- 
moins , vrrhooring der getuigen , in 
tegenwoordigheid van den bejchuldigden 
of vergelyking der getuigen met elkan- 
der. 

Confronté , ée (adj.) Vergeleken 9 
verhoord. 

Confronter, (v. a.) Tegen of over 
malkander flellen , vergelyken > con- 
fronter des païïages d'écriture, 
c^chrifteur plaatzen met malkander 
over-zien; confronter des témoins, 
getuigen tegen malkander hooren j con- 
fronter iès témoins au criminel, 
aetuïgen in byzyn des misdadigers 
verhooren. 

Confus , ufe (adj.) Befcbaamd, 
verlegen; verzvard; cri confus , een 
verward gefchreeuw; bruit confus, 
onzéker gerucht; difcours confus, 
verwarde reden ; je fuis confus de 
toutes vos civilit?z , ik ben be- 
fcbaamd over alle uwe beleefdbee- 
di-n. 

Confufément , (adj.) Verwarde- 
lyk , dujlerlyk. 

Confufion, (f) Verwerring , op- 
roer ; fchaamie; Ie battre en confu- 
fion , in 't hortderd vechten ; oonfu- 
fïon des langues ; verivarring der 
fpraaken; couvrir quelcun de con- 
fuüon, iemand befcbaamd maaken', 
avoir de la confufion , befcbaamd 
zyn; confufion de rubans, een bos 
linten; en confufion, (adw .)verwarde- 
lyk. 

Confutation , (f) Wederlegging 
van een bewyijii'k. 

Confuter , (v. a.) Iets wederleg- 
gen , beantwoorden , omvérflootcn {Zie 
réfuter). 

Congé , (m) Jffcheid; verlof {n) , 
opzegging van geleende penningen 
fcheaps-pas ; los-ceél op koop-waaren, 

don- 



CON. 

donner le congc a an domeftique , 
à un SoldaCî een dienjl-hode laoten 
gaarii een üüldaat afdanken-^ obctnir 
congé , affchiid erlangen; arendre 
congé de fes amis , van zyne vrien- 
den affcheid neernen J jour de con- 
gé , opecl-dog. 

Congédie , ée (adj.) Afgedankt t 
{Zie congé iierj. 

.Congédier , (v. a.) Verlof of af- 
fcheid geeven ; afdanken , paspoort 
geeven ; ontjlaan , gaan laat en. 

CungéiaLion , (f) Het t'zamen 
loopcn van vloeibaar e dingen fJioUihg , 
Jiremmingi congélation des grais 
fes , JioUing van het vet. 

Congeler, (v. a.) Doen Jlremmen , 
Jiollen, bevrtefen-y (e congéier (v. r.) 
bevriezen , dik worden. 

Congénères, ladj.) mufcles con- 
génères , Spieren van gelyke joort of 
bevjecging. 

Congellion, (f) Gezwel {in heelk.) 

Conglobation , (f; t erzameltng 
van bewys-gronden {in redenk.) 

Congloméré , ée (adj.) Des glan- 
des conglomérées , o. eenen hoop 
leggonde klieren {in ontl. k.) 

Conglutination , (f) t' Zamen- 
kleeving , lyming. 

Conglutiner , (v. a ) t' Zamen- 
bindeny lymen; fe conglaliner , f zd- 
menkleeven. 

■ Congratulation, (f) Gelukiven- 
fcbing ; mede verheuging met een ander. 

Congratuler, (v. a.) Geluk iven- 
fcben , begroeten , zich met een ander 
vifrbiydeni (féliciter, ts beti-r). 

Congre, (ra) Zee-aal. 

Congrégation, {î)Geeflelykebroe- 
derfchap , vergadering , by een komjl. 

Congres, (m) Bywoonmg van man 
en vroww; byeenkomfi -, congres, tot 
het Jluiteii van vrede. 

Coiigru, ue (adj.i portion con- 
grue, een behoorlyk deel t congru, 
regelmatig {infpraak). 

'Congruent, ente (adj.) Overeen- 
koomende, richt ig (infpraak). 

CoDgruisme , (ra) Overeenjiem- 
tning f , overeenkom/l ; (f) {Tbeol. w.j 

Congrument ou corredeme:.t , 
(adv.) parier congrument, «3 den 
regel fpreeken {infpraak.] 



CON. 151 

Conjeftural, rt:c ^adj.) Dat by de 
gis ts , onzeker t los. 

Conjedturaiemenc, (adv.) By gis- 
Jing f vertiioedelyk. 

Conjedure , ( f) Gij/ing, vermoe^ 
ding. 

Conjefturer, (v. a.) Giffen , raa- 
men , vei moidtn. 

Conjoin;re, (v. a.) t' Zamenvoh 
gen ^b.ter joindre enfembie). 

Conjoint, te (adj.,i t'Zamen ge- 
i'Of'^iz } les conjoints, de getrouwde 
{in r- chten). 

Conjointement, {didw.)Gezam£nt' 
iyk', te zamen. 

Conjonftif, ive (adj.) t'Zamen^ 
voegend. jf 

Conjondlion , (f) t*Zamenvo'?~ J^ 
ging; ( f kopp- 1 woord {vd) {infpraak.}; 
nar-. & venus écoient en conjonc- ■■^^^ 
tion , mars en venus ontmoetten mal- 
kanderen {in fier» ek.) 

Coujonftive , ( f) Het wit der 
oogen {tn Ontleedk.) j koppel woord [in 
Jpraakk.) 

Conjo -dure , ( f) Tydgewrigt (n) 
fiaat , toef and', (f^ conjonârure fa- 
vorable , gunflige tydS'Omfandigheid. 

Conjouir, (v. n.) s'aller conjouir 
avec quelcun, zig met iemand gaan 
verheugen (oud-w.) 

Co;!Joviiirdnce , (f) .Letcre de 
conjouiflance . brief van geiukwen- 
fching. 

'Conique , (adj.) Kegel-vorm ig ; 
fedion comque , de kigel-fneede , 
{in nieitk.) 

Conjugaifon > (f ) Tyd-voegwgy 
co jugatie , {in jpraaA.) ; t' zamen- 
voeging der zenuwm {in Ontleedk.) 

Conjugal, aie ,adj.) lien conju- 
gal , huweiyks band. 

Co'^jugaiement, (adv.) Op de ivy 
ze van egte lieden. 

Conjuguer, (v, a.) t' zamenkoppe- 
len , by een voegen; conjuguer un 
verbe , een werk woord venoegeny 
conjageeren. 

Conjurateur , • (m) Bezweerder , 
du lelbanner. 

Conjurateur, (^/e conjuré). 
Conjuration , ( f ) B^zweering , 
t' amen ziveering , t' zamenjpauning 
( f) » eed-gefpan (n), 

K 4 Con- 



ïja CON. 

Conjuré, ée (adj.) Zamengezivoo- 
reii; un conjuré , een t' zamerizweer- 
der ^ vloekgenoct , 

Conjurer, (v. z.) t' ^amenfpamenf 
ren aan/Ja^ maaken, bezweer en; fmee- 
ken , verzoeken ; vous avez conjuré 
ma perte , gy hebt myn verderf ge- 
fmeed ; je vous conjure de faire 
"cela, ik bid U dat te doen-, conju- 
rer le diable , den duivel bezweeren. 

Connécable , (m) Konjîapel , ka- 
Ttonnier ; ook eertyds Opperveld-over- 

• Connexe, (adj.) ^an een verknogt 
ofgehegt. 

Connexion , (f)t' zamenhang (m) > 
overeenkomjft (f), verband (n). 

Connexiié , ( i) u' ZamenhaKgelyk- 
beid. 

Connu , (m) Konyn (oud-rv). 

Conniller, (v. n.) Uitvliigten zoe~ 
hen (g f m. en oud if.) 

Connilliere, ( f ) Uitvlugt , voor- 
wend ing. 

Connivence, (f) Oogfuiking, poe- 
laating. 

Conniver, (v. n.) Oogïutken ^ door 
de vingtTs zien , iets ongemerkt door 
laat en gaan. 

' Connoiflable , (adj.) Kenbaar , 
iennelyk. 

Connoiflance , (f) Kennis , kun- 
digheid (f); faire connoiflance avec 
quelcun , met iemand kennis maa- 
ken ; prendre connoiflance d'une 
affaire , een' zaak onderzoeken, 

Connoiflemenc , (m) Vragt-brief, 
cognoflement. 

Connoifleur , eufe (m. & f.) 
Keiiner-, kcnjler van iets. 

Connoïtre, (v. a.) Kennen -^ ver- 
baan-, faire connoïtre, doen blyken , 
'te kennen geven ; connoïtre d'une 
affaire , kennis van eene zaak neenien 
of daar over vonnijfen (in Rechten ; 
il a des fubtiütés où l'on ne con 
lioît rien , hy heeft fpitsvinnighedfn 
de omuig.ianbaar zyn; connoïtre là 
.guerre , het oot7o/ verjlaan ; je ne 
m'y connois pas," ik verjlâ 'er niets 
van; le connoïtre en quelque cho- 
(éi in iets ervaren zyn. 

Connu ^ ue (adJO Gekend; bekend, 
èerowsd» 



CON. 

Conque , ( f ) Groote Zee-fchutp ; 
Zee-hoorn der tritonnen. 

Conquérant , (m) Overwinnaar , 
zegenpraaler. 

Conquérante, (f) Overwinnaar- 
[fier, eene die veele minnaars maakt. 

Conquérir , (v. a.) Overwinnen y 
veroveren , inneemen, 
! Conquet, (m) aangewonnen goed 
.flaande een huwelyk (nj. 
! Conquête , (,f ) Overwinning , 
, verovering. 
I Conquècer y (v. a.) - Veroveren 

(oud w.) Zie. conquérir. 
I Conquis, quife(adj.)OifK«;ow;fWî 

vermeejierd. 
j Gonfacrant, (m) Inwyer, een die 
' inzegent. 

Confacré, ée(adj.) Toegewyd, toe- 
geheiligd. 

Coniàcre'r , (v. a.) Toewyen , toe- 
heiligen , opofferen ; confacter un 
evéque , eenen Bisfehop inwyden; con- 
facrer Ton nom à la pofterité , zyn 
naam by den na-neef vereeuwigen \ 
confacrêr un mot, een woord door 
't gebruik wettigen. 

Confangüin, guine (fubft. &adj.*) 
Een bloed-verwant ; frères confan- 
guins , broeders van *s vaders zyde 
-alleen. 

Cor.fanguinité , ( f ) Bloedver- 
wantfchap ; dégré de confanguinité > 
trap van bloedverwandfchap. 

Confcience , ( f) Geweeten , ge~ 
wiffen, gemoed (n); Confcientie ( f); 
agir contre fa conlcience , tegen zyn 
geweeten handelen; remords de con- 
fcience , knaaging van 't geweeteni 
avoir la confcience large, eenruim 
gemoed hebben ; en confcience > tn 
ivaarheid. 

Confciencieufement , (adv.) Ge- 
moede lyk. 

Confciencieux , eufe (adj.) Vroom , 
opregt; un horome confcientieux , 
ten man van een naauw geweten. 

Confcript , (m) Raadsheer by de 
Romeinen, 

Conl'écrateur , (m) Inwyer, 

Confécration, (f) Inwying , inzé.. 
gening. 

Confécntif , ive (adj.) trois jours 
confecütifsj drie (tcbtgr een vplge^idè 
dagen, Con- 



CON. 

Confécutîveraenc , (adv.) Vervol^ 
gens f onmidJelyk achter een. 

Confeil, (m) Raad (m>} raadsla 
gwg (f) raacfs-mai} ; raads-'vefgiiJe- 
rinçr-^ raaiis'VergaderpLiats ', confeil 
d'écat, Raad van Ótaattn -, confeil 
privé, gehiime Raad; confcril de 
guerre , Krygsraad , conleü de 
Dieu, Godi-raadhejluit } confeil au- 
lique. Hof- raad. 

Confeiile , ée (adj.) Geraaden-, 

Confeiller, (v. a.) Readen, raad- 
gé-vetij aanraaden ; fe confeiller à 
quelcun, by iemand om raad gaan. 

Confeiller, ere (m. & fj Raads- 
heer , raadsman j raadsheers - vrouw ; 
confeiller d'écat , lai , clerc , ftaats , 
ivaereldlyk , geejleiyk raadsheer. 

Confentant, ante (adj.) Toejlaan- 
de , inwilligende. 

Confentement, (ra) Toejierfiming , 
bnvilliging', d'un commun confen- 
teraenc, eenjïemmiglyk, 

Confentir, (v.n.)ToeJlemmen , be- 
^u^iWgen, toejlaan', qui ie tait, con- 
fent, die ztvygd die confenteerd. 

Conféquemment ,(adv.) Gevulglyk. 

Conféquence,( f) Gfï;o/^ {n);aan- 
gelegenheid {ï) ; tirer une conie-quen- 
ce , een gevolg trekaen ; affaire d'une 
niauvaife conféquence , zaak van 
een kwaad gevolg ; chofe de confó^ 
que nee , zaak van geivigt of aatigêle- 
genheid; gens de conféquence, Lie- 
den van aanzien. 

Conféquent , (m) Gevolg eener ke- 
'<wyst'eden (f). 

Conféquent, ente (adj.) Daar uit 
volgende ; par conféquent ;, byge- 
mlg j daarom. 

Confervateur , trice (ra. & f.) 
Beivaarderi befchermer , vcor/f ander ; 
behoudjier. 

Confervation ^ (f) Bewaaring , 
befchernung , handhaavitjg. 

Confervatoire , (adj.) cour con- 
fervatoire ,eenGerechts-hofin Frank- 
ryk dat de privilegiën voorjïaat. 

Conferve , (f) Een ivater-bak-, 
ingemaakte of ingezulte dingen ; Con- 
ferve de citron , conferf van et-- 
ïroen; aller de conferve , in gezel- 
schap vaaren (zee «/.) 
• Conferver j (v. a.) Bewaaren^ be- 



CON. 153 

f cher men , handhaaven, in goeden fiand' 
houdeo -, fe conierver, bewaard wor- 
den , duuren. 

Cjnferres , <f. pi.) Brillen f die- 
nende alleen tof bewaaring van het 
gezicht. ' 

Confidence, (f) Zetting , zinking 
van grond -fop {in Natuurk.) 

Coniidérabie, (aci).) Aaumerklyk , 
van aanbelayig , groot ; avoir pour 
chalans les perfonnes les pluscon- 
liderables de la, Ville, de aanztene- 
lykpe uit de 6tad tot ka tant en heb- 
ben. 

Coniidérablement , (adv.) jian- 
merklyk > grootelyks. 

Confidérant, ante (adj.) Voorztg- 
tig igem. w.) 

Confidération , (f) Overweging^ 
overdenking (f; inzicht; ontzag (nj; 
conlidéracion de Ja mort, befpiege-, 
hng over d.n dood; avoir conüdéra- 
tion poar les gens de qualité, eer- 
bied voor lieden van aanzien hebbsni 
à votre confidération , om uwenf 
wil. 

Confidéré , ée (adj.) Overwogen j 
aanzienelyk. 

Confidérément , (adv.) Foorzig-- 
tig/yk , bedagtzaamlyk. 

Conüderer , (v. a.) Aanmerken^ 
overwegen ; befcbouwen; hoog-achten, 

Confignataire , (m) Een aan wien 
eenig geld of goed , waar over getiviji 
woid j in heivaaring word gegeven, 
tot uit einde der zaake , een feques- 
rer. 

ConCgnation , (f) De overgaaf 
of in beivaa^flelling van dien; item 
de zending van Koopmanfc happen , aan 
een ar.der om die in commiflie te ver^ 
koopen. 

Configner, (v. a.) Betrouxven , in 
handen Jlellen ; configner de 1'ar- 
gent au greffe , geld in de griffie on- 
der recht leggen; je vous -^onfigne 
ce prilbnnier, ik geef U dien ge- 
vangenen over ; configner des mar- 
chandifes , goederen tn coHJiniflie 
zer.din. 

Confiftance , (f) ToeJJand eene^ 
zaake; bejlendigheid; vajïigheid; tel- 
le étoit la confiftance de ia Monar- 
chie ,zot/fl?;/^ <wa$ de t^ejland van 't 

K 5 ryk's 



154 <^0N. 

ryk , être dans I à^e le confiftance , 
inde kragt der jaaren zyn , l'affaire a 
pris fa confillance , de zaak heeft 
zyn bondigheid i zyn beJJag bekomt»; 
mauvaile conliflance, y/t;g^^ gefield- 
beid; cette étoffe , ce lucre n'a 
point de confiftance , die Jloffe , die 
zuiker heeft geen dikte , geborJen^ 
beid. 

CoJififter , (v. n.) Bejiaan; voiia 
en quoi confitte la difficulté , zie 
daar ivaar de zwarigheid in bejiaat , 
geleden is. 

Confiftoire , (m) Kerkenraad . 

Confiftorial , aie (adj.) Dat tot 
den Kt rkenraad behoord. 

Confiitoralcraent, (adv.) Na de 
ivyze des Kcrkenraads^ 

Confolable , (adj.) PWtrooJJelyk , 
vertroojibaar. 

Confolant , ante (adj.) Vertroos- 
tende. 

ConfoIaCeur , trice (m- & f.) Ver- 
troojier y troojler ; confoiateur j de 
troojier, de H. Geejl ; confolateur 
des malades , ^iekentroofler. 

Xonfolation , (f) Vertrooflmg , 
troofl ', recevoir de Ia confolation , 
vertroofl worden j mon unique con- 
folation, myn eenige trooji. 

Confoïacoire, (adj) epitre con- 
folatoire , trooji-brief. 

Confole , ( f) Deur-fiyl , ffeun-paal 
pinant (in bouwk.) 

Confoler , (v, a.) PWtrooflen , 
trooJien;Ce confoler? (v. r.) zig te 
ir eden pellen. 

Confolidant , (ra) Heel pleifter. 

Confolidation , (f) l- ereeniging 
dçs vrugt-gebru'iks met den eigendom 
vau eenig goed {in rechten)-, Con'oli- 
dation d'une ^\siy e , fluit ing ., toe hee- 
ling eener ivonde ; c o n Ib 1 i cl at i o n d 'a- 
mitié, verjlerking der vriendfchap. 

Confolider , (v. a.) une playe , 
tene wonde doen fluiten , toeheelen-y 
confolider un traité , een verdrag 
jjaaven i bondig maakcn i confolider 
1'ufufrait à Ia propriété , het 
"jrugt -gebruik met den eigendom ver- 
eenigen. 

Confomraateur , (f) Foleindiger, 
volvoerder ; conforamateur de la foi , 
vohinàer des geloofs. 



CON. 

Confommatiua , (f) f^ottnkkhg, 
volbrenging; ver(eering , conihmpae ; 
confuraniacion du mariage; des fiè- 
cies-, voltrekking des huwelvks; einde 
der wereld; co^fommation desuen- 
rées; des marchandifes , verteering 
der levensmiddelen; vertier y Jlyting 
der waar en. 

Confommé , (m) Krachtig vleefch- 
nat (n) fofpe (f). 

Confommé , ée (adj.) Voleindigt 
enz. 

Confommer, (v. a.) Voleinden vol- 
trtkken; confommer ia vlagde, het 
vleejch fïerk uitkooken; un mariage, 
een hitwelyk voltrekken ; des marchan- 
difes , waaren verjlyten , vertieren. 

Confomptif, ive (adj.) Teering- 
agtig. 

Conlbmption , (f) De teering ^ 
uitteer ing , item verteering , confump- 
tie der Levensnii idtlen. , 

Conforma nee , (f) Gelykluiden^ 
heid; 't zamitfiemming. 

Confonnant , te (adj.) Gelyktui- 
i dend ; overeenjïemmend ; meedefiem- 
' m end. 

Confonne, (adj. & f.) confonne 
! OU lettre confonne , een meede^ 
j klinker^ 

I Confort, (m) Metgezel , compag- 
j non , participant. 

Conibude , (f) Waal-wortel \_ 
fmeer-^wortel (Genees k.) 

Confpirateur, trice (m.& ï,))t'Za- 
monzweerder , vloekverwant ; t' za~ 
i menziv eerfier. 

! Confpiration , (f) t'Zamen^pan- 
■ ningf t' zamenzweering ^ aanJJag. 

Confpirer , (v. n. ik a.) t'J^a- 
j menzweeren , t' zamenrotten; confpi- 
; rerla mort de QVie\c\xn,eerïen toeleg 
\ maaken om iemand het Leven te be~ 
1 neemen ; tout confpire à votre 
! perte , alles werkt mee tot uwen on~ 
\ dergan^. 

j Conftamment, (adv.) Standvaflig- 
1 lykf bejlendiglyk fgejïadiglyk ; zeker lyk , 
gewijfelyk. 

Conftance , (f) Standvafligheid ; 
volher ding. 

Confiant , ante {2ià].) Standvas- 
tig ; zéker ; amant confiant , een 
Jlandvqfiig mimaar; il n'y arien de 

plus 



CON. 

plus conftant , aaar is niets zéker- 
der. 

Conftater, (v. a.) E^e zaak gron- 
delyk be-vyzen {in Rechten). 

Conftellation,(f) CJiernte; être 
né fous une heureuA conftella- 
tion , or.Jer een gelukkig teken geboo- 
ren z.yn. 

Conlltr , (v. n.) ii confie , que. . . 
bep ii bpkend , vajîy dat , . . {in Rechten). 

Conftertiation , ( f ) Ontftelfenis , 
ontroering , neérjlagtigheid. 

Coniterner , (v. a.) Ontjîellen^yver- 
fchrikken. 

Cnnllipation , (f) Verjîopping y 
bardlyvigheid. 

Conftiper, (v.a.) F'er/ioppen, bin- 
den , hurJlyvig manken. 

Conltituaric. ente (adj.) Magtgé- 
ver , aanjieller , cor,{lituent. 

Conlbtué, ée (adj.) Aangejieldy 
un homme bien conftitué , een luel 
gej}tld meyifch -, rente conflituée j op- 
geregte rent. 

Conftituer , (v. a.) Aanjiellen , enz. 
magt geven 'f renten oprigten; le me- 
lange des éléments conditue les 
corps, uit de vermenging der hoofd- 
Jîoffen {elementen) bejîaan de Ligcbaa- 
177 en ; Ce cunftituer juge d'une af- 
faire , Zfg tot Rechter eener zaak op- 
tverpen ; fe conftituer pleige , zig 
borg peilen. 

Conrtitut deprécaire , JVegfchen- 
ktng van goederen ^waar van men het 
vmgt-gebruik aan zig behoud, 

Ccnaitution, (f) Ligchaams ge- 
fieldbeid j oprichting ; aan/selling , 
magt geving. 

Conaitutionnaire ,(m. & f.) Jlaii- 
Jielkr-y oprichter. 

Conftrudlear, (m) Spier die tets 
toetrekt. 

Conftriftion, ( £)t' Zamentrekking , 
toetrekktng. 

ConÜringent,ente (adj.) t'Zamen- 
trekkend. 

ConllruAion, (f) Botiwing, /lich- 
ting; u-onrd-fchikkmg , (conltruftie) 
{in fpraak.) 

Conlïruire, (v. a.) Stichten, bou- 
wen ; woorden t* zamenfchikken. 

CcnÜruit, ité(adj.) Gebouwd; ge- 
Schikt, 



CON. I5J 

Confubflantialité , (f) Medenxe^ 
zendlykheid, midezcljjlandigheid; (in 
Theol.) 

Confubftantiel, elle (adj.) Mede., 
ivezig. 

Conftantiellement , (adj.) Mede- 
zelfjïandtglyk. 

Conful ) (m) Romeinfch-burger- 
mee/Ier eertyds , nu conCxxl of fcbeids- 
man .,er Kooplieden. 

Conlulaire , (adj.) dignité confa- 
laire , Burgermeeflerlyke -waardig- 
heid. 

Confulairemenc , (adv.) Burger- 
mei'Jierlyk ', dog nu op de ivyze van een 
Conful.. 

Confulat , (m) Burgermpefïerfchap ; 
Conluls ampt (n). 

Confultanc , (m) Een ra ad-vragen- 
de -, Avocat conlultant , jddvocaaf 
die men confuleerd. 

Confultation , (f) Raadpleging*^ 
raadgeeving. 

Confukative , (adj.) avoir voix 
confultative, eene raadgevende J} e m 
hebben. 

Confulter , (v. a.) Faad-plegen-, 
raadvraagen j beraa.iJJaagen ; conful- 
ter fes forces, zy-";f magt overwegen, 
jiagaan; confuker les iiy xes, de boe- 
ken nazien ; cojifuker Ie chevet, 
{fpr. w.) iets rypelyk overwegen y 'er 
eerji opjlaapen. 

Confukenr , (m) Raad ge ever ^ 
(m gepjlel. zaaken of ordens), 

Confumer, (v. e..) F'erteeren ver- 
kwifien , doorbrengen ; confumer fes 
forces , zyne krachten krenken , ver- 
fpilleu ', confumer d'ennuis , van 
zorg , kommer of verdriet verteerd 
worden. 

Conta£l , (m) Aanraaking van twee 
ligchaamen , {in Natuurk. 

Contadin, (m) Inwoonder van het 
Land. 

ContagieuK, eufe (adj.) Eefmette- 
lyk , aanjieekend. 

Contagion , ( f) Befmefting , PefT; 
zede-bederving, 

Contailles', (f, pi.) De Jlegtjle 
zyde van djn zy-wirm. 

Contamination, (f) Bezoedeling ^ 

{oud. 7V.) * 

Contaminer , (v. a.) Bevlekken, 
bezoe- 



Î5(5 CON. . 

^'zoedeten (oud. îr.) {Zie Souiller). 
Conce, {va) Reeketutig (Zie comp- 
ta)- r t . 

Conte, (ni) Verdigtzel, fprookje, 
fraatie (n) verftcnng , vertelling, 
kktgt{i)', conte agréable, verma- 
ieiyke , aardige vertelling i conte 
pour rire , lach-praaije; conte gras , 
engezoHteo of vuil praatje , contes a 
fîormir debout , praatjes voor de 
fiak; conte de vieille, de peau 
ci'ane, de la cigogne , de ma mère 
l*oie,' borgne , jaune, blea , en 
l'air, oudwvfi vertelling, fpi^rcks- 
p-japje, ' hiap'til > quels^ contes.' 
'i:;atte praatjes ! contes étranges , 
ti'onderbaare of vreemde vertellingen; 
ce font des contes que tout cela, 
i^at zyfi al te maal vertellingen. 

Contemplateur, trice (m. & f.) 
B^^chouwer, overdettker ; befchouwjler. 

Contemplatif, iv€ (adj.) Befpie- 
seknd, opgf:trohke}7 in gedachten; Théo- 
.iogîe contem^ilative > bcfcboîiiveade 
Q^.geleerdhetd» 

Contemplation , ( f ) Ecjchowwîng , 
^efpiegeling. 

'Contempler, (v. a.) Bcfchouwen , 
kefpie^efen , overdenken; contempler 
les deux , dentlémel lefchwiven. 

Contemporain , aine (adj. & f.) 
A.«teurs contemporains, gelyktydige 
i^çhryvers ; c'eft mon contemporain , 
^f is^ myn tyd genoot. 

Contemp!eur , (m) Veragter , ver- 
pKo^der. . ,^ 

Contemrtible ,'(adj.) Fir^gf^ly* , 
mvfmadelyk. 

Contenance ,(^) Inhoud (va) {van een 
feaJ', er.z.) houding , grjlalte , zwier 
if),» gelaat, poftuur(n}> cette fem- 
Bgfô ne fait quelle contenance te- 
Wtiïï , die vromv weet niet welke hou- 
i^vg: ay aani*eemen zal ^ porter quel- 
<Que chofe par contenance, Jeti uit 
f^H.aamhil-Jpn draagen ; perdre con- 
t<ènance, verlegen worden ; épier la 
e:?.\>,ïer,ance des ennemis , des vyands 
if)uJr,:g , oogmerk hef pi eden. 

Coûte aaji t , (ra) Le contenant eft 

tsjtijours plus grani que le con- 

tà^\i\ de omtrek , omvang van iets, 

l<i (ilt^i groot er als den inhoud. 

^CiQateodanç. , atüe ,adj.; Princes 



CON. 

contendants , parties contendan- 

tes , Jlrydende yorjlff) yfïrydende par- 
tyen. 

Contenir, (v.a.) Inhouden, bevat' 
ten , behelzen ; beteugelen , hibiniien 
enz,; livre qui contient l'hiftoire 
de ... , boek dat de gefchi edenis , 
hifcorie hehelfl van . , . 3 la cham- 
bre ne peut pas les contenir tous, 
de kamer kan ze niet alle hergen 5 
contenir Je peuple dans fon de- 
voir, 7;^? volkin hunnen pligt houden. 

Se Contenir, (v. r.) Zig inbin' 
den; fe contenir dans les bornes 
de la raifon , binnen de paaien van 
redelykhetd blyven. 

Content, ente, {&à].) Vergenoegt , 
te vreeden , voldaan. 

Contentement, (m) Genoegen{n); 
voldoening; betaaling {ï); contente- 
ment paffe richêfle , vergenoeging 
gaat boven rykdom;le contentemenE 
eft plus dans Je cœur & la fatisfac- 
tion eft plus dans les paiTuins, hier 
uit blykt hetverfchil tuffc hen deze twee 
fynonyma (gelykluidende woorden). 

Contenter , (v. a.) (Vergenoegen, 
te vreeden Jïellen , voldoen; contenter 
fes paffions, zyne luflen boeten ; fe 
contenter, (v. r.) ztg vergenoegen. 

Contentieufement, (adv.) Twijl-. 
gieriglyk. 

Contentieux, eufe (m.tScf.) Tii;//?.. 
gieriq , hyfa^tig. 

Contention, (f) Twifliï), krak- 
keel {n) ; contention d'efprit, »«- 
fpanning van geefi. 

Contenu, (mj Le contenu d'une 
lettre , den inhoud van een brief. 

Contenu , ue (adj.) Begreepen , 
vervat. 

Conter, (v.a.) Vertellen, verhaa- 
len , conter une avanture , een ge- 
val vertellen; conter des fornettes» 
des fagots, ou, en conter des bel- 
les, klugtjes vertellen; il nous en a 
bien conté, hy heeft ons zoo wat 
wy s gemaakt; en conter à une fera- ^^ 
me , lui conter fleurettes , een - 
vrouwsperfoon zoo wat voor praaten , . \ 
op de mouw fpelden ; elle s'en fait 
conter ,zy laat zig wat wys maaken, ; 

Conter, (v. a.) Tellen ^ rekenen, , 
{Zie Coirpter). 

Con- ' 



CON. 

€oiîteftable , (adj.) Betwîjïbaar , 
dat beiwijly tegengefproken kan war- 
den. 

Conteftant, ante (adj. & fubft.) 
Twijhncie ; les conceflants , de twis- 
tende, krakkeelende f art y én. 

Conteflation , ( f) 'Betwtjïiag , 
jiryd \ f), krakkeel , gpiling (n). 

Contefter» (v. a.) Twijien ^ Jlry- 
den , krakkeelen 3 iemand iets betwis- 
ten, 

Gontenr, eufe (m. & f.) Vertel- 
ler-, zivetzer -f verte/fier -, conceur 
de fornectes , een beuzelaar f klugt- 
virteller. 

Coutexture , (f) t' 2^amenbindwg 
(f), t' iamenweeffel (n); (als van 
fpieren , -vezels enz.). 

Contigu 5 ue (adj.) yî anpaa lende -, 
maifon contigue, naaji gelegen huis. 

Contiguité, {f ) Aanraakwg , aan- 
paaling , aanjlooting. 

Continence , ( f) Ingetogenheid , 
maatigheid , onthouding. 

Continent, ente (adj.) Ingetogen, 
maat i g , kuifch. 

Continent, (m) Het vajle Land, 
(in Landbefibr.). 

Contingence , (f) Gebeurt elyhheid; 
felon la concingence des affaires, 
des cas , na dat de zaaken uitvallen. 

Contingent , ente Ou caïuel, elle 
(adj.) , Gebeur lyk y onzeker , dat ge- 
beuren kan of niet. 

Contingent, (m) Aandeel y con- 
tingent (n). 

Continu, ne (adj.) Geduurig, ge- 
Jiadig ; fièvre continue , een aan- 
houdende koortt; quantité continue , 
eene aan een hangende of onafgebroke- 
ne hoeveelhei'i (quantiteit) ; bafle 
continue, generaale bas {in Muftcq). 

Continuateur , (m) Fervolgcr , 
vsortzetter van eenig werk of fcbrift. 

Continuation, (f) Volherd{fig(f)j 
vervolg (n). 

Continue, ( f )La continue l'em- 
porte , den' aanhouder wint ; à la con- 
. tinue, by vervolg van tyd , by aan- 
houding. 

Continuel, elle (adj.) Geduurig, 
gefiaadig, onophoudelyk. 

Continuellement »" (adv.) Ceduu- 
rïglyk , zonder ojhouJen. 



CON. IJ7 

Contïnuemenc, (cdv.) (leus'^lcoa- 
tinûraent) Geduurig^ onophoudelyk» i 

Continuer , (v. a.) Volberden , aan- 
houden , vervolgen j continuer une 
muraille ,eene muur langer of verder 
voortbouwen j continuer quelcun 
dans fon emploi , iemand in zyne 
bediening laat en blyven of langer àou^ 
den. 

Continuité, (£) Vervolg (n) , 0»- 
'af^ebrokenheid , aanhouding , voortvaar 
ring van iets. 

Contondant, ante (adj.) Plette^ 
rend, dat qtietjl of kneiifi , en niet 
fnyd , als : een knuppel , enz. Qm 
He elk.). 

Contorfion (f) des membres, 
^irir.ging, draatjing, bogi-maaking der 
ledemaat en. 

Contour , (m) Omtrek , omkreits 
van iets ;\e vafte contonr, het waS' 
reldrond (by Dicht.). 

Contourner, (v. a.) Den omtrek 
ergens adn maaken, als aan Schilde* 
ryen enz. 

Contrat. (Zie Contrat'. 

Contraftant, (adj. & fubfl.) Em 
verdrag , verding , verbintenis aan^ 
gaande ; item t' zamentrekkend , m- 
krimpend (in Ontleedk.) ; item een die 
eene verbintenis aangaat , een con- 
traftant, f^»^ contraftante. 

Contrafte , (m) Een verkort woord 
(in Spraakk.). 

Contrader, (v. n.) Een verdrag^ 
eene verbintenis aangaan , maaken j 
un mineur ne peut valablemenc 
contrafter , een minderjaarige ka» 
geen contraù. van eeni^e waarde maa- 
ken of aangaan. Contrafter, (v. a.) 
Bekomen, verkrygen; contrafter oa 
gagner une rmladie , eene ziekte kry- 
gen; coutraéter une habitude, eetie 
gewoonte aanreemen , zich iets aan- 
wennen -^ co nzrâOiir des deitis ,fchul- 
den maaken ; contrafter amitié ,' 
vriendfchap maaken ; fe contrader , 
(v, r.) t' Zamentrekken , krimpen 
( van zenuwen ) ; verkort worden ( tn 
Spraakk.).. 

Contradion , ( f) Krimping , t*zû^ 
mentrekking der zenuwen ; in een f mat- 
ting van twee letteren (in Spraakk.)^ 

Coiitraftuel , elle (adj.) 't Geen 

têt 



158 CON. 

tot eert verdrag behoord > contraét- 
maatig. 

Contrafture, (f) Verdunning der 
zuilen. 

Contradifteur , (m) Tegenfpreeker , 
tegenparty {in Rechten). 

Concradiftion , (f) Tegenfpraak 
(f), cela implique contradiction, 
dat beheljl tegcnJJrydigheid. 

Conc-adidoire, (ajj.) Tegenfpre- 
ielyk ,tegenfirydig , arréc contradic- 
toire , vonnis door den Rechter in 't 
byzyn van tivee partyen uitgefprooken. 

Contradiaoireraeiit,(adj ) Tegen- 
Jirydiglyk, 

Contraignable, {TLà].)Die te dwin- 
gen y te noodzaaken is. 

Contreindre , (v. a.) Divingen , 
noodzaake.ï , dringen., tiypen , klem- 
men, be!2a.7u:veny enz. , contraindre 
quelcun , iemand noodzaaken ; eet ha- 
bit me contraint, dat kleed kUmt 
nty i rétade Ie contraint ,de letter- 
oeffening (Jiudie) valt hem t'ivaar ; fe 
contraindre , (v- r.) zich bedwingen, 
maat i gen. 

Contraint, ainte (adj.) Gedivon- 
tren , genoodzaakt ; il efl fort con- 
traint avec les perfonnes de qua- 
lité , bv (iaat by lieden van aanzien 
zeer verlegen; rtyle contraint, ge- 
divongen jlyl % conrraint dans fon 
habit , »>î zyn kleed geprangd. 

Contrainte, ff) D-wang fm) , ge- 
veeld (n)ï fans contrainte, ow^^iw/OK- 
oen ; contrainte de corps, lyfsdwangf 
arreft ; la contrainte eft grande 
dans cette rcailon , men Ie fd zeer 
gedwongen, georeerd in dat huis. 

Contraire , (adj, & fubfl.) Strydig, 
tegenflrydig, niet overeenkomende; a- 
voir Ïe vent contraire, den vjind 
iegen hebben , tegen den ivindvaaren; 
la fortune lui fut contraire, het 
geluk diende hem niet ;cor.txa.\r e à la 
fanté , flrydig met de gezondheid; Ie 
froid & le chaud font deuK con- 
traires , de koude en' bitte zyn twee 
(irydige dingen j au contraire (adv.) 
in 't tegendeel. 

Contrariant , ante (adj.) Tegen. 
Jlrevend; humeur contrariante, te- 
gen firevige imhorjl. 

Contrarier, (v. a.) IFederJireven ^ 



CON. 

ivederfpreeken , dwanboomen ; voua 
ne faites que contrarier, gy docd 
niet dan tegenjlreeven , tegenkanten. 

Contrariété , ( f ) Tegendrydigheid 
(f), verfchil(n). 

Contraile, (m) IFoordenJiryd y rc 
dentivi/i (oud w,). 

Contralle , (m) Verfcheidendheid 
(T), verfchil in de voorwerpen (n)(i« 
Schild, en Boinvk.). 

Concrafter, (v. a. & n.) De ge' 
JlelteniJTen der voorwerpen verfcheiden- 
lyk vertoonen , zulks aat het eene ge" 
bûogen en het aider e Jlaande is enz. 

Contrat , (m) Verdrag, overeen- 
kom]}, voorwaarde (f); conti-at de 
mariage, huwelykfche voorwaarde; 
faire, pafler, drefler un contrat, 
een contraft maaken. 

Contravention (f )auxloix, over* 
treeding , verbreekmge der wetten. 

Contre, (prep.) Tegen ,tegens;te- 
gens over; nevens; agir contre les 
loix , tegens de wetten handelen ; aller 
contre vent & marée , tegen wind 
en/iroom vaaren ; il étoit affis con- 
tre moi , hy zat neffens my , il eft 
logé contre i'Fglife, hy woond digt 
by de Kerk; mettez ce pot contre 
le feu , zet die pot digt by het vuur ; 
je n'ai rien à 'dire contre , ik heb 
'et' niets tegen te zeggen ; dire le 
pour & le contre, het voor en te- 
gen, bet pro en contra zeggen; ci 
contre , hier tegens over; tout con- 
tre , digt by , nevens aan. 

Contre Amiral , (m) Schout hy 
nacht, {zee w.) 

Contre-balancer , (v. a.) Cette 
perte ne peut contre-balancer le 
profit qu'il a fait auparavant , dat 
verlies kan de winjl , die hy te vooren 
gedaan heeft , niet opweegen of daar 
by vergeieeken zvorden. 

Contrebande , ( f ) Marchandifes 
de contrebande, verbodene waaren. 

Contrebandier, (m) Een die ver- 
bodene waaren inbrengt , een fluikhan- 
delaar. 

Contrebarre , (f) Streep ter lin^ 
kerband (in Wapenk.) 

Contre-bas , (adv.) Nederwaards. 

Contre-bafle , (f) Tegen bas (in 
Muziek), 

COT 



Contre-batterie, (f) Te^en-fchht- 
fcbans; (f guur/.) aankanting tegens 
vyanjelyke aaufJagen. 

Contre-billeL, (m) Hamifchrift dat 
het voor: ge vernietigj,, een revers. 

Contre -bittes , (f. pi.) Beeting- 
. knies ofJJuindfers (in Scbeipsb.) 

Concre-bondir , (v. n.) Terug 
^privgen {als een bal) 

Contre-carêne , ( f J Tegenkiel , 
kolfem ecncr galei. 

Contre-carrcr , (v. a.) Tegerflree- 
ven , zig tegen iemand aankanten , 
iemand Jen voet dwars zetten , binderen. 

Contrée hange , {m) l^erivijfeling, 
ruiling (f). 

Cohcre-charme > (m) Middel te- 
gen de toovirye (n). 

Contre-chalîîs, ^m) Raam of horde 
die tegens eene andere aangez et word (f). 

Contre-cœar , fm) Tegenzin j /laan- 
de plaat in een Schoorfleen , faire une 
chofe àcontre cœar , iets met tegen- 
zin doen. 

Contre coup, (m) Weêrjlutt ^weer- 
Jlag ; bleffé par Ie conr re-coup , 
van den weérjluit gekwetjï; j'ai eu le 
contre-coup de vôtre malheur, 
ik heb de weérfluit ^ het gevoelen van 
uw ongeluk gehad. 

Contre-danfe , (f) Een conter- 
dans. 

Contredire , (v. a.) Tegen/pree- 
ken ; ces chofes fe contredifent , 
die dingen fpreeken zich zehen tegen. 
NB. dit werkw. word p.ef-onjageerd 
als dire , uitgenomen dat mm zegt 
vous contredirez en niet contredi- 
tez. 

Contredirant , -ante fadj. & fabft.) 
Tegenfpreekende , twijlgierig ; een te- 
genfpreeker. 

Contredit, (m) Tegenfpraak • we- 
derlegging (f) ; fans contredit , zon- 
der tegenfpraak. 

Contredit, ite ^adj.) Zie contve- 
^ dire). 

Contrée , C f ) Een Landfchap , 
gewefl(n) La^rdflreek (f). 

Contre-enquêce , (f) Contra-on- 
derzoek (tn Rechten) (n). 

Contre-efpalier , fm) tegen- lat- 
werk in een tuin Gm boQmen tegen op 
te leiden (n). 



CON. 15^ 

Contre-éïambot , ()n) Sïemphout 
(n) aan den achterftéven van een 
Schip. 

Contre-étrave , (m) Sïemphout (n) 
aan de vosrfléven. 

Contrefaçon, (f) Nadruk van 
een boek-, namoakzel van iets (n), 

Contrcfaftion , (f) Nadruk van 
een'ig boek. 

Contrefaire , (v. a.) Namaaken, 
nabootzen een hoek nadrukken', contre- 
faire l'écriture de quelcun, iemands 
hand nafchry ven; contrefaire le dé- 
vot , de fchynhetiige fpeelen; 

Contrefaifeur j (m) Nabêotzer, 
na'daper ; nadrukker. 

Contrefait , aite (adj.) Nagebootfl, 
nagevolgd ; mismaaki , lelyk j on 3 
coi.fisqué tous les exemplaires 
contrefaits, men heeft alle de nage- 
drukte exemplaaren , verbeurd ver- 
klaard. 

Contrefanons , (m. pi.) Nok gor. 
dingen (zee jv.) 

Contrefafce, (f) tegen-band, Ivfl 
(in Wapenk.) "^ 

Contre-fenêtre, (f) Een dubbeld 
vengfter, (n). 

Contre-fiches, ff. pi.) Kruîsban- 
den , (in Bouwk.) 

Contre-finefle , (f) Tegenlijl (m). 

Contre-forts , (m. pi.) Tegen pi- 
laaren , muur die eene andere onder- 
fchoort (?). 

Contrefugue, (f) ÏVeêrgalm in 't 
zingen. 

Contregage, (m) Tegenpand (n). 

Contregager , (v. a.) Een tegen- 
genpand neemen. 

Contre-garde ,( f) Driehoekige 
horjlweering , tot dekking van een bol- ' 
werk (in veflingb). 

Contre-hacher, fv. a.) De fcha. 
duw op een plaat door kruis JJreekett 
rjerdonkeren (hy Graveerders). 

Contre-hachures, (f. pi.) Kruis- 
Jïreeken op een kopere plaat. 

Cnntre-hâtier , ('m) StaanJe fpit- 
yzer met verfcheide haaken. 

Contre-haut , (adv.) Na boven , 
opwaards (in bouwk.) 

Contre-hermine , (f) Een zwart 
veldmet zilver gefpikkeld (in IVapenk.) 

Contre-Jauger , (v. a.) De balken 
tegens 



160 CON. 

tpgens malkander af^ajfen ('m Bouwk.) 

Contre-jour , (m) l^alfcb-licbt (n). 

Contre-jumelles , (f. pi.) ^teene 
ivangen in een riool. 

Contre-latte , ( f) Spar of rib van 
een dak , waar op de latten gefpykerd 
worden. 

Contre-Iatter , (v. a.) Dak-fparren 
leggen^ 

"Contre-Iattoir , (m) Lat-hamer. 

Contre-lettre, (f) {^ie contre- 
promefie). 

Contre-maiCre , (m) Bootsman 
of onderjliiurman op een Schip. 

Contreman dement , (m) Tegen- 
KK'él (n) ; herroeping ( f). 

Contremander , (v. a.) ^yn bevel 
herroepen , ee>} tegen bevel 2ceven. 

Contre-marche, (f) Terug -togt^ 
contra-marjch. 

Contre-marée , ( f ) De tegenvloed. 

Contre-marque, ( î) Tegeu-merk ; 
item een valfcb y nagemaakt merk. 

Contre-marqaer, (v, a.) Tekenen 
met een conx.ra.-merk ; item een merk 
nabootzen ; ook een paarden tand mer- 
ken. 

Contre-mine , (f) Tegen -inyn; 
Ïfjï tegen lift. 

Contre-miner , (v. a.) quelcan , 
1'ennemi , teg^n iemand , den vyand 
inzverken, contramineeren. 

Contre-monc , (adv.) aller contre- 
jnont OU à contre-monc , tegen 
Jlroom vaaren ; tomber à la renver- 
fe les pieds conTre-mont , achter 
over met de voeten om hoog vallen. 

Contremur , (m) Tegen-mtoir (f). 

Contremurer , (v. a.) Een' tegen 
mutir metzelen ; contremurer un 
foffé , een' gragt niet muuren beklee- 
den. ' , 

Contreongle, (m) Verkeerd fpoor 
(n)(Jagtw.) 

Contre-ordre , (m) Een tegenhe- 
vèl (n). 

Contrepalé, ée (adj.) Tegen mal- 
kander gepaald (in IVapenh.) 

Contre- partie , (f) difcant, te- 
genzang {ta) {in Muziek) /Vf'»» con- 
tX3.-boek. 

Contrepaflant', (adj.) Tegen mal- 
kander fcbrydend {in IVapenk.) 

Contrepefer , (7. a.) Tegen opwet" 
gen. 



CbN. 

Contre-pied , (ra) Hef tegendeel 
(n)) il fauc prendre le contre-pied 
df ce qu'il dit , men moet het geene 
hy zegt net anders om , averegts ver-- 
Jiaan. 

Contrepoids , (m) Tegemvigt ; 
lood van 't braad fpit (n); Koorde 
danfers Jiok (m). 

Contrepoil , (m) à contre poil, 
tfgfn 't ha ir in, tegen de vleug ; pren- 
dre une chofe à centre poil , eene 
zaak verkeerdeïyk opvatten , verjiaan. 

Concrepomter, (v. a.) Bejlikken ^ 
als dekens , behanzzels enz^ eene bot- 
ter y tegen eene andere opwerpen y item 
tegefifpreeken , ivederjireeven. 

Contrepüintier, , ou contrepoin- 
teur, Tapyt-maaker ffikker. 

Contre-poifon, (m; Tegengift (n). 
Contrepoite , (f) Tweede deur f 
voordeur» 

Confeportear , (m) Een die met 
zyn wasr omloopt. 

Contreporter , (v. a.) Met Koop- 
manfchappen omlooptn. 

Contrepefer, (v. a) Een pofl ver- 
keerd overdragen {By Boekhoud). 

Contripofition , ( f ) Verkeerde 
overJra^ing. 

Contre-potencé , ée (adj.) Met 
krukken kruiswyze gejield (in JVapenk.)^ 

Contrépreuve ,(ai) Overdruk eener 
plaat. 

Contrépreuver , (v. a. ) Over- 
drukken , dat is , ivanneer de Plaat- 
drukkers een vel fchoon papier leggen 
op een nog nat zynde gedrukte plaat y 
waar door de f guur verkeerd op hét 
e er ft e komt te/laan. ^ 

Contre-promefTe , (f) Een tegen- 
fchrift , revers (n), waar door een 
vorig gefchrift vernietigt word of zyn 
recht verlieji f men zegt ook contre- 
Lettre. 

Contre-quille, (m) ou carlingue, 
de kolfem van een Schip. 

Cotitre-j-ampant , ante (adj.)^^«'- 
pende tegen malkander {in fVapenk.) 

Conrre-ronde , ( f ) Tegen-ronde 
{in Krygsk.) 

Contre-rufe, (f) Tei^ev-UJi. 

Con:re-falut , (m) Tegen-groet met 
bet gefchut. 

Contre-fangIori,,(m) Zadel-riém , 

die 



CON. 

' me aan den buikhem vajl gemaakt 

nord. 

Contre-fcarpe , ff) De buiten 
kant der gragt y eener vejiing. 

Concre-fcél , (m) Tegenzûgel ^ op 
de linker hand (n). 

Contre-fcellerj (v. a.) Tegen ze- 
gelen. 

Contre-feing , (m) Neven of mede 
ondertekening (f). 

Concre-Pens , (m) f^erkeerden , te- 
gengpjlelden zin ; prendre le contre 
Tens d'une chofe, iets in eenen ave- 
regtfen zin opvatten ^ agir à contre 
(eus, verkeerdelyk te werk gaan. 

Contre-figner ,(v. a.) Neven of^ta 
onderffhryven , laager onder (tkenen. 

Contretemps, (m) Onverwagt toe- 
val (n) , hinderpaal (m) ; fâcheux 
contretemps , verdrietige tujfchen- 
iowjî; faire un contretemps, eene 
omydige daad begaan ; contre temps , 
tred builende maat; h contre temps, 
ontydig , ten onpajje. 

Contre-tirer, (v. a.) Eene Schil- 
dery enz. nateekenen , natrekken , na- 
hootzen. 

Contrevallation > (f) Tegenhorjî- 
weering. 

Contrevenant, ante (adj. & f.) 
Overtreedende 'f overtreeder eenes ge- 
kods , vergelyks , enz. 

Contrevenir (v. n.) aux ordres 
du Roi , des Konings beveelen over- 
treeden. 

Contrevent, (m) Een houten ve^g- 
Jiert een blind voor de glaazen{v\). 

Contrevérité, (f) ^oljcbe loftuj.- 
ting , fpotfchrift. 

Contre-vifite, (f) Een tweede vi- 
fitatie der Tollenaaren. 

Contribuable , (adj.) Schatting 
fchuldig. 

Contribuer, (v. a.) Schatting be- 
taalen -y toebrengen 'y contribuer à la 
fortune de quelcun , tct iemands 
geluk het zyne toedoen , hem helpen^ 

Contribution , ( f) payer de gros- 
fes contributions ygroote brandfchat- 
tingen betaalen , contribution au 
fol la livre, OU, au mare lalivre(/« 
rechten) inboetir.g , verlies eenes Credi- 
teurs/» een' gefailleerden boedel. 

Contrifter, (v. a.) Bedroeden, 



CON. 161 

Contrit, ite (adj.) Bedroefd we^ 
gens zyne zonden. 

Contrition, (f) Droefheid (f) 
berouiv (n). ' 

Controle , (m) Een contra -bc/^ 
item een controHeurs ampt (n). 

Contrôler 5 (v. a.) V contra-^oé-* 
houden ; van anderen qualyk fpreeken 
of op dezelve vitten. 

Controleur, {vn)Een contrz-boek- 
houder ; een knibbelaar , vitter, 

Controverfe, (f) Religie-/ii;/(7. 

Controverfé , ée (adj.) lieu de 
L'écriture controverfé , Een Schrif- 
tuurplaats daar over getwifl word. 

Controverfiflte , (ro) Een die Jlry- 
dige geloofsjiukken verdedigt of daar 
over jchryft, 

Controuvaille , (f) Een verdigt- 
zei (n), fabel (f). 

Controuver {v. a.) des menfon- 
ges , leugens lierzinnen, verderen. 

Contumace , (f) Ongehoorzaam^ 
beid , koppigheid van eenen gedaagden^ 
dog niet voor 't gerecht verfchyn enden 
perfoon ; jager , condamner par con- 
tumace ^ by verjïek of wegens achter- 
blyvin (Default;« rechten) vonnisfen. 

Conturaacer, (v. a.)'U^egens ach- 
terblyven (default o/non-comparitie) 
vonnijjen. 

Contumax , (adj. & f) Ongehoor' 
zaam'f een die uit koppigheid niet voer 
't gerecht verfcbynd , compareerd 
(Rechts w.) 

Contus, ufe (adj.) Gequetfl ) ge- 
kneufl {Heelm. w.) 

Contufion, ( f) Kneuzing{by Heelm.) 

Convaincant, te (ad j.) Oirr/ï</f f wûf. 

Convaincre , (v. a.j Overtuigen. 

Convalefcence , (f) Geneezing ^ 
wederverkryging der gezondheid. 

Convalefcent, te (adj. & f) Her- 
fielt end; een die aan 't béteren is. 

Convenable ,(adj.) Behoorlyk ,&?- 
quaam-y cela eft convenable au bien 
de 1'état , dat is dienjiig voor 't ge-' 
meene bejl ; temps convenable à 
l'ouvrage , de nodige of behoorlyko 
tyd tot bet werk. 

Convenablement , (adv.) Behoor" 
lyker ^vyze. 

Convenance , (f) Overeenkomjl ; 

ces chofts n'ont poinc de conve- 

I« nance^ 



it2 CON. 

jiance, éRe dmgenbebben gieM SeJyi- 
keid met malkander. 

Convenant , ante (adj.) {oud w.) 
WeUioegend. 

Convenir, (v. n.) Betaamen, Be- 
kûoreH , overeenkomen , pajfett y cela 
AC convient pas, dat betaamt niet', 
•onvenir de quelque chofe, over 
ittwes eenig worden, accordeeren. 

Conventicale , (ra) Geheime by- 
9tnkomji , Jluip vergadering ( f). 

Convention , ( t) Overeenkomft {£) , 
90rdragy accocrd (n). 

Conventionnel, ell« (adj.) Dat 
in een vergelyk begreepen is. 

Conventioneiiemcnt , (adv.) Met 
merdrag. 

Conventualité, (f) KUoJier-brot' 
dcrfcbap. 

Conventuel , elle (adj.) Ktoojierîyk. 

Conventaellemcnt, (adv.) Kloos' 
gtrlyk. 

Convera , fe (adj.) Frere convers ; 
focor converfe , leeke-broér -, leeke- 
smjïer in een kïoojler. 

Converfable , (adj.) Vriendelyk j il 
«'efl: pas conver fable, daar is met 
kern niet om te gaan, 

Converlktion, (f) Omgang y ver- 
héering\ t' zamenfpraai ; lier con- 
Tcriktion avec quelcun , z;a& met 
ïtmOKd in een gejjprek inlaaten, 

Converfer, (v. n.) f^erkeeren, om- 
gang hebben 'y gefprek houden. 

ConverCon , ( f ) Bekeer inq der zon- 
daarea -, verwiffeling , verandering 
der metaalen ; bet wenden , omdraai- 
jen der Soldaaten. 

Converfo , (m) '/ Dek tujfcbea de 
graote en fokke majl (Portug, w.) 

Converti, ie (adj. & fubft.) Be- 
heerd i veranderd-, les nouveaux con- 
verti» 9 de nieuw bekeerde. 

Convertible ,(adj.) Da(_ veranderd 
ban worden. 

Convertir, (v« a.) Bekeeren-, om- 
'wmden , veranderen ; convertir 1 'eau 
en y IQ f het water inwyn veranderen', 
convertir le mal en bien , het kwaad 
in geed veranderen ; fe convertir, 
iv. r.) aicb bekeeren y veranderd wor- 
den, 

Coarertiffement , (m) Omfmehing , 
fnermétring dtr mtf aaien ^ enz, ( f). 



CON. COO. 

Cônvertiffeur , (m} Bekeerder, 

Convexe , (adj.) Bol-rond, kogéU. 
rond', miroir convexe , hol-fpiegel. 

Convexité, (f) Bol-rondighgidp 
rondte, 

Convidïon , ( f) Overtuiging. 

Convié, ée (adj. & fubft.) Geaom 
digt ; een genodigde y een gaji. 

Convier , (v. a.) Nodigen , te ^ajl 
verzoeken ; la pauvreté le convia i 
&c. de armoede dwong hem te enz. 

Convive , (m) Mede-gajl. 

Convocation, (f) t' Zamen rot" 
pmg , befchryving. 

Convoi, (m) Geleide; fcbeepS'ge" 
leide , konvoy (n) ; toevoer van een 
Léger , f) j convoi funèbre , lyk- 
ftaatfie. 

Convoitable , (adj.) Begeerlyk ybe- 
geerbaar j {oud w,). 

Convoiter, (v. a.) Zetr begeer en^ 
{oud w.). 

Convoiteux, eufe (adj.) 'Begeer^, 
lyk , {oud w,)* 

Convoitife, (f) Groot e begeer lyK- 
heidy iuji (f), verlangen (n). 

Convoler (v. n.) en fécondes no- 
ces, voor de ide maal trouwen , 
{Rechts w.). 

Convoquer (v. a. ) les Etats, dê 
Staaten t'. zamen roepen. 

Convoyer , (v.a.) Geleiden , kon- 
voyeeren tegens vyandelyke aanval, 

Convulfif, ive (adj.) Stuiptrek" 
kend, 

Convulfion, (f) Stuip, ftuiptrek- 
kingy kramptrekking ; {figuurj,) ge^ 
dwongene, onnatuurlyke gehaerden-^item 
fcbudding, beroering in een Staat', of 
ook van een e aardbeving, 

Convulfionnaire , (m) Een die 
Jiuiptrekkiijgen beeft, waar door men 
ook eenige nieuwe Geejïdryvers ver- 
(laat, 

Coobligé, ée (adj. & fubft.) Mede 
verpUgt; een mede -verbondene voor 
eene Jchuld. 

Cooperateur, (m) Mede-werker, 
mede-arbeider. 

Coopération, (f) Mede-werking. 

Coopéracrice , (f) Mede-wertjier.i 

Coopérer , (v. n.) Mede-werken. 

Cooptation, (f) Verkiezing , aa»- 
neeming (wm bQOgefth. gekr,) 



COO. COP. COQ. 

Coopter , (v. a.) Eenpartgiyk ver- 
Jtiezen , aanneemen (op hooge/ch.)» 

Copartageant ,ante (adj.&fabil.) 
Mede-deelagtig ; mede-deelgenoot. 

Copeau , (m) Eea fpaan (van bout). 

Copec. (Zte Copique). 

Coperrautant, (m) Een die een 
leen of geejlelyk ampt met eenen ande- 
ren ruild. 

Copie , ( f ) Jffthrift (n) ; copy ; 
nabootzing , îtamaaking ( t) ; opjîel(n) ; 
Boekdrukkers eopy ( f ) ; copie colla- 
tionnée à l'original, afjTcbrift dat 
tegen bet oorfprûngkelyke overgeleezen 
is -f ce tableau n'eft qu'une copie, 
idie fchildery is maar eea nataank- 
zeU 

Copier, (v. a4 ^ffcbryveny ce- 
pieeren , namaaken, 

Copieufement , (adv.) Saigner , 
boire copieufement , overvloediglyk , 
ruim aderlaaten ; wakker drinken. 

Copieux, eufe (adj.) Une langue 
copieufe , eene taal die ryk van woor- 
dett is, 

Copique, (m) Een copek , (Rujifcbe 
munt , loo in een roebel , omtrent een 
halve Jluiv. hoU. waard), 

Copifte, (m) Nafcbryver, Copift. 

Copropriétaire, (m. & f.) Meds- 
eigenaar ; mede-bezitjler, 

Copcer , (v. a.) Kleppen ^ de klok 
kleppen. 

Copulatif, ive (ad..) Koppelend, 
samenvoegend (in fpraakk.) . 

Copulation, (i)Vaaring^ zamen- 
voeging, koppeling. 

Copule , (f) 't' Zamhpaaring. ^ 

Coq , (m) Een baan ; coq de bruie- 
re , kor-baan ; chanc du coq , baanen 
gekraai; coq d'inde , een kalkoen, 
kalkoenfche haan-, coq de clocher , 
weer-baan van een tooren; c'eft Ie 
coq du village , hy is de voornaam- 
fie van bet dorp , bet baantje van de 
baan 'f il eft là comme un coq en 
pâte , by beeft daar goede dagen 
(fpr, w.) Î coq à l'âne, ongerymde , 
ongezoute redenvoering , van den os 
cp den ezel; ce que vous ditez là 
eft un franc coq à l'âne, het geen 
gy daar zegt , bangd aan malkanderen 
als droog zand (fpr. w.). 

Coque , ( f j Eyerfsbaalf dop , noot- 



COQ. ic^ 

fcbaai , fcbel van vrtigtm 9 iomnttj» 
van een zy-worm ; kmk , draai in eea 
touw-, manger un œuf à la coque, 
een ei uit den dop eeten. 

Coquelicot, (f) Klapper-roos (f) 3 
bet baanen'gekraai (n). 

Coqueliner, (v. n.) Kraaien als 
een baan, 

Coqueloarde , ( f) Anemoon (zekâ- 
re bloem). 

Coqueluche, (f) Kinkhoejl (m); 
monniks-kap (f); il eft la coquelu- 
che de Ia cour, by is aan het bof 
by zonder wel gezien. 

Coqueluchon> (m) Een Monniks- 
kap ( £). 

Coquèmard, (m) Een ketel, moav 
om water in te beet en. 

Coquerico ,(m)'t Haanen-gekraai 
(n). 

Coqueron , (m) 'tf^oor-onder (n), 
kombuis op kleine vaartuigen ( f). 

Coquefigrue , ( f) (Zie Coccigrue). 

Coquet , ette (adj. & fubft.) Etre 
coquet , losacbtig zyn ; gaerne va» 
den minnebandel praaten ; zich ge- 
maakt opfcbikksn; een pronker-, pronk- 
fier , ioi Vrouws-perföon. 

Cöqueter , (v. n.) Fb« den minne-, 
handel fpreeken , gemaakt , zwierig 
zyn, zich opkwikken; met eenen riem 
in eenfioep van achteren wrikken. 

Coqu^'tier , (m) Een eyer-verkoo- 
per (m)'y f ch aaltje , om een ey in den 
dop op te zetten. 

Coquetterie , ( f) Loffe minne-han- 
del ; gemaakte opfcbik (m). 

Coquillage, (ro) Schulp-werk (n)', 
verzameling daar van (f). 

Coquille , (£) Schelp ; eyer , (/ 
noot-fchaal, dop-, allerhande fnuitze- 
ry waar (ï); flakken-huis (n); ren- 
trer dans fa coquille . in zyn fcbulp 
kruipen j ztcb hergen , ergens van af- 
zien; qui a de l'argent a des co- 
quilles > voor geld is alles te heko- 
komen; à qui vendez vous vos co- 
quilles? wie denkt gy dat gy voor 
hebt? il vend bien fes coquilles, ^y 
laat zich wel betaalen. 

Coquillier, (m) (Verzameling (f), 
kabinet vanfcbulpen (n)' 

Coquillon , (m) Roerhaak (in de 
munt gebr.), 

L 2 Co- 



J64. COQ, COR. 

Coquin , ine ^adj. & fubfl.) Guit- 
acht ig , ondeugend; een guit , fcbobbe- 
jiik , feit , Jchelm ; e ene ondeugende 
feeks. 

Coquinaille , (f) Een hoop geboef- 
te ) fchelmcn- of bédel-pak (n). 

Coquiner, (v. n.) Met boevenJJuk- 
ken , guitery omgaan ; rtnkelrooyen. 

Coqüinerie, (f) Scbelmjïuk (n) , 
fchelmery , ondcugeudheïd ( f). 

Coquiole, (f) Dravig {foort van 
onkruid onder 't koorn). 

Cor , (m) Een hoorn , jacht- of pop- 
hoorn ; tak van efn hert i-hoorn; fon- 
ner du cor, cp den hoorn blaazen ; 
crier à cor&à cri, uit al zynmagt 
fchreeuwen; cor ,een likdoorn', exter- 
cog. 

Corail, (m) Koraal (n); koraal- 
boom (zee-gezvas). 

Corailleur , (m) Kor aal-v ijfch er. 

Corallin, ine (adj.) Koraal-ver- 
wig. 

Coralline , ( f) Koraal-boom (m) , 
{zekere plant). 

Coralloïdes, (f. pi.) TVit koraal- 
zaad (n). 

Corbeau, (m) Een Rave ('zekere 
roofvogel)', neut (modillon) ondtr een 
hqlk; enterdreg {zee w.); doodgraver 
(by pef-'-.iektei. 

Corbeille, (f) Korf (m). 

Corbeillée , (f) Een korf vol. 

Corbillard, (m) bekere pof wagen. 

Corbillat, (m) Jonge Raven. 

Corbillon, (m) Draag-kcrf; item 
zeker kinder-fpel, aldus : je vous vends 
le corbillon y men vraagd, qa'y met 
on 2 moetende dan het antwoord uit- 
komen op on , of anders pand geeven. 

Corbin , (m)Bec de corbin ,/ré',i>- 
tangetje (by IVondb.) {n); naad-baak 
(m Scheepsb.) (m). 

Cordage, fm) Touwerk (n). 

Cordager ou faire du cordage, 
lyniiraaiien , tounfaan. 

Cor Ie , ( f ) Tottxx; , koord (n) , reep , 
lyn , fnoeryfiaar (m); ne toucher 
pas cette corde là, trekt aan dat 
touwtje met , roer die zaak niet aan ; 
avoir plufieurs cordes à fon arc, 
fneer als eenen raad weeten; fe met- 
tre la corde au cou , zich in eene 
moeielyke zaak feeken; gens de fac 



COR. 

& de corde, galgen-aas , Jïegt vêlh^ 
je; frifer la corde, den bal fnyën - 
(tn de Kaatsb.) ; filer fa corde , een 
Jirop voor zyn eigen hals maaken^ 
corde de bois , een hout-myt , fiapel._^ 

Cordé, ée (adj.) Ballots cordés, 
gepakte baaien; bois cordé , gejiapeld 
hout; rave cordée , f okkige radys. 

Cordeau, (m). Lyn, meetfnoer. 

Cordeler , (v. a.) Breien , vlechten. 

Cordelette, (f) Snoertje, touwt- 
je (n). 

Cordelier, iere (m. & f.) Fran- 
ctfcaner Monnik ; Nonne ; parier latin 
devant les cordeliers, voor den ge- 
leerden is quaad preeken , avoir la 
confcience large comme la manche 
d'un cordelier , een ruim gemoed 
hebben; aller fur la haquenée des 
cordeliers , op zyn moeders veulen 
ryden (fpr. w.) 

- Cordelle , (f) Gezelfcbap y aan^ 
hang , fnoer. 

Corder , (v. a.) Lyndraa^en , tatm 
f aan; corder des ballots; du bois, 
baaien pakken; hout flapelen , vaamen. 

Corde rie > ( f ) Een lyn-baan , touw- 
fagpry. 

Cordial, aie (adj.) Hartelyk , op- 
recht; ami cordial , afFedion cor-' 
diale, hartelyke vriend ■, genegent beid', 
un cordial ,eene bartfterking of hart- 
f erkend g neesmiddel. 

Cordialement , (adv,) Hartelyk y 
opregtelyk- 

Cordialité, ( f) Hartelykbetd , op- 
regte vyiendfhap, genegent beid. 

Cordier , (m) Lyndraayer, Touw- 
fager. 

Cordon , (ra) Draad, fireng daar 
bet touw van gemaakt word; rand op 
ei>n muur ; rand op gemunt geld ; Ridder 
band; cordon de chapeau , hoedi- 
band; cordon de foulier , fcboen- 
riem; cordon à lacer, een ryg fnoer; 
oorden à la ratière, geweven pand. 

Cordonner , (v. a.) Ee» fnoer ■ 
breien , vlechten ; munt randen. f 

Cordonnerie, (f) EenScboenmaa-^ 
kers winkel (n) ; Schoenmarkt. 

Cordonnet, (m) Rygfiioer, 

Cordonnier,(m)£É'w Schoenmaaier, 

Cordouan , (m) Spaanfcb-leêr i^ 
kordouaan-Zf/r. 

Co. 



COR. 

Coriace, (adj ) Vaai; viande co- 
riace, taai vhefcb; homme coria- 
ce , een vrek. 

Coriandre ,( f) Korianderzaad (n)r 

Corüeuou Coarlis,(ni) Een wulp 
(zekere watervogel). 

Corme, {t)l^rugf van een Sorbetu 
boo-1. 

Cormier, (m) Sorben-hoom. . 

Cormoran, (m) Een waterrave. 

Cornage, (m) Hoorn geld, impoft 
op 't ho'>rn vee. 

Cornailier, (v. n.) Scheef ingaan 
(ah fpykers enz) 

Cornaline, (e)Kornalyn (n) (zeker 
edel ^ejleente. 

Co"rnard , (m) Een Hoorndraager , 
Hoornbeep (gem. en fmadelyk iv.i 

Cornardife, (f) thormiragery. 

Corne , ( f) Een hoorn , paarde 
hoef (m) ; bètes à cornes , hoorn- 
vee ; corne de cerf, herts-hoorn; 
elle fait porter des cornes à f n 
-mari , zy maakt haar man tot een 
hoorndrager ; il fuc aufli étonné que 
fi les cornes lui venoient à Ia tê- 
te , dat kwapi hem zoo vreemd voor 
als of hy te keulen had hooren donde- 
ren {fpr. ir.); corne d'abondance, 
hoorn des overvlopds. 

Cornée, (f) 't Hoornvlies van 't 
oog (n). 

Corneille; (f) Kraai (m); cor- 
neille emmantelée , een bonte-kraai, 

Corneraent, (m) Tuitwg- (f), ge- 
ruif in de oor en (n). 

Corneraufe, (f) Eenzakpyp, doe- 
delzak (m). 

Corner , (v. T),) Op den hoorn blaa- 
zen; tuiten; Jïinken ; les oreilles me 
cornent, d' oor en tuiten my; vian- 
de qui corne, vleefcb dat een fnufjey 
reuk je weg heeft. 

Corner , ( v. a. ) Iets uitbazuinen , 
ruchtbaar maaken. 

Cornet, (mt Een blaas-hoorn; kor- 
net, (op een orgel); cornet de po- 
ftillon , een pol-hoorn j cornet de 
papier, eenpéperhui: ; cornet , Cpr eek- 
hoorn voor eenen dooven ; kruid- boom ; 
fnajl-koker op een klein vaartuig ; inkt- 
hoorn ; cornet d'épiffe ou EpifToir 
fplits-hoorn, 

Cornetier , (m) £m hoirn-berei' 



COR- 165 

Cornette , (m) Standaard-draager , 
cornet. 

Cornette, (f) Kornet rhuts (zeker 
vrouiven-dragt) ; Standaard der ruite- 
ry ; cornets plaats. 

Corneur , (m) Hoorn blaazef. 

Corniche, (f; Lyft , lyjliverk (n) 
(in Bouw-k.); dryf-tol (m). 

Cornichon , (m) Hoorntje (n). 

Cornichons, (m. pi.) Kleine kon^ 
kommertjes , agurrikjes. 

Cornicr , (m; //a kJïyl(inBouw. k,) 

Cornière , (f) Loode dak-goot', 
cornières, Hek-jlutten , veeringen, 
ter zyden de Spiegel van een Schip. 

Cornillas, (m) Het -jong van een 
kraai (n). 

CornouiUe , (f) Kornoelje. 

Cornouiller, (m) Kornoelje-boomt 

Cornu, ue (adj.) Gehoornd, da: 
hoornen heeft; iets dat m t hoehen en . 
winkels of uitjlekende kanten is j uii 
compliment cornu , een mal com- 
pliment. 

Cornue, (f) Dijlileer-fles met een' 
kromme hals , retort [in Cbym.) 

Corolitique, (adj.) Dat met hof- 
werk omwonden is (in Bouwk.) 

Corollaire , (m) Toegift { f) , aan-^ 
hangzel , gevolg (n) eener voorjiel lin- 
ge (in redenk.) 

Coronal, Ie (adj.) Dat tot de 
bersfen-pan behoord. 

Corporal,(m) Gewyde altaardoek. 

Corporéité, (f) Ligchaamlykheid. 

Corporel , elle (adj-.) Ltgcbaamc- 
lyk; punition corporelle , lyfjlraf. 

Corporellement, (adw.) Ligehaa- 
melyk. 

Corporifier , (v. a.) Beligchaamen , 
wederom een ligchaam doen aanneemen 
(tn Cbym.). 

Corps , (ro) Ligchaam ; compagnie, 
bende (r); corps fans ame, ligchaam 
zonder ziel, een die geejl noch leven 
heeft ; drôle de corps , aardige 
fnaak ; malin corps", doortrapte 
knaap; corps mort, dood ligchaam; 
eet homme n'eft pas de notre 
corps, die man behoord niet tot ons 
gezelfchap ; corps de metier , een 
gilde; corps de droit, een wetboek; 
corps d'armée , krygs-heir y bende-, 
corps de garde, wacbt-hujs ; garde 
L 3 du 



166 



COR. 



du corps, îyfwagt', corps de jnpe, 
ryçi-keurs-lyf; vih qui a du corps, 
krachtige ivyn-, à fon corps défen- 
dant, verueerencier wyze ; fe battre 
corps à corps , tien regen èin vecj)- 
ten-, fe jatter à corps perdu fur 
1 •ennemi , dol , onver tzaagd op den 
vyand aanvallen ; prife de corps , 
ferfoonelyle arreft. 

Corpulence , (f) grofTe on peti- 
te corpulence, vetheid of tengerheid 
des ligcbaams. 

Corpufcule , (m) Ligchaamtje (n), 
Jlofie (m Katuurk.) 

Corradoux ou Couradoux , (m) 
Tujfchen - zvydte , tujfchen twee dek- 
ken{î). 

Ccrre£t, efte (adj.) Goed ^ zonder 
gebrek , volkomen -, ftyle correâ: , 
befchaafde Jlyl-y ce deffein eft cor- 
reél ) die fchets is naar de kunjî. 

Correftement , (adv.) Ztiiverhk-, 
écrire , parler correftement , zeer 
net fchryven , fprceken. 

Correftear , (m) Verbeteraar ; 
froef-Uezer > correétor op eene Druk- 
kery. 

Correftif, ive (adj.) Verbeterend', 
verzagtend. 

Cerreftif , (m) Verzagtend middel 
(in Geneesk,en r^denvocring). 

Correftion, ( f ) Verbetering, be- 
rifping ', vermaaning y ccrreAion des 
mœurs , verbetering der zeeden j mai- 
fon decojreâ:icn, Béter-huis , Tugt- 
buis ; coVreftion des épreuves, 
proe^-tiazienÎKg , corredie; faufcor- 
rcftion , onder verbetering. 

Correftrice , ( f) Verbeteraarjîer, 

Corrégidor , (ra) Onder-rechter in 
Spanien. 

Corrélatif, eve (adj.) Betrekkelyk -, 
père Ô* fiis font des termes corré- 
latift , Vader en Zoon zyn betrekkely- 
ke ivoor den. 

Corrélation , (f) Betrekking die 
twee dingen op elkaar hebben. 

Correfpnndance , ( f ) Onderhande- 
ling', correfpondancedefentimens, 
éverset.komjl van gevoelens, 

Corrsrpondant,ante (adj. & fubft.) 
Mt' Je handelend , overeenkovijl^g ; me- 
■^ebandelaar , handeiaarjler . 

Correfpondre 5 (v. n.) Omkrban- 



COR. 

delen , corrclj^ondeeren ; correfpoa- 
dre à l'amitié deqnelcun , iemands > 
vrtendfchap erkennen^ fe correfpon-' 
dre avec quelque chofe , ergens 
mede gemeenfcbap hebben. 

Corridor , (m) Een galderye die 
rontom een huis loopt (f). 

Corriger, (v. a.) Verbeteren-^ be- 
Jlrajfen , berifpen ; corriger un ou- 
vrage , een werk befchaaven ; corri.-»^ 
ger une épreuve, een proef nazien ^ 
corrigeeren; fe corriger, zig béte- 
ren. 

Corrigible , (adj t) eet homme n'eft 
pas corrigible , die man is niet te 
verbeteren. 

Corroboratif, ive (adj.) Potion 
corroborative , verjierkende drank. 

Corroborer , (v. a.) Verjierken, 
kragt geeven. 

Corroder , (v. a.) Doorknaagen, 
doorvreeten-, (als Jlerk water). 

Corroi , (ra) Leêr-heretding , Leér- 
tottu'ing {{). / . 

Corrompre, (v.a.) Verderven y be- 
derven I veranderen ; verleiden ; les 
mauvaifes compagnies corrompent 
les bonnes mœurs > quaade t' zamen- 
fpreekingen bederven goede zeeden ; 
corrompre des témoins » getuigen 
omkoopen j corrompre une pafTage 
de l'écriture, ^f» fchriftuurplaats ver- 
valfchen ; corrompre , den erf op leer 
maaken {by Leêrtouwers) ; (fe corrom- 
pre , (v. r.) bederven , verrotten. 

Corrompu , oe (adj.) Bedorven f ^ 
ondeugend. 

Gorrofif, ive (adj.) Ineetend, by 
tend j corrofif {vn) , fcberp geneesmid- 
del (n). 

Corrofion, (f) Ineeting, 

Corroyer, (v. a.) Leer bereiden y 
i yzer aan malkaar laffen ; kalk bouwen j 
hout in den haak fchaaven. 

Corroyeur , (m) Een LeSrtouwer, 

Corrupteur, trice (m. & f.) Be-» 
derver , verleider ; bederf fier. 

Corruptibilicé, (f) Verder f yk dtng. 

Corruptible, fadj./ Vergankelyki 
chofe corruptible, verderfiyk dingi 
Je ge corruptible, Rechter die om te 
knopen is. 

Corruption , ( f) Verdervin^ y ver- 
valfcbing -, o^koqping } eor rupUP» 



jdes 1 



COR. COS. 

îwmeurs , des mœurs ; vtrdtrving 
der voeten , der zeden. 

Cors , (m) Cerf de dix cor» , een 
Hert met lo takken. 

Corûge , (va) De ligchaams gejlalte 
van de fcbouderen tot de heupen ( f). 

Corfaire , (m) Een zee-roover , kaa- 
$er, 

Corfelet, (m) Een horJl'barnas{n). 

Corfet , (m) Een boerinnen rokslyfy 
korfec (n). 

Cortège , (m) Een Jioet (,f ) , gevolg 
<n). 

Cortical , aie (adj .) B^Jîig , fcbors- 
Jig (van cortex, baj} , Lat. w.). 

Corvéable , (adj.) Die Leenheeren 
dienjî onderworpen is. 

Corvée ,(£)De dienjl die een Leen- 
man zynen Leen-heer fchutdig is , leen- 
dienji > item verdrietigen arbeid. 

Corvette, (f) Soort van een dub- 
belde Jloep ( f } , vaarende met zeilen 
en riemen , gemeenlyk by een vloot , om 
9p kondfcbap uit te gaan en tyding te 
brengen j een advys jagt (n). 

Corus, (ra) (Lat.iv,) IVefi- noord- 
we/ie wind. 

Coryphée, (m) 't Hoofd, de voor- 
naarnjie eene fefte of bende, 

Co-feignear, (m) Mede-heer, 

Cosmétique , (adj, & fabft.) Blau- 
iet-zalfT 

Cosmographe , (xa) ïVaereld-be- 
fchryver. 

Cosmographie, (f) IVaereld-be- 
fchryving. 

Cosmographique , (zà].)Dat daar 
toe behoord. 

Cosmolabe , (m) JFerktuig om he- 
mel en aarde te meeten, i 

Cosmopolitain , aine(m. & f.) Een 
burger f Jnwoonder der waereld , een 
die geen t'buis heeft. 

Coffe , ( f) De fchil,peul van er- 
•Vüteten ofboonen j kous , yzere ring in een 
touw , om bet doorfnyden voor te komen. 

Coffer, (v. n.) fe coffer, (v. r.) 
Net de koppen floot en als de rammen. 

Coffon , (m) Etn koorn-hout- of 
vrugt-wormtje, 

Coffu, U8(adj.)ö/* vanfebilfdik- 
hajlig. 

Coaal, aie (»dj.) £?«; m 49 rib' 
Un bthooré^ 



COT. 107 

Côte , ( f) Een rib -, zee-kufl ^ftrand ; 
ril) (f), inhotit (rv) van een fchip%riy 
aan bladeren (f)igeflagt (n), af kom/ 
( £) ; côte en écorre , een' fleile kufl } 
côte morte , een Monniks nagelaten» 
inboel; cote à cote, naafi malkan- 
der; rafer ou ranger la cote , kmgs 
de kufi vaaren. 

Cote. (Zie Quote). 

Côté, (m) De zyde , de kant (f); 
à coté (prep.) de la porte, ter zj- 
den de deur-, de côté (adv.) regarder 
de coté , van ter zyden , dwers zien» 

Coteau , (m) Een heuveltje (n). 

Côtelette, (f) Een ribbetje', dt« 
côtelettes , een verkent barstje» 

Coter , (v. a.) Iets aanbaalen , by- 
brengen (citer) i op Jen rug van em 
gefchrift tekenen wat bet behelfl j co- 
ter Ie prix, den prys melden , no- 
teeren. 

Coterie , (f) Beu vrolyk gezeU 
fcbap, (gem. «/.). 

Cote-rougc , ( f) Kaas met roode 
korjlen. 

Cothurne , (m) Broosje , laarsje der 
oude Toneelfpeelders (n). 

Côtier, (adj.) Pilote cotier, ee» 
Stuurman die ee» goece Land-kev- 
ner is. 

Cotiere, (f) Landjlrekkingy langi 
kujï (f)'yeen muur-bed in e^n turn (n). 

Cotignac, (m) Quee-vleefcb (n). 

Cotillon, (m) Een trouwen on^ 
der rok. 

Cotir , (v. a.) Kneuzen , kwetzen , 
(gem, W' van vrugten gezegd). 

Cotifation, (f) Schatting, belas» 
ting, 

Cotifer , (v. a.) Schatten , beïaflen, 

CotiOure , ( f) Kneuzing vanvrug- 
ten. 

Cotité. (Zie Quotité), 

Coton , (m) Katoen (n) y boom-wol' 
te (f); noppen, wolligbeid op laaien; 
vlasbaard (ra). 

Cotonner, (v.a.) Met katoen val- 
len i fe cotonner, (v. r.) met nep' 
pen , vlokken opwerpen ; voos worden. 

Cotonneux, eufe (adj.) Wollig^^ 
week y voos , (van vrugten gezegd). 

Cotonnier, (m) Katoen-boom, 

Cotonnin«} (f> Qf(^ ilitQftf f^f 
xtilen (n;, 

L 4 C«i 



168 COT. COU. 

Côtoyer, (v. a.) Langs de kujli' ja- 
ren ; ergens langs gaan. 

Cotrec, (mj Takkebos (m), kmip- 
pei-hout{n);h\xilQ de cotret y ribben- 
fmeer , Jlaag. 

Cotte , ( f) Geringe Froutven-fok 
(m)jcotte de Tùa.WlQtmalien-kolder', 
cotte d'armes, wapenrok. 

Cotteron, (m) Kort vrouwen on- 
derrokje. 

Co-tuteur, (m) Mede-voogd, 

Cou , {in Proü zpgd en fcbryft men 
cou, en in Poèzy col) xa) de hals'y 
lauter au cou de quelcun, iemand 
om den hals vliegen -, mettre la bri- 
de fur le cou , den toom vieren ; met- 
tre quelcun la corde au cou , ie- 
' wand den Jlrop om den hals doen', 
rompre Ie cou , den hals breeken j 
rompre Ie cou à une affaire, een 
zaak verbruien} cou de pied, het 
bovenfie gedeelte van de voet , devreek. 

Couard , arde (m. & f.) Bloodaard ^ 
lafhartige y {een weinig oud). {Zie lâ- 
che , poltron). 

Couardife , ( f) Lafhartigheid , 
vertzaagtheid. 

Couchant , (adj.) IFord alleen ge- 
zegd van chien couchant > leggende 
hond', j'arrivai à foleil couchant, 
ik kwam by zonnen ondergang , cou- 
chant du foleil y zonnen ondergang , 
het wejlen. 

Couche, (f) Bedjleê, krib-, hinder 
hur {f); tiiin-bed (n); grund, grond- 
verf (by Schilders) ; pleger ing , laag 
kalk (by Metzel.) -, laaq, , rei van 
iaas , fie enen , enz. kolf van een vuur- 
roer; grondlegging (in Bouwk.); inzet 
{in 't fpeelen) (ï)^ couche nuptia- 
le , htiwelyks bed; fouiller la cou- 
che , het bed bevlekken • couches, 
(plur.) het hraambed; être en cou- 
ches,/» de kraam leggen; relever, 
fortir de couches, uit het kraambed 
komen ; fauffe couche , een miskraam; 
une couche de pain & une couche 
de fromage , een' fneê brood met een' 
Jheê kaas daar op. 

Couchée , (f) Nagt-leger , nagt- 
verblyf(n) ; item kojîen daar van. 

Coucher , (y. a.) N'eêrleggen ; cou- 
cher un malade , eenen 'zieken te 
bed ieggen; coucher fur l'Etat, in 



COU. 

rekening invoeren j coucher par é- 
crit , tn gpfchrift jiellen; coucher au 
jeu , in 't f pel zetten ; coucher la 
vigne, de vuynranken in d'aarde leg- 
gen , Of» nieuwe Jiammeti te maaken > 
coucher par terre, ter aarde , op 
de grond leggen; coucher un fuûl 
en joue , een fnaphaan aanleggen^ 
coucher quelqu* chofe en joue,op 
iets mikken, het oog hebben; coucher 
l'or , het goud opdragen (by l^erguld.); 
coucher, (v. n.) leggen , Jlaapen ', 
coucher dehors, buiten 's huis fiaa- 
pen; coucher fur la dure, op de 
grond fi aapen; fe coucher, (v. r.) 
na bed gaan , zich leggen; comme on 
fait fon lic on fe couche, van te 
vooren bedongen maakt daar na geen 
krakkeel {fpr. w.) ; allez vous cou- 
cher, gaat na bed; il n'eft pas en- 
core temps de s'aller coucher, het 
is noz gPP^ tyd om na bed te gaan; fe 
coucher par terre, zich op de grond 
leggen; ie foleil fe couche, de zon 
gaat ond(r. 

Coucher, (m) Prier Dieu à fon 
coucher , God bidden als men na bed 
gaat; je ne le voi qu'à fon lever 
éc coucher ,/^ 2/V hem niet dan wan- 
neer hy opfiaat of na bed gaat ; ie 
coucher du foieil , zonnen onder- 
gang. 

Couchette, (f) Rufi-bank, fiaap- 
bank. 

Coucheur, eufe (m. &c f.) By/Jaap , 
byfiaaper ; byfiaapjl'sr ; fiaap-gezél. 

Couchoir , (m; Fergulders palm- 
houtje. 

Couci-couci. {Zie Couffi-coufli). 

Concon. (Zie Cocon). 

Coucou , (m) Koekoek. 

Coude , (m } De elleboog (rn ; krom- 
te , bogt (f)) haufler Ie coude, 
braaf zwelgen , zuipen {fpr. w.). 

Coudée, (f) Elleboogs-lengte ; a- 
voir les coudées franches , de 
handen ruim hebben. 

Couder , (v. a.) Den elleboog van 
een mouw maaken (by Kleerm.). 

Coudoyer , (vt a.) Met de elleboo- 
gen fiooten. 

Coudrai e , ( £)Bofch met hazelaars 
beplant (n). 

CQudran,Qu godron , goudron ,\ f) 
Har 



cou. I 

Harpuii daar de iS chippers bun touw 
werk mede /meeren (n). 

Coudranner , (v. a.) Touw teeren. 

Coudranneur, (m) Een touwteer- 
der. 

Coudre , (v. a.) Naaijen ; byvoe- 
gen , aanhegten ; coudre la peau du 
renard à celle du lion , het vos- 
fen-vel aan de leeuwen-huid begten , 
{dat is) lijl , beleid by magt voegen. 

Coudre ou coudrier , (m) Haze- 
laar , hazel-noot en-boom. 

Coudrer, (v.a.) Het leder runnen, 
looijen, 

Coudrette , ( f) {oud w.) {Zie Cou- 
draie). 

Coudroir , (m) Looi-kuip,'^ 

Covendeur ou co-vendeur , (m) 
Een mede-verkooper. 

Coënne, (f) Zwaard of zwoerd 
van fpfkm 

Coënneux,(adj,)Sang coënneux, 
Jlymigy kleeverig bloed. 

Coverfé , (adj.) Tegengekeerd {in 
meetk.) 

Couets ,. (m. pi.) Halzen , fmyten , 
{zekere groot e zeil-touiven). 

Couetce. ^ie coite. 

Couillons , (m. pi.) De ballen, 

Coulage,(m) Lekkafe, uitlooping (f). 

Coulamment > (adv.) Parier écri- 
re coulamraent , vlug fpreeken , 
fchryven. 

Coulant, ante (adj.) Ruiffeau 
coulant, vlietende beek-, ftyle cou- 
lant, vloeiende fchryfji y l ', nœnd cou- 
lant, eenjïrik knoop. 

Coulant , (m) ten coulant,.. ( zeker 
bals juweel der Juffrouwen).. 

Couiej(f) EenMonniks koor-kleed 
met wyde mouwen Cn). 

Coulé ? (m) Het overfpringen of 
even aanroeren eener noot in Mu- 
ziek (n). 

Coulée, (f) Scherpheid of rondheid 
ivan een Schip. 

Coulement , (m) l^locijtng , vlie- 
ting { f), 

Couler , (V. n. & a.) Vïoeijen , vlie- 
ten , loopen-, les larmes lui coulent 
des yeux, de traanen biggelen hem 
of haar uit d'oogen ; chandelle qui 
coule , een kaars die afloopt \ Ie temps 
coule infenliblement, de tyd gaat 



COÜ. icSö 

ongevoelig voor by, 1'echelle a cou- 
lé & il s'eft tué > de ladder is uitge- 
glipt en hy ts dood gevallen; couler 
de 1'argent en la main du juge , 
den' Kegter geld in de hand Jieeken-, 
faire couler une claufe dans un 
teflament , eene claufule m een teJJa- 
ment meê invloeijen laaten j couler 
du lait , melk door een' teems gieten ; 
couler derriere une haye , achter 
eene hegge heen fluipen ; couler à 
fond, in de grond zinken, item een 
Schip in de grond fchieten , boor en ; 
la vigne , les fruits ont coulé, 
de druiven , de vru^ten zyn afgeval- 
len-, il faut couler iur cette note, 
die noot moet men fleepende aanroe- 
ren-, vers qui coulent doucement, 
zoet-vloeijinde verf m j couler par 
delTus un endroit , in een gefchrift 
lets even aanroeren; la. danfe confis- 
te à favoir bien couler , couper, 
pirouetter, t/^ dans beJJaat ,in lugtjes 
te keeren en rond te draayen-, fe cou- 
ler en quelque endroit, ergens in- 
fluipen. . . 

Couleur , ( f ) Verf, koleur ; fchyn 
{ S) , voorwendzel (n) . 

Coulevrée ou Couleuvrée, ( f) 
J^Filde wyngaard (m). ' ""-•";^*, 

Coalevriae, (f) Een flang {zéker^ 
lang veldjîuk, gefchut). 

Couleuvre , ( f ) Een flang ; il a 
bien avalé des couleuvres, {fpr.) . 
hy heeft veel verdriet uitgejlaan. 

Coulis, (ra) Doorgezégen zap van 
vleefch enz. (n) item dunne gyps of 
pleijïer ( f). 

Coulis, (adj.) Vent coulis, togt 
wind , die aoor fpleeien of fcheurm 
doordringt. 

CoulifTe , ( f ) Eenfponde , een hoU' 
te groef, waar in een raam op en neer- 
gaat ( f ) , item een fcberni op een To- 
neel (n). 

Couloir , (m) Een teems ( f ) , door- 
flag , zyg-doek (m) , drup-vat (n) , item 
een doorgang in een Schip (m). 

Couloire , (f) Zyg-korf by de 
JVynpers (m) ; vlootje met gaâten {by 
Wynkopers (n). 

C^oulpe , ( f) Schuld , zonden-fchu/d. 

Coulure , (f) Jiet hopen , vïoeijen, 
vlieten. 

L 5 Coupj 



17© COU. 

Coup, (m) Eenjlag; fisot ; houw 
wond ; greep ; aonval j poets , Jlreck ; 
feu^ {in't drtnken) (f )j coup de poing, 
een vuifl-Jlag-, coup d'épée ^ floot ^ 
Jieek met een degen ; coup mortel , 
coTip de jarnac , dvidtiyke Jlag, 
bouw , jlesk , ofu-ond; porter , parer 
11 a coop, een floot toe brengen , af- 
heren (pareeren) ; porter coup, 
^raak zyti; à coups de miin , met 
inloot e handen, of met het zweer d tn 
ile 'vuifl ; tirer un coup , een fchoot 
doen; coup de partance , afjlheids 
fcboot'y coup de canon , de tonner- 
re , de vent , Kanon -fchoot , donder 
flag , rukwind; coup d'état , flaat- 
kundige flreek i overleg y coup four- 
Té, bêimelyke fl*oot ; achterklap i coup 
de langue , een fleek , een graww , 
fnanuw ; donner un coup de pied , 
eenfehop géven; un coup de vin, 
een teug vuyn; coup à'e(^3.i y cenproêf- 
fluk j coap de Maitre , een Meefler- 
fluk; coup de filet, een trek met het 
net j coup de dez , een Teerling worp ; 
coup de malheur, ongelukkige flag , 
toeval, coup de Ciel, ganfl des He- 
tnels , coup de fortune , de hazard , 
een geval van 't fortuin , 't geluk ; 
coup'de defespoir, ivanhopige aan. 
flag ; coup de g race , dè-^hàrt floot 
aan een misdadiger ; prendre une 
Ville fans coup férir , eene Stad, 
X onder flag of floot inneemen ; coup 
fur coup , flag op flag ; zonder tus- 
fchenpoizing -y un coup, eens, een- 
maal -y poar Ie coup, pour ce coup 
ci , voer dn maal; tout acoöp, ge- 
zivind; tout d'un coup , plotzeling, 
eensklaps ; après coap , te laat; à 
coup fur» gewis, zekerlyk ; avoir 
un coup de hache , een flag van de 
moolen iveg hebben (fpr. w.)i farte 
un manvais coup , een flegte fireek 
tegaan ; le coup vaut la balle , 
(fpr.) 'fis de moeite ivaerd', ce mur 
prend coup , dit muur krygt een 
%ogt; donner des coups fourrés, 
fchoot en onder water , beimelyke fleeien 
geevm {fpr, ) ; fes plus grands 
coups font rués, hy beeft zyn befle 
dagen ^ehad , hy it zyn oieefle kragt 
ai quyt {fpr.) ; fur de fon coup, 
zyner zaah g^ufis; U moindre fau.. 



COU. 

te porte coup ; de geringfle mt^flag 
i s nadeel ig-f faim un grand coop, 
een' groote daad doen ; deviner la 
chofe du premier coop , de zaak 
in den eerflen raaden ; buvons un 
coup, laat ons eens J of een teug drin- 
ken; faire entrer à coups de mar- 
teau, met den hamer indryven ; fe 
fourrer aux coups , zig wder 't 
vegten begeven ; aller aux cODpa tê- 
te baiffée, wiverfcbrokke» aan de flag 
gaan ; d'an coup d'œil , met een op- 
flag van 't oog , terflond; faire d'une 
pierre deux coups , twee vliegen met 
eene klap flaan {fpr.)} tirer à coups 
perdus , in 't wtld fcbieten; il y au- 
ra bien des coup? donnés ^ daar 
zal wakker gevogten worden. 

Coupable , (adj. & f.) Schuldige 
de fchaldige. 

Coupe , (f) Drinkbeker , beker ^ 
kelk {ra) fchaal (f). 

Coupe , ( f) 't Hakken , afhakken 
(n) van bout ; de fneê van iets {f) , 
't afneemen der kaarten ; ii a Ia cou- 
pe bonne , hy bakt,fnyd goed , {by 
Steenh. en Snyders), 

Coupé, (ra) Een zékere fnee , draai 
in den dans (m). 

Coupeau, (m) De top (m), kruin 
{ f) van een berg; houten fpaan (m). 

Coupe-bourgeon , (m) Zéker in^ 
feft dat de toppen van de wyngaard 
eet» 

Coupe-cu » (m) Een , die , als by 
geveoanen heeft , ophoud met fpeelen ; 
jouer à coupe-cu , zonder revengi« 
fpeelen , in eens af. 

Coupe-gorge, (m) Moord-kuil (f) 
winkel daar men bedrogen word y on- 
der-knie fchegge aan de voorfléven van 
een Schip (m). 

Coupe- jarret , (m) Moordenaar j 
Struikrover. 

Coupelle , ( f) Smeltkroes ', kruid- 
lépel (m)> affiner à Ia coupelle, in 
de fmeltkroes louteren; mettre , pas- 
fer à Ia coupelle , iemand op de proef 
zetten, 

Coupeller, (v.a.) Jh de fmeltkroes 
doen , loutere». 

Coupe pâte , (ra) En deeg-mes 
{by Bakkers) (n). 

Qouper, (v. «.) Snydm^ durrpy- 
tfttt^ 



cou. 

iùn , affnyden j bakken , af hakken 
kappen aj kappen -y hovuen ofhtmwemi 
une chaîne de montagne» roope 
toute cette province > len' r.rks van 
bergm fcheid dat giinifcf?e La*iJ afi 
couper les bleds, het k-cren ajrnaai- 
jetj-f couper du bois, bo'ut hakken, 
kappentf couper les mats, de tnajlen 
kappen {Zee w.)y couper la büurfe , 
de beurs f'iyden-f couper la gorge, 
vermoorden , item te fjeel doen betaa- 
len', couper l'herbe fous les pieds 
à quelcun , iemand het gras ofider 
de voeten ivpg maaijcn (fpr,) couper 
la parole à quelcun , iemand in de 
réden vallcii ; couper les cartes, 
de kaarten afneemen-, couper la me- 
fure , de maat afjïryhen > couper 
court , eene rede afhreeken j pour 
couper court, am kort te zyn; cou- 
per l'ennemi, dcn <vyand affnydeny 
couper les vivres, de leeftogt , het 
provi&ntaff'nydenf couper chemina 
quelque chofe , den voortgang van 
iets beletten, fe couper , zig fnydeny 
ztg zelfs tegenfpreeken-f de beenen in 
*t gaan tegen malkander Jlaan ; ce 
cheval fe coupe , dat paard Jlaat 
aan ; coupé de canaux , met grag- 
ten , vüarten, kanaalett dsorjheeden -, 
ftyle coupé, gebroken , korte fcbryf- 
Jiyl; coupé, (m (f^apenk,) verdeeld', 
il s'eft coupé Ie doigt , by beeft 
zig de vinger afgefmeden , afgehakt. 

Couperet, (m) Een hakmes (n). 

Couperoie, (f) Koperrood {n). 

Conperofé, ée (adj.) Viikge coa- 
perofé, puijïig aangeztgt. 

Coupe-têce , (m) Bok Jïaa vaji , 
(zéker Kinder fpél). 

Coupeur, eufe (m. & f.) Een die 
iets fayd of bakt,,fnydfr , hakker j een 
druiven-leezer ; coupeur de bourfe , 
beurfen-fnyder , gauwdief; coupeur 
<ie bois, hout-hakker. 

Couple , (mafc. ah het de man 
en vrouw betekend) j un heureux 
couple d'amants? een gelukkig paar 
menfcben. 

Couple , (fem. als men fpreekt 
van andere dingen) une couple 
d'œufs , de pigeonneaux , een paar 
eieren , duiven. 

Coupler , (v. a.) Kopfdfti} P^' 
re» f f'^amenbioika. 



COU. i7£ 

Couplet de Chanlbn , (ta) tfn 
ven van een Lied > btugzel voit egn 
deur. 

Couplecerj (v. a.) lemaadmetver- 
fen wakker doorbaohi}. 

Coupoir , (m) Groot» hnie-fchaar 
in de Munt (f). 

Coupole, (f) Eea rond dak (n), 
koepel (m). 

Coupon , (m) Een lap fiof, over- 
fchot j item eene zekere boeveelbeid 
brandhout , vaamhout. 

Coupure , ( f) Eene fneé , fneedc ; 
coupures > ( f. pL) affny dingen , vcr- 
fchansziagen (in vejiingi.) 

Cour, (f) Het Hof; mor of ach- 
ter plaats aan een buis {.ï); Haf- 
raad (m) , gens de cour, hove'in- 
gen', eet homme là entend bien fa 
cour, die manverjlaat het bof lèeven 
wel', eau bénite de cour, iedele 
vleieryen der hovelingen ; faire la 
cour à quelcun , zyn hofby iemand 
maken , hem opwagten. 

Couradoux , (m) Tujfchsn-wydte 
tuffchen twee dekken ( f) {Zee-w.) 

Courage , (m) Moed (ra) , dapper- 
heid {ï); prendre courage, moed' 
grypen; fi j'en croyois mon coura- 
ge , indien ik na myn hart te werk 
ging', courage, hou moed ,t*zalufiigl 

Courageulcment , (adv .) Kloekfiice- 
diglyk. 

Courageux, eufe (adj.) Ktoekmoe- 
dig , Jlout 9 dapper. 

Couramment , (adv.) GezivinJ » 
ter loops; faire quelque chofe cou- 
ramment , iets voor de vuijï doen. 

Courant, (m) De fïroom ; vloed van 
't water (n) ; loop {vn) , gewoonte {i) 
van tets;\ç co\iraint,de hopende maand. 

Courant , ante (adj.) Loopend^ 
Jlroomend, vlietend; année couran- 
te, bet hopende jaar; monnoye cou- 
rante , gangbaargeld; prix courant, 
vajle prys , prys courant ; chien 
courant, een brak {zeker Jagtbond). 

Tout Courant , (adv.) Faerdig, 
gezwind , zonder moeite. 

Courante , ( f) Courant > ( zekere 
dans), 

Courantïn , (m) Zekere vuur-pyt t 
die f in 'f l^ranfff^ p ÇV^K ee» toum 
kopt 9 

Coari 



ï72 cou. 

Courbaton , (m) Knie , gastel ( f }> 
krombout (n) , {in fcheepsb.). 

Courbatu, ue (adj.) ^fgereeden , 
afgewerkt. 

Courbature, (f) Styfheid , afge- 
matheid eenes pacrds. 

Courbe, (adj.) Krom, gebogen; li- 
gne courbe . een kromme lyn. 

Courbe , ( f) Krom hout , fehips^ 
knie ; gezwel in de baazen der Paer- 
den (n). 

Courbé, ée (adj.) Gekromd, ge- 
hogen. 

Courbement, (adv. & fubft. m.) 
Krommelyk; buiging, kromming. 

Courber , (v. a.) Krommen ; fe 
courber > (v r.) zich ki ommen, bui- 
gen. 

Courbette , (f) Sprong van een 
Paerd (m). 

Courbetter , (v. n.) Korte laage 
fprongen maaken {in de Ry-fchool), 
Courbure, (f) Kromte, bogt (m). 
Courcailler (v. n ) Slaan als een 
Kwakkel. \ 

Courcaillet , (m) Geluid van een 
Kwakkel} Kwakkel-fluitje of heem je (n). 
Courcelle , (f j Klein hofje (n). 
Courcite ou Courcives , (f. pi.) 
Scbeeps waarifigen, gangboorden. 
Courçon , (m) Een korte flaf yzer. 
Courée ou Couret,(f) Harpuis 
(n) voor den bodem van een fchip y te- 
gen s de wormen. 

Coureur , (m) Looper , hard-looper ; 
najaager van iets-, landlooper , zwer- 
ver; ondeugende jongen (m) ; hard- 
draavend Paerd (n). 

Conreufe , ( £)Een fïraathoer ,toop- 
Jïer , klayeie. 

Courge , (f) Kauwoerde {zeker ge- 
was). ■ 

Courier, (m) Pof. -bode, fiaaten- 
hode , courier. 

Couriere , . f) .De dageraad ; de 
maan {word by de Dicht, aldus gen.). 
Courir ou Courre , (v. n. & a.) 
Loopen , rennen ; kruijfen ; zwerven ; 
€Ourir à bride abactue, met lofjen 
toom ryden; courir à une chofe , 
trgens najîaan; courir à fa ruine, 
in zyn eigen verderf loopen; courir 
après quelcun , iemand naloopen ; le ; 
tems court , de tyd hopt voort ; le « 



COU. 

bruit court qu'il eft mort , bet ge- 
I rucht loopt da^ hy dood is; il courût 
une certaine nouvelle , daar liep 
eene zekere tyding; nous courûmes 
, piufieurs bordées, xt/y hebben dikwils 
gewend 'zee w.) ; courir les ruës , 
langs de flraat loopen , rinkelrooijen ; 
il a couru le monde, hy heeft de 
waereld dooegereifî ; courir risque , 
gevaa' loopen; courir les bals, van 
het eene gezelfchap naar het andtre 
loopen; courir la prétantaine, her- 
om loopen ; courir les tables , op 
fchuim loopen; courre ou courir fus, 
aanvallen , 'er op intoopen ; courir 
«n bénéfice, naar een ampt fiaan; 
courir la pofte, te pojl ryden; cou- 
rir le plat païs , het land afloopen , 
Jîroopen, plunderen; courir les mers, 
in zee kruijjen , dezelve onveilig maa- 
ken; courir fur le marché de quel- 
cun , in iemands koop, beding vallen; 
courir fur les brifées de quelcun , 
iemand onderfieek doen , de loef affny- 
öl?»; l'eau court, het vjater loopt; 
courir nord , noordwaards loopen, 
zeilen; où court il? waar flévend hy 
na toe , over wat boeg wend /'y ? ce 
tonneau court , dat vat lekt ; cou- 
rir les ruelles, le guilledou , les 
bordels, in mot huizen, by de hoeren 
loopen; la mode qui coût, de alge- 
mcene mode; faire courir les fon- 
tes , de gezondheden rond drinken ; è- 
tre fou à courir les rues , geheel 
zinneloos zvn; courir la bague , na 
den ringfleeken; courir aux armes, 
de wapenen opvatten , courir en 
lice ou dans la carrière ,in de loop- 
baan , in het flrydperk loopen. 

Courlis ou Courlieu , (m) Een wulp 
{zeker water-vogel). 

Couronne, (f) Kroon; kruin, 
krans {Î j; couronne impériale ,kei- 
zerlyke kroon; on lui offrit la cou- 
ronne , men bood hem de kroon > het 
ryk aan; couronne de fleurs y een 
bloemkrans^ triple couronne , eene 
drie dubbelde kroon. 

Couronné, ée (adj.) Les têces 
couronnées , de gekroonde hoofden. 

Couronnement, (m) Krooning {£); 
kap offpits, cieraad van een gebouw 
(m)} voleinding y volt 9oij ing (f). 

Coji- 



cou. 1 

Couronner, (v. a.) Krooncti', vol- 
einden , voltooijen ; la fin couronne 
l'œuvre , hep einde kroor.d het uerk; 
couronner la valeur , de dapperheid 
beloon en. 

Couronnure, (f) De kroon van 
de herti-hoomen. 

Courre , (v. n.) Courre le cerf? 
een hert jaagen.{Zie verder Co\xt\t). 

Courroie-, ( f ) Ledere riem y band 
(m); faire du cuir d'autrui large 
courroie, uit een ander mans leer 
breede riemen fny den f (fpr. w.) 

Courroucer, (v.a.) f^ergrammen; 
fe courroucer , (v. r.) gramjïoorig 
tvorden-^ bruijfchen , onfluimiçi worden. 

Courroux, (m) Granifchap , woe- 
de; onjluimigbeid {{). 

Courroyer. {Zie Corroyer). 

Cours, (m) Loop (m) , koers, 
Jïreek y gangbaarheid enz., cours 
d'une rivière , loop eener rivier; 
prendre fon cours vers la France, 
zyn koers naar f^rankryk Jlellen ; voya- 
ge de long cours , een lange reis, 
cours desaftres , Jierren-hop ; ce li- 
vre n'a plus de cours, dat boek^ is 
niet meer gezogt; monnoie qui a 
cours f^angbaar geld ; COUTS dn chan- 
ge , wijfel-cours ', cours de ventre, 
de buik-loop; faire fon cours dephi- 
lofophie , tn de wysgeerte fludeeren; 
cours de la vie , de levens-loop. 

Courfe, (f) Loop (m), kruîjing 
(f); achever fa courfe, zynen loop 
voleindigen j aller en courte , op 
huit uitgaan, firoopen, krutjfen , ter 
kaap vaaren; faire des courfesdans 
le païs ennemi, »'« 's vyands land 
Jiroopen. 

Courfier, (m) Stryd-paerd , veld- 
parrd; -grof gefchut op een galei (n) ; 
middel-gang op een galei. 

Courliere , ( f) Koebrug , bedekte 
gang op eenfchip. 

Courfon, (m) Een loot , fcheutUng 
van een jonge boom. 

Court, te (adj.) Kort, klein; van 
horten duur; prendre le plus court, 
de kortfle weg injlaan; avoir la vue 
courte , by ziende zyn , geen vooruit- 
zigt hebben; tenir la bride courte à 
quelcun 5 iemand in den teugel hou- 
den ; être conrt d'argent , gelel 



COU. ^ I7S 

noodig hebben; court d'haleine , kart 
adeimg. 

Court , ( adv. ) Kort ; s'arrêter 
tout court , Jcbielyk Jîeeken blyven ; 
demeurer court , niett mecr te zeg- 
gen weeten,Jli'eken blyven; tenir de 
coure , kort houden. 

Courtage, (m) Makelaardye (£), 

Courtaud , aude (m. & f.) Een 
kort en wel gezet man of vrouw 5 
een knol ; ttem een paerd of hond ^ 
wiens Jiaart en ooren afgefnéden zyn ; 
korte haffen {fpeeltui^); courtaud de 
boutique , een winkel knegt (fpot w.). 

Courtauder, (v. a.) Oe fiaert af- 
fnyden, kortooren. 

Court-baton. {Zie Cour-baton). 

Court-bouillon, (m) Een fop van 
wyn , laurierblaaden , rozemaryn y 
zout , peper en oranje appelen , waar 
in men vifchjiooft (f). 

Court-boutoaf (m) Een boute pin. 

Courte botte , (m) Een klein meafch, 
een propje (n), {boert. w.). 

Courte boule, (f) Kegel fp el (n), 
daar de fpeelers digt by paan. 

Courte- haleine y (f) Kortademig- 
heid. 

Courtement , (adv.) Kortelyk, ia 
weinig woorden. 

Courte-paille , (f) Tirer à la 
courte-paille, om het lapgjle Jltoot- 
je, trekken {zeker fpel), 

Courte-paurae , (f) Een korte kaats- 
baan. 

Courte-pointe , (f) Geflikte dê^ 
ken, pronk-déken . fprei . 

Courtier , {m)Een makelaar , cour- 
tier de chevaux , een roskammer • 
courtier de mariage , een koppelaar. 

Courtil , (m) Plaatsje , klein boe-- 
ren hofje (n). 

Courtilliere , (f) Zeker wormtie 
dat de meloenen , latouw enz, bederft. 

Courtine , ( f) Een muur (m) tus- 
fchen twee bolwerken , een gordyn ge- 
naamd; voorhangzel van een out aar 
{n); bed-gordyn, {dog hier voor zegt 
men beter rideau) (f). , " 

Court-jointé, (m) Een paerd me$ 
korte kniebuigingen. 

Courtifan, (m) Een hoveling, hof- 
bediende ; pluimjlryker } liefhebber van 
de fexe. 

Cour- 



174 GOU. 

Court jfime , (f) Sfn* tpenbaare 
boer. 

Courtifer, (v. a.) Zy» hofby ie- 
mand maaken , pluimjlryken om gunfi 
te erlangen. 

Courtois , fe (adj.) {verouderetkiuu) 
ILufcb, i'riendelyk , beleefd. 

Courtoifement, (adv.) Beleefdelyk. 

Courtoiiie , ( f) Heufchheid. 

Couvton , (m) Korte hennip. 

Courtpendu , (m) Zekere appel 
' met een korte Jieel. 

Coufin » ine (ra, & f.) Neef^ neev -, 
mgt (ktmieren van tzvee broeders , txvee 
zujïers of broeder en zujler) ; coufin 
germain , volle neef; coafine ger- 
iraine, volle nigt', coufin, een ver- 
dere aanveru-ant {neef) ; byzondere goe- 
de vriend; confin y tytel die de Ko- 
ningen aan vreemde f^orjien, Kardi- 
daalen euz. ^eeven, 

Coufin , (tn) Ben' rnugge ( f ) , {fig.) 
f mar et ze r , fmul-broêr ; item zekere 
lekkrri' koek te l-arys , waar in boter , 
ei j eren en kaas. 

Coufinage, (m) Neeffchap (n); 
vriendf-bap ( f). 

Couüner, (v.a.) fe Confiner, (v. 
r.) Z::h neef noemen , (gem. w.). 

Coufoir,(tn) Een Boekbinders naai- 
bank (f). 

CoDiTi-coiTÏÏï, (gem, w.) Il s'eft ac- 
quitté de cette commiflion couflï- 
coufii , hy heeft die laji zo9 wat f zoo 
wat uit^i"i'9erd. 

Couffin , (m) Een kuffen , hoofiL 
kujftn , zadel-kujfen (n) , enz. Mok on- 
der 't achter end van een fcheeps ge- 
fchut. 

Couflûnet, (m) Kuffentje\ verguld 
knjfer.tie (n) , enz. 

Coufu, ue (adj.) Genaaid. 

Cout , (m) De kojlen , prys van 
iets dat men koopt of laat maaken. 

Coûtant, (adj.) (alleen dus) Ache- 
ter une chofe au i»rix contant, /Vff 
tot den gewoonlyken prys koopen. 

Couteau, (m) Een mes (n); klein 
pronk-dt'çentje ; couteau pliant, een 
knip mesje; couteau de chafie, een 
hert-vanger ; couteau à fcie , een 
ff een-zaag; jouër des couteaux, "yaw 
hér trekken , met de kling fpeelen 
(fpr. w.)i iis font' à couteaux ti 



cou. 

téi 9 zy leeven in groot i wittig* 
beid. 

Coutelas , (m) Een zabet; item /y- 
zeil (n) (bonnette à étui) aan uit- 
fiékers , oplangen (boute hors) vaji-' 
gemaakt {Scbeeps w.) 

Coutelerie, (f) Een Mejfen-maa- 
kery. 

Coutelier , (m) EenMeJfen-maaker, 

Coutelière, (f) Een Mejfe-koo- 
kertje. 

Coûter, (v. n.) Kojlen, gelden; 
coûter de Ia peine , du foin , moei- 
te y zorg kojien; quoiqu'il en coûte , 
wat bet ook kojle ; il voua en coûte j 
je Ie vois bien, gy doed het met 
gaerne , ik zie het wel. 

Coûteux, eufe (d,d\.)Kofïbaar ^geU 
dig 5 (gem. w.) 

Coutier, (m) Tyk-iveever. 

Coutieres, (f. pi.) ÏVant ^ touwerk 
aan een galet-majl. 

Coutil , (na) Tyk , bedde-tyk (f). 

Coutillade , ( f) Een fneé, wond, 
jaap met een mes. 

Coacre, (m) Een ploeg -yzer (n). 

Coutume , ( f) Gewoonte ( f) , ge- 
bruik; tol-recht (n) ; avoir coutume j 
on , de coutume , gewoon zyn. 

Coutumier, re (adj.) Droit cou- 
tumier , een geu-oonlyk recht. 

Coütumier , (m) Een wet- of co- 
ûnim-boek (n). 

Coutumierement , (adv.) Gewoon- 
lyk. 

Couture,, (£) De naad {(); het 
naaijen (n) ; naad tujfchen twee plan- 
ken (f); battre une armée à platte 
couture , een Léger totaliter ver' 
Jlaan. 

Couturerie, ff) Een' naai-kamer. 

Couturier, iere (m.&f.) Een boe- 
ren-fnyder ; een' naaifïer; couturière 
en linge , en drap , een linnen , wol- 
len naaijîer. 

Couvée , (f) Een gebroed, broed- 
ze l jongen (n) ; couvée , het gejlacbt ; 
toute cette couvée ne vaut rien, 
dat gantfcbe gejlacbt , gebroed deugd 
nut. 

Couvent , (m) Een Kloofler. 

Couver , (v. a. & n.) Uitbroeden ^ 
broeden , broeijen ; over een vuurpan of 
flo^ zitten y broeijen} Ie feu couve 

fous 



cou. 

ibtts les cendres, b/ff vmt Jkfld 
éfider de afcbe ; couver un deffein , 
ېn aan/Iag fmeedett ', coaver les cen- 
dres , ajche-vy/ien , altyd aebter de 
kagchel zttten. 

Couvercle , (m) Een duizel (n) , 
oven-deur (f) ; il n'eft fi décrépite > 
qui ne trouve à la fin couvercle à 
ù. marmite , daar is geen pot zoo 
Jcbeef of men vind 'er nog wel een 
dekzel toe, {fpr, w.) 

Couverfeau , (m) Bekleedzel van 
Jïoelen (n). 

Couvert, (m) Tafel goed (n), al 
wat toe een tafel behoord', buisvejïing 
(f), logies, dak (n); dekking (£) 
van iets', omjlag (m), couvert (n) 
van een brief-, mettre le couvert, 
de tafel dikken', une table à 12 cou- 
verts, een' tafel voor 12 perfoonen -, 
donner le couvert à un voyageur , 
eenen reiziger buisvejî'mg geeven; je 
vous écris fous le couvert de, ii 
fcbryv' u onder 't couvert van ; à cou- 
vert , ou , à l'abri , (adv.) veilig , be- 
fcbut', fe mettre à couvert de, zich 
bedekken of fchuilen voor; à couvert 
des infultes, bedekt voor aanval. 

Couvert , erte (adjO Gedekt , ge- 
kleed', geveinj), loos; overfchaduwd-, 
table couverte, een gedekte tafel; 
il étoit fort bien couvert , hy was 
wel uitgedojl; c'eft un homme bien 
couvert, bet is een zwyger; allée 
couverte, bedekte laan; temps cou- 
vert , duifiet'e lucht ; couvert de hon- 
te , met fchaamte bedekt ; un drap 
trop couvert, een al te wollig la- 
ken-, chemin couvert, bedekte weg 
eener vejling ; païs couvert , gedekt 
land; X^rvir quelcun à plats, cou- 
verts , fetftond met bedekte fchotels 
onthaalen , dat is , niet '^voor de vuijï , 
opregt met hem handelen of ook bei- 
melyk b,nadeelen, 

Couvertement » (adv.) Bedekt , 
beimelyk , gevemsdelyh. 

Couverture , ( f. ) Deken ; dekzel 
(n) ; dekmantel , fchyn (m) , voorwend- 
zei (n) ; couverture de raaifon , 
dak van een buts; couverture d'm- 
livre, band van een boek; fous cou- 
verture d'amitié, onder den dekwat}- 
tel van ff-iendffkap. 



COÜ. CRA. i7> 

CoDVerturier, (m) Een dekenma^ 
ker; verkooper. 

Couvet, (m) Een vuur-pot , lollen 
pot, 

Couvcufe , ( f) Broei , of leg-hen, 

Couvi , (adj.) Un œuf couvi, 
een vuil Ei, 

Couvre-Chef, (m) Boerinnen falie ^ 
regen- kleed* 

Couvre-feu , (m) Een vuur-fcbtrm 
(n). 

Couvre-pied, (m) Een voet-zak. 

Couvreur , (m) Een Lei-dekker. 

Couvreofe, ( f) Leidekkers-vrouw j 
Stoekn'matfier. 

Couvrir, (v. a.) Dekken, bedek- 
ken ^ bewimpelen; befcbermen, bevei- 
ligen (in Krygsk.) ; befpringen {van 
Paerden , Stieren , en Honden gezegd) ; 
Couvrir Ia table , de tafel dekken ; 
Couvrir Ie feu , bet vuur inreeke- 
nen; couvrir de honte, befcbaamd, 
maaken; couvrir Ia terre de fol- 
dats & la mer de vaiflTeaux , hef 
l^eld met Krygs-benden en de Zee mer 
Scheepen bedekken; couvrir fon jeu, 
zyn fpel of oogmerk bedekt boudenf 
couvrir la joue, een oorvyg geevem 
ifpr. w.) fe couvrir du voile de 
dévotion , den dekmantel van God" 
vrugt omhangen. 

Se Couvrir , (v. r.) Zyn hoed op^ 
zetten ; Ie temps fe couvre , de 
lucht betrekt ; fe CQïJvrir d'un bois, 
zig achter een bofch' verfchansfen ; fe 
couvrir d'un fac meuillé , laffe y 
beuzelachtige virfcboonine ir^renaem 
ifpr. w.) ^ 

Crac, {m) Krak (m) gekraak, g^ 
luid van iets dat breekt (n). 

C rac hat , (m) Speekzel (n)fpuig ( f >. 

Crachement , (m) Spuuwing , roz- 
cbeling ( f ). . "^ * 

Cracher, (v. a.) Spuuwen fpuigm 
rogcbelen; cracher au nez de quel- 
cun, ietnand in het aangezigt fpuu^ 
iven j (figuur I,) hem boenen; cracher zn 
bafïln , in de bos blaazen , boete ge»^ 
ven; il cracha du grec & du \z.. 
x.\x\ yhy fprak ten onpas grickfch en 
iatyn; c'eft fon père tout craché, 
(ƒƒ>»-. vj.) hy gelykt volmaakt zynen 
y ader; cracher blanc, dorjl hebben 
Jpr.w.) 

Cra- 



176 CRA. 

Cracheur, eufe (m. & f.) Eenfpu- 
veer , rogchelaar ; rogchelaarjier. 

Crachdir,(m) Spuuw-potje (n)qaiS" 
^pedoer (m). 

Crachotement, (m)Qeduurigefpuu- 
Kving (f). 

Crachoter, fv. n.) Ne faire que 
crachoter , op den duur fpuuwen , rog- 
ehelen. 

Craie, (f) Kryt (n) j craie rou- 
ge, rood-kryt. 

Craignant, (adj.) Une perfonne 
V craignant Dieu , een Godvreezend 
Metifch. 

Craindre , (v. a.) f^reezen ; eeren, 
ontzag toedraagen ; 

Craint , ainte (adj.) Gevreesd; ont- 
zien. 

Crainte , ( f) P'reeze ; crainte fer- 
vile , filiale ,_ Jïaaffche , kwderlyie 
vreeze; de crainte de , de crainte 
que , op dat niet , uit vreeze dat. 

Craintif, ive (adj.) Freesagtig, 
hloo , hefchroomd. 

Craintivement, (adj.) Bevreesd ^ 
fchroomagtiglyk. 

Cramoifi , (m) Karmozyn-kleur-ver- 
we-rood. 

Cramoifi, ie (adj.) Soie cramo- 
fie , karmozyn zyde; fou en cramoi- 
fi , een voljlagm ^ek. 

Crampe, (fubft. &adi.) De kramp 

Crampon , (m) Kram , houvajî. 

Cramponner , (v. a.) f^aj} kram- 
men. 

Cran , (m) ou coche , entaillu- 
re , kerv , keep , fneê ( f ). 

Crâne , ( f ) Het bekkeneel (n) , de 
bersfenpan, ■ 

Crapaud , (m) Een Padde ( f ) ; 
être chargé d'argent comme un 
crapaud de plumes , met geld be- 
zwaard zyn , ah een pad met veeren. 

Craupaudaille, ( f) Soort van krip 
{zekere Jloffe). 

Crapaudiere, (f) Plaats daar een 
meenigte Padden zyn. 

Crapaudine, (f) Padde-JIeen (ze- 
ier edel gejleeme) (m) ; plaat daar de 
fpil van een deur in draait ( f) j dui- 
zenblad (zekere bloem) ; pigeons à la 
craupaudine , Duiven die men op den 
roojler braad. 



CRA. CRE. 

Crapule , ( f) Dronkenfchap, 

Cpapuler, (v. n.) Zig voldrinkefié 

Crapuleux, eufe (adj.) Dronken ^ 
vol ; bezoopen. 

Craquelin, (m) Krakeling (gebak), 

Ci-aquement, (m) KnarsCmg (f), 
gekraak (n). 

Craquer, (v. n.) Kraaken ^ knars-- 
Jen. 

Craqueter, (v. n.) Kraaken, ge- 
knars muaken ; klateren. 

Craqueur , eufe (m. & f.) Pog- 
cher , windmaaker j zivetfler, ' 

Craffe , (fubft. f. & adj.) Vuilig- 
heid ^ Jmeerigheid; grof; dom; igno- 
rance crafle , onbefcbofte domheid; 
humeurs crafles , Jlymerige vochten. 

Crafleux , eufe (adj.) Vuil , be^ 
fmeerd, bemorjï. 

Cravans , (m) Zeker leelyk fchulp- 
iverk , dat onder aan de Schepen gaat 
zitten jwanneer zy lang op zee zyn (n). 

Cravate, (f) Een hals-doek, das 
(m). 

Crayon, (m) Teeken-kryt ; pot-lood 
(n) lojfefchets, afbeelding van eenig 
Perfoon ( f). 

Crayonné , ée (adj.) Geteekend. 

Crayonner, (v.a.) Teekenen , fcbet- 
f en. 

Crayonneur, (m) Teekenaar. 

Crayonneux, eufe (adj). Krytagttg, 

Créance, (f) Geloof; betrouwen 
(n) ; meening ; ajouter créance à 
quelque chofe , ergens geloof aan 
Jlaan; avoir de la créance, aan- 
zien , credit hebben ; être de légè- 
re créance , ligtgeloovig zyn ; fa 
cTéance eft bonne , zyne Jchuld is 
goed. 

Créancier , iere (m. & f.) Schuld- 
eijfcber , crediteur; fchuld-eifcherfe. 

Créât, (m) Een onder-jîalmeejier , 
pikeur. 

Créateur, (m) Schepper, 

Création, (f) Schepping. 

Créature , ( f ) Schepzel ; gefchaa- 
pen weezen (n); une jolie créature, 
een fchoon Vrouw-menfcb. 

Crécelle ou crécerelle., (f ) Een 
ratel (m). 

Crèche ,({)Een kribbe ( f ) , eetbak 
voor dieren (m). 
Crédence , ( f ) Klein kasje by den 
altaar 



CRE. 

wâUaar {in de R. Kerk)i aanrecht ta' 

feitje (n). 

Crédibilité, (f) Motifs de cré- 
dibilité i beweegredenen om te gfloo- 
vett. 

Crédit, (m) Geloofd credit (n), 
gezag; aanztrn (n) , conferver fon 
crédit, zyn geloof of credit bewaa- 
ren-, faire crédit, temand borgen ; 
perdre fon crédit, zyn gt^zag, aan- 
zien verliezen ; vous parlez à cré- 
dit , gy fpreekt zonder bewys. 

Créditer ( v. a. ) un article , 
een pofl in crédit brengen. 
Crédule, (adj ) Ligrgeloovig. 
Crédulité, (f) Ligtgetoovigheid, 
Créé, ée (adj.) Gefcbapen. 
■ Créer, (v. a.) Scheppen ; verkte-. 
zen y aan/ieUen; créer des magi- 
ftrats , Overheden verkiezen ; créer 
«ne dette , een fchuld maaken ; créer 
une rente, eene jaarlykfcbe rente op- 
rigten. 
Crémaillère, ( f ) Een heugel (m). 
Crémaillon , ou Crémillon, (m) 
Klein heugeîtje (n). 

Crème, (f) Room (m); bet befle, 
de kern van iets -y crème fouettée, 
doorgeklutfie roomi (figunrl.), een re- 
den daar wel pronk-ivcorden doch geen 
zaaken in zyn; crème de tartre , ge- 
zuiverde wynfleen tot poeder bereid. 

Crêmer, (v. n.) Tot room worden 
(van melk gezegd). 

Crémière , (f) Een room-verkoop- 
Jler. 

Créneau, (m) Kanteel-, fchietgat 
in een Stads wal (n). 

Créneler, (v. a) Tonrens , wallen 
met fchiet-en ky k-gaten voorzien ; 
tanden in raderen maaken, met ker- 
^ ven fnyde/i. 

Cre nelure , (f) Tanding, ker- 
ving ; randing der muntfitikken. 
Crêpe , (m) Lnnfcr (m) floers (n). 
Crêper, (v. a.) Dtgt in malkan- 
der krullen y frifeeren. 

Crépi, ie (adj.) Bepteifïerdy cuir 
crépi , ç^eërfd-leêr. 
Crépi , (m) Pleiflerkalk ( f ). 
Crépin, (m) Perdre fon faint 
crépin , zyn gantfch boeltje verlie- 
zen. 
. Crépine, (f) frange franje ^ die 



CRE. Ï77 

me» aan àe behangzels der Ledikan* 
vert zet. 

Crépir (v. a.) un mur, du cuir, 
eene muur bepleifleren ; leér erven. 

Crépiffurc , ( f ) Pleiflering , be- 
flryking. 

Crépodaille. {Zie crapaudaille). 
Crépon , (m) Krtp (n) {zekere fîof. 
fi)- 

Crépu , ue (adj.) Gekronkeld ichs- 
veux crépus , gekruld hoir. 

Crépufcule, (m) Schemering (f), 
bet morgen-of avond-rood (n). 

Créquier , (mj Soort vpn wilde 
pru-.m-boom. 

Crcfeau, (m) {Zie carifel). 
Creil.?.i , (m) Kers of hors (zeker 
kruid). 

Creflonniere, (£) Plaats daar bet 
zelve waf}. 

Créte , (f) Crête de coq , een 
ha.:ne7-kam , kuif, lever, baiffer Ia 
crête , de kam opfleeken , hoogmoedig 
zyn j laat en hangen , de moed verlie- 
zen ; créce de bied, fpitfe kooren 
fchelf 

Crété, ée (adj.) Gekuifd, gekamd* 

Créteier ,(v. n.) Kakelen als de 

Hennen. 

Crevaille, (f) Slempery (gem.w.) 

CrevafTe , (f) Spleet y fcheur ,berjf» 

Crevafrer,(v. a.) Kloovenmaaken ; fe 

crevaffer , (v.r.) openberjien ,fcheuren. 

Creve-cœur, (ra) Hartzeer y ver* 

driet (n). 

Crevé, ée (adj.) Geberflen , enz, 
{Zie crever). 

Crever, (v. n. & a.) Berji^n; je 
creve de chaud , ik verfmagt van 
hitte; crever de rire , lagchen dat 
men zyn buik vajl houd ; crerer un 
paté, eenpaftei'opfnyden; crever [qs 
yeux , de oogen uitjieeken; crever un 
cheval, een paerd den bek afryden^ 
il s'eft crevé à force de travailler, 
hy is onder 'f werken bezweeken. 

Creufement, (m) Uitholling , uit* 
graaving ( £), 

Creufer, (v. a,) Uitgraaven\ vît* 
hollen ; creufer bien avant dans une 
fcitnte, eene wetetifchap diep uitvor-' 
fchen. 

Creufet , (m) Eene /melt-kroes { f ). 

Creux, eufe (adj.) HqI, diep, le-. 

M digi 



î?5 CRE. CRÎ. 

tftg; fofCé fort creux, eene zeer die- 
f e gragt ; ventre creux, een ledige 
buik ; un fonge creux , een ydele 
droom % un discours creux, <'f« l^ff^ 
redenvoering ; des yeux creux , holle 
wogen. 

Creux, (m) HoUe ^ diepte ff); Ie 
creux de la main, d'un voile, de 
■holte der bar.d , buik in een zeil. 

Cri, (m) G^fc breeuw, geroep, ge- 
ilag(n)', poulfer des cris, roepen, 
Jchreewweti', chercher quelcun à cor 
& cri , met allé magt na iemand zoe- 
ken. 

Criailler, (v. n.) Roepen, fchreeu- 
nven , raazen , iieren , fchenden. 

Criailierie , ( f ) Gefcbreiuw , ge- 
tier (n). 

Criailleur , eufe (m. & f.) Schreeu- 
wer ; fcbreeuujler. 

Criant , ante (adj.) Roepende, 
fcbreeuwende ; wraakroepend. 

Criard ,• arde (fîibft. & adj J Een 
fchreeuiver ; fchreeuwjîer ; dettes cri- 
ardes , kleme fchulden die men vlytig 
inmaand ; oifeau criard > een vogel 
éfie altyJ fchreeuivd. 
■ Crible , (m) Een zeef (f). 

Cribler, (v. a.) Ziften» {figuurt.) 
iets naauw onderzoeken , vaifleau cri- 
blé , f en door de worm gegeten fchip. 
Cribleur , (m) Een zifter. 
Cribîeux , eufe (adj.) Met gaten 
aU éen z^ff. 

Crîblures, (f. pi.) Uitziftzel (n). 
•Cribration, ( f ) Doorzifting.. 

Cric , (m) Een dommekragt, win- 
ëfe'f item een werktuig by Koetzier s 
êm rytuigen te ligten. 

Cric-crac » (m) Het Jlooten van 
^laazen tegens malkander-, ma (Te, to- 
pe , cric & crac (ou croc) , uitdruk- 
king der drinkebroers , als zy de ge- 
'ZQndheid van iemand drinken en met 
iie glaazen klinken. 

Criée , ( f) OpentÏyke uitroep (m) 
restens verkoop van goederen. 

Crier, (v. n.) Roepen tfchreeuwen ^ 
uitry^pan-y crier du fruit, metvrtig- 
ten langs dti Jïraat roepen ; crier ven- 
geance , uraak fcbreeuwen ; crier 
contre quelcun, met iemand t' on- 
vreden zyn; on a tant crié noël 
qu'il €ft venu , me-fi b*iefc zqq lang 



CRf. 

pnafchen gercfpen tot dat hf g^hmfÊi 
is, (fpr. w.) 

Crïerie, (f) QefchreeuvPi geroep, 

Crieur , eufe (m. & f.) Uitroeper% 
vrouw die langs de flraaten alle oude 
dingen opkoopt en verkoopt. 

Cr^me, (m) Misdaad (f),verbree* 
king (n); crime capital, hoofd-mis- 
daad, die de dood verdiend j criniö 
de léze majefté , misdaad van ge- 
quetjle majejïeit. 

Criminafifer, (v. a.) Iets tot eene 
misdaad rekenen , crimineel maaier, ^ 

Criminel, elle (adj.& fubft.)M/5- 
dadigt fïrafwaardig', een misdadiger» 

Criminellement, (adv,) Misda- 
dig/yk; pouriuivre une perfonne 
criminellement, iemand pynlyk ver- 
volgen. 

Crin , (m) 't Lange hair van een 
paerd y paerds-hair (n). 

Crinier, (m) Een hair bereider. 

Crinière , ( f •; Maanen van een 
paerd-, item een kleed over deszelfs 
bals en kop , een kap. 

Crinon , (ra) Soort van dovwvorm 
der kinderen. 

Crique, (f) Een' kreek (f), klein 
haventje (n) , veor fchepen. 

Criquer , (v. n.) Les herbes fè- 
ches criquent , de dorre kruiden rut.» 
fchen , kraaken. 

Criquet , (m) Een klein gering 
paerd , jakhals , fchanslooper, 

Crife , ( f) Het toppunt , 't uiterfie 
eener ziekte (n) , die het lotgeval der 
zieken ten goeden of ten quaaden he^ 
fijl'i ook dus y l'affaire eft dans la 
crife , de zaak zal ras ten einde ko- 
pen , zy» uitjlag hebben. 

Crjflal, &c. (Zie Cryftal, enz.) 

Crit, (m) Een foor t van een pook ^ 
een kris. 

Crithophage , (m. & f.) Een lief- 
hebber van gerjl. 

Critiquable , (adj.) Berifpelyk, be~ 
rifpensivaerdig. 

Critique ," (adj.) Berifpend, oor- 
deelkundig ; hagchèlyk ;huraeur, efpric 
critique , bedilziek gemoed, humeurj 
un ouvrage critique , een oordeel- 
kundig ,b e oor delend werk; ua temps j 
line conjondlure critique , een hag" 
ehelyk , wijfehallig tydsgewrigt » af* 
faire 



. CRI. CRO. 

faire critique , eene netelige zaai; 
jour critique , dag die den ioop der 
ziekte aanduid. 

Critijiue, (ra) Een btoordeefder , 
Ben criticus van een ander zyne fchrif- 
tttt ; item een bertfper , bedilier. 

Critique , ( f j Qorcieelkuude , om 
eenig werk te beoordeelea ; item be- 
rtfping , bejirajing. 

Critiquer, (v. a.) Ber i/pen jbedil- 
dillen , beoordeolen. 

Critiqueur , (m) {Zie un Criti- 
que). 

Croacement ou CroaOement ,(m) 
Gekras , güfchreeuw der Raven (n). 

Groacer ou Croaffer , (v. nj Kras- 
f en , fcbreeuwen als een Raven. 

Croc , (ra) Een haak , vuurbaak , 
hootbaak (m) ; item de kraaking ( f) 
i^an iets dat breekt i mettre le croc 
en jambe à quelcun , (fpr. w.) />- 
9nand een beentje zetten dat hy valty 
of iemand dwanboomea , den voet 
dwars zetten-, ce procès eft pendu 
en croc, dat geding y procès, is 'aan 
^^ fpyfier gehangen. 

Croche , ( f) Een Jhiart-noot ( in 
Muziek). 

Crochet, (m) Een haak om iets 
aan te bangen j een haak om een Jlot 
mee open te Jleeken } être fur les 
crochets de quelcun , op iemands 
kojîen teeren ', crochets de portefaix, 
een dragers riem , zeel ^in Vrankryk ; 
crochets . haakjes van een paren- 
thefis. 

Crochetage, (m) Het draagea-, 
draagloon. 

Crocheter, (v.a.) Crochjeterune 
porte, em deur op- of open-Jleeken. 

Cro^heteur , eufe (m. & f.) Een 
kruijer , 'draager ; pakkedraagfier. 

Crochetons, (m. pi.) Spylen van 
■een pakdraagers draag-tuig. 

Crochu , ue (adj.) Gekromd , om~ 
géboogen-, avoir les mains crochues, 
diefagtig zyn. 

Crocodile , (m) Ai-oW//, larmes 
de crocodile , geveinsde rraanen. 

Croiler, (v. n.) {Valken, w.) Fleer- 

zen , fchyten, . 

Croire, (v. a,) Geloovent aannee- f 

men; iemands raad volgen -, on Ie 1 

crgit riche ,fw#o gohoff dat ky ryk isi 



CRO. 170 

Croifade , ( f ) Kruisvaart { f) ; bes 
zuider-kruis (n) , (zi-e u;.} 

Croifé, ée (adj.) Kruijfelings ge-*, 
maakt , gekieperd; fe tenir les bras 
croifés, Irég zitten. 

Croiiee, {£)I:ïJïag van een webbe^ 
kruts-raam (in Lauwk,). 

Crolfcment, (m) Kruijfwçr der JIq-^ 
retten {ut de Jchermfch.). ^ 

Croiler , (v. a.) Kruis-wyze leggen^ 
diK inj!ag doorfcbieten ( by l'f^eevers ) 5 
een mande vlegten ; kruijfen {zee w.) 5 
een fcbrift de pen docrhaalen', een kruin 
maaken ; hinderpaalen zetten ; Ie croi-- 
Ter, (v. r.) zich kruijfelings leggen^ 

Croifette, (f) Etn kruisje (n)s 
kruis-ivonel ( f) (zeker kruid). 
Croire UI- , (m)Een kruijer ter zeem 
Croificrc , ( f) Plaats , vuater daof* 
de bcheepea kruijfe» {n). 

Croifillon , (m) Dwars hout vaià 
een kruis (n) ; kruis van een raam. 

Croifoirc, (f) Een boute of yzeir» 
werktuig o-m Scheeps befchuit te maa" 
ken (u). 

CroifTance, (f) PTasdom (m)s 
croiflances (pi.) zee-gras. 

CroifTant , (m) Halve of wajfenda 
maan ( f) j het turkfch wapen (n) ; bQ'^ 
veniers rond fnoeimes (n). 

Croüure, (f) ZnJIag , keper vam 
dejergie, (van laken is het filure). 

Croît, (m) ^anwasy aanfokking^ 
(van dieren gezegd). 

Croître, (v. n. & a.) fTafen , toe^ 
neemen^ grooter worden -, les joura 
croifTent, de dagen lengen ^ il croît 
ici de bon blé , 'er groeid hier goed 
koren-, CDauvaife herbe croît toa« 
jours , onkruid vergaat niet; Ia pluie 
a crû la rivière , de regen beeft dt 
rtvier doen zwellen, 

C roix , (f ) Kruis ; Lyden (n) , droef- 
heid, elende (£); planter la croix 
de J. C.y bet Evangelium predikem 
attacher en croix , aa» 't kruis. 
hegten '^ n'avoir ni croix ni pile» 
noch kruis taoch mutit hebben ; jouer à 
croix & à pile , kruis of munt fpeelen^ 
Croix de par Dieu, een ^,B, C 
boekje, 
Cromorne , {ta) Krtmhiiom {orgel 

regifler) ^ 
M a Crt*. 



i«o CRO. 

• Cronc, (ra) Kraan op de wyzevan 
een windmolen. {Zit ook Gruë). 

Croquant , ante (adj. & fubft.) 
Knarjfende ; een bedelaar ^ een plug. 
Croquante , ( f) Knapkoek. ^ 
Croque, (f) Manger du pain à 
la croque au fel , zout en brood 
eeten. 

Croquelardon , (m) (boert, w.) 
Een fchuimlooper , panlikker. 

Croquer (v. n.) entre les dents, 
tujfchen de tanden kraaken , knappen , 
knarjfen. 

Croquer , (v. a.) Eeten , opknap- 
pen , fcbranfen ; behendig wen Jieelen , 
kaapen; eenig werk fchtetyk voor zyn 
gat tappen , knoeijen ; ïe chac croque 
les fouris ,£/p kat knapt de mutzen op ; 
Je renard croque les poules , de 
vos jîpcld de hoenders ; croquer le 
marmot ,(fpr.)laKgvoorJe deurjîaan 
zva^ten', croquer , aanhaaken ( zee w .'). 
Croqueur , (m) Een looze fcbaîk , 
bedrieger , kaaper. 
Croquignole, {î)'Kriok-Jlsg^ knip 
CrofTe , (m) Bijfchopsjîaf; kolf om 
'mtê te fpeelen; kolf van eeu vuur-roer. 
CroiTé , ée (adj.) Gekolfd ; abbé 
croffé , geftaafde abt. 
CrofTer, (v. n.) Kolven. 
CrofTettes , (f. pi.) ^fgefnedene 
wynranken van een jaar oud , cieraad 
hoven aan een deur ofvengller kozyn; 
kalk rnridfom een dak-vengjier. 
CrolTeur, (m) Een Kolver. 
Crotte , ( f) Slyk , modder ; Schaa- 
pen-keutels, Muizen Jlront enz. 

Crotter, (v. a.) Bif^ykt cfvuilmia- 
ken , bek loi ter ca y poète crotté Jlegte 
digtcr, 

Crotton, (m) (béter cachot) onder- 
aardfch gevangenis. 

Croulant, ante (zà].) Schuddend, 

édifice croulant, Bouwvallig gebouw. 

Croulement, (m) Schudding, (f). 

Crouler , (v. n.) Schudden, wag- 

frelen , dreunen i dreigen om in te JJor- 

^ten. 

CrouHer, iere (m. & f) LosIeg_ 
gend zand (v\), losfe aarde (f). 

Croupade , ( f) Hooge fprong van 
een Paerd (in de Ry-fchool.) 

Croupe , (f) Het agterjïe of het 
kruis van een Paard {ri)fpirs, kruin ' 



CRO. CRU. 

van een berg (m) j mettre en crou- 
pe , achter zich op het paerd zetten ; 
venir en croupe, achteraan komen- 

Croupé , ée (adj.) Cheval bien 
croupe « een Padrd dat mooi ge- 
bild is. 

à Croupetons, (adv.) üp zyn gat 
zittende. 

Crouphider, (v. n.) EenSchipvan 
achteren vertttyen , vaft maaken. 

Croupier , (m) Een die achter op 
't paard ztt ; een die voor een ander , 
die niet fpeelen kan ,fpeeld, of voor de 
helft fpee Ld', een Helper. 

Croupière , (f) Staert-riem van 
een paerd (m) ; elle hauffe la crou- 
pière , zyn heeft minnaers met wien 
zy mooi wéér fpeeld-, ta.iller àes crou- 
pières à quejcun , iemand moeilykhe- 
den veroorzaak en \ mouiller en crou- 
pière, het anker van achteren uit- 
werpen. 

Croupion, (m) Hét fluit-been (n) 
de fluit (m). 

Croupir, (v. n.) Stiljïaan ; lui, 
ledig zitten-^ croupir dans Ie péché, 
in de zonden volher den. 

Croupiflant, ante Tadj.) De 1'eau 
croupifTante , fiiljlaande , flinkend 
water. 

Crouflille, (f) Korstïe brood (n). 

Crouftiller, (v. a.) Een kortjlje of 
mondvol brood eeten (gem. w.) 
Crouftilleux , eufe (adj.) Kortswy- 
lig, klugtig, (gem. w.) 

Croûte , ( f) Korf} , van brood, paS' 
tei , wond , aarde enz. 

Croûtelette, ff) Een korfïje (n), 

Croutier, (m) Opkcoper van oude 
beelden , fchilderyen. 

Croûton , (m) Een korfl brood. 

Croyable , (adj.) Geloofwaardig , 
gelooflyk. 

Croyance , (f) Geloof, vertrou- 
wen , meening. 

Croyant, (adj. & f.) Gelovende; 
een geloovige. 

Crû , (m) Gewat (n); vin de mon 
crû, wynvan myn eigen gewas; cela 
n'&a pas de (on crû , dat komt uit 
zyn iooker niet. 

Crû , ûe (ad j.) Gewaffen , gegroeid y 
toegenomen ; geloofd, gemeend. 
Cruauté , ( f) Wreedheid Jir engheid» 
Cru- 



CRU. CRY. CU. 

Cruche, (f) Een kruik; tant va 
la cruche à l'eau qu'enfin elle fe 
cafle, ou fe brife , {Jpr.iv.)de kruik 
gaat zoo lang te water tot dat zy lerji ; 
vous le feriez devenir cruche , gy 
zult bent gek, dol viaaken (fpr. av.)* 

Cruchée, (f) Een kruik z-ol. 

Crucherie , ( f) Botheid ^ domheid. 

Cruchon, (m) Kruikje (n). 

Crucial, ale«(adj.) Incifion cru- 
ciale, kruis fneê {in Heelk,) 

Crucifère , (adj.) Colonne cru- 
cifère , Pilaar met een crucifix. 

Crucifiement, (m) KtuiJJïgitig. 

Crue fié, ée (adj.) Gehuijt , ge- 
kruijpgd. 

Crucifier, (v. a.) KruiJJigen. 

Crucifix, (m) Een kruisbeeld (n); 
mangeur de crucifix , een huiche- 
laar. 

Crucifixion (m) Kruijjîging (f). 

Crud , ue (adjO Rauw , ongekookt ; 
onbewerkt , ruuw j onbeleefd , onbe- 
fchaafd; chair crue, ruuw vleefeh; 
humeurs crues , rauwe vogten; des 
manières crues , grove mameren. 

hCrud,(&dv. )Blootsbeens;otigezadeld. 

Crudité , ( f) Rauwigheid , rauwheid. 

Crue , (f) aanwas van water , 
vermeei^dering der tollen enz. 

Cruel, elle (adj.) If^reed y Jireng -, 
un cruel, een wreedaard. 

Cruellemeut , (adv.) IVreedelyk. 

Cruement, (adv.) Rauw \ boerjch , 
onbefchoftelyk. 

Crural, le (adj.) Veine crurale, 
fchenkel-ader (in Ontl. k.) 

Crypte , ( f) Onderaardfcb ver- 
wulf, hol (n). 

Crypto-portique, (m) Verborgen 
gang , zoo wel onder ah boven de aar- 
de. 

Cryftal , (m) Kriftal {zéker door- 
luchtig ge/Ieente) ; het krijiallyne eener 
bron (nj. 

Cryftallin , ine (adj.) Krijlallyn, 
klaar ; Ie criftallin , de krijiallyne vogt 
der oogen. 

Cryflallifation , (f) Verandering 
in krijïal {tn Chym.) 

Crydallifer , (v. a.) Krijlallynen ^ 
klaar , doorfchynend maak^n, 

Cu. {Zie Cal). 

Cube , (m) Een vierhoekig vierkant 
oh een teerling {in Land-meetk.) 



CüB.CüC.CUE.CUr. i8r 

Cubique, (adj.) Nombre cubique 
ou cube, cubik getal. 

Cubital, aie (adj.) Muscle cubi- 
tal , elleboog f pi er {in Ontleekd.) 

Cuculle, (t) Eene monniks Kap y 
kovel. 

Cucurbite, (f) Dijîileer Kolf (n) 
{in Chym.) 

Cueille, (f) Breedte des zeildoeks. 

Cueillette, ( f ) Inzameling van 
vrugten , pennirgen enz. charger à 
cupilletce, goederen van verfcheiden 
perzoonen landen. 

Cueilleur , eufe (m. & f.) Pluk- 
ker; plukjler. 

Ca-^Uïir ,{'V. a..) Plukken , inzamelen. 

Cueilloir , (m) Fruit mande. > 

Cuiller , ( f ) Een Lépel{m)\Pomp^ 
boor {£,; Lepelaar {z^ker Vogel)-, 
cueiller à pot,een pol-leprlJchep-l<peL 

Cailierée, ( f ; Een Upel-vol (m). 

Cuilieron, (m) De holte, het blad 
van een lepel. 

Cuir, (m) Leer; vel{n) huid (f)j 
cuir verd, crwà., onbereid leer; fai- 
re boire Ie cuir, het leer in de week 
leggen; vifage de cuir bouilli, een 
zeer lelyk aangezigt. 

CuirafTe , ( f) Üarnos (n). 

Cuiratfer, (v. a.) Met een harnai 
wapenen. 

CuiraflTier , (m) Een die met een 
harnas gewapend is , e?n kuraffier. 

Cuire, (v. a. & n.) Kooken , bak- 
ken , braaden ; enz, cuipe Ie pot j depot 
kooken; cuire du pain, brood bak' 
ken; il vous en cuira, het zal U 
rouwen ;ï'e cuire j{v .r,) gaar worden-, 
ma bleffure me cuit , myne wondfleekt 
my. 

Cuifant , ante (adj.) Smertelyk-, 
gevaelig ; regret cuifant} douleur 
CU i fan ce. 

Cuifine, (f) De keuken; faire la 
cuifine , kooken , voor kok fpeelen. 

Cuifinerie, (f) Keuken -werk (n). 

Cuifinier, iere(m.&f.) Een Kok; 
kook-boek ; Keuken-meid. 

Cuifle,(f) De d^e , une cuifTe 
de volaille, een houtje van een vogel. 

Cuiflbn , (f) Het kooken, bakken, 
braaden; avoir foin de la cuilTon , 
op het bakken enz. agt geven ; pain 
decuiflon, huisbakien brood ; cuis- 

M 3 foo> 



TSt CUÎ. CÜL'. 

fon , fmerte ; l'cntir une grande cuj's- 
fon dans l'œil , dans les reins, 
groot e pyn in het oog ♦ ir. de londettfn ge~ 
boelen ; cuifTon de vigne , hrûtui, 
hitte in de uyngaard; 

CoijTot, (ni) Een Ref-bout. 
Cuiiftre , (m) Oppajfer in een'Jcbool ; 
een ^kbool-ios. * 

Cait , te (adj.) Gekoekt ^ gezooden , 
gebakken , gaar ; cela e ft trop cüic , 
OU n'eA pas afTu^z cuit , dat ts te 
gnar c^niet gaar genoig , {Zie ver- 
der cuire). . . , ,, 

Cöite , ( f) ^ei kooken, bakken; een 
Bven vol, een bakzcl% Ia coice de la 
thaux, des briques, bei kalk br ar- 
den, het JT een bakken. 
Cuivre , (m) Koper (n>. 
Cuivrette , ( f) Koper mor.djïm aan 
een HoboQt enz. 

Cul , {lees cu) (m) Het gat , den 
A&rs, A^* a ebt er ly f, item de voet vaa 
verfebeide dingen daar men het opzet , 
als van een glas , pot enz. ; cul d'un 
vaifleau , het gat van een Schip; 
cul de fac ^Jïraat of weg di» geen uit- 
gang heeft; cul de chapeau, de hol 
wan ten hoed; cul d'une aiguille , 
})et oog eener naald', cul d'an muid, 
«fe kop van een vat; cul de lampe, 
ée -wet van een lamp , item een finaal 
Jïrikje, vignet je ov.der een capitcel of 
op 't eïr'.de van een boek ; als meede 
zéker cieraad van een verwulf enz: 
(ifi Bnttwk.)', cul de plomb, een man 
die altyd zit , afzonder ophouden , pal 
Man zyn werk is ; cul de jatte , een 
^nan zonder beenen, ineen bouten hak; 
cul blanc, een witflacrt {zfker mgeiy, 
cul de baite foff^, een diep donker 
lol , gevangenis , cachot ; cul de 
yort , /oöïv - linonp , water - knoop 
ifcbceps w.) j mettre cul én vent , 
lenzen, voor de wind laaten dryven 
(fche^'ps w.)', mettre un tonneau 
fur cul , een vat op zyn end zetten; 
«ui decharette, het agter end van 
§en wagen i col écorché, hlik-aars; 
*al de baseau , ' de bodem van een 
fthutt; cul d'artichaut, dé fi oei van 
f0n artifchok; faire Ie cul de poule, 
gen' fpiize mond, eer.en nat zetten -y 
il en a dans Ie cul , {fpr, w.) hy 
iseft ivak.ker ten t&jrir^ gevaarene 



CÖL. 

fcbcxde geteedem arrêter quelcun Cir 
cul , iemand hinderen van zyn plaats 
te g^an-y on Ic tient au cul, men 
b'ejt hem by de turven , in goede be- 
xvaaring ; éCre à cul , niet weetevt 
xvaar heen y ' er onder zyn; donner 
da pied bu cul à un valet , eenen 
knegt weg iaagen; y aller de cnl-& 
de tète,fnet alle magt ergens aan 



gaan; montrer Ie cal, weg iQOien, 
'van een' zaak afgaan of die 'laaten 
Jiceken; tirer le cul en arrière, 
zyn gat te rug trekken , zyn woord 
niet houden; à écorche cul , tegen 
dank, met onwil ; cul par defTüS tê- 
te , het onder jl e boven , over kop en 
faert ; vouloir petcer plus haut 
que Ie cal, hooger vliegen willen als 
men vlerken heeft (fpr, w.); fe gta- 
tèr Ie cul au foleil y {fpr^ w.) lui- 
jpren, lui zyn. 

CuIaiTe , (f) De agterjie fchroef 
aan een vuur-roer j broek , kamer van 
een gef chut ; cette femme eft renfor- 
cjée fur la cnlafle , dat vrouwmenfch 
is wakker gebild. 

Culbute , ( f) Tuimeling , buiteling; 
faire une culbute, tuimelen. 

Culbuter , (v. n. & a.) Tuimelen , 
hals over knp vallen; omfmyten. 
Cu Ie ! Haal agter uitl (fcheepsw.). 
Culée, (f) Stamp, floot van een 
fchip tegen de grond {zee ^v.)^ hoek^ 
muur waar op de boog van een hrug 
rujl {in Bonwk.)t 

Caler, (v- n.) Achter uit , overfiuut 
dr y ven {zee w.) 

Culeron , (m) Beuling of tis van de 
Jlaert-rtem. eenes paerds (n). 

Culier, (adj.) Eoyau culier , de» 
aars-darm {in Ontteedk.), 

Culiere, (f) Een druipfieen onder 
een goot. 

Culot, (m) Bodem van een Kerk- 
lamp, enz. een die het laatfie in 't ge' 
zelfchap aangenomen is; klomp die over 
blvft {in Scheikunde). 
'Culotte , (f) Een broek. 
Culotter, (v. a.) Een kind in de 
broek feeken. 

Culottiji , (m) Een naauwe- broek -, 

kind dat eerfi in de broek gefiooken is. 

Culte , (m) Godsdienji, eerbewy- 



CUL.CÜM.CüN.CüP.&c.( CÜR. CUS. .183 

Cultivateux-, (m) Een bi-bou-jucr y\ maaken-, fe curer les aents &c. z^« 

, {zelden gcbr.). j ra«(/p« enz. fchoon maaken ; curer Jee 

j chardons,^?/? wol ui f de k aar den J\ e eken. 

/-. ... ^. £^ Priem waar mede 



aankvueeker 

Cultiver ,{y . a.,) Bi-bouzwn i aan 
/•itw/v/ï; cultiver les bc-lles lettres, 
de fraaye kutijïen beoeffenen; cultiver 
le commerce , den haud:l vjortzerten-, 
cultiver l'acûicié, vriendfchap onder- 
bonden y aankiveekevp 

Cal tu re, (f) De landbouw, beoef- 
fening der wetenfchappcn. 
Cumin , (m) Komyn (n). 
Cumulatif, ive (adj.) Ophoopend, 
vo!, 

Cumnlativement , (adv.) Geza- 
mentlyk; (en corps) {tn Rechten). 

Cumuler, (v. a.) Bvu-yzen op een 
flapelen {in Rechten). 

Cunette ou Cuvette, (f) Mid- 
del-floot in een droog? buiten gragt 
uitgegraven {in l^ejiingb.). 
Cupidité, (f) Begeerlykfmd. 
Cupidon , OU l'Amour, (m) Z?^ 
Minne-gody Kupido. 

Curable , (adj.) Geneesbaar ) ge- 
neeslyk. 

Curage, (m) Water-péper. 
Curatelle , ( f) Vocgiyfchap , mom- 
laar f chap (n). 

Curateur , (m) Een . voogd ; bezor- 
ger van 's Lands hooge fchoolen , Cu- 
rator. 
Curatif, iye (adj.) Geneezend, 
Curation, (f) Geneezing. 
Curatrice , (f) Eene voogdeffe. 
Carcuma , (m) Kurkuma {geele verf- 
fiof en nuttig tegen de waterzugt ? 

Cure, (f) Geneezing, wondhee- 

ling', kerfpel , gemeente ; Paftory(fj'; 

Pajhorfchap {n) , zielbezorgmg { f). 

Caré,(m) Priejïerfcbap , Pajioor , 

JZielverzorger. 

Care-dent, (m) Een tande/lotker. 
Curée, (f) Het geene men den 
Jagt-honden geeft van 't wild dat ze 
gevangen hebben. 

Cure-oreille, (m) Een oor'lepeltje 
(n). 

Cure-pied , (m) Tzer , om het bin- 
nenjie der paerden - hoeven fchoon te 
T^aaken (n) {by Hoeffmits). 

Curer , (v* a.) Schoon maaien , rei- 
Ktgen-y curer une bergerie, un privé , 
une charrue, een'Jial^ gragt ,' fe- 
frea i pheg rmigen of ruimsn yfcboon 



i Curette , (f) Priem waar 
men de wol uit de kaarden Jleekt (m); 
fteen-tang {by IVondb.). 
Cureur, (m)Cureur de lieux , de 

! \iuils , f creet- ruimer , put- reiniger, 

I Curial , aie (adj.) /iet geen tot 

j een Paltory behoord, 

I Curie, (f) Zekere rot-verdeeling 
der oude Romeinen van looo man. 

] Carieufement , (adv.) ff^eetgierig-^ 

I Curieux, eufe (adj,&^ubft.)/F^^f- 
^iVr/<f, nieuwsgierig; zindelyk , net -, 
zonderling; aardig; il eft curieux 
dans fes habits, hy is zindelyk op 
zyn kleeren ; nouvelle curieufe, 
zeldzame tyding; livre curieux , e^» 
fraai boek ; vous êtes bien curieux, 
gy zyt zcer nieuwsgierig; un curieux, 
een nieuwsgierige. 

Curion, (m; Romeinfch Rotmeejier. 

Curiofité , {£) Nieuwsgierigheid; 
kasje met fpeel-popjes voor kinderen ; 
des curiofités , liefhehberyen, rari- 
teiten. 

Curoir, (m) Een jlok waar mede 
de Landbouwers de ploeg fchoon maa- 
ken. 

Curfeur , (m) Het kruis "jan een 
graadboog (n) {zee w.). 

Curviligne, (adj.) Angle, figure 
curviligne, een kromme boek off* 
gu^r {in Landmeetk.), 

Curvité , ( f) Kromheid der tynen 
{tn Landmeetk.) 

Curiile, (adj.)Chaife curule,»Vo9- 
re zit~Jioel {by de Romeinfche Overheid 
gebr.). 

Curures, (f. pi.) Slyk, modder^ 
die men uit een opgedroogde vyver 
haald. 

Cuftöde, (f) Kap van pijlool bol- 
fiers; matras in een koets y kas waar 
in de Hoftie in de R, Kerk bewaar^ 
word; fous la cuftode , in V beim^ 
lyk. 

Cuftode, (m) Opperfie van (u^nige 
geejielyke ordens. 

Cullodie, (f) Prioorfcbap (n). ■ 

Cuftodinos, (m) Een die een ^ees' 

telyk ampt voQf f «7f (flijf^r waarneemt, 

M 4 Ciiti^ 



ï84 cüT. CUV. cy. &c. 

Cuticule , (f) üe opperbma > in 
Omleedk»), 

Ca vage , (m) Plaats daar men kui- 
ken zet{Ï). 

I Cuve, (f) Eene kuip -, pers-kuip; 
enz. déjeuner à fond de cuve , een 
goed ontbyt doen. 

Cuvé, ée (adj.^. {Zie Cuver). 
Cuveau , (rn) Een kmpje (n). 

Cuvée , ( f ) ^^"^ *"'P "^ol-, du vin 
ée Ja premiere cuvée, uyn van de 
ecrjlc perfwg. 

Cuver , (v. a.) De uïtgeperfle drui- 
ven- trojfen eenige tyd in de kuip laa- 
ten trekken; cuver fon vin, zynen 
roes uitJJaapen. 

Cuvette , ( f) Een klein kuipje ; 
waf ch -vat (n) {in eet zaaien). 

Cuvier, ^m) Een wafch-tobbe {m); 
vifcb-vlootje (n). 

Cy , (adv.; Hier. {Zie Ci). 

Cycle , (m) Cycle folaire , lunai- 
re , zonne-kring van i8 , maane-kring 
van ig jaar en. 

Cygne , (m) Een Zwaan ; een voor- 
naam Dichter. 

Cylindre , (m) Een langwerpig 

rond ligchaam als een zuil (n) } rhl 

êm de aarde gelyk te maaken (m). 

Cylindrique, (adj.)La»^ii;frpf^rof7i/. 

Cymaife , ( f) Kroonlyji aan een 

gebouw. 

Cymbale, (f) Een' Cymbaal {zeker 
Jpeeltuig). 

Cyme , ( f) Steel van planten of 
kruiden (m). {Zic^ verder Cime). 

Cynique, (adj. & fubft.) Un cy- 
ftique , OU Philofophe cynique, 
een Cynifche yf^ysgeer , als Diogenes, 
éie alle grootheid verachtede , en , vol- 
gens ingecving der natuur , onbefchaamd 
Reefde. 

Cyprès, (m) Een Cypr effen-boom. 

Czar, Czarine , (m.& f.) Keizer, 
Keizerin van Rusland, 

D. 

D(m) D , ( f) 4* Letter van 't 
' A y B f C; de letter D komen- 
de op het einde van een wosrd e» bet 



D. DA. DAA. DAC. &c. 

volgeme met een v o kaal begnmende, 
word zomtyds als een t uitgefpreokeuy 
{by voorb.) Grand afFronteur , {lees 
Grant affronteur) enz, 

Da,(interj.) Oui-da,ia tog , ja 
zeker ; nenni-da , neen tog niet , 
{gem w.). 

Daalder , (m) Een daalder {zeker 
Hollandfche munt , waardig 30 JJ.). 

D'abord , ladv.) TerJJónd , aan- 
flonds , ftraks , op fiaande voet, {Zie 
Abordj. 

Dace , ( f) Belafiing , tol > (impôt, 
Douane). 

Dacroïde , (adj) {in Heelk.) playe 
dacroïde , druipende , hopende wond, 

Daftyle, (m) Een voet van één 
lange en twee kort^ letter sreepen {in 
Dicbtk.y 

Daélyliomancie, (f) Soort van 
waarzeggery door middel van ringen. 

Daftyliüue , (adj.) I\.aylifcb. 

Daaylonomie , ( f) Telkonfi op de 
vingeren. 

Dada, (m) Hui! huil buipaardje 
(n) {kiv.der w.) 

Dadais, (m) Een Jan f ui, een on^ 
nozelen bloed,. 

Dagen , (m) ^fgod der Pbilifiynen, 

Dagorne , (f) Een' Koe met een 
gebroken hoorn-, {figuurl.) een leelyk 
oud bfisie. 

Dague , ( f) Een pook , dolk ; korte 
breede degen; dagues , (plur.) eerfie 
hoornen van een hert-, il eft fin com- 
me une dague de plomb, by is ge- 
flêpen als een loode pook. 

Daguer, (v. a.) {oud w.) Doorjlee- 
ken, doorpriemen. 

Daguet , (m) Een jong bert,--- 

Daigner, (v. n.) f^erwaerdigen',ïl 
n'a pas daigné me parier , by beeft 
my niet verwacrdtgt met my te fpree- 
ken ^ of het beeft hem niet eens gelieft 
met my te fpreeken. 

Daillots, (m. pi.) Ringen, leeu- 
wertjes aan 't Jiagzeil. 

Dain , Daine , (m. & f.) Een Das 
{zeker dier). 

Daintier, (m) Herten hal. 
Dais, {rn{ Verbemelte in) boven den 
troon der Koningen , of over Fet Sa- 
crament in Procefïïe. 
Dalle , ( f ; Ken' mwt , fneé ( f) i 
dalle 



II 



DAL. DAM. 

dalle de Saumon, een' moot Zalm '^ 
dalle, een gootjleen m een' keuken-, 
. een JJypJieen der maaijers j daal of 
waterlop van een f chips pomp; tégel- 
Jieen ^m). 

Dalot, (m) Spie-gaf op een f chip 
(n). 

Dam» (m) (oudw) Schade; h mon 
dam , ter myner fchacte ; Jiraffe der 
verdoemden {m Godgeleerdh.). 

Damas, m) DamaJJ (n) (jioje). 

Damasquiner, (v. a.; Iets als da~ 
majl werken ; yzer ofjïaal mét ander 
metaul tnl.ggen. 

Dama^quuieur, m) Damaji-wee- 
Ver-f mleggfr. 

Damasquinure , ( f) Ingelegd werk 
(n). 

Damafler , (v. a.) Bhemwerk op 
ly Kwaad maak en. 

Damaffin , m) Damajl met goude 
of zilvere bloemen. 

Damaflure, (f) Servet goed met 
bloemen (n). 

Dame , ( f) Een Mevrouw , voor- 
naame Juffrouw; dam in 't fchaak- 
fpd; Dame du logis, rf^ yrouw van 
't buis; Danoe d'atour, Juweel-be 
waarjier der Koninginne -, Damt 
d'honneur . Staat-dame. 
^ Dame, (interj.) {gem. w.) Dame ! 
je n'en fai rien , waarlyk ik weet 
*er niets van. 

Dame damée , ( f) Een ï^rouw van 
rang. 

Dame- Jeanne , (f) Een vulgelt y 
(zeker drinkfles der Matroozen). 

Damelopre , (m) Damlooper , (ze- 
ker vaartuig in bolland). 

Damer , (v. a.j Eet dam opzetten ^ 
dammen (in fchaakfp.); item iemand 
Mevrouw noemen ; damer le pion à 
quelcun , iemand onder/leek doen. 
( JPr- w.) 

Dameret , (m) Szlet-jonker , Salet- 
fop Î Joffer dienaar. 

Damier, (ro) Een fehaak-bord , 
dam-bord. 

Damnable , (aâj.) f^erdoemelyk ^ 
(zegt Dannable). 

Damnablement, (adv.) f^erdoeme- 
lyk. 

Damnation , ( î)Ferd<ieming , ver- 
«iQfimenis, J 



DAM. DAN, DAR. 185 

Damné, ée (a^ïj. a i'ubft.) ler- 
doemd; les damnez , de verdoemde. 
Damner , (v, a.) Verdoemen. 
Damoifeau ou Damoiftl ,(m)£^fl 
pronker , verwyfde en ingebeelde Öa- 
let pop. 

Damoifelle , (f) Juf rouw, (in 
reebten anders DemoifeUe). 

Dénché , ée (auj.) Getand als een 
zaag (in IVapenk.). 

Uandin , ine ^m. & f.) Een zul, 
een onnozele gek; zot tin. 

Dandiner, (v. n.) Gekke gehacrden 
maaken ; Te dandiner , zig op een 
Jhel als een gek zitten te viHegen. 

Danger , (ra) Gevaar (n) ; danger* 
naturels, blinJe klippen {Zee w.) 

Dangereufement , (adv.) Gevaar- 
lyk. 
Dangereux, eufe {^à].)Gsvaarlyk. 
Danojs , oife (.adj.) Parler danois , 
deenfch fpreeken. 

Dans, (prep.) In ^binnen ;àrix\^ Ia 
chambre, inde kamer; dans aeux 
jours, binnen, of, ov.r twee dagen i 
dans peu , binnen korten- 

Danfe , ( f) Een dans (m) ; après 
la panfe, vient la danfe , na 't ee^ 
ten, ten dans (fpr.) , entrer en dan- 
fe , aan den dans gaan ; item in een' 
zaak ingewikkeld worden, 

Danfcr, (v. n.) Danfen , il ne 
fait fur quel pied danfer , by weet 
niet op wat been by fJaan zal, 
wat aan te vangen by is ten einde 
raad; je Ie ferai bien danfer , tk 
zal bem wel drillen , krvgpv. 

Danfeur, eufe (ra. & f.)' Een dan- 
fer ; danjler ; danfeur de corde , 
koorden-danfer,. 

Dard, (m) Een werpfpies, fchigt , 
band-pyl; lancer un dard, eenpyl 
werpen, ^■' 

Dardanaire , (m) Eeti koren fcba^» 
eberer,die zulks opkoopt, en ter ftype- 
rinç( terug boud. 

'Darder, (v. a.) Een' pyl zverpenz 
darder un couteau , e*'a mes wer 
pen) le foleil darde fes rayons, dl 
zon Jchi et ha are Jlrca len u it. 
Dardeur , (ni) Een pylwerpçr. 

J^^jdiUe,(t)DeJieng,fpyl van 
ten Angelier enz. 

Dardiller, ,v. rï,)ZyK'fïeng fcbieten, 

M 5 D'à, 



la^DAR.DAT.DAÜ.DE. 

Darius, {m) Hv-fJtp Linnen (n). 

D3.riole, (f) i£en boter koek (ra), 
Jiruifiï). 

Darioletce , (f) BêoJfchap/Ier tn 
mimi? handel {^rm.'W.) 

Darnc, (f ƒ Een moot van vïfch , 
(been er dalle,). 

Darfe ou'darfine, (f) Eîffîn (ra) 
kom , <i)k rjan eer. haven die met eene 
kettinq of boom geflooten kan ivnrden. 

Dartrè , ( f ) üuuivworm ywtjlag {m) 
z'uurighelj (f). 

Dartreux, eufe (adj.) Met vuurig- 
beiii bezet. 

Dataire , (m) Pausfclyke Kantze- 
lier y die de documetiten der BeneS- 
cien op Ke^kl. ampten tékmd. 

Date , ( f) Dagteekening ( f) , da- 
tum (tn). 

Dater, (v. a.) Dagteekensn , da- 
tecren, 

Darerie , ( f) Plaats te Romen daar 
de do came nten g i'da^tckend worden. 

Datif, (m) De gever , ^de naam- 
rol der buiging (in fpraakk,) 

Dative, (adj.)Tute]ie dativ€ , voog- 
(fyfchap door d'overigheid aangeJïeJd. 

Datte, (f) Ern dadel. 

Dattier , (m) Dadelboom. 

D'avantage, (adv.) Meer , daaren- 
hoven. 

Daube, (f j Zekere f jus om teflooven. 

Dauber, (v. a.) Zulke faus maa- 
hin ; item voor de gek houden j be- 
fcbi'-npen ; at'roJTen, knuffelen. 

Daubeur , (m) Een /potter , {Zie 
railleur. 

Daugebrot, (m) Een dogger {zeker 
'Vaariuig tot de Kabeljau-vangjl). 

Davier , (ra) Kuipers -hoeptang {£); 
Pelikaan (m) , om tanden mee uit te 
trekken. 

Dauphin , (m) Een Dolphyn {zé- 
kpr vifcb) , item de Kroonprins van 
PWankryk. 

Dauphine , (f) GcmaaUnne van 
den Kroonprins van yrankryk. 

D'autanc. (Zie Autant). 

De , du , de la , àes{.4rtikels <, aie 
zomtyds in't duitfch niet uitgedrukt itior- 
den) van , van de enz.; de l'eau , wattr; 
van het water', de la toile ,iynwaad; 
iDan het lynwaad ; du vin , wyn ; van 
den wyn , of des-, wyns j de braves Sol- 



DE. DEB. 

dûts , wakkere ÓolJaaten ; van wak» 
kere Soldaaten\ des hommes, Men^ 
fcben; 1'an (f e Menfchen', la loi de 
Dieu, de wet Gods-, un habit de 
drap,rf« lakens kleed % un c?.roflc 
de louage, een huur-koets-, un hom- 
me de biï;n , een vroom man. 

De {voorzetzel) van ; te , om te ; 
être obligé de faire , genoodzaakt 
zyn te doen ; de- tout mon cœur > 
met al myn hart, de nuit, de jour, 
by der nagt , by den dag ; de grand 
matin , heel vroeg ; de grâce , ik bid 
'er tl om ', fe mocquer de qaelcun , 
K:et iemand de gek f c beer en ; de 
quoi vous mettez vous en pei- 
ne ? waar over bekommerd gy u? 
afTez d'argent , gelds genoeg j beau- 
coup d'honnear, veel eer-, c'eft de 
la dernière fojie, het ts de grootjie- 
dwaasheid ; ce fot d'Officier , die 
dwazen Officier ; mon coquin de va- 
let , myn fchelm van een knegt ; il ne 
reviendra de dix ans ,^y zalingeen 
tien jaaren weérkomen', je viens de 
lui parler, ik heb hem zoo aanjlonJs 
grfproken-f de bien en mieux, hoe 
langer hoe beter ; de mal en pis , 
hoe langer hoe erger 'f de deux jours 
l'un, om den anderen dag ; dans un 
an d'ici, over een Jaar -, de par le 
Roi , door de Koning j de ce que > 
daff de la forte , op die wyze', de 
plus, daarenboven^ ^og'y en moins 
de rien , in een oogenbhk ; il n'a 
pas mangé de tout le Jour ; hy 
beeft den gantfcben dag niet gege-^ 
ten Î repouffer de la main , met de 
hand trrug JJooten ; jouer de la fiute, 
Qpde fuit fpeeleni je viens d'auprès 
du feu , ik kom van 't vuur af '^ fe 
feparer d'avec quelcun, van iemand 
fcheiden 'f je viens de chez vous,* 
ik kom van uwent; il eft forti d'en- 
tre nous, hy heeft ons gezelfchap ver~ 
laaten. 

Dé, (m) Een vinger hoed ; dobbet- 
Jleen , teerling ; Ie dé en eft jetté, 
{fpr. w.) de zaak is bejlooten ; fans 
flatter lede, {fpr.w.) zonder omwe- 
gen 9 verfcbooning j à vous le dé , bet 
is WW beurt. ■'■ 

Débaclage, (m) Het losgaan van 't 
ys,dryf-ys in), ^ 

De- 



DEB, 

Debacle, (f) Oprmimh^ der Sche- 
pen in een Hctjcm nMor amdt^t > ittm 
ysgatig; la debacle a emporcé dea 
ponts & d^s moulins , de fsgang 
heeft httg^cns en tnofrns mci' gcvuerJ. 

pébaclcmene. {Zte debacle.) 

béUcler, (v. a. & n.) [>e bakens 
opruimen ; een deur cf vvngjier open 
breekrrt'y la glace debacle « het ys 
brpfkt/os, is aan 't gaan -, lafoireeft 
finie, les marchands débadent, de 
Kermis is gedaan , de kraamlieJen 
breken np. 

Débacleor , fra) Een Hanjenmrtfer , 
een die order op bet terug "joaren of 
fcbctveelen der leege Sc/M'peti JielJ. 

Débagouler, (v. a.) Onhedagtelyk 
fpreekerty 'er iets uitlappen, 
■ Déballage , (m) QntpakJdng der waa^ 
ren{£). 

Déballer, (v. a.) Ootpakken. 

Débandade , (f) à la débandade, 
in V iviid 9 vmejielyk* 
''' Débandejnent, (m) V Los fpannen 
"jan een boog, 't avegioope» der Sol- 
àaaten (n). 

Débander, (v. a.) Débander nn 
are, un ftiüljctf» boog teen fnaphaan oat- 
fparmen; un hr?iS, e en' arm ont zivag- 
telen ; un criminel , een misdadiger 
omblinden ; l'efprit , de herjfens ruji 
geven ; Ce débander, (v. r.) wegloopeif, 
afdrojfen {als Joldaaten) , les corde* 
fe débandent , de touwen geeven 
*neê; Ie tenipsfe débande, betweêr 
cmlaat. 

Débanquer , (v. a.) D^ bank win- 
nen (in 't bajfet fpel). 

Débaptifer ,(T-a.) Omdoopen ^eenen 
hinderen naam geven. 

Débarafler, (-^/^Débarraffer). 

Débarbouiller , (v. a.^ Reinigen , 
afwifchen, 

Débarcadoor, (m) Een ios-plaatj 
voor fcbeeptn ( f). 

Débar^age , (m) LoJJtvg der fchee- 
pen ; ontlojimg (f), 

Débarder , (v» a.) f^an zyn' rug 
ontlajïen ;loJ[en^ {word meejl van brand- 
hout of ander hout verflaan). 

Débardeur, (m) Een bout -laffer 
de*- fcheepen. 

Débarquadour.f^iV Débarcadour.) 
Débarquement , (m) Omfcbeeping , 
hnding (f). 



DEB. 187 

I Débarquer, (v^ n.) Ontfcherpen, 
am land gaan, lo^Jcn, 

DébarrafTer , (v. a.) ChJtwerren ^ 
entuikkelem bevryden; fe débarrafler 
(v. r.}, zig onttvorren, ontdoen^ los 
maaien (van iets), 

Débarrer, (v. a,) Ontjluiten ; dé- 
barrer une porte, dfe» boom van een' 
deur dofn. 

Débat, (m) Qefchil (n), twijï (f); 
après pluûeurs débats, na veel tuis- 
te». 

Débâter , (v. a.) Ontzadelen , het 
pak-zadel afneemen ; un âne débaté > 
eet» Hoereajager. 

Débattre , (v. a.) Twiffen; afdoen 
voor 't recht ; débattre un compte , 
eene rekening betivifien, bepleiten-, fe 
débattre ,(v« r.) zicbplaagen , quelle» , 
moeite geven ; met de wieken klappen 
als een vogel. 

Débattu, ue (adj,) Ocderzogt-, un 
poiot débattu, een' afgedaane zaak% 
on a longtemps débattu cette affai- 
re , men beeft die zaak lang onder- 
zogtf betwifl. 

Débauche, {?) Gqflery , fJempem- 
pery ; overdaad-, item of^gebor.denbeid 
wellufl , omzwiering ; honnête dé- 
bauche, vralyke teering y luJJigheid', 
plongé dans la débauche , in da 
welluji verzoopen. 

Débauché, ée (adj.)i Ongebonden-, 
verleid y un débauché, een zwierboly 
ligt mi s j een fmarotzer , flempemper 5 
débauchée ( f) , een ontugtig f^rou- 
menfcb. 

Débaucher, Cv,a.) l'^erleidertyver^ 
voeren y ven zyn pligf brengen-, débau- 
cher un jeune homme , une fille , 
eeu Jofjgman , eene jonge Dogter ver- 
legden , débaucher un valet , een* 
knegt van iemand aftroonen-, fe débau- 
cher , zich aan cngebondenheid overge^' 
ven. 

Débaucheur, eufe (m. & f.) r?f- 
teider; verleidfler, koppelaar]} er. 

Débentur, (m) (Lat.w.)Quitantie 
van een Hof bediende aan den Koning (f). 

Débet, (m) {Lat, w.) Schuld (f )i 
Débet (n). ^* 

DébifFer , (v. a.) être tout débiffé, 
gantfch verdorven {van maag) zyn. 

Débile , (adj.) ^tt'ji&,TOa?/f/oof, 
\kragteloos, Dç]iU 



î88 DEB. 

Débilement, (adv.) ZwcAietyk. 
DébilitatLon des nerfs, {£) f^er- 
Zwakking der zenuwen. 

Débilité, (f) Zwakheid. 

Débiliter, (v. a.) i^erzwakken. 

Débillarder, (v. a.) Een Jiuk hout 
hthakken , bejlegten , verdunnen. 

Débiller (v. a.') les chevaux, 
de paarden van een' trekfcbuit los 
m a aken. 

Débit , (m) Verkoop , aftrek , ver- 
tier ; vlugheid m bet f preeken , il a 
un beau débit , by heeft mooi wat te 
doen j {figuur t.) hy kan zyn woord wel 
doen , hy f s vlug ter fpraak. 

Débitant, (m) Een die in het klein 
verkoopt. 

Débiter, (v. a.) Waaren verkoo- 
pen , vertieren , afzetten , aan den man 
brengen; een' rekening belajien , debi- 
teeren j bout ,Jïeen tot planken , plaa- 
ten zaagen ; een goede ut t fpraak heb- 
ben ; il débite bien , hy is mooi ter 
taal'f on débite, wté-k verhaald y men 
zegt 'f débiter un cable , een' kabel 
van de beeting doen^ bot geven {zee 
«;.) ; débiter ie bois , het hout af- 
meetenyom op zyn lengte en dikte tP 
maakeu (in Botiwk.) } fcie à débiter , 
^an-zaag. 

Debiteur, trice (m. & f.) Schul- 
denaar ; fcbuldenaarjler. 

DeDÏtenr de nouvelles , Een nietiws 
verkondiger ; debiteufe , een Praat- 
moer , klappeie. 

Debitis , (m) Volmagt wegens eener 
fchuldvordéring {£). 

Déblai, (m) (geut. w.) Ontlafling , 
hevryding ( f). 

Déblayer, (w.a.) Omtajïen vanbe- 
zwaarnis y {gem. w.). 

Déboire, (m) Kwaade r.afmaak^, 
wànfmaak (m). 

Déboîtement, (m) Verfluiking. 

Déboîter , (v. a.) DéboîteV un 
os ) een been verfîiiiken , verwrikken. 

Débonder, (v. a. & n.) Een' vy- 
ver aftappen^ de fluis openen'» met ge- 
weld uitbruîffchen , uitberflen. 

Débondonner , (v. a.) De bom , 
Jiop uit een vat trekken. 

Débonnaire, (adj.) Prince dé- 
bonnaire , zagtmoedig l^orji. 

pébonnaireraent , (ad/.) ^Jgt- 
mwdig!yk. 



DEB. 

Débonnaireté , (f) Zagtmoedig- 
beid f goedaardigheid. 

Débord. (Zie Débordement)^ 

Débordé, ée (adj.) Overjirabmd -, 
mener une vie débordée, een ruk. 
keloos leeven leiden. 

Débordement , (m) OverJJrooming ; 
ongebondenheid. 

Déborder , (v. n.) Overjlrcomen , 
overloopen {van rivieren) ; de kanten , 
boorden van een rok neemen ; voor uit- 
jieeken {van balken); fe déborder » 
zich van een ander [chip los maaken 
{zee w.)}fe déborder en vices, een 
fchandelyk leeven leiden. 

Débordoir , (m) Snymes {by Kui- 
pers en Loodg.). 

DébofTer, (v. a.) Débofler Ie ca- 
ble , de flopper los maaken , {zee w.). 

Débotter, {v. a.) Ont laarzen ; fe 
débotter , (v. r.) zyn laarzen uit' 
trekken. 

Débouché, (m) Trouver un dé- 
bouché pour une marchandife , ^f «e 
gi'legentheid , uitweg , ter afzetting 
e^ner waar e vinden. 

Déboucheraent, (m) Ontfiopping ^ 
opening (f) j uitweg ^ middel. 

Déboucher, (v. a.) Openen , ont- 
Jitppen, 

Déboucler , (v. a.) Eene Merrie ont' 
ringen; déboucler une perruque, 
eene pruik uitkammen. 

Débouillir, (v. a.) Staaltjes, lap- 
jes afkooken, om te zien of de kleur 
vaji is (-by Verwers). 

Débouquement , (m) Uitloopingy 
(zee w). 

Débouquer, (v. n.) Een engte den 
zee uitkopen , (zee w.), 

Débourber, (v. a.) Uitbaggeren; 
uit de modder trekken ; fpeenen ( van 
l^tfch gezegd). 

Débourgeoifer , (v. a.) Van der 
burgerfiand veradelen. 

Débourrer, (v. a.) De fcheerwol 
uittrekken ; iemand befcbaaven , met 
de waereld leer en omgaan ; fe dé- 
bourrer , rv, r.) befchaafd worden. 

Débourfé, (m) Verphot (n). 

Débourfement, (m) Verfchot (n) , 

uitgaaf (f). 

Débourfer, (v. a.) Geld uit geeven, 
verfcbieten* 

Dé- 



DEB. 

Debout, (m) Staande j fe tenir 
debout, over eind Jlaan-, être dé- 
bout % op de been zyn ; debout / reis 
op,Jia opl dé bouc au vent, vlûk in 
de iviiid; avoir vent débout, tegen 
de wind opzeilfii; pafTer debout jV; y 
paflVeren (van ivaaren). 

Débûutement ,(m) Ontzegging (f) 
(in rechten). 

Débouter, (v. a.) Ontzeggen, af- 
Jlaan; on l'a débouté de fa deman- 
de , men heeft hem met zynen eifch af- 
geweezeit. 

Déboutonner (v. a.) un habit, ^^» 
kleed ontknoopen , tos maaken. 

Débrailler, (". a.) fe débrailler, 
(v. r. ) 2^yne kleederen van vooren wyd 
open zetten , de borfi ontblooten. 

Débredouiller, (v. a.) Het dubbel- 
de J'prl in tiktak , door een gewin fper- 
ren , de f y breeken. 

Débridée ,( f) Pleijlerof voêr-geld 
van eenpaerd (n). 

Débridement , (m) Onttoomtng (f). 

Débrider, (v. a.) Onttoomen, den 
tmm afdoen ; fans débrider , zonder 
Pusfcbenpoozinge. 

Débris, (m) Wrak van een fchip , 
overblyfzel ; puinhoop (n) ; débris 
d'une armée , overfchot eenes beirs. 

Débrouillement, (m) Ontwerring 
(f); débrouillement du chaos, de 
in orden fchikking van den chaos, 
mengel of klomp» 

Débrouiller, (v. a.) Ontwerren ,in 
ordre brengen ; débrouiller une in- 
trigue , achter een' heimelyke onder- 
handeling komen. 

Débrutalifer, (v. a.) Temmen ^be- 
fcbaaven, gpfchikt maaken. 

Débrutir, (v. a.) Glad maaken ^ 
polvjien (van fpi egels). 
. Débuchemcnt , (m) Het ryzen 
uit zyn léger offchuilplaats. 

Débucher, (v. n. & a.) Uit zyn 
hol voor den dag komen -, opjaagen , 
(Jai^ers iv.). 

Débusquer (v. a.) 1'ennemi , den 
vyand 'er uit jaagen, verdryven-, dé- 
busquer fon rival , zynen mededin- 
ger , medevryer 'er uitbonzetT.' 

Début, fm) Begin (n), aanz>ang , 
aanval , eerjïe zet; eerfle Jlag of worp 
in 't kegel fpel enz, (m)-, v©îià uu 



DEB DEC. i8p 

beau début, dat is ten mooi begm^ 
début d'un discours , begin eenet 
reden. 

Débuter, (v. a.) De eerflen flag in 
't kégel-fpel eni. doen(iirer unt bou- 
le); débuter avec efprit , iets wel 
beginnen ; c'eft bien débuté , dat 's wet 
aangelegd, of ([pottende) dat is een 
heerlyk begin waarlyk ! 

Deçà , (prep. & adv.) Courir de- 
çà 3c delà , herwaards en derwaards^ 
been en weer loopen; toute s les nou- 
velles de deçà , aile de tydingen van, 
dêeze kant ; au dtÇa, en deçà, par 
deçà , aan deeze zyde. 

Décacheter , (v. a.) Ontzégelen^ 
het zégel opbreeken , afdoen. 

Décade , ( f ) Een tien-tal (n) (van 
hoekdeelen). 

Décadence, (f) Ondergang (m); 
aller, tomber en décadence , i« *p 
verval koomen. 

Décagone , (adj. & f. m.) Tîen-hoe^ 
kig ; een tien-hoek (in Meetk.). 

Décaiffc^r, (v. a.) Uit de kajlen of 
bakken doen (Tuimn. w.) 

Décalogue , (m) De tien gebooden 
(n. pL), de wet (f). 

Décalquer ,(v- Zi.)Een kopere plaat 
afdrukken, een afdruk maaken. 

Décameron , (m) F'erhaal (n) van 
eene tiendaagfche gefchiedents. 

Décampernent , (m) Opbreek ing van 
een léger (f). 

Décamper, (v. n.) Het léger op- 
breeken y de vlugt neemen , opkraamen, 
zyne biezen pakken. 

Décanat, (m) Het Dékendom (n), 
(Kerkel. waardigh.). 

Décantation , ( f) ^fgieting , ( in 
Chvm.). 

Décanter , (v. a.) Iets zagtjes af- 
gieten. 

Décapiter, (v. a.) Onthoofden. 

Décarréler, (v. a.) Ontvloeren. 

Décaftyle , (m) Gebouw met lopy- 
laar en op een ry(n). 

Décéder , (v. n .) Overly den, fierven, 

Déceindre, (v, a.) Ontgorden. 

Déceinc, einte (adj.) Öntgord. 
Déc^lement , (m) Ontdekking, 
openbaanng (f). 

Déceler , (v. a.) Iets dat geheim is 
voor dffi ifag brmgen. 



Jöo DEC. 

Décembre , (m) IVinter-inaand'De' 
ceraber. 

Décemment, (adv.) Beboorlyk ^ ge- 
voeqlyK 

Décemvir, (m) Een der io regee- 
irende Raadsheereu eeriyds te Romen y 

Décemvirat , (m) Ampt daar van. 

Décence, {€) Betaamlykheid ^ ge- 
voeglykheid. 

Décennaire , (adj.) Tien jaar oud. 

Décennal , aie (adj.) Tienjaarig, 

Décent, ente (adj.) Betaamlyk-, 
îiabic décent , iveljlaand , Jiaatig 
kleed. 

Déception , ( f ) Bedrog (n) , valfcb- 
heid , misleiding (f). 

Décerner, (Y. a.) Toe-erkennen ^be- 
Jîuiten; belaJJen , beveelen-, la triom- 
phe fût décerné a&c. lie triomf werd 
toe gekend aan enz. la cour a décerné , 
het hof heeft verordend') décerner un 
décret de prife de corps, een per- 
foonlyk arreft verkenen. 

Décès , (m) Overlyden (n) , dood, 

Décevable, (adj.) Ligt te bedrie- 
gen. 

Décevant , ante (adj.) Bedrieglyk. 

Décevoir, (v. a.) Misleiden y be- 
àftegen. {Zie Tromper). 

Déchagriner, (v. a.> In een goede 
luim brengen. 

Déchaînement, (m) Scheiding , uit- 
vaaring. 

Déchaîner» (v» a.) Ontketenen-, 
aanhitzen, opfiooken; fe déchaîner 
contre çuelcan , tegen iemand uir- 
*vaaren , de huid vol f c benden. 

Déchalander ou défachalander, 
(v. a.) Onttrekken y enderkruipen. 

Déchanter, (v. n.) Il y a bien à 
déchanter , 't gaat 'er zoo niet als 
tnen wel dagt , 't fcheeld veel. 

Déchaperonner, (v. a.) De kuif 
tf kap aftrekken. 

Décharge , ( f ) Ontlaadtng , loffing 
(van koopmanfch.) ', gemeene miflhoopi 
ontlajiing (in Geneesk.) ; drop van een 
dak j veffcbooning ; décharge de con- 
fcience ^verligting des gemoeds ; don- 
ner une décharge à quelcun , ie- 
mand een kwytings-brief mede geeven; 
feire une décharge , eett meenigte 
roers gelyk aff: bieten. 

péchar^er, (v. a.) Jfiaadeny om- 



DEC. 

laflen-y ledigen -, verltgten; nitjlorten% 
geeven ; verfthoonen , ontfchuldigen i. 
vrj maakeiiy ontheffefi-, quyten; dé- 
charger, un chariot, een wagen ont j 
laaden ; décharger Ton ventre , zyn 
buik loozen j décharger le canon y 
het gefcbut loffen\ il lui déchargea 
un coup de poing , hy gaf hem eeu 
lap om de oàreti; être déchargé des 
témoins, van de getuigen veronfchuL 
digf zyn j décharger le peuple des 
fubfides, bet volk der fchattingen ont^ 
heffen ; décharger ia confcience , 
zyn gemoed bevryden ; décharger fon 
cœur, zya hart openen , uitjiorten-, 
décharger un jcontra; een verdrag 
vernietigen; décharger, uitdoen, door 
doen {by Ko»pl.}-^ décharger les voi- 
les, de zeilen afbrasfen (zee-w.) 

Se Décharger , (v. r.) Zig ont- 
leden y zyn gevoeg 'efoett, zig' ontfchul->' 
digen-y fe décharger iar quelcun, 
ztg opiemandverlaateny couleur quÏ 
fe décharge , kleur die verfckiet-, Ie 
tems s'eft déchargé, het weer is cp- 
gekelderd. 

Déchargeur , (m) Een loffer der 
fcbeepen. 

Décharné, ée {■aA].)- Schraal y uit- 
geteerd-, ftyle décharné, flegte JîyL 

Décharner, (v. a..} Het vleefc/r van 
bet gebeente doen ; vermageren , uittee- 
ren van eene ziekte. 

Décharpir 5 (v. a.) Twee vegtende 
luiden fchei den (gèm, w.) 

DéchafTer (v. a.) une cheville , 
een' hout uitdryveu. 

Déchaumer , (v. a.) Een' jakker 
opfch^uren , ploegen, 

DéchauiTement , Cm) Ontfcboeijing 5 
lofmaaking der aarde om een boom, 

Déchaufler , (v. a.) Iemand ont» 
fchoeijen; déchauflir une dent, bet 
tand>vleefcb losmaken; déchaufTer un 
arbre » een boom lugt geven -, déchaüs- 
fer la volaille , de poot en van 't ge- 
vogelte affcbroeijen (by Koks)» ^ 

Déchéance» (f) à Peine de dé- 
chéance de fon droit, op verbeurte 
om van zyn regt vervallen of verjîéken 
te zyn. 

Déchet , {ïd) P^erlies (n) ; vermin- 
dering (f) in prys of waarde-, por- 
ter le déchet , de fchade draa~ 



DEC. 

geni déchet, 't afJryven van ftn 
Schip. 

Déchevelé, ée (adj.) Met hangend 
bair. 

Décheveler , (v. a.) Een IVyf de 
kap aftyekken-y het hair los fcheuren. 

Déchiffrable, (adj.) Dat uitgecyf- 
jerd -^ uitgelegd kan zvorden, 

DéchifFrenient , (m) Ontcyffering , 
oniwarring , onthioopwg. 

Déchitfrer , (v. a.) Omcyfferen ; o»/- 
knoopen, ontivarren , ontdekken ; dé- 
chiffrer une chofe difficile , een 
moetlyke zaak t-erjîaan ; déchiffrer 
une intrigue , eene onderhandeling 
mtdekken; déchiifrer qaslcun;, ie- 
mand afpchilderen , open leggen. 

Déchiffreur, (m) Een die cyfferge- 
tallen , ofmoeilykfchrifî uitlegd, enver- 
klacrd. 

Déchiqueter, (v. a ) rerfnyden, 
verjmpperen , door kerven-^ déchique- 
ter des étoifes , Jloff'en met bloemen 
maaken. 

Déchiqueture , (f) Snipper (m) 
offhydzel van iets (n). 

Déchirage , (m) Bois de déchira- 
ge ibrandhoud van oude Scheepen. 

Déchirement , (m) Verfcheuring, 

Déchirer , (v. a.) f^erfcheiiren ^ry- 
nni vernielen-, fchenden , lajleren; 1$ 
populace le vouloit déchirer , hei 
gemeene volk uUde hem verfcheuren : 
déchirer quelcun , iemand fchenden y 
il ne s'efl pas fait déchirer le man- 
teau , hy het zig niet Jlerk bidden 
(fpr. u:) 

Déchirure 5 (t') Scheur, [tnkîeede- 
ren). 

Déchoir, oa déchoir, (v. n.) Al- 
let^gskens verminderen , in verval 
koomen ; verzwakken ; déchoir de 
fon efpérance , van zyn hoop verjlé. 
ken worden; déchoir, afdryven (zee 
u-oord). 

Dechouer , (y. a.) ^en Vaartuig 
dat va f} is weder doen vlotten. 

Déchu, ue (adj.) Vervallen, afge- 
vallen. •'■* 

Décidé , ée (adj.) Bef^iJI. 

Décider, (V. a.) Beflechten , beJTis- 
fen, voanijen-, décider une difficul- 
té, etKe zwaarigheid beOiffen ; c'eft à 
v»us à décider dp raaVortune, bet 



DEC. ipï 

f^^ aan u om my gelukkig te maaken, 
Déciller les yenx, (v. a.) De oo- 

gen openen. 

Décimable „ (adj.) Dat tiend on- 

derworpen is. 
Décimal, aie (adj.) Dat de tiend 

aangiint. 

Décimateur, (m) Een tiend heffer. 

Décimation , ( f; Vcrttending ; 
hoting om den tienden man. 

Décime, oudime(f) De tiend van 
koren ^nz. 

Décimer , (v. a.) Om den tienden 
man dobbel, n , {in Krygsk.) 

Décictrer, (v. à.) De[hoitte boog 
onder een verwulf wegneeir.en 

Décimroir, (m) Ken jlra'at-hamer. 

DéciCf, ire (adj.) Bejliffend, uit- 
ivyzena. 

ui^praaT' ^^^^'^'^'"'S , h^Mng, 
DécifioDnaire , (m) Bejlijjer. 
Dicjfivemeat , (adv.) Eéflijfendfr 

pécifoire, (adj.) Serment déci- 
foire bffliffer.de eed {in rechten), 

Déclamateur , (m) Een publiek 
redenaar -, heftige fcbryvcr-, gebaar-^ 
maaker , fcbretwwer , zwetzer. 

Déclamation, (f) Scboul-gefprek 
Cn); uitvaaring in woorden, doorhaa- 
itng ; hoogdravendheid i item gebaer Jeu 
van een redenaar- 

Déclamatoire , (adj.) Style dé- 
clamatoire , fchool-trant. 

Déclamer , (v. a.) Een openbaart 
reden doen {op fchool) ; tegen tets uit. 
•vaaren, fchre( uwen y tieren. 

Déclaratif , ive {ad).)Verklaarend. 

Déclaration, (f) Verklaaring , te- 
tutgjng; déclaration de guerre 
(yorlogs-verklaaring-, déclaration del 
ttarchandifes à la douane, aan. 
geevmg der waaren op den tol . 't 
^onvoy; donner une déclaration 
de fon bien , sene opgave doen, eene 
lyjt rjan zyne goederen gteven. 

Décii^racoire, (adj.) Aftss décla- 

Déclaré, ée (adj.) Verklaard enz. > 
ennemi déclaré , openhaaren of eel 
zwooren vyand. * 

Déeiarcr, (y, a.) Vtrkharcn, he- 
ken/- 



192 DEC. 

iend moaUn , aan^cûven ; déclarer 
la guerre, den oorlog aankondigen; 
fe déciarer {:our quelcun,2iV^ vour 
iemand ver klaar en. 
• Déc'em-her une porte, (v. a.; 
Een' deur by de kli k openen. 

Déc.'icq, (m) tien hei ^ het-blok. 

Déclin, (rr,) ^f^a>^g ; tomber dans 
le déclin , in 't verval raaken ; dé- 
clin du j u^ , de l'à'^e, V afnee- 
men van den dag, der jaarer.. 

Déclinable , (a- ij.) Dat geboogenge- 
déclinr €• d kan worden ,(in fcraakk.), 

Décliraifon , (f) Buiging y {in 
fpraakk.);AéAh)'AÏ^ox\ du T leiljde 
la bouffole ^afwsking der zonnevan 't 
compas. 

Déclinant, (adj.) Cadran décli- 
nant , af wy kende zonne-wyzer. 

Déclinât öire , (adj.) Exception 
déclir.atoire, on dérlinatöire (f.m.), 
Uitvhigttot ivraaking, onttrekkivg van 
den Rechter ivaar voor men gedaagd is. 

Déclinatoire , (m) 'Werktuig om 
de afivyking eener muur , waar tegen 
nteft een zonne-wyzer plaat zen- wil, 
te vinden 'n). 

Décliner, (v. a.) Afneemen, daa- 
ten Î verzwakifen -, afwyken (mjlerrek.)-, 
Ie jour décline , de dag daald; il 
commence à décliner , hy begtnd te 
verzwakken» ' 

Décliner, (v. a.) Butgen, décr- 
neeren (in fpraak.)-, déclin r la ju- 
risdiftion , den Rechter cfhetrichts- 
gehied wraaken. 

Déclorre , (v. a.) Een beïnifig af- 
hreeken ; openen. 

Déclouer , (v. a.) De fpykers los 
manken , uitjlaan. 

Décochement , ''m) Affchieting (f). 

Décocher , (v. a.) Affchieten , 
werpen {als pylen, enz.) 

Décoftion , ( f) Afziedzel van krui.- 
tien een , decoftura (n). 

Décoëffer, (v.a.) Omkappen; dé- 
coëffer une bouteille , een flefch ope- 
nen. 

Déco^noir, (m) Een Jluit- hout (by 
Boekdruk.) 

Décollement, (m) Lotmaaking van 
het gclymde (f). 

Décoller, (v. a.) Het gelymdg los 
tnaaken-, onthoofden y ontbàîzen. 



DEC. 

Décollorer, (v. a.) De iJeur doeti 

ve^'liezen , verfchieten. 

Decombrer, v. a.) De puin ^ bet 
gruii opruimen. 

Décombres , (ra. pi.) Puin , gruis. 

Décompofer, (v. a.) Ontbinden (tn 
Chym ) iemand ontjiellen , van zynjiuk 
helpen. 

Décompofition , ( f ) Ontbinding ^ 
fche'dwg {tn Chym.) 

Ttécota^te , (m) Karting (f), af- 
trek. 

Décompter , (v. a.) Aftrekken , af- 
korten , ^rabattre). 

Déconcerté, ée(ad\.)OnPeld f ver- 
légen ^ vatf zyn fluk. 

"Déconcerter, fv.a.) Ontjîellen-, il 
aime à déconcerter les gens , by 
boud veel van de lieden verlegen te 
maaken; déconcerter les delTeinS 
de fes ennemis, de aanjlagen zyner 
vyanden veriedtlen ; déconcerter , 
wanluîdenheid veroorzaaken (inmufuq.) 

Se Déconcerter , (v. r.) Buiten 
pojîuur raaken. 

Déconfire (v. n.) les ennemis, 
den i^and totaliter verjlaan. 

Décon.fiture , ( f ) Nederlaag. 

Déconfort , (m) Neerjlagtigheid 
(f). (Zie défolation). 

Déconforter , (v. n.) Neêrjhxgtig 
maaken ; (défoler is beter). 

Déconfeiller , (v. a.) Afraaden. 

Décontenancer, (v.a.) Ont/le lien , 
verlegen maaken. 

Se Décontenancer, ('v. r.)Schaam' 
rood worden. 

Déconvenue , ( f ) Ongehik (n) , 
(oud. w.^' 

Décorateur , (m) Een opfcbikker, 

Décrration , ( f ) Verciering. 

Décorder , (v. a.) Een touw les 
draaien. 
^ DrVorer? (V. a.) l^ercieren. 

Décorum, (m) (Lat. w) Garder 
le décorum > de weljfaanlykheid in 
agt K-emen; (fauver le dehors). 

Découcher , (v.-n. & a.) Buiten 
's buis Jlaapen ; een ander zyn bed doen . 
ruimin. 

Découdre, (v. 2.) Los tornen; los 
maaken (zee. w.)\ il en faut décou- 
dre, men moet daar over hand gemeen 
worde» (fpr, w,); affaire découruë", 

zuak 



DEC. 

iàhk die kivalyk gejîetd it', ftyle de- 
co.ufu , een flegte Jiyl. 

Découlant , ante (adj.) l^loeiiende. 

Découlemenc,(m) ^fJruiping ,af- 
vloeijing ( f ). 

; Découler, (v. n.) y^floopen, afîek- 
ften, afdaalen; la Tueur lui découle 
de toutes parts, het zweet loopt hem 
van alle kanten af. 

Découpé , (m) Een bloemjîuk in een 
tuin. 

Découper, (v. a.) Aan Jiukkenfny- 
den y met figuuren uitfnyden. 

Découpenr, eufe (m. & f.) Een 
die Jhffen of lakens pikeerd. 
^ Découplement , (m) Ontkoppeling , 
losmaak ing ( f; (van honden, o [Jen, enz.) 

Découpler, (v. a.) Ontkopprlen. 

Découpure , (f) Üttfnyding, uit- 
hakknig. 

Déc ouragé, ée (adj.) Moedeloos. 
^ Découragement ,''(m) Moedeloos- 
heid, tieérjlagtigheid (£). . 

Décourager, (v. a.) Den moedbe- 
neemen .. neêrjlagtig maaken , affchrik- 
hnyTe décourager, (V. r.) den moed 
laten zakken , zinken, 

Décours 5 (ra) Het afneemen der 
maap (n), -'y 

Découfu , ue (adj.) Ontornd; fes 
affaires font fqrt découfues, zyne 
zaaken ft aan Ibeeljle^t, 

Découfure , ( £ ) Opentorning, fcheur. 
■ Découvert, erte (adj.) Ontbloot; 
cntdekt. _ ' 

à Découvert , (adv.) Opentlyk , in 
de opene lucht j bloot , voor alle man» 

Découverte, ( f) Ontdekking , vin- 
ding van iets; envoyer à la décou- 
verte , op kondfchap uitzenden , re- 
co.snofceeren laaten. 
• Découvrir , (v. a.) Ontdekken ; 
découvrir on pot , het dekzel van 
een pot afneemen ; découvrir un fe- 
cret , een geheim ontdekken , daar 
achter koomen , ƒ ook , zulks openbaa- 
ren; fe découvrir^ zich ontbloot en, 
ontdekken , item zich bekend maaken ; 
zich voor iemand open leggen ; Ie temps 
fe découvre, het weer klaart op. 

Décrafler, (v. a.) t^an vuiltghetd 
reinigen ; (fguurl.) befchaaven j fe dé- 
crafïer, gemanierd worde». 

Décréditement , (m) Verlies vat 
•€redit; geloof, gunjienz,(n)». 



DEC. ÏP3 

Décréditer , (v. a.) Iemand zyn 
credit, geloof of aanzien beneemen. 

Décrépit, ite (adj.) 5fo*-oK</, uitge- 
leefd; age décrépit,vieille décrépitCi 

Déciépiiation , ( f ) Drooging , uit- 
branding van gemeen zout (in Chym.) 

Décrépitèr, (v. a.) Gemeen zout 
uitdroogen , uitbranden (in Chym) 

Décrépitude, (f) Een zeer boogê 
ouderdom (m). 

Décret, (m) Bejluit, vonnis (n)-, 
gebod , infiellwg (£); een gee/ielyk 
wetboek (n) ; décrets de Diea, de 
Goddelyke rdadsbefluiten. 

DécrétaLe, (f) Paujfelyke brief by 
wyze van ren gebod ; les décretales » 
het pauffelyk wetboek. 

Décréter , (v. a.) Üit laft des ge-' 
rechts gevangen neemen ; goederen, ten 
overftaan van 't gerecht , voor de fchut" 
den verkoopen ; ietsgerechtelyk beveelem, , 

Décreufer, (v. a.) De zyde met 
witte zeep cpkookeny om de verf tg 
doen vatten {by verw.) 

Décri , (m) Afzetting (van munt) 
(f); être dans un décri public, 
in eene algemeene veragtiag , eer en 
agting kwyt zyn. 

Décrier (v. a.) la monnoie „ 
geld afzetten; décrier quelcun, ie- 
mands eer. en aanzien krenken , hem ge- 
haai maaken. ; 

Décrire, (v. a.) Befcbryveny dé- 
crire une ligne , eene lyn trekken, 
haaien ; décrite une chofe , eene zaak 
befchryHen. 

Décrocher , (v. a.) Los haaken, ont' 
haaken. 

Décroire , (v. a.) (Alleenlyk dus} 
je ne le croi, ni ne le décroi , ih 
getoove nocP ja , notb neen (gem. w.) 

DécroifTement , (m) jijgang (œ) » 
vermindering ( f). 

Décroître, (v. n,) AJheemen, af- 
loopen , verminderen ; le Nîl croît 
quarante jours &en décroit autant ^ 
de Nyl waft 40. dagen , en loopt ook 
zoo veel dagen af> 

Décrotter , (v. a.) j^fveegen yfchoon^ 
maàken, borjielen; elle lîierite bien 
d'être décrottée, zyn is wel waard 
eens gelief kooft te worden (boert <m.) 

Décrotteur, (00) Utn fcboen-poet'^ 
fer. 



IP4 DEC. DED. 

Décrottoire , (f) Een fcboen-Ur- 

Décrouter; (v. b») Ce Cerf va 
décrouter fa tête, det hert gaat zyn 
hoofd ergens tegen aan fchuuren ; dé- 
crouter un ^-diéyeene pajïei de korji 
«flikten. 

Décru ,ûe (adj.) afgenomen, ver- 
minderd. 

Décruer , fv.a.) Rnmv gaar en , of 
zyde , eer bet geverfd word , hogen , 
{by f^erw,}. 

Déçu , ue'(ad],)\Bedroogen , misleid. 

Décuire , (v. a.) Dun maaken j fe 
éécaire , (v. r.) dun of week worden 
{vanflroop en fuiker gezegd)* 

Décuple , (f. m. & adj.j Tien-vottd ; 
tienvoudig. 

Décurie , ( f ) Rot van tien Soldaa- 
Pftt by de oude Romeinen (n). 

Décurion , (m) Een Rotmeejier daar 
van. 

Dédaigner, (v. a.) f^erfmaaden y 
veragten, 

Dódaigneufement, (adv .) F'erfma- 
delyi , met veragtin^. 

Dédaigneux, eule (adj.) Verfraa- 
iende^ veragtende. 

Dédain , (m) Verfmading , verag- 
ting, afkeer (f). 

Dédale, (na) Doolhof', groote ver- 
werring (fguurt.). 

Dedans , (adv.) Binnen j entrer 
dedans > binnen gaan ; mettre Jes voi- 
Its dedans, de zeilen inneemen (zpe \ 
tv.) 'f par dedans la ville, door de 
Jiad; par dedans, aa dedans, va» 
binnen. 

Dedans , (m) Le dedans d'une 
maifon , het binnertfte , bet inwgndige 
van eev huit (n). 

Dédicace , ( f ) Inwyding eemr Ker- 
ke ^ opdragt van een boek. 

Dédicateur, (m) Opdraager van 
êfnig boek. 

Dédicatoire, ( f ) Epître dédica- 
ce ire , opdragt-brief. 

Dédier, (v. a.) Toebeiligen,toewy- 
den ;, dédier un livre à quelcan , ie- 
mand ee» boek •pdraagen j fe dédier aux 
études, 2;V/b aande fiudie overgeeven. 

Délire, (v. a.) Ontiemen , zicb 
fiiet houden aan 't ii-oord of doen van 
ern ander i un honnête homme ne 
fe dédit jamais , ern eerlyk mam koud 



DED. DEE. DEF. 

altoos zyn woord -y fe dédire de fcs 
anciennes maximes , van zyne oude 
grondregelen afwyken. 

Dédit , (m) Herroeping van 't gee- 
ne men gezegd heeft; le 'dédit eft de 
20 écxis\de rouw-koop is 20 kroonen ; 
avoir fon dit & dédit fbevoegd zyn^ 
zyn woord te houden , of niet te houden* 

Dédommagement , (rp) Vergoeding 
van fchade (f). 

Dédommager , (v. a.) Schadeloos 
houden of fl ellen. 

Dédorer , (v. a.) Dédorer nn 
CarofTe , het verguldzel van een Koets 
afdoen, 

Dédormîr, (v. n.) Lauw worde» 
(van water gezegd). 

Dédoubler , (v. a.) De voering 
uitdoen. 

Déduaion , ( f) Aftrekking , afkor- 
ting (f)j verbaal (n)i il m'a paie 
cent florins en déduftion , hy heeft 
my honderd guldens in mindering be-' 
taafd; déduftion longue , een lang y 
breedvoerig verhaal , berigt. 

Déduire , (v. a.) Aftrekken , af- 
korten ; iets omjlandig verhaalen ( in 
Rechten) 'y iets van eene andere zaak 
afleiden. 

Déduit, ite (adj.) Afgeleid enz. 

Déduit , (m) Vermaak (n), uit- 
fpanningi , tvd-korting ( f ). --^ 

Déeffe, (f ) Godirnie; {fig*)fchoonbeidé- 

DéfHcher,re défàcher ,(v.a. & r.) 
S'il eft fâché, qu'il fe défàche,/»- 
dien hy boos word , dat by weer goed 
worde (fpr. w.). 

Défaillance, (f) Flauwte ; achter^ 
blyviKg , non-comparitie (in Rechten); 
afdruiping {in Chym.); tomber en dé- 
faillance, bezwymen. 

DéfaiUanc , ante (m. & f.) Een 
die nalaat ig is voor deti Rechter te ver - 
fchynen •> Non-comparant. 

Défaillir , (v.n.& de f.) Ontbreeken y 
les forces me défaillent, dekragten 
begeeven my ; rien me défaut , niets 
ontbreekt my. 

Défaire , (v. a.) Ontdoen , los maa- 
ken^ uit den Jtaaop doen; défaire une 
montre teen horolo^ie uit malkander^ 
doen ; défaire un nœud , een' knoop los 
maaken ; défaire un mariage , een bu^ 
welyk breeken , je vous prie de me , 
défaire de cela , ik bidde u tny daar ..: 

vati' 



DEF. 

cae te ontlaJJen ; défaire (on entant, 
zyn kin J vt/rdoen f ombrengen i défaire 
une armée, een léger verflaan; fe défai- 
re, (v.r.) zich ontdoen , los tnaakcn ; ztcb 
zelven verdoen, het leeven benermen , 
cfook, zich ruineeren; fans fe dé- 
faire , il répondit , zonder zich te 
on t/lellen , antwoordde hy ; fe défaire 
d'une charge , d'iin valec , een ampt 
neerleggen, zich van een knegt ont- 
doen. 

Défait, te (adj.) Verjlaagen', ma- 
ger, ongedaan -y elle eft triite & dé- 
faite, zy ziet 'er droevig en ongedaan 
uit, {Zie verder défaire). . 

Défaite , ( f) Nederlaag eenes heirs-, 
aftrek , afzetting van ivaaren j ce drap 
éfl: d'une belle défaite , dat laken 
is van goede aftrek , is wel te verkoo- 
pen ; trouver des défaites y ontfchul- 
digitt gen vinden y zich redden-^ voilà 
une plaifance défaite ! dat is eene 
aardige verfchooning ! 

Défalqoement, (m) Korting, {Zie 
Rabais). 

Défalquer, Cv. a.) Afkorten , af- 
trekken. {Zie rabattre , fouftraire , 
déduire). 

Défaveur , ( f) Qngunfl {oud iv.) , 
{beter disgrâce). 
Défavorable, (adj.) Ongunfîig." 
Défdut, (m) Gebrek , feil 'f il n'y 
a perfonne fans défaut , daar is nie- 
mand zonder gebrek ; Ie défaut des 
côtes , de plaats ond.'r de ribben j les 
chiens font en défaut , de honden 
Zyn van 't fipoor; mettre quelcnn 
en défaut , iemand in de war hel- 
pen ; faire défaut, niet op de daging 
verfcbynen; encourir défaut, a/j een 
ongehoorzaame befchuldigd ivorden , of 
in fïraf vervallen {in Rechten) ; au dé- 
faut de , by gebrek , on/Ientenis of man- 
queraent van', à fon défaut, hy ni^t 
daar zyfide. 

, Défeaif, (adj. .m.) Verbe défec- 
tif , H^erkwoord dat alle iyden niet 
beeft. 

Défe<aion, (f) Afvalling, verjaa- 
ting {eerter party); verduijiering der 
zonne. 

Défeftuèufement , (adv.) Gebrek- 
kelyk. 
Défédueux, eufe {9A]*)Gehrtkkig\ 



DEF. 19S 

livre défeAueuK ,frotf* daar tstê astn 

ontbreekt y o/ defeA boek. 

Défeauoüié, (f) Gebrek (n), on~ 
Vùlkomenheid (f). 

Dé fenda nt , (adj .) Verbiedend ; ver- 
dedigend , befchermend ', à fon corps 
défendant , verweerender ivyze. 

Défendeur, Défenderefle, (m. & 
f) l^erweerder, verantiMoorder ; ge- 
daagde {in Rechten) ; verdedig fier eaz<, 
Défendre, (v. a.) Verbieden, ver-' 
ivepre,i, verdedigen, befchermen -, dé- 
fendre l'entrée du port aux enne- 
mis, den vyand bet inkomen van dt 
haven beletten j défendre une caufe, 
eene rechts-zaak verdedigen ; défen^ 
dre quelque chofe, iets verbieden; 
défendre & mai fon à quelcun, i>- 
mand zyn huis ontzeggen-, fe défen- 
dre, (v. r.) zich verweeireiïi verde-^ 
digen; fe défendre du prix, over. 
den prys dingen ; je ne faurois me 
dêfeixlre de Tairoer yik kan my niet 
beletten, niet nalaaten haar te bemin' 
nen ; fe défendre du fo Ie il , zich^ 
voor de zon dekken ; il eft rare de fe 
défendre de la bonne fortune, 'f /f 
wat zeldzaams door den voorfpoed 
niet vervoerd te iMorden. 

Défendu , ue (adjJ Verboden enz, 
{Zie déf.^ndr.-). 

Défens, (m)Bois,eau en défens, 
bojch , water , daar niet gehakt , vet 
in g^dreeven , water daar niet in ^e-- 
vijcht , mag worden. 
Défenfable,(adj.) Verdedigbaar (n). 
Défenfe, (f) Verdediging, befcber- 
mina; verbod', verArttwoordtng {in 
Rechten)', fchans( f), bolwerk (n) {m, 
Vejlingb.) ; iets dat uitfli-ekt tot waar- 
fc houw ing wegens gevaar, 

Défenfes, (f, pi.) De grootfie of 

Jlagtanden van wilde Zwynen enz-i 

item wryfhottten , oplangen , {zes w.)» 

Défenféur, (m) BefchermSf, voor- 

fi ander , verdediger. 

Défenfif, ive (adj.) Armes défen- 
fives , verdedigende wapenen. 

Défenfive ,( f ) Etre fur la défen- 
five , op zjn hoede zyn. 

Déférant , ante (adj.) Toegeevendp 
eerbiedig. 

Déférence , (f) Ontzag (n) , eerbied, 
gedraaging , voeging (f) j avoir de la 



igö DEP. 

déférence pour quelcun , agmgi 
fchikkelykheici voor iemand hebben. 

Déférer (v. n.) aux avis de quel- 
cxxn, [iemands raad achtervolgen ? ztch 
door ontzag of eerbied daar aan ge- 
dr aa gen» 

Déférer, (v. a.) j4anklaagen -^ gee- 
ven, opdrongen ; on lui défra ce 
titre , men gaf hem dim titel; on l'a 
ééféré , men beeft hem aangeklaagd ^ 
aangegeeven. 

Déferler , fv. a.) Déferler les 
Toiles, de zeilen ^ los maaken , Jlaa- 
ten , (zee iv.) 

Défermer, (v. a.) Ontjluiten, los 
laaten. 

Déferrer, (v. a.) De hoef-yzers , 
hengzeis enz. afdoen} déferrer quel- 
cun, iemand verlegen maaken ^ van 
zynjluk afhelpen. 

Dé fet,(m) Livre qui a un défet, 
hoek dat niet compleet , datàeieâ is. 

Défeuilié, ée (adj.) Ontbladerd. 

Défi,(m) Uiteisfching^ uitdaaging (f). 

Défiance , ( f ) Mistrouiven , wati- 
trouwen (n); la défiance eft la mè- 
re de Ia fureté, het m/strouzven is 
4e moeder van de zekerheid. 

V)t%.vixl^z.nt&{?ià.\,)Mistrouvi}endenz. 

Déficit , {Lat. xv.) Het ontbreekt , 
{in Rechten), 

Défier^ (v. a.) Uitdagen, uiteis- 
fchen, trotfeeren item mistrouwen; je 
vous en défie , ik wed van neen; Ie 
défier fv. r.) zich zelven mistrouwen. 

Défigurer j (v. a.) Mismaaken , 
fcberden. 

Défilé, (m) Eên enge of naawwe 
weg , engte. 

Défiler , (v. a.) Achter malkander 
een enge weg doorgaan ; ontfnoeren , 
ontrygen ; de kaerjfea van de fpylen aj- 
trekken-y défiler une aiguiUe , den 
draad uit eene naald trekken-, fe défi- 
ler , (v, r.) los gaan ^ hreek^n; Je 
chapelet s'eft défilé, de vriendfchap 
is gcfcheiden , {fpr. w.) 

Définir, (v. a) Befchryven, uit- 
beelden, bepaalen; définir la fubftan- 
ce de 1 'ame , de zelfjlandigheid der 
ziele f^effhryven. 

Défini, ie (adj.) Befchreven, uit- 
^f /"?(/; article dé^^ni , bepaald woord- 
leedie (in fpraalk.). 

Définitear , (m) Raadgesi'er v-a» 



DEF. 

den Generaal of Provintiaal d?r 
Geejïelyken. 

Définitif, ive (adj.) Sentence défi- 
nitive, vonnis ten einde van zaaken (n). 

Définition , ( f) Befchryving ,fche$' 
zing e ener zaak. 

En Définitive ,(adv.) Tot eind van 
zaaken (in Rechten). 

Définitiveçient , (adv.) Juger dé- 
finicivement , het eindvonnis uit- 
fp ree ken. 

Définitoire, (tó) Raad-kamer by 
geejïelyken. 

Défleurir, (v. n.) ^yn bloejfem 
verliezen of ophouden te bloei jen. 

Défloration , ( f) Schoffeer ing , 
ontmaagding eener jonge dochter {in 
Rechten.) 

Déflorer , (v. a.) Schoffeeren ^fcbett' 
den {in Rechien), 

Défoncement, (m) Injiooting van 
den bodem. 

Défoncer, (v. a.) Den bodem in- 
paan-, fe dénoncer, (v. r.) uitfprin' 
gen; tonneau qni fe défonce, vat 
daar den bodem uttfprit?gt ; lit qui fe 
àéîonce i bed waar van de onderla- 
gen invallen. 

Déformer , (v. a.) Iets mismaa- 
ken , bederven , uit zyn vorm helpen. 

Défouetter, {v.a.) Het touw waar 
mede een boek gecordeerd Js j los- 
maak en {Boekb. w%) 

Défourner , (v. a.) Ztg berjiellen 
{in Billard fp.) 

Défrayer, (v. a.) Koji-vry houden , 
voor iemand bet aaien ; défrayer une 
compagnie de bons mots, eengezel- 
fchap met fraaye klugtjes vermaken. 

Défrichement , (ra) Opfcheuring 
opploeging; opheldering éener zdak. 

Défricher, (v. a.) 'Défricher une 
terre , eenen akker opfcheuren , opploe^ 
gen , van onkruid ■zuiveren ; défricher 
une afi^aire , eene zaak ontvouwen , op-, 
helderen. 

Déixicheifr , (m) Een die zulks doed. 

Défrifer , (v. a.) Omkrullen. 

Défrnncer, (v. a.) üntplooyen. 

Défroque, (e)Hetgoed''u) ,r.alaten- 
fcbap van een AJonnik(bpter de po u i l l'e). 

Défroquer , (v. a.) Een Monnik' uit 
de kap praaten , maaken dat hy die 
verlaat > op den tuin hangt , of hem de- , 
Zelve sntmanen , iemand epligten f een 



i 



DEF. DEC. 

geSeett? làn zy,i gut-à outzettffi; Ce 
öéfjoquer, Je ka^j vfrlaten. 

Défuner , (v. a.j On; takelen {van 
^ Scheepen gez.j. 

Défunt , unte fa -Ij.) O^'erl^eJen, 
ge/ior^eti; Ie Roi (léfiint, Je Koning 
zaliger-, la défunte reine, ivylen Je 
Koninginne {Zie ïcw). 

Dej^açé, éc (a ij.; /Vy, los\ onbe- 
dwonget: ; gelojl ; un air dégagé , een 
lojfe zwier Sf onbeJwjngen grlaat. 

Dégag'Mnent ,(m) Klein geheim ^-er- 
trek, affcbeiJir.g ', hsmaaking yontjlaa- 
jTing. 

Dégager , (v.a.) Lqfen dat verpand 
is ; bevryèn , uitu-ikkelen ; dég '.^er fo .1 
cœur de l': acéret du monde, zyn hart 
van 't ivaereldfch belang aftrekken; dé- 
gager la parole dequelcun, iemand 
van zyn woord ontfaait; Ie dégager, 
zich losmaaken , uttvuikkelen , bevryden. 

Dégaine, ; f ) D'une belle dég'ii- 
ne , op eene klugtige ivyze , (boert w.) 

Dégainer , (v. a.) Uit de fcheede 
doen j -^47» leer , den degen trekken. 

Dégaineur , {ta) Zwetzer , voorveg- 
ter. 

Déganter , (v. a.) Se dégapter > 
de baiidfcboenen uittrekken. * 

Dégarnir , f v. a.) Van aeraad^ meu- 
hilen enz. ontblooten ; dégarnir un 
vaiflcau , une place ; een Schip ont- 
takelen , eene vejling ontblooten. 

Dégafconner , (v. a.) Iemand de 
fpreekwyze y fnorkery der gasconjers af- 
leeren. 

Dégât , {m)Verwoejling yplonderingy 
fcbade ( f j. 

Dégâter, (f) £eter faire un dégât. 

Dégauchir, (v.a.) Dégauchir une 
pierre , un bois j een'Jleen , een bout 
de beboortyke vorm geven. 

Dégel, (m) Ontdooi jing { f ), dooi (m). 

Dégeler,(v.à. & n.)Ontdooijen^ dooi- 
jen;Çe dégeler (v. r.)> dootjenyfmelten. 

Dégénération , (f) Ontaarding , 
verbajîertng. 

Dégénérer » (v. n.) Ontaarden , 
verbafteren ; veranderen. 

Dégingandé, ée {aà].) Haveloos ^ 
ongehavend in kleedenn. 

Dégluer, (v.a.) Losmaaken datge- 
•lymd is; degluer les paupières, Je 
Wgléden los maaken. 

Déglutition, (f) NfêrslaKhing (ta 



DEG. 19^ 

Dégnbillfir, {v.z.) Braaken ^ fpuu- 
wen , kot zen {gent. af ) 

Dégobillis , (m) Braakzel (n), 
igem. w.) 

Dégoifer , (t. a.) Zingen , kweelen ; 
fnappen. 

Dégorgernent . (m) Reiniging ^door- 
Jleeking , mtbretking van tets dat ver- 
Jlcpt ii ; dégorgement cie bile , over- 
looping van gai. 

Dégorgeoir, (m) Laad-priem (by 
Kanonniers). 

Dégorger, (v. a.) Een goot door- 
fîe^ken ; rivier-vtfcb verwateren; bet, 
laad-ga zuiveren; fe dégorger, zig 
ontîajlen {van rivieren gez.) 

Dégourdir, (v.a.) Ueverdooving , 
verjlyving , verkl»umùbeid van leen lid 
verJryven ; dégourdir de l'eau , de 
koude van het water wat af^eemen. 

Se Dégourdir, (v. r.) IV e ér ge- 
voel krygen ; {figuurl.) vlugger , fnedi- 
ger van geejl worden. 

Dégourd iffement, (m) Verdryving 
der doovigbeidofverjîyvtng ttit êenigUd 
(f ) enz. 

Dégoût , {m)DroJ> (m) , leeking , lek- 
king, afdruip in g ( £). 

Dégoût , {m)Onfmaakelyiheid, waî- 
ging; afkeer (f)^ le dégoùcde cette 
vie , het verdriet , de ongeneugte deezes 
levens; j'en ai un dégoût 5 cela me 
donne du dégoût. 

Dégoûtant, ante {zâ].)Walgelyki 
onaangenaam ; af druppend. 

Dégoûté, ée (adj.) Die een walg 
heeft; faire le dégoûté , zig vies, 
kiefcb aanjlellen; un bon dégoûté, een 
îooze fnaak die zig vies houd wegens 
iets dat hy geerne had item een iro- 
lyke Quant. 

Dégoûter , (v. a.) Walgen ; onaan- 
genaam , af keer i g maaken. 

Dégoutter,(v. xi.)^'4fdruppen^ lekken. 

Dégradation , ( f ) Ontédeling , be- 
roQving van iemands eer ; dégradation^ 
verjlimmering y beJerving van Lande- 
rijen enz.; dégradation , vei^zag' 
ting van bet licht in een fchildery. 

ÏDégradé, ée (adj.) Afgezet, vais- 
feau dégradé , een fleet y wrak {zee, 
w.) (Zie het 'werk' w.) 

Dégrader, (v. a.) Afzetten, onté- 
delen; fcbenden , orteeren , en cenc 
lieux il.m'* dégçadé , by field ï?iy^ 

N 3 ' ö%\\ 



198 DEC. 

6ver al ten toon ; dégrader des bâti- 
mens, des bois , de» terres, gebnu- 
wen , bo^chen^ landeryen ofbreeken, 
omhaalen^ verwocften^ vcfnicle»; dé- 
grader un vain eau , eenScèlp afkeu- 
ren", dégrader la lumière d'un ta- 
bf eau , bit licht in esru/ fcbiUery ver- 
zakten. 

■ bégraffer, (v* a.) Qmbaaken, las- 
haak en. 

Dégraifler,(^. a.)//p# vet affchep- 
pen y Jmeer^vlakken uit doen ; {figuurl.) 
iemand een gedeelte van zyn goed af- 
inévelen , bi^m vermager eta. 

Dégraifleur, (m) Een die f meer- 
vlakken uit doet. 

Dégrapiner, (v. a.) De mter -haa- 
ien los maaken {Zetnv.) 
'■- Dcgras, (m) Vifch-traan, 

Dégravoyer , (v. a.) Los fpoelen 
{van paaien gezegd). 

Dégré , (m) Een flap , tree, trap ; 
graad , het ^ócjle gedeelte van een cirkel 
(in Landmeetk,)'f monter les degrés, 
de trappen opklimmen 'f dégré de gloi- 
re ,rröp vaw r^r j dégré de paren- 
tage , lid , trap in maagfcbap j il a 
palTé par tous les degrés de Ia fa- 
culté , by beeft alle degraaden der we- 
tenfchap door ge loop en; dégré métaphy- 
öque jovematuurkar.dtge volmaaktheid, 
prendre fes degrés , promoveeren. 
Dégringoler (v. a.) les montées, 
jthielyk de trappen afloopen, 

Dégroffage , (m) He e goud-draad- 
trekken (n). 

DégroiTer , (v. a.) Goxtd- of zilver- 
draad-trekken , dunner maaken. 

Dégrolfir » (v. a.) Ferdunneu , een 
êffttte blok in 't ruuiv uitbouwen {by 
fyeldh.) 

"Déguerpir , (v. a ) Eene erfenis , 
■een huis enz. laat en vaaren, af/laan 
(iti Rechter.). 

DéguerpiiTement , (m) F'erlaating , 
«''JiavJ van vajle goederen aan een an- 
aer. • ■ 

Déguealer , (v. n.) Braaken , fpuu- 
wen [gem. w.) 

■^Déguifé, ée (adj.) F'ermomd, ver- 
iieed., enz. 

Dégaiferaent , (m) Bewimpeling, 
vermomming (f),dekmantel(m), bui- 
^.helary (f). ^ 

Déguifer j (v. 3.) Veranderen , ver^ v 



DEH. DEL 

mommen ; verbloemen , bewimpelen j 
bedekken v déguifef fon nom , zyrt- 
naam ver ander en, eenen valfcben aan- 
neemen; fe déguifer, zi g onkenbaar 
maaken, verkleed.^»; fe dégnifer en 
ami , zig als een vriend vonrïiellen, 

Déhaler, (v.a..)^De tdoor dé zonne 
verbrande huid , wit maaken. 

Déhanché, ée (ddj. Ontheu^t» 

Déharnachement, {m)/'Jftuiging (f). 

Déharnacher (v. a.) un clxevai, 
een paerd onttuigen^ 

Déhérence , ou déshérence , ( f) 
Recht vol yens 't welke de Koning of 
Landheer van die geene , die zonder 
teftament of wettige erfgenamen ko- 
men te JJerven^ erfd (n). 

Dehors , (adv.) Buiten ; par de- 
hors, van buiten-, au dehors, uitér- 
lyk; mettre quelcun dehors; iemand 
buiten de deur zetten. 

Dehors, f m) Het uitwendige (n) , 
de uiterlyke fchyn (od) ; buiren-iuerken^ 
(in vejïingb.)', faaver Ie dehors, het 
uiterlyke in agt neemen. 

Déjà, (adv.) -'ilreede, reeds, be- 
reids. 

Déicide , (m) Gods-moord. 

DcjeAion, (f) Stoelgang (m) uit- 
werping ( f) (in Geneesk.) 

Déjctter , fe déjetter(v.nAr.) Op- 
krimpen,krom worden (van hout gez.). 

Déjeuner , (v. n,) Ontbyten. 

Déjeûner ca déjeuné , (m) Het 
onthyt (n) ; il n'en a pas pour un 
déjeuné , daar is niets ten hefien 
(fpr. w.) 

Déification , ( f ) P^ergoodmg. 

Déifier, (v. a.) Vergooden , onder 
't getal der gooden fiellen', (figustrl.j 
iemand zeer boog pryzen. 

Déjoindre, (v, z.) Scheiden y ont'' 
binden, los maakea. 

Déjouer, (v. n.) If^apperen , flod- 
deren , na de wind dr aai jen (als vlag- 
gen wimpels , weêrhaanen enz.) faire 
déjouer quelcun , iemand in zyn 
zaaken over hoop werpen. 

Déifme ,(m)Godiflendom ,het gevoer [, 
van hun die fl egt s gslooven'er een God '" 
len is (n). 

Déifie , (ra. & f.) Godifi, vrjgeefi. 

Déité , ( f) Godheid. 

Déjuc , (m) Tyd wannftr bet ge- 
ogelfg den roeji vtrlaat^ '' 



DEI. DEI. 

Déjucher y (v. a.; i^an den roejlof 
Jiok jaagen, 

Deiviril , ile (adj.) GodJJyk en 
Menfchelyk. 

Delà > (adv.) Van daar ^ daar van 
daatt; de là vient, daar uirfpruit. 

Delà y (prep.) .-lan de andere zy- 
de-, de delà , vcm de andere zyde; 
au delà , aan de overzyde j pur de 
là y aan de andere zyde y faire ce 
qu'on peut Ôc par delà , doen dat 
men kan en nog meer j promettre par 
delà de fon pouvoir , meer belooven 
als m(H volbrengen kan. 

Délabré, ée (adj.) Gefcheurd , ge- 
plukt ; Jlegt , verward; vaifleau déla- 
bré , een ontramponeerd Schip ; répu- 
tation délabrée , gefchonde eer; vos 
affaires ëtoient "fort délabrées, 
uwe zaaken waaren zeer verward. 

Délabrement , (m) Slegte toejland» 

Délabrer , (v. a.) ^anJJukkenfiheu- 
ren; in wanorden brengen, bederven, 
krenken i cette perte m'a délabré, ii;7 
verlies heeft my veel terug gezet. 

Délacé, ée (adj.) Ontrégen. 

Délacer, (v. a.) Ontrygen. 

Délai , (m) Uitjlel (n) , vertoeving , 
opjehorting eener zaak ( f) ; fans dé- 
lai » zonder uitjlel , terjlond. 

Délaïer. {Zie Délayer). 

Délaiflement , (m)Ferlaating, over- 
geeving van iets (f). 

DélaifTer , (v. a.) Verlaat en j de 
banden van iets aftrekken 3 délailTer 
un héritage , ecne erffenis laaten 
vaaren. 

Délardement ,. (m) afronding , {in 
Bouwk.) 

Délarder, (v. a.) ^ffchaaven, af- 
ronden, {in Bouwk.) 

DélalTement , (m) Vermaak, tyd- 
ver dr y f {n) , verkwikking , rttji { f). 

DélafTer, (v. a.) Verkwikken-, uit- 
fpanning geeveny délafTer fon efprit 
des occupations férieufes , zynen 
geejl van ernjiige bezigheden aftrek- 
ken } fe délafler de fes fatigues, 
va» zyne vermoeidheid uitrujlen. 

Délateur, (m) aanbrenger f ver- 
klikker. 

Délation > ( f ) aanbrenging , ver- 
klikking. 

Délatter, (v. a.) De laf f m i'an 
f^» (iak afnesmio. 



DEL. 199 

Dilarer, (v. a.) Bleek maaken ^ 
{alleenlyk dtts) cette conleur efttrop 
délavée , die kleur is te bleek{byVervf.) 

Délayer, (v- &.) fVeeken, mengen» 
brjlaan , roeren , als pap , eyeren , enz.^ 

Déleftable , (aûj.) Vèrmakelyk -, 
l'utile & ie déleftable , het nuttige 
en hef vermakclyke. 

Délégation, (f) Vermaak, ge- 
neugte (n), 

Délefter, (v. a.) Vermaaken. 

Délégation ,{£) Bevel (n) , lajl (m) 
aan eenen Rechter gegeeven. 

Délégué, ée (adj. & fnbft.)^-^^- 
zonden y aangjleld-, een afgezondene» 

Déléguer, (v. a.) j^fzenden, de- 
puteerenj aanjlellen. 

Déleftage , (m) Uitfchieting van 
den ballajl ( f) {zee w.). 

Délefter , (v. a.) Den ballaji uit- 
vjerpeu (zee w.). 

Délefreur , (m) Uitfcbieter van den 
ballaj}. 

Déliaifon, (f) Ontbinding , van mal- 
kaar valling van kalk off een. 

Délibation , ( f) Verkleining van 
naam of eer {in Reebten). 

Délibératif, ive (adj.) Overweg- 
gende; voix déliberative , jlem in 
de Raadsvergadering. 

Délibération , ( f) Overvréeging , be- 

Délibéré,(m)^fM bejluit , {tn Reibt,) 
raadjlaging. 

Délibéré, ée (adj.) Bejlooten; on- 
befchroomd i àe propos délibéré, w^ 
voordagt; d'un pas délibéré, met 
jloutefchreeden. 

Délibérément, (adv.) Stoutelyi, 
onverfchroiken. 

Délibérer , (v. n.) Over<meegen , be-^ 
raadflaagen -, je délibère de faire 
cela , ik overleg om dat te doen ; on 
a délibéré d'attaquer l'ennemi > 
rpen heeft bejlooten om den vyand aan 
te klampen. 

Délicat, ate (adj.) Lekker ; kiefch -, 
net; fcherpzinnig ; haajiigy netelig i 
tenger^ teer , zwak ; des mets délicats, 
lekkere fpyzen, avoir la peau délicate, 
een zagt vel hebben ; efprit délicat , een 
fneedige geef} }il eft délicat là deffus, by 
is daar onvergenoegd Oî/wjaffaire déli- 
cate ,«t7f>%^ ofteére zaâf>,compIexion 
I délicate ^zvtakke Hgchaamsge^tUkeid', 
N 4 le 



SLpo PEL. 

W verre & Ia porcelaine font des 
ynatières délicates, glas en porcelyn 
zyn teêre ixiaaren ; vaë délicate ^een 
zwak gezigt; oreille délicate, een 
fyngehoor ; conduite délicr.te,^pr/y*, 
onbefprooken gedrag; ftyle délicat,ztt/- 
verejlyi; peinture délicate , konjU- 
ge fchiki''ry; être touc. à t'ait délicat , 
zeer gemakkelyk zyn-y avoir Ja main 
délicate , een' konfiige hand hebben. 

Délicatement , (àdv.) Lekkirlyk; 
téderlyky konjligîyk , cierlyk cm. 

Delicater, {v. a.) Koejieren y ge- 
tftakkelyk opbrengen , opvoeden { van 
Kinderen gez.); Te delicater, (v. r.) 
zuh goed doen , zich zehen koeperen. 

DélicatefTe, (f) Lekkcrny ; teder- 
heid ; neteligheid ; fcherpzinnigheid; 
avoir de ladélicateÏTe pour fe^ ajn- 
{tem\nsyzit7dslyk, puntig cpzy^ie kleede- 
ren -zyw; vivre avec délicateffe , der- 
fel , wellujlig leven > favoir toute s les 
délicatefles d'une langue , alle fjet 
fraaye, het cierlyke eener faal kennen , 
vaeeten; délicatefle de confcience , 
tederheid van gemoed ; avoir une 
grande délicatefle d'efprit , vlug 
n>an geejl zyn. 

■ Délices , (f. pi .) Fermaakelykhedenj 
geneugten! -y goûter les délices d'un 
païs , d$ aanminnigheden eeneslands 
fmaaken; les livres font toutes mes 
délices, de boeken zyn myn groot fte 
rjermaak', fe plonger dans les délices, 
zich in de wellvjien haaden. (NB. in fi n jj . 
is dit woord maÇc, maar zelden gebr.). 
Délicieufement , (adv.) Manger, 
vivre délicieuferaent , lekker eeten , 
vieliufiig leven. 

Délicieux , eufe (adj.) Lekker ■, 
nj)ellufiig ; païs dél icieu k , aangenaam 
landsdouw \ vin délicieux , lekkere 
veyn. 

Délicoler , (v. a ) Onthal/lere» , ce 
clieval fe délicole, dat paerd om- 
kaljlerd zich zelfs. 

Délié , ée (adj.) Ontbonden; dun, 
fyn'y fil délié, ^/'« dunne draad ',tr&ït 
délié de ia plume ^fyne trek met de 
pen ; efp-r it di\ i é , fr.fedi^e geeji^ 
- Péliement, (m) Ontbinding (f). 
Délier , (v. b.> Ontbinden , losmaa- 
ietr. 

■;. Délinéation i( f) Schets ,teekening. 
Délinquant, ante (m. &t tj Een 



DEL. DEMc 

fchutdtge, eert misdadige y (in Rechten)» 

Déiinquer , (v. n.) Overtreeden ^ 
misdoen, {in Rechten). 

Délire, (m) RaaskalUng (f)jêtre 
en délire , buiten kennis zy>i. 

Délit , (ra) Misdaad (m) ,oveft¥ee^ 
^'".? (^)> être trouvé c-n ri3i;ant 
délit , op beeter daad betrapt werden. 
_ Déliter, (v.a.) ïl ne faut pas dé- 
liter les pierres, men moet de Jiee- 
npn niet anders -, dan zy in de Jieen- 
groe-ve gele e gen hebben , leggen , \Met->^ 
zei. w.). 

Délivrance, (f) F'erloJ/ïng ^ léve- 
^ing (Livraifon). 

Délivre j (ra) D? nageboorte van 
Koeijvn enz. 

Délivrer, (v. a.) Verlojfen^ red" 
den\ cvprleeveren; délivrer' un cap- 
tif, ei'n gevarigene verlojjen ; délivrer 
une femme, een vrouw in 't kiuder- 
baarrn byjiaan; délivrer des mar- 
chandifes , Koopmanfchappen leeve- 
fY« ; Ie dé!ivr<;r (v. t.) d'un en- 
fa^it , in de. kraam komen , verlojfen. 

Délogement , (ra) Ferbuizing , ver- 
trekking (f). 

Déloger, (v. a. & n.) Verhuizen, 
üpbreeken ; déloger fans trompette , 
OU à la fourdine, met een JiiÏle trom 
vertrekken , met de noorder zon ver- 
huizen , banqueroet fpcelen ; déloger 
les e-nnemis , de vyanden verdryven, 

'Déloty{m)Tzere kous die men voor 
het Jlyten in een touw doed. 

Déloyal, aie (adj.) Trouwloosy on- 
trouiv. 

Déloyalement, (adj.) Trouwlooslyk. 

Déloyauté, (f) Trouwloosheid. 

Déluge, (ra) De zondvloed; délu- 
ge de peuple , de maux , de lar- 
mes, een meenigte volks , ongelukken^ 
traanen vloed. 

Déluter, (v. a.) Den leem van een 
diJJileer-kétel afdoen, {in Chym.y 

Démaigrir , (v. a.) Hout of Jïeen 
fcberper , dunner maaken , {in Bouwk.)» 

Démaigriflement , (m) Dunner, 
fpitzer maaking, 

Démaillotter, (v. a.) Ontzwagte" 
len {een Kind). 

Demain , (adv.) Morgen j après de- 
main, overmorgen. 

Démancher, (v. a.) Het begt of 

de jieel afdoen y uittrekken ;U déman-^ 

ciie' -, 



DEM. 

cher , (v. r.) cecte affaire fe dé- 
manche , die zaak Jiaat Jlcgt. 

Denunde , ( f) ^raag { f) t ver- 
zoek (n), eifcb (m), {in liecbten). 

Demander, (v. a.) i- rangen , ver- 
zoeken, e if eken y demander pardon, 
om vergiffenis buiden ; demander 1 'au- 
morje , bédelen; demander une fille 
en mariage , een rneisj.» ten huvelyk 
verzoeken; cela demande trop d'at- 
tention, dat vorderd te veel oplet- 
tendheid ; on vous a demandé trois 
fois , nifn heeft driemaal na u ge- 
vraagd} les bleds demandent de la 
pluie ,de graamm ver langen na ré gent 

Demandeur, eufe (m. & f.) ^'«'zoe- 
ker; verzoekJJrr; bedelaar , bédelaarjler, 
■ Demandeur, demanderefTe, (m. 
& f.) Man ofJ^rouw die iemana voor 
bet recht roept ', eifcher-, eifchjier; agn- 
klaager ', aanklaag fier. 

Dé mangea ifon , ( f) Jeuking ; avoir 
une furieufe démangeaifon à par- 
ler , een onver zaadelyke luji tot fpree- 
ken hebben. 

Démanger, (v. n.) Jeuken; fierke 
begeerte naar iets hebben; les mains 
lui d mangent, hy was geeme aan 
den dans , {fpr, tu.) 

Démantèlement, (m) Slooping{î). 

Démanteler, (v. a.) De wallen of 
fierktens eener fiad fioopen» 
> Démantibuler (v. a.) la mâchoire , 
bet kaakebeen èrffiw;(^jf,) démantibu- 
ler, uit zynfchik, in wan-orden brengen. 

Démarage ,(ra) Los of driftig raa^ 
king of ontmeertng van een fchip ( f ) , 

Démarche , ( f ) Gang , tred (ra) , 
gedrag (n) ; avoir la démarche gra- 
ve, een defiige.gang hebben ; obftr- 
ver toutes les démarches d'une per- 
fonne , op iemands gedrag , handel en 
wandel agt geeven. 

Démarer, (v. n.) Het anker lig- 
ten , ontmeeren , loi niaaken i{zee iv.). 
' Démarier j- (v. a.) Ecbt fcheiden. 

Déraarquor , (v.&.)Een mert uit- 
wisfchen ; cheval qui démarque, 
paerd dat niet meer tékend. 

Démasquer , (v, a.) Ontmaskeren -, 
bekend ma'aken. 

Démâter , (v. a.) Démâter un 
Vaiffeau , een fchip ontmaften. 

Démêlé , (m) Krakkeel ,gefcbil (n) ; 
avoir uu fâcheux dégiêle avec quel- 



DEM. 2Qt 

cnn ; een verdrietig gefchil met iemand 
hebben. 

Démêler, (v. a.) Onwarren; on- 
derfcheiden; befiegtrn; ;e n'ai rien ^ 
déniéler avec vous,;.!- heb niets met 
u tefehafen; démêler un different, 
eengefchu bcjîegten ; démêler une per- 
foiine dts autres, iemand ondsr veele, 
andere onderkennen; Te démêler, (v. 
r.) zuh los maaken , redden. 

Démembrement, (m) l^erfchearing 
van lid tot lid; démembrement de 
l'Eminré y fcheuringf verdeelihg des 
Ryhs. 

Démembrer., (v. a.) Ontleeden, 
verdeelen , fcheuren -, démembrer un 
chapon, un Royaume. 

Dé ménagement, (m) FéT/»öizr«g (f); 
le déménagement coûte, reizen kofl 
geld, verhuizen kofl bed-(Jroo (fpr. w.) 

Déménager , (v. a.) teerhuizen ^ 
on l'a obligé de déménager fore 
vite , men heeft hem fchielyk zyn bie-, 
zen doen pakken. , 

Démence, (f) Dollighetd , rar^r- 
ny-y il eft tombé en démence, hy is 
krankzinnig geivorden. 

Se Démener , (v. r.) Zig bewee- 
gen; il s'eil bien démené pour faire 
réuiïîr vôtre affaire, omuw^ zaak uit 
te voeren^ heejt hy zig wcikker geweerd, 
^ Démenti , (m) Donner un dérx^en- 
ti à quelcun , iemand tot een leuge- 
naar maaken; il en aura Ie démen- 
ti , ^y zal zyn oogmerk niet bef eiken. 

Démentir , (v. a.) Iemand heeten 
liegen-, niet over een komen ; fes ac- 
tions démentent fes paroles , zyn 
daadenjlryden metzyne woorden; dé- 
mentir foncaradère , zyne waardig- 
heid benadeelen ; un homme qui ne 
fe dément point, een man die al- 
toos dezelfde is. 

Démérite, (m) Slegt gedrag (n). 

Démériter , (v. n.) Zondigen, iets 
firafwaardigs doen. 

Démefuré , ée (adj.) Owma/z^ ; gros* 
feur démefurée , huitengewoone dikte» 

Démefurément , (adv.) Onmaatig- 
lyk, uittermaaten. 

Démettre , (v. a.) afzetten , van ee- 
nig ampt ; démettre un bras , eenen 
arm verfluiken; fe démettre (v. r.) , 
zyn ampt neer leggen; démettre le pied, 
zynen voet uit de lid gaan , verfiuiken» 
N 5 • De- 



202 DEM. 

Démeublem^nt , (m) Otttblooting 
van huisraad ( f). 

Démeubler, (v. a.) Den huisraad 
nvei^neemen. 

Demeurant , te fa dj.) ïVonfnde 
hlyvende; un demeurant, een over- 
fchQt, rejiant; au demeurant , (adv.) 
voor 't overige (ouJw.) 

l?emeurc , (f) l-f^oonjleede (f), 
verblyf(n); voilà le lieu de ma de- 
meure , daar is tnyn woonplaats ; être 
en deraeore , ten achteren zyn , ach- 
ter hiyven mi't de het aaiing , of ver- 
jchynhig •voor 't gerecht. 

Demeurer , {v. n.) If^oonen ; vertoe- 
ven , h4vven 'yjYiljiaan ; hiyven Jlaan ; te 
kort fchieiz'ii (in 't Bal fpel) ; demeu- 
rer au troillerae étage > op de der- 
de verdiepwp ivoonsn ; demeurez avec 
nous, blyft y vtrtoefJ hy ons; de- 
roeure, ou }-i te tuëyJJaJlil, of ik 
treek u dsn Ixtls ; demeurez ici juf- 
<ju'à ce que je revienne, blyf hier ^ 
tot dat ik weder koome; demeurer 
dans le èlence , zivy^en ; il demeu- 
re bien long temps , hy blyft lang uit; 
la viftoire nous eil; demeurée , de 
overwinning is aan ons gebleven ; il n'en 
demeurera pas là, hy zal het daar 
ni^by (aateû; demeurer court dans 
un difcours , in e ene reden hiyven 
Jieeken; demeurer inmobile , onbe- 
•weeglyk blyven ; demeurer fur le 
champ de bataille , op het fagveld 
dood hiyven j demeurer d'accord, 
bekennen , toeJJaàn. 

Demi,ie (ajj .) haif (voor een fubft. is 
dit woord ihdéclin., maar na een 
fubft//i bet feniin. demie ;) by voorb. 
demi-arpent (m), een halve morgen 
lands ; demi- aune ( f ) , een halve elle ; 
demi-heure(f ), een half uur -, enz . ; 
nnjour& demi, and er halven dag-, 
uue heure '6c demie , anderhalfuur j 
midi & demi , half-een , enz. 

à Demi , (adv.) Ten halven , à de- 
mi ivre , half dronken. 

Demie , ( f) La demie eft fon- 
née > het half uur is ge/laaiden. 

Démis, ife (adj.) Afitezet -, vaneen 
ampt ; avoir la jambe démife , 't 
been verjïuikt hebben. 
' Démiflion, (f) Nederlegaing van 
een ampt ; demander fa uémiCion, 
zyn ontjlagj demiffie tjarzoekeu. 



DEM. 

Bémocratïe , ( f) J^olks-regeeriftg, 

Démocratique, (adj.) Gouverne- 
ment démocratique , volks-regeering. 

Demoifelle, (f) Juffrouw, kame- 
nier (f) i Jiraat-Jiampen i ttnne water 
fiefch, om 't bed te warme»; fchoen- 
iapper , (zekere vlinder) (ra). 

Démolir^ (v. a.) Jfbreeken , Jlech- 
teu , jloopen. 

Démolition ,( f) Afbfeehng ,JJecb' 
tirtg , flooping. 

Démon , (m) Duivel , booze geeft ; 
(m) woede , razerny{ f ) j fon demon 
commencé à l'agiter , zyn geeji be- 
gind hem te kwellen; c'eft un pecit 
démon , 't is een boos duiveltje y een 
klein deugemetje. 

Démoniaque, (adj. & fubft.) Dut- 
velfch, raazend; een bezeet^n menfeh, 

Démonographe, (m) Een die over 
de duivelen gefchreeven heeft. 

Démonomanie, Cf) Duivelkunde. 

Dérnonftrable , (adj.) Betoogbaar , 
bewyslyk. 

Démonftrateur, (m) Betooger , be^ 
wyzer. 

Démonftratif , ive (adj.) Betoo- 
gend, beivyzend; argument démon- 
ÛràZlffbondigeJluit-reden; pronom dé- 
monftr&tif , aanwyzend , aantooHcnd 
voornaam-woord , (in fpraakk.) preuve 
démonftrative , een wiskundig bewys, 

Démonftration ; ( f ) Betooging ( f) 
hewys(n); démonftration d'amitié , 
vriendfcbaps blyk ; grande démonftra- 
tion de joie ,grootû vreugd-betuiging, 

Démonftrativement , (adv.) prou- 
ver démonftrativeraent, bondi^lyk, 
klaarlyk bewyzen. ^ 

Démonter > (v. a.) Uit het zadel 
ligten; cavalier démonté , Ruiter dit 
zyn paard quyt is ; démonter un 
canon , een gefchut van 't affuit 
doen , démonter une armoire , een 
kajl. uit malkander doen; il a la cer- 
velle démontée, het horologie is bf 
hem eyitjïeld , hy is niet wel by zyn 
zinnen; on l'a démonté, men heeft 
hem zyn paard ontnomen , of men heeft 
hem van zyn jlel geholpen^ ontjield; 
fe démonter , (v. r.) uit zyn Jlel 
raaken , verar^eren. 

Démontrer , (v. a.) Betoogf» be^ 
wyzen f aantowetJ. _^ 

Da- 



DEN. 

Démerdre , (y. c) Loslaofev, 
vaaren laojin ; il ne démord pas , 
by laat niet los. 

Démouvoir , (v. a.) lemanJ he~ 
ueege» -van. ietwes af te zien ; fe ét- 
mouvoir, (v. r.) 'ycm iet f afj}aan; 
{in re eb ten). 

Dému,ue(adj.) ^fgrJîaanÇin recbt.). 

Dcinunir , (v. a.) Jfbreeken, JIoq- 
pm ; Vunj1irii:te > "V^n 'jcaptnen berooven. 

Déimucr , (v.B.) Ontmuuren , een' 
niufxr ajbreeknif wegneemen. 

Déuaticr, (v. a.) Dénatter une 
chaife , fsnjïoel ontinatten. 

Dénacuralifer , (v. a.) Iemand zyn 
burger-recht ontneemen» 
'Dénaturé , ée (adj.) OmatuurJyk ; 
wreed y onmenfchelyk. 

Dénaturer, (v.z.) Iets van natuur 
veranderen ; dénaturer fonbien , zyn 
goed verkoopgn. 

Denché , ou endenché , (adj.) 
Getand (in Wapenk.) 

Dendrite,(m) Zekere -witte Jïeen, 
waar op indrukzelen van boomen of 
planten Jïaan. 

Dénégation > (f ) Loochening, ont- 
kenning {in rechten). 

Péneral , (m) Monjïer van munt- 
Specie. 

Déni , (m) Weigering , ontkenning -, 
déni d'une dette , loochening èener 
fcbuld, {in rechten). 

Déniaifé, ée (adj.) Loos y liflig , 
behendig ; c'eft nu dénaiifé , dat is 
ten doortrapte k4iaap. 

ï)tnïz,\Çkmtntj{m)Betrekking y poets 
acm een en eenvoudige». 

Déniaifer , (v. a.) Optigten , be- 
trekken ; loos lyk bedriegen-, loos, cfoor- 
flépen maakenf fe déniaifer , door- 
JJépen worden. 

Dénicher , (v. a. & n.) Uit de 
nejl Ugten , verjaagen f verdryven', 
vernejieleny uit bet neji vliegen; il efl 
déniché ce matin , hy is deze mor- 
gen voortgegaan. 

Dénicheur, (ra) -E^« die jonge vo- 
gels uit de neJi haald; dénicheur de 
fauvettes; «•» Joorjieepen quant, die door 
liefde tot de kunne zyn fortuin maakt. 

Dénier, (v. a ) IVeigeren-, looche- 
nen , dénier une faveor , eene gunfï 
weigeren ; dénier un crime , eene 
mkduad (mtkenmn. 



DEN. 203 

Denier, (m) Hen Penning (gedeel- 
te van eenfJuiv.); alle groote en klet- 
ne mBnt ; voet op welke men een' bun- 
del dryft, ce marchand afîx deniers 
dans cet armement , die Koopman j 
beeft een zesde gedeelte in dit Schip ; 
deniers oilifa 9 geld dat ledig legd , 
deniers clairs Bc liquides, gereed 
geld', faire des deniers bons, voor 
een fomme gelds borge blyven, denier 
à Dieu , een Goodspenning ; Huur-pen- 
nir.g } ùener de boite , JJuk geld , dat 
van ieder flag gehouden Word {by 
munt.); deniers, (m, pi.) faire unô 
levée de deniers, geld Ugten. 

Dénigrement , (m) Kwaadfpree- 
kin^y fchelding (f). 

Dénigrer , (v. a.) Zwart maaken ^ 
fchenden, lajleren, eerrooven. 

Dénombrement , (m) Optelling ; 
opgave (f). 

Dénominateur, (m) Noemer (in 
Cyfferkoujl). 

Dénominatif, ive (adj.) 't Geen 
de regte naam van iets uitdrukt. 

Dénomination, (i» f) Benoeming» 

Dénommé, ée (adj.) Genoemd. 

Dénommer, (v. a..) Benoemen puoe^ 
men (In rechten). 

Dénoncer, (v. a.) aankondigen^ 
aanklaagen j dénoncer la guerre, 
den oorlog aanzeggen; dénoncer fes 
complices, zyne medemakkers beklap- 
pen. 

Péiïonciateur , (ra) aankondiger ^ 
aanklaager, verklikker. 

Dénonciation , (f) Aanklaaging; 
afkondiging des Kerken-bans ; dénon- 
ciation de la guerre , aankondiging 
van den oorlog. 

Dénotation, (f) Aanwyzing (f), 
kenmerk (n). 

Dénoter , (v. a.) Beteekenen , aatu 
duiden, te kennen geven. 

Dénouement , (m) Onf knooping ^ 
verklaaring , oplojfing (f). 

Dénouer , (v.a.) Ontknoopen , iets 
uit de knoop doen j ' ontvouwen , eene 
zwaar igheid oploiïen. 

Denrée , ( f) tetbaare waar ; Kaop^ 
manfchap. 

Denfe , (adj.) Dik, in een geJrotu 
gen, (in natuurk.) 

Deniité , ( f) Dikte , gedroagenbeid^ 
DenCj 



204 DEN. DEP. 

Dent ) ( f) Hen tand ; tand van een 
zang, vyl y ryff karrij moienraJ , egge- of 
Jïeuiflyfchaarde in een mes , ^«z. déchi- 
rer à belles dents, verfcbeuren ; don- 
ner un coup de dent , een beet , 
houw, graauw geeven; parler des 
groffes dentis, iet.untj trots bejege- 
nen, avoir un dent de lait contre 
^uelcun , esn ivrok op iemand heb' 
fc<?«; mettre un cheval furies dents, 
een pacrd den bek afryden j elle a 
mis fon gaîand fur ies dents , zy 
heeft haaren minnaar uitgeput-, dent de 
lait, œillère, T72elk, ofoog tand, denx.s 
canines , machelieres, ou groffes 
dents, bon ds -tanden , kiezen -fii n'en 
tâtera que d'une dent , hy zal 'er 
niet een beet van hebben y vouloir 
prendre la lune avec les dents , 
tnmogelyke zaaken onderivi^/den , of ter 
uitvoer willen brengen-, il eft favant 
jusqu'aux dents , zyn <verfiand zit 
hem wat laag; montrer les dents, 
icyn tanden laat en zien ; avoir les 
dents longues, hongerig zyir; rire du 
bout des dents , gemaakt , gedwongen 
lagchen; malgré fes dents, in fpyt 
van hem y donner un coup de dent 
àquelcun, iemand een fîeek geeven; 
parler entre fes dents, mompelen. 

Dentale, (adj.) Het geen met be- 
hulp der tanden uitgejprooken word. 

Denté , ée (adj.) Getand; une roue 
dentée, een getand rad. 

Dentée , ( f) Kwetzing , houw met 
de tanden. 

Dentelé, ée (adj.) Getand. 

Denteler , (v. a.) Denteler une 
fcie , een zaag tanden. 

Dentelle , ( f) Kam , fçelde werk. 

Dentelure, (f) Getand werk (n). 

Denticule , (f) Sny -werk met tan- 
den , (in Bouwk.), 

Dentier , (m) Eene rei tanden (m) , 
het gebit (n). 

Dentifrice , (m) Tand-poeyer (f), 

Dentifte , (m) Een Tand-m^'ejler. 

D ntare , ( f) Tanding. 

Dénuement, (m) Oniblootitig (f), 
^ {gelden gebr.). 

Dénuer, (v. a.) Ontblooten , be- 
roóven, 

Dépaïfer. (Zie Depayfer) ^ 

Dépaqueter, (v. a.) Ontpakken^ 



\ DEP. 

f De par (prep.) ie Roi , van wegers 
den Koning. ■• ■> 

Dépareiller (v. a.) des gants &c. 
handfcbo,"ncn enz. ouspaaren. 

Déparer (v. a.) uh aut'el, een al- 
taar ontcieren. i ' 
. Déparier , (v. z,.) Ontpaaren,('U'ord 
van dieren gezegd). 

Déparler , (v. n.) Ophouden van 
fpreeken; il ne deparla point, zyit 
mond blindde niet. 

Départ, (m) Vertrek (n),reize(f) ; 
être fur fon départ , op zyn vertrek 
zyn ; eau dej départ , lepel-water f 
tot oplojfmg van goud cf zilver. 

Départager , (v. a.) De gelykheid 
der fiemmen verdcelen. 

Département, (m) To^gefchikt ge- 
deelte o/ quartier ff r hejlrering ofa.ö.- 
miniftratie , item verdeeling van een 
huis; b^lajling enz. 

Départie, (f) Jfreize, [oud w.) 

Départir, (v. a.) Uitdeden, ver- 
deelen ; het goud van het zilver fchei- 
den; départir des grâces, gunjl be- 
wyzen; fe départir, (v. r.) de fon 
droit , de fon devoir , van zyn reckt 
afflaan , van zyn pligt afvyken. 

Dépafler , (v. a.) IFeder Uithaalen, 
intrekken ; depaflez ce ruban , haal dar 
lint weder uit ; dépafler un vaifTeau | 
een fchip voorby zeilen, (zee w.). 

Dépaver , (v. ik.)\Een Jiraat of vloer 
opbreeken. 

Depayfer', (y.&.) Iemand verplaat- 
fen , uitlandig maaken ; doorjïeepen 
maaken; bedriegen; c'eft à la cour 
qu'on fe depayfe, aan bet hef leerd 
men modens. 

Dépècement 9 (m) Aan Jiukken hak- 
-kingiï). 

Dépecer > (v. 'a.) In Jiukken hou- 
wen , JJaan , fnydeh ; dépecer uu 
vieux bâtiment ,eenoudfchipfoopen. 

Dépêche , ( t ) Staats-hrief (m). 

Dépêcher, (v. a.) Afvaardigen ^ 
i'?ts fcbiflyk doen ; am bals brengen ,' 
van kant helpen; Ce dépécher, (v.r.) 
sich haajien , fpoeden. 

Dépeindre , (v. à.) Affebilderen ^ 
afmaaien , befchryven . 

Dépeint, einte (adj.) Afgefchit- 
deri enz. 

Dépendamment , (advO ^P^'^^" 
gelyker wyze, D§» 



DEP. 

Dépendance , ( f) Afhanf^elyiheid^ 
üanbang , aankleeven \ être dans la 
dépendance , van iemand afhangen \ 
chofe avec toutes fes dépendances, 
eene zaak met al baar aankleeven. 

Dépendant , ante (adj.) AJhctngen- 
de i afhangelyk; aller en dépendant, 
op de lywaarjle man pajjen; venir 
en dépendant , naar de lywaarJJe 
man zakken (zee iv.); fief dépen- 
dant , leer-goed dat verbefd word. 

Dépendre , (v. a.) Afueement af- 
hangen , dat opgehangen geweeji ts. 

Dépendre, \v,n.) Jjhangelyk zyn, 
aj hangen; la fortune des gens dé- 
pend foüvent de leur merite, het 
geluk der mevfchen hangd dikwerf van 
hunne verdienjien af. 

Dépens, (m. pi.) OnkoJJen , kos- 
ten , fchade (f), nadeel (n); vivre 
anx dépens d'autrui , op een an- 
ders beurs teeren; être condamné 
aux dépens , in de kojïen verwezen 
zyn (in Rechten). 

Dépenfe , ( f ) Uitgaaf , onkojîen ; 
fpin^ eetens-kas in een huis y faire 
une grofTe dépenfe , groote onkojien 
doen ', dépenfes fourdes , heimelyke 
uitgaven. 

Dé pen fer, (v. a.J Uitgeeven-, ver- 
teer en -y verkwijîen. 

Dépenfier , iere (adj. & fubft.) 
Verkwijlend ; vetkwtfter , doorbrengt r ; 
Jpys-meeJIfr. .^ 

Déperdition , (f) Ondergang (m), 
het vergaan (n). 

Dépérir , (v. n.) Verminderen ; 
vergaan; l'aimée d- périt, het léger 
verfmelt. 

Dépériflemenr, , (m) Ondergang 
(m), verval (n). 

Dépérrer, (v.a.) Ontwikkelen ; ^é- 
pêtrer un cheval , een paerd ttit het 
fiyk trekken; fe dépêtrer (v. r.) de 
quelcun ,z/V/^ van temand losmaaken. 

Dépeuplé, ée (adj.) Volkelaos. 

Dé peuplement, (m) Ow/vo/^m^ (f). 

Dépeupler, (v.à.) Ontvolken ,van 
volk ontblooteti ; dépensier un étang, 
une foret , een vyver van vifch , een 
hfch van hoornen of wildbraad ont- 

Dépilation,(f) Uitvalling van het 

iatr^ 



DEP. 205 ' 

Dépilatoire , (m) Zalve cm he$ 
bair uit te doen vallen (f). 

Dépiler, (v. a.) Het bair uittrek^ 
ken of doen uitvallen. 

Dépiquer, (v. a.) Verzetten^ ver^ 
zagten , vertrao/len ; cela me dépi- 
que de toutes mes pertes, dat ver^ 
zoet al myn fchade , (zelden gebr,). 

Dépifter, (v.a.) Van 't fpoorbren.. 
gen y (Jagers w.). 

Dépit , (m) Sfyt , kwelling ( f ) , 
verdriet (n); en dépit , in weer- 
wil. 

Se Dépiter, (v. r.) Ztch kivellen,^ 
vergrammen y toornig maaken, fe, dé- 
piter contre fon ventre, eenevoor^ 
deelige zaak laaten vaaren , (h>riW.). 

Dépiteux , eufe (adj.) Toornig , 
moeijelyk , gémelyk (van kinderen gez.) 

Déplacement, (m) Ferplaatzm^ 
Cf.'. 

Déplacer, (v. a.) Verplaatzen ', fe 
déplacer , van zyn plaats afgaan,' 

Déplaire , (v. n.) Mishaagen ; ne 
vous en déplaife, met uw verlof i 
fe déplaire , (v. r.) een misbaage» 
krygen ; nioeijelyk worden. 

Déplaifant , ante (ad].) Mishaag- 
lyk , onaangenaam ; verdrietig. 

Déplaiûr , (m) Ongenoegen , onge- 
neugte , misnoegen (n). 

Déplanter , (v. a.) Een plant ver- 
zetten. 

Déplantoir > (m) Tuinmans bûor ^ 
voor planten (f). 

Déplier, (v. a.) Ontvouwen, open 
doen y open leggen. 

Dépliffer, (v. a.) déplilTer une 
jupe, een' vrouwen rok ontplooijen. 

Déplorable, (adj.) Beklaaglyk^ 
jam mer lyk. 

Déplorableraent, (adv.) BekÏaag- 
lyk. 

Diplorer, (v. a.) Beklaagen , be- 
fcbreyen^ brweenen. 

Déployer , (v. a.) Ontvouwen; ver- 
toonen ; déployer fa puilTance en 
quelque chofe, lyw magt ergens tri 
doen blyken ; déployer les voiles, 
de zeilen los maaken (zee ty.) ; rire à 
gorge déployée, luidkeels lagchen. 

Déplumer , (y, a.) De veeren uit- 
trekken. (Zie ÏMumcr). 

De plus, (adv.) Daarenboven. 

De. 



20Ö DEP. 

Pépolîr (v. a.) de l'acier , de 
gUifts van het Jîaal afJoen. 

Déponent , (adj.) Verbe dépo- 
nent, een verbum deponens , ( r« 
Lat/jpraaH.), 

Déport , (m) payable fans déport, 
betaaWnar zor.der uitjlel ('" keckîen). 

Déporteraenta , (m.) Gedrag {t\), 
levensrvyze (f). 

Se Déporter (v. r.) d'une affaire, 
zicb eener zaak onttrekken, 

Dépofant , ante (adj. & fubd») 
Getuigeyidc ; afzpttpnóe ; een getuigen , 
eene getuige; dépofant, dépofante , 
(i« Rechten). 

Dépofer j (v. a.) Getuigen '^ van 
zyn ampt afzetten; dépofer de 1'ar- 
gent au gxèSeygeld in de grijjie leg- 
gen; il a dépofé contre elle, hy 
kceft tegen haar getuigd. 

Dépofitaire , (m) Een in wi-ens 
handen iets , om te beivaaren , gejleld 
is , een bewaarder. 

Dépofiteur, (m) De geever daar 

Dépofition , (f ) y^fzctting van een 
arnpt ( f) ; getuigenis (n) ; on a ju- 
gé fuivant la dépofition des té- 
moins , men heefi volgens het getui- 
genis der getuigen geoordeeld. 

Dépofféder , (v. a.) Iemand uit 
zyn bezit Jlooten. 

DépofleCiOn, (f) Omzetting , fioo- 
tin^ uit het bezit. 

Dépofter (v. a.) l'er.nemi , den 
vyand uit zyn pofl dryven. 

Dépôt ,(m) l-^ertrowwd goed, pand 
(n); verzameling van kwaade vogten 
in het ligchaam ( f) ; grond-fop , zetjel 
in een pis-glas (n)» 

Dépoter, (v. a.) Een^ plant uit een 
pot ncemen, < 

DépouiJle, ( f) *# l^el eener Jl an g ; 
çfgelegde kleêren ; inzameling van den 
oog! f ; kuit , roof dte men op den vyand 
kaatd. 

Dépouillé, ée (adj.)RfîiàepoDil- 
îé, een onttroonde Koning; jouer aa 
Roi dépouillé {zeker fpel);{fguurl.) 
t'zamenjpanning van veelen om iemand 
ten gro'tde te doen gaan. 

Dépouillement, (m) Beroovîng , 
ont doening (f). 

Dépouiller, (v. a.) Uitfchudden^ 
•nîkleeden, afflrgopcn , omblogitvn , bg- 



DEP. 

'i'ooven ; dépouiller une terre , âÊ 
vrugten van eenen akker inoogflen ; on 
l'a dépouillé de tous fes biens ymen 

heeft hem van al zyn goederen beroof J^ 
dépouiller fon humeur farouche, 
tyn' fluturfchen inborfl afleggen ; dé- 
pouiller le vieil hoinme, den ou- 
! den menfch afleggen; fe dépouiller, 
(v. r.) ziih ontkleeden , zich uitfchud- 
den ; il ne faut pas le dépouiller 
avant'que de fe coucher, mep moet 
zich niet cntblooten voor dat men te 
bedde gaat , {fpr. w.). 

Dépourvoïr,(v. a.) Berooven van 
't geene noodig is. 

Dépourvu, ue (adj.) Beroofd ^ 
ontbloot ; depourvu de fens , zin- 
neloos. 

Au dépourvu, (adv.) Onvoorziens^ 
onverhoeds» 

Dépravation, (£)l^erdorvendheidf 
ondeugd, ongeregetdbeid ; déprava- 
tion d'appetit > vreemde eet-luji. 

Dépravé, ée (adj.) Bedorven; on- 
geregeld, boos; goût dépravé, een 
verkeerde fmaak ; inceurs dépravées , 
bedorven zeden. 

Dépraver , (v. a.) Bederven , on- 
deugend maaken {van fmaak f» zeden 
gezegd). 

Déprécation , ( f ) Afbidding , af- 
fmpeking. 

Déprédation , (f) IWwoeJïing , 
plundering ; befleeling , (■■:'Wtv:ding 
van iets dat eenen anderen toebehoord. 

Dépréder, (v. a.) Marchandifes 
déprédées, geroofde goederen, (zvord 
verjiaan van iets dat geftrand is). 

Déprendre , (v. a.) Ontbinden, 
los maaken; déprendre deux chiens 
qui fe battent, twee vegtende hotiden 
fcheid^n , déprendre (v. n.) los gaan ; 
fe déprendre, (v. r.) zig ergens van 
ontdoen. 

Dépréoccupé, ée (adj.) Onbevoor^ 
oordeelde vry. 

De près , (adv.) Voir une chofe 
de près , eene zaak van naby befcbou- 
wen. 

DéprefTsr , (v. a.) Dépreflez ces 
livres là ^ baald die boeken uit de 
pers. 

Dépreflïon , ( f) Vernedering ; neer- 

drukking van een ligchaam door een 

ander 



DEP. DEQ. DER. 

mnder dat zwaarder u («« Natuurk.)-, 
gerinoe jiaax , 

Depri , {vci) Het aangeeven der uit- 
gaande ivaaren ; het aangeeven eener 
erffenis aan een' Leenheer. 

Déprier , (v. a.) Opzeggen ; aprèa 
m'avoir prier à dîner, il m'a en- 
voyé déprier , ua dat by my ten 
middag-maal genootfigJ bact , beeft hy 
my weder opgezegd» 

Déprier, (v. a.) Waartn ter uit- 
voer aangeeven ; den Leenheer het ge- 
erfde goed aangeeven , om 'er bet leen 
van te voldoen. 

Déprimer, (v. a.) Onderdrukken ^ 
verootmoedigen {beter rabaiiTer). 

Déprifer, (v.a.) Feragten, laaken. 

Se Dépromettre ( v. r. ) d'une 
affaire , aan een' zaak wanhoopen. 

Dépnceler, (v. a.) Den maagdom 
beneemen. 

Dépucellement , (m) Ontmaag- 
ding ( f;. 

Depuis , (adv. & prep.) Fan y ze- 
dert ; depuis peu , onlangs', depuis 
quand, zedert wanneer '^ cela s'eft 
pafTé depuis, dat is zedert , daarna 
omgegaan; depuis- que , zedert dat. 

Dépuration ^ (m) Reiniging (in 
Chym.), 

Dépuratoire , (adj.) Reinigend (in 
Chym). 

Dépurer , (v« a.) Reinigen (inChym,) 

Députation , ( f) afzending , be- 
zending. 

Dépnté , (m) Gezondene, afgezatft. 

Députer, (v. a.) jifzenden , af- 
vaardigen. 

Dequoi, (pron.) ÏVaar van-, de- 
quoi parlez vous/* waar var.fpreekt 
gy^ dequoi s'agit il? wat is 'er te 
doen .t watts het onderwerp? n'avoir 
pas dequoi payer, niets hebben om 
te betaaleny vous n'avez pas dequoi 
d'outer. , çy hebt geen reden om te 
twyfelen; avoir dequoi, ryk zyn\ 
il n'y a pas dequoi , bet is geendan- 
kens xvatrd', voilà bien dequoi vous 
mettre en peine , dat is waarlyk 
de moeite waard om u te ontrujlen. 

Déracinement , (m) UitroeijiKir (f ). 

Déraciner, (v. a.) Ontwortelen; 
tiitroeijen. 

Dérader , (v. n.) Ui$ de reê dry. 
vtn (Zee w.) 



DER. 207 

Déraifon , ( £) Onbillykheid, (wei- 
nig geb.) 

Dóraifonnable , (adj.) Onbetaame- 
lyk , onredelyk. 

Déraifonnablement, (adv.) Qnbit^ 
lyk. 

Déraifonnément , (m) Malle rede- 
neering. 

Déraifonnément, (?ià\\)Gekkelyk. 

Déraifonner, (v.n.) Molredeneeren. 

Dérangeaient , (mj IVanféhikking , 
wanorde ( f). 

Déranger « (v.a.) In wan orde bif en- 
gen , verplaatzeit ; van 't JJak afbren- 
gen ^ verwarren; fun premier argu- 
ment dérangea tout à fait fon ad- 
verûire , zyneerfie bewysreden , bvagt 
zynen tegendrnger geheel en al van zyn 
Jluk. 

Déraper , (v. n.) Uit de grond 
Jpringen, los raaken (Zee w.) 

Dératé , ée (adj.) Loos , lijli^ y un 
dératé, eenjltmme vos. 

Dérater, (v.a.) De milt uitfnydeft. 

Dérayure > ( f ) De laatjie voort 
die men maakt als men 't land ploegd. 

Derechef, (adv.) fFederom , nog- 
maals , op nieuw (oud w.) 

Déréglé , ée (adj.) Ongeregeld^ 
ongefchikt ; ambition déréglée , on- 
maatige (laats-zugt ; vie déréglée^ 
een ongebonden leven. 

Dérèglement , (m) Ongeregelâbeid^ 
ongefchikt beid , ongebo^denbeid (f)'; 
dérèglement de mœurs, bederving 
der zeden. 

Dérèglement, (adv.) Ongeregeld»^ 
ongebonden. 

Dérégler , (v. a.) In wanorde brev^ 
gen. 

Se Dérégler, (v. r.) Uitfpatter.^ 
verwddercn. 

Dérider, (v. a.) Ontrimpeten y glad' 
maaken ; (fg.) fe dérider (v. r.) ïrr- 
vroly^^en. 

Dérifion , ( f) Befpottifig , fehimp :, 
uitfagcbing. ' 

Dérivatif, ive (a^^j.) afkomende r, 
QorfpfOYigelyk (in fpraatk.) 

Dérivation, (f) Jfkomft , oor- 
Jjprong (m) (in fpraakk.); afdryving^ 
(ze o w.) 

Dérive, ff) AUer à U dérive, 
vervallen y wegdtyntn {zee w.) 

Déri- 



!iù3 DER. 

Dérivé, ée (adj.) Jfgekome» , o-j- 

pel}amd', ajgedreeven , vervallen. 

Dériver, (v. n. &c a.) ^fnoomen-, 
van zyn koers ufdryven; moc ^^}'^f- 
rive da grec » -woorJ van 't griekjch 
afkomdig > de river les eaux , les 
mots', de wateren, de woorden aflei- 
den ; dériver un clou, een geklon- 
ken fpyker los maaken. 

Dernier, iere (adj.) De laatjiei 
Ie dernier jour, de laafie dag - \e 
dernier desh^icmes, de er g Ji e der 
menjchen, une adion de la aernie- 
re cri^auté , een' daad van d'uiterjle 
ivreedhetd, ]> fuis dans Ie dernier 
ch^^rin , tk ben ten uiter/ien bedroefd -, 
avcir la de>niere obligation, de 
gr;:otfle verpUgting hebben ; en der- 
nier lieu, ten laatften. 
. D'amie renient, (adv.) A^« ladtfie- 
!yk, onlangs-, kortelings. 

Dérobé, ée (adj.) Gejlooleny efca- 
lier dernbê , een' heimelyke trop y 
des heures dérobées, ledtge uuren ^ 
tujfchey} tyds -, à ia dérobée , (adv.) 
fierliivyfo , in 't heimclyk^ 
. Dérober, (v. a.) Steeletg, ontwen- 
den; verbergen; votre maifon déro- 
be là vue à la notre , uiv huis be- 
neemd ons licht; dérober des fèves, 
boonen fcbillen ; fe dérober (v. r.) , zig 
pu u-e? paki.en ; fe dérober à la 
vue , uif het oog verdwyneti. ■ 

Dérogation , (f J Fernietiging ee- 
ner vorige Afte. 

Dérogatoire , (adj.) 't Geen tets 
vernietigd (in Rechten). 

Dérogeance, (f) Benadeeling, ver- 
minderir.g desadehoms. 

Dérogeant , ante (adj») Benadee- 
tend; opheffend. 

Dércger, (v. n.) a ure loi , eene 
wet verzwakken; Ie trafic déroge à 
la nobleffeen France , de koophandel 
vernietigd den adeldom in Vrankryk ; 
fans déroger à votre droit , zonder 
uw regt te beneemen , te benadeelen ; 
cela déroge à votre caradère , dat 
benadeeld uw caraéler. 

Déroider , (v. a.) De fïyfte benee- 
rnen , Jlap maaken. 

Dérougir, (v.n. &a.) Defchaam- 
te laaten vaaren j di roodbiid benee- 
men. 



DER. DES. 

Dérouiller, (v. a.) Den roep èr 
gens afdoen ; (fguurl) befchaaven. 
Déroulement , (m) Ontrolling (f). 
Dérouler, (v. a.) Ontrollen. 
Déroute , ( f) Nederlaag ; mettre 
en déroute , op de .vlugt dr y ven -^ 
mettre quelcunen déroute, iemand 
in een twifl reden doen verfiommen, 

Déroucer (v.>a.) quelcun , iemand 
van den weg ; van zyn oogmerk afhel- 
pen ; fe dérouter , verdwaalen. 

Derriere, (prep. & adv.) Achter-, 
par derriere , vamacbteren;^orx.i^ de 
derriere, achterdeur;. Ie. derriere, 
(f. m.) bet achterfie van ietsi. 

Dervis ,{m)Turkfche Monnik , Prie^ 
fïer. . 

Des , (Art. plur) des hommes , 
Menfchen , of van de Menfchen. 

Dès, (prep.) Dès te berceau, van 
de wieg af; dès aujourd'hui , van 
heden af; dés que je vous vis, van 
het oogenblik dat tk u zag. 

Déiabufement', (m) Onderngting 
(f). 

Dérabu^er,(v.a.)0«^<?rn??^«,^'ö«, • 
den dwaalweg , of uit den droom helpen , 
van eene andere en betere meemng doen 
worden; fe défabüfer , betere begrip- 
pen vormen , zy7ie dwaling ontdek- 
ken , 

Défaccorder , (v. à.) Ontflellen 
(van rpeeku'gen), 

Défaccoupler , "(v. a.) Ontkop)e- 
len, ontfpannen. 

Délaccoutumance, ( f) Afwenning , 
ontwenning (weinig geb.) 

Défaccoutumer , (v. a.) Ontwen^ 
nen ; fe défaccoutumer, (v. r.) ztg ' 
ontwennen. /^ t>»' 

Défachalander, (v. a.) (Zie De- 
cbalander.) . 

Défaffieurer, (v. a.) Scheef, niet 
water -pas bouwen , óf meet en. 

Défaffourcher , (v. a.) Het vertul- 
anker ligt en. 

Défagencer , (v. a.) Ontfchtkken. 
Défagréable, (adj.) Onaangenaam 
onbevallig. r>, i ' 

Défagréablement , (adv.) Onbe- 
haaqlyk , onaangenaamlyk. 
Délagréer, (v. nj Mishaa^en. 
Défagréer (v. a.r un Vatireatt» 



een Scbip Qottokeka* 



Defa- 



DES. 

'Uéfagrément , ;^m) Onbevallighetd 

(h. 

Défaigri, ie (adj.) Ontzuurd. 

Défairer , (v, a.) Ken roof vogel 
uit zyn nep haaien of jaagen. 
' Déraju(ler,(v.a.) Omfc hikken y ver- 
warren ; van zyn gang helpen. 

Défalcérer, (v. a.) Den dorjl les- 
fchen, 

Défancher , (v. a.) Het momijluk 
' va)i een blaas-xnCivxxraent afneemen. 

Défancrer . (v. a.) Het anker ligtcn. 

Défappareiller, (v. a.) Onrpaarcit. 

Défappliquer, (v. a.) aftrekken, 
{vcin c nig^ bezigheid). 

Défappointer j (?.a.) De bezolding 
ontneemen. 

Défapprendre , (v. a.) f^erleeren, 
ont Zeeren , vergseten. 

Défapprobaceur, (m) ^/keurder. 

Défappropriatïon , ( f ) Overgaa- 
ve des eigendom s . 

Se Défapproprier , (v. r-) ^ig 
van eiqene goeder e fi ontdoen. 

Défapprouver , (v. a.) afkeuren y 
wraaken. 

Pélkrborer , (v. a.) Een majl of vlag 
Jïryken , neerlaat en. 

Défarçonner , ; (v. a») Uh de za- 
del ligten ; défarçonner quelcon, 
iemand buiten ^oüuar brengen, ver- 
légen maaken. 

D:^rargenter, (v. a.) Qmzilveren. 

Défarmé, ée (adj.) Ontwapend. 

Défarraement , (m) Onttakeling , 
ontwapening ; afdanking ( f), 

Défarmer, (v. a.) Ontwapenen', 
onttakelen {van Krygil. en Scheepen 
gezegd) , iemands gramfcbap verzag- 
ten. (f^iurl.) 

Défarranger, (v.a.) Vanzynptaats 
zetten , verplaatzen {Zie déranger). 

Défarroi , (m) Etre dans un tri- 
fte défarroi , in een arme en elendige 
toejland zyn. 

DéfaflTembler , (v. a.) Scheiden, 
uitmalkander doen, 

Üéfaffbcier , flr# a.) Gezelfchappen , 
eompagniefchappen fcbeiden. 

Défaflbrtir , (v. a.) Iets y dat by 
malkander pafl , fcheiden. 

DéfafTurer, (v. a.) Iemand onze- 
ker maaken, omtrenf ats dat by f e 
V09rgn geloofdf. 



DBS. sLoi 

Défaftre, {m) Rampfpoed (n) , ofi-; 
hei-l , ongeluk (n). 

Défaarcux, eufe (adj.) Ongelukkig 
{by Dicht,) 

Dt'fatrifler, (v. a.) Troofien y ver» 
blyden. 

Défavantage , (m) F'erlies (n) fcha^- 
de (f) ; ceia eft à fon défavanta- 
ge , daijïreki tot zyn nadeel -^ ils fu- 
rent vaincus par le défavantagedüi 
lieu , zy wierden door de nadeelighetd 
der plaats overwonnen, 

Défavantager , (v. a.) Bmadeelertc 

Défavantageufement, (adv.) iVia- 
deeli^lyk. 

Dèfavantageux, eufe (adj.) Scba^ 
delyk , nadeelig. 

Défaveu, (m) Ontkenning iloogchâ' 
ning , contrarie- wré-wm^ < (). 

Défaveugler^(v. a ) Zi'nde maà' 
ken , de cogen openen ; onJerrigten. 

Défavouer , (v. a.) Ontkennen -, ap- 
Jlemmen,, afkeuren ; défavouer uli 
crime, eene misdaad ontkennen 't défa-^ 
vouer quelcun pour Ion ûis^iemané 
voor zyn zoon niet erkennen. 

Défceller , (v. flo) Het zégel of- 
neemen, 

Defcendance^ (f) ^fkon^jl, jîam. 
{m) , gejlaôht (n). 

Pefcendant , ante (adj.) Afdaa-^ 
lende , afkomfiig , fpruitende ; alleç 
en defcendant la montagne , vat» 
den berg nederwaarts gaan^ 

Defcendants , (m. pi.) Nakomelif!^ 
gen y na-neeven , het nagejlaéht- 

Defcendre , (v. n«& a.) afgaan , af^ 
klimmen, neérdaalen, neerlaten, af" 
loQpen ; afkomfiig ^ zyn ; afftammenf 
defcendre à terré , voet aan larttt 
zetten i de fcandre de cheval, van 'fi 
paerdjlygen ; defcendre dans Ie dé-» 
tail , iich in byzonderheden van eepk 
zaak inlaat en; defcendre la riviè- 
re, de rivier afvaar en, af komen ; dt'^ 
fcendre les degrés j de trappen af., 
gaan', defcendre an inftrumeni; de 
raufique à cordes , een fkaar-JpeeU 
tuig laagerjlelten ; defcendre^ vin 
dans la cave , wyn in de kelder af. 
laaten ; defcendre nn tableau ,' eeri 
fcbildery afneemen; il croît être dé- 
fcendu de , hy meent afkomfiig u 
zyn vani Tes cheveux lui d^f£en", 



tto DES. 

dent jusqu'à la ceinture , zyn haïr 
bangd bem tot de middelen toe -, la 
marée defcend, de vioed gaat af, 
bet ebt % defcendre Ia garde , 'van de 
wagt aftrekken. 

Defcendu, ue (adj.) ^fgeklommen, 
neergelaten , enz. 

Defcenfion, (f) Het ondergaan 
eener Jlerre (n). 

Defcente, (f) Jfkomji , afgang ^ 
uedergang , af klimming j neérlating met 
een katrol; landing-, vyanJelyke in- 
nfal ; bangenJe goot ; een breuk (;n 
Heeli.) ; zakking van 't •voedzel in de 
maag;£3.ire une defcente, eene lan- 
ding, inval doen; à la dercsnte, tn 
'f afkomen. 

Défcription ^f) d'un païs , Be- 
fchryving van een land. 

DéCemballage f(m)Ontpakkittg ( f). 

Déûmballer , (v. a.) Ompakken. 

Défembarquement , (m) Qntfchee- 
ping ( f )• 

Défembarquer , (v. a.) Otttfchee^ 
pen, loffen. 

Défèmbourber , (v. a.) Uit de mod- 
der trekken, haaien-, vif ch verwateren. 

Défemparer , Tv. n.) rerlaaten-, 
défemparer un lieu, een plaats rui- 
men-, déftraparer un vaifTeau , een 
febip reddeloos f chieten, (zee tir.) 

Défempenné, ée (adj.) yéderloos, 

Défempefer , (v. a.) Hetjlyfzel uit 
bet linnen doen. 

Défemplir, (v. a.) Ledigen, 

Défemprifonnsr, (v. a.) Utt de 
gevangenis ver loffen , ontjlaan. 

Défenchantement , (m) Onttóve- 
ring (f). 

Défenchanter, (v. a.) Onttoveren. 

Défenclouer, (v. a.) De te diep 
geflagene boef-nagels uittrekken. 

Défendorrair , (v. a.) fFakker maa- 
ken. 

Défenfler, (v. n. & a.) Stinken , dun- 
ner worden of müaken. 

Défenflure, (f) Slinking. 

Défengager (v. a.) ou retirer jZ^o^- 
fen (een pand). 

Défenger, (v. a.) f^an ongedierte 
zuiveren. 

Défengréner, (v. a.) Haver ont- 
houden. 

Défenivrer , (7. a.) Qmnucbteren -, 



DÈS. 

fe défenivrer, (w,r. )nucbteren ivor^ 
den. 
Défenlaceraenc , ( m ) Ontvlegting 

(f)- 

Défenlacer, (v. a.) Ontvlegting-, 
fe défenlacer, (v. r.) zicb uit de 
firjk redden. 

Défennayer, (v. a.) d'OrUufï ver- 
dryven, la leeture défennuye , bet 
leezen verdryft d'or.ïuji j fe défen- 
nnyer, (v. r.) Zich verlufïigen. . 

Défenrayer , (v. a.) De fpaak uit 
een vt'iel trekken. 

Défenrhumer, (v.a.) De verkoud- 
heid ver dryven. \ 

Défenroier, (y. a.) Jfdanken , van 
de rol uitfchrappen. 

Défenrouer ^ (v. a.) Heesheid ^ 
fchorheid ver dryven. 

Défenfabler, (v. a.) Uif bet zand 
redden , vlot krygen» 

Défenfeigne'r (v.a.) quelque cho- 
fe à quelcun , iemand iets verleerea^ 
afleer en. 

Défenfevelir, (v. a.) Opgraaven, 

Défenforceler, (v. a.) Onttoveren. 

Défenorcellement , (m) Onttove- 
ring , (£). 

Défentêter, (7. a.) Uit bet hooft 
praat en. ^ 

Défentortiller, (v. a.) Losdraai* 
jen, ontwinden. 

Défentraver, (v.a.) Ontkluijieren. 

Défenvénimer , (v. a.) 't Vergift 
verdryven , daar van zuiveren. 

Déféquiper, (v. a O Onttakelen, 

Défère, (n) fVoefiyn y wildernis, 
woefleny ( f ), 

Défert , te (adj.) IVoefi , onbewoond^ 
païs défert, ivoefl land; champ dé- 
fert j onbebouwde akker -, appel dé- 
fert 1 verzuimd appel. 

Déferter (v. a.) un païs, een land 
verwoeJJen, toteene woejlyne of wilder^ 
nts maaken ; déferter un lieu , een 
plaats heimelyk verlaaten ; déferter 
quelcun , iemand in de vreemde ach- 
ter laaten; déferter, (v. n.) weg- 
hopen , afJroffen van zyn Regiment. 

Déferteur, (m) Overlooper , weg- 
haper ; verlaaser van een gezelfchap 9 
band' werk enz. 

Défertion, (f) P^fTÏaating; weg^ 
looping i verzutming {in Retbten)* 



DES. 

A la ddfefpérade , (adv,) Op een 
dolle wyze. 

Déftfpéré, ée (adj.) fTanhoopig; 
l'affaire eft défefpérée, Je zaak is 
ioopeloos; c'efl: un défefpéré , où un 
déterminé, het is een dol ^ onver t- 
zaagd menfch ; en de f» fpérés , als 
wanhoopige f dolle menfeben, 

Défelpérérnenc j(adv.) Qnvertzaag- 
delyk, 

Déiefpérer, (v. a. & n.) In wan- 
boon 'brengen , boopeloos maakcn ; wan- 
hoopen ; fe déiefpérer , (v. r.) boo- 
peloos worden, 

Déferpoir, (m) Wanhoop ((). 
Dc-^habillé, {in)Een nagt gewaad, 
Déshab'Uér, (v. a.) Ot.tkleedehi 
fe déshibiller , (v. r.) zich ontkleeden. 
Déi;habice , ée (adj.j 0>ibewcQnd. 
Béshabir.s-r t(v,a.)Ónbewoo*id maa- 
ien , (is onbruikl.)^ 

Déshabituer, (m) Ontwennen; fe 
deshabicuer, (v. r.) zich ontwet7ntn. 
Déshérence, (f) Erffems aan den 
Leenheer vervallen , uit gebrek van 
wettige erven. 
Déshériter, (v. a.) Onterven, 
Déshonnête , (adJ.) Oneerlyk jfcban- 
delyk, 

Déshonnêtement , (adv.) Oneer- 
lyk^ onfatzoenlyk» 

Déshonnêteté, (f) Oneerlykbeid , 
fchande. 

'Désh.onnexir^{m)Oneeryfchande{Ï). 
Déshonorable, (adj.) Ontéerende, 
fcbandelyk. 

Déshonorer , (v. a.) Onteeren , 
Jchenden. 

Déshumanifer , (v. a.)Ontmenfcben. 
péQgnacif , (adj.) aanduidend, 
Défignation , ( f) Aanwyzing, 
Défignêr (v. a.) qüelcan, iemand 
aanwyzen , te kennen geeven , benoemen* 
Défincorporer , (v. a.) Van zyn 
ligchaam aj[fcheiden, 

Définence , ( £) Uitgang, einde van 
een woord (in fpraakk.), 

Définfatuer , (v, a.) Van een zotte 
waan of inbeelding geneezen. 

Définfeder , (v. a.) Van befmetting 
zuiveren. 

Définfe^lion, (f) Getieeztng daar 
van, 

Péfinterefféjée (adj.) Onpartydigf 
zondgr eigen belang , vry. 



. DES. Êït 

Défintéreflemcnt , (m) Onbaatzug.- 
tigheid. 

Définterefler (v. a.) quelcun, ie- 
mand belangeloos , vry maaken, 

Délir , (m) Verlangen (n) , begeer-^ 
fe ( f). 

Défirable , (adj.) fVenfihelyk, 
Délirer , (v- a.) Be^eere» , verlan^ 
gen , wenfcben, 

Défireux , eufc (adj.) Ftrlangen" 
de y hegeerig. 

Déüitemciic, (m) Jlfjland* 
DéSftv-r, (V. a,) fe déiiller , (V. r.) 
Afjïaan van tets, 

Dèslà , (adv.) Van daar af, 

Déiiiaëe , (m) Scheiding { {), 

Dés lors, (adv.) Van toen off van 
die tyéfaf. 

Désobéir , (v. n.) Ongehoorzaam 
zyn, 

DésobéïfTance j ( f ) Ongehoonaanf 
beid, 

Désobéiffant , ante (adj.) Onge^ 
hoorzaam. 

DcsobligeaiEinent, (advO Onheus 
fcbelyk. 

Désobligeant, ante (adj.) Onbc 
ieefdy oüvriendelyk, 

Désoblii/er, (v. a.) OndienJJ doen ^ 
ongerioegen geeven. 

D^^occ'Tpation , [(f) LéJigheid^ 
verliciigi:7g. 

Désoccupé j ée (adj .) Zonder ham 
zigheid. 

Désoccuper, Cv. n.) fe dé^occu- 
per , (v. r.) Zicb <i>er ledigen y van bé-^ 
zigheid ontdoen. 

Désœuvré, ée (adj.) Ledige zon" 
der werk. 

Défolant , ante (adj-) Verwoeflend^ 
mistroojiend. 

Défolateur, (m) Verwoefler, 

Défolation , ( f ) Verwoejiing, ver^ 
floofing; droefheid, bekommering. 

Défolé, ée (adj.) Bedroeft ^ ver^ 
woejl. 

Défoler, (y.a,)Venvoeflenfbeder'> 
ven ; bedroeven. 

Défopilatif , ive (adj.) Openend^ 
(in Geneesk,). 

D'^<opilation, (ï) Opening, 

Défopiler, (v, a.) De verjioppifi" 
gen w'egneemen , (in Geneesk,). 

Désordonné, ée (*dj.) Vie dés- 

O a «f- 



212 DES. 

ordonnée, ongeregelde tewnsivyze. 
Désordcnnémçnc, (adv.) Onma- 

Défordre , ( f ) JVanorde , verwar- 
tittg , ongpfchiktheidy Jlordiiiheid, 

âéfbrienter , (v. a ) Iemand utt 
zyn land voeren ; een zonne-wyzer ver- 
zetten ; iemand tn "jerwarring , cfvan 
zynftuk brengen. 

Déformais, (adv.) /^^« «« voort- 
aan , in 't toekomende. ' 

Déforner, (v. a.) Qfitcieren. 

Défüfler, (v. a.) Het been utt bet 
vleefch doen. 

Défourdir, (v. a.) Ontweeven , los 

maahen. ,^^ , , . 

Defponlktion , (f) Trouwbelofte. 

Öefpotat , (m) Land of waerdig- 
heid eener onbepaalde o/ defpotifche 
Regeering. 

Defpote , (m) Willekeurig Vorjl ; 
item titul van den Vorji van Walla- 
chien (Defpodar). 

Defpoticité , (f) Willehurige 
maçkt. 

Defpotique , (adj.) Oppermagtig , 
^v^llpkpurig , zelfs heerfchend. 

Defpotiquement i(a.àv.)Oppermag' 

ffglyi- 

Defpotifme, (m) Onbepaalde magt. 

Defpumation, (f) Jffchuiming{in 
r^» Apotheek)* 

DefpnTOçr, (v. a.) Affchuimen. 

DeQOuamation , (f) Jlfneeming der 
rcoven van wonden (in Heetk) 

Defiacrer , (v. a.) Ontheiligen , ont- 

weiïen. x ^r . . 

DdTaigner, (v. a.) Huiden van 't 
bloed reinigen. 

Deflaifir , fe deffaiür (v. r.) d'un 
gage, een pand terug geven, vaaren, 
glippen laatpn, 

Deflaifliffement , (m) Loslaattng, 
ever^evin^ , glipping , van iets dat men 
vali^had'd). 

DeffaiTonner, (v a.) Buiten tyds 
ploegen of zaajen. 

Deflfaler , (v. a.) Ontz&uten , wee.- 
ten. 

DelTangler (v. a.") un cheval, 
een paerd de buikriem los macken, 

Deflaouler ou delTouler fv. a. & 
n.) Nugttren maaken -, nugteren ivor- 
éen» 



DÈS. 

DelTéchement , (ni) Uitdrooging y 
ver dor ring , vermager ing (f). 

Deffécher ,(v.a.) Uitdroogen ; ver- 
dorren ; vermageren , uitteeren. 

Defllein , (m) Voorneemen , oo^- 
merk fn), tOfJpg (f)j ontwerpt (n) f 
afrekening , affchêtzing (f) ; à des- 
fein , (adv.) met opzet , met voor^ 
dagt, met oogmerk. 

Deffeler, '(v. a.) Ontzaadelen, 

DefTerre , (f) Il eft dur à la 
deflerre , hy isvajl houdend, keurig. 

Deflerrer , (v. a.) {van ferrer) 
Omfluiten , los maaken. 

DeflTert , (m) Het nageregt , het 
deflTérc (n). 

Deflerte, (f) Het overfchot eener 
tafel ; het verrigten van een kirkbe- 
diende (n). 

Deffervice , (ra) Ondienji (m) , na- 
deel (n) , trek ( f). 

DefTervir, (v. a.) Iemand ondienji 
doen; de tafel opneemen-, eene kerk cf 
dienfi daar van waarneemen . 

Defficatif, ive (adj.) Opdroogende 
{in Meelk.) 

Deflication , (f) Opdrooging der 
voeten. 

Deffiller. {Zie déciUer). 

Deffinateur , (m) Tekenaar , teken 
meefter , fchetzer. 

Deffiner , (v. a.) Tekenen , affchet- 
zen. 

Deflbler , (v. a. ) Den hoef van \ 
eens paards voet afdoen ; de landsdouw ,t 
veranderen. h 

Deflbucjer, (v. a.) Het foldeerzet'f 
los maaken. - ^ 

DefTouIer. (^/V deffaouler.) ; 

Deffous , (adv. prep. & fubfi:.) ;, 
Onder, hei o^derfie : tirez cela de| 
delTons la table, haald dat "jan onder 
de tafel iveg ; être au defl'ous dé- 
quelcun ) beneden , onder iemand, min^ 
der zyn, pardenbus, onder-, ùe óe 
fous, van onderen', fens deffus des* 
fous , hrt onderfle boven ; over kop' 
overjftaart yin de tvar, in den holbel •, 
bas de de flous, onderkoujfen ; avoif 
du deflbus , onderleggen , overmand 
zyn -f Ie deflbus du pied ,^ het onder- 
fie, de zool van de i'o^f; vingt ans& 
au deffous ; 20 jaar en daarzonder, 

Deffus, (adv. prep. & fubtt.) Bo~ 
vtnj 



â 



DES. 

ven^ op', cy dtiFus, hier hoven -, par 
deflus, ^o-yf/; , lan bovet$; daar en 
boven-, lever les yeux de défias el- 
le , d'oogen van haar aJÜraaijc/t ; par 
defTus tout cela , hrjcn dit aljes-, 
m'ayanC paie, il rac donna encore 
quelque chpfe par dtilus, my be 
taald hebbeiide , gaf hy my njq iets 
daar en boven; fauier par deflfus le 
cheval , over 't paard he^'n fpringen ; 
cela tonabn de défias la table , dat 
viel van de tafel af; au défilas de 
lui , boven hen* ; au defifus de la na- 
tuie, boven de natuur; il eftau dcs- 
fus du vent, hy ts boven de wind ^ 
hy beeft de loef; il loge au defi'us , 
hy ivoond boven op ; brifons là deffus ) 
laat ons daar affcbeiden\ je lui par- 
lai làdefl*us , ik jprak hem daarover; 
le deflus, het bovenfïe ; ra-^ttre le 
defi'us, het opfchnft fchryven; avoir 
]e deffus , de overhand hebben; le 
deflTus du vent, de loef {zee w.); Ie 
Uefiàis , de boven-Jîem , (in mufiek.)i 
prendre le defilus, de quelcun , de 
booger hand van iemand neemem le 
par deflus (m) y de over-maat, toe~ 

Deftin, (m) Befcbik, noodlot ^ iets 
dat over iemand beJJooten en niet te 
ontgaan is. 

Deltination , ( f) Schikking tot iets ; 
loS'plaats van een Schip. 

Deftiné , ée {^à].)Gefchikt,hefîemd ; 
vaifleau deftiné pour un certain 
■port, fcbip dat naar een zekere ba- 
ven hevragt is. 

Deftinée , ( f) Ongeluk , noodlot (n). 

Deftiner (v. a.) Toefchikken , toe- 
leggen ; on Ie deftxne à 1'eglife , 
men fchikt hem tot den herhen-dienft. 

Deftituable, (adj.) Die afgezet kan 
^ivorden {van ampten gez.) 

Deftituer , (v. a.) Afzetten {van 
ampten) ; berooven , ontbhosen van 
goederen enz. 

Deftitution, (f) Ontblooting, be~ 
rooving , afzetting, 

Dfiftraûeur , trice (m. &; f.) f^er- 
nielder , verivoefler ; vemielfïer. 

Deftruftion , (f) Verwoefling ( f ) , 
endergang (m), 

Défunion, (f) P^erdeeïing^ fchei- 



DES. DET. 2T3 

Défunir, (v. a.) l^erdeeteny fcbei- 
den ; tiveedragt ntaaken. 

pécachement , (m) Affcheiding^ 
afzondering van aardfchg dtngeo (f) » 
afgezonden krygshoop. 

Détacher, (v. a.) Ontbinden ^ ont^ 
hegten, los maaken; affcheiden; vlak'» 
ken wegneemen j décacher un ta- 
bleau > eene fchildery afneemen ; dé- 
tacher les flegmes > de fluimen los 
maaken ; détacher quelques trou- 
pe», eenrge troepen afzenden; fe dé- 
tacher, (V. r.) zig los maaken f ont- 
doen; los gaan f openen; fe détacher 
du monde , zig van d« ivaereld ont- 
doen y losmactken; pièces détachées, 
buiten werken i» eene vefiing ', feuil- 
les détachées, /o/T^ ofbyzondere bla- 
den. 

Détacheor , (m) Een die de vlak- 
ken uit de kleedcren doed, {^te dé- . 
graifiTeur). 

Détail , (m) Vendre en détail, 
by het flukofin 't klem vtrkoopen ; fai- 
re un détail de quelque chofe, iets 
"jan fluk tot ftuk ver baal en; un détail 
fâcheux ) een' verdrietige ivydloopig-, 
beid. 

Détailler , (v. 3.) Klein fnyden 5 
•'« '/ klein, of fluks VDyzeverkoopen , uit- 
fnyden y uitventen ', eene zaak in 't klein , 
omjlandig verbaaleîi. 

Détailleur , erefTe (m. & f.) 
Kraamer f uitventer; uitfnydjier. 

Décaiilifte , (m) Een liefhebb&f^ 
om iets breedvoerig te verbaalen, 

Détaïer y (v. a. & n.) öpkraamen 
{als waaren); ixeggaan, 

Détalinguer, (v. a.) Het ankers 
touw los maakgn. 

Déteindre , (v. a.) Ontvenven^ 
de kleur heneemen. 

Dételer, (v. a.) Uit [pannen {als 
paerden ofojftn)». 

Détendre (v. a.) un arc , een' boog 
ontfpannen; détendre les voiles, de 
zeilen afiieemen, los maaken» 

Détenir, (v. a.) yajl houden ^ ge- 
vangen boude» , terug houden , verbin- 
der f n 5 détenu ,ue, in hegtenisyin 't 
ziekbed gehouden. 

Détente, (f) De trekker, van een 
vuur-roer. 

détenteur, Çjice (ta. & t) Sc» 
3 ' '4i» 



2Ï4 DET. 

^die een ander zyn goed terug houd. 

Détention , (f) l^'ajihouMrég in 
hegtenis f bewaar ing , verbinder itJff , 
teru^ houding. 

Décerger » (v. a.) 4f voer en , reini- 
gen (in Geneesk.) 

Détérioration , (f) ^erderving, 
verjlimmering. 

üéiériorer » (v.a.) Verergeren, be- 
derven (in Rechten). 

Déterrainacif, ive (adj.) Bepaa- 
lend , vaOJJi^Uend. 

Détermination j ( f ) Bepaaling y 
vajîjîellingr 

Déterminé , ée {&d].)Befiooten ,be- 
paald; Jlout , onverfcbrokkenyonvert- 
zaagt yOHvertnoûd i c'eft un détermi- 
né, /^ff is een ivaagbals -, een dolkop; 
en déterminé > als een dolle» 

Déterminénjent, (adv.) Bepaal- 
der wyze ^ item onverfcbrokkener 
wyze. . 

Déterminer , (v. a.) Bejluiten , be- 
paaien ; iemand tot iets beweegen -, ce- 
lar détermine le mouvement de ce 
côté là, dat bepaald , ofrigt de be- 
fveeging na die kant. 

Déterrer, (v. a.) Opgraaven-, ont- 
dekken .. uitvinden. 

DéCert'eur , (m) Opgraaver-, ont- 
dekker {van iets). 

Déterfif , i"e (adj.) Reinigend, zui- 
verend (tn Geneesk.), 

Déteftab e i{^à].)f-^erfoeîjelyk fgru- 
welyk f ajfchuwelyk. 

Déteftabiement , {2i.ày.)Grou'welyk. 

Déceftatioîi, (f) ^fgryzing , af- 
fchuuiv. 

Détpfler, (v. a) F^erfoeijen, ver- 
affchuwwen. 

Détignonner, (v. a.) Iemand het 
ha'r v.tmkk'n., {gem. w.) 

Détïrer , {v.&.)Uit-reitken (als hn^ 
i2en);uit malkander trekken. 
' Détifer (v.a.)le feu, het vuur in 
reUnen^ ulîdoeno 

Dé'ounation, ff) Kraakîng der 
jicffcn in eea fmcltkroes. 

Déunncr, (v. n.) Kraaken', uit 
der. icon vallen (in Muziek). 

Détordre , (v. a.) Ontwringen ^ los 
draaije-'?', fe détordre le pied, zyn 
n^oîi terivringen, vet wrikken, 

Dfctorquer , (v. &>) Verdvaaijen ^ 
{eine meening)» 



DET. 

Détors , orfe (adj.) {van détordre) 
f^eru rongen. 

Détorfe , (f) Verwrikking , ver- 
rekking , ivreeking , wrikking. 

Détortilier, (v. a.) Ontvlechten ^ 
lasdraaijen, 

Détouper , (y. a. ) Omjloppen , 
openen. ■ 

Détoupillonner , (v. a.) D'onnut- 
te takken van een oranje -boom af- 
fnoeijcfi. 

Détour, (m) Een omweg (m) , af^ 
ivendifïg 'y kromte (f); chercher des 
détours, omivegen, uitvlugten zoe- 
ken i détour de paroles, wydloopig- 
heid van woorden , omweg. 

Détcrurbier, (m) Hindernis ^ jloo' 
^'*^S (^)' hinderpaal (m). 

Détournement , (m) ^fivending , 
afleiding, verhindering (f), ' ■ 

Détourner, (v. a.) Afwenden, af- 
leiden ; détourner quelcun de fon 
chemin, iemand van zynen weg af- 
brengen -, détourner fes effets, uyne 
goederen verJJeeken , 'verbergen ; dé- 
tourner quelcun de fon deflein , 
iemand van zyn oogmerk afbrengen ; 
détoarner Ie fens d'un paflage,(/é>ö 
zin van eentext verdraaijen ; fe dé- 
tourner, (v. r.) ter zyden gaan-, zich 
a/wenden, 

Détrafter (v. n.) de quelcun , if- 
mand lajieren , fchenden, eer-roovenm 

Décrafteur , ( m ) Jgterklapper > 
kwaadfprs'eker , lajleraar» 

Détraftion, (f) Agterklap, eer^ 
rooving. 

Détraper, (v, a.) Los maaken,be~ 
vryden (dat in een val gevangen is). 

Détraqué, ée (adj.) Moulin dé- 
traqué i OKtJielde tnoolen. 

Détraquer (v. a.) un horologe , 
een uurwerk ontÛellen', détraquer une 
compagnie , een gezelfchap op den 
doolweg brengen; détraquer un che- 
val , een paerd zyn goede gang doen 
vergeeten (in^de Ryfcbool). 

Décrem.-e, (f) Peindre en dé- 
trempe, met water-verw fchilde^ 
ren. 

Détremper (v.a.) du hareng , ha- 
hng weeken ; détremper de la chaux, 
de i'acier, kalk hejiaatfs faal zagt-, 
tnaaken, , , 



DET. DEV. 

Détreffe , (f) y^ngji, benaautvd- 
heidt kommer. 

Détriment , (m) Schade ( f ) , vér- 
ités y nadeel (n) , (»« Rechten). 

Détroit, (m) Zee- ojLind-cngfey uit- 
Jlrekking van 't Rechtsgebied (f) ; dé- 
troit de Gibralter, de'Jiraat van Gi- 
bralt er. 

Détromper, fv. a.) Onderrigten, 
uit den dut helpen ; Ce détromper, 
zicb van dwaalhrg hertellen. 

Détrôner , (v. a.) I^^an den trcon 
Jiootenof zetten , omtroonen. 

DétronfTéjée (adj.) Faire unevi- 
Cte en robe détroafTée, een plegtig 
bezoek afleç^gen , {fpr. w.). 

DétroufTer, (v. a.) Ne ér laat en y 
herooven; détrouiTer une jupe, eeu 
opgefpelde rok neerlaat en-, on i'a dé- 
troufTé én chemin , men heeft bem 
onderwegen uitgefcbucf. 

Décrouffear"^ (ra) Een 8ruik-roover, 
dief. 

Détruire, (v. a.) Vernielen, ver^ 
MDoefieny verdelgen. 

Détruit, ice (adj.) Verdelgd, ver- 
nvoefi. 

Dette, (f) Schuld', dettes avives 
& paffives jfchulden die men te vorderen 
en tebetaalenheeftiContraLâernne det- 
te ,eene fcbuld maaken -, ètte noyé de 
dettes, fo^ de ooren toe infchulden zitten. 

Dévaler , (v. a.) Neêrdaalen , neêr- 
taaten ; dévaler un chaudron , een ke- 
tel laager hangen {beter defcendre). 

Dévalifer, (v. a.) Berooveri; on 
l'adévalifé^mew^f.?// hem uitgeschud. 

Devancer, (v. a.) Vooruit gaan-, 
overtreffen; devancer l'aurore, voor 
den djgeraat opjiaan', il Ie devance 
en tout , hy overtreft bem in alles. 

Devancier, iere im, & €,) Voor- 
zaat , Voorzaatin {in ampten); les 
devanciers , de Voorzaaten , voor- 
ouderen {beter prédéceffeur). 

Devant , (fubfl. adv. & prep.) Le 
devant d'un logis, het voorde ge- 
deelte van een huis-, aller au devant 
de quelcun , iemand te gemoet gaan; 
aller au devant du mal , het kwaad 
Jiuiteny aller au devant de l'enne- 
mi > tegen den vyand aantrekken ; bâ- 
tir fur le devant, dik, gezet avor- 
den; prendre les devants, de voor- 
togi oemm j VQQr^f vaaren 3 </(? ^as 



DEV. SLjs 

afwtnnen; marcher devant j voorutt 
gaan ; par devant ,ï>a« vooren; pren- 
dre le pas devant i de voortred nee* 
iT7en; comparoitre devant le Juge, 
voor den Rechter verfchynën; devant 
la porte, i;oor dè deur; demeurer 
devant (vis-à-vis) i'Ji^iife, tégen 
over de Kerk woonen; j'irai devant 
vous , ik zal voor « gaan ; remettre 
quelcun fon devoir devant les 
yeux , iemand zynen. pîigt voor oogen 
houden of fi ellen; ötez vous de datant 
moi, gaat uit myn oogen. 

Devant , ante (part, van devoir) 
fchuldig zynde. 

Devanteau , devantier , (m) Een 
voorfchoot , fchorts-kleed (n), {2^ie Ta- 
blier). 

Dévaflation) (f) Verwoefiing. 
Dévafter, (V. a.) Verwoefieti, om- 
keeren. 

Développement, (m) Ontzwagte- 
ling, ontwinding; oplojftng { f ). 

Développer , (v. a.) Ontwinden , 
omzwagtelen; item eenenfieen op zyn 
maat houwen; aile deelenvan eeniggû" 
bouw op eene tekening vertoonen ; déve- 
lopper un myftère, une difficulté, 
een geheim ontdekken y eene zwaar igheid 
oplojen, ophelderen; fe développer 
d'une mauvaife affaire , zich uit eene 
kwasde zaak redden , wikkelen. 

Devenir > (v. n.) tVorden; on ne 
fait ce qui! eft devenu , men weet 
niet wat van bem geworden , waar hy 
gebteeven is ; que deviendra tout 
cela ? wat zal dat worden ? je ne fai 
que devenir, »i& weet niet ivat ik zal 
beginnen ; devenir d'évèque meu- 
nier OU aumônier, in een armoedige 
flaat vervallen , (fpr. w.) 

Deventer, (v. a.) Te kevert aan 
braffen , {zee w.) 

Devenu, ue (adj.) Geworden. 
Dévergondé, ée (adj.) Scbaamtt" 
loos , die eer noch fchaamte beeft. 
Déverrouillex*, (v.a.) Ontgrendelen, 
Devers, (prep.) Tegen s i jegens t 
naar, tot ; avoir des papiers pat 
devers lui , papieren onder zich heb" 
hen , {in Rechten). 

Dévêtir (v. a.) quelcun , iemand 
uitkleeden -fVan zyn ampt ontzetten ;ï(^ 
dévêtir, (v. r.) zicb ontkleeden; zie», 
ergens van çutdoeUf (in B-scbten^o 



jîtf . DEV. 

' bivêtîflenaenc , (m) Qntkleeding 
(F); afjiand y ontJoenhig van iets, 

Dévêrw * ne (adj.) Ontkleed ^ enz. 

Déxiation , (f) j^fivykivg, (in 
Sfernk.). 

■ Dévidé, ée [uà].) Opgewonden. 
Dévider, (v. a.) Opwinden , hafpe- 

Setiy tot hluuwp>,9 jireiigen rnaaken-^ 
dévider uoe fourberie, een bedrog 
finttutnden. 

Devidcur, eufe (m. & f.) Hafpe- 
îaari hafpelaarjhr. 

■ Dévidoir, (m) Een hafpel. 
Deui! , (m) kouw (m), droefieid 

( f) , fouu'gewand (n) -, lykjlaatfte ( f ) ; 
prendre le deuil , den rouw aanner- 
fnen-, porter le deuil, rouw draa- 
gen porter le deuil de fa blanchis- 
îeufe .vuil linnen aan hebben (fpr.iv.j; 
grand j petit deuil, zwaarey Jigte 

Devin , ine (nj. & f.) Een waar- 
^e^ger-f waarzpgfier. 

'Deviaer^(v.a..)fVaarzeggen ; gi/Jen , 
raaden; deviner les fêtes quand el- 
les font venues, dingen, na dat ze 
gebeurd zyn , voorzeggen. 

DevinerefTév (£)t.Éri ivaarzegjier. 

Devineur, (m) Een waarzegger. 

Dévirer, (v. n.) Met een fchip 
wverjiaag gaanyle cable dévire de 
deffus le cabeftan , 't tuuw hopt te- 
gen op de fpil {zee w.) 

Devis ,(ra) Befiek , omwerp van een 
gebouw^ beft ek of eer ter van eenfchlp{tï). 
' . Dévifager , (v. a.) Iemand in het 
aangezigt krabben , fc henden. 

Devile ,(f) Zmfpreuk, gedenk fpreuk. 
\ Devifer, (v. u.) Praaten, kouten, 

f nappen. 

Dévoiement, (m) Buikloop, 

Dévoilement, {m)Ontdekking (f). 

Dévoiler, (v.a.) Ontjlutjeren , het 
éek-kleed afligten; dévoiler un mys- 
tère , epn geheim ontdekken j bloot 
fiel^n. 

Deyoir, (v. a.) Schuldig zyn, ver- 
fligt zyn y il doit au tiers & au 
fluart, hy is olie man ff huldig ; je 
vous dois la vie, ik ben u 't leven 
verfchuîdigd', vous deviez l'aflifler , 

Îjy moej) hem helpen, byfîaan; la mu- 
îque moderne n'en doit rien à 
ï-ancienDie I çh pfiffndflagffbe mu- 



DEV. 

ziek wykt geenziiits voor de oude. 
Devoir, (ni) Pligt (raj, fchuldig- 
beid if); s'acquiter de fes devoirs, 
ztch van zynen pligt kivyten j man- 
quer à fon devoir, zyn pligt ver- 
zutmen; derniers devoirs , laafîe 
eer, lykflaatfe y ranger quelcun à 
fon devoir, iematui tot zyn pligt 
brengen; fe mettre en dev ;ir de 
faire, zich in 't pofluur f.ellcn om 
tednen; rendre fes devoirs à quel- 
cun j zyn pligt, onderdanigheid aan 
iemand bczvyzcn. ^ 

Dévcle ,(f)Faire la dévoie ,niet 
eenen trek haaien (in 't Kaartfpel). 

Dévolu, ue (adj.) ^anbefiQrvin,te 
leurt gevaileii. 

Dévolut, ou dévolu, (m) Obte- 
nir un bénéfice par cevolut, een, 
geeflelyk arnpt ydoor aanbtfîérving ,ver- 
krygen. 

iJévölutaire , (m) Een die naar 
zoodanig amptflaat, of het verkrygj. 
Dévülutif, ive (adj.) Dat aanbe- 
val d (in JR echt en). 

Dévolution , (f) jianbevalUng (in 
Rechten). 

JDévorant , ante (j&ó].)yerjlindend, 
■verteerend. ■ 

Divoraceur , (m) Verjlinder , op' 
zwelger , opflokker ; dévorateurS de 
livres , een die fierk leefï. 
Dévoré, ée (adj.) Vérjlonden, 
Dévorer, (v. a.) y'erflinden j op- 
flokken , gulzig eeten j zeer naar iets 
verlangen i Ie tems dévore tout, cfe" 
tyd verfind alles; dévorer un li- " 
vre , een boek ras, doch zonder aan-^^ 
dagt , uitïeezen. 

JDévpreur de livres. {Zie devo- 
rateur). 

Dévot, ote (adj. & fubft.) God- 
vrugtig; een godsdienjiige. 

Dévotement , (adj .) Godvrugtiglyk ; 
prier Dieu dévotement, met aan- 
dagt God bidden.. 

DévotieufemenC, (adv.) Gods dien- 
fi'gh^ > {oud w.) 

DévotieuK, eufe (adj.) Godvrug- ^ 
tig; aandagttg, {oud w.) -r 

Dévotion, (f) Gödvrugt , GüdS' 
dienfligheid; faire fes dévotions , de 
Godsdienfipligten hvaarneemen j il eft à . 

laa dévQCionj hyJiaQl fqttfiyncH^nft^ 



DEV' DEÜ.DEX DEV.&c. 

Dévouement, (m) Totiiiying, op- 
dragt , oyöfer'n^g 

■ Dévouer, (v. a.) Toeivydctjf opoX' 
f éren; être dévoué au Itrvic^. tic 

qudcun ^ am iemands dtenjï' geheii- 
lyk overgi'i^ee.en zyn. 

D«ivoyèr, (v. a.) .ffJwanlen ; den 
buikloop veroorzaakeri; fe dévoy'-^r, 
(v. r.) i^cin de ivrg divaalen , afdoo- 
len. 

Deujiéronome , (m) Deuterono- 
miuoi", of tweede weP , {laatjie boek 
'Mozes). 

Deux, (ad.].)T<vee; il font deux, 
zy zyn mei hun heidens deux à deux, 
twee aan twee ; deux fois , twee 
maal; «n deux, een twee. 

Deuxième, (adj.) De tweede* 

Deuxièmement ,(adj.) Ten tweede. 

Dextérité, ( f) Gaauwheid y behen- 
digheid , vlugheid. 

Dextre , ( f) fVord gezegd van de 
r egt er hand Gods. 

Dextrement , (adv.) Kunjligïyk , be- 
hendi^lyk , {gem. w.) 

Dey , (m) Dey , bevelhebber te Tu- 
nis of Algiers. 

■ Dl , onaffchetdelyk woord-Ïeedje aan 
fommige franfche woorden. 

Dia, xvoord dat de frarfche Karlie- 
den bezigen , om hunne paerden links 
om te wenden, il n'entend ni dia, 
ni à iîurhaut , hy verfiaat geen re- 
den , {fpr. w.) 

Diable, (m) Duivel , Satan; c'eft 
un méchant diable, het is een boo' 
ze duivel; le diable eft aax vaches , 
't is ailes in beweeging', c'eft là le 
diable, daar zit de" zwaartgheid;£a.i- 
re le diable à quatre , verfcbrikklyk 
raazin en tieren; il n'eft pas fi dia- 
ble qu'il eft noir , hy is zoo boos 
niet als hy 'er uitziet (fpr. w. ), 

Diablement, (adv.) Duivelfch j il eft 
diablement fort là-defTus, *y is daar 
ifeel flerk op gezet. 

Diablerie, (f) Duivelskonji , to- 
ver y ; boosaardigheid ( f) j geraas 
(n). 

DiablefTe , (f) Duivelin (f), 
boosaardig vrouwmenfc-h (n). 
, Diablotin, (m) Klein duiveltje (n). 

Diabolique, (adj.) Duivelfch. 

Diaboliquement, (ady.) Dmelftbt 



DIA. 2î7 

Diaconat , (mj Diakenfchap (n). 

DiaconelTe , ( f ) jJ-iaconefTe , 
{vrouw die in de oude Kerk den armen 
bi'Z'.rgde). S 

DicLConie, (f) Bezorging der ar' 
men , Diacony. 

Diacre , (m; Diaken, deeken ; armen^ 
verzorger. 

Diadème, (m) Kontnglyke kroon(£) 
hoofdcicrjel (n;. 

bia^noftic, (adj.m.) Symptôme 
diagnoftic , kenteeken der ziekte. 

Diagonal, aie (adj.) Ligne dia- 
gonale , linie dis van deneenen hoek , 
door het middelpunt , na den anderen 
gaat. 

Diagonalement , (adv.) Diagonaal- 
fche tv y ze. 

Dialeae j (m) Landtaal ^ uitfpraak 
van een by zonder Landfchap ( f) het 
dialea (n). 

Dialefticien , (m) Redcnkundige* 

Dialeaique , {f)Redeneet -kunde, be- 
Kvyskonjl. 

Dialeéliquement , (adv.) Volgens 
de redeneer-kunde. 

Dialogifer, (v. n.) t' Zamenfpraa^ 
ken maaken^ 

Diaiogifrae, (m) Iets dat in vra,* 
gen en antwoorden ingerigt is. 

Dialogifte , (m. & f.) 6-cbryver daar 
van. 

Dialogue , (m) t' Zamenfpraak (f). 

Dialoguer, (v. a.) t' Zamen Jpree^ 
ken. 

BlamsLUt, (m) Diamantjïeen', dia- 
mant brut, ruuuie diamant. 

Diamantaire, (m) Diamant-flyper. 

Diamétral, aie (adj.) Middel ly f 
nig. 

Diamétralement, (adv.) Middel/y^ 
nig; fentiments diamétralement op- 
pofés , gevoelefis die regtflreeks tegen 
malkander hopen. 

Diamètre , (m) Middellyn ( £), 

Diane, (f) Diana, deJagt.-godin^ 
ne; battre la diane, dereveiljeJJaan 
(dat met het aanbreeken van den dag 
gefchied). 

Diantre , (m) Duivel , drommel » 
droes-, diantre foit du fou, dedrom^ 
mel haale den gek. 

Diapalme , (m) Dia^ahia, (eep 
trek-pleifier), 

O 5 I>Ul- 



2ï8 DIA. DIC. DID, 

Diapasrae, (m) IVe Ir tekende poeder 

Diapafon , (m) Middel to9n ? halve 
toon; wjirument o^n de org^l-pypon ^ 
gaatjes 'der fluiten af te paffen. 

Diaphane , (adj.) Corps diapha- 
ne ydoorfchynend ligchaam. 

Diaphanéité, (ra) Doorfcbynendheid 

Diaphorédque , (adj.) Zweet-ver- 
wekkend, 

Diaphragme , (m) Middelrift (n) 
(in OmÏeedk.) 

Diapré Î ée , (adj.) Bont^ veelver- 
Wig {in fFapenk.) 

Diaprure, ( f) Bontheid (oudw.) 

Diarrhée, (f) Buikloop , loop. 

Diafyrme , (m) Bcïagchelyke opvyze- 
ting verheffing van iets {in Kh^ioricd) 

Disteffaron y (m) Een quart in 
muziek. 

Diatribe , ( f) Verhandeling , fchooï- 
vojfts^ werk, 

Dldame , (m) PTilde polei {een Gs- 
neesk.) { f). 

DIélateur, (m) Oppergezaghebber 
(by de oude Rom.) 

Diftature, (f) ^^mpt daar van. 

Diaée, (jf) L^s die de meejlerden 
feholieren voorzegt. 

Difter , (v. a.) Iets van woord tot 
woord voordigten , dideeren ^ Ia rai- 
Ibn nous difte, de reden leerdons. 

Diûion , ( f ) Een woord (n) \fpreek- 
ivyze (f)i diftion noble , deftige 
manier van zeggen. 

Diftionnaire , (m) IVoorden-boek 
(n) , woorden-fchat (m) 9 un bon dic- 
tionnaire eft un ouvrage difficile , 
een goed woorden-boek is een moeijelyk 
werk. 

Di£lon , (m) Uitfpraak » wyzing 
(f) {in reebten) ; item fpreuk , fpteek- 
wyze ^ inval (f). 

Diftum , (m) {Lat. en Rechts-w.) 
Rechtlyke kennisneeming in een vonnis j 
item rechterlyke uitfpraak in een zaak 

Didaftiqae , (adj.) Dat tot het on- 
derwys behoord ^ leerzaam. 

Didafcale , (m) Een onderwyzer y 
l^eeraar. 

Dideau, (m) Xet dat v>orde mond 



DÎE. DIF. 

van em rivier gefpannen word (f], 

Diéréfe , ( f) Verdeeling van een 
tweeklank in 2 lettergreepen ; als : Païs , 
Land. 

Piéf« OU dié fis , (m) Een halve 
toon j' een kruis {in muziek.) 

Diéce , ( f) Maath'judlng in eeten 
en drinken , faire diéte , ou vivre de 
regime, op zyn gezondheid leven ^ een 
goed dieet houden. 

Diéce (f), Kyksdag (m). 

Diététique, {£) Dièet-kunde. 

Dieu, (m) God; J es dieux païens, 
de beidenfche goden; Dieu vous affi- 
fte , Dieu vous foit en aide , Gcd 
helpe u; plût à Dieu, gave God; 
à Dieu ne plaife , dat verhoede God; 
Dieu merci, Go;i dank ; adieu , vaar 
wel; faire ou dire fesadieux, affcheid 
neemen; Dieu aidant, met Qods hulp.. 

Diffamant , ante (adj.) Eer-ro» 
vend. 

Diffamateur, (m) Lafieraar , eer- 
dief. 

Diffamation ,( f ) Eer-roving y las- 
ter. 

Diffamatoire , (adj.) Libelle àif- 
famatoire, eer-rovend pasquil , blauw 
boekje. 

DifiTamer , (v. a.) Eer-roven, fcben- 
den , lajleren , verkleinen. 

Différemment , (adv.) Verfchei- 
dentlyk , op een' verfcbillende wyze» 

Différence, ( f ) Verfcbil 9 onder- 
fcbeid (n). 

Différencier , (v. a.) Onderfc heiden, 
het onderfcheid van dingen aanduiden. 

Different, ente {ad'}.)Verfchtllend, 
onderfchetden. 

Different ou diflFerend > (m) Ver- 
fcbil (n) , oneenigbeid , firyd {f); vui- 
der OU terminer un different, een 
verfchil beJJiffen. 

Différer , (v. a.) Uitflellen, ver- 
fchuiven, opzetten. 

Différer, (v. n.) Verfcbillen , an- 
ders zyn. 

Difficile, (adj.) Moeilyk , zwaar. 

DifRcilenient, (adj) Moeilyk. 

Difficulté , ( f) Zwaarigbeid ,moei' 
lykheid; difficulté d'urine, de koude 
pis. 

Difficultueux, eufe (adj.) Zwarig- 
heid maakend) vol bedenkingetr. 



DIF. DÎG. DIL. 

Difforme, (adj.) îVanjialtig yWan- 
fchapen , leelyk^ mismaakt. 

Difforrner, (v. a.) Leelyk , WJ»- 
fcbapen maakcn , mismaaken. 

Ditïorraité, (f) IVanJlaltigheid y 



DIL. DIM. 219 

Dilatabilité, (f) Uitjlrekkings-krachi 
{in QntleeJk.). 

Dilatable, (adj.) Uitrekkelyk. 

Dilatateur, (m) Spier die de neui 
verit^yderd (f). 



lelykheid. I Dilatation', (f) des artères. 

Diffus, ufe (ad].) Uitgebreid i ver-^ uitzi'tti>ig , verwydtng der fag-ade- 
fpreidi aylcdïSaS, wydloopiget wil- ren. ^ . ,. . ^ .o v r- 

Jefïyl. 1 Dilatatoire, (adj. & fubft.) ^^r- 

VWnCement, (idv.) fryJhopig!yk f^wyJ-nd ; een uitzettende tang {by 
verfpreid, in 't wild. ' ffondheelen). 

Ditfufion (f) de la lumière,. Dilater, (v. a. Uit/pannen y ver- 
verfpreiding des ligts. ; wyirn {in Ileelk.) 

Digame. {Zie Bigame.) i DiJatoire , (adj.) Da$ tyd uitjieîd 

Digérer, fv. a.) ^*^i/oöU'm, ver^ {in rechten), 
duuwerïy "jerteeren-, (overdenken ; inof- , Dilayer, Cv.a.) Uisjiellen {oudw.) 
den fchikken ; digérer un affront , (i^/> différer.) 

eenen hoonverdra,igen-,verduuwen\ di- ^ Dileaion , { £) Pour l'amour du 
■ - ~ * ' fils de ta dileôion , om den wille dei 



gérer une matière , een* jleffe wel 
ûveriveegen , wel 'jerdeelen. 

Digefte, (m) Verzameling van wet- 
ten ( f) , wetboek van Jujiiniaan (n). 

Digeftif Î ive (adj.) Dat verdou- 
wmg veroorzaakt. 

Digeftion , ( f) Verdouwing , ver- 
teering i cela eft de dure digeftion, 
dat is hard te verdouwen ,■ te verdraa- 
gen-y digeflion d'un ouvrage , de 
verdeeling van een werk. 

Diglyphe , (m) Stuk met twee groe- 
ven {in Bouwk.) (n). 

Digne (adj.) If^aardig ; digne de 
louange, de foi, tofwaerdig, geloof- 
waardig. 

Dignement , (adv.) JVaardiglyk ', 
parier dignement d'un fojet , na 
verdienjïen van eene zaak fpreeken. 

Dignitaire, (m) Bezitter van een 
geejielyi ompt. 

Dignité, (f) Waardigheid, deftig- 
heid ; fcboonhesdf uitmuntendheid. 

Digon, (m) Wimpelflok {zeew.) 

Digrefficn , ( f) Uitweiding ( f) , 
fiit/Jap f of omweg in een reden (m). 

D'i^ue f {£) Dyk, dam; hinderpaal 
(ra); la licence a ravagé toutes ces 
digues t de ongebondenheid heeft alle 
deeze hmderpaalen verbryfeld 



Diguer (v. a.) un c 



heval 



paard de fpofiren geven 

pi lacération, {ï) yerfcheuring{in 
ontleedk,), 

• Dilapider, (v, a.) OntiQodtge kos- 
tett verfpillena 



zoons uwer liefde. 

Dilemme , (m) Tweeleedige fluit-re- 
den , waar door de tégenparty , of 
antagcaift in verlegenheid gebragt 
word (f). 

Diligemment, (adv.) Naarfiiglyk* 

Diligence, (m) Naerjlighetd ^vlyt y 
nyverheid{£); item Pojiwagen-f trek- 
fchuit', faire fes diligences contre 
q\ielrnn , iematict in rechten vervolgen. 

Diligent, ente {zd]. Naarfiigyvly 
tig , mejlig , nyverig . 

Diligenter, (v. a. & n.) Verhaat.' 
ten , voortzetten; Ce diligenter (v. r.) , 
zich haaflen , /poeden. 

Dimanche , (m) JZondag. 

Dîme , ( f) Payer, lever les dîmes, 
de tiend betaaten, heffen. 

Dimenfion , ( f ) Jfmeeting , afdeS" 
ling ; uitgebreidheid , als : hoogte , leng* 
te y breedte en diepte van een ding. 

Dïraer , (v. a.) Fertienden , den 
tiend verpagten of heffett. 

Dïmerie , ( f ) Land , daar de tiend 
van betaald word. 

Dimetre, (adj) Dat tot genjanu 
b:fih vers behoord en 4 voeten heeft. 

Dimeur, (m) Tiend-heffer y tiend" 
man, 

Dlnaier , (tn) Tiend-verpagter. 

Diminuer, (v. a. & n.) Vermin» 
deren , mtnderen , afneemen y verzwak- 
ken^ 

Diminutif, ive (adj.) Fierminde" 
• rend, verkleinend-, un diaainutif (m) , 

few 



MO DIM.DIN. DÎO.&c. 

*en verminJerend woofà {in fpraafi^-) 
als fenimt;lecce(î;aw femme) '•jrouwtje. 

Diminution, (f) l^errmnciering y 
ajjlag. 

DimiiTion. (f) (Zie démiOton). 

DimifToire , (m) Bifchops mlmagt- 
brief, om iemand in de orden aan te 
neemen. 

Diraiirorial,aIe (adj.) Lettres di- 
XUifToriales. {Zie dimiflbire.) 

DinanHerie, (f) allerhande geel 
koper-werk {kamende van Dînant). 

Dinandier, (m) Koper-Jlager y of 
kraamer. 

Dinatoire , (adj ) Top bet middag- 
maal of tot die tyd behoor e»de. 

Dindan, (m) Bombam, {geluid der 
klokken). 

Dinde, (f) Knlkoenfche hen, 

Dmdon , (m) Jonge kalkoen. 

Dindonneau, (m) Kieken van een 
kalkoen (n). 

Dindonnier,'ïere (m. & f-) Kal- 
koen-dryver y ofverkooper-, dryfjîeryof 
verkoopjfer. 

Dîné.(rà) Middag-maal {Zie dîner). 

Dînée ,(f ) Middags pleifler -plaats. 

Diner, (v. n.) 't Middagmaal hou- 
den; qui dort dine , de Jlaap voed 
(fpr. w.) 

Diner ou diné, (iT») 't Middag- 
tnaal (n). 

Dîneur, (m) C'eft un beau dîneur, 
't is een braaven eeter. 

Dintiers, (lu. pi.) De nieren van 
een Hert. 

Diocéfain, aine (m.& f.) Een die 
^nder een Bisdom hoàrd. 

Diocèfe, (m) Een Bisdom (n). 

Dioptrique, (f) Verrekyk - kunde , 
om glazen daar toe te bereiden, 

Diphchongue , (f) Tweeklank y 
dubbelde klink-letter. 

Diplôme , {m) Brief van magtgee- 
ving ; genade brief, opene brief van 
ten Vorjl. 

Dire , (v. a.) Zeggen , vertellen y op- 
zegden', dire des nouvelles , mV^tt;^ 
vertellen-J 4ire , réciter fa leçon, 
"zyne les opzeggen-^ dire la mefle, de 
misdoen^ leeze'n-, que veut dire ce- 
la? wat beduid dat ? c'efl à dire , 
dat is te zeegen j ce n'eft pas à dire 
pour cela, que , het geefi daarom 
getn gevolg f dat) <iire des injures^ 



DIR. 

fchelden', trouver à dire, te hsrifpen 
vinden, te zeggen hebben-, il n'y a 
rien à dire , daar is nie^s op te zeg- 
gen-, il y a bien à dire du vrai aa 
faux , daar is een byjîer verfchil tus- 
fchen waar beid en valfchheid; on dit, 
men zegt', 'er word verhaald; il s'en 
trouva plus de 60 à dire , daar ont- 
braken 'er meer als 60; fi cela arri- 
ve je l'irai dire à Rome , als dat 
gebeurd ivil ik wel wat weezen , of wat 
verbeuren (fpr. tv.); mon petit doigc 
me Ta die . 't is genoeg dat ik het 
weet (fpr. w.); c'eft tout dire, dat 
is al 't geen gezegd kan worden , of 
meer heb ik niet te zeggen; auffitóc 
dit, auffîtôt fait, zoo ras gezegd, 
zoo ras gedaan; ne dire ixiôt,Jiil- 
zwygen; il dit que non^ by zegt 
van neen ; Ce dire , (v. r.) zich noe- 
men , uitgeeven voor ; il fe dit Mé- 
decin , by geeft zich uit voor een Ge^ 
neesheer, of Do dot ; foi difant hérï 
tier ^zich uitgeevende voor erfgenaam; 
Ie fermon eft dit, de preek is uit; 
Philippe - dit Ie hardi, Philippus 
toegenaamd de Jioute ; Ie dit , la 
ditç , le fusdit. Ia fusdite , de bo- 
vengemelie; mon fusdit Sieor, myn 
voorgem. Heer; Ie 2ome dudit, ou 
du fusdit mois, cfe« 2oJïe derzelve 
maand, of dito; à ce qu'il die, na 
dat hy zegt. 

Dire ,(:n) Het zeggen(n); au dire , 
OU, félon le dire de tout le monde, na 
't zeggen van een y der ; par oui-di- 
re , door booten zeggen; à fon dire, 
volgens zyn zeggen. 

Dîre^a, ede (adj.) Regtjîreeks y re- 
gelregt ; ligne direfte , regte lyn ; 
par des voies direAes,ni indirec- 
tes , diredlelyk , nochte indirede- 
lyk, op geenerly avyzf; Seigneur di- 
reft, regte Leenheer; vue direde, 
regdregt gezigt. 

Dirède, ( f ) Een onmiddelyk leen- 
"(n)( 

Direderaent , (adv.) Regelregt , 
regtjîreeks. 

Direfteur , (m) Bewindhebber , be- 
Jiîerder; directeur de confcience, 
btegt-vader. 

Dire A ion , ( f ) Bewind , hefiier , 
opzigt , befiél (n) ; ligne de direftior.^ 
regt-lsn {in Migtft'U 



DIS. 

Dîreftoire , (m) Poorfcbrifi (n) 
waar na zich te rigten j plaats daar 
een CoUegie vergaderd. 

Direftrice , ( f) Bejiierjier. 

Diriger, (v. a.) Bejheren , regee-' 
ren , het opzigt hebben. 

Dirimant j ante (adj,) Dat een hu- 
welyk onwettig maakt, 

Difceptation , ( f ) Twijircden ,zin- 
tivtjïing. 

Difcernement , (m) Oordeel ( n ) , 
kennis^ onderfcheiding (£); un hom- 
me ians difcernement, een menfcb 
zender oordeel. 

Difcerner(v. a,)lebien d'avec le 
mal , het goede van het quaad onder- 
Je heiden , onderkennen. 

Difciple , (m) Leerling , Scboolier. 

Difciplinable , (adj.) Onder wys- 
haar ; regeerbaar; gedweeg. 

Difcipline , (f) Onderuys (n), 
tugt;geejjel(£)i difcipline ecclé- 
fiaftique , militaire, Kerkelyke tugt y 
krygs-tugt. 

Dircipliné, ée (adj.) Enfant bien 
difcipline , een wel onderweezén 
kind j des troupes bien difcipli- 
rées, voel geoejfende krygslieden. 

Diicipliner , (v. a.) Onderivyzen , 
afrigten ^ oeffenen ; fe difcipliner , 
(V. r.) zich zelfs tugtigen. 

Discontinnation , (f) ^fiaating, 
(iitfcheiding , ophouding. 

Discontinuer (v, a. & n.) un tra- 
vail f van een werk ophouden ., uitfchei- 
den , discontinuer d'écrire , ophou. 
den tnet fchryvfn. 

Disconvenance 9 (f) Ongelykheid 
(f), verfchil(n). 

Disconvenir 5 (v. n.) Verfcbilten y 
niet overeenkomen ; je ne disconviens 
pas, ik fpreek niet tégen. 

Discoird, (m). (^ie Discorde). 

Discordant, ante (adj.) ÎVanluî- 
dendi niet overeenkomend. 

Discorde, (f) Txveedragt ^ twee- 
fpalty oncemgheid; femer la discor- 
de , twifl zaaijen-, pomme de dis- 
corde , tu'ijî-appel. 

Discorde, (f) Godinne des twee- 
dragts der heidenen. 

Discorder , (v. n.) Niet overeen- 
Jlemmen ; oneenig zyn. 

Discoureur, eufe (m.& f.) Praa- 
ttr, praatvaar; praatmoer ^ fnapfltr. 



DIS. -?,, 

Discourir , (v. n.) Redeneeren^ 
praat en. 

Discours, (m) Redenvoering , re-» 
deneering , reden ( f ) > gefprck (n). 

Disccwrtois , oife (adj.) {oud w.) 
Onkoflyk y onbeleefd. 

Discourtoifie , (f) (oud w.) Onr 
beufchheid. 

Discrédit , (m) Kîeinagting (f) , 
m;5-credit (n) , zonder aanzien. 

Discret, ete (adj.)' Befcheiden% 
homme discret , een voorzigtig man» 

Discrètement , (adv.) Befcheident-* 
lyk , omzipigtyk. 

Discrétion , (f) Befcheidenheid y 
voorztgtigheid; âge de discrétion » 
jaar en van onderfchetd; fe rendre à 
discrétion , zicb op genade en onge- 
nade y of zonder voorwaarden over- 
geeven-f vivre à discrétion , na 
zyn goeddunken leeven ; les Soldats y 
vivent .à discrétioTi , de Soldaaten 
houden *er huis na hun goeddunken. 

Disculper, (v. a.) Vryfpreekett^ 
verontfchuldigen {van een misdaad)^ 

Discurfif , (ive (adj.) Dat met de. 
reden kan verklaard worden , ( m 
Redenk.). 

Discuflîon j ( f) Nafpoorîng (f);otî^ 
derzoek (n) , entrer en discuflîon 
d'une affaire , eene zaak uitpluizen. 

Discuté , ée (adj.) Onderzogt. 

Discuter, (v.a.) Onderzoeken y na- 
vorsfchen , uitpluizen ; discuter les 
biens d'un débiteur , de goederea 
van ren fcbuldenaar onderzoeken en 
waardeeren, 

Difert, erte (adj.) JVelfpreekend, 

Difertement , (adv.) Cierlyk, i» 
fpreeken of fchryven. 

Difette, (f) Gebrek (n), behoef- 
tigheîd{î). 

Difetteux, eufe (m. & f.) Een be-* 
hoeftige , noodlydende , {oud w.) 

Difeur, eufe (m. & f.) Verteller y 
verieljier-y difeur de bons mots y een 
die geejïige fpreukjes verteld i difeur 
de nouvelles , een nieuw s -ver tel der 
of kraamer ; difenfe de bagatelles , 
een beuzelaarjler. 

Disgrâce , ( f) IFangur/fl ^ ongena' 
de f f); ongeluk (n) ; tomber en dis- 
grâce , in ongunjî geraaken ; ongeluk^ 
kig worden. 

Disgracié, <îe (adj.)/« ongunli ver- 
vaU 



DIS. 

vSllen ; disgracié de la nature , lee- 
lyk t mismaakt. 

Disgracier fv. a.) ^elcun, tp- 
manJ in onge.^ade brengen-, zyn aan- 
zien af credit heneemen, 

Disgracv UK, eufe (adj.) Onaange- 
oaav- . cMpv.fjft.'ff. ,~< ., 

Disgrég. ion 5 (f) Jffcbeidmg , 
verfpreiding. 

Disgréger, (v- a.) '"^an malRande- 
renfcheiden .'verprcoiien. 

Disjoindre, 'v. a.) l^an malkon- 
deren doen , fchniden. 

DisjonAif, ive edj.) Scheiden. 

Disjonftion, (f) Scheiding. 

Dislocation , (f) f^erjîuiking i ver- 
xwikkitig (in lieelk.). 

Disloquer (v. a») un bras , een 
arm verfluîken ; d\s\oK\\xeT la cervel- 
le , de herffenen ontjlelîen. 

Dîf parate, '' f ) Euitenfpocrigbeid, 
mtydige daad ( fpaanfcb w.). 

Difparité, (f) î^erjchil (n), onge- 
lyhheid. 

Dirparition, (f) Verdivyning. 

Disparoître , (v. n.) f^erdwynen , 
onzichtbaar ivnrden ; zich wegpakken. 

Difoaru, ue (adj.) P^erdweenen. 

Dîfpendieux, enfe (adj.) 't Geen 
veel kojt: ovprda'adig. 

Difpenfaire, (m) Apotheekers me- 
dicatTent-^oe* (n^. 

Dirp-nf^teur ,trice (m.&f.) Uit- 
deel er ^ ultdeelfler. 

Difpenfation (f )desSacrements ,• 
uitdeeltng: der Bofidzêgplen. 

Difpfi^'fe , ( f) Ontflag . verlof (n) , 

vryheid. . ^ „ 

Dirpenfer, (v. a.^ Ontjlaany be- 
vryden ; uîtdeelen; difnenfer quelcan 
de cnelaue chofe , temand ergens 
van bevrvden , rjerfcboonen-, difpenfer 
fes favéors , zyne gunji uhdceîen j 
fe difpenfer (v. r.) de fon devoir, 
van zsr. phi^.t cfivyken; je ne faurois 
me difpep<*er, /* kaK niet nalaaten 

Difperrer , (v. a.) Verfpreiden ^ 
iferfrnoije». 

Difoerfion- {Ç) Verjîrooiiing. 

Difr^os, (adj.) Ligt^ vlug,vaer- 
àig ', sefchikt. 

Difpofé , ée (adj.") Etre bien ou 
mal difpofé , wel of hwalyk te pas , 
sezond of ongezond zyru ( Zie Dif- 
pofer). 



DIS. 

Dirporer, (v. a. & n.) Schikken^ 
in order Jlellen; difpofer les chofe3 
en bon ordre > de zaaken in goede 
crder Jiellen i il l'a voit difpofé à ce- 
la» hy had hem daar toe bewogen, 
overreed; difpofer de fon hiev, over 
zyn goed bejielien , difponeeren ; 
Dieu a difpofé de lui, God heeft 
hem tot zich genomen ^ difpofer de 
marchandifes > koopwaaren verhande- 
len , daar over difponeeren; fe diC. 
pofer (v. r.) à partir, zich gereed 
maaken om te vertrekken. 

Difpoficif , ive (adj. & fabft.) Re- 
mede difpofitif y voorbereidend ge- 
neesmiddel j dat gedeelte van een von- 
nis waar in de reshterlyke uitfpraak 
geleden is. 

Difpofition , ( f) Gejleldheid , toe- 
Jiand-y befchikking', gen-^genbeid ^ lufi ^ 
'neiging j il laifTa tout à fa difpoQ- 
tipn , hy liet alles aan zyn believen', 
n'avoir rien à fa dîfpofition , ner^ 
gens niagt over hebben ; je ne fuis 
pas dans la difpoCtion d'y aller j 
ik heb geen genegenheid om 'er te gaan; 
n'avoir aucune difpoCticr à l'étu- 
de ) geen trek tut de letter - oeffemng 
hebben 'y être en bonne dîfpofition, 
in goeden ivfljiand zyn ; difpofition 
teftamentaire , wegmaaking van goed 
hy uiterjle wille. J' 

Difproportion , (f) Ongelykheid , ^ 
onévenredigbeid. 

Difproportionner , (v. a.) Ongelyk ' 
maaken. 

DifpDtable , (adj^) Betwifibaar, 

Difputaillerie, (f) ledele twiji. 

Difpute , (f) Gerchil (n) reden- 
twiji'y difpuit (op hooge Schooien). 

Difputêr, (sr.n.Sia.)ZtnttwiJien; 
difpute r fon fentitnent, zyn gevoelen 
beweer en , betwifien. 

Se Difouter , (v. r.) Met malkan- 
deren gefchil hebhen,, twifieyf-, fe dif- 
putêr Ie terrain , malkander bet veld 
bet wijl en. 

Difputeur, fm) Een twijlgierige f 
krakkeeler, harrewarrer. 

Difque, (m) Plat-ronde werpfteen 
(by de ouden) , zon- en maan -fcbyf; 
fcbyf der gezicht-glaazen. 

Difquiûtion,"(f) Naauwe navof- 
fcbitJg , uit^luizing ( f) ondenoek /n). 



DIS. 

DiHeAeur, ou Anatomîde , (m) 

Een ontlcecfer, 

Dinreftion , ( f ) Ontletding ; injlui- 
ken fnydwg. 

DiiTemblible , (adj.) Ongelyk, on- 
overeenkomjîig. 

Diflemblance , ( f ) Ongclykheid. 

DifTenteric. {Zie dyfenceriej, 

Diffention ou diflT^nfion , (f) 
Tiviji , tweeJragt , oneeiughcui. j 

Diiiéquer ( v. a.) un corps, een 
Ugchaari ontleeden ; difféquer des 
viandes, jîpy^fw cierlyk voorfnyden, 

DifTéqueur , (m) Ontleeder j voor- 
fnyder, 

Dilfertateur , (m) Ben die over eene 
Jiqfe of materie handeld, difputeerd. 

DifTertation , ( f ) verhandeling ( f), 
difpuit (n). 

DifTerter , (v. n.) Over een Jïuk 
difputeeren , handelen. 

Dilïlmüaire , (adj.) f^an ongelyke 
aart of natuur, 

Difltmilitude , ( f ) Ongelykheid. 

Diflïmnlateur , trice (m. & f.) 
veinzer; veinjler. 

Diffimulation ^ (f) Veinzïng, 

Diflimulé, ée (adj.&f.) GeveinJ} , 
een veinzer. 

DinnmuÏer, (v. a. & n.) Veinzen, 
verbergen f niet voor de vuiJJ hande- 
len. 

Diffipateur, trice (m. & f.) Ver^ 
qui fier; doorbreng fj er. 

DiTipacion , ( f) Verquijiing ; ver- 
ftrooiiing van gedagfen. 

Difllper , (v. a.) fon bien , zyn 
goed verquiflen i doorbrengen; efprit 
difltpé, verjïrooid verjland; les vents 
difllpent les nuagf^s, de winden ver^ 
dry'en de, wolken; {e difT-per , (v. r.) 
verfpreid worden , uitdampen {alt fpi- 
ritus). 

DilTola , ue (adj,)Ombonden , losge- 
maak: ; vie diflTolne , ongehmdene , 
ruhkehnfe , losbanaige levemwyze. 

DilTolvanCjante (adj. & f.) Op- 
lojfend ; I'ean forte eft un difiol- 
vant, hei fierk water is een ontbin- 
der. 

Din*olubIe, (adv.) OploJJelyi, ont- 
hindbaar. 

Diffolunrent , (adv.) Ongebonden, 
rukkilooslyk. 



DÎS. ^2% 

Diflblutif , ive <,adj.) Oplojfend-, 
ontbindetïd. 

Diffülation , (f) Ontbinding , op- 
lojfm^; ongebondenheid f ongeregeltheid 

van leven, 

DifTonance, (f) Valfchs toon (f) 
misgeluid (n). 

Diffonant , ante (adj.) Niet wel 
klinkende. 

DiH'oudre (v, a. ) les metaax, 
un mariage , de metaalen,een huive- 
lyk ontbinden; fd difTcvidre, (v. r. ) 
zig ontbinden y fmelten. 

D in o as, oüce (adj.) Ontbonden, 
gefmolren-, !e locieté s'eft difToute, 
het f^ezflfchap ts gefchelden. 

Diffuader, (v. a.) u4fraaden» 

DifTuafion , (f) Jfrcadir.g. 

Öinyiiabe, (adj.) Van twee letter-. 
gr e epen. 

Diftance (f) d'un lieo, afjland^ 
vérheid van een plaats ; la diftarce 
entre deux perfonnes , onderfcbeid 
tujfchen twee perfoonei. 

Disant, ante (ad/.) j^fgelêgen, af- 
leggende» 

Di/tendre, (v. a.) Uit-rekien. 

Diftention oudillenfion, (£)Uft-^ 
rekking , als : van zenuwen enz, 

Diftillateur , (m) Een brander ^ 
Jierken drank- Jlooker. 

Di. 'filiation , ( f ) j^fdruiping ; over' 
haaling^ , ft ook ing. 

Diftiller, (v. a. & n.) Stooken ^ 
overhaaten , waterbranden , diftiUeren ; 
afdruipen , afzypen -, diftiller fon ef- 
prit, zyii geeft tjuelien ,vermceijen. 

Diftinô , infto (adj.) Dujdelyk , 
klaar , onderftheider, , verfchillend-, 
idée diflinfle , duidelyk denkbeeld; 
chofes diftinûes , verfchillende din.- 
gen. 

Diftiniflement , (adv.) Duidelyk 
onderfcheidert lyk. 

Diftinaïf, ivë (ad|.> Onder fchei- 
der.d ; marque diftinttive , verJchiU 
duidend kenmerk. 

DiüinéVion ,(f) Onderfcheid^ver^ 
r^^?7 (n) ; traiter quelcun avec di- 
ftir.iftïon , ierrand met merkelyk on^ 
derfcbe.'dy mcimeer eerbied bejegenen. 

Diilingo , (m) Verfclnl {School w.> 
(n). ^ 

Didinguer, (y. a.) Onderfcheiden ^ 



ftH DIS. DIT. 

verfchil maak>n enz. ne pouvoir di- 
ftinguer les ohofes , de dwgm met 
komen onJerfcbeiden , uit malkanderen 
kemien; c'eft cela qui le diftingue 
des autres , dat maakt hem "jan aw- 
deren kenbaar , of zonderd hem uit , 
verheft hem ; fe clia.inguer (v. r.) 
zt2 onderCcheideti', z!g beroemd maa^ 
ken, uitjferkrn, uitmunten; c'eil un 
homme d'un merite dilUngué, 't 
is een man van hyzorJere verdlenpn; 
être d'une raiffance diftmguée , 
van eene aanziemyke geboarte , her- 
iomfl zyn. 

Diftique, (m) Tivee regelig vers 
van een i'Olle zin. 

Diftorfion , r f ) l^efwrïnging yver- 
draaiiing, vertrekking 

Diftraftioh , (f) l^erjïrooing (van 
gedagten) ; aftrekking ; onttrekking ; 
vdtzon -ferin'i van vreemde goederen in 
genes fchuldenaars hoedel. ^ 

Di'lralire, (v. a.) Aftrekken ^ enz. 
diftraire quelcun.de fon travail, 
iemand van zyn werk aftrekken , daar 
in fiooréii'^ diftraire d'tme femme, 
van eene fomma aftrekken ; cela jn'a 
été diftrait , dat is my onttrokken; 
diftraire la jnrifdidlion, hep behoor- 
lyke recbtsgrbfed hy eenen anderen 
overbrengen, fe diftraire (v. r.); zig 
onttrekken , aftrekken. 

Diftrait , aite (adj.) afgetrokken 
enz. homrae diftrait , een man vol 
gedagten. 

Diftribaer (v. a. ) fes faveurs, 
zyne gunjicn uitdeelen-, diftribuer les 
troupes , de troepen verdeeten. 

Diftributeur , trice (m. &f.)' Uit- 
deeler^ uitdeelfier. 

Diftributif , ive (adj. ) UUdeelend, 
verdeelend. 

Diftribution, (f) Uttdeeling , ver- 
deeling. 

Diftributivement, (adv.) UHdee- 
Under wvze. 

Diftrift , (m) Regts-gebied , dis- 
trift (n). 

Dit,(m) Avoir fon dit & fon 
àédit , zy»7 ze!^gs>i en ivederzeggen 
Ubben\ les dits & faks des anciens, 
de zvoorden en daaden der ouden. 
Dit, ite ''adj.). {Zie dire.) 
Diton, (m) Ruimte in Muziek van 
% tQonen, 



DIV. 

Divan , fm) Raad van den groot^-^ 
Heer. 

Divergence, {{)Van eenfpreiding 
(iu Zigtk.). 

Divergent , ente (adj.) Rayoni 
diVergents, -ya» een Jpreidende Jiraa- 
len. 

Divers . erfe (adj.) l^erfcheidett^^ - 
onderfcbeiden j diverfes perfonnesjij 
verjcheide perfoonen. 

Diverfement , (adv.) On en par- 
Ie diverfement, mih f preekt 'er on- 
dcrfcheidenlyk van. 

Diverfi fiable, (adj.) fWanderlyk. 

Diverfiüer , (v. a.) l^eranderen ^on- 
derfcbei(jlen maaken , tets op verfcheide" 
ne ivyten voorflellen. 

Diverfion, (f) Fair? diverfion I 
l'ennemi , den vyand eene afwen- 
ding , diverfie maaken ; faire di- 
verfion à î^ douleur , zyne fmert 
verdryven ; diverfion d'humeurs, 
afleiding , verdeelin^ der vogten^ 

'Diverfité , {Ç)J^erfcheid'er\heid{î)i 
onderfcheid , verfchïl (n). 

Divertir , ( v. a. )% Verheugen , 
vermaaken ; afwenden , afleiden ; 
Ia Comédie divertit , lm toneel- 
fpel vermaakt ; divertir qaelcun 
de quelque chofe , iemand ergens 
van afraaden; divertir l'argent pu- 
blic , 's lands geld te zoek maaken ; 
fe divertir, (v. r.) zyn vermaak nee- 
men ; fe divertir dé quelcun , ie~ 
may^d foppen , voor de gek houden. 

DivertilTant, ante '(a.d'].) f^ermaa- ^ 
kelyk, aangenaam; kortswy'dg, klug- 
tig. 

DÎ vertiftement , (m) Vermaak , gè^ , 
neugte (n) ; divertiftement de de--, 
niers, nuttetooze befteeding van geld. 

Dividende , (m) Getat dat gedeetd 
zal worden. 

Divin, ine (adj.) Goddelyk; pro- 
vidence divine , de Goddelyke voor- 
zienigheid; penfée divine , eene voor- • 
treffelyke gedagte ; beauté divine , 
uitmuntende fchoonbetd. 

Divination , (f) ïFaarzeggery ^ 
wigchelary. 

Divinatrice, (adj. f.) Faculté di- 
vinatrice, waarzeggend vermogen. 

Divinement, (adv») <Jöuüip/y* } «?>- 
muntend, 

DÎÎ 



DIV. DIX. 

"Divinifer , (v. a.) Onder 't getal der 
gnden Hellen , vergoden. 

Divinité, (f) GoSeid, Goddelyk- 
heid; uitmuntende fchoonheid. 
• Divis, (m) Pofleder par divis, 
by oanbedeeling bezitten , (in Rechten). 

Divifer_, (v. a.) Scheiden , verdee- 
len; divifer un livre en deux to 
mes , een bork in twee deelen verdee- 
len ;■ divifer un nombre > een getal 
'uerdeclen y divideeren ; fe diviier, 
(V. r. ) verdeeld wordon -, oneenig 
worden. 

*• Divifeur , (m) De deeter , divifor y 
(in Rékenk.) 

■Divifibilité (f) de la matière, 
de deelbaarheid der Jloffe {in Na- 
tuur k.) 

Divifible , (adj.) l^erdeeîbaar, 

Diwiflon , ( f ) f^erdeeling , _ afdee- 
ling (Jn reden- en cyfferk.) -f diviOe, 
(by Drukkers) ; verdeeling van voetvolk 
of ruit er y -^ divifion d'une efcadre , 
fmaldeel , gedeelte van een vloot {zee 
IV.) mettre de la divifion » tiveedragt, 
oneenigheid Jiooken. 

Divorce, {va) Echt Jch ei ding (f)) 
lettre de divorce, fcheid-brief , il a 
fait divorce avec l'Èglife , avecle 
bon fens, hy is van de Kerk y van 't 
gezond verjïand afgeweeken j vivre 
dans Ie divorce , in twijï , tiveefpalt 
Ie even. 

Diurétique, (adj,) Afzettend y pis- 
dryvend {in Geneesk.) 

Diurnaire , (m) Dagelykze aantê- 
ken^iar iian 'sKonings verrigtingen. 

■ Diurnal , (m) Een dagelyks gebe- 
den boek {in de R. Kerk.) 

Diurne , (adj.) Mouvement diur- 
ne , dagelykfcbe omloop {in Sterrek.) 

■ Divulgation , (f; Verbreiding , 
rug tb aar maaking. 

Divuigué , ée (adj.) f^erfpreia^ 
rugtbaar gemaakt. 

■ Divulguer , {■v.d..)Gemeen^of rugt- 
baar maaken yverfpreiden ; d ivulguer 
on fecret , een geheim openbaaren. 

Dix , (adj. '& fubft.) tien-, les 
dix commandements , de tien gebo- 
den ; dix fois, tien maal; le dix de 
cœur , de carreau , harten- , ruiten- 
tien { in Kaartfp. ) ; NB. ivamieer 
ket woord dix ty een ander getal ge- 



DIX.DIZ.DOCDOD. 22y 

voegd is y Jleldmen daar eene diviüc 
(-) luffchen beide , als : dix-fept , dix-s 
huit , dix-neuf i zeventien , achttien j, 
nt'^f;;//V»j quatre- vingt-dix &c. , ne- 
gentig ; wordende echter niet geplaatjf 
tuffchen de woorden cent dix of 
mille dix. 

Dixième, (adj.&c.) De tiende jheè 
tiende deel, 

Dixiémement ,(adv.) Ten tiendend 

Dizain , (m) Dicht van lo verfen i 
ry van lo koraalen aan een Pater- 
nofler. 

Dizaine , (f) Een Tien-tal (n). 

Dizeau , (m) Een boop van lo fchoO" 
ven koren. 

Dizenier, (m) Rotmeejler over een 
tien-tal. 

Docile , (adj.) Leerzaam ..hegrype- 
lyk ; gehoorzaam , gedwee , buigzaam» 

Docilement, (adj.) Leerzactmlykm 

Docilité, (f) Leerzaamheid y vat' 
baarheid, gezeggelykheid. 

Dode , i adj .*) Gf/^É-r^ ; ho rome doc- 
te , een geleerd man; les dodtes, ds 
geleerden, 

Dodement , (adv.) Geleerdelyk, 

Doâ:eur,(m) Een Leeraar ,T>oôiOr^ 

Doaoral , aie (adj.) Meejlerlyk^ 
Doftoraai. 

Doftorat, (m)De eer-trap van esti 
Lee ra ar. 

Doftorerie, (f) Doftoors Pro^ 
motie-f7jaa/(n). 

Doftrinaire , (m) Kerk-vader, 

Dodrine, (f) Leere^ Leering y we^ 
tenfchap. 

Document, (m) Bewys (n), oir-' 
konde ( f) , document (n) , {in Recht,)^ 

Dodécaèdre , (m) Ligchaam mes 
li gelyke vlaktens {in Meetk.). 

Dodécagone, (m) Een ii boek {in 
Meetk.). 

Dodeliner, (v. a.) Heen en weer 
beweegen, wiegen y in fl aap juffen, 

Dodine , ( f) Soort vanEenden-faus* 

Dodiner , (v. a.) Te veel koejleren o 
te zagt behandelen ; fe dodinisr j (v. r.) 
y.i^h goede dagen ge even. 

Dodo , {tri) Zuija zui , {woord yge- 
brttikt om kinderen in flaap te wiegen)» 

Dodu, ue (adj.) l^et , poezelig, 

Dogat ,(m) '; Hfrto^ ampt van Fe- 
vetten, 

F 99' 



22(5 ÜOQ. 1301. 

VogQy{m)De Hertog of Doge van 
Vénitien. 

Dogefle, (f) De Hcrtog'r.u 

Dogmatique, (adj.) Omierivyzend', 
leerend \ prendre uu ion dograaci- 
que , meejli rayj'ig fprce'irn, 

Dogmatiqusmenc , (adj.) Lecre^de, 
Uerfleltigcr nyze. 

Dogmatifer, (v. n.) Niemve leer- 
pukken op de baan brengen; zich btt 
leer-ampt aar.rr.ajtigen. 

Dogmatileur;, (m) Invoerder ecner 
nieuwe of valfcbe leere. 

Dogrnacifte, (m) Lecraar eenrrive- 
fchap , 1-olgem zekere grondregelen ^ 

Dogme, (m) Lcer-jtuk y J^strjld- 
lir.g ( f ). 

Dügre-bot, (m) Buis ,(vifchfcbuït). 

Dogue , (m) i!'e:i engelfcha dogqe. ^ 

Doguer, fe dcguer, (v. n. öc r.) 
^icb met de hoornen flooterj. 

Doguin , ine (m. & f.) Steen- 
dogge. 

Doigt OU doit, (m) Een vinger; 
vingerbreed'tïeen van de voet ; klaauw 
(van zekere dieren -, als : van een Aap , 
Krokodil^ en Roofvogel); doigt de 
Dlea, dl vinger of magt Gods; tou- 
cher, montrer au doigt, met den 
vinger aanraaken , aamvyzen ; un 
doigt de vin , een weinige een vin- 
verhoed vol ivyns ; être à quatre 
doigts de la mort, na by zyn einde 
zyn; vous avez mis le doigt defTus, 
{fpr, iv.) gy hebt ket geraaden ; fa- 
voir quelque choië fur le bout du 
doigt, ifpr. u'.) icts ter deeg wes- 
ten , kennen ; il s'en mordra les 
doigts, (/pr.tf.) het zal hem rouwen; 
les doigts lui démangent, hy ivilde 
geerne aan de flag^ vreezen; j'en met- 
trois le doigt au fcu , {fpr. tv.) ik 
ivil 'er op zwceren ; on n'tn donne 
qu'à lèche doigt , (fpr. %v.) men 
geeft 'er maar fpaarzaam van; ils 
lont coram.e les deux doigta ds la 
rcain, (fpr. tv.) zy zyn zeer goede 
vrif?nden ; j'ai beau irordre mes 
doigts , (fpr. iv.) 't is te vergeefs my 
te vermoeijen. 

Doigter , (v. a.) De fnaaren met 
de vingers aanroeren (in Muziek). 

Doigtier , (mj Vingerling (m) , /Juif- 
ji (n). 



DOT. DOL. DOM. 

Doit, (î;<?« devoir) is fchuldig of dé- 
bet; doit avoir, moet hebben of is 
credit. ^ 

Doite,(f) Ces écheveauxne font 
pas d'une même doite , die Jireenin 
zyn niet van eener dikte of gefpin , (by 
JVeevers). 

Dol, (m) Bedrog (n), lifï (f), (i» 
Rechten , oud w.) 

Doléance,(f) Geklag , bezwaar 
(n),(^em. iv.) 

Dolemment , "(adj.) Jammerlyk^ 
(oudw.) 

Dolent, entç (adj.) Droevig y ker^ -■ 
mend , weeklagend. 

Doler , (v. a.) Schaaven-, met een* 
byl Jlegteny bekakken. 

Doloire, (f) Emfchaaf{ï)',Kui' 
per f dijfel (m). 

Dom , OU don , (Spaanfh w.) Heer, • 
Domaine , (m) Eigen vajîe goede- 
ren , als : Landeryen enz. j 's Lands in- 
komjï ( f). 

Domanial, aie (adj.) ^^«^ ^^^'' ^'^ 
behoord» 

Dorae , (m) Een hopg rond dak(n) ^ 
koepel (m). 
Domefticité , ( f ) Huisgenootfcbap. 
Domellique , (fubft. & adj.) Huis- 
genoot^ dienjlbode, bediende; affaires 
doraeftiques, huislyke zaaken; ani- ^ 
m^l domeftique , een tam dier , huis- 
dier; guerre domeftique, inlandfche ^ 
ki-yg; huis-krahkeel; Ie domeftique, 
het huis gezin , huis-wezen. 

Doraelliquement, (adv.) Vivre do- 
meiliquement , buislyk , ofjlil leeven. 
Domicile, (m) ff^'oonjfeede , woo- 
ning , buis. 

Domicilier, fe domicilier ,(v. r.) 
^ich ergens ter woon neèrzetteti. 

Domifier (v. a.) Ie Ciel , den Hê- 
mei in 1 2 huizen afieelen , ( by Sterrck.) 
Dominant, ante (adj.) Heerfchen- 
de-, reg^'erende. 

Dominateur, trice (.m. 8c £.) Heer- 
fcher , heerfchcrin. 

Domination , (f) Macht y heer- 
fchappy. 

Dominer ,(v. n.) Heerfchen., macht, 
heerfehappy voeren ; fa palTion Ie 
domine, zyne drift overheerfcht bem;^ 
la bile domine dans &c. , de ga^ 
heeft de overhand in enz.; montagne 
■' qui 



DOM. DON. 

qai domine la ville, berg die hoo- 
ger als dejiaJ hgd. 

Dominicain, aine (m. & f.) Een 
Dominikaner Monnik, NoKne. 

Dominical , aie (adj.) Oraifon do - 
minicale , het gebed onzes Heeren ; Ia 
Jettre dominicale ^de zondags letter. 

Dominicale, ( t ) Epijlel- en Evan- 
gelie-boek (n). 

Dominicalier, (m) Prediker daar 
van. 

Domino, (m) Priefters winf^r-kap. 

Dorainocerie , ( f) Gemarmerdpa- 
pier (n). / 

Dominotier , (m) Marmer-gecou- 
leurd-piipier-kraamer of maaker. 

Dommage, (m) Schaade (fj, na- 
deel ■> verlies (n) ; c'eft dommage que , 
bet is jammer dat. 

Dommageable , (adj.; Schaadelyk, 
nadeelig. 

Domtable, (adj.) Tembaar , dat te 
temmen is. 

Domcer , (v. a ) Temmen , beteu- 
gelen , bedwingen, qedwee maaken. 

Domceur, (ra) Overzvinnaar , ver- 
overaar. 

Don, (m) Gift (Î), gefchenk (n); 
don gratuit , eene vrywillige gift ; il 
a de beaux dons, hy beeft fchoone 
gaaven , bekwaamheeden. 

Donataire , (m. &c f.) Een die er- 
gens mede begiftigd is. 

Donateur, trice"(m. & f.) Begif- 
tiger , fchenker. 

Donatif, (ra) Genade-gift (f). • 

Donation, (f) Gift y gave^ erf- 
gave , maaking by uiterfien wille- 

Donc , Dan , der halven, dien- 
volgens -, que faut il donc faire? 
wat moet men dan den ^ 

Dondon, (f) Een fraai dik in een 
gedrongen f^rotiws-perfoon (n). 

Donjon, (m) De hoogJJe en fterk- 
jie plaats of toom van een Kafleel of 
f^ejiing (f). * ^ 

Donjonné, ée (adj.) Met toornen 
(in IVapenk.). 

Donne, (f) Een Koftpeïaarjfer. 

Doni^é, ée (adj.) Gegeeven f ver- 
eerd; enz. donné à la Haye, gegee- 
ven in den Hage. 

Donner, (v. a.) Geeven , befcben- 
ken , verëeren ; donner l'aumône , eene 
«talmoes geeven; donner un bon con- 



DÖN. 227 

feil > goeden raad gecjen ; donnei:* 
avis , kennis geeven ; donner defl 
loix , luetfen voorfihryven ; donner 
caution, borg Jieilen ; donner fà 
parole, zy» woord geeven , o/ pafree- 
ren j donner fon 3pprobation,go^£/- 
keuren; donrer fentence ,w«M«wy- 
zen; donner la vie, het leven gee- 
v:n , f chenken ; donner fa vie pour 
fa patrie , zyn leven voor zyn vader- 
land waagen; donnez moi ce livre, 
geef my dat boek ; donner la main à 
quelcun , iemand de band bieden; je 
vous donne le bon jour, le bon 
foir , ik wenfch u golden morgen, 
goeden dag , goeden avond , goeden 
nacht; cela donne de i'appetit,t/aï 
verwekt eet- luj) ; donner du plaiûr > 
vermaak aandoen ; donner de la pei- 
ne , moeite geeven ; donner des 
coups de bkton, flolftaagen geeven; 
donner la qufftion à un criminel, 
een' misdadiger pynigen; donner touc 
fon tems à l'étude, at zyn tyd aan 
de Letïer-oeffenin^n bejieeden; donner 
les mains à quelque chofe , iets toe- 
Jlemmen; donner bataille, flag //. 
veren; donner de l'air, lucbt gee- 
ven; donner un livre au public, 
een boek in 't Hebt geeven; donner 
au but, het doelwit treffen; donner 
au; hazard, waagen; danner dans 
Je piége, dans Ie panneau, in den 
Prik vallen ; donner dans la vuë , in 't 
oog hopen; donner de la tête con^ 
tre quelque chofe , zyn hoofd ergeni 
tegen aan Jlooten ; ne (avoir ou don- 
ner de la tête , geen uitkomfl wee- 
ten; donner en gage, te pand gee- 
ven; chambre qui donne fur le 
jardin , kamer die op den tuin uitr. 
ziet; donner à entendre, :e, kennen 
geeven; donner à boire, te drinken 
geeven, tappen; donner à manger, 
te eet en geeven , ordinaris houden^ ' 
en donner à garder, wys maa- 
ken, op de mouw fpellen (fpr. w.); 
donner les cartes , de kaart gee-*- 
ven; donner à la cote, de kuji ver- 
kiezen; 't tegen de wal aanzetten-, 
donner le feu au canon , losbran- 
den; donner dedans, inloopin , in-' 
zeilen; donner vent devant, door 
den wind opdumven , om te wenden ; 
donne vent devant, leg uw roer aan 
P a /y3 



i2S DON. DOR. 

Ty ; cet homme a donné df s verges 
pour fe faire fouetter, die man is 
oorzaak van zyn eigm ongeluk. 

Se Donner (v.r.) à quelcan,z/Vé 
can iemand ovrrgpeven ; je me don- 
nerai l'honneur de vous venir 
Voir,i> zal my Je e ere gteven van u 
te komen zien; fe donner trop de 
liberté, te we! vryheid necmen •> fe 
donner patience , geduld neetnen, 
cffjjenen; fe donner du bon temS". 
Triwi werr/pef/en; fe donner de la 
peine, ted mjeire neemen-, fe don- 
ner des aire, proukt^n. - 

Donneur, eufe (ra. & f.) Gecver, 
begiftiger; befchenkjler (gem. tv.). 

Dont , (j>tin.} IFaar van , van 
fvièn, van wie-, vciii ivelk?-, c^ed: lui 
dont nous parlons , by is 't van 
vjif-n ivy fpreek'en. 

DonzelJe (f) voor Démoifelle , 
Juffer , (gem. en boert, w.) 
. Dorade , (f) Zee-lraajfem (tn), 

I {zeier vifcb). 

Doré, éé .fadj.) Per^uU -, goud- 
geel; vermeil doré, verguld zilver ; 
cuir doré , verguld leer; papier do- 
ré, verguld papier ; foupes dorées , 
wentel -broodjes; pourpier àoré.gce- 
le pojielein [zé^'r kruid); la légende 
dorée, de gulJe .legende [in de R. 
Ke'-k) ; bonne rencrumée vaut mieux 
que ceint::!re dorée , een loede naam 
is heter ah olie , (fpr. w.) 
s Dorénavant , (acij.j f'^oortaan , van 

KU af aan. 

Dorer, (v, a.) F'ergutden; dorer 
un livre, een boek vergulden; dorer 
ia pilule , cr> til vergulden; {fq, ) eene 
zaak opfmukhen; dorer un vaifleau, 
een fcbip fm^eren , hurpaiten. 
Doreur, (m) P^irgulder. 
Doriqtre, (aij.) Ordre dorique, 
de dorifche bouxv-orde. 

Dorloter, ("v.a.) LiefkoozeUfvlei- 
jrn , ftreelen ; fe dorloter , '(v. r^ zyn 
geinak zoeken. 

Dormant, ante fadj,) Sïaapende; 
- ifts dat 'Uap zit of Ugt ; eau dorman- 
te iftiljhîand water ; manœuvres dor- 
inintes & coulantes , fJaand en hopend 
v-and (fcbeeps w.); pont 'dormant, 
ctir vafte brug enz. 

Dorineur 5"^ eufe (adj.) Slaap£r, 
nêr.pjier. 



DOR. DOS. DDT. 

Dormir, (v. n.) Slaapen; dormit 
à bâtons rompus, ongerufi Jlaapen% 
il n'y a pas de pire eau , que celle 

qui dort, zwygende liedin zyn niet 
ligt te vertrouwen; il ne faut point 
réveiller le chat qui dort , mert 
moet den flaapendm bond niet wakker 
maaken, een netelige zaak nie* weer 
o V haaien; qui dort dine, de Jlaap 
voed; dormir la graiïe matinée, een 
gat in den dag faipen ; dormir fans 
débrider ,//a/3p(7J zonder wakker wor- 
den; l'eau dort, het water jlaat fl il. 

Dormir, (m) Het faapen (n), de 
(laap. ,. 

Dormitïf , ive (adj. & tQbQ^Blaap- 
Vtrivekkend. 

Doroir , (m) Kwafje waar mede 
men gebak bejkrykt (n) ; verguld-quaji, 

Dorophage , (m) Een die van ge 
fcbenken Uefd. 

Dortoir, (m) Slaap-kamer in een 
Khojler (f). 

Tiornre, (^) P^rguîdzel (d). " 

Dos , (m) De rug (van een menfcb 9 
c/iVr , kam, mes, enz.); tourner le 
dos, den rug toekeer en; weg toope^i^ 
't haazen-pad kiezen , zyne hielen laaten 
zien, battre quelcan dos & ventre, 
iemand wakker afroffen , monter un 
cheval à dos, zonder zadel ryden; à 
dos d'âne, met een' fcherpeh rug) 
dos d'âne , een Slagtcrs bank , als 
een h'JUte paerd; boog boven de Jluur- 
plegt; tuinbed dat boog in de mid- 
den is. 

Dofe , (f) j4rtzeny-maat , zoo veel 
men t effens gebruikt. 

Do fer, (v. a.) j^lrtzeny , medicyn 
afpoffen , afweegen. 

DcfTe , ( f ) Ken [ihoei-plank, 

DoiTeret , fra) F.en fieene beer , pi^ 
laar , feunzel. 

Dofllcr, fm) Rui^^e-jluk fn), leun 
van een foei of bank (f); hoofden-eind. 
van een léüikant n) ; naam-lyfi op ern' 
hundel geding-f ukken <by PraÜtz.) (f). 

Doiïiere, (f) Draag-riem ; diffel- 
boom-riem (n). ^ 

Dot , ( £)Huwelyks-gift ( f) ,'bruid- 
fchat (ra); 

Dotal , aie (adj.) Ten huwelyks-gcei 
behcore>ide. 

Dotation, (f) Huwelykfcbe uit- 
zetting, 

* Do- 



DOU. 

Doter (v. a.) une fille, une églh 
fe , eerw dogter , crue ketk he^ij^ig.t}. 

■13'où > (aciv.) Fan waar^. waarvan 
daan?;,f)uc quel lieu'" 

Douaire, (m) If^eJuw gift, Lyf- 
togt {£). ^ 

Douairière, (f) l- ooruaame wedw 
tve i Reine douairière. 

Douane, ( f) JUt tolhuis (n); item 
de toi , licem (m) , recbt<^u (n. \.\.) 

Douaner, (v. a.) De waann met 
den tol-jîer.tpel bedrukken. 

Douanier , (m) Tollenaar , Konvoi- 
mefjier. 

'Doublage , (m) F'erdubbeling (fnieu- 
we baiten-huid van een fchip ( f). 

Double, (adj.) -^^«^^<'/; cœur dou- 
ble, valjcb hert f rendre au double, 
dubbel wedergeeven y à double fens, 
dubbelzinnig. 

Double, (m) Het dubbel-deel (n)j 
een cortfe $n yrankryk (n); een duit 
m Holland (m); cela ne vaut pas 
MC double; dat 's geenffelJ waard; 
le double d'un écrie , de copie , het 
duplo van een geschrift. 

Doubleau, (na) Ds Jpitze of fcher- 
pe booet aan een verwulf. 

Doubleaux , (m. pi.) Dwars -balken 
(in Bouwk.). 

Doublement , (m) Verdubbeling ( f). 

Doublement, (adv.) Dubbel y twee 
maal zoo veel. 

Doubler, (v.'a.) Verdubbelen; âou- 
bier Ie pas, zich haajlen ; doubler 
un habit, een kleed voeren; doubler 
un vaiflTeau, een f chip verdubbelen; 
doubler un cap, une pointe, een' 
hoek voorby zeilen. 

Doublet, (m) Een valfchen Jieen; 
twee gelyke oogen in '( teerling fpel. 

DoubleLte , ( f) Een orgel regtjlcr, 
van tivee voet lang (n). 

Doublon , (m) Spaanfche f ijl ooi -, 
dubbelde ducaat (f). 

Doublure, (f) Voering. 

Douceâtre, (adj.) Zoetagtig. 

Doucement , (m) Parler douce- 
ment , zoetjes , zagtjes fpreeken ; mar- 
cher doucement , zagtjes , langzaam 
treeden; on vit doucement. dans la 
folitude , men leefd zoetelyk in d'een- 
zaamheid, 
- Doucerqent,(^interj,)^-35fjV5!/-"}ö! 

|) juceret , etce ( adj. & futrft,; Zq^- 



DOU. 



42> 



te'yi f mamerlyK , of die zicb zoo aan- 
jtAd. 

Doucereux, eufe (ad. & fibfl:.} 
Smaakloos ^laf; et'n Uefkoozcr der jon- 
ge Juffers; faire Ie doucereux ; vin 
j fade ÔC doucereux. 

D.üucct, ette (adj.) Faire Ie dou- 
ce t , zich verliefd aanjhllen. 
I Doucette, (f) Geveinsd vrouw- 
1 meifcb; ttrm vette-kcus (velJ-falaad)» 
i Douceur , ( f) Zoetigheid ( in de 
i fmaak) ; aan^enaambeid (in de reuk 
enjlem); za^theid [in het gevoel) ; des 
j douceurs , lekkernyen ; une uouceurj, 
\een voordeeltje f o/ prefent ; diie des< 
douceurs , met minne-praatjes onder- 
I houden. 

I Douche i(P)Chergsetivg van berg^ 
! water , om zwakke leeden te doen her- 
Jïellen ; donner la douche à quel- 
cun , iemand bad- wat er op het lyf 
pompen. 

Poucine , (f) Kroonlyff aan een, 
gebouw (m). (Zie odk Cymaife) > j/^w» 
lyjï'fchaaf. 

Doué , (adj.) Begjftigd {-.net een* 
lyf-togt) j begaafd iVertierd (methoeda^ 
ni gh eden). 

Douge. (Zie Douche). 
Douelle , (f) De ttithakktng van 
duigen , of van Jjeenen tot een verivuïf 
Douer, (v. a.) Begaaven, vereis^ 
ren 5 met een lyftogt begiftigen. 

Douille , ( f) Mûêr voor de krap- 
zer aan een laad/lok; de yzere band 
onder aen een piek; de fcbaft voor de 
jleel aan eenfchop enz. 

Douillet, ette (adj.) Teer , teder ^ 
zwak. 

Douillettement, (adv.) Téderlyk, 
zag^elyk. 

Douleur , ( f) Smert , droefheid (f) ^'" 
verdriet (n),; douleur de tètej de 
dents, hoofd' of tand-pyn. 

Se Douloir, (oud w.) (Zie fs 
Plaindre). 

D£)uloureufement , (adv.) Smerte- 
lyk. ■ 

Douloureux, eufe (zd].) Smerte- 
lyk , beklaaglyk , verdrietig , hard. 

Doute, (m) Twyffel; ecre en dou- 
te, in twyffel fiaan; mettre en dou- 
te , in twyffel trekken ; iever de* 
doutes 5 twyffelingen oploffen ; fans 
douté, zmder twyffetf'Qngetwyffelé, 
P 2 JP^ï*- 



r:o DOU. DRA. 

Douter, (v. n.)TwyffeJen, ils ne 
fe doutöienc de rien , zy ivaaren 
nergens op verdacht ; je m'en doutois 
bi-rn, ik Jit^t bet wel. 

Dciiteufement , (adv.) Tivyfel- 
agtiglyk. 

Douteux , eu ^e (adj.) T^vyjfehgn^ , 
onzeker; événtruent forc doiueux , 
eer.e zeer tityXfel^l^^'g^ gebrurtenis. 

Douvain,' ;ru) i^'at-buut , pyp-bout 
(n). 

Douve , ( f) Een duig van een tot^ ; 
g^'ngp r-an een Xa/ftel } fchut-borJ aan 
een verlaat -^ muur va ft een water-kom; 
bj'jnpn-voet {zeker kruïd). 

Doux, doace , Cadj.) J^o^t , za^t 5 
za^tzimug ; vin doux , zagte wyrt ; 
cdeur douce , een liefïyke reuk ; 
temps doux y-Z^gt weer j v ie do u- 
cc, een Jiily 'gerujl léven; humeur 
douce, zjgte aart , inborji ; biiiet 
doux, minne-brief; faire des yeux 
4oux , verliefd zien; filer doux, 
fchoone woorden geeven; tout doux, 

ZCÎgtjCS, 

Douiain , (m) Een oude franfcbe 
Jiuiver ; gedicht vhn 12 verzen {cud w.). 

Douzaine, (f) Txvaalf^ een do- 
zyn ; à la douzanie , hy 't d&iyn ; un 
Poëte à la douzaine, een fïegt Dich- 
ter; il ne s'en trouvé pas à la dou- 
zaine , men vind 'er viet veel vat:. 

Douze, (adj. & fxihû.) Twaalf; li- 
vre en douze , ou in douze, boek in 
\2en of duodecimo {by Drakk.); 
Charles douze, Karel deizde; le 
douze du mois, de 12de der maand. 

Douzième, (adj. & fubll.) De 
twaaîfjr , bet twaalfde deel. , , 

Douzièmement , (adv.) Ten twaalf- 
dtn. 

Doozil , (m) Eenzwikje in een ton 
(n). 

üoxologie , ( f) Lnf-zang (als van 
de Engelen in' de' Brthlemitifche velden). 

Doyen , (m) Deken, oud/Ie van een 
CoW^gie ;Dom liékcn; item de langfl 
gcvangeve of ondfle kopgr.r.ger. 

Doyenné , 'm) Dom-aékenfcbapCi), 
JDom-dékcn; Dom-hun (n). 

Drachme , ( f ) Een vierde deel 
van een loot (n) -, zekers Griekfeke 
'/Tiunt t wr^ardig Cjluiv. 
' Dracuncules , (f) Wormen die\ 



{la;:a) 



DRA. 

tujfchen 't vleefcb en de huid groeijen. 

Dragan , {m) Spiegel van een' galei. 

Dragée, (f) Klein zuiker- gebak, 
oh : anys , kollen enz^ (nj ; hagel om te 
fchietcn; écart;er «a dragée , in 't 
(preeken , fpeekzel uit den mond wer- 
pen; dragée, (f) mengzel voor de 
pa '.r den. 

^Drageoir, (m) Doos waar in de 
J^^J/^rs bet zutker-gebak doen. 

Drageon, (m) Ùitjpruitzel by den 
wortel van boomen of kruiden. 

Drageonner, (v. d.) 'Uitfchieten , 
uitfprutten. 

Dragon, (m) Een draak {zekere 
_ j een boosaardig menfch (n)j fr« 
Hoos , of onweérs hoofd ; dragon de 
vent, een r^ervel-tvind; Ie dragon, 
ds draak {in Sterrpk.). 

Dragon , (m) Soldaat die te paerd 
en te voet diend , Dragonder; à la 
dragonne , (adv.) op zyn dragonderfch . 

Dra^onné ,ée (adj.) Met een draak 
veraerd {in l^apenk.). 

Dragon ncau, (m) Lange worrn dia 
sufj'chen vel en vleefcb komt. 

Dragonner, (v. a.) Met geweld 
modzaaken. 

Drague, (f) Een bagger - fpaade ^ 
eene dr egge; drague de canon, èroÊ-- 
king {zee w.). 

Draguer, (v. n.) Eene gragt uit- 
fpttten , uitbaggeren ; draguer l'an- 
cre , bet anker vijfeben (zee w.). 

Dramatique , (adj.) Poëte , poëme 
dramatique , toneel-dichter , toneel- 
fiuk , of dicht. 

Drame , (m) Toneel-dieht. 

Drap , (m) Laken (zekere floffe) ', 
marchand de drap , een laken koo' 
per-^ habit de drap, een laken-kleed-, - 
drap de pié , een tapyt ; drap de 
lit, flaop-îaken; mettre un homme 
en beaux draps blancs, iemand be^ 
fcRimpen , uitzetten , afmaaien ; au 
bout de l'aune faut le drap , bet 
e ir de zal de laji draagen-^ tailler en 
plein drap , 'voUe geleegenbeid hebben 
om iets te doen (fpr. woorden . 

Drapeau, (m) Een vaandel; oud 
linnen , lompen. 

Draper , (v. n.) Laken maaken , 
wolle w\''cven; draper une chambre, 
een' kamer met rouw behangen ; dra- 
per . 



DRA. DRE. 

per un carofTe &c. , len koets enz. 
met laken bekleeden j draper quel- 
Cun, iemandbefpotten y ten toon Jiel- 
htt. 

Draperie, (f) Laken-banJel (m); 

>lte-zi'^everye (£). 

Drapier , (tn) Een laken-weevcr ; la- 
ken -handelaar. 

Drayer , (v. a) jiffchaavcn, {by 
Leér-bereiders). 

Drayoire , (m) Schaaf -mes (n). 

Dreche, (f) Mout, malt, 

Drege, (fj Drcgr.et (n). 

Drelin , (mj GekUnk (n) ) klank 
' Jn een bel , fcbel •ƒ klokje. 

Drefle, (f) Stukje leer dat men 
tvjfcben de fchoenzjolen fieekt (n). 

Drefler, (v. a. & n.) Regt maa- 
ken ; o^regten ; af regt en ; opfïellen ; 
drelTer un bâton , eeréeyj fiok regt 
maaken } drefler una ftatue , een 
Jiandbeeld oprigten ; drefTer une bat- 
terie , eene batcery cp'w.rpen -^ dres- 
fer des tentes, tent-n opflaan; dres- 
fer fon intention , fd marche , zyne 
meening , zyn' gang rtgten ; drefler 
les quilles , de kegels oprigten , op- 
zetten -, drefler d'alignement 5 een' 
muur na het meetfnoer oprigten , dres- 
fer an pavé, een vloer gelyk fiam- 
pen-, dreflTer une pièce de bois, een 
Jluk bout bebakken , regt maaken j 
drefljer un lit, een bed opmaaken; 
drefler des embûches, htnJerlaagen 
leggen y drefler un chapeau , ecn' 
hqed toeregten , zyn vorm ge even , 
dreflTer un drap» een laken raamen; 
dreflTer une vigne , een' ivyngaard 
toerigten-, drefl'cr une planche , une 
couche, een tuinbeJ toerigten; ares- 
fer ua livre, een boek regt kloppen y 
dreflTer les oreilles , de ooren opjiee- 
ken , opfpitzen ; drefler du linge , 
linnen rekken y opdoen; drefler du po- 
tage, foep toebereiden ; drefTer un 
écrit, een gefchrift cp/iellen; dres- 
fer un compte, ^r«' rekening opmaa- 
ken ; dreflifr un cheval , een paerd 
cfrigten-y dreflJer des Soldats, 60/- 
daasen drillen, ofrigten j ce chien 
drefle & va droit, die kond volgt 
regt betfpoor; drefl'er les vergues, 



DRE. DRL DRO. 231 

zetten; cela fait drclTer lés che- 
veux, dat doed de bairen te berge 
ryz'ny fe drcfl*er, (v. r.) zicb op- 
r egt en. 

Dreflbir , (m) Een fchenk-tafel ; item 
een werktuig om de hekel-pinnen meê 
rent te maaken. 

Drille , (m) Een VigtmiSy deugniet j 
een vrolyken baas, (geni. iu.). 

Driller, (v. n.) Tlnigs loop en y 
draaven; afdrojfen (gem. w.). 

Drilles, (f-pl.) Oude lompen , flar- 
den, 
DriUear. (Zie Chiffonnier). 
Diilieux , euie (a.d}.)Gefcheurd, ge- 
plukt. 

, Drifl'e , ( f ) Kardeel (n) , vat (m) 
om de reen op te hyffen , of té laaten 
vallen [zee w.). 

Drograan ou Drogusman , (m) 
Tolk by de Turken. 

Drogue j ( f) Drogerye ; ^rtzeny ; 
il fait bien faire valoir fa drogue , 
by lueet zyn waar wel aan de man te 
belpen , duur te verkoopen ; drogues , 
prullery , flegte waar. 

Droguer , (v. a.) Geneesmiddelen 
Ingpeven. 

Droguerie , (f) Het vijfchen en 
zouten van den Haring. 

Droguet, (fJ Drogét (n), {zekere 
ftoffe), 

Droguier, (m)- Kas (f), cabinet 
(n ; van een Natuurkundige. 

Droguiite , (m) Drogifï , een die 
droger y en verkoopt. 

Droit , te {z-'Y}.) Regt ,dat niet krom 
is } bi(lyk , recht ; oprecht enz» ; bâton 
droit, eenregteflok; chemin droit, 
ern regte weg; angle droit, regte 
boek ; cœur droit, oprecht kart , avoir 
le fens droit , zyn volte verfïand heb- 
ben; à droit, (adv.) ter regter hand ^ 
regts om; marcher droit à l'enne- 
mi, regt op den vyand aantrekkeit y 
homme qui va droit, een man die 
voor df vuifi , opr (ht , zonder omwe- 
gen bandeld ; à bon droit, te recht > 
met recht 'f aller tout droit, regt toe 
gaan» 

Droit , (m"» Het recht (n) , de wet , 
Rechtsgeleerdheid ( f) enz, ; droit di^ 



de reè'n regt brajjen (zee w.); dreflTer I vin , humain , cjTil , canon , cou'- 
route à nord, zyn' kners -noordelyk \ tümler , naturel, public, Goddelyk^ 

P 4 me»-^ 



5^2 DRU. 

rrùnjchetyk > hvr^erijs , keriehi , îands, 

fujtuuriyJt y roomfci:e ( jos publicum) 
r?cbfy droit de gens, bet recbt der 
vuveren; droit ce guerre, de Dcur- 
geoilie » krygs-bu ger-recst j avoir 
droicde . . ., r^cht betteyi om . . .; 
payer les droits > de rechten ^ tollen 
hetJ/iiea ; faire droit, reebt doen^ 
recbt ktbten ; ó:re à aroit , zyn zack 
recbt ffetbïn; violer le droit, bfi 
rerbt fcbenJtr. ; étudier en droit, m 
de recbteti Itad>-eren. 

Droice, (f) O e rfgterband \ reg- 
t?rK:4eugel eener année ; mm zegt ook ^ 
la main droite, l'aiic droite , a 
droite , ter regterb.-.nJ. 

Droitement, (adv.) Aller droite- 
nenc en te iogne,of recbt elyk'joor ae 
vuijî bande Un. 

Droitier, iere (adj.) Regts , niet 
Imks , {weinig getr,). 

Droiture, {{) Ùprechtbeid, rede- 
lykhfiJ ^ droiture d'efprit, j^^ro^- 
cerbeid 'jJfï oordeel; aller en , oa à 
droiture , ou diredementà. . ,regt 
ice g^aa r.a . . . 

DroitGrier,ierefadj.XottJ«;.)^^^r- 
te?r.i:g , recbtmaaîig. 

Drôie, (adj.) KJugng ,- fraaifch\ 
cela eïl drôle, dat is kiugtig-, c'efl 
hh drù!e ou un drôle de cor^Sybet 
is een fnaak. 

Drôlement ,^adv.) Koddîglyk ^aar- 
digh k. 

Drôkrie, (f) Snaalerye , koddig- 
beiJ. 

Drôleffe , (f) Klugtig , fnaaks ef 
fcbûamteh'S vrou'Ji'Tne?ifcb fn). 

Dromadaire, (m) È en Dromedaris 
(fonrt lan Kameel). 
' D'offart, (m) DrcJ^aart ^Drejivcm 
êPi't'.g dcrp enz. 

Dr ouine , ( f ) Kéteîboeters zak , voor 
het scre=d*ibap (m). 

Drouineur, (m) Kétel-boeter , ké- 
ffl~ljppfr. 

Dra, De (adj.) 5«?/, kloek ^ dik, 
iizt hy ma'iajr ; i'herbe y étoit 
drue , hft gras j^ or d 'er i.i ; cet oi- 
feào ett ara , 'die vogel ts tJug , kan 
hpafi uiivliigen; tomber dra «Sc me- 
nu comme mruches, lallen alsbaft, 
regm , in ir.eenigte , Ê^e drue , een 



DRU. DU. DUB. DUC. &c. 

Druide, (m) i'r.-fier vuor deezèH 
by de oude Gallen (franfcben). 

Druidi-me, (,m; Leere derzehen. 
Drayade, {£j Bojcb r.imfederHeh 
\ den en, 

I Dd, (art. gen. & abl. item nom 

& accuH ling. m&£c.] Le fceptre du 

Roi, de fcepter des Konings ; venir 

j du château, vaa 7 kafieel kzjmen} 

I eu vin, ziyr, ; du ^'^in , brood ; Du» 

j (p: epoiLtie; tirer eu coffre , uit bet 

koffer hajiien ; du ccmmencetnent , 

I in den begtnr^-, du vivant de, fvet 

j bet leveH -va»! • du moins, ten min- 

Jler, J point du tout, gant/rb niet. 

j Dû , (m; Cela eft mon dû, dat ts 

; '/ gtt>:e my toekomt; votre ûù , uvt' 

fcbttld , ou-'- debet. 

i Dû , due (adj.) Verjcbuldigd ^ la 
gloire n'cit due qu'à . . , de eere^ 
cfroem beh»ord alleen aan ... 

Djbication , (f ) Aangenomen( on- 
zekerbeid (ht redenk.). 

Dubitativement, (adv.) Twyjfet- 
agtiger vryze. 

Dac , (m) Hertog ; item een Kat uil , 
{zekere Roofiegel). 

Durai, aie (adj.) Couronne du- 
cale , berto'jyke kroon. 

Djcale , l f) Of ene trief, patec; 
van a^n r..ad ^an yenetim. 
Dacat , (ro) Ducaat. 
Dacaton , (m) Ducaton. 
Duché , (m) Hertogdom (n). 
Djiche^ty {Î) Eene Hertogtnne. 
Duftüe, (adj.) Smeedig y bet geen 
ui tgejlajgen , getrokken kan uord^n. 

Dudiiité (f) du métal, taaiheid ^ 
frneejigbeid der metaalen. 

Duegne, (f) Qpzienjier, Gouver- 
nante eener jonge Ju^er in Span- 
}ni. 

Duel, (m.) Twee-Jlryd (m) , twee- 
gevegt (n); nombre duel, tu-eetou- 
dig getal (in Griekfcbe fpraakk.). 
Dueilifte , (m) Eer. iampzegter. 
Duement , (adv.) Behoor lyk , betaa- 
melyk. 

Duire, (v. n. def.) Dienen, he- 
bi.Tgen ; voyez C cela vous duit, 
zier of u dat -van nut zveezen kan. 

Duïcifier, (V. a.) Zoet maaken {ir^ 
Cbym.). 
Dalcinée, (f) Gir^ Mtan^reji. 
Dal- 



DUL.DÜN.DUP.DUR. 

Duicoré , (a jj.) Mercure dulco- 
ré , zoetgemaakte kwik. 

Dulie , ( t') D'.enji die mm den En- 
gfleii of Heiligpn beuuyjl {in de R, 
Kerk). 

Dune ,(f)Eefi âuin,zand-berg{tn). 

Dunette , ( f) We > kampanje op 
eenfch'p. 

Duo , (m) Muziek-fluk dat met tzvee 
Jïemmen gezmgen word (n). 

Dupe j (f)Lien omoozel menfcb(n)} 
il eil la dupe de touc Ie monde, 
beel de ivaereld bedot hem , houd hem 
voor de zot. 

Duper, (v. a.) Bedriegen^ mislei- 
den f foppen , voor de zot houden. 

Duperie , ( f) Bedrog (n) , fchalk- 
beid. 

Duplicata , (m) Het dubbel van 
ecr.ig Jchrift, 

Duplication, (f) l^erdubbeling {in 
Rekenk.). 

Duplicité , (f ) Dubbelzinnigheid 'f 
duplicité de cœur , dubbelhartigheid. 

Duplique , ( f) Tweede ant%voord 
van dèn gedaagden of aangeklaagden 
{in Rechten). 

Dupliquer , (v. n,) Een tweede 
antwoord geeven {in Reehten). 

Dur, dure, (adj.) Hard, taat , 
zwaar ^Jireng , enz. du pain dur , oud 
bakken brood -, il a le ventre dur, Z'y 
is hardlyvig ; dure extrémité , uitpr- 
Jie nood ; il a l'oreille dure , hy is 
wat hardhoorende , wat doof; ftyle dur, 
onvloeibaare Jîyl'f il eft dur à la des- 
ferre , hy bjud niet veel van aflangen; 
cela eft dur comme fer, dat as zoo 
bard als yzer; il a le cœur dur, hy 
is onbeweeglyk'f un livre dur à la 
vente ,' een boek dat niet wel afgaat ; 
dur à la fatigue, hard om fatiguen 
uit tejiaan. 

Durai, aie (adj.) Dat van B dur 
is {in Muziek}, 

Durant (prep.) la nuit, l'hiver j 
geduurende de nagt , den winter; du- 
rant que, inmiddels dat. 

Durcir, (v. a. & n.) Harden , hard 
maaktn j durcir, fe durcir, (v. r.) 
hard worden. 

Dure, (f) Coucher fur la dure, 
çf de bloote grond leggen» 

Durée (f.; des fieclesj d^ gsduur- 



DUR. DÜV. DUU. &c. 233; 

zaamhetd der eeuwen; di. longue a u- 
rée , van lauge duur. 

Durement , (adv.) Hard; traiter 
quelcun durement, temand bits be- 
\ jegoten. • 

Durer, (v. n.) Duuren, uithouden 
enz.; étoffe qui dure longtemjjs j, 
Jioffe die lang dtiurd; je ne faur'^is 
durer du mal de dentg, ik nar. het 
van tandpyn'niet harden; le temps 
m'a duré, de tyd is my lang geval- 
je ne puis durer de chaud , ik kan 
van hifte niet duuren; on ne fauroic 
durer avec lui , niemand kan met 
hem omgaan ; ne pouvoir durer en 
place , niet lajig op eene fieê blyven 
konnen. 

Duret, ette (adj.) Hardagtig. 

Dureté, { f ) Hardigbeid , vereelt- 
heid; dureté He cœur, ongevoelig- 
heid de^ harten; dureté de ftyle, 
Jîompheid van Jlyl; <iire à qùelcun 
des duretés , iemand bits bejegmen^ 
dureté d'oreille , doofheid. 

Durillon , (m) Eelt in de handen. 

Durillonner, (v. n.) Eeltagtig 
worden. 

D.u riu feule , (adj.) Een weinig hard. 

Duvet , (m) Dons , zagte veeren 
{van een vogel); een vlas-baard. 

Duveteux, (adj.) Met dons -veeren 
bezet. 

Duumvir, {vn) Een tweeman, (ze- 
ker Romeinfcb-bifrj^er-hepr), 

Duumviral, aie (adj.) Tweeman-' 
nelyk. 

Duumvirat , (m) Tweemanfcbap (n), 

Dynaftie , (f) Heerfchappye van 
veele Koningen die na elkaar gere- 
geerd hebben, 

■ Dyfpepfle, (f) Onverdcuwelykheid 
{m Geneesk.). 

Dyfpnée , ( f ) Enghorjiighetd ( ifS 
Geneesk.). 

Dyflenterie , ( f ) Roode-loop , bloed' 
gan^. 

Dyfurie , (f) De koude pis (tu 
Geneesk.)* ■ 



P5 



E. 



S34 E. EAü; 

E. 

E(m) E. (f) De sdc Letter van 
' 't Alphabeth of A y B, C, en 
zie der vocaalèn of klh:k-letteren. 
Men onJcrfcheid dczplve voornaamem- 
lyk i;j 3 foor ten ; by voork. in de 
ixiourden fermeté , nettc:é , brevçté , 
is de eerfle een e o ijvert ( ofoperie 
e , om dat ze met eene opene mond 
Tiitgefproketi word}} de ^ Ja'^ een e 
Eiuet,obfcur ou teminin (offiomme 
e, om dat ze heel zrgt uugrfproken 
ivord) en de 3de word genoemd é fzr- 
méou mafcaiin {of gfflootene é,met 
ec-n accent aigu of fc-berp klank- teeken 
be teekend en h<:rd uitgpfproken ). 
KB. tot de e oavert, beboordnn ook 
nog die geenc ,die met een accent gra- 
ve (zwaar klank-teeken) y als: in jvo- 
cè^s, accès &c. of een een accenc^cir- 
conflex {omgebogen teekrn), als: tn 
fête, bête, &c. geterkend zyn, om 
dat ze ook met ecne opene mond uit- 
grfproken ivorden ; eindeJyk is 'er ook 
K9g eene e in de franffbe taal y die 
mrn met 2 puncrurns iet eekend , en ë 
trema noemd , dienende voornavientlyk 
cm aan ts duiden , dat ze met de 
voorgaande vocaal geen diphtongue 
(ttvee klank) maakt ; ah : in aëré , poè- 
te, &c. dit zy genoeg', zie 'verder 
bier over de Grammaires. 

Eau. (f) IVater-, eau de pluie , 
de fontaine , trouble , courante , 
dormante , foniraache , falée , dou- 
ce, d'arquebufade , d'orge , regen » 
bron , troebel , vlietend , flilftaànd , 
brak y zout y zoet, wonde, garji-wa- 
t,''r; eau rofe , roofe water ; ea.\i for- 
te yfierk water ; eau bénite , wy-wa- 
ter; eau de vie , branJcwyn; Ie vif 
OU Ie haut de 1'eau (pleine marée), 
hoog water , fpring - ty ; baffe eau , 
morte eau (ba^Te marée) , laag wa- 
ter , ebbe; il tombe de l'eau, het 
regend; l'eau morte , baifle , bet wa- 
ter vloetti valt ; faire de l'eau ,wa- 
tL-)-en , piffen ; item lerfcb ^varer in- 
wemen (fairó aiguaie) {fchseps w.) » 



EBA. 

prendre les eaux, de baden gebrui- 
ken-, ce vaiffeau fait eau , dat fcbip 
is lek; mettre un vailTeau à l'eau, 
een fcbip tn 't water , van flaapel laa- 
ten hopen ; ce navire tîre tant 
d'eau , dat fcbip gaat zoo diep; don- 
ner l'eau à una étoffe, de glans aan 
eene floj^e geeven; donner une cou- 
leur d'eau au fer, bet yzer blauw 
aan laaten hopen ; ces perles ont 
une belle eau, die paerlen hebben 
esn fchoon water ; meure quelcua 
tout en eau ; iemand geheellyk in 't 
zwset helpen ; fondre en eau (eri 
larmes) , tn traanen fmelten ; l'eau 
lui en vient à la bouche ,^yM;a/Fr- 
tMJdt 'er van ; un Médecin d'eau 
douce, eenfïegten u4rtz; ces poires 
ont bonne eau , die peeren zyn zeer 
fatfig ; pêcher en eau trouble , in 
troebel water vijf cher, {fpr. w.); il 
n'efl pire eau, que celle qui dort , 
fTtlle -waters hebben diepe gronden 
{fpr. w.); les eaux font baffes chez 
lui , zyn goed is op ; faire venir 
Peau au -moulin , de zooden aan den 
dyk brengen (fpr. w.) ; mettre de 
1'cau dans fon vin, zyne oplopend- 
heid intoomen {fpr. ar.); nager en 
grande eau , alles vol op hebben ; il 
eft heureux comme Ie poiffon dans 
1'cau , by leefd als een vifch , in 't 
water; laiffer courir l'eau , ziek 
nergens aan kleunen; ils fe reffem- 
blent comme deux goûtes d'eau yzy 
^elyken mal^anderen als twee druppe- 
len water; tenir quelcun Ie bec à 
l'ea,u., iemand met fcbooyie praatjes op- 
houden {fpr. w.) ; tout s'en eft allé 
à vau 1'eau , alles is in rook verdwee- 
nen {fpr. w.);J)aX.tre 1'eau, hooi dor- 
fcben y vergceffche moeite doen {fpr. w.); 
porter de 1'eau à la mer, water tn 
zee yoffparrenynaar Noorwegen brengen 
{fpr. ^v.); nager entre deux eaux, 
ohder water zwemmen; { figuur l. ) wyf- 
fe'en, niet weet en wat zyde te kiezçn, 
wat te befluiten ; à fleur d'eau , ge- 
lyk s het water ; water-pas . 

s'E'bahir, (v. r.^ ^icb verwonde- 
ren, verbaafi flaan ; ébahi , i€ (adj.) 
verwonderd y verbaasd, oud w.) 

E'bahiffement, (m) f^erwonderin^ s^ 
verbaafi beid (£), {oud w.) 

E'bar- 



EBA. EBE. EBL. 

E'barbcr, ( v. a. ) (Jr.duiarden., 
dert haard fcbeeren; ets befnydm, bet 
v.iuive afneemen ^gelyk tnnaken; élar- 
bv?r un livTrï , une plume. 

I^ ',bar boir > (m) Suymes (by Schoenm. 
en Bofkh.). 

E'baroui ,(adj.) VaifTeau ébaroui, 
bejchandtgd , lekfckipy (zee iv,) 

E'bat,(ni) /^t;/ï, rjrvlykheid (f); 
prendre fes ébats, zymrrmaak Me- 
neny {grm. w.) 

E'battement , (m) Vermaak , korts- 
■yl (n), {oud w.) 

s")''/batt:re , (v. r.) ^yn 'vermaak 
veemen^ (oud w.) 

Ebaubi , ie Ca<ij«) Verwonderd, 
verbaasd j (gem. en boert, w.) 

Ebauche, (f)Een ruuw ontwerp 
(n),fchets{£). 

E'bauché, ée (adj.) Gefcbetji, 

E'baucher, (v, z.) yïff'cheezen-, af- 
riïCen, grond-tékenivg maaken , grond- 
tekenen -, ébaucher une ' ftatue , eeh 
beeld uit den ruuwev. houwen j ébau- 
cher un discours , eene reden ont- 
werpen. 

E'bauchoir,(m) Beeldhouwers Jïeek- 
heitel 'y lyndraaijers groove hekel -^ 
groot e fermoor (by Scheept-timmel,) ; 
in 't algemeen een werktuig waar mee 
eenig werk uit bet ruuxve gemaakt 
Kvord, 

_E'baudir , (v. a.) Vrolyk maaken; 
s'ébaudir, (v. r.) Zich vermaaken ^ 

{oud W.) 

E'baadifTeraent, (m) Verlujïiging 
(f } , (oud w.) 

E'be , ( f) Ebbe', il y a ébe , hef 
water begint te vallen. 

E'bénè , ( f) Ebben-bout (n). 

E'béner , (y. a.) De kleur van 't 
ebben-hout , aan ander hout geeven. 

E'bénier, (m) Een ebben-boom. 

E'bénifte , (m) Een ebben-hout-wer- 
ker. 

>E'bertauder , (v.a.) WolU flcffen 
voor de errjle maal fcheeren. 

E'blouïr , 'V. a.) Verblinden, fchit- 
tprèn yfchémeren ; cette lumière m*é- 
blouït, dat licht fcbitterd my in de 
oogen-^ la beauté, Ia fortune, l'élo- 
quence éblouïr, t/i? fchoonheid , het 
geluk., de welfpnkeadheid verblind, 
bcnéield, enz» 



EBL. EBO. EBR. 235 

E'blouïirant > ante (z.öj.) Scht.'te^ 
renij beauté éblouiffante , verruk- 
kende J c boon hei d. 

E'blouïflcmeiit, (m) Verblinding , 
fchéme^iiTg der oogea { t' }. 

E'borgr er, (v. 'd.)Een-oogig maa- 
ken-, item een buis het licht beneemen, 

E'bouülir ,(v. n.) ou s'ébouiilifj 
(v. r.) Vcrkooken ,' dik kookcn.^ 

E'boulement , (n:) Jtijiorting , in- 
zakking ( f) {van muur of aarde). 

E'bouler, (v. n.) s'ebouier ,(v. r.) 
Injïorten , inzakken. 

E'boulis, (m) Dat tngeflort of in- 
gevallen IS , als: puin , grais , aarde^ 
boomen , enz. 

E'bouqueufe, (f) Laken-nopJIer. 

E'bourgsionnement , (m) Befnoei- 
jing , affnoesjir^g ( £). 

E'bourgeonner (v. a.)- Ia vigne, 
lés arbres, de wyngaard , de boomen 
uitfnosijen , van bet quaade bout^ of on- 
nutte knoppen enz, zuiveren. 

E'bourgeonneur , (m) Smeijer , be- 
fnoeijer. 

E'bourifFéjée (adj O^oor^j» wind 
verhavend. 

E'bouziner , (v. a.) Het ruuwe van 
Jleen hakken, 

E'branchement, (m) Affnoeijing der 
takken (f). 

E'brancher (v. a.) un arbre, een 
boom fnoeijen, dunnen, de takken af- 
fnoeijen. 

lS.'hra.nlewenty(m)Schuddmg,fcbok- 
king', ontjleltenis ({). 

Ebranler, (v. a.) Schudden , f chok- 
ken , doen ivaggelen , doen wankelen , 
on/Jf ellen, enz. ébrariler une murail- 
le , een' muur doen fchudden ; ébran- 
ler le conrage, den moed beneemen -, 
ébranler îes ioix, ae wetten kren- 
ken -^iz fidélité ne fût jamais ébran- 
lée , zyne getrouwheid , of trouw was 
nooit bewogeh , gefchonden , was altoos 
(]andva/}ig; s'ébranler, (v. r.) wag- 
j gc^e" > wankelen ; il répondit fans 
js'éhranler, hy antwoordde zonder 
^ eenige aandoening ; l'armée s'ébranle 
pour &c. bet léger, maakte zich ge-* 
reed om enz, 

E'brécher (v. a.) un couteau , une 
I taiTe &c. een fchaarde in eer mes ^ 
\fchoteltje enz, maaken, breeken, 

E'bre- 



235 EBR. EBU. EGA. 

Jb'brciicr, (v.a.)^V» kind ^ dat zich 
bevuild becft^ reinigen. 
E'brieié. [Zte Ivreffe). 
E'brillade , (f) Eei'ruk met den 
toom (m- (m d-' Ryfcbool). 

E'brouer , (v. n.) ou s'ébrouer, 
(v. r.) Snuiven , proejien (jvan faerden 
gezegd), 

E'bruiter, (v. a.) Rugthaar maa- 
ken , s'ébruiter , (v. r.) rug t baar 
worden. 

EDuUif ion , ( f) Op'U'ftîin^ , opkoo- 
iingi ontfieekinj in 't bloed; butten- 
fpooY %heid der hrrsfenen. 

E 'ca( hement,(m) f^erplettering (f). 

E' achtr, (v. a.) Platjlaan-, tyeed 
tn dun m.iaken, verpletteren} nez é- 
caché } plüt:e neus. 

E 'ca h€ur (m) d'or , Goud-Jlaager. 

E^catVr (v. a.) l'ofier , de teenen 
Jplytm [by Mandenn?.). 

E 'caille , ( f) Een fâbub , fchilfer ; 
pouron à é ailles, gpfchubde vifch; 
écaille d'huicre , een oejier-fcb lp , 
fcbflp; écailïe de pierre, de fer, 
Jleen- ^^ r -fchilfer ., hamer flag. 

E'cailler (v. a.) dupoiiFon, Vtfcb 
fihjon maaken; s'écailler, (v. T.)ûf- 
fcbilferen , met fchilfen vün mctlkan- 
der vallen'. Ia troupe écaillée , Z?f^ 
gef-hubde betr , {dat is) de vifcbeyi. 

E'cailler, ere (adj.) Oejï er-ver ~ 
koopfr , verkoopfer. 

E'cailUux , enie [dia].) Schilfer a g- 
tig , fchilferig . 

E'cale , ( f) Schaal ^ fchil van een 
ei, noot <, enz.; faire écale , voor 
onweer ergens in kopen f (zee ir.) 

E'caler' (v. a • des noix, nooten 
bolfier n; écaler des huitres, oejiers 
cpe>T loen. 

E\arbouiller (^^.a.) la cervelle ^ 
de hersfer.en injlaan, verpletteren. 

E'rarlace , ( f) Scharlaken verf, 

E'rarquillement , {m)lVydvaneen 
zettiKg der beenen (f), {gern. u't) 

E'carqu{Iler(v.a.) les jambes, Ie 
yeux, de beenen wyd van een zetten; 
iie oogen wyd open fperri'n, (qem. iv., 

JE'. art , (ra) .^fvyking , ofJzvjaling 
uitiv^king ( f) ; écart de conduire, 
ofuyking vnn p igt ; faire un écart 
dans un discour.- , een' uttflap , ait- 
weiding in eeff redsnvocring maaken.^ 



ECA. ECG. EGE. ECH. 

buiten het befiek gaan; faire des é- 
carts , buitenfpoorige verkiviflir.g traa- 
ken; écart d'os j^twyÂing jvèrwrik- 
kiijg van een been; écart iUttfihietivg^ 
verlegging eener kaart; faire un e- 
cart , een tree voor uit doen in het 
danfen; à l'écart, (adv.) ter zyden, 
achter af; tirer quelcun à l'écart, 
iemand ter zyden memen; fe loger à 
l'écart, achter af^Jlil veoonen. 

E'carté, ée (adj.) afgelegen; ver- 
flrooid; ruë écartée , eerie achter- 
Jiraat; lieux écartées , afgelegene 
plaatze». 

E'carteler, (v. a.) l^i erende el en , 
met 4 paerden vau een trekken. 

E'carteler, (v. n.) In ^ quartier en 
verJeelen (in IVapenk.). 

E'cartelure, (f) l^erdeeling in 4 
quart itren' (in JVapenk.). 

E'cartement , (m) Verivrikking^uit 
een zetting y verftuiking der leden, 

E'carttr, (v. a.) l-^erwyder-.n , ver- 
flrooijen ; een i ge taarten in 't ombren 
wèg werpen ; écarter fes ennemis , 
zyy/e vyanden verjaagen , verjirooijen; 
fiilil qui écarte la dragée ^eenfnap- 
haan die den hagel verfpreid; écarter 
la foule , het gedrang des volks vcsn 
een doen wyken , ruimte maaken'; 
s'écarter, (v. r.) zich van eene plaats 
verwyderen; s'écarter de fon che- 
min, van den regien weg Ojdwaalen ; 
s'éearter des fencimens des autres, 
van een anders gevoelen verfchillen; 
s'éearter de fon lüjet, van zyn on- 
' derwerp afivyken.'- 

Ecriénafte, (m) De Prediker. 

Eccléfiaftique, (ad/ &fübft.) Ker-, 
kelykf geejle/yk; een geejielyke , g'es- 
telyk of kerkelyk perjuon ; difcipline 
eccléliaftique, kerkelyke tugt^ 

Eccléliaftiquemenc » (adv.) Kerke- 
kelyk-i ge.Jlelyk. 

Eccope * (f) (Griekfch w.) Snee iy» 
eene wond of bersfen jpan ( by l^ond- 
heelers). 

Eccoprotique, (m) (Griekfch w.) 
Zagt laxeer middel. 

E'cerveié , ée (adj. 3e fubfl:.) Hers- 
fenloQs;dom;ecn dommerik; eene mair 
loot. ' 

E'chafaud, (m) Een fchavot (n); 
jfeliagie f feigering (f) (b.y M'etrel.). 

JEcha- 



ECH. . 

E'chafanda^e , (m) StetiagiiWerk', 
item bet opflaan van dien (ii). 

E'chafauder, (v. n.) Stellagien op- 
rigten, 

E'chalas, (m) Een tvyHgaard-Jlaak, 

E'chalaflemenc, (m) OndcrjJutting 
der ivyngaarden ( f). 

E'chalafier, (v. a.) Staaken in de 
wyngaarden zetten. 

E'chalote , (f) Charlotte (zeker 
look). 

E'champir, ou réchampir, (v. a.) 
Een tafereel met loofive^-k en andere 
ti eraaden omtrekken {by Schild.). 

E'chancrer, (v. a.) Afronden, rond 
affnyden {by Kleérm.). 

E'chancrure , ( f) Ronde uitfnyding. 

E'chandole , (m) Dak-fpaan, 

E'change , (rn) Ruiling , ivijjeling 
(£)i échange des prifonniera, uit- 
■iviffeling van gevangenen', il a ce vi- 
ce , mais en échange il a plufiears 
vertus , by heeft dat gebrek , maar 
daarentegen veele goede hoedanigheden. 

E'changer, (v. a.) Verruilen y ver- 
mangelen , uitivijfelen ; échanger but 
à but , gelyk op'wijfelen ; échanger 
avec retour , met toegift ruilen, 

E'chanfon , (m) Schenker van ee» 
Koning ofVorfi. 

E'chanfonnerie , (f) Ampt daar 
van (n); des Konings ivynkelder (m), 

E'chantiller , (v.a.) Maaten ofge- 
wtgt yken, 

E'chantillon , (m) Staaltje y mon- 
fter van eenige koopmar>fchap ; téken , 
't welk de Ridders der Doelfchutters, 
tot een bewys dat zy wel gefchoott'n 
hebben ^ neem en; c'eft un échantillon 
de îfoii ftyle , dat is een fîaahje y 
proef 'î>an zyn Jlyl, 

E'chancillonner , (r. a.) Maaten of 
geivigt yken» 

E'chappacoîre , ( f ) Uitvlugf/t ede- 
le verfchooning, 

E'c happé, (ra)Paerdvan tweeder- 
ly ras of aart geteeld, 

E'chappée , ( f) Onbedagtzaamheid-, 
onbezonnenheid der jonge lieden (f); ver- 
fchiet in eenè fchildery (n) ; dire des 
bonnes chofes par échappées, by 
vlaaien tets fraais zeggen 

E'chappement , (m) Het aflloopéti 
eenif Horologie ki.'ttiyg {n)^ 



ECH. i%j 

E'chapper , (v. i . & a.) Omkomen , 
ontvlieden, ohtjnappen; il Ta échap- 
pé belle , hy ts bet fcboon ontfnapt ; 
il fait Ie cheval échappé , by is 
een ligtmisy doorbrenger y il lui é- 
chappa de dire cela, dat viel bem 
uit den mond', s'é. happer en paro- 
les dèslionnétea, zich in vuile ivoêr- 
den uitiaaten. 

E'chajde , ( f} Een fplinter y d om 
,(m). 

E'çhardonner (v.a.) une terre s 
een land van dijielen ,fiékels zuiveren, 

E'chardonnoir , {m)lVerkruig daar 
toe (n;, eenjieeker (m). 

E'charner, (v.a.) Het vleefch va» 
een huid affchaaven {by Leértouwers), 

E'charnoir , (m) Schaafmes daar 
toe (n). 

E'charnure, (f) AfjTchaqfzel (n); 
de affchaaving van dien ( f). ^ . 

E'charpe, (f) Vrouwen Jïuijer of 
falie i fcberp offjerp der Officieren ; ge- 
flikt horfi-lyf der Juffers ; dra -g-band ^ 
avoir Tefprit en écharpe, een flàg 
van de moolen weg hebben , half zoP 
zyn; écharpe de poulie , een blok 
zonder fcbyf', porter le bras en ér 
charpe , den arm in een band draa^ 
gen • écharpe célefte , den dieren' 
kreits (in Stirrek.). 

E 'char per, (v.a.) Een jïag, houvt 
van ter zyden geeven ; bet bhk op hei 
bout naaijen, blok op naaijen (dat is) 
een touzvJJaan, om iets, dat men ojp* 
hyffen wil, {zee w.) 

E'chars, arfe (adj.) Gierig, kaa^ 
rig , {oud. w.) 

E'chars, arfe (adj.) Vent échars » 
fchraale , ongejiaadige wmd iTa^^ nuoie, 
écharle, mum van al te geringe al- 
loy. 

F/charfement , (adv.) Gienglyk, 
(oud XV.) 

Echarfer, (v. a.) Le vent échar- 
fe t de wit:d is ongfjlaadig. 

E'charfeté , ( f) Geringe alloy of 
waarde van muitten. • • 

E^chailcs, (f. pi.) Stelten, om op $e 
gaan; jiengen, maften die men in de^ 
grond zet , om ewa ftellagie te maakeii 
(by Met zei.). 

E'c hauboulé , ée (skSl,) Vol-vuur tg" 
beid, blynen, 

È'chwi- 



ao?? ECH. 

E'chauboulure , (f) FaungheiJ , 
toode plekken op het veL 

E'chaadé, (m) Zeker klein paryfch 
gebak (n). 

E'chauder , (v.a.) Met heet water 
hroeiien fjchrorijefr, s'échauder,(v.r.) 
zich' branden j chat échaudé craint 
l'eau froide, dajr- d-n ezel zich eens 
aan fïoot , vjagf hy zich taor de fWee- 
de maalÇfpr. w.) ^, , , 

Echaudoir, (m) Slagt-pïaats der 
heejfen-.ivafch-plaats der ivolle^ of ge- 
verfde ftoffen^ enz. {i). _ 

È'chaüffailbn , ( f) rerhittitig,ver~ 
hramiing', ulijlag , bïaareu. 

E'chaufFeiïïcnc , ( m) l^^srivarn^ng , 

verhitting. ;- t^ /• 

E'chaufter, (v. a. Sc n.) Verhitten, 
heet maakcn > /verztarmen ; aanmoedi- 
gen, hitzig ivorder: ;éch^\if?iiT la biie 
à queicun, tcmaird yv-rig, toornig 
maaken ; s'échauifer , (v. r.) beet 
nvorden, zich ver bit t e» x^ item driftig, 
tooryùg tvorden. 

E'chauffourée , (f) Een domme 
(Ir eek , acnjlag. 

E'chacffure , ( f) Het warmen (n) ; 
hitzigheid, ontJheking{ï\ 

E'chauguette,(f) Een wagt-toren 

(m). 

, E'chanler (v. a.) Ie bied , het zaai- 
toren met kalk-ivater bcCprengen. 

E'che, (f) Aas {r\) om vifch meê 
te vangen. {Zje An-rorce). 

E'chéance,( f) reyjal-tvdivanf^is- 
. fels enz.). 

-E'phec , (tr.) Een fuk^ (n),fcbaak 
van 't fchaokfprl; donner échec & 
mat, den komng vafl zetten-, donner 
échec & mat à tous les plats , alle 
fcbotels leegen-y tenir en échec, on- 
der teugel c/ commando houden-, l'ar- 
mée reçût un grand échec, het lé- 
ger ontfr.g een' qrcote neerlaag- 

E'checs, (m. pK) Jouer aux é- 
cliecs , op het jchaak-bord fpeelen, 
fchaoken, 

E'cheleiite, Cf) Eene bel , fcheL 

E'chelie', (f) Eene ladder, leer-, 
Jïorm-ladder ; ivrvrlivg aan de maft 
van een fchip; mylfchaal eener kaart ; 
duim-fhe , maat-ftok (in Bouwk.)- 
graad-ftok ler z r ; éclielle de ruban , 
' Unten-bofcb der Juffers ; après lui , il' 



ECH. 

faut tirer l 'échelle , {fpr. w.) ah 
hy 'er aan geiveejl is mag men het 
ivel opgeeven. 

E*cheliette,'(f) Een kbtn laddert- 
7 (n). 

É'chelliér, (m) Kraan-ladder (f). 

-E'chelon , (m) Spurt eemr ladder 

(O- 

E'chemer^ (Vo'2i.) Een byen-fwerm 
uiilaate.u 

E'eheneaU5{m) Aarden tregter der 
Geelgieters. 

E'clienilïer (v. a.) les arbres, Sec. 
de rupzen uit de boomcn enz. doen. 

E'chenilioir, (m) IVerktuJg daar 
toe. 

E'cheoir, ou échöir,(v.n.) Ver- 
vallen , verfhynpn j te beurt vallen » 
aanbevallen ', (NB. \tit werkw. word 
genoegzaam alken gebruikt Î in de te- 
genw. tyd t il échet; zde voorl.tyd , 
j 'échus j toek. tyd, j'éeherrai; on- 
volm. tyd, j'écherroisj ivenfch. tyd , 
que j'échûfle ; deeiw. échéant); le 
terme ell échu, de tyd , hettermyn 
is verfcheenen; Ia lettre eft échue, 
de iviffelbrief is vervallen ; échu en 
partagé . ten deel gevallen. 

E 'cher , (v. a.) ji^as aan een' ben- 
gel doe». 

E'cheveau,(ro) Eenjirenggaaren 
of zyde. 

E'chevelé, éefadj.) Met verwarde^ 
ontvlogtene of loffe hairen. 

E'ch'evin , (m) Een Schepen. 

E'chevinage , (m) */ tctjépenCchap 
(n)^ Schépevs pkiats (f), 

,E'chif,(adj.) Hongerig {van Jagt- 
bonden g<z.). 

E'chiffre, (m) Leun eener trap(£), 

E'chignole, {f)£obyn {£), klos 
(n). » 

E'chilïon , (tn) JVater-hoos ,in de 
middellandfche zee ,, anders Trombe , 
Trompe ou Dragon d'eau , ge- 
naamd. 

E'chin, (m) Geneesheer in 't Se- 
rail. 

E'chine, (f) Rugge-graad (m); 
item fyft op een pilaar ( f). 

E'cbinée,(f) Rugge-ftuk van een 
Verken (n). 

E'chiner,-(v. a.) Den rugge-graad 
hreskën-, afroffen. 

Echi- 



ECH. ECI. ECL. 

E'chiqaeté , ée (adj.) Cefchakeerd, 
ruitswyze als een fchaak-bord, 

E.chiquier, (m) Een fchaak-hord 
(n). 

E'cho,(ni) (/ra Eco) Ecboyoweir- 
galm , weerklank. 

E'cho ,(^)De nymphe EchOidogter 
der lucht (by Dichters). 

Ë'choraes ,(m.pl.) De dollen^roei- 
f innen eener Jluep, 

E'chométrie , (() Botnv-kunjï om 
den echo te maak en. 

E'choppe, (f) Een pet-huis (n), 
kraath , winkel voor een huis j een ets- 
naald {by Graveerders') ( f). 

E'choueraent, (ra) Stranding (f). 

Echouer , (v. a. & n.) Stranden , 
fchipbreuk lyden; mislukken; Ie navi- 
re échova, f het fchip Jlrandde ; il a é- 
choué dans fon deflein , hy is in 
zyn voorneemen mislukt ; il a échoué 
If na.y ir^ f hy heeft het fchip op Jirand 
gezet. 

E'chu, ue (zé}.) Vervallen , enz. 
{Zie E'cheoir). 

W chViX-Q ^{t) Aanbevalling van goe- 
deren. 

E'cimer (v. a.) un arbre , een* 
boom aftoppen. 

E'clabouffer , (v. a.) Bejlyken , be- 
fpatten. 

E'clabouflTure , (f ) BeJIyking , be- 
fpatting. 

E'clair , (tn) Blikzem , ivcérlicht; 
il fait des éclairs, het blikzemd; vi- 
te comme un èc\z\x y getwind als een 
blitz j éclair , het blinken van een 
degen. 

E'claircie , (f) Een helle plaats 
aan den hemel {by ZeeMeden)» 

E'claircir, (v. a.)Opbe!dLren , op- 
klaaren enz. ; éclaircir une difficul- 
té , eene zzvaarigheid oplojfen; éclair - 
cir quelcun d'une choie , iemand 
l^cht in çene zaak gecveit yonderrigter. ; 
éclaircirde i'czn ^ water klaar maa- 
■ ken ; Ie canon éclaircit les rangs , 
het gefcbut maakt de gelederen dun; 
éclaircir une couche, een tuin-bed 
dunnen , lucht gei ven ; s'éclaircir , 
(v. r.) opklaaren , helder iveêr wor- 
den; klaar worden; s'éclaircir d'u- 
ne ch o fe , onder rigt ing nopens eena 
zaak neemen. 



ECL, 239 

E'claircifrement(m) d'une choiè, 
verklaaring , uitlegging , oplojfwg van 
eene zaak; c'eft un homme àéclair- 
ciflement , 't is een twijlgierig menfch, 
E'claire , ( f) Gouw - wortel ( m ) , 
{zeker kruid). 

E'claire , ée (adj.) Verlicht; une 
mai fon éclairée, een licht j luchtig 
huis ; c'eft un homme fort éclairé, 
dat ts een zeer gelet rd man. 

E'clairer, (v. a.) Lichten, ver- 
lichten , voorlichten ; éclairer moi , 
licht my; Ie foleil éclaire le .'mon- 
de, de zon verlicht de waereld; 
éclairer quelcun, op iemand acht 
geeven, 

E'clairer, (v. n.) Weêrtichteni 
blikzemen, 

E'clamé , (adj.) Verminkt y lam 
{van dieren gez.) 

E'clanche ( f) demouton y Achter- 
bout van een fchaap ■) (m). 

E'clat, (m) Splinter van bmt^ 
fcherf van fieen enz.; Cs brifer en 
éclats , affplinteren , affchilferen. 

E'clat , (m) Glans , luijler ( f) j ge^ 
fcbater , geraas (n) ; rugtbaarheid 
(f); éclat d'un diamant, glans va» 
een diamant ; cela fit un grand é- 
clat dans Ie mond#, dat baarde een 
groot gerugt in dewaereld; éclats de 
rire , gefchater van lagchen ; éclaC 
de tonnerre , donder Jlag, 

E 'datant, ante (adj.) Schitterend ^ 
glinjlerend; doorlugtig ; voortreffelyk ; 
bruit éclatant, groot geraas y ge- 
weld , gekraak. 

E'clater,'v. n.) Affplinteren, af- 
fchilferen ; glinfleren , fchitteren ; ge- 
raas maakfin; voix qui éclate, £?oor- 
klir.kende Jlem; l'affaire éclata enfin, 
de zaak werd eindelyk rugtbaar ; é- 
clater de rire, overluid lagchen^ 
éclater en injures , in fcbeld-woor- 
di>n uitbarf.en; faire éclatf-r fes xeT- 
fen time nes, zich erçrens gevoelig over 
tooncn; ce bois s'éclate aiferaenc, 
dat hout fcheurd y berjl ligt, 

E'clipfi {{) ac foleii , de lune, 
verduijlering der ZQ>ine , der maane , 
(ek ips) ; vous avc^ fcUt une longue 
éclipie, gy hrbt lang afwezig ge-- 
wpcjl; éciipfe, vrrmindtring van ie- 
mands roem of eer, 

E clip* 



S40 ECL. ECO. 

b'clipferou s'éciipfer, (V.n& r.) 
Verduijleren , taanen ; s'éclipfer , 
verJuyfiefi , uit het gfzig'' raakpn; 
fa beauté éclipfe Ia vócre , haare 
fibaonbcid beneveld de uzvc. 

E'cUptique , ( f) Zonne-iveg , krin^ 
die di^n jaàrlykfchen loop der zonne 
aanivyji (m). 

E'clipciv^ue, ('adj) Dat tof de ver- 
duijlertn^ beh-oord, 

E'cli'^e , (f; Een kaas-vorrri', rib 
van een hiit (f ) \fpcilk (by Healm^) (m) ; 
Jpaan-bniii (n) tot trommPK, doózefij enz. 

È'rl) ^Ter , !V. s.) Spalken Un Heelk.). 
■ E'clDppé , ée (adj.) l^'erminkt ^ 
kriupr l. 

E'clorre , (y. n.) Uit den dop koo- 
men-f Ie jour corcmence àéciorre, 
de dag breekt aan; faire éclorre 
Jes fltars, bloemm doen ontluiken; 
fss defTeirs font far Ie point d'é- 
clone , zyne voorneemens jlaan ras 
bekend te worden. 

E'clos, of-^ (adj.) Uit den dop ge- 
hoomen , gebroed ; ontlooken j bekend 
gmvordtn, 

E'clufé , (f) Een fuis; porte d'é- 
cVùk t jchutdet4r; lâcher les éclu- 
fes, de'jluizcn o^n zetten. 

3Éclu.'ée , ( f ) Een Jluis vol water. 

E'ccbans ou écubiers, (iiu pi.) 
Kluisgaten op een fchip y daar de ka- 
lel doorgaat. 

F'cofroi, (rh) Het fny bord (by 
Schoenm.). 

E'colâtrê, (m) Kanonntk die ver- 
pli^t is voor niet te ondenvyzen. 

É'cole, (f) Een fehool ; Koliegie ; 
petites écoles, laage fchoolen ; tenir 
école , fchool houden ; envoyer quel- 
cun à Vécole, iemand zyne misjla^ 
gen aarii'yzcn.i faire 1'école buif- 
fonniere , e^n krampje loop en , lan- 
terfanten; ceia fent de l'école, dat 
is fchooh'ofjig. 

E'colifcr iere, (i/i. &*f) Een 
fchoolier , leer'ÏKg ; fchootierjler. 

E'coUetcé, ée (adj.) Uitgehold als 
tpn halve maan. 
- E'conduire , ('v. a.) WeigerenfOnt- 
zeggen , afivyzen , (gem. iv.). 

É'concnjac , (in) Het bewind over 
ee^e huishouding. 

E'conome, (adj. Öc fubft.) Huis- 



t ÉCÖ. 

\boudelyk, zuinig; huisbouder, huts^t' 

\ zorger ; hutsbezorgjier. 

E'cónomie , ( f ) Huishouding ; goe^ 
de inrigting; avoir de l'économie j 
Spaarzaam zyn,overJeg hebben i l'éco- 
nomie d'un état , d'inrigttng der 
s' land s VeJlieVtng ; Çaas 1 "ancienne 
économie, onder 't oude verbond of 
bejlier. 

E'conomiqueœenE , (adv) Huis- 
houdciyk. 

E'conomifer, (v. a.) Met Spaar- 
zaamheid te werk gaan. 

E 'co f '6, (f) Een hoosvât ; item 
'jerdeeliiég der vleefcbige deelen-^ in '$ 
fnyien van de kanker , {by Heelm.). 

E'coTce, (f) De fcborjfe, fcbil, 
baji ; het uit°rjie , het uitwendige van 
een' zaak. 

E'corcer j (v. a.) Boomen /chilien y 
ontfchorjfé'n. 

à E'corchecu , (adv.) Tegen de zin, 
met onivil; à ésorchecu , op de bil- 
len Jleepen^ glyen. 

É'corcher , (v. a.^ Villen , dehuidf 
bet vel af haaien , affiroopen ; fchraa- 
me» , het vel affloot en; ce cabaretier 
écorche les gens , die waerd fnyd ^ 
fcbeerd de Luiden; méchante mufî- 
que éCorcîie les <itei\\es , Jlegte mu- 
ziek quetji bet gehoor ; écorcher une 
langue, un auteur, een taal qualyk 
fpreeken , rabraaken ; een boek flegr 
overzetten i voTJS criez avant qu'on 
vous écorche , gy fchreeuwd eer g^ 
gppagen ^vordt (fpr. w. ) ce fruit ; 
écorche Ja langue, dat fruit byt op 
de pong ; écorcher Ie renard , 
{fpr. w.) braaken , overgeeven; s'é- 
corchtr, (v. r.) zich fchaaven , de 
huid afjlooten ; een' blik-aars ryden. 

E'corcherie , (f) VHplaats; item 
herberg alwaar tneyi de menfchen ti 
veel reekend , daar de fchaar uitbangd. 

E'corcheur, (m) Eenviller-, duu- 
re waerd, fny er. 

E'corchure , ( f) Schraaming , op- 
baaling. afjirooping van 't vel; blik- 
aars , door 't ryden. 

E'corcier , (in) Schors ofrun-fchttur 
(f). 

E'core , ff) Eenfïeile ival , ofkufiji 
écores , futten ^ fchooren ; (»'» 
fcheeps-b,), ' ■ 

■ Ecor= 



ECO. 

Ecorner , (v. a.) De Hoornen af- 
poote-t 9 afbreeken\ écornor une ta- 
ble, de boeken van een tafel hreeken; 
^corner une armée , een léger fcbu- 
de, hinder^ afbreuk doen. 

EVornifler, (v. a.) Panlikken; op 
fchuim loop.n, 

E'corniflerie , ( f) Panîikkery. 

E'corniiieur , enfe (m &f)jPaM- 
ïikker , fcbuim-tooper , tafel- broer j 
fchuim-loopfter. 

EYofle, (f) Schil, bafi van hoo- 
nen , er wéten , enz. 

E'coner, <w. &) uitdoppen , pellen. 

E'cofleur, eufe, (m. 3c f.) Uit- 
peiler ; peljier. 

Eert, (m) Gelag-geld y aandeel, 
item Jhmp van een boom met takken ; 
(n) payer foii écot, zyn gelag be- 
taalen. 

E»ootards. ( Zie Porte-haubans). 

E'cocé, ée(adj.) Getakt ,{ iu IVa- 
penk. ;. 

E'couëne, (f) Eenjïot-vyl, 

E'couer , (v. a .) De Jiaert affhy- 
den , af krappen , korten, 
, E'cüuets, (m. pi.) Halzen , fmy- 
ten 9 (fc^^eps w.). 

E'coufle , ;m) Kieken-dief, wouiv > 
(zeker roof-vogel). 

E'coulement , (m) Afwatering , 
waterloozïng , ( f ). 

E'couler, (v. n.) Afloopen, af- 
vloeijen ; faire écouler l'eau , bet 
ivater laaten afloopen ; s'é. ouler , 
{y . r .) afloopen 'f ontjluipen; Ie tems 
s'eft écoulé , de tyd is voorby, 

E'courgée , (f) ^oort van een 
zweep met verfcheide riemen. 

E'coarté, ée (adj.) Gekortoord. 

E'courter > (v. a.) De jhert en 
eoren offnyden ; iets afkorten , korter 
maaken. 

E'coutant, ante (adj. & fiïbft.) 
Hoorende ; toehoorder , toehoordfter . 
, E'coute , {Î) Luijler-hoekje (n)j 
foeur écoute , tiiifler zujler in een 
kloofïer', être aux écoutes, luijler- 
vinken , fiaan ' luijieren j écoutes , 
fchootenUeker tomV'Werkaan de zeilen). 

E'couter , (v. a.) Hooren , aanhoo- 
re» , toelaiJiei\n , gehoor geeven; s'é- 
couter parler, ""i/Jf zelven boeren 
fpf^eken. 



ECO. ECR., , 24r 

E'ccuteur, (m) Luijieraar , toe-, 
hoorder. 

E'couteux(adj,)chéva" écouteux^' 
Springend > fcbigi>g paerd » (n). 

EVoucüle, (f) Het lutk van een 
/cbtp,(n). 

E'coutillon , (m) Opening in 't 
luik van eenfcbip{ f); klein luikje (n). 

E'couvette , {oud-w^ Zie Baiai <if 
Vergettej. 

E'couvillon, (m) Een oven-divyli 
wtjfcber^omhetgcfchutfchotin ie maaken.. 

EVüuvillonner, (y. a.) Den oveti 
uitJwylen ; eenjluk gepbut uitwijfcben^ 

E'cran, (m) Futir-fcberm, (n). 

E'crafer , (v. a.; Vermorzelen , ver» 
hryzeien, verpletteren', écraier quel- 
cau , iemand in de grond helden. 

E'créraer, (v. a.) Dè room van de 
melk fcbepperi» 

E'crovifTe, (f) Een kreeft', een 
der 12 Hemel-t'eekènen ; écrevifle de 
rivière, de raer, rivier- zee-kreeft,} 
des yeoK d'écreviflfi , Kreeft en-oogeu^ 
(in Genees-k. geb.). 

s'E'crier, (v. r.) Ukroepen , uit- 
fchreeuwen-, s'écrier de joye, de 
douleur, van blydfchap juuhen, van 
fmert fchr eeuwen, 

E'crille , ( f ) Een hq/kr in een 
vyver ^ (in). 

B.'crin, (ui) Een ring-knjïje, (n). 

É'crire , (v. a.) Scbryven, in ge-^ 
fchnft fïellen , befchryvet:. 

E'crjt, (m) Een gefcbrtft,fcbrife^ 
bsnd-fchrift -y document (n). 
_ E*crit, E'crite, (adj.) Gefcbreér, 
ven', opgefleld. 

E»criteau, (m) Een opfcbrifi (n) 
op doozen , kajfen ,voor eenig httys, enz. 

E-critoire, (f) Een inkt-kooker 
(m) j fchryftuig , (n). 

E'criture, (f) Schrift; (n); ig 
Heilige Schrift ( f). 

E'crivain , (ra) Een fcbryver ; 
fcbryfmeejier. 

E'crou , (m) Het gat (n),ûfe moer 
( f ) , vdn een' fcbróef. 

E'crou , (m) Lyji der otàoften aan 
een hof-, rolie der gevangenen in een 
kerker, (f). 

E'crouë, (f) {Zie 'Ecroxx). 

E'crouëlles , (f. plqr. ) Krop^zweer 
I (f) , klier-gezwel, konhtj^s-zeer (n). 
Q Ecrouera 



242 ECR.ECÖ. 

" E'crouer, (v.a.} Op de rot der gs- 
VJngencn zetten. 

Ecrouïr , (v. a.) Metaal koud ba- 
meren. 

fcrouiflement , (ta) Koud bame. 
rhig (f). » . , 

E'crcmlement , {Tn]Beeving , fcuud^ 
dir.g (f). 

■ V.'cronlev ,{v .z.) Schud.ien ^bewee- 
gen; s'écrouler, IV. r.» dreigen cm 
in te Jiorten ; injisrten , tot een puin- 
hoop worden. 

E'orouter, fv. z.)0ntkorjïen. 

E'crû , ùe (adj.) Fil écrù , ruuw 
garen-, coile écrxie , ongebleekt li/:t:e>J. 

E'cu , (m)Een zvJpen-fcbild (n) ; een 
franjche kroon van 6o fels (f); il eil 
Ie père aux écus,cu,il a desécus, 
iy f s zeer ryk , ky heeft fpUrt. 

E'cQbiers , (m. pi.) Kluis-gaten 
(zee IV,), {Zie Ecobans). 

E'caeil, (m) Een' klip, een blinde 
klip in zee (f). 

E'cuelle , ( f) Een kom , fchaal { f), 
tyute v.ap ,bji{Tt^; rogner l'écaelle 
à.qaelcun, (fpr. w) temand zyn ïn- 
iomft , of teer-geld befnoeijen ; écuelle 
de cabesftan , metaal e bos voor de 
fpil, (zee U-.) 

E'cuellée , ( f ) Eeti kom vol, 

E'cnier. (Zie E'cayer). 

E'juifler, (v. a.) Em boom in 't 
nesrvellen fplitteren , Jplyten ; item 
ver lam men , (boert, w.) 

E'caler, (v. a.) De hiel van ee*j 
f^boen neergaan , neêrkakken. 

Ê'culon , (m; Een groote lepel loor 
Wdfchlicbtmaaiers . 

E':.oms , ( f) Scbulm (n). 

E*camenique. (.^xVOecurncnique). 

E'cumer , (v. a. & n.) Sckuïruen, 
affcir.iimen; écumer Ie mer, de zee 
fihuimen , zee-rooven. 

Ecutneur, (m) Een zee-f:buimer , 
zceraaveryitem een panlikker ,fcbuim- 
hoper. 

E'cameux, eofe (adj.) Scbuimig, 
fbuimend. 
» E'catEoire, (f) Een fctmm-fpaan 

E'curerj (v. a.) Schuuren; écurer 
nn puits, een put reir.tgen. 

E'cureuil > ( B2 ) Em Eikiargntje 
In). 



ECU. EDE, EDÎ. &c. 

E\'urear,(m) Xachtiverker jfecreet^ 
ruimer y put reiniger. 

E'cureufe, Een* fcbuurjier. 

E'curie, (f) Een Jîaî, paerde-fial 
(m). 

E'cnïïbn, (ra) Hst fchild van een 
wapen (n), fot-plaat (f) ; zekere etir 
f/ff^ o/'ocaleering (f)> kruid-kujfen- 
tje om op de maag te leggen (n); 
maagplesfïer j fpiegel aan een fcbip 

E'cafTonner, (v. a.) Enten, ocu- 
leeren. 

E'cuiTonnoïr, (m) Ocnleer-mes (n). 

E'cuyer , .(m) Ridder , Edelman , 
Scbihiknajp ( eert yt el ) ', Stalmeejier ; 
grand écuyer , opper-fialnteefler ; é- 
cnyer , bof- jonker , lei- jonker eener 
Dame; écuyer tranchant, voorfny- 
dcr; écuyer de cuifine , opp er-kok ^ 
écoyer , pikeur, berydcr. 

E'dentéjée (adj.) Tandeloos ; c'eü 

une vieille édentée y 't is een tan- 

{ dchos besje; peigne édentéjfcie é- 

dencée , kam , zaag waar in eenige 

tanden gcbrooken zyn. 

E'denter, \,y. a.) De tanden uit' 
breeken. 

Ediôal , als (adj.) Dat tot , of, van 
een bevel (edift) is. 

E'dinanc, ante (adj.) Stichtelyk, 

EViiflcateur , (m) Bouwer , Jïicbteri 
liefhebber van bcuwen. 

E'dification , ( f) Opbouwing ^fiicb^ 
tir.g; j'ai lû ce chapitre avec beac- 
coup d'édification yik beb dat hoofd- 
Jluk met vsel ftichting gelezen, 

E'difice,Cm) Gebouw (n). 

E'diSer, (v.a.) Eeuwen, fikb:en, 
('bâtir is beter in deezen zin); édifier 
Ion prochain, zynen nasjîènjlichten. 

Edile , (m) Een wykmeejler ;fabryk 
eerîyds in Romen. 

E'dilité, (f) /Jmpt daar van. 

E'dit , (m) Gebod, bevél (n). 

E'diteur , (m) Uitgeever van een 
boek. 

E'dition',(f) Druk, uitgaave van 
een boek. 

E'drédon , (m) Dons-veeren eener 
ralk. 

EMacation , ( f) Opyoeding. 

E'dulcoraxion,, (f) Vtrëoetittg (in 
den ^Pi^tbe^k). ^,^^^^ 



EFF. 

È'dalcorer, (v. a.)f^erzoHen ^zc^ 
maakm. 

Effaçable, (adj.) Uitwifchbaar. ^ 

Etficer, (v. a ) UitiviJTchen y uit- 
veege^t, dorJoen , doorhaatrn , "if- 
fchra^pen; eff^-ct-r unt ligne, eenen 
regel Joorhaalen-, il a rf^dcé la gloi- 
1-e de . , hy heeft Jen roem vcrduif.eni 
van . ; cfîàcé de la mémoire , uit het 
geheugen gegaan. 

Effaçure , 'f) Uitwiffching , enz. 
{Zie ook Rr.tnre). 

Effam r. {Zie Effeuiller). 

Effare - , {alleen gebr. in 't deeliv.) 
être i^ffaré, rjgrfchrikt , verplet zyn. 

Effaroucher, (v. a.) l>'erwilderen , 
fchuuzv maaven. 

Effaufihr fv. a.) un ruban, een 
lint uirfazelen , uirraaffelen. 

Effectif , ive {-xô.].} iVaartyk ,dari- 
delyki raille écus effoftifs, duizend 
kroonen baar geld -^ un horume effec- 
tif, een mflnvan zyn ivoor d. 

Effeftivement , (adv.) JVaarlyk, 
inderdaad. 

Effeéluer , (v. a.) Uitvoeren , ver- 
rigten. 

Effemination , ( f) Vrouwen werk 
(n) , wyvery ( f). 

Efféminé, ée (a.dj. ) T^e^wy fd ,bloó ; 
un efféminé , een verivyfd mansper- 
zoon. 

Effeminer , f v. a.) T^erivyfd rnaahen. 

Effervefcence , (f) Opzieding, op- 
•walming {in Chym. en Natuurk.). 

Effet, (m) Uitu'erking,uitzverkzel y 
daad, gewrogt; goed; remonter de l'ef- 
fet à la caufe , va;/ het gewrogte tot 
de oorzaak opklimmen ; il n'y a 
point d'effet , fans caufe > 'er is 
geen gewrogt y zonder oorzaak ^ c'eft 
un pur effet de votre imagination, 
het is eene enkele uitwerking van uwe 
verbeelding \ mettre en effet , in 't 
werk Jïellen ; paroles fans effets , 
woorden zonder daaden ; tont cela ne 
fit .-.ucun effet, dit was alles zonder 
vrugt ; les canons eurent un bon 
effet , het gefchut was van goede uit- 
werking ; ces maifons font un très 
bel , un vilain effet, deeze huizen 
maaken eene fraaye , lelyke vertoo- 
fiing ; les effets d'un marchand , de 
roerende goederen, effeften' van eeu 



[ EFF. 2.^2 

I koopman ; on effet , (adv.) inderdaad ^ 
pour , ou , à cet effet , (adv.) ten dien 
einde. 

Effeuillement , (m) Ontbladering 
(f). 

Effeuiller (v. ?.; un arbre , een'" 
hoorn ontbladeren. 

Efficace, (adj. & fubff,) Krachtige 
grace efficace, medewerkende genade» 
la prière du jofte eft de grande 
efficace , het gebed des rechtvaardigen 
is van grooté kragt. 

Efficacement , (adv.) Kragtdaa^ 
diqlyk , met nadruk. 

"Efficacité, (f) Kragt, invloed. 

Efficient , ente (adj.) Caufe effi- 
ciente , werkende oorzaak ( in iVa« 
tuurk.). 

Effigïe, (f) Beeltenis (n), afbeeh 
ding (f 1 ; pendre en efngie ,»» beeU. 
tems ophangen. 

Effigier (v. a.) quelcun, iemanâ 
in beeltenis flrajfen. 

Effiler , (v. a.) De draaden ergens 
uittrekken } s'efhler , (v. r.) uitraaf' 
felen , los gaan ; vifage effilé , fchraa» 
Ie, magere tronie-, cou effilé, dunne 
hals. 

Effilure, (f) Uit trekking, uitfaa^ 
zeling. 

Effioler (v. a.) Ie bied , het groe- 
ne koren, ais het te weelig groeide 
jlompen. 

Effianué, ée cadj.) Cheval effla- 
nué, een paerd dat dfn bek afgeree- 
den is, 

Efflanquer, (v. a.) j^fmatten, af- 
dr y ven. 

Effleurer, l[v. a.) Dp bloem weg 
neemen\ ligt quetzen, enz.; Ie coup 
n*a fait qu'effleurer la peau , djf 
fchoot heeft Jlegts de huid gefchaafdi 
effleurer une matière > eene zaak 
maar évèn aanroeren, 

Effluxion, (f) OmJJagy omkeering 
{hy Vrouwen). 

Effondrement, (m) Uitfpitting (Qô 

Effondrer, (v. a.) Uttfpitten, 
uitgraaven; gevogelte of vifch fcboon 
maaken , reinigen ; effondrer da 
drap, laken al te fier k f pannen. 

Effondrilles, (f. pi.) Grond-Jopf 
zinkzeli kiel-water. 

Efforcer, (v.n.) s'efforcer , (v. r.) 
Q a Zéth 



244 EFF. EGA. 

Siich bfimopijen ^a^mg.'i tu taaten hg- 
gen y beyvpren; ie ra<^ fuis efforcé 
de, tk heb myn beJJ gedaan om enz. ^ 
Effort , {m) Poogiffg , fîrfeving ; fai- 
re les derniers efforcs, zyn uiterjîe 
vlyt ^ kragt aatuvenJfn ; cheval qui 
a pris un effort, een paerd dat zUh 
verri>kt heeft. 

Effraaion, (f) Opbreeking^ inbreer 
k(ng. 

Effrayant, ante (acij.) Verfchrik- 
ken } , 'verfcbrikkelyk. 

Effrayer , (v.a.) f^erfcbrikkcn , ver- 
vaard, bang maaken. 

Effréné , ée (adj.) Ongeregeld y 
tooinloos , wild; licence effrénée , 
dolzinnige moedwil-, n^^nrice effrénée, 
buitenfpoorige gierigheid. 

Effrénément , (adv.) Toomhosiyky 
dolzinniglyk. 

Effriter, (v. a.) Eenen akker uit- 
mergelen , fymgen. 

Effroi , (ra) Schrik , ontJîeUenis , 
'üreeze (f). 

Effronté, ée |adj.) Onhefchaamd ; 
an effronté , een fchaamteloos menfch. 
Effrontément , (m) Onbefchaamdelyk, 
Effronterie, (f) Onbefchaamdheid. 
Effroyable, (adj.) V^erfcbrikkelyk , 
yffelyk. 

Effroyablement , (adv.) yerfchrik- 
ietyk ; dépenfer effroyablement , 
yjfelyk <, geweldig veel verteeren. 

Effumer, (v. a.) Iets ter loops af- 
fchetzen , fcbilderen. 

Effuöon , (f) Uitflorting y uitgie- 
ting \ effufion de fang , de bile , 
hloed-florting ; overlooping van gal j ef- 
fufion de cœur, uitjîorttng , opening 
des barten. 

E'gaiement , (m) Verbeuging , Uis- 
ti^heid. 

"E'gal, aie (adj. & fubft.) Gèlyk j 
e f en; deux cho fes , égales, twee ge- 
lyke dingen; Dieu n'a ooint d'égal, 
God heeft geen getyk; chemin éga' 
OU uni , een gelyke iveg; cela m'cft 
igzXydat is my 't zelfde; hamen r 
é^,a)e y eenïg^zifid gemoed, inhorfi % il 
efi: fon égal , hy is zy,i gelyk; à l'é- 
gial (en comparaifon) de cela, in 
venrelyking van dat; traiter d'égal 
i égal , gelyk tegen gelyk handelen^ 
S»^alfment, (ady.) Gelykelyk. 



EGA. EGI. EGL: 

E'^aleraen- , (m) l^ergelyking» 

E'galer, (v.a.) Effenen ^^elyk mas^. 

ken, -venaaren; la mort égale toas 

les hommes, de dood maakt de men" 

fcben gelyk ; égaler la vertu d'A- 

' lexandre , de dapperheid van Jlexan^ 

\der gelyk komen; s'égaler (v. r.) à 

;qaelGun^ zich met iemand gelyk. 

flellen, 

E'^alifation, (f) Vereffening ^ ge- 
lykjieili-g. 

\ F.'galifer (v. a.) les partages, de 
verdetlingm gelyk maaken , (m Rech' 
ten). 

E'galité, ( f) Gelyk beid, effenheid f 
evenredigheid. ^ 

E'^alures , (f. pi.) l^itte plekken op 

^ den rug e ene» Valk. 

j E 'gard , m) 4c ht ing , eerbied ; op- 

' zigt ; avoir égard pour quelcan > 

agting voor iemand hebben; avoir é- 

gard au temps , à fon honneur, 

den tyd aanzien , zyn eer in agt nee' 

men ; en uTer mal à l'égard de 

quelcun, ten 'opzigte van iemand quaJyk 

handelen; à votre égard, ten uiveu 

opzigte-, en égard, aiant é^ard que, 

overwegende dat, 

E'garé, ée (adj.) Verdwaald; ver- 
legd , verleid; brebis égarées , ver^ 
dwaalde fchaapen ; papiers égarez 9 
verlegen papieren; des yeux égarez, 
verwilderde oogen ; il a l'efprit égaré , 
zyn verft and is op den hol. 

E^g^reraent , (m'i Afdwaaling , doo- 
ling (f)j kwaad gedrag (n). 

E 'garer , (v. a.) Doen dooien; van 
den r egt e a weg afbrengen; vervoeren-, 
égarer quelque chofe, iets verlie- 
zen , verlegden ; s'égarer , (v. r.) 
verdwaalen , van zyn zynen weg afraa- 
keny zich vergiffen; aan 't fuffen raa- 
ken. 

E'garoté, (adj.) Cheval égaroté, 
paerd dat aan de fchoft bezeerd is. 

E'^audir, (v. n.) {oud w,) {Zie fe 
Réjouir). 
F'gayé ,ée {a,d].) Verheugd, verblyd, 
E'gciyer, (v. a.) Verheugen, ver- 
vrolyken ; égayer l'ePprit , den geefl 
verheugen; égayer un 'discours, ^/"«^ 
reden fmaakelyk maaken; égayer un 
arbre , een boom dunnen , lucbt gee- 
w«> S'égayer, (v. r.) zlsb vtrvrólyken, 

Egi- 



EGI. EGL EGO. EGR. 

E',;ide, (t) óihiU van Jüyiter en 
IMinerva (n). 

EV'ancitr, (m) EenEglantttr , of 
Wilde Roozm-boom. 

E'jjlancinfc,(f} If^ilJe roos,Eglan- 
tier-blopm. 

E'ghfe , (f) Eene Kerk-, vergade- 
ring J.r gp/oovigfn-,homn\t£ d'églil'e, 
een kerkeiyke , geijl.-iykty cour d'é- 
glife , kerkelyk gi recht a-hof \ églife 
cathédrale jö't' hüofd-kerky églife vi- 
fible, invifible, militante, triom- 
phante, primitive, de zichtbaare, 
onzichtbaare , J]- y Jende , zegen^véta- 
lende , eerjie kerk, 

E'glogue, (f) Herders-zang. 

£*goger , (v. a.) K;» eene huid de 
ooren en het etnd van dejiaart qffny- 
den, (by L^érbereiders). 

E'gohine, (f) Een band-zaag. 

E'gorger , (vVa.) Di keel afnyden-, 
•vermoorden * om hals brengen. 

s'E'gofiller , (v. r.) ^ich zelven 
overfcbreeuwen , heefch fchreeuwen. 

E'goairer,f V. a,) Pellen. {Zie E'cos- 

ÏCT). 

E*gout, (m) Een riool f vuilnis -zyp 
(n)i afdrop , afloop van een dak;goot- 
Jïecn. 

E'goatter, (v- -n.) Uitlekken ; égout- 
ter lavaiflelle, laatwerk laaten uit- 
drU'pen , druogen. 

E'gouttoir , (m) Roojier om iets op 
af re laat m druipen. 

E'^ramer , (v- a.) (Zie E'gréner). 

E'grapper , (v. a.j Druiven af- 
plukken, 

E'gratigner, (7. 9.) Met de nagels 
tirabben. ^ 

E/grattgneur , eufç (m. &f.) {Zie 
Découpear); ( 

E'gratignure, (f) Krab^fcbrapy 
Jchraam met de nagel». 

E'gravillonner , (v. a.) Orange- 
kajfen enz. met nieuwe aarde voorzien. 

E'grenée, (adj.) E'coffe égrenée, 
oningepakte fioffe. 

E'gréner, (v. a. & n.) Het zaad 
uit de gfwajfen baaien enz. 5 ce cou- 
teaa égrené, t/a* mes fchaard ^ breekt 
ö/ï s'égrener, (v. r.) uitkorlen, uit- 
vallen. 

Egrillard , arde (adj. & fubft.) 
Frolyk , lu/ïig , f^vevcffg ', ^n kortswy- 
fi^efhaak» 



t EGR.EGÜ.EH. &c. «43 

L\ :uoi. , ,inj /\onJier , tralie in 
\ e.n vyjer. 

I E'griler, (v. a.) Twee diamanten 
tegen malli(inde,ten wryven , {by Ju- 
weliers). 

E*grifoir, (m) Dcosje om de dia~ 
inant-poedt'r m te bewaaren (n). 

E'^rugeoire, ( f } ou E'grugeoir, 
{ïTi} Zekere vyzel om bet zottt iofyn te 
Jiamf-en (m)j noot-rafpje (nj, 

E'gtu^er, (v. a. Zout^ enz, fiam- 
ptn i fyn maaken , verhryzelen. 

E'grugeure ,( f) Het geen gekneuJJ, 
verbryzi-ld is (r)). 

E'guéer (v. a.) du linge , linnen 
uitfpoelen. 

E'gueuler , (v. a.) De bals van een- 
f.efcb brecken-y s'égüeuler, (v. r.) zich 
Qvet f car touwen. 

E'guiileter fv. a.) les canons, ^é'r 
gefcbut overal wel vafi maaken , {zee w). 

Eh.' (interj.) j4cb t och l eh bien'! 
wel nuleh. non ,' och necnl 

E'hanché, ée (adj.) Q)itheupt. 

E'herber , (v« a.) U'^ieden , het w^ 
kruid uitroeijen , {beter Sarcler). 

E'iionté 5 ée (adj.) Scbaamreloos. 

E'houper , (v. a.) De boomen af- 
tojptn. 

E'jaculation , ( f ) Uitfcbieting , uit- 
f puit ing {in Heel- en Ontleedk.). 

E'jacQlatoire , (&d].}Uitfcbietendei 
uitjpuitende {in Heel- en Ontleedk.); 
prière éjaculatoire , zïelzugteud ge- 
bed. 

E'jaculer, (v. a.) Uitwerpen, uit- 
fchieten {in Ht el- en Ontleedk.), 

E'jamber (v, a.) Ie tabac, den ta- 
bak Jireepen. 

Elaboration, (f) Vlytige beilr- 
heidmg, 

E'labouré, ée (adj.) Sang bien é- 
labouré , wel gekookt bloed y ouvrage 
bien élabouré , wel uitgewerkte arbeidt. 

E'laguer (v. a.) on arbre , de over- 
tollige takken uit een' boom fnoeijen. 

E*iaifer, (v. z.,) Muntjlukken gelyk 
maaken, 

E'lan , (cj) Een E'land {zeker wild 
dier). 

E'ian , (m) Scbielyke fprong , uit' 
fchieting-y uitwerping , fJwger ing -y hef' 
tige tfekf neiging tot iets. 

Elancement; (n;^ Scbielyhbewee- 
Q 3 git'g t 



24<5 ELA. ELE. 

ging f uitfchietJng , utiiverping; élan- 
cement de cœur, zugt, uitgang des 
harten-, élancement de douleur, 
Jîeeking, klopping y fchieting van pyn; 
élancement, vooruit peking, vooruit 
fchifting van iets (in Bouivk.), 

E'iancer (v. a. & n.) des traits, 1 
Pyle» uirfchietenywerpen; ivegflingeren-, 
élancer des cris , fchr eeuwen , ge- 
fcbreeuw uitgeeven ; Ie doigt m'élan- 
ce , de vivger Jleekt my, s'élancer , 
(V. r.) uitfcbieten enz.; un lion s'é- 
lança fur \mI, een leeuw fchoot op 
hem uit ; il s'élança dans l'onde ,*y 
fcbóot , fprong in 't water; cheval é- 
'lancé , W» mager rank paerJ; hom- 
me élancé, TÉ-w magere fpier ing , lan- 
ge lenden (boert. iv.) 

E'largir, (v. a.) JP^yder^ hreeder 
tnaakea , verivyden , uitjf rekken; é- 
largir u;i habit , een kleed^uit leggen , 
tvyder maaken; élargir uh prifon- 
nier, een gevangene op vrye voelen 
Jïellen j s'élargir , (v. r.) vuyder , uit- 
gsjirekter wordm. 

E'largiflement , (m) F'trivyding ; 
'Uitzetting ^uitlegging ff); omjlag van 
senen gevangenen (n). 

E'iargiflure (f) d'un habit, uit- 
legging van een kleed. 

EÜafticité, (f) Uitzetting, opfpan- 
nin^ , veérkragt. 

É'lallique , (aû?j.) Dat eene uitzet- 
tende kragt , veérkragt heeft.. 

E'ledeur , (m) Een Keurvorjï. 

E'leftif , ive (adj.) Ferkiesbaar, 

E'leftion ,(f) Keuze^ verkiezing. 

E'ledoral , aie (adj.) Keurvqrflelyk. 

, E'lettorat , (m) - Keurvorjlfcbap j 
Jieurvorftendom . 

E'ieârice , ( f) Keurvorjlin. 

E'learicUé , (f) Aantrekkende 

kragt. 

E'ieârique, (adj.) Aantrekkend. 

E'leftrifer, (v.a.) Elearifeeren. 

■E"lej£kci^iYey (ca) Een Jïik-genees- 
vjiddrl (n)„ 

EÜégaminent , (adv.) Cterlyk , 
fraai. 

■• E!iégance , ( f) CierlykheiJ, zuiver- 
heid, tvelfpreekendbeid. 

E"iégant,ante (adj.) Cterlyk y ^eU 
Jpreekend; discours élé^anc , eene 
fierlyke redsnvoering. 



ELE. 

E'Iégïaque, (adj.) Vers élégiaques, 
treur-dichten. 

E'légie , ( f) Treur-zang (m) , treüt' 
dicht (n). 

E'légir , (v. a.) Lyflen fchaaven 
(by fcb-ryn w.) 

Ê'lément, (tn) Hoofd-JJof(f) Elé~ 
ment (n); ks éléments d'une fcien- 
ce , de eerjle heginzelen van eene 
konjï; être dans fon élément, in 
zyn fcbik of élément zyn; élément 
liquide, de zee; (by Poëten) 

E'iéphant , (m) Olifant of ele- 
fant; faire d'une mouche un élé- 
phant , van eenfcbeet eeti donderjlag 
maakeh (boert-w.); eene zaak wakker 
ver^rooten. 
EÜcphanticue, (adj.) Elefar.tifch, 
E'iefe. (Zie Al ai Ce). 
E'iévation , ( f ) Ferhepng , verhoo- 
ging; hoogte -f opheffing-, depuis foa 
élévation , ze der t zyne verheffing ; 
Élévation d'un bâtînient ; hoogte 
van een gebouw -, élévation de l'Hol^ 
tie -, opheffing van de Hofly (in de R. 
Kerk) ; élévation de ftyle , hoogdra- 
vendheid van Jiyl -, élévation de 
courage , kloekmoedigheid , éléva- , 
cion du Cœur , opheffing des har^ 
ten ', élévation du pole , pools 
hooate. 

E'lévatoire , (m) Een ophaalder der : 
beenen (Heelm. werkt.). 

E'iéve , (m) Een leerling-, Fbedjler' 
Uns- 

È'lévé, ée (adj.) Verbeven ^ ver- 
hoogd; opgevoed; enz. lieu élevé, 
verbeeven plaats ; élevé en dignité , 
tot aanzien verheven; bien ou mal 
élevé , wel ofqualyk opgebragt ; pouls 
élevé, jierke pols, 

E'iévement , (m) Verheffing ( î); 
(weinig gebr.). 

Enlever , (v.a.) Verheffen , verhoo" 
gen ; opligten ; ophyjfen ; opvoeden ; 
élever les yeux, d'oogen om hoog 
heffen , élever fa voix , fon cœur à. 
Dieu, zynejîem, zyn hart tot Ged 
verheffen; élever une muraille, 
eene muur optrekken, cpregten; éle- 
ver un obélisque, une ftatue, eene 
gedenk - naald , 'of zuil , jîandbeeld op- 
rlgten; le foleil élevé les vapeurs, 
de zon trekp de dampen op', Ia fonu- 



ELE. ELI. 

ne l'a élevé, het geluk beeft hem 
verheven; élever des enfants , des 
oifeaux , kinden n , vogels opvOideu , 
epkweeken f opbrengen it\ev<r öti, ar- 
bres, boomen aanhveeken , s'éiever 
(v. r.) zich verheffen , om huogfteigen; 
item hoogmoedig worden ; s'élever 
contre fon prince, tégen zynen vorji 
cpjlaan f wecrfpannig M-crdenj rebel- 
léeren; il scleva une faricufe 
tempête, daar onrjlünd^ verhief zich 
een geweldigejlorm ; s'élever, (zee w.) 
van laager wal m de diepte koomen ; 
s'élever , opzwellen ophopen. 

E'ievure, (f) Een puiji 9 blaar , 
hlein, op zwelling. 

E'lider , (v. a.) Eene letter uttlaa- 
tent verzwygen (in fpr. k.). 

E'ligibilicé , ( f) l^erkieslykheid. 

E'ligible, fadj.) Verkiesbaar. 

E'iiraer, s'élimer, (v. n. & r.) 
{meefi gebr. in de t'zamengefi. tyden , 
als : ) cette eCoife s'eft d'abord éli- 
mée , die doffe is t erfland verfleeten, 
afgedraagen. 

E'iingue, (f) Een leng f Jlrop die 
men om een pak Jlaat y dat men ophyf- 
fen Wil 

E'iingaet , (m) Een pal om eenfpil 
mee te fioppen. 

E'lire (v. a.) un Roi, een* Koning 
verkiezen, 

E'lifées, Cadj.ni, pi.) les champs 
elifées, d'Elizèifche velden {verdigt 
Paradys der Heidenen). 

E'lirer(v.a ) une pièce de drap, een 
fîuk laken by da zelfkant trekken om 
het gelyk te maak en. 

E*lifion, (f) Uitlaating eener let' 
ter (in fpraak k,) 

E'lite, (f) 'f Uttgeleezene (n); 
gens d'élite , uitgelezen volk-, 1'élite 
'des troupes , uitgelezene manfchap. 

E'lixation , (f) ^fzieding, af- 
kooking (by ^poth.) ^ 

E*lixir,(m) Uittrekzel (n)i(éhxir 
by ^potb.) *, 

Elle, (pronom.) Zy, ell^e eft , 
zy is. 

Ellébore , (m) Nieskruid ; (n\ 

EUipfe, (f) Uitlaating van een 
woord ( in fpraakk. ) ; een eirond ( in 
pieetk. ). 
Elliptique, (adJO Eirond^ ovael» 



ELM.ELO.ELU.&c. 247 

Elme , (mj Le feu St, Eime, ze^ 
kcT lucht. teken dat zich zomtyds na 
eenenfiorm op de fche/>pen vertoond. .. 
E'Jocher, (v. a.) Iets dat met de 
wortel hüud heen en weer fchudden , . 
wii^^elen» 

E'jocucion (f) claire & nette, 
klaure en zuivere nitfpraak. 
•E'ioge , (m) Lof eden , loftuiting ( f). 
E'iogifte , (m) Lof-redenaar ef cp- 
Jlelder. 

E'ioignéjée (adj.) Jfgelégen ^ ver- 
wydsrd; je fais bien éloigné de le 
croire , ik ben 'tr vtrre van af het 
te gelooven. 

E'ioignement , (m) afgelegenheid, 
verwydering > verheid (f), 

E'ioigner (v. a.) d'un lieu, vati 
een plaats verivyderen , verre wegzen- 
den j éloignez cette chaife du feu , 
fcbuip die fîoel van 't vuur af y s'é- 
loigner , (v, r.) zich weg maaken-, 
vùortzeilen ; zich van ieti vreemd hm- 
den. 

E'iogatîon y(î)JfJiandvan de eene 
planeet tot de andere. 

E'ionger, (v. s.) Een krygs-vlcut 
unflrekken , uitbreiden. 

E'ioquemment, (adv.) Met weî- 
fpreekendheid. 

E'ioquence, (f) JFeîfpreekendheid'9 
Eloquent, ente (adj.) /^Wj^r^-f- 
kend, cierlyk. 

E'iu , (m) Ecn uitverkorene j item., 
Commijfaris der fchatting in Vrankryk, 
E'iu , ue (adj.j Verkoren , verkozeiu 
E'iuder, (v. a.) Teleur Jlel Un; é^ 
luder une propofîtion , eene voor- 
telling met liji ontwyken; Alexandre 
en coupant le nœud gordien éluda 
l'oracle, Alexander de gordiaanfcbsr 
knoop doorbakkende , veredelde de god- 
fpr aak, 

E'iyfées. (Zie E'lifées). 
E'mail , (m) Smalt (zekere htaauwe 
verfiblaauwfel)y peindre en émail, 
in bvand'ùerf fchitderen-, l'émail des 
prez, de bloem-cieraad der velden. 

E'mailler , (v. a.) Brand-fchilderefif 
doorvlammen , fchakeertn^ met ver^ 
fcheide kleuren verderen , éraaljee- 
ren, 

E'mailleur,(m) Brand-verf-fchilder ^ 
éinaljeerder, 

Q ^ ' E'mail- 



24^ EMA. EMB. 

• E/ir.aillure , (f) Eiraijterlr.f. 
Emanation ff) da St. Efprit , 

nitvloeijir.g , ui(gcÈ7g van den H. 
Geefi. 

E'mandpation , (f) Omjïagmt de 
voogdy (n) {in Riekten). 

E'manciper, (v. a.) rrymaaken , 
vryjlclh'n , van de voogdy cntjlaan ; 
S'émanciper, (v. r.) te veel vrybeid 
Keemen , uit dm hardfprittgen. 

E'mané , ée (adj.) ^rifgevloeid ^étnZ' 
né du Ciel } van den Hemel afge- 
daald. 

Emaner, (v. r.) Jlfdaahn ^ zyn 
oirJproKg neemen-. Ja vertu divine 
émanoic de notre Seigneur , deGod- 
delyke kragt ging uit van onzen Heer e. 
' É'margemenc , (m) Het tekenen (n) 
op Jen rande'enir rékeninj. 

E'marger , (v. a.) Op den rand té- 
ienm ^ {iri aentck.). 

E 'marine fj (v. a.) De vif eb-netter 
rnet zir.k-iood ^i/oorzien, 

Emafculer j (v. a.) Ontmannen, 

Er-^babuoiner , (v. a.) In Jlaap 
^iegen ,mct J'choone woorden ohikiden. 
' EœbâUiortner. (^f^ Bâillonner). 

EmPa'lage, (m) Inpakkmg (f}j 
^ai-iocn (n) ' ' 

Emballer, (v. a.) Inpakken^ pak- 
Âen } zzveïze, op'nyden. 

Emballeur , eofe (m. & f.) Een 
akker ) zwetzer, klugt -vertelier > ver- 
'eljUr. 
'• Embarbé , adj.) Gebaard. 

EmDarder, (v. a.) Jfroudertf gçe- 
ren . {zee iv.) 

Embargo, /m' JB'JIa^' opfcheepen; 
mettre un embargo, in b^flag nee- 
fiith . {zee «-.) 

Emberq é, ée (adj.) Ingejcheept. 

7?.ixbarq^3emtnt , (m) yJ^chfepirg, 
injchcping ; verbintems , it7lau:ing{f). 

Emtai quer , (v. a, ) Infcheeptn ; vous 
m'avez cûibarquédans une méchan- 
te affaire , gy hebt niy in y ene quaa- 
de zaak ingezvikkeU ; s'embarquer , 
(v.^r.} tr fch-ep gaan i zich ergir.i in 
Iddten^ in-ivtkkelet. ; s'embarquer favs 
hihc'viit .."zond'^r de r.oodige rniJdelen 
iets Ci: herneem ^v ., '' fpr. w.) '' 

EriJirras, (m) ■ erivarring ., rr-oei- 
^cly'któfndi cnffeltttiis s fûb'ik., veriége-- 

* id; jcttgr quelcuii dans l'embar- i 



i 



EMB. 

ras , iemand in verlégenkit l brengen \ 
fe tirer d'embarras, zich ergens uit^ 
redden» 
^ Embar raflant, ante (adj.) Verdrîe-' 
tig y moeijelyk. 

ErrjbarrafTé , ée (adj.) Ontjleld, 
verfchrikt ^ verlegen y être embaçras- 
fé de fa perfonne , met zicb- zelfs 
geen raadweeten , verlegen zyn ; avoir 
la' tête embarraiïëe , bet hocfd bezet 
hebben; discours embarraffé , eene - 
veru-arde reden. 

Embarraïïeraent , (m) Belemmeringf 
verwari-ir.g (f). 

Embarrafler, (v. a.) Hinderen, be- 
letten , vervee len; cela l'a fort cm- 
hiLtraffé f dat heeft hem veel vuerksge- 
geeven; cela vous embarraffé, dat 
verveeld of hinderd « ; embarraffer 
une affaire, eene zaak vertvarren; ^ 
s'embarrafTer , (v. r.) zich inlaaten; 
belemmerd ftaan; il s'embarrafTe de 
tout , ^oor de geringfe zaak fïaat hy 
verlegen; s'erobarralfer dans quel- 
que affaire, zich in eene zaak inwik- 
kelen ; fa tête s'embarrafTe , by word 
ügthoofdig', je ne m'embarrafTe de 
rien , ik kreun my nergeni aan. 

Embarrer , ^v. n.) s'embarrer , (v. 
r.) Cheval qui s'eû embarré , een 
paerd dat over de landier-boom ge- 
fprongen is. 

EmbafTade. {Zie AmbafTade). 

Eir.bafTement , (m) Grondflag onder 
een huis. 

Embataillonner, (v. a.) /«Batail- 
lons vormen , fcbikken. 

Embâter, (v.a.) Zadelen ^ het pak- 
zadel opleggen. ' 

Embâtcnné, (adj.) Met fiokieti ge- 
wapend-, {oud w.) 

Erabattage , (m) Het beflaan der 
wielen met 'yzere banden (n). 

EmbattfeS , (m. pi.) Püflaat-wm- 
den, 

Embattre (v.a.) les rouës, wielen 
met yzere banden beflaan {b\ Smits)» 

Embauchage , (m) Beflelling van 
een hiegt op een winkel ( f). 

Embaucher, (v. a.) Een knegt op 
een winkel befieedfn (gemeenlyk van 
Icboenmaakers verfiaan) ; item jong 
volk tot den krytsdif^njl vervoeren. 



EiMB. 

hefieed»-', item een ijerleiJcr , zie!- 
'Verkcoper, 

Embaumement , (m) Balztminc^ ( f). 

Etnbaumer , (v. a. Een tigchacnn 
halzfmen j iets een liejlyke g* ur , reuk 
geevcn. 

Embéguiner ,(v.a,) Het houfdver- 
bir.den , taeloUen ; s'embé^uiner de 
quelque chofe , ieti in Jen kop kry- 
gen y van ingenoomen worden. 

Embelle , (m) Hals , kuil van ten 
fchtp. 

Embellir , (v. a. & n.) Opfchilke:}, 
opcieren j hoe langer hoe fchoor.der 
worden; embellir une maifon , gen 
huis opjchikken ; elie embellit tous 
les jours , zy word hoe langer hoe 
fraayer. 

Embellifleraent , (m) Opfcbikking 
(f), cieraad, vercierfel (n). 

Emberloquer , (v. a.) Iemand er- 
gens van ingenomen doen zyn,{gem,w.) 

s'Emberiucoquer , (v. r.) Ergens 
voor ingenoomen zyn , (gent. w.) 

Embefas, (m) Twee aazen {in V 
iaartfp;). 

Erabefogné, ée(adj.) Vol bezigheid 
zyn. 

Emblaver, ou emblayer , (v. a.) 
Bezaaijen {heter enfemencer). 

Etnblayure, (f) Bezaaid land (n). 

Emblée , d'emblée , ( f) Met den 
eerjien aanval , by overrompelltjg ; 
prendre une ville d'emblée , eeae 
jîad Jiormender hand, of by verrajjing 
jjineemen. 

Emb) ématique , (adj .) Zinnebeeldig. 

Emblêm.e , (m) Zinnebeeld (n). 

Embler, (v. a.) &teelen , behefidig 
wegneemen. 

Embuer, (v. a.) Een groot e plaats 
bejlaan, {zee va.) 

Erablure , ( f) Bezaaid land (n). 

Erabodinare , .( f ) Anker-roering , 
ivoelzel , (zee w.) 

Emboire, (v. a.) Lszuigen, zyn 
giet: s verliezen (by Scbild.). 

Emboifer, (v. a.) Met zoete woor- 
den ove: reeden j leugens ver tellen y 
{gem. w.) 

Emboifeur, eufe (m. & f.) Mis- 
Uider , zwetzer ; leugenaarjïer. 

Emboîtement, (m) üluiting ^ineen 
njoegin^derkendsrsu {in Oütleedk') ( f;. 



EMB. 24^; 

Emboîter, (v. a,; In doozm doen; 
iets ergens invoegen , inj:bien-n ; s'em- 
boîter, (v. r.) tn maik^inderen fchie- 
ten , pajjen. 

Emboïture , ( f) Sluiting , t'zamen- 
voeging; f ch enk el van een wagcn-as. 

Embonpoint , (m) Frifcuheid des 
ligchaams ; avoir de l'embonpoint, 
weivaarende zyn. 

Erabordurer, (v. a.) In ein lyji 
zetten. 

EmbofTnrc , (f ) ]t''aire une en.bos- 
fure au c&ble f Jprtnkels , J'plitzen op 
de touwen zetten ^ {zee w.) 

Emboucheaaent, (m) Het leggen 
van het gebit ia den tnottd van een 
paerd (n). 

Emboucher, (v. a.) Een paerd het 
gebit in den mond leggen -, emboucher 
une trompette , an trompet aan 
den mond brengen; emboucher quel- 
can , iemand onderregten-, s'embou- 
cher (v. r.) en mer , ztch 1» z.eont- 
iajien{van rivieren gez.). 

Enabouclioir , (m) Schoenmaakers 
laarzen-leeji. 

Embouchure, (f) Het gebit van 
een paerd; mondjiuk aan een hl aas - 
fpeeltuig (n) ; embouchnie de canon, 
de fourneau ^ de mond van een ge- 
fcbut, van een jl ook -oven; emtowchvi- 
re de rivière , mond , uitloop van eene 
rivier 't embouchure de chandelier, 
pyp van een kandelaar. 

Embouclé, ée (adj.) Gegespd (in 
ff^apenk,). 

Embouer, (v.a.) Bejl\ken, bemod- 
deren {gem.w.)', {beter eïïdmre de 
boue). 

Embouquer, (v. n.) Ecne zee-eng- 
te inzeilcn , {zee w.) 

Embourbé, ée (adj.) In de modder 
gezakt; jurer comme un chartier 
embourbé, vloeken als een Krygsheld 
{fpr. w.) 

Embourber, (v. a.) In de modder^ 
in het Jlyk fmyten j s'embourber , (v. 
r. zich bemodderen , in de modder zak. 
ken; s'embourber dans Ie vice, in 
de zonden verfmooren j s*enibour° 
her r:a^?.« une affaire, zich aan eene 
zaak verft imkeren. 

Embourer, (v. a.) Iets metfcbeer- 
hair vullen^ opjiop^ea, 



250 EMB. 

Embourrure , ( f; l^^ulzel, bekleed- 
ztl (n). 

Emboarfement » (ra) In de zak 
deekinsi (£). 

Emboarfer, (v. a.) I*i de beurs , 
iu de zak flee-ken. 

Embouffure {f). {Zie Embo{rure\ 

Emboutir, (V. a.) Een Jluk zilver 
JUimpen , dyyvetj j ouvrage erabouci , 
gedreeven arbeid. 

Erabraquer, (v. a.) Eentowwt'huis 
haaien {zee iv.),dat is ^Jiyfaankaalen. 

Ernbrafemtmt,, (mj Brai:d{m);Qp- 
TceT', muitcry {f); afneeming , wyJer 
maaking Jer kozynen van een deur of 
vetigfler , 'van linnen, 'om meer ligt te 
ietctnen. 

Erabrafer, (v. a.) Verpranden, in 
hranJjïeektn; ontfteeken; s'embrafer, 
<v. r.) in brand raaken^ vuur vatten; 
vos beaüx yeux m'embrafent, wwe 
Jibaons o ogen ont fï eek en my j embra- 
f^r > deur- of veyigjïer -kozynen van 
lianen affieeken , wyder maaken , om 
tHCer ligt te doen invallen. 

Embraffade ^ (f) OmkelziKg , om- 
arming. 

Embraflement , (m) Omhelzing (fj. 

Embrafff r , (v. a.j Omhelzen j om- 
armen', omvatten; embrafl^r la ver- 
ra , ^e deugd omhelzen ; ce livre era- 
braffe bien des choCes, dat boek be- 
hsisd, bevat veele dingen; embrafler 
Ïe parti de queican, iemands zyde 
Mezen; embralTer une affaire, eene 
zadk ondemecmen ; l'océan embrafle 
toute la tçrre, de zee omringd 
de- gantfche aarde; qui ti'Op embrâs- 
fe> mal étreint, die te veel onder- 
neemi , flaagd kxvalyk (fpr. w.) . 

EmbraiTure, (fj'^ï-» bind-houp of 
y zere beugel» 

Embrafure , ( f) Een fchietgat in 
ee& muur; embrafure -de porte eu 
de fenêtre , fckuinsheid in een raam 
txa een deur of v eng fier wyder open te 
Iminsn, zetten en meer ligt te maaken ; 
embrafure de fourneau , gat van 
emt f ook -oven y waar in men den hals 
. xan de kolf zet. 

Embrener, (v. a.) Befcbyten , bs- 
jironten , bekakken , {gem. w.) 

Embrevement , (m) Invoepng j ;o- 
Jkekiag ( f j {in Boiéwk.}. 



I EMB. EME. 

Embrever, (v. a.) Een Jluk hout 
! in een ander infchieten, tnfponden. 

Embrion. {Zie Embryon). 

Embrocation , (f) Kruider-bad 
voor e>enig deel des Ugcbaams ; item bet 
inwryven van dien. 

Embrochement, (m) Het aan 't 
fpit fleeken. 

Embrocher ,(v. a.) Aan 't fpip 
fleeken ; (fguarl'.) aan den degen rygen. 

Erabrouiilemenc,(m) Verwarring 

Embrouiller , (v. a.) Verwarren > 
verbrodden; embrouiller une affaire, 
een zaak in de war helpen, 

Embruiner, (v. a. & n.) Door de 
mot , ryp befchadigen , befchadigd 
worden > 

Embrumé, ée (adj.) Temps em-^ 
brumé , miftig , mottig weer , een 
dikke lucht \ terre embrumée , een be- 
neveld land {zee w.). 

Embrancher, (v. a,) Invoegen, in- 
fleeken , infponaen {by Timmer L). 

Embrunir, (v. a.) Bruin fchilde- 
ren , bruin maaken. 

Embryon,(m) Ongeborene vrugt ; on- 
rype vrugt (f )> item een onderblyfzel (n) . 

Embu , ue (adj.) Ingezoogen {by 
Schilders). 

Embûches, (f,^ pi.) Hinderlaagen -, 
drefler des embûches , hinderlaagen 
legioen. 

Embûcher, (v. n.) Wegfchuiten in 
een bcfch, 

Embufler > (v. a.) Zich in een kol- 
der fie eken, 

Embufcade, (f) Hinderlaag. 

s'Embusquer , (v. r.) Zich in eert 
hinderlaag verbergen. 

Embut, (m) tregter , (Entonnoir 
is beter). 

E'mender. {Zie Amender). 

E'meraude^ (f) Smaragd, {zeker 
edel gefieente). 

E'mergent, ente (adj.) L'an é- 
mergent., het jaar der opkomfi van iets, 

E'meri , (m) Een amarilfieen. 

E'm.érillon, (ra) Een Smaerle^ 
Steen^valk {zekere kleine Roofvogel); 
Item Touu'Jlaagers wiel. 

E'merilionrjé, ée (adj.) Fr\fcb^ 
levendig van kleur. 

E'flaéricé,(adj.) ProfefTeuréiaérité , 
"^ koog- 



EME. EML EMM. 

boog-leerat.ir die ive^ens zyne hoogç 
jaaren of andere gi'breeken , zyn amft 
niet lat:ger kunnende bekleeden 9 echter 
daarvan de inkomjlen no^ geniefi un 
ém-^rité, een dié uitgediend beefi, 

Eraerfion , ( f ) ^ocr den dag ko- 
ming , als van een verduijlerde Ji^re 
die te voorfchyu komt, 

E'merveiller , (v. a.) Verbaajl 
Jlaan ; s'émerveiller , (v. r.) zich 
verwonderen-^ (geni. w.). 

E'mécique , (adj.) Dat braaking 
verwekt. 

E'mécique, (33) Braakmiddel (n). 

E'meute , ( f) Oproer , oploop (m) , 
rumoer (n) . 

p'meutir, (v. n.) Den drek hozen, 
(f^alken. w.). 

E 'mier , (v. a.) Kruimelen, brok- 
kelen. 

E'mietter. (Z^ie E'raier). 

E'Kiincer, (v. a,) Dun maaken. 

F/minemment| (adv.) Fbortreffelyk, 
nitjleckender wyze. * 

E'minence, (f) Hoogte; uitmun- 
tendh'id; item tytel eenes Kardinaals j 
l'ennemi fe pofta fur une érainen- 
ce . de vyand poftéerde zicb op eene 
hoogte. ^ 

E'rainent, ente (adj.) Hoog; voor- 
treffelyk', lieu eminent, een hooge 
plaats i qualité eminente , booge 
Jiaat j rang eminent , verheven rang ; 
péril oa danger eminent, (imminent) 
of, dreigend gevaar, 

E'minentiffime, (adj.) Allervoor- 
treffelykjie. 
^ E'mir, fm) Naam der nakomelin- 
gen van Mahomet. 

E'miflaire, (m) Een uitgezondene; 
uitzendeïing ; een verfpieder ; un émis- 
saire de Satan, een werktuig des 
Satans. 

E'raiflion, ff) Uitzending; uit- 
Jiooting iVémiSion des rayons, rf'«/V- 
Jchieting , uitkoomlng der jlraalen. 

Emmaigrir, (v. a.) Vermageren, 
tna^er maaken. 

Emmailloter, (v. a.) Bakeren, in 
de I uur en doen. 

Eratranchernent , {vù)Steel ,ofbrgt 
imnaaking (f). 

Emmancher , (v. a.) Een begi ei 
deel ergens aan maaken» 



EMM. EMO. 25t 

Emmanchear, (mj Ken hegt- , o/, 
Jïeel-maaker. 

Emraanequiner , (v. a«) Jonge boo- 
nen in mandens zetten im te pooten, 

E«' mantelé , ée (adj.; In eenen 
marétel tofgefrommeld^ toegcjlommfld; 
corneille emmantciec , een bonte 
krnai. 

Eramariné , (adj.) Homme em- 
mariné, een man tot de zee gewent. 

Emmarintr (v. a.) un vaiffeau^ 
een f chip bemannen, 

s'Emmarquifer , (v. r.) Zich Mark- 
graaf laat en noemen. 

E mmén ajïemenc , { f ) Bu ïs-fioffee" 
rim( y oprigting eener huisboudir.g ( f). 

Emménager, (v. a.) Een huis Jlojr 
feeren; eene huishoudihg opregten; s'em- 
ménager, (v. r.) zich met huisraad 
voofzien, zich in eene huishouding 
zetten. 

Emmener , (v- a.) IVegvoeren , weg" 
leiden, meê votret^ , mede neemen; il 
m'emmenoit avec lui , hy nam my 
met zich. 

Emmenotter , (v. a.)Bôeijen , kluiS' 
teren, YZX.<^rnQÜ.Qxs aandoen. 

Emmeubler , (v.a.) Iemand buis^ 
raad verkoopen, leenen. 

Erçsnieller, (v.a.) Toemaaken mes 
honing; honing om den mond fmeeren f 
zoete woorden geeven, 

Emmiellure, (f) Honing-.zalf(voor 
paerden). 

Emmitoufler , (v. a.) (oud w.) s'em- 
mitoufler d'un manteau, zich met 
een mantel warmtjes toebakeren. 

Emmitrer (v. a.) un Evêque , eenen 
Biffchop my teren. 

Emmoncler, (v. a.) Opboopen, 
{Zie Amonceler). 

Emmortoifer, (v. a.) Ie een groef 
infi?eken , indryven {in Bouwk.). 

Emmotté, éf^ (adj.) Arbre emmot- 
té , ei^n boom wiens wortelen nog met 
aarde bezet zyn. 

EramoMer, (v. a.) Muilbanden} 
metT. une mufeliere. 

E'moëller, (v. a.) Het merg uit- 
doen. 

E'moi, (m) (oud w.) Vreeze , >om^ i 
me^ {?). I 

E'nioilient, iente (adj.) Remède 
éaaoUient, verzagtend gsneesmidâeL 
£'xn« ■■ 



k^2 EMO. EMP. 

'E'mf^lam^nt y {cüjA'ut, voordeel (Vi). 

E'inonftolre. (Zie E'raanâ;oire). 

Em.ndê, (f) Drek der Roofvo- 
gels (nij, 

E'mjr.dsx (v. a.) un arbr€, fi^en 
boom opjujci'jen» 

E moHdes, (f.pl-) --^Mn^^*'^ *^^- 
Iten. t- • X 

E'mora^ie. {Zie Heraorrh^igie). 

E'mor -eler , (v. a.j A-m f.ukjes 
breeketi; é-iiorceler une terre, f^«<?« 
akker in klerr.e deelen vcrdeelea. 

E'rajtion, (f) Ontroering , ont- 
fleltems'f beroerte -y cela me donna 
"quelqaa émotion ,dat gaf «ly eenige 
ontjieitems j exciter , aflbupir des 
émotions, beroertens veruekkett ^Jitl- 
hn i avoir encore quelque émo 
lion,«o^ eenigs verheffing van koorts 
iiebben. 

E'motter, (v. a,) De kluiten bree- 
ken , in Jîukken Jlaan» 

E'moucher (v.a.) un cheval, een 
faerd van de vliegen redden-, émou- 
cher, (ho^'rt. vu.) geeffelen, Jïaan. 

E'moQchette , (f) Vliegen- kleed 
der paerden (n). 

E -mouchoir, (f) Vliegen- lap y 
ivaatjer (m). 

E'moudre (v.a.) un couteau &c., 
een mes fypen. , 

E'mouleur , ou , gagne-petit , (m) 
Slyper j fcbaare'Jlyper , f.iep-fcbaare- 
tnes. .. 

E'molu , ue (adj.) Gejleepen^u en 
eft tout frais émolu,^y is 'erverjcb 
op afgerigt. 

Emouffer, (v. a.) Stomp, of aot 
maakeny émoufler la pomce , de 
punt pomp maaken,afbreeken; émouöTer 
uu canif, een penne-mes bot maaken-y 
ia erop grande étude éraouffe 1'es- 
prit , de al te groote Jïudie maakt de 
geeji , bet verfiand jiomp j s'émoufler, 
(v. r.) boi worden. 

E'moufiTer, (v.a.) Het mos afdoen. 

E'mouvoir , (v. a.) Beweegen, be- 
voeren , ontroeren ; émouvoir les 
paflTions, de hartstogten gaande maa- 
ken-y s'émouvoir, (v. r.) zich bewee- 
gen , ontroeren , ontjleüen ; onjiuimig 
ivorden (ah de zee). 

Empailler, (v.a.) Iets met Jlroo 



EMP. 

Empailleur , euie (m. & f.) St^j 
per , floelfn marter; matjier. 

Empalement, (m) Spitting , fpit- 
zing ( f j. 

Empaler, (v a.) Aan een paal 
fpitten. 

Empan, (m) Een' fpan (f), {zeke^ 
re lengte). 

Empanacher , (v. a.) Met een* vé- 
der-bos of pluim verderen ; (fguurl. ) 
hoornen opzetten. 

Empai.é, ée (adj.) Marteau em- 
pan é , hamer die aan de eene zyd& 
fcherp is. 

Empanner , (v. a.) Een fcbip kiel- 
haalt n, op zy haaien. 

Empanon , (m) Eindhout , dwars- 
balk. 

Empaqueter, (v.a.) Inpakken^ op- 
pakken. 

Einparagé , ée (adj.) Met zyns ge- 
lyk gepaard {woord in Anjou qebr.). 

Erapat'cher , (v. a.) Vreemd vee 
dat men op zynen akker vind in pand 
neemen. 

Emparer, s'emparer (v. r.) d'u- 
ne ville, eene fiadt bemagtigen j tn- 
neemen ; s'emparer de i'efprit de 
quelcun , zich van iemands gemoed 
meefier maaken» 

Empaaeler, (v. a.) fVolle floffen 
met pajiel of weed verwen. 

Empâtement, (m) Grondjlag, voet 
van een gebouw , wal , muur enz. béd' 
ding (f) van een kraan. 

Empâter , (v. a.) Met deeg of pap 
hefmeeren ; met verf dik cverjiryken. 

Empâter, (v. a.) Speetten in een 
wiel fieeken > verfcherven ; dat is : 2 
/lukken bout tegen malkander voegen , 
(/« Scbeepsb.). 

Erapat ure , ( f) Verfcberving , ( in 
Scbeepsb.). 

Erapaumer, (v. a.) {gem. w.) Met 
de vlakke handflaan , vatten , grypen, 
d> ukken -y emp&amer une affaire, eene 
zaak met ernji aangrypen j empaumer 
l'efprit de quelcun, iemand geheel 
inneemen , by de neus letden ; empau- 
mer un fouilet , een' muil-peer gee- 
ven. 

Empaumure , ( f) Het binnenfle vcfi 
een bandfchoen ; het gfwigt of de boo- 
ms vaa een bert» 



EMP. 

Empeau , (m) Ocaleei^yx. 

Empêchement, (m) Belet, beîêizel 
{n), verhindering (f). 

Empêcher, (v. a.) Beletten y ver- 
hinderen j ophouden, tegenhouden ; Ie 
voilà bien empêché! hoe is zoa vol 
hézigheeden ? o^ daar heeft hy genoeg 
meê te Jiellen 'f il eft empêché àdre'<- 
fer fes comptes, by is bezig om zyne 
rekeningen op te maaken ; mon pere 
eft empêché, myn vader heeft belet \ 
faire 1'empéché , zich gelaaten vol 
bezigheeden te zyn; être empêché de 
fa perfonne , niet wetten vu at met zich 
zelven te doen-, s'empêcher, (v. r.) 
zich onthouden \ jè ne faurois m'em- 
pêcht^r de rire, de dire , ik kan 
m'y niet om houden van te lagcheity te 
zegden. 

Empeigne, (f) Het over Ie ^r van 
«eti fcfjoen (n). 

Erapeloté, (adj.) Faucon empelo- 
té , F'alk die niet verdouwen kan hgt 
geen zy ge ge et en beeft, 

Empennacher.(^/^ Empanacher). 

Êmpennelle, (f) Kat {zeker klein 
werp-anker.) 

Empenneller, (r. a.) De kat uit- 
werpen. 

Erapenner, (v. a.) Pylen met vee- 
ren voorzien. 

Empereur , (m) Keizer. 

Erapefage, (m) Styving , doorhaa- 
ling ( f)\ 

Êmpefer (v. a.) du linge , linften 
Jlyven , doorhaalen ; empefer ou 
mouil'ei la voile, het zeil begieten, 

Efnpefeur, (eafe (m. &f.) ütyvery 
Pyfder. 

Empefler', (v. a.) Befme^ten , mpt 
Jiank vervullen , vergeeven ; (Jiguurl, ) 
tnet kettery befmetten ; haleine em- 
peftée , flmkende , vuile adem. 
< Empêtrer, (v. a.) Strikken, met 
een Jïrik binden -^ empêtrer on che- 
val , een paerd de voeten binden yfirik- 
ken-, s'empêtrer, (v. r.) zich ver- 
warren , vafl of gebreid raaken ; che- 
val qui 3'empêire , paerd' dat in bet 
tuig verward. 

Empiiafe , ('m) Nadruk <^ kragt . 
klem ; mot plein d'erophafe , een 
Woord dat van groots nadruk is. 

Emphaféj ée (adj.) Hoogaravend» 



EMP. '' 2J3 

Emphatique, (adj.) Nadrukkelyki 
terme emphatique , kragtige uitdruk" 
king. 

Emphatique<nent , (adv.) Mei na. 
druk, 

Erhphraftiqtie , (adj,) f^erjloppende^ 
{in Geneesk.)t 

Emphyfeme, (m) Oploopwg (f) 
der wonden f bletnen y {in Heelk.). 

Emphytéofe , ( f) Erf-leen (n) , erf- 
pagt (f) van 99 jaar (;« Rechten). 

Emphytéote , (m) Een die zulks on- 
der zich beeft. 

Emphytéotique, (ad/.) Bail em- 
phytéotique , Pagtbriefvan 99 jaar* 

Empiégé,ée (adj.) f^erjirikt y ge- 
vangen. 

Empiétant , ante (adj.) Met de 
klaauiven vafihouden {in IVapenk.). 

Empiété, ée (adj.) Dat goede loo- 
pers , rappe voeten heeft , (Jagen «;.). 

Empiéter, (v. a.) Met de klaauwen 
wegvoeren {gelyk Roofvogtls, ; empié- 
ter une colonne, een' voet onder een 
zuil maaken. 

Empiéter (v. n.) fur les droits 
de quelcun , iemands recht zich aan- 
maatigen , in iemands recht invalhn^ 

Empifrer , (v. a.) Fiullen, mejïen^ 
ophoozen j s'empifrer , (v. t.) zTch 
meffen. 

Empilement, (m) Opflapeling. 

Empiler, (v.a.) Qpftapelen, opzei-' 
ten , op hrjopen leggen, * 

Empirance ( f) de Ia monnoie 9 
de Ia m?irch2Lnà\^e ,f-^erjlegting , ver- 
mindering der munten of waaren. 

E ra pil- ? , (m) Keizer ryk , Ryk ; em- 
pire des lettres , de geleerde wae- 
relJ ; 1'empife de la mer , de beer- 
fchappy der zee-^ avoir empire fur 
quelcun ,_ magt over iemand beb^ 
ben; emuire doux , zag te r r geering ^ 
heerfchappy ; avec empire , met hoog- 
moed. 

Empiré, ée (adj.) P^erërgerd ^ver- 
Jlimmerd, 

Empiré?. {Zie Empvrée). 

Empirement. (Zie E;T)pî(-ance), 

Empirer, rv.n. &a.) P'crèr^eren^ 
vprjïimmerev ; J]im*ner wrdeu ; ïl em- 
pire de jour en jour, hs w.rd van 
d'ig tot dag er-^er ; cette ri-f^n a 
empiré ik taufe , die reden heeff zvn* 

zuak 



t34 EMP. 

zaan verergerd; marchandlfes em- 
pirées y verdorvene of in prys vermin- 
derde waar en. 

Empirique, (adj.) Médecin em- 
pirique , ren Quakzalver. 

Empirisme , (m) Quakzalvery. 
Emotacement , (rn) Bouwgrond , 
bouwplaats ; item bet zolderen van 't 
zout. 

Emplacer, (v. a.) H?t zout zolde- 
ren , opltgqen. 

Empla.tique ,(adj.) J/er (leppend {in 
Geyieesk.). 

Emjlaftratic^, (f) OcuÏeering. 

Emplâtre, (f) Ee^ ple-Jter ; em- 
plâtre d'ente , hoom-zvas^ , ent-zi-as ', 
e' te a un emp'àtre de mari , zy 
heft een ' rekten ' droomerd van een 
màn; c'pfl: un ^Tai emplâtre , hy is 
een regt uthkuiken, {in 'deezen ztn is 
bet mtfcul.). 

Emplâtrier, (m) Pleifer -kafl. 

Emplecte , ( f ^ Ïrkoop-,. faire une 
bonne e.mi^\et\.e -leengoi'de inkoop doen» 

Emplir (v.a.)ïine"^verre , een glas 
vullen, vol manken; s'empür, (v.r.) 
zich vullen , vol ioopc» , vol -worden . 

Emu'oi, (m) u^mpt (n) , bediening 
(f), avoir de l'emploi, eene bedie- 
ning , bezigheid hebben ; un bon em- 
ploi , een goed ampt ; emploi de 
quelque c)yoi'Q ^aan-iVendir.g van iets; 
fa ->■ emploi , vnl'rhe pof in eene ree- 
kening -^ doub'e emploi, eev pof die 
iu-eemanl ir. reekening gebra-^t is. 

Emplover, ^v. a.) Gebruiken', be- 
zigen f aanlegden , hefeederi ; employer 
qqelaati , lewn^'d te w^-rk feilen ; em- 
ployer k- vc-d & Ie fee, alles aan- 
wenden , niets onbeproefd laaten ; s'em- 
pï-yer , (v. r.) zich toeleggen^ be- 
jïtpd n. 

Emplumer , (v. a.) Met veeren .^pen- 
nen bpfeeken -, s'emplumer , (v. r.) zich 
ve^ryken , befprkken. 

Em;'Ocher , (v.g.) {gem. iv.) Zak- 
*?> , in d'^ zak fleeken. 

Empoigner , (v. a.) Met de vuif 
vatten , aangrypen, 

Empointer (v. a.)une étoffe, eene 
Jïofft' ry^en^ hei^ten (hv Snyders)* 

'Empois, (m) Styfzel (f). 

Empoifonni-meiit , (m) F'ergeeving > 
embrenging met vergift ( f). 



EmpojTonnér, (v. a.) Vergeeyon^ 
met vergift ombrengen; empoiibnner 
les adlions de quelcun 9 iemands 
daaden ten qu naden utt leggen. 

Empoifonneur ,' (m) f^ergeever; 
item een Jlegte kok -, een bederver , ver- 
leider. 

Empoifonr-^ufa , (f) Een ver geef- 
fer , gtftmpn^fter. 

Emj)oifïer"', (v. a.) Bepekhen (en- 
duire de potx). 

EmpoifTonnement, (m) Bezetting 
met vifch (f). ^ 

EmpoifTonner (v. a.) un étang 9 
een' vyver met groei, jonge vifch be- 
zetten. " 

Emporté, ée (adj. & fubfl.) TFeg- 
gebragt , meêganamen ; overwonnen*, 
opl-)'-)pcnd i haaf 1 g , door drift vervoerd. 

Emporté, ée (m. & f.) Een oploo- 
pend, haaf tg menfcb. 

Emportement, (ra) Haafigheid, 
ópioopendheid, onfluîmigheîd , vervoerd- 
hei d; zotte inval ; un furieux em- 
portement , eens geweldige drift ; no- 
ble emportement j loflykeyver } gram- 
fchap. 

Emporte-pièce , (m) Schoenmaakers 
krom mes (n). 

Emporter , (v, a.) Wegdraagen , 
medenecmen ; afjouwen , afrukken ; be- 
komen ; veroveren » overwinnen , ir.nee- 
men enz. ; emporter quelque cho- 
ie , iets wegdraagen , meéneemen ; weq- 
kaapen ; cela emporte bien au tempsj 
aat neema veel tyd weg ; emporter 
un bras, eenen arm af:ouwen; em- 
porter la viftoire, ae overwinning 
den zeegen behaaien ; emporter une 
place û'aflaut, een plaats jlormender- 
hand veroveren ; une faignée empor- 
tera cette fièvre , eene ader laat ing zal 
die koorts wegneemen ; l'emporter for 
quelcun , iemand overtreffen , het van 
iemand winnen; ce mot là emporte 
deux chofes, dat woord heeft twee 
beteekeniffen; l'ufage l'emporte, het 
gebruik wmd het, beeft de overhand', 
s'emporter, (v. r.)baajiig worden,; il 
s'emporte aifement , hy word ligt 
toornig; fe l^ifler emporter à ia 
flatterie , zich door de vleijery ver- 
voeren laaten ; eet arbre s'emporte » 
die boom fchiet groote onvrngtbaare 

tak*' 



EMP. EMÜ. 1 

takken , ^groeid te iveelig » ( HwC' j 
niers w.)\ ' 

Empoter, (v. a.) In potten zetten 
(by Bloemijlen), 

Empoulette , ( f) Glas (n) , looper, 
zandlooper (m). {Zie ook Ampou- 
lette). 

Emponrprer j {^.3..)Purperen^met 
bloed beverzven (by Dicht,). 

Empreindre, (v.a.) Inprenten, in- 
drukken^ infnyden. 

Empreint, einte (adj.) Ingedrukt, 

Empreinte (f) d'un cachet, in- 
drukzel van een Signet (n). 

Empreffé , ée (adj.) Faire Tem- 
prefTé , zeer bezig zyn. 

Empreflement , (m) Tver (m) , vuu- 
rigbeid (f) ; il témoigne aflez d'em- 
preflement pour ces chor-: s , hy be- 
toond zeer veel yver in die zaak ; tra- 
vailler avec empreflement, vlytig 
arbeiden, 

s'EmprefTer , (v. r,) Zeer bezig 
zyn , met yver, vlyt iets verrigten. 

Emprifonnement , (m) Gevange- 
nis , kerker ( f). 

Emprifonner, (v.a.) In de gevan- 
genis zetten. 

Emprunt j (m) Leening (£),al het 
geene men leent (n); cheval d'em- 
prunt , ^f/f-f»^ p^fr*/; vivre d'em- 
prunt, op de pof leeven. 

Emprunter, (v. a.) Leenen\ il a- 
voit emprunté fon nom de, hy had 
zynen naam ontleend van. 

Emprunteur, eufe (ra. & f.) Lee- 
ner ; leenJJer. 

Empuantir, (v.a.) Stinkende maa- 
ien , met Jlank vervallen j s'empuan- 
tir, (v. T.)Jlinkende worden, 

Empyr.ée , ( f ) Le ciel erapyrée , 
de derde of hoogjh hemel. 

E'mu , ue {:xd].)OntrQerd ^bewogm; 
je ne l'ai jamais vu fi ému , ik heb 
hem nooit zqq ontjleld gezien j une po- 
pulace émue, opr^erige meenigte\ il 
£ le pouls ému , zyn pois ts ontjleld. 

E 'mulateur , ; m) Medejireever , ms' 
dedifjger , na-yveraar. 

E'mulation, (f) Na-yver , volg- 
Zlichtom een ander voorby te J}ree*jen. 

' E'mulatrice , ( f ; Navolgjier. 

E 'mule, (mj Mededinger , metde- 
/Ireever, 



EMU. EN. ENA. (Txc. 255 

E'mulgent , ente (adj.) Uitmelkem- 
de (in Geneesk.). 

E'mulfion , ( f ) Een amandel-meik 
{in Geneesk. gebr.). 

E'munaoïre , (m) Ontlajler , {kUer 
of vaatje des ligcbaamsdie dejlymenz, 
na zich trêkt). 

En, ,(prepofition ofvonrzetzel) heeft 
verfchetde beteekenijfen , als: être ea 
France, in l^rankryk zyn; aller en 
Angleterre , naar Engeland gaa^i 
en été, des zomers-, en haut ^bovenji 
en bas , beneden ; en dehors , van bus- 
ten J en après , en faite , daar na , in *t 
vervolg', en fin, eindelyi; être ea. 
robe de chambre, in zyn japon zyn^ 
agir en Roi , als een Koning heer- 
Jchen ; en vertu de . . , uit kragt van.,% 
en mori i^articulicr ,T7iy aangaande^ 
en dormaht, al Jlaapende; en man- 
geant, fl/ff^PMtf^i en difant cela, dat 
zeggende ; en paflant , in 't voorby gaanti 
c'ell un importun je veux m'en dé- 
faire , dan f s een lajlige ik zal 'er mf 
van ontdoen -f il avoit deuK fils, it 
lui en eft mort un , hy had twee zoo- 
nen , een van dien is geJJorven ; j'en. 
fiais bien aife, ik ben 'er blyce om} 
j'en fuis fâché, ket fpyt my; j'en 
fuis furpris, ik ben 'er over vervcfon^ 
derd'y qu'en ditez vous ? wat zrgd 
gy 'er vanl il s'en repentira, j&y zai 
'er berouw van hebben', c'en eft fait, 
bet is 'er mee gedaan ; vous parlez 
d'argent, en avex vous? gy JpretH 
van geld, hebt gy zvat^ oui j'en ai, 
ja ik heb wat; je n'en ai point, ik 
hebhetnirt;en voulez vous être? 
wiîd gy meê doen , meê van de party 
zyw j'en vouloir àquelcun ,bet opis^ 
mand gelaaden hebbeyi; j'en luis' là, 
i'Jtismyn humeur; j'en fuis de mê- 
me , ik ben ook zoo ; j'en tiens , ik bem 
aan 't koe vofi , ik heb het voor myn he- 
zen; s'en aller, weggaan; s'en re- 
tourner, te rug komen; j'en viens, 
[^ *om^ 'er van daan; je ne fai o^ 
j'en fuis , ik iveet ivaar ik my keerem 
ofzvenden zal. 

Enarrher , (v. a.) rergoüdspemöif- 

gen' 

En avant , fadv.) Vocnvaards, 
En bas, (adv.) ^^edtrwaards, he- 

neden, 

E!3 



256 ENC. 

En ça, (adv.) Depuis mille ans 
en ça , zedert duizend jaar en her- 
waar ds (gem.' w.}. 

Encabanement, (m) liet inkomen^ 
t» trek ken, ivvalhn dpr zyden van een 
fcbip-, (ze f w.). 

Encager, {v. a.) Kooijen , in een 
ktiOi.zetten^Jluiten. » 

EncaiiTement, (m) V Ktjleu (n) , 
cpflurtin^ in hil^cn (f)., 

"Encaifler, (v. a.) In hijlen of bas- 
ten gakken, f uiten i encatfTer de l'ar- 
gent, gf-U in de kiji leggen; encais- 
fer •■yi or^üger, een orange-bowi kiS' 
ten^ '"« fi^'^ bak zetten (by Tuint.). 

Encan,, (ra) Opetibaare ver kooping 
(f); vendre à l'encan, t?y openbaare 
uttroep verkoopen. 

s'Encana'ller, (v. r.) Met plug- 
gen , jan hagel verkecren^ 

Encappé,,ée (adj.) être encap- 
pé , tujfchen twee kaapen geraakt zyn 
\zee~-w.). 

Encaqaer (v. a."» du hareng, ba- 
ring in tonnen pakken, 

Encaftelé , ée (adj.) cheval en^ 
caftelé , Paerd wiens boef van den 
voet tezamen tuafi. 

^nciiX\i\^ge^{m)Vertuining{zeew,). 

Encavement, (m) Keldering (f); 
ket ir.flaan van iets in den kelder (n). 

EncaverC.v. a.) quelque boiflon, 
Eenrgen drank injïaan, inkelderen. 
• Encaveur, (m) Een bier- of wyn- 
draager.y 

Eaceindre, (v« a.) Omvangen, 
emringen , omcingelen, 

Enceint, einte , (part.) Omringd; 
Ville enceinte de murailles, een 
Jiadt met muuren omringd; femme 
enceinte , eene zwangere vrouw ; être 
enceinte , bevrugt zvn. 

Enceinte, ( f ) Begrip {n); om- 
trek (m) va*i wal of muur» 

Encélade, (m) Een der magtîgjlé 
reuzen die den Hemel bejîormen wil- 
den. 

Encens, (m) IVierookx lof (m) , 
ioftuitintr; vleijery ( t') ; aimer l'en- 
cens , gaerne get>ree:fen zyn ; donner 
de l'encens, pryzen^ verheffen. 

Encenferaent , ( m ) IFterookivig 
(£), 

Encenfer, (v. a.) fFteraoken} en- 



ENC. 

cenfer quelcnn , i. ma^dpfysett i vér- 
hiffen , den wierook toezwaa'jen- 

Encenfeur, (m) F.en wierot^er; 
vlyr-r ; fchryver van hf-fchrijten. ' 

Encenroir,(m) Reuk- ofwif^rook-vat 
(n) ; mettre la .main à i'enCATjfoirj» 
zich ht'î kerkpïyk gezag canmaatigen. 

Encéphale , (m) Ben hoojd-worm 
(in Geneesk.). 

Enctphal'Ce , ( f j Zéker Jîeen ge^ 
lyk een kerjTenpan, 

Enchaînemenr , (m) yfaneenfchaa- 
keling (f); t'zamnharg im). 

Enchaîner, .v. a.) Ketenen^ aa*% 
een ké ten y of, ketttvg va fi klwfleren^ 
fluiteiz , bceij n , gevayjgen zette:i, 
I Enchaînure, ( f ) l^Wbind'.ng , cOft- 
eesifchaktlîug ( f )„ 

Enci^-ncé, ée fadj.) Betovverd} 
bekonrlyk, bphaaglyk . betooverend;\in 
palai- frncl.L lîcé , eets heerlyk paleys; 
item betoverd paleis. 

Enchanu^er , (v, aO Hout op fia- 
peli zetten ; vaten op jiellingen leggen» 

Enchantement, (m) Betoavering; 
bekoorlykheid ( f ) ; plein d'enchante- 
ment, vol verrukking. 

Enchanter, ( v. a.) Betoveren; 
brkooren ; verrukken ; cette mufique 
noils enchante, die muziek verrukt 
ons. 

Enchanter îe ,(f) Tavery j bexeryi 
guifhelary , bedrtegery. 

Enchanteu*-, tereiTe , (m. & f. ) 
Toovenaar , duivels-konjlenaar ; guiche- 
laar , bsdrieger ; toverejfe , bedrieg- 
per , loos vrouw-menfch ; bekoorende 
fchoonhe'd. 

Enchaperonner, (v. a.) Een', 
valk kappen ; het hoofd met een rouw- 
kap of fluyer dekken^ 

Encharger, (v. n.) {oUd w.) {Zie 
charger). 

ERchâffement , (m) Inzetting, bet 
inzetten- 

EnchâflTer , (v. a.) In een kas zet- 
ten {als reliquïenjj enchàiïer une 
pierre dans l'or, eenen fieen in *f 
goud zetten; enchâfler une fenêtre, 
een vengjîer in zyn raam zetten ; un 
mot bien enchâffé , een wel inge- 
voegd woord; s'enchâner (v. r. ) 
dans un fantenil , zich in eenLeun- 
fwei pkikkm , zetten* 

Eni 



ENC. 

i'.üchanrure , (f) Inzettinçt. 

E-nchauiré , fadj ) Ecu enchauflTé , 
Sr.becf Joorfneeden fcbilJ {tnivapenk.). 

Enchère , ( f) l^erhoog.tng di-f pry- 
/es , verduuring., duutder mcujkihg; 
faire une enchère, een hooger bod 
doen y meer bieden; mettre ou vendre 
à l'enchère , ajn dfn boogjlbicdenden 
verkoopen; une folle enchère» een 
gek y al te hoog boi ; payer la folle 
enchère , den rouw-koop bt- taaien. 

Enchérir ,(v.a.) f^erduuren y duur- 
^er maakeny den prys doen Jîygpn 
I opi jagen ; j'ai enchéri cela fur lui , 
I ik heb in dat Jîuk boven hem ^f.boden '^ 
le bled eft enchéri , het karen is 
opgejlagen j enchérir fur ce qu'un 
autre a fait ou dit , by bet geene 
een ander gedaan of gezegt hcejt nog 
iets bydoen , zalks vermeerderen. 

Enchériffement » (m) l^erduiirhi^, 
hooger bieding , verhooging , vcrmeer- 
dering { f ). 

Enchérifteur (m) vendre au der- 
nier enchérifTeur, Aan den haogjl- 
biedenden verkoopen. 

Enchevau hure ,(f) Overmaïkan- 
derfchieting {in bouwk.). 

Enchevêtrer, (v. a.) Halfleren 
(al§ Laji-dieren) ', virbinderen-, s'en- 
chevêtrer, ^v. r.) zich veriverren 
vêrjïrikken , als een paerd in zyn' hal- 
Jier, riem. 

Enchevêtrure , (f) Ferflrikking , 
veriverring in den haljier ; itevi kwet- 
zing daar van; als meede eene ope- 
ning met bindhouten , daar een fchoor- 
fteen door gaat. 

Enchevillé.ée (adj.) Gefcbenkeld, 
met fchenkels voorzien. 

Enchifrené, ée (adj.) Verkoud. 

Enchifrenement 9 (m) l^erkoitd- 
heid{Ï). 

Enchifrener, (v. ,a.) Verkouden, 
verkoudheid verqorzaahen. 
, 'Enc\Tevy{y,z,.)Met wafchbejlrykevy 
hewa[fen. 

Encifer , (va.) Bnomen hefnoeijen. 
- Enclave , ( ï)Injluiting een'es dingt 
in een ander ^ 

Enclave ,ée (adj.) Inge/looien , ter- 

5 'e enclavée jians une autre , een 
'and dat in een ander infchier. 
.Enclavement, (m) ïnjchieiivgy m- 
faaiting ff). 



ENC. 257 

Enclaver, (v.a.) Influiten ^ infchie^ 
tin (van lanJtn of Reiken enz. gez.). 

Enclin, ine (adj.) Gtnecgen, ge- 
neigd , hellende; enclin au mai, toi 
het, quaad ^eneegen. 

EncUner. {Zie Incliner). 

Enclitique, (adj.) Mot encliti- 
que, uoord dat aan een ander hangd 
{in Spraa.kk.), 

Encloïcrer, (v. a.) In een Kloojier 
zetten. 

Enclorre , (v. a ) iKjluiten. ( Zie 
Enfermer). 

Enclos, (m) Een brjïooten plàati> 
of omtrek daar van. 

Enclotir, (v. a.) In een bol jan-, 
gen; s'enclotir > (v. r.) zich in eetj 
bol verjleeken {als kunynen enz.). 
' EncIoturej( f) Lifluiting » inzooming. 

Endouer (v. a,) un cheval 5 un 
canon ^ een paerd 9 een gefcbut vema" 
gelen. 

Enclouure, {ï)Fernageling; voi- 
là l'enclcuàre j daar is de zuaarig- 
kcid. „ , 

Enclunje, (f) Een aambeeld; item 
zeker heen in 't oor;, een hakmes by 
Leidekkers; être entre l'enrlurae & 
le marteau, in de kne^p ^ in't utterfte 
gevaar zyn;. fouehé d'enclume 3 
aambçelds blok. 

Englumeau , (m) Klein aambeeldje». 

Eucöchement , (m) Inkerving , aari' 
legging der Py/ ( f ). 

Encocher , (v; a.) Iets inkerverii 
de pyl op den boog leggen. 

Encochure , ( f) Inkerving ; nok van 
de ree y {fcheeps w.). 

Encoffrer, (v. a.) Kif} en , in een 
kif of koffer fluiten. 

Encoignure ,'( f) Hoek tn een huis 
(rn). 

Encollage, (rn) Overjlryking mes 

/y»'(f;. , . . 

Encoller, (v. a.) Met Jym over- 
fryken. , , . 

Ençolurô , oîj enco,ulure(r) d'up 
cheval, d'un cy^ne, de bals {dat 
is de ,gedaar.te , of , bet tnoakzel daar 
van)van een'paerd y ziùaanenz \{Jîg.) je. 
le.connois à l'encolure, ik ken bem 

!acn zyne geftalté. 
Encombre, (m) Hindernis ; puin- 
hoop, {oud nx!.) ' 

R Fn> 



Ö58 ENC, 

iîncorabrement, (m) Ovtrîaading 

njan eenfchip , of belemmering daar van. 

Encombrer y (v.z.) Een' Jiraat enz. 

mit puinhoop belemmeren. 

Encomiafte ^ m)Een Lof-redenaar. 

Encontre, (f) {oud w.)'On$moe- 
ting. [Zie Rencontre). 

a 1'Encontre , (adv. & prep.) Te- 
gen, daar tegen » aller à 1'encontre 
d'une chofe, zich tr^en eene zaak 
verzetten , dezelve tegrn gaan. 

Encoquer, {v.a..)izee w.) De beu- 
gels aan de ree f c huiven of /laan. 

Encoquure , ( €) Het aanjlaan daar 
van. 

EncorbeJlenient , (m) Uitfleeking 
van eenflcen aan een' muxir. 

Encorder , (v. a.) Een hoog met 
ten pees voorzien. 

Encore, (adv.) Nog, daarenhavsn-, 
pas encore, nog niet -^ je vous de- 
mande encore cetce grace, ik ver- 
zoek u nog om deezpgunjf'j fi vous le 
imitez encore, indtengy 't v:eêr doed. 

Encore que (conj.) vous foyez, 
fchoon , alhoewel gy zyt. 

Encornail, (m) Gat met eenfcbyf 
hoven aan een mafï. 

Encornailler , (v. a.) Tot een hoorn- 
draager maakeni s'encornailler , (v. 
r.) in het groote gild treeden. 

Encorné, (adj.) Gehoornd; un ja- 
•^art encorné f eenverzweering in een 
paerde hoef. 

Encorner, (v>3L»)Met hoornen f of , 
boom voorzien. 

Encorneter , (v. 3.) In een papte- 
re buisje , peper huis je doen. 

Encouragé , (adj.) Aayjgemoedigt. 

Encouragement , (m) Aanmoedi- 
ging (f). 

Encourager , (v. a.) Aanmoedigen, 
moedgeeveny opwekken. 

Encourement , (m) Op den hals 
baal mg , belooping (f). 

Encourir 'v. a.) la peine ; l'ex- 
communication , zich de Jîraf op den 
hals haaien j den kerken -ban onder- 
gaan. 

Encourtiner , (v. a.) Met gordy- 
nen behangen. 

EncralTer , (v. a.) Bevuilen , be- 
/metten ; s'encraffer , (v. r.) vuil en 
{motzig worden ; l'efpric s'eocrafiTe ' 



ENC. END. 

dans Ia province , het verflapd 
verroejl op 't land. 

Encre , ( f) Inkt (m). 

Encrêper , s'encrêper , (v. n,) 
Een floers aandoen. 

Encrier , (m) Inkt-kooker (m) > inkt-. 
hoorn, iitkt-vat (n)j Drukkers inkt- 
bak (m). 

Encroué, (adj.) Arbre encroué, 
een boom die in 't vallen in eenen ande- 
ren is blyven hangen. 

Encroûter (v. a.) un mur, een* 
muur met kalk enz. bewerpen. 

Encuirafler, s'encairafler ,(v. n.) 
T^uil, morjfig, fmeertg worden. {Zit 
EncraiTer), 

Enculaffer, (v. a.) Het flaart-Jiuk , 
cf, de fiaart-fchroef aan een vuur-roer 
maaken. 

Encuvement, (m) Inkuiping (f), 

Encuver, (v. a.) In de kuip doen f 
te weeken zetten. 

Encyclopédie, (() Begrip, kring, 
die alle wetenfchappen ia zicb bevat» 

Endante. (Zie Eiidente). 

Endécagone , (m) Figuur van IZ 
zyden {in Meetk.), v 

Endécafyllabe , (m) Rym van ir^ 
lettergreepen{ f). 

En dedans , (adv.) yàa binnen , 
binnenwaafds» 

En dehors, (adv.) Vanbuit en ,huh.. 
temvaards. , ' 

Endémique , (adj.) Maladie en-f 
démique, gemeene ziekte in fommige . 
landen. 

Endenché , (adj.) Getand (in JVa- 
penkunde), 

Endente , (f ) Intanding(ïn Bouwk. 1. 

Endenter, (v. a.) Tanden aan een 
molen-rad maaken ; iets tanden. 

En dépit, (prep.) In weerwil, in 
Jpyt ', je ferai cela en dépit de lui, 
ik zal dat in weerwil van hem doen. 

Endetté , ée (adj.) Etre fort en- 
detté, dtep infchuldenfieeken. 

Endetter, (v. a.) Met fchulden be- 
zwaareny s'endetter, (v. r.) zith in 
fcbulderi fie eken. 

Èndêvé, ée (adj. & fubil.) ^^^ 
zend; een raazend* , (gem. w.) 

Endêver , (v n.) Kwaad, moei je- 
lyk worden ; il me fait endêver , hy 
maakt my raazgnde f (gem» w) 



END. 

Endiablé, ée ia ij. 8c fubft.) Fer- 
nvoedy bezet en, dol; een uitzinnige ^ be- 
zetene. 

s'Endimancher ,(v. r.)-Df T.ondag- 
fchp kleéren aantrekken , {gem. %v.) 

Endive > f f) End) vie of endivie. 

Endodirïner , (v. a.) Qnderwyzen, 
leeren , {boert, tv.) 

Endommagement , (m) Befcbadi- 
giv^ ( f). 

Endommager, (v. a.) Befchadigen^ 
benadeelen. 

Endormeur, (m) Een die iemand 
mjlaap wiegd, ivat wys maakt, een 
beuzelaar. 

Endormi, ie ''adj.) Slaaperig , 
vaakerig ; in Jlaap gevallen '^ j'ai la 
janabe toute endormie, ca > engour- 
die, mya been Jlaapt.^ 

Endormie, (f) SÏaap-kruid (n). 

Endormir, (v. a.) i» Jlaap bren- 
gen, doen Jlaapeny endormir un en- 
fant, een kind in f aap tviegen; en- 
dormir quelcun , />f7ja«i verleiden, 
Met zoete woorden bedriegen > s'en- 
dormir , (v. r,) m Jlaap vaUen\ s'en- 
dormir au plus fort de fes affaires, 
tiyne bézigheeden -verzuimen j s'en- 
dormir dans Ie péché, in de zonde 
volherden. ' 

. Endormi Tement , (m) -Staapertg- 
beid, dojheid, ongevoeligheid (f). 

Endofle , (f) Laj} (ra) , moeits , 
moeijelykbeid van eene zaak ; ( im V 
franfch word de op één na laatjle fyl- 
labe lang uitgefprookep). 

Endoflement , (m) Achter - opfchry- 
ving, rug ' teekening , endoffeering 
(f) , (van wijels enz. gez.). 

Endoffer, (v. a.) Op de rug nee- 
men-, endotTer une lettre de chan- 
ge , een wijjelbrief endoffeeren (by 
Baniiuiers); endofTer un livre, een 
boek ruggen , ronden {by Boekb.). 

Endoffeur (m) d'une lettre ds 
change , Rug-teekenaar , endoffeur 
van een wiffelbrief. , 

Endroit, (m) Plaats^ Jîresk (f), 
oord (n) ; èn eet endroit Fà , in die 
plaats-, endro/t d'une étoffe ,de reg- 
ter zyde van eenige Jioffe; vons ne 
connpifTcz eet homme que par fes 
mauvais endroits, gy kend die man 
allefn door zyne ondeugden -, ύntreT 



END. ENE. ENF. 2S^ 

quelque chofe par Ie bel endroit, 
iets op het allervoordeeligjie voorJieU 
len ; c'eft Ie plus bel eniroit de fa 
vie , dat is het bejle by in al zyn h" 
ven gedaan heeft; en mgn endroit ^ 
Omtrent my , ten mynen opzigte. 

Enduire, '(v. a.) Be^leijieren, be-. 
JJryken; enduire de poijc, bepekkenj, 
beteeren» 

EnduifTon, (f) Bepleijiering ^ bt- 
Jiryking. 

Enduit, te (adj.) BepleiJierd,over^ 
Jirecken. 

Enduit, (m) Pleijiering , pteijier'- 
kalk ( f). 

Endurant, ante (tdj.) Lydzaamt 
geduldig. 

Endurci, ie (adj.) Cœur endur^ 
ei , een verbard harte. 

Endurcir, (v. a.) Harden . bard 
maaken ; endurcir au travail , toi 
den arbeid gewennen ; s'endurcir » 
(v. r.) verJJokt worden , verbarden ^ 
zich ergens aan gewennen. 

Endurciffement, (m) f^erhatrdir.'g', 
verjlokking des harten {£). 

Endurer, (v. a.) f^erdraagen ^ /y- 
den , dulden. 

E'néide , {ï)Eneis of Mneai ^{eBn 
heldendichfvan Virgilius), 

E'nergie , ( f ) Kragt , nadruk j mot 
plein d'énergie , een woord vol tia^ 
druk. 

E'nergique, (adj.) Nadrukkelyk, 

E'nergiquemen£,(adv.}iïf(Pf kragç^ 
met nadruk. 

E'nergumene , (m. & f.) Een bf 
zétene. 

E'nervation , ( f ) Ontzêmtwing, 

E'nervé, ée {s^A}.) Ontzenuwd ifkj" 
Ie énervé , Jlegte ,of, zenuwlooze JïyL 

E'nerver , (v. a.) Ontzenuwen , ver' 
zwakken, krenken, kragteloos maaken^ 
, Enfaîteaù , ou faitie re , (m) l^orjl" 
pan (f). 

Enfaitément , ( f) Dekking dar 
vorfien. 

Enfaiter, (v,. a.) De nok of mrfi 
van een dak detktn. - 

Enfonce , (f j De kindsheid, kina» 
fche iaaren ; dès fon enfance , van zyn 
kindsheid af i enfance du mande, biS 
begin der waereld. 

Enfanfer^ (ib) ggn kind (n) j faire 
R t A '«sar 



2/^o ENk 

l*t Tant, zich knuteragiig aanfIcUen; 
enfant troué, een vomieltng; en- 
fa'it de chœur , een choor-zanger ; 
c'eft l'enfatit de fa mère , dat is 
moeders kinJ; êcrc en cravail d'en- 
fant, in dc'H arbeid zyn; enfant gâ- 
té, een bedorven kind; les er^fans 
perduü d'une armée , de verhoren 
hoop van een lé-jpr -^ une belle enfant, 
een mooi meisje; courage mes en- 
fans , fa ! wakker mannen ! t 

Fnfintement , (m) Kinder-baaring^ 
kaar ing (f). 

Enfanter, (v. a.) Kinder-baarm ^ 
in de krcum komen ; enfanter une 
bonne penfée , eene goede gedagte 
voortbrengen. 

E ifantiilage, (m) Kinder-klap (£) , 
kinier-Jireeken. 

EnTantin, ine fadj.) Kinder'dgtig; 
jeo enfantin, kinder-fpel. 

Enfantife, (f) Kinderagtigbeid , 
{oud w.' 

Enfariné, ée (adj.) Btmeeld. 
Enfariner, (v. a.) Met meel be- 
J}rooiien, bemcelen; bepoeijeren ; i! cft 
venu la gnenle enfarinée , by is 
vol hoop en verwagting gekomen. 

Enfer _, (m) De 'hel , helle (f); 
helfch levpn^ getier <n )•. 

Enfermer, C v. a ) I^i fluit en ^ op 
puiten; enfermer à la cîef, onder 't 
fl:)t 'hiiteK;ce discour? enferme-, J.V 
reden hehelfi ; s'e "fermer, fv. r.) zich 
op/luiten; enf rmer Ie l'oup da-^s la 
btrgerie , ^e kit in de kAder fluiten ; 
een won i van buitere heel n ( fpr. W-); 
cela ff.nt l'enfermé, dat ruikt muf.' 
Enferrer , (y. a.) DnorJJe'ken , do^r- 
ryçen -, s'enferrer , (v. r) zich zel- 
ven doorfîppken j tot zyn fchade iets 
zegi^en ofdoen. 

Enficeler, (v. a.) Met een koord 
binden. 

E-fi'ade, (f)_ i?y , réels-, longue 
enfila ie d'hifloires, lange reeks van 
grrc'<iedenifr>-n ; enfilade au jea.quaad 
fortutn m 't fpeelen. 

Enfiler, (v. a.) .^anrygen , door- 
fleeken , enz. ; enfiler des perles. 



paerlon fnoeren, rygen; enfiler une 
aigu il le , e^^npn naali vademen ; enfi 
1er un chemin , une r e, een wg , 
tene Jiraat infiacui , inho^en-^ enfiler 



ENF. 

un discours, eer.e reden beginnen , le 
cabeftan enfilt le cable en virant, 
in bet ivinden gaat d, kabel om de 
fpil; enfiler la venelle , '; bazenpad 
kiezen , wegloûpefui fpr. w.); enfiler 
la tranchée 4 de loopgraven regelregf 
hejchieten; -'enfiler , (v. r.) zich door^ 
fleeken ; item zicb in een zaak in^ 
laat en. 

Enfin, (adv.) Eindelyk , ten laat' 
ften-, met een woord, om kort te gaan. 
Enflammer, (v. a.) Aanfteeken^ 
ontjleeken ; ophitfen , toornig ' maaken ; 
s'enflammer , (v. r.) ontjieeken , toof 
nig worden enz. 

Enfléchure , (f. pi.) mvelingeny 
{fcheeps w.). 

Enfl-mént , Cm) Opzwelling ^ op^ 
blaazing ( f ). 

Enfler, (v. a. & n.) Opblaazen , 
doen zivellen ; hoogmoedig , flout maa- 
ken; enfler Ton iiyle ,zyn fchryftrayit, 
/iyl hoogdravend mnaken; enfler un 
compte , een' rekening opzw lien , 
gront.:^r maaken ; le vent enfle les 
voiles , de wind doed de zeilen zwel- 
len; !e fleuve enfle, de rtvier zuetd-, 
s'enfler, (v. r.) opzwellen, opkopen; 
uitzetten ; trots , hoogmoedig worden. 
E'tflure , ( f) O-^zwelling , zwelling^ 
hoogdravendheid. * 

Enf -nçage, (ra) Het toejlaan van 
•vaatwerk (n). 

Enfoncement (m) d'une vallée ^ 
de diepte, holte van een dal , vallei] e -^ 
enfoncement d'une porte, *^; op- 
loopen , openhonfen van een deur. 
, Enfohc=-r (v. a.' une porte, eene . 
deur mot geweld op den grond loopen^ 
enfoncer une barique, een oxhoofd 
den bodem injlaan ; enfoncer des pi- 
lotis, paaien in den grond hei jen; en- 
foncer l'épée jusqu'à la garde, den 
degen to* aan 't geveji injfooten; en- 
foncer le chapeau , den hoed neer- 
drukken, tn de oogen trekken; enfon- 
cer un bataillon, in een' 'krygsbende 
inbrpekcn; enfoncer un plat, eene 
fchotel bol maaken; enfoncer deff' 
tonneaux, den bodem in vaten zet- 
ten ; enfoncer une matière , een' 
'lak diep uithaalen , onderzoeken y en- 
foncer un vaifieau , een fcbip doe» 
Zinken^ in den grond boor en; en f on-- 

eer 3 



ENF. ENG, 

eer, (v. r.v iH'iti.y ft gronde gaan; 
s'' nfoncer , (v i.; Ziuktn^ ztco er- 
gens ver tn (ietktn , dit^ m b gee.en. 

Er>tbiiceur, (ra) Üjiuoter , open- 
bor.fc'r; Item een windmutker 

Enfonçure, ( t') dodim jlukkeman 
Vaaiiverki bolli^heid^ mzinking , in- 
zakking van iets; onderlaag? van een 
bed, enz. 

Enforcir, (v. a.& n.) Verjïerken y 
P erker wordt n, 

Enfoi mer , ;,v. a.) Op de vorm of 
leeji JJaan , doeu. 

Enfouir (v. a.) un tréfor, fes ta- 
lens , een' fchcit > .yne gaaven tn de 
aarde begraaven. 

E ifouilTeaie it , (m) Begraaving (f). 

Enfoareher , (v. a.) Óchryelings op 
iets zitten (als op een paerd). 

Enfourchure, (f; Gaffel vormige 
gediiante. 

Enfourner (v. a.) da pain, brood 
in den oven fcöieten; il n'y a qu'à 
bien enfourner d'abord, het voor- 
naam/Ie fs wel te beginnen {fpr- iv.}. 

Enfreindre, {V. à.J Breeken, quet- 
zen ; enfreindre les loix , de wetten 
overtreeden, 

'Enfroquer, (v. a.) Tot een Mon- 
nik maaken , het Monniks gewaad aan- 
doen. 

Enfuir , s'enfuir , (mt. n.) Weg~ 
vlieden^ wegjoopen; ils s'enfuirent, 
zy liepen weg; le poe s'enfuit, de 
^ot loopt over ; l'huile &c. s'enfuit 
du vaifleau, de olie enz. lekt.j ioopt 
uit 't vat. 

Enfumer , (v. a.) Berooken, met 
rook iveg jaagtn; enfumer une ter- 
re , een land bem ijlen. 

Eiifutailler , (v. a.) In vaatwerk 
doen. 

Engagé , (ra) E'en die zich verpand f 
%)erbonden ^eeft. 

Engagé, ée (adj.) Terpand , ver- 
bonden , enz. 

Engageant, ante (adj.) Aantrekke- 
lyk , tnneemend , bekoorend. 

Engageant, (m) Een firik , Unt op 
de borjl. 

Engageantes , (F, pi.) Mouwen , lub- 
ben der Juffers. 

Engagemc-nt, (m) l^er'patiding i, te 
pand zetting; v^rbindnis (f), con- 



ENG. 



26\ 



traft (n); dienji-neemtvig ^ verhuunng 
( f) ; engagement de aeux aircées, 
aafi een- taaking , Jlag , gevegt van ' 
twee h' ir légers. 

Engager, (v. a.) i^erpanden , ver^ 
zettin y Chz.; je fuis tngagé à cela, 
tk hen daar t^e lerbonden , genood'- 
zaait; je Ie tai >our vous enga- 
gera me rendre un lervice , ik doe 
bet om u verbindend ,verpligt te maa^ 
ken , my een dienjl te doen ; en gainer 
des Soldats, Soldaaten werven; en- 
gager la ckf flans un« ferrure, den 
peut el in een put i ajl maaken , ver^ 
Jraaijen; s'ei.^ager, (v. r.) zich ver- 
binden y zich borg pellen ; zicb ver- 
buuren , dienp neemen ; s'engager ea 
quelque chofe ^z:ch in iets inluaten % 
s'engager les ûoigts dans une fen- 
te, (/f vingers in eene j-pleet klemmen ^ 
s'engager er.tre les rochers , tus.- 
J'chn de rotzcn inloopen, verwarren. 

Engagifte, (m) Een pand bezitter. 

Engainer, (v^. a.) In de Jcbeed» 
pee ken. 

Engallage, (m) Verwing met gal- 

(f). 

Engaller, (v,a.) Gallen , met gal- 
appelen verwen. 

Engarder. (Zie Garder). 

Ei^gcance , ( f) Gebroed , gebroed- 
fel; engeance de vipères, adderen 
gehroedfel; engeance de tous maux j 
oirfprong van alle quaad. 

E.igfcigner on Enginer y (v. a.) 
{oud w.) Bi dr ie gen. 

Engclcr , s'Enaeler , (v. r.) {gem, 
w.) Bevriezen , winter-hielen krygen. 

E gelure , (f) Vintet-hiel^ kak-> 
hiel; de winter aan handen of voeten» 

Engendrer, (v, a.) Teehn, voort- 
brengen , baaren , verwekken , veroor- 
zaaken , ia familiarité engendre le 
mépris , {fpr. w.) al te croate ge- 
meenzaamheid baard veragtir.g; s'en- 
gendrer, (v. r.) geteeld worden ^^ 
voortbrengen. 

"Engei , (v. a.) {gem. w.) Be- 
zaaiden , tepooten ; met iets qt4aqds las- 
tig vallen i belemmeren ; mef ongedier- 
te bezetten. 

Engerber , (v. a.) In fchooven bir*.- 
den , oppapelen. 

Engin , (m) IVerktutg van allerlei 
R 5 * ^9*^- 



252 EN'G. 

foorf waar meede gnote iragt ian ge- 
daan worden , als : kraanen , domme- 
hragten , wind-aas van een mooie» enz. 
Englober, (v. a.J Mengen ^ onder 
ten mengen. 

■ Engloutir, (^.&.) Injïdkken, opjlok-' 
ken y inz-welgen , verbinden; (figuurl,) 
olies doorbrengen. 

Engluer, (v. a.) Belymen, meilym 
hejlryken. 

Engoncer, (v. a.) Cet habit vous 
engonce trop , dap kleed fchort te 
boog op. 

Ejjgorgement , (m) Verjïopping , 
verjhkkitig ( f ). 

Engorger (v. a.) un tuyau , eene 
pyp verjloppen-, s'engorger, (v, r.) 
verfîopt , bezet raaken. 
- Engouement, (m) Verkroppîng. 

Engouer, {v .z.jl^erkroppen; s'en- 
gouer , (v. r.) zich overzivelgen. 

J^ngouftrer , s'engouffre-r , (v. r. & 
r.) In eene diepte zinken , •vallen , of> 
gezwolgen worden. 

Engouler , (v. z.) (gem* w.) Op- 
Jlokken, verzwelgen. 

'Engourdi j ie (siï].)J^erjJ y fd ; mem- 
bres engonrdis f Jiramm e, Jïyve of 
Jlaapende ledemaat en. 

Engoardir i (v.z.) F'erjïyven, Vf r- 
Jlrammen , verdooven; Ie froid en- 
gourdit les mains, de koude verJlyjH 
de handen. 

EngourdiflVment, (m) l'^prjlyrftr.g , 
verjlramming , verdooving ; dofwording 
des verjîands ( f). 

Engrais , (m) Mejîing j vetweide 
(î , mejï Jîal (m) '^mettre, des bœufs, 
des oies à l'engrais, v^en , ganzen 
Hjet mejîen. 

ErgraifTeraent (us) des terres ,mis- 
ii-ng der akkers (£). 

Engraifler , (v. n. & a,) ^et maa- 
ien j vet weiden; engraifTer un co- 
chon, de la volaille , een varken, 
gevogelte vet mejlen ; engraifler Ia 
terre, het land bem-Jlen; engraiffer 
fes habit." . zyne khederen befm eren , 
vet maaken; eJiè eugraifle extrême- 
taent, zy word geweldig vet-, s'en- 
graifler , (v. r.) vet worden , zicb 
Jmerrig maaken ; zich verryken. 

Eng angtr fv. a.) Ie bied, bet 
graan :n et fihuurea doen. 



ENG. ENH. 

Engraver, (v.a.) In j op bet zand 
aan ne grond raaken ^ {zee w.] 

Engrelé, ée (a^j.) Uitgerond, met 
punten {in IVapenk.). 

Engrclure, (t; Ronde puntjes aan 
kanten. 

Engrener, (v.a.) Het kooren inden 
molen tremel , of, tregter doen ; engre- 
ner les chevaux , de paerden met ha- 
ver voeren; roue qui engrené bien, 
rad dat met zyn tanden wel invalt (by 
tturwerkm.); engrener la porape , d$ 
pomp lens pompen (zee w.;; engrener 
un procès «îkc. een procès, enz, be- 
ginnen; mal engrené , quaalyk aan- 
gevangen. 

Engroffëejfadj.) Femme engros- 
fée , eene bevrugte vrouw. 

Engrofler, (v. a.) Bezwangeren^ 
beflaapen <, bevrugten. 

EngrcKevir i {m) Vergrooter van iets, 

EngroŒr, (v. a. & n.) Fergroa- 
tcn , verdikken ; dik worden. 

s'Engrumeler , (v. r.) Klonteren; 
fing engrumelé, geronnen bloed. 

Engueniiler, (v. a.) Fient eren, tot 
vodden maaken. 

Enguiché, ée {z.à\.) Met een mond- 
fiuk (in fFapenk.). 

Enguichure , (f) Jagthoorn-riem 
Cm). 

Enhardir, (v. a.) (A^^. de h werd 

in dit en de volgende woorden uit^y- 

fpropken.) Stout^vrypojïig maaken; s't r- 

har dir , {v.T.) zicb verJJouten , vry- 

pcjïig worden. 

Enharnachement, (m) Toetuieing 
{f). V / , 5 s 

Énharnacher (v. a.) un cheval , 
een paerd tuigen; item kleeden , uit- 
rujïen, bptootjen. 

En haut, (adv.) ^öi'^;d'enhaut, 
van boven. 

Enhazé, ée (adj.) Door onnuttige 
bezigheden bezet = {gem^ w-). 

En huiler, (v. a.) Beoliën, oliën. 

Enjabler, (v. a. ) De bodems der 
vaten in gergels fluiten {by kuipers). 

EnjaJoufer; (v. a.) Jaloers maa- 
ken. 

Enjambée , (f) Eene fcbreede*, 
fchreê. 

Enjambement, {zoi) Overfpringi 
(i ) > {in Dichtk,), ' ^ 



ENJ. ENL, 

Enjamber, (v. n.) (jverfchryJen y 
cnjambtr par oeffus , overheen f^bry- 
den-f vers qui enjambe far le vers 
fuivanc, dubt uaar van de uitleg- 
ging in het volgende vers gevonJtrj 
ii>urJ ; er jamber, indringen {in iemavdi 
gebied). 

Enjaveler , (v. a.) Hit gemaaide 
koorn op hooj'jes brengen, opb^nden. 

Enjauler ou Enjaier (v. a.) une 
ancre, bft anker Jiotken (zee w.). 

Enjeu, (m) Inleg (m) > het geld dat 
men in een fpel inzet (n). 

E'nigraacique , (adj.) Verborgen^ 
dtiijieir , raajftidchttg. 

E nig'Tiaciquement, (adj.) Ver- 
horgentlyk. 

E'nigme, (f) Haadfel (njj duijie- 
re zaak. 

Enjoindre, (v. z.) Beveelen, he- 
tajiem je vous enjoins de faire ce- 
la , ik beveel u dat te dcen. 

Enjoint, ointe (adj.) Bevoolen, 
Enjolivement , (m) Opfcbikking 
( f) , tieraad {n). 

X Enjoliver , (v. a.) Opfchikken, op- 
iooijen , verderen. 

Enjoliveur, (m) Vertierder \ {knoop- 
maakers enz, worden ook aldus ge- 
naamd). 

Enjolivure, (f) Çieraad (n), 
epjmukking. 

EnjoUer, (v. a.) Met fthoone 
woorden bedriegen , misleiden, (gem.w). 
EnjoUeur, eufe (ra. & f.) Be- 
drieger , guigchelaar-j bedriegjier. 

Enjoué, ée (adj.) Levendig j geef- 
tig', efprit enjoué, vrolyks geefi; 
ftyle enjoué, luchtige Jiyl. 

Enjoutment , (m) Vrolykheid , 
geejiigheidy aardigheid ( f). 

Enjouer , (v. a.) Vervrolyken > 
htjlig maaken» 

Enivré, ée (adj.) Dronken; ver- 
blind, 

Enivrenaent, (m) Dronkenjcbap ; 
verblindheid (f). 

Enivrer, (v. a.) Dronken^ zat 
maaken -y s'enivrer, (v. r.) zig dron- 
ieti drinken, dronken worden; fa for- 
tune l'enivre , zyn geluk verblind hem. 
Enlacement , (ra) Verjirikking (f). 
Enlacer, (v. a.) Vangen, ver flrik- 
^e» ', verfcbalken ; a'eniaçer $ (,Y» f») 



ENL. ENN. 2(53 

Enlaçure , ( f) Vajinageling dtr 
balken (in bcuwk.) 

Enlaidi, ie (adj.) Verleelykt. 

.Enlaidir, (v. a. &n.) Leelyk maO' 
ken; leelyk tvorden. 

Enlaidiffement , (m) Verteelyking 

(O- 

Enlevé, ée (adj.) Opgenomen ^ 
enz; enlevé en lair, in dé lucht op- 
gevoerd. ' 

Enlèvement, (m) Roof {m); op^ 
ligting, tvegjihaaking {{). 

Enlever, (v. a.) Opheffen, opUg- 
ten , optillen ; met geweld weg - ruk- 
ken ; enlever une fille, een meisje 
weg-voeren , Schaaken ; enlever I4 
peau , de huid bezeeren , affcbaaven ; 
cela me fut enlevé, dat wierdmy 
ontnomen; enlever des marchandi- 
fes , goederen opkoopeu , om 'er de 
prys van te verhoogen; s'enlever 
(v. r.) opzwellen , oploop en. 

Eulevure , ( f ) Puif, ,peukel , hleini 
item verheven werk. 

Enlier, (v. a.) Sternen wel teza- 
men binden (by Met zei,). 

Enligner, (v. a.) Volgens de tyn 
metzelen. 

Enluminé, ée (adj.) Verlicht, af~ 
gezet; carte enluminée, eene afge- 
zette kaart ; nez enluminé, een 
paijîagtige neus. 

Enluminer, (v. a.) Mef cOuleu- 
ren afzetten, verlichten. 

Enlumineur , eufe (m. & f.) af- 
zetter , afzetfler van plaat en. 

Enluminure, (f) Het afzetten ^ 
het kkuren. 

Ennéadécatéride , {£) De tyd van 
negentien jaaren ; maan-cirkel. 

Ennemi , le (fubft m. & f. & adj.) 
Vyand; vyandinne; vyandelyk; enne- 
mi juré, een gezwooren vyand; je 
fuis ennemi du menfonge , ik ben 
een vyand van leugens; les troupes 
ennemies, de vyandelyke troepen. 

Ennoblir, (v. a.) Veredelen, {Zie 
ook Anoblir). 

Ennui, (m) Verdriet, ongenoegen 
(n). 

Ennuiter, (v. n.) {oud w,) {Zie 
Anoiter). 
Ennuyant, ant^ ifiàDVerveeUnd, 



2(54 ENN. ENO. ENQ. 

'tiinuyer, (v. a.) ^'^erveelen, quel- 
len , verdriet aandoen ; s'ennuyer 
(V. r.) je m'ennaye ici , bet verveelt 
my hier. r j - 

Ennüyeufement , (adv.) Verdne- 
filykf verdrietelyk. . 

Ennoyeux, eufe (adj.) f^erdne- 
iig y lajlig, verveelend. 
• Enoifeler, (v. a.) Een jonge valk 
ter iagt gewennen. 
Enombrer, (v. a.) Overfchadwwen. 
E'noncé, ée (adj. & labft.) Ver- 
klaard, uitgedrukt -y üitdrukkelyk arti- 
kel in een gefchrift ; un faux énoncé, 
eene valfche verklaarin^. 

E'noiicer , (v. 'a.; Uitfpreeken , 
uitdrukken, verklaaretj ; s'énoncer 
(V-. r.) il s'éhonce fort bien, hy 
drukt zich zehen zeer wel uit. 

E'nonciatif , ive (adj.) Uitdruk- 
kend , verklaarend. 

E'nonciar.ion, (f) Ui*drukksr.gj 
tijffpraak ; il a l'énonciafion heu 
reufe , by /preekt 'fraai , cierlyk. 

Enorgueillir , (v. a.) Hoovaard:g 
mdaken , ve'rhoovaardigen ; s'enor- 
gueillir (v. r.) ^''O^^» ^oot-aan/Zg worûf^-w. 
E'norme, (adj.) Onmaatig ; gru- 
ivelyk; une grandçîar énorme, eene 
buiten gemeene grootte; un crime 
énorme , eene gruwelyke , yjfelyke 
misdaad. 

E'norraément, (adv.) Onmaatig- 
iyk; fchrikkelyk , yjfelyk. 

E-nosmité , (f) Grwwelykheid , 
qfjTchouwplykbeid ; onmaatige grootte. 

EnoiTé s ée (adj.) Die een been in 
de 'keet gcf-tkt heeft. 

Enquéranc, ante (arlj.) Nieuws- 
gierig , navorfchend , vraagachtig. 

Enquérir , (v, n.) NavorfcbeiJ , 
onderzoeken ; s'enquerir diligem- 
menc , neerjiig na/peuren. 

Enqperre, (v. a.) {oud w. gebr. 
in wapptik.) Armes àenquerre ywa- 
pen-fchiîd^n die onderzoek onderwer- 
pen zyn. 

Enquête, (f) Navraagt navor- 
fr,hif!g\ fdire une enquéce , onder. 
ioek d^ea. 

Enquêter » s'Enquêter, {v. r.) 
(oud IV.) O'iJtrzoekeHy nâ-Dorfcben ; je 
iiip m 'en quête point de cela, ik te' 
>9mmerg wv dGir met over. • 



ENQ. ENR. 

Enquêteur , ( m; Aangejlelde wdeir- 
zoeker eener zaak. 

Enquinauder, (v. a.) yerUiden ^ 

bedriegen. 

Enquis, ife (adj.) O^derzogt. 

Enraciné, ée (adj.) Ingeworteld. 

Enraciner, s'Enraciner, (v. r,) 
Inwortelen^ wortel fchieten. 

Enragé, ée (adj.) Razend^ çiol; 
chien enragé , dollen hond', un en- 
ragé , een uitzinnige. 

Enrageant, ante tadj.) Dot-maa- 
kend. 

Enragérnent , (adv.) Uitzînmglyk, 

Enrager, (v. n.) Dol, raazend y 
uitzinnig , zeer toornig worden j faire 
enrager que.'cun , iemand doi-, toor- 
nig maaken; enrager de faim, ver- 
woeden honger hubbet ; mufique enra- 
gée, katten - gelol j r>aare muziek ^ 
travail enragé , werk om dol te wor- 
den; prendre patitn<.e en enra- 
geant, (fpr.) te^en davk geduld oef- 
fene'n. 

Enrayer , (v. a.) D'eerfle voor e 
ploegen; de fpylen , fpaóken in een 
wiel zetten , item een rytuig flremmen^ 
ophouden. 

Enfayoir, {m) Ketting y waardoor 
bet wiel geJJremd word ( f). 

Enrayure, (f) D'eerfle voore van 
een akker. - 

Enrégimenter, (v. al) Opregten 
tot een Regiment", jV^ot daar tn aan- 
neemen. 

Enregiflremenr , (on) Infchryving 
(f). 

Enregidrer, (v. a.) Infchryven , 
intekenen. 

EnrhHmé , ée (adj.) Verhoud. 

Enrhuroer , (v. a.) Ferioud maa- 
ken; s'enrhumer (v. r») verkoud wor- 
den , verbouwen. 

Enrhumure^ (f) Verkeuding. 

Enrichir (v. a.) qnelcan, iemand 
ryk maaken , verryken ; enrichir uri 
livre, een hoek vermeerderen y ver- 
deren ; enrichir un conte , by eene 
vertelling iets toevoegen. 

s'Enrichir, (v. r.)^ Ryk worden, 
verryk-^n ; enrichi , ie (adj.) ver.- 
rykt , ver Cl er d ; verbeterd. 

EnrichiOement, (m) Verryking; 
i*em opci?ri>ig , verbetering van iets ( f). 



ENR. EN S. 

Enrôlement, (m; Optekening^ in- 
fcbryvtng , werving ( f). 

Enrôler , (v. a.; Opfchryven , inte- 
kenen -y enrôler des foldata , folJaaten 
aanneemen. 

Enroué, ée (adj.) voix enrouée, 
Heefcbe Jiem. 

Enrouement, (m) Heefchbeid,fchor- 
beid ( f ). 

Enrouer, (r. a.) Heefch ■, fchor 
maaken-y s'enrouer (v. r.) heefcb 
worden . 

Enrouiiler, (v. r.) f^errocjlen, 
roeJJig maaken; l'efprit s'enrouille , 
bet verjlaud verre Jï , word lomp. 

Enroulçraenc, (m) Slekken-vornit- 
ge figuur op tum-bedden. 

Enrouler (v. a.) quelque chofe , 
iets inrollen, oprollen y te zamen roU 
Un. 

' Enrue , (f) Eene zeer breede ak- 
ker-voore. 

Enramer. 2^ie Enrhumer). 

Enfabler (v. a.) un vaifleau , Een 
fchip op 't zand jiuuren , in 't zand 
zetten. 

Enfacher, (v, a.) Zakken, inzak- 
hen doen. 

Enfafraner , (v. a.) Met fqffraan 
veriven. 

Enfaifinément, (m) In V bezit 
gelling; bezit neetning} {van een leen 
énz.) i f). 

Enfaifiner (v. a.) quelcun d'une 
terre , iemand in 't bezit van een 
landgoed jii'tlen. 

Enlang:anter > (v. a-..) Bebloeden , 
bebloed maaken > enfanglanté , ée 
(adj.) met bloed bejprengt. 

Enfeigne, (m; Eeti vendrig , vaan- 
draag er. 

Enfeigne , ( f) Een teken-, uithang- 
bord y vendel , vaandel ; fcheeps-vlag , 
Prinfi'-vlagy être logé à l'enfeigne 
de ia lune, onder den btooten bemel 
jlaapen{fpr. u'. ) j enfeigne de vin, 
wynkrans; bord daar opfiaat, wyn 
f e koop 'y vous me connoitrez à ces 
enfeignes, gy zult my aan die tekens 
kennen -y il ne croit rien qu'à bon- 
nes en (Vignes , by gelooft niets als met 
goed bçwys. 

Enfeignement , (ro) Qnderwyzing 
(f) î onderu'fs (a). ^ 



ENS, ^6% 

Enfeigner, (v, a.) Onderwyzen], 
leertn , Leeraeren j onder rigt en. 

Enfel , (m) Fontenel yzer {hf 
Heelm.). 

Enfellé, ée (adj.) cheval enfel- 
lé, Paerd met een ingebogen rug. 

Enfemble , (adv.) t'zamen , geza- 
mentlyk , teffens , te gader , l'enfem- 
ble (m) d'un bâtiment , bet geheele 
van een gebouw. 

Enfemencement 5 (m) Bezaaijing 

Enferaencer, (v. a.) Bezaaijen. 

Enfépulturé , (adj.) Begraaven. 

Enferrer, (v. a".) In tuin-kajfen 
zetten. 

Enferrer , (v. a.) {oud w.) Lfim- 
ten y inhouden.' 

Enfevelir (v. a.) un mort, Eeneè 
dooden begraaven; s'énfevelir (v. r.) 
dans la foiitude,z/r/j in d'eenzaam- 
heid begraaven y opjluiten -y s'enfeve- 
lir dans la débauche , zich aan den 
overdaad verJlingererT-y enfeveli dans 
la mélancolie, inde aroefgeejïigheid 
gedompeld. 

Enfevelifleraênt, (m) Begraavine 

(f)- 

EnfeuJilement, (m) Hoogte der 

borjiweering onder een veng/ïer. 

Enfimer (v. a.) un driap , Een la- 
ken dat men fcheeren wil met vet 
befmeeren. 

Enforceler , (v. a.) Betoveren. 

Enfor^eleur , (m) Betoveraar. 

E nfo réellement , (m) Beb£xing 

( f). 

EnfouFrer, ( v. a. ) Zivavelen ^ 
bezwaveien. 

Enfouple ou ënfuble , (f) Een 
wfvers boom (ra). 

Enfoyer, (v. ?i.) Den pek. draad 
borjielen. 

Eniuble. {Zie Enfouple). 
, Enfuite (prep.) enfuïte d'e cela , 
daar na; enfuite de quoi, waar 
na; enfuite (adv.), daar na; ver- 
volgens. 

Ènfuivant , (adj.) Le jour enfui- 
vaht ; de velgende dag (in Rechten). 

s'Enfuivre , (v. r.) {word alleen 

geb. in de ^de perfoon) il s'enfuit 

donc de là néceffairement, queA^c» 

daar volgt dan neodzaakelyk utt, 

R 5 dat 



25^ 



ENT. 



dat enz; comme s'c-nfiiit, als voJgt; 
^ui s'enfuiveiïc , die hierna volgen. 
Eoubkmenc, (ra Het bovenjievan 
een muur y . waarop de daifparren 
ruften. 

Entaher, (v. a.) Bezoedelm-, en- 
taché de vice ? met ondeugd befmet. 
Entaille, (f) Een kerj\ keep (m). 
Entailler, (v. a.) Inketpen, in- 
ierven. 

Entaillure. {Zie Entaille). 
Entame. {Zie Entamure). 
Entamer, (v. a.) Ontginnen ^ op- 
Jnyden; entamer un melon, un 
paia,>iP» me toen , een brood ont- 
ginnen, openfaydeu'y entamer un dis- 
cours , eene reden aanvangen', enta- 
mer an corps de troupes, onder 
een boop krygslieden een gat maaken j 
entamer la réputation de quelcun, 
iemand in zyne eer e aantajlen; fe 
laifler entamer, zich van zyn' ver- 
binxinisofbejluit laat en aftrekken, item 
zyn recht laat en krenken. 

Entamure , ( f) De ontginning van 
iets; d'eerjie fnee van brood enz; de 
liant van 't brotd. 

En tant que, (conj.) In zooverre; 
Ie Roi en tant que Roi, de Koning 
moor zoo verre hy Koning is y of y de 
Koning als Koning. 

Entaffé, ée (adj.) Opgehoopt, op' 
gejiapeld. 

Entaff^ment, (m) Ophooping, op- 
fiapeling (f); entaflTement d'affai- 
res, op eenjïapeling van zaaken. 

EntafTer , (v. a.) Ophoopen , opfia- 
pelen , op malkander leggen , Jïapelen j 
en ta (Ter Ie bied , het koorn op hoopen 
leggen-, entafr<?ï- des tréfors , fcbatten 
vergaaren ; entafler argument fur 
argument , het eene hevoysjluk op het 
andere ftapelen , by brengen; entafler 
crime fur crime, misdaad op mis- 
daad begaan. 

Ente , ( f) Ent , gif el', las aan een 
tholen-roede. 

Entement, (m) Enting (f). 
Entenal, (m) iVyngaard loot y om 
t^ vcrpooten. 

Entendement, (m) Het verjiandy 
oordeel (n). 

Entendeur , (m) Een die ver/iaat-, 
à bçu entendeur peu de paroles, 



ENT. 

een half woord is genoeg voor den wy- 
zen^ 

Entendre , (v. a.) Verjiaan , hoo. 
ren, enz.; il ne faut pas condamner 
avant que d'entendre , men moet 
eerfi booren , alvorens men vonntsd; 
j'entends qu'on m'obéiffe , ik wil 
dat men my gehoorzaame; je ne fan- 
rois entendre à deux chofes à la 
fois y ik kan geen twee dingen gelyk 
doen; entendre la chofe, eene "zaak 
verjiaan , kundig Zyn; il n'y veut pas 
entendre , by wd 'er niet na lujjîe- 
ren; donner à entendre , te kennen 
geeven; vous n'y entendez rien, f y 
begrypt 'er ni et s van ; ^' qui. enàrQ en, 
ou, à quelquechnfe, zich ergens op 
verjiaan ; cela s'entend , dat ver-- 
fiaat zich. 

Entendu , ne (adj.) Verjiaan , ge- 
boord; verjiandig , ervaren , wel inge- 
rigt; il eft fprt entendu dans les 
mathématiques, hy is zeer ervaren 
in de wiskonjî; maifon bien enten- 
due , een wel ingerigt , wel gebouwd 
huis; habit bien entendu^, een wel 
gemaakt kleed; aflfaire bien ou mal 
entendue, eenwel of quaalyk aange^ 
legde zaak ; faire 1'entendu , zich 
neuswys , vsrwaaad aanjiellen, 

MaJ-Entendu, (m) C'eft un mal- 
entendu, bet is een misbegrtp (n/a 
misvatting (f). 

Entente , (f) Meening, zin van 
iets; un mot à double entente, ^f» 
woord dat tweezins verjiaan kan wer- 
den; l'entente de ce tableau eft ad- 
mirable, de fchikking , ordonnantie 
van die fcbildery is zeer f raat. 

Enter , (v. a.) Enten , inenten y 
griffelen; enter en fente, en cou- 
ronne , in een kloove, in den bojl en- 
fen; enter en écuffbn , œillet oa 
bouton , eculeeren ; enter deux 
pièces de bois, twee bouten in mal- 
kander voeden, 

Entérinement, (m) Bekragtiging y 
volding! Kg e en er zaak {in Rechten), 

Entériner, (v, a.) Iets gerecbtelyk 
bevejligen, zyn volkomenheid, zyn be- 
Jlag greven, 

Enterocele , ( f) Een darm breuk. 
Enterrement ,(m) Begraaffenis( f). 
Enterrer , (y, g.) Begraaven y ter 
aarde 



ENT. ' 

aarde bejtellen ivnu^rrer fon fecret , 
zyn geheim bewaarend enterrer les 
fuiaiiles, het vaat-werk in den hal- 
lajl ingraaven {zee ir.) ; être enterré 
tout vif, nxet niemand verkeiren; 
enterrer des herbes , groente in 
d'aarde leggen (by Tuinl.) 

r.ntêté, êe(adj.( Eigezinnig ^ Jiyf- 
boofdig j vooringenomen , verzot op 
iets. 

Entêtement , (m) S ty f hoofdigheid , 
koppigheid, eigcnzitmighetd , inbeel- 
ding i 'vcor ingenomenheid rjan iets; 
revenir de fes entêcetnencs > tot 
zich ze/ven komen ^zyne eigenzinnigheid 
laat en vaaren. 

Entêter, (v. a.) In 't hoofd Jïygen; 
Ie vin entête , de wyn vliegt in 't 
hoofd; les louanges entêtent, de 
loftuitingen niaaken opgeblaazenbeid; 
5'entêter (v. r.) de quelque chofe, 
vat: iets ingenomen 'worden; s'entêter 
de fon favoir, over zyne geleerdheid 
verwaand zyn. < 

Efithoufiafrue , (m) Geejldryvery; 
drift, vervoering van zinnen (f). 

Enthoufiafmer, (v. a..) Sterke drift 
mroorzaaken , vervoeren van zinnen. 

Enthoufiafte , (m) Een geejïdry- 
luer , een die vervoerd "jvord van zin- 
nen. 

Enthymênje, (m) Een b'ewys van 
twee fï e Hingen {in bedenk.). 

Entiché, ée (adj.)fiuits entichés, 
aangejlokene vrugten; entiché d'hé- 
réfie , met ketter y bef met. 

Enticher, (v. a.) {voeïrAg geb.) 
Aanjïeeken f beginnen te verrotten. 

Entier, ier« (adj.) Geheel, Vol'- 
komen , gantfch ; cheval entier , een 
hengfi; une entière félicité, eene 
volkemene gelukzaligheid-, un homme 
entier, une femme entière, een 
eigenzinnig man , eigenzinnige vrouw. 

Entier (m) ou nombre entier, 
een heel of ongebroken getal ; Ia chofe 
eft encore en fon entier , de zaak 
is noch in zyn geheel. 

Entièrement, (m) Geheellyk , 
gantfchelyk , volkomentlyk . 

Entité , (f) Het zyn , of aanw- 
zen van iets (n) j {in Boven-natuurk.). 

Entoiler, Iv. v.) Igts op linnen 
üoaij^n , vafi heckten. 



ENT. 2()2 

Entoir ^ (m) hen ent-mes (n). 
Entoifer , (v. a.) Iets by de roê 
opt eekenen. 

Entonnement,(m) Het vaatenvan 
eenig vocht. 

Entonnement , (m) Hot opheffbn'i 
inzetten van een zang {ï\). 

Entonner, (v. a.) t^aaten, in va- 
ten gieten , doen. 

Entonner, (v. a.) Opheffen y in- 
, zetten , op zingen. 

Entonnoir, (m) Een tregter. 

Entorfe , (f) y'erwrikking , ver- 
draaijin^ der Ledemaat en , en^. , 

Entortillement , (m) Omwinding , 
cmJJingering { f). 

E'^'ortiller, (v. a.) Omwinden 
enz. Le lierre entortille les ar- 
bres , de klimop , of, klim omjlingerd de 
hoornen; ûyle entortillé , verwarde 
fchryftrant ; cheveux entortillés, 
hair dat in lokken gemaakt is. 

Entour, (m) Omvang, omtrek. 

Entourer, (v. a.) Omvangen , om- 
ringen, bezetten. 

Entourner (v. a.) un cable , eeu 
kabel opfcheeren ; iets rond leggen ; iets 
rond uitfnyden^ 

Entournure, (f) Ronding der 
k leederen. 

s'Entr'accoUer, (v. r.) Malkatt" 
der omhelzen. 

s'Entr'accufer , (v. r.) Malkende- 
ren bifchuldigen. 

Entr'ade, (m) Een tuJTchen-fpet 
(n). 

Entrage , (m) Handgeld (n) ; gofis- 
penning (m) wegens eenig g^ed of 
verpagting j item het aanvaarden der 
pagt. 

s'Entr'aider, (v. r.) Malkander 
helpen , byflaan» i 

Entrailles, (f, plur, ) d'Ingcwan» 
den; vuider les entrailles, d'inge^ 
wanden nitbaalen j les entrailles 
paternelles, het vaderlyk medechO" 
gen. 

s'Entr'aimer, (v. a.) Malkander 
beminnen , liefhebben. 

Entraîner , (v. a.) TVegfleepefif 
wegvoeren ;^ il ra'entrain de fon cô- 
té , ^y haalde my ovpt' aan zynezyde% 
être entraîné par fes pafllons , doot 
zyns drift go weggevoerd worden ; on 

Ten- 



i2<58 



ENl". 



l'eiitraina au lupolice, mi» Jïeeptc 
bem naar dt gerichts-plaats. 

Entrait , (rn) Bind-balk , hoofJ- 
halk {in Bouwk.). 

Entrant, ^nte {&à].) Intreedende; 
un homaie entrant, een vrypo/lig 
man , die zich gezellig , gemeenzaam 
weet te maaken. 

s'Entr'appeller, (v. r.) Malkau- 
der roepen. 

s'Entr'approcher, (v.r.) Malkan- 
der naderen- 

Entraver (v. a.) un cheval, Ee» 
paerd kluift eren 

s'Entr'avercir , (v. r.) Malkander 
waarfchuuiven. 

Entraves, (pi.) KluiJJers, voet- 
hlokken der poerden ; item alle foort 
van bcletzeïen , kluijieringen. 

Entravon, (m) Leêre riem aan 
de kluifiers. ' 

Entre, (prep.) Tujfchen^, onder-, 
entre vous &; moi , tujfchen u en 
fny; entre mes livres, onder myne 
hoeken; cela ell entre les mains de, 
&c»dat is in de handen van enz.; il eft Ie 
plas favant d'entre les Profeflears, 
ky is de geleerdjie onder de Profeffo- 
:ren ; il ne l'aura jamais d'entre 
mes mains , by zal het nooit uit my- 
ne banden hebben ; entre deux > tuf- 
fcben beiden , tamelyk. 

Entre-bâiller , (r, a.) (alleen dus 
gebr.) Laifler la porte, la fenêtre 
entrebâillée, de deur , het vengjler 
Jbalf open laaten. 

s'Eotre-baifer , (v. r.) Malkander 
iujfen. 

s'Entre- battre, (v. r.) Malkander 
flaan. 

s'Entre-blefîer, (v. r.) Malkander 
t^uetzen, 

s' Entre- brouiller, (v. r.) Met 
malkander onëenis^ worden. 

s'Envre-careffer , (y. r.). Malkan- 
der liejkoozen. 

s'Entre-chamailler, (v. r.) Met 
fTialkander vegten. 

Entrechat , (m) Een kruis-Jprong 
(in 't danfen). 

» Entre-choquer , s'entre « cho- 
quer, (v. r.) Tégen elkander Jî^oten ^ 
potzen. 

Xntre-c©Ionne ? (f) o a entre co- 



! ENT. 

lonnement, {mj Ruimte tujfcbentwn 
Pylae» en. 

sEi.tre-combattre, (v. r.) t'^a- 
men Jlryden. 

s'Entre-communiquer , (v. r.) 
Malkanderen mededelen y berigten. 

s'Entre-connoître, (v. r.) Mal-. 
kander kmnen. 

Entrecoupe, (f) Tujfchen fneed^, 
opening, 

Entre-couper, (v. a.) Afhreekeny 
hinderen -y verdeeten y affnyden; païs 
entre- roupé de montagrits, een 
land doorfneeden^ verdeeld met ber- 
gen; les foupirs entre-couvent la 
voix , de zugten breeken de fiem, 
s'entre-conper, (v. r.) doorfnyden ; 
malbander fny den. 

s'Entr'écrire , (v. r ) Malkander 
fchryven , brief-wijfeling houden. 

s'Entre-rroifer , (v. r.) Kruis- 
tvyze door malkander loopen. 

s'Entre-déchaufler , (v. r.) Mal- 
kander ontfchoeijen ; fchoenen en koujfen 
uittrekken. 

s'Entre-déchirer , (v. r.) Malkan- 
der' verfcheuren ; lajieren, 

s'Etitredéfaire , (v. t.) Malkan- 
der verdoen, ruineeren j om haïs 
brengen. 

s'Ëntre-demander, (v. r.) Mal- 
kander vraagen. 

s'Entre-dépécher , (v. r.) Tcf 
malkander zenden , afveerdigen. 

s'Entre-détruire , (v. r.) Mal- 
kander vernielen', verwoejlen. 

Encre-deux, (adv.) tujfcheti bei- 
den , tujfchen in ', tamelyk. 

Entre-deux, (m) Tujfchen-ruimte^ 
bet middeijle; de middilweg, 

s'Entre-diiFamer, (v. r.) Malkan- 
der fcben den ■, eer rooven. 

s'E tre-dire , (v. r.) Malkanderen 
zeggen. 

s'Entre-donnerj (y. x.) Malkan- 
deren geevfn. 

Entrée, {t) Ingang y intréd , in- 
tree; opening enz ^ laifTer l'entrée 
libre d'une ville , den ingang eener 
Had vry laaten; l'entrée d'une mai- 
fin, d'ingang van een httisi l'entrée 
du port, bet inkomen; de mond van 
een zee-haven; faire fon entrée, 
zyne intree doen ; l'entrée d'une 

bou" 



ENT. 

iboateîlle, &c. d'openinç^ van e^n 
vles\ enz. il a entree an confeil, 
hy ma^ in Jpn Raad verfcbyn&ti ; à 
fon entrée dans ie morde , by zyn 
komji onJcr 't menfchJom -, à i'encr«ie 
du jeu» in 't begin van 't fpel; en- 
trée de table , bet eer/ie gercgt; 
entrée de rivÏere, de mond vaneen 
rivier-^ entrée de ferrure, Jl utel- 
^at j droits d'entrée > inkomende 
regten; encrée, overdraging der pof- 
ten uit hi't oude in hit nieuwe bock. 

s'Entre-fa-her, (v. r.) Malkander 
quaad maaken , vergrammen. 

Entrefaites, (f. plur.) (word 
nooit alleen gebruikt)-, fur ces entre- 
faites, terwyl dat gebeurde; il ar- 
riva fur ces entrefaites j by kwam 
middelerwyl aan. 

s'Encreflatter, (v.r.) Malkander 
vlyen. 

s'Entre-fouetter, (v. r.) Malkan- 
de*'en geejfelen. 

s'Ènt' e frapper, (v. r.) Malkan- 
der en Jl aan , kloppen. 

s'E itre-froifler, (v. r,) Malkan- 
deren kneuZ n , bhitzen. 

Entregent , (m) {gem. w.) Gema- 
hierdhetd y àartigheid in den omgang. 

s'Entr'égorger, (v, r.) Malkan- 
der den bals affnyden , vermoorden. 

s'Entre-gronder » (7. r.) Malkan- 
der bekyven. 

s'Entre-haïr , (v. r.) Malkander 
baaten. 

s'Entre hanter , (v. r.) Met mal- 
kander omgaan., verkeeren. 

s'Entre heurter , (v. a.) Malkan- 
der Jiqotsn. 

JlntrelaLcementi(w)DoorvUgti»g(f). 

Entrelacer, (v. t.) Doorvlegten ^ 
t'zamenvlegten-y un discours entre- 
lacé devers, eene redenvoering jtj et 
verfen doormengt. 

Entrelacs , (m) Iets dat door een- 
gevlogten of gedraaid is ^ als een knoop, 
óf de Jlrik'letter van een llgneC; door 
eengevlogten loof» werk. 

Entrelarder, (v. a.) Doorfpekken -, 
doormengen^ aU zoete-koek met fnip- 
pers i un discours entrelardé de 
&c ) eene redenvoering doormengt 
fnèt enz. 

Entre-ligne, (f) Én fujfcbefy 



ENT. 



nóg 



9'Entre-Ioucr, (v. r.) Malkander 
pryzen. 

Entre-Iuire , (v. n.) Even door- 
fchynen , fchêmeren. 

s'Entre-mander , (v. r.) Malkan- 
der berigten. 

s'Entre-raanger, (v. r.) Malian- 
der opècten-, elkaar ge duur i g in'$ bair 
zitten. 

s'^Entr'embarrafler , (v.r.) Malkan- 
der belemmeren. 

s'Entrembrafler , (v. r.) Malkan- 
der omhelzen. 

Entre-mêler > (v. a.) Vermengen^ 
onder een mengen; s'entre-mêler , 
(v.r.) zich tr^ens inmengen. 

Entre-mets, (ra) De ttijfchen ge- 
'rechten cp ecne maaltyd. 

Entremetteur, eufe (m. & f.) 
Middelaar , tujfchenfpraak ; koppelaar-^ 
middelaarjier; koppelaar/Ier. 

s'Entre-mettre, (v. r.) 2^fcb tr^ 
gens injleeken, mede hemoeijen. 

Entre-mife , (f) Bemiddeling y 
tujfcben-komj} , tujfvhenfpraak ; c'eft 
par i'entremife d un tel , que , hgt 
is door de tujfchen-komji , hulp ^ van 
zoo een, dat enz. 

Entre-modiilon , (m), Ruimte 
tujfchen twee krollen , kraagen ( m 
Bouwk.). 

s'Éntre-moquer, (v. r.) Malkan^ 
der befpotten , begekken^ 

s'Entre-mordre , (v. t.) Malkan " 
der byten. 

Êntre-nager, (v. r.) Tujfchen wind 
en water zwemmen , dryven. 

s'Entre-nuire, (v. r.) Elkander 
benaieelen. 

s'Èntr'envoyer,(v. r.) Aan mal- 
kander zenden. 

Entre-ouir (v. a.) quelque cho- 
fe,^ iets half booren, 

Entre-ouvrir, (v, a.) Halfopen 
doen. 

s'Entre- parier, (v. r.) Malkander 
fpreeken. 

Éntre-parleur, ffn) Een die op 
een fcbouwplaats fpree kende word in- 
gevoerd i een tujfchen fpreeker, 

Entre-pas, (m) Èen halve of ge- 
broken pasgang {in de Ëyfch.). 

Entre-paiïer, (v. a.) Tujchen 
doorgaan j doorjlaan, 

sT.n^. 



J270 ENT. 

s Entre-percer, 'v. r.) Malkan- 
deren doorjleeken ; door tnalkmider 
dringen. 

s'Entre.piller, (v. r.) Malkander 
pïUKderftj, beroo-jcn. 

s'Entre-piquer, (v. r.) Maïhan- 
der fteeken ; malkander Jleekcn onder 
ivatcr gceveti. _ 

s-Encre-plaider, (v- r.; MetmaÏ- 
handt ren pleiter. ^ ^ 

Entrepos. {Zie Entrepot). 

Entrepos . (m) Tuffchenpqozmg ^ 
rujl ( f ) , rjicr-avond (m» ; écrire par 
entrepos , by tujchenpoozing fcl?ry- 

ven. 

Entrepofer , (v. a.) TTaaren op 
een Jlapel'pfaats neerleggen. 

Entreporoor,fra) Iemand die^ of een 
Schip dat aldaar loft. 

Entrepôt , (mi Haven of plaats 
daâr de Koopmans goederen opgelojï', 
opgpjlage» of verladen worden; ville 
d'entrepôt , JJapel plaats, daar de 
goederen verjlapeid ivorden. 

s'Entre-pouffer, {v. r.) Malkander 
Jiooten. 

Entreprenant, ante (aJj.) Stout , 
iloekmoéaig ^ onvertraagd; c'eft un 
homme fort entreprenant , by is 
ten zeerjîcut , gerefolveerd man. 

Entreprendre ('v.a.)quelque cho- 
fe , tets ondemeemen , onderwinden , be- 
Jiaan ; entreprendre quelcun , ie- 
mand aantajlen , onder handen neemen , 
tot reden zoeken te brengen ; entre- 
prendre furies droits, fur la char- 
ge ,furl'autorité, fur la vie de quel- 
cun , in iemands recht, bediening , ge- 
zag vallen , naar iemands leven Jïaan. 

Entrepreneur, eufe (m, & f.) On- 
derneemer , aann^emer ; aanneemjier , 
een die iefs wigtigs durft ondernee- 
men. 

s'Entre-prefler, (v. r.) Malkander 
dringen. 

s'Entreprêter ? (v. r.) ^an mal- 
kanderen leenen. 

Entrepris, ife (adj.) Ondernomen y 
aangevangen , begonnen ; aangegre- 
pen ; entrepris Cperçlus) tam. 

Entreparife , ( f) Onderneeming (ï)^ 
voornemen (n) , aanjïag op iemanS 
leven, inval in iemands recht (ra); 
ane entreprife hardie, eenfioutbe- 



ENT. 

flaan; venira bout de fon entre- 

prife , zyn aanjlag uitvoeren. 

s'Entre-quereller , (v. r.) Mee 
malkanderen tivijîen, krakkeel hebhen. 
Entrer, (v. n.) Ingaan, inkomen ■; 
imreeden; entrer à table, aan tafel 
gaan; entrer danslamaif n, in het 
buis treeden; entrer dans Ie port, 
in de Haven loopen; entrer en pos- 
feflion de quelque chofe , in 't bû" 
zit van ieis treeden; entrer dans les 
interets de quelcun , m de belangens 
va*i ier/tand treeden ; entrer dans Ie 
fens de quelcun, iemands meening, 
gevoelen vatten , goedkeuren ; entrer 
dans fa 2cme année, in zyn lojle 
jaar gaan of treeden; entrer dans Ie 
détail des chofes, tot de byzonder- 
heden der zaaken komen ; entrer en 
difcours 9 eene reden aanvangen ; en- 
trer en roatiero-, tot de zaak komen; 
entrer en proces , een geding , pro- 
ces aanvangen; entrer dans Ie mon- 
de, in gezèlfchap , onder Menfchen ko- 
men ; entrer en colère, haaftig , 
gramJÏQorig worden ; entrer dans 1 'es- 
prit, in den zin komen; entrer dans 
une affaire , zich in eene zaak men-. 

\ gen; entrer en condition , in een. 

\ dienjl, of, kuur treeden ; entrer dans Ie 

j fer vice , zich in den dienjl be ge even ; 

j entrer en religion , en charge , hes 
Kiooffer leven ; een ampt aanvaerden ; 
entrer en paralelle avec quelcun, 
iemands gelyk worden ; entrer en rut, 
loopfch , ritjlg worden ; il entre 
quatre aunes dans cet habit >, trois 
pintes dans ce pot , daar gaan vier 
ellen m dat kleed , drie pinten in die 
kan; que vous entrez mal dans ma 
penfée ! 'wat vat gy myne meening 
kwalykl des médicaments où il en- 
tre &c. geneesmiddelen daar inko- 
men enz. 

Entrer (v. a.) un vaifTeau , een 
Schip inbrengen. 

s'Enti e-regarder , (v. r.) Malkan- 
der bezien , aankyken, 

Entre-regne , (m) Tuffcben regee- 
ring (f), een interregnum. 

} s'Entre-rencontrsr , (v. r.) Mal- 
kander ontmoeten, 

■ s'Entre-repondre , (v« r») ^^'' 

1 kander antwoordtat ^ 

rEvr 



ENT. 

■ »»EfitrC-reflembler, (T. r.) Mat^ 
tonder getyken, 

sEntrefalaer , (v. r.) Malkander 
groeten. 

8'Entre-fecourir , (v r.) Malkan- 
der hi'lpeny hyftaàn. 

ETnCre-fol , (m) Een bangAamer 

s'Entre-foufFrir , (v. r.) Malkander 
Verdraagen, dulden, 

Entre-foarcil, (m) fTydte tujfcben 
de twee ivet:kbraattwen. 

Entre-fuite, (f) f^ervolg ^ t* za- 
nenbang (dit woord verouderd). 

s'Entre- fuivre , (v. r.) Op mal- 
kander volgen, 

s'Entretailler, (v.^r.) Cheval qui 
s 'ent retaille , Paerd dat in 't gaan 
de voeten tegen malkander Jioof of 
Jlaat. 

Entretaillure , (f) Sebaaving of 
quctfuur daar van» 

Entretemps, (m) Een tujfcben-tyd 
(f); un heureux entretems , eene 
gunjiige geïegenbetd ^ ofjlonde, 

Entreténement (m) des foldats, 
het onderhoud der Soldaaten, 

Entretenir, (v. a.)- Onderbonden -, 
entretenir une familie > een buisge- 
zin levensmiddelen verfchaffen , ónder- 
houden ; entretenir une armée , een 
léger onderhouden j entretenir une 
maifon, een huis onderhouden, in goe- 
den Jlaat houden -^ entretenir la paix, 
de vrede ^ onderhouden 9 bewaar en -y 
entretenir l'amitié , de vriendfchap 
onderhouden; entretenir les défian- 
ces, bet misvertrouwen aan^eeken; 
entretenir quelcun , met iemand 
fpreeken ; entretenir queicun de bel- 
les promefTes , iemand met fchoone 
behften slaande houden ; s'entretenir, 
(v. r.) il ne gagne pas de quoi s'en- 
tretenir , hy wint zoo veel niet dat 
by zi^ kan onderhouiien ; s 'entretenir 
avec quelcun de quelnue chofe , 
met iemand over eene zaak redenkave- 
ten. 

Entretenu , ue {zà].)Ouderhouden ," 
§nz. 

Entretien , f m) Onderhoud(n) leef > 
fagt ; t' znmenfpraak , rédeniviJÏeling 
( f) ; gezelfcbap (n) ; l'entretien coû- 
te tanc ,1 de» êndfrbauj koji zoo veel 1 



ENT. ENV. 27 Î 

les mauvais entretiens gâtent le» 
bonnes mœurs, kivaade zamenfpree'- 
kingen bederven goede zeden. 

EntretitTu , uë (adj.) Doorwee^ 
ven , doorvlogten , doormengd, 

Entretoile , ( f ) Binnenwerk va» 
kant , tt{Jchen twee Jlukken Lynwaafi 
(n). 

Entretoife , (f) Bind-hout {in 
Bouwk.) 

s' Entre-toucher, (v. r.) Malkan-^ 
der raakeny aattpaalen. 

s'Entre-traiter, (v. r.) Malkaw. 
der onthaalen, 

s'Entretuer, (v. r.) Malkander 
dooden, ombrengen» 

s'Entrevêcher, (v, r.) 2^ig ergens 
inwikkelen , toeftommelen , dat men 
zig niet roeren kan. 

Entrevoir , (v. a.) Een weinig 
zien , ten balven zien j entrevoir l'in- 
tention de quelcun , iemands oog- 
merk ten balven bemerken j s'entre- 
voir, (v. r.) malkander bezoeken. 

Entrevoux , (m) Ruimte tujjcben 
twee dwars-halken {in Botiwk.) 

Entrevue , ( f ) t' ZamenJiomfii 
convenir d'une entrevue , eene 
byeenkomfi beraamen. 

Entr'ouvert , erte (adj.) Half 
open, 

Entr*ouvrir, (v. a.) Ten halven 
open doen ; s'entr'ouvrir , (v. r.) 
half open gaan ; gaapen, 

Enture , ( f) Enting , inenting {Ho' 
vent Ti;.) 

Envahi , ie (adj.) Verooverdy 
enz. 

Envahir (v. a.) un Royaume, 
een Koningryk , aanvallen , bemachti- 
gen. 

Envelioter, (v. a.) Op kleine hoo- 
pen leggen {in den Landb.) 

Enveloppe, {?) Omjlag (m), be^ 
kleedzel (n) ; 'borjl-weering {in Ves*. 
tingb.) ; enveloppe d'une lettre, 
d'un paquet , omjlag , oouvert van 
een Brief; omjlag van een pak; dire 
quelque chofe fous de belles enve- 
loppes, iets onder fraai îe verbloemde 
woorden zeggen. 

Enveloppement , (m) Omwindféi 
(n) , inwikkefing ( £). . 

Enveloppé ée (adj.) dans de 



%^^ ENV. 

laaavaifes affaires, in kwaade zaa- 
ken ingewikké'lci ; difcours envelop- 
pé , bewimpeld gefprek. 

Fnvelopper , (v. a.) Omwinden y 
inrollen f inwikkelen; s'envelopper 
^v. r.) dans fon raanteau , zicb in 
zyn mantel toemoffelen. 

Enveloppeur, (ra) Een verbloemde 
Scbryvef of redenaar ; item inpakker. 

Enverimer, (v. a.) I^ergifiigen; 
envenitDer refpric de quelcun, 
iemands geefi verbitteren , kwaadaar- 
diii maaken. 

"Enverger, (vy a.) Met teenenvhg- 
sen. 

Enverguer, (v. a.) Een zeil aan 
tfe ree Jlaan , vajl hinden {Zee nv.) 

Envergure , (f) Het aanjlaan ; item 
afpa[fwg , afmeeting daar van. 

Envers , (prep.j Jegens, omtrent', 
charitable envers les pauvres, lief- 
ifaadig omtrent den armfn. 

Envers , (m) De verkeerde , ofyave- 
rfgtfe zyde van iets { f) ; l'envers du 
drap, d'averegtfe zyde van 't laken; 
à l'envers , (adv.) verkeerd , ave- 
regfSf être couché à l'envers , op 
zyn rug leggen; avoir l'efprit à l'en- 
vers , arf>'^^fj, o^'^rf f niet wel by zyn 
zinnen zyn ; prendre tout à l'en- 
vf rs , ailes verkeerd opvatten, 

Ervi , (ro) {Word alleen dusgebr.) 
travailler, étudier à l*envi,o»ï Jîryûf, 
Qtn'tbefi , om 't eerfî werken, ftmieeren. 

Envie, (f) Nyd , afgunft , baat y 
lufl, neiging ; porter envie à quel- 
cun , op iemand nydig zyn ; vôtre fort 
eft digne d'envie, uwjlaat is beny- 
dfm waardig; je meurs d'envie de 
le voir, ik brande van verlangen 
«rn hem te zien -, avoir envie de 
aoanger, lujl tot eeten hebben; ce!a 
fait envie , dat doed watertanden ; 
j'ai quelque envie d'aller à la fel- 
le , ik heb eenige trek tof ftoel-^ang ; 
fi 1'envie m'en prend , indien ik 
"er lufl ror/frry^, l'envie lui prit de &e. 
hy kreeg lu fJ ^ om enz. envie de fem- 
iqaes grofTfs , beluflheid , lujl der 
zwangere f^rouiven. 

Envies, (f. pi.) Nynagels. 

Envieilli ,ie (adj.) Pécheur en- 
vi e illi , verouderde , ".et har de zon- 
éaar. 



ENV. ENY. E'OL. 

Envieillir ( v. a. ) Oud maaken i- 
s'envieillir,,(v. r.) oui ivorden. 

Envier, Cv. a.) Benyden , misgun^ 
nen; une charge enviée de tout le 
monde, bediening naar welke ieder 
een begeerig «V; envier ie point j op 
de meefle cogen iets zetten {in 't Spel)^ 

Envieux , eufe (adj. &c fubft.) 
Nydig , afgunjïjg ; een wangunjhge y 
een nydigaard; fon merite lui fait 
des en vieux, zy« verdienjie verwekt 
hem benyders. 

Enviné,.ée (adj) Met wyn voor- 
zien. 

Environ , (prep.) 5 Omtrent, ten 
naa/ien by. 

Environnement, (m) Omringing, 

(f). : 

Environner , (v. a.) Omringen y 
omcingelen , bezetten. 

Environs , (fn. pi.) De omleggen- 
de plaat zen. 

Envifager , (v. ».) ^anfcbouwen ,, 
befchouwen j overdenken , voor oogen 
Jlellen. 

Envitailler , (v. a.) Met leeftoge 
voorzien. 

E*numérat;ear , (m) Opteller, 

E'nuroération, (f) Optelling. 

Envoi (m) demarchandifes, zen^ 
ding { f) van goederen. 

Envoile;-, (v. n.), Buigen , krom- 
men, s'envoiler, (v. r.) krom wor- 
den. 

Envoifiné,ée (adj.) Die huuren 
beeft , gehuurd. 

Envolé, ée (adj.) IVeggevlogen. 

s'Envoler , (v. r.) ff^egvliegen; 
ontfnappen. 

Envoûtement, (m) Betovering met 
een xvojfchen beeld. 

Envoûter, (v.a.) Iemand door die 
betovering dooden. 

Envoyé, ée (adj.) Gezonden» 

Envoyé , (m) Een afgezant. 

Envoyer , (v. a.) Zenden , afzen- 
den , toezenden ; . envoyer quelcun au 
devant de, iemand te gemoet zenden 
aan enz.; envoyer quérir quelcun, 
iemand laaten haaien; envoyer fon 
laquais, zyn knegt weg jaagen. 

Enyvré. (Zie Enivré , enz.) 

E'ole, (m) E'oqI, (de God dey 
ivittJen) . 

E'öli- 



EOL. EP A. 

E'olipyle , (fti) f'f^inJ-kogel , holle 
kogel ( f,). 

Epaae,(f) Hef verfcbil van ii 
dagen tttjfchcn het nuane en zonne 
jaar. 

. E'pagneul , eule (m. & f.) Patrp- 
hand. 

E'pais, aifre(adj.) Dik ydikketgrofy 
grove; digt ; planchf: épaifTe , dikke 
plank Î épais de trois doigts , drie 
vtnger dik , drap épais , dik, zwaar 
laken; bois épais , een dig: bofcb; 
liqueur épaiffe ^dikke » drabbige vogt ; 
air épais, dikke Lucht ; efprit épais, 
een plomp verjland; il donna Ie pre- 
mier dans lè plus épais de la Ca- 
valerie , hywaf d'eerjie die op 't dik- 
Jle van de Ruitery inviel. 

E'paifleur , ( f ) Dikte ; digte; trois 
pieds d'épaifleur , drie ^'oet dik; 
épaifleur d'un bois, bet digjïe van 
een bofch. 

E'paiflîr 9 (v. a.) T^erdikken , dik, 
digt niaaken , s'épaiflir , (v. r.) ver- 
dikken , dik worden ; lomp van verjland 
worden; l'air s'épaifllt , de lucht ver- 
dikt. 

E'païfliflement , (ni) Verdikking (f). 
-E'pamprer, (v.a) Den wyngaard 
afbladeren. 

Epanchement (m) de quelque li- 
queur j de bile; de cœur , uîtftor-. 
f ing v.in eenig vogt', overloop van gal- 
le ; ui'Jlorting des harten, gulhartige 
beid ( f). 

E'pa-.xher, [v. a.) Uitgieten , uit- 
Jlorten^rletiiivn; épancher foncœur, 
zyn hart openbaaren; J. C. a épan- 
ché fon fang,y. C. beeft zyn bloed 
vergooien', s'épancher, (v. r.) uitge- 
Jïort , geplengt worden. 

E'panchoir, (m) Stortgat van een 
waterloop (n). 

E'pandre, (v. a.) Verfprpiden,uit- 
Jpreiden ; uit (lort m ; s'épandre , (v. r.) 
zig verfpreiden ; Ie fleuve s'épand 
dans la plaine; de rivier verfpreid 
_zich over de vlakte; Ie bruit s'épan- 
dit , het gerugt verfpreidde zich. 

E'pandu, ue (adj.) Verfpreid , ge- 
Jicrt. 

E'panorthole , (f ) Cierlyke verbete- 
ring der vorige reden eer ing {in Ké- 
denk ). 



EPA. ï?7i 

E'panoui, ie (adj.) OJttlooken. 

E'panouir, (v. n.} s'E'panouirj 
(v. r.) ontluiken, opengaan; fleur qui 
s'épanouit , bloem die ontluikt ; foi\ 
coeur, fa rate s'épanouit, zyn hart 
ontlmkt , word vrolyk. 

E'panouiflTemeqt , (m) Ontluiking 
der JMo:men ; vrolykbeid des harten 
(f), 

Ê'parer, (v. n.) s'E'parer, (v.r-) 
De voetep te verre uitjlaan {in de 
Ryfch.) 

E'pargnant , ante (adj.) Spaar^ 
zaam , zuinig. 

Epargne , ( î) Spaarzaamheid, zui- 
nigheid , vergaaring ; Koninglykefchat^ 
kijl; Treforier de l'épargne, 'sKo' 
nings fchat-bewaarder. 

È'pargner, (v. a.) Spaaren , bem 
zuinigen; épargner les troupes, fon 
argent ; de troepen , zyn geld fpaa^ 
ren; n'épargner ni âge, ni fexe * 
noth jaareo , nach gejlacl/t verfchoonen ; 
s'épargner, (v. r,) zich zeïven ont- 
zien, vieren. 

E'parpiller, (v. a,) Hier en daar 
vetrjl rooi jen , verTpreiden ; le vent 
éparpille les cneveux , de winJ 
fpreid het hair van een; éparpiller 
du fumier , mifi van een fpreiden-, 
s'éparpiller la rate, (fpr.w.) vro- 
lyk zyn. 

E 'pars, (m) Een vlagge-JIak; ara 
van een draagjloel. 

E 'pars, arfe (adj..) Gens épars ça 
& là, hier en daar verfirooid Voljt^ 
cheveux épars , verfpreidde , lojfe bai- 
ren. 

E 'parvin, (m) Het fpat (n) {zeker 
gezwel aan de bèenen der paerden). 

E'pater, (v. a.) De voet van een 
glas enz. afbreeken; un nez épaté, 
eene platte neus. 

E'patique. {Zie Hépatique), 

E 'pave , (f) Cejïrand of verloor en 
gsed ; item verdwaald vee dat de 
Landheer eigend; ook een vreemdeling 
wiens berkomji of Vaderland men nief 
weet. 

E'paufure , (f) ^fgefprongen fuk 
van eenen gehouwen jleen. 

E'pavite. {Zie Efpavite), 

E'paule, (f) De feboudsr j épaule 
d'un baftion, zyde , flank eenes bai- 



^74 EPA. ËPE. 

«rr^/;éparue de moaion , Jïrj^f-byi ^ 
breeJe byl (by 1 maner L) ; épaule 
d'étang, vyvenLim-, épank- de vais- 
fcau , de wrtKging , draaijing der^ boeg 
van een Schip; porter fur fes épau- 
les, op zyne [chouderen drciagen ; il 
I VOUS paijera par defTus Tépanle , hy 
zal u over Schouder {dat is) metbeiaa- 
lenifpr. -w.) ; regarder les gens par 
deirtjs l'épauie , de luiden over de 
fùkoudrr {dat is) met veragting aan- 
zien ; il fent l'épaule de möuion , by 
Jiinkt als een Bok. 

E'paulés , (f) Een floot , duuw 
met de i'chouder ; voor-kwartier van 
een Schaap ; travailler par épaulées , 
by horten en ftooten arbeiden. 

F'paulement , (m) f^erfcha>7sjtrg , 
bor'^: weer ing (f). 

E'pauler , (v. a.) Ontfchouderen , 
de fchouder verrekken , uit het lid 
trekken ; verfchansfen , dekken ; een 
fnuur enz.fchoorcn., onderftutten ; onder» 
fchraagen, byjlaan ; béte épaulée, 
een ' hedrogpn 't^ryfler, 

E'paulette , (f) Schouder - naad , 
Jïrnokje. 

E'paulïere, ff) 't Schouder -fiuk 
van een Harnas fn). 

E'oéautre , {m) Spelt {een flag van 
iór>^) { f). 

E'pée y{^)Een degen {m); porter 
- l'éoée , den degen drangen; mectre 
Pépée à la main , mettre la main 
à l'épée , den dégen aangrypen -, gar- 
de , pcmeau d'épée, gsvefs , knop 
van een dégen', prendre l'épée , den 
déqen . het zwaard opvatten j pafTer 
tout au fil de l'épée , ailes ter nesr 
zabeler. , over de kVng laaten fprin- 
gen \ fe faire une paffage l'épée à la 
main , zig 'er door zabeien; un hom- 
m^d'épév?, een kryg$~rnan', fe bat- 
tre /ie l'épée blanche , ntet denhloo- 
ten dégen vegteny fon épée eft vier- 
ge , hy heeft nog geen dégen getrok- 
ken ; n'avoir que l'épée & la cape , 
niett hfbhen arm , een kaale Jonker 
zyn ; être a'ix épées & aux cou- 
teanx, grfîaJig tntwtjl leven; ils'eft 
pafTé Toa épév.- au travers du corps, 
by hreft zich zelven doo^-flooken ; c'eft 
fon épée de chevet, ûTiï; is zyn hart- 
ader {fpr, iv.)'û eft oé pour l'épée, 



I EPE. EPH. 

by is voor den Krygs-Jiand grbcoren', 
fon épée ne tient pas au fourreau, 
zyn dégen zit los in de fcbcê. 

E'peiche , (f) Roodfpecht {zeker 
Fo^el). 

E'peller (v.a.) un mot, een woord 
fpe'len. 

E'penthefe, (f) Inzetting van een 
of mtcr letteren in een woo^d. 

E'perda , ue (adj.) Demeurer 
éperdu y verfield, verbaafî Jlaan bfy- 
ven. 

E'perduroent, (adv.) Aimer éper- 
dnment , met bart en zid beminnen', 
être éperdument amoureux, op het 
uitrrjh t defperaat verliefd zyn. 

E'perlan, (m) Spiering {Vifch). 

E'peron, (m) Eenfpoor; tegen py- 
taar <, Jhene beer; bet galjoen ^ de fna- 
vel van een Schip; donner de l'épe- 
ron, met de fpooren fteeken ; don- 
nons un coup «l'éperon jufques là, 
Ir.at ons daar na toe rennen ; n'a- 
voir ni bouche ni éperon , een 
paerd dat noch va toom , noch fpooren 
luifJerd; item een me^ifch die nergens 
toe gefchikt /jj il a befbin d'éperon, 
by moet aangefpoord worden. 

E'peronne, ée (adj.) Gcfpoord , met 
fpooren voorzien. 

E'peronner (v. a.)nn eheval,^^» 
paerd aanfpooren , de fpooren geeven. 

E'peronnier, iere (m. & f.) Een 
fpoorrmaaker. 

E'pervier, ou Eprevier,(m)£^^« 
j fperivcr {vo^el) , een werp-net ; item 
I een Boekdrukkers jonqe, 
I E'pervin. {^ie E'parvin)»' 

E'peter , eu Empiéter, (v. a.) 
Eenfluk van de weg af ploegen» 

E'péus, (m) Bequaame werker in 
krygstuig. 

É'pha, (m) {Hebr. <w.) Zekere koo- 
retitnaat by de Ifroelîten. 

E'phémere ,Cadj.)ö^^ maar eenen 
dag duurd; fièvre éphémère, koorts 
van 24 uuren. 

E'phémérides, {?. pi.) Dag-boek , 
Journaal ; item réken-tafel van den 
dagelykfchen loop derjflerren. 

E'phialtes, (m) Nagt-merrie (f)* 
{Zie Incube). 

E'phod , (m) Zeker Priefïerlyk 
kleed by de Jood^n, 

JE'pho- 



EPI. 

■> E'phore , (m) Opptr-regter in Spar 
fa if voor dt't'zrn. 

JE 'pi , (m) Ken' aar y koren-aar {£) ; 
bles a m 't \ oor hoof A der paerJen ; é- 
pis, punren , fpitzen aan tralie- of 
tent-werk) moncer en épis, in aaren 
fcbietm. 

E'picarpe, (m) Pols - pleiJJer voor 
de koorts. 

E'pice , (f) E'piccs, fpl.) Krui- 
den , krui Jrncr yen , fpt'd'ry.'n ; jain 
d'é^'ice ^ pâppy-kock ; épii.cs %gcricbti- 
kojlea-, vacantie gehi<-n. 

Epiceni", {vn) ÏSLïannvoórJ dat bei- 
den i^ejlackten gemren is. 

E'picer, (v. a.) KruiJ>^n , met fpe- 
ceryen toemciaken; épicé, ée (adj.) 
gekruid. 

E'picerie, ( f) Allerbande kruide- 
neryen, 

F.'pirïer, iere (adj.) Kruide nier y 
iruiè'iier ; kruiè'nterjlir. 

E picaritn. (m) Een Epicurijl. 

F/üicurisrae , (m> De leer vanE- 
picuur { f). 

Epicycle (m) de Ia lune , bykring 
van dr maan ( f). 

E ' pi d'-'- mi e ,{f)Aar>jï eekend e ,land- 
aart- of g t^ m s ene zirkte. 

E'pidémique, (ad),) Maladie épi- 
démiq'.-'e , befmettelyke land-ziekte ; 
un vice, un mal épidémique , eene 
ondeugd, een qtiaadaan eenig volk eigen, 

E'piderme , (m) De opperhuid^ tuj- 
tcnhuid {in Ontleedk.), 

E'piément , (m) l^erfpicding j be- 
loert»^ {()t (iveinig gebr.), 

E'pîer iv.a.) quelcun , iemand be. 
fpieden , beheren , épier l'occalldn, 
le moment , de gelegenheid , het 
oogenhlik waarnermen. 

E'pier, (v. n.) In aaren fchiefcn. 

E'pierrer, (v. a.) ^ an fleenen zui- 
veren (alj een tuifî rny.). 

E'pieu , {cû)Een jagt-fpriet ,zwyK~ 
/prie t. 

E'pigaftre , (m) Opper-fmcerbitiky 
{in Onrlcedk.). 

E'pii^aftrique , (adj.) Dap daar toe 
behoord. 

E'piglotce, (i) Hi-t lelietje van de 
keel (n). 

E'piçrammatique,(adj.) Epigram- 
maiilch. 



EPI. -575 

E'pigrammatiHtj (adj.) Eeu punt- 
dichter. 

E'pigramme , (f) Etn puntdicht, 
kort y zit:ryk opfchrifi of gedicht (n). 

E'pigruphi: , {f) Opfc h nft op em 
geb'juiv (nj. 

E'pikie , ( f ) Maatiging , welke, 
zonder . onbiliyk te zyn , de wet ver- 
zakt. 

"E'pil&pfie (f)Mal caduc, ou haut 
mal (m) t^allcnde ziekte. 

E'piteptiquc , (adj. & fubft.) Dat 
van de ^'all-nde ziekte is , of een die 
zulks or.derivorpen is. 

E'pilogue y (m) Sluitrede , korte 
herhaaling of toepajfing van 't geen ge-' 
zegt is (f). 

E'piloguer (v. a. & n.) fur tout, 
op alles u-at te zeggen 9 te bedillen 
we et en. 

E 'p i 1 ogueur , ^m) Bediller, berisper. 

E'pinard , (m) E'pinars , (pi.) 
Spiriagie ( f) , (een Mceskr.), 

E'pine , ( f ) Een doorn; prikkel (m^; 
épine du dos, rugge-graat ; on ne 
trouve point de rofcs fans épines, 
geen roc'Zni zonder doordien {fpr.w.); 
marcher fur des épines, op ejjeren 
gaa*i y niet toetreeden, la vie eft 
plt-ine d'épineâ , bet leven is vol 
mocijflykheid. 

E'pinette, (f) Een klavec-cymbel. 

E pine-vinette , (f; Een bage^ 
d-jortj', barbarijfe (ra). 

E'pineuK , eufe (adj.) Doornig y 
doorrùigtig', moetjelyk; lieu épineux, 
een plaats lol klippen \ la voie da 
falut eil: écroite & épineufe -, de 
iVeg der zaligheid is naauiv en moei- 
jelyk. 

E'pingle, (f) denfpeld cf fpelle -, 
tirer fin ópingie du jt^u yuithetfpel, 
of ook ergens van affchetden ', donner 
des épingle? aux f-'rvantts, de meis- 
jes fpelde geld geeven. 

É'piriglier , (ra) ' pAde-maaker-y of y 
verkicper ; fpelde-kujfen ; fpoel van een 
fpinr.e-wiel' 

E'pinier, iere (adj.) Moelle épi- 
niere, 't rugiie-merg. 

E*piniers , (ra. pi) Doonie firui-^ 
ken , wilde zwyns léger. 

E'pinocher « (v. n.) {gem. %v.) 
Pfuzelen y kieskaauwen, 

S 2 JC'pii^lia- 



2^5 EPI. 

E'piphanje , C f ) Drle-Komngendag 
(rn* (fête des Rois mages). 

E'piphoncme, (m) {in redftjeerk.) 
Gedenkfp>eiik waar mede eene reden 
O'-fl oten 'ivord. 

'E'piplKire, (m) Gepadi^ hopen der 
oo?rn met ontjleeking (n) (»« Heplu.) 

EpiDhyfe, (f) Een heen i^) dat 
air) eru ander g^^^rceidtt (in Hee.s.) 

E'pi-'Iocele', (f) Een net-breuk (in 

E niploiqae ,Cadj.) V Geen tot zuIk 
♦;.'► behoor J (in Ontltedk.) 

E'piplöoïi, (m) Darm net (n) (in 
Ontlredk.) 

E'Dique (âdj.) Poëme épique , 
Uclden-dickt. 

É'piscopal, aie (âdj.) Bîjfchoppe- 
lyk. 

E'piscopat , (m) bisdom (n) j bis- 
fchnppelyh wacrdigheid (£). 

E'piscnpaux , (m. plur.) De bis- 
fchoppelyke 'f de leden der Anglicaan- 
fche kerk. 

Eïpiscopifant, (m) Een die naar 
een bisdom dingt, 

E'piscopifer , (v. n.) Naar een 
bisdom Jlaam. 

E'pirode, Tm) Dicht-Jluk y dat van 
het hoofd dicht afwykt en alleen voor 
de aartigheit daar in gelajl word 
(n). 

E'pifodirr ,(v.a.) 2^odjnire dicht 
Jluhken maaksn, in brengen. 

E'pifodique, (adj.) Dat van dien 
aart is. 

E'pilfer (v. a.) une corde ^ Een 
touw fplitzen. 

E'pilToir , (ra) SpUts-hoorn fplits- 
fzer 'n). 

E'pïffr.ire, (f) Splifftn^. 
E'piflolaire , (adj.) flyle épirio- 
iaire , brief-flyl. 

E'piftyle, (f) Balk die van den 

eenenpylaer na den anderen gaat (m). 

E'pitaphe , (m) Graffchrift (n). 

E'pite, (f) Deatel , iviggedietn 

f ene andere ^ejlooken vuord om ze te 

dikker.^ (in Scheepsb.). 

E'pit-halame , (m) Een bruiloft s- 
dicht'\v\) of zang. 

E'pithete , (, f ) Een byvoeglyke 
naam , uitdrukkende de hoedanigheid 
ei.ier zeak; iiem een toenaam of ty tel > 



EPI. EPL. EPO; 

E'pitié , (m) Kogel-kaii ia een 
fcbip (f). 

JE^.'pîcoîr, (m) Deutel yzer (n) 
(in Scheepsb. (Zie E'pite). 

E^itoge , (f) Pref!dents-*<ip (m 
Parys). 
_E'pitome, (m) Een kort begrip ^ 



Uittr Ife^ (r:). 

E'picomcr , (v. a.) Een kort be^ 
grip, Corapendium maaken, 

E'pitre, (f) Ken zend brief y brief 
(va) -f épicre dé-:iicatoire , een op~ 
dragt ; opdragts-briff. 

E'piaigner , ou Emplaigner > 
(v. a.) Deix'olcpkratzen (byDroogfch.) 
E'plaïgncur , ou Enjplàigneur , 
(îd) Opkratzir daar van. 

E'ploré, ée,ou épleuré,ée(adj.) 
Bekreeten, bitterlyk iveenende. 

E'ploijé, ée fadj.) Met uitgeflrek- 
te vleugelen (in Wapenk.). 
E'nluehement /m) Uitpluizing (f). 
E'plucher , (v. a.) Uitpluizen y uit- 
leezen; éplucher de Ia falade, (k- 
laad, of JJa fchoonmaaken-, éplucher 
des arbres, boomen zuiveren-, éplu- 
cher une affaire , eene zaak naauio 
onderzoeken , uitpluizen. 

E'plucheur, eafe (ra. & f.) Uit- 
pluizer', naauwe onderzoekfier. 

E'pluchoir , (ra) Mandemaakers 
rnesje (f). 

E'plucbares, (f. plar.) Vuilig. 
heidf enz die men by 't fcboonmaakett 
der groentens wegwerpt. 
E'pode , ( f) Ülot-zang , na-zang. 
E'pointer (v. a.) un clou. Een 
fpyker de punt afbreeken. 

E'pointure, (f) ^errekking der 
fch'jfr van een hond. 

E'pois, (m) Tak n,an een Herts- 
hoorn. 

E'ponge, (f) Een fpons , fpongie ; 
il boic comrae une éponge , hy 
zuipt als een tempelier (fpr. w.). 

E*pontilles , ( f. plur. ) Berkoenen, 
fiuttpri^ kruis-houten (in Scheepsb.). 
E'popée, (f) Een belden- ji ebt (n). 
E'poqae, (f) Tyds.ftip (n) , aan^ 
vang eener tydreekening (m). 

É'poudrer, (v. a.) Het flofafvee- 
gen , uitkloppen. 

s'E'DCiiffer, (v. r.) Zig heimelyk 
wegPakkeni ive^gaan (gem. w)- 

Ê'pouil. 



EPO. EPR. 

F,'ponilIer, (v. a.) Luizen y de 
îutzen afvatigen, afkamrr.ev. 

s'E'poumoniier , (v. r.) Zich bui- 
rrn aciem iQopen of xvtrken, 

E'poafailles , ( t\ plur. ) De 
trouw (m) , pl'gtightiJ Jfs buuwe- 
lyks (f). 

E'poufe f ( f) BruiJ; huis-irouiv , 
beminde , gemaalin ; épou fe de Chrift, 
d/f Bruid (dat is de Ktrk) zan Krif- 
tus» 

E'poufé , (m) Bruidegom > nieuw 
getrouwde man. 

E'po'jfée, (f) Bruid, nieuw ge- 
rouwde vrouw. 

E'poufer, (v. a.) Trouwen, ten 
huuwelyk neemen , bauwen ; pour être 
libre il ne faut époufer, dat ts-j 
il ne faut s'attacher à perfonne, 
men moet zich aan niemand verbinden', 
époufer la querelle d'autrui , ie- 
mands twiji aanneemen ^ ztcb in zyn 
plaatt J^eïlen; époufer une opinion, 
een gevoelen aanneemen; s'époufer, 
(V. r) met malkatjder trouwen. 

E'poufeur , (m) {boert, w.) Een 
vryer, 

E'ponflTeter, (v. a.) ^ffloffen, af- 
borfielen ; item iemand afrojfen. 

E'rOiiflette , {Zie Vergettes). 

E'poavantable , (adj.) f^erfchrik- 
kelyk j vervaarlyk , affchuuwelyk. 

E'pouvantablement, (adv.) TJJe^ 
lyk , afgryjfelyk, 

E'pouvantail ) (m^ Een moUk^iets 
waar meede men de vogels verjaagd 
of vervaard maakt. 

E'pouvante, (f) Schrik, ontfieïte- 
nis 'f donner l'épouvante , ar.g/J aan- 
jaagen; prendre 1' pouvante, met 
fchrik bevangen worden, 

E'pouvaaté , ée (adj.) Ferfcbrikt , 
ontjïeld. 

E'pouvantement , (m) Verfchrik-.. 
kinu, fchrik. 

E'pouvanter, (v. a.) Verfchrik- 
ken f fchrik , ontjïeltenis aanjaagen ; 
s'épouvanter de peu de chof^, van 
eene beuzeling vervaard worden, ont- 
Jiellen. 

E'poux, (m) Bruidegom , gemaal j 
beminde. 

E'preindre fv. a.) des citronS; 
citroenen uifdrukketJ , utt^erjçv* 



EPR. EPT. EPÜ. 277 

E'prcinte, {f) Peifwg tot Jioel- 
gang. ■ 

E'previer. {Zie Epervier). 
E'preuve, (f) Prcej , proeve; 
toets; ondervinding i drukkers proef- 
blad ; féconde épreuve , tweede 
proef-blad, revif^e > prendre l'é- 
preuve, de proef neemen} mettre à 
l'épreuve , ter toets jiellen ; à l'é- 
preuve d'un mousquet, delà pluie, 
de la médifance , bejiand voor een 
fnaphaan , voor den regen , voor achier- 
klap9 

E'pris, ife (adj.) de colère, met 
gramfchap ingenomen ; épris d'a- 
mour, verliefd, met liefde 9 bevan- 
gen. 

E'prouver , (v. a.) Beproeven, 
toetfen , onderzoeken , ander t aden ', je 
1'ai éprouvé, ik btb het onderzogt , 
cf ik heb het ondervonden ; éprouver 
un ami, l'or, een vriend ^^ het goud 
beproeven; s'éprouver foi -même, 
zich zelfs beproeven. 

E'prouvette, (f) Een tent-yzsr , 
pro vet (n) om een wond te peilen.. '~^ 

Eptâgone, (m) Een zs-yen-boek (/» 
Meetk.). 

E'pucer , (v. a.) Vlooijen, de 
vlooiden afvangen; s'épucer (V. r.) 
zich vlooijen. 

E'puifable , (adj.) Uitputbaar. 

E'puifement, (ra) Uitputting ,uït' 
fchepping^ ontleedigtng (f); épuife- 
men: de forces, uitputting, verfpil- 
ling der kragten. 

E'puifer , ( v. a. ) Uitputten, uit- 
fcheppen, ledigen; épuifer un puits, 
eer.en put ledig uitfcheppen ; épui(er 
la patience de quelcnn, iemands 
geduld ten einde brengen; épuifer fes 
forces , zyn' kragten verfpillen , é- 
puifer une matière, eene Jloffe, ma- 
terie tot den bodem uit haaien , alles 
daar van zeggen dat gezegd kan worden. 

E'puifette, (f)Een klein netje (n), 
om een vogel in een vlugt of een vifcb 
in een beun in te fcheppen. 

E ' pul is, (m) JVild tund-vïeefch{n), 

E'pulotique, (m) Een t'zamen- 
trekkend geneesmiddel (n). 

E • p u re , ( f ) Grond' tekening van 
eenig gebouw. 

E'purer; (y, &,) ^uiversttf reini^ 

S 3 gen^ 



273 EPÜ. EQU. 

geti , louteren , klaar tnajken ; épurer 
l'or j goud louteren; épurer one li- 
queur , eene vogt klaaren ; épurer un 
langage, f f «^ taal zuiveren; un ftyle 
épuré , een zuivere nette fcbryf 
trant, 

E*purp«, (f) Springkruidt pur- 
geerkruid (n). 

E'quarrir, (v. a.) /« den baak, 
vnrkant maaken, fchaaven of bou- 
wen. 

E'quarriflage , (m) Fierkant maa- 
king y hakkirg (f). 

E'quarrifTement: , (m) I^ierkant 
fttJaking , fchaa-jmg (f). 

E'quarrifToir, (id) ^ierkaKte Jlag- 
beitel. 

E'quateur, (m) {lees écouateur) 
Vt middel lyn, linie die de aarde im 
éeclen verdeeld, 

E'quacion, ff) {lees écouafion) 
Getskmaakin^ , vereffening, 

E'querre, (f) Een ivinkel-haak 
(m) {in Meetk.), 

E'queftre, (adj.) {lees écoueftre) 
Ridderlyk , te paerd; flatue équeflre, 
een beeld te paerd. 

E'quiangle, (adj.) Gelyk-hoekit^. 

E'quidiftant , ante (adj.) {lees 
écouidiftant) Op gelyken ofjland. 
I E'quilatéral ,ale(adj-)(/^^-ïécoai- 

• latéral) Gelykzvdig. 

E'quilatere, (adj.) (lees écouila- 
tere) Gelykzydig, 

E^quilibre, (m) Eyemvigt; Ia ba- 
lance eil en équilibre , de fchaal 
Jlaat gelyk;àeKX\ Puiffances qui font 
en équilibre, tivee Mogendhcedendie 
gclyk in magt zyn. 

' E'quimukiple , (adj.) Van gplyke 
hoeveelheden bejlaande {in Reker,k.). 

E'quinoxe , (œ) Dag en nagt-eve- 
ning (f) tyd des jaars , wanneer dag 
en nagt even lar.g zyn. 

E'quinoxial, aie (sdj.) ligne 
équinoxiale , de middel-lyn , //;;;r. 

E'quipage , (m) Toeruftwg , baga- 
gie ; toetckeli»? , montuur (f) ; vous 
voilà dans un'^bei équipai^e, gy zyt 
fehoon utt^edvfl , 1'équipage , het 
Jcheeps-valk {zee iv.) ; avoir équi- 
page , rytuig en paerden houden, 

E'c;uip^e, ff) Eene da-aaze onder- 
nèemii:g ( f ) , ligtvaerdtg bejlaan (n;. 



EQU. ERA. 

E'qoipemeiic (mj d'une flotte, 
uitrujii*^g , toerujiing ( f) , eener 
vlont. 

E'quiper,(v. a.) UitruJJen , toeta- 
kelen y toerufien; équiper un vaiH- 
feau , une flotte , un foldat , een 
fchip , eene vloot , een foldaat , uit' 
ruften; s'équiper, (v. r.) zicb toe- 
rufien, uitrujien. 

E'q ui po hen ce ,( f) Evenredigheid y 
gelykivaarjjgheid. 

E'quiDolIent , ente, (adj. & 
fubft. ) Gelyk , evenredig ; evenredig- 
heid. 

E'quipoller, (v. a.) Gelyk opwee- 
gen, even gelyk zyn. 

E'quiries, fm. plur.) Zekere rid- 
der feefien by de Romeinen. 

E'quitable , (adj.) Regtmaatig , 
biUyb y betaamelyk. 

E'quiCablement, (f) Billiklyk , 
rechtvaerdiglyk. 

E'quité, (f) Regtmaatigbeid , bil- 
Ukhfiid, betaamelykbeid. 

E'quivalemment, (adv.) Gelyk- 
waardig lyk. 

E'quivaïence, (v. a.) Gelyke- 
w a ar de. 

E'quivalenc, ente (adj. & fubfl.) 
GelykgpldenJ , qelykwaardig ; even- 
waaruigheid ; donner, payer l'é- 
quivalenc, gelykewaarde geeven, bè- 
ta al en . 

E'quivaloir ,(v. n.) Gelykgelden of 
ivaard zy». 

E'quivoque, (adj.) DubbelzmKÎg y 
tvjyffelacht}^; ufe-- d'équivoane , 
dubbelztnr.ighedcn gebruiken ; parier 
par équivoque , dubbelzinnig fpree- 
ken; mot équivoque, dubbelzinnig 
ivQord ; hr.nirat équivoque , een 
val f eb meufch. 

E'quivoquer, {v. n.'^ Duhbelzin- 
nigheSen maaken, dubbelzinnig fpree- 
ken; s'éqaivoquer (v. r.) d'ivaaleny 
feilen. 

E'rable, (m) Een maft boom. 

E'rafler (v. a.) les épingles éra- 
flent la peau , de fpelden rytem, haa- 
Iti» het vel op. 

E'raP-ure, (f) Opbaaling, fcbraa- 
ming, opfcheuring. 

EVaiilé, ée (adj.) Uitgeraafeld', 
œil éraills , rood opgefpalkt oo^. _ 
E 'rail 



ERA. ERE. ERG. ERI. &c. 

E'raillemenc, (ra) Omk^ering van 
bet onJerJle oog -lid (f). 

E'raüler, (v. a.) Schiften, vdn 
een fcbeurcn , rekken ; b'é railler j 
(v. r.^ Jch'ften (van jlojfcn gez.). 

E ' ra 1 Uure , ( t') Sch^j(^>^g ; ryting. 

E'rater , (v. a.) De milt uitfny- 
Jen-y vervrolyken-, enfant ératé , vro- 
lyk , levend' g knij. 

Ere, (f) Ty J-begin y (n) tyd-ree- 
kening ( f) j l 'ere chrétienne , Je tyd- 
reekening der Chrifienei]. 

Erefteur ,(m) Opngter ,(inOntlk.) 
mufcles ereûsurs, oprigteude fpie 
ren. 

E'reftion, (f) Oprigting, opry- 
zin^ , oprigting; aanjltlling i érec- 
tion en coracé, verheffing tot een 
Graaffctiap. 

E'reincer , fv. a.) De lendenen 
breeken'y iets 'verzwakken, éreinter 
une plume , een' p.'n brakken; (men 
zegt ook érener, en éreiner). 

E'réfipele , (f) Roos {zekere 
ziekte). 

Ergo I (m) Derhalven , by gevolg 
{in redenk.) {lat. iv.). 

Ergoglu , (adv.) Dat wil niet met 
al zeggen {gem.fpr. iv.). 

Ergoc > (ra) o^O'JTj les ergots d'un 
coq , defpooren lan een' haan ; mon- 
ter fur fes ergots, op zyn paeraje 
zyn , floitt fpreeken. 

Ergoté 1 ée (adj.) Gefpoord, 

Ergoter, (v. a.) f^itten, bairkho- 
ven (gem. iv.}, 

Ergocerie, (f) Fittery y knibbe- 
laary. 

Ergoteur, (m) Tivipr , Vitter , 
knihhelaar {gem, w.). 

E*iiger , (v. a.) Oprigten , Jïigten; 
ériger une ftatue , ent beeld oprig- 
ten-f ériger une terre en duché, 
een' land tot een hertogdtm verhef- 
fen', s'ériger (v. r.) en auteur, en 
cenfeur, zkh voor een fchryver, 
autheur aitgeeven ^zicb voor een net- 
ter, beoordeelder opwerpen of zich zulks 
aanmiatïgen. 

E'riflbn , (m^ Een dregge, of klein 
ankertje met vier armen. 

Erminette, (f; Dijfd-, {na) {kui- 
pers en t immer l. werkt.). 

Ermitage, {^ic Hermitige). 



ERO.ERR.ERS. ERU. 370 

E'rofiun , (f) Ineeting , tnvreeting, 
knaaging. 

Erotique (adj.) Délire erotique, 
een foort van dotligheiJ , uit al te grooté 
liefde or.tjlaande. 

Erraut, ante, (adj.) Dwaalmde-, 
duüïende^; chevalier errant , dooien' 
de ndder ; éioïles erra.ntes , duaal- 
Jlerren ; Juif erraot ,de Joodfche wan- 
deLiar. 

Errata, (m) {Lat. w.) Lyfl van 
druk feilen of fouten (f). 

Erraciquu (adj.) étoile erratique, 
dwaal-Jlerre , planeet; feu errati-' 
q'.je, dwaal-licbt ; fièvre erratique, 
kjorts die geen Jïreek houd. 

Erre , (f) Spjor , ii-f^> aller grand* 
erre, een jlerken gai g hebben; erre 
d'un vaifTeau , de vaart van eeit 
f chip. 

Errémenter, (v. a.) Een gading ^ 
(procès) xvederom aanvarigen daar men 
het ge laat en beeft. 

Errements, (m. plur.) Volvoering 
van een qeding, 

Erréner,(v. a.) De lendenen bree- 
ken. (Zie ook E 're int er). 

Errer, (v. n.) Dwaalen , dool-n; 
m'tsgrypen , misvatten , fujet à errer, 
onderhevig ie dwaalen, te feilen. 

Erres ,( f plur.) Sponren , voet- 
flappen; rompre les erres, bet fpoor 
v:rtreeden;Ç\i\vrQ les erres de quel- 
CLin,' iemands voetfïap f en volgen. 

Erres (f. plur.) donner des er- 
res , eenen goodspenning geven; den- 
koop f uiten. 

Erreur, (f) Dwaaling, doolitjg ,. 
misJJag misvatting; erreur de cal- 
cul , misrekening. 

Errine , (f) Nies-poeijer , pul- 
ver, 1 

Erroné , ée (adj.) Dwaalend , 
valfch; opinion erronée, een ver- 
keerd gevoelen. 

Erronément y (adv.) Valfcbelyk 
verkeer delyk. 

Ers, (m) Wikken -y {zeker peulgo- 

W~i). 

Erudit , (adj.) Geleerd. 
ï E'ruditioTi , ( f j Geleerdheid, ken- 
nis, weten fchap; c'jù. un homnie 
d'une grande érudition, bet is een 
man van groote geleerdheid, 

S 4 Erugi- 



28o ERU ERY. ES ESC. 

Krugineux, eufe (ndj.) Roejiig , 
gr oen - re rj) tg (als zan koper). 

E'ruptiun , (f) Uitbreeking (nis 
n>an een trümlende berg , kinder pokken 
em). 

Erysminro, Cm) Jf''ildp mojirrt. 
Es, (prep.) (tr f\/ alleen in de 
practyk en dns gd^ruikt) n aitre es 
arts , vieejler in de vrye konjlen; paf- 
fe es é'.udc-s des Notaires, lerlâcten 
(gepafTeeid; teti comptoir e der No- 
ta riflVn. 

Efrabraa , Cm) Eetie honte jlccl , 
fthdbél; 1-oet bar.k. 

Efrabel'e, (f). {Zie Efcabeau^. 
Efcabïon, (m) De voet <cQn een 
bûrfl-berld. 
Efcache etiz. (Zie E<"arlic. 
Eicadre , ff) Een fmaldêel , vhnt- 
deel f Esquador van een vloot fchee- 
jpen ; chef d'escadre , een fchout by 
aagt. 

Escadron, (m) Eene Ruiter-benden 
( f') van omtrent ico man. 

Escadronner ,(v. n.) tn/lag-orden 
gejchaard Jïaan ( van Ruiters ge- 
zegd). 

Escafe , ( f) Donner une efcafe , 
Een vort onder den aars geeven. 

Escafer, (v. a) Een fcbop onder 
het gat geeven , een bal met de voet 
Jlooten. 

Escafignon , (m) Ziveiterigbeid , 
ef flank der voeten ( f). 
""Escalade, (f) BekUmmirg met 
Jiorm- ladders. ' 

Escalader, fv. a.) Met flor m- loe- 
ren bt klimmen ; esraiader les monts, 
d? bergen opklau eren. 

Escalier , (rn) ^en trap-, escalier 
à vis, een' ivent^t-trap ; esczii^v àe- 
robé , een'heirr.elyle trap. 
Escalin , (m) Fen fchplUfig. 
Escamote , (f) Gr,ochelaars hol- 
le:^ e (n). 

'Escamoter, (v. a.) Met het bol- 
lerje fpé-rleny ( by goochel.) behrniig- 
lyk voegr.eemen , rollen , omfutze- 
Un 

E<r?in-ot?ur, (m) JJ'^,g-moffeïaar ; 
gfio.'beli'iar. ' "" 

• -'Escamper , (v. n.) J luiten ^ zyn 
h,ezt*i pakk-n ^ or.tfr.jppen ^ (gem. v..). 
Excmpeue ^£) jrer.dre dó la". 



E5C. • 

poudre d'escampeue , heimelyk ont- 
[ruippen , weglorpen. 

E'capade, (f) Rakkeloosheid; fai- 
re des escapades ^ lanterfanten^ bui., 
ten fprongen maaken , zyn pligt ver- 
zuimen ; escaçade ^ ontivyksngy or.t- 
looping ; item een valfche fprong van 
een paerd dn cte Ryfsb.). 

Fscaibillat, ate (adj.) Luflig , 
vrylyk , jhreg (gem. '.v.) j un escar- 
billac , ernvrclyken baas. 

Escarbit , (m) Kalfaat - kijlje (in 
fchrepsb.). 

Eficarbot, (m) Een kever (zehr 
infeft;, 

Escarboucle, Cf) Een karbonkel, 
(z'-ker edel g' fleert p). 
E^carboruiler.fii^VE'carbouilIer}; 
Escarcelle, (î) Beurs, buidel, 
zak^ (gem. en boert, w ). 

Escargot , (ro) Een fcheïp-fak (f) , 
(zeker Infeft). 

Escarmouche, (f) Schermutze- 
ling ( f) , gevecht (n). 

Escarmoucher , (v. r.) Schermut- 
zelen, een voorgevecht houden. 

Escarmoucheur, (m) Een foher- 
mtitzeler. 

Escarfe, C^) Schuinfe voet aan 
een muur , u-al of gragt eener vef- 
ting. 

Escarpé, ée (adj.) Steil, onge-^ 
naakbaar-y montagne escarpée , <'^w' 
fleile berg. 

Escarpement, (m) Steile offîee- 
ki»'^. 

Escarper (v. a.) un roc , een rots 
fleil ajfleeken , ongenaakbaar maak en. 
Escarpin , (m) Een dunne fcboen 
zonder hiel, dan s -fcboen '^ item om