(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Een blik in het Javaansche volksleven;"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 



WVPL RESEARCH USflAlMiS 



,..^,J|il|lllilllll 

3 3433 08243029 3 




DOOK 



Th. M A VER 




^.?k 'i."» 




\<i- '. 













••»'■• 



■•■ J i,.-4<:-ï^'--'sf ■';■::; V.;-, .:-•. <:".- •■.■-^>, ■■-■-•>■'■■;.:- 
















- *" "> . 






■ v> 



Jh, 






EEN BLIK 



IN HBT 



JAVAANSCHE VOLKSLEVEN. 



EEN BLIK 



IN HEÏ 



JAVAANSCHE VOLKSLEVEN 



DOOB 



L. Th. MAYER. 






BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ 

TOORHEXN 

E. J. BRILL 

LBIDEM — 1S97. 



i 



„ ...',;:v 
341254B 

■ ' : 1 > .• : ...'■ i..».NS 



BOEKDRUKKEBU YOOrheOD E. J, BR[J^L — LEIDEN. 



hrtRieö tr t^<^ ï' •' ' 



VOORBERICHT. 





„Een blik in het javaansche volksleven" is voor mij, geachte 
lezer of lezeres, tevens een terugblik op dien leerzamen tijd, gedu- 
rende welken het mij gegeven was, in de desa, diep in het binnen- 
land van ons schoone Java onder zijne eenvoudige, dikwijls kinder- 
lijk-natuurlijke bevolking te leven en te werken, een tijd, waaraan 
ik niet dan met weemoed kan terugdenken, omdat bij de vele, 
treurige ervaringen, die ik daarin opdeed, ook veel, zeer veel 
liefs zelfs, vooral van de zijde dier zelfde eenvoudige, onontwikkelde 
bevolking mijn deel werd. 

Uit de gegevens, die ik toen noteerde en bewaarde, is het werk 
samengesteld, dat ik u thans aanbied. 

Misschien zal een groot deel van den inhoud u reeds bekend zijn , 
hetzij door persoonlijke aanschouwing, hetzij uit andere bronnen, en 
zeker ook zult gij, bij het kennisnemen hiervan, in menig opzicht 
teleurgesteld worden, doordat gij er niet in vindt, wat gij verlangt 
te weten. Niettemin durf ik het toch met vertrouwen onder uwe 
oogen brengen, omdat ik voor mij zelven overtuigd ben, dat ik, 
voor zooverre mijne kennis van een en ander reikte al' wat hier 
beschreven staat , naar mijn beste vermogen en met de meeste juist- 
eid en nauwkeurigheid heb medegedeeld. 

Dat er echter nog veel aan ontbreekt, hiervan ben ik zelf en in 
e eerste plaats overtuigd; daarom zal ik elke billijke terechtwijzing 
in casu dankbaar aannemen, 



\I VOORBERICHT. 

De streek, die ik in gedachten in dit werk met u doorloop , kan 
alB het ware door een rechte lijn , die van den Slamat in Banjoemas 
naar den Këloet of Wilis in KèiJiH getrokken wordt, worden aan- 
gegeven, en beslaat, zooals gij op de kaart 2ien kunt, een be- 
trekkelijk klein gedeelte van ons zoogenaamd Midden-Java. Slechts 
hier en daar heb ik bij het doorwandelen dier streek mij een kleinen 
zijsprong noord- of zuidwaarts veroorloofd, doch overigens mij stipt 
aan de richting gehouden, die ik mij ten doel had gesteld, en 
wel, omdat ik u bekend wilde maken voornamelijk met den echten 
Javaan, die nog niet bedorven door den omgang met andere meer 
ontwikkelde, of meer cosmopolitische volken, zich in zijn kinder- 
lijken eenvoud nog zoo gelukkig en tevreden gevoelt in en met 
hetgeen hij heeft of wat hem toebedeeld wordt. 

Moge het hier omtrent hem en zijn huiselijk leven en bedrijf 
medegedeelde, in hoe geringe mate ook, kunnen dienen als eene 
bijdrage tot vermeerdering der kennis van het javaansche volks- 
leven, niet alleen, maar ook leiden tot grootere belangstelling in 
het interessante volk, dat een der voornaamste eilanden van onzen 
Oost-Indischen Archipel bewoont! 

Depok. L. Th. Matsr. 



INHOUDSOPGAVE (*). 



Hoofdstuk I. Bezoek aan een desa (1). Buitenzijde der desa (3). Tanggoel, 
pagër-bëteq, borang (4). Sëketeng (5). Tjakroeq (7). Këntongan, plang- 
ki-angan (8). Lantera, bëiëman, gantol , 'tjanggah (9). Lodong, desa-weg 
(10). Srotonganhuis , ëmpjaq, wëlit (11). Geraamte van een srotonganhuis 
(12). Srotongandak , bewandingen (13\ Indeeling van een srotonganhuis, 
deuren (14). Amben, dingkliq, keuken (15). Ledikant, kobong(16). Langse, 
patjoel, pangilon, pëtel (17). Tjëloepaq, bëndo, këris, këntongan (18). 
Woewoeng (19). Kori-pëkarangan , djaga-satroe , erven (20). Beplanting 
van een erf, raestkuilen (21). Daragëpaq-huis (22). Kandang, linggis, 
wloekoe, garoe (23). Anglo, viradjan, gawangan (24). Gapit, bandoel, 
tjanting (25). Ploepoeh, këndi, songkoq, tjapil (26). Dian, lampoe-teploq , 
laropoe-djodog , goebah, wadah-damar, timmergereedschap (28). Lëmari, 
tenong, soemboel (29). Bokor, beteldoos, païdon, katjip, beii, talam, 
pëdang (30). Sikon , sipat-gantoeng , borden , enz., gëntong , glëdëg , paga (31). 
Tjoweq, schotels, gëndoel, ples^ rodong (32). Tjeret, dandang, koekoesan, 
' kën^ii (33). Krondo, kentjeng, wadjan (34). Koewali, djëmbangan, pane, 
wakoel, sëniq (35). Tjentong, zeven en wannen, mes, lepel, bezem (36). 
Tjëting, tombloq, ekraq, lëkër, lawang-tangkëban (37). Gëladag, liroasan- 
huis (38). Lawang-koepoetaroeng , sorogan, hengsel (39). Soedjen-tëroes , 
lampoe-tebeng , dampar (40). Platte gix>nd van een limasanhuis, gëmblan- 
gan (41). Pagër djaro, gantar, andjang-and jang , patjoel-gowang (42). Kan- 
dang , loemboeng , lësoeng , aloë (43). Anda , soemoer, pantjoeran (44). Huis • 
van een loei*ah, regol, pantjens (45). Langgar (46). Pangimbaran, keblat, 
dasar (47). Rekal, pajon-boetjoe, omah-gamëlan(48). Een djoglo-hui8(49). 
Gën^eng, sirap, takir (50). Midangan, dadapëksi, oempaq (51). Ameuble- 
ment van een pëndapa (52). Patehan, rokoq, stoelen, lampen (53). Rana, 
pajoeng, soengoe-mëndjangan , kërga (54). Andan-andan, përinggitan, ta- 
lang (55). Kampoeng, djëndela-roedjen , ontjen-ontjen (56). Boentoet-mëraq , 
lampoe-doedoeq , medja-pësagi (57). Tënoenan, padoesan, pakiwan (58). 



(*) NB. De achter de Terschilleodo onderwerpea tasschea ( ) geplaatste cijfers wgzen 
de bladzijden aan, waar die onderwerpen behandeld zgn. 



VIII INHOUD. 

Sasaq, panggilfisan, gëdogan(59). Pajon-toempangof-8oesoen(60). MSsdjid, 
bëdoeg, këtëg, tëlapaqan-këtëg (16). Mirobar, padasan (62). 

Hoofdstuk II 63). Goeboeg, ranggon (64). Wëden-wSden, kitiran (65). Ver- 
siering van een ranggon (66). Pa^oekoehan (67), Krétëg, oewot (68). 
Kereqan-manoeq , koeroengan (69). Huisdieren, aanleg van een weg (70). 
Pakëbonan (71). Toempoeqan kajoe, is de javaan lui? enz. (72). Vischvijver 
of bëloembangan (73). In vijvers voorkomende vis^hen, enz. (74). Platte 
grond eener desa, overvaart of eretan (75). Wa tang, dajoeng, egol, djoe- 
koeng (76). Niet verpachte overvaart (77). Desa, buiten bet gouverne- 
mentsgebied (78). Bë^ii, bapëm, kadjinëman, ronteq (80). Tournooituig 
(81). Het javaanscbe zadel (82). Het boofdstel, het tournooizadel (83). 
Ebeg, larap, apoes 4^4^, ambën (84). Een kawëdanan (85). Platte gix>nd 
van een wëdana's- woning (86). Inrichting van het huis. Wajang-poerwa 
(87). Lakon, dalang (88). Salendro of Selendro (89). Bonang (90). Saron, 
dëmoeng, tjënte, slëntëm, kromomg, kënong, këtoeq (91). Gong-gëde, 
panigëg, këmpoel (92). Këndang, soeling, i-ëbab, këtjër, tjlëmpoeng, gam- 
bang (93). Proenggoe, brondjong, blongsong (94). 

Hoofdstuk m (95). Këlir, Uentjong, gëdëbog, troetjoeq (96). Kotaq, kë- 
pjaq, tjëmpala, gapit-wajang (97). Këkajon, wajangkiwa en -tëngën (98). 
Krësna (99). Kleeding enz. der wajangpoppen (100). Het maken van wa- 
jangpoppen, tjëmpoerit (102). Mintaraga, de mythologie (103). Physische 
mythe (104) Ethische mythe (106). De sage, het Indisch tooneel (107). Intrigue 
van den lakon Mintaraga (108). Beteekenis van dezen lakon (115). Tëmbang 
gë4e, sardoela-wikridita(119). Patët- en manjoera-zangwijzen(120). Soeloeq, 
4Jantoeran, matjapat- wijzen (121). Kinanti (122). Dandang-goela (123). 
Asmaradana, mas-koemambang (124). Sinom of srinata (125). Doerma(126). 
Raras-ati of midjil, gamboeh (127). Mëgatroeh, poetjoeng (128). Girisa 
(129). Balabaq of Bëlabaq (130). De verschillende dichtmaten (131). De 
clowns in het wajangspel (134). De glossen van den dalang (135). 

Hoofdstak IV (136). Een veemarkt (137), Het javaanscbe paard (138). De 
kleuren van het paard (142). De vei*schilleniie levenstijdperken (144). De 
vereischten voor een goed paard (146). De goede teekens (148). De slechte 
teekens (152). De ziekten van het paard (158). Medicamenten daarvoor 
(159). Verzorging van het paai-d (163). Gëdogan (164). Paardenvoer (165). 
Gevaariijke insecten, enz. pakzadel (167). Het rund, de buffel (168). De 
vrachtkarren (171). De grobag-alas en keser (174). Het schaap, de geit (175). 

Hoofdstuk V (176). Bërsian, de javaanscbe physiognomie (177), Tmtag of 
taroeb (188). Djodang, djoekoeng, praoe-taroeban (189). Pasangan, woe- 
woe, itjir (190). Roempon. wide of laha (191). Seroq of sambër. sero (192). 
Seser-sero, tëliq, bëngkëng (193). Tëliq-wëloet, pantjiiig-këpiting, antjo. 
pëtjaq, seroq-antjo (194) Këpls, ajal, pantjing-djögoq , pantjing-doedoel 
(195). Ajab, djaring-edjer, sambër, djala (196). Bara, wide (197). Soeeoeh, 
irig. tawoe, djënoe, toeba (198). Pasër. tjrengkeng, panah , gandewa (199). 
Oetjëng, wadër-pari, dëndiëng, djaga-ripoeh, tjénggaringan , kada (200). 
Këpreq, tjeléngan, kadalan, poesoeh, sili, bëtiq, sëplang, wagal (201). 
Tagih, bërot, bader, koetoeq, këialen (202). Mangoet, paloeng, Iele, goe- 
rameh, tambra (203). Wëloet, sidat, këpiting, widëng, joejoe, ompet, 
oerang-pantjet, oerang-kali , i-ebon, trasi, djambal , këbo-gëi-ang , mërmas, 



INHOUD. IX 

patjal, -baQtjer, ilat (204 — ^205). LiQtah« lintah-köbo, lingsëng, patjët, 
sëdëkah (206). De vei'sch il lende slamëtans (207). 

Hoofdstuk VI (212). De javaansche keuken (213). Javaansch gebak (225). 
Ambeng, sëdëkah (230). Donga slamët (231). Bëikat (232). Afloop eener 
sëdëkah (233). 

Hoofdstuk Vn (234). Karakter van den Javaan (235). Boeras, lëmbaran, 
sëga-goreng (336). Djatibosch (237). Wildhoutbosch- vegetatie (238). Ver- 
schillende diei-en (239). Ara-ara « pangonan (252). Sawah-tadahan (253). 
Këbonan, het winnen van paimwijn (254). Djagoeng-aanplant , desa-klacht 
(255). De leden van het desa-bestuur (256). Een desa-klacht (257). Onder- 
zoek bij een diefstal (260). 

Hoofdstuk VIII (263). De slanaëtan voor een zevenmaandsche zwangerschap 
(264). De voorgeschreven djënangs (265). De voorgeschreven djënangs en 
roedjak (266). Het donga-rasoel (267). De smeersels en het badeil der 
zwangere (268). Het laten vallen van een jonge klappernoot en bamboezen 
koker (269). Het doorhakken der klappernoot en kleeden der vrouw (270). 
Het verkoopen van roedjak door de zwangere (271). Teekenen der zwan- 
gerschap, slamëtan-ngebor-ebori (272). De slamëtan-nëloni (273). De sla- 
mëtan voor de negende maand (274). Regelen door eene zwangere in acht 
te nemen (275). Behandeling eener kraamvrouw (278). Bevalling (280). 
Behandeling van het kind (281). Behandeling der moeder (282). De nage- 
boorte (285). Behandeling van het kind , de sarats (286). De plaaggeesten ; 
het djoeloengschap (287). Moeilijke bevallingen; ontstentenis van den vader 
(288). Nindiq. slamëtan-bi-okohan (289). Donga-tawil (290). Het poepoet- 
poesër (291). Slamëtan-poepoet-poesër (292) Slamëtan-njëpasaii (293). Ban- 
tjaq-an (294). Naamgeving van het kind (295). Slamëtan-njëlapani (296). 
Slamëtan-mitoeng-lapani (297). Oedoenan (298). Het hoofdhaar der kin- 
deren (299). Zoogen, tanden krijgen, slamëtan-anggi^oeli (300). De laatste 
diensten van de doekoen (301). Twee- en drielingen , moeilijke bevalling (302). 
Middelen voor een abortus (303). Tajoeban (305). Dansmeiden (306). Het 
'mbëksa en nglarihi; bantjeran (309) Het dansen bij plaatsvervanging (310). 



HOOFDSTUK I. 



Hebt gij, waarde lezer, lust en opgewektheid genoeg, om 
met ons een kijkje te gaan nemen in de echt javaansche maat- 
schappij? Veroorloof ons dan, u in gedachten te verplaatsen 
naar en in een dier schoone residentiën, die wij gewoon zijn 
tot Midden-Java te rekenen en u er verder den weg te wijzen 
voor zoover wij dien kennen. 

Als gij er niets tegen hebt , zullen wij den eersten den besten 
weg nemen en het verder aan ons goed gesternte overlaten, 
om ons daarheen te leiden, waar wij het meest te zien en te 
leeren kunnen krijgen. 

Zie, daar hebben wij er al vast een. De weg (marga of 
margi), is wel niet breed, hoogstens acht voet, zooals gij ziet, 
doch zoowel de aanleg als het onderhoud daarvan en de regel- 
mntige aanplant van schaduwboomen aan zijne beide kanten 
verraden ons, dat wij ons in de zoogenaamde gouvemements- 
landen bevinden. 

Nemen wij den weg op, voordat wij hem inslaan, dan zien 
wij, dat hij glooiend naar boven gaat en al kronkelend naar 
die desa daar voor ons leidt, die, geleund tegen de hellingen 
van dien reus, die den achtergrond van ons tooneeltje vormt, 
zich te midden dier pas bewerkte, gedeeltelijk onder water 
staande en alle nuances van oker, bruin en zwart vertoonende 
sawahs als een liefelijke oase aan ons oog voordoet. 

1 



Bezoek aan een desa. 



Gij zoudt, als vreemdeling, in die dichtbegroeide plek, in 
dat bewassen eilandje te midden van die zee van waterrijke en 
vruchtbare bouwvelden zeker geen woonplaats voor menschen 
zoeken , wanneer niet hier en daar de nok of het dak eener 
nederige stulp tusschen het geboomte door zichtbaar was en die 
lawang sëketeng en de daarachter ^taande tjakroeq u niet ver- 
rieden , dat gij hier niet te maken hebt met een gewoon bosschage. 




Dosa. 



maar wel degelijk met eene verzameling van in schilderachtige 
wanorde en in allerlei vormen en grootten daar staande men- 
schelijke woningen, omgeven en beschaduwd door honderden 
soorten van hoog en laag geboomte en andere gewassen, wier 
lenige, dichtbebladerde toppen en takken, wanneer de heerlijk 
koele land wind er in het nachtelijk duister doorheen speelt, dat 
schuifelen, dat zachte ruischen voortbrengen, waarin de poëtisch 



Buitenzijde der desa. 



gestemde mensch zoo gaarne den zang der sylphen en 
den hoort! 

Laat ons onze schreden daarheen wenden, doch alvorens wij 
door de la wang sëketeng deze desa of doesoen, zooals zij in 
het krama heet, binnenloopen , nog even dat zijpad daar, dat 
links van de lawang sëketeng uit zich om de desa heen schijnt 
te kronkelen, opgaan, om eens te kijken, hoe zulk eene desa 
er van buiten eigenlijk uitziet. 

Al dadelijk valt ons bij deze opname op, dat, zoo de stich- 
ting dezer desa al niet gezegd kan worden naar een bepaald 
en vooraf goed overwogen plan te zijn geschied , daarbij althans 
het denkbeeld op den voorgrond moet hebben gestaan, dat zij 
door een zoo dicht en zoo stevig mogelijken, liefst levenden 
pagër of haag dient te worden beschermd tegen het binnen- 
dringen van ongenoode en ongewenschte gasten, want tusschen 
de op rijen naast elkander staande, hunne lenige en wuivende 
halmen of stokken hoog opschietende stoelen van bamboe 
doeri, bamboe pëtoeng, bamboe apoes, enz., die de voor- 
naamste bestanddeelen dezer natuurlijke enceinte uitmaken , zien 
wij een verscheidenheid en macht van hooggekruinde , dikstam- 




Tanggoel. 

mige reuzen , waaronder wij den woengoe (Lagerstroemia reginae 
Rxb.), waroe (Hibiscus elatus Sw.), kananga (Cananga odorata 
Hk), këmiri (Aleurites triloba Forst), tjëmpaka (Michelia 



Tanggoel, Pagër bëteq, Borang. 



champaca, L.), nangka (Artocarpus integrifolia, L.), woeni 
(Antidesma bunias, Sprg.), këtapang (Terminalia catappa, L.), 
kapoeq of randoe (Eriodendrum anfractuosum , DC) en zoovele 
andere bekenden ondei-scheiden , den toegang versperren, terwijl 
een vrij diepe, doch smalle ringsloot om de geheele desa niet 
alleen tot afvoer van faecaliën en van het overtollige water, 
maar tevens tot de besproeiing der daaraan gelegen velden 
dienen moet. 

Hier en daar merken wij zelfs een begin op eener soort om- 
walling of tanggoel van op elkander gestapelde, door aarde 

en graszoden bij en aan 
elkander gehouden rol- 
steenen , waarop een aan- 
plant van doornige hees- 
ters de beklimming be- 
moeilijkt, terwijl de in 
die enceinte bestaande 
open plekken door een 
stevigen , van scherp aan- 
gepunte bamboestokken 
of latten samengestelden 
pagër bëteq gesloten zijn 
en zoowel daarachter als 
daarvoor de venijnige, scherpe punten der borangs tusschen 
het groene gras door zichtbaar zijn. 

^^^^^^^^g___^^^ Wees hier daarom voorzichtig, 

waarde lezer, want zelfs uw dikke 
schoeisel zal u nauwelijks tegen 
de onaangename gevolgen eener 
ongewenschte kennismaking met 
deze korte pieken vrijwaren, en 
de wonden , die deze borangs ver- 
oorzaken zijn gevaarlijk en moei- 
lijk te genezen! 

Doch nu wij de desa van bui- 
ten hebben opgenomen, wordt 
het tijd dat wij eens gaan zien , wat zij ons in haar »inwendig 
wezen" aan merkwaardigs kan aanbieden. 




Pagër bëteq. 




Borang. 



Sëketeng. 5 

Ho! laat ons hierbij niet overhaast te werk gaan en eerst 
eenige oogenblikken besteden aan de beschouwing van de 
sëketeng en den tjakroeq, alvorens wij met het inwendige der 
desa gaan kennismaken. 

Zie, daar komt ons de loerah^), het oude desahoofd, wien 
men zeker van onze komst verwittigd heeft, ook juist tegemoet, 
eene beleefdheid, die wij niet genoeg op prijs kunnen stellen, 
daar wij op onze wandeling door zijne desa hier en daar zeker 
wel zijne voorlichting noodig zullen hebben. 

Laat ons derhalve beginnen met die beleefdheid door eene 
andere onzerzijds te beantwoorden en den ouden heer, die, op 
eerbiedigen afstand van ons is gaan sila, in zijne taal daarvoor 
dank zeggen. 

Zie, de oude heer heeft bij zijne verbazing over onze bekend- 
heid met het Javaansch, er blijkbaar schik in, dat wij hem de 
eer bewijzen van hem in die taal aan te spreken, want bij 
zijn noewoen en verdere dankbetuiging voor onze dóór hem 
wellicht niet eens verwachte, vriendelijke begroeting, voegt hij 
in goed gekozen uitdrukkingen ook het eerbiedig verzoek, dat 
wij hem de hooge eer zullen bewijzen, van eenige oogenblikken 
onder zijne )»nederige stulp" te vertoeven, eene uitnoodiging 
die wij gaarne aannemen, onder beding echter, dat wij vooraf 
een kijkje zullen nemen van al wat zijne desa aan beziens- en 
merkwaardigs oplevert 

Wij zullen dus beginnen met de sëketeng, de open poort, 
waarbij wij zijn blijven staan, toen het desahoofd ons tegemoet 
kwam. De nadere beschouwing daarvan leert ons, dat de sëketeng 
bestaat uit twee op zekeren afstand (meestal de breedte van den 
weg, die daaronder doorloopt) van elkander rechtstandig in den 
grond geplaatste houten (soms ook bamboezen) ladders, wier 
boveneinden door een horizontaal geplaatsten dito aan elkander 
verbonden zijn. De sporten van dezen laatsten zijn aan de 
bovenzijde voorzien van verlengstukken, wier lengten zoodanig 
genomen zijn, dat daardoor de figuur van een gelijkbeenigen 



1) In enkele i*esidentiën worden de desahoofden ook bëkël, këpala desa of 
këpala doesoen enz. genoemd. Zelfs vindt men hier en daar nog een dëmang , 
panewoe, hoofd over duizend, of pënatoes, hoofd over honderd. 



Sëketen^. Tjakroeq. 




driehoek wordt gevormd, welks top wordt aangewezen door een 

knop of een ander in hout uit- 
gesneden figuur of ornament, 
geplaatst op het verlengde van 
den middelsten sport. Onder 
dezen middelsten sport is ge- 
woonlijk, zooals hier, een plank 
aan den liggenden ladder be- 
vestigd, waarop hetzij in ja- 
vaansch, hetzij in latijnsch 
schrift het nummer en de 
naam der desa te lezen staan, 
soms zelfs met vérmelding 
tevens van het aantal zielen, 
heeren- en cultuurdienstplich- 
tigen en van de sterkte van 
den veestapel. 

Deze poort wordt op gere- 
Lawang 8«keteng. gelde tijdstippen aangewit , 

soms ook geheel zwart geteerd of wit geverfd, — zelden on- 
veranderd in den staat en het voorkomen gelaten, als waarin 
de samenstellende deelen daarvan zich voordoen, en dient ter 
aanwijzing, dat daar de eigenlijk gezegde desa begint of 
eindigt. 

Van ons desahoofd vernemen wij verder, dat de naam saketeng 
samengesteld is uit sa en keteng, respectievelijk beteekenende 
een en penning, halve-duit- of halve-cent-stuk en een niet bij 
een ieder meer bekend overblijfsel is uit den ouden javaanschen 
tijd, toen het slechts aan enkele bevoorrechte desas geoorloofd 
was, zulk eene poort te hebben en van een ieder, die daar- 
onder door passeerde een keteng als tol te heflfen. 

De tjakroeq, elders ook angkroeq, gërdoe, gërdoe desa, 
of gërdoe doesoen geheeten, is, zooals wij nader zien, een 
kleine loods op vier stijlen, die de geheele breedte van den 
weg overspant en aan de voor- of ingangszijde gesloten is door 
een bamboesen porte-brisee , een teeken, dat het oude hoofd 
van netheid houdt, daar men zich voor dergelijke gebouwtjes 
anders vergenoegt met een lawang ëngkab-ëngkaban of lawang 



Tjakroeq. 7 

oengkab-oengkaban , een bamboezen deur, die als een neêrhan- 




Tjakroeq met porte-b risee : (lawang koepoetaroeng). 

gende klep opengestooten of neergelaten wordt. Links en rechts 







Tjakroeq met lawang ëngkab-éngkaban. 

heeft [deze tjakroeq een aan de buitenzijden afgesloten emper 



Këntongan. Plangkrangan. 



of afdak, waarvan het eene door de daaronder staande bam- 
boezen bale of amben (rustbank) blijkbaar dienen moet tot 
zit- en rustplaats van de twee of drie wong djaga of tiang- 
djagi of wachters, die volgens een door het desahoofd aange- 
houden rooster hier beurtelings gedurende een geheelen nacht, 
dikwijls ook over dag de wacht moeten houden. 

Onder het andere afdak vinden wij in de eerste plaats bij 
een der hoeken den këntongan of tongtong, het uitgeholde, 
dikwijls van sierlijk snijwerk voorziene houten blok, waarop 
allerlei signalen door middel van een houten hamer of kort 




22 <7..5^ l "'- '- -^ 



Tongtong. 



Plam^krangan. 



knuppeltje geslagen worden. In de nabijheid daarvan zien wij 
verder een plangkrangan (houten standaard), waarin een paar 
lansen (toembaq), soms ook lange dikke batons of pëntoeng's 
staan, terwijl aan de bamboezen bewanding of soms ook op 
de] jamben zelf een paar pëdangs (kapmessen) klaar staat of 
bij de hand wordt gehouden. In het midden van den tjakroeq 
hangt nog een klein vierkant lantaarntje, dat tot verlichting 
dient zoowel van het wachthuisje zelf, als van de onmiddellijke 
omgeving daarvan. In de plaats van zulk een lantaarn ziet men 
dikwijls eenvoudig een bëlëman (vuurtje, dat smeulend ge- 



Lantera. Bëlëman. Gantol. Tjanggah. 



houden wordt), vooral wanneer men last heeft van muskieten, 





^- :?^iM^jA^: 




Lantaarn of lantéra. Béléman. 

die dan door den daaruit opstijgenden rook worden verdreven. 

Eindelijk vinden wij 
nog links en rechts van 
de tjakroeqdeur , dik- 
wijls zelfs achter, d. i. 
aan de zijde van den 
tjakroeq, die naarde desa 
gekeerd is, staande in, in 
den grond ingegraven 
bamboezen kokers, de 
gantol (brandhaak) en 
de onontbeerlijke tjang- 
gah, eigenlijk het hoofd- 
wapen van dèn gërdoe- 
wachter, zijnde een hou- 
ten of ijzeren vork , wier 
twee wijd uit elkander 
staande tanden voorzien 
zijn van scherpe dorens 
of weerhaakjes. 




Tjanggahs. 



Gantol 



10 



Lodong. Desaweg. 



Buitendien vindt men bij enkele tjakroeqs, evenals hier, nog 
eenige lodongs of bamboezen kokers, gevuld met water, om 

bij brand te dienen, — doch al- 
gemeen is dit gebruik of deze 
maatregel niet; en ofschoon het 
hier beschreven type en zijn inven- 
taris bijna overal in Midden-Java 
gevonden wordt, zoo verhindert dit 
toch niet, dat in den vorm en het 
bouwmateriaal der wachthuizen 
groote verscheidenheid heerscht. 

En zoo zijn wij zoetjes gekomen 
aan het punt van waaruit onze 
verdere kennismaking met de 
eigenlijke desa een aanvang zal 
nemen. 

Laat ons dus dadelijk den weg, 
die kaarsrecht naar dat vrij groote 
huis daar voor ons loopt, vervol- 
gen en zien, wat links en rechts 
daarvan onze aandacht trekken kan. 
In de eerste plaats valt het 
ons op, dat de weg in de desa 
•netjes, zeer gelijkmatig begrint en met fijn zand bedekt is, en 
geen grassprietje zich daarop vertoont. Zelfs de aan beide zijden 
daarvan loopende waterafvoerkanaaltjes, got's of kalenans zijn 
keurig in orde, terwijl de daarachter staande levende heggen 
van djaraq (Ricinus communis L.), op eene hoogte van ± vier 
voet en overal gelijkmatig dicht en dik gehouden, op den 
bezoeker een zeer aangenamen indruk maken. 

Aan alles is het duidelijk, dat deze desa eene welvarende 
is en een hoofd heeft, dat er een eer in stelt, hjaar zoo zinde- 
lijk en zoo net mogelijk te hebben en te houden. 

Zie eens die nederige stulp daar aan onze rechterhand; zij 
is klein en blijkbaar niet de woning van een millionnair, doch 
zij maakt op ons geen onaangenaraen indruk door de zindelijk- 
heid en netheid , die daaromheen en aan hare buitenbewanding 
zichtbaar zijn. 




Lodong. 



Srotonganhuis. Empjaq. Wëïit. 



11 



i^mm 




Het is een zoogenaamde omah-, of gria-srotongan , zooals 
het desahoofd ons op onze vraag te kennen geeft , d. i. een 
huis in den loodsenvorm met twee tegen elkander opstaande 
dakvlakken, die de geheele breedte daarvan bedekken en den 
voor- en achter-ëmpjaq daarvan vormen. De zijopeningen worden 
gesloten door rechte bovenzijbewandingen van driehoekigen 
vorm, die toetoep keong worden genoemd. Deze ëmpjaqs en 
toetoeps keong rusten respectievelijk op blandars (muurplaten) 
en pangërëts (binten), en 
zijn aan de bovenzijde be- 
vestigd aan den molo 
(nokbalk) door middelvan 
rotting- of bamboeban- 
den , dan wel van touwen 
of ook van houten haken , . 
of pennen, die stevig in [|fi 
den molo staan. Deze 
zelf wordt gedragen door, 
midden op de pangërëts 
aangebrachte toewoehs 
(stutten of korte stijlen) 
wier lengte op de helling van het dak, die bij dezen vorm 
gewoonlijk ± 40° is, influenceert. 

De ëmpjaqs zijn, zooals wij verder zien, stevige rechthoeken, 
samengesteld uit tegen elkander 
gerangschikte, door dwarslat- 
ten en touwwerk aan elkander 
verbonden bamboestokken van 
5 a 6 cm. diameter en 3 tot 
5 m. lengte, oesoeqs (dakribben) 
genaamd, waarop de voor de 
plaatsing en bevestiging der 
wëlits ^) bestemde rengs (pan- 
of wëlitlatten) vastgebonden of gespijkerd zijn. 



Éliaiy»aiiiiii^^ 



'Empjaq. 




Wëlit met djalon en gapits. 



1) Aan 4jalons (stokken) door middel van gapits (latten) en toetoes (tot 
bindsel bestemde, aan dunne reepjes gespouwen bamboebast), talidoeq (touw 
van de harige vezels van den arenpalm) dan welloeloeb (dunne reepjes boombast) 
bevestigde, dicht aaneen gedrukte alang-alang (Imperata arundinacea Gyrill). 



12 



Greraamte van een srotonganhuis. 



Zulk een solied, doch vrij zwaar dakvlak wordt in zijn ge- 
heel naar boven geheschen en verder aan den molo en den 
blandar bevestigd. 

Ons desahoofd vertelt ons verder, dat het dak, dat wij hier 




Geraamte van een gewoon srótongan-hais. 

beschrijven, het eenvoudigste is van dien aard, daar bedoelde 
dakvlakken anders gewoonlijk nog ondersteund of geschraagd 
worden door oesoeqs dadi (losse, niet door hanebalken aan 
elkander verbonden spruiten) of door koeda-koeda's (driehoeken , 




Geraamte van een srotongan-hniB met oeBoeqs-dadi en koedarkoeda. 

gevormd door de aan elkander door middel van een hanebalk 
verbonden spruiten), waarop niet zelden nog een blandar ping- 
gang (gording) over de geheele lengte van het dakvlak is aan- 
gebracht, om daaraan meer steun te geven. 



Srotongandak. Bewandingen. 



13 



Dit geheele bovenwerk wordt gedragen door een acht- a tien- 
tal hoofd- of buitenstijlen (saka, saka goeroe), die in den 




Srotongandak. 

grond zijn ingegraven , soms ook op houten of rol- dan wel 
bergsteenen oempaqs (neuten) rusten. 

De openingen tusschen deze stijlen zijn gesloten door op 
verschillende wijzen gevlochten bamboezen bewandingen, die 
door middel van rotting- of ander touw , zelden van spijkers , 
aan bedoelde stijlen bevestigd zijn. 






T^'l 




MÏTïfüjk 


■ 


'ï'liMi 




'ï'^TV^il 




■nlUi 


■ 


dlllU 


1 


1 


u 


1 




I.T_- ' 




wt 




1 


fflSJ 


1 


1 


e 




Diverse soorten van bewandingen. 



Aan de voorzijde heeft de woning een mede van bamboe 
gemaakte deur , een zoogenaamde lawang sorogan (schuifdeur) , 



14 



Indeeling van een srotonganhuis. Deuren. 



die des nachts eenvoudig door een houten pen of anders door 
middel van een eindje touw vastgehouden wordt. 




Lawang sorogan. 

Treden wij het gebouw binnen , dan zien wij , dat de daarin 
besloten ruimte in twee bijna gelijke deelen is verdeeld door 
een dwarswand, die blijkens de daarin aanwezige deur, van 
dezelfde constructie als de voordeur, de scheiding daarstelt tus- 
schen het slaap- en het woonvertrek , de sëntong of slaapkamer 
en de panirat, binnengaanderij of huiskamer van den eigenaar 
en zijn gezin. 

Voorts zien wij, dat de bewanding aan de binnenzijde nog 
beschoten is met kepangs (dicht vlechtwerk van dunne, platte 
reepen bamboe) en de alleen ' boven het slaapvertrek aange- 
brachte zoldering (loteng, lotengan) der naarstige en zuinige 
huisvrouw dient tot bewaarplaats van het door haar benoodigde 
keukengerei en al wat zij verder het hare noemen kan, terwijl 
de in dien hoek daar naast die lódongs of met water ge- 
vulde kokers staande bamboezen ladder blijkbaar dienen moet, 
om het bereiken van dien zolder te vergemakkelijken. 

Tegen den voorwand van het vertrek , waar wij ons thans in 
bevinden, en bijna de geheele breedte daarvan beslaande, staat 
de zelfs in de nederigste hut niet ontbrekende amben (rust- 
bank) geheel of gedeeltelijk van bamboe gemaakt en met een 



Araben. Dingkliq. Keuken. 



15 



Amben. 




van pandan- of wel van mendong-bladeren ^) gevlochten matje 
bedekt. Op deze amben zit, rust en eet de familie, en zet 
zij haren bezoekers de 
betel en het lekkers, 
dat zij aan kan bie- 
den, voor. 

Verder merken wij 
in de nabijheid van 
de amben een paar 
dingkliqs, of houten 
bankjes of tabouretten 
op, die de eigenaar pjngkiiqs. 

gebruikt , wanneer hij zittende iets verrichten moet , waarbij ook 
zijne voeten of teenen dienst moeten doen , dan wel , wanneer hij 
na een zwaren, ^,- . ^ 

zorgvollen dag 
van de verfris- 
schende avond- 

koelte voor 
zijne woning 
genieten wil en 
»klimaat"gaat 
»schieten". 

In dien ach- 
terhoek tegen- 
over de voren- 
bedoelde 
amben zien wij 
nog de , uit 
met klei be- 
pleisterde rol- 
of bergsteenen 
samengestelde 
stook- of kook- 

plaats (pawon) met twee, hoogstens drie openingen van ver- 
schillende grootte. Het keukengereedschap schijnt aan kant 




Pawon. 



1) Pandan = Pandanus odoratissimus L. ; Mèndong=FirabristyIis efoliatus Steud. 



16 



Ledekant. Kobong. 



gezet, want hiervan zien wij geen enkel stuk, evenmin als van 
een servies. Met het oog op onzen beperkten tijd behoeft dit 
ons ook niet te spijten, te meer daar wij later wel gelegenheid 
te over zullen hebben, om met de culinaire wetenschap onzer 
javaansche keukenprinsessen kennis te maken en te zien wat zij 
zooal onder servies verstaan. 

Het zal u misschien verwonderen die keuken zoo in het 
woonvertrek aan te treffen , doch bedenk , waarde lezer, dat wij 
hier niet met eene familie te doen hebben, die rijk met aard- 
sche goederen bedeeld is en zich meer comfort verschaffen kan. 
Zie, ook de binnenvlakte van den ëmpjaq boven deze stook- 
plaats vertoont de sporen der dagelijksche berooking. Dit staat 
wel niet bijzonder netjes maar die rook beschermt de bamboe, 
waaruit die ëmpjaq is samengesteld, tegen den boeboeq of 
het insect, dat de vermolming daarvan veroorzaakt. 

Slaan wij nog even een blik in het' slaapvertrek , .dan zien 




KóboDg. 



Langse of GebSr. 



wij dat hier ook een amben tot ledikant dient en gedeelte- 
lijk met een dun buitzakje (kasoer), anderdeels eenvoudig met 
een raatje bedekt is. Aan het hoofdeneinde liggen verschillende 
in sitsen sloopen verborgen bantals of hoofdkussens, terwijl 
een grootbloemig sitsen kobong (hanggordijn) de slapenden 
aan den onbescheiden blik eens nieuwsgierigen indringers ont- 
trekt of onttrekken moet. Dit gordijn heeft 'een hemel of 
langitan en loopt om de geheele slaapplaats. Gewoonlijk vindt 



Langse. Patjoel. Pangilon. Pëtel. 



17 




Paljoel. 



men hiervoor anders een eenvoudigen langse; d. i. een vier 
a vijf voeten breede, de 
geheele breedte van het 
vertrek of de amben be- 
slaande strook sits, die 
aan een voor die amben 
op de vereischte hoogte 
gespannen touw bevestigd 
is. Soms is zulk een gor- 
dijn versierd met een ge- 
gulpte strook van rood of 
ander goed of met franje 
van inlandsch maaksel. Deze 
strook .heet dan plisir , 
plipir of plipid. Ziedaar 
het ledikant van den een- 
voudigen, armen, doch netten javaan 

Van een waschtafel met toebehoo- 
ren , een divan , schutsel en dergelijke 
meubels meer is hier geen sprake]; 
alleen zien wij aan den wand naast 
den daaraan hangenden bSndo (kap- 
mes) en de daarin gestoken këris 
of doewoeng (den indischen dolk of 
ponjaard, waarover wij later gelegen- 
heid zullen hebben nader te spreken) 
een klein rond spiegeltje (pangilon) 
van geringe waarde. In een der hoeken ontwaren wij verder 
den patjoel of hak , waarmede de 
eigenaar zijn bouw veld bewerkt en zijn 
pëtel of dissel benevens een kleinen 
këntongan van bamboe , die hem 
dient tot het geven van alarmsignalen 
dan wel om bij zijne nachtelijke 
»rondes" zijne aanwezigheid en stipt- 
heid in de vervulling zijner klepper- 
mansplichten te doen constateeren. ^'^^^^ °^ p^'!^^- 

Voorts vinden wij hier nog de echt javaansche lamp of tjë- 



-^^"^^^ '^^5^ 




Spiegel of pangilon. 




18 



Tjëloepaq. Bëndo. Këris. Rëntongan. 



loepaq op haren drievoet of adjoeg-adjoeg van bamboe en ge- 





Bamboezen këntongan. Bëndo. 

vuld met uit katjang tjina (Arachis hypogaea, L) getrokken of 






Këris. 



geslagen olie, waarin een soemboe of oetjëng-oetjëng (pit, 
lampepit) drijft. 



Woewoeng. 



19 




Tjëloepaq met adjoeg-adjoeg. 



Alvorens wij deze kamer en de woning uitgaan merken wij 
nog op , dat de aarden vloer daarvan - 
eenvoudig aangestampt eii niet met 
matten en dergelijke bedekt is. 

Buiten gekomen zullen wij nog 
even bij dit huis vertoeven, om het 
van de buiten-achterzijde te bezich- 
tigen en te zien, wat een javaansch 
erf (pakarangan, pakawisan) zooal 
bevat. 

Zie, aan dien hoek, vlak achter 
de keuken, is een klein kippenhokje, 
waarin een broedende hen rustig op 
hare eieren in 't nest zit. 

Andere aanhangsels of bijgebouwen 
heeft het huis niet en aan een bad- 
kamer en latrine heeft de javaan ook 
geene bepaalde behoefte, daar de rivier in wier nabijheid zijne 
desa staat of die deze snijdt, daarin op de meest afdoende wijze 
voorziet. 

Een blik op het dak der zooeven bezochte woning 
herinnert ons er aan, dat wij bij de beschrijving daar- 
van vergeten hebben melding te maken van de nok- 
of vorstbedekking, den woewoeng , bestaande uit een 
langen rechten bamboestok, waaraan bundels alang- 
alang dicht op elkander zijn vastgebonden. 

Wat het erf betreft, dit is, zooals wij verder zien, 
geheel omgeven door een levende haag van djaraq- 
en andere heesters en slechts voorzien van eene opening , 
namelijk aan dé voorzijde, die 'de communicatie vormt 
met den daarlangs loopenden weg. Deze opening is 
of kan worden gesloten door een eenvoudige bamboe- 
zen klepdeur (kori pëkarangan, konten pëkawisan), 
die in een soort van galg hangt, waarboven een 
plankje het nummer van het erf en den naam van Woewoeng. 
den bewoner aangeeft. Van deze deur of poort loopt een 
ruim anderhalven meter breed pad tot op ongeveer vier 
meters voor de woning door, tusschen mede goed onder- 



^0 



Rori pëkarangan. Djaga-satroe. Ei*ven. 




houden levende heggen, 
die de binnenscheidingen 
van het erf vormen en 
djaga-satroe worden ge- 
noemd. Deze djaga-sa- 
troe omgeeft het geheele 
huis op een afstand van 
2 tot 4 meters en vormt 
derhalve eene grens tus- 
schen het beplante en het 
niet-beplante gedeelte van 
het erf, want de ruimte 
voor het huis, de pëla- 
taran, waarop padi, kof- 

Kori pëkarangan. g^^ ^^^ WOrdeU gedrOOgd, 

alsmede die rondom de drie overige zijden van het huis worden 

zorgvuldig schoon gehouden , 
zoowel ter voorkoming dat slan- 
gen en dergelijk ongedierte meer 
zich in het onkruid nestelen, 
als om die open plekken even- 
tueel tot droog- of werkplaatsen 
te kunnen bestemmen. 

De tusschen dezen djaga- 
satroe en de buitenhaag (pagër 
pakarangan , pagër erëp) beslo- 
ten ruimte levert een verschei- 
denheid van planten op, waar- 
over men boekdeelen vol zoude 
kunnen schrijven. 




Platte grond van een javaansch erf. 

a. woning. 

b. ingang van 't erf. 

c. haag om *terf. 

d. djaga-satroe. 

e. weg. 



Zie, langs de buitenhaag vinden wij al dadelijk op gere- 
gelde afstanden den waroe goenoeng (Hibiscus tiliaceus , L.) 
welks hout en bast tot timmer- en touwwerk dient, den nangka 
(Artocarpus integrifolia , L.) wiens vruchten en hout waarde 
hebben, den in verscheidene soorten voorkomenden mangga 
of pglëm (Mangifera, L.) en den manggis (Garcinia mango- 
stana , L.) die evenals de doekoe (Lansium domesticura , Jack), 
de verschillende soorten van djamboe (Jambosa , Rmph) en 



Beplanting van een ei*f. Mestkuilen. 21 

djeroeq (Citrus , L.) om hunne lekkere , sappige vruchten worden 
gehouden, terwijl verder de pëte (Parkia africana, R. Br.), de 
malindjo of manindjo (Gnetum gnemon , L.) , de djëngkol 
(Pithecolobium bigeminum, Mrt.) er de klasse der groente of 
toespijs leverende boomen vertegenwoordigen. 

Onder de nederiger bezetters .van dezen tuingrond merken 
wij nog op den katela djendral of poehoeng (Jatropha Mani- 
hot, H. B. & R.), den djagoeng (Zea mays, L.), den talës 
(Colocasia antiquoruin, Schott), wier knollen en vruchten een 
smakelijk en gezond voedsel geven, terwijl verder de lomboq 
(Capsicum, L.) de koenir (Curcuma longa, L.) de djahe (Zingiber 
oflicinale, L.) de këmaugi (Ocimum canum, Sims), met zoovele 
andere soortgelijke heesters de kruiden voor de javaansche tafel 
leveren en de verschillende jsoorten van pisang (Musa, Trnf.) en 
de kates (Carica papaya, L.) voor een smakelijk en gezond 
dessert zorgen, waarbij de soeroeh of sëdah (Chavica betle, Miq.) 
en de pinang (Areca catechu, L.) het hunne voegen voor den 
onontbeerlijken betelpruim. 

Eindelijk zien wij nog hier en daar tusschen andere planten 
den dilëm (Coleus atropurpurens , Buth), wiens geurige , insec- 
tenwerende bladeren dikwijls tusschen de kleedingstukken wor- 
den gelegd , de sëreh ^) , waaruit een aromatische , genees- 
krachtige olie kan worden gestookt en die in de inlandsche 
keuken ook dienst doet, de sëlasi (Ocimum basilicum, L.) 
die zoowel tot specerij als tot geneesmiddel wordt gekweekt en 
enkele in den eigenlijken bloementuin thuis hoorende planten 
meer, als rozen , balsaminen , etc. 

Voor dat wij van de bewoners afscheid nemen en dit erf 
verlaten om elders onzen oogen verder den kost te geven, heb- 
ben wij nog de gelegenheid twee ongedekte, ruim een kubieken 
meter inhoudende kuilen aan twee tegenovergestelde hoeken 
van het erf op te merken, die zooals ons medegedeeld wordt, 
opene mestvaalten zijn en dienen moeten, om al den afval enz. 
te ontvangen, dien het erf en de keuken opleveren. Doch — 
het wordt tijd, dat wij wat anders gaan zien. 



1) Andropogon Schoenanthus , E. 



22 



Dai'agëpaq-huis. 



Zie, daar schuins tegenover dit erf hebben wij een huis, 
dat veel overeenkomst heeft met het zooeven door ons bezochte 
en blijkbaar de woning is van iemand, die iets meer in zijne 
beurs heeft, dan onze vriend, van wien wij zoo juist afscheid 
hebben genomen. 

De loerah, die ons trouw ter zijde staat bij de voldoening 
aan onze nieuwsgierig- of weetgierigheid, vertelt ons dat zulk 
een dak, als dat huis daar heeft, dara-gëpaq wordt genoemd 




Dara-gëpaq-dak. 

en eigenlijk niets anders is dan een gewoon srotongan-dak , 
voorzien van empers (afdaken) aan alle zijden. Dit zien wij 

ook dadelijk en zelfs voordat wij 
het huis binnentreden, kunnen wij 
ons reeds een voorstelling maken 
van de bouw-orde daarvan, daar 
wij bij het geraamte van de zoo- 
even door ons opgenomen woning 
slechts de voor de aan alle kanten 
aangebrachte afdaken of empers be- 
noodigde houtwerken enz. hebben 
aan te voeren, om een dara-gëpaq- 
huis daarvan te kunnen maken. 
Nemen wij , alvorens deze woning binnen te treden , den 
omtrek daarvan op, dan zien wij, dat ook hierbij geene bijge- 
bouwen zijn en het erf in niet bijzonder vele opzichten verschilt 
met dat, van waar wij zoo juist zijn gekomen. 

Alleen valt het ons op, dat aan dit huis evenmin een ven- 



VoOT-vcrtrck. 




1 


• 1 







Platte grond van een darargepaq 
huis. 



Kandang. fiinggis. Wioekoe. Garoe. 



23 




Geraamte van een dara-^paq-huis. 



ster, of eenige opening hoegenaamd, die aan zulk een verlich- 
tings- en luchtzuiveringstoestel denken doet , is waar te nemen , 
als aan het zoo door ons ver- 
laten srotongan-gebouw. 

Treden wij het huis door 
de openstaande lawang 
sorogan binnen, dan be- 
merken wij, dat wij ons 
bevinden in een gesloten 
voorgaanderij of langwerpig 
voorvertrek. 

Schrik hier echter niet, want links van de deur staat een 
paar karbouwen of buffels u verwonderd en snuivend aan te 
kijken in een door bam- 
boezen palangs of- boo- 
men a^esloten ruimte, 
die een deel van deze 
galerijhelft inneemt en 
de stalling of kandang 
dezer dieren vormt. Dit 
staat wel niet netjes en 
strookt wel niet met uw 

zindelijkheidsgeVOel , — Kandang binnenshuis. 

misschien worden uwe reukzenuwen hier ook wel op eene zware 
proef gesteld, doch voor den bezitter dezer woning is deze in- 
richting nog de beste, minst dure en daarbij de veiligste, om 
zijne karbouwen onder dak te brengen. En hiervoor getroost 
hij zich gaarne eenige minder aromatische neusstreelingen , die 
trouwens door den opstijgenden rook 
van de bij dezen kandang aange- 
troffen wordende bëlëman voor een 
groot deel worden weggenomen. 

Overigens zien wij in dit gedeelte 
van het voorvertrek behalve een 
paar . in een hoek gedeponeerde 
patjoels nog een linggis of breek- 
ijzer, een wioekoe of ploeg met i^inggi». 
toebehooren, benevens een garoe of eg, mede met al wat 





24 



Anglo. Wadjan. Gawangan. 



daarbij behoort, een teeken dus, dat de bewoner van dit 




Wloekoe met toebehooren. 

huis sawahs heeft en die met zijn eigen spulletje bewerkt. 




Garoe. 



In het ■ andere gedeelte van dit voorvertrek staat een paar 




Anglo. 



Wadjan. 



Tjanting. 

dingkliqs , een aarden 
komfoortje of anglo, 
waarop een wadjan of 
ijzeren pannetje met ge- 
stolde malam ot was , 
en daarnaast een ga- 

- :r' - wangan of bamboezen 

~ rekje, waarover een ge- 
deeltelijk gebatikt stuk 

Gapit. Gawangan met gapit en bandoel. wit linnen hangt, aan den 




Gapit. Bandoel. Tjanting. 25 



eenen kant vastgehouden door een bamboezen gapit of klem , 
en aan den anderen eenvoudig door een daarover heen geslagen 
eindje touw, aan welks beide einden een steen bevestigd is, 
welk toestel bandoel wordt genoemd. In de bamboezen be- 
wanding van dit gedeelte van het voorvertrek zien wij verder 
een paar tjantings , d. i. van tuitjes voorziene koperen bakjes , 
die het voor het batiken benoodigde malam op het daartoe 
bestemde linnen moeten brengen, gestoken. Wij zien aan 
een en ander, dat de huisvrouw zich met het maken van ge- 
batikte kleedjes onledig houdt, een bedrijf, waarover wij later 
het noodige zullen kunnen vertellen, doch waaraan wij momen- 
teel onze aandacht verder niet zullen wijden, daar die wel 
noodig is voor ons nader onderzoek naar de verschillende in- 
richtingen van het javaansche huis. Ook over den ploeg en 
de egge , waarvan hiervoren ter loops melding is gemaakt zidlen 
wij gelegenheid hebben nader te spreken, wanneer wij den 
Javaan bij zijn landbouwarbeid zullen gadeslaan. 

Laat ons dus liever die binnendeur daar, vlak over die, 
waardoor wij dit voorvertrek zijn binnengetreden, en van de- 
zelfde constructie als deze, ingaan. 

Zooals gij ziet, bevinden wij ons dan in een geheel door 
wanden ingesloten ruimte, die, behoudens hare grootere afme- 
tingen , op dezelfde wijze is verdeeld als die in het zooeven 
door ons bezochte srotongan-huis. 

Ook hier hebben wij, ofschoon wat ruimer dan die in het 
vorige huis een woon- en een slaapvertrek en hetzelfde meu- 
bilair als in de daareven door ons bezochte woning. 

Alleen vinden wij hier in het woonvertrek nog een achter- 
deur en geen {keuken of fornuis, terwijl het, zooals wij zien 
ook grootendeels voorzien is van een plafond, zijnde slechts de 
ruimte tusschen de twee middelste binten opengelaten om den 
toegang tot de twee in dit huis aanwezige zolderingen gemak- 
keiijk te maken. 

De bijna twee meters breede amben staat hier niet tegen 
den voor-, maar tegen den zijwand en beslaat bijna de geheele 
breedte hiervan. Zij is gedekt met een rottingmat of larapit 
en grootendeels van hout gemaakt, zijnde alleen dat ge- 
deelte, waarop gezeten wordt en dat door de rottingmat ge- 



Ploepoeh. Këndi. Songkoq. Tjapil. 



dekt is van ploepoeh of platgeslagen bamboe vervaardigd. 

In den vrijen achterhoek vlak bij deze amben zien wij 

verder een dingkliq , waarop een paar këndi's of lantingans. 




Këndi. 



d. z. aarden waterkaraflfen , terwijl in de nabijheid hiervan 
aan den achterwand een songkoq of toedoeng , het met laken 
bekleede en van een klep voorziene, aan de achterzijde 




1. Toedoeng of Songkoq. 2. Tjapil of l^aping. 

opene hoofddeksel van den eenigszins gegoeden of deftigen 
Javaan , tusschen twee tjapings of tjapils , d. z. van dunne 
bamboereepjes gevlochten zonnehoeden, hangt. Een dezer tja- 
pils is geverfd, de andere eenvoudig zwart geteerd, terwijl 



Dian. Lampoe teploq. Lampoe djodog. 



27 




Lampoe teploq. 



de toedoeng aan de voorzijde een rosette van zwart laken heeft. 

Aan den middenstijl van dezen achterwand zien wij nog een 
dian of dilah, het uit een glas zonder voet 
(gëlas depoq) bestaande nachtlampje, in een 
van dik ijzerdraad gemaakten en stevig in 
dien stijl bevestigden ring hangen. Zulk een 
verlichtingstoestel wordt ook een lampoe 
teploq of muurlamp genoemd en de hier be- 
schrevene is wel een der eenvoudigste vormen 
daarvan. 

Aan den voet van dien zelfden stijl Vinden wij nog een 
staande lamp , bestaande uit een ge- 
heel houten voetstuk waarop een van i t^ 
een dun halsje voorzien en met petro- 
leum gevuld blikken kokertje staat. 
Deze lamp dient blijkbaar om zoolang 
de familie nog niet naar bed is, 
dit vertrek te helpen verlichten, daar 
de voren beschrevene met katjangolie 
gevulde lampoe teploq daartoe niet 
voldoend licht geeft, en wordt een 
lampoe djodog genoemd naar het 
voetstuk, dat djodog heet. 

Wenden wij ons naar het slaap- 
vertrek, dan zien wij in de eerste 
plaats, dat de schuifdeur daarvan 
aan de buitenzijde voorzien is van 
een goebah, ook wel klamboe of 
slamboe, d. i. een valgordijn van 
grootbloemige en vrij bonte sits, dat 
in plooien neerhangt en telkens op 
zijde wordt geschoven , wanneer men 
het slaapvertrek in wil gaan. 

Ook hier verschilt de inrichting 
van dit slaapvertrek in niet vele op- 
zichten met die van de slaapkamer 
of sëntong patoeron , sSntong pati- j^^^^^^ ^.^^^^ 

ISman^ van onzen vorigen gastheer, als wij dezen naam geven 




28 



Goebah. Wadah damar. Tim mergereedschap. 




mogen aan den bewoner van het daareven door ons bezochte huis. 

De amben of slaapstede is hier veel 
solieder en geheel met een bultzak be- 
legd; de kobong is van iets fijnere stof, 
ook de bantals zijn in grooteren ge- 
tale aanwezig en van fijnere slopen voor- 
zien, terwijl een andere lampoe teploq 

van echt javaansch maaksel voor de ver- 

^^^ -^~— =~-"~"^ lichting van deze kamer dient. Dit van 
Deur met goebah. een haak ter bevestiging of ophanging 
daarvan voorzien en met divers snijwerk versierd houten bakje, 

wadah damar genaamd , 
moet eigenlijk den mede 
echt javaanschen tjëloe- 
paq bevatten, doch deze 
is tegenwoordig reeds bij- 
na geheel verdrongen door 
het glas zonder voet. 

Tegen een der hoek- 

stijlen zien wij verder 

een toembaq geleund 

naast een kraanzaag of 

gradji baloq , terwijl 

Wadah damar. ccu kistjè met divcrs 

timmermansgereedschap van europeesch maaksel, als: boren of 

djara's , beitels of tatah's , schaven of pasah's , hand- en trek- 





Gradji brabat. Gradji baloq. 



Gradji górdq. 



zagen of gradji goroq en gradji brabat, vijlen of kikir's enz. 
daaronder staat. 



Lëmari. Tenong. Soemboel. 



Uit een en ander blijkt, dat de eigenaar behalve het bedrijf 
van landbouwer ook dat van timmerman uitoefent, wat ook 




Djara*8. 



Tatah'j 



Kikir's. 



Pasah. 



merkbaar is aan de betere bewerking van zijn ameublement. 

Voorts vinden wij hier tegen den voorwand een kleine 

kast, lëmari of lëmantoen op vrij hooge pooten en daarop een 

paar tenong's , ronde van platte deksels voorziene mandjes , 




Lëmari. 



Tenong. 



Soemboels. 



benevens eenige soemboels , dito voorwerpen , waarvan de 
deksels eenigszins gebogen of bolvormig zijn. Een en ander 
dient tot bergplaats van kleedingstukken en andere artikelen, 
die niet dagelijks worden gebruikt, als lijfsieraden , medica- 
menten , enz. 

In de kast, die wij zoo vrij zijn open te maken, treffen wij 



30 



Bokor. Beteldoos. Paidon. Katjip. Beri. Talam. Pëdang. 



behalve kleedingstukken en lijfsieraden ^ die wij later beschrij. 
ven zullen en een këris, nog een koperen kom of bokor. 




Bokor. 
Paidon. 



Katjip. 



Pakinangan met tjëpoeq's. 
Beri. 



een dito beteldoos of pakinangan | met bakjes en bussen of 
tjëpoeq^s van hetzelfde metaal, benevens een ijzeren katjip 

of inlandsche schaar, om betel- 
noten te snijden, en een kope- 
ren kwispeldoor of paidon, welke 
laatste voorwerpen blijkbaar 
alleen bij bijzondere gelegenhe- 
den voor den dag gehaald en 
dus niet dagelijks gebruikt wor- 
Taiam. dcu. Voorts viudeu wij hier 

nog een koperen presenteerblad met opengewerkten rand, dat 
beri genoemd wordt, in tegenstelling van de houten schenk- 
of presenteerbladen, die talam's heeten. 

Links van deze kast hangen een vierkant spiegeltje en een 
pëdang of kapmes (inlandsche sabel) aan den wand boven 





Pëdang. 

een dingkliq , waarop wij een winkelhaak of sikon , benevens 
een schietlood of sipat gantoeng vinden. 



Sikon. Sipat gantoeng. Borden enz. Gentong. GIëdëg Paga. 



31 



Overigens biedt deze kamer ons niet veel nieuws meer aan, 
zoodat wij goed zullen doen door ver- 
der een kijkje te nemen in het achter- 
gedeelte dezer woning. 

De rechterhelft van dit achtervertrek , 
dat dezelfde afmetingen heeft als het 
zooeven door ons beschreven voorvertrek , 
is, zooals wij zien, tot keuken ingericht. 
Het fornuis verschilt bijna niet met dat 
in het srotongan-huis , doch hierbij vin- 
den wij in stede van lodongs een gën- 
tong of aarden waterbewaarplaats van 
urnvormige gedaante , en daarnevens een 
paar siwoers of waterscheppers van klap- 
perdop. Ook staat hier een bamboezen 
traliekastje of glëdëg en daarnevens 
een rak of rek van hetzelfde materiaal, 
dat paga genoemd wordt. 

Door de tralies van het kastje zien wij verscheidene gekleurde 
borden , kommen en kopjes 
of pirings , mangkoqs, toe- 
woengs, pinggansen tjang- 
kirs, waarvan enkelen nog 

de voor hét middag- of ^^Sj^^^^H^^ ^pl 
avondeten van het gezin r^^^BlH^^^ ^^J 
bestemde gerechten bevat- 
ten. Dat de voor de sambël- Gëntong. siwoor. 
bereiding onontbeerlijke tjoeweq of tjoweq , d. i. het platte aar- 




Sikon. Sipat gantoeng. 







GIëdëg. Paga. 

den bordje , waarin de lomboq met wat zout , trasi en soms 



32 



Tjoweq. Schotels. Gëndoel Pies. Rodong. 



ook roode uien door middel van een houten stampertje of oel^- 

oel^ wordt fijngewreven of gestampt, 
hier niet ontbreekt, behoeft geen be- 
toog. 

In een der hoeken zien wij verder 
een paar wijnflesschen of gëndoels, 
waarvan de een met inlandsche azijn 
of wëraq en de andere met ketjap 




Tjoweq met oelëg-oelëg. 



(inlandsche soja) gevuld is, terwijl een jeneverflesch of pies 




Piring. 
Tjangkirs. 



Mangkoq, Pinggan en 
Toewoeng. 



kokos-olie, of iSnga-, lisah-klëntiq, en een daarnaast staande korte 

stopflesch of rodong, wat 
gedroogde kruiden, als pe- 
per, notemuskaat, kruid- 
nagelen (mëritja , pala , 
tjëngkeh) enz. bevatten. 
Ook een paar glazen zon- 
der voet bewijst ons , dat 
eenige beschaving hier is 
doorgedrongen, daar men 
anders bij het drinken 
uit een këndi of lodong 
eenvoudig de tuit of het 
boveneind daarvan in den 

Géndoel. Pies. ^^^^ ^^^^^^ (ngOCJoep) 

i^o^ong. dan wel een straal water 

djiaruit in den mond opvangt (anggogoq). 




Tjeret. üandang. Koekoesan. Këndil. 



33 



Wat de in dit kastje bewaarde gerechten betreft, daarvan 
zullen wij voor dezen keer afblijven, in de hoop, dat eene 
invitatie van den een' of anderen vriendelijken Javaan ons wel 
in de gelegenheid zal stellen, nader en op ons gemak kennis 
te maken met de voort- 
brengselen der javaansche 
kookkunst; anders zullen wij 
wel zoo brutaal zijn , ons 
zelven op zulk een maaltijd 
te inviteeren. 

Op den paga zien wij 
naast den ijzeren of koperen 
waterketel of tjeret in de 
eerste plaats den dandang, 
koperen ketel of pot, 
waarop de rijst, sëga of ^®"*' 

sëkoel, in een koekoesan of trechtervormig bamboezen mandje 





Dandang. Koekoesan. 

wordt gaar gestoomd (di dang). Daarnaast staat een këndil of 




Dandang. 



Kéndil. 



aarden pot, waarin ook rijst wordt gekookt, doch zonder een 
koekoesan; deze rijstbereiding heet ngliwët en verschilt met 



34 



Krondo. Kentjeng. Wadjan. 



die door middel van een dandang niet alleen door het niet 
gebruiken van den koekoesan, maar ook doordat men hierbij 




^>-^ ^ >. 






Krondo. 



intip, d. i.^een aanbaksel of korst verkrijgt, wat bij het gebruik 







Kentjeng. 



Wadjan. 



van den koekoesan eene [onmogelijkheid is. Verder zien wij hier 

een krondo of groote 
toegedekte mand, welke 
ook dient om gerechten 
te bewaren. 

Hierop volgen een 
kentjeng of groote ko- 
peren pan met wijde 
opening, die bij de be- 
reiding van dodol, een 

Koewaha met en zonder këkëb. , , , ., 

Paso. soort gebak, gebruikt 

wordt, en eenige wadjans of ijzeren braadpannen van ver- 




Koewali. Djëmbangan. Pane. Wakoel. Sëniq. 



35 



Djëmbangan. 



Pane of Péngaron. 



schillende grootte, geflankeerd door verscheidene koewali's of 
koewangsoel's , of aarden kookpotten met of zonder këkëbs 
of deksels van dezelfde stof, en een paar aarden ondiepe wasch- 
tobben of paso's, terwijl een dito, gedeeltelijk in den grond 
staande djëmbangan of wijdmondig watervat blijkbaar dient 
voor de afwassching van het gebruikte keuken- en ander 
gereedschap, want 
daaromheen is de 
vloer belegd met 
tegen elkander aan- 
gedrukte rivier- 
steenen en zien wij 
ook een klein ring- 
slootje , dat in een 
iets breederen af- 
loop onder den 
achterwand door 

eindigt. Tjentong. 

Op de onderste plank of liever het onderste plat van den 
paga zien wij voorts een houten paso of pane, die pëngaron 



.^. 





Wakoel. Sëniq. 

wordt genoemd, omdat dit voorwerp dient, om er de halfgaar 



36 



Tjentong. Zeeren en wannen. Mes. Lepel. Bezem. 




gestoomde rijst met kokend water te begieten en door middel 
van een tjentong of houten rijstlepel om te roeren, alvorens 
die opnieuw in den koekoesan te storten en verder gaar te 
iriq. Pëngajaqan. stoomeu. Daamaast lig- 

gen een paar houten pre- 
senteerbladen of talams, 
eenige wakoels, toemboes 
en sëniqs of mandjes zon- 
der deksels, een paar iriqs 
of bamboezen zeven voor 
eenigszins grofkorrelige 
stoffen, een ajaqan of 
pëngajaqan of teems van 
paardenhaar, stramien of 
Saring. Tenggoq of Kaïo auder goed voor het zif- 

(naar gelang der grootte). ^^jj y^^ mcelstoffeU eU 

dergelijke , en eindelijk een saring of saringan]: of filter voor 

het filtreeren van vloeistoffen. Voorts 
liggen hier nog een paar tanggoqs of 
tenggoqs en kalo's, d. z. min of meer 
wijdmazige teemsen van gevlochten 
bamboe, die dienen voor het laten 
afdruipen van groenten en dergelijke, 
benevens een paar tampah's, tapen's 
en tedoq's of platte, ronde wannen 
van gevlochten bamboe met lagen rand. 
Lichten wij het deksel van den krondo op, dan zien wij 
Lading. Sedoq. daarin behalve eenige kommen 

en bordjes nog een paar mes- 
sen of ladings van ordinaire 
qualiteit en eenige porceleinen 
lepeltjes of scheppertjes van 
chineesch maaksel, (tjidoeq, 
sedoq, sendoq). 

Eindelijk vinden wij in een 

der hoeken van dit vertrek 

nog een paar sapoe's of bezems 

van sada's of de harde ribben 

Sapoe. iiir. vau kokosbladereu, en daarbo- 




Tampah of Tedoq, ook Teboq 
(naar gelang der grootte). 




Tiëting. Tombloq. Ekraq. Lëkër. La wang tangkëban. 



37 



ven, in den wand gestoken, een paar ilirs of bamboezen waaiers , 
om het vuur in het fornuis aan te wakkeren, waarnaast een 
tjëting of open, eenigszins spits toeloopend mandje,* waarin de 



l^ëtmgs. 




gaargekookte rijst wordt op- 
gedischt, nevens een tom- 
bloq of losgevlochten, kubus- 
vormige open mand, die ge- 
woonlijk dient tot berging 
van visch en dergelijke, 
alsmede een paar openge- 
werkte ronde mandjes of 
lëkër's ter opname van pot- 
ten of pannen, aan in den 
wand bevestigde houten pen- 
nen (Ijantelan's) hangen. 

Ten slotte zien wij nog 
onder den glëdëg een paar Tombioq. Ekraq. 

ekraqs of geheel open vuilnismandjes, waarmede de keuken- 
afval enz. wordt verwijderd. 

Voor dat wij dit huis door de in den achterwand aanwezige 
gewone eenbladsdeur of lawang 
tangkëban, die door een palang of 
sluitboom gesloten kan worden , ver- 
laten, hebben wij nog even de ge- 
legenheid op te merken, dat de 
onderlinge verbinding der emper- 
ëmpjaqs, vergemakkelijkt wordt door 
de op de hoekstijlen aangebrachte ^*^*"8 tangkëban. Tjanteian. 
doedoers of hoekkepers , wier benedeneinden rusten op de hoek- 
verbindingspunten der architraven of blan- 
dars-emper, welke gedragen worden door 
de saka's-emper of afdakstijlen. 

Buiten gekomen, worden wij begroet 
met het alles behalve harmonisch gekef, 
geblaf en gejank van een paar exemplaren 
van dat eigenaardige javaansche hondenras , 
waaraan wij in 't dagelijksche leven gewoon zijn den naam 
van gladakkers te geven, zonder er bij te denken, dat deze 





Lëkër. 



38 Gëladag. Limasanhuis. 



£isoe of sëgawon gëladag uitstekende waak- en jachthonden zijn , 
die hunnen meesters, wanneer deze met de korte lans of gëladag 
het zwijn of eenig ander wild dier achterna zetten van grooten 
dienst kunnen zijn. 

Het erf biedt ons weinig bijzonders aan; alleen zien wij hier 
nog een paar wit's-klapa of krambil, d. z. klapper- of kokos- 
palmen (Cocos nucifera, L.) staan. 

Kom , bezoeken wij liever gindsche woning , daar schuins over 
dit erf; het is, zooals ons desahoofd ons mededeelt, een huis 




Limasan-dak. 

met een limasan-dak, d. i. er een met vier schuins tegen 
elkander opstaande en aan den nok verbonden dakvlakken, 
waarvan die aan de zijkanten door ons wol&daken worden ge- 
noemd. 

Zie, het huis heeft een open, slechts gedeeltelijk door een 
laag hekwerkje (wantjaq- of pantjaqsoedji) afgesloten voorgaan- 
derij aan wier tegenovergestelde einden twee met mendong- 
matjes belegde ambens ons tot zitten uitnoodigen, doch hiertoe 
hebben wij den tijd niet, terwijl deze voorgalerij ons verder 
ook niets bezienswaardigs aanbiedt. 

De djatihouten deur, die toegang verleent tot het binnen- 
huis, is, zooals wij zien, een ruw bewerkte porte-brisée of lawang 
koepoetaroeng , waarvan de helften uit een enkele geschaafde 
plank of blabag, zonder eenig lijstwerk hoegenaamd bestaan. 
Van een slot merken wij niets; alleen zien wij aan de buiten- 
zijde en op de hoogte, waar gewoonlijk het slot wordt ingezet 
op elk der deurbladen of godong's een ijzeren kram, voorzien 
van middelmatig groote ijzeren ringen, die, indien zij grooter 



Lawan^ koepoetaroeng. Sorogan. Hengsel. 



39 



waren , ons zouden kunnen doen denken aan de oud-hollandsche 
deurkloppers, doch hier blijkbaar dienen, om het hangslot te 






Lawang koepoetaroeng. 
binnenzijde. voorzgde. 

houden, dat daaraan bevestigd wordt, wanneer het huis ledig 

staat. De sluiting aan de binnenzijde geschiedt behalve door 

een stevigen houten palang, die 

voornamelijk 's nachts dienst 

doet, nog door houten schuiven, 

sorogan of lorogan, ter hoogte 

der vorenbedoelde krammen 

aangebracht en verder aan de 

boven- en onderzijde van een Sorog:an of Lorogan. 

der bladen door een houten grendel (grendel). 

Alleen voor de bevestiging der deurbladen aan de posten of 
saka's-lawang zijn stevige ijzeren scharnieren 
gebezigd, hengsel-koepoe genaamd. 

De drempel of srimpaq , taloendag, pantjadan 
dan wel djëdjëgan , het middenkalf en de bo- 
vendorpel of waton en soendoeq zijn in de deur- 
stijlen gelascht en daaraan bevestigd door mid- Hengsel koepoe. 
del van houten pennen of panteq's ; ook zien wij aan deze geraamte- 
deelen der deur een idee van een sponning, srikoening of këlatjen. 




40 Soedjen-tëroes. Lampoe tebeng. Dampar. 

Het middenvertrek , waarin wij ons nu bevinden , de sëntong 
tëngah of djrambah, is, zooals wij verder zien, links en rechts 
begrensd door eene slaapkamer en aan de achterzijde voorzien 
van twee deuren, die van iets kleinere afmetingen dan de 
voordeur, in vorm echter daarvan niet verschillen en ieder een 
der hoeken beslaan, zoodat daartusschen en vlak tegenover de 
voordeur een wand staat, die belet, dat men van de voordeur 
uit direct een kijkje kan nemen in 't achterhuis. Deze plaat- 
sing der achterdeuren is geen gevolg van een nuk des bouw- 
meesters, maar staat in verband met het bijgeloof dat een 
huis met in een lijn achter elkander volgende deuren, een 
soedjen tëroes of zulk een, waardoor als 't ware een priem 
gedreven of gehaald is, ongezond is, iets, dat hoewel tot de 
bijgeloovigheden van den javaan behoorende, o. b. i. vrij ver- 
klaarbaar is, daar men in zulk een soedjen tëroes meer last 
heeft van den trek of tocht, en derhalve ook meer blootgesteld 
is aan kouvatten, enz. 

Die midden-achterwand is, zooals wij later zien zullen, de 
plaats, waar bij huwelijken en dergelijke 
plechtigheden de decoratie van dit zit- en 
ontvang vertrek wordt aangebracht, waar- 
onder bruid en bruidegom zitten moeten. 
Op 't moment zien wij hiertegen een 
houten amben staan, bedekt met een fijne 
pandan-mat, waarop op een beri een kope- 
ren pakinangan met een volledige en ge- 
vulde gagragan of stel tjëpoeq's en daar- 
naast een paidon geplaatst zijn. 
Lampoe tebeng. Voor dczcu ambcn is op den met ploe- 

poeh, d. i. plat geslagen bamboe, bedekten vloer een vierkante 
rottingmat uitgespreid , die weder groo- 
tendeels bedekt is met een pandan dito. 
Op deze pandan-mat staat een middelma- 
tige ronde tafel op zeer korte pooten en 
hierboven hangt een lampoe tebeng , d. i. 
een petroleum hanglamp met blikken kap. 
Pampar. Bedocldc roudc tafel of dampar dient tot 

eet-, speel-, schrijf- of werktafel, al naar gelang de omstandig- 





Platte grond van een limasanhuis. Gëmblangan. 



41 



heden zulks meebrengen, maar is zelden gepolitoerd of door 
een kleed bedekt. 

Overigens zien wij in dit middenvertrek slechts een paar 
dingkliqs ter weêrzijden van de voordeur. 

Ook de beide slaapkamers, die wij verder zoo vrij zijn binnen 
te dringen, leveren ons niets nieuws of bijzonders op, zoodat 
wij deze gerust verlaten kunnen, oia een kijkje te nemen in 
het achterhuis; doch, alvorens hiertoe over te gaan, valt het ons 
nog juist op, dat de bewanding aan de voorzijde van dit huis 
bestaat uit planken, pagër gëbjog, doch voor het overige ge- 
deelte uit bamboezen pagSr's. 

Het achtervertrek of achterhuis, omah boeri of gria wingking, 
is een gesloten galerij, die aan de achterzijde slechts één uit- 
gang heeft in den vorm van een lawang tangkëban, en verder 
gemeubeld is met drie amben's, waarvan een tusschen de twee 
deuren, die toegang verleenen tot de 
djrambah , en de beide andere ieder 
aan een der uiteinden van dit achter- 
vertrek. Hier is de gewone zit- en 
verzamelplaats der vrouwen en kinde- 
ren; hier gebruikt de familie hare 
maaltijden, hier ook werken de on- 
gehuwde dochters, die den leeftijd 
der puberteit hebben bereikt. Behalve 
het voor het batikken benoodigde ge- 
reedschap enz., een paar aan den wand 
hangende tjapings en eenig landbouw- 
gereedschap in een der hoeken levert 
deze galerij ons niets bijzonders op. 

Door de achterdeur komen wij op 
een open, ompagërde ruimte, die 
wij in Nederland de plaats zouden 
noemen, doch hier pSlataran djëro, 
pëlataran lëbët of gëmblangan heet, 
en de scheiding uitmaakt tusschen het voor- of woonhuis en 
de keuken (omah- of gria-pawon). 

De afsluitingen van dit open vak, pagër's djaro, d. z. pagërs 
van gevlochten bamboelatten , die aan de boveneinden scherp 



a 
c ' * 

(l 

r 



Platte grond van het hierbedoelde 
limasan-huis. 

a, open yoorgalerij. 

b, djërambah. 

e, slaapvertrekken. 

d, gesloten achtergalerij. 

e, gëmblangan. 
ƒ. keuken. 



Pagër-cljaro. Gantar. Andjang-ancljanp:. Patjoel-^wanp:. 




aangepunt zijn en door gapits en sterke tusschenstijlen recht- 
standig gehouden worden , — zijn aan het woonhuis en de 

keuken verbonden, zoodat wanneer 
de in den linkschen dezer pagërs 
aanwezige bamboezen lawang tang- 
këban gesloten is , deze gëmblangan 
niet dan door het voorhuis te be- 
reiken is. Deze open plek dient, 
zooals blijkt uit de aanwezigheid 
Pager djaro. ^^^ ^j^ gautar^s of bamboestokken, 

waaraan het linnengoed enz. te drogen wordt gehangen en 

van dien andjang-andjang daar, 
waarop koflBe- en andere boonen 
aan de zon worden blootgesteld, 
ook tot droogplaats. In dien hoek 
^_^ daar, vlak bij de bewanding van 
het keukengebouw zien wij nog een 
Gantor met steiiinp. 1» dcu groud vastgezetteu paso, een 

bewijs , dat' hier eenden er op na worden gehouden. Overigens 

wordt deze gëmblangan mooi 







^ 



Andj ang-andj ang. 



schoon gehouden; geen gras- 
sprietje of ander vuil is hier 
te zien. 

De omah- of gria-pawon , ge- 
woonlijk evenals andere bijge- 
bouwen aan het woonhuis gan- 
doq genoemd, is zooals ons desa- 
hoofd ons verklaart .een patjoel-gowang, d. i. een srotongan- 

gebouw met slechts een 
emper aan de voor- of 
achterzijde. 

Het fornuis, keu- 
kengereedschap , ook 
het keukenmeubilair, 
dat wij hier vinden, is 
ons bekend, en kun- 

Patjoel-gowanghais. UCn wij duS geVOCgC- 

lijk buiten verdere bespreking laten. Alleen moeten wij nog 




Kandang. Loemhoeng. Lësoeng. Aloë. 



43 




Kandang. 



even vermelden, dat ook hier de amben niet ontbreekt, en, aan 
het einde tegenover het fornuis geplaatst, zoowel tot aanrecht- 
als eettafel en slaapplaats dient. 

Bezoeken wij verder door de lawang tangkëban in den link- 
schen pagër djaro het 
achtererf, dan vinden 
wij hier in de eerste 
plaats een kandang of 
kraal voor de karbou- 
wen of koeien van den 
eigenaar der woning. 

Deze kraal is geheel 
open en heeft een sinom- 
dak , d. i. een limasan- 
dak met vier empers. 

De toegang tot dezen kandang wordt gesloten door schuif- 
boomen of sëlaraq's , die door middel van houten pennen (pan- 
teq's) bevestigd worden. 

De vloer is een aangestampte aarden vloer geweest, doch 
door het lange gebruik en slechte onderhoud in een soort mod- 
derpoel veranderd, waarin de 
karbouwen zich echter gaarne 
wentelen, om daardoor eenige 
beschutting te krijgen tegen de 
venijnige steken van muggen en 
dergelijke lastige insecten meer. 

Naast dezen kandang zien 
wij een padischuurof loemboeng 
staan en daarachter een kleine 
loods, waaronder de lësoeng of 
het rijstblok te vinden is met de noodige aioe's of stampers, om 
de pari te ontbolsteren. 

Zooals wij zien, heeft 
de loemboeng den vorm 
eener omgekeerde, holle, 
afgekapte piramide, met 
een srotongan-dak , rus- 
tende op vier neuten ofoempaqs van groote kalisteenen. 




Loemboeng. 






/ 



Lésoeng. 



Aloë. 




44 Anda. Soemoer. Pantjoeran. 

De deur van deze schuur bevindt zich in een der toetoeps- 
keong boven op den daar aanwezigen pëngërët en kan zonder 

ladder of anda moeilijk wor- 
den bereikt. Eveneens heeft 
men een ladder noodig om op 
den vloer der loemboeng te 
komen. 

De schuin aangebrachte be- 
wanding is aan de binnenzijde 
^^*''- van het houten geraamte ste- 

vig daaraan gespijkerd of vastgebonden, zoodat, wanneer de 
loemboeng gevuld is, die bewanding onmogelijk binnenwaarts 
opengestooten kan worden. 

De sluiting der deur geschiedt door middel van een ijzeren 
ketting, waaraan een hangslot bevestigd wordt. 

De lësoeng, dien wij verder opnemen, is een dikke, ruw 
bekapte boomstam , meest een nangka- of djati- (Tectona gran- 
dis, L) stam of stronk, waarin een ronde en een langwerpige 
uitholling zijn gemaakt. De laatste dient voor de ontbolstering 
der pari (Oryza sativa, L), de eerste om de ontbolsterde rijst 
voor den verkoop of het gebruik wit te stampen. 

Een en ander geschiedt met den aloë of houten stamper, die 
aan de beide einden iets dikker is dan in het middengedeelte, 
waar hij wordt aangevat. 

Bij ons verder onderzoek zien wij , dat het achtererf eenigs- 
zins gedeukt is, of helt, en aan het benedeneind begrensd 
wordt door een 6 a 6 voeten breede waterleiding, wangan of 
kalen. 

Een paar meters voor of boven de lijn, van waar de grond 
daalt, zien wij een ompagërde ruimte, waarin wij een soemoer 
of put vinden met den daarbij hoorenden senggot, putwip of hengel. 
Deze put geeft drinkwater en zoude tevens de badplaats zijn 
der famiüe, indien daarbeneden, ± 10 m. verder, niet een 
soembër, bron of wel was, waaruit het water in een pantjoe- 
ran of straal (gemeenlijk door een bamboesen koker) loopt, die 
op 3 a 4 voeten van den verharden vloer, waarop hij valt, 
begint en eene heerlijke gelegenheid aanbiedt tot het nemen 
van een douche. 



Huis van een loerah. Regol. Pantjens. 



45 



Maar , .... zijt ge , waarde lezer niet reeds vermoeid van de 
wandeling, die wij gemaakt hebben? 




IBoemoer. 



Pantjoeran. 



Laat ons dus ons tochtje beëindigen met een bezoek aan de 
woning van onzen loerah, en ons maar dadelijk daarheen be- 
geven, want dit erf levert ons toch verder niet veel beziens- 
waardigs op, tenzij dat gij die tot bloempotten gepromoveerde 
petroleumblikken , waarin een paar gewone rozensoorten een 
ellendig bestaan voortslepen als zoodanig beschouwen wilt. 

Zie , onze loerah is goed behuisd , en heeft zelfs eene woning, 
die in grootte, vorm enz. van de zooeven door ons beschrevene 
huizen in menig opzicht verschilt. 

Eerstens merken wij op , dat zijn erf geheel omgeven is door 
een pagër bëteq , en slechts een toe- of uitgang heeft , nl. de 
voorpoort of regol, het afsluitbare wachthuisje, waarin zoowel 
overdag als des nachts een of meer zijner pantjen's *) den toe- 



i) Pantjen, eig: het bepaalde, het vastgestelde enz. is ook de benaming 
voor de koelies, die gedurende een vastgesteld aantal dagen (meestal vijf, de 
javaansche pasar-week) beurtelings onbetaalden arbeid bij hunnen loerah ver- 
richten moeten. De loerah toch ontvangt geene vaste bezoldiging, maar heett 
hiervoor behalve zijn 8 Vo collecteloon voor de door hem geinde en gestorte be- 
^stingen en een zekere uitgestrektheid bouwveld als bëngkoq of apanage, ook 
een vast aantal pantjens (varieerende van i tot 4 èi 5 naar gelang van debe- 
volkingssterkte zijner desa), dat dagelijks op moet komen. 



46 Langgar. 

gang tot zijn loerahschap bewaken, en dat in vorm en grootte 
vrij wel den tjakroeq gelijkt. Ook hier vinden wij den tong- 




R«goi. 

tong , de tjanggah en den gantol terug , evenals de bëlëman , 
het rookgevend , doch daardoor tevens muskietenwerend vuurtje , 
dat smeulend wordt gehouden. 

Het ruim drie meters breede, met kleine steentjes en zand 
belegde pad, dat van dezen regol tusschen twee net onder- 
houden en bloeiende hagen van perzische rozen naar het ruim 
20 meters verder gelegen woonhuis leidt, verwijdt zich op ± 
6 m. afstands van dit huis in een langwerpig vierhoekig plein- 
tje, dat blijkbaar de plaats is, waar de gezamenlijke koelies 
of dorpelingen bij onderzoeken, vergaderingen enz. zich verza- 
melen. 

Rechts van dit pleintje zien wij den langgar of de bidkapel , 
die echter, zooals hier, niet uitsluitend als plaats van afzonde- 
ring of panëpen gebezigd wordt, maar ook dient tot school- 
lokaal, waar de kinderen van den loerah en diens familieleden 
kennis opdoen van de voorschriften van den Qoran, enz. onder 
de leiding van den dorpspriester, modin of lëbe. Zelfs wordt 
dit gebouwtje niet zelden tot logeergebouw gebruikt, iets, dat 
zeker niet getuigt voor de orthodoxie van den ouden loerah, 
doch dikwijls bij de aanwezigheid van een overgroot aantal 
logeergasten , als bijv. bij feesten enz. eene noodzakelijkheid is. 



Pangimbaran. Keblat. Dasar. 



47 



De vorm van dezen langgar is die van een langwerpige 




Langgar. 



kamer, waarvan het voorgedeelte evenals bij een gewoon pavil- 
joen een open galerij onder een afdak heeft. 

Een gewone lawang sorogan verleent den toegang tot het 
binnengedeelte van dit gebouw, dat door 
een paar, aan de binnenzijde van gordijntjes 
en kleppen voorziene tralieraampjes of djën- 
dela's-roedjen verlicht wordt. 

In den achterwand vinden wij een kleine 
nis of pangimbaran, die de richting van den 
keblat , d. i. de streek , waarin Mekka ligt , 
aanwijst en den geloovige tot eigenlijk ge- 
zegde bidplaats dient. 

De vloer of dasar van dezen langgar is 
± 3 voet van den beganen grond verheven 
en van op bamboezen liggers vastgemaakte 
ploepoeh vervaardigd, waarover gewone rot- 
tingmatten of lampit's, ook wel lante's, 
uitgespreid zijn. 

In den hoek rechts van de deur staan eenige kortpootige 




Platte grond van een 
langgar. 

a. antjiq-antjiq. 

b, voorgalerij. 

e. binnen vertrek. 
d, keblat. 



J 



48 



Rekal. Pajon boetjoe. Omah gamelan. 



boekenrekjes of rekal's, waarop Qorans en andere kitab's of 
godsdienstige werken liggen. 




Rekal. 



Het voorgedeelte van dezen langgar is aan de voorzijde ge- 
heel open, doch aan de zijkanten gesloten door een laag 
hekwerkje. 

Een groote, van boven vlakke steen dient hier tot trede of 
antjiq-antjiq , om in dezen langgar te komen. Rechts daarvan 
staat een gëntong met water, zoowel om te drinken, als om 
de voeten op vorenbedoelden steen te wasschen, alvorens men 
den langgar binnentreedt, waartoe de op een stokje links van 
dien steen geplaatste siwoer klaar is gezet. 

Het dak van dezen langgar 
is een gewoon limasan-dak , 
aan de voorzijde voorzien van 
een emper of afdak ; ook het 
geraamte van dit gebouw 
levert niets bijzonders op. 

Aan de tegenovergestelde 
zijde van het vorenbedoelde 
pleintje zien wij een aan drie 
zijden bijna geheel open ge- 
bouwtje, of liever een vier- 
kanten koepel met een tent- 
of koepeldak, pajon boetjoe. 
"^Dit aan de achterzijde geheel, aan de overige zijden gedeel- 
telijk door een laag hekje en een schuifdeurtje gesloten getim- 
merte is de bewaarplaats (omah of gria) van den gamelan of gangsa, 
d. i. het stel javaansche muziekinstrumenten van den loerah , 




-- A^ • TTJ- 



Geraamte van een langgar. 



Een djoglo-huis. 



49 



waarmede wij later wel gelegenheid zullen hebben nader kennis 
te maken. 

Zooals wij zien, bestaat bij zulk een boetjoe-dak geen nok, 
maar vereenigen zich de 
vier hoekkepers in een 
punt, dat, zooals hier, 
gedekt is met een om- 
gekeerden këndil, of an- 
ders uit een houten knop 
bestaat, waarin de boven- 
einden der hoekkepers ge- 
lascht zijn. 

Soms vindt men bij 
zulk een dak nog een 
makelaar gebruikt, doch 
gewoonl ij k vergenoegt 
men zich met het aanbrengen van gordingen, om meer steun 
te geven aan de driehoekige dakvlakken. 

Een plafond of pjan vinden wij hier niet en voor 't overige 
heeft dit gebouwtje voor ons niets n>erkwaardigs meer. 

Xaat ons liever de eigenlijk gezegde woning van den loerah 
thans bezoeken. 




Omali gamelan. 




Geraamte van een djoglo-huis. 



Het voorhuis, dat pëndapa ot pëndapi, d. i. opene ontvang- 
zaal heet, heeft een pajon djoglo, d. i. een spitstoeloopend , 



50 



6ën4eng. Sirap. Takir. 



sterk hellend dak met vier empers , ieder in 't midden gesteund 
door een dwarsbalk of iga-iga. Het is , zooals wij verder zien , 




^ - - 



I)joglo-liiii8. 

gedekt met gebakken dakpannen of gëndeng's en houten dito 
of sirap's, zijnde deze laatste tot dekking van het sterk hellende 
bovendak, en de eersten tot die van de empers gebruikt 





Oëndeng. Sirap. 

Het vierkante middenstuk, waarop het djoglo-dak rust, 
wordt gedragen door vier stevige, van snijwerk voorziene 

hoofdstijlen of saka's goeroe, 
die gewoonlijk op houten 
dan wel bekapte steenen 
oempaqs of neuten staan. 
^ , ^ , . . Dit samenstel van op 

Baloq toempangan takir. ^ r 

elkander gestapelde, uit bal- 
ken, baloq toempangan takir, gevormde en in omvang verschil- 
lende vierkanten , die in 't algemeen midangan worden genoemd , 




Midangan. Dada-pëksi. Oempaq. 



5i 



wordt in twee gelijke dee- 
len gesplitst door een solied 
middenstuk of dada-pëksi 
(eig. borst van een' vogel), 
voorzien van lofwerk en een 
haak, waaraan gewoonlijk 
een moderne hanglamp be- 
vestigd is. 

De saka's goeroe, wier 
kapiteelen of gandja's wel 
iets hebben van de Corin- 
thische, en wier oempaqs 
aan de romaansche voetstuk- 
ken herinneren, zijn niet zel- 
den ook voorzien van prach- 
tig lijst- en snijwerk of oeki- 
ran, evenals de balken van 
den takir, die gelijk de stij- 
len ongeverfd worden gehou- 
den, omdat dit verven en het 
daarmede gepaard gaande 
aanbrengen van gouden en 
zilveren lijsten enz. een voor- 
recht is, dat alleen aan de 
hoogste standen in de javaan- 
sche maatschappij toekomt. 

Dit middenstuk of de 




Midangan. 




Dada-pëksi. 



jan IS voorzien van 
een plafond of pjan van 
gevlochten bamboe, dat 
gewoonlijk wit geschil- 
derd of met kalk aange- 
streken is. 

Overigens levert het 
geraamte van dezen pön- 
dapa voor ons niets bij- 
zonders meer op, daar Oompaq. 
de andere daartoe gebezigde houtwerken ons bekend zijn. 




52 



Ameublement van een pëndapa. 



Het ameublement dat wij hier aantreffen, bestaat uit een 

ronde tafel of medja boender, vlak 
onder de aan den dada-pëksi han- 
gende, van een katrol voorziene 
lamp met porceleiuen kap of lam- 
poe gantoeng, en gedekt door een 
rood tafelkleed of koekoeb medja 
met zwarte figuren , waarop naast 
een presenteerblaadje met diverse 
glazen een drankenzetje of wadah 
inoeraan, waarvan de drie daarinstaande karaffen of ergSleq\s, 




Medja boender. 





Lampoe gantoeng. 



Bangkoe. 



O^mboeq. 



ook gorgëleq's , niets anders bevatten dan het bekende Schiedam- 
Medja kënap. j^q^ stooksel, eu eeuige 

stopflesschen met divers 
droog gebak, waaronder het 
fabrikaat .van Huntley & 
Palmers een eerste plaats 
inneemt. 

Achter deze ronde tafel 
staat een oud-modische bank 
of bangkoe , geflankeerd 
door twee knaapjes of me- 
dja's kënap, waarvan het 
eene een tête-a-tete of pa- 




Wadab rokoq. 



Rokoq klobot. 



Patehan. Rokoq. Stoelen. Lampen. 



53 



tehan met koffie en thee, wedang kopi, wedang teh, het an- 
dere een bamboezen sigarenkoker of wadah rokoq met uit de 
schutbladen van den maïs of djagoeng gevormde javaansche 
sigaretten of strootjes, rokoq klobot, draagt. 

De van een gevlochten rottingzitting en dito rug voorziene 
bank is belegd met een bultzak of kasoer, waarover een groot- 
bloemig sitsen dek of sëprei, en heeft twéé ronde of rolvormige 
kussens of gëmboeq's, zoodat dit meubelstuk eventueel ook 
dienst kan doen als slaapplaats. 

Verder zien wij om deze ronde tafel nog een paar wipstoe- 

Koeni gojang. Koersi doedoeq. 




Patehan. 

len of koersi's gojang en een half dozijn gewone stoelen of 
koersi's doedoeq. 

Voor het overige is de pëndapa belegd 
met rottingmatten en zijn voor de verlich- 
ting nog vier lampoe's tebeng aan de vier 
empers en twee lampoe's teploq met spie- 
gelreflectors aan den achterwand gehangen, 
want deze pëndapa is aan de achterzijde voor 
twee derden gesloten door een pagër, zijnde 
alleen het middengedeelte opengelaten. Ge- 
woonlijk wordt voor deze opening een groot 
schut of scherm, rana of warana, geplaatst, 
om te beletten, dat men van den pëndapa uit in het achter- 




Lampoe toploq met 
reflector. 



54 



Rana. Pajoeng. Soengoe mëndjangan. Rërga. 



huis kan 



zien, en staat hierachter een plangkrangan met den 
pajoeng van den loerah, waar- 
over nader. Aan de hoekstijlen 
dezer opening, alsmede aan de 
vier saka's goeroe, zien wij 
verder prachtige hertegeweien , . 
soengoe- of singat-mëndjangan , 
die als kapstokken dienst doen , 
blijkens de daaraan hangende 
toedoeng's, tjapil's en tjëmëti's 




Rana. 



Pajoeng. 



ot rijzweepen alsmede den kërga of reistasch, waarin gemeenlijk 




Soengoe méndjangan. 

de sangoe of het op reis benoodigde wordt geborgen. 

De overige zijden van den pën- 
dapa zijn verder gedeeltelijk afgeslo- 
ten door laag hekwerk en wel zoo- 
danig, dat de ruimte tusschen de 
midden-emper-stijlen open zijn ge- 
laten, zijnde bij ieder daarvan een 
soort van stoep, andan-andan of 
antjiq-antjiq van groote kali- of rivier- 
steenen gemaakt, om den toegang tot 
den hooger gelegen vloer of djogan 
van den pëndapa te vergemakke- 
lijken. 




Tjémëti. 



Körga. 



Andan-andan. Përinggitan. TalaDg. 55 

Vlak achter dezen pëndapa en daaraan grenzende, staat de 
kampoeng, omah- of gria kampoeng, zijnde een van een lima- 




Andan-andan. 

san-dak voorzien gebouw, dat blijkens de daarin aanw^ezige 
twee kamers gewoonlijk tot logeergebouw van gasten dient. 
Het open middenstuk heet përinggitan en is de plaats, waar 
vrouwen en jonge dochters bij wajang-vertooningen ^) zich achter 
den daarvoor gespannen këlir, d. i. het strak gespannen witte 
scherm waartegen de door den dalang of wajangvertooner voort- 
gebrachte poppen hunne schaduwen of schimmen afteekenen, 
verzamelen, en alzoo, vrij en onttrokken aan de onbescheiden 
blikken van het in den pëndapa gezeten mannelijke publiek, 
van het opgevoerde tooneelstuk genieten kunnen. 

Deze kampoeng is geplafonneerd , doch levert overigens niets 
bijzonders meer voor ons op. 
Alleen is. dit gebouw, dat 
tusschen den pëndapa en het 
straks door ons op te nemen 
eigenlijke woonhuis staat , 
daaraan verbonden door talangs 
of dakgoten van klapper- of Taiang. 

ander hout, soms van zink gemaakt, die dienen moeten om het 
van de daken afstroomende regenwater weg te voeren, en door 

i) Wajang^s zijn uit leder of hout gesneden poppen enz. die bij het voordra- 
gen van tooneelen of episoden uit de javaansch-hindoesche mythologie of oude 
geschiedenis gebezigd worden om de daarin voorkomende en handelende perso- 
nen aanschouwelijk voor te stellen. Over deze wajang's zullen wij later het 
noodige mededeelen. 




56 



Karapoeng. üjëndela roedjen. Ontjen-ontjen. 



afzonderlijke stijlen of stutten , tjagaq's talang worden gedragen. 
Voorts merken wij nog op, dat deze kampoeng ook met 
dakpannen gedekt is en stevige, aan de binnenzijde met kepang's 
beschoten bamboezen bewandingen heeft, terwijl in den përing- 
gitan mede een lampoe tebeng hangt. 

Het mede met pannen gedekte, sinom-vormige achter- of 
eigenlijk gezegde woonhuis van den loerah en de zijnen is een 
volmaakte gëbjog-woning , d. i. zulk eene , waarvan alle bewan- 
dingen uit planken bestaan. 

Dit huis bestaat, zooals wij bij het binnentreden daarvan 
zien , uit een gesloten voorstuk of voorgalerij , een middenstuk , 
geflankeerd door vier ook van tralievensters voorziene kamer- 
tjes, en een mede geheel gesloten achtergalerij. De voorgalerij, 
die links een deur heeft, welke toegang verleent tot de bijge- 
bouwen of gandoq's is eene ledige ruimte, waarvan geen ander 
gebruik schijnt te worden gemaakt, dan dat van een soort 
overdekten en gesloten gang, want geen enkel meubelstuk of 
iets dergelijks zegt of toont ons, dat de familie hier ooit ver- 
toeft. Het zoude hier overdag ook stikdonker zijn, indien in 

den voorwand op ± VU meter van 
den vloer geen doorloopend tralieven- 
ster, djëndela roedjen tëroesan of ping- 
gang roedjen, d. i. getraliede midden- 
band, aangebracht was. Des nachts 
brandt hier een der tegen de hoekstij- 
len aan de voorzijde van het mid- 
denstuk geplaatste lampoe's teploq van echt javaansch maaksel. 
Het middenstuk zelf heeft aan de voorzijde een 
en aan de achterzijde twee portes-brisees , tusschen 
welke laatste een bank als die in den pëndapa 
staat, waarboven een groote, in zwarte lijsten ge- 
vatte, wel wat vqy weerde spiegel den opnemer 
gelegenheid geeft zich ten voeten uit te beschou- 
wen. Deze spiegel, die zeker afkomstig is van de 
vendutie van den een of anderen vertrokken ambte- 
naar, is aan de bovenhoeken versierd met tressen 
van uit gebloemde sits geknipte en aaneengeregen 
kunstbloemen , ontjen-ontjen's. 




Djëndlea roedjen tëroesan. 




Ontjen-ontjen. 



Boen toet mëraq. Lampoe doedoeq. Medja pësagi. 



57 




Lampoe 4oedoeq. 



Voor de bank vinden wij een vierkante tafel of medja pë- 
sagi, gedekt met een groen en zwart ge- *i 
kleurd kleed, waarop twee gewone staande 
lampen of lampoe's doedoeq geplaatst zijn , 
terwijl daarboven een lampoe gantoeng 
met katrol en porceleinen kap hangt. 

Voor de deuren, die toegang verleenen 
tot de slaapvertrekken hangen goebahs of 
gordijnen, en aan de kamerwanden zien 
wij hier vier prachtige pauwestaarten of 
boentoet's mëraq vastgemaakt, terwijl aan 
de middenstijlen dier kamers weder herte- 
geweien gespijkerd zijn. 

De slaapkamers zijn wel iets rijker in- 
gericht dan bij de families, die wij zoo- 
even bezocht hebben, doch leveren in ver- 
scheidenheid van meubilair geen verschil op met het ameuble- 
ment in de sentong's patoeron, die wij 
gezien hebben. 

De gesloten achtergalerij, waaruit 
men door een houten lawang tangkëban , 
die tusschen twee tralievensters of djën- 
dela's roedjen staat, toegang geeft tot 
het achtererf of den pakëbonan, d. i. Medja p&agi. 

den tuin of boomgaard, is slechts gemeubeld met drie houten 
divans of ambens waarover mendong- 
matten uitgespreid zijn. Overigens 
vinden wij ook hier het noodigevoor 
het batikken, doch buitendien zien wij 
op een der ambens een on voltooiden 
tjapil en een dito mendong-mat, een 
bewijs, dat een paar der familieleden 
van den loerah zich ook onledig hou- 
den met het vervaardigen van deze 
hoofddeksels en zitmatjes. Hoe een en 
ander gedaan wordt, zullen wij ech- 
ter later beschrijven, wanneer wij zulks meer op ons gemak zul- 
len kunnen nagaan. 





Djëndela roedjen. 



58 



Tënoenan. Padoesan. Pakiwan. 



Laat ons thans liever weder terug en door de zijdeur van 
de voorgalerij naar de gandoq's of bijgebouwen gaan. 

In de eerste plaats treffen wij de keuken aan , die wij maar 
voorbij zullen loopen , evenals die daarachter staande loemboengs 
met het daarbij hoorende afdak, waaronder de lésoeng geborgen 
is, om onze schreden te wenden naar dat andere limasan- 
gebouw, dat meer achterwaarts geplaatst is, en meer bepaalde- 
lijk dient tot verblijf der bedienden of batoer's of van de als 
zoodanig te beschouwen arme en verre familieleden of sëntana's 
van den loerah. 

In 't voorvertrek vinden wij op een bamboezen amben, de 
tënoenan, het werktuig, waarmede de javaansche vrouw kleed- 
jes weeft. 

't Is jammer, dat de werkster er niet is, zoodat wij thans 
niet in de gelegenheid zijn, te zien hoe dat weven of nënoen 
toegaat, en ons op 't moment slechts tevreden moeten stellen 
met het vooruitzicht van later met dit werktuig nader kennis 
te zullen maken. 

Een eindje verder zien wij tegen den achterwand van dit 
gebouw eenige potten of djëmbangan's staan, gevuld met aan- 
gelengde indigo, een bewijs, dat een der bewoonsters van dezen 
gandoq zich met het blauwverven of njëlëp van kleedjes, etc. 
bezig houdt. 

In een anderen hoek van het vertrek, waarin wij ons be- 
vinden , merken wij verder een paar onafgewerkte mandjes op, 
doch ook hier hebben wij geen gelegenheid den maker aan 't 

werk te zien, zoodat wij 
de nadere beschouwing van 
dezen arbeid tot eene gun- 
stiger gelegenheid uit moe- 
ten stellen, en aangezien 
deze gandoq voor ons niets 
merkwaardigs meer ople- 
vert, best elders op het erf 
i^^^^een kijkje nemen kunnen. 
Zie, dit kleine gebouwtje 
vlak naast dien gandoq is 
een badkamer of padoesan en daarnaast of daarin vinden wij 




PadooBan. Pakiwan. 



Sasaq. Panggilësan. Gëdogan. 



59 



de latrine of pakiwan , of liever het kleine , als zoodanig dienst- 
doende bruggetje, waarop men hurken moet en waaronder een 
leiding of kalenan met levend water doorloopt. 

In de badkamer staat een groote djëmbangan of aarden pot , 
waar het badwater uit de achter dit gebouwtje aanwezige put 
door middel van een bam- 
boezen talang in gebracht 
wordt. 

Op den uit aange- 
stampte kalisteenen ge- 
maakten vloer zien wij 
een bamboezen sasaq lig- 
gen, d. i. een stevig 
vlechtwerk van bamboe- 
latten of sëlëra's, zooals voor de huisbewandingen en pagër's 
worden gebruikt. 

Een paar siwoers of scheppers 
hangt aan den achterwand en in 
een der hoeken staat de panggilësan 
of waschplank , d. i. een van riggels 
voorzien houten bankje , waarop het 
waschffoed met zeep wordt schoon- 

° ^ Panggilësan. 




Sasaq. 




Ben eindje van 
deze badkamer 
af staat de kan- 
dang of kraal 
voor de karbou- 
wen van den loe- 
rah en in de 
buurt hiervan 
vinden wij twee 
gëdogan's of af- 
zonderlijke stal- 
len voor paarden. 
Deze gëdogan's 
zijn, zooals wij 




Gëdogaii. 



zien, zoodanig geplaatst, dat de paarden daarin met de hoofden 



60 Pajon toempang of — soesoen. 

n£tar het Oosten of Westen staan. Deze plaatsing is, zooals 
de loerah ons vertelt, niet willekeurig geschied, maar een ge- 
volg van het bestaande bijgeloof, dat de richting van Noord 
naar Zuid steeds ongeluk medebrengt aan de paarden, die 
daarin staan. Wij gelooven dit gaarne, doch meenen hiervoor 
eene andere reden te kunnen aanvoeren, want in de richting 
van Zuid naar Noord waaien de gure winden , zoodat een aldus 
geplaatst paard eer onderhevig is aan kouvatten en de verdere 
gevolgen daarvan dan een ander, dat met het hoofd naar het 
Oosten of Westen staat, en deze kille winden van ter zijde 

krijgt. 

Het geraamte van deze gedogans staat op steenen neuten en 
is samengesteld uit in de stijlen bevestigde palangs of sluit- 
boomen, terwijl de deur daarvan mede gesloten wordt door 
schuif boomen of sëlaraq's. De vloer, die ± 3 voeten van den 
beganen grond staat of verheven is, is geheel van planken of 
blabag's samengesteld, waarin inkervingen zijn gemaakt, ter 
voorkoming, dat het daarop staande paard zal uitglijden.- Een 
schuin tegen de deur aangezette houten trap verleent den toe- 
gang tot den gëdogan, terwijl een houten kist als ruif dienst 
doet. 

Over een en ander hopen wij nader te spreken, wanneer 
wij eene beschrijving geven van het javaansche paard, waartoe 
de tijd ons thans ontbreekt. 

Liever willen wij u nu eerst door die deur in dien pagër 
daar naar het hiernaast liggende erf geleiden, waar wij een 
gebouw zien met een dak, zooals wij er nog geen hebben 
aangetroffen. 

Zie , het is de mësdjid of kerk der desa , staande op het erf ' 
van den modin of dorpspriester. 

De platte grond van dit gebouw vormt een regelmatigen 
vierhoek, waarvan de grootste helft tot kerk dient. 

Het dak is een zoogenaamde pajon toempang of pajon soe- 
soen , d. i. een dubbel- of stapel-dak en is eigenlijk een djoglo- 
dak, waarvan de stijlen boven de afdaken of empers verlengd 
zijn, om een tweede dak te dragen. De emper-ëmpjaqs rusten 
hier op soendoeqs, d,z. dwarsbinten of balken, aangebracht ter 
hoogte, waarop de middenstijlen doorloopen. Overigens is de 



Mësdjid. Bëdoeg. Këtëg. Tëlapaqan këtëg. 



61 



bouworde van dit gebouw ook eenvoudig genoeg, zoodat wij 
daarover niet verder behoeven uit te wijden. 




Mësdjid met pajon toempang. 

Bij het binnentreden van deze aan alle kanten gesloten, 
slechts van een deur en vier vensters voorziene kerk, merken 
wij al dadelijk de groote trom of bëdoeg op, waarop de 
verschillende uren voor het gebed Bedoeg. 

enz. met behulp van een met 
linnen, leder of gomelastiek over- 
trokken knuppeltje of taboeh wor- 
den geslagen en gedurende den 
vastentijd, poeasa of siam, dikwijls 
een lawaai wordt gemaakt, dat 
het geduld van den niet-moham- 
medaan niet zelden op eene zware 
proef stelt. Deze bëdoeg hangt aan 
een stevig touw, doch in andere 
mësdjids, ziet men dit instrument Taboeh bSdoeg. Teiapaqan ketëg. 
in kleineren vorm wel eens op een standaard of tëlapaqan ge- 
plaatst; zulk een kleine bëdoeg heet këtëg. 

Verder ziet men vlak bij de nis, die den keblat aanwijst. 




62 



Mimbar. Padasan. 




Mimbar. 



den preekstoel of mimbar, waarop de Qoran of Kitab wordt 

geplaatst, die bij de Vrijdagsche 
en andere godsdienstoefeningen 
door den voorganger wordt ge- 
bruikt. 

Overigens is aan dezen mësdjid 
niet veel merkwaardigs waar te 
nemen, tenzij wij dien gemet- 
selden bak of koelah daar links 
voor de deur als zoodanig be- 
schouwen willen. Deze met 
schoon water gevulde bak, die 
in dit bijzondere geval padasan heet, dient voor de voorge- 
schreven wassching of abdast voor het gebed. Dikwijls doet 

een gëntong als zoodanig 
dienst. Een minaret, van 
waar de modin de ge- 
loovigen tot het gebed 
of de oefening oproept, 
enz. bestaat hier niet; dit 
doet [hij van d^n tempel 
uit zonder ergens op te 
staan of te klimmen. De vloer is een aangestampte aarden 
vloer, en met een paar lampits belegd. 

En zoo hebben wij thans kennis gemaakt met de bouworde 
en stojïeering van een desa-mësdjid. 

Andere bouworden vindt men in deze desa niet. Wij zullen daar- 
om onzen vermoeiden beenen eenige rust gunnen en onder een kopje 
thee of koffie nog eenige oogenblikken verwijlen in den pëndapa 
van onzen vriendelijken loerah, om daarna huiswaarts te keeren. 
De oude man inviteert ons nog te zijnent de rijsttafel te 
blijven gebruiken , doch voor heden zullen wij voor deze invi- 
tatie vriendelijk bedanken. Wel willen wij hem beloven, later 
terug te zullen komen, wanneer hij, zooals hij ons mededeelt, 
dat binnenkort zal plaats hebben, een zijner dochters zal uit- 
huwelijken en daarbij tevens het besnijdingsfeest van een paar 
zijner kleinkinderen zal vieren. 




Padasan. 



HOOFDSTUK IL 



Indien gij er niet tegen opziet, waarde lezer, om onzen 
terugweg te nemen langs en over dien galëngan (aarden dijkje 
ter begrenzing van een sawahvak) daar, dan zullen wij daar- 
over onze schreden richten naar gindsch gehucht , padoekoehan , 
padëkahan of ampehan , waar wij wellicht nog het een of ander 
zullen kunnen vinden, dat der moeite eener nadere kennisma- 
king waard is. 

De gedeeltelijk reeds bewerkte rijstvelden, .die zich links en 
rechts van ons pad uitstrekken en de hier en daar aangelegde 
pépinières, waarop de jonge padiplantjes ruim een halven voet 
hoog staan, zullen wij nu maar stil voorbijgaan, omdat wij 
later wel gelegenheid zullen hebben, om de sawahbewerking 
van den beginne af na te gaan. 

Alleen moeten wij u, als behoorende tot het onderwerp van 
ons onderzoek op heden op dat gebouwtje daar voor ons wijzen. 
Het is een goeboeg en, zooals gij ziet, een gewoon met alang- 
alang ruw gedekt dakwerk, rustende op vier bamboezen stijlen, 
die eenvoudig in den grond zijn 
gezet. Aan de achterzijde is een 
soort van bewanding van gevloch-. 
ten klapperbladeren aangebracht, 
doch overigens biedt dit samenstel 
niets merkwaardigs aan. Deze goe- 
boeg is trouwens iets tijdelijks en Ooeboeg. 
dient voornamelijk tot rustplaats van den bezitter der omlig- 
gende sawahvelden, van zijn gezin of helpers, wanneer zij 




64 



Goeboeg. Ranggon. 



vermoeid van den zwaren arbeid , of door de felle hitte of den 
regen daartoe gedwongen, daaronder beschutting zoeken. Sonas 
vindt men daarin nog een ruw houten of bamboezen bankje, 
amben of dingkliq, doch meestal behelpen zich de onder zulk 
een goeboeg rustenden eenvoudig met een matje of klasa , zelfs 
met een laagje droog gras of bladeren. 

Iets meer permanents, ofschoon van dergelijken aard en met on- 
geveer dezelfde bestemming, 
is het duiventilvormig ge- 
bouwtje, dat wij daar ver- 
derop ontwaren. Deze rang- 
gon, soms ook, doch ten 
onrechte goeboeg genoemd, 
omdat de vloer hiervan niet 
zooals die van den goeboeg 
op den beganen grond rust 
of eenvoudig daaruit bestaat , 
is, zooals gij ziet, een huisje 
op stelten , voorzien (aan de 
voorzijde) van een verlengden 
Ranggon. vlocr, die tot bordes dient 

en waartegen de ladder is aangebracht, die hiertoe toegang 
verleent. 

De zorgvuldiger en steviger, netter samenstelling van dezen 
ranggon wijst als van zelf reeds op zijne bestemming tot lang- 
duriger gebruik dan dat van den eenvoudigen goeboeg. En 
waarlijk, deze ranggon is de plaats, van waar uit de landbou- 
wer zijn plantsoen bewaakt of doet bewaken, ofschoon de be- 
hoefte daaraan zich eigenlijk eerst doet gevoelen tegen den tijd, 
wjiarin de gevulde aren der pari, die daaromheen geplant is, 
tot rijpheid komen en dan aan de roofzucht van rijstdie^e^ of 
glatiqs, èmprits en andere graan-etende vogels, zelfs van twee- 
beenige dieven bloot staan. Van daar ook zijne plaatsing op 
hooge jukken, die den daarin gezeten veldbewaker in staat 
stelt, het geheele daaromheen liggende veld te overzien. 

Waren wij een paar maanden verder, nl. in den tijd, dat 
de aren aan het rijpen zijn, dan zoudt gij van dezen ver- 
heven ranggon naar alle kanten verscheidene touwen over 




Weden- weden. Ki tiran. 



65 



het veld gespannen zien, behangen met allerlei lappen of an- 
dere voorwerpen, die dienen kunnen om de op de pari neer- 
strijkende vogels te verschrikken, en verbonden aan lenige, 
stevig in den grond geplante staken, waaraan mede vogelver- 
schrikkers hangen, die door een enkel rukje aan de touwen in 
beweging komen. Over deze wëden-wëden's ^) = vogelverschrik- 
kers en de touwen of doedoetan's, wajiraan zij bevestigd zijn 
of door middel waarvan zij bewogen worden, zullen wij nader 
gelegenheid hebben te spreken. 

Wij merken hier alleen nog op, dat het ranggon-huisje aan 
drie zijden gesloten is door bewandingen van kepang, waarin 
kijkgaten zijn gemaakt, maar aan de voorzijde geheel open is. 
De twee voorste stijlen zijn voorts gemaakt van lange bamboe- 
stokken , wier uiteinden versierd zijn met pluimen van klapper- 
of andere bladeren en . die over de boven den vloer van het 
huisje uitstekende gedeelten voorzien zijn van op geregelde af- 
standen gemaakte kleine openingen, waardoor deze staken, 
wanneer er een weinig wind waait, ongeveer denzelfden dienst 
doen als een Aeolusharp of Pansfluit. Meestal ziet men, zooals 
hier, aan die stijlen nog bevestigd kitiran's of windmolentjes 




Kitiran. 

die mede dienen moeten om door hun gesnor en eentonig ge- 
fluit de vogels enz. bang te maken en van het veld verwijderd 
te houden. 

Wat de verdere ornamentatie van het eigenlijk gezegde huisje 
betreft, deze bestaat gewoonlijk uit verschillende teekeningen 



i) Ook wëdenan, wëdosan of adjrihan. 



66 Versiering van een ranggon. 

op de baiten- en binnenzijde der kepangbewanding aangebracht , 
hetzij door bij het vlechten der kepang gebruik te maken van 
verschillend gekleurde bamboereepjes, hetzij door aanwending 
van kalk, of teer en andere kleurstoffen, en verder uit versie- 
ringen van den nok in den vorm van met doeq (de harige 
vezels van den aren-palm) omwonden en in allerlei krullen en 
bochten getrokken bamboelatten , die stevig aan dien nok be- 
vestigd worden. Een en ander hangt trouwens af van het 
schoonheidsgevoel en de omstandigheden van den. bezitter van 
het veld, waarop deze ranggon staat. 

Is hij of de persoon, dien hij met de oprichting daarvan 
belast heeft, nog ongetrouwd, maar verliefd, dan is zulks ook 
merkbaar aan de zorgvuldige afwerking van het geheel en meer 
bijzonder van de daaraan aangebrachte versieringen, die voor 
de betrokken partijen hare bepaalde beteekenis of beteekenissen 
hebben, want de tijd van de sawah-bewerking is ook die der 
engagementen. 

Waarin die versieringen bestaan zullen wij later zien, doch 
welke teekens daaraan te vinden zijn en welke beteekenis daar- 
aan gehecht moet worden, is zoo al niet onmogelijk dan toch 
uiterst moeilijk na te gaan en uit te maken. Dit is het geheim 
der minnenden, die juist in dien gelukkigen tijd der ontwa- 
kende liefde zoo vindingrijk zijn bij het zoeken en vaststellen 
van bepaalde, voor hen alleen verstaanbare teekens, die de ge- 
heimzinnige taal en het voor oningewijden onontcijferbare schrift 
der liefde vormen. Waartoe zouden wij, al verstonden wij die 
taal en dat schrift, hun ook de illusies ontnemen, die aan deze 
eigenaardige correspondentie voor hen verbonden zijn? 

Is het ons niet genoeg te weten , dat , wanneer een jongeling 
eene jonge dochter een bundeltje sirihbladeren met het daarbij 
behoorende aanbiedt en haar tevens verzoekt voor hem een 
betelpruim klaar te maken, deze handeling de beteekenis heeft 
van een aanzoek , of dat , wanneer wij in de zachte avondkoelte 
het krachtige keelgeluid eens volwassen jongelings of de liefe- 
lijke stem eener hopende jonge dochter zich in een weemoedig , 
lief minneliedje hooren oplossen, wij dan te maken hebben 
met een van liefde blakend hart?. 

En waar zoude men eene geschiktere plaats kunnen vinden. 



Padoekoehan. 67 



om aan zijn met zoete hoop vervuld gemoed lucht te geven, 
dan juist dienzelfden, vrij staanden ranggon, van waar uit de be- 
teekenisvolle klanken van het melodieuse minnelied op de vleuge- 
len van het zachte avondwindje daarheen gewiegd en gevoerd kun- 
nen worden, waar zij een gewillig, belangstellend gehoor vinden? 

Dan, genoeg! Wij zijn hier niet gekomen, om ons in der- 
gelijke harts-zaken te verdiepen, en zullen onzen tocht vervol- 
gen naar die kleine verzameling van gedeeltelijk nog in aan- 
bouw zijnde huizen, die weldra een padoekoehan zullen vormen 
of thans reeds gezamenlijk dien naam dragen, en het begin 
zijn der wording eener desa. 

Zie, die oude heer daar is zeker het hoofd der inlandsche 
squatterfamille , die zich hier een woonplaats heeft gezocht. 
De keuze is niet kwaad, zooals wij zien, want de grond is 
humusrijk en vruchtbaar, eenigszins hooger dan het zooeven 
door ons bezochte sawah-terrein en bovendien nog doorsneden 
door een snelvlietend beekje, welks kristalhelder water ons de 
met kiezelsteenen bedekte bedding duidelijk doet zien en tevens 
gelegenheid geeft , om de daarin vlug en dartel rondzwemmende 
vischjes in hunne snelle bewegingen te volgen, en indien onze 
piscatorische kennis grooter was, ze zelfs te classificeeren. 

Ongeveer in het midden van deze padoekoehan zien wij in 
de schaduw van die twee walikoekoen-boomen (Schoutenia ovata , 
Korth.) het, ofschoon nog niet geheel geacheveerde , maar toch 
reeds een goed en vriendelijk aanzien hebbend huis van het 
hoofd dezer nederzetting. 

De bouworde van deze woning vertoont het daragëpaq-type 
en de daarbij staande bijgebouwen , als : een keuken , een loem- 
boeng met open loods voor den lësoeng, een kandang vo?)r de 
karbouwen (buffels) en de sapi's (runderen) van den bewoner 
van dit huis, een kippenhok of kandang ajam hebben allen 
een srotongan-dak. 

Het om deze gebouwen gelegen erf, dat, naar de hier en 
daar nog aanwezige stronken te oordeelen, blijkbaar met hoog 
geboomte begroeid is geweest, is geheel omgewerkt en gedeel- 
telijk reedö beplant met pisang- en andere vruchtboomen be- 
nevens wat lombok, talës en eenige andere voor de huishouding 
en de keuken noodige planten. Ook is het geheel omgeven 



68 



Krëtëg. Oewot. 



door een stevigen pagër van in den grond geslagen dood hout 
van ongeveer vier voeten hoogte, waartusschen wij hier en 
daar een katelapohoeng-stammetje zien, terwijl de eenige, aan 
de voorzijde aangebrachte ingang tot dit erf gesloten kan wor- 
den door een gewone lawang tangkëban. 

Het zooeven bedoelde beekje begrenst dit erf aan twee zijden , 
nl. aan de voor- en de linkerzijde en heeft den bewoner ge- 
noodzaakt er een paar bruggetjes of krëtëgs van de meest 




Krëtëg. 

eenvoudige constructie over heen jte leggen. Het zijn geen kunst- 
werken, zooals gij ziet, en 
onze waterstaats-ambtenaren 
zullen er wellicht met min- 
achting op neerzien, maar 
voor onzen padoekoehan-stich- 
ter is zulk een bruggetje 
reeds mooi genoeg, want in- 
dien wij den loop van dit 
beekje een eind verder volgen , 
dan zien wij, dat men zich 
hier ook wel vergenoegt met 
een eenvoudigen vlonder (wot 
of oewot) samengesteld uit 
een enkelen boomstam of zelfs 

uit een dikken bamboe zonder eenige leuning hoegenaamd. 




Wots. 




Kei'eqan manoeq. Koeroengan. 



69 



Doch voor dat wij dit erf verlaten, om elders een kijkje te 
gaan nemen, moeten wij dien toestel daar 
voor het huis eens bezien. Het is zooals 
wij opmerken een eenvoudige bamboestok 
in zijne geheele lengte recht in den grond 
gestoken, doch op ongeveer twintig voeten 
hoogte voorzien van een dakvormig aanhang- 
sel, waaronder een kooi met een tortelduif 
of manoeq — dan wel pëksi përkoetoet aan 
een houten katrol of kereqan bengelt, ter- 
wijl het daaraan bevestigde touw zonder 
eind (tali of tangsoel) bewijst, dat de kooi 
(koeroengan of sëngkëran) er van tijd tot 
tijd afgenomen wordt. Deze toestel, die den 
zich in den kooi bevindenden vogel beveili- 
gen moet tegen de aanvallen van ratten of 
muizen enz., heet naar den daaraan be- 
vestigden katrol kereqan manoeq of -pëksi. 

Het hoofd dezer nederzetting schijnt een 
liefhebber te zijn van gevogelte, want be- 
halve kippen (pitiqs of sata's) in de ver- 
schillende tijdperken des levens, als kuikens 
of koetoeq's, halfwassen hennen of dara's, 
halfwassen hanen of lantjoer's, legkippen of babon's, broedsche 
hennen of babon's ngangrëm, volwas- 
sen hanen of djago's en sawoengs, ka- 
poenen of këbiri's en kabintje's zien 
wij over het erf nog loopen eenige ja- 
vaansche eenden of bebeq's met hunne 
kuikens of mëri's en een paar bastaard- 
manilla-eenden of mentoq's , waarvan de 
jongen minti's worden genoemd, zelfs 
een viertal ganzen of banjaqs met hunne 
kuikens, die blëngoers heeten. 

Ook zijn viervoetig vee is goed ver- 
tegenwoordigd door buffels of këbo's O 




Kereqan manoeq of 
-péksi. 




1) In het krama: maesa. 



Koeroengan manoeq. Kereqan. 



70 Huisdieren. Aanleg van een weg. 



en hunne jongen of goedels, door runderen of saplos en hunne 
kalveren of pëdets, en door schapen en geiten of wëdoes wlanda *), 
wëdoes gembel en wëdoes djawa of wëdoes djawi met hunne 
lammeren of jongen, die tjëmpe's of tjëmeq's genoemd wor- 
den , terwijl een paar honden , asoe's of s^awon's , en hunne 
jongen of kiriq's voor de veiligheid van al dit gedoente zorgen 
moeten. Eindelijk zien wij hier nog eene merrie of djaran 
wedoq (kapal estri), met haar veulen of bëlo vrij rondloopen 
en grazen en van tijd tot tijd naar dat aan de linkerzijde van 
het keukengebouw aangebrachte afdak gaan, dat blijkbaar tot 
hare stalling dient. 

Doch het wordt tijd, dat wij het bruggetje voor den ingang 
van dit erf overloopen, om te zien of de aangrenzende pëka- 
rangans of pëkawisan's niet nog het een of ander opleveren, 
dat ons nog onbekend is. 

Over dit bruggetje komen wij op een pas aangelegden weg 
van ongeveer twaalf voeten breedte, die dalan of marga en 
margi genoemd wordt, en een ratan of radinan dan wel loe- 
roeng zoude wezen, indien hij twee- a driemalen breeder en 
met grint en zand belegd was. 

Bij den aanleg van dezen weg heeft men getracht daaraan 
de noodige tonrondte te geven , d. i. den vorm (der dwarsche 




Dwarsche doorsnede van een dalan of ratan. 

doorsnede), die in het javaansch gëgër-sapi = runderrug, ot 
batoq-mëngkoerëb = de met de bolle zijde naar boven gekeerde 
klapperdop, genoemd wordt, en zelfs de noodige dijkjes, ber- 
men en waterafvoerkanaaltjes of tanggoels, plipid's en got's of 
kalenans niet vergeten. 

Ook heeft men hier op die dijkjes op 18 voeten afstands 
van elkander Djoarboompjes (Cassia florida, Vahl.) geplant en 



i) In het ki-aroa: Menda vlandi, — gembel of gibas, — djawi. 



Pakëbonan. 71 



tusschen die boompjes nog plantkuilen of loewang's, ook loewan- 
gan's, gemaakt, die wellicht voor jonge tamarinde- of asëm- 
boomen (Tamarindus indica L.) dan wel voor kanarieboompjes 
(Canarium commune L.) bestemd zijn. 

Voorts zijn die dijkjes en bermen netjes met graszoden of 
gëbalans belegd en op geregelde afstanden doorgestoken om het 
op den weg vallende regenwater een uitweg te bezorgen naar 
de daarachter loopende slooten. 

Het vlak over de zooeven door ons bezochte pëkarangan ge- 
legen, mede stevig ompagërde erf is zooals wij zien geen 
woonerf, maar een boomgaard of pakëbonan. 

Verschillende op rijen geplante pisangsoorten , waartusschen 
een regelmatig aangelegd plantsoen van kofBeboompjes staat en 
hier en daar eenige andere vruchtboomen groeien, beloven eer- 
lang een goeden oogst, die de moeite van den planter loonen 
zal en geene verwerpelijke bijdrage zal leveren voor zijn een- 
voudig, en niet bijzonder duur huishouden. 

De grond is ook hier behoorlijk omgewerkt en schoonge- 
maakt of gehouden, terwijl enkele hopen runder- en ander 
mest, alsmede de aanwezigheid van een paar ongedekte mest- 
kuilen ons leeren, dat de eigenaar van dezen tuin, waarin wij 
nog eenige tegen randoeboomen aan geplante sirihranken op- 
merken, het nut der bemesting inziet en begrijpt. 

Het aan dezen tuin belendende erf is blijkbaar sedert kort 
pas door een nieuw-aangekomen liefhebber in bezit genomen, 
want diens woning verdient dien naam eigenlijk nog niet, daar 
zij slechts uit een samensraapsel bestaat van oude, aan half- 
vermolmde stijlen bevestigde bamboezen bewandingen, waarop 
een alang-alang-dak rust, dat nauwelijks voldoende beschutting 
levert tegen zon en regen. 

Ook zien wij aan de achterzijde het onkruid nog eenige voe- 
ten hoog staan , terwijl het voorgedeelte van dit erf reeds be- 
werkt en zelfs gedeeltelijk met djagoeng en katela-pohoeng be- 
plant is, en eenige stapels of toempoeqans brandhout (kajoe of 
kadjëng obong) bij een paar vierkant bekapte balken , die zeker 
voor de aanstaande permanente woning bestemd zijn, als de 
zicht- en tastbare bewijzen daar liggen van den zwaren arbeid, 
die den javaanschen squatter menig zweetdroppeltje gekost 



72 



Toempoeqan-kajoe. Is de Javaan lui? enz. 



heeft, om dit erf in den toestand te brengen als waarin wij 
het thans aantreffen. 

Maar dit deert hem niet, en hiertegen ziet hij ook niet op, 




Toempoeqan kajoe. 

want lui is hij niet, ofschoon hij er dikwijls, doch ten onrechte 
den naam van heeft. 

Alles toch is betrekkelijk in dit ondermaansche. 

De weinig behoeften kennende en hebbende, zich dikwijls 
reeds met het hoogst noodige tevreden stellende javaan , wordt , 
wanneer hij , na voor eenige dagen onderhouds genoeg verdiend 
te hebben, geen koeli- of ander werk buitenshuis verricht, 
vaak voor lui, indolent enz. uitgemaakt, en toch zal men hem 
zelden bepaald onledig vinden ! 

En waarom? 

Omdat hij zich geen schatten vergaart, welke alleen dienen 
kunnen om hem een onrustig en ongerust leven te bezorgen? 

Omdat hij in zijne oogenschijnlijke onverschilligheid als het 
ware nooit denkt aan den dag van morgen? 

Indien men zijn land, dat door de natuur zoo rijk gezegend, 
zoo mild bedacht is, en den volkstam met zijne zeden, ge- 
woonten, gebruiken, deugden en ondeugden enz. kent, dan 
behoeft zulks geenszins verwondering tè baren. 

Een half uurtje wandelens en zoekens in het eerste het beste 
bosch, zelfs op het eerste het beste erf levert hem of zijner 
vrouw al genoeg groenten en ander plantaardig voedsel op voor 
een geheelen dag en het geheele gezin, terwijl het eenvoudig 
afdammen en ledig pompen of scheppen van een gedeelte eener 



Vischvijver of bëloerabangan. 73 

sloot hem al dadelijk de noodige visch voor zijne maaltijden 
bezorgt ! 

En toch zal men bij nadere kennismaking en grondiger on- 
derzoek bevinden, dat diezelfde luie (?) javaan en zijn even 
vadsig, vuil, ontaard (?) vrouwtje altijd iets, hoe weinig, hoe 
onbeteekenend ook, ter zijde liggen hebben, dat zij in tijden 
van dringenden nood te gelde kunnen maken, om zich het 
door hen benoodigde te kunnen aan- en verschaffen! 

Of de javaansche maatschappij geen luiaards, geen deug- 
nieten kent? 

Wie zal dit ontkennen? Maar zijn dergelijke individuen dan 
onbekende grootheden in de europeesche wereld? 

Wij gelooven, dat, indien men aan het wegen ging, de 
schaal niet ten nadeele van den javaan over zoude hellen! 

Doch, wij dwalen zoo van ons eigenlijk onderzoek af en 
loopen gevaar ons op een terrein te begeven, dat wij om zijne 
distels en doornen liefst vermijden moeten en willen. 

firisons donc la-dessus 1 Kijk, daar zouden wij door ons uit- 
wijden over de vraag of de javaan al dan niet lui, enz. is, 
waarlijk bijna dit stuk grond hier voorbij zijn geloopen, ter- 
wijl het toch wel onze aandacht verdient en der moeite eener 
nadere beschouwing overwaard is. 

Het is een vischvijver, bSloembangan of pangempang, waar- 
mede wij hier te maken hebben, een langwerpig vierkante. 




Bëloembangan. 



bijna vier voeten diepe uitgraving in wier midden een klein, 
ondergedompeld en met waterplanten bewassen eilandje de 
daarin geteeld wordende visschen tot speel- en vluchtplaats 
dient. Hét heldere water, dat door eene kleine leiding uit het 
u bekende beekje hierin gevoerd wordt, en langs eene andere 



74 In vijvers voorkomende visschen, enz. 

kleine leiding naar dit beekje terug stroomt, vergunt ons te 
zien, dat in dezen vijver de tot de karper- of cyprinoidei-soorten 
behoorende goerameh , bëtoq en tambra , de onder de meervallen 
of siluroidei ressorteerende Iele en de tot de familie der alen 
of muraenoidei behoorende wëloet of sidat te vinden zijn, ter- 
wijl verder die vele kleine, gedeeltelijk onder het water staande 
openingen ons de aanwezigheid verraden van die kleine tien- 
pootige, tot de orde der krabben behoorende schaaldieren , die 
de Javaan joejoe's noemt. Ook zien wij , dat deze vijver rijk is 
aan allerlei kleine vischsoorten , waaronder de wadër, een soort 
grondeltje, de voornaamste plaats bekleedt, en daarin ook een 
vrij aardige massa van vlugge riviergarnalen of oerang's, zelfs 
eenige zoetwaterkreeften of oerang's pantjet rondzwemmen. 

Zulk een vijver heeft voor den eigenaar eene groote waarde, 
daar hij niet alleen voorziet in zijne dagelij ksche behoefte aan 
visch, garnalen of kreeften, maar de verkoop dezer waterbe- 
woners hem ook geen onaardige winsten afwerpt, die hem in 
staat stellen in zijne kleeding en die der zijnen, en in zijne 
andere huishoudelijke behoeften t« voorzien. 

Geen wonder dan ook, dat hij dezen vijver zorgvuldig onder- 
houdt en bewaakt en zoowel reigers of koentoels en andere 
vischetende vogels, die zijn vijver naderen en onveilig maken, 
als otters of lingsang's , ook wëlingsang's , die zich in de zijkan- 
ten daarvan nestelen en dikwijls onder de visschen groote ver- 
woestingen aanrichten, onmeedoogend vervolgt, en door het 
beplanten van het vorenbedoelde eilandje met wëlingi (Cype- 
rus elatus L.) of met pari zorgt, dat zijne visschen daaron- 
der en daartusschen een veilige wijk- en schuilplaats vinden 
kunnen. 

De in- en uitgangen van het door dezen vijver stroomende 
water zijn ook behoorlijk door fijn vlechtwerk van bamboe ge- 
sloten, zoodat de in den vijver aanwezige visch er niet, althans 
zeer moeilijk uit kan zwemmen. 

Doch het wordt tijd dat wij verder gaan, te eer, daar deze 
padoekoehan ons niet veel bijzonders meer oplevert. 

Zie, onze weg leidt naar gindschen lagen heuveltop van waar 
wij een terugblik werpen kunnen op het zooeven door ons be- 
zochte terrein. 



Platte grond eener desa. Overvaart of Eretan 



75 



Wij zien dan, dat de platte grond der zich langzaam tot 
een kleine desa ontwikkelende padoekoehan veel overeenkomst 
heeft met het in regelmatige vakken verdeelde schild eener 





Platte grond eener desa. 

schildpad, en indien wij onB in de lucht konden verheffen, om 
boven die honderden desa's, die op Java gevonden worden, 
te zweven, dan zouden wij werkelijk zien, dat allen in hare 
platte gronden ons de min of meer regelmatige en juiste tee- 
keningen vertoonen van reusachtige geschubde dieren ! 

Den heuvel aan de andere zijde afdalende komen wij 'aan 
een vrij breede rivier ^), waarover echter geen brug geslagen 
is, zoodat, aangezien de diepte dezer rivier het doorwaden 
daarvan niet mogelijk maakt, de communicatie met den tegen- 
overliggenden oever hier geschiedt door middel van een pont *) 
of schouw, zijnde meestal, zooals hier, een samenstel van twee 
a drie door dwars daarop bevestigde latten of boomen stevig 




Eretan. 



aan elkander verbonden smalle, lange javaansche schuiten, 
waarover een stevig gevlochten bamboezen plat aangebracht 



1) Kali of Iepen. 

2) Praoe sasaq, praoe eretan of baita sasaq, baita eretan. 



76 



Watang. Dajoeng. Egol. Djoekoeng. 




is^ dat genoegzame ruimte aanbiedt, om zelfs een rijtuig te 
kunnen dragen. Gewoonlijk wordt zulk een pont, zooals wij 
ook hier zien, langs een over de rivier gespannen lijn, meest 
uit sterke , hecht in elkander gedraaide rottingen ^) bestaande , 
heen en weder getrokken en door twee a drie mannen bediend , 
waarvan een de lijn vasthoudt en daaraan de pont voorttrekt, 
terwijl de overigen hem daarbij helpen door het drijvend over- 
zetmiddel in de gewenschte richting te houden en voort te 

stuwen , waartoe gewoonlijk 
slechts eenvoudige boomen of 
stokken, satang of watang, soms 
ook een los roer of wrikriem, 
këmoedi of këmoedi egolan, ook 
wel eenvoudig egol, zelden 
roeiriemen, dajoeng of wëlah, 
gebezigd worden. Dergelijke 
Watang Dajoeng. Egol. ovcrvaartcu of vccrcn , sabrau- 
gai^,, panjabrangan of eretan, zijn meestal verpacht, en wor- 
den dan bediend door het personeel van den pachter, of van 
diens gemachtigde, die of persoonlijk de verschuldigde overzet- 
geiden int of zulks overlaat aan een zijner kinderen of ver- 
trouwden. 

Aan" den oever waarop wij ons bevinden zien wij dan ook 
een soort van wachthuisje van bamboe, waar de inner der 
overvaartgelden zit en dikwijls zelf 's nachts overblijft, aange- 
zien deze overvaart ook des nachts bediend moet worden. 

Niet overal treft men echter dergelijke hulp aan, want, in- 
dien wij deze rivier een eindje hooger op bereikt hadden, dan 
zouden wij daar wel is waar toch nog eene gelegenheid gevon- 
den hebben, om haar over te steken, maar eene, die voor ons 
alles behalve pleizierig of gemakkelijk zou zijn geweest. Hier 

toch zet men u over 
in een kleine djoe- 
koeng of kanoe, waar- 
DjoekoMg. in gij nauwelijks zit- 

ten kunt en door behoorlijk voor uw evenwicht te zorgen op 




1) Pëndjalin of pëndjatos. 



Niet verpachte overvaart. 77 



moet passen, niet om te kantelen, want deze lichte schuitjes 
scheppen spoedig water en liggen even graag op hunne ruggen 
als op hunne buiken. Gewoonlijk kunnen zij ook niet meer 
dan twee personen bevatten, nl. den roeier, die meestal ook 
de eigenaar is van het praoetje en deze onderneming voor eigen 
rekening drijft, en den persoon, die overgezet moet worden. 
Het schuitje zelf is eenvoudig een uitgeholde boomstam, waar- 
aan de vorm eener schuit gegeven is en waarin soms eenige 
dwarslatten tot zitbankjes zijn aangebracht, terwijl de hier 
en daar daarin voorkomende barsten, waardoor het water 
binnen zoude kunnen dringen, mede eenvoudig weg met wat 
klei zijn toegestopt. Het voortdrijvings- of voortbewegingsmiddel 
is hier een eenvoudige dajoeng , waarmede de praoevoerder overi- 
gens zeer handig manoeuvreert. 

Bij hoogwaterstand ^) of in den nacht zoudt gij op deze 
plaats echter vergeefs op den schipper wachten , of zou hij u een- 
voudig afwijzen of bedanken, waarin hij trouwens gelijk heeft, 
want ofschoon hij zelf meestal als een visch zwemt en ook niet 
tegen een nat pak opziet, zoo is hij toch wijs genoeg om zich 
niet onnoodig in het gevaar te begeven met de risico tevens, 
dat de persoon, dien hij over moet zetten, daarbij verongelukt 
en dit alles hem aan allerlei soesah *) bloot zal stellen. 

Wat de kosten dezer overzetterij betreft deze bedragen een 
a twee duiten of centen per persoon en zijn dus gering ge- 
noeg. Bij de verpachte overvaart, waar ook gelegenheid bestaat, 
om vee, rijtuigen, enz. over te zetten, betaalt men hiervoor 
iets meer volgens een door het gewestelijk bestuur vastgesteld 
tarief, dat te allen tijde bij het vorenbedoelde wachthuisje voor 
den nieuwsgierigen reiziger beschikbaar of liever raadpleegbaar 
moet zijn. 

Soms vindt men op de praoe sasaq nog een kleinen goeboeg, 
waar de overvaartbedienden des nachts of bij regenweder onder 
schuilen kunnen, en ook de passagiers eventueel beschutting 
kunnen zoeken. 

Nu wij een en ander weten, zullen wij niet langer aarzelen 



1 ) Bëna of bandjir. 

2) Onaangenaamheden, last, moeite, enz. 



78 Desa buiten het gouveraements gebied. 

ons naar den anderen oever te laten brengen, en, ofschoon 
wij daartoe niet verplicht zijn, den overzetters nog een fooi op 
den koop toe geven. Deze overtocht geschiedt wel wat prozaïscher 
dan die van het juffertje, dat het bekende: »Lieve schipper, 
vaar mij over", enz. noodig had, om haar doel te berei- 
ken, maar desniettemin kunnen wij ons gelukkig achten, 
dat wij zonder natte voeten den tegenovergestelden oever be- 
treden kunnen. 

Hier staan wij op vorstenlandsch gebied. 

Het verschil met het gouvernementsland , dat wij verlaten 
hebbeu, valt hier onmiddelijk in het oog door den min of 
meer verwaarloosden toestand van den weg, die de voortzetting 
moet heeten van den dalan, dien wij gevolgd hebben. Ook de 
desa, die wij binnentreden, kan, wat netheid, zindelijkheid en 
regelmatigheid betreft, in de verste verte niet halen bij de 
nette gouvemementsdesa's , die wij bezocht hebben. Alles ver- 
toont hier een jammerlijke vervallenheid , de restes van vroe- 
gere, of eenmaal, maar dan toch in een lang vervlogen tijd 
bestaan hebbende welvaart! Verreweg de meeste huizen, die 
eigenlijk meer van verwaarloosde keeten of krotten hebben, 
vertegenwoordigen hier het srotongan-type. Alleen het huis van 
het desahoofd, dat hier meest bëkël heet, maar soms ook 
dëmang, rangga of ngabei wordt genoemd, naar gelang dat 
hem die titels verleend zijn, ziet er eenigszins welvarender uit 
dan de overige woningen zijner desa en is een sinom-huis met 
een kleine pëndapa, waarin een tien- a twaalftal kooien met 
përkoetoets hangt en met een wankelende ronde tafel, een 
paar, eenmaal gepolitoerd geweest zijnde, doch thans vrij wel 
met stof en ander vuil bedekte stoelen, een rana en een plang- 
krangan met een paar pajoengs of songsongs en toembaqs de 
geheele stoffeering daarvan uitmaakt, want van een hanglamp 
of dergelijk verlichtingstoestel schijnt hier geen sprake te zijn. 

Ook het eigenlijk gezegde woonhuis levert voor ons, die met 
de indeeling en meubileering van dergelijke woningen reeds 
kennis hebben gemaakt, niets bijzonders op, tenzij dat wij de 
armzalige glimp van grootheid, die men hier aan de armoedige 
stoffeering heeft trachten te geven door het aanbrengen van aller- 
lei tierlantfjntjes en verguldsels , als zoodanig aan willen merken. 



Desa buiten het gou vernemen ts gebied. 79 

Bij dit huis behoort een gandoq en een gëdogan, mede in 
vrij vervallen staat, terwijl het erf ook ompagërd is door een 
slecht onderhouden, dunnen, levenden haag van treba (Andro- 
graphis paniculata Nees:) 

De overige huizen dezer desa liggen of staan vrij wanordelijk 
bij of naast elkander zonder eenige scheiding der daarbij hoo- 
rende erven , die trouwens niet bijzonder groot zijn en daarbij , 
wat het daarop staande plantsoen betreft, betrekkelijk weinig 
waarde hebben. Hier en daar zien wij nog een paar kandangs 
met karbouwen of runderen, schapen en geiten, doch overi- 
gens kunnen wij deze desa gerustelijk den rug toedraaien , om 
onzen weg te vervolgen. 

Deze weg, waarop wij goed moeten oppassen, om niet te 
struikelen of onze voeten te verstuiken, leidt, zooals wij op- 
merken naar vorenbedoelde rivier terug, die wij thans op on- 
geveer een paal ^) benedenstrooms van de zooeven door ons be- 
zochte eretan over een stevige houten brug van europeesche 
constructie passeeren kunnen. 

Aan de overzij gekomen bevinden wij ons weder op zooge- 
naamd gouvernements gebied en wel in eene desa , die de stand- 
plaats is van een assistent-wëdana of onder-districtshoofd. 

Deze inlandsche ambtenaar, die ons tegemoet komt, noodigt 
ons hoffelijk uit, te zijnent wat uit te rusten en gaarne zullen 
wij van deze uitnoodiging gebruik maken, niet alleen om ons 
met het traditioneele kopje thee of koffie te verfrisschen, maar 
ook om zoo mogelijk nog het een of ander te weten of te zien 
te krijgen, dat bij ons onderzoek van heden behoort of te 
pas komt. 

Het huis van dit inlandsch hoofd , dat behalve uit het eigen- 
lijke woonhuis nog uit een pëndapa, een kampoeng en ver- 
scheidene gandoqs bestaat, levert ons wat den bouwstijl der 
verschillende deelen daarvan betreft, niets nieuws op, doch 
onder het meubilair of de huiselijke stoffeering en benoodigd- 
heden merken wij al dadelijk een hangklok *) op , terwijl op 
het voorerf nog een eenvoudige zonnewijzer ^) staat. 



1) Een paal = 400 Rijnl. roeden = 4506,94 M. 

2) Lontjeng 3j Bëntjet. 



80 



Bëdil. Bapëm. Kadjinëman. Ronteq. 



Verder zien wij aao een der ook hier niet ontbrekende her- 
tehorens een tweeloops-jachtgeweer, (bëdil woeloeh loro, sëndjata 
woeloeh kalih) met de daarbij hoorende patroontasch (kërga 
patroen, kërga djoeboengan) hangen. 

Aan een in een der achterhoeken van den pëndapa tegen de 

Ronteq. Lontjeng* 




Bapëm. Bëntjet. 

bamboezen bewanding bevestigden kapstok, tjantelan, vinden 
wij voorts een kapmes of sabel, behoorende tot de monteering 
van een der twee politie-beambten , oepas of kadjinëman, die 
aan den assistent-wëdana zijn toegevoegd, om hem bij de uit- 
oefening der politie behulpzaam te zijn. De bij dezen sabel be- 
hoorende bandelier is voorzien van een koperen plaat, bapëm 
(van ons wapen), waarop behalve het nederlandsche wapen nog het 
randschrift: »Politie" — »Residentie" of »Afdeeling" gegraveerd is. 
Eindelijk merken wij in een blijkbaar daartoe bestemden 
standaard of plangkrangen een achttal pieken op, voorzien van 
kleine vlaggetjes met onze drie kleuren (ronteq), meer bepaal- 
delijk bestemd, om bij de komst van den resident of eenigen 



Toumooituig. 



81 



anderen hooggeplaatsten heer door de voorrijders ^) te worden 
gedragen of anders langs den weg, dien de groote heer pas- 
seert, te worden geplaatst, maar die dikwijls ook nuttiger wor- 
den gebruikt, nl. bijv. als baken *) bij het opmeten van velden, 
traceeren van wegen, enz. 

Onder het verder rondkijken vinden wij in een der kamers 
van de kampoeng behalve een zadel van europeesch maaksel ^) 
nog een paar van inlandsch fabrikaat*), waarvan het eene tot 
dagelijksch gebruik dient, doch het andere blijkbaar bestemd 
is voor bijzondere gelegenheden, als toumooien *) enz., want 
daarbij zien wij nog de tournooilansen •) staan. 

Lapftq^ met oeker-oeloer, Apoes boentoet. 

Saroeng 




Evenals bij het europeesche zadel vindt men bij het inland- 
sche ook een voor- en een achterboom door stegen of platte 



1) Tjonklang, Plopor (voorlooper) of Pëlangsir (van lansier). 

2) Andjir of tëngër. 3) Lapaq. 4) Abah-abah of kapa. 

5) Watangan of sodoran, ook sënenan. 

6) Sodor of watang, ook wel lawoeng. 



Het javaansche zadel. 



spaken met elkander verbonden en wel zoodanig, dat daardoor 
tevens de kamer gevormd wordt. Wat de diepte en breedte 
dezer kamer betreft, hierin komt het javaansche zadel vrij wel 
overeen met het engelsche, dat vlakker dan het duitsche aan 
den ruiter een vrijer zitplaats geeft, waarop hij de bewegingen 
van het paard gemakkelijker voelen en volgen kan. 

Het geraamte van dit zadel bestaat meest uit hout, zelden 
uit ijzer, en wordt tjëkataqan genoemd, dat naar gelang van 
de hoogte van zijn rug en de daarvan afhankelijke diepte zijner 
kamer een meer of minder gemakkelijke zitting aanbiedt. 

Deze tjëkataqan is aan de onderzijde voorzien van met wol, 
kapoeq of vezels opgevulde kussens en aan de bovenzijde be- 
kleed met op inlandsche wijze bereid runderleer. Op den zadel- 
knop ^) treft men niet zelden ook een koperen plaat als oma- 
ment aan, terwijl een metalen ringetje of anders een eenvou- 
dige lederen lus een geschikt middel verschaft, om het zadel 
'des noodig ergens aan te hangen. 

De eenigszins hoogere achterzitting, de eigenlijk gezegde 
kapa is een dik, met leder overtrokken kussen, en aan het 
achtereinde voorzien van een ijzeren gesp of kram ^), waaraan de 
staartriem') bevestigd wordt, die denzelfden vorm heeft, als 
die bij het europeesche zadel, doch bij het tournooizadel dik- 
wijls nog voorzien is van een paar koperen aanhangsels of vler- 
ken bij het begin van den wrong, welke dan mede met koper 
beslagen is. Dit versiersel wordt kadal wangkoeng geheeten. 

De kleppen of ëngkab-ëngkabs , ook wel laraps, verschillen 
over 't algemeen weinig met die der europeesche zadels en be- 
dekken ook evenals bij deze laatsten de rolletjes of krammetjes , 
waaraan de stijgriemen *) hangen , die de stijgbeugels *) moeten 
houden. Bij sommige zadels zijn ook aan de voor-bovenranden 
der kleppen langwerpige , rolvormige kussentjes of kasoerans dan 
wel bantalans aangebracht tot steun of bescherming der knieën. 

Wat den vorm der stijgbeugels betreft, meestal komt hij 
overeen met dien der europeesche, doch soms vindt men er 
ook, die door hun breede, eenigszins bol uitgeslagen onderdee- 



1) Këpoeh. 2) Tjatji of kokot. 3) A poes-boen toet. 

4) Oeloer-oeloer. 5) Sangga-wë^i, Sangga-siti. 



Het hoofdstel. Het tournooizadel. 83 

len aan de arabische stijgbeugels herinneren. Enkele soorten 
hebben steunvlakken , voorzien van kleine bobbels of gleuven 
en richels; bij anderen zijn deze vlakken soms geperforeerd, 
doch meestal zijn zij glad gepolijst. 

Het hoofdstel, de saroengan, saroengan këbdali, saroengan 
këndangsoel, verschilt mede bijna niet van het europeesche, 
doch is dikwijls hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk van dikke in 
elkaar gewerkte katoeneu of zijden koorden samengesteld en 
voorzien van koperen of zilveren^ versierselen , en rosetten enz. 
van wol of laken. Tegenwoordig heeft echter het europeesche 
hoofdstel door zijne betere hoedanigheden enz. het javaansche 
reeds vrij wel op den achtergrond geschoven. 

Alleen de europeesche stang, die door den javaan këndali 
of këndangsoel katjip wordt genoemd, is bij vele Javanen nog 
in zekere minachting, omdat zij volgens hun beweren minder 
geschikt is voor het dresseeren en in bedwang houden van het 
daarmede getuigde paard dan de javaansche, van bobbels of 
scherpe punten voorziene stang of këndali (këndangsoel) rangah , 
die het onwillige dier moeilijk tusschen zijne tanden vast kan 
klemmen zonder zich den mond te bezeeren. 

De trens *) en kinketting *) zijn verder ongeveer van denzelf- 
den vorm als de europeesche en behoeven wij dus niet nader 
te omschrijven of te beschouwen, evenmin als de lederen of 
katoenen dan wel zijden leidsels of Bangkoi. 

teugels, apoes, die in niets bijzon- 
ders van de europeesche verschillen. 

Het tournooizadel, dat wij nog 
even bekijken moeten, heeft aan 
den knop of këpoeh een tjantelan ') 
of haak, ter vastlegging niet alleen 
van de leidsels , maar ook en voor- 
namelijk van de twee groote, losse 
kleppen of ebegs , die van leder ge- 
vormd en met schitterende kleuren Ebcg. 
en allerlei metalen of andere versierselen beschilderd en bedekt , 




1) Këndali pangon, këndangsoe] pangen. 

2) Tali këndali, Tangsoel këndangsoel. 3) Ook bangkoL 



84 Ebeg. Larap. Apoes-da^a. Ambën. 

als twee groote uitgespreide vleugels de flanken van het paard 
beschermen moeten. 

Deze ebegs worden onder de gewone kleppen aan het zadel 
door middel van banden en gespen bevestigd en aan vorenbe- 
doelden haak middels een band of touw gehangen. 

Onder deze zadels gebruikt de Javaan evenals wij, een dek 
of schabrak, larap of slebraq, dat naar gelang van de meer- 
dere of mindere gegoedheid van den bezitter ook meerdere of 
mindere waarde heeft. Zelfs^ ziet men van tijd tot tijd een 
deken of dekkleed ^) het hamachement volledig maken. 

Wat de verdere aanhangsels van het javaansche zadel aan- 
gaat, deze bestaan in de eerste plaats uit de onontbeerlijke 
buikriemen of singels*), die van leder, of van geweven stof 
zijn gemaakt en door middel van gespen vastgezet worden. 
Soms worden deze bevestigingsmiddelen nog gecompleteerd door 
een oversingel of ambSn gendong. Voorts treft men bij enkele 

zadels nog den zoogenaamden 
springteugel of apoes dada aan, 
dikwijls versierd met zilveren or- 
namenten in den vorm van plaat- 
jes, enz. 

De toumooilans, watang of 

sodor, is een lange stok van taai , 

licht en lenig hout (meestal waroe- 

of waroe-goenoenghout"), welks 

boveneinde voorzien is van een 

^^^ **•*' ronden met wol omwikkelden en 

gepluimden knop. De stok zelf is dikwijls geverfd en versierd 

met verguldsel. 

In het middenvertrek van het eigenlijke woonhuis, dat wij 
zoo vrij zijn verder binnen te treden, vinden wij nog op een 
paar stoelen de groot-tenue van den assistent- wedana hangen, 
die de zorgvoUe huisvrouw zeker met het oog op de aanstaande 
viering van het een of ander groot feest, waarop haar echtge- 
noot in groot costuum verschijnen moet , nu reeds begint schoon 
te poetsen en te luchten. 

1) Këmoel. 2) Ambën. 

3) Waroe = Hibiscus elatus , Sw. ; Waroe goenoeng •» Hibiscus tiliaceus L. 




Een kawëdanan. 85 



Aangezien wij nader gelegenheid zullen hebben om de ver- 
schillende costumes enz. der inlandsche ambtenaren op ons ge- 
mak en bij elkander te zien, zullen wij deze kleedij voorloopig 
maar voorbij gaan, te meer daar wij niet veel tijd meer heb- 
ben, althans indien wij niet onbeleefd willen zijn tegenover 
het districtshoofd of den wëdana *), die zoo vriendelijk is ge- 
weest, om ons logis te zijnent te presenteeren en, zooals hij 
ons beloofd heeft, ons heden avond eene opvoering van den 
wajang poerwa*) zal doen bijwonen. 

De assftten t- wëdana , die met zijne vrouw tot de bij zijn chef 
genoodigden behoort, zal ons verder vergezellen, zoodat wij na 
een korte dankbetuiging aan hem en zijne echtgenoote onzen 
tocht voort kunnen zetten. 

Het wordt waarlijk ook tijd dat wij ons uitstapje voor heden 
beëindigen en ons door een lekker koud bad wat op gaan 
frisschen , doch alvorens hiertoe over te gaan , zullen wij , in de 
kawëdanan ') of de wëdana's-woning gekomen, waar wij door den 
gastheer en diens echtgenoote onder het lawaai van den këbo- 
giro *) ontvangen worden , eerst een kijkje nemen van wat deze 
woning aan bijzonders voor ons nieuwsgierig oog oplevert. 

De kawëdanan is , zooals wij zien , een van die half-javaansche , 
half-indisch-europeesche gouvemements-gebouwen , die , naar een 
zoogenaamd normaal-project opgericht, zonder dat daarbij reke- 
ning gehouden is met plaatselijke gesteldheden en toestanden, 
dikwijls in het gebruik zoo lastig en onpraktisch blijken te zijn , 
vooral wanneer de tijdelijke bewoner een groot gezin met huw- 
bare dochters heeft. 

Het huis, dat wij thans in oogenschouw nemen en voor 
onzen gastheer en zijne kleine familie zeker ruim genoeg is, 
bestaat uit een hoofdgebouw met een gewoon Umasan-dak, als 
mede een keuken, gedeeltelijk tevens bedienden- woning, een 



1) In enkele residenties, als bijv. Bai^joemas, hoort men ook wel als krama- 
doesoen-woord: wédantën. \ 

2) N. Ringgit poerwa. K. 

3) Ook wel kadistriqan « het huis van het districtshoofd. 

4) KN. « de jolige , allerlei bokkesprongen makende buffel ; een gënding of 
aria op den gamelan of het javaansche orkest. Over den gamelan en deze muziek 
zullen wij nader spreken. 



86 



Platte grond van een wëdana's-woning. 



afzonderlijke badkamer met latrine en een stalling voor vier 
paarden, in welker nabijheid nog vier afeonderlijke gëdogan'a 
staan, die blijkbaar door den wëdana zelf bekostigd zijn ge- 
worden, omdat bij zulk eene landswoning slechts op eene stal- 
ling voor vier, hoogstens zes paarden gerekend wordt, terwijl 

als wagenkamer de daartoe een 
paar meters uitgebouwde linker- 
emper van het hoofdgebouw 
dient. 

Wat de indeelin^ van dit 
hoofdgebouw betreft, deze is 
als volgt: 

De voorhelft vorint, zooals 
wij zien, den pëndapa. Hieraan 
sluit een open midden vak, Unks 
en rechts waarvan de kamers 
zijn, die ons tot logis zijn aan- 
geboden. 

Een porte-brisee aan de ge- 
sloten achterzijde van dit mid- 
denstuk , dat de plaats van den 
përinggitan inneemt, geeft ons 
gelegenheid om in de binnen- 
galerij, hier bij feestelijke ge- 
legenheden de gewone verzamel- 
plaats der vrouwen en vrouwe- 
lijke gasten van den huisbaas, 
door te dringen, links en rechts 
waarvan wij weder twee slaap- 
kamers zien, gewoonlijk door 
den bewoner en zijn gezin zelf 
gebruikt. Aan den achterwand dezer middengalerij zijn twee 
deuren aangebracht, die toegang verleenen tot de evenals het 
voorste middenstuk gedeeltelijk opene achtergalerij , die aan de 
linker- en rechterzijde mede begrensd wordt door kamers van 
dezelfde afmetingen, als die der voorkamers. Deze achterkamers 
zijn door binnendeuren verbonden met de middenvertrekken 
en meestal de slaapplaatsen der kinderen en andere jonge 





• 

a 

• 


• 


' 1 


h 


1 ^ 


'' i 


d 


1 . 1 


• 


r 


1 ' 1 



Platte grond van een wSdana's-woning 
(hoofdgebouw). 

a, pSndapa. 
h, përinggitan. 

c, loi^eerkamen. 

d, middenstuk. 

e, slaapkamers. 

f, achtergalerij. 

g, kamers. 



Inrichting van het huis. Wajang-poerwa. 87 

bloedverwanten met hunne vrouwelijke volgelingen of ëmban's. 

Van deze achtergalerij loopt een met pannen gedekte loods 
naar het keukengebouw , doch overigens leveren zoowel het hoofd- 
als de bijgebouwen ons niets nieuws meer op, terwijl de bijna 
geheel europeesche meubileering van het hoofdgebouw ons mede 
niet langer behoeft op te houden dan noodig is^ om op te 
merken, dat, hoewel men hier blijkbaar niet slordig of onzin- 
delijk is, men toch den slag niet behoorlijk kent, om alles 
even neljes te onderhouden. 

Wat ons echter verwonderen moet, is, dat bij het maken 
van het project eener woning voor een' ambtenaar met een 
zooveel omvattenden werkkring als een wëdana heeft, niet ge- 
rekend is op een afzonderlijk gebouwtje, waarin bureau kan 
worden gehouden. 

Hiertoe schijnt men den pëndapa geschikt genoeg te hebben 
geacht, wat echter, vooral wanneer geheime onderzoeken moeten 
worden gedaan , voor den betrokken ambtenaar , die dit huis be- 
woont, dikwijls zeer lastig is, waarom dan ook, evenals hier, 
de meeste wëdana's zich de kosten getroosten van den bouw 
van een afzonderlijk kantoor, waarin zij vrij en ongestoord 
werken kunnen. 

Doch genoeg, wij zullen thans wat rust gaan nemen en 
trachten nieuwe krachten te verzamelen voor heden avond, 
want onze gastheer heeft ons zoo juist medegedeeld, dat de 
beloofde wajang-vertooning door zal gaan. 

Welk stuk gegeven of gespeeld zal worden, zullen wij straks zien. 

Voor 't moment kunnen wij u echter reeds mededeelen, dat 
wij heden avond eene opvoering zullen bijwonen van de eene 
of andere episode uit den wajang-poerwa (ringgit poerwa), 
zijnde dat gedeelte der zeer uitgebreide hindoe-javaansche litera- 
tuur , waarin de mythologie der Hindoes , die de Javanen over- 
genomen en verjavaanscht hebben, behandeld wordt. 

De naam wajang, die schaduw beteekent, behoort eigenlijk 
aan de soms zeer fijn uitgesneden en uitgewerkte poppen, die 
de verschillende ten tooneele opgevoerde personen moeten voor- 
stellen, en evenals de zoogenaamde chineesche schimmen hunne 
schaduwen werpen op het scherm, waarvoor de toeschouwers 
gewoonlijk plaats nemen, doch wordt in het algemeen ook ge- 



88 Lakon. Dalang. 



briiikt ter aanduiding van eene geheele aaneengeschakelde en 
afgeronde reeks van geschiedenissen uit de mythologie, waarvan 
de vele en verschillende lakons of lampahans ieder eene bijzon- 
dere episode behandelen. 

Zulk een lakon echter neemt dikwijls twee en meer nachten 
weg, maar wordt dan zoodanig geregeld, dat de voorstelling, 
die een geheelen nacht duren moet, bij het aanbreken van den 
dag, wanneer zij nog niet geheel afgeloopen is, op eene ge- 
schikte wijze kan worden afgebroken en desnoods als beëindigd 
kan worden beschouwd. 

Van deze lakons bestaan verscheidene honderden, die in 
djëdjër's en tjarangan's worden verdeeld en te zamen het meer 
dan uitgebreide repertoire vormen van den wajangvertooner of 
dalang, die in de meeste gevallen er dan ook betrekkelijk wei- 
nig van kent. 

De eersten zijn de eigenlijke hoofdverhalen , de tjarangans 
meer de daaruit afgeleide afzonderlijke geschiedenissen , waarvan 
een of een paar bepaalde personnages de helden uitmaken en 
waarin ook slechts gebeurtenissen enz. worden behandeld, die 
op zekere, bepaalde tijdstippen voorgevallen zijn of als zooda- 
nig gedacht en voorgesteld worden. 

Wat den dalang betreft, deze heeft bij zulk eene vertooning 
een zware taak, niet alleen, doordat hij den geheelen nacht 
zijn auditorium aangenaam moet trachten en weten bezig te 
houden, maar ook en vooral, omdat het hem verboden is, 
om 9 om welke reden en voor hoe korten tijd ook op te staan 
en zich te absenteeren. 

Als men nu weet, dat hij, om schorheid en droogte in de 
keel te voorkomen, en geen maagpijnen te hebben, gedurende 
de vertooning veel rookt, drinkt en eet, dan mag men er zich 
wel over verwonderen, dat de dalang het een heelen, dikwijls 
zelfs zeer kouden nacht vol kan houden, zonder aan de eene 
of andere natuurlijke behoefte te voldoen. Moet dit geweten 
worden aan het opium, dat de dalang in zijne strootjes of 
sigaretten gebruikt? Is het misschien ook een uitvloeisel van 
het schietgebedje , dat hij voor het begin der voorstelling in 
zijn kamer of den een of anderen hoek in stilte opzegt? Of zit 
hier wellicht het bijgeloof in 't spel? Wie zal dit uitmaken. 



Salendro of Sëlendro. 



89 



daar de dalang zelf ons niet weet te verklaren, waarom en hoe 
het mogelijk is^ dat zulks gebeurt? Zou hij soms ook een ge- 
heim middel tegen een en ander hebben ? Dit is niet waarschijn- 
lijk , daar zulks wel op den een of anderen dag uitgelekt zoude 
zijn^ want de javaan is in dit opzicht mededeelzaam genoeg. 

Wat ons gevoelen ter zake betreft, — wij houden eenvoudig 
het bijgeloof hier als oorzaak, waarom de dalang zich aan eene 
absentie gedurende de voorstelling niet durft wagen. De dalang 
toch heeft gedurende zijn spel en ten aanhoore van zijn dik- 
wijls zeer gemengd publiek, het algemeen erkende recht om 
glossen te maken, zelfs de ruwste aardigheden te verkoopen 
aan het adres van personen, die hem niet bijzonder aan- 
staan. Dat dit den betrokken personen niet altijd aangenaam 
of onverschillig is, is gemakkelijk te begrijpen, en zoo moet 
het eens in langverleden tijden gebeurd zijn, dat zulk een vrij- 
zinnige of vrijpostige dalang, die zich voor een oogenblikje 
absenteerde, niet terug kwam en door den beleedigden persoon 
gekrist teruggevonden werd. Dat sedert dien de schrik in de 
dalang's gekomen is, is zeer natuurlijk! En dat zij met het 
oog daarop en op de mogelijkheid, dat ook hun op een gege- 
ven moment hetzelfde zal kunnen overkomen, huiverig zijn, 
zich aan zulk eene gevaarlijke absentie te wagen, is mede zeer 



verklaarbaar, 
maar 

Doch, brisons! 
Want zie, voor 
dat wij ons gaan 
absenteeren, moe- 
ten wij nog even 
het orkest opne- 
men, dat daar 
klaar staat, om 
den dalang te ac- f 
compagneeren , b 
althans de ver- 
schillende stuk- 
ken of instru- 
menten, die te 



Fanëroes. Bonang waton. Taboeh bonang. 



@ 




S 

•3; 



Kromong. 



Démoeng, Saron, Tjënte. 



samen den salendro vormen , d. i. de meest 



90 



Bonang. 



Tlapaqan. 




Saron. 



algemeene soort van gamelan en ook bij wajangvertooningen 
de meest gebruikt wordende. 
Over de overige javaansche orkesten, als: de gamëlan's soro- 

gan, pelog, monggang, 
klatan of klënengan, den gla- 
zen gamelan of sëngganen 
en den goembëng en ang- 
kloeng zullen wij later wel- 
licht gelegenheid hebben te 
spreken. Voor ons onder- 
zoek op heden is het voldoende te weten, dat de sëlendro be- 
staat uit: 

a. Twee stellen bonang's, zijnde metalen instrumenten in 
den vorm van ronde ketels zonder tuit of bodem, maar voor- 
zien van een uitgeslagen bolvormigen knop ter plaatse waar het 
deksel zoude moeten zijn; ieder stel bevat tien van deze instru- 
menten, die echter bij het eene stel kleiner zijn dan bij het 
andere, en allen geplaatst zijn in een open bak of stelling, 
die rantjaqan genoemd wordt, en in tien gelijke van overdwars 
of overkruis gespannen touwtjes, waarop de bonang's liggen 

Tlapaqan gënder. Taboeh gSnder. Ketoeq. mOCtCU, VOOrzicUC 

vakken. De kleine 

soort dezer bonang's 

wordt de panëroes 

geheeten, de groote 

p de bonang waton of 

I eenvoudig bonang. 

Zij worden bespeeld 

met behulp van korte, 

aan de boveneinden 

meestal met linnen 

enz. omwoelde stokjes 

of taboeh's bonang, 

uit welker aanraking 

Kënong. met de verschillend 

dikke panëroes- en waton-bonangs de onderscheidene toonen 

dezer muziekinstrumenten geboren worden. 

h. Drie stellen van zeer flauw gebogen, ongelijk dikke, en 




Saron. Dëmoeng. Tjënte. Siëntëro. Kroraong. Kënong. Këtoeq. 



91 



langwerpige metalen platen, die naar gelang van hunne dikte, 
breedte en lengte in dëmoengs (de grootste soort), saron's en 
tjënte's (de kleinste soort) onderscheiden worden, en evenals de 
vorigen bespeeld worden door middel van korte hamertjes, die 
taboeh's dëmoeng, -saron, of -tjënte heeten. Elk dezer stellen 
wordt gevormd door een vijftal platen, die op gespannen touw- 
tjes boven een hollen bak of tlapaqan rusten en ter voorkoming 
van verschuivingen nog vastgehouden worden door aan bedoel- 
den bak bevestigden pennetjes, ter doorlating waarvan ook de 
in elk dier platen aanwezige gaatjes bestemd zijn. 

c. Een stel van vijf slëntem's, die van de dëmoeng's enz. 
alleen verschillen door de 
bolvormige punten of knob- 
bels , die in het midden dezer 
platen zijn uitgeslagen. 

d. Een stel van drie kro- 
mong's ^) d. z. groote, dikke 
potten met dito uitgesla- 
gen bolvormige knoppen of 
koppen. 

e. Een stel van tien gën- 
der's , dunne metalen platen Tiapaqan k»nong. 

in den vorm van de dëmoengs enz., en door middel van touwen 
of koorden aan elkander geregen en opgehangen boven een bak 
met holle bamboezen kokers, welke bak de tlapaqan gënder 
wordt genoemd. Ook deze gënder's worden bespeeld met ha- 
mertjes evenals de dëmoeng's. 

/. Twee bonang-vormige groote metalen potten, waarvan de 
grootste kënong en de andere këtoeq heet, en die beiden lig- 
gen op in een open stelling of tlapaqan gespannen touwen en 
evenals de bonang met een houten knuppeltje bespeeld worden. 

ff. Een stelling, die in dit speciale geval gajor wordt ge- 
noemd, waaraan drie ronde metalen bekkens met uitgeslagen 
knoppen hangen , waarvan het grootste de gong gëde of gong 
agëng heety het middelste de gong panigëg en het kleinste de 




1) Anderen noemen de bonang's waton kroraongs of geven aan dekroniong's 
den vorm van groote slëntem's. 



92 



Gong gëde. Panigög. Këmpoel. 



këmpoel. Deze tot het aangeven der verschillende rustpunten 

Gajor. 




Gong gëde, pënigëg of soewoeqan. Këmpoel. 

in de muziek besterade instruraenten worden bespeeld met een 

Tabooh gong. Köndang. 



Soeling. 




Tlapaqan këndang. 



Rëndang. Soeling. Rëbab. Rëtjër. Tjiëmpoeng. Gambang. 



93 



taboeh in den vorm van een korten stok met een lederen, 
katoenen of (en meest) gom-elastieken knop. 

h. Een këndang of langwerpige, aan beide einden met geiten- 
of ander leder gesloten trom, rustende op een stelling of tla- 
paqan, welk instrument eenvoudig met de platte hand wordt 



Taboeh tjiëmpoeng. Tjiëmpoeng. 



i. Een soeling of inlandsche fluit gemaakt van een dunnen 
bamboestok ter lengte van een elleboog ongeveer, voorzien van 
zeven gaatjes en een mondstuk en aan het andere eind geheel open. 

/ Een rëbab of tweesnarige inlandsche viool met den daarbij 
hoorenden strijkstok of kosoq. 

h. Een këtjër of këtjer zijnde een samenstel van losse metalen 
platen, die tegen elkan- 
der geslagen het krakend 
geluid van voetstappen, 
enz. moeten teruggeven. 

/. Een tjiëmpoeng of 
vijf- a zessnarige, liggende 
cither bespeeld hetzij een- 
voudig met de vingers, 
hetzij met een houten, 
beenen of ivoren stift of 
plectrum , die taboeh 
tjiëmpoeng wordt ge- 
noemd, en eindelijk: 

m. Een gambang, zijnde 
een houten trog of bak, 
waarover evenals bij den 

dëmoeng, doch in veel G*"^^*°?- Taboeh gambang. Oentoeijambang. 

grooter aantal langwerpige dunne platen liggen. Deze platen, 
die oentoe-gambang genoemd 
worden, zijn echter geheel van 
hout vervaardigd en worden 
bespeeld met twee dunne stok- 
jes, aan wier boveneinden platte, 
ronde schijven van hout of horen 
bevestigd zijn en die taboeh 

gambang heeten. Tjiëmpoeng (ander model). 





94 Proenggoe. Brondjong. Blongsong. 

Over de waarde enz. van elk dezer instrumenten als geluid- 
gevende voorwerpen hopen wij later bij de behandeling of be- 
oordeeling van de javaansche muziek in het algemeen terug 
te komen. 

Alleen moeten wij u hier nog doen opmerken, dat de meta- 
len instrumenten van dezen sëlendro gegoten zijn van proeng- 
goe, een mengsel van koper en tin in de verhouding ongeveer 
van 1:5, en de meerdere of mindere zwaarte van de ge- 
luiden, die zij voortbrengen, zich regelt naar de meerdere of 
mindere dikte, die door polijsten, vijlen, enz. aan elk dezer 
stukken gegeven wordt , een werk , dat hoe primitief misschien 
ook in het oog van den europeeschen metaalgieter en -bewerker, 
toch verre van gemakkelijk is en groote oefening, alsmede een 
verbazingwekkend geduld vereischt. 

Ten slotte zien wij hier nog eenige brondjongs of openge- 
werkte , van bamboe of rotting vervaar- 
digde mandjes, waarin de bonangs ge- 
borgen worden, alsmede een paar rood- 
katoenen sloopen of blongsong's ter 
toedekking van de gongs. De dëmoengs 
en andere platte stukken worden een- 
voudig in de tlapaqan's geborgen , doch 
de rëbab en tjlëmpoeng eveneens door 
rondjong. sloopcu tcgcu beschadiging beschermd. 

En hiermede zullen wij voor 't moment eindigen, om elkan- 
der heden avond bij de wajang-vertooning terug te vinden. 




HOOFDSTUK III. 



Zljt gij reeds genoegzaam bekomen van de vermoeienissen 
van den dag, om de ons door onzen gastheer beloofde vertoo- 
ning bij te wonen ? Wat u thans wacht is misschien nog zwaar- 
der te dragen dan hetgeen ons afgeloopen onderzoek medebracht , 
want, wilt gij onzen gastheer genoegen doen, dan zult gij ver- 
plicht zijn het straks op te voeren wajangspel ten einde toe bij 
te wonen en te volgen, — een heele toer, wanneer gij niets 
vat, begrijpt of verstaat van hetgeen de dalang u te zien en 
te hooren zal geven! 

Wij hopen u hierbij echter trouw behulpzaam te zijn en 
zullen trachten, uwe belangstelling zoodanig op te wekken en 
gaande te houden, dat Klaas Vaak geen vat op u hebben zal. 

En nu de dalang zich wellicht ergens in de een of andere 
kamer op de aanstaande vertooning voorbereidt, zullen wij van 
den ons gegunden tijd ook profiteeren, om ons op de hoogte 
te helpen van hetgeen bij zulk eene wajangvertooning behoort. 

Vooraf zij u echter nog tot uwe geruststelling, indien zulks 
noodig mocht zijn , medegedeeld , dat gij deze voorstelling kunt 
bijwonen in de kleeding, die u de gemakkelijkste en meest 
vrije voorkomt, ofschoon wij u, met het oog op de nachtelijke 
koude gerustelijk een flanellen overjas kunnen en durven aan- 
bevelen, en dat gij u straks geenszins zult behoeven te genee- 
ren , om den gemakkelijksten stoel, die hier te vinden is, te 
nemen en u zoo noodig op te frisschen door een glas brandy- 
soda of iets dergelijks. 



96 



Këlir. Blentjong. Gëdëbog. Troetjoeq. 




K«air. 



Zooals gij ziet, is er op gerekend, dat wij in den pëndapa 
plaats zullen nemen, d, i. dus achter den dalang of vóór de 
këlir , het wit katoenen met rood goed omboord scherm , waarop 
de schaduwen der wajangpoppen moeten vallen en waarachter 
de vrouwelijke gasten straks in den paringgitan plaats zullen 
nemen, die grootendeels door dit scherm aan de oneerbiedige 
blikken van brutale mannelijke toeschouwers onttrokken worden. 

Deze këlir wordt, zooals wij 
zien, door middel van touwen 
strak gespannen aan, of liever 
in een ragangan of groot, vier- 
hoekig houten of bamboezen 
geraamte, waarvan de opstaande 
zijden Ijagaq's en de horizon- 
tale sëlira's heeten. Voor dit 
scherm worden de twee, soms drie pisangstammen of gëdëbog's 

geplaatst, waarin de verschillende 
wajangpoppen zullen staan, terwijl 
meer achterwaarts, vlak voor of boven 
de plaats, waar de dalang zitten 
moet, de blentjong of wajangkmp 
is opgehangen , wier licht bij de voor- 
en achterwaartsche schommelingen 
daarvan een grooter doch flauwer, 
dan wel een kleiner maar scherper 
Blentjong. schaduw dcr daarvoor bewogen of 

gebracht wordende poppen op de këlir werpen moet. 

Gëdëbo^s. Deze gëdëbog's rusten, 

of liever, zijn gestoken op 
van scherpe punten voor- 
ziene houten voetstukken 
of troetjoeq's, ook wel ga- 
wang's , genoemd , wier 
hoogten zoodanig geno- 
men zijn, dat de gëdë- 
bog, die het dichtst bij 
Troetjoeq. ^^^ j^gii^ geplaatst wordt, 

hooger komt te liggen dan de andere. 





Eotaq. Eëpjaq. Tjëmpala. Gapit-wajang. 



97 




Rechts, naast de zitplaats van den dalang zien wij de groote 
houten kist of kotaq , waarin Kotaq. 

de wajangpoppen bewaard 
worden. 

De aan de naar den speler 
of vertooner gekeerde zijde van 
de kist aangebrachte kleine 
haak dient tot het vasthechten 
of hangen van de këpjaq , het 
ratelende of rammelende in- 
strument, dat de dalang met 
zijn voet aanraakt zoo dik- 
wijls als hij meer klem aan Këpjaq. Tjëmpala. 
zijne woorden of meer kracht bij zijn spel zetten wil. 

Voorts zien wij op de kotaq nog het houten hamertje of 
knuppeltje , tjëmpala geheeten , waarmede de dalang of de maat 
of de verschillende rusten enz. in de begeleidende muziek aangeeft. 

Voegen wij hierbij nog een presenteerblad met de noodige 
koffie, gebakjes, sirihpruimen en strootjes, alsmede een bam- 
boezen tangetje of knijpertje, waarmede de blentjong gesnoten 
wordt, dan hebben wij zoo wat alles opge- 
somd, wat de dalang noodig heeft, om aan 
den gang te gaan. 

Hij laat zich trouwens niet lang wachten 
en is weldra bezig de verschillende wajang- 
poppen uit de kotaq voor den dag te halen 
en aan de uiteinden der gëdëbogs op te 
stellen, door ze er eenvoudig in te steken, 
want deze lederen figuren zijn geklemd in 
gapits of gespleten hoornen stokken , die in 
een scherpe punt eindigen '). 

Zooals wij zien, is de dalang begonnen 
met midden voor het scherm een bladvor- 
mig, fijnuitgesneden ornament of figuur, dat een bosch of 
këkajon voor moet stellen, te plaatsen, en dat evenals het 
gordijn bij onze opera's en comedies telkens gebezigd wordt 




Gapit wajang. 



i) Deze gapits worden ook wel tjëmpoerit's genoemd. 



Këkajon. Wajangkiwa. en -tënf?ën. 



om den aanvang van een nieuw bedrijf in het opgevoerd wor- 
dende stuk aan te kondigen. 

Voorts merken wij op, dat de dalang de wajangpoppen in 
twee groepen verdeelt, waarvan de rechtsche de zoogenaamde 
wajang tëngën (ringgit tënggn) en de linksche de wajang- of 
ringgit-kiwa bevat. De eerste groep wordt gevormd door die 
poppen, welke in het op te voeren tooneelstuk de winnende 
partij zullen uitmaken en overigens door de hoedanigheden en 
deugden der personen , die zij moeten voorstellen , in hoog aan- 
zien staan, de tweede, door de meestal verliezende partij. 

Wat den vorm enz. dezer poppen betreft, hiervan zullen 
wij ons door eene nadere beschouwing van een paar daarvan 
op de hoogte trachten te helpen. 

Zie, hier hebben wij den vorst van Dwarawati, den met 
bovennatuurlijke en goddelijke macht begaafden raadsman, 
bloedverwant en vriend der Pandawa's of der afstammelingen 
van Pandoe, vorst van Gadjah-oja of Astinapoera. 

U de duizend namen van den god Wishnoe, wiens achtste 
incarnatie wij hier afgebeeld zien, opgeven, zoude ons te ver 
leiden, doch geen kwaad kan het voorzeker, wanneer wij u 
mededeelen , dat de vorst van Dwarawati , een der meest geëerde 
figuren uit den Wajangpoerwa , o. a. ook bekend is als Krësna , 
Praboe Krësna, Wishnoemoerti , Arimoerti, Madoesëdana, Dja- 
gannata of Djagadnata, Narajana, Kesawa, Padmanaba, enz. 
en vele dicht- en andere stukken aan hem gewijd zijn. 

Het is dan ook een prachtige figuur en een groot heer, die, zijner 
goddelijke macht bewust, zich, wanneer hij tot het uiterste gedre- 
ven en getergd wordt, aan zijne tegenstanders in schrikwekkende 
gedaanten vertoonen kan en wiens uitgesproken wil alleen reeds 
voldoende is, om al wat hij wenscht uit te roeien , te vernietigen. 

De vervaardiger van deze afbeelding van den grooten en 
machtigen Krësna heeft er zich blijkbaar veel moeite voor ge- 
geven, want het snijwerk van deze wajangpop is fijn en aan 
alles is te zien, dat men er de noodige zorg aan besteed heeft. 
Zie , die kroon of makoeta *) alleen moet den goena-pangrawit *) 
reeds veel moeite hebben gekost. 

1) De kroon der senopati's of hoofd-rij ksgrooten wordt topong genoemd. 

2) Wajangpoppenmaker, ook toekang natah wajang. 



Krësna. 99 

Deze gouden, met allerlei edelgesteenten bezette en van een 
diamanten of brillianten njamat of knop voorziene kroon be- 
dekt het gansche hoofd en grootendeels ook den rijken haardos , 
die in een wrong of gëloeng aan het achterhoofd eindigt en 
door middel van een kostbare kantjing gëloeng of haarspeld 
stevig wordt vastgehouden. 

Ter hoogte van de met oorbellen of anting-anting's behangen 
ooren zijn de mede gouden en met allerlei edelgesteenten ver- 
sierde soemping's , waaraan ontjen's hangen , alsmede de dubbele 
kleppen of badong's aangebracht, die het achterhoofd als de 
uitgespreide vleugels eens vogels beschermen, en waarvan de 
ondersten of buitensten tot achter op den rug nederhangen. 
Aan deze kroon vindt men ook de djamang's of kleinere pla- 
ten, die haar als zoovele kostbare schubben bedekken. 

Het naar de toenmalige indische hofgebruiken naakt gelaten , 
zwartblauwe bovenlijf, welks kleur eene verklaring geeft voor 
den naam Krësna, die zwart beteekent, is behangen met een 
rijkversierde halsketting '), die tot op den gordel neerhangt. 
De bovenarmen dragen mede een paar këlat's-bahoe of gouden 
armbanden, terwijl wij verder aan de polsen dergelijke versier- 
selen zien*, die hier den naam hebben van gëlang's-nata-asmara. 
De onder de oksels doorgehaalde, gouden tressen of tali's 
(tangsoel's) badong , dienen ter vasthouding van de vorenbedoelde 
achterhoofds-kleppen. Het benedenlijf is behalve door een rijk- 
gebloemden broek of tjëlana nog gedekt door het lange been- 
kleed, dat kampoeh of dodot heet, en in zijne plooien achter 
aan den gordel de këris of wankingan verbergt. Ook de enkels 
zijn voorzien van gouden met edelgesteenten bezette banden, 
die gelang sikil, gelang soekoe of krontjong worden genoemd, 
doch de voeten zijn ongeschoeid, ofschoon het gebruik van 
sandalen of tjëripoe's en sloffen of tjënela's toen ten tijde zeker 
ook niet onbekend was. 

De tweede figuur, die wij u nog ter beschouwing aanbieden, 
is die van den reuzenvorst van Alëngka of Ngalëngka, bekend 
onder de verschillende namen van Rawana, Dasamoeka, Pan- 
tigriwa, enz., den geduchten vijand van Rama, vorst van 

1 Kaloeng. 

341254B 



100 Kleeding enz. der wajangpoppen. 

Ajodya of Ngajodya, de zevende incarnatie van den god Wishnoe. 

Ook hij draagt een makoeta, waaraan djamang's, soemping's 
badong's zijn, oorhangers of anting-anting's, een kantjinggëloeng 
in den vorm van een draak of naga, een paar këlats-bahoe , 
badong-tressen en een kaloeng, terwijl zijne polsen versierd zijn 
met armbanden, die gëlang's tjondra-kirana heeten. 

Het gekrulde hoofdhaar, ramboet of rema , hangt gedeeltelijk 
los om den hals en het aangezicht, waaraan ook een forsche 
knevel en volle baard of een brëngos en godeg te zien zijn. 

Het voor de bovenhelft mede geheel naakte, roode of rood- 
koperkleurige lichaam is over het benedengedeelte gedekt met 
of door een dodot of kampoeh, welks lange slippen of oeloer- 
oeloer's over den grond sleepen, en door een gebloemd zijden 
tjëlana. In den gordel of saboeq steekt verder een këris, die 
ook hier grootendeels verborgen is onder en tusschen de breede 
plooien van den dodot. 

Zooals gij ziet, komt de kleeding der verschillende manne- 
lijke personages, behoudens eenige kleine wijzigingen in de 
haardracht, die bijv. bij Angkawidjaja , den zoon van Ardjoena 
ons een loshangenden bos of bundel laat zien , ramboet ka-oe-re , 
en bij andere bambang's ^) in een langen , dikken , omhoog- 
gewerkten tres of gSloeng soepit-oerang *) eindigt , enz. vrij wel 
met elkander overeen. 

Ook de kleeding der vrouwen verschilt over het algemeen 
bij de eenen niet veel met die bij de anderen, want allen 
hebben zij heur haar in een gëloeng opgehouden, die bij de 
schoone Soebadra of Sëmbadra wel is waar gëloeng bokor heet , 
omdat deze haarwrong een ronden vorm heeft, evenals de bokor 
mëngkoerëb en de gëloeng këling, die als variaties daarvan 
kunnen worden beschouwd, en bij de andere dames gëloeng 
sanggoel wordt genoemd, omdat zij in een bijzonderen knoop 
eindigt, naar den vorm waarvan de sanggoel onderscheiden 
wordt in de boloran, de parekarantan , enz. 

In deze geloeng's steken ook rijk met juweelen bezette kan- 



1) Bambang is de benaming, gegeven aan zonen ot leerlingen vanpandita*s 
of kluizenaren, maar woixlt ook niet zelden gebruikt voor vorstenzonen. 

2) Of sinoepit-oerang. 



Kleeding enz. der wajangpoppen. iOl 

tjing's ggloeng, terwijl de ooren, armen en polsen mede ver- 
sierd zijn met kostbare anting-anting's of oorhangers, die als 
vrouwelijke sieraden meer bijzonderlijk soewëng's of sëngkang's 
heeten, met këlat's bahoe en met gëlang^s, en om den blooten 
hals ook een rijke kaloeng hangt. 

Het bovenlijf is gedeeltelijk gedekt door een borstkleed van 
fijne en kostbare stof, dat këmbën of kasëmëqan wordt ge- 
noemd en coquet den schoonen boezem aan het onbescheiden 
oog onttrekt. 

Het kleed, dat de heupen en beenen omsluit, heet als klee- 
dingstuk eener vrouw eigenlijk tapih, doch wordt naar de bij- 
zondere wijze, waarop het bij de hoftenue gedragen wordt, 
ook wel dodot of kampoeh genoemd. 

Zooals gij verder ziet, dragen déze dames ook gëlang's om 
hare enkels , terwijl de prinses Sëmbadra bovendien nog een 
sjaal of samir draagt, die eventueel ook als sluier dienst kan 
doen. Dat hare vingers verder met kostbare ringen versierd en 
de fijne kleine nagels daarvan rooskleurig geverfd zijn, behoeft 
u voorzeker niet te worden gezegd. 

Doch genoeg; gij hebt nu reeds een idee van de verschil- 
lende wajangpoppen, die gij straks ten tooneele gevoerd zult 
zien. Alleen moeten wij u nog mededeelen , dat het op javaan- 
sche wijze gelooide leder gewoonlijk nog in eenigszins vochti- 
gen staat, geklopt wórdt met zware houten hamers of gandens, 
om er de vereischte dunte en stevigheid aan te geven , alsvorens 
de wajangmaker zijne verschillende soorten van groote en kleine 
beitels er in zet. *) 



1) Voor het vervaardigen van wajangpoppen wordt gewoonlijk bufielleder ge- 
bezigd. De versche, natte hutd wordt strak over een bamboezen raam of plan- 
tangan gespannen en na behoorlijke droging met een pangot of kort mes ge- 
schrapt en van de daarop zittende haren bevrijd. Daarna wordt het vel berookt , 
om de daarin nog aanwezige vetdeelen te verwijderen. Is deze bewerking afge- 
loopen, dan plaats de wajangpoppenmaker er zijn model op en trekt op het 
leder de figuur na door middel van een metalen stiftje, dat oentoewalang wordt 
genoemd. Hierna snijdt hij de pop uit, die lakaran beet, en nadat zij geheel 
bewerkt en uitgebeiteld is [waartoe de tatah wajang (d. i. wajang-beitel), de 
pandoean (d. i. het houten aanbeeld , waarop de uitbeiteling geschiedt) en de gan- 
den (d. i. het houten hamertje) gebezigd worden] gëbingan wordt genoemd. 
Deze gëbingan wordt verder gepolijst door middel van rampëlas-bladeren (Ficus 




102 Het maken van wajangpoppen. Tjëmpoerit. 

Wat de armen dezer poppen betreft, deze zijn wel oneven- 
redig lang, maar, zooals gij ziet, misstaan zij toch niet. Bui- 
tendien is die lengte noodig , om daaraan de ver- 
schillende bewegingen te kunnen geven, die de 
positie der poppen gedurende het spel medebrengt 
en door middel van hoornen stokjes of tjëmpoe- 
rit's ') daaraan worden medegedeeld. 

Dat verder de kleuren, verguldsels enz. dezer 
poppen, die soms zelfs met echte diamanten en 
andere edelgesteenten bezet zijn, afhangen van de 
meerdere of mindere gegoedheid, den rang, enz. 
van den bezitter, behoeft mede geen betoog. 
Na u aldus op de hoogte te hebben gebracht 
Tjëmpoerit ^^^ hetgeen bij eene wajangvertooning zoo al noo- 
dig is, kunnen wij gevoegelijk overgaan tot de 
vraag aan den dalang , die juist op 't punt staat van te begin- 
nen, voor welk stuk uit den wajang-poerwa hij onze attentie 
verzoekt. 

Hoor, hij antwoordt ons, dat hij den lakon Mintaraga op 
zal voeren en geeft ons daarbij tevens te kennen, dat deze 
naam Mintaraga eene afleiding of verbastering is van het sans- 
krit Witaraga, dat bevrijd van hartstochten beteekent. Deze 
verklaring, waartoe het gros der dalang's niet in staat is, doet 
ons dezen wajangvertooner kennen als iemand, die er meer 
werk van schijnt gemaakt te hebben dan verreweg het grootste 
deel zijner collega's, wier intellect gewoonlijk op geen hoog 
peil staat. 

De meeste dalang's toch zouden u op uwe vraag naar de 
beteekenis van den naam Mintaraga antwoorden, dat minta 
verdeelen, afscheiden enz. beteekent, en raga: lichaam, meer 
bepaaldelijk geestelijk lichaam, ziel beduidt, zoodat de samen- 
gestelde naam Mintaraga volgens hen dus de beteekenis zoude heb- 
ben van : afscheiding der ziel van het stoffelijke, aardsche omhulsel. 



ampëlas) en ten leste wit gemaakt door middel van asch van beenderen enz. 
en lijmwater. De aldus afgewerkte pop komt dan bij den pënjoengging wajang 
(d. i. verver van wajangpoppen), die de pop na het verven en vergulden tus- 
schen twee met dik linnen of dril bekleede planken enz. (ebleq's) plet. 
1) Ook wel toeding wajang geheeten. 



Mintaraga. De mythologie. 103 

Sommigen gaan nog verder en verwarren zelfe het javaan- 
sche minta met het maleische minta, dat vragen, verzoeken 
beduidt, zoodat hunne verklaring dan neerkomt op: het vragen 
eener ziel of iets dergelijks! 

Intusschen heeft onze dalang Het bij 't rechte eind, want de 
naam Mintaraga doelt werkelijk op het schoone en hooge* stre- 
ven, dat den rechtgeaarden mensch bezielen moet, nl. : de 
zucht naar volmaking! dus op dien staat van volkomen rust, 
waartoe de mensch door een sterk bedwang zijner hartstochten , 
door volstrekte onthouding van alle zinnelijke genietingen en 
door ona%ebroken wijsgeerige bespiegelingen, overdenkingen en 
gesprekken geraken kan en die volgens de hindoesohe leer het 
ideaal vormt van den waren geloovige. 

Wat de intrigue van den Mintaraga betreft, deze kunnen 
wij u gelukkig mededeelen , doch alvorens daartoe over te gaan , 
achten wij het niet ondienstig om u, ten einde u een beter 
begrip daarvan te doen krijgen, vooraf te herinneren, wat wij 
onder mythologie verstaan. 

De mensch, het hoogst bewerktuigde wezen der schepping, 
is volgens Pascal ^ blijkbaar geschapen om te denken en in 
dat denkvermogen ligt volgens genoemden geleerde zijn geheele 
waardigheid, zijne geheele verdienste. 

In hoeverre deze laatste stelling vooral onwederlegbaar juist , 
dan wel slechts een paradox is, willen wij thans niet verder 
onderzoeken. Het is ons genoeg te weten, dat de mensch wer- 
kelijk reeds van het oogenblik af zijner eerste verschijning op 
het wereldtooneel een merkwaardig waarnemingsvermogen toont 
te bezitten, dat te scherper is en wordt naar mate dat het 
hem aangeboren doorzicht en denkvermogen zich duidelijker 
openbaren, — dat het hem aangeboren verstand zich ontwik- 
kelt en in beteekenis en waarde toeneemt. 

De ontwikkeling van het menschelijke verstand en daarmede 
en daardoor ook die van het menschelijke geslacht wordt ons 
geleerd door de geschiedenis der beschaving en hare verschil- 
lende takken, als: de kennis der talen, der zeden, gewoonten 



i) Blaise Pascal, fransch wiskundige en wijsgeer, geboren te Glermont den 
19 Juni 1623, gestorven te Parijs den 19 Augustus 1662. 



104 Phydsche mythe. 



en gebruiken, der nijverheid, der ontdekkingen, kunsten en 
wetenschappen, van den godsdienst en den staat, van de wet- 
geving, enz. enz. 

Het oudste deel, of liever, het uitgangspunt nu dier ge- 
schiedenis is de mythologie 9 d. i. de kennis van de eigenaar- 
dige godsdienstbegrippen der onderscheidene volken der oudheid 
en ook van den tegenwoordigen tijd en de verklaring van 
hunne denkbeelden omtrent God en goddelijke wezens *) , in 
't kort de leer der godheden en der fabelachtige helden der 
oudheid. 

In de mythen en de zich later daaruit ontwikkeld hebbende 
sagen toch openbaart zich het gemoedsleven van den mensch 
en is het hem aangeboren vermogen kenbaar, dat hem onder- 
scheid doet maken tusschen al wat boven hem verheven is en 
beneden hem staat, dan wel een en hetzelfde standpunt met 
hem inneemt, en dat in zijne zuiverste zedelijke uiting door 
ons het godsdienstig gevoel wordt genoemd. 

Reeds bij de minst ontwikkelde volken doet zich dit gods- 
dienstig gevoel kennen in en uit de vereering en den dienst 
der natuurkrachten. 

Geen wonder trouwens! 

De eerste menschen op onze aarde toch leidden een zwervend 
herdersleven te middeii der oerwouden, waarmede de oude 
wereld bedekt was, en van de thans grootendeels niet meer 
bestaande levende gedrochten , die onzen aardbodem in die over- 
oude tijden bevolkten. 

They knew the effects of heat and cold, rain and drought 
upon their crops and herds, and they marked the influence of 
warmth and cold, sunshine and rain, wind and storm upon 
their own personal comfort. They invested these benign and 
evil influeuces with a personality, and behind the fire , the sun , 
the cloud and the other powers of Nature they saw beings, 
who directed them in their beneficent and evil operations. To 
these imaginary beings they addressed their praises and to them 
they put up their prayers for temporal blessings. They observed 
also the movements of sun and moon, the constant succession 



i) J. H. V. Dale: Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal. 



Physische mythe. 105 



of day and night, the intervening periods of inornandeve,and 
to these also they gave personalities , which they invested with 
poetical clothing and attributes. Thus observant of Nature in 
its various changes and operations , alive to its influences upon 
themselves, and perceptive of its beauties, they formed for 
themselves deities in whose glory and honour they exerted their 
poetic faculty. They had no one god in particular , no superior 
deity guiding and controlling the rest, but they paid the tri- 
bute of their praise to the deity , whose bounties they enjoyed , 
or whose favours they desired for bodily oomfort. They lauded 
also in glowing language the personifications of those beauties 
of Nature which fiUed their minds with delight and kindled the 
poetic fire. So each of the deities in turn received his meed of praise, 
and each in his tum was the powerful god , able to accomplish 
the desires of his votary ör to excite a feeling of awe or admiration. 

Thus there were many distinct deities and each of them had 
some general distinctive powers and attributes; but their attri- 
butes and characters were frequently confounded, and there 
was a constant tendency to elevate now this one, now that one 
to the supremacy and to look upon them as the Great Power. *) 

Ja! In den strijd tegen de elementen in de natuur werden 
die menschen zich ook hunner kracht bewust, leerden zij ook 
die verschijnselen, krachten en machten waarnemen, onderschei- 
den en rangschikken, waarmede zij dagelijks en in de eerste 
plaats te maken hadden. 

De werking dier natuur- en andere krachten , vooral der eer- 
sten , die meest geen duidelijk zicht- en tastbare oorzaken heb- 
ben, moest door die eenvoudige, weinig ontwikkelde menschen 
als van zelf worden toegeschreven aan met wil begaafde, ver 
boven hen staande wezens, die naar gelang dat hunne verrich- 
tingen of uitwerkselen goed of slecht waren , ook als weldadig 
of vijandig werden beschouwd. 

Eene voorstelling van deze wezens kon men zich echter moei- 
lijk vormen , zonder den mensch tot voorbeeld te nemen voor 
de gedaante der verschillende godheden, die men zich schiep 



1) Introduction to the Classical Dictionary of Hindumythology and religion, 
etc. by John Dowson. 



106 Ethische mythe. 



of uitdacht. Dit overnemen der menschelijke gedaante moest 
natuurlijkerwijze ook tengevolge hebben, dat men aan die god- 
heden een menschelijken oorsprong en menschelijke lotgevallen 
toekende , terwijl hunne onverpoosde werkzaamheid in de natuur 
verder aanleiding gaf, dat men aan die goden het bezit van 
het voorrecht der onsterfelijkheid toeschreef! 

Deze oudste, aan de beschouwing der natuur ontleende my- 
then worden de physische genoemd. 

Daaruit ontwikkelde zich langzaam aan de ethische mythologie. 

Elk der goden en godinnen der physische mytjie toch ver- 
tegenwoordigde een bepaalde kracht, had een bijzonderen ka- 
raktertrek. Daaruit of daarmede alleen kon men het beeld van 
zulk eene godheid echter niet voltooien. Men bouwde er dus 
op voort, gaf aan de godheid, die zich in de natuur als de 
krachtigste, de machtigste kennen deed, den voorrang, en 
voegde dezen een stoet van mindere godheden toe, die naar 
gelang van hare verrichtingen en uitwerkselen een hoogere of 
lagere plaats in de rij der goden innamen, en medewerkend 
en helpend, dan wel vijandig genoemd werden ten opzichte van 
den uitverkoren oppergod. 

Niettegenstaande dat deze voorstellingswijze reeds meer men- 
schelijks in zich bevatte, en meer in overeenstemming gekomen 
was met de toenmaals zich langzamerhand reeds ontwikkelende 
patriarchale instellingen der oude wereld, bleef men daarbij toch 
het denkbeeld nog aankleven, dat die goden en godinnen 
hoogere wezens waren, die door hunne natuur, eigenschappen 
en vermogens het lot der menschen beheerschten ! 

Deze voorstellingswijze wordt de ethische mythologie ge- 
noemd. 

Lang kon zij echter niet op hetzelfde standpunt blijven. 

Et pour cause! 

Met de ontwikkeling van het menschdom toch moesten de 
vereering van en het geloof in die godheden gelijken tred hou- 
den en zich op den duur wel wijzigen. 

De god , die als opperheer in het rijk der goden werd aan- 
gemerkt en vereerd, verkreeg allengs den vorm en de attribu- 
ten van een menschelijken vorst op aarde, en zoo werd het 
geheele godendom zachtjesaan begiftigd met menschelijke eigen- 



De sage. Het Indisch tooneel. 107 

schappen, deugden en zwakheden, en eindelijk geheel tot de 
menschelijke wereld teruggebracht. 

Aldus ontstond de sage, de met fabelen en wonderbaarlijke 
voorvallen opgesmukte geschiedenis der helden uit de oud- 
heid, — het derde en misschien meest uitgewerkte en belang- 
rijkste gedeelte der mythologie, waarin de oudste volken onzer 
aarde al hun denken en gevoelen, al hunne voorstellingen heb- 
ben neergelegd, en dat alzoo het geheel vormt van hunne 
toenmalige wetenschap en zedeleer! 

Tot deze oudste volkeren behooren de Hindoes ot Ariërs, 
aan wie, zooals ons «bekend is, onze Javanen de eerste zaden 
van beschaving te danken hebben en die hier met hunne rijke 
literatuur ook de liefde voor het tooneel hebben overgebracht. 

Het indisch tooneel stelt zich tot taak, in den volsten zin 
des woords een getrouw, hoewel min of meer geidealiseerd 
beeld van het menschelijke leven te zijn, van het leven in al 
zijne wisselvalligheden en contrasten. En gelijk in de werke- 
lijke wereld ernst en luim , vreugde en smart gestadig elkander 
afwisselen, ruimen ook de dichters zoowel aan 'teen als aan 
't ander in hunne levensbeelden eene plaats in. Van daar, dat 
het zelfs in de ernstigste stukken soms niet aan luimige zetten 
en lustige personaadjes ontbreekt *). 

Deze tooneelstukken behooren voornamelijk tot het gebied 
der hindoesche mythologie, die zoozeer in den geest viel van 
en zoozeer paste bij het kinderlijk-geloovig karakter van den 
Javaan , dat zij al spoedig als op Java zelf ontstaan beschouwd 
en geheel op javaanschen voet geschoeid werd. 

Bij de overzetting echter van het sanskrit in het javaansch 
veroorloofden de verschillende javaansche schrijvers, die er zich 
mede onledig hielden en blijkbaar niet allen en niet altijd 
even goed op de hoogte waren van de taal der Hindoes, zich 
verklaringen en uitleggingen op hun eigen houtje, waardoor 
de javaansche vertaling dikwijls niet weinig verschilt met den 
oorspronkelijken hindoeschen tekst. Daarbij nam men de vrij- 
heid de in die verhalen genoemd wordende landen enz. op Java 
over te plaatsen en de daarin vermelde personen als op Java 



i) Inleiding op Kalidasa^s Qakuntala door Dr. H. Kern. 



i08 Intrigue van den lakon Mintaraga. 

handelend voor te stellen. Intusschen is in deze javaansche 
overzettingen en de daaruit verder opgestelde wajangverhalen 
in hoofdzaak de handeling, de leidende gedachte gelukkig be- 
houden gebleven. 

Doch genoeg! 

Het wordt nu tijd, dat wij u met den inhoud van den 
Mintaraga bekend maken, anders zult gij niet in staat zijn, 
den dalang, die bereids met zijn spel begonnen is, behoorlijk 
te volgen. Deze intrigue komt in 't kort op het volgende neer : 

In den Ka-endran, het hemelverblijf van den god Endra, 
zat deze met zijn ouderen broeder Brama en verscheidene min- 
dere godheden of djawata's te beraadslagen over den aanval, 
dien het hemelverblijf of de soeralaja te duchten had van de 
zijde van den ontzagwekkenden vorst van Ima-imantaka , den 
reus Niwata-kawatja , wiens ontelbaar reuzenheir bereids de 
vier hemelstreken rondom het godenverblijf bezet hield, en over 
de maatregelen, die in deze netelige positie dienden te wor- 
den genomen. 

De god Endra was te meer over dezen dreigenden aanval 
bezorgd, daar hij niet alleen niet wist, hoe en door wien dezen 
te doen keeren, maar daarbij ook niet onbekend was met de 
omstandigheid, dat Niwata-kawatja onkwetsbaar was, althans 
op de buitenoppervlakte van zijn lichaam geen enkel plekje, 
hoe klein ook, had, waardoor een wapen heen kon dringen. 

Wel herinnerde Endra zich, dat de god Siwah eens gezegd 
had, dat Niwata-kawatja eenmaal toch vallen zoude en wel 
door de hand van een menschenzoon , die door strenge onthou- 
ding en zelfkastijding, door een voorbeeldig ascetisch leven zich 
bovennatuurlijke macht zoude verwerven , doch hoe deze asceet 
genaamd was en waar hij gevonden moest worden, zie, dat 
wist de goede, bezorgde Endra niet. 

Nu hield zich op dat moment op den tot het godenrijk be- 
hoorenden Endra-kila *) wel toevallig een kluizenaar op , maar 
of deze de door Siwah bedoelde was en wat hij eigenlijk met 
zijne boetedoening voor had, dit wist niemand te zeggen. 

Echter kon dit wel nader worden onderzocht, in de eerste 



i) Een heilige berg, de berg van Endra (Indra), de berg Mandara. 



Intrigue van den lakon Mintaraga. 109 

plaats door zijne standvastigheid op de proef te stellen. Hield 
de asceet, die Sang Parta werd genoemd, zich goed, dan had 
men hier wellicht met den door Siwah bedoelden menschenzoon 
te doen, en zoude men eventueel ook op zijne reddende hulp 
tegen den gevaarlijken vijand kunnen rekenen. 

Aldus werd besloten, en, nadat hij Brama verzocht had, 
om met de djawata's van den Ka-endran den eersten aanval 
des vijands te keeren, begaf de god Endra zich naar het ver- 
blijf der hemelnimfen Soepraba, Wil-oetama, Warsiki, Soeren- 
dra en Gagarmajang, aan wie hij, na hare uitstekende schoon- 
heid geroemd en daardoor hare eerzucht en eigenliefde niet 
weinig geprikkeld te hebben, den last gaf, zich onmiddelijk 
naar den kluizenaar op den Endrakila te begeven en te be- 
proeven, dezen te verleiden. 

Terwijl de god Brama en de zijnen de door de reuzen Kala- 
sonja en Kala-oêtara aangevoerde danawa's ^) van Ima-imantaka 
tegemoet trokken en eindelijk geheel versloegen , begaven voren- 
genoemde vijf nimfen zich op weg naar den Endra-kila. 

Ter plaatse aangekomen , besloten zij , vermoeid als zij waren , 
zich , alvorens den kluizenaar te naderen , vooraf door een heer- 
lijk bad te verfrisschen in een spiegelhelder meertje, dat zij er 
vonden , en -spraken zij verder met elkander af, dat ieder harer 
na het bad verschijnen zoude in de gedaante van een der alom 
geroemde schoonheden uit de toenmalige menschelijke wereld. 

Zoo verscheen Soepraba in de gedaante der schoone prinses 
Soebadra, Wil-oetama in die der niet minder bevallige prinses 
Manohara , Warsiki in die der even verleidelijke prinses Oeloepi , 
Soerendra in die der om hare uitstekende schoonheid niet min- 
der geroemde prinses Oandawati, en Gagarmajang eindelijk in 
die der mede door hare lieftalligheid schitterende prinses Sr'ikandi , 
alle schoonheden van den eersten rang, wier weêrgaden op de 
toenmalige wereld nauwelijks te vinden waren. 

Aldus begaven zij zich een voor een naar de grot, waar de 
bewuste, zeer schoone kluizenaar, na zijne volgelingen of pana- 
kawan's, Sëmar, Petroeq en Nalagareng, die hem hadden op- 
gezocht, te hebben weggezonden, zich juist in de behoorlijke 

1) Reus. 



110 Intrigiie van den lakon Mintaraga. 

positie had gesteld van den ernstig boetedoenden asceet en zich 
opnieuw had verdiept in zijne godsdienstige overpeinzingen en 
gebeden. 

Beurtelings vertoonden zich de nimfen voor hem, doch hoe 
verleidelijk schoon zij er ook uitzagen en welke moeite zij zich 
ook gaven om zijne aandacht te trekken, niets hielp; de asceet 
liet zelfs niet blijken , dat hij hare tegenwoordigheid opmerkte ! 

Het eenige gevolg van een en ander was , dat de vijf nimfen , 
zelf getroffen door de buitengewone schoonheid van den klui- 
zenaar ten leste op hem verliefden, en eindelijk onverrichter 
zake, maar met van minnepij n kloppende harten naar den god 
Endra moesten terugkeeren, om dezen de mislukking harer 
zending te berichten. 

Deze was, tegen de verwachting der bovenbedoelde nimfen 
in , zeer tevreden over het hem gerapporteerde , en besloot , om , 
ter verkrijging van meerdere zekerheid, daarop zelf de stand- 
vastigheid van den asceet op de proef te gaan stellen, waartoe 
hij zich in de gedaante van een pandita ^) met name Bagawan 
Fadya aan Sang Farta vertoonde. Ook zijne pogingen, om de 
driften van den kluizenaar gaande te maken en dezen daardoor 
in zijne godsdienstige boetedoening te storen , mislukten , waarop 
Endra zijne ware gedaante hernam , en , na den kluizenaar voor 
zijne standvastigheid geprezen en hem aangeraden te hebben, 
aldus voort te gaan, naar den Ka-endran terugtrok. 

Intusschen waren de door Brama en de zijnen verslagen 
reuzen in het rijk van Ima-imantaka teruggekeerd en voor hun- 
nen vorst verschenen. Nadat Niwata-kawatja hen had aange- 
hoord, gaf hij hun den last, om onmiddelijk naar den Ka- 
endran terug te gaan, en in zijnen naam als boete voor den 
hem aangedanen hoon de overgave te eischen van de schoone 
nimf Soepraba. 

Hieraan werd zonder bedenking voldaan, doch bij de hemel- 
poort gekomen werd den zendelingen van Ima-imantaka alwe- 
der de toegang tot den Ka-endran geweigerd, ten gevolge 
waarvan een nieuw gevecht ontstond, waarbij de goden echter 



1) Pandita is de benaming voor gewone kluizenaren, Bagawan. voor die van 
vorstelijke of goddelijke afkomst. 



Intrigue van den lakon Mintaraga. lil 

het onderspit delfden, zoodat zij zich in alle haast naar Endra 
spoedden, om dezen te vragen, wat zij in de gegeven omstan- 
digheden verder doen moesten. 

Endra beval toen, de reuzengezanten voor zijnen troon te 
brengen. Hier vernam hij , wat zij verlangden , waarop hij ver- 
der last gaf, hun de nimf Soeprabasini over te geven. 

De reuzengezanten, niet bemerkende, dat zij werden beet- 
genomen en eene andere hadden gekregen dan de door hunnen 
heer opgeeischte, vertrokken toen tevreden en welgemoed huis- 
waarts. 

Dan, — toen Niwata-kawatja , die zich reeds verblijd had 
in de satisfactie, dat Endra zijn eisch en verlangen niet had 
durven weigeren , de medegebrachte schoone nauwkeurig opnam , 
bemerkte hij, dat hij en de zijnen gefopt waren geworden! 

In zijne gramschap over deze teleurstelling en vernederende 
bejegening riep hij toen een zijner andere poenggawa's *) , met 
name Mamang-moerka , op en gaf dezen bevel , om den tot het 
hemelrijk behoorenden Endra-kila te verwoesten. 

In de gedaante van een overgroot, woest zwijn voldeed Ma- 
mang-moerka aan dit bevel. Het geheele schoone plantsoen op 
den Endra-kila werd door hem onmeedoogend omvergehaald, 
en reeds dreigde hij zelfs den geheelen berg als het ware, 
*t onderste boven te keeren, toen Parta's volgelingen, dezen 
van de verschijning van het woedende zwijn kwamen kennis 
geven. 

Parta, die juist zijne gebeden beëindigd en zijne godsdien- 
stige overpeinzingen gestaakt had, begaf zich toen, met pijl 
en boog gewapend, naar buiten, doch, zonder dat iemand 
zulks had opgemerkt, was tegelijktijdig met hem een ander 
mensch ten tooneele verschenen^ die, mede pijl en boog dra- 
gende, er blijkbaar met hetzelfde doel als Parta gekomen was. 
Deze schoone vreemdeling maakte zich bekend als Bambang 
Kerata-roepa , een zoon van een vorst uit de sabrang of het 
overzeesche. 

Terwijl zij met elkander kennis maakten , verscheen plotseling 
het woeste zwijn. 



1) Poenggawa = rijksgroote, grande 



112 Intrigue van den lakon Mintaraga. 

Fluks waren de pijlen er op afgeschoten en hierdoor getroffen 
viel het ongure dier dood neder. 

Nu echter maakten èn Farta èn Kerata-roepa gelijkelijk aan- 
spraak op het geschoten wild en wilde de een het den ander 
niet a&taan. Hierdoor ontstond een hevige twist en eindelijk 
een gevecht tusschen hen, waarin beiden toonden geen gering 
te achten tegenpartijen te zijn. Op een gegeven moment echter 
gelukte het Farta zijnen tegenstander te grijpen en voordat 
deze er op verdacht was, hem tegen den grond te smakken. 
Bambang' Kerata-roepa verdween, doch in zijne plaats stond 
lachend de god Siwah daar, die Farta's moed op de proef 
hebbende willen stellen, zich in de gedaante van Kerata-roepa 
aan dezen vertoond had. 

Farta of Djanaka bewees den god de eer, die hem toekwam, 
waarop Siwah hem als blijk zijner hooge tevredenheid en inge- 
nomenheid de met wonderkracht begaafde pijl Fasoepati ten 

geschenke gaf, daarbij zeg- 
gende: Deze wonderdadige 
pijl is mijn wapen, dat ik, 
zoo dikwijls ik zulks verkies, 
uit het aan mijn lichaam 
klevende vuil te voorschijn 
kan roepen. Deze Fasoepati 
zij voortaan ook uw wapen, 
doch maak er geen misbruik 
van, want zij is geen ge- 
"°*^* ' woon wapentuig 1 

Onder het uiten dezer woorden had Siwah zich over den 
ontblooten linkerarm gewreven. Onmiddelijk waren daaruit vuur 
en vlammen te voorschijn gekomen, en toen deze uitdoofden 
stond op dezelfde plek een vervaarlijke danawa, gewapend met 
een drietandige pijl, die hij aan Farta overgaf, terwijl hijzelf 
daarna in het lichaam van Farta overging. 

Verder leerde de god Siwah zijnen gunsteling het tooverfor- 
mulier of den Adji Danoerdara, door het uitspreken waarvan 
Farta allerlei geduchte wapenen te voorschijn kon roepen. 

Terwijl beiden nog aanstalten maakten, om heen te gaan, 
ontving Farta door een widadari of apsarase een schrijven van 




Intrige van den takon Mfintaraga. i13 

den god Endra, waarin deze hem naar den Ka-endran opriep. 
Tevens werden hem daarbij gezonden het hoofddeksel of dé 
helm Basoenanda, het schoeisel Batoeka-tjrëma en de buis of 
kolder Antra-koesoema , alle kleedingstukken met wonderda- 
dige eigenschappen bedeeld. 

Parta gehoorzaamde, en ontving bij zijne komst in den Ka- 
endran van Endra den last, om zich gezamenlijk met de nimf 
Soepraba naar Ima-imantaka te begeven en te trachten, er 
achter het geheim der onkwetsbaarheid van Niwata-kawatja 
te komen. 

Op den weg daarheen sprak Parta met Soepraba af, dat deze 
voor zoude geven, dat zij, gedreven door het verlangen, om 
de gemalin van den reuzenvorst te worden, het hemelverblijf 
was ontvlucht en zich nu persoonlijk tot Niwata-kawatja wenschte 
te wenden met het verzoek, dat hij haar als een zijner geliefde 
vrouwen in zijnen kraton ^) op zoude nemen. 

Zoo traden zij den tuin in van het vorstelijk verblijf te Ima- 
imantaka , waar zij de nimf Soeprabasini aantroffen en deze met 
hunne afspraak bekend maakten. 

Terwijl Soeprabasini daarop den vorst Niwata-kawatja de 
vrijwillige komst en bedoelingen van Soepraba berichtte, bleef 
Ardjoena, d. i. Parta, die intusschen van een zijner voorrechten 
en wondermachten had geprofiteerd, om zich onzichtbaar te 
maken , met Soepraba op de terugkomst van Soeprabasini wach- 
ten. Lang werd hun geduld echter niet op de proef gesteld, 
want nauwelijks had Niwata-kawatja Soeprabasini's mededeeling 
vernomen, of onmiddelijk gaf hij bevel zijn vorstelijk slaapver- 
trek te ontruimen en er Soepraba heen te brengen! 

Hier nam hij de schoone nimf op zijnen schoot en streelde 
en minnekoosde haar op de meest veriiefde en wulpsche wijze, 
om ook bij haar de grootste zucht naar het zingenot op te 
wekken. Aan hare afspraak getrouw deed Soepraba van hare 
zijde niet minder , om den wellustigen reuzenvorst in vervoering 
te brengen, zonder hem evenwel meer te gunnen dan zij hem 
geven mocht en wilde, en bracht het door haar gevlei en 
geestig gesnap eindelijk zoover, dat Niwata kawatja in den 

1) Voi^stelijk paleis met al zijn ap- en dependentiën. 



114 Intrige van den lakon Mintai'aga. 

hem gespannen strik viel, en vergetende of niet bedenkende, 
aan welk gevaar hij zich daardoor bloot zoude geven, haar on- 
voorzichtiglijk mededeelde, dat de eenige kwetsbare plek aan 
zijn lichaam was: de top of punt zijner tong! 

Nauwelijks had de onvoorzichtige vorst daardoor als het ware 
zijn doodvonnis geteekend , of fluks had Soepraba zich aan zijne 
wellustige omarming ontrukt en de vlucht genomen. 

De teleurstelling, van Niwata-kawatja was begrijpelijkerwijze 
meer dan groot! 

In ziedenden toom vloog hij woest zijn paleis uit , om Soe- 
praba, die intusschen met Ardjoena en Soeprabasini in alle 
haast naar den Ela-endran was teruggekeerd , achterna te zetten 
en verder den hem aangedanen hoon bloedig te wreken. Gevolgd 
door zijn machtig hcir van schrikwekkende reuzen en andere 
gedrochten verscheen hij dan ook weldra voor de poorteo van 
den Ka-endran, en liet hij onmiddelijk den aanval daarop be- 
ginnen, dien hijzelf bestuurde, gezeten in een vorstelijk rijtuig, 
fonkelende van goud en zilver en allerlei edelgesteenten. 

Ardjoena trok hem met de zijnen tegemoet, en weldra was 
het gevecht algemeen, terwijl de twee legeraanvoerders met 
elkander een kamp op leven en dood aangingen. 

Lang reeds hadden Ardjoena en Niwata-kawatja hunne won- 
derdadige wapenen vergeefs tegen elkander beproefd, toen de 
laatste zijn vervaarlijken ijzeren knots naar zijnen tegenstander 
slingerde. 

Ardjoena ving den zwaren knots behendig op en plaatste 
hem vlug onder den linkerarm. Bij deze manoeuvre moest 
Ardjoena zich natuurlijkerwijze wel een weinig bukken. 

Hierdoor werd Niwata-kawatja misleid, en in de meening 
verkeerende, dat hij zijn vijand had zien wankelen en deze dus 
doodelijk getroffen moest zijn, gaf hij onvoorzichtig aan zijne 
woeste vreugde lucht door het onder het uitvoeren van allerlei 
sprongen en bewegingen uit te gieren van pleizier, omdat het 
hem, zooals hij dacht, eindelijk gelukt was, zijnen machtigen 
tegenstander onschadelijk te maken! 

Dat hij daarbij zijn vervaarlijken muil opende en daardoor 
zijne kwetsbare tong bloot gaf, was geen wonder, evenmin als 
het verbazing behoeft te wekken, dat Ardjoena handig daar- 



Beteekenis van dezen lakon. 115 



vap gebruik maakte, om den Pasoepati te spannen en in Ni- 
wata-kawatja's tong te jagen. 

Met een zwaren plof viel Niwata-kawatja dan ook dood neder. 
Door den dood van hunnen machtigen vorst was weldra ook 
het lot der reuzen van Ima-imantaka beslist. Na een hevigen 
strijd, waarin zij zich dapper weerden, werden zij allen ver- 
slagen ! 

Aldus eindigde de gevaarvolle aanval van Niwata-kawatja 
door de gelukkige tusschenkornst van Ardjoena ten voordeele 
van Endra. 

Ardjoena werd voor zijne hulp door Endra niet alleen met 
wondermacht begiftigd, maar ook onder den naam van Praboe 
Kaliti verheven tot vorst van den Soeranadi met het recht om 
zijnen zetel te vestigen te Tendja-maja , het verblijf der herael- 
nimfen. 

Ook de god Siwah liet hem door de nimf Mahenaka zijne 
hooge tevredenheid betuigen en een geschenk aanbieden van 
zeven widadari's, zoodat deze geschiedenis dus tot aller genoe- 
gen eindigde! 

Ziedaar in 't korfr de inhoud van den lakon , dien de dalang 
bezig is aan zijn auditorium ten beste te geven. 

oppervlakkig beschouwd bevat dit eenvoudige , geen of bijna 
geen treffend moment aanbiedend verhaal zeker weinig bijzon- 
ders 3 weinig aantrekkelijks, en moet het ons wellicht zelfs in 
menig opzicht tegenvallen, doch beschouwen wij het uit het 
standpunt der mythologie en zedeleer, dan verkrijgt de Minta- 
raga een dieperen zin, een grootere waarde en beteek enis, 
waardoor deze lakon wel en ten volle onze aandacht verdient. 

Als physische mythe toch geeft de Mintaraga ons eene figuur- 
lijke voorstelling van den strijd der verschillende elementen in 
de natuur. 

Waar het levenwekkend en levenaanbrengend , onderhoudend 
beginsel, vertegenwoordigd door den god Endra in zijnen strijd 
tegen het verwoestend element, dat wij in Niwata-kawatja, de 
incarnatie van de godin Kali of Doerga, de godin des doods 
en der verwoesting, verpersoonlijkt zien, het onderspit dreigt 
te delven, daar is een kleine versterkende sprank, een bijna 
niets beteekende kracht in den vorm van den nietigen men- 



116 Beteekenis van dezen lakon. 

schenzoon Ardjoena reeds voldoende, om het uitdoovende vuur 
des levens weder aan te wakkeren, om den bijna afgebroken 
levensdraad weder hecht te maken! Welk een diepe zin ligt 
in die voorstelling , — hoe schoon ontwikkelt zich in dit oogen- 
schijnlijk smakelooze en lafiFe verhaal de diepdenkende mensche- 
lijke geest! 

Want, om slechts een enkel voorbeeld uit ons dagelijksch leven 
aan te halen, waarop deze beschouwing toepasselijk is: hoe 
dikwijls wanen wij ons aan de stervenssponde eens geliefden 
zieke, terwijl toch een ons onbekende, wellicht zelfs betrekke- 
lijk nietige oorzaak of kracht ons verdriet in vreugde, onze 
angst in hoop veranderen, en den bijna afgerolden levensdraad 
weder verlengen kan van den persoon, dien wij reeds voor ons 
verloren dachten en beweenden! 

Als ethische mythe vergunt ons dit verhaal verder den gang 
te volgen van den voortdurenden strijd , dien het wettig gezag , 
neergelegd in den persoon van Endra tegen den overmoedigen 
onwil, den kwaden geest van het verzet en van het ruwe ge- 
weld, dat wij in Niwata-kawatja terugvinden, te voeren heeft, 
en waarin het dikwijls te kort zoude schieten, indien het niet 
te beschikken had over eene veelvermogende macht en kracht, 
die, voorgesteld in de gedaante van den betrekkelijk zwakten 
mensch Ardjoena niets anders is dan het geduld, de lankmoe- 
digheid, de volharding, de standvastigheid, waardoor en waar- 
mede alleen een goed, rechtvaardig en rechtgeaard bestuur zich 
dikwijls handhaven of staande houden kan ! 

En voorwaar! hoevele schoone bladzijden uit de geschiedenis 
der volkeren van onzen aardbodem zijn niet daar, om ons te 
leeren, dat zedelijk overwicht, kalme vastberadenheid en be- 
daard overlegd vaak meer vermogen dan ruw geweld en woeste 
kracht! 

Doch schooner nog dan dit alles is de verborgen beteekenis 
van den Mintaraga, wanneer wij dezen lakon uit een zedekun- 
dig oogpunt beschouwen. 

In den god Endra, den beschermer en onderhouder van het 
firmament, zien wij het goede beginsel verpersoonlijkt; in den 
woesten Niwata-kawatja de personificatie van het kwaad. De 
strijd tusschen het goede, het goddelijke, het verhevene en het 



Beteekenis van dezen lakon. ^ 117 

slechte, het zondige, het lage wordt ons hier figuurlijk en aan- 
schouwelijk voorgesteld. Daarbij wordt ons tevens ten duide- 
lijkste aangetoond, hoe rechtgeaardheid, standvastigheid, en 
onwrikbaar vertrouwen en volhardend geloof in al wat goed, 
edel en rechtvaardig is, zooals ons door het ascetisch leven van 
Ardjoena op den Endrakila en de gevolgen daarvan wordt ge- 
leerd, vroeg of laat naar gelang der omstandigheden steeds de 
overhand moeten krijgen en behouden boven al wat in onze 
wereld , in ons maatschappelijk zijn en leven slecht of kwaad heet. 

Dat de zedelijke strekking van dit verhaal is: den mensch 
te leeren, zich door zelfbeheersching, door zelfkennis en door 
de bedwinging zijner hartstochten het hooge standpunt waardig 
te maken, dat hij in de schepping inneemt, wordt ons ook 
duidelijk gemaakt door de hoofdnamen, die daarbij voorkomen. 

De titel Mintaraga toch wijst reeds aan, dat het verhaal 
eene uiteenzetting moet behelzen van de wijze, waarop de zon- 
dige mensch zijne hartstochten moet leeren kennen en beheer- 
schen, om te kunnen geraken tot dien hoogen graad van zede- 
lijke kracht en macht, die de grens der volmaking nadert en 
haar hoogste en grootste glorie vindt in de overwinning op de 
ondeugden en zwakheden, die zijn bestaan ontsieren! 

En hoe schoon, maar tevens hoe scherp en schril komt in 
dit verhaal de tegenstelling uit tusschen het verhevene, het 
goddelijke, dat wij opmerken in Endra, de personificatie van 
den edelsten en hoogsten vorm der menschelijke goede eigen- 
schappen en deugden, en het ruwe, het zondige, dat door 
Niwata-kawatja wordt voorgesteld, vooral wanneer wij ook weten, 
dat deze samengestelde Sanskritnaam niets anders beteekent dan 
besloten in of beschermd door een ondoordringbaar pantser! 

Kan men zich schoener, diepzinniger voorstelling denken of 
vormen van het beeld der ondeugd dan Niwata-kawatja met 
zijne kwetsbare tong? 

De ondeugd, het kwaad in de gedaante van den vervaarlij- 
ken , gepantserden reus is het afschrikwekkende beeld der zonde 
met hare vreeselij ke gevolgen, die, hoe oogenschijnlijk vast- of 
diepgeworteld ook, toch haar zwak punt heeft, evenals Niwata- 
kawatja in zijne kwetsbare tong een doodelijke plek had! 

Want, hoe verstokt de zondaar ook zijn moge, — hoe on- 



118 ' Beteekenis van dezen lakon. 

verbeterlijk in het kwaad verhard hij ook moge schijnen, toch 
is hij nooit geheel onvatbaar voor goede, edele indrukken, — 
toch heeft hij in zijn gemoed nog altijd een plekje, hoe klein 
ook, dat deugdzame, schoone gevoelens en gewaarwordingen 
kan bevatten, — toch heeft hij eindelijk ook oogenblikken , 
waarin hij aan zich zelven begint te twijfelen, zijn beter ik 
begint boven te drijven , en hijzelf neiging toont tot spijt en 
walging over het kwade, dat hij bedrijft, — waarin hij met 
al de kracht, die in hem zit, tracht, zich van dat kwade los 
te maken, om zijn leven te beteren en door een voortreftelij- 
ken, edelen levenswandel al het door hem misdrevene weder 
goed te maken! 

Deze kamp tusschen het goede en het slechte wordt ons hier 
ook duidelijk aangetoond in het ascetische leven en den strijd 
van Ardjoena tegen Niwata-kawatja. Zelfs vergunnen ons de 
drie achtereenvolgens aan den held van het verhaal gegeven 
namen: Parta, Djanaka en Ardjoena, de geleidelijke ontwik- 
keling te volgen van het in den mensch neergelegde goede be- 
ginsel, want in Parta, d. i. de aardsche, dus de mensch in 
zijn minst ontwikkelden zedelijken en geestelijken vorm, zien 
wij reeds de edele zucht naar het verhevene ontkiemen door 
het ascetische leven, dat hij op den Endrakila leidde, en dat 
eindelijk bij Djanaka beloond werd door de verwerving van de 
gunst der goden, die hij met zijne strenge zelfkastijding en 
boetedoening beoogde. In Djanaka toch, welke naam geboren 
zonder voorouders beteekent, zien wij de deugd meer en meer 
op den voorgrond treden en zicH kenbaar maken, zooals zij 
den mensch reeds van het begin zijner wording werd mede- 
gegeven, d. i. in hare oorspronkelijkheid, zonder dat eenige 
invloed of kracht hoegenaamd haar voortgebracht heeft! 

De naam Ardjoena eindelijk, die wit, blank beteekent, en 
aan Parta gegeven wordt na zijne overwinning op Niwata- 
kawatja, zinspeelt op dien hoogen staat van reinheid en edel- 
aardigheid des harten, die, hoewel moeilijk en niet zonder op- 
offering en volharding te verkrijgen, toch niet onbereikbaar is, 
mits de met zwakheden begaafde mensch zich slechts steeds en 
onder alle omstandigheden herinneren wil, dat hij in de eerste 
plaats zijne groote kracht te zoeken heeft in de kennis zijner 



Tëmbang-gëde sardoela-wikridita. 



119 



eigene gebreken en de bestrijding van al wat slecht in hem is ! 

Doch het wordt tijd, dat wij tot onzen dalang terugkeeren. 

Zooals wij zooeven gezien hebben is hij begonnen met den 
këkajon voor het scherm te plaatsen. Terwijl hij verder zijne 
wajangpoppen opstelde, is ook het orkest met zijn praeludium 
begonnen, dat taloe wordt genoemd en welks zachte toonen 
ineensmelten met de lieflijke harmonische geluiden of klanken , 
waarmede de javaansche sirene , die bij eene vertooning als deze 
gewoonlijk niet ontbreken mag, ons gehoor weet te streelen! ^) 

Hoor, — eindelijk zal hij ook het spel openen door de ada- 
ada , die hij onder begeleiding van de rëbab en gënder op zange- 
rigen toon (patët) ons voordreunt en waarin hij ons in het kort 
de intrige mededeelt, die gij reeds kent. Hierna neemt hij 
den këkajon weg en voert hij ons naar den Ka-endran door 
Batara Endra met zijn gevolg van hoogere en mindere goden 
aan ons te vertoonen« De aankomst van dezen god wordt ons 
op even zangerigen toon aangekondigd in een soeloeq of loflied , 
dat, hoewel gebruikelijk voor den god Goeroe, ook than^ niet 
te onpas schijnt te kunnen worden gebezigd, want tot intro- 
ductie van Endra bij zijn publiek zingt de dalang op de voor- 
geschreven oude maat of tëmbang gëde *), Sardoela-wikridita', 
de eerste strophe uit den Ardjoena-wiwaha ') voor, dat woorde- 
lijk luidt: 




1) Altijd, natuurlijk, wanneer wij ons verbeelden, dat ons gevoel, gehoor 
enz. geheel verjavaanscht zijn. 

2) Van deze tëmbang's gëde of Kawi-dicht maten uit de oud-javaansche 
poëzie kan men eene uitgewerkte studie vinden in Dr. H. Kei*n*s : Wrtta Sanc'aya, 
terwijl verscheidenen dezer zangen in den bundel Sëkar-kawi door wijlen den 
heer C. F. Winter op muziek gebracht zijn, waarvan hier de an*angeering der 
Sardoelawikridita o. a. tot voorbeeld is aangegeven. 

3) A.rdjoena'8 bruiloftsfeest. 



120 



Patët- en manjoera-zang^ijzen. 



^^ï^^ 



z^w 



^ 



^^W- 



^- 



m 



=tï=r 



^ 



i^S^*^%^ü? 






Ambëk sang paramarta pandita hoewoes limpad sakeng soenyata, 
Tan sakeng wishaya prajodjananira loewir sanggraheng lokika, 
Siddaning jasawirya donira soekaning rat kiningkinira 
Santosa hëlëttan këlir sira sakeng sang hyang Djagadkarans , ^) 

en beteekent: 

De geest van den waren wijze heeft dien trap van wijsheid 
bereikt, waarop hij de nietigheid der wereldsche schijngestalten 
inziet; niet uit zinnelijkheid handelt hij gelijk het gros der 
wereldlingen ; volmaakt te worden in roem en macht (over de 
natuur) is zijn streven, het geluk der wereld is zijne taak. Hij 
voelt zich zalig in de gedachte verwijderd te zijn van (geeste- 
lijke) duisternis door den wil des Heeren in Wien de wereld 
haren oorsprong heeft. ') 

De begeleidende muziek dezer aankondiging wordt in het 
algemeen patët genoemd en hiervan kennen wij als afzonderlijke 
melodieën o. a. de bondet, de songgeng, de gambir-sawit, de 
gendjong ^), die gebruikt worden voor de goden en de zooge- 
naamde ratoe djawa of vorsten, die als op Java thuis hoorend 
worden gedacht of voorgesteld, en de këntjeng, waarop de 
komst van een ratoe sabrang *) wordt aangekondigd. 

Zoodra de figuur van de handelende personage voor de këlir 
is geplaatst, wordt de patët in de manjoera veranderd, van 
wier verschillende melodiën de kanda en de përkoetoet mang- 
goeng voor de vorenbedoelde eerste categorie van grootheden. 



i) Friedrich: Ardjoena-wiwaha. 

2) Dr. U. Kern: Kawi-studieên, Arjuna-wiwaha. 

3) De gandroeng. 

4) Overzeesch vorst , d. i. een vorst , die niet op Java thuis hoort. 



Soeloeq. Djantoeran. Matjapat-'wijzen. 



121 



en de gotang en de emëng voor de tweede worden gebruikt, 
wanneer de handelende personen gandeq's of beambten zijn, 
terwijl de ratoe sabrang de manjoera-zangwijzen maesa-nSbah en 
liwoeng krijgt. 

Na aldus den lof der personages, die hij ten tooneele voert, 
in zijn soeloeq te hebben verkondigd, gaat de dalang over tot 
zijn djantoeran , d. i. de beschrijving van den persoon , dien hij 
handelend voorstelt, — van zijne deugden, enz., van zijn land, 
etc. etc. Dit geschiedt niet op de maat eener zangwijze maar 
in de gewone spreektaal, evenwel met verschillende sterawen- 
dingen en -buigingen en niet zonder het gebruik maken van 
zoogenaamde kawi-uitdrukkingen , waarvan de dalang zelf dik- 
wijls de ware beteekenis niet vat. 

Terwijl hij deze djantoeran voordraagt, speelt echter het or- 
kest de verschillende gënding's of airs, die daartoe aangewezen 
zijn. Zoo wordt bij de eerste optreding van een godheid of een 
javaansch vorst de pSksi-koewoeng , bij de tweede de sëkar- 
gadoeng, bij de derde de soempah, bij de vierde de titi-pati 
enz. gespeeld, terwijl de 'eerste verschijning van een ratoe-sabrang 
geschiedt onder de toonen van de oedan-sore , de tweede onder die 
van de lana of kalana, de derde onder die van de boedjangga, enz. 

Onder het spelen dezer muziek geeft ook de zangeres, die 
deze voorstelling bijwoont, hare gezangen ten beste op de ver- 
schillende zangwijzen of tjengkoq's, die de sëkar matja-pat of 
nieuwere javaansche poëzie kent en waarvan de voornaamsten 
zijn: de doerma, de dandang-goela , de pangkoer of joeda- 
kanaka, de sinom of srinata, de asmara-dana, de midjil of 
raras-ati, de mas-koemambang of mas-kentir en de kinanti. 

Van elk dezer verschillende zangwijzen kunnen wij u uit 
den Bratajoeda ') een voorbeeld aanhalen. Zoo vinden wij o. a. 
de pangkoer-maat in de ondervolgende strofe: 




1) Dr. A. B. Cohen Stuart: Bratajoeda (uitgegeven door het Bat. Gen. van 
K. en W.) 



122 



Kinanti. 






i^. 



^^ 



Si 



^ë^Ê^feU 



d.i. 



Prapta kikis*ing nagara 

Lampah-ira sang praboe Dwarawati 

Linirihkën ratanipoen; 

Oebëqan dJFO nagara 

Kang amapag miwah kang samya doedoeloe, 

Orëg sapradja woerah-an, 

Péksa wroeh-a narapati *) 



, Terwijl zij allen zich in het binnenhof verzamelen, bereikt 
de vorst van Dwarawati de grenzen der hoofdplaats en ver- 
traagt de vaart van zijn wagen, 't Is een algemeene oploop in 
de stad, om hem in te halen en te aanschouwen. De gansche 
hofplaats is in rep en roer: ieder moet den koning zien. 

Op de kinanti-wijs moet worden voorgedragen: 







-^-^ 



v ^-^-A-^- i 



t^ 



^E 



è 



i 



-f-^ 



rzrs 



t=^^y=^ 



5=¥= 



1 



^ 



^ 



-^-^ r^ 



=;3^ 



ÖÈ 



m 



^ I J J 



iizS 



d.i. 



Pamit mring bibi sang praboe, 
Maring pakoewonireki, 
Wismariing Jama-widoera, 
Woes prapta, samakta sami 
Sakatah-ing sësahosan , 
Patamoenira angënting^). 



De vorst nam afscheid van zijne moei en begaf zich naar 

1) Bratajoeda, zang III, strofe 11. 2) Bratajoeda, zang IV, strofe 17. 



Dandang-goela. 



123 



zijn nachtverblijf, de woning van Jama-widoera. Aldaar geko- 
men, vond hij alles tot zijn onthaal gereed en werd hij met 
onbekrompen gastvrijheid ontvangen. 

Van de dandang-goela- of dandang-gëndis-wijs geven ons de 
volgende regelen een idee: 



P- 



w^^^ 



-1'**=?= 



Tz 



^^^m 



^^^^^ 



p — w 



-^ 



^ 



-y-rrrr 



^ 



É 



:^=*=rizÉi^ 



S 



±± 



E?- 



■é—é- — #-— # — # - # -^^ 



i^i^ 






i^^^ 



^fp^g=^^g^S3- -.:3;^ j;fi=p^ 



Boebar sa-goeng Korawa prasami, 
Para ratoe, para pinitoewa, 
Mring koewoene dewe dewe, 
Moeng Soejoedana-praboe 
Kondoer marang-ing kënjapoeri, 
Mring 'nggene garwanira, 
Banowati mëtoeq, 
Kinanti asta narendra, 
Parëng lënggah atembaq, parëqan tjeti 
Ing wingking ngarsa agëlar^). 
d.i.: 

Al de Korawas zijn uiteengegaan , de vorsten en de pini- 
toewa's *) , ieder naar zijne eigene kwartieren. Slechts de koning 
Soejoedana keerde terug in het vrouwenvertrek bij zijne gema- 



1) Bratajoeda, zang V, strofe i. 

2) Pinitoewa's zijn oudere bloedverwanten, leeraars enz. van den vorst, die 
door ouderdom of betrekking op eene bijzondere onderscheiding en een zekere 
mate van eerbied aanspraak hebhen. 



124 



Asmaradana. Mas-koernambang. 



lin. Banowati trad hem tegemoet en door den vorst bij de 
hand geleid, nam zij met hem plaats, omstuwd doordienende 
vrouwen , die voor en achter hen in rijen geschaard zaten. 

Op de wijze asmara-dana wordt gezongen: 







u — * — *- 



=fe^^^ 



^ 



^fe§i 



■-» ?i 



-M 



3 



^^^^^EprÉi 



t=BïEt-^-:^ 



^^^ 



d. i. : 



Saking djawi, awotsari 
Matoer Raden Wrësniwira: 
Poekoeloen, dede wadose, 
Ing djawi djëdjël gëgaman, 
Arsa noempës padoeka, 
Poen Soejodana, poekoeloen, 
Sajëkti tyase doersila ! ^) 



Onverwachts (komt Radeii Satyaki) *) van buiten en met eene 
eerbiedige buiging spreekt Raden Wrësni-wira ') (tot Krësna): 
Heer, er wordt verraad gesmeed. Buiten staat het vol gewa- 
pend volk , dat uwe verdelging voorheeft. Die Soejodana , Heer , 
heeft inderdaad snoode bedoelingen. 

Wilt gij verder met de wijs mas-koemambang of mas-kentir 
kennis maken, dan raden wij u te luisteren naar: 



^»Ï4Ï^ 



-#— 



mf^^mm^^ 



i) Batajoeda, zang VI, strofe 19. 

2) Dit gedeelte vormt den laatsten regel van het voorgaande vera, hier aan- 
gehaald tot beter begi'ip van den hollandschen zin. 

3) Een bijnaam van Satyaki, pnns van Lesanpoera, zoon van Satyadjit 
vorst van gemeld rijk. Deze dappei'e was de zwager en bestendige metgezel van 
Krësna, wien hij dikwijls als wagenmenner diende. 



Sinom- of Srinata. 



125 






ü 



d.i. 



Koenëng Karna tan-arsa den pitoetoeri 

Mring narendra Krësna, 

Prapteng djawi kita noeli 

Karna mit oengkoer-oengkoeran. 

Lan Widoera, Joejoetsoeh, Sandjaja sami 

Wangsoel marang koeta. 

Sira, praboe Dwarawati 

Denira loemampah etja *). 



Karna dus bleef onwillig, om gehoor te geven aan de ver- 
maning van koning Krësna. Buiten de stad gekomen, nam 
Karna afscheid en verliet hem. Met Widoera, Joejoetsoeh en 
Sandjaja keerde hij naar de stad terug, terwijl de vorst van 
Dwarawati ongestoord zijn weg vervolgde. 

De sinom- of srinata-zangwijze wordt u nog duidelijk in: 




Èöl=?=^ 



a=-gïP e=^= H3Ë: fet-^ i;g^l 



^^^^^^^M^^^mm 



Sikandi ing woerinira 
Asri moenggeng rata roeqmi, 
Koemitir tëngëranira, 
ïoenggoel kadya ngirid angin. 



i) Bratajoeda, zang VIII, strofe 10 en 11. 



126 



Doerma. 



d.i. 



Praboe Darma-poetreki , 
Ingajap wadya goemoeroeh, 
Moenggeng esti rinëngga, 
SoDgsong Srining-koening ngapit, 
Sarwi mangkoe poestaka Kalimosada '). 



Sikandi volgt haar, luisterrijk (gezeten) op een gouden wagen , 
terwijl het vaandel, dat haar ten teeken dient, al wapperend 
den wind schijnt met zich te voeren. Verder vorst Darma- 
poetra, omstuwd door luidruchtige benden, en gezeten op een 
rijk getooiden olifant, van weerszijden gedekt door een gulden 
scherm. Op den schoot houdt hij het geschrift Kalimosada. 

De doerma-maat vindt gij in: 



^^^^^s^ 



=^^^E^-t=^.f3 




d,i.: 



Pasang tawoer sira nrëpati Pandawa, 

Rawan ingkang kinardi; 

Praboe ing Ngastina 

Tawoer-ira pandita, 

Sagotra, naq-poetoeneki 

Apan kinarja 

Tawoer Ngastina nënggih*). 



Een menschenoflfer wordt door den vorst der Pandawa's ge- 
slacht; Rawan verstrekt hem daartoe. De vorst van Astina 
neemt ten offer een priester; met geheel zijn geslacht, zijne 
kinderen en kindskinderen strekt hij ten offer voor Astina. 



1) Bratajoeda, zang X, strofe 9. 

2) Bratajoeda, zang XII, strofe 5. 



Rai*a8-ati of midjil. Gramboeh. 



127 



De raras-ati- of midjil-maat eindelijk wordt ons geleerd in : 



éi 



^^^Êm^^^ ^^±^-f ^ -^ m^F^ T^ 



^^^^^±^j; a:#BEfe^gj^j^^ 



m 



3 



^^^ 



^-H^-H 



Prapteng T^alkoeroe woes apanggih , 

Bala Pandawa bjor 

Woes agantëng; tan owah gëlare, 

Maksih tëtëp gëkr Kagapati, 

Garoeda kang maksih 

Pandawa gëlaripoen '). 
d. i. : 

Op het Koeroeveld aangekomen, ontmoeten zij den vijand. 
Het heir der Pandawa's strekt zich wijd en zijd in onafzien- 
bare rijen uit. Hunne slagorde is nog niet veranderd; het is 
nog steeds de Kagapati: de Arend blijft de slagorde der Pan- 
dawa's. 

Zooals gij gehoord hebt, verschillen deze javaansche gezangen 
zoowel in toonen, als in maten enz. vrij wel van de europee- 
sche zangstukken. 

W*ellicht zult gij zelfs denken, dat de dichter daarvan alles 
maar willekeurig neer kan schrijven, zooals hem goeddunkt? 
Hierin zoudt gij u vergissen, want de dichter dezer stukken is 
wel degelijk aan maat of rythmus niet alleen , maar zelfs aan 
het gebruik van vaste eindklanken voor iederen versregel ge- 
bonden , wat het maken dezer verzen alles behalve vergemakkelijkt. 
De vorenbedoelde dichtmaten , van ieder waarvan wij de ja- 
vaansche sirene zooeven ons een stukje hebben laten voorzin- 
gen, zijn echter de eenigen niet, die de matjapat kent, of- 
schoon zij de meest gebruikelijke zijn. 

Tot de overige matja-pat-dichtmaten behooren o. a. de gam- 
boeh waarvan wij een voorbeeld vinden in: 

Djoeroe taman, kang tjinatoer, 

Wiratroena jekoe wastanipoen , 

1) Bratajoeda, zang KVII, sti-ofe 19. 



128 Mëgati-oeh. Poetjoeng. 



Darbe mentjo djoega bangkit tata djanrai, 

Ing sawatarane moehoeng , 

Den oerabar atjolat-tjolot.) 
d. i. : 

De hovenier, van wien sprake is (Wiratroena is zijn naam), 
heeft een mentjo *), die bijna in alles gelijk de menschen doet , 
doch eenigermate slechts, want wordt hij losgelaten dan springt 
hij in groote sprongen weg. 

Voorts kent men de doedoeq-woeloeh of mëgatroeh , tot voor- 
beeld waarvan dienen kan: 

Wontën rare estri, sadjoega winoewoes, 

Wasta Sadjinëm, joe, manis, 

Adarbe tjipta linoehoeng, 

Jatnanira djroning ati 

Ing sa-paran-paran-ing-ngong. 
d. i. : 

Er was eens een meisje, Sadjinëm genaamd, schoon en lief- 
tallig, dat lust kreeg in reizen en bij zich zelve dacht: Ik zal 
gaan, waarheen mijn hart mij trekt. 

Nog heeft men de poetjoeng-maat waarin o. a. gezongen wordt : 



i^^j^^g2F.-r_lf|j^^t^ 



i^^g^^^^f ig^^ïfe r^f^^l^^^^fe 



""-i—r 



^^^^^p'iöl^r£Ï]h41ï 



Wontën boeroeh kakalih, ingkang tjinatoer, 

Samya gotong krandjang, 

Sadjoega ing djro oemesi 

Bala pëtjah, tanpatyawrat wawanira. 
d. i. : 

Er waren twee daglooners, die manden te dragen kregen, 
die ieder gevuld waren met breekbare waar, dat niet bijzonder 
zwaar te dragen was. 

Verder behoort tot de matja-pat-zangwijzen ook de djoeroe- 
démoeng , op welke wijze o. a. wordt voorgedragen : 

i) Een grooto soort ekster, ook beo genaamd (Gi-acula religiosa?) 



Girisa. 



129 



d.i. 



Wontön rare djaloe djoega, 
Galindoe wastane, toemoet 
Kakaring lan ramanipoen , 
Ngambah pasawahanira , 
Neng ngiring jajah loemakoe, 
Masëmoe arsajeng drija, 
Miwah keh patanjanipoen. 



Br was eens een jongen (Gralindoe was zijn naam), die met 
zijn vader voor zijn pleizier aan het kuieren ging over diens 
sawahvelden; naast zijn vader liep. hij, blijkbaar blij- of wel- 
gemoed, en velen waren zijne vragen. 

Ook de girisa is een der wijzen van de tëmbang matja-pat 
en kunnen wij leeren kennen o. a. door : 

»== 



p 



£^gEfe^Èg^pi£; 



'^ ^-^^w^irr-i ^^ F^^^^^^^ 




fi < g — p-#- 



d.i. 



Djajadraua, kang winama, 
Mentar, met mi neng samodra; 
Ragi magëng palwanira, 
Katah sahajanta, milja 
Sadaja mawidjah-widjah 
Tan mantyas doergeng samodra, 
Djala, djaring woes sajaga, 
Moeng nganti jogjaning wajah. 



Djajadrana, de bedoelde, ging naar zee om rogkrabben (limuli) 
te vangen ; zijn boot was vrij groot en velen waren «ijne ka- 

9 



130 Balabaq of Bëlabaq. 



meraden. Allen waren vroolijk, en dachten niet aan de geva- 
ren der zee; de werp- en sleepnetten lagen gereed, alleen moest 
op het geschikte oogenblik (tot het uitwerpen daarvan) worden 
gewacht. 

Eindelijk behoort nog tot de matjapat-wijzen de bëlabaq, 
waarvan wij een idee krijgen in: 

Soen anggoerit djakane wong ing NgSmplaq, 

Kaplaqe , 
Üjaka kawaq toeroene wong adol opaq, 

Angine , 
Rada ladaq angadji mring kajoe apaq , 

Rekane. 
d. i. : 

Ik zal u (in dicht) verhalen van den djaka uit de desa 
Ngëmplaq, — 

(Den ouden stakker!) 
Een ouden vrijer, afstammeling van opaq ^)-verkoopers, — 

(Wat een wind ! of lawaai !) 
Die, verwaand genoeg, zich in 't gebed ging oefenen onder 
een apaq *)-boom. 

(Welk een grap!) 

Zooals gij hebt kunnen opmerken bestaat er nog al verschil 
in het rythmus dezer verschillende matja-pat-zangwijzen. 

Indien gij een velletje papier bij de hand hebt, kunnen wij 
daarvan het volgende overzicht maken; wellicht, dat dit U 
later, wanneer gij de taal machtig genoeg zult zijn geworden 
en de noodige lust daartoe zult hebben gevonden, van dienst 
zal kunnen zijn bij het dichten van het een of ander epos in 
het javaansch ! 

Zie hier ons overzicht: 



i ) Opaq = een soort inlandsch meelgebak van platten , i*onden vorm , dat veel 
heeft van zeer lichte, drooge beschuit. 

2) Kajoe apaq = een heester, Phyllodium pulchellum Den?; mogelijk wordt 
hier onder Apaq ook verstaan pëtëng « donker, dus Kajoe apaq « dicht kreu- 
pelhout. 



De vei^schillende dichtmaten. 



131 





li 


AANTAli SYLLABEN BN EINDKLAWKEM VAN ELK VERfi 


. 


NAMEN DER VERSCHIL- 


U 






LENDE DICHTMATEN 




vers 




^^^^JkV A^Jk.4 A^^V^JkA JL A^M XX JL ^J L^ • 


1 


2 


8 


4 


5 


. 6 


. 7 


8 


9 


• 10 


Fangkoer of Joedakanaka 


7 


8,a 


11, i 


8,06 


7,a 


12,06 


8,a 


8,i 


» 


» 


» 


Kinanti 


6 


8.oe 


8,i 


8,a 


8,i 


8,a 


8,i 


^ 






„ 


Dandangc goela 


10 


lO/i 


10, a 


8,6 


7,06 


Ö,i 


7,a 


6^06 


8'a 


12, i 


7,a 


Asmara-dana 


7 


S, i 


8,a 


8,6,0 


8,a 


7,a 


8, 06 


8,a 


w 


w 


W 


Mas koemambang of kentir 


4 


12. i 


6.a 


8,i 


8,a 


H 


» 


w 


» 


„ 


M 


Sinom of Srinata 


9 


8,a 


8.i 


8,a 


8.i 


7,i 


8, 06 


7,a 


8.i 


12. a 


M 


Doerma 


7 


12, a 


7,i 


6,a 


7.a 


8,i 


5,a 


7.i 




» 


„ 




6 


10, i 


6, o 


10,6 


10, i 


6,i 


6,06 


» 


n 


u 


M 


Gamboeh 


5 


8,00 


10, 06 


12, i 


8, 06 


8,0 


» 


n 


» 


» 


» 


Mégatroeh of Doedoeqwoelo^ 


5 


12,06 


8,i 


8,06 


8,i 


8,0 


» 


n 


f» 


» 


» 


Poetjoeng 


4 


12, of^ 


7,a 


8.i 


12, a 


tf 


n 


y» 


•. »» 


» 




Djoeroedëmoeng 


7 


8,a 


8, oe 


8,06 


8,a 


8,06 


8.a 


8, 06 




M 


» 


.Girisa 


8 


8,a' 


8,a 


8.a 


8,a 


8,a 


8,a 


8,a 


S^a 


» 


M 


Balabaq 


6 


11, a 


3,6 


12, a 


3,6 


12, a 


3, e 




» 


» 


W 



Omtrent deze oude en nieuwere javaansche zangen heeft o. a. 
Dr. A. B. Cohen Stuart in zijne voorrede op den door hem 
bewerkten Bratajoeda *) gezegd : Bij de invoering van den Islam, 
die in de vijftiende eeuw onzer jaartelling plaats had, moest 
de inlandsche letterkunde wijken voor de naijverige eischen der 
nieuwe godsdienst^) en 't was toen voorzeker, dat de kennis 
van de oude dichtertaal grootendeels te loor ging. Naarmate de 
eerste ijver der half bekeerde Javanen bekoelde, kwam de zucht 
voor de indische mythen en heldenzangen weder op , maar deed 
zich tevens de behoefte aan vertalingen en omwerkingen van 
de verouderde dichtwerken gevoelen. De meeste, zoo niet alle, 
overgeblevene Kavriwerken werden dan ook, zoo goed en zoo 
kwaad, als het nog kon, in nieuwere taal (basa-djarwa, d. i. de 
taal der uitlegging) overgebragt. Die vertalingen zijn doorgaans 
ook in dichtmaat opgesteld, maar tegelijk met de taal werd 
ook veelal de prosodische vorm gewijzigd. Zulk eene verande- 
ring had trouwens ook reeds in de Kawischriften plaats gehad. 
De eenvormige sloka van het indische heldendicht werd daarin 
door eene afwisseling van verschillende dichtmaten (jav. tëm- 
bang) vervangen, die mede geheel of ten deele aan 'tsanskrit 
ontleend zijn, maar voor minder heilig werden gehouden. Die 



i ) Bladz. 10 e. v. 

2) Wij nemen deze aanhaling woordelijk en onveranderd hier over. 



132 De vei'schillende dichtmaten. 

dichtmaten onderscheiden zich onderling ten deele door de 
meerdere of mindere lengte der regels of verzen , welke in iedere 
dichtmtot een vast getal syllabes hebben. Maar vele dichtmaten 
hebben dat getal onderling gemeen, en zijn niet van elkander 
onderscheiden dan door de zangwijs (jav. tjenkok), die op de 
afwisseling van lange en korte syllabes (goeroe lagoe , eig. zwaar 
en ligt) berust. Die afwisseling is mede aan vaste wetten onder- 
worpen, in dier voege, dat vier dichtregels steeds eenestrophe 
of pada vormen, die zich in dezelfde dichtmaat steeds onver- 
anderd herhaalt. De namen der dichtmaten zijn welligt ont- 
leend aan zekere modelstrophen (versus memoriales) waarin zij 
ak gewone woorden voorkomen. — De nieuwere javaansche 
poëzy heeft insgelijks een aantal, dixjhtmaten (Kidoeng of tëm- 
bang) , die in 'i algemeen daardoor van de Kawi-dichtmaten en 
tevens onderling onderscheiden zijn, dat: 

1** iedere dichtmaat een eigen getal regels in de strophe heeft , 
2® ieder vers van de strophe een eigen getal syllabes, 
3° ieder vers van de strophe ook een eigen eindklank , d. i. 
eene vokaal, die in de laatste syllabe moet voorkonien. 

Zij worden ook op bepaalde wijzen gezongen, die misschien 
oorspronkelijk op eene overeenkomstige afwisseling van korte en 
lange syllabes berusten, maar hierop wordt thans, zooveel ik 
weet , bij de zamenstelling van gedichten volstrekt niet meer 
gelet. Of overigens deze dichtmaten van inlandsche vinding, 
dan wel, gelijk de Kawi-metra, van indischen oorsprong zijn, 
is mij niet bekend; maar het laatste schijnt althans wel het 
geval te zijn met het algemeen karakter van die dichtmaten, 
'in zoover zij in toenemende verscheidenheid van vormen den 
stempel dragen van de mindere heiligheid, die er aan wordt 
toegekend. Want ook de indische poëzy heeft, buiten den epi- 
schen sloka en de eenigszins meer afwisselende dichtmaten (door 
Lassen metra monoschematica genoemd), waaraan die van het 
Kawi beantwoorden, nog eene derde klasse van dichtmaten 
(metra polyschematica), die evenals de javaansche Kidoeng's uit 
strophen en regels van ongelijke lengte bestaan en meestal aan 
nieuwere, inzonderheid Prakrit werken eigen zijn. Van rijmklan- 
ken blijkt mij daarbij evenwel niets, en deze schijnen dus in 
de javaansche nieuwere dichtmaten een nog verderen graad van 



De verschillende dichtmaten. 133 

ontwijding aan te duiden. De laatste worden nog weder in twee 
soorten of klassen onderscheiden , de eene tëmbang agëng (d. i. 
groote dichtmaten), ook wel tëmbang tëngahan (d. i. middel- 
soortige), sëpoeh (d. i. oude) of dagëlan, de andere tëmbang 
alit (d. i. kleine) of raatjapat genoemd. Er bestaat eeuige aan- 
leiding om te vermoeden, dat de eerste klasse oorspronkelijk 
zonder rijmklanken gebruikt werd, maar anders heeft die onder- 
scheiding, zoo 't schijnt, geene andere beteekenis dan in 't ver- 
schillend gebruik, dat er van gemaakt wordt, daar de eerste 
klasse meer eigen is aan geschriften van oudere dagteekening 
eii in zoover eene middelsoort tusschen de Kawi-metra en de 
hedendaagsche Kidoengs uitmaakt. Door de afwisseling van die 
verschillende dichtmaten ontstaat in ieder dichtstuk van eenigen 
omvang eene afdeeling in zangen (jav. sëkar) van ongelijke 
lengte. Bij 't einde van iederen zang wordt in de nieuwere 
poëzy gewoonlijk de verandering van maat vooraf aangekondigd 
door den naam van de volgende dichtmaat of eenige uitdruk- 
king, die er door klank of beteekenis aan herinnert, in de 
slotwoorden in te vlechten. 

Verder lezen wij in deze zelfde voorrede nog: 

Tn eigenlijke Kawi-werken schijnt geen van beiden ^) gebrui- 
kelijk te zijn , maar worden de namen der metra des verkiezende 
bij 't begin van iederen zang los bijgeschreven zonder een deel 
van 't gedicht zelf uit te maken. 

En iets verder nog: 

Ten aanzien der beteekenissen ^) zal 't niet noodig zijn op te 
merken, dat die slechts betrekking hebben op de woorden, 
waaruit de namen zijn samengesteld, maar in verband tot de 
dichtmaten zelve hoegenaamd geen zin hebben. Wellicht zijn 
zij op gelijke wijze ontstaan als hierboven ten aanzien van de 
namen der Ka wi-dicht maten ondersteld is. 

Maar het wordt tijd, dat wij tot het spel van den dalang 
terugkeeren, en eens hooren, waardoor hij zijn publiek zoo 
aan het lachen heeft gebracht. 



1} NI. de aankondiging door de invlechting van den naam van de volgende 
dichtmaat of van eene uitdrukking, die daaraan herinnert. 
2) NI. der namen dezer dichtmaten. 



134 De clowns in het wajangspel. 

Hal daar hebben wij 't! Terwijl wij daareven zoo druk aan 
het praten waren over de javaansche zangen , is de dalang met 
zijn spel zoover gevorderd, dat hij zijne clowns of fools, Sëmar, 
Nalagareng en Petroeq met hunne grappen en glossen of ban- 
jolan's, ten tooneele heeft kunnen voeren. 

Kijk maar eens even op uw horloge : het is zeker reeds voorbij 
middernacht, want voor dien is het geen gewoonte, ja, is het 
volgens sommigen zelfs verboden, deze grappenmakers of gra- 
cioso te doen verschijnen ! 

De nar in het wajangspel is het type van den door en door 
prozaïschen , goedhartigen , opgeruimden doch plaagzieken grap- 
penmaker, die door zijne kwinkslagen zelfs in de meest benarde 
omstandigheden nog een glimlach weet af te persen aan den 
meester, die hem in de gelegenheid stelt een gemakkelijk en 
behagelijk leven te leiden. Zijn humor is wel niet altijd van 
de fijnste soort, ook lijken ons de vrijheden, die hij zich ver- 
oorlooft, wel eens groot en ongepast, doch daartegenover staan 
weder zijne goedhartigheid en opgeruimdheid, vooral zijne ge- 
hechtheid aan zijnen meester! Het is een schoone karaktertrek, 
die als een eervol getuigenis van de edele wereldbeschouwing 
der Indiërs moet aangemerkt worden , dat diezelfde nar en grap- 
penmaker, welke zich van zijn buik een afgod maakt, zonder 
zich veel om de hoogere genietingen des geestes te bekomme- 
ren, die zijnen beschermer in de dagen van voorspoed om eigen 
voordeel gezelschap houdt, in tijd van nood ook ware vrien- 
dendiensten kan bewijzen en zelfs bereid is, om zich voor zijnen 
weldoener op te offeren 1 ^) 

Hoor, hoe de dalang onzen gastheer te pakken heeft door 
glossen te maken op een onlangs plaats gehad hebbenden dief- 
stal, waaromtrent nog geen katrangan (licht) hoegenaamd ver- 
kregen is , waarom hij , dalang , allen mannen onder zijn audi- 
torium,, die van het stelen een beroep maken, het district van 
onzen wëdana als een waar Dorado aanbeveelt! 

De zet is wel wat grof, en toch wordt er zoowel door den 
aangevallene als door het overige publiek hartelijk om gelachen ! 
's Lands wijs , 's lands eer ! 



1) Zie de inleiding van Dr. H. Kern: Ka1idasa'« ^akiintala. 



De glossen van den dalang. 135 

Of er achteraf echter door den betrokken gepakte soms niet 
gemompeld wordt : dat zal ik je betaald zetten ! of iets derge- 
lijks, en of aan eene dergelijke bedreiging dikwijls niet het 
noodige gevolg wordt gegeven? Quien sabe! 

Zeker is het evenwel, dat in verreweg de meeste gevallen 
dergelijke zetten worden beschouwd als vrijheden, die den wa- 
jangspeler geoorloofd zijn en men er na cdfioop der vertooning 
geene rancune hoegenaamd tegen den dalang over behoudt of 
bewaart. 

Doch genoeg! Wij zullen nu maar verder stil blijven luiste- 
ren naar hetgeen de dalang nog te vertellen heeft, en des- 
noods op onze luiaardstoelen een dutje pakken, want morgen 
of liever straks zal hier voor de wëdana's-woning veemarkt 
worden gehouden en daarbij moeten wij niet nalaten, te trach- 
ten een en ander omtrent het paard en het andere vee van 
den Javaan te weten en te zien te krijgen. 

Wel hebben wij onze aandacht nog niet gewijd aan de ga- 
mëlan-muziek , doch hiertoe zal ons eene nog betere gelegen- 
heid worden aangeboden op het aanstaande inlandsche nieuw- 
jaar of liever den aanstaanden baqda pasa of baqda siam (d. i. 
het einde der vasten) wanneer wij bij de dan gebruikelijke 
ceremonieën en feesten alle mogelijke javaansche orkesten bij 
elkander zullen vinden. 



HOOFDSTUK IV. 



Zooals wij gisteren-avond reeds wisten, is het heden de dag, 
waarop hier de wekelijksche vee- en paardenmarkt wordt ge- 
houden. Wij zullen, alvorens bij het een of ander dier te blij- 
ven stilstaan, eerst een algemeen overzicht nemen van de paar- 
den , runderen , karbouwen , schapen en geiten , die hier te 
koop worden aangeboden. 

De plek, waarop deze dieren te kijk staan, is een met scha- 
duwboomen beplant en door een levenden haag van djaraq 
tjina (Jatropha multifida L.) omheind grasveld van ongeveer 
vierkanten vorm , dat links aan de eigenlijke marktplaats , pasar 
of pëkën, grenst en aan de drie overige zijden door den groo- 
ten weg en ara-ara-velden *) wordt ingesloten. Hier en daar 
onder de schadiiwboomen zien wij op geregelde afstanden korte 
stevige paaltjes in den grond geslagen, die dienen, om er de 
te koop aangeboden dieren aan vast te leggen. 

Ook is het gebruik van dit emplacement blijkbaar door het 
districtshoofd geregeld, want, zooals wij opmerken, de grootste 
en voor-helft der middenruimte is bestemd voor de paarden, 
terwijl het andere gedeelte door schapen en geiten bezet is. 
Links van dit middenvak staan de karbouwen en rechts daar- 
van vinden wij runderen. 

Over het algemeen zien de hier te koop aangeboden dieren 



1) Ara-ara noemt men elk woest en onbebouwd grasveld, dat hier en daar 
met struikgewas of kleine, lage boschages en kreupelhout bezet is. 



Een veemarkt. 137 



er goed uit, hoewel wij er toch ook exemplaren onder vinden, 
die wij misschien zelfs niet voor niet zouden willen hebben! 

Bij de beschouwing dezer dieren moeten wij echter niet den- 
ken aan de schoone, fijngevormde arabische of barbarysche 
paarden, het volbloed engelsch ras- en race-paard, de holland- 
sche en friesche forschgebouwde trekkers of de Trakehnerheng- 
sten en Orloffsdravers , dan wel aan de Devonshire stieren, de 
hollandsche en zwitsersche koeien, de duitsche en Bergamasken- 
schapen of de Kashmir- en Angora-geiten, enz. want dan zal 
de vergelijking zeker ten nadeele dezer ten toon gestelde dieren 
uitvallen. En toch heeft ieder der hier te koop aangeboden 
soorten hare voor deze streken niet te misprijzen waarde! 

Gaan wij bij ons onderzoek categorisch en naar de plaatse- 
lijke rangschikking te werk, dan moeten wij met het paard 
beginnen. Dit edele, nuttige dier heeft trouwens wel eenig 
recht, om in de eerste plaats en voor ieder ander op onze be- 
langstelling aanspraak te kunnen maken. 

Zooals wij zien is het echte javaansche paard, waarvan wij 
hier verscheidene exemplaren aantreffen, over het algemeen ' 
klein en eenigszins gewrongen van bouw, waardoor het in sier- 
lijkheid en schoonheid van vorm zelfs bij de mede hier aan- 
wezige zoogenaamde overwallers ^) en bastaards het af moet leggen , 
en, ofschoon het niet tot de minst krachtige indische paarden 
behoort, toch verre ten achter moet staan vooral bij de zwaar- 
gebouwde westersche rassen. Ook blijft zijne hoogte gewoonlijk 
beneden de vier voeten. Desniettemin ziet men dit dier als 
vracht- of pikoelpaard niet zelden, zwaar beladen, afstanden 
van 20 tot 30 palen afleggen, als rijdier dikwijls zijnen berij- 
der 40 en meer palen ver brengen, en als trekdier soms 20 
en meer palen ver op een dag trekken, zonder daarbij neer te 
vallen of zelfs buitengewone vermoeidheid te toonen! 

Wanneer, door wien en onder welke omstandigheden het 
paard op Java in wilden staat gevonden dan wel ingevoerd is 
geworden, is noch bij legende, noch bij andere overlevering 



1) Hieronder worden gewoonlijk de van de overige eilanden van onzen O.-indi- 
schen Archipel, met name Celebes, Timor, Roti, Savoe, Soembawa, enz. af- 
komstige paarden verstaan. 



138 Het javaansche paai*d. 

bekend. Ook de bestaande mythologische en min of meer ge- 
schiedkundige werken van javaanschen oorsprong verspreiden 
omtrent de herkomst van het tegenwoordige javaansche paard 
geen licht hoegenaamd, want niettegenstaande dat daarin dik- 
wijls melding wordt gemaakt van de toenmalige fauna van 
Java (voor en op het tijdstip der overkomst alhier van de eerste 
Hindoevolkplanters) vindt men er nergens het paard in den 
wilden staat beschreven of van zijne overbrenging uit andere 
landen melding gemaakt. 

De veronderstelling echter, dat het paard hier door de Hin- 
does ingevoerd is geworden en wel in het laatst der eerste of 
het begin der tweede eeuw onzer jaartelling komt ons niet ge- 
waagd voor, te meer, daar op Java nergens wilde paarden wor- 
den aangetroffen, wier bestaan anders op een inheemsch zijn 
van dit nuttige dier zoude kunnen wijzen , en men hier tegen- 
woordig ook nergens javaansche stoeterijen vindt, terwijl van 
de vroeger bestaan hebbende stoeterijen (zie den Index, onder 
Djaran) niet blijkt, dat daarin oorspronkelijk op Java thuis- 
behoorende paarden werden gehouden. 

Buitendien draagt het algemeene voorkomen van het javaan- 
sche paard niet de kenmerken van een afzonderlijk ras, maar 
wijst het veeleer op eene afstamming en verbastering van het 
Aziatisch, meer speciaal het Thibetaansche paard. 

Zooals wij hiervoren reeds aanstipten wordt het paard door 
den Javaan benuttigd als last-, rij- en trekdier, en nooit, althans 
zeer zelden speciaal als fokdier gehouden. 

De zoogenaamde kleine man houdt er meest merries op na, 
niet alleen, omdat merries goedkoop en gemakkelijk te ver- 
krijgen j te onderhouden en te behandelen zijn , maar ook omdat 
behalve genoemde voordeden van merries ook nog veulens ver- 
wacht kunnen worden. 

Veel zorg draagt hij over 't algemeen echter niet voor zijn 
paard. 

Dieses kluge und treue Thier sieht man nur zu oft unter 
der rohen Hand und Gewalt misshandeln und seine Ge- 
sundheit beeintrachtigen. Es ist empörend und für ein fiihlen- 
des Herz höchst schmerzlich zu sehen, wie ein Pferd, nur zu 
einem Qerippe verunstaltet , mit einer seine Kraft überbürdeten 



Het javaansche paard. ' 439 



Last, durch Peitschenhiebe nicht allein, sondern durch Fusz- 
tritte und Knüttelschlage zur auszersten Anstrengung vermocht 
wird. Wund an mehreren Körpertheilen und belastet mit Ge- 
brechen schleppt sich qualvoU eine solche unglückliche Mahre 
bis zur auszersten Erschöpfung, und bis es unter Martern sein 
trauriges Dasein durch grausame Misshandlung oft unter seiner 
Last endetr ^) 

Ja, dergelijke treurige voorbeelden behooren hier ook niet 
tot de zeldzaamheden. Dikwijls toch komt het voor, dat het 
zwaar belaste , afgematte dier onderweg ineenzakt , en een zwaar 
bezette merrie daardoor ontijdig werpt en bezwijkt. 

Gelukkig spreekt het eigenbelang soms daarbij een hartig 
woordje mede en wordt het zwaar bezette moederdier daardoor 
dikwerf voor mishandeling, enz. behoed. 

Deze behandeling van een zoo nuttig dier als het paard is 
echter minder te wijten aan een den javaan aangeboren soort 
van wreedheid , maar eenvoudig een gevolg van eene niet zelden 
verregaande, laakbare onverschilligheid, die hem zijn vee, dat 
naar zijne meening wel voor zich zelf zorgen kan, doet ver- 
waarloozen. 

Alleen na den worp wordt zoowel aan het moederdier als 
aan het veulen gewoonlijk ± 40 dagen rust gegund , d. i. zoo- 
lang wordt het moederdier niet voor transporten enz. gebruikt. 
Bijzondere zorgen worden echter noch aan de merrie noch aan 
het veulen gewijd. Alleen is het gebruikelijk, dat bij de ge- 
boorte van een veulen een slamëtan brokoh, d. i. een klein of- 
fermaal, bestaande uit inlandsch gebak, meestal klëpon (d. z. 
met suiker gevulde balletjes van këtan *)-meel) , gëmpol (d. i. 
met klapper- of kokos-melk of santen toebereide en met ge- 
kookte inlandsche suiker besproeide stukken rijstemeel) of dawët 
(d. z. in stroop en santen drijvende klonters meel) gegeven 
wordt. 

Overigens bemoeit de javaan zich niet met het werpen van 
zijne merrie; van eenige hulpverleening daarbij is bij hem hoe- 
genaamd geen sprake. Zelfs weten de meeste paardenhouders 



4) A. Krüger, Praktischer Reitunterricht. 
2) Këtan is de Orijza glutinosa, Lour. 



140 Het javaansche paard. 



niet eens, dat daarbij ook een placenta uterina voor den dag 
komt. Dit is trouwens geen wonder, daar het werpen der 
merries gewoonlijk des nachts gebeurt en zij, indien de nage- 
boorte niet verwijderd of weggehaald wordt, deze ook dadelijk 
opeten, zoodat in dergelijke gevallen dus alleen het jonggebo- 
ren veulen door den eigenaar van het moederdier gevonden 
wordt. Benige waarde wordt dan ook aan die placenta niet 
gehecht; veeleer wordt het zelfs als een slecht teeken beschouwd , 
wanneer een veulen over dag geboren en de moederkoek ge- 
zien wordt. 

Gteen Javaan, althans geen inlandsch hoofd, die eenig ver- 
stand van paarden heeft, zal dan ook een paard koopen, dat 
over dag geboren werd, omdat zulk een dier naar het alge- 
meene bijgeloof altijd verborgene gebreken heeft. Men beweert , 
dat aan ieder paard te zien is, of het over dag, dan wel 
's nachts in de wereld is gekomen , doch aan welke kenteekenen 
enz. zulks merkbaar is of zijn moet , is ons niet bekend , daar 
de hierover door ons gehoorde paardenliefhebbers en -handela- 
ren ons ter zake geene inlichting hebben kunnen verschaffen. 

Ook zegt men, dat met gemak van ieder vrouwelijk veulen 
voorspeld kan worden , hoevele malen het gedurende haar leven 
zal werpen, hoevele mannelijke en vrouwelijke nakomelingen 
daarbij geboren zullen worden, hoevelen daarvan spoedig ster- 
ven zullen, enz. Dit moet gemakkelijk zijn na te gaan door 
eenvoudig den duim over de ruggegraat van het dier ter hoogte 
der lenden en van het kruis tot aan den wortel van den staart 
te laten glijden, en daarbij acht te geven op de verschillende 
klieren of knobbels, die men bij drukking met den .duim voe- 
len kan. De goed afgeronde groote knobbels moeten vrouwe- 
lijke, de min of meer puntige en onregelmatig gevormden 
mannelijke en de platten en gedrukten doode of niet lang levende 
veulens aanwijzen. 

In hoeverre deze beweringen juist zijn , kunnen wij niet met 
zekerheid zeggen. Intusschen is . het ongetwijfeld niet moeilijk 
zulks te onderzoeken, doch daartoe zijn geduld en tijd noodig, 
zoodat wij dit onderzoek liever aan belangstellende paarden- 
houders en -liefhebbers overlaten. 

Dat de javaan, vooral de javaansche groote of priajie bij de 



Het javaansche paard. 



141 



keuze zijner rij- en andere paarden dikwijls niet gemakkelijk 
te voldoen is, zult gij ook wel eens gehoord hebben en anders 
heden kunnen opmerken. Vooraf moeten wij nog even aantee- 
kenen, dat de javaan zijne hengsten nooit castreert, daar de 
ruinen volgens hem log en lui, niet bijzonder sterk en dik- 
wijls aan ziekten onderhevig zijn. 

Zie, daar komt onze gastheer, de wëdana, aan, om, zooals 
hij ons gisteren avond reeds ter loops heeft medegedeeld, hier 
een paar paarden uit te zoeken. Hij is niet alleen een lief- 
hebber, maar ook een kenner van paarden, daarom zullen wij 
hem bij de inspectie der hier ten toon gestelde dieren volgen. 




Zooals wij opmerken, begint hij naar de kleur der haren 
dezer dieren te zien. Op onze desbetreflPende vraag antwoordt 
hij , dat de javaan bij het paard vijf hoofdkleuren onderscheidt , 
nl. de zwarte, bruine, gele, witte en bonte, die ieder weder 
naiir de verschillende nuances daarvan en naar gelang, dat de 
hoofdkleur meer of minder geprononceerd is , in onderscheidene 
nevenkleuren worden verdeeld. 

Zoo behooren tot de zwarte kleuren o. a. : 

1. tjémëng of irëng, d. i. zwart, gitzwart. 

2. siti tëlës of lëmah tël?s, d. i: dof, donkerzwart. 

3. përdapa pëlSrn , d. i. roodachtig zwart. 



142 De kleuren van het paaixl. 

4. djandjan biroe, d. i. blauwachtig zwart; 

5. gëndis gësëng of goela gësëng , d. i. donker, zwart met een 
bruinen weerschijn ; 

6. djragëm siwalan, d. i. donker zwartbruin; 

7. djandjan këteq , d. i. muisvaal. 

Onder de bruine kleuren onderscheidt men o. a. : 

1. djragëm sëpoeh of djragëm toewa , d. i. donkerbruin ; 

2. djragëm nem of djragëm nom, d. i. lichtbruin; 

3. abrit of abang, d. i. donker voskleurig; 

4. abrit tjintën of abang tjina, d. i. voskleurig met lichtrooden 
weerschijn ; 

5. napas , d. i. voskleurig ; 

6. napas madoe , d. i. voskleurig met ongelijke , iets donkerder 
plekken. 

Tot de gele kleuren worden' o. a. gerekend -.^ 

1. djandjan djëne of djandjan koening, d. i. isabelkleurig; 

2. koelit pidjëtan, d. i. donker isabelkleurig; 

3. sëkar doeren of këmbang doeren , d. i. isabelkleurig met 
kleine, iets donkerder gekleurde ronde vlekken; 

4. ploempoeng of proerapoeng, d.i. isabelkleurig met gedeel- 
telijk zwarte vlekken; 

5. dami loeas, d. i. strookleurig met onregelmatige, min of 
meer donkere vlekken, evenals oud stroo heeft; 

6. bopong, d.i. isabelkleurig met een aalstreep; 

7. radjëg , d. i. isabelkleurig met een weinig zwart vermengd ; 

8. radjëg wësi, d. i. isabelkleurig met zwart daartusschen , doch 
zoo j dat het zwart meer uitkomt ; 

9. gambir, d. i. lichtgeel met eenigszins rooden weerschijn. 

Van de witte kleuren kent men o. a. de verscheiden- 
heden : 

1. pëtaq moeloes of poetih moeloes, d.i. spierwit, met witte 
oogen , witten of lichtrooden neus en witte hoeven ; 

2. dawoeq pëtaq of dawoeq poetih, d.i. schimmelkleurig; 

3. dawoeq toetoel, d.i. een appelschimmel; 

4. dawoeq semboeqan , d. i. een schimmel met onregelmatige, 
dofzwarte haartjes; 

5. dawoeq abrit of dawoeq bang , d. i. een schimmel met roode 
of roodbruine haren tusschen de witte; 



De kleuren van het paard. 143 

6. dawoeq lojoeng, d. i. een schimmel met veel zwarte haren 
en een weinig rood; 

7. dawoeq tinggi, d. i. een schimmel met kleine roodbruine 
vlekken. 

Onder de bonten of gevlekten eindelijk worden 
o. a. gerangschikt : 

1. plangka abrit of plangka abang, d. i. een bruin paard met 
witte vlekken; 

2. plongka tjëmëng of plongka irëng d. i. een zwart paard 
met witte vlekken; 

3. plangka dodol sinantënan, d. i. een isabelkleurig paard met 
lichtbruine en witte vlekken; 

4. pantjal , d. i. een paard met twee witte sokken aan de voor- 
beenen ;. 

5. doemoeq of petaq , d. i. een bles ; 

6. daler of bleleq , d. i. een paard met een aalstreep ; 

7. pantjal panggoeng, d. i. een paard met vier witte sokken; 

8. dara-moeloeq of sampar-donya , d. i. een paard met twee 
witte sokken aan de achterbeenen ; ook pakoe-djagad ge- 
heeten ; 

9. sampar wangke, d. i. een paard met een witten sok boven 
een der enkels van een der achterbeenen ; 

10. toedjah boemi, d. i. een paard met een witten sok aan het 
rechter voorheen; ook srimakëpël geheeten. 

Vorenvermelde namen zijn de eenigen niet, die de Javaan 
kent. Overigens wordt op de kleur, hoewel deze volgens het 
algemeen gevoelen onder de Javanen niet zonder invloed is op 
de schoonheid, den inborst en de goede of slechte hoedanig- 
heden van het paard, niet zoo gelet als op de haarvsrongetjes 
of -kringetjes, die op zijn lichaam gevonden worden en waar- 
over wij straks het noodige zullen hooren. 

Van alle zooeven genoemde kleuren is djragëm sëpoeh de 
meest geliefde'. Paarden van die kleur worden tot de krachtig- 
sten en schoonsten gerekend, daar zij er gewoonlijk glimmend 
uitzien, wat eerstens een teeken is van goede gezondheid en 
tweedens niet weinig bijdraagt tot de schoonheid van het aldus 
behaarde dier. Wellicht is echter ook het gemakkelijker onder- 



144 



De verschillende levenstijdperken 



houd oorzaak, dat aan deze donkere kleur den voorrang gege- 
ven wordt boven de lichteren ! 

Behalve op de kleur der haren let de Javaan, zooals wij 
thans zien, ook op den ouderdom van het dier, waarop hij 
zijn oog heeft laten vallen, en hierbij dienen de tanden van 
het onderaocht wordende paard hem ten richtsnoer. Zooals be- 
kend is , heeft eene volwassen merrie 36 tanden , nl. 24 kiezen 
of maaltanden en 12 snij tanden, doch een volwassen hengst 
40 , daar het mannelijke dier behalve de vorengenoemde nog 
4 hoek- of slagtanden heeft. 

Tegen zijn vierde levensjaar heeft het paard zijne tanden- 
compleet, en naar de verschillende perioden, waarop het zijne 
tanden krijgt, wisselt of verliest, alsmede naar de gesteldheid 
der kronen dezer tanden onderscheidt de Javaan de volgende 
levenstijdperken bij het paard, nl. : 
1. gimbal, d. i. in het algemeen de leeftijd, gedurende of op 
welken het jonge paard nog veulen heet en nog bedekt is 
met het zoogenaamde nesthaar (jav.: gimbal), dus de leef- 
tijd tusschen den geboortedag en dien, waarop het veulen 
zijne eerste melktanden verliest; 

Verandering der tanden en kronen. ^ 




Onderkaak van een 7.li 8 jarig paard. Ondorkaak van een 9 a 1 jarig paard. 



2. poepaq, d. i. de -ouderdom van ± 2*/, jaren, waarop het 
paard zijne tanden begint te wisselen; 




De vei*schiUende levenstijdperken. 145 

3. satoenggal-sisih , d. i. de ouderdom van 4 a 4^^ jaren, waar- 
op het vrouwelijk dier slechts 8 melktanden over heeft, 
en het mannelijke zijn hoektanden aan de onderkaak krijgt ; 

4. rampas, wanneer het paard alle tanden gewisseld heeft en 
in het bezit is van de zoogenaamde blijvende tanden (±6 
jaren oud); 

5. pëndaq rampas, d. i. ±8 jaren oud, wanneer de kronen 
der snij tanden reeds gelijk en glad zijn; 

6. wajah bëdoeg, d. i. de leeftijd van ±10 jaren, wanneer de 
haken afgestompt zijn; 

7. lingsir, d. i. de ouder- 
dom van ±12 jaren, 
wanneer de kern van 
de kroon der tand be- 
gint te verdwijnen; 

8. Asar, d. i. de leeftijd 

hovende 15 jaren, Waii- Oaderkaak van een 14 k 15jarig paard. 

neer het tandvleesch be- 
gint te krimpen, de tanden alzoo meer te voorschijn komen , 
en daardoor langer schijnen te worden. 

De geheele ouderdom van het paard wordt op 20 tot 25 
jaren geschat, doch zooals Adolf Krüger in zijn Praktischer 
Reitunterricht terecht zegt: 

Nach dem zehnten Jahre sind die Kennzeichen bei einem 
Pferde sehr unsicher, 

en: 

Je langer, rostiger, gelber und loser die vordersten Zahne 
vom Zahnfleisch sind , desto alter ist ein Pferd und im hohen 
Alter gehen die Zahne beinahe gerade vorwarts; sie werden 
dann auch wieder weiszer. Rappen und dunkelfarbige Pferde 
bekommen im hohen Alter graue Haare, am ersten um die 
Augen, auf der Nase, Schopf, Mahne, Schweif und endlich 
am ganzen Leibe. 

De wëdana, door wien wij ons in casu laten onderrichten, 
zegt ons verder, dat wij bij het kiezen van een paard ook te 
letten hebben op zijn lichaamsbouw. 

Volgens hem moet een goed en goedgevormd paard hebben: 
1. een sirah ngoengkal gërang, d. i. een hoofd als een gedeel- 

10 



146 De vereischten voor een goed paard. 

telijk, in 't midden, aifgesleten slijpsteen, d. w. z. met een 
duidelijk waarneembare scheiding van het voorhoofd, dat 
eenigszins gewelfd moet zijn; 

2. tlapoeqan tjoblong , d. z. eenigszins diep liggende oogleden ; 

3. djangga agëng, d. i. een stevigen, goedgevormden hals; 

4. iga landoeng, d. z. groote, lange ribben; 

5. soekoe rësiq, d. z. fijnge vormde, gladharige beenen; 

6. woeloe ngoelër sërit, d. z. fijne, gladde haren; 

7. boentoet kandël, andangoe aren, d. i. een vollen, evenals de 
arecabloesem of -bloemkolf gevormden staart; 

8. poendaq landoeng, d. i. een breeden, sterken nek; 

9. mati pëpaq of mati soewëng , d. i. de mati's compleet of 
geheel afwezig; 

10. tjitaq tjëkapan, d. i. een goedgevormd, niet te breed en niet 
te smal voorhoofd; en 

11. djagat wiar, d. i. de afstand tusschen de haarwrongen (links 
en rechts) op de heupen groot, wat natuurlijk wijst op 
een breed en stevig gebouwd kruis. 

Verder verlangt hij daarbij een breede , sterke borst , stevige , 
symmetrisch geplaatste beenen , niet binnen-, zelfs min of meer 
buiten waarts gebogen voorbeenen, hoog opstaande, gladde, 
sterke hoeven, waarin de voetzool hoog opgelicht staat en een 
dikken stevigen straal. 

En dan nog is hij niet tevreden, want, zooals wij zien, laat 
de wëdana het door hem gekozen paard nog heen en weder 
leiden, om na te gaan. en te letten: 

1. Auf das gehörige Vorsetzen der Füsze. Der Vorderhuf 
soll über die fiugspitze hinaus gesetzt werden und der 
Hinterhuf wenigstens die Spur des Vorderhufs erreichen ; ist 
dies nicht der Fall , so sagt man : das Fferd hat keine Folge ; 

2. Ob das Fferd mit dem einen Fusz so fest auf den Boden 
tritt wie mit dem anderen; 

3. Ob beide Füsze gleich weit vqrgesetzt werden; 

4. Wie die Bewegung der Fessel ist; 

5. Ob das Fferd hinten Kuhhessig geht, . 

6. Ob es fuchtelt," d. h. ob es die Vorderfüsze nicht gerade 
vor sich hinsetzt, sondern seitwarts heirauswirft; 

7. Ob das eine Sprunggelenk höher gehoben oder weniger 



De vereischten voor een goed paard. 147 

gebogen wird, überhaupt in der Bewegung steifer erscheint 
als das andere; 

8. Ob Hahnentritt vorhanden; 

9. Ob das Pferd eng oder gehörig weit geht. Mann soll wah- 
rend des Gange» zwischen allen 4 Füszen durchsehen köhnen 
und einen Raum von wenigstens einigen ZoUen bemerken; und 

10. Ob sich das Pferd wabrend die Bewegung trage oderfeurig 
zeigt, — wie es Kopf und Schweif tragt, — und ob die 
Ohren eine lebhafte freie Bewegung baben ^). 

Eindelijk, — last not least, komen wij aan het onderzoek 
der goede en kwade teekens, die de Javaan bij het kiezen van 
een paard nooit nalaat te raadplegen en waarvan hij een groot 
aantal kent, zooals de wëdana ons straks zal doen weten. 

Deze teekens worden voornamelijk aangegeven door de haar- 
wrongetjes, die aan het lichaam van het paard waargenomen 
worden en in oenjëngan's en mati's onderscheiden worden. De 
mati's zijn bepaaldelijk de haarwrongetjes , die ter hoogte en 
links en rechts van de ooren van het paard gevonden worden; 
alle overige haarwrongetjes heeten oenjëngan's*). Naar gelang 
van de aan- of afwezigheid, de ligging, den vorm, enz. dezer 
haarwrongetjes worden de teekens, die zij aangeven, goed of 
slecht genoemd. 

2iOoals wij zooeyen gezien. hebben bestaan bij het paard slechts 
twee mati's ; de aanwezigheid van beiden , mati pëpaq , of de 
geheele afwezigheid daarvan , mati soewoeng , wordt als een goed 
teeken beschouwd. 

Voorts behooren , zooals de wëdana ons vertelt en toont , tot 
de goede teekens: 

1. As^a, d. i. het bezit van vier witte hoeven; — een zooda- 
nig geteekend paard maakt den bezitter gevreesd. 

2. Baja këpranggoel, d. z. twee oenjëngan's midden op het voor- 
hoofd, vlak onder elkander en iets boven de verbindings- 
lijn der oogen ; een aldus geteekend paard is vlug ter been , 



i) Dr. Willmar Schwabe: niustrirter Hausthierai^zt. 

2) De verklaring van het woord mati onder op bladz. 114 van het door A. C. 
Vi*eede bewerkte en in 1886 opnieuw uitgegeven Jav.-Holl.- Woordenboek van 
T. Roorda is niet geheel juist. 



148 De goede teekens. 



een goed oorlogspaard en het gewenschte rijdier voor een 
policieman ; 
8. fioedjangga ngoembara, d. i. een zwarte oenjëngan op de 
bovenlip; een paard met dit teeken is een goed en ver- 
trouwbaar krijgsros; 

4. Boentoet soeroeng, d. i. een oenjëngan op het kruis en wel 
zoover achteruit, dat de lus van den staartriem dit wron- 
getje insluit; een dus geteekend paard is èen vlugge renner; 

5. Braraandiq, d. i. een eften donkerbruine kleur, waarin geene 
nuance hoegenaamd is waar te nemen; zulk een paard 
brengt geluk aan en doet zijnen bezitter in al diens onder- 
nemingen slagen ; 

6. Dewa mlajang,. d. i. een wit paard of schimmel met een 
oenjëngan midden op de buitenoppervlakte van zijn rech- 
teroor; zulk een paard is vlug ter been, moedig en een 
uitstekend oorlogspaard; 

7. Djaga-moengsoeh , d. z. vier oenjëngans op het voorhoofd, 
samen een kruis vormend; een van dit teeken voorzien 
paard behoedt den bezitter tegen alle mogelijke onheilen; 

8. Djaja-parosa , d. i. een oenjëngan op iedere knieschijf; een 
dus geteekend paard is een vlug en moedig krijgsros; 

9. Djanoe-boeda , d. i. een geel- of isabelkleurig paard, welks 
neusbeen bedekt is met bruine haren en dat oenjëngan's 
heeft op de buitenoppervlakte der ooren; zulk een paard 
maakt den bezitter gelukkig in geldelijke ondernemingen 
en is dus een goed paard voor een handelaar; 

10. Doekoen-mangsi, d. i. een rood of roodbruin paard met 
oenjëngans op de wangen; zulk een paard is goed en zacht 
van aard, zeer gehecht aan zijn meester; 

11. Doekoen-mangsi-goena > d. i. een wit paard of schimmel 
met manen, die aan den wortel bruin gekleurd zijn; zulk 
een paard is een goed en vertrouwbaar strijdros; 

12. Gëdong minëb, d. z. oenjëngan's boven en onder de oogen; 
een aldus geteekend paard is zacht en goedgeaard, en ge- 
makkelijk te leiden en te behandelen; 

13. Kandoet, d. z. vier witte sokken boven de enkels en een witte 
buik ; de bezitter van een dus geteekend paard kan zich steeds 
verblijden in de gunst en genegenheid zijner meerderen; 



De goede teekens. 149 



14. Këntjana-koeta-wësi , d. z. drie oenjëngan's, waarvan een 
midden op de borst en de beide anderen achter op de 
schouders; een paard met dit teeken is goed en zacht van 
aard en heeft geen kuren hoegenaamd; 

15. Loemakoe, d. i. een oenjëngan aan den hals onder de manen ; 
een aldus geteekend paard is zacht van aard, lijdzaam en 
gemakkelijk te dresseeren; 

16. Mega-ngëmoe-sasi , d. i. een zwarte merrie met een oe- 
njëngan op de bovenlip ; een zachtaardig en lijdzaam paard ; 

17. Mëndala-sawang , d. i. een witte hengst met oenjëngan's in 
de oorholten; een gelukaanbrengend paard; 

18. Minangka, d. i. een paard met geheel witte beenen en een 
puntige, spitse tong; een gehoorzaam en deugdzaam oor- 
logspaard ; 

19. Moektisari, d. i. een oenjëngan op het ondereinde der bil- 
naad; een paard met dit teeken is een goed en vertrouw- 
baar strijdros; 

20. Nilakanta, d. i. een paard met een witten rug en een 
oenjëngan op de bovenlip; zulk een paard doet den be- 
zitter groot worden, een prachtige carrière maken; 

21. Oetah hati, d. i. een oenjëngan op de borst ter hoogte van 
de hartstreek; een aldus geteekend paard is zacht^eaard 
en gemakkelijk te behandelen; 

22. Pandan-koeta-wësi , d. i. een oenjëngan op de knieschijven 
der rechterbeenen en twee op de knieschijven der linker- 
beenen; een paard met dit teeken is een uitstekend paard 
voor desahoofden en brengt geluk ook aan de desa, waar 
het gehouden wordt; 

23. Panggoeng, d. i. een oenjëngan boven iedere knieschijf; een 
aldus geteekend paard is het aangewezen rijdier voor adel- 
lijke en vorstelijke personages; 

24. Pëpët-poespa-kala , d. i. een geel- of isabelkleurige, groote 
hengst met een oenjëngan op de linkerboven- of onderlips- 
helft, een goed krijgspaard, dat zijnen bezitter ook voor- 
spoed en rijkdom aanbrengt; 

25. Petah, d. z. twee oenjëngan's op de borst, links en rechts 
van het hart; een zoodanig geteekend paard is kalm, zacht 
en goedgeaard; 



150 De goede teekens. 



26. Poernamasidi , d. i. een paard met zeer licht gekleurde oogen ; 
zulk een is kalm, zacht en lijdzaam van aard; 

27. Poespa-krëne , d. i. een paard zonder mati's, dit teeken is 
dus hetzelfde als: mati soewoeng; een aldus geteekend 
paard is, evenals een met mati pëpaq, een trouw, zacht, 
kalm en goedgeaard dier; 

28. Radja- wahana , d. z. twee oenjëngans (onder elkander) op 
de borst en aan den hals, door een streep, die tot aan den 
strot loopt, aan elkander verbonden; dit is zoo niet het 
voornaamste, dan toch een der voornaamste teekens bij het 
paard , daar het alle daarachter (d. i. meer achterwaarts op 
het lichaam van het paard) gevonden wordende slechte 
teekens neutraliseert of goed maakt en de waarde der» goede 
teekens verhoogt; 

29. Poemamasada, d. i. een vlekkeloos wit paard met witte of 
zwarte hoeven; zulk een paard brengt geluk aan, behoedt 
voor ongelukken en is het meest geschikte rijdier voor 
vorstelijke personages; 

30. Rëksa , ook bahoe-rëksa , d. i. een oenjëngan aan de voor- 
zijde van eiken schouder (links en rechts van de borst); 
een aldus geteekend dier is krachtig , volhardend , zacht en 
goedgeaard; 

31. Sandang-tawa, d. i. een gevlekt paard, dat op zijn linker- 
voorbeen een oenjëngan heeft; zulk een paard brengt ge- 
luk aan ; 

82. Sasma-toewang, d. i. een oenjëngan vlak onder ieder oor 
(aan de zijde der slapen); het zoo geteekende paard brengt 
voorspoed en geluk aan; 

33. Satria-pinajoengan , d. z. vier oenjëngan's, waarvan twee onder 
elkander midden op het voorhoofd, de derde aan de schoft 
ter plaatse, waar de manen eindigen en de vierde op het 
kruis en zoover van het zadel, dat dit haarwrongetje noch 
hierdoor, noch door de schabrak bedekt wordt; een paard 
met dit teeken brengt geluk aan en doet zijnen bezitter in 
hooge gunst bij zijne superieuren staan; 

34. Satria-soemping , d. i. een oenjëngan aan den top van ieder 
oor of van een der ooren; een dus geteekend paard is 
goedgeaard, zacht, kalm en gemakkelijk te behandelen; 



De goede teekens. 151 



35. Sëkar-sapasang, d. z. twee oenjëngaiis op het voorhoofd, 
onder elkander en onder het voorhoofdshaar; een paard 
met dit teeken is goedgeaard en brengt voorspoed aan; 

86. Soereng-gana, d. i. een donkerbruin paard met een oenjëngan 
boven het linkeroog; zulk een paard doet den bezitter in gel- 
delijke ondernemingen gelukkig zijn en spoedig rijk worden ; 

37. Sangga-wëtjana , d. z. oenjëngan's midden op de wangen; 
een aldus geteekend paard doet den bezitter ieders ver- 
trouwen winnen; 

38. Sri-laba, d. i. een paard met een min of meer breed afge- 
ronde tong; zulk een paard is een geschikt rijdier voor 
Don Juans, doet zijn meester in hooge gunst bij de vrou- 
wen staan; 

39. Tradjoe-mas, d. z. drie oenjëngan's op het voorhoofd, onder 
elkander en onder het voorhoofdshaar; een paard met dit 
teeken is goed en zacht van aard en doet zijnen bezitter 
in alles gelukkig zijn; 

40. Wishnoe-moerti d. i. : 

a. een zwarte oenjëngan achter den navel, of 

h, een geheel zwart pAard zonder een enkele oejëngan of 

c. een geheel zwart paard met een oenjëngan op de boven- 
lip, of 

d, een geheel zwart paard met zwarte tong ; zulk een paard 
brengt den bezitter geluk en voorspoed aan. 

Voorts wordt een paard onder de goedgeteekenden gerekend: 

41. wanneer het een oenjëngan heeft op het linker-achterbeen ; 

42. wanneer het een oenjëngan heeft op de kin, en 

48. wanneer het, geheel wit of een schimmel zijnde, links en 
rechts op den buik twee, evenals bij het teeken radja- 
wahana door een streep met elkander verbonden (doch hier 
horizontaal geplaatste) oenjëngan's heeft. 
Is het aantal der goede teekens, zooals gij uit het voren- 
medegedeelde hebt kunnen opmerken, vrij groot , dat der slechte 
teekens is nog grooter. 
Hiertoe worden gerekend: 

1. Anihni, d. i. een roodgekleurde rand om het wit deroogen; 
een aldus geteekend paard brengt ongeluk aan; 

2. Asta-windoe, d. i. een oenjëngan op het hoofd of de borst 



152 De slechte teekens. 



bij algeheele afwezigheid van andere oenjëngan's; een paard 
met dit teeken in den oorlog gebruikt, bezorgt zijnen be- 
rijder groote ongelukken; 

3. Babi-rantjah , d. i. een oenjéngan links en rechts midden 
op den buik; een dus geteekend paard brengt altijd on- 
heil aan; 

4. Baja , d. z. drie oenjëngans links en rechts op den buik ; 
een paard met dit teeken veroorzaakt dikwijls den dood 
van den bezitter; 

5. Baja-sangar, d. i. een oenjëngan aan de onderzijde en in 
het midden van den buik; een aldus geteekend paard is 
gevaarlijk en bezorgt den bezitter of berijder altijd ongelukken ; 

6. Bëndana , d. i. een oenjëngan op ieder der achterbeenen onder 
de heupen ; een paard met dit teeken brengt onheil aan ; 

7. Bëngang, d. i. een paard met gekrulde of golvende manen; 
zulk een paard bezorgt ongelukken; 

8. Bëngang-toena , d. i. een paard met manen , die zoover op 
de schoft en den rug liggen, dat zij gedeeltelijk door het 
zadel worden bedekt; de bezitter van zulk een paard is 
dikwijls ziek; 

9. Brëmana-laboeh-gëni , d. i. een paard, waarvan een der 
oogen een lichtgekleurde pupil heeft; een slecht oorlogs- 
paard , dat bovendien zijn bezitter in al diens ondernemingen 
allerlei teleurstellingen doet ondervinden; 

10. Brëmana-soelni, d. z. groote, wijde oogen, omringd door 
lichtgekleurde haartjes, die tot aan de neusgaten strepen 
vormen; een aldus geteekend paard brengt ziekten en sterf- 
gevallen in het gezin van zijnen bezitter; 

11. Brantjah, d. i. een oenjëngan op een zijde van den buik; 
de bezitter van zulk een paard wordt dikwijls bedrogen en 
ondervindt, wanneer hij er meer dan eene vrouw op na- 
houdt, steeds vele huiselijke onaangenaamheden, en veel 
verdriet ; 

12. Bisoe-tinoetoeh , d. i. een oenjëngan op een der wangen; 
een paard met dit teeken is woest, onhandelbaar, vol lee- 
lijke kuren; 

13. Boentël-majit , d. i. een paard met een staart, waarvan de 
haren gekruld en in elkander verward zijn; zulk een paard 



De slechte teekens. 153 



brengt allerlei ongelukken mede en dikwijls zelfs sterfge- 
vallen in het gezin van zijn bezitter; 

14. Boeta-gado-djanma , d, i. een paard met diep ingedrukte 
binnenhoeken der oogen; een paard met dit teeken bezorgt 
zijnen bezitter vele huiselijke onaangenaamheden; 

15. Dandang-ari, d. i. een oenjëngan midden op de bilnaad; 
een aldus geteekend paard is slecht van aard, dikwijls kol- 
derig; 

16. Dandang-mas-soewoeng, d. i. .een paard met oenjëngans 
aan de wortels der ooren; de bezitter van zulk een paard 
wordt altijd vervolgd door laster; 

17. Dandang-ngawe-wangke, d. i. een zwarte hengst met een 
oenjëngan aan den linker- of rechterhoek der bovenlip; zulk 
een paard veroorzaakt altijd sterfgevallen in het huis, waar 
het gehouden wordt; 

18. Dandang-soewoeng , d. i. een oenjëngan aan den wortel 
van een der ooren; een aldus geteekend paard brengt on- 
geluk aan; 

19. Doedaq-angrëm , d. i. een krul of kuiltje in het bovenvlak 
der tong, — ook wel een wit rond plekje daarop, en ver- 
der: een gedeeltelijk wit gevlekte penis; zulk een paard 
brengt altijd onheil aan; 

20. Doelada, d. i. een paard, dat, zonder ziek te zijn, bij het 
.wateren vreeselijk drukt, welks lozing dus niet zonder per- 
sing geschiedt; de bezitter van zulk een paard ondervindt 
dikwijls veel onaangenaams; 

21. Doerga-dëlaq , d. i. een paard, dat zich onder het wateren 
kromt; zulk een paard is onheilaanbrengend ; 

22. Doerga-ngawe , d. i. een paard, dat bij het wateren zijne 
beenen besproeit; zulk een veroorzaakt vele ziektegevallen 
in het gezin van zijn bezitter; 

23. Doerga-ngëriq, d. i. een merrie met hoek- of slagtanden; 
zulk een paard is niet te vertrouwen , slecht van aard en 
dikwijls kolderig; 

24. Doerga-ratjoen , d. i. een roodbruine merrie met oenjën- 
gans op de kaken; zulk een paaxd veroorzaakt vele ziekte- 
gevallen in het gezin van zijn bezitter; 

25. Goedig-ngilo , d. z. oenjëngans, vlak boven de oogen; een 



154 De slechte teekens. 



aldus geteekend paard is schichtig, vol kuren, slecht van aard ; 

26. Kaintal, d. i. een oenjëngan op een der kaken; een paard 
met dit teeken is ontembaar en woest; 

27. Kala-loewang , d. i. een deuk of kuiltje op het achterlijf 
(meestal op de heupen) ; een dus geteekend paard doet den 
berijder dikwijls vallen en zelfs groote ongelukken daarbij 
krijgen; 

28. Kala-misani, d. i. een oenjëngan midden op de borst; zulk 
een paard veroorzaakt dikwijls den dood zijns berijders; 

29. Kala-mangsa, d. i. een roodbruin paard met een oenjëngan 
aan het ondereind der bilnaad ; zulk een paard brengt ziek- 
ten en onheil aan; 

30. Kala-pinipit, d. z. oenjëngans op dat gedeelte van het li- 
chaam, dat bij het gezadelde paard door den buiksingel 
wordt bedekt; een paard met dit teeken is, wat de Javaan 
panas (d. i. heet) noemt , en bezorgt zijnen bezitter allerlei 
kwalen en ziekten; 

81. Koelit-kagësëng , d. i. een roodbruin paard 'met een oenjë- 
ngan op de bovenlip; een dus geteekend paard is valsch 
van aard en bezorgt zijnen bezitter dikwijls ongelukken; 

82. Katjawët, d. i. een oenjëngan op ieder of op een der testi- 
culi; de bezitter van zulk een paard krijgt dikwerf onge- 
lukken, die zelfs zijn dood kunnen veroorzaken; 

88. Këmël (këmëlta), d. z. oenjëngans aan de onderzijde der 
wangen ; een zoodanig geteekend paard heeft een weerspan- 
nigen, slechten aard; 

84. Klabang-angleng , d. i. een oenjëngan vlak onder den aars; 
een paard met dit teeken is woest, kolderig, niet te ver- 
trouwen ; 

85. Klabang-pinipit , d. i. een oenjëngan op den rug ter plaatse, 
waar het zadel gewoonlijk komt te liggen, zoodat bedoelde 
oenjëngan eventueel daardoor bedekt wordt; een aldus ge- 
teekend paard is valsch, niet te vertrouwen; 

86. Kore-bandoma', d. z. oenjëngans aan de kooten ; een paard 
met dit teeken brengt onheil aan; 

87. Loedira-mangoen-tapa , d. i. een oenjëngan aan een der 
achterkooten ; een dusdanig geteekend paard is woest, kol- 
derig van aard; 



De slechte teekens. 155 



38. Ngalamat-wëdya , d. i. een oenjëngan rondom den navel; 
een paard met dit teeken is slecht van inborst en niet te 
vertrouwen ; 

39. Anda-mëstaka, d. z. oenjëngans boven, op of onder de knie- 
schijven der vóórbeenen; een aldus geteekend paard is een 
slecht krijgsros, en bezorgt zijnen bezitter of berijder dik- 
wijls groote ongelukken; 

40. Pagas, d.^. oenjëngans midden op de binnenoppervlakte der 
ooren; zulk een paard is oorzaak van ziekten en sterfge- 
vallen in het gezin van den bezitter; 

41. Paloengga-toena , d. i. een paard met witte vlekken onder 
de enkels der achterbeenen ; een paard met dit teeken 
brengt ongeluk mede; 

42. Paminggah, d. i. een paard, dat in twee stralen watert, 
(d. i. welks waterstraal zich splitst); een paard met dit 
gebrek (?) brengt mede onheil aan ; 

43. Panggoeng-rantjah , d.i. een oenjëngan op het linkervoor- 
been of aan de voorzijde der rechterlenden ; zulk een paard 
is een slecht krijgsros; 

44. Panggoeng-rentjoh , d. i. een paard met oenjëngans aan drie 
beenen; zulk een brengt ongelukken aan; 

45. Pëndëm , d. i. een paard met geen of zeer weinig staart- 
haren; een paard met dit gebrek veroorzaakt dikwerf den 
dood van den bezitter; 

46. Pëndëm-oepas , d. i. een paard, welks vaste uitwerpselen 
kuiltjes vertoonen, die veel van oenjëngans hebben; zulk 
een paard veroorzaakt dikwijls den dood van den bezitter 
of berijder; 

47. Saja-maloengga , d. z. witte sokken boven drie enkels; zulk 
een paard doet den berijder dikwijls vallen; 

48. Sampar-wangke , d.i. een witte sok boven een der enkels; 
een aldus geteekend paard brengt ongeluk aan; 

49. Sandoeng-watang , d. i. een oenjëngan op een der voorknieen ; 
een paard met dit teeken is slecht, ruw van aard; 

50. Sapit, d.i. eene misvormde, ineengedrongen oenjëngan op 
welke plaats van het lichaam ook; zulk een paard is 
niet vlug, slecht van aard, schrikachtig en niet te ver- 
trouwen ; 



156 De slechte teekens. 



51. Sarap, d. i. een oenjëngan juist midden aan den hals; een 
paard met dit teeken is slecht , nijdig van aard ; 

52. Seret, d. i. een merrie, wier vrouwelijk deel door een 
witten gordel omgeven is; zulk een paard is alleen geschikt 
voor santries en priesters, doch brengt eiken anderen be- 
zitter ongeluk aan; 

53. Soeda-praja, d. z. drie oenjëngans aan elk der buitenzijden 
der voorbeenen; een aldus geteekend paard is ruw van 
inborst en niet te vertrouwen; 

54. Soedjen , d. i. een oenjëngan aan een der zijden , ter plaatse 
waar de buikriem over loopt; een paard met dit teeken is 
slecht geaard; 

55. Soedjen-tëroes, d. z. oenjëngans aan beide zijden, waarover 
de buikriem loopt; een dusdanig geteekend paard brengt 
ongeluk aan; 

56. Soemawana, d. i. een oenjëngan aan de binnenzijde vaneen 
der voorbeenen; de bezitter van zulk een paard heeft dik- 
wijls met tegenspoeden te kampen; 

57. Sangga-loewang , d. z. oenjëngans op het achterhoofd, die 
bij het neerdrukken der ooren daardoor bedekt worden; 
een aldus geteekend paard is dikwijls woest, kolderig; 

58. Sonja-'ntaka, d. i. met slechts een mati; zulk een paard 
veroorzaakt dikwijls den dood des berijders of bezitters; 

59. Sri-ngëmpël , d. i. een paard , dat een witten sok heeft aan 
een der voorbeenen; zulk een brengt huiselijke onaange- 
naamheden, ongelukken, etc. mede; 

60. Tadah-loeh, d. z. oenjëngans onder de oogen; een paard 
met dit teeken doet den bezitter dikwijls weenen, brengt 
huiselijke ongelukken aan; 

61. Tjö®tjö®^> d. i. een paard, dat bij het doen eener groote 
behoefte zijn staart heen en weder beweegt; zulk een be- 
zorgt den bezitter dikwijls veel verdriet; 

62. Toempër-ingas , d. i. een paard met een onregelmatig ge- 
vormden, verwarden staart en een geheel wit gekleurden 
penis; zulk een dier brengt onheil aan; 

63. Toenggang-njawa , d. i. een oenjëngan op den nek ter plaatse 
waar de zadelknop gewoonlijk komt te liggen; een paard 
met dit teeken doet den bezitter steeds ziekelijk zijn; 



De slechte teekens. 157 



64. Toenggang-toja , d. i. ^n oenjëngan ter plaatse waar de 
manen op de schoft eindigen; een aldus geteekend paard 
veroorzaakt dikwijls den dood zijns bezitters; 

65. Wandasa, d. i. een merrie met een oenjëngan op het lin- 
keroor; zulk een paard is valsch, niet te vertrouwen en 
gevaarlijk. 

Verder wordt een paard slecht geteekend geheeten: 

66. wanneer het een oenjëngan aan de buitenzijde van een 
der vóórbeenen ter hoogte van de knieschijf heeft; 

67. wanneer het oenjëngans heeft links en rechts van den neus; 

68. wanneer zijne waterloozing plassend en met een versprei- 
den straal geschiedt; 

69. wanneer het een ingedeukt kruis heeft; 

70. wanneer de binnenhoek van zijn linkeroog met wit of 
lichtgekleurd haar bedekt is; 

71. (bij eene merrie) wanneer het dier ter plaatse, waar het 
zadel eindigt, een oenjëngan op den rug heeft; 

72. wanneer zijne kniebochten met wit haar bezet zijn; en 

73. wanneer het onder het wateren of bij den afgang bromt 
of kreunt. 

Zooals gij uit het voren medegedeelde hebt kunnen zien, 
waarde lezer! is de javaan alles behalve gemakkelijk te vol- 
doen bij het kiezen van een goed en geschikt paard. Gij zult 
dit alles wellicht kinderachtig, zelfs belachelijk vinden, en toch 
zal geen javaan, hoe verlicht overigens ook, bij de keuze zijner 
rij-, trek- of lastpaarden ooit nalaten op die teekens enz. voor 
zoover zijne kennis daarvan strekt, behoorlijk acht te geven! 
Sommigen hechten daaraan zelfs zóó groote waarde, dat zij be- 
slist weigeren een slecht geteekend paard zelfs op hunne erven 
toe te laten! 

Hoe het zij — het bestaan] dezer voorschriften , of hoe gij 
de beschrijving dier teekens enz. noemen wilt, getuigt in elk 
geval voor eene langdurige, belangstellende en grondige studie 
van het paard, zooals misschien bij geen ander volk (dan de 
Bedouïnen wellicht) opgemerkt wordt. 

Wel mag het ons daarom ook verwonderen dat de javaan 
over het algemeen betrekkelijk weinig zorg draagt voor zijn 
paard en hij , niettegenstaande dat hij zoovele eischen aan dit dier 



158 De ziekten van het paard. 



stelt, er niet zelden meer dan onverschillig voor is en het dik- 
wijls ook op ergerlijke wijze verwaarloozen en mishandelen kan ! 
Ook zijne kennis van de ziekten, waaraan zijn paard onder- 
hevig is, de geneesmiddelen daarvoor, enz. is niet bijzonder 
uitgebreid, ofschoon hij bij het paard toch nog vrij vele kwa- 
len onderscheidt, nl. : 

1. ajan, d. i. de vallende ziekte; 

2. bëdëd^ of këmboeng, d. i. opgeblazenheid; 

3. bëngang, d.i. venerie, enz. 

4. boeboel, d.i. voeteuvel, rotstraal; 

5. dëngën, d.i. binnenkoorts , beverigheid; 

6. edan, d.i. dolheid, kolder; 

7. goedig, d.i. schurtt; 

8. keongën, d.i. klierachtigheid , Uierontsteking; 

9. kondor, d.i. breuk, verzakking der teeldeelen; 

10. kontol-aboeh, d.i. zwelling der testiculi; 

11. lara wëtgng, d.i. buikpijn, kramp; 

12. lempoh, d.i. lam-, kruislamheid ; 

13. mëdjën, d.i. bloedafgang, dyssenterie; 

14. moeroes , d. i. diarrhee'; 

15. ngoejoeh-gëtih , d.i. bloedwateren ; 

16. oedet-oedetën, d.i. geplaagd door maden; 

17. oembgl, d.i. verkoudheid, droes; 

18. panastis, d.i. koorts'; 

19. pitjëq of pitjaq, d.i. blindheid; 

20. porangën, d.i. geplaagd door ingewandswormen; 

21. protol, d.i. afval der haren; 

22. sambang, d.i. duizeligheid, beroerte; 

23. selakarang , d: i. gewone huiduitslag ; 

24. selakarang-dëdaq , d.i. syphilitische huiduitslag; 

25. selakarang-djëdil, d. z. syphilitische zweren;. 

26. Tjëgoeq, d. z. hartkloppingen; 

27. Tjëkaq-napas, d.i. aamborstigheid; 

28. Tërës, d.i. vermagering, tering; 

29. Watoeq, d.i. hoest en 

30. Woedeenen, d.i. puisterigheid. 

Tegen de meesten dezer ziekten kent de Javaan verscheidene 
eigene middelen, waarvan wij hier slechts vermelden; 



Medicamenten daarvoor. 159 



fl. tegen buikpijnen, krampen, opgeblazenheid, enz. 

1. een lavement met het vocht, verkregen uit het fijnge- 
stampte en uitgeperste mengsel , bestaande uit 3 koenir- ^) 

• bollen ter grootte van een kippenei, 25 jonge pinang *)-noten, 
26 knoflookboUen , 2 dringo ')-wortelen, een handvol rijst 
en een handvol keukenzout; — voorts: 

2. een smeersel, bestaande uit met zout en eenige korrels 
peper (4 korrels peper op eiken steen) fijngestampte en ver- 
der met water of inlandsche azijn overgoten baksteenen , en 
verder : 

3. mede een smeersel , bestaande uit 2 a 3 met een hand- 
vol rijst en eene gelijke hoeveelheid zout fijngestooten pinang- 
noten met wat water of inlandsche azijn ; 

b. tegen schurft, huiduitslag, enz. 

1. een bad, bestaande uit het koude afkooksel van een 
stuk laos *), ter grootte van een kippenei , tamarinde terzelfde 
hoeveelheid, een handvol zout, een handvol bladeren van 
den granaatappelboom met de takjes , waaraan zij gezeten heb- 
ben, drie korrels peper en drie sneden bangle »)-wortel ter 
grootte van gewone dobbelsteenen , een en ander met ge- 
noegzaam water opgekookt in een nieuwen kwali, die vooraf 
zoowel van binnen als aan de buitenoppervlakte voorzien 
moet zijn van teekeningen in sirihkalk •), voorstellende hei- 
lige schildpadden ; ook : 

2. een smeersel, bestaande uit een goed dooreengewerkt 
mengsel van de asch eener bladscheede van den pinang- 
palm met asch van vruchtschillen van den witten dSlima^), 
katoe-bladeren •) en dëmpël-olie •), en verder: 

3. een smeersel, bereid uit ruwe zwavel en dëdaq ^^) met 
wat water tot een dunne brei gestampt; 

c. tegen ontsteking der oogen enz. 

fijngestampt zout of witte suiker, eenvoudig in het zieke oog 
geblazen ; 



1) Curcuma longa L. 2) Areca catechu L. 

3) Acoris terrestris Rmph. 4) Alpinia palanga Sv^. 

5) Zingiber cassumanar Rxb. 6) Jav. Apoe of ëndjët. 

7) Punica gi-anatum L. var. albescens. 8) Melanthesa virgata, BI.? 

9) Lënga- of Lisah-dëmpël = lijnolie (T) 10) zemelen. 



160 Medicamenten daarvoor. 



d. tegen diarrhee en dergelijke ziekten: 

een drankje, bestaande uit het breiachtig afkooksel van 
een handvol tandjoeng *)-bladeren, wat këtan gadjih^), een- 
paar hoendereieren en wat keukenzout in santen of klap- 
permelk; 

e. tegen zwelling der testiculi en dergelijke ziekten: 

een smeersel, bereid uit heetgemaakte en daarna meteen 
handvol zout en wat inlandsche azijn fijngestainpte metsel- 
steenen ; 

f. tegen hoest, verkoudheid, enz.: 

1. een aar goede pari met wat muskus, 's ochtends en 
's avonds te geven; ook: 

2. een drankje, bereid uit met azijn aangelengde honig, 
waarin een paar eieren geklutst worden; verder: 

3. een waterglas vol jenever met een paar eieren; 

g. tegen den droes en dergelijke ziekten: 

J. berooking, door eenvoudig het zieke dier met zijn 
neus boven rook te houden, vooral van een ouden gebruik- 
ten hoed of kopjah; ook: 

2. begieting van elk der neusgaten met een wijnglas vol 
kalkwater (verkregen door airihkalk met water aan te lengen 
en daarna te laten bezinken) met gelijktijdige toediening 
van een drankje , bereid uit twee eieren, geklutst in 's ochtends 
vroeg opgevangen menschelijke (liefst kinder-) urine; 
A. tegen beschadiging en scheuring der hoeven, 
rotstraal enz.: 

1. een pap, bereid uit proesi (sulphas cupri), dëmpël-olie 
en petroleum, waarmede het beschadigde deel na gedeelte- 
lijk bij- of uitgebeiteld te zijn, wordt belegd; voorts: 

2. een pap van sirihkalk met witte of bruine suiker, 
welk middel om de vijf dagen vernieuwd moet worden ; ook : 

3. een pap uit roode trasi ^) en fijngestampte kolang kaling 



1) Mimusops elengi L. 

2) Oryza glutinosa Lour. 

3) Trad of traos wordt meest bereid van heel kleine garnalen, ook van 
kleine vischjes, die na drooging met een weinig zout fijngestooten en verder 
in koekjes of rolletjes verkocht worden, om bij de bereiding van aambei en 
andere toespijzen te worden gebruikt. 



Medicamenten daarvoor. 161 



(het vleesch der vruchten van den aren ^)-palm), eiken och- 
tend en avond versch aan te brengen; eindelijk nog: 

4. een modderbad door het zieke paard eenvoudig in mod- 
der te laten staan , tengevolge waarvan de hoeven zacht wor- 
den en gemakkelijker te snijden zijn; 
i. tegen verlamming, zware vermoeienis, enz.: 

een mengsel van een jonge bladscheede van den pandan *), 
een handvol zout, wat knoflook en peper, met een binnen- 
haasje van een wild zwijn fijn gehakt, bij het gewone voer 
te geven. 

Nog gebruikt de javaan de volgende middelen : 
k. om zijn paard met smaak te doen eten: 

1. een mengsel van tempe bosoq ^ met zout door het 
gewone voer gehakt ; ook : 

2. fijngehakte laos met wat ,zout en notenmuskaat in het 
voer gemengd; verder: 

8. een portie in zoutwater geweekte tjangkring *)-wortels 
met een stuk laos ter grootte van een hanekop door het 
gras gewerkt; 
/. om zijn paard glimmend, schoon en sterk te 
maken: 

djamoe sinondjong of djamoe sinindjong ter waarde van 
5 halve duiten met 7 koenir- wortelen, een kopje widjen *)- 
olie, een stuk roode trasi ter grootte van een dobbelsteen, 
wat azijn en zout fijngemalen, en daarna ingegeven. 
Tegenover vergiftigingen staat de javaan gewoonlijk machte- 
loos, daar, zoo hij al een massa vergiften kent, zijne kennis 
van tegengiften bijzonder gering is. In dergelijke gevallen neemt 
hij meestal zijne toevlucht tot het water van den klapa-idjo') 
of tot gewone, zuivere klapperolie in ruime giften als afdrij- 



1) Arenga saccharitera Lab. 

2) Pandanus odoratissimus L. 

3) In platte of ronde koeken samengeperste, gegiste kadële- (Soya hispida 
Mönch.) boonen; ook koekjes van boengkil (uitgepei^te en tot koeken gevormde 
katjang-afval]. 

4) Erithrina indica Lam. 

5) Olie van Sesam un indicum DC. 

6) Cocos nucifera L. «var. viridis. 

11 



162 Medicamenten daarvoor. 



vingsmiddel; een enkelen keer dient hij het zieke dier ook 
wel een afkooksel toe der schillen van de manggies ^)-vrucht. 

Is verstuiking of ontwrichting oorzaak van het kreupelgaan 
van zijn paard , dan laat hij er den sangkal-poetoeng of inland- 
schen veedokter bijkomen , om het verstuikte of ontwrichte deel 
door pidjët*) en oeroet^) weder in zijn vorige, natuurlijke 
positie te doen terugbrengen, en wendt hij verder een smeersel 
van bras-këntjoer, d. i. een fijngewreven mengsel van onge- 
kookte rijst en eeuige wortels der Kaempferia galanga L. , aan , 
waarna het zieke deel eenvoudig omzwachteld, soms ook ge- 
comprest wordt. 

Bij 'verwonding en zware bloeding wordt het gewonde deel 
gewoonlijk goed afgebonden en de wond verder met sawang 
(d. i. roetaanzetsel) dan wel pënawar djambi (d. z. de fijne haar- 
tjes aan den stronk van den Ciboteum glaucescens, Kaulf.) be- 
legd. Overigens wordt het gewonde deel goed omzwachteld en 
laat men het zieke dier verder aan zijn lot over totdat het 
genezen is. 

Is de wond verouderd en komen er maden in voor, dan 
wordt ze eenvoudig met tabakswater dan wel teer of carbol 
begoten; soms stopt men er ook een pruim tabak in, dikwijls 
vooraf natgemaakt met sirih-kalk en uitgeperst kurkema-sap. 

Tabakswater is ook het meest algemeene middel tegen den 
lingsëng en pëloes, twee soorten dunne lange bloedzuigers, die 
vooral in het gebergte veel in kleine beekjes enz. voorkomen , 
en zich in de neusholten van het drinkende dier vastzetten. 
Het tabakswater wordt dan in die neusholten gegoten, en be- 
werkt de bedwelming dezer lastige en dikwijls gevaarlijke bloed- 
zuigers, die dan bij het niezen of brieschen verwijderd worden. 

Volgens sommigen is het uitgeperste sap der rijpe vruchten 
van den ranti-heester (Solanum nigrum Rumph.?), op dezelfde 
wijze aangewend, een nog probater middel, doch zelf hebben 
wij dit middel nog niet zien gebruiken. 

Wat verder de zorg betreft, die de javaan aan zijn paard 



1) Garcinia mangostana L. 2) Masseeren. 

3) Door zachte wrijving en kneding aan verplaatste of verrekte pezen enz. 
in eenig lichaamsdeel hunne natuurlijke positie teruggeven. 



Verzorging van het paai*d. 163 

besteedt, deze is, zooals wij zooeven reeds aanstipten, over het 
algemeen al vrij gering te noemen. 

Met uitzondering van de paarden Van hoofden of grooten en 
van gegoede paardenliefhebbers, die gewoonlijk in afzonderlijke 
gëdogan's, soms ook in stallen worden gehouden, worden de 
paarden meestal slechts in den een of anderen hoek binnens- 
huis, of onder een afdak gestald. Van een anderen dan een 
gewonen , aangestampten aarden vloer , die ten leste ook in een 
modderpoel verandert, is bij deze wijze van huisvesting natuur- 
lijk geen sprake, terwijl de zoogenaamde stal verder alleen 
wordt afgesloten door bamboezen of houten boomen of pa- 
lang's, die eenvoudig door middel van touwen aan de bewan- 
dingen of stijlen van het huis of afdak bevestigd worden. 

De gedogan's zijn, zooals wij vroeger reeds gezien hebben, 
afzonderlijke gebouwtjes tot stalling van een, soms twee paar- 
den , meest geheel van hout gemaakt en voorzien van een plan- 
ken vloer, die 2 a 3 voeten boven den beganen grond ligt. 
Het dak dezer gedogan's bestaat soms uit dakpannen of sirap- 
pen ^) , maar gewoonlijk slechts uit wëlits of uit ëmpleqan ^) 
van alang-alang •). De vier hoofdstijlen rusten verder op oem- 
paq's of neuten , meest van groote rolsteenen gemaakt , en die- 
nen, behalve als steunpunten voor het dak, ook nog, om de 
boomen of palang's, waardoor de stal afgesloten wordt, te 
houden. Overigens moet ook bij den bouw van een gëdogan 
op enkele voorname punten gelet worden. 

Zoo mag, zooals wij reeds weten, de gëdogan niet in eene 
richting van noord naar zuid of omgekeerd geplaatst worden; 
zijn enkele houtsoorten, als het hout van den woeni"), den 
pëlëm ^) en van andere boomen met zure vruchten , verboden 
materialen; — mogen de bovenste palang's niet hooger komen 
te liggen dan het paard hoog is, — en is het gebruik van 

i) Sirappen zijn platte houten pannen van IVs tot 'iVa voeten lengte en 
db 1 voet breedte, die als leien over elkander op het dak aangebracht morden. 

2) Eenvoudig dicht naast en tegen elkander geplaatste alang-alang-bladeren , 
die voor het wegwaaien, enz. door middel van dunne latjes bij elkander wor- 
den gehouden. 

3) Imperata . arundinacea , Cyrill. 

4) Antidesma Bunias Sprg. 

5) Mangifera L. 



164 GMogan. 

soendoeq's (hulpbinten) onder de eigenlijke pëngërët's (binten) 
en blandar's ^rauurplaten) niet geraden. 

Omtrent de plaatsing van den gëdogan in eene richting van 
noord naar zuid of omgekeerd hebben wij vroeger reeds het 
noodige gehoord en gezegd, zoodat eene herhaling hiervan thans 
wel overbodig kan heeten. •' 

Wat het gebruik van het hout van zure vruchten dragende 
boomen betreft, dat dit minder gewenscht wordt geacht, is 
zeer goed verklaarbaar door de omstandigheid, dat dergelijk 
hout dikwijls door allerlei insecten bezocht en aangetast wordt 
en de larven dezer insecten, wanneer zij tegelijk met het gras 
in keel en maag komen, wel eens oorzaak zijn van ongesteld- 
heden of ziekten van de in dergelijke stallen gehuisveste dieren. 

Omtrent de twee volgende voorwaarden, die wij zooeven ver- 
namen, kan niemand ons iets naders zeggen, dan dat die van 
oudsher reeds bestaan en geëerbiedigd worden, en als gij hierop 
vraagt, waarom dan uwe paarden, die in stallen staan, welke 
geenszins daaraan voldoen, niet ziek worden, dan zal het ant- 
woord daarop eenvoudig zijn: O, mijnheer, u is ook geen ja- 
vaan, en dat maakt het onderscheid! 

Overigens laat het onderhoud dezer gëdogan's over het alge- 
meen ook veel te wenschen over, -want zelfs hier bij den wëdana, 
die toch niet onder de onverschilligen en slordigen gerekend 
kan worden* zien wij het vuil en den afval onder de stallen 
opgestapeld en de paarden niet altijd behoorlijk gewasschen en 
geroskamd in de gëdogan's staan. Gewoonte is het trouwens 
niet, om de paarden eiken dag naar het wed te brengen, of- 
schoon dit op het voorbeeld der europeanen, die er paarden 
op na houden, langzamerhand wel in zwang komt, evenals het 
roskammen en borstelen, welke behandeling anders eenvoudig 
vervangen wordt door het afwrijven van het aan het paard 
zittende vuil door middel van een bosje stroo of gras. 

Eveneens wordt op het aan het paard toegediende voer wei- 
nig gelet. De meeste paardenhouders laten hunne dieren ge- 
woonlijk vrij op de weiden of andere velden rondloopen en zelf 
hun voedsel zoeken, en als zij verplicht zijn hunne paarden in 
de stallen te houden, dan is meestal ook het eerste, het beste 
voer , dat zij krijgen kunnen , voor hunne paarden goed genoeg. 



Paardenvoer. 



165 



Vandaar de meer dan groote verscheidenheid, die wij in het 
paardenvoer bij den Javaan opmerken, als: 

alang-alang ^), adas-adasan ^), ajëm-ajëman '), bagen *), btóm- 
bgm ^\ bokoran •), dekeng '^), djali •), djawan ®), gëndjoran *°), 
glagah"), grinting ^*), katelan "), kërbaq '*), klabangan **), kli- 
tiq ^•), kalamgnta *^), kalandjana "), krëpaqan ^'), lamoeran *^), 
loelangan ^^), mëraqan ^"), oesoep-oesoep ^*), poejangan ^*), ram- 
boetan **), rëdjoena ^•), tëki *^), wëdoesan "), wlingi *®), enz. die 
de als versch, groen voer gegeven wordende grassoorten verte- 
genwoordigen, — 

bajëm "), bajëm kërmah/*), blëngoeran "), brambangan ^^), 
brobos **), damen "), godong pring ••), dadap '^), djagoengsten- 
gels''), kaspe'®), kates*®), djeboran*0> djiwir"), eseq-eseq *'), 
gadjihan **), gagan-gagan **), garëman *®), kapirangoe *^), kaljan- 
gan"), kawoqan"), kërisan '°), këtepeng^^), këtoelan 'O, kloe- 



1) Imperata arundinacea Cyrill. 


2) Gorophrena globosa L. 


3) 


*) 


5) 


6) 


7) 


8) Eleusine Coracana Grtn. 


9) 


40) 


41) Saccharum spontaneum L. 


42) Cynodon dactylon Pers. 


43) 


44) 


15 Pothos Horafleldii Hiq. 


46) 


17) 


18) Panicum maximum Jacq. 


19} 


20) 


21) 


22) Echinochloa stagmina Beauv. 


23) 


24) 


25) 


26) 


27) Cyperus rptundus L. 


28) Ageratum conyzoides L. 


29) Scirpus sundanus Miq. 


30) Euxolus caudatus Moq. 


31) 


32) 


33) 


34) 


35) Stroo van Oryza sativa L. 


36) Bladeren van Bambusae Schr 


37) ld. van Erythrinae L. 


38; Stengels van Zea mays L. 


39) Janipha manihot H. B. en K. 


40) Garica papaya L. 


41) 


42) 


43) 


44) 


45) Deemodium barbatum Buth. (7) 


46) 


47) 


48) 


49) 


50) Carex curvirostris Kntb. 


51) Cassia alata L. 


52) 



166 



Paardenvoer. 



raq ') , kalantara *) , krokot ') , lara-iwang *), laronan *), lepo- 
ngan*), lorodan^), orang-aring*), pari'), poeloetan *®), rajoeng"), 
roejangan ^*), rendeng ^'), sëkoelan '*), sidagoerih '*), sroenen ^*), 
tapaqliman '''), tjebloqan "•), tjoweqan "), waderan *^), enz. die 
het gewone bladeren- en hooi-voer uitmaken, en: 

bras*'), dëdaq"), djagoeng, waarvan de javaan zes soorten, 
nl. de gewone djagoeng *'), de djagoeng djali ^*), de djagoeng 
irëng *'), de djagoeng kodoq "), de djagoeng koenir '•, de dja- 
goeng tjanteP") en de djawawoet") kent, kaspe^®), katjang*')> 
nangka "), pisang "), enz. die het meer vaste voedsel vormen. 

Onder deze voedingsmiddelen zijn er echter verscheidene, 
die het dier, dat daarvan gebruikt, ziek kunnen maken. Zoo 
veroorzaken de alang-alang en de rajoeng dikwerf opgeblazen- 
heid en krampen ; is de mëraqan vaak oorzaak , dat het paard 
selakarang krijgt; verwekt de tëki menigmaal hoest of droes; 
zijn de wortels van de kalaq-ambing ^*), tjërme ^^) en këdële '•) 
vergiftig; maakt het melksap van den soeroetangan ^^), wan- 
neer het bij ongeluk in de oogen komt, het paard blind; 
hebben de bladeren van den poetjoeng *') en den sengon '') 
vergiftige eigenschappen, enz. 



i) 


2) 


3) Sesuvium repens Wild. 


4) 


5) Macropanax oreophilum Miq. 


6) 


7) 


8) Pouzolzia indica Gaud. 


9) Oryza sativa L. 


10) Urena L. spec, div. 


14) 


12) 


13) Bladeren enz. van Arachis hypogaea 


L.14) 


15) Abutilon üc. en Sida L. spec. plur. 


16) Spilanthes pseudo-acmella L. 


17) Panax tricochleatum Miq. 


18) 


19) 


20) Pilea oreophila Miq. 


21) Ontbolsterde , ongekookte rijst. 


22) Zemelen. 


23) Zea mays L. 


24) Eleusine Coracana Grtn. (?) 


25) 


26) 


27) 


28) 


29) Panicnm italicum L. 


30) Janipha manihot H. B. 4 K. 


31) Peulvruchten. 


32) Artocarpus integrifolia L. 


33) Musae Trnf. 


34) Sarcolobus dichotomus R. Br 


35) Cicca nodiflora Tiam. 


36) Soya hispida Mönch. 


37) Euphorbia nereifolia L. 


38) Pangium edule Rwdt. 


39) Kenia japonica Pc. 





Gevaarlijke insecten, enz. Pakzadel. 



467 




Ook komen dikwijls in het toegediend wordende voer insec- 
ten en andere lagere diersoorten voor, die voor het paard ge- 
vaarlijk zijn en wel eens zijn dood veroorzaken. Hieronder ver- 
dient voornamelijk genoemd te wor- 
den de vergiftige walang-anggas 
behalve de reeds zooeven besproken 
lingsëng en pëloes, welke laatsten, 
wanneer zij zich een doorgang tot 
aan de hersenen hebben weten te 
verschaffen , niet zelden oorzaak zijn , 
dat het paard kolderig of dol wordt 
en onder vreeselijke pijnen sterft. 

Doch genoeg ! WaUng-anggas of het spook (Phasma). 

Zooals wij reeds weten, gebruikt de javaan het paard niet 
alleen als rij- en trekdier, maar ook als lastdier. Het harnache- 
ment van het rijpaard hebben wij vroeger reeds beschouwd. 
Wat het tuig voor het trekpaard betreft, dit is eenvoudig eene 
imitatie van het europeesche wagen tuig, zoodat wij het dus 
gerustelijk verder buiten beschouwing kunnen laten. Alleen 
met het pakzadel van het lastpaard dienen wij een oogenblik 
nader kennis te maken. 

Dit bestaat , zooals wij aan verscheidene hier aanwezige exem- 
plaren kunnen zien, uit éen houten geraamte, dat tjëkataqan 
heet, en op een kussen of ander dek, kasoeran of abah-abah, 

Tjekataqan. Kasoeran. 




Bangkol. 

geplaatst en verder door middel van touwen als singels boven 
op den rug van het lastpaard bevestigd wordt, terwijl een 
borst- en een staartriem het voor- en achterwaarts schuiven 



168 Het rund, de baffel. 



daarvan beletten. Op deze tjëkataq-an, die overigens niet be- 
kleed is, rust verder een houten voorwerp in den vorm van 
een drietandigen kam, bangkol genaamd. Hieraan worden links 
en rechts de zakken, manden, enz. bevestigd, die het vracht- 
paard te dragen heeft, en wel door middel van touwen, die 
tali- of tangsoel-bangkol worden genoemd. Een hoofdstel en bit 
worden gewoonlijk niet gebruikt; bij uitzondering ziet men een 
enkel paard soms een këndali-pangon in den mond houden. 

Doch, wij hebben ons reeds te lang bij de paarden opge- 
houden en het wordt meer dan tijd, dat wij ook eens kennis 
gaan maken met het andere vee, dat hier te kijk staat. 

De runderen zijn mede over het algemeen klein en eer fijn 
dan grof gebouwd te noemen. De meesten dragen ook de tee- 
kens van zich overwerkt te hebben of liever van meer arbeid 
te hebben moeten presteeren, dan in het belang van hunnen 
groei en hunne gezondheid wenschelijk en dienstig was. Geen 
wonder trouwens, want in deze streken, waar de karbouw be- 
trekkelijk schaars voorkomt en duur is, wordt het goedkoopere 
en in vele opzichten ook gemakkelijker te behandelen rund 
bijna uitsluitend voor den zwaren sawah-bouw gebruikt, terwijl 
de forschere kai*bouw meer als lastdier (trekdier) dienst doet, 
ofschoon men ook niet zelden runderen *) voor grobags of vracht- 
karren gepannen ziet, en den karbouw ziet gebruiken, om het 
zwaarste gedeelte yan de sawahbewerking af te doen. 

25oowel het gewone javaansche rund als de buffel of karbouw 
schijnt tot de op Java door de Hindoes ingevoerde huisdieren 
te moeten worden gerekend. 

Het rund (bos taurus), dat sapi of lëmboe genoemd wordt, 
vertoont de kenmerken zijner afstamming van den zebu (bos 
indicus), doch tevens ook die zijner verbastering door de krui- 
sing met het wilde rund (bos sundaicus) of den banteng, die 
thans nog in enkele oerwouden (meest van Zuid-Java) voor- 
komt. De hooge schoft of de bult, die het zeburas kenmerkt, 
is bij deze bastaarden bijna niet meer te bespeuren, terwijl de 
bouw van het hoofd en der pooten op bloedsvermenging met 
den banteng wijst. 



i ) Meest ossen of stieren. 



Het rund, de buffel. 



169 



, De buflfel (bos bubalus), dien de javaan këbo of maesa noemt , 
vertoont, ofschoon ook hij den invloed van het klimaat enz. 
niet heeft kunnen ontgaan, mindere afwijkingen van het oor- 
spronkelijke ras, dat in Hindostan thuis behoort, dan het ge- 
wone rund. Veel forscher en grooter van bouw, dan het rund, 
is hij in zijne bewegingen echter trager en kalmer, en slaat 
hij ook niet zoo vlug tot woede over als de stier, ofschoon hij, 
eenmaal woedend, veel geduchter tegenstander is dan deze. 
Van daar de gewoonte bij den javaan, om het middenschot 
van den neus van dit dierste 
doorboren en er een touw, soms 
ook een ijzeren ring door te 
halen (di këloeh), ten einde 
hem meer en beter in bedwang 
te kunnen houden. Dit middel 
wordt ook bij stieren en koeien 
aangewend, doch niet zoo al- 
gemeen als bij den këbo of 
karbouw. 

Zooals u zeker niet onbekend 
is, onderscheidt men bij den 
këbo twee variëteiten, nl. den zwarten en den witten këbo, 
welke laatste meer bepaaldelijk këbo boele wordt genoemd en 
bij dit dierenras de klasse vertegenwoordigt, die onder de men- 
schen de zoogenaamde albino's omvat. Evenals bij de albinos 
is de kleur van den witten karbouw een kenmerk van zwak- 
heid; het dier is dikwijls onderhevig aan allerlei ziekten en 
niet zelden ook slecht van gezicht. 

Deze witte kleur is hem echter tevens eene bescherming, 
want naar het algemeen bijgeloof (?) veroorzaakt het eten van 
zijn vleesch verschillende ziekten, waaronder de huidsverkleu- 
ring niet de minst beteekenend is; van daar, dat hij bijna 
nooit geslacht wordt en de Ned. Ind. regeering het zelfs noo- 
dig heeft geacht op het slachten van dit dier beperkende be- 
palingen te maken ^). 




Këloeh. 



i) Zie o. a. art. 6 der voorwaarden voor de pacht van het slachten van rund- 
vee en buffels opgenomen als bijlage Lr A. in het indisch staatsblad van 1849 n' 52. 



170 Het rund, de buffel. 



Gewoonlijk wordt dit dier dan ook uitsluitend als trekdier 
gebruikt en voor vrachtkarren of den ploeg gespannen. 

Bij de keuze zijner runderen en karbouwen let de Javaan in 
de eerste plaats op den algemeenen bouw dezer dieren; een 
breede borst, een hooge schoft en een goed gevormd lichaam 
op niet te hooge pooten maken in zijn oog het dier schoon. 
De hoeven moeten goed aaneensluiten, terwijl een stijve staart 
als een teeken van kracht beschouwd wordt. 

Wat den ouderdom van het rund of den karbouw betreft, 
die algemeen op een maximum van 20 jaren wordt gesteld, 
dezen beoordeelt de javaan in de eerste plaats naar de tanden 
en in de tweede naar de horens van het door hem onderzocht 
wordende dier. 

lm Oberkiefer befinden sich keine, im Unterkiefer acht 
Schneidezahne. 4 Schneidezahne bringt das kalb mit auf die 
Welt; nach V* Jahr bekommt es die anderen vier. Dies sind 
kleine Milchzahne. Nach dem ersten Jahre fallen die beiden 
mittelsten aus und das Thier bekommt zwei neue, grosse; 
gegen Ende des zweiten Jahres die beiden nachstfolgenden auf 
jeder Seite; im dritten wieder zwei und im vierten verliert es 
die letzten Milchzahne und hat acht Schneidezahne, durch 
ihren Glanz und ihre Grosse leicht von den Milchzahnen zu 
unterscheiden. Vom 5^ Jahre ab veranderen sich diese Zahne in 
derselben Ordnung von Jahr zu Jahr, wie sie gekommen: Die 
Zahnkrone nutzt sich ab , wird runder, und verschwindet schliesz- 
lich ganz, sodass in den Kiefern nur kurze Stummeln stecken. 

Die Hörner sind bis zum 4^^ Jahre glatt; von da ab bildet 
sich dicht am Kopf einer ingförmige Erhabenheit, mit jedem 
fortlaufenden Jahre eine neue, sodass ein Thier mit 6 Ringen 
10 Jahre alt sein würde. Indessen lasst sich bei Rindern das 
Alter durch ausseren Zeichen nie mit gleicher Sicherkeit be- 
stimmen wie beim Pferde. ^) 

Aangezien wij bij de beschouwing van den land bouw-arbeid 
van den javaan nader met deze nuttige dieren kennis zullen 
maken, zullen wij hen thans verder met rust laten, en een 



i) Dr. Willmar Schwabe: Illustrirter Hausthierarzt (fünfte Auflage. Leip- 
* zig 1881) Seite 59. 



De vrachtkarren. 171 



kijkje gaan nemen van de schapen en geiten , die hier ook ten 
toon zijo gesteld, doch, alvorens ons naar hunne standplaats 
te begeven, vooraf eerst die verschillende vrachtkarren daar 
voor ons bezien. 

Zie, hier hebben wij een dier vervoermiddelen in zijn meest 
gewonen vorm. Het is een grobag, in sommige streken ook 
tjikar genaamd , en is best te vergelijken met een langwerpige 




l^ikar of grobag. 

kist zonder deksel , rustende op een houten of ijzeren as , welks 
uiteinden door de grove en groote bussen der links en rechts 
van dezen bak aangebrachte, groote en sterke wielen met breede 
vellingen en stevige spaken, steken en van ijzeren pinnen voor- 
zien zijn , om het uitglijden of losraken dier wielen te beletten. 
De voor- en achtervlakken van dezen bak kunnen uit het ge- 
raamte genomen worden, wanneer zulks bij het beladen van 
dit transportmiddel noodig is; de beide zijvlakken zijn meest 
vast, d. w. z. aan het geraamte gespijkerd, ofschoon men ook 
wel eens grobags aantreft, waarbij deze vlakken mede in spon- 
ningen of gleuven aan de hoekstijlen van het geraamte op- en 
nedergeschoven kunnen worden. Aan de voorzijde hebben deze 
grobags een of twee boomen, zooals gij hier zien kunt. De 
eerste soort dient om door een span trekdieren minstens te 
worden getrokken , de andere is bestemd voor liclitere vrachten , 
die de krachten van een trekdier niet te boven gaan. 

De boom bij deze eerste soort van grobags heeft verder, 
zooals gij zien kunt, op ± een halven meter van zijn dikwijls 
bovenwaarts omgebogen uiteinde een houten pin, meest hori- 



172 De vrachtkarroD. 



zon taal, soms ook vertikaal daaraan bevestigd, oendang-anding 
of panteq genaamd. Aan deze pin wordt de pasang^n, soms 
ook dëpan geheeten, bevestigd, die hierbij het geheele tuig 
vertegenwoordigt. Deze pasangan bestaat bij den eenbooms- 
grobag uit een ± anderhalven meter lang, vierkant bekapt of 
rond en recht stuk hout door welks beide einden twee verti- 
kale, een a anderhalven voet lange houten pennen zoodanig 
geslagen zijn, dat de hals van het vracht- of trekdier er juist 
tusschen of in past. Deze pennen worden sambilan's genoemd 
en daaraan zijn de sawët's bevestigd , d. z. kleine houten bogen , 
die door middel van touwen, tali- of tangsoel sawët, tegen de 
onderzijde van den hals en aan de sambilan's vastgemaakt wor- 
den, om het betrokken dier in het gespan te houden. Midden 
op bovenbedoelde pasangan staat weder een O houten pen , 
manoeqan geheeten, die dient, om door middel van het daar- 
aan bevestigde touw, dat këndali heet, den geheelen toestel 
aan den grobag-boom vast te maken, en wel zoodanig, dat 
èn die boom èn daarmede ook de grobag daardoor, als het 
ware, gedragen worden. 

De pasangan voor den tweeboomigen grobag bestaat uit een 
houten juk, dat in het midden eenigszins opwaarts gebogen 
is, zoodat de nek van het trekkende dier er juist in past, en 
overigens uit een sawët als hiervoren reeds is beschreven. Deze 
pasangan is dikwijls aan de boomen bevestigd door middel van 
spijkers enz. maar komt ook wel eens los , d. i. onverbonden , voor. 

Gewoonlijk zijn deze grobag's niet voorzien van een dak of 
pajon, bestaande uit een met alang-alang gedekt tweebladig ge- 
raamte, of uit twee aan houten of bamboezen ramen beves- 
tigde en aan de bovenzijde met elkander verbonden stukken 
kepang. In sommige streken, als bijv. het madioensche, is dit 
dak het kenmerkend onderscheid tusschen den tjikar*) en den 
ongedekten grobag, welke laatste naam dikwijls ook gebezigd 
wordt voor kruiwagens en handkarren of dergelijke vervoermid- 
delen, die door menschen en niet door dieren worden getrok- 
ken of voortbewogen. 



1) Soms een paar. 

2) Of grobag pajonan , d. i. de van een dak voomene grobag. 



De vrachtkarren. 



473 



De pëdati, waarvan wij hier ook een paar exemplaren zien, 
is, zooals gij zeker zelf reeds opgemerkt heb, niets anders dan 



Pasang&n. 



P64ati. 



Orobag pajonan. 




Dëpan of pasangan. 



Koser. 



een van een dak voorzienen grobag of tjikar , waarvan de wielen 
niet zooals bij dit laatste vervoermiddel uit spaken en vellingen 
zijn samengesteld, maar eenvoudig bestaan uit een 4 a 5 cm. 
dik, en massief blad hout, dat cirkelvormig is bekapt en om 
welks middenpunt een ruwe houten klos is aangebracht, waarin 
de bus steekt, die het uiteinde van de as omvat. Dergelijke 
wielen worden uit kolossaal dikke boomstronken gezaagd of 
bekapt, doch hebben, zooals licht te begrijpen is, betrekkelijk 
weinig hechtheid, vooral wanneer, zooals meestal gebeurt, de 
stronk, waaruit zulke bladen genomen worden, in zijne dikte 
is doorgezaagd. Van daar ook, dat dikwijls voor dergelijke 
wielen eenvoudig eenige dikke planken van de eene of andere 
goede en harde houtsoort door middel van kleine pinnen en 
dwarslatten aan elkander worden gelascht. Vellingen of ijzeren 
veilingbanden worden hierbij echter niet gebruikt. 

De meest eenvoudige of primitiefste vorm van den pëdati is 
zeker de pgdati-alas, pëdati-wana, die veel heeft van den mal- 
lejan of timmermanskar voor het transporteeren van boomstam- 
men of balken. Deze bestaat uit een houten , soms met planken 



174 



De grobag-aloH en keser. 




Grobag alas. 




gedekt raam, dat naar gelang van zijne lengte op een of twee. 

grove houten assen 
rust, waaraan mas- 
sieve houten cilin- 
ders of klossen als 
wielen zijn aange- 
bracht. 

De tweewielige 
grobag-alas heeft een 
vasten, d. w. z. daar- 
aan vastzittenden 
boom; de vierwielige 
echter er meestal 
eenen , die door mid- 
del van een stevige 
pin tusschen twee 
aan de onderzijde van het raam stevig bevestigde stukken hout 
wordt vastgehouden en des noodig er afgenomen kan worden. 
Eindelijk zien wij hier nog de inlandsche slee of keser, d.i. 
het gewone transportmiddel om de gesneden en reeds drooge 
pari van de sawah's naar de loemboeng's te brengen, indien 
dit product niet eenvoudig daarheen gepikoeld (gedragen) wordt. 
De keser is, zooals wij opmerken , een soort van stevige hou- 
ten vork met twee tanden, wier vereenigingspunt eindigt in 
een opwaarts omgebogen dikken en sterken knop, waaraan het 
dikke trektouw wordt bevestigd, dat aan zijn ander eind de 
pasangan vasthoudt. Een boom, noch wielen zijn aan dezen 
keser waar te nemen; alleen is op en over zijne tanden een 
plat van bamboe of hout aangebracht, waarop al, wat daar- 
mede vervoerd moet worden , wordt geplaatst of gestapeld. 

Maar .... kom , het wordt tijd dat wij verder gaan en ons 
onderzoek hier ter plaatse besluiten met de opname en be- 
schouwing der schapen en geiten. 

Het schaap (Ovis aries), dat de javaan onder de namen 
wëdoes- of maenda-gembel , -domba, -wlanda of wlandi, enz. 
kent en allerwaarschijnlijkst van den inoeflon (Ovis musimon) 
of den argali (Ovis ammon) afstamt, behoort zeker tot de door 
de Europeanen hier ingevoerde huisdieren, doch schijnt door 



Het schaap. De geit. 175 



verschillende klimatologische en andere invloeden langzaam aan 
verbasterd te zijn. Veel zorg voor de instandhouding van het 
oorspronkelijke, of voor de veredeling van het tegenwoordige 
ras wordt trouwens door den Javaan niet gedragen. Als het 
door hem gefokte schaap te zijner tijd slechts vet genoeg wordt , 
om eventueel een smakelijken schotel te kunnen vormen, daii 
is hij reeds tevreden I De meest gewilde soort is het schaap 
met een dikken vetstaart, dat meer bepaaldelijk gembel wordt 
genoemd. De wol, die het dier geeft, is voor den javaan wei- 
nig waard, en wordt door hem slechts zelden gebruikt voor 
het vullen van zadelzittingen of -kussens en dergelijke niet 
dagelijks benoodigde voorwerpen, daar zij volgens hem panas 
(warm) is. Uitsluitend wordt dit dier dan ook , evenals de geit 
(Capm hircus), die hoogstwaarschijnlijk van den bezoarbok ot 
pasang (Capra aegagrus) afstamt en hier uit Perziê ingevoerd 
is, als slachtdier gefokt. Onder de hier ten toon gestelde gei- 
ten , die wëdoes , ■ wëdoes djawa of maenda , menda , menda 
djawi genoemd worden, zien wij verscheidene schoone exem- 
plaren , al dan niet gebaard en stevig gebouwd. Overigens valt 
omtrent deze dieren weinig bijzonders meer op te merken en 
te vermelden, zoodat wij goed zullen doen, door weder naar 
de kawëdanan terug te gaan , waar onze gastheer ons reeds bij 
het drankenzetje in zijne pgndapa wacht, want gedurende ons 
onderzoek is zoetjes aan ook de tijd voor het middagmaal ge- 
naderd. Buitendien moeten wij onze krachten wat sparen, 
want daareven heeft de wëdana ons op eene groote vischpartij 
geinviteerd , die heden in den namiddag in de achter de districts- 
woning stroomende rivier zal worden gehouden. 

Wij zullen daarom straks, na het middagmaal te hebben ge- 
bruikt, ons stil naar onze kamers begeven en er in afwachting van 
de dingen en vermoeienissen , die komen zullen , door eene verfris- 
schende siësta een nieuwe dosis krachten trachten te verzamelen. 

Ook zullen wij straks trachten onze nieuwsgierigheid naar 
de bestanddeelen en de bereidingswijze der echt javaansche 
schotels, die ons voorgedischt zullen worden, te beteugelen tot 
dat wij er meer op ons gemak mede kennis zullen kunnen 
maken, waartoe onze gastvrouw ons ongetwijfeld wel in de ge- 
legenheid zal willen stellen, wanneer wij haar zulks verzoeken. 



HOOFDSTUK V. 



Zoo gij er niets tegen hebt, waarde lezer, om uwe siësta er 
aan te geven, dan inviteeren wij u den tijd vóór het bepaalde 
vischvangstuur in onze logeerkamer door te brengen. Wij ver- 
zekeren u, dat deze kleine opofiering u niet berouwen zal, 
want wij hebben daar juist eene ontdekking gedaan, die voor 
u ongetwijfeld wel hare waarde zal hebben. Onze kamer name- 
lijk grenst aan het gezelschaps- en toiletvertrek onzer gast- 
vrouw en is daarvan slechts gescheiden door een planken be- 
schot, waarin hier en daar reten zijn, die ons in staat stellen 
in dit damessalon een kijkje te nemen. Willen wij eens stout 
en onbescheiden zijn? Doch — mondje dicht, s. v. p., want 
indien de dames, die zich in deze kamer bevinden, er achter 
komen, dat wij ze begluurd hebben, dan zal deze vrijpostig- 
en nieuwsgierigheid ons duur te staan komen! 

Het meubilair van dit vertrek bestaat, zooals gij ziet uit 
eenige divans of bekleede banken op korte pooten, een paar 
tafels, waarop vruchten en andere snoeperijen zijn te vinden, 
voorts een groote en twee kleine kasten, terwijl de gepleisterde 
vloer verder bedekt is door een rottingmat, waarop hier en 
daar nog fijne pandan-matten liggen. Een toiletdoos of bërsian ^) 

1) De bërsian is gewoonlijk een langwerpige , aan de voorzijde van een schuif- 
laadje voorziene, en van binnen in vakjes verdeelde doos, wier van een op- 
staanden rand vooi*ziene deksel aan de binnenzijde een spiegeltje heeft, dat öf 
geheel daaraan vastzit 5f slechts door middel van kleine scharniertjes met zijn 
bovenrand daaraan bevestigd is, zoodat het eventueel evenals gewoonlijk bij 



Bërsian. De javaansche physiognomie. 177 




op een der tafels, een groote spiegel en een paar schilderijen 
aan de wanden, benevens verscheidene sirih-doozen en kwispe- 
doren vormen de verdere stof- 
fage van dit heiligdom der 
javaansche schoonen, die zich 
hier onder gezelligen kout 
klaarmaken voor de a. s. vis- 
scherij. 

Doeh wij moeten van den 
ons gegunden tijd gebruik 
maken , om deze verschillende ^*^ 

dames behoorlijk op te nemen. Bërsian. 

Ziet gij daar vlak voor ons die jonge schoone met haar klein , 
lief gezichtje en sprekende oogen? Zij is afkomstig uit de resi- 
dentie Banjoemas en onlangs in het huwelijk getreden met een 
familielid van onzen gastheer, dat in ditzelfde district onder 
zijne bevelen dient. Bekijk haar goed en bewonder het fijne 
blank-licht-gele gezichtje, welks halfdoorschijnende , fluweelach- 
tige huid de blauwgroen gekleurde fijne adertjes hier en daar 
te zien geeft. Aan het jeugdig glanzend gelaat misstaan die 
korte vlokkige en fijne ponyhaartjes, die zich zoo coquet ter 
hoogte van de slapen krullen, voorzeker niet, terwijl de git- 
zwarte kleur van het weelderige hoofdhaar er ook niet weinig 
toe bijdraagt, om aan het lieve gezichtje meer uitdrukking te 
geven en de lichte huidskleur onzer schoone te beter te doen 
uitkomen. Zulk eene vrouw heeft vele goede, zelfs uitstekende 
eigenschappen , die haar bezit ongetwijfeld in het oog der man- 
nen op geen geringen prijs doen stellen. In de bestaande tjandra 
of beschrijving der menschelijke figuren van Raden Pandji 

scheeretuis bijv. het geval is, schuin tegen den i*and aan de voorzijde van het 
kistje kan worden opgesteld. In het laadje en de verschillende vakjes worden 
de voor het toilet benoodigde artikelen, als wëdaq of poeder, lenga- of lisah- 
madjëmoeq, d. i. madjëmoeq-olie en andere odeui^, etc. alsmede lippenpommade 
of pale, cosmetiek voor de ooghaartjes en wenkbrauwen of sipat, idem voor 
het ponyhaar of pritee, boreh of konjoh, d. z. verschillende uit welriekende 
kruiden, bloemen etc, bereide smeersels of blanketsels, dedes of muskus, enz. 
gevonden. Dat deze toiletdoos dikwijls rijk met gouden en zilveren ornamenten 
vei*sierd en van welriekend hout of schildpad gemaakt is, behoeft voorzeker 
geen nader betoog. 

12 



178 De javaansche physiognomie. 

Djajasoebrata ^) zegt deze schrijver van zulk eene vrouw ook : 
pratanda nikmat-ing-anoe , eene verklaring, die wij moeilijk 
kunnen vertalen, doch, naar wij vertrouwen, u voorzeker be- 
grijpelijk of verstaanbaar genoeg is, om eene alles behalve ge- 
makkelijke vertolking van hetgeen de schrijver daarmede be- 
doelt, hier nog noodig te maken. Dat zij voor haren echtgenoot 
een ware schat is, behoeven wij u voorzeker niet nader te be- 
toogen. 

Die tweede tëgalsche dame daar, die zoo gemakkelijk op 
die rustbank ligt en zich door dat kleine meisje pidjëten laat, 
is eene onbestorven weduwe en eene nicht van onze gastvrouw. 
Haar gelaat is langwerpig rond, donker van kleur en gedeel- 
telijk omlijst door een vrij weelderige massa bruinachtig zwart 
en stijf haar, terwijl het verder hier en daar eenige vrij harde 
roode vlekken vertoont. Haar hals is ook vrij lang, de pupillen 
harer oogen zijn blauwachtig zwart en het wit daarvan he^ft 
eene vuile, naar het geel overhellende kleur. Zulk eene vrouw 
wordt doerga-sari , d. i. de stinkende bloem , genoemd , en moet 
naar het algemeen gevoelen behept zijn met alle denkbare slechte 
eigenschappen, die hare sekse kunnen aankleven. Misschien is 
het ook daaraan te wijten , dat zij na betrekkelijk kort gehuwd 
te zijn geweest, door haren man verstoeten is geworden, en 
tot nu toe nog geen ander huwlijk heeft kunnen sluiten. 

De volgende , die nu aan de beurt is , om door ons te wor- 
den opgenomen en daar zoo ongegeneerd tegen dien langen 
divan half zittend , half liggend geleund is , is een dier sëma- 
rangsche vrouwen, die de drie typen in zich vereenigt, welke 
bij den javaan bekend staan onder de namen: mëndjangan- 
këtawan, d. i. de (weerbarstige) gevangene ree, tjanggèh-tjan- 
dala-toer-tarapas , d. i. die de gewoonte heeft onder het schert- 
sen te slaan , te knijpen en zelfs vuil en gemeen te zijn , maar 
daarom ook nooit lang in den smaak van anderen valt, en 
gëdang soelöeh, d. i. wier huidskleur op die der gele, rijpe 
banaan gelijkt. Zie, die een weinig naar voren gebogen of ge- 
kromde schoone hals, en dat weelderige, van de kuit spits 



1) Kitab wiiusat-ing-soedjalma, enz. Semarang. G. G. T. v. Dorp 8c Co. 
1883 bl. 27. 



De javaansche physiognomie. 179 

naar den enkel toeloopende been , waaraan zij den naam mën- 
djangan-këtawan dankt, zijn het teeken van een voluptueusen 
aard, die haar dikwerf te sterk is en niet zelden zelfs de eer 
van haar echtelijk bed over het hoofd zien of vergeten doet. 
Dat slanke, welgevormde lichaam, welks licht-roodachtig-gele 
tint aan de kleur van den gëdang-soeloeh herinnert, die lange, 
dikke en vrij stijve haren, wier wortels min of meer bruinge- 
tint zijn, die brutale, doch tevens schalksche oogopslag en die 
bewegelijke fijngevormde armen en vingers, die haar de attri- 
buten tjanggeh-tjandala-toer-tarapas doen verdienen , wijzen 
allen op eigenschappen, die voor of bij het vrouwelijk geslacht 
minder gewenscht zijn of. heeten mogen, en het bezit van zulk 
eene vrouw niet bijzonder benijdenswaardig maken, en toch — 
hoevele en hoe groote gebreken deze vrouw ook hebben moge, 
noemt haar man zich gelukkig in haar bezit en zoude menige 
andere man hem deze echtgenoote kunnen benijden! Een 
echte Eva! 

Doch het wordt tijd, dat wij nader kennis maken met die 
andere uit het pëkalongansche afkomstige dame, die, op dezelfde 
rustbank gezeten als de eerste door ons beschouwde, daar bezig 
is met een kinang of sirih-pruim klaar te maken. Haar gelaats- 
kleur is donker, heur haar is zacht en elastisch, haar hoofd 
eén weinig te groot. Zulk eene vrouw wordt eene estri-këntjana , 
d. i. gouden vrouw, genoemd en is eene zorgzame, goede huisvrouw. 

Die daar verder op dicht bij dat tafeltje met marmeren blad 
op dien divan zit met dat slanke , vrij licht gekleurde lichaam , 
die dunne armen en vingers, die betrekkelijk breede borst en 
eenigszins wijd uit elkander staande schouders en die kleine, 
thans onder haar tapih of onderlijfkleed verborgen voetjes is 
eene këdirische en vertegenwoordigt het type toema-bisiqa , 
d. i. de fluisterende luis , d. w. z. de van den een op den ande- 
ren overspringende verleidster. Zij is een van die zwakke vrou- 
wen, die bij eene natuurlijke neiging tot wulpschh*eid zich dik- 
wijls zoo weinig weten te beheerschen, dat zij zich zelfs niet 
gêneeren; de mannen, als het ware, na te loopen! Zulk eene 
kan in ons oog voorzeker moeilijk het ideaal vormen van vrou- 
welijke schoone deugden, en toch ziet men haar niet zelden 
betrekkelijk gelukkig leven met den echtgenoot, die zijn oog 



180 De jaYaansche physiognomie. 

eenmaal op haar heeft doen vallen ! Doch genoeg , want 

Zie, daar komt juist eene andere dame het vertrek binnen. 
Deze is geboortig van de residentie Madioen. Blijkbaar heeft 
zij zich pas gebaad, want het verward om den hals en over 
de schouders hangende gitzwarte haar is nog vochtig evenals 
de tapih, wier slippen zij in de hoogte houdt. Voor eene 
vrouw, vooral eene javaansche, is zij vrij groot en forsch ge- 
bouwd. Hare oogen zijn goed gevormd en nu wij haar hooren 
spreken, bemerken wij dat zij niet alleen eene lieve stem, 
maar ook bevallige manieren heeft. Zulk eene vrouw wordt 
madram-kanginan , d. i. de in den wind flikkerende vlam (eigen- 
lijk madam-kanginan) , d. w. z. de telkens zich schooner voor- 
doende, genoemd, bezit alle goede hoedanigheden, die men in 
eene vrouw slechts verlangen kan en is eene niet genoeg te 
waardeeren, trouwe vriendin. 

Die daar vlak over haar met dat kleine bouquetje in de rech- 
terhand staat, is eene djokdjasche schoone. Hare postuur is 
eer klein en tenger, dan groot of grof te noemen; hare gelaats- 
trekken zijn niet terugstootend en haar uitzicht is helder en 
frisch. Zulk eene vrouw weet, wat zij wil, en staat voor geene 
bezwaren, is niet voor een klein geruchtje vervaard en kan zoo 
noodig goed hare handen gebruiken. Heeft zij vele deugden, 
ook slechte eigenschappen ontbreken haar niet, ofschoon van 
haar niet getuigd kan worden, dat hare ondeugden meer en 
grooter zijn dan hare goede hoedanigheden. Zulk eene vrouw 
vertegenwoordigt het type mritja-pëtjah , d. i. de gebroken peper- 
korrel, d. i. de heete, de pittige. 

Die dikke, mollige, er met haar lichtgeel, vrij onschuldig 
of onnoozel gelaat niet onaardig uitziende vrouw , die daar tegen 
die houten bank geleund zit, is iemand uit de bergstreken der 
residentie Bagëlen. Van zulk eene vrouw wordt getuigd: mën- 
doeng-djinalatoenda , padmasari-alëledang , d. i. de stapelwolk 
en de (in den wind) wiegelende toendjoeng- ') of lotusbloem. 
Zij heeft een gemoedelijk, zacht karakter en is, ofschoon niet 
vrij van minder goede eigenschappen, over het algemeen een 
goede huisvrouw te noemen. 

1) Nymphea lotus L 



De javaansche physiognomie. 181 

Verder hebben wij nog kennis te maken met die forsche, 
stevige kadoesche, die daar tegen die met allerlei vruchten 
beladen tafel staat. Haar vrij robuste bouw, rond, iiiet leelijk 
te noemen gelaat en eenigszins donkere tint wijzen op een 
stil, ingetogen en rustig karakter, waardoor zij in het oog 
van den Javaan tot die verstandige, goedhartige, onderworpen 
vrouwen behoort, die hij als boedi-oetami , d. i. verstandig en 
deugdzaam kenmerkt. 

Ook die vrouwelijke bediende uit de residentie Japara, die 
daar met hare kinderen rustig schijnt af te wachten, wat haar 
bevolen zal worden, behoort tot die vrouwen, aan wie het 
attribuut oetami of deugdzaam kan worden toegekend, doch 
hare donkere kleur, haar eenigszins langwerpig gelaat, heur 
zacht, elastisch haar, hare kleine voeten en kleine lange nagels 
zijn tevens zoovele kenteekenen van een vrij jaloerschen aard, 
die haar niet zelden onverstandig doet handelen en soms zelfs 
zoover kan brengen, dat zij de echtelijke woning verlaat. Dit 
is dan wel een gevolg van de groote liefde, die zij haren man 
toedraagt, doch verstandig is zulks zeker niet te noemen, of- 
schoon wij ongetwijfeld zulk eene tot vrouw zouden prefereeren 
boven eene dame op wie den naam toema-bisiqa toepasselijk is. 

Eindelijk hebben wij nog onze gastvrouw, de radenayoe 
van den wëdana, die daar heen en weder tusschen hare vrou- 
welijke gasten loopt en zich nu met deze, dan met gene bezig 
houdt. Zij is eene solosche en eene verre nicht van haren 
echtgenoot, met wien zij, zooals wij reeds hebben kunnen op- 
merken, zeer gelukkig schijnt te leven. Hare kleur is eer donker 
dan licht te noemen; heur haar golvend en glanzend zwart. 
In het niet onaardig gezicht ligt iets liefs, iets innemends en 
in den zachten blik iets goedigs, iets gemoedelijks. Zulk eene 
vrouw is een lintang-karahinan , d. i. eene ster , die zelfs over 
dag nog zichtbaar is, en voor haren echtgenoot een juweel. 
Goedgehumeurd, werkzaam, zindelijk en zuinig als huisvrouw, 
is zij ook eene goede,- zorgvoUe moeder, die bij de vervulling 
harer plichten als zoodanig, nooit vergeet, dat zij nog een 
man heeft, voor wiens kleeding, eten, enz. zij mede de noo- 
dige zorg dragen moet. 

Wij zullen haar daarom wat nader beschouwen, en, indien 



182 De javaansche physiognomie. 

wij ons deze uitdrukking veroorloven mogen, haar ontleden 
naar de voorschriften van de javaansche wirasat-ing-soedjaloia 
of menschelijke physionomieleer en wat daarmede in verband staat. 

Zie, hare figuur is welgemaakt, en goed geproportioneerd, 
een bewijs, dat daarin een edelaardig karakter zetelt. 

Het hoofd is middelmatig groot, een teeken, dat de bezit- 
ster wijs en verstandig is. Het glanzend, effen zwarte haar 
wijst op een goed, edelmoedig, medelijdend hart, terwijl, in- 
dien het ons geoorloofd ware, haren ontblooten hals en 
rug te bezien, wij er ongetwijfeld ook fijne haartjes op zouden 
vinden, ten bewijze dat deze vrouw in alle opzichten te 
vertrouwen is. 

Het strakke, gladde voorhoofd is mede een teeken van een 
goedhartig, medelijdend en onderworpen karakter, terwijl de 
fijnbehaarde, goed gevormde wenkbrauwen ons onze gastvrouw 
als eene verstandige vrouw doen kennen. 

De ooren, die middelmatig groot genoemd kunnen worden, 
duiden aan, dat zij eene werkzame, handige huisvrouw is, 
terwijl hare lieve, kleine oogen op een volhardend, voorzichtig 
en nauwgezet karakter wijzen en in hunne min of meer asch- 
grauwe kleur het teeken dragen, dat «ij steeds het goede be- 
tracht en waarheidlievend is. 

De middelmatige, goedgevormde neus is mede een bewijs, 
dat zij tot een gelukkig leven voorbeschikt is, en aan de niet 
al te dikke lippen, die van nature en niet door het sirih- 
kauwen eenigszins roodgetint zijn, is te zien, dat zij eene goede, 
verstandige , weldenkende en zich gelukkig gevoelende vrouw is. 

Hare tanden zijn niet groot, noch klein, maar goed aan- 
eengesloten en vrij gelijk van grootte, een bewijs, dat zij het 
hart op de rechte plaats draagt, terwijl hare goedgevormde 
kin mede een teeken is, dat zij een goed verstand en een ge- 
zond oordeel heeft. 

Is aan haar welluidende , doch overigens gewoon klinkende stem 
merkbaar, dat zij wars is van elk hoogmoedig gezwets of van 
eene onberedeneerde, domme zelfverheffing, haar goedgevormde, 
wel geproportioneerde hals toont aan, dat zij steeds recht door 
zee gaat. 

Ook die fijnbesneden armen en goed gevormde borst zijn 



De javaansche physiognomie. 183 

bewijzen van een hulpvaardig en goed karakter, terwijl de mid- 
delmatige buik en welgeproportioneerde beenen aangeven, dat 
zij nauwgezet is in al haar doen en laten. 

Eindelijk zijn die fijngevormde , niet al te korte vingers en 
*teenen zoovele bewijzen voor hare goede en werkzame natuur. 

Zooals gij uit een en ander hebt kunnen merken, is de 
javaansche gelaatkunde en verdere beschrijving der menschelijke 
figuren vrij uitgewerkt. 

Jammer, dat wij u op dit moment niet meer vrouwen, of 
zelfs mannen kunnen aanwijzen, op wie wij de in de zooeven 
bedoelde wirasat-ing-soedjalma aangegeven kennierken kunnen 
toepassen. 

In de hoop echter, dat die gelegenheid zich weldra voor zal 
doen en gij dan zelf uwe opmerkingen enz. daaraan zult kun- 
nen toetsen, ivillen wij u verder wel mededeelen, wat de 
wirasating-soedjalma zoo al leert, althans voor zoover wij daar- 
toe in staat zijn. 

Gaan wij hierbij categorisch te werk , d. w. z. beschouwen 
wij eerst elk der voornaamste lichaamsdeelen afzonderlijk, om 
later tot dé beschouwing van den algemeenen bouw des lichaams 
over te gaan , dan leeren wij het volgende bij hetgeen wij reeds 
weten. 

Een . groot hoofd is meestal een teeken van een weldenkend 
en kalm karakter, een klein hoofd daarentegen geeft een on- 
verstandige, kortzichtige en driftige natuur aan. 

Rood haar wordt de vloek des duivels genoemd en duidt 
een duivelachtig, gemeen karakter aan; geelachtig bruin haar 
doet den bezitter kennen als iemand, die nijdig en valsch van 
aard en niet te vertrouwen is; zwart haar daarentegen is een 
bewijs voor een mild, medelijdend en edelmoedig karakter. 
Stijf haar heeft de brutale , ook de moedige mensch ; zacht , 
zeer buigzaam haar echter teekent een angstigen, vreesachti- 
gen aard. 

Een smal voorhoofd duidt onverstand aan, een breed een 
streng en stug gemoed. Een voorhoofd met horizontale voren 
doet den betrokken persoon als onverstandig streng kennen, 
een met vertikale lijnen echter is een teeken van wijsheid en 
gezond verstand. 



184 De javaansche physiognomie. 

Rechte wenkbrauwen heeft de domme, kortzichtige mensch, 
te hoog boven de oogen liggenden geven een trotsch, bluffe- 
rig karakter aan. Wie aan elkander verbonden wenkbrauwen 
heeft, zal steeds een moeilijk bestaan hebben, terwijl goedge- 
vormde, middelmatige wenkbrauwen een bewijs zijn voor een' 
wijs en verstandig karakter. 

Kleine, smalle ooren zijn het teeken van een valschen, nijdi- 
gen aard, breede van een dom, maar gelukkig karakter. 

Groote oogen zijn het eigendom van iemand, die langzaam, 
traag, maar goedgeaard is; kleine van eenen, die goed, mild, 
medelijdend genoemd kan worden. Duiden middelmatige, goed- 
gevormde oogen een goeden, verstandigen • aard aan, dieplig- 
gende of sterk uitpuilende oogen daarentegen zijn het teeken 
van een valsch, nijdig, jaloersch gemoed. 

Buitengewoon zwarte oogen heeft de behoedzame, de voor- 
zichtige; blauwe duiden een bedriegelijk , niet voor schaamte 
terugdeinzend karakter aan; roodbruine zijn het eigendom van 
den on verstandigen durfal; geelachtig lichtbruine zijn het tee- 
ken van een schurkachtigen aard, terwijl vuurroode oogen on- 
verstand , kortzichtigheid aanduiden. Oogen met fijne ooghaartjes 
en bedeesden opslag zijn het deel van den weinig bespraakten 
mensch; oogen, die niet dikwijls knippen, zijn het kenmerk 
van een goed en gelukkig regeerder of bestuursman, terwijl 
sterk glinsterende vurige oogen een lang leven voorspellen. 
Oogen, wier hoeken vele voren vertoonen, zijn het eigendom 
van den onbeschaamde; die, waarvan het wit geelachtig vuil 
is, of waarbij mouches gevonden worden duiden een bedriege- 
lijk karakter aan. Is de persoon, die loensch is niet bang voor 
zonde, iemand met verwarde ooghaartjes en een onrustigen 
blik is niets meer of minder dan de ratoe-ning-ala , d. i. de 
vorst van het kwaad! 

Een platte, breed-wortelige neus is het eigendom van den 
dommen, hooghartigen veelprater; een lange haviksneus duidt 
een koppig, tevens losbandig karakter aan. Hij, die in het 
bezit is van een breed eindigenden neus, praat dien dikwerf 
voorbij , terwijl iemand met een dikken wipneus voluptueus en 
een met groote neusgaten valsch van aard is. 

Een vrij breede mond met smalle, dunne lippen is het eigen- 



De javaansche physiognomie. 185 

dom van den vreesachtige, een goed gevormde kleine mond 
met dunne lippen daarentegen wijst op een goed ontwikkeld 
verstand. Dikke lippen zijn het teeken van een diepdenkend, 
doch ietwat praatziek karakter; blauwe echter behooren aan, 
iemand, die niet best te vertrouwen is. 

Wijd uit elkander staande en ongelijke tanden duiden een 
valsch bedriegelijk karakter aan, evenals een groote, vette kin, 
terwijl een puntige gewoonlijk bij den nijdigaard gevonden 
wordt. 

Een sterke, zware stem kenmerkt den moedige, een fijne 
schelle en doordringende is het teeken van een bang, vreesach- 
tig gemoed. 

Een korten hals heeft de slechtgeaarde , diefachtige mensch, 
een langen de praatzieke en blufferige, terwijl een dikke het 
kenmerk is van iemand, die van veel en goed eten houdt. 

Dicht aan het lijf gesloten armen geven een verraderlijken , 
valschen aard aan, een breede, wijde borst een voluptueus 
karakter, terwijl een groote, wijde buik het teeken is van den 
luiaard. 

Groote, dikke, niet wel geproportioneerde dijen zijn het 
kenmerk van den dwaze; korte teenen en vingers heeft de per- 
soon , voor wien de struggle for life steeds meer dan moeilijk is. 

Een fijnbehaarde baard is het eigendom van den verstandi- 
gen, gelukkigen man; een, waarvan de haren wanordelijk door 
elkander krullen , dat van den wijze , terwijl een slordige , dunne 
baard een onverstandig ^ en oneerlijk karakter teekent. Is de 
baard gewoon, dan is de drager van een rustig, gelukkig ge- 
moed; is hij lang, dun en fijn, maar daarbij regelmatig, dan 
is deze baard een teeken , dat het zijnen bezitter nooit aan be- 
staansmiddelen ontbreekt of ontbreken kan. 

Wat de algemeene vorm van het menschelijke lichaa,m be- 
treft, een groot, robust gebouwd mensch is gewoonlijk van een 
verstandige en gelukkige natuur; een korte, ineengedrongen en 
kleine persoon daarentegen van een bedriegelijken aard, terwijl 
verder een misvormd lichaam het kenmerk is van vele en groote 
gebreken. 

Voorts wordt nog speciaal van de vrouwen gezegd: 

Eene vrouw met eene lichtgele kleur, zacht en lenig haar 



486 De javaansche physiognomie. 

en groote borsten is praatziek; eene, die daarbij nog moaches 
aan hare ooren heeft, zeer verkwistend. 

Een zeer blanke huid en stijve haren zijn bij eene vrouw 
,het kenmerk van een goeden inborst; een puntig gezicht, lang 
mager bovenlijf en lange dunne beenen van een valsche en 
verkwistende natuur. 

Een vrouw met een langwerpig rond gelaat, een lang doch 
wel geproportioneerd bovenlijf, zwart, zacht haar en drooge 
voeten is eene goede huisvrouw, terwijl eene met een langen 
of zwanenhals en min of meer roodgekleurd gezicht niet te 
vertrouwen en oneerlijk is. 

Een lichtgele kleur, stijf, lang en welig haar en drooge bee- 
nen en voeten zijn het werk eener goede, verstandige en stand- 
vastige huisvrouw. 

Eene vrouw met een fijne, doorschijnende, lichtrood gekleurde 
huid en een lieven, zachten oogopslag is eene goede, trouwe 
echtgenoote, die haren man aanbidt; eene slank gebouwde, 
lichtgeel gekleurde en er steeds frisch en helder uitziende vrouw, 
die onder het loopen zwierig hoofd en armen beweegt, is eene 
zuinige, voorzichtige huismoeder. 

Eene tengere gestalte, stijf haar en roodachtig gelaat teeke- 
nen eene vrouw, die bij vele goede hoedanigheden ook menige 
ondeugd heeft , terwijl eene korte , kleine figuur, een zeer licht- 
gele, bijna blanke huid, goed gevormde oogen, zacht krullend 
haar en kalmte in het spreken ons eerie vrouw als in alle op- 
zichten goed doen kennen. 

Een vrouw met een klein, roodachtig gekleurd lichaam, een 
overigens doorschijnende, fijne huid, en gekrulde pony-haartjes 
is eene coquette, die rijk is aan middelen, om de aandacht 
der mannen tot zich te trekken. 

Eea klein middel, een zachte, fluweelachtige huid en eene 
aardige, innemende manier van spreken, alsmede effen, git- 
zwart haar teekenen de goedgeaarde, blijmoedige^ tevredene 
huisvrouw, terwijl een donkergekleurde, vrij groote figuur en 
betrekkelijk korte beenen de zorgvolle, zuinige huismoeder 
aangeven. 

Eene 'vrouw met een donker uitzicht, zacht haar en een 
groot bovenlijf is van een goeden; eene met eene lichtgele 



De javaansche physiognomie. 187 

huidskleur, kleine postuur, zacht haar, en groote borsten van 
een slechten inborst. 

Eene lichtgele kleur, zacht roodachtig haar met gekrulde 
uiteinden, kleine boezems en andëng-andëug's of mouches aan 
de ooren zijn het eigendom van de slordige, verkwistende 
vrouw, — een blanke huid, stijf haar en praatziek mondje 
daarentegen van de steeds welgehumeurde , goede huisvrouw. 

Ben donkere huidskleur, kleine voeten en dunne lieve vin- 
gertjes, en zacht, lenig haar teekenen de goedgeaarde, bemin- 
nenswaardige huisvrouw, — evenals glad, lang, donkerblauw- 
achtig haar en bevallige goede manieren de welopgevoede en 
werkzame. 

Eene kleine, tengere, lieve gestalte, roodachtig bruin haar, 
eene blanke, doorschijnende huid, die de blauwgroene adertjes 
doet zien, teekenen eene vrouw, die bij vele deugden, ook 
eene menigte minder goede eigenschappen heeft, terwijl een 
lichtgeel gekleurd, eirond gelaat met een eenigszins binnen- 
waarts getrokken onderlip het kenmerk is van de goedhartige, 
toegevende, onderworpen huisvrouw. 

Eene vrouw met een innemend lief gezicht, welks fijne door- 
schijnende, lichtgeel gekleurde huid de adertjes te zien geeft 
en die kleine, levendige oogen heeft, is voorzichtig en zorg- 
zaam, en eene met eene slanke gestalte, lichtgele huidskleur, 
goedgevormde oogen en vroolijken oogopslag, eene vlijtige, 
werkzame huisvrouw! 

Ziedaar in het kort, wat wij u omtrent de javaansche phy- 
siognomie of physiognomonie kunnen mededeelen. Dat de vrouw 
in deze beschrijving zulk eene gewichtige plaats inneemt, zal 
u zeker niet verwonderen. Bij een van nature idealisch volk 
als bet javaansche, voor hetwelk Hymen zulk eene groote be- 
teekenis heeft, is het zeer verklaarbaar, dat, ofschoon de vrouw 
in de javaansche maatschappij eene vrij ondergeschikte positie 
inneemt, zij als vertegenwoordigster der zachtere en zwakkere 
kunne het voorwerp vormt der algemeene belangstelling ^). 

Doch genoeg! Want het uur, waarop de beloofde vischvangst 



1) Vergelijk hiermede Veth : Java bladz. 289 e. v. deel I. 



i88 Tratag of taroeb. 



een aanvang zal nemen, is genaderd en, langzaam aan kun- 
nen wij ons voor deze uitspanning gereed houden. 

Zie, — daar is de wëdana reeds met zijne radenayoe en 
gasten in den pëndapa; voegen wij ons bij hen, want blijkbaar 
wordt nog alleen op ons gewacht, om het uitstapje naar de 
rivier achter de districtswoning te maken. 

Zooals wij bij aankomst aldaar zien, heeft men tot rendez- 
vous gekozen een soort van landtong bij de samenvloeiing of 
tëmpoeran van een beekje met de hoofdrivier, waar het be- 
trekkelijk kalme water de aanwezigheid van een këdoeng of 
diepe uitholling van den rivierbodem verraadt. 

Hier staat een taroeb of tratag, zijnde een overdekte opene 

loods, voor de oprichting 
waarvan de voor den javaan 
zoo onschatbare bamboe en 
cocospalm de nooilige ma- 
terialen hebben geleverd 
Dit gebouwtje is zooals gij 
ziet een door vier stijlen 
geschraagd raam, dat ver- 
der gedekt is door in elkan- 
der gevlochten cocosblade- 
TRroeb eig. tratag. rcu. Dc vicr raudcu vau 

dit raam zijn behangen met jonge klapper-bladeren , terwijl de 
eentonigheid (kaalheid) der stijlen afgebroken wordt door aan 
den voet daarvan aangebrachte versieringen, mede geheel uit 
cocos-bladeren bestaande , en wij verder boven op die stijlen tus- 
schen de daar aangebrachte pluimen van gagarmajang, d. z. licht- 
geel gekleurde jonge klapper-bladeren, onze driekleur zien wap- 
peren. Het platte dak van dit gebouwtje kenmerkt meer bepaal- 
delijk het type, dat tratag wordt genoemd, ofschoon de naam 
taroeb voor dergelijke bouwwerken met min of meer puntige 
daken, ook niet zelden en dan in de meer algemeene beteeke- 
nis van schuil- of schutplaats daarvoor gebruikt wordt. Dat wij 
onder dezen tratag of taroeb een ronde tafel met de noodige 
ververschingen enz. alsmede een genoegzaam aantal stoelen en 
matten voor ons gezelschap vinden , behoeven wij u zeker niet te 
zeggen. Die snoeperijen en dranken, dat eet- en theeservies, 




Djodang, djoekoeng, praoe-taroeban. 



189 




Djondang. 



etc. zijn hier aangebracht in een paar djodang's of djondang's, 
d. z. zooals wij zien kunnen, langwerpige bakken met tralie- 
wanden en een houten of bamboezen 
vloer en eenigszins hoogstaande breed- 
tevlakken, die voorzien zijn van ronde 
openingen, waardoor de draagstok ge- 
stoken kan worden, die bij regen- 
weder of felle hitte tevens dienst doet 
als de nokbalk van een huis, waar- 
over het losse, tweekleppige dakwerk wordt geplaatst. 

Indien wij onze blikken verder over onze omgeving laten 
gaan, dan zien wij behalve eene vrij groote massa van ver- 
schillende, zacht op 
het water wiegelende 
djoekoeng's ook eene 
groote, voor ons ge- 
zelschap bestemde Djoekoeng. 

praoe-taroeban, d. i. een van een taroeb voorziene schuit, die 
door vier a vijf mannen wordt bediend en waarmede wij straks 





Praoe-taroeban. 



de rivier op zullen varen om ons plaatselijk van de wijze, 
waarop, en de hulpmiddelen, waarmede de visch hier gevan- 
gen wordt, te overtuigen. 



190 Pasangan, woewoe, itjir. 



Wij zullen daarom maar dadelijk aan die ronde tafel onder 
den taroeb der praoe plaats nemen en daardoor het sein geven, 
dat men met de vangst beginnen kan. 

Ziet ge daar benedenstrooms dat traliewerk van dunne aan 
elkander geregen bamboestokjes , dat de rivier over hare geheele 
breedte afsluit en slechts twee betrekkelijk kleine openingen 
heeft, waardoor de visch zal kunnen ontsnappen, indien daar- 
achter niets wordt geplaatst? Dit staketsel noemt men een 
pasangan , d. i. in het algemeen het middel , waarmede of waar- 



Fasangan met woewoe en itjir. 

door men iets den doorgang belet, of vangt. Zooals gij verder 
op kunt merken zijn hier en daar stevige stokken in den grond 
geslagen, waartegen dit traliewerk rust, en indien gij de werk- 
zaamheid der bij deze afsluiting ingedeelde personen nauwkeu- 
rig nagaat, dan zult gij zien, dat zij nog een paar inlandsche 
vischfuiken te hunner beschikking hebben, waarvan de grootste 
woewoe, de kleinste itjir heet. 

De itjir heeft den vorm van een flesch met twee halsen, 
met dien verstande namelijk, dat de bodem hierbij door een 
hals vervangen is, en bestaat, zooals gij zien kunt uit twee of 
drie in elkander gewerkte en door banden stevig aan elkander 
verbonden trechters van fijne bamboestokjes. De mond of in- 
gang 'van dezen itjir is vrij wijd , doch het uiteinde van eiken 
trechter daarin vrij nauw, zoodat de visch, die eenmaal er 
door heen is gegaan, er niet of zeer moeilijk weder uit kan 
komen. Indien wij u verder mededeelen, dat de uitgang van 
den itjir gewoonlijk met gras etc. wordt dichtgemaakt, dan 
zult gij licht begrijpen, hoe de vischvangst met zulk een fuik 
toegaat. 

De woewoe is een itjir in het groot en onderscheidt zich 



Roempon , wide of laha. 



191 



van dezen meer bepeialdelijk door de kleine kleppen of deur- 
tjes^), die in de ondereinden der trechters zijn aangebracht en 
zich slechts naar binnen openen. 

Deze fuiken worden geplaatst achter de openingen in de 
pasangan. Wanneer nu de visch bovenstrooms wordt opge- 
jaagd, zal hij natuurlijk door die openingen trachten te ont- 
snappen en juist hierdoor gevangen worden. 

Een eind bovenstrooms van deze pasangan vinden wij een 
paar in den grond geslagen palen, waaraan struiken en blade- 
ren enz. bevestigd zijn, roempon's genaamd. Het nut dezer 
roempon's kunt gij licht bevroeden. De overal opgejaagde visch 
vindt hier tusschen die struiken en takken een in zijn oog vei- 
lige wijkplaats , doch heeft er geen besef van , dat deze roem- 
pon er juist is, om hem in den val te lokken, want straks, 
wanneer de vischvangst beëindigd zal worden, zal die roempon 

Roempon. 




^ 



Soesoeh. Pasër's. Tjrengkeng's. 



rondom afgezet worden door dat vlechtwerk van bamboelatten , 
dat gij daar op den oever ziet liggen en dat wide of laha ge- 
noemd wordt en dient om den visch het ontvluchten te be- 
letten, wanneer die roempon uiteengehaald wordt, om er den 



1) Idëp-idëp's of idjëp's. 



192 



Seroq of sambër, sero. 



seroq of sambër, d. z. schepnetten met kortere of langere hand- 
vatten of stelen, in te kunnen brengen, of den duikers gele- 
genheid te geven, de zich in de wide vastgewerkt hebbende 
visschen er uit te halen. 

Nog een ander vast staketselwerk zien wij daar bij de samen- 
vloeiing der zich hier vereenigende twee rivieren. Dit is een 
sero, de stevige diepwa ter- vischafsl uiting, die, wanneer zij bizon- 
der groot is, bandjang wordt genoemd, gewoonlijk alleen in 




Sero. 

zee wordt gezet, en bestaat uit een in drie a meer kamers af- 
gedeelde ruimte, welke door middel van aan stevige, lange, in 
den grond geslagen palen bevestigde wi()e's is afgesloten. Aan 
de bovenstroomszijde dezer kamers is eene opening aangebracht , 
waarin een trechter steekt, die den visch het binnendringen 

vrijlaat, doch het weder naar 
buiten zwemmen belet. Desera, 
die hier is opgesteld, heeft, zoo- 
als gij zien kunt , twee vierkante 
voorkamers en een driehoekig 
eindstuk, dat evenals de twee 
andere kamers slechts aan de voor- 
of bovenstroomszijde eene van 
Seser 8cro. ccn trcchtcr voorzicuc opening of 

deur heeft. Hier verzamelt zich de in deze gevangenis binnen- 




Seser-sero, tëliq, bëngkëng. 



193 



dringende visch en wordt hij ook in massa's opgehaald, door 
middel van dat zakvormige schepnet, dat gij daar boven op dit 
staketsel uitgespreid ziet en seser-sero wordt genoemd. 

Ziet gij daar die mannen te water gaan? Die daar vooraan 
door het water gaat, heeft twee tëliqs, d. z.fleschvormige fuiken 
bij zich, die hij straks op den bodem der rivier plaatsen en 
door middel van een paar daarin geplaatste steenen voor weg- 



Djala. 



Irig. Seser of seroq, ook sambër. 




Djaring. 



Tëliq. 



drijven vrijwaren zal. De ziel, die bij de flesch geheel gesloten 
is, is hier open en vormt den ingang, terwijl de halsopening 
met gras etc. wordt dichtgestopt. 

De tweede persoon, die daar door het water waadt, heeft 
een bëngkëng bij zich, d. i. een groote tëliq of itjir, die mede 
met steenen bezwaard is, doch bovendien nog voorzien is van 
wat a£is in den vorm van gekookte rijst en dergelijke. Deze 
bënkëng dient meer bepaaldelijk voor de garnalenvangst en 
moet daarom in niet te sterk stroomend water en vlak op den 

13 



194 



Tëliq-wëloet , pantjing këpiting, antjo, pëtjaq, seroq-antjo. 




Téliq wöloet. 



bodem, zelfs zoo mogelijk gedeeltelijk in den modder geplaatst 
worden. 
Ook die dikbuikige tëliq-wëloet of aalfuik en die ajal of 

langwerpige , min of meer dikbuikige 
fuik, die dient, om de zich meest 
op den bodem of in den modder 
ophoudende visschen te vangen, zul- 
len door dien derden visscher daar 
op de daarvoor geschikte plekken 
worden geplaatst. 

Behalve visschen en garnalen schij- 
nen hier ook nog rivierkrabben of këpiting's en joejoe's , d. z. 
de groote en kleine soorten dezer schaaldieren , te zijn, want, 
indien wij goed hebben gezien , dan zijn hier en daar langs de 
beide oevers platte ronde of vierkante wannen of opene mandjes, 
aan drie a vier touwtjes hangende en van aas voorzien, op den 
bodem neergelaten , waar zij door de mede daarop neergelegde 
steenen op hunne plaats worden gehouden. Deze toestellen wor- 
den pantjing's këpiting genoemd. 

Ziet gij daar verder die, ieder op een tegenovergestelden 
oever vlak over elkander zittende mannen, beiden met bijna 
gelijkvormige toestellen in de hand ? Dat aan een vierhoekig 
raam en verder aan dien langen staak of handvat bevestigde 
zaknet is de javaansche totebel of antjo, die met het daarin 
geworpen aas een paar voeten diep in het water wordt neer- 
gelaten en van tijd tot tijd door middel van den daaraan zit- 
tenden stok, dien de visscher in de hand houdt, langzaam 
wordt opgehaald. Die andere, door den tweeden der door ons 
bedoelde personen behandeld wordende toestel is de pStjaq, d. i. 
de antjo zonder stok. De visscher houdt 
dezen pëtjaq bij den knop vast, die het 
vereenigingspunt is der vier latten, waar- 
door het raam en net gedragen worden, en 
drukt den toestel bij het visschen met zijne 
hand onder water. 

Beiden hebben verder een klein schepnet 
of seroq, hier meer speciaal seroq antjo of 
seroq pëtjaq genaamd, bij de hand lig- 




PCtjaq. 



Këpis, ajal, pantjing djëgoq, pantjing doedoel. 



195 



gen, om den gevangen visch op te halen en verder in de këpis 
of nauwhalzige vischmand, waarvan ieder hunner er een paar 
bij zich heeft, te bergen. 

Ook die hengelaars daar hebben diergelijke, platte, breed- 
buikige maiidjes door middel van touwen aan hunne lijven 
hangen, wier vorm aan de u zeker niet onbekende Bocksbeu- 
telflesschen herinnert. De werktuigen, waarmede deze lieden 
den visch trachten te vangen, zijn, zooals gij zien kunt, in de 
eerste plaats, de gewone aan een roede bevestigde hengel, hier 
pantjing djëgoq geheeten, en in de tweede de van een dobber 
voorziene hengel, die door den visscher eenvoudig aan de lijn 

Djariug edjer. 



8»' 



? 







Pantjing djégoq. 



Tëliq en Bëngkëng. 

wordt vastgehouden, pantjing doedoel genaamd. Wat de ijzeren 
haken betreft, die voor dit bedrijf gebezigd worden, deze zijn 
mede verschillend van vorm. Sommigen hebben slechts een 
enkele in een weêrhaakje eindigende bocht, anderen, en dezen 
zijn meer voor groote visschen bestemd, zijn ankervormig. Het 
aas bestaat uit regenwormen ') of darmen «) en dergelijken. 



i Tjatjing. 



2) Oasoes. 



i96 



Ajab, djaring-edjer, sambër, djala. 




Doch het wordt tijd , dat wij onze aandacht weder wijden 
aan hetgeen daar bovenstrooms in de rivier geschiedt. 

Ziet gij daar die verschillende groepen of liever rijen van 
gedeeltelijk wadend, gedeeltelijk zwemmend zich in het water 
voortbewegende visschers? Als gij goed toekijkt, zult gij zien, 
dat zij bezig zijn , den visch met sleep- en werpnetten te vangen. 
Die daar benedenstrooms werken en langzaam de rivier op- 
loopen of -zwemmen trekken een ajab of zak-sleepnet voort. 

Dit stevige , bijna 
twee meters breede, 
vrij grootmazige en 
van goemoeti- of gë- 
moeti-touw vervaar- 
digde net is ruim 
twintig vademen lang 
en heeft in het mid- 
dengedeelte een on- 
geveer twee vademen breede opening, die toegang verleent tot 
de daaraan bevestigde, bijna drie vademen diepe zak, waarin 
de opgejaagde visch zich verzamelt. 

Die andere groep , die van den tegenovergestelden kant aan- 
komt, dus met den stroom mede gaat, bedient de djaring- 
edjer, d..i. het strakgespannen wordende net, dat langzaam door 
middel van stokken, waaraan het, als het ware, gehangen 
wordt, wordt voortgeschoven , waardoor de daartegen aanzwem- 
mende visch genoodzaakt wordt terug te keeren en alzoo in de 
handen te vallen van die andere rij , mede in de rivier staande 
mannen, die ieder een sambër of seroq behandelen, waarmede 
zij de aldus opgejaagde visschen gemakkelijk kunnen opscheppen. 
Tusschen deze groepen bewegen zich afzonderlijk werkende 
visschers, die den djala of djambët, d. i. het gewone fijnmazige 
en van rameh-garen vervaardigde werpnet hanteeren, alsmede 
eene andere kleine groep van personen, die te zamen met het 
gewone sleepnet of de djaring werken en den gevangen visch 
daarmede op den oever trekken. 

En zoo zijn wij genaderd tot het punt waar het zooeven 
door ons bedoelde beekje zich in de hoofdrivier stort. Hier 
kunnen wij met onze praoe niet verder en moeten wij dus 



Bara, wide. i97 

aan wal stappen. Zie, men heeft hierop ook al gerekend, want 
in dien vrij steilen linkeroever zijn eenige trappen of treden 
uitgehouwen. 

Wij zullen dus niet langer wachten met dezen oever te be- 
treden, doch alvorens verder te gaan nog even stilstaan bij 
dezen toestel hier, dien men ons als een bara doet kennen. 




Bara. 



Zooals gij ziet, is de bara niets anders, dan een ongedekte, 
langwerpige bamboezen kist met getraliede, vrij hooge, opstaande 
wanden en een vloer van een uit dunne en vrij dicht tegen 
elkander geplaatste, door middel van rottingbandjes aan elkan- 
der verbonden baraboelatjes vervaardigd rasterwerk '), waarbo- 
ven een vrij breede talang of aan de bovenzijde opene water- 
afvoerbuis uitmondt. Deze talang staat in verbinding met een 
kleine waterleiding uit het beekje. De in deze leiding opgejaagde 
visch vliegt van zelf door bedoelde buis op den bara, die wel 
het water, maar geen visch doorlaat. De inrichting en werking 
van dezen toestel is dus eenvoudig genoeg, en de visch vangst 
daarmede zeer gemakkelijk, daar de visscher na de talang te 
hebben gesloten, zich slechts de moeite van het oprapen van 
den op den bara liggenden visch te geven heeft, terwijl, indien 
de toestel eenmaal goed opgezet en in werking is, een voort- 
durend bewaken daarvan vrij overbodig kan heeten. 

GJaan wij verder langs bovenbedoelde leiding, dan zien wij 
even beneden het punt, waar zij uit het beekje komt, een 
deel van dit beekje door een paar daarin gelegde dammetjes 



1) Wide of wide langsoer, d. i. plat of vlak liggende wide. 




i98 Soesoeh, irig, tawoe, djënoe, toeba. 

of bëndoengan's afgeschoten. Hier vinden wij eenige mannen 
bezig met crinoline-vormige of er als boderalooze kooien uit- 
ziende werktuigen, soesoeh's 
genaamd, in het troebeige- 
maakte water te steken. De 
half bedwelmde visch , die in 
deze werktuigen gevangen 
wordt, wordt er met de hand 
uitgehaald, waartoe in den 
Béndoengan'8 voor het tawoe. top der soesóeh eeue opeuiug 

is aangebracht , die groot ge- 
noeg is om den arm van den visscher en den gevangen visch 
door te laten. 

"Het troebel maken van het water in het afgeschoten gedeelte 
van het beekje heeft verder nog ten gevolge , dat de bedwelmde 
visch zich naar de oppervlakte van het water en de oevers van 
het beekje begeeft, en hier, zooals gij ziet, gemakkelijk gevan- 
gen wordt door die vrouwen en kinderen, die den visch met 
irig's of bamboezen zeven ophalen. 

Is de vangst met genoemde vischtuigen afgeloopen, dan 
wordt het water uit deze afsluiting door middel van bamboe- 
zen scheppers of tawoe's gehoosd (di tawoe), om de zich in den 
modder van den bodem verscholen hebbende visschen te kun- 
nen vangen. 

Ook langs het hoogere gedeelte van dit beekje zien wij vele 
vrouwen en kinderen met seroq's en irig*s staan en de op het 
water drijvende visschen uit het water halen. Hier is het water 
echter helder, zoodat eene andere oorzaak aanwezig moet zijn, 
waarom deze visschen zoo machteloos zijn. Indien wij een kwart 
paal verder gaan zullen wij dezen toestand verklaard vinden. 
Hier toch heeft men een massa fijngestampte wortels van den 
djënoe-heester of Pongamia volubilis, en van den gatël, ook 
toeba-gatël of Milletia sericea, beiden slingerplanten tot de fa- 
milie der Papillionaceae behoorende, in het water geworpen 
en uitgeperst, waardoor het daarin bevatte, voor de visschen 
bedwelmende en doodelijke gift zich langzaam aan over de ge- 
heele watermassa heeft verdeeld en dit voor de daarin zwem- 
mende visschen onbewoonbaar heeft gemaakt. 



Pasër, tjrengkeng, panah, gaodewa. 199 

Een kort verblijf in dit vergiftigde water is reeds voldoende 
.om den visch te bedwelmen en boven te doen drijven. Zelfs 
de grootste en sterkste visschen kunnen het daarin niet lang 
volhouden ^ zoodat dit middel wel het gevaarlijkste kan worden 
genoemd, dat bij de vischvangst kan worden aangewend, daar 
tet in staat is, een geheele rivier tijdelijk te ontvolken, indien 
het in groote massa's wordt gebruikt. 

Gelukkig begrijpt de javaan dit ook en komt de dj8noe niet 
zoo veelvuldig en in zulke groote massa's voor, dat vrees voor 
misbruik van dit middel bestaat. Gewoonlijk wordt daarvan 
slechts zooveel gebruikt, als noodig is, om het water van een 
niet al te kleine rivier over eene lengte van hoogstens een 
kwart paal te vergiftigen. 

Doch het wordt tijd, dat wij onze aandacht weder op de 
visschen vestigen, want hier zien wij eenige mannen, die nog 
andere werktuigen hanteeren. 

Zie, die daar heeft een soort van werpspies met een van 
kleine weerhaken • voorziene punt, waarmede hij handig de 
groote, hem voorbijzwemmende visschen weet te treffen. Dit 
werktuig, dat ons den eenvoudigsten vorm van den javaanschen 
harpoen te zien geeft, wordt pasër genoemd. 

Een andere soort is de twee-, drie- soms viertandige vork of 
tjrengkeng, waarvan wij hier ook verscheidene exemplaren zien 
gebruiken met dit onderscheid echter, dat, terwijl de pasër 
meer als werptuig gebruikt en dan ook geheel losgelaten 
wordt, de tjrengkeng meest gebezigd wordt, om er mede te 
steken, en derhalve in de hand van den visscher blijft. 

Eindelijk zien wij hier nog pijlen of panah's en bogen of 
gandewa's gebruiken, ofschoon deze schietwerktuigen anders 
daartoe niet bestemd zijn. 

Maar, terwijl wij die verschillende werktuigen en middelen, 
welke bij deze vischvangst gebruikt worden, bezichtigden en 
opnamen, zijn de visschers niet stil blijven zitten. 

Eenige mandjes vol visch zijn reeds naar de tratag gebracht. 

Wij zullen ons dus haasten , om , alvorens die visch verdeeld 
wordt, eens te zien welke ons bekende soorten er zoo al onder 
aangetroffen worden. 

Zie, die kleine, hier en daar over den grond verspreide en 



200 Oetjëng, wadër-pari, dëndëng, djaga-ripoeh, tjënggaringan , kada. 

spartelende drie a vier centimeters lange vischjes, worden 
oetjëng's genoemd en smaken met tamarinde en zout gekruid 
en verder in bladeren gewikkeld en gaar geroosterd of gestoomd, 
di pes, zooals de Javaan die bereidingswijze noemt, niet on- 
smakelijk. 

Tot deze familie behoort de wadër pari, die wij daar mede 
op den grond vinden. Deze visch is iets grooter en heeft ook 




duidelijk zichtbare schubbetjes. In smaak verschilt hij niet veel 
van den oetjëng, alleen zijn zijne graten iets grover. 

Onder de grootere visschen treffen wij hier in de eerste plaats 
aan den dëndëng, een vrij groote karpersoort met doorloopende 
rugvin, die zijn naam ontleent aan de trage wijze, waarop hij 
rondzwemt. 

De djaga*ripoeh , die daarnaast ligt, is een gladde of fijn- 
schubbige visch van zeer goeden smaak. Deze visch heeft baard- 



Këpi-eq, tjelengan, kadalan, poesoeh, sili, bëtiq, sëplang, wagal. 20i 

draden aan de beide kaken en schijnt tot de familie der 
meervallen of Siluroidei te behooren. 

Verder zien wij hier den tjënggaringan , een der meest ge- 
zochte riviervisschen , ofschoon hij niet veel vleesch heeft. 

Gevulder, en niet minder in smaak is de kada, die daarop 
volgt, en evenals de tjënggaringan tot de fijnschubbige behoort. 

Een andere karpersoort is de këpreq, dien wij daar zien. 
Deze visch heeft vrij groote graten en betrekkelijk weinig vleesch ; 
ook is hij over het algemeen minder goerih, d. i. vettig-smakelijk, 
dan een der overige hier aanwezige soorten. 

De daaropvolgende visch, die op den neus een doornachtig 
uitsteeksel of hoomtje heeft, is de tjelengan, zoogenaamd, 
omdat hij, evenals de tjeleng of het wilde zwijn diens slagtan- 
den, zijn vorenbedoeld hoomtje als wapen gebruikt en daar- 
mede venijnige wondjes kan toebrengen. Zulk een hoomtje op 
den kop wordt soengoe of singat, ook wel soenggar geheeten, doch 
komt dit scherpe stekeltje op eene andere plaats aan het lichaam 
van den' visch voor, dan is de gewone benaming daarvan patil. 

Voorts hebben wij hier den fijnschubbigen , gladden kadalan, 
zoo genoemd omdat zijn kop veel heeft van dien van den 
kadal of Lacerta agilis. 

Daarnaast ligt een poesoeh, die door zijne langwerpig ronde 
gladde en witte gedaante veel heeft van een klos gezuiverde 
en samengerolde kapas of katoen, het product van den Gossy- 
pium indicum Lam. Deze visch heeft veel vleesch, maar be- 
hoort niet tot de smakelijksten. 

De sili, die daarop volgt, is geen aaltje, zooals sommigen 
meenen, maar een klein, langwerpig rondengladhuidig vischje, 
dat aan zijn onderkaak een baarddraadje heeft, en zeer goed 
van smaak is. 

Verder zien wij hier nog een paar karpersoorten, nl. den 
bëtiq en den sëplang, die veel van elkander hebben en alleen 
verschillen door den rugvin, die de eerste heeft, maar die bij 
den tweeden niet of bijna niet te vinden is. 

De hierop volgende visch, de wagal is een der grootste en 
lekkerste riviervisschen. Bij weinige, groote en gemakkelijk te 
verwijderen graten heeft hij een goedsmakend, sappig vleesch ^ 
waarom hij niet weinig geëerd wordt. 



202 



Tagih, bërot, bader, koetpeq, këlalen. 



Ook de daarnaast liggende, gebaarde tagih levert een uit- 
stekenden schotel, ofschoon bij over 'talgenleen minder sma- 
kelijk wordt geacht dan de wagal. 

Voorts zien wij hier den këlalen, een gladhuidige visch met 
in geregelde dwarslijnen staande bruinzwarte vlekken. Of hij 
zijn naam këlalen , d. i. vergeten, ontleent aan de omstandigheid, 
dat de persoon die hem eet of proeft er alles door vergeet, 
dan wel, dat hij dikwijls bij het opdisschen vergeten wordt, 
durven wij niet beslissen. Alleen kunnen wij mededeelen, dat 

hij niet tot de meest ge- 
liefde vischsoorten behoort, 
ofschoon zijn vleesch verre 
van onsmakelijk is. Zooals 
gij zien kunt heeft deze 
visch ook baarddraden , 
evenals de volgende, die 
bërot heet en een snoek- 
achtigen vorm heeft. Ook 
deze visch behoort tot de 
^^ minder gezochten, niette- 

1 Cl -g^^^^^^ssMT-^^ genstaande hij veel en goed 
M ^^.^JS^s^ss^^m4£SSS2^^^ vleesch heeft, dat echter 

wat mager of droog is. 

De bader is een karper- 
soort met vele en lange 
graten en betrekkelijk wei- 
nig vleesch. Hij komt ech- 
ter in groote massa's in 
de rivieren voor, zoodat het 
geen wonder behoeft te hee- 
ten, dat hij zoo dikwijls 
gevangen wordt. 
De arëng-arëng, die daarnaast ligt, is een der fijnere rivier- 

vischsoorten en zeer gezocht, om zijn lekker, malsch vleesch. 

Deze visch wordt soms twee en meer voeten lang, maar is 

moeilijk te vangen, waarom hij ook meest tegen vrij hooge 

prijzen verkocht wordt. 

Verder zien wij hier den bekenden koetoeq, een vraatzuchtig 




Mangoet, paloeng, Iele, goerameh, tambra. 



203 




dier met goed, maar flauw en droog vleesch. Deze visch be- 
reikt soms eene lengte van meer dan een meter en wordt ge- 
woonlijk opengespoawen , gezouten en gedroogd verkocht. Zijn 
vleesch wordt , als onschadelijk , meestal ook aan herstellende zie- 
ken , die aan een streng régime onderworpen zijn , gegeven. 

De mangoet ^ dien wij hierna aantreffen , is evenals de bader 
een veelgratige, maar ook veel voorkomende visch, dien men 
bijna dagelijks te koop ziet aanbieden. Hij heeft weinig vleesch , 
doch is overigens vrij goed van smaak. 

Beter dan de mangoet is de paloeng, dien wij hier ook 
vinden. Hij is in de eerste plaats grooter en niet zoo gratig, 
en verder is zijn vleesch voller en smakelijker. 

Met den Iele, die daarop volgt, moet gij voorzichtig zijn 
daar hij aan de achterzijde zijner kaken ' 
scherpe stekels of patil's heeft, waar- 
mede hij zeer pijnlijke en soms zelfs 
gevaarlijke wonden- kan toebrengen. Hij 
heeft overigens een goed, vast en sma- 
kelijk vleesch, vooral wanneer hij eeni- ^^«• 
gen tijd zoogenaamd gespeend , d. i. in goed zuiver water in 
't leven gehouden is geworden, want deze visch houdt er van, 
zich in modder op te houden 
en daarmede te voeden, wat 
niet zelden influenceert op den 
min of meer grondigen smaak 
van zijn vleesch. 

Vervolgens hebben wij hier 
exemplaren van twee zeer be- 
kende en uitstekende visschen, 
nl. den goeramih of goerameh en den tambra, beiden vrij 
groote visschen, die bij 
de liefhebbers van visch 
in hoog aanzien staan om 
hun lekker, vast vleesch. 

Kijk, die op slangen 
gelijkende dieren daar, 
zijn alen of wSloet's en palingen of sidat's , van elkander te on- 
derscheiden door de oortjes , die de laatsten aan het achterhoofd 




Goeramih. 




Tambra. 



204 Wëloet, ddat, këpiting, wideng, joejoe, empet, oerang pantjet, oerang- 



Wëloet. 



hebben. Deze tot de familie der Muraenoïdeï behoorende dieren 
hebben een smakelijk vet vleesch, dat echter zwaar te verteren 

is en bij gebruik in 
eenigszins groote hoe- 
veelheden, licht indi- 
gesties verwekken kan. 
Ook de hierop vol- 
gende këpiting of rivier- 
of landkrab is niet ver- 
werpelijk. Deze met 
groote scharen of soe- 
pit's gewapende dieren 
hebben schalen, voor- 
zien van scherpgepunte 
randen , en kunnen 
soms een halven voet 
breed zijn. Hun vleesch 
is vast en zoetachtig 
van smaak, doch het 
uithalen daarvan ver- 




Képiting of (kleine soorten) joejoe , enz. 



eischt wel eenig geduld, daar het besloten is in hoornachtige 
schachten en zweepen, die niet eetbaar zijn. 

Tot deze familie behooren ook die andere kleine krabben, 
die widëng, joejoe en empet genoemd worden, en waarvan de 
eerstgenoemde meer in rivieruitmondingen in zee gevonden 
wordt. Deze widëng is, zooals gij ziet, bijna zoo groot, dik- 
wijls zelfs van dezelfde grootte als de këpiting, maar is meer 
behaard dan deze. 

De joejoe, die zelden de grootte van een' kleinen këpiting 
bereikt, heeft een min of meer bolvormig schild, terwijl bij 
den empet dit schild juist min of meer afgeplat is. Ook dit 
dier wordt zelden grooter dan een handpalm. Overigens zijn de 
widëng's, joejoe's en empet's veel minder waard dan de kë- 
piting's en worden zij ook alleen bij gebrek aan dezen gegeten. 

Tot deze schaaldieren of liever Podophthalmata of Thoraco- 
straea (pootoogigen of schildkreeften) behooren verder die groote 
en kleine garnalen én kreeften daar. 

De rivierkreeft heet in het javaansch oerang pantjet, oerang 



-kali, rSbon, trasi, djambal, këbo-gërang, mërmas, patjal, bantjer, ilat. 205 




Oerang pantjet. 



watang of satang en kara, en kan soms een arm dik en een a 
twee voet lang worden. Haar vleesch is vast, doch wat droog 
en daardoor minder smakelijk 
dan dat van de gewone garnaal 
of oerang, hier meer bepaaldelijk 
oerang kali waarvan wij hier een 
groote massa verzameld zien , ter- 
wijl die kleine, fijne jonge gar- 
naaltjes in dat mandje rëbon Sü 
worden genoemd. Deze diertjes ^fe* 
worden gebruikt voor de berei- 
ding van de welbekende trasi en 
met name van de trasi oerang, 
die voor de beste wordt gehou- 
den van alle trasi-soorten , die 
in de javaansche keuken, zooals 
wij zien zullen, zooveel gebruikt 
worden. 

Hier hebben wij weder een bekende visch, nl. den djambal, 
wiens vleesch zeer goed is en 
die ook onder de beste visch- 
soorten gerekend wordt. 

Ook de k8bo-g8rang, de mër- 
mas, de patjal en de blantjer, 
die hierop volgen zijn goed be- 
kende visschen , die veel gegeten 
worden. 

De tong echter, die daar ligt, Oerang. 

en door den javaan taroempah, ilat of lewe genoemd wordt, 
wordt door hem zoo niet veracht , 
dan toch minstens geminacht 
en meestal weggegooid of weder 
in het water geworpen, omdat 
zijn bijgeloof hem zqgt, dat dit 
platte, wonderlijk gevormde, op 
een voetzool (taroempah) gelij- 
kende dier geen goed voedsel oplevert en geen zegen aan- 
brengt. Daar wij er echter anders over denken, zullen wij zor- 





Taroempah, ilat of lewe. 



206 Lintah, lintah-këbo, lingsëng, patjöt, «ëdëkah. 

gen, dat de hier aanwezige tongen voor ons behouden blijven. 

Doch let hier op de plek, waarop gij den voet neerzet, want 

daar liggen eenige Hirudinida of bloedzuigers. Kijk , die leelijke 

dieren kruipen langzaam rond, 
om iets te zoeken, waaraan zij 
zich kunnen vastzuigen. 
Lintah. Dic daar is de gewone medi- 

cinale bloedzuiger (Hirudo me- 
dicinalis) of lintah en die groote zwarte de karbouwenbloed- 
zuiger, de lintah-këbo of Aulastoma gulo. 

Behalve deze twee soorten kent de Javaan nog de lingsëng 
of paardenbloedzuiger (Haemopsis vorax), die in het gebergte 
veel in stilstaande of kalme wateren voorkomt en gevaarlijk is 
voor paarden, runderen en andere dieren, die bij het drinken 
hunne neusgaten gedeeltelijk in het water houden en bij die 
gelegenheid niet zelden deze bloedzuigers daarin krijgen. De 
andere soort is de spring- of landbloedzuiger (Hirudo agilis) of 
patjët, een lastig, gulzig diertje, dat soms in bosschen en moe- 
rassige terreinen bij duizenden voorkomt. 

Van al het hier gevangene worden de beste exemplaren voor 
den wëdana en zijne gasten gehouden, en het overblijvende 
onder de overige visschers en de toeschouwers verdeeld. Er is 
trouwens meer dan genoeg, om ieder een aandeel van de vangst 
te kunnen geven. 

Van het haar toegewezen aandeel heeft onze gastvrouw weder 
het beste op zij laten zetten, waarop zij ons tracteeren zal, en 
het grootste deel van de rest bestemd voor de sëdëkah , slamëtan 
of wiloedjëngan , die zij morgen geven wil, zooals zij ons daar- 
even verteld heeft. 

Zulk een sëdëkah is oorspronkelijk een in de mohammedaan- 
sche godsdienstige werken als Allah welgevallig voorgeschreven 
uitdeeling van aalmoezen of giften in spijzen en kleederen aan 
behoeftigen geweest, doch langzamerhand ontaard in eene ge- 
wone slamëtan, onder. welke benaming de javaan allerlei offer- 
malen kent, en, in navolging van zijne voorouders uit den tijd 
der onwetendheid , ter eere van de geesten der natuur en de 
zielen der afgestorvenen, maar tegelijk, krachtens zijn zonderling 
syncretismus , ook van Allah en zijn gezant, van alle profeten 



De vei*schi11ende slamëtans. 207 

en heiligen van den Islam, ja soms ook tevens van Indra's 
hemel , aanricht *). 

U alle gelegenheden opnoemen waarop of waarvoor de javaan 
een slamëtan geven moet, geven kan en geeft, is ons niet 
mogelijk, daar deze talloos zijn en de minste bijzonderheid, het 
in ons oog onbeduidendste voorvalletje voor den javaan soms 
reeds aanleiding of reden kan zijn, om een slamëtan te geven. 

Zoo wordt bij het sluiten van een nieuwen vriendschapsband , 
wat de javaan mgmitra noemt, — tot vervulling eener gelofte 
of kaoel — ter vereering van de eene of andere macht, welke 
daad de javaan mëmoele heet, — om van de eene of andere 
godheid eene bepaalde gunst af te smeeken of kirim dongft, 
enz. steeds een slamëtan gegeven. 

Is ergens een zieke, wiens spoedige genezing gewenscht wordt, 

— heeft iemand om eene betrekking gesolliciteerd , die zeer 
wordt begeerd, — verlangt men vooruitgang in zijne zaken, 
toename van zijn welvaart, vervulling van zijn dierste wenschen , 

— dadelijk wordt een slamëtan daartoe gegeven. Zulk een 
slamëtan heet slamëtan amoedja marang sadoeloer en daarbij 
worden de sëdoeloer's, waaronder de nageboorte, het lendewater, 
het bloed, de ziel en de beschermengel worden verstaan, aan- 
geroepen' en tot hulpverleening aangezocht. 

Bestaat vrees voor droogte en mislukking van het gewas, en 
moet ter voorkoming hiervan de gunst der huis- en andere 
goden of danjang*s en djin's worden ingeroepen, dan heeft de 
javaan in zijn slamëtan, die dan slamëtan amoedja danjang 
wordt genoemd, het beste en zekerste middel daartoe. 

Ook ter eere van de nagedachtenis der afgestorvenen en om 
hunne zielen of geesten gunstig te stemmen, opdat men hun 
gerustelijk het een of ander geluk af kan vragen, worden sla- 
mëtan's aangericht, die men dan slamëtan njaosi dahar marang 
Moehoer noemt. 

Eveneens wordt dikwijls aan de ziel of den geest van den 
Profeet Mohammed een slamëtan gewijd, die mede njaosi 
dahar heet. 

Zoo ziet men ook niet zelden op graven, aan den voet van 



1) P. J. Veth: Java I, bladz. 324. 



208 De vei'schillende slamëtans. 

bijzondere, groote boomen, — op groote, eigenaardig gevormde 
Bteenen, of bij steenen of houten beelden of rëtja's diverse eet- 
en andere waren als offerande gedeponeerd; — dergelijke offers 
dienen tot slamëtan amoedja, d. i. offer tot afbidding of af- 
smeeking van het een of ander, dat gewenscht wordt. 

Buitendien kent de geloovige, mohammedaansche Javaan nog 
de slamëtan sasen of wiloedjSngan woelanan, die geregeld maan- 
delijks worden gegeven ter eere van de vele profeten, heiligen 
enz. die hij vereert. 

Dat voor de meesten dezer slamëtan 's bepaalde gerechten en 
bepaalde dagen zijn voorgeschreven, behoeft nauwelijks gezegd 
te worden. 

Zoo mag de slamëtan amoedja danjang slechts op een Saptoe- 
kliwon of Zaterdag-kliwon , en op een Gara-kasih , d. i. een 
Dinsdag- of Vrijdag-kliwon ^),Slasa(Djoemoengah- of Djoemoewah-) 
kliwon gegeven worden, terwijl de slamëtan voor den bërsih 
desa of den jaarlijkschen schoonmaak enz. der desa meer be- 
paaldelijk plaats moet vinden in de javaansche maand Sëk. 

De slamëtan amoedja marang sadoeloer moet worden aange- 
richt op een Gara-kasih , een Djoemoengah (Vrijdag) lëgi of op 
den geboortedag van den slamëtan-gever. 

De slamëtan njaosi dahar marang lëloehoer wordt gegeven op 
den dertigsten dag der vastenmaand Fasa of Siam, terwijl voor 
de overige offermalen of een Gara-kasih of een Djoemoengah- 
lëgi dan wel de geboortedag van den een of anderen heilige 
voorgeschreven zijn. 

Over de bij de bepaling dezer dagen gewoonlijk gevoegde 
berekeningen enz. zullen wij te gelegener tijd nader spreken, 
evenals over de javaansche tijdrekening en wat daarmede in 
verband staat. 

Voor heden zij het genoeg, u mede te deelen, dat de Javaan 
weken kent van 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 dagen, 
waarvan die van vijf, zes en zeven dagen echter de voornaamste 
zijn. — De laatste heeft de dagen Achad of Zondag, Sënen 



1) De naam Gara- of Anggara-kasih , d. i de bevoorrechte Dinsdag (Anggara) 
komt eigenlijk alleen toe aan den Dinsdag, die met Kliwon van de vijfdaagsche 
week samenvalt; doch wordt in het algemeen ook voor Vrijdag-kliwon gebezigd. 



De verschillende slamëtans. 



of Maandag, Slasa of Dinsdag, RSbo of Woensdag, Këmis of 
Donderdag, Djoemoengah of Vrijdag en Saptoe of Zaterdag, 
wier namen ontleend zijn aan de arabische benamingen der 
dagen. Hoe zij anders heeten, zullen wij mede later hooren. 

De vijfdaagsche of zoogenaamde pasar-week (van pasar of 
markt) heeft de dagen lëgi of manis, paing, pon, wage en 
kliwon, die ieder om de vijf en dertig dagen met denzelfden 
dag der zevendaagsche week samenvallen, d. w. z. dat bijvoor- 
beeld een Dinsdag, die met kliwon samenvalt, over vijf en 
dertig dagen weder denzelfden pasaran, d. i. dag der marktweek, 
heeft. — Doch genoeg, wij raken zoodoende van ons onderwerp 
af, terwijl wij er nog niet geheel over uitgepraat zijn. 

Zulke figdëkah's of slamötan's worden steeds geleid door een 
pënghoeloe, naib, lè'be, modin of gewonen hadji, die na van 
den slamëtan-gever of diens plaatsvervanger het doel, of de 
oedjoeb, waarvoor de slamëtan gegeven wordt, vernomen te 
hebben, het gebruikelijke en voorgeschreven gebed uitspreekt 
en daarin den zegen afsmeekt van de hoogere machten, wier 
gunst de slamëtan-gever deelachtig wenscht te worden, of te 
wier eere hij het offermaal aanricht. 

Pënghoeloe is de titel van den hoofdpriester van een regent- 
schap, soms ook van een district; naib, die van den districts- 
geestelijke, die in zijn district dezelfde functien waarneemt vaii 
en dezelfde bevoegdheden heeft als de pënghoeloe, terwijl 
lëbe, modin of kaoem de verschillende titels zijn voor de per- 
sonen, die in de desa's het ambt van priester, voorganger bij 
het gebed en omroeper van de uren van het gebed vervullen. 

Onder hadji of kadji verstaat men in het algemeen iedere 
gelukkige mohammedaan, die het voorrecht heeft gehad van 
minstens ééns de bedevaart naar Mekka te hebben kunnen 
maken en er of in de nabijheid daarvan de heilige plekken te 
hebben kunnen bezoeken , waar de Rasoel-oellah of gezant Gods 
Mohammed eenmaal geleefd en gewerkt heeft. 

Zulk een hadji, die bij zijne terugkomst van de door hem 
gedane bedevaart zich aan een soort examen ten overstaan van 
een regent of ander inlandsch hoofd onderwerpen moet, om 
daardoor te bewijzen, dat hij werkelijk op de plaatsen geweest 
is , die hij zegt te hebben bezocht , — welke bewering overigens 

14 



210 De verschillende slamëtans. 

ook bevestigd moet worden door de op zijn reispas gestelde 
aanteekeningen en visas van onze consuls enz. in de door hem 
bezochte streken , — krijgt , indien de commissie van onderzoek , 
hiervoren bedoeld, de overtuiging heeft verkregen, dat hij in 
waarheid aan het voorschrift der bedevaart naar behooren heeft 
voldaan, een bewijs, of liever eene vergunning tot het dragen 
van den naam hadji en van de daaraan verbonden arabische 
kleeding, die hem van zijne mededesagenoten onderscheiden 
moet en waarin meestal ook zijne kracht en zijn gezag over de 
minder gelukkige mohammedanen, die het niet tot eene bede- 
vaart hebben kunnen brengen, gelegen zijn. 

Wij zullen later gelegenheid genoeg hebben om over deze 
klasse van grootheden in de javaansche maatschappij nader en 
uitvoeriger te spreken, en het dus voor heden hierbij te laten, 
want het wordt tijd, dat wij aan naar huis gaan denken. 

Op deze tehuisreis vernemen wij van onzen gastheer op onze 
vraag, waartoe hij de slamëtan, waarvan zijne vrouw ons ge- 
sproken heeft, aan wil richten, het volgende. 

Eenige maanden geleden met zijne vrouw en kinderen met 
een paar dagen verlof te Soerabaia bij een zwager — broeder 
van onze gastvrouw — gelogeerd, zoude hij met de zijnen en 
eenige andere familieleden per tambangan ^) naar Madoera over- 
steken, toen het ranke bootje door een plotseling opkomenden 
wind en den zwaren golfslag kantelde, zoodat allen die er in 
zaten op een gegeven oogenblik onder het water verdwenen. 
Gelukkig werd hun spoedig hulp verleend en konden de schip- 
breukelingen weldra weder voet aan wal zetten. Allen onder- 
vonden van die onderdompeling geene nadeelige gevolgen, be- 
halve 's wëdana's oudste dochtertje, dat ten gevolge van den 
schrik, enz. eene zware ziekte opliep en gedurende meer dan 
twee weken op den dood lag. Trouw heeft de liefhebbende 
moeder het kind opgepast en daarbij de gelofte gedaan, dat, 
wanneer zij haar geliefd kind behouden mocht, zij na hare 



1) Tambangan = in 't algemeen elk voer- of vaartuig, waarmede men tegen 
betaling van de eene plaats aaar de andere overgebracht wordt; — hier meer 
speciaal kleine bootjes of schuiten, die dienen om menschen, enz. van den 
eenen wal op den anderan over te zetten, en geregeld heen en weder gaan. 



De verschillende slamëtans. 211 

terugkomst in de kawëdanau een slamëtan daarvoor geven 
zoude. 

Deze slamëtan nu zal morgen worden aangericht , en omtrent 
al wat daarbij zal worden opgedischt zal onze gastvrouw ons 
bij die gelegenheid op de hoogte helpen, waardoor wij ook een 
idee zullen krijgen van de javaansche culinaire wetenschap. 



HOOFDSTUK VI. 



Wij zullen heden, indiep gij er lust toe gevoelt, onze gast- 
vrouw aan haar woord houden, om ons met de javaansche 
culinaire wetenschap en hare, maag- en tongstreelende produc- 
ten van echt javaansche vinding bekend te maken, want zooals 
gij u wel herinneren zult , zal straks in de kawëdanan de groote 
sëdëkah worden gegeven, waarvan wij reeds gisteren het een 
en ander hebben gehoord. 

Wij zullen daarom maar zoo vrij zijn naar het achterhuis, 
d. i. de achtergalerij der kawëdanan te gaan , waar onze gast- 
vrouw juist begonnen is met de voor de sëdëkah bestemde 
gerechten na te zien en te verdeelen. 

Kijk, wij kunnen hier cathegorisch te werk gaan, en be- 
ginnen met deze tafel hier, die met diverse vleeschgerechten 
beladen is. 

Deze ovale schotel hier bevat daging- of oelam ëmpal, zooals 
onze gastvrouw ons mededeelt, d. z. 'stukken gekookt karbouwen- 
of rundvleesch ter grootte van een handpalm en een a twee 
duimen dik, die na met zout en tamarinde, alsmede een weinig 
suiker gekruid te zijn , in klapper- of bij gebreke hiervan in 
katjang-olie zijn bruingebakken. Proef er eens van, als ge wilt, 
en gij zult bevinden, dat aldus bereid vleesch niet onsmake- 
lijk is. 

Hier hebben wij een schotel met daging- of oelam betjeq, 
een gerecht, dat u wellicht minder zal aanstaan, omdat het 
bereid is uit in diverse kruiden gekookte kleine stukken oesoes 



De javaansche keuken. 



213 



(darmen), Umpa (milt) en badad (pens) van herkauwers, als: 
karbouwen, runderen, schapen of geiten. Vorenbedoelde inge- 
wandsdeelen worden , na goed schoongemaakt en in kleine stuk- 
ken gesneden te zijn , in gewoon water opgekookt , waarbij 
langzamerhand of soms ook direct gevoegd worden de noodige 
hoeveelheden oejah of sarëm (zout), trasi, asem (tamarinde). 

Schotel met ëmpaL 

co 

•s. 

«4 

'B 

e* 

l 



I 




Cd 

o 



Panggang-ajam. 

bangle *) (lieswortel), koenir^) (kurkema), soenti^), këntjoer*), 
koentji of tëmoe koentji'), bram bang') (roode uien), bawang^) 
(witte uien of knoflook) , këtoembar •) , djintèn •) , en laos *°) , 
hetzij fijngesneden, hetzij gezamenlijk ge-dëplok-t '*), d. i. fijn- 
gestampt. Wanneer alles halfgaar gekookt is, wordt daarbij nog 
santen of kokosmelk gevoegd. Dit gerecht moet zeer lekker zijn, 



I) Zingiber cassumanar Rxb. 
3) Zingiber gramineum BI. 
5) Kaempferia rotundata L. 
7) Allium sativum L. 

9) Carum carvi L. 

II) In een vijzel stampen. 



2) Cu reu ma longa L. 
4) Kaempferia galanga L. 
6) Allium cepa L. 
8) Coriandrum sativum L. 
10) Alpinia galanga Sw. 



214 De javaansche keuken. 



doch in onzen europeeschen smaak zal het zeker niet vallen, 
al moeten wij erkennen , dat het aan het gebruik van genoemde 
ingewanden verbonden idee van viesheid eigenlijk niet bestaat. 
Doch het wordt tijd dat wij met iets anders kennis maken. 

Ziehier een schotel met pindang , d. i. een soort van inland- 
sche soep, waarin groote dobbelsteen vormige stukken karbouwen-, 
runder-, schapen- of geitenvleesch met zout, trasi, asem, ka- 
loewaq^), brambang, bawang, laos, këtoembar alsmede fijn- 
gestooten lomboq^) en këmiri') zijn gaargekookt. 

In de plaats van dit vleesch kan, zooals gij aan die andere 
schotels daar zien kunt, ook kippenvleesch of visch worden 
gebruikt, om dit voor de rijsttafel bestemde sausgerecht te 
bereiden. 

Deze schaal hier bevat oelam tëriq (daging tëriq), d.z. stukken 
vleesch in samen fijngestampte trasi, zout, asem, brambang, 
bawang, këtoembar, djintën, këmiri en een weinig suiker ge- 
rold en daarna met santen tot gaar- en half droogwordens op- 
gekookt. 

Het oelam-garang-asëm , dat gij in dezen schotel ziet is 
vleesch, dat met zout, trasi, brambang, bawang, suiker, asem, 
lomboq en laos in fijngemalen vorm is toebereid en gaargekookt. 
Dit gerecht komt eenigszins overeen met het vorenvermelde en 
verschilt daarvan ook weinig in smaak. 

Iets, dat u wellicht beter bevallen zal, is de dendeng ragi, 
die gij op deze schaal vindt. Dit gerecht bestaat uit dobbel- 
steenvormige stukjes vleesch , gekneed in of met een fijnge- 
stampt mengsel van zout, trasi, këtoembar, djintën, bawang, 
suiker, asem , brambang en laos , en daarna met geraspt kokos- 
vleesch *) gaargebakken. 

Ook de gorengan-dendeng-kënting , die gij daarnaast ziet, 
is ongeveer op dezelfde wijze bereid. Dit gerecht bestaat mede 
uit dobbebteenvormige stukken vleesch, die met zout, asem, 
këtoembar, djintën , suiker gekruid en daarna in lënga- of lisah- 
klëntiq (klapperolie) gebakken zijn. 

Die ronde balletjes op dat groote bord vormen het gerecht. 



1) Pangium edule, R^dt. 2) Spaansche peper, Gapsicum annuum L. 

3) Aleu rites triloba, Forst. 4) Paroedan kalapa of paroedan krambil. 



De jayaanscbe keuken. 215 



dat rëmpah heet. Zij bestaan uit fijngehakt vleesch samenge- 
stampt met geraspt kokosvleesch, zout, trasi, këtoembar, ba wang, 
asem en suiker, en daarna tot balletjes gerold en in klapper- 
olie gebakken. 

Die andere schotel daar bevat gewone dendeng, d. z. lappen 
of platte stukken vleesch, ter grootte van een handpalm of 
hand en 4 a 6 m.m. dik, die na met zout, trasi, këtoembar, 
djintën, asem, laos en een weinig suiker gekruid en in de zon 
gedroogd te zijn , in klapperolie worden gebraden of eenvoudig 
worden geroosterd. Dergelijk vleesch kan door die drooging in 
de zon geruimen tijd worden bewaard, en daarvan is in bijna 
elk huisgezin altijd eenige voorraad te vinden. 

Hiernaast vinden wij dendeng age, d. i. gekookte, 5 a 7 

c. m. lange lapjes vleesch, gekruid met zout, trasi, asem, 
këtoembar, djintën, këmiri, suiker en santen, welke kruiden 
enz. eerst samen fijngewreven en daarna zonder toevoeging van 
water opgekookt worden. Wanneer dit mengsel gaar is, wordt 
het vleesch daarmede ingewreven en verder na tusschen bam- 
boezen knijpertjes of sapite te zijn gevat, boven kolen vuur 
gaargebraden. 

De abon, die wij daar zien, is mede een vleeschgerecht , 
dat niet onsmakelijk kan heeten. Daartoe wordt gewoon rund- 
en karbouwen- of kippenvleesch gebruikt, dat na gaargekookt 
te zijn , in fijne stukjes gescheurd of uit elkander getrokken en 
verder, met zout, asem en een weinig suiker gekruid, in klap- 
perolie bruingebakken wordt. 

Die ovale schotel op het midden der tafel bevat sateof sësate, 

d. z. speetjes of soendoeq's , waaraan stukjes vleesch ter grootte 
van een dobbelsteen gestoken zijn. Hiertoe wordt meest 
rund- en karbouwenvleesch gebruikt, gekruid met zout, asem, 
trasi, këtoembar, djintën, suiker en een weinig santen, en daarna 
aan de speetjes gestoken en boven kolenvuur gaargebakken. 
Dergelijke saté wordt sate-boembon, d. i. met kruiden toebereide 
saté, genoemd en droog, d. i. zonder toevoeging van eenige 
saus hoegenaamd gegeten. 

Wordt voor de saté geiten- of schapenvleesch (saté wëdoes 
of saté menda) gebruikt, dan wordt dit gewoonlijk eenvoudig 
met een weinig zout en peper, soms zelfs in het geheel niet 



216 De javaansche keuken. 



gekruid , maar daarbij nog een pikante inlandsche saus ^) voor- 
gediend , bestaande uit een mengsel van zout , mritja ') (peper), 
lomboq rawit ') en kelor *)-wortels (fijngestampt) overgoten met 
gewone of inlandsche azijn ^). 

Voorts kent men ook saté van oesoes of darmen (meest dunne 
darmen), van ati') of lever, van ajam of kippenvleesch en van 
rëmpëloe') of hoenderlever. Deze saté wordt niet gekruid, maar 
gegeten met een andere pikante saus of sambël, die bestaat 
uit een mengsel van met elkander fijngestampte gewone lomboq , 
lomboq rawit , zout en peper, overgoten met ketjap •) of indi- 
sche soya, waarbij niet zelden nog fijngestampte roode uien of 
brambang worden gevoegd. Bij de lever-sate kan ook de saus 
worden gebruikt, die wij zooeven als sambél voor desatewëdoes 
aangaven. Wat de sambël voor de saté van geiten- of scha- 
penvleesch betreft, hiervoor bestaat nog het volgende recept, 
nl. lomboq, zout en djae') samen fijngewreven, waarbij nog 
worden gevoegd fijngesneden en gebraden of gebakken roode 
uien en fijngesneden bladeren van den djëroeq pëtjëP®), alles 
daarna overgoten met azijn; desverkiezende kan hierbij verder 
ook ketjap worden gebruikt. 

Doch wij zullen hierbij niet langer blijven stilstaan en liever 
vragen, hoe die panggang-ajam daar is klaargemaakt. Zooals 
de naam van dit gerecht reeds aanduidt, heeft eene arme kip 
hiertoe het hoofdbestanddeel moeten leveren. De geslachte kip 
wordt na uitgehaald en goed schoongemaakt te zijn in tweeën 
gespouwen (kabëleq) en door middel van bamboezen pennen 
(soedjen) plat uitgeslagen. Daarna wordt zij tot haïfgaarwordens 
boven vuur gehouden, om de mogelijk nog aanwezige fijne 
veertjes weg te branden, enz. en verder geheel platgeslagen. 
Is dit gedaan , dan wórdt daarop eerst de boemboe of kruiderij 



1) Deze saus wordt sambël saté genoemd. 

2) De vruchten van den wit mritja = Piper nigrum , L. 

3) Capsicum fastigiatum, BI. 

4) Wortels van Moiinga polygona De. 

5) Inlandsche azijn heet wëraq. 6) Beteekent ook. hart. 

7) Wordt ook gebruikt ter aanduiding van den lever van viervoetige dieren. 

8) Meestal verkregen uit het gistingsproces der boonen van de këdële (këdangsoel) 
plant, d. i/de Soya hispida, Monch. 

9) Zingiber officinale, L. 10) Citrus limonellus, Hassk. 



De javaansche keuken. 217 



door eenvoudige besmering aangebracht en de kip voorts op 
kolenvuur gaargebraden. Deze boemboe bestaat uit zout met 
trasi , këtoembar, djintën , asëra , kënairi en suiker (fijngewreven), 
waarbij nog een weinig santen wordt gevoegd. 

Voorts ziet gij hier een gerecht, dat gij op het eerste ge- 
zicht weiUcht voor inlandsch gebak zult houden, omdat het 
verpakt is in langwerpige pakjes of boengkoesan's van pisang- 
bladeren. Dit gerecht heet botoq of bëbotoq en kan zoowel van 
vleesch als van visch worden bereid. In het eerste geval wordt 
het vleesch eerst fijngehakt, en daarna met de boemboe sa- 
mengestampt; in het tweede de visch aan dunne moten gesne- 
den en verder eenvoudig met de boemboe omwikkeld. Deze 
boemboe zelf bestaat uit met elkander fijngewreven zout, trasi, 
roode en witte uien, lomboq, asem, kémiri en geraspt kokos- 
vleesch. Het aldus toebereide gerecht wordt verder in vorenbe- 
doelde boengkoesan's verpakt en gaargestoomd of gekookt. 

Die schotel daar in dien hoek bevat gadon een gelijksoortig 
gerecht als het zooeven beschouwde en op dezelfde wijze ver- 
pakt. Het fijngehakte vleesch wordt hierbij met zout, peper, 
roode en witte uien, trasi, këtoembar, djintën, këntjoer, laos, 
en een weinig schillen van den djëroeq-wangi ^) alsmede een 
lomboq samengestampt en daarna met wat dikke santen over- 
goten en in de boengkoesan's verdeeld, waarbij in elke boeng- 
koesan nog een weinig sereh *) en een salam ')-blad voor de 
geurigheid van het gerecht worden gevoegd. 

Iets verder op zien wij nog een schotel, die oelam ajëm 
inhoudt, dat tot sambël-goreng is gebruikt. Onder oelam ajëm 
wordt verstaan op bijzondere wijze toebereide karbouwen- of 
runderlever. Deze lever wordt in kleine stukjes gesneden, goed 
schoongewasschen en met samen fijngestampt zout, witte uien, 
laos, en suiker gekruid; daarna wordt alles in een pot, die 
goed gesloten wordt, gedaan en gedurende zeven dagen aan 
den invloed der zonnewarmte blootgesteld. Hierna kan dit 
mengsel verder tot sambël goreng worden bebereid, dan wel 
met sambël brambang asem worden gegeten. De boemboe 



1) Citrns papeda, Hassk. — ook djëroeq poeroet. 

2) Andropogon üchoenanthus, E. 3) Eugenir luciduia, Miq. 



218 De javaansche keuken. 



voor de sambël goreng bestaat uit zout, trasi, suiker, en fijn- 
gesneden lomboq, roode en witte uien en laos samen tot 
halfgaarwordens eerst in een weinig klapperolie en daarna in 
santen gebakken. Met de santen wordt ook het vleesch in de 
pan gebracht en verder gaargebakken. 

De sambël brambang asem, die meest als afzonderlijke toe- 
spijs gebruikt wordt, maar ook met oelam ajëm kan worden 
vereenigd, bestaat uit samen fijngestooten lomboq, asem, zout, 
trasi en brambang, en wordt als afzonderlijke toespijs meestal 
voorgediend in de tjoeweq, waarin dit mengsel is fijngemaakt. 
Verder zien wij hier nog een schotel met pëtjël ajam , d. i. 
geroosterd kippenvleesch in een saus van fijngestampte en gaar- 
gekookte bawang, këntjoer, lomboq, kemiri, trasi, zout en 
santen. Op dezelfde wijze kan, zooals wij aan het gerecht in 
dien anderen schotel daar zien, ook visch worden bereid; in 
dit geval heet het gerecht dan p8t]8l iwaq loh. , 

Een gelijksoortig gerecht is het oelam oerip-oerip, dat gij in 
dezen schotel vindt en uit boven kolenvuur geroosterde visch 
bestaat, gekookt in een santënsaus, gekruid met fijngesneden 
brambang, bawang en lomboq met een weinig zout en trasi. 
Die vier kleine ovale schaaltjes op dat presenteerblad bevat- 
ten gorengan tëri, d.z. 
in meel gebakken en 
met zout, trasi, bram- 
bang, bawang en een 
Iwaq. (Oelam) tëri. wciuig suikcr CU tama- 

(groote .oort. natuurlijke grootte). ^^^^ gekruidc kleine 

zeevischjes, die veel hebben van katvisch en wellicht ook tot 
deze categorie van visschen gerekend kunnen worden. 

Een ander vischgerecht , dat u wellicht minder bevallen zal, 
vinden wij in dezen schotel. Het wordt bëkasëm genoemd en 
bestaat uit kleine stukjes riviervisch, die versch met wat gist 
of ragi, zout, suiker, tamarinde en fijngestooten gekookte rijst 
bereid en in een pot, die luchtdicht gesloten kan worden, ge- 
durende 4 a 5 dagen bewaard worden, in welken tijd de visch 
geacht wordt, die kruiderij genoegzaam te hebben opgenomen 
om verder voor de tafel bereid te kunnen worden. Hiertoe 
wordt het nog gekruid met samen-fijngestoofen brambang, ba- 




De javaansche keuken. 219 



wang, laos, zout en suiker, waarbij nog fijngesneden lomboq 
wordt gevoegd, waarna het in pisang-bladeren wordt gewik- 
keld en gaargestoomd , of gaargeroosterd. 

Eindelijk hebben wij hier nog een vleeschgerecht , dat goeie 
heet en een der hoofdschotels der javaansche tafel vormt. Het 
zijn zooals gij ziéri kunt stukken vleesch zwemmende in een 
vrij vette saus, die gekruid is met këtoembar, djintën, kruid- 
nagelen, notemuskaat en fijngesneden gebakken uien, waarbij 
soms, zooals hier, nog snijboonen gevoegd zijn, ofschoon deze 
gewoonlijk slechts gebruikt worden, wanneer in stede van vleesch 
ati, d. i. lever, voor de bereiding van dit gerecht gebezigd 
wordt. Doch genoeg, wij zullen thans naar die tweede tafel 
daar overgaan om te zien, wat daarop zoo al te vinden is. 

Al dadelijk kunnen wij hier met verschillende djangan's, d. z. 
diverse inlandsche groentesoepen met of zonder vleesch, die tot de 
noodzakelijke bijgerechten der rijsttafel behooren, kennis maken. 

Ziehier de zoo bekende lodeh , bevattende verschillende groen- 
ten, enz. als: terong^), kloewih *), gori*), katjang*), kara*), 
gambas*), waloeh''), kates*), boeng*), boontjes, enz. samen 
gaargekookt in ruim water en verder gekruid met zout, trasi, 
laos, roode en jonge lomboq, tamarinde en santen of klapper- 
melk , waarbij niet zelden nog kleine stukken tempe *°) worden 



In den daarnaast staanden schotel vinden wij 'djangan asem, 
een ditogerecht als het zooeven besprokene, doch waartoe gori 



1) Solanum melongena L. var. (de vruchten). 

2) Artocarpus incisa L. fs. (de jonge vruchten). 

3) Jonge vrucht van den Artocarpus integrifolia L. 

4) Diveree soorten van peulvruchten. 

5) Lablab vulgaris Savi, en Dolichos lignosus L. (de boonen). 

6) Cardiopteris lobata Wall. (de jonge bladeren). 

7) Diverse soorten Lagenaria, meest Lagenaria vulgaris Ser. 

8) Carica papaya L. (de jonge vruchten). 

9) Jong bamboe-uitspruitsel, meest van Bambusa aspera R. en Barabusa 
fei-a Miq. 

10) In koekjes samengeArukte gegiste këdële- (Soya hispida-) boonen; 
dikwijls ook gemaakt van boengkil , d. i. het tot koeken samengeperste vaste 
overblijfsel der katjang tjina of Amchis bypogaea L., nadat er olie uit ge-' 
wonnen is. 



220 De javaanscbe keuken. 



en kloewih niet gebruikt kunnen worden , en waarvan de krui- 
derij verder bestaat uit zout, trasi, roode en witte uien, laos, 
een weinigje suiker, en tamarinde in eenigszins grootere hoeveel- 
heid, dan gewoonlijk voor dergelijke soepen benoodigd wordt. 

Die derde schotel bevat djangan mënir; d. i. een soep van 
bajëm-^) of spinazie-bladeren , gekruid met koentji, bawang, 
brambang, zout, suiker en een weinig rijst, soms ook met wat 
trasi en këmiri, terwijl er niet zelden nog jonge djagoeng en 
boeng bij gevoegd wordt. 

Ben andere van bajëm bereide toespijs is de djangan lontjom , 
die wij daar zien en die bestaat uit fijngesneden spinaziebla- 
deren, gekruid met samen fijngewreven zout, trasi, roode en 
witte uien, këntjoer, këmiri en tempe, en daarna in santen 
opgekookt. 

Voorts vinden wij hier nog een schotel met djangan goerih , 
bereid van katjang en laboe^), soms ook van andere vruchten 
met meUg vleesch, gekruid met zout, roode en witte uien, 
trasi, këntjoer, en gekookt in santen. 

De rij dezer groentesoepeA wordt afgesloten door de blë- 
goedëg, die wij in dien schotel daar zien. Deze djangan onder- 
scheidt zich van de zooeven genoemden* doordat zij behalve de 
nader te noemen groenten ook vleesch , meestal kippenvleesch , 
bevat. Zij wordt bereid uit manggar'), tjëngkir*), of ares*), 
in fijngesneden vorm, vooraf afgekookt en daarna goed af- 
gewasschen. Eerst hierna wordt er de boem boe, bestaande uit 
samen fijngestooten zout, trasi, roode en witte uien, këtoem- 
bar, djintën en këntjoer, alsmede het vleesch bijgevoegd en 
alles op nieuw tot gaarwordens opgekookt onder toevoeging van 
santen of kokosmelk. 

De verder op deze tafel gereedstaande gerechten opnemende 



1) Euxolus codatus moq. — Euxoius polygamus moq. — Amarantus tristisL. 
— Amarantus oleraceus L. 

2) Lagenaria idolatrica Sering. 

3) Jonge bloesem van den kokospalm. 

4) Zeer jonge kokosnoten, waarvan bet vrucbtfleescb nog niet gevormd en 
de dop nog broos is. 

5) Ook bonggol » bet bart of binnenste deel van een pisang-stam , meestal 
van den pisang ktoetoeq of Musa sapientum L. var. 



De javaansche keuken. 221 



vinden wij in dezen platten schotel gorengan tempe of tienipe , 
d. z. kleine , langwerpige stukken tempe , croquant in klapperolie 
gebakken na met een weinig zout, tamarinde en suiker te zijn 
gekruid. 

Daarnaast zien wij een dergelijk bijgerecht, nl. de gorengan 
katjang, meest, zooals hier, bereid uit këdële-boontjes met wat 
zout en tamarinde in klapperolie gebakken. 

Smakelijker zullen de twee daarop volgende schotels u wel- 
licht voorkomen, die respectivelijk met gewone sroendeng en 
sroendeng-smaradana gevuld zijn. Beiden zijn gerechten waar- 
van hardgebakken kaljang het hoofdbestanddeel uitmaakt. Deze 
katjang, meest kadële-boontjes , worden eerst in water geweekt 
en vervolgens gedopt, en gebakken. De verdere toevoegselen zijn 
wat zout, trasi, këtoembar, djintSn, roode uien, asem en een 
weinig suiker, terwijl het onderscheid tusschen de gewone 
sroendeng en de sroendeng-smaradana, zooals gij hier zelf zien 
kunt, bestaat in de kleine dobbelsteentjes van gebakken kokos- 
vleesch of gëbingan klapa, die in de sroendeng-smaradana te 
vinden zijn. 

Op dat bord daar hebt ge de pelas , een uit këdële-, goede-, *) 
kara- *) of andere boonen bereide toespijs. Bedoelde boonen 
worden daartoe eerst geweekt en zoodra zij gezwollen zijn, in 
een loempang of vijsel met roode en witte uien, zout, trasi 
en poejang fijngestampt. Daarna wordt dit mengsel gaargestoomd 
of gekookt. 

Een ander uit katjang, soms ook uit djagoeng bereid bijge- 
rec^t is de boeboeq , die gij daarnaast vindt en die bestaat uit 
een samen fijngestampt mengsel van hardgebakken katjang of 
djagoeng met wat zout, trasi, lomboq, uien en këntjoer. 

Ook het daaropvolgende gerecht, dat pëntjoq heet, bestaat 
uit hardgebakken, meestal këdele-boonen , gekruid met zout, 
uien, këntjoer en wat trasi, en verder vermengd met paroedan- 
klapa of geraspt kokosvleesch. 

Verder treffen wij hier nog eenige spijzen aan, die op de 
tafel van den over het algemeen weinig vleeschetenden javaan 



1) Cajanus indicus Spr. 

2) Lablab vulgaris Savi. 



222 De javaanscher keuken. 



zejiden gemist worden, namelijk de gewone koeloeb, de pët]ël- 
koeloeb en de trantjam. 

Het eerstgemelde gerecht bestaat voornamelijk uit gekookte 
tokolan*), lëmbajoeng *) , loeng katela'), en jonge wangon*), 
kësambi-*), ipiq-*) of andere bladeren, vermengd met 
samengekookte of liever gaargestoomde paroedan-klapa , këtoem- 
bar-djintSn, këntjoer en lomboq, waarbij wat trasi en zout is 
gevoegd. 

Het tweede is een dito mengsel, waarbij echter in plaats van 

geraspt kokosvleesch , kë- 
toembar-djintën en kën- 
tjoer, wat suiker, këmiri 
en tamarinde wordt ge- 
bruikt. 

De trantjam eindelijk is 
een soort van inlandsche 
sla, bereid uit aan dunne 

Loempang met stamper of aloë. Tjoweq met oelëg-oelég. ^eepjCS gCSUedeU kom- 

kommers, boonen en ge- 
bakken tempe , vermengd met vooraf samen fijngewreven zout , 
trasi, këntjoer, lomboq en këmiri, en voorts overgoten met 
kokosmelk. 

Van de velerlei soorten van sambël, die de javaansche keu- 
ken kent , zien wij hier de sambël-tjaboeq , de sambël-këmiri 
en de sambël-kloewaq , waarvan de eerste bestaat uit in water 
geweekte katoel of bëkatoel ^) en uien, lomboq , zout en këmangi- •) 
bladeren; de tweede een mengsel is van gepofte këmiri-noten 
met lomboq, zout, tamarinde en trasi; en de derde bereid is 
uit kloewaq') met lomboq uien en zout. Een en ander wordt 




1) De ontkiemde zaden van den katjang-idjo (Phaseolus radiatus L.). 

2) Jonge bladeren van den katjacg landjaran (Yigna sinensis Savi). 

3) De jonge krullen van Batatas edulis Chois. 

4) Moschosma polystachyum , Benth. 

5) Schleigera trijuga Wild.? 

6) Ficus brevipes, Miq.? 

7) De fijne stof, die bij het schoonstampen van de ontbolsterde rijst, achterblijft. 

8) Ocimum citratum Rumph. 

9) Vruchten van den Pangium edule Rwdt. 



De javaanscbe keuken. 223 



samen fijngewreven in een tjoweq of tjoeweq of plat wrijf- 
schaaltje van aardewerk door middel van een oel^-oel^ of 
stamper. 

Bij deze sambëls vinden wij verder een kommetje met pëtis, 
bereid uit vischnat, opgekookt met het uitgeperste sap van 
kokos vleesch en wat zout, totdat het de lijvigheid en de kleur 
heeft gekregen o. a. van Liebigs vleesch-extract, dat dikwijls 
ook als p^tis gebruikt wordt. Deze pëtis wordt met of zonder 
toevoeging van lomboq met ongekookte groenten of onrijpe 
vruchten gegeten. 

Hiernaast vinden wij de sëmaji. Dit gerecht wordt bereid 
uit klappervleesch , dat na fijngeraspt en uitgeperst te zijn , ge- 
stoomd en gedurende 2 a 3 dagen in een luchtig mandje of 
toemboe wordt bewaard en dan opnieuw wordt uitgeperst, om 
verder met zout, laos, lomboq en uien te worden fijngewreven 
en geroosterd, of liever ge-brèngkes-t, d. i. in het een of ander 
blad gewikkeld en zoo gaargestoom^. 

Voorts treffen wij op deze tafel nog aan oelam- of iwaq-atjar, 
d. i. visch of kip in 't zuur. Meestal , zooals ook hier, gebruikt 
men daartoe visch , aan moten gebraden en gekruid met gebak- 
ken , fijngesneden uien , djae en lomboq en overgoten met azijn , 
waarbij een weinig ketjap is gevoegd. 

De atjar-tjampoer, die wij daarnaast zien, is een mengsel 
van fijngesneden boontjes, tokolan, komkommers of augurken, 
uien en lomboq met gebakken këmiri, uien, sëre en djae, 
overgoten met azijn. 

Eindelijk hebben wij hier nog kennis te maken met enkele 
bijzondere bereidingswijzen van het hoofdvoedsel van den javaan , 
nl. de rijst. 

Zie, die kegel van witte gare rijst verraadt door zijn vorm 
reeds , dat hij uit den koekoesan komt en dus gaar is gestoomd. 
De op dergelijke wijze gewoon met water bereide rijst heet 
sëga- of sëkoel-karon , d. i. rijst, die na in halfgaren staat ge- 
karoe-d, d. i. van het vuur genomen en omgewerkt te zijn, 
verder in den koekoesan is gaargestoomd. 

Daarnaast vinden wij een wakoel mede met witte rijst ge- 
vuld. Deze is echter de sëga-liwët, die eenvoudig in een këndil 
of kalebasvormige koperen of aarden pot in zuiver water is 



224 De javaansche keuken. 



gaargekookt, terwijl er telkens het overvloedige water werd af- 
geschept. Bij deze bereidingswijze verkrijgt men gewoonlijk een 
soort van aanbaksel , dat këraq of karaq , ook intip , wordt ge- 
noemd en bestrooid met fijngeraspt klappervleesch en wat zout 
vrij goed smaakt. 

De geelgekleurde kegel, waaraan wij thans komen, bestaat 
uit sëga-poenar, d. i. rijst in halfgaren toestand vermengd met 
opgekookte santen waarbij wat zout, salam ^)-bladeren , tama- 
rinde en het uitgeperste sap van eenige kurkuma-wortels zijn 
gevoegd, en daarna in den koekoesan verder gaargestoomd. 

Op bijna dezelfde wijze is de sëga-oedoep bereid, die wij 
achter dien gelen kegel vinden; alleen is hierbij geen kurku- 
masap gebruikt. 

Die ballen witte rijst, ter grootte van een vuist, die wij 
daar opgestapeld zien, worden séga-galong of sëga-golong ge- 
noemd en bestaan uit gewone sëga-karon of liwët in dien vorm 
gekneed en opgedischt. 

Hiernaast vinden wij eenige cilindervormige pakjes van pi- 
sang-bladeren , waarin mede witte rijst besloten is. Deze rijst 
is de lëmëng en wordt bereid door haar eenvoudig in vooraf 
goed schoongemaakte, aan de binnenzijde met pisangblad ge- 
voerde of gedekte en aan de uiteinden goed gesloten bamboezen 
kokers te poffen. Zoodra deze kokers beginnen te barsten is de 
rijst ook gaar. Deze bereidingswijze wordt meest gevolgd door 
reizenden. 

Eindelijk treffen wij hier nog een laatsten schotel aan met 
koepat of këtoepat, d. i. rijst in kleine, ongeveer een vierkanten 
decimeter groote en 5 a 6 cm. dikke, van gevlochten, jonge 
klapperbladeren gevormde zakjes gaargekookt. 

En hiermede hebben wij kennis gemaakt met de voornaamste 
gerechten, die gewoonlijk op een javaansch diner of souper 
ter tafel worden gebracht. Hoe de opdissching daarvan en de 
bediening daarbij geschiedt, zullen wij straks zien, want thans 
moeten wij nog eerst een kijkje, en desnoods ook een proefje 
nemen van ai die snoeperijen op dien amben daar, die het 
dessert vormen van zulk een feestmaal. 



i) Syzygium occlosum, Miq. 



Javaansch gebak. 225 




Zooals gij met een oogopslag kunt zien , is er genoeg van om er 
zelfs een oUfantenmaag door te overladen of van streek te brengen. 

Wij zullen bij de opname van dien maagbedervenden over- 
vloed maar het rijtje langs gaan en beginnen aan dezen recht- 
schen hoek met de djënang këtan. Deze djënang of koek wordt 
als volgt bereid. 

Eene bepaalde hoeveelheid santen of klappermelk wordt in 
een djadi of koperen kookpot opgekookt totdat de olie er op 

drijft; daarna wordt er de noo- 

dige hoeveelheid suiker bijge- 
voegd en zoodra dit mengsel 
een min of meer bruine kleur 
heeft aangenomen, stort men 
er onder gedurig omroeren de 
vereischte massa këtan-meel in 
en laat alles weder samen gaar- Djadi, 

koken, totdat de olie er op 

nieuw bovenop komt drijven en de massa boeket , d. i. troebel 
en min of meer lijvig is geworden. Dan wordt de pot van het 
vuur genomen en de inhoud in houten vormen of wel een- 
voudig op een houten bord gestort, om zoo te bekoelen; het 
gerecht is hierna voor het gebruik gereed. 

Een dergelijk . gebak is dè wadjiq, die wij daarnaast zien. 
Hierbij is echter de kStan-rijst niet vooraf tot meel gestampt, 
maar eenvoudig in haren korreligen staat gebruikt. 

Ook de salaq of widji salaq, die wij in dien derden schotel 
zien , bevat dezelfde bestanddeelen , maar hiervoor is het këtan- 
meel tot kleine balletjes gevormd, en ook een weinig meer 
water gebruikt, zoodat de massa meer op een dikke stroop 
gelijkt, waarin de këtan-ballen drijven. . 

Hier hebben wij nog een këtan-gerecht , nl. de djadah, be- 
staande uit gekookte këtan, fijngestampt met zout en geraspt 
klappervleesch , en verder tot groote platte ronde koeken uitge- 
slagen. De djadah wordt ook dikwijls in vierkante koekjes ter 
grootte van een handpalm gesneden en dan geroosterd. Aldus 
behandeld heet deze snoeperij djrangking. 

Die luchtige, half doorschijnende ronde plakken daar zijn 
opaq's, een soort drooge wafelen, bereid uit gare rijst met 

16 



Javaansch gebak. 



wat zout en geraspt klappervleesch in een loempang fijngestampt 
(katjëprot) en daarna in verschillende vormen op pisang-blade* 
ren plat uitgeslagen en in de zon gedroogd. Zoodra deze koe- 
ken halfdroog zijn, worden zij verder of boven smeulend vuur 
behandeld of gebakken. 

Op ongeveer dezelfde wijze wordt de lempeng gemaakt, die 
daarop volgt. Alleen wordt hiertoe geen gewone rijst, maar 
këtan-meel gebezigd, die in bladeren gewikkeld, gaar wordt 
gekookt en verder als voren wordt behandeld. 

De tape, waarvan wij hier drie soorten aantreffen, wordt ge- 
maakt van gewone rijst, këtan en katela-kaspe. Daartoe wordt 
de rijst, këtan of katela-kaspe eerst gaar gekookt en daarna, 
even als de botoq in plasa- of pisang-bladeren verpakt, terwijl 
er wat ragi of gist bij wordt gevoegd. Na 24 uren is de zoet- 
zuur smakende , gegiste tape voor het gebruik geschikt. De 
gist, die hiertoe gebruikt wordt, bestaat uit samen fijngemalen 
rijstmeel, roode uien, tjabe en zoethout of kaneel tot kleine 
balletjes gerold , die men gedurende 2 maal 24 uren laat broeien 
of gisten, alvorens ze te gebruiken. 

. Verder zien wij hier weder eenige pakjes als die van de 
botoq. Hierin is pipis-boedëg te vinden , d. i. rijstmeel toebe- 
reid met suiker, santen en een weinig zout. 

De srikaja, die ge daarnaast vindt, wordt bereid van rijpe 
pisang, evenals de pipis-boedëg verpakt en overgoten met eene 
saus van santen, suiker en wat zout, waarin een ei geklutst is. 

Hier hebt ge gëplaq, bereid uit bruingebakken rijstemeel, 
dat in een kooksel van santen en suiker wordt geroerd en na 
gaarkoking en afkoeling tot kleine balletjes wordt gekneed en 
zoo wordt voorgediend. 

De lëmpër, die hierop volgt, is een soort van gevuld inlandsch 
brood , bereid van këtan , vermengd of liever gekruid met san- 
ten en wat zout. Het vulsel bestaat uit fijngesneden en gestampt 
vleesch, dat, met zout, trasi, uien, këtoembar, djintën, suiker 
en tamarinde toebereid, vooraf in santen is gaargebakken. De 
lëmpër wordt tot kleine cilinders in pisangblad gerold en als 
zoodanig nog boven smeulend vuur opgewarmd of geroosterd. 
Dit gebak of gerecht smaakt niet kwaad en is op reis vooral 
niet te versmaden. 



Javaansch gebak. 227 



Op dezelfde wijze wordt de l^oenda bereid, doch in stede 
van vleesch wordt hiervoor rijpe pisang tot vulsel gebruikt. 

Oetri is de naam der snoeperij, die hierop volgt. Zooals gij 
zien kunt, bestaat dit gebak uit kleine stukjes rijpe pisang, 
zwemmende in eene saus van santen, waarbij suiker en wat 
zout is gevoegd, en evenals de pipis*boedgg verpakt in pisang-blad. 

Een op dezelfde wijze verpakt gebak is de nagasari, die ge 
daarnaast vindt, bereid uit met santen en wat zout opgekookt 
rijstemeel , waarin eenige stukjes rijpe pisang worden gewikkeld. 

De mëniran, die wij hierbij ook aantreffen, en haren naam 
ontleent aan de fijnkorrelige rijst, waarvan zij gemaakt is, is 
eenvoudig een soort van. rijstebrij in santen met wat zout ge- 
kookt en evenals de nagasari verpakt in een boengkoesan van 
pisang-blad. 

Een dergelijk gebak is de groebi , die daarop volgt. Alleen is 
het meel hierbij licht met een weinig kurkumasap gekleurd en 
verder gesuikerd, terwijl in de plaats van rijpe pisang kleine 
dobbelsteenen katela-rambat zijn gebruikt. 

De poetoe, die wij aan het begin der tweede rij vinden, 
wordt van rijstemeel bereid , gekruid met geraspt klappervleesch 
en wat zout. Meestal wordt daaraan een ronde, half bolvor- 
mige gedaante gegeven , terwijl in het midden daarvan een stuk 
bruine, javaansche suiker wordt gestoken, die bij het gaarstoo- 
men van het gebak daarin versmelt. 

Hier hebben wij verder de mëndoet, bestaande uit kleine, 
met santen en wat zout bereide balletjes këtan-meel, gevuld 
met ënten-ënten, d. i. geraspt klappervleesch in suiker gekookt, 
totdat de massa aan elkander kleeft. 

De gandoel, die daarop volgt, is mede uit këtanmeel, bereid, 
dat met santen , suiker en dobbelsteentjes of gSbingan van klap- 
pervleesch wordt opgekookt en vermengd. 

Voorts zien wij hier de ëmbël-ëmbël van këtanmeel gekookt 
in santen, waarbij wat zout is gevoegd, daarna gevuld met 
kleine stukjes javaansche suiker en verder gaargestoomd. 

De klëpon , die hierop volgt , heeft den vorm van kleine groen- 
gekleurde balletjes gevuld met inlandsche suiker. Zij wordt be- 
reid uit këtan-meel, dat met het uitgeperste en gefiltreerde sap 
van kara-bladeren , waarbij een weinig ëndjSt- of sirih-kalk is 



Javaansch gebak. 



gevoegd, gekleurd wordt. Bij het opdisschen wordt dit gebak 
nog met paroedan-klapa of geraspt klappervleesch bestrooid. 

£en aan de mëndoet gelijksoortig gebak is de onde-onde, die 
wij hier verder zien. Het eenige verschil tusschen deze twee 
gebakken is te vinden in de widjen-pitten , waarmede de onde- 
onde bestrooid is, en de omstandigheid, dat dit gebak niet 
gaargestoomd maar in klapperolie gebakken wordt. 

De këmplang op dien doelang daar bestaat uit een vinger 
lange en dikke stukken met santen en wat zout tot deeg ge- 
kneed këtan-meel, dat in dikke stroop van javaansche suiker 
is gebakken (kabësta = gebonden). 

Verder zien wij hier op dit bord gëdang- of pisang-goreng , 
d. i. rijpe pisang in moten gesneden en na in gesuikerd rijste- 
meel te zijn gerold, in klapperolie gebakken. 

De toempi, die daarop volgt, is mede een rijstemeel-gebak. 
Het meel wordt met santen en een weinig zout tot een soort 
van deeg gekneed , daarna met katjang-idjo *) bestrooid , in 
stukken ter grootte van een handpalm en vier a vijf millimeter 
dik gesneden en verder in klapperolie gaargebakken. 

Het hiernaast staande groote bord bevat tjoetjoer, d. z. inlandsche 

poffertjes, gemaisikt van 
rijstemeel , vermengd 
met wat zout en klap- 
permelk en in olie ge- 
bakken in een tjoetjoer- 
pan. 
De rëngginang, die 
den eersten schotel vult van de achterste rij , vertoont ons ronde 
platte schijven van met zout behandelde rrjste- of këtan-meel 
op rondgeknipte stukken pisangblad, en in olie gebakken. Dit 
gebak wordt met inlandsche stroop van bruine suiker gegeten. 

Daarnaast vinden wij de widaran van këtan-meel met eieren 
gekneed en verder tot kleine balletjes gevormd, die na met 
stukjes bruine javaansche suiker te zijn gevuld, in klapperolie 
worden gebakken. 

Voorts zien wij hier de bekende apëm of kleine inlandsche 




Tjoetjjoer-pan. 



1) Phaseolus radiatus L. 



Javaansch gebak. 



229 




Këkëb. 



broedertjes of zoete puddinkjes. Hiertoe wordt rijstemeel gebe- 
zigd, dat met suiker- ^. , 
of tape-water beslagen 

wordt, en nadat men j^flSM ApémpaB. 

het verder gedurende 
6 uren heeft laten 
rijzen, in een apëm- 
pan, wier gaten met 
kleine këkëb's gesloten 
kunnen worden, gaar- 
gebakken wordt. Soms 
vult men ook busjes 
van klapperbladeren of 
tjontong's met dit beslag en stoomt men dit verder gaar. 

De srabi, die wij hiernaast vinden, is mede een soort poffer- 
tje, doch grooter dan de tjoetjoer. Zij wordt gemaakt van 
rijstemeel, gekruid met fijngestampte kSmiri en beslagen in 
gewoon zuiver water. Bij het eten daarvan gebruikt men een 
saus van gezouten klappermelk met inlandsche stroop vermengd. 

De laatste schotel op dezen amben eindelijk geeft ons kaloewa 
te zien , d. i. een soort van inlandsche compote, bereid uit stukjes 
rijpe pisang, dan wel waloeh ^), katela*), bligo'), of nangka*) 
in javaansche suiker gekookt. 

Zooals gij gezien hebt, ontbreekt het bij de sëd^ah, die 
onze gastheer geeft, niet aan verscheidenheid van gerechten en 
snoeperijen, en is er meer dan genoeg, om zelfe den grootsten 
eter eene leelijke indigestie te bezorgen. 

Die borden en schotels met diverse , ons bekende vruchten , 
als: pisang, manggis, papaja of kates, ramboetan, nangka, 
diverse djëroeq- en djam boe-soorten , salaq ') enz. zullen wij 
maar voorbijgaan, daar het tijd wordt, de sëdëkah zelf bij te 
wonen, indien wij er nog wat van zien en leeren willen. 

Wij zullen dus naar de pëndapa terugkeeren, waar het feest- 
en ofiermaal is aangericht. 



1) Cucurbita vulgaris, Rumph. 
3) Cucurbita faiinosa, BI. 
5) Zalacca edulis, Reinw. 



2) Batatas edulis Chois. 

4) Vrucht van den Artocarpus integrifolia L. 



230 Ambëng, sëdëkah. 



Zoo gij hier een aangerichte tafel hadt verwacht, dan hebt 
gij u vergist, want de maaltijd is opgedischt op rottingmatten 
of lampits, waarover pandanmatten zijn gespreid. Het geheele. 
middenvak der pëndapa is daardoor ingenomen, zooals gij ziet, 
en vlug tellende bemerken wij , dat op een veertigtal deelnemers 
is gerekend, nl. negentien aan elke lengtezijde en een aan de 
uiteinden van den langwerpigen vierhoek, waarin de verschil- 
lende gerechten, enz. in vijf rijen zijn geplaatst. 

üe buitenste rijen , vlak achter de ledige borden , waarvoor 
de geinviteerde deelnemers gezeten zijn, worden gevormd door 
de schotels met gerechten , die den eigenlijk gezegden maaltijd 
uitmaken. Daarna volgen de verschillende snoeperijen en ge- 
bakken, terwijl de middelste rij ons het dessert te zien geeft. 
In deze middelste rij merken wij echter drie groote doelangs 
of platte, ronde houten schalen op, waarop kegels van geelge- 
kleurde rijst staan, omringd van allerlei gebakken visch- ot 
vleeschgerechten , sambëlans, enz. 

Een dergelijke schotel wordt ambëng genoemd en is de 

eigenlijk gezegde ofier- 
schotel, bestemd voor de 
geesten of goden, die deze 
sëdëkah met hunne on- 
zichtbare tegenwoordig- 
heid wel willen vereeren, 
doch waarvan de aanzit- 
tenden straks na het ge- 
bed van den pënghoeloe- 
^' district of districts-geeste- 

lijke ongegeneerd hun aandeel zullen nemen, zonder zich het 
hoofd te breken met de vraag of die geesten en goden al dan 
niet genoeg gehad hebben. 

Zie, langzaam aan is het gezelschap, dat tot deze sëdëkah 
genoodigd is ge\¥orden, op de om den disch geplaatste smalle, 
lange pandan-matjes of gëlaran's aangezeten. Aan het eene 
uiteinde zien wij den wëdana, aan het andere den oudsten 
assistent-wëdana plaats nemen, terwijl de pënghoeloe de plaats 
ter rechterzijde van den wëdana heeft ingenomen. 

De wëdana heeft hem het doel, de oedjoeb, dezer sëdëkah 




Donga slamët. 231 



medegedeeld en na eenig over en weder praten zien wij den 
pënghoeloe de voor het fjebed bij zulke gelegenheden voorge- 
schreven of gewoonlijk aangenomen houding aannemen, waarin 
hij door de overige aanzittenden zoo goed doenlijk wordt na- 
gevolgd. Ieder althans heeft de armen min of meer vooruitge- 
stoken en gebogen, zoo, dat de naar boven geopende handen 
met hare binnenzijkanten tegen elkander sluiten en zij aldus 
het aanzien hebben van personen, die in zittende houding met 
hunne handen iets schijnen te vragen en op te vangen. 

Het gebed of donga , dat de pënghoeloe , misschien zonder er 
zelf iets van te begrijpen , en zeker zonder dat het grootste deel 
zijner hoorders er iets van vat, op eentonige, doffe wijze op- 
dreunt, is het donga slamët en luidt als volgt: O, Heer! voor- 
waar wij vragen van U heil over ons geloof, gezondheid voor 
onze lichamen, vermeerdering van onze kennis, en zegen voor 
ons onderhoud; ook vragen wij lankmoedigheid vóór onzen 
dood , barmhartigheid tijdens den dood , en algeheele vergeving 
na den dood; zij onzer genadig, o Heer, en verlos ons bij onzen 
dood van het vagevuur en schenk ons vergiffenis, wanneer onze 
menschelijke ddden zullen worden gewikt en gewogen! Want 
voorwaar, het is de goedertieren Grod en het zijn zijne engelen 
die over den profeet Mohammed zegenbeden uitspreken ! Daarom, 
o geloovigen, moet gij zegen- en heilbeden tot hem opzenden, 
want voorwaar alle tot hem gerichte loftuitingen zijn ook voor 
God, den Heer der werelden! Amen! 

In dit gebed smeekt de pënghoeloe dus in 't algemeen allen 
mogelijken zegen en voorspoed, en de vervulling zijner liefsteen 
dierste wenschen voor den slam8tan-^)gever en diens familie af. 

Veel attentie toonen de aanzittenden niet voor dit gebed; 
ieder doet gedurende deze godsdienstige verrichting alles behalve 
luisteren, ofschoon allen zonder onderscheid de handen in de 
voorgeschreven positie houden. De een kijkt links, de ander 
rechts, een derde houdt een praatje met zijn buurman, en zelfs 



i) Siamëtan of wiioedjëngan wordt elk door een priester of als zoodanig 
fungeerend peraoon voorgegaan of voorgezeten feest- of offermaaltijd genoemd , 
waarbij bedoelde voorganger zijne gebeden tot het welzijn van den gastheer of 
van den een of ander zijner nog levende of reeds overleden familieleden opdreunt . 



232 Bërkat. 

de wëdana deelt nu en dan nog eenige prentah's of bevelen uit. 

Dit hindert den pënghoeloe echter niet; met onverstoorbare 
kalmte en doffe, bijna onveranderlijke stem zegt hij zijn gebed 
op, totdat hij met blijkbare voldoening het amin! of amen 
zeggen, en daarbij zijne handen over het gelaat strijken kan. 
Dit amin ! wordt door het geheele gezelschap herhaald met een 
aplomb, of liever een geestdrift, die maar al te zeer bewijst, 
hoeveel zij van dit gebed en zijne strekking begrepen hebben, 
en hoezeer zij naar het einde daarvan hebben verlangd, om 
direct te kunnen aanvallen op de voor hen gereed gezette ge- 
rechten , enz. waaruit ieder reeds lang zijne lievelingskostjes ge- 
zocht en gekozen heeft. 

Zooals wij verder zien wordt alleen de gewone witte rijst 
door bedienden of helpers rondgebracht. De overige gerechten 
reiken de aanzittenden elkander toe, of doen zij onder elkander 
rondgaan. 

Tegen het eind van den maaltijd zien wij de bedienden, die 
daareven de witte rijst rondbrachten, bij ieder der gasten een 
pakje pisangbladeren nederleggen. Deze dienen, zooals gij zien 
zult, tot het inpakken van de uitverkoren gerechten, waarvan 
ieder gaarne een proeve mede wenscht te nemen voor zich 
zelven of voor vrouw en kinderen. Dit is geene indiscretie, maar 
adat en het aldus med^genomene wordt bërkat of barkat ge- 
noemd, dat overvloed, zegen enz. beteekent. 

Voorts hebben wij bij dezen maaltijd kunnen opmerken dat 
slechts enkelen, waaronder de wëdana, zich van lepel en vork 
bediend hebben, ofschoon voor een ieder een couvert klaar was 
gezet. De meesten verkiezen het gebruik hunner vingers, waar- 
aan zij trouwens tehuis gewoon zijn, en vinden die europeesche 
nieuwigheden lastig, minstens overbodige luxe. 

Bij het eindigen van het maal hooren wij hier en daar eenige 
geluiden maken, die dienen moeten om den gastheer de over- 
tuiging te geven , dat zijn maal ieder uitstekend gesmaakt heeft. 
Wij noemen zulk eene handelwijze vies of boersch , maar bij den 
Javaan zijn die teekenen van overvolheid eene welkome uiting 
van dankbaarheid voor het genotene. 'sLands wijs, 'slandseeri 
kunnen wij hierop zeggen , en daar de gasten ook voor ons eene 
buiging maken, alvorens heen te gaan, zullen wij die beleefd- 



Afloop eener sëdëkah. 233 



heid beantwoorden door hun een goede reis naar huis en goeden 
nacht toe te wenschen, en verder zelf onze kamers op gaan 
zoeken , om eenige rust te nemen , en onzen gastheer , die den 
geheelen dag mede in de weer is geweest, de gelegenheid te 
geven, zich wat te restaureeren , wat hij anders niet zoude 
kunnen doen, indien wij ons niet terugtrekken. Buitendien 
moeten wij morgenochtend met den wëdana mede op tournee. 



HOOFDSTUK Vil. 



Hebt gij wel eens eene tournee medegemaakt met een euro- 
peeschen ambtenaar van het binnenlandsch bestuur, waarde 
lezer? Zoo ja, dan zult gij u nog wel herinneren, dat, indien 
aan een dergelijken tocht eene ernstige inspectie verbonden 
wordt, daarbij veel op te merken en te leeren valt, maar ook, 
dat zulk een uitgaan dikwijls door de groote deftigheid der 
inlandsche en andere hoofden, in spijt zelfs van al het merk- 
waardigs, dat men daarbij te zien krijgt, erg vervelend kan 
wezen. 

Anders gaat het toe op de tournees, die de inlandsche hoof- 
den zelf maken en waarop zij geen europeeschen chef naar de 
oogen te kijken hebben. Ofschoon ook bij deze gelegenheid de 
dienst schering en inslag is, weet de inlandsche ambtenaar 
daarbij toch genoeg afwisseling te zoeken en te brengen, en 
het aangename aan het nuttige te paren, om zijne dienstbezig- 
heid niet eentonig en vervelend te maken. 

Niet, dat de europeesche bestuursambtenaar die kunst ook 
niet verstaat; er zijn er meer dan genoeg, die, wanneer zij 
daartoe in de gelegenheid gesteld worden, toonen, daarin mis- 
schien nog meer bedreven te zijo dan de vroolijkste priaji, 
(priantoen) ijaaar de europeesche ambtenaar heeft daarbij steeds 
zoogenaamd zijn prestige op te houden, en op te passen, dat 
hij door te groote vertrouwelijkheid geen aanleiding geeft tot 
ongepaste familiariteit van de zijde der onder hem dienende 
inlandsche ambtenaren en hoofden. Dit althans is de algemeene 
opinie en daarnaar heeft de europeesche ambtenaar te hande- 



Karakter van den Javaan. 235 

len, al is hij voor zich zelven overtuigd, dat die kleingeestige, 
en belachelijke meening niets anders is dan een gevolg of voort- 
vloeisel van oppervlakkige en gebrekkige kennis van het karak- 
ter enz. van den javaan bij de machthebbenden , die dergelijke 
leerstellingen verkondigen. Ieder ander echter, die den javaan 
in zijn wezen en zijn, in zijn doen en laten, in zijn huiselijk 
en openbaar leven heeft kunnen gadeslaan en leeren kennen, 
met zijne geloofs- en -andere instellingen bekend is, en last not 
least zijne taal spreekt en zich in zijne wereld weet te ver- 
plaatsen en te bewegen, zal getuigen, dat dergelijke vrees te 
zijnen opzichte niet behoeft te bestaan, omdat de javaan, zelfs 
in gevallen, waarin de europeaan met de grootste schaamte- 
loosheid de perken der welvoegelijkheid overschrijdt, steeds 
javaan blijft, d. i. de kalme, onderdanige javaan, die zich zel- 
ven weet te beheerschen en den afstand weet te houden, die 
hem gepast voorkomt, al kookt hem daarbij dikwijls het bloed 
of al bekruipt hem de lust om ten teeken ^zijner min- en ver- 
achting op dien europeaan te spuwen. 

Of de javaan niet familiair, brutaal, zelfs uittartend en ge- 
vaarlijk kan zijn? 

Waarom niet? Voorbeelden daarvan zijn wel aan te halen, 
zelfs , waarin hij in zijne woede of razernij tot moorden overgaat. 

Daarvoor is hij mensch en heeft hij zijne zenuwen even goed 
als een evennaaste uit een anderen stam of ander ras, en toch 
moet er veel, zeer veel zelfs gebeuren, vóórdat hij den eerbied 
voor den europeaan uit het oog verliest en zijne këris trekt! 

Doch genoeg. Laten wij even het voor ons klaargezette ont- 
bijt gebruiken èn ons verder klaar houden , om te paard te 
stijgen, want hoogstwaarschijnlijk zullen wij eerst laat in den 
namiddag hier terug kunnen zijn, waarom het geraden is, wat 
vroeg te vertrekken. 

Vooraf moeten wij u echter nog attent maken op een paar 
gerechten, die wij hier voor ons ontbijt gereed gezet zien. 

Die pakjes van pisang-bladeren bevatten boeras, d. i. gewone, 
in een weinig santen geweekte en daarna gaargestoomde rijst, 
waarbij de ons reeds van den vorigen avond bekende sambëlan's 
en andere toespijzen gegeten worden. 

Een ons nog onbekend vleeschgerecht is de oelam-lSmbaran , 



236 Boeras, lërobaran, së^a-goren<? 

die wij in dien schotel zien. Dit gerecht bestaat uit een open- 
gespouwen^ en in stukken verdeelde kip, die na met het samen 
fijngestampte mengsel van këtoembar-djintën , roode en witte 
uien, trasi, zout en wat suiker en tamarinde te zijn gekruid, 
in santen , waarbij godong-salam voor de geurigheid is gevoegd , 
wordt gaargekookt. 

Eindelijk nog vinden wij hier s^a- of s^oel-goreng , d. i. 
in klapperolie gebakken rijst met zout, peper, uien, en lomboq 
gekruid, en waarin kleine stukjes gebraden vleesch gemengd 
zijn. Deze sëga-goreng is niet onsmakelijk, doch ligt zwaar op 
de maag en verwekt veelal loom- en slaperigheid, zoodat wij 
u wel aanraden kunnen er niet te veel van te eten. 

Doch zie, de wëdana staat in de pëndapa reeds op ons te 
wachten. Laten wij ons haasten en na nog even de radenayoe 
gegroet te hebben, onze paarden bestijgen. 

Zooals de wëdana ons mededeelt, zullen wij een klein eindje 
langs den grooten ^ weg gaan en dan links een smal voetpad . 
door bosschen, sawahs, t^al's, koffietuinen, enz. inslaan, om 
na ± 10 palen afgelegd te hebben, in eene desa te belanden, 
waar hij een en andpr te onderzoeken heeft. 

Hier is het pad, waarlangs wij als eendjes achter elkander 
zullen moeten rijden. 

Al dadelijk bevinden wij ons onder hoog opgaand en blijk- 
baar geregeld aangeplant geboomte. Dit is een djati ')-bosch 
en 's lands eigendom , waarover inlandsche ambtenaren en be- 
ambten met den titel van mantri of boschwachter onder het 
toezicht van een europeeschen opziener en een houtvester waken. 
Uit deze bosschen wordt in het voor 's lands bouw- en andere 
werken benoodigde hout voorzien. 

Als gij goed onderzoekt, zult gij hier en daar ook enkele 
mooie, kaarsrechte, doch dorre of halfdoode boomen vinden, 
die zoogenaamd geringd zijn , (di tërës zooals de javaan deze 
behandeling noemt), d. i. wier stammen ter hoogte van 1 a 2 
en meer voeten van den grond van de schors ontbloot en ver- 
der rondom behakt zijn, om die uit te laten sterven en nadat 
zij uitgedroogd zijn, verder om te kappen. 



1) Tectona grandk L. 



Djati-bosch. 237 

Die op den grond liggende, doode stammen, waaraan witte 
mieren 1) reeds begonnen zijn te knagen, worden rëbatang's, 
d. z. omvergevallen stammen genoemd, en zijn blijkbaar bij 
den een of anderen storm ontworteld geworden. 

Hier ziet gij verder eèn betrekkelijk jong plantsoen , ofschoon 
die zeker ouder is, dan gij misschien schat (want de djati 
groeit zeer langzaam) , waaruit men bezig is hier en daar eenige 
boomen te vellen. Dit noemt men bij het boschwezen uitdun- 
nen en dient, om de staan blijvende boomen meer licht, lucht 
en ruimte te geven en daardoor beter te doen groeien. 

Daarnaast zien wij ook een open plek, waarop een jonge 
aanplant zal komen te staan. De plantgaten, loeang's of loean- 
gan's, zijn gedeeltelijk reeds gegraven, en waar de overigen 
komen moeten, zijn kleine stokjes als merkteekens of andjirs 
in den grond gestoken. 

Wij vinden hier ook, zooals gij ziet, de kweekbedden, 
ipoeqan's of dSdëran's, waarin de djati-zaden of djangglSng's 
onder afdaken of pajon's 
te kiemen zijn gelegd en 
waaruit later de jonge 
plantjes of bibit's naar de 
vorenbedoelde plantkuilen 
zullen worden overgebracht. 

Als gij die jonge kweek- 
planten daar beziet, zult 
gij daarin veel overeenkomst Dë4»ran. 

vinden met jonge tabakplanten , althans in de verte. Niet zel- 
den vergist men er zich ook in, wanneer men geen rekening 
houdt met de omgeving en de geaardheid van den grond, 
want de djati tiert zelfs op den mageraten bodem welig, wat 
bij de tabak niet het geval is. 

Zulk een djati-bosch of aanplant, want deze zoogenaamde 
bosschen zijn op hoog bevel aangeplant, noemt de javaan een 




1) De Javaan onderscheidt van deze vernielende diertjes uit de fomilie der 
Termitidae (orde der Ortboptera) de gewone witte mier of rajap en eene klei- 
nere soort, wrangas of rangas. Deze laatste soort komt meest in de bosschen 
voor en is misschien nog gevaarlijker dan de gewone. 



238 Wiidhoutbosch-vegetatie. 



aias^pëdjaten of wana-pëdjatosan en wordt door hem in zeke- 
ren zin ook onder de nataurlijke bosschen gerekend, omdat hij 
zich geen geregelden aanplant kan voorstellen, die, zelfs wan* 
neer de boomen er hun vollen groei in hebben bereikt, niet 
op gezette tijden wordt gewied. Deze djati-bosschen worden dik- 
wijls bij perceelen uitbesteed , d. w. z. de ontginning daarvan 
wordt dan. tegen eene vaste vergoeding aan den lande aan 
particuliere ondernemers overgelaten. Ook heeft men wel eens 
beproefd deze bosschen op 'slands kosten en ten bate vanden 
lande zelf te exploiteeren , doch hiervan is men in den laatsten 
tijd om verschillende redenen teruggekomen. 

Doorrijdende komen wij onder het dichtgebladerte van een 
gewoon wildhoutbosch , dat aangezien het tusschen of in djati- 
bosschen geënclaveerd ligt, zoogenaamd onder geregeld beheer 
is gebracht, d. i. onder de bewaking en het toezicht van het 
personeel bij het boschwezen is geplaatst. Hier krijgen wij een 
idee van de weelderigheid eener tropische vegetatie. Tusschen 
de dikke hoogstammige woudreuzen, die daar statig in hunne 
rijke en kleurige mantels van allerlei orchidaeën en andere 
klim-, kleef- en slingerplanten hunne schaduwen werpen over 
de nederige heesters, die zich in het halfdonker onder dit 
dichte bladerendak als het ware aan het onderzoekend oog 
trachten te onttrekken, zien wij guirlandes van donkergroen 
zich in allerlei bochten slingeren, terwijl hier helroode vruch- 
ten , daar gele , witte en andere bloemen en bloemtrossen in den 
groenen wand of achtergrond eene aangename afwisseling brengen. 

In dien doolhof van takken en bladeren, bloemen en vruch- 
ten leven en bewegen zich honderden vogels, knaag- en andere 
zoogdieren en insecten, vner gezang, getjilp, geschreeuw, ge- 
piep len gegons wel niet altijd aangenaam in onze ooren klin- 
ken, maar desniettemin de hoorbare bewijzen zijn van het be- 
zielde en bewerktuigde leven eener geheel van de onze ver- 
schillende wereld, die zich verblijdt en dankbaar toont in haar, 
dikwijls maar al te kortstondig bestaan. 

Zie, daar springt een djëlarang of zoogenaamde vliegende 
eekhoorn of Pteromys petaurista ^) van den eenen boom op den 



1) Familie der Sciurina of eekhoorns, — orde der Rodentia of knaagdieren. 



Verschillende dieren. 



239 




Walang-kapa. 



anderen , daarbij eenige gewone eekhoorntjes of badjing (Sciurus 
vulgaris) en vogels verschrikkende. Behalve deze soort vliegende 
eekhoorn, die ook kënda 
heet, kent de javaan eene 
grootere en schooner ge- 
vlekte, die hij walang-kapa 
noemt, en zeer op prijs stelt , 
omdat het bijgeloof zegt, 
dat zulk een dier, zelfs het vel 
daarvan, genees- en vrucht- 
baarmakende kracht heeft 
vooral voor het plantsoen. 
Van daar, dat hij op dit 
dier, dat zeer schuw is en 
zelden gezien wordt, onver- 
moeid jacht maakt, om het, 
indien hij het niet zelf wenscht te houden, voor betrekkelijk 
hoogen prijs te vcrkoopen. 

Daar op dien hoogen sengonboom *) zien wij verder de ge- 
wone, tot de familie der meerkatten behoorende kSteq of moe- 
njoeq of indische grijze aap *) , die ons nieuwsgierig gadeslaat , 
terwijl een eind hoogerop een paar loetoeng's of langharige, 
zwarte apen (Presbytes maurus) ons blijkbaar ongerust toebruUen. 
Deze vlugge , bewegelijke dieren zijn niet gevaarlijk , zoolang zij 
in kleinen getale voorkomen en men ze met rust laat, doch 
kunnen niet gering te schatten vijanden worden, wanneer ze 
tot het uiterste worden gebracht. 

Blijven wij onze blikken in het dikke bladerengewelf vesti- 
gen, dat ons eene welkome schaduw geeft, dan zien wij er 
honderden vogels heen en weder vliegen, waaronder wij al 
dadelijk de glatiq of het rijstdiefje (Fringilla oryzivora), de wever 
(Ploceus) of manjar, het kwikstaartje (Motacilla) of de sikatan, 
de ossenpikker (Buphaga) of manoeq kalengofdjalaq, de zwarte, 
groene, kleine groene, bonte, middelste bonte en kleine bonte 



1) Kerria japonica D. C. 

2) Inuus cynomolgus uit de orde der Quadrumana of vierhandigen , onder- 
orde der Simiae ot eigenlijk gezegde apen. 



240 



Verschillende dieren. 



spechten, (Picus martius, P. viridis, P. canus, P. maior, P. 
medius, en P. minor) of platoeq, zooals de javaan ze in 't alge- 
meen noemt, de gewone- 
of veld-uil (Otus brachy- 
otus) of kokoq-bëloeq , de 
groote oorail (Strix bubo) 
of dares, de tortelduif 
(Columba turtur) of koe- 
toet, de woudduif (Co- 
lumba palumbus) of dë- 
roeq , de gewone veldduif 
(Columba livia) of manoeq 
koekoer, de kleine indi- 
sche sperwer (Asturninus) 
of alap-alap, de kieken- 
dief (Circus rufiis) of 
woeloeng, den neushoorn- 
vogel (Buceridus) of toe- 
kang, en vele bontkleu- 
rige Trochilidae of koli- 
bries en Psittacini of pape- 
gaaien als de vertegen- 
woordigers der meest voor- 
komende en bekende 
soorten uit de indische 
vogelenwereld herkennen, 
terwijl wij verder onder 
die myriaden van door 
elkander fladderende en 
krielende insecten nog 
kunnen onderscheiden: de 
gewone honigbij (Apis 
mellifica) of tawon , ook 
tawon madoe, de roode 
boschmier (Formica rufa) of rangrang, de kleine roode mier 
(Formica sanguinea) of gramang , de gewone kleine zwarte mier 
of sëmoet, de groots zwarte of tjangkrang, en de fijne, kleine 
roode of kripiq, de gal wesp (Cynips) of tawon godong, .de 




Verschillende dieren. 



241 



gewone meikever (Melolontha vulgaris) of ënggiq-ënggiq-an , het 
vliegende hert (Lucanus cervus) of koewangwoeng , de spaansche 




RiJBtüiefje. 

vlieg (Lytta vesicatoria) of sambër-ilen , de biddende vangsprink- 
haan (Mantis religiosa) of walang-kadoeng , de groene sabel- 
sprinkhaan (Locusta viri- 
dissima) of walang-idjo, 

het wandelende blad 
(Phyllium siccifolium) of 
godong oerip, en verschil- 
lende soorten van Lepi- 
doptera of kapellen en 
vlinders (koepoe), van ver- 
schillende soorten van tor- 
ren of garabrëng's , bëdi- 
gal's, poetjoeng's enz. (al 
naar hunne grootte), van 
muggen , waaronder de 
langpoot (Tipula oleracea) 
of lamoeq-gëde en de 
muskiet (Simulia pertinax) of lëraoet, en van vliegen, waaron- 
der de paardenvlieg (Tabanus autumnalis) of lalër-tjataq , de 
blauwe vleesch- of bromvlieg (Musea vomitoria) of lalër-tai, 
en de gewone huisvlieg (Musea domestica) of lalër. 

IC 




Wever. 



242 



Verach il lende dieren. 



Van de spinnen of araneïda , wier webben en draden (djaring- 
këmangga) wij hier bijna aan eiken boom zien, kunnen wij 




KwilcBtaartje. 



mede verscheidene soorten u toonen , doch tot onze spijt u 
slechts de huisspin (Tegenaria domestica) of këmangga, de kruis- 




OsBcnpikkur. 

Spin (Epeira diadema) of këmlandingan , de spring- of harlekijn- 
spin (Attus scenicus) of njatjanan en de aard- of boschspin 
(Mygale avicularia) of katel, die in ondergrondsche bekleede 
gangen leeft, noemen. 

Voorts zien wij hier en daar onder de bewoners van den in 
dit dichtbewassen gedeelte vrij vochtigen bodem de gewone 



Vei-scbillende dieren. 



243 



duizendpoot (Lithobius fortijpatus) of klabang, de reuzenscolo- 
pender (Scolopendra gigantea) of babat-saloe, de zandmillioen- 
poot (Julus sabiilosus) loewe of loewing, de gewone schorpioen 
(Scorpio indicus) of kala-djëngking , en de groote , zwarte bosch- 
schorpioen (Scorpio afer) of këtoenggeng, min of meer gevaar- 




lijke dieren, wier giftige steek of beet dikwijls groote pijnen 
veroorzaakt. 

Tot deze gevaarlijke dieren moeten wij ook rangschikken de 



244 



Verschillende diei*en. 



verschillende slangensoorten ^), die gij onder de hoopen halfrot- 
tende bladeren en in de hier en daar in dit bosch voorkomende 




Groene specht. 

plassen en meertjes zult kunnen aantreffen. Vooral moeten wij 
u waarschuwen tegen den indischen adder (Vipera indicus) of 

wédoedaq, de indische rots- 
slang (Bungarus annularis) , 
waarvan de kleine en ge- 
vaarlijkste soort wëlang en' 
de groote wëling heet, de 
javaansche pofadder (Vipera 
arietans) of doemoeng en 
enkele soorten van boom- 
slangen of Dendrophidae , 
waaronder de gewone dunne 
boomslang of oela-godong , 
door hare groene kleur 
meestal moeilijk waar te 

Bonte specht. ^^^^^ -^ j^^^ j^^f ^ ^^^^ 

tusschen zij gekronkeld zit. 




1) Slanfij: in het ngoko oela, in het ki*ama: sawei*. 



Verschillende dieren. 



245 



De groote soorten der javaansche ophidia worden vertegen- 
woordigd door den javaanschen tijgerslang (Python bivittatus) 




Gewone* of yelduil. 



Groote oorail. 




Tortelduif. 



246 



Verschillende dieren. 



of sawa, die 4 tot 6 meters lang kan zijn, en de javaansche 
boa (Python tigris) of poespa-kadjang , die soms eene lengte 




Woudduif. 



bereikt van 8 a 9 meters. Deze groote slangen behooren tot 
de niet giftige soorten , maar hebben eene verbazende kracht , 
waardoor zij niet minder gevaarlijk zijn. 




Veldduif. 



Verder moeten wij u nog opmerkzaam maken op die tot de 
orde der Sauria of hagedissen behoorende dieren, die gij hier 
en daar op, tegen of onder dé stammen der ons omringende 



Verschillende dieren. 



247 



boomen zien kunt , en waaronder wij de gewone of huishagedis 
(Lacerta muralis) of tjëtjaq, de kameleon (Charaaeleo vulgaris) 




Kleine indische sperwer. 



of boenglon, de vliegende draak (Draco volani) of tjëlarat, de 
gekko (Ascalabota indica) of tëkeq en de gewone boomhagedis 
(Basiliscus javanicus) of ënggoq-énggoqten , alsmede de gewone 




Kiekendief. 



248 



Verschillende dieren. 



aardhagedis (Lacerta agilis) of kadal en de leguaan (Iguana) of 
mënjawaq, ook sëlira, onderscheiden. 




Neushoornvogel» 

Eindelijk nog moeten wij u op die amphibia of tweeslachtige 
dieren daar in dat poeltje wijzen. Gij vindt er in de eerste 




Papegaai 



Verschillenda dieren. 



249 



plaats den gewonen kikvorsch, waarvan de bruine soort (Rana 
temporaria) door den Javaan eenvoudig kodoq wordt genoemd 





Kolibri. 



Gewone honigbg. Roode boschmier. 



en de groene (Rana esculenta) kodoq-idjo of kodoq-tjina heet, 
en zijn laatst vermelde benaming ontleent aan de omstandig- 




Zwarte gr. mier. 



f" 



Spaansche vlieg. 






Ga] wesp. 



Meikever. 



VliegeDÜ hert. 



heid , dat deze soort veel door chineezen wordt gegeten , die de 
achterpooten van dit dier eene delice vinden. Voorts ziet gij 
hier ook de gewone pad (Bufo vulgaris) ot bangkong, en eene 



250 



Verschillende diei'en. 



kleinere , eenigszins groene soort (Bufo calimata), die kintël wordt 
genoemd, en indien gij in de boomen, die dit poeltje omgeven 





Sprinkha 



I Biddende vftugspriakhaan. 



nauwkeurig zoekt, zult gij er zeker ook den springönden boom- 
kikvorsch (Hyla arborea) of bentjoq vinden. Ook zult gij bij 




Wandelend blad. 

dit onderzoek nog verscheidene exemplaren van Limacea of 



Verpcb il lende dieren. 



251 



naakte slakken, waaronder de gewone aardslak (Limax rufus) 
of rëspoh en waterlongslakken (Limnaêacea) , waaronder de ge- 




Këmlandingan. 

wone poelslak (Liinnaea stagnalis) of keong-gondang ontmoeten. 
Deze gasteropoda of buikpootigen bestempelt de Javaan gewoon- 




Këtoenggea;;. 



Wélang. 



lijk met den algemeenen naam keong of kratja, welke laatste 
benaming meer bepaaldelijk gegeven wordt aan de kleinere 
soorten; zij worden door hem ook gegeten. 

Doch het wordt tijd, dat wij verder zien," maar voordat wij 
van dit bosch afscheid nemen, moeten wij u nog mededeelen, 
dat zulk een onder geregeld beheer gebracht bosch door den 
Javaan een alas- of wana-simpënan , -larangan of -awisan wordt 
genoemd in tegenstelling van een alas- of wana-lSpasan d. i. 



252 



Ara-ara, pangonan. 



zulk een, waaruit het der bevolking vergund is hout te halen. 
Het bosch verlatende, komen wij op een open terrein, een 




Hagedis. 



e 



s 

8 

i 




Vliegende draak. 



gi'asvlakte, "hier en daar raet heesters en kleine bosschages be- 
groeid. Zooals gij weet, wordt zulk een veld ara-ara genoemd, 
en dient het meest tot weide of pangonan. Óok hier is het 



Sawah-tndahan. 



253 



daartoe bestemd, zooals gij aan de aan- 
wezige sporen der daarop gegraasd heb- 
bende karbouwen en runderen zien kunt. 
Geen wonder trouwens, want een eind 
verder wordt deze ara-ara begrensd door 
sawah's. 

Zooals gij ziet zijn deze velden nog 
niet bewerkt en de daarheen en daardoor 
loopende waterleidingen nog droog, een 
blijk, dat hier in de buurt niet veel 
water te vinden is. Het zijn ook zoo- 
genaamde sawah-tadahan ^) of van regen 
afhankelijke velden, zooals de officieele 
benaming daarvan luidt, die eerst wan- 
neer de regens goed door zijn gekomen, 
bewerkt kunnen worden. Tot zoolang 
worden zij braak gelaten en tot weide- 
plaats gebruikt, daar zij in de meeste 
gevallen ook niet geschikt zijn voor den 
verbouw in den droogen * moesson van 
zoogenaamde tweede gewassen of pala- 
widja. De galëngan's, die de verschil- 
lende vakken begrenzen , zijn dan ook 
nog niet bijgewerkt' of gerepareerd. De 
vakken zelf, die hier in de vlakte meest 
kotaq's worden genoemd, maar in het 
gebergte gewoonlijk kédoq's , d. i. uitge- 
gmven terrassen, heeten, zijn hier ook 
grooter dan in het gebergte, en daar- 
door gemakkelijker met den ploeg te be- 
werken. 

Jammer, dat wij nu nog geen gele- 
genheid hebben, om den sawah-bouw 
of de garapan-sawah , zooals de Javaan 
de bewerking der rijstvelden noemt, tot 
in de kleinste bijzonderheden na te gaan , 
zoodat wij hiervoor nog wat geduld die- 
nen te oefenen. 



1 ) In het kraraa sabin-tadahan , eigenlijk : sa- 
wah's, waarop het water (regenwater) opgevan- 
gen (di tadahi) wordt. 



254 



Këbonan; het winnen van palmwijn 



Ah! zie, hier komen wij aan boomgaarden of këbonan's, 
beplant met allerlei vruchtboomen , zooals nangka's, pëlëm's, 
doekoe's, ramboetan's, pëte, en andere ons reeds bekende 
soorten, in wier schaduw de nederige pisang en verschillende 
soorten van këtela of katjang, alsmede diverse heesters, die 
kruiden voor de keuken of voor geneesmiddelen, enz. opleve- 
ren, staan. 

Zooals gij zien kunt, worden deze boomgaarden behoorlijk 
onderhouden en door stevige dichte hagen of pagër's tegen het 
binnendringen van menschen en dieren beveiligd. 

Ziet gij daar dien wit-aren of aren-palm ( Arenga saccherifera , 
Lab.) waaraan die bamboezen kokers of lodong's hangen? De 
boom is volwassen en in vollen bloei, zooals wij gemakkelijk 
op kunnen merken, en die bamboezen kokers hangen aan de 
bloemspillen , die even onder de bloeischeede zijn doorgesneden , 
waardoor de geheele bloemgroep, die, zooals u bekend is, bij 
de [palmen door de scheede omhuld wordt, verwijderd is ge- 
worden. Deze bloemspil of dangoe wordt na verwijdering van 

de bloesems, eerst flink met een 
houten hamertje of ganden bewerkt, 
en daarna bij het afgesneden eind 
aan een lodong verbonden, met dien 
verstande, dat de lodong daaraan 
gehangen wordt, om het daaruit 
vloeiende min of meer heldere, vuil- 
gele, zoete sap op te vangen. Dit 
sap is de bekende palmwijn of légen, 
die versch gezond en smakelijk is, 
en na gisting een bedwelmenden- 
drank geeft, bekend onder den naam 
van badeg. Uit de légen wordt door 
opkooking de bruine javaansche of 
aren-suiker, goela-djawa of goela- 
aren , verkregen , die algemeen door 
den Javaan gebruikt wordt. Het 
palmwijntappen heet in het javaansch 
anderes naar de insnijding of doorsnijding van den bloemspil, 
die deres heet , en waarnaar de bamboezen kokers en de daarbij 




Dorosan. 



Djagoengaanplant, desaklacht. 255 



meest gebruikt wordende ladder enz. ook de bëkakas deresan, 
d. z. de voor het deressen benoodigde werktuigen genoemd worden. 

Op dezelfde wijze trekt men ook, doch zeer zelden, suiker 
van den kokospalm. 

Daar verder op staat een djagoeng-aanplant in vollen bloei. 
Zie die groote, dikke, gepluimde kolven eens aan, die onder 
de zeer ontwikkelde schutbladeren den met honderden vruchtjes 
of liever zaadjes bedekten vruchtbodem of djanggël verbergen. 
De schutbladeren worden na gestoomd, gedroogd en gelijkge- 
streken te zijn, tot het inwikkelen of rollen van tabak of tëm- 
bako tot sigaretten of rokoq gebruikt en heeten dan klobot, 
terwijl de pluimharen djëmboet worden genoemd. 

De djagoeng-vrucht wordt op velerlei wijze bereid gegeten 
en de soorten van gerechten of snoeperijen , die de javaansche 
vrouw er mede weet klaar te maken, zijn legio. Wellicht zullen 
wij later wel gelegenheid hebben, om met enkelen daarvan 
kennis te maken. Op 't moment hebben wij geen tijd , er verder 
onze aandacht aan te wijden, want zooals gij ziet, — wij 
staan reeds aan den ingang der desa, waar wij een oogenblikje 
zullen pleisteren, omdat de wëdana hier een en ander te onder- 
zoeken heeft. 

Zie, de mannelijke bevolking is reeds verzameld op het voor- 
erf, de pëlataran, der woning van het desahoofd, waar wij 
zullen afstappen en het door den wëdana te houden onderzoek 
zullen bijwonen. 

Wij zullen, zooals de wëdana ons ter loops heeft medege- 
deeld, hier een idee kunnen krijgen van een këlah-desa of 
goegatan-loerah , d. i. -eene door de bevolking tegen haar hoofd 
ingediende klacht, die alvorens aan den regent te worden door- 
gezonden, vooraf behoorlijk door ons districtshoofd moet worden 
geinstrueerd. 

Laten wij maar dadelijk met den wëdana aan de voor ons 
klaargezette tafel plaats nemen en de bevolking gelegenheid 
geven met hare grieven en bezwaren voor den dag te komen. 

Zie, kalm en rustig gaan de aanwezige klagers, getuigen en 
toehoorders daar in rijen op de onder het lichaam gekruiste 
beenen zitten. Vooi^n, onder den emper van zijne pëndapa 
heeft het desahoofd, de kapala desa, of loerah, plaatsgenomen, 



256 De leden van het desabestuur. 

gereed om de tegen hem ingebracht wordende beschuldigingen 
naar zijn vermogen te bestrijden en te ontzenuwen. Achter hem 
zien wij de verschillende leden van het desabestuur, de poeng- 
gawa-desa of djoengdjang-krawat , waartoe gerekend worden de 
Kamitoewa , de djagabaja , de këbajan , de modin of tóbe en de 
tjariq, soms ook nog de pëntjalang en de kapala-angon. De 
kamitoea is na het desahoofd het voornaamste lid van het desa- 
bestuur en zijn aangewezen plaatsvervanger, wanneer de loerah 
afwezig of verhinderd is. De djagabaja is belast met de politie 
in de desa en wordt in zijne functie dikwijls bijgestaan door 
een pëntjalang of spion of ondergeschikt policiebeambte. In den 
këbajan hebben wij de eigenlijk gezegde dorpsbode, wiens werk 
bestaat in het overbrengen der bevelen van het desahoofd aan 
de betrokken bevolking, terwijl de modin of lëbe de desapriester 
is, die bij het gebed voorgaat en verder belast is met de zorg 
voor de geregelde opkomst der kinderen, die gevaccineerd moeten 
worden, voor het behoorlijk onderhoud der waterleidingen, enz. 

De tjariq is de desaschrijver, die aanteekening houdt van 
de mutatiën onder de bevolking en haar vee, van de heeren- 
en cultuurdienstplichtigen , de betaalde belastingen, de policie- 
zaken, enz. in het kort van alles, waarvan in het belang der 
desa behoorlijk notitie dient te worden gehouden. 

De kapala-angon eindelijk , die evenals de pëntjalang niet in 
iedere . desa gevonden wordt , is meer speciaal belast met het 
toezicht op de weiden en over de handelingen der herder-knapen 
en -meisjes of botjah's-angon , gedurende het weiden van het 
aan hen toevertrouwde vee. Deze botjah«-angon zijn de javaan- 
sche gamins en het is wel noodig, dat op hun doen en laten 
een oog wordt gehouden. Buitendien wordt het vee niet zelden 
van de weide gestolen, zoodat het toezicht van den kapala- 
angon ook hiervoor verre van overbodig is, vooral op plaatsen, 
waar het vee vrij ver van de desa en in bosachen enz. geweid 
moet worden. Van daar ook, dat men de botjah's-angon niet 
zelden voorzien ziet van kleine bamboezen of houten këntongan's, 
waarop zij bij gevaar of onraad alarm kunnen slaan, en dat 
de kapala-angon gewoonlijk behalve met een kapmes of goloq 
ook nog met een van een vlaggetje voorziene lans of piek , 
toembaq, ook ronteq, gewapend is. 



Een desaklacht. 257 



Doch genoeg , laten wij liever verder zien , wie hier nog onze 
belangstelling verdienen. 

Zie, 'daar verderop en eenigszins zijwaarts achter het desabe- 
stuur zien wij een groepje van drie personen voor de overige 
koelies der desa zitten. Deze zijn de woordvoerders of de kapala 
këlah , d. z. de leiders der aanklacht tegen hun hoofd , nl. de 
personen , die het best bespraakt zijn en aan wie uit dien hoofde 
de voordracht der verschillende grieven en beschuldigingen het 
best toevertrouwd kan worden. 

Hoor, de wëdana geeft, na de namen der woordvoerders op- 
geschreven te hebben aan een hunner het woord, waarvan met 
den noodigen eerbied gaarne gebruik wordt gemaakt. 

Het eerste punt van aanklacht bevat de beschuldiging, dat 
het desahoofd over het afgeloopen jaar een bedrag van / 12.50 
meer aan belastingen geind heeft, dan hij mocht. Spreker toont 
dit aan door eene zeer uitgewerkte berekening en door het op- 
geven van verschillende getuigen, die zijne bewering kunnen 
bevestigen , en ook behoorlijk een voor een voorgeroepen en ver- 
hoord worden. 

Hierna wordt het woord aan het desahoofd gelaten, wiens 
verdediging hierop neerkomt, dat hij de beschuldiging der 
klagers niet kan bestrijden, en dat hij niet weet of die al dan 
niet waar is, omdat hij, het europeesche en javaansche schrift 
niet machtig en buitendien nog alles behalve geleerd, zich bij 
de verdeeling van ieders aandeel in de op te brengen belastingen 
steeds verlaten heeft op de kunde, eerlijkheid en billijkheid 
van zijn kamitoea en tjariq , die ook belast zijn met de inning 
en storting dier belastinggelden. 

De kamitoea en schrijver hierop ondervraagd, bevestigen het 
beweren van hun hoofd, doch geven daarbij eene uitlegging 
van het door den klager aangegeven verschil, dat ons alleszins 
aanneembaar , schijnt. Het vorenvermelde bedrag namelijk is de 
belasting van eenige baoes ^) padi-aanplant, die door eene ziekte 
of ama aangetast, bijna niets opgeleverd heeft, waarom voor- 
gesteld was geworden, om de daarvoor verschuldigde padjSg 
af te schrijven of los te laten, di lëpas zooals de Javaan zulks 



4) Een baoe is 500 □ Rijnl. roeden of 7096.56 □ m. groot. 

17 



258 Een desaklacht. 



noemt. In dit v9orstel was echter door het gewestelijk bestuur niet 
getreden; vandaar dat die belasting geind werd. Dit moet echter 
nog aan de ter zake gevoerde correspondentie getoetst worden. 

Het tweede punt van beschuldiging loopt over het omkappen 
van een grooten heiligen boom, waaronder de bevolking gewoon 
was te offeren, en zulks zonder er vooraf met haar over be- 
raadslaagd te hebben. 

Bij het vernemen dezer beschuldiging moèteji wij onwille- 
keurig den moed van het desahoofd bewonderen, dat er niet 
tegen opgezien heeft een aldus in eere staanden boom tegen 
den grond te doen werpen, want niet de uitvoerders maar de 
beveler van die heiligschennis draagt er de geheele verantwoor- 
delijkheid van. 

Hierop geeft het desahoofd tot bescheid, dat de heiligheid 
van den boom en van de plek waarop hij stond reeds sedert 
geruimen tijd verdwenen was , omdat op zekeren dag een paar op 
jacht zijnde europeanen, zonder zich zelf wellicht bewust te zijn 
van hun wandaad, er tegen gewaterd hadden, zooals enkele 
door hem als getuige voorgeroepen personen bevestigen kunnen. 
Buitendien was de boom reeds vermolmd en gevaarlijk voor 
de personen, die er kwamen offeren, zoodat het desahoofd het 
noodig vond, hem maar eenvoudig te vellen. Dat de woord- 
voerder van daareven er een punt van aanklacht van maakt ver- 
wondert hem niet , omdat deze woordvoerder bij die offeranden 
meestal als tusschenpersoon tusschen de offeraars en de aange- 
roepen geesten fungeert en daarvoor telkens minstens een halven 
gulden verdient! Naïver kan het waarlijk niet. 

Een derde beschuldiging liep over het slachten van een aan 
een ander toebehoorende ajam soelasih of slasih , d. i. een zwart 
hoen met zwart vel, en soms ook min of meer zwart vleesch, 
waarop het desahoofd repliceert, dat zulks best mogelijk is, 
maar dan zeker bij vergissing geschied moet zijn, omdat hij 
zelf van deze hoenders er verscheidene op zijn erf loopen had. 
Indien de eigenaar er hem attent op had gemaakt, zoude hij 
dezen gaarne eene andere voor de zijne gegeven hebben. 

Voorts wordt het desahoofd ten laste gelegd, dat hij brand- 
hout heeft doen halen uit een onder geregeld beheer staand 
bosch en zulks zonder voorafgaande vergunning van het bestuur. 



Eea desaklacht. 259 



Hierop antwoordt de aangeklaagde , dat hij zulks op verzoek 
van den mantri policie of den met het toezicht over bedoeld 
bosch belasten inlsndschen ambtenaar en met medeweten en 
goedkeuring van den heer houtvester had gedaan, vermits die 
plek gerooid moest worden, omdat daar ter plaatse eene pepi- 
niere moest worden aangelegd. 

Ten slotte wordt den loerah nog verweten, dat hij ter ge- 
legenheid van een onlangs aangerichte sëdëkah meer dan rakoes , 
d. i. gulzig en inhalig was geweest, daar hij zich toen het beste 
voor had laten zetten! 

Deze beschuldiging wordt met eene algemeene hilariteit be- 
groet en ontlokte onzen wëdana den uitroep : edan ! wat wij 
zouden kunnen verduidelijken bijv. door de vraag: ben je nu 
dol of krankzinnig geworden? 

Zooals gij uit het bijgewoonde onderzoek hebt kunnen op- 
maken, bevatten dergelijke desaklachten over het algemeen 
beschuldigingen en aantijgingen, die niet veel te beteekenen 
hebben , ofschoon er natuurlijk ook zijn , die werkelijk gegrond 
zijn en aanleiding kunnen geven tot eene strenge strafrechter- 
lijke vervolging van het schuldige hoofd. 

Zelden echter worden de klachten zoo duidelijk voorgedragen, 
dat direct daarnaar een juist oordeel over het al of niet bestaan 
der schuld van den aangeklaagde geveld kan worden, en meer 
dan moeilijk is het soms zoowel voor den ambtenaar, die deze 
klachten instrueeren, als voor den rechter, die ze berechten 
moet, om door en tusschen alle daarbij gebruikt wordende 
intrigues en uit de daarbij aangevoerde redenen, bewijzen, enz. 
den waren weg te vinden en tot een billijk en juist vonnis te 
concludeeren. 

Vooral bij de desaklachten is het vaak meer dan moeilijk, 
om waarheid en verdichting uit elkander te houden, en de ge- 
heime drijfveeren tot het formuleeren daarvan te leeren kennen. 

De minste onhandigheid van het desahoofd geeft al dadelijk 
aanleiding tot laraning-ati of hartzeer, en hieruit spruit niet 
zelden weder de zucht of het verlangen voort, om den schuldige 
wederkeerig een kool te stoven, vooral wanneer er personen bij- 
komen, die, zelf het kapala-desa-schap ambieerende, het smeu- 
lende vuurtje der ontevredenheid weten aan te blazen en zich 



Onderzoek bij een diefstal. 



eventueel tot woordvoerders willen opwerpen. Op die wijze 
wordt liiet zelden in troebel water gevischt! 

Welke belachelijke beschuldigingen men daarbij soms verne- 
men kan, hebben wij zooeven gehoord. Toch moet alles nauw- 
keurig worden genoteerd, want van dit voorloopig onderzoek 
moet een volledig relaas aan den regent worden ingediend, die 
de zaak, nadat zij ook ter kennisse gebracht is van het euro- 
peesche hoofd van plaatselijk of gewestelijk bestuur, later met 
den betrokken controleur bij het binnenlandsch bestuur nader 
onderzoeken en tot klaarheid brengen moet. 

Doch wij moeten verder en zoodra de wëdana zijne paperassen 
bij elkander gepakt zal hebben, zullen wij onze paarden maar 
bestijgen. 

De desa, die wij thans doorrijden, verschilt in aanleg, uiter- 
lijk, etc. niet veel van die wij reeds bezocht hebben, zoodat 
wij die gerust kunnen passeeren, zonder er ons langer in op 
te houden dan noodig is. 

Ook deze nog onbebouwd liggende sawahs zullen wij voor- 
loopig daar laten liggen, want in die andere desa voor ons 
moet de wëdana een plaatselijk onderzoek instellen naar een 
gisteren aldaar gepleegden diefstal. Reeds heden ochtend vroeg 
heeft hij er zijn schrijver of djoeroetoelis met den betrokken 
assistent- wëdana heen gezonden, om al dadelijk licht of katrangan 
in de zaak te zoeken. 

Kijk, wij zijn hier waar wij wezen moeten en zullen weder 
afstappen, om te zien hoe zulk een onderzoek geschiedt. 

De wëdana begint zooals gij ziet, met den bestolene te onder- 
vragen. Hij hoort van dezen, wie in den loop van den dag 
van gisteren bij hem geweest zijn, — tegen hoe laat hij en 
zijn gezin naar bed zijn gegaan, waar de verschillende leden 
zijner familie geslapen hebben , of er licht in huis was of niet , 
hoe laat de diefstal ontdekt werd , welke vermoedens de eigenaar 
van het gestolene had, wien hij van den diefstal verdenkt, en 
andere punten meer , die naar 's wëdana's oordeel leiden kunnen 
tot het vestigen van eene bepaalde meening omtrent den dief- 
stal en den dader, enz. 

Hierna begeeft de wëdana zich binnenshuis, laat zich de plek- 
ken aanwijzen , waar de dief of dieven zich een toegang hebben 



Ondei*zoek bij een diefstal. 261 

gebaand, waar zij verder zich bewogen hebben en waaruit zij 
eindelijk met hun buit vertrokken zijn. Een en ander wordt 
behoorlijk genoteerd, zelfs voor zooveel noodig opgemeten, en 
daarna wordt eene lijst opgemaakt van hetgeen vermist wordt, 
en zulks met opgave van de waarde, de bewaarplaatsen en de 
ligging daarvan enz. 

Na afloop van dit vrij minutieus onderzoek wordt de woning 
aan de buitenzijde opgenomen. Ook hier hebben weder enkele 
metingen plaats, die dienen moeten voor de behoorlijke op- 
making van het voorgeschreven procesverbaal en van de situatie- 
schets, die ter verduidelijking daarvan daarbij moet worden 
gevoegd. De drooge harde kleigrond van het erf laat geene 
sporen of voetindrukken zien, zoodat thans moeilijk is uit te 
maken, door hoevele personen de diefstal gepleegd is. Naar het 
aantal, de grootte en de zwaarte der gestolen voorwerpen te 
oordeelen, kan een enkele persoon den diefstal echter niet ge- 
pleegd hebben, zoodat er dus minstens twee dieven geweest 
moeten zijn. 

Intusscheu hebben de dieven niet slim gehandeld door bij 
het vele andere goed nog rijst te stelen, want bij de verpak- 
king daarvan schijnen zij slordig te zijn te werk gegaan, om- 
dat hier en daar rijstkorrels op den grond liggen, waardoor 
de weg, dien zij bij het heengaan gevolgd hebben, aangewe- 
zen wordt. 

Hiervan heeft de assistent-wëdana, die vooruit is gegaan, 
geprofiteerd met het gevolg, dat hij nu reeds een der daders, 
dien gij daar gebonden ziet, gearresteerd en een deel van het 
gestelene achterhaald heeft. Nadat de afstand tusschen de woning 
van den bestolene en die van den gearresteerde mede opgeme- 
ten was, heeft voornoemde assistent-wëdana den dief verder 
ondervraagd en uit diens mond de namen zijner medeplichtigen , 
die thans nog gezocht worden, vernomen. 

Ook de wëdana doet den gearresteerde thans de noodige 
vragen, die met de daarop gegeven antwoorden behoorlijk wor- 
den genoteerd. Hierna wordt.de gevangene onder behoorlijk 
geleide en steeds gebonden, di taleni zooals de Javaan zulks 
noemt, naar de districtshoofdplaats gezonden, om er in afwach- 
ting van de komst zijner medeplichtigen in de districtsgevan- 



262 Onderzoek bij een diefistal. 

genis of pëmboevren-kadistriqan te worden opgesloten. Ook de 
achterhaalde goederen worden naar de kawëdanan overgebracht, 
om later tot stukken van overtuiging, boekti, bajënet of boe- 
tamal te dienen, wanneer de zaak voor den landraad berecht 
wordt. 

Zoo zoetjes aan is het middag geworden, zooals gij wel hebt 
kunnen opmerken, en daar het noodig is, dat onze paarden 
en ook wij zelven wat rust nemen, voordat wij den terugtocht 
aanvaarden, zullen wij gaarne van de invitatie van den assis- 
tent-wëdana, die de eer heeft van de vangst van den zooeven 
weggevoerden dief, gebruik maken om gedurende de warme 
middaguren aan den oever der langs deze desa stroomende 
rivier onder de aldaar opgerichte taroeb te gaan picnicken. 
Zie, men heeft hier ook al gevischt en van de gevangen exem- 
plaren er zelfs eenigen nog onbereid gelaten. Probeer eens een 
dier visschen in modder te laten wikkelen, zonder hem uit te 
laten halen, en hem daarna in het vuur gaar te laten poffen. 
Met ketjap en sambël gegeten zal hij u zeker wel smaken. 

Ook heeft de assistent-wëdana hier epo jong schaap laten 
slachten en er behalve goeie en andere gerechten, nog saté van 
laten maken, die met de daarvoor gereed gezette azijnsaus verre 
van verwerpelijk is. 

Wij zullen er ons maar aan te goed doen en na een gezellig 
praatje straks voordat wij huiswaarts keeren nog even een frisch 
bad nemen in het spiegelheldere water, dat daar langs onze 
voeten stroomt. Na zulk een tocht zullen wij ongetwijfeld ook 
een heerlijken nacht doorbrengen , om morgen even frisch verder 
te gaan, want het wordt tijd, dat wij van onzen gullen gast- 
heer en diens vrouw afscheid nemen en elders een kijkje bij 
anderen gaan nemen. 



HOOFDSTUK VUL 



Wij zullen heden, na het voor ons klaar gezette ontbijt te 
hebben gebruikt, van den wëdana en zijne familie afscheid 
nemen onder hartelijke dankbetuiging voor de door ons te 
hunnent genoten gastvrijheid en de moeite, die zoowel hij als 
zijne radenayoe zich getroost hebben, om ons het verblijf in 
de kawëdanan zoo aangenaam en zoo leerzaam mogelijk te maken. 

De wëdana kan ons niet vergezellen, omdat hij «het gisteren 
gehouden onderzoek heden voort moet zetten, doch zal toch 
trachten ons heden avond gezelschap te komen houden, daar 
ook hij eene invitatie ontvangen heeft voor het feest, dat wij 
bij den assistent- wëdana , bij wien wij logeeren gaan, zullen 
bijwonen. 

Vrees voor verdwalen behoeven wij niet te hebben, want 
onze vriend heeft, zooals gij zien kunt, voor het noodige gevolg 
doen zorgen, dat ons den weg zal wijzen. 

De weg, dien wij te volgen hebben, voert ons langs min 
of meer boschachtig terrein, nog onbebouwde velden en een 
kleine padoekoehan, die wij geruatelijk buiten verdere beschou- 
wing kunnen laten, omdat zij ons niets bijzonders en ook 
niets nieuws te zien geven. 

Ook de desa, standplaats van onzen nieuwen gastheer, en 
diens woning, waar wij thans aankomen, leeren ons niets 
nieuws, ofschoon hier natuurlijk vele ons reeds bekende voor- 
werpen in min of meer gewijzigde vormen te zien zijn. In 
hoofdzaak echter verschillen zij niet van die, waarmede wij 



264 De slamëtan voor een zevenmaandsche zwangei*scfaap. 

reeds kennis hebben gemaakt, zoodat wij ons in dit opzicht 
wel een weinig teleurgesteld kunnen achten. 

Gelukkig schijnt echter het toeval ons te willen dienen en 
hiervoor schadeloos te willen stellen, want onze gastheer heeft 
ons zoo juist medegedeeld, dat wij heden getuigen zullen zijn 
van een bijzonder huiselijk feest, dat met een sëdëkah zal 
worden geopend, nl. de viering van de eerste zevenmaandsche 
zwangerschap zijner jonge vrouw. 

Deze slamëtan, waartoe vele invitaties zijn gedaan, wordt 
slamëtan-mitoni , d. i. ofiFerfeest in de zevende maand der zwan- 
gerschap, slamëtan-tingkëb of eenvoudig tingkëb, d. i. offer- 
maal der rijpwording of van het levensvatbaar zijn der nog 
ongeboren vrucht, ook slamëtan-nandangi-sëmaja, d. i. ofiFerande 
voor de nadering van het tijdstip, waarop het verwachte (be- 
loofde) kind kan worden tegemoet gezien, genoemd. 

Elders geeft men aan deze slamëtan ook den naam van 
ngroewat , ook ngroewah , of van ngrasoelakën , d. i. een offer- 
maal aanrichten ter wering van alle mogelijke onheilen, waarbij 
de wajang vertoond en de hulp van den rasoel of gezant Gods, 
d. i. Mohammad, ingeroepen worden. Van daar, dat het voor 
dit offermaal voorgeschreven gebed , dat wij straks zullen leeren 
kennen, donga-rasoel of gebed aan den gezant Gods wordt 
genoemd. 

Zooals gij ziet, wordt reeds het noodige klaar gezet voor de 
sëdëkah, die aanstonds zal worden gehouden. 

Wij zullen van deze schoone gelegenheid ook profiteeren, 
om een en ander betreffende dit offermaal en wat verder met 
de zoogenaamde gezegende of delicate positie der vrouw in de 
javaansche wereld in verband staat, te vernemen. 

Als gij er goed op Jet , zult ge zien , dat bij deze sëdëkah 
het getal zeven een hoofdrol speelt, want niet alleen vinden 
wij hier zeven toempëng's of kegels van witte rijst klaargezet, 
maar elk dezer kegels is omringd door zeven soorten van la- 
woehan's of toespijzen, terwijl wij daaromheen en daartusschen 
nog zeven soorten van djënang's , d. z. min of meer brijachtige 
snoeperijen, geplaatst zien. 

Omtrent de soort en de bereidingswijze der toempëng's en 
der toespijzen voor deze sëdëkah bestaan geen bijzondere voor- 



De voorgeechreven djënangs. 265 

schriften, doch de hiervoor noodige djëoang's daarentegen zijn 
bepaaldelijk aangewezen. 

Zie, hier hebben wij den djënang-protjot of djënang-soeng- 
soem, bestaande uit een zachte, gemakkelijk door te slikken 
brij van met kokosmelk gekookte rijstemeel, waarin stokjes 
gaargestoomde pisang gestoken zijn. Deze djënang is het zinne- 
beeld eener gemakkelijke verlossing, want even vlug en gemak- 
kelijk als het eten daarvan gaat, even voorspoedig, hoopt men, 
zal het verwachte kind in de wereld komen en zijne moeder 
daardoor vele pijnen besparen. 

Die schotel daar bevat den dj6nang-sewoe, bestaande uit dawët, 
d.z. klonters meel, drijvende in een gesuikerde saus van santen 
of klappermelk en ten zinnebeeld strekkende van de hoop, dat 
het verwacht wordende kind gevolgd moge worden door een 
talrijken sleep van broertjes en zusjes, evenals elk drijvend kleu- 
tertje van den dawët vele gelijken in denzelfden schotel heeft. 

Voorts zien wij hier een toewoeng of kom gevuld met water, 
waarin eenig geld is geworpen. Ofschoon dit water geen be- 
paalde toespijs is en ook niet als zoodanig gebruikt wordt, zoo 
wordt het toch tot de zeven noodige djënang's gerekend en 
daarom ook djënang-këmba , d. i. flauwe, smakelooze djënang 
genoemd. Het dient ten zinnebeeld van de bede, dat het kind 
nooit gebrek zal lijden. 

De vierde soort is de djënang-sangkala , bestaande uit witte 
en met javaansche suiker bruingekleurde boeboer of pap op een 
schotel bij elkander geschept en dienende ten teeken, dat de 
ouders van het nog niet geboren wicht . de gunst van den 
Almachtige afsmeken, opdat dit kind voor alle mogelijke on- 
heilen behoed moge blijven. 

Voorts hebben wij hier den djënang-sliringan , een dergelijk 
gerecht als het vorenbedoelde , maar waarvan de witte en bruine 
bestanddeelen inniger vermengd zijn. Hierdoor wordt de hoop 
uitgedrukt, dat het ongeluk, het noodlot, sangkala of sangsara, 
vreezen zal het kind te bezoeken. 

De hierop volgende is de djënang-idjo of groene djënang, 
zijnde rijstepap gekleurd met het uitgeperste sap van kara *)- 



1) Lablab vulgaris Savi, en Dolichos lignosus L. 



266 De Toorgwchreven djënangs en roedjaq. 

bladeren, en dienende ten zinnebeeld van de hoop, dat het 
kind steeds even frisch en gezond moge zijn als het helder- 
groene blad. 

Eindelijk nog vinden wij de zevende soort, nl. den djënang- 
irëng of den zwarten (eigenlijk donkerblauwen) djënang, die 
met indigo of nila gekleurd is en ten zinnebeeld strekt van de 
hoop, dat evenals de indigo een vaste kleur, en de kleur is 
van Krësna, den algemeen beminden en hooggeachten vorst van 
Dwarawati, het kind ook een vast, edel karakter en de voortref- 
felijke eigenschappen van genoemden mensch-god hebben moge! 

Ten slotte zien wij hier nog een zevental kommen met zoo- 
genaamde roedjaq-tjrobo of vuile roedjaq , d. i. een mengsel van 
fijngesneden of fijngestampte kurkuma, s8reh *) en djae*) over- 
goten met doedoeh of klappermelk. Volgens het algemeen ge- 
loof en naar de overlevering moet uit den smaak dezer roedjaq 
kunnen worden bepaald' of het verwacht wordende kind een 
jongen dan wel een meisje zal zijn. Is die smaak .sëdëp d. i. geurig, 
pittig, dan kan men op de komst van een jongetje rekenen, 
— is hij tjgmplang, d. i. flauw, laf, dan voorspelt hij de ge- 
boorte van een meisje. 

Doch, terwijl wij die verschillende gerechten en snoeperijen 
bespraken, hebben de deelnemers aan deze sëdëkah plaats ge- 
nomen, en is de oedjoeb van dit feestmaal den pënghoeloe, die 
het voorgeschreven gebed uit zal spreken, medegedeeld. 

Hoor, hij zet zich daartoe in postuur en dreunt verder op 
min of meer zangerigen toon op : O, Heer ! geef ons licht , op- 
dat onze harten getroost mogen worden , wanneer wij Uw heilig 
boek lezen, en verlos ons van al wat onze harten verduisteren 
en ons slechts straf bezorgen kan ; vervul onze zielen met vreugde, 
opdat zij zich beijveren zullen. Uwe bel€>oning deelachtig te 
worden ; maak ons tot menschen , die. de deugd beminnen en 
beoefenen, en die eenmaal het geluk hopen te hebben van door 
Uwe gelukzalige deur te gaan door de grootheid van Moham- 
mad, onzen profeet en heer, die de verhouding tusschen de 
menschen en de geesten regelt, en zoo lief en zoo waar' spreekt. 
Hij gelijkt den boomstam, waarop met onuitwischbaar whrift 



1) Andropogon Schoenanthus , L. 2) Zingiber officinale, L. 



Donga-rasoel. 267 

geschreven staat: Hij is het, wiens wil op den laatsten oor- 
deelsdag geschieden zal, en die op dien dag zal rechten en 
den zondvloed zal zenden ! Hij is de ware geloovige , de zuivere , 
de reine, hij, de profeet Mohammad, de zoon van Abdoellah, 
den zoon van Abdoelmoetalib , den zoon van Hasan , den zoon 
van Abdoelmanap. Voorwaar, het is de goedertieren God en 
het zijn de engelen, die over den profeet Mohammad zegen- 
beden uitspreken! Daarom, o geloovigen moet gij zegen- en 
heilbeden tot hem opzenden, want voorwaar alle tot hem ge- 
richte loftuitingen zijn ook voor God, den Heer der werelden! 

Dit is het donga-rasoel of gebed aan den gezant Gods, 
waarbij diens gunst en zegen wordt afgesmeekt zoowel voor de 
zwangere vrouw als voor het kind, dat nog geboren moet worden. 

Dat het zooeven uitgesproken gebed door het amin ! der aan- 
zittenden begeleid werd, behoeven- wij niet meer te zeggen, 
evenmin als het noodig is, ons langer met de beschouwing der 
etenden en van het door hen medegenomen wordende bërkat 
onledig te houden. 

Liever willen wij ons tot de vroedvrouw of doekoen-baji ^) 
wenden, die daar met diverse ingrediënten bezig is en ons 
zeker wel zal willen zeggen, wat daarmede gedaan moet worden 
en wat dat alles beduiden moet. 

Dat zij een en ander bereddert of klaar maakt, behoeft ons 
niet te verwonderen, warit sedert het begin der delicate positie 
onzer gastvrouw is zij als helpster door deze geëngageerd, en 
ofschoon hare hulp tot nu toe nog niet bepaald noodig is ge- 
weest, zoo heeft zij, af en toe, zooals heden, toch reeds eenige 
kleine diensten gepresteerd , die tot haar vak behooren en die 
wij straks nader zullen leeren kennen. 

Op 't moment is zij bezig de verschillende boreh's of smeer- 
sels klaar te maken, waarmede straks het bovenlijf en debeenen 
der aanstaande moeder zullen worden bestreken, en die dienen 
tot sarat of isarat, d. i. middel tot^gunstige stemming der goden 
ten opzichte van de zwangere vrouw. Deze smeersels zijn mede 
zeven in aantal, nl. de boreh-abrit of roode boreh, bestaande 



1) Van doekoen = inlandsche genees-, heel- of verloskundige, en baji = wicht , 
jonggeboren kind, zuigeling, 



268 



De smeersels en het baden der zwangere. 




uit kurkuma met sirih-kalk fijngewreven, de boreh-djëne of 
gele boreh, zijnde fijngewreven kurkuma, — de boreh-idjëm 
of groene boreh , bestaande uit fijngemalen pandan ^)-bladeren , 
— de boreh-biroe of blauwe boreh, gemaakt van indigo-blade- 
ren , de boreh-pëtaq , bestaande uit wëdaq of gewoon rijstemeel- 

poeder, — de boreh-tjëmëng of 
zwarte boreh, bereid uit toen- 
djoeng-bloemen ^) of soms bij 
gebreke hiervan uit ijzervitriool, 
dat mede toendjoeng heet, — 
en de boreh- woengoe of paarsche 
boreh, bereid uit roode wora- 
wari-bloemen ^. 

Zoodra de zwangere vrouw 
hiermede besmeerd is, wat in 
een daartoe opgericht koepeltje 
of kobongan geschiedt, wordt 
zij met schoon water uit een 
djoen, d. i. een [nauwhalzig en dik buikig aarden watervat over- 
goten. [ Het watervat wordt dan stukgesmeten ten zinnebeeld 

van de hoop, dat het 
bij de geboorte van het 
kind even vlug moge gaan 
als het in stukken sprin- 
gen van het met kracht 
tegen den grond gewor- 
pen vat. Dit alles ge- 
schiedt in tegenwoordig- 
heid en met de hulp van de 
doekoen en eenige vrouwe- 
lijke I bloedverwanten der 
zwangere, samen ten ge- 
tale van zeven. 

Daarna wordt de patiënte verder gebaad en gewasschen met 
banjoe- of toja-sëkar-sëtaman , d. i. water, welriekend gemaakt 



Kobongan. 



•'^joen. 



Djëmbangan. 




Pëngaron. 



.1) Pandanus odoratissimus L. 2) Nymphaea stellata Wild. 

3) Hibiscus rosa sinensis L. ook Clerodendrum fragrans Vent. 



Het laten vallen van een jonge klappernoot en bamboezen koker. 269 

door diverse, zoo mogelijk zeven soorten, bloemen uit een tuin 
of water uit zeven putten, en verder bewierookt (di koetoeq-i). 
Dit water is klaargezet in een pëngaron of djëmbangan , d. i. 
een wijdmondige aarden pot van meerdere of mindere diepte. 

Is dit baden afgeloopen, dan wordt, voordat de zwangere 
drooge kleederen aantrekt, aan nog eene formaliteit voldaan, 
waarbij de aanstaande vader, die zich intusschen deftig als 
bruidegom, of wanneer hij, zooals hier, een ambtenaar is, in 
basahan of groot kostuum uitgedost heeft, te pas komt. 

Eerstens krijgt de zwangere een band van lawe of grof garen 
om haar middel, soms ook een kraag van pisang-bladeren om 
den hals. 

Daarna wordt het natte kleed, dat bij het baden haar tot 
dekking van het onderlijf gediend heeft, door een paar help- 
sters zoodanig vastgehouden, dat tusschen het voorgedeelte 
daarvan en den buik der zwangere genoegzame ruimte over- 
blijft , om er een tjëngkir of jonge , nog gele klappemoot , en 
een tropong of dun bamboezen kokertje door te kunnen laten 
vallen. De tjëngkir is aan twee tegenovergestelde zijden beschil- 
derd of beteekend met menschelijke figuren, voorstellende 
Kamadjaja of Koemadjaja, d. i. de indische God der Liefde, 
Eros of Cupido , en diens echtgenoote Rati of Ratih , d. i. de 
indische Venus. Het laten vallen van de tjëngkir en den tropong 
is het werk van den in feestdos gekleeden echtgenoot, die ook 
den laweband om den buik zijner vrouw los moet snijden 
met of door middel van zijne këris, die voor deze bijzondere 
gelegenheid een këris-brodjol moet zijn , d. i. zulk eene wier 
lemmet recht, maar langzaam spits toeloopend is, en min of 
meer den vorm teruggeeft van het membrum virile. 

Het door het kleed der patiënte laten vallen van de klappernoot 
en van den koker strekt ten zinnebeeld eener gemakkelijke 
verlossing, waarbij het kind zonder ongelukken of moeite ter 
wereld komt; het doorsnijden van den lawe-band en, wanneer 
een kraag van pisang-bladeren gedragen wordt, ook hiervan, 
zinspeelt op het gemakkelijk losraken der nog ongeboren vrucht 
en van al wat daarmede verband houdt. Beide handelingen 
drukken dus de hoop uit, dat de aanstaande bevalling der 
jonge moeder zoo voorspoedig mogelijk geschieden zal! 



270 



Het doorhakken van de klappernoot en kleeden der vrouw. 



Daarna wordt de vorenbedoelde tjëngkir door den aanstaanden 
vader middendoor gespleten, Waartoe hij een motiq of sikkel- 
kapmes bezigen moet, het zinnebeeld der vruchtbare werkzaam- 




Kéris-dapoer-brodj ol. 



Motiq's. 



heid. Dit middendoor hakken dient ter vervanging van het 
uitspreken van de vraag: of het verwacht wordende kind een 
jongetje dan wel een meisje zal zijn, waarop de goden veron- 
dersteld worden antwoord te geven door de richting der snede 
te besturen. Wordt de jonge noot in twee gelijke deelen ge- 
splitst, dan kan men verzekerd zijn van de komst van een 
jongetje; glijdt de snede af en wordt de vrucht dientengevolge 
in ongelijke stukken verdeeld, dan wordt daardoor de geboorte 
van een meisje voorspeld. 

De op deze noot geteekende beeltenissen van Kamadjaja en 
Rati drukken de hoop der ouders uit, dat hun aanstaand kind 
op een dezer godheden gelijken zal. 

Fs aan deze formaliteiten voldaan, dan verwijdert zich de 
aanstaande vader, om in zijn pëndapa niet zijne gasten de 
komst zijner vrouw af te wachten. 

Deze laatste echter is zoo spoedig niet gereed, want, voordat 
zij zich aan hare gasten vertoonen kan,. moet zij eerst zeven 
achtereenvolgende keeren van kleeding verwisselen, die com- 
pleet in zeven pakjes gereed gelegd zijn en telkens gedurende 
eenige minuten aangehouden moeten worden. In het zevende 
gewaad verschijnt zij na behoorlijk gekapt en gedeeltelijk als 
bruid uitgedost te zijn, voor hare gasten. Zoodra zij zich naast 



Het yerkoopen van roedjaq door de zwangere. 274 

haren man op de daartoe voor hen bestemde plaats ') heeft 
neergezet, wordt voor haar een kom of pëngaron geplaatst, 
gevuld met roedjaq, weder van zeven soorten van vruchten 
bereid, die zij aan de omzittende gasten verkoopen moet. Dit 
verkoopen van roedjaq, waarbij de hoegrootheid der betaling 
aan de vrijgevig- en beleefdheid der gebruikers wordt overge- 
laten, dient niet alleen, om den gasten eene voegzame gelegen- 
heid te geven tot het aanbieden van hunne geschenken in geld 
voor den spaarpot van het verwacht wordende kind en als 
bijdrage tot deze feestviering, maar ook alweder, om te weten 
te komen, of het kind een jongetje dan wel een meisje zal 
zijn , wat zooals wij zooeven reeds vernamen uit den al of niet 
laffen smaak der roedjaq kan worden uitgemaakt, ofischoonwij 
ons eer aan het oordeel der ervaren doekoen zouden houden, 
wat trouwens, indien wij het niet mis hebben, ook wel aan 
de gasten, zij het ook in het geheim, medegedeeld zal zijn, 
opdat zij zich eventueel niet verspreken zullen, wanneer hun 
naar den smaak der roedjaq gevraagd wordt. 

Hiermede is de eigenlijk gezegde offerande afgeloopen en zij, 
die het niet doen kunnen, bepalen zich dan ook tot het zoo- 
even beschrevene, doch meer gefortuneerden of tot den pri- 
ajistand behoorenden verbinden hieraan nog enkele festivitei- 
ten, bestaande in een tajoeban of inlandsche danspartij of een 
wajangvertooning. 

Zooals wij reeds vernomen hebben zal hier zoowel het een 
als het ander plaats hebben en heden-avond ge-tajoeb-t of ge- 
danst worden, terwijl het ngroewat morgen avond zal geschie- 
den. Zie, langzaam aan trekken de verschillende gasten naar 
hunne pondoq's, om er voor heden avond de noodige krachten 
te verzamelen, en van deze gelegenheid zullen wij gebruik 
maken, om de oude, praatzieke en op hare beroemdheid niet 
weinig trotsche doekoen eens nader uit te hooren over al wat 
tot en bij haar beroep behoort. 

Al dadelijk vernemen wij , dat de zooeven beschreven forma- 



1) Waar de echtgenooten als bruid en bruidegom te voorschijn komen, is 
deze plaats gewoonlijk vlak voor den hoofdingang van het middenvertrek , dat 
als receptiezaal op allerlei wijze veraierd is. De zitplaats der echtelieden stelt 
gewoonlijk ook een soort troon, waarover een hemel hangt, voor. 



272 Teekenen der zwangerschap, slamëtan-ngebor-ebori. 

liteiten van de skmëtan-tingkëb slechts gevolgd worden, of 
liever voorgeschreven zijn voor een eerste zwangerschap, doch 
van dezen regel dikwijls door meergegoeden, die er niet tegen 
opzien daarvoor wat meer uit te geven, dan strikt noodig is, 
wordt afgeweken. 

Op onze vraag, hoe en waaraan te zien is, dat eene vrouw 
zich in eene zoogenaamde gezegende positie bevindt, antwoordt 
de doekoen, dat eene zwangere er steeds als verjongd en frisch 
of sëgër uitziet; haar lichaam, voornamelijk haar bovenlijf en 
hare borsten bëntét, d. i. voller, gevulder worden en de laatsten 
langzamerhand beginnen te zwellen, wat in de latere perioden 
der zwangerschap ook met den buik het geval is. Ook het 
ngidam of belust zijn naar soms zeer vreemde zaken enz., wijst 
op een zwangerschap. 

Behalve door deze uiterlijke kenteekenen, die voor iederen 
opmerkzanien beschouwer onmiskenbaar zijn, wordt de betrok- 
ken vrouw zulks gewaar door het ophouden der menstruatie of 
van de maandelij ksche vloeiingen van het rah-sari of rah-kel *) 
d. i. van het sanguis menstrualis. 

Van het oogenblik van sluiting van den cervix uteri, waar- 
door de menstruatie ophoudt, wordt de zwangerschap gerekend 
te zijn begonnen, doch voor alle zekerheid wordt gewoonlijk 
gewacht totdat de menstruaties drie maanden achtereen weg- 
gebleven zi^, alvorens de doekoen bepaald verklaren durft, 
dat hare patiënte zwanger en wel reeds drie maanden in hare 
zwangerschap gevorderd is. 

Bij de constateering hiervan wordt gewoonlijk de eerste së- 
dëkah aangericht, doch sommigen beginnen reeds in de tweede 
maand der zwangerschap een slamëtan te geven, die slamëtan- 
ngebor-ebori wordt genoemd, d. i. de slamëtan, waarbij van 
een scheplepel (ebor) gebruik wordt gemaakt, en wel omdat het 
eenige gerecht, dat hierbij wordt voorgediend, bestaat uit een 
dunne brij of pap van rijstemeel in overvloedig santen gekookt , 
waarin dunne reepjes kokosvleesch drijven, de zoogenaamde 
djënang-ebor-ebor. Deze slamëtan dient om de goden gunstig 
te stemmen, opdat zij de vrucht tot behoorlijke ontwikkeling 



1) Van het arabisch haidl. 



De slamëtan nëloni. 2?3 



laten komen en geen miskraam of eenig ander ongeval bewer- 
ken zullen. 

De slamëtan voor de driemaandsche zwangerschap, zooals 
wij zooeven hoorden , gewoonlijk de eerste die voor deze delicate 
positie der vrouw aangericht wordt, is bekend onder den naam 
van slamëtan nëloni. Bij de hiervoor aangericht wordende së- 
dëkah vormt de sëga-poenar den hoofdschotel. Deze poenar-rijst 
wordt voorgediend in een van gevlochten kokosbladeren ge- 
vormd en van franjeachtige randen voorzien plat bakje of takir, 

(lat op een houten presenteerblad 

of doelang is geplaatst. ;^* 

De hierbij hoorende bijgerech- ^/ ^^^^m^' 

ten bestaan uit : sroendeng , rëm- - ^ B ^^^^^^ -^-^^^^Bp^ 
p.ih , dadar (eierstruif) , sambël- ^V9^^^^i^^^P!P 
goreng en divers gebakken of - "^^^^^ . ^ r 

gebraden vleesch en visch. '^*^^''- 

Het voor deze sëdëkah voorgeschreven gebed is het donga- 
rasoel, dat wij zooeven gehoord hebben. 

Het doel van dit offermaal is: de goden en den profeet 
gunstig te stemmen voor de zwangere, en daardoor te voor- 
komen, dat haar eenig ongeval treffen zal. 

Meer of andere formaliteiten zijn hiervoor overigens niet voor- 
geschreven en worden hierbij gewoonlijk ook niet gevolgd of 
in acht genomen. 

Evenmin wordt voor de vierde, vijfde, zesde en achtste maand 
der zwangerschap iets gegeven, ofschoon het volstrekt niet ver- 
boden is, er telkens (meestal echter alleen in de vijfde maand) 
een sëdëkah voor aan te richten, waarbij het donga-rasoel het 
voorgeschreven gebed is. 

De negende maand echter wordt meestal weder herdacht 
door een slamëtan, die slamëtah moemoele-sëdoeloer heet, d. i. 
offerande ter eere van de broeders van het verwacht wordende 
kind, waaronder voornamelijk verstaan worden het banjoe-kawah 
= vrucht- of lendewater, dat als oudere broeder van het kind 
beschouwd wordt, vermits het losbreken daarvan de geboorte 
voorafgaat, en de ari-ari of placenta met al wat daarbij hoort, 
die als jongere zuster van het wicht wordt aangemerkt, omdat 
de verschijning daarvan eerst na de geboorte van het kind volgt. 

18 




274 De slamëtan voor de negende maand. 

Bij deze slamëtan wordt alleen gebak voorgediend en wel in 
drie soorten, nl. pasoeng-protjot , djongkong of djgdjongkong 
en intil. 

Pasoeng-protjot is de naam van een soort min of meer lijvige, 
met roode suiker toebereide en in een uit jonge klapperbladeren 
gevormd hoorntje gaargestoomde rijstemeelkoek , 
waarop gewoonlijk een laagje met santen toe- 
bereide meelpap voor aan de opening van het 
hoorntje wordt aangebracht. Bij het eten van dit 
gebak drukt men den inhoud van het hoorntje er 
uit; vandaar het attribuut protjot, dat uitkomend, 
uitpuilend , enz. beteekent , terwijl pasoeng eigen- 
lij k: wortel van den neus of liever den geheelen 
neus van den wortel af beduidt, en niet on- 
eigenaardig als naam is gegeven aan het gebak, 
Pasoeng-protjot. welks vorm wel eenigszins aan dien van een af- 
gesneden neus herinnert. 

De djongkong, die haren naam ontleent aan de gemakkelijke 
wijze, waarop zij uit elkander valt, is een uit met het uitge- 
perste sap van pandan-bladeren groengekleurde en welriekend 
gemaakte rijstemeelpap bereid gebak, dat in een gesuikerde 
saus van santen drijft en verpakt is als de botoq, waarmede 
wij reeds ter gelegenheid van de sëdëkah in den kawëdanan 
kennis maakten. 

De intil eindelijk is een soort van griesmeel-pap , bereid uit 
korrelig rijstemeel, gaargekookt in santen, en verder overgoten 
met stroop van roode of inlandsche suiker. 

Het voor de hierbedoelde slamëtan voorgeschreven gebed is 
het donga-slamët , dat wij ook reeds kennen. 

Wat het doel van dit offermaal aangaat, — hiermede of 
hierdoor wordt niets anders beoogd dan de gunst der goden 
en van Allah en zijn profeet, opdat zij allen het hunne er toe 
mogen bijdragen , om de aanstaande bevalling zoo voorspoedig 
mogelijk te doen zijn en de gelukkige moeder daarbij zoo min 
mogelijk te doen lijden. 

Op onze verdere vraag: of, zoodra de zwangerschap geconsta- 
teerd is, dadelijk eene vroedvrouw geëngageerd wordt, antwoordt 
de doekoen,- dat zulks geen gewoonte is, en de vroedvrouw 



Regelen door eene zwangere in acht te nemen. 



275 



slechts op het laatste moment, of anders in bijzondere gevallen, 
die op de bevalling van invloed kannen zijn, geroepen wordt. 

Alleen om de zwangerschap te constateeren wordt de doekoen 
geraadpleegd , die dan haren raad geeft en enkele medicamenten 
zoo noodig voorschrijft. 

Gedurende de zwangerschap moet de aanstaande moeder eiken 
Zaterdag kramas, d i. het hoofd met loogwater, getrokken uit 
gebrand padi-stroo of mërang zuiveren, en tot de negende 
maand harer zwangerschap mede eens per week een drankje 
innemen, bestaande uit het uitgeperste sap van samen fijnge- 
stampte brambang (roode uien), lëmpoejang^) en tjabe^). Voorts 
moet zij tot de negende maand om de vier a vijf weken nog 
een ander drankje gebruiken, bestaande uit het uitgeperste sap 
van samen fijngemalen dringo '), bangle *), koenir '), tgmoela- 
waq •), sintoq ^), mësohi *), tjabe •), sawi-zaden ^°), knoflook , 
këmoekoes "), sëprantoe "), tómpoejang "), godong tjoekilan ^*) 
en roode wora-wari *^)-bladeren. 

D«5e medicamenten dienen om de maag en de ingewanden 
der zwangere zuiver te houden, en daardoor te voorkomen, dat 
de aanstaande moeder gemakkelijk vatbaar wordt voor allerlei 
ziekten, die haren oorsprong vinden in ongezonde ingewanden. 

Is de zwangere de negende maand ingetreden , dan moet zij 
gedurende de eerste twee dweken minstens eens per week een 
nieuw drankje gebruiken, bestaande uit het uitgeperste sap 
van samen fijngemalen soeloer-#aloh of jonge ranken van den 
waloh "), adas "), poelasari "), roode uien en een weinig zout. 

Dit geneesmiddel dient, om zoogenaamd de inwendige warmte 
van den gevulden buik der zwangere te onderhouden en een 
geregelden bloedsomloop te bevorderen. 

Tegen het einde der negende maand wordt dit medicament 



1) Zingiber amaricans BI. 

3) Acorus teri*estris, Rmph. 

5) Giircuma longa, L. 

7) Oinnamomum sintok, BI. 

9) Ghavica officinarum, Miq. 
11) Cubeba ofiicinalis, Miq, 
13) Zingiber araaricans, BI. 
15) Hibiscus rosa sinensis, L. 
17) Foeniculum vulgare, Grtn. 



2) Ghavica officinarum Miq. 

4) Zingiber cassumanar, Rxb. 

6) Gurcuma Zerumbet, Rxb. 

8) Ginnamomum kiarais, Nees. 
10) Sinapis al ba, L. 
12) 

14) Schmiedelia racemosa, L. 
16) Lagenaria vulgari», Ser. 
18) Alyxia stellata, R. en S. 



276 Regelen door eene z wangera in acht te nemen. 

vervangen door een ander drankje, bestaande uit het uitgeperste 
sap van fijngemalen tëmoelawaq vermengd met zuivere klapper- 
olie. Dit drankje, dat als een laxatief werkt, moet ingenomen 
worden met behulp van een loemboe- ^) of talës *)-blad , ge- 
vouwen in den vorm van een napje, een voorschrift, dat schijnt 
te dateeren van den tijd, toen kopjes of glazen nog onbekend 
waren, doch waarvoor overigens geen andere reden kan worden 
opgegeven, dan dat het gebruik van dit gladde, dus niets van 
het drankje achterhoudende blad in den djaman-koena of goeden 
ouden tijd algemeen was. 

Behalve het vorenmedegedeelde, moet door de zwangere vrouw 
nog het volgende in acht worden genomen. 

Zij mag namelijk gedurende hare zwangerschap geene eieren , 
geene met stekels gewapende visschen, als de Iele, — geen 
kotes of jonge koetoeq en geen garnalen eten. 

Het gebruik van eieren veroorzaakt telkenmale terugkeerende 
valsche weeën, en maakt, dat de zwangere onophoudelijk een 
gevoel heeft, ongeveer als dat, wat een kip moet hebben, die 
een ei wil leggen zonder het te kunnen doen, een toestand die 
in het javaansch wordt aangeduid door het werkwoord memeti. 

Door het gebruik van visch, met stekels gewapend, riskeert 
de zwangere vrouw, dat hare bevalling moeilijk en langdurig 
zal zijn , terwijl het eten van kote^ of van garnalen eene pijn- 
lijke, smartvolle verlossing mede moet brengen, ten gevolge 
van het onrustig heen en weder draaien of wentelen van het 
verwacht wordende kind. 

In hoeverre dit alles waar is, kunnen wij niet beoordeelen, 
doch , dat met het oog op de gevolgen , iedere zwangere vrouw 
zich wel wacht, om zich tegen deze verbodsbepalingen, larangan 
of awisan, te bezondigen, laat zich zeer goed verklaren. 

Tot deze verboden genietingen behoort ook nog eene te 
drukke uitoefening van den coïtus gedurende de zwangerschap, 
vooral in de eerste en de laatste periode daarvan, daar zulks 
nadeelig werkt op de ligging van het kind in den uterus en 
hierdoor weder geen geringe invloed wordt uitgeoefend op de 
verlossing zelf. 



i) Diuscorea alata, L. 2) Golocasia antiqiiorum , Schott. 



Regelen door eene zwangere in acht te nemen. 277 

Eindelijk nog moet de zwangere vrouw (in de meeste ge- 
vallen zelfs ook haar man) zich onthouden van sommige hande- 
lingen , die in gewone tijden en omstandigheden niet verboden 
zijn, zooals: het laten staan van een zoutschepper in een zout- 
vat, waardoor de verlossing bemoeilijkt kan worden, — het 
stoppen van een mierengat, waardoor het kind buitengewoon 
groote oogen krijgen kan, het dooden of kwetsen van dieren, 
waardoor het kind of met lichaamsgebreken of met allerlei ont- 
sierende vlekken en aanhangsels enz. ter wereld kan komen, 
— het zitten op een aloë of rijststamper, wat eene moeilijke 
en pijnlijke bevalling ten gevolge kan hebben, en dergelijken 
meer. Soms kan de uitwerking dezer handelingen worden ge- 
neutraliseerd, wanneer de a.s. vader of moeder daarbij uitroept: 
kom, kindje! wij zullen dit of dat doen! maar voorzichtiger 
is het, dergelijke handelingen, zoo mogelijk, te laten. 

Wat den duur eener gezonde zwangerschap betreft, deze 
wordt op negen maanden en eenige dagen gesteld. Met juist- 
heid het tijdstip der bevalling voorspellen echter kan zelfs de 
beste doekoen niet. 

Zoodra in of na de negende maand de eerste weeën begin- 
nen, moet gezorgd worden, dat de vroedvrouw, die hulp ver- 
leenen zal, bij de zwangere is. 

Gewoonlijk wordt in dergelijke gevallen, vooral wanneer de 
aanstaande moeder in eene vroegere periode harer zwangerschap 
reeds pijnen heeft gehad , de buik der patiënte di oeroet d. i. 
met de handen door drukken en wrijven zoodanig bewerkt, 
dat wat daarvan niet op zijn plaats ligt, er weder op terug- 
gebracht wordt ^ en hierdoor de pijn, die de aanstaande moe- 
der lijdt , eenigszins wordt verlicht. Overigens wordt in gewone 
gevallen alles aan de natuur overgelaten en door de doekoen 
eene afwachtende houding aangenomen, wat voor iemand, die, 
als zij, geene verloskundige opleiding hoegenaamd genoten' 
heeft, zeker zoo onverstandig niet is en verreweg de voorkeur 
verdient boven allerlei manipulaties, wier nut twijfelachtig mag 
heeten. 

En zoo zijn wij dus öp de hoogte gebracht van al wat de 
zwangerschap der javaansche vrouw betreft, en aangezien onze 
voorlichtster ons verder mededeelt, dat zij momenteel geen tijd 



278 Behandeling eener kraamvrouw. 

meer heeft, om aan onze weetgierigheid betreffende al wat tot 
haar vak behoort, te voldoen, omdat zij hier in de buurt bij 
eene bevalling, die volgens hare berekening nog heden avond 
plaats moet grijpen, hare assistentie moet verleenen, zullen wij, 
na haar gevraagd te hebben, er ons zoo mogelijk bij te laten 
zijn, wanneer hare hier bedoelde patiënte moeder zal worden, 
en van haar de toezegging ontvangen te hebben, dat zij ons 
zal laten roepen, ons naar onze vertrekken begeven, om even- 
als de overige loges of gasten eenige rust te nemen, en ons 
voor te bereiden op de vermoeienissen van heden avond. 

Daar het echter reeds te laat is, om nóg eene siest» te ge- 
nieten, zullen wij ons bij dit rustnemen bepalen tot hiet uit- 
strekken onzer vrij vermoeide ledematen op de in onze kamers 
aanwezige divans, om ons straks verder door een lekker bad 
te verfrisschen. 

Hoor, men begint reeds den gamelan aan te dragen en klaar 
te zetten, die straks bij den dans gebruikt zal worden, en 
lang zal het niet meer duren, of het orkest zal ons eenige 
voor de begroeting van aankomende gasten gebruikelijke gën- 
ding's, airs of melodieën ten gehoore geven, want, indien wij 
ons niet vergissen, is de rëbab-speler, die straks de aria aan 
zal geven, reeds bezig zijn instrument te stemmen. 

Doch, onze doekoen laat ons daar juist weten, dat, indien 
wij bij de verlossing van hare patiënte willen zijn, wij ons 
haasten moeten, ons naar haar huis te begeven. 

Wij zullen dus niet langer talmen en de bijwoning der a. s. 
danspartij er desnoods aan geven, want eene gelegenheid als 
deze zal ons wellicht nooit meer worden aangeboden, omdat 
het niet de gewoonte is, bij dergelijke gebeurtenissen ook 
vreemden tegenwoordig te doen zijn. Het is dus wel eene 
groote eer, die deze familie ons bewijst en daarvoor mogen wij 
'ons niet ondankbaar toonen. 

Zie, de aanstaande vader komt ons reeds te gemoet. Hij is 
slechts een koeli of heerendienstplichtige landbouwer, maar 
een, die tot de gegoeden behoort en door het onderricht, dat 
hij in zijne jeugd op een der gouvemements inlandsche scholen 
genoten heeft, ook een der meest verlichten zijner desa. 

Het limasan-huis, dat hij bewoont, vertoont zoowel uiterlijk 



Behandeling eener kraan)vi*oiiw. 279 

als innerlijk eenige welvaart, want nergens zien wij sporen van 
verwaarloozing en wat daarvan het gevolg is. Laten wij maar 
dadelijk naar de kraamkamer gaan, als wij het binnenvertrek, 
waar de kraamvrouw op een mat op den aangestampten vloer 
in min of meer liggende houding tegen een Hoop kussens leu- 
nende hare verlossing moedig tegemoet ziet , zoo noemen mogen. 

Zooals gij ziet, staat alles in huis open: alle deuren en ven- 
sters zijn openslagen, zelfs de kasten, grobog's, trommels enz. 
zijn ontsloten, en, als gij ook in de provisie-kamer, keuken en 
bijgebouwen een oog kondt slaan, zoudt gij zien, dat al wat 
een sluiting of een deksel heeft, geopend en van de deksels 
ontdaan daar ligt. Dit is geen toeval, maar eenvoudig een ge- 
volg van het oude geloof, dat het open zetten van al wat ge- 
sloten is of kan worden, niet zonder invloed is, op de aan- 
staande verlossing, en verband houdt met de opening d. i. het 
opengaan , van den coilum uteri en het orificium uteri extemum. 

Zooals wij zien, is de kraamvrouw op een mat op den grond 
geplaatst, niet alleen, om het ledekant te sparen, maar ook 
omdat deze plaatsing en ligging de gemakkelijkste is voor de 
hulpverleening door de doekoen. De beenen der kraamvrouw 
zijn zoo wijd mogelijk van elkander geplaatst en min of meer 
gebogen (mëkangkang) opgetrokken, doch zóó dat deze houding 
haar niet te zeer vermoeit. Het bovenlijf licht tegen een berg 
van kussens, waarop ook het hoofd der patiënte rust en indien 
wij een oog konden slaan onder de tapih of het kleed, dat 
haar onderlijf bedekt, dan zouden wij nog zien, dat een lawe- 
band om haar middel gebonden is en daaraan zelfs een stuk 
van een versleten vischnet of iets dergelijks vlak boven of zelfs 
gedeeltelijk over den mons veneris en de labia pudendi externa 
bevestigd is. Een dergelijk stuk vischnet wordt ook boven het 
hoofd gehangen, als voorbehoedmiddel tegen alle hindernissen 
bij de aanstaande bevalling. 

Behalve den man der 'patiënte, de doekoen en wij zelven, 
zien wij hier nog een paar vrouwelijke familieleden zoowel van 
den man als van de vrouw, alsmede twee a drie buurvrouwen 
verzameld, allen gereed, om de eventueel noodige hulp te ver- 
leenen of het straks door de doekoen benoodigde aan te bren- 
gen, dan wel om der patiënte moed in te spreken, die, hoewel 



280 ' Bevalling. 

kalm en gelaten, blijkbaar onder de elkander sneller opvol- 
gende weeën lijdt. Geen weeklacht komt haar over de lippen, 
die zij van tijd tot tijd krampachtig samen drukt. Het schreeu- 
wen en gillen wordt voor eene kraamvrouw ook minder gepast 
geacht, en daarom tracht iedere kraamvrouw er zich zooveel 
doenlijk tegen te verzetten. Dat onze patiënte groote pijnen 
lijdt, kunnen wij niet betwijfelen, wanneer wij hare bleekheid 
en hare overvloedige transpiratie zien. De doekoen heeft reeds 
een paar malen onderzocht hoever de kraam gevorderd is en 
wellicht ook door sondeeren de ligging van het kind opgeno- 
men. Onmiddelijk gevaar schijnt er niet te zijn, want zij ziet 
er opgeruimd genoeg voor uit, en haar aanmoedigend ngëdën, 
ngëdën, 'ndoeq! d. i. drukken, aanzetten, kindlief! dat zij 
der kraamvrouw toeroept, terwijl zij den man der patiënte, 
die het hoofd en den rug zijner vrouw ondersteunt, wat bij 
de Javanen njoendang heet, verder een soewoeq, soewoeq, tole^) 
d. i. blaas, blaas, kereltje! toevoegt, bewijst ons, dat wij de 
kraamvrouw weldra met haar moederschap zullen kunnen ge- 
lukwenschen. 

Kijk , daar breekt het kawah- of lendewater los , en dadelijk 
hooren wij het jonge wicht den keel opzetten, alsof hij onte- 
vreden is, zich zoo zonder verderen omslag in de wijde wereld 
geplaatst te zien. 

De bevalling is betrekkelijk voorspoedig geweest , want ook de 
ari-ari of placenta is bijna gelijktijdig met het kind verschenen. 

Wij zullen de gelukkige moeder, wie het aan te zien is, 
hoezeer zij zich thans verlicht gevoelt, eenige oogenblikken met 
rust laten , om na te gaan , wat de doekoen , die het kind reeds 
opgenomen heeft, er verder mede doet. 

Zie , zij heeft het op zijn rugje gekeerd en is bezig den navel- 
. streng of tali-ari-ari (tangsoel-rentjang) af te binden. Dit ge- 
schiedt door middel van grof, sterk inlandsch garen of la we , 



1) Soewoeq of njoewoeq beteekent eigenlijk: eene kwaal of ziekte door 
eenig geheimzinnig middel doen ophouden. Daarbij wordt gewoonlijk het een 
of ander gebed over het hoofd van den lijder uitgesproken en dan door den 
bidder driemalen op of over de kruin geblazen. Misschien om het geheimmiddel 
te beter in het zieke lichaam te doen dringen? Soms bezigt de doekoen in de 
plaats van soewoeq het woord sëboel dat blazen beteekent. 



Behandeling van het kind. 281 

dat, nadat de doekoen een paar keeren over den navelstreng 
gestreken heeft, om zoogenaamd het vuile bloed uit den navel 
te verwijderen, op 2 a 3 centimeters van den navel stevig om 
den daaraan vastzittenden streng bevestigd wordt, waarna de 
streng ± 2 cm. verder onder het bindsel wordt afgesneden of 
afgeknipt. Dit afsnijden geschiedt gewoonlijk door middel van 
een dun, vlijmscherp bamboelatje of wëlad, ofschoon het ge- 
bruik van een scherp mesje niet bepaald verboden is. Ook 
wordt soms een katjip of betelschaar daartoe gebezigd, schoon 
het gebruik van een gewone schaar geen zonde is^ 

Nogmaals ziet de doekoen na, of uit het aan den navel vast- 
zittend strengetje geen bloed meer vloeit, en eerst daarna gaat 
zij over tot het baden of schoonwasschen van het kind, dat 
intusschen niet ophoudt, onze gehoorvliezen te doen trillen. 

Zoodra het kind gewasschen en afgedroogd is, wordt de navel, 
woedël of poesër, met het daaraan hangende strengetje opnieuw 
nagezien. Daarna wordt het belegd (di popoq-i) met een pap 
van met een weinig zout fijngewreven sirih-bladeren , die de 
genezing van de wond bevordert, en verder wordt daarop een 
met olie bestreken sirih-blad gelegd en alles door een breeden 
navelband op zijne plaats gehouden. 

Is dit afgeloopen, dan wordt het kind ingebakerd, di-gëdong 
of di-bëdong, en wel op de oud-europeesche wijs met de armpjes 
stijf tegen het lijf aangedrukt en de beentjes mede recht en 
tegen elkander uitgestrekt. 

Hierna wordt het kind aan een der vrouwelijke helpsters 
overgegeven, die het een weinig madoe of honig, dan wel bij 
gebreke daarvan een drankje, bereid uit het uitgeperste sap 
van samen fijngewreven kelor *)-bladeren , roode uien , soenti *) 
en wat zout, ingeeft, om daardoor de verwijdering van alle 
vuile stoffen uit de ingewanden van het jonggeboren kind te 
bevorderen. • 

Voorts wordt de vader, of indien deze er niet toe in staat 
is, een ander mannelijk familielid geroepen, om het kind aan 
het rechteroor de adan, d. i. het formulier voor de aankondi- 
ging van het biduur en aan' het linkeroor de kamat, d. i. het 



1) Moringa polygona, De. , 2) Zingiber gramineum BI. 



282 Behandeling der moeder. 



begin van een gebed, en soms verder in beide ooren de sadat 
of sahadat, d. i. de mohammedaansche geloofsbelijdenis, waar- 
over wij het later hebben zullen, in te fluisteren. 

Dan eerst bemoeit de doekoen zich met de moeder, die in- 
tusschen den tijd heeft gehad , om eenige rust te nemen en op 
haar verhaal te komen. 

De kraamvrouw wordt eerst op eene andere mat overgebracht, 
waarop zij op haren buik .moet liggen, terwijl haar als hoofd- 
kussen een bezem van sada (hoofdnerven van klapperbladeren) 
waaraan stukjes bangle, dringo, roode en witte uien, roode 
lomboq, enz. gestoken zijn, wordt gegeven, terwijl verder links 
van de patiënte een mes wordt neergelegd, dat zij gedurende 
de eerste 40 a 65 dagen steeds bij zich moet dragen. Over deze 
voorbehoedmiddelen of sarats zullen wij straks nader spreken. 

In de voren vermelde positie wordt de kraamvrouw verder op 
de volgende wijze behandeld, wij zouden zeggen: mishandeld. 

Haar man namelijk gaat op haar staan en heen en weder 
loopen, terwijl hij met de voeten langzaam drukkend over haren 
rug in eene benedenwaartsche richting strijkt. Dit ngidëg-idëg 
of trappen, betreden, dient ter bevordering van het toetas of 
toengtas, d. i. wegvloeien van het vuile bloed, waarvan de 
kraamvrouw bevrijd moet worden , terwijl het gebruik van den 
bezem ten zinnebeeld strekt van de soepangat, hoop of bede, 
dat de patiënte spoedig herstellen eii weder schoon bloed heb- 
ben zal, evenals een vloer enz. schoon wordt, wanneer de sapoe 
of bezem er over heen gaat. 

Is deze bewerking afgeloopen, dan moet de kraamvrouw, 
voor dat zij een bad neemt en zich verschoont, een kopje vol 
banjoe- of toja-landa, d. i. gefiltreerd asch water, waarin een 
korreltje zout is gesmolten, innemen, dat mede dient om de 
spoedige verwijdering of lozing van het vuile bloed enz. te be- 
vorderen. 

Na het bad en nadat de kraamvrouw zich in frissche kleede- 
ren heeft gestoken , wordt zij in de kraamkamer , die intusschen 
is opgeredderd , met parëm besmeerd (di parëmi). Dit smeersel , 
waarmede haar geheele lichaam, behalve het gelaat, bedekt en 
dat minstens 14 dagen achtereen gebruikt wordt, bestaat uit 
een mengsel van samen fijngemalen ongekookte, ontbolsterde 



Behandeling der moeder. 283 



rijst, notemuskaat, peper, tjabe ^), këntjoer*), këningar'), roode 
uien, tamarinde, zout, këtoembar*), djae*), ganti*), mësohi'), 
djëroeq-poeroet '), rëgoelo ®), klabët '^), któmbaq "), poetjoeq *^) 
en dangkel's of knollen van soekët-tëki '^), met een weinig 
water, en dient om het afgematte lichaam der patiënte te ver- 
frisschen , en den min of meer gestooi:den bloedsomloop te her- 
stellen. Voorts wordt de buik van de patiënte nog met een vrij 
dikke laag pap of tapël van samen fijngemalen kates **)-blade- 
ren,. djong- of djoeng-rahab ^'^), gëlam "), tamarinde en wat 
zout belegd, dienende om den buik te doen slinken en zijn 
gewonen vorm te doen hernemen. 

Deze tapël of pap wordt twee weken achtereen gebruikt, 
waarna de kraamvrouw een üit tamarinde en zout met gewoon 
water bereid drankje, dat den geregelden omloop van het bloed 
in de hand moet werken, te drinken krijgt, en tot zij geheel 
genezen is, een nieuwe tapël moet gebruiken, bestaande uit 
sirih-kalk of ëndjët, aangelengd met het uitgeperste sap van 
djëroeq-pëtjël (Citrus limonellus, Hassk). 

Voorts moet de kraamvrouw gedurende 40 dagen een zalf 
of smeersel aan het voorhoofd en de slapen gebruiken, pilis 
genaamd, en bereid uit samen fijngewreven soenti ^') zwarte djin- 
tën »•), klëmbaq ^') këtoembar *^), schillen van djëroeq-poeroet ^^), 
kruidnagelen en këmoekoes ^^) overgoten met het uitgeperste 
sap van djëroeq-pëtjël ^'). Dit smeersel dient om hoofdpijnen en 
ontsteking der oogen ten gevolge van een gestoorden bloeds- 
omloop, enz. te voorkomen. 

Met den zesden dag moet de kraamvrouw verder drie och- 

1) Chavica oflBcinarum, Miq. 2) Kaempferia galanga, L. 

3) Cinnanionum Zeylanicum Breyn. 4) Goriandrura sativum L. 

5) Zingiber officinale, L. 6l) 

7) Cinnamomum kiamis, Nees. 8) Citrus papeda, Ilassk. 

9) Abelmoschus moschatus, Mönch. 10) 

11) Aloëxylon agallochura, Lour. 12) Fimbristylis communis, Kunth. 

13) Garica papaya L. 14) Baeckea frutescens, L. 

15) Bast van de Lempoejang of Zingiber Gassumanar Rxb. 

16) Gorypba umbraculifera , L. 17) Zingiber gramineum, BI. 

18) Garum carvi, L. Nigella sativa, L. 

19) Aloëxylon agollnchum, Lour. 20) Goriandrura sativum, L. 
21) Gitrus papeda, Hassk. 22) Gubeba ofOcinalis, Miq. 
23) Gitrus limonellus, Hassk. 



284 



Behandeling der moeder. 



tenden achtereen een kopje djamoe-loentoeran innemen. Deze 
djamoe, uit het uitgeperste sap van samen fijngewreven of fijn- 
gemalen blimbing-woeloeh ')-bladeren , jonge annanas-bladeren , 
këmarogan -)-bladeren , roode uien , lëmpoejang , sap van djëroeq- 
pëtjël , inggoe ^) en een weinig gewoon water bestaande , dient 
om de afdrijving van het ongezonde bloed te bevorderen. 

Is deze kuur afgeloopen dan moet de kraamvrouw nog ge- 
durende twee maanden 's ochtends en 's avonds djamoe-parëm 
gebruiken. Dit drankje wordt bereid uit ongekookte rijst, 
këtoembar, zoethout, roode uien, këntjoer, gëlam, djoeng- 
rahab, zout en tamarinde, samen fijngemalen en daarna met 
wat water verdund, en dient eerstens, om alle inwendige wond- 
_^ . jes en andere beschadigingen te ge- 

nezen , en tweedens om der zoogende 
moeder overvloedig zog te bezorgen. 
Eindelijk nog mogen wij niet ver- 
geten te vermelden , dat de doekoen 
den buik der kraamvrouw gedurende 
de eerste 40 dagen eenige keeren 
door wrijven, kneden enz. zooge- 
naamd in orde brengt (ambënër-ake , 
anglërës-akën) en dat de kraamvrouw 
na den vijfden dag gedurende 65 
dagen met een bëngkoeng loopen 
moet. De bëngkoeng is een 10 a 15 
cm. breede en 15 tot 20 katjoe's*) 
of Amsterdamsche ellen lange band , 
die stijf om het onderlijf beneden 
de borsten tot over de heupen ge- 
dragen wordt en voornamelijk dient , 
om het slinken van den buik enz, 
te bevorderen. Indien bij eene zware 




Bëngkoeng. 



\) Averrhoa bilirabi, L. 2) Gymnopetalum leucostictum , Mig. 

3) Ferula a&i foetida, L. 

4) Een katjoe is eigenlijk een zakdoek. Als lengtemaat wordt hieronder ver- 
staan eene lengte, die gelijk is aan de breedte van een gewoon stuk lijnwaad 
en daar deze breedte naeest 60 a 70 cm. is, kan men de katjoe ongeveer ge- 
lijk stellen aan de Amsterdamsche el. 



De nageboorte. 285 



bevalling inscheuring van het vrouwelijk deel der moeder of 
gedeeltelijke verzakking van den uterus geconstateerd wordt, 
dan moet de doekoen dikwijls al hare geneeskundige kennis te 
hulp roepen, om een en ander weder te heelen. Doch hierover 
zullen wij nader spreken, wanneer wij meer op ons gemak de 
javaansche genees- en heelkunde zullen kunnen behandelen, 
want het wordt tijd, dat wij even weder terugkeeren naar het 
jonge wicht (baji) en zijn ari-ari. 

Terwijl wij ons met de kraamvrouw bezig hielden toch, 
heeft de doekoen de placenta schoongewasschen , in bladeren 
gewikkeld en met eeuige toevoegselen als: een met verschil- 
lende alpbabets beschreven stuk papier (opdat het kind vlug 
leeren zal), eene naald (ter voorkoming dat de ari-ari nog eeni- 
gen kwaden invloed op het kind zal uitoefenen), eenig batiq- 
gereedschap (opdat het kind goed de handen zal kunnen uit- 
steken, en wanneer het een meisje is, ook goed kleedjes zal 
kunnen batikken, d. i. teekenen en verwen), wat zout (op- 
dat het steeds genoeg zal hebben), enz. in een aarden scho- 
teltje of lajah geplaatst, om ze daarin te laten begraven of in 
de eene of andere rivier met den stroom mede te laten weg- 
drijven. Hier zal de placenta op het achtererf vlak bij de ach- 
terdeur begraven worden^ en als wij goed toezien; dan zullen 
wij opmerken, dat zoowel bij het graven van het gat als 
bij het in den grond brengen van het schoteltje door dengene, 
die er mede belast wordt en zich daartoe in feestdosch kleeden 
moet, alleen de rechterhand wordt gebruikt. Dit dient ter 
voorkoming, dat het kind later linksch wordt of ngede, d. i. 
alles met de linkerhand doet! 

De plek, waar de ari-ari begraven is (hier rechts van de 
deur, omdat het kind een jongetje is, — en anders links) 
wordt verder van eene kleine, lage bamboezen omheining voor- 
zien en soms met een omgekeerden pot toegedekt. Zoolang de 
navelstreng niet is afgevallen wordt hier eiken nacht ook een 
lichtje gebrand. 

Soms wordt, wanneer de ouders telkens hunne kinderen ver- 
liezen, de ari-ari van het laatst geboren kind niet begraven, 
maar bewaard. 

Wat het kind zelf nog betreft, zooals wij gezien hebben. 



286 Behandeling van het kind, de sarats. 

heeft het na gewasschen en ingebakerd te zijn, wat honig of 
djaraoe ingekregen. Dit als laxans werkend middel krijgt het 
vijf dagen achtereen, in welken tijd gewoonlijk de navelstreng 
afgevallen is. 

Zoolang deze nog aan den navel vastzit, wórdt hij eiken ochtend 
nagezien en door zacht drukken en kneden los en lenig ge- 
houden, di dadah of di gëtjëli, en nadat het kind gebaad en 
verschoond is, op nieuw verbonden. 

Na den vijfden dag, wanneer het kind ook niet meer inge- 
bakerd wordt, krijgt het djamoe-bëdolan , bereid uit ojot's of 
wortels van soekët-loelangan i), tjiploeq-an *) , bajëm-lëmah '), 
tapaq-liman •) , sëmanggi *)-goenoeng , tëmpoeh-ijong •) , rang- 
gitan^), met zout, adas'), poelasari*), en roode uien, waarbij 
een weinig water gevoegd wordt, samen fijngemalen en daarna 
uitgeperst en gefiltreerd. Dit drankje dient, om het wicht op te 
frisschen en zijn voorspoedigen groei te bevorderen. 

Voordat wij ons verder geheel met het pas geboren kind 
bezig houden, moeten wij even nog terugkeeren tot de sarats 
of voorbehoedmiddelen , waarvan wij zooeven ter loops spmken. 
Deze dienen voornamelijk ter bestrijding van den schadelijken 
of noodlottigén invloed van een- dier vrouwelijke luchtgeesten, 
die bij het volk bekend staat onder den naam van poenti- of 
koenti-anaq, welke naam ongeveer verleidster of plaagster d«r 
kinderen beteekent. Het algemeen bijgeloof geeft aan dit spook 
den vorm eener vroolijke, altijd schril lachende, schoone vrouw 
'met over den grond sleepend haar, en verleidelijke vormen, 
doch met het gebrek, dat zij geene schaamdeelen, maar in de 
plaats daarvan slechts eene opening heeft, die door het geheele 
lichaam gaat; van daar dat deze vrouwelijke geest ook wel soendël 
bolong, d. i. doorboorde of doorzichtige hoer, geheeten wordt. 

Deze geest is bang voor den bezem, kan niet tegen den geur 
van dringo, bangle en dergelijken en schuwt het mes, waar- 
mede de moeder gedurende de eerste 40 tot 65 dagen gewa- 

1) 2) Physalis angulata, L. 

3) Amarantus spinosus, L. 4) Panax tricochleatum , Miq. 

5) Hydrocotyle Zollingeri, Mlkbr. G) Emilia sonchifolia, De. 

7) Aerva «inguinolenta , BI, 8) Foeniculum \nlgare, Grtn. 

9"^ Alyxia stoilata. R. en S. 



De plaaggeesten , het djoeloengschap. 287 

pend moet loopen, van daar de sarats, die de vrouw bij de 
bevalling in hare nabijheid heeft. Ook voor Allah's naam heeft 
deze geest vrees, vandaar de adan, karnat en sahadat, die het 
kind direct ingefluisterd worden. In enkele streken voegt men 
hierbij nog andere lessen, als bijv. niet vreezen , niet schrikachtig 
zijn, enz. en zulks om het kind des te sterker te maken tegen- 
over deze kinderplaagster, die de bewerkster is van vele ziekten 
der moeder en van de stuipen (sa wan) bij het kind. 

Behalve de koenti-anaq kent de javaan als plaaggeesten van 
jonge kinderen nog den gëndroewo en diens wederhelft de wewe, 
beiden tuin- of boschspoken, waarvan de eerste meestal voor- 
gesteld wordt als een gedrochtig mannetje met een verbazend 
groot hoofd, dito uitpuilende oogen en grooten grijnzenden 
mond, — terwijl de vrouwelijke gëndroewo of wewe meest als 
een lang, mager oud vrouwtje met alles behalve aanminnige 
trekken en tot op den grond neerhangende, weinig gevulde 
borsten en lang loshangend haar gedacht wordt. De gëndroewo 
maakt de kinderen bang door de boomen, waarin hij gewoon- 
lijk zit, te schudden, of met zand en dergelijken te werpen; 
— de wewe daarentegen heeft de gewoonte, kinderen te stelen 
en ze onder hare borsten te verstoppen! 

Het geloof aan het bestaan en de macht dezer geesten wordt 
dan ook niet zelden als middel gebezigd, om stoute, onge- 
zeggelijke kinderen in bedwang te houden. 

Doch genoeg — over een en ander zullen wij later misschien 
nader kunnen spreken, wanneer wij ons op de hoogte trachten 
te helpen van het bijgeloof, enz. van den javaan. — Keeren 
wij thans tot het jonggeboren kind terug, want hierover hebben 
wij nog niet uitgepraat. 

Zooals wij gezien hebben, is het in den vooravond geboren, 
doch gelukkig eenigen tijd na zonsondergang en wel zoolang 
daarna, dat van schemering geen sprake meer was, want een 
kind in de avond- of ochtend -schemering geboren is djoeloeng 
of voorbeschikt, om door een tijger of ander wild dier ver- 
slonden te worden. Dit djoeloeng-schap wordt naar gelang dat 
de geboorte in de avond- of in de ochtend-schemering heeft plaats 
gehad, onderscheiden in djoeloeng-tjaploq of opslok-djoeloeng, 
d. i. het djoeloeng-schap , waardoor de persoon bepaald gevaar 



288 Moeilijke bevallingen, ontstentenis van den vader. 



loopt, om verslonden te worden, en in djoeloeng-wangi of 
geurige djoeloeng , d. i. het djoeloeng-schap , waardoor de per- 
soon wel met bezoeken en beraikingen van tijgers eni. wordt 
bedreigd, zonder echter bepaald gevaar te loopen van verslon- 
den te worden, ofschoon de kans hiervan ook al vrij groot 
mag heeten. 

Ook is de bevalling voorspoedig geweest, doch die had even 
goed met allerlei moeilijkheden gepaard kunnen gaan. 

Zoo had b.v. voor of na het losbreken van het kawah- of 
vruchtwater, eene ongewenschte bloedstorting kunnen plaats 
vinden. In dat geval zouden wij gezien hebben dat de doekoen 
hare patiënte eenige stukjes suikerriet en vooral eenige geroos- 
terde kloengsoe's of tamarindepitten te kouwen had gegeven, 
om de bloeding te doen ophouden. 

Bij een zeer moeilijke bevalling had de patiënte ook het uit- 
geperste sap van een met zout fijngestampt jong kroQnblad van 
den djambe of areca-palm te drinken gekregen, terwijl een harer 
oude familieleden haar had moeten soewoeq. De adstringeerende 
eigenschappen van het vorenbedoelde drankje schijnen de opwek- 
king der weeën te bevorderen, althans voordeelig te werken op 
het baringsproces , waartoe het soewoeq door een der oude familie- 
leden volgens het algemeen geloof ook niet weinig bijdraagt. 

Was de vader bij de geboorte niet aanwezig geweest, dan 
zoude men een aloë of rijststamper , soms een rolkussen aan- 
gekleed en het ongeboren kind toegeroepen hebben: Kom, lief 
kind, kom gauw, want uw vader wacht u reeds! (ajo, 'ngger, 
ajo, mëtoea; bapaq-amoe wis ngënteni) of iets dergelijks. 

Ook wanneer de vader op het tijdstip der geboorte reeds 
overleden, dan wel geheel onbekend is, wordt gewoonlijk het- 
zelfde gedaan. 

Voorts hebben wij gezien , dat het kind direct door de doekoen 
opgenomen werd. Dit geschiedt alleen, wanneer zooals hier, de 
ari-ari bijna gelijktijdig ontlast wordt. Anders moet op de komst 
daarvan worden gewacht en mag aan het kind of de moeder 
niets worden gedaan, al moeten beiden soms een a twee et- 
malen^ of zelfs langer in het vuil blijven liggen. Alleen in het 
geval, dat de moeder onder de bevalling bezwijkt, raag de 
navelstreng voor de verschijning van de placenta worden afge- 



Nindiq , slamëtan-brokohan. 



289 



bonden en afgesneden, omdat dan geloofd wordt, dat de ari- 
aiï, die in het doode lichaam der moeder achterblijft, niets te 
maken wil hebben met en voor goed afscheid genomen heeft 
van het kind, dat op die wijze alleen van zijn ouderen broeder, 
het kawah- water, vergezeld, de wijde wereld in is gegaan. 

Eindelijk nog moeten wij u melden , dat , indien het jong- 
geboren kind een meisje was, al dadelijk gaatjes in de oortjes 
geboord zouden zijn, wat de Javaan nindiq noemt, ofschoon 
dit niet bepaald als een direct noodzakelijke handeling is voor- 
geschreven en men deze bewerking soms zelfs eerst tegen het 
5® of 6° jaar door meisjes ziet ondergaan. 

En nu wij deze geboorte hebben bijgewoond, kunnen wij 
ons verder op de hoogte stellen van de vele formaliteiten enz. 
die als een gevolg daarvan moeten worden in acht genomen. 

In de eerste plaats wordt na afloop der bevalling al dadelijk 
een slamëtan gegeven, die sla- 
mëtan-brokohan wordt genoemd 
naar de brokoh's of van ooren 
voorziene mandjes of schalen, 
die daarbij worden gebruikt, 
althans volgens het oorspron- 
kelijk gebruik voorgeschreven 
zijn. Het offermaal bestaat voor 
deze gelegenheid uit sëga-wadjar- 
golong, d. i. gewone onver- 
mengde , of liever zonder eenig 
toevoegsel gekookte en tot bal- 
len gekneede witte rijst en 

djangan-mënir, d. i. soep van bajëm-bladeren , waarbij mënir 
of kleinkorrelige rijst, roode uien, koentji^), zout en een wei- 
nig suiker zijn gevoegd, doch gewoon water en geen santen 
wordt gebruikt, terwijl als eenig vleeschgerecht pëtjël-ajam, 
d. i. met diverse kruiden en klappermelk toebereid kippevleesch , 
wordt voorgediend en daarbij als versnapering of snoeperij wor- 
den gegeven een trantjam of inlandsche salade van krai*). 




Brokoh. 




1) Kaempfei-ia rotunda, L. 

2) Lagenana vittata, L. 



10 



290 Donga-tawil. 



komkommers en katjang, alsmede pëntjoq of in klapperolie 
gebakken, këdële *)-boontje8. De oedjoeb bij deze slamëtan is 
eerbe wijzing aan de sëdoeloer-toeWa-nom d. z. de oudere en 
jongere broeder en zuster van het wicht, die gelijktijdig met 
hetzelve uit de marga-ina of vulva zijn gekomen, of nog in 
den moederschoot zijn achtergebleven *). Het hiervoor voorge- 
schreven gebed is het donga-tawil, dat verder gevolgd moet 
worden door het donga-slamët , dat wij reeds kennen. 

Het donga-tawil luidt als volgt: 

O, Heer! verleng onze dagen, maak onze lichamen en har- 
ten gezond en doe ons in ons geloof hecht en pal staan. Zegen 
onze dagen, geef ons in ruime mate ons onderhoud en breng 
ons nader bij den weg naar het goede, maar verwijder ons van 
al wat slecht is. Vergeef ons, o Heer, onze schulden, want Gij 
zijt de barmhartigheid en goedertierenheid zelf, o Heer! 

Hierin en in het donga-slamët wordt de gunst dier als 
oudere en jongere broeders en zusters aangemerkte lichamen 
en stoffen, die het kind bij zijne wording en geboorte volgen, 
afgebeden, opdat zij alle mogelijke onheilen en plagen van het 
kind zullen weren, en ook de moeder voor allerlei ziekten enz, 
zullen behoeden. 

Hiermede is de eigenlijk gezegde geboortegeschiedenis afge- 
loopen, doch van dit moment af beginnen de andere formali- 
teiten enz. die gedurende het eerste levensjaar van het kind 
moeten worden in acht genomen. 

Zoolang de navelstreng nog niet is afgevallen worden de 
eerste nachten na de bevalling door de bloedverwanten der 
ouders wakend doorgebracht in gezelligen kout of met kaart- 
spel dan wel met lectuur of andere voordrachten. Dit waken 
wordt djagongan , d. i. gezellig bij elkander zitten of leq-leq-an 
d. i. op- of wakker blijven, genoemd en wordt volgehouden 

1) Soya hispida, Mönch. 

2) Dit is een gevolg van het geloof, dat de eerste glimlachjes van het kind 
niet zijnen oudei^, maar aan die zoogenaamde oudere en jongere broeder en 
zuster en andere geesten, die als beschermengelen van het kind opti^eden, 
gelden. Terwijl de kwade geesten, als de koenti-anaq, enz. door sarat's en 
dergelijken moeten worden bang gemaakt en verwijdei*d, moet de gunst dezer 
beschermengelen door het aanbieden van wat van hunne gading is, worden 
gewonnen; vun daar deze slamëtan. 



Het poepoet-poesër. 291 



totdat het afvallen van den navelstreng, poepoet- of poepaq- 
poesër geconstateerd is, wat, zooals wij reeds weten, gewoon- 
lijk binnen de vijf dagen , zelden later gebeurt. 

In den nacht van het poepoet-poesër, of, wanneer zulks over 
dag gebeurt, in den nacht, die daarop volgt, wordt voor het 
laatst een lichtje gebrand op de plek, waar de ari-ari begraven 
ligt, en worden verder eenige sarat's aan het huis aangebracht *). 
Hiertoe behooren o. a. het spannen van een draad lawe om 
het huis, het bevestigen van met sirih-kalk beschilderde pandan- 
of ananas-bladeren^), waardoor deze er als slangen uitzien, aan 
de verschillende deurstijlen, het branden van walirang of zwa- 
vel en van obor's of toortsen aan de voor- en achterdeuren, 
ook van bëlaraq of afgevallen , drooge klappeAladeren binnens- 
huis , het omringen van het kind door verschillende voorwer- 
pen, als: een bezem van sada's, waarin lomboq, dringo, en 
dergelijken gestoken zijn, diverse van bladeren of papier ge- 
maakte wapenen, vlaggetjes, enz. en al wat de javaan verder 
onder dolanan of speelgoed verstaat, het neerleggen van boreh 
en asch op de plek of plekken , waar het kawah of vruchtwater 
bij de geboorte gevloeid heeft ^), en dikwijls ook aan alle hoe- 
ken van huis, etc. Voorts wordt het kind na op zijne gewone 
lig- of slaapplaats eenigen tijd tusschen de daaromheen gelegde 
sarat's te zijn gelaten, opgenomen en verder den geheelen nacht 
door in verschillende armen gedragen en- in slaap gesust , ter- 
wijl zijne plaats dan ingenomen wordt door een aangekleeden 
gandiq of rolronden wrijfet^en, waaraan door middel van roet 
en kalk oogen, mond, neus en ooren zijn gegeven*). 

1) Sommigen beginnen reeds dadelijk na de geboorte met het aanbrengen 
van deze sarat's en houden dit vol; tot na het poepoet-poesër. 

2) Sommigen plaatsen aan eiken hoek ook een vei^siering van girang- (Leea 
rubra, BI.), dadap- (Erythrinae, L.) en nanas- (Ananassa sativa, L.) bladeren, 
en wel opdat de betrokken familieleden zullen kunnen; girang, goemoejoe 
gambira, sahingga ambëksa dadap, d. i. blijde zijn en hartelijk (luidruchtig) 
lachen, totdat zij zelfs (van blijdschap) allerlei kluchtige sprongen maken, zoo- 
als volgens de overlevering de prins Parik*sit eenmaal deed, toen hij den vijand , 
die hem kwaad had willen doen verschalkt en onschadelijk gemaakt had. 

3) Soms worden op deze plekken ook spelden in den grond gestoken ter 
voorkoming, dat deze oudere broeder het kind kwaad zal doen. 

4) Vergelijk ook het javaansche werk: Poestaka radja poei*wa, Djogdjasche 
uitgave, deel III, pag. 121 tot 126. 



2d2 Slamëtan-poepoet-poesër. 



Dit alles dient alweder om de poenti- of koenti-anaq te weren 
of te misleiden , en het kind daardoor voor den slechten invloed 
van dezen vrouwelij ken geest te behoeden. 

Is de navelstreng afgevallen, dan wordt hij zorgvuldig in een 
zakje genaaid , waarin ook allerlei geneesmiddelen of kruiden ge- 
borgen worden. Dit zakje of draagbaar apotheekje heet pondjen 
en wordt wel bewaard, want bij elke ziekte van het kind moet 
die navelstreng dienst doen. Hij wordt dan eenige oogenblikken 
in water gedompeld, en het is dit water, dat zoowel in- als 
uitwendig als geneesmiddel wordt aangewend ^). Ook wordt de 
thans vrije navel door de doekoen goed nagezien, des noodig 
nog gekneed en gewreven, terwijl voor deze heugelijke gebeur- 
tenis op nieuw 'een slamëtan wordt aangericht, die slamëtan- 
poepoet-poesër wordt genoemd. De hoofdschotel voor deze sla- 
mëtan is de sëga-oedoeq, d. i. rijst gekookt in santen of klapper- 
melk , en de overige gerechten bestaan uit diverse groenten en 
op verschillende wijzen toebereid kippe- of ander vleesch. De 
oedjoeb alsmede de voorgeschreven gebeden zijn voor dit ofifer- 
maal dezelfde als die voor de slamëtan direct na de geboorte 
van het kind. 

Gelijktijdig hiermede, of een a twee dagen later (gewoonlijk 
op den zevenden dag, ofschoon zulks op den vijfden behoort 
te geschieden) wordt eene andere slamëtan gegeven, die sla- 
mëtan-njëpasari, d. i. het offermaal voor den ouderdom van 
een pasar- of vijfdaagsche week genoemd. Aan deze slamëtan 
wordt veel waarde gehecht, omdat van het al of niet slagen, 
van het al of niet behoorlijk aanrichten hiervan de toekomst 
van het kind en zijn later karakter afhangen. De oedjoeb en 
de gebeden voor deze slamëtan zijn weder dezelfden als voor 
de zooeven beschreven offermalen, doch voor de hierbij voor te 
dienen gerechten enz. moet bijzondere zorg worden besteed. 

De hoofdschotel wordt hierbij gevormd door sëga-boetjëng 
of sëga-toempëng, d. i. rijst in kegels, zooak zij uit de koekoe- 
san's komt. Aan bijgerechten enz. mag verder niets ontbreken; 



i) Er zijn er echter ook, die dit navelstrengetje het kind op de eene of an- 
dere wijze te eten geven, en zulks ter voorkoming, dat dit sti^engetje in het 
ongereede niken zal en het kind dien ten gevolge ziekelijk zal worden. 



Slamëtan-njëpasari. 293 



alles wat de gewone javaansche keuken schafifen kan , moet er 
zijn, terwijl bovendien daarbij niet mogen vergeten worden: 
koepat ^), lëmpër') en iwël-iwël of ëmbël-ëmbël •). 

Het zoo volledig mogelijk maken van het aantal bijgerechten 
dient ter voorkoming , dat het ontbreken van het een of ander 
aan dezen maaltijd schadelijk werken zal op het karakter van 
het kind en dientengevolge ook op zijne toekomst. Iemand toch, 
die koerang'djanganan , d. i. niet genoegzaam van groenten en 
andere bijgerechten voorzien, — (in onze taal: eene gebrekkige 
opvoeding, enz. genoten hebbend) — wordt genoemd, is alles 
behalve een fijn heer en wordt in de javaansche maatschappij 
zooveel doenlijk ontweken , wat zeker zoowel voor den betrokken 
persoon als voor diens familipleden niet zeer aangenaam moet zijn. 

Aan de voren besproken formaliteiten wordt door sommigen 
nog de volgende sarat toegevoegd. Aan het voeteneind van de 
slaapplaats van het wicht worden papieren wapens, vlaggetjes, 
zonneschermen, enz. alsmede een bezem van sada's, aan wier 
uiteinden allerlei specerijen, als: lomboq, dringo enz. gestoken 
zijn, en waaraan de naam toembaq-sewoe, d. i. duizend pieken, 
gegeven wordt, neergelegd. 

Zooals wij reeds gehoord hebben is deze sarat ontleend aan 
de geschiedenis der eerste levensdagen van den prins (later vorst) 
van Astina, Parik'sit of Parikësit, die volgens de javaansche 
legende op den vijfden dag na zijne geboorte door Aswatama, 
zoon van den pandita ürona bedreigd, deze voorkwam en 
doodde *). Ter herinnering aan dit buitengewone feit en opdat 



i) Koepat of kët9epat is rijst in van jonge Klapperbladeren gevlochten zakjes 
gaargestoomd. 

2) Lëmpër is een soort van vulsel voomen, en uit këtan samengesteld in- 
landsch broodje, gewikkeld in pisang-blad. Het vulsel bestaat meestal uit kleine 
reepjes of fijngehakt, en met diverse specerijen toebereid kippe- of rundvleesch. 

3) I^ël-iwël of ëmbël-ëmbël is in tjoutong*s of van bladeren gemaakte peper- 
huisjes gaargestoomd këtan-meel, waarin stukken javaansche suiker verbor- 
gen zijn. 

4) Dit komt niet overeen met het oorspronkelijke verhaal, dat volgeus Dowson's : 
Glassical Dictionary of Hindu-mythology, etc. aldus luidt: He (Aswatthaman) 
killed Parikshit , while yet unborn in the womb of his mother, with his celestial 
weapon Brahmastra , by which he incuiTed the curse of Krishna , who restored 
Parikshit to life. On the next morning he and his comrades fled but Draupadi 
(prinKes van Tjëmpala en gemalin der vijf Pandawa's) clamoured for revenge 



294 Bantjaq-an. 

het kind zich eventueel ook op diezelfde wijze van een nade- 
renden vijand zal kunnen ontdoen, wordt het van vorenbedoelde 
afweer- of keermiddelen voorzien. 

Voorts moet aan de zooeven besproken slamëtan nog een 
bantjaq-an, d. i. een kinder-smulpartij met uitdeeling van het 
niet opgegetene, enz. worden verbonden. Hiertoe is een afzon- 
derlijk met de daarbij behoorende andere gerechten klaargezette 
toempëng of liever ambëngan, d. i. een van andere gerechten 
omringde rijstkegel, bestemd, die op een tampah of van bamboe 
gevlochten, platte wan buitenshuis onder de schaduw van het 
voor-afdak of van den een of anderen boom wordt gebracht 
en waaromheen de bijeengeroepen kinderen gaan zitten eten. 
Is het eten afgeloopen , dan wordt de rest door een der oudste 
kinderen in pakjes van pisang- of andere bladeren onder al de 
aanwezige kinderen verdeeld , zoodat ieder zijn bSrkat of aan- 
deel van het ofiPermaal mede naar huis zal kunnen nemen. Soms 
wordt hierna en voor dat de kinderen naar huis gezonden wor- 
den door den vader van het jonggeboren kind ook wat klein 
geld over zijn voorerf gestrooid, dat de kinderen dan moeten 
oprapen en verder voor zich houden kunnen; aan deze grabbel- 
pftrtij of bantjaq-au ontleent deze kinderpartij haren naam. Bij 
het naar huis gaan echter moeten de kinderen in koor hunne 
zegen wenschen , meest in kinderlijke versjes, voor het jongge- 
boren wicht opzenden. Meestal echter gaat een dier kleinen 
hierbij voor en vallen de overigen slechts in met een eind — 
hoera, hoje! enz. 

Met deze slamëtan gaat verder gepaard het geven van een' 
naam aan het kind. Deze naam, bij de keuze waarvan allerlei 
omstandigheden in rekening worden gebracht, wordt dan plech- 
tig door of namens den vader aan de vereenigde gasten bekend 
gemaakt en door het kind meestal gehouden totdat het in het 
huwelijk treedt, ofschoon verschillende belangrijke gebeurte- 
nissen in zijn leven, als: zware ziekten, besnijdenis en derge- 



upon t)ie iDurderer of her children. Yudhishthira (de oudste der Pandawa^s) 
represented that Aswatthaman was a Brahroan and pleaded for his life. She 
then consented to forego her demand for his blood if the precious and proteo 
tive jewel which he wore on Lis head were brought to her : — (wat dan ook 
geschiedde). 



Naamgeving van het kind. 295 

lijken soms ook aanleiding kunnen geven, dat die kindernaam 
reeds voor het sluiten van een huwelijk veranderd wordt. 

Wat de keuze en de vaststelling van dien kindemaani be- 
treft, zooals wij zooeven zeiden, zijn dikwijls allerlei omstandig- 
heden daarop van invloed. Zoo geven zeer godsdienstige ouders 
of santri's, d.z. personen, die op priesterscholen eene opleiding 
genieten of genoten hebben, aan hunne kinderen meestal ara- 
bische, aan den Qoran of andere mohammedaansche godsdien- 
stige werken ontleende namen, b.v. Abdoellah, enz. Anderen 
houden bij die naamgeving rekening met het jaar en de maand 
of den dag van de geboorte en noemen b.v. een jongen, die in 
de maand Soera van het jaar Dje geboren is: Soeradji, enz. '). 

Sommigen weder geven aan hunne kinderen vaak de zonder- 
lingste, aan de benamingen van allerlei voorwerpen, boomen, 
enz. ontleende namen, als Bagong (zwijn) enz. Ook gebeurt het 
wel eens, dat men een kind, welks voorgangers allen op jeug- 
digen leeftijd overleden zijn, een leelijken of onheilspellenden 
naam geeft, &ls middel om zijn leven te beschermen, bijv. Asoe 
(hond) enz. 

Zooals wij reeds vernomen hebben echter worden deze kinder- 
naraen later bij het huwelijk enz. veranderd of liever vervangen 
door anderen, die meestal samengesteld zijn uit de namen der 
ouders of voorouders dan wel uit woorden, die als samenstel- 
lingen eene korte beknopte herinnering aan het een of ander 
belangrijk feit uit het leven van den drager, of eene bepaaldelijk 
voor hem gewenschte omstandigheid als anderszins uitdrukken, 
bijv. Karta-adi-nagara d. i. de rust, de vrede en het voortrefife- 
lijkste in of van het land , d. w. z. dat van den drager van 
dezen naam gehoopt wordt, dat hij, zoolang hij leeft, zegen en 
vrede over het land zijner geboorte of inwoning brengen zal, enz. 

Overigens kan hier nog vermeld worden, dat de jongens- 
namen gewoonlijk op a, an^ in, soms ook op i, en de meisjes- 
namen meest op aA, i en eni eindigen, als: Saridja, Soedjarman, 



1) Over de javaansche tijdrekening zullen wij later gelegenheid hebben nader 
ie spreken. Hier zij het voldoende bekend te stellen dat de maand Soera de 
eerste is van het mohammedaansch-javaansche jaar , en het jaar Dje het vierde 
is van een cyclus van 8 jaren, windoe geheeten. 



29G Slamëtan-njëlapani. 



Saripin, Soeradi enz. voor jongens, en Watiah, Rati, Wati-ëm 
enz. voor meisjes. 

Eindelijk nog wordt aan de slamëtan-njëpasari door enkelen 
verbonden het afscheren van het hoofdhaar van het kind, doch 
aangezien de meeste Javanen hiermede wachten , totdat het kind 
vijf en dertig dagen oud is geworden, zullen wij er straks op 
terugkomen , wanneer wij de slamëtan-njëlapani , die nu volgt , 
besproken zullen hebben. 
. Deze slamëtan wordt gegeven, wanneer het kind sëlapan, 
d. i. vijf en dertig dagen oud is geworden, dus op den dag, 
die, zoowel naar de pasar- of vijfdaagsche als naar de gewone 
of zevendaagsche week berekend , denzelfden naam draagt , als 
de geboortedag van het kind. Is dit bijv. op Dinsdag (Slasa)- 
lëgi geboren, dan wordt de slamëtan 35 dagen later ook op 
Slasa-lëgi gegeven ^). 

Deze geboortedag, lahiran of wëdalan, wordt door vermogen- 
den en hooggeplaatsten eens om de 35 dagen door het een of 
ander feestmaal of het slaan van den gamelan als and^erszins her- 
dacht, ofschoon deze telling niet dient om den ouderdom van 
den persoon aan te geven, althans niet na zijn eerste levensjaar. 

De slamëtan-njëlapani komt geheel overeen met de slamëtan- 
njëpasari wat de oedjoeb en de daarbij uit te spreken gebeden 
betreft. Alleen mag hierbij niet meer dan een boetjëng of rijst- 
kegel worden voorgediend. Wat de bijgerechten aangaat, hier- 
omtrent bestaan geene bijzondere voorschriften. 

Dergelijke slamëtan's worden verder aangericht, wanneer het 
kind 3, 5 en 7 lapan's telt, d. i. wanneer het den ouderdom 
bereikt heeft van 3, 5 en 7 maal 35 dagen •). Deze slamëtan's 
heeten: nigang-lapani, 'nggangsal-lapani , mitoeng-lapani en ver- 
schillen van de voren beschrevene en van elkander alleen door 
het aantal boetjëng's, dat daarbij voorgebracht wordt en in 
overeenstemming moet zijn met den ouderdom van het kind 
in lapan's uitgedrukt, dus 3, 5 en 7. 

Velen echter maken de slamëtan-mitoeng-lapani tot eene bij- 



1) Over deze weken, dagen en andere op de tijdrekening der Javanen betrek- 
king hebbende zaken , enz. zullen wij later gelegenheid hebben nader te spreken. 

2) Soms, doch zelden, woi*dt ook de 9« lapan nog gevierd. 



Slamëtan-mitoeng-Iapani . 



297 




Kooroengao. 



zondere feestviering, omdat het kind tegen dezen leeftijd ook 
reeds begint te leeren staan of loopen. 

Voor dat het offermaal gehouden wordt, wordt het kind 
onder een koeroengan of kooi met eenige koetoeq's of kuikens 
geplaatst, waarin ook een bakje 
met door middel van kurkumasap 
geelgeverfde rijst en eenig geld 
(meestal centen) alsmede eenige 
lijfsieraden van waarde, als gou- 
den armbanden, enz. ook schrijf- 
en landbouwgereedschap neerge- 
legd- zijn en zulks, om daarnaar 
de toekomst van het kind te kun- 
nen voorspellen, want grijpt het 
naar het geld of de sieraden, 
dan zal het in den handel rijk 
worden, — is zijn eerste greep 
naar het schrijfgereedschap, dan moet het in de ambtelijke 
wereld zijn geluk zoeken, en wordt zijne aandacht het eerst 
door de andere werktuigen getrokken, dan moet het bij den 
landbouw fortuin maken. Hierna wordt het kind gebaad in 
banjoe-sëtaman of met diverse soorten bloemen welriekend ge- 
maakt water. Is dit baden geschied, dan laat men het kind 
een ladder opklimmen, die zeven sporten telt en uit suiker- 
rietstengels is samengesteld. Daarop laat men het kind loopen 
over de zeven soorten djënang's of stijve brijkoeken, die voor 
deze gelegenheid zijn klaar gemaakt en uit djënang-pëtaq of 
witte djënang, djënang-abrit of roode djSnang, djënang-biroe 
of blauwe djënang, djënang-sliringan of wit en rood gekleurde 
djënang , djënang-këtan-salaq of met këtan *)-meelballen in den 
vorm van salaq *)-pitten toebereide djënang , djadah of hardge- 
bakken këtanmeelkoek , en djënang-dodol of gewone gesuikerde 
meelkoek bestaan. Deze djënangs worden verder bij het gereed 
staande maal gevoegd, waarna de doekoen het kind voor het 
eerst den grond laat betreden. Dit wordt oedoenan genoemd, 
d. i. de neerzetting (op den grond) en de hieraan verbonden 



1) Oryza glutinosa, Lour. 2) Zalacca edulis, BI. 



298 Oedoenan. 

omslag is een gevolg van het geloof, dat de aarde, de dikwijls 
zoovele onheilen en zooveel geheimzinnigs in haren schoot ver- 
bergende voedster van menschen en dieren, niet dan met de 
grootste voorzichtigheid en met de beste voorzorgen door de 
voeten van het jonge kind mag worden aangeraakt. 

Is ook aan deze formaliteit voldaan, dan wordt de vorenbe- 
sproken gele rijst met de daarin verbolgen centen uit het bakje 
in den kooi genomen en voor de intusschen bij elkander ge- 
roepen kinderen der buren enz. over den grond gestrooid, op- 
dat zij de aldus ten geschenke gegeven centen bij elkander 
zullen kunnen grabbelen, wat niet zelden aanleiding geeft tot 
zeer kluchtige tooneelen, die de feestvreugde niet weinig ver- 
hoogen. Eerst hierna gaat men dan tot de sëdSkah over, die 
de voorgeschreven- reeks van de. verschillende voor het welzijn 
van het kind aan te richten offermalen sluit. 

Dat bij elk dezer gelegenheden ook de doekoen, die bij de 
bevalling geholpen en het kind verder behandeld heeft, niet 
vergeten wordt, behoeft nauwlijks te worden vermeld. Gewoon- 
lijk wordt voor haar een afsonderlijke ambëngan of rijstkegel 
met de noodige bijgerechten klaargemaakt. 

Ofschoon met de slamëtan^mitoenglapani voldaan is aan alle 
voorschriften, die voor het welzijn van het kind moeten wor- 
den in acht genomen, vieren sommigen nog den dag, waarop 
het kind één jaar oud is geworden met een dergelijke sëdëkah, 
die njëtaoeni, d. i. het offermaal voor het éénjaarschap , wordt 
genoemd en overigens niet verschilt van die op de verschillende 
lapan-vieringen. 

Alvorens verder te onderzoeken, hoe en wat de moeder na 
de bevalling doen en laten moet, is het niet overbodig u nog 
mede te deelen, dat, zooals wij zooeven reeds met een enkel 
woord aanstipten, gewoonlijk na de slamëtan-njëlapani of ge- 
lijktijdig daarmede ook tot het geheel of gedeeltelijk scheren 
van het hoofdhaar van het kind wordt overgegaan. Dit afsche- 
ren (njoekoer) van het hoofdhaar dient eerstens om het hoofdje 
te zuiveren en tweedens om den groei van het haar te bevor- 
deren. Bepaalde voorschriften omtrent de wijze, waarop dit 
scheren geschieden moet, bestaan niet; evenmin zijn voor deze 
bewerking eenige andere formaliteiten of feestelijkheden voor- 



Het hoofdhaar der kinderen. 



299 



geschreven. Zoo ziet men enkele kinderen geheel goendoel d. i. 
kaal, anderen met een. onaangeroerd gelaten vlok boven den 
nek of een koetjir, d. i. staart, sommigen met een vlok vlak 
boven het voorhoofd of goembaq, andere weder met een onge- 






Goendoel. 



Koetjir. 



Goembaq. 



schoren kruin of koentjoeng , d. i. kuif en eenigen met links en 
rechts van het hoofd, iets boven de ooren ongeschoren plekken 
of peteq's loopen. Verscheidenheid bestaat er dus genoeg in de 
wijze waarop het kinderhoofd in het eerste levensjaar behandeld 





Koentjoeng. 

wordt. Onderscheid tusschen jongens en meisjes wordt hierbij 
echter niet gemaakt. Alleen op lateren leeftijd bestaat hierin 
eenig verschil, daar men bij de meisjes reeds met het vierde 
of vijfde jaar het haar vrij laat doorgroeien , terwijl de jongens 
tot hun achtste a negende jaar het haar meest kort geknipt 
dragen, en dit eerst daarna door laten groeien voor de later 
te dragen wrong of mondolan , waaraan de hoofddoek of ikët 
bevestigd wordt, of voor het kapsel kadal-meneq, waarover wij 
later gelegenheid zullen hebben te spreken. 



300 Zoogen, tanden krijgen, slamëtan-anggraoeli. 

W.at het zoogen van het kind betreft, indien de moeder ge- 
zond is , helpt zij zelf haar kind , anders wordt hiertoe de hulp 
van de eene of andere vriendin ingeroepen. Het opvoeden met 
koemelk als anderszins wordt hoogst zelden en dan ook alleen 
door zeer ontwikkelde, min of meer europeesch denkende pria- 
jis of ambtenaren en adellijke personen, gedaan. De kleine 
man geeft in dergelijke gevallen het kind liever dadelijk wat 
vaster voedsel in den vorm van zacht gekookte rijst, pisang en 
dergelijken. 

In gewone omstiandigheden krijgt het kind gedurende 12 
tot 18 maanden de moederborst; niet zelden echter ziel men 
kinderen zelfs van 3 jaren en ouder zich nog daaraan laven, 
ofschoon het aldus -verkregen voedsel eer schadelijk dan ver- 
sterkend kan heeten. 

Bij het tandjes-krijgen, dat gewoonlijk in de zevende maand 
plaats grijpt, wordt meest nog een kleine slamëtan gegeven, 
die slamëtan-anggraoeli, d. i. het offermaal voor het leeren kau- 
wen of gebruik maken van de tanden, wordt genoemd en be- 
staat uit een sëdëkah, waarbij niets anders wordt voorgediend 
dan een gesuikerde boeboer of pap, waarin maïskorrels of gëbin- 
gan's, d. z. kleine dobbelsteentjes van kokosvleesch drijven. Ook 
hierbij wordt het donga-slamët uitgesproken, terwijl de oedjoeb 
bestaat in de bede, dat het kind onder het zuigen niet bijten 
en verder zonder stoornis en pijnen zijne andere tanden krij- 
gen zal. 

Nu wij alles weten , wat op het kind tot en met zijn eersten 
verjaardag betrekking heeft, kunnen wij weder tot de moeder 
terugkeeren, die na hare bevalling zich nog aan eenige regels 
voor hare gezondheid enz. dient te houden , en behalve de ons 
reeds bekende formaliteiten en verboden nog enkele larangans 
of verbodsbepalingen moet in acht nemen. 

Deze verbodsbepalingen betreffen voornamelijk de uitoefening 
van den coïtus voordat de voorgeschreven reiniging op den 
veertigsten dag na de bevalling heeft plaats gehad , omdat eene 
pas verloste vrouw voor dien nog onrein wordt geacht door de 
na de bevalling volgende vloeiingen van het hoe langer zoo 
lichter gekleurd uitziende vocht, dat rah-pëtaq of rah-nipas 
d. i. wit of verdund bloed , wordt genoemd en aanleiding kan 



De laatste diensten van de doekoen. dOi 

zijn van allerlei besraettingsziekten zoo\¥el van den man als van 
de vrouw zelf. Het overtreden van dit verbod wordt charam, 
d. i. zondig geheeten , en zij , die zich daaraan schuldig maken , 
worden, indien zulks door eene toevallige omstandigheid be- 
kend raakt, wel is waar niet verafschuwd, maar er toch op 
aangekeken. 

Buitendien brengt het gebruik mede, dat de doekoen hare 
patiënte op den veertigsten dag baadt of wascht en haar, na 
haar min of meer in feestdosch te hebben aangekleed, plechtig 
aan haren man overgeeft, die na zijne vrouw in ontvangst te 
hebbeft genomen met deze aan de doekoen vergiffenis, p8nga- 
poera of pëngapoentën , vraagt voor de zorg en moeite, die zij 
haar berokkend hebben. Hierna ontvangt de doekoen het door 
haar bedongen of het haar toegezegde loon , waarbij gewoonlijk 
nog een sadjen of offer wordt gevoegd, bestaande behalve uit 
rijst, met de daarbij behoorende ingrediënten, sirih en wat 
daarbij gegeten moet worden, pisang en dergelijken, ook uit 
een levende jonge kip of haan, die pëngoeripan, d. i. middel 
om het leven te behouden, heet, en, ofschoon deze meening 
langzaam aan hare vroegere beteekenis en waarde verliest of 
verloren heeft, beschouwd wordt als een dubbelganger, wiens 
lot door het kind gedeeld wordt. Van daar dat voor dit dier 
de meeste zorg 'wordt gedragen en de doekoen het desnoodig 
door een ander vervangt, wanneer het sterft of sukkelt, ofschoon 
men tegenwoordig ook wel ziet, dat een doekoen zulk een pë- 
ngoeripan eenvoudig als een deel van haar loon beschouwt en 
er dan naar welgevallen mede handelt. 

Na ontvangst van een en ander neernt de doekoen van de 
familie afscheid en hiermede is hare taak afgeloopen. 

Ziedaar, al wat wij u omtrent de zwangerschap en verlossing 
der javaansche vrouw, alsmede de verzorging van het kind tot 
op zijn eersten verjaardag mede kunnen deelen. 

Maar nu wij weten, hoe het bij bevallingen onder gewone 
omstandigheden en met gewoon verloop toegaat, is het niet 
ondienstig of kwaad, ons onderzoek in casu iets verder uit te 
strekken. 

In de eerste plaats kunnen wij vragen, wat gedaan moet 
worden, wanneer de patiënte moeder wordt niet van een kind. 



302 Twee- en drielingen, moeilijke bevalling. 

maar van twee- of drielingen, wat wel eens voorkomt, ofschoon 
drielingen tot de groote zeldzaamheden behooren. 

De doekoen vertelt ons, dat in dergelijke gevallen de be- 
handeling der kraamvrouw en van hare kinderen, die këmbarof 
këmbar-loro (kalih) heeten, wanneer zij tweelingen, en këmbar- 
tëloe (tiga), wanneer zij drielingen zijn, niet verschilt van die 
onder gewone omstandigheden. Alleen wordt de kraamvrouw 
hierbij iets later onder handen genomen, omdat eerst de kinderen 
geholpen moeten worden. 

Het eerstgeboren wordend kind van tweelingen wordt ge- 
woonlijk, als het oudste, de kakang, d. i. de oudere broeder 
of zuster , van het tweetal genoemd , terwijl het andere de adi 
heet. Deze benamingen worden ook voor het oudste en jongste 
kind van drielingen gebruikt, doch soms ook vervangen door 
pëmbarëp (pëmbadjëng) , d. i. het eerste, het voorste, enz. en 
pëm bontot, d. i. het achterste, het laatste, — terwijl het tweede 
of middelste kind dan panëngah of panënggaq lieet. 

Ook de voor dergelijke bevallingen te geven slamëtan's, enz. 
verschillen niet van die, welke wij reeds hebben hooren be- 
schrijven. 

Niet altijd echter loopt de bevalling, vooral wanneer er meer 
dan een kind geboren wordt, of wanneer het kind groot is, 
dan wel verkeerd ligt, even gelukkig af. 

Bij verkeerde ligging van het kind tracht de doekoen het 
door wrijven, drukken en kneden, pidjét en oeroet, te verplaat- 
sen en in de gewenschte positie terug te brengen, ambënërake 
oedjoere (anglërësakën oedjoeripoen). Overigens laat zg het verder 
aan de natuur over, qm in dergelijke moeilijke gevallen te hulp 
Ie komen, want van kunstmatige verlossing, keizersnede, em- 
bryotomie, enz. heeft zij geen begrip, terwijl ook de familie- 
leden der kraamvrouw er zich tegen zouden verzetten, daar zij 
er niet alleen een naar hunne begrippen noodeloos martelen 
der patiënte in zien, maar zelfs iets zondigs, als in strijd met 
de beschikking der goden. Buitendien zoude eene dergelijke 
kunstmatige behandeling, door een doekoen althans, strijdig zijn 
met de adat, die voorschrijft, dat in dergelijke gevallen alles 
aan de natuur of liever aan de goden moet worden overgelaten. 

Eveneens wordt bij Prolapsus uteri en Prolapsus vaginae. 



Middelen voor een abortus. 303 

dara-mëtoe (mëdal) of dobol, getracht, het doorgezakte en uit- 
puilende deel door oeroet en aanwending van adstringeerende 
middelen of van smeersels weder in zijn vorige positie terug te 
brengen , terwijl bij scheuring der scheede slechts verzachtende 
olie of zalven op de wond worden gebruikt. 

Puerperaal-koortsen en andere ziekten van het kraambed 
worden met de drankjes, smeersels en zalven bestreden, die wij 
reeds kennen , alsmede met sëmboer-soewoeq , d. i. het prevelen 
van zegen- en tooverbeden, waarbij de patiënte met water of 
eenig ander vocht, enz. dat de doekoen in den mond heeft, 
bespoten of besproeid wordt. 

Ook bij abortus of miskraam worden dezelfde middelen aan- 
gewend of toegediend. 

De abortus kan het gevolg zijn van ongelukken of andere 
natuurlijke oorzaken, maar wordt niet zelden ook kunstmatig 
verwekt. 

Tot de meest gebruikte middelen , om zulk een abortus pro- 
curatio te bewerkstelligen , behooren o. a. : 

het maken van vele , schokkende bewegingen , als : springen , 
hard loopen, enz. 

het innemen van sterk verhittende dranken, als: arak, cognac, 
jenever, enz. 

een afkooksel der jonge topbladeren van den Eriodendrum 
anfractuosura , (poetjoeq-randoe) met een weinig adas, poelasari, 
kaneel en suiker, of eenvoudig met wat zout, 

jonge vruchten van den ananas (Ananassa sativa) gekookt en 
warm gegeten, 

het sap van geraspte, halfrijpe kates-(Carica papaja) vruchten, 

onrijpe vruchten van den pisang (Musa) gekookt en warm 
gegeten, 

het uitgeperste sap der bladeren, of een decoctum van den 
bast van bamboe-djawa (djawi) , d. i. Bambusa aspera en Bam- 
busa vulgaris, 

de fijngestampte wortels en vruchten van den kapoelaga (Amo- 
num cardamomum) dan wel een afkooksel der geheele plant, 

het sap der stengels van den pëpare (Momordica balsaminum 
en Momordica charantia), 

het sap der jonge peulen van den kara (Lablab vulgaris), 



304 Middelen voor een abortus. 



de rijpe vruchten, rauw of gekookt, van den ojong(Luffii foetida), 

gefiltreerd asch water of banjoe-landa met een weinig zout, 

pillen van meel met het melksap van den kajoeK)erip (kadj8ng- 
gësang) of Euphorbia tirucalli, dan wel van den godong-soeroe 
(Euphorbia antiquorum), 

ragi of gist met kapoer-baroes of kamfer, dan wel met benzoë 
of mënjan fijngestampt, 

fijngestampte gewone lomboq (Capsicum annuum) of lomboq- 
rawit (Capsicum fastigiatum) zoowel inwendig als sambel, als 
uitwendig als smeersel op den buik, 

fijngestampte, sterk met peper gekruide gember of djae met 
een weinig azijn bij wijze van zuur, 

het sap van jonge madja- (A^le marmelos) bladeren met 
veel peper, 

sapran of saffiaan (Crocus sativus) met cognac en lengkeng- 
(Nephelium litschi) vruchten, enz. 
welke middelen alle ingenomen worden. 

Er zijn er zel&, die ter bevordering van een abortus zich 
niet ontzien, fijngestampt glas of porcelein en nog vreemder en 
schadelijker middelen in te nemen of aan te wenden. 

Ook wordt niet zelden door drukken, kneden en andere 
manipulaties van de doekoen de verwijdering van den foetus 
bewerkt, terwijl soms ook van lobaq (Raphanus caudatus), timoen 
of komkommers, kaarsen of lilin, en dergelijke rolvormige voor- 
werpen meer gebruik wordt gemaakt , om , door ze in de vagina 
te brengen, den gesloten moedermond te openen en daardoor 
een abortus te veroorzaken. 

Is de zwangerschap reeds meer dan 2 a 3 maanden gevor- 
derd, dan gebeurt het wel eens, dat de aanstaande moeder, 
die geen kind verlangt te hebben, zich met de hulp van een 
doekoen aan aborticidium , d. i. het dooden der vrucht in den 
moederschoot, schuldig maakt, ofschoon dergelijke gevallen tot 
'de hooge zeldzaamheden behooren, daar de bekendheid met de 
gevaarlijke, dikwerf zel& doodelijke gevolgen van zulk eene af- 
drijving de schuldige meestal daarvan terughoudt, te meer daar 
het baren van een anaq-djadah, onecht of hoere-kind, hoewel 
niet bepaald eervol voor de moeder, toch geen beletsel daar- 
stelt voor haar eventueel later huwelijk. 



Tigoeban. 305 

Overigens zijn het ook meestal publieke vrouwen en dans- 
meiden, voor wier beroep het bezit van kinderen hinderlijk en 
lastig is, — soms ook jonge meisjes, die door een concubitus 
anticipatus, of gehuwde vrouwen, die door een ongeoorloofden 
omgang met andere mannen in een dergelijke lastige positie 
zijn geraakt, — die zich van abortiva bedienen, om het on- 
gewenschte bezit van kinderen te voorkomen. 

Van deze abortiva, die uit den aard der zaak meest geheim 
worden gehouden, bezit iedere doekoen een groot aantal recep- 
ten, die zeker niet alle even onschuldig of onschadelijk zijn. 

Een nader en nauwkeurig onderzoek dezer middelen is zeker 
gewenscht niet alleen, maar zal ook wel de moeite overwaard 
zijn, maar momenteel kunnen wij ons er niet langer mede op- 
houden, vooral ook omdat onze inlichtingen in casu nog verre 
van volledig of voldoende zijn. 

Omtrent de jeugd, den leeftijd der puberteit, enz. van het 
javaansche kind hopen wij later nader te kunnen spreken. 

Nu wordt het tijd, dat wij naar de woning van onzen gast- 
heer teruggaan, om te zien, hoe het op de danspartij aldaar, 
die zeer geanimeerd schijnt te zijn, toegaat. 

Zie, onze vriend, de wëdana, is gedurende onze afwezigheid 
hier ook gearriveerd. Als de hoogstgeplaatste onder de hier aan- 
wezige inlandsche hoofden heeft hij den dans geopend, waaraan 
op 't moment door den gastheer als sluiter van de rij der hier 
verzamelde ambtenaren wordt deelgenomen. 

De door hem aangegeven melodie, waarop hij dansen zal is 
de ladrang-manis ') , d. i. de zoetvloeiende. 

Zooals wij zien, zijn hier voor deze tajoeban drie ronggeng's, 
of tëledeq's^) of dansmeiden geëngageerd, die aUe mededansen. 

Die daar vooraan staat is de pgngadjëng , d. i. de voorop- 
gaande, de meest ervarene in de danskunst, die de andere tële- 
deq's ten voorbeeld strekt en haar als het ware voordoet, wat 
bij dep dans behoort te worden gedaan. 

1) Ladrang beteekent eigenlijk smal, spits uitloopend, langwerpig (bijv. van 
een gelaat, enz.); manis zoet, lief, zacht, innemend, enz. 

2) In sommige streken heeten zij ook djoged's, o&choon dit woord als zelf- 
standig naamwoord meer de benaming is voor als vrouwelijke dansmeiden ver- 
kleede dansers of acteurs. 

20 



806 Danmneiden. 



De achter haar dansenden^ die hare bewegingen zoo goed 
doenlijk moeten volgen, heeten: oentoel's of oentil's, d. z. volg- 
stersi leerlingen, ook toejoel's of onbedrevene danseuses, en 
wel in de slechte beteekenis van het woord, daar onder toejoel in 
het algemeen een dansmeid verstaan wordt, die behalve haar 
hoofdberoep ook dat van lichtekooi uitoefent. Deze laatste be- 
naming is dus niet bijzonder vereerend voor de betrokken per- 
soon, die zoo genoemd wordt. 

Overigens kan het gilde der ronggeng's (als wij dit woord 
hier gebruiken mogen voor het groote corps dansmeiden, dat 
overal op Java te vinden is) eer tot de bevoorrechte, dan tot 
de geminachte standen der echt javaansche maatschappij gere- 
kend worden. Deze dochters van Terpsichore, priesteressen van 
het genot en de vreugde , vormen in de javaansche maatschappij 
een bijna geheel a&onderlijken stand met bijzondere voorrech- 
ten, zoowel door de javaansche wet als door de adat (het oude, 
van eeuwenher dateerende gebruik) erkend en geëerbiedigd. 
Zij leven onder de bijzondere bescherming van het publiek, 
hebben, om zoo te zeggen, hare eigene wetten, privileges en 
gebruiken, en krijgen ook eene eigenaardige opvoeding. 

In tegenstelling met onze europeesche maatschappij, wier 
fijnere (?) beschaving in een dergelijk leven, als deze dochters 
van de zich in den dans verheugende muze leiden, al dadelijk 
veel shockings ziet, beschouwt de javaansche wereld haar van 
een geheel ander standpunt, en zoo al niet gezegd kan wor- 
den, dat de dansmeiden door het javaansche publiek bepaald 
worden geëerd, aan den anderen kant kan ook niet worden 
getuigd, dat zij bij hare stam- en landgenooten in minachting 
staan. Integendeel worden zij steeds met zekere voorkomendheid 
behandeld en zelfs in den meer dan familiairen omgang spaart 
de overigens altijd nette javaan haar bejegeningen of gezoden, 
die het vrouwelijke gevoel kunnen kwetsen, iets, dat zeker 
van de beschaafde (?) europeesche samenleving in deigelijke 
kringen niet altijd gezegd kan worden! 

Trouwens, ten opzichte van schaamte en vrouwelijke fijnge- 
voeligheid staat de javaansche bayadere zeker op een hooger 
punt dan hare* europeesche zuster , die een dergelijk leven leidt. 

Buitendien zijn zij door hare bijzondere opvoeding en eigenaar- 



Dansmeiden. 307 

dige levenswijze niet zelden zeer goed op de hoogte van de inland- 
sche geneeskunde y zoodat haar raad en hulp, vooral in zekere 
bijzondere ziektegevallen, gretig worden ingewonnen en gevraagd. 

Uit den aard der zaak zijn de meesten dezer vrouwen verder 
aardige verschijningen met zeer teedere, fijngevormde leesten 
en zachte, regelmatige, dikwijls zelfs zeer schoone gelaatstrek- 
ken, terwijl de omstandigheid, dat zij, niettegenstaande dat 
hare bijzondere levenswijze en haar beroep, als van zelf, eenige 
losheid van zeden en gedrag zouden doen verwachten, in den 
publieken omgang toch steeds zedig en ingetogen zijn, er niet 
weinig toe bijdraagt, om haar nog meer aantrekkelijks te geven. 
Niet alle dansmeiden zijn echter tevens publieke vrouwen; 
velen harer zijn getrouwd en oefenen het beroep van tëledeq 
uit alleen uit liefde voor het vak zelf, terwijl hare mannen 
daarbij in het haar begeleidend orkest dienst doen. 

De dansen, die zij uitvoeren, vereischen eene bepaalde studie 
en groote oplettendheid, want elke beweging, die zij daarbij 
maken, heeft, evenals haar zang en de begeleidende muziek, 
hare beteekenis, die nu eens liefde en hoop, dan weder ijver- 
zucht of andere hartstochten uitdrukken moet, een kunst, die 
dikwerf zoo duidelijk en natuurlijk wordt vertoond, dat zelfs 
personen, die noch hare taal, noch de muziek begrijpen of 
verstaan 9 op het eerste gezicht reeds de bedoeling van deze of 
gene beweging vatten kunnen. 

De vreemdeling, die voor het eerst deze danseressen ziet en 
hoort, vindt hare dansen en de daarbij gemaakt wordende 
muziek, dikwijls langzaam, eentoonig en vervelend, doch bij 
nadere kennismaking verandert zijn oordeel ten deze niet zel- 
den in een soort enthousiasme, dat weder al te vaak overdre- 
ven kan heeten. 

Wat de kleeding dezer danseressen betreft, deze is gewoon- 
lijk mede zeer eenvoudig. Een ge-batik-te tapih of met de hand 
bewerkt en beteekend onderlijfskleed , een këmbën of smal 
maar lang, gekleurd doek, dat tot dekking dient van het bo- 
venlijf onder de schouders tot aan het middel, een sëtagen of 
buikband , een slendang of lang smal doek , dat over de schou- 
ders gedragen wordt, een paar soebëng's of oorknoppen, een 
paar ali-ali's of ringen , en wat bloemen en haarspelden in het 



308 Dansmeiden. 




haar, alsmede poeder of blanketsel op het gelaat en de bloote 

schouders, ziedaar meestal de ge- 
wone tenue dezer dienaressen van 
den dans. Dat de waarde dezer 
kleeding afhangt van de meerdere 
of mindere gegoedheid der draag- 
ster behoeft nauwelijks te worden 
gezegd. Soms echter krijgen zij van 
den feestgever die kleeding in ge- 
^*"* bruik , wanneer de door haar mede- 

genome niet goed of rijk genoeg wordt geacht. De voordan- 
seres, die wij hier zien, is een dansmeid, die in dienst is bij 
den wëdana , een zoogenaamde kagoengan , d. i. bezeten wor- 
dende , d. w. z. dat de persoon , die haar te eten en te kleeden 
geeft, de vrije beschikking heeft over hare diensten en haar, 
zooals hier het geval is, kan laten dansen, waar hij wil of 
verkiest. Het is aan hare kleeding ook te zien, dat zij bij een 
priaji in dienst is, want haar kSmbén is van fluweel, bestikt 
met figuren in gouddraad, hare tapih van fijnere stof en tee- 
kening dan gewoonlijk en haar slendang van gebloemde zijde, 
terwijl een lange gouden ketting om haren hals geslingerd is 
en tot op haar middel neerhangt. 

Doch genoeg hierover. Zooals wij zien is de gastheer bezig zijn 
danskunst te vertoonen. Behalve hij en de dansmeiden nemen 
echter ook twee andere ambtenaren, doch eenigszins ter zijde 
en achter hem, deel aan den dans. Deze personen nglarih-i, d. i. 
dansen mede, om straks na een of twee rusten in de muziek, die 
door den gróoten gong worden aangegeven, den danseur wijn, 
bier, jenever, cognac of wat hij anders verkiezen mocht te 
drinken, in te schenken, en onder het uiten van den een of 
anderen heilwensch met hem te klinken. De een dezer bij-dansers 
heeft dan ook een glas , de andere een karaf of flesch bij zich. 
Dit nglarihi en dien tengevolge ook het bëksa^) van den 



1) Het dansen van inlandsche ambtenaren en dergelijken wordt meest 'mbëksa 
genoemd, dat van andere mannen ngibing, 'ndjoged, dat der dansmeiden nandaq[ 
— ofschoon het gebruik van 'mbëksa ook voor minderen, en van 'ndjoged en 
nandaq zonder onderscheid van het geslacht der daaraan doende personen niet 
bepaald in strijd is met het javaansche taaieigen. 



Het 'mbëksa en nglarihi; bantjeran. 309 

danseur duurt zoolang, totdat alle aanwezige gasten hem de 
eer bewezen hebben van zijn dans te begeleiden en met hem 
te klinken. Bij een groot aantal gasten heeft dit gebruik be- 
halve de vervelende langdurigheid van een en denzelfden dans 
nog dit inconvenient , dat de danseur, die met zoovelen klin- 
ken moet, het wel eens af moet leggen en geheel door den 
drank bedwelmd raakt. Dit gebeurt echter hoogst zelden en 
meestal waken de gasten en de gastheer er ook tegen dat 
iemand op die wijze bespottelijk wordt gemaakt, te meer, 
daar het nooit te voorzien is, of uit dergelijke opgewondenheid 
geen minder aangename gevolgen voort kunnen spruiten. 

Zoodra de dans afgeloopen is, zien wij den danseur eenig 
geld aan de voordanseres ter hand stellen, die dit in de tot ont- 
vangst en bewaring daarvan bestemde bokor of koperen kom , 
die wij daar zien , deponeert. Dit geld heet tomboq-an of ban- 
tjeran en zal hier na afloop van het feest onder de dansmeiden 
en de gamelan-spelers verdeeld worden. In de desa's en onder 
den kleinen man gebeurt het echter vaak, dat het aldus ver- 
zamelde gold, (ieder danser geeft zooveel als hij verkiest) door 
den gastheer gehouden wordt als eene bijdrage tot dekking der 
onkosten van het door hem gegeven feest; in dit geval echter 
keert hij aan de danseressen en de gamelan-spelers het vooraf 
door hen bedongen loon uit, wat anders geen usance is, of- 
schoon inlandsche ambtenaren en gegoede Javanen dikwijls toch 
nog eenig geld uit eigen zak bij de tomboq-an's voegen, vooral 
wanneer het bedrag hiervan niet bijzonder groot is. 

Ten slotte geeft de danser, die zijne beurt gehad heeft, zijne 
slendang aan de voordanseres over, die het doek op een presen- 
teerblad of bij gebreke hiervan eenvoudig op de handen onder 
begeleiding van de melodie ajaq-ajaq-an al dansend naar den 
persoon brengt, die nu volgen moet. 

Zie, de dansmeid komt op ons af: de eer aan ons dus, om- 
dat wij hier tot de hooge gasten worden gerekend, en, indien 
wij ons niet geabsenteerd hadden , zouden wij de slendang reeds 
vroeger ontvangen hebben. 

Als europeanen behoeven wij ons echter niet aan den dans 
te wagen, hoeveel eer wij er den gastheer ook door bewijzen 
kunnen , — maar staat het ons vrij , om een der andere gasten 



310 Het dansen bij plaatsvenranging. 

te verzoeken in onze plaats de beurt waar te nemen. Het tomboq- 
of bantjer-geld zullen wij maar dadelijk der voordanseres te 
hand stellen^ terwijl wij de slendang in ontvangst nemen, en 
verder overgeven aan onzen welwillenden plaatsvervanger. Zoo- 
lang hij danst mogen wij ons niet verwijderen , — dit zou ons 
den naam kunnen bezorgen van niet wel opgevoed te zijn, 
omdat dé eer, die onzen plaatsvervanger bewezen wordt, eigen- 
lijk ons geldt. Zelfs moeten wij bij het vallen van den grooten 
gongslag met onze glazen gereed staan, om samen met den 
danseur en den gastheer te klinken, op wien en wiens familie 
wij eene kleine toast zullen slaan, waarin wij hem en de zijnen 
alles toewenschen^ wat tot zijn en hun geluk enz. bij kan dragen. 

Beleefd is het ook , wanneer wij op onzen plaatsvervanger en 
de zijnen drinken, en ten slotte nog een derde glas ledigen 
op het welzijn der aanwezige overige gasten en hunner respec- 
tieve families. 

Eerst hierna en na de antwoorden op onze toespraken te 
hebben vernomen, zullen wij ons goedschiks kunnen verwijde- 
ren. Wij zullen hiermede ook niet langer talmen maar ons met 
het oog op het vergevorderde uur en de heden doorgestane ver- 
moeienissen liever dadelijk verontschuldigen, want morgen zullen 
ons wellicht nieuwe vermoeienissen wachten. 

Vooraf echter moeten wij even nog opmerken, dat de manne- 
lijke danseurs soms het bovenlijf geheel ontblooten en zulks in 
navolging van de hofgebruiken in de zoogenaamde vorstenlanden , 
doch dit in tegenwoordigheid van europeanen, althans in de 
zoogenaamde gouvemementslanden hoogst zelden wordt gedaan, 
omdat zulks koerang-adjar, d. i. onwelvoegelijk, wordt geacht. 

In de desa's en onder den kleinen man, die minder op de 
hoogte is van de gebruiken aan de javaansche hoven, danst 
men echter steeds geheel gekleed. 

Zij, die aldus half gekleed dansen, behooren trouwens meest 
tot die pedante priajis, die in hun dommen, belachelijken 
eigenwaan zich daardoor den stempel meenen te geven van den 
waren, echten adel, die in de javaansche maatschappij zich 
het recht toekent, al wat daarbuiten staat tot model te dienen 1 



VERKLARING DER PLATEN. 



Plaat I— VII, vgl. blz. 176 vv. 
Plaat Vn, » » 306 v\. 




LÜ 
O. 

> 



LÜ 

D 
O 
CC 

> 




LJJ 
Q. 

> 

Z 
üJ 

D 
O 
ex: 

> 




UJ 
Q. 



Z 

tu 
O 

> 




tu 

Q. 

> 
H 
Z 
UJ 

O 

> 



PI. III. 




LiCnTORWK VAN &MlliK A MNaiR, HAARtlM. 



VROUWENTYPE. 




UJ 
Q. 

> 
\- 
Z 
UJ 

3 
O 
cc 

> 



> 




UI 
Q. 

> 
H 
Z 
UI 

^ 

3 
O 

> 



PI. V. 




VROUWENTYPE. 




VROUWENTYPE. 



> 




co 

o 

z 
< 
o 

< 

z 
iiJ 

Q. 

> 

Z 
liJ 

Z 

z 
< 



PI. VIL 




LIOHTDRUK VAN KMRIK « «INOKW, NAARLEM 



MANNENTYPEN. 

(JAV, JONGELIEDEN VAN QEQOEOEN STAND), 



0^ 





iiJ 
co 

z 
< 
o 



I^-^^ ' 



•■■- ... ..*'..•••• V .•-..--'-■■;-.>"•.. 'i.'- ^WIy^^<!?/»?i• 







i f ^ - 



* y 



s ./ . 



'' .s 






1 . ^.> - 



-. ^/W-V-^t^^i^f^-^- 
'V V^"■^V■tf*'Ït^>^■-:- 






' I 






■■■■ .'•••-..:■;- • .^; .-.:•■ -, '^^^^-^ ' 



^ '^ " ' ^ ■ ' ■•^•• ''':t•^'^dls'«a'^■#•-i- 



^. • . - " ■• ■ . •. .-. o.-^ ; • -• . .• , -w-^ X'<34S«';;>^.i^•*i- 



.f 



.•05 




L"^: 







''*'■ . "^W ' . 






• ^ ^S * 



. 'f 



Vf' 








' -'t- ' .<.* 


* ■ l ' y 




S j^ i^ '* 


- ' '^ .^ "^^ \ '• ' 




^ «' / -^ ' 'V 


M > ' / •^ *"- 




/ • ■ 4i 


"^ 'i. 


•* 


* ' »' { \ 


• < •*'' ', 


■ 




■'S '.■■■'■■'' ■• . 






:'^,^: •' ''■ 




' ' ' -, ^. '■ 


._ , v" ,. '■% 'ï- ^>. 




^ ' ' " 




^ 


' '»\ ,- ■ 


'W'" '■' ■;;• . 




^ * • > * '■ 






• r? /.« •» "^ 


■ »* '^ » > ■ '. 



» .* 



V ^ '. •■'