^ll<<
^ y
•4i»:-#«:
'^
J alîu J^^ams i
^tt '^^B
3filn*art), '
BV
-_^ - r . - = -- =
^^^
5 35TON =_=_ :
-====•
^^^^^ «^^^
^^^^^B *' ^te '^ ■ JB
^5 à s. i^^^p^^M<(|^^^^^^B^B^^B
DICTIONNAIRE
POR
FRANÇOIS
ET
M^ PIERRE
T A T I F,
HOLLANDOIS,
MARIN.
HUITIEMEÈDITION,
Corrigée de fes fautes, & augmentée de plus de M moitié
JEAN H Ô L T R Ö P,
Qui a eu foin d'y inférer, non feulement un grand Nombre ds
Mots ^ de Phrafes , tmt propres , que figurées , proverbiales ,
burlesques ^^. maïs aujfi la plupart des Termes d'Arts
^ de Sciences^ comme
ïî'Architeoare. Grammaire. . Mcfiqae.
Agricakore. Guerre, WythoJogîe.
Anatosnie. Hîfroire. Navigation.
Arithmétique. Horlogerie, Négoce.
Agronomie. Hydraoliqae. Pêche. ,'
Blafon. Jardiuagf. Peinture,
C;)tanîe. Imprimerie» Pîiariracïe,
Chirurgie» Jurisprudence. Phiîofojhie»
Chymie. Logiqae. Phvfique.
Danfe. Manege- Poéfîe.
Éfcrime. Marjufa/lare. Pratique.
Fauconnerie. Mathématique. Rhétcriqae,
Fortification. Méchanique. Sculpture.
Géographie. Médecine. Théologie.
Géométrie Métaphyfique. Vériérie S&z.
expliqués félon, le befoin.
Précédés
par deuT. Liftes alphabétiques: l'une desNoms de Baptême, &
l'autre de ceux des Païs, Villes, Fleuves, Rivieresv, Monta-
gnes &c. qui différent le plus dans les deux Langues.
Le tout fiLr l' Orthographe de l'Académie ^ de Mr, Rejîaut , la plus
Juivie Êf autorifée.
<^>
à DOR T,
Chez ABRAHAM BLUSSÉ et FILS i;;?;
Aiicc Privikge,
PRIVILEGIE.
DE STAATEN VAN HOLLAND EN WESTVRIESLAND
Dceii te wecti'n: AiaôO ons te ker'ica is gtgeeven by AbrahAM
Elusse' tn Zoon, Ba.gtrs en Boekverkoopers binnen de Scad Dord-
recht, dat zy Snppli» tea op den 5 April 1708 van Wylen Jan van
Eyl, in levea mede Burger en Boekverkoper binnen de Stad Amfter-
dam, £m Pcbüqae Verkooping badden ge:<ogt alle de Exemplaaren
benevens de Copye vaa Privilegie van Pifter Maryns Oiaiomaire
Port tif 2 deelsn in Oftavo , op welk werk door ons den 21 Jony des
Jóars 1743 en wederoni den 13 Juny dts Jsars 1758 ganAig was ver-
Jeena Prolonp.aue var. Oftroy > voor den tyd van vyftien volgende
J-aren , om zaiks alleen en met ui:lloiting van alle anderen te ino-
geii drukken, doen drukken , uitgeven, verhandelen en verkoopsn ;
en dewyl de P^olongaiie van het by ons gunftig verleende laatfte
Ofcrcy met den 13 Juny aanftaande ftond te Expireeren, en de Sup-
plianten, welke thans bezig waaren met groote moeite, en zwaare
ïic{lea> het zelve Werk te herdrukken, beducht zynde , dat fcmtyda
doof baa^ZQchcige taenfclien dit Werk mogt nagedrukt, in deeze Pro-
vintie inj;ebr?gt , en verkopt worden tot groote p*aejndice van de Sap-
pliancen, zco wendeden zy Supplianten zich eerbiedig tot Ons, reve-
rentelyk verzoekende Prolongatie van het voor:^. Oftroy voor den tyd
van nog vyftien volgende jaaren , om met feclafie van alle anderen
het gem. Werk te mogen drukken, doen drukken , uitgeven, ver-
handelen , en verkoopen , op zodanige verbeurte en boete tegens de
Cor.t^aventeurs, as wy by voorige prolongatie hadden gelieven te
fteilen , verzoekende de Supplianten hier van gunilig te mogen ver,
krygen Qârov in Forma.
ZOO IS 'Tï Dat wy de zaaks en het voorfchreve verzoek overge-
merkt hebb'.nde, ende genegen wezende ter bede van de Supplianten,
oit onze regte wetenfchap , Souveraine magt, ende Authoriteit , de-
zelve Supplianten geconfctiteerd, geaccorûeerd. en geoftroyeerd heb-
ben, conferteeren , acccraeeren , en Oitroyeëren hen by deezen , dac
zy geduurende den tyd vau rog vyftien eerft ^gter een volgende Jaa- '
ren, het ven f. Boek genaamt PlETER Maryns Diaionnoire Portatif
2 deelen in Oftivo, in diervofcgen als zulks by den Supplianten is
verzogt, en hier voren uitgedrukt ftïat , binnen den voorf. onzen
La'da aJeei'. zr;ll?n rRo^en drukken , doen drukken, uitgeven ende
verhoopen, verbiedende daarooi alU n en een icgelyken het zelve
J3oek in 't geheel ofte ten deelen te drukken, naar te drukken, te
doen naai-drakken. te verhandelen, ofte verkoopen , ofce elders naar-
gei ru-kt binnen denzelven onzen lande te brengen, uittegeven ofce
te verhandelen , en ve;koopen, op verbetsrte van alle de Naargedruk-
te, ingebraj;te, virbandelde of verkogte Exemplaren, ende een boete
van Drie Diizend Galaers ^aar en boven te verbeuren, te appliceren
een derde part voor den Officier die de Calange doen zal, een derde
part voor den Arccen ter ï-iaaife diiar het Cafas voorvallen zal » en
het refteerei de derde part voorde Sapplianren, en dit telkens, 200
lüénigtnaal als dezel^en zullen werdea agterhaald. alles in dien ver-
ftai'de, cal wy de Snpplianttn, roet dezen onzen 0£troye alleen wil-
Undo- gratificeeren tot verhocding van hunne_ fchaade door het na-
druKken van het voort. Boek ,dsar door ingeenigen deele verflaan den
innehoude van dien te Acthcrifeeren > of te ie Advoueeren , ende veel
min
BJÎn het zel^e onder onze protefde en befchercîÎDg eerAe meerde?
Credit , aanzien ofce repatatie te geveû , nemaar de SappJiancen.
in Cas daar inne lets onbthoorlyks roude influeeren, aile het zelve
tot hunoen hfte zallen gehouden weezen ce verantwoorden, to^ di-a
eyude we] expreflelyk begeerendt dat by aldi^n zy deezen ooz^n
Oaroye yoor het zelve Bo-k zallen willen flellen , daar van geene
geabbrevieerde ofte gecontrah?erde mentie zallen cnogt-n maken , ne-
maar gehonden wezen, het zelve Oftroy in 'c geheel en zonder eeni-
ge OmiOle daar voor te drukken, ofte doen drukken» ende dat zy
gehouden zDlIen zyn een Exemplaar van het voorfchr. Boek op grooc
papier gebordin en wel «econditioneert te brengen in de Biblio heek
van onze Univernceit te Leyden , binnen den tyd van zes wedien n»
dat xy Sapplianten het zelve Bock znllen hebben beginnen uit te ge-
ven, op een boete van ze» hon-iert Galdena, na Expiratie der voorf.
zes weeken, by de Supplianten te verbeuren ten behoeve van de
Nederdnitfche Armen van de plaats alwaar de Sappliancen woonen ,
en voorts op pœne van met 'er daad verft?eken te zyn van h^t effeà
van deezen Oftroye. dat ook de Supplianten, fchoon byhetingaaa
van dif Oaroy een Exemplaar gelevert hebbande, aan de Voorfchr.
onzv-^ Bibliotheek , by zoo verre zy geduarendeden tyd van dit Oftrov
Jet zelve Boek zouden willen herdrukken, met eenige obfervatiën.
Noten, Vermeerdenogen, Veranderingen, Correélien of anders hoe
genaamt, of ook m een ander formaat , gehouden zullen zyn wederom
een ander Exemplaar van het zelve Boek , geconditioneert als voren ,
te brengen m de Voorfchr. Bibliotheek binnen den zelven tyd , en
op de boeten en poenaliteit als Voorfchr. en ten einde de fupplian,
ten dezen onzen Confente ende Oftroye mogen genieten als naar
behooren, latten Wy allen ende eenen iegelyken dien het aangaan
mag, dat zy de Supplianten van den inhoode van deezen, doen
laacen , ende gedooger. , roftelyk , vredelyk ende volkomentlyk genie-
ten ende gebruiken , CeflTeerende alle belet ter Contrarie , gegeeven in
den Haage, onder onzen Groofen Zegele hier am doen hangen, op
den zesden Maart, m 't Jaar onzes Heeren en Zaligmakers duizend
zeven honaert drie en feventig,
(IFas geiekent)
W. BENTINCK Vr.
(ta Laagerjiont)
Ter Ordonnantie van as Staacec
C. CLOTTÉRBOOKE,
Aan de Supplianten zyn, bene-
vens dit Oftroy ter handen ge-
fteld hy Extraft Aothencicq , haar
Ed. Gr. Mog. Refoliitien van dea
28 Juny I715 en 30 April 1728.
ten einde om zig daar na te re<
£Qleeren
AVER,
jij^ERTlSSEMENT.
L
utilité Gue Ie Public retire des bons Diaionnaires & parti-
j cal ier^ment de ceux de la Langue Françoi e . efi fi é viden-
te&riuniverfellement reconnue, qu'on na p.us befom de les
envoyer au Monde avec une Lettre de recommandation. Et de
^^^n.M np fait pas que h Langue françoife, à caufe de fon
Elé^ nce de fa Douceur ^DélicatelTe &c. eft parlée dans toutes
i.crmir.' de l'Europe, ou , qui plus eft, cultivée chez toutes les
Ntiordu Monde! t^ntfoitVeu Civilifées, que plufieurs même
La préfèrent à leur Langue maternelle, & que par Elle feule
on peut fe communiquer, foit de Bouche, ou par Ecrit avec les
Peuple les plus éloignés? Chofe fi bien connue du Mm.ftre
dEta% de l'Homme de cour, du Négociant, du voyageur &c.
mi'Elïe eft devenue, à jufte titre, la Langue régnante & du
Beau Monde &c. & quainfi il n'y a rien de plus jufte , de
plusnécefTaire que de la cultiver & d'en faciliter l'acquifition par
"les moyens les plus propres.
Four y contribuer, nous avons le plaifir d'ofFrir au Publi^^^^^
Huitième Édition d'un Diftionnaire Portatif, en 2 Volume.,
.^To François & Hollandois, & Hollandois & François; or
Comme il s'étoif glilTé, dans les Editions précédeiites ,' nom-
bre de fautes : que bien des Mots y font, ou mal orthographies
ou irlffifamment expliqués, & une infinité d'autre| entièrement
omis, nous avons tâché, malgré les grands f^^^^' ^ ^ f ^^i;
dier en cette Edition, & de la produire en meilleure forme en
avant confié pour cet effet la corredion , augmentation &c r&
pLr en accélérer l'impreffîon,) à deux Perfonnes , au fai de ce
pénible ouvrage; l'une s'étant chargée de la Premiere, & 1 autre
de la Seconde Partie. , ^ xt..„.« Rr i.
Nous croyons (en tant qu'un ouvrage de cette Nature & la
Grandeur du volume l'a voulu permettre) y avoir parfaitement
bi^n réufli. , . ^ , .,. j •, i„ ■d,^
Le Leaeur impartial en jugera lui même, a 1 égard de la Pre-
miore Partie , (nous indiquerons dans une autre Préface U Ré-
forme faite dans la féconde) par le Détail fuivant.
i«>. Onv a inféré une infinité de Mots, tant des Arts & des
Sciences, que d'autres; ainfi qu'une quantité de Phrafes ôcclli.x.
greffions, tant propres , que figurées, proverbiales, Satyriqi^s
eomi-
VOORBERICHT.
7-\-e akemesne Nuttigheid der goede Woorden-hoeken , en in 't by^
•^ zonder die der Franfclie Taal, is zóó openbaar en alömme erkend,
dat men dezelve thans niet meer met eenen Brief van aanbeveeling bs-
hoev' in de waereld te zenden. En in der daad :
Wien toch is niet hcwufl , dat de Franfche Taal, uit hoofde van
derzelver cierlykheld^ zoet-vloeyendheid, kiefchheid, en wat des meer
2y, gefpróken word aan alle de Hoven van Europa, of, dat 7iog meer
is^ bmffend word by alle 'eenigzints befchaafde volkeren der waereld:
dat zelfs veele van dien dezelve aan hunne Moeder fpraak den voor-
rang ge even, en dat men dus door Haar alleen inftaat is, om zyne.
gedagten, 't zy door de mond of penne aan de afgelégenfte volkeren
te kennen te geeven? Eene zaak, by den Staats-man, den Hoveling ^
den Koopman, den Reiziger enz. zóó wel bekend, dat Dezelve thans,,
te recht , mag aangemerkt worden als de heerfchende Taal , en die
der Edelften id?s Volks ; allerbillykji en allernoodigft is het derhalv n
dat ze beöeffend, en derzelver verkryging, door bekwaame middelen
gemakkelyk gemaakt worde. ,
Om hier in fnéde te werken , hebben wy thans het genoegen ,^ aan het
Gemeen aan te bieden, de agtfie uitgaave van eenen Didionnaire
portatif, inideelen, in 8vo, als: Franfch en Néderduitfch , en
Néderduitfch e/i Franfch. Dan,
Dewyl in de voorige uitgaaven een aantal van misfïdgen ingefloo-
ten , veele woorden er , of kwalyk in gefpeld, of niet volledig genoeg uit^
(relegd, en eene menigte andere gantfchelyk achtergebleeven waaren,
zoo hebben li/y getragt , oniiangezien de zwaare koften , by déze uit-
o-aave daar-inne te voorzien, en dezelve in eene bétere gedaante te voor-
fchynte brengen; hebbende ten dien einde de verbetering , vermeerde-
ring enz. van ditmoeyelyk werk, (en om dat het des te fpoediger zoude
voort- gaan ,) aan twee P.erfoonen , des verft aande , toevertrouwd ; de ééne
hetEerfte, en de andere het Tweede Deel daarvan op zich neemende,
Wy gelooven (voor zoo verre een werk van deezen aart en het be-
fték zulks 'heeft willen gedoogen) hlerinne volkómen geflaagd te hebben.
De onzydige I^eezer zal nopens dit 'ifte Deel (terwyl wy ons de aan-
wyzing der verbetering van 't ide Deel in een daar by gaande Berich's
voorbehouden) door het nàvoîgeîide daar zelfs van konnen oordeelen,
1^. Heeft men hier in gelajcht, een aantal woorden, zoo van
Kïinften en Weetenfchûppen,als andere ; als mede eene menigte van [preek-
wnen, zoo wel eigenàartige , als verbloemde , befchimpçnde , geefttge ,
' ® ^2 ^^^^'^
VI A TB RT I s s E M E N T.
comiques, burlesques &c. Bref, il y a à préfent dans ces ou-
vrage plus de ]\Iots primitifs de tous Genres , avec leurs diffé-
rentes fîgnifications, qu'il ne s'en trouve en bien d'autres Dic-
tionnaires (le Grand Dictionnaire de P. Marin excepté ; parce
que , pour des raifons , on ne l'a pas du tout confulté dans cette
correction, Ôcque, par conféquent, on ignore fon véritable con-
tenu); Mots &c. que pour la plupart on a empruntés des Auteurs
étrangers. Par laquelle Addition, ce volume s'eft grofîl de plus
de la moitié; Témoins; le double Nombre .des Pages, la Peti-
tefle du caractère &c.
2°. L'Orthographe des E'ditions précédentes étant , comme
nous venons de dire, fort vicieufe, on a été obligé de la cor-
riger en plufieurs endroits , & l'on a fuivi dans cette E'dition
celle de l'iîluftre Académie de Paris & de M. Reftaut, Avocat
au Parlement &c., comme étant la plus autorifée. '
3°o On a obfervé dans cet ouvrage, à l'égard des Mots vieil-
lis, obfcurs, équivoques, familiers, vulgaires &c. d'en donner
toute la définition poflible , foit par des Phrafes ou autrement.
Article, à la vérité, peu ou point obfervé dans les E'ditions pré-
cédentes , & qui par cela même font auffi très défeftueufes. No-
tez cependant fur ce chapitre.
4". Que, pour ne pas pafTer les bornes d'un Abrégé ou Dic-
tionnaire Portatif, on a été fouvent obligé, de ne donner ces
Dc'initions, ces Phrafes, qu'en François; mais qui néanmoins
font ménagées de façon, que tout homme, tant foit peu in-
tc^lligent, peut, & par elles, & par ce'qui immédiatement précè-
de . s'en former une parfaite idée, & renene ces phrafes &c. au jufte
en Ilollandois. ^
5^ On a eu foin de mettre auflî, dans ce Traité françois &
hollandoîs , derriere les Mots fubftantifs hollandois, la Lettre
qui en délîgne le Genre; c'eft à dire: lorfque les Genres difFé-
ï'ji-t dans les. deux Langues, ou lorsque les fîgnifications n'en
font pas trop nombreufes. Chofe qui, quelque utile qu'elle
foit, pour ceux qui n'entendent que peu ou point le Hollandois,
r/a point été obfervée par aucun des compilateurs de Diétion-
îDaircs, excepté d'un feul ; mais qui efl fort fujet à caution.
6^ On a ajouté aux verbes irréguliers, défeftifs ou Imperfon-
nels tout ce qui efl néceffaire pour leur éclaircilTement. Artî-
c'c, que, maigre fon uàlité, on n'a rencontré, que dans les
Dictionnaires étrangers.
7^. On a tâché d'accentuer par-tout le Hollandois , auflî bien que
;c yiuD^is, pour en faciliter la Prononciation. Les autres Die-
' ' ■ tion-
VOORBERICHT. vu
loertige enz. 'om kort te gaan y 'er zyn in dit JVerk meer Grond 'woor-
den , van allerlei Jlag, nevens derzelver beduidenij , „an 'er in vsele
andere IVoorden-boekcn te vinden zyn (Jict groote Woorden-hoek van
P. M Amii uitgezonderd; wyl rneji znlks , om redenen ^ in déze verbe-
tering niet te raade getrokken heeft , m dns van deszelfs wézentlyken in-
houd niets met zekerheid wea) ; woorden enz. welke men, voor't grootjle
gedeelte , van uitheemjche Schryveren ontleend heeft. Door welke By^
voeging dit Boek- deel meer als de helft vogroot is, gelyk by 't getal,
de verbreeding en verlenging der bladzyden, en de kleinere Druk-letter
ligt kan nfgemeeten worden.
2*. De J pelling der voorige uitgaaveny zoo als wy reeds gezegd
hebben, zeerflegt zynde., is meji genoodzaakt geweeft dezelve . op ver-
Jcheide plaat jen te veranderen^ en men heeft in déze uitgawe gevolgd
die van de Franfche Académie , en den Heer Rejlaut^ Advocaat enz» ,
als de meefl Gezag-voerende.
3°. Heeft menin dit Werk , ten opzigtedsr verouderde , duijiere ^ dub'
helzinnige, gemeene ofjlraat-taalige woorden enz. in acbt genomen^
om 'er alle mógelyke befchryving van te geeven, 't zy door fpreek-
wyzen als anderzins ; iets, dat waarlyk, in de voorige uitgaaven
weinig of niet betragt is, en even daarom ook zeer gebrekkig zyn;
onder tusfchen moeten wy den Leezer op dit ftuk erïnneren. Dat
4^. Om de Paaien van een' Dictionnaire Portatif niet te overfchry-
den, men dikwerf genoodzaakt is geweeft deeze Befchry vingen , of
fpreek-wyzen alleen iiv't Franfch te geeven, zóó nochtans ingericht ,
dat iemand^ die maar eenige kundigheid bezit , inflaat is., om, en door
dezelven, en door 't geene onmiddelyk voorafgaat, een volkomen denk»
beeld daar van te vormen, en deeze fpreekwyzen enz. in zyn volk
kragt in 't Néderduitfch óver te brengen.
5°. He^t men ook zorg gedraagen , om in dit Franfche en Néder-
duitfche Deel , achter de Hollandfche zelfftandige Naam-woorden , de
Geflacht-Letter te voegen , te weeten : wanneer de Geft achten der bei'
de Taaien verfchillen , of wanneer de betékenijjen daar van niet te me-
nigvuldig zyn. Eene zaak, hoe nuttig ook, voor die geene die het
Hollandfch in 't geheel niet , of niet genoegzaam verftaan , door nie-
mand der ÏVoorde?i-boek-opftelleren in acht genomen is; uitgezonderd
éénen éénigen; doch waar-Öp niet zeer te vertrouwen is.
6°. Heeft men by de onrégelmaatige , gebrekkige of onperfoonlyke
"jverk-woorden gevoegd , al 't geene ter hunner opheldering noodig is;
iets , dat men , ondanks zyne Nuttigheid , alleenlyk in uitheemfche
IVoor den-boeken ontmoet heeft,
7°. Heeft men gepoogt , om overal boven het Hollandfch, even zoo
wl als boven het Fran/ch^ de klanktékenen tcfleikn 3 om derzelver uit-
* 4 fpraak
vïTi AVERTISSEMENT.
tionnaires François & Hollandois n'en ont rien ; mais on e»
ignore la laifon.
8°. On a jugé plus propre , de drefTer à part & de placer au
devant , que d'inférer dans le corps de cet ouvrage , deux Liftes
alphabétiques, favoir:
V\JnQ des Noms de Baptême , des Hommes & des Femmes , &
L'Autre de ceux des Païs , Villes , Peuples , Montagnes , Pro-
yiontoircs, Mers, Fleuves, Fvivieres &c.
Nous" nous flattons ainfi, que cet ouvrage eft, comme nous
l'annonçons , rendu beaucoup meilleur, & que nous aurons
contribué par-là au Bien public. Qu'on ne s'imagine pour-
tant pas , que nous foyons aflez vains & préfomptueux , de
vouloir débiter un ouvrage de cette Nature pour complet,* Non!-
au contraire , on ne doute nullement, que par -ci, par -là, fur
lesveftiges d'autrui, on ne puifTes'ctre égaré, & que, malgré l'at-
tention la plus fcrupuleufe, on n'y rencontre des fautes d'im-
prefîion, des virgules mal-placées &.c. ; Bévues, que ïiom prions
le Lefleur indulgent , de vouloir pardonner , en coniuérant,
que, s'il eft vrai, à l'égard de toutes Productions humaines, il ne
l'cft pas moins en celle ci ; Que l'imparfait ne peut produire
lien de parfait; comme dans le cours de cette correction on n'a
que trop fouvent expérimenté. Pour n'en citer qu'un Exemple,
on n'a qu'à confidérer, que dans un des principaux Dictionnaiv
res, on ne trouve pas les Mots Voie {'wsg , wyze ^ middel enz.).
Voyage & ce qui en dérive, ni avec f , ni avec y; omiftions grolîîe-
les, il faut l'avouer; mais le moyen de les prévenir dans un ou-
vrage , où Argus même , avec tous fes yeux , ne fuffiroit pas ?
Que le Public en puifTe profiter , c'eft notre fouhait & le bu^
que nous nous y fommes propofé. adieu l
£ X-
VOORBERICHT. ' mx
fpraak gemak hy te zetten. De andere Franfche en Néderdidtfchc
morden-bocken hebben 'er niets van; maar men weet met waaróm.
8^. Heeft men gevoeglyker geoordeeld, afzonderlek op te fi ellen , en
liever vooraan in dit wtrky dan in den Text, te plaatfen, tyvee al-
phabétifche Lyjïen , als:
Eene van de Doop-naamen der Mannen en Vrouwen, en
U andere van de Benaamingen der Landfchappen , Steden^ Volke-
ren, Bergen, Kaapen, Zeeën ^ Stroomen, Rivieren, enz.
ïVy vleien ons dus , dat dit Werk , 200 als wy 't aankoïidigen , veel
verbeterd is , en wy daar ' door aan 't Gemeen mit zullen toegebragt
hebben, VtrbeeldiL echter niet, waarde Leezerl dat wy verwaand en
vermetel genoeg zyn , om een Werk , van dézen aart , voor voilédJg te
willen uitvent m ; Neen l in 't tegendeel , twyffeld men geenzin^ ƒ men
kan hier of daar, op bet voetfpoor van anderen, gedwaald hebben , cri
dat men' er, in weerwil der grootfte oplettenhehl , Drukfeilen, of kwa-
lyk gefielde comma's mz. in ontmoeten zal; M'sfùàgen , w::lke wy
den gunftigen Leezer verzoeken ten beften te duiden, in ovjnveeging
neemende, dat, ir.dien hetwaaragtig is, ten opzigtevan alle Menjche-
lyke voortbrengfelen , het niet minder zóó gelegen is in dit , naament^
lyk : Dat het onvolmaakte niets volmaakts kan voortbrengs-n ; ge~
lyk men in den Loop dezer verbetering maar alt e dikwerf onder-
vonden heeft. Om hier maar één voorbeeld van aan te haaien , Z09
gelieve men alleenlyk aan te merken , dat men in een der voornaamfts
Jvoor.denboeken niet vind de woorden voie (,weg, wyze,. middel enz.),
voyage en 't geen daar van afftamt, noch met i , noch met y; waar-
lyk Fjóve mh [Lagen, men kan, het niet ontkeimen; maar hoe is 't mó-
ge lyk die te verJweden, in een werk, w aar- in Argus zelf s , met alle zy ni
eogen, te kort fehieten zoude ?
Dat het Gemeen 'er 7iut van móge trekken , is onzc wenfch, en list
oogwit dat wy 'er in bedoeld hebben. Vaart wel l
* 5
LISTE
EXPLICATION
Des Ablréviatiom^ quife trouvent dans cet ouvrage, & de leur
Signification.
UITLEGGING
J)sr Verkortingen, die in dit Werk voorkómen , en wat ze heduU
den.
(m) Sabftantif mafcnlin.
(f) Subûantif féminin.
(n) Sabûantif neutre,
(adj.) Adjeaif, foit Nom oo Par-
ticipe.
(Pron.) Pronom.
(v. a.) Verbe aôlf.
(v.n.) Verbe neutre.
(v.r.) Verbe réciproqne ou reflé-
chi.
(y. irrég.) Verbe irregulier.
(v.iinperf.) Verbe imperfonnel.
(V. défea.) Verbe défeûif.
(part.) Participe.
(adv.) Adverbe.
(coDJ.) CoDJonâion, on conjonc
tif.
(prép.) Prépofition.
(interj.) Interjeftion.
(Prov.) Proverbe.
(vulg.) Expreflion vulgaire, fami-
lière» populaire, ou baffe.
item^ oo; (point & virgule) déno-
te qu'il fuit une autre fignifi-
cation.
? Point interrogatîf.
I Point admiratif , ou Exclama-
Uon.
Mamglfi zelffiandîg Nfom 'wcord.
f^rouu/elyk zelfflandii Nazm-^otrd»
Onzydig zelfjiandig Niam-woîri.
Byvcegelyk Naam- of Deel wjord.
Voornaam,
Daaieîyk of weriend werkwoord ,
0'^zydfg isferk- wanrj.
fVéJerboorig werk-woord,
Onrégelmaatig werk-woordg,
Onperfoonlyk werk^woorj.
Gebrekkig werk-woord,
Deei-w?ord,
Bywoord.
Koppel-woord y ofby voegende wyze,
Poorxetfel.
Tujfcbem <werpfeî.
{fpr, w.) Spreek-woord.
(gem. Vf.) Gemeen f laag of Jlraat'
taalig <W9ord,
item , of j {fifp en eomma) geeft te
kennen dat *er eene andere beteke-
nis volgt.
? Vraag, teken,
! yerofûnderings* teken of uitroeping^
LISTE
Liste Alphabétique
Des Noms de Baptême en François & Hollandois.
ALPHABETISCHE LYST
Der Doop-naamen in 't Franfch en Duîtfch.
Noms d'HOMMES, Naamen der MANNEN.
Aar on. yfarou,
Abe!. ^b.l.
Ab'-ahaiD. Abraham,
AJatn. ^Jam.
Adolphe. AJo'pbut^ AJo!f.
Adrien. Adriânos, jÉdriaan.
Albert. Albertusy Alber$.
Alphonfe. Alpbjufus.
Aaibroife. Ambrofius»
André, Andréat.
Anfelme. Anfelmut.
Aotoirc. Ambóny.
Arnand. Arnoldut^ Arnold.
Aaguftin. Augüfiinu$,
Aagofte. Aagù,flus.
Au-èle. Anrél.us.
Balthafar. Bahhazar,
Baptifte , on Bâtift*». Batiji,
Barnabe, Barnahas,
Barthélemi. Bartboloméut»
Baudouin. Bcuiewyn.
Benjamin. Benjamin,
Benoît. Bette dWa$,
Eîrnard. Beraardut,
Bertrand. Bertrarh,
Blaife. Blofius.
Boniface. àonifacius.
Ce far. Cefar,
Charles. Carohs , Càrel.
Chriftophe. Chnflopbe^ofCbrifl^ffel.
ChryfoRorr.e. Chryfoflomus,
Ci'aude. Claudiuî»
Ciément. Qlémtnt.
Conftantia. Corf,antinu>î,
Conrade. Conroai.
Corneille. CorKeliui, Cornelis,
Cyrille. Cytllu-.o
Daniel. Daniel.
David. David.
De lis. Dion:Jlu$^ Dsr^yf,
Didier. Dp/iUriut.
Dominique. Dominicus,
Edocard. Edward,
Elîe. SUau
Elifée. FMréu'.
Etienne. Stéfbam'S, Stéphew,
Eftace. Ëflanat.
Ezechias. liêzikiab»
Ezéchiel. Exécbtel.
Ferai and. Fendinanâus » FerdU
ftond.
Frai çois, {lee* Fxanfoa) Framis-
eus y Fratitz.
Frédfric. Frédericusy Frêderik,
Ga;:^riel, Gabriel,
Gautier, ff^uhertis, walrgff WQUterà
George. Georg , Joris.
Gervaife. Gervaas , Servaoi,
Giles. Gillis.
Guillaume, kf^ilbeîmms , v/ilbelma
milem. '
Gailfot. JViUemtje , wlm.
Henri. Hendrikut, Hendrll,
Hercule. Hercules.
Hierome. Hieronymui.
Horace. Horatius,
Hngues. Hugo.
itlltiJy^»''""'?'""'^-
jean. Jjbannes , Jan.
Jeannot. Jatije y btnsjg.
Jérémie. Jernn os.
Jérôme. Hisrcnymus,
Ignace. Ltsatius,
Job. Job.
Jonas. Jonas,
Jo feph Jofepbut , Jofg:b,
Joffe. Jot>fi»
Jofaé. Jofita,
rfaac. Ifàae,
Jule. Julias.
jvilien. Jutidtui,
JuOe. JuJItt.
Lambert. Lambertuf.
Lsnrent. Laurentius^ Laarents,
Léonard. Léonaraust Leendert,
Léopold. Léo[oUuty Léopold,
LeuVs» LCdfo/yk,
Luc.
Xuc. Lviat.
Malachie. Mahebhufl
Mire. Markus,
Ma tin. Msninvs , Martyn.
Matthieu. Mattbéas Matibys,
Maurice. Mauritius, Maurits.
Maximilien. MojnmiliaaB.
Michel. Miebiel.
Moïfe. Mozes,
Néüémie. Nébemias.
Nicolas.-] i^ioioaSyCleas.
Ncole. J '
Noër Noacb.
Olivier. Olivier,
Othon. Otto,
Patrice. Patricius,
Paul. Pauhsy Pool,
Philippe. Pbilippus , FbiVp*
Philipot. Piip^e,
Pierre. Péttus^ Pleur,
Pîei roc. Pietje,
Rémi. Remîgius.
Réaard. Rsinbard.
Rs^racd. Rfinoldt Rehoud.
R-Irhard. Rykcrt.
Robert. Robertvs»
Robichon. Roàbertje,
Rodolphe R-Jo'pbus,
R ger. Riitger.
Salomon. Snlomon,
Samuel. Sa'^uil,
Samfon. Samfon.
Séî-aftien. SêbafiiaaUi Bcfliaoe,
Silvain. Silvàrus.
Siîvift-e. Silvefier,
Sîiréon. Simeon.
Simon. Simon , Symen,
Théodore. Tceodàrsis , Dîsdsrik ,
Uirk,
Thierry. Difk.
Thorras. Tbom/if»
Timothée. Timatbe'ùt,
Tobie. Tobios.
U bain. Urbâmus,
Vdtentîn. f^alemtyn,
Vincent, l^incentiùs,
Za harie. Zacborias,
îvloûis de Femmes, î^aamea der
Vrnuwen,
Abigaïl, Ahigaè'i.
Arathe. j^githa^ Aagt.
A nés. AgmitbOy Agnief,
Alix. Eli.
A ifon. Elfjg,
Âithée. jiifbéa.
Anne, Anna.
Antoinette. A-^ibmîa,
Arabelie. Arabella.
Barbara. Babara^ Berber o
Beatrix. Beatrix.
Biüoite. BsnediSa,
Berthe. Bartba.
Brigiae. Bngitta,
Catherine. La. burina y Katryu,
Catir 1. Kaatje, Keetje ^ kneja»
Cécile. C ici Ja.
Charlotte. Cbarlotta.
Chfiaine. Cbrijüna.
Claire. Ciara ^ KÏaartj^,
Confiance. Confiaadü.
Déboia. Détora,
Diane. Dsâna.
Dorothée. Doroibéa^ Doortje.
Elifabeth. Elizabetb , Lysbet , Lysje,,
Ecarae. Emmefje,
Euher. Hijier.
Fanchon. t'roneynfje f Fransje,
Flore, ^iora.
Françoire. {kes fraDçoafe) Francyn.
Gertrade, Gertruda, Gert>mi,Trm$je.
Goillemette. JVillemyntje,
Hélène. Héléna, Léaa.
Jaqoeline. Jakelyn , Jahmy»,
Jaquette. Jacóba,
Jeanne y Jobanna , Jannetje,
Jeanneton. Jannetje,
Ifabelle. Ifabel.
Judith. JuJiih, JiJJiè,
Julienne. Juiiàsa.
Lucie. Lucia.
Lucrèce. Lvcré/îa,
Madelaine. MagdaléfOf MagdaUeti^
Magtel,
Manon. Mietje, Mârigie,
Margot. Mar grietje.
Marguerite. Har^erita^ Margriet,
Mart ha. Mart ba.
Marie. Maria, Miry^ Marytje.
Matiide. Matiîda.
Nanette , Nanoû , Naacis , Aanaatje,,
Rachel. Racbel.
Rebecca. Rebecca,
Rofe. Roosje.
Sara. Sara.
Sibille. Sibiïîat Sibil, -
Sophie. Sofbia, S9fy.
Saiànne. Swz^nna.
Sofon. SbZamteije, Soeije,
j Théodore. Tteodora.
lUrfaie. Urjuia^ Urjeh
LISTE
Liste Alphabétique*
En François et Hollandois^
De7 Noms des PciU, Filles, Peuples, Mers, Fleuves Rivières,
Détroits^ îles ^ Montagnes, Promontoires^ Vulcams ^c. les plus
remarquables ^ qui différent le plus dans les deux Langues.
Alphabétische Lyst^
In 't Fransch en Néderduitschj
Van de Naamen der Landen , Steden , Volkeren, Stroomen,!
Rivieren, Zee- en Land-engten , Eilanden, Bergen, Kaapen,
vuur -bergen enz. die 't alleraanmerkelykfl zyn , en in
de twee Taaien 't meeft van elkander verfchillen.
De Verkortingen die in déze Lyji voorkómen betekenen^ als volgt.
ATr. Afrika.
A"mer. Amèrlkj'
Az. Azia^ of Aziêé,
B. Berg.
E. o/ Eil. Eiland.
Êar. Puropa,
Gr. Groot.
K. of Koningr. Koningiryt,
L. Land y Landfcbap.
Middel, Z. Middeilandfcbs Zeffe
1^. Noord,
R. of Riv. Rivier.
St. Stadt.
H. at. of Hoofdfl. Hoofd/iadt^
Zee-h, Zes-bânje»,
Zee-ft. Zeefiadt,
Pe Leezer gelieve ook indagtig te zyn, dat ^ om déze Lyfi met geeae om-
noo'ditp woorden te betwaar en , wy vee 'e Naamen die in 't Fr an f eb em 't
Du-trcb bet zelve zyn, of d$e in bet Franfcb met bourg of q eindigen ^ t»
in bet Duiifcb in borg of en veranderen , acbtergehatffn bebbeM>
ÀSt (f) Aa (Naam vsnverfcieUene
Riviertjes in Frieilani , Ove-yjf.l,
Mu^J^rh ZwltferU Pikardié'a enz.
Jiroompndp),
Aar, ff) Aar (R. by Keulen, en in
't KaatQu Bern),
Aberden > (m) Aherdeem (n. ƒ. e%
Z;eb. in Scbotl.).
Abo , (m) Abo (n. H, fi, (» Zee-b,
van Finland).
Abyla, (f) Ah^a {Berg in AfrU
ka),
A Aby»-
±iv AB, AC. AE. àc,
Aöyffinie , ( f; Abijftnièn (^n. L. iu
Ajr.;,
Abyffir ien, ne (m. & f.) Abtffini^r
Aj:JJif»ifibe vrouw.
Acadie , ( f) AcaJièa (n. L. in iV.
^mer.),
Acadien , ne (m. & f.) Acadier ;
Aeadifcbe vrouw.
Ac haïe, (f) Acbayen (ü.L.inGrie-
kenk).
Achaïen, ne (m, & f.) Acbayer;
Aebayifcbe Vrouw.
Açores , (f. pi.) De Aforei (Eil.
in Amer.).
JEgée, (f. ^T/f- Archipel).
iEtot, Etnci 'brandende B. inSieil.),
Afrique, (f) Afrika (n. één der 4
Waereld-deelen).
Africain , ne (m. & f.) Afrikaan -,
Afrikaavfibe vrouut.
Agra, {Ok) Agra (n. fl. ƒ. vaa In-
do/iOB).
Aix , (m) Aix (n. H. 7?. »» Proven-
ce).
Aix lachapelle» (m) Aken (n.vrye
Rykfi. in Duitfcbl. beroemd door
baare Baden).
Albanie , (f) Aibâniem (n. L, in
Turk.).
Albanien, ne (m. fit.) Albanier
enz.
Albe royale, (f) StoeUweiJfenburg
(n.Ji. in Hongar.),
Alcmar» (m) Alkmaar (zeerfraaye
ft, im N. Holt.).
Alexandrie, y^) Alexanéria (Jï. in
Bgypt.).
Alger , (m) Jlgiers (n.Ji. en Koningr.
in Afr.).
Algérien, ne (a, & f.) élgeryn,
Allemagne, (f) Duitfcbîand {n).
Allemand , de (m. & i.) Daitfcber}
Duitfcbe vrouw,
Aloft y (m) Stadt en Graaffcbap
Aam.
Alpes, (f. pi.) De Alpen ofAlpi-
fcbe. Gebergten.
Alface » (f) Elza$ (m, L, in
Duitfcbl).
/imériqne ti f ) Amer ika (n. ééne der
4 waereld- deelen).
Américain , ne (m. & f.) Ameri-
kaan enz.
. AŒfterdaxD> (m) Amfïerdatn of Am-
AN. AP. AR. &c.
Jieiii'im (n. iitnd$ ta H>i.umdy aa»
de Jiuider-zse , uitneemend groot 9
volk'.ryk en pragtigy bandel dry-
v-nde\, zoo te water, ah te Landt
üp alle ffeweflen der waereld y en
vfjer Rykdom en iukontfien ménig
K ningkryk overtreffen).
Anco.ie, (f) Ancona fi. in Ital.).
Ândaîonfie , ( f ) Andalnziè'n (n. L,
in Spanien).
Angers, (m) Angiers (n* in An-
iou).
Angleterre, (f) Engeland (n. K,
en één der grootfie Eil. in de wae»
reld).
Anglois, fe (ta. & f.) Engelfcbttian ,
Engelander ; Engelfcbe vrouw.
Angola , ( f ) Angola ( Rivier i»
Afr.).
Antioche, (f ) Antioebièn {n. fi. im
Syrien).
Anvers, (m) Antwerpen {Gr. Ji. in
Brabant aan defcbelde).
Appennin, {va) 't Appennynfcbe
Gebergte {n. in Ital.).
Arabie , (f ) Arahîè'n (n. Gr. L, im
Azfê'n).
Arabe , (m. & f.) Arabier,
Aranjuez, (m) Lufî-plaatt des Ko-
nings van Spanten.
Archange! , (m) Arcbangel(n, fi. en
Zee-fo. in *t Noorden van Rus-
land).
Atchipel , (ns) Archipel (m. da: ge-
deelte der Middelnnfcbe en andere
Zeeën daar veele Eilandjes by mal-
kander leggen).
Arménie, (f) Arménien (n. L. in
Azien).
Arménien, ne (m. & f.) Arme-
niër enz.
Arnhem, (m) Arnbem {Hof- em
Hoofdfi. van Gelderland).
Arrasi (va) Atrecbt of Arras {n. fi,
in de Néderl.).
Afle , (f) Afia of Aziën (n. een der
4 waereld deelen).
Aûaciqae, (m. & f.) Inwoomder va»
Aziën,
Atturie, (f) Afiurien (n. L. im
Span.).
Athènes, (m) Atbeenem (n. fi. in
Griekenland),
Atlas, (m) Ailas {Berg im Afr.).
Aa»
AU. Bit.
Autriche, {t) Oojierruk (n).
Aatiic ien, ne (m. »Sc f.) Ooflen-
ryker.
Babel M&ndel , (m) De Zee-engte
tujfcbem de rooJd Zte en deu Oce-
aan.
Balcique* oa la Mer balciqne» (f)
De OjJI zee.
Barbarie, (f) Barharyen (n. L. in
Barbare, Moreftn) Barbaar ^ Moor.
Barcelone , (m) Barcelénièfi (n. Gr.
Jî. in Sp.m.).
Bdie, (f) Bâzel{xx.ft. in Zw'tf,).
Bstavie, (f) (n. Gr. Stadt en vef-
ting der Hollanders op 't Üiil.
Java),
Bavière, (f) Beijeren (n. Keur-
VQfJienJ, in DaitfcbL).
Bavarois, fe (ra. & f.) Beycr enz.
Baye, (f) Baai ^ imbam.
Bélem, {m) f^lek en Lujiplaats des
Kónings van Portugal.
Belgrade , (m) Belgrade (n. Turkfcbe
vejiimg in Europa).
Bengale , ( {) Bsngâlen ( K. in
Aziën.
Berbice, (f) De Berbhbe(R,in
Amer.).
Bergen oa Bergue , (m) Bergen (n.
Gr, Koopft. in Norvt.).
Berg-o^.Zoom y (m)Bergen-op'Zoom
(n. Stadt en Vffiing im de Nederig),
Berg faint-vinox ,(10) Winoxbergp.n
{fi. by Dtinkerken.)
Berlin, (m) Berlii (n, Groote en
fraaye Réjtdentiejladt des Kónings
'lan Pruiffen),
Berne, (m) Bern (n,ft. en Kanton
van dien naam in Zwitferl.),
Bifcaye> (f^ Biikaaytn (n. L, in
Span,),
Bohème, (f) Bobeemeu {n, K, in
Emropa),
Bohémien , ne (m, fie f;; 'Bobesmer
enz.
Bois le duc, ouBoldac» (m) 's Her-
tóggnbofcb (n. ft. en vefling in de
Néderl.),
Bologne, (m) Bolóniem (n. Gr, ft.
in Ital.),
Le Bolonez, (m) 't Boloneefche,
Bosnie , ( f) Bosnien (n. in Turk.).
Bosphore (m) De Bofpborut (m. Zee-
engte by KonJiantiMópeJ).
BO. BR. Ba CA. 1^
Boulogne, (f) Buulónje {Gr.fi. im
PtkarJièn).
Le Boalonnois, (m) *t Boulon..
ttcefcóe (d),
Bourilcaax, (m) Boirdeaux of Bir-
deeuws (Gr, Koopfi, in yrankr*),
Bourdelois,(m) i£en vaa B&urdeaax,
Bourgogne, (f) Bourgawien. L. im
l^ravkryk).
Bourp.aignon, ne (m. 5c f.) Bow»
góniè'r enz.
Brabant, (m) Brabant (n).
Brabançon , ne (m. & f.) Brobander
enz.
Brandebourg, fta) Brandenburg {n^
Ki urvorfiendom).
Brandebourgeoia , fe (m. & f.) Bram ■
deaburger,
Breda , (m) Breda (n. Gr. en fraayg
Stadt en fierke vefling indeNéderU}
Bréfil üu Brézil, (m) Braxili&t (n.
Gr, L. in Amerika),
Bretagne, (f) Brittaniè'n Cn. L. im
l^rankr),
Breton, ne (m, Ôc £.) Brittamig^
enz,
Bretagne (La grande) Groop-5n#-
tânien of Engeland en Sèbottand,
Breton , ne (m. & f.) Brit. enz.
Brille (La) Briel (m. Zeeft, ia
Hdll.),
Bragea, Bruggen (n.fl.in Vlaand.X
Bruxelles, ^re/^/ { Hoofd fl. vai
Brab,),
Bode, (m) Bnda of Offea fn.ft, im
Hongar.),
Bulgarie (La grande) (n. BtJgó.
riè'n in Tartariè'n],
Bulgarie (La petite) (n. Bnlgârien
in Turkyen),
Caire, co Ie grand caïre, (m) CoT-
rJ {Hoofdfi, van Egypte uittermaa.
ten groot).
Calabre, (f) Calabriëa {n. L. im
Lal.).
Calais, (m) Calis of Calais (n. Zet^
ft. in 't Kanaal).
Californe, (f) Cdlifirnien (n. L. im
N. Amer.).
Cambrai , (m) Kdmerik (n, fi. im
Vlaond.). ^ •'
Cambréfis , (m) •/ Land mu Kâmerik,
Candie, (f) Candia (Uil.emft. im
de MiddelU Zee)
krL CA. CE. CH. &e.
Çaodiot, te (ra. Öc f.) CânJier enz.
Candy, Candiit {fiadt e» Koningr.
op 't EU. Ceiln).
Canelle (Le Païs de 1») */ Ka
melland (op 't E'l. Ceihn),
Cantorbt^ry , (m) Kantelberg (n. fi.
in Engel i»J;. _
Cao, oa Pforsontoire , (m) Kjop ,
voYgcbergtP of Lan J punt , in zee.
Cap de bo nt; È-pérnnce.fm) fio^p
de goeJe H»jp (de zuidelyte Land
fhnt va» Aj\ ica , inet eene franye
St^t. Kifieel en tvin , de Hol
landlcbe O^Ji- hdifche' Maatfchoppy
t'fhebQO' ot'U , VOO zien , en alwaar
de Ooft I dijcbe Schepen om ver ver-
'ck-.nsi *én anker kömsn),
CArth«gèpe , (m) Cartagêna (n. St.
in Sp'*n. en Amer.)*
Cafr.ieune (La Mer) De Caspijcbe
CafTabie , (f) CaJ/kbiè'â (L. i» Pom-
meren).
Cacalonte , (f. Catahtiiën ( L. in
Spanten),
Catalaii , ne (m. & f.) Catalónier
enz.
Caudebec , (m) Stadt i» Norman-
diè'n , vermaard wegens Hoeden*
CeiUn , (m) CeiÏOH (n. Gr, EU. «
Indie^i},
Chine, (f) Cbina {Gr. Koningr. in
At:sfi).
Chinois , f« (ra. & f.) Chinees enz.
Chrétienté, (f) 't Krijïenryk (n).
Chdl'tophe (vSf.) Sinte Cbrlji~ffsl
(BfL t» Amer»),
Cleves, Kleef {f raaf 9 fl, e» Hsrtag-
dovi).
Cols , (m. pï.) La^^d engten , door
togun (met betrekking tof de Alpi-
fcbe Gebergten).
Cologne, (f) Kuten (n. gr. Koop-
ftait aan den Rhyn)).
Cologne (L'E'caorat de) */ Keur-
vo^fter.iom Keulen.
Confiance , ( f ) Cojlnitz (fi. in
Duitfibl.),
Conftantinople , ff) ConHanttnópel
(zeer groote <■■ o iryke Stadt, en ze-
tel dei Sültau» in Europifcb Tur.
ty?n).
Copenhagne , (m) Eop:enhdgen
(Uooffi. en ii'tel dei Kcningt van
CO CR. C7. DA.
D.^nemarketi » een zeer fraaya ZH'
en Eiandeiplaats).
Cornouaille, (f) Ko^nexval (n. L,
/.i Engeland).
Corfe , (f) Co'^fica (EU. in de Mid-
den Zff).
Corfe, (m- & f.) Corftiaan.
Courcrai , (m) Corttyk (n. Ji, in
Slaand.), ^ „ .
Cracovie , (f) Krokau (Gr. St. l»
Pool). , ^ -
Crpaiie , (f) Croatièn (n. L. iu
Hjngar.).
Croate , na. & f.) Croaat ent
Cypre, (f) CypHën (n. EU, it» ds
Middelt. Zee).
Cypriot , te (tn. & f.) Cypriaan^
Damas, (m) Damascui{n).
Danemarc, (m'*. Denemarken (n).
Danois , fe (m. & f.> Deen enz.
Dinube, (m) De Donau (Gr. Riv.).
Delfc , (m, Delft (tâmelyke groofe ,
fraayc en zinnelyke Stadt in Hol-
land ^ beroemd wegens baare Por»
eeleinf^.oHeksn).
Davis (Détroit de) De firaat Da-
vlds (in Groenland).
Détroit , fm) Zee-engte » firaat , *;
naauM) (aU: te GïhraUar).
Dixmude , (m) DixmuiJea (n. Sf.iia
naand,).
Domingae (St.) St, Domingo Stads
en Etl. in Amer.).
Dordrecht ca Don , (m) Dori:
reek* ofDcrdt (d'ovdfie en eerfiefiesn-
bebtsnde Stadi van Holland f gclé'
gen cp een Eilandje aan de Maas,
bier do Merwêde genaamd ^ tâme-
lyk groot fraai en bandeldryvenJ ,
zeer bekwaam voor de Scbeepvaart ,
hegunfiigd met bet fidpelreebs em
munt . e» beroemd wegens bet Syr.o-
das nkti onal is aldaar gehouden A° .
1618 efióip.)
Douvres , (tn) Doever (n. Si, eu
\ Zee b, iu Eng. in 't kanaal).
Dregde , (m) Dresden (n. Gr, St,
in Sr.r.), ^ ^
Drontheco , (q) Drontbsm (n. Gr,
t. in Nor 'Af.).
Djblin , (n3) Duhin (Hoofdü. en
Zp'' b. van Ierland).
Dd kerqne t (m, DJ^kerkei (n«
Gr. Zee .en taaiêl -plaats i'^ Fr»
Vlaand.}» E«'a-
ECL. EDI. EGL. tScc.
Bclufe , (f) Siuit (J), im ffoll,
Vlaamd.),
^ Ecoffe , ( f) Schotland (n). .
Ecoflbis, fe (m. & f.) Scbotlaader ,
fibof.
Edimboarg, (m) Bdi»h»rg (a.ff.ji.
in ScbotL).
Eglife , (X'Etat de V) De Eer-
kelyke Staat ( die de Paus be-
^ Zit),
^gypte, (f) Egypten(n).
Egyptien, ne (m. & f.) Egypte.
maar.
Elbe, (m) ö* i?/** {R.imDuUfcblX
Ems , (m) Dff £oti (f. R, /.
Duitfcbl,).
^^ckhüfe, (f) Bukbuizenifraaye fi,
»■ iv» aoll.)m
Efcaot, (m) D^ Sc^^W^ (12. /,
Brab.).
Efclavonie, (f) SlavétiUa (n. bv
Hong,), ^ '
Efpagne , (f) Spanièn (n).
Efpaguol , le (m. & ^.) 5po«,'jrJ.
Ethiopie, (f) Maoren-land:
Ethiopien, ne (m. & f.; Btbiopier,
Moor, '
Euphrate, (f) Bupbratss (R, i»
^zièm),
Bxirope,(£) Europa (f. een der 4
waereld-deeten). ^
Fez, (m) iT,^ (^. ^„ iTOT/Bgir. /»
Finlande, (f ) FinloBd (n\
Fmlandois, fe (m. & f.) F/^/öurf^r
of Fin,
Flandre ; (f) riaanderen (n, L, in
de NéderL). ^
Flamand, à^ {m. i. î.) Vlaaming ,
FJeffîngue, (f) VllJJing,^ ( ,g„e
^^j^^l^^';^»(nFiorentie»(n,Gr,fi. i»
'T.?^'^' (Villes) D^ «,^W^^.
FRA. FRI. GAL. <3cc x^/ir
France, (f; ^rj»*ryit (u Gr. Ao-
ningr.).
F/arçois, fe (m. & f.) Franfcb-^
mau etz. '
Francfort far le Me in , Francfort
aam de Mem {eeae gteate Kaopjl,
beroemd wegens baa>e MtJJen),
Francfort far l'oder , Francfort aan
de Oder , {met een' H. fcbool.),
François, (Les îles de St.) De Ei,
landen van St, Framifcus {im
Amer.),
Franconie , ( f ) Frankenfaad ( in
Duitfcbl.), ^
Frife, (f) f^riesland (n, eeee der
7 Prov,).
Frifon, ne (m. & f) rrieübi vrie»
zin,
Fone, ou Fionie, (f) Fuaen (o.£,
^ in Dénem,),
Farne», (m) ^urnsn (n. Vefting in
ylaand.),
Galice, (f) Galicien (L, r» Span.).
dom Wallis (i» SHg.),
Gallois, fe (m. & f.; Walfcb-man
enz, •*
Gand, (m) Gbend (n. fi. $» Staand X
Gafcogoe, (f) Gafiônien (L, in
yraakr,),
Gafcon, ne (m. <Sc f.) Gafconjer
enz.
Gènes, (m) Gênua (n. groote , prag^
fjge e» ryke Koopfiadt^ item Repa^
bliek in Italien),
Génois, fe (m. &. f.) Gênuees enz.
Genève, (f) Stadt en Republiek in
Savoyen aan *t Genéver meer j de
fiadt ts groot , -wel gebouwden ban.
deldryvende in allerlei manufaâuw
^ ren, "'
Genevois, (m) '/ Gebied van Ge^
nêve.
Genevois, fe (m, & f.) Geniver
enz.
Glaciale (La mer) De Eis-x.^e,
Gorcnm , (m) Gorkom of GornUbent
{eene fraaye Stadt en vefiing in
Holland). '' *
Gouda , on "Tergow , (m) Gouda
{Fraai - bebouwde Stadt in Hol-
land en beroemd wegens baare Pyo-
fabrieken gnx,)
** Gothie
sviij GOT. GRE. &c;
Guthi. , if) Uot'fwvt ■■ .>.
•G.ths ,(ai. p\.) (^Ottde G«'l6f».
G èse . ( f ) G-ifkentunJ (n:.
Gr.>c, Grccqae, -m. & f.; Gr/f* 5
Griekjchf f'O.-a».
Giifons (Les), D<j GracWJ^bun
de>'t, ^
Crifons .Xe Païs des) V Graaöw
hunU'lanJ {RefuhUck by en i» v^r
Grotfoiand, (m) Grof^rJard (n).
G oningue. (f) GrJ«;»?.» («rooj^
5*öif en eéne der 7 vereenigdt
Provint ten) f ' , , ,
Gaeldre . (f) Gelder tavd ( n. êen
grs'^t Hmagiom, en eéne der 7
Prov, van Uil.) ^, ^ ,^ ..
Gaeldrois, ie (m. & f.) GüSerJch-
Gaeldres, (f) GeUere» {Jierke vef-
Hsinant, (m; Hénegouwen {L, in de
Néierl), , ^
Ha^bo-arg , iTa)IIamhurg (n. Gr.
^^^- en Handelpl. in NéJ- Saxen).
Hanovre , i f) Banóver (n. Keur
vo^dend}m in Duitfcbl.).
Hanóvrien, ne ca. & fO ff^'o-
ram.
Hi.lem, (m) H^ar'em (G-- fr.taye
e.1 ryke Stadf ia Holland, vol
Fb'i'ien),
Hüy.^ (La) , De Harig of* s Graven.
h.igt{fipn Riront éren vlek of fiidt
in Hxltand , eene kleine rnyl van de
N Jee , vol fcbüjne Geboun-en en
Paleizen , de zetel der Hereuf
Stuaten Generaal mz. waarom bef,
met recht , ge-ioe^nd wori , bet
fraaifte en ptagtigfie vlek van de
voiiereld),
Hécla, (ra) Heela (brandende B?rg
in Eislani),
H-flTe , (f) Be (Ten of Hejfenland
in).
H '(Tien , ne <m. & f.) H^s ; HJft^.
Ho 'lande, (fj HoUard (n. ee-e
Gr.tJ-ffcfyflp in d? Néd^rlnni^n
de grootfie "n 'fraaijie di'r 7 ^^er.
eenigde P'ovintie».^ 'tlo'i'fnéden mei
ver'c'^eiie va.r-'ajre Rivieren en
Kntrtante» , op vopikfrs zyoi»/'^ zleb
vele pragtigp Sféd'^n en Ltiftbaizet
ots ia ecB' Groe^ vtrtisaeB, N3, door
HOL. HON. HOR. &c.
Jé'.'R Nj..m HAland verjiaut men
ook veeltyiii bet gantfche Gemeene'
teji of a-: 7 verè'intgde Lanijibap-
pen , oj in andere woorden de gtf j
beele Republiek 9 of 7 g îi»ie$rde
Provint i en).
Hollande Nord-) ou Weft-frîfe
( f ), Noord Hullofrd of IVeJi- vrtes-
laud (L. aan de ziUder zee waarin
verfcbeids fraaye Steden en vette
vteianden),
Hoi:ar.d.ïis, fe 'm.& f.) HMatdefi
HjHa^dfcbe vtouw.
Holface, (f) H.lfieinin).
Hongrie , (f) Hmgaryen (n).
Hougrois, fe (m. & f.) Hongaar
ene.
Horn, (m) Huorm {Gr. fraaye fi, in
N. HM),
Indes (Les), De Indien,
ïndoftan , ^m) I^dojian (n. Gr. Land
in Qofi indien).
Ingrie, (f) Ingermerland (n» L. i»
Rujland ,
Irlande, (f j Ierland <n. een Etl).
Irïandois , fe (m. & f) lerlander
etiz. "i»
mande , ( f) Tfla^d (fi. Eil in de
N-tee)»
inmdois , fe fm. & f.) Tflander enx^
ine OU Ile, (f) Ben Eiland (n).
Ifpahan, (m) Ifpaban (n. Hoofdffo
van Perztè'n),
Iftbme, (m) Een Land-punt (t}»
I:a ie , ( f ) Italien,
Icaüen, ne (tn. & f.) Italiaaner,
Italiaan. „ , ,
Ivtça, 1 f) Iviea (Stadf en Btland
in Je Middel zee). „., .
Jacraïq je , f ) Jamaica (Gr. Etland
in Amerika). ^ ..
Jipon, (tn) 5^upa» (n. Gr, Keizer^
ryk tn Aièn).
Japonnois, fe (m. & f.) Japonnees
Jernfalem, ''m) Jèrufalemin.Hoofdfl.
ven 't Heilige Ij-^'-d). ^. .
Jocrdaïn , (m; Jordaan (m. RiV- «
Jtiiéer f) Juiêa of 't Joodfcbe Lanâ
in éziè'A). c..«j.\
jaiers, tn) Gti^icb (n. een Stade)
item 't Guli eter land.
KON. LAC. LAG.
Konin^cj i^ , {m, Kont- gée* gen
(n. Gr. Zee- en Hjudeijiadt in
Lac , m I üea Mef^r (n) , als : Ie Uc
a'H«rlem, '/ üaariemmsr AUer
em.
La^iUnes , (f. pi.) Naam die men
gtefi aan de Grogten of Poelen
ujfcben welke l^e^té^ien is teggen'ie,
Leiaen « Leiden (n^ae grootfie btodt
in Hi land uau/i J^mH^rdam j
doorinùditi met fraayp Gr-ijtea en
Sirenen , : ol fraaye Gsbouweh en
Fabrieken , en zeer berosi.-id lam-
S eus baar e H;> ogc- S booi.)
Leii^fiG, (m) Letpxg (n. Gr. St, iu
Ónxem y beroemd wegens baare
H^Q^e Scbuoly eu jaarîykjtbe M s
of Kermis).
Leeuwaarde , T.eettwaarden 'Gr. en
ftaaye Hoofd St. van F'riesiand).
Levant, (m) De Levnt (f;.
L<;vaatin , iue (m. & f,; Bi'woonder
der Levant.
Liban , (m) Liban (m. B. ia A-
Z;è'i).
Lîè^e , (m) Luik {teer groote Koop-
ftadf en Btxfcb.ops zétel) . .
Lé pais 'de Liège, *. Litiker'.atid.
Litgcois> fe m^ Ltiikena.ir enz,
Lille , (f) Ryjfel (n. G-. kojp. en
fh'fd-St, rjan Ft^ l^laxind.),
Lisbonne, ^ f ) LitfaboH [a. ze r
gro'jte em ryke Zee- en Handei-
Siadt in Portugal j de Zé.ei des Kj-
ni»?s.
Lithâaaie, (f) LUtbouwen (n).
Lithcanieiii ne (m. & f.) Lii;büu-
wer.
Livonie^, ( f ) Lyfîand (n).
L.'vonien , ne (m. & f.) Lyfiander.
Livoarne , (f ) Livorno {n. Gr.Zee
en Handelploats in Lciiën),
Lombardie , ( f ) Lombardyen (n. L,
in Itaiièh).
Lo.iibard , de (m. & f.) Lombar-
dier,
.Londrea f (os) Londen of London (n.
;: IloofJfla U van iitt^chind , aan de
R. de Teems , eette der groot/ie fa
' P'olkrykfiü bandel plaatfsn ia Eu-
rop.3).
Lorraiue , ( f} Loibdrhge» (n). -
LOR. LOU. &c. XIX
Lorrain , ne \^ai, àc /.; Latb^n^.
ger,
Locivain , (m) Leuven {Gr.SiaJtmet
een Ho.^ge Scboji in Brabovt).
Madrid , -ySz) Mad id (n. fljifd St,
tK Sioeie»..
Majorque, f; ATi/fl-- ci [EU. en Stadt
i: d-> JYlJJel t.'Zes).
Maiabar , (mj Malabariè'n (n, L,
ia Az . ■ ■
Ml icca , f f ) MaLcca (L, in Az,).
M<ilaiâ ^L?s) , De Ma.cyers {volkin
riz.).
MaUi4Ê-8 , '( m ) Ms!cbe<en , (St. in
Brat.),
lyiiJto, (f) Malt ba {Ei l, in de Mid-
del). Z?e , soebebüorenie aan de
Rddef^ van Sint Jm).
M-. toia, ie (ra. & i.) Mihb'ezer^
M^ïichi , ( f ) 'j Kanaal (n. tuifcbea
-->aï>*'/, en lù*.gl.).
M"rsüie,rf) MaVfihëtt fn. Gr.
Klop en Z^e-St, m de Mtdj.ell.
Z„e'.
M 5? lei 11 ois, fe (m.&f.; Een Mar-
(i'-^aon,
Maftrrcht, (m)' Mja/iricbs {n. fier h
vefting ifi 'Je Néiet4.).
Mïyeuce (L'E eftorac de) 'i Kiür-
vàrj^iHd'tn Mfiott,
Mayèace , (f' Msr.t^ {d; BooffJ.
e» Ziivi d:S Kraru. aan -ien Rbyit},
M^aco, (mj Méaco (n. Gr, oV* in
Mecqae ,(£)Me£ea{Gr^fi.in A^ab.).
MéaiCï-rranéÈ , (fj De Middslhnd-
fcbe Zee of ft raat,
Mihün , (m) Meemn {n, St. i»
f l tand.).
M-af:^, (£) De Maat {Ri»,),
MvKiqua, (f) Mixicii (n. Gr. L. im
Ame:,).
Middeiboarg , (m'> Mid^ebur,^ 'n,
H}ofJ St. Man^ Z sland i'^ 't RiU
t^alcbsrea, is groot wsl bffbonwd
e^ ijer handel dryveti,
Mi'^an, (m) Miian (Ji. en L. iu
hal.).
M'.'anois. fe (n3. & f.) MPneezer,
Miianeg ;L^) 't M't>-i«ifc^>i'
M.aorque, (f) MuO'caif^iU ^« *
MtdJeli. Zie .
Miq-jeiets, \Le8} Naf''-i di& jmen
* * 2 «*^/»
ixxii SUR. SYR, TAM. &c.
Snri' ax'C , (f) Si*rn%aam i. eu vo,k-
plamhg '» jdner),
Syrie , ( f) Sjrièm (n. L. <a Tsr*.).
Tamife, (fj De Theems {K, ta
Eagl.).
Tanger, (m) Tj^g^fr (n.y?. ^« ^ar-
Tàrtarie , (f ^ Tartaryèi (n).
Tdoraa , {m, Taurut (Gebergte tm ^t.).
Tervére , (f) Terveer vS;. Ja
Tharingaer<f) Tburingen{L. its O.).
TiDr€ ^Le) De Tyfr^r (Gr. R. ia
lal.).
Tilbourg , (m) Tilbarg (G. ea fraai
vlek , til bol\andfcb Brab.),
Totol OU Tobolfca, Tobohko (n.
Hoofd/i» van Sibérien daar df
rvffifc'be Ballingen naar toe gebonden
wcr-Jsn).
Tofcane, (f) Tofkaanen ( L.
Ital.),
Tofcan , (m. &f.) Bçm Tofkajn.
Tcurnây , (m) Doormk ( n.
J/'laand.).
Tracülvanie, (f) Zevenbergen,
Tranfilvain, ne (tn. & f.) ^^t;^»-
Trèvea, Trier {Gr. fi» en Kearv.r-
JienJom),
Triiöe, (f) Tr/V^ (n.Ji. es zee b.
in Lal.).
Tripoli , ( •*) Trtpoli (Gr, fi* en
kiein Koniagr, in Afrika y eenRoof-
nefi).
Tripolitain , ne (m. & f.) Tripoli-
taan.
Tanis , (m) Tunis {Gr. Stadt en
k'ein Kmingr. in Jlfr. efn Ro'^fnefl).
Tanitien, ns <'m. & f.) Tunitiaan.
Turquie, (f) Turkten.
Toe, turcque (m. & f.) Turk snz.
Utrecht, (m) Utre(bt (Hoofdfi. en
éè» der 7 Holl. Prov. dl- S tait is
groot en aa-zienlyk ^ en btfft e ene
vermaarde B. School.)*
in
in
VAN. VAR. VAU. &c..
Vala^hie, [ f, h^aia^b e.i (..).
Va.aque , (ii». & f.) Walak
Vatdaies, ^Les) De wenden (zéker
oud ^olk).
Varfovie , ( f) Warfcbau (Gr. S.adt
in Poolen).
Vaudois, Les') De irsidenzen,
Vfccre. (Zte T^rvére;.
Ve^ife, (f) /^eȎiien (eene Stadff
Hertogdom en Republiek in Italien,
df Stadt is gebcutvd op meer Jan
70 BilcindjeSf zser groot , progt/g
en rykj.
Venetien , ne '"m. & f.> Venêtioan»
Verfailles , yerfaljes <pragttge Ltiji-
paati des Ko*ings van Frankryk),
Vibocrg, (m) Wyburg (fi. in Juu
land).
Vienne, (f) Vienne (fi.i^Vrankr.),
V-ieone, (f) JVeenen (Hoofdfi. in
Oofienryk de xét^l des R. Ketzers ,
^ zeer groot en fierk).
Virginie, (f) t^trginiën (L. in
.iivier.).
Viftule, (f) De Weixel (R. in Poo-
len).
Wefel . (m) ff^ézel {ft. aan den Ne^
dpr-kbyr>).
Weft^haiie , { f) Wejipbaalen (L. in
Daitfcbi ).
W*rft,,halien , ne (p) IV.fipbaaïer.
Weteraviei (f) De Weitercu (L,
»« D.)
Woïga , (Le) De ivolga (f. Gr. Riv,
in Rèjljnd).
Ypres, {To) Iperen{n.Gr,ft.inVf.),
Yflel , (n>) TJfei (Riv. in Hall.).
Zélande , ( f) Zeeland (n. eene- der
7 Verëenigde Provintiën , gelegen
aan de N. Zee y beroemd wegens
baar e Meekrappen).
Zélandois, fe ra. & ?.) P^en Zee-
- landt r of Zeeuw.
Zuiderzee , Een Zéê-boezem van de
N. Zee, by Amftetdam.
DICTION-
Pag. i
NOUVEAU
DICTIONNAIRE
FRANÇOIS ET HOLLANDOI&
A (m) A. (f) T>e eerfte Letter
• van bet A.B,Qt un bon A ,
éene goede A; il ne fait ni A , ni
tS, hy kent geen A voor een B^ hy
is een weetniet; il n'en à pas fait
une panfe d'A, by beeft 'er niets
aangedaan, (Spr. w.)
A. getskent met een (Accent gra-
ve * ) zwaar klankteken , is een Artikel
den Dativtts aanduidende , als : à
moi, aan myn-, à la Femme , aan
de f^rouw i à eux , 'aan hun i à qui
eft cette maifon ? wiens buis is dit?
à Monfieur A , van den Heer A', ^\
qui appartient ce livre ? wien hoort
dit boek toe? à moi, aan my.
A. is een Voor zet zei ( PrepoCttion)
als ."aller à Paris , naar Parys gaan}
demeorer à la Campagne , op het
Land woonen î il eft à l'Eglife , by
vi in de -Kerk ; à naidi , te middag ;
à minuit , te middernacht j à de-
tnain, regens morgen i à l'enfeigne
du lion rouge, tn 't iv apen van de
roode leeuw, à trois heures, ten
drie Uuren ; à trois jours de là >
drie dagen daar na , à vingt
lieues d'ici ^twintig mylen van hier-,
à deux doigts de la terre , t^vee
vwger breed van den^rondy à la fa-
veur de la nuit y onder begunjîiging
der nacbf, à ce prix là , tot die
prysi à raifon de fix pour cent ,
ttgens zes ten honderd.
irJet woQrd-lfgJje ( Particule ) A ,
word ook gebruikt in plaats vdn fieâ
f^oorzetzet avec, ppurj als mede oni
aan te wyzen waar toe iets gebrttikfi
word; ook bywoordelyk (Adverbiale—
leraent) om de manier ert hoedanig-*
held van iets aan te duiden j als ; bâ-
tir à Chaux & à Sable, met Kalk
eit Zand bouwen', travailler à 1 ai-
guille , met de naald werken ; ui»
pót à l'eau , een water-pot ; un mou-
lin à vent, een wind -molen; une
chailè à bras, een armjïoel; un©
boite à fuiïl « een tinteldoos 5 ua
tonneau à vin, een fFyn-vati di»
bois à brûler s brandhout', du drap
à fond d'or j laken met «en goude
grond i un carofle à fix chevaux *
een koets met zes paerden', c'eft ua
homme à carofle , het is een matt
die een koets /)Ottcf; travailler à Is
chandelle by de kaars werken i
peindre à l'huile ou « huile, met
oîy -verf Schilderen', on le fit déchi-
rer à des lions , men deed bgm
door leeuwen verfcheüren ; avoir une
un ducat à trois a een ducaat met
zig drién hebben ; deux à deux , twe&
aan twee; apprendre unö chofe al
fond , iets in de grcnd If eren; ap-^'
prendre à lire , leeren ieezen; c'efl
à vous à jouer, het is uw heurt en*
te fpeelen j à bon marohé , goecf
koop; à genoux, knielende; vêtu à
la mode françoife, gekleed na de
franfike mode;k l'épreuve du mous-
& ABA. I
qaet , heftafid ^-oor een fnaphaan-
fchoot'f un maître à danfer , een
dans - meejïer ; un homme à tout
faire , (PH man tot alles bekwaam ',
neaf à dix raille, omtrem negen of
tien duizend', à tort , ten onrechte ,
à rebours , verkeerd ; à la hâte ,
metter haajl, in der yl *, à l'étour-
die, cttbezonnen'f à mefureqoe, na
maatea dat', à grand' peine, ^Tiet
groote moeite -, pied à pied , i'oet
voor voet ; à merveille , ivonderlyk
tvet, à cela près, op dat na', à di-
re le vrni,o«z de^vaarhetd t:^ zeggen.
A. zonder toonteeken is de derde
perfoon , des tegenwoordigen tyds , van
de ' aantoonende VL'yzs des behutpzaa-
Kien iverhvoords > avoir , hebben ', als :
il a, by heeft.
Hier toe behoord het onperfoanlyk
nverkivoord, il y a> daar is f daar
:zyn', il y avoit, il y eut ,daar
ivas f daar waren j enz. Combien y
a t-ü, hoe lang is het geleden^', il y
a dix ans, tien jaaren-, combien de
lieues y a t-il d'ici à^ Paris ? koe
ver is Pat y s van hier^ il y a près
de cent lieoës , hyna honderd mylen.
Abaifle ^ (f}De cmderjie korji van
wen 'pajlei , of taart,
AbtifTé, ée (adj.) Ne êr gelaat en ,
verootmoedigd , vernederd,
Abai£"5ment , (m) Vernedering y
verootmoediging ? ( f) abailTemcnt de
courage , moedeloosheid.
AbaiiTer , ( v. a. ) Neêrlaaten , laa-
ger maaken , verootmoedigen ; abais-
fer un pont levis » eetie brug neer-
iaate» ; sibaiiTer une muraille de
deux piéz , een muur twee voet taa-
ger maaken; Dieu abaifle les or-
gueilleux, God vernederd dt Hoog-
moedigen; s'abaiffer » (v< r.) Zig
vernederen , laager worden ; l'eau
s'abaiiTe , het vjater valt; Ie vent
s'abaifle , de wind bedaard , gaat
ieggen.
AbaifTeur, (m) Spier daar bet
QÇg mede gejloofea word,
AbaloHrdir > ( zie Abafourdir ).
Abandon, (ra) i^erlaating; (f)
1'abandon des biens du monde >
de verlaating der waereldfcbe goede-
ren ; à l'abiijidon^ in 't wild f tsü
ABA.
prooi; laiffer fes enfans à l'aban-
don, zyne kinderen in 't wild laaten
loopen.
Abandonné , ée ( adj. ) Verlacten ;
abandonné des médecins, vc» de
geneesbeeren opgegeven.
Abandonné", (m) Een'cngebon^
den- ) overgegeven , ondeugend menfch.
Abandonnée ,( f) Straat-hoer , .-ii-
lemans-hoer.
Abandonnement , ^m) -Verlac'
ting ; orgebondenbeid ( f).
Abandonner , (v. a.) Verlaatcn ^
opgeeven, overïaaten; n'abandonnez
pas les étriers , {Spr. w.) laat u
belang niet vaarm', s'abandonner,
(v. r. ) à fes paflions, zyne driften y
harts-tochten opvolgen ;s'at5andonner
aa defcifpoir , z;g aüti de wanhoop
overgùven.
Abaque, (m) Het dekjiitk van het
kapitpfl eener zuil; reekentaf At je der
Ouden ( n ).
Abafourdir ,( v, s. ) Eahorig maa-
ken {beter Etourdir).
- Abâtardir, (v. a.) Doer, ontaar-
den , bederven -, s'abâtardir , ( V. r. )
ontaarden , bederven.
Abàtardiflement , (m) Verder-
ving; abàtardiflement des mœurs,
verbafiering der zgedm ( deze 3 woor^
den verouderen).
Abat-faim , (m) Eeri groot Jiufi
Vieefch ( n ).
Abat- jour , (m) Val -licht, koB'
koek 9 Kelder-vengjler (n).
Abattage, (m) Hakloon; het neir"
vellen van Èoomen ( n ).
Abattant, (m) Een ilind , luik,
neêrjlaand Ven ^ fier ( n).
Abattée , ( f ) De windvatting vaa
een Scbtp.
Abattement , (ta)VerJlaagetitheidy
moedeloosheid, matheid; neérwerping
(f) cette nouvelle le mît dans l'a-
battement , dfe tyding floeg hem
gantfch ter neêr.
Abatteur , ( m ') Iemand die neêr-
werpt , ter neêr maakt , omver-bakt ;
grand abatteur de bois, ^roo;^ ke'
gel werper ; zwetzer , opfnyder.
Abattis, (m) Een boop neerge-
velde dingen ,puip/fQOp; afvol "van ge*
flacbtf teeflin^
Abattre ,
ABA. ABB. ABC.
Abattre , ( v. a. & n. ) Neérwer-
pen , neérvellen , omverhahken , af-
jflauKy verzwakken; Ja pluie abat ie
vent , de regen doed de^wind leggen ;
abattre de la vraie route, de'rech-
fv Jh-eck niet houden ; Ie vaifTeaa
abat, het fchip dryfi af; abattre
un raifîeau , een öcbip doen bel
len , om te kielhaa'en; petite pluïe
abat grand vent , een kleine re-
gen flild een grooie wind , ef een
goed woord vtnd efn goede plaats ;
(^pr. w.) abattre le cuir d'un
Bœuf, een Os de buid af haaien ; a-
baltre le caquet , de moud [noereu;
abattre les rideaux , de Gordynen
laaten vallen ; abattre bien du bois ,
ve,l zaaken afdoen , vrcl Kegels wer-
pen, {Spr. w.) s'abattre, (v. r. )
Neervallen , bezzi-yken ; la chaleur
S*a.ba.t f de hit 'e vermitiderd -fion che-
val s'ell abattu fous lui , zyn paerd
is cnder hem ter necrgeflcri ; l'oifeau
s'abat , de vogel fïr'ykî ; il ne s'a-
bat peint dans le mal heur, /jy îaat
in ramp-fpoed den moed met zinken;
le navire s'abat, het fchip word an-
kerloos , valt af.
Abattu , ue (adj.) Qmgehouwen ,
neergeworpen , gejîecht ; verootmoe-
digt , neêi'Jlacbtig.
Abattures, (f. pi.) Struiken die
het Hert ter ne ér treed.
Abat-vent , (m ) fVindfcherm]{n)
tnat om de gewaffen voor fcherpewm-
den te dekken; (f) afdak in Je galm -
gaaten van een klokken- tooren.
Abbatial, aie (adj.) Het Peen tot
Gen Abt of den Abdye behoord {Lees
Jibhacial).
Abbaye , ( m ) Een Abdye.
Abbé, (m) Een Abt; Ie moine j
répond comme 1'abbé chante, ge-\
lyk de ouden zingen zoo piepen de jan-
gen; (Spr.w.) on vous attendra
comme les moines 1'abbé, men zat
al eetende naar u ivagtrn-
AbbelTe , f f) Een Âbdiffe,
ABC , ( m ) Een ABC, of Alpha-
bet, een ABC. hoek; (n) renvoyer,
quelcun à l'a, b, c, iemand voor]
een weetniet houden. Î
Ahcès , ( m] Een ^wefr C f) Effgr-
! ABD.ABE. ABH. ABI. 3
Abdicatie II , f. AJjiand (m>
neerlegging , verlaat ing.
Abdiqué, éc (a-Jj.) Neergelegd ^
afgeflaan.
Abdiquer , (v. a. ) Neerleggen.^
zlg ontjlaan ; ce Prince fut on-
traint d'abdiquer le Royaume, rf>>
l^orfl wierd genoodzaakt bet Ryk af
te leggen.
Abdomen, (m) (Lat. w.) DeTi^
onderbuik.
Abdufteur, (m) Spier daar een.
lid mede gedraaid word.
Abécédaire , ( ra; Een A. B. C."
Schoolier.
Abécher ou Abequer , (v. a.)
^azen.
A bée » ( f ) Schilt waar door het iva"
fer op het molen rad loopt (n)*
Abeille, (f) Honingbye,
Abequer , ( v. a. ) Een f^ogel aa^
Zen , voeden.
Aberration , f f) Afwyking (itz
S t er r enk. ).
Abêti, ie (ad). Dom gemaakt.
Abêtir, (v. a. ) Beejiachtig , dom
maaken; s'abêtir, (v. r ) Beefiacb"
tig dom voordien,
Ab hoc & ab hac , {Lat. w.) Zon-^
der onderfcheid.
Abhorré ,ée { adj. ) l^eraffchutvwd^
Abhorrer, (v. a.) Affchuuw heb-
ten; abhorrer le vice ,van ondeugcf
een afkeer he hen ; s'abhorrer foi
même, zig zelfs ver foei jen.
Abigeat , (m) f^ee-dtevery ^ (£)
( in rechten).
Abjeft , te , (adj.) Gering , rer-
acht-elyk; metier abjeél , ver acht e lyk.
ambacht ; être d'une naifTance bas-
fe & abjefte , van geringe geboorte
zyn; fentimens bas & d\i]e(ks,laage
gevoelens. ( Lees abjét )
Abjefltion, (f> t^ernedering , ver^
afhtelyke Jïaat ; vivre dans la der-
nière abjedion, in de grootJJe ver-
achting leeven.
Abime, (n) z/^ Abyme.
Ab-inteftat, Héritier ab-inteftat,
natuur lyke erfgenaam.
Abjuration, (f) Ajzweering,ver^
zaak ing.
Abjuré, ée (adj») Fenaakt, af.
gcZwQoren^
A 2 Ak-
4 ABÏ. ABL. ABN. ABO-
Abjurer , (v. ü.)JJzv;eeren,jer-
Uocbenen, verzaaken-, elle a abjuré
tout fentiment de pudeur & ver-
tu , zy beeft aile gevoel vanfcbaam-
H en deugd verzaakt.
Ablatif, {m) De TVegneemer.of
zesde naamval der dechnatie , ofbut-
''Ible ou Ablette, (m) ^itvifth,
Ableret, (m) ^ruitnet (n) om
kleine J^ifcb te vangen.
Abloc, (m) Grondjleen) voet on-
der ee% Gebouw»
Abluer,(v. a.) Laver une an-
eienne écriture, pour la faire re-
vivre , een gefchrift u/ajfcben.
Ablution , ( f ) JVaffchin^ , remt-
tint, (in de R. Kerk gebruikt).
Abnégation , ( f) rerloocbenwg,
tverzaaktngi abnégation de Toi mê-
me , zelfi verloocbenifigvanzynelu[îcn.
Aboi, Cm) Geblaf, gebas van een
kond» ^
Aboiement, (.m) Blaffing,
Aboier , (v. a,) Zie Aboyer. •
Abois ,(m. pi.) Zieltooging ,laat/te
ademtocht i({) être aux abois, ziV/-
foogen , in doods benaauwdhetd zyn ;
mettre fes ennemis aux abois ,2y«^
vymiden in de uiterp verlegenheid
krengen»
Aboli, ie (adj.) Vernietigdi af-
gefchaft.
Abolir, (v. a.) Femtetigen^ ver-
feeven; le tems a aboli plufieurs
ouvrage* des anciens , de tyd heeft
9eelé werken der ouden doen verkoren
gaan f abolir une loi» une coutu-
me , eene %et y eene gewoonte af-
fcbaffen. ^_ , ^
AboliOement', (no) Jffchaff.ng,
vernietiging^ (f)
Abolition , ( f ) Vernietiging , ver-
griffenis ^ kwytffheldtng ; demander
l'abolition d'un impôt, de affchaf-
fng van eene belajling eijfcben; il a
«û l'abolition de fon crime» zyn
misdaad is bem vergeeveu.
Abominable, (adj,) Gruwelyk.
Abominablement , ( adj .) Op eene
gruwelyke wyze.
Abomination > (f) Gruwel, af-
Jéhuivelykbtid,
ABO.
Abominer , (v. a.) Verfieijfl
(oud, w)
Abondamment, (adj.) Overvloi*
diglyk.
Abondance , ( f ) Overvloed , ( m ).'
Abondant, ante, (adj.) Over»
vloedig', d'abondant, (adv.) Daar
en bêven (in rechten).
Abonder, (v. n.) în overvloed
zyn-, abonder en fon fens, ixiaau^
"^yfi eigenwys zyn.
Abonné , ée (adj.) Vcrdraagea,
m verdrag getreeden.
Abonnement , (m) Verdrag^ ac^
eoord, (n).
Abonner , ( v. n. ) Verpachten , een
verdrag aangaan j s'abonner , (v. r.)
s'abonner avec un Chapelier, Cor-
donnier, &c. met een Hoeden-ma'
ker. Schoenmaker enz, een verdrag aan-
gaan , boe veel Hoeden , Schoenen bin*
»en zekeren tyd te leveren.
Abonni, ie (adj.) Verbeterd ^be*
ter geworden.
Abonnir, ( v. a. ) Verbeteren y ten
halven laat en droogen (by Pottebak-
kers)', s'abonnir, (v. r. ) beter y
deugdzaamer wtrden i}e vin s'abon-
nir par Ie temps , de wyn word
metter tyd beeter.)
Abord 5 (m) Jankomfî , toegang,
ff) voorkomen y à notre abord nous
fûmes attaquez, by onze aankomjl
wierden wy aangevallen; avoir l'a-
bord galant, een vriendelyk voorko-
men hebben; il a l'abord difficile ,
by is niet gemakkelyk tefpreeken,
d'Abord , (adv.) Terflond, în den
eerjîen aanvang ; d'abord que , zot
ras aïs ; tout d'abord , terjîovd.
Abordable , (adj.) Toegankelyk , ge-
naakbaar.
Abordage » ( m ) ^anklamping ,
entering , overzeiling , ( f )
Abordé, ée (adj.) Aangeland,
Aborder, (v-a.) Aanlanden ,aan'
koomen ; tot iemand naâiren ; abor-
der un VaifTeau , een Schip aan-
klampen ; over ze il en.
Abornement , ( ra ) Grens - bepa-^
ling (f).
Aborner , (v. a.) Bepaalen , grens-
paaien zetten.
Abortif , ive (adj.) Qt}tydig,ftKx\t
abQT'
ABO. ABR.
ftbörtif , onvotwajjen vrucht j enfant
abortif , ktnJ dat voor de tyd geboo-
ren word.
Abouchement » {m) Mondeling
gefprek, vereeniging ^fzaamenkowien,
in-
Aboucher, (v. a.) Iemand met een
ander in gefprek doen koomen; s'abou-
cher , met iemand mondgefprek hou-
den,
Abonquement , (m) Byvoeging van
nieuw op oud zout (f).
Abouquer , (v. a.) Nieuw zout op
be9 0ude leggen,
About , (m) Stop/luk aan 't einde
vati een boei-plank of huid van een Schip,
Aboaté , (adj.) Word gezegd in
Wapenk. van vier Hermelyn vellen ,
die kruiswyze op eikanderen leggen.
Aboutir , (v. a.) ^anpaalen , met
ten kant of fpits ergens aanraaken ,
aangrenzen ^ uitlaopen ; tout cela n'a-
bdutit qu'a me faire du mal, dit
Jîrekt nergens toe dan om my kwaad
f e- doen ; aboutir en pointe , fpits
toeloopen ; je ne fki ou aboutira
tout ceci , ik weet niet waar dit ol-
ies op uithoornen zal,
Aboutiflant , ante (ad]') aangren-
zende.
Aboutiflant, (m) Grenspaal-, fa-
voir les tenants & les aboutiflants
d'one affaire 4 alles wat aan een
zaak vajl is w'eeten.
AboutiflTement , (m) aangezet jiuky
ff lap; rypwordtng van een zweer.
Aboyant , ante (adj.) Blaffende.
Aboyer, (V. n.) Blaffen^ baffen,
keffen, lajleren , fchelden ; aboyer a-
prèfi quelque chofe, ergens vieng-
lyk naar verlangen; aboyer à la lu-
ne , tegens de maan blaffen (Spr. w.)
van iemand fpreeken die men niet fcba-
den kan , te vergeefs iets bejiaan,
Aboyeur, (m) Blaffer.
Abrégé, ée (adj.) f^erkort.
Abrégé , (m) Kort begrip , uittrek-
fel,(n) en abrégé , (adv.) in 't' kort.
Abrègement , (m) l^erkorting , ( f)
Abréger , (v. z.)Verknrten , inkrim-
pen; cette traverfe abrège le che-
min , die dwarsweg fnyd af; la de-
"bauche abrège les jours, de «ver-
ef(iad verkgrt bet kevt»%
ABR. ABS. s
Abréviateur, (m) yerkorter vcm
een Boek.
Abréviation , ( f) Letter^rtlaei'^
ting i verkorttng; écrire par abré-
Tiation , met verkorting fchryven,
Abréviature, (f) Verkorting.
Abreivé, ée (adj.) Gedrenkt, be^
vogtigd; tout le monde en eft a-
brenvé , een ydtr is 'er van onderricht.
Abreuver , (y. a.) naar de drinkt
plaats leiden, wateren', bevochtigen %
doortrekken ; bekend maaken , verwit-
tigen; grond verwen; abreuver la
terre, de aarde bevochtigen; ii en
abreuvera tout le monde, hy zat
het door de gantfche waereld rugtbaar
maaken; abreuver fon efprit des
fciences, zyn geeji met wetenfchap^
pen vervullen.
Abreuvoir, (m) Drinkplaats voor
Be effen.
Abri, (m) Schuilplaats, (f) zon*-
nefcherm , ( n ) opperwal , veilige
ree , ( f) être à l'abri , onder buts-
dak zyn; à l'abri des infultes, be-
dekt voor aanval , overlafi ; un hom-
me fans abri, c'efl un oîfeau fans
nid, een menfcb zonder fchuilptaats ^
is een vogel zonder neji , (Spr. w.)
Abricot, (m) Âbricoos , (f).
Abricotier, (m) Abricoos-boom.
Abrier,(v.a.)/^or regen of wind
bedekken , (by tuinl.)
Abrité , óe (adj.) Bedekt , (va*
vruchten gezegt).
Abrivent , (m) Windfcherm , (n).
Abrogation , ( f) Jffchaffing van
een wet of gewoonte.
Abrogé, ée (adj.) Af gefch aft, ver-
nietigd.
Abroger, (v. a.) Jffchaffpn,ver^'
nietige» , abroger un édit, een ge-
bod affchajfen.
Abrotone, (f) Averoue, (zeker
kruid).
Abruti, ie (^dj.) B eeft acht i g ge-
maakt.
Abrutir , (v a.) iemand beefach-
tig maaken; Ie vin l'a abruti, de
wyn heeft hem van zyn verjiand be-
roofd ; s'abrutir, (v. r.) onvernuftig»
dom worden.
Abrntiffement , (na) Gr90te dom-
heid ^ heejiagtigbeicft
A 3 Abfeft"
6 ABS.
Abfence, (f) . jueezigheid, ver-
iviUering y verjirojijing der zinnen y
of gedachten.
Abfem , ente ( adj.) Jfweizigj les
able'.cfont toujours tort, d'fii/uvi?-
Zf£e krygen altoos de fcbuld , (6fr. iv.)
s'Able liter, (v. r.) ^'chttrtlyven,
ergens van daan blyven; il fut obli-
gé «le s'abfenter de ia ville , hy
wierd genoodzaakt de jïad te rmmen.
Abüiiche, (f, Alzem-kruidy ( n )
vin d'abfinthe , alzem ivyu j il
adoucit toutes nos abfmthes , hy
verzacht , ah onze droefheid y ver-
driet , ongenoegen.
Abfolu , uë (adj.) OnafhangeÏyk;
commander d'un ton abfolu » met
macht gebieden; un Roi ablolu , een
onafhangelyk Koning.
Abfoiument , (adv.) Onafhange-
lyk y voljirektelyk i cela eft ablolu-
luent neceflaire , dat is ten ^enen-
maal noodfaakelyk,
Abfolution , (f) Fryfpraak , ver-
gijfenis van Zonden {in de R. Kerk
gebr. )
Abfolutoire , (adj.) Sentence
abfolacoire 9 vryfpreekend 'vcnnis.
Abforbé , ée (adj.) Opgepkt ,
verflonden.
Abforber, (v, a.) Opjïokken , op-
fiurpen; fes débauches ablarbent
tout fon bien, zyne brajjeryen -ver-
fAnden al zyn goed', la mer abfor-
bé Jes rivières, dg zee furpt de
rivier tn in.
Abfoudre, (v. a.) rryfpreeken -,
or.tjlaan.
Abfous , Abfoute, (adj.) Vry-
gefprooh'n > onfc huldig- "vry - ver-
klaard.
Abfoute , (f) Vry-verkïaaringvan
Sponden.
Abllérae , (ra) Een die geen wyn
drinkt.
S'Abftenir, (v. r.) Zig fpeentn y
orthouden , rj^n eeten en dnnhen
ivachtm; zig hoeden -, s'abftenir de
juger , zyn oordeel opfchorten.
Abilergent, ente (adj.) Zuive-
ret:d y reinigend.
Abltergent , (m) Zuiver etid middel.
(n)
Abfterger, (v. a.) Zuiveren ^ rei-
nigen, (in tleel-k.)
ABS. ABU. ABY.
Abireriif, ive (adj.) ..fvpegend,
Abilerûon , ' f j Zuivering. .
Abftinence ■> ( f ) Onthouding , maa"
tigheid in eeten of drir.ken.
Abllinent, ente ijsià\.) Maatig i»
fpys en drank.
Abftraftion , (f ) ^fi rekking , of-
zondering '■jan de g-- dachten.
Abftraire , (v. a.) aftrekken , af-
zonderen,
Aiiflrait, aite (adj.) afgetrokken,
afgezonderd , overnatuurkundig ; pen-
fées abftraices , diepzinnige gedach',
ten. -
Abflrus , ufe (adj.) Verhor getf^
duifier y diepzinnig.
Abfurde, (adj.) Ongerymd y be-
lachclyk.
Abfurdement , (adv.) Ongerymd'
lyk.
Abfurdïté, (f) Ongerymdheid.
Abfynche , (f) Zie Aijfinthe.
Abt;s, (m) Misbruik, (n) misjlag
(f) misverfïandy bedrog; (n) c'eft
un abus de labourer une terre fé-
che, htt is vruchteloos een dorre
grond te behouwen.
Abafé, ée (adj.) Misbruikt ; be-
droo^en.
Abu fer, (v, a.) Verleiden y bedrie-
gen; Abufer, en ufer mai , (v. n.)
Misbruiken , misduiden ; abufer de
fon pouvoir, zyn magt m.sbruiken',
s'abufer , (v. r.) ztg vergijfen , mis-
reekencn ; fi je ne n'abufe y indien ■
ik tny niet en bednege.
Abufeur , (ta) Verleider y bedrieger.
AbuCf, ive (adj.) Oneigentlyk y
valfch; terme abufif , verkeerde uit'
d ukking.
Abalivement, (sidv,) Misleidend ^
valjcbelyk.
Abu ter , (v. n.) Werpen , flaan ,
ivie bet eerfie fpeclen zal.
Abyme, (m) jifgrcnd y Helle; (f)
'/ midden vaneen fchild {in wapen-k.);
(n) être précipité du faîte de la^
gloire dans l'abyme do néant »
van een verheven fi aat plot zeling neé -
gtjîooten voorden; être abiœé de det-
tes , tot de oor en t9e in fcbulden
zitteti.
Abynaé, ée (adj.) Vergaan, wr-
Aby-
ABY. ACA. ACC.
Abymer , ( v. a. & n.) In 't ver^
é erf floot en -j verdelgen \ s'abymer ,
{y. r.) vergaan , zig ergens diep in be-
geven.
Acabit , (m) GoeJe of hvaade eî-
genfcbap cener 'ivucht ^ {£),
Académickn , (m) Lid van de
academie.
Académie, (f) Hosge fchooï , ry
fcbool; fcherm-fchool ; plaats ahvaar
gemecnclyk geJpeelJ zvorJ; 'genood'
(chap der geleerden.
Académique , (adj.) Academijchn
Académi<iuement, (adv.) wlcade-
tnifch.
Académille , ( m ) Een die op de
ry'fchool gaat.
Acanthe , ( f) Beerenklaauw , (ze-
ker kruid.)
Acariâtre , (adj.) S tyf koppig ,
hoofdig.
Acaufe , (prep.) Ter oorzaake', à
caufe que , om dat.
Accablant, ante (adj.) Droevig-,
moeielyk.
Accablé , ée (adj.) Overladen yover-
Jielpt ; accablé de triftefTe f van
droefheid overladen.
Accablement , (m) f^erdriet ; har:-
Zeer, (n) verdrukking, overlaading., (f).
Accabler , ( v. a. ) Overtaaden ,
overflelpen , verdrukken , bedrlven-,
être accablé de trldefTe , van droef-
heid overflelpt zyn; être acchblé de
faveurs , met gmijlen «verlaaden zyn ;
s'accabler d'affaires j zig met zaa-
ken overtaaden.
S'Accagnarder > (V, n,) Een vad-
zig , ondeugend leven leiden , flempem-
pen (gem..w.).
Accaparement, (m) Het opkoopen
en brengen van ivaaren van de e ene
markt naar de andere , om ze met
meer voordeel aldaar te verkoopm.
Accaparer, (v. a.) IVaaren vein
d» eene markt naar de andere bren-
gen , door vuile winzucht.
Accaremcnt, (m) Het hooren van
getuigen tegen e^nen befcbuldigd^n ,
(inrechten) (n).
Accarer , (v, a.) Getuigen tegen
eenenbefchuldigden booren , {inrecbten).
Accaftiliage, (m) Bak en fcha-.^s
'aan een fcbip.
ACC. 7
Accaaillé , ée (adj.) VaifTeau ac-
ctftillé , Sehip dat mef Jcbans en bak
ii voorzien.
Accéder, (v. n.) Tot eene vethn'
tcnis toetreeden , daar in deel neemen,
Accéleratif, ive(adj.) ^irbat/-
teiid.
Accélération , ( f) l^erhaafiing.
Accélérer , (v. z.) Eene zaak
voortdryven , voortzetten , verhaafïen,
Accen:, (ra) Toon -reken. Geluid'
teeken f (n) accent aigu , grave >
circonflexe, een fcherp , zwaar ,
omgeboogen geluid- teken y avoir bon
ou mauvais accent , goede of kivaa-
de uitfpraak hebben ; poufier de fu-
nèbres accens , rou-jü - geluid aatt~
heffen.
Accentuer, (v# a.) Het toon' te-
ken Jleilen.
Acceptable , (adj.) Aanneemelyk.
Acceptant , aute ( m & f ) u^att-
neerner , aanncemjîer.
Acceptation , ( f ) Aanneeming.
Accepté, ée (adj.) .Aangenomen.
Accepter , (v. a.) Aanneemen , ont-
fangen ; j'accepte les conditions
que vous me propofez , ik neem die
voorwaarden > die *gy my voorjlcld ,
aan.
Acceptear, (m) Aanneeiner ; il
aime mieux être l'accepteur que
le donneur, hy ii liever de aannee-
mer ah geever.
Acceptilation , ( î)Kwytfcbelding,
(in recbten).
Acception , ( f ) Aanrieemir.g ;aah-
zien ', fana acception ds Pérlbnnes,
zonder aanzien van Perfoonen , ce
mot a pluüeurs acceptions , dit
iL-aord heeft verfchiide beteekeniffen.
Accès , (m) Toegang , a.mval, aan^
komfl; (f) cliateau de difficile ac-
cès, plaats van een moeijelyke toe-
gang; accès de fièvre , aanvat van
'koorts; accès de folie, gekke hui.
Acceffible , (adj.) Genaakbaaf,
toegangelyk ; cette plac« n 'efl pas
accefljble , die plaats is niet te ge-
naakeo \ homme qui eil acc»fiîbie ,
een man die vriendelyk is .
Acceffion, (f) AcceflSan au trô-
ne , icwM/? tot dm throoM,
Acceffoirc ? ( ni 3c idj.) Aati-
A 4 *«'*'f •
$ ACC. I
tang fel f fftêift,gevoigi(n) mfiM- !
digheid, ( f) ce n'en ell qu'un ac-
ceffoire, dit is 'er maar een aan-
iangfel van ', la chofe n'eft qu'ac-
ceflbire , de zaak is maar byvoeglyk.
Accident , (m) Toeval , ongeluk ,
(n) ramp', (f) par accident, by
geval.
Accidentel , elle^adj.) Toevallig.
Accidentellement ? ( adv. ) Toe-
wal lig! y k , by geval.
Accife, (f) Belqfling op deWyn,
Bt^ryenz. frauder 1'accife , /woi-
keleft.
Acclamation , (f) ToejuiefMng.
Acclamper , (v. a. ) AcTclamper
un mât , een majl met wangen vajier
rnaaken.
Accointa nee , ( f X Omgang , ver-
kiezing y (oud U').
s'Accointer, (v. r.) Met iemand
Z'riendfchap maaken , {oud w.)
Accoifement , (m) Stillii^g ,
(oud w.)
Accoifer , (v. a,) Stillen y ver-
-zacht en y {oud w.)
AccöUade, (f) Omhelzen -^ don-
ner 1'accollade , Ridder paan -, ac-
collade, txvee Konynen aan 't fpit
gebonden.
Accollé , ée (adj.) Met een hals-
band voorzien y (in ÏVapen k.)
AccoUer , (v. a.) Omhelzen y om-
armen ; tivee Konynen aan 't fpit bin-
der., om te braad n ; accbller la
feotte à qaelcun , iemand zeer onder-
danig groeten , {Spr. vo.)
Accoilure , ( f) Een Stroo-band ,
(m).
Accoromodable, (adj.) Infchikke-
lyky dat by te leggen ts; cette affai-
re eft acconuTiodable , die zaak is
te vereffenen.
Accommodage , (m) Het gereed
tnaaken van fpys ; het opmaake» van
fen Parutk , (n).
Accoiïimoüanc, ante (adj.) Ge-
rief.yk y toegeevendy c'eft un efprît
accommodant j het is een infchikke-
lyk menfch.
Accommodation , ( f) Verdrag y
'i'prgelyky (nj.
Accorarnoaé, ée {^(\}^} Opgetooid ^
ACC.
Accommodement, (m) Gemak,
gerief y (n) verbetering , bevrediging ,
(f) verdrag y (n) il eft homme
d'acconiHiodemeiiL, by is een man
die ligt te verzoenen is ; trouver un
accommodement , een middel tot
verdrag vinden; Ie meilleur procès
ne vaut pas le plus mauvais ac-
commodement , een maager verdrag
ts beeter als een vet procès y {Spr. w.)
Accommoder , (v. a.) Opcieren-,
dienjlîg zyn; behaageni overeen bren-
gen, jchikken bevreedigen; mishande-
len y afrojfen ; accommoder un mai-
fon y een huis opcieren ; cet hérita-
ge m'accomnoode fort , die erffenis
komt my heel wel; accommoder un
different, een gefehil by leggen; il
ne l'a pas mal accommodé , hy beeft
hem ivakker afgerojl ; pouvea vous
m'accommoder de cela , kond gy
my daar mede gerieven ; s'accom-
moder , (v. r. ) zig opfchikken ; zyn
gemak neemen ; zig bevreedigen ; s'ac-
comm.der au teras , zig naar de
tyd fchikken; je ne m'accommode
point de cette maniere de vivre,
dte levens -wys JJaat my niet aan.
Accompagnateur, (ta) Een die
de generale bas fpeeîdy {in muftcq.)
Accompagné , ée (adj.) Vergezeld,
Accompagnement , (m) Verzel-
ling y Stoet y { £) aile de pronkjlukken
aan een Wapen-fchild.
Accompagner, (f. a.) Verzeilen;
de algemeene Bas fpeelen ; {in muftcq.)
la vieillefTe eft sccompagnée de
beaucoup d'infirmités, de ouderdom
is vceleU zwaki^eden onderworpen.
Accompli , ie (adj.) Volmaakt,
voleindigd, voltrokken , vervuld ; Prin-
ce accompli , volmaakt Vorjl.
Accomplir , (v. a.) Volbrengen ,
volvoeren y voltrekken ; accomplir fes
promefles, zyne beloften naarkomen.
Accompli iFement , (m) Vcltooi-
jingy voltrekking y vervulling y (f).
Accon , (m) Zeker fcbuit met een
platte bodem , ( f )
Accoquinan£,ante (adj.) Vie ac-
cocuinante, vadfige levens-wyze.
Accoquiner , (v. a.) Iemand er-
gens aan gevuenneny vadjig en ondeu.-^
"rend mciak^n-f s'accoqainer, (v. r.)
s'ac-
ACC.
al*accoquin«r au jeu , heet of bet
fpeelen worden.
Accord , ( m ) Qvereevjiemming \,
toejlemming , beivflliging , (f) ver-
drag, (n) j'en fuis i. 'accord avec
lui , tk ben het met bem eens; met-
tre d'adcord, te vreede flellen; je
fuis de cous bons accords , i* ben
gereed te doen al xvat de andere w/7-
/f«; accord de voix, d'inftrumens ,
isel-îuidendheid indejiem offpeehui-
geny tout d'un accord, eenpaarig-
tyk; d'accord, ik heb 'er niets tegen.
Accordable , (adj .) Uat ergens aan
poj^; vergunbaar, toejiaanbaar .
Accordailles , (t. pi. ) Hwwelyk-
fcheVoorzvaarden , (è^r^r Fiançailles)
Accordant, ante (adj.) Iwwtlh-
gendj overeenjlemmend.
Accorde , Bevel 't geen men aan
de roeijers geeft om gelyiaan teroeijen.
Accoraé, ée (adj.) Toegejiaan;
lerloofd; bevredigd.
Accordé, ée (m & f) Verloofde
bruidegom , brutd.
Accorder, (v. a.) Verkenen, toe-
Jlemmen î hevreedigen ; vereenigen ;
accorder une fiUe en matiage à
quelcun , een dochter aan iemaitd
ten huwelyk geeven ; accorder un
inftruinent , eenffeeltuig flellen ; ac-
corder , gdyk aanroeiien -, ( zee-v/. )
s'accorder , (v. r.) malkanderen ver-
fJaan ; ils accordent comiae chiens
& chaLS , zy leeven als katten en
honden-, kunnen malkanderen niet ver-
ffaan , (fpr. 'uf.)
1, Accordoir , (m) Steïhamertjef voor
een orgel of clavecirr.bel^
Accords, (f. pl.j Scboorea , Jiut-
ten, (zee-vü.)
Accorer , ( v. a. ) Qnderfïuttea ,
f c boor er, , (zee-v;.)
Accornéjée (adj.) Geboorud, {in
JVapen-k.)
Ace o re , te (adj.) Vriendelyk ,
beufch , beleefd j behendig , (ottd iv.)
Accorteméut , (aëv.) Beleefdelyk ,
{oud iv.)
Accortife , ( f) Heufchheïd, beleefd-
heid, (çucî w.)
Accöit-^bie , (adj.) Vricndelyk,
fpraakzaam.
Accoüf ; ée (adj.) genaderd.
ACC. 9
Accofter , (v. a.) Tot iemand na-
deren om hem te fpreeken ; aanlan-
den , (gem. w.) 8'acoofter, (v. r. )
saccolter de quelcun , zig by ie-
tnand vervoegen , met iemand gemeen-
fcbap maaken.
Accotar, (m) Schan-dek ,pot-dek ^
{zee w.)
Accote-pot, (m) Een pot-dekzel.
Accotter, (v. a.) ou s'accotter,
(▼. r.) Steunen, leunen , flutten.
Accottoir , (m) Steun , flut ,fchoor.
Accouchée , ( f ) Kraam-vrowu/ .
Accouchement , (ra) Kraam-btvjl-
Ung,{£)
Accoucher , (v. n. & a.) /« dt
kraam koomen;een vrouzv tn het krn^
derbaaren helpen.
Accoucheur , (m) Vroedmeefîer,
Accoucheufe , ( f) Vroedvrouiv,
Accouder , (v. n.) Met de elleboog
Ofiderfîennen ; S'accouder 9 (v. r.) op
de eUeboogen leunen.
Accoudoir, (ra) Steunzel ,{n) leun;
fchoorbalk , {in Bomv-k.) , (m)
Accouple , ( f ) Koppel band dey
jacht-honden , (m)
Accouplement, (m) Koppeling j
paar ing, { f)
Accoupler, (v. a.) t* Zamenbin^
den , koppelen , paar en j ces perfon-
nes font mal accouplées , die lieden
zyn kwalyk gepaard ; s'accoupler,
(v. r. ) zig zamenvoegen , zig paa-
l'en i les animaux ne s'accouplent
qu'en de certaines faifons , de die"
ren paaren alleen op zekere tyden.
Accourci,ie (adj.) Gekort, verk.rt.
Accourcir, (v. a.) Korten, korter
maaken; s'accourcir, (v. n.) Korter
ivorden; les jours s'accourciflent ,
de dagen korten.
Accourcifleraent, (m) Verkorting^
Accourir , (v. -n.) Toeloopen , toe^
fchieten.
Accourfie , (f) Gang langs de
kiel , van de voor- naar de achter-
fie even . {zee vc.)
Accouru, ue (adj.) Toegetoopen,
Accoufiner, (v. a.) Neef noemen^
{gem. w.)
Accoutrement , (m) Tooifel, (n>
opfcbik , [boert, w.)
Accoutrer , (y, a.) Toefielien , op-
10 ACC.
tooijeitf kleedcn, toctaakelett', teijle-
rerif mishandelen; havenen, (koen. en
gem. w.)
Accoutummce > (f) Aanwendzeli
(n) gewoonte (£) {oud w.)
Accoutumé, ée (adj.) Gewend y
gewoon .
à l 'Accoutumée , (adj.) Naar gc~
woont e.
Accoutamer, (v. a.) Gewennen ^
aanwenr.eu.
s'Accoutumer, (v. r.) ^ig ge-
wennen,
Accouvé, ée (adj,) Die in het
hoekje van den haart ledig zit , lui.
Accravanter. (v. £.) Verjtlettfi-
ren , {ov.d w.).
Accréditer , (v. a.) In aanzien
hrefigen , roem doen 'vtr^vcrven,
s'Accréditer , ( v. r. ) Zig gezien
en geacht maaken.
Àccretion, (f) Aangroeijing (in
geneesk.).
Accroc , (m) Scheur in een kleed;
hinderpaal.
Accroche ? ( f ) Beletzelj (n) /;/«-
demis , ( f ).
Accrocheraent , (ra) Aanhaaking ^
entering^ (£),
Accrocher > (v. a.) Aanhaaken ,
fcheuren ; verhinderen j aanklampen ;
enteren; bellefiJie & joiéchante ro-
be trouve toujours qui l'accroche'.
Mooi je meisjes en gefchenrde kleederen
lyden rjeel aanjîoot ^ (fpr. ai'.).
Accroire , faire accroire , (v. n.)
tpys maaken , iets doen gelooven ;
s'en faire accroire j IF'aanwys) laat'
dunkend zyn,
Accroifî'ement , (ca) Aavgroeîjing
( f ) vermeerdering.
Accroître, (v. a.) Fermeerderen ^
toeneemen.
s'Accroitre, (v. r.) AamvaJJen ,
zig uitbretden; s'accroitre en hon-
neur & en richeiles , in eer en ryk'
dommen toeneemen.
Accroupi , îe (adj.) il porte
, d'azur au Lion accroupi d'or,
Uy voert een leggende goûde Leemv
bp een blaaazv veld ^ (iii wci^enk.).
s'Accroupir, (v. r.) Ncêrhuîken.
AccroupiCtmcnt, (m) Neêrhuik-
ki:jg,if).
ACC. ACE.
Accru, uë (adj.) Vermeerderd ,
toegenomen.
Accrue, (î) Vermeerdering^ aan'
was van hand.
Accueil, (m) Onthaal (n) bejege-
ning (f).
Accuelli, ie (adj.) Onthaald.
Accueillir, (v, a.) Onthaalen,
ontfangen f bejegenen,
Accul , (riï) Naauwe plaats daar
men niet uit kan komen , ( f; item het
binnenjle van eene baai.
Acculé , ée (adj.) In een boek ge-
Jiti'jwdf gedreven ; cheval acculé >
Jîeigerend Paerd , ( in a^apenk. )
Acculer , (v. a.) Voortfinuwen , in
een hoek dryven ; acculer l'ennemi ,
de vyand bezetten ; s'acculer j (v. r.)
zig met den rug ergens tegen aanzetten.
Acculs, (m. pi,) Vos- das-hooien.
Accumulation , (f) Cp hooping ,
opjïapeling.
Accumuler, (v. a«) Vergaderen y
ophoopen.
Accüfable , (adj.) Dat te befchut-
digen is.
Accufateur, (m) Aanklaajer , be-
fchuldiger , aanbrenger.
Accufatif , (m) De befchuldiger of
Accufativus , ^de naamval der bui»
ging, (infpraakk.)
Accufation, (f) Befchuldiging, be-
tichting.
Accufatoire, (adj.) Iets dat ie-
fchuldigd,
Accufötrice, (f) Befchuldigjler ^
aanbrengjler.
AccuTé, ée (adj.) Befchuldigd,
aangeklaagd f beticht. .
AcGufé, ée (ra & f) Befchuldig-
de , aangeklaagde.
Accu fer, (v, a.) Befchuldigen ,
aanklaagen, betichten; a ecu fer la
receptfon d'une lettre de change,
den ontfang van een nvijfelbrief berich"
ten; accufer fon jeu , zynjpel ont-
dekken; s'accufer foi-mca:e, ztg
zelve» befcbuldigen.
Acenfé , ée (adj. ) In pacht geno-
men i verhuurd ; gehuurd.
Aceniement , (m) Verpachting , (f),
Acenfer , (v. «,) In pacht geeven^
verhuur en.
Acenfes, (f, pi.) Pacht-goederen.
Acei-
ACE. ACH.
Acerbe, (a j.) ff^rreJ , wraKff.
Acéré, ée (adj.) rerjiaald-, cou-
teau bieii acéré , mes Jat welfny^,
Acércr, ( v. a.) l'zer Vfrjlaalen.
Acertainer, (v. a.) f^erzekeren,
overtuigen.
Ac, turn, (m) Jlzyn ^ {Lat. w,
in chym. ).
Ach^ifonner, (y^ a. ) Kwellen y
(oudiv.)
Achalandé , ée (aiu]*)ff^el beklant.
Achaiander , (v. a.) Kalanten ,
neering aanbrengen j s'achalander ,
(v. r.) kalunten beginnen te krygen;
cettt fille ell forc achalandée , Jw
juffer lyd teel aanjloot.
' Acharné , ée (adj.) f^erivoed , bloed-
gierig.
Acharnement , (m) Greettge aan^
val op eenig aas , verzvoeaheid.
Acharner, (r. a.) Roofvogels tot
vleefcb eeten gewennen ; aanhitzen ,
tergen -y s'acharner, (v. r.) greetig-
lyk op eenig aas of tets anders vallen j
zig tegen maikunderen verbitteren 5
op iemand verwoed worden.
AchaL, (m) Koop, iets dat ge-
hokt is.
Ache , ( f) Eppe , (zeker kruid).
Ac hees, (m) Wormen tot aas voor
Fijch.
Achement , ( m ) Helm-dei, ( in
Wapen-k.)
Acheminé , ée (adj.) Begonnen,
aan de gang ; cette affaire eil bieü
acheminée, de zaak is wel aange-
legd ; un cheval acheminé , een
^aerd dat half bereden is.
Acheininernent , (m) aanleiding,
(f) middel out ergens toe te ger ar-
ken (n)
Acheminer, (v. a.) ^an de gang
helpen ; s'acheminer , (v. r.) de reis
aanneemeti, zig haajlen; il s'ache-
mine vers ia. chute , hy naderd tot
zyn ofidergang
Acheté , ée (adj.) Gekogt.
Acheter, (v. a.) Koopen; ache-
ter chèrement un petit plaifir , t-i-H
klein vermaak zeer duur betaaleo.
Acheteur , (m) Kocper.
Achevé , ée (adj.) l^ohindigdy vol-
maakt , volvoer J i c'eü. un homme
achevé, het is een volmaakt menfch}
ACÎLACI.ACO.ACQ. ii
c'efl un fou achevé^ het is een vol-
jlage gek.
Achèvement , (m) Voleindiging y
voltooi jing\ ( f)
Achever, (v. a.) Voleir.den , vol-
trekken , voltooijen ,volmaaken > ache-
ver de boire ceia , drirékt dat uit$
achevez de faire quelque chofe ,
iets afdoen; s'achever, (v. r.) ten
einde loopen; zig van kant helpen',
zig vol drinken.
Achcppement , (m) Ergernis ,(£}
hindrrpaal , ftruikelblok ; (m) pierre
d'achoppemtiit 5 JJeen des aanjicots,
Acide , (adj.) Zuur , fcherp ; aci-
de i (m) zimrigheïd , wrangheid..
Acidité , ( f) Zuurigheid.
Aci'iuler, (v. a.) Drank met zutu
re vochten vermengen , (;w genees-k.)
Acier, (m.) Staal, (n)
Acoint,inte (adj.) Gemeenzaam^
(oud w.)
Acolyte, (m) Geejlelyke oppajfer,
kaarfen aanjieeker by het ulltaar.
Aconce , (m) Een jongeling van
buitengewoone fchoonheid.
Aconit, (m) IVolfswortel , aconyty
(zeker vergiftig kr.)
Acoullique, (adj.) Nerf acoufti-
que , zenuw van het oor ; remèdes
acouftiques, gehoormiddelen.
Acquêt eur , ( m ; eurt , eufe , ( f)
Ferkryger , verwerver , verkrygerin.
Acquéri , (v. a.) i^erkrygen, be-
koa.ncn , erlangen , aanwinnen; s'nor-
quérir, (v. r.) voor z:g zelven vei-
krygen; s'acquérir des amis, z/jj
vrienden niaaken.
Acquêt , (m) herkregen goed, (n)
ivinpfif) il n'eft fi bel acquêt que
don , gegeeven goed is bejï.
Acquêtcr, (v.SL.) Verwerven, aan
zig brengen.
Acquiercement5(ni) Toejlemming,
bewilliging , berujUng.
AcquieYcer, (v. n .) ToeJIaatJ,
irrwiiligen , goedkeuren; acquiefcer à
la fenience , in het votmis berujien.
Acquis , (m) f-Wkregen kennis ,we^
tenfcbap, goederen,
Acqu:3 , fe (adj.) Verkregen,
Acquiûtion , ( f) Ver kry ging ^ver-^
werving.
Aeqöit, (m) Kwyt-fcbeldlng, (f\
n ACQ. ACR. ACT.
acquit de domne y toleedul -, acqait
à caotion , quitantie onder borgtogt-,
par manière d'acquit , ter loops ,
nveîjiaanshalven.
Acquitté, ée (adj.) Betaald, vol-
daan , gekweeten.
Acquitter, (v. a.) Betaah»,vol-
éoen i s'acquitter , (v. r.) s'acquit-
ter de fa promeiTe; de fon de-
voir, zyn beloften houden; zig van
zyn pligt kwyten.
Acre , (adj.) Scherp , bytend.
Acre , (m) j4kker ; een morgen tand.
Acreté , ( f) Scherpheid.
Acrimonie, (f) Scherpheid.
Acrocome ? ( m ) Een die lange
hairen heeft.
Acrofliche, (m) Naamdicht^ (n)
Acroteres, (m. pi.) Ptedejial tnet
frituren op de gevel y vorjien op een
dak -y voorgebergte.
A(fle, (ra) Daad, (f) 'juerk, be-
dry f, (n) handeling, { f) fchrift dat
voor een beamptfchryver is gemaakt ,
<n) .
Adeur, ( ra ) Toneel-fchouwburg-
fpeeler -, uitvoerder ,bej} ierder van\eeni-
ge zaak.
Adif,ive (adj.) Werkzaam yfnel,
voortvannJe , vlytig; verbe adlif,
bedryvend uerkwoord, ( in fpraak-k.)
Adioti , (f) Beweeging, drift,
éaad, handeling , zaak , aanfpraak j
l'aélion qai a mîs fin à la campa-
gne à écé des plus vigoureufes,
bet treffen waar mede de veldtogt een
einde genomen heeft is van de hevig-
fïe geweefi; afltions d'un orateur,
gebaar dens van een redenaar '^ inten-
ter aAion contre quelcun , iemand
gerechtelyk aanklaagen.
Aftionnaire, (m) Een die aandeel
heeft in een maatfchappy van koop-
baniet.
Aftionné , ée (adj.) In rechten be-
trokken.
Aftionner , (v. a.) In rechten be-
trek ketr.
Aftionnifte , (m) Bezitter van eeni-
ge aSie.
Aftivement , (adv.) Daaielyk ,
üverkelyk , tedryvelyk.
Afti V ité , r f ) ÏÏ^erkRüSj^iU , v/y-
fi'keidf vlti^beid.
ACT.ADA.ADE.ADH.&c.
Aftrice , ( f ) Toneel-fchouwburg-
fpeeljler»
Aftuel , elle (adj.) Daadelyk.
Aftnellement , (adv.) Inderdaad,
waarlyk ; thans , na ter tyd»
Acutangle , (m) Scherpe j hoek y
(in Landm. *.)
Adage , (m) Spreekwoord y (n) zi».
fpreuk.
Adaptation, (f) ToepaJJing.
Adapté , ée (adj .) Toegepc^.
Adapter, (v. a.) Toepaffen.
Addition, (f) Optelling, ver-
meerderingy {f)byvoegzely aanhang-
zei, (n)
Additionné, ée (adj.) Opgeteld.
Additionner , (v. a. ) Optellen^
op cy ff er en , tot een brengen.
' Addufteur , (adj.) Sp'xer om een
lid mede te beweegen,
Adduftion, {t) Beweeging , aan-
voering.
Ademption, , (f) Herroeping; a-
demption d'un legs, intrekking van
een legaat,
Adent, (m) Burghaak ,-(by tim-
merl. )
Adepte , (m) Goudmaker , die de
Jieen der wyzen meend gevor^en te
hebben .
Adextré , ée (aij.) ^an de rechter
zyde v^in het fchild Jiaande.
Adhérence , ( f) Aanhanging ,aan-
kleeving.
Adhérent, ente (adj.) Aanban^
gende , aankleevende.
Adhérent, (ra) Aa7jhanger.
Adhérer, (v. a.) Aankleev en , toe-
flaan , bewilligen.
Adhéfion, (f) Aanhechting, aan-
kleeving.
Adjacent, ente (adj.) Aangren-
zende.
Adjedif, (adj.)Nom adjeftif , èy-
voeglyk naamwoord, {in fpraak-k.)
Adjedtion, (f) Byvoeging.
Adje£kivement,(adv.) Byvoeglyk.
Adieu, (adv.) Vaarwel, God be-
waare u ; dire adieu au monde,
der waereld vaarwel zeggen ; fi vouS
fréquentez trop vos amis , adieu
l'étude, indien gy uzve vrienden te
veel bezoekt , is hei met de oeffening g^e-
daati', fais adieu ; tst weerziens ^
adieu
ADI. ADM.
adiea paniers vendanges font faî-
tes, mojlaard na de maattyd^ ifp^'
w.) adieu va ! overjlaag , in Gods
naam ! {zee w.)
Adjoindre , (v. a.) Byvoegen.
Adjoint, (m) Metgezel, adjunû,
^yzitter.
Adjoints , (m, pi.) Omjlandigbe-
den,byvoegfeU; les adjoints oa cir-
conftances d'une afifaire, ailes wat
Man een zaak vaft is.
Adjonaion, (f) Byvoeging.
Adipeux, eufe (adj.) Pet, (in
heel-A.)
Adirer , (v.a.) yerliezen, verleg-
gen -, des papiers adirez, verlegen
papieren,
Adicion , (f) Aanvaarding van
een erffenis , (/« rechten)
Adjudicataire , (m) Iemand die
iets van den Rechter toegeweezen is.
Adiudicatif, ive (adj.) Toewyzend.
Ad/'idication-, (f) Toewyzing in
het recht.
Adjugé, ée (adj.) Toegeweezen»
Adjuger, (v. a.) Toewyzen.
Adjuration, (f) Bezweering.
Adjurer, (v. a.) In Gods naam
J^ezweeren.
Admettre , (v. a.) Ontfangen , to3-
laten , toegang geeven.
Adminicule, (m) Hulpmiddel om
iets te bevuyzen , {in rechten) (n)
Adrainiftrateur, (m) Bedienaar,
9pzichïer, Bewindhebber.
Adminiftration , (f) Bediening.
Adminiftratrice, (f) Bejîierjîer.
Adminiftrer, (v. a) Bedienen, be-
Jïieren , bet bewind hebben.
Adnairable , (adj.) JVonderlyk , ver-
wonderend -, il fait un terne admi-
rable , het is fchoon weer.
Admirablement , (adv.) Wonder-
baarlyk j il joue admirablement,
hy fpeelt heel wel.
Admirateur, (m) Verwonderaar,
fryzer.
Admiratif, ive (adj.) Ver-
Wonderend; point admiratif, ver-
wondcrings-teeken , (in fpraak-k.)
Admiration, (f) Verwonde-
ring , ofgeroogtnheid; ravir tout le
monde en admiration , de geheele
w<9«yv/(»' in vcruQndering brengen.
, ÀDM. ADO. xi
Admirer, (v. a.) Ergens verbaasè .
vertMonderd over zyn', s'admirer foi
même , veel met zig zelven «p hebbefit^
Admis, ife (adj.) Toegelaten,
Admiffible , (adj.) jîanneetntlyki
dat door den beugel kan.
Admiûîon, (f) Toelaat ing, •
Admittation, (m) Toelaater,
Admodiateur , (m) Een Pacbfef\
Admodiation, ( f) Verpachting^
Admodier, (v. a.) Verpachten.
Admonêter, (v. a.) Vermaanetti
aanmaanen, bejiraffen.
Admoniteur, (m) Vermaaner.
Admonition , ( f ) fVaarfcbuuwingf,
bejiraffing.
Admonitrice , ( f) Bejiraffler,
Adolefcence,(f ) Jongelingfchap^
dès Tadolefcence , van der jeugd
af aan.
Adolefcent, ente (m & f) Jo»*
geltna ; jonge dochter.
Adfonique , ( adj . ) Adonifcb , ( b^
Latynfcbe Dicht, gebezigd)
Adonis, (m) Een zeer fchoowf^
Jongeling.
Adonifé, ée (adj.) Opgecterd^
Adonifer, (r. a.) Oppronken y ap^
eieren; s'adonifer , (v. v.) ztg (^
fchikken.
Adonné , ée (adj.) Genegen ; adon^
né au vin , genegen tot wyn.
s'Adonner, (v. r.) ^ig aan iets'.
overgeven -, Ie vent s'adonne , de winé
ruimd , {zee w.)
Adopté, ée (adj.) Aangenoomen^
Adopter, (v. a.) Voor zyn zona
of dochter aanneemen; adopter let
œuvres d'autrui , zig een aj^era^
werk toeeigenen.
Adoptif, ive (adj.) fils adoptif^
fille adopti-ye , Aanger.oonren zoon q^
dochter.
Adoption , (f) Verzoening, aan-
neeming tot kinderen.
Adorable, (adj.) Aanbiddelyk ,
aunb iddens waard i o- .
Adorateur , (m) AoKbidder, min^
njar , een die temand liefde toedraagd-
Adoration, (f) Aanbidding , e^r^
hewyzir.7. *
Adoré, ée {^à'i") j^ang^ebeeden.
Adorer, fv. a.) ASnbtdden, eet
hewyzen^ liefhthhen; cette mère a-
dai9
Î4 ADO. ADR.
dore fes enfans, die moeder ts mal
jfiet haar kinderen ; il adore jusques
aux défauts de fe.s anîis, hy ver-
heft zelfs de gebreken zyner vrienden;
adorer le veau d'or, eenen omvaar-
digen eerbiedigen ^ ifp^- ''^•)
Ados 9 (m) Schuins opgrhoopte aar-
de tegen een muur , {in Land-b.)
AdofTé, ée (adj.) '^4et den rug te-
gen malkanderen fïaande of leggende ,
{in Wapen~k.)
AdOiTer, (v- a.) Het eene trgen
het andere aan zetten ; s'adofler ,
^. r.) zig met den rug ergens tegen
aan zetten.
Adouber, (v. a.) Herjl ell en -, flop-
pen ; als : rioolen , e/7z.
Adouci, ie (adj.) Verzacht.
Adoucir, (v. a.) l^erzacbten ^ver-
zoeten , Jlillen ^bevredigen , maatigen';
Ja fievre eft adoucie , de koorts is
verminderd ; adoucir le Ton d'une
trompette ,fi?/' kïank van een trompet
broeken ; s'adoucir , (v. r.) zoeter
ivorden , verzachten.
AdoucifTantjante (adj.) Verzacht
tend.
. AdoucîfTement, {m) Verzachting^
verzoning , ( f)
. AdoucifTeur , (m) Glas-Jlyper-
Adoué , (adj.) Gepaard^ gekoppeld ,
{van Patryzen gezegd)
i Adpacres, il eft allé ad patres,
hy is naar de oudvaders gegaan ; g?-
Jlorven ■) {Lat. iv.)
■ Ad reffant, (ad j.)Z)<^f tebejïellen t%.
Ad re (Te, (f) Opfchrift op een brief
efpak -ybejïelplaan ; bericht om iemand
te vinden (n) ; handigheid , behendig-
heid , vernuft^ fchranderbeid ^ voor-
zichtigheid}, tour d'adréfTe , ^ot/?-
greep , gaauivigheid met de handen.
Adrs;ré,ée (adj.) RefteU .bezorgd.
Adrerrer, (v. a ) Bezeilen ;zàres-
fer un livre à quelcun, een bo^k
aan iemand opdragen ; adrefTer fes
prières à Dîeu, zyn gebed tot God
ri^ en; adrefTer, ( v. n.) mikken.^
aanleg^^n; s'adreiTer, (v. r.) s'a-
drefTer à quelcun, zig by iemand
vervoegen ; iemand aanranden , aan-
tajlen.
"Adrogition > (f) Soort vofj aan-
veeming tQf kmdy {in rfihten)
ADR.ADV.ADÜ.^O^R.
Adroic, te (adj. ôc ÏMtuc.) 6eben~
dig , gaaxv , fchrander , lijHg , ajge-
regt ; een loos man.
Adroitement, (adv.) Behendiglyk,
Adventif, ive (adj.) Toevallig;
biens alvertifs, goederen daar men
by toeval het bezit" van krygt.
Adverbe , (ra) Bywoord, (n
Adverbial, aie (adj.) Bywoorde^
Ïyk , {in fpraak-k.)
Adverbialement, (adv.) Bywoor-
delyk.
Adverbial ité , (f) ByivoordelyL
beid.
Adverfaire , (m) Tegenparty , «;<»-
derjïreever . vyand; nne advtrfaire,
een tegendingjler , vyandir.ne.
^ Adverfacif , tve (adj.) Conjonc-
tion adverfative, tegenJielUg voeg;*
woord , {in fpraak-k.)
Adverfe, (adj.) Tegengejïelde , te-
genJJrydige ; partie adverfe, tegen"
] ding er.
Adverfité, ( f) Onheil, (n) ramp^
tegenfpoed , (m) on s'abat aifément
dans l'adverfité , in tege-^fpoed ver-
liejï men ligt den moed.
Adulateur , ( m ) Pluimfiryker,
vlyer.
Adulation , ( f ) Pluimjïrykery.
Adulte, (fubft. & adj.) Een vol-
waffene ; huivbaar.
Adultère, (njbft.& adj.) Echtbreuk,
overfpel ; overfpeeler , echtfcbender;
ovrrfpee'fer ; overfpeelig.
Adultérer ,(v. n.) Overfpel bedry-
ve}i , {in rechten)
Ad'jlterin , ine (adj.) Dat in
overfpel geteeld is.
Adtiflc , (adï.) Sans; adufte, ver-
brand bloed, {in Heel-k.)
Aduftion,(f) Verbrandheid, {in
Heel-k.)
^ole, (ra) Mooi, de God der winden.
Aéré, ée {716].) Luchtig.
Aérer , (v. a.) Lucht geven.
Aérien, eme (a j.) Luchtig, 't
geen uit lucht bejiaat.
Aérier, (v. a.) Luchten, verlucht
ten , kvt/aade lucht uit een huis dr y ven,
Aerographie, (f) Lucht-befchry-
ving.
Aérotnancie, (f) Waarzegging uif
^B lufht,
Aéro*
AER. AFF.
Aéromccrie , ( f) Kottjl om de lucht
ti meet en.
AtTabilité , ( f) Cefçraakzaamheîd ,
btl-efdbeid.
Afevoie, (adj.) Beleefd^ vriende-^
lyk ^ j^raakzaam.
AiTdblenùenc > (adv.) Bclecfdeïyh.
Affsdi, ie (adj.) Laf , fmaakelocs
genioi'kï.
Affiuir, (v. a.) Walgelyk,fiaauw
mauk'jj.
Arr^ire , ( f) Eezigheid , zaak ,
handel; gefc-bil ; gebrek , (n) je viens
depprenare de belles affaires, ik
heb da.:r fraaye jiukken gehoord; af-
fiiitci amoureufe , liefde-werk ; je
fuis fins affaires , ik ben zonder
nverk; gens d'cffaires , Aoo//- fjf/{>-
/^r^ï s'attirer un rnéc hante affaire ,
z/g- een kieaade zaak op den b<ils haa-
ien ; ne vous faites point d'affaire
avec cet homn::e là, legd met die
man niet aan', avoir affaire , noodig
hdben;fiVoir affaire à quelcu?>, met
iewand iets te doen, gefchii hebben;
fiiirc (es aSaires, zyn gevoeg doeny
faire bien fea affaires, zyn zaaken
wet gade weî gade Jlacn j fe tirer
d'affaires, zig uit eenê moeitykheid
redden.
Affairé , ée (adj.) Il eft toujours
affairé , hy heeft het altoos volhan-^
digyhy is vol fchîilden , (fpr. rv.)
Anaiffe, ée , (adj.) JS e êr gedrukt ^
neêrgezakî,
Affaiffcment , (m) Neérzinking ^
neérzakkivg , ( f )
Afiàiffer , (v.a.) Stüuwen^noti'wen ,
pakken; s'^ffaiffer, (v. r.) Neerzak-
ken , zakken , ih een pakken.
Affaicage, (m) KonJ} cm een Roof-
vogel ter jacht af te rigten,(f)
Affaicé, ée (adj.) w^'ç^erigt, (f)
AffaiÈeire«t , (m) Jfrigting , ( f }
Affaiter, (v. a.) Een Roofvogel ter
jacht afrigten ; mrjhn op een dak
leggen.
Afiàitear, (m) Een aie een vogel
Affalé, (a.â].)^an laager ival ver-
malien , {zee w.)
. Affale \haal afy laat vallen ! (zeeiv,)
Affaler, (v. a.)^/Iateti, r.érlateu;
affaler une poulie, een katrol af~
fthaaken y {zee w.)
AFF. 15.
Affamé, ée , (adj.) Uitgehongerd,
hohg. rig , greetig ; ventre affame , n'a
point d'oreilles , in hongersnood
lufjîerd men naar geen reden , (fpr. w.)
luDic affamé y kleed dat te naauiv is ^
po a affamé , magere .luis , word ge^
zegd van een arm kaerel die eenfmee-
rig baantje gekreegen heeft.
Alfaraer, (v. a.) Uithongeren.
Affanures, (f. pi.) Koorn dat den
dorfchers of maaijers m plaats van
geld gegeven word.
Afféager , (v. a.) Riddermatig goed
verpachten.
Affedation , (f) Gemaaktheid ^
nabootzingy na-'dpiug; gemoeds-aan^
doening ; verpanding.
Affefté, ée (adj.) Gemaakt, ge-
divongen ; gehecht , verknogt , gefcbikt'y
cette fonime efl affedée à l'entre-
tien des temples , deze fomma gelds
is tot onderhoud der Kerkeu gefchïkt.
Affecter, (v. a.) Zig bevlytigen^
na iets fireeven ; verpanden ; il af-
fede un air grave, hy neemt een
flaatige houding aan y affefter fes
biens, zyn goederen verpanden ; af-
fefter une charge , r.acr een ampt
verlangen ,faan; cela m'affede fort 3
dat gaat my zeer ter harte.
Affeaif, ive (adj.) Ziekoerend y
beiveeglyk.
Affeaion,(f) rriendfhap, lief-
de, toegenegenheid, behartiging; ge-^
fïeldheid.
Affedionné , ée (adj.) Toegene^
gen, wel gezind.
Affsâ:ionn€ment,(adv.) Toe^ene^
genlyk.
Affeaionner ,(v:a.) Genegenzyn,
beminnen, veel werk van iets maaken-
faffedionner, (v.r.) s'affeftionner
a i'étude, de letteroej^ening ter harte
neemen,
Affedueufemenc, (adv.) Toegene-,
genlyk.
Affedueux, eufe (adj.) Hortelyk,
Arrcrente, (adj.) Part afférente.
toevallend gedeelte van een erfenis
Affermé, ée (adj.) Verpacht , èe^
pacht. ^
Affermer , (v. a.) Verpachten.
Affermi , ie (adj .) Verjhrkt , vaflep
gemaakt.
lö AFF.
Affermir, {y.a.)V'erJierkfHfJiaa^
ven j affermir fon pié y zyn voet vajl
Jiellen; s'affermir, (v. r.) zig beves-
tigen.
AffermiflTement , (m) Verjïerking ,
levefliging , f.aaving , ( f )
Affeté, ée (adj.) Gemaakt,
Afféterie , (f) Gemaaktheid in
manieren.
Affeurage , (m) Prys-fielïing op
waar en , (f)
Affeurer, (v. a.) Prys of tv aar de
bepaal CU.
Affiche j (f) Plak-fchrift, Pla-
taat , (n)
Affiché, ée (adj.) aangeplakt.
Afficher, (v.a.) Aanp lakken, aan-
Jlaan.
Afficheur, (m) Aanplakker.
Affidé, ée (adj.) hertrouwd, ge-
ffotnv.
Affilé, ée (adj.) Jangezet.
Affiler, (v.a.) Slypen, dtracdtrek-
ken , ivetten , aanzetten ; avoir Ia
langoe bien affilée, eene fyn gejlee-
pe tong hebben.
Affiliation , (f) ^anneeming tot
2oon.
A^ffilié, ée (adj.) Tot zoon aange-
nomrn.
Affilier , (v. a.) Tot kind aannee-
msh.
Affinage , (m) Zuivering, loutering.
Affiné, ée (adi.) Gezuiverd.
Affinement , (m) Zoutcring, (f)
Affiner > (v. a.) Zuiveren, loute-
ren; bedriegen 'y verfchalken; affiner,
(v. n./ Ie tem9 affine , hét weer
hiaart op.
Affiner ie', ff) Draad-trekkery .
A.ffineur, (m) TzerJraad-trekker ;
Louterer.
Affinité, (f) Zwagerfchap , ver-
vca'r'.tfckap ; affinité de mots , ge~
mpenfrhap , overeenkomji van woorden.
Affinoir , (m) Hennip-beekeL
Affiquets , (m. pi.) Hoofdcierfeh ,
f ooi fi Is, hul/els der Juffers.
Affirmatif,ive(adj.) Bevejligend,
Jïaavend.
Affirmation , (f) Yerzekerirg,
verklaaring 9 eed, bezweerii:g.
Affirmative ? ( f) Bcvjlig enie mee-
tmg.
AFF.
Affirmativement, (adv.) Mefver^
zekering , bekragtigend.
Affirmé, ée (adj ) Verzekerd y he~
vejligd.
Affirmer , (v. a.) Verzekeren^ fier-
klaar en , beé'edigen.
A&eurer, (v.a.)ff^at^rpas-maaken,
Affliftif, ive (adj.) Peine afflifti-
Ve , Lyfjiraf.
Affliaion, (f) Droefheid, kcm^
mer,{{) hartzeer, verdriet, (n)
Affligé, ée (adj.) Bedrukt, droe-
vig , neérjlagtig , treurig.
Affligeant, ante {&d].)Verdrietig ,
droevig ,^ kwellende.
Affliger, (v. a«) Kwellen, bedroe-
ven , verdriet aandoen; la guerre
affligé l'état, de kryg ve:oKtruJî den
Staat; affliger fon corps, zyn lig-
haam afmatten; s'affliger , (v. r.)
zig bedroeven.
Affluence ,{î)Overvloed , toevloed',
toeloop van me%fchen.
Affinent, ente (adj.) [Inioopende ,
i-nvloeijende.
Affluer, ( V. n.) Tcetoopen, tg za-
nten kopen , {weinig gebr.)
Affoibli , ie (adj.) Verzwakt.
Affoiblir , (v. a) Verzwakken,
krenken, ontzenuwen; s'affoiblir ,
( V. r. ) verzwakken . kragteloos
worden.
AffoiblifTant , ante (adj.) Ver-
zwakkende.
AffoiblilTement , (m) Verzwak-
king , ver minder inji ; (f) affoiblifîe-
ment de monnoie, verflegting van
qeld.
Aff lé , ée (adj .) Ver/1 ingerd , ver^
zot; une bonfTole affolée , ff« mis-
w^zend compas.
Affoler, (v.a,^Dé> hersfens kren-
ken , zot , ^ek maaken.
Affoli^', (v. n.) Cek worden ,
{gem-. zv^)
Aff orage , (m) R^cht , *t welk
men betaald om wyn in 't klein té
verkoopet;, (n)
Affouage , (m ' Recht om bout te
hakken in een bofch . (n)
Affouguer, (v. a.)V«wn/, driftig
maaken.
Affourche , (m) Ancre d'affour-
e he , Vertu . -anker in],
^ 'Aft
AFF.
Affotircher , (v. a.) Perfuijea,
voor en ach f er een ^4nker uitwerpen y
(zee IV.)
Affouragement , (ra) Het voeder
geeven aan de beejien , (n)
Affourager, (v.a.) de Beejien voe-
deren.
Affranchi, ie (adj. & fabft.) Be-
vryd, vrygemaakt , verlojl y vryge-
maakte Jlaaf, Jlaavtn.
Affranchir , (v. a.) Bevryden ^ver-
lojjen , JJuaken ; affranchir 'a pom-
pe, t/^powi/) vry houden (zee ai;.)> af-
franchir une lettre ,een brief fran-
keeren.
s'AfiFranchir , (v. r. ) 2^ig vry
fnaaken , ontjlaan.
AfFranchilTemenc, (m) VerloJJxng^
Jlaaking, vrymaaking , ( f)
Affres, (f. pi.) Groote vrceze.
Affrété, ée (adj.) Bevracht ■, ge-
huurd.
Affrètement , (m) Bevrachting ,
verhuuring , ( f )
Affréter , (v. a.) Een Stthip hun-
ren , bevrachten.
Affréteur, (m) Bevrachter^ huur-
der van een f chip.
Affreufement , (adv.) Séhrikkelyk^
yjfelyk-
Affreux, eufe (adj.) Vei'vaarlyk ,
affchuuwelyk , vreejjelyk.
Affriandé , ée (adj.) l-^eflekkerd.
Affriander, (v. a.) Vethkkeren.
s'Aftriander , (v. r. ) 2ig aan
lekkernyen ge^vennen.
Affriolé , ée (adj.) Verlekkerd ,
(gem. zv.)
Affrioler, (v. a.) Aanlokken ,ver-
lekkeren , {'gem. iv.)
Affront , (vn)Hoon ,fchimp, fmaad ,
verachting , belediging, (f)
Affrontailles,("f. pi.) Grenspaaten ,
in Landeryen.
Affronté, ée (adj.) Onteerd; met
het aangezicht tegens malkanderen
fiaande , (in vuapenk.)
Affronter, (v. a.) Hoonen; aan-
grypen , aantafien ; bedriegen ; affron-,
ter la mort & Ie danger, nog dood
fiog gevaar ontzien.
Affronteur, (m) Bedrieger.
Affronteufe , (f) Bedripgjler.
Affttblement, (m) Dtk-khed (n).
AFF. AFI. AGA. AGE. i?
Affubler, (v. Si.) Het boofd of aath
gezicht dekken.
Affût, (m) Raapaard y affuit vatÈ
het gephut , (n) fchuilplaats van een
Jager; (f) être à l'affût , op den
oppas Jlaany toeren.
Affûtage , (m) '/ Stellen van V ge-»
fcbut op de Raapaarden ; al het Schryn^,
werkers of Draaijers gereedfchqp )(n)
Affûté, ée (adj.) Op het Raapaerd
gejield; van gereedjc hap voorzien ;ge^
JJeepen , aangezet.
Affûter, (v. a.) Het gefchut op het
Radpaard flellèn; Jlypen , aanzetten.
Afin , (adv.) Op dat , ten einde; ir
fin de faire , ten einde om te doen i
afin que j'aille, op dat ik ga'.
Agacé, ée (adj.) Verbitterd ^ aan*
gehitsd, getergd ; Jlomp gemaakt.
Agace , ( f) Een foort van zwarte
Exter.
Agacement , (m) Stompheid der
tanden , ( f )
Agacer , (v. a.) De tanden jlomp
maaken; tergen ^ vergrammen f ver-
bitteren.
Agacerie , 0) Terging , aanlokking»
Agacin , (m) Exter-oog , Li k-doorn*
Agapes j (f. pi.) Liefde-maaltyden
by de eerjie ChrtJJenen.
Agaté , ( f) Agaat , ( Edel gejleente).
Age >(ra) Ouderdom (m) levenswyze ,
eeuwe ; ( f) agç d'or , d'argent,'
d'airain, de fer, goude, zilvere,
kopere , yzere eeuwe , âge de puber-
té , jaaren van huuwbaarheid ; âge
viril , mannelyke jaaren ; âge do
raifon , jaaren van onderfcheid; il
mourut à la fleur de fon âge , hf
Jîierf in 't bloeijen zyner jaaren ; les
gens d'âge , da oude lieden ; être fur
l'âge, bejaard zyn, être en age^
mondig zyn; en cet âge brutal, in
deeze booze eeuwe ; quel âge avez'
vous? hoe oud zyt gy\ bas âge , */«ûf'
fche 'jaaren; s'il vit il aura de l'â-
ge , hy zal metter tyd wel beteren-,
s'il vit âge d'homme , indien hy tot
rype jaaren komt ; l'agei n'eft fait
que pour les chevaux , iemands
fchoonheden moet men boven zyn jaaren
in 't oog houden , ( fpr. w.)
Agé,ée (aà].)'B-'jaard, oud; il
eft mort âgé, hy is aud gejlorven.
^ Ageïi"
T8 AGE. AGG. AGL AGN.
Ag.nrt , (f) ^aak-voederfchap ,
idzorging.
Agencement, {m)Schikking, (f)
Agencer , (v. a.) Schikken , in or-
de Ji ellen.
Agen.:a, (m) {Lat.iv.) ^^anteeken-"
fnemorie-boekje (n).
Agençai lié , ée (adj.) Geknield.
s'Agenouiller, (v. r.) Knielen.
Agenouilloir , (m) Bank om op te
knielen.
Agent , (m) Uitvoerder j afgezon-
dene ; zaak -verzorger y agent de
change > Makelaar m wijfels.
Aggravant , ante (adj .} Verzwaa-
rend.
Aggrave , (m) ou Aggravation ,
(f) lVaarfcbuu%ving gaande voor den
Kerker-ban , ( f )
Aggravé, ée (adj.) T^erzu-aard.
Aggraver , (v. a.) f-^er zwaar en.
s'Aggraver , (v. r.) Zwaarder uor-
den.
Agile, (adj.) Licht ^ vltig, tvak-
ier, vaerdig.
Agilement, (adv.)!!?^^, gezzvind.
Agilité, (f) Snelheid, vlugheid.
Agio , (m) Agio de banque , het
opgeld van de bank.
Agiotage , (m) Woeker., (f)
Agioter, (v. a.) fVoekeren , fcha-
cheren.
Agioteur, (m) TVoekeraar.
Agir, (v. n.) Handelen, doen, be-
dryven; la grâce agit en nous, de
genade vjerkt m ons-, maniere d'a-
gir , ivyze van doen ', il s'agit de
cela , hier van word gehandeld 3 il
s'agit de ma vie , myn leeven hangd
'er aan.
AgifFant, ante (adj.) Doende, he~
dryvende ; homme agiflant , een wak-
ker, vlytig , arbeïdfaam man.
Agitation , ( f ) Beweeging , ont-
fleltents i ( f ) gefchok (n).
Agité j éa (adj.) Bewoogen, be-
roerd.
Agiter , (v. a.) Beweegen , fcbud-
den jfchokken ; ontruften', zintwijlen.
s'Agiter, (v. r.) Zig ontrujien,
woelen.
Agnation , (f) Maagfchap tus-
{chen de mannelyke mhumehngeu vati
^am trader.
AGN. AGO AGR.
Ag'«f ac , (ni) 7. am , ^n)
Agntler ,(v.a.) Lamrnpren vjerpe}!.
Agnelet , (m) Lammeijc , (n)
Agnus-'. aftus , (m) Auifch-boom f
{heejier-ge: as).
Agouie, (f) Zieltooging , doods-
benauwdheid, (f) uiîerfie; (n) é rc à
l'agonie, met de aood ivorfrelen; la
vis des pauvre:- enclaves eft une
longue mort, ou yne agonie c n-
tiuuelle , het leeven: der arme^Jlaa-
ven is eeiw ïangzaame dood, of een
geduiinge zieltooging.
Agon i fiant, aace {aâ].)Stervende}
zieltoogende.
Agonifer, (v. a.) Zieltoogen, in
doods benaauwdheid zy^i.
AgratTe, (f) Haak, kram , (m)
Agraffer , (v.a.) Faji haakenjitts
aangrypen. ^ j.
Agraire , (adj.) Loi agraire, ac*
ker-v.et , (by de Romeinen)
Agrandi , ie (adj.) l'ergroot.
Agrandir j (v.a.) l^^ergrooten,uit-'
breiden.
S'Agrandir, (v. r.) Tot grootere
Jiaat opklimmen. |
AgrandiiTement , (m) Vergroot ing^]
aanwas, opkltmming , uitbreiding ,(f),
Agréable, fadj.) Aangenaam, be-
haaglyk , gevalt ig.
Agréable ,(my Joindre l'agréable
à l'atUe,het aavgenaame met het nut-
tige paaren , (n)
Agréablement , {dkàv.) Vermaake^
tyk , genoeglyk , hehaaglyk.
Agréé, éée (adj.) Voorzien, be-
haagd.
Agréer , (v. n. & a.) Behaagen^
welgevallen ; agréer un mariage ,
een huwelyk goed keuren ; agréer un
va j fléau , een f chip met zyn wand
voorzien.
Agréeur, (m) TakelmeeJJer.
Agrégation , ( f) Aanneeming , ont-
fanging.
Agrégé, ée (adj.) Aangenoomen.
Agréger, (v. a.) Aanneemen^ onf
fangen , {in een genoodfchap).
Agrément, (m) Lieftalligheid, he-
haaglykheid; goedkeuring', (f) opleg-
zel op Bor duur-w er k , (n)
Agrefler, {y, ^.)^é^nranden^be^
fpringen»
AGR.AGU. AH.AHA.&c.
AgrefTeur , (ra) ^lar.r ander , be-
fpri/iget,
Agreflion ^ ( f ) Aanranding, aanval.
Ag relie, (adj.) Onbefcba^ci , woeji,
plomp.
Ag rats , (m. pi.) Scherps wand , of
touwen , (n')
AgriculCurejX f) Land-acker-boUiv,
(m)
Agriffer , (v. a.) Met- klaauwen
vajï ma a ken.
s'Agriffer , (v. r.) Zyne klaawwen
ergms injlaan.
Agriocte, (f) Een foor p van zuti-
re kers. Mor e lie.
Agripper, (v. a.) Aangrypen, nee-
men.
Agrippeur, (m) Aangryper.
Agrouper , ou grouper, (v. a.)
Veele beelden by elkadr fchilderen , of
houwen.
Aguerri, ie(adj.) In den kryg ge-
oeffend.
Aguerrir, (v. a.) Tot den oorlog
africhten.
s'Aguerrir, (v.r.)-^'"^ i^ dekrygs-
kunde oe ff enen.
Aguets, (ra. pi.) Etre aux aguets,
cp dsn oppas Jlaan , loeren.
Ah/ (interj.) Ach, och\
Ahan , (ra) Zuckt; zwaar e arbeid:
Ahaner , (v. n.) Hygen , met groo-
tB moeite arbeiden , zwoegen.
Aheurtemenc ,(m) Haljlarrigheid,
eigenzinnigheid, (f)
s'Aheurcer, (v. r.) Zyn eigenzin
én wil volgen.
Ahi ! (interj.) Ach , ocb !
Aide, ("f) Hulp y byfiand, onder-
fïand.
Aide ,(m) Aide-major , Régiments
Adjudant y aide de cérémonies, on-
der-ceremonie-meejler fZiie de camp,
Generaal Adjudant -fZ-iàe de cuifine,
koks-maat , onder-'kok -, aide à ma-
çon , opperman.
A i 'aide / (adv.) Ter hulp , ter by~
Jiandl
Aidé, ée (adj.) Geholpen.
Aider, (v. a.) Helpen, byjîaan,dù
hand bieden ; dienen , dienji doen ; ai-
der à la lettre , in het leezen iets
toegeeven; il s'aide de la main gau-
cl^e, hy gémH ^m iwKerliçivà,
AID. AIE. AIG. 19
Aides, (f. pi.) Schattingen, ac-
cynfen; il va à la cour des aides,
hy borgd, haald op credit.
Aïeul ,( m) Grootvader ; nos aïeux,
onze voor-ouders.
Aïeule , ( f ) Grootmoeder.
Aiglantier, (m) Koózelaar , Roo*
zen- boom.
Aigle, (m) Arend-, menfch vaneeri
doordringend verband; ils donnèrent
delà terreur a l'aigle romaine,
zy brachten de fchrik in het roomfche-
heir.
Aigle, (f) De Roomfche Adelaar,
Aiglette , ( f ) Kletne Arend , in een
wapen.
Aiglon , (m) Jonge Arend.
Aiglure , (f) Roode vlak op de
rug van een f^alk.
Aigre , (adj.) Zuur, wrang yfcherp-,
bits , fpytig.
Aigre de cedre , (ro) Limonade.
Aigre-doux, (adj.) Zuur en zoet*
Aigre fin , (m) Zekere grooteWy"
ting ; item looze fchalk.
Aigrelet, ette (adj.) Zuurachtig.,
Aigrement, (adv.) Vimiglyk ,hef'.
tiglyk.
Aigret , ette (adj.) Zuurachtig.
Aigrette, (f) Kleine witte Rei-
ger (m) ; vederbofcb , kuif van eert
Koet spaar d; (f) cieraad met edele ge-
(ïeentens voor de Wouwen, (n)
Aigreur, (f) Zuurheid, wrang-
heid'ihaat ; afkeer , droefheid , (f) ver-
driet (n).
Aigri, ie (adj.) Verzuurd.
Aigrir , (v. a.) Zuur maaken , ver-
zuur en ; vertoornen.
s'Aigrir , (v. x.)Zuur worden y ver.-
grammen.
Aigu, uë (adj.) Scherp, fnydend^
bits; vernuftig j accent, aigu, eeri
fcherp toon-teeken, (in fpr. k.)
Aiguade, (f) Voorraad van zoet
water; plaats daar men het haald -^
faire aiguade , zoet water aanboord
haaien, (zee w.)
Aiguail , (m) Morgen-daauw , (f)
Aiguayer j (v.a.) Linnen wajfchen,
Aigue-marine, (ï) Soort van zee-
groene Agaat-fieen.
Aiguière, (f) Een lampet-kan.
Aigui4réçj(f )fî^« VQllg lampet-kan*
20 AiG. ail;
Ai^uîUade, (f) Zweep j pe'itfcb.
Aiguille, (f) Naald ifpits', hoo-
gefpitze roor^-Mj aiguille de tete,ae
boulToJe , hair- compas-naal'd -, ai-
guille de montre, de cadran, wy-
zer van een uiiriverk, zonnewyzer;
aiguille de fléau , evenaar van een
balans; aiguille, majljienge , uitleg-
ger , (zee 'u;.)de fil en aiguille, van
het begin tof het einde , {fpr. w.)
Aiguillée , (f) Naald met een
draad.
Aiguilletier, (m) Nejleling-maa-
kcr.
Aiguillette, (f) Nejlelhig ^ ryg-
fmer ; courir 1'aiguilletce., vodr
hoer fpeelen ; lacher 1'aiguillecte,
zyn buik loozen.
Aiguillstter , (v. a.) Nejlelen,
vajï rygen.
Atguillier , (na) Naaldemaaker ;
naaldekoker.
Aiguillon, (m) Prikkel, angel-,
cela fert d'aiguillon à la vertu,
dat diend tot aanfpoorwg der dengd.
Aiguillonné , ée (adj.) Aange-
fpoord.
Aiguillonner , (v. a.) Aanprikke-
len , aanfpooren , ophitzen.
Aiguifé, ée (adj.) Gejleepen.
Aiguifement , (ra) Slyping , (f)
Aiguifer> (v. a.) IVetten , Jlypen ,
aanpunten , Jcherpen ; aguifer fes
dents , zig tot een wakkere maaltyd
bereiden.
Ail, (m) (Aulx au pi.) Knoflook.
Aile, (f) Vlerk, wiek-, fnelhcid ,
gezwindheid ; befcherming > veei'en
vaneen lardeer-priem{ï);buitenjie lood
aan de glazen; (n) fur les aites du
vent , op de vleugelen des winds ; ro-
gner les ailes, kortwieken; il en
tirera pié ou aile , ^y zal 'er ha-
ring of kuit van hebben ;il en a dans
1'aile, hy IS in zyn wiek gefchooten;
il ne bat plus que d'une aile , hy
is uit de mat gejlaagen; (fpr.'w.) ai-
le gauche , de linker vleugel; des
bouts d'ailes , pennen ; fcbachten.
Ailé , ée (adj.) Gevleugeld; che-
val a'üé , gevleugeld paerd , Pegafos.
(by Dichters)
Aileron , (ra) Kleine vleugel ; vis-
i^jm ; divar spiank in f en water-rad}
AIL. AIM. AIN. A]0. AIR.
kleine kraakheenen aan de neus , ( f)
oor-lapje, (n)
Aillette , ( f) Binnenjle rand van
een fchoen.
Aillade, (£)Spys met knoflook toe
bereid.
Ailleurs , (adv.) Elders , in een
ander plaats; d'ailleurs, daarenbo-
ven ; van elders ; par ailleurs , door
een ander plaats.
Airaable, (adj.) Beminnelyk , be-
haaglyk.
Ajmant, (m) JZyl-magneet-fleett,
Aimanté, (é« (adj.) Met een zyl-
fleen , beflreeken.
Aimanter, (v. a.) Met een zyl-fleen
beflryken.
Airaantin , ine (adj.) 't Geen de
kracht van een zyl-fleen heeft.
Aimé , ée (adj.) Bemind, geliefd.
Aimer , (v. a.) Beminnen , lief-
hebben; aimer mieux, liever willen;
s'entr'aimer, malkanderen beminnen.
Aine, (f) De liefch.
Ainé , ée (m. & f.) Oudfle Zoon^
of Dochter.
AineiTe , (f) Droit d'ainefTe ,
eerflgeboorte recht.
Ainfi, (adv.) Zoo, dus , daarom %
dienvolgens; il eft ainfi fait, dit is
zyn naturel ; on eft ainfi fait , zoo
is de eeuw; ainfi n'avienne , God
verhoede het {oud w.) ; ainfi foit-il ,
het zy zoo , amen , ainfi il conclut,
derhalven befloot hy.
Ajourné, ée (adj.) Gedaagd.
Ajournas (ni) Een Gedaagde,
Ajournement , (m) Dagvaarding.
Ajourner , (v. a.) Dagvaarden j
voor V recht roepen.
Ajouté , ée (adj.) Bygevoegd, toe-
gevoegd.
Ajouter, (v. a.) Byvoegen, toe^
doen ; ajouter foi , geloof geeven.
Air , {va) De lucht '; zwier , manier;
bevalligheid {in Schild. k.);fprongy
fleigeringvan eenpaerd{tn de Ry-fch.);
flreek van de wind {f); liedje, ge-
zang, (n); cela à un air de maître,
dat' heeft een meeflerlyke zwier; d/s-
courir en l'air , zoo wat heen praa-
ten; prendre de grands airs, zig
grootfch aan/lellen; des contes en
l'air , beuzelachtige vertellingen ;
prenr-
ARA. AIR. AIS. AIT.AJU.
prendre l'air , lucht fcbi-ppen ; avoir
]'air grand ,een deftig gelaat hebben.
Arain, (m) Kopt^r {n); les inju-
res s'écrivent far l'airain & les
bienfaits fur le fable, beledigingen
ivorden nooit , maar iveldaden ras
vergeten; avoir un front d'airain,
onbefchaamd zyn ; le ciel eft d'ai-
rain , de hemel is ongiwjîig.
Aire , ( f ) Dorfchvloer 3 vlakte van
een vertrek-, nejî van een roofvogel;
grootte van een iviskon/iige f guur.
Airée , ( f ) Dorfchvloer met koorn.
Airer, (v. n.) Nefielen.
Airier, (v-a.) De kwaade lucht uit
een huis dryven ^ bewierooken.
Ais, (m) Berd y plank -, ais de
carton , blad bordpapier.
Aifade ou Aiflade , ( f) Het in-
komen van den fptegel , {zee w.)
Aifance 5 ( f ) Gemak , (n) bekwaam-
heid.
Ailances , (f. pU) Secreet , beime-
tyk gemak j (n).
Aifceau , (m) Kuipers-diffel.
Aife . (ra. & f.) Rufl , blydfchap , ( f)
genoegen (n); la guerre trouble l'ai-
Ve de nos jours , de oorlog fioort de
wellufl onzer dagen -y vivre à fon ai-
fe , op zyn gemak leven.
Aife , {zà].)Verblyd :,vrolyk , lujïig.
Aifé , (adj.) Ligt , gemakkelyk ; wei-
gegoed ; handelbaar ; les aifez , de
fiezoede lieden.
" a 1'Aife , (adv.) Zonder moeite;
fix homnies de front y palTent à
l'aife , fes man op een ry gaan 'er
gemakkelyk door.
Aifément , (m) Secreet , huisje ,
(n)
Aifément, (adv.) Gemakkelyk, Ug-
telyk.
Aiflelle , ( f) Oxel onder de armen.
Aifl*ette , ( f) Kleine diffel.
Aiflieu y (m) As van een wagen.
Aitiologie , ( f) Ziektens-oorzaak-
kunde.
Ajadant 9 (m) Adjudant in een
leger.
Ajuftages , (f. pi.) De toefiel-
ting van waterpypen , trompsn ,
enz.
Ajufte , ( f) Aanfplitzing van fow
;venj {zee w.>
AJU.ALA.ALB.ALC. 21
Ajufté , ée (adj.) Opgefchikt , ver-
effend.
Ajuftementj (m) Kleeding , veref-
fening, (f)
Ajufter, (v. a.) Opfchikken,optooi-
jen, vereffenen; ajufter des balan-^
ces , fchaalen gelyk maaken ; ajufter
bien les coups, de jlooten wel aan-
brengen , ( in de fçherm-fch.) ajufter
quelcun , iemand afroffen.
s'Ajufter , (v. r.) Zig opfihtMen ,
ztg voegen j overeenkomen.
Ajüftoir , (m) Kleine fchaal , {in
de munt gebezigd) (f)
Ajutage, {Zie Ajuftages.)
A la fin , ( adv. ) Eindelyk , ten
laatfien.
Alaife, (f) Sluit-fïuk , {by fchryn^
werk.)
Alambic , (ni) Dijîileer-ketel ; l'af-
faire a pafie par Valsimbic , de zaak
is naauw onderzocht.
Alambiquer , (v. a.)s'Alambiquer
l'efprit, OU la cervelle, zyn geeji
ofherffens e f gens over kzvellen.
Alan , (m) Groot e bulhond.
Alaque, (f) Phm , vierkant Jl uk
waar op een zuil rufi , (n)
Alarguer , (v. n.) Zig in de rui-
me zee b e ge even.
Alarme, (f) Wapen-kreet , alar-
me, vreeze, ontrulling , omjîeîtenis.
Alarmé , ée (adj.) f^erfchrikt , ont-
field.
Alarmer ? (v. a.) Verfchrikken , ont-
fiellen.
s'Alarmer, (v. r.) C'eft bien )à
de quoi tant s'alarmer j moet meit
zig daar over zoo ontjlellen ? .
Albâtre, (m) Albafier ; {n) wit-
heid , ( f)
Al berge , (f) F'roege perzik.
Albergier , {m)rropgeperzik-boom,
Albique, (f) Zeker wit of vet
kryt.
Albornos , (m) Mantel met een
kap , {by de Moor en)
Al bran , (m) Jonge wilde Eend.
Alchymie, {£)Smelt-konfi in tne-i
taaien, {lees Alkymie)
Aichymique , (adj.) Dat daar toe
behoord.
Alchymifte, (m) Mefaal-fmelter f,
Goud-Zoeker,
B 3 Alco^
22 ALC,ALE. ALF.ALG.
Alcolifer, (v. a.) Fynder , zuiver-
der maaken , {m Chym.)
Alcoran , (m) Net Turkjch Wet-
boek , (n) alcoran , (m)
Alcove , (ra. mais le plus Souv.
f.) Alkove, (m).
Alcyon , (ra) TsvogeL
Alderman , (m) Scheepen , Raads-
heer in Engeland.
Aledorienne ,(f) Steen die in de
maag der Haanen gevonden vuord.
Aleftoromancie , ( f) Waarzeg-
ging door middel van een Haan.
Aledlrion , (ra) Jonge Soldaat,
gunjïelir.g van Mars.
Alégre, (adj.) Vrolyh , blysteejïig.
Alégrementi (adv.) LuiUg/yk.
Alégresfe , ( f) Blydfchap , lujl.
Aléne , (f) Schoenmakers-els.
Alênier , (m) Elzen-maaher.
Alentir, (v. a.) Vertraagen; ver-
zachten., {heter ralentir)
Alentour , (adv.) Rondom , omleg-
gende ; d'alentour , rondsomme-, lieux
d'alentour, omleggende plaàtzen.
Alerion , (m) 'Kleine Arend zon-
der hek of klaauzven , (in Wapen-k.)
Alerte, (adj.) Wakker.^ vlug.
Alerte , (adv.) Sa^ vlakker Ipajl op!
Alethe, (ra) Indifche Fogel be-
kwaam ter Patrys jacht.
Alette ) (m) Kleine vleugel , ( in
Bouw-k.)
Aleu , (ra) Terre de franc aleu ,
vry erf-leen , (n)
Alevin , (m) Kleine Vîfcb ; groei.
Alevinage , (m) Uitfcbot van f^ifch.
Aleviner , (v. a.) Een vyver met
Vifch voorzien.
Alexipharraaque ou Aîexitere ,
(adj. & fubft. ra.) Tcgervergift , (n)
Alezan , (ra) Een ros PaerJ , F'os.
Alezan , ne (adj.) Ros- achtig
{van Paerden gezegd)
Aleze OU Aiaife , (f) Laaken om
een zieken in te koejïeren ; 't fmalfle
plankje van een paneel^ (n)
Alezé , ée , (adj.) Chevron ale-
zé 5 afgpjJomptp fparre , {in Wapen-k.) _
Al fange, (£) Soort van Latton%v.'
Al fier, (m) Spaanfche Vaandrig •,
(fpot-vu.)
Al gal ie, (f) Bolle pyp om dewa-
ferloozing ;# bevorderen , (m HeeLk.)
ALG. ALH. ALL
Alganon , (m) Ketting die de ga-
lei Slaaven draagen om ze te onder-
kennen , ( f )
Algarade , (f) Sthimp , fmaad ;
vyandelyke inval.
Algaroc , (ra) Braak-purgeer-poe-
der , (n)
Algébraïque, (adj*) Dat tot den
f el-regel behoord.
Algèbre , ( f) St el-r egel , Algebra -,
c'eft de 1'aigébre pour lui ,hy ver-
Jiaat 'er niets van , {fpr. iv.)
Aïgébrifte , (ra) Die de Algebra
verjiaat.
Algue ou goüëmon ,{ f) Zeegras i
wier , (n)
Alhandal , (m) Koloqnint-koekje ^
{by Apoth.)
Alhedade ou Alidade, (f) 2^eke-
re liniaal in Wiskunde gebezigd.
Alibi, (m) Uitvlugt , (f) elders
{Lat.w. in Recht.) prouver la faus-
feté de l'accufation ,par un alibi,
de ongegrondheid der befchuldiglng y
mpt op een ander plaats geiveejl te
hebben y bewyzen.
Alibi-forain ,{m)Iedele uitvlucht^
voorwending , ( f ) "
Aliborum , où raakre aliborum
(m) , een doorjlepen quant , looze vos ,
die voor geen een gat te vangen is.
Alichon, (ra) Plank van een wa-
ter-rad, waar op het water valt.
Aliénable, (adj ) Vervreemdbaar,
Aliénation, (f) Vervreemding .,
overdragt van goederen j afkeer-,
aliénation d'eCprit, verwerring van
zinnen.
Aliéner , (v. a.) Vervreemden;
aliéner des biens, goederen verkoo-
pen, vervreemden-, aliéner fes affec-
tions , zyne liefde aftrekken j s'aliéner,
(v.r.) zig afzonderen.
Alignement, {m) Afmeeting.
Aligner, (v. a.) Met een fnoer af-
meet en ; item h'fpringen , dekken , (be'-
trekkelyk tot Wolven).
Aliment, (ra) Voedzel, {n) fpyze ,
(f) onderhoud ,{n) les fciences font
les alimens de refprit,al? zveten-
fcbappen zyn Toedzel voor het verjïand.
Aiiroentaire, (adj.) Tot het on-
derhoud behorende -f penfion alimen-
taire , kojigelj^
AUmen-
ALI. ALK. ALL.
AHru. f. t , (V. a.) uideu., fpy-
ten , onder boUi.iiï: , {meejl tn Rychtjn).
A ijne'ueux, '-.uie(adj.) Sac ali-
nii-nceun, 'joedtnd Jap.
AH; éd , (m) .'^cgm van efn n'wwwe
Ltniey (ti)
A'inger, (v. a.) M(t Linnen voor-
zie}?.
AI.quante,(adj ) Partie aliquan-
te , een getal dat van de Jeclivge ove-
rig ;., als , 4 ï/: H ^'hf* 2.
Ai'quote , (adj.) i'arcie ahquote ,
getal dat in een groot er nit opgaat.
Aii.e. {Zie AÙz ).
Aiifé, ée. (Zie Alizé).
A'ifon , (f) Madame alifon , /V
zoo veel als domme , acinelooze Els ,
{l'^rouwen naam)
Alité, .?e (adj.) Bedlegerig.
Aliret , (v. a.) Het bed doen bou-
din ; s'alicer, zig te bedde leggen,
uit ho fde van ziekte.
A: i'^e , (f) De vrugt van een Lo-
tus-boom.
Alizé , ée arlj ) Vents alizez,
vajle-pajjaat-zvinden , (zee ii'.)
Alizier, (m) Een Lotus-boom.
Alkali, (m) (arab. iv.) Zout dat
uit de bergfioffen en kruiden getrokken
word,
Alkalifer, (v. a.) Zout uit de vii-
fieraalen en planten trekken.
Alkalifation, (f) Het uittrekken
daar van.
Alkekengï , (m) Jooden kar s , kriek
over zee.
Alk hermes , (m) Jlkermes , hart
verderkrnd rniddil , (in Geneesk.)
Alkool, (m) (arab. iv.) Een al-
der fyn,l e poeder , (in Chym.)
Alkoolifer, (v. a.) Tot een al~
derfynjle poeder Jlo ten.
Allaiter, (v. a..) Zoogen, met melk
voeden-, allaiter un enfant , ^f« kind
de borjl geven.
Allant, te (adj.) gaande-, les ?.l-
lans & les venans , de gaande en
komende man-, un allant, ^'fw die al-
tyd her om loopt en niets verzuimd.
Al I éc he me n t , ( m ) jdanlokking ,
(boert, w.) (f)
Allécher, ( V. a.) Aanlokken^
(boert, vu.)
Allée, (f) Laan,dreeffgangi(f)
ALL, 23
pad; (n) après piuneurs allées öc
venues , na veel heen en weer hopen ;
jelui ai donné l'aliée & Ie venir,
ik heb hem muilpeer en links en rechts
gegeven, (jpr. w.)
Allégation, (f) Aanhcaling van
eenig beuys-jluk offcbryver.
Ai'ége, (f Een Ligter , (zeker
f'^aartuig) (m)
A i légeance , ( f ) f^erligting , (Poet,
w.)
Allégement, (m) De ligt ing van
een Schip , ( f )
Allégement, (ra) f^erligting, (f)
(Soulagement is beter)
Alléger, (v, a.) Verligten-j ligten',
cela allégera (beter loulagera) Ie
mal , dat zal htt quaad verligten }
alléger un VailTeau , een Schip ligten,
AUégerir, (v. a.) f^erligten, lig-
ter maaien , (in de Ryjcbool)
Allégorie , ( f) FerUoemde fpreei»
wyze , Ie en fp reuk.
Allégorique , (adj.) Verbloemd ^
byfpreukig.
"Allégöriqueraent, (adv.) Ver.'
bloemdelyk.
AUégorifer, (v. a.) leis uitleggen,
rr.et gelykenijfen , redeneeren,
Allégorifeur , (00) Verbloemde re-
naar, (boert, w.)
AUégorifte , (m) Uitlegger van de
Schrift door gelykenijjen ,
Aaégre. (Zie Aiégre).
Alléguer, (v. a ) Bybrengen, aan^
haaien; alléguer un paîlage de i'E-
crLiure, een Schriftuur-plaats aan-
haalen; alléguer pour raifon , voor
reien voorwenden.
Alleluya, (m) Een Lofzang; loofJ
den Heere , ( hebreeuxvfcb w.) item
zuur e klaver, (een kruid)
Aller, (v.n.) Gaan ,enz. je vais,
tu vas , il va, nous allons, vousal-
lez, ils vont j(reg.)j'allois,j'anois,
je fuis,j'étois,je fus alléi (irreg.)
j'irai, tu iras, il ira, nous irons,
vous irez , ils iront j va , qu]il
aille, allons, allez, qu'ils ail^
lent; que j'aille, &c. j'irois, ta
irois,il iroit,&c. que j'allaflei
allant, allé; allez en paix, gaar
in vrede ; ne faire qu'aller &
venir, alfyd in beweging zyn; je ne^
B 4 » ferai
24 ALL.
ferai qu'aller & venir , ik zaî niet
tlyven , maar terjîond iveérom zyn ;
aller au devant àe, tegemoet gaan,
voorkomen-, aller à l'excès, buiten-
Spoor ig te werk gaan; je n'ai rien
dit qui aille à vous , tk heh niets
gezegt dat u raakt; comment vont
vos affaires? hoe ^aan u zaakenl un
rafoir qui va bien , een f ch eer mes
dat wel fnyd; les extravagans ne
vont gueres loin fans ennuyer ,
dte te veel praats hebben vervee len
ras; j'irai jusqu'à cent francs, ik
zat 'er honderd guldens aan waagen;
il Y va de vôtre honneur , uwe
éer hangd 'er aan^ efl ce ainfi que
vous y allez? is dat u maniere il
. va fortir , hy is gereed om tut te
gaan; il va être le plus infortuné
des hommes , hy jlaat op het punt
cm een allerongelukkigfi man te wor-
den; allez, vous n'êtes qu'un ap-
.prentif en cela , loop , gy zyt 'er
rog maar een Leerling in; aller par
haut & par bas , zig onder en boven
ontlajlen; cela s'en va fans dire,
dat /preekt van zelfs; au pis aller,
op zyn quaadjle genomen ; aller en
bateau , vaaren ; aller à cheval ,
en chariot, te paerd^ in een wagen
ryden; aller de pair avec quelcun,
met iemand gelyk 2y«- aller en cour-
fe , ter kaap vaaren; aller au plus
yrès du vent , foherp hy de wind
houden, loeven ; aller de bout au
vent, in de wind zeilen; aller vent
îargue , ruiinfchoots zeilen; ( zee-
woord ) toutes les eaux des
yivières vont à la mer, al het wa-
ter der rivieren loopt na zee; rien
lïe va plus vite que Ie temps ^
0iiets loopt rajjer als de tyd ; ce cal-
cul va à tant ^dceze nekening beloopt
200 veel; cette pieee de terre va
en pointe, dit Jiuk eindigt met een
_fKWf ; ces ouvriers vt^nt lentement,
xiie werklieden zyn langzaam m hun
doen-f le commerce ne va plus, de
koophandel gaat niet; comment va
votre fanté.^ hoe is 't met uw ge~
zv:dhcid ? aller eu le Rbi va à
pjed, op het buitje gaan-, Allons!
(inLgrJ.) kom aan! koml allons !al-
|pn| nous en, '; za ivakhr l Iç^at
all:
ons heen gaan ; allons! finiffons,
kom ! laat ons 'er een einde van maa^
ken.
Aller, (m) Il a eu l'aller & le ve-
nir , (fpr. w.) hy heeft op beide de
ooren gehad.
S'en Aller, (v. r.) Heenen gaan',
faire en aller, weg jaagen; il s'en
va pleuvoir , het gaat regenen j
s'en aller par terre , vallen
Alleure. (Zie Allure).
Allczer, (v. a.) 't Gefchut rei-
nigen.
Allézeur,(m) Injîrument daar toe
Alliage , (m( Menging der metaa-
len en andere dingen.
Alliaire, (f) ^Vilde knoflook.
Alliance, (f) l^erbnnd ; (n) rjgr-
maagfchapping ; vermenging ; { f)
Allié, ée (adj.) l-^erbonden; ver-
maagfchapt , vermengd.
Allié , ée (m. 6c f.) Een Bondge-
noot ; verwant.
Allier , (v. a.) Metaalen of iets
anders mengen; verbinden; s'allier ,
(v. r.) ztg verbinden} zig vermaag-
fchappen.
Allier, (m) Patrys-net , (n)
Allobroge , (m) Een Savoyaard,
een Dommerik, Lompert.
Allocation , {£) Goedkeuring ,
aanneeming e ener rekening.
Allocution , (f) Opentlyke aan-
fpraak van een Keizer of Legerhoofd
tot zyn volk, in oude gedenkjïukken
vertoond'
Allodial,^ ^le (adj.) Erflyk ; deç
biens allodiaux, onleenroerige Goe^
deren.
Alloi. (Zie Aloi).
Allonge. {Zie Alonge).
Allouable, (adj.) Dat men in eene
rekening toelaaten kan.
Alloué , (m) E enen in de plaats
van eenen anderen aangejlelde in eeni-
ge zaak; item een uitgeleerde Leer-
jongen die voor knegt hy zynen Mees-
ter blyft.
Allouer, (v, a.) Een poji in eene
rekentng gelden laat en, goedkeuren.
Allouvi,ie(aij.) Hongerig, vra-
trg als een IVolf.
AHuchon , (m) Tand die in het
kam rad van em Mole» vat,
^ A|l'4'
ALL. ALM. ALO. ALP,
AUumelle , (f) Lemmer van een
mes ( n ) > ten Priejiers rok zonder
mouwen.
Allumer , (v. a.) Aanjieeken ; al-
lumer de la difcorde , tweedragt
Jiigten, verivekken.
Allumette, (f) ZwavelJIok , (m)
iets daar men mee aanjïeekt.
Allure, (f) Gang, tred; (m) je
connois fes allures, tk ken zyn ma-
nieren.
AUufion, (f) Zinfpeeling.
Alluvion, (f) jianfpooring, aan-
was van land.
Almodie , ( f) Schuitje der Wil-
den, (n)
Almanach ou Calendrier , (m)
Almanak, Maandwyztr .
Aio cation. {Zie Allocation).
Aloë,ott Alois, {m)Aloe, {Art-
zpny).
Aloi , (m) Munt-Jlof; alloy ; item
waarde daar van ; fes connoiflan-
ces font de bon aloi , zyne kun-
digheden zyn egt.
Aloiau. {Zie Aloyau).
Alonge , ( f) Iets dat aangehecht
word om te vercenigen ; hairlok',
item {in Scheepsb.) een oplang ,Jleeker',
item Kromhouten.
Alongement , (m) f^er lenging; uit-
Jirekking.
Alonger, (v. a.) Verlengen, lan-
ger maaken; alanger Ie bras, den
arm ui;jleeken; alonger la courroie,
{fpr. w.) ongeoorloofiie wïnjl neemen.
Alopécie , ( f) Uitvalling van 't
hair.
Alors, {adv.) Als dan , toen , toen-
maals , op -die tyd.
Alofe , ( f) Een Elft , {vifch)
Alouchi , (ro) Gom van de Kaneel-
boom.
Alüuer. {Zie Allouer).
Alouette , ( f) Een Leeuwerik.
Alourdir, (v. a.) Dom mcaken,
i-?rdooven , {gem. w.)
Alouvi. (Zie Aliouvi).
Aloyage. {Zie Alliage).
Aloyau , f m) Een Harfï , dy-Jluk.
Aloyer, (v. a.) Metaalen mengen.
Alpen OU Alpage , (m,0«i^/'/ûfgc/
land, (n)
AlpUabet, {m) Het A, B,C, (n)
ALP. ALT. ALU. 2f
Alphabétique, ' adj. ) Alphabe-
tifch , volgens het A , Ü , C.
AUe. {Zie Halte).
Altérable , (adj.) Veranderbaar)
veranderlyk.
Altérant , ante (adj.) Dorfi wr-
wekktnd, {in Geneet k.)
Altératif , ive (adj.) Dat iets ver-
anderen , omkeeren kan.
Altération , (f) Verandering ;
ontjieltents ; dorjl.
Altersas, {oud w.) Twijl.
Altercation , ( f) Twijl , ( f) har-
rewarren , (n)
Altérer, (v. a.) Vérander m » ver-
valjchen; dorfi verwekken; la débau-
che altere la fanté , de overdaad
bederft de gezondheid» s'altérer ,(v.r.)
dorfi: g worden; erger worden.
Alternatif , ive (adj.) Beurte-
lings.
Alternative , (f) Avoir l'alter-
native , de keuze van twee zaakeii
hebben.
Alternativement , (adv.) By beur-
ten , by verwijfeliftg.
Alterne , (adj.) Beurtelings ge-
plaat fl ofjlaande.
Alterné , ée (adj.) (in Wapenk.)
Kruiswyze geplaatfi.
Alterner , (v. a.) By verwiffélïng
af en aahjïellen.
Akeffe, ( f)Son AltefTe 5érénis-
firae , Zyne , Haare Doorlugtige
Hoogheid.
Altier, ere (adj.) altierement ,
(adv.) Trots , fer , {weinig geb.)
Altimetrie, (f) Hoogte meeting,
Alude , (f) Gekleurd Schaapen-
leer , (n)
Aludel, (m) Sublimeer/>o^, (iy
Smelters)
Alvéole , (m) Sand-hot, celletje
van een Bye-korf; het binnenjle van
het oor; holligbeid daar een bloem in
legt op de plant.
Al vin {Zie Alevin).
Aluroelle. {Zie AUumelle).
Alumiere, (f) Aluin-maakery .
Alumineox, eufe (adj.) Aluinig,
Alun , (m) Aluin.
Aluner, (v.a.) Aluinen ^ in aluin.
water doopen.
Alure. ^Zie Allure),
^5 Am»'
2,6 AMA.
Amabilité , (f; Bemimens ivaer-
digheid.
Araadis , 'm) Ou bouts de man-
che , mouivtjes van binnen aan de
mouw gehegt.
Amadote, (f) Amadoten peer.
Amadou > (m) Tuntel , zxvam.
Amadouer, (v, a.) (^leien y flikke-
floijen , Pr pelen.
Amaigrir , (v. a ) Ma^er maaken ;
Jlegten , dunner mankm , (i y Timmerl.)
amaigrir un champ , eenen akker uit-
putten.
Amaigrir , ^v.n.) s'amaigrir , (v.r.)
yermageren , uitteeren.
Amaigriflement , ( Ri ) f^ermage-
rwg,(n '
Almagamation , (f) l^erkalking ,
Calcineering ^'a>2 Metaal.
Amalgamer, (v. a.) Metaal met
Kivikziher mengen , oplojfen.
s'Amalgamer, (v- r.) Zig Calci-
neeren.
Amande. {Zie Amende).
Amande, (f) Amandd', item pit,
kern van een 'urugt,
Amandé, (m) Amandet-melk, (f)
Amandier, (m) Amaideî-boom.
Amant, ànte (m. & f.) Minnaar;
Minnaar es.
Amarante ou Amaranthe , ( f) A-
fnarant 9 dutzend-fcboon , f.uweel-
bloem.
Araaranthine , (f) Een fôort van
Anemonie.
Amarque , ( f ) Haven-tomie , Baak ,
zee iv.)
Amarrage , (m) Het ankeren , mee-
ren van een Schip ; item het Anker-
toUTverk ; (n) zei zing van twee tou-
nx'en aan malkanderfn.
Amarrer, (f) Meer-touw, Kabel-
touw, (n)
Amarrer , (v. a ) Een Schip mee-
ren , vaji maaken ; item het wand
vafl maaken , beleggen , forren ,
(Scheeps w.)
Amas , (m) Vergaaring , meentgte,
(f) hoop.
Amaffer, (v. a.) T^er zamelen , by
een fchraapen, opraapen; s'amafTer ,
(v. I"-) ^y ^^^^ komen.
AmafTette, (f)' Schilders opraap-
mes of Spaant je, (n)
AMA. AMB.
Amatelorer , (v. a) Twee ên tweB
Matroozen by een zetten om te werken.
Amateur, (m) Beminnaar , Lief-
hebber.
Amatir , (v. a.) Goud of zilver
doof maaken y wit kooken.
Araauro e,(f) btar op V oog.
Amazone, (f) Heldtn, Amazoon.'
Ambaft, (m) Ambacht , {dijlriâ m
Vlaanœrev).
Ambages, (f. pi.) Croate omtvegen
in de reden.
Ambarvalles , (tî. pi.) Feejl ter
eer e van Cr re? by de oude Romeinen
om een overvloedige oogfi.
AmbafTade , (f) Gezantfchap , (n)
An;baffadeur , (m Gezant , Afge-
zant; aankondiger.
Amr^afladrice , ( f) Gezantsvromv ;
boodfchapjter. ^
Ambefas, (m) 2 eenen in dobbel-
fpel.
Ambidextre, {a.â].) Slinks en regts
zyn , beide handen even goed gebrui-
ken.
Ambigu , (m) Maaltyd daar de
ge r egt en en vrugten taffen s opgedra-
gen %vorden -y c'eft un ambigu on ne
fait ce cu'il eft , het is een mengel-
moes men weet niet wat hy is.
Ambigu , ne fadj.) Dubbelzinnig.
Ambiguïté, (f) Twypelagtigheid.
Ambigament,(a,dy.)DubbelziKnig-
lyk.
Ambitieufement > {diàY.)Staatzug-
tiglyk.
Ambitieux , eufe (adj. & fubft.)
Staatzugtig,eergierig;eenjlaatzugtïge.
Ambition , (f) Sterk verfangen
naar iets y JJaatzucht.
Ambitionner ,(v.a.) Zeer na iets
hegeeren , Jlaan.
Amble , (m) Cheval qui va l'am-
ble , l'aerd dat den tel gaat.
Ambier , (v. n.) {beter) aller
Tamble , den tel gaan.
Amble ur , (m) Een onderberyder
in een Konïngsjîal.
Ambîygcrie, (m) ou Angle ob-
tus , jlompen-hoek , {in Landm.)
Amblyopie, (f ) F'erduijîering der
oogen.
"Ambon , (m) Verheven plaats in
een Kerk voor de Zangen^
Ambo-
AMB. AME.
Ambonoclaftc , (m) Haater van
Kerk muziek.
Ambiurir ou Emboutir, (v. a.)
Gedreven 'werk maaken.
P^mb<jUi\^o\vlra)'VerktuiQi daar toe.
Ambre ,(m) Amber y Banfieeu ; zm-
bre gris , amber gry s ^{zekere govime)
Ambrer, (v.'a.) Amber en , met
amber bereiden.
Ambretce , ( f ) Amber bloem.
Ambroifie, (f) Goden-fpys , (by de
Digteren)
Ambulant , ante (adj.) Omivande-
lend , o mr ei zend.
Anbiilanc, {m) Een die op'tLand
heromryd om op ^f Collecteurs «g.' te
geven ; item een Reiziger j JZwerver ,
als Toneelfpeelders , enz.
Ambulatoire , (adj.) Plaats ver-
nviJTelend', onbejtendtg.
Ame, (f) Ziel, geeji , moed; z-
pie mercenaire , een baatzugtige
ziel ; rendre l'ame , de geeft geven;
fur mon ame, op myn v^ewijfen ; une
ame vivante , eene levendige ziel;
ma chère ame , m\n voacrde ziel;
l'ame d'un canon , de loop van een
gefchut; l'ame d'une dévife, de woor-
den van een zi nfpr eu k ; l'ame du vio-
lon , de ha/pel van een viool ; l'ame'
de fagot , 't hinnenfte van een takke-
boi ; ame de vin , aam ivyn.
Amé , ée (adj.) (ii de Koninglyke
brieven gebruikelyk) à nos amés &
féaux, aan onze lieve en getrouwe.
Ameifter , (m) Burgermeefter in
Straasborg.
Amélette. (Zie Omelette).
Amélioration, (f) Ferbeterîng ,
(in Rechten.)
Améliorer, (v. a.) Huis of Erf
verbeteren.
Améüoriflement , {mjP^erbstering,
A même , (adv.) Vouz êtes a
même , faites ce qu'il vous plai-
ra » gy zyt u eigen meefter, doed wat
u belieft , {weinig gebruikt)
Amen , (m) Het zy zoo , Amen.
Aménage , (m) Het aanvoeren,
voerloon , in)
Aménagement , (m) Het toevoe-
ren , (n)
Aménager , (v. a.) Hout aanvoeren.
AME. 27
Amendable , (adj.) Dat verbeterd
worden kan; item ftrafbaar wegens
geldboete.
Amende, (f) Geldboete; mettre k
l 'amende, in boete beftaan; bekeu'
ren ; amende honorable , opentlyke
Kerkboete.
Amendé, ée (adj.) f^erbeterd ; be"
mijl ; bekeurd.
Amendement, (m) Verbetering i
mijiing van Land ; boete oplegging j
betering van een en zieken; amende-
ment de vie , betering des levens.
Amender , (v. a.' & n.) Beteren
van ziekte; werk of Land verbeteren -^
boete opleggen ; s'amender , (v, r.)
bettr woraen tn gezondheid of zeden.
Amener, (v. a.) Aanvoeren; a-
mener des marchandifes, goederen
aanbrengen; amenez Ie avec vous,
brengt hem met u ; amener à la rai-
fon , tot reden brengeu ; amener les
voiles,a> zeilen flryken ; amener le
pavillon , de vlag flryken , zig
I overgeven ; amener un vaifleaa
! een Schip by haaien , r.aderen ,
j in wtnnen ; (zee w.) un malheur
* amené fon frère , 't eene ongeluk
komt by 't anderen , (fpr. zv.)
Aménité , ( f ) Aménité d'un
lieu , d' aangenaamheid van een plaat s.
Aménuiier , (v. a.) Verdunnen 9
dun fchaaven.
Amer , ere (ad].) Bitter ; fmerte-
lyk ; l'onde amere, de zoute zee.
Am-rr , (m) Gdl van Vifch, enz. ( f)
Amèrement, (adv.) Bitterlyk.
Amertume, (f) Bitterheid ;fmer^
te ,(f) ongenoegen (n) ; adoucir les a-
merturaes, de fmerten verzagten.
Ame fu rement , (m) Afmeeting, (£)
Amefurer , (v. a.) Afpaffen.
Améthyfte, (f) Amathyfi , (edel
^ejleente)
Ameublement , (m) Stoffeering ;
(f) avoir un fore joli ameuble-
ment , een fraaye huisraad hebben, '
Ameubler ou Emmeubler ,(v^a.)
Stnffeeren met huisraad. (Zie Meu-
bler).
Ameublir , (v. a.) (in Regten\
Vajle goederen onder de loffe rekenen^
item aarde ovifpitten.
Ameubliffement, (m) Hef maa-
if»
28 AME. AMI.
ken van vajle goederen tot tojje ', (n)
omfpltting ; ( f ) ^ ,
Ameutement, (m) 't Zamenkop-
pelen van jfagthonden.
Ameuter, (v. a.) Jagtbonden kop-
pelen i item honden of menfchen op-
biïzen ; s'ameuter , (v. r.) 't zamen
rotten* ^ ,. .
Ami , ie (fubft. & m. f. adj.)
Vriend-, vriendin-, vriendelyk; agir
en ami , als een vriend handelen i
jn'&mie,myn liefjle; les bons comp-
tes font les bons amis , effen reeke-
nmg maakt goede vriettdfchap , ami
lefteur ! befcheiden leezer !
A-mi , (adv.) A-rai chemin , half
•weg.
Amiable, (adj.) Vriendelyk.
à r Amiable , (adv.) Terminer
un different à l'amiable , een gefchil
in der minne effenen,
Amiableraent , (adv.) Vriende-
lyk.
Amiante , (ra) Steen vlas , gemaakt
van een fteen aldus genaamd.
Amical, (adj) Lettre amicale,
iprienden brief.
Amicalement , (adv.) f^nends-
ivyze.
Amia, (m) Pricjïerlyk hoofd- en
fchotider kleed, (n)
Amidon, (m) Styfzel ^ (r)
Amidon nier , (m) Styfzel-maaker-
verkooper.
Aniignarder , (v. a.) (beter Mi-
gnarier) Streelen , liefkoozen,
Amignoter, (v. a.) Bederven met
liefkoozen , gelyk de minnen de kinde-
ren doen.
Amincer, (v.,a.) Dun maak en ,
"jtrdunnen,
Amineur , (m) Een Zoiit-meeter.
Amiral, (m) Zee-voogd , jidmi-
raal ; /admiraals f chip.
Amiral, le (adj.) jidmiraalfch.
Amirale , (f) Admiraals Vrouw;
Admiraal-galei.
Amirauté , (f) Admiraalfehap ,
(n) Admiraliteit.
^mifiibilité, (f) Hoedanigheid van
IjPt gepn verhoren kan worden , {in de
God'^eleerdheid}
AmitTible , (adj.) l^erlieibaar,
Aüiit. {.Zie Amift).
AMM. AMN. AMO»
Amitié , ( f) Vriendfchap , beleefd-
heid; amitié des couleurs, overeen'
komjl der verwen ; (in Schilder k.) fai-
tez moi cette amitié , doed my die
gunji.
Ammites, (f) Zand-Jïeen.
Ammoniac ou ArmoniaC, (m)
Salmiac , (eene gomme)
Amnios , ( f ) Tweede dunne huid
die eene ongeboorene vrugt omvat.
Amniftie , ( f ) Vergiffenis van al'
Ie verongely kingen.
Amodiateur , (m) Pagter, ver-
pachter, {zie ook Fermier)
Amodiation, (f) Ferpagting.
Amodier, (v. a.) Pagttn; ver*
pagten, tn buur nemen of geven.
Amoindrir, (v. a.) Verminderen.
Amoindrir, (v. n ) s'amoindrir»
(v. r.) Minder , jlegter worden. /
AmoindrifTement , (m) Vermin-
dering , ( f)
Amoins de , (conj.) à moins de
vingt piftoles vous ne l'aurez pas > .
minder als 20 pifïoolen zult gy 't niet '
hebben; à moins que j'aye , ten zy
dat ik hebbe ; à moins que d'avoir <
étudié , ten zy dat men gejîudeerd
hebbe.
Amoife , ( f ) Eene dwars fparre.
Âmolettes, (f. p!.) Spil-braadfpit-
gaaten , {Scheeps. w.)
Amollir, (v, a.) Verzagten , week
maaken ; laj- verwyfd - maaken ; s'a-
moUir, (v, r.) gedwee worden; ver-
wyfd worden.
Amollifleraent , (m) Verzagting ,
(O
Amomie , (m) Jamaica peper.
Amonceler » (v. a.) Ophoopen.
Amonéter ,{v,a.)Vermaanen,{Zie
Admonêter).
Amonition , (f) Pain d'amonî.
tion , Ccmmis-b rood.
Amont, (adv.) Tegen Jiroom, op^
waards; le vent d'amont, rf'oo/î?«
wind.
Amorce, ( f ) Aas, lok-aas; (n)
aanlokking ; ( f ) het kruid op de pan
van een vutir-roer ; (n)
Amorcer , (v. a.) Aas aan een hen^
gel doen; iemand aanlokken ^ aamoe-
moedlgen ; kruid cp ds pan van ' een
. '■juur-roer doen,
Amor-
AMO. AMP*
Amorçoir , (m) Steek-boof der wa-
gen of rademakers , (n)
Amortir , (v. a.) ^flojjen j vetjïer-
•ûen-, uitblujfchen; amortir une ba-
Ie, een kogel dempen; amortir les
paflions, de hartstochten verkoelen -,
amortir les rentes, renten aflojfen.
Amortiflable, (adj.) Dat afgelojl
kan woraen»
Amortiffement , (m) ^flojjftng;
verjlerv'tng ; demping j ( f)
Amovibilité , ( f) Herroepelykheid ,
dat afgezet kan worden.
Amovible , (adj^) Herroepelyk.
Amour , (m) De God der liefde ,
Cupido 't de liefde ,de min ; pour l'a-
mour de moi, om mynent wil ;mon
amour, m'amour, myn fchat, mjn
hert; {in V meervoud is dit woord
féminin) als 't Itefde betekend.
Amouraché, ée (adj.) Verliefd.
s'Amouracher , (y» r,) Verliefd
worden , {gem. w.)
Amourette , (f) Heimelyke ihin-
handel; item kalverliefde.
Amoureurement ,(adv.) Mînnelyk.
Amoureux, eufe (adj,) Verliefd,
Ampateler, (v. a.) Wol blaauw
verwen.
Ampelite, (f) jiarde die zig in
oiie ontbind en dan diend om 't hoir
zwart te maaken.
Amphibie , (m. & adj.) Dat te
water en te land leefd; als een Otter ^enz.
Amphibologie , ( f) Dubbelzinnig-
heid.
Amphibologique , (adj.) Dubbel-
zinnig.
Amphibôlogiquement , (adv.)
Vubbelzirmiglyk.
Amphiptere , (m) Sta?2g met twee
vleugelen, (f)
Amphisbene , (m) Slan^ met twee
hoofden , ( f )
Amphifciens, Cm) Inwoonders van
de verzengde Lucht f reek .
Amphithéâtre , (m) Een ronde
Schouwburg , (f)
Amphiirite, (f) Godinneder zee.
Ample, (adj.) Ruim^breed^wyd ,
uitgebreid; robe ample , wyde roh ;
ample matière , wyd kftige Jloffe ,
ample pouvoir, uitgeftrekte magt,
Amplemeflt, (adv.) Breed,
AMP. AMÜ; öiT
Ampleur , ( f) Ruimte , van kh^
deren gezegd)
Ampliateur , (m) Uitbreider , ver-*
grooter.
Ampliatif , ive (adj,) DatuifJIrekty
vermeerderd.
Amphation , ( f) UitbreiÉng ; ver"
leng ing.
Amplier,(v.a.) Amplier Ie ter-
me d'un paiement , de tyd van be-
taaling verlengen; amplier un cri-
minel , eenen misdadiger zyn vonnis
opfchorten; amplier un prifonniei^
eenen gevangenen meer ruimte geven^
(m regten).
Amplificateur , (m) Uitbreider i
vergrooter ; (in redenk.) amplificateur
des impôts, É-fTi die meer fchattingei$
vraagd als hem toekomen.
Amplification , ( f ) Vergrooting^
cierlyke uitbreiding.
Amplifier, ( v. a.) Uitbreiden ,
vergrooten, door omjîandigheden.
Ampiifllme, (adj.) Zeer voortref-
felyk, {eertytel op de hooge Schooien
gebruikelyk ; als : Refteur amplis^
lime).
Amplitude , (f ) ÏVydte der Ster^^
ren op- en onder -gang y van de mid»
del-lyn.
Ampoule , (f) Een blaâr , (f)
watsr-blaasje ; glaze flesje; (n) la
fainte ampoule , oliefles ter zalvin^
ge der Koningen van Vrankryk.
Ampoulé, ée (adj.) Opgeblazen^
un ftyle ampoulé, een hoogdravende
flyt.
Am poulette, (m, plur.) Zand*
loopers , op een Schip.
Amputation , ( f) Lid-afzetting.
Amputer, (v. a.) Een lid ajzet-
ten, {in Heelk.)
Amuler. {Zie Amurer).
Amulette , (m) Een aan den hals
hangend geneesmiddel tegen toverye.
Amurca, (f) Olyf-olie droes ^ die-
nende tot gerieenniddi'l.
Amurer , (v. a.) Amurer Ja gran-
de voile , het fchoover zeil toezet-
ten , {ze^ w.)
Amures, (f. pi.) Hals -gaaien op
een Schip.
Amurant,ante (adj^ u4angenaamt
tydverdryvend,
Âma-
' |o AMU. ANA.
Amu^ment , (ra) TyJkwtJlwg ; tyJ-
korting , C f) tydverdryf, (n)
Araufer, (v. a.) Opbottden; by de
neus leiden-, s'amufer à raiionner
d'une chofe avec quelcun , temand
over eemtzaak met redenkaveling be-
zig houden ; il s'araufe à des fotti-
fes, hy houd zig met zotternyën op',
s'araufer aux acceffoires & négli-
ger le principal , de toevallige zaa-
ken gadejlaatîy en de hoofdzaak ver-
zuimen, , , s
Amufette, (f) Klein ver maak, {n)
fpeelpop » e f ) , ,
Amufeur, (m) Tyd-verdryver ; be-
drieger; misleider; amufeur de fil-
les, een' 'meisjes bed teger. ^
Amufoir, (m) Amuibir de petits
en fans, kinderachtig tyd verdryf,
Amydon. {Zie Amidon).
Amygdales , (f. pi ) ^-imandelen in
de keel y [in Ontleedk.)
An, (m) Jaar (n); 1'an folaire .
het zonnen-jaar-y 1'an de grace , het
jaar na Chrijli geboorte; j'ai trente
ans pafTé ^ ik ben boven de dertig jaa-
ren cud', bon an, mal ail , ce prè
rapporte tant , het eene jaar door
het- andere , brengd deze weide zoo
veel op.
Anabaptisme , ( m ) Weder doo-
ping , (f)
Anabaptifte , (m) Een doopgezrade ,
qvederdooper.
Anachorète, (m) Soort van Klui-
-cu^ar , Heremyt.
Anachronisme , (m) Misjlag in de
tydreekening.
Anagogie , (f) De geejïelyke be-
duidenis der Schrift»
Anagogique, (adj.) Fol geheim ,
diepzinnig.
Anagrammatifte , (m) Letter-keer-
digter.
Anagramme , (f) Naam-letter-
keer.
Anagyris , ( f) Boon-boom , (m;
(Jlinkend gewas)
Analeptique, (adj.) Verjlerkend t
{in Geneesk.)
Analogie , ( f) Overeenjiemming ,
gelykheid in de woorden , afleiding.
Analogique, (adj.) Overkomjiig.
Analogiquement, (adv.) Overeen^
komjliglyk.
ANA. ANC.
Analoque , (adj. & fabft. fti.)
Overeenkomende; overeenkomJJig , (£}
Analyfe , ( f) Oplojfmg van eene
zaak of reden.
Analyfer , (v. 'a.) Een zaak ont-
binden y ontleden.
Analyfte , (mj Een daar in ervaren.
Analytiqt^e, (adj.) OplofTend.
Ananas , (m) .Inanas ^ (z-^kere In-
diaanfche vrucht van een goede fmaak)
Anapefte, m) Foet van z korte
en I lange fyllabe , {in Poé'zy)
Anaueftique , (adj. m.) Dat van
dien aard is.
Anaplérotique , (adj. & fubfl.)
Vleefch maakend middel.
Anarchie, Cf) Heerfchlooshetd ,
fiaat van een land , 't welk zonder
opperhoofd , ovet^heid is.
Anarchique , (adj.) Gefcheiird ,
verward , zonder opperhoofd.
Anaflomofe , ( f) Vereenlging van
de uiterjie der aderen , {in Ontleedk,)
opening , (in Heelk.)
Araftomotique , (tn) Middelen om
de aderlatingen te h ever der en , (n) {in
Geneesk.
Anatliématifer , (v. a.) Vervloe-
ken ^ in den ban doen.
Anathême, (m) Vervloeking , (f)
Kerken-ban , (m)
Anatolisme, (m) Woeker-contraâj
(n)
Anatomie, ( f) Ontleedkunde (f);
naauw onderzoek, (n).ï
Anatom'que , (f ) Ontleed kundig.
Anacomiquement , (adv.) Ontleed-
kiindiglyk.
Anatomifé , ée (adj.) Ontleed-,
naaüxv onderzoekt,
Anatomifer, (v. a.) Een Lichaam
ontleeden j eene zaak naauw onder-
zoeken.
Anatomifte , (m) Omleeder ^ ont"
leedkundige.
Anatron , (m) Vlug zout én fchuim-
zei van glas, getrokken ^it de fmelt-
iroeSf item zilver dat zig aan on-,
deraardfche verivulfzels vind., (n)
Ance , (f) Zee boezem, kom, golf
of baay van weinig diepte.
Ancêtres, (m. pi.) Voor-ouders.
Ancette , ( f J Kleine Zee. boezem.
Ancettes>ou Cobes de boulines.
Leen-
ANC. AND.
%eeuviiers ougci m • ei iyk am touwen
door te Jli-eke.i y {^cheeps iv.-
Aoche , ( f ) Houte gout waaf door
het mul in ,ieu tremel of kijî van de
ffioolen valt j tongetje van een Scbal-
niey • (n)
An.h'jis, (m) ansjovis.
Auchiiiie , ( f . yikehi bloem.
Anchue j(f) [njlag -i^by ÏVee'jers).
An i.n, ne (adj.) (Jud; favoir
l'hiit 'i:e an.ieime <Sc moderne, t/f
eu.ie en hedendaagfche hijlorie ivee-
ten.
Anciens , (m. pi.) Anciens de
l'EguI'c , ouderlingen der Kerk ; les
anciens Pères, de Oudvaders; les
anciens du peuples, de voorjtanders
des Volks.
Anciennement, (adv.) f'^an ouds ,
eert y ds.
Anciennes, (f) Oude Bagynen.
Ancienneté , ( f) Ancieüaeté des
maifons , fliip ou.ihtid der gejlachten ;
Tancieniicté regie Ie rang , d'ou
der dom bepaald aen rang.
An::jag5 , (m) j-Jnker-grond , (f)
het werpen van 't Anker ',ütoxi d'an-
crage' , Haven-geld.
Aiicre , ( f ) jclieep-anker'. Anker
in > en muur (n) ; toevlucht'. Anker y
(óde iieel van een Oxhoofj)
Aiicré , ée (adj.) Geankerd -y (in
JVape^ik.) croix aacrée , kruii met
een anker.
Ancrer , (v. n.) Ankeren , vaji
Z)itcen', s'ancrer > (v. r.> zig ergens
heer zetten.
Ancrure, (f) Vouw in Laken,
(by : roog fcheerders)
A i-'fiabate , (m) Geblinde fchermer,
(by d ouden)
Anaaillots, (ni.pl.) Leeuivertjes ,
groüte Jlag rmgrn, (Scheeps w.)
A':ciain,(m) Gras dat de Maaijer
in eentn jlag afm:ait
Andoulle, (f) Beuling., worlh
Andouillé, ée (adj.) Tot ivorjï ge-
maakt.
Andouillers, (m. pi.) Kleine tak-
ken der hart s hoornen.
Anàûuidecre, ;f) Gehakt Kalfi'
vleefch , frikkedel.
Androgyne , (m) T-wfe-Jlachtig-
menfgh , (n)
AND.ANE.ANF.ANG. 3r
Ai'.droïde , (mj Alenfchelyke figuur
die door kunj} /preekt of gaat.
Ane, (m* jien Ezelibotmuil ibok^
fchraag , [voor Timmer l.) à laver ia
tete d'un àne , on y perd la lefii-
ve , hit is de Moriaan gefchuwd y
vergeej)'chen ar'veid; taie tn dos d'â-
ne, tytet een fchcrpen rug-, monter
fur l'une, bankeroet fpeelen ; fauter
du coq à l'ane, van den os op den
ezel , van den hjk op den tak fprm"
gen; (fpr. w.) contes de peaux d'à.'
nes f oude wyfs vertellingen ,( fpr. tv.}
Anéantir, (v. a. ) Vernietigen^
s'anéantir devant Dieu , zig voor
God verootmoedigen ^ tout s'anéantiC
à la ün , alles virgaat eindelyk.
AnéancifTeraent , (m) Vernieti'
Anecdote, (f) Gedenkfchrift , (n)
Anée , ( f) Een Kzels-vragt.
Anémone, (f) Klap-roos,
Anemoscope , (jd) IVtnd en weêf-^
ivyzer.
Anerie f ({)P lompheid ; onwetenheidm
AneiTe , ( f) Eene Ezelinne.
Anet, ouAneth,(m) Dille, {zé'
ker kruid)
Aneurisme , (m) Gezwel door
kwet zingen eener- flag - ader veroof'
zaakt.
Anfraiftueux, eufe (adj.) Bogtigg
kram , flangs-gevjys , kronkelend.
Anfraauoüté , (f; Bogtighetd ,
kromte.
Angar, (ni( fVagen fchuur , (f)
Ange,(m) Een Ketting- kogel, item
zeker Vijch gelyk aan een Roch.
Ange, (m) Een Engel; ange gar-
dien ou tutelaire , hcfcherm-engel ;
mon bel ange! myn lief engeltje.
Angéiographie , (f) Befchryving
der maat , gezvigt en vaat en.
Angéiologie , (f) Befchryving der
inwendige deelen des lighaams.
A g e 1 i q i) e , (f) Engelagtig , «<V-
fieekend.
Angeliquement , (adv.) Engetag-
ttglyk.
Angelot, Cm) Kleine kaas y item
zekere oude munt.
Angle, (m) Hoek; angle droit,
aigu, obtus, redliligne, mixti li-
gue , fpherique , curviligne , een
rech-^
â2 ANG. ANI. ANN;
rechte , fcherpe , y/owp^ , lynrechte ,
ongelyke^ kogel-ronUe , kromme hoek,
(in Landm. k.)
Anglec, (m) Ruimte tujfchen ver-
band Ji e enen ^ {in kiowwk.)
Angleux, eufe (adj.) Hoekig ;nnt
noix angleufe > een Jleen-noot.
Anglican , ane (adj.) l'Eglife
anglicane , de Kerk van Engeland.
Anglicisme, (m) Engelfche fpreek-
nvyze^ (f) .
Angoiffe, (f)^ngji; poire d'an-
goiffe , een kroppende peer -, bal die
de StruikroQVvrs de menfchen in de
mond Jieeken , om niet te kunnen
fchrecnwen ; angoiffe de la mort,
cioods-angfl.
Anguichure , (f) Jaagers fchou-
der-riem , (m)
Anguilkde , ( f ) Zweep van aals-
vel;JIag daarmede.
Anguille, (f) Aal;{m) eti pres-
fant trop l'anguille on la perd,
haajîige fpoed , zelden goed; il y a
anguille fous roche,, c^a^r is iets
heimetyks op til.
Anguilîers ou Anguillées, (f, pî.)
Lokgaaten op een Schip , ivaar door
het water naar d-' pomp loopt.
Angulaire, adj.) Pierre angulai-
re , Hoek'Jieen.
Anicrooche, (f) Uitvlucht, hin-
dernis , zivaarigheid.
Anier, iere (m. & f.J Ezel-dry-
ver, dry f Jf er.
Anil , (m) Plant waar van de in-
digo bereid ivord»
Animadverfion , (f) - j4anmer~
king , bertfping.
Animal , (m) Een dier , verjïan-
deloos menfcb.
Animal , aie (adj.) Efpric ani-
mal , dierlyke geejî ; vie animale ,
dierlyk. le even.
Animation ^ (f) Bezieling.
Animer, (v. a.) Bezielen-, aan-
moedigen ; gevoelig maaken -, s'ani-
mer , (v. r.) aangemoedigt ,vergrarnt
nvorden j een nieuwe glans verkry-
gen.
Animofité , ( f) Vyandfchap ,haatf
/verbittering.
Anis, (ra) Jlnys , (plant en zaad)
Annal j aie (adj.) Dc.t een jaar
ANN.
duüvd'y cömmiffion annale, hedît^
ning voor een jaar.
Annales ,,(f. plur.) De Jaarboeken,
Annalifie , (m) De Schryver daar
van.
Annate, (f) Jaarlykfche inkomjf
voor den Paus van een openfiaand
Kerkelyk ampt.
Anneau, (m) Eeft ring-, anneau
de clé£,JJeu f el-ring.
Année, (f) Een jaar, (n) jaars
tyd', (f) l'année coursLUte , het ho-
pende jaar.
Ahneler, (v. a») (beter boucler
les cheveux) he; hatf in lokken
krullen.
Annelet, (f) Klein ringetje, (n)
Annelets, (m. pi.) Lofwerk , (in
Bouivk,) (n) ' '
AnneLure, (f) Krulling van het
h air in lokken.
Ari nexe , ( f ) Byvoegzel , aanhang-
zei, (n)
Annexé , ée (adj.) Bygevoegd.
Annexer, (v. à,) Byvoegen, aan*
hangen.
Annexion, (f) Toevoeging.
Annihilation, (f) Vernietiging
Annihiler, (v- a.) Vernietigen.
An n ion, (f) Uitjlelvoor eenjaar
door den Kanzrlier aan een fchulde-
naar toegeftaan.
Anniverfaire , (adj. & fubft. fn.)
yaarlyks ; (n) verjaardag; mefle an-
niverfaire , jaarlykfche miffe.
Annonce, (f) Jfkortdigmg, be-
kendmaaking , Kerkgehod.
Annoncer , (v. a.) j^f kondigen y
bekendmaaken , boodfc happen.
Annonceur , (m) aankondiger.
Annonciade , ( f) Geejlelyke Rid-
der orden in Savoyen dus genaamd.
Annonciateur, (m) Een Dettr-
wagter,
Annonciation, (f) Maria-booJ-
f: p, (eenfeefi)
Anno ne , (f) Voorraad voor een
jaar.
Annotateur , (m) Een die aart^
merkingen op eenig gefchrift maakt.
Annotation, (f) Aameekening j
aanmerking , opfchryving.
Annoter, ( v. a.) ^anteekenen,
aanmerken ; item iemands goeder nt
opfcbry*
Ann. ano. ans. Ant.
opfchryverty inventarifeeren , {in Rech-
ten)
Annuel , elle (adj. & Tubrt.) Jaar-
lyksip&yer l' annacl fjaarlykfche gt-
regtii^heid betaaten.
Annuellement, (adv.) Jaarl^ki ,
alle jaaren.
Annuité, (f) Annuïteiten.
Annulaire ,/adj.) Doigt annulai-
re 9 ring vinger.
Annullation, (f) f^ernietiging.
AnnuUer , (v. «.) f^emietigen.
Anoblir , (v a.) Edel maaken-,
anoblir fon ftyle , zynen fcbryfjiyl
verbeteren.
AnoblifTement ,(m) Veradeiing ,(f)
Anodin , ine (adj.) Remede ano-
din., Verzachtend middel ^ (th Ge-
neesk.)
Anomal , aie (adj.) Verbe ino-
inal , onregeimaatig werkvioord , ( in
fpr. k.)
Anom-ilie, (f) Onregelmatigheid.
Anon , (m) Ezel- Veulen ^ {n)
Anonrer, (v. r.) EzpIs werpen ;
garnerende leezen offpreeken.
Anonyme, (adj.) Un auteur ano-
nyme , een naamloos fcbryver.
Anordie , ( f) Noofder fiorni op
de kujien van Mexico.
Anfe , ( f) Oor , band-vat , hengel
f;an een pat y manden, klok enz. faire
Ie poe à deux anfés , zyne handen in
de zyden zetten.
Anféatique, (adj.) Les villes iCn-
féatiqut'Sï de hanze Reeden.
Anfetce, 'm)Oortje , handvatje [ti).
Anfpeél, (m) Hand~fpeek,{zie Le-
vier)
AnTpelTade, (m) Een Lanfpajfaaty
onder Korporaal.
Antagomfte > (m) Tegenjireever ,
i/yand.
Antan , (m) (gem. ir.) Des neiges
d'anCan , fneeuw van 't vorige jaar.
Antanaclafe , ( f) {in Redenk.) Her-
haling vao een woord in verfcheideh
zinnen genomen.
Antanaire , (adj.) Faocon anta-
naire , Valk die zyn veeren van 't
vortge jaar nog heeft.
Antaraique ,(adj.)Pole antar£li-
que & ^ïC^c^vx^idezWt^fr en nQtrdtr
PotL
ANT. 3S
Ante , ( f) Las aan een MoQÏin rot^
Antécédetnnient , (adv.) /^eoft
gaandelyk.
Antécédent, ente (fubft.m. Ie adj.^
De vorige Jtelling i (f) voorgaande,
Antécefleur, (m) Leeroaf^ Prom
fijjfor in de Rechten.
Antechrift , (m) De jinti-chrift.
Antenne, (f) De Rei van efà
Schip y {zie ook Vergue)
Antépénultième, (adj. & fubft.>
De êp twee na laatjfe Syllabe van een-
woord,
Anteriaur , cure (adjo) Texnpë
interieur , voorgaande tyd.
Antérieurement , (adv.) Vroeger^
vöorgaandelyk.
Antériorité , (f) Antériorité
d'hypoteque, een vroegere verpaa-^
ding.
Ante, (m. pi.) Hoek pylaaren aa%
de Heidenfche Tempels.
Antefciens , (m. pi.) Tegen^oe^
tersj die op gelyken afjiand van da
middel-lyn avóonen.
Anteftature , ( f) Borjiweering ia
der yl opgeworpen.
Anthiope , ( f) Konitigin der Ama^
zoonen.
Anthologie , ( f) Verxameling vam~
Griekjche pUnt-digten.
Anthrax , (m) Karbonkel , pefi-*-
butly (f) *^-^
Anthropologie , (f) Figuurlyk^
befchryving in de Schrift.
Anthropomancie , ( f) fVaarzeg-<
geryuit d'ingnvanden wn een doQsf
menjch.
Anéhrópcitiorphïte , (m.& f.) Die
aan God eene menfchelyke eedaetmik
toefchryft. .
Anthropopathie , (f) Redenvoe-^
ring door welke men iets aan God toe-^
eigend, 't geen den den menfcbeo ay<
leen pajl.
Anthropophage , (lö. & f.) Men^,
fchen-eeter.
Anthropophagie, (/) Menfche^
eet ing. ^^
A^ntï , Zekei- voorzetzet Jlaàndê nféor
verfcheide woorden.
Antiapopleftique , (adj.) Reme-,
de antiopleftique, mfddel tegen de
geraaktheidyberçmf,
^ Àntr-
3f
ANT.
Àntibaccliîqup , C'm) MiJdol om
dg dror.kcnfchap te y er dr y ven'.
Vnticabinec , (m) Vertrek tujjchen
de zaal en linnen kamertje (n).
'Antichambre , (f) Zy -kamer,
t'oor-kamer. _ .
, Antichretien , enne (m. <5c r.;
Tegeti-chr ijlen.
.AiKichriftianisme , {m)Het Antt-
tbriftendom-. (n)
^Anticipation , ( f) Voor-inneernmg',
payer par anticipation ,5;oor utt be-
saaten. . ,^
Anticiper, (v. 2l:) Voor-mneemen,
Voorkomen ; il a anticipé fes gages ,
hy beeft zyne bezoldingen voor uit opge-
nomen. „ • t j '
Anticœur ; (m) Gezivel aan de
larfi der paerden^ (n) , ,,^ .■
Anticour ,( f) Voorhof, (n) (A^ant^
COViT is beeter). - , .i, , - ,.
Antidate, (f) Eenouder datum of
^az y als men fihryft , im)
, Antidaté, ;ée {&^].)Te vvoeg ge-
feékénd.
.Antidater, {v. 9..) Datum op een
h-'ief een dag te vroeg teekenen.
Antidota.ire , (m). Verzameling
van middelen tegen vergift. ' ,
.Antidote, (m) Tegen-vergift, (n)
Antienne, (f) Ker k-gezang , h y
afwiffelivg der fiemmen, ^
Antilles , ( f ) Eenfait-foom voor
êt» deur , (m) ^ ,. , . r .
.Antilogie, (O Strydtgoeicl der
mnhaaUngen van eer.ig Schryver.
. y^ntimelancoliqu.^ , (sidj. & fublt.)
Droefgeejïjg; middei tegen de droef-
geejfigheid i (n)
. Antimjine» {ï). Spiesglas,
Antipape , (m) Tègen-paus ,on<weu
ijge Paus. , _
AntîpaTalytiqùe , (adj- & fubft.)
Middel tegrn (ie tamheid.
' Antipathie , C^) afkeer , haat ,
tegenzin.
A.nripatbïque , (adj.) Tegenjirydig.
.. Antipcriftafe , ( f) Strydige hoe-
darighpjd als , koude en hitte,
Antl-peftilentiel^ elle (adj.) Dat
âf P^J^ geneefi.
Antiphonaire , (m) Een Boek wet
Koorzangen , (n)
Antihpone, (f) iJSis Antienne.)
ANT.ANU.ANX.AOU.
Antiphrafe, (f) Strydige fpreek-
%vyze.
Antipodes , (m. pi.) De tegen-
voeters j c'eft l'antipode de la rai-
Ion, dat firyd tegen 't gezond ver^
Jiand.
Antiptofe, (f) Verkeerde zetting
van een naamval , cafus (infpraakk.)
Antiquailles, (f) Oudheeden, on-
dervuetze meubilen of fcbilderyèn.
Antiquaire , (mj ^Een die in oud-
heden ervaren is ; oudheids-kenner .
Antiquariat , (m) Kennis der oud-
heden , {ï)
Antique , (fubft. & adj.) Owii; bel-
les antiques ,/raiïy^ oudertvetzefchil-
deryen , beelden, enz.
àl'Antique, (adv.) Op de otide-
wyze.
Antiquer, (V.a.) De fneê vaneen
bock met verfcbeide fguuren befchil'
deren.
Antiquité, ( f j De oudheid, vori-
ge eéuiven. ,
Antifalle, (£) Een voorzaat.
' Aritiftrophe , ( f) (in fpraakk.) Om-
keering eener fpreekivyze.
- Antithefe , ( f) Tegenjlelting , ( in
redenk.)
Ant'itype , (ro) Tegenbeeld, (n)
Antivenerien, (fubft. m. & adj.)
Geneesmiddel voor de Venus quaal.
Antoifer, (V. a.) Afijf mengen en
op hoopen leggen, {in Landb.)
Antoit,(ni) Een fchot -bout om iet f
aan malkander te houden , {infcheepsb )
Antré\ (m) Hol ,' (n) fpelonk ; ( f)
un antre affreux, naar , akelig hol.
Antropophage , (ra. & f.) Men-
fchen-eeter,
Amüter , s'anuiter , (v. r,) Door
de nagt overvallen worden j (men zegd
beeter .être furpris de la nuit).
Anus , (m) Het uiterfie van het
fondament , (n) (Lat. w.)
Anxiété , ( f) Benaauwdheid ,
angfi.
Abut, (m) Auguflus, oogjlmaandv
bogjl die geduurende die maand ge-\
fchied; il arriva la mi- août , /y
kwam half Augufli aan.
Acuter, (v, a.) Rypen^ ryp tna.i'
ken.
Aom;çrQDj (quö) S« ^<'^>"^* ,
i\PA.APE. APH.API.APO.
Apanage , ('m) Land ofgelJ 't welk
de yorjien hunnen laatjl - geboorenen
Kinderen in bezit geien; lea infirmi-
tez font les apanages de Ia veilles-
fe , de zwakheden zyn met den ouder-
{fum vergezeld , ofhet gevolg daarvan.
Apanager , (v. a.) //; bezit geven.
Apanager, (ra) Een met zodantgen
bezit.
Aparté , (m) u4llêenjpraak der To-
neelfpeeldert.
Af-athie, (f) OngevoeUghetd ^ ge-
ritjlheid des gemocds , (in l^ysff-)
Apathiquw- , (adj.) Ongevoelig.
■ Apédeute , (m) Een or.ivretende.
Apédeucisrae , (m) Or.ivectenheid,
in de fraaye letteren; (ignorance ts
gebruikelyker).
Apercher, (v. z.) Opffeurcn; z-
percher un oifeau , een vogel met
tet gezicht volgen om te zien waar hy
zig neder legd.
Apéritif, ive (adj.) Openende y (in
Ceneesk.
Apertement ou Manifeflement ,
(adv.) Openlyk.
A peu près, (adv.) Ten naajlenby.
Aphorisme ^ (m) Kortbondige
fpreuk , Jielregel.
Aphoriftique , (adj.) Zinfpreuktg.
Aphronitre, (m) Natuurlyke Sal-
peter; item fchutm daar van.
Apiquer,(v. n.) Apiquer Ia ver-
gue , de ree op toppen ; Ie cable api-
que ,de kabel hangt loodregt ^{zee w.)
Apis,(m) Eene Egiptifche Godheid.
Aplaner. {Zie Applaner).
Aplefter , ( v. a. ) De zeilen los
maaken , ter wind - vang Jïellen ,
(Scheeps w.)
Apliquer. (Zie Appliquer).
A plomb, (adv.) ö^f waterpas is;
fous I'équateur Ie foleil donne à
plomb , onder de middel-lyn fchynd de
zon regtjiandig neer.
Apocalypfe , (f) De Openbaaring.
Apocalyptique, (adj.) Dat open-
baaring behelsd.
Apocope , ( f ) Uitlaating van een
letter op het etnde van een woord.
Apocryphe, (adj.) Geheim, on-
bekend.
Apodiiflique , (m) Bewyzencf er.
9Vinvigen4 argmnç|it ; (n)
' APO. 33-
Apogée ,.(m} Top-punt derzonne,
daar ze het vcrjle van de aarde is ;
fa gloire eft dans fo.n apogée , zyn
roem is op het hoo^Jle gekomen.
Apcgraphe , (m) Copie van eeni^
boek ofgefchrift.. , •
Apoint , (m) Het Jlot eener ree-
kening.
Apologétique , (adj.) Z?« dat ver^
dedigd.
Apologie, (f) Ferdediging , ( f)
verweer-Jcbrift van iemand , (d)
Apologique , iadj.) l^erdedigend»
Apologifle , (re) Verdediger , ver*
antwoorder.
Apologue , (in) P'erdicbtzel , (n)
Apokronnir, (v.a.) Een Falk de
nagels affnyden.
Apomécometrie > (f) De mn-
ting van voorwerpen buiten het bereik,
Aponeurofe, (f) Het einde der
fpi er-aderen.
Apophlegmatismes , (m. pi.)
Kaauw middelen om de vogten uit
bet hoofd te trekken,
Apophthegme, (m) Een kortbon-
dtge fpreuk.
Apophygs, (f) Plaats daar de
pylaar uit zyn Baüs komt.
' Apophyfe , ( f) Uitfleeking of aan"
groeijing van eenig been,
Apopiedique, (adj.& fubft.) Be?
roerd.
Apoplexie , ( f) Geraaktheid,
Apore ,Cm) Een moeielyk voorfïetm
{in H'iik.) (n)
Apofiopefe , (f) j^f breeking , te
rug building van een gedeelte eener
reeuen,
Apoftafie , ( f) ^fvai van eeneRe"
lig te of Orden.
"'Apotlafier, (v. n.) Fan het geloof
vervallen.
Apoflat , te (m. & f.) Een afval-
lige.
Apofté, ée (adj.) Omgekogt*
Apofler, (y. a.) Omkoopen; apos-
ter de fauK témoins, valfcbe gstui'
gen aan/ie Hen,
A-poïï'üle , {£) Kant-teekentng.
Apoflilk-r, (v. a.) Rand of kant-
teekpningen maaien.
Apoltis, (f) Riembalk op een ga-.
ki,{tn)
C 2 Apofta-
5«t APO. APP. ^^^
'^Apoftolat,(m) Het Jpojletfcffdp,
ApoJieUampt , (n)
Apoftoliqae, (adj.) Jpn/ioUfcb.
Apoftoliquement , (adj.) ^P^Jfo-
Apoftoloram ,(m) ^'^'^f zalf uit
II ingrediënten bepaanJf.
Apoftrophe , (f) Teeken van een
êetter-mitlaating , fpraakwendwg tot
$,mand, {in de U'elfprekendh.)^
Apoftropher » (v. a.) Tot iemand
vivne reden wenden , rigten.
Apoftonie , ( f ) £«» Ettef gezwel ,
"Apoftnmer , (v, n.) Verzwseren ,
(t^/^rfuppurer)
Apothéofe, (f) Fergooding.
Apothéofé, ée (adjO Fergood.
Apothicaire, (na) Eene Apotbeeker.
Apothicaire rie , ( f ) EenJpêthetk,
ürtzeny-winkel,
Apothicaireffe,(f) Apotheeekers-
P^rouw. ^ , .
Apôtre , (m) Een Apojieliun bon
Apôtre , een tooxe , vrolyke kwant.
Apotropéen , enne (m.& f )Gr/<'*5
<«/.) een die iets, quaads afwend, af
Apozeme , (m) Zaùte gekookte ge-
neesdrank. , ^ ,. ^ „ ^. ^
Appaifé, ée (adj.) Bevredtgd , ge-
Appaifer, (V. a.) Stillen, bevre-
digen; appaifer Ie foif, une fédi-
tion, den dorjl y een oproer Jitllen.
Apparat, (m) Toejiely (m) pragt.
Apparaux, (m. pi.) Seheeps-ge-
reedfchap en toebehooren , (n)
Appareil , (m) Toejleh appareil
de guerre , krygs-toeruJUnge ; mettre,
lever l'appareil , de zwachtel enz,
9p een wonde leggen , afneemen»
Appareillé, ée (adj.) ToegeruJÏ ,
vaerdig gemaakt.
Appareiler, (v. a.) letspaaren;
vaerdig viaaken ; bet Zetl vaerdig maar
ien ; voilà un bon cheval je cher-
che l'appareiller, dat is een fc hoon
paerdfik zoek naar de weer gade daar
van.
s'Appareiller » (v. r.) Zig gereed
rnaaken.
Apparemment, (adr.) Waarfchy*
APP,
nety^; apparemment fe fera t-ii»
het zal mtjfcbien gebeuren.
Apparence , ( f ) Aanzien , hlyi ,
waarfchynelykheid -f toutes les appa-
rences font contre lui , alle waaf
fchynelykheden zyn tegens hem; hora
d'apparence j buiten waarfebynefyir
hetd.
Apparent , ente (adj.) Waarfcby
nelyk'y aanzienelyk -, les pluS app»-
rensde la Ville, de aanzieaelykjle
d;r Stad.
Apparenté, ée (adj.) BevrieBdt»
vermaag f chapt.
s'Apparenter, (v. r.) Zig vfieti'
den , maagfcbap verwerven,
Appareirer, (v. a.) Lni maakeui
verdooven.
Appariement , (m) Paar ing , ( f)
Apparier , (v. a.) Paaren.
Appariteur , (m) Pedel , bedél 9
Deurwaarder van een hooee Stbooi of
Kerk. ^
Apparition, (f) Perfcbyneel 9 (n}
verfchyning.
Apparoir, (v.n.) Verfehyneny (it>
Rechten)
Apparoitre, (v. n.) Verfcbyneni
il apparût un fantôme , daar vfr»
fcheen een fp ook.
Appartement, (m) Vertrek (n);
être logé au premier appartement,
op de eerfte kamer woonen ; apparte-
ment de plein pié , een kamer gt*
lyks vloers.
Appartenance, (f) Toebehoorend
un maifon & fes appartenancei ,
een huis met deszelfs toebehooren.
Appartenant , ante (adj.) Toebe-
hoorend.
Appartenir, (v. n.) Toebehooren i
il appartient, Jbf-r behoord^ het betaamd.
Apparu, ue (adj.) Verfcheenen.
Appas, (m) Aanlokking , bekoor lyk^
betd, (f)
Appât, (m) Lokaas, (n)
Appâteler, ou Appâter, (v» n.)
appàteler de la volaille, gevogelte
met deeg mcjlen.
Appaumé ,ée(adj.) Met een vlak^
ke hand y {in fFapenk.)
Appauvri, ie (adj.) Verarmd.
Appauvrir, (v. a,) Ferarmen ,
arm maaksn.
Appaii
APP.
Appautriffemenc, (m) f^erarming,
Appeau , (m) Een Lok-pyp , Kwak-
keî-fluit.
Appel , (m) jlfleezing der naa-
men in monjieritig -y uitdaagmg; be-
roep op kooger Gerichts-hof.
Ajfpellanc, (m. &f.) l'AppelIant
& l'intimé , de eijfcher en gedaagde
in cas van appel.
Appellant , (m) Een Lok-vogel.
Appellatif, ive (adj.) Nom ap-
pellatif , gemeene naam van een
zaak.
Appellation, (f) Beroep op hoo-
ger recht (n).
Appelier, (v. a.) Roepen, noemen;
uitdaagen ; appelleeren ; appellet
quelcun en jugement , iemand voor
het gerecht roepen ienv o ier appeller
quelcun , iemand laaten roepen ; ce-
la s'appelle ainfi , dit word aldus
genoemd; je m'appelle, ik biet; ap-
pelier d'une fentence « , wegens
een vonnis beroepen tot.
Appendice, (f) Aanhang (m),
hyvoegzel (n),
Appendre, (v. a.) Ophangen , {als
Wapenen &c in een Kerk).
Appentis, (m) uifdak {n),fcbuur
Appercevable, (adj.) Befpeurlyk ,
zichtbaar.
Appercevoir, (v. a.) Be/peuren,
verneemen ; s'appercevoir, (y. r.)
befpeuren, gewaar worden.
Apperçu, uë (adj.) Befpeurd.
Appert, il appert, het blykt , (m
Rechten).
Appefantir, (v. a.) VerzwaareUf
zwaarder maaken; les néceflitez ap-
pefantiffent l'efprit , de behoeftig-
heid bezwaard het gemoed.
s'Appefantir, (v. r.) Zwaarder;
vaakrig worden.
Appétence, (f) Groote begeerlyk-
heid, lujï (£), verlangen (n).
Appéter, (y.a.) Begeeren, ver lan-
gen, naar iets heigen ; l'inftindt des
Animaux fait qu'ils n'appétent que
ce qui leur eft propre , de in^e-
fchapene driff der Dieren maakt dat
ze mets begefffn 6(ait bet gçem goed
VQor liun ff,
APP. 37
Appétibilité, (f) Lufl , neiging ,
(in fTysg.)
Appétitfant, ante (adj.) Stnaake-
tyk , dat eetlufl verwekt,
Appétiflement , (m) Verkleining,
Appetiflcr, (v. a. & n.) Tot eet-
lufl verwekken ; kl einder maaken , wor-
den; s'appetifler , (v. r.) klemder
worden.
Appétit, (m) Trek y lufi, eetlufl i
il n'eft fauce que d'appétit, hon-
ger is de befle faus.
Appétitif, ive (adj.) Begeersndt
luflend,
Appétition, (f) Verlangen (n),
lufl {{).
; Appiétrir, (v. n.) In waardyver*
ergere» , (by Koopl.)
Applaner, {y.z.)De wol van een
deeken ophaalen , rouwen,
Applaneur, (m) Een die zulks
doed.
Applanir, (v.a.) Vereffenen ,JJeg-
ten; bejliffen; applanir un chemin,
eenen weg baanen; applanir de diffi-
cxilt^z, zwarigheden Mt den weg rui^
men , vereffenen.
Applaniflement, (m) Vereffening^
beflffftng (f). -^ ^'
Appianifleur, (m) Laakenperffer»
Applatir, (v. a.) Plat maaken^
uttklopping,
Applatiflement , (m) Plat maa^
king , plat klopping.
Applaudir, (v. n.) Toejuichen, in
de banden kloppen ;ippÏ2L\xàir à quel-
que chofe , iets pryzen ; s'applau-
dir , (v. r.) zig zelfs pryzen.
Applaudiflement , (m) Toejui^
(hing ( f ). •
Applaudifleur , (m) Toejuicher,
Applicable, (adj.) Toep.jffelyk.
Application, (f) Toepaffmg; ap-
plication d'efprit , toelegging van 't
V erfland. Studie.
Applique , ( f) Iets dat men ergens
op legd.
Appliquer, (v. a.) Toepaffen; op-
leggen; aanhechten; aanwenden; ap-
pliquer , (donner) un foufflet à
quelcun, iemand een klap, oorvyg
geeven; appliquer Ia fonde à une
playe , het tent-yzer m een wond ge-
bruiken; s'appüqucr (v.r.) une chofe ,
C? zig
38 APP.
xig iets aanmatigen; s'appliquer à
<juelque chofe , zig ergens op toe-
leggen.
Appoint, (m) Kleine mum y die
in de betaahng van e^ne fomme byge-
voegd word f payement {by KoopL)
Appointé, ée (adj.j .ô'angejleld,
hejlooten (n) j un appointé. Sol-
daat die honger betaaling trekt als
endere.
Appointement , (m) Jaarlykfche
•wedde (f), tradlement (n), eene
fchikkinge (f), bejluit (n) y vajïfiel-
ling i« Rechts-gedingen (f).
Appointer , (v. a.) ^anjiellen-,
vajïjiellen; jaarivedde toeleggen ; ap-
pointer une caufe , eene zaak uit-
jiellen tot een ander termyn , {in
Rechten).
Appointiffer, (v. a.) Spits maa-
hn, (gem. iv.)
Apport, (m) Plaats daar men
uaaren te zamen brengt om te ver-
Jioopen,
Apportage,(m) Aanbrenging -y loon
daar va».
Apporter, (v. a.) Aanbrengen,
aandraagen ; apporter de bonnes
raifons, goede redenen geven; ditez
les chofes fans y apporter tant de
façons , /preekt zonder zoo veele om-
fiandigheeden te maaken.
Appeler , (y. a.) Appofer le fceau,
bei zêgel ergens op zetten.
Appofition , (f) Opzetting van
éten.
Appréciateur, (m) JVaardeerder.
Appréciation , ( f ) If^aardeering.
Apprécier, (v. a.) I^Faardeeren ,
9pprys jïellen.
Appréhender , (v. a.) Dugten,
vreezen ; in hegtenis neemen.
Appréhentif, ive (adj.) Dugtend,
hefchroomd.
Appréhenfion, (f) Vreeze; heg- \
tenis.
Apprendre, (v.a.) Leerem onder-
wyzen', verneenien; hooren; appren-
dre quelque chofe de, ou à quel-
cun , iets van , of aan iemand leer en ;
apprendre une nouvelle, eene ty-
ding hooren.
Apprentie, (f) Leermeisje (n).
Apprentif ou Apprenti , ( ra )
APP;
Leerling, Leerjonge ; n'être qu'un
apprenti à quelque chofe , nog
maar een leerling ,nieuweling , in tets
zyn,
ApprentJiTage, (m) Leertyd ,leer'
jaaren-y être en apprentiflage , in
de leer zyn-, brevet d'apprentifla-
ge , leer-bnef.
ApprentifTe. {Zie Apprentie).
Apprêt , (m) Bereiding , toebereî^
ding der jpyze -, toejlel ; gom-ivater
om iets te glanzen -, de verf op glas,
Apprétes'ou Mouilletes, (f. pi.)
Dunnp fneetjes brood om in eieren te
doop en.
Apprêter, (v. a.) Bereiden, ge^
reed maaken ; Laaken , Hoeden enz,
glanzen ; glas fchilderen -, apprêter
des viandes , fyzen toebereiden ;
s'ap; rêter , (v. r.) zio gereed maaken*
Apprêteur, (m) Glas-fchilder.
Appris, ife (adj.) Geleerd; onder-
wezen ; vcrnoomen ; bon ou mal ap-
pris , goed of quaad opgevoed.
Apprivoifer, (v. a.) Tam maa-
ken, temmen; la perfidie s'appri-
voife par les bienfaits, trouuloos-
beid word door weldaden over won''
nen > s'apprivoifer , (v. r.) tam wor-
den , eenen zagteren aart bekomen.
Approbateur, (m) Goedkeurder.
Approbatif , ive (adj.) Goedkeu.-
rend.
Approbation , ( f ) Goedkeuring,
Approbatrice, (f) Goedkeurjler.
Approchant, ante (adj,) Naby
komende ; ce font deux couleurs
fort apprqchantesl'une de l'autre,
dat zyn twee couleuren die weinig ver-
fcbillen ; approchant,(prep.) ten naas-
ten hy.
Approche , (f) Aannaderin^ j
lunettes d*approche , een verrekyker.
Approcher, (v. n. & a.) I^'ade-
ren; nader bybrengen; s'approcher,
(v- r.) zig naderen.
Approches, (f. pi.) Loopgraven^
toe gaygen.
Approfondir, (v. a.) Diepen ^
diep maaken; grondig onderzoeken.
Approfondiifement , (m) Door-
gronding { f)
Appfopriance , (f) In bezitnee-
ming.
Appro-
APP.APR.APT, APU. &c.
Approprié, ée (adj.) Toegepaji ,
toegeëigend. ■
Approprier , (V. a.) Toepajfen ^toe-
eigenen-, s'approprier, (v. r.) zig
aamnaatigcn , toeëigtwu
Apprpviûonnement,(m) Verzor-
ging (f)
Approvifionner , (v. a.) Voorraad
bezorgen, voorzien.
Approuver, (v, a.) Goedkeuren.
Appui , (m) Een lenn,J1eun, on-
derjleumng. Schoor (f)', je I'ai pris
à l'appui de ia boule, ik greep hem
juijî nep "jan pas (fpr. w.) ; cheval
de bon appni , een paerd dat zacht
op de handii-, à haut.ur d'appui,
op de hoogte van de bcrjl.
Appui-main , (m) Leunjlok voor
Schilders.
Appuyer , (v. a.) Leunen; onder-
Jleunen j s'appuyer contre quelque
chofe , ergens tegen leunen.
Apre, (adj.) öcherp, bits, zuur.
Aprement , (adv.) Sckerpslyk.
Après, (prep.) Na, naar; après
moi, na my; après quoi, waar na y
fi je me mets après vous, als ik u
aan 't lyf kume} après tout, einde-
lyk , ailes overwogen zynde; le jour
d'après, de volgende f/a_gj travailler
d'après nature , n'a 't leven werken ,
iets maaken', après Dieu, nous de-
vons la vie à nos Parents , naaj}
God zyn wy het leven aan onze Oude-
ren verfchùldigt ; être après quel-
que chofe , ergens aan zyn om te
maaken.
Après, (adv.) Ci-apres, hier na;
par après , naderhand, après de-
main , overmorgen.
Après - diné , (ra) Après-dinée,
( f }, après-midi (m)> de namiddag,
(m).
Après-foupé, ée (m. & f.) De
tyd na het avondmaal.
Apre té , ( f) Scherpheid ,ruuwheid.
Apie, (adj.) {oudw.) Gefchikt,
Aptitude » (f) Bekwaamheid.
Apurement , (m) {in Rechten) Het
doen eener nette rekening.
Apurer, (v.a.) Eene rekening dui-
delyk maaken.
Aquarius, (m) De ff^atfff^man ,
{een dtr 12 HemeHiek.)
AQU. ARA. ARB. 39
Aquatiic- , ,(adj.) J^ts da: in h«t
water geteeld lóprd, lêefd.
Aquatique, (adj.) üifeau aqua-
tique , water-vogel.
Aqueduc , [tn) f^aterleiding ( f).
Aqueux, eale y(!ià].}lVaterachtigm
Aquiiin, ine (adj.) Nezaquilin,
kromme of haviks neus.
Aquilon , (m) Noor de of koude wind»
Arabe , (ra. & f.) Arabier , een on-
befcbofte gierigaard.
Arabesque ou Arabique, (adj.)
Arabifch.
Arac, (ra) Zeekere O. Ind. Jierkâ
drank.
Arachnoïde , (f) VUes dat hef
crijlallyne vogt in 't oog bevat.
Araignée , ( f) Spinnekop > fpinne-
web ', doodshoofd blokken , (Scheeps iv,)
Araignés, (f. pi.) Tzere traliën
voor een vengjier.
Araires , {m-ç\.)Gereedftbap voor
den Landbouw.
Aramber , (V. a.) Aramber nu
Vaiffeau , een Schip aanklampen^
(zee w.)
Arame , (m) Paleis der Koningen
van Perfien (n).
Aranteles, (m. pi.) Zekere witte
fazelen die des zomers zorAtyds in dé
lucht zweven.
Arbalète, (f) Een voet- of hana^
boog ; item graadboog (m)
Arbalétrier , (m) Boog-fchutter i
boog'maaker .
Arbalétriers, (m. pi.) Dakfpar-
ren.
Arbalétrille ou Arbulete , ( f)
Graad-boog (m)
Arbitrage , (m) Bejlijmg , »//-
fpraak (f); mettre un chofe en
arbitrage , eene zaak aan de beflijfm'
ge van goemannen verblyven.
Arbitraire, (adj.) Pouvoir arbi.
traire , willekeurige magt.
Arbitrairement, (adv.) JVillekeu-
ri^lyk.
Arbitral , aie (adj.) Jugement ar-
bitral , uitfpraak van goede man-
nen.
Arbitraiement, (adv.) Op de wy-
ze van goemannen.
Arbic ration, (f) Waardeer ing,
(in Rechten) , , .
C 4 Arbi-
40 . ARB. ARC. i
Arbitre, (m) Scbeids-maniU^tt',
Vpperbeer > Ie franc arbitre , de vrye
>wtl; être l'arbitre de la vie & de
la mort ^Opperheer vcat leven en dood
Arbitrer y (v. a.) Uitjpreeken -, be-
jleehteȎ
Arborer , (v. a.) Arborer l'éten-
dart , de Jtandaard oprechten -, arbo-
rer le pavillon y de vlag opheijfen.
Arboufe ,(f) Een Hasg-appet.
Arboufier » [(m) E^ Haag-appeU
toom.
Arbre , (m) E^n boom ; arbre de
liauce futaye , een boog opgaande
§oaj» } arbre fruitier > vruebtdraa-
fende boom j arbre nain , dwerg
oompje ; arbre de grne , kraan-balk ;
arbre de meule, moolen-fpih, arbre
de preflbir, pers-fpil; arbre de gé-
néalogie , geJJacbt-boom.
Ambrifleau , ( m ) Boompje ( n ) ,
Weejier (f).
Arbrot , (m) Lym-Jlang ( hy Vt^ge"
laars),
Arbofte , (m) Sm»% ( f) , boompje
Cn) dat gelyk een Rozemaryn wafi»
Arc , (m) Een boog (fçhietgew. ) j
tfoog van een brug efvengjier', avoir
plufieurs cord<?3 à fon arc , ver-
fcbeide middelen om zîg te redden,
weet en j arc triomphal , eerboog ,
^erepoort'» arc boutant, muitr , py-
taar of iets dat onderfehraagd -, item
Hoofdman , zuil , daar een zaak op
fujl ofjleund; arc-en-ciel , regen-
boog; are de carofle, koetsboog.
Arcade, (f) Boogsgewyze opening,
vis van een brug , bril, enz.
Arcanfon , (m) Een foort van barji,
Arcafle , ( f ) Spiegel van een Schip-,
èlok zonder fchy f, {fcheeps iv.)
Arcaune, (£) Soort van rood kryt
(n).
Arceau , (m) Boogje (n) , boven een
deur of vengfter.
Arcenal ou Arfenal, (m) Tuig-
luis , Wapenhuis (n).
P^TcYiQMhich\,{Griekfcb€nLat.w.)
tvord voor verfcheidene woorden ge-
noegd €.n beduid iets o'vertreffelyks.
Are Hal , (m) Du fil d'arc hal , yzer-
i;coper-draad (n).
Archange , (/f^5 Arkange) (m)
^arts-^ngel.
ARC.
Arche, (|f) De ark j hoog ondey
een brug (ra).
Archée , ( f) Levensgeeft of kragt
waar door alles onderhouden wordf
(in Chym.)
Archelet, (m) Boogje (n).
Archer, (mj Een Boog-fcbutter »
Dienaar van 't Gerecht.
Archerot , (m) {oud w.) Boog-
fcbuttertje (n).
Archet , (m) Strykftok van een
l^ tooi 't drilboog van een Slootmaaker }
hoofd van een wieg.
Archetype, {lees Arketïpe) (m)
Een oorfpronkelyk fchrtft i model.
Archevêché, (m) Aarts-bisdom y
Aartsbtffchops-hof (n).
Archevêque , (ro) Aarts-btjchop,
Archiacoly te , (m) Aarts-dienaar
eenes Priefters.
Archicamerier , (m) Aartskame-
raar van den Paus.
Archichambellan , (m) Aartska-
mer aar van den Pau;.
Archichancelier , (m) Opperkan-
zelier.
Alchiconfraternité , (O ^arts-
breederfchap,
Archicoquin . (m) Een Aarts-,
fcbelm,
Archidiaconat , (m) Aarts-dia-
kenfchap (n).
Archidiaconé,(m) Geeftelyi rechts-
gebied (f waardigheid van een Aarts-
diaken (n).
Archidiacre, (m) Aarts-diaken,
Archiduc , (m) Aarts-bertog.
Archiduc hé, (m) Aarts-hertogdom
Archiduchefle . (f) Aarts-herto-
ginne,
Archiépifcopal,aIe (adj.) Aarts-
hijfchoplyk.
Archifou , (m) Aarts-gek.
Archimage , {td) Boofd dss Perjl^
fchen Godsdienft.
Archimandrite , (m ) Abt der
Griekfche Kerk.
Archipompe , ( f) Hoofd pomp op
een Schip.
Archiprêtre, (m) Aarts-priefter.
Arcbiprêcré , (m) Aarts-priefter-'
fchap(n),
Arcl^itefte , <©) Bovvrneefter.
Arcbi'
ARC. ARD. ARE.
Are huefton. graphe, (m) Be-
fcbryver van gebouwen.
Architettonographie , (f) Be-
fcbryving van gcbouiven.
Aichkeftuie , (f) Bouw-kunde-,
il y a cinq ordres d'architefturci
le tofc*n , le doriaue , le corin-
thien & le compolite ; daar zyn
vyf Bouw-ordens ; de toskantfcbe , de
donfcbe , de jonifche , de corintifcbe en
de zamengevoegde.
Architrave , ( f ) Hoofd-balk (m).
Archives , (f. pi.) Hand-vejlen;
plaats daar men dezelve bewaard.
ArchivÜle , (m) Een die dezelve
bewaard.
Archivolte, (xn) Een gedraaide
boog of balve cirkel (in Bouwk.).
Are h ure , (f) Kap die om de
Mootenjleenen is (m).
Arçon , (m) Zadel-boog ; ffoede-
maakers wol-boog.
Arçonner, (v. a.) Mjt den hoog
de wol bewerken {by Hoedemaakers).
Arçonneur, (m) De werker daar
l'an.
Arcot, (m) Slak,fchuim van Me-
taal (n).
Araique, (adj.) Pole arftique,
de noorder pool.
Arttore , (f) De wagen (ra) , (ze-
ker gejiernte).
Ardemment, (adv.) Vteriglyk.
Ardent , ente (adj.) f^ierig, drif-
tig; miroir ardent; een brand-fpte-
gel } buifïon ardent , brandende
bofcbfZiTàent defir ,vierïge begeerte.
Ardeur, (f) Hitte, drift, iever-,
ardeur du foleil , hme der zonne ',
avec ardeur, met iever.
Ardillon, (m) Tongetje van een
gffP («)•
Ardoife, (f) Eene Lei, Schalie.
Ardoifiere , (£) Lei-groeve, S cha-
iie-berg.
Ardre, (v. a.) Branden [oud w.) ,
en word alleen gebruikt dus, Ie feu
Sc. Antoine les arde.
Ardu , ue (adj.)Queftion ardue 9
moettlyke vraag.
Area , ( f ) Ziekte die het Hair
doed uitvallen.
A ren e, (f) Zand {n) . Jirydperk
itr ouden»
ARE. ARG. 41
Aréner, (v. a.) Injïorteny inzak*
ken {in Bouwk.)
Aréneux, eufe (adj.) Zandachtig»
Aréole , ( f) Roode cirkel rondom
de borji-tepels.
Aréomètre , (m) Glas om vochtea
mede te weegen (nj , {in fVisk.)
Aréopage , (m) Gerichtplaats def
^t ben er s (f).
Aréopagite , (aa) Richter daar van.
Aréüteftonique ,(m) Krygskunde ^
betreklyk tot bet aanvallen , aangry-
pen.
Aréotique, (m) Zweet-middel (n).
Arer, (v. a.) Arer ou chafTer
fur fes ancres, driftig zyn, door-
goao , fpiHen , {zeew»)}
Arête , (f) De poifTon , graaf
van de vifcb ; rand van een fchotel ,
(zie Arrête).
Arêtes, (f. pi.) Zenuw - gezwel'
len aan de beenen der Paerdên.
Arêtier, (m) Hoek-fparre y Dak-
fparre.
Aretieres, (f. pi.) Aangefirekefi
zyd-hoeken van 't dak.
Arganeau , (m) Anker-ring , groor
te y zere ring.
Argent, (m) Zilver-, geld-, ziL
vergeld {n) -, rykdom; zilver ond (in
fFapenk.); argent fin, bas, trait,
vif, /y«- Jlecht- getrokken- kwik-zih
ver i argent comptant , gereed geld%
argent courant , gangbaar geld-,
point d'argent , point de Suifle ,
geen geld , geen Zwitzer-, être couEt
i d'argent , niet by de gelden zyn; ar'
I gent bas, geld by de vifcb, dat ts,
by de koop.
Argenter , (v. a.) T^cr zilveren.
Argenterie , ( f) Ztlver-werk.
Argenteux, eufe (adj.) {gem,<w,)
Geldig, die geld heeft.
Argentier, (m) Zilver-fmit; zsL
verbewaarder van eenig Hef.
Argentifique, (adj.) Dat zilver
maakt.
Argentin , ine (adj.) Zilver-ver*
wig, helder blinkend.
Argentine, (f) Zilver. ^ruic^ (^ ■
Argif.le , ( f) Klei , potcffrd,.
Argilleux, eufe (adj.) Kleiagti^,
Argot, (m) Het uiterjle einde van
9en verjiorvfü tak ; onb^ndç ta^f
C 5 catf
42 ARG. ART.
var2 be edelaars of dieven y kraamer
l>atyn.
Argoter, (v, a.) Bet dorre hout
van een tak affnyden.
Argoulet , (m) Eenpgt menfch (n).
Argouün,(m) Galei-wachter, op-
ziender der Slaven.
Argue , (ca) Goudof zilver draad-
trekkery ( f) > item het eerjie werk-
tuig waar door 't getrokken word.
Arguer, (v.a.),Arguei- une cho-
fe à faux t ^^"^ ^^^* '^°°'^ valfch he-
fchuldigen , {in Rechten).
Argument ,(m) BeivysJIuk (n) , tn-
houd van een reden ( f).
Argumentant, (m) Tiviji- rede-
naar.
Argumentateur , {m)Een die gaer-
ne difputeerd.
Argumentation, (f) Twijï-rede-^
veering.
Argumenter , (v. a.) Bewys hy
"brengen.
Argus, (m) Argus., men zegt dat
hy loo oogen gehad heeft -, item een
Jcherpziende menfch.
Argutier , ( f) Spitsvmnigbeïd ^fne-
digheid.
Argyrogonie, (f) De 'Pbilofophi-
fche Steen.
Argyropée , ( f) Konjï om zilver
te maaken. ^
Arianisme > ( f) d'Ariaanfchè ket-
iery (m).
Aride, (adj.) Dor, droog, bar-,
terre aride, dorre aarde; un efpric
aride , een gering verjlanci.
Aridité, (f) Dorheid j onvruch-
baarheid des verjiands.
Arien , (m. Öc f.) Een Ariaanfche
Ketter of Ketterin.
Ariette , ( f) Airije om te zingen
of te fpeelen (n).
Arigot, (m) Zeker divars-f uitje.
Arifer , (v. a.) De raden neerla-
ten, (fcheeps iv.)
Ariftarque , ( f) Eenfirenge criti-
cus van gefchriften.
Ariftocratie , ( f) Adel regeeri)7g.
Ariftocratique , Cadj.) Un état
airiftocratique,^rw Staat daar de Re-
veering in de voornaamjïen des lands
• berujl.
Ariftocratique ment , (adv.) Ari-
JÏQcratifcb.
ARG. ARI.
AriAodemocratie, (f) Eene jR/-
g^ering uit den Adel en het f^olk be-
flaande.
Arithmancie , (f/ Konjl om door
getallen te raaden.
Aritliméticien , enne (m. & ï.)
Rekenmeejler. [
Arithmétique, (f. f. & adj.) Re-j
kenkonft ; dat daar toe behoord.
Arithmétiquement,(adv.) Reken-
kundiglyk.
Arlequin, f m) Hofnar.
Arlequinade , (f) Gekkerny,
Armadille, (f) Soort van ligt e'
Fregat.
Armateur , (m) Een Kaaper -, item
een Reeder 'van Scheepen.
Armature , ( f) Tzer^band-werk ,
(Jn Bouwk.)
Arme , ( f) Wapen , geweer ( n ) ;
faire des armes , fchermen ; être
fous les armes , in het geweer ftaan ;
pafTer un Soldat, par les armes,
een Soldaat harquebufeeren > armes a
feu , fcbietgeweer ; les armes d'une
famille , de wapenen van een ge~
Jlacht.
Armée, (f) Leeger (n); armée
navale, oorlog s-vloot.
Armeline , {£) Hermelynen-vel,
(n).
Armement , (m) Krygs-toerufting
Armer, (v. a.) Wapenen ; ar-
mer une poutre de bandes de fer ,
eenen balk met yzeren banden bejlaan jl
s'armer , (v. r.) zig xvapenen. {
Armée , {m) Een ftorm-hoed ; helm-y
{fguurl.) het hoofd; verftand. -,
Armiliaire,'(adj.) jSphère arrai-
liaire » cirkel- globe.
Armiftice , (m) Stitftand van
Wapenen. ' i
Armogan , (m) On a laifle pafTer'
l'armogan , men heeft de goede wind
verlegen, {zee w.) \
Armoire > ( f ) Een kaft ; kleér-kasi,
Armoiries, (f) Gef^acht -wape^
nen.
Armoifin , (m) Armofyn ,foort van
zyde ftoffe.
Armoniac, (adj.) Sel Armoniac,
Armoniak zout,
Armorefte ou Armorifte , ( ra)
ARM.ARO ARP. ARQ.'&c.
E«n die over de ff'aven-J\hi.., kunde
aeÇchreeven heeft , of die verjtaat.
Armoriai , (adj. & fubft. m.) K^r-
zamelpJg van verfcheïde geflacht-wa-
penen , en dat daar toe boord.
Avmovier f (v.a.)lVapens-fchilderen.
Armure, (f) (Vapentuig (n) i U.
patience efl: une armure impéné-
trable , lydzaamheid overivind alles.
Armurier, (m) J^'apenfmid.
Aromaces, (ra. pi.) ^^elriekende
dingen.
Aromatique, (adj.) Welriekend.
Aroroatiler , (v. a.) fFelriekende
kruiden onder iets mengen, welriekend
maaketi.
Aronde , ( f) Zwalwwe-ftaart , (;«
Bouwk.)
Arondelat , (m) Jonge Zwaluw.
Arondelles, (f- pi.) Kleine- ligte
Scheepjes ; de lunzen van een wiel.
Arpailleur, (m) Goudzoeker in de
fivieren ; opzoeker der mynen.
Arpent, (ra; Arpenc de terre,
£en morgen , mer gen tands.
Arpencage,(ra)//é'f Landmeeten{n).
Arpenter, (v. a.) Land- meet en;
met groote fcbreden gaan.
^ ' Arpenteur , (m) Landmeeter.
Arqué , ée (adj.) Geboogen, ge*
kromd.
Arquebufade, (f) ca coup d'ar-
quebufade , Schoot met een Bus of
Vuur-roif.
Arquebufe , (f) Vuur-roer (n),
Bus (f).
Arquebufer , (v. a.) IN eer fcbieten.
Arquebulerie, (f) Bus of Roer-
makery.
ArquebuCer , (m) Roer'maaker,
Bus-fchieter.
Arquer, (V. n.) Krommen, krom
maaken. .
Arrachement, (m) Uitrukkirge (f).
d'Arrache pied, (adv.) (fans cefle)
Zonder ophouden.
Arracher, (v. a.) Uitrukken, uit-
trekken.
Arracheur , (m) Arracheur de
dents , een tandtrekker.
Arrachis, (m) Het uittrekken van
jonge bcomen.
Arramber. (Zie Aramber).
Arramer, (v. a.) Laake» raamen,
uitrekken.
ARR. 43
Arrang , (ra) Een hye Boekbinder*
hiegt , {boert, w.)
Arrangement , (ra) Schikkinge ( f).
Arranger , (v. a.) Schikken , in cr-
i/f/ff//iWi s'arranger chez foi, t'buis
alles tn orden fchikken.
Arraper, (v. a.) Na zig kaapen,
haaien , {weinig gebr.)
Arrafement , (m) Laatfte laag
fteenen van een muur.
Arrafer, (v« a.) Steenen of iets
anders waterpas leggen.
Arreritemeiit, (m) Op rente gee-
ving (f).
Arrenter, (v a.) Op renten gee-
ven of neemen.
Arrérages , (ra. pi.) JgterflalUgc
renten , fchulden (f).
Arrérager, {y. n.) Renten op laa-
ten loopen.
Arrct, (m) Iets dat op, of tegeli
houd } befluit , vajljlelling , enz,
trouver l'arrêt d'une horologe,
het gebrek, waar door een uurwerk
Jlil jiaat , vv.den ; arrét de Parle-
ment , befluit van 't Parlement',
mettre en an-ét , in gyzeling (arrefï)
zetten if^ire unarret (laiüe) fur les
biens, een beflagop de goederen doen-;
arrét de furfeance , mtftel - brief i
arrét, veer van een roer, klok enz.
être fans arrêt , zonder beftendigheid
zyn.
Arrête, (f) Vifch graat; binnen-
ft e rand van een fc hotel of bord enz.
Arrête-bœuf ou arrête charrue ,
(m) Prang-uoriel ( f ) , dte veel vezels
heeft en de ploeg hincierd.
Arrêté , (m) Befluit (n) , vaftfteU
ling (f)j arrêté a'un compte , ƒ«/-
ting e ener rekening.
Arrêté ée (adjT) Opgehouden enz.
Arrêter, (v.a.) Acm- tegen, vaft-
op-houden ; vaftftellen , bepaalen , in
hegtenis {arrejt) neemen; arrêter le
fang, het bloed ftelpen; arrêter une
heure , een uur vaftftellen } arrêter
une perfonne , iemand in begtenii
neemen , arrefteeien ; arrêter les
eaux, de wateren ftremmen , ftuttem
arrêter avec des doux, met fpyken
vaft maaken ; arrêter un compte ^
un marché, ee>:e rekening, een koop
fkuitm } aurrêter an maifon , un la-
quais.
44 ' 'ARR.
qaais , ee» buis , een htegt huuren >
B'srrêter , (v.r.)J'taan blyven , zig op-
bowUn; s'arrêter à des bagatelles,
%ig met beuzelingen ophouden.
Arrêtifte ou Arrécographe 9 (m)
Verzamelaar van voKniJJené
Arrheraent, (m) V Koopen van
Eoorn terwyl op 't veld (iaat.
Arrher , (v. a.) Een Godspenning ,
geld op de hand geeven.
Arrhes, (f. pi.) Godspenning (m).
Arrière, (f) Het acht erft e gedeel-
te van een Schip (n).
Arrière, (adv.) Achter -^ en ar-
rière, te rug, achter uit; arrière
de moi Satan ! gaat achter my Sa-
tan! aller en arrière , achter uit
gaan ; être en arrière, ten achteren
zyn; demeurer en arrière ,/cbuldig
tlyvent achter blyven y venir v<ent
arrière , voor de wind zeilen.
Arriere-ban,(m) Öp-ontbieding des
adels, tot den Oorbg.
Arriere-boutique, ( f) Achter ivin-
èely winkel kamer.
Arrière-change , (m) Intreft van
In treft.
Arriere-corps , (m) Hoof J-muur ,
vtaar op het beeldwerk is (f).
Arriere-cour , ( f) Achterplaats,
of Hof
Arriere-faix, (m) De nageboor-
te (().
ArriçTe-f^Tmier,(m)Onder-pachter.
Arrîere-fief , (m) y^chter-leen (n).
Arrière fils ou fille, (m. & f.)
Klem zoon , of dochter.
Arriere-garde , (f) Afbterboede
c;-ï« een Lpger.
Arriere-main, (f) 't Averechtfe
van de hand,
Arriere-nevea, (m) Een achter-
neef -, na-neef.
Arriere-nièce , (f) Achter-ntgt.
Arriere-panage , (m) Drift van
Vee in 't bofch na den gewQunlyken
tyd , Ka drift.
Arriere-petite-fille, (f) Dochter
van een kinds kind.
Arrière - petit - fils , (m) Kinds»
kinds-ZGon.
Arrière-point , (m) De achter'
ft eek y iby Naaîfters).
Arfiere-foin:2a;e, (f) Xaaiftef/'
'ARR.
Arriere-faifipn , ( £) Het uchjaar (n)i
être fur 1'arriere faifon , in zyn af.
nemende jaaren komen.
Arriere-valTal , (aj) Achter Leen-
man.
Arriérer , (\r. a.) Arriérer un
payement , eené betaaling achteruit
zetten.,
Arriere-vouffure , (T) Boog-rott'
ding achter een deur of v eng ft er.
Arrimage ou Arrumage , (m)
Stouw ing der waar en in een Schtp{ï).
Arrimer , (v. a.) De laading ftuu^
wen, ftouwen.
Arrimears, (m. pi.) Schip-fiouwers.
Arrifler , (v. a.) Zeil of vlag ftry-
ken, neerftryken, {zee w.)
Arrivage, (m) Het inkomen, aan-
landen van veele goederen in een Ha-
ven (n).
Arrive , ( f )~ De zyde van 't Schip
die naar 't land gekeerd is.
Arrive! Hou afl arrive fous le
vent! hou aan ly ! n'arrive pas Ipceild
niet laagerï arrive tout! laat voof
de wind vallen l (zee w.)
Arrivé , ée (adj.) Aangekomen;
gebeurd; quand eft ce que cela cft
arrivé? wanneer is dat gebeurd?
Arrivée, (f) Aankomft; item tyd
daar van ; d'arrivée , (a.dv.)vandeit
aanvang.
Arriver , ( v. a. & n. ) Aankomen}
gebeuren ; voor de wind afhouden;
{zee w.) il lui arriva un malheur j^
daar beviel hem een ongeluk ; un mal»
heur n'arrive guère feul , een onge-
Ink komt zelden alleen; s'il vous ar-
rive (Je faire jamais cela ,200 gy dat
ooit weder doed; arriver à fon but ,
tot zyn oogwit gerqaken,
Arrogamment, (adv.) Verwaan-
delyk, trotfelyk.
Arrogance , ( f ) Verwaandheid y
trotsheid.
Arrogant , ante (adj. & fubft.)
Trots , een hoogmoedige.
Arroger, (v. ^.) Toeélgenen ; s'ar-
roger des horreurs, ztg gère aan'
maatigen.
Arroi , (m) (oud w.) Gevoîg van
dienaren , wagens en paerden (n) j ge-
reedfchap van een Valkenier )n).
Arrondi, ie (adj.) Afgerond, be-
fchaafd}
ARR. ARS. ART.
Jchaofd', un difcours bien arrondi;
ttne welgefcbikte rtJtnvoering,
Arrondir , (v. a.) Rond maahen >
9ene reden in goede orden fcbikken.
Arrondifleraent, (m) Jifrondingy
ver deel ing (f).
Arrondifleur , (m) Ee» die rond
maakt ; ( boertw. ) een die al te keu-
rig iets verdeeld^ fcbikt.
Arrofage, (m) Befproeijing ff).
Arrofement , (m) Begieting ( f).
Arrofer , (v. a.) Begieten , befpren-
gen; cette rivière arrofe lea mors
de ,die rivier befpoeldde muur en van,
Arrofoir , (m) Een Gieter,
Arrumage , arrumer. {Zie arri-
mage).
Ars OU Arts , (m. pi.) aderen
waar op de Paerden gelaten worden,
Arfenal , (m) Wapen-buis (n),
Arfenic, (m) Rottekruid, Arfeni-
cvm.
Arfenical, aie (adj.) ^ergiftig^
ah Rottekruid.
Arfi , ie (adj.) Gebrand, (oud w,)
Arfin, (m) {oud w.) Moord ^bran-
der.
Art , (m) Konjl, fchranderbeid }
art méchanique, handwerks konft;
art hermétique , fmehkonft ; arts
libéraux, vrye kon/ten.
Arteil, (m) Toon of teen van de
voet, {Zie Orteil).
Artémon, (m) Onderfte katrol van
ten takel { f)
Artère ^{î) De flagader.
Artériel, elle (adj.) Tot de Slag-
ader beboorende.
Arterieux , eufe {&d].)Pols-aderig.
Arteriotomie , (f) Opening dtr
jlagader.
Artichaud , (m) Eene j^rtifihok (f).
Article, (m) Een lid {n); artick
de £oi, geloofi artikel', article de la
mort, dooas-ftond ; article d'un
compte , poji eemr rekening.
Articulaire, (adj.) Maladie ar-
ticulaire, leeden-pyn , jigt.
Articulation, (f) Duidelyke uit-
fpraak', zamenvoeging van twee ge-
beenten s } rjerdeeling.
Articuler, (v. a.) DuideÏyk uit-
fpreeken ; ay« eijtk (fosT hd'Verdeehn-
Vêorjielkn,
ARS;ART.ARü.&c: 45
Artifice , (m) Lijf , kon/t , Jchran^
derbeid'f feu d'artifice ^ konjt - vuur^*
werk.
Artificiel > elle (adj .) Kunftig , da$
door kun/t gemaakt en niet natuur lyk $si
Artificiellement , (adv.) Kunftig^
lyk.
Artificier, (m) Konfi-imm^^irh
maaker.
Artificisufement , (adv.) Liftig'
lyk , bebendiglyk.
Artificieux, eufe (*dj.) Kunftig*
lyk f Uftiglyk,
Art lil er, (m) Een die aan *t Cf
f chut werkt.
Artillerie, (f) 't Qefcbut (n).
Artimon , (m) Mât d'artimon , be^-
zaan of achter maft ; voile d'arti-
mon , bezaan ze tl,
Artifan, {m) Ambachtsman , band'
werksman , konftenaar j ftitviwder ,
ftigter i oorzaak van iets,
Artifanne , ( f) jimbacbts-vrowm^i
Artifé , ée (adj.) Konftiglyk ge^
maakt.
Artifon , (m) Houtworm.
Artifte , (adj. & m,) Konfiig ^konjlt"
«aörjmain artifte, konftige hand,
Artiftement , (adv.) Konftiglyk.
Arufpice , (m) IVaarzegger uit de
ingewanden der Offerdieren y {by de
oude Rom.)
Arufpicine , (f) ïVaarzeggery
daar van.
Arzel , (adj.) Cheval arzel , Paerâ
het geen van achteren aan de regter
voet een witte vlak beeft.
AS. (m) Kaarten--aas (n)j as de-
cœur 9 de pique , de carreau , de
treile, harten» ruiten- fchoppsn- kla^
veren-aas.
A favoir, (adj.) Te vueeten', na"
mentlyk; (favoir is beter).
Asbefle , ( m ) Orb^an^aarvlcn
van zekere Jleen gemaakt,
Afcarides , {va. pi.) U^ormpjes dia
zig aan her f^^ridement zetten.
Afcendant,ante (adj.) Opgaande ^
opklimmende; ligne afcendant, op^
gaande linie,
Afcendant , (m) Opgang eener Jl er-
re (f); gezag (n)) keerfc happy (f--
teeken 't melk op de kim verfchynd ^
Z09 dra iemand gebgoren ivard^ pren»
dre
4? ApC.ASM.ASP.&c.
orç....i'arçendant far qaelcàn, den
bous 'óver icmatid fpecteH.
.Afcenfion, (f) Opklimming; He-
fnehanrt ; Hemelvaartsdag.
Afcétere, (.-.o) Kloojîer (n).
Afôétique , (adj .) Godvruchtig ; vie
afçétique , kloojîer-leve».
Afciens , (m. pi.) f^olk dat onder
dû Unie ^vooud.
Afcolies, (f. pi.) Feejien ter fera
iwî Pacchtis.
Afine , (adj.) Bête afine ^^ {in Rech-
ten) Ezel. ,
Asmodée,(m) Forjî der duijierm's.
Âfpeft, (m) Gezicht (n), befchou-
iving{î)} un afpeö: terrible, een
grimmig gelaat-, maifon d'un afpeâ;
agréable , een huis dat wel vertoond.
"Afperge , ( t') Afpergie , {zekere
plant\
Afpergér , (v. a.) Befprengen , be-
fproeien.
. Arpergès. {Zie Afperfoir).
Afpéritè,( ?)Scberpbeid ^fli-engheid.
Afperfer, (v. a.) Befprengen.
Afperfion , ( f ) Befprenging , ivei-
■^^' Afperfoir , (rn) Een Wy-kwajl ,
kwijpel'
Afphalte , (ra) Jooden-lym^
ACpic , (m) Adder , {zeker vergif-
tige Slang;) ; nardus {een kruid); lan-
gue d 'alp ie, kivaadfprekende tong;
huile d'afpic,ypy^-o//>.
Afpirant, te (adj.) Aanademend;
uitfprekende ; pompe afpirante, een
trek-pomp.
Afpirant , (ra) Iemand die naar
ienige plaats of waardigheid dingt;
item e ene letter die uitgefprooken
Tuord. ...
Afpiration, (f) Aanblazwg; mt-
galming ( f) ; vierige z'igt tot God
\m); verlangen naar iets (n).
Afpirer ,(v. a. & n.) Aanademen ;
verlangen; afpirer à quelque cho-
fe , naar iets trachten ; afpirer une
lettre , eene letter uitfpreeken,
Arçre,{m) Een afper, {Jiuk Turks
9eld).
Affableraent , (m) Hoop zand.
. Affabler, (v. ?,.) ^Met zand vul-
ien; aflabler un Vaifleau, (sn Schip
9p ten zatid-hank VQ.ereiu
I ASS. '
s'Affabler , (v. V.) Met het Schip
op een zand bank blyven zitten.
Aflafœtida , ( î ) Duivels-drek, (zi^
kere gomme). •'•■*'
Aflaiüant, te (adj.) Aangevallen ^
befprongen,
Affaillir, (v. a.) Befpringen, aan-
tajlm.
AflaitTonné, ée (adj.) Toebereid,
AiTaifTonnement, (m) Toebereiding
(f).
Aflaifonner, (v. a.) Gereed maa-
ien , klaar maaken ; aflaifonner les
viandt'S, de fpyzen toemaaken ; aflai-
fonner 1 agréable avec l'utile , het
nuttige met het aangenaame paaren.
'AfTaifonneur, (m) Bereider, ge^
reedmaaker.
Aflaflln , ine (m. & f.) Verrader^
lyke Moordenaar , Moordenaarjier.
AflTafiinant , ante (adj.) Verdrie"
tig j des complimens aflTaflinantSj
fverveelende complimenten.
Aflaflïnac, (m) Moord {{).
Aflâîïjné,ée (adj.) f^ermoord , om"
gebracht .
Afl'aflSnateur , (ra) Moordenaar^
ombrer.ger.
Afl'affiner , (v. a.) Heimelyk ver<
moorden , van kant helpen ; fcbelden ,
eerrooven; affafliner de coxx^Sy wak»
ker afroffen.
Afl^ation , (f) Braading, kooking
van iets in zyn eigen fap, als koffy enz,
Aflaut , (m) Aanval; befpringing -,
Jïorm ; prendre une Ville d'aÎTaut »
een Stad Jïormenderhand inneemen^
monter à l'aflaut , 7?or»j loopen; fai-
re aflaut d'efprit, zyn verjland ten
toon fie Hen.
Aflecution , ( f ) Verkryging vaa
een Geejïelyk ampt.
AiTéeur ou Affeyeur , (ra) Schat'
ter > taxeerder van den tmpoft , hoofd-
geld.
Aflï"emblage , (m) Verzameling ,
vergadering , byeen voeging van ver*
fcheide dingen (f).
Afl*emblé , ée (adj.) Vergaderd.
Aflemblée , ( f) Vergadering , fza»
menkomfl; bal,
Afl'erabler , (v. a.) Verzamelen,
vergaderen , byeen voegen; s'aflfem-
bier 3 (Y, r.) zig v§riamskn'
AffeiH»
A SS, ,
Aflembleur, (m) Een -vergaarder
dor bladen^ {by Boekb.).
AfTeiier , (v. a.) AtTener bien fon
coup , zyn jchoot , lUot aanbrengen. \
Afleoir,(v. a.) Zetten y neerzet-
ten ; affeoir un enfant , een kind
neerzetten y afleoir le camp, het le-
ger t:ee'r/1aan ; aûeoir fa vue fur
quelque chofe , zyne oogen op iets
vejiigen.
' s'AiTeoir, (v. r.) Zig nederzetten^
zitten.
Affermenter , (v. a.) Met eede
Jlerken, (oud iv. in Recht.)
AfTerteur , (m) Voorjîander der
ivaarheid.
Aflertion , ( f ) Stelling die men
fvoor waarachtig jlaande houd.
Atfercivement, (adv.) Bekrachti-
gen der wyze.
AflTervir, (v. a.) Te onderbrengen ^
dienftbaar maaken.
Aflerviflement , (m) Dienjïbaar-
heid , Slavernye (f).
Affeffeur, (m) Byzitter ^ (in Rech-
ten).
AfleiTorial, aie (adj.) Dat daar
toe behoord.
Affecte , achatte ou aiffette, (f)
JLeidekkers hamer (m).
Affez, (adv.) Genoeg -, affez bien,
ivel genoeg ; je me porte affez bien,
ik vaar redelyk uel.
Aff.du , ue (adj.) Gejïadig , vlytig ;
affidu en travail , naerjîig aan 't
werk.
Affidu ité, (f) Vlytigheid, y ver-,
avoir de l'affiduité à l'étude , de
Jlndte vlytjg betrapten,
Aüidument ? (adv.) levrig , naar-
Jliglyk.
Affiégé, ée (adj.) Belegerd', les
affiégez, de belegerde.'
Affiégeant, ante (adj.) Belegeren-
de; les affiégeants, (m. pi.) de be-
legeraars.
Affjégement, (m) Belegerhig,
Affiéger , (v. a.) Beleger en -, ie-
mand ergens om aan zyn.
Affierae. Zekere fponsachtige Jleen.
Affiente ou Affiento. Maatfcbap-
py van Kooplieden in America.
Affiette, (f) TafeUord'y legging ;
l'affiette de 1'arae , de zieh toejland)
ASS. 47
l'affiette du camp, de leger-plaats \
l'affiette d'une place , de legging
■van een plaats', affiette à raouchet-
tes ) een fnuiter bakje ; fon affiette à
diné pour lui y fchoon hy niet meê
gegeten heeft moet hy echter b et aal en ^
(Jpr. w.)
Alùettée, (f) Een bord vol.
Affjgnac, (m) ^anwyzing wegens
bet aal ing op goederen die 'er voor
verpand jlaan , (in Rechten).
AffignatioB , ( f) Dagvaarding
voor 't Gericht', aanwyzing ; don-
ner afllgnation , tyd -bejlemmen ;
payer une aiïîgnation , eene ajjigna"
tie voldoen.
Affigner, (v. a.) Aanwyzen-, tyd
en plaats befJemwen ', dagvaarden voor
't Gerecht ; affigner un lieu pour
habiter , een plaats om te bewoonen^
aanivyzen.
Affimilation , (f) Gelykmaaking
van iets ; overeen komjf.
Aiïimiléjée (adj.) Gelyk gemaakte
AÜlmiler, (v. a.) Gelyk maaken.
Aflis, ife, (adj.) Gereefen.
Affife, (f) Een ry Jleenen in een
muur (m).
Affifesj (f. pi.) Zit-dag (m), Ge^
richts-dagen,
Affiftance , ( f) Hulp , byjiand, on"
derjland} tegenwoordigheid.
Afliflant , ante (va. & f.) Raads-
man ^ byjïander in nood', meede-hel.
per-J een die tegenwoordig is.
Affifté, ée (adj.) Bygejlaan, ge^
bolpen.
Affjfter , (V. a. & n.) Byjïaan,
helpen-, tegenwoordig zyn; aflifter fes
amis de fes confeils, zyn vrienden
met zyn raad byJlaan ; afiifter au fer-
vice divin , de Godsdienjî bywoo-
nen,
Affociation , ( f ) Maatfchappy ( f },
Gezelfchap (n).
Affocié, (f. & adj.) Medehande^
laar ; medehandelende.
Affocier > (v. a.) Iemand aannee*
men tot maatfchappy.
s'Affocier, (w.r.)Ztg met iemand
verbinden , in maatfchappy treeden.
Affommer , (v. a.) Dood fl aan , ter
neer f aan; affommer de coups, ^e-
? weldi^ Jlaan iaiTommer par des im-
per*
4è 'Ass.
pörtunitez, iemand 'doodelyk vervee-
len.
Aflbmraoir, (m) Rotten -val,
fpreng.
AfTomption , (f) Marïa Hemel-
vaart j najïelhng eeuer flrHtreden.
. Affonnance , (f) GelykluiJend-
heid dfr ryfn woorden,
AflTortl , ie (adj.) f -^amen-ge-
/(hikt y gefineerd ; mariage mal 'as-
forti , qualyk gefchikt huzvelyk.
Affortiment l (m) fZamen-fcbik'
king , Ie verd & Ie bleju eft un vi-
lain afTortiment , groen en blaauw
komt jlegt by een; acheter un aflbr-
timent de marchandifes, p^m^ for-
teering van waar en koopen.
Affortir , (v. a. & n.) t' Zamen-
fckikken , t'zamen-vaegen , paaren;
'aflbrtir ce drap de quelque dou-
blure , de voeringen overeenkomjlig
i>et laaken zoeken.
Aflbrtiflant, ante (adj.) t'zamen-
voegend-, pajfend.
AfToter , (v. a.) {gem. w.) Zot maa-
iten.
Afroupi , ie (adj.) Gefufi y gejîîld.
Ailoupir , {v. a. ) In jlaap doen val-
len; verzachten; Ji: Hen; by leggen; ce
remèie à alToupi Ia douleur, dit
hulpmiddel beeft my verzacht ; affbu-
pir une querelle , een tivij) , oproer
gallen.
Aflbnpiflant , te (adj.) Stillend,
verzagtend; Ie pavot eft affoupis-
Iknt , Heulzaad is flaap verwekkend,
AfToupiflement , (m) Slaaperig-
hetd , ongpvoeligheid { f).
AfToupIir T (v. a.) Verzachten , buig-
zaam maaken. '
Afl*ourdir, (v. a.) Donf maaken,
voldoen; s'di^owràir,{v.r.)doof worden,
AflTou vir , (<. a.) Verzadigen , vol-
doen; aflbuvir fa rage, zyne woede
voldoen.
AtrouviflTement , (ra) l'AffbuvifTe-
ment de fes ç^^ons , de verzadiging
zyner driften.
Aflujetti, ie (adj.) Onderworpen.
AflTujettir , (v. a.) Onderworpen ,
enderdaanig maaken j s'aflujettir , (v.
r.) z'? onderwerpen,
Afirajettiffant>ante {zà].) Qnder"
xuerpetid*
AST,
AfluJettiflTemc^nt ^ (m) Onderdaü'
nigbeidy onderwerping (f).
Aflurance , ( f ) Verzekering ; kloek'
moedigheid i jioutheid; pand-jiell ng-,
lieu d 'aflurance, bewaarplaat i ^ ge^
vangenis j avoir anTurance d'une
chofe , zekerheid van iets hebben^
mettre fon aflurance en Dicl- , zyn
vertrouwen op Godftellen', aiTurance
de nier quelque chofe , ftoutbeid
om iets te ontkennen j police d'aflTu-
rance, verzekerings contraft o/police
van ajjurantien op goederen.
Alfuré, ée (adj.) Verzekerd ^ l'ss-
furé paye à fon AlTureur tant pour
cent y de verzekerder {ver affût eerder)
betaald aan den verzekeraar {affura»
deur) zoo veel ten loo.
Affurément } (adv.) Zekerlyk, on-
twyffelbaar.
AiFurer, (v. a.) Verzekeren-, aiTu-.
rer une uette , ï;oor een fc huid t pand-
zetten ; aiTmer un Vaiffeau , eeu
Schip ter a (Jurant ie ^ hamer verzeke-
ren; s'aflürer en quelcun, op /V-
mand bf'trouwen j s'aflTurer de Ia
bonté de quelcun , zig van temands
goedheid verzekerd houden;s'a{rnrer de
quelcun j iemand ir' hegtenis neemen.
Aflareurj.(m) Verzekeraar {^ffu^
radeur) van Scheepen , enz,
Attérisme y (m) Gefternte (n),ver'
zaameling van SPerren ( f).
Aftérisque , (m) Sterre (*) die in
de Boeken tot een teeken word gefteld.
Afthmatique, (adj ) Kort-ademig.
Aflhme , (m) Eng-borftigheid , kort-
ademt g beid (f).
Aftic , (m) Een bol been (voor het
vet der Schoenm.)
K^ngzle y{m) Zekere ring cf band
waar mede de Pylaaren onder en bo-
ven gecierd worden y ring voor aan
een Gefchut,
Aftral, aie (adj.) Het geen tot de
Sterren behoord,
Aftre, (n) Eene Sterre; obferver
les aftres, de Sterren waarneemen.
Aftreindre, (v.a.) Dwingen, ver-
plichten ; verftoppen ( in Geneesk. ) j
s'attreindre aux coutumes, zig aan
de gewoonten s binden.
Aftreint, (zd],)QçdW9fJgen, gebons
den; verftoj)t,
Aftriof,
AST.ASY.ATA.ATH.&c.
Aftridion , ( f) Dwang ; verftop-
ping.
Aftringent , te$(adj.) t'^amentrek-
kende ; remede aftringeru , /toppend
geneesmidct^l.
Aft roe , (ra) Strop van etn touw ;
item groot touw , {zee %v.)
Aftrolabe,(m) Sterren-hoogte-mee-
ter , Aftrolabium.
Aftrologie, (f) Sterren -beduid-
kunde.
Aftrologique, (adj.) ^ftrologifch.
Aftrologue , (m) Een Sterren-aan-
duider.
Aftronome,(m)£f'« Sterren-kyker.
Aftronomie , (f) Sterren - loop-
kunde.
Aftronomique ,(adj.) Sterren-kun-
dig.
Aftronomiquement ^ (adv.) Ster-
ren-kundiglyk.
Aftuce , (f) Loosheid j argtiftig-
' heid , (oud IV.)
Afy 1 e , (m) Toevlugt , vryplaats (f j .
Afymetrie, (f) Ongelyke maat,
{in Rekenk.)
Afymptote, (adj.) ff^ord gezegd
van 2 Linten die malkanderen altyd
naderen , en nooit , hoe lang ook getrok-
ken , door/nyden.
Acabale , (m) Soort van trom by de
Mooren.
Atermoiement. (^/^'Attermoye-
raent).
Athanor , (m) (in Smeltk,) Een
groot e Oven.
Athée, (m) Godverzaaker,
Athée, (adj.) Godloochenend.
Athéisme , (m) Godverzaaktng
Athêijlery (f).
Athéifte, {m) Godverzaaker y (be-
ter Athée).
Athlète , (œ) Een Kamp-jegter ;
(f guur!.) groote Voorjïdndsr van iets.
Athlétique, (adj.) IVorftelend.
Athmofphere, (f) Dàmp-kring i
gedeelte der lugt , 't welk het naape
by de aarde komt.
.Atinter, (v. a.) Onmaat ig opcie-
ren; (oud w.)
Atlante, (m) Een îajîdraigende fi-
guur , (in Griekfche bouwk.).
Atlas,- (m) Kaartboek vap de garit-
fcheiraereld \ eerjïe wervelbeen van dm
ATH.ATO.ATü&c. ü
Atmofphere,, (m) (^le Athmo-
fphere).
Atome, (m) yeezeltje , JioJJe , 00-
deelbaar ligbaam (n).
A tort Óc à travers, (adv.) Par«
1er à tort & à travers, tn 'f hon-
derd, zoo wat heen praat en.
Atour , (m) brouwen cieraad, op^
cieringe ( f) ; Dame d'aCour , Staats^
dame , Kamenier.
AtournarefTe ,( f) J^ercierjier eeuer
Bruid, (oudw.)
Atourner, (v. a.) Opcieren, op'
tooien.
Atout, (m) Troef blad (u) , (in heg
Kaart/pel).
Atrabilaire , (adj.) Gal-acbtig^
droefgeeftig.
Atrabile, (f) Zwarte gat.
Atraâylesj (m) Kardo benediSus^
(kruid).
At re , (m) Haarde Haardjleede j^
Haardjieê.
Atroce, (adj.) TJfelyk ,fchrikkelyki:
une crime atroce , eene gruwelyke-
misdaad.
Atrocité, (f) Atrocité d'un cri-
me, zwaarheid jafgryjjelykheid eener
misdaad.
Atronchement , (m) Regt van eem
Heer op zommige plaat zen.
Atrophie, (f) Uitteering.
Atrophié , ée (adj.) Membre a-4
trophié, lid dat geen voedzel heefim
Attabler , s'attabler , (v. r.) Aath
tafel gaan zitten , [gem. w.)
Attache, (f) Kram ^ houvaji f
fnaer , riem ; vlyt , yver ; -y^r-
plichtingyjlandet in een wind mooleni
étudier avec attache, neerjlig ftu-
deeren ; vivre fans attache , onbe*
dwongen leeven-, bas d'attache, ry-
koujfen ; chien d'attache , een bani^
bond.
Attaché , ée (adj.) f^ajlgemaakt.
Attachement , (m) f^erbintenis ;
dnfr , zucht, geneegenheid ', il a xxn
grand attachement pourfa maitrefle,
hy heeft groote liefde voor zyn rj^y/ïer.
Attacher, (v. a.) Binden, vaft^
maaken , hechten ; verbinden , verplicht
ten f attacher les veux fur q\x('\r. e
chofe , de oogen ergens opJJaan-, tnoü
devoir m'attache auprès <ie lu.^
D myn
50 ATT. '
myn plicht vordird hy hem te blyven.
s'Attacher ,(v, r.)^';? ergens aan-
hechten ; iets aangrypen j kleeveri ; s'at-
tacher à l'étude , zig aan de oejje-
ning overgeeven ; s'attacher auprès
d'un grand Seigneur > zig by een
groot Heer verbinden; s'attacher à
une opinion, èy een gevoehn blyven.
Attaches, (f.pl.) Loode ringetjes aan
de vengjler-roeden.
Attaquable ,(adj.)i^^^ ^^» *« '"^^'
Un is, aangrypelyk.
Attaquant , ,(m) Janvaller^ aan-
gryper.
Attaque, (f) Aanval; attaque
d'une place , aanfaJJing eef7er plaat-
ze; attaque de maladie, overval
van ziekte i donner une attaque à
quelcun , iemand bits bejegenen.
Attaqué , ée (rû}.) Aangetajî , enz.
Attaquer , (y. a.) Aanvallen , aan-
randen-, s'attaquer (v. r.) à quelcun ,
met îemaitd ruîzie zoeken.
Attédier, (v. a.) l^erdrieten, ver-
drietiq vallen , (oud w.).
Atteindre, (v. n.& a.) Bereiken,
ecbterbaalen ; atteindre fon but ^zyn
oogmerk bereiken-, je ne faurois l'at-
teindre , ik kan hem met achterhaa-
ien , byhaalen ; je ne puis pas at-
teindre jusques là , ik kan zoo ver
met reiken.
Atteint, te (adj.) Achterhaald;
atteint d'un cçtup de flèche , met
fenepyt getroffen; atteint d'amour,
door lirfde getroffen.
Atteinte , (f) Aanval-, une rade
atteinte ,een barde JJag ; donner at-
teinte à l'honneur de que4cun ,
iemands eer kzvetzen , benadeelen ; at-
teinte aux loix , kwetzing der wet-
ten ; être hors d'atteinte, buiten
vreeze , buiten bereik van iets zyn.
Attelage ,(m) Eenfpan trekdieren;
voorfpanmng ; wagentuig.
Attelé, (f) Haam ^ (zeker Paerden
*tiig ) ; Spalk voor gebroken leden.
Atteler , (v. a.) Aanfpannen ; (met-
tre les chevaux au caroiTe . is beter).
Attelier , ( m ) ÎVerkhuis ( n ) ,
loots ; fpinplaats voor z^wormen (£).
^Attenant, te (adj.) Naafi^elegen;
vigne attenante à la mienne ,w;y»-
gaard grensendi aan de vtyw»
ATT.
Attenant , (adv. & prep.) Attff,
nant l'un de l'autre , naaji malkan-
der en.
Attendant , te fadj ) JVagtcnde ,
veriuagîcnde ; prenez cela , en atten-
dant mieux, neemd dit op hoop van
heter.
En atten dan t , (adv. )Middeleruyl ,
ondertuffchen ;je vais devant en at-
tendant qu'il vienne y ikga voor uit
ondertuffchen tot dat hy komt.
Attendre , (v. a.) IVagten , ver'
ivagten; je l'attends, ik^wagt hem y
haar ;z.x.x.enàxe le -boiteux , (jpr. vu.)
nader bericht inv:a2,ten ; s'atten-
dre, (v. r.) verivagten } je ne
m'attendois pas à cela , ik had
dat niet verwagt , te gemoet gezien.
Attendrir , (v. a.) Vermurwen,
verzagten -, tot medelyden brengen;
s'attendrir, (v. Y.)zagt , murw , mals
zv orden.
. AttendrifTement , (m) Vermur^
tving (?) , mede fy den (n).
Attendu , ue (adj.) Gewagt , ver-
wagt.
Attendu, (conj.) Aangezien-, il
fut exempté du fervice, attendu
fon âge , hy wierd van den dienjl
vry gekend , uit hoofde van zynejaaren.
Attentat, (m) Àanjlag (m); misdaad
(f); horrible attentat, gruwzaam
beft aan, toeleg.
'Attentatoire , (adj.) {in Rechten)
Dat met de wetten flrydig is.
Attente, (f) Verwachting; con-
tre mon attente , tegens mynever-
voagting; pierre d'attente , kant of
bind Jïeen in eene muur; table d'at-.
tente , ledige f.een boven een deuryvoori
opfchriften.
Attenter, (v. n. Sc a.) Op kwaad
toeleggen ; attenter fur la vie &c.
de , op het leven enz. toeleggen van.
Attentif, ive(adj.) Oplettend ^op*^
merkzaam.
Attention ,^ ( f) Oplettendheid ,
aandagt.
Attentivement, (^dv.) Oplettende,
aandacht i^lyk.
Atténuant, (adj.) Bloed verdun*
nend, (in Geneesk.)
Atténuatif, iye (adj.) {Zh Atté-
nuant),
ATT.
Atténuation, (f) f^erzivakking ,
Verval van krachten ; verdunning.
Atténuer , (y.a.)l ''er zw akkert ; ver-
dutir.en; les jeunes & les veilles
atténuent le corps, vajlen en uaa~
hen verzwakt het lighaam.
At'.ermoyement, (m) Uitjlel van
betaaling.
Attermoyer, fv. a.) De tyj van
bet aal ing verlengen.
Atterrage , (m) Landkenning ,
(zee iv.)
Atterrer, (v. a.) Ter aarde wer-
pen, ni'érfmyten.
Atterrir , (v. n.) ^an land ko-
nterf, aanlanden, {zee iv.)
AtterriiTement , (m) Aanflikking ,
aamvas van landt door de vloed ver-
oorzaakt.
Atteftation , (f) Grtui^enis , ge-
tuigfchrift (n), atteilatie (f). .
Attelle , ée ,adj.) Getuigd, enz.
Attefter I (v. a.; Getuigenis gee-
ven , getuigen j betuigen , verklaar en ;
j'en actefte toute la Viile, ik roep
de gantfcbe Stadt 'er oz^er tot getuigen.
Acticisme ,, (m) Korte en zinryke
fpreektrant (f).
Atticurges , (f. pi,) Fierkante py-
laaren-y {in Bouzvk.)
Attiédir , (v.a.) Ferkoelen ,laau'w
maaken j attiédir l'auditeur , den
toehoorder verflaauwen-, s'attiédir,
(v, r.) vrrjlaauzven, onluflig worden.
Attiédiflement , (m) l'' er koeling
Attifer , (v. z.)Opfcbikken , (oudw.)
Attifet , (ni; y rouwen hoofdcierfel
(n) ; {oud w.)
Attirail , (m) Toeru/ling ( f) ; reis-
tuig (n)j bagage ( f); rattiraild'un
Vaifleau i Scheeps-toebehooren.
Attirant , ante (adj.) uiamt'ekkend.
Attirante, (f) Ken jïeep Imt ,
{eertyds gedragen).
Attirer, (v. a.) Aanfekken, tot
zig trekkpn; fa politeüe lui ?.ttir«--'
tous les cœurs y zynelcleefdbeid trekt
alle barten tot bem ; l'airrianc attire
le fer , de zeil-fîeen trekt bet yzerna
zig, s'attirer des enneiiùs, zig vy-
miden op den bals haaien.
' Attife-querelle, (m) TwLffmGutr^
(ItQkebrand^ aauhitzer»
ATT. ji
Attifer, (v, a,) Attifer le feu , bet
vuur aanjîooken j (fguurl.) olie in bct
vuur werpen, aanbitzen.
Attifeur, (m) Attifeufe, {£)Aan-
Jîooker , aanbitzer; aanjîookjler.
Attifonnoire , (m) f^uur-baaky
roer-yzer.
Attitrer , (v. a.) Attitrer quel-
cun , iemand îajl , commiflle gee~
ven.
Attitude , ( f) Houding , gejîalte
{Dansm. Beeldh. en Scbild. iv.)
Attoilon, {m) Een boop kleine E i^
landjes.
Attouchennient, (m) Aanraaking,
vocling {£).
Attouclier , (v. a.) Aanraak en ,
(oud w.)
Attradlif, ive (adj.) Vertu at-
tractive , aantrekkende kragt.
Attradion, (f) Aantrekking.
Attraftrice, (adj. f.) Het geen de
kracht beeft van aan te trekken,
Attraire , (v. a.) Aantrekken , aan-
lokken.
Attrait , (m) Aanîokzel-, lok-aas
(n) , aantrekking (f).
Attrape, (f) l^al, firik om iets
mede te vangen (m) -, takel waar by
een Scbip in 't kielhaalen of als't van
't Jiapel loopt , gebouden word.
Attrapemignon , (tsjï) Een fcbyn-
beilige.
Attraper , (v. a.) Vangen, krygen;
betrappen -jSLitraper un brochet üans
un piège , een fnoek met een Jirik
vangen , Jirik ken ', attraper fur Ie
f:iit , op de daad betrappen ; je ne
puis pas l'attraper , ik kan bent
niet agterbaalen; il m'a bien attra-
pé , hy beeft my fcboon by de neus ge-
bad y bedrogen ; attraper le fens
d'une ckofe, de zin van een zaak'
begrypen, vatten; les chevaux cou-
rent les bénéfices & les ânes. \e%
attrapent , {fpr. w. ) verjlandigff
Jlaan naar ampten en de gekken kry-
gen ze,
Attrapoire , (f) Een Jîrikyfim-
tne irck (ra).
Attrayant, te (adj.) Aanlokkende,
bekoorende.
Actremper. {Zie Tremper).
Attribuer, (y. a.) Tof eigenen, toe-
js ATT. AU. AVA,
fchryven ; s'attribuer , (v. r.) zt^
aanmaatigen.
Attribut , (m) Eigenschap , hoeda-
nigheid i iel s dat tot eenig ampt behoord
( f)jla miféricorde eïl un attribut
de Dieu aulTi bien que la Juftîce ,
de barmhertigheid is zoo uel een ei-
genfchap Gods als de Gerechtigheid.
Attributif, ive {a.Q].)Toi'r:genend.
Attribution, (f) yerleeningv an
f enig voorregî j toeîegging , eer.e bezol-
AttributSj (m. plur.) Zinnebeel-
den , {in een Schildery).
Attriflant , te (adj ) Bedroevend.
Attriflé , ée (adj.) Bedroefd.
Attriaer, {v.' a..) ^Bedroefd y be-
kommerd maaken ', s'atcrifler, (v.r.)
^ig bedroe-Jen.
Attrition , (f) Beroziiv tilt vree"^-
ze der Jîraf (n) ; het 'xryven van nvee
LigchaameH tegen elkander , {in Na-
fuurk.)
Attroupement , (m) r.^rgaaderingy
Jcbaare , meenigte ( f )•
Attrouper, (v. a.) rergaaderen,
hy malkander en doen komen ; s' zxiron-
per, (v. r.) by malkanderen loopen.
Au , (art. du datif m. in 't meerv,
»«x); aan dey aan het y als: au Pè-
re, aan de J^ader; aux Enfans,<3a«
de Kinderen-, au Vaifleau , aan het
Schip ,aux Vaifleaux, aan de Schee-
pen.
Au , (pff P-) «'" ■> ^fi > ^^^ » ^'' »
durci au feu , in 'tvuur gehard., tou-
cher au doigt , met den vtnger aan-
raaken ', pot au lait , een pot tot
melk , mei k-pot î au jugement- de
tous, na 't oordeel van allen -f^ être
au lit,/«V bedde zyn; su pis al-
ler , (adv.) ten ergjlen genomen , als
niets deugen ivil', au refle, (adv.)
^oor 't overige.
Avachir , s'avachir , (gem. ct^.)
JjOg , lui en ondeugend worden y ver-
flenzen , zerjlappen , (van leder gez.)
neerhangen {van takken gez ).
Avage, {ra) Zeker Meuls markt-
recht te Parys.
Aval, (m. Koopm. «/.) Borgtocht,
verzekeering negens eane Wijjelb. om
nis de betrokkene niet betaald , de ge-
ver o/ endoflant <fcMrvan dt waar^t
gefff dêm zaU
'ava;
Aval , (adv.) Neêrwaards , met den
jlroom; vent d'aval, zuid wejie»
wind.
Avalage , (m) Neêrvaart met dm
jlroom ; '/ neêrlaaten , neêrftryken van
iets met een takel of ivinde ; item loott
daar van.
Avalai fon, (f) Geweldige afloop ^
u-at er val; wegfpoeling van Huizen y
enz.
Avalanges ou Avalanches , (f. pi.)
Sneeuw val j groot e klompen fneeuw >
die van 't gebergte vallen en zomtyds
keele gebugten overdekken.
Avalant , te (adj.) Bateau avalant,
' een met de jlroom afvaar end e f c huit ; Ie
montant doit céder à l'avalant,
het opvaarende moet het afvaarende
Jchtp zvyken.
Avalé ,ée {aà].)Neérgelaaten ;met
deflroom neergekomen ; ivgeflokt , enz.
Avalée, (f) Zoo, veel 'een IVeever
af kan werken bevorens hy zyn e hoo-
rnen af en oprold.
Avaler , (v. a.) Injlokken , »^/r-
zirelgen; neérvaaren', voor de he'
! taaling eer.es fViffelbriefs inflaan ;
avaler un affront , een e belediging
! opkroppen; avaler du vin dans une
\ cave, wyn in een kelder neérlaate72',KMZ'
I 1er une branche , eenen tak af houwen,
i Avaleur , (m) Zwelger, vraat ^
j gulzigaatd ; avaleur de charettes
ferrées, eenfnoeshaan.
! Avalies , (f. pi.) Wol van vellen
. der geJJagte Schaapen.
I Avaloire , ( f ) Een zvyd keelgat (n);
itemflaart-riem (van eenPaerden-tuig))
jlamper (hy Hoedem.) (ro).
Avalure , (f) Nieuwe zwamagtigt^
Paerde-hoef
Avance, (f) Vooruit betaating (f) ;
voordeel ; uitjïek aan een gebouw ; ver-
fchot (n); donner dix pas d'avance
à quelcun , iemand tien fchreeden
voor uit geeven; faire des avances
pour îa réconciliation , beginzelen
tot eene bevrediging manken ; faire
une avance de mille francs, een
verfchot van looo guldens doen j par
avance , d'avance, (adv.) van te
voor en, vooraf.
Avancé , ée (adj.) Gevorderd '^
gar4e avancée ; vitgezetts wagt.,
At»î»
AVA.
it , (m,
voortgang , opkomjl (f j
Avancer, (v. n. »Sc a.) ï\rJeren,
voor t/c huiven f enz. avancer quelque
chofe , iets opper t'n , op de baan bren-
gen; avancer de 1'argent, geldver-
Jcbieten-, l'horloge avance, het uur-
werk loopt te ras; avancer l'horlo-
ge ,het uuriverk vooruit zetten ;a.v^n-
cer ua pas, eene fchreede voortgaan;
avancer fon départ , zyn vtrtrek
verhaajïen; avancer fes affaires, zy-
ne zaaken voortz.tten; je n'avance
guère, ik vorder e weinig; avancez
un peu cette table , fchuifd die ta-
fel een weinigje voor uit ; cette pier-
re avance trop, die /leen fchiet te
veel voor utt; avancer ia main , de
hand uitjleeken ; s'avancer, (v. r.)
voortrukken ; Ie blé s'avance fort ,
het koorn groeid wakker.
Avanie , (f) Afknesvelary, ge-
iveldenary der Turken ; befchimping.
Avant, C[rep.) Foor; avant Je
temps, voor den tyd; avant toutes
chofes , voor alle dinsea.
Avant, (adv.) Ferre, diep in;
bien avant dans la nuit, zeer diep
tn den nacht; en avant, \;oor uit;
porffjr en avant-, voor uitjlooten;
mettre enz.Y^nt,voordraagenyVQor-
jïellen; avant que , {koppel-w.) voor
dat.
Avant , (m) Het voor/chip ( n ) ,
voorjléven , de 'boegyètve de l'avant ,
vooruit kopen ) Ie vent fe rangea de
l'avant, de wind liep tegen; mettre
de l'avant , voorby zeilen; Vaifleau
trop fur l'avant, een voor -la/lig
Schip , (S-cbeeps w.)
Avantage , (m) Fbordeel (n) , win/ï
( f) ; het galioen van een Schip (n) ,
parier à l'avantage de quelcun ,
met roem van iemand f pree ken; cela
tourne à fon avantage, dat gedyd
tot zyn voordeel; il eut l'avantage
fur lui , h y had de overhand.
d'Avantage, (^ie Davantage).
Avantager, (v. a.) Bevcordee'en.
Avantageufement , (adv.) Foor-
deeliglyk.
Avantageux, eufe (adj.) Foordeelig.
Avant-bec, (m) Uitjhk (n) onder
^ I^Un h^g (^(fsr cfe hag op mjh
AVA. 53
Avant-bras , (m) v Gedeelte van
den arm , van den elleboog tot het
gewrigt van de hand, (n).
Avant-corps, (m) 'ƒ Foorgebouw
(n).
Avant-cour, (m) Foorhof (n).
Avant- coureur, (m) Foor koper.
Avant-couriere , ( f) Foorloopjier.
Avant-dernier , iere (adj.) Dat
voor den laatjlen gaat.
Avant-fofl"é,(m)Z?£' httitenjïe gragt
e ener vejling (f).
AvaDt-garde, (f) De voorhoedt;
1 'avant & l'arriére garde , de voqT'
en a gt et hoede.
Avant gout, (m) Foorfmaak.
Avant-hier, (adv.) Foor- af eêT'
gif eren.
A van tin , (m) Takje om te enten of
te pooten.
Avant-jour, (adv.) Foor 't opko^
men van den dag.
Avant-logis , ( m > Fcorhuis ( n ) ,
voorwooniBg (f).
Avant-mai a , (f) Het binnenlle
van de hand (n).
Avant-midi, (m. & adv.) De tyd
voor den middag; voor den middag.
Avant-mur, (m) Foor^mur (f).
Avant- part , ( f) Het gedeelte voor
uit (n).
Avant- pêche, (f) Froege Perzik,
Avant-piéd, {m) Foorjte gedeelte
van de voet.
Avant -poignet. {Zie Avant-
main).
Avant-portail, (m) Foor hof (n).
Avant-propos , (m) Foorreden ,
vooraffpraak ( f).
Avant-quart , (m) Focrfag van 't
quartier uiirs (n^.
Avant-toit, (m) Foordak , afdak
(n).
Avant-train, (m) Foorgefel van
een a f uit (n).
Avant- veil Ie , ( f ) JD^ avot^d voor
eenen heiligen avond.
Avanture. {2ie Aventure).
Avare , (fubft. & adj.) Giertg aard,
fchrok , vrek; gierig , vrekkig ^Uhraap-
agtig.
Avarement, (adv.) Gleriglyk.
Avarice , ( Î) Gierigheid.
Avaricieux; eufe. (^;> Avare).
^ 3 Arax
54 AVA. AüB. AUC,
Avarie, (f) Havengeld , anker •
i^eUh item zee-fchaden, havery, ava-
rice grofTe , havery gros ; {fchade die
men door 't overboord werpen of door
de Ze e-r over s aan de goederen lyd):
avarie ordinaire , kletm havery ,
(gezi'oone onkq/ien van 'f Schip).
Avafte , (adj .) Hou op , (S:hecps %v.)
A vau-l'eau, (aâv.) Aller ^ a
vau-l'eau , met den Jiroom neêr-
ivaards gaan.
Aubade, (f) Mor gen - muf t::^ dat
een mintjoar aan zyn nu. ''nar es
's.morgens vroeg fpeeld -, item geraas,
gefihreeuiv- (n).
Aubain , (m) t^reemdeïing , uitheem-
Jihe inivoonder.
Aubaine, (f) I^echt des Kon mg $ op
de erffenis van e enen Vreemdeling in
ay;; land geflorven (n).
Auban, {m) Recht het iv e Ik men
den Heer of zyne Gerechtsdienaaren be-
taald -, om vryheid te hebben van zyn
tvinkel of kraam te openen (n).
Aube , ( £) De dageraad-, Pries-
terlyke misgewaad ', 'plank van een
mooïen-rad ,waar op het water valt;
ferfie nagt ivagt , {plat voet ge-
naamd) (Óchetps w.)
Aube-épine ,( f) fVitte Haag-doorn
(m).
Auberge , ( f) Een Herberg.
Aabergifte, (m. & f.) Herbergier,
Waard , Hofpes ; Herbergierfier , Hos-
pita , JVaardtn.
Auberon , (m) Kram daar de
tong van een flot in fcbiet.
Auberonniere , (m) Plaatje daar
de kram aan vafl is.
Aubier ou Aubour , {ni) Spint in
't hout (n).
Aubifoin , (m) Blaamve koorn-
hloem (f).
Aubin , (m) Gebroken gang 'van een
Paerd. {Zie ook blanc d'oeuf).
Aubinet , (m) Het voor-vinken-net
(n) , [Scheeps w.)
Aubour. {Zie Aubier).
Aubrier, (m) Een Havik met een
u:tte Jiaart.
Audion , (f) Operibaare verkoo-
pinq van boeken.
AuAuaire, (m) Byvoegzel (n).
Aucun, une «'adj.) bans aucune
( f) Stoutheid , lier mi-
AÜC. AUD. AVE.
difficuicé, zonder eenige zwarigheid-i
en aucune manière , in geenerlei
wyze.
Aucunement? (adv.) Eenigzints',
geenzins.
Audace
felheid.
Audacieufennent, (adv.) Stoutelyk,
Audacieux 5 eufe (ad j .) 6>om; , Vf r-
métel.
Au deÇî, (prep.) Au deçà de la
rivière , aan deze zyde der rivière.
Au de là , (prep.) /Jan geer.e zyde.
Au devant , (adv.) Aller au de-
vant de quelcun , iemand te gemoe-
te çraan.
Audience, (f) Gehoor (n); au-
diëntie-zaal (f ) } donner audience ,
gehoor verleenen.
Audiencier , (m) Deurwaarder van
het laag e gerecht.
Auditeur, (m) Toehoorder; And*- »
teur des comptes, een Arnptenaar'<
die de Rekeningen opneemd, naziet.
Auditif, ive (adj.) 't Geen het ge-
hoor betreft. ,
Audition, (f) Audition des té-
moins, verhoonng der getuigen; au-
dicion des comptes, het nazien der
rekcrAugen.
AudKoire, (m) Gehoorplaats ; de
Vergadering (f).
Avé , (m) Groetenis van den Engel
aan M ar ia (f).
Avec , ( prep.) Met , mede; avec
moi , r,-^et my.
Aveindre , (v. a.) Uit een kafi haa-
ien , aanreiken , {vjeinig geh.)
Aveine ou Avoine , ( f) Haveif
(m).
Aveline, (f) Hazelnoot.
Avelinier, (m) Hazelaar, {betei'
Coudrier).
Avenage , (m) Haver-tiende , die
men aan den Grondheer verfchuldigt is.
Avenant, te (pare.) Le cas ave*
nant, het geval gebeurende.
Avenant , te (adj.). Chofe ave-
nante, een behoorlyW^zaak ; à l'a-
venant , (adv.) naar maat e, naar
advenaüt, (à proportion).
Avènement, (m) Avènement au
trône , konfi tot den troon.
"^ Avejiir, (v. u.) Gebeurmp (^-ord
aileett
AVE.
éilfee» împerCoïiiielyk geb.) ilavint,
bef gebeurc(e.
Avenir, (m) De toekomer.de tyd;
à l'avenir, IÎ7 V toekomende.
Avent , (m) Mvent , tydvoor Chrii-
ti geboorpey {in de R. Kerk).
Aventurej(f ) H^^aa^ingi^ï); voorval,
lotgeval {n); gefchiedetiis (f); avan-
tures galantes > minnen -gevallen y
difeur de bonne aventure, goft/pr
geluk zeggen j mal d'aventure , di'
fyt aan de vingers ; la grofle a-
yenture ,4>odemry , (Koopm. w.)
à l'Aventure, (adv.) Onbezonnen;
Û d'aventure, zoo by geval.
Aventurer, (v. a.) fVaagen.
Aventureux , cuie (adj.) ff^aag-
ogtig , {oud w.)
Aventurier, iere(ni.& £.) Waag-
hals ; zwerver , gelukzoeker; lan'd-
loopjfer.
Avenu, ue (adj.) Gebeurd, voor-
gevallen.
Avenue , (f) Toegang tot iets-,
laan , wandeldreef met boornen be-
plant (m).
Avérer, (v, a.) Beivyzen, ivaar-
maaken.
Averne , (m) De Helle , (woord
by Dicht, gebez.)
Averfaire. {Zie Adverfaire).
Averfe , (adv.) il pleut à ver-
fe , het regend dat het giet , het Jlag-
' regend.
Averfe. {Zie Adverfe).
Averfion, (f) Tegenzin {£),haat
afkeer (m).
Averfité. {Zie AdverGté).
Avertin,(n3) Ziekte des gemoeds
waar door iemand woedend word (f).
Avertir. ? (v. a.) JVaarfchuuwen ,
berichten.
Averciffement , (m) Bericht ( n } ,
waarfchuuzving {t').
Avertifleur , (m) JVaarfchuuwer
van 't Hof.
Avette , (f) Een Biet] e, {by Dich-
ters), .
Aveu , (m) Bé^^tenis y toejlemming,
bewilltging ; un homme fans aveu,
een Lamilooper , onbekend menjcb.
Aveugle, (fubft. & adj.) Een blin-
de; blind; aveugle né, een blind
geborene; au païs des aveugles les
AVE. AUG. AVI. j5
borg nes font Rois , in 't land aer
bl:nJen is een-oog Koning {fpr. w. )
paffion aveugle , blinde liefde.
à l'Aveugle, (adv, In den blinde.
Aveuglement, (adv.) Ulindelyk. .
Aveuglément, (m) Blindhetd{£);
onv erfland (n).
Aveugler, (v. a.) Blinden ^ ver-
blinden.
Aveuglettes ou à tâtons, (adv.)
Blindelings , by den iafi.
Auge , ( f) Trog , bak (m).
Augée, (f) Een hak vol.
Auget, (m) Eetenf-bakje voor een
P^QOgel-kooy (n).
- Augment, (m) Augmsnt de dot,
vermeerdering van Bruidfchat , {in
Rechten (f).
Augmentateur, trice, (m. & f.)
l^^ermeerderaar , vermeerderaarfer.
Augmentatif , iye (adj.) Fer meer-
derend.
Augmentation , (f) f^ermeerdt-
ring.
Augmenter , (v. a.) Vermeerde-
ren ; s'augmenter, (v. r.) toenee-
men , acmgroeijen.
Augurai , aie (adj.) Dat de ÏVaar-
zeggery aangaat.
Augure ; (m) Een waarzegger , wig-
gelaar (m) ; voorteeken (n) , voorfpel-
(ing , wiggslaary utt de vlugt der voge-
len (f).
Augurer, (v. a.) Iets voorbeduh
den, voorfpellen ; j'en augure quel-
que choie de bon, ik voorfpel daar
iets goeds uit.
Augufte, (adj.) Heerlyk , voortref'
felyk , uitmuntend.
Auguftèment, (adv.) Overheerlyk,
Avidluaillement , (m; Bezorging
van levensmiddelen { f).
Aviduailleur , (m) Een die een
Schip met levensmiddelen (vi^uaille)
voorziet.
Avide? (adj.) Greetig^ begeerig,
hongerig; avide de gloire, ecrzug^
tig.
Avidement , (adv.) Gretigtyk , zie*
rigtyk.
Avidité , (f) Gretigheid , begeerte.
Avilir, (v. a. Ik n.) l^erjlegten,
gering, verachtelyk maaken , of voor-
den ; m prys afjïitan,
D 4 Avi-
5(5 AVL AÜL. AÜM.
Avi I iffemenc , ( m ) f^erjlegtwg ,
verachting (f).
Avillons , (ra) De achter-klaau-
vjptt van een Roofvogel {by Valke-
niers).
Aviner , (v. a.) Met ivyn doortrek-
ien laat en.
Aujotird'hui, (adv.) Huiden, he-
den , van daag.
Aviron , (m) Een Roei-riem.
Avironner, (v. a.) Roeijen.
Avis, (m) Berigfy gevoelen (n);
raad {va)', donner des avis, raad
geeven; donner avis ,bengt geeven,
à mon avis , tia myn gedagten; let-
tre d'avis, advys-brief; il m'eft a-
▼is , my dunkt.
Avifé , ée (adj.) Bedagt^ voor-
zichtig ; bien , mal avifé , wel , kwa-
lyk bedagt.
Avifement , (m) Gedagten (f),
denkbeeld (n) , {oud w.)
Avifer , s'avifer , (v. n. & d..) er-
gens op bedagt zyn ; on y avifera ;
men zal 'er om denken , avifez vous y ,
itedenkt 'er U op -, il s'av'fa de Ie
iaire , hy vond goed het te doen.
Avitaillement , (m) Bezorging van
levensmiddelen.
Avitailler , _(v. a.) Van leeftogt
voorzien-, proviandeeren.
Aviver , (v. z.) Luchtig fchoon-
fnaakcn; polyjlen-, aviver une pier-
re &^c.eenjîeen zuiver vierkant maa-
ken; aviver le feu, het vuur helder
doen branden.
Avives, (f. pi.) Klieren aan de
gorgel van een Paerd.
Aulique, (adj.) Confeil aulique ,
JQizerlyke Ryks - hofraad ; chambre
aulique, Opperryks-kamer.
Aumailles , (f. pi.) .allerhande
Jioorn-vee (n).
Aumône, (f) .t^almoBS (n); faire
J 'au mône , aalmoejfen geven j deman-
tier l'aumône, beedelen.
Aumonée , ( f) Brood 't welk men
V2a P(n hegraafenis den armen geeft (n).
Aumóner, (v. a.) Begiftigen, iets
cis een aalmoes geven.
A n móne r ie , ' (f) Aalmoeffenier-
fch.p (nh
Auu.onier ,(m') j^almoejfinier ^Ka-
;fellaan op een bcbip.
AUM. AUN. AVO.
Auraönier, re (m. & f.) Een die
milddadig is aan den armen.
Auraôniere , ( f) Kerk-butdel (m).
Aumuce , (f) Armelyn bont, het
welk de Kanunnikken op den arm dra'
gen als zy den dienfl doen (n).
Au nage , (m) Ellen-maat { f).
Aunaie , ( f ) Elzen-bofch (n).
Aune, (m) Elzen-boom.
Aune, (f) Eene elle; il mefure
tout le monde à fon aune, hy cor-
dée ld een ieder naar zig zelven; je
fais ce qu'en vaut l'aune, ik weet
wat 'er op loopt y babiller tout du
long de l'aune , in de lengte heén
praaten-, au bout de l'aune faut le
drap, by Jlot vati rekening zal men
dit wel vinden , {fpr. w.)
KnnQT ,{v.?i..)Met de Elle meeten.
Auneur , (m) Amptenaar , die aan-
gefield is om de Ellen te yken en te
bezien.
Avocafler , fv. n.) Het ampt van
Advocaat woarveemen , {gem. w .)
Avocaflerie , (f) Het ampt van
een Advocaat (n) , {èem. en oud w.)
Avocat, (m) Voorfpraak, Advo-
caat.
Avocate , (f) Voorjlandjler , be-
fchermfler.
Avocatoire , (adj. & fubft.) Dat tot
de voorfpraak of deszelfs ampt behoord;
item Keizerlyk bevelfchrift.
Avoine , ( f) Haver. {Zie Aveine).
Avoinerie , (f) Plaats die met
haver bezaait is , baverland.
Avoir, (v. a.) Hebben, bezitten,
genieten; avoir du bien, ryk zyn;
avoir chaud, froid, warm, koud
zyn; avoir roin,zor^ draagen', (NB,
in 't Boekhouden zegt men doit avoir in
plaats van credit) ; y avoir , zyn , wee-
zen; il y a, daar is, daar zyn; il y a
huit jours, het is acht daagen geleden,
{Zie verder de uit legging van d'A.)
Avoir, (ra) Goea , vermogen, be-
zit (n); c'efl tout mon avoir y dat
is alles het geen ik bezit.
Avoifmement 9 (m) J^ykoming ,
nadering (f).
Avoifiner, (v. a.) Naderen, ge-
naaken ,Kabuurig zyn.
Avorté , ée (adj.) J\j[iskraamd >
mhl'aürd} mislukti
AVO. AUP. AUR. AUS.
AvürcemCiiC, (m) Misdragt , mis-
<Wfrpii!g der dieren (f).
Avorcer , (v. n.) Mtskraamen^mis-
draagen ; voor den tyd iverpeti } avor
ter en quelque entreprife, in eùni-
ge onderneemin^ mislukken.
Avorcon , (m) Misdragt , misge-
boorte , ontydige vnigt ( f) ; quel pe-
tic avorton ell cela.^ ^vat voor een
onderblyfzel is dat ^ avorton de l'es-
prit, jcbrift of werk dat niet wel
uitgevoerd is.
Avoué , (m) Schuts-heer , voorjian-
der eener Kerk of Kloojïer.
Avouer, (v. a.) Erkennen, beken-
nen , topjiemmen , goedkeuren.
Avouërie > ( f) Patroonfchap van
een Kerk (n).
Avoyé , (m) Amptman in fommi-
ge Zwitzer^che Steden.
Avoyer, (v.n.) Beginnen te waai'
jen , (zee w.)
Auparavant, (adv.) liante vooren,
ahoorens.
Au-pis-aller ^(advO Op zyn kwaad'
Jlen genomen.
Auprès, (adv.) By , digte by; ei
auprès, hier by.
Auprès , (prep.) Auprès du feu ,
^y het v««r; auprès de lui ^by hem-,
être auprès d'un grand Seigneur,
by een groot Heerwoonen, zyn; vo-
tre mal n'eft qu'une bagatelle au-
près du mien , une kwaal is maar
eene beuzeling by de myne.
Auréole , (m) Straalkrans , om het
hoofd der heiligen.
Auriculaire , (adj.) Confeffion
auriculaire , oorbiegt ; témoin au-
riculaire , oorgetuigen-, doigt auri-
cnkaxxe-, jcie ptnk of kleinjïe vinger.
Avril , (m) April, grasmaand;
l'avril des jours, de lente der dagen
{by Poëet en).
Anrillas , {m) Vaerd met lange
oor en.
Auronne , ( f) Averocn , {een kruid).
Aurore, (f) De dageraat {m);
't morgen rooi (n) ; eene frijfche
fchoonheid (f) j geele vergulde ko-
leur {{); de l'aurore au couchant,
van het ooflen tot het ivelJen.
Aufpice , (m) Voorzegger by de
lUidancn die uit j^e vlvgt j gezang enz.
AUS. AÜT. 57
der vogelen iets wiji te voorfpeilen j
item 't voorteken zelfs (n).
Aufpices ,(m. pi.) Né fous d'heu-
reux aufpices , onder gelukkige
voortekens of in eene gelukkige tyd ge'
booren; c'ell fous, vos aufpices que
je , het is onder uwc befchuttinge
dat ik enz.
Aufpicine , (f) Konfl om door de
vlugt , het gezang of eeten der voge-
len, tets te voorjpeUen.
Aufil , ( conj. ) Zoo, ook; aufS
grand que vous, zoo groot als gy -,
auffl beau que fage , zoo fchopn als
verjlandig; vous y avez été & moi
aulfi, gy bebt 'er gexveejl en ik ook;
ayez loin de vos affaires; arifiî ai
je , let op u zaaken; zoo doe ik ook;
il ell plus fage , auiïi eft il plus âgé ,
hy is wyzer , maar hy is ook ouder;
il efb auâj fage , que vaillant ? hy is
zoo voorzigtig , als dapper.
Auffî -bien que , (conj.) Zoo
wel als.
AufTi-peu que, (conj.) Zoo wei-
nig als.
Auffi-tót que, ( conj. ) Zoo ras
als; auffi-töt dit, auffi-tót fait, zoo
gezegd , zoo gedaan.
Aufler , (ni) Een zeer warme wind-,
zuiden wind.
Auflére , (adj.) Mener une vie
auftére , een fîreng leven lelden.
Auftérement , (adv.) Strengelyk.
Auftérité, (f) Strengheid.
Auftral, aie (adj.) Zuiderlyk^jto.
Ie auftral, zuidcr afpunt ; la mer
auftrale, de zuider-zee; terres au-
llrales , de zuid-landen.
Autan , (m) De zuid-oojle-ivind.
Autant , (adv.) Zoo veel ^ even
zoo veel; j'ai autant que vous, tk
heb zoo veel als gy; dix fois autant,
tienmaal zoo veel; ai-Uant de têtes,
autant d'avis , zoo veel hoofden , zoo
veel zinnen; je l'aime autant que
vous 5 tk bemin hem zoo zeer als ^y,
of als U;]e l'ai vendu tout autant,
ik heb hep juiji voor zoo veel vtr-
kogt.
d'Autant plus, (adv.) Zoo veel te
meer ; d'autant moins , des te min'
der; d'autant que, dewyl , vermits.
Autel, (m) Altaar, Qutaar (n);
D 5 îTiai-
5^8 AUT
maître ou grand Autel, bet hooge \
^utaar.
Auteur , Autrice , (m. & f.) Schry-
ver , uitvinder , oorzaak , aanvanger ,
Jiigter j fchryffier , uitvimijïer ( van
een boek of konji).
Authenticité, (f) irettigheid, ge-
kofwaar digbeid.
Authentique , (adj.) JVettig , ge-
loofwaardig.
Authentiquée , ( f) f^rouw die van
oVerfpel overtuigd word.
AuthentiquemenL, (adv.) Gela f-
waardiglyk.
Authentiquer, (v. a.) Een fcbrift
ondertekenen,
Autocéphale, (m) {Griekfch w.)
Een opperfle aayivoerder.
Autocrateur , trice {m.&i^ï.) Zelfs
behouder-, behouder effe - {titel in Rus-
land)»
Auto-da-fé, (ra) (Pcrtug.w.)ron-
KÏs der Inquifïtie.
Autographe , (m) Iemands eigen
bandfchrift (n).
Automate , (m) Kot7jJ-u'erktttig dat
door zig zelfs beweegd (n); item een
die zonder onderwys leerd.
Automnal, aie (adj.) Herfflacbtig',
fleur automnale, berfjî-bloem.
,AUT.AUV.AÜX.AXE.&c.
Autourferie , ( f) Koujt om de Ha-»
vikken ter jacht af te rechten.
Au tourfier, (m) Een die dezelve
daar toe af re ebt.
Au-travcrs OU A-travers, (prep.)
{het eerfïe regeerd de gen. en het zde
de accuf.) Dwars over , of door , au-
travers du corps , dwars door 't lyf-.
Automne, (f) Herfjï; {fguurl.)
aannaderende ouderdom (m).
Autorifation > (f) Macht -gezag-
geving.
Autorifer , (v. a.) Gezag geven -,
être autorifé de quelcun , van
iemand gevolmachtigd zyn.
Autorité, (f) Gezag ^ aanzien,
vermogen (n);ufer de fon autorité,
zyn gezag gebruiken j autorité de
quelque Auteur confidérabie , een
aangehaalde plaats van eenig ver-
maard Schryver-, autorité ^abfoluë,
onbepaalde magt.
Autour, (prep.) Omtrent ^ rond-
om } eet habit me coûte autour de
cent écu s , dit kleed kofî my omtrent
loo kroonen -, autour de l'Egiife,
rondom de Kerk-, tourner autour du
pot , om het kantje praaten ^{fpr. w.)
Autour, (adv.) Tourner tout au-
tour,»» 't rond draaien i rondom her
gaan.
Autour , (m) Een Havik.
a-travers ia Viiie, dzvars door'de
Stadt.
Autre i (m. & f.) Een ander , eene
andere', l'un ou l'autre , een van
beide-, m l'un, ni l'autre ,^é'f« van
beide; une autrefois, op een ander-
maal; l'autre jour, onlangs; l'un
vaut l'autre, de eene ts de andere
waard ; de parc & d'autre , van
zueérszyden , overal; c'eil bien un
autre homme, dat is een gantfch an-
der man ; c'ell une autre paire de
manches , dat is een andere zaak; à
d'autres , maakt dat de kinderen
wys; c'efl un autre Alexandre , /^^r
is een tweede Alexander.
Autrefois, (adv.) Eertyds , voor-
maals , weleer.
Autrement , (adv.) Anders, an-
derzints; on parle tout autrement
; ^ de cela, men fpreekt daar heel an-
ders van.
Autrepart, (adv.) Elders, op een
ander plaats.
Autruche, (f) Strats-vogel {m).
Autrui, (m) Iemand anders ; ie
bien d'autrui , een andermans goed;
il ne faut faire à autrui, que
ce que nous voudrions que nous
iîxt fait, men moet aan een ander
nietsdoen, 't geen wy niet willen dag
ons gefchiede.
Auvent, (m) Luiffel voor een win~
kei of huis (n).
Auvernas ou Auvernat , (m)
Zwaar e Orleanfche wyn. '*
Auvesque , (ra) Zekere aangenach
me appel-dravik (m).
Auxiliaire , (adj.) 't Geen hulp
geeft ; des troupes auxiliaires ,
hulp-benden ; des verbes auxiliaires,
behulpzaame werkwoorden.
Axe, (m) Spil, as van een bol;
l'axe du monde, de as van de waereld,
Axi , boort van peper.
Axiome j (m) Aangenomen grond-
'Jlel-regel. Axon-
AXI.AXO.AYA.AYE. &c.
Ar.onge < u Axunge, (f) Reuzel;
menfchen-vet tot een geneesmiddel be-
reid.
Ayant « ("part.) Hebbende.
Aye , (interj.j Ach I ochi
Ay^ ui. [Zie Aieul).
Azerolt', (m) Wilde mispel.
AzcroUer , (m) Pfilde mtspel-boom.
A?.imu., (m) iop kri>'g , top-boog.
Aziinutal, aie (aJj.) Top-kring-
achtig.
Azot, (m) Eerflejloffe der metaa-
len 5 {in Smeltk.)
A/.ur , (m) Btaauw , hemels-blaauw,
azuur (n).
Azuré , ée (adj,) Dat hemels-
blaauiv geverft ts; les voûtes azu-
rées , de azuur-gewelven , de hemel j
les plaints azurées , de azuure vel-
den-) de zee.
Axurer | (v. a. ) Hemels-blaauw
fchilderen.
Azye. {Zie Afyle).
Azyme, (m. «Scadj.) Pain azyme ,
ongezuurd brood; la féte des azy-
mes , het feefi der et^g- hevelde brooden.
Azymice , (m. & f.) Een die on-
gezuurd brood eet.
B.
B(m) B. (f) 2de Letter van het
' Af B , C; il eft marqué au
B, {dat is) boiteux-, boigne jboffa Î
hy is l'an onzen Lieven Heer get ee-
kend , als : kreupel , eenoogtg , gebuid *
B quarre, & B mol, B duur en B
mol y {in iVluftcq).
Babeurre, (m) Karnemelk (f).
Bauiclie, (f) :>cboot-hontje (n).
Babil,(m) Gebabbel y geklap, ge-
fnap (n).
Babillard, de (adj.) Klapachtig.
Babillard > de (m & f.} Klapper;
fnarjl^r, klappye.
Babill«fr ,(v. n.) Babbelen ^ klappen.
Babilloi re , ( f ) Ploegbankje ; klap-
' bankje (n).
Babijie , (f) De muil van een
-^ap^ Kop enz. (m) de grofles babi-
nes , groote lippen j groote fmoel.
BAB. BAC. 59
Babioles, ( f. pi.} .^-nder fpeeltuig,
poppen goed {w); beuzelingen.
Bâbord ou Basbord , (m; Bakboord^
de linkere zyde van een óchip.
Babouche ? ( f ) Een Turfche fcboen
(m),
Babouin, (m) Een Baviaan; bai-
fer Ie babouin , zig voor iemand ver-
ootmoedigen ; in de bus blaazen ,
{fpr. w.)
, Babouin , ine (m. & f.) Nar ,
aapengezigt ; zottinne, malocr.
Babouiner , (v. n.) Poeizen maa^
ken.
Bac , (ra) Praam, platte fchuit )
pont; water-trog ; f iintein-kajl (f).
Bacalas, (m/ Kajuii-lyjï van een
6 chip {f).
Bacaliau , fm) Kabeljau , Bakkeljau,
B:icca!auréat , (ra) Eer-trap van
een Candidaat na zyn examen.
Bacchanales, (f. pi.) Bacchus
feejien.
iJacchanalifer , (v. n.) 'Lujïig eéien
en drinken.
Bacchantes ? (f. pi.;) Bacehus Pries->
ter innen.
Bacchus, (m) Wyn-god, {by Poe.,
ten); item wyn.
Bache , {\r\)Wa gen-ze il , dekzel{n)„
Bachelier, {vù) Meejîer in deGad^
geleerdheid, IVysbegeene enz.
Bachique, (adj J Air bachique ;
drink -lied.
Bachot , (m) Veer-fchuitje (n).
Bachotage, (n.) He( overzetten ^
overvaaren (n).
Bachoteur , (ra) Veerman.
Bacille , (m) Zte-fer.kcl , {een kruid).
Bâclage, (m) Ilavcn-^tld; het re-
guleeren der Schepen in een haven , (n).
Bacier, (v. a.) Deur , vengjier of
haven met een boom Jluitrn ; orde
Jlellen op het in- en uitvaaren van
Scheepen in een haven; une affaire
bâclée , eene afgedaane zaak.
Bacquet. {Zie Baquct).
Baftréoles, (f. pi.; Snippers van
bladgoud.
Baciil, (m) Een Jïanrt-riem.
Baculer, (y. a.) Met een knuppel
fiaar..
Baculométrie . (f) Konf; om met.
eenJJok hoogt ens , enz. te meet en.
Ba-
^ BAD. BAF. BAG.
Badaud, aude, (m.&f.) Een b->t-
ferik, dommerik f gaapjiok i les ba-
dauds de Paris, û?f Paryfche gaapcrs.
Badaudage , (m) Het rondomgaa-
fen (n).
Badauder, (v. n.) Heen en weer
gaapen , Jïaan kyken als een gek.
'Bz.à^nàeviQ, {f) Zotterny.
Badaudi»me,(ra) Omozelbe id, gek-
heid {{),
Badelaire , ( f) ZiOfel , ( in Wa-
penk.)
Badigeon , (m) Mortel van Jteen-
gruis , {Metzeliv.)
Badigeonner, (v. a.) Met zooda-
nig bejlryken.
Badin, ne (adj.) Boertige korts-
ivytig.
Badin ,ne (m,& f.) Boerter , korts-
ivylige.
Badinage , (m) Klugt , fpotterny ,
iortsivyl (f).
Badine, (f) Vuurtangetje (n).
Badinement, (adv.) Op eene korts-
'U'ylige zvyze.
Badiner, (v. n. & a.) Boerten ,
gehfchoeren; zig kind'.^racbtig aanji el-
len-, Jlii7geren , wippen , {van iets dat
ha^gt).
Badinerie , ( f) Gekkery , boerte-
ry; kinderachtigheid.
Bafouer, (v. a.) Iemand uitmaa-
ken, bpfpGtten^ {gpm. u\)
Bafr'e , (f) igeni. tv.) Gulzigheid.
{Zie Gourmandife).
Bâfrer , (v. a.) (gem. iv.) Gulzig
e et en.
Bafreur , (m) {Zie Gourmand).
Bagage, (m) Reis-tuig (n) ; plier,
trouffer bagage .,inpakken yweg gaan ,
bet baazenpad kiezen.
Bagarre , (m) Oploop (m) , geraas
van volé (n) , [gem. zv.)
BagaTe , ( f) Hoer Jmots ^(gem. w.),
Bagatelle, (f) Kleinigheid.
y Bagaielles! ( interj.) Is 't anders
niet ! ivf ? ! zveg !
Bagaude , (m) Landlooper ^(oudw.)
Bagne , (m) Plaats daar men de
Slaaven opfiuit (f'.
Bagnolecce, (f) Een knif, muts
fier vrouivcn d:e 't hahe aangfzigt
hedAt.
ra^ue , ( f) Ring } Stfpk-rng (m) ;
BAG. BAH. BAT.
courir la bague, wa^of^ ringjleek.ft;
il s'en ert tiré bagues fauves , (ypr.
%v.) hy is 'er heels buids ^ zonder f cbaa-
de afgekomen.
Baguenaude , ( f ) Zeker oud rym
(n).
Baguenauder, {v. n.) Kinder Jlree-
ken begaan , {gem. iv.)
Baguenaudier , (m) Een Lanter-
fant; Ltnzen-boom.
Baguer , (v. a.) De plooijen aan
een kleed begten.
Baguette, (f) Roedje, Jlokje (n)j
fptts-roede (f); vuur-pyl-Jïok , laad-
Jïok , fiamper j Dearivaarders ftaf',
Trommel-jiok (m); pafTer par les ba-
guettes , door de fpits-roên hopen )
commander à baguette, met magt
beveeleny baguette divinatoire, w/-
chel-roê.
Baguier , (m) Rin^kajlje (n).
Bahut, (m) Reis-kqfer{n),kiJI{e).
Bahut er , (m) Koffer. maaker.
Bai , baie, (adj.;Cheval hd.iteen
karjïanje bruin Paerd ; bai clair ,
licht brui». '
Baie, (f) Bezie, heffe y baie de
laurier, laurier bézie ; baie , een
baay , bogt ( f ) > een open vak in een
muur voor een deur of vengjier (n)j
baie , b^driegcry , {dit laafjle een
geni. IV.)
Baier. {Zie Bayer).
Baigner, (v. n.&a.) Baaden ; be^
fpoelen j cette rivière baigne les
xïWLrs^die rivier befpoeld-, loopt ia^gs de
muuren y fe baigner, (v.r.) zig ba'aden.
Baigneur, eu fe (m. & f.) Baader,
baadjlery bad-meejler.
Baignoir , (m) BadJîoof{ f ) ; Baads
plaats.
Baignoire, (f) Bad^kuip (f),
waf ch- vat (n).
Baigu. {Zie Bégu) (ra).
Bail , (m) Baux , (plur.) Gifi ^gaa^
ve; J^uur-cédeli ceel-, pacbt -brief -,
bail d'amour , Huwelyks contraâ
(n).
Bail e , (m) De naam van den Ve-
netiaanfcben Gezant te Conjlantwo-
polen.
Baille , ( f ) Balie , tobbe , {Scheept
w.)
Bâillement , (en) geeu^f^g { *')•
BAI.
Bâiller, (v. n.) Geewwf»-, bâil-
ler après quelque chofe, ergens m
baaken.
Bâiller , (v. a.) Langen , aanrei-
ken-, bâiller à ferme , verpagfen', il
me l'a baillé belle, (fpr. «/.) hy
heeft my lelyk opgezet y ivat fraays
cp, de mouw gefpeld.
Baillerefle , ( f ) Verpacbtjier.
Eailiet, (adj.) Un Cheval baillet,
»en vaal Paerd.
Bailleul , Bailleur , (m) Een ber-
Jîelder van verrekte leden.
Bailleur, eufe (m. & f.) Gaapef ,
gaapjlok ', gaapjler.
Bailleur , (m) l^erpacbter ; bailleur
de caiïade , de bourdes , een bedrie-
ger , die iemand wat wys maakt.
Bailli , (m) Baljuw j i>chout , Jmpt-
man, Drojfaard.
Bailliage , (m) Baljuwfchap ,
Schout s-ampt (n).
Baillive , (f) SchoutinKe , (beter
femme de Bailli).
Bâillon , (m) Bal, prop die de
G aauw dieven iemand in mond Jiop-
pen om niet te fchr eeuwen.
Bâillonner j (v. a.) Den mondjlop-'
pen.
Bain , (m) Bad (n), bad-plaats ,
had-jîoof ( f ) ; prendre les bains ;,
de baden gebruiken.
Baïonnecte, (f) Spits en tweefny-
dend mes (n) î bajonnet die men op
een Jnophaan zet.
Eajou , (m) De bovenjle plank van
*t roei' van eenfchuit.
Bajoue, (f) Kinnebaks bammetje
(n).
Bajoues, (f. pi.) Zy-flukken van
$en glazrnmaakers looJtrrk':^ r.
Ea:ram ,' (m) Een pejl by de Tur-
ken (n).
Baifemaîn , ( m ) Een eerbiedige
handkus van een Vajfal aan fynen Leen-
heer (f).
Eairemaïns, (f. pi.) Groetenis,ge-
biedems (f).
Eai fendent , Cm) Kujfmg j voet -kus
van den Paus ( f).
BaiTer, (v. a) Zoenen <> kujfen-, je
vous baife les mains, ik ben u die-
fiaar% bai fer le verrou > de deur-
grendtl kiijfen-, bedroejd îf^en gaan y
BAI. BAL. 5«
(Jl>r.w.) ; les ais fe baifent , de plan*
kenjluiten dtgt aan malkander,
Baifer , (m) Een kus 9 zoen,
Baifeur , eafe (m. & f.) Kujfer,
die gaerne kujl,
Baifctter, (v. a') \{gem. w.) D/*-
wils kujfen.
BailTé, ée (adj.) Neergebogen, g&*
bukt.
Baiflement , (m) Bukking { f ).
Baifler , (v. a.) Neêrbukken , but»
gen', baifler les yeux, d'oogen neêf
flaan', baifler le pavilUon, de vlag
Jiryken j donner tête baiffée dans
4m combat ,fioutmoedig , onvertzaagù
IfS'f ^e'vegt ^aan.
Baifler, (v.n.) La ririère baifle^
de rivier valt, ebt-, le jour baifle ,
de dag daald; fon efprit taifl"e,2yi»
verjîand verzwakt.
Se Baifller , (v. r.) Zig bukken,
Baiflîer é , ( f ) Zinkfel , grondzop (n)*
Bai fur e > (f) De iveèke zyde wm
een brood.
f al , (m) Het bal, dans-gezelfcbap
■■
Balade i &c. {Zie Ballade).
Balafre, (î) Sneê,Jcbram in V
aangezi^f.
Balafrer, (v. a.) Een fneede in *t
aangezigt geven.
Balai, (m) Een bezem-, c'efl: un
balai neuf, nieuwe bezems vegen
fchoon , {fpr. w. ) balai du ciel ,
{fpr.w. by Zee-l.) de noord-^ejie-wind.,
Balaier. (Zie Balayer).
Balais, (adj.) Rubis balais, ^m
bleek robyn.
Balance, (f) Weegfchaal , fchaat -,
waag', evenaar j être en balance,
in twyffelagtigbeid zyn.
Balancement , (m) Slingering , on-
rujî, beweging.
Balancer , (v. a.) Stir geren ^fchon-
gelen , beivegen , in evenwigt houden -
overwegen, wikk.vi; le gain balança
la perte, de wirjl ïveegt de fcbade
op; balancer une affaire, ee}7e zaak
overwegen.
Balancer, (v. n.) Tf^ankeleny on^
zeker yn.
Ealancier , (m) Baîansmaaker^
Jlinger van (en- uvrwerk', onrufl van
een braa.ifpif,
«2.
fS2 BAL.
.. Balan^îrtes oa Valenclnes,(f. pi.)
Toppfnan(s brajfen -, zeker touwcrk
aan de tnaJJJiengen , raas van een Schip.
Balançoire ou Brandilloire , (f)
'Schofigel , fchopjhel. .
Balandran , (m) Reis-rrgen-mantel ;
duijierms , (by Poëten) {£).
Bal an e , (m) De pappe bogt van
een touiv (f). „ » .,
Ballau OU left, (m) Ballafl van
van een Schip (f)-
Balaulle , (m) i^ilde granaat -hloe s-
fem.
Balaaftier , (ra) IVddc granaat-
boom.
-Balayer , (v. a.) Reegen met een
hezetn.
Balayeur, (tn) Feeger -, bezem-
f}:aaker.
Balaye-jfe, (f) Veeg fier.
Balayures, (f. pi.) Uitvaagfel(n).
Baibuciement , (m) Stamenng ( f).
Balbutier, (v. n.) Stameren, be-
zwaard fpreeeken.
Balcon, (m) Uitjîek^ balkon (ni.
Baldachin ou Baldaquin , (m)
Hemel over het Sacrament of hoofd
van den Paus.
. Baleine, (f) Pm fFahifch (ra);
Walvifch been , balein (n).
Baleineau , (m) Jonge Wahifch.
Bal er. {Z,e Baller).
Balearille , (f) Een graadftok
(m), (by Zeelieden).
Balevre, (f) De onder lip; item
(in Bouivk.) een uitjiekendef^eendie ge~
iyk gemaakt moet ix'orden.
Balier. (ZïV Balayer).
Baline, (f) Grofpak-Unnen (n).
BaUre,i(f) Een baaken,'t zyton of
éiergelyk.
Balifer, (v. a) Een baaken zetten.
Ealifeur , (m) Baakenmeejler.
Bal i fier , (m) Zekere plant met
Ireede bladeren .> vjaar v^ede de Wil-
den de hutten bedekken.
Balifte, (f) fié"» machine by de
«uden om fieentn mede te iverpen.
Baliyage, (m) ^ftekening der boo-
jfien in een bofcb tot afkappen (f).
Baliveau, (m) Jonge boom die
tnen overlaat.
Baliverner , (y, n.j Zotternyen
vertillen^
bal;
Balivernes, (f. pi.) Onnut geklasf
(n), ktugties(t'. pL), * <
Ballade, (f) Zekere rym van drie
vaerzen die op dezelfde ivyze eindigen..
Balladin, ine (ra. & f.) Toneel-
danfr, poetzenmaaker ; danjlcr,
Balladoire, (f) Boeren-dam.
Ba Ie, (f) Bal; kaatsbal; kogel;
kramers mars (m) ; een baal goed ( f } j
kaf van koom (n) ; ballen by Druk-
kers (f); balie ramce, botit-ketting-
^o^f/; rnarchandife de ba!le,y7p^-
te waar; à vous la balle , ( /pr. av.)
dat komt u toe ; 't is u beurt ; pren-
dre Ja balie au bond, den bal in 't
opjluiten te rug flaan^ pouffer bien
une balle , een brJwelfJaan , kaatzen.
Balier, (v. n.) Danzen , (oud w.)
Ballet-, (rn) Dans van vermomde
perzoonen.
Balloire , ( f ) (in Scheepsb.) Scheer-
gang ^ zetgang; lange houten om een
.:chip na te bouwetK
Ballon, (m)l^f'^i?2d-bal , kloot, bol,'
Ballonnier, (ra) Bollen-maaker,
Ballot, (m) Een baal (£).
Baliotade, (f) Zekere fprong van
een Paerd tujfchni twee fiylen.
Ballotte, (f) Keur -bail et] e .i lot"
balletje (n).
Ballotter, (v. a.) Met hallen fpee-
len, heen en weer hut zelen ; met balletjes
zyne ftem in eenc verkiezinge geven ;
b^iUo^ter une affaire , eene zaak be--
raad/lagen y ballotter quelcun , ;V-
tnand herom pingeren ; voor de gek
houden.
Ballotin , (rn)Een jonge die teVe-
netien de keurkogeltjes trekt.
Bal on. (Zie Ballon)»
Balourd , ourde (m. & f.) Een
dom menfch , dommerik.
Balfamiiie, (f) Balfamine -, (een-'
plant).
Balfamique , (adj.) Balfemagtig,
Balfaraum , (m) Balfem-boom.
Ballan. (Zie Balzan).
Baluftrade , ( f) Hek ; balie voor
een huis.
Baluftre , (m) Scbei-flnk ef pylaar
■van een hok, flot-plaat ; arm van
Kerk-kroon.
Baluftrer, (v.n.) Mtt een hek or
puffen»
Ei.
BAL. BAM. BAN.
Balzan, (a ;j.) Cheval balzan,
J>aefJ m?t witte voeten.
Balzane, ( f > (Vitte fpat aan 't
: been van een PacrJ.
Bambin , (ni) Kind dat nog de
borji zuigd (n).
Bamboe haie , (f) Landgezicht ^
{in Schitderk.) (n).
Bamboches, (f. pi.) Levensgroot-
te fprelpoppen ; Bamboes-riet .
Bambou, (m) Bamboes y zeker dik
en boog riet dat in de Indien iva(}.
Ban , (m) Ban ; Landvoogd in Hoyu
garycn; Rrchts-gebied; Gebod ; Huzv-
lyks-voorjlell ingen (annonces) ; bal-
lingfibap ; ban & arrière ban , op-
bod van edele en onedele, die een Leen
bezitten ; ban de moulin , moolen-
divang-recbt.
Bananier, (m) Bananen-boom,
Banc , (m) Bat7k , zitbank j zand-
bank , zandplaat (f).
Bancelle, (f) Zitbankje (n).
Binche , (f) Gladde en zachte
Jieengrond ^ {zee w.)
Bancloche , ( f) Allarm-kloh i item
*t geraas daar meê.
Bandage , (m) Zwachtel, omwind-
zel ; yzer bejlag om raderen enz.
breukband.
Bandagifte, {m) Breukbandmaaker.
Bande , ( f) Zwachtel om te be-
winden -, y zere band-, Ut, fmal ge-
zaagd hout ; bande du Nord , du
Sud , Nooràer , Ziiider Jîreek ; met-
tre un VailTeau à la bande, een
Schip aan de eene zyde overhaalen ,
krengen j bande , gezelfcbap , meenig-
te ; faire bande aparc , zig van men-
fchen afzonderen.-
Bandes, (f. pi.) Benden, oorlogs-
leger- beir- krygs-benden.
Bandé, ée (adj.) Gefpannen; item
met Jlreepen ; {in fFàpenk.)
Bandeau , (m) Band voor d'oogen
of hoofd; ifem {in Bouwk,) lyjîwerk
boven een deur.
Bandelette , ( f ) Bandje , tyjlje (n).
Bander , (v. a.) Binden , f panne n -,
ophitzen ; bander une playe , een
wond verbinden; bander les yeux,
de oogen verblinden ; bander un arc ,
een boog fpannen ; bander un refTort,
#pö veérfpannert} bander fon efpric,
BAN. 67
zyne gedachten infpannen ; bander
une baile , een bal met de raket van-
gen en in 't net werpen ; fe bander ,
(V- r.) tezamen ratten.
Bander eau , (m) Een Trompet-lint
(n).
Banderole , (f) Scheeps -wimpel
(m) ; kivajije aan een trompet (n).
Bandiere, (f) Scheeps-vlag; (Pa-
villon is beter).
Bandins, {vQ.^\.)Tralie-'wsrk ach" ^
ter aan een Schip (n).
Bandit , (m) Struik-roover.
Bandoir, (ra) Span -rad van een
weefgetouw (n).
Bandoulier , (m) Land-looper^
Stritik-roover , f^ry-buiter.
Bandoulière, (f) Schouder -riem
(m).
Banlieue, {Î) Omtrek (n), diftrift
(n) van eenig plaats of gericht.
Bannal , aie (adj.) Dat tot de
Rechts-ban behoord; moulin bannal >
dwang-moolen,
Bannalité , ( f) Rechts-gebied (n).
Banne , (f) Groote mande; zeil
over een wagen , vaartuig of kraam %
tegen regen of zon.
Banneau , (m) Plat vaatwerk, om
door Laji-dieren gedragen te worden
(n).
Bannée, (f) 7?^»^^/ van een Heer
om zyne onderzaten te 1 dwingen op
zyn moolen te laat en maaien. . -Ç -.^
Eanner, (v. a.) Met een zeil be^
dekken.
Banneret , (m) Baander-Heer,
Ban nette, (f) Een korf gebruikt
voor Laji-dieren,
Banneton , (ra) Een f^ifch-kaar.
Banni, ie (adj. & fubft.) Geban-
nen ; een gebannene , verjaagde , ver-
wezene.
Bannier, (m) Een cpentlyke uit-
roeper.
Bannière , (f) Een Vaan, ba-
nier ,Seheepsvlag; bannière de con-
feil , witte vlag op een Admiraals
f chip; bannières, lappen die deSny-
der te rug houd.
Bûnnir, (v. a.) Bannen, verban-
nen, veru-yzen; fe bannir de tous
les plaifirs, xig van alle vern:aai
çnttfoen.
64 BAN.BAP.BAQ.BAR.
Banniflable , (adj.) Die te verivy-
zen is.
BannilTement , (m) Verdryvmg,
banning (£). ^ , , t
Banque, (f) Bank y JViJfeUank ,
Geld-bank.
Banque , (adj.) VaifTeau banque ,
ee\Schlp uitgeruj voor de Kabcljaaaw
"jangfl.
Banqueroute, (f) Faire banque-
Touce , banqueroi t J'peehn ; faire ban-
queroute à l'honneur, i^ eer vaar-
ivel zeggen. ^ ^ r » o\
Banqueroutier , lere , (m. & r.;
Sanauernrt-fpee/cfer-fpeeljfcr.
Banquet , (m) Gajlmaal (n)}
ixvord altcm van geejïelyke dingen ge-
xfgt) ; item een gat in 't mondjiuk van
een P aer den-gebit .
Banqueter ,, (v. n.) Gajh-eeren, (be-
ter fe régaler).
Banquette, (f) Opgeworpen voet-
$ad (n); optred aan eene borjiweering
(in yeflingb.) ; zitting zonder leun.
Banquier , (m) Een fViJfelaar',
Hoofdfpeetder.
Bans, (m. pi.) aflandig ing ; gebo-
den van verloofde perzoonen.
Banvin, (m) 't Recht van een Heer
om zyn wyn alleen te verkoopen.
Baptême , (m) De Doop,(iu dit , en 6
volgende woorden word de p niet uit-
gejprcken).
Baptifé , ée (adj.) Gedoopt,
Baptifer , (v.a.) Doopen; item een
klok onder de R. gezinden nrivyen; ah
meede een Matroos , die voor d'eerjle
maal op zee komt., dompelen.
Baptismal , aie (adj.) Dat tot den
Doop behoord.'
Baptifte , (m) Een Dooper.
Baptiilere , (rn)Doop-plaats ; Doop-
er él (f).
Baptiftere, (adj.) Extrait baptis-
tère , Doop-boek (n) , Doop-ceêl ( f).
Baquet , {xn) Een tobbe , kalkbak
{m)-} vlootje (n),
Baqueter , (v. a.) Met een vlootje
tiithoozen.
Riquetures, (f. pi.) Lek-wyn.
Bar , (m) Groote burrie , draagbaar ;
item een barbeel, (in IVapenk.)
Baragouin , (tn) IVantaal , onver-
Jlaanbaare taal j ook de fpreekgr daar
vatu
BAR.
Baragouiriage ,(m) Omerjïaaniaa^
re ivyze van JpreÀen,
Baragouiner, ( v. n.) Tateziaa-
len , koeter "jeaalen.
Baragouineux , eufe (adj.& fuWl.)
Onverjiaanbaar ; Tatewaaler.
Baraque , (m) Soldaten-hut , baràk,
Baraquer , (v. a.) fe baraquer
(v. r.) JZig hutten, tenten bouwen. ^
Ba rat, (m) l^erbodene handel; ver -
valfching , maskeering der waaren ,on~
dergejîooken waar , (in de Zeeh.)
B'jratas, {m) Een foort van Rotten,
Baratte , ( f ) Boter-karn.
B«Tatter , (v. a.) IVaaren verval-
fchen, veranderen; bedriegen, vryhutten.
Baratter ie > ( f ) Bedriegery , ver'
valfchinq der waaren, - ^
Baratteur, (m) Een bedrieger.
Barbacane , (() Schiet- togt- iva~-
ter-gat in een muur (n).
Barbare , (zid].)Onbejchaafd, wreed i
onmenfchelyk;grof;\}n peuple bai-
bare , een wild , woeji volk ; un lan-
gage barbare, een grove of vreemde
fpraak.
Barbare , (m) Een wreedaard.
Barbarement , (adj.) IVreedclyk ,
woejïelyk.
Barbarie , ( f ) Onmenfchelykb^id^
onbefchaafdheid. w
Barbarifer ,(v.a.) Te gens de regels
der Jpraah-kunde zondigen. ^■
Barbarisme, (m) Brabbehaal ('t).'.
Barbe ,(w)Paerduit Ba-rbaryen (n).' «
Barbe , ( ?} Baard; angels van koo-
renaairen -, vcfelen , iiitrajfzel-yfchim-
mei, uitJlagÇh la barbe de quelcun,
in iemands aangezigt j rire dans fa
barbe , (fpr. ^v.) in zyn vii\jl lachen ;
faire Ia barbe , yj-^f^^jTM 5 la fainte
barbe , de Konftape Is- kamer op een ^
Oorlog/chip ; barbs de renard , gom-
me tragant; barbe de bouc, geitem
baard , (zekere plant).
Barbé, ée (^.à). ) Gebaard , (in Wa-
penk.)
BarbraU /m) Barbeel (vifch); blaau-
we koornh/oein.
Barbelé, «fe (adj.) Dat weérhaa-
ken heeft; f.êcbe barbelée, een pyl
met %veérhaaken.
Barbe rie , ( f ) Het barbieren ,•
(nieuw ik'-)
/ / BAR;
Barbe rot , (m) Slûgte Barbier ,
ifpot w.)
fîarbes, (f. pi.) Puijîen onder de
tong der Paerden.
Barbet, (m) Gekrulde water-bond.
Barbette , ( f ). Een Nonnen hals-
- doek } teef van een ivater-hond
Barbeyer , (v. n.) Les voiles bàr-
beyent , de zeilen wapperen , (lingeren.
Barbier, (ra) Barbier ,baardfcbeer-
der.
Earbieton, (m) Jonge water-hond.
Barbillon , (m) Kleine Barbeel; kne-
vels aan de mond der l^ijfchen.
Barbon , (m) Een oude Gryzaard.
. . Éarboniiage , (m) Het baard-werk
(n). y
Barbote, (f) Puit-aal (m).
Barboter , (v. n. & a.) Slobberen
gelyk de Eenden doen ; mompelen ,
brommen , binnens monds fpreeken ,
preutelen; item als barbeyer.
Barboteur, (m) Een tamme Eend-
vogel.
Barbotine , ( f) Wormkrutd fn).
Barbouillage , (m) Stegte fchildery ,
kladder y , mor Jf er y (f),
barbouillé, ée (adj.) Geklad ^be-
rr}orsd.
Barbouiller , (v. ai) Bemorjfen ,
kladfchilderen; barbouiller le pa-
pier , het papier bemorsen ; fe bar-
bouiller yzyn góéde naam verkleinen;
fe barbouiller l'efprit de quelque
chofe , zyngeeji met iets onnuttigs be-
zwaar en.
Barbouilleur , (m) Bemorjfer , klad-
der ; kladfchilder.
Barbu, ue ("adj.) Gebaard.
Barbue , ( f) Heyl-bot {een vifch ) ;
item een plant of zetting met zyn
n^ortel.
Barbuquèt , (m) Een blaasje ofpuijl-
ji> aan 't uiterjïe der lipptn (n).
Bard , )m; (Zie Bar).
Bardache, (m) Een fcbandjonge.
Jïardane , ( f ) Klije , (een onkruid).
Barde , ( f-) Borji harnas van een
Paerd ( n ) ; fneede ^ofreep fpek (f).
Bardé , ée (adj.) Befpek: ; uitgerufl.
Bardeau , (m) Een Dekfpaan.
Bardelle , ( f) ^en Boeren zad»i (n).
Barder , (v. a ) Eén ^aerd karnai-
Jchm; iefs bsfpfkken»
BAR. 6$
Eardeur , (na) Burrie-drager , hand-
langer.
Bard is , (m) Zetgang van plank emp
een S chip y dat 'er het water niet inloopt.
Bardot , (m) Kleine muil-ezel.
Barer, (v.n.) l^an 't fpoor raaken,
(Jagcrs-w.y
Baret , (ra) Het gefcbreeavf van een
Olijant (n).
Barguinagè , (m) Getalm (n).
Barguigner, (v. a.) Talmen, din-
gen , tandtrekken , tn 't koopen of
doen van iets. .
Barguigneur, eufe (m.& f.) Tal-
mer y dmger , knihbelaar j talmjief y
dingjier , knibbelaarfler.
Baril , (ra) kaatje , tonnetje (n).
Barillage , ( f) Klein Vaatwerk (r)),_
Barillar , (ta) Scheeps-bcttelier.
Barillet, (m) Klein vaatje (n);
trommel in een zak-uur-werk (m);
pomp-buis (f).
Bariolage , (m) Schildering met
verfcbeide kou leur en (f).
Bariolé ,ée(adj.) Bo^t gefchildérd.
Baricler, (v. a.) Schilderen met
verfcbeide kouleuren.
Barique , ( f) Oxhóofd (n), (zie
Barrique).
Eàriquet, (m) Klein tonnetje, kin-
netje (n),
Barlong , gue (adj.) Lang-vierkant,
on gelyk lang.
Barnabites , (m. pi.) Bernahiter
Monnikken.
Baromètre, (m) Weêrç,las om de
zwaarte der lucht te ontdekken (ri).
Baron , (ra) Vryheer.
Baronne, (f) Vryvrouw.
Baronnet , (m) Kleine Vrybe^r.
Earonnie , ( f) Vrye-heerlykhetd.
Baroque , (adj.) Scheef; wonder-
lyk, mislyk ; des perles baroques,
fcheeve pa er l en.
Èaroscope , (m) Weêrglas (n) , (zit
Baroraetre;.
Bar o t , (m) Balk onder het Scheepsdek.
Baroté, ée (adj.) Votgefiuuwd tot
het dek.
Barotier, (m) Balk-legger.
Barotin , (m) Kleine dwars-balk.
Barque , ( f) Scheepje , Schuitje (n).
Barqu erole , ( f) Sfbuit zonder maft
l ( ^) Ligter (na).
K Bar-
66 BAR-
Barquette, (f> Soort van gebak
(n).
Barrage, (m) Straat- brug- hek-
ken-geld (n).
Barrage r , (m) Tollenaar.
Barras, ff) Pyn-boomen-harf} (m).
Barre , ( f ) Staaf ; Jiang ; fn'it-
toom-, roer-Jïok', zand-batik; Jlrpfp ,
fchrap , ondfr of door een gefcbrift ;
barre d'arcafle , bek-balk(inöcheê'psb.)
armes de ia barre, wildi> Zwyris-
fiagtanden.
Barré, ée (adj.) IngeJJooten , met
een boom geBooren.
Barreau , {m)Tzere-boom-fpyl ,prrs-
fpil; vierfchaar , gericht s-hali e (f);
terme de barreau , fladhuis woord.
• Barrer , (v. a.) Sluiten , grende-
len y betraliën ; eene reckening door-
Jïryken'f vaatwerk met dwarsduigen
voorzien.
Barres, (f. pi.) Jauër aux bar-
res, diefje fpeelen , (kwderfpel).
Barretone , (f) Muts van den
Grootmeefier van Maltha.
Barrete, (f) Cardinaah hoea(m);
f tem een muts^ calot (f).
Barreur , (m) Een die cp dtn op'
pas is , om bet wild op de jagt te
Jhiiten,
Barricade , ( f) Eenfïaghoom ,fchut-
boom (lïi).
Barricader, {v. a.) Met een boom
Jkiiteny fe barricader dans une mai-
fon , zig in een huis toe rammeyen.
Barrier, (m) Pers-ktiegt.
Barrière ', ( f) Slagboom j grens-
paal; hinderpaal (n).
Barril. (Zie Baril).
Barrique, (f) Eeh Oxhoofi {n).
{Zie Bariqae).
Barrure j ( f) Divarsfpaanen aan
ffK? Luit.
Barroir, (m) Een zzvfkboor (n).
Earfes, (f. pL) Clineefcbs thee-
doozen.
Bartavelle , (f) Een foort van
roode l^eldhoen.
Bas , balTe, (adj.) Laag;, nedrig^
zivak ; Ie b?.s bout d'une table ,
het laage einde van eerie tafel ; bas
fond , ondiiptPy dfoitgte ,bratjding;
la rivière eft baiTe , de rivier is
laag ; ondiep ; moc baS , gemeen
BAS.
ivoord , flraat'taal ', ame baffe > taage
geej}; bas or , argent, Jlegt goud,
'zilver; voix bafle, zagt e Jïem; mes-
Ce baiTe , Jlille mis ; naiflance bas-
ié y geringe afkotnJl;les bas officiers,
de onder off eieren ,zv oir la vue bas-
fe , byziende zyn ; acheter à bas
prix, goed koop koopen ; les eaux
font baltes chea lui , daar is by
hem niet veel ten bejïen (fpr. iv.) ;
faire main bafTe, den vyand neer-
zabelen.
Bas , (ra) Het onderjïe (n) ; au bas
de la lettre , aan' de voet van den
brief; Ie haut & le bas, het onder-
fie eti bet bovenjie ; het hooge en het laa-
ge ; devoiemenc par haut & par bas,
ontlajïin^ van boven en van onderen, i
Bas , (adv.) Beneden , onder ; il a
quatre chambres par en bas , hy
heeft vier kamers beneden ; mettre bas
les armes , de wapenen neerleggen;
mettre bas , jongen werpen {van die-
ren gez.) ; parler bas , zagtjes
fpreeken; fa maladie l'a mis bien
bas , zyne ziekte heeft hem zeer uit'
geput , verzwakt ; jouer argent bas ,
om gereed geld fpeelen; il efl bien
bas , het is f egt met hem gejleld; Ie
vin eft bas, au bas, de wyn is op
den bodem ■,]etter à bas , op de grond
werpen ; il eft à bas , hy is 'er onder ,
in eenjïegte ft and; en bas, beneden,
na beneden; ici bas, bier beneden y op
deeze vuaereïd; par en bas, van on-
deren , beneden heen ; d'en bas , van
beneden; là bas, daar onder, daar
beneden.
Bas , (m) Kous ; des bas , koufjen ;
bas au metier , geweven koujen^bets
à €trîer,y7i,t offopkouffen; bas d'e-
flame , fayette kouffen ; bas au tri-
coD,-ou bas brochés , gebreid de kous-
fen.
Bafane, (f) Bezaan-teer (n).
Ba fané, ée (adj.) Van de zon ver-
brand ; les troupes bafanées , de
f paan f eh? benden.
Bas-bord . (m) Scheeps-bak-bocrd;
een vlak Schip ; les bas-bords , de
bak boor ds ga/ïen ; basbord , bevel
vj'jo'^doni het roer na bak -boord te
ivenden , (n).
Bascule , ( f) Een ivlp , zwengel ,
BAS.
hcom van een brug of put ; vang van
een moolen ', fcbangel , hosplauk.
Bas-de ffas , (m) Tweede discant ,
(in Muftcq).
Bafe , ( f) Grondflag , voet ; grond-
regel (m).
Eas-fond , (ra) Ondiepte , bran-
ding (f).
Bas-fort, {m)Onderfle bolwerk {n).
Baüglofle , (m) Spier die de tong
neêrtrekt ( f ).
Bafilic , fm) Ba/iticum {een kruid)
(n); Baftliscus {eenSJange); item ze-
ker i(o ponder gefchut.
Bafilicon , (ra) Bafilkum , {tr(k-
zalf{£).
Eafilique, (f) Een groot gebouw
(n) of Kerk (f).
Eafilique, (adj.) Veine bafilique,
Hoofd- of lever-ader.
Bafin, (m) Bombazyn {een jïof).
Basque , (m) iichoot van een ivam-
hes -y courir comme un basque ,yî;ip/,
als een biskayer loopen.
Bas-relief, (m) Half verheven
beeld-werk , bas-relief (n).
Baff;: , (f) Crond-fiem , bas-, bas-
Jifi ; item eene droogte in zee.
Baffe-continue / ( f) De generaale
bas.
BaiTe-contre , ( f ) Te^en grond-Jfem»
Bafle-cour , (f) l^oorplaats (f),
voorplein , voorhof (n).
Bafle-eau, (f) Ebbe{?), laag wa-
ter (n).
Baiïe lice , ( f ) Tapyt va^i wolle en
zyde (n).
Eafle licier, (m)Een wever daarvan,
Baffement ,(adj.) Agir baffemenc ,
laag te werk gaan.
BafTes , (f. pï.) Hooge Jleenachtige
gronden , {zee w.) ■
BaflTvfle , (f) Laagheid-, nedrig-
heid; geringe toeftand.
BafTec , (m) Een Das-hondje.
BaiTe taille, (f) Tenor -ft em , {in
Mufuq).
BaiTe taille, (f) (/« Beeldhouwk.)
Half verheven werk.
BalTette, (f) Baflet , beefi y {zeker
Ka art [pel).
BafTïere. {Zie Bainfiere).
Baffin , (m) Een bekken (n) ;frhaal ,
kom (m)/, bad-kuip {ï)\ oyiderjleek-
BAS. ÈAT, (5?
bekken fn) ; Haven-kom (m) ; on l'a
fait cracher dans Ie baflin ^ men
beeft hem doen bloeden {fpr,w.)vex\r
dre au baiïln , in het bekken verkoopen»
Baflïne , (f) Groote kopere pan.
Baflïné , ée (ad j,) Befprengd.
Bafïïner , (v. n.) Met een bedpan
warmen ; eene wonde zuiveren , be^
fprengen.
Balllnet , (m) Pan van een fnap-
haan { f) ; Jlormhoed', Haanen-voet^
(een kruid).
• Bafifinoire , (f) Bedpan,
Baflon , (m) Baffon , {fpeeltuig).
. Ballant, ante (part. & adj.) 2o5-
rykend, genoegzaam , 'gent. w,).
Bafte , (m) Klaveren aas {in 't om-
berfpel).
Eafle , ( f) Stof y van bafl van hoo-
rnen gemaakt.
Bafte! (interj.) {gem. w.) Genoeg
hier van !
Bafter, (v. n.) fp^el gegoed zyn^
£qs affaires baftent mal > zyne zaa-
kenflaagen niet , {oud w.)
Baflerne 9 ( f) Eén reis-draag-Jioel
(m).
Baftide , ( f) Lujlhuis op 't Land
in Provence (n). .
BaftiÜe, (f) Oüwerwets Slot met
toorenen; een Stads gevangenhuts tn
Parys aldus genaamt.
làaA'ûlé yék {sidl.) Met toorenenvoor-
zt^n , (/« JVoperik.)
Baftingue , (f) Zeil-fcbans (f).
Schans - kleed ( " ) > ^P ^^>^ Krygs-
fch;p.
Baftion ,(ra) Bolwerk (in VeJ}ingh.)
(n); rainer un ballion , een bolwirk
ondergraaven.
Baftir , (v. a.) Een hoed met bever
hair overtrekken.
Baftonnable, (adj.) Die , of dat
flaag verdiend.
Baftonnade^ (f) Stoiftagen.
Baflonner , (v. a. ) Aiet flokksn
JJaau, ofrojfen.
Bas-ventre, (m) Onderlyf {r).
Bat , (m) Een pak-zade'l (n) -, vov.i
ne favez point ou le bât me bier-
fc , oy iieet niet waar tny ds fboesi
wf-'ngt, (fpr. w.)
E;u?!ge , (m) Tel cp Lajî-die^'pn.
Bataille , ( f) l-^eUfag \f. ** <'n\; 5
IL 2 ii-
68 BAT-
livrer bataille , Slag leeveren }
champ de bataille. Slagveld.
Batailler, (v. n.) Redén-tivifien,
"Bataillon, (m) Een bataljon yklet-
ne bende voetvolk.
Bâtard, arde (adj.) Een bajîaard,
onecht: kind.
Bâtarde , ( f) ^eker groot gefcbut,
item galey zeil (n) .
Batardeau , (m) Een dam of pene
heer in 't ivater. <
Batanliere, (f) Een boomqueekery.
Batardife , ( f ) Onegtheid.
Bacé, ée (adj.) Un ane bâté, een
gezadelde' j lajldragende Ezel.
Batea'j , (m) Bateau marchand ,
de pêcheur, à eau, à rames, een
rmrkt- vijfchers- water- of roei-fcbuit,
Eatèlage, (m) Schutte -vragt- of
huur ; poetzemaakery ( f }.
Eatelée , ( f ) Een Sehutts-laJÎ.
Bateler , (v. a.) l^àn een groot in
f en klein Vaartuig laaden.
Batelet, (m) Schuitje (n).
Bateleur, eufe (m. & f.) Klugt-
Jpeelder , hans-wo'jl > poetzen-maa-
ker ; klugt-fpeeldjler.
Batelier, (m) Schipper, Schuite-
t'oerder.
Eatême. &c. (^'e Baptême , enz.)
Bâter, (V. a.) Zadelen , {van Laji-
heejîen gezegd).
Bâti , ie (adj.) Gebouwd.
Bûtier , (ro) Draag-zadelmaaker.
Batifoler, (v^n.^Stoeijen , malien ,
(geni. tv.)
Bâtiment, (m) Een Schip-, eenGe-
howw (n).
Bâtir , (v. a.) Bouwen-^ bâtir à
chanv: & à ciment , met kalken tras
louiven; bâtir en l'air, bâtir des
châteaux en Efvagne, kajleelen in
del"chtkouiven (fpr. u>^) un homme
bien ou mal bâti , een loel of kwa-
lyk gemaakt man ; nous foromes
ainfi bâti^ , ivy zyn niet anders.
BatifTe , (f) De bouwing (f) , het
houiveri (n).
Batifleur,. (m) Bouwer , tiefbehher
lan bouwen.
Eatifte , (f) Kamerdoek (n).
Eatiture d'airain , ( f) Splinters
X'on koper.
BAT.
Bâton , (m) Stok rfîaf; bâton d*
jauge , peil- of roeiftok ; bâton de Ja-
cob , ou rayon aftronomique >
graad-boog; bâton de cire d'Efpa-
gne , een Jljkje , een pyp lak ; bâtoil
de chdiiî'e , fport van een ftoel ; bâ->
ton de vieillefiTe , fiaf des ouder-
doms; le bâton haut ou le bâton à
la main, met magt , nadruk; je fuis
alTuré de mon bâtoj;i , ik heb myne
zaak vajï {fpr. vu.) dormir à bâtons
rompus i ot2geruJî faapen ; le tour
de bâton, by vallet je , buitenkansje.
Batonné , ée (adj.) Geslaagen.
Bâtonnée d'eau, (f) Een water-
f lag met de pomp.
Bâtonner , (v. a.) Bâtonner un
article , Je pen door een artikel haa-
ien.
Bâtonnet , (m) Klein fiokje om me-
de tefpeelen (n).
Batonnier, (m) Staf dr aager, aan-
voerder.
Batrachite, (f) Steen die in het
lighaam der Kikvorfchen gevonden
word (m).
Batrachomyomachie , (f) Stryd
tuffchen de Kikvorfchen en de Rotten
(m).
Battage ^ (m) Het breeken der klui-
ten in een akker (n).
Battant , ante (adj.) Kloppende %
fovtir tambour battant , met slaande
trom uittrekken.
Battant , (m) Kleepelvan een klok-,
helft van een vouw-deur of vengper ;
klopper van een deur.
Battant l'œil , (m) Zeker kapfel
der Juffers {Î). ■'■
Batte , (f) Straatmaakers fïam-
per (in).
Batte à beurre ,(f )A'ar«^^o^(m).
Battée , ( f ) Een laag papier , zoo
veel als een Boekbinder o^ eene reis
klopt.
Battement , ( m) de cœur 9 batt^[
klopping.
Batterie, (f) Vechtery, gefchut'
wal , (battery); batterie de cuifine ^
keuken-gereedfchap.
Batteur, (m) Een die Slaat ,Slaa'
ger; batteur de pavé, de chemin y
Ledig-ganger 9 Straat-slyper ; bat-
teurs en grange, JDcrf chers -, bat-
teurs
BAT. BAV.
- leurs d'eftriide , 6ttoopers , Fry.
butter s.
Battoir, (m) Beuker y beukhamer^
klopper j boute ^legge j Bal - palbt
of raket.
Battologie , ( f ) Overtollige , onnoo-
dige herhaaling van woorden , ( in
Spraakk.)
Battre , (v. a. & n.) Slaan , kloppen ;
dorfchen ; battre quelcun dos &c
ventre, iemand ter deegen afrojfen;
battre le beurre, booter karnen -,
battre une Ville , eene Stad b'efchie-
ten ; battre la campagne , battre
bien du païs , heromzwerven , item
van zyn oogwit afgaan-, (fpr, w.)
battre Ie payé , Jiraatslypen ; battre
le tambour , Ia caifîe , de trommel
roeren-, battre Teftrade , ou Ia cam-
pagne , op kondfchap uitgaan; battre
la diane, de reveille y/^a» > battre
l'eau , hooi dorfchen-, verge effchen ar-
beid doen; Ie cœur me bat, het
bart klopt my ; Cheval qui bat à
la main , Paerd dat met de kop rukt ,
battre des mains , met de banden
klappen ; il ne bat plus que-d'une
aile ) het wil met hem niet meer
tukken; fe battre j s'entre battre j
malkanderen Jlaan , vegten.
Battu, ue (adj.) Gejlaagen; battu
du vent , door den wind geteijîerd, a-
voir les oreiiles battues de quel-
que chofe ,ifts zonder ophouden h oo-
ren; autant; vaut bien battu, que
naal battu , een klap min of meer komt
'er met op aan ; c4iemin battu , ge-
baende of bet reed en lueg ; du ba ecu
OU de rbr, de l'argent battu ^blad-
goud , blad- zilver ; Ie battu paye
l'amende , .d'onnozele moeten het ge-
lai^ betaalen.
Battue , ( f) Het kloppen der hos-
Çchen (Jagers w.); vifch-leeger ; Jfuk
afgefcheurd goud (n).
Battures, (f. pi.) JHet dorfchen y
dorfchloon (n) j brandingen tn zee.
Bau , baux , (ra) Verdek - balk in
f en Schip; bau de lof, voorjfe balk,
bau de dalle , hek- of agterjl e-balk;
faux baux, lajl-balken (zee-w.).
Bavard , arde faaj & fubft.) Snap^
pende ; fnapper ; fnapfler.
Bavarder , (v. n.) Klappenyfnappen,
BAÜ.BAY.BAZ.BE.BEA 6g
B.varderie, (f) lede> gefnap y ge*
klap (i>).
Bavardin , ine (m.. & f.) Eer. die
veel fnaps heeft.
Baubi, (m) Engetfche IVind-hondy
die op hetfpooroefadig blaft.
Baudj (m) fyind-hond van Barba-
ryetï.
Baudes, (f. p^l.) Zinkfieenen voov"
netten.
Baudet, (m) Ezel; plompert , bot-
muil • fchraag om op te zaagcn ;
bangkooi op een Schip.
Baudouinage, (m) Befpringing der
Bdudrier y (m) Leedere riem waar-
in den deegen hangt.
Baudruche ,(f Bereidde Offendarm
voor Goudflaai^ers m).
Baudufle , ( f)^Draai-tol (m).
Bave , (f ) Kwyl, zever (n).
Baver, (v- n.) Kwylen, zeveren.
Bavette ,,T) Kwyi-doek.Jïabbe (m).
Baveur, eufe (ra. & f.j Kwylder-,
kwyljler.
Baveufe , ( f) Kwab , {zekere Vifcb.)
Baveux, eufe (adj.) Kwyl-achtig^
zeverend.
Bauge , (f) RuJJplaats voor een
wild Zwyn ( f) ; gehakt Jiroo en leem
onder een gemengd , om meê tepleijU-
ren (n).
à Bauge , (adv.) Avoir tout à
bange , alles in overvloed hebben.
Baume , (m) Bnlzem ; balzem-boom,
Bauraier, (mj Balzem-hoom.
Bavoche , (f)'Slegte aft e eken ing,
Bavoché, (adj.) S legt afget eekend.
Bavocher, (v. a.) Slegt drukken,
Jlegt afteekenen.
Bavocbure , ( f) Slegte affchetzing,
Bavolet, {m)Hulzel der j ange boe.,
rinnen omtrent Parys (n).
Baux, (m. pi.) {Zie Bail).
' Bau X , (m. pi .) Verdek-balken , knie-
jukken in Scheepen.
Baye , ( f) {Zie Baie).
Bayer, (v.n.) Qaapen; bayer aux
corneiIIes,yîaa« gaapen, (fpr. w.)
Bayeur, eufe (m. & f.) Gaaper-,
gaapfler.
Bayonnette, (f) (Baïonnette is
beter) Bajonnetl, die men »p een fnap^
haan zet,
E 3 Bi'.
*fO BEA.
Bazoche ou Bafoche, (f) Onder
Gerechtshof in Parys(n)i een kwmk-
Jlaa, flreek(m).
Bé , (m) Het blaeten der Schaapet2(n)
Béant , ante {Ad].} G japende ; bdu-
che béante, met openen monde.
Béat , ace (m. & f.) i^en gewaan-
de gelukzalige.
Béarification, (f) Inw y ing onder
hit getal der heiligen.
Béatifié, ée (adj.) Hetltg of geluk-
zalig verklaard.
Bcatifier, (v. a.) Gelukzalig ver-
klaart'v. , ^. ,, -c
Eéatifiaue, (adj.) Vifion beatifi-
qiie, het gelukzalig aanjchouwpn.
Eéatilles, (f. pi) yiUerbande lek-
hernyen die men in paf.eyen daè^.
Béatitude , ( f) Gelukzaligheid.
Beau, bel, belle, (adj.; Schoon,
fraai., mooi., aartig ; beau temps,
J7J0O» If m- -, le beau monde, le grand
monde , ^f' grooten; un bel hom-
me, une belle femroe, een fcboon
tnan , eene fchoone vrouzv ; le beau
fexe , de vrouifelyke kunne; ce n'eft
pas du beau fiy lé , dat is niet fraay
(elegant); trahir fous un beau fem-
blanc d'amitié , ondcr denfchynyp.n
Hjriendfchap verraaden ; beau jeu,
beau retour , daar mm mei uitmeet^
vjord men meê ingemeeten (/pr.if.);beau
début , een mooi begin-, cheval qui
portp en beau lieu , een paerd dct
zyn baofd %tel houd) faire beau, ou
faire beau temps, moci xveér zyn;
avoir beaa faire , te vcrgeeffJ) ur-
heiden , doen; vous avez beau di-
re, il n'en fera rien , al zegd gy
fiog zoo veel, hy zal het niet doen-,
manquer, échaper belle, gelukkig
'ten gevaar ontfnappen-, une belle,
een fchoon vrouw s-perznon ; tout beau,
tout beau , {jsÀv:)zachtjeyis ; voila qui
€ftbeau,d^^ is fraai', il fait beau fe
promener, bet is mooi om te wan-
dalen. ■
' ' Beau, (m) Het fchoone, het mooye,
hei fraay e {w) .
Leai»coup„ (adv.) Feel ; zeer; de
beaucoup 5 veel meer; il .«'en faut
'beaucoup,' het fcheeld veel; il efl
i>las fiivar^t de baiicoup, hy is veel
geleerder; il n'efl: pas à beaucoup
près fi beau que . . . hy is in vtf
re na zco fraoi Kki aîs . . »
BEA. BEC. BED. BEE. &c.
Beau-fils, (m) Schoon-zoon.
Beau-frere y (m) Schoon-broedsr >
Zwaager,
Beauge, (f) (Zie Bauge).
Be.-iu-pere , (m) Schoon-niader %
Stiefvader.
Beau-pré , (m) Boegfpriet) voile
de beau-pré , fpriet-zeil.
Beau-revoir, (m) Het bygen van
een IVindhond op het fpoor (n).
Beauté , ( f ) Schoonheid , fraaiheid.
Bec, (m) Bek , fnavel ; fnuit (m) 5 >
tuitje van een lamp {xi); mauvais
bec , kwaade bek ; mo^n pauvre pe-
tit bec, myn liefbekj*; bec de cor-
bin , trekker of nyper { in heelk .) ;
naad-haakje {in Scheepsh.); bec d'a-
ne , kromme Jchiet-beitel ; fny-bunk ;
bec de canne, kan beitel; tangetje
.om koogels uit wonden te trekken ; te-
nir le bec en l'eau à quelcun , ie-
mand met iedele hoop ophouden ; bec
aifilé, gladde bek; bec de lièvre,
haazen - moud ; coup de bec, eett
fnaauw , Jieek ; bec de plume, pen-
nen fnavel; bec cornu, een dwaas;
b;c jaune , geele fnavel; jong oner-
vaaren leetUng; palier à quelcun la
plume par le bec, iemand voor het
lapje houden , wat om den mond fmee-
ren; il a bec & ongle, hy heeft hair
op zyn tanden, {fpr. w.)
Becafigue , (m) Een Vyg-eiter ^
groentje {zeker l-^oogel).
BecafTe , (f ) Sn.ppe (m).
Eecaireau , (m) Jonge Snip.
B-.calTme , ( f) Kleine Snip (m).
Beccard, (f) Het wyfje van e.
Zalm (n).
Béche, (f) Spade,fchop{m).
Eéchée , ( f) Een fcbop vol.
Bêcher, (v. a.) Spaayen, fpitten.
Béchu OU beccu, {àd].) Cebtki ,
gpfnaaveld.
Becune , ( f ) Soort van Zwaardvis.
Bedaine, (f) Dikke pens, hang-
buik; e^n kaogel (m).
B-ïdeau, (ra) Pedel, StafSraager
op booge Schooien , Kerk-dienaar,
B-deiin, (m) Boom-wolle.
Bndon , (m) Kleine trom, hy een
fluitje gebnf.kt ; dikpens.
Bée,(3Gj.)Horte ouverte àgucu-
1 1 e bé e , deur die wagen wyd open fi<^i' - »
Béer. {Zie B'iyei). .
BEG. BEI. BEL.
Beffroi , (m) Klok-huis (n) ; fVacht-
ef klokken-tooren ; alarm-klok.
Bégaiement, (m) Stamtling (f).
Bégayer, (v. a.) i>tameren , jia-
, meten.
Bègue, uë (adj.) Cheval bégu,
Paerddat van bet 5 de jaar af teckend.
Bègue, (adj.&fubit.) Stameleùd;
Jlamelaar.
Bégueule ,( f ) Zottinne, gaapjiok.
Béguin , (m) Kinder-muts ( f;.
Béguine, (f) Nonne; fchynheilige.
Béjaune, (m) Jonge (^alk -, plomp-
heid , bottigbeid ( f ).
Beignet , (m) Pannekoek , zujler
(m) , {zeker gebak). {Zie Bîgnet).
Belamie, {£) Monnikken-rok (m).
Bélandre, (m) Waartuig (n) aldus
genaamd.
Bêlant, ante (adj.) Blaetende.
Belchite, (adj.) Laine belchite,
wol van Schaapen , door een fpaanfcbe
ram geteeld.
Beiedin , (m) Gefponnene boom-wol-
te{f).
Bêlement , (m) Blaeting ( f).
Bêler, (v. n.) Blaeten..
Belette , ( f ) Een ti^ezettje (n).
' Belgicisme , (m) Nederlandjcbe
fpreekwyze (f).
Belgique, (adj.) Language belgi-
que , mdetduitjchefpraak.
Belier , (m) Een Ram (ra) 5 bet He-
meh-teken Aries (n).
Beliere , ( f) Kleepel-ring ; Kerk-
kroon-ring.
Belitr* , (m) Guit , fielt.
BelliUre , (adj.) Scboonasbtig. .
Belle-fiUe , (f) Schoondochtcr.l
Bellement , ( adv. ) Langzaam
(gem. iv.) marcher tont bellement,
beel zachtjes gaan.
Belle-mere , (f) Scboon-moeder.
Beile-fœur , ( f) Halve zujier ;
broeders-vrouw.
Belligérant, ante (adj.) Les par-
ties belligérances, t/l? oor/og voerettde
partyen.
Belliqueux , eafe (adj .) Strydbaar,
dapper.
Eelliffime, (adj.) Alkrfcboonjl
{gem, iv.)
Bellone, (f) Krygsgodimjs.
Bellot , Qttç (adj.) M^nigzints
fsboQfi*
BEL. BEN. BEQ. 71
1 Eélomancie , (fj ü^aarzeggtng
I door pylcn.
j Beloufe , (f) Balzakje aan êen
t ruk taf el (n).
Beloufer , (v. a.) In den balzak
floot en.
Se Beloufer, (v. r.) Zig bedriegen.
Belveder ou belvedère , (m) />«/ƒ-
plaats met eenjcboon gezicbt { f).
Bénfdicité, (m) Gebed voor den
eet en (n).
Bénédiéke, (m) Zacbte purgatie
(f).
Bénédiftin, ine (m. & f.) Bene-
diSiner Monnik; Nonne,
Bénédittion, (f) Zegening; don-
ner la bénédiaion à quelcun , ie-
mand den zegen geeven,
Bénédiaionnaire , (f) Een boek
r.iet lofzangen»
Bénéfice, (f) Nut , voordeel ; Ker^
kelyk ampt (n) ; bénéfice d'inven-
taire , beneficie van inventaris , {ze-
ker voorregt om een botdel te mogen
aanvaarden , zonder in de fcbulden
daar van gebonden te zyn).
Bénéficiaire , (adj.) Erfgenaam on'
der beneficie van inventaris.
Bénéficiai , aie (adj.) Dctt tot een
geejielyk ampt beboord.
Bénéficier , (m) Geejielyk Ampte*
naar,
Bénêt, (m. & adj.) Een Slegt-
hoofd. Jan Sul.
Èénévole , {adj.) Genegen, gunjlig,
Bénignement, (adv.) Gunpglyk.
Bénignité , ( f ) Toegenegenheid.
Bénin, bénigne, (adj.) Gunjlig,
toegenegen.
Béni, ie (adj.) Gezegend.
Bénir, (v.a.) Zegenen; bénir une
Eglife , eene Kerk inzvyden.
Bénic, ite (adj.) Gezegend, gewyd ;
eau bénite , wy-water.
Bénitier, (m) WywJiter-vat.
Béquée , ( f) Een bek vol; donner
la béquée à un oifeau, een voget
aazen.
Béqué, ée (adj.) Met een fnavel^
{in JVapenk.)
Béqueter, (v, a.) Pikken.
Béquillard, (m) Een die mei eei»
kruk gaat.
Béquille , ( f) Kruk (m) , bouten-
been (n).
E 4 Bé^
7^ BER.
Béquiller , (v. n.) Met kruiken
gaan (fchimpiv).
Béquiller, (v.a.) Een tuin-bed ligt
omj'pitten,
Béquillon , (m) Kleine fpitze aan
bloem-bladeren j }onge Kalken fnavel.
Bercail, (m) Schaaps - kooi y ttem
kerk.gemeente { f).
Berce , (f) Beerenklauiv , {zeker
kruid).
Berce, (m) Roodborjlje, (zeker vo-
geltje (n).
Berceau , (m) If^ieg ( f ) j gallery ,
wandel-laan in een tuin} dès le ber-
ceau , van kindsheid af ; étouffer
dans ie berceau , in de wieg fmoo-
^ret3;en berceau, boogs-ivyze.
BercelJes, (f. pl.> Emaljeer tan-
^S^fi^ y (Py Goudfm.)
Bercer, (v. a.) IViegeit ; iemand
ephouden-, fe bercer de chimères,
zig met herjfenfchimmen ophouden.
Eerche, (f) Een Draai-bas , (ze-
ker Gefchut).
Bergame, (f) Bergaamfcb Tapyt.
Bergamotce, (ï) Bergamot (een
Peer) y bergamot-olie (m).
Berge , (f) Steile waterkant ybers-
je (vaartuig).
Berger, ere (ra. & f.) Herder,
herdertn j minnaar ; minnaares.
Bergerette , (f) Een Joort van
dunne wyn.
Bergerie, (f) Scbaaps-kooi (f)-,
fermer Ie loup dans la bergerie,
de wolf by de fchaapen 'vertrouwen j
(dat is), een wond h^ekn eer ze gezui-
Vfrdis; hergeriQ , gemeente ^ 'kudde.
Bergeries , (f. çh) Herders-dif.hten.
Bergeronnette , ( f) Een Kwik-
jiaert , (zeker vogeltje).
Bergerot, otte (m.&f.) Herdert-
je, herderinnetje (n).
Berline , (O ^eker rytuig^van
£prlyn gekoomen , aldus genaamd (n).
Berlingot , (m) Soort van berlyn.
Berlue , ( f) Oogenfchemering j avoir
la berlue , ^ar^blind zyn-p onagtzaam
zy»,
Berme , ( f) Een berm , voet van
de wal.
Bernable, (adj.) Die verdiend be-
fpot te worden.
Bernardin , ine (m, & f.) Ber-
tardiwr Monnik; Nonne, *
BER. BES. BET.
Berne, (f) Opwipping in een de-
ken; mettre le pavillon en berne >
de vlag in een tfjouvn opjieeken.
Berneraent , (m) Opwerpmg ; fop-
ping, hoon.
Berner , (v. a.) In eene deken op^
gooijen; bejpotten.
Bernicle , ( gem. w. beteekenende
rien) , niets.
Berniquet, (m) Envoyer quelcun
au berniquet , iemand te gronde doen
gaan, (gem. w.)
Béryl , (m) Beril peen, .
Beface, (f) Knap~zak , hedel-zak;
être reduit à la beface, tot den be-
del zak y tot armoede gebragt zyn.
Eefacier , (va) Bedelaar , (fpotw. )
Befaiguë ou befiguè' , ( f) Steek-
byl; [^laazenmaakers hamer (va).
Beficles, (f. pi.; Een bril; met-
tez vos beficles , doed uwe oogt»
klaar open.
Eesnarde, (f) Slot dat van bui-
ten en bintten open en Poe gedaan
werd (n).
Befoche, (f) Eene fpaade.
Befogne, (f) fVerk (n) ,bezrgheid
(f) ; achever fa befogne ,_zy« werk
afdoen ; beaucoup de bruit & peu
de befogne, veel gefchreeuw én wei-
nig wol, veel praat en weinig werk y
tailler de la befogne à quelcun ,
iemand moeite verfchaffm ; aimer
fort la befogne faite , veel van ge-
daan werk houden; avoir de la be-
fogne , werk hebben ; befogne em-
brasante, moeielyk werk.
Befoin, (m) Nooddruft, noodwen-
digheid ; avoir befcin d'argent,
geld noodig hebben ; il eu. befoin > het
is noodig ; connoître fes amis aii
befoin , zyne vrienden in den nood
kennen.
Beflbn , enne (adj. & fubft.) Twee-
ling, (oud w.)
Beftial, aie (adj.) Beejïelyk, beejl-
agtig.
Bellialement , (advO Beejlagtiglyk.
Beftialité , (f) BeeJJagtigheid , on-
natuurlykbeid.
Befliaux, (m. pi.) Hoorn-vee (n),
Runderen.
Befliole, (f) Diertje, beefije (n).
Be^lion , (m) Leeuw > fnavel aan
*t gêljQm van ee» Sóhip, ^
BZ-
pET.BEÜ.BEV.BEY.&c.
Bétail , (n') Ht( Fee (n).
Béte, (f) Etn beeii-y béte à cor-
nes, hoorn- beej}; béte de fomme ,
Iajl-Jier\ béte fauvage, wild dier y
remüi.cer fur fa béte , zyn fchade
weer inhalen ; béte , etn- tee,i . gek ;
zottin; faite ja 'éce , den bce:'- pee-
In. , hét ' épaulée , een ongetrouivd
bei'w >yige-J meisje ; c'elh i nc bonne
bete , dat is een doortrapu knaap.
Bécel, (m) Zekere plant die d' In-
dianen geduurig kauwûn,
Bécile, (m) Plompheid, domheid.
Betoine , (f) Betonie , {zeker
kruid).
Becte, (f) Beet (eeu kruid).
Betterave , ( f) Beet-%uortel , kroot >
Tiez, de betterave > kroot-mus.
Beuglement , (m) Loeijing ( f) ,
gebulk (n) , -jan Rundvee.
Beugler^ (v. n.) Loeijen, bulken.
Beurre, (ra) Boter (f) du beur-
re frais, de mai, fort, fondu,
verfche ^gras ^Jierke, gefmoltene boter.
Beurré , (m) Zekere franfche peer
vQn een aangenaame fmaak.
Beurré, ée (adj.) Geboterd.
Beurrée , ( f ) Een boter-ham.
Beurrer , (v. a.) Boteren , Jlooven ,
Jmeeren met boter»
Beurrier, iere {m. & f.) Boter-
verkooper-, verkoopjïer.
Beurriere , (m) Boter-pot (m)^
Bévue, (f) Misfla^ , feil (m).
Bey , (m) Turkjch "woord , beteeke-
ner.de Heer , Stad- of Landvoogd.
Bezan , (m) Goude of zilvere pen-
'ving in een l^^apenfchild.
Bezoart ,(m) Bezoar-JJeen , croeien-
de in de maag van zekere dieren.
Bia , (m) Schelp, voor geld dienen-
de in Indien.
Biais ,(ra) Schuinte , dwarsheid (f);
je m'y prendrai d'un autre biais,
ik zil het anders aangrypeny met-
tre une chofe de biais, iets fchuins
aanli'ggen ; je ne vois qu'un biais
pou/ y réunîr,;it zie maar een mid-
del om 'er in te Jlaagen; vous avez
pris le bon biais, gy hebt het rég-
ie middel aangevat.
De biais, (adv.) Schuins, dwars.
Biaifement, (ra) Wyffeling , draai-
ji»gi helling van een Schip (f),
BIA. BIB. BIC. BID BIE. 75
Biaifer , (v. n. & di.) Schuins gaan{;
wyffelen , niet vaji in zyne fc7;oenen
Jlaan.
Biaris , (m) IValvifch met tanden.
Biberon , onne (ra. & f.) Dronk'
aard; zuipjler.
Bible , ( f) Bybel (mT, het oude en
nieuwe Verbond, of Tejiament (n).
Bibliographe , (ra) Kenner der
oude fchrijttn.
Bibliographie , (f) Kennis van
oude Schriften; konjï om naamlyfien
van boekeryën op te fielten.
Bibliographique , (adj.) Schrift^
kundig.
Bibliomane, (m) Een groote lief-
hebber vcia boeken.
Bibliomanie, (f) -Zucht, luji top
boeken.
Bibliophile , (m) Boek-beminnaar.
Bibliothécaire, (m; Boek bewaar^
der.
Bibliothèque , l f) Boeker y è', zaai
die vol boekn ts.
Bibus, un Pcëte de bibus , een
kreupele , armhar tige Poëet , (ironie).
Biceps, (f) Elleboog fpieren, {in
Omleecik).
Biche, (f) Hinde, 't wyfje van
een Hert.
Bichenage öu bichetage , (m)
Markt^geld van koorn.
Bichet , (m) hen f chef el in Bout'
goniën, {zekere kocrn-maat).
Bichon, onne (m. & f.) Schoot-
hondje , Jpaans-hondj e (n).
Bicoq , (m) De ^de voet onder een
Timmermans bok , waar mede zwaare
lajfen opgetild worden.
Bicoque, (f) Klem JJeedje (n),
of wooning ( f).
Bicqueter , (v. n.) Jonge werpen^
(van Geiten gezegd).
Bicornis , (m) Spier in de hand.
Bidet , {m) Klepper (ra)- Tslandfck
Paerdje (n).
Bidon , (ra) Houte bier-hut of flap
voor een bak , (fcheepsw.)
Bien , (ra) Goed , erfgoed (n) j Ie
fouverain bien, het opperjïe good^
biens meubles & immeubles, roe-
rende en onroerende goederen ; Ie bien
public, het gemeene beft; faire da
bien , goed doen; ne parier de per-
^ 5 fonact
74 BIE.
foiine'ni en bien, ni en mal^rncb
^oed ncch quaad van iemand fpree-
ken; gens de bien , vroome lieden ^
nul bien fans peine , geen roos zon-
der doornen', les biens de la terre,
bet veldgewas 'y biens d'Eglifej^É'^f-
telyke goedeiren ; bien vous faflTe , ivel
moet hst u bekoonipn.
'&ien, {a,àw.)lVel^goed;zecr;hitn
autrement , gant/eh anders -, eh bien i
«•■?/ aanl fort bien , zeer wel} aufll
bien que vous, 200 wel als ^yjaufli
grand que lui , zoo groo al s by;eh
bien que cela foit , wel laat dat
2>«j quand on eft bien on s'y doit
tenir » daar men wel is moet men
blyven.
Bien aîmé, ée (adj.) Welbemind.
Bien-dire, (ra) ff^elbefpraakibeid ,
welfprekendbeid ■( f).
Bien-être , (ra) IVelJland.
Bïenfafteur, bienfadrice , (m. &
f.) Weldoeuder ; weldoenjlcr.
BienfaiTance , ( f) WeLioemng.
Bienfaifant , ante (adj,) Wel-
doende.
Bienfait, te (adj.) Welgemaakt.
Bienfait, (m) Weldaad.
Bienfaiteur. (-^/VBientafteur).
Bienheureux , euie (adj.) Welge-
lukzalig.
Bienheureux , (m) Een gelukza-
Bien-Ioin , rconj.) bien-loin de
Ie croire , wel verre van b^t te ge-
loù-jeij. ,
BiendÇe, (conj.) bien que l'on
me dire , j'cboon men my z/gge.
^-Bl^ienféamment , (advO Weljiaan-
/delyk.
J Bignféance , (f) Gevoeglykheid',]a.
^~\bienféance demande cela , de be-
faamelykbeid vorderd zulks.
/ Bjenféant ,ante (adj.) Weljlaande.
\ Bien-tenant ,ajite (m. &f. )£■«?« ^/^
een anders goed bezit.
/^ (Bientôt, (adv.) Haajl , ras.
, [Bienveillance, (f) Genegevbeid y
gifnjl. ^ /
' Bienveillant , ante (adj.) /GÉ';2^_^f«.
(Bienvenue , ( f) Welkomp.
ƒ Bienvenu , ue (adj.) Soyez le
lîenvenu , zyt weÙekoom.] f
kBierre , (f) Bier (n) j J^ood-haar;
■'d-kiji.
Hcyre , (m) Een bever , ayloor.
BIF. BIG. BLJ.
Biez , (m) Water-leiding na een
moolen.
Biffé , ée (adj.) Doorfcbrapt.
Biffer , (y. a.) Doorfcbrappen.
Biffurcation , ( f) Plaats daar een
tak zig in tweè'n verfpreid.
Bigame , (m) Een die twee vrou-
wen ïe gelyk heeft , of voor de twee"
de maal trouwd.
Bigamie , ( f ) Huwelyk met twee
vrouwen te gelyk (n).
Bigarade, (f) Groot e citroen (tn).
Bigarré, ée (adj.) Bont ^ gefprik-
keld', compagnie bigarrée, gezel-
fcbap van allerlei onvoeglyke men-
fchen.
Bigarreau > ( m ) Spaanfcbe Kers,
Bigarrer, (v. a.) BefpikkeleUfbonP
maaken.
Bigarrure, (f) Bont-werk ^ bont-
fcbilder-werk \n) ; la bigarrure de
ce chapitre vous plaira , de veran-
dering in dit hoofdjiuk te vinden zal u
bekaagen.
Bigle , fadj. & fubfl.) Scheel; een
fcheele ; een Engelfche Jagt-hond om
Haazen en Konynen te vangen.
Bigler, (v, n.) Scheel zten.
Bigne , ( f) Buil (ra) , bultje (n).
Bignet, (m) Pannekoek,
Bigorne, (f) Een Smids fpeer-
baak (m)> aambeeld met twee arvien
(n).
Bigorneau , (m) Kleine fpeer-haak»
Bigorner ,(v.a.) /(?;5 op een f peer- .,
haak ronden , omklappen. >
Bigot , te ('tdi. <Sc fubfi.) Schy>i-
heilig, hy gelovig; eên fcbynbeilige ;
een kiveezel.
Bigot , (m) Een Slee , (zeker hout
met gaten om touwen door te Jïeekai^
dienende tot het rak ep een Schip).
Bigotelle ou bigotere , (f ) üTw^--
V el-band y knevft-bqrjîel (m).
Bigoter , (v. a.) Den huichelaar
Jpeeleiif (ger/t, w.)
Bigotene , (f) Huichelarye.
Bigotisrae, (m) By^eloof{ïi).
Bigue, (f) Geinbaik om een Schip
te kielen (m).
Biguer, (v. a.) Tuifcben, verruilen,
Bigues, (f. pi.) Stutten , gebruikt
in 't kielt n.
Bi jon, (m) Zekere foort van Ter-
pent y n.
Bijou j
A
BTJ. BIL.
Bijou , (m) Juiveel (i ïf , kleinodie ,
'fraaiheid (f).
Bijoutier . {m) Juwelier , Koopman
iujuweelen ; verzaamelaar vanpaai-
heden.
Bil, (m) Bil, ylUe in Engeland.
Bilan * (m) Staat eens Koopmans
van onpfang jen uitgaaf ^ balance.
Bilboquet, (m) l^angctfje (n) {kin-
der fpeeituiz)} een verguld quaji.
Bile , {^) De gal ; granfchap j mo-
dérer la bile , de gal matigen; bile
noire, zzvarte gal.
Biliaire , (adj.) Vaifleaux biliai-
res , gal vaatjes (in Ontleed-k.)
Bilieux, eufe (adj.) Galagtig ',nn
bilieux , een oploopend menfch.
Billard, (m) Truktafel (i); truk-
fpel (n); trukjlok (m).
Billarder, (v. n.) Z^yn trukbal twee
maal aanjiooten.
Bille, (f) Trukbal ', palfjiok i bind
knuppel voor f^oerlieden {va); beloü-
fer une bille, é-f» bal inde zak fpee-
len j doubler la bille , de bal vol
aanjiooten; faire fauter la bille, de
bal- u itfootefi.
Billebarrer , (v. a.) Een kleed ka-
kelbont maaken, {gem. w.)
Billebaude, (f) IVan-orden; à Ia
billebaude,m verwerring , (gem.w.)
Biller , (v. a.) Met een Jiok pak-
ken; trek-paerden de lyn aatifaan.
Billet, (m) Ceeltje, briefje, hand-
fchrift y Soldaaten quartier biljet {n);
ËiacMüt {Î); billet de fanté , ge-
zondheids pas ; billet doux, minne-
brief; je lui ai pr^té cinq cent
francs , dont il ra'a fait fon billet,
ik beb hem vyf honderd guldens ge-
leend, waar van hy my een briefje on-
der de hand gege even heeft; billet de
Loterie, de ^change, een Lotery-
een 'iv:Jfel -brief je; billet blanc, een
niet ; tirer au billet , looten ; billet
pour entrer dans la Comédie ,/oof-
je om in de Schouwburg te gaan.
. Billeté,tée (adj.) Gemerkt, ge-
nommerd; met blokjes bezaaid y {in
U^apeuk.)
Billeter, (m) Merker der waa-
ren.
Billette,(f) Teeken aan een Tol-
^is tot waarfibouwiifg dat men daar
BIL.BIM.BIN.BIO.&c. 75.
vertollen moet ; zilver vierkant blok-
je , {in If^apehk.) (n).
Billevcfée, {ï) Zotte inbeelding ^
inval , iedele waan.
B'üloïï , {m) l^ervalfcht , qtiaad f of
afgezet geld (n).
Billonnage , (ra) Kwaad, bedreeven
met het opwijjelen van ongangbaar
geld (n).
Billonner, (7. a.) Ongangbaar
geld opwiffelen en uiigeeven ; Jlegte
munt Jlaan.
Billonneur , {va) Uitgeever van
jlegte munt { f).
Billot , ( ni ) Een blok ; blok val;
fJult-Jlukje (in Scheeps-b.) ; billot de
nrieia! , mctaale klomp.
Bimauve,(f) Soort van zigtmaar-
kruid {in Kruidk.).
Eimbelot , (m) Kinder fpeelgoed (n).
Bimbelotier, (m) Poppegced-maa*
ker.
Binaire, (adj.) Tweevoudig ; nom'
bre binaire, tweeleedig getal; me-
fure binaire, zang-maat die in twee
tyden gejlaagen word.
Binard , (m) Een ivagen met vier
wielen , dienende tot het vervoeren
van zwaar e lajïen.
Biné , ée (adj ) f^oor de tweede
maal omgefpit.
Binément, (m) Tweede omfpittine
(f).
Biner , (v. a.) Een ^4kker voor de
tweede maal omfpitten; twee nuffen
op een dag doen.
Binet , (m) Eenprofytertje , om end-
jes kaars op te zetten ; een endje kaars
Bini, (m) Monnik die eenen meede-
broeder moet verzeilen.
Binocle, {m) ^errekyker voor beide
de oogen.
Binoculaire , (adj.) Aftroscope
binoculaire , dubbelde i^errekyker
voor de S terrekykers.
Biographe , (m) Levens-b efcbry
ver , {zelden gebruikt)
Bipédai, aie (adj.) Dcit twee voc5
lang is.
Bipède, (adj ) Twee-veetig.
Bipenne , ( f; jimazoonfche firyd^
byl (ra).
Biq,ue , (f) Een Geit {beter Cheyre),
75 BIQ. BIR. BIS.
Biquet , (rn) Een goud-fchaaltje (r).
Biqueter, [w.zl..) Daormeede wee-
gen.
Bi ramb rot , (m) {hoUandfcb w.)
Bie'T en brood (n).
Bire , ( f) Soort van Fifch-fuik.
Birette , (f) Muts die de jonge Je-
fui ten draagen.
Birloir ,(m) Iets dat bet dekzelvan
een kijl , open zyniie , ophoud.
Bis, ife (ady) Bruin, zivart; pain
bis , zwart , of roggen - brood.
Bis, (m) Repeteer-teeken , (in Mu-
ziek).
Bi Page , (m) Verver-jiting ( f) .
Bifaïeul, (m) Qver-groot-vader.
Bifaïeule , ( f) Ov er-groot-moeder.
Bisbille -, ( f; Twiji , kyffagie ,
{gem. w.).
Bis-blanc, (adj.) Da pain bis-
blanc , brood van fyn en grof meel.
Biscapit j(cn) (inRentek,) Een zaak
Z maal in tekening gebragt..
Biscornu, ue (adj.) Bacimentbis-
cornn , mismaakt geboutv ; du pain
biscornu , fcheef gebakken brood.
Biscocin, (ra) Zuiker-knekje.
Biscuit , (m) Tweebak , befchuit ;
valfche verf; s'embarquer fans bis-
cuit , zonder noodige middelen iets on-
derneemen.
Bife , ( f) Noorde wind (m) ; fluk-
je brood dat men de Schoolkinderen mee
geeft (n).
Biieau, (m) Schutn gejlepen rand
van een fpiegel ; rug van een mes;
rand van een ring-kas ; Zetters fpaan
(m) ; fchaaf-yzer ; orgel-pyp-dekzel
(n)ï ^y^^ *'^'^ ^^' brood alwaar geen
korjl is.
Bifeigle, (f) Schoenmaakers Ui-
hout.
Bifer, (v. a.) Bruin worden y (van
koorn gezegd).
Bifet, imi Hout-duif, wilde duif;
^ruin brood (n).
Bifecte, (f) Geringe kant, boere
tant.
Bifeur, (m) Zwart-verwer .
Bisraut, fm) IVismutb (mineraal).
Bifon, (m) Wilde Os; buffet (in
Jf^apenk.).
Bisquains, (m) Bereidde Schaaps-
Vilten met de wol 'er op.
BIS, BIT. BIV. BI^, .
Bisque, (£) Kragtiga foppe-, 1$
voor uit in 't bal fpel,
Biffac, (m) Knap-zak, bédsLzak;
réduire au biflac, tot den bêdeUzak
bremzen.
Bilfe , ( f) Slange (m Wapenk.),
BilTêtre , (nj) Ongeluk (n) , (gem, w.)
Eiflexte , (ra) Schrikkel-dag.
Biflextil , ile (adj.) Année biflex-
tile , fchrikkel-jaar,
Biftoquet , (m) Kleine billard-Jïok,
Biftorte , ( f) .ddder-tong , ( eea
kruid).
Biftortier , (m) Houte vyzet-Jlam-
per.
Eiüouri, (m) Incijle-mes , (by
IVondh.)
Biftourner5(v. a.) Een Paerd rui-
nen, met de ballen te vtrdraaijen.
Biftre , (m) Roet-zwart , (verfjïof),
Eifulque, (adj.) Gefpleeten y (by
Natuur k.)
Bicord , (m)Schiemans gaar en van
2 draad, voor de wevelingen van een
Schip (n).
Bitte, bittes," (f) Beeting, waar
aan de kabel vajl gemaakt wqrd.
Bitter, (v. a.) Bitter un cable,
een kabel aan de beeting vajl maaken.
Bitton , (m) Beeting ( f) , kruishout
op een galey (n).
BittonnieresoaAnguilleres,(f.pl.)
Lokgaten op een Schip, waar door
het water naar de pomp geleid wórd»
Bitume , (m) Jooden-lym ( f).
• Bitumineux, eufe (adj.) Lym-
ogtig.
Bivalve, (adj.) Dat met twee klap-
deuren ; of een dubbelde fchille is.
Biventer (m) Spier der onderjie
kinnebak (f).
Biviaire, (adj.) Place biviaire,
plaats daar twee wegen t'zamen ko"
men. ^
Bi voie , ( f) Weg die zig. in tweën
verfpreid.
Bivouac. (Zie Bihouac).
Bizard , (m) Bonte verf der tulpen»
Bizarre , (adj.) Wonderlyk ,mtslyk,
eigenzinnig , koppig.
Bizarre , (m) Eigenzinnig menfch,
Bizarreni'ent , (adv.) Wonderlyk ,
gekkelyk.
Biaarrerig , ( f) Misïykbeid, eigen-'
zinnig-
BIZ. BLA.
zmnjgheïd', ccac hiftoire ne plak
que par fa bizarrerie , die gefchiede-
nis behaagd a lie f n door des zelfs Vi r-
fchcidfnbeid.
JBize {Zie Bife;.
Blafard, arde (adj.) {oud en gem.
IV.) Bleek , flets f verjcbooten.
Blaireau. {Zie Bléreau).
Blairie , ( f) Drift-geld > om op een
weide te laaten graazen.
Blâmable, (adj.) Strafbaar , b e-
rifpplyk, wraakbaar.
Blâme , (m) Lajler , fchande jfchutd
(f); encourir le blâme ,J'cbahde be-
haalen ; en porter Ie blâine , de
fchtild 'er van draagen.
Blâmer , (v. a.) Lajïeren, verwy-
ten; blâmer un compte, {in Rech-
ten) eene rekening wraaken , tegen-
fpreeken.
Bianc , blanche , (a ij.) îVit^^grys^
zuiver , da fer blanc ^blik; dU pain
blanc , ivit brood ; bierre blan-
che , wit bter i cheveux blancs,
gryi hatr-y billet blanc, een ledig
briefje ^ een niet', argent blanc , zil-
ver gelde
Blanc, (m) Het witte (n); aller
du bianc au noir, van den hak op
den tak f pr ing en {fpr. w ) j tirer au
blanc, na het wit fchieten ; blanc
d'ceuf, het wit van een ei; livre
en biznc ^ongebonden boek ; en blanc,
onbefchreeven ; dire une chofe de
bfet en blanc ,iets onbezonnen zeggen.
Blanche. {Zie Blaac).
Bianc -bec, (m) Onervaren Jonge-
Jing.
Blanchai He , {]£ ) Uitfchot van vifchy
klein grut (n).
Blanchâtre , (adj.) Witagttg.
Blanche, (f) Halve Muziek-noot.
B.'anchement, (adv.) Reinlyk, zin-
velyk in Linnengoed.
Blanclierie, (f) Linnen of wafch-
hleekery; vertin of blik-hutte.
BIanchet,(m) Jf^itte doorzy g-doek .,
Pers-doek {in de Drukkery) (m) , wit
kamizool (n).
Blancheur, (f) tVitheU.
Blanchiment , (m) Het hleeken',
Vertinnen enz. (n).
Blanchir , (v. 3.) Wttten, wit
gpaaken-, blanchir de 1'argent, zil-
BLA. BLE. 77
ver wit kooken; blanchir, (v. n.)
grys zvoriïen ; la mer blanchir (mou-
tonne) , de zee fchuimt wit; toutes
mes peines ne font que blanchir,
aile myne moeite is vrugteloos.
Blanc biffage, (m) Eleekmge (f),
wafchloon (n).
Blanchiffcrie , ( f ) Bteekery,
wafch-huis.
Blanchiffeur , eufe (ro. & f.-; Blee-
ker ; bleekjîer.
Blanc-manger , (m) Eene met zut-
ker en amandelen enz, toebereide fpy
ze , fpaanfche pap (f).
Bianc-ralTis , (ra) Pommadetuzalf
(f).
Blanc-fcellé ^{m)Een gezegeld pa*
pier in blanco (n).
Blanc-Ggné . (m) Een getekend pa"
pier in blanco (n).
Blandices , (f. pi.) Vlyery , {oudw.)
Blanque , (f) Een Lotery^-boekje
met zwarte en witte bladeren ; ha-
zard à la blanque , onbezonne onder-
neem ing.
Blanquette, (f) If^itte wyn van
Languedok; dun wit bier (m).
Blafon , (m) U^apenfchild-kunde -,
loftuiting (f).
Eiafonner, {'7,z,)De Wapens uit-
leggen; item die behoorlyk fchilderen;
iemand roemen of lajieren.
Blafonneur , m) {weinig geb.) Be-
fchi^ver der Wapens.
Blafphémateur , (m) Gods lajie-
raar.
Blafphématoire , (adj.)Go*/^fr-
Blafphéme, (m)GodslaJïering (f).
Blafphémer , (v. a. 6c n.) God
lafleren; Godslajlering uitbraaken.
Blatier , (m) Kooren-kooper op 'g
Land. ^
Blaude, (f) Een boeren kiel, lin-
nen-rok (m).
Blaveole,'f)Blaauivekooren.'bloem'»
Blé. {Zie Bied).
Blêche, (adj.&fubft.) TrouwlooSé
valfch {fcheldw.)
Bied , {m)Kooren, graan (n);bled
en herbe, onrypkooren; bied fars-
zin, boekweit; bied de Turquie ou
maïs, Turkfche terwe;hleà meteil ,
meng-kooren i manger foa bied en
her*
7^5 BLE. BU. BLO.
jherbe , zyne tnkomjlen , voor ze ont fan-
gen zyn , veneeren , (fpr. iv.)
Bleime , ( f ) hif.amatie onJer aan
de voet van een Pae'td.
Blême, (adj.) Bleek, doodfch.
Blêmir, (v. n.) B'.eek worden ^be-
Jlerven.
BiêraifTement , (m) Bcjîervir.g ( f ).
Bléreiu, (m) Ken Das (n), {zeker
dier). . , ^,
BleiTé, ée (adj.) Gehwetjî , bleffe
à mort , ter dood toe gewonde
BleiTer, (v. a.) Kiveuen, wonden,
hefchaa.iigen.
BlefTure, ( f ) Kivetzuur, wonde,
Blecte , ( f ) M^fer-Xee>2 krmd).
Bleu , bleqe , (adj . & füDft.) Blauw ;
hlaiiwe verf; bJeu 'mourant , licht
hlattw; bleu tixT(\n\n , donker blauw .
Bl^uâcre, {aiû].) Blauwagtig.
Bleuir, (v. a. & n.) Blauw maa-
ien, b'auwen; blauw worden; faire
bleuir le fer, het- yzer blauw aan
doen loopen,
BI in, (m) Een rambîok y (in
Scheepsb.)
Blmde , blindes , ( f ) Blinden , tot
dekking , ( in l^ejîwgb.)
Blinder , (v. a.) Met blinden be-
dekken.
Bloc, (na) Een blok; Ezels-hoffd
(tn Scheepfb.) ; bioc de marbre , mar-
mere blok, vendre 'en bloc & en
tas , by den hoop verkoopen.
Blocage ou blocailie , (f) Gruis
(n) , puinhoop (m).
Blochec , (m) Een dwars fparreiï) .
Blocus, im) Befchanjfuiçf, blckee-
Ting, injluiting {?); (l'^cfting w.)
Blond, onde(acli.&fubft.) Blond-
ha:ri^, blond; een blond menfch.
Blonde , ( f i Zyde kant.
Blondin, ine (m. & f.) Een die
blond kair heeft.
Blondir, {m) Blond h&ir bekoomen^
Bloquer, (v^ a.) hfluiten , ver-
fchanffen; bloquer une ville , un
port , y mettre i€ blocus, ff« Jlad,
een haven inflzù'.en; bloquer , de ree-
ten van een Jchip met werk digt maa-
ken ; dr uk-letters verkeerd zetten;
metzelen zonder pas-lood.
Blot , Bloc OU Chouqu'et (m).
Ezels-hoofd ; 8cheeps..bïok ; werktuig
BLO, BLÜ. BOA. BOB. &c,
om de vaart die een Schip maakt me-
de te meeten , (öcheeps iv.)
Blottir , (v.a.) /« een duiken ,ver^
fcbuilen; les perdrix fe blotti(nint,
de %teldboenderen kruipen in een , ver-
frhuilen zïg.
Bluet , (m) Blauwe koren-bloém ( f ).
Bluette , (f) Sprankje, vonkje van
vuur of gloeiend yzer (•«).
Bluteau , (m) Aleet-buil.
Bluter, (v. a.) Builen,
Blutene , ( f ) MM~buitery,
Blut^oir. {Zie Bluteau).
Boage , (m) Die^jfi van een Vaffaï
aan zynen Heer met twee Offen voor
hem te ryden.
Bobèche , ( f)Pyp van een kavde^
laar.
. Bobine, (f) Een bobyn , klos, om
gaaren op te doen.
Bobiner , (v. a.) Gaaren op een bo-
byn winden ,fpoelen.
Bobineufe , ( f) Gaaren fpoelfter.
Bobo > (m) Ligte kneuzinge (f),
flootje (n).
Bocage , (m) Bofchje , bofcbagie (n).
Bocager, ere(adj.) Nymphe; bo-
cagere , bofch-nimph.
Bocal , (m) Beker , bocaal.
Bodinure , ( f ) Bewoeling van den .]i
anker-ring. a
Bodruclie , ( f) Fyn perkament van ;
Offendarmen bereid (n).
Boëffe , OU gratte boëfle,. ( f )<(
Kratz-borfiel in de munt.
Boëffer, (v. a.) Kratzen. .
Boete. {Zie Boîte)*
Bœuf, (m) Een Os (m) , Offen-vîeefch
(n) ; dommen os , vleegel.
Bogue, ( f ) Kajianje bolflery Hou*
ting {een vifch)."^
Bohémien, ienne, ou bohème,
(m. & f.) Heiaen , Land looper , goe'
der-geluk zegger; Land-loopjler. '
Boïard , (m) Hand-burrie ( f y.
Boie , ( f ) Fberbaai.
Boire, (v. a.) Drinken; boire à
la ronde, in't ronde drinken; boire,
des rafadesïde rouges bords, èoor-
den vol drinken; il boit,;?>y is tot den
drank vervallen; boire la, raillerie^
de befchimping verdraagen ; la terre
boit la pluye , de aarde tr^-kt de regen
na zig î ce papier boit > dat papier
A,uigt]
BOL
xaigt; boîre comme un trou, à tî-
relarigot , lujiig zuipen ; qui fait la
folie la boit , (fpr. iv.) zoo als men
zyn bed maakt zoo legt men; donner
pour boire , een dnnk penning gee-
ven; voilà pour boire , daar is een
drink-penning i ce foffé boit en ri-
vière, die Jloot krygt zyn water uit
de rivier.
lioire , (m) Het drinken (n).
Boirin , (m) Anker-boei.
Bois , (m) Een bofch-, bout (n) ;
bois épstis , dik bofch ; bois de char-
pente , timmerhout j bois mort,
dooJ , verdord bout \ bois en étant,
hout dat nog op de Jlam is -, bois de
haute futaye, een hoog bofch; bois
vif, gezond, groen hout; mort bois
ou d'entrée , balf vergaan hout;
bois de teinture, verf-hottt ^ bois
blanc, 'week , zagt hout ; bois
de cerf , het g^ewigt of de hoor-
nen van een hert, enz. bois à brû-
ler , brand hout; bois canards, ge»
zonken hout; bois flotté, vlot-hout;
bois échappés , dryf-hout ; - bois
merrein, vat-hout , pyp-hout; bois
de charronnage $ wagenmaakers'
hout ,*wagen-fchot ; bois de compte,
tel-haut ; bois de refend , hout dat
ligt kloofd; bois en grume , neerge-
veld , gehakt hout; bois chablis , door
den wind neergeveld hout; bois lavé,
fia de lyn gehakt hout ; bois bombé ,
krom gewaffen hout; bois gelif , /bwf
dat vol fpleeten is ; bois carié , ver-
moulu , verwormdivermollemdhouî ;
bois rabougris , kwafîjg bout , tiit-
fcbot ; bois ta '1 lis , ha-k-hout , een
hak-bofch; faire du ho is , een Schip
met brand-hout voorzien; a-.HtCre du
bois, hout afhakken y neérvvllen ; veel
kégeh werpen ; ne favoir de quel
bois fiire flèche, niet ivt-eten waar
men zig keeren of iveydm , --..vat men
aanvangen zal; trouver vifage de
bois, niemand t'hurs vinden \hois de
lit, bedfleê ; buis qui fe tourmen-
te, hout dat werk( , nog niet uitge-
loogd is; je fai de quel bois il re
chauffe, ik ken zy,2 manier, beftaan;
haut le bois, het geweer ont hooe
(by Krygsl.) ^
Boifd^e , (m; Befchutting (f); pa-
ntel-iterk (n).
BOL BOL. BOM. * 79
Boifer, ;v. a.) Mep hout befchic
ten , lambrifeeren,
Boiferie, (f) Houte befchot (n);
lambrizeering (f).
Boifeux, eufe (adj.) Houtig,
BoifTeau , (m) Een fchépel.
Boiflelée , ( f) Een fcbépel-vol citera
een fchépel zaai -land.
Boiflelier, (mj Een maaten-doo^
zen-maaker.
Eoilfon, (f) Drank fm).
Boite, (f) Regte tyd wanneer dti
wyn kan gedronken worden.
Boite, (f) Een doos, kas; munt^
blok ; gewrigt daar een been in dr aai d 9
boite à poudre, à poivre, démon-
tre , een poeder-, peper-doos , kas va»
een zak-horologie ; boite de roue ^bet
ave^gat van een wiel; on y eft comme
dans une boite , men zit 'er warm
in.
Boitement, (m) Hinking (f).
, Boiter, (v. n.) Hinken, kreapelJ
mank gaan.
Boiteux , eufe (adj. & fubft.) J^reu-^
pel, mank ; een kreupele; il faut at-
tendre le boiteux, {fpr. w.) men
moet d'eerJJe tyding niet gelooven.
Boîtier, (m)Doozen-njaaker;zalfi
bus (by Heelm.).
Eois-tout, (m){gem.w.) Glas zon-
der voet.
Eoiture, (f) (gem.w.) Zwelgery»
zuipery. -^ j ^
Bol OU bolus , (m) Eene mond-mt
medicynen.
Bombance, (f) Goede cier,nem~
pery ^ {gem. zv.)
Bombarde , ( f; Kort gefchut , hatu
bitz.
Bombardement, (m) Bombardes-
r/n^ (f).
Bombarder, (v. a.) Met vuur-hs-
gels , viei bomben befchieten.
Bombardier , fm) Bomm8>h-<werper9
Bümbardier.
Boni ha fin , fn-i) Bommezyn.
Bombe , ( f ) Bomme , vuur-kdgeï.
Bomber , (v. a.) Krom niaahn-
uitho^liv. •"
h^d^''' ' ^ ^ ^ 5orf^m.r>,. , (in Zee^
Bon ne (,dj.) Gced;mïld;deu^d^
zaam; uap^er -, flerk ; ejz, «n bon
go BON.
Cavalier, een goede Ruiter -, uh bon
' Médecin, een goed Geneesheer ; bon
xnot , kwinkjlag , klugtige uitdruk-
king ^ inval -^ n'ècre bon a rienjO^r-
gem toe dtenjiig zyn; à quoi boa ce-
ia ? waar toe ditnd dat ? trouver
bon ^goed vinden ; alle?, ou bon vous
ftmble , gaat daar het u goed dunkt;
un bon homme , een goed , deugdzaam
man , een onnozel man , een goed
bloed fles bons ou les gens de bien,
de vroome lieden ; il n'eft bon ni à
rôtir, ni à bouillir, hy deugd
nergens toe; un bon coquin j een
martsfchelm j ö ! la bonne raifon ,
et! dat 's een fc hoon bezvyf, de bon
cœur y van gantfcher harten-, les bons
comptes font les bons amis, effen
rekening rnaakt de beJJe irienden ;
vraiement «je vous, trouve bonne !
waarlyk ik vinde u fraai! je vous la
garde bonne , ik zal 't u w-l betaald
zetten ; faire bon pour quelcun ,
voor iemand in Jlaan , borg blyv^^n ,
tout cela eft bon , mais . . , dat
is altegaar mooi en goed , maar . . ;
c'eft un bon Apôtre, /^pf ts een rui-
gen ^poflel {boert, "jv-); un i)on pen-
dard , een olyke fielt ; fouhaiter, don-
yier Ie bon jour , goeden morgen^,
goeden dag wenfchen; les bons maî-
tres font les bons valets, goede
tneeflers maaken ^ede dienji boden.
Ben , (m) Het goede , het bejle
fn)j connoitre Ie bon & Ie beau
d'une affaire , het goede en het fraaye
van een zaak kennen; Ie bon de l'af-
faire eft . . , het b'efie van de zaak
i^ . . ; il y a cent écus de bon ,
daar zyn honderd kroonen te goeds. ^
Bon , (adv.) Goed<, tvel; fentir
bon, wel ruiken; tenir bon -, (land
houden; cela me coûte bon , dat^ kojl
my goed -veat; bon! voilà qui va
bien, goed', dat ^aat. wel.
Bonace, (f) TVind-ftilte ^ kalmte
•p zee; ^erudheid, vreede.
Bonafle , (adj.) Al tegoed^ te een-
voudig.
Bonbons, fm. pi.) Lekkemyen, fnoe-
^eryen voor kinderen.
Bonchretien , (m) Zekere lekkere
franfche peer.
Bond, {m)Wfcr-fprsng{n), opfiuh
BON.
f'"S (O Î prendre la balie aa
bond, den bal in 't opfiuiten vangen^
de regte tydvan iets waarneemen (fpr.
IV.) autant de bond , que de volée,
{fpr. w.) op beiderly wyze.
Bonde ,. ( f ) Sponde , of tap van een
vyver ; JJuisje ; fchotdeurtje (n).
Bondir , (v, n ) Opfpringen , hup-
pelen; opwellen ; les agneaux bondis-
fent, de lamineren fpringen; cela
me fait bondir le cœur', dat doed
my het hart walgen , opkomen.
Bondiflement , (m) Opwelling .^op-
fluit ing der maag (f).
Boadon , (m) Sponde , fpo^dgat (n).
Bandonner , (v. a.j Toefponden , toe-
fioppeit.
Bondonnier, (ra) Spond-hoör {nl.
Bonheur, (m) Geluk (n), welvaart
(f) j par bonheur, by geluk.
Bonboramie, (f) Goedaardigheid.
Bonifier , (v. a) l^erbetcren , ver~
goeden; bonifier un champ? een ak-
ker c.rbeteren.
Bonjour , (m) Donner, fouhaiter
Ie bonjour, goeden dag wenfchen.
Bonite , (m) Spring vtfch.
Bonnaire. {Zie Débonnaire).
Bonne'. {Zie Bon).
Bonneau , (m) Anker- teken (n),
boei{i).
Bonne-aventure , ( f) Goedergelui
{van Jf'aarzeggers),
Bonne-fois , une bonne fois , esni
voor al.
Bonnement , (adj.) Opregtetyk ,
il y va tout bonnement , /;y
gaat opregtelyk te werk; je ne fai
bonnement que dire, ik weetzvaar"
lyk niet zvat te zegden; avouer bon-
nement une chofe , een zaak rond-
borfîig bekennen.
Bonnet, (m) Muts; kuif; donner
le bonnet à quelcun , iemand pro-"
moveeren, de Doftorale Muts geven ;
opiner du bonnet , een ja broer
zyn; trille comme un 'bonnet de
Huit fans coife, {fpr. u\) zeer droe~
vig zyn; il a la tête près du bon.^
net ) {gpm. fpr. w.) hy is kort vaa.
ftofy zeer ophopend; porter le bon*
net verd , banquetoet zyn; j'y met-
trai mon bonnet , J* verred 'er myti
muts onder,
Ben*'
BON. BOQ. BOR.
Eounetac-le , ( t') uupe ecrbud (m).
Bonnecer, (v. a.) Iemand eerbie-
dig groeten y (gem. w.)
Bonneterie, (f) Mutzen-makery y
gild daar van (n).
Bonneteur, (m) Bedrieger, (S^"*-
' w.)
Bonnetier, iere (m. & f.) Mut-
zen-maaker , maakjier , of verkooper ,
z'erkoopjler,
Bonnci-quarré ,(m) PrieJJ ers muts
(f).
Bonnette y (f) Kleine Ravelyn ,
boive maan , buiien-iverk {in l^ejîing-
bouwkunde).
Bonnettes , (f. pi.) Bonnetten , zei-
len die by Jlil weer aan de groote zei-
'len gehegt vuorden ihonnette lardée,
een honnet-zeil -met fpek bejiooken om
een lekkagie meê te Jîoppen.
Bonté , ( f ) Goedheid; deugdzaam^
heid; gunjl ; il doit fa vie àla bon-
té de fon cheval , hy is zyn leeven
aan dejîerkte'van zynpaerJverfchuldtgt;
ayez la bonté de me vep.ir voir ,
weejl zoo goed en komt my bezoeken ;
cet homme eft la bonté même , die
man is de goedhsid zelfs-, je vous
fuis obligé de toutes vos bontés , ik
ben u voor alle uwe goedheden ten
hoogflen verplicht.
Bonze , (ra. & f.) Priejlers en Non-
nen in China,
Boqueteau , (ra) IVild Geite-bokje
(n).
Boquillon , (ra) Een Hout-bakker ^
{beter Bûcheron).
Borax, (m) Borax, gebruikt tot
*t foudeeren van goud.
Bord , (m) Boord, rand , kant (m) -,
fcheeps-boord (n) ; bas - bord , bak-
boord; Hrlbord . Jiuur-boord; venir
à bord, aan boord komen; mettre à
l'autre bord, bet /chip wenden; ren-
dre le bord, inloopen, een haven
aandoen; vaifTeau de haut, de bas-
bo rd , een groot , een klein f chip ; faire
«n bon bord > een goede boeg-Jlag
doen , wel gevorderd zyn ; un rouge
bord , e^n volle romer wyn ; j'ai Ion
nom fur le bord des lèvres, zyn
naam legd my op de tong; être fur
le bord de la fofle , op den rand
des grafsjlaatii beel oudzyn; cou-
BOR. 81
rir le bon^ bord , zee-roovery oef-
J'enen ; aller à boi d , aan boord gaan»
Bordage , (m) Boey-planken , bui-
ten huid van een f chip ; geringe dtenjl
die een boer aan zynen Heer ver-
fchuLügd is.
Bordayer, (v. n.) Laveer en; een
laagjchieten.
Bordé, ée (adj.) Bezoomd , be^
legd, geboord; chapeau bordé, een
omgeboorde hoed; canal bordé d'ar-
bres , gragt met hoornen beplant.
Bordé, (m) Goude^ zilvere , zyde
galon (n).
Bordée , {î)Loop,gang van eenfcbip
eer het wend; een laag van bet ge-
fchut ; donner la bordée à un vais-
ieau , een fchip de laag geeven.
Bordel , (m) ii>» Hoer-huiSy Hoe-
ren-kot (n) , Kit ^t); courir le bor-
del , Hoeren-j^agen.
Bordelage , (m) De inkomjien van
ecn boeren hoef ; 't hoeren leven.
Bordelier, (m) Hoeren jaager f
{oud w,)
Bordement , (m) Omboording , met
een andere verf {by Schilders),
Border, (v. a.) Bezoomen , beleg-
gen, boorden; 1'Armée bordoit la
rivière , bet Leger bezette den oever-,
border un vaiiTeau , eenfcbip bekUe-
den; border les voiles, de zeilen
aanhaalen; border une allée, een
wandel-pad op de zyae met boomen
bezetten; border un chapeau, een
boed ombüorden ; border un vailTeau,
een fchip op zy zeilen , of aanklampen,
Bor:leréau, (m) Lyjl , notitie van
geldfpecie , gewigt of maat { f) ; Zoo-
pertje van ontfang en uitgaaf {n).
Bordier , iere (m» & f.) Bezitter
van een gering Hoefje»
Bordier, (adj. & fubft.) Vaifleau
bordier, boordig fchip, dat aan de
eene zyde Jïerker ts , als aan de an-
dere (n). {men zegt ook Bordier).
Bordigue , ( f) Een l^ifcb-vang.
Bordure , .' f) Boordzel (n) , rand-,
raam (m) ; lyfl van een fpte^el , et^z-,
bordure de chapeau , kreel om een
hoed van goud, zilver enz.
Boréal, aie (adj.) Noordelyi.
Borée , {£)Noorde-wind(by Dicht.). "
Borgne, (adj. & f. jn.) Efn-oo^ig;
g2 BOR. BOS.
een een^oogige j cabaret borgne ,
JJfgt kroegje ; conte borgne , oude
iv^fs vertelltt7g f caufer comme une
pie borgne > (fpr. w.) de mond laa-
ien gaan als een Lazarus klap ; au
royaume des borgnes les aveugles
font Rois, in 't land der blinden is
één-oog Koning.
Borgne , (m) l^ifcb-fuik (f).
BorgnefTe, (f) Eene één-ooglge.
Bornage, (m.) De grens-bepaa-
ting ( f).
Bornager, (v. n.) Fan den eenen
oever na den anderen vaaren , gelyk
een Fe er man.
Bornai , (m) Celletje in een by-korf
(n).
Borne , ( f) Grens-paal-of teken ;
mettre des bornes à fes àeiirs^zyne
tegeertens paaien fielten'
Borné, ée (adj. & part.) Be-
paald; un efprit fort borné , een
zeer klein verfiand.
Borner, (v. a.) Paaien, bepaa-
len-f grens-paalen zetten -y fe borner ,
( V. r, ) zig inbinden , maat houden.
Bornoyer , (v. a.) Met een oog
toe mikken i, (by bouwlieden).
Boamoyeur , (ra) Een goede kyker,
mikker.
Bofan, (m) Zekere Turkfcbe drank.
Bofel, (m) Ring om de voet van
een pylaar.
Bosquet , (m) Lufi bofchje , fiarre-
bofchje (n),
Boflage , (m) Uitggbouivde fieen in
een muur y waar in een cieraad zal
gehouwen worden,
Boffe , ( f) Een bult , hochgel ; ou-
vrage relevé en boffi , gedreven
werk.
Boffelage ,(m) Gedreven werk{n).
Bofleler, (v. a.) Bulten', gedreven
loerk maaken.
Boflelure, (f) De natuurlyke boh
beid aan bloemen.
BolTeman, (m) Bootsman.
Boffer , (v. a.) Boffer 1'ancre , het
anker opzetten.
Boffetier , (m) Een rood gieter , ko-
per gieter.
Boffette , (f) Knopje op een boek
of paer de-tuig.
Boffeurs ou boffoirs , (ra) Kraan^
balken waar op bef anker rufi^
BOS. BOT. BÖÜ.
Boffu , ue (a ij. Ôcfubft.) Gebocheld ,
gebult > cimetière boifu , een iep
Kerkhof.
Boffuer , (v. a.) Iets bulten.
Boftangi , (m) Tuinman van den
groot en Heer.
Boflangibachi, (m) Opztender dier
Tuinliedfin.
Bofuel , (m) Geele kroon , reuk"
tulp (f).
Bot, (adj.m.) Pied bot, een horl-
voet.
Botal , (adj. m.) Trou botal ,ope-
ning waar door het bloed van ongeboo-
renene kinderen loopt.
Botanique , (f) Kruid-kunde.
Botanique , (adj.) Kruid-kundig.
Botanifle, (m) Een Kruid-kun-
dige.
Botte, (f) Eên Laers -, bundel,
bosje-, botte de plumes, een bosje
pennen; botte ,fioot yfieek (in fcherm-
fchool); botte, optred van een koets',
graiffer fes bottes ,zig tot eene lange
reize ; tot de dood gereed maaSen^
Botté , ée (adj.) Gelaarfi.
Bottelage , (m) Buffel binding (f).
Botteler, (v. a.) In bujfelen, bos-
f en binden.
Botteleur , (m) Buffel Jjïnder.
Botter, (v. a.) Laarfen aandoen,
maaken ; fe botter , (v. r.) zyn laar"
zen aantrekken.
Bottine > ( f ) Halve laars.
Bcuard , (m) Schroot-hamer,
Bouc, (m) Een bok; bouc émis-
faire , bok der verzoeninge door dt
IJraé'liten in de woefiyne gelaat en.
Boucage, (m) fVilde pimpernel j
(een kruid).
Boucan , (m) Roofler waar op de
Americanen het vleefch droogen; item
een Hoer-huis.
Boucaner , (v. a.) Vleefch droo^
ge»; na buffels jaag en op de w y ze der
wilden; item in Mot-huizen loopen.
Boucanier, (m) Boukanier, Roo^'
ver , Jaager tn America.
Boucaut, (m) Een vat (n), tonne
(f)-
Bouche , ( f) Koninglyke fpys^ka-
mtr.
Bouche, (f) De mond , opening
( f ) 3 '''^«"5 (oï) Î douche bien fen^
«iue^
feOÜ.
ducj wel befneJen mond j cheval
qui à la bouche délicate , een
paerd dat zagt in den bek is ; bouche
de rivière , mond van de rivier ; {zie
embouchure) avoir bouche à cour,
de vrye koji hebben-, elle n'en fait
point la petite bouche , zy wind
'er geen doekjes om; garder pour ia
bonne bouche , voor 't laatjie van
de maaltyd bewaaren; avoir bouche
coufuë, geen praat hebben-, n'avoir
ïii bouche ni éperon , geen hart
Jbebben , om iemand te antwoorden ;
dire de bouche , mondeling zeggen.
Bouchée > ( f ) Eene mond vol.
Boucher , (v. a.) Toejhppen , JJop-
pffi.
Boucher , re (m. Sc f.) Vleefch-
houwer , Jlagter ; vleefchhouwjier.
Boucherie, (f) l^leefcb-bat (f);
hloed-bad (n) ; Jlagtbank , Jlagting ( f).
, Bouchet , (m) Zuiker en kaneel-
water voor de zteken (n).
Boucheture, (f) Tüéflopping (fj;
bek (n).
BouchÏn , (m) Breette , buik van
ten fchip.
Bouchoir, (m) Oven deur.
Bouchon , (m) Een fiopzel (n) ,
Iturk (m); mon petit bouchon , myn
'lein hartje 'y bouchon de paille,
Hroo-wifchi à bon vin il ne faut
oint de bouchon , goede wyn heeft
een krans nodig , {fpr. w,)
Bouchonner, {v.a.)Met eenjiroo-
'ifeb wryven-fiets in een frommelen.
Bouchot, (m) Fifch-vang van tee-
ene korden.
Boucle , (f) Eene gefp ; bair krul ,
'joekel', boucles d'oreille, oor-rtn-
en j tenir fous boucle > in hegtenis
ouden.
Bouclement , (m) Toegefping', toe-
uiting (f).
Boucler, (y. a.) Toegefpen ; het
fair in boekels leggen-, boucler un
)órt, een haven fluiten iboaclcr une
ravalle , é»*" w^ merrie ringen.
Bouclier, (m) Een fchild , barjï-
apen; faire bouclier de quelque
;hofe , zig ergens meê befcbutten ;
aire levée de boucliers , veel toe-
'el maaken daar niets van word.
Boucon, (m) (gtm. «/.} Sènlteet ,
"---' lyal vergift»
BOU. 83
Bouâin , (m) Wilde Steenbok.
Boudelle , ( f _) Een penaeboutje (n),
flagpen ( f).
Bouder , (v. n,) Pruilen , morren »
zuurmuilen , preutelen.
Bouderie, (f) Pruiling.
Boudeur, eufe (m. & f.) Pruiler^
grimmer; pruiljler.
Boudin, (m) Een beuling , worjij.
Item bet knopje , beduin in de midden
van een glas-fchyf', ook de rand daar
van.
Boudiné , (f) Ronde glas-fcbyf.
Eoudinier , (m) Worji merkooper.
Boudiniere , (f) IForJi - boorntje
(n).
Boudinure, (f) Woeling om den
anker-ring ; anker-roering.
Boudoir, (ra) Klein eenzaam ver-'
trekje (n).
Boue , (f) Slyk, drek-, etter -, une
ame de boue , eene laage ziel; cirer
queicun de la boue , iemand uis
den drek , uit d'ar moede belpen.
Bouée, {f) Baaken} item auker-
boei.
Bouëment, (m) t*Zamen voeging^
lyming , {by Scbrynw.)
Bouer , (v. a.) Muntplaaten ffchroot
plat Jlaan.
Loueur, (m) SUk-nverker i vuilnis
opveeger.
Boueux , eufe (adj.) Slikker! g , mod-
derig, vuil.
, Bouffant, ante (adj.) Opblaazende^
opzwellende.
Bouffe , ( f ) Bakhuis , fmoel , (gem.
w.)
Bouffée, (£) Rukwind, windbuil
riekende damp; il n'étudie que par
bouffée , hy Jïudeerd alleen by vlaa-
gen.
Bouffer, (v. n. & a.) Opzwellen^
oploopend worden -, vleefsh opblaazen,
Bouffette , ( f) Linten quaji ,Jlrik'
je.
Bouffi, ie (^à^).) Opgeblaaxen', { fi-
guur L) hoogmoedig', les yeux bouf-»
fis, d'oQg€h gezwollen-, ftyle bouffi i
opgeblaazen flyt»
Bouffir , (v. n. & a.) Ophlaozen 9
opzwellen ; hoogmoedig worden.
Bouffiflurcp (f) Opzweiling %opgi-
zwallénbeidt'
F 8 ^uJF-
«4 Boa
Bouffoir, (m) Py^je ovi een Lam
Gp te blaazen.
Bouffon > onne ( m. f. & adj. )
Poetzen-klugten-tnaaker , nar; nar-
nn ; kortiwylïg , aardig.
BourTor.ner, (v. n.) Poetzen- gril-
ler.- klu^ten-maaken.
Bouffonnerie, (f) Poetzen-maa-
kery.
Bouge , (m) Schoenlatpers-potbuîs ;
klein kamertje (n); randzel , reis-zak;
huik van een tonne ; rand van een
tafel-bord {va); kromte van een Jïuk
hout ( f).
Boageoir , (m) Dieve lantaarentje ;
blaaktr.
Bouger, (v. n.) Zig houden waar
men is, (word gebruikt m^t een' ne-
gacivüs) ne bc3ugez pas Monfieur 5
zitjiil. doed geene moeite My.iheer;
il ne bouge pas de la maifon , hy
komt utt zyn huis niet.
Bougette, f f ) Reis-zakje , knap-
zaki? fn) , buidel (ra .
Bougie, (f) IVafch-kaars , ivafch-
Ucht.
Bougier , (v. a.) Beivafchlichten,
Bougran; (m) Styf-linnen (n),
Büugre , Bougrefle, (m.&f.) (^f«
ïeelyk woord) Een Sodomiet ; item een
vuile àfchurk , Schoelje; Teef.
Bouillant, ante (adj.) Ziedend,
kookend; oploopend , haajlig ; vlug van
Bouillar , (m) Regen-wolk (f) ,
{zee w.)
Bouille , (f) Vijfchers plons -Jïok
{r^),pols{ï).
Bouiller, (v. a.) In't water plon-
zen.
Bouilli , (m) Gekookt- of gezoden-
vleefch (n).
Bouilli, \i{z.à:y)Gezoden , gekookt.
Bouillie , ( f) Pap , bry.
Bouülir , (v. n.) Zieden , kooken ;
Ie vir. bout, de wyn werkt; cela
ne fait pas bouillir la marmite,
{fpr. 11'.), dapr kdtî defchoorjïeen niet
rjan rooken\ bouillir à gros b-^uil-
lon^ , hard of Jlerk kooken ; faire
bouillir de l'eau, water kooken.
Bouillit^. ire, (m) Het wit kooken
der muntjiukken.
Boftilloir , {m) Kopere pan daar t9ft
BOU.
Bouilloire , {f, IVater-ketsl.
Bouillon, (m) Bobbel (m), opweU
lit7g , ruifcbing , opbobbeling (f)}
vleffch-nat (n) ; foppe (f); item drifty
onjluimigbeid i f).
Bouilion blanc, (ra) ff^it wolle^
kruid ■n)
Bouillonnement , (m) Ziedingyop'
borreltng ; gijling ( f .
Bouillonner, (v. a. & n.) Opbor-
relen ^ opwellen, hard kook m.
Bouis, (m) Schoenmaakers Likboup
(n).
Boais. (Zie Buis).
Boulanger , ere (m. & f.) Bakker;
bakker inné.
Boulanger , (v. n. & a.) Het bak-
kers-hatidiverk oeffenen.
Boulangerie, (f; Bakkerye.
Bouldure , (f) Plaats of gragt
onder een moolen-rad.
Boule , (f) Bol, kloot , ronde
knop (m); tenir pied à boule , (,/■"'.
w.)op zyn zaaken acht ge even ; j ouer à
la boule , met de kloot fpeelen , à
bouie vue, onbedagtzaam>
Bouleau, (m) Berkenboom.
Bouler, (v. n.) De krop opblaazen
gplyk de Kropduiven.
Boulet , (m) Gefchut-kogel( f) ;bou-
let à c bain e , kettir,g~kügfl{{); bou->
let rouge , gloeijende kogel.
Boulecé, (adj.) Chevai bouleté,
Parrd dat zyn been verjîuikt heeft.
Boulette, (f) Kleine kogel (f),
balletje-, klootje (n). *
Boulevard ou boulevart, (m)
Bolwerk , fchans , voormuur (n) j ttem
bef cher mmg (f).
Bouleverfementj (m) Omkeertng ,
verwoejling (f).
Bouleverfer, (v. a.) Omwerpen^
cmftootm, 't onderfie boven keeren.
Boulimie, (f) E.en eet-koorts.
Boulin, (m) Duiven-nejl; balk- of
fleiger-gat m een muur (n).
Bouline , (f) Scheeps boelyn, waar
meê het zeil na de wind gehouden ^
wo-rd; aller à Ja bouline , by de
ivind zeilen ; haler fur les boulines f
(/e boelynen aanhaalen.
Bouliner , (v. n.) By de wind Trei-
len ; niet opregt hani^elen ; fieelen , (/«
Bo''-
, BOU.
Boulinenr , (m) Soldaat die in zyn
ti^en Léger vrybutt.
Boulingrin, (ra) Een gras-jiuk in
een tuin; groene klootbaan.
Boulingiie , ( f) Bram • zeil , bo-
venjle zeil aan de groot e majl (n).
Boulinier, (m Schip liat by de
wind zei ld (n).
Boulon , (m) Tzere bout met een
knop-, een rond yzer waar over loode
buizen gegooien worden.
Boulonner, (v. a.) Met een bout
vajl maaken.
Bouqut'r , (v. n.) Gedwongen iets
doen moeten , 'er aan geloovm moeten.
Bouqutt ,(m) Een bofk linten-, ten
ruikfr j flroowifch op iets dat te koop
is 'y bouquet de piumes, veder-bofch;
bouquet , cieraad op den rug van
een boek, Jiem^el; item verzameling
van zinryke jprt uken ; faire ou cane-
tiller un bouquec, een ruiker maa-
ien.
Bouquet , (m) Bokje j haazen-ram-
m el aar.
Bouquetier, (m) Bloem-pot.
Bouquetier, iere (m.&f.) Krans^
ntaaker-, bloemen vercierjler.
Bouquetin , fm) Steenbok.
Bouquin , (m) Een ouden bok; een
S^ter ; een geile gryzaard; fentir Ie
bouquin , ^/«^fw als een bok; bou-
quin , een oudverjleten boek.
Bouquiner, (v. n.) Befpringen -^
rammelen ; oude onnutte boeken koopen
of leezen.
Bouquinerie, (£) Plaats daar ou-
de boeken verkogt worden.
BouquineuTj (m) Een handelaar
in oude boeken,
Bouquiqifte , (m) Liefhebber van
zodanige boeken.
Bouracan, (m) Barkan ^ {zekere
fioj/e).
Bourasque. {Zie Bourrasque).
Bourbe, (f) Slik, modder.
Bourbelier > (f) IVilde Zwyns-
horJ}{£).
Bourbeux, eufe (adj.) Modderig.
Bourbier, (m) Modder-poel ; lais-
(èr quelcun dans Ie bourbier, ie-
mand in de pekel , in de nood laaten.
Bourbillon, (m) Etter-gezwel-^rop-
BOU. 85
Bourcer,ou carguer (v, n.) ica
voiles j De zeilen inbinden, reeven,
Bourcet ou tnifene , (f) Fokke^
maft {m)-,fokke-zeil (n).
Bourdaloue ou b- urdalou , (m)
Hoet-band ; item zedige ftoffe.
Bourde , ( f) Een leugen . knapuili
item ly-zeil by fttl weer gebruikt; uri
do;.neur de bourdes ,' een leugen
verteller.
Eourdel3ge,(m)(^iV Bordelage).
Bourdelais , (m) Zekere groote
druif.
Bourdelier ,(m) Grond-heer 9 Cyns-
heer.
Bourder , (v. n.) Liegen^t (gem. w.)
Bourdeur, eufe (ra. & f.) Leuge-
naar ; Leu^enaarfter, 1
Bourdillon, (m) Eiken hout tot
duigen gemaakt.
Bourdon, (ra) Hommel, hommel-
bye; brom-pyp van een orgel of doe-
del-zak (f) ; Pelgrimi-ftaf (m) ; uit-
laatmg van eenige woorden {by Let-
ter-Zrtters).
Bourdonnement, (m) Gehommel
(n), ruifching (f).
Bourdonner, (v. n.) Hommèlen,
ruifchen , ftommelen {van volk) ; brom-
men , preutelen.
Bourg , (m) Een vlek, dorp (n).
Bourgade, (f) Een groot vlek (n).
Bourgeois, oife (adj. & f.) Bur-
gerlyk ; burger ; burgerejfe ; fchips-ei-
genaar ;wer k-baas ; cela eft du der-
nier bourgeois, dat is zeer gemeen,
Bourgeoiferaent , (adv.) Op zyn
burgerjch ; eenvoudig.
Bo u rgeo ifie , ( f) Burgerfchap , Bur-
gery {£), burger-recht {u).
Bourg.on, (m) Pwfï ; knop (m) ,
knopje (n).
Bourgeonné , ée (adj.) GepuiJI^
geknopt.
Bourgeonner , (v. a.) Knoppen,
uitbotten j met puiften uitjlaan.
Bourguemaicre ou Bourg-meftre ,
(m) Een Burger meefter.
Bourguignote , (f) Storm-hoedj-
helm (ra).
Bourique. {Zie Bourrique). *
Bourléc, (m) Valfche vouw in La-
ken { f).
Bourrache > {i)Bcraasje {een kruid),
F 3 «our-
Se5 BOU.
•Tîourrade , ( f) A>« ƒ Qo/ ,[lag (m) ;
grof en bits antwoord in een difputa-
cie (n).
Bourrasque, (f) Een hui (f),
Jiorm-zvmd ; fchielyke oproer van
volk (tn)', quaade bui van ietnand( f).
Bourre , (f) Scheer hair (n); vlok-
ien (f); ioei-hair (n) ; prop die men
cp een fnaphaan doed {£ ) ; item prul.
Bourreau, (m) Een Beul ^ Scherp-
r echter-, Pym^er, Wreedaard.
Bourrée , (f) Een takkebo^je (n).
Bourreler, (v. a.) Pynigen, mar-
seleU', ytu'f//p»M,jconfcience bourre-
lée , ivroegend gewijfen.
Bourrelet, ou bourlet, (ra) Kin-
der valboed ; draag-krans; <ivrong ;
hijjentje in een hak-Jioelf tromp van
gen gefchut > virong aan een maji ; ga-
reel van een trek-paerd.
Bourrelier , (m; Een Gareel-maa-
ker.
Bourrelle , ( f) Beuls-vrouw.
Bourrer, (v. a.) Metlfcheer-hair
vullen ; de prop op 't geweer doen ;
Jiooten', iemand overfcbreewwen ; uit-
maaien; af kloppen.
Beurriers, (ra. pi.) Kaf van koorn
(n).
Bourrique, (f) Ezelinne (f); tn
'# gemeen een Ezel (m)-fjlegt paerd
(n), knol (f); bak om materialen in
op f e hyjfeni bak der Let dekkers,
Bburriquet , (m) Jonge Ezel,
Bourrir, (v. n.) Geraas maaken,
(word van Fetd- hoender en gezegd als
zy opvliegen).
Bourru, ue (adj.) Eigenzinnige
"koppig , korzelig ; vin bourru , ivyn die
mg onklaar is ; moine bourru , bul-
iebak , (derJtbeeldig fpook om kinderen
vervaard te maaken).
Bcurfe , ( f ) Beurs , tas j ioopmans
heurs } fchil ófbajl der vrugten ; hair-
zak ; au plus larron la bourfe , den
grootjie dief zyn beurs vertrouwen ,
^ de Wolf tot een* Schaap-berder maaken-,
ifpr. w.) aller à la bourfe , ter beur-
Je gaan.
Bourfeau,(m) Loodgieters klopper»
J^ïurfette , ( f ) Beursje (n).
Bourfier , iere (m. & f.) BeurfetJ-
^aaker- maakjïer; Slïidl^t die op
esn beurs ftadeerd.
BOU.
Bourfiiler, (V. n.) Geld te zamea
uitleggen om te verteeren.
Bourfon, (m) Klein beursje in da
broek-band (n).
Bourfüufler, (v. n.) Opblaazen ; z-
voir ie vifage bouffouflé , bet aan-'
gezigt opgeblaazen hebben.
Boiife , ( f) Koe-ü'rek.
BoufiUage , (m) Leem-metzeling (f).
BoufiUer, (v. a. & n.) Knoeijen,
brodden -, met leem , flyk , of koe-drek
metzelen.
Boufilleur , (m) Mrodder j leem-
metzelaar.
Boufin , (m) Klomp aarde die aan
hard-Jleen vajï is.
Bouflbie, (f) Zee-kompas (n),
Jlreek-wyzer (m).
Bout, (m) Ead, einde, tipje (n);
tepel (m)j bouc de chandelle, een
endje ka er s ; un petit bout d' hom--
me , eni klein menfchje ; en venir à
bouc , ten einde brengen , uitvoeren',
m^ patience eft à bout, myn geduld
is ten einde; k tout bout de champ,
alle oogenblikken ; au bout de l'an-
née , ten einde des jaars -, bout du
nez, tip van de neus; favoir quel-
que chofe au bout du doigt , iets op
zyn duimtje hebben; bout de ver-
gue , nok van de ree; bout de lof j
loef houwer; bout dehors, tfƒ« «/>-
Jleeker , oplang; (fcheeps w.) être au
bent de fon latin , niet meer wee'
ten wat men aanvangen zal ; un bout
de corde , een endje touw y le haut
bout, het hooger end, de hooger band;
tirer quelcun à haut portant,
iemand met de tromp op de borjl neér
fcbieten ; au bout da compte , by
flot van reekening; Ce mettre fur lé
bon bout , zig wakker opfchikkeny
bout à bout, punt tegen punt.
Boutade , (f) Il lui prend fou-
vent des boutades, Ay krygt femtyds
nukken , kuuren invallen»
Boutant , (adj.) {Zie Arc-boutant), <
Boutargue , ( f ) Soort van kaviard,.
Boute , ( f) fVater- of fcheeps-balie.
Bouté, ée (adj.) Cheval bouté,
Paerd dat regte fcbenkels heeft.
. Boutée , ( f) Een fcboor,]lut.
Boate-entrain , (m) Zekere grof
ne Spegt met ten zwarf flfkje op bef
fioo/d^
BOU.
hiofJf die andere opwakkerd ;{ figuurl,)
een vrolyken baas.
Boute-feu , (ra) Een brandjlichter ;
ijig') een ötookebrand , roervitik , twijl-
maaker ; een bus-fchieter ; een lont-Jink.
Boute-hors , (ra) Goede uitjpraaky
{oud w.)
Boute-hors , (m) Gyk yfpieryfpaak,
(zee w.)
Bouteille , ( f) Een fiefch , of fles ;
blaas op bet watef, ai mer la bou-
teille, veel van de flefcb baadt n.
Bouteillier, (m) Schenker des Ko-
iitngs , Keldermeejïer , Bottelier op
een f chip.
Boaier, fe bouter, (v. r.) Zig
mérzetten {oud w.) ; Bouter (v. a.) ua
Cuir , V V leef eb van de huidaffchaaven.
BouteroUe, (f) Beflag onder aan
eenfcheede (n).
Boutes ) (f) Ballen , tobben,
{fcheeps w.)
Boute felle , (m") Het geblaas te
paerd (n) ; fonner ie boute felle, te
paerd blaazen om op te zitten.
Boate-tout-cuire, (m^ Doorbren-
ger., verkwijler, {gem. av.)
Bouteux , {m) Net om garnaalen
te vangen (n).
Boutique , ( f) Een winkel j lever
boutique, een winkel opzetten', gar-
çon , fille de boutique ,winkel-knegt-
of dogter i faire de fon corps une
boutique d'apothicaire , van zyn
lichaam een' apotheek maaken; faire
de fa tête une boutique de grec 6c
de latin , niets dan griekfcb en latyn
leer en; boutique à j^oiffon^vifch'kaar.
Boutiquier, (m) Een winkelier.
Boutis , ( m ) Plaats daar het
zwarte wild wroet.
Boutoir i (m) Mes om de hoeven
der paerden af te fieeken (n) ; bou-
toir d'un fanglier , de fnuit van
een wild zwyn.
Bouton, (m) Een knoop', boom'
of plant-knop ; puifi die in het aange-
zigt komt i bouton de mire , een
mik-knop.
Boutonner , (v. a. fic n.) ïoi'itnoojp/'»;
ineppen fcbieten j met puijien uitjlaan.
Boutonnerie, {f) Knoopmaaiery.
Boutonnier , (m) Een Knoopmaaker.
Soutgnnieres (f) Sivgo^at (n).
BOU BOY. BOZ. BRA. Z7
Boucure, { f ^ btjpruitze/ , fpruis
van een boom; wynjleen-water , door
de Zilver-fmtts gebezigd om het Ztl-
ver wit te kooken (n).
Bouvart , (m) Jonge Stier,
Bouverie , ( f, OJen-fial.
Bouvet, (m) Een ploeg- fchaaf { f)^
{by Timmert.)
Bouvier? (m) OJJetjdryver , OJfen-
hoeder j een der Hem els- te kenen j quel
bouvier eft cela? wat plompen a
dat?
BouviUon, (m) Jonge Os.
Boyar , (m) Boy ar { eertytel den
grooten aan 't Mofcovifcb Hof gegeven).
hioyau , (m) Een darm ', fpeel~fn aar ;
affnydmgen , loop-graaven Jïangs~wy^
ze gemaakt {m krygsk.).
Boyautier, {ta) Een Snaar^maa*
ker.
Boye , ( f) Een boey , ton of an-
der teeken tn zee, {fcheeps w.)
Boy ér , (m) Boeijer { zeker Vaar-
tuig).
Bozel , (m) Ring om de voet van
een Pylaar.
Bracelet 9 (m) j4mi-band , arm^
cieraad.
Brac her, (v.n.) Uit al zyn magt
fchreeuwen.
Brac het, (m) Een brak j {zekere
Jacht- bond).
Brachial, (adj.) Muscle brachial,
arm-fpier {in Ontleedk.). "
Brachio , (m) Jong van een Beer ,
(n).
Brachmanes , (m. pi.) Indifckê
Wysgeeren.
Braconner, (v. n.) Op verbodene
velden jaagen.
Braconnier , {m)Jaager daar van,
Brague, (f) Broeking , vaftforring
van een fcheeps affuit.
Braie, (f) Scbeeps preefenmng{vaa
beteerd zeildoek , enz.)
Braier. {Zie Brayer).
Braillard, arde (adj.) Schreeuwer;
Scbreeuwjler , {gem. w.)
Brailler > (v, n.) Schreeuwen ^buU
ken.
Braillenr , eufe (adj.) Schreeuwer^
Schreeuwjier,
Braire, (v. n.) Balken ^ fcbreeu-
wen {war4 yan ËZfh £Mf^<^i 0/^ ^y
F 4 Imr.
88 BRA.
hun natmrlyk geluid voor thren gen).
Braife, (f) G/oeijende kool (m).
Bramer , (v. n.) Schreeuwen als
een hert (zie Réer).
Erarnin , (nji Een Indifche Pn'ejltr.
Bran ou bren , (m) I^rek (m) ;
uitwerp/el van een menfcb {n: ; groo-
ve zemel; bran de vous, ik heb den
brui van U.
Brancard , (m) Een rQS'haar,draag-
Jlcel ^ draag~bed.
Brancardier? (in) Een die dezelve
draagt. i
Branchage, (m) Tak-iverk , rys-
werk (n), telgen, kleine takjes.
Branche, (f) Tak im)j iets dat
ergens uit voortkomt ; branche de
veine, tak van een ader; branche
de généalogie , gejlacht-linie j bran-
che de cifeau , blad van een fchaar ;
branche urfine , ou acanthe , bee-
ren-klaauw.
Brancher, (v^.& n.) y^an een boom
Ophayjgen ; zig op een tak zetten.
Branchier, (tn) Jonge Roofvogel.
Branchies, (f. pj.) l^ifch-k/euiven
(in Geneesk.)
Branchu , ue fadj.) Getakt; un
arbre fort branchu, een digt getak-
te boom.
Brand , (m) Een Jlag-zwaerd (n).
Brandes, (f. pi.) Dorre , afgevalle-
ne takken ofboomen\een kreupel bofch.
làïa.nàebo\xr g ,{my Regen-rok f reis-
rok.
Brahderie , (f) Plaats alwaar
Jierke dranken gefiookt worden , Bran-
dery.
Bran de vin , (m) Brandewyn , (be-
ier Eau-de-vie}.
Brandillement , (m) Slingering (f),
Brandiller > (v. a.) ölir.geren,
Jcbongelen.
Brandilloire , (f) Schongel, wip
(ra)'
Brandir , (v. a.) Een geweer zwaai-
jew.
Branden , (m) Een flroo-fakkel ;
Proo-wifch ; gloeijende bouten die in
een brand opvliegen.
Brandonner,(v.a.)/É'«w^f arrefl
beleggen ; te koop jïellen.
Branlant, ante (adj.) Schuddende. |
Branie, (m) Mettre en branie , i
<M ieweeging , aan de gang belpen -,
BRA.
donner Ie branltaune affaire i,eene
zaak aandryven , voortzetten ; bran-
ie , etn hang-mat voor 't Scheeps-volk.
' Branie , (m) Een ronde dans.
Branlé , ée (adj.) Gefchud.
Branlement , (m) Schudding , wag-
geling ( f).
Eranier ,(v. a. & n.) Schudden ^flin-
geren , wapperen ; branler Ia mac foi-
re, met de kaaken-beenen fchermeh;
dent qui branie, tand die losjlaat',
les ennemis commencent à bran-
ler , de vyanden beginnen te wyken ;
branler au md.nchi: ^wankelen. (fpr.)
Branloire , ( f ) Klein keetentje
waar mede men den blaasbalk van een
Smids trekt (n).
Braque , (m) Een brak (zekere Jcgt^
hond).
Braquemart , (m) Een kort en breed
zwaard, nu met meer gebruikt (n).
Eraqueraent, (m) Gefchut fïelltng ;
wenaing van een wageti (f).
Eraquer, (v. a.) 't Gefchut JleU
len ; een wagen wenden.
Bras , (ra) Een arm ; à tour de
bras, uit al zyn macht ; il n'a pour
vivre que fes bras, hy bejlaat alleen
van zyn handwerk ; à pifcin bras,
by de vadtm ; fe jatter entre les
bras de queicun , zig in iemands ar-
men werpen ; c'eiî f on bras droit ,
Jat is zyn Jieunzel', ■prêter fon bras
à quelcHn, iemand de hand leen'en ',
demeurer les bras croifez, met de
handen over malkanderen blyven zit"
ten; livrer queicun au bras lécu-
lier , iemand aan den waereldlyken
Rechter overgeven ;hras de fauteuil,
leuning van een arm-floel.
Braler, (v. a.) Tzer aan malkan-
der zweeten , fmeeden,
Brafier , (m) Gloed ;gloeijende kool ,
vuur- pot (m) , komfoort (n) ; item
eene liefde-vlam»
Bralilier, (v. a. & n.) Over de
kooien braaden , rooflen.
Braflage , (m) Munt-geld, munt-
loon van het munten van geld (n).
Braflard , (m) ^^rm - ivapen (n) j
arm plaat ( f) van een oorlogs-held.
Brafle , (f) Inadem, vaam.
Bralfée , ( f) Een arm vol, zoo veel
men met ësn arm omvatten kan.
Bras-
BRA. BRE.
BraflTelet. {Zie Brac elet).
Brafler, (v. a ) h rouwen, onder
een metti^en j quaad Jïigten ; ce co-
quin a braffé cela concre lui , die
gui f heeft dat tegen hem gbrouwd;
braffer le^ vtrgues, de reen langs
fchi'pp brajferj) (zee w.)
B ^iirerie, (f) Brouwery.
Brafleur, eufe (m. & f.) Brou-
wer , Örouivjier.
Braffieres, (f. pi.) l^rouwen- of kin-
der-borjîroii (m).
Bi-alTin ,(m)Lirouiv-kuip , (f) brouw-
ketel (m); brouwfel (n).
BraiToir, {rü)Roer-jïok in de munt.
Bravache , (m) Snorker , fnoe'ver ,
opfnyder , zivetzer.
Bravade , ( f ) Trotsheid , gezivets ,
Dpgeblaazenheid.
Brave , (adj.) Deugdzaam ; dapper,
manhaftig , ontvertzaagd ; c'eft un
brave jdat is een onverfchrokken man ',
les braves cherchent à acquérir la*
gloire , de dapperen zoeken roem te
behaalen ; il fait le brave , hy fnyd
wakker op ; c'eft un brave homme ,
dat is een eerlyk man.
Bravé, ée (adj.) Getrotzeerd.
Bravement, (adv.) Kloekmoedig-
lyk, deftiglyk.
Braver, (v. a.) Trotzt^ren ,pogchen ,
opfnyden ; braver les dangers , cte
gevaar en trot zeeren.
Braverie, ( f ) Pracht , Jlaatzîe.
Bravoure , ( f ) Dapperheid , man-
haftigheid , onvertzaagdheid , iedele
roem , vermetelheid.
Bray ou bré , (ra) Teer, harpuis,
Brayer , (v, a) Een fchip met
harpuis of teer bejmeeren,
Brayer , (m) Breuk-band.
Brayetre , ( f) Klep ( f) , gulpje (n)
van e ene broek ; voorbroek.
Bray on, (m) JVryf-ihen^ flamper.
Bréant , (m) Een groene vlas-vtnk.
Brebiage , (m) Schatting die men
op de Schaapen legd ( f).
Brebis, (f) Een Schaap (n); la
brebis bêle , het Schaap blaet j un
troupeau de brebis , een kudde
Séhaapen; qui fe fait brebis le loup
le niange , al te goed is zyn buurmans
gek', faire un repas de brebis, een
muizen maaltyd doen > eetm zqnder
BRE. 29
drinken ; une brebiç galeofe gàtê
tout le troupeau y een Ichurfi Schaap
bederft 'er veele , {dat is) kwaad ge-
zeljchap moet me» altoos myden.
Brèche, {ï) Een bres, opening ■»
breuk in een muur , ofwal,fchaardein
een mes ( f)-, nadeel (n) ; il a fait une
grande brèche à fa réputation j/>y
heeft zyn eer en aanzien zeer verkleind ;
faire grande brèche aux proviflons j
den voorraad raerkelyk verminderen.
Breche-denc, (m) Iemand die een
oj meer der voorjie tanden quyt is.
Biechet , (mj Een Schaapen borfl-
fluk Î . orjl-been (in Ontleedk.).
Biécius OU crocs de palafij (mt
pi.) Talie haaken, {fcheeps w.)
Brtdtndin , (m) Siag-garnaat ,
{zee u.)
Bredouille, ( f) Gagner la \iTZ-'
doa'üle, dubbeld IV innen ; être en bre-
douille , verbyjierd, bedwelmd zyn.
Bredouiilemenc , (m) Hakkeling f
JÎ amer mg {£).
Bredouiller , (v. n,) Hakkelen ,
fa mer en..
Bredouilleur, eufe (m.&f.)flaJ^-
kelaar , Hakkelaarfier.
Bref, breve, {&Û].) Kort , beknopt.
Bref , (adv.) Kort om y en bref,
in korten, wel haaji.
Bref , (m) Paujfelyk brevet , of brief
(m); kort begrip van den roomftbe»
Godsdienji (n).
Brehaigne , (adj.) Biche brehai-
gne , onvruchtbaare Hinde.
Brelan, (m) Een Kaart-fpel me»
drie kaarten.
Brelandcr ,(v. n.)In dqbbel-offpeel-.
fchoolen geJJadig verkeeren.
Brelanaier , .(m^ Een tuijfcber^
dobbelaar , fpeelder.
Brélandi ier , iere (m. & QKoop-
en Ambachts-mcin die geen winkel
heeft ; marsdrauger.
Brelique - breloque , (adv.) Otf»
agtzaam , niet heel vaauw ziende ,
Breloque, (f) Prul, vodde.
Breme , ( f) Braajfem , (vifch').
Eren. (^;> Bran).
Bréneux, eufe (adj.) Bedrekf, be-
vuild.
Brequin , (m) Een boor, {Zie Vi-
lebrequin),
P 5 Brc^
po BRE. BRL
BreCl , (tn) Bois de brefil , brazh
lie- of r 00 J-bout (n).
' Brefiller, (v. a.) Met brazilie'hout
verwen.
Brefillet, (m) Soort van braziUe-
bout ( f ),
Breffin, (m) Palan, ou Gumde-
relTe , taaUe , takel-gyn , om jcheep
iets mee cp te hyjfen.
Bretailler, (v. n.) Om een haver
iaf va» leer , den degen trekken.
Bretaiileur , (m) Ken Snoever-,
Windmaaker , Voorvegter.
Brecauder, (v- a.> Een Paerd kort
oor en.
Bretelles, {£. pi.) Ledere band ^
draagzeel ; band om de broek op te
houden, {een galg genaamd).
Brette, (f) A>« lange degen (m).
Bretteler oa bretcer , (v.a.) Een
tauur af bikken , gelyk maaken.
Bretteur , (m) Een f^oorvegter ,
fen die een lange degen draagd.
Brevet, (m) Gunji-brief des Ko-
rnngs , Schrift ; A£le van aanjielling;
ieer-brtef.
Brévetaire, {m)Een dooreenBre-
vet aange/Jelde, of benoemde.
Bréviaire, (m) Een RoomfchKerk-
tfGety-boiek (n); dire Ton bréHai-
re , zyne getyden , dagelykfche gebe-
den Ie e zen.
Bréviateur, (m) Pauffelyke bullen-
fcbryver.
Breoil , (m) Een omheind bofcb,
dtergaarden.
Breailler, ou brouiller (v.a.)Ies
voiles , de zeilen reeven , opbinden.
Breuilles » (f. pi.) Het ingeivand
van een Haring.
Breuils , (m. pi.) Reef -banden,
{Scheept w.)
Breuvage « C"^) Drank.
Bribe , ( f) Een Jluk brood (n) ,
overgefchooten brok (ra).
Bricole , ( f) Ledere draag-band
(m) 9 j^agt-net (n)j draai , bogt van
een bal (m) ; Paerden-tuig (n)) c'eft
ane bricole,d^ is eene beuzelagttgt
merfcbooning.
Bricoler, (v. n.) Weerom fluiten y
U rug fpringen; uitvlugten maaken.
Bricoteau, {m)Tree van een weef-
getouw.
• Bride, (f) Een torn (m)i li^
( BRf.
cher Ia bride à un Cheval ^ n»
Paerd den toom vieren ; retenir la
bride à un Cheval , een Paerd kort
aan den toom houden -y lâcher la bri-
de à quelcun , iemand den vryen
teugel vieren ; lâcher la bride à
fes paGlons, ztg door zyne harts-toch-
ten laaten vervoeren; aller bride en
main dans une affaire, heel omzig-
tig in eene zaak te werk gaan', bri-
de de béguin , een keele-band; brides
à veau , fpreukjes voor eenvoudigen.
Bridé , ée (adj.) Getoomd, gebrei-
deld; la becafle eil bridée, c?^ vogei
ts in de knip, (fpr. w.).
Brider, (v. a.) Toornen ; betoomen ,
breidelen', brider 1'a.ncre , het anker
bekleeden om niet te diep te zakken.
Bridoir, (m) Kin-doek , km-band,
Bridon, (:n) Ltcbte toom.
Brief, brieve , (adj.) Kort, {ztê
Bref).
Brièvement, (adv.) Kortelyk ymet
weinig woorden.
Brièveté, (f) Kortheid.
Brifer , (v. a.) (gem, w.) Vreeten ,
gulzig e et en.
Brifeur, enfe (m. & f.) Vraat y
gulzigaard.
Brigade, (f) Een hoop Ruitery',of.
Voet-volk (ca) ; fchaare , meenigte(i)',
gezelfchap^ (n).
Brigadier, ( m ) Bevel -hebber ;
Brigadier.
Brigand , (ra) Struik-roover,
Brigandage, (m) Rooverye, dieve-
rye (f).
Brigander, (v. n.) Struik-rooven ^
plunderen.
Brigantin , (m) Een berkentyn-fcbip
(n).
Brignole , ( f) Zekere pruim ko-
mende van Brignolen.
Brigue, (f) Kuipery y na-jaaging
(f); la brigue étoit forte , de kui-
pery wasflerk.
Briguer, (v. a.) Kuipen; briguer
une charge , een ampt bekuipen.
Brigueur, (ra) Kuiper ,ampt-kuiper*
Brillant, ante (adj.) Gltnjïerend,
flonkerend, vlug, levendtg-, vrolyk ,
lujiig.
Brillant, (m) Luîfier y glans -, le»
vt9tHgb9i4 i vhtgheid {t)% " ^ .,
BRI.
Brillantcr, (v. sl.) Blinkend y glin-
fierend maaken.
.. Briller, (v. n.) Blinken, gUnJîe-
ren i levendig van aard zyn-, ceft
un efprit qui brille , dat is een
vlugge geejî.
Brimbale , (f) Gek-Jîok rjan de
pomp (m).
Brimbaler , (v. a.) De klokken lui-
den , alarm maaken.
Brimborion, (m) Vodderye , beu-
zel ing (f).
Brin , (m) Een grasje , ziertje ,
/piertje (n) ; brin à brin , van Jiukje
tQt beetje,
Brinde y (f) Kleine Merrie.
Brind'eftoc , (m) Pots , fpring-fiok
em over de Jloaten te fpringen.
Brindes, ^f. pi.) Faire des brin-
des, malkander en toe drinken, {oud vu.)
Brioche , ( f) Zeker gebak van Pa-
rys (n).
• Brioine, ( f) Een foort van wilde
wyngaard (m).
Brion , (m) Het bovenjïe Jiuk van
een S chips voor (leven (n).
. Brique , ( f ) Gebakken-JJeen, klin-
ker , mop-Jieen, tichel-jieen (m).
Briquet , (m) Tzer bejlag , als aan
tafels enz.(n).
Briquetage y (m) Nagemaakt te-
getwerk (n).
. Briqueter , (v. n.) Met tichel-
jieen beleggen î iets ticbel-wyze maa-
ken f nabootzen.
Briqueterie , (f) Steen-hakkerye
(f), i> teen-oven (ra).
Briquecier , (m) Steen-bakker.
Bris, (m) Breuk (m)î Jioating ,
bryzeling van een Schip, verbree-
king van iets , als van een zegel , ge-
'jangenbuhs , enz. (f).
Brifans, (f. pi.) Blinde klippen',
brandingen der zee.
Brife, (f) Avond wind y pajfaat
wind-, fchutbord aan eenjluis (m).
Brifé, ée {d^d'].) Verbryzeld; ge-
vouwen', porte brifée , een vouw-
deur-, un cœur brifé,*«ï verjlaagen
hart.
Brire-cou , (m) Een Jlegte tree op
een trap (m) , ongemakkelyk trapje
(n), (gem. w.)
^fifées, (f. fl.) Met takken ^e^
BRI. BRO. 9ï
Jiraoide wegen ; aller fur les brilèes
de quelcun , het voet-fpoor van ie-
mand volgen ■, hem cfn'ermyren.
Brifement, (m) < erbryzeling (f).
Brifer, v. a. C* n.; lerbryzelen* .
breeken; ils ont brifé enfemble, zy
zyn onvrienaen gewerden; brifona* Ja-.
deffas , laat ons niet meer daar
van fprecken; unt va Ja cruche à
l'eau qu'à la fin elle fe briié , de
kruik gaat zoo lang te wcter tot dat
zyberji.
Brife-vent , (m) Wind-fcherm van
riet in tuinen (nj.
Brifeur, (m) ^erbryzelaar-, bri-
feur d'iœages, beeld-Jiormer. .
Brifis, (m) Een platte gebroken
gevel.
Brifoir, (m) Een braak voor vlas
of hennip,
Brifure, (f) Balk of keep m een
wapen y {in l^'dpenk.)
Broc , (m) Een but , groote wyu-
kan , flap; manger quelque choft
de broc èn bouche , iets van hef
fpit in den mond Jï e eken y eet en zoa
ras het gaar is.
Brocanter, (v. n.) In rariteiten
handelen , ruilebuiten.
Brocanteur, (m) Rariteit - kraa-
mer, verruilder.
Brocard , (m) Een fpot- offchimp-re'
den f een Ji eek (n).
Brocarder, {v.ü.)Befchimpen, met
woorden Jieeken.
Brocardeur , eufe (tn. & f.) Be-
fchimper ; befchimpfler.
Brocart , (m) Coude of zilvere ge-
weeven Jloffe (f).
Brocatelle , ( f ) Stoffe waar van
hebangzels maakt.
Broccoli, (üï) Spruiten van oudi
koolflronken.
Broche , ( f) Een braad-fpit ifpylt-
je,/iokje om kaarjfen y haaringen enz,
aan te hangen ; tapje , zwikje in een
wyn-vat (n)^ fptl van een fpinne-
wiel ; fchoenmaakers bros ; rans aan
een druk-pers ; brey-naald (m) ; œeCr.
tre à la broche, aan het fptt Jlee-»
ken ; tourner la broche , bet fpit
draaijen; mettre une futaille ea
broche , een vat ontjieeken.
Broché, ée (adjO Gàreid, enz^
^2 BRO.
Brochée, (£) Een f pi f vol ge-
braad; een fpyl vol kaarjen.
Brocher, (v. a.) Bretjen; een na-
ftel in de hoef van een Pcierdjlaan ; de
polleveijen der fcboenen vajl pinnen j
verhieven werk op een Jl off e maaken ;
in der haajl iets afroffelen; brocher
un livre, een boek innaaien.
Brochév, (f. pi.) De Jlag-tanden
van een zviU Zuyn', de hoornen van
9 en Rbe e-bok.
Brochet, (m) Een Snoek (vifch).
Brocheton, (m) Een kleine Snoek.
Brochette, (f) Een houte fpectje
(n).
Brocheur, eufe (ra. & f.) Brei-
jer , breijier,
Brochoir , (m) Haef-fmits kUnk-
hamer.
Brochure , ( f) Ingenaaid boek ,
klein boekje' {n).
BiOje,(adj.) Bruin, zwartagtig
van vel.
Brodé, ée (adj.) Geborduurd j ge-
Jiikt.
Brodequin , (ra) Een broosje , half
laarsje, oud fchoeizel der toneelfpee-
leren(n); ttem been-yzer ter pyntging.
Broder, (v. a.) Borduuren , fit k-
ken-, breder un chapeau , een hoed
emboordm; broder du point , kant
tnet ople^-iverk vercteren ; broder
OU embellir un recic, een verbaal
wet veel omjlandigheden verderen.
Broderie, (f) Borduur -iverk ;
bloemperk {'r\);opfchikking eener reden.
Brodeur , eufe (m. & f.) Borduur-
der \ borduurjier ; autant pour le
brodeur, het verhaal is wakker op-
gec ierd.
Brodoir , (m) Hoedemaakers zyde-
Uos. , ^
B-oie , ( f) Een hennip-braak.
Broiement, (m) U^ryving der ver-
wen , enz.
Bronchade, (f) Mtstred t valfibe
fiap (nr,).
Bronchement,(m) Sruikeling (f).
Broncher , (v. n.) Struikelen; il
■n'efl: fi bon cheval qui ne bron-
che , hst bejîe paerd Jîruïkeld wel
eem , (fpr. w.)
Bronze, ;m) Metaal; zeker koper
9iet andere berg-jiofen vermengd {n)^
BRO.
cœar de bronze , jleene hart; Jet-
ter une ftatue en bronze , een me-
taaie beeld gieten.
Bronzé, ée (adj.) Verkoperd ; cnlx
hronzé , kamoes-leer.
Bronzer, (v. n.) Mef mef aal-verf
overjiryken.
Broquart, (m) Een jong Hert.
Broque, {() Spruit van oude kool-
flronken.
Broquettes , (f. pL) Kleine nagelt'
jes met ronde koppen,
Broflailles ou brouffaîlles ,(f.pl.)
Doornen, Jirui ken , haagen.
Broffe , ( f) Een borjlel , kleêr~bor-
Jiel, kzvajl (m).
Br offer , (v. a.) Afborjlelen ; door
beggen en Jiruiken loopen ; br offer
les lettres , de vormen afwajfchin
(by Drukkers).
Broffier , (ra) Borfiel-maaker.
Brou , (m) Spruitje , lootje , dat in
't voorjaar uit de hoornen komt (n) i
fchil van groene nooten , boljïer.
Brouaiiles, (f. pi.) I>jgewand van
vifch , enz.Jn)'
Brouéé, (f) Mijl, nevel, fiofre^
gen (m).
Brouet , (ra) Soppe , d'ie men gewoon
was aan de bruid te geven; ce fut
un maigre brouet , dat was eene
magere foppe.
Brouette, (f) Krui-waagen ; me-
ner la brouette , met de krui-waa-
gen ryden, loocen.
Brouetter, (v. a.) Kruijen.
Brouetteur ou brouettier, (ra)
Een Kruijer.
Brouhaha, (ra) Gefchreeuw; hand-
geklap in een bly-fpel (n) (gem. w.)
Broui , e, m ) Blaaspyp van een
emailleerder ( f). ^
Broui ie (adj.) Verzengd.
Brouillamini , (m) Mengelmoes (n) ;
verwar dp reden.
Brouillard , (m) Mifl , nevel; Koop'
mans klad-blopk; papier brouillard j
klad- of zuig-papier.
Brouille, (f) (Xie Brouillerie).
Brouillé, ée (adj.) Ofjder een ge^
mengd.
Brouilleraent , (ra) Brouillemenc
des couleurs , mengeling der klew
ren»
Srouil-
BRO. BRU.
Brouiller , (v. a.) /^ < rmengpn > ver-
njvarren; tweeAragt wrwekken -, ils
foUL brouilltz, zy zyn oneentg ge-
ivorderi; brouille; la cervelle , de
herflenen verwarren ; brouiller du
papier, f.afier bek/aMen; fe brouil-
ler, (v. r.) met iemand vriendfchap
brei'ken.
Brouillerie , (f) IWwarring ;
tweedragt, onluji ^ onrujl (£),
Brouillon, (m) Klad-papier daar
men iets ter hops op fcbrypy Koop-
mans klad-boek (n). ,
Brouillon, onne (m, &f.) Twijl-
Jïooker , Jloóke brand, wargeejl ; f wijl-
Jiookjïer. <
Brouir, (v. a.) Verbranden , ver -
Zengen , {van kooren gezegd).
BrouJlTiire, (f) y'erbranding van
de bïopjfem en bladeren der boomen.
Er> uflïn , (rn) ^wam van een majl-
boom ( f).
Broutant, ante (adj.) Bêcesbrou-
tantes, loof-eetende dieren.
Brouter, (v. a.) De toppen van 't
gras , de kleine takjes af-eeten^ af'
knabbelen , (gelyk de Geiten) de takken
korten (by Boven.).
Broucilles, (f. pi.) Dunne takken,
daar men takke-bojfen van maakt.
Brouts , (va. pi.) Spruitjts der boo-
men die de dieren af knabbelen.
Broyé, ée (aaj.) GemaaÏen, ge^
Jiampd.
Broyement , {beter Broiement)
(mj , Het maaien of wryven van ver-
wen of kleuren (n).
' Broyer , (v. a.) Maaien j wryven ,
Jiampen.
Broyeur , (m) Een wryver.
Broyon , (na^ Een wryfjleen , {by
Schild.). '
Bru , (f) Schoon 'dogter , {zoons
vrouw) .
Bruart, {m) Een groene Vlas-vink.
Brugnon , (ra) Zekere rood-veriit-
ge p(rfik{{), ^
Bruine , (.f) Mot-regen , Jiof-re-
gen (m).
Bruiner, (v. imperf.) Mot-rege-
tien , motten.
Bruire, (v. n.) Tieren, raazen ,
IruiJJ'chen.
BruilTement; (m) Raazing , bnm-
fcbwiif).
BRü. 95
Bruit , (m) Gei aas .geruifch ,getier
(n)j plus cie bruit que de beiogne,
veel gerucht s en wtinig wol ; fon
nom t'ait grand bruit dans ie mon-
de , zyn naam maakt een groot ge-
rucht in ue uatreld ; l\s exploit»
auront un bruit toujours durable,
zyne idaaden zullen eeuwiglyk ver-
maard zyn; faire courir un bruit,
een gerucht uitjîrooijen ; avoir da
bruit avec quelcun , met iemand
twij} hebben; à petit bruit, zacht-^
jes , Jîtlletjes.
Brûlant, ante (adj.) Brandende,
heet ; brûlant de zèle , van yver
blaakmde.
Brûlé, ée (adj.) Verbrand, ge-
brand.
Brûlé , (m) Aangebrand , gefmeuld;
omelette qui içnz le brûlé , firuif
die aangebrand is , of als zoodanig
riekt.
Brulement, (m) Brand -Jlicht ing ^
branding.
Brûler, (v. a.) Branden, verbran-
den.
Brûler, (v. n.) Verbranden, door
vuur verteerd worden j brûler de
quelque pafllon, van eenige drift
blaaken', il brûle d'envie de fe
venger , hy brand van verlangen om,
zig te wreeken; je brûle d'amour
pour elle , ik blaak van liefde toP
haar-, fa chandelle brûle par les
deux bouts , zyn kaars brand aan
twee kanten , {dat is) de man verteerd
zyn geld buitens, en de vrouw binnens
buts.
Brûleur, (m) Brand-Jïichter.
Brûlot, (m) Een brander, {fchip
waar mede andere in brand gejïooken
worden), werp-toorts ; j'ai avalé un
brûlot & j'en ai la gorge toute en
feu , tk heb een brand -brok {iets dat
t.' Jïerk gezouten en grpeperd is) inge^
Jlokt, en heb 'er de gloed nog van
in de keel.
Erulure , { f) Brand, gehrandheid^
Brumal, aie (adj.) Dât 's winters^
of tn den winti-r komt.
Brume , (f) I^en zwaar e mif} of
nevel 'm) , een' dik betrokki ne hi-ht { f )-
dans la brume tout le mon ie eft
pilote , uityd van nogd is t^oy meefler^
Bru-
i4 BRU. BU. BU A.
Brun, (m) Hrnine kleur , een bruhi-
hairige; bai-brun, kajianje bruin.
Brun , une (adj-) Bruhi; couleur
brune , esve bruine kleur ; humeur
brune, eenztvaarmoe digeinborjl.
Brune , ( f ) Een bruinet , vroww-
menjch dat bruin hjir beeft i fur la
brane y in iiefchemf ring.
Brunelle, (f) Beer en-cor , {zeker
Vfonde-kruid).
Brunec, ecte (adj.) Bruinachtig.
Brunette, (f) Bruinetje, bruin-
meisje (n).
Bruni, ie (adj.) Gebruineerd.
Brunir, (v. a.) Bruineeren, gtad-
maaken.
Bruniflage , (ra) Bruineer-werk (n).
Brunifleur, eufe (adj.) Bruineer-
der f bruineerjier.
Bruniffoir , (m) Een bruineer-fteen
tfftaal.
Braniflure , ( f) Het bruineeren.
Brasque , (ad j.) Haafiig , oploopend ^
Jïuurs, bars, wuft , wtld.
Brasquerabille , (m) Zeker Kaart-
fpel.
Brusquement , (adv.) Barjfelyk ,
haafitglyk , opjluivend.
Brusquer , (v. a.) Bars bejegenen.
Brusquerie , ( f)Barsteid,Jiuurs-
heid.
Brut , ute (adj .) Onvernuftig , ruuw;
fcête brute , onvermifttg dier ; fucre
brut, ruwe zuiker-^ diamant brut,
Ongeflepene diamant.
Brutal 5 aie (adj.& f.) Beejïagtig; on-
hefcboft ; een onbeschoft kaerel o/vrouw-
menfcb.
Brutalement, (adv.) Onhefchoftelyk.
Bratalifer, (v. a.& n.) Onbefchoft
iijegenen , beejïagtig leven.
Brutalité , ( f) Onbefchoftbeid.
Brute, (f) Een onvernufttg dier;
lés brutes , het redenlooze vee (n).
Brutier , (m) Een Havik , (zekere
Roofvogel.
Bruyant, ante {&à.].) Geraas maa-
iend., tierend; voix ,mer bruyante ,
harde flem ; bruijfende zee.
Bruyère, (f) Eene Hei ^ Heide.
Bu , bue {z.'i].)Gedronken ; bezoopen.
Buanderie , ( f ) Een waf: h-huis (n).
Buandier , iere (m. & i.)JVaJfcher ,
tvafchjier, {beter Blanchiffetu: , eufe)
BÜB. BÜC. BüE. BUF. &e.
Bube , ( f) Klein gezwel jpuijije op
bet vel (n).
Buberon, (ra) Kinder-tuit -, tutti
tuit-kan (f).
Bubon, (ra) Gezwel aan de Liefck
(n),pej}.buil(£).
Eabonocele ,(m) Een foor t van
breuk aan defchaamdeeïen,
Buccinateur ,{m)Een die de trom-
pet , bazuin blaaft. {oud w.)
Buccine , ( f ) Een Bazuin [oud w.)
Bucentaure , (ra) JZ'eker l^ene-
tiaanfcb groot, galjoen fchip (n).
Bûche , ( f) Een groote dikke blok
brandhout (ra) ; kers-blok ,} een dom
onverfïandig menfch (n)} een Haring-
buis (f).
Bûcher, (m) Hout-zolder', een hoop
hou- } hout-Jïapel- of myt.
Bûcher, (v. à.) Hout hakken tot
br and-hout.
Bûcheron , (m) Hout-kapper-bak-
ker ; opjlapèlaar daar van.
Bûchette, (f) Een Idein droog
houtje (n) , af-jal.
Buée, (f) Deloog-wafch(xn),{oudw.)
Buffet , (m) Èen aanr echt-taf el ,
tafel waar op men glazen , vaaten ,
enz. zet (f); al het zilver-werk dat
op de tafel diend; kas waar in d2 or~
gel-pypen Jiaan y Buffet , (n).
Buffeter, (v. n.) Een wyn-vat on-
derweeg open boor en om daar uit te
kunnen drinktn. -
Buffeteur , (m) Een die de vaaten
weet op te Jïeeken om 'er uit te drin-
ken.
Bafïïe,(m)5«/>/ , wilde os; Uére kol-
der (ra) ; een onverfïandig menfch (n) ;
cacher un buffle fousfon pourpoint,
een zot zyn.
Bugle , ( f) Beeren-oor , {zeker won-
de-kruid).
Buglofe , (f) OJfe-tong, (zeker
kruid).
Bugrane ou bougrane , (f) Pra»g-
•wortel (m) ,Jlal-kruid (n).
Buhots, (ra. pi.) Geverfde ganzen-
veeren die de pluim-maakers op hun
vengfler zetten.
Bujre OU buie (f) Een groote zil-
vere*ofporcelyne pot of kruik (m).
Buis , (m) Palm ; palm-boom (m) ;
een palm-boomen Ukhout der Schoen-
maa-
BÜI. BUL. BÜP. BUR.
nmakers (n) ; peigne de buis, een
palm boute kam (f).
Buiflbn , (m) Doorn-hofcb (n) ; doorn-
haage (f); buiflbn ^xàçnt ^branden-
de braam-bofcb ', planter des arbres
en buiflbn , dwerg - boomen plan-
ten.
Buiflbnnet, (m) Klein bofcbje (n).
Buiflbnnier , iere (adj.) Faire
l 'école buiflbnniere yfpeeten hi plaats
van fchool gaan', een krampje loopen.
Biilbe, (f) Bloem-bol (m).
Bulbeux , eufe (adj.) Bolacbtig,
dat met een bol waji.
Bullaire , (m) I^erzameïtng van
Bullen , ofpaujfelyke brieven ( f).
Bulle, (f) Eene Bulle, Paujfelyke
brief (m); fulminer une buUe , een
Kerkelyke Wet uitblikzemen j bulle
{in deNatuurk.) Lucbt-bolletje in heet
waters
Ballé,ée (ad}.) Met de noodige ze-
gels voorzien.
Bulletin , (m) Ordre der Overigbeid
toP bet buisvejien der Krygsheden -,
keur-eedel , waar by men zyn fiem
geeft; item gezondheids-pas.
Buraliflie, (m) Commis, fcbryver
çp een 's Lands- comptoir.
Burat , (m) Grof- of py-laken {n).
Bure, (f) Py, {grove fioffe)
Bureau , (na) Sebryftafel{f) ; Comp-
toir (n) ; bureau des polies, poji-comp-
t9ir,poJÏ-buis j bureau d'addrefle , ie-
mand die alle nieuws weet ; prendre
l'air du bureau , navorfcben nu at gevoe-
lens de Rechters over eene zaak heb-
ben j Ie bureau n'eft point pour
lui, de Rechters zyn niet voor hem;
bureau des impôts, het impoji-comp-
toir; Paris efl Ie grand bureau des
merveilles, Parys is het groot comp-
toir der wonderheeden,
Burelé, ée (adj.) Met fmalledwars-
fe fïrerpen bezet (in Wapenk.).
Buret , {m)Een purper vifch, daar
de ouden purpere verwe van bereid-
den.
Burette , ( f) Wyn-kan voor 't u4U
taar (m)', olie-fiesje (n).
Burettier, (m) Mis-dienaar.
Burgau , (m) Meer-Jlak { f).
Burgrave , (m) Burg^graaf.
Bnrin , (mj Graveer-yzer {n).
BüR. BÜS. BUT. 95
Buriner , (v. a.) Graveeren , fny^
den, uitjleeken.
Burlesque , (ad j.& f.) Boertig }fpot~
achttg j klugtige fchryf-Jlyl.
Burlesquement, (adv.) Boertiglyi.
fnaakeriglyk.
Burfal , aie (adj) Edit burfal,
geld-placcaat.
Bufc, (m) Plansjet in een ryg-lyf
(n).
Bufe , (m) Een Havik , {zekere Roof^
vogel); een gek , botmuil , Jïeiloor.
Büsquer , (v. a.) Busquer fortu-
ne , zyn geluk zoeken.
Basquiere . ( f) Schuif; item borfi^
aan een ryg-tyf.
Bufte , (m) Borjï^beeld (n).
Buftuaire , (mj Kampvechter by de
Romeinen.
But, (m) Oogmerk y oogwit y doel-
wit (n); arriver à fon but, zyn
oogmerk bereiken; frapper Ie bVit^ bet
doel treffen; de but en blanc , lojfe-
lyk , onbedagtelyk y zonder overleTi
jouer but à but , kamp op fpeelen.
Butage, (m) DienJÏ die eenenBoer
zynen Beer verfcbuldigd is.
Bute , ( f) Tzer om een Poerde^
hoef mede uit te fieeken (n).
Buté, ée (adj.) f^oargenoomen, ge^
mikt , gedoeld. *
Buteau , (m) Een onbeleefd menfcb»
Buter, (V. nO Mikken, doelen,
ergens op oogen.
Butiere ou buttiere, (adj.) ^f-
ker roer om mee naar de Vosel te
fchieten (n). ^
Butin, (m) Buit, roof die men op
den vyand haald. ^
Butiner, {v.z.)Buit maaken .roo-
ven , plunderen.
Butor, (m) Roerdomp ,putoor.(zf^
kere vogel). ^
Butor, orde (m. & f.) Een dom^
onbefchoft menfch {n). *
Butce, (f) Een opffeworpen beu.
^f f daar de fihutters flaan ; het
doel derfchutters {n); être en batte
a ren vie, de nyd ten doel zyn.
doel ; { figuur i.) na iets flreeven ; f»
butter , (V. r.) zig bepaalen.
Butyreux, eufp (adj.) Zaanlgy
roomtg, \ V j / 5>
Btt-
BUT.BUV.BUZ.C.&c.
Buvabi-e, (adj.) Drmkbaar.
Bu van de , ( f ) Zap dat men uit den
àroejfem der druiven haald (n).
Buveau , ( m ) îVinkel-baak , ( in
Bouwk.)
Buvetier , (m) JVaard van de drink-
plaats der Raadiheeren van 't Parle-
Biwette, (f) Drink- of ververfch-
plaats mor de Raadsheeren van 't
Buveur, fm) Drinker . zmper , zwei-
oer , likkebroér , nat-hals.
Buvotter, (v. n.) Met kleine teug-
jes drinken
Buze , (t") Pyp van een b laas-balk.
*:}:***-+***H=***îl-Hî*;!:***:M«-t**^--*îi^H:
C(m) C.(f) 3^^^ Letter van*t A,
' B j C , wordende voor a , o , en
U (in de franjche taal) uitgefprooken ,
els k [by voorb,) cabarec, colonne,
cuve j maar voor e en i heeft zy de
klank van f, (by voorb.) ciment, cé-
der ; insgelyks eok voor a , o , en vi 7
wanneer 'er een teekentje , (cediUe)
mder gefield word , (by voorb .) fa ,
■Façon, Leçon, François, enz.
Ça, , (adv.) Hier , herwaar ds ; cou-
rir ça & là j gins en herwaards ko-
pen; qui ça, qui là, de eene hier,
de andere 'daar.
pa,(interj.) Lujïig , wakker; ça
qu'on mette la main à l'oenvre ,
t'fa da*^ men de hand aan 't werkflâ.
Cabale , ( f ) Verborgen uitlegging
ier H. Sehrift , zamen-rotting van
fommigen die malkander en heimelyk
iu^r/ïa<3«, kabaal.
Cabaler, (v. a.) t' Zamen fpannen;
t' zanten rotten; iets kwaads heimelyk
ontwerpen.
Cabaleur , (m) t' Zaï^en-rotter , een
die met anderen t'zamenfpand om een
beimelyke aanjlag uit te voeren.
Cabaliae , (m) Jood die in de ver-
borgen uitlegging der H. Schrift erva-
ren is.
Cabalïftique , (adj.) Geheim-kun-
CAB.
dig ; verborgen j rcverie cabalïfti-
que , yuudfche mynieriiig.
Ca bat e , (.f) Éen klein hui s je, hut*
je , Jlulpje (n) j Zeemans kooi ( f) ;
ttem een bedekte platte of tent-fchuit.
Cabane r, (v. n.) Hutten opjiaan.
Cabanon, (m) Klein l^uije.
Caoaret , (m) Herberg ( f) , ffjn-
huis. Kroegje (n)> cabaret b;rgne,
Jlegt kro£'gj'i of daar weinig neer ing is.
Cabaretie - , iere (m. & f.) l^aard ,
ÏVaardln^ener herberg.
Cabare tique, (adj.) Kroegagtig y
Waards-huisagt ig .
Caba:- , (m) Een vygen-korf.
Cabafle , ( f ) Dronke todde, hoe-
ren-%vaardin.
CahdiTer ,(oud en gem. w.) Geld te
tarnen fchrmnpen; met bedrog zwan-
ger gaan ; iets heimelyks ivegkaapen ,
Jleelen. '
Cabaflet , (m) Een helm , flormhoed
voor deezen.
Cabéliau, m) Kabeljau.
Cabéftan, (m) Spil om 't anker mee
op te winden; cabeflan volant , loffe
fpil , hand fpil ; envoyer au cabéftan,
y voor de Ipil jl'-affen.
, Cabille, (f) Hoop volks, als: een
1 horde .arabieren , enz.
I Cabill-ts, (m. pi.) Juffers ^ rond-
; houten met 3 gaten aan het wand vari
! een Schip.
\ Cabinet, (m) Kafï , kuhmet; ge-^
! heim- fiudeer- fch-yf- pronk- konfl-
i rariteit-kamer f Itfl-huis , tuin-huisjey
prieel ; orgel-kafl , hand-orgel ; item*
geheime Staat s-raad. h
Cable , (m) Kabel , anker - touw '/
cable d'affourche , (grelin) lui-touwy;
bitter Ie cable, ^c/ kabel om de bee-^
ting vaji maaken j filer le cable, &o?j
vieren. ■' ' . ]
' Cableau , (m) Kleine kabel, boots-\
touw , tros« \
Câbler, (v. a.) Touw flaan , van^^
veele touzven een maaken. .'.
Cablot, (m) Klein touwije of reep»',
Caboc hard , de (adj .) Groot-koppig. ,
Caboche, (f) Een taats of fcboen-'
fpyker ; (flguurl.) hoofd-, kop.
' Cabochon, (rubft.& adj.) Schoen-,
fpyker; rubis caboehon, ongejlepen-
^ ■ Cabo-
CAB. CAC.
Cabotage , (m) Zeiling langt de
fCuJlen.
Caboter , (v. a.) Langs de- Kuflen^
vaaren , af en aan zeilen.
Cabotcier, (m) f^aartuig daar toe.
, Cabre, (f) Een Krtkkemik (iverk-
tutg om Scheep iets mede op te hys-
fen).
Cabré, (adj. m.) Cheval cabré ^
overeind Ji^^nd Paerd^ (in fFapenk.)
Cabrer , (v. n.) fe cabrer , (v. r.)
Steigeren; opjluiven; ce cheval fe
cabre, dat paerd jleigerd ^ un hom-
me fage ne fe cabre pas ^een verjlan-
dig man word niet toornig.
. Cabri , (m) Jonge Cetten-bok.
Cabriole ou capriole , (f) Lugte
Sprong^ krulfprong, kab riool.
Cabrioler ou caprioler > ( V. n. )
Springen.
Cabriolet, (r») Rytuig (dus ge-
naamd).
Cabrioléur oa caprioleur , (m)
Kabriool maaker.
Cabrions, (m. pi.) Blokken ^klam-
pen onder affuit-wielen om ze tegen
te houden.
Cabrit. {Zie Cabri).
Cabron , (m) Joag Geiten leer.
Cabus, (adj.) Choux cabus ou
pommé, Buis-kogl.
Caca, (m) Drek , kafi , (kinder
woord).
Cacaber , (v, n.) Schreeuwen als
een Veldhoen.
Cacade , ( f) Afgang , Jioelgang ;
fegte uttval eener zaak.
Cacao , (m) Kakau.
Cacaoyer ou cacaotier 9 (m) Ka^
'kau-boom.
Cachalot, (m) Kaasjelot, een der
grooijle foort vun Walvifchen.
Cache, (f) Schuil-plaats^fchuil-
boek ; fluip-winkel.
Cachement , (m) Verberging (f).
Cache-platine, (f) Loode plaat
over het londgat van een gefchut of
Jleutelgat.
Cacher, (v. a.) Verbergen y ver-
fleeken, geheim houden^ fe cacher,
'v. r.) zig verbergen, verfchuilev.
Cachet, (m) ZegH^Jignet , let-
tre de cachet , KoningU bevel brief.
Cacheté, it i^d'}) Verzegeld,
CAC. CAD. 5/
Cacheter, (v.a.) toezégeïe» 9 ver^
zegelen.
Cachette, (v. a.) Schuil- hoekje -,,
en cachette, in 't verborgen, ter
fmuiks.
Cachexie , (f) Verdorvene lighaam»
geflcldheid.
Cachot, (m) Donker hol in een ge»
vangenbuis.
Cachou, (ra) Zeker Tndiaanfchboom-
fap Itefiyk in de mond.
Cachrys, (m) Rozemaryn.
Cacique ^{ra) Bevelhebber der zwer*
vende yirabieren.
Cacochyme, (adj.) Ongezond ■» voi
met quaade vogten , (;« Geneesk.)
Cacochymie, (f) Quaade gefield^
beid des b toe ds.
Cacoethe, (adj.) Ulcère cacoe-
the , vergiftige zweer , {in heelk.)
Cacophonie , ( f ) Onaangenaam
geluid van t' zamenjlootende woorden,
Gacozéle ,' (m) Ontydige f ever.
Cacumine, (fj Gevel, fpitfe^
Cadaftre , (m) Schat of hoofd re*
gijler.
Cadavéreux, eufe (aâ},)Doodver^
wi^.
Cadavre, (m)Dooi/ lichaam, tyk (n).
Cadeau , (m) Cierlyke trek met dé
pen j cterlyke doch onnutte arbeid ; gajï-
maal', onnuttige iojlen.
Cadedis , ( interj. ) Slappremenf j,
(gafconier vloek).
Cadenas, (m) Hangjiot»
Cadenafler, (v. a.) Met een bang^
flot fluiten, {weinig gebr.)
Cadence, (f) Geregelde y gepafiê
maathouding in de zang- rym~ ry»
konfl of in een redenvoering , enz.
Cadencer , (v. a.) Cadencer les
périodes , de volzinnen (periodes)
wel afpaffen , aangenaam voor 't ge*
hoor maaken.
Cadene, (f) Slaven-ketting ; put"
ting aan de hoofd-touwen , {zee w,)
Cadenette , ( f) Middetfle lok van
een knoop-paruik-, hair-vlegt.
Cadet, ette (m. & f.) Jongde of
jonger broeder-zujier -, cadet aux gar-
des , cadet , adelborfl onder de gaf dei §
il eft mon cadet , hy is jonger inde
bedieninge als ik-, cadet de hautap*-
petit , e«nfmarmerffmulbrQ§r^,ci^'
93 CAD.CiE.CAF.CAG.
dets, (pi.) jongs beeren dien de Ko-
ning de ivis- feeken- bouw-kunde enz.
iaat Ie er en.
Cadette , ( f) /Vierkante vloerjieen.
Cadetter, (v. a.) Met zulke Jleenen
beleggen.
Cadi, (m) Turfche Richter.
Cadilesquer, (m) Opperrechter in
Turkyen.
Cadis , (m) Een foort van fergie.
Cadifé , (m) Soort van droget.
Cadmie. {Zie Calamie).
Cadmus, (m) Halve god by de
Grieken.
Cadole , (m) Klink van een deur (f).
Cadran , (m) Uur-wyzer, uur-plaut.
Cadrature, (f) 't P^ierendeel van
een ivyzer-plaat.
Cadre, &c. (Zie Quadre).
Caduc, uqae (adi.) Oud, zwak,
bouwvallig, vergankelyk ; Ie mal-ca-
duc, fi^ vallende ziekte.
Caducée, (m) Staf van Mercurius.
Caducité , (f) Bouwvalligheid,
verzwakkiKg.
Caduque. (Zie Caduc).
Et Caetera , (Latyns w.)in 't Franfcb
Jïeld men &c. enz. of, en zoo voort.
Cafard , arde (adj. & fubft.) Schyn-
heilig.
Caferderie, (f) Geveinjiheid , but-
chelary,
Café,(m) Kofy, Koffy-boon (f);
Koffy buis (n).
Cafetan ou CafFtan , f m) Rok die de
Turkf-he Keizer als een eer- teken geeft.
Cafetier 9 (m) Koffy- bande laar-
Jchenker.
Cafetière , ( f ) Koffy -kan-ket el-pot.
Caffila, (f) Bende, hoop reizigers
in Indien*
Cage, (f) Fogehkooi, kevie-, klein
beknopt buisje of kamertje ; bet geraam-
te van eenig gebouw ; mars van fchip j
kaas-vorm ; tralie op een Zilverfmids,
of voor eenig ander vengjier',de ruim-
te voor^ een trap of klok j mettre en
cage , in de kooi zetten ; item in een
gevangenhuis zetten.
Cagée , ( f) Een kooi vol,
Cagerotte, (f) Kaas-vorm. (Zie
Cage).
Cagier , (m) VogeUkraamer .
Cagnard , arde (adj, & f.) ^«/j 1
Miaardp (gem* w.)
CAG. CAH. CAI.
Cagnarder , (v. n.) / û izig leeven
Cagnarderie, (f) l'adztgheid.
Cagnardife , ( f) Luiheid.
Cagneux , eufe (adj.) Krom van
beenen.
Cagot, otte (adj. & f.) Scbynhei-
lig; huichelaar.
Cagotterie, (f) Schynheiligheid.
Cagotisrae , (m) Huiehelar'y ,fchyn'
heiligheid {Î).
Cagou , (m) Een aartsgierigaard,
vrek. (gem. iv.)
Cagoaillff , ( f ) Cieraad aan 't gal-
joen van een fchip.
Cague , (f ) Een Kaag, (vaartuig
in holland).
Cahier, (m) Ingenaaid fchryf boek ;
item een boek daar de bejluiten van
een Collegie in gefchreeven worden^
Cahieu. (Zie Gaïeu).
Cahin - caha, (adv.) Faire une
chofe cahin - caha , iets gedwongen^
met moeite doen.
Cahot, (m) Stoot, fchok, boffebot-
zing van een wagen.
Cahotage , (m) Hoffebatzing.
Cahoter, (v.a.) Schudden, floot en ^
boffeboffen.
Cahute , (m) Eene hut.
Caïc , (m) Galei-Jlaep.
Caier. (Zie Cahier).
Caïeu , Kleine bol , klaauwtje van
knoflook , enz'
Caille ,( f) Een kwartel ofwagtel.
Caillé, ée (adj.) Geftremd -, du
lait caillé , Jlremzel , gernnnene melk,
du fang caillé, geronnen bloed.
Oaillebotce, (f) Stuk geronnene
melk , klonter, klomp (m).
Caillebottis, (m) Tralie werk(n),
roojier (m) op 't dek van een fchip.
Caillement , (m) Klontering der
melk m de borjïen.
Cailler ,{v.z.,8>cx\.)LaatenJiremmen',
klonteren , dik worden j fe cailler ,
(v. r.) flremmen ^ e^iz.
Cailleteau, (ra) Jonge wagtet (f). ,
Cailletot , (m) Soort van kleine j
Tarbot.
Caillette , ( f) Het zakje of maagi
van een Schaap waar %n het lua
gemaakt word. j
Caillot , (œ) Stttk gergnnen bloed
CAL CAL.
Caillot-rofat , (m) Rooze peer ( f)
(zekere zoete peer).
Caillou, (m) Een kei-Jîeen , kei,
tuttrjîeen.
CâiUoutage , (m) Een hoop kel-
Jieenen.
Cairaacam , (ra) Kaimakam , groo-
te Staat s -bediende in Turkyen,
Caimand, aiide (m. &c f.) Land-
looper , fchooijer; fchooijïer.
Caimander , (v» n.) Bédelen,
Cajoler, (v. a.) Liifkoozen, flik-'
keflooijen, v Ie ij en ; cajoJer un vais-
feau , met een f chip door hulp van de
jlfoom tegen de wind vaaren , opdry.
ven.
Cajolerie, (f) f^leijery,liefkoo-
zery.
Cajoleur , eufe (m. & f.) Pluim-
Jlryker j vleijier.
Caïque. {Zie Caic).
Cainre , (f) Geld-ktjl , cafla {by
Boekh.) kiji , koffer; oranien ' kajï ;
trom ; battre Ia caiffe , de trommel
roeren; caifle de poulie, blok daar
de katrol-fchyf in is.
CaifTetins, (ra. pL) Rozyn-kijijes.
CaifTette , ( f) Kijije {n).
Caiffier, (m) Caffter , iemand die
de kas houd.
Caiffon , (m) Kijije y brood-pro-
viand-zvagen in een Leger j bóm-kaji ,
vuur-kiji.
Caj ute , ( f) Slaap-kcoi (in de Schee-
pen).
Cal , (m) Eelt , hardigheid aan
handen of voeten (f), (durillon)
Calade , ( f) Schuins heuveltje in
de Ry-fchool om een Paerd daar af te
laaten gallopeercn.
Calarnandre ou calamande , ( f)
Kalemink \fioffe).
CaTamédon , ( f) Leen-breuk (f ) ,
(inHeelk.)
Calament , (m) Ka lam int , wilde
polei y katte-kruid , (plant goed voor
de jigt).
C-dlsLmina.lTe , (2Là']^) Kalmynig.
Calamine, (f) Kobolt; kalamyn-
Jieen , waar mede het koper geel ge-
maakt word.
Calamiftrer , (v. a.) Krullen , nop-
pen
CAL. p9
foort kalmey^ eertyds ook zeiljïten,
kompas; item ioof-kikvors.
Calamité, (f) Elendigheid , jam- '
merlyke toefland.
Calamiteux , eufe (adj.) Elendig ,
rampzalig. «
Calamus aromaticus, (m) Pf^elrig'»
kende kalmus. (Lat. w.)
Calancre , ( f J Soort van grootê
Lyjier ; kalander , koren-worm j ka-
lander-moolen , mangel.
Calandrer , (v. a.) Kalandtren,
glad y glanzig maak en , mangelen,
Calandreur , (m) Kulanderer , glan^
zer.
Calangae, (f) Kreek , baai ,bogt,
kleine wyk voor l^aartuigen,
Calafdque , (adj.) Remede cala-
ftique , verzapende artzeny.
Caibas. (Zie Cale bas).
Calcaneora, (m) Bet hiel' of veer '
zen-been (n). (Lat. w,)
Calcanthura, (m) Rood gemaakte
vitriool. (Lat, w.)
Calcédoine, (f) Kalcedonie-Jleen
(m).
Calcet , (ta) Ezels-hoofd op een ga-
lei maf} (n).
Calcinacion, (f) P^erkalking der
metaalen.
Calciner, (v. a.) Ferkalken , tot kalk
branden.
Calcis, (m) Soort van een nagf
valk.
Calcul, (m) Optelling, oprekening ^
overrekening (f); item de fie en (m) ^
't graveel (n).
Calculable, (adj.) Dat opgerekend
kan worden.
Calculateur, trice (m.&f.) Opr^^
kenaar; optelfier.
Calculer, (v. a.) Rekenen, uitre-
kenen , oprekenen.
Calculeux , eufe (adj.) Steenagsig,
gruisagtig.
Cale , ( f) Het ruim in een fehip
(fond de cale ) ; het ktelhaalen ; vifch-
lood aan de lynen ; een baai of wyk
voor ftheepen in quaad wéér ; een
fchuinze wal of oord} y zer om gaten
mee te maaken , (by Smits) ', fpaan
die men onder een tafel of kafi zet om
niet te wagchelen j zekere boeren muts ,
Calamité , ( f) Een van de Ben [bef e I ook zekere muts voormaals door Lakeien
G 2 ge»
too CAL. I
gedraagen-, dunner ia cale a quel- j
cun, iemand kielhaalen ; donner Ja
cale à un vaiffeau , een fchip kiel-
haalen j il a porté la cale , hy is een
Lakei gewefji. ,
C-dlebas ou calbas , (m) Raake taa,-
je , {Scbeeps w.).
Calebaffe, (f) Een Kalebas.
Caleko in, (m) Schoemnaakers hoed
» f korf j f voor hun fpiriaal, f//?, enz.
Cj^leche, (f) Kalés {zeker open
Rytuig).
Caleç©n, (m) Onderbroek (f).
Caiéfaaion', (f) P'erivarmbig.
Calemar, (ra) Pennekoker,
Calendes, (f- pl-) D'eerjle dag ie-
der maand', verzameling der dorp-
Pr iejler s .
Calendrier , (ra) Almanak , Ka-
lender , maand- dflg-wyzer.
Calenge , ( f) (Rechts w.) Aanklagt.
Calenger, (v. a.) Pynlyk aanklaa-
een ; in hegtenis neemen,
" Caler,, (v. a.) Caler ou affiener
les voiles , de zeilen jiryken , neerla-
ten ', {figiiurl.) ztg na den tyd fchikken.
Calevile. {Zie Calleville).
Calfac ©u calfateur j (m) Kalfa-
terer. . ,„
Calfat , (m) Bet kalfateren van een
ten fchip (n>
Calfatage. {Zie Calfeutrage).
Calfater, (v. a.) Kalfateren,
Ca'fateur. {Zie Calfat).
Calfatin , (m) Kalfaat jongen.
Calfeutrage , (m) Kalfaterwg.
Calfeutrer , (v. a.) Kalfateren ,
dist maaken -> floppen .
Caliore, (m) Grootheid, ivydte van
eênig ding.
Calibrer, (v. a.) Van behoorîyke
grootte rnaaken. , . , , t
Calice, (m) Kelk., drwk-beker;
kmp ofkelk van een bloem.
Calife , (m) Opper -Priepr hy de
Sarazynen.
Califourchon , à Califourchon ,
(adv .) met de beenen fchryelings , 200
dis men te Paerd ryd.
Calin , ine (m. & f.) (gem. w.)
Leêg-geinger ,Sp!t;boefyttem een foor t
van met tin en lood gemengd metaal.
Câliner, fe câliner, (v. r.) Zyn
gemak neemen, zorgeloos leven.
CAL. CAM.
Caliogue. {Zie Carlingue)»
Caliorne , (f) Gyn-touw y taaktt
op een fchip.
Califte , (f} Naam die de Poëten
aan hunne Minnareffen geven.
Calleville, {£) Roode guldeling j
{eert appel) (m).
Calleux, eufe {d.A\.)l-^ereelt ,hardi
CiUigraphe , (m) Een Copifï.
Callofi:é, (f) Vereeltheid , hardig-
heid dèr huid.
Callots, (1-. pi.) Ruuwe fchalie of
leyjleenen (m. pi.).
Calme , (f. ra. & adj.) Stilte ,
kalmte ,rufl i£) ; flil.
Calraé, ée (adj.) Geflild; bevrs'
digd.
Calmer, (v. a.) Stillen^ hedaaren.
Calcbre, (m) Een kiel, ov:rtrek.
Caloïer, (ra) Griekfche Monnik.
Calomniateur , trice (ra. & f.)
Lajleraar , achter*lapper ; fchendfier.
Calomnie , ( f) ^-ichterklap , lajler-
faal.
Calomnier, (v. a. ) Lafleren^
fchenden , eerrooven.
Calomnieufement, (adv.) Achter-
klappend, valfchelyk.
Calomnieux, eufe (adj.) Schen-
dend, eerroovend.
Caloniere.( f) Een klap-hus , {kin-
der- fpeelt.)
Calotte , ( f) Platte muts ^ kakt.
Calquer, (v.a.) Afteekenen , affchet-
zen na tets.
Calvinisme, (ra) Het Calvinijien-
dom.
Calvinifle » (m) Een Calvinfl.
Calvitie , ( f) Kaalheid des boofds,
{weinig gebr.)
Calumet , (m) Groote tabaks-pyp ,
{by de Indiaan en).
Calus, (m) Eelt, vereeltheid ,har^
digheid aan handen en voeten ; been-
agtige fioffe (fubftantie) die de gebro-
kene beenen vereenigd •,{fgicurl.) ver-
floktheid, verharding , ongevoelig-
heid.
Calybite . (m. & f.) Een hutten bc
zvooner.
Calyphe. {Zie Calife).
Caraagnes , Vafle kooien in een
fchip.
Camaïeu, (m) Naam van zekere
Jleem
CAM.
^ten daar de natuur allerhande Jjçruu-
ren , beeld- enfrhildi\ -uerk in gevormd
heeft; item Jcbtlaerzverk vau éen ko'
leur, alslblaauiv op hl.iamv.
Camail, (rti) Koor-kap ; helm-dek.
Camarade, (m) Metgezel ^makker.
Camard,arde (m.f. de adj.) Plat-
neus ; platnevftg.
Cambage , (m) Bieraccyns.
Cambayes, Bensiaalfche Jüitioenen.
Cambifte, (ra) if^Jfelaar,
Cambouis ) (m) Het fmeer of vet
dat van een wiel afpers afdruipt.
Cambrafines, (f. pl.j i-yw^ ^gyp-
ttfche Lynwaaten.
Cambré, ée (adj.) Gekromd.
Cambrer, (v. a.) Krommen, krom
tnaaken , buigen als de doozen maa-
iers en fchoenmaakers doen.
Cambrure , ( f) Kromming , uithol-
ling , u' e hing.
Caméléon , (m) Kameleon (een dier
dat men voorgeeft van de lucht te lee-
Ven endtkivils van koleür teveranderen).
Cameléopard , (m) Dier van hals
als een Kameel en van huid als een
Luipaerd.
Cameline, (f) Een gryne rok.'
Camelot, (m) Kamelot, gryn (n),
(/o/f) il reflemble au caraelüt il
a pris fon pil, (fpr. w.) hy blyft
Zoo als hy is.
Cameloter , (y. a.) Ms kamelot
tiiaaken.
Camelotine, (f^ Stoffe gewaterd
als kamelot.
Camerier, (m) Kameraar (Pauje-
lyke bediende).
Camerifte , (m) Onder Kameraar.
Camerlingat , (m) Paujfelyk Scbat-
meefters-ampt (n).
Cameflingue , ( m ) PauJJelyke
Schatmeejfer.
Camion, (m) Kleine dunne fpelde
( f ) j kleine wagen (m) of kar ( f).
Canoifade , ("f) Donner la cami-
fade à l'ennemi , detf vyand in d?n
nagt overvallen.
Camirard , arde (jn, & f.) Zeker
Geefldryver in de Cevennes in J^rank-
ryk. \
Camifole, (f) Hemhdrok , borfirok
(m).
■ Camomille, (f) Kamilk {^lam).
CAM. ICI
Camoufîet, (m) Rookend papier;
donner un caraoutlet à quelcun,
iemand rook in de neus blaazen.
Camp, (m) Een Léger (n) , Leger-
plaats (f)j camp volant, vliegend
Léger-, affeoir le camp, het Léger
ncérjlaan.
Campagnard , arda (f. & adi.)
Landman , Boer } Boerin ', boerfch j
c'ell un franc campagnard , hy is
een r egt en boer.
Campagne, (f) Veld, Land (n);
veldtogt ( f) j raie campagne , vlak-
ke veld', bactre la campagne , het
wild opjaagen, op kondfchap uitgaan
(in den kryg)',veel Schryvers aanhaa
len die mets beduiden (in Redtveerk.) >
mai fon de campagne , een lufihuis y
buijenplaats ; pièce de campagne ,
velJfuk.
Campanaire , (m) Een Klokken-
gieter.
Campané j (f) Kampaan , franje
met knaflen aan een ledikant , fnj'
werk, enz.
Campanelle , ( f) Klok-bloem.
Campanile, (in) Klokken -toren.
(Zte Clocher).
Campé, ée (adj.) Gelégerd.
. Campêche, (f) Kampéfcben -lout
(n).
Campement, (m) Legering ^ kam-
peering (f)»
Camper, (v. a. & n.) Légeren;
het Léger neêrflaan ; fe camper , (v.r.)
zig légeren ; zig tn pofïuurji ellen ," {in
de fchermfch.). - .
Camperche, (f) Boom in een tçi-
pyt getouw (m).
Camphre, (m) Kamfer,
Camphré, ée (adj.) Met Kamfer
toebereid.
Campine , ( f) Een zeer fyn hoemje.
Campos , (m) Avoir campos , ver-
tof hebben (fchool w.).
Camus, ufe (adj. & f.) Stomp- plat",
neuzigi een plat-neus ; on l'a rendu
camus, hy beeft een neus gehaald y hy
is in zyn oogmerk mislukt, ^ .
Camufette, (f) Kletnjlomp-neuzig
meisje (n).
Canade , ( f) Seheeps-portie wyn of
water by de Portugiezen.
Canaille, (f) Gefpujs, gepeupel.,
X02 CAN.
't graauuf , jan hagel , fegt fchuim
van volk, jan rap en zyn maat-, ge-
boefte (n).
Canal , {m) Canaux , fpl.) i-en
gragt , haven , vaart j buis , pyp ( »«
Ontleed- en Bouivk.) groef voor een
iaad'Poki il y a en Chine un ca-
nal , qui a plus de 245 lieues & 72
éclufes , in Cbma is een vaart , die
meer als 245 mylen lang is en 71
Jluizen heeft; (figuurl.) il eft entré
par Ie bon c&na.[,hyis door het reg-
te middel bevorderd.
, C^nïimelle,(n ^ttiker-rïet(n).
Canapé, (m) Ruji-pel mor 2 of
nifer perfoonen,
Canapfa, (m) {gem. w.) Knapzak.
Canard , (m) TVaardy 't mannetje
van een Eend, Eendvogel; item wa-'
f er-hond ; bois canard , gezonken
bout', donner des canards à quel-
cun , iemand voor de gek houden.
Canarder, (v, Vi.) Iemand heimelyk
ter neer fchieten.
Canardiere , (f) Eende kooi (£);
item heimelyk fchietgat (n).
Canarie , (f ) Zekere gezwinde dans.
Canarie , (m) Ou ferin de cana-
rie , Kanary-vogel.
Canaftre , (do) Ledere kifl ( f ) ,
korf van riet (m); thee-kijï.
Cancan , (m) (gem. w.) Geraas.
Cancelle , (m) Kleine zee-krabbe.
Canceller, (v.a.)(»« Rechten) Uit-
febrappen, door baaien.
Cancer, (m) Kanker; Kreeft (een
der 12 hemels-tekenen).
Cancre , (m) Krab , zee-krab ; zin-
nebeeld der voorzigtighetd ; item een
iondsvot , fchohbejak.
Candélabre, (m) Groene kroon-kan-
delaar.
Candelette , ( f) Boeg-touw , par-
tuur-lyn , (fcbeeps «'.;.
Candeur , (f) Oprechtheid; agir
avec candeur, ongeveinjï handelen.
Candi, ie(adj.)5ucre candi, ia«-
dy-zuiker.
Candidat , (m) Iemand die naar
■fen ampt of waardigheid flaat.
Candide ,(adj,) Oprecht^ cfenhartig.
Candidement , (adv.) Ongeveins-
d/lyk.
Candir , (v. n.) ff^it of hard wof'
de» y kanàelizetfiHt
CAN.
Candou , (ra) Boom , waar van t
boutjes genomen en tegens malkander
gewreven zyndey vuur geven.
Cane, (f) 'f ïVyfje van een Eend*,
kaan [vaartuig).
CanCi^in , (m) Zeem , dun Schaa-
pen leer tot handfcboenen ; binnenjle
baji van Lindtn-boomen.
Caneton, (m) Jong Eend yîVaurd,
Canette, (f) Jong Eend (n).
Canetter, (v. n.) Waggelen als
Eenden.
Canevas , (m) Kanefas, zeildoek',
grof en yl 'linnen ; item opjiél , ruuwe
Jchets van e enig gefchrift.
Cangé , (m) Ryfi-water (n).
Cangette , ( f) Soort van dunne
fergie.
Caniche, (f) Teef vcin een fchoot^
hondje.
Caniculaire, (adj.) Jours canicu-
laires, bonds-dagen.
Canicule, (f) Hond-fier.
Canif, (m) {lees Ganif) Penne-
mesje (n).
Canificier ou c&aRer. Kajffien-boom,
Canin, ine (adj.) Faim canine,
honds-honger.
Caniveaux , (m. pi.) Groote JJraat-
fieenen.
Canivet , (m) Klein pennemesje (n).
Cannage , (m) Meeting met eene
canne of fiok (£).
Cannaie , ( f ) Riet-plaats , riet-hit.
Canne , ( f ) Riet , netJJok , rotting ;
meetjlok.
Cannelade , (m) Vaïken-fpys van
kaneel i enz.
Cannelas, (ra) Gezuikerde kaneel.
Canneler, (v. a.) Uitgroeven , uit-
hollen.
Cannelle , (f) Kaneel , (tweede
fchors van een boom op 't eiland Cey-
Ion) ; item de kleine uitholling aan een
naalden oog.
Cannellier, (m) Kaneel-boom.
Cannelure , ( f) Groeving , uithol-
ling.
Canner, (v. B.) Meeten met een
floky of canne.
Cannetille , ( f) Gedraaid zilver-
draad.
Canetiller, (v. a.) Me$ gedraaid
zilver-draad bewinden,
Can-
^
CAN.
Cannette , (f) Hoever fpoeltje y
rietje voor den injlag.
Cannuie. {Zit Canule).
Canon, (m) Gefchut, kanon -, iocp
van een Jhaphaan , pijiooi , enz. Jlot-
Pypf PyP 'z^^" <'*'" g/eter-, tat>ge we-
vers fpoel-, fchagf van een pen; poin-
ter Ie canon, het gefchut fiellen.
Canon , (m) Kerken-orden; kanon
letter (by Soekdr.) j droit canon ,
kerkeiyk recht.
Canonial, aie (adj.) Dat tot de
Kerken orden behoord.
CsLnome2itj(m)Domheeren ampt (n).
Canonicité,(f) Geloofs regelmaa-
tigheid.
Canonique, (adj.) Regelmaatig ,
txiettig.
Canoniquement > (adv.) Regel-
maat iglyk.
Canonifadon, {£) Heilig verklaa-
ring.
Canonifer, (v. a.) Onder 't getal
der heiligen Jïellen.
CanoniUe , (m) Een Kerken Rechts^
geleerde.
Canonnade , ( f ) Kanon-fchoot , be-
Jchieting.
Canon nage, (m) Kennis des Ker-
ken rechts.
CanQnner,(v.a.) Met kanon fchie-
ten , befchieten.
Canonnier, (m' Konjïapel.
Canonnière, (f) Een Schietgat;
Konflapels tent-, kinder klap-bus.
Canope , (m) Naam van zekere
heldere groote fier in het roer des
S chips , (een gefiernte).
Canot , (m) Indiaanfch fchuitje uit
een uitgeholde boom.
Canqueter, (v. n.) Kwaaken als
een Eend.
Cantal , (m) Zekere groote kaas in
Vrankryk.
Cantanettes , (f, pi.) Roergaten
van een Schip.
Cântar, (m) Zekere olie-maat in
Portugal.
^ Cancate,(f) Zekere fiem-muziek^
Cantharide , ( f) Spasnj'che vlieg.
Canthus , (m) De oog -hoek, [in
Qnleedk.).
Cantibay , (m) Een gefpleeten fiuk
■ hom dat nergens toe cfienfiig is ^ (oy
Schr-niv.),
CAN. CAP. 103
Cantine , (f) Vles-Âelder , reis-
kelder.
Cantinier , (m) Maaker daar van.
Cantique , (m) Lofzang ; le canti-
que des cantiques, het hooge lied.
Canton , (m) Gedeelte van een
land, quartier, Jireek , hoek ; can-
tons Suifles, Zwitzerjche kantons ,
(provint i en).
Canto nnade , (f) Hoek tn een
Schouwplaats.
Cantonné , ée (adj.) Gehoekt , (in
ff^cpenfch. k.)
Cantonner, (v.n.) Faire canton-
ner les troupes , f rop/?i'« hier endaar^
in dorpen in quartier leggen, i
Se Cantonner, (v. r.) Zig ergens
neerzetten j item zig verfchanjfen.
Cantonniere , ( f ) Behan^fel aan
de voet van een Ledikant Xn).
Canule, ( f ) Een buisje , fpuitje
(n) , (in hedk.)
Cap 9 (m) Hoofd (in deezen zin)
armé de pied en cap, -yjM 't hoofd
tot de voeten gewapend; parier cap
à cap, mondeling met iemand fpree-
ken Î cette pièce a cap & queue >
dat fiuk is nog in zyn geheel.
Cap , (m) Foor gebergte , kaap , land,
dat met een punt in zee fieekt ; dou-
bler le cap , een hoek te bever: , voor-
by zeilen j cap ou prouë, boeg , fie-
ven van een Schip; porter, mettre
le cap au vent, tegen de wind bou"
den , {iévenen ; où as ta le cap^.waav
heht gy de fiévenl caps de mouton.
Juffers ; cap de more ou c bou-
quet, ezels-boofd, (zee w.)
Capable , (adj.) Bequaam ; vatbaar^
(geleerd; un porc capable de conte-
nir &c» een haven vatbaar voor enz,
Capablement, (adv.) Bequaamlyk.
Capacité , ( f ) Bequaambeid > groot-
te; la capacité d'un lieu, de uitge-*
firektheid fan eene plaats.
Capage. (Zie Capitation).
Caparaçon, (m) Paerden dek -kleed
op fiai ; item fchabrak.
Caparaçonner, (v. a.) Een Paerd
daar meé bedekken,
Capax, (Lat. w.) (Zie Capable),
Capdeuil y(ïSi) Adelyk Stamhuïs (n).
Cape , ( f) Een kap , kaper ^fluijer ;
cape oa grand u'àcàpief Jc/toover-
G 4 m.h
104 ' CAP. l
2^;(, gfoote zeil van een Schip'» n'a- 1
voir que l'épée & Ja cape , ( jpr.if •)
'iveinig ef niets hebben; rire fous ca-
pe, i« zyn vuij} lagchen (fpr. iv.);
être à la cape , met het groote a>eJ
h f leggen.
Capéer. {Zie Cipaycr).
Capelan , (m) Een arme Paap.
Capeler, (v. a.) Het -ivant um de
tnafi aanleggen^ den maji bekleeden.
Capele:, (m) Gezwel aan de haa-
zen van een Paerd.
Capeline, (f) lif^ Jîrooien hoed',
vrouwen hoed met z' e éren.
Capeïcr. (Zie Capayer).
Gapend u ? (m) Zeker appel met
9 en korte JieeL
Capayer, (v. n.) Meteen zeil hy-
leggen.
Cap har, (m) Tôt, die de Chriflenen
ffie van ^lepfo naar 'Jerujalera vaa-
ren ^ den Turken bet aaien.
Capi-aga , (m) Gouverneur in 't
Vrouwen-'bof van den grooten Heer.
Capier. {Zie Câprier).
Capillaire, {m)P'rQuuen haïr (n),
(een kruid).
C'ipillaire, (adj.) Veines capil-
laires, de dunjîe aderen.
CapiJlature ., ( f) ou Capillement ,
(m) F'ezelagtigheidder wortelen of, bla-
deren.
Capillotade, (f) Opgefioofdvleefch
(ragout); mettre quelcan en capil-
lotade , iemand door de» heekel haa-
ien , doorjlryien , voor den gek houden.
Capioglan , (raj Oppajfer in 't Se-
rail.
Cap ion , (m) Steven luan een f chip
hy de kiel.
Capitaine, (m) Hoofdman , Hop-
rr.an y Kap Hein; Schipper.
Capitainerie s ( f ) Hopmanfehap ;
Slot-voogdyfchap (n),
Capitainefle , ( f) (Zie Capita-
Jie).
Capital, alc (adj.) Hoofd f voor-
ftaamJJe ', ennemi, crime capital,
bonfd vyand « hoofd-misdaad; peine
capitale, lyfjîrajey po inC capital ,
iood '.aak.
Capital , (m) Hoofdfom (f)^ ka-
pitaal (n), hoofdzaak (f).
^ Capitale, (f) /foo/^iö^.
GAP.
Capitalement , {này .)VoorHament^
tyk, hoofdzakelyk.
Capitan , (m) Blaaskaak , fnorker ,
zivetzer f fnoeshaan.
Capitan^bacha, (m) Turkfche Bâ-
cha ter zee.
Capitane , ( f) Hoofd-galei.
Capitation , ( f) Hoofd-geld (n).
Capitel, (m) De allerklaarjle locg
(f). Loogwater (n).
Capiteux , eufe (adj.) Vin capi-
teux, hoofdige wyn.
Capitole , (mj Het kapitoHum te
Romen (n).
Capiton, (m) Vlok-zyde (f).
Capitoul, (m) Raadsheer te Tou^
httfe.
Capitulaire , (adj.) Dat van 't ka^
pitt.eiis.
Capitulaire, (m) Kapittel veror^
dening ( f).
Capitul'airement , (adv.*) Op dg
wyze van 't kapittel.
Capitulant , (m) Een die fïem in
't kapittel heeft.
Capitulation , (f) Verdrag (n),
capitulatie (f).
Capituler, (v. n.) Verdrag maa^
ken y capituieeren wegens overgave.
Capitzi kiheïa> (m) Opperkamer
Heer in Turkyen.
Caplan , (m) Kaplaan (zeker vifch), ;
Capnomancie , * ( f ) fVaarzeggery .
uit rook.
Capoc , (m) Korte boom-woUe { f)»
Capon , (m) Ondeugende Scholier
die niets leerd en zyn makkers in 't
fpeelen maar bedriegd; penter om 'f
anker op të zetten als 't opgehaald
wordt
Caponner , (v. a.) Bedrieglyk fpee-
len ; het anker aan de penter vaj)
haakea.
Caponniere > (f ) Bedekte gang i,i
een gragt.
Capoquier , (m) Watten-boom.
Caporal, (m) Éen Corporaal ,Rot'
meefler.
Capofer , (v. a.) Het roer vafl/
maak en enzig aan de wind over ge evem
Capot, (m) Rok met een kap ; kf~
pot (in 't piquet fpel) ; faire cap(^ «
alles winnen-^ ü deffieore C8pot/*y
verlieji alles^ '^
' - ■%
/'
CAP. CAQ.
Câpre, (f) Een kappftr ^ {vrugt).
Câpre, (m) Kaaper ^ Zee-roover.
Caprice , (m) Eigenzinnigheid fjiyf-
ioppigheid; poètifche inval (f).
Capricieufera»nt, (adv.) Koppig-
lyk.
Cipricieux , eufe (adj.) Eigen-
zinnig.
Capricorne , (m) Steenbok , item een
der 12 Hemel s-teknen.
Câprier, (m) Kapper-boom.
Capriole. {Zie Cabriole).
Capron , (m) Eniplfche aardbezie.
Capfule , ( f ) Zekere aarde pot tot
(te fchêi ~ kunde {va) j klok ~ buis der
vruthten,
Captateur , (m) Een die in eene erffe-
nis weet in te Jluipen.
Capter ,_(v. a.; {oud w.) capter
ou concilier la bienveillance , de
genegenheid inwinnen,
Capcieulement, (adv.) Lijîiglyk.
Captieux, eufe (adj.) Bedriûglyk,
Captif, ive (adj. & fubA.) Ge-
vangen; een jlaafy racheter les cap-
tifs, de Slaaven vry koopm.
Captiver , (v. a.) Bedtvingen , onder
werpen -f captiver l'efprit ? het ver-
jïand gevangm neemen ; captiver
queicun , iemand verliefd maak/n.
Capciverie ,{£) Slaaven-handel {m).
Captivité , ( f) Gevankelykbeid ,
Jlaavernye , dwang.
Capture, (f) Roof, buit; gevan-
gen-neeming {in Recht,).
Capuce , ( f) Francifcaner-kap,
Capuchon, (m) Monniks.kap yreis^
muts , karpoets-muts { £).
Çapuchonné, (adj.) Zoodanig ge-
mutji.
Capucin, ine (m. & f.) Kapucy-
ner ' Monnik - Nonne.
Capucinade, (f) Slegt aan mal-
kander hangende redenvoering.
Caquage, (ra) Haring-kaak in^ (f).
, Caque, (f) Een tonnetje y Haring
. bonnetje {r\).
\ Caquer , (v. a.) Den Haring in
tonnen doen , kaaken.
CaqueroUe , ( f) Kopere vifcb-pot.
/Caqaefangue ,{£}{boert. w.) Bloed-
Uquet, (m) Qefnapy geklap y ge-
CAQ. CAR. 105
kakel'; avoii .^ caquet bien atii-
lé, een gladde bek beoben; rabait;e
Ie caquet de queicun , temanJ de»
viond Jhoeren.
Caqueter, (v, n.) KJappen , /nap-
pen; kakelen als de Exters.
Caqueterie , ( f) Klappery , /«op-
pery.
Caqueteur i euié (m. & f.) Snap'
per , fnapjler.
Caqueioire, (f) ^rmjioel, rnjï-
JljL'l (m) ; klap bankje , ploeg^bankje
(n).
Caquette, (f) Vifch-vaatje (n),
Caqueur, (m) Haring kaaker.
Car, {koppel-w.) IVant.
Carabin , (ra) Karabinier.
Carabinadé , (f) Karabinigrs
zwenk met het paerd.
Carabine , (f) Karabyn.
Carabiner, (v. n.) Met karabynen
fcbieten.
Carabinier. {Zïe Carabin).
Carache , (m) Tol ^ die de Chrijlc
nen den Sultan betaalen moeten.
Caracol (ra) ou caracole , (f) Zwen-
king 5 cmrenning , omwending van
een paerd (f).
Caracoler, (v. n,) Qmrennen met
een paerd.
Caracoaler, (v. n.) Korren als <h
Duiven,
CaraAére, (m) Boekjlaaf, Letter
{Î); merkteken {n); kar afi er -letter ;
hoedanigheid van iemand ; iemands
fchrift; Ie plus beau caradére de
Ja vertu c'ell l'humilité , het bejie
kenteken der deugd is de nedrigheid.
Caradérifer, (v.a.) Den aart of
hoedanigheid van iemand befchryven,
Caraàériftique , (adj.) Dat de ei-
genfchap van iets aanduid.
Carafe, (f) Zekere vies met eeë
langen hals.
Carafon, (m) Koel-vat (n).
Caramelle , (m) Bruin gezoden»
zuihr.
Caranguer , (v. n.) Arbeiden (Ma^
troozen w.)
Carapace , (f) Buitenjïe fchaal
eener Schildpad.'^
Caraque , ( f) Een kraak {vaartuig)»
Carat , {tri) Karaat {zeker goud ge»
wigt van 34 in efo mark),
Q 5 Cara-
loö CAR.
Caravane , (f ) Reis gezelfchap(n),
Karavaan (n).
Caravan fera, (ra) Herberg voor de-
zelve.
Caravelle , ( f) Karveel (fchip).
Carbatine , ( f) Een vers afgevil-
de huid.
Carbet, (m) Groot e hut der Wil-
den ( f).
Carbonnade, (f) Geroojl vteefcb
(n'.
Carbonnelle , ( f) Karbonkel , pejl-
buil.
Ckrbouilïon , (m) Tol van 't zout
in Normandien»
Carcailier, (v. n.) Sshre^un^n als
een Quartel.
Carcaife , ^f ) Glas-oven (m)
Carcan , (m) Een hals-band , hals-
keten.
CarcafTe , ( f ) Groot e vuurkogel;
romp , rif, geraamte van een dier ;
een mager menfch ; geraamte , lyk ,
romp van een fchip -^ (ook rouche ou
ruche genaamd).
Cardamine , ( f) Water-kers.
Cardafle , ( f) Groote kaarde.
■ Carde, (f) Wol kaarde.
Cardéé, (f) Een kaardfel (n).
Carder, (v. a.) Wol of zyde kaar-
den. ,
Cardeur , eufe (m & f.) Kaarder,
Kaardfier.
Csrdialgie, (f) Hartklopping , be-
naanwdheid (in Geneesk.)
Cardiaque , (adj.) Hartjlerkend.
Cardier, (ra) Kaarden-maaker.
Cardinal, (m) Een Kardinaal -^ ze-
kere kaarde om de vleug op laken te
geven.
Cardinal , aie (adj.) Les vcnts
cardinaux, de hoofd-winden', vertus
cardinales, hoof J- deugden.
Cardinalat , (m) Ka rdinaalfchap (e).
Cardinalisme , (m) Kardinaals
Jlavd.
Carême, (m) De vafien, vafientyd.
Carême-prenant, (m) Vafîen-
avond; vajien-avond gek.
Carénage , (m) Plaats om te kiel-
haaien.
• Carêne , (f) De kiel, bodem van
f^en fchip', donner la carêne à un
vailTeau ba wèure un vaifleaa en
CAR.
carêne, een fchip kiel baaien, om te
kalfatcren , fchoon te maaien.
Carêner , (v. a.) Een fchip kiel-
haaien, ka (fat er en.
Car e riant, an te (adj.) Liejkoozend^
fireelend,
CareiTe , (ï)Liefkoozing ,Jireeling,
Careffer, (v.a ) Liefkoozen ,Jireelen,
Caret, (^le Carret).
Cargaifon ,(i)De laading van een
fchip.
Cargue , (f) Gy-touw , gording ,
(fcheepsw.) cargues joints ,raab an.-
den of gorden.
Carguer , (v .a.) Opgyen , zeil min"
deren , opwinden ; item op zy zeilen >
hellen, krengen. ,
Carguebas. (Zie Calebas.
Cargueur , (m) Bramzeils-valbloL
Carie, (f) Verrotting , ineeting
der beenderen.
Carié, ée (adj.) Du bois carié,
verivormd hout.
Carier , fe carier , (v. r.) Rotten,
in-eeten'f ce bois fe carie, dat hout
word wormjieekig.
Carillon, (f) Wagentje met twee
wielen f ko etsje (n).
, Carlingue , ( f ) Kolfem , zaadhout y
tegen kiel van een fchip.
Carmélites, (f) Carmeliter Nonnen,
Carmes, (m) Worp van twee vie*
ren in tik-tak (n).
Carmes , (m) Carmeliter Mor.nikken,
Carmin, (m) Fyne roode verf(£),
Carminatif , ive (adj.) Wind-ver-.f
dryvend (in Geneesk.)
Carnage , (m) Slagting, neérlaagi.
({), bloedbad (n).
Carnaflïer , iere(adj.) Bloedgte'
rig, vleefch-eetend ; leloup eft fort
carnaflïer , (/^ Wolf is een verflindend
dier.
Carnation, {£) Vleefch-verwe,
Carnaval , (m) De vleefch- offlemp-
tyd(£) yvaflen-avonds vermakelykheid»
Carne, (f) Scherpe kant of hoek
van een tafel , fleen , enz.
Carné, ée (adj.) Vleefch^verwtg.
Carnele, (f) Rand om munt-fiukj
ken (n).
Carneler, (v. a.) Munt-randen.
Carnet , (m) Koopmans hand-/ of
fcbuld-boek* l
CAR.
Camîfiration ^{{)yieefch-<VQrding
der beenderen.
Se carniûer^ (v. r.) Tot vleefch
worJetJ.
Cirnofité , ( f ) ff^ild vleefch dat in
wonden is (n).
Carogne , ( F) Allemans-boir , looze
jeek..
Caron , (m) Zy-fpek (n); de l'eer-
tnan van het ryk d-^r dooden (by Poëten).
Caroncule, Klicrachttg vP'ej'b(n).
Carotide , ( f ) Halt- of pols-
ader.
Carotte , ( f) Geele peen ; Tabaks-
carotte.
Cirotter, {y»n,)Bang in het fpee-
Un zyn.
Carottier, ier€(ra. & f.; Een die
niet waofen wil.-
Carpe , C^) ^^^ karper, {zekere
vifcb) de voorhand (in heelk.).
Carpeau , (m) Een jonge karper.
Carpette , ( f) Pak-linnen (n).
Carpillon , (va) Een kleine karper.
Carquefe, (m) Een calcineer-oven.
Carquois, (ra) Pyl-koker ; Scheeps-
mars.
Carre , (f) Het bovenfle van den
hol van een hoed (T\)y de neus van een
fchoen of leeji (w).
Carré , ée (adj.) (2^ie Quarré).
Car f eau , (m) Een vierkant (n) j
fj« glaaze ruit (f); ruit (in Jloffen);
ruiten (in het kaart-fpel) j rajp-'oyl ( f)
(by Smits) ; vierkante vloer-Jleen, mop\
tegel-, vierkante oven (m)(by Potteb ))
pers-yzer(bySnyders)', tuin-bed ; zit-
of naai'kujftn (n)', djnder fleen (ra);
berghout (n)(infcheepsb.)f vloer fjïraat
( f) j jett^r fur le carreau , op den
grond werpen; coucher fur le car-
reau , op de flraat flaapeu.
Carrefour, (m) Kruis-iveg.
Carréger, (v. n.) Laveeren^kruis-
fen (in de middel, zee).
Carrelage, (m) Plaveifel (n).
Carrelé, ée (adj.) Geplaveid.
Carreler , (v. a.) Vloeren plaveien.
Carrelet , (m) Een fchol ( zeker
vifch) ; een fchoen-maakers naald.
Carrelette , (f ) Een glad-vyl , zoet-
vyl (by Jloot'tnaakers).
Carrelear, (m) Een vloer legger;
fchoenlapper.
Carrelure, (f) Het vloeren; het
CAR. 107
lappen van fchuenen (n); une bonne
carrelure de ventre , eene goede
maaltyd; een goea'e maag .vol.
C^rrtt, (en) Seizing , draad uit
oud toww-werk ; fchitdpad.
Carrier Î (ra) Steeu-breeker in een
groef; handelaar m Jieen.
Carrière , (f) Loopbaan ; fleen groe-
"y^ <^)'> peen-gruis in een baas; fe
donner carrière , zich goedf daagen
qeeven; achevé» , fournir fa carriè-
re, zyn levensloop eindigen; ouvrir
uneoeile carrière, eene fraaye floj^e
voordraagen.
Carriilon, (m) Klokken-fpel ; bet
beyeren der klokken ; het khnken der
glùazen ; geraas (n).
Carillunnement, (ra) Het fpeelen
der klokken (n).
Carrilionner, (v. a.) Met de klok^
ken fpeelen.
Carrofle , (ra) Eene koets , karos;
carrofTe coupé , eene halve koets mep
eene zitting ; cheval de carroffe,
een koeas-paerd -, een grof onverjlandig
f^enfch. J s
CaTTe{rierf(m)Een koetfen-maaker»
Carroufel, (m) Zeker ry- of rid'
ders-jpel Cn).
Carroufle , (f) Faire carroulfej
braaf drinken.
Carfaye , (f) Karfaay (zekere
fioffe).
Cartahu, (m Eenfcheeps-karnaat
touw (n).
Cane , ( f ) Speel-kaart j carte géo-
graphique , land-kaart ; carte mari-
ne , pas-zee-kaart , méler , couper,
donner les cartes, de kaarten ver-
fchieti», afneem n , geeven; être le
premier en carte , het eerfie om te
fpeelen zyn; donner la carte blan-
che à quelcun, iemand volle vry
heid,magt geeven; les cartes font
brouillées, de zaaken zim 'er ver'
ward uit.
Carteaux, (ra. pi.) Boek tnet zee-
kaarten.
Cartel , (m) Een uitdaag wgs-brief;
cartel ter ui twijfeling der krygs-ge^
vangen un.
Cartelette , (f) Dunne fcbaîte»
Jieen.
Cârtelle, (S) Dikke plank daar dt
mohnjleenfn op rujifn } fgn zwalp. .
Car-
108 CAR. CAS.
Cartier, (m) Kaarten-maaier-
of verkoop er.
Cartilage, (m) Het kraakbeen {In -
OtitheJk.) (n).
Cartilagineux, eufe (adj.) Kraak-
beenig.
Carcitarie , ( f } Zyde- gouS- of
xiher-dra.^d tot borduur zverk (m).
Carton, (m) Bord- kaart- kardovs-
papier (n).
Cartonnier, (m) Kardoes- bord-pa»
pier- maaker- i-trkooper.
Cartouche, (m) Kardoes', fchroot-
bus (m) ; patroon op een roer ; loof-
Mierk om een wapen (n).
Cartulaire , (m) f^erzameling van
brieven en oirkonden eenes kloojjers of
kerk.
Caryatides , (f. pi.) Frouiven beel-
den met lange kleederen {in Bouwk.)
Cas, (m) Zaak^ handel , daad (f ) ,
geval (n) ; cas criminel , flrafbaare
zaak', cas de conscience , gewet en s -
geval Î vilain cas , fchandelyke daad ;
trifte cas, droevig geval ; faire cas
d'une perfonue , werk van iemand
maaken; cas, naamval, cafus;(»«
fpr. k.); en tout cas, in alle geval;
en cas , ingeval; pofé Ie cas, que .. .
gejield, qenoomen, dat . . .
Cafanier, iere (adj.& fubfl.) Een
ajfchen-vryfler , kluifenaar; via cafa-
niere , een t' huis beminnend leeven.
Cafaque , ( f) Eeii Reis-of regen-rok
(m); tourner cafaque, zyw rokje om-
keer en , van Godsdienji veranderen.
Cafaquin, (m) Een eng rokje, jak-
Cascade , (f) Waterval; onbezon-
nenheid, overhaajiing.
Cascanes, (f. pi.) Gragten om de
vyandelike mynen te ontdekken.
Café' ( f) Hut; ruit van een dam-
'hord. '
Cafemate , ( f ) Moord-kelder , ver-
Wilf onder de wa/, kazemat {inFes-
tingb.)
Cafematté, (adj.) Gekazemat.
Cafer, (v. n.) Dammen, {in tik
tak).
Caferette , (f) Een kaas-vorm.
< Caferne , ( f) Soldaaten hut by de
wal.
Caferner, (v. a.& n.) Zulke bat-
un maakea of(iaar Ui woonen»
CAR. i
CafiUeux, eufe(adj.) ^roor,//)r<jl, '
{by Glazem.)
Casque, (np Helm ; Jlcrmhoed % ü
en a dans Ie casque , hy is befchonken ;
■daariseenfchroefby hem los, { fpr. w.)
CafTade, (fjDonneur decanaties,
bedrieger , die iemand ittsop de mouw
fpéld.
Cartaille, (f) De eerjle ploeg'mg
van nieuw land ,opfc beur ing.
Cafla n t , a n te (aü j .) Bros , broos , dat
ligt breekt.
Canration, (f) 4fJ'chaff.iig, Me
van vernietiging {in Rechten),
Cafle , ( f) Pennebakje ; Zetters Let-
ter-kas ; Gottdfmids frneltkroes ; kajfte
{een Geneesmiddel) ; voix cafle &c
débile , een' zagte , zwakke Jiem.
CafTé, ée (adj ) Gebrooken; zwak y
un homme cafl'é , een afgeleefd man ;
ton cd.Ç?é , zzvakke Jïem ; privilège-
cafle, vernietigt voorregt.
CalFe-cou ," (m) Een gevaarlyke
plaats.
Ca/re- cul, (m) Een zivaare val op
den aars.
Caffe-mufeau , (m) Een zwaarejlag
op den mond.
Cafle -noifette, (m) Een Nooten-
kraaker. ^^
Cafl'enolle, (f) Ga l- appel , tot '
verwen.
Cafi^er, {\'.z.) Breeken; cafl"er une
fentence, een vonnis vernietigen; cas-
Ce r un valet, <^^«' k^egt afdanken;
fe cafl'é r, (v, r.) gebrooken worden;
zwak worden.
Caflerole , (f) Een kopere pan^
kaflTerol.
Cafl'eron , fm) Vliegende Vifch.
Cafl'etée, (f) Een kas vol.
Caflle-tête, (m) Iets dat den kop
breekt ; wyn die hoofdig is.
Ca,ffetin,{m)yakje derLetter-kas {o).
Ca(rette, {f )Klein kasje{n).
Cafleur, (m) de raquettes, een
pocher , fnoever.
Caflïdoine , (f) Kalcedonie-feen,
Caflie, (f) OU caffxer ,{xà) Kajfi en- *
boom{m).
Caflïne, (f) Eenzaam Land-buis
{n),hut{€}.
Caflb lette ,( f) Metaale reuk- ofwte-
rook-vat; Balzem- of reuk-doosje (n) .
aangena&me , Ueffelyke rguk (m)-
Cag-
CAT.
Caflfonade , ( ra ) Meel zuiktr ,
I^elis.
Caflure, (f) Breeking , breuk in
kling of mes.
Caftaignette, (f. pi.) Klaphoutjes,
die de Mooren in 't danfen gebruiiten.
Caftagneux , (m) Een Duiker.
{Zie Plongeon).
Cartel , (m) Ken klein kajîeel (n).
Caftelogne , ( f) tene zeer fyne
ivolle deeken.
Caftille , ( f) Twijl onder huis-ge-
nooten.
Caftine , ( f) Speen-aarde om yzer
te doen fmelten.
Caftor, (ra) Ean Bever , fyne hoed.
Caftor & pollux, (m) Tweeling in
den dierenriem {in 6terretik.),
Caftorée, (f) Bévtr-geil.
Caftramétacion , ( f ) Konjl om een
Léger wel te plaatzen [by de Romei-
nen).
CafualÏté, (f) Toevalligheid.
Cafuel, elle (adj.) Gevallig; Ie
cafuelj het toevallige; caihel , kafua-
ris {Ind. yogel).
Caruellement , (adv.) Givalttglyk,
toevalliger wyze.
Cafuitte, (m) Een geweetens uit-
legger. ,
Catachrefe, (F) Misbruiking van
een woord {in fpraakk.).
Catacombes, (f. ^\.) Onderaar d-
fche begraaf-plaatzen.
Catadoupe , ( f) Waterval ( m ).
{Zie Catara^e).
Catafalque , (m) Pragtige tombe
op de Lykjïaatfie van een l^orfl.
Catagmatiques, (m. pi.) Artzeny
om hemen te heelen.
Cataleftes, (m) Een onvolkomen
werk der <juden (n).-
Catalepfie, (f) Beroerte tn het
hoofd.
Cataleptique , (m. & f.) Een ge-
raakte üp die wyze.
Catalogue , (m; Naamlyjl ( f) , Ca-
talogus (n).
Catapelte > C^) Zekere flraf aan
Misdadigers voor deezen , met dezelven
tuffchen twee planken te klemmen,
daar na aan de voeten op te hangen
en vervolgens te verbranden.
Cataplasme , (m) {leet Cataplâme)
CAT. 105»
Pap van kruiden om op een gezwel te
leggen.
Catapulte , (f) Een foort van
krygstuig der ouden om zwaare pylen y
fchigten mee te fchieten.
Catarafte , (f) IVaterval ( ï)',vlie$
op de oogen (n).
Catarre ou cacerre , (m) EeH
zinking ( f),
Catarreux , eul^ (adj.) Met zin-
kingen onderworpen.
Cataftrophe, (f) Droevige uit-
kamjl , einde , onver wagt geval.
Catéchiièr , (v. a.j In 't geloof on-
dtrwyzen, Katechizeeren.
Catéchisme , {m)Geloofs onderwys
{n), Katechismus (m).
Catéchifte , (m) Gehofs onderury-
zer.
Catéchiftique , (adj.) Geloofs o«-
derrigtend.
Catéchumène , (m. & f.) {lees Ka-
tekumene) Geloofs -leerling , Kate-
chifant, Katechifante.
Catégorie , (f) Ordenfchikking
der dingen; Qtre de même catégo-
rie , van het zelfde fiort zyn ( tn Lo-
gica).
Catégorique, (adj.) Reponfe ca-
tégorique, gepaji antwoord.
Catégoriquement , (adv.j Behoor-
lyk , ge -aji.
Cathédrale, (adj.) Eglife Cathé-
drale , hoofdkerk.
Cathédranc, (ra) Praefes by ee%e
oratie.
Cathédratique, (adj.) Dat tot ie
hoofdkerk behoord.
Cathédrer , (v. n.) l^oorzittiK .,
Praefes zyn.
Cathéter, (m) Een kromme huk,
om de water loozirig te bevorderen f^zr
theter.
Cathétérisme , (m) Operatie iiiar
meed e {t).
Catholicisme, Cm; Di- algemeene
Chrijïelyke her.
Catholicité, (f; Het waar e geloof
(n).
Catholicon , (m) Een algemeen
afdryvend middel voor quaade logten.
Catholique, (adj. & fubtt.) y^lge-
meen , regt gelovig ; un catholique à
gros grains , een gract yveraar,
C»-
iio CAT. CAV.
Catholiqueraent , (adv.) Regtge-
hovigy opregtelyk.
Caci , (m) Glans geeving aan Jlof-
f en.
Cadche, (f) Otter- hol (n).
Catimini, (adv.) {gem. w.) Hei-
viplyk , onvermoedclyk.
Catir, (v. a.) Persfen.
Cati fleur , (m) Een Pers/er.
CsLtoiptviqwd , (f) Spiegel-kuude.
Cacopcromancie, ( fjrf^aarzegge-
ry door een fp.egel.
Caitcroles , (f. pi.) Konyn-holen.
Cavalcade , ( f; Ryding , pragtige
cptogt te paprd.
Cavalcadear, {m)Beryder^ Pikeur.
Cavalerie , ( f) Rumry.
Cavaïet, (ra) Het dekzel van een
fmdt-oven.
Cavalier, (m) Een Ruiter \ Rid-
der y Kat {in yefliwgb.)'^ il eft bon
cavalier, hy zit wel te paerd.
Cavalier, iere (adj,) RiJderlyk,
ridderlyk ; Jloutelyk j mine cavalière ,
vrypojiig gelaat j à la cavalière ,(adv.)
f^ry , onbedwongen.
Cavalièrement, (adv.) Vrypojlig-
Jyk , vry , zonder omxvegen.
Cavalle, (f) Eene Merrie.
Cavalquet , ( m ) Trompetters
marfcb.
Cauchemar, (m) Nagt-merrie ( f).
Caudataire , (m) Sleepdrager.
Caudé, ée (adj.) Dat een Jiaart
heeft (in Wapenfcb. k.).
Cave , (adj.) La veine cave , de
holte lever ader.
Cave , ( f) Een kelder (m) ; fles kel-
dertje (n) j cave à vin , wvn-kelder.
Caveau, (m) Keldert je (n)j Graf-
kelder (m).
Caveçon. {Zie Cavefl'on).
Cavée , ( f) Een holle lue^ (m).
Cavehanne , ( f) Turkjch koffy
huis (n).
Cavelin , (m) Eene kaveling van
waaren ( f).
Caver , (v. a.) Uithollen ; het lig-
ehaam buigen {in fehermfch.)-, de bank
houden tn 't fpeelen.
Caverne , (O Eenfpelonk (f), hol{n).
Caverneux , eufe (adj.) Veine ca-
yerneufe, holle ader.
Cavernofité. (f) HolUgheid,
CAV. CAU.
Caveflbn , (ra) Neus-band, neus-
pranger, kaperjon voo* paerden.
Cavet , (ni) Hol fnywerk op py
laaren.
Caviar , (m) Kavtar {gemaakt van
kutt van Steur).
Cavillatiun,(f) l^alfch bewys-Jiuk,
(argument) (n), drogreden (f,.
Cavin , (m. Holle of bedekte weg
(in Krygsk.).
Cavité, (f) Holligheid.
Câufal , aie (adj; f^eroorzaakend
{in Spraakk.).
Caufalité, ( f) Oorfpronk (m).
Caufatif , ive (adj.) Dat oorzaak
aanduid {infpr. k.) als : car , want enz,
Caufe , ( f) Oorzaak , grond, Je huid-,
reden; regt^-zaak-geding , c^ak phy-
fique , morale , natuuriyke , zedelyke
oorzaak -y être pour la bonne caufe,
zio by 't geene recht is houden , voor
de goede zaak zyn; caufe premiere ,
féconde, efficiente, matérielle , fi-
nale , eerfle , tweede , werkende ,
jîoffelyke, eindelyke oorzaak ; à ces
caufes nous &c. {Rechtsw.) zoo is 't
dat wy enz. plaider une caufe , eene
zaak bepleiten ; donner gAÏn de cau-
fe , een zaak gewonnen geeven ; per-
dre fa caufe, zyne zaak verliezen ■ à
caufe, (voorz.) ter oorzaak; à caufe
que, (koppelw.) om dat , à caufe de
moi, om mynent willen.
Caufer, (v. a.) Veroorzaaken.
Casfer, (v. n.) Praaten, kouten,
Cauferie , ( f ) Gekout , gepraat (n).
Cau Peu r , eufe (C. &c ad j .) Praat er ,
praatvaar j praatjïer ^praatmoer , ï'a- "
mour ellcaufeur, de liefde is praat-
agtig.
Caufticité ,( f ) Brandende kragt.
Cauftique , (adj.) Ineetend, bran-
digy ligne cauftique, brandpunt in
een brandglas ; cauftique, bits , fchen-
dendf eerrovend.
Caatéle , ( f ) {oud w.) Loosheid.
Caoteleufement , (adv.) Lijlighk,
Cautel eu X , eufe (adj .) Lljiig , door-
trapt , fnedig.
Cautère , (m) Een fifiel ( f ) , cok
bet yzer daar ze meê gemaakt word
(n).
Cautérifation , (f) Het zettenvan
een fijiel,
Cau-
i
CAÜ.CE.CEA.CEC.CED.
Cat-tériré, ée (adj.) Confcience
cautéi vfée , toegejchroeid gewijfen.
Caucérifer, ( v. a. ) Branden,
Jchroeiert j een fijiet zetten.
Caution, (f) Bürgtogt , caution
folidaire , borg voot het geheel (in
folidum); être caution, borg zyn;
élargir Tous caution y onder borgtogt
ontjlaan; être fujet à caution, niet
zeer te vertrouwen zyn.
Cautionnage. , {va) Borgt ogt ge-
ving (f).
Cautionnement, (ra) Borgtogt (f),
verzekeringS'brief (m).
Cautionner, (v. a.) Bcrg blyven,
voor iemand injiaan»
Ce, cet, cette, (pron.) Deeze ,
die , dat , het -, ce garçon ci , deeze , die
jongen f cet homme là, deeze y die
man-, cette femme , deeze , die
vrouw; ce qu'il vous plaira, het
geen u believen zal; ce que je n'y
vai pas, c'efl: que je &c. de reden
waarom ik 'er niet gaa , ii dat ik enz.
à ce que je vois, na dat ik zie ; à
ce que j'apprend , achtervolgens , of
volgens het geene tk verneem; ce me
femble , my duvkt; ce font d'étran-
ges gens, bet zyn wonder lyke lieden ',
ce n'eft pas que je ne ^Miff^t ^ het is
niet dat ik niet kan j c'eft moi , ik ben
het ; c'a été voua , gy zyt het geweeji.
Céans , (adv.) Bier binnen ; ie maî-
tre eft il céans ? is de meejler t' huis?
Ceci , (pron.) Dit , deeze zaak , dit
ding.
Cécité. (Zie Aveuglement).
Cédant, ante (adj) Die tets af-
Jiaat.
Ceder, (v. a.) Wyken , afjlaan;
ceder fon oroit, zyn regt afjiaan ,
overgeeven ^ ceder k ia force ^ voor 't
geweld wyken; il lui cede en éru-
dition , hy is zoo geleerd niet als hy.
Cedille, (f) Tekentje dat men in
de franfche taal onder een c zet ; by
voorb ) r< ÇÛ ; bekomende dan de uit-
fpraak vas een f.
Cédrat, (m) Zeker welriekende Ci-
troen-boom .
Cedre , (ra) Ceder-boom.
Cedrie, (f) Ceder-harjl.
Cedule , (f) Een ceel^cedulle (f),
krïefje',.handfcbrifi{ïï).
CEL CEL. III
Ceignant , ante (adj,) Omgorden-
de , omvattende.
, Ceindre, (v. a) Gorden, omgor-
j den-, aangord.'H.
j Ceint , ie (adj.) ^angegordt.
I Ceintes, (f. pi.) Berghouten van
I een jchip.
Ceintrage ou cintrage,(m) Scheeps-
touw er k , om te gorden , vajl te- for ren,
Ceintre. {Zie Cif.tre).
Ceinture , ( f ) Gordel riem , gor-
del; broek-band {m) ; het middel-lyf
(n)j hand of lyfi {in Bouwk.); bonne
renommée vaut mieux que cein-
ture dorée , een goede naam is beter
als olie {Jpr. w.)
Ceinturette ,( f ) Een Jagers hoorn-
riem {va).
Ceinturier, (m) Gordelmaaker.
Ceinturon , {ni) Gordel, draag-
band, degenriem.
Cela, (prcn.) Dat-, ceci & cela,
dtt en dat.
Céladon , (m) Zee~groen (verf).
Celé, ée (adj.) Verborgen.
Célébrant, (ri:) Priefter die den
dienji doed.
Célébration, ( f) Viering,
Célèbre, (adj.) Beroemd, ver-
maard; vterlyky.plegtig.
Célébrer , (v. a.) Roemen , pryzen^
verkondigen; célébrer les louanges
du Seigneur, des Meeren hf vermel-
den ; célébrer Ia mefle , de mis vieren.
Célébrité , ( f) Beroemhkhetd , ver-
maardheid; plegtigheid.
Celer, (v. a.) l^erbergen, verhee-
len , geheim houden.
Céleri, (m) Sellery (f) (plant).
Célérité, (f) Gezwindheid, fpoed'
cette affaire demande célérité, die
zaak vereifcht fpoed.
Célefte, (adj.) Hemelfch i elohe
célefte , hemel - kloot.
Céleltin , (m) Celefliner Monnik.
Céliaque, (f) Zekere loop , waar
door defpys half verteerd, ontlafl.
Célibat, (m) Ongehuuwde Jîaat .
Célibataire, (m; Een or.gebuuwd
perfoon.
Celle. {Zie Celui).
Cellerage, (m) Impoft op kelder
wyn,
Cellérerie , ( f ) Keld&rmeejierfchap»
Cel-
ïia CEL. CEM. CEN.
Cellérier , iere ( £ ) Kelder'inepjler-
Meejlérejfe. ^
Cellier, (m) Spys -kelder.
Celiule, (m) Eene celle (f), klein
kamertje; vakje; landje in een kiji of
kaf}; byèn celletje {n).
Celui , (m) c^lle {?) -, ceux , cel-
les {^\.) {^ron.) Deeze ^ die, d.it ;
celui qui , celle qui , de geene die,
celui ci , celle ci , dceze , of deeze
hier; ceux là, celles là, die , of die
daar.
Cernent, &c. (Z/>Ciment, enz.)
Cénacle, (m) Avondmaal -kamer
onzes Zaligmaakers.
Cendre, (f) Afch; Ie jour dès
ceudi es , afchdag ; cendre gravelée,
potafch ; cendre de plomb , fchiet'-
hagel.
Cendré, ée (adj.) /ifch-verwtg.
Cendrée, (f) LooJphuim; fchiet-
hagel.
Cendreux, eufe (adj.) Beafcht.
Cendrier, (m) Âfch-vat , afch-tony
afch-gat; afchen-vyjler ; cendriere ,
( f ) afchen-vyjîerfche.
Cène , ( f ) La fainte cène , het bei-
ge Avondmaal , Nagtmaal.
Cénelle , ( f ) Hulfl-bézie.
Cengle, &c. {Zie Sangle).
Cénotaphe , (m) Ledig praalgraf
(n).
Cens , (m) Leenrente , grondpagt ,
grondfchatting , cyns ( f ).
Cenfable , (adj.) Cynsbaar.
Cenfal , (adj.) Makelaar in de
Levant.
Cenfe, (f) Pachthoeve , pachtgoed.
Cenfé , ée (adj.) Cela eu: cenfé
légitime y dat word voor wettig geagt,
gehouden.
Cenferie, (f) Makelaardy.
Cenfeur , (m) Berifper , hefiraffer ,
opziender ;Q.enïe\xv des livres, è^oor-
deeler , Vifitator der boeken.
Cenfier, (m. f. & adj) Grond-heer,
Land-v er pachter ; Land-verpachfler ;
f tem Pachter, Pachtfler daar van»
CenQcaire , (m) Een-Cyns-man.
CenGte, (adj.) Daar Cyns , pacht
van betaald moet worden.
Cenüve, (f) Cynsbaar beid.
Cenfivement, (adv.) Cynsbaarlyk,
Cenfurable, (adj.) Beflrafbaar,
Cenfiire, (f) Befïraffing.
CEN. CEP,
Cenfurer , (v. a.) Bejirafen',heQor'
deelen.
Cent , (adj. & fubft.^ Honderd-,
cent fois, honderd maal; il y en
eut cent de tués, daar wierden 'er
honderd van gedood; cela fe vend
au cent, dat zvord by 't honderd
verkogt ; cinq pour cent, vyf ten
honderd.
Centaine, (£) Honderd fluks.
Centaure , m) Een Paer4-menfch,
centaurus {by de Dichters).
Centaurée , ( f) Santorie {Genees-
kruid).
Centenaire, (adj.) Honderd jaarig.
Centenier , (m) Hoofdman over
honderd.
Centième, (adj.& fubft.) Honder-
Centon , (m) Soort van Poëzy uit
verfcheide Schryvers getrokken.
Cent-pieds , (m) Een Slang ( hon-
derd voet genaamd).
Central, aie (adj.) Le feu cen-
tral , het vuur in het middelpunt der
aarde.
Centre , (m) Het middelpunt ; cen-
tre de gravité , het 'middelpunt der
zwaarte ; éiTQ à.?ins fon centre, iets
daar men zyn behaagen infchept.
Centrifuge , (adj.) Dat zig van 't
middelpunt verwyderJ.
Centripète, (adj.) Dat na't mid-
delpunt neigt.
Cent-iojiTe, (m) Een van de Zwit-
zerfche Lyfwagt.
CentuEïvir, [m)^Een van de hon-''
derd mamun eertyds in Romen, ,;
Ceutumviral ,ale (adj.) Dat daar'],
aan behoorde.
Centuple, (ra) Honderd voud (n). ^ '
Centuriateur , (m) S^bryver der
Kerk -gefchiedeniffen .
Centurie, (f) Bende van honderd
man {by de Romeinen).
Centurion. {Zie Centenier).
Cep , (m) Een wynjiok.
Ce pees, (f. pi.) Scheutelingen van
een afgehouwen boom.
Cependant, (adv. & conj.) {lees
Spandang) Middelerwyl^ onder tus.,
fchen ; nogtans , echter , evenwel ; at- :
tendez un peu , j'écrirai cepen- ,
dant , vuagt e m weinig , jk zal onder-' \
tujében ^
CEP. CER.
fujjcben fcbryven • cela e^ vrai ace-
pendant vous ne voulez pas le
croire , daf is waar , en evenwel
wilt gy het niet gelooven.
Céphalalgie, (f) Kleine Hoofdpyn,
Céphalique, (adj.) Veine, pou-
dre céphalique , hoof J-ader-) poejef.
Ceppeau , (m) Mum-blok.
Ceps > (m) Boejen j blok , waar mei
of waar aan de gevangenen gekluiflerd
at'orden.
Cerac, (m) IFafch-zalve (£).
Ce ration , (f; Toebereidtng der
Jloffen tot fmelting.
Ceratoglcfle , (ra) Vleefch-fpter tot
beweging der tong {m Ont leedk.).
Cerbère , (m) 'De helhond Cerbe-
rus met 3 hoofden (by Heidenfche Dig-
ters).
Cerce. {Zie Cerche).
Cerceau, (m) Een hoep^ hoepet;
fuik {vogel net) ; chaffer un cerceau,
f en' hoep aandryven.
Cercelle, {ï) Een Taaling.
Cerche, (f) Boog-hoepel {m)waar
op een verwulf gemaakt word.
Cercle, (m) Kring , ring y cirkel,
kreit z y hoepel 'y chercher la quadra-
ture du cercle , iets zoeken dat. men
niet vinden kan; cercle de la Reine,
de opwagtinge der Konïnginne.
Cercler, (v. a.) Met hoepen beleg-
gen.
Cerclier, (m) Een hnepmaak?r.
Cercueil, (m) Dood-kiji , Lyk.kijl
(O; graf{n).
Cérémonial , (m) Ceremonie-boek
der Kerke (n).
Cérémonie, (f) Dienjïpleging ;
plegtigheid; kerk-gewoonte ; fans cé-
rémonie , zonder pUgtplegingen, zon-
der cmjlandigheden.
Cérémonijl , elle (adj.) Dienjl-
pligtig , kerk-gewoontig ; la loi céré-
inonielle, de ceremonieele , fchaduw-
agtige w'et.
Cérémonieux , fe (adj.) Esn die al
te veel omjlandigheden maakt.
Céres, (f) f^rugt^godinne (by de
tieidenen).
Cerï, {m)Een hert (n); courre le
cerf, een hert jaagen.
Cerfeuil, (m) Kervel {een kruid)
' CER. 11%
Cerf- volant, {m)Een hêverjchah
lebyter ; een vlieger {kinder fpeeltuig),
Cerifaiè , ( f; £en kerjfen- bogaard
(m).
Cerrife , ( f) Een kers , kriek,
Cerifier, (m) Een kerjjen-boom.
Cerne , (m) Een ring onder 't oog%
omtrek, cirkel; tover-cirkel.
Cerné, ée (adj.) ïi^s yeux cer-
nés , hlont en blaauwe oogen , ( zie
verder Cerner).
Cerneau , (m) De pit , kern { f)
van een noot ; kerjfen-jieen (n).
Cerner, (v. a.) Ergens een ring
omtrekken ; de pit , kern uit een noot
haaien ; de baji , fchors van £en boom
fchilhn.
Cerquemaneur , (m) Gezworene
Landmeeter in Picardien.
Certain, aine (adj.) Zeker , ge-
ivis; une nouvelle certaine, eene
zekere ofvajïe tyding; une certaine
nouvelle , eene zekere {eene lopende)
tyding; un certain, een zeker ie"
mand.
Certainement $ (adv.) Zekerlyk,
voorwaar.
Certes, (adv.) Zekerlyk^ gewis^
felyk.
Certificat , (m) Een' verklaaring (f)
verzekerings-brief {m). '
Certificateur , (m) Verzekeraar^
injlaander van eene borgtogt.
Certification , (f) Schriftelyke
verzekering, '
Certifier , (v. à.) Bekragtigen yver^
zekeren , betuigen.
Certir. {Zie Sertir),
Ctrthxxde,{î)Zekerheid, gewîshetd:
Cervaifon , {f) De tyd wanneer de
Herten vet zyn.
Cerveau, (m) Herjfen, brein, bet
bovenjie eener klok ; avoir le cer-
veau perclus , creux , mal tic hré
ou démonté , gering verdand i?eb^
ben , gek zyn.
Cervelas, (m) Eenfoort vanJJefk
gekruidde worjl.
Cervelet , (m) Het acbtfrbrein , (in
Ontleedk.). ' *
Cervelle , (f ) Het brein , de hers^
fenen; une bonne cervelle , een
goeden kop, goed verjiand ; c'eft
une pauvre eerveHe , v /> eetieH
« fegtê
1T4CER.CES.CET.CIÎA.
Jlfgten bloed; être en cervelle , in
bekommering zyn,
Cervier , ou Loup cervier. {Zie
Linx).
Cervoife , (f) Bier {oud w.).
Cerufe , (f) Lood-wif, {figuurt.)
vaîfche Jchyn.
Céfar , (m) Keizer ; rendez à cé-
far , ce qui eft à céfar , geeft den
keizer , ivat des k'/tzers is.
Céfarienne, (adj.) Fai^e l'opéra-
tion céfarienne , de keizers fneê
doen (in vroedkunde).
Cefîant, ante (adj.) Toute affaire
ceflante , aile werk ophoudende.
Ceflacion , ( f ) Opbouding , JJil-
Jîand.
Cefle , ( f ) Sans cefle , zender op-
houden.
Cefler, (v. n.) Ophouden, uitfchei-
den.
CeflTible, (adj.) Ophoudelyk.
Ceffion, (f) Afjtand , overgaaf %
faire ceffion de l'on bien , affïand
van zyn goed doen.
Ceûionnaire, (adj.) Een die iets
affîaat.
Cefte , (m) Gordel van Venus (m) ;
kolf y zweep y handfchoen met lood he-
Jlaagen der oude kampvegters (f).
Cefure, ("f) Ophoudtng in een vers
cfrym.
Cet. {Zie Ce).
Cetacée ,(adj.)Poiflbns cetacées,
groot e vifchen.
Ceterach, (m) Mild-kruid {n).
Cette. {Zie Ce).
Cetui-ci , cetui-là. {Zie Celui-ci).
Chablage, (m) Het aanjlaan van
de lyn aan een Trek-fcbuit of van touw
om iets op te hvffen.
Chableau , (m) Reep of lyn van een
Trek-fchuity item hystouw y karnaal-
toum {fcheeps w.)
Chaisier, (v. a.) Zoodanig touw
aanjlaan , vaji haaken-, chabler les
noix , de noot en afpaan.
C hâbleur , (m) Brug - opbaalder ;
een die op de rivieren de vaartuigen
voorthelpt; Haven-meejler te Parys.
Chablis , (m) Door den wind neer-
geveld hout.
Chablots, (m) Tqww om JifUagten
meévaji ti bitidea»
CHA.
Chabot, (m) PoJÎ {zekere vif ch).
Chacal , {m) Jakhals , {zeker dier
als een Vos dat de dooden opgraaf d).
Chacelas, (m) Zekere witte druif
(f)-
Chacun , une (pron.) Een iegelyk,
ieder y elk -, iedere y elke, ieder ding.
ChafFeurer, (v. a.) {oud w.) Be^
zoe delen , bekladden. •
Chafouin, ine (m. & f.) (fchelJ
w.) Aapen gezigt j iemand die mager
en fchraal is.
Chagrin , (m) Verdriet (n) , erger*
nis (f) ; fegryn leer (n).
Chagrin , ine (adj.) Verdrietig,
moeilyk.
Chagrinant, ante (adj.) Lafligy
ergerend.
Chagrinement , (adv.) Verdriet
tiglyk.
Chagriner, (v. a.) Kwellen, nfer-
driet aandoen', fe chagriner, (v. r.)
zig kwellen , un efprit bourru, fe
chagrine de tout, & chagrine les
autres , een wonderlyk humeur , kxveld
zig over alles, en kweld andere mee^
de.
Chai ne, (f) Ketting, keten -y ket-
ting van een weefgetouw , chaine de
montagnes , eene reeks her gen aan
malkander ; brifer fes chaines , zy-
ne liefde banden b re eken.
Chaineau , (m) Een loode buis,
Chainetier , (m) Een haaken en
oogen maaker.
Chaînette, (f) Horlogie-kettingt-
je (n), kleine ketting (f).
Chainon , (m) Schalm , fchaaket
van een keten .
Chair, (f) Vleefch (n)-, chair de
mouton , fchaapen vleefch; chair de
poiflbn , 'de fruit , 't vleefchig ge^
deelte van vifch , fruit ; il n'eft ni
chair, ni poiflbn , hy heeft geen
Codsdienjl, hy is niet met al.
C haire , ( f) Preek-Jioel ; catheder.
Chaife, (f) Eenjïoel (m); fchai-
ze (f) {rytuig); chaife à dos , à
bras, leun- armfioel ; chaife per-
cée, kakftoel ; chaife de moulin >
molenjlander ; chaife à porteurs >
draag-Jioel (m).
Chaland, de (m. & f.) Kalanf.
Çhalandife , {f)Kalarultfiei neering.
CHA.
<7haIcedoine , (f) KaUedonie-Jleen
{m).
Chaleur , (f) Hitte ^warmte ; rit-
ZigheiJ.
Chaleureux , eufe (adj.) Hitzig
van natuur {oud tv.).
Chalic, (m; Een beJJieé (F) ;(beter
bois du lis).
Chaloir, (v. n.) J^ig over iets be-
kommeren (gem. w. en word alleen
dus gebr.) il ne m'en chaut , bef
fc beeld my niet.
Chalon, (m) Zeker groot net (n).
Chaloupe, (f) Sloep, boot.
Chalumeau, (m) Hen halm van
Jiroo {ra) ; rietje ; riet f'uitje ; rietje
van een doedelzak enz. foudeer-pypje
(n).
Chalumet, (m) Rietje, mond-Jiuk
op een tabaks-pyp (n)
Cham , {fpr. Kam) (m) Cham of
oppervorjl der Tartaaren.
Chamade, (f) Battre la chama-
de, t/ip chamade paan, {word door de
belegerden gedaan als zy tot verdrag
en overgaaf komen willen).
Chamailler, ("v. n.) fe chamail-
ler , (v r.) In 't honderd^ links en
regts Jlaan,vegten, fchermutzelen ; item
in woorden , pennen-flryd geraaken,
Chamaillis, (m) Gevegt in 't hon-
derd , gefd^rntutzel (n), twifl (f).
Chamarrer^ (v. a.) Met goude en
zilver e paffimenten hoorden , beleggen.
Chamarrure, (f) Belegging daar
mee de.
Chambellage , (m) Zekere afgift
die de onder ~aat by veranderingen zy-
nen Leenheer geven moet.
Chambellan, (m) Kamer-heer.
Chambranle, (m) Lyfî- fny-werk
aan deuren 5 vengjlers enz. (n).
Chambre, (f) Kamer, vertrek
(n); kamer in een gefcbut ; groef in
glas-lood; kajuit; de Ruimte tuffchen
twee Jluis'deuren; chambre garnie,
gefloreerde kamer; chambre de ju-
Itice , des comptes , des afiurances,
noire , regt- reken- affurantie- peni-
tentie- bid-kamer ; eet homme a des
[Chambres à loXi^x y{fpr.xv.) dieman
is gek.
Chambré, ée (adj,) Ce canon eft
chambré , dtt jiuk is hvalyk gegooteu.
CHA. îfy
Chambrée, (f; Kamer-gezelfcbop
(n) ; een kamer vol.
ChambreJan, (m) Een beunhaas,
fmoorder {werk-gafl dte zyn proef niet
gedaan heeft) ; een t'huis legger^flaaper.
Chambrer, (v. n. & a.) Onder
eene tenee logeeren ; een kamer of holte
in een zadel' maak en.
Chambrerie, (ï) Kamer of ampt
van een kloojler-verzorger.
Cbambrette , (f) Kamertje (n).
Chambrier, (m) Kamer-heer ; in-
maander der tnkomjlen eener abdye.
Chambrière, (f) Kamenier , ka^
mer-maagd; de zweep in de ty-fchool;
fpinrokken-band.
Chambrillon , ( f) EenJJoofje, ge-
ringe dienflmeid , een poezegroei.
Chameau, (m) Een kameel of ié~
mei; item zeker vaat tuig, ligter ge-
naamd; poil de chameau,*e»wé'/j-/'a/V,
Chamelier, (m) Kémei - hoeder-
(m, pi.) Strand-mos-
dryver.
Chames ,
fel en.
Chamois, (m) Een wilde geit (ra) -,
bereid leer daar van (n).
Chamoifeur, (m) Een leer berei-
der.
Champ, (m) Een veld (n), akker
( m ) Î middel/luk van een kam ( n ) ;
champ de bataille ,yZög-ï;^/i/- champ
de raars, oorlog (by Oicht.); roue
de champ, kroon-rad (by Hor logfpm.)i
avoir un beau champ , pour étaler
fa valeur , fes talens , een fchoon
veld of gelegenheid hebben om zyn
dapperheid , bekwaamheden te too-
nen ; champ de tapiflerie , de grond
van een tapyt ; à tout bout de champ,
alle oogenbltk ; fur le champ , op
fïaande voet j donner la clef des
champs, op vtye voeten fl ellen', fe
mettre au champ, boos worden; à
travers champs , dwars door bet veldy
in 't wild; gagner le champ, weg
loopen.
Champart, (m) Koorn-tiende.
Champa.ter, (v. a.) Koorn-tiendê
ne e m en.
Champarterefle , (fubft. & adj.)
Een tiend fchuur (f).
Charoparteur , (m) Een tiend-man.
Champêtre , (adj.) Boerfcb ; tot het
H 2 iMHtf
,ïï6 en A-
' land behoorende ; la vie champêtre,
bet land'leeven ', maifon champêtre,
een land-huis.
Champignon , (m) Paddejioel , dut-
veîs-brood; bet zwarte puntje aan een
brandende kaers.
Champignonnière , (fj Plaats
daar paddejloelen gy oei jen.
Champion , (m) Een kamp-vech-
ter; (fguurl.) voorjiander , beid.
Chance, (f) Kans (£), geluk (n).
Chancel, (ta) Getraliede plaats in
een choor.
. Chancelant, anie (adj.) Wagge-
lend^ wankelend.
Chancélement , (m) fFaggeling;
wankeling (f).
Chanceler, (v. n.) Waggelen,
wankelen , weiffelen j fa fortune chan-
celle, zyn geluk JJaat op zwakke
voeten.
Chancelier , iere (m. & f.) Kan-
eelier-f kanceliers vrouiv.
Chancellerie , (f ) Kancelery , kan-
eely.
Chanceux, eufe (adj.) Gelukkig,
voorfpoedfg j me voilà bien chan-
ceux , bet geluk diend my.
Chancir^ (v. n.) fe chancir , (v.r.)
yerfcbimmelen.
Chanciffure, (f) Befchimmeling,
Jchimmel.
Chancre, (m) Kanker (f), (/«-
eetend gezwel) .
Chancreux , eufe (adj.) Kanker-
egtjg.
landeleu r , ( f ) Vrouwendag ,
Maria Licbtmis.
Chandelier, (ra) Kaarjen-maaker-
wrkooper.
Chandelier, (m) Kandelaar; blin-
de (in Vefïingb.) ; flut ( Scbeeps w.)
Chandelle , ( f) Een kaer: ; chan-
delle de veille , de glace, «^^^-^a^r^;
y5'kegel%\e jeu ne vaut pas la chan-
delle , bet zap is de kool niet waard ,
w/bet is de kojlen niet waard.
Chanfrein , (m.) Een Jîukje zwart
Jiof dat men oJ> 't voorboofd der rouw-
poerden zet y kol of bles voor de kop ;
veder -iojcb , kuif van een paerdy af-
ronding (tn Bouwk.).
Chanfreiner , (v. a.) /afronden ,
étfiberpt boehgn afneemsn (by Timm.).
CHA.
Change, (m) De wijfel; veraride^
ring , verruiling; lettre de change >
wijfelbrief', prendre Ie change, zig
bedriegen, d waaien.
Changeant, te (adj.) Veranderlyk,
onbejlendig , wuft.
Changement, (m) Verandering^
verwiifeling (f),
Changeouer, (v.a.) Dikwils ver-
anderen, tuifchen (gent. <w.).
Changer , (v. a. & n.) Verande-
ren , verwisfl en , tuifchen; changer
de note, van gedagten veranderen.
Changeur, (m) tVisfehar.
Chanoine, (m) Kanonnik, Dom-
beer.
Chanoinefre,(f) Sttft of geeflelyke
Dame.
Chanoinie, (f) Kanonnikfcbap .
Chanfon, (f) Een lied , gezang^
deuntje (n) ; chanter toujours la
même chanfon, a/^yi/ <üan een en de-
zelfde zaak fpreeken; chanfons que
tout cela, tout ce que vous nie
ditez font des chanfons, dat zyn
altemaal vertellingtjes.
Chanfonner, (v. a.) Liedjes maa-
ken.
Chanfonnîer , iere (m. & f.)
Liedjes-Jigter ; digtfler (gem. w.).
Chant, (m)Gezar.g (n),wyze(f)}
baanengekraai (n),
Chantcau , (m) Een homp (m),
fluk brood (n) ; las aan een kleed ( f) ;
't maanfïuk aan een vat-bodem (n).
Chantepleure , (f) Een gieter (in
een tuin): uyn tregter; bouten kraan
(m); riool (n) of waterloop (m), .
C hanter , (v. a.) Zingen ; kraaijen ;
chanter la palinodie, de fnot pfalm
zingen , op zyn mond kloppen , dat is ,
zyr.e woorden in den nek baaien , her-
roepen; lorsqu'une fois on éft rna-
rié il faut chanter , (fpr. w.) als
men eens getrouwd is moet men van
toon veranderen , een ander leeven lei' ,
den; chanter injures, pouilles oa'
goguettes à c\\xelcnn , iemand wakker
uirmaaken , de buid volfcbelden ; je lui
ai bien chanté fa gamme ,/^ beb hem
fcboon zyn l. s gegeeven ( Ipr. w.) ; fai*
re chanter quelcun , iemand tot re^
den brengen ; faire chanter un cri-
minel , een' misdadiger doen klappen ; j
c'elk!
CHA.
c*eft bien chance , bet is fraai ge-
zegt , {boen. IV.)
Chanterelle, ff) Een lok-vogel
(tn) ; quint , fyt^fte Jnaar van een fpeel-
tuig ( f).
Chanteur, euTe (na. & f.) Zin-
ger f zanger f zang/ïer , zangeresje.
Chantier, (rn) Houttuin (m)> tim-
vier werf (f) ; Jïapel(n) ; bier -ft e Hing j
groot e wagen fcbuur ; mettre un vais-
leau fur le chantier , een fcbip op
Jlapel zetten.
Chantignole, (f) Klamp waar op
de dwars-balken ruften', zeker gebak-
ken ft e en.
Chantourné, (m) Tapyt ~ cieraad
aan 't hwfd van een ledikant (n).
Chantourner , (v. a.) Een fiuk
hout of lood uitfnyden.
Chantre , (m. & f.) J^oor zanger ;
voor zang Jl er in een kloqfter;le s chan-
tres des bois, nagtegalen (f).
Chantrerie, (i*) J^oorzangerfchap
Chanvre, (m) Hennip yhennip^î)}
chanvre mâle, zadeling ^ zaafing -,
chanvre femelle, helling-^ cuillir,
roair, brifer le chanvre, den hen-
nip plukken , rooten , braaken.
Chanvrier , (m) Hennip-hêkelaar
of verkooper.
Chaos , (m) (lees Caos) Mengel-
Jilomp (m) ; verwerring ( f ) ; mengel-
moes (n); débrouiller le chaos, ■y^r-
werrede dingen in orden , brengen ,
ontwarren.
Chape , (f) Koor-kleed of hembd (n)i
tabbaard t rok der GeeJJelyken -, beu-
gel van een ^gefp (m) , Jlulp van een
dijïileer-kétel (f) offchotel\ difputer
la chape de 1'évéque, {fpr, w.) om
's keizers 'baard , of over iets, dat
om niet aangaat, zintwijien; cher-
cher chape chute, (fpr. w.) zig
door zyn gedrag in ongelegenheid
br enigen.
Chapeau, (m) Een hoed; 't kap-
laken (n) {voordeel beha hen de vragt
van een Schipper)-, parier chapeau
bas , bloot s hoof ds Cpreeken,
Chapelain, (m) Een kapellaan.
Chapeler, (v. a.) Chapeler du
pain, brood rafpen, ontkorjlen.
Chapelet, {ta) /Soo^f^raw; Pater»
CHA. nr
nofter; flyg-beugel{m); koraalen-fnoer
( f) ; koraalen boven op brandewyn j
Ie chapelet fe défile, {fpr. w.) bet
geflacht verminderd of de vriendjchqp
breekt.
Chapelier, iere (m. & f.) Hot'
demaaker ; Hoedemaakjïer.
Chapelle, (f) Y^apellê (f); oven*
verwulf zei (n).
Chapellerie, (f) Kdfellaanfchap*
Chapelure, (f) ylffcbrapzel van
brood (n).
Chaperon , (m) B^« kap { f) , kap-
zei (m) , kaproen ( f ) , {eertyds gedraa-
gen) y tnonmks-kap (f ) j kuif van een
vogel (f)i kap van een muur (f);
gepromoveerde Dcâors hoed (m) ) Pi-
Jfool-holjïer-kap {£) ; 't dwarshous
van een kruk (n)^
Chaperonné, ée (adj.) Gekapt^
{in JVapenk')
Chaperonner, (v» a.) Kappen.
Chaperonnier, (m) Een l^alk die
aan de kap gewend is.
Chapier, (m) Priejler in een mis-
gewaad.
Chapin, (m) Spaanfcbe kousfen m
fchoenen.
Chapiteau , {m) Het kapiteel eemt
zuil ; dekfluk , kap eener muur.
Chapitre, (m) Kapittel {î)^ af"
deeling { f) , hoofjjïuk (n) ; tenir cha-
pitre , kapittel , verzameling hou-
den', la converfation tomba fur le
chapitre d'un tel, het gefprek viei
over zulk een ; paflbns fur ce châ-
tre , laat ons die zaak voorby gaan.
C hapitrer , (v. a.) Bejlraffen , door^
haaien, iemand de biegt leezen ^ ka-
pittelen.
Chapon , (m) Kapoen y kapiiin',ze^
kere maat land om een adelyk land»
huis', een groot fluk brood dat men itf
de ketel kookt,
Chaponneau j (tn) Jonge kaputn,
Chaponner, (v. a.) Chaponner
un coq , een' haankapuinen,
Chaponniere, (f) Kapuinfchotet,
Chaque , (pron.) Ieder y yder;
chaque jour , ieder dag y chaqiiç
hl ure, teder uur.
Char, (m) Triumf- wagen der ott'
den.
Charagi (co) ^ekfrff tynf dj/ e^
TA 3 f 0<^
118 CHA.
^oden en Chrïjienen aan den grooten
Tnrk bet aaien moet er..
Charanfon , (m) Koren-worm.
Charbon , (m) Een kool ; pejl-buil
(f); caput mortuum , of bet laatjïe
cuerfchot van gejïookte dnigen.
Charbonnée ,(f) Gei-ooJlerJvleefchy
karbonnade.
Charbonner, (v. a.) Met een kool
aftekenen > iemand zivart maaken ,
zyn goede naam bezwalken.
Charbonnier, iere(m. 5cf.) Kool-
wan, kool-ver kooper., kool-brander-,
kool-brandjïer.
Charbonnière , ( f) Kool -brander y,
kool-plaats
Charbouiller, [v.z.) Verbranden,
bederven, {word van koren gezegd).
Charcuter , (v. a.) Spek klein Juy
den om te kookèn.
Charcutier, ere (m. & f.) Sp,k-
verkooper j fpek-Jlaa^er -, fpek-JJaag-
fler.
Chardon, (m) Een dijîel ,Jieekel ;
dijiel-kaard (by Droogfcheerders) ; pin-
nen op een hek , heining ; chardon bé-
nit, gezegende dijiel , kardebenedift
(kruid).
Chardonner ou laner , (.v. a.)
X)e wol opkaalen , rouiien. '
Chardonneret, (lu) Dijlel-vïnk ,
putter,
Chardonnet, (m) Kleine difiel.
Chardonniere , ( f) Een plaats vol
dijlels.
Charge , ( f) Een lajl , lading , vragt
(f) ; opzigt ; gevegt (n) j bediening {t ) ;
charge d'un mulet , laj} van een
muil-ezel ; charge d'un vaifTeau , /a-
ding van een fcbip ; avoir charge ,
iafi, bevel hebben y avoir une gran-
de famille à fa charge, een groot
huisgezin op zynen hals hebben ; il
-n'eft point en ma charge, hy is
niet onder myn opzigt, bewaanng;
entrer en charge , in bediening
treeden j charge , laading van een
fchietgeweer ; commencer la char-
ge, het gevegt beginnen i revenir à
la charge , nog eenmaal op den vyand
tos gaan; item zyn aanzoek vernieu-
ven'y fonner 5 battre la charge, tot
*t gevegt of aanval hlaazen , tromme-
ib ; cela m'eft à charge , dat is my
CHA.
tot een laji , dat verveeld wy ; à Ia
charge de , onder beding , mits dat j
femme de charge , huishoudjler.
Chargé, ée (adj.) {Zie Charger).
Chargement , (ra) Eene lading waa'
ren (f).
Charge o ir, (m) Een laad-lêpel.
Charger , (v. a.) Laaden , belaa-
den, belajien; chargerun navire,
een fchip belaaden -, charger d'une
commiflîon , met eene verrigting be-
lajien -, charger une fufil, een fnap"
haan /aaJfwj charger l'ennemi , c/^«
vyand aangrypen ; charger d.un cri-
me, met eene misdaad belajîen; cet
I arbre a bien chargé , die boom
' heeft wel gedraagen j charger un
compte , een rekening belajien j être
chargé de dettes, met f chu Iden averla-
! den zyn ; chargerune couleur , te dik,
; t^'donkerverwen',charger la, marcban-
dife de douane ,ûf^ koopmanfchap met
toi bezwaaren; charger la quenouille,
denjpinrokken aanleggen, klaar maa-
ken; chargé de \ies,met droejfem bezet;
charger le balancier , den onruji
e ener klok verzwaar en; charger tou-
tes les voiles , aile zeilen aanflaan.
Chargeur ,(m) Laad^r ,bevragter.
Chargeure, (f) Dwarsjiuk in een
wapen.
Chariage, (m) Het ryden; voeren;
voerloon (n); vragt (f).
Charier, (v. a.) Met een wa~
gen of kar voeren, ryden; la rivière
char ie , de rivier is aan 't krui"
jen y aan 't gaan; il faut charier
droit , meii moet regt handelen.
C hariot , (m) Een ^vagen (m) ; -
fleede {by Lyndraaijers { £).
Charitable , (adj.) Liefdadig , mild,
goed arms , meegaande , verdraag-
zaam.
Charitablement >(adv.) Liefderyk,
Cliaritatif, (m) Liefdegaaf, die
een Bisfcbop by nood eens heffen kan
(f).
Charité, (f) JVeldadigheld , lief.
de jegens thn noodlydenden ; aalmoes; #
charité bien ordonnée commence
par foi même, de liefde begind eerji
van zig Zi^lfs {fpr. w.).
La Charité 5 (f) ^ahwesfemersr
huis (n).
Cha-
CHA.
Charivari , (in) Gerammel van
potten en pannemy geraas ,get ter (n) f
oploop van volk (tn).
Charlatan, ane (m. & f.) Kwak-
zalver , kwakzaljfler ; bedneger , be-
driegjïer.
Charlataner ) (v. a.) Kwakzalven ,
zwetzen, bedriegen.
Charlatanerie, (f) Kwakzaivery ,
bedriegery.
Charlacanesque , (adj.) Kwakzal-
veragtig.
Charmant ,ante (adj.) Betoverend;
bekoorlyk , vermaakelyk.
Charme , (m) Jokboom (m) ; bstove-
ring ', bekoorlykheid , bivaUigheid(f).
Charmer, (v. a.) Betoveren; be-
koor en , aanlokken^ inneemen; char-
mer les douleurs , pyn Jlillen ; Ie
vin charme les chagrins, rf^ vuyr.
verdryft het hartzeer -y charmer la
bale, de kogel bezweeren.
Charmeur , {m) Bekoorder ^Hexen-
meejler.
Charmeufe , (f/ Een hoeragtig
vrouivmenfch.
Charmille , (f) Jonge jokboom om
heggen en laan en mee te maakeiJ.
Cbarmoye , (f) Jokboomen hegge.
Charnage, (m) l-'lee/ch tyd (f).
Charnaigre, (m) Zeker Jagt hond
die de konynen op dry ft.
Charnel , elle (adj.) VleeÇchelyk.
Charnellement, (adv.) Vleefchelyk.
Charneax, eufe (adj.) Vleefchig.
Charnier , (m) V leefch-kamer (f) ;
kneekel huis , beefi-huis j item plaats
daar het avondmaal uitgedeeld word
in de R. Kerk.
Charnière, (f) Scharnier van een
doos enz. j(n) aasplaats (by yalken.)
(f).
Charnu, ue {a.à].)Vleefchig ifappig.
Charnure , (f) f'leefchigheid (f)
het vleefch (n).
Charogne, (£) Een kreng (f),
jïinkend aas (n).
Charpente , (f) Timmer-werk;
bois de charpente, timmerhout (n).
C harpenter , (v. a.) Timmeren,
iimmer-werk maaken-, iets onbehendig
fnyden, hakken.
Charpente rie , (f) Hout -werk
■ van een buis ; bet timmeren (n).
CHA. 119
Charpentier , (m) Een Timmetm
man.
Charpie, (f) Pluk zei, wiek (voor
wonden)', y lande en charrie ) vie ef eb
in vezelen gt kookt.
Charrée', (f) Loog-af eb.
Charretée, (f; Eene kar vol y
karren vragt.
Charretier, (m) Kar rem an ; il ju-
re comme un charretier, hy vloekt
als een krygsheld j il n'eft fi bon
charretier qui ne verfe , daar is
geen paerd of het Jïruikeld wel eens^
{fir. w.)
Charrette, (f) Epne karre, kar»
Charriage. {Zie Chariage).
Charrier , (m) Een laogdoek , die
men over 't linnen f pre id en waar op
men de afch legt.
Charroi, (m) fVagen vragt {£), of
loon (n).
Charron , onne (m. & f.) If^a-
genmaaker; maakfler.
Charronnage , (m) tf^agen-maa-
kers-werk (n).
Charruage , (m) Opzigt over de
gemeene wegen en uitgave deswegen,
Charruë, (f) Een ploeg, mettre
la charruë devant les bœufs, het
paerd achter de ivagen f pannen , dap
is , eene zaak verkeerd doen.
Charte partie , ( f) ContraS va»
bevragting, vragt-briefy eer te par-
tie.
Chartier. {Zie Charretier).
C hart il , (m) Een wagen om koren
mee in te ryden.
C hartre, (f) Teering, quynende
ziekte; tomber en c hartre, de tee-
ring bekomen.
C hartre , ( f) Oirkonde , bewys va»
eenig voorrecht (n).
C har tr eufe, (f) Een karthuizer
kloojler.
Chartreux, eufe (ra. & f.) iSTar-
thuizer Monnik- , Nonne.
Chartrier, (m) Plaats daar d*oir^
konden eener abdye bewaard worden ^^
item bewaarder daar van.
Chartulaire, (ra) {lees Kartulai-
re) Een verzameling van oirkonden en
bef ch ei den eener kerk, kloofler , enz.
Chas, (m) Oog van een naald {n);
fiyfzel in d& kuip; pap gebruikp door
H 4 ds
I2C CHA.
de Weevers { î) -^-vak tujfchen twee bal-
ken (n) ; fiierigbeid eener koe ( f).
Chaferet, (m) Een kaas-vorm{f).
Chasnatarbalïï , (m) Opperfchau
meefier in 't Serail.
Chaflaky , (m. & f.) Een^ van den
groot en Heer zeer bemind Staatsdie-
naar ^ of Dame.
Chafle, {?) De jagt (f), jagt-
gezelfchap {n) ; aller à là chafle, op
cie jagt gaan; donner la chafTe à
quelcun ^iemand op de vïugt dryven;
à un vaiflVaa , jagt maaken op een
frhip; prendre ch&ffe, vlugten, weg -
toopen , afdeinzen ; chaffe , kaafs ( in
't kaats-fpel) ; deur/lag yzer (n) ; 't
houtiverk aan een zaag ; raam of lyjl
•van eenfpiegel enz ; reUquien kas ; aan-
JJag kam (m) van eé^i weefgetouw ;
teft van een fcheermes (n).
Chafle boffe, (f) Welgbree {een
kruid).
ChafTe -coquin , (m) Dienaar die
de fchavutten we^ jaagd,
Chafle-coufin, (m) Styve fiherm-
degen j verdorvene wyn voor onaange-
uame gajïen,
ChafTe-ennui , (m) Iets dat het
verdriet verdry ft.
Chaflelas, (m) Pietercelie wyn.
C hafTe-raarée , (m) ï^tfch^koper te
J>arys; zeevifcb-korfi
Chsfle-mulet, (ta) Ezel-dryver hy
gen vnoolen.
ChafTe-po ignée, (m)J5;<>» dryf-hout
0m het geveji van een degen vajï te
maaken (n).
Chaffer, (v.n.) Jaagen, weg jaa-
gen, verjaagen, ver dryven ; chafler
un clou, eenfpyker indryven, chas-
fer fur l'ancre, op het anker dry-
ven ; un bon chien chafle de race ,
de boom valt niet ver van de Jiam ;
't is een aartje na zyn vaartje (fpr.
'w.);lz faimehafl°e Ie loup d^bois,
honger is een fcherp zwaard {fpr. tv.);
un clou chafle l'autre , de zwakke
moet den ft erken wyken-, chafler fur
un vaifleau , op een fchip jagt tnaa-
ken.
' ChafTear , eufe (ra. & f.) Jaager,
^aa^ers'vromv.
' ^haaie; (f) Dragt der oogeo.
CHA.
Chaflïeux, eufe (adj.) Leepoogig.
C haflis , (m) Een raam , lyfi waar
mee men iets omvat of influit , veng-
fier-raam o/faffinet; borduur- y druk-
kers-, fcbildery - raam ; voet van een
tafel-/ fenêtre à c haflis, een fchuif-
raam.
Chaflbir, (m) .Kuipers dryf-hout.
Chafl:e, (adj.) Kuifch , eerbaar,
Chaftement, {adv,} Kuifbelyk, ■
Chaftetê, (f) Kuifchheid.
Chafuble, (f) Kazuifel {zeker
misgewaad of rok zonder mouwen).
Chafublier ,(m) Maaker daarvan.
Chat, Chatte, (m. & f.) Een ka-
ter ; kat ; jetter Ie chat aux jambes à
que[can,(fpr.)iemanddefhuldgeeveni
à bon chat bon rat , {fpr. w.) zy
zyn goed hy een-, acheter, vendre
le chat en poche , een kat in de zak
koopen, verkoopen {dat is zonder het
te zien); éveiller le chat qui dortj^
ou reveiller une querelle afloupie,
een oude wond openen, of oude koeijen
uit de Jloot haaien {fpr . w.) ; appeller
un chat , un chat & rolet un fripon ,
een dif^g by zyn , recbten naam noemen ;
chat échaudé craint l'eau froide,
een gebrande kat vreejl het koude wa-
ter ,of daar een ezel zich eens aau floot
wagt hy zig voor de tweede reis.
Châtaigne , (f) Kaftanje.
Châtaigne , ée (adj.) Kaftanje kleur.
Châtaigneraie , (f) Kajianien-
bofch.
Châtaignier v(nï) Kajlanien-boom.
Châtain ,^(adj.) Kajïanien bruin.
Château., (m) Een kaJïeel,/lot{n);
kampanje , fchans , plegt van eenfchtp
{ £) ; bâtir des châteaux en efpa-
gne , kajleelen in de lucht bouwen, (fpr,)
Châtelain , (m)_ ^mbagts'heer ^
borgt-voogd , kaftelein.
C hâte let, (m) Een flot je y gevan-
genhuis te Parys (n),
Chatellenie, (f) Kafteleny.
Chatepeleufe, (f) Kalander, ko-
ren-worm.
Châter, {Zie Chatter).
Chat- huant, (ra) Nagt-uil.
Chatiable, (adj.) Strafwaerdig,
Châtier, (v. a.) Kaftyden , tugti-
geti) Jfraffn -, châtier un enfant,
gea
i
CHA.
een kind Jlraffen ; châtier un ouvra-
ge j een werk befchaaven.
Châtiment, (m) Kaflydwg , tugt
Chaton ,(m) Kas i'aupen ring daar
de fieen in Jlaat j groer.e fchil van een
hazel-noci (f).
Chacouilleraent , (m) Kitteling (f).
Chatouiller , (v. a.) Kintelcn, ké~
telen; chatouiller 1'oreiile, het oor
Jireelen.
Chatouilleux, eufe (adj.) Kittel-
^S^'g i ^'?f gffioord, korfelig.
Châtré, ée (adj.J GrMdi un châ-
tré , een gelubde.
Châtrer , (v. a.) Lubben ^ fny den ;
châtrer les ruches, honing uit een
bye-korf ne e men ; châtrer un livre,
un fagot , uit een boek , van een tak-
kebos iets neemen.
Chatreur , (m)Een lubber , fnyder.
Chatte. (Zie Chat).
Chatte, (f) Een kat {zeker fchip
met 2 majlea).
Chattée , ( f ) Een worp jonge kat-
ten (n).
Chattemite , ( f) Eenefchynbetlige ,
huichelaarfier.
Chatter , (v. n.) Jonge katten wer-
pen.
Chattiere, (f) Een katte gat,
hol (n).
Chatton, (m) Jong katje (n).
Chaud» aude (adj. (Sc f.) Ifeet ,
warm j bitzlg ; ritzig , loopfch ; haafiig;
ieverigf il fait chaud, "t is warm
weê^ y eau chaude, warm y heet wa-
ter; fièvre chaude , heete koorts;
pleurer à chaudes larmes, bittere
traanen fchreijen; avoir les pieds
chauds , 'er warmtjes inzitten , het
%vel hebben ; avoir la tête chaude ,
zeer ophopend zyn , heet gebakerd
il faut battre le fer tandis qu'il eft
chaud , men moet bet yzer /meeden
terwyl bet heet is , dat is , de tyd
waarneeinen; fouffler Ie froid & le
chaud , in de eene hand water en in
de andere hand vuur draagen ; uit
twee monden fpreeken ( fpr.w.) ; tom-
her de fièvre en chaud mal, van
erger tot erger komtti ; une chienne
chaude , een' ritzige , îoopfcbe teef;
11 y faifoit fort efiaud, bet ging 'er
CHA. 121
heet toe; à la chaude, (adv.) in der
yl\ avoir chaud, warm zyn; être
chaud , geil zyn ; il vous la donae
toute chaude, hy fpeld u de leugen
heet en warm op de mouw , {fpr. w.y
Chaude, (fj Donner la chaude
à la befogne , bet werk gloeijend
tyxiaken , gloeijen; chaude Yuante,
vloeibaare gloé-tjing.
Chaudeau, (ir.) Kandeel (m), wyn
fopfe ( f).
Chaude-chafie , (f) Vervolging
van een givangenefx.
Chaudement , (adv.) JVarmtjes-,
hitzig ; haajiig ; onbezonnen.
Chaude-pifle, (f) Be koude pis
( f) ; f m druipt rd (m).
Chaoderet, (m) If'trktuig waarin
het metaal dun géflaagpn word.
Chauderon, (m) Kéiel;pomp-kap^
Chauderonnée , ( f) Een ketel vol,
Chauderonnerie ,(f) Koper-werk
(n); koper-handel (m).
Chauderonnier, (m) Koperjlager^
Chaudier, (v. n.) Loopfch gyn.
Chaudière, (f) Groot e kopere ké'
tel, brouw-kétel (m).
Chaudron. (Zie Chauderon).
Chauffage , (m) Brand, brand-haut
enz. a.les waar by men zig warmd.
C hauffe , ( f) Kool-pan of fchoorjleen
tn een fmelt -oven.
Chauffe-chemife, (m) E,en vuuf'
korf,
Chauffe-cire, [tn) Bediende eener
kamzetary die^ de brieven verzegeld.
Chauffe-lit*, (m) Bed-pan ( f), (^ie
Moine ou Baffinoire).
C hauffe-pied , (m) Een' Jîoof ( f ),
Chauffer, (v, a. & n.) ff^armeui
Ce chauffer, zich zvar men; je fai de
quel bois il fe chauffe, ik weet zyn
bejlaan , ik ken hem-
Chaufferette, (f) Stoof je y vuur^
pannetje (n).
Chauffeur, (m) Blaasbalg-trekker *
blaazer.
Chauffoir, (m) Plaats daar men
zich warmd; warme doek.
Chauffure,(f) Hamer/lag, afval
van yzer enz. (n).
Chaufour, (m) Kalk- oven.
Chaufourner, (v. n.) Kalk bran.
den.
H 5 Chau^
122 CHA.
Chaofournier , (m) Kalkbrander.
Chaume, (m) Koorn-Jloppel (£)',
dek-JiroQ {n,.
Chaumer, (v. a.) De Jloppels uit-
rukken.
Chaumière, (f) Een Jïrooye hut,
borren jlulp.
Chaumine , (f ) Klein hutje (n).
Chauffage , (m) Schoenen enkoujj'en.
ChïufTanc ,ante (adj.) Baschaus-
fants, koujfen dr e ligt aan te trtkken
zyn-, humeur chauifance , een fchik
kelyk gemoed) humeur.
Chauffe , ( f) Kous ; chauffes , (pi.)
OU haut de chauffes, culotte,
een broek -, chauffe d'hipocras , ffw
zygdoek; quitter les chauffes, (/pr.
w.) mondig ïvorden, de kinder fehoe-
ncn uittrekken -y tirer fes chauffes,
bet hazen-pad kiezen , {fpr. iv.)
Chauffée, {£) Dyk , dam (m) ,
kaai ( f ) ; à rez de chauffée , gelyk
met de grond.
Chauffe-pied , (m) Een aantrekker^
une charge eft un chauffe- pied de
mariage , {fpr. ixj.) een ampt is een
middel om te konnen trouwen»
Chauffes, (v. a.) Schoeien, f choe-
nen of koujfen aantrekken ; ce cor-
donnier chauffe bien , die fchoen^
maaker maakt goede fchoen en-, chaus-
fer un arbre , de voet van een boom
dekken; chauffez vos lunettes, zff
uw bril opice foulier chauffe bien,
die fchoen pajî wel -y il chauffe à tant
de points , zyne fchoenen zyn van
zoo veel Jleekf ils fe chauffent au
même point, {fpr. w.) zy zyn van
eenerly aart; fe chauffer une opi-
nion dans la tête , eene meening ei-
genzinnig vajî houden.
Chauffetier, (m) Yioujfen-maaker-
w e ever.
Chauffe-trape , ( f) l'^o et- angel.
Chauffette , ( f ) Onder-kous.
Chauffon , (m) Een zok ; datts-
fchoeu.
Chauffu're , (f) Scboeing ( f ) ,
fc^oeîfel (n) , al wat men aan de voe-
'fen trekt; trouver chauffure à fon
pied , zyn regte man of maat vinden ,
{fpe. w.)
Chauve, (adj.) Kaa/.
Chauve-fouris , (f) Flédermuis ,
CHA. CHE.
Chauveté, (fj Kaalheid,
Chauvir , (v. a.) Chauvir les
oreilles , de ooren epjleeken.
Chaux, (f) Kalki de la chaux
vive, éteinte ou fufée , ongelefchte ,
gelefchte kalk; de la chaux d'étain,
tin-afch; bâtir à chaux & à ciment,
met kalk en tras bouwen; tenir à
chaux & à ciment , wel vafl klee-
ven , ofy een zaak die bondig aange-
legt ts.
Chasnadar-Eafchj, (m) Opper-
fchatmeeifer in 't Serail.
Cheaus, (m) Jonge f^olf, Vos enz.
{Jagers w.)
Chécagne, (m) Onder-fchatmeejîer
in 't Serail.
Chécaya, (m) Officier der Janit-
zaaren naajî den Overjîen.
Chef, (m) Hoofd; Léger-hoofd; de
voornaamjîe van iets; chef d'efca-
are , fhout hy nag^t; chef de file,
vleugel-mau {by Sold.); chef de fa-
mille , huis-vuder; les chefs d'un
plaidoyer , de hoofdf.ukken van een
pleidooi; agir de fon chef, van zig
zelfs , na zyn eigen zin iets doen ;
chef , 't voorjle end of fiaalfïuk van
fioffen.
Chef-d'œuvre, (m) Meejîer-Jiuk ,
proef-Jîuk, konjîig werk.
Chef lieu, (m) Hoofi-pîaats,
Chégros, (m) Pekdraad.
Chelezzi , (m) Opper-huishouder des
Sultans.
Chelidoine, (f) Stinkende gouw,
fchel-wortel {geneeskruid).
Chelonité , (f) Zwaluwen -fleen
(m).
Chem.age, (m) Weg-geld {n).
Chêmer, (v. n.) (gem.w.) Gejlaa-
dig fcbreenwen , huilen als kinderen.
Chemin , (m) Een %veg; chemin
battu , frayé , gebaande , betreeden
weg; grand chemin , de land-JJraat ;
rebropffer chemin, te rug keeren;
chemin détourné, een afweg; che-
min de traverfe , dwarsweg ; che-
min fourchu , kruisweg ; chemin
de velours , zagte , gelyke weg;
une heure de chemin , een uur
gaans; une journée de chemin, ^f-w
dag reizens ; chemin , kelder-leer; al-
ler fon grand ch^taxn , opregt ^ vocf^
CHE.
,àe vuijl handelen -y chemin faifant,
en chemin faifant , /» 't voorby
gaan; chemin couvert, een bedekte
iveg {inyejiingb.)} chemin de l'écô-
le , een lange , langzaame weg.
Cheminée , (f ) Schoorjleen ^fchouiv.
C hemiVier ,{v .a.) ff^andelen igaan;
cheminer dvo'it iOpr egt e lyk handelen.
Chemife, (f) Ken henibd (n).
Chemifette, (f ) Eeu hembd-rok
(m).
Chênaie, ^f) Een eiken-bofch (n).
Chenal, (mj Het bed,guil van eenig
vaar-water.
Chenaler, (v. n.) Dooreen guil
vaaren.
Chêne , (m) Een eiken-boom , een
eik,
Chêneau , {m) Jonge eiken-boom-,
hang goot.
Chenet , (m) Brand-yzer (n).
Chêne-verd, (m) Steen-eik.
Cheneviere , (f) Kennip-akker
(m).
Chenevis , (ro) Kennip-zaad (n).
Chenevotte , ( î jKennip jiok yfchee-
ve (m).
Chenil, (m) Een honde-kot (n).
Chenille, (f) Een rups', item een
foort van pajfement.
Chenu, ue (adj.) {oud w.) Grys
van ouderdom', les cimes chenues
des montagnes, (/é- met fneeuw bedek-
te kruinen der bergen.
Cheoir. {Zte Choir).
Chepteil y(va)l^ee-pagt om de helft
der baat.
Chepu, (m) Stelling om hout op te
jlapelen.
Cher, ere (adj.) Duur., kojlhaar;
dierbaar , u-aard , lief', mon cher,
ma chère ; myn lieffie ; cher, (adv.)
cela eil cher, dat is duur.
Cherche ou cerce,(f) Eenbogen,
(in Bowu'k.)
Chercher, (v. a.) Zoeken, trag-
ten , opzoeken; aller chercher ,^^a«
haaien; chercher midi à quatorze !
|ieures, {fpr.w.) zwarigheid maaken
daar geene is.
Chercheur, eufe (m. & f.) ^of-
ktr y zoekjier ;ç\\firchèMr de franche
[ipées, een fcbuimlooper.
Chère, rf) Gajîery , goede der-,
CHE. 123
faire bonne ou raauvaife chère,
eene goede of eene Jlegttmaaltyd doen^
wel ofjlegt ciithaalen.
Chèrement , (adv.) Duur; Heft
téderlyk , hartelyk.
Chérir, (v.a.) Liefhebben, bemin'
nen.
Cherlesquier, (m) Turkfch Gene-
raal- Lieutenant.
C herté , ( f ; Duurte , fchaarsbeid ,
gebrek.
Chêruhin,{iT))Cherubin(zeker(ngel),
Chervi, (m) Zuiker-ivortel (f).
Cheaneghir-Ea'chi, (m) Desüul-
tans Opper-voorfnyder.
Chécif, ive (aó}.)Elendig , gering,
veragt.
Chétivement, (adv.) Armhartig-
lyk.
Chétron,(m) Laadje in een kifi
(n).
Cheval , (m) Een pacrd {n); chc-
vaux , paerden ; ruitery (£); cheval
fier , ardent , plein de feu , fouple ,
leger a la main , obéïffant , fidele ,
een,moedig , hitzig , vuurig , gedwee ,
ligt op de hand, gehoor zaaru^, getrouw
paerd ;chewa\ vicieux , ombrageux ,
tort en bouche , pefant à la main,
poufllf, eenpap.rd dat quaad y fcbig-^
tig, hard in den bek , zwaar op ae
hand, dampig is; cheval de caros-
ie, de main, de bat, de louage,
een koets, hand, loj} , huuy-paerd ',
cheval de pas , een pus-ganger , che-
val hongre , een ruin; cheval en-
tier, een hengji ; monter à cheval ,
te paerd fygtn, ryden ; être bien à
cheval , wel te paerd zitten; aller à
cheval , te paerd reiz-n , commen-
cer , travailler, achever un che-
val , beginnen een paerd te beryden ,
te temmen. af te rigten; cheval ma-
nn, een zee-paerd; tirer à quatre
chevaux , met vier paerden van een
trekken, vierevdeclen; c'tfl un che-
val , gros cheval, cheval de ca-
rofle , hy ts eet: grove vlegel; mon-
ter fur £es grands chevaux, toornig
worden , opvliegen , cp zyn pacrdje zyn
{fpr, w.); li eft mal à cheval, hee
ts flegt met hem gefield; à cheval
donné on ne regarde point ia
bouche , e9n gegeeven paerd kyit
mm
Ï24 CHE.
men niet in de mond; chmger fon
cheval borgne contre une aveugle,
eene Jlcgte ruiling doen ; l'œil du
maître engraîfe le cheval, het oog
vanden meefler rna^ikt de paerden vet
ùfy ivat men zelfs\ kan doen gaat bejl ,
il fait bon tenir fon cheval par
Ia bride, men moet zig niet nitklee-
def} voor men na bed gaat, dat is,
van zyn goed niet fcheiden loor men
dood is ', on lui fera voir que fon
cheval n'eft qu'une bête, (fpr.iv.)
men zal hem dopn zien dat hy niet
wel handelt ; brider fon cheval par
Ia queue, {fpr. «'.) eeri ding ver^
é^erd beginnen; les chevaux courent
les bénéfices & les ânes les attra-
pent , de wyze zoeken de ampten en
de zotten krygen ze ; il eft bon che-
val de trompette , hy laat zig niet
ligt fchrikken ; parler à cheval , trot-
ielyk fpreeken ; cheval ailé , een ge-
vleugeld paerd (by Poëten); cheval
de bois , houten paerd , Soldaat en
ezety cheval de frize, vriefche rui-
ner (in Vejiingb.) ; cheval fondu ,
hok Jiaa vafl (kinder-fpel\ ; cheval
gai ) effraie ou cabré , animé , ar-
mé , bardé, caparafiTonné, houlTé ,
eêH paerd dat zonder bit is , op zyn
cgterjle pootenjîaat y het eene oog van
em andere kleur heeft , de voet van een
andere kleur heeft , qeharnajl , gedekt ,
met een fchabrak voorzien is; (in
Waf enk.) fer à cheval, eenhoef-
yzer ; un petit cheval échapé, un
petit libertin, een wild knaapje; il
hàt de cette chofe toujours fon
cheval de bataille, hy maakt van
d!e zaak altoos zyn fterkfte bewys.
Chevalement , (m) Een Jîut om
iets op te leggen {in Bouivk.).
Chevaler, (v. a.) Onderfchraagen
(in Bouzvk.); heen en weer jagen; ie-
rsand geen rufl laaten om iets te be-
komen ; hout op een zaag-blnk leggen.
Chevalerie, (f) Ridder -or-
den.
Chevalet, (m) Een Schilders ezel
ffïi) ; p?n fchraag , een Jîut (n) ; kam
van een fpeeltuig met fnaaren (f);
aalg van eefi druk-pers ; raam daar
sfe misdadigers op gerekt wardev ( ï).
Càevalier, (ra) £len Rtdder; paerd
CHE.
(in 't S(haak-fp.); chevalier de ïa
coupe, liefhebber van de flefch ; che-
valier de 1'induftrie, een fpits-boef.
Chevalière, (f) Ridders-vrouiv;
ook eene die de Ridder-orden heeft.
Chevalin, ine (adj.) Béte che-
val i ne , een merrie paerd.
Cheval is, (m) Het diepfls van een
rivier dat n-.en by laag water in agt
moet neemen.
Chevance, (f) (oud w.) Goed,
goederen of bezit van iemand.
Chevauchable, (adj.) Chemin,
cheval chevauchable , f-fw vybaare
weg-paerd.
Chevauchée, (f)V Schouwen van
tvegen.
Chevaucher, (v. a.) Ryden (oud
w. in deezen zin) ; het eene Jiuk over
het andere leggen , als planken , leijen
enz.
à Chevauchons , (adv») Scbreije-
lings.
ChevauK legers, (ra. pi.) Ligte
Ruiters,
Chevêche, (f) Een nagt-raven.
Chevecier, (m) Een Sacrijiy-die^
naar.
Chevelu, ue (adj.) Langhairig^
een die lang h'air heeft.
Chevelure ,(?)Het hair deshoofds
(n) ; chevelure de comète , de Jl aart
van een komeet; chevelure de raci-^
nes , uitfchietzels , vezelen van wor--.
telen; chevelure, (by Dichters) het^
loof, alle de bladen van een boom.
Chever, {■v.z.)Een edele Jleen van
ondfir uitholltn , (Juweliers w.)
Chevet, (m) 't Hoofden-end van 'p i
bed ; hoofd-kuffen (n) , hoofd-peuluwe
(t;ràverfm) , al het geene waar op het
hoofd rufï ; groote blok die onder 't
gefchut gelegt word om het wel te fiel-
len; voering om de beetingen van een
fchip; àto'u de chevet, eeren-maaî
van een nieuwgetrouzvde Amptenaar
aan zyn confraters; épée de che-
vet , iets dat men altoos byzig heeft.
Cheveteau, (m) Kam-rad eetier
moolen (n).
Cqevêtre, (m) Een hal fJ er (lic ou).
Cheveu , (m) Een hair -, cheveux ,
hoofd' hair (u) ; cheveux blancs, j^ryf
bair ; fe prendre aux chsveux , maL
kiindt ^
cm.
stander by 't hair vafteh; prendra
J'occafion aux cheveux , de gele-
gentheid waameemen; tirer par les
cheveux , met het kair 'er by Jleepen
{fpr. w.) ; il ne tinc qu'à un che-
veu , het jcheeld maar ren hair's
breedte ; cheveux des plantes j ve-
zelen der planten ; couper un che- 1
veu en quatre , (fpr. ixi.) haïr kloo-
ven, miiggeziften.
Cheville , ( f ) Tzere of boute pin ,
yzere bout , fpil , fchoen-pin (m); au-
tant de trous que de chevillés , zoo
veel fpy kers , zoo veel gaat en (fpr. w.) j
cheville du pied, enklauw.
Cheviller, (v. a.) Vajl pinnen.
Cheviliette ^(f )£pw pimetje (n).
Chevillots, (m. pi.) Karveel-na-
gels , waar aan het fcheeps-wand vajl
gemaakt ivord.
Chevillure, (f) Takken van een
tferts-hoorn. {Zie Andouillers).
' Chevir, (v. n.) {oud w.) On ne
ne peut pas chevir de lui > men
kan met hem niet te regt komen.
ChevifTeraenc , (m) {oud w.) Ver-
felyk^ verdrag (n).
Chèvre, (f) Een Geit; bok om
iets mee op te winden-, prendre la
chèvre y opvliegen als een bofchje met
vlooi jen ^ quaad worden; fauve r la
chèvre & le choux, ^ire^' ongelukken
teffens afkeeren, (fpr. u.)
Chevreau , (m) Jong Geitje (n).
Chevre-feuille , (m) Kamper-foe-
lie ( f) , Geiten-blad (n).
Chevre-pied, (m) Een boks-voe-
tige, een krom been.
Chevrecer , (v. n,) Jonge Geitjes
werpen.
Chevrette , (f ) Eene Ree ; garnaat ,
garnaal ; " ^ipotheckers flroop-pot met
een tuit ', brand-yzer.
Chevreuil , (ra) Een Ree-bok.
Chevrier, (m) Een Geite-hoeder.
ChevrilJard , (m) Kleine Ree-bok.
Chevron , (m) Een fpar , rib, ke-
per in ee.n wapen (f).
Chevroter , (v. a.) Jonge Geitjes
werpen ; beeven m 't zingen.
Chevrotin , (m) Bereid Geiten- of
Bokken-lecr (n).
Chevrotine', {î) Hagel om Ree-
koiken mee te fcbietent
CHE. CHI. loi»
Chez, (conj.) By, tot y chea
moi y bymy,to mynent , chez t\o\xs ^
by 0ns , tot onzent, in onzen huize ^
in onzen lande; avoir un chez foi »
een' eigene wooning hebben ; je viens
de chez moi , ik kom van myn huis ; un
homme de chez vous , een man van ■
aw plaats ,of volgens flyl der koop l. van
colli , (Ital. zv.)
Cheze ,( f) Twee dag ploegens land
om een Jlot , den oudften zoon toebe-
hüorende,
Chiaoiix, (m) Turkfche Deurwaar-
der , Hof jonker.
Chiaire , ( f) Metaal-fcbuim ( n ) ;
Vliegen-drek ( £).
Chicambaut , (m) Bot-loef diend
aan kleine vaartuigen , als {Eperon) ^
't galjoen aan groDte fnheepen.
Chicane , ( f) IVoorden-fïryd , hair-
klovery ; item fpitsvinnigheid, looze
kunfijes; entendre bien' la chicane
dans les procès, 't muggeziften , kunfl^
jes in rechtsgedingen ivel verjïaan^
gens de chicane, pleitbezorgers y
(Procureurs) -, ufer de Ja chicane ,
uitvlugten maak en.
Chicaner , (v. a.) Hairktoven , mug..
genziften; uitvlugten maaken-, kibbe-
len , 't regt verkeeren , iemand onnoo-
dige moeilykheid aandoen, vexeeren;
chicaner le vent , tegen den wind
worjïelen {zeem.w.) chicaner le ter-
rain , zyn plaats dapper verdeedtgeny
chicaner fa vie , ztg wel weeren.
Chicanerie. {Zie Chicane).
Chicaneur, eufe (m. & f.) Hatr^
k lover; muggezifter. Zie verder 't werk-
woord.
Chicanier, iere (adj.) Twifizoe-
kend enz. (gem. zv.)
Chiche , {ad].)Karig , naauw , dean,
gierig; humeur chi'che, karig ge-
moed; chiche en paroles , fpac^r-
zaam in woorden; des pois chiches^
ciffers, ciff er-er ten, erweten.
Chiche -face, {m} Een knyzer ^
griens ; gierigaard.
Chichement, (adv.) Kariglyk.
Chicheté, (f) Kartgheid. ,
Chicorée, (f) Endtvie.
Chicct, (m) Overgebleven fluk of
ftomp van een afgebroken tand , zvortel
tel of boom; fcheutltng van een tak.
Chi-
12(5
CHI.
Chicotcr, (v. n.) Om an beuze-
ling kyven , hair-reepen..
Chicotin , (m) Koloquint ; item ze-
ker bitter ingrediënt dat aan de te-
pels gefmeerd word om de kinderen te
fpeenen.
Chien, ienne (m. & f.) Hond^
reu } teef > chien , haan van een
fnapbaan; kuipers hoeptang -, chien
chercheur ,y>^»''-*o'''^^? chien cou-
rant, een brak-, rhien couchant,
patrys-hmd; chien de garde , eeu
wogt-bond; meute de chiens, een
boop ja^t-honden ', chien de mer ou
chien "marin , z e e-hond -, rob , haai;
nos chiens ne chaffent pas bien
enfemble , {fpr. w.) a-y ^ verJJaan
malkauper «iV/j faire le chien cou-
chanc, (fpr. w.) nedrig zyn , vlei-
jen ; les bons chiens chaffent de
race, (fpr iv.) de kinderen aarden
na hunne ouders , of de boom valt
niet ver van de Jiani ; battre Ie chien
devant le lion , eenen minderen in 't
hyzynvan eenen meerderen ygelyk fchul-
dig^ftraffen j chien qui aboyé ne
mort point, blaffende honden byîen
niet (fpy. '^•) > pendant que le chien
pifte le loup s'en va, terwyl het
fchaapje blaei verliejl het een hapje _,
dat is , iiitJJel baard nadeel ; qui
veut noyer fon chien , dit qu'il a
]a rage, die een hondflaan wil, vind
ras een knuppel , fi ok {fpr. w.); c'eft
le chien de grand collier , hy
voerd bet hoogjîe woord (fpr. w» ) ;
qui aime bertrand , aime fon chien,
die iemand bemind , bemind ook wat hem
aangaat (fpr. w,); un "chien regar-
de bien un Evéque , een kat kjkt
Kvel een Keyzer aan (fpr. w.)i il efl
fou comme un jeune chien, dat is
een malkus , nialle gek van ^een jon-
gen; mener une vie de chien, een
beejîagtig leeven leiden ; un chien de
coquin, een honds-vot, lompe vent;
chien dent , bonds-ta>fd (een kruid) ;
chien , de bond (een gefîernte) ; chien-
ne chaude , ritzige , loopfche teef;
chienne chaude , ou une charo-
gne, chienne de voirie, een vuile
fmots, terf, ondeugende feeks ; chien-
ne de friponne , looze bedriegjîer ,
feeks.
I CHî.
Chîenner , (v. n.) ^onge bondem.
werpen. '
Chier, (y. n.) (onboflyk w.) Schy-
ten , (beter aller aux lieux) op het
huisje gaan ; chier de peur , van
vrees in zyn broek kakken; chier far
quelcun , in iemand fchyten ; chier
fur la befogne, arbeid bederven,
Chieur , eufe (m. & f.) Schyter y
fcbytfîer.
Chiffe, (f) Ce n'eft ^ue de la
chiffe , het zyn maar vodden , bet
deugd niet (van laaken of fioffen ge-
zegd).
Chiffon , (m) Fodde , lap, oude lomp.
Chiffon , onne (adj.) Branches
chiffonnes , wilde takken.
Chiffonné , ée (adj.) Gekreukd,
gefrommeld.
Chiffonner , ( v. a. ) Kreuken ,
frommelen ; chiffonner quelcun d'u-
ne maniere brusque & étourdie,.
iemand op eene onbefchofte wyze aan*
tafien , verhavenen.
Chiffonnier, iere (ra. & f.) Vod-
den-kraamer- raaper- raapfier.
Chiffre, (m) Het cyffer , cyfferge-
tal , verborgen fchrift (n) ; appren-
dre le chiffre, fife cyffer-konft leeren-,
écrire des lettres en chiffre, brie-
ven in cyffer fchryven ; chiffre ,
naamtrek ; un zéro en chiffre, een
nul in cyffer , een menfch die noch goed
noch quaad doen kan.
Chiffrer, (v. a.) Cyffer en.
Chiffreur, (m) Reken-nteejier, cyf-
feraar , een die in de cyffer-konfï er-
varen is.
Chignon, (m) De nek; donner
un coup de bâton fur le chignon
du cou, een fiok-flag in de nek gce-
ven.
Chimagrée , ( f ) Een ztmr , mor-
rig gezigt (n).
Chimère , ( f ) Herffenfchim , îe de-
le inbeelding ; vercierd gedrogt^byDich-
ters).
Chimérique , (adj .) l^ercierd , ver-
dicht , iedel.
Chimériquement , (adv.) Inge-
beelder wyze.
Chimérifer, (v. n.)-^^'^ niet hers-
fen-fchimmen ophouden j (beter fe re-
paitre de chimères}.
Cl»v
cm. CHL. CHO.
Chîna-china, ( f ) Kiiia'kinaf(ze-
krre ba/l tegen de koorts).
Chinfreneau , (m) Hardejlag ofjloot
in 't aangezicht of op ket hoofJ.
Chinquer, (v. n.) Zuipen y zivel-
gen {gem. w.).
Clr ournie , ( f ) Galei geboefte (n) y
roei-bankcn van een galet.
Chipoter , (v. a.J {ge^^' î^«) P^^~
zrlcn , knabbelen > zeer naauw dingen ;
talwen ; hairklooven.
Chipocier , (rn) Peuzelaar y knib-
belaar \ krakt cider.
Chippage, (m) Bereiding mn klei-
ne vellen (f).
Chipper , (v. a.) Chipper les
peaux , kleine vellen bereiden.
Chique, (f) Knikker (ra) daar de
kinderen mede fpeelen ; klein ko ff y bak-
je ifc hot eitje.
Chiquenaude, {î) ^Een kni;^ met
de vinger (m).
Chiquet , (m) Klein gedeelte van
ket geheel (n)j il m'a payé chiquet
à chiquet , by beeft my van beetje
tot beetje betaald.
Chiragre, (m)Een jigttge aanban-
den en voeten; de jigt zelfs.
Chirographaire , (nj) Crediteur
dieflegts een bloot handjchrift heeft,
(lees Kirographaire).
Chiromancie, (f) Handwaarzeg-
gery , (lees Ki).
Chiromancien , ienne (m. & f.)
Een hand-kyker, kykfïer y (lees Ki).
Chiron , (m) De Schutter , (een der
12 Hemel s-tek.).
Chirurgical , aie (adj.) Opérations
chirurgicales , xvondbeelers werkin-
gen.
Chirurgie , (£) De HeeUkonfl.
Chirurgien, (m) Een ïVond-beeler,
heel-meefier.
Chirurgique, (adj.) Het geen de
Heel-kunde aangaat.
Chiure, (f) l^liegen-drek', vlooi-
Jcheet (m).
Chloris, (f) Bloem-godinne.
Choc , (m) Stoot , hort ; il Ie ren-
verfa d 'un choc , by wierp hem met ee-
nenfÏQOt wderdevoef, foutenir Ie pre-
mier choc 5 de eerjie aanval weer-
Jiaan.
Chocaillon , ( £)Eft2e. dronke toddf.
CHO. 127
Ch ocoUt, (m) Chocolaat (£).
Chocolatier , (m) Een Chocoïaat-
maaker , verkooper , fchenker.
Chocolatière, (f) Een Chocolaat
kan ; cbocolaat-verkoopfler.
Chœur , (m) Het choor , koor (n) 9
plaats daar de zangers in de R. kerk
zitten (f), (lees coeur).
Choir, (V. a.) Italien y neerjior-
ten.
Choifir, (v. a.) Kiezen, verkiezen ^
uitkiezen f uitleezen.
Choix, (m) Keuze, keur, verkie-
zing ( f).
Chommable, (adj.) Jours chom-
mables , vier- dagen , feejï-dagen.
Chommage, (m) kiering (f) , hei"
Itgen - dag , maandag ( by werkUe*
den).
Chommer , (v. a.) Een feefl-dag
vieren ; ledig zitten ; maandag houden
(by ambachtS'l.).
Chopine, (f) Een mutsje, half
pint je (n) ; boire chopine , braaf
drinken-
Chopiner, (v. n.) Lujïig zuipen,
Chopinette , ( £)Deink-fchaal( f) ;
Pomp-emmertj^ (n).
Choppemênt, (m) ^at:fJoottf7ge(£)
(zelden gebr.)
Chopper, (v. n.) Ergens tegenjloo-
ten , {zelden g eb r . ) .
Choquant, ante (adj,) ^anflootetyk^
beledigend , bitzig.
Choqué, ée (adj.) Gejïooten, enz.
Choquer , (v. a.) Stooten, beledig
gen, ergeren, aav.grypen y choquer
les verres, met de glvazen klinken;
fans choquer que.'cun yZonderiemand
te holed'igcn; cela choque la bien-
féance , dat fîryd tegen de betamelyk,
beid', cela choque Ja vue & l'oreil-
le , dat quetfl het ocg en het oor.
ChoraciK ,(m. pi.) Cboor- ofkoor-ksn^
deren , (de ïfîefyllabe word ko uîtee--
fproken).
Chorégraphie , ( f ) Konfî om de»
dans a f te micten.
Chorévêque , (m) Een ricariust
Opper-veld-PrieJJer, (lees Ko).
Chorifte , (m) Koor-zanserL (lees
Ko). * " ^
Chorographie, (f; Land^befcbrv^
ving , ihes Ko],
128 CHO. CHR.
Chorographiqae , (adj.) Dat de
hand-befchryving aangaat, {lees Ko).
Chorus, (ra) Faire chorns, cboot'
of koor houden , belder zingen , {lees
Ko).
Chofe , ( f) Een zaak , daad { f) ,
ding (n); quelque choie , iets -.quci-
^"ne chole de beau, iets moois -.men
zegd ook chofe {ding) , ivamner men
zig de tuiam lan iets niet kun te bin-
nen brengen ; j 'ai parlé à chole , ik heb
dings gefpraoken.
Chou , (w) Koo/ ( f) ; jeune /:hou ,
jonge kool-, fprttitcn; choux blancs^
frilez , cabus rouges, de lavoie ,
fleurs , verts , fdlès, witte , kru!,JJuit,
roode , favoy , bloem , boere-kool zuur-
kool; chou pour chou , lood om oud-
yzer; je n'en donnerai -çs^s un
tronc de chou , ik zou 'er geen pyp
tabak voor geeven-, il en fera fcs
choux gras, hy zal 'er l'et van fop-
pen, zyn fortuin by maakeny^oMiX re-
venir à nos choux , om weder tot
onze zaak te komen (fpr. iv.).
Choucas , (m) Tamme kraai.
Chouette, (f) Steen-uil, kerk-uil
(m).
Chou-fleur, (tn) Bloem-kool, (zie
chou).
ChQuqaet, (m) Ezels-hoofd (p),
Jchecps-blok {zee iv.).
Chouffet , (m) '/Lekere drank die de
"Turken ma aki- n.
Choyer , (v. a.) Iemand zeer ont-
zien, myden, of groot ontzag voor ie-
mand hebben ; ie choyer , zig wach-
ten f hoeden , in acht neemen.
NB. l^an de woorden die met
Chr. beginnen word de letter
h niet uitgefprooken.
Chrême , (m) Heilige olie (m) ; het
vormzel (u) m de K. kerk gebr.).
Chrêraeau, (m) Mutsje dat men\de
kinderen , na dat zy het vormzel ont-
fanzen hebben, opzet (n).
Chrétien, ne (m. & f .) Een Chris-
ten , Cbnjiinne.
Chrétien, ne (adj.) Cbrifielyk ,
Chrijlelyke; parler chrétien , {dat is
parier François) franjcb fpreeken.
Chrétiennement, (adv.) Chrifetyk.
Chrétienté , ( f) Chrifienbeid ( f ) ,
Chnjiendom (n).
CHR,
Chrismation, (f) Toediemng ^an
't vormzel {in de R. kerk).
Christ, (m) Christus j als /er
jEsüs byjïaat leeft men Kri , en niet
Chrift.
Chriftianifer,(v. aO Tot eenchris"
ten maaken.
Christianisme , (m) Het Chrifïen-
dom (n). Chnflen Godtsctienfl.
Chromatique, fadj.) Chant chro-
matique , zang die uit veele halve no-
t-en befiaat.
Chronique , (f) Tyds - hefchry-
ving, kronyk ( f ) > najpraak , uit'
frooifel ; chronique fcandaleufe,
quaad gerucht ; les livres "des chro-
niques, de boeken der chronyken.
Chronique, (adj.) Maladie chro-
nique , lüngduurige ziekte^
Chroniqueur , (m) Jaar-boek-'
fchryver.
Chronographe , (m) Tyd-rekenaar.
Chronographie , (f) Tyd-reken-
kunde.
Chronologie, (f) Tyd-rekening,
Chronologique , (adj.) Het geen
de tyd-rekenin^ aangaat ; tables chro-
nologiques , tyd-reken- kundige ta-
felen.
Chronologifte , (m) Tyd-reken-
kundige.
Chronologue , (m) Tyd-befchryver ,
{oud w.)
Chronomètre , (m) Wiskunflîg
werktuig om de tyd te meeten (n).
Chry'focüUe , (f) Zeker edel ge-
fieente (n).
Chryfolite ,{m) Zekere goud-glan-
fige Jaspis-Jleen.
Chryfopée, (.f) Y^onfi om goud te
te maaken.
Chu , ue ( adj. ) Gevallen.
Chuchoter , (v. n.) In 't oor luis^
teren , fee zi ken.
Chuchoterie, (f) Heimelyk gt
fprek (n).
Chuchoteur, eufe (na. & f.) Fee-
ziker , heimelyke praat er- , praatfier.
Chut! :interj.)Sö5 ,fiil ,wees fiil !
Chute (f) Een val (m); chute
d'Adam , de val van Adam j la chute
de l'Empire Romaine , de onder-
gang des Roomfchen Ryks; chiite d'u-
ne periode , 't einde eetier rede,
Chy-
CH7.Cî:CIB.CIC.&c.
Chyie . (m) Gyl { f) , maag-zap
(n) , dat hpt bloed veroorzaakt.
• Chyiification , ( f) Gyt-verwek-
Chymie,(f4 De Jlook-kunde , JJof-
fchei- kunde , Jchei-konjl.
Chymique , (adj.;'^ Geen daar toe
behoord.
Chymifte, (m) Een f.of-jchct-kun-
dige.
Qi'i (adv.) Hier; eet horm:7e ei,
deeze^ man; celui ei, eeux ei, eel-
Je ei 7 eelles ei, deeze ; oX-^^xH ^
hier na; ei- contre ,/;/>r tegen orvr ;
ci-delTus, hier boven; ei-deflbus ,
hieronder; ci-devant , voor dezen ^
voormaals.
Ciboire , (ro) Öuxvel - hoflie of
ciborie kaftje (n)
Ciboule, (f) Bieslook.
Ciboulette , <J) Jonge bieslook.
Cicatrice , ( f) Een lid-teken (n).
Cicatricule, (f) Lid-teekemje{n)
Cicatrifant,(adj.) Met een lid-tee-
ken heelende.
Cicatrifatif, ive (adj.) Dat met
ten lid-teeken heeld.
Cicatrifer, (v. a.) Eene wonde met
een lid~teeken heelen ; fe cicatrifer ,
(v. r.) zyne kleéren fcheuren (figuurl.).
. Cicero j {va.)Soort van Druk-letter
tuffchen klein Romein en^ugujlyn( £).
^ Cicerole, (f> Kleine erweet , fts-
fer.
. Cicognat > (m) Jong van een Oje^
vaar (n), (Cicogneau ts meer in ge-
bruik).
Cicogne, (f) Ojevaar (m); con-
tes de la cicogne, oudg vuyfs ver-
tellingen.
Cidre, (m) Jppet-dranky cider.
Ciel, (m) Hemel, lucbtjlreek; Ie
ciel efl: beau > ferein , de lucht is
klaar y helder; Ie ciel fe hauffe , de
lucht klaart op {zee w.)j cl^lyhetbo-
venjle van een fchildery (by Schild.) ;
ciel de lit, gehemelte eener bedflee-
de ; {van deeze 2 woorden is het plur.
ciels en niet cieux)> remuer ciel &
terre contre quelcan , alle krachten
tegens iemand infpannen.
Cierge , (^u) Een was-kaers ( f).
Cicrger, {m) Was-Ucht-maaker oj
verkoopgr»
/CIG. CIL. CIM. cm. 129
Cigale, (f) Een fprinkhaan; Jla-^
pel ; een pcjï {zeker rivier-vtfch) (m).
Cigne , ^m; {Zie Cygne).
Cigogne, (f) Een Ojevaar (m),
{beter Cicogne).
Cigue, )i) Dolle kervel ,fcheerling
{zeker vergiftige plant die SccratesgC'
bruikte toen h\.> jierven moejl).
Cil , (m) Hatr de.r oogleden,
CiliaJre, (adj.) Ligament ciliai-
re , de band der oogen die het h-tfal-
lyr.e vngt bevat.
Cilice, (m) Een hairen-kleed {v\),
Cilindre, (m) {Zie Cylindre).
Cillement, (m) Blikking der oogen
Ciller, (v. a. & n.) Blikken met
de oogen ;graauwe oog-traauwen beko"
men {van Paerden gezegd).
Cimagrées ou Simagrées, (f. pi.)
Grillen , f rat zen , mislyke gebaar-
den.
Cimaife (f) {Zie Cymaife),
Cimarre , (f) Een Samaar.
Cimbale , ( f) {Zie Cymbale),
Cime , ( f) De top , kruin (m) , hei
toppunt (n) van een gebouw , berg enz»
Cimenr, (ra) Tarras , tras (m)?
ciment, cement van rood gebakkeu
fleen {by Goud f mit s gebr.) ; la verta
eft Ie vrai ciment de l'amitié, dû
deugd is de ivaare band der vriend^
fchap ; une affaire faite à chaux &:
à ciment , een zaak die bondig en
voji is.
Cimenter, (v. a.) Met tarras be^
leggen, metzelen ; cimenter rami-
tié , de vriendfchap bondig > fierk
maaken.
Cimentier, (m) TarraS'Verkooper»
Cimeterre, (m) Een jlag-zwaarà
(n) , Turkfche zabel (m).
Cimetière , (m) Kerkhof (n) 5 pîaats
daar veel- volk fneuveld (f).
Cimier, (m) Biljluk van een Os ^
Hert , enz. betmjiuk boven aan een ww
pen (n)«; ■ , .
Cinabre , (m) VermilUoen {verf).
Cincenelle , ( f ) Paardelyn voor
fcbuiten.
Cmefaftion ou cinergtlon, (f)
Tot afchmaaking {in Chyrh.\
Cinglage , (m) Loop van een Schip
in een etjn^Ml of 2^ uuren t
l (Jin-
130 CIN. CIP. CIR.
Cingleau , (m) ócbiet-loof (n) , (/»
Bûttu'k.)
Cingler, (v. n.) Zeden; met yol-
ie zeilen vaaren ; wakker upwaaijen ;
met een zweep of teen feitfchen-,Jlaau.
Cinnaraome, (m) Kaueel-boom.
Cinq, (adj.) /^y/; cinq fois, vyf
maal; Louïs cinq, Lodeivyk de vyj-
de-y un cinq en chiffre , mî vyf tu 'p
cyffer-getal. _
Cinquantaine, (f) Een vyftjg-tal
(n)-
Cinquante, (adj.) f^yftig.
Cinquantenier , (m) Bevelhebber
ever vyftig.
Cinquantième, (adj. & fubft.) De
vyfiigjle; 't vyfiig/îe deeL
Cinquenelie , ( f ) Tomv dat by bes
gefchiit gebruikt word.
Cinquième , (adj. & fubfl.) De
'Vyfde-, 't vyfde deel; en cinquième
lieu-, ten vyf Jen.
Cinquiémement,(adv.) Ten vyfden.
Cintrage , (m) Touw om te binden^
of HA gorden (n) {zee w.).
C'incre , (ra) Een boog (m) , ge-
welf, houtwerk waar over een gewelf
gemaakt word (n).
Cintré, ée (adj.) Met een gewelf
gemaakt.
Cintrer , (v. a.) Overwelven , boogs-
wyze maaken.
Cion. {Zie Selon).
Cippe, (m) Gedenk'Zuil (f).
Cirage , (m) Laarzen- of fchoen-
Jmeer (n).
Circoncire , (v. a.) Befnyden. .
Circoncis, (adj.) Befneeden; les
circoncis, de befneedene , {Jood. of
Mahom.).
Circoncifeur, (m) Bsfnyder.
Circonciflon, (f) Befnydenis, be-
fnydin^.
Circonférence, {£) Omtrek, ron-
de omloop (m).
Circonflexe, (adj.) Accent cir-
conflexe (A) , omgeboogen geluidtee-
ken.
Circonlocution , (f) Omfpraak,
ivydluftigheid.
Circoafcription , (f) Omfchryving;
depaaling.
Circonfçrire , (v. a.) Omfchryven^
tmtrekken binnen zyne grenzen^
CIR. CIS.
Circonfcrit, ite, (adj.) Bepaald,
in eene kring beflooten.
Circonfpeft , eue (adj.) Omzig-
fig, wys.
Circonfpeftion , (f) Voorzigtig-
heid; agir avec circonfpeftion, wjé"/
omzigtigbeid te werk gaan.
Circonflance , (f) Omjlandigheid
(f); 't aankleeven (n) eener zaak.
Circonilancier , (v. a.) De om-
fïandigheden van eene zaak ver haa-
ien.
Circonvallation , ( f) Omfchans-
fing.
Circonvenir, (v. a.) Bedriegen,
misleiden^ betrekken., {in Rechten).
Circonvention , ( f) Bedrog (n) ,
betrekking (f).
Circonvoifin, ine (adj.) iVfli««-
rig y omleggend.
Circonvolution, (f) Omloop, om-
wenteling der Planeeten,
Circuit, (f) Omtrek; circuit de
paroles, omweg van woorden.
Circulaire, (adj.) Lettres circu-
laires , rondlopende brieven.
Circulaireraent, (adv.) In 't ron-
de , rondlopend.
Circulateur, {mjOmzwerver , land-
loper.
Circulation , (f) Omloop; rou-
leering (f).
Circulatoire, (adj.)Vaifleatt cir-
culatoire , een vat dienende tot het
dikivils overbaalen van eenig vogt ,
{in Chym.).
Circuler, (v. n.) Omkopen; roa-
leeren.
Cire, (f) IVafch ofwa:; lak (n).
Ciré, ée (adj.) De la toile ci-
rée , gewafcht linnen.
Cirer , (v.a.) Met wafch bejlryken.
Cirier , (m) Een wafch- of wafch-
lichv maaker of verkooper.
Ciroëne , (m) Een pleijl^r die men-
op eene kneuzing legt.
Ciron, (m) 'Een ziertje, een klein
wormtje tujfcben vel en vleefch kor
mende (n).
Cirque , (m) Renperk der oude Ro-
meinen (n). ', , ^
Cirure, (f) Wafch-fmeerfel (n).
Cifaillement, (m)Hetfnyden,gra-
veeren (n),
Cifail'
CIS. CIT. CIV.
(Tirailler, (v. a.) Met een groote
fchaar fnyden , Joorkfiifptn.
Cifailles , (t\ pi.) Groote fchaar
om blik enz. meê te fnyden; item af-
vul , affr.ydzel.
Cifeau , (m) Een beitel (m) , gra-
veer-yz^r (n).
Cifeaux, (m. pi.) Een fchaar (f).
Cifeler , (v. a.) Uitjleeken met een
heitel , graveeren.
Cifelec, (mj Beiteltje (n).
Cifeleur, (m) Graveerder, uit-
fnyder.
, Cifcflure, (f) Snywcrk (n), gra-
veering ( f). .
Cifüir, (m) Goudfmits fchaar (£).
Ciflbïde , (f) Kromme linies (in
Meetk.)
Citadelle, (f) Kapel {T\)y Ves-
ting (f).
Citadin, ine (m. & f.) Burger',
burgcreffe , voornamentlyk in ital.
Jiceden.
Cication, (f) Dagvaarding', aan-
haalÏKg van eenig text enz.
Cité, (f) La fainte cité, de hei-
lige fïadt.
Citer , (v. a.) Dagvaarden voor 't
gericht (aSxgnar) ; eenig fchryver aan-
baaien (alléguer).
Citérieur, eure (adj.) ^an de'ize
Zyde leggende.
Citerne , ( f) Een regen-bak , regen-
put {va).
Cicerneau, (m) Kleine water-bak.
Citoyen, enne (n:. 6c f.) Stede-
fttig 1 Burger; Burgtreffe.
Citrin , ine (adj.) Citroen-kleurig,
Citron, (m) Een citroen (f).
Citronnât, (m) Citroen fnipprrs.
Citronné, ée (adj.) Met citroenen
toegemaakt.
Citronnelle, (f) C/Vro^w-liqueur.
Citronnier , Cm) Citroen-boom.
Citrouille , ( f) Een pompoen.
Civadiere, (f) De blinde, zeil
van de koegfpriet.
Cive , (f) Bies-look.
Civé. (m) Een Hazen Ragovt.
Civette, (f) Civet-kat; muikus;
bies-look tot falaad.
Civière, (f) Burrie, draagbaar.
Civil, ile (adj.) Burgerlyk; be-
leefd; droit civil , burger-recht.
CIV. CLA. 13Î
Civilement, (adv.) Burgerlyk ; be^
leefdelyk.
Civilifé, ée (adj.) Befcbaafd, be^
f c hei den.
Civilifer, (v. a.) Beleejd maaken y
befchaaven; eene f.rafwaardige zaak
in eene burger lyke veranderen , {in
Rechten).
Civilité, (f) Beleefdheid i ivelge^
manierdheid; civilitez , {f.pl.)pltgt~
pltegingen ; faites lui mes civilitez,
doed hem myne gebiedenis ; recevoir
quelcun avec beaucoup de civilité,
iemand zeer minzaam ontfangen.
Civique, (adj.) Couronne civi-
que, krans van eike loof., (eert y ds
door de Romeinen gefchonken aan een
burger die een medeburger zyn leeven
geredhad).
Ciabaud, (m) Brak met lange han^
gende ooren, of Jagt-hond , die ge-
jïadig en te v.'rgeeffch op het fpoof
jouxvd of haf f ; item een lob-oor , /ow-
pe vleegel ; votre chapeau fait le
ciabaud , uw' hoed hangt met den
rand neer.
Clabaudage, (m) Gefchreeuiv, ge-*
jouw van vee Ie honden (n).
Clabauder, (v. n.) Blaffen, jan-
ken ; item tieren , fchreeuwen , geraas
maaken ; iemands eere verkleinen,
Clabauderie, (f) Gefchreeuw, ge-
jouw , getier , geblaf (n).
Clabaudeur, eufe (m.&f.) La/liga
fchrecuwer , fchreeuwfier»
Claie, (f) Eene teene horde om
vrugten op te droogen; trainer fur la
claie , op de horde fleepen ; claies ,
(pi.'; horden tot etn fcbaaps-kooi m 't
veld.
Clair, aire (adj.) Klaar, helder -,
duidelyk ; une chambre claire , een
verlichte kamer; vue cWire , eenklaar
gezigt; ce bouillon eft trop clair,
dat nat is te dun; deniers clairs, ^é"-
reede penningen; étoffe claire, dun-
ne , yle poffe ; cheveux clairs, dun
hair; cela eft clair, dat is middag-
klaar; il eft clair que &c. het blykt
dat enz.
Clair, (m) Scbyn (f), licht (n);
clair de lune , de maane-fchyn ; il fait
àê]3ic]siir, het is al dag; clair obfcur,
het dage» €» fchaduweneënerfchildery,
i - CUir,
t^ CLA.
Clair, (adv.) Klaarlyk; duiJelyk;
chanter clair, helder zingen y voir
clair , fcherp zienyem fcherp •vprjïand
btbbcn i tirer à clair , ovenappen ,
kl aar en.
Clairement , (adv.) Klaarlyk , dui-
delyh
Caire-foudure, (f) Soldeer -tin
(n).
Clairet, ette (adj.) Ligt- of bleek-
rood; vin ciairec , bleeke rooJe wyn.
C.airetce, ^f; Kerjen-braniezvyn
(m).
Clairettes, (f. pi.) Nonm^n dus ge-
naamd.
Ci ai re- voie , ' f) Al te groote ruim-
te tujfchcn balken , boomen of tuin-
Jjedden-, porte à claire voie, tralie
deur.
Clairière, ( f) Onbeplante of dunne
plaats, in een bofi^b»
/ Ciairon , (ir.) Klaroen (fpeeHuig) ;
Kornet- reg ijler op een orgel (n),
Clair-femé ,ée {iidi,) Dun gezaaid;
ifig') zeldzaam , raar ; l'argent eft
elair-femé , het geld is raar.
Clair-voyance, {î) Door dringend-
heid , fcherpzinnigbeid.
Clair-voyant. ante (adj.) Scherp-
ziende ; efpric clair-voyant , een
doordringend ver/land.
Clameur, (m) Geroep ,gefchreeuiv f
geklaç; (m).
Clamp OU clan , (m) Een houte
klamp , boljhr , of klos (in fcbeepsb.).
Clampoiinier, (m) Een paerd met
dttnne en lange fchcnkels (n).
Clan, (m) Een houte kegge (f).
. Clandeftin , ine (adj.) Heimelyk
verborgen; mariage clandeftin , hu-
ivelyk dat onder den duim gefchied.
Clandeflinement, (adv.) Co eene
beimelyke wyze , in 't geniep , ter
fmutk of fmuig»
Clandeftinité, (f) Gebeimheid,
verhoolenheid.
Ciapet , (m) Klepie van een pomp (n).
Clapier, (tn) Een tam könyn ; ko-
nynen hok of hol (n)
CIapir,"(v. n.) Le lapin clapit ,
bet konyn fiipt. .
Claponnier. (.^:e Clamponnier).
Claque (f) fur les feiFes , »en
flagf klap (m) op de bille ik
CLA.
Claquedent, (m) Bedelaar ^fchoa-
jer , (gem. iv.)
Claquement , (ra) Geklap (n) j cla-
quement des dents, klopper-tanding
(f).
Claquemurer, (v. a.) OpJJuiten;Ce
claquemurer, (v. r.) zig op/iuiten,
(hoert, w.)
Claque-oreiile, (m) Neérhangenr
de hoed-, [gem. %v.)
Claquer , (v. n.) Klappen, geklap
maaken; fiire bien claquer fon
fouec , (fpr. iv.) een groot gerucht in
de waereld maaken -, claquer des
mains, des deuls yjn de handen klap'
pen yklarper-tanden ; c'aquer les fes-
ies ^kLpyen op de biikn geeven.
Claquet. (Zie CJiquet).
Ciaqueter, (v.n.) Schreeuwen als
een fpririkhaan.
Clarification, (f) Klaar maakingi'
Clarifier, (v. a.) Klajr maaken ,
klaaren; fe clarifier, (v. r.) klaar
•worden , (van z'ogten gr ze d).
Clarine, (f) Klein belletje aan den
hals der kseijen in een hofch (n).
Clarine, (adj.) Word van^ diereu
gezegd , die een klokje of fchelletje
draagen ,(in IFapenk.)
Clariffe , (f) Zekere Nonne dut
genaamd.
Clariiïïme ,rfubft.&acj.) Eer-tytet
voor een zeer beroemd of geleerd man»
Clarté, (f) Klaarheid, helderheid
(f); licht, fchynzd (n); lire à la
clarté de la lune, in den maane-
fchyit Ipezen ; faire apporter de la
clarté , licht doen brengen ; clarcé dé
ftyle , zuiverheid van Jlyl ; clarté de.'
teint, helderheid van kleur.
Clas, (m) (lees elk) Het luiden der
klokken , wanneer iemand gejïorven
is (n).
ClafTe , ( f ) Orde ( f ) , aanzren (n) ,
Klas> les balTes, les hautes clas-
fes, de laag e , de hooge fchoohn; c'ell
un auteur" de la premier^ clafTe,
het is een der brjïe fchryvers; divi-
fer en fix clalTes , in zes deelen ver-
deelcn-, durant mes clâlTes, geduu-
rende wv" fhool-tyd.
Claflique , (adj.) Auteurs claflï-
ques , fchryvers die in de lat, fchool
vertaald worden , zyn dus genaamd.
Ciâ-
CLA. CLE.
C'atîr. [Zie Claar).
Clavaire , (m) iiewaarder drr Do-
cumencen {in Kerit-k.).
Ciawau , (m) Knobbel (m) ,fchurff
(n), {zekere ziekte Jir Schaaken).
Claveaux, (m. pi.) Bind-jhenen ,
hincf-Jîukken , (tn Bomvk.).
C tavelée , ée (adj.) Geknobbeld ^
Jçburttig-y kettrrfch.
Clavelée , ( f ; Schvrff der Schaa-
pen. {Zie Claveau).
Claveflïn , (m) Klavecimbel, kla-
vier (f),
Clavette , ( f) Fene fpie.
^ Clavicule , ( f) Het Jleutel- of borjl-
heen {in Ontleedk.) (n).
Clavier, (tn) SUutel-ring', feutel-
àraager ; klavier van een orgel enz .
Claufe , ( f ) Beding , vooivcaarde ,
bepaaling , claufule in een contraft ,
tejlament enz.
Claufoir j (m) Shiit-Jleen eener
muur.
Clauftral, aie (adj.) Kloojïerlyk.
Claye. {Zie Claie).
Clayon, (m) Een kaas-korf.
Glayonnage, (m) Gezlogten rys-
iverk , teen-werk, horden-irerk (n).
Cléché, ée {a.d}.)Sleutel-rings K-y-
ze {in fFapenk.).
Clef, {lees clé) ( f) Sleutel; jl eut el
van een land ; fluit fieen van een ver-
wulf; muziek fleutel (m) ; flem-ka-
mertje {n) -ffleutel van een gefchrift ;
de trekker (m) , veer (f) van een
f naphaan -y flot-yzer (n) of bout onder'
aan een mafl (m) ; fauffe clef, nage-
maakte fleutel , een loop er y clef for-
cée ou fauffée , verdraaide fleutel;
jetter la clef fur la fufle , den fleu-
iel op het graf leggen, eene nalaten-
fchaf) vaaren laaten; puilTance des
clefs , de magt der flcutels { m de
kerk); clef à vis, /e *ro^/-y2f>r;_ clef
de violon, viool pinnet je i avoir la
clef des champs, voile vryheid ge-
nieten.
Clémence > ( f ) Goedheid , genade ,
goeder t i er endheid.
Clement , ente (adj.) Coedertie-
rend , zagtmoedig.
CJenciie , (f) Klink van een deur.
Clepfydie, (f) fVanr-mr-glas ,
CLE. CLL 13:)
Clëragre , ( t ) Ziekte in de wieken
der Rotfvogfls.
Clerc, {ns){lees cler) Een geeflelyk
perfoon ; een fchryver , kUrk by een
Ntitaris) pas de clerc, een miszag.
Clergé, (m) De geeflelykhcid (f).
Clérical , aie (adj.J Geefielyk ,pnes^
terlyk.
Cléricalemcnt, (ady.) Op de wyze
van geefielyk e.
C lé n c ature , ( f ) Geeflelyke fland,
Client, ente {m. ik f.) Ou par-
tie , eene die zyiie zaak (pleidooi)
aan een Advocaat toevertrouwd ^ ecu
c\\Qx\^ y party .
Cli^-ntelle, (f) Befchutïing, bc
fchermiKg.
Clif ire, (f) Een fpuit van vlie-'
ren hout.
Clignement , {m\ Blikkwg der
oogrn (f).
Cligne-mufTetteou climufTette, (f)
Schuileivinkje {zeker kinderfpel).
Cligner, (v. a.) Blikken^ knip-
oogen.
Clignotement ,(m) Geduurtgeblik-
khig der oogen { f)"
Clignoter, (v, n ) Gefladig blik-'
ken met de oogen»
Ciimadérrque , fadj.) Année cli-
raaftérique , geiaarlyk jaar , ( hier
door verflaat men ieder ide jaar net
iemands geboorte).
C\ïm^t^{m)Lucht-fireek{S);gewefï (n).
Clin, (m) En un clin d'œil, îti
een oogenbltk.
Clincaille , (f) Kraamery , fnuit-
zery ian koper , yzer , enz. j kopere^
munt.
Clinoailler ou quincailler, (m)
Tzer-kooper , of fnuitzery-vérkooper.
Clincaillerie , (f) Koopmanfchap
in yzer-werk. {Zte Clincaille).
( linche , ( f ) tiet JJukje yzerwacm
meê men de klink eener deur opligt»
Cîinquaille, {Zie Clincaille).
Clinquant , (m) Klater-goud-of zil-
ver {x\); allerhande klinkende waar\
valfche fchyn , woorden-klank {£).
Clique , ( f ) Bende { f ) , rot (n) j ils
font de la même clique , zy zyn
van eenerîey aart , van dezelve bende»
Cliquet ou claquet, (m) Klepper^
.onrtifl tn cm m^Qten-, ià l«ogae vj
1 2 cofi&=
134 CLT. CLO.
comme un cliquecde moulin ,haar
tong gaat als een Lazarus klep ,
{Jpr. w.)
Cliqueter, (v. n.) Klappen, klet-
teren.
Cliquetis, (m) Geraas (n) , klet-
tert ng (f) der wapenen.
Cliquette, (f) Jouer des cli-
quettes , op de klap-beentjfs fpeelen j
cliquettes de ladre , lazarus klep-
Cliqueur , (m) Een morvegter ;
guit , plug.
Clifle, (f) Eene horde van teen
gemaakt -, fcbeen offpalk (by Wondh.)
Clifler, (v. a.) Met horden 'voor-
zien ; f palken*
Cliver, (v. a.) Cliver un dia-
mant , een diamant klooven.
Cloaque , ( f) Een riool (n) , wa-
ter-hop (m); een vuil Jïinkend menfch
(n).
Cloche, (f) Een klok; jloof-pan;
glaaze tuin-klok; fonner les cloches,
de klokken luiden j baptifer une
cloche, eene klok inivyden-, fondeur
de cloches, een klok.gieïer\ cloche
fur la premiere peau , blaasje op
de boven huid; il eft temps de fon-
dre la cloche , het word tyd om van
deze zaak een einde te maaken {Jpr. w.)-,
être étonné comme un fondeur de
cloche , jlaan of men bctooverd was j
faire fonner la grofie cloche, aan
de groote kick trekken , den meejler
doen fpreeken ', cloche de hyacinthe,
kelk van een hiacinth-bhem.
Cloché, ée (adj.) Melon cloché,
meloen die onder een klok ryp gewor-
den is.
Clocheman , (m) Klok-luider ; hel-
hamel; fchaap dat de bel draagd.
Clochement, (m) Hinking (f).
A Clochepied , (adv.) Aller à
^clochepied , op één been hinken.
Clocher», (m) Klokken-toren (m) ;
stem kerfpel (n).
Clocher , (v. n.) Hinken j mank
f aan; ces vers clochent, dat zyn
veupele verzen; il ne faut pas clo-
cher devant les boiteux, voor de
geleerden is qiiaad te preeken.
Clocheton^ (n-».) Klein torentje (n).
Clochette, (f) Belletje, klokje
{n)i khi-èloem (f).
CLO.
Cloifon, (f) ScLutzel (n) , hel-
mng ; Jlot-plaat (f).
Clüifonnage, (m) Schot-xverk (n).
Cloifonné, ée (adj.) ^fgefchooten,
afgeheind met planken of Jïaketzels.
Cloître, (m) Een kloojler (n).
Cloîtrer, (v. a.) Klotderen, in een
kloojler zetten.
Cloïtrier, (ro) Khojler-portier.
Clopin', dopant, {gem. w.) Il
vient clopin, clopant, hy komt at
hinkende pink. :
Clopiner, (v. n.) Hinke - pinken ^
als een jichtige.
Cloporte, (ra) Pijfebed (zeker in-
feâ).
Ciorre , (v. a.) Sluiten; toemaa-
ken; bemuuren; clorre un compte,
een' rekening Jluiten.
Clos, (m) Omheinde plaats (m) of
land (n) j ring-vntur; hegge (£).
Clos, ofe (adj.) To'egejlooten ; be^
Jlooten ; omheind': fi tot qu'il eut les
yeux clos , zoo dra zyn oogen geloo-
ken waren ; ce font lettres clofes,
dat is een 'geheime zaak ; à yeux
clos, met gpjlooten oogen; fe tenir
clos & couvert, zig gpjlooten hou-
den; combattre en champs clos, in
een bejlooten veld vegten; ville clo-
fe , eene beinuurde fiadt ; du drap
clos & couvert , digt en gedekt la-
ken; pâques cl oies, de ee^e zondag
na paajfcben.
Cloifeau , (m) Een boeren moes-
■tuintje (n) .
Cloferie , (f) Een kleine boeren^
hoof.
ClofTement, (m) Het klokken van
eene hen (n).
ClolTer ou Glouffer, (v.n,) Klok-
ken , kakelen als eene hen.
Clotoir , (m) Steeker , fleek-priem
(m), (Mandemaakers werkt.)
Clôture, (f) Heining, ring-muur;
f,uiting eencr rekening.
Cloturier , (m) Mandemaaker in
grof w' er k.
Clou , (m) Spyker , nagel; bloed-
vin;\in clou chaiïe Tautre .(^pr. tv.)
het eene doed het andere wyken iriver
Ie clou à quelcun , (fpr.w.)iemanti
net van pas de mond fnoeren.
Clou de girofle , (m) Kruidnageh
Clou*
CLO. CLY. COA. &c.
Cloucourde , (f) Zekere hleeke
roode koren-bloem.
Cloué, ée (adjO Gefpykrrd; être
cloué, pal zitten , van zyn plaats
niet komen.
Clouer, (v. a.) ï^njï fpykeren.
Clouere , ( f) Spykir aanbeeld (n).
Clouter, (v. a.) Met kopnageltjes
bezetten.
Clouterie, (f) Spyker-maakery of
handel.
Cloutier, (m) Spyker-maakcr ofver-
kooper.
Clóutiere , ( f ) Zeker Jluk yzcr met
gaat en by de fpyker-fmids .
Clyftere, (m) Spuit-artzeny (f),
een lavement (n).
Co-accufé , (na) Mede hefchuldigde.
Coaftif, ive (adj.) Pouvoir coac-
tif , dwingende magt.
Coadjuteur, trice , (m.& f.) Me-
de-hulp , mede-helper 'f mede-belpjier,
Coadjutorerie , ( f) ^mpt daar
van (n).
Coagis , (m) Een Comtniflïonair ,
dus genaamd in de Levant.
Coagulation, (f; Stolling , Jirem-
tntng.
Coaguler, (v. a.) Stollen , dik wor-
den , klo'nteren.
Coaille, (f) De grofjJe vjol van
een Schaap.
Coailler , (v. n.) Met den Jïaart
quifpelen , {Jagers w.)
CoafTeraeni: , (ra) Gequaak der kik-
vorfchen.
CoalTer, (v. n.) Quaaken.
Cobes, (f. pi.) Lceuwers oogen in
't lyk (touzvtjes aan de zeilen daar
meu andere doorhaald (fcbeeps iv.)
Co-bourgeois, (m) Schips-rnede-
reeder, Participant.
Coc. {Zie Coq).
Cocagne, (f) {word alleen dus
gsb.)l?3LÏs de cocHgns yluilekkcr land.
Cocarde ,{{)Een vt'derbofcb(m);
Jlrikje (n). -
Cocafle , (adj.) {gem. w.) Eigen-
zinnig.
Cocatrix, (m) Eenfoort van baft-
liskus.
Cöccigruës, {{. pi.) Conter des
coccigruës, beiizelingen vertellen.
Coccus; (m) Scharlaken-boom»
COC. COD. COE. 135
Coche, (m) Reis-koets {f), tent-
fcbuit (m).
Coche , ( f) Een' zeiige , zog, (truie)
une vilaine coche , eene vuile zog «
dik vet vrouivmenjch.
Coche, (f) Keep i kerf in hout enz.
Cochemar. {Zie Cauchemar).
Cochenille , ( f) Konfenilje , (zeker
ivormtje tot fcharlaken rood gebezigd).
Cüchenilier, (v.a.) Met konfenil-
je verwen.
Cocber,^m) Een koetzier.^
Cocher, (v.a.) Le coq côche la
poule , de baan treed de hen.
Cochet, (m) Jon^ haantje (n).
Cochevis, (m) ten kuif-hemicrik.
Cochléaria, ou herbexBU cueillser ,
(m) Lepelblad (n). ' j
Co