(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Friesch woordenboek (Lexicon frisicum)"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



.JJt 



FRIESCH WOORDENE 

BEWERKT nOOR 

WALING^ DIJKSTRA 

te Holwerd ^ 

MKT MEDEWERKING VAN ANDEREN, 



BENEVENS 



Lijst van Friesche Eigenna 



BEWERKT DOOR 



JÜHAN WINKLER, 

te Haarlhn. 



UITGEGEVEN INGEVOLGE BESLUIT DER STATEN VAN FRIKSI 
ONDER TOEZICHT VAN DE DOOR GEDEPUTEERDE STATEN HEJ 

COMMISSIE, DE HEEREN : 

J. VAN LOON Jz., Lid van de Gedeputeerde Staten van FrieahuKl 
Mr. Ph, VAN BLOM, Raadsheer in den Hoogen Raad der Neder la 
en JOHAN WINKLEK , te Haarlem. 



Leeuwarden , 
MEIJER & SCHAAFSMÂ. 



FRIESCH WOORDENBOEK 



(IvE^XICON iMilSICUIwI) , 



BEWERKT DOOR 



WALING DIJKSTRA 



te Holwerd, 



MET MEDEWERKING VAN ANDEREN. 



AH. 



r <t 



LEEUWARDKN , 

MEIJER & SCHAAFSMA. 
1900. 



' > l. 



EENIGE INLICHTINGEN VOORAF. ') 



De eerste grondslagen van het Friesch Woordenboek en van de Lijst van 
Viesche EigemKnnen , van welk werk de Ie aflevering hierbij wordt verzonden , 
ijn gelegd door Dr. Joost Hiddes Halbertsma, met zijn broeder Dr. Eeltje de 
ïhrijver van de Lapekoer , de Twigen , van Leed en Wille , enz. , later opge- 
omen in de Rimen en Teltsjes. 

Tijdens zijn langdurig leven heeft hij een schat van Friesche woorden , zegs- 
ijzen, enz., uit den mond van 't volk opgeteekend, of uit Friesche schrijvers 
ijeengebracht , en deze allen ten slotte verzameld in zijne Woordenlijsten A en 
. , welke hij met zijne rijke boekerij , met zijne handschriften , oudheden , 
iz. , aan de provincie Friesland heeft vermaakt , met den wensch , dat zijne 
erzameling van wege de provincie zou worden uitgegeven , al ware 't ook bij 
'ijze van Glossarium en als vervolg van het door hem in 't Latijn bewerkte en 
p zijne kosten gedrukte gedeelte van het Lexicon Frisicinn, A — Feer ^). 

Ofschoon de Staten der Provincie in 1869 besloten aan dien wensch te vol- 
oen, bleef evenwel de uitvoering rusten tot 1879, toen door hen, met wijzi- 
ing van hun vroeger besluit, werd goedgevonden: Gedeputeerde Staten op te 
ragen de bewerking te bevorderen van een Glossarium in den geest van Dr. 
[ereman's Fransch— Nederl. Woordenboek, met opneming daarin niet alleen 
an de door Dr. J. H. Halbertsma verzamelde en bewerkte woorden , maar mede 
an alle anderen , na hem door vele beoefenaars der Friesche taal opgeteekend. 

Deze arbeid werd onder toezicht van eene door Gedeputeerde Staten be- 
oemde Commissie, bestaande uit de Heeren J. van Loon Jz. , Dr. Tj. Hal- 

TSMA en Mr. Ph. van Blom, aangevangen door den Heer G. Colmjon, Archi- 
aris-bibliothecaris der Provincie en na diens overlijden door den Heer Waling 
Dijkstra teneinde gebracht. 

Het bleek toen echter, dat het werk nog eene nadere aanvulling, herzie- 
ing en gereedmaking voor de pers eischte , waartoe de Heer Dr. F. Buiten- 
asT Hettema te Zwolle zich met den Heer W. Dijkstra bereid heeft verklaard. 

Dewijl slechts een deel der eigennamen in het tot zoover voltooide Lexicon 
as opgenomen, werd besloten de Friesche eigennamen in eene afzonderlijke 



') Eene ToUedige Inleiding zal worden gegeven by de laatste aflevering. Om niet in veel her- 
dingen te vervallen, achten wy het uoodig, te verwyzen naar het op de volgende bladz^do bedoeld 
'oorher icht y by den Prospectas van 1893. 

•) Dit gedeelte, beslaande mim 1000 kolommen, werd, met de Woordeniysten in verschillende 
len, na z^n dood, door z^n zoon Dr. Tjallino Halbertsma uitgegeven. 



IV 



afdeeling bijeen te doen brengen , en den Heer Johan Winkler te Haarlem t 
verzoeken , de uitvoering hiervan op zich te nemen. 

In 1893 werd de bewerking zoover gevorderd geacht , dat met de uitgav 
van het werk zou kunnen worden aangevangen. 

Toen echter een uitvoerig Voorbericht met proeven van bewerking was uit 
gegeven , en een Prospectus met lijst van inteekening alom was verzonden 
bleek finantieële steun van de Provincie tot de uitgaaf een vereischte. 

Niettegenstaande deze door de Staten bij hun besluit van 21 Nov. 189' 
goedgunstig werd verleend, vorderde eene regeling van het geheele plan no| 
een geruimen tijd en kon eerst voor goed in den herfst van 1895, met he 
drukken een aanvang worden gemaakt. 

Na deze korte mededeeling betreffende het ontstaan van het Friesch Woor 
denboek met de bijgevoegde Lijst van Friesche Eigennamen, mag het noodij 
worden geacht omtrent ieder der onderdeden nog enkele inlichtingen over het- 
geen zij zullen inhouden, te verstrekken. 

I. Wat aangaat het Frïesch Woordenboek. 

In dit gedeelte van het werk, dat ongeveer 90 a 95 vellen zal inhouden 
zal het Westerlauwersch Friesch worden beschreven. 

En wel de Friesche taal die leeft, nog voortleeft onder en in den mono 
van het volk. 

In de eerste plaats alzoo wat meest algemeen in de tegenwoordige provincie 
Friesland, waarvan Leeuwarden de hoofdplaats is, gesproken wordt. En daar- 
naast wat eigenaardig, dialectisch is in elk gedeelte, zooveel mogelijk in elke 
streek. Men zal dus in dit werk aantreffen behalve het algemeen gesproker 
Friesch, ook de Hindelooper, Molkwerumer, Wierumer. 
Schiermonnikooger, Terschellingeren andere woorden , die ir 
beteekenis of klank van de gewoon-Friesche afwijken. 

Vroeger en ook in deze eeuw waren er onderscheidenen, die dergelijke woordei 
hebben opgeteekend. Nog deelen belangstellende kenners van de Friesche taal o 
telkens mede wat zij hiervan weten , of wat zij uit den mond des volks hooren 

Dit alles vindt men allereerst, zoo volledig mogelijk, in dit Woordenboek 

Is bij onze Friesche schrijvers iets van dezen aard te vinden, zoo wordt ooi 
vaak naar hen verwezen. 

Voorts wordt er in gevonden het dichter-Friesch , voorzooverre dit afwijkt 
van 't algemeen levende. Maar eerst in de tweede plaats. Niet omdat hei 
minder is , integendeel , maar , omdat wat zelfs veel dichters zeggen , toch nog 
geen levende taal is in den mond van het volk. En in een Woordenboek geefl 
men 't algemeene eerst, het bijzondere daarna. 



Ook wordt aangegeven of dit woord meer gebruikt wordt , of dat ; of 't eene 
woord meer in dïe7i zin, een ander meer in dézen voorkomt; evenzoo, waar 
dat duidelijk blijkt, of ouderen of jongeren het bezigen. En dit geldt zoowel 
de enkel-woorden als de samenstellingen. 

Deze laatste worden zooveel noodig opgenomen : immers het simplex garan- 
deert niets voor de composita ; noch het eene compositum iets voor het andere. 

Niet bij elk woord was het altijd mogelijk het vorenstaande op te geven. 
Maar met de goede hulp van een groot getal medewerkers uit alle oorden 
van Friesland, is dit vele keeren al doenlijk geweest. 

Uiterst moeilijk is het, — het is bekend — om het begrip van woorden in eene 
levende taal nauwkeurig en beknopt weer te geven. Daarom zijn tal van 
citaten wenschelijk. Maar vooral, omdat op geen andere wijze voldoende 
duidelijk uitkomt , hoe de woorden in de taal leven , in welke omgeving zij 
in den regel voorkomen, — inzonderheid, hoe zij op eikaars beteekenis en klank 
invloed uitoefenen. 

Zoo worden dan in dit Woordenboek de woorden gevolgd door veel voor- 
beelden. Elke waargenomen nuance in beteekenis en klank is zooveel mo- 
gelijk aangegeven. Waar ook de berichtgevers afweken van den algemeen ge- 
hoorden klank, blijkt dit uit de schrijfwijze van het door hen aangehaalde. 

De spelling is die , door het Frt/sk Selskip aangenomen. Waar de uitspraak 
van de meest gewone afwijkt, wordt dit vermeld. 

Bij de werkwoorden worden, zoo noodig, de hoofdtijden en de verschillende 
persoonsvormen aangegeven met hunne verscheidenheden en onderlinge afwij- 
kingen. 

Het geslacht wordt aangeduid door m, ƒ en n. 

Met m en f worden de woorden aangegeven, die naar het natuurlijk geslacht 
mannelijk of vrouwelijk zijn. Bij de overige wordt, indien ze geen netUra zijn, 
eene $ (substantief) gevoegd; en eg. (communis generis) bij die namen van 
dieren gesteld , waar tot nadere aanwijzing van het geslacht eene aanduiding 
vereischt wordt, zoomede bij woorden, die zoowel voor een man als vooreene 
vrouw worden gebezigd. 

Sommige woorden zijn met teekens aangeduid. Zoo beteekent ^ weinig 
gebruikelijk; * schrijver- of dichterwoord; x kindeiiaal; f verouderd, terwijl de 
klemtoon aangewezen wordt door eene splits (') achter de lettergreep met den 
hoofdklemtoon. 

Die woorden zijn bijeen gesteld , waarvan men éénheid van beteekenis en een- 
heid van klank algemeen voelde. Geen zoogenaamd wetenschappelijke *etjmo- 
logie' heeft in den regel hierop invloed gehad; ook zijn die etymologieën niet 
opgegeven. Wel hier en daar volks-etymologieën , die waard geacht worden 
te weten. 

De beteekenis der Friesche woorden wordt in 't Nederlandsch weergegeven of 



VI 



verklaard. Waar geen omschrijving noodig is , ook in het Latijn , en dan met 
een enkel woord, of, zoo het begrippen zijn of voorwerpen betreft, die in deze 
taal moeilijk kunnen worden uitgedrukt, in het Engelsch, Duitsch of Fransch. 

Waar voorts het Middelfriesch iets ter opheldering kan geven, is dit — 
zoover het mogelijk is, — aangegeven, niet alleen uit Gijsbert Jacobs, maar 
ook uit andere schrijvers. — 

Eene verklaring van de in het werk voorkomende Verkortingen van de namen 
van plaatsen enz. en der aangehaalde schrijvers^ zal een onderdeel vormen van 
de 2e aflevering, welke zoo spoedig mogelijk zal volgen. 



IL Ten opzichte van de Lijst van Frïesche Eigennamen. 

Deze Lijst zal bevatten eene opsomming van alle , na jaren lang verzamelens, 
den bewerker bekend gewordene Friesche en verfrieschtemn7iS' en vrouwen namen, 
geslachtS' en plaatsnamen (onderscheidenlijk aangeduid door eene voorgevoegde 
M. , V., G. of P.), uit het Friesche gewest tusschen Flie en Lauwers, de 
hedendaagsche Nederlandsche provincie Friesland, 

De namen zijn gerangschikt volgens het A-B-C, en in hun onderling ver- 
band voorgesteld; dat is: de namen die met elkander een zelfden oorsprong 
gemeen hebben, zijn bij elkander gevoegd in afzonderlijke groepjes, waarbij 
aan de mansnamen , zooveel mogelijk in hunne hedendaagsche vormen , den 
voorrang gegeven is, omdat van de mansnamen grootendeels de andere namen 
afgeleid zijn. Die namen zijn zoowel uit oude geschriften en oorkonden , als 
uit alle mogelijke, den verzamelaar bekende bronnen, en uit het levende ge- 
bruik van den tegen woordigen tijd samengebracht. Het jaar 1800 is als schei- 
ding genomen tusschen de oude, verouderde of uitgestorvene namen en naams- 
vormen , en de hedendaags nog bestaande. De eersten zijn in cursieve letter 
voorgesteld, b.v. Aelheyt, en de laatsten met staande, vette letter, b.v. 
Aalsma -- afgedrukt. Bij de plaatsnamen kon deze scheiding tusschen 
oud en hedendaagsch niet worden volgehouden. De weinige namen van oude, 
reeds ten onder gegane plaatsen, meest huizen, staten, saten, zijn zoowel ge- 
spatieerd afgedrukt als de hedendaags nog bestaande. 

Mans- en vrouwennamen van onfrieschen oorsprong, maar door Friezen en 
Friezinnen gedragen , konden niet van deze Lijst worden uitgesloten. Eensdeels 
omdat die namen vaak eigenaardig Friesche vormen vertoonen (Japik van Jacob, 
Hantsje van Johannes, Nynke van Tryntsje, dat is Catharina), of voor echt- 
Friesche namen in de plaats staan (Hector voor Hette , Cipriaan voor Sipke , 
TiTüs voor Tiete): alsook omdat er Friesche geslachts- en plaatsnamen, in 
eigenaardig Friesche vormen , van afgeleid zijn ; Andriessma , Kaspersma , Louw- 
SMA ; Likeks«;ea (St. Nicolaasga) , Stynsgea (Augustinusga) , enz. 

Om de wille der duidelijkheid, en om de bruikbaarheid der Lijst te bevorderen, 



VII 

moesten voorts de namen zoowel in hunne hedendaags geldige, geijkt Neder- 
landsche spelwijzen worden opgenomen, als in hunne eigene Friesche vormen. 
Immers deze Lijst is geenszins uitsluitend en alleen voor de Friezen bestemd, 
die hunne taal kennen , maar evenzeer voor andere Nederlanders en andere 
Germanen (Duitschers en Engelschen vooral), die de Friesche taal en hare 
spelwijze niet kennen , en die de namen, in hunne Friesche vormen, niet zouden 
herkennen noch kunnen vinden. Vooral bij de plaatsnamen (Snits, Liowert, 
Harxs, voor Sneek, Leeuwarden, Harlingen ; Ealsum, WaLDSEiN, Beltsum, 
voor Aalsum, Woudsend, Berlikum) is dit het geval. In zulke gevallen is de 
Nederlandsche naamsvorm enkel vermeld , met verwijzing naar de Friesche 
vormen der namen. 

Met „Zie'' wordt verwezen naar namen, die met den betreff'enden naam oor- 
spronkelijk eenzelvig zijn , en die daarvan slechts in vorm verschillen , (spel- 
wijzen van vroegere eeuwen of van den tegen woordigen tijd ; verschil van uit- 
spraak; verkleinvormen, enz.), b. v. Sibout ; zie Skjbalt; of Bouke ; zie Bouwe. 

Met „Verg.'' (vergelijk) wordt verwezen naar namen, die met den betrefFenden 
naam slechts eene schijnbare overeenkomst vertoonen , maar die van verschil- 
lenden oorsprong zijn , b. v. Abbe ; verg. Abe , Ebbe. 

Eene volledige groep van namen bestaat uit alle vier rubrieken van namen, 
dus uit een mansnaam, met de vrouwen-, geslachts- en plaatsnamen daarvan 
afgeleid, allen in hunne verschillende oude en nieuwe vormen en spellingen. 
Zulk eene groep is b. v. die van Abbe; van Abe en Aooe; in den regel zijn het 
hedendaags nog in volle gebruik zijnde mansnamen, die daaraan ten grondslag 
liggen. Bij vele groepen echter bestaat de eene of andere rubriek van namen 
niet ; bij Addik ontbreken vrouwennamen en plaatsnamen ; bij Aent de ge- 
slachtsnamen. Enkele vrouwennamen zooals Jildou, staan geheel op zich 
zelven, en enkele zeer oude mansnamen {Aldgrim) eveneens; zij maken voor 
zich alleen een eigen groepje uit. En dit komt ook voor bij vele plaats- 
namen , die niet van een mansnaam afgeleid zijn. 

Eene meer uitvoerige inleiding, ook betreffende dit gedeelte van het werk , 
zal aan het einde daarvan worden gegeven. 

De Commissie ran Toezicht op de bewerking j enz. , De bewerkers van het Woordenboek y 

J. VAN LOON Jz. WALING DLIKSTRA. 

Mr. Pu. VAN BLOM. Dr. F. BUITENRUST IIETTEMA. 

(*) 

De bewerker ran de Lyst ran Eigen mimen 

Februari 1896. JOHAN WINKLER. 



(•) Prof. Tj. Hai.rebt8ha is in 1894 overleden. 



voor.bäh.ich:x. 



Op den 7den Juli 1823 had te Bolsward de onthulling plaats van het manueren 
borstbeeld des frieschen dichters Gysbert Japiks. Dit was een nationaal friesch 
feest en alles wat hart had voor Friesland en zjjne taal kwam op dien dag byeen 
in de geboortestad van den frieschen bard. Eene feestrede werd uitgesproken door 
den Heer J. H. Halbertsma, toen reeds doopsgezind predikant te Deventer, kort te 
voren nog te Bolsward. 

Deze plechtigheid mag worden beschouwd als het begin eener Friesche taalbewe- 
ging, die heeft voortgeduurd tot op den dag van heden. Dr. J. H. Halbertsma was 
begonnen zich bijzonder toe te leggen op de beoefening der noordsche, angelsaksische 
en verwante talen (Zie Vrye Fries XII , 21 v.v.) en vooral op die zjjner moedertaal , 
het Friesch. Dat hy reeds toen het plan had opgevat voor de samenstelling van een 
Friesch Woordenboek biykt uit hetgeen hy schreef in 1829: ,Na eene veldverken- 
ning van twintig jaren liggen de bouwstoffen van het derde stuk der , Hulde aan 
Gysbert Japiks'' 1) , dat zuiver taalkundig is , gereed , terwyl een Latjjnsch Woorden- 
boek van het Friesch, hetwelk in de vermeende misslagen der engelsche, fransche 
en hollandsche etymologisten zal pogen te voorzien, op de inlassching van een 
honderdtal woorden wacht om, naar myn maatstaQe, voltooid te heeten." 

Voortgezette studie evenwel maakte dien maatstaf al grooter en grooter. Ook 
Tele andere zaken en studiën leidden hem af Halbertsma had zich ten slotte voor- 
gesteld een Lejdcon te leveren, dat het Friesch op zjjn breedst — oud-, middel- en 
nieuw Friesch, met al zyne dialecten — zou bevatten. 

Eindelyk besloot hy wat hy had verzameld , in het Latyn te gaan bewerken en 
uit te geven. Zoude hij, reeds op gevorderden leeftyd gekomen zynde, anders wel 
iets gedrukt zien van het werk dat hy aangevangen had ? Snel vorderde het echter 
niet, al ging ook wat vandaag gereed kwam morgen naar de drukkery. Zoo waren 
toch van lieverlede een duizend kolommen afgedrukt, toen de altyd zoo werkzame 
man op byna tachtigjarigen leeftyd kwam te overlyden. (27 Febr. 1869). Halbertsma 
had zelf wel verwacht, dat by zyn sterven zyn werk niet voltooid zoude zyn. Daar- 
om had hy zynen zoon Dr. Tjalling opgedragen het gedrukte uit te geven. Deze 
deed dan ook in 1872 verschynen : Lexicon Frisicum A-Feer ^ composuit 
JtsTus Halbertsma, Hiddonis filius. Post auctoris mortem edidit et indices adjecit 
TjALLiMGius Halbertsma , Justi filius. 2). 



1) Dit derde stak is niet verschenen. Zie echter Dr. J. H. Halbertsma, Letterkundige 
Naoogst (Deventer 1840), bl. 46 v.v. 

2) Zie over dit Lexicon de BQdragen tot het Ofrie. Woordenb., (Brill, 1888), Inleiding, 
biz. n— IV. 



II 

Al het overige noemde hg de ruwe stof, waaruit hg zgn Lexicon Frisicum, voor 
zooverre het is uitgegeven , had samengesteld. Daaronder mogen in de eerste plaats 
genoemd worden: een eigenhandig door hem geschreven Woordenboek in folio, op 
den band gemerkt met A, groot 924 en 14 daaraan voorafgaande bladzijden, meest 
alle gevuld met friesche woorden, waaraan doorgaans eene verklaring in het Neder- 
landsch — ook wel in het Latyn — is toegevoegd; een eveneens eigenhandig ge- 
schreven Woordenboek van friesche in het Nederlandsch — of Latgn — verklaarde 
woorden, in klein folio, gemerkt met B, groot 576 en 16 daaraan voorafgaande 
bladzijden, en op elk van beide Woordenboeken een Index in alfabetische orde 
gerangschikt; voorts een groot aantal alfabetisch geordende losse bladen als brouillon 
voor zgn Lexicon Frisicum; eenige handschriften van C. G. van Bubmania, P. Schel- 
TEMA, C. Salverda eu Chalmot , bevattende oude friesche spreekwoorden, zegswijzen 
en spreuken , met indices daarop , en menigvuldige aanteekeningen in de taalkundige 
werken betrekkelijk de friesche taal, van Wassembergh, ëpkema. Posthumus en 
anderen 1). Dat alles wachtte op eene andere hand dan de zijne ter bewerking. — 
Wie zou dat bezorgen? Hy vroeg het aan het land zgner geboorte, aan Friesland, 
waaraan hij reeds zeer vele friesche oudheidkundige voorwerpen had geschonken en 
waaraan hij nu zijne rgke boekerij , zgne belangrijke handschriften en nog al meer 2) 
had vermaakt. HiJ vroeg om, ,al ware het ook alleen bij wgze van Glossarium, 
waarin het friesche woord kortelijk, is 't mogelgk in het Latijn, vertaald wordt 
zonder wijders,'* — zgnen „arbeid te vervolgen." 

De Staten van Friesland namen dit welwillend op zich 3). Maar om onderschei- 
dene redenen bleef het geruimen tijd bö een genomen besluit. Eerst in 1879 kwamen 
Gedeputeerde Staten , maar nu met een gewgzigd plan , op de zaak terug. Het bleek 
wenschelijker een Woordenboek van het Nieuwfriesch alleen en dat in zijn geheel 
uit te geven, waarin niet alleen de woorden uit Halbertsma's Lexicon en uit zijne 
handschriften enz. werden opgenomen, maar ook alle friesche woorden, die sedert 
1845 door anderen, vooral door T. R. Dijkstra, H. Sijtstra, G. Colmjon en meer 
leden van het ,Selskip for Fryske Tael- en Skriftenkennisse" waren verzameld. 

Zoo werd besloten den 8sten Juli 1879 4). Den 278ten November 1879 droegen de 
Staten de bewerking op aan de heeren G. Colmjon, archivaris-bibliothecaris der 
provincie, en L. C. Murraij Bakker, Med. Doet. te Huizum. Tevens benoemden zg 
als leden der Commissie tot regeling van de bewerking en het houden van toezicht 
daarop: de heeren J. van Loon Jz., Lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland 
en destgds Voorzitter van het vorengenoemde Friesch Selskip, Dr. Tj. (J.) Halbkrtsma, 
Hoogleeraar te Groningen, en Mr. Ph. van Blom, destgds lid van de Provinciale 
Staten en President van de Rechtbank te Heerenveen. 

Prof. Tj. Halbertsma kwam in 1894 te overlijden on de hierdoor opengevallen 
plaats bleef onvervuld tot September 1899, toen de heer Johan Winkler, te Haarlem, 
door Ged. Staten werd benoemd tot lid der Commissie van toezicht op de bewerking 
van het Friesch Woordenboek. 

Aanvankelijk kwamen de bewerkers overeen dat de heer Dr. Murray Bakker het 
Latijn voor zijne rekening zoude nemen en tevens ook medewerken aan het verzame- 
len en beschrijven van friesche woorden Van zijne hand is echter niet veel in het 
Woordenboek gekomen en in 1884 onttrok hjj zich aan de verdere medewerking. 



1) Zie de l^st in de Vrye Fries XII, 65—68, waar tevens een Overzicht van Halbertsma's 
leven en eene rolledige l^st zijner werken voorkomen. 

2) Zie het Testament-oittreksel in de Vr. Fr. XII, 65. 

3) Notalen der Staten. Zomerz. 1869, blz. 309—315 en 373—377. 

4) Notalen der Staten, Zomerz. 1879, B^lage G en blz. 215—219. 



III 

In ditzelfde jaar werd de heer Colmjo», die sedert 1880 meest alleen aan het boek 
had Toortffewerkt , ernstig ongesteld en overleed den 288ten December 1884. Hg had 
toen de woorden van A tot aan 1 afgedaan. 

En op den SOsten Juli 1885 werd door HH. Ged. Staten de verdere voortzetting 
van het werk aan mü opgedragen. Aangezien er nu geen medewerker voor het La- 
tijn was zouden maar alleen de door Dr. J H. Halbertsma hier en daar in zgne 
woordenlijsten aangebrachte latgnsche woorden worden opgenomen. 

In April 1891 was ik gekomen tot het einde der letter W., dus aan het einde van 
het geheele werk. Toch was dit hiermede nog niet persklaar. Er miste eenheid en 
gelijkmatige behandeling in. Had Colmjon zich nauwgezet aan het werk van Hal- 
BKST8XA gehouden: ik had, met behoud van hetgeen door dezen taalgeleerde was 
geleverd , gemeend m|j wat vryer te mogen bewegen. Op mijne veelvuldige tochten, 
jaren aaneen, naar alle oorden van het friesche gewest, had ik mg, even als vroe- 
ger Dr. J. H. Halbebtsma, steeds beyverd om overal de spreektaal ook in hare ver- 
schillende dialecten, nauwkeurig af te luisteren en m\] nog onbekende woorden op 
te vangen Daarvan had ik bjj mjjn werk gebruik gemaakt. Menige door Halbert- 
sma niet vermelde woorden waren door mg opgenomen. Vooral ook had ik er mjj 
op toegelegd om door ruimere mededeeling van spreekwijzen, gezegden en aanha- 
lingen uit de beste schrgvers , eene verklaring te geven hoe de woorden in de volks- 
taal leven en vaak in verschillende nuances van beteekenis gebruikt worden. Dit 
verschil in behandeling maakte het gewenscht dat ook het werk van Colmjon nog 
eens geheel door mij werd nagegaan en zooveel mogelijk overeenkomstig het door 
mij bewerkte gedeelte aangevuld. 

Maar nu ontbrak nog voor verreweg het grootste gedeelte het Latgn. En om 
meerdere zekerheid te hebben, dat ook overigens het werk aan redelijkerwgze te 
stellen eischen zoude voldoen, werd de heer Dr. F. Buitenrust Hettema, te Zwolle, 
verzocht om met mg de laatste hand aan het Woordenboek te leggen en gezamen- 
lijk, in overleg met en onder toezicht van voormelde Commissie, alles na te gaan, 
en waar 't noodig voorkwam , het werk aan te vullen en te wyzigen. De heer Dr. B. H. 
betoonde rich hiertoe bereidwillig. 

In het tot zooverre voltooide Lezion was slechts een deel der eigennamen opgeno- 
men. Daarom werd besloten de friesche eigennamen in eene afzonderlgke afdeeling 
bgeen te doen brengen en den heer Jodan Winkler, te Haarlem, te verzoeken, de 
uitvoering hiervan op zich te nemen. Deze, reeds een schat van bouwstoffen voor 
dit werk in voorraad hebbende, voldeed V3lgaarne aan het verzoek. 

Ook overigens was het te duchten dat aan het werk nog vele woorden zouden ont- 
breken. Om daaraan te gemoet te komen werden een aantal beminnaars der frie- 
sche taal in verschillende streken der provincie uitgenoodigd om aan ons poflren be- 
hnlpzaam te zgn, door de hun toe te zenden perscopiên nauwkeurig na te gaan en 
aan te vullen met echt friesche woorden, spreekwijzen en gezegden, die niet dik- 
wjjls en niet overal in Friesland worden gehoord , vooral die tehuis behooren in over- 
oude volksbedrijven , zooals jagen , visschen , vogel vangen , bakken , brouwen , slach- 
ten , bijenhouden , boerderij , veengraverg , schipperg en nog veel meer. 

Dit had ten gevolge dat van ruim twintig Friezen, verspreid wonende over ons 
geheele gewest, toezegging werd verkregen voor medewerking op die manier. 

Thans was dan eindelgk het tgdstip aangebroken , dat met de uitgave van het lang 
voorbereide werk een aanvang kon worden gemaakt. Tegelgk met eene Proeve van 
Bewerking werd in Juni 1893 een Prospectus de wereW ingezonden, vergezeld van 
een Voorbericht van de hand van den heer Dr. Buitenrust Hettema , waarmee ik rag 
geheel heb vereenigd en dat ook door mij mede werd onderteekend. Reeds heb ik 



IV 

daÄruit in het voorafgaande, met verschilende bijvoegingen, herhaaldelijk jjreput. 
Thans veroorloof ik m^j , omtrent de wjjze van bewerking van het Woordenboek , 
daaruit het volgende hier meestal woordelijk weer te geven- 

,,Het zou blijven het Halbertsma'sche werk. 

^.Evenwel niet in dien zin, dat men, als hg een Lexicon Frisicum zou geven. Voor 
dat reuzenwerk zou het ook nu nog de tyd niet wezen; dat is ook nu nog niet te 
doen. Wat daartoe vooraf moet worden gedaan ia nog lang niet gereed. Het Oud- 
friesch kent men maar gedeeltelijk. Vele handschriften zijn nog niet voldoende na- 
gegaan; de tekst van hetgeen uitgegeven werd is, althans voor een deel, niet be- 
trouwbaar en de handschriften zijn niet of moeielijk ten gebruike te verkrijgen. Men 
kan niet volstaan met von Richthoven's Altfriesisches Wörterbuch en de Haan Hbt- 
tbma's Idioticon Frisicum te raadplegen. Alleen een volledig Oud-friesch Woorden- 
boek te maken mag op zichzelf reeds een levenstaak worden genoemd. 

„Het Middelfriesch wacht nog bijna geheel op ontginning. Nog slechts een paar 
boekwerken zijn geëxcerpeerd en die nog niet eens geheel ; te hooi en te gras is hier 
en daar elders een woord of uitdrukking opgepikt. En het Woordenboek van Epkema 
op Gysbebt Japicx — hoe dankbaar er ook gebruik van gemaakt werd — verwijst 
naar een text, die men eerst naar een bepaald plan heeft gewijzigd, die genorma- 
liseerd is: wat het minder bruikbaar maakt om als zuivere en vertrouwbare legger 
te kunnen dienen. 

„Wat dan ook zal worden gegeven is meer een Vocabularium Frisicum dan wel 
een Lexicon Frisicum in den zin als dat van Halbertsma. 

„In het uit te geven Friesch Woordenboek zal worden opgenomen het West- 
lauwersche Friesch, niet alleen uit deze eeuw. maar ook uit vroegeren tijd, na 1600. 
Ook de Schellinger, Schiermonnikooger , Wierumer, Hindelooper, Molkwerumer en 
andere woorden , die in de beteek enis en uitspraak van de gewoon-friesche afwijken: 
en, van de fransche en andere bastaardwoorden alleen die, welke in de spreek- en 
in de schrijftaal voorkomen. 

Maar aan eene dorre opsomming van gewestelijke woorden heeft men niet veel 
Eene taal bestaat toch niet uit losse woorden. Eerst door hunne omgeving, in een 
volzin , krijgen zij hunne eisrenlijke volle beteekenis. Indien zy trouwens al eene 
kernbeteekenis hebben — zelfs die kern is vaak niet meer dan een nevel, — hunne 
omtrekken zijn toch vaag. Wel niet naar alle kanten even vaag, want het komt 
er op aan, of het eene of andere woord beter in dezen zin dan in dien zin past. 
Maar toch in een zin wordt elk woord eerst duidelijk. Stellen allen zich een huis 
gelijk voor? Een boer, een stedeling en een heidebewoner? En dient een huis wel 
alleen tot bewoning? Lytshfis is bij-schuur, tveinhûs (remise). Welke nuance in de 
beteekenis leveren ook de spreekwijzen ut f en hós gean (gaan logeeren) en de dei f en 
hûs stelle (den dag voor iets uitstellen) en de deminitiva hüske (latrina) en húske 
(huisje aan den evenaar). 

„Eerst in hunne nadere omgeving worden de woorden levend; duidelijk komen ze 
dan uit. Dan, in die omgeving, sluiten zy vaak zich by elkander aan, groeien 
samen , vergroeien soms geheel. De lexicograaf heeft nu wel het toevallige , dat wel 
eens mogelijk is, hierbij ^^ ^^ sluiten; enkel op den usus, het gebruik komt het 
aan. Ook hij behoeft niet met citaten vast te stellen, dat „lang" en „koart", 
„waerm" en „kâld'* zoowat van alle voorwerpen kan worden gezegd. Mar dat de 
fammen gobbeije (virgines cupiunt)*' om in ,'e lange tsjinst (matrimonium) to 
kommen", moet wel vermelde En dat ,in jong wiif (gravida) nog in wat anders 
dan in jaren alleen verschilt van in âld wiif (femina post annos climactericos) , 
en kans heeft op haar tijd „yn it waerm bêd (puerperium) to kommen", dat mag 



nîet iTorden wegf^elaten. — Even goed als dat „in glêdde widdou (vidua) gjin bon- 
gel oan *e foet het (pueros non habet)'*. — Zulke uitdrukkingen dienen vooral te 
worden opgenomen. En vermeld moet dat ,de Walden" de boschHtrcken van Fries- 
land zjjn; maar ook het doen van „in Wâldreis" of ,in reis nei do Walden" nog 
iets anders kan beteeken en dan een reisje naar die oorden te doen. Ook dat „in 
faem dy *t ingelsk praet (dives est)", nog niet altijd Engelsch kent. En honderdon 
van dergelyke. 

,Maar zelfs, al is het niet noodig om het woord of de uitdrukking te verklaren, 
dan — wjj nemen een recent citaat — „dienen die veel gesmade aanhalingen . . . 
om te doen zien hoe de woorden in de taal leven . . . ifet is van het hoogste be- 
lang ie weten van welke adjectieven een substantief , van welke nomina en partikels 
een verbum pleegt vergezeld te wezen!" 

«De zegswijzen en zinnetjes worden dus gegeven waar de lemuiata, de woorden 
die voorop staan, duidelijk in uitkomen" 1). 

,,Die moeten allereerst worden genomen uit de algemeene spreektaal , de taal die 
leeft, die door het volk gesproken wordt. Schrjift een vertrouwd schrijver die, dan 
worden ze ook van hem overgenomen. Maar een „dichter" in proza en poëzie houdt 
zich niet altijd aan het gebruik. Soms kan hiJ niet , soms ook wil hij niet. Dat is 
zijn recht. Voor een dichter is taal nog iets anders dan die overgeleverde klanken 
om er zich voor Jan-en-alleman verstaanbaar in te maken. 

„Weinigen zjjn „dichters" bij uitnemendheid. Maar elk heeft wat „dichterlyks", 
wat van een dichter in zich: arbeider en boer, geleerde en leek, in den een of 
anderen tgd van het leven. De eene vaker, de andere zelden, dikwijls maar voor 
een oogenblik. Elk kent zoo'n oogenblik; dan spreekt hy „dichter taal", artistiek. 
In z^e goede oogenblikken , als hg in stemming is, dan zegt hij niet wat mooi is, 
hü uit het mooie. Dan is zgn taal iets individueels; niet de algemeene, naar het 
gebruik. Naar elks individualiteit zal die verschillen. Zingt elke vogel niet zijn 
eigen wys? Dan is de dichter als de bloemist, die het mooie uitzoekt , meest instinc- 
tief; en het schikt. Dan is hy meer dan dat; hij is schepper van de taal. 

„Zgo taal moet dan ook worden vermeld. Maar eerst in de tweede plaats. Niet 
omdat die minder is. maar omdat wat zelfs vele dichters zeggen toch nog niet levende 
taal is in den mond van het volk. Maar voor den lexicosrraaf is het een en het 
ander belangrgk. Hij is als de plantkundige , die beide opmerkt en aanwyst. 

„Vele voorbeelden worden dus dikwijls gegeven — en dit heeft nog iets voor. Het 
is een niterst moeielgk werk, het begrip van de woorden nauwkeurig en beknopt 
weer te geven. Daarom hebben woordenboeken als Doomkaat Koolman gaf van het 
Oost-friesch , en De Bo van het Westfiaamsch, zoo groote waarde, omdat daarin „de 
beteekenis niet zoo zeer omschreven wordt, als wel door voorbeelden opgehelderd." 

„De beteekenis wordt in het Woordenboek dan ook somtijds met een enkel woord 
ÏD bet Latijn aangegeven , of zoo het begrippen zijn of voorwerpen betreft die in deze 
taal moeilgk kunnen worden uitgedrukt, in het Engelsch — als het naast verwant 
met het Friesch — of in het Duitsch of Fransch, naar het best voorkomt . De nadere 
omschryving volgt, zoo noodig, dan in het Nederlandsch. En vooral door voorbeelden 
zal worden aangegeven waar de friesche woorden in beteekenis van de nederlandsche 
afwgken. 

„Etymologiën worden niet opgegeven , hoewel Halbertsma bjj sommige woorden 
enkele opteekende. Alleen die de beteekenis misschien kunnen ophelderen, al zyn 



1) Zie met name over „Woorden boekwerk" Cosyn, „In Memoriam van de Vries", in den 
Gids van Nov. 1892. 

Ook Franck, Taal en Letteren I, 189. Sn de Vries— te WinkeL Inleiding, LXIV, v.v. vooral 



VI 

het 80m8 ook volks-etymologiën , worden overgenomen en aangevuld, — omdat het 
veel waard is te weten waarmede de ^spraeckmakende gemeent" het woord laat 
samenhangen, waarvan zy het afleidt ( babbelstientsjes , habok, b.v.). Want de volks- 
verbeelding ziet vaak overeenkomst of verschil ; en in die gevallen kan men zeggen : 
„taal is een kind van de fantïisie." 

„Deze etymologiën te weten is vaak, zoo niet meesttjjds van meer waarde dan de 
zoogenoemde wetenschappelijke; van welke nog niet uitgemaakt is of zij den vorm 
en de beteekenis van een woord , evenzeer als de volksaardige, inderdaad ophelderen. 
En die ze wil weten kan voor de meeste woorden de groote etymologische woorden- 
boeken van de verwante talen naslaan. In een woordenboek als dit zijn zij onnoo- 
dige ballast 1). Bovendien, wat de bijzonder friesche woorden aangaat, is het aantal 
gegevens meestal nog te klein om meer te kunnen geven dan wat onzekers. 

„Alleen waar eene aanduiding werd gevonden die op weg kon helpen, is die 
opgenomen. Zoo bleef het ook Halbertsma's werk. 

„Ter vermijding van eiken onnoodigen omhaal worden dan ook uit de verwante 
dialecten buiten de provincie Friesland en uit de verwante talen alleen woorden 
vermeld, als deze het friesche vooropstaand woord kunnen ophelderen. Wat geeft 
het of men bij „each" (oculus) alle germaansche verwante vormen opgeeft? Of bij 
„iera" (avunculus)? Of bij „each", „aich" (insula)? In de lexica en glossaria van 
die talen kan men het desverkiezende vinden- Iets anders ware het als een volledig 
Woordenboek werd gegeven van al het Friesch, — oud-, middel- en nieuw-Friesch. 

„De rangschikking der woorden is alfabetisch. Onder een hoofd worden al zoo ge- 
bracht die welke in de tegenwoordige taal nog voelbaar samenhangen , zooals „bâ'\ 
Anders worden ze elk onder een hoofd gebracht, gelgk bij „baerch" en „baen". 

„Tusschen haakjes wordt aangegeven waar de uitspraak der woorden afwjjkt van 
de gewone spelling, die door het Frysk Selskip is aangenomen; terwijl de klemtoon 
of het accent , zoo noodig , aangewezen wordt door een splits (') achter de lettergreep 
met den hoofdklemtoon. 

„Bij de werkwoorden worden de zoogenoemde hoofdtijden en, zoo noodig, de ver- 
schillende persoonsvormen aangegeven , met hunne verscheidenheden en afwijkingen , 
zooals: gean^ dou giest , hy ffiet t ivy geane ^ ik gong y //«/«^/Dongrdln., ik goun. 

„Het geslacht wordt aangeduid door m , f. en n. De woorden waar men het lid- 
woord it voor plaatst, zijn onzjjdig. Met m. en ƒ. worden de woorden aangegeven, 
die naar het natuurlijk geslacht mannelijk of vrouwelijk zyn. By de overige wordt, 
als het geslacht niet duidelijk is, alleen een s. (substantief) geplaatst. Ofschoon deze 
woorden in de levende taal het meest met het mannelijk pronomen worden gebruikt, 
komen sommigen in de dichter- of schqjftaal met haar vaak individueele persoons- 
verbeelding vrouwelijk voor. Voorts wordt c.<7. (communis generis) bij die diernamen 
geplaatst, waar tot nader aanwijzing van het geslacht eene aanduiding noodig is: 
in mantsje-fink b v. , of zooals bij lerp, Ijip (kievit) de hy of de aij ; voorts bij woorden, 
die zoowel voor een man als voor eene vrouw worden gebezigd, zooals b.v. babbel- 
der , múrbrekker , enz." 

Op deze grondslagen rust de bewerking van het Friesch Woordenboek » waarvan 
hot mij een genoegen is thans het eerste deel met de letter H. te kunnen afsluiten. 
Nog twee deelen van omtrent gelijken omvang kunnen worden verwacht. Overigens 
heb ik er nog maar weinig bjj te voegen. In den beginne vorderde het werk slechts 
zeer langzaam. Verschillende omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Vooral 
ook de voorbereiding die, voor elk vel druks, aan de samenstelling der perscopie 



1) Zie over Doomkaat Koolman b.v. B^dr. tot het Ofrie. Wdbk., Inleid. lY. 



vil 

voorafging, werkte vertragend. Aan ieder van de ruim twintig her en der verspreid i* 
medehelpera werd een hectografisch geschreven proef blad toegezonden, om daarop 
hunne aanmerkingen en bijvoegingen meê te deel en. Reeds hiermede waren telkens 
eenige dagen gemoeid. Vervolgens hadden de beide hoofdbewerkers al dat werk te 
beoordeelen, het bruikbare van het onbruikbare, het wenschelyke van het overtol- 
lige te schiften. Eerst daarna kon daaruit , zooveel mogelijk in geleidelijke orde , 
de perscopie worden gereed gemaakt , die somtijds nog herhaalde revisiën vereischte. 
In Juni 1899 waren dan ook nog slechts 22 vellen in het licht verschenen. Reeds 
voooaf was er ernstige zorg gebleken te bestaan biJ Heeren Gedeputeerde Staten, 
dat de voltooiing van het geheele werk, hetwelk op ruim honderd vellen werd ge- 
schat, nog een reeks van jaren op zich zou kunnen laten wachten, en dat de Staten 
van het gewest wellicht niet voortdurend genegen zouden worden bevonden daarvoor 
telken jare op nieuw een betrekkelijk belangrijke som toe te staan ; zoodat zij ducht- 
ten, dat het werk, hun evenzeer als ons ter harte gaande, misschien te eeniger tijd 
zou moeten worden gestaakt. Teneinde dit te verhoeden wenschten zjj, dat het werk, 
dat dan toch na lange voorbereiding in brouillon gereed lag, met veel meer kracht 
zou worden voortgezet. Vandaar hun voorstel aan de beide Bewerkers om het aan- 
tal medehelpers tot zeer enkelen van de bekwaanisten te beperken en ook het werk 
zelf in enkele opzichten te bekorten. Evenwel niet in die mate, dat daardoor op 
de bovengemelde grondslagen zou moeten worden teruggekomen. Ged. Staten ver- 
klaarden zich met ons overtuigd, dat de beteekenissen der woorden, vaak in ver- 
schillende schakeeringen, het best door voorbeelden konden worden opgehelderd, 
maar tegen overlading daarvan streden zij. Ook zouden sommige invoegingen , als 
kinderrympjes, beschrijvingen van kinder- en volksspelen en volksgebruiken , enkel 
ter illustratie en meer geschikt in een werk over het Friesche Volksleven dan in 
een taalkundig Woordenboek — alsmede erg verminkte woordvormen, waarvoor de 
juistere woorden in de meer beschaafde friesche taal in gebruik zijn , behooren te 
worden achterwege gelaten. 

Tegen de inwilliging dezer wenschen van Heeren Gedeputeerde Staten meende de 
heer Dr. Buitenri'st Hettema bezwaren te moeten maken. Hem werd toen als Me- 
debewerker van het Friesch Woordenboek — op zijn verzoek , op eervolle wijze ont- 
slag verleend. 

Thans werd — altijd met handhaving der reeds meer gemelde grondslagen, maar 
in overeenstemming met de wenschen van HH. Ged. Staten — de verdere wyze van 
bewerking nader geregeld. Evenwel met nog éëne wijziging. Op hun verlangen 
werd nu met het stelsel van medehelpers — als veel te tijdroovend — geheel ge- 
broken. De medehelpers kregen echter de toezegging, voortaan, evenals tot nu toe, 
de afgedrukte vellen van het Woordenboek te zullen bljjven ontvangen, met het 
verzoek, om de niet alledaags voorkomende friesche woorden, die zij wellicht moch- 
ten hebben verzameld, aan de Redactie te doen toekomen. Een enkele hunner heeft 
aan dit verzoek een zeer gewaardeerd gevolg gegeven. 

Is het eenerzijds te betreuren dat wij thans verstoken zijn van het middel om onze 
woordenschat nog te verrijken, anderzjjds is het mjj eene voldoening te kunnen me- 
dedeelen, dat de voortgang van het werk er krachtig door is bevorderd. Sedert de 
wijziging van het werkplan zgn in den tiJd van omstreeks een jaar twaalf nieuwe 
Tellen van het Woordenboek in het licht verschenen. 

Voor een belangrijk deel danken wij dit mede aan den ijver van den heer S. K. Feitsma, 
thans te Arnhem. Na van den beginne af aan mede aan de uitgaaf werkzaam te 
lijn geweest, was hem bg de nadere regeling er van wegens zyne kennis en toewij- 
ding een meerder aandeel in de bewerking voor de pers toegekend. En thans na de 



Viïi 

voltooiing van het eerste deel , werd met zijn goedvinden en gemeenschappelyk over- 
leg tusschen de Commissie van Toezicht en ia\] besloten hem voortaan openlgk als 
Medewerker te vermelden. 

Moge het ons gegeven zgn met gelyken ^ver als in het laatste jaar voort te 
werken, dan vertrouwen we, dat ook de twee nog volgende deelen binnen v^ jaren 
in het licht kunnen zyn verschenen. 

De door den heer Joham Wimklbr bewerkte L^jst van Eigennamen, die b^ den 
aanvang van het drukken reeds persklaar in gere^heid lag en thans geheel voltooid 
is, zal dan het vierde deel van het geheele Friesche Woordenboek uitmaken. 

Voor de verkortingen, in het Woordenboek voorkomende, raadplege men de hier 
bijgevoegde Ljjst. 

Holwerd, Juli 1900. WALING DIJKSTRA. 



.>5»0<>ï 



Lijst van Vorkortingen. 



Lijst van Verkortingen, 



bevattende 



A. . Grammaticale uitdrukkingen ; namen van plaatsen , ter aanwijzing 
van dialectverschil of van aldaar vooral in gebruik zijnde woorden ; andere 

talen en dialecten ; teekens. 



abus. abuKievelijk, verkeerd, bij vergissing. 

Achtk. Achtkarspelen. 

adj. adjectivura , bijvoegelijk naamwoord. 

adv. adverbium , bijwoord. 

Ags. Angelsaksisch. 

Big. algemeen. 

AmeL Ameland. 

art. articulus, lidwoord. Ook: artikel, ter 
aanwijzing van een in het Woordenboek 
verklaard woord. 

BaarddL Baarderadeel. 

Barrad]. Barradeel. 

b^Jv. bijvoorbeeld. 

Bzw. Beetsterzwaag. 

ca. cum annexis, en aanhoorigheden. 

calemb. calembourg, woordspeling. 

cfl conform, overeenkomstig, overeenstem- 
mende met . . . 

Cg. communis generis, gemeenslachtig. 

coUect. collectivum. 

coznp. comparativus , vergelijkende trap. 

conj. conjunctio, voegwoord. 

DantdL Dantumadeel. 

dat. dativus, derde naamval. 

dem. of dim. diminitivum , verkleinwoord. 

Dokk. N.Z. Dokkumer-Nieuwezijlen , in 
(Jostdoogeradeel . 

Doil£^dlii. Dongeradeelen , de gemeenten 
OoMt- en Westdongeradeel. 

Dr. Drente. 

e.a. en anderen. 

e.e. en elders, op andere plaatsen. 

eig, eigenlyk, in eigenlijken zin. 

Eng. Engelscb. 



en-sa-foart-hinne , enzoovoort. 
etc et caetera, enzoovoort. 
euph. enphemisme, bedekte of verzachte 
aitdnikkiiig. 



expr. adv. expressio adverbialis , bij- 
woordelijke uitdrukking. 

f. feraininura , vrouwelijk. 

Perwdl. Ferwerderadeel. 

tig, figuurlijk, in figuurlijken zin. 

Pra. Fransch. 

ftreq. frequentativus, werkwoord van her- 
haling. 

fut. futurum , toekomende tijd. 

Gaasterl. Gaasterland. 

gen. genitivus, tweede naamval. 

gew. gewoonlijk. 

greidh. in den greidhoek. Zie: greid- 
hoeke (in 't Woordenboek). 

Gron. stad of provincie Groningen. 

Hardgr. Hardegarijp. 

Haskerl. Haskerland. 

Hd. Hoogduitsch. 

Hem. Oldef. Hemelumer Oldefaert en 
Noordwolde. 

Hexindl. Hennaarderadeel. 

Hl. Hindeloopen of Hindeloopersch. 

Holl. Hollandschfe volkstaal). 

hoU.isme, hollandismo, woord of uit- 
drukking uit het Hollandsch overgenomen of 
verfriescht. 

ibid. ibidem, ter zelfder plaatse. 

ixnp. imperativum , gebiedende wijs. 

iinperf. imperfectum , onvolmaakt verle- 
den tijd 

inf. infinitivum , onbepaalde wijs. 

Inl. Inleiding. 

interj. interjectio, tusHchenwerpsel. 

inz. inzonderheid, in 't bijzonder. 

iron. ironisch , schertsend. 

Klei of KleistP. (Friesche) kleistreken. 
Zie: klaei (in 't Woordenboek). 

KoUuml. Kollumerland. 



XII 



f ' 



I 



Li. bl. Losse bladen. MS. 
Leeuw. Leeuwarden. 
Leeuwdl. LeeuwarderadeeL 
Lfr. Landfriesch. 

m. masculinum, mannelijk. 

Mkm. Makkum. 

Mkw. of Molkw. Molkwerum. 

Mndl. Middelnederlandsch. 

Modderg:. Moddergat. 

n. neutrum, onzijdig. 

Ned. Nederlandsch. 

NHoU. Noordholland. 

Nholl. Noordholland(8ch). 

nL namelijk. 

Noh. Noordoosthoek van Friesland. 

NoordeL Noordelijk, in 't N. deel der 
provincie. 

Noordfr. Noordfriesch. 

num. numeralium, telwoord. 

Nwh. Noordwesthoek van Friesland. 

Odong^dl. Oovstdongeradeel. 

omstr. omstreken. 

ong, ongeveer. 

onr. onregelmatig. 

Oostel. Oostelijk, in 't O. deel der pro- 
vincie. 

Oostfr. Oostfriesch. 

Opsterl. Opsterland. 

OSteU. Ooststellingwerf. 

Oudfr. Oudfriesch. 

overdr. overdrachtelijk. 

part. participium , deelwoord. 

pL pluralis , meervoud. 

Platd. IMatduitsch. 

pp. of part. pass. ])articipium passivum, 
verleden deelwoord. 

praep. praepositio, voorzetscd. 

praes. praesens, tegenwoordige tijd. 

pr. pers. pronomen personale, persoon- 
lijk voornaamwoord. 

pr. poss. pronomen possessivum , bezit- 
telijk voornaamwoord. 

pr. reL pronomen relativum, betrekkelijk 
voornaamwoord. 

pron. pronomen, voornaamwoord. 

Prov. proverbum , spreekwoonl. 

Prov. BibL Provinciale Bibliotheek van 
Friesland. 

Ps. psalm. 

regiem, reglement. 

8. substantivum , zelfst-andig naamwoord. 

s. verb. substantivum verbale , werk- 



woord als zelfstandig naamwoord 

Sagrelterl., SaterL Sagelterla 
Saterland in Oldenburg. 

Schierm. Schiermonnikoog of S 
nikoogsch. 

Schoterl. Schoterland. 

Bg. singularis, enkelvoud. 

syn. synoniem, zinverwant. 

Smalland. Smallingerland. 

spr. uitgesproken. 

Sprkt. spreektaal. 

sprkw. spreekwoordCel^k) , îq)r 

Stadfr. Stadfriesch. 

Stav. Stavoren. 

Suaw. Suawoade. 

superL superlativus , overtreffe 

Tersch. Terschelling. 

TietJ. Tietjerksteradeel. 

triv. triviaal, gemeen, plat. 

Uret. Ureterp. 

V. verbum, werkwoord. 

Veenw. Veenwouden. 

verk. verkort. 

Vgl. vergelijk. 

voc. vocativus , (naamval van) i 
roepnaam. 

volkst. volkstaal. 

VS. versregel. 

V. V. en volgende pagina, of ■ 
jaargangen. 

Wang. Wangeroog of Wangei 

Wdongdl. Westdongeradeel. 

Westel. Westelijk, in 't W. dt 
vincie. 

Westfr. Westfriesland. 

Wkm. Workum. 

Wonsdl. Wonseradeel. 

Wouden of Woudstr. in de 
ken. Zie : walden in 't Woorder 

z.d. zie daar, verwijzing naar 
als artikel. 

Zh. of Zuidel. Zuidhoek van 

Zoh. Zuidoosthoek van Friesla 

Z'wh. Zuidwesthoek van Fries 
X kindertaal. 

" weinig gebruikelgk. 

* dichterlijk of boeketaal. 

t verouderd. 

' splits achter de lettery; 

klemtoon op valt. 
. . . uitlatingsteeken (bg cita 
scheiding tusschen 



B. Aangehaalde Geschriften. 



'con Frisicum A. Folio handschrift, 
920 bladzijden, waarin Dr. J. H. 
, zonder geregelde volgorde , al 
I , gezegden, enz. die hij gedurende 
leel van zijn leven in zakboekjes 
ekend , heeft neergeschreven met 
van vele op- en aanmerkingen , 
n en toelichtingen. 

Bladz. 1-12 van het MS. Lexi- 
d gemerkt. 

on Frisicum B. Een dergelijk fo- 
irift als A. in IG** en 576 bladzijden. 

dezer Lexicons is een Index of 
fndi'x'B zijn tusschen de alfabetisch 
cte woorden hier en daar ook nog 
igen door den schrijver gemaakt, 
idschriften , behoorende aan de 
'riesland, waren met het gedrukte 
'isiruni , A — Feer (zie Lex.) een 
•onneii voor de bewerking van dit 
►ordenboek. 

131. 1 — 16 van het MS. Lex ion 

n Idadz. :»— 16 gemerkt zijn A , 

•:. F, (1, H, I, K, L. M, N, O. 

Index A. ) 

T j ï» ( Zie hierboven. 

ie onder letter B. 

\. Adema. De JSparpot. Teltsjes 

l'^Tó. 
e acte fen de oorienkomste , slet- 
it Bistjûr fen 't Selskip for fryske 
criftenkennis^e en de hear B. H. 

. oer de biwarringe fen de eare- 
•rjuchte to Grou , for de broerren 

Halbertsma. 
K. Aartsma. In buike oan 'e hou- 

Blyspil mei sang yn ien bidriuw. 

7. It libben fen Aagtje Ysbrants 
:e boerinne, van Eelke Meinderts. 
. 1^27, 1861. 
Herman Albarda. Naamlyst der 
incie Friesland in wilden staat 
en vogels. 1865. 1874. 



Als lokk. AUegearre lokkich. Bljjspil 
yn trije bidriuwen, fen F. H. 1883. 

Alm. 12", Friesche Almanak in duodecimo. 

Alth. Jan Althuysen. Friesche Rymlerye , 
waarin ook gedichten van Symen Althuysen. 

B. K. B. Kooistra. Njje Forteltsjes. 

Benif bk. Benificiaal boeken van Friesland. 
1850. 

B^ek. De Bjjekoer. Frysk Jierboekje 
1846- -1895. 

BI. kr. Blaumoandeiskrante (van H. S. 
Sytstra). Twee nummers. 1856, 1857. 

P. BI. P. Bleeksma. Al to . . . In for- 
hael, voorkomende in Forjit my net! 1874. 

V. Blom, Dr. Halb. Dr. J. H. Halberts- 
ma, foreare held for Fryske tael en Fryske 
sin. 1879. 

V. Blom, Spr. Mr. Ph. van Blom. Be- 
knopte friesche Spraakkunst voor den tegen- 
woordigen tijd. 1889. 

V. Blom, Sédlken. Mr. Ph. van Blom. 
De âlde fri'ske wetten oer de sédiken, yn 't 
liacht der skiednis biskôge. 1863. 

V. Blom, Bik. J. G. van Blom. Blom- 
mekoerke oanbean oan syn lânzljue. 1869. 

Boereschr. De Boere Schrieuwer oer it 
nys fin de dey. 2 Stikjes 1821. 

Boere vr. Boere Vriesk , yn rym en on- 
rym, mei en lyst vin oade sprekwudden, 
wat di ynt stedske betudde 1821. 

A. B. , Doarpke. A. Boonemmer. It 
doarpke oan 't spoar. Rïm en ûnrîm. 1875. 

A. B. , Joiinpr. A. Boonemmer. DeJoun- 
pratei-8 te Stoppelgea. 1855, 1876 en 1886. 

A. B. , Poarl. A. Boonemmer. Foarlê- 
zingen (3e gewijzigde druk van „de Joun- 
praters", z. d.). 

Baes Teake. D. Hansma. Baes Teake 
boask. (Een verhaal). 

Bruinsma, J. J. Bruinsma. Flora Frisica. 
1840. 

Br. en Eekh. P. Brouwer en W. Eek- 
hoff. Nasporingen betrekkelijk de voormalige 
Middel zee in Friesland 18:34. 



XIV 



Buma, D\|kr. J. Minnema Buma. Bij- 
drage tot de Geschiedenis van het dijkrecht 
in Friesland. 1853. 

Buma, Boerebr. Buma. Boerebruiloft. 

Burker\|. Di Burkerij of it Boere be- 
drief , verdeeld yn fjouwer tieden fin it jier. 
By eltjoor brocht trog ien boere zoon. 1774. 

Burm. C. C4eor<^ van Burmania. Der oude 
Vrije Friesen Spreeckwoorden. 1614. Hand- 
schr. Prov. Bibl. 

Chb. V. Pr. Schwartsenberg. Het groot 
Placcaat en Charterboek van Vriesland. 
1768—1798. 

G. O., Pr. Spr. G. Colmjon. Beknopte 
friesche Spraakkunst voor den tegenwoordi- 
gen tijd. 1863. 

Colm., Lukas. G. Colmjon. It ewan- 
geelje fen Lucas (Landfriesche vertaling). 1879. 

Conter. H. Conter. Gedichten in het 
dialect van Schiermonnikoog. MS. 

Cupenis. D. Cuperus. In Prieuke om 
om 'e gong to kommen. 1882. 

D. H. Zie onder letter H. 

Dr. H. Zie onder letter H. 

V. Dale. J. H. van Dale. Woordenboek 
der Nederlandsche taal. 1874. 1884. 

W. D., Doaitse. Waling Dykstra. Doait- 
se mei de Noardsce Balke. Fryske Sang- 
kjes. 1848. 2« dr. 1850. 3« dr. 1858. 4e dr. 
1897. 

W. D., Heam. Waling Dykstra. It Hea- 
miel by Gealeboer, teltsjes yn rym en on- 
rvm. 1S5C. 2e dr. 1853. 

W. D., Winterj. Waling Dykstra. Win- 
ter jounen by (ïealebocr. Teltsjes yn rym en 
onrym. 1851. 2-^ dr. 1860. 

W. D., Süv. Rinkelb. Waling Dykstra. 
De Silveren Kinkelbel. In wonderlike skied- 
nis. 1856. 2^ dr. 1866. 3« dr. 1887. 

W. D., In Doaze. Waling Dykstra en 
T. G. V. d. Meulen. In Doaze fol alde Snyp- 
snaron. Bernerymkes , berneboarterijen , enz. 
1856. 2" druk. 1882. 

W. D., Diaken. Waling Dykstra. In 
diaken vn to giist by de boer. 1858. 

W. D., Mink. Waling Dykstra. Mink mei 
't orürel , ny IVïsk Lieteboek. 1860. 

W, D., Th. Ulesp. Waling Dykstra. De 
friske Thil Ule>!pe,'rel of de wonderlike lib- 
ben^kiedenis fen Hantsje Pik. 1860. 2« dr. 1879. 
3e dr. 1895. 

W. D., Utdr. Winkel. Waling Dykstra. 



De Utdragerswinkel of de keap nimt de hier 
wei. Kluchtspil mei sang. 1860. 

W. D., In Utfenh. Waling Dykstra. In 
ütfenhûzer by de bakker. Blijspil mei sang. 
1860. 

W. D., A. Ysbr. It libben fen Aechtje 
Ysbrandts , uitgegeven door Waling Dykstra. 
1861. 

W D., Jelbe-Beits. Waling Dykstra. 
It fryen en trouwen fen Jelbe Greidboer en 
Beitske Buterblom. 1861. 

W. D., De Gjir£:ens. Waling Dykstra. De 
gjirgens bidraecht de wysheid. Blijspil. 1862. 

W. D., Haeitskem. Waling Dykstra. 
Haitskemoais neitinken oer de frânske tiden. 
1864. 

Idem. Haitskemoais Klachten yn 'e winter. 
1855. 

W. D., BoereaJ. Waling Dykstra. De 
Boeresjonger. Lieteboek for feinten en fam- 
men. 1867. 

W. D., Twa St. Waling Dykstra. Twa 
grappige Stikken, Frits Reuter neiforteld. 
1870. 

W. D., Ald-Ny. Waling Dykstra. Aid 
en Ny. Rimen en Teltsjes for liû, dy *t 
graech ris hwet yn 't iepenbier foarlêse wolle. 
1871. 

W. D., Pr. Sang:. Waling Dykstra. Friske 
Sang. Ny Lieteboek mei Qirtich Sangen. 1874. 

W. D., Seakele. Waling Dykstra. Brie- 
ven fen Seakeleboer oan syn wiif oer 't L&n- 
boukongres op 't Hearenfean. 1875. 

W. D., Oeb. Glûp. Waling Dykstra. 
Oeble Glûper , blyspil yn fiif bidriuwen , fry 
forfrïske nei Molière's Tartuffe. 1875. 1884. 

W. D., Nut-Nocht. Waling Dykstra. For 
Nut en Nocht; Rimen en Teltsjes. 1875. 

W. D , Sokke mear. Waling Dykstra. 
Sokke mar mear! Kluchtspil mei sang in 
ien bidriuw. 1876. 

W. D., Praetst. Waling Dykstra. Foc 
de Praetstoel en de Hirdshoeke. Rym en 
Onrym. 1877. 

W. D., Bûterfet. Waling Dykstra. In 
't forgulden Bûterfet. Blyspil mei sang ïn 
trye bidriuwen. 1877. 

W. D., Losse St. Waling Dykstra. Losse 
Stikken yn rym en onrym. 1878. 

W. D., Skearb. Waling Dykstra. De 
Skearbaes Dokter. Blijspil mei sang, nei 
Molière's Le Medecin malgn* lui. 1878. 



XV 



L, Ut-Thús. Waling Dykstra. Ut 

Rym en Onrym. 1880. 
>^ Barder-Letter. Waling Dyk- 
tn earder en letter. Riinen en tel- 
B83. 

)., ^ena wird. Waling Dykstra. 
inl moat men haUle. Bliispil mei 
ien bidriuw. 188:i. 

>., Boel bitsj. Waling Dykstra. De 
l bitsjoend. Blyspil yn trije bidriu- 

>., "Wintergr. Waling Dykstra, Win- 

Ryra en onrym. 1886. 
., NeiSTW. Waling Dykstra. Neiswyl- 
m en onrvm. 1887. 
>., De Dochter. Waling Dykstra. 
iter fen de ald Soldaet, forhaei. 1888. 
., Op Mae\ie-dei. Waling Dykstra. 
[jeilei by Wigle Kwanselder. Klucht- 

n. 

>., Pp. Volksl. Waling Dykstra. 

dands Volksleven van vroeger en later. 

895. 

>., Forsl. Bern. Waling Dykstra. 

ere Bern. Teltsjes yn rym en onrym. 

Zie onder HCalbertsma). 

lys hif ke. De domenys hif ke , 
Ien te ligt achte, fen W. de Jong 

1840. 

psk. De Doarpskomeedsje , slotsan- 
ipletten en foardrachten. 1876. 

u Kluchtige zamenspraak tus- 
en e<lelman en een boer, die met 
laar Leeuwarden gingen om het in- 
te zien van hare doorluchtige Hoog- 
)rins Johan Willem Friso en prinses 
^uisa van Hessen Cassel, 2 Jan 
>or Mr. D. Simonides, schooldienaar 

loff, Gesch. V. Pr. W. Eekhoff. 

e geschiedenis van Friesland , in 

kken. 1851. 

., GelokTV. Zie Meinderis. 

a. Eman (E. Ferwerda), geneesheer 

Wdongeradeel). In Winterjounsgear- 

bv Jolleboer. 1851. 
E. Epkema. Woordenb. op de ge- 
en verdere geschriften van Gysbert 
1H24. 

. P. , In bytQje. S. K. Feitsma. In 

it folie. Frysce rimen. z. j. 



S. K. P. , Saun ris som. S. K. Feitsma. 
Saun ris som. Grappige Teltsjes yn onrym. z.j. 

S. K. P., Spr. en Lèz. S. K. Feitsma. 
For öprekkers en Lezers. Grappige teltsjes 
yn onrym. z.j. 

S. K. P., Eax der-Letter. S. K. Feitsma. 
Fen Earder eu Letter. Samle Frysce-Rimen. 
1891. 

S. K. P., Mearkes. S. K. Feitsma. Fryske 
Mearkes nt 'e folksmûle opskreaun. 1892. 

S. K. P., Húsbisiik. S. K. Feitsma. In 
domenys hüsbisiik en oare grappige foar- 
drachten. 

S. K. P., Printsjes (in: Forjit my net! 
1892, pag. 25). 

S. K. P., Lyst. S. K. Feitsma. Alfabe- 
tische Lijst van Friesche i^laut- en dierna- 
men. MS. 

S. K. P., Majkas. S. K. Feitsiua. Hot 
Evangelie van Markus vertaald in het Land- 
friesch. 1897. 

Porj. Forjit mynet! Tydskrift litjown fen 
'tSelskip for fryske tael- on skriftenkennis.se. 
1871—1895 v.v. 

Preech-al. De friske Freechal, in Iduna 
1866; behelzende eene lijst van dierennamen 
in het Latijn , Hollandsch en Friesch , van 
Gondebald (Johan Winkler.) 

Pr. Alm. Frysk almanak for it jior 1846, 
1847. Hiervan zijn slechts twee jaargangen 
verschenen. 

Pr. Ort. Friesche Courant 

Pr. Porj. Fryske Freech-al (Vraag-al) in 
het tijdschrift Forjit my netï 
Pr. Jierb. Friesch Jierboeckjen, uwtjown trog 
it Friesch Genoatschip foar schyd-, lulheyte-in 
tealkinde. 1829, 1880, 18:^, 1883, l^'oA, 1835. 

Pr. Lésb. Waling Dykstra. Frysk Les- 
boek. Rym en Onrym , lit it wirk fen for- 
skate fryske skriiiwers ])y enoar soclit. 1888. 

Pr. Vbl. Friesch Volksblad. Weekblad 
in 't Holl. en Fr. 1876 v.v. 

Pr. Volks-alm. Friesche Volks-almanak, 
uitgegeven 1886-1866 ou 1884— lSï)9. 

Pr. Wjn. Fryske Winterjoune-Nocht. Rym 
en Onrym. I. (W. Dykstra en T. G. v. d. 
Meulen) 1861. II en UI (\V. Dykstra on G. 
Colmjon) 1864 en 1866. IV (W. Dykstra 
en A. Boonemmer) 1872. V (W. Dykstra) 
1876. 

Q. O. Zie onder letter C. 

G. P. Zie onder letter T. 



XVI 



Gabb.y Simon Abbes Gabbema. Verhaal 
van de stad Leeuwarden. 1701. 

GfiBr-spraek. Ga^r-spraek f en Woutir en 
Tjalle oer dy bruiloft fen mynhear M. Lyk- 
lama in Juf f ir Perk k Gosliga. 1714. 

GeO£^. "Wb. Geo<2p:aphiseh woordenboek 
van Friesland. Leeuw. 1736 

Gids-tentoonst. Gids voor de bezoekers 
der Historische tentoonstelling van Friesland, 
in 1877. 

Dr. B., M. Jorrits. E. Halbertsma. Minne 
Jorrits reis nei 't Kollumer oproer. 1851. 

Dr. E., Quickborn. E. Halbertsma. de 
Quiekborn , platduetske rymkes yn 't Frysk 
oerbrocht. 1857. 

Dr. E., Jonkerb. E. Halbertsma. De 
Jonkcrboer of Krystiid en Sint Stefien yn 
ald Frysh\n. 1858. 

Halb. in Q. J. Halbertsma in Gysbert 
Japiex. Een Ex. van G. Japiex Friesche 
Rynilerije, met geschreven aanteekeningen 
van J. H. Halbertsma. Prov. Bibl. 

Halb. in Epk. .1. H. Halbertsma in Ep- 
kema. Een ex. van Epkema's Woordenb. op 
Gysbert Japiex, met geschreven aanteekenin- 
gen van J. H. Halbertsma. Prov. Bibl. 

Halb., Lapek. J. H. en E. Halbertsma. 
De Lapekoer fen Gabe Scroar. 1822, 1829, 
18:34. 

Halb., Wl. Lpk. J. H. Halbertsma. 
Woordenlijst op „De Lapekoer fen Gabe 
Scroar". MS. 

Halb., Hulde. II. J. H. Halbertsma. 
Hulde aan Gysbert Jacobs , 2de stuk. 
1828. 

Halb., Oan E. J. H. Halbertsma. Oan 
Eölus oer it needwaer fen de 29 Novimber 
1836. 1837. 

Halb., Ov. alm. J. H. Halbertsma. Over- 
Ijsselsche Almanak. 1836. 

Halb., Ruen. J. H. Halbertsma. De 
Noärger Ruen oan Gabe Scroar. In brief 
screaun yn 'e moanne. 1836. 

Halb., N. O. J. H. Halbertsma. Letter- 
kundige Naoogst. 1840 en 1845. 

Halb., Matth. J. H. Halbertsma. Het 
Evangelie van Mattheus vertaald in het 
Landfriesch. 1858 en 1884. 

V. Hall. van Hall. Neerlands Planten- 
schat. 1854. 

D. H. Uwnk-Lok. D. Hansma. Uwnk en 
Lok. ïen teltsje uwt it folkslibben. 1856. 



D. H., In bult. D. Hansma. Ii 
heal kynsen Eat uwt it libb< 
breklik minske. Dockum. z. j. 

D. H., D. Hansma. Sippe Sche 
Dockumer furie troch de Waelei 
1572. 1872. 

D. H., Unl. tiid. D. Hansma, 
tiid to Snits 1874. 

Hepk., 4 Rotten. J. Hepke 
rotten ïn ien falie of lieafde sik* 
neelstik yn trye bidriiien 1871. 

Hepk. J. Hepkema. Heech oa 
brêgge net ienris bisile. Toanie 
bidriuw. 1874. 

Hepk., Adv. J. H*»pkema. Ni 
tentie-blad. 

W. H. , Teltsj. IJtlijcke for 
oonteekene trog Watze Harings. 

Hett., Ems. Landr. M. de 
tema. Het Emsiger Landrecht v 
1312. Naar een oorspronkelijk 
handschrift uitgegeven met eene 
sche vertaling en aanteekeningei 

Hett. en Posth. M. Hettt 
Posthumus. Onze reis naar Sï 
1836. 

Hett., Rymkes. M. de Haai 
Frieske, Hilgelaonner en Noardf 
kes. 1841. 

Hett., Idiot. M. de Haan Het 
ticon frisicum. Frie.sch-latijnsch-n 
woordenboek. 1874. 

Hylk. S H. Hylkema. De toa 
ling to Jelryp. Toanielspil yn fjoi 
wen. 1881. 

Hl. alm. Hynlepre Seemans-Aliu 
in Hulde 11.^ Zie Halb. 

HoeuflFt. Hoeuflt. Taalkundi 
kingen op eenige oudfriesche sprt 
1812. 

Honigbye. De Honig-Bijo (Tij 
kei met gedichten) Leeuwarden, 

H. S. Zie onder letter S. 

H. Z. Zie onder letter Z. 

Hsft*. De Frïske Hiisfrjeun. 
rïm, litjown fen Waling Dykstra, 
wirking fen oaren. 1851 — 18r)9. 

HÛS-Hiem. For HCis en Hieii 
for it fryske Hiisgesin. 188s— ls< 

ld. Iduna. Frïske Rïm end Vu 
1861 ; 2» reeks tot 1870. 

It j. Prysl. P. J. Troelstra oi 



XVII 



jonge Fryslân. Sanj^en en rimen 
e fryske skriuwers. 1881. 

boosk. Het jonge lieuws boosk , 
yn fyf bvdrieuwen (in een alm. 
2« dr. 1830). 
Il Zie onder lett. S. 
Gysbert Japicx. Frieache Rijmlerje. 
Irawck. 1821. 

i de Stoarm. P. J. Troelstra. 
tn. Rym en Onrym. 
>P8. Pieter Jelles (P. J. Troel- 
eerij fen âlde Foekje fen Heech. 

Vermaak der Slachterij ; boer- 
f (in Leeuw, tongval). 1823. 

Zie onder letter A. 
. Zie onder letter A. 
ut de Wkt. Vriesche en Holland- 
3 van den schippersveint of Kees 
oftdkant (C. H. Landmeter). 1840. 
iliaan. 

, redev. R. Koopmans. Rede- 
1 en Verhandelingen. 1819. 

ü. Koopmans. lepene brief. 
I. M. T. Laurman. Proeve van 
alkundige bijdragen tot beter ken- 
ien Groninger tongval. 1822. 
Ct. Leeuwarder Courant. 
Watervl. J. van Leeuwen. Ge- 
ig tafereel van den Watervloed 
md, in Sprokkelmaand 1825. 1826. 
). It Lieteboek. Frysce sang mei 
ing, throch J. van Loon Jz. en M. 
1876 

W, Leed in Wille in de Flotgier- 
J. H. Halbertsiua en E. Halbert^ma. 

>r. J. H. Halbert.snia. Lexicon Fri- 

l-Feer. 1874. 

L. G. li. Looijenga. Dove Johannes. 

Zie onder letter V. 
Uoeml. (Dr.) F. Buitenrust Hctte- 
m lezing uit Middelfriesche geachrif- 
len 1888. 

J. H. lialbertsma. Aanteekenin- 
et vierde deel van den Spiegel His- 
n Jacob van Maerlant. 1851. 

Mayke Jakkeles. 
. Zie Halb. 

L Mejjera Woordenschat, in drie 
asterdwoorden , kunstwoorden, ver- 
foorden. 12« dr. 1805. 



Meinderts, Volle gel. ËelkeMeinderts. 
Volle gelok en wolkomst winsk oon har 
trogluftige heegheden Willem V, enz. 1777. 

Molema. H. Molema. Woordenboek der 
Groningsche tongval in de 19^® eeuw. 1887. 

Nav. De Navorscher, Tijdschrift. 

Nfr. Bloeml. (Dr.) F. Buitenrust Het- 
tema. Bloemlezing uit Nieuwfriesche ge- 
schriften. 1888 

Nysb. Frïske Nysbode. Weekblad geheel 
in 't Friesch, uitgegeven van 28 Juni 1864 — 
20 September 1865. 

Octr. Veersch. Hol'w. Octrooi voor de 
veerschippers van Holwerd op Leeuwarden 
en Dokkum. MS. 1658. 

O. P. W. Oude friesche wetten , met eene 
nederduitsche vertaling voorzien door P. 
Brandsma. Campen en Leeuwarden. 1782. 
2 stukk. in 1. 

Over. Alm. Zie Halb. 

P. BI. Zie onder letter B. 

P. J. Zie onder letter J. 

Plaatsbesohr. Bydragen tot de Genees- 
kundige Plaatsbeschrijving van Friesland, 
II. 1872. 

Q. P. Schriftelijke bjjdragen van G. Post- 
ma, uit Ureterp, Suawoude, enz. 

G. P., Swealtsjebl. G. Postma (Ids). 
Swealtsjeblommen , rym en onrym. 1891. 

R. P. , Pr. R. Posthumus. Prieuwke fen 
Friesche RJmmelerye 1824. 

R. P., Keapm. R. Posthumus. De Keap- 
man fen Venetien, toneclstik fen W. Shake- 
speare, uut it ingels forfrieske. 1829. 

R. P. Jul. Oaes., R. Posthumus. Julius 
Caesar, toneelstik fen W. Shakespeare, uut 
it ingels forfrieske. (Met het vorige in een 
deel). 

R. P. , As Jiemme. R. Posthumus. As 
jiemme it lye mejje, in bljjspil uut it ingels 
fen W. Sheakspeare forfryske. 1829. 

R. P. , Jou^werk. R. Posthumu.s. In Jou- 
werkoerke fol friesk griemank, ree makke 
en de Friesen oonbean. 1836. 

R. P. in Bpk. E. Epkema. Woordenboek 
op de gedichten , enz. van Gysbert Japickx 
met MS. aanteekeningen van R Posthumus. 
Prov. Bibliotheek. 

R. P. , Farwol. R. Posthumus. Farwol Î 
taroppen oan myn broer in stalke W. van 
Peima. 1849. 

R. P. , Leeds. R. Posthumus. Fryske leed- 



R. P. in Wiarda. F. D. Wianla. Alt- 
friesiöches Wörterbuch. 1876. Met geschreven 
aanteekenincren van K. Posthumus. Prov. bibl. 

R. P. , De Stoarm. R. l*osthumus. De 
Stoann. Onuit^^egeven toneelstuk, naar Sha- 
kespeare's the Tempest. 

Progn. Frieselie Boerc- Proj^nosticatie. 
(l?*^ eeuw). 

R. P. Zie onder letter P. 

R. W. Zie onder letter W. 

R. Z Zie onder letter Z. 

Reis f. M. J. De reis fen Maickc Jac- 
keles fen Hallum nei Ljeauwert om it yn- 
heljen fenne IVins la sjen, yn 1778. 1830. 

Richth. Dr. K. Freilierr von Kichthofen. 
Altfriesisches Wörterbuch 1840. 

Roeker. (Tj. II. Halbertsma). De Rocker, 
I», n\ III, IV en V. To Ljeauwerd , bij 
H. C. Schetsberg. No 1, 3" dr. 1882; No. 
2, 2« dr. 18:33; No. 3, 1882; No. 4; 1833; 
No. 5, 1888. 

R. ind T^^^ Rimen ind Teltsjes fen de 
Broarren Halbertsma. 1" dr. (1871). 2« (1881). 
:> (1888). 4« (1895). 

Roosjen. S. O. Roosjen, N. D. Kroese en 
W. Eekhoif. Merkwaardigheden van Hinde- 
loopen, benevens taalproeven in rijm en on- 
rijm. 185.5. 

N. Ruen. Zie Halb. 

S. K. P. Zie onder letter F. 

Salv. J. C. V. Salverda. Hiljuwns uwren. 
1834. 

Salv., MS. Manuscript van C. Salverda, 
bevattende Friesche sj)reek woorden. In een 
band met een M8. van A Telting (zie Telt., 
MS.) en een ander van P. C. Scheltema, be- 
vattende spreekwoorden , gezegden , enz. be- 
treffende het landbouwViedrijf. Nalatenschap 
van J. II. Halbertsma. Prov. Bibl. Op het 
plat , voorzijde van den band : Frisiaca, Ada- 
gia. P. Scheltema , C. Salverda. 

Schelde-Weichs. Van de Schelde tot 
de Weichsel. Xedeiiluitsche dialecten in dicht 
en ondicht, uitgekozen en opgeheldenl door 
Joh. A. en li. Le(»pold. 1882. 111« deel. 

J. Sch., MengelTV. Mr. Jacobus Schelte 
ma. ( Jeschied- en Letterkundig Mengelwerk 
6 dln. 1818-1884. 

J. Sch., Vr. en Tp. Mr. Jacobus Schelte- 
ma. Volk>gebruiken d(;r Nederlandei's bjj 
vrijen en trouwen. 1832. 



»^\^XA. 



>_>V'lli. t i/^ïitiiti ^lA tvjiauo\'& ap V. 



Salv. MS. 

P. Sch., Sprw. P. C. Scheltema. Ve i* 
meling van Spreekwoorden, gezegden en 8 
necdoten , met aanteekeningen en ophelde- 
ringen. Twee stukk. 1826. 1831. 

Skoerahn. Fryske Skoeralmanak. 

H. S., Pr. Spr. H. S. Sytstra. Friescbe 
Spraakkunst 1854--62. 

H. S., Telt. H. Sytstra. Teltsjes en rim- 
kes, mei in foarwird fen W. Dykstra. 1 

H. S., Bloeznl. Blomlêzing nt 'e ged 
ten fen H. S. Sytstra, byenoar brochtffenQl 
H. Sytstra. N. Miedema & Co. Leeuwarden 

J. S. Jentsje Sytema. Katcchismus 
leare der wierheid, dy boer Pibe syn lyti 
feint learde. 

Sy. en R. Sljucht en Rjucht, litjownon 
der bistjûr fen Waling Dykstra. 1890 v. f 

Starter, J. J. Starter. Friesche Lust 
1620 en 1864. 

Stat. V. Friesl. Statuten en Ordoi 
tien van Friesland. 1733. 

O. St., Stellingwerf. Giet itsa? Toan 
stik vn fiif litkomsten. 1881. 

V. d. St. Zie onder letter V. 

Svr. Swanneblommen. Frysk Jierb< 
litjown fen 't Selskip for fryske tael- en akrt 
tenkennisse. 1850 v.v. 

Tj. V. Zie onder letter V. . 

Tankb. boerez. De tankbre Boerea 
tooneelspul yn icn bedrijf, meast oerset nei 
't ingelsk wurkje. 1778. 1823. 

Telt. MS. Handschrift van Mr. A. Telting. 
Vergelijking van twee handschriften van , 
Oude Frije Friezen Spreekwoorden" ; by Wü 
senbergh, Taalk. Hijdr. 11« Stuk, Voorr. Il f. 
genoemd A en B. Zie Salv. MS. 

Testemint v. Qr. W. Testament 
Greate Watse, omstr. 1586. In: Mr. J. Schet* 
tema, Geschied- en Letterkundig Mengelv 
8'' (11., 2'* st., 91. - De hierin voorkoi 
Friesche stukken schijnen te zijn verzoni 
door zijn broeder P. C. Scheltema , met n 
ook de Achlunier T e s k 1 a o w , omstree' 
1820 door hem uit toen nog bestaande dor 
s c h e r s g e b r u i k e n o])giMnaakt. 

Vad. Letteroef. Vaderlandsclie Iette^ 
oefeningen (tjjdschrift). 

Tj. V., Ringen. Tj. Velstra. De Twa rin- 
gen. Toaneelstik. 18S0. 

TJ. V., Kroantaje. Tj. Velatra. It Üoa- 



ZIX 



je. Toanielstik yn fjouwer bi- 

1. \m. 

l, SJouke. T. Velstra. Sjouke de 
»f rjueht en Hljucht j^iet er mei. Toa- 
yn fjouwer bidriuwcn. 1888. 
^, Baeüe. Tj. Velstra. Alde Baeye. 
ftik yn fjouwer bidriuwen. 1885. 
M., Mal ut. T. (4. van der Meu- 
,1 lit, mal thiis. Hlyspil. 1859. 2« 

M.. Suchten. T. G. van der Meu- 
Suchten en myn 8anj<en. In han- 
tnen út 'e Walden. 1859. 

Snieimtoj. T. G. van der Meu- 
e snieuntojounen, of in aej^epreal 
elove. Hlyspil. 1870. 

Tp. Romxn. T. G. van der Meu- 
inje Rommelpot. (Lieteboek.) 

't tsjoede. T. G. van der Meu- 
ch 't tsjoede ta 't goede. Toaneel- 
*'a bidriuwen. 

St. . Pronkskens. .1. S. van der 
De pronkskens fen 'e frouljue is de 
hjar skild. Toaneelatik. 
3t. i. 8. van der Steeji^h. Keapman 
oanielstik. 1885. 

7., R3n2ikes. H. G. van der Veen. 
Tor Friesen. 1844. 

V., Clips. H. (i. van der Veen. 
ses. ls4i>. 

^, lianteame. H. G. van der Veen. 
I<.anteiirne. 1S.55. 

7., Oerw. U. (J. van der Veen. Do 
ing der Hollanders op Nova-Sembla 
rren 1596 en 1597. fen H. Tollens 

• 

7"., BitsJ. Wrald. H. <ï. van der 

■ bitsjoende Wrâld efdenyewylde 
. 1880. 

V. van der Weg. 
5w. (Î. L. van der Zwaag. Fen al- 
Njuggen foardraohten. 1881. 
Oost-West, 32/8. Prof. P. J. Veth, 
f»n West. Verklaringen van eenige 
he woorden. 1889. 
. De vrije Fries. Mengelingen uit- 
ioor het Friesch genootschap voor 
oudheid en taalkunde. 1839 v.v. 



de V. Schriftelijke bijdragen uit Dan tu- 
rn adeel , van .T. G. de Vries. 

de Vr. W. P. de Vries. De Lapekoer 
fen Gabe Skroar trochskodde. 

Wassenb. Ev. Wassenbergh. Bijdragen 
tot den Frieschen tongval. 2 stukk. 1806. 

W. D. Zie onder letter D. 

W. Gr. Waatze Gribberts Brilloft. Kom- 
meedsje fen acht Utkomsten. 1701, 17ïW en 
1820. 

W. Gr. Wass. Waatze Gribberts Brilloft, 
uitgegeven met Aanteekeningen door K. Was- 
senbergh. 1820. 

Wiers. f. M. J. Tj. II. Halbertsma. De 
wiersizzery fen Maayke .Takkeles oan de 
Frieske üimmen. 1836. 

P. Wiersma, Stemr. Petrus Wiersma. 
Verhandeling over het stemrecht in Fries- 
land. 1792. 

R. W., Blomk. R. Windsma. Friesch 
Blom-koerke, aef Grijmanck fen ijtlycke 
rijmckes in hette oare kâterije. 1829. 

R. W., Blomxnekr. R. Windsma. Friezne 
Blommekranze. 1833. 

R. W., Blèdd. R. Windsma. Bledden 
uwt myn Schrieuwboeck. 1847. 

Winkler, Dial. Johan Winkler. Alge- 
meen Nederduitsch en Friesch dialection. 2 
dln. 1874. 

Joh. W., Oud-Nederl. Johan Winkler. 
Oud Nederland. 1888. 

J. W., Naaml. of Pr. Naaml. .lohan 
Winkler. Lijst van Friesche Eigennamen , 
behoorende bij 't Friesch Woordenboek. 

Wl. Idlina. Woordenlijst Idnna. Achter 
de jaargangen XV, XVI en XVH, (1859, 
18G0, 1801) van het tijdschrift Iduna zijn 
verklarende woordenlijsten geplaatst. 

Wl. Lapek. Zie Halb. 

H. Z., Ts. Tuwsen. H. S. Zijlstra (later 
S3'tstra). Tsien Tuwsen uwt de Lottery oaf 
Jonk e Kom m erts scriften. 1841 

H. Z., It boask. Harmen Zijlstra (later 
Sytstra). It boask fen de kasteleinsdochter. 
Blyspil 1842. 

R. Z R. Zijlstra Jr. Willem en Kees. In 
teltsje üt de frânske tiden 1877. 
V. d. !Zw. 7A() onder letter V. 



-^^^S^ 



PRIESCH WOORDENBOEK. 



A. 



A, !«. - - Ion A , t r ij c a (" n. - - H y 

kin nin A foar in Bi e. - Dv 't A 

«eit. moat ek Bit» sizz»*. - It lok- 

lan fen Amor (amoria aecrefa) kiiiiu> 

eli de (lom?«te fammen fen A ta 

ifil. - De si ft j( e 11 l>iniie en bliuwe 

^TdeA. - Vjfl. ook Forj. 1893, 48. - 

fÏT moat wer fen A of biffjinne, 

an onderop; vjrl. hiyjin. — Lex. 1. 

I*e ff in de muziek. Jou r i m A (o a n). 

â! ^ir. u *■) interj. atat , Hd. ah , Enj^l. 

*«.' IOOÎ azoo Î juist Î bej^epen ! — A Î d a 'h 

ioai. AÎ hwet nioai! — A, nou kr\] 'k 

t fotir 't forstan. — A, jûket it him 

êr?! is dat de reden. — A, nou ha 'k 

i T n 'e r e k k e n : d o u w o l h t f i i f f e a r n 

or in jelne ba. — AÎ dou bist der 

'til titkn vpt om b v Sibe to kommen. 

•ba', interj. Fra. fi ilonc, ba, view! 
^ Aba'. der net oan. — Aba', smoar- 
?«jonïre. hwet sjuchst er lit! 
ÏUt bern hat aba' dien (cacarit). 
Zie nk f Ihi , ak'keba. 

tbbegaez'Je, abbegaes'je (vooral in "'t 

>ui<W«i en zuidoosten), «. impetiimenta, En^l. 
/"«•», bnnffHHome matter, hinderl^ke rom- 
*tl; onuoodi^e omhaal , omslag. D y 

't mei frouljue út scil , hat in bul te 
üitbe^faezje. - Hwet in abbegaezje 
^••n alderlei rean kaem der for 
'ïekeapljue út dat roallebút sjen 
foart, R. ind T.% 2«'. - M e i a 1 dy a b b e- 
?*^zje roan it vet op skea út. - 
^kik a 1 1 e jT ïi e H,j e en b e g a e z j e , z. d. 

ibbekaet', m. Fra. arwaty alvokaat. 
'" j?oed abbekaet moat in oar fen 
* ^t o e 1 p r a t e k i n n e , en j;^ e a n e der 

''** o ji s i 1 1 e u. - - As h y i t r ê d d i* 
"'^^It moat er in goed abbekaet 
^**we, vooral van een die ziek is. en 
'''>» wiefn) inen weinig hoop op herstel heeft. 
^" 1>J 't in kwea (bryk) ple.' \ot. 



moat in kwea abbekaet ha. - 1 ) (* 
a b )) e k a t e n b i n n e mei him w e i r o a n. 
hebben hem geplukt. Men roan net... 
mei in pongfoi jild, neiin hong'- 
rige abbekaet, R. W., Blôdden 24. - 
As in minske fyftich jier is moat 
er syn eigen abbekaet, syn eigen 
dokter, en syn eigen (lonu?ny wOze 
k i n n e. 

H y is de t ii k s t e abbekaet t o 
snoad. - Hy kin prate, skriuwe as 
in abbekaet. — Hy het fingers as 
in abbekaet, heeft lange vingers. - 8a 
g l ê d as in abbekaet. 

abbekaet'sje , v. n. Hd. advociren, advo- 

kaat wezen, pleiten. - H y a b b e k a t e dus 

al moai goed sa 't like, G. P. , Forj. 

1882, 80. As men yens rjucht mei 

a b b e k a e t s j e n h e I j e moat, d r a (M t 

i t f a e k op skea li t. - - Mei r j u c h t- 

HJen en abbekaet sjen het er syn 

jild f o r s p i 1 e. Zie forahhekaetAJe, — Vgl. 

pleit sje. — Ha jy op 't abb e ka et sjen 

west, minske? vraag aan een booze 

vrouw die „yn in lil ke bui hwet ryk- 

1 i k los fen t o n g e w i e.'' — Abb e- 

kaetsje mar fiil tsjin myn wiif, 

redeneer als een advoknat, it baet dy 

n e a t . hwet d y beet het. s i t f e s t. 

abbekaet'sje , n. dem. advokaatje. - 
Sa'ii lyts abbekaet sje, net? ook van 
een 'bekkert', z. d. 

abbekaet'sje , n. advokateborreltje. -- 
In frouljue s- d r a n k j e. Vooral bij fees- 
telijke gelegenheden. Vgl. 't volgende : 

abbekateboarrel , s. Kngl. t''jf/-not/ . 

advokateborrel. 

'abbekatehoale , s. kantoor van een 
advokaat (minachten<l). ^V«'agje dy 

n e t V n i n a 1) b e k a t e - h o a 1 e. 

*abbekate-nè8t, n. waar «;en advokaat 
woont. A. B.. Hiis-Hiem, ISSS, 207. 

-aVil^^iro^-op^'. s. plei*«'nj, a<lvok"*"werk 



ABB. 



ABSI. 



— Hy wier siktaris fen 'e Gritenij 
en den hieder der yethwetabbe- 
katerfl by. — Scoe er mei syn abbe- 
k a t e r iJ h y n w y n a 1 f o r 1 8 j i n j e k i n n e? 
abbekatestreek , s. advokatehandig- 
heid. - - Ook : h y het h i m mei in abbe- 
katestreek er út redden. 

abbelear'je, appeleaxje, (spr. meest 

-Ijerje), v. rontradirere , tegenspreken, het 
tegendeel beweren van 't geen beweerd wordt. 
Om 't p r a e t g e a n d e t o halden a b b e- 
learre pake, en den abbelearre 
beppe fen «e Is wer tsjin. — Vgl. 
UjinaJphelearje. — Ook abbelearje, recla- 
meeren bij den gemeenteraad. Syn ab- 
belearjen holp him net, de rie het 
er neat ôfnomd (van den hootUelijken 
omslag). Zie a p p e 1 e a r j e. 

abdy, s. Engl. ahhey , abd^j. — Frysirin 
hie om 1510 hinne noch saun. ab- 
dij e n , en 8 a u n t i c h k I e a s t e r s. 

abdis'se, f. Kngl. ahbess, abdis. De ab- 
disse koe best f o rn e ar e, dat de 
s i n n e ris y n 't w e 1 1 e r s k y n d e. 

abécéskriU'Wer , s. Zie (tbieciesetter. 

abeerje, abeerje-beaxn, s. Populusra- 

nettcenü alba , abeel, Lex. 8. In Beetster- 

zwaag o. a. ook : a 1> e ' 1 e s - b e a m. Ook 
kletter- of klapper-beam (Zwh., ook 
Tiey.) in O.Dongdl. s u 1 v e r 1 i n g. 

abie', n. a-b-c, alfabet. - De pom- 
j) i e r k e s m o a 1 1 e k r e kt n t? i 't a b i e 
lizze. - Ify kin 't as "t abi«*, glad van 
buiten. - It roan him 0)f as 't abie, 
h^j dee<l het /oo vlug, als of hjj 't abr op- 
zei. - li y is y n 't a b i t» h i u g j e n b 1 e a u n. 
den w i 1 1' j o i t o a r ♦• w o 1 , niet bizonder 
snugger. 

abiebank, s. Hd. Aberebnnk, vaak af- 
zonderlek gei»laatst ; ook ab ir bankje. 
Vgl. kattebankje. - Dy I y t s e n b i n n e 
dêrmei f o r 't abiebankje, zullen al 
gauw naar de gewone lagere school. - H y 
s c i 1 noch wol h w e t o p 't abie V» a n k j e 
bliuw»*, 't gaat niet vlug met zijn vonb'- 
ringen. 

abiebem, v^. lid. AfH'veknobe^ een kind 
(jongen, meisje) dat nog in *t abi«])0ek leert. 

abieboek, n. Hd. /-'//W , abéboek ; eerste 
boekje met de letters van het alfabet, om 
't lezen te leeren, in vroeger tjjd. Van ou- 
deren , in de Wouden , nog wel gehoord. 



Lex. 1. — EltHmoatmeiita 
b i g j i n n e. 

abieboerd, n. bord in de ac 
het alfabet er op. 

abiecie» n. a-b-c, alfabet. Lei 

abiecie'boek , n. hetzelfde f 
boek. — Wol hundertjierre 
ien 11 hab ik yn 't abie 
8 tien, zegt de 'hoanne' op een 
der^^rent. Zie hoanneboek. 

abieoiejon^^e , m. abecedariu 
die in 't abéboek leert. 

abieciesetter y s. GyrinuH mari 
whirhcltjf draaikevertje, insektdat z 
mend, snel en in allerlei richting» 
watervlak beweegt. — Ook a b i e - s l 
abécéskriuwer, wetterskri 
r e e d r i d e r. 

*abie'kje , v. n. letterteekens 1 
ginnen te spellen. — Leart j 
f e int al wakker yn'eskoal 
nou is 't noch abiekjen. 

'^abie'klant , eg. die voor 't eei 
bewaarschool inde school komt. — I 
poarre is nou in abie-kl 
m a s t e r w i r d e n. - Vgl. abiec'n 

'^'abiemaster , m., meester, d 
onderwyst. Zie skoahnaster. 

tabieréd, n. Zie drafi-boenl. 

'^'abieskoalle , s. abéschool. 

abieskriuTver , (Warga ca.) s, 
ciesefter. 

' abrekoas', apprekoas, s. } 

nii'fiiorum , abrikoos. - - Dy fïi 
in k 1 e u r a s i n a p p r e k o a s. 
in n o a s a s in a b r e k o a s. 

abrekoa'zebeam , s. arbor a 
abriküzeboom. 

abrekoazestien , s. abrikozepi 

Abselon (in de Wouilen), m. Fr 
onb<ïzonnen melkmuil. Absel 

biste, s j u c hst net d a t d O r i 
s 1 e a t is. 

abselÚS'Je ii^xn-, soms abslúsje), 
tio, absolutie. - De jtastoar 
fen alles abseliisje j a e u. 
bycht, kwea abseliisje, Bi 
berg je wat je hapert , men kan j( 
j>eu. Lex. *240. 

absint', atlj, Kr. dhsrnf . afwez 
breke, verstrooid. - (.)p 'e g<*ai 
wieme in h o l* e n f e n 'e l e d e n 



ABSL. 



ACHTB. 



r nan is net al to goed by de 
<omfl ifl er hielendal abKint. 
. ftdr. Engl. abnoluiehj , absoluut , 
OoHtfr. abaliit. — Öe woc dat 
ttaha. — Dokter moat abHlilt 
leh mei kom me, üh fanke is 
ea üt 'e opfcart helle. — Jan 
abrilut foar him nomd, vast 
omen. S. K. F., MearkeH 21. 
ut net, volstrekt niet, in j^een ge- 
Dat myn bern snobje, soi 
ene Sge, il Dat wol ik absliit 
e. — Absliit gjin omslach 
e o m li H , w y k o iu m e ni a r e f- 
f r j e o n rt p r e k k e n. 
rel : o p s l ü t z. d. 
m. Kngl. abbot f abt. Lex. 4. — Yn 
ïtiden wieme der abten f en 
imer kleaster O duif, f en Ma- 
er d , L i II n t s j e r k, e.sfli. — l*rov. 
al abt e ar 't er to kleaster 
- H y is der abt en h e a r. 
s. er rot' , abuis. — De a p t é k e r 
lilk abiis. - .lou hawwe fêst 
t j i 1 d is b i t e 11 1*. - A b ú s e n 
riisen. - Vgl. forsin. 
in i t e k w o 1 a b li s h a w w e. - 
I n e a b Ú s. - 't 1 s a b li s , h e a r Î 
WM , forhJHHtere. 

n. dem. klein abuis. -In 1 e t- 
getten. sa'n abiiske is gjin 
i wirdich. 

in : Y n acht n i ni m e. — Men 
y r i g e 1 s y n acht n i m m e, o a r s 
n se wol ôfskaffe. — Nou 
? jo derby yn acht nimme 
i\ oer de s (» ch s t i c h b i n , de 
'S g e a n der óf. Nou m o a 1 1 e 
c h t n i ni ni e . k a s 1 1 e i n , h w c r 
y n o a r d e r is, d ê r h i n g e t 
e a n s i t h a e d s t a 1 o a n 'e ni ii r- 
r 't h y n s d e r . H.S.. Teltsjes. Vgl. 

r n acht nimme. — H v moat 

II 1 1^ r d e i t i g e y n a c h t n i m ni e, 

•ez<jn<lheid passen. Meer en beter: 

'/ nitntne. 

iou vn acht for dv man, hv 

ei streken om. — 

lat, of him yn acht halde. 

j a e n. — .1 a e n d e r g o e d a c h t 

't ik siz: de fjirde p 1 ** a t s 



foarby en den de trêdde hikke. - 
Dou mast der h wet acht op jaen, 
op letten. 

acht slaen. Ik ha dat do sa gjin 
acht alein; mar nou 't er wei is, 
skeat 't my yn 't sin! — Ik ha him 
goed acht slein, mar 't isinforkear- 
den-ien. - Jy moat te him mar net 
acht slaen, je niet aan zijn praatjes 
storten. - Ilwet dy kearel seit, dêr 
moatte jou mar gjin acht op slaen: 
s y n m o a r n s- e n s y n j o u n s p r a e t k o m t 
lang net mei i n-o a r ú t. — H w ê r o m 
nin acht derop to slaenV ld. I, 12. 
Vgl. ealfje. 

acht is mear as njuggen, woord- 
speling : altjjd op alles acht te geven is veel 
waard. 

acht, num. octo, 8. - - Hl. bjj ouderen 
uit het 'volk' akst. - len acht, twa 
achten. — Om acht ure. 

P e a s k ♦* acht, Pinkster acht, 
M a e ij e acht, Sint .lans acht, acht 
dagen na Paschen, Pinksteren , na den eer- 
sten Mei, na St. Jan. 

Y n 't j i e r acht, do 't d e d i v e 1 i n 
1 y t s e jonge wier, heel lang geleden ; 
ook wel : y n 't j i e r acht, do de a p e 1 s 
en par ren yn 't fin ster bank wocch- 
s e n , d o 't de k e a 1 1 e n op 'e s t i r t 

dounsen, (meer in Oostelyk Kriesl.) 

a e h t e n. — W y b i n n e mei ii s a c h- 
ten. Vgl. achtesom. 

1 1 is op 8 1 a c h f e n a c h t e n. — 1 t 
is foar, t i c h t V) y . li e a 1 w e i a c h t e n. 
- - Dy 't oer (n e i) achten k o m t , 
kin foar n j u g g e n e n w e r ge a n , van 
e»'n vrjjer, die te laat bjj een meisje komt: 
acht uur is de tijd. Zie Joiuipizffje. In 't 
algem«»en ook : die te laat komt , kan geen 
zaken doen. 

(.)ok wel een S-vormige knoop , meer alg. 
es' genoemd, z. d. — As de sylstringen 
h w e t t o lang b i n n e. m o a t der m a r 
in acht v n s e t w i r d e. 

achtber, adj. rcrcrendus , achtbaar, al- 
gemeen gea<'ht. I II d o in e n y moat i n 
a c h t b e r m a n w ê ze. M e u h e a r <l e 

dingen f en him dy 't for in achtber 
man net to pas kamen. C>ük iron. 

Meer in geliruik dan a c h t e n s w i r <l i c h. 

acht'berens , (spr. soms ach'Vn-'ns), s. liitj' 



ACHTB. 



ACHTENTW. 



wf7fl/?,achtbaarhpid. — H y mei syn achtbe- 
rens wol bihâlde,hyhetnetto folie. 

achtberheit , s. Hd. Anaehen , achtbaar- 
heid. — De achtberheid moast hwet 
minder y n 't j i l d , en hwet m e a r y n 
'e m i n s k e s o c h t w i r d e. 

achtdûbeld, adv. fx-^w/Vf, achtvoudig. — 
1 1 iï\] b i h a n jf is al s a f a e k oer 't â l d e 
h i n n e ]) 1 a k t , dat i t s e i 1 er h a s t wol 
achtdiibeld op sitte. — Vgl. acht er h. 

achte, s. acht oogen in het dobbelspel. 
Lex. 4. Hy sniyt de achte. 

Ook een stuk land, 8 pondenuiat groot. 

achteheal', (alleen^t^iand, anders : a c h t'- 
h j e l, a c h t e l (Zwh.), num. achtehalf, 1]4. — 
H a j o acht s n i e s a e jj e n ? N é , a c h- 
teheal'. - It kost et achteheal 
(acht 'hj el) stfir. - It is in achte- 
heal - f e a r n s b i s t k e : â 1 vl e j e 1 1 e n s- 
miette (1.29 ni.). It hokkeling is op 
'c helt f en sann en a <h t «»h cal f ea rn. 
- - Zit? aehtsteheof. 

Zwh. a e h t e 1 - e i n t , -s t û r . -g o u n e , 
-t'carn, -ji'lnc, -ure, -dei. 

achteheale, s. stuk hmd van 1}4 'pon- 
demaat'. — ( )ostdongdI. d e a r h t e h e a 1 , 
of de achteneheal. 

aoh'teloas, -leas (vooral bij ouderen en 
hier en daar nog), adj. ne(/h'</ens ^ inruriosnft , 
slordig . achteloos , onoplettend , nalatig. 
Dy faem is sa bjnstere si eau en 
a e h t e 1 e a s , h j a n i m t i n ding f o a r *e 
teannen oj» en set it etter 'e hak- 
ken wer del. Hai's H i e n k is al to 
neilittieh en acht el ca s. — Dat 
f r ü u m i n s k e is s 1 e a u e n a c h t e 1 e a s 
o j) h j a r k 1 e a n , en e k y n h j a r w i r k. — 
Dat s (» i e r d e r. s a 't 1 i k e , m a r h i e 1 a c h- 
t e I e a s h i n n e . mar i t wier d ê r o m 
wol tin ken. Hv si out er mar ach- 
t e 1 e a s h i n n e. Vgl. (nmrhfsum vooral : 

a/o/", en foi'jitUk, 

ach'teloazens , -leazens (waar mi>n 

a c h t e 1 c a s zegt) . s. netjUtfetitiu , achteloos- 
heid . nalatiirheid. - Dat komt nou fen 
dvu ach t e l ea zens : de hikke heal 
t i <• h t dien. e n n o u «l e k ij y n 'e m i »» d e. 
achtendeel, s. een landmaat op Ame- 
lan<l. ()n<ler lUiUum rekent men thans 8 
achtendeeltMi op een hectare. Onder Ilttflum 
zjjn ze iets gn)Oter en staan gelijk met 
die van een nu%t aldaar. De achtendee- 



len (mPdâen) liggen binnen de dgken. < 
zyn er nog zoogenaamde terplanden gev 
— Zie vooral W. D. Volksl. II , 270 t.t. 

achtenearje , v. a. colere , achten. - 
achtenearje, hab achtenearre, achtene 
de, to achtenearjen. Lex. 6. — Ach 
nearje dyn alder». — Forskate 
dat HO arte binne der (yn Ameri 
domeny, en dy wirde achten ea 
krekt sa goed as de oaren,dyi 
fen jongs óf ta oplaet binne, v. 
M. , Forj. 1881 , 188. — Vgl. achtsje en 

Ik ha dy in bulte goed dien, 
dou ach ten e ar rest it net. — 
wirdearje. 

achtensiïvirdich , aohtenffwei 

(noordoostelijk meer), a<y. rentfrabUiê , 
tenswaardig. — In achtensweard 
il 1 d s t r i d e r y n 'e w r â 1 d. Vgl. ae 
aohtentach'tioh , achtentweiz 
achtentri'tich , estli. num. octoginta 
riginti octo , etc. , acht en tachtig , acU 
twintig, enz. - It hert (ook: it gat, 
kunt) slacht h i m a c h t e n t a c h tii 
sa binaud is er! --- Ach tent acht 
alde wiven, hwet is det in knoar 
gild, oud kinderdeuntje. 

achtent'weintich , s. dit wii» een ûl 
muntstuk van ƒ1.40; omstreeks 't jaar 
als munt atgeschaft ; ook bûtergounei 
heeten. Lex. 472. In 1511 en later d 
het de namen van inkel'goune {\ 
gulden) en floreen. De aanbreng- 
huurschatting van dat jaar, opgeteekend 
de O]) hooger gezag aangelegde regist 
verkreeg van laat^tgemeld woord d 
van flor een-aanbreng. Zoo on 
de f 1 o r e (» n-r e g i s t e r s , waarnaar tot a 
de 19*' eeuw de provinciale grondbelasting 
tot voor weinige jaren de omslagen we| 
slatting van vaarten , en de zeedgksli 
in Westergoo en de Zevenwoudi 
werden gt*heven en volgens welke alle «t 
mingen van VolnnK'hten of Gecommi 
tien. van predikanten, kerkvoogden, ze 
volmachten, enz. geschiedden, ieder fl 
reen één stein. 

Der bvt mv in a 'h t en t wein tic 
hwa jout er in da el der for? (in 
s«'chje.) Hwa jout er in a e h t c 

t w e i n t i c h f o r. v(K)r iets dat ieder v< 
niet veel waard houdt; uiaar dat doord*< 



ACHTER 



5 



ACHTS. 



T nojf al wonlt opgehemeld. — Op 

^tciHiitf rttond in lateren tyd tot be- 

Tolwichtigheid een merk, een k 1 o jj. 

on^huwden , vooral van meisjes , 
jaar of ouder waren, werd met zin- 
daarop jj^eze^ : ^d e r stiet (s i t) 
'p op." 

, pniep. adv. pont , achter , in den 
1 de Woudstr. en Zh. bezuiden Ak- 

— Don^rdln.: achter en af ter, 
p h t e r ; Zwh. en Hl. e f t e r. Oostfr. 
. - - Zie f per . ook voor de samenstel- 

— F en achteren, zie fen efteren. 
Brabe, h. navloed. Zie atfffer. 
arlei, adj. achterlei. Do 't ilx. 
iers oan 'e tred ded eis koart- 
kele, makke baesSierdmv 
nk fen acht erleije j(ûd; dat 
r holpen! 

tn, Hsuxn, ailj. praedicatief , Hd. 
A/ , Kngl. ntfhf, met z'n achten, vooml 
i^Ikaar behoorende personen. - \Vy 

a c h t e s o m. B y A u k e- e n - 

tte se alle liiiddeis achtesum 
a f e L - - Zie -smn. 
Udich, ad,j. ortupïus j achtvoudig. 
Pöhr , a e c h t f Û a 1 e g. 

^Il, s. Hd. AchterJc, achthoek, 
y n in achthoek. — T w a a c h t- 
I t e i k e n j e. 

il i n t e n o j) (oer) in achthoek 
ke. Ken vierkant, wiuirvan de zjj- 
r alle kanten even ver verlengd wor- 
uit«»inden worden met de derd-vol- 
erl»onden. 't (ieheim van het spel 
; speler van *t eene uiteinde met de 
•nt schuift langs de verbindingslijnen 
idere uiteinde van diezelfde verlengde 
• tweede cent blyfl op 't voorgaande 
en zoo vervolgens. Zie vooral W.D. , 
. 30". 

ekich , adj. ortangithii^f achthoekig, 
h t h o e k i c h stik pompier, l â n. 
ADdert, -hûndert, num. ocfint/enti, 

h o n d e r t. 
Ch, achtervoegsel. Hebbende van; 
op. — Houdend van, dan meest 
negatie. Vgl. onder aeiachtich, 
b t i e h . enz. 

H. honor, achting. — Hy is 
ie yn achting, niet zeer gezien. 
il o men ▼ ntiet bv eltr"»'"n 



heech yn achting. — It liket my ta 
datst net folie achting for dy «els 
beste. - Yn achting en oansjen 
w Ô z e. Vgl. oansjen. 

achtjier'rich, (spr. -jirrich) a(\j. octennUy 
achtjarig , vooral van paarden. - In a c h t- 
jierrichhynsder. 

Y n 't a c h t j i e r r i c h , acht jaar oud van 
een paard. Y n 't a c h t j i e r r i c h h e t d a t 
hyn(s)der de gouden swipewoan. 

achfkant, s. et n. oetaeârof* j achtkant. 

Zeker groot soort van molen , de acht- 
kant, ook m Û n t s , z. d. ; achtkant- 
mounle, Bozum, vgl. arhtkantich. — Het 
achtkantige benedenstuk , waar de beweeg- 
bare kap met de roeden op draait, i t acht- 
kant. — Ook een stuk land van dat fatsoen. 
— Jei de kjj yn it achtkant. Lex. 6. 

achfkantioh , adj. Hd. achtseitig y acht- 
kantig. -In a c h t k a n t i c h s t i k ]) o mp i e r. 
- In achtkantige mounle, zie acht- 
kant. — ï n a c h t k a n t i g e f 1 a p t a f e 1, vroe- 
ger algemeeï\, thans bij de 'greidboeren' 
nog dienst doende als 'p o e p e t a f e 1', z. d. — 

In achtkantige buchel, scheldnaam 
v.oor een rondruggige. 

achtlceaf, num. (xties y achtkeer. - 
A c h t k e a r t s i e n is t a c h t i c h. - - Wol 
achtkear bin 'k dor hinne roan; 
n o a i t w i (» de k e a r d e 1 t h ú s. — Meer 
gebruikt dan acht ris, z. d. 

acht'poatioh, adj. achtpootig. - - 1 n acht- 
p o a t i c h b i s t k e , in k o b b e , s])in. 

tacht'ponnder , s. achtponder, rogge- 
brood van 8 oude ponden of 4 kilogram. 
Een half brood woog 2 , een *fierdepart' 1 
kilo, - thans meest overal 2K en IK KG. 
Zie healbrea en fjinlepartHJe. 

acht'pouns, adj. acht pond wegende. — 
In achtpouns t riu w e 1-t s i i s. - In 
a c h t p o u n s b r e a . Zie avhtpounder. 

achtXe)riB» adv. rWiV.**, arhtmaal. Am- 
rum-Föhr, ae(htsi(s). - Ik haw al 
ach tri s o(»r 'e se west. Meer gebrui- 
kelijk is achtkear. In enkele uitdnik- 
kingen : i k h a d e r i n r e i s o f a c h t i^i s 
(nooit a c h t k e a r , z. d. ) w e s t. 

acht'sidich, adj. ortahirU-us, achtzijdig. - 

achtoje, v. a. attemlere, acht gev<»n op, 
achten. - ik acht^je, achtte, hab achte , 
achtsjemle . to achtsjen. Lex. 6. - H y h a * 
«< v n ^«i»a*«tjeti n »» f j> ' 1» *^ «» nie* «r^t*'^' 



ACHTS. 



ADEL. 



en nou is 'tyntarrinjfoergien. — 
Ik ha der goed op achte, acht op ge- 
geven. — Prov. Twalytskea meitsje 
ien great, il twa botsens meitaj e 
instfir, II dydatnetachtet, hâldt 
net oer. Ned. die 't kleine niet eert is 't 
groote niet weerd! Vgl. paffse. 

achtsje, v. a. censercy ptifare^ exhfïmarej 
meenen , denken , veronderstellen. — Ik 
achtsje wy sciUe sa wol genôchha, 
WI. ld. XVIH. — Ik achtte him for 
in best man. — Oeds die better, 
nei ik achtsje, G. J., I, 6. — Vgl. 
rehkenje , ornearje. 

achtQJe, V. a. rerereri, achten, hoog achten. 
— ik achtsje, achtte (acht(i)ge), ha achte (ach- 
t(i)ge), achtsjende, 'to achtsjen. — Saterl. 
a'^gtje. — Ik achtsje my sels to 
goed om mei sokken to praten. — 
Men moat him achtsje for hwet er 
dien hat for syn alden. -^ Achtsje 
en earje dyn woldwaners. Lex. 6. 
Vgl. arhtenearje. 

achtste, (ook als a k s t e gespr.) adj. niim. 
w^^arw-f, achtste. — Hl. aks te. Amrum-Föhr. 
aechat. Wang. achst, Saterl. agtendo. 

1 1 achtste h v n d e r . i t a c h t s t e h û s. 

Ook : rchtste deel. — 1 n a c h t s t e b û- 
ter. — In achtste yn 'elotterij. 

Vooral ook als een onderdeel van een be- 
j»aald gegeven lengte ; bij wagenmakers is 
de duimstok 3 voet — 3B oude duim; een 
(luim ^= 4 k e tier en — 8 achtsten. 

acht'stediel , n. V;, zie achtHtepm-t. 

achtsteheal, num. 7K. — Achtste- 

heal i)0un. --Vgl. arhtehcal. 

acht'stel, n. K el. -- Ik moat mar 
i (Ml acht stel fen dat giid ha, van 
deze of gene stof. Lex. 044. Me<.T algemeen 
is heal- (spr. hjel-) fean. 

acht'stepart , n. ï<. - Dy -bern 
b a w w e elk in a c h t s t e }) a r t y n in 
p 1 e a t s . o er h e e e h e n 1 e e e h. — In 
athtstepart fen in bin fisk. - Hy 
h<'t gjin achtste part fen in s k iep- 
pek eut el for in earni minske oer, 
is een groote gierigaard. — In Barradl. 
worden de eerste nieuwe aardapj>elen ver- 
korht bij 't a ch t s t e p a r t — % korf ~ ïi« 
H.L. Vgl. Icpscn f frtsjf-fol.. Vgl. kak'ifak: 

acht'tsjien, (spr. acht^jin, westl. ook acht- 
«»j»»n <*n a<htsin. oostidjjk ook achtjin), num. 18. 



Lex. 4. — Hl. a c h t i n , Amrum-Föh 
tanj, Wang., ach tin, SaterL agi 

acht'tQJiende, (spr. achtsjinde, v\ 
ook achtsinde , achtsjende , dito ach 
num., (ütiodetHcesimiM, achttiende. 
Wcinger. achtïnst, Saterl. agtt 

acht'tsjiendeel , -diel, num. Vis . 
achttsiende deel. 

aohttsjie'ne , s. stuk land , groot 
demaat. — O.Dongdl. de acht'tsi- 

Adam , in : f A d a m en E w a , f 
Hrginis sorot'iantes , de beide V)orst 
een meisje. Lex. 7. — Adam ei 
is ook de monnikskap (Aeottitum napell 
bloem die ook hynders en wein 
hynders en seaskes, skoents 
toffeltsjes, slofkes en skoen 
skoentsjes en muit sj es, (z. 
noemd wordt. 

^adaxnsberxi , n. Hd. Adamskind , 
kind. — It adamsbern is swak 
it is in adamsbern, (bj de gel 
't is een jongen. 

a'damje , v. n. Engl. to moil m 
zwoegen om den broode. Alleen in t 
— Wy moatte 'ter hjoed noc 
via fen nimnie; moarn is 
a d a m j e n. Vgl. bmlye , ezclje , p 
sktHppe y wrame , ivrotte, 

a'debaf , s. Gaasterl., ckonia , oc 
Oostfr. a d e b a r , h â d b a r , h a e 
abar. — Zie earreharrc 

adel; s. nobiUtaHy adel. — Hy is l 
adel, van adellijke geboorte. — 
fen adel makke, in den adelstam 
ven. Vel. adeldom. — Deugd al 
makket wiere adel, sei Lvk 
bles, P. Sch. Sprw. II, 58. — Hy 
ring om 't gat, (hy hat in s 
oer de b e a 1 c h), h y i s f e n a d e 

adel yn *e rogge, s. rohigo, zie 
de rogge, de aren blijven dan leeg 
9. Meer algemeen is bran, z. ,d. 

adeldom, s. Fra. Utre de nMe.^xt 
dom. — Hy hat de adeldom 
Vgl. 't meer gebruikelijke fen adel 
ke. — Fen 'e adeldom wol 'k 
wite. Vgl. adel je. 

a'delik, aedlik, adj. uobUiSj ade 
Net fier ten 'e Linde ... stie 
f o r 1 y n , in â 1 d a e d 1 i k e s t i n s 
IX, 198. — Hv is boere-arb< 



ADEL.TE. 



AKDF. 



iet in a <1 e 1 i 1( e n a m ni e , en is 
rol f en adelike kom óf. — Ook 
c. Vffl. úld-iicdlik. 
een haas , van i)atrijzen of ander 
lat oud en niet versch jiieer :s: nou 
tla t i s a d e 1 i k (caflareromti*, pu- 
Vgl. jonker ich , jonker je. 

I, V.. Fni. anobUr y adelen. — Hy 
M e , in den adelstand verheven. — 
dsjen adelt. — Syn dieden 
' h i m. 

piip, jfoudsche ])ijp uit den win- 

Adema, vroeger een jnjjjeverkooper 
uinen te Leeuwarden. R. ind T.-, 81^. 
erael', eg. En<?l. nthniml, admiraal. 
Î r k H i d d e s de Vries en A u k e 
n g w e r f wieme Luitenant- 
•ael. Vgl. R. ind T.\ 22ia,b. 

en nou de a d m e r a e 1 , de 
hein ster. R. ind T.«, 850^. 
sraelsile, v. n. admiraalzeilen , by 
rdzeilpartij : een 25 jaar geleilen te 

sedert de vorige eeuw; ook te 

tfld werdt»n de koopvaarders op de 

enz. in <len regel geconvoieerd door 

hepen . soms voeren ze zelf ook ge- 

, in convooi. Bij zoo'n tocht werd dan 

raal . vice-iulmiraal , en sehout-hy- 

gewt^zen. De admiraal had de niid- 

t, de vif»'-admiraal de voor-, de srhout- 

it de a<-hterhoede. Dit laatste wis- 

onis hij koersverandering. Deze ma- 

r^'izen heette *admerael-8eilen\ — 

^pelttjchf. 

e, s. Fra. adminixfratïon, jwl- 
itie. -In b o e r k e r ij j o u t in b u 1- 
n ♦• s t r a e s j e. — Ook a d m i n (n e)- 
'jp. De earmfiildij-atlm in- 

'je. Vgl. fHtrretnhtraeMJe. 

iter, m. Fra. nffmhtixfrntfnr ^ 

trator. Hv is admestrater fen 

*Ätsen fen mynhear K. - De 

1 1 r a t H r f e n 'e t s j e r k f â 1 d e n h a t 

»ge. Ook adminstrearder, en 

(n e) s t r a t e r. Vgl. hi'mhnestrater. 

^ar'Je, v. Yni.ndminhtrer ^ ad- 

•en. Hy hat in hiele boel 

nestrearjen. — ()ok admin- 

e a r j e. De a d m i n 8 1 r e a r j e n d e 

lid. — Vgl. hi'Oar remistrea rje. 

n. Fra. odreMne ^ adres van een 



brief, vaneen pak. — Dou hoechst neat 
mear to sizzen, 't wie oan myn a- 
dres, hollandisme voor: dat gou my! 

Hwêr is jou adres? uw tehuis , hol- 
landisme , voor : Hwér kin 'k jou bi- 
skriuwe; hwer hearre (binne)jou 
thiis? z. d. — Oan in forkeard adres 
kom me, hollandisme, vóór: oan 't for- 
keard e k a n t o a r k o m m e , afgewezen 
worden. 

adreske , n. los adres. — In adreske 
for in pak skriuwe. 
adressearje, v.a. Fra. adresserj adresseeren. 
adstint', m. Hd. Pof izeid lener , \io\itie- 
beambte in de grietenjj , nu gemeente , de 
adsistent van den exteur (z. d.). De naam 
verdwjjnt meer en meer. Zie fjUdwachter y 
iritMJe , bierdrager. 
Hl. têne r , z. d 
ae, adv. HJ. ooit. Zie ea. 
aechje , s. Engl. short shankapjde, aagtap- 
pel. - In 2 soorten: Enkhuizer en Engelsche 
aagt. De Enkhuizer (Inkhuzer) heet alg. 
T r y n w e e s k e (-t e r) , z. d. 

Aeohje , n. p. f. in : n ij s g j i r r i e h A e c h- 
j e. nioiis niriosa femlna. - Prov. Don bist 
sa'n njjsgjirrich Aechje fen Inkhu- 
zen. Lex. 10. Vgl. Fr. Volksalm. 1887, 116- 
119. 

aed, n. et s. langwerjng vierkante schaal- 
vorniig uitgeholde bak (uit één stuk hout 
gemaakt of uit een blad koper geslagen), 
waarin de melk in den kelder te roomen 
gezet wordt, melkmoude, -molde of -mout. 
1 n h o u t e n , in e a r e n , rood koperen, i n 
sin ken aed. --- Der mei be redde de 
frouljue de tsjerne, en bienne de 
t i n e n en aden li t. R. ind T. *, ha, — 
Lex. 7. Vgl. hntcraed y hrokaed ^ oitUkaed, 
Vgl. aedhol. - De groote platte schelp(;n 
aan de kust van Barradeel aangespoeld wor- 
den ook 'aden' genoemd. 

aedbiender, s. boender om de *a<len' 
te boenen. • Vgl. hietider. 

aedbienne, v. de geledigde melkmonden 
boenen, wat in een e boerderij eiken morgen, 
bjj 't vrouwenwerk behoort. Vgl, bienne. 
aede» Molkw. s. aarde. Zie ierde, 
aed'fol, n. de hoeveelheid van een 
*aed\ — - In aedfol m i\ 1 k e yn 'e tin e 
j i e 1 1 <• —Reine... b y tobbe-, en a e d- 
en amerfol. Fr. Hoere Progn. 



ACHTS. 



ADEL. 



en nou is 't y n t arri n g oergien. — 
Ik ha (lor jjf o e d op a e h t e , acht op ^e- 
sreven. — Prov. T w a l y t s k e s m e i t s j e 
i e n jx r o a t . ;i t w a h o t s e ii s m e i t s j e 
in s t fi r , !' d v dat net a c h t e t , h â 1 d t 
not 0(*r, Ned. die 't kleine niet eert Is 't 
groote niet weerd! Vgl. pa!<s(\ 

acht^je, V. a. (rusvrc, piifare, exhthttavCy 
nioenen , denken , veronderstellen. — 1 k 
a f h t s j e w y s c i 1 1 e sa wol ^ e n ô e h h a. 
Wl. ld. XVÏll. -- Ik achtte him for 
in best m a n. — - O e »1 s die b e 1 1 e r , 
nei ik acht «je, II. J., I, 0. — Vj<l. 
ri'l'WnJc , ornenrje. 

achtoje, v. a. rerereri, achten, hoojf achten. 
— ik achtsje, achtte (acht(i)ge), ha achte (ach- 
t(i)j?e). aohtsjende, to achtsjen. — Saterl. 
a *^^ g t j e. — Ik achtsje ni y s e 1 s t o 
^oed om mei sokken to praten. — 
Men nioat liim achtsje for hwet er 
<l i e n h a t f o r s y n â 1 d e n. . A c h t h j e 
en e a r j e d y n w o 1 d w a n e r s. Lex. 6. 
Vgl . arh ten ea rje, 

achtste, (ook als a k s t e ^es])r.) adj. nuni. 
(H'Jarus, achtste. - Hl. akst e. Aniruni-Föhr. 
aechst, Wan*»", achst. Saterl. agtende. 

1 1 achtste h v n d e r , i t a c h t s t e h n s. 

Ook : rchtste deel. - 1 n a c h t s t e b ü- 
t e r. - In achtste y n 'e 1 o t terij. 

Vooral ook als een onderdeel van een be- 
l»aald pje^even lenjifte: bjj wagenmakers is 
de duimstok -i voet — 30 oude duim; een 
duim -- 4 k e tier en — S achtsten. 

acht'stediel , n. î^; , zie achtHtepai-t, 

achtsteheal , num. 1)4. - - Achtste- 

h«*al ])Oun. — Vgl. arhtvheal. 

acht'stel, n. ?; el. — Ik moat mar 
i »• n acht stel l'en dat gûd ha. van 
dez«' of gene stof. liCx. ()44. Me^»r algemeen 
i> ht»al- Ispr. hjel-) fean. 

acht'stepart , u. !:;. - Dy -her n 
hawwe elk in achtstejnirt yn in 
pleats. oer h*'ech en leech. - - In 
:i «Il t st <'])a rt fen in bin fisk. - Hy 
het gjin achtstejuirt fen in skiep- 
p »' k e u t e 1 f I ) r in e a r ni m i n s k e o (.' r . 
is een groote gi^'rigaanl. - - In Barradl. 
wnrdiMi «Ie e«'r>t»* ni»Miwe aarda])pelen ver- 
kocht bij 't achtstcpari --■ !m korf -- 3fi 
H.L. Vijl. h/isi'/t , ft'fy,-fof.. Vgl. kah'ifnk'. 

acht'tsjien, (spr. achtsjin. wi'stl. nok acht- 
*-.i»'n «'n aihtsin, on^telijk ook arht.jin^ num. 1>*. 



Lex. 4. - Hl. a c h t i n . Amrum-Föhi 
tanj, Wang., ach tin, Sdt«rL agt 

acht'tojiende , (npr. aoht«ginde, w 
ook achtsinde , achtsjende , dito a 
num., (hioderiratinuiAf achttiende. 
Wringer, achtïnst, Saterl. agtt 

acht'tsjiendeel , -diel, num. '/is . 
a c h 1 1 s i e n d e deel. 

achttajie'ne , s. stuk land , groot 
demaat. — O.DongdL de acht'tsii 

Adam , in: tAdam en Ewa,»i 
nrghiiH ftororiatifea , de beide borst 
een meisje. Lex. 7. — Adam ei 
is ook de monnikskap (Aconitum napeü 
bloem die ook hynders en we in 
hyndcra en seaskes, skoents 
toffeltsjes, slofkes en skoen 
skoentsjes en mûltsjes, (z. 
noemd wordt. 

^adaxnsberxi , n. Hd. AdamskiHd , 
kind. - It adamsbern is «wak 
it is in adamsbern, (bg de ge 
't is een jongen. 

a'damje, v. n. Éngl. to nwU n 
zwoegen om den broode. Alleen in 
— W v m o a 1 1 e 't e r li i o e d n o c 
rin fen nimme; moarn i« 
adamjen. Vgl. bfxlsje , ezel je , / 
ski'ippe , irrame , irrotte, 

a'debaf , s. Uaasterl. , cicotUa^ o» 
Oostfr. a d e b a r , h Ti d b a r , h a t 
abar. — Zie earreharre, 

adel; s. nóbiUtaSy adel. — Hy is 
adel, van adelljjke geboorte. — 
fen adel makke, in den adelKtan 
ven. Vffl. adeldom, — Deugd a 
makket wiere adel, «ei Lyl 
bles, r. Sch. Sprw. Il, 58. — Hy 
ring om 't gat, (hy hat in 
oer de bealch), hy is fen adi 

adel yn 'e rogge ^ s. robigoy zit 
de rogge, de aren blyven dan leej 
9. Meer algemeen is brän, ». .d. 

adeldom, k. Fra. Utre de nobiem 
dom. — Hy hat de adeldom 
Vgl. 't meer gebniikel^ke fen ade 
ke. - Fen 'e adeldom wol '1 
w i t e. Vgl. adelje. 

a'delik, aedlik, a^j. nobUU^ m 
Net fier 1 en 'e Linde ... sti e 
forlvn, in âld aedlike stinc 
IX, 198. — Hv in boere-arb 



ADEUE, 



AKDF. 



n a <1 e l i If e n a m ni <' . «.' n i s 
'en adel ik e kom óf. — Ook 
(I. (ïld-aedUk. 

haas , van patrijzen of ander 
ui en niet versch meer i.s : n o u 
i »« ad el ik (auJareromiHy pu- 
tmlrerich , jonker je. 
., Fra. nnohlir y adelen. -- Hy 
in den adelntand verheven. — 
n adelt. 8 y n d i e d e n 

n. 

piip, j^oudsehe pjjj) uit den win- 

ua , vroeger een i>ijj»everkooper 

te l^eeuwarden. K. ind T.*, 31«. 

.', i'\l. Enjrl. ftdmirnl f admiraal. 

I i d d e s d e V r i e s e n A u k e 

»rf wiern»' Luitenant- 

Vjrl. R. ind T.\ 22AajK 

non «Ie a d m e r a e 1 . d e 

ster. K. ind T.*, 850f7. 

Bile, V. n. adnïiraalzeilen , h\] 

wirtij : een 25 jaar geleden te 

rt de vorige eeuw; ook te 

♦•nli'n de koojivaanlers oj» de 
n ilen regel geconvoieerd door 
. somy voeren ze zelf ook ge- 
)nvooi. Bij zoo'n tocht werd dan 
. viee-admiraal . en Mchout-hjj- 
ez**n. r>e admiraal had de mid- 
«•»'-a<lmiraal <le voor-, de .Mchout- 
a<'htt»rhoede. Dit laat-ste wis- 
,j koersverandering. Deze ma- 
en heette *admerael-seilen'. -- 

es'Je, s. Fra. (iflmhtixtration, jul- 

I n l> o e r k e r ij j o u t in b u 1- 
■ a ♦* s j e. - -- ( >ok a d m i n (n e)- 
D e e a r m fa 1 d jj - a «1 m i n- 
i'gl. tHwremlstruexje. 
b6r, m. FVa. ntfnifnisfrafem' f 
Hv is adnM»strater f en 
n f e n m y n h ♦* a r K. I ) e 
' r f e n *e t s j e r k fa 1 d h n h a t 

Ook a d m i n s t r e a r d e r , »*n 
t r a t e r. Vgl. hi'<uhne!<trater. 
irje, v. Vru. fKhninistrer f ad- 
Hy hat in hieh* hoel 
r e a r j en. - < )ok n d m i n- 
'. De ad m in st rea rj ♦* nd e 

- Vgl. bi'0<trretnistrearjf. 

Fra. fuirettMe, adres van tïen 



brief, vaneen jiak. — Dou hoe c hst neat 
m e a r t o s i z z e n . 't wie o a n m y n a- 
d r e 8 , hollandinme voor: dat gou m y ! 

Hwêr is jou adres? uw tehuis, hol- 
landisme , voor : Hwêr kin 'k jou bi- 
s k r i u w e ; h w e r h e a r r e (b i n n e) j o u 
tlnis? z. d. — Oan in forkeard adres 
kom me, hollandisme , voor: oan 't for- 
keard e k a n t o a r k o m m e , afgewezen 
worden. 

adreske, n. los adres. — In adreske 
for in pak skriuwe. 
adressearje, v.a. Fr^.fKJre-sserf adresseeren. 
adstint', m. Hd. I\>Vïzeïdiener y politie- 
beambte in de grietenij , nu gemeente , de 
adsistent van den e x t e u r (z. d.). De naam 
verdwynt meer en meer. Zie fjiUlwachter , 
irftMJe , bierdrager. 
Hl. têner, z. d 
ae, adv. HJ. ooit. Zie ea. 
aechje , s. Engl. Mhort shankapple, aagtap- 
pel. -In 2 soorten: Enkhuizer en Engelsehe 
aagt. De Enkhuizer (Inkhuzer) heet alg. 
T r y n w e e s k e (-t e r) , z. d. 

Aeohje , n. p. f. in : n ij s g j i r r i e h Aech- 
je. /i/;//ix t'Hnona femina. - Prov. Dou bist 
s a 'n n iJ s g j i r r i c h Aechje f e n I n k h u- 
zen. Lex. 10. Vgl. Fr. Volksalm. 1887, 116— 
119. 

aed, n. et s. langwerpig vierkante s(rhaal- 
vormig uitgeholde bak (uit éfin stuk hout 
gemaakt of uit een blad koper geslag(ïn), 
waarin de melk in den kelder te roomen 
gezet wordt , melkmouile , -molde of -mout. 
1 n h o u t e n , in e a r e n , rood koperen, i n 
8 i n k e n a <* d. - - D ê r m e i b e r ê d d e d e 
f r o u 1 j u e de t s j e r n e , en b i e n n e de 
t i n e n en aden li t. R. ind T. *, 5«. — 
Lex. 7. Vgl. buteraed , hrokaed ^ mólkaeiL 
Vgl. aedhof. - De groote i)latte schelpen 
aan de kust van TJarradeel aangesj^oeld wor- 
den ook 'aden' genoemd. 

aedbiender, s. boender om de 'aden' 
te boenen. • Vgl. hicuder. 

aedbienne , v. de geledigde melkmouden 
boenen . wat in eene boerderij eiken morgen, 
bjj 't vrouwenwerk behoort. Vgl. hfeune. 
aede, Molkw. s. aarde. Zie fenle. 
aed'fol, n. de hoeveelheid van een 
'a cd'. 1 n a e d f o 1 m â 1 k e y n *e tin e 

j i c 1 1 <' — Reine... b y t o b b e-, e n a e d- 
en anierfol. Fr. Boere IVogn. 



ACHTS. 



6 



ADKL. 



i' n n o n 4 s 't y n t a r r i n j? o e r fjf i e n. — 
Ik ha der fjf o e d o )> a o h t e , acht op ^e- 
yoven. - Prov. Twa lytHkes meitsje 
i«*n «»THat. :| twa botsen s meitsje 
i n s t n r , '! d v d a t n o t a c h t e t , h û 1 d t 
n t» t o e r , Ned. die» 't kleine niet eert is 't 
gro(»te niot weerd! Vj^l. /xisffc. 

achtsje, v. a. rrM.vc/v, putaiu'f exhtimare, 
nie(;non . denken , veron<lerstellen. — Ik 
acht H j e w y s e i 1 1 e sa wol j? e n o c h h a, 
Wl. ld. Xvill. --- Ik achtte hini for 
in best man. — ( ) e d s die b e 1 1 e r . 
n e i ik achtsje, (t. J., 1 , 0. — Vj?l. 
rehkenje , ornearje. 

achtQJe, V. a. rereren', achten. \vx>g achten. 
— ik achtsje, achtte (acht(i)j?e), ha ach te (ach- 
t(i)^e). aclitsjende, to achtsjen. - Saterl. 
a *' jif t j e. - Ik a c h t s j e ni y s e 1 s t o 
^oed om mei sokken to praten. — 
M e n m o a t h i m acht s j e for h w e t er 
d i e n h a t fo r s v n â 1 d e n. . A c h t s j e 
e n e a r i e d v n w o 1 d w a n e r s. Lex. 6. 
Vpl. orhtenearje. 

achtste, (ook als akst e j^esjir.) adj. num. 
w,7ar//.H, lu'htste. - Hl. akst e. Amrum-Föhr. 
aechst. Wan^. achst, Saterl. ajjrtende. 

1 1 achtste h V n d e r . i t a c h t s t e h n s. 

Ook: ï'chtste deel. - In achtste b li- 
ter. - In achtste vn 'e lot ter ij. 

Voonil ook als een onderdeel van een be- 
paalt! f^ejreven lenjirte: bij wajjennnikers is 
de dnimntok -i voet -- 'M\ oude duim: een 
tlniin - 4 k e tier en -- >< achtsten. 

acht'stedlel , n. ?h. zie arhtstepart. 

achtsteheal , num. 114. - Achtste- 

lieal iM)un. - Vj^'l. m'htt'heaL 

acht'stel, n. '; el. Ik moat mar 

i <• n ariitstel fen dat j;ûd ha. van 
•b'zr ot' iren»' stof*. Lex. (>44. Me<'r aljjfemeen 
is h<*al- (sj>r. hjel-) t't'an. 

acht'Stepart , n. ):;. I>y -bem 

il a w w e ♦' 1 k in a <• h t s t ♦* p a r t y n in 
plrnts. (M'r hei'rh en le«'('li. — In 
arhtstepart fen in bin fisk. - Hy 
ln"t jr.jin achtstej»art fen in skiej»- 
pekiMitel for in earm minskc oer. 
i< «M'ii ^rrr^ote ;rieri;jraanl. - In Harra<ll. 
w«»rdfn de et-r^te nii'uwe aardap]>elen ver- 
ktM-iit liij 't acht st «'part - !• korf -- ?ï« 
H.b. V;:l. fr/i.<i'fi , fi'fsi,"fof.. VjrI. hikstak. 

acht'tsjien, (sj»r. achtsjin. w«'stl. ook acht- 
'«jfii rn a«btsin, Dusti'ljjk ook arhtjin^, num. 1>^. 



Lex. 4. — HL ach tin, Amrum-Föhr, i 
tanj, Wang., ach tin, SaterL agtti 

acht'tQjiende, (npr. acht^jinde, west 
ook achtsinde, achtsjende , dito achtjii 
num., (JuwJevicesitmufiy achttiende. 
Wanger. achtïnflt, Sat^rL agttln 

acht'tQjiendeel, -diel^num. V» • ^ 
achttsiende deeL 

achttQJie'ne , k. i^tuk land , groot 18 
demaat. — O.DongdL de acht'tsien. 

Adam , in *. t A d a m en E w a , mnti 
rïrghiis noronantes j de beide borsten 
een meisje. Lex. 7. — Adam en I 
is ook de monnikskap (Aconitum najïHlus) 
bloem die ook hynders en weints, 
hynderH en seaskeH, skoentiijei 
toffeltsjes, slofkes en skoentflj 
skoentsjes en mûltsjes, (z. d.) 
noemd wordt. 

''adamsbem , n. Hd. Adamahind , ad 
kind. ItadamsbernisRwak. ( 
it is in adamsbern, (bg de geboo 
't is e(»n jongen. 

a'damje , v. n. Rngl. to mail and 
zwoegtui om den broode. Alleen in den 
— W v m o a 1 1 e 't e r h i o e d n o c h ; 
rix fen ninime: moarn is 't 
a dam jen. Vgl. bodsje , ezelje, puck. 
skrlppe , trramc , irrotte. 

a'debar, s. (iaasterl., riconia , ooie^ 
( )ostfr. a d e }> a r , h Û, d b a r , h a e 1 1 
abar. — Zie eorrebarn'. 

adel, s. nohih'fasy adel. --- Hy i» f ei 
adel, van adellijke geboorte. — H; 
f e n adel makke, in den adelstand v« 
ven. Vyl. adeldom. ■-■ Deugd a 11 i 
m a k k e t w i e r e adel, «ei L y k l e 
bles, W Sch. Sprw. II, 58.— Hy ha 
ring om 't gat, (hy hat in str 
oer de bealch), hy is fen adel, 

adel yn *e rogge, s. rohigo, ziekte 
dl' r(»ggi', de aren blijven dan leeg. 
\). Meer algemeen is }>rän, z. .d. 

adeldom, s. Fra. titre de nfdde^xe ^ i 
dom. - II V hat de adeldom kr 
Vgl. 't meer gebruikelijke fen adel n 
ke. - Fen 'e adeldom wol 'k n 
w i t e. Vgl. odt'ljv. 

a'delik, aedlik, adj. nohUhy adelly 
Net fier i «* n 'e Linde ... «tie, 1 
f o r 1 y n , in â 1 d a e d I i k e 8 1 i n 8 , 1 
IX, lïKS. - Hv is lM)ere-arbeit 



ADEUK. 



AEDF. 



ni il r h f * t in a d e 1 i V p n >i iii ni <* , (mi i h 
licht wol f en adelike kom óf. — Ook 
edel ik. V^l. ald-uefUih. 

Van et»n haan , van i»atrijzen of ander 
wild . dat ond en niet versch meer is : nou 
dy of dat in ad el ik (ca(farero.snnj pn- 
triit). Vgl. jonker ich , jonker je. 

adelje , v. . Fra. nnoitUr , adelen. — H y 
iï* ad el e. in den adelstand verheven. — 
Arbeidnjen adelt. — Syn dieden 
adelje him. 

tAdema'S piip, goudsche ])ijp uit den win- 
kel van Adema, vroeger een i)j)peverkooi)er 
op de Tuinen te Leeuwarden. K. ind T.*, 81 at. 

admeraer, c^. Kn*?!- odmindj admiraal. 
-- Tjerk Hiddes de Vrien en Auke 
Stellingwerf wieme Luitenant- 
Adnierael. Vgl. R. ind T.\ 224r/A 

< >ok : en nou «Ie a d m e r a e 1 , de 
kr**a ni hein H ter. K. ind T.', 850f/. 

admeraelsile , v. n. admiraalzeilen , b|j 
een hartlzeilpart jj ; een 25 jaar geleden te 
Sneek. *>etlert de vorige eeuw; ook te 
Urouw. 

Indertijd werden «Ie koo]>vaarders op de 
Indien, enz. in den regel geeonvoieenl <loor 
o<»rlog»ohepen . soms voeren ze zelf ook ge- 
wajiend . in convooi. Bjj zoo'n tocht wenl dan 
een ftflmiraal . vice-admiraal , en schout-hjj- 
naebt aangewezen. I>e admiraal had de mid- 
dentocht, de viee-admiraal de voor-, de schout- 
hg-nacht de achterhoede. Dit laatste wis- 
selde Homs hjj koerHverandering. Deze nui- 
nier Tan reizen heette *admerael-seilen\ — 
Zie Kim [telt ocht. 

admestraes'Je, s. Fra. adminhtrationy ad- 
inini^ratie. —In h o e r k e r ij j o u t in bul- 
te admest raesje. — (>ok a<lmin(ne)- 
"traesje. De earmfald jj-adm in- 

-ifraenje. Vgl. fHtrretfiï/itraeftje. 

admestrater y m. Fra. (nlnnniatnitenr y 
kI mi nistra tor. Hy is admest ra ter f en 
'ie pleatsen f en mynhear K. De 
a d m e s t r a t e r f e n 'e t s j e r k f A 1 d e n h a t 
il e pon ge. -■ Ook adminst reurder, en 
■idniin(ne)Htrater. Vgl. hi-uiltneMroter. 

admestrearje , v. Vra.ndmiHfstrery ad- 
miniïitreeren. Hy hat in hiel e boel 
tn adm e^trearjen. - Ook a«lmin- 
'neistrearje. De adminst rea rj end e 
* a r ni f â I d. — Vgl. bi'Ofirretnistreafjc. 

, n. Fra. otireMHey adres van tïen 



brief, vaneen pak. — Dou hoechst neat 
mear to sizzen, 't wie oan myn a- 
dres, hollandisme voor: dat gou myï 

H w ê r is jou adres? uw tehuis , hol- 
landisme , voor : H w ê r kin 'k jou b i- 
s k r i u w e ; h w e r h e a r r e (b i n n e) j o u 
thiis? z. d. •— Oan in forkeard adres 
kommo, hollandisme, voor: oan 't for- 
keard e k a n t o a r k o m m e , afgewezen 
worden. 

adreske , n. los adres. — In adreske 
f o r in pak s k r i u w e. 
adressearje, v.a. Vni.dtfresMer, adresseeren. 
adstint' , m. Hd. Mizeidiener , ])olitie- 
beambte in de grietenij , nu gemeente , de 
adsistent van den exteur (z. d.). De naam 
verdwjjnt meer en meer. Zie fjildwachfer j 
K'ifMJe f bierdrager. 
Hl. t ê n e r , z. d 
ae, adv. Hl. ooit. Zie ea. 
aechje, s. Engl. }*hort shankapple, aagta))- 
pel. -In 2 soorten: Enkhuizer en Engelsi-he 
aagt. De Enkhuizer (Inkhuzer) heet alg. 
T r v n w e e s k e (-t e r) . z. d. 

Aechje , n. p. f. in : n ij s g j i r r i e h A e c h- 
j e, rthnis vurïoHtt feminit. - Prov. Dou bist 
8 a 'n n iJ s g j i r r i c h Aechje f e n l n k h u- 
zen. Lex. 10. Vgl. Fr. Volksalm. 18S7, 116 - 
110. 

aed, n. et s. langwerpig vierkante schaal- 
vormig uitg(^hoMe bak (uit é«;n stuk hout 
gemaakt of uit een Idad koper geslagen), 
waarin de melk in den kelder te roomen 
gezet wordt , melkmou<le , -molden of -mout. 
1 n h o u t e n , in e a r e n , rood koperen, i n 
8 i n k e n a e d. - D ê r m e i h e r ê d «Ie de 
frouljue de tsjerne, en bienne de 
tinen en aden út. K. ind T.*, 5«. — 
Lex. 7. Vgl. hûtcraed , hrokaed , imVkaed, 
Vgl. aedhf'ff. De groote ])latte schelpen 

aan de kust van Harradeel aang(»s]){>eM wor- 
den ook 'aden' genoemd. 

aedbiender, s. boender um «Ie 'a<len' 
t(» boenen. - Vgl. biender. 

aedbienne, v. de geledigde melkmouden 
boenen, wat in «H'ue boenlerij eiken njorgen, 
bjj 't vrouwenwerk behoort. Vgl. bienne. 
aede, Molkw. s. aarde. Zie ierde, 
aed'fol, n. de hoeveelheid van een 
'a e <!'. 1 n a e d f o 1 m â 1 k (; y n 'e t i n ♦» 

jiett»' Keine... by tobbe-, en a ed- 
en amerfol. Fr. Hoere IVogn. 



AEDII. 



AEI 



aedhol, adj. holliggcnd, van oon stuk 
land. — Dat stik li\n leit aedhol of 
loit yn in aed. wanneer hot lanjfs de 
kanten hoo^or iï? dan in lu't midden. 

aedhoutsJeSy pi. langwer])igo stukjes 
hout . die men ondor <le met melk jfovulde 
^ideii* l«'^t om ze voor kantelen te l>ehoe- 
«len. Meest «gebruikt men hiervoor koeie- 
si-henkels , a e d s k r i n k e 1 s. 

aedke, aedtoje, n. afnoïua parrus, 
kleine 'aed.. minder uitj?ehold; wonlt ook 
door shijrern j^ebruikt. -Kom, Pit er, Hz 
domenys jiffrou hjar ribstik mar 
y n 't a «* <l t s j e . en s n jj m a s t e r in stik 
1 j i r r e i) f', s e i A b e .•< 1 a e h ter t s j i n s y n 
feint. \)i\. fli'-^k'-av(Iti*J('. 

aedlik, adj. zir ailelih. 

aed'ramt , aedraemt (mtM^r in de Wou- 
den), n. lanj^werpijL,' vierkant raam O)) vier 
poüten. als e«*n tafid zon<b*r blad, waarop 
d«' «;ebo<Mid»* aden ti» drojifen worden ^ezet. 
Zio ucitshtmmci. 

aed'rek, n. rrk waarop (b« jiden te dro- 
^iMi wnrd«'u <;«»le<rd : staat m4»«»st buiten, te- 
«^♦Mi den miinr. bij ib* pomj». L»'x. 7. 

aed'skammel, n. schammel of houten 
>tellinki»'. waarop ib* 'ard', waarin do boerin 
tb' bott-r knoedt . ^'oplaatst woitlt. IjOX. 7. 
Ib't lu'staat uit twoo door oen kruis of op amb»- 
n' wjjzo aan olkantler verbonden houti'u stan- 
dor>. Ook bû t ers ka m mol. IndonZwh. 
«loi't dl' t ^.i er n sk a miu •' l Iz. d.) or dii'ust 
voor. 

aedskrinkels , p). zit> nffUumtsjfs. 

aef, adv. Molkw. af. Zi«' óf. 

aei, in: Immon in aoi ja on. iron. 
kr.ibbi-n. Zi«' tirlf/f. 

aei, 11. '>ri'in , »'i. a «• ij f n frrskjo. 

liittorjr. ]iro)t(>i>ri'n ut' z»' farsk. nnb»'- 
linn'l zijn. It ari w i •* bidoarn. 't 

wit' N.i tul ji - i 11 l'iarti*: n«»u. ik 
- i t iM't vu 't ;i»'i. ik h .i 't s ♦» 1 s net 
It'in. N ij r iordap»'ls. ;| s m* brst 

b i II n I' . iii'nitt»' lizzi' a> a»'ijon np '«» 
pann«'. Mfii in«»at not a 1 1 f a»»ijon 

o n d I* r i »' n hin iizzo. ni«'t alb's np «mmi 
kaart /fltiii. !)»■ fa «'m w«il .j«'rni' 

li> 1 k j f , Ml .1 r •] ,■ t .' int 1 j'i t b.j a r 
.1 ♦' Ü !• n . M Imitt ln't np «Ir liiiij^i- baan. bi-x. 
ti*^. Hy «. i t <»ji tnl«' iit'iji'n. van im'u 

kb'in kind. dat /ii h lifvuild In-i'ft : mtk : zjin 
z.iak i^ iip't -f-linl-li-ii bi'/^'"iiird 'ly î .. 



I 



f en kweade aeyen set, iitbret,eeii 
kind van ondeugende oudew. — Hja hawwe 
h i m op f Û 1 e a e |j e n set, in den «trik. 
De jonf(os meitsje 't fen aeyen, voe- 
ren erg kattenkwaad uit. Hy het it raer 
fen aeijen makke, gemeene dingen ge* 
daan, den boel beilorven. — De aefjen 
buten 't nest lizze, overHpel plegen door 
een man. ld. XUl, 59. — Hy docht it 
el( al om svn eigen koer mei 
aejjen, om zijn eigen voordeel. — In aei 
y n *e h A n n c n e n d a t 8 1 i k k e n , een eaak* 
je waarmee men verlegen is. Ook bekaaid, 
sneu wegkomen. It pleit hat er wol 
woun, mar *t is in aei yn *e hanjien 
en dat stikken. -- Ik hie in beate 
kou forküft, mar ear 't ik se ôfle- 
vere hie wier se ätoarn. Dat wie 
in aei yn 'e hannen en dat stikken 
Der seil ik aejjen yn klopje, in 
dat zaakje zal ik mjj eens laten geli 

Der moatte ris aejjen yn kloppe 
w i r d o . die jongen is zoo halnfltarrig dat Iq 
oi'us oen ]mk slaag moet hebben. -- Hy 
kin not f e n 't a e i k o m me . lydt ui 
ob.;truotie, ook: 't kost hem moeiti? ijji 
werk afgewerkt af te Uveren, altjid heeft 
hjj nog wat te veranderen of te verbeteren. 
- Vgl. (U'ÎKiik'. ■■■ Prov. Men moat in 
strou not om in aei bidjerre en in 
fortoltsjo net om in Ijoagen. Les. 69. 
IVov. As dat aei ris brekt, «cil t 
«* k stjonko. als do vriendsehap van twee 
idi«' ni«'t deugen moestal) in vjjandKchap ver- 
an<lort, zullen er b>o]jjko zaken aan den dag 
komen, bv. wannoi'r zij tegen elkander be- 
ginnon te schelden. Prov. Kwea h innen, 
dy 't d ♦* aojjon ut lizze. en thiisto 
iton gi'an. ook van ovorspel. - Trouwe 
binnen bringo hjar aejjen thiis. boer^ 
tond al> b.v. oen j(»ng(*n haastig naar hou 
k«»mt. «un zijm' biOioolte to doen. — Karnje 
a o ij on 1 i z z e , ergens blijven hangen. — 
K r «> m m o a o ij on 1 i z z o , rara re. D e 
Im » il n n o 1 «.' i t k r o m m e a e ij e n. — I e r^ 
a ]) pels il s a o ij o n : as men der op 
trajM't boarsto se (iron.ï, van Hleehte, 
>tijv»* aanlappeb g«'spri.»k«'n. Ut hwet 

a »' i bist bretV \aii wat voor afkomRt 
brn-jf . dat je jt» zotjvrol Vi?rboeldt? — Der 
is n i n a e i û n d o r britsen, bjj een go- 
vaarijik wi-rk . 1». v. 't 0]>hjjsrhou of ver- 



AEI. 



AEID. 



]»IaatMen van een ^^root, zwaar voorwerp, of 
Tiin oen kast met porselein en glaswerk, 
lomler ongelukken. — In rau (onbekookt) 
H e i kin min net t r o e h de >? 1 z e n 
rtniite. -- Ik kin dy waer slite as 
a n y e n li t 'e koer. Vgl . as slaed. 1 1 
wyfke wie tig e yn hjar skik, lij ar 
dochter»* gyngen oan 'e man as aei- 
j e n út 'e k o e r. — D o u k o m s t e mei 
't f* alt as 't aei op is. — Dou komste 
mei 't aei nei Peaske. — Der Hcitte 
in aei for drinke. dat zal ik je betaald 
zettt^n, ld. III. 5H. — Hy (hja) giet sa 
t r i n t e n , zoo voorzichtig of afgemeten , i t 
iï* krekt aa hy f se) op aejjen giet; 
ook van vrouwen die (pas?) zwanger zjjn; en van 
nuQe«. Sjuch my sa 'n pyst ris oan, 
't i» krekt o ft se op aeijen giet. — 
Ik 1 i t ni y mei in a p e 1 en in aei net 
fange. — It aei wol wizer wcze as 
il e h i n. - - H y slacht er nei as de' 
h 1 i n e n e i 't u e i , tast naar een ei , dat 
hem telkens weer ontglijdt. Ook dou 
riedst (of taest) er nei as de b line 
nei 't aei. — C4jin brosser giid as 
a e ii e n , . . . . en d ê r o a n t w i e b a k k e n. 
— I>y wirden binne goed, marde 
bin leit ae^jen, 't komt op doen aan ! - 
H w e t a e )j e n kin er 1 i z ze ? wat kan hjj 
meedoen? — l)y 't ae^jen het kin dojv 
pen meitsje, wie geld heeft kan w^at 
doen. — In aei is in aei, sei de boer. 
en hy krige it goezze-aei. - In aei 
i« in aei, sei de jonge (de pastoar) 
mar ik ha 't greatste Ijeafst. (hy 
naem it greatste for kar). — As wy 
thii» binne meye wy lis eigen aei- 
jeu ite, kunnen we hulp van anderen 
mi'isen. — Ketter hjoed in aei as 
iri o a rn in h i n. — B e 1 1 e r in h e a 1 aei 
as in lege skyl (dop). - Dat aei kri- 
ge t sa y e t al h w e t skyl, het wordt 
.net retlenen omkleeil. K. P. . Keapman. 
Inleiding XVII. — In aei mei salt, sne- 
dig gezegde. - - 1 1 aei is k n i e s d , hji of 
zg ïA )>eleedigd. B y d y f o a r n a m e 1 j u e 
ifl 't uei soms gau kniesd, lichtge- 
raakt, vooral tegenover minderen. - ^^a 
fol as in aei. Ik bin sa fol as in aei. 
ik wol neat niear ha. — Vgl. it mjt ^ 
't read f de tl/er re, de slcyl y <le dop fvn in 
•*ri, — Zie »fyi-, icâldaei ; /w/- ''•V'"#x"" 



hrieilaei; eamelenf-^ lAkeH-aeijen; Peask'e'(uyt*fi. 
Vgl. de samenstellingen met alle namen van 
vogels. 

aeiachtich, adj. meest praeilic. — ik 
bin net w a k k <^' r (» a e i a <* h t i c h , houd 
niet bizonder van eiers. Zie bij -aehtich. 

aeibryngster , f. Hl. Ook raim slab- 
ber, malkslabber en tsj oenster, z.d. 

aeibrochje, aeibrogge, s. eiboteram, 
snee roggebrood met een gekookt ei er op. 
- .1 o n g e j a , in a e i b r o c h j e , d e r g e a n 
'k oan to gast, sei pastoarske. — 
Om 't de bil ter djnr is en de aeijen 
net. ha wy mar in aeibrogge. 

aeich, n. Hl. oog. Zie emh, 

aeidjerre , aeisdjerre , aeidjirre , 
s. ovum f riteUu.t on' , ei , eierdooier. Lex. 
7ü. — Van een ongekookt ei de geheel e 
inhoud. De aeisdjerre sit him yn 
't b i r d , r i n t him t r o e h de f i n g e r s. 
Van een gekookt ei, alleen de dooier: 
Oer 't slaed aeisdjerren, tig e hird 
s e a n , mar i t b e r n krige a 1 1 i n n e i t 
wyt f en 't aei. In aei mei twa 

dj i r r e n. - Meest in de spreektaal i t 
r e a d , i t g i e 1 f e n 't aei. 

aeidobke, n. het kuiltje aan 't eind 
of in de zjjde van 't ei. - Wol men hin- 
n e i> i k e n li t b r i e d e 1 i 1 1 e , d e n m o a t 
m e n a e jj e n n i m m e m ei «Ie d o b k e s 
y n 'e s i d e , den w i r d e 't j> i k e n. D y 
't de d o b k e s op 't e i n ha, w i r d e 
h o a n t s j e s. Vgl. Bijek. 184H , 45. 

aeidop, aeisdop, s. eierdop, eierschaal. 
Lex. 70. — I ) e a e i s d o j) j) e n m o a t min 
t o k n e 1 1 e rj e , o a r s b r û k e d e t s j o t? n- 
sters se om er mei oer sé to f ar ren. 
A s m e n d e a e i s d o p j) e n o a n 'e bin- 
nen jout, wirde 't aeifretters. — 
Vgl. sk\i/l , dop. 

aeidopjen, n. , 111. 7Ao anhpkjt'. 

aeidops-risk , of -rist, s. uitgeblazen 
eiersj'halen aan een touwtje geregen, met een 
papieren waaiertje onderaan, hangen kinderen, 
recht neer uf in slingers aan de zolders; vaak 
uit lichtblauwe p r o 1 1 e r s - a e ij e n ; ook 
wel onderaan een goezze-aei, en dan al 
kleint*r en kleiner, tot op eeti nH)sk-aei. 
Men viïult ze vtioral in ouderwt^tsehe lier 
berg«Mi . in achterafhoeken. B «'• s t e d i n- 
g e n f o r d y heil! e a z e ni i g g e n . s e 
b'*i»pe 'ï V w '» ^ ' " 'T sa tf'M'" h ' 



A El F. 



10 



AEIK. 



s i 1 1 e . en s ji 1) i n n (? w y o r den h w e t 
^' e n o n 1 1 ê s t «Î e. — Ook a o i r i s t. Zie 
neikeriift on iracijer. 

aei'fandelje , v. n. do door kipi^on of 
eenden in »'en nost gele«^de eieren o])zame- 
len. - - A s de j o n fj^ o m o a r n s n e t 
f^aii is mei 't aoifandelj en. den 
d o «^ <{ e de roeken i t , de kraaien azen op 
de eion'n. — 8ki opm el t sj e en aoifnn- 
delio irf bv de boer faek it wirk fon 
'elytsfoint, <» k wol f en 'e 1» o e r syn 
eigen jon <,'0. - Hwa het hjood aei- 
f a n d e 1 e V - - ( )ok nog : a e. ij e n fa n d e Ij e. 
In 't oost«'n a (' i fand elje , schertsend: de 
ï< k i e p p ♦' 1 1) a r t e n o p s i i k j e. - Vgl. ovi- 
siikjo. Zie ftnifh'lje en opfamh'fjt'. 

aeifandeler, s. hij, «He de eieren van 
de kii>pen en een<len om en bij hnis opzoekt. 

- l)e Ivtsffint is bv nzes d i> a«*i- 
fa nd e I •» r. 

aeif a]:*slcje , v. Wouden. Zit' arnotfrrji'. 

aeiflúes, n. vlies om 't ei, onder de sehaal. ■ 

aeifol, adj. eivol. Me«'r volkstaal : sa fol 
a s i 11 a e i , z. d. ! 

aeifrette, v. ei-vreten. iiUM'st iïi cb'ii 
iiif. Zi«' «'<*n vor)rb. bij tin^kiif. \ 

aeift*etter, «-g. cfmi^ rttfir^^ wonw, kir- 

kemlief i >r)k : liAn- ihoan-) sk robber. : 
h o a 11 n «'bit «• r en m (i z e b i 1 1' r . z. d. 
Onk een kip di«' haar eig»'n ei»'ren (>]>vr«'et. 

"aeillÛS , n. «'irrlmis. «'i«'rkraam. To 

A lil > t »' rd :Mii kin im-u n a <• h 1 «'ii dri 
vn '*• a •' 1 - h 11 z »■ 11 wn] wa<'rni«' aciji'ii 
krii«'. vn I' r v -^ 1 â n wit iii «mi d «*• r n »• t ' 
f en. 

ae^e, v. ^mfj.tn-f', aai»'n, no't di' hand ' 
of <"»k nn't dl' waiiLT. ik a«M. a»'idr <a»'ii»'. I 
vonral wr>t»'li)k^. ha arj»! larijcl, a»'ij«'nd«'. !«• 
ai'jien. b»'X. Tl'. Hja \vi»'rn«' "t -« ü ' 

it'ii*^. hja at'ldi'n rn tiiti'ii rlknar. 

N«'. 11«'. dl Ml li'iri-li-t ni y linrji n «' t • 

t ') a •• ii r 11 . 't i •» Ml y iinrh 1 a n jj n»'t 

I 

f I» r ir »■ t t !• n h"'vt lil \ h i h â n n I* 1 «• 1 
lM'"*ti'. \'».ir;il .ink i:»'bniikt aN ii'ni.iinl i'cn 
andtT wrrr uil jianliab-n. - .Ioul:»* f a ni- ; 
iiM' n iM t' ij I' Lir.ifi b tiiMiid •' n a'-i»! | 
wird«*. Klaiiwi-n i - gj i n a •• ij •■ n ! , 

Kikr, M- i 1 ik •! v 'ri.^ ai- ij»*. >«'i d »• 
f •■ i II t . I' n h y h i <■ l a r r i l' «' li ä n n •' n. A »■ i 
tl uil il <■ kat. A - ■! <• fóu"'!- 'i"n''i' 

i'n djoi-ii,. I! 1 t > - V n wvfk»* a»'it 

•• n pat'ii. liii'tfb. N.i. 7'.». '''•■ • ^ - •■ t ■ 



men de kat meur a e i t , h w o t 8 e de 
stirt hogor Htekt. — Ros de f lier 
mar goed mei de b i e ä e m ; net sa 
a o ij o . d a t h e 1 j) f n e a t. 

H w e t b i-a eiste? Vgl. bji bi-. 

ae^e, interj. als men iemand een aeike 
geeft. - Aejje mem me. — Non scil 
mom him: a Ofl e-]>opi)e. Ook: aeye 
poesï bij 't aaien van een poes. Ook schert- 
send ^ om iemand te i)lagen. 

aeiljer , n.jfftfpo. aththtfor , die graajr ntreelt 
en vleit. 

aeyerich, adj. aailn.'ttig. - Frjjende 
pearen binne jamk aejjerich en 
f 1 a e ij e r i e h. - - W è s net sa a e jï e r i c h. 
tegen een jongen, 

ael jild , s. eierg<»ld. M a n n i c h boer 

yn 'e Walden biwarret svn aei-jild 
apartï 

aeike, aike (meer in 't oosten), n. och- 
linn , eitje. — iM k e n en k r fi p e 1 h i n t x j e» 
lizze lytse aikes. VgK pijl-iwijen, — 
Her m o a t i n a e i k e y n 't n O 5 1 b 1 i u- 
we, anders willen de ki])])en er niet meer 
bij leggen, zi»' nist-acï. Ook van 't jongste 
kind gezeirl . dat bij de ontlors blijft. - 
M is a e r d i e h a s de b e r n noch 
in a e i k e y n 't n ê s t fine...., erfenis 
na den dood der ouders. 

( )ok voor s Û k e r a i k e . z.d. — Dal 
)»oaik«' hat in sint forsnobbe, dC»r 
Il a t «T a i k «'s f o r koeh t. 

aeike, aike, s. /ut f patio, aaike. — Dy 
I y t s .' kin y e n als a 1 j e af in aike 
ja«*n. Hy joech <l»' faem in nêft 

ai'ikr. «'11 krigi' in flinke trewin- 
k»'l weroni. Wolst in aeike, frege 
d»'.j(ing«' oan 'i.' fa>'in. en hAlde hjar 
il»* bif/i-ni foar. Pitergyng mei 

M a i k «' Kn hy j.mmIi hjar in aike. 

aeikeapman, m. di»» «'in-s (ojijkoopt en 

vrrkn. ipt. 

aeikebriede , v. n. eitj<'s uitbroeden. 
Maar iin'cr wordt dit van »*i>n gemakznehtijfe 
\rnuw. h.v. di«' lii'f<t n]) haar stoel zit. 
iiM't d»- hainb-n in d»'ii srhoot. en de voet-en 
M|i »'«'11 stiiof. g«'zegd. Dat sit der mar 
to a i k •■ Il r i »'d 1' 11 rn 't wirk bliuwt it 
wirk. Hok )»tn'rti'iid voor: lang oj) 't 

lii'iiih'lijk irriiiak zitten. 

aeikerist, -risk, <.. ri>t van uitgeblaxen 
•■n 1,1 n "»Mi draad L'»T«'i,''»'n <'i«'i«.'n van kleine 



AKÏK. 



11 



AEIS. 



•< . waar men in vroeger tjjd de 'p i n Ie- 
le roan e' fz.d.) mee opsienle. Vgl. aei- 

ikesxnite, aeismite, v. met eieren 
n. ( ) j» *t A m e 1 A n w i r d t o p P e a s- 
. r ij e a e i k e s m i t e n. Kinder- en ook 
pel . 't meent in de duinen genpeeld. 

t, ai^e (meer in 't oosten), v. a. , 
r*v. streelen. — ik a(e)ikje. aeike. hab 
', aeikjende. to aeikjen. Lex. 72. — 
je dyn heit ris. Ij en; heit het it 

s w i e r h a w n h j o e d. -- 1 ) y n a i k- 
l.in k netbrek. W.D., Winterj. 1871. 

- I)u hy hjar onder it praten 

en den ris aeike, liet i t f a n k e 

stil ja: e w i r d e. — Ü e b 1 o m k e s 
i k j e n d en j) a t s j end o m fl j u e h t. 
I8.M . 20. -Mei aeikjen e n f 1 a e i k- 

m i e n tï in h o i> e n 1 j u e t r q o h de 
ld k o m m e t o m o a 1 1 e n. — 
vet b i - a e i k e s t o u doch a 1 1 i t e n ? 
p hi'. 
Iklopje, V. n. eieren klutsen. — Hja 

sa linich aeiklo])je, it skom 
t er nei, — 

A'et l)i -a ei kl opje jy dôrhs? --- 
se oen e in abbekaetsje ha joun. 

ik mei 't l y e. A e i k 1 o p j e den 

ta. Zit* (>)) hi- en op fa. 
IkoaitQJe, -kOkJe, v.. eieren koken. 

ilcoer, s.. eiermand, meer : a e i k o e r- 
Ook van een hoogzwangere vrouw , 
m }»eijzel<le straat b. v.: nou, d y hjar 
Der koe ek wol ris b rekke, 
oral pfMÏfx j achterste, fvgl. koer), (rean 
iwet om ju, mei dyn g r o u w e' 
Î o e r , schik wat oj». — .lalt het s y n 
c o e r der mar m (Ui i v n d r a e i d , h v 
nou in libbentsje as in j»rins. 
k ntrputt. Hy stiet f rij hwet noed 
syn a ei koer. Holl. is }>ang voor zyn 
ort'. - I k moat t ige o]> my n a ei- 
: passé, omdat ik zwak ben. 

»erke, n. dem. eierkorlje. Nim 
k e 1 - k o e r k e mei, Jan, ast' t (j 
fa nd e Ij en gieste. 
ÜleppeltQJe , n. eierlepeltje. — Hl. 
ejipeltjen. 

sulveren, houten, b i e n n e n a e i- 
[lel tsje. 

ipeltfljefol, n. hoeveelheid van een 



eilepeltje. — Us Kekke hat in drankje 
f en dokter krige.dcr moat se om 
'e pear ure in aeileppeltMJefol f en 
y n ha. 

aeilokje, n. eierdopje. - Hl. aei- 
lokjen. aeiromertjen. aeidopjen. 

aeilotterje, v. n. eieren in water leggen 
om te beproeven of ze nog zuiver zjjn. Ook 
a e i f a r s k j e. Zie fa r tikje en lotferje. 

aelxnerk, s. eiermarkt. - Op 'e aei- 
merk. Ook: de marktprijs van de eiers. 

aeinetsje , n. eiernetje , netje om eieren 
in te koken. - Hl. aeinotjen. 

aeiopkeaper, m.handelaar in en opkoo- 
per van eieren, vooral ook voor export. 

aei'pikel , s., pekel , zoo sterk dat een 
ei er op drijft. Verg. ierdapelptkeï. 

aeipriis, s. marktprjjs van de eiers. — 
Ho wier hjoed de aeipriis? Meer 
gebruikelijk is (a ei-) merk. ^ 

aeiprüxn, s. reine cUtudc j eierj>ruim. — 
R e a d e , w i t e , b l a \\ w e. Meer algemeen : 
k a t e r s k 1 o a t , z. d. 

aeir, n. Schierm. oor. — pi. aeire. 
Zie ear. 

aei'rakje, meer aeirekje, n. eiem»kje, 
veel gelijkend op een boekehanger. In de 3 of 4 
plankjes zijn gaten , waarin de eieren staan. 

't Staat in de kast, k<'lder; veelal hangt 
het. — It lepi)el-, en aeirakje foei 
fen boppen. A. B., Hijek. IS54. 

Ook 't achterste. S c o e m en s a ' n k o a 1- 
le net in skoj» onder syn aeirakje 
j a e n ? Vgl. aeikoer. 

aeiridich, adj. van een kij) , die eieren 
wil gaan leggen. — Dy hin wirdt aei- 
ridich, zal wel gauw >)eginnen te leggen. 

( )(>k a e i r i d e r i c h , fig. dat w i i f of d y 
m a n is s a h w e t a (» i r i d e r i c h , onbe- 
stendig , ongedurig. 

aeirisk, -liflt, s. zit» aehlopsrisk'. 

aeirm, adj. Schierm. arm Zie earw. 

aeiromertijen , Hl. n. eierdopje, /Av nei- 
lokje. 

aeiroun, a<lj. . oratus, rivormig. 
- s. ovaal. elli]>s. Zie airoun. 

aeis'djerre, -djirre, Woudkant, s, zie 

aeidjrrre. 

aeisdop, s. zie aeidop. 

aeisdopsrisk , s. zie nehfojtsrisk. 

aei'siede, v. eieren koken. — Hwa hat 
niis aeisean? - 1 n '^ y^n^-^ i .J- 



AEIS. 



12 



AEIT. 



si ede is krekt sa folie as de taem 
])reokje, R. ind TA 44/r. — Aeisieden 
in in wirkje f en oppassen. -- Ook 
hier en daar als aeisiere uitgesproken. 
- - Ook a e i k o a i t s j e en -k ô k j e. — 

II w e t s c i 1 1 e w y h j o e d b i-a e i s i e d e ? 
1 1 i H noch f< j i n P e a s k e. N o u , h w e t 
ö c o e dat? Net? nou a e i s i e d den 
mar ta. Zie op bi- on fa-, 

aeisieder , s. die eieren kookt. — (^ o e d e 
aeisieders, K. ind T.*, 48/;. - 

(lewoonlijk : 't zandloojiertje (Knj^l. cyf/- 
ijIfiMft), <lat den tijd aanjjfeell wanneer 't ei 
j^aar is. - Ook een toestelletje (van la- 
ter tjjd), niet sjiiritushunpje, om eieren te 
koken. 

aeisiik, adj. P^ngl. cjy'bfmud^ kippekwaal, 
als een kip 't ei niet kwjjt kan raken. - 
It aei feil in aeisiik hin dooeli net, 
a s 'tal k o m t : e n k o m t i t net. den 
giet de hin d v. a. Ook van een die 

een (rustige) g«.*legenh<'id zoekt om 't ei 
kwjjt te raken. - Kig. \\y rint liinne 
en wer (ook: liy wynt er foar om) as 
i n a <' i s i i k h i n. 

aeisiikje , v. eiers zoeken in 't veld. — 
lil. aisec'k.je. 

Wy a eisiikje . hjoed mar net. — 
W y hin n e f e n 'e m o a r n al e f k e s 
út to aeisiikjt'n west. Vgl- t^orj. 1S87, 
1S4. — Kig. Dv fint komt hjir gau 
ris: hwrt sco<> dy syn a«'isiikj«Mi 
wêz»', waar zou di«» liier voDr komon ? 

1>«' j Juli t o ps j u gg«'r hat f «mi \^ 
nu>arn in p«'ar at'isik«'rs prosvs 
m a k k r. Ilwrt 1» i-a «m s i i k j ♦• s«» rk vn 
'e forlnsine tiid? llw«'t scoc 't! Lit 
s»' mar t a -a <• i si i k j e. Zie (►)» hi- en /r/. 

^aeisiikster, t". i-izoi-kstj'r. N'muwm zo«'- 
kcn liijna nooit »'it'r> in "t lan<l; daaroni.:il 
is 't »'«'n vri»uw. z»*gt no-n tocli altijd: 

aeisilcer, eg., dit- rirrs op 't land ziM'kt 
In l'immI arisikrr >jurl»t oau 't 
flean»'ii f r n 'v lj»'aj» hwi-r 't <l «• 
a «'ij en ) i z z w 

aeisikerstüd, >.. d.- tijd van dat d.' kii-vit 
begint t»' l«'ggen u-ind»* Maart nflu'gin April), 
tot 1 Mi'i. wann«M»r ln-t t'i«'rz(M'k«*n vt'nlfr 
]»ij kXv w«'t xnliidi-n is. Vn 'f gofili^ tiid. 
en vn *»• f«»rlM'an«' tiid a «• i > i i k i e. 

aeiskepper, >. tangt^t-jc van ijzerdraad 
•»ni «'it'P'n uit kitkcml wat»"' ♦• u'i»»*»» n.iL- 



in den vorm van een lepel maar zonder 
bodem aan 't blad. 

aei'skyl, s. eierdop, vooral gebroken. 
Lex. 70. -- Aeiskyl wirdt wol oan *e 
binnen opfoerre, troch 't iteu hin- 
ne, by^elykn moal yn sûpe biolein. 
— Aeiskilen tige fynstampe, mei 
b om-o al je of konjak, for pin e ya 
'e mag e: en by 't fjftr dr o eg e, en 
den fyn wriuwe, is goed for 'emage- 
wjirm by hynsders. — Aeiflkilen 
net yn 't hinnehok smite, den scoe- 
ne de binnen aeifretten leare. 

Ken soort fijn porselein, van buiten crôrae, 
van binnen wit met blauw. Hl. eierscfaiL 

aei'skile , v. n. gekookte eieren van de 

schaal ontdoen. Ik aeiskyl net for 

dy, dat moastou nels mar dwaen. 
— Dou kinst wol aeiflkile, den acil 
ik wol aei-ite. — Dy 't oannimt om 
in snies aej^jen op toiten s onder 
dat syn i)iip út giet, h o echt net 
om a ♦' i s k i 1 e n to t i n k e n. 

To, bern! aeiskyl nou oan! Ja mar, 
d e fa e m s e i : h w e t b i-a e i 8 k i 1 e dy 
bern nou? Dat moat mem wite: 
aeiskyl j i m m e m ar t a ! Vgl. oj» W-. 
oan en ta. 

aeisl^e, v. 8chierm. eisehcn. Zie eoël^, 

aeiskütel, s. eierschotel. — Vroeger 
vo(iral op PasolKm : een groote houten scho- 
tel met gekookte eieren , die rondgedeeld 
wenlen. 

Houten nap, die banketbakkers gebruiken 
om ei«*reii in te klopi>en. 

Ook hol gebak van soenkrakeling- 
deeg om, gevuld met aardbeien, suiker, 
enz. . te wonb'U gegeten. 

aei'slaen, v. (leblinddoekt slaan naar 
in 't zand b»^grav«'n bedorven eieren, op de 
manirr als tlescbslaan en wortelsluan (z. d.), 
is (M'u t«' HooinlM'rgum bekend sjiel voor 
jongfus : d4' bo«'ren bou«len daar een maiwa 
kippen, en hebben zoo. nu en dan nog al 
«'t'Tis l)«Mlorven eieren. 

aeismite, v. zie neihexiititc. 

aei'stel, n. eierstel, met eienlopjes ek- 
-leiM'ltje>. Zi«ï stt'l. 

aeitikje, v. eitikken . kinderspel, op 
Tasclien: men lnaidt 't (M in de hand, zoo- 
dat alleen 't uiterst** t«»pje bloot komt. om 
*e tikken. 



AKIT. 



IB 



AKMJ. 



raepje, v. een of meer op den grond 

Î eiers of uitgeblazen eiers, geblind- 

nu'hten stuk te trappen, kinderspel. 

t:ijf't raepje. 

itblieze, v. eieren uitblazen. 

Tyt, n. *t wit van een ei. Meest : 

f en 't aei. 
, adv. Hl. ook. Zie ek\ 
, s. virfchaak. Lex. 73, 313. Hl. aik. 
m kort en breed bootje, waarvan de 
eht niet zijwanden van zeildoek op- ' 
fan wonlen; daar woont de visscher 

gezin. Achterin is een 'beun' of 
e' voor gevangen visch, die later in 
ar* komt. Vaak is er winters een 
ven 't oi>en gedeelte van de aak. 
ran Wierum en Moildergat zijn schuit- 
t twee masten van pi. m. 30 ton. 
as-Hiem 1888, 201. 
mooie als boeiers ingerichte, die rond- 
lu van de aekfiskers de aal af te 

sterke zeewaardige schepen met korte 
mast ; met koperen bodem onder de 
raarin gaten voor 't levend houden 
aal (bun); disse iel-aken farre 
f e 1 â 11 , en v n Londen 1 e i t a 1 1 i- 
n. da 's in il ld pri veleezje, den 
t d e eigener g j i n j i 1 d t o j a e n. 
l/innen- en huten-aek. 
fisker, m. aakvisscher, die in de 
x)nt. en door heel Friesland zwerft. 
*t aan den eigenaar van de aak zjjn 
angst leveren. 

lek fiskers — ofaekljue — liz- 
laris op fêste plakken, earne 
tichtsetting. Op 'e wal is den 
al in skiirke for it fiskark 
er**: foaral yn 'e noardwest- 
— De fûken, dobbers (dopers) 
r r e a u b i n n e der y n 'e o m k r i- 
t s e t. < )ok : a e k m a n , z. d. 
lik, adj. Zie akelik. 
ikens, s. Zie akelik-enx. 
IJue, pi. aakreeders, die voorname- 
Workum, Oaastmeer en Heeg wonen ; 
den palinghandel op Londen drijven. 

< Jok de palingvisschers, zie ael'fiskrrs. 
3 L, Nwh. m. Zie nek-fittk-er. 

er, akster (meer in 't zuidoosten) 
rtm pica f ekuter. — Sjuch, fjou- 
eksters op it aes. — Dy jonge 



is sa fluch as in akster. — Dat wiif 
tsj ottert as in akster. -Ook ekstei*, 
z. d. — Een e k s t e u r , (z. d.), werd door de 
kinderen spottend vaak aekster of ekster 
genoemd, als hy ze met z'n stok dreigde: 
aekster genade! (Grouw). Vgl. hont- , 
hout'j ienJ'y tiitt- , wal-, wald-akster. 

^ael, s. (hier en daar) Hd. Gauehe j gier, 
aalt. Hl. aeld. 

Byna overal: jarre, z. d. 

aeld, adj. Hl. oud. Zie Ahl. — Compar. 
è«lder, sup. è^lst. — aelde weide, 
nu een straat in Hindeloopen. — aelde- 
fear, zie dldfader. 

aelgje, v. Hl. achtslaan. — As imnien 
boas ys, must syn wbdden na et 
aelgje. — Zie ealfije, 

aelst, s. in: knop of knoppen f en 
aelst. — Knoppen fen aelst op bran- 
dewyn wirdt brûkt for kjeld op 'e 
mag e. — Ook alst, z. d. 

aerwe, alewé, s. aloë. — Sa bit- 
ter as alewé. — Meest : bittere ael- 
we. - Yn koartskrûden en Bearen- 
boargerkrftden sit trochstrings ek 
bittere a e 1 w e. 

^aexu, s. spiritus^ adem. — Wang. om. 
Noordfr. ôzam. - Dy kearel babbelt 
mar fen alles yn ion aem (azem) 
t r o c h. Meer algemeen s i k e , z. d. 

aem, ame, s. roos, zwelling in 'tjad- 
der van een koe, een gevolg van de uit- 
zweeting van bloedwater (serum) kort vóór 
en na het kalven, als de aren zich nog 
niet geaccomodeerd hebben. Lex. 94. — 
De kou het de aem yn 'tjaer. Vgl. 
Vr. Fr. I, 84, X, 159. Zie fïwiiVÄ. 

Wylde aem, is: knobbels achter boven 
den uier , in û n g e m a k , der 't de k e a p- 
1 j u e b a n g f e n b i n n e. 

^'aem'beiijen , pi. hnemorvhoides* f aam- 
beien. Lex. 95. — Ik kin tsjihwirdich 
n e a t net m a k 1 i k s i 1 1 e , d y a e m b e i- 
jen binne my sa heislike lêstich. 

Wordt meest omschreven. 

aein'byld, n. incus^ aanbeeld. — Hy 
s 1 o e c h mei de f o a r h a m m e r op 't 
aeni))yld. dat it 'sta' sei. Ook am- 
b y 1 d , Vgl. wtnhyld. 

aexnje, v. n. het opzwellen van 't jadder 
bij koeien. Zwh. — Honear moat ' • 
kou k *"» 1 * "* ? H y a r» e t *• ' •' ^ r d i c ' 



AKM.1. 



14 



AKP. 



^aemje, amje,v. n. Hd. nthmnif ademon. 
Siilv. ,(»..!. Satorl. omji». \'ir\. *Httmmjv. 

aem'püde , s. zwelling aan den onderbuik 
van een koe vóór 't jadder , ten jfevolge van 
aem , %. d. Lex. 94. 111. a e m p ú d e. 

taen, ? Lubbert dy mi end e dat 
er f en nimnien aen hie, treau syn 
1 j e a f's t e t w e i n t i e h j^ o u d e n e fû jf e 1 s 
y n 'i* }j â n. K. intl T.*, TTrr. 

W y h i »' n e f e n n i ni m e n a t* n . |{ W e r- 

ni s e r) »» n <* w y 't n e t d w a e n , Mfrie. 
hloeml. 10 VS. 10; een versje dat Halb. aan 
(r. .1. toeschrijft, vjjl. Naooj^>*t 290/7, wat 
xeiT onzek»*r is. 

Halb. k«Mit de beteekeiiis niet in 't Mfrie. 
vi'rsje, \<t\. N. ()., 297; vernioe<lt dat 't 
e(Mi verkortinj^ is van 't Aj^s. ^aiufaj nijd. 
lM>osheid , en kwaadaardige stoornis . njjdig 
letsid", Mndl. am/t' (vgl. Verdam I, 4U">), hd. 
nhuften f kwaa<l vermoeden. In 't Jjex. 90 
♦r<litrr: ,m<»lestia .... ags. finn, tlefectus , 
Henson. Ags. annnirm." Vgl. Hosworth- 
Toller. i.v. 

Hjj gebruikt 't in de K. ind T.. <uu . /.o«)- 
als vak«'r, ren <Mid of afgi'sleten W(»or<l te 
bcliouilcn : »*n met de bet^ekeni^^ van 'sus- 
j>i<io*. naar 't srhijiit. 

In 't Ml'ri»*. is 't z«'k«*r snsjiirio, vgl. fa/if. 

aengresicht , n. (Tietj. en elders.) Hd. 
Mash',. niciin-aangrzirht. Zi»* fit'nsirhf. 

aensiclit, u. mitus , furu-s. g«'zii"lit. Hl. 

a <' Il -« i 1 11 I. Miilkw. «M-n^ik. Sta«itV. a en- 
ge > i •■ li t . LT •• - i «■ Il t. 

S y II iM* II - i I- h t " i «• t f"»| j»i"i>t»'ii. 
Ih»u d.»;ii-t 11 i lil il a t n I' t lyk vu >yn 
a»'ii-iilit <- i /. / »'. I)v 't h i in ^ »• I •< vu 

*»' in)a«- ''Vt. idy 't <- y 11 una- "k^'iut) 
N k »• i n t - V 11 :i e ii >• i e h t. 

Oiik \r\-\ ■• ;i 11 - i r il t . /. ij. Vm \iit»r.ll 

ti"i»aiiii'. /.. '1. \ l;1. "ntfit. 

aen'stons, i-jt. •!•'•. i- >.iiiniiii;c)i nuk .irii>'n^. 

'•t' ail^tnii- . adv. stntini mm', au 11-1 1 ijhU. "oji'!»*- 
• lil,'. •*tr;ik-. Austi'ii- i- dy jniiLre .n'r- 
a I n a II 111 •' i - \ Il II â ii ii e u. A •' n - 1 o ii- 

M' II (\ii.ir.ii iii aiil Wii'Hib'iu. M'ilkw. uaii- 
>t'>iMi-. StadtV. a 11 u' -i t •' II - . .ii-n-t<»ii- 

1 Ii»*«-ii". .■ \ !• Il - 1 '- Il -* w I' i" k «• III Ml !• . Il I' a i! 
't I «• a I' n - •• u " t 't a 1 1 û n*. 1> v k •• .i- 
i»*I i- .1 I t y d ai'ii-tiiii- 1» r »• i II r tM' r. 
Ki'iii-t iiiMi I' k ■».111 'f t a f •• I V .Ia, 
a e u - 1 «' n - •• u. \'gl. «7/ <lttrh. 



Dat .stek moat goed makke wirde, 
oarri i»<*tderanHton8wertodwaen. - 
As 't aenstons nei bûrreii ^ie^te. 
H i z den e f k e s b 3* de bakker, 
dat er brca bringe luoat. -- Ik 
w i r d aenstons, met enkele dagen . 82 
jier. -- 

Strak aenstons, niet subiet , maar tocb 
al gauw. 

S a a e n s t o n s , modo , zoo pas. — Sa 
aenstons hie 'k m y n ]i o 1 1 e a d noch. 
en nou bin 'k it kwyt. — Ik ha i^a 
aenstons noch mei h i m p r a t e n. — 
Skrik hie 't hert biklomme j! Do 'k 
jimnie anstons der moast 8Jen || Sa 
mei dy Lik eb lommen. K. ind T.* 
198r/. 

aenze, adv. III. ergens, vgl. rartye. 

a.©p, <g. . i<nni(t ^ aap. Ook appe. z. iL 

- Ho heg er de aep kladdert, ho 
b e 1 1 e r m e n s y n n e a k e n gat s j 11 e h t. 

- De s k i p ]► e r feu B a k h u z e n s e o e 
i n }) a e j» h e 1 j e . e n h y k a e m mei in 
aep thus. Lex. 110. - Kren, seit men. 
binne ut 'e ajjen || minsken komd: 
ik wit it n«'t; \\ m ar *k wit wo 1 . dat 
m «Ml ond'r 'e minsken ij o.sa'n bul te 
apen het. O. St. , (Jiet it sa? - Der 
b i n n e m e a r a ji e n o n d er de m i n- 
ski'u as minsken onder de apen. ld. 
I . ô.'i. In a •* p b 1 i u w t in aep. al het 
♦•r vV in rök oan en in priik (»p. ld. 
I. V^. Sa ga 11 as in aep. -Wird nin 
a»'ii f«'ii f r»' a md »' fratsen. A. Telting, 
Kr. .li.'ib. l.^:i:i. >. 24. De Ijue binne 
sa laf ld o ggf it sa mal of de niin- 
sk«*n 1» 1 n iM' sa li»*pi. dat men «co e 
der a|M*n iiici fang»'! - De aep komt 

II t '•• muiiw»' (srkl. Vgl. trkentïep. 

l*'>n bi-t in gna]>j>e kearel f en 
kttj» f 11 p nat»' 11: il ach aepl iSprkw. 
-«•liiïii)M'iid u'<'/«'gd van fM'U b'eljjk menrfch. 
di»' iiK't /,iili /«'11' wt'l ingenomen is. -Och. 
|iifbi<ï - j u r h tl IJ u \\\ '«» s])egel, den 
ln'-t in ar]) t'oar ily. Hy spil et 

mar: iii-ji li\v»*t h ♦• - 1 m o a ij e jongen. 
ijii' "t \r»'riii<li' na\<)l;»t voriral; «jfek. 
"tStit': a- i II .1 •• )i . ln'-pMiirlijk. Inoan- 
klai"i<|t' a «• 1 11 lUiMK'gj'k. l'ier wol 

III «M iiiy mi Ijl* f»']i h II r 1 <• a zj e«. Nou. 
d'Mi iii-t in a<-]i a-t ilat dui-hst»*. 
U\ t'at'hi li «' t d\ -a min bihânle. 



\KP 



15 



.VKRl). 



ii«>ii liixt in a«»i> ast non wor noi 
hjar tableste. — In aep fen in kea- 
ri*l . »M»n rakkert. 

l II a e p o p i n s t o k j e . kinilerHi)oelgoetl. 
jitfUHM f, ttahiit, l)uit. Hy wit wol 
h w V r 't tl t' a e p t o fa n j^ *• n is. - - I) ê r 
• it»t «Ie ai»j». Hja hawwt» «Ier in 

ni !• a iJ f a »» p w t» i. H y h «» t d ♦» a «* p 

(■innen. I>«' a<»p is ï»inni'n. Hy 

ir o n ^ ni «* i il e a o p s t r ik en. -Ik k a t* m 
ni t' i (1 f aep by h i ni. ld. I . f)9. - It wiif 
wa«*rd al minder onderda nieli . do 
't ff h I» a r il e d at de a e }» t o s i i k w i e r: 
it jiM docht folie. Hsfr. III, lüT. 

Aepachtich, adj. . stuit ns^ aa]KU'hti^. 
ilw-aaK. laf. - Dv hoed stiet dv ao]»- 
a e h t i o h . leel)jk. Sa a e }» a e h t i e h h a 
'k i t n o a i t h i 1 i b Im' , unj^eveer hetzelfde 
aN: M(*n se o e der apen mei fan^^e. 
Hy mei î*yn gibeltsjes, hwet kin er 
Il i m u e p a e h t i e II i» a n s t e 1 1 e (t j i r <r j i-l. 
R. r.. As jimnu-. ^f<. ld, I. lis. 

.Sjiirh ris ni»i <ly apen. sokke ;jfi- 
beltsjej., a «i dy meitsje! I)«*»r wol 'k 
Bet n e i s j e n . i k b i n n e t s a a e p a e h- 
ti)f. ik hond niet van ap^'n. 

A0pke, n. deni. sîmiolnx^ >ia]>;e. Dou 
bint in I y t s a e p k e . zejf t et»n moeder , 
aU haar kind haar bewe^in^T^n be<^int na 
te bo(»t sen. Zie npkv. 

ftOpS, <. meest met een ontkennin<^r ^i>- 
bniikt. - 1 > a t is net folie a e p s , m »//- 
turn exiutlS , niet veel biztmders. I)er 

i^ ntft folie aeps, \V. I).. HûH-lIiem 
\y*^'A . 1 1S«. N e i h i m h a b ik n e a n e t 
f 4j J 1 e u e p r4 w e r h a w n . na hem heb ik 
n<K)it •?en vrjjer meer ^ehad. die wat betee- 
keiide. Korj. 1>^74. .VI Holl. niet veel sm-ps. 
Vjfl. Lrrti* , Mitniifrit. 

asr» n.. 111. oor. pi. aren. <i. .1.. I. 
4li. 'A. Zie vfir. 

.a0rd, aert, Ihpr. a<*d, aetl. n. . natura, 
ImhJrn , aanl. «feiiarilheid . inborst. III. 
i-d. <;. J., I, '^ en II, 77. I>at 

viif het in min aerd oer h.jar. hja 
i» fuldk. In dimmen aerd. 

n«r in forkeard aerd vn sit. is neat 
f e n t u ni e i t s j «• n. As er n e i - y n 

Aerd to Ket ^ynj;. hied er der al 
Jiftniryn nlein. van een veehtlusti};<*. 
Hy bet dêr gjiu aerd fen, j;een ovei- 
ecnkomi«t mee. - Stil t o w ê / e n i ^ 't 



aerd fen in bern net. — Dat is, leit 
of sit yn 't aerd fen 't beest, ook 
schertsend toej^epast op een mensch met 
bizondere hobbeïijkheden. — Vjfl. herne- , 
Joni/i'saenl ; histt'-aenL Zie dt» samenst. van 
bjjna alle diernamen. 

út syn Ihjar) aert. Dy faem is 

Ú t h j a r a e r d n e t f û 1 : ook n t e r a v r <l. 
— Dat is ut er aert in troeh bént e 
kearel. mar 't wiif fitert him op. 
Dat is u t «n- aert in w r e d e 
«^roun. Van een jonj^en: 't Is wol nei 
d' a e r t , d' â 1 d «• d o o e h s e 1 s e k n't ! 

Ik ha t o L j o u w e r t n i n .i e r d , ik 
kan niet ^oed over het wonen te Leeuw. 
Lex. 1-21. 

- s. Hjnrirs , soort, hoedanigheid, eijfi»n- 
schaj). In wrede aerd fen j^roun. Ook : 
in wrede jrrounaerd. — Il wet skeelt 
d y ? In aert f e n k â 1de t s j i n h t , koorts. 
Lex. 1*20. Se o e dy joii<je tl e muze Is 
ha? Nou it het il er wol in aert feu. 

It jacht sylt dat it in aerd In't. 
Lex. 12(1. It wet ter koket datit in 
a e r d het, III. <l a t i t i n â ♦" d y s. \^\. 
f'i'H k'oiHsa, ravh'. feu aû/a/cr vn ijearlt, 

aerdich, (s]>r. aedich: of aerich, vooral 
de 'jonpM-eiir) , adj. Kn«rl. J»f'*'fffty tjt'ntlv , 
at/fwaUt' , jmlifr; aardi;,*'. bevalli*^. jLfees- 
tijjf. vriendelijk, beminnelijk, fraai, bui- 
tengewoon, zoiMlerlin»(. <.J. .1. I. 21 en .'{2. 
In aerdieh bleske. Tj. Halb. . Alm. 12", 
1><.')2. — A e V {\ i c 11 *r 11 d : d y b i c h j e s o f 
lamkes. Dy jon j(f ei ut is altyd 

a 1 1 i k e a e r d i c h. - 1 n a e r «1 i c h fa e m , 
bet«*ekent bjj vrjjers, dat 't eeu lieve meid 
is. — in 't alf^emeeu, «lat 't een is die eeu 
i«'der vriend».'li)k bclian<b'lt. Ken gehuwde 
vr<»uw is iu «lit «jeval in heel aerdich 
minske. - <ieale is \\'o\ in a«*rilich 
m a n . m a r «l a t i s 't «? k a 1 1 e j; e a r r e , 
een ;;oede . vrienileljjke man. Zdiider vi.'el 
degelijkheid. Is 't net nioai, 't is 

<li*)cli wol J4 er «lic 11! van iets «lat uit 
li«'fln'l)bcrii i»» gt'inaakt . b.v. knuts»-!- 
werk . «'en v«'rsje. en/. Ook ir(>n. g«*bczig«l 
van o«'n i»j»gcsniukt verhaal. — Dou bist 
«* k in .1 «• r d 1 «^' «• n - i «' n . uls iemand i«'ts 
verlangt «d' duet «lat ummi ni«*t aanlig vimlt. 
Dat i- neat g j i n aer«lig«" bo«'l. 
*mcl.»«.is' \>htv: «m'u l»'«'liik»' zaak. — Der 
gi'.ine n«"at g j i n a«'r«.lig«' pra«'tsje«, 



AKRI). 



16 



AERDS. 



f on Hoatsko, er loopen vorkperde ï?e- 
rucliten omtrent haar leven en jj^eilrajïf. — 
Dat » k e e 1 1 in a e r cl i c h e i n , nog al. 
Ook: (lat skeolt aerdich hwct. — 
H y hot in a o r d i g o j a o p m o i de b i 1 e 
y n V f o o t k r i g o. — T n aerdich 
s l o ni p k o j i 1 d. — T) a t i s o k a e r d i e h 
d w a o n f o n J a n . d o r o k k o n o p m y n 
n a m lu o t o s k r i u w o n. 

a 1 d e r «. o r d i o h s t . adj. t»t adv., in hooge 
niato aardig. Zio hy ahler-. 

-- ïkIv.. Fm. joUment j knapjos. goeatig, 
gunstig, t:iniolijk. vroemd. — Dy man is 
il o r d i e h r y k, zet?r wel bemiddeld.— 1 1 het 
a o r d i r h f ii i z o n. — H e a , h w o t s j o n gt 
<ly konarj»' aerdich. — Dat hot or 
wol aerdich dien. Ho giet it mei 
d' Ald-baosV Aerdich op stap, flink 
gezond. — Hy kin it wol aerdich 
s t o u w o . i t a e r tl i c h redde, h v i >< wol 
aerdich ot*. — Hy wennet der aer- 
dich. — Hy het him der aerdich 
r i il e n . hij is daar leelyk te pas gekomen. — 
Dat 1 i k e t al h w e t a o r d i c h. t i n k t d y 
ek netV (nnrer, vreemd.) — Tet kin er 
wol ris a o r d i c h b y k o m m e , wel eens 
geestig wezen. Zi«* hrt/k'. — Myn wiif is 
non a»*rdi«'h, tamelijk wel. It stiet 
mei .1 a }^ k e n e a t n 't a e r d i c h . het staat 
met de gtv.ondheiïl van .T. niet gunstig. — 
1 1 1 i k e t m V m e i m a s t e r s k e net a o r- 
dich ta. - It iM'ttert aerdich. — It 
giet acrtliih mei li.jar foariit. - It 
roan «l «"• r w u I a«.*rdich on. het liep zeer 
naar L'«'niiegeii ut'. .1 i m m e kin ii e d e r 

al aerdirii 1» y kom me, it al aerdich 
bitiiike. ha WW e. omtn?nt <li!ig«'n, 

dii' alle< belialve iijjar den zin zijn. - Yn 
'e slide •* II net ride? ,} Non. den 
wie 'r al ai-rdieli tearn. nj» een znn- 
di'rling»* wij/»' ;:iM-eis<l. Kr. Volksalm. l>^"»'j. r>.S. 
-- Non. dy liet li i ni aerdirh 1 1» pak- 
ken, hij i> tTg li»'^eli<ink»'n : «wik van ver- 
lii't'ilheid. Hja ha h i irL aertlirh to 

]» a k k e n h a w n . afgeranseld, bei-tgi-nomen. 
iijigi'lii-lit . I>y -« V k t •• iifl h i lil ïm* r- 

d i r 11 t'i |i.ikk«'n li .i w n . /.ffv \tTiii;i;,'-»'ril 
♦Ml verxw.fkl. 

aerdichlieit , s., thltrtntih ntnm , ln<t , 

Vermaak . i:ee^tighei«l . iet" zeldzaam-. 

Ik ha <iaii dy bi^iti' ni«at g.j i n a e r- 

d i <• h heit. 1 k h ^ '• " ' ■• • 4- r.' ■ ,. »• 'i .. ; t 



oan it «kilderjen. Lex. 120. — Ik hah 
myn aerdichbeit oan dat bern, «ta 
Ij o af as 't allinne boartRJe kin, — 
Prov. It is in aerdichheit, sei d« 
man, do Rtiek er in libbene pod yn 
'ebûae om dy yn in kantosetten. 
— Biroorde jonge! hwet aerdich- 
heit ia dor oan: dy lytse bern «ato 
narjon? — Ik ha de hiele joun 
myn aerdichheit oan Bearn, hwet 
docht er doch 8? Pûdtfljeplakke. — 
Ik ha myn aerdichheit der «kjiii 
Of. ik ha der gjin aerdichheit inear 
oan, beteekent meest: het begint mg erg 
te vonlrieten, ik heb er tegenein in. — út 
aerdichheit, Fra. comme cunomtê. !■ 
ding nt aerdichheit (for in aerdich- 
heit) k e a p j e , b i w a r j e. - Dy s k ip- 
per hie for in aerdichheit ytlikke 
libbene k r e e f t e n y n i n koer m e i- 
brocht. R. ind T.>, 197«. — Ik «ei 't 
mar út aerdichheit, voor de g^^p. — 
Kom nou om in aerdichheit hjir 
ris. kom hier eens kijken , vind je dat 
niet siardig? - Om aerdichheit, vodt 
i!.ijn genoegen. — Men scoe om (in) aer 
tl i c 11 h o i t buten w ê z e.. 

aerdichjes , adv., Kngl. prettif — tafrrahlif, 
tamelijk, 'aerdich' (z. d.). It gyng der 
wol aerdichjes oer. - it bigoaa 
aerdichjes t o rein en. 

aerdigens, s. , ittcumfitas , festiriton, 
aantrekkelijkheid, genoeglijkheid, niet ge- 
heel hetzeltde als aerdichheit. — Der 
is net folie aerdigons oan, nietn 
dat aantrekt. Dy man fynt thú« net 
f o 1 1 e a e r d i g :Mi s . niet veel dat hem aan- 
genaam is. Dat wiif sjucht altyd 

a 1 1 i k ♦• •«: fi r . »1 ê r is gjin a e r d i g e n ff 
oan 't hele minske. Hy kin fljr 

a e r d i g e n s w o 1 op, hjj heeft niel veel 
pb-zier. Is dat wol in aerdich 

faemV N «Ml. hja mei hjar nerdigen>( 
w «» 1 11 a 1de. 't houdt niet over. ■ D e a er- 
divren< fi'ii in faeni docht vet 
ni )' .1 r il > il j a r m oa ij en >. I k ha neat 
L' j i n .1 e nl i e h heit oa n dy n aerdigens. 

aerdigernôch , adj. aardig genoeg, wel 
aanlig. .1 y moasten lis iijje bûrljue 
ek mar ri> f(»rsiikje, dy Ijuebinne 
a e r d i g e r n ó «■ h , om je wèl te ontvangen. 

aAf«daip. isur. ;»-l'/je n. , Kngl. to re- 



AER1>. 



17 



AKT. 



eiiiaii^l ut' M< i«MiKim^ ^tM-.irJhcul h«'l)1i(>ii. 
Ih «*oaii ai'rtlet n «m do ln'it. L«*x. 
l'i»». M V t i n k t h y a <? r d i? t iii t* a r imm 
1 1» UI »• lil. V;<1. «farhfsjt'. 

--- ifÏHii/i'M r^^i', uiterljjko overeenkomst -, 
^dijkeiiiH li«»bbe!i, van dieren en levenlooze 
vut»rweriien. Dat porsleiiien t hé- 

tC il d f e II jou w e .s a e r d e t w o 1 h w e t 
nt>i lil in e M, mar 't is net allyk. 
R 11 »• r il e d o *r g ^* a e r d e t g â n s n e i n / e s . 
Dl a r h V is li w e t « w i e r d e r. 

\h\. itirh hrlmiitrh filhlm. zieli er«ïens t'huis 
{<e vielen. - T s S i b b e 1 e w e n net by 1* i e- 
re*, der mei er skoan a e rils je. In 
If r e i d b u e r kin t r o e h s t r i n ^ s net y n 
V )i o u h o e k e a e r d s j e. Ik ni e i y n 

Iirylst n»»t aerdsje. Lex. 1*21. V'gl. lurd 
eii fn'zf infije. 

aerd'tsje, (soms aertne) n. hufolrs, aard. 

((•^iiardheid. I ii a e r d t s j e n e i (t'e n) s y n 

faert^j*», de geaanlheid van zijn vader. 

ï?fue«l er suks dwaen? Nou, hv 

• ft 

h tf t der wol in a e r d t « j e fe n , <bit zit 
wel in zyii ^eaanlheid. Lex. 120. M i e n s t 
dat ik 1 i i f h V Nou, i t het «Ier wol 
in a«»rdtsjt' t'en, het heetY er wel wat 
Tan. H e t e r d e k o a r t s V N «m , w o 1 
f«d'n aerdtsje. 

ae^klurker. Hl. ej;. forfirufa auncidtn-ia, 
KnjrI. rnt'-irltj , ourwürm. ( )uk a e r k r u p e r. 
Zif rri t'k'n'mer, A e r k 1 u r k e r s h i 1 1 e fa i k 
yn 'f draven. Lex. 11. 7Âv foarlirstcHwr. 

aer'rynfiT, HL s. oorring. Zie carrinij. 

aerts'fader, ihier en daar spr. aets-), ni. 
fmtt r'nii't'hn , aartsvader. De t r ij e a er t s- 
faders. fij^. voor een dikke rat, enz. 
Dat is in aertsfader. een met veel 
jon^fn. *)ok ihnlirulnM rapith. Meer : â 1 d- 
fader. z. d. — Vjfl. trart"*' en earxti'. 

WLBTtB'tiiäXk f ni. ÏHiuiirissimiis. aartsvijand. 
- - S i k t a r i s en dokter b i n n e a e r t s- 
fjjânnen. - Ik bin in aertsfyân t'en 
]i;<en. sei Jan: mar dêrom stalde 
er wul ris i e n. J el nier is in aerts- 
ry au f e n ri t er ke d r a n k ; hy drinkt 
oars net a i< konjak. - Vit tik bin 
ik en b 1 i u w ik i u a e r 1 8 f jj â n t'a n ! 

W^/BrtB'hlgéi f UI. urchunt/eïtts , aartsengel. 

aes, n. Eng), wr, aip< in 't kaarts]>el. 
l»*r fjoawer uzen. Vjjrl. herten- . Lhirrr-, 



aes, n. ('sra y aan; ook vo.n- 't. vïf.n«^en van 
vogels, vossen. bnn>?in^s. »miz. M(Mle kb'ine 
vis<'li. worniiMi enz., voor 't v:iii<^en van visih. 
Dit nH't»st i e s. z. il. 

IHij (Î. .1. 1, 100, ISO: eaz, oase.] 

Der s i k e t d e w i k e 1 o ni s v n a e s , 
Kr. Ho(M-e Progn. - .S a t a e k t <1 e k w e a d e 
yn lis da«^«*n ;| Yet ek syn iies vn 
roof. H. ind T.\ 2(\4\ 

Dat is aes, Fra. : fv/ hu* rhautisc, wU u\tn\ 
wat vindt , of als iemand wordt a'sinj;»'bo- 
dm wat hji graa;,' had. of voor hem d«' g^-lr- 
geiiheid bestaat om 't te krijjiren. 

't Wie gjin rjurht aes f o r hjar, 
o a r s h i e n e se wol t a j) a k t (d e r w o 1 
ynbiten). --.Iun«^es! mastt.T is oan 't 
a p »* 1 j» 1 Ô k j e n . d e r h i ii n e ! d a i i s a e s 
fnr lis. Fammebisite 1.» v Fiere 

.litski'. dat wier aes for de feiiittMi. 

.Sjo«h dêr ris by de k r i'i s |>ó 1 1 «' . 
hwet in stWugels. dêr is fêsl in ars. 
Zwh.. sehool van vissehen. «iiet men 

li t t o f i s k j e n v n 'e m a r , <l e n s i k e t 
men om in aes. \'«Lfl. 'wzinj. 

-- Ken vinnifj. boosaardig,' nHMi-^rh. 
It is in a«*s. kwaadaardi^re meid. Lrx. 121. 
In fi'iiinirh aes. Ook: hwot in 
aes fen in fint, f «mi in jonge. In 
iehfl f (Ml in honii. in aes [ Nin 
minske stii' him as syn bars. \{. in<l 

It lytste aes het it meast«' ge- 
ra es, kleine kinderen maki'ii lu't meeste 
leven. (.)ok: leege vaten klinken 't holst. Kn : 
een klein kereltje lierft veeltijds het meest 
in te brengen. Zi<* nzirh. Vgl. rn.<<. 

aeske, n. dem. 'van *aes'. in ov^r- 
drarhtelijken zin. In lyts boas aeske. 
putUuhi nsj/ti'd . nuihdirn , vinnig l>oosaardig 
kind. Lex. 121. Lvt^e minsk«Mi )»inni' 
fa e k k o a r t o f a z i e h : 1 v t s e 1 > a «• s .1 a n 

Ik 

i s a I s a 'n a v s k e. \'gl. h-af-ncs. 

aeskje , 111. v. eisrlim. Zi»- i'téshjr. 

aest, III. n.. oost. It .\est. biiiirt in III. 
langs de havm . aesterdvk (naar 't 

<.)i»steni. a«'stert'aet maar Workum», a«*s- 
tertiier, a e s t e r k 1 o k k «• laan diMi (oost- 
kant), o.jk <ï. .1. 1. 1»1. And».'rs oast. z. d. 
Zie rff.'tf. 

aet, Zh. |»ron. i»'ts. Zi«' mf. 

taetke, n. kuil van «'rn vi^dnn't. 
Aatkens of kuiirn aan 't «> i n d <• van 



AEZ. 



18 



AOGE. 



tl e netten. Stiit. v. FrieHl. 1723, B. 4, 
tit. 7, art. 1 en 4. - In oude, in 't Holl. 
geschreven «tukken, vindt men dikwjjls Frie- 
sehe woorden. Thans : k o 1) h e. 

faezen, Hl. n. de haardpUiat, zie eazni. 

faezenboad , Hl. n. ])ord over de haard- 
phiat, dos zomers gebruikt. — Zie eazen- 
board. 

aes^e, v. ajjjwterc, concupisceref azen. 

- Ik aezje, aze, ha aze, aezjende, to aezjen. 
■-- H é f Û g e 1 fl aezje op flauwe f i 8 k e n. 

- - 1 u m o a i r y k f a e m , d ê r a e z j ede 
frijers o]> as de roeken op in dea 
h y n s d e r. - 1 n m a n dy 't soms o p o «a r e 
f r o u 1 j u e aze. Op in e r f s k i p , op 
s k a 1 1 ♦' n a e z j e. Vgl. flamje. 

af, in: af en staf wêze, moe, suf 
en op wezen. Zie of. — Staf en af, over 
haast . hals over kop. Zie ftfaf. 

*SLf'teQJ^ , s. rollect. majorea j voorouders. 
Lex. 78 Ts affears tael, onzer voor- 
ouderen taal. - S e o e f r o m m e A. f f e ara 
ban net ie n j e Ü 8 o a n n e ii w ê r s 1 y k 
hja fen twangV Fr. jierb. 11,97. -Ook: 
â f fa e r. \V e r li s â f fa e r s b i e n t e v n 
rest. Liet eb. 16.— |Kigenlijk *âldfear', z. 
d.. Hall»,] Vgl. /Vv/r. 

affear', affea'ren, n. Fra. affaire. R. 
ind T\, :\x\ Sytema, Kat. 19, 29. Ook ef- 
f e a r. H y j) a s t net op s y n a f f e a r e n, 
verwaarloost zijn zaken. — Hy liie effea- 
ron t(» Warkum. — II wet binne iv 
fi'ii jou affear? Wat is uw beroep of 
bedrijf. — Ik kin om 't tsjerkgean 
m v II a ^ïi' a r n e t v n '»* s t e e k 1 i 1 1 e , 
s »• i de s k <' a r b a «• s t s j i n tl o m e n v, — 

ff ^j 

As *k dat i)akhMs koajije koe. dat 
k a e ni m y a l h i <* 1 y n m y n a ïïi^ a r e n 
to pas. K. ind T.». 2:4''. Hja hie in btVst 
afft'ar oan dy hoed t sj e ni eitserij. 
M a n Ij u «' > - a ÏÏk* a r v n e n f r «> u Ij u e s - a f- 
fearoii, maninMi- en vrouwenzaken. — As 
'k n«M r^tOd bin ha 'k Ijeafst g j i n ge- 
ma el uifi frou Ij u t's-a ff«*a ren, bood- 
srhaj)p«Mi voor de vrouw te doen. 
I)at wiif wol grae<h vn man- 
Ijues-a ffear«Mi omrier»*. -■I>at i< 
m y n a ïï «• a r , lujjne zaak. -- H e a . L y s . 
hwfl luakki't Tryn skroar n(»u? lü 
koallrï dat b i n n' myn affear en, b i- 
m c» e i tl o u d y m ei d i n e s. 

affys'Je, afysje. n. o/yiV -.>• . ï'»antje. 



— In fêst affysje. — In min afygje 

— It minste jild of affysje dat jim 
me krge, kin min aenstons oai 
jimme sjen, R. ind T.«, 176*. — Alh 
dagen itselde affysje ha, d« 
bezigheid. — Nou mar, dat affysji 
smyt ek hwet op: frj Ijocht by dei 

— Het hy ek hwet by d' ein? Né, hj 
het neat nin affysje, hy libbe 
stil. Vgl. offyaje en akkefy^j^*, 

— • Hl. af fy sjen; bjj begrafenissen g 
men 'aifysjes' aan de biklaeyers, lé 
ders, drêgers enomsizsters; ve 
aan die den doode scheert; aan de Trouw 
die aan de deur staat om de bezoeken ii 
en uit te laten ; aan een of twee theescl 
sters, en aan de vrouw, die voordat de 
in de groeve gaat, het (zwarte) 'kiste 
er afneemt. Daar werd voor betaald n 
mate de gegoedheid. 

aMkaen', s. Tagetes erecta, afril 
zekere tuinbloem. - Sa'n afrikaen rflir 
neat n 't lekker. 

after (Dongdln.), praep. achter. Zie^< 

afterskip, s. achterschip. — It after 
skip moat ek f r acht ha. — Altitci 
is er op syn afterskip. Burm. Ti 
genw. meer ot ook: yn 't léste skip 
mei 't leste skip oan wal. Zie 

aTterste, adj. Kngl. hindmost, ach t 
Zie t'fteri<te. 

aftich, adj. Hd. nett, net. Lex. 59. Il 
is wol in aftich feintsje. Vgl. epM^ 

— arrotjanx. pedant, verwaand. Hy i» 
s ah wet aftich: smeule op elkeniea 
Zie hafth'h. Vgl. nkijtinia. 

a£^ger, s. na vloed. — Foar it wettei 
(yn e s«^) hiel en dal leech is, komti' 
wer efkes op. Men neamt dit A 
agger. Aan de N.W. kust langs de! 
derzei» in gebruik. Slj. en Rj. 1890 , p. t(^ 
( )ok (» f t e r f 1 o e d en a c h t e r a b e. V|^ 
Taalk. Bijdr. 11. 2. 

agge sottede, s. Hl. bont. Grond lidd- 
bruinachtig roo<l. Zeer kleine ruiten (1 mlPJ 
gevormd door dt» in de lengte en breedte 
der stof looponde dunne strepen, waarna 
«lri«' donkerblauwe telkens met een witte 
afwiss»den. - Deze bonten en meer dan 100 
ainlere soorten in Oostindië gemaakt , warei 
allen geruit of met strepen, hadden leer 
verschillende kleuren en w^enlen door de 



AGGE. 



19 



AKE. 



per vrouwen en meisjes gedragen, 
n al ileze l)onten worden stalen, ook 
namen, verzameld door .1. IL Hal- 
. in het Friesch Museum bewaard. 
V.mHche toelichting in den Catalogus 
•uni 1881 , 284. Van de namen ver- 
wy hier ter plaab<e alléén : H a n j e- 
», hargeblommede, bókkede, 
?de, klaiverbl^dede, voorts 
de, pothadede, hikkede, 
ehadede, panfeerede, râ- 
m1 e, m i g g e d e, s t o e 1 e m a 1 1 e d e, 
'streepke, pi ej oenede, s Ifi- 
coyede, éal vengô 'nede , enz. 
ie namen. 

wear'je , v. tegenweiinngen ma- 

1) a t i w i c h a g g e w e a r j e n , al 

it it noch sa goed mei dy 

- Vgl. aryeirearje. 

e, s. Hd. Hautiirhamlel , negotie; 

:: n e go as je. -- Hy rint mei 

e. -— H a j y e k h w e t y n a g o a s- 

te handelen. Nou 't wirk krap 

jint elk mei agoasje. Vgl. 

nint'. Meer : a k k r e m i n t , z. d. 
tUS, a. Zie aufjfMstuft. 

Zie ha. 
terj. ah Î uitroep van smart , als bij 
ge en kortstondige lichamelijke pijn, 
• branden aan den vinger. Vgl. aii. 

Hl. n. oog. Zie each. 
ie, (in kei), s. Hl. bont. Grond 
lauw met kleine ruitjes {14 cM^), ge- 
loor witte streepjes in de lengte en 
der stof. 

wart d Û b e 1 d) , zwart dubbel a i- 
waarvan geen staal aanwezig is. 
Schierm., adv. ook. Zie ek. 

(in 't oosten vooral), n. dem. t*itje. 
yfke datsit hjar hast stiif 

a i k e s t o b r i e d e n , v. d. M. , 
lacht. Zie aikr. Vgl. de samen- 
n met de namen van alle kleinere 

— Dv 't earste seit li It aike 
/ leit. Sechje. 

bisi'de, Grouw , Tietj. s. kindersi>el. 
of ander ding (een nestje van stroo 
Aar men keitrieentjes in legt), wordt 
(bijv. in de boomen of struiken); 
kt, if) fet of meager, al naar hij 
bü , of verder van de plaats komt, waar 



de ander 't verstopt heeft. Vgl. forHÏdebrhif/e. 

ailcer, c^.palpator, iemand, die een ander 
met de handen streelt. — 11 wet bist in 
Ij e a V e a i k e r , een moeder tot haar kind. 

aikje, v. Zie aeihje. 

ai'roun , eirond , meest a e i r o u n , z. d. 

aist, Schierm. num. eerst. Zie earst. 

aist, Schierm. s. oost. Zie ea.^t. 

aitse , Schierm. pi. erwten. Zie carte. 

aiventúer', Hl. «., zie arenttu: 

aiventúer'je , Hl. v. zie aventnrje. 

aiverii'. Hl. v. Zie are rij. 

ajak'kis, ajas'sis, interj. van afkeer, 
Apatje ! Vgl. harrejal-hia. 

ak! interj. Engl. bah, uitroep van af keer 
of walging. Ak! dêr sit in s wart e Y\\\t 
út de t II n o p. Ak ! de b o 1 1 e h e t d e r 
op ski ten. Lex. I'S, 450. Ook akkeba! 
a k k e 1 e b a Î a k k i s Î b ii ! Lex. 73 , 140 . 
450. Nederd. a k k e. 

't l s a k ! der net o a n Î 

— s. me ril a f vuil, drek. - Dêr sit ak 
oan, ôfbliuwe hear! — Ook: kak! 

a'kelik, aek'lik, akelich, aeklich. a<lj. 
horriduüj tnisrr, moi'stus, akelig, naar. - (L .L 
II, 81. - F ij , sa'n s])ilï men se o e der 
akelik feu wirde. - Ik bi na kei ik 
f en lis mem me de ad. — It is in a k e- 
1 i k e t i i d t s j i n w i r d i c h. Lex. 78. 't l s 
in a e k 1 i c h 1 ij e n Î een last en geharrewar..! 
zeggen sommige vrouwen bij allerhande moei- 
lijkheid — It is inaeklik wiif, een on- 
aangenaam, lastig, slecht vrouwspersoon. - - 
In a k e 1 i k e jonge, verdrietige , onbehol- 
])en , stuursrhe knaap , het tegenbeeld van 
in a e r d i g e j o n g e. —In a k e I i k e d e a d 
stjerre, Fra. prrir de tnaU-ntort. 

— - adv. veheinenter , rahJe, akelig, ver- 
schrikkelijk , geweldig , erg. - Akelich 
r Û s d e 't om 'e s k û r r e , H. ind T.', Wda. 
— 1 1 is a k e 1 i k e k â 1 d. - De f o e t 
d o c h t ni y a k e 1 i k e s e a r. A k e 1 i k iï 
kei wirde. - A k e l i k e slof. - - 1 1 
slachtsjen is akelike niin litfal- 
1 en. Lex. 78. 

alder-akelik st, adj. et adv., versterkt 
'akelik'. - Ik ha in a ld erakei ik st e(n) 
lést Ie n i> i n e y n 'e m û 1 e. — H y wier 
yn syn hiis in a 1 derak e 1 i kste stroe- 
fe. wrede kearel, HstV. Vil, \)S). 't 
wier der... ald er a k e 1 i ks t to for- 
k e aren, Ibid. 104. 



AKK. 



20 



akkh:. 



a'kelikens, ae'klikens, s. mheria , 

movatltta^ akelijflicid , naarheid, (aln ge- 
nioe<lstoostan(l vooral); ook wat het f^eniood 
met akeligheid vervult. De a k e 1 i k e n s 
fen in slachfjild is net to fort ellen. 

- Ken aeklikens oer 't forstjerren 
ïkin hjar man wist hja net hwêr 't 
se r i n n e s e o e. 

akelikemôch' , adj. akelig genoeg, te 
akelig. - - Br ing my dat forlies mar 
net w e r y n 't sin, ik b i n d e r n o e h 
a ke 1 ik om oeh fen. 

a'kelikheit, aek'likheit, ^. Kugl. misenj, 
akeligheid, wat akelig is voor 't gezicht, 't 
gehoor ... — H w e t is 't in a k e 1 i k h e i t 
ni e i d y j o n g e Î nou k o m t er h j o e d 
f o r d e t r ê d d e k e a r ni ei w i e t e f o e t- 
t e n t h li s. Is 't net i n a e k 1 i k h e i d ? 
gezegd in 't algemeen bij wat onaangenaam, 
lastig. t«deurstellend is. Is 't net in 

a e k 1 i k h e i d . h o o n d o g e n s as d y j o n- 
g«'H binne? Hy kin f en aekl ikheit 
s y n (» i g e n h û s n e t f i u e. Vgl. feu ear- 
tnocd st/n keticr net /hic. ■ - Sa 'n a k e- 
1 i k h e i t as y n d y w e n t f e n L* i e r e n 
T ♦» t , ha 'k f e n ni v n 1 i b Ij e n n e t e a r- 
der sjoen. 

Aken en Keulen, H<1. Amhen tnuf Köfn. 
i Vov. A k e n en K e u 1 e n b i n n e n e t 
op ien dei boud. Vgl.: /V irrâhl is i/n 
'nu tlt'i mt nmh'kt'. 11 v kin Aken (Ha- 

ken) en Keulen wol «)p (en II a m- 
)»«iar«li <M'r bv), van ienian»! «He veel 
kan rtj'n. 'l'o Snrrk ca. zej't men: II v 
kin d«' Iltininierts en de Kyp (.Int- 
ryp) wnl o]» (mei de .S m el l e - 15 rêgge 
d er b y i. A k e n i' n Keulen k i n h y 

ta el t SM ar kûgelje, hij weet alle twis- 
tenden »jt«M*tis wrer t»' v«.*rztjenen. Lex. 
74. A k e n e n K «» uien 1 i z z e b 1 e a t , 

fnHh'.r ff iHnhrhiiti. \ gl. Prfxhr rn l*'nth- 
stvr. 

a'ker, •<, hmtm , slfuht^ put- of regen- 
bakt'niiiH'r van zink of koper: soms van hout, 
dan nuT^^tal: anierke. z. «1. Zwh. lil. 

a k k »• r. l > i* a k e r I e i t v n 'e bak. Li'x. 
74. Vgl. Itohfsf-, fmt- ^ tnh'ff' f sh'it'p-ah'f'r. 

aker, eker, s. pi. akers, ('kHr>: 
dem. a k »m- k e. <• ker k »': Hl. a k k er, pl.dem. 
akki-rtjes. </////;////; uit fijn linnen garrn 
gewerkte kwastj«'H aan de inn'ken van den 
zakdoek : aan den voorpamlduck «'H dm 



bruidsluier der Hindelooper meisjes. Lex. 74 
892 ; Koosjen 18. Ook aan de *knottedoekn. 
N.O., I, 187. Gids Tentoonst. 1877, 131- 
182. Mede aan de tippen van de halsdoe 
bij mannen en vrouwen op Marken. 

aker, ook : i e r d a k e r , Laihtfrus tukt 
rosu,'<y aardaker, ook miuRJes met staai 
genoemd. Lex. 74 , 892. — Te Molkw. a 
elders , o. a. Arum, de zaadbolleijeâ van da 
aardap2)el, die meer algemeen (pysOüppel 
tsje, (z. d.) heeten. — Wy atiekenii 
j onges akers op in stokje, en saei 
den se den oer de toer. 

a'kerke , n. dem. kleine 'a k e r\ z. d 

akke , eg. Comis jnca , ekster als t 
tief. Akke-wytgat, Akkc-swartgat 
A k k tun o a i , maar meer nog : m o a i Ak 
ke, Akketsj oenster: namen wiiarmedi 
kinderen tien ekster roepen. Ook: Akk« 
moai, lekkere brjj, Akke! Lex. 7< 
— Te Leeuwarden , waar nooit de ekitf 
maar altijd de kauw (C. viOHetJuIa) 
'akke' geroepen wordt, is dit Akke-wil 
kop, -8 wart kop, -dief. Zie ak. 

akkeba'! interj. Zie ak f meest kindei 

ak'kebakke ! uitroep by 't opheffen 
kleine kinderen; zie oekehakke, 

akkedear'Je (spr. akkcdearje of -cyeije! 
v. Fra. ('t re <raccord , accordeeren. — H 
hab in keapman om myn kou havi 
mar w y koene net a k k e d e a r j e. 1 
niet eens worden over den prys. — OoI 
a k k o a r t s j e. Vgl. dfakkedearje. 

Tryu tMi hjar man akkedearje 00' 
br*st, leven in twist. - Domeny en mal 
ter a k k e d e a r r e n as k ^ t en hooB 
11. S., Telt. G2. - Malke op wyn at 
k e d e a r r e t net t o best mei i n -oai 
yn *e mage. 8e akkedearje dêra» 
t w a s k o e r d e klokke n. Vgl. heartt 
'e u'fi hintte. 

(>!» d»' hoogte wezen. Ik biu ra ei dat 
w i r k net a k k e d e a r r e. 

akkedeem'Je , s. et n. akademie, 1 
geschool. Hy is der thüs a8 in ci** 
o p 'e (it) akkedeemje. 

akkedeemje-dei, '</iVx natalis' atair 

inide, 

akkedeexu'jeinan , m. akademiemaBf 

minachtend . iemand die op de hoogeschool 
, grstudeenl heeft en zich verwaand aanstalt 
I Kn sa waerd de akkedeemjeiDa> 



AKKK. 



21 



AKKO. 



ter) de tl o ar litjage. Tj. V. , 
79. 

a èd, s. akademiestad. 

t| e-tUd, s. akademietjjd. Hûs- 

fys'Je, n. Fra. Jpei^ogHe, baantje, 
vooral onaangenaam , — Leeuward.: 
fysje. Hl. akkefytjen. Ook: 
f y s j e. 

»at dy siuoarge boel op redde, 
in akkefysje. — Hüskeleeg- 
gjin moai akkefysje. — De 
fond en woene my 't stoeljild 
e 1 i 1 1 e , mar da t a k k e f y s j e 
or bit anke: fen d' iene moat 
it, en fen d* oare hwet o ars 
, mar m e a s t net folie ni o a i s. 
; mear sokke akkefysjes hes- 
Q k i n H t d y , om ni y , s e 1 8 w o 1 

— H y w o e m y dat a k k e f y s j e 
? . mar ik wie wol w i z e r. — 

vn 'e tomme, da 's ek in min 
' X j e. Zie ak en /ït.«r. Vgl. akkeftjtaje y 

tyt' , n. etnolumentHm , voordeelig 

voordeeltje. — Nou, dat is in 

't for dy, dast dat krige 

— Kr h o k k* n e p e a r e n b y e 1 ts- 
II dat wier in akkefyt for 

dy koen' dêr nochlik sitten 
\ K. ind. T.*, 247. Vgl. prefijt. 

Srt'flje , n. offiriofttm , negotium , 

zaakje , voordeeltje. Hl. a k k e- 

- Hv hetalderhiinneakke- 

I. K j i r t s j i e n h O n d e r t g o u n e ! 

t sj erkfoudij , H dat in in ak- 
je, dat komt aerdich by. — 

krekt in akkefytaje for my, 
n kolfje naar mijn hand. — Dêr 
n moai a k k e f y t h j e, i n g r e a t e 
m 'e angel fen t wa poun swier. 
Ie r i g o f e n 1 â n h e a r r e i n r y k s- 
r for d a t *k in h a z z e b r o c h- 
: w i ♦• r in moai akkefytsje. - 
• H n p e r ij , d a 'm in min a k k e- 
for him wirden. Vgl. prefijts^je , 

• 

leba'! interi. , vooral kindertaal. 

r. Hl. M. Zie aker. 

>f , a<lj. arruratus , diUgenK , ac- 
lauwlettend , ordeiyk in zjjne zaken. 



— In a k k e r a t e k e a r d e 1 j) a s t op 8 y n 
s a k e n en i « d e r s e 1 s f o a r e n a e h t e r 
b y. -Krasse en a k k e r a t e 1 j u e li a w- 
we hjar spillen sa yn o ar der, dat 
se in ding 1 i k e g o e d b y n a c h t f i n e 
kinne as by dei. H. S. , Telt. 63. — 
Sytse het oars net as in arbeiders- 
deihier, mar hy het i-n akkeraet 
wyfke, dat ia syn gelok. 

fakkerloat', interj. lichte vloek. — Ak- 
kerloat, ik ha dat g alge brok de 
laech sa jou n. R. ind T.', 119«. Tegen- 
woordig meest : s a k k e r 1 o a t , z. d. 

takkermint' , interj. , lichte vloek. 
O, akker mint! Hjir is dy Wierm op 
stelten. Oud Liedje (1702) Thans sak- 
k r e m i n t. 

ak'kertjen, Hl. n. Zie aker. 

ak'kis, interj. Zie ak. 

akkoart', n. parfum , acooord , overeen- 
komst. - Litte wy in akkoart to- 
g e a r r e m e i t s j e , s e i de d i v e 1. — Ook 
in den zin van dading ter beslechting van 
een geschil , als : 1 1 is b y akkoart li t- 
makke. — Hja binne op 't lest yn 
akkoart fallen, zijn het eens geworden. 
- Sa is 11 s akkoart net, onze afspraak 
niet. - Sjoerd het mei Pier om dy 
s w a r t«e run g e a r west, mar hja bin- 
ne n e t t a 'n akkoart k o m d. 1 1 i s 
in s t i 1 s w ij e n d akkoart. Verg. kondf/fsje. 

Pier en T e t ha 't a k k o a r t k 1 e a r , 
zijn verloofd. 

akkoart! interj. Fra. (Varrord, afgespro- 
ken !-Akkoart, krekt! nou is 't spil 
y n 'e h e a k : sa moat i t , nou h a j y 't 
b y d e r j u c h t e 'e i n. Zie akkoart i^jv. 

akkoart'sje, n. dem. van 'akkoart'. - 
Hou! ik wol 't net op in akkoartsje 
s m i t e , i k ' b i n g j in .1 o a d. W y h a 
in akkoartsje t o g e a r r e , afspraak of 
overeenkomst omtrent iets van weinig be- 
teekenis. 

akkoart'sje , v. panaci y een accoord , 
overeenkomst sluiten. ik akkoartsje, ak- 
koartte, ha akkoarte. akkoartsjende, to ak- 
koartsjen. - Ik wol jou bnin hynsder 
wol k e a ]\j e , a s w y m a r a k k o a r t s j e 
kinne. -- Yn ba es Sjirk syn bak- 
kerij (1 c r b i n u e Pier e n T e t f o a r t 
akkoarte, 't eens geworden over 't huwe- 
lijk. — Akkoarte! rôp i^, i^ r »e'" h*** 



AKKK. 



22 



AL. 



iitTOor<l aan. riej) ik. Hsfr. V, 46. — Vgl. 
ôfaH'oart.y'c ; akkodoarje. 

akkremint', agremint', n. Hd. Besatz, 
Yvii. af/n'tm't}f y garnetTsel. In hoed mei 
a k k r e lil i n t o iii b o a r d s j e. - - In jak, 
in rok mei ag rem int binaeid. - In 
m a 11 1 (» 1 fe n f o a r e n mei a ^ r e m i n t 
1) i 8 e t. - In j ft p e m ei a <? r e m i n t 
o f ni a k k e. V^l. kraelakkiwniuit. 

ak'se of ak'sebile , s. Knj<l. r/r, strijd- 
l)ijl bij de Ouden, v^\. Catal. Museum. -- 
(h'oote bijl, vooral genoeiiKl heksebile, 
bij boomrooien en ijskappen Vgl. ijoate-al-tn'. 

aksedint', aksjedint, n. Fra. accident, 
zaak, on*,'einak. Dat is in min akse- 
dint. pb'itzaak. Hy het in aksedint 
oaii *e skonk. Hv het in min akse- 

■ 

d i n t , d T' r kin er wol mei li i n n e 
^«•an. In lilk aksedint. een leel^jk 
zaakjt'. >vaarnu*e men jj^e»'!» raad weet. 
tak'selje, v. Zi<» ntaksvljc en hah'.^t'fje. 
ak'selje , v. te^'enwerpingen maken. - - 
1 ) ♦' b <• r n d o g «r (* n e a t a ^* a k s e 1 j e n , 
as r r i 11 b o a d s k i j) d i t» n w i r d e m o a t. 
V«jfl. tsjhuih'Hi'IJi'. 
aksenea're , LeiMiw, v. iemaml 'aksje', 
jaoccs maken. 

aks'futten , it . of 't a k s f u «' t , naam 
van «M.'ii Imurt in 111., lan<»'s d^; 'syl- 
ru'dt'". aan bridi' kaïiti'ii van de 'VVij)- 
1, !•,. MTjjj. > 1 «• ^ «• r' : dr huizen staan er (»ji 
a«'ht \<)«'t af<tand van 't water. 

aksje , -*. f/'V/o, }nnli'st'ui . moeilijkheid, 
zwari«xlii'id. M ♦■ 1 1 e h «» t s y n b \\ r m a n s 
hoïiniH* «1 «' a sN'iii, <1 ô r In't rr om vn 
a k - j «* \v r- < t . i\vY hot or a k >■ j o (^ m 
k r i LT o iliawiii. mot k\\' r«'fhtl»ank to doon 
ir«'had. Kk^tour hol marter a k s j o 
makke .im 't or >yn hinnon lo^ ri li- 
ne li»'i. |>v kou w i o r * ^'oa r t i o h : 
d .» t .i " n t iik-^Jo, ;^o>rliil , ïianloidiiiLT tot 
o«Mi n'rliT/aak. A -"i do k ij to dj'ûr 
k«»ft bjiiiif, NJlUji. iIj. koai)lJuo a 1- 
tvd ak^.jo-. ir,v.u<hto aanmorkinjren om 
van •i«'ii kt»)]» af t«' knm»*ii. Ik liab 
ak>Jo mt'i dy ki-arol h a w n. mooilijk- 
hoid . vi'i-« liil iiiiitront handols- oï ^oldza- 
kon. !»at i^ in mr o aksjo. ooiio 
lofljiki' ';i:tk. I>.it i - .1 u ^ l «l o ak^Jo. 
«lo /,waii;,di«'id . loM piint waar 't «»p a.in- 
kunit. \ \i\. hif't-^if. II v hol vn 'e aksjo 



«^evoehten. — Dv kat hat raer vn'e 
a k a j e west. — 1 1 a m m e r a e 1 sk i|i 
kaem yn 'e aksje. 

Der m o a t mar a k s j e (beweging) 
k o m m e. 

akst, Hl. num. Zie acht. 
akste, Hl. num. Zie arhtittr, 
aks'teen, Hl. num. Zie achttitjien, 
akster , Zoh. cpf. ekster. Zie el-ffter en akJn. 
takst'hamxner , s. hamer, fltrïjdhanier der 
Ouden. Forj. 1890, 202. 

ak'te, s. Fra. documenfy acte. — Hy 
het in akte f e n p r e k a e r j e {acte it 
prcrario) skriüwe litten, om zgn 
goed oj) een andermans naam te krggen. 
Us findermaster hat eksaxnes 
dien, nou is er j i « t e r t h n s k omd 
mei de akte yn 'e bus e. -Hy hat ak- 
ten for fransk, diitsk en infj^eUL 
- Jn akte f en on for mogen, om 
kosteloos te proeedeeren, te tronwen. VgL 
t'urmc-rJHcht. Vgl. dea- <, gehnartc.' , trwh, 
hrop- j jacht- j pitk-akte f hrca-akte. 

D y h e t jj: â n s y n 'e a k t e, die ver)>« 
zich heel wat te zijn ; hy heeft allerlei te 
eischen en te gebieden. — Douhastmy 
mar yn ienen to folie yn akte. — 
I) ê r k o m t de b a e « o a n , h w e t scoe 
dy yn 'e akte ha? te zeggen, te vrageB 
ot to bevelen hebben? 

al, alle, (s]>r. bl; ook al, op de Klei 
moor: en ól, voonil inde Wouden); ac^. «n- 
nis^ tofifSj al. alle. -- Alle nioarnen. — 
Alle bern krigen in twiebak mei sft* 
k e r. H . ind T.'. H^Aa. A 11 e d e i , de ge- 
heelo dag. <î. .1. 't I s bet ter dan: 

kom allo dei, wat alle daags, Bunn. [te- 
gonw, kom al don dei|. ■-- Al (d)eii 
<loi, dag aan «lag. Alle hout i» gjÏB 
timmorliout. Al it hout. zooveel 

I 

hout als or is. A 1 i t boerefolk konii 
op 'on ba on. Al sy n lea nkodzje 

him. 't <ïong al syn 1 ibbeuKdagen 
g(»odI All<* minsken binn' myr 

liroorron. .\ Kn <le hiel e w^rïlld myn 
i thiis. J{. iml T.', {\2a. Al de min- 

I skon. al do mon<ohon. dio hier of <laar xgn 

of waarovor mon sprookt. 't 1 8 alle 

i 

; wrâl»l not, do hooio woroM niet. VgL 
/ilrif itnifd. IVov. Alle bigjin ia 

I 

I slim. soi i\v botM'. on hv woe de kon 



wi'^t, h»'«.'tt in «»n;r4.|,.^r,.i,],».i,l ^rc/pton, ook ' bv de ütirt yn 'e hús luk e. 



AL. 



2'S 



AL. 



n. 't Mealt al troch in-oar hin- 
Forj. 18^7, 42. — Dy it al as haed 
iirt. Fr. Jierb. 1838, 26. — Myn al, 
i ht»erhHte winHk op ierde. v. 
Bik. 8. — 'tMoat al net om in 
fordjerre, Ib. 100. 
a 1 , 't heelal. — Mei ek ierde en 
>rdwine. ld. VI, 174. 
i allen, over 't geheel. — Dat 
jlt yn allen na folie net. - Op 
aei binne de kyyn allen hwet 
r niân^k a>« yn 'e Walden. -Wy 
we in boerkery omtrint as diz- 
jD allen «a greathastnet. — 
i »* y n allen, (in alle opzichten ,) w o 1 
oed. 
i d e r allen, onder allen, onder ande- 

Der wier onder allen mar ien, 
tyn 'ebeam op doafst. — On- 
allen habbe de stoarjeskriu- 
* út* yette in set opteikene fen 
cns Aurelius, ld. IV, 182. 

kearel sprong mei klean en 
n 't w etter. — Meihûd en al 
line. — De t o a r t s e m e i p i t e n 
iet lit. - Mei syn aloasje is hy 
tof red en, ien fen goud en al. 
II */«/. - Pankoeken yn bûter en 
akt mei er net, pannekoeken nog 
in >K)ter gelmkken lu.<«t hjj niet. - 
t dat tsjin my? en dat dyn 

en al! Zeg je mij dat , nog wel 
^ler? Lex. 85.02. Deze twee gezegden 
iikwiils: yn bûter bakt en all e- 
re. - dyn mem en allegearre. 
i dat a 1 , in *t noorden ook : mei 't 
ihiiominiutf met dat al, niettegenstaande 

- Keningen, dy to fjûr en to 
d machtige riken forwoestge 
re. wirde great ncamd: mei 
al binne it mar kroande boa- 

Ia»x. 93. Zie aHe». 

rofttiMrntrr, idmtidem, gedurig, aanhou- 

— H y kin 't m a r n e t f o r j i 1 1 e, h y 
t 'er al oer. — Dat bern is al mar 
1 o a n 't H j a m p e r j e n. — H y r o a n 
i\ troch. Vgl. (ie hief e tiid troch. - A s- 
it^te, dat se in rudich steed 
re, dêr moatst hjar tige kaerd- 
&I kaerdsje, al kaerdsje, Roe- 
832| 1,5. — Om heech, al om 
b. V. d. M. , Simmemacht. — A 1 



greater waerd it skynsel. — Al he- 
ger en heg er kaem de floed. Al 
pratende kamen wy to Snits. Vgl. 
weL — Sa roun se aljimmer hinne, II 
De kreammen op en del. V. BI. , Vr. 
Fr. IV, 110. — Al hielendal net. Forj. 
1886, 19. 

Al mei de ('er, 'e) t i i d , mettertijd. Al 
mei 'er tiid komt it spil doch klear. 
-- Prov. Al mei 'e tiid komt Si men 
yn 'e broek on Rindert út 'e pak- 
ken. Ook: 'al njonkely tsen'. 

Al ho, quantuniris j hoe . . . ook. Al ho 
folie jild er het, hy is doch net 
lokkich. - Al ho moai er praette, 
ik 1 e a u d e h i m net. 

Al n e i , proutj al naar. A 1 n e i d a t (al 
nei 't) it litfalt. 

Al to, fiimi's, al te. — Al to folie 
do och net. Lex. 91. — Al to folie is 
onges OU n. — Dat is hwet al to..., 
dat loopt in het buitensporige. - - Ook : a 1 s- 
t o , a 1 1 e n-t o , z. d. 

A 1 1 o - a 1 1 o. Net a 1 1 o - a 1 1 o w ê z e = 
net al to goed, licht ongesteld wezen; 
ook : niet al te wel h\] 't hoofd. 

adv. Jam , reeds. ï t is al let, i t i s 

al oer tsienen. - In gnai)pe kearel 
het er al west, as in o a r k o m ni e 
SC il. Lex. 90. Hy is al sa fluch as 
in s k y t b ij , as i n o a r f a 1 1 h e t h y a 1 
lang 1 e i n. — Al t i d e n h i e se sa o m- 
toarke. - Dit bard e al do se mar 
j u s t op i t 8 1 ê d 8 h Û 8 s i e t e n. R. ind T. \ 
199. - Al nóch koeke fen ien da ei, 
nou hwet o a r s. - Al i e r en b y t i i d 
wier hy yn 'e skrep. - Ho giet it? 
It giet al. 

- - Fra. W, wel, inderdaad. Hy sei 

fen al. Da 's net. - Da's al (al). Vgl. 
irol. Ook da's al wier. Vgl. ncttcier. 

— H a w a r , w o s t e i t d w a e u , u «? tas 
(o f) â 1 ? N e t o f a 1 , bij een i)aar(lekoop. 
Ook: al of al. It moast o ars al' 
wêze, 't diende tocli wel te gebeuren. 

AT sa. Sokke minsken binne Ijj- 
e r s. Nou, i t is al sa, dat is wel zoo. 
Ik bin t sj i n w i r d i ch dof, en mei de 
eagen ha 'kal sa'n lest, geen minder 
last. Harni is al tige great (lyts), 
en syn broer is al sa'n reus (pyst). 

— Dat is al sa wier as ik IM t e r h .j i t. 



ALA. 



24 



ALB. 



— D (5 1 1 i k e t m y â 1' .sa *? o c d t a , lijkt 
iiH' aannonielijkor. - Dy ii ij e k a s 1 1 e i n s- 
fe i n t is al' na ^ o e d (boter) as s y n 
fo a r g o n ^ o r. - - 1 1 is al' sa goed b y 
*t w V f' k e V n 't b O d t o 1 i z z e n as y n 
in sigerich bûthûs to biggeweit- 
s j e 11. - Ik w o e al sa Ij c a f (liever) 
ride as fan* e. As ik myn hiel e lib- 
ben t roe 11 1 ij e nioaste, wie 'k al sa 
Ijeaf dea. Ik woe al sa Ijeafhing- 
j e a s k r i ni y j a e n. Ik m ei d y f e i n t 
ni e r k e li â 1de? Ik woe â 1' s a Ijeaf.... 
(wat onplezierigs; meest evenwel schert- 
send . . : ) «lat ik r y k wier, of zoo iets. 
Ik woe al sa Ijeaf dat se m v . . sa' 
dien e. en dan haalt de spreker zijn hand 
langs zijn keel. Vgl. IjcdHtrci'. 

a 1 s a'. *t L i k e t ni v a 1 sa' t a : 't i s 
al giXMl dat de faeni der wei is! - 
Ha Jou goede i era pp els? Al moai 
bOste, nog al hceb* goede. Is dy man 
s a r y k a s «1 v v f e n b e a r d w i r d t ? No u, 
by is al ryk. It moat al in gnappe 
spr<'kker wOze. dy 't it in s wij er 
forbrttert. IJat.'s, jv m o asten m v 
al gan <*fkes skeare. It dfirre net 
lang of der r«>an al in heal h on- 
dr rt niinskm to ln'ap, H. ind T.\ lOTrr. 
Hwa «Ier al net in sobber vn 'e 
muil' In't! — As ik it al die. wier 
*t om lij ar. n«»l om him. AVier 't 
«Ir-VMM al lU't. dan wirr 't om liwat 
oars, d ;i t n«'t ln'ttcr w i t» r ! 

Al? (-i.r. al), w.'l zo.i? is 't waar?! Ik 
b li ; 1 t'<iar fivi'ii f e n Oamwald nei 
I k k «' r w ;*i 1 d w «' ^ t. Al ? ja , torh waar ? 
Virl. C. 1'., Swf'alt-jfbl. VM. \ s er 
m V -• M k > b;ikt(', scoi' *k it li i m gan 
.'•f 1 e a r I'. Al? .la, «Ion sioj»st bw<'t! 

(•(Mij. rfünus',', ;il, bopwcl. ofs<h«)on. - 
Al <«'iM' dr ko]» ♦' r óf. K «.» ♦' b a «1 »1 «' wol 
k n«'t. Al ka «'m ««r li't. hy k a e m 

<loili>. b»'\. ÏM). \Vy roiiijr op K i m s- 

wt'it- drcat»' Pier. Al wirr 't rk 
mar in borr. !{. NV., Illrddni f lii'.^b.. «M). 

<:. .1. ♦»•_>, fU. ♦;:,. 

ala'ï (Npr. ala!) intrrj. n;/,', wjrthtm, toi», 
v«)oniit Î N«'. liwi'l sril ik mei utgran. 
Ki. l i't n»v mar t h li < b 1 i u w «' Î Nou ast' 
nwigif-ti' -.«il ik traktoarji*. Ala 
d«Mi mar. T'm*, ala, foünit! Ala 

b e a r . o ;t r s s c il i k d v Î Ala. w o <? > t 



dat ris gau dwaen. ondogcnske 
jonge? - Vgl. Matth. XXI, 28. — Ook: 
aio, al é. 

alaerm' of ala'rixn, ». Hd. Lörm, 
alarm, drukte, gerucht. — Hè, b e r n! m e i t- 
8Je net sa*n alarim, ik kin *t oan 
'e holle net utstean. — Hwet ia dêr 
in ala er m oan 'edoar! — Hwet 
makket dy kearel in alaerm om 
neat. -- It wie oars neat a« in faluk 
alaerm. — Prov. It minste rap en 
riit II jout it meast e alaerm lit. 

Alarum, Il Al ar urn, II De tromme 
slait fan Starum: |I Starum leit 80 
fier yn 't west, H Mekuren ys in 
stank nest, || Kooldum ys inènde- 
pu^l, H Waerkum het in siumpe 
t u •• r , !1 1) e W i 8 k e 1 e i t 'r t w i 8 k e II 
Hynlopen spant de kroan 11 Fan 
alle steden en dorpen skoan. Hl. 
volksversje. 

"alaerm'Je , v. Hd. idi-men, leven maken. 
Hwet alaermje dy bern dêr op 'e 
b r ê g g e ? Meest alaerm slaen, ót- 
jaen, meitsje. 

''alaerm'klok , s. Fra. tocain, noodklok. 
brandklok. — Overdr. As in oar ris in 
mispas docht, hoechstou dersayn- 
ienen net de alaermklok oer to lie- 
den! - Jonge ja, de alaermklok 
kaem er by to pas. 

albast', n. }U\. Alahattter , albast. — Dit 
k n o ]» k <» 1 i k e t wol albast. N é , ja, 
't is nei m a k k e. —Alle bast. Hett. B 
kes. < )ok a 1 1> a s t e r (z. d.) 

albas'tene, adj., van albast, geaderd ab 
albast. Ook allebastene, albasterd. 
a 1 ba ^t ere en a Iba stren. Inalba^ 
ten«' knikkert, alikas. - Dy a 1 har- 
tre n f»>ar holle v. d. M. — Jou 

breid is o a r s noch oars ah in al* 
ba s tre by 1 d. (i. .1. 1 , •"). 

albas'ter, n. albast. Dor stiet dy 
greate. ei'dle ko]) !I f en d'âlde 
f r y s k e m aster; Ü «lat r j u c h 1 1 e n f rj «" 
ke Ijue dêr op 1| f en klinkklear 
w y t a 1 b a s t e r. 1 )r. K. ( )p 't standi». van G.J. 

'albidU', f. lid. Kriffhr, albwlil. -- Dat 
het op alles h w et t o s i z z e n : it i« 
(»a r^^ n ea t as i n a 1 bi d i 1. 

albidril', eg. btMno»'i;tl. - Dat famke 
kin nou sa hwet rinne, hja dribbelt 



ALB. 



25 



ALl). 



u en )> i K k Û r t a 1 1 c s : i t i s s a 'n 
al bid ril. 

häld, II. albeliouder. — Mar hwêr 
nskfï lis sjocht, der sjocht 
Ibihaid. V. d. V., Oerw. 15 (233). 
balder, s. albehouder. Kpk. 12. 
tel, s. de albeschikking (îods, het 
.»<chikkend noodlot. - Al knip e 
n fel :i Birêst yn 't Albistel. 
ven wel og. best el-al . bedil-al. H.S. 
.70. Dv «vide Klaeskemoai 
albistel, rounom yn omreag- 
•V kearel moast in frommina- 

» 

^t ha; hwet bi moeit sa'n al- 
hini mei it iten-sieden en de 
riJ?! — Dou bist in albistel, 
•n lastig, veeleischend meisje of kind. 
f w y y n in o a r e w r â 1 d o a n- 
binne. nou dat lyts albistel 
V bOdsdoarren leit. Yg].(U<f- 

JÛP , s. albestuur. — Wy kinne 

• ds albistjûr yn opmerk e. 

d 1 i k A 1 b i s t.j Û r , Hett. Rymkes , 
Iwa kin it albistjûr bigripe? 
r.'. 243a. 

evenwel eg. — Myn wiif is sa'n 

11 r, hja woe 't sa ha! — It 
en s e o e mei d y hwet w i r d e I| 
ij ir *t albistjûr net wier. v. d. 
.VUT. 27><. 

]ûrder, s. albestuurder. - Hy is 
iwet de albistjûrder, b.v door 
I in een dori> de hoogste autoriteit. 

alles wier it wirk f en 'e Al- 
•der. Hsfr. V I F , 98. — K 1 k e w r a e k - 
n^ tsjin yens oerhearen . . . 
r>pstân tsjin de Albistjfirder. 
. . . t r o e h A 1 b i 8 1 j Û r d e r s 
d. III, 143. 

winder, s. albedwinger. — (lod 
1 b i t w i n g e r. A 1 d e N a j) o 1 e o n 
I' in a 1 b i t w i n g e r t o w O z e n , 
1 H u s 1 â n w a e r d e r 't wol o a r s 

W&ld, n. albestuur. - Hwêrop 

.\ I b i w â 1 d . . . bidt en t a n k e t 

bihâld. V. d. V., Oerw. 13 (185). 

01, n. Hd. Stammbuvh j album. — 

• h h j a r . . . in album... en d ê r 
amrae yn... mei in fêrs der 

lUfr. UI, 136. Vgl. th'tninWiun. 



albumbledt'sje , n. albumblaadje, blad 
uit een (poezie-)album. Vgl. Hsfr. lïl , 107. 

âld, adj. retiis f fteneacenstj oud. — ald, 
alder, âldst. Hl. aeld, è»lder, e^lst. 
Schierm. ald of aald. — Dongdln. b''d, 
zooals meest algemeen. Verder Oostelijk en 
in Tietj. ó'd, waar -al- algemeen zoodanig 
of bijna zelfs als ó", uitgesproken wordt. 
Zoh. o ld. Zwestel. meer a"d. noortlfr. ii»l, 
é 1 e r , é 1 8 1. 

[ald: vooral in samenstellingen ; 't blijfl 
ook onveranderd in koppelingen, die min of 
meer de beteekenis van samenstellingen heb- 
ben : ald gat, ald g r o u n , ald t e a- 
pert, i\ld swabbert, ald boer, ald 
rot, ald iile, Ti ld feint. Ti ld faem, 
ald t O s t , il 1 d roek, ald nest, enz. 
ald Ja n-o m , il 1 d K 1 a e s-o m !| 

De il 1 d e mem, c\ 1 d e b 1 e i , i n ii 1 d ((») 
tange, de al de w^yn, in iilde man. 
— F e n i t fi 1 d j i e r y n 't n ij s i 1 1 e. — 

1 1 b r e a i s s a ald as de w e i (n e i J e- 
ruzel im). 

Ho ill d is d il t b e r n ? — De s k o u w e 
t e a p e r t s s o n g e n il De fi 1 d e lange 
team. R. ind T.*, 18f/. — Twigen lit in 
â 1 d e stam m e. Halb. de ii 1 d e Frie- 
zen, in il 1 d e s ê g e , -de il 1 d e b i e r- 
s a 1 m e n , - de ft 1 d e 1 e a r e , — â 1 d e 
kost. ald sulver, i\ 1 d j) a s 1 e i n , jou 
alde spylfeint. Hsfr. Vil, 192. - Alde 
Maeije, 12 Mei, - i\lde Aller hel jen, 

12 November , naar ouden stijl (de Juliaan- 
^îche tijdrekening) , het begin der maand Mei 
en .\llerheiligendag. Lex. 82. Ik forfar 
t wis ken il ld en nij. 

In lilde Fries. Zie úhlfriex. - Hy 
gappe . . . as in il ld liynzer. K. ind 
T. l.V/. - Ho illd is de sinne? Hoe 
hiiit is het? 

,T o u Ú s d ê r t ji in f r o m m e sin, 
dat w v f 1 i t i e h v n ú s wirk 1) i n n e . 
en by Tilde Ijuc om sizzen jane. — 
Moarnsgebetke, K. ind\ T.» 22/>. — Prov. 
Alde klean dy moanje net. — 
Prov. A 1 <1 j i 1 (1 , ald h e a , Ald b r e a , 
s t i (» t ven wol t o s t e a , - k o m m e 
11 i m lil e n net t o s k e a. Burm. Nu : 

Ald jild, illd (overjaarsch) spek, alde 
turf, illd hea, en soms er bij: illd o 
tsiis. Het eerste had men 'efter 't 1 i ii- 
n e n' het tweede in de *s p e k k i s t e'. " 



» «I »1 V 



ALl). 



26 



ALDA. 



komt dit in Friesland weinig meer voor: 
turf- on hooi-voorraad voor lanjjfor dan een 
jaar nog wel. Aid frogge)brea, dat in 
don winter nog al lang goed blijft, kwam 
den boeren in 't Waterland goed te pas in 
een *k wak k el winter. (W. D.) — Prov. 
Oj) ald iis friest it ffil. Fig. : van 
een vrijerij die uit geweest is : dan wordt 
't moest trouwen Î Ook als iemand den 
vorigen dag dronken geweest is on weer 
begint. N e a m s t m y ii 1 d ? D e d i v e 1 

i s ä 1 d. --- 1 1 s c i 1 d v i\ 1 d n e t f r e g e 
w i r d e , h w e t k 1 e a n a s t e jong d r o e- 
gen hes te. ^ Prov. Dy 't net âld 
w i r <l e wol m o at h i m jong h i n g j o 
1 i 1 1 e. - Ho â 1 d e r li o gekker. - Prov. 
I) e A 1 d s t e m o a t de w i i s t e w ê z e. 
Prov. 1 1 w i r d t e a r n s t , d ê r kom m e 
de Aid o wivon oan, innin're iHcipit^ het 
begint te sneeuwen. De* Al de wiven 
binno oan 't bTMlm o i t s^'on , skodsjo 
it bod Î1 1 , de fearrtMi stonwe der 
nei (út), 't snoouwt. - Dy faeni wirdt 
t o A 1 d y n 'o kok t» n , heeft zoolang h\\ 
dezelfde menschon gediend dat zij te aan- 
matigend wordt. Ily kin der wol Aid 
mei wird»*, hooft oen blijvend li (.ham olijk 
ongomak. dat w«*l lastig is. maar hot gestel 
niet sjioedig ondermijnt. Kn van oen, die een 
gomakk^'lijk lovontjo hooft. Hy kin der 
wol Aid by wirde. van iemand, die lang 
mot oen rn h»*tzelfib' werk bozig is. Il v 

het ^Xk"^ âldst«' brieven, hooft den voor- 
ran<^ om zijn an<i«'nnitoit : bij vrijt^rij vooral. 

Yn Alil«' ♦•aru'^t. ernstig gi'inefMnl. 
< J e k 1m' i d w i r «l t w o 1 r i s A 1 «1 »' o a r n s t . 
lirlitzinnig do»»n wiu'dt w«»l eens b'olijko ««rnst. 

I> V â 1 d ^ . <tfiin , »nidtii<ls. \\ v A 1 d s w i o r 
'l in gmit w n n d ♦' r as in ez«*l praet- 
t «' . non 1 -» *t in gr out wonder as in 
»'Z I' I h i ni -«til ha 1 d t. 

I'fn il 1 d > . iinfitfin'fus, vjin vr'»oger af. 
Dat h ♦• t f en Aid- a 1 1 i t «• n al sm wi'st, 
dv 't ridi' wi»l. nmat -; i o n . dat «t 
hvn^d»*r <• n wrin kriir»'t. 

adv. iniintnii'riitt\ rt'hi'nnnfri'. uitermate, 
buitengrwo. lil . ln'vig. g«'w«*ldig. HJa is 

Aid >< 1 i m . dat - i / ik d y , zij i< bnitiMi- 
gt»wot)n slim, dat v«'rz«'k«'r ik j»'. Aid 

nndogeu'^k. Dou h •• s t der Aid 

liwot <»an dii'ii. j«' In-bt aan taf«'l flink 
je bost gedaan. Ik hab it him ris 



A,ld sein, hem ernstig en ge«treng de waar- 
heid gezegd. - De soldaten gyngen 
der a 1 d út, vochten als woedenden. - It 
giet der ald út, flink. — In denzelfdeii 
zin is ook 'alderwetsk' in gebruik. Lex. 
76. - Vgl. sk'ou. 

alder-â,ldst, alleroudst. — Jan seit: 
jonge frouljue ha 'kljeaver as aldc. 
mar f en wyn en segaren binnede 
alder-aldate de beste. 

âld, n. de oude (de moeder, voornamelijk 
bij dieren), pi. Aid en. — Ook: 'de älde\ 
z. d. — It ald is swart en 'tjongis 
wyt. Lex. 76. — Der scil wol in goed 
A 1 d Ú t w a e e h s e. Burm. — Sok il ld sok 
jong, de kinderen gelijken in geaardheid 
hun ouders. — Prov. Better in goed 
âld as in kwea jong. — Kwea ald, 
k w e a jong. 

Dy jonge smookt as in âld. — Hy 
d o <' h t in w i r d as in â l d. — H y i 8 a 1 
sa troehwiis, hy kin 't in ald to 
rieden j a e n. — In ding as in â 1 d , 
een jong zoo groot (bijna) als een volwassen 
dier. Ook spreekwoordelijk van een ander 
voorwerp, dat bjjzonder groot in 74jn soort 
is Ken jonge moeder toonde haar zeer 

voordeolig kind van nauwelijks drie weken 
aan een boerin. Deze riep in verbazing uit: 
Il w e t in s k o a n d e r b e r n ! dat is in 
ding as in A 1 d Î Dat laatste beviel der 
moi'der niet bijzonder. 

Hl. ook vooral de moeder. Het sued it 
! a el tl ir fa n sizze? 

ald'achüch, adj. Hd. iVtUrh, oudaohtig, 
onil uitziend (moest van jiersonen). Lex. 81. 
In jongminske kin wol ris illd- 
a e h t i e h w ê z o , en i e n d y o p j i e r r e n 
i s w o 1 j o u o h 1 i k. In A. 1 d ajc h i i e h 

: m a n . m i n s k o , (man , vrouw die al op 
I jariMi isi. mantsje. - Dor jinaen 
[ yn dat Aldachtioh spiltsje wen- 
in* t S t of f«*n koa tor boer. — Aid- 
a e h t i f h w ê z e n . gezieht. - A 1 d a c h- 
tig stik jM>mi)ior. - - In aldaehtich 
h n s. I n A 1 d a e h t i e h biste k. Vgl. 

til lis f,'. 

âldaed'lik, adj. ondadellijk. - Us l&n- 
h ♦• a r r ** w i o r û t in A 1 d a e d 1 i k s 1 a c h- 

I 

t (\ In Aldao<llik wapen, hus, 

lacch, in aldaetllike namnie, stine. 
Mrer ;robruikt dan aodlik, z. d. 



ALDB. 



n 



ALDK. 



âldbaeroh', s. een varken (meest van één 
ia;ir ouii», dat bi^en heeft ^ehad. Dy 
Imiit hat nofli twa ald-baer^en en 
i.«n bij?j?e op 't hok. — Vffl. npnlUnfj. 

- - H y f? 11 o a r r e t a « in â 1 tl b a e r o h , 
vt.»oral van oude nienHchen ; zoo ook: Hy ia 

- .1 u iJ K {^ j i r r i e h as in al d b a e r e h. — 
H y hut in h i n a >« i n â 1 d b a e r e h. 

âldbait'fije, Doniawerstal. Zie Mrcof/er. 

äldbaklcen, adj. Hd. nlthnrlren , hollan- 
«lii^nie in il»» ï«t<H.len , Heerenveen , Beetster- 
/.w:ia^ , Hind. (voor 'a 1 d\). â 1 d b a k k e n 
luMlfÏ â ld bakken n jjs]) ra etsjes! 

• >nk : in â 1 d b a k k e n t s j e r k e , toer, 
hu»*: en in n^jbakkene. Nest in 
tritirh jier wier in fordekte we in 
in moai r vdt iirh. mar nou is 't in 
â 1 d b a k k e n d i n >;. 

*&ldbak1cer, m. ondbakker. 't Is in 
Aid bakker, dy 't nou rintenierret. 

Öidbar'sespek , n. spek van een 'ald- 
bjierrh*. — Sa trjimmieh as âhUiar- 
;,r e •* p e k. Vergif. «palUngt^i/ek. 

Aldbeplce, f. ondmoedertje. 

&ldbi8ter, n. oude zorg (vrouw); ook een 
mei-je dat reeilu als kind blyken geeft van 
nauwlettendheid en vooral van neus wijs- 
heid , noemt men schertseend zoo. H w e t 
in â I d nest, net?! h w e t in â 1 d ]> i- 
j»telï Zie nfbisfef. Vgl. âhlfornim. 

&ldboer', m. oudlx>er, tegenover de jon- 
;riT».' huisgenoüten, ook eenniam van een oud- 
b.>«T, als hiJ renteniert. — De al d boer 
i-n de njiboer koene it oer de tak- 
-.i»*sje lang net iens wirde. Vgl. 
I». ind T.*, S*. - Non 't de soanntMi 
jf r •• a t b i n n e , b i m o e i t de A 1 d b o e r 
h i m net f o 1 1 e m e a r mei i t spil.- De 
j'Mige Ijue wen je nou op 'e pleats, 
»• n il e â I d b o e r jout h i m stil y n 'e 
biirren del. — Dy jonge is krekt 
<ia*n äldboer, zoo kan hjj als een be- 
jaanle l>oer redeneeren. 

âldboerin'oe (in 't noorden), f. Zie 
tUiifrou, 

âldbret', n. en f. oude feeks. Dat 

w i i f f 1*1 1 e r t a 1 1 y t o p 'e f a m m e n o m ; 
't !!< in nyrigjirrieh en ongemak lik 
âldl»ret. Zie ffk'kr. 

alddo'meny » m. l»ejuardi' predikant. 
i*e âlddomeny 1« lit postuer: nou 
wirdt er snein net Icard. 



(Jok rustend predikant. II s â 1 d d o ni e n y 
e n d e n ij e k i n n e a e r d i e h m e i i n-o a r 
o e r w e i. Vgl. mjirlws. 

t&lde, s. aefas ^ leeftijd, ouderdom. Hl. 
è »^ 1 d. - Duur van den dag. T ii z e n jier 
is ])y jo min as de al de f en 'e jis- 
tere dei. (i. J., 128. Lex. S2. Halb. in 
(Î. J. Ook j ie ld e hjj G. J. - Zie (U- 
dvnx. 

âlde , de , eg. pamiSy de oude, va<ler 
of moeder. 8 c o e d e â 1 d e s v n d o e h- 

« 

ter o a n m y t a w i i f j a e n w o 1 1 <» ? 
De al de lit him sa gau net biflap- 
p e. - M y n â 1 d e wol 't net 1 \] e Î 

Bij schippers: de al de, schipper, kap- 
tein , is net o a n b o a r d. Hl. a e 1 d t». 

âlde, eg. vriend, maat, kameraad, vooral 
als aanspraak schertsend, vriendelyk, harte- 
lijk , vleiend. K i , dat f 1 o u s t e , al d e. 
— Soa N y n k <? . hat .1 a n 8 n e i n t o j o u n 
b v d v west?.. N é â 1 d e , o , o , sa fier 
mis! - - Kom, â 1 d e , ik s c i 1 d y e f k e s 
help e. N é â 1 d e , dat h o e c h t n i' t 
hear! - Ik mien it t ig e goed m ei 
d y , a 1 d e ! Kees, â 1 d e , w o 1 1 e w y 

nou togearre hwet boartsje? Hl. 
heel veel, ook 'beetnemend': aelde. Dei 
a e 1 «1 e ! h o g e e t i t mei d i ? H e r k ris 
ael<le, du must mi no naet fe'flo- 
we! (.)()k ouders wel tegen de kinilers. 

Kn tegen i>aarden: to, hou al de. Vooral 
te Dokkum 'oude'; daarom in Leeuw, half 
gekaanstekend -dokkumer-oude , jii Î" 
Vgl. hut'h' , huif f heifc f hcrtsjc ^ miich ^ keu- 
ui ut/ , k-funinhjc , mat'f , fner. Man en 
vrouw noemen elkaar vaak al «Ie. Jan 
s e i t s j i n 't w i i f : o c h â 1 d e ;', hwet 
hat <l y h (Ml n h j i r w â d d e. Nacht, 
Al de! — hl Leeuw, tusschen man en vrouw, 
vrijer en vrijster: oudtsje. - In de kleine 
steden en ook oji het*Bildt : oud e en o n w e. 
Vgl. hnes , fi'nn. 

Ik SC il dv altvd lijitte Alde, ik zal 
altijd lief tegen je zijn. Altli. 70. 

âldedei', s. xtin'ftns^ ouderdom. — I t s i t 
m y t i g e v n 'e r ê c h ( v n 't k r li s . v n '«^ 
8 k o n k e n) . 't s c i 1 de A l d e dei wol 
w O 7. <*. - D e A 1 d e «lei ducht i t h i m , 
komt nit»t gebreken. De Al «led ei for- 
jit. l{. ind T.^ tl\ lï)X'. 

âldefaer' (triv.), m. va<ler, ter verduide- 
lijking van 'Alde' - " vader eu moeder. 



ALDE. 



28 



ALDE. 



Dyn il 1(1 e? Ja, myn âldefiier. — Zie 
(fldrmoer. 

âldeg^ei'de , s. op de klei : oudweihind, 
nu in V)ouwland omgezet. — In de Wouden 
ook oud weiland , sedert lang. — I) e f j o u- 
were aldegreide en de seize nije- 
g r (f i d e oer 'e d y k h e a r r e e k b y de 
pleats. Vgl. (thUân. 

âldeheit', m. in denzelfden zin als Alde- 
faer, doch heet meer 'beschaafd' dan 
dit. 

Al'dehou, s. Oldehove. de alleenstaande 
toren van de sedert lang afgebroken St. Vi- 
tus-kerk te iieeuwarden. - Vgl. evenwel 
Teg. Staat UI, 190. - De Aldehou is 
op in k o il 1 « b 1 ê d o a n d r i u w en k o m d , 
oud sech je. - Dat e t i e t s a f ê s t a s d e 
Aldehou. - Dat is in ding as de Al- 
d e h o u . lomj). groot. In f a e m sa g r o u 
II as d' A 1 <1 e h o u. H v is i n 1 * i t e r 

A 1 d e h o u , grove , lompe kerel. In 

klont s j c k r i g (» ik as de A 1 d e h o u. — 
Ily wie sa dronken, dat er de Alde- 
hou f o r in p i i p-ii t p 1 u z e r o a n s e a c h. 

- - De Aldehou ü is in heech gebou: 
II joust my in stûr !1 <len spring 

ik er oer. over den stuiver welteverstaan; 

- kindera ardigheid. - Ken wille se o e 'k 
wol oer d' A 1 d e h o u spring (\ — T o- 
bak fen 'e Aldehou, met de prent van 
de AldtOiou op <len pa])icren zak. Vgl. iritc 

-- â 1 d ril o n s t er . a«lj. It aldcluni- 
st «' r t s j c r k h óf. — Hy stiet op li i m 
s«'ls MS de II 1 «l «'h o u s t «' r toer. hij volgt 
zijn «Mg«*n linofd . >toi)rt zirh aan niemaud. 
liCX. Tt». Ily hat in n o a s as de â I d (•- 
h o n s t «' V t o •' r. 

âldejon'g^e, ivoclm. Kngl. o////V//o//\ amir»*! 
Soa. âhlcjnngi». lio giet itV y e t 
sonnV — \'gl. óf (f Jont/r. 

aldekloan'je , >. «•//// tfi- Cnhnim-. - Kor 
in - 1 Ú r â I d r k I o a n J c ? K n a r â 1 â 1 d c , 
ficgi' «1»' jnuge! Vn I\«Mil<'n skrob- 
j «» s ♦' <l«' <tri»*tt«Mi ïui'i â I d »'k 1 o a n.j r , 
met KenNch wat«*r nl. Schi'rNt'nd â 1 d ♦• 
kl<»ng«'ls, l«*tt«'rlijk «>ude prnlb*n. It 

r Û k t n »' i â 1 d ♦• k 1 •• n g ♦• 1 s , z. •!. 

äldemem', f. arin , groot nnn-fhT. ld. 
IX, <>•». <>«.»k i»arr«*mem of ()arr«\ 

Algt'UHMMi i< bi'jjpr, •/. d. 

âldemoer', III. f. '(•••'-» «"-u »'•• ^-i"»* Hï 



lik et s prakkend op synaldemoer. 
Vgl. aliimour, 

't Beteekent algemeen ook moeder, ter 
verduidelijking van al de; zie ahlrfaer. 

Anders bijna alleen (Ugitun mtdina, de 
middelste vinger, in de kinderwereld. Lex. 
8W. — Lytse pink, genden rin^, âl- 
d e m o e r, p o a 1 8 j e 8 1 i k k e r, 1 u z ek n i p p e r. 

âl'den, pi. major ca j vooroudere. — Dat 
folk dat wieren lis al den, wieren 
f rij e Friezen. P. J. T., Fji Liitsen 10. 
— Alden en affearn, Halb. Matth. V, 
27 , 88. — Zie mder. 

Ook ouders. - Der waerden de jonge 
syn al<len op forsoclit. S.K.F., Mear* 
kes, 14. 

al-den-b 1 i k s e m, -b 1 i k s e k a t e r, -blik- 
slager, -deale, -divekater, hUvcI, 
-donder, -donder ka ter, -wearlich, 
enz.; zie op de Enkelwoorden. 

al'den-dei, s. quotidiej al den dag. — 
L o u )i o s t r i n d e r m o a t a 1 d c n d e i w er- 
oan acht uren op foetten wêze. — 
Dat is hwet o ars (me ar) as kom-al- 
d e n - d e i , dan wat alledaags. 

âld-en-fersk', n. eaiuVAnrers, — Ald- 
en-fersk rymt net, mar 'trftkt goed. 

âl'den-ien, eg., een oude. — Dy ja« 
i\ a 's in â 1 d e n-i e n , Rngl. (tn M OHf. — 
I^y jonge, der stik et in al den-i en 
yn, dat is een leepe jongen. — Sa'n ro- 
m (» r f o 1 , d a 's e k in â 1 d e n-i e n ; ook : 
hy krige mar ien, mar in 0,1 de n-i en. 

ârdens, s. (H'fosj oudenlom, leeftijd. De 
â 1 d e n s docht soms in b u 1 1 e oan in 
f r o n m i n s k c , e«Mi vrouw of meisje kan in 
♦M»n paar jaar nog al wat veranderen; erop 
achternitgaan. Wy binne li kern och 
fen «lesclde Aldens. van gelijken ouder- 
dnni. Hy is fan myn aldens (jier- 

ren. z. d.) — D «• âld(îns foei mj net 
Tl f. van een persoon of zaak. — Dat hÛ8 
is f ♦' n â 1 d e n s o m fa 1 1 e n. — O a n 'e 
rin;r«»ii vn 't hout kin min de âldenti 
w i t c. Ii«»x. Si. Hl. «'a 1 d. 

âlder lliicr m «laar), s. leeftjjd. Wy 
I» i n n c f e n i en â 1 «1 er. 

âlder, <g. pfn'ns, een der ouders, pi. 

â I d <» r s »'11 â ld e n. z. d. Noordfr. a 1 e r n. 

I'ruv. Ien âlder kin bet ter neis 

bern on<lerhâld«' as seis bern ien 

•'« I ' "■ ^ n â 1 d e r het al gans pi e- 



ALDE. 



29 



ALDK. 



♦Ml inoi do hem. — Yn i t ly tse doari^ 
r i» r k a j) 1 1» II S t o e a 1 e a r li s â 1 d e r 8 
1118, R. ind T.*, 1986. - Fen alder ta 
il<lfr het disse pleats nou al oer de 
londert jier y II lis famylje west. - 
\ I d e r H en b e r n. 

Hl. è»lders, z. d. 

alder- (npr. a 1 d e r- ; oostelijk meer; 
*'»»steiyk soniij zelf» 5 "der. Engl. ahhr-j 
[U\. aller, versterkend voorvoej?sel , bij adj. 
•n adv. in den superlatief. Ook wel al- 
** r (sj)r. aller, soms aller). Zoo zegt 
men bijv. wel allerdegen st. Meest 
ilder-. als nien de sterkste klemtoon op 
tl- legt. Het accent staat soms op 't adjec- 
tief, sums oj) 't prefix. 

Soms wordt 't adj. in deze samenstelling 
lil een praedicatief gebruikt. Voor 't mee- 
reiideel wordt 't adv. er mee versterkt ; vaak 
■i1]tH*n 't ailv. dat by 't werkw. staat. 

Hij de verschillende adjectiva is opgegeven 
af ze «T in den regel wel mee aamengesteld 
wonlrn. De eigenaardige volgen hier. Ter 
ondenH'heiding van de woorden , met â 1 d e r 
Aaamgesteld , worden die met a 1 d e r- door 
een ko]»pelteeken verbonden 

[aller-, Oudfr. allera- , gen. plur. om- 
niiiM . van allen]. 

al'der-al'der-, als extra- versterking bjj 
atlj. vn adv. vaak gevoegd. 

alder-al'derste, adj. alleraller. - Don 
bist niynalder-alderste! zegt een 
moeder tegen haar kind. — Sjuch Tryn. 
dêr giet dyn alder-alderste (haar 
vrijer» h i n n e ! R i n n e i de pomp! zegt 
Trvn. 

alder-balderminste, adj. het aller- 
aller-uiinHte. -— H wet is 't alderbalder- 
minste fakV J. S., Katech. 11, fr. 48. 

— Dit binne doehs alderbalder- 
niinitte ierappelR, swieteugleias 
spek, — [Zie 'baUl']. 

alder-de'senst , (meer in 't westen en 
tuiden), at^. & adv. waaniehtig, wat meer 
il*. Ook Siadfr. , behalve in Leeuwarden. 
In alderdegenste (beste) jonge. Zh. 

- Ma burljne» dy 't uoait forsiik 
kry*'. hawwe alderdegenst gasten 
krige. — Do *k langlesten by niyn 
uiden t o M o 1 k w a r k a e m, s e i ú s m e m: 
dêr in alderdegenst dy greate jon- 
K ^* — Zie aldfi'tigenêt , allenliyerst. 



alder-dier'berst, adv. at roeit er , erg. — 
Al der dier berst sûpe, flokko, der 
litsjen. Ook alderdierlikst. 

alder-di'g^erst , (Hergum ca.) adv. wat 
meer is. — Ik w a e r d dêr a 1 d (^ r d i g e r s t, 
tot mijn verwondering, tige onthelle. — 
H y m i e n d e a 1 d e r d i g e r s t . . . dat i e n 
fen de f r o u 1 j u e . . . h i m f r j e o n 1 i k 
o a n g 1 i m k e. S. K. F. , Mearkes 84. Vgl. 
ahlerdetjcnat. 

âlder-dykst' , Oostdongdl. adv. Engl. eape- 
vialhj y vooral. - Hja frege noch wol 
sa â 1 d e r d y k s t n e i d y ! 

âl'derdom, s. aetas, nenectua, leeftijd, 
ouderdom. Lex. 82. — For de alderdom 
binne gjin kriïden woechsen. — Ik 
b in al t y d b y 't forst â n t r o c h r e k- 
ke, sei in aldboer; do 'k jong wie, 
si et it yn 'e alderdom. en nou 'k 
â 1 (l b i n , s i t i t y n 'e j e u g d. - Den 
b r o u t d e j e u g d d y gjin g e k 1 e i , || 
E n h e s t e i n fleurige â 1 <1 e r d o m. — 
Zie (Miledei. 

alder-forgrie'mendst, adv. door alles 
heen. Hy wie a ld erforgr ie mends t 
fen 1 il ken s. 

alderg^e'woan'te , adv. naar ouder ge- 
woonte, ld. IV, '*)0. Zie úhlenvenst. 

'^âlderg^éf , n. ou<lergraf. 

alderhân'ne y adj. oinniyenua , ran'utf, 
allerhaiule . onderscheiden , verschillend. 

Alderhânne grappen, pra etsjes, 
g Û d , r e a u , a 1 d e r h â n n e folk, m i n- 
sken. — Pa be is tige bireisge, hy 
het op alderhanne jjlakken west. 

- 1 1 kin op alderhanne m e n e a r e n. 

— Alderhanne soarte fen bisten, 
h i n n e n , a p e 1 s , g û d. - H y k r i g e 
alderhanne soarten. bihalven lyt- 
se. nl. slagen, hjj werd omraak afgeran- 
seld. 

— s. suikergebak in koekjes van aller- 
handen vorm. Hij boercvisites na de thee , 
vóór de kottie , bjj 't slokje , marsepein- 
klompjes bij voorkeur. En dan is in 
po uu alderhanne nou neat. — Zie 
ahlerfi'i. 

AlderheeohSte, m. »S'///«mf/x, de Aller- 
hoogste, (iod. — Zie verder heech, 

Alder-, aller-herjen , (spr. alder-,hier 
en daar vooral in 't westen âl(d)er-; ii 
de noordoov+t»!. W'^'ulen ook o'Mdr»-) -^e 



V 



ALDE. 



30 



ALDE, 



li(n)£ren (in de noordoosthelft) , -hüligren 
(Wou<lon, Opstorhiiul) , -heiljen (Bozum 
ca.), -heiligen (ook weatelijk) En^rl. allhal- 
lowSf Fra. Toussaint^ Allerheiligen: ny- 1 
November, ald- 12 November. Ook b^j 
(Ie Onroomschen bekend , als de dag waarop 
volgens een overoud gebruik huur of pacht 
moet betaald worden; en de dienstboden 
uit hun dienst gaan — A 1 d e r h e 1 j e n 
k o m m e de k ij op 'e s t â 1. — Op Al d e r- 
h i 1 1 i g e n g e a n in b u 1 1 e li t 'e W â 1- 
d e n n e i 1) o k k u m , d a t s k y n t i n â 1 d 
g e b r Û k t o w ê z e n. - - Zie by ahL 

âl'derherty s. ouderhart. 

^âl'derhonk: , s. de ouderlijke woning. — 
H e a r , d j û r s t e s o a n , ei, h e a r m y n 
1 j u e n t s j e n , I| K n b 1 i û w d y n â 1 d e r- 
honk neiby. ld. XI II, 5. Zie honk. 

âl'derhÛS (vooral zuidoostelijk), n. onder- 
huis, de ouderlijke woning. — 'k Hoopje 
n e i in m a n n i c h ,j i e r e n H B i n 'k y n 
't â 1 d e r h Û s w e r o m, S. K. F. , Earder-Let- 
ter, 25. Ouk alders lids Vgl. R. ind 
T.''. 108*. - A. B., Doarpke. — Forj. 1879, 

*âl'derlâll, s. patrhtj vaderland. -- Pit 
l)roflit jou yn iis âlderlân. Fr. .lierb. 
1, 28. 

al'derlei (Noh. vooral), adj. allerlei. — 
Alderleije skynsels, K. ind T.*, 120''. 

Ald er lei gedoth mei in-oar. 
Mci'r algem. is a ld crh a n n t». 

s. allerlei, suikergebak. — Sape sûjit 
en s V n wiit* fret bv de dei lans al- 
dt'rh'i. J (Ml mv hwet diimkes en 
e k h \v ♦' t al d e r 1 e i. Zie (ffdcrhannc. 

âl'derlik, adj. Hd. (Utcrlirh , ouderlijk. 
Hl. aalder lik ihus). Hsfr. IV, 28. - 
â 1 d e r 1 i k h Û s s t .'. . H . ind T.^ 108 ". - 
Sw. iss:,. .",0. 

âl'derling^ , s. piu'shijtfr ^ ouderling der 
kt'rk . g«MH(*i'ntc. Du 't d i' «lomeny en 

de aldj'rling hjar d (» tynge broch- 
t (Ml . dat hjar man mei man hu mus 
foar llclgcliin forgien wier. H. ind 
T.', 82r,. m. aalderling. 

Iron. Stil h e i t e , j i m m e h e i t e heit 
is âldt'rliiig («mi jij brnt maar (»en jon- 
getje) hy moat il wol wittt». 

*âl'derlin£^kip' , s. pn'nhi/ffratns^ oudcr- 
lingsi'hap. Hwfr. XIII, 147. 

âl'derljeafde , s. oudiTlicfde. A 1 d e r- 

Ijeufde f«)rjout alles. '*♦ "lï,!!. i-. 



Ij e af de i» dr eech en djûr. ld. VIII, 
92. 

âl'derloas, adj. Hd. reru-aiftt, onder 
loos. Lex. 82. — In A,ldcrloa8 weeake. 

âl'dex'man, s. neniov y de oudste. Hy \% 
ald er man, van iemand die in een gezel- 
HchaiJ of by een werk de meeste ervaring 
heetl. — Hy wier äldernian (in 't ge- 
zelschap) en moast wizer west ha. — 
Tsjin my as äldc rman hearntou gjin 
wize praetsjes to habben, tegen 
iemand van myn jaren behoor je ak 
groote jongen geen neusw^ze praatjes te 
maken. 

In de 15« en 16" eeuw het hoofd van een 
stad. 

Ouderling, oudste, bestuurder hy het 
Israëlitische volk, de haedpreesteraen 
de aldermannen, seniores (Vuig.), de 
overi)riesters en de ouderlingen. Halb., Matth. 
XXVII , 8. 

aldemóch', adj. oud genoeg, te oud. 
'k Bin ald er nóch, ja, 't wirdt myn 
tiid II As'tienkearwêzescil. Alm. 
12". — Ik hab oars wol hwet sin 
oan dat hynsder, mar 't Ir my al* 
der noch. 

Wy habbe fjirtich binten op, dj 
't â 1 d e r n Ô c h b i n n e , die melk geven , 
of binnenkort zullen geven. 

âl'ders-erf , n. ouderlijk erfgoed. — 01- 
fert het oanalderserf meibrocht 
njuggentsien hondert goune en 
se is ])Ounsmi(.*t best finlân. R. ind 
T.*, 45". - D. H. Alders, 2. — Do uwe 
wiif hie f en hjar alderserf tritich 
til zen goune. — Oy sulveren kop 
(h^M* ha 'k in sin by, dat is alders»* 
erf. Ibid. 120: alders erf. — AlderB- 
rrf, ho great, ho goed, [j mei b; 
eigen winst net lykje; jl 't moaiste 
1 «*i n , mar sonder wirk, || moat for 
e i g (.^ n s k (? p ping w y k j e, v. BI., Oijkonirt 
van Dragten, 84. 

alder-ü'genst , adv. Hd. irahrlich, wer- 
kelijk. — Domeny kaem er alderti* 
g e n s t e k vet b y. Uok : bizonder , *t i ge 
by tige'. Ik wjierd der allerti* 

genst on the 11 e. *tige by tige.' Dat 
wirdt in bernefeest feu bilang^ 
der komt a 1 1 e r t i g (mi s t , om het zoo 
•'Mt4T»'ïjk mogelijk te maken, ek fjûrwirk 



ALDK. 



31 



ALDF. 



y. -Ah ik allertigenst y n 'e tfljcr- 

e 1» i u. W. Gribb., 8. Zie aJderdêyenist. 

alderw^enst', de ntore, ouder gewoonte. 

\>L Hfr. VI, 516. Hy hie nei al- 

erwenst wer in stik yn'e kraeeh. 

H V die d a t li t â 1 d e r w e n 8 1 , omdat 

[j het zoo gewoon was te doen. — Ook 

Idergewoante. 

âlderwetsk', adj. k adv. antiquus, rehe- 
ent , ouderwet>»ch , oudmodisch , naar ouden 
unt; ook onmatig, buitengewoon, hevig. 
I. aalderwetä. 

In alderwetsk man, wiif; alder- 

etxke Ijue, die zich aan oude gewoon- 
•n houden, alderwetske dracht. — 
u â 1 d e r w e t H k e a r y 8 d e r , f a i t o n n e. 
- Alderwetak poslei n. — Wiarda- 
t a t «• t o < T o u t u ni wier in t i g e â l d e r- 

etrtk hûsî - Alderwetske letters, 
Isfr. III, 36. 

In alderwetske simmer, winter, 
anhoudend en streng. ■ In â 1 d e r w e t s k 
tik yn 'e krage. — De loebis krige 
D âlderwetsk wan bruyen. Lex. TG. 

Dat giet op syn alderwetak noch. 

Alderwetsk frieze, reine; sizze, 

ige. litpakke. — It gong er Ti 1de r- 

retsk om wei. - Vgl. R. ind T.*, 198\ 

Alderwetslcens, s. Engl. Mfashioned- 
rMM, ouderwetsigheid. — Ik mei dy al- 
erwetskens wol fan fromme en 
roede Ijue. — Wy tsiisj e en tsjernj e 
Dch op lis alderwetske n 8. Vgl. Forj. 
8X6. 189. 

Alde'wi'ven, pi. Sinterklaa.<%gebak , later 
D algemeen gebruik. Ook in Groninger- 
md: 'o ld e wiven'. Soort van koek, van 
•ebnild roggemeel en stroop, met anjjs- 
AsUi , koriander, en soms wat peper gekruid , 
™ vierkante stukken van een pond. (ter 
rootte van pi. m. 2 dMV), uit een aantal 
an elkaar gebakken blokjes van pi. m. 3 
ÏP.. van boven met meel bestrooid. - ïn 
k>ngeradeel en elders ook alleen al d wiif; 
it vooral als stofnaam: Woe^st ek in 
tik âldwiif? — Ook heeten daar nog 
Tw>te. hoekige pepernoten van datzelfde 
eeg, âlde wiven. — Hier en daar heet 
"ïint^rklaas-taai* ook äldwiif: Om Sinte- 
ilaes hinne krge wy moarnsinstik 
.Idwiif ta de kofje. 

SoeeawTlokken heeten in Oostdongdl. (on 



ook elders wel) *alde wiven'; zie bij dJd. 
Vgl. snie. 

Ook bloemkool en andere planten , voor 
den winter gezaaid , en vroeg in 't voorjaar 
vei-plant, heeten al de wiven. 

âld'fader, m. patriarcha ^ oudvader der 
kerk. aldfaders, Hfr. Vlll, 140. 

Een kokkert, een bijzonder groote dikke 
rat, muis, kikvorsch, visch , bunsing, haas, 
spin, tor, enz. noemt men ook in al d fa- 
der. Lex. 78. Ook een toren, boom, enz. 
— Een heel oude bijbel. — En een grove 
leugen. 

Da 's ek in al d f ad er, sei Syta, do 't 
se hjar jonge de holle kjimde. Vgl. 
ijrou. 

âldfaem', f. rlrjo .v^/ii7/> , oude vrijster. 
Lex. 78; pi. al de fammen. — Hl. aald- 
faen. - Gewoonljjk wordt een meisje van 
meer dan 30 jaar eerst aldfaem genoemd. 
Zy komt dan , volgens een geijkte spreek- 
wijze, y n 'e fodkocr; slechts ieder jaar 
wordt die eens doorgeschud , als wanneer 
er kans bestaat, er nog eens uit te komen 
Vgl. R. ind T.', 112. 

Doorgaans heet een bejaarde huishoudster 
de ii 1 d f a e ni. D o m e n y 's â 1 d f a e m. - - 
Ru erd boers aldfaem. Dytwaman- 
Ijue hûshâlde dêr mei in aldfaem. 

Ook een vroegere meid. I ) at is in al d- 
faem f en úzes, dy het ji er ren by lis 
wenne; nou is lija troud. 

Ook een vroegere vrijster van iemand. 
Dy aldfaem feu dines lajjt it nou 
e k h a s t i c h mei trouwen s c o e 'k s i z- 
ze. Vgl. iMdfnjüter. 

fâld'faer, m. nrw.v, grootvader, W.Crr. 16: 
Dy tsjettel is yette f en lis illdfaer 
6 f k o m d. Zie pake., 

âldfalom', (-fâl-)i s. oud bouwvallig huis. 

âldfam'xnich, adj. oudvrijsterig. Lolk 
wirdi ek al <lf am m ie h, van een meisje, 
dat naar de 30 gaat , en er niet vroolijker 
op wordt. 

âldfeart', s. vaart, oude vaart, water- 
lossing. — Op lis aldfeart is gjin 
romte ge nóch for twa banen. 

âldfeint', m. seuesretts cocfehA , oude vrij- 
gezel. - In aldfaem is net folie, mar 
in il 1 d f e i n t is n e a t. Hl. in a a 1 d e n 
f y n t. 

A 1 d e f e i n t e n h a b b e de dr- 



ALDF. 



32 



ALDG. 



sjo(Mi, «lo ouil-vrijorH liobbcn den duivel 
ji^ozien , nl. in hot liuwolijk. In dochs 
k o m lu o s o k k e A. 1 d f e i n t e n f a e k s 
noch mei in s 1 i n ^ e r s 1 a c h o a n 't 
wiif. Lox. lx. 

De û ld te int Hantsje Pik, «iet er 
m ei achter, tocht ni e n. 

Ook een oude knecht , die lang in denzelf- 
den dienst is. K. ind T.», 21*, 22'. 

Fa\ een vroej^en» vrjjer. Il wet prat e 
j i ni UI e oer 1 ) u r k , s e i Kekke, ik wit 
m e a r fe n h i ni a .»< j i ni ni e a 1 1 e <( e a r r e , 
dat is noch in aldfeint f en minen. 

*âldf ein'testeat , s. vrij^ezellenstaat. 

âldfel', n. vinni<^. oud vrouwsspersoon. — 
1) a t â 1 d te 1 p 1 e a y e t d e fa ni m e n a s 
d e d e a 1 e J o p. Lex. 7S. Zie fekke. 

âldfenyn', n. hoosaarditjf oud wijf. Zie 
fi'kke. 

âldfinlân, n. ^^rasland, dat men vee) 
jaren achtereen als weihind gehruikte , en 
nu als 'niiede' gaat afzonderen. Aldfin- 
1 a n is o r n a r i s t a e i t o ui e a n e n. 

( )ok â 1 d e f i n n e. Zie finni', 

âldfleansk , (Jrouw, a<lj. pn'srus, anti- 
qmis, ouderwets<*h. ( )()k â 1 d f r e a n s k. 

âldfleaunsk', adj. Dongdl. Zie ûhlfifani<k\ 

âldfornim', n. nauwkeurige scherpe op- 
nierker, zouder veel praats. Vooral van 
kiinh*reu . die ojjuierkcn wat lucn zou mee- 
nen «lat hnii niuest »>utgaan. Ik siz 't 

jiiiMiM'. lis Kekke dat is sa'n ald- 
ft> rn i ni . zegt »'i*ii moeder, luet zekeren trots. 
Hear ni y non sa'n âldfornini feu 
in jonge ris oau! 

Ander> mi'estal in ongiuistigen zin. l)it 
vooral van lui. die nog al uit zijn u]) <le 
cronli|n»' <eandaleuNe. Sa ii âldfornini, 
h w «*• r d y li i ni al net mei l»im<»eit. 
Vixa'al van «anle vn»uweu. Hwet 

ni i e n t d a t â 1 d f o r n i m wol, 1 i t s e o p 
h j a r s e 1 s j»a SS e. 

âldfroansk') adJ. julsrus, nittiqun.^, lUi- 
derwet«.rli. lu de 1 )(»ugdln. âldfleauiisk. 
In (ïmnw âldflean^k. In Leeuwanlen 
oud f 1 e n •* i r h. 

I)y itelt-;je>i hiune al to Hini]K'l 
en âldfr«*an^k for «Ie .lonk er. l{. iml. 
T.', MV, n.,k âl.lfrinzich, z. d. 

âldfrteB, s. oudfries. Vgl. \{. ind T.'. 
l.Vï'. In âldfricN, van den ou-^'u *^tem- 
pel. Vgl. Mânfrivs. «u al'^* '•>, "en 



oude friesehe (groote) baksteen: pi. al Je 
friezen si e ten der folie yn'e groun. 

^âldft*y'er, m. vroegere minnaar. Vjrl. 
úhifeint. 

âldMn'zich, adj. prhcusy antiquu», oq- 
derwetsch. Le^. 81. — Us pake wier in 
aldfrinzich kearel. R. ind. T'. 294;. 
Vlg. ahifrt'inisk'. -- Ook: lastig en twl4 
ziek in den omgang tengevolge lasten dw 
ouderdoms. -- Meest ïlldwreanzich. ui 

âldfrysk^ adj. oudfrieseb. - It âld- 
fryske rjucht. - As de boeren ynt 
W e 1 1 e r 1 â n in b o 1 1 e k e a 1 f a n g e , «et- 
te se de niounle yn't krüs, den kom- 
me de slachters der op t a ; d a t i « 
noch aidfrvsk. -Sa'n echt âldfrVïk 
b o e r e s t i k j e . jonge, dat m e i i k ü* 
graech ris hear re. - Wit e bean- 
tsjes mei bûter en suker wie alear 
y n 'e 8 li d h o e k e i n â 1 d f r y s k g a s t mi eL 

(.) p s y n il 1 d f r y s k , op oudfriescbe wjie. 
W y m o a s t e n de boel der op sy n 
aldfrysk yn i)roasje. 

- n., het oudfri<»sch, de ouilfriesche taal 

- In priuwke klearebare âldfryi«l£. 
Forj. XIII, r,H. 

"âldfrys'ter , f. iemands vroeger meioje. 
Vgl. ahifdvin. 

. âldfrjeon', m. oude vriend. In aU* 
frjeon is in gr e at e skat. Vgl. Foq. 
1SS(5, ï).'). It stekt onder âlde (of 

ald-) frjeon en sa nau net. -- Vaak 
van eiMi oud schoolkameraad. — Eu van 
een boek. dat men graag leest, of lanif 
gebruikt heeft. 

âldfrou'; f. bejaarde hainna^^. — De 
bern dogge it wirk, en 4mH|É^|£! 
soarget for helehoa^*;: •""".; ' 

De ald boer, en d3B'« ' 
noorden evenwel â 1 d b o e r*;* ' 
gemeeuen zin is een ouile vi 
wiif. of *i n ald m i n s k e'. 

âldg^at'y n.insprkw. als: L's fi-^iffB|| 

ei i t â 1 d g a t om. as i t n i n j i jmm 

1 i ii*i*i*A 



m 



tet, Iweet van weeblerigheid niet 
doen zal) van een vrouw, zoo van 4^ 
jaar. die dan nog jolig, groen in. 

Al< iemand wat onwaarschijniyks ssegi^ 
K i i u . «1 y n lx 1 d g a t. < )ok : d y n â 1 d e gat 
•*x. 7*^. Vgl. ƒ/(// , A//X('. 
•tldg^èrs', n. oudgras; staat tegenover 
■ ii g •*' ï' > . z «1. l*' â 1 d g ê r z e n. - 



ALDU. 



88 



ALOM. 



t lekker. sto is nou for de kij (as or 
Ü j,r »'• r s in) f e n V â 1 <l g ê r z e n ô f. 

*âld£^roun\ h. iler vaderen erf. — Ald- 
roun, wêH jamk bifêrzen, M. B. , 
w. 1><S4, 7«. 

Öid^rûd', n. omlj^oed. - Dat iildgud 
8 ek hast ta wei s'm i t e n k e a r d. 

äldhier', n. oud haar. De kou sit 
och r Û e h y n 't â 1 d h i e r. 

âldhoed', H. oude hoed. In â 1 d h o e d 
an in ntok is in beste sjamnie. 

âl'dicll, adj. Fra. neillot, oudachtitj. Dêr 
:aem hjar in aldieh man tomiette, 
(. ind T.'. 271«. — Van ouderen, h.v. uit 
Ie 'Vlieterpen' nog wel gehoord (W. D.), -- 
•n in den Zwh. — Nu meest â 1 d a c h t i c h , 
k l d s k . z. d. 

tâldiem, m.. propatniun, oudoom. Lex. 
'\\), < i. J. ad V e m. — Nu : â 1 d o m k e. 

âldjier', n. oudejaar. It aldjier lït- 
litte. Zie aMJiersJoun. 

aldjiersdei', s. Hd. Silrester , oudejaars- 
iajr. 

âlâjiersjoun', Hd. Silveatemacht , oude- 
a.irs.ivond. — Deze wordt gevierd: „mei 
>an toalve ure taop toHitten,de 
»ern ek . . . as se net earder sloech 
irirde. Dat wirdtneamd „it âld(e-) 
ier utsitte.** — De measte part gon- 
(e igean) op dy joun nei tsjerke, 
il kom me hja der o ars yn gjinroun 
lier n e t. - S i m s h w e 1 1 e earder, m a r 
neastentiids letter, giet it jong 
feintefolk de bûrren op ... om „it 
il(l<e)jier út to sjitten." Mar as de 
klok toalve ure slacht, winsket 
•n elkoarren , folie gelok", er 
rirdt sketten by 't hiis fen goede 
kin de: hjir en dêr wirdt ris trak- 
:earre en dêrmei isit spil den fa- 
len út. Ongelukken troeh drank 
?n forroaske fjûr wapens, kom me 
rn -ia 'n nacht noch wol ris f o ar." 
^eze gebruiken slijten al meer en meer uit. 
— In de Woudstreken wordt echter hier en 
ia;ir nog het oudejaar uitgeluid. 

âldjiers'preek, s. oudejaarsavondpn'ck. 
--Hygiet mei «yn j)ratenbyderige 
lâné as in &ldjierspreek. — Syn 
virden hingje oan in-o ar krekt as 
in &ldjier«preekf zyn zonder samenhang. 
--De ft ld j ierspree k en 't hûshim m el- 



jon )» i n n e oan e 1 k o a r t r o u d. 8cho- 
terl. : â 1 d e j i e r j o u n s j» r e e k. 

âldjon'g^e, als vocatief : Kiigl. ohl hoi/. - 
Kom â 1 d j o 1Î g (* , m e i nei h û s , j ú , g j i n 
d rank m e a r. — M«*(»r gebruikelijk is ; A 1 d e 
jonge. Zie bij âhf. 

Ook een jonkman van b.v. 20 jaar, maar 
lichamelijk slecht ontwikkeld: hwet in 
â 1 dj o n g e. 

âld'kameraet', m. Engl. fhc ohler, ou- 
ilere. Ik w o c d y as â 1 d k a m e r a e t 
w i i s d e r h a. 

âldkreams', adj. tijd na de vrouws be- 
valling. 11 j a is f j o u w e r d a gen, — 
n j o g g o n d a g en , (bij gezondheid blijft zij 
niet veel langer uit de huishouding), - in 
fj i r t s i e n dage n â 1 d k r e a m s. 

âldkreu'nich , adj. oud en kreunend. 

âldkrib', s. kribbige? oude vrouw. H w e t 
is dat in â 1 d k r i b , nou ? Zie fekkc. 

âldlân , n. oud land , in onderscheiding 
van nijlan. in de laatste eeuwen uit zee 
aangewonnen lantl. - It Stienser, Hrit- 
s u m e r , K o a r n j u ni e r , .T e 1 s u m e r , 
(i o u t u m er, W i r d u m e r , B o a 1 s e r t e r 
â 1 d 1 â n of n ij 1 â n, of wel beide. Lex. 79. - 
De 'Biltkers' noemen al 't land buiten 't Bildt: 
'et oudland', en de niet-Biltkers 'oudlan- 
d e r s', die 'praten' dan ook 'o u d' 1 a n s'. 

Oud bouwland, sedert lang. - Der komt 
net folie út, wol? 't (iit^t noch al. 
't i s e k â 1 d 1 â n m o a 1 1' j y t i n k e , 't 
m o a s t n e tl i c h t w a stek o m w <» s t ha, 
m ar... m en kin net s a 't m e n w o 1 
a 1 1 y t. 

âldmâl', n. oudmal. A 1 d m al giet b o p- 
pe al. K. ind T.^ 111". 

âldman', s. senex ^ Engl. the ohl manj de 
huisvader als de kinderen groot zijn : altijd 
een bepaald i>ersoon. I s d e â 1 d m a n y n 
'e h Û s , f e i n t e n ? De â 1 d m a n i s 

noch h echt. - - Vgl. heit. 

Veel als vocatief: wel! A 1 d ni a n , h w e t 
hal d e jy j o goe<l. 

Aldniantsje, n. dem. Hwet is dat 
ber n i n A l d ui a ii t s j e Î 

âldman'achtich , a<lj. iV adv. oudmanacli- 
tig. Vooral van jongens , die zich wat \\\ 
te oud aanstellen. Zie ithhuonnlrh. 

al d m an 'nehÛS , s. yerontouilum . 

■ J 

mannenhuis. 

âldman'nich , a(lj. Ar adv. se , .. 

' ^ ju<lwijve- 



ALDR 



32 



ALDG. 



sjoon, ile oiul-vqjerrt liobl>cn tien duivol 
prezien , nl. in het huwelijk. Tn doe ha 
k o m ni e si o k k o â 1 il f e i n t e n f a e k h 
noch mei in s 1 i n g e r s 1 a e h o a n 't 
wiif. Lex. 78. 

De aldfeint Ilantsje Pik, s ie ter 
mei achter, tocht men. 

Ook een oude knecht , die lang in denzelf- 
den dienst is. R. ind T.*, 21*, 22 ^ 

Ku een vroegere vrüer. Hwet prate 
jimme oer Durk, sei Kekke, ik wit 
ni o a r f e n h i m a s j i m ni e a 1 1 e g e a r r e , 
dat is noch in aldfein t f en m inen. 

*âldf ein'testeat , s. vrijgezellenstaat. 

âldfel', n. vinnig, oud vrouwspersoon. — 
Dat aldlel pleaget de fa mm en as 
de d e a 1 e .1 o p. Lex. 78. - - Zie /V'A-Ar. 

âldfenyn', n. boosaardig oud wijf. Zie 

âldfinlân, n. grasland, dat men veel 
jaren achtereen als weiland gebruikte , en 
nu als 'miede' gaat afzonderen. -- A ld fin- 
la n is o r n a r i s t a e i t o m e a n e n. 

Ook al de finne. Zie finfie. 

âldfleansk y o rouw, adj. prlffcus, attti- 
fjHfiü, ouderwetsch. Ook â 1 d f r e a n s k. 

âldfleaunsk', a<lj. Dongdl. Zie uldfieanak. 

âldfornim', n. nauwkeurige scherpe op- 
merker, zouder veel praats. - Vooral van 
kind(»ren . die opmerken wat men zou mee- 
n«Mi dat hun moest ontgaan. Ik siz 't 

jimnu', lis Kekke dat is sa'n ald- 
fo r n i m . zegt een moeder, met zekeren trots. 
H e a r m v n o u s a 'n â 1 d f o r n i m f e n 
in jonge ris o a n ! 

Andt'rs meestal in ongunstigen zin. - Dit 
vooral van lui. die nog al uit zijn op de 
(•rnui«iu<* scandaleusc. - Sa'n aldfornim. 
h w r- r dv him al ni*t mei bimoeit. 

■ 

VoDral van oude vrouwen. Hwet 

mi«'nt dat aldfornim wol, litse.op 
hj a r s»'l s pa sse. 

âldfreansk'y adj. jtrisrus, (intiquus, on- 
d«M-w«*ts(h. In de Dongdln. â 1 df 1 (* a u n s k. 
In Jïrituw âldflransk. In LeiMiwarden 
o u d f 1 c ns 'n- h. 

Dy il«*ltsitï>i binne al tu simj)el 
♦» n â 1 il f r e a n -; k \\> r d e .1 o n k e r. \i. un\. 
T.'. ^^74''. - Onk â 1 d f ri nzich, z. «l. 

âldfl'ieB, s. Mudfries. Vgl. K. ind T.=, 
l.')ii'. In aldfrii's. van d<*n ouden st«'m- 
pt'l. Vgl. '<tthifru'ft. in âldfrifs. cm 



ou<le friesche (groote) baksteen; pi. ïil 
friezen s i e t e n der folie y n 'e g ro 

"âldftry'er, m. vroegere minnaar. \ 
Ahlfi'int. 

âldMn'zich, adj. princus, antiquH», 
derwetsch. Le^. 81. — Ü8 pak e wiei 
aldfrinzich k e ar el. R. ind. T*. 2 
Vlg. aMfreansk: — Ook: lastig en U 
ziek in den omgang tengevolge lasten 
ouderdoms. - - Meest aldwreanzich, 

âldfrysk', Jidj. oudfriesch. — It 5 
fryske rjucht. — As de boeren y 
Wetterlan in bollekeal fange. t 
te se de mounle yn't kriis, den kt 
me de slachters der op ta; dat 
noch aldfrysk. — Sa'n echt aldfr^ 
boer es tikje, jonge, dat mei ik 
graech ris hearre. — Wite be 
tsjes mei bûter en sûker wieal< 
y n 'e 8 li d h o e k e i n â 1 d f r y s k g a s t m : 

Op syn aldfrysk, op oudfriesche wi 
Wy moasten de boel der op * 
âldfrysk yn proasje. 

- - n., het oudfriesch , de oudfnesche \ 
In priuwke klearebare äldfry 
Forj. Xlll , 58. 

**âldfpys'tep , f. iemandH vroeger me 
Vgl. ahlfaem, 

. âldfrjeon', m. oude vriend. In ï 
frjeon is in greate skat. Vgl. I 
1886. S)h. — It stekt onder aldt 
Il ld-) frjeon en sa nau net. — Vt 
van een oud schoolkameraad. — En 
een boek, dat men graag leeflt, of 1 
gebruikt heeft. 

âldfrou'; f. bejaarde huismoeder. — 
bern dogge it wirk, en de&ldf 
soarget for helehoazzenenfiokli 

- De al d boer, en de âldfrou; i 
noorden evenwel aldboerinne. — In 
gemeenen zin is een oude vrouw *in 
wiif, of 'in ald minske*. 

âldgat', n. in sprkw. .als : Us frou si 
nii^i it aldgat om, as it ninjildl 
' t e t , (weet van weelderigheid niet wa 
. «loen Ziil) van een vrouw, xoo van 40 
jaar. die dan nog jolig, groen is. 

Als i(>mand wat onwaarsch^jnlgka x 
; Ki ju. dy n aldgat. Ook: dyn &lde \ 

- Lex. 78. — Vgl. gat f bûne. 
âldgêrs', n. oudgras; staat t^gen 

I nijgêrs. z. d. PI. &ldgêrien 



ALIMK 



83 



AL DM. 



It 1**kkprHtp ii» nou for do kij (aR or 
n ii >r •* r s i ui f e n 'e â 1 d ^ ♦> r z e n ô f. 

*&ld£^roun', ». der vaderen erf. — Ald- 
IC r o u n , w ê 8 j a m k b i f ê r z e n » M. B. , 
Sw. 1.^X4, 7«. 

öidfiTUd', n. oudj^oeil. - Dat âldgûd 
10 ek hast ta wei s'm i t e n k e a r d. 

Öidhier', n. oud haar. De kou sit 
noch r Û c h y n 't â 1 d h i e r. 

&ldhoed', H. oude hoed. In â I d h o e d 
oan in stuk is in bêi<te njamme. 

âl'dich, adj. Fra. riVi7/o/, oudacliti<^. Dêr 
kaeni hjar in aldich man tomietto, 
R. ind T.', 21U. — Van ouderen, ]).v. uit 
de 'Vlieterpen' nog wel jfehoord (W. D.) , - - 
en in den Zwh. — Nu mecHt â 1 d a e h t i c h , 
ftldftk. z. d. 

tâldiexn, m.. propatvmn*, oudoom. Lex. 
Tij. <1. .1. adyem. — Nu: âldomke. 

âlâjier', n. oudejaar. It âldjier út- 
*itte. Zie (Udjier^Joun. 

aldjiersdei', m. Hd. SU veste r, oudejaars- . 

<ia>r. 

Aldjierajoun', Hd. Silvest er nacht , oude- 
ja.irKavond. — Deze wordt gevierd: «mei 
oan t o a 1 V e ure t a o p t o h i 1 1 e n , d e 
hem ek . . . a.s se net earder sloech 
w i r d e. Dat w i r d t n e a m d „ i t ii 1 d (e-) 
jier út Hitte." — De meaHte part g on- 
ge igean) op dy joun nei tsjerke, 
al komme hja der o ars yn gjin roun 
j i •> r net. - S i m s h w e 1 1 e earder, mar 
mea^itentiidH letter, giet it jong 
f»»intefolk de hûrren op ... om ,.it 
al die) jier út to sjitten." Mar as de 
klok toalve ure nlacht, winsket 
men elkoarren ,folle ge lok", er 
wirtlt sketten by 't hûs fen goede 
kin «Ie: hjir en dêr wirdt ris trak- 
tearre en dêrmei isit «pil den fa- 
ken lit. Ongelokken troch drank 
en fo rroaske fjûr wapens, komme 
vn •'a 'n nacht noch wol ris f o ar." 
Deze gebruiken 8l|jtcn al meer en meer uit. 

— In de WoudHtreken wordt echter hier en 
daar nog het oudejaar uitgeluid. 

&ldji6r8'preek, s. oudejaarsavoudpreek. 
-- Hygiet mei syn praten byderige 
lans as in & 1 d j ie r 8 p r e e k. — S y n 
wirden hingje oan i u-o ar krekt as 
in âldjiernpreek, zyn zonder samenhang. 

- l>e ftldjierspreek en 't hûHhimmel- 



j e n )n n n e oan e 1 k o a r t r o u d, Scho- 
terl. : \\ 1 d e j i e r j o u n h p r e e k. 

âldjon'g^e, als vocatief: Kugl. i>ld hoi/. — 
K o m il 1 dj o ugo, m e i nei li O s . j \\ .gjin 
d rank m e a r. - Me<»r gebruikel ijk is .• fi 1de 
jonge. Zie bij âht. 

Ook een jonkman van b.v. 20 jaar, maar 
lichameljik slecht ontwikkeld: hwct in 
i\ 1 dj o n g e. 

âld'kameraet', m. Engl. the ohier, ou- 
dere. Ik w o o d y a s â I d k a m e r a e t 
w i i s d c r h a. 

âldkreams', adj. tijd na de vrouws be- 
valling. Hja is f j o u w o r d a gen, 
n j o g g o n d a g en , (bij gezondheid blijft zij 
niet voel langer uit de huishouding), - in 
f j i r t s i e n d a g e n â 1 d k r e a m s. 

étldkreu'nich , adj. oud en kreunend. 

âldkrib', s. kribbige oude vrouw. Hwet 
is dat in â 1 d k r i b . nou ? Zie fekke. 

âldlân , n. ou<l land , in onderscheiding 
van nijlan, in (b* biatste eeuwen uit zee 
aangewonnen bind. 1 1 S t i en ser , Hri t- 
s u m e r , K o a r n j u m e r , .Iels u m e r , 
(i o u t u m er, W i r d u m e r , B o a 1 s e r t e r 
â 1 d 1 â n o f n ij 1 â n, of wel iK'ide. Lex. 7ï). 
De 'Biltkers' noemen al 't land buiten 't Hildt: 
'et oudlauil', en «Ie niet-Hiltkers 'o udl an- 
ders', die 'praten' dan ook 'oud' lans'. 

Oud bouwhind, sedert hmg. - Der komt 
net folie út. wol? 't (tiet noch iil, 
't is ek âldlân moatf jy tinke, 't 
m o a s t n e d i c h t w a s t (ï k o m west ha, 
mar... m en k i n n e t s a 't m e n w o 1 
altyt. 

âldmâl', n. oudmal. A 1 d m â 1 g i o t b o p- 
pe al. K. ind T.^ 111". 

âldman'y s. .fener, Kngl. the oht manj de 
huisvader als de kin<leren groot zijn : altijd 
een bepaald persoon. Is de al tl man yn 
'e h Û s . f e i n t e n ? I ) e â l d m a n is 

n o c h h e c h t. - - Vgl. heit. 

Veel als vocatief: w <* 1 ! â 1 d m a n , hwet 
ha 1 de jy j o go e il. 

aldniantsje. n. dem. Hwet is dat 
ber n in â 1 <l m a n t sj eï 

âldman'achtich ) adj. iV adv. oudmanach- 
tig. Vooral van jongens, die zich wat al 
te oud aanstellen. Zie utditKinnich. j^ 

âldman'nehûs , s. if^'i'*>*dom\vmjf^^^^^^,^ 
mannenhuis. /^ 

âldxnan'nich , a(\j. Ar ad^- se^n:^ ^ ,^.,. 



ALDM. 



34 



ALDS. 



lijk, verouderd. — Hwet bigjint Ge al e 
der ïlldmannicli lï t to sjen. -Skini- 
nielich hier makket immen âldman- 
n i c 11. — Dat stiet sa â 1 d iii a n ii i c h , 
een i)et l».v. , te ouderwetseh voor een jonor- 
menseh. - 1 1 stiet r a e r dat in j o n «2^ e 
s a â 1 d ni a n n i c h p r a e t. — S a' n j o n ^ e 
mei in i)iip yn 'e miile, dat stiet 
t i *r e â 1 d m a n n i c li. 

âldmelk' (vooral in den Zwli.), âldmelts, 
adj. oudmelks ; in â 1 d m e 1 1 s kou, eene 
koe die (hmi jaar lang gemolken wordt , 
zonder drachtig te zijn geweest. Doniawer- 
stal : fi ld mol ken. Meer heet dit fe ar- 
me 1 1 s. Henndl. : f e art r och mol ken. 
Vgl. uijnwlh' j icrmelk'. 

âldmili'ske , n. mater fatttUiaa , de oude 
vrouw, vooral de huismoeder als de kinde- 
ren groot zijn. - It aldminske tôget 
a 1 1 i t e n n u e h m ei d <» h 6 1 1 e-k oer. - - 
I ) e \\ 1 d m a n w i e r a 1 1 i n n e t h ú s ; d e 
jongt's wieme yn 'thacilan, en it 
il 1 d m i n s k «' wie n e i K 1 a s k e-m o a i s t o 
th «'«dr in k e n. 

âldmoa'drich, adj. ohsoictns, oudmodisch. 
lii'x. X\ . -In â 1 tl m o a d r i e h m a n of 
wiif, et»n man ot' vrouw oudmodisch in 
kleeding en levenswijze. A 1 d m o a d r i g e 
Ijuc. In âldmoadri<"h gel) nik. - In 
a 1 d m o jul r i c h spilt s j e : h o c r e h u z i n g. 
s k û r r ♦» en I) û t h û s . en k e 1 d e r a p a r t. 
- - A I d ni na d ric h gûd, in aldm(»ad- 
rich hnt.'d. in â 1 d ni i»a d r i <h j a k, k am- 
mcnct. kofjckannc. enz. In â 1 d- 
moadrigc twaiiitigi' 1 a m jm'. J{. ind 
'J'.". *J')^i''. 1 n â l d m u a d r i c h g (? 1 o v c . 
niet hepiiuM *tijn". maar nog ui stijf geru- 
formeenl. 

adv. fildnioadrich klaeid, huud. 
opdien. Vgl. HttHofÊtfrh'h. 

âldmoai'ke, f. oudtante of ondmoei. pi. 
â ld 111 oa ik es. In de ]>ong»'radln. en el- 
ders altijd: âl'di'moaike. Lex. 7ï). 

âldmoar', f. uritt. grootmoeder. In de 
Wouden klinkt *t min of meer *houn>k'. 
Tn de kinderwereM «h» middelst*.' vinger. 
Zie fièvirr. J.ox. 

âldmorken, adj. Donia werst. Vak.' nhlwi'Us. 

aldnUliers'Joun (Schoterl.). s. oudejaars- 
avoml. Zie ah/Jit'rsJoHft. 

älânjir're, **. feeks, ln^roerd wijf. Sa'n 
Û ld n j i r r e. Zie feH-e, 



âldoin'ke, m. oudoom, pi. aldomkes. 
In de Dongeradln. en elders altgd: al'de- 
omke. Lex. 79. 

äldroek', eg. bonte kraai. — Dy â ld roek 
loert op Ú 8 j o n g e p i k e n. — D o u b ist 
sa Hmoarch en .stikken yn 'e klean, 
de âld(e)roeken kinne wol mei dj 
weiflean e. — H j a sette der op ta as 
de A. 1 d r o e k e n op i t a e h , o p i n dea 
skiep. — Sa fûl, sa kâld as in ftld- 
roek. — Hy gap j) et as in âldroet 

Ook van menschen: Ik tocht dat las 
to keapjen, mar Wybren dy ald- 
roek hie 't gau yn 'e noas, en ja^g* 
i t t HJin my oj). 

Vooral die gierig zjjn. Dy aldroek 
skoert alles by in-o ar. — Us lan- 
liearre, dy aldroek, woe lis 't fel 
wol oer 'e nekke h e Ij e. Zie gjir^ri. 

Bij 't koolzaaddorsehen heet men de Ini 
die 't pas gedorsehte zaad zeven: de ald- 
.^roeken. - - Vgl. skierl-ert. 

â 1 d r o ek is ook wel de *domeny' of 'pastoar.' 

ald-rót', eg. oude rot, oude lepert, oode 
<leugniet. - In âld-rôt yn 'e falie.— 
It is sa 'n -âld-rôt , ronnom sit er yn, 
en wit er .s i n e s f e n t o toppen. — In 
út sliept ald rot. — Hy wist it ge- 
rjucht altiten út 'e hannen to b Hu- 
wen, mar nou is de âldrôt doch* 
sna]> t. 

âldsear', n. Fra. rancune^ vroegere wrok, 
vete. - Der s i e t n o e h â 1 d h e a r mei 
.Taj)ik en Oene. — Fen aldsearoi)* 
h e 1 j f.' , oude koeien uit de sloot halen, 
i.ex. 5S0. 

Ook een oiule geldschuld. — Hy komt 
il e r lang net. der sit n o e h i n â 1 d- 
scar, (nü(ïh to folie A Idsear), hjj is 
nog geld schuldig. Vgl. kweai*ear^ 

*ÛldsJe, (s])r. -dzje), V. scneseere ^ zicht- 
baar ouder worden. - Meer gebruikelgk: 
i'o r al dsj t*. 
I âldsk, adj. ouda<htig, oud uitziende. — 
Wy is â 1 d s k w i r d e n , t i n k t m y. — D y 
fa V ni s j o c h t er â 1 d s k \\ t . sehijnt ouder 
dan ze i-i. y*r\. Jcurhlik'. Aldsk yn 

'e troanje, outlachtig van uitzicht. Lex. 
! ^ 1 . H j a is malle aldsk opdien. — 
• Aldsk spel Ie. ld. I, 27. 
j Door ouderdom min of meer ï»edorven. — 
; Der is ul hwet in aldsk e suiaek oan 



ALDS. 



35 



ALDW. 



k, spek. - It rukt al h wet 



, ». omlaclitighoid , ouderdoms- 
iemands gezicht. De aldskenn 
im ta de falden lit. — Dou 
oer niyn âldskens net to 
K j o c h mar n e i d y 8 e 1 s ! - 
) e r de â 1 d s k e n s f e n li s s p e 1- 
ije. ïd. T, 86. 

ip' , n. oud schaap , ouder dan 
Ook het moederHchaap tegenover 
en. 

•ud man , die nog jeugdige lusten 
ov. In â 1 d H k i e p mei noch 
n grien bledtsje. Vgl. S. K. 
893. 
r're, f. lastige vinnige vrouw. — 

ille, s. oude school. De ald- 
w i e r noch t o goed om o f- 
to wirden: dy is nou fornjjd. 
l, adj. erg slim. In aldslim 
•ach in roek heech yn 'e 
am. 

ïk*, n. leelijk wijf. — Dat dat 
[ dy hem noch brujje moat. 

b^ber, -S'wabbert, m. omzwer- 
Û l <1 s w a b b e r t s t r li n t a 1 1 y d 
t en Û n t i d e n om. — Men 
e h w e t moat » a 'n â I d s w a b- 
1 noch mei in w i i f. 
ude reisjas, oude hoed. - It is 
'n aldswabber yn sok waer. 
bbert , hiandirntea ita senes com- 
'. Junii nota mss. in G. J. (Bod- 
) Lex. HO. Vgl. G. J. Vgl. om- 
istrabber. 

fe, ». feeks. Zie ffkke. 
', 8. oude feeks. — Dy al d test 
r b o ad en litheuvelje o ft 
Ie hounen foun binne. Lex. 

adv. anffa , oudtyds. - Ald- 
erd erjild oerwoun ; man- 
mt hjoeddeis net roun. — 

do *t de houn Bouke hjitte. 
* bisten prat e. — Aldtiids 

boer folie ienfâldiger as 
^eatal by&lds. Ook alear(-en). 

'^ b 

acy. antiquus, uit den ouden 



tijd. P y t h a g o r a s wier in â 1 d t i i d s k e 
wiissjuch tigert. ld. VI, 62. 

âld'tsje, eg. niulusy retiüa , oudje, 'kose- 
wort' vooral van een man tegen (van) zijn 
vrouw. Kom âldtsjeî wy gean nei 
h Û s. - - M y n â 1 d t s j e w o 1 't h a ; n o u 
den is 't my altiten goed. —Vgl. âhh. 

Ook vaak een paard. Foariit âldtsje! 

— Ik ha myn eigen âldtsje f o ar 'e 
w e i n , nou b i n 'k f e i 1 i c h op 'e d y k. 

aldus', adv. ita^ uldus. Lex. 789. De 
saek si et aldus (dus), volgt de uitleg- 
ging. -Aldus kinnejou itbegripe. 

— Wy wierne 't aldus w«nd. 
In den regel wordt 'sa' gezegd. 
^aldusda'nich , adj. udi^ y zoodanig, zoo 

een. — In a 1 d u s d a n i c h m i n s k e is ú s 
bûrwiifke. Vgl. .va'/i. 

Boeketaal ook : aldusdienich. 

âldwen'stich , adj. aan 't oude gehecht. 
- In kat is âldwenstich; dy hiiiget 
lykwol me ar oan 't hiis as oan 'e 
m i n s k e n. 

ald'WÜf', n. aft na f oude vrouw. — In 
â 1 d w i i f k i n mei i t h y n s d e r r i d e, zoo 
mak is het. Der 't d e d i v e 1 s e 1 m e 

net k o m m e d o a r , s t j û r t er in â 1 d- 
wiif hinne. R. iud T.\ 76''. --- lu ald- 
w ii f f e n in fa e m , die oudwjjfsche ma- 
nieren heeft. Ook d y fint (d y k e a r e 1) 
is in fi 1 d w i i f. — Ook minachtend. 1 k 
f ar hjoed net, it waeit hird. Dou 
bist in â 1 d - w i i f (treplduluftj , h e i t e. — 
De e a r s t e s i m m e r f û g e 1 is in â 1 d w i i f 
yn 'e sinne onder de hiisweach. Burm. 

Ook ter aanduiding van eenc» oude rrouw, 
die geen kinderen meer krijgt. - De frou- 
Ijue wirde folie aldwiif nei hjar 
45ste j i e r. — De f r o u 1 j u e w o 1 1 e net 
witte, dat se al d wiif binne, f o ar 't 
se bep})e binne. - In aldwiif f en 
tûzen wik e, schertsend van een meisje, 
as d y y e n y n 't h i e r t e p t , d o c h t i t 
net se ar. - Hest in aldwiif pis- 
j e n s j o e n ? tegen iemand , die een 
strontje (stych) op het oog heeft. Lev. 81. 

Ook: (Ie St(iphylinui< olcns of zwarte loop- 
kever. Ook wel domeny. 

Aldwiif heet ook een koeksoort : 'taai- 
taai'. In stik aldwiif b y de k o f j e. 
Zie uiilt'irivi'H. 

aldinriirachtich , adj. ^ adv. oud wij ve- 



ALDM. 



34 



ALDS. 



lijk , verouderil. — H w e t b i g j i n t G o a 1 e 
d o r t*i 1 (l m a n n i c h i'i t t o s j e n. - Ski m- 
111 c l i c 11 hier iii a k k e t i iii m en â 1 cl iii a n- 
nich. - Dat «tiet sa aldni annicli, 
een i^et l).v. , te ouderwetsch voor een jong- 
niensch. - 1 1 stiet r a e r d a t i n j o n g e 
F a â 1 d ni a n n i c h p r a et. — S a' n jonge 
mei in l)iip yn 'e mul e, dat stiet 
t i g e â 1 d m a n n i e h. 

âldmelk' (vooral in den Zwh.), âldmelts, 
ad j. oudmelks ; in â 1 d m e 1 1 s kou, een e 
koe die een jaar lang g<iniolken wordt , 
zonder drachtig te zijn geweest. Doniawer- 
stal : A 1 d m o 1 k e n. Meer heet dit f e a r- 
m e 1 1 s. H«Mindl. : f e a r t r o c h ni o 1 k e n. 
Vgl. ttijnu'lh' j icDHt'lk'. 

âldmili'ske , n. mater famUiaH ^ de oude 
vrouw, vooral de huismoeder als de kinde- 
r<m groot zijn. - 1 1 â 1 d m i n s k e 1 6 g e t 
n 1 1 i t e n n o e h m «» i d e b ô 1 1 e-k oer. - - 
I ) e A 1 d m a n w i t* r a 1 1 i n n e t h li s : d e 
jongrs wieme yn 'thaeilan, en it 
i\ldnii]»ske wie nei K 1 a ^k e-m oa is to 
t h «'d rink en. 

âldmoa'drich, adj. ohsofcfns^ oudmodiseh. 
]jOK. Xl. -- in â 1 tl m oa dr ich man of 
wiit', een man of vrouw oudmodiseh in 
kleediug en h'venswjjze. A 1 d m o a d r i g e 
Ij u e. 1 u a 1 d m o a »1 r i e h g e b r (i k. - I n 
â 1 d m o a d r i r h s j> i 1 1 s j e : b o e r e h u z i n g, 
s k Û r r ♦' en 1 » û t h û ^ , en k e 1 d e r a p art. 
-- A I «l 111 II a d r i r h gud. in aldniiKid- 
lirh 11 lied. in â 1 d iii o a <l r i eh j a k. k a m- 
m e 11 e t , k n f j ♦• k a n n e , imi/. In âld- 

moadrige twatntige 1 a iii jm». J{. iiid 
'J'.". '2'^''>''. I n â 1 d lil o a d r i e h g e 1 o v e , 

niet iM'p.ialiJ Mijn', maar nog al stijf gere- 
f«)nii«'i'nl. 

adv. âldmoadrieh klaeid, buud, 
ojMlien. Vgl. ithpn/tufrifh. 

âldmoai'ke, f. nndtante of uudmoei. ]>I. 
n I d im» a i k «' ^. In de J)niig»'radln. en el- 
ders altijd: ârdemoaik(>. Lex. Tï). 

âldmoar', f. (iriti, grootmoedt^r. In de 
WiMiden klinkt 't min »»f meer 'hounsk'. 
In <le kin<lfrw»*r«'ld de midd»*lste viiigi-r. 
Zie pn'h r. L»'x. 

âldmorken, ailj. lh»nia werst. Zie nhhnelts. 

âldnmiers'Joun i.Seh..terl.i. <. oudejaars- 
avond. Zie ahijivrs'nmn. 

aldnjir're, s. feeks, berotnl wijf. Sa'ii 
û 1 d n j i r r o. Zie fMw. 



âldoin'ke, m. oudoom, pi. äldomkes. 
In de Dongeradln. en elders alt^d: al' de 
omke. Lex. 79. 

âldroek', eg. bonte kraai,— Dy aldroek 
loert op Ú s j o n g e j) i k e n. — Doublet 
sa smoarch en stikken yn 'e klean, 
de rild(e)roeken kinne wol mei dy 
w e i f 1 e a n e. - H j a s e 1 1 e der o p ta an 
de ald roeken op it aeH, op in dea 
skiep. — Sa fûl, 8a kâld as in ftlJ- 
roek. — Hy gapi^et as in aldroet 

Ook van menschen: Tk tocht datlän 
to keapjen, mar Wybren dy ald- 
roek hie 't gau yn 'e noas, en jaj^ge 
it t sj in my oi>. 

Vooral die gierig zjjn. Dy aldroek 
s k o e r t alles b y i n-o ar. — U s 1 an- 
hearre, dy aldroek, woe lis H fel 
wol oer 'e nekke helje. Zie gjirgtrt. 

Hij 't koolzaaddorschen heet men de Ini 
die 't pas gedorsehte zaad zeven: de âld* 
i r o e k e n. - - Vgl. skierkert. 

aldroek is ook wel de 'domeny' of' pastoar.' 

ald-rót', eg. oude rot, oude lei)ort, onde 
deugniet. - In Ald-rót yn 'e falie. — 
1 1 i s s a 'n - a 1 d-r ô t , r o u u o m s i t e r yn, 
en wit er s i n e s f e n t o toppen. —In 
li 1 s 1 i e p t â 1 d r 6 1. — H y wist i t ge- 
rjueht altiten út 'e hannen to bliu- 
wen, mar nou is de âldrôt doch» 
sna]) 1. 

âldsear', n. Kra. ratwuney vroegere wrok. 
vete. - Der siet noch al ds e ar mei 
.Tapik en Oene. -Feu aldsearop* 
h e 1 j e , oude koeien uit de sloot halen, 
i.ex. 80. 

Ook een orde g<'ldsehuld. — Hy komt 
d e r lang n i; t , der s i t n o c h i n ä 1 d- 
s e a r , i n o <• h t o f o 1 1 e Tv 1 d s c a r) , hjj i« 
nog geld sehuldig. Vgl, hceasfar, 

''âldsje, (spr. -dzjej, v. .vi'/Kwyr*» , zicht- 
baar üiub'r wonlen. Meer gebruikeljjk: 
fora 1 il sj e. 

âldsk, adj. ou<laihtig, oud uitziende. — 
H 'y i s â 1 d s k w i r d e n , t i n k t m y. — Dy 
f a e ni sjoeht er aldsk li t , schijnt ouder 
dan ze i-i. \<r\. Jeurhiik'. - Aldsk yn 

'e troanje, outhuhtig van uitzicht. Lex. 
^1. Hja is malle aldsk opdien. — 
Aldsk spel Ie. ld. I, 27. 

I>t>or ouderdom min of meer bt»dorven. — 
I > é r is al 11 w e t in â 1 d s k e s m a e k o an 



ALDS. 



35 



ALDW. 



pek. 



It rukt al hwet 



IS. *«. omlacliti^heid , ouderdoins- 
'iiiands gozk'ht. l)e {ildflkeni^ 

in ta il e falden lit. — Don 
oer myn âld^kens net to 
HJoch mar nei dy sols! — 
er de ft 1 d m k e n s f e n ú» s p e 1- 
le. ld. Î, 86. 
p' , n. oud schaap , ouder dan 

Ook het nioederHchaap tegenover 

Ml. 

ld man , die nog jeugdige lusten 
'V. In â 1 d s k i e p mei noch 
n grien bledtsje. Vgl. Ö. K. 

•'re , f. lastige vinnige vrouw. — 

11e, s. oude school. - De ald- 
r i e r noch t o goed om ô f- 
o wirden; dy is nou fornyd. 
, adj. erg slim. In â 1 d s 1 i m 
ach in roek h e e c h y n 'e 

m. 
kf, n. leelijk w^f. — Dat dat 

dy beru noch brujje moat. 

)'ber, -S'wabbert, ra. omzwer- 
i 1 (1 s w a b b e r t s t r li n t a 1 1 y d 

en ûntiden om. — Men 
e hwet moat s a 'n â 1 d s w a b- 

n o c h mei in w i i f. 
ide reisjas, oude hoed. — Tt is 
n ïildswabber yn sok waer. 
^ftert f bffiHdirnteH ita senes com- 

Junii nota msg. in G. J. (Bod- 
Lex. 80. Vgl. G. J. Vgl. om- 
fftrabber. 

\, n. feeks. Zie ffkke. 

8. oude feeks. — Dy âldtêst 

b o ad en iitheuvelje o ft 

e hounen foun binne. Lex. 

, a<lv. anfea , oudtyds. — A 1 d- 

rd erjild oerwoun .j man- 

it hjoeddeis net roun. — 

do 't d e h o u n B o u k e h j i 1 1 e, 

bisten prat e. - Aldtiids 

boer folie ienfaldiger as 

estal byâlds. Ook a leur (-en). 

2822». 

acy. amtiquuSf uit den ouden 



*ii*^^- P y t h a g o r a 8 wier in â 1 d t i i d s k e 
wiissjuch tigort. ld. VI, 62. 

âld'tsje, eg. retuhiRy ïWie/rf, oudje, *kose- 
wort' vooral van een man tegen (van) zijn 
vrouw. — Kom aldtsje! wy gean nei 
hûs. - Myn aldtsje wol 't ha; nou 
den is 't my altiten goed. -Vgl. ahle. 

Ook vaak een paard. Foanit aldtsje! 

— Ik ha myn eigen aldtsje f o ar 'e 
we in, nou bin 'k feilich op 'e dyk. 

aldus', adv. ita ^ uldus. Lex. 789. De 
s a e k s i e t aldus (dus), volgt de uitleg- 
ging. -Aldus kin n e jou itbegripe. 
-Wy wieme 't aldus w«nd. 

In den regel wordt *sa' gezegd. 

^aldusda'nich , adj. talis ^ zoodanig, zoo 
een. — In a 1 d u s d ca n i c h m i n s k e is ú s 
bCirwiifke. Vgl. .va';i. 

Boeketaal ook : a 1 d u s d i e n i c li. 

âldwen'stich , adj. aan 't oude gehecht. 

— In kat is ii 1 d w e n s t i c h ; d y h i ij g e t 
1 y k w o 1 m e a r o a n 't h û s as o a n 'e 
m insk en. 

âid'Wiif, n. anus y oude vrouw. -- In 
â 1 d w i i f k i n mei i t h y n s d e r r i d e, zoo 
mak is het. Der 't d e d i v e 1 s e 1 m e 

net k o m m e d o a r , s t j û r t erin â 1 d- 
wiif hinne. R. ind 'r.\ 76''. - - In ald- 
wiif f en in faem, die oudwijfsche ma- 
nieren heeft. Ook dy fint (dy kearel) 
is in ö, 1 d w i i f. Ook minachtend. 1 k 

f ar hjoed net, it waeit hird. Dou 
bist in ï\.\(i '^ il ï (trepUhüux) f hei te. — 
De earste simmerfiigel is in aldwiif 
yn 'e sinne onder de husweach. Burm. 

Ook ter iumduiding van eent^ omle vrouw, 
die geen kinderen meer krygt. - De frou- 
Ijue wirde folie aldwiif nei hjar 
4r)ste j i e r. — De f r o u 1 j u e w o 1 1 e net 
witte, dat se ald w iif binn e, f o ar 't 
se bep})e binne. - In aldwiif f en 
tûzen wik e, schert.send van een meisje, 
as d y y e n y n 't h i e r t e p t , d o c h t i t 
net sear. -- Hest in aldwiif pis- 
j e n s j o e n ? tegen iemand , die een 
strontje (stych) op het oog heeft. Lev. 81. 

Ook: de StaphyUnu!< olenfi of zwarte looj)- 
kev(»r. ( )ok wel d o m e n y. 

A 1 d w i i f heet ook een koeksoort : 'taai- 
taai'. In stik aldwiif b y de k o f j e. 
Zie (Utieiriren. 

aldinriirachtich , adj. & adv. oudwyve- 



ALDW. 



36 



ALÖ. 



manierig. 



- Hé, hwet ï^iet dat der 
iver âldwiifachtich. 

âld'wüfs'wjerren, pi. ronde steentjes, 
h\] wijze van damstukken, niet een gat in 
't midden , waardoor zij aan een touw gere- 
gen worden. Alduv^ genoemd, omdat de oude 
vrouwen «oortgelyke steentjes over het si)in- 
newiel hangen om de klos den draad te 
doen opnemen. In menigte in de Friesche 
terpen te vinden. Vroeger ook in 't Bergu- 
mer kioostjer veel gevonden. Vgl. dafjyelhout' 
ges. Zie icjerre. 

ald^vl'vedracht, s. kleederdraeht van een 
oude vrouw. Aagt Ysbr. 

âld'wl'vef abels , pi. ongelooflijke ver- 
haaltjes als van heksen, si)oken en tooveren ; 
van de voorgewende kracht sommiger krui- 
den als geneesmiddel; van onzinnige zooge- 
naamd godsdienstij^e leerstellingen .... all e- 
gearre âldwivefabels, bakersprookjes. 

âldTvl'veknoop , -knotte, s. knoop in 
oen touw of koord, die bijna van zelf weer 
losgaat, als men maar 't rechtsche eerst, en 
dan 't linksche bovenlegt , of omgekeerd. — 
Ook aldwivefot, en knoffel knoop. — 
Hsfr. 1857, 121. 

âld'wi'vepraetsjes, pi. oudewijvenpraat- 
jes. Hsfr. III, 14*2. Bijgeloovige praatjes van 
tsjoenen, spoekjen, tsjirmerij, esfh. 
- - Praatjes ook, daar geen staat op te ma- 
ken is. Ook : neuswijs gepraat van een kind. 
Vgl. âhU'ivirvfahvls. 

^IdwlVestreken, pi. oude-vrouwenkuren. 
T s j o e n d e r ij V a 1 1 e g e a r r e lak; â 1 d- 
w i v e s t r e k e n. 

âldTvl'veteannen , pi. soort van groote 
boonen, in 't Holl. onder den naam van slof- 
ferboonen ))ekend. Zie sïofferbeant'. 

aldTviVeteltsJe , s. sprookje, ongeloof- 
waardig verhaaltje. 

âldTVl'vich, adj. A: adv. oudwijfsch. — 
Hwet is dy faem (dat fanke) fildwi- 
v i <• h , zij si>reekt en heeft manieren als een 
bejaarde vrouw. - Ik wol net sa âldwi- 
vich kleijo, dT'r bin 'k vet t o jong 
ta, z<'gt e«Mi ni«'t oude, nog levenslustige 
vnmw. Vgl. ûhlmauuirh. 

tâld'WTâlds', adv. van d(»n ouden tijd. 
Yn i\\ goune tiid â ld wri\l ds, (J. ,]. 

âld'wsâldsk', adj. k adv., ouderwetsch, 
van don oudrn t jjd , naar don ouden trant. 
Lox. 81. - Hy praet oer dy (lid wr tl ld- 



ske saken (praehistoria) krekt 
der sels by westhie. — Datg, 
âldwrâldsk oan (om) wei. zij 
geweldig aan den gang. Ook âldw 

âldTvrean'zich (in *t Westen) 
-wreen'sich, âld-wrin'zich, adj. j 
anfiquus, ouderwetsch. — It is dê 
ge ar re like äldwreanzich: d 
man ha 'k neanet mei iu ] 
sjoen; de âldfrou hatfordei 
ten in doek om 'e holle; enyn 
ken hawwe se nochfjûrop* 
mei in tsjettcl oan*eheakkea 
Ook â 1 d f r i n z i e h , z. d. 

ald'WTjrtsk', adj. Zie alawrahhk. 

alear, ook alea'ren, adv. am 
voordat. Alear der rest en fr 
y n li s la n. 

olim, vroeger. — Hjir het alea 
bakker wenn e. — Alearen jj 
de hearen || oare menearen. l 
922. Fr. Alm. 1846, 48. Ook by 
Vgl. (Udtüds. 

alearti'den, pi. oliw, in vroegere 
It alde heidendom dat aleai 
yn disse lânnen bistien het 
IX, 74. Vlg. Ibid. X,238. — R. i 
298«. Vgl. oerâld. 

âlf, âlve, num 11. — Voor v 
scherpe consonant: alfstêdden. C 
volgende vokaal al f ure: maar dai 
Alv'; zie (Ure. In de Veenstrekeu va 
terland zegt men elf, elve, elders 

*al-fader, m. Hd. Anfâder,yi^oih 
.Jehova, Isis; Alvader, God. — H 
VI; 172; v. d. M., Myn Suchten, 6: 
IV, 29. W. D., Wjn. IV, 90. 

'^'alfoaj^t, adv. al voort. — dy f( 
a 1 f o a r t en we i. v. d. V., Oerw., * 

al-f olmak'ke , alf olmeklte , 8 

heel volmaakt , in alles volmaakt. G. J 
— As d' ierde alfol makke : 
wy dien wirk, zjn wg dood. "^ 
makJce. 

âlfte, adj., undeciMus, elfde I 
Ook: alfste en al f de. 

âlfteheal', num. elfdehalf, 10 >( 
o 1 ft e h e a 1. (Waar men elf zegt.) 

alfteheale» s., stuk land van 10 
dematen. 

al£:emienS adj. & adv. ffentraU 
rerauHj algemeen. Min tin kt n 



ALG. 



37 



ALJ. 



n, dat hja de la pen by el- 
Muite Hcille, ld. I, 80, 36, 38. 
p e t e a r w a e r d in a I g e m i e n e 
riJ. Hstr. 1857. 134. — Mar der 
dôrh selde eat yn 'tljocht 
dat sa algeuiien lézen waerd 
Lapekoer f en Gabe Skroar. 
i, Korj. 1872, 57. 

roMmunitoH , 't algemeen. — As min 
?mien er mei tsjinj e kin, ld. 201. 
't algemien wirdt er klage 

hege tiilêsting. 
oer 't algemien it folk syn 
net is (sa lang op dy spjelding 
ia om to stammerjeu, dat se it eiu- 
hI léze koene.) Colmjon, Forj. 1883, 59. 

it algemien (door elkaar) f y n t 
de syn lean en it kweade 
Tgl. gemifH , miV«. 

oie'nens, s., tjeneralUas^ algemeen- 
- Om syn algemienens kin 
[ dat sizzen net folie meitsje. 
5 , V. in : a 1 g j e en w a 1 g j e » 
It alge en walge him, 
>ulte aeijen hied er ophim- 

(oostelijk), V. auspicere y merken, 

Ml. Ily alge it net, dat Piter 

t i e n s wieren. Zie eahjje. 

)1, alheul, alhiel, hier en daar 

alle-, adv., prorsHs , otnnino, heele- 

Dat treft alheel sa moai as 

zoo gunstg mogelijk. — Dat is 
gjinbirie wirdich, zoo aanne- 

gelijk. - Dat se il alhiel net 

- Alhiel neaken. — Alle- 
orkeard, heelemaal verkeerd. -- 

stikken, heelenal in stukken. 

ind T.*, 323. — Vgl. Tj. V., Sw. 
82. 

Lal', alhielendal, adv. j^hne, 
rn al. — 't Is w e r alhielendal 
'i him, met iemand die nu en dan 
Irinkt , of met een krankzinnige, die 
ian m^tig i«. — Nou doch ik 't 
'ndal net. Lex. 27. 

Ichst, adv. prorstiMy geheel. Ik 
, ikhimeentrille ji ik liie 
liehflt wei. ld. Vil, 15.3, Vgl.: 
U adv. prorsns^ heelendal. 

Úf coi\j. quamtiSf alhoewel. Lex. 
llhowol *t oars net forkeard 



mei him stie, is er iitstritsennei 
Amerika. — Zie al. 

alyan'sje, s. Zie aUijansje. 

a'lias, a'lijas, m. scurroy deugniet, guit. 

— Sa'n al ij as feu in kearel. — Ik 
wol gjin dwaen mear mei dy ha, 
al ij as dast biste. — Hy seit it mar 
bot, sa 'nnuverealijasha'knoait 
earder sjoen.^ — Dy jonge, dat is sa'n 
lytse al ij as, hy fynt f en alles iit. 

alje, V. eiulare j leelijk schreeuwen; 
meest van koeien. — Hl. ô*»lje. Hl. In 
kuw kin so o* Ij e bi 'tkaeljen. — 
Hwetallet dy bolle. — Der waerd 
sketten; de wynhounen fleagen 
trocli 'e fin n e, de kij bigounen to 
al jen. Lex 83. 

Ook (weHtelyki); Do dekatbigounto 
aljen; vgl. R. ind T.\ 381*. — Alje as 
in maertske boarre, Salverda 120. — 
Vgl. ijCde. 

Ook lollen, tateren van kinderen. — De 
lytse b i g j i n t a 1 t o aljen. Zie alkje, 

— Hl. hard schreeuwen. - En in Makkum: 
de bom óalje de wol Ie lit, de kinders 
schreeuwen 't uit van pret. Lex. 83. Vgl. G. 
.1. 227. 

O, it wier sa'n swiden wille, man; 
dat gyng mar alje en drol je troch 
in-o ar hinne, en dounsje dat yen de 
broek ôfsakke. Zie drol je. 

Soms: Ik alle f en pineasinonwen- 
n i c h h o u n. — En het huilen en gieren 
van den wind. Dewyn rûsdeenâlle 
op 'e sko ars tien. Hsfr. VIII, 233. Zie 
eidje. 

- leuteren, kallgn. De wysgearen 
alje in bul te oer.... R. ind T.', 331a. 
Bij G. J. 15: kallen. Hy filTt, hy mâll't, 
hy eairt. 

aljemint', allemint', n. in: Op 't alje 
mint. — De Tilde fiten lit iis jong- 
feintetiid kom me oj) 't aljemint, 
worden besproken. -- By in fildjiers- 
preek komt grif it 160*^« gesang, 
\^ fOrs op it aljemint. - Hy is al 
w e r op 't aljemint, hij Ls reeds weer op 
de been, in do weer. -- Op 't aljemint 
k o m m o , present moeten wezen , van sol- 
daten. 

Ook t a 1 j e m i n t en d a 1 j e m i n t (Don- 
gerdl.) — Hl. allement. Hi ys op 't 



ALK. 



38 



ALLE. 



all om ent. Dot wie op 't all em ent, 
hear! werd druk bepraat. 

alk, Of^. AIco tordn y alk, 's winters op 
de Friesche kust. - Meer daar bekend de 
kleine alk , alca alba ; heet bij de Friesche 
zeelui Rotsje, (Kngl. Rotche), en Ned. rot- 
«^ans. — Nog overig in het sehommelliedje der 
kleine meisjes : T w a 1 y t s e a 1 k e n , |1 d y 
K i e t e n o p 'e balken. Ook in de spreekw.: 
Us famke praet as in alk, praat vlug 
en goed. — Iron. Skûtefaer song as in 
alk. R. in T.^ 21". - Tsj otter je as in 
alk [Tietj.], van een klein kind. -- Ra ze 
as in alk. 

alkje, V. Veenw. e.a. lollen, tateren. — 
Hark dy lytse ris al kj en. Vgl. S. K. F., 
Forj. 18ÎK1 Zie alje. 

allart' |spr. alla't), adj. Engl. alert, bij 
de hand , i*ap van leden , vooral Hl. J o y s 
r Ô d o i> 'e fu 1 1 e n , j o y s a 1 1 a t , h e » r. — 
Hettema , Rymkes 145. Ook zeer in zijn 
schik en daardoor bijzonder bedrijvig. Ba es 
Dirk wier wol sa aUart, do 't syn 
soan frij lotte wier. - Mas ter en de 
b o e r i n n e s i e t e n nest i n - o a r en 
wieme w a k k e r a 1 1 a r t. H. S., Alm. 12*^, 
1852. 

allebeide, pron. meest zelfstandig. -De r 
brek ik wrachtich de kap fe n 'e 
klom]). H e 1 j e ni y g a u m y n o a r e. I e n, 
of allebeide, boer? Allebeide d o m- 
ni e j u , ik kin doch gjin ongeliken- 
s e o a n h a ? ! 

"alledeisk', a<lj. 7*/o//V/m/i//.'?,iilledaagsch. 
Hsfr. VI, 200. - Alledeiske kostgiet 
er mei. - 't B i n n e alledeiske 1 j u e , 
n e a t s n n d e r s. Vgl. tlvisk. 

alledin^, s. Kngl. alihiiKj ^ alles. As 

a 1 1 e d i n g op 'e t i i d syn h â n t r e k k e n 
h wet ha s e i l , m o a t in a r b e i d e r s- 
wiif net to folie bern om 'e tean- 
n e n r i n n e n ha. 

alleg^aer'tsije, n. Vm. pUe-mfh', rommel- 
züodjc. — 't Wie sa'n a 1 1 ega c(r)t sj e, 
mar 't wie ek gin jild. - Meest rom- 
m el soa t sj e. z. d. 

Ook van eten: O )> w a e r m e strou, 
b o e k w e i t e n j a n k e. e n J a n y n 't h i m «1 , 
it is my in a 1 1 ega e rt sj e. Zie ai/f- 
j/mrtsjr. 

alleg^ear're, prun. omnvi<, ,^inmL altega- 
der, allen. lil. alle g e a r e. »Stadfr. a 1 1 e g a e r. 



Wy habbe allegearre w( 

dor 't in oar op 8tikel8tekk< 

Mo at ik dat allegearre alli 

- ït koarn ia allegearre l 

— Dat is nin bytallegear 
niets te beteekenen. — It scil all 
gjin skea wirde, alles zal ( 
verloren gaan. Ook iron. : praat m: 
er by in sj^eelt, maar je verdient e 
aan. — Sloegen en luiterers 
se allegearre by him. H. S., 
1H60. — Pankoeken yn bût 
en allegearre. Zie by al, 

Fen allegearre kinste n 
moaiöte fen allegearre. 
Vgl. v. d. V., Oerw. , pag. 11, 
allegrear'tfiije, n. rommeltje, vai 

— Wy ite to-middei sa'n a 
tsj e. Zie allegaertsje. 

allegreloks, adv. Zie allergeh 

*^allekont, eg. cunctator, dr 
leuteraar. 

alleman, pron. quisque omninj 
menschen. pi. ook wel : alle Ijue 
DatallemanseitjWoljernw 
cox popnU vox dei, iron., Burm. 
wirdich sprekt alleman o 
gemien stinirjucht. Tj. IIj 
(1833). — Alleman formakk 
by foarrie oer de nuvere 
dy 'tHalbe fêstdyjoune' 
d r a e ij e s c o e , S. K. F., Mearkes 
wieme Jan en alleman. 

A 1 1 e m a n s. — Alleman» e 
er oer, dorre oan 'e w^ii, d( 
ik 't yn o ar der ha. — H j a 
for allemans each, te kijl 
scheiden. Vgl. gapsk. 

Pro m strou mei krinten 
ke bolle mei 8moar(groat i 
en rizenbrij mei smoar), da 
wol sjonge f o ar alleman 
W. D., In Doaze 90 en 128. Zie ah 

ariemans, flewélen — , s. 
Grond donkerblauw. De ruiten ge 
pi. m. 1 cM. van elkander afsta 
tamelijk dikke, dicht naast ell 
pende strepen in de lengte der 
wit , schering blauw , en in * 
(blauwe inslag met witte scherin 
iets breeder zjjn. Op de kruising 

— idem. Kleinere roiieii. De 



ALLE. 



39 



ALLE. 



éen gelen draad in het midden, 
ï^eheel witte kruising in de breedte 
De vertikaal-strepen eenigszins 
n in de breedte. 

t j e- , klein). Roode grond. De 
vormd door stellen van 8 dicht 
loten .'Strepen , twee dikkere met 
Te in 't midden, in de lengte der 
ande uit een witten inslag en in 
? uit een witte schering , die beide 
ising <loorloopen. Elk stel lijnen 
(ireedte van pl.m. 7 mM. verdeeld 
ussohenruimte ook van pl.m. 7 niM. 
knsdoar, r. allemansdeur, de kerk- 
I e n m o a t yen n o a i t sa s ê d 
lin moat yet foar allemans 

p a n k o e k o p i t e k i n n e , dub- 
sechje. 

Lnsfoech , s. wat ieder past, meest 
:ie. — It is gjin allemans- 
é f en trije goune. 
msf ortriet , eg. waar ieder last 

- - ï> y j o n g e is in allemans- 
, voor ieder een last. 

L8ft*Jeon, pg. induhjentÏASitwHS ; 
ie zich bij iedereen aangenaam 
naken , ieder vriendschap bewijst, 
il n s f r j e o n is allemans (o a r- 
k, Burm. - Allemans frjeon, 
s frjeon. -- Us fanke is sa'n 
sfrjeon, neat net mij en. - 

is in all emansfrj eon, e lts 
m «• i k r ij e. 

nsg^ading^, s. waar ieder gading 
t. Ik s c o e d y k n e p p e 1 b o s- 

y n 'e h û s h e 1 j e. , h w e n t sok 

1 1 e m a n s g a d i n g. — Dat is 

• m a n s g a d i n g , voegt niet ieder. 

xiS£^ek, 'glûs^ eg. iemand die voor 

♦*n spot en speelbal is. -- Ko- 

spylje wol 'k net; ik se o e 
*o r a 1 1 e m a n s g e k s t e a n t o 
i! né hear! — Prov. Al to 
il lemansgek. 

*«je, als in alleman sgek be- 
ilt door flinke vqjers niet geroemd. 
1 dat jegens iedereen aanvallig en 

noemt men welwillend : *8 a 'n 
sgek'. 

DSllÚS, n. geringe herberg voor 
g van reizenden. In de steilen en 
rjien een woning voor allerlei ar- 



men , die geen onderkomen ergens anders 
kunnen krijgen. 

allemans -it en, n. wat zoowat ieder te 
eten heeft. — lerd appels is a 11e man s- 
i t e n , dat bij ieder in den smaak valt. — 
Fet kealleflesk is gjin a lic man s- 
i t e n , voor velen te duur. 

allemanskost, s. kost voor elk. — 
S p e k s t r o u is g j i n a 1 1 e m a n s k o s t. 

allemanslichem , s. in: Hy het in 
alleman si ich e m , alle kleeren passen 
hem. Zie hifiiers-Iea. 

^allemanstraes'Je , s. hier en daar voor 
admestraesje, z. d. — Sa'n siikke- 
fftnssit in hiele allemanstraesje 
oan f est. 

allemint. Zie aljemhu. 

allerg^eloks , adv. feUcissime , gelukkig , 
bij geluk , toevallig. — Doch allergeloks 
wirdt de foardoar iepen dr aeid en... 
Hsfr. IV, 102. — Der trûzele dominy 
t r o c h de 1 j e d d e r , mar h y b 1 e a u al- 
lergeloks mei 't gat oi)'e trimen 
sitten, Ibid. VI, 58. Vgl. ibid. XII, 99. — 
Ook alle geloks. - Prov. Alle geloks 
en m e a r as m y n eigen . . . . door meer 
goed geluk dan ik gewoonljjk heb. . . Ik 
rekke by tsjuster yn 'e sleat, doch 
aUegeloks en me ar as myn eigen 
wie 'k er gau wer lit. - Vgl. gelokkich. 

allervre'g^en, adv. uhicunqne, overal , naar 
alle kanten. — Ik ha allerwegen lit- 
«joen, mar se komme der netoan. — 
it is in myld reintsje west, aller- 
wegen kin min it sjen. — v. d. V. , 
Oerw., 1(4). 

tallervre'£^ens , adv. allerwegen. G. J. 
1, 161. Vgl. alieicci. 

alles , pron. om ft ia, alles. Alles is wei, 
o p'e e a r e n e i , Fra. touf est perdu fors Vhon- 
nenr. - - Alles is op en wei. -• Tuk 
oj) alles, deun op tiid. — Alles is 
sin es, Fra. font Int est bon, alles is zjjn 
gading. -- It wier in wylde boel, 
der alles troch in-o ar kraeide. -- 
R. ind. T.' 826. — Fen alles hwet en 
f en 't hele ding neat, de omnibus ali- 
quid , de toto nihil. — Fen alles ishin- 
n e s t r o n t , volkszegje. Lex. 86. — H y 
het neat brek as alles, hjj heeft ge- 
brek aan alles en nog wat. Ook as alles, 
en noch hwat, Zh. — 0\} noat en 



ALLE. 



40 



ALLL 



a 1 1 e fs p a H s c. - - K a p t a e l en alles 
il e r t r o f h j e ij e. - Ik en ni y n t w a 
b roerren wv ha bbe t ret tsi en l>ern 
vn alles. Lex. 1<2. ik bin m(i alles 

tof reden, sei in erff^enaem f en in 
rike boer. - Mei alles en alles, met 
alles wat er bij behoort , alles bjjeen orere- 
kend. I > e bakkerij mei alles en a 1- 
1 (» s w a e r d f o r k o e h t. 

talletiden, ady. steeds. - - Do mi end e 
ik a 1 1 e t i d e n dat i t nacht w i e r. W. 
( ir. 43. N n : a 1 1 i t e n , z. d. 

allewei, ailv. uhiqtWy overal, allerwe<?e. 
Mei dv waer kin men all e wei út. 
Meest «jT^^'bruikt : alle kan t e n . z. d. - - 
Vj;l. ityi. 

allljans'je, alyans'Je, s. ronnMio, be- 

trekkin*if. Vooral: mei immen yn al- 
lijansje wêze, kom me. 

allyk', atlj. èc adv. ,y/m/7/.v^ ^eljjk. -L)o- 
m <* n y : li w e t bidt e r d e n ? J o n j^ e : 
I > a t is a 1 1 V d n e t a 1 1 v k. - A 1 1 v k i s 
"t 1» r u 1 1 ott sj en as it kii])jen, (i. .1. 

Wv binne alle beide minsken, |l 
e n d Ô e h w y b i n n e n (ï t all y k . 8ankje. 

- H a n k e e n .lil d e r t b i n n e h a s t a 1- 
like ^reat. Wird den net oan hjar 
allyk. Ilalb. Matth. VI, ï). - (ïewoonlijk: 
j; e 1 y k , z. d. 

Zooal>, «'venals. Allvk (Ivk as) inlaem 
hini il e 1 tl ij t. v. ]{!. Hloniiuek., Uk - - 

adv. ynni/tfir , ^'<*lijk. Ily trajn' d (* 

k •• e ft a 1 1 V Iv t a ir r \\ s. bi«x. sï). Il v 

• ■ ■ 

tra]» e «lat din«r allyk m ♦• i de «ri'Oun. 
Zie ////.-. 1 > e (» a r «' d «• i s ir y ji o- i t al 
w««r allyk. It bi>la(ht net altiten 
allvk. I>at is i^jiii dwaen allvk. 
^'••rn ln't'.MiH'liike handelwijs. Vj^b .'/''A'//'", fj/^»' (fx- 
iillyk as, iutinin èiiotloj jreljjk als, «»])de- 
zi'ltdt' wij/»» al<. 1 k m «• i t sJ i» i t allyk 
as don. ik maak '»1' \\ov het zoo als jij. 
L«'X. s^. Meer jr«'bruikelijk is lyk as •/.. d. 

alli'kef olie , a<lj. A: adv. nctiuns, fven- 
vrrl . h«'ï/.«*ltde. - Allikefolle is rvm. 
It i •- lil y 11 r t a 1 1 i k I* t'o 1 1 »' hwi't d «• 
1 i II I' t'«'ii ni v >iz/. «'. Pat is nou al- 

likr t'nlli'. ik iliM-h 111 y II >in. allfs niaur 
\<,{\v lijn w.it Jt' l'fw «.'lil . ik dm' i'>!Ji> **i" 
•_'«'ii id«'»*. \'"«»i\il 1 i k •■ l""!!»'. /.. «1. A 1- 
I i k •• In I I f i - y n 't hu-, di; evrnaar is 
in 't hui^-ji'. Zi»; ht'^s. 



allilsen, (f en), eodem modo, insgelgks. 

— De groetenia thds! Tankjefïn 
al lik en. — Meer: f en '8gelikeii.it- 
s e 1 <1 e , e k sa. 

alli'kensGc) , adj. & adv. simUh^ gelijk. 

— In span allikense hynders. -- 
Fen myn healdozyn thégdd i» in 
kopke stikken en nou kin 'k net in 
al 1 ik en a wer krge. — Allikeiitfk« 
romten, gelijke ruimten. R. ind T.*, 17S4. 

— Da's krekt allikens pears a)( dat 
.1 a n k e j i s t e r kocht het. Mee^t gebruikt: 
g e 1 i k e n s , z. d. 

aUi'ke-w^ol, allyk'woly adv. nihilominMt^ 
evenwel, nochtans. Stadfr. allikewel — 
Lit de Ijue mar rabje, allyk wol 
se il ik dwaen sa 'theart. Lex. 89. — 
It is allikew^ol binaud: mei opset 
as net! - Ik kin allikewol net om 
hjar gûzje. W. Gr. 2L G. J. Il, 52. - 
Vooral 1 y k w o 1 (s) , z. d. 

allyk'-fol-h'wet, adv. van allee, onver 
schillig wat. -- It fiskwiif forwiet 
my ally kfolh wet. — Hy kin allyk- 
i o 1 h w e t op, heeft een verbalenden eet; 
lust. - It nimt allyk folhwet yndy 
h li s h a 1 d i n g , er ia zeer veel noodig. Lex. 
S9. - Ook lykfolhwet; z. d. 

allyk'me-allin'ne, adv. proritus, ioiM, 
geheel alleen, Ook al lik om allinne. Lex. 
S9. A Ily knie -a 1 linne bin *kdy joune 
noch oan de Wâldfinnc roan, een- 
zaam voetpad tnssehen Joure en Langweer 

- For gjin noch sa folie wol ú» 
faem in nacht a Ily km e-al linne yn 
'e h Û s w e z e. Zie lijkme-alUnne, 

allin'ken(e)-, allixikende-, alUnkjen- 
dew^ei, adv. jndetentim, ttenHiui , Meng»t 
langzamerhand. Lex. 89. — It giet mei 
dy si ikke allinkj ende wei aehternt 
Ook allinkeude, allinksen, al- 
1 i n s e n d e. - ■ Zie U/ikendeirei, Meer gebrui* 
keiijk is geandewci, z. d. 

allin'ken-oan, adv. paululum, langzamer 
hand. - Alliuken-oan wirdt it keal 
in kou. Vgl. Hûs-Hiem II, 126. —Ook 
1 i n k e n - tl a n , z. d. — Zie vooral mjwtke' 
I hitsen. 

tallinkom, -kum, adv. jHïHhttim, »1- 

I b'iiïjrs. iillrii^rskens. Lex. 89. G. J. II, 66,^. 

allink'sen, allinksende , adv. Zie al- 



ALLI. 



41 



ALM. 



ae, adj. k adv. .«<o/i<^^ alleen, Hleehts. 
onne. — Allinne it knap- 
11 r k «'. . 1 Dat h e a r t m e n o \i 
, Tj. K. Halb. It jon^e Fryslân , 

Kn hwet der onder 't jakje 
lat wit hja mar allinne, R. 
'»*. -Ik h â 1 d m y a 1 1 i n n e , d e n 

mei n i m m e n spil k r Jj e. — 
ent dat er altiten 't wird al- 
I a m o a t. - - 1 1 b e r n r i n t al a 1- 
-Hwet in in minske allinne? 

jflt^dde widdou. — Allinne 
ske allinne) it is in sniebal 
n n e , van of tegen meisjes, die niet 

- Dy faem (dat minske) is 
inne, (kin net langer allinne 
is zwanger. — Wy hawwe ris in 
crige, dy wier net allinne, 
ver van ongedierte. — Poer al- 

— Rin allinne, loop rond Î — 
dat allinne ha? tegen een , die 
veel oj» z\]n bord neemt te eten ; 
. tegen een , die heel weinig op zijn 
ïmt. — Hy wier net allinne 
mar ek sterk. Vgl. hjkme-allinne. 
lich, adj. k adv. hoIus, alleen, een- 

- Ik stean hjar sa allinnich, 
loantsje op 'e toer. — Om 't 
rllinne wie, fielde ik niy^a 
ich. — Dat boerespiltsje stiet 
i e n s u ra en allinnich. - In 't 

meestal allinne. - - Zh. , Hl. a 1- 
h. 

i', s. pretiunij rirtus^ gehalte. - Sy n 
i ring blykte f en 't alder- 
alloai to wezen. - Folie 
nne b etter fen allo ai as min 
roe. — Ook: aloai. 

, n. horlogie. Zie alwinje. 

, Hl. alleen. Zie allhine. 
iCHt, s. omnijMtetitia, almacht, v. d. 
i .Suehten, 11. 
sh'tich, adj. omnipatena , almachtig. 

— (iod-almachtich, ook als 
' a d e r-a 1 m a e h t i e h , s e i W ij k e- 
litroep van verbazing. 

HM , erg groot. — H w e t i s d at i n 
itioh ein to poatsjtïn. — Wy 
in a 1 m a e h t i g e n wille h a w n. 
hhf erg. In a 1 m a c h t i g (^ slimme 
In almachtich great houn, 
e p, en*. — Syn heit is almach- 



tich tsj in dy trouwer y. — Almach- 
tige moai. — Hy het him almachtich 
■hwet op syn ba ei tsj e jown. A 1- 
, machtich, ook als interj. — Zie machtich. 

alxnach'tichlieit of alxnach'tigrens , 
omuipotenfia , almiR'ht , almachtigheid. R. 
ind T.*, 286«. 

alxnacht'ajes , adv. zeer, bjjzonder. ~ 
A 1 m a c h 1 8 j e 8 e moai, best. 

alxnenak', n. catendarium , almanak. — 
In a 1 ra e n a k mei f r a n s i n e n o m s 1 a c h, 
in perkament ; mei klasjes, naamlijst van 
predikanten ; mei boerse stikjes, frie- 
sche lektuur, mei sankjes. — in fryske 
boersk almenak. — It greate alme- 
nak, de bijbel. Vroeger lazen velen niets 
dan den bijbel en den almanak ; van daar : 
Hy is bibel en almenak trochkriqït, 
gezegd viin iemand die als een wonder van 
geleerdheid gold. — Yn 'e wintertiid 
komt it almenak gau ris lititta- 
felslaed, om to witten, honear de 
moanne opkomt. Ik se il mar gjin 
n\j almenak ha, sei 't aldwiif, myn 
â 1 d kin n-o c h wol i n j i e r mei. — Prov. 
It almenak is in leugensak. — De 
d e a d h ii 1 d t n i n almenak, neemt geen 
leeftijd in aanmerking. — Tonei bet ter, 
s e i t i t almenak, gezegd als iet-s niet 
naar wensch slaaüft. Lex. 93. — J a n km o a i 
n e i t s j e r k e ! dat mei e k wol y n 't a 1- 
nienak, als wat bizonders. - Hy kriget 
in re ad e letter yn 't almenak, om 
in eervolle gedachtenis te houden wat h\j 
gedaan heeft. — Myn holle is gjin al- 
menak, meen niet dat ik alles in mijn ge- 
heugen kan bewaren. - Hy het in kop 
as in almenak, veel in zijn hoofd , een 
sterk geheugen. —Hy lycht as in alrae- 
n a k , raet het oog oj) de weervoorspellingen 
in de almanakken. 

Hl. Dat hè 'k fan 't almenak hé»d, 
van iemand die algemeen bekend is om z;jn 
nieuwtjes-vertellen. Vgl. fofks-, uuts-j sé-, ifktir- 
almenak. 

alménhJl'Je , dem. n. kleine almanak. - 
Bern, dy noch net yri 't testemint 
léze koene, krigen yn 't foarige 
wol ris in al m e n a k j e mei n e i t s j e r- 
k e. - - ( )ok spel kaarten. .1 o u n s n e i i t e n 
kaeni it almenakje op 'e tafel. Zie 
kaertHpil. 



ALM. 



42 



ALR. 



almenak'Je, v. klemhm (Fritz Reuter), 
den almiiiiak niaclpl<»gen. In vroeger tijd 
was onder het volk iemand die goed alme- 
nakji' kon, iets knapper dan ecu ge- 
woon menscli. -- Maeike Jakkei es koe 
krant s j e en al ni e n a k j e. 

Ook liegen. Don l)ist, leau 'k oan 
't a I ni e n a k j e n. 

almenaks'djipte, s. in : I n a 1 m e n a k 8- 
d j i }) t e p 1 o e ij e , zoo diej) als de lengte of 
bre«*dtt* van een g(»won«Mi almanak in 12^. 
Alleen in *t Noorden gel»rnik(diik. Dat 
stik lan kin s kit* lik g.jin frueht 
m «'ar j a en, o m 't i t j i e r op j i e r ni a r 
in al m e n a k s il j i p t e o m }> 1 o e g e w i r d t. 

almenaks'joad , m. Jood, ol" een ander? 
die almanakken verkoojit. H w et foa ren 
n e i n ij j i t' r r i n n e op 'e w y k m «^ r k e n 
d e a 1 m e n a k s j o a d e n v e n h a s t o m. 

alxnenaks'koer , s. ahnanakkenmand. 
«l«» mand van den almanakkonventer. 
Mannieh Indiër rint lantfer bv de 
h n z e n 1 â n s m i» i h w e t b r i ^» v e ]) o m- 
] » i <* r y n s y n a l m e n a k s k o f r. 

almenaks'makker , m. die He alma- 
nakken maakt. K 1 1 <^ M a r t r n s {\^ e y- 
ma) t'en Ka ster mar li i e d ♦» na mme 
f e n a 1 m «» n a k s m a k k ♦' r. 

alxnenaks'moanne , s. kalendermaand , 
maaixl van den eiM*strn tot den laatsttMi 
dag. ondersclu'iden van 'in moannt»'. de 
tijd van f»»'n maand, onvcrsi-liillig van whI- 
k<'n datum bogiinn'ude, - ik g^an alle 
a 1 m »'n a k s m oa n n «Ml n ♦• i üntfanger 
mei l'ilT'sting. Vn d <• oar«* a 1 nu*- 

n a k s m o a n n e is 't k r e k t e a r s t e - k e- 
ti«*r •))) d«' <'arst<' d«»i. Ik lit alle 

moaniK'u myn h i <• r kni]»]M', dan 
houdt hij zirh daarbij nirt strikt aan vvn 
iM'paaNb'U datum. llit-r en daar schijnt 

a 1 m (>n a k < m o a n u t' nok d<> lirhtemaan 
te h»'<*t<'n . di«' volgi*ns th'n almanak m(H*t 
sj'hijni'n , maar die arhti'r «h* w(ilk«'n blijft. 

almenaks'n^Syn. a1manaksni<ni\vs. nieuws 
in d«'n almanak vn(»rk«»m»'n<b'. 't j^ al- 

ÎH »' n a k s n ij> , j i nnn •• mnatto d <• r n<'t 
t nfn 1 1 1' gi- 1 on f o a n s 1 a «' u. Vgl. !?ii«*k. 
1^1'*». 1». 

almenaks'rymke , d<'m. n. ni»'t v^rMx»- 
liM'k«Mi«'iid riimi»jt'. 't Is marsa'nalmo- 
n a k ^ r v m k e. 

almeu'gend, adj. almogend, - I.»e al- 



meugende God heart en sjochtü. 
Ook almogend. 

Meest altijd = buitengewoon. — Hwe 
in almcugend ein boarre! 

adv. maxime. Dy Ingelvman raoi 
al meugende ryk wOze. — Alnei 
gend ite, fl okke, lige, enz. eiu. V| 
K. ind. T.', 244''. 

al'mis, eg. die alle» verkeerd doet, die 
niets lukt. — ... dat is in al mi?. 4 
komt niet veel van hem terecht — 
jongens 'krij-an' spelen, en die voorloop 
't eerst 'honk' bereikt, dan roq)t hj: A 
m i s. 

*alinu'wne , adj. omnipotem ^ v^m^ 
alvermogeml. Salv. 4. — Ook; almavBj 
V. d. V., Oerw., 21 (538). 

aloai. Zie alloai, 

aloan^ adv. continuaj indmneHter, be 
stendig, aanhoudend, gedurig, allenge. "" 
N.Uoll. alan. - Dou skrepst aio»» 
for hjar. Bijek. 1877, 62. — It spyUr' 
klinkt a 1 o a n. v. Loon , Lieteb., 7S. - Hj' 
])oeste f en 'e stoarm, matt' rê«t 
al oan. v. d. V. Oerw., 16 (253),. - l 
stjerrental wirdt aloan lytser. F 
Jierb. II, 89. 

Meestal: aloan en al wei, nteed»» * 
herhaling. Ik moat aloan en alw< 
nei de winkel rinn e om h wet to he 
jen. Dy kearel komt hjir Jiloa 

en al wei. - 't ïs er mei a» mei *i 
d«'nd w etter, de bobbels kli«' 
aloan en al wei f en 'e boafiemn 
boppe. Hepkema, 1866. Hsfr. I,7.-<> 
a 1 o a n-e n-w e i , o.a. Roordhusum. 

aloas'Je , haloaaije . n. horlogie - ^ 
pleats f en V earysderB binnen' 
dr a loasjes by út* froaljue yn 8vai 
k o m d. - /iic horlaasje, 

*aloer'ste, m, maximus, de allerhoo 
diir boven allen is. Lex. 17. 

alreets' , adv. /aw, alreed», bereidfi; in 
omstreken van Leeuwarden en indeWo 
o.a. It het him alreets tiafo 

k(ï<t(*. en hwôr Hcil *t noch by < 
h A IdeV 't Wie alreets klear d( 
ik kaom; hja hiene 't alreetn 
oarder. - Alreets yn 't moardn€ 
ji<'r, vu nou noch trouwe. — 
kin 't al reet» oan vyn jong sj 
Durm. 48. Lex.üÜ. —Ik hie.. net lea 



ALR. 



43 



ALT. 



i«a air eet s mei iis Wobbel 
ie. W. (Irihb. Vgl. al. — Ook 

w r â 1 »1 s ni o a r n t i i d h i e a 1 r é 
e frou (lat great forinogen 
rie), V. BI., Blommek., 62. 
rirtja wm/iVrr, tooverheks. Lex. 93. - 

te Kaard in Westdongdl. kon wat 

rechtuit. Kende middels tegen 
»n 'knotf'elbânnen lizze', de kweade' 

Die vrouw werd nooit anders ge 

M 1 r 11 n'; ook *â 1 d r ú n'. 
V, — al. - It gjit him net 
s t. — H j a is net a 1 s t o g o e d. 
. fiers-, 

d, adj. oiunifucfitf, alziend. De 
, de alziende. God — It al- 
c'li fen Ciod. 

<le Wouden vooral), s. ahsynihum, 
alleen in: knop fen als t. It 

'e B e a r n b o r g e r k r û d e n. - 
1 a 1 s t mei w e 1 1 e r s i e d e , 

inke is goed for achtenit; 
i] s u V e r i n g ; en d e i a t r ij r i s 
: o p k e fo 1 fan is t i g e beat 

r t s wei t o n i m m e n, ia f a e k 
. - ' In den Zwh. bij voorkeur op 

f gezocht, 
s t . z. d. 

adv. (Wouden en bij ouderen), 

minste, althans. Verouderd Ned. 

ÏM>. - In boer is j a m k in 
in, a 1 1 e a s n i n g i k as folie 
n. - Dy Ijue aitte der 
r . ik w o e a 1 1 e a s wol dat 

s a f i e r f o r s p i 1 e h i e. — Voor- 

e a s t. - - 

4 1* schrijven sommigen : v. d. V. , 

lf>3. 

ne»Mi is tofminsten. 
>r, n. een been^n of zilveren zes- 
'tj*», lettertolletje , a-al toilet je; 
it tolletje draaien, de letter die 

te liggen, wijst de uitkomst aan : 
ewonnen : B is Bijzetten ; T trek- 

a 1 1 e n a. 

>rje , v. met «Ie 'altemael' spe- 

! s c i 1 1 e w y g a u ris a 1 1 e- 

Altemaelje jimme al 

y toerkebouden faek mei 

L*i>fmoten) en alt e mal en der 



al'temets, adv. Interdum j fortasse , nu 
en dan ; aoms , bygeval. — It komt Jan 
al torn ets ris oer, dat er in slokje 
t o f o 1 1 e n i m t. — Ik ha a 1 1 e m e t a 
(jKtsüim) de koarts. — Den gieate by 
de tafel ai t ten to jildtellen, en dat 
mar altemets ris, Fra. de temjm ä autre, 
Hsfr. X, 104. 

Hat de frou altemets ek in wol- 
len 1 a p e b y de h â n ? — S c o e n e j o 
altemets myn himd ek noch ha 
w o 1 1 e ? tegen een die veel vraagt. — As dok- 
ter altemets komme mocht e, helje 
my dan t h ú s. — H a j y 't altemets e k 
heard? Ook, als men zeker weet dat ze 
't wel gehoord hebben ! — Vgl. R. ind T." 
79S 391". Lex. 91. 

al'ten, adv. — alto, vooral vóór een klin- 
ker. — ïk bin wol oan in nije lampe 
ta, mar ik wol net in alten djûren- 
ienha; in alten greaten hoech ik 
ek net. Vgl. al. 

al'tena, u. kinderspeel tuigje. Vgl. altemael, 

al'ter, n. altare, altaar. Lex. 129. — 
Vgl. P. J., Jonge Frysl. 1. — v. BI., Blom- 
mek. 6. — «. K. F., Forj. 1893, 160. — 
Volksrijm: Der ha je 't hele heilic fa- 
dom, !i de pa ep dy fait mei 't alter 
om. -- Fen 't alter, uit de hoogte. 

alteraes'Je , s. Fr. altêration, ontsteltenis. 
-- Der kaem de lampe fen boppeu 
del, dat j o e c h in h i e 1 e a 1 1 e r a e s- 
je. — Ik krige de trein op it nip- 
perke, en yn *e alteraeaje forgeat 
ik myn s e 1 s k i p g o e n d e i ! t o a i z z e n. 
— Dat joech iu alteraeaje! it 
bern yn 'e sleat, en de mem fen 
hjar sela. - Vgl, Hsfr. IV, 114; Fr. Alm. 
1846, 17; Thomas en Tajamk; 8. K. F., Mear- 
kes, 35. -- Br ing 't hjar ris, for 'e al- 
tera esj e. A. 1.1 sbr. 

alterg^ave, s. altaargave, offergave. 

aiterjefte, s. altaargift. Zie aliergare. 

*alterlekken , n. altaarkleed, b^j voor- 
komende gelegenheden. 

*alter8tien, s. altaar van steen. — van 
Blom , Blommek. 9. 

artyd, alti'ten, adv. .semperj altijd. Frov. 
't Is altyd fet yn *n o ar mans skiitel, 
een ander heeft 't altij«l beter. - Frov. 
A 1 1 y d (a 1 1 i t e n) m o a i i a n o a i t m o a i. — 
Altyd binne de boeren dronken, || 



AhT. 



44 



AMB. 



a 1 1 y (l I» i n n e tl e s t ê d 1 j u o ^e k. |1 A 1- 
tytl ])liizjo de stêdljue bonken, 1! 
altyd ite de boeren sp«»k. Oud rijmpje. 
— Lex. ï)l. Ik kin for altyd net 
s o a r *r] e , y e i b a e s 1) o ii w e. 

( )ük heel voel a 1 1 i t e n. H w O r o ni w o 1 1 e 
frouljue, dy 't troud west ha, a 1 ti- 
ten wer trouwe? H. ind T.S 82-*). 

alt'sjon£^er , ojj^. die alt zingt. 

alfstimme , s. altstem. 

alún'. n. (tiiitnvH, iiUim. - In part aliin 
01» fyftieh parten w etter is tig e 
best om de kiel to spielen. — Alti- 
ten in s tikje a 1 \i n yn 'e base drage 
is bC'st for rimmetvk. Ook wel ha- 
1 Ú n , z. d. 

alu'nich, adj. & a<lv. als naar aluin. - 1 1 
s m a k k e t sa h w o t al u n i r h. 

alúnwetter, n. aluinwatiT. - It is 
goed for pyn yn *e mul e. om er mei 
to girreljen. 

âlve, ôlve ((»rouw), elve (aan den Zuid- 
oostkant, ook Heert'nveen) , Joure; elf, Ak- 
krum , Parrega : e 1 1 i f, Zwh. ; Hl. e ** 1 v e n , 
num. 11. 

In hele 1» o c 1 A 1 v e n e n t o a 1 v e n , on- 
noodigc drukte; ook fiven en s ei zen. 

A 1 V e is *t g e k k <• n n m e r. H w a 

hat de Alve? bij een loting of verloting. 

It is oj) si ach f en al ven. - Dêr 
binne se mei hjar al ven, als <U* klok 
's avonds rif slaat. 

I)«* elf <.>og«'ii in ln't dob]M?ls])el. 

Ook <M'n stuk land van elf pond<Muat(^n. 
Sj o(» rd »» a 1 v e. 

alv'-en-tri'tichst, (op syn,) naar dm 
«'isrh , langzaam, siMuur. Wy wol alh*s 
op s y n a 1 v'-»- n-t r i t i e h s t h a , d w a e n. 
< )ok r 1 ï-\' n-d ("r t i c hst. 

|.Mis>^<hicn van de 11 stcdm cu 'M) grirtf- 
nijcii. waarvan <h' afg«*vaanligdt"n nictt dan 
na ruggespraak mot-hten boli^sen.j 

alwei', in : aio a n <• n a l w ♦• i . z. d. 

alTVer'oan, adv. </«'/«//*>. itfrum, alweer, 
van nit'uw^ aan. Alweroan dy se hl e 
sleauwe ]»raet.^jes. l*rov. Alwer- 

oan libbi't yi'tte, w«* moeten alweer 
aan 't wi*rk : <«nn< v^lirt er: as dv dea is. 
k r i) «• w y s p i' k p a n k o ♦• k e n , of : r y s 
m ♦■ i ri'zinen <•!*: den seille wv rinte- 
n i e r i e . niets «luen. l'rov. A 1 w e r o a n 

s »• i d e fa e m e n h j a I a e i y e 1 1 e. - - 



1 



Prov. Alweroan brekt mannichâli] 
hynzer de nekke. — Prov. Stftdfr. Al- 
weer an, alweeran, datniaektsome- 
nig oud peord.lam. W. D. , DoaEe,12ô, 

al'wiis', adj. sapieHtistfimnHf alw^ü. — Dt 
alwize God. — Dyn healwize praet 
sje« is neat oan! Soa, endynalviw 
dan? - Hy tocht him sels al vil* 
en d Ô e h H r o a n 't y n 'e t i i 8 , met qr 
zaken. O , d a '8 s a 'n a 1 w i z e ge k. 

alTvl'tend, al^wlt'tend (dit in 't wdi 
ten), adj. omniHciens , alwetend. — De al 
witten (d)e God. — Jonge ja, doi 
mienst ek al datst al wittend biste 
tegen een neuHwyze. — Ik bin netalvi 
tend, denk je dat *k alles weet? 

alTvi'ze, m. alwijze, alwetende God 
Hsfr. IV. 32. 

^alwl'tene , alwlt'tene , in. de Alwc 
tende. De Alwitene, Hsfr. VII, 78. 

am'bacht, n., ars^ ojterasa, amVacbt 
handwerk. — Hounegiseler wOAeijjii 
baentsje, w^einmeitsj en is in an 
bacht. - In hynstefilder hatali 
nu ver ambacht. — Ljue f en ienan 
b a e h t , vakgenooton. — Toalfambach 
ten, en trettnien o nge lokken! - 
Hwet ambacht hawwe jo? Hwa 
binne j o f e n j o u a ni b a e h t ? welk b< 
roej). Vgl. (fi'lore. — Hy giet op, (learl 
it ambacht. Lex. 96. Meest hanttrirk. 

am'bachtsxnan, lu. apifex, aiubachtiïmai 
handwerksman; pi. ambacht 8 ljue. Le' 
[Ky. In arbeider yn 'e greidboek 

hat snt^ins om aria minder tiidoe 
as in ambachtsman. — Dy ambacbti 
ljue kinne winterdci noch ris Un 
si ie]» e, klage in boerefoint — Vfj 
K. in.l T.*, SO". 

am'bei, s. aambei. — Zie nembfijen. 

am'beir, adj. zaurachtig. Zie amper. 

am'byld, ambeld, ambold (noonloc 
telijk), n. /«rwx, aambeeld. Lex. 97. — D« 
is ien. dv rint mei in ambold foai 
zeer sterk. Prov. Alle bigjin ie avi* 
sei de dief, en hy stiel in ambyl 
Ook overdr. Hy sloech raer op 
amb(>ld. voer hevig uit. Ast der tsj 
(\\ man oer bigjinfltto praten, d* 
slaebtst op in forkeard ambyliL 
Hy slacht altiten oi) it 8 e ld e a 
bold. ook van een dominee, een spreker. 



AMB. 



4n 



AME. 



I f o c 1 h i m h e f t i c h o a n , met 
mar b a e s s 1 o e c h e k op 't 

, verdedigde zich. H y het in 
in a ni b e 1 d. 
3'Je, ». lust, trek. — Ik ha der 

II b y }» j e 1 a n or e r f o r. I) y m a n 
n a m b y s j e f o r s y n eigen f a k, 

m. 

f. aria , pfrootraoeder. Hl. Koudiim. 

. '234. Aaum. Register, AM819. ~ 

du geest mar fa eik iitnoek- 

ate, ame. neef of nicht, Hl. 

lon. 

s. .yfirifuü . adem. Posth. Fr. .Tierb. 

H j a r a m e m e i n e t g e a r , 

1 mekaar' niet trouwen, Burm. — 

1 is nu a z e m , z. d. Zie anitue. 

iner, s. bewoner van het eiland 

Ook: paard van het ras dat op 

wordt aangefokt. Lex. 07. De 

, m e 1 â n n e r s (h y n s d e r s , k ê d- 

eren kenber oan hjar krom- 

zen: it ras is nou lang for- 

♦»n koe van dat eiland. 

i. (ïf hisala Awelamïiae y wat van 

komt of op het eiland betrekking 

m e 1 â n n e r k o e k j e s o f p 1 a 1 1 e- 
. stroop- en suikerkoekjes, die op 

worden gebakken. — A m e 1 i\n- 
t e n , de Amelander lotelingen voor 
e en vervolgens de miliciens, die 
L*r Hol werd reizen en hier meestal 
vernachten. Zij maken dan 's avonds 

wat leven in het dorp en de Hol- 
mgens zingen dan : D e a m e 1 ^ln- 
t e n , die k o m m e hier met 
sjj gane foar de 'glazen 

n dan kike se deur de ruten 

pi SS e tsjin de ruten aen). — 
•ns noemden wij op het Bildt zeker 
?nd gewas , dat aan den buitenkant 
de zeepalen groeit : Amelander 
art en — groene erwten (W D.) 
eht . die niet veel vordert en waarop 

al hindernissen ontmoet , heet in 't 
ten , en in de Wouden : 'i n A m e- 

reis*. ook al rei.st men niet naar 
Vgl. hiermee, hoe een oud 

die men afried naar Amerika te 

de verre rei«, zei: Hwet scoe 

^tte, gjin neamen wirdich. 



As wy it Amelïln earst mar hawwo. 
— Ook wel Om m elan se reis. — Vgl. ^^. 

Zeemeeuwen noemt men langs de noord- 
kust meermalen : a m e 1 â n n e r h i n n e n. 

De ameliinner schalken |I die sto- 
len drie balken |1 Des avensin 'ema- 
n e s k ij n , |i daarom s a 1 dat h a r w a- 
1) e n s ij n. Stadfr. (Amelands wai>en is drie 
balken en een halvemaan.) 

amen! amen! het gewone slotwoord van 
een gebed. — Hy seit maropallesja 
en amen, hij is een jabroer. -In hopen 
foarname Ijue ha in mier oan my 
om 'tik net op a 1 1 e s j a en amen s i z- 
ze wol. — Hy eamelt f en iwichheit 
o n t a m e n , (j^rov.). hij seurt honderd uit. — 
Dat is \i t , s e i de P a s t o a r , en h y 
miende f en Amen. — Amen, is 't ge- 
bet, 11 Dy 't honger hat, dy fret. 
Oud Volksrjjmpje. 

a'mer, ammer (in samenst. vooral in de 
Wouden), ^. situla , emmer. — In houten, 
e a r e n, koperen a m e r. — D y k o u is 
in besten oer 'e amer, geeft veel melk. 
- In kop as in amer, opgezet of dik 
hoofd. - 

Hier en daar ook : in amer w e 1 1 e r , 
molk e, bjist, sCipe, waei. — Alge- 
meen is a m e r f o 1 , z. d. 

.Tok e n a m e r s - h e a k , Stadfr. *e ni m e r 
en p u t h a a k', een groote man bij een kleine 
vrouw. Lex. 9H. - - Schierm. o m m e r , a m- 
mer. Hulde II, 174. — Vgl. baka-, harge-y 
hoar(jêr(s)-y boarn-f bnht-, doJ-y jieske-y ka1k-j 
l'ools-, meïk'-y nioik'en-j paes-y pronA'-, patti-j 
reatn-y sArp-, atul-y f<âp-j irefter-amer. — Vgl. 
amerke, 

a'merbank, s. .^camnum , veri)hiatsbare 
bank of stelling waaroj) de schoongemaakte 
melkemmers worden gelegd, als zij ^oon 
dienst doen , t. w. overdag tusschen den mor- 
gen- en avondmelktijd. Zij leggen dan oj)- 
gestapeld, vaak ten getale van 15, onder T) 
en 1 boven. Soms zijn er meer dan men 
gebruikt , daar elk gaarne den naam wil 
hebben dat hij veel melkt. Lex. 98. 

a'merbiender , s. boender voor emmers. 

a'merbienne , v. emmers schoon boenen. 

a'mer (axniner)f ol , n. emmervol, zoo- 
veel als een emmer inhoudt. In amerfol 
m Ô 1 k e, s Û p e, w a e i, w e 1 1 e r, — ô f w a e i- 
de ai)el8; soms ook fisk, beane yn 'e 



AhT. 



44 



AMB. 



a 1 1 y d l> i 11 n e tl e s t e d Ij u e j^ e k. H A 1- 
t y d 1» 1 II z j e de s t ê d I j u e bonken, II 
altyd ite de )>oeren spek. Oud rijmpje. 
— Lex. ïH. Ik kin for altyd net 
a o a r f^ j e , s e i h a e h Douw e. 

Ook heel veel a 1 1 i t e n. H w O r o m w o 1 1 e 
frouljue, dy 't troud west ha, al ti- 
t e n w e r trouwe ? K. ind T.*, 825. 

alt'sjonger, ej,'. die alt zingt. 

alt'stinune , s. altsteni. 

alún', n. af urnen, aluin. In part aliin 
op t'y ft i e h parten w e 1 1 e r is t i g e 
best om d e kiel to spiel en. - - A 1 1 i- 
t e n i n s t i k j ♦• a 1 ú n y n 'e b û s e d r a g e 
is best for rimmetyk. Ook wel ha- 
1 li n , z. d. 

alu'nich, adj. k adv. als naar aluin. — 1 1 
s m a k k et s ii h w e t a 1 u n i o h. 

alúnw^etter, n. aluinwater. - It is 
goed for i»yn yn 'e mul e, om er mei 
to girreljen. 

âlve, ôlve ((^rouw), elve (aan den Zuid- 
oostkant, ook Heerenveen), Joure; elf, Ak- 
kruni , Parrega ; e U i f , Zwh. ; Hl. e ^* 1 r e n , 
nuni. 11. 

In hele l>oel al ven en toalven, on- 
noodige <lrukte; ook fiven en s eizen. 

A 1 V e is *t g e k k e n Û ni er. — H w a 
h a t d e â 1 v e ? bij een loting of verloting. 

It is oj) si ach f en al ven. — Dor 
binne se mei hjar al ven. als de klok 
's avonds elf slaat. 

De elf oogen in het dobbelsjiel. 

(►ok een stuk land van elf pondenniten. 
8j oe rd e al v e. 

alv'-en-tri'tichst, (oj) syn.) naarden 
eiseh, langzaam, seeuur. Hy wol alles 
op syn al v'-en-t rit ie hst ha, dwaen. 
Ook e 1 f-e n-«l e r t i e h s t. 

[Misschien van de 11 steden en 80 griete- 
nijen, waarvan de afgevaardigden niet dan 
na ruggespniak mochten beslissen.) 

al'wei', in : a l o a n en a 1 w e i , z. d. 

alwer'oan, adv. iUnuo^ iterum, alweer, 
van niru ws aau. A 1 w e r o a n d v s e 1 d e 
sleauwe i)raetsjes. Prov. Alwer- 

a n 1 i b }> e t y »* 1 1 e , we moeten alweer 
ium 't werk: soms vnlgt er: an dy dea is, 
k r iJ e w y spek j) a n koek e n , of : r y s 
m e i r e z i n e n of: den s c i 1 1 e w y r i n t e- 
n i e r j e , niets doen. Prov. A 1 w e r o a n 

sei de faem eii hja la ei yette. — 



Prov. A 1 w e r o a n b r e k t m a n n i c h â 1 d 
hvnzer de nekke. - Prov. 8tadfr. Al- 
w e e r a n , a 1 w e e r a n, d a t m a e k t s o m c- 
n i g oud p o e r d 1 a m. W. D. , I >oaze , 1*25. 

al'WÜS', adj. sapientiüifitiutfi, al wijs. De 
alwize (lod. -- Dyn healwize praet- 
s j e s is n e a t o a n I Soa, e n d y n a 1 w i ze 
d a n ? - - Hy tocht h i m s e 1 s a 1 w i i s, 
en d Ô c h s r o a n 't y n 'e t i i s , met zijn 
zaken. - O , d a 's s a 'n alwize ge k. 

alTvi'tend, al^vlt'tend (dit in 't wes- 
ten), adj. ottttnsciens j alwetend. - De a 1- 
w i 1 1 e n (d) e (i o d. — Jonge ja, do u 
m i e n s t e k al d a t s t a 1 w i 1 1 e n d bis t e, 
tegen een neuswjjze. — ik b i n net a 1 w i- 
tend, denk je dat 'k alles weet? 

al'wi'ze, m. alwize, alwetende Cîod. 
Hsfr. IV. 32. 

*al\vl'tene, al'wlt'tene, m. de Alwe- 
tende. De A 1 w i t e n e , Hsfr. Vil, 78. 

amlsacht, n., arny operosaj ambacht, 
handwerk. — Hounegiseler we ze is in 
biventsje, weinmeitsjen is in am- 
bacht. — I n hy nst efilder hat al in 
nu ver ambacht. — Ljue f en i en am- 
bacht, vakgenooten. — Toalf ambach- 
ten, en t r e 1 1 s i e n o n g e 1 o k k e n ! — 
Il wet ambacht h a w w e jo ? H w a t 
binne jo f en jou ambacht? welk be- 
roep. Vgl. gelove. — Hy giet op, (1 e art) 
i t a m b a c h t. Lex. 96. Meest hanttvirk. 

amTjachtsm an , m. oplfex, ambachtsman, 
handwerksman; pi. ambachtsljue. Lex. 
ïio. — In arbeider yn 'e greidhoeke 
hat sneins ornaris minder tiid oer 
a s in ambachtsman. Dy am b a c h t «- 
ljue kinne winterdei noch ris lang 
sliej>e, klage in boerefeint. — Vgl. 
K. ind T.", H0\ 

am'bei, s. aambei. — Zie aemheijen, 

am'beir, adj. zuurachtig. Zie am/H^r, 

amlsyld, ambeld, ambold (noonlocs- 
telijk), n. incux, aambeeld. Lex. 97. — Dat 
is ien, dy rint mei in ambold f oart> 
zeer sterk. Prov. Alle bigjin is awier, 
s e i d e dief, en h y s t i e 1 i n a m b y 1 d. 
- - Ook overdr. Hy sloech raerop't 
ambeld, voer hevig uit. Ast der tsjin 
dy man oer bigjinst to praten, den 
slachtstopin forkeard ambyld. — 
Hy slacht altiteu op it selde am- 
b o 1 d , ook van een dominee, een spreker. — 



AMB. 



4r> 



AME. 



ï>y man foei him heftich oan, met 
woorden , m a r b a e s s 1 o e e h e k o ]) 't 
a m 1> y 1 <l , venletligde zich. H y het in 
kop as in a m b e 1 d. 

ambys'Je, s. lust, trek. - Ik ha der 
•ijin ambysje langer f o r. Dy man 
hat jfjin ambysje for syn eigen fak. 
da 's !4 1 i UI. 

ame, f. aria, grootmoeder. Hl. Koudum. 
Ml. Halb. 234. Aanm. Register, AMsiï). - 
O fa en! dn geest mar faeik iitnoek- 
j »Mi b i a t e , a m e . neef of nicht, Hl. 
Honmanhon. 

'ame, s. ypirlfus, adem. Posth. Fr. .Tierb. 
Is3.'i. .'il. Hjar ame mei net gear, 

z«* njugen mekaar' niet trouwen, Burni. - 
.\lgemeen is nu azem, z. d. Zie amme. 

a'melaimer , s. bewoner van het eiland 
.\nieland. Ook: paard van het ras dat op 
Ameland wordt aangefokt. Lex. 97. Pe 
♦»«-hte ameliinners (hynsders, kod- 
den) wieren k e n b e r oan hjar k r o m- 
ni o noazen; it ras is nou lang for- 
ïi a s t e r e. 

Ook: een koe van dat eiland. 

-- a<lj. fh' itufuht Am el a ml ia e , wat van 
Ameland komt of op het eiland betrekking 
heeft. A m e 1 â n n e r koekjes of platte- 
koeken. stroop- en suikerkoekjes, die op 
Ameland worden gebakken. - Ameli\n- 
n e r g n t e n , de Amelander lotelingen voor 
de militie en vervolgens de miliciens , die 
altjid over Hol werd reizen en hier meestal 
nio**t**n overnachten. Zy maken dan 's avonds 
wel een?» wat leven in het dorp en de Hol- 
wenler jongens zingen dan : D e a m e 1 â n- 
n »» r gaten, die k o m m e hier met 
H k u t e n ; h y g a n e f o a r de 'glazen 
-taen en dan kike se deur de ruten 
(nu'estal pisse tsjin de ruten aen). - 
Als jongenH noemden wj) op het Bildt zeker 
p«*uldnigend gewas, dat aan den buitenkant 
tiij?when de zeepalen groeit: Amelander 
groenoarten = groene erwten (W D.) 

Een tocht , die niet veel vordert en waarop 
men nog al hindeniissen ontmoet , heet in 't 
Xo^nJoo»*ten , en in de Wouden : 'in A m e- 
länner reis', ook al reist men niet naar 
Ameland. Vgl. hiermee, hoe een oud 
TTOuwtjet die men afried naar Amerika te 
Kaan. om de verre reis, zei: Hwet se o e 
*t bitfljattet ffjin neamen wirdich. 



As w y i t A m e 1 fi n c a r s t m a r h a w w e. 

— Ook wel O m m e 1 â n s e r e i s. - Vgl. sv. 
Zeemeeuwen noemt men langs de noord- 
kust meermalen : a m e 1 ïi n n e r binnen. 

D e a m e 1 â n n e r s c h a 1 k e n I', die s t o- 
1 e n drie b a 1 k e n || D e s a v e n s i n 'e m a- 
n e s k ij n , |1 d a a r o m s al dat har w a- 
p e n s ij n. Stadfr. ( Amelands wapen is drie 
balken en een halvemaan.) 

amen! amen! het gewone slotwoord van 
een gebed. — H y s e i t mar op a 1 1 e s j a 
e n a m e n , hij is een jaVjroer. -In h o ]) e n 
f o a r n a m e 1 j u e h a i n m i e r oan m y 
o m 't ik net op alles j a e n a m en si z- 
ze wol. - My eamelt f en iwichheit 
o n t amen, (j>rov.). hij seurt hon<lerd uit. — 
Dat is 11 1 , s e i de P a s t o a r , en li y 
niiende f en Amen. Amen, is 't ge- 
bet, !1 Dy 't honger hat, dy fret. 
Oud Volksrijmpje. 

a'mer, ammer (in samenst. vooral in de 
Wouden), n. slfula , emmer. - In houten, 
e a r e n, k o p e r e n a m er. - D y k o u i s 
in besten oer '<• a hum-, g(M'ft veel melk. 

- In ko}» as in amer, opgezet of dik 
hoofd. 

Hier en daar ook : in a m e r w e t ter, 
m Ô 1 k e , b j i s t , s û j» e , w a e i. — Alge- 
meen is a m e r f o 1 , z. d. 

Jok en amers-heak, Stadfr. 'emmer 
en p u t h a a k', een groote man by een kleine 
vrouw. Lex. 9?^. - Schi(»rm. o ni m e r , a m- 
mer. Hulde 11, 174. Vgl. hak-x-, hanje-y 
h(Hir(jèr(s)-j hoarn-, htunt-, dol-j tfefikc-, hafh-, 
kool's-, melk'j molken-, jtoex-y pronk- j puta-j 
ream-f akep-j sttâl-, f<tqf-, irett er-o met'. - Vgl. 
amerke, 

a'merbanli: , s. aramnum j verplaatsbare 
bank of stelling waarop de scrhoongemaakte 
melkemmers worden gelegd, als zij \ro(}\\ 
dienst doen , t. w. ovenlai; tusschen den mor- 
gen- en avondmelktijd. Zij leggen dan oj)- 
gestapeld, vaak ten getale van l'), onder 5 
en 1 boven. Soms zijn er meer dan men 
gebruikt , daar <'lk gaarne den naam wil 
hebben dat hij v<»el melkt. Lex. 98. 

a'merbiender , s. boender voor (Mumcrs. 

a'merbienne , v. emmers schoon boenen. 

a'mer (aininer)fol, n. emmervol, zoo- 
veel als een emmer inhoudt. In amerfol 
molk e. s û j) e, w a e i, wet t e r, — ô f w a e i- 
d e a p e 1 H ; soms ook f i s k , b e a n e y n 'e 



AME. 



46 



AMl. 



pul; san on k «a 1 k , bij den timmerman. - - 
Vgl. R. iml T.», 12S". ^ In amerfol is 
1 i k e r n Ô c h i n li e a 1 k y n s e n ( % ton), dit 

is de jjewone liouten emmer. - Y n in a m e r- 

I 

fol giet tsien healkanne (20 liter) 

malke, dit is de koperen melkemmer der 
greidboeren. B. 272^ Lex. 1)8. - Wy m el- 
ke noch saun amerfollen, van al ons 
melkvee. - Twa amerfollen is in 
gong, z. d. 

1 1 giet net b y 't a m e r t'o 1 (b.v. drin- 
ken , brij- of soepeten), in liiffol komt 
earst. -Dy k e ar el kin wol in amer- 
fol jenever op. Tink er efkes om! 
it iild wirdt mv net by amerfollen 
t a d e d o a r y n s m i t e n, - D o e d e Ho f- 
k e r f o r k e a p e t nou t u s - e a r t e en 
greate beane by 't amerfol. -- It 
r e i n t b y a m m e r f o 1 1 e n , Fra. // phut a 
seaiur. 

amery, n. Fra. moment y oogenblik. - 
Yn in amerjj kom ik wer. — Nin 
a m e r ij h i e b a e s P i k t r i e d r ê s t. H. 
S., Alm. 12", 1S()0. Ook amerij-tiid. 
-- Hy het dat yn in a'merjj-tiid red- 
den, as 't mar goed redden is. — Vgl. 
R. ind T.*, rA\ 80'. 

Hl. aimerii. In aimerii w aatje. 

[Uit Ave Maria, de tjjd noodig om dat ge- 
bed nit te s])reken. Dergelijke wyze van 
tijdsbepaling was vroeger veel gebruikelijk. 
Zoo vindt men bij Petrus van Thabor (Vis- 
ser- Amersfoordt 111, 42t)) : e n d e doe dat 
fier 3 off 4 Pater noster lanck in 
d a t h u s h a d d e g h e w e e s t. Verg. Lex. 98.] 

axner^l'ke (Oosten en Zuiden), amer^- 
tsje, n. paulo, wat. H ast in am erij- 

t s j e t i i d ? In a m e r iJ k e g e d i 1 d ? — In 
a m e r ii t s j e letter, '\, het b o i s y n 
plak al foun. T. K. Halb. Jonge Fryslan, 
18. Hiis-Hiem 18U0, 14. Am«*rijtsje 
als verkleinwoord van amerij, amt^rijke; 
dit onderscheid voor sommigen voelbaar. 

amerikaen', eg. inwoner van Amerika. 
Ook : een soort aardappels. Verder : boere- 
gereedsehap in Amerika gefabriceerd. Vgl. 
het volgende; 

axnerikaensOc)' , ad j. A m e r i k «i e u s e 
i e r' a p p e 1 s , ook a m e r i k a n e n genoemd. 
— In Amerikaense heafoarke, gri- 
jze. Is 't net a m e r i k a e n s ? Î h umhug. 

a'merke, am'merke (vooral in 't Zuid- 



oosten) n. dem. .'ï//<//r(/>flfr/'flr, emmeHje, kleine 
emmer. -In a m e r k e mei s k i e }) m â 1 k e. 
— De b e r n b o a r t s i e mei 1 v t s (» a m e r- 
kes vn 't san. — Ha es sei: it hert is 
goed, mar i t a m e r k e f e n 'e p o m p- 
8 Û g e r is r a m j) o a i - 'l t a merk e' in 
den Zuidhoek vaak voor ,,aker.'" - Zie mos- 
iei'-f puts- f pomp'j skU'p-(tm(m)erke. 

amer (axniner)peal, s. een \n\\\\ met 
kn.isd warshouten by de boeren „achter hûs", 
om daar „boarnamers" aan te drogen te 
hangen. 

a'mer (axniner)rak , -rek, n. een van 
boven schuin oploopende stelling van geverfd 
latwerk , meestal tegen een muur , bij het 
'bi en hout' om de schoongemaakte melk- 
emmers en 't 't sj e mg lid' op te laten uit- 
lekken en drogen. Men heeft bij 't maken van 
het onderste vlakke en 't bovenste schuine lat- 
werk met de grootte van de voorwerpen re- 
kening gehouden. — Soms (in de Wouden) 
ook een 'wein -tsiel', met het achterend 
van den naaf op een paal, die in den grond 
staat. Lex. 98. - Worden op dit rek al- 
leen potten en pannen gelegd , dan heet het 
toch evenwel amer rak, maar ook pot- 
rak. Men vindt het ook biJ burgers op de 
düri)en. 

a'mer (axniner)rânne, s. emmerrand, biJ 
de metalen emmers vooral: meest (g led) ge- 
schuurd. 

axners-boai'Jem, -e ar', -hoep-', -neil' 
-s t a e f, zie de Knkelwoorden. 

a'miner'seel , n. het hengsel, de bon- 
gel van een emmer, meest van ijzer, soms 
van koper. - - (t 1 ê d s k û r r e a m e r s é 1 e n 
stiet m o a i. 

a'mer (ammer)8krobJe, v. de emmers 
schrobben. — It amerskrobjen is 't 
wirk feu 'e greatfaem. - Hwet bi- 
amerskrobje se der nou wer? Zie 
op hi'. 

a'merspót, s. steenen pot, waar een 
emmervol in kan. 

a'merstók, n. lat(ten) in den veestal om 
de leege emmers aan op te hangen. Buiten 
is dit de a m e r p e a 1 , z. d 

a'mich, adj. last van 'aem' hebbend. 
Lex. 95. De kou is amich. — In 

amich skiep, amige kou, en andere 
zoogdieren. - Zie nem. Ook van een sso- 
gende vrouw. 



AMJK. 



47 



AKI). 



ije, V. Hd. athmen, uclemon. - Sa 
r ik amje. oanbid ik nei God 
Wde f r ii h e i d e n t r o ii. - I ni m e n 
& t m o e d i g e o n d e r 1 i z z i n j? e y n 'o 
• t a iu,i e , innpirare, G. .1. —Insein- 
d Mt»r it wirk umje, prerari (i. .T. 
L. Itlominek.. 28. Zie azemje en si/kheljc. 
JOtlJe, V. a. untnre, voeden, zoj^en. 

>, n. Fm. mammclU', vrouwenl)orst, 
l. - It bern is net sa rin<,'en fen 
L ni k ♦» n om d o f i t wit h w e t b o a r t- 
B \a. i\, J. II, 87. - Lex. 89, 

Oiney f. nutrix, voedster , min. In 
rr«» amrae, droge min. Lex. 90. Prov. 
mt» brea i." swiet brea, P. 8ch., 
r. I. s. 1, vooral van kinderen, die bjj een 
*r eten wat zij thnis qna.**i niet lusten. 

Wassenb. . ïdiot.. 10. 

lO, h. üpîrifuK^ anima j adem. Lex. 

— H n g j e n s . h o i e n g e a s t , i e n 
me. . r s b y aids t r o c h d' i e r e n 
mme. Fr. Jierb. 11, 97. v. Loon, Lietel). 
? t j o n k e n d e a m m e f n 1 en k w e a , 
L ! . M. — Lok, m a s t e r , s 1 j u e h t 

r j II «^ h t . m e m m *t e a 1 s b i h a 1 d (* n 
m •• , ziel , leven geest. — H w e n t de 
me s« e i 1 h j a r om 'e m û 1 e b i f r i e z e. 

-- Zie «Ml*». 

im'meliet b y de w i e 1 e w a 1 e (.lac 
rla. I>s8ü). het lied der min (zoogster) 
i\e wieg. 
m'mer, Schierm. en in samenstelling, s. 



mmer. 



e, s. adenitoeht. De lês- 
amme?«nikke dt walm je. den laat- 
I adem uitblazen. G. .1. Lex. 99. Alge- 
•n lU' 1 ê i> t e 8 i k e , z. d. 

hamoe', klanknaboot^^ing. loeien 
vee. 

, Fra. anijtff, niimschoots. - - Der 
I a m I» e 1 i n j a M ü t d a t g Û d. H y 

t it ampel en breed litlein. 
i p e 1 en a 1 1 i n n e om j i 1 d y n t o 
L a w e n . enkel en alleen uit sehraapzucht. 
ir, ttdj. aculas^ zimrwrangig, als 
ze appelAoorten. —Dy a p e 1 s b i n n e 
t r j a o h t ï» Û r , mar in b y t s j e a m - 
r. Lex. 101. Zie amber. — Hwat 
i*op yn 'e p arren, den wirde se 
et I >er. 

, adv. wjr, nauweiyks, niet ten 



volle, bjjna. - Der wier mar anipc r 
g Û d g e n Ô c h t a in jak, i t k o e d (» r 
h a s t net \\ t. - A m p e r t w e i n t i c h 
poun, ter nauwernood of bijna 20 ))ond. 
Lex. 101. - H j a w en n e n a m p e r d o a r 
oan do ar. - Amjier trije jier iild. 

amperoan', adv. /Vn», ternauwernood, 
bijna. - De man wier amperoan l)Op- 
j) e , d O f O el er b y de 1 j e d d e r del 
A m p e r O a n s e o e 't e r o p t r o o h k i n n e. 
- - 't Is a m p e r o a n m i d d e i , bijna 12 uur , 
's middags. Lex. 191. Verg. amper. 

ampt, n. officium, ambt. — It is elk 
n e t j* o w n o m s a m a r y n \) a m ]> t e n 
to kommen. Tj. Halb. Rûker V. Prov. 
A m j) t en en j) o s t e n li i n g j e net o a n 
'e b e a m , mar wol o a n 't k r e t , krui- 
wagen. P. Seh.. 8prw. 1,1. — Mei 't 
ampt komt it fors tan. - It ampt 
makket de man. 

amp'tener, ampt'ner, m. ambtenaar. — 
1 n a m p t n e r d r a e e h t i n w y t k 1 (» e d , 
moet nauwg<»zet op zijn plirlit letten. - A s 
in boer wit dat svn kou wol hwet 

ftr 

I e e o 11 o a n j o w n is, s e i t er n o a i t k o m • 
m i z e n . mar grif h e a r e n a m }) t e n e r s. 

Vgl. M. Il, 89. 

amp'tenersbaentsje , n. ambtenaarsbe- 
trekking. De slim m e t i d e n m e i t s j e 
de Iju»' happich o\) in amjvteners- 
baentsje. Meer: ... oj) in baentsje 
a s a m p t e n e r. 

ainp(t)s'£reheiin , n. ambtsgeheim. -- 
Nou, 't s (* i 1 wol in a m p t s g e h e i m 
wêze, iron. een publiek geheim. 

ampCtyS'Wirk , n. ambtsbezigheid. — 
Amj)tswirk mei gjin sleur wirk 
w i r d e. 

an, Zh. en Sta<lsch, aan. Zie oau. 

anas', s. Brvmvlia anauas^ L. ananas. 

an'derje, v. rexpOHdere ^ antwoorden. 
Lex. 107. Ik anderje. andi're , ha andere, 
anderjende, to anderjen. Meer algemeen 
is a n t w i rd sj e. 

an'dert, n. respousio ^ lU'M'riptum , ant- 
wo(»r<l. Lex. 1U7. - PI. anderten. ld. TX, 
17r). - Thans echter meest antwird, z. d. 

andyVje, s. Cirhorium anf.liria, andijvie 
Hl. a n d i V i , a n d i v e. — Door jagers ook 

II a z z e k o a 1 genoemd. — M a s t e r is o a n 't 
a n d y v j e o p b i n e n. — Si m m e r- , w i n- 
t e r - a n d y V j e. — A n d y v j e - k r o j), -si e d • 



ANEKS. 



4x 



AN(i, 



aneks', anneks, adj. aih'xu.'*, betrokken 
in. - Mei 't ieii of oare anneks \v ê- 
ze. met iets in betrekking staan. - It 
n n t <l e r i s ni n s t e r t'e n - s e 1 s e k u\ e i 
a n e k s. D o ni e n y s e i : I ) e r h i e n e 

^ n <l s y n s y n a p 1> e 1 li ô t west, Ij i s t o u 
(Ier e k ni e i a n e k s, li e i t e ? een vader te- 
gen zjjn zoon. Ook : o a n n e ks. 

anek'sen, annek'sen, pi. ])iikomen(le 
zaken. — 'J' r o n w en is ^au t o d w a e n , 
ni a r <l e r k o ni ni e alt v d i n h e Ie boel 
a n e k s e n b y. - - < )ok omhaal , ounoodij^e 
eisrh«'n. Dat w i i f li e t a 1 1 y d in b u 1 1 e 
aneksnn, te kommandeeren. V»?l. firen- 

ang (oostelijk vooral), s. uitor Kunitutis, ^lans 
(van gezondheid). Der leit an<^ op 
dat bern. l^ex. 102. Meest glans. — 
Vgl. antjel. 

ang^ (Ameland) , a<lj. nauw, 'bimypt'. — 
Zie huj. Ook: bang. Dit meest eang, z. d. 
KvtMiwel 'a n g en b a n g*. 

an£r6 (Haarddl.), s. scherpe baard van ko- 
renaren, jd. an gen. - De angen fen 
in k o a r n i e r. Zie omjt'L 

ön'fiT©!, (oostelijk vooral), s. uitor, waas, 
glans, nl. van vriuhtbaarheid en groei, 
op gras en andere gewassen. -- Der 
leit angel op it hin. Lex. 10*2. Meest 
erf, waes. Ook van een dier als dit 
iiienw haar htM'ft g«ïk regen en daarbjj wel- 
varend «'Il glanzig is: van paanlen, kat- 
t«»n. h(»n(b*n, marters, otters. Angel op 
mirde- en otterfellen. Dou 

scist net folie for dat mirdefel 
krije der leit omniers gjiu angel 
o j). - Soms ook van koeien , van deze 
meest *g 1 â n s' en *e r f, z. d. 

ang^el, s. </<•/»/*•«.'*. ^<y;//i(/, angel. —De an- 
g e 1 f e n i n e a 1 j e b ij. — Fig. D »* r s i t in 
angel, daar zit e(*n oude wrok bjj hem. Lex. 
102. Vgl. \{. ind. T.', 8s»5'. - De angel 
yn in stienswolm.. in een steenpuist. 
De angel is er út. nou s e i 1 't w o 1 
gau betterje. - \Vy hawwe in ding 
út de > w ( » 1 m heil e a s in e a r k e p y s t. 
S<'oe iJ ;i t de a n «r e 1 w«*'ze. frejrf i 11 
botM'inne uan Dr. Kelt je. — (.)ok: de 
a ngel y n i n w w rt e. 

Statlfr. In angel inne luik hewwe. 
zwanger zijn. 

Van Voetangels. \V«*ag.je dy n<'t yn 



dat hof: der lizze angels yn 't gêrs. 

Vgl. fot't<tH(/t'I. 

— barha y st'heri>e baard van korenaren. 
Zie anje. Vgl. kmtniauijcl. 

ang^el , s. antmlo , vischhengel. Lex. 
108. — „In ding m e i o a n 't i e n e e i n 
i n w j i r m en o a n 't oare in 1 o a i k e r t 
(volksdefinitie)." - ■ Vgl. K. ind T.*, 896-.. - - 
Fig. H w a h e s t nou o a n 'e a ngel ? met 
wat meisje vrij je tegenwoordig? Vgl. snofr. 
— 8 m y t d y n angel e k r i s ú t , ga er 
ook eens op uit (om te vrijen). 

an'g^elder , m. hengelaar. - t' s m e m i s 
in goed angel der, brengt haar dochters 
wel aan den man. — Keapman Angel- 
der, in fy udoek.spoep, O. St., (.üet it 
sa. — Zie a Hf/ei fitikrr. 

an'^T^lfiskJe , v. pisrari arundine ^ vis- 
schen met den hengel. Lex. 108. — \) o- 
meny, dy in great frjeon fen a n- 
gelfiskjen wier stie 'ris op in snein 
to preekjen, en seach wil es troch 
't fin ster ien by de f e art stean to 
an ge Ij en. Skiiralm. 18X1, 'Sfi. --- Hy 
angel fisk et syn bent by de aldo 
Ijue, mar 't se il to biduchteii stean 
as hy de dochter oan 't snoer kri- 
get. Ook anyelje. 

angelfisker, m. die piet den bengel 
vischt. hengelaar Lex. 103. Ook antfefder, 

an'gelies', n. hengelaas. —Dy h t O d m a n 
}j r Û k t e s w a r t e m i g g e n as an g e li e s . 
en hy fong er mar tige mei. 

angelje, v. met den hengel visüchen. 
Anglje mei in silvereu heuk. viwh 
koopen in plaats van ze te vangen, wan- 
neer men uit hengelen ifl gegaan en zich 
schaamt zonder viscli terug te komeu. 
Ook door geld achter iets zien t« komen; 
een geheim , stemmen. En naar jiostjeH en 
lintjes 'angel je'. — Lex, 103. Zie aitt/ff- 
finkji'. 

an'gelkoark, -kurk (Zoh.), ». Eng], fioat. 
dobber vian liet «noer van den hengel. HL 
de blij e. 

an'gellask , s. een taaie twjjg, meest van 
den hazelaiir, als verlengstuk van de hen- 
gelroede. Ook angelupits. Zie la*k\ 

an'g^elplak, n. getk'hikte plaatM om met 
<len hengel (vooral zitten) te visacheii. 

an'g^elreid, HL, k. Engl. angU^rod^ hen- 
gelstok, hengelroede. Zie angéUtUik, 



AN<J. 



49 



ANK. 



oer, n. hen<?el?*noi»r , visch>ïno(»r. 

'ftüffelsiioersink , n.sim, het metstukjt'H 
Im^l liezwaanle eiiul van het honfjelsnoor tus- 
N'heii ilif kurk vn don hoek. Meest sink. 

an^lspitB, II. verlen^tuk aan liet 1)0veii- 
•nn*!»» %-an «Ie henjjolroeile. Zi«* uni/t'llash. 

ftn^lspul, n. )ien^eltui^. 
•ngelStOlc, H. anindo, hen^elroeile. L(>x. 
1'»;^. - Min kin in anjfclder oan syn 
il n :; e 1 !< t n k. 1 y k as i n j a j? e r oan 't <; e- 
w ff a r. - I n k e a r e 1 a s i n a n »^ <.' 1 s t ó k . 
biiir*^ iiiafrere man. - - Hl. a n j^ e 1 r e i tl. 

anseltOU , n. hen^elkoonl. 1 1 a n <jr <> 1- 
tiU ^»iet yn 't reid fortiesd. 

anffel'Weet, s. tarwe met ^niote kaf- 
DAaldeii aan de aren. 

lIl^el'W;]inil , s. dial. Kntjfl. aut/Icticftrh , 
Marray . iv., vi.-^cïiworm. - De hrooze sli)»- 
vitnu i Lutiibrirus rarietjatHH) en de rej^en- 
T'irni »/-. teri'fstrÏA) wonlen veel als zooda- 
nv jreltniikt. Vjfl. Plaatsbeschr.. \'M\. 

anys*, hanys', n. anjjs of anijsdrank. 
In 1» y t H j e a n y h mei s fi k e r is In'* s t t'o r 
k i e 1 tl op *e ni a >r e. - - A n y h m ei bitter 
winlt Wol yn 'e herber j?c br n k t. 
Anv- en brândewvn troeh in-oar 
bjit .ha;^el en donder' «yn 't Stêds. dit 
b r f] k t min v n "e h ii s. S w i i* t b e k 

v<»l anvs mei hûker lia. 

aniaet'te , s. anisette. — A n i s i* 1 1 e i s 
in f r OU Ij u e. «^ drankje*. 

ani'Bich, adj. anysachti«;. — Der is in 
4 n i o i |{ e s m a e k oan. — 1 1 rukt h j i r 
a n i !* i c h. 

Anyalce, n. glaasje anjjsdrank. — Nim 
in a n V <4 k e. 

AnyakebrU, s. karnemelk gekookt met 
me*-n>e'<la^ en anijszaad. 

mymAlke , s. an\jsmelk, melk met anii>* 
lAuil ittf anysolie) er in fjfekookt en warm 
?»-'lri»nken. Anysmâlke is tijje ^oed 
•'m oan 't s w i 1 1 e n t o kommen, a »- 
min k j e 1 d b y yen het. 

anysoalje, s. anysolie. 

anyBSiedy n. anyszaatl: ook anjjskorrel. 

anjelier', aenjeller', enjelier', s. Dijan- 
fku» mrtfophiUh y anjelier, een nojf al veel 
^ïi met Toorliefde gekweekte bloem. Lex. 17. 

— De Blom dy op dyn Wankjes 
l^it, Oertreft de Roaskes fier. 



D y n T o n k j e d n <'h t o e r s e h i s b i s k e i d. 

Don bist in Anjelier. De Vryjaasje , 
18e eeuwscli liedje. - M y n e a g <» n s j u g g e 
a 1 1 i n n e a n j <• lieren feu s u v e r e I j e a f- 
de. Fr. Alm. I«4B, U. Dat rukt bjir 
n e t f e n a n j e 1 i e r e n. - - In s t i k «' 1 of 
s t i k e 1 b o s k on d e r d e a n j e 1 i e r e n , ver- 
sclioveling , etni eenvoudig gekleed j)ersoon 
in gezelschaj) van traai uitgedoste lieden. 
Ook een burger onder den adel. 

L i b b e t d v ni a n n o e li ? n é , h v i s 
al lang a nj e 1 i e r e n , hoort men enk«d van 
oude lui nog wel eens Ook h anjelier. 
— \'gl. (fvrsanjelit'r. 

anjelier'appel , s. anjelierapi»»!. mid- 
delmatige grootte, rondaehtig, glatlde schil, 
geel-wit niet roze strepen: geurig en zarht. 
Knooj» . Pomologie. 

tanjelie'rede , Hl. bont. Zie //<oi;V/»V- 

reth'. 

an'kel, n. taïns, enkel. Lex KK'». Oan 
'e ank els ta troeh 'e modder, troeh 
d e s n i e w â d s j e. Sa j) e het h i m 

seare ank els riden op *t iis. - V'gl. 
H. ind T.-*, i)o''. 1 1 a n k e 1 f o r k n o ffe Ij e 
(forst likje, forkloffe). - Ook: oer it 
ankel glide. - Fig. Nou gietst nei 't 
e k s a m e ii , f e int! s t e a n s t i i f y n 'e 
a n k e 1 s. F e n S jj e b o ♦• r k i n m i n n e a t 
keajije: hy stiet sa stiif yn 'e an- 
kels a 1 1 i t e n . hij overvraagt, en wil niets 
laten afdingen. Hy is sloj» yn 'e an- 
kels, een gebrek van sommige schaatsrjj- 
ders. N i n a n k e I s b i n n' n o u s 1 o i> 
(nu er jjs is). h>wbl. 1^74, 76. - Fig. van 
een jongmenseh, die niet vast van karakter 
is, uog al licht tot losbandigheid overslaat. 

an'ker, n. anrhom, anker. — It earste 
anker, it twade. it léste of J)lecht- 
a n k e r. - Vgl. H. in<l. T.^ 14')'. — A n k e r 
op! tiaan wcï Lex 10">. - Hy leit foar 
anker, hij ligt ziek. Ook: hij ligt zjjn 
roes uit te slajM'u. -- ]\ y leit foar 't 
lê<te anker. -- Wy ha in kindeyn 
'e stêd. li<ht geaii wy «lor wol in 
nacht toar anker, overnachten. Vgl. 
Forj. 1SS9 , 4;^. — 1 1 a n k e r fa 11e 1 i 1 1 e 
yn 'e hoekt? f en 'e her berge. K. ind 
T.^ 2ÔH. — Ik SC il myn anker dêr ris 
útsmitc. tlaar eens ecu poosje trachten te 
blijven. Ook bjj een meisje om haar te vrijen: 
by een vriend om hulp of ondersteuning. Ook 



ANK. 



50 



ANT. 



beproeven iets te verdienen. — Ongeveer: tl e 
prikken >1 1 s e 1 1 e . z. tl. 

— Kngl. UHchor y niuuranker. — It an- 
ke r is o a n 'e s o u cl e r b a 1 k e f ê s t s p i- 
k e r e. — F j o n w e r a n k e r h y n 'e ni û r r e 
makken 't j iertal lit. honear it hfis 
boud w i e r. 

It anker f en in horloasje. 

anker, n. 45 flesch, anker wijn , jenever. 
Yan een dronkaard: dy kin wol in an- 
ker bergje. 

anker-aloasje , n. ankerhorlogie. — Zie 
horliHt}*je. 

ankerbalke , s. zolderbalk, waar een 
munranker aan bevestigd in. 

ankerblèd, n. blad van een ncheeps- 
an k er. M eest b 1 ê d . 

ankerboei, s. ankerboei, tonnetje, hout 
of korf (»[) lu't water drijvende boven de 
plaats waar men het anker heeft laten 
vallen. 

anker-each, n. het oog in 't lH)veneind 
van een seheepsanker. 

anker-earxn, s. arm van een seheeps- 
anker. Meest e arm. 

ankerf èst . adj. met ankers voorzien , 
bevestigd, Iwjuwwerk . een mimr. — Sa 
lang in miirre net ankerfêst is, kin 
er net folie narjen fel e. 

Fig. ir y s i t ankerfêst, h y g i e t f o a r 
de léste net. van een die 8toelvast is, in 
de kroeg vooral. 

>^. I) O r is n i n ankerfêst m e a r , meest 
gezeg<l als de spjjkers niet meer in 't hout 
vast 1)1 ij ven zitten. Vgl. Hpiherfèst. 

ankerg^at, n. opening in den muur, 
waanloor het anker gestoken wordt. — 
lljerstmes forskulje de mosken 
h j a r j o u n s gr a e e h y n 'e a n k e r g a t- 
ten, die soms vooral onder de vorst met een 
weinig kalk en niet geh«»el dichtgemaakt zjjn. 

ankerg^oun, s. ankergrond. — Fig. 
II y komt net langer by dy faem, 
nou 't er wit, dat er d ê r g j i n ank e r- 
groun fynt. 

ankerpeal, s. paal om het anker luin 
vast te sjiijkeren, aan de binnenzijde der 
muren . waar het dak oj) rust , zooals de zij- 
muren van een lioeresehuur. 

ankersmid, s. ankersmid. — II v het 
h a n n e n as in ankers m i d, groote, lompe 
Iiauden. Vgl. i^lavi. 



ankersmitse , -smitte , -smitterU , 

8. ankersmederij. Zie snnise. 

ankerspil, n. spil waarom de ankerket- 
ting gewonden wordt. — Vgl. liere, 

ankerspil, -spul, n. ankcrtuig. It a n- 
kerspil ha 'k oerkrige f en in kof- 
skipper. — S a 'n a n k e r s p u 1 r i n t noch 
al hwet oan, kost nog al wat. 

ankerstók, s., het gedeelte van een an- 
ker, dat door den muur gestoken en van 
binnen aan een balk of ankerpaal bevestigd is. 

ankertOU, n. anchorah, ankertouw. Dat 
is sa g r o u as a n k e r t o u , gezegd van ge- 
I weven stof, van garen. -Hier as anker- 
touw, grof ongekamd hoofdhaar. 

ankje, v. Hl. dikker worden, glanzen, 
van een zuigeling. Hi anket fan ï^^^i- 
t e n s. — Vgl. antf. 
an'komme, adj. aanstaande, eerstkomende* 

- - A n k o m m e s n e i n , w i k e , j i e r. Vgl. 

Anne (Sint), Saurta Anna. Alleen in: 
Der rint hwet f en Sint Anne onder, 
daar zit wat onder dat niet deugt. Vgl. 
Forj. 1^88, 130; en vooral Taal en Letteren 
IV, 60. 

Ook: hjj leutert, h|i raaskalt. — Hy hat 
t o Sint Anne west, hy is dronken; slaat 
dronkennmnspraat uit, met St.-Anna op 't 
Bildt, waar men het krachtige Bildt- 
bier brouwde. 

anneks', adj. Zie anek-». 

an'sens, adv. zie nemttons, 

an'sik, Molkw. en omHtr. n. aangesdeht. 
Zie aenaicht. 

an'stons , adv. statim , terstond. — Ik 
scil anstonn kom me. — Japik, 8cit- 
te de doar ticbt dwaen? AnstonH, 
heit! Dalik, siz ik dy! — Vgl. R. ind 
T.\ 824\ Halb. Matth. XIV, 31. 

antyk', adj. Fra. antique, antiek. — 
In alde keeft mei antyk Rnüwirk, 

— (')ok : h a n t y k. 
antyk'snljer, m. die antiek sny werk maakt. 

'^antk' Zwh., adj. maturns, r|jp — heal 
ântk, half ryp. lu heal-ântke «wolm. 
Lex. 106. — Zie antaje, Vgl. ryp. 

*ant'lit, n. Hd. Antlitz, gelaat, aange- 
zicht. It antlit glimket en it hert 
s i t y n n o e d. Lex 106. ^ £ n i k m e i 
it sa jerne, dy blide laeits op jim 
me antlit ten. V. d. W., Nfrie. Blmles. 



ANT. 



51 



APK. 



blz. 84. AI|ifeuieen is t r o a n j e , w ê z o n . 

L «1. - Vjfl. tMIHlit, 

antflje, v. *teckeneir dat met eeni^e da- 
j^n <le tyd van kalven aankomt: het jaddcr 
zwelt op, de banden worden losser. *t bund 
l^eiler. De kou is yn 't antsjen: 

de koujitskiep antet. — Vgl. ontk-, 
nmtjf. — Berden wolle berj^cenkealje: 
Herj^en ant^je! 't Kealwirdt inmu-^. 
*T. J. -- Warns: antkje. Lex. 106. 

ant'qjemoais-gat , n. eenvoudig dob1)eI- 
•*pel voor kinderen. Twee kringen in elkaar, 
in de binneniïte zet men 't getal 6 : de rniiu- 
ten tuiwehen beide verdeelt men in vijven , 
•»n nonimert men. Men speelt met 1 dobbel- 
ifteen. 

Anf'Wircly n. rfspotiisum , rt'ttrriptutHy iini- 
woonl. - Op alle f r a g e n kin men 
^jin antwird jaen. — Min krijt fan 
h i m a 1 1 i t e n in fo r k e a r d a n t w i r d. 
Ja.Ijeave du vel tikjes, wier itant- 
w i r d f e n de k a « 1 1 e i n. R. ind T. ', 81*2. 
— l)ok l»ji Hommigen nog 'andert'. 

anf'wirclflije , v. reapohderef antwoorden. 
- Ik antwirdsjet antwirdde, haw antwirde. 
andwinlnjende, to antwirdsjen. - Meer nog 
a n t w i r d j ft e n. - Hl. a n t w 6 d j e. 
HiJ e«?n enkele nog: anderje. - Vgl. bi-, 
forantirinlMje. Zie ttizze. 

apart'y adj. & adv. seorsim , afzonderlijk , 
zotitlerling. ietwat van het gewone afwij- 
kende . bizonder. — In aparte li t d o a r , 
afz(»niierl)jke huisdeur. — Beitske wen- 
net by bjar dochter , mar yn in 
aparte keamer. — Ik woe him bi- 
paeld apart «prekke. Vgl. Hsfr. III, 
'Kk — W y i t e de i e r a j» e 1 s en b e a n- 
Tj*JH'* apart, afzonderlijk oj) het bor<l. - 
W v ni o a 1 1 e d y a p e 1 s h w e t a ]) a r t 
bâltle: dat is hwet sonders. — Ba es 
Don we jonge krige apart les by in 
onderman ter yn 't f rans. — .\s men 
•«(ikke mear ha wol, nioat men se 
apart bistelle, zgns gelijken komen niet 
«Ugelijks voor. Verg. Hsfr. IV. 142. — 
Hy i» hwet in a]>arte n-i e n . een 
z^mderling. — H y is a 1 1 i t e n hwet 
a p a r t . 

Uy Ijae binne hwet apart, hja 
hawwe ek hwat aparte gesichten. 

Och hwat in reinige rite, *t is 
apart! — Sok apart, onbesehiuimd , 



1 i g e n. — Der wie a )> a r t m o a i g û d 
b y f o r in n ij e j n p e. — H w o t is d a t 
hjoed aparte ka ld. 

<>a'pebakkes, n. apentronie, apengeziclit. 
(Hollandisme voor -troanje.) 

•ape-en-beare-waer, n. storm- en regen - 
weer. 

apeding^ , n. iets dat iemand leeljjk staat 
of kleedt. — Tryn woe dat apeding 
(beppe kyps) net o\) ha n<»i tsjerke. 

apeft'atsen, pi. malle aanslagen. 

apeg^esicht , n. scheldnaam: apengezieht. 
--- Ik moat dy liear (in abbekaet) 
d e h â n 11 e n s t o j» j e en s y n k 1 i r k , in 
honger ie 11 aj»egesieht, wol ek ii»»t 
forgetten wirde. 

apeharsens , ]>]. scheldwoord : a])ekop. 

apehier, n. Kngl. ffhar/, shagtiibak. 

'^apehok , n. apenhok. — 't Lik et lij ir 
ek wol in a])ehok, als de boel er slordig 
heen ligt. 

apekoal, s. fèuj/ae, gekheid, jiraatjes er 
op aangelegd om de waarheid te ontwijken 
of te bemantelen , apekool. Kom m y 

m ar net m ei s o k k e p r a e t s j es o a n , 
't is a 1 1 e g «^ a r r e a p e k o a 1. 

apekoxnóf, n. Hunianun f/enus, aj)enaf- 
komst. — Nei 't party siioadc Ijue ha 
wolle, b i n II e w y a 1 1 e g e a r r e f e n 
a p e k o m 6 f. 

apekop, eg. ximia, srheldwoonl : apekop. 
Dy a p e k o p f e n i n j o n g e , h y g n i i s t 
er n o v h o m ! S a 'n s m o a r g e a p e k o j) ! 
— S a 'n apekop; nest in wik e man- 
n i e h r o a n er lij ir in b r y k g a t ; nou 
't ik dat b y t s j e j i 1 d f e n h i m h a 
moat, k o m ter m v n d o a r n et b v n e i. 
- Mf»est etMi domoor. B e g r y p s t dat nou, 
ajïekojK - Vgl. hahiam'kop. 

'^apekouwe, s. ajuMihok. 

apel, s. I)/rus niolnxy appel. Zwli., en als 
twee«le lid der samenstelling meest apj>el. 
S \\ r e c n s w i ♦» t e a p e l s. Rottig e 
a p e 1 s is in m i d d <* 1 f o r b i f ê r z e n e a r- 
m e n. - - D a t s t i e t as i n b r e 1 1 e a j» e 1 
0)> in stok. N«'d. als t»t'ii vlag op een mod- 
derschuit. Vgl. S.K.F., Mearkes. For in 
a p e 1 en i n a ei f o r k e a p j e. - A 1 1 i k e 
folie apels as parren. van alles niets. 
Lex. lOS. Hsfr. IV, 117. Vgl. heane. - 
't Is net in a p e l w i r d i c h. ( i . J., II, 111. 
Dv 't svn lichem biwarr«'t. b i- 



APK. 



r>2 



APE. 



\^arret gjin rottige apel. — Der 
komt in skip luei aûre apels oan, 
er is een regenbui in aantocht. Ook van 
kinderen als ze gaan huilen. — N i m m e n 
wol yn dy siire apel bit e, die moeilijke 
taak op zich nemen. — Hosmakketdy 
R Û r e apel? de berisping. — Utinsûre 
apel b i t e , van den nood een deugd ma- 
ken. — De m o a i s t e apels y n 't f i n- 
sterbank lizze, zich op zijn voordeeligst 
voordoen. — Prov. Dy 't apels f art dy 
't apels y t , de kok voorziet zich in de 
keuken. — Prov. De moaiste apels 
binne faek yn 't hert forrotte. — 
— S o k k e apels bi n n e 't m o a i s t a s h j a 
plükke binne, vooral na bevallingen als 
't kind geboren is. — Apels, s e i d e f a e m, 
en 't wieme p a r r e n. Oud zegje , als 
men last heeft van oprispingen. 

— In h y n z e r mei m o a ij e apels, 
een fraai appelgrauw paard. Lex. 605. Ook 
a p )) e 1 p 1 a k j e H. Zie apelje. - - Vgl. anjelier- ^ 
bramhoas^f gh'a-^ izer-y kahnjn-, oaJje-y oranje-^ 
par- , rinkje- , roa»' , r(kk'- , sines- , sitroen- , 
tton-f Kukvrappel ; simmer-, irinterappel; kers- 
appel ; hus' y h(in- y pot-, smotsappel ; kyk- , 
hI Ht appel ; din- , iik- , inketappel ; ier'-y py>^-, 
fiaei-ierappel ; eachappel ; spi/l appel. 

In samenstelling, waar men aan *t meerv. 
denkt, vrij algemeen apel-; oostelijk meest 
appel-, -appel. In Wdongerdl. , iu 't 
Westen en in de Wouden , vooral van ou- 
deren nog apel-, -apel. 

Wat als het meest algemeen opgemerkt 
is, st^ut in de volgende het eerst. 

apelachtioh , ailj. naar appels (riekend, 
smakend . . .). 'k W i t net, dat s m a k- 
ket, rukt sa apelachtich. 

— houdend van appels. Stek dy beide 
apels by dy Tryn! Né, moike! ikbin 
net sa apelachtich, houd niet van ap- 
pels. Ook apelich. Zie -achtirh. 

apelân, n. apenland. — Ik siz wol 
ris: dy jonge moat nei 't apelan, 
hy ba ut alles nei. Hy komt alhiel 
út 't apelan 1' Der sk roeide er swart 
t r o c h s i n n e b r â n . - uit Indië of Afrika, 
uit den vreemde. 

Land , oord . hoek , waar men zich niet 
thuis gevoelt , waar alles slechter is dan 
thuis. - Ik ha nei Roanster ( Rhoden , 
Drente) m e r k e west, n» a r der y n d y 



heide, der wier 't in apelan. — Ook 
ape- en b e ar elan. 

Ameland wordt in den Noh. ook schim- 
pend It apelan genoemd. 

Denkbeeldig land, waar de apen als men- 
schen samenleven, door schrijvers verzonnen 
voor satires op de menschenmaatschappij. — 
Brieven li t i t apelan, ld. 1,5. Vgl. ld. 
1 , 28. — As j i m m e h j i r k o m d binne 
om lis de hals fol to lig en, moasten 
jimme mar yn 't apelan bleaun wêze 
(ha). R. ind T.\ XX II-. 

apel(appel)dief, eg. -druije, v., -far- 
r e , V. , -j i e r , n. , -k e a p m a n , -koer. Zie 
de Enkelwoorden. 

apel(appel)hoal, n. bergplaats van ap- 
pels, die door kinderen of meiden wortlen 
weggestopt. Vooral in 't hooi, om daar door 't 
broeien r^p te worden. Ook gielhoerde, 
z. d. Vgl. het volgende: 

apel(appel)hoerde , s. hordeum jm- 
morum y verholen bewaarplaats van appels 
in 't algemeen. Lex. 108. ïn 't bizonder: 
In ouderwet«che huizen de ruimte achter 
den haard, ook wel achter de kast, spys- 
keamer, tusschen de 'foetskudden' der 
bedsteden. Ook apelhoal. 

Oorspronkelijk een *h o e r d e', (z. d.), waar- 
op de appels voorzichtig naast (niet op) el- 
kaar worden gelegd, om ze voor drukking 
en daardoor voor spoedig rotten te vrijwaren. 
Te Bergum en elders nu ook nog wel in 
gebruik. 

apel(appel)hûl , -hul, s. lederachtig 
omhulsel (deel van het klokhuis), waarin 
de pitten besloten zgn. — Folie Ij ue, 
foaral lytse bern, kokhal zje fen 
apelhûlen. 

apelich, zie apelachtich, 

apelje, v. — Mem mei*kin apel? 
Né heite, it apelt hjoed net. —Jim- 
me haek apels hawn! Ja, it apelt 
sa hwet, men krygt ze niet. Vgl. op -je. 
apeljeafde, s. apeliefde. Yens bern 
troch al to greate weakens en to- 
folle tajaen bidjerre: dat is ape- 
Ijeafde. 

apelklokhús, n. 't binnenste iran den 
appel. Meest klokhiis, s. d. 

apelófhinmie, v., -p 1 o a i t s j e, t., -rook, 
s., -sek, 8., -siikje, v., -akifte, ▼., 
I -skyl, s., -skile, v., «skip, n.| •skip- 



APE. 



53 



APPE. 



per, m. 'An\\e, v. , -rttaltHJe, n., -ta- 
meitMJe, v. , -o tel Ie, v., -túch,ii. Zie de 
En k**l woorden. 

apelpaulcoek. Zie appehtrou. 

apelrûp , ». tortrix pomella , ap))elriiïxs. 
apelskylder , s. infltrument om appels 
te whillen. — I ii a m e r i k a e n s e a p e 1- 
K k V 1 d e r. 

apel(appel)sinots, n. Hd. Apfelhrei, ap- 
pelmoes. — W y 1 d a p e 1 s in o 1 8 b i » t i e t 
Qt nioal, yettich, wetter en sjerp 
nei .^maek. Hiw-Hiem 1889, 267. — It is 
A pel smots! 't is laria! koolï -- Dat is 
m y s a 'n a p e 1 s m o t s , snl , onnoozel bloed- 
je* Î alleen van vrouwen j^^ezegd. — Lex. 100. 
H a z z e en e i n e fû ^ e 1 mei a p p e 1 s m o t s. 
apelsmotske, n. — Och. hwet bist 
in Ijeafapelsmotske! een moeder lief- 
kozend te^en haar mollig kind. 

ap0l(appel)8OUder , s. zolder waar men 

ap|>el8 wegbergt, eig. een gedeelte van 

een zolder, iets lager gelegen dan 't overige 

(laarvan: daardoor min of meer verborgen. 

•.»ük wel eens in *t zolderkamertje. 

apeltiid, s. t^jd, dat de appelen rijp zijn. 

apenuten, pi. vrucht van de Arachus 

Mifjfogea , aardnoten. Leeuw, s a u s k e s , 

«^aufimangels. Elders in de steden ook 

apeneuten. 

apepoat, s. apei>oot. - Hwetscoi^xtou 
UI *• i d y n apepoat, d o u k i n s t o m- 
ni«*ri« uet ienris by de Ij cd der op- 
kom m e . bitter zeggen tegen een horrelvoet. 
apepraet, n. zotteklap. Hettema, Rym- 
kes, 144. 

apery , h. apinea , gekhei<l. "t Is a 1- 
legearre aperij, hjar sizzen: dou 
mast der n e t o p b o u w e. — A p e r jj , 
<tars neat i» 't libben fen san pear- 
k»-. O. St. , Giet it sa? 

ï Hik dwaze navolgingzucht. — De m o a d c 
i ■* in hele a p e r y. — W y p r a t e y n 'e 
h Û f» a 1 1 i t e n f ry « k , ú s b e r n s i z z e 
hi'it en mem, en ha frvske nam men. 
g j Î n a p e r jj. -- Vgl. neiaperij. 

aperok, s. Fra. hahit noir , (staart)rok: 
\\y droech in aperok fen moai lek- 
ken, fine si de of in oare dj ureplok. 
Hettema. Rymkes, 14. 

apero^e , n. iron. korte kinder-onderrok. 
-- In read aperokje. R. ind T.*, 113«. 
r, 8. dwaze , ondoordachte trek , 1 



meest van iemand, die ])eter kon. — J e 1 k e 
het altiten fen dy apesetten, mar 
it moat ek wol: great s on der for- 
8 tan. - Yen de stoel onder 't gat 
wei t o 1 Û k e n is b y d y i n h e 1 e a p e- 
8 et. Vgl. poepend. 

apesmoel, s. apegezicht. Enkel ook: 
a p e b a k k e 8 , -t r o a n j e , meestal : 

apesnute , s. apegezicht. — S y n a p e- 
8 n 11 1 8 1 i e k er t a 't s k li f r a m t ü t. 

apespil , -spul , n. apenspel , kermis- 
ten t waarin men apen kunsten laat vertoo- 
nen. Ook : li o u n e- en apespil. 

Overdr. gekheid, zotternü, een gekke zaak, 
bespottelijke geschiedenis. -It is in ape- 
spil, nou binne wy ommers yet like 
fier as do 't wybigounen. — Mei 
Sapeboer en de faem is 't in ape- 
spil; lesten het er hjar mei de lil- 
ke kop de doar iitjage; nou se il er 
mei hjar trouwe. 

apetroanje, s. apengezicht, apen tronie. 
— Do 't de bern dy ai)etroanje fen 
'e to verlan tearne op dat wite lek- 
ken kamen to sjen, fleagen se al le- 
ge ar re ut 'e tsjustere keam er wei. 
apke, dem. n. Himïa pusiUa, aapje. Een kind 
dat aïles begint na te doen, noemt men met 
welgevallen in 1 y t s apke. Ook aepke. 

X aardappel. - S c i 1 d e b o i e k i n a p k e 
mei ite? — Hja scil in apke fen 
m e m h a. 

aport', interj. Fra. apjforte. — Aport, 
13 ij k e ! aport. 

apos'tel, m. ajmstolusy apostel; in 't al- 
gemeen bijzonder persoon , knaap , kerel. - - 
l n r o uw e apostel, een ruwe onbeschaaf- 
de vent. — In nuvere, in rare apos- 
tel, een zonderlinge kerel. Lex. 109. 

Van kinderen. Ja, 't s e i t hwet, a s d e r 
safolle lytse apostels binne, om 
der den noch hwet fatsoenlik lans 
t o kommen. W o e 1 i g e a p o s t e l s b i n- 
n e d y bern. 

Van leerlingen. Der kom m e m y n 
apostels w e r o a n , s e i m a s t e r. 

apostel^wein , s. in : Op 'e a p o s t e 1- 
w e i n , te voet , r e i s g j e. Vgl. hihcein. 

tappe, eg. sim ia f aap. O. J. Lex. 109. 
— Nog over in: Hy hat syn appe wol 
luze, zjjn goeden naam wel gered. Vgl. 
malappe. Zie aep. 



APPK. 



54 



APPK. 



*appebret , n. apen^el>ro<Ml. S t a n t- 
t'r i e s n (* t s j i r 1 s . . . ^ r ii w 1 e t i t h e a 1- 
slaclit' appt'l>rt't. Booles (1824) op (4. J. 

appekri'fen, pi. dt» ajiocriefe boeken in 
tien Bijbel . tegenover <le canonieke. 

apper, n. aj»pèl Ik smyt it yn ap- 
1> e 1 , s e i <l e j; ú t , ni i n d e r a h n o n k i n 
't «loch n et. 

( )ok bij (Ie soldaten : a )> p e 1 b 1 i e z e , 
h â 1de, s 1 a e n ni e i d e t r o ni ni e . appèl 
blazen, hoinlen, slaan. Mi ds yn V nacht 
s e o e d er a p i> e 1 b 1 i e s d w i r d e ! 

Ook : m o a r n s i e r o p 't a p p <* 1 w ê z e , 
vroejr bij zijn werk. 

ap'pel, Zwh. en in sanienstellinj?, appel. 
Zie apel. 

ap'peldaelder, s. , -hof, n., -plukje. 
V., -r e p j e , v. , -t e }) p e , v. , -w y n , s. Zie 
de Knkel woorden. 

appelbeam, s. tnaJtn*^ appelboom. 

appelbeamke, dem. n. appelboompje, 
jonjfe of kleine appelboom. pi. appel- 

b e a m k e s , fijj^. leujjenaehtige praatjes. Lex. 
108. \V1. K. ind. T.*, 89H*. 

appelbeamshout, n. hout van den ap- 
pelboom. 

appelbloeisel, n. collect., de f^ezamen- 
Ijjke bloesems van den a))pelboom. Vooral 
de (afj^evallen) bloesemblaadjes. — It is al- 
lejjearre a i)pel bl oei sel op it paed. 

appel (apel)boar, s. boor om klokhui- 
zen t»* vt»r wijderen uit ai)pels , welke heel 
gekookt of «rtnlroogd worden. 

appelbloessem (spr. -blûbi^sem), -blos- 
som , s. a))i>elbloesem. 

Ook de kleur van dien bloesem. In moai 
jongfaem mei appelblossem yn 'e 
w a n g e n. 

Ken naar *t roo<lbruin of rozerood overhel- 
lende [)aarschkleur, waarmee huizen van bin- 
nen wel worden geschilder<l. Ook appel- 
b 1 o e i s e 1 f e r w e of kleur. — 1) v k e a- 
m e r is a p i> e 1 b 1 o e s s e m y n 'e f e r w e , 
en mei blauwe rantsjes ôfset (zoo 
meestal). Zie MfM'sMt'fn. 

appelbol , s. ai>[)elbeignet . oliebol met 
een s<-hijtje ai)j)el er in gebakken. 

appelbr^j . s. appelbrij , s<'hijQes van zure, 
ook wel van zoete appels in water, waarin 
onder stt»rk roeren meel , ook wel gort wordt 
gekookt en mi voMoend koken met 8troo]> 
gegeten. 



appelear'Je, v. tegenspreken, ook in 
beroej» komen. — I> e dief wie net to- 
freden mei syn fonnis. hv woe 
a p !> e 1 1 e a r j e. — H y a p j) e 1 1 e a r r e op 
'e Deputearden mei syn hoofdelike 
omslach. Ook abbelearje. Vgl. tüjin- 
appflearje. 

appel(apel)-en-bóre , s. k n. api>els 
gekookt met sneden witt^broo^i, boter, sui- 
ker of stroo)) : lekkernij ten platten lan<le en 
hier en daar in de steden. Men heeft sur 
en s w i e t a p p e 1 - e n - b ô I e. 

appel(apel)-en-bóle-bekje,n.lief mond- 
je, meest van een kind of meisje. 

appelflaute, s. lichte of geveinsde be- 
zwijming. Syts wier noait sa gau wer 
t a h j ar sela k a e m, as do 't h j a r ma n, 
hjar yn pleata f en mei y et tik, mei 
levertraan om 'e s n ú t w r e a u. Do k r i- 
ge er 'tfoar *tfor8tân,dat itniar 
in appelflaute wier. 

appelATetter , eg. Coccothraustes rul ga- 
rÏK, Pall. a))pelvink. Vóór eenige jaren als 
doortrekkende hier gezien, als wanneer z\j 
op de rijpe appels aanvielen, om de pitten 
te bemachtigen. Van daar den naam hun 
toen gegeven. 

appelgrau, adj. appelgrauw, -grys. —In 
a p p e 1 g r a u h y n d e r. 

appel(apel)gûd , n. spgs van of met 
appelen toebereid. Trge soarten fen 
grienten en appelgûd. R. ind T.*, 
268*. 

Ook a])pelen in 't algemeen. Der is fen 
't jier in bul te, in bytsje appelgûd. 

ap'pelje, a'pelje, v. Kngl. to dappiey van 
welvarendheid glanzig en geplekt; meest 
van een paard. It hynzerappeltfen 
fettens. Lex. 109. 

Ook van kinderen. Hwet hajy dor in 
Ijeaven, l)lieren jonge yn 'e widzc 
lizzen; hy laket my glèdoan,hy 
appelt glêd en het dobkes yn *e 
wangen. K. ind T.*, 328\ 

appelkO; n. appeltje, oogappel. --De 
appelkes fen hjar brune eagen, R. 
ind T.*, 289'. - Zie appdtsje. 

appelkoekjes, pi. koekjea waarin ai>- 
pels worden gebakken, ook te bekomen bg 
banketbakkers. Gebmikelyk vooral op boog- 
tyden en nieuwjaar. 

appel(apel)ko0t, s. appelgpga Tan al- 



APPK. 



oo 



APK. 



l»»ri^i a .inl. Ik b i n pr j i i^ man f o n a p p e 1- 
k •» -it . in ;i r iii y ii w i i t is d e r li j i t o p. 

appel(apel)krûdtsje , n. ap]>elpitjo. Zie 

"appelkrüdtade£reur, s. g^ur als van 
apl^Ipitten. W. I>. , Winter*;^.. 145. 

appelmantjaje , n. in: It a]>peln)an- 
: • j I' komt om s y n j i 1 d , van kin(U»ron die 
£i»*k wanU»n door het tt» veel appels eten. 
\VL Lf>|nela 1S9S, 25. 

appelznerk , s. appelmarkt. Ook a]>p(d- 
jtrii"'. Ho stiet de appel nu» rk? — Ook 
•H-u plniii, .streek te Holsward en te Makkum. 

appelpent , Hl. s. appelmoes. 

appel(apel)plakjes , pi. appel vlek jes 

■^p tn»n ]iaard. Ook aj»pelHchijfje, dan meest 
aj'el-. 

appel(apel)pot8trou, s. meel en schijf- 
je appel in melk , stijf «^(ekookt. Met «^e- 
>inulteii boter en strooj) «^ej^eten. 

appelprodze, Hl. ap])elmoes. met meel 
'»f nnjro aan^emtMigd. 

appelsyn , stadfr., Makkum o.a.. s. malum 
fiir^HtfuM , simiasappel. Zie ^ïnvsappel. 

appelskixnznel , e^. Hd. Apfvhrhiwwei j 

iM>*'l;n"anw paard. 
appel(apel)8kodder , m. die appels 

-«■h'idt. l>er i •< pjin 1» e 1 1 e r api>el- 
•k ■ m1 d e r as M i o n t : h y f 1 j o e h t y n 'e 
^^••.inl op en om as in aep. 

lijj een h»'vijfe vlaajj , als d»* boom»*n vol 
ÛXU'W . h»*et 't ook : n o a , dat i s i n a p- 
p**l-kôdderî 

appel(apel)8kodsJe , v. -s n t e 1 d e r , 
r.i.. -SU te! je, v. Zie de Knkelwoor<len. 

appel(apel)8trou , s. appelstmif. pan- 
n^k'^rk met srhijfjes (zure) appel er in pe- 
iakkeii. KMers ook a pel pan koek. 

appeltrut, -trut, f. sloof van een vrouw. 
I » Il u )i i s t e m y s a *n a j) p e 1 1 r ú t , als 
•— n kind «Ie l>oo«lsehap heelenmal verkeerd 
'iitsl. Molkw. Zie tnttsje. 

appeltflje, dem. n. appeltje. — Ik h a b 
in «ippelt^je mei T«jalle to skilen, 
'1 «^ r komt er sa n e t o u . een onaanj^e- 
t. »ui" /aak met hem af te doen, een verschil 
üj-'t ht-m te v«»refl*enen. Vjjfl. hnnp-appfltitji'. 

'»«^k tnrm bji het tipelspel in j^ebmik. 
'»m;«tr. vun Ber^nm. Zie tipelje. 

'appetyt', s. Fra. apetii j eetlust. De 

• r «• f •• s t e r f r e i? e m v h o 't m e i m v n 
ippetyt wier? Wel, man, »oi 'k, ik ! 



yt net, mar ik fret. R. ind T.^ noot. 
ap'plich , apelich, adj. <^enp])('ld, van 
vee, paarden vooral. Als j>aard«Mi 't «'■oetl heb- 
ben , dan vormen, vooral zichtbaar als de 
zon er op schijnt, zich in 't haar ronde jdek- 
ken, 'apj) el plakjes'. Westvl. koek ede 
1> e er den. - .Jou hynsders habbe 't 
wis b ê s t ; h j a b i n n e sa a j) p 1 i c li Î — 
Dit stomme en applich wyld, H. P., 
As jimme, 2S). 

Ook van kind«*ren. Dat bern is iijx^- 
li<'h feil fettens. V«»'l. het voorbeeld bij 
fippcfjt'. 

apprekoas', s. abrikoos. Zie ahrehms. 
april', apriil', Idit laat.ste van ouderen 
nofr veel ^jehruikt), s. Apn'lfs , April. Ook 
^ r* r s m o a n n e , «grasmaand. — Wy h a 
feu 't jier in heislike droet^e april. 
Lex. 110. - As April bliest op 'e 
h o a r n ; ü D e n s t i e t i t g o e d f o r li e a 
en koarn. Oud zegje. -- 1 m m e n for 
April liawwc, voor den <^ck houden. Ik 
ha de faem f en 'c nioarn for April 
hawn. Ikenbeam. stean stil, || 

i t is y e t JT j i n April, | ik kin m y 
noch f <» r h i e r e ]] o a n h w a 't ik w i 1. 
Oud zegje. 

aprils(apruls)bui , s. ongedurig ai)rils- 
wecr. - - De a p r u 1 s b u ij e n s )> o e k j c ni y n 
w i i f y n '(» kop: d e r m o a t h n s h i m- 
m c 1 e w i r d e. 

a]>r i Is'bu ik CS, dem. pi. ai)rin>ui- 
tjcs, veranderlijke vrouwenluinion of -lusten. 
Lex. 111. — De breid liet al hwet 
tricntsjes rul je, mar, lyk as aprils- 
b u i k e s , wie 't g a u w «' r oer, e n h j a 
g 1 i m k e w e r. — In p e a r a p r u 1 s b u i- 
k e s , y n 'e k e n y n t s j e d a g e n , f o a r t 
n e i 't t r o u w c n , dat h e a r t e r s a b y : 
d e r f o 1 g e t in g r i e n e M a e ij e o j). 

april(s)briefke , n. aprilsbriefjc^ , dat oj» 
1 April iemand o^) den rug gehecht wordt 
om hem ten spot van ieder te laten loopen. 
Lex. 111. 

april'-f or-de-gek , april'-f or-gek I Fra. 
jmtsftoH (Varrily het woord dat men iemand 
toeroept als men hem op 1 Ai)ril gefopt heeft. 
A ]) r i 1 f o r g e k ! i' h y s i t y n 'e s â 1 1 s e k , 
i! hy sit yn 'e falie, H en kriget nin 
p r o m -en- b ô 1 1 e. 

A p r i 1 - f o r - d e - g e k , ü d y m e i g j i n 
spek, .; hy kin gjiu bol e bit e, 



APK. 



56 



AR. 



h w i' t 111 o a t tl y ^ e k dan i t e ? oud 'rel- 
letje'. -- Hl. aprilfor^^ek! ü hi mi ent 
i t j i t e k. — V*<1. fonjvk. 

aprilsgik, -gek, c^. Kngl, a pril -fooi j 
aprilsgek, die zich laat foppen, door zich op 
1 April om een onmogelijke of beKpottelijke 
boodschap te laten zenden: ,oin n i 1 1 e- 
s m o a r , f o a r k e s m o a r , om in g r o p p e- 
dweil, in g o 1 s k j i r r e (dingen die niet 
bestaan): — of met een kruiwagen om in 
* w o a r s t h o a r n : of met '2 'b o a r n a m e r s' 
om *for 'n sint most er'. Lex. 110, 111. 

april(s)grap, s. aprilsgrap. 

aprilmoanne , s. april. -- Wy ha f en 
't jier in nioaije aprilmoanne hawn. 

aprils'^waer, s. ai)rilweer, zeer afwisse- 
lend , onbestendig weer, zooals menigmaal in 
April. - In de Wouden (Tietj.) is dit m a er- 
te w a e r ; daar zegt men , als men in Ja- 
nuari of Februari een mooien dag heeft : 
't Is SU ver aprils wa er, sa moai. 

Hv folie t ro ude liue is it in soar- 
te f en aprilswaer, ytlike Ijeave 
si mmerda gen nei eltsjoar, en den 
w e r heil en s n i e , t o n g e r e n w e a r- 
1 j o o h t e n s t o a r m der o p. R. ind T.^ 
287". 

- - Aprilswaer en h c a r e g i n s t b i n- 
ne net to bit rouw en. Vgl. H. S. , 
Teltsjes, 39, 

apsint', adv. afwezig, in gebreke. Zie 
(tbifiut. 

apslút', a'lv. volstrekt. Zie ahslút. 

apstoan'Je (meer in 't Westen), apstún'- 
je , s. (ipoiiiema j apHieuhie y ettergezwel, 
zweer, ver/wering. Lex.lll. ()ok o p s t o a n j e. 

apteek', n, k s. apotheca , a^wtheek. - 
Y n 't a p t e e k s t e a n , apotheker wezen , 
als apotheker helpen. - Us heit het de 
hiel e apteek al troch west, alle mo- 
gelijke* geneesmiddelen gebruikt , en nog 
geen baat. 

Men k o m t d ê r y n 't a ]) t e e k . in dien 
winkel, bij dien man is alles peperduur. — By 
ïS a s k e m o a i is a 1 1 y d in hele a p t e e k 
O}) *e tafel, ze laat uit slordigheid allerlei 
eet- en drinkgerei op de tafel staan. 

apteek'Je , v. apothekerswerk doen. 
Dokter is o a n 't a j> t e e k j e n. L* s 

.1 a n t s j ♦' wennet nou al s a u n j i e r b y 
Dokters: h j a kin nou e k al h w a t 
feu 't a [)t eekjen. 



^'apteekjiffer, f. vrouwelijke apothekers- 
bediende. 

apte'ker, m. apotheker. — Dy 't gjin 
kans s j u e h t om d o k t e r t o w i r d e n , 
kin a 1 1 y d n o c li as a p t e k e r k l e a r 
k o m m e. — Vgl. W. D. , Skearb. 77, 85, i)\). 
R, ind T.', 92'. — Hy is aels apteker. 
hv het it for in kromke, van een kas- 
telein die zelf drinkt. 

aptekeriij' , s. pharmacia, het apothekers- 
vak. - De aptekerij giet er net oi> 
foa rut. 

apte'kerje, v. het apothekersvak uit- 
oefenen. — Ook: de drankjes en pillen ge- 
reed maken. 

aptekersboek , n. boekwerk over de 
artsenijmengkunde. — Hy wist for *n ho- 
pen kwalen rie: hy hie sa 'n ald 
aptekersboek, der sneupte er den 
y n o m. 

aptekersf eint , m. apothekersbeiliende , 
ook de loopknecht. 

aptekersgûd, n. geneesmiddelen uit de 
apotheek. — Dokters- en aptekersgiid. 
In de volkstaal meest: gûd út 't apteek. 

aptekers-Jonge , m. apothekersjongen. 

"^aptekerskas , apteekskas, ». apo- 

theekkast. 

apte'kerske, f. vrouw van den apothe- 
ker. In haar afwezigheid by de landlieden 
nog wel zoo genoemd. — üs domenys 
Hike wirdt nou aptekerske. Och 
hea, ek al yn 't apteek? Ja, hja se il 
to- minsten trouwe mei in apteker. 

^aptekerskinst , s. artsenymengknnde. 

aptekersrekken , s. apothekerereke- 
ning. — In aptekersrekken is for 
sljochtwei minsken onlêsber — op 
't einsifer nei: dat stiet altyd goed 
d ü d 1 i k. 

ar, arre, de letter r. Lex. 111. Nu meer 
er. - Ah der gjin ar (ook er) yn 'e 
moanne is (dus in Mei, Jnni, Juli en 
Augustus) is de skylfiskikabbeljou, 
en o are rounfisk) op 't minst. — De 
mirdefellen binne, as erninaryn 
'e moanne is, omtrint neat wirdich. 

ar, arre, interj. als iemand, op de lungi^ 
jacht, een haas merkt, roept h^: arre, 
arre, arre! Ook: harre, %, d. 

ar , 8. jongensspel t-e Makkum, waarby een, 
als de haas, door de anderen, de honden 



ARB. 



57 



AKH. 



TerTolRtl wonlt ; -- arnpylje, il it spel spe- 
len. Lex. III. Zie hazze. 

ar1t>eid, arrebeid (ook in de samenstell. 
\Voa«len) s. Itihor, arbeid, werk, Lex. 11Ô. 
>Vy moutte moarnier bytiid oan 'e 
arbeid, morj^enoohtend vroejf aan 't werk. 
— Dat ii» ui n arbeid, ^een betamelyke 
manier vau doen. 1 1 is in d r o e v i j2f e ar- 
beid mei d y o n d o g e n ï» e b e r n , ondeu- 
i^nde kinderen veroorzaken den ouders veel 
mo»*ite en verdriet. Lex. 114. 

arlieider, arrebeider, m. opera rins 

rmtfirHi* , veldarbeider. Lex. 116.— Féste 
arbeiders, die 't heele jaar door vast bij 
den Iwer in dienst zjjn en losse arbei- 
ders, die nu bij dezen, en dan bi] een 
and**r werken , en 's winters vaak werkeloos 
qjn. — .lan Ttearts hat twa fes te ar- 
beiders, mar «immers y n 't d r o k s t 
f«*n 'e tiid, het er wol ris in stik of 
tuien mear. Vgl. Ixufreorbeider. — H y r i n t 
a-I in arbeider, armoedig in de kleeren. 
t>venlr. werkpaard. Zie arheidernhijm^ier. 

arl>eider8-aohtich , adj. op zijn arbei- 
den*. — 1 1 wier der y n 'e h û s m a r a r- 
beidersachtich . mar tig e knap. — 
In m a s t e r kin d o e h s n e t s a a r b e i- 
«I e r s a f h t i r h r i n n e , mei in 1 a p e oor 
"e kn ibbe 1. 

arl>eider8-ar]c , n. veldarbeiders, aarde- 
werk ers-gereetlschap. 

arbeidersbealoh , n. arbeidersliehaam. 
't l ji» lang n i n s 1 o p - e n - 1 a e i , mar li y 
hat in tichte arbeidersbealoh. 

arbeidersbem^n., -d o c h t e r. f., -f a n k e. 

II. .-j o n ge ,m .. -h o a n,m. Zie de Knkelwoorden. 

arbeider8deihier,s. arbeidersdagloon. — 
deui. arbeidersdeihierke. 

arbeidersfolk, n. werkvolk, de werkende 
«tand. Op i t nut komt e 1 k - e n - i e n : 
b*t«T en boarger en arbeid er sfol k. 
*>ik: a rbeidsfolk. Lex. 11*). 

arbeidersftroTnmiflk , f. vrouw of meisje 

uit de werkmanriklasse. — pi. arbeiders- 
fr-jiiljue. 

arbeidershynsder, n. werk[»aard })ij den 

ïn»«t. Roel het seis arbeid er shvns- 
•Iers en ien rydhynsder. Veelal alleen 
'arbeider'. D o u w e . d o u m o a s t de 
arbeider hjoed mar ris y nslaen. 
Vgl. trirkhynftfifr, - Ook de vlasbniak. 
Zie kjfnêder. 



arbeidershûs, s., -húske, dem. n. werk- 
manswoning, vooral oj) het veld. -- In klon- 
t s j e as in a r b e i d e r s li n s , -klontjes 
as arbeiders luis k es, groote dus. Lex. 
1 16. - Der h e s t w e r in f j û r o a n as in 
arbeidershiiske. H. S, , Alm. 12MH60. 
Vgl. t(t(wl. 

arbeiderskeamer , s. arbeiderswoning 
alleen uit één kamer bestaande, meesttijds 
met een gang of voorhuis of achterhuis ; een 
gedeelte van een huis. — \Vy koene dit 
greate hûs sa dochs net forhiere, 
d o r o m h a w y e r m ar a r b e i d e r s k e a- 
mers f en makke. 

arbeidersklean , pi. werkpakje. — Sibe 
wennet op 'e romte: as er net nei 
tsjerke giet, rint er faek in hielo 
snel n m ar v n s v n a r b e i d e r s k 1 e a n. 
Zie (i rheUlerspahje. 

arbeiders-ljue , \A. lieden uit den wer- 
kenden stand. Vgl. Lêsb., 188. — Dy win- 
kel hat de k 1 a n d v z j e m e a s t f e n 'e 
a r b (Û d e r s 1 j u e. - - \ r b e i d e r s 1 j u e 
kom me jamk net folie f en 'e wrâld 
to sjen. — It is for a rbeidersljue 
m e a s t in hele piel om t r o o h 'e tiid 
t o kom m e n. 

arbeiders-man, n. een man uit den stand 
der werklieden, Lex. 11*). (Jewoonlijk die 
zijn kost op 't land verdient. — In arbei- 
«l e r s m a n d v 't e i g e n b r e a v t , i s r i- 
ker as in boer, dy 't libbet op kre- 
dyt. - In flink a r bei<l er sm an hoeft 
noch g j in g e 1 e a r d e t o w ê zen! — Ook 
a rbe i<l sm a n. 

arbeiders-minsken , ]>1. menschen uit 
den stand der werklieden. Lex. 110. Ge- 
woonlijk landwerkvolk. — Syn Tilden 
w i e r n e m ar g e w o a n e a r beider s- 
m i n s k e n , m ar h y is nou s k o a 1 m a s- 
ter to A.Î -- Arbeid ersm insken , 
h i ni ni el en skiën, m o at n i m m e n 
1 e e c h 1 i z z e. - W v b i n n e a r b e i d <» r s- 

• 

m insken, m ar w v s t e a n k r e k t s a 
goed oj» lis eare as de greaten. --- 
Ook: arbeid s ni i n sk en . z. d. 

arbeiders-pakje, n. rest es opera n'i, werk- 
pak van den arbeider. Halb. AVI. Laj). - 
In arbeiderspakje hoecht net j im- 
mer snioarch en stikken to wôzen. 
Vooral ook a r b e i d e r s k 1 e a n. 

arbeiders-'went (vooral in de W^^uden), 



AKB. 



5H 



ARG. 



s. arbeidershuis , -woning. - H y li a t tl O r 
in knapi>o ar}>ei(lor s wen to set te 
litten. - In de kleistreken is dit ook Viuik 
een gedeelte van een huis. tegenover: arbei- 
d e r s h û .«^.1 n h û s ni e i t w a o f ra e a r 
a r b e i d e r s w e n t e n. F e n 'e â 1 d s k o a 1- 
1 e b i n n H t s j e \) p e a r b e i d e r s w e n t e n 
makke. 

arbeiders-wiif , n. vrouw uit den stand 
der werklieden , vrouw van een arbeider. - - 
In k e n i n g i n n (* k i n f ê s t o j) n i n p a r- 
ten noch delen nei sa goed liúshâl- 
de as in a rbe iders wi if. bl. V, 100. - 
As in arbeiders w i i f * de h A n n e n net 
to folie boun binne. giet hja mei 
n ei "tl â n , út t o ar b e i d s j en of m e i 
de b Ô 1 k o e r i t f i i 1 d v n ! 

arbeidsfoUc, n. zie arhculvrsff^ik. 

arbeidshûs, n. Dat minske hat 
f o r s k a t «.* a r b e i d s h ii zen, huizen waar 
zij het werk tloet — . . . in a r b e i d s h û 8 
m e a r o f minder, d ê r w o e s e <1 e i e n e 
h â n n e t m e a r o m y n d' o a r e 1 i z z e , 
S. K. F. Forj. ISïm, 170. 

arbeidsje, v., lahorare, operai'i; wer- 
ken, arbeiden. Hl. arbeidje. -— ik ar- 
beidsje. arbeidde, ha arbeide, arbeidsjende , 
to arbeidsjen. Op it lan arbeidsje. — 
8 1 i i f f e n *t a r b e i d sj e n. — H y h e t h i m 
krom arbeide. - It wiif giet út to 
a r b e i d s j «» n , uit helpen voor huiswerk (op 
de Klei): op 't veld (in de Wouden). Dit 
heet op de Klei: it wiif giet op it lân. 
Altyd mar arbeid.*<jc, dêr is rook 
of smaek oan. gezegde van een, die lie- 
ver niet werkt. Hy wier in skoen- 
makker f en svn hantwirk, en as er 
ar}>ei<lde, den helle er de tried sa 
fûlein<lieh út . . H. S. Alm. 12^ 1H60. 
- 1 1 F r y s k 8 e 1 s k i p het g e w o a n e . . . 
en a rbi.'id s j end e leden. Arbeid- 
sje as in ezel. De bûter moat tige 
arbeide wirde. gekneed. - De ))iken 
arbeidsje hjar se Is út 'e dop. — De 
medesinen arbeidsje. - Ook wirk- 
i'e, z. d. - - Prov. Hv vt dat er .<«wit en 
arbeide t dat er forklommet, van 
een luiaard. Dy arbeid et en hwet 
b i d ij t s ]i i n t in gouden tri e d. Lex, 1 15. 

IVrsen. krouwen, in barensnood komen. - 
De kou arbei<let. De 1 oft arbeid et, 
d t* r wol rein k o m m e . zeer algemeene 



sjireek wijs. Hwet b i - a r b e i d e s t y e t 

op 'e lette joun? Hy arbeid et mar 
t a. - Arbeidsje hwet oan. ju! dat 
wy avensearje. — Vgl. bi-y fov-^ wei-, 
oan-, froch', tn'iarbci(hje. 

arbeids-lean' , n., mfT/;//y>n'//»//;,arbei<ls- 
loon , werkloon. Lex. 115. — It is folie 
de wizanaje, dat de boer, ta 't on- 
de r h â ld f e n h û s en s k û r r e , kost, 
drank en 't arbeidslean bitellet, 
de eigener de m i 1 1 e r j a 1 e n. 

arbeids-ljue , pi. opera rii, werklui, Lex. 
115. - zie arheiffersljiie. 

arbeids-man , m. Lêsb. 134. De g r e a t- 
s t e s e g e n f o r in a r b e i d s m a n is i n 
sunieh en rOdsum wvfke. Zie arhei- 
(1vn*mau. 

arbeids-minsken , pi. werklui, arbeiders. 
- - T w a b 11 r 1 j u e , beide arbeid s m i n s- 
ken, S. K. F., Earder- Letter , 1. 

arbeidsplunjes , -pluntsjes, pi. werk 
plunje. — Dit binne m y n a r b e i d fr- 
p 1 u n t s j e s. Ook : . . . myn âlde klean. 

arbeidster (spr. arbeister), f. werkster 
die voor het vrouweljjk huiswerk helpt. In 
de Wouden spreekt men ook van a r r e b e i d- 
ster op it lân, op de Klei niet. Zie bij 
arbeifiifje. 

arbeid'sum, s. adj. ïaltor'wHus.huhtstriu», 
a rbeidzaa m. In a r b e i d s u ni m e f e i n t . 
Zie uarber. 

arbeidsiunxnens, k., arlKïidziuimlieid. Zie 

ir a rbe yens. 

'^archlist, s. astatia, sluwheid, arglist. 
Lex. 110. — Dy Alde saek waern immer 
wier in fromme kearel for it eaeh. 
mar y n s y n hert wier er f o 1 o n d o- 
gensheit en archlist. Ook arc•hIiH- 
t i g e n s. 

"archlis'tioh , adj., malignu», sluw , ai^^rlitj- 
tig, V. d. M. Myn Suchten, 9. — Sa arch- 
list ieh, net?kry t for moal forkeapje. 

argremint', n. argnmentr bewijsmiddel. — 
Mei in hiele boel argeminten, wier 
en net wier, kaem er op *t appel. 
mar hy swikte it er óf, hy rekke wol 
Iri]. 

argewaes'Je , s. taeâium, dclor, hinder, 
verdriet , hartzeer , ergernis. — Asjimme 
f en dy tsjierderü onder jimme as 
b roeren awyd hiene, wier jimme 
alde heit iu bulte arg^ewaetje bi^ 



ARG. 



59 



ART. 



irre bleann. Ook: ergewaesje, z.(l. 
rsBwear'Je (<lït meent), afirgewearje, 
Iwanwirgven , onophoudelijk tegen spreken . 
BerB. hâld op feu argewearjen 
in in-oar. 't wirdt oars bargebiten. 
R. ind T.*. 2966. Ook: iggewearje en 
t»wearje. — Vgl. txjinargetcearje. 

I , a r i c h h e i t , a r i g e n s. Zie iter- 
h, enz. 

n. omne inAtrumentum^ tuig, gereed- 
ap van timmer- en handwerkslieden, veld- 
eiderx , enz., in 't algemeen waarmede iets 
laan , verricht of gemaakt wordt , in den 
hreidsten zin. I/ex. 117. — Ik se il 
n ark hel je. — Goed ark is 't heale 
rk. — 't Ark moat nei de man 
ze, ook: geen groot gereedschap in kin- 
iumden. — Bj minne reed riders en 
offelders yn 't wirk skeelt it al- 
li oan *t ark. — Myn ark is stikken, 
n jichaatKen. - - Vgl. G. .1. I, 82. 
kleer bei)aald bjj veldgereedschap: de sclioj) 
iqKide. Krij my 't ark ris. — Hand- 
rkislai hebben ridskip, ook re au, z. d. 
>awen in de huishouding: reau, rcMl- 
ng. Hpil, z. d. — Ark ook algemeen : 
^. Matten, flierkleden en sok ark 
ene ï*e net yn dy o e raid e tiid. K. 
T.*. 26a. Hiervoor wordt meer rêd- 
:ig gebruikt. — \f^\. arbeiders-, fisk-y rimr-, 
'-. ".W-, iikritur-, Hmoker9'y Hjnjlark. 
irke, s. naririda, een vaartuig geheel 
T woning ingericht. Veelal een pnuim 
AT een houten hut op getimmerd is. Af- 
Unkte trekwhuiten dienen er ook wel voor. 
uk ligt 't in een droge sloot, op of (tegen) 
Und: 't lekt wel eens wat. Lex. 118. -- 
*i dy âld arke scil er yet forsûpe. 
I. 118. — Noachs arke, de ark van 
ai-h. — Dy guds — , dat brea het 
i f al mei N o a c h y n 'e arke west. 
ei yn Noachs arke west). — Ook: 
■-♦'t is dat der in Noachs arke by 
oi'rd. een huis vol kinderen met een heele 
uiJag. - Ook a r k- of w e n s k i ]) genoemd. 
fiomurtila ratiura y bouwvallige woning, 
r scil dy arke noch op 'e holle 
ije. dat huis zal nog boven zijn hoofd 
torten. Vgl. âldbraky stieHbnity fabrijk. 
ftricefoL Zie op abbegaezje. 
ftriceUue, pi. arkelieden, die in eene 
ke wonen. Ook: skipkeljuc. 



arkexnan , m. })ewoner van een *ark'. 

arkenier (oostelijk meer), n. Zie harke- 
ui el. 

arkje, dem. n. werktuigje. - In han- 
sum. in njjsgjirrich arkje. 

arklatten, pi. latten om het 'ark', meeöt 
het '1 â n - a r k' op te leggen. 

arkskip, n. woningvaartuig. Zie orke, 

arksljrpje, v. ijzeren gereedschap scheq>en 
oj) den slijpsteen. Meest in den inf. - - By 
't a r k s 1 y p j e n ha 'k in n e i I f o r 1 e r n. 

arksouder . (in de Wouden vooral), s. zol- 
dertje van latten of plankjes tot berging 
van gereedschappen ; boven do 'onderste' 
koestal : of ook boven de 't e 1 1 e g o n g" (z. d.); 
of in den hoek van de schuur bjj de groote 
deuren. 

'^arkwytnisse , s. werktuigkunde. H. S., 
ld. IX, 16. 

armé', s. furha , ca/rrra. schaar. — Nyn- 
k e - e n - h j a r kamen m e i d e h i e 1 e a r- 
më (al haar kinderen, enz.) oansetten. 
Ook: werkvolk. De keppelbaes (z. d.) 
k a e m mei s v n h i e 1 e a r m (ï om de 
acht e to wjudden. 

aronskelk, s. Amw maruhttnm, bolplant; 
de stengel schiet een witte kolk met gelen 
stanii>er uit. 

a'ronstêf , s. rerhaxcuu» , aäronstaf , ko- 
ningskaars; toortsplant mot gele bloempjes 
rondom een hoogopschiotenden stengel, veel 
groeiend bij kloino huisjes on hoidohutten in 
de Wouden. |Vgl. Num. XVII, S). 

arre, s. de letter r. Jiorb. 1H84, 4. 

arre, roepnaam voor haas. Zie ar. 

arre , interj. eh\ - A r r o , h w e t s i t d é r 
yn dat turfmot*.'* Harrojakkis, kat- 
te k 1 e m e i. 

ar'rebarre, Zh. eg. ria>/im, ooievaar. Zie 
earreharre. 

arreTïarre , Tiotj. intorj. van afkeer. - - 
Arrebarre, hwet in stank. 

arrebarrebroadtsjes Dokkum , pi. 
vnichtjes van een soort lisch. Klders ea r re- 
bar rebrea. 

arrejak'kis, interj. Zie harrejakkes. 

arrest', s. arrest. - Yn arrest nim- 
m e , h â 1 «1 o, s i 1 1 e. - 1 k h i e a r r ê s t f e n 
'e dokter, ik mocht net biitendoar. 

arspylje. v. 'ar' spelen. Zie ar. 

arti'kel, n. artikel. Hofolle arti- 
kel « b i u n e der y n d y we t V Vgl, 



APK. 



m 



APK. 



"Warret gjin rottige apel. — Der 
komt in skip mei sûre apels oan, 
er is een regenbui in aantocht. Ook van 
kinderen als ze gaan huilen. — N i m m e n 
wol yn dy au re apel bit e, die moeilijke 
taak op zich nemen. — Hosmakketdy 
8 Û r e apel? de berisping. — U t i n s û r e 
apel bite, van den nood een deugd ma- 
ken. — De m o a i s t e apels y n 't f i n- 
sterbank lizze, zich op zijn voordeeligst 
voordoen. — Prov. Dy 't apels f art dy 
't apels yt, de kok voorziet zich in de 
keuken. - - Prov. De m o a i s t e apels 
binne faek yn 't hert forrotte. — 
— S o k k e apels bi n n e 't m o a i s t a s h j a 
plôkke binne, vooral na bevallingen als 
't kind geboren is. — A p e 1 s , s e i d e f a e m, 
en 't wieme p a r r e n. Oud zegje , als 
men last heeft van oprisjnngen. 

— In hynzer mei moaije apels, 
een fraai appelgrauw paard. Lex. 605. Ook 
a p ]) e 1 p 1 a k j e s. Zie npelje. Vgl. anjelier- ^ 
hrnmhoaA^f girtt-y izer-j kahvijn-, oalje-, oranje-, 
par- , rinkje- , roflx- , ruk- , Mines- , sitroen- , 
Hon-y sukerappel ; simmer-j uinterappel; kern- 
appel ; hus' , haft' , pot- , amotHappel ; kyk- , 
fthitapjH'l ; (lin- j Uk-, inketappel ; ier*-f pys-j 
^aei'ierappel ; eachappel ; Apylappel. 

In samenstelling, waar men aan 't meerv. 
denkt, vrjj algemeen apel-; oostelijk meest 
appel-, -appel. In Wdongenll. , in 't 
Westen en in de Wouden , vooral van ou- 
deren nog apel-, -apel. 

Wat als het meest algemeen opgemerkt 
is, stiiat in de volgende het eerst. 

apelachtich, adj. naar appels (riekend, 
amakend . . .). 'k W i t net, dat s m a k- 
ket, rukt sa apelachtich. 

— houdend van appels. Stek dy beide 
apels b y d y T r y n ! N t», ra o i k e Î i k b i n 
net sa apelachtich, houd niet van ap- 
pels. Ook apelich. Zie -achfich. 

apelän, n. apenland. — Ik siz wol 
ris: d y jonge m o a t n e i 't a p e 1 â n , 
h y b a u t alles n e i. -H y komt a Ih i el 
ut 't apelân lî Der sk roei de er swart 
troeh sinnebran. -- uit Indië of Afrika, 
uit den vreemde. 

Land , oonl , hoek , waar men zich niet 
thuis gevoelt , waar alles slechter is dan 
thuis. — Ik ha nei Roanster (Hhoden , 
Drente) merk e west, mar der yn dy 



heide, der wier 't in a p e 1 â n. — Ook 
a p e- en b e a r e 1 â n. 

Ameland wordt in den Noh. ook schim- 
pend It apelân genoemd. 

Denkbeeldig land, waar de apen als men- 
schen samenleven, door schrijvers verzonnen 
voor satires op de menschenmaat^îchappij. — 
Brieven út it apelan, ld. 1,5. Vgl. ld. 
I, 'IH. — As jimme hjir komd binne 
om lis de hals fol to lig en, moasten 
jimme mar yn 't apelan bleaun wêze 
(ha). R. ind T.\ XXII*. 

apel(appel)dief, eg. -druije, v., -far- 
r e , V. , -j i e r , n. , -k e a p m a n , -koer. Zie 
de Enkelwoorden. 

apel(appel)hoal, n. bergplaats van ap- 
pels, die door kinderen of meiden worden 
weggestopt. Vooral in 't hooi, om daar door 't 
broeien rjjp te worden. Ook gielhoerde, 
z. d. Vgl. het volgende: 

apel(appel)hoerde , s. hordeum po- 
mor um , verholen bewaarplaats van appels 
in 't algemeen. Lex. 108. ïn 't bizonder: 
In ouderwetsche huizen de ruimte achter 
den haard, ook wel achter de kast, spy^s- 
k e a m e r , tusschen de 'f o e t s k u d d e n' der 
bedsteden. Ook apelhoal. 

(oorspronkelijk een 'hoerde', (z. d.), waar- 
op de appels voorzichtig naast (niet op) el- 
kaar worden gelegd, om ze voor drukking 
en daardoor voor spoedig rotten te vrjj waren. 
Te Bergum en elders nu ook nog wel in 
gebruik. 

apel(appel)hûl , -hul, s. lederachtig 
omhulsel (deel van het klokhuis), waarin 
de pitten besloten zyn. — Folie Ijue, 
f o ar al lytse bern, kokhal zje fen 
apelhûlen. 

apelich, zie apelachtich. 

apelje, v. — Mem mei 'k in apel? 
Né heite, it apelt hjoed net. —Jim- 
me ha ek apels hawn! Ja, it apelt 
sa hwet, men krygt ze niet. Vgl. op -Je, 

apeljeafde, s. apeliefde. Yens bern 
troch al to greate weakens en to- 
folie tajaen bi dj er re: dat is ape- 
1 j e af de. 

apelklokhús, n. 't binnenste van den 
appel. Meest klokhiis, s. d. 

apelófhimxne, v., -p 1 o a i t s j e, ▼., -rook, 
s., -sek, s. , -siikje, v. , -skifte, v. , 
i -skyl, s., -skile, v., -skip, n., «skip- 



APE. 



53 



APPE. 



per, m. -rinüet v. , -Htaltsje, n. , -ta- 
meitsje, v. , -stelle, v., -tuch.n. Zie de 
Eiikelwoortlen. 
apelpankoek. Zie appehfrou. 

apelrâp , s. tortrix pomeUa , appelnips. 
apelülcylcler , a. instrument om appel» 
te whillen. — In a m e r i k a e n s e a p e 1- 
^ k V 1 tl e r. 

apel(appel)8mot8, n. Hd. Apfelbrei, ap- 
pelmoes. — Wyld apelsmots biwtiet 
út moal, yettich, wetter en sjerp 
nei smaek. Hûs-Hiem 1889, 267. — It is 
apelsmots! 't is laria! kool! — Dat is 
my sa'n apelsmots, sul, onnoozel bloed- 
je! alleen van vrouwen j^ezej^l. -- Lex. 109. 
H a z z e en e i n e f û j? e 1 mei a p p e 1 s m o t s. 
apelsmotske, n. — Och. hwet bist 
in Ijeafapelsmotske! een moeder lief- 
kozend te>2ren haar mollig kind. 

apel(appel)80Uder , s. zolder waar men 
appels wegbergt, eig. een gedeelte van 
een zolder , iets lager gelegen dan 't overige 
ilaan'an : daardoor min of meer verborgen. 
* >ok wel eens in 't zolderkamertje. 
apeltiid , s. t{jd, dat de appelen rijp zijn. 
apenuten, pi. vrucht van de Arachus 
^9l*^y^f r aardnoten. Leeuw, s a u s k e s , 
nausmangels. Elders in de steden ook 
a p e n e u t e n. 

apepoaty s. apepoot. - Hwetscoestou 
mei d y n a p e p o a t . d o u k i n s t o m- 
ni»*rs net ienris by de Ij ed der op- 
kom m e , bitter zeggen tegen een horrei voet. 
apepraet, n. zotteklap. Hettema, Rym- 
kes, 144. 

aper^ , h. opinea , gekheid, 't 1 s a 1- 
legearre aperjj, hjar si z zen; dou 
mast der net op bon we. — Aperij, 
t»ars neat is 't libben f en sa'n pear- 
k V. O. St. , Giet it sa ? 

i >ok dwaze navolgingzucht. — De m o a d e 
i ^ in hele a p e r y. — W y p r a t e y n 'e 
h Û Î1 a 1 1 i t e n f ry sk, lis bern sizze 
heit en mem, en ha frvske nam men. 
gjin apery. — Vgl. ueiaperij, 

aperolc, s. Fra. habU noir , (staart)rok: 
Hy drocchinaperok fenmoai lek- 
ken, fine side of in care dj ure plok. 
Uettema. Rymkes, 14. 

apero^e , n. iron. korte kinder-onderrok. 
— In read aperokje. R. ind T.*, 113*. 
ry 8. dwaze , ondoordachte trek , 



meest van iemand, die beter kon. — J e 1 k e 
het altiten fen dy apesetten, mar 
it moat ek wol: great sonde r for- 
stcin. — Yen de stoel onder 't gat 
wei to lûken is bydyinheleape- 
set. Vgl. poepeset. 

apesmoel, s. apegezicht. Enkel ook: 
a p e b a k k e s , -t r o a n j e , meestal : 

apesnute , s. apegezicht. — S y n a p e- 
s n Ú t s t i e k er t a 't s k ii f r a m t út. 

apespil, -spul, n. apenspel, kermis- 
ten t waarin men apen kunsten laat vertoo- 
nen. Ook : h o u n e- en apespil. 

Overdr. gekheid, zotternij, een gekke zaak, 
bespottelijke geschiedenis. — It is in ape- 
spil, nou b i n n e w y o m m e r s y e t 1 i k e 
fier as do 't wybigounen. — Mei 
Sapeboer en de faem is 't in ape- 
spil; lesten het er hjar mei de lil- 
ke kopdedoariitjage; nouscil er 
mei hjar trouwe. 

apetroanje, s. apengezicht, apentronie. 
— Do 't de bern dy a])etroanje fen 
'e t o V e r 1 a n t e a r 11 e op dat w i t e 1 e k- 
k e n kamen t o s j e ii , f 1 e a g e n se a 1 1 e - 
ge ar re út 'e tsj uster e keam er wei. 
apke, dem. n. aimla piixilla, aapje. Een kind 
dat aïles begint na te doen , noemt men met 
welgevallen in lyts apke. Ook atpke, 

X aardappel. -- S c i 1 d e b o i e k i n a p k e 
mei ite? — Hja scil in apke fen 
mem ha. 

aport', interj. Fra. appoftt'. — Aport, 
B ij k e Î aport. 

apos'tel, m. apostohiH, apostel; in 't al- 
gemeen bijzonder persoon, knaap, kerel. -- 
In rouwe apostel, een ruwe onbeschaaf- 
de vent. — In nuvere, in rare apos- 
tel, een zonderlinge kerel. Lex. 109. 

Van kinderen. Ja, 't s e i t hwet, a s d e r 
s af olie lyts e apostels binne, om 
der den noch hwet fa tsoenlik lans 
to kommen. Woelige apostels bin- 
ne d y bern. 

V'an leerlingen. Der kom m e m y n 
apostels w e r o a n , s e i m a s t e r. 

apostel'wein , s. in : Op 'e a p o s t e 1- 
w e i n , te voet , r e i s g j e. Vgl. hihvnn. 

tappe, eg. Himia j aap. G. J. Lex. 109. 
— Nog over in: Hy hat syn appe wol 
luze, zijn goeden naam wel gered. Vgl. 
tttalapjte. Zie aip. 



AVVK. 



54 



APPE. 



*appebret, n. aponj?ebro«Ml. Stant- 
frieHnc tsjirls . . . ^rnwlet it heal- 
slacht' appobri't. Hoolos (18*24) op(t.J. 

appekrifen, pi. de aijocriefe boeken in 
«len Hijbel . tejjrenover de canonieke. 

appel', n. appèl Ik smyt it yn a p- 
]» e 1 , s e i <1 e <i^ li t , ni i n d e r a m n o n k i n 
't doch n et. 

( )ok bij de soldaten : appel b 1 i e z e , 
Il â 1de, s 1 a e n m e i d o t r o ni ni e . appèl 
blazen, honden, slaan. Mids yn V nacht 
s c o e d er appel b 1 i e s d w i r d e ! 

Ook: nioarns ier oj» 't appel wêze, 
vroejr bij zijn werk. 

ap'pel, Zwh. en in sanienstellinj?. appel, 
/ie apel. 

ap'pel d a e 1 d e r , s. , -h ô f, n. , -p 1 o k j e . 
V., -r e p j p , V. , -t e p p e , v. , -w y n , s. Zie 
de Knkel woorden. 

appelbeaxn, s. mahts^ appelboom. 

appelbeaxnke, dem. n. appelboompje, 
jon^e of kleine appelboom. jd. appel- 

b c a m k e s . fij^. leu<»enachti^e praatjes. Lex. 
108. Vjrl. K. ind. T.', 89H*. 

appelbeamshout, n. hout van den ap- 
pelboom. 

appelbloeisel, n. collect., de prezamen- 
lijke bloesems van den appelboom. Vooral 
de (afgevallen) bloesemblaadjes. — It is al- 
legearre appelbloeisel op it paed. 

appel (apel)boar, s. l^oor om klokhui- 
zen te verwijderen uit appels . welke heel 
gekookt of gedroogd worden. 

appelbloessem (spr. -blûossem) , -blos- 
sein , s. aj)i>elbloesem. 

Ook de kleur van dien bloe«em. In moai 
jongfaem mei appelblossem yn 'e 
wang e n. 

Ken naar 't roodbruin of rozerood overhel - 
lendt» paarschkleur, waarmee huizen van bin- 
nen wel worden geschilderd. Ook a j) p e 1- 
b 1 o e i s e 1 f e r w e of kleur. — 1 > v k e a- 
m e r is a p ]» e 1 )> 1 o e s s e m y n 'e f e r w e , 
en mei blauwe rantsjes Ofset (zoo 
meestal». Zie Moi'SMem. 

appelbol , s. api)clbeignet , oliebol met 
een sclijjljc appel er in gebakken. 

appelbrU . s. appelbrjj, schijQes van zure, 
ook wel van zoete appels in water, waarin 
onder sterk roeren mcM'l . ook wel gort wordt 
gekookt en na voldoend koken met stroo]» 
gegeten. 



appelear'Je, v. tegenspreken, ook in 
beroep komen. — • De dief wie net to- 
f r (» d e n mei s y n f o n n i s . li v w o e 
appellearje. — Hy appel Ie ar re op 
'e Deputearden mei syn hoofd el ik e 
omslach. Ook abbelearje. Vgl. isjin- 
appeharji'. 

appel(apel)-en-bóre , s. k n. appels 
gekookt met sneden wittebrood, boter, sui- 
ker of stroo)) : lekkernij t^n platten landt» en 
hier en daar in de steden. Men heeft s fi r 
en s w i e t a p p e 1 - e n - b ô 1 e. 

appel(apel)-en-bóle-bekje,n.lief mond- 
je, meest van een kind of meisje. 

appelflaute, s. lichte of geveinsde be- 
zwijming. Syts wier noait sa gau wer 
t a h j a r s e 1 s k a e m. as do 't h j a r ma n, 
hjar yn pleats f en mei yettik, mei 
levertraen om 'eaniitwreau. Do kri- 
ge er 't f o ar 't forst an, dat it mar 
in appelflaute wier. 

appelft*etter , eg. CWcothraustm ruit/a- 
ris, Pall. ai)pelvink. Vóór eenige jaren al« 
doortrekkende hier gezien, als wanneer zj 
op de rjjpe appels aanvielen , om de pitt-en 
te bemachtigen. Van daar den naam hun 
toen gegeven. 

appelgrau, adj. appelgrauw, -gryH. — 1 n 
a p p e 1 g r a u h y n d e r. 

appel(apel)£rûd , n. spys var. of met 
appelen toebereid. Trge soarten fen 
grienten en appelgfid. R. ind T.*, 
268*. 

Ook appelen in 't algemeen. Der is fen 
'tjier in bult e, in bytsje appelgnd. 

ap'pelje, a'pelje, v. RngJ. todapple, van 
welvarendheid glanzig en geplekt; meest 
van een paard. It hynzerappeltfen 
fettens. Lex. 109. 

Ook van kinderen. Hwet ha jy dor in 
Ijeaven, b Heren jonge yn 'e widxe 
lizzen; hy lak et my glêd oan, hy 
appelt glêd en het dobkes yn 'e 
wangen. R. ind T.*, 328\ 

appelke, n. appeltje, oogappel. -- De 
appelkes fen hjar brune eagen, R. 
ind T.*, 289'. - Zie appeUsje. 

appelkoekjes, pi. koekjes waarin ap- 
pels worden gebakken, ook te bekomen bg 
banketbakkers, (lebraikeiyk vooral op hoog- 
tijden en nieuwjiuir. 

appeI(apel)kost, s. appelspgs ran al- 



APPE. 



O') 



APH. 



lerifi a-inl. Ik b i n J? j i n man f o n a p p e 1- 
k •> it . mar iii y n w ii f is der h j i t o p. 

appel(apel)krûdt8je , n. appelpitje. Zie 
*appelkradtqje£:eur , s. geur als van 

up|»elpitten. W. 1>. , Wintergr.. 145. 

appelmantQJe , n. in : 1 1 a )) p e 1 m a n- 
l'*je komt om synjild, van kinderen die 
/ifk wonleii door het te veel appels eten. 
\>1. Lwpiela 1898, 25. 

appelxnerky s. ap])elniarkt. Ook a])pel- 
I»riis. Ho stiet de a p p e 1 ni e r k ? — Ook 
rrn plein, streek te Holnward en te Makkum. 

appelpent , Hl. s. appelmoes. 

appel(apel)plakjes , pi. appel vlekjes 

v'p »^n paanl. Ook appelschiifje. dan meest 
apel-. 

appel(apel)pot8trou, s. meel en schijf- 
je. app»d in melk . stijf gekookt. Met ge- 
smolten boter en stroop gegeten. 

appelprodze, Hl. apj)elmoes. met meel 
«»f sago aangemi*ngd. 

appelsyn , stadfr.. Makkum c.a.. s. malnm 
im'^ntiuM f sinaasappel. Zie siiu'soppel. 

appelBkimmel , eg. Hd. Apfehchimmel ^ 
•iMi^lgTiiiiw paanl. 

appel(apel)8kodder , m. die appels 

■«•hudt. I)er is gjin b e 1 1 e r appel- 
• k»id«li»r as Mi ent: hy fljocht yn 'e 
'•••iini op en om as in aep. 

Bij e«»n hevige vlaag . als de boomen vol 
ïittt'n , h»M.»t 't ook : n o u , dat i s i n a p- 
p»*NkodderÏ 

appel(apel)8kod«]e , v. -s u t e 1 d e r , 

Ri.. -'*utelje, V. Zie de Knkel woorden. 

appel(ap6l)8trou , s. appel struif, pau- 
nHk«>»»k met sehijfjes (zure) appel er in ge- 
iakkt'n. Klders ook a pel pan koek. 

appeltrûty -trut , f. sloof van een vrouw. 

l»ou biste my sa'n appel trut, als 

♦^n kiml de boodschap heelemaal verkeerd 

•Ii-hJ. Molkw. Zie tniinje. 

appeltqje , dem. n. appeltje. — 1 k h a b 

in appeltsje mei Tsjalle to skilen. 

l«^r komt er sa netou. een onaange- 

j »ni»* zaak met hem af te doen, een verschil 

i\*'X hem te vereftV»nen. Vgl. knap-appvUnje. 

*fc>k term bij het tipelspel in gebruik. 

•rnstr. van Bergiim. Zie tlpflje. 

*appetyt\ s. Frd. apetit, eetlust. - De 

ref**8ter freire mv ho 't mei mvn 

ppetyt wier? Wel, raan, «oi 'k, ik 



yt net, mar ik fret. R. in<l T.^ noot. 
ap'plich , apelich , adj. geappcld , van 
vee, paardtMi vooral. Als paard»'n 't gotMl heb- 
ben , dan vormen , vooral zichtbaar als de 
zon er op schijnt, zich in 't haar ronde plek- 
ken, 'a p )> e 1 p 1 a k j e s'. Westvl. k o e k e d e 
p eerden. - Jou hynsders habbe 't 
wis best; h ja b i n n e s a a j) p 1 i c h ! — 
Dit stomme en applich wyld, H. P., 
As jinime, 2ï>. 

Ook van kinderen. Dat bern is ajx^- 
lich feu fettens. Vgl. het voorbeeM bij 
appcfji'. 

apprekoas', s. abrikoos. Zie ahn'k'oa.s. 
april', aprul', (dit laat^ste van ouderen 
nog veel gebruikt), s. Apn'h's , April. Ook 
g ê r s m o a n n e , grasmaand. — Wy h a 
f en 't jier in heislike droeg e april. 
Lex. 110. — As A j) r i 1 b 1 i e s t op 'e 
hoarn; ij D e n s t i e t i t goed for h e a 
e n k o a r n. Oud zegje. — 1 m m e n f o r 
April h a w w e , voor i]i\n gek houden. 1 k 
ha de faem feu 'e nioarn for Aj^ril 
hawn. Ikenbeam. stean stil, II 

i t is y e t gjin A j) r i l , I ik kin ni y 
noch forhiere '\ oan hwa 't ik wil. 
Oud zegje. 

aprils(apruls)bm , s. ongedurig aprils- 
weer. - D e a prul s h u ij e n s ]> o e k j <' m y n 
w i i f y n 'e kop: d e r ni o a t h ii s h i m- 
m e 1 e w i r d e. 

a pr i Is' 1) u i k es, deni. pi. aj)rilbui- 
tjes, veranderlijke vrouwenluinien of -lusten. 
Lex. 111. — De breid liet al hwet 
trientsjes rol je, mar, lyk as a[>rils- 
buikes, wie 't ga u w er oer, en hja 
g 1 i m k e w er. — 1 n p »' a r a j) r u 1 s b u i- 
k e s , y n 'e k e n y n t s j (mI a g e n , f o a r t 
nei 't trouwen, dat heart er sa by: 
der folget in grien e Maeije oj». 
april(s)briefke , n. a])rilsbriefj(? , dat op 

I April iemand op den rug gehecht wordt 
om hem t(Mi spot van ieder te laten loopen. 
Lex. 111. 

april'-for-de-gek, april'-f or-gek ! Fra. 
poissou (Vavril y het woord dat men iemand 
toeroept als men hem op 1 April gefopt heeft. 
Aprilforgek! |' hy sit yn 'e saltsek, 

II hy sit yn 'e falie, IJ en kriget nin 
proni-en - bol 1 e. 

April -for-de-gek, |j dy mei gjin 
spek, i; hy kin gjin bol e bit e, 



APK. 



56 



AR. 



h w e t 111 o a t d y ^ e k d a n i t e ? oud 'rel- 
letje*. -- Hl. a i> r i 1 f o r f^ e k Î 1' h i iii i e n t 
it jit ek. — Vgl. fonjek. 

april8£:ik, -gek, c<?. Engl. april- f ooi , 
aprilsgek , die zich Iaat foppen, door zich op 

I Ai>ril 0111 een onmogelijke of beHpottelijke 
boodschap te laten zenden: ^oiu nille- 
smoar, foa r kesmoar, om in gropjie- 
dweil, in golskjirre (dingen die niet 
bestaan) ; — of met een kruiwagen om in 
* w o a r .^ t h o a r n ; of met 2 *b o a r n a m e r s' 
om 'for 'n sint most er*. Lex. 110, 111. 

april(s)£:rap , s. aprilsgrap. 

aprilmoanne , s. april. - Wy ha feu 
't j i e r in m o a ij e aprilmoanne h a w n. 

april8''waer, s. aprilweer, zeer afwisse- 
lend . onbestendig weer, zooals menigmaal in 
April. In de Wouden (Tietj.) is dit m a er- 
te w a e r ; daar zegt men , als men in Ja- 
nujiri of Februari een mooieu dag heeft : 
't Is s u V e r a p r i 1 s w a e r , sa m o a i. 

Hy folie troude Ijue is it in so ar- 
te f en a prils waer, ytlike Ijeave 
sim merda gen nei eltsjoar, en den 
w e r heil en s n i e , t o n g e r en w e a r- 
Ijocht en stoarm der op. R. iiid T.' 
287". 

— A p r i 1 s w a e r en h e a r e g i n a t b i n- 

II e net t o b i t r o u w e n. Vgl. H. S. , 
Teltsjes, 39. 

apsint', adv. afwezig, in gebreke. Zie 
ahsifit. 

apslút', adv. volstrekt. Zie ahshU. 
apstoan'Je (humt in 't Westen), apstún'- 

je , s. (ipostemii j apHtennie , ettergezwel , 
zweer, verzwering. Lex.ll 1. Ook o p s t o a n j e. 

apteek', n, k s. upotheca , ai>otheek. — 
V 11 't a p t e e k s t e a n , apotheker wezen , 
als apotheker helpen. — I's heit het de 
h i ♦' 1 e a p t e e k al t r o c h w est, alle mo- 
gelijke geneesmiddelen gebruikt , en nog 
geen baat. 

Men komt d ê r y n *t a p t e e k , in dien 
winkel, bij dien man is alles peperduur. — By 
ïS a s k e m o a i is a 1 1 y d in hele a p t e e k 
op *e taf<'l, ze laat uit slordigheid allerlei 
eet- en drinkgerei op de tafel staan. 

apteek'Je, v. aiiothekerswerk doen. 
I ) o k t e r i s o a n *t a j) t e e k j e n. U s 

.lantsje wennet nou al saun iier bv 
Dokters: h,j a kin nou e k al h w a t 
feu 't apteekjen. 



^apteekjiffer, f. vrouwelijke apoth<»kers- 
bediende. 

apte'ker, m. apotheker. — Dy 't gjin 
kans s j u c h t om d o k t e r t o w i r d e n . 
kin altyd noch as apteker klear 
komme. — Vgl. W. D., Skearb. 77, 85, <j<l. 
R, iiid T.^ 92'. — Hy is «els apteker, 
hy het it for in kromke, van een kiis- 
telein die zelf drinkt. 

apteker^' , 8. pharmacia, het apothekenj- 
vak. - De aptekery giet er net op 
foar lit. 

apte'kerje, v. het ai>othekersvak uit- 
oefenen. — Ook: de drankjes en pillen ge- 
reed maken. 

aptekersboek , n. boekwerk over de 
artsenijmengkunde. — Hy wist for *n ho- 
pen kwalen rie: hy hie sa 'n ald 
aptekersboek, der sneupte er<len 
yn om. 

aptekersf eint y m. apothekersbediende , 
ook de loopknecht. 

aptekersgrûd , n. geneesmiddelen uit de 
ai)otheek. — Dokters- en aptekersgud. 
In de volkstaal meest: gûd lit 't apteek. 

aptekers-JoxxfiTO > n^» apothekernjongen. 
^aptekerskas , apteekskas, h. apo- 

theekkast. 

apte'kerske, f. vrouw van den apothe- 
ker. In haar afwezigheid by de landlieden 
nog wel zoo genoemd. — üs domenys 
Hike wirdt nou aptekerske. Och 
hea, ek al yn 't apteek? Ja, hja *<cil 
to- min sten trouwe mei in apteker. 

^aptekerskinst, s. art«enymengknnde. 

aptekersrekken , s. apothekerRreke- 
ning. — In aptekersrekken is for 
sljochtwei minsken onlêsber — op 
't einsifer nei: dat stiet altyd goed 
d li d 1 i k. 

ar, arre, de letter r. Lex. 111. Nu meer 
er. - As der g j i n ar (ook er) y n *e 
moanne is (dus in Mei, Juni, Juli en 
Augustus) is de skylfi8k(kabbeljou, 
en oare rounfisk) op 't minst. — Dt 
mirdefelien binne, aa erninaryii 
'e moanne is, omtrint neat wirdicli 

ar, arre, interj. als iemand, op de lungt 
jacht, een haas merkt, roept hg: arre 
arre, arre! Ook: harre, b. d, 

ar , s. jongenssi>el te Makkum, waarby een 
als de haas, door de anderen, de honden 



AKB. 



57 



ARIJ. 



T^rrolgd wortlt; — ars py Ij o, dit spel spe- 
len. Lex. III. Zie hazze. 

arlieidy arrebeid (ook in de sauienstell. 
Wouden) s. //ï/wr, arbeid, werk, Lex. 11'). - 
Wy m o at te moarnier bytiid oan 'e 
arbeid, morj^enochtend vroej? aan 't werk. 
— Dat is nin arbeid, f^een betamelijke 
manier van doen. 1 1 is in droevige ar- 
beid mei d y o n d o g e n s e b e r n , ondeii- 
^nde kinderen veroorzaken tien ouders veel 
moeite en verdriet. Lex. 114. 

arl>eider, arrebeider, m. operarius 

rHittirnif , veldarbeider. Lex. 116. — F Ast e 
arbeiders, die 't heele jaar door vast bij 
den l>oer in dienst zjjn en losse arbei- 
ders, die nn h\] dezen , en dan bij een 
ander werken , en 's winters vaak werkeloos 
qjn. — Jan (i e a r t s h a t t w a f ê s t e a r- 
beiders, mar simmers yn 't drokst 
fen *e tiid, het er wol ris in stik of 
t!*ien mear. Vgl. borrearbnder, — H y r i n t 
a** in arbeider, armoedig in de kleeren. 
- Ovenlr. werkpaard. Zie arheidersh yuMlor . 

arbeiders-aohticli , adj. op zijn arbei- 
ders». — 1 1 wier der y n 'e h û s mar a r- 
beidersaohtich, mar tigeknaj). — 
In mast er kin dochs net sa arbei- 
dersachti(*h rinne, mei in lap e oer 
e k n i b b e 1. 

arbeiders-ark, n. veldarbeiders, aarde- 
werkers-gereedschap. 

arbeidersbealoh , n. arbeiderslichaam, 
't 1 H lang n i n H 1 o p - e n - 1 a e i , m a r h y 
hat in tic h te arbeidersbealch. 

arbeider8bem,n., -d o e h t e r. f., -f a n k e, 
n..-j o n ge ,,ni ..-soa n.m. Zie de Knkelwoorden. 

arbeider8deihier,s. arbeidersdagloon. — 
dem. arbeidersdeihierke. 

arbeidensfolk, n. werkvolk, de werkende 
«•tand. Op it nut komt elk-en-ien: 
bo«?r en boarger en arbeid er s folk. 
Mi»k: arbeidsfolk. Lex. lló. 

arbeidersftemmisk , f. vrouw of meisje 

uit de werkmansklasse. — pi. a r b e i d e r s- 
froulj ue. 

arbeidershyxisder, n. werkpaard bij den 
lN>er. Roel het seis arbeidershvns- 
«Iers en ien rydhynsder. Veelal alleen 
'arbeider'. D o u w e , don m o a s t de 
arbeider hjoed mar ris yn sla en. 
Ygl. trirkhifHffder. -- Ook de vlasbraak. 
Zie htfn9der. 



arbeidershûs, s., -hüske, dem. n. werk- 
manswoning, vooral op het veld. — In klon- 
tsje as in arbeidersh ns, --klontjes 
as a r b e i d e r s h li s k e s , groote dus. Lex. 
116.- Der hest wcr in fjûr oan as in 
arbeidershiiske. II. 8., Alm. 12M860. 
Vgl. stoel. 

arbeiderskeaxner , s. arbeiderswoning 
alleen uit één kamer bestaande, meesttijds 
met een gang of voorhuis of achterhuis ; een 
gedeelte van een huis. — Wy koene dit 
g r e a t e h û s sa dochs net f o r h i e r e , 
d O r o m ha w y e r m a r a r b e i d e r h k e a- 
mers fen makke. 

arbeidersklean , pi. werkpakje. — S i b e 
wennet op 'e r o m t e : as er n e t n e i 
tsjerke giet, rint er faek in hielo 
s n e i n mar y n s y n a r b e i d e r s k 1 e a u. 
Zie arbeiders pakje. 

arbeiders-ljue , pi. lieden uit den wer- 
kenden stand. Vgl. Lésb., 18H. — Dy win- 
kel hat de klandyzje me ast fen 'e 
a r b e i d e r s 1 j u e. — \ r b e i d e r s 1 j u e 
k o m m e j a m k net f o 11 e fen 'e w r â 1 d 
to sjen. — It is for arbeidersljue 
m e a s t in hele piel om t r o c h 'e tiid 
t o kom m e n. 

arbeiders-man, n. een man uit den stand 
der werklieden. Lex. 115. (iewoonlyk die 
zijn kost op 't land verdient. — In ar bei- 
der sman dy 't eigen brea yt, is ri- 
k e r as i n b o e r , d y 't 1 i b b e t op k r e- 
d V t. — In flink a r b e i d e r s m a n hoeft 
noch g j in g e 1 e a r d e t o wezen! — Ook 
a rbeid sm a n. 

arbeiders-minsken , })I. menschen uit 
den stand der werklieden. Lex. 116. Ge- 
woonlijk landwerkvolk. — Syn alden 
wieme m ar g e w o a n e arbeiders- 
m i n s k e n , m ar h y is nou s k o a I m a s- 
ter to A.Î --- Arbeid ers m in sken , 
h i m m el en skiën, m o a t n i m m e n 
1 e e c h 1 i z z e. - W y b i n n e arbeider s- 
m i n s k e n . m a r w v s t e a n k r e k t sa 
goed op ÚS care as de greaten. - 
Ook : a r b e i d s ni i n s k e n , z. d. 

arbeiders-pakje, n. rest es opera rü, werk- 
pak van den arbeider. Halb. Wl. Lap. -- 
In a r b e i d e r s p a k j e h o e c h t n e t j i m- 
m er s m o a r c h e n s t i k k e n t o w ê z e n. 
Vooral ook a r b e i d e r s k I e a n. 

arbeiders-'went (vooral in de Wouden) , 



AKB. 



5s 



AKG 



s. iirbeitlershiiis , -woning. - Hy bat <lêr 
in knappe a r b e i <l c r 8 w e n t o s e 1 1 e 
litton. - In dt» kleistroken is dit ook vaak 
oen gedeelte van een buis, tegenover: arbei- 
ders b ïi s. -In b Û H ni e i t w a o f m e a r 
a r b e i d e r s w e n t e n. - F e n *e â 1 d .s k o a 1- 
1 e b i n n e t s j e p p e a r b e i d e r s w e n t e n 
m a k k e. 

arbeiders-'Wlif , n. vrouw uit den stand 
der werklieden , vrouw van een arbeider. — 
In keninginne kin fêst op nin par- 
t e n n o c b d e 1 e n n e i sa g o e d b ü s b â 1- 
d e a s in arbeiders w i i f. I d. V, 100. - 
As in ar 1 » e i d e r s w i i f de bannen net 
to folie boun binne, giet bja mei 
n e i 't 1 â n . ú t t o a r b e i d s j en of ni e i 
d e bolk o er i t f j i 1 d y n Î 

arbeidsf oIIe , n. zie arhi'iilt'rt<folh'. 

arbeidshüs , n. Dat m i n s k e bat 
f o r s k a t e a r b e i d s b û z e n , buizen waar 
/ij bet werk doet — . . . in arbeidsbiis 
inear of min<ler. dêr woe se <le iene 
b il n n e t ni e a r o ni y n d' o a r e 1 i z z e , 
S. K. F. Forj. 18ï)3, ITO. 

arbeidsje, v., lalHtrare, opcrari; wer- 
ken, arbeiden. Hl. arbeid je. — Ik ar- 
beidsje. arboicble, ba arbeide, arbeidsjende , 
to arbeidsjen. Op it lan arbeidsje. — 
8 1 i i f f e n 't a r b c i d sj e n. — H y h (ï t b i m 
krom arbeide. - It wiif giet út to 
a r b ♦* i d s j e n . uit lielpen voor buiswerk (op 
de Klei); np 't veld (in de Womlen). Dit 
beet op de Klei : i t w i i f g i e t op i t 1 â n. 
A I ty d m ar a r b e i <l s J e , der is rook 
of sniaek oan. gezegde van een, die lie- 
ver niet werkt. II y wier in s koen- 
makker fen syn luintwirk, en as er 
arbeidde, den helle er de tried Ha 
fûleindicb út. . H. S. Alm. 12", 1860. 
- 1 1 F r y s k S e 1 s k i ]► li e t g e w o a n e . . . 
en a r 1) e i <l s J e n d e 1 e den. - Ar b e i d- 
s j e a sin ezel. De b û ter m o a t t i g e 
arbeid»» wirde, gekneed. - De pik en 
arbeid s j «• b j ar s e l s ú t 'e dop. -De 
m e d e s i n e n a r b e i d s j e. - - Ook w i r k- 
ie, z. (1. IVov. Hv vt dat er swit en 
arbeidet dat er forklommet. van 
een luiaard. Dy arbeidet en hwet 
bidijt spint in gouden tried. Lex. 115. 

IVrsen, krouwen, in barensnood komen. — 
De kou a r beide t. De l oft arbeidet, 
d e r w o 1 rein k o m m e . z<*er algeniecne 



I spreekwijs. - Hwet b i - a r b e i d e s t y e t 

p 'e 1 e 1 1 e j o u n V H y a r b e i d e t m a r 
ta. — Arbeidsje hwet oan, ju! dat 

; wy avenscarje. — Vgl. bi-j fov'y wei-, 
' Oitn-, troch'y ircinrbi'ifhjc. 

arbeids-lean' , i^., mntutpn'fhun .nrWvU- 
I loon, werkloon. Lex. 115. — It is folie 
I de wizansje, dat de boer, t a 't on- 
; d e r 11 â 1 d fen bus en s k û r r e , kost, 
drank en 't arbeidslean bitellet, 
de eigener de m i 1 1 e r j a l e n. 

arbeids-ljue , pi. operarii, werklui, Lex. 
115. zie arbeid e rftjjiu', 

arbeids-man , m. Lêsb. 134. De g r e a t- 
ste segen for in arbeidsman is in 
s u n i c b en r e d s u m w y f k e. Zie arhvi- 
ilvrtonau. 

arbeids-zninsken , pi. werklui, arbeiders. 
— T w a b 11 r l j u e , beide a r b e i d s m i n s- 
ken, S. K. F., Earder-Letter , 1. 

arbeidsplunjes , -pluntsjes, pi. werk 
jdunje. — Dit binne myn ar beid s- 
pluntsjes. Ook: . . . myn al de kloan. 

arbeidster («pr. arbeister), f. werkster 
die voor bet vrouwelijk huiswerk helpt. In 
de Wouden spreekt men ook van a r r e b e i d- 
ster op it lân, op de Klei niet. Zie bij 
arbcuhjf'. 

arbeid'siun , s. adj. lahoriosuM, itufitstriits^ 
arbeidzaam. In a r b e i d « u m m e f e i n t . 
Zie irarbvr. 

arbeidsiunxnens, h., arlKsidzaünilieid. Zie 
trorberens. 

"archlist, s. antutiay sluwheid, arglint. 
Lex. IH). --Y)y alde saek waernimmer 
wier in fromme kearel for it each, 
mar y n syn hert wier er f o i o n d o- 
gensheit en archliat. Ook archli8- 
t i g e n s. 

"archlis'tich , adj., maHgnw<^ sluw , aiiglis- 
tig, V. d. M. Myn Suchten, 9. — Sa arch- 

1 istioh, net?kry t for moal forkeapje. 
argremint' , n. argument, bewysmiddel. — 

Mei in biele boel argeminten, wier 
en net wier, kaem er op *t appel. 
mar hy swikte it er óf, hy rekke wol 
f rij. 

ar£:e'wae8'Je , s. taedium, dolor, hinder, 
venlriet , hartzeer , ergernis. — Asjimme 
fen dy tsjierdcry onder jimme as 
j b roeren swjjd hl en e, wier jimme 
i âlde heit in bulte argjewaesje bi** 



ARG. 



59 



ART. 



irre bleann. Ook: erj^ewaesje , z.d. 
>ar^Je (dit meest). afir£:evrearje, 
Imursdrgven , onophoudelflk tegenspreken. 
Bern. hâld op fen argewearjen 
in in-o ar, 't wirdt oars l)argebiten. 
K. iml T.*, 29^b. Ook: iggewearje en 
fwearje. -- Vgl. ixjinargewearji*. 
tfich. arichheit, arigens. Zie oei- 
fc. enz. 

kric, n. omne inMrumentumy tuig, geree<l- 
ap van timmer- en handwerkslieden, veld- 
*»iders . enz., in 't algemeen waarmede iets 
laan , verricht of gemaakt wordt , in den 
breidsten zin. Lex. 117. — Ik se il 
'n ark hel je. — Goed ark is "t heale 
rk. — 't Ark moat nei de man 
■ze, ook: geen groot gereedschap in kin- 
lianden. — By minne reedriders en 
o f f e ld era yn 't wirk skeelt it al- 
J oan 't ark. — Myn ark is stikken, 
n si'haatsen. — Vgl. G. .T. 1 . 82. 
Äeer bepaald bij veldgereedschap: de schoj) 
s])a4le. K r ij m y 't a r k r i s. — Hand- 
rk^lai hebben ridskip, ook reau, z.d. 
jawen in de huishouding : reau. r e d- 
n g . spil, z. d. — Ark ook algemeen : 
1^. Matten, flierkleden en sok ark 
ene *«e net yn dy oerâlde tiid. K. 
T.\ 26«. Hiervoor wordt meer rêd- 
ng gebruikt. — V^gl. arbeiders-, fisk-y riuw-y 
'". "iff'j skriuir-y smoker»-^ sptjlark. 
irke, s. narirnht, een vaartuig geheel 
►r woning ingericht. Veelal een pnuim 
AT een houten hut op getimmertl is. Af- 
Unkte trekschuiten dienen er ook wel voor. 
ak ligt *t in een droge sloot, op of (tegen) 
land: 't lekt wel eens wat. Lex. 118. — 
fi dy âld arke scil er yet forsûpe. 
X. llîS. — Noachs arke, de ark van 
ach, — Dy guda — , datbreahet 
if al mei Noarhyn 'e arke west. 
Hl yn Noachs arke west). - Ook: 
wTHt is dat der in Noachs arke by 
oerd, een huis vol kinderen met een heele 
wlag. - Ook a r k- of w e n s k i p genoemd. 
domuriän raduea , bouwvallige woning. 
T Hcil dy arke noch op 'e holle 
'ije. dat huis zal nog boven zyn hoofd 
«torten. Vgl. âldbrak, stienbuUy fabnjk. 
ftrlcefoL Zie op abbegaezje. 
trkeljae» pi. arkelieden, die in eene 
ke wonen. Ook; skipkeljue. 



arkexnan , m. bewoner van een 'ark'. 

arkenier (oostelijk meer), n. Zie harke- 
m'ef. 

arkje , dem. n. werktuigje. - In hân- 
s u m , - in n jj s g j i r r i c h ar k j e. 

ark'latten, pi. latten om het *ark', meeöt 
het 'lan-ark' op te leggen. 

arkskip, n. woningvaartuig. Zie arke, 

arkslypje, v. ijzeren gereedschap Kcheqien 
op den sljjpsteen. Meest in den inf. - - By 
't arkslypjen ha 'k i n n ei 1 f orl er n. 

arksouder . (in de Wouden vooral), s. zol- 
dert je van latten of plankjes tot berging 
van gere'Mlschappen ; boven de 'onderste' 
koestal : of ook boven de 't e 1 1 e g o n g' (z. d.); 
of in den hoek van de schuur bij de groote 
deuren. 

*arkwytnisse , s. werktuigkunde. H. 8., 
ld. IX, 16. 

armé', s, turba , rn/r'/Ta, schaar. - Nyn- 
ke-en-hjar kamen m ei de hiel e ar- 
mé (al haar kinderen, enz.) oan set ten. 
Ook: werkvolk. De keppelbaes (z.d.) 
k a e m mei s y n h i e 1 e armé o m cl e 
acht e to wjudden. 

aronskelk, s. Amm inacuhttum^ bolplant; 
de stengel schiet een witte kelk met gelen 
stamper uit. 

a'ronstêf , s. rerbascum , ailronstaf , ko- 
ningskaars; toorts])lant met gele blo(;mpjes 
rondom e(;n hoogopschietenden stengel , veel 
groeiend bij kbïine huisjes en liei<lchutten in 
de Wouden. |VgI. Num. XVll, S|. 

arre, s, de letter r. .lierb. 18S4, 4. 

arre, roepnaam voor haas. Zie ar. 

arre , interj. eh\ - A r r e , h w e t s i t d ê r 
yn dat turf mot? H arr »'j a k k is, kat- 
te k 1 e m e i. 

ar'rebarre, Zh. eg. r/ro;i/</. ooievaar. Zie 
earrebarre. 

arre'barre, Tietj. interj. van afkeer. - - 
Ar r eb arre, hwet in stank. 

arrebarrebroadtsjes Dokkum , pi. 
vruchtjes van een soort liscli. Klders ea r re- 
barre br e a. 

arrejak'kis, interj. Zie harrejakkes. 

arrest', s. arrest. - Vn arrest nim- 
me, ha 1de, sitte. 1 k hie arr est f en 
'e d o k t e r , i k mocht n e t b ii t e n d o a r. 

arspylje. v. 'ar' spelen. Zie ar. 

artilcel, n. artikel. - Hofol Ie arti- 
kel s b i n n e der y n d y wet? Vgl, 



AS. 



(50 



AS. 



k'riich.s- , wetsartikel. Ook soorten van waren, 
van koopmans<^o<ï(leren. - - H y d o e h t y n 
in b \i 1 1 e a r t i k e 1 h. Ik w y t n e t h o- 
folle artikels Jau Kreammer wol 
y n *e ni a r s e h e t. 

as, az, s., ^f.rM, as. As fen in woin, 
f e n i n m o u ii 1 e. - 1) e i e r «l o d r a e i t o m 
s V n as, s o n d e r dat d v s m a r d h o e o h t 
t o w i r d e n , ik w o e dat dit e k s a 'n as 
wier. vrome wonsch , als men met weinig 
lust een wagenas smeert. 

— .1 i 1 <l i s d e a s d ê r 't -a 1 1 e s o m 
draeit. V<(1. monnle-as j ivehm^ Lex. 121. 

as, look j^espr. az), conj. ttimt , als, ge- 
lijk. - In kearel as in beam. - In 
man sa great as (ioliat '\ dy lijitte 
(i r e a t e Pier. H v 1 i b b e t as in b i d- 
1 e r. Lex. 122. -- Wiet as klets. - Do m 
a s i n k o u. D o u d i e s t e 1 i k e g o e d a s 
h y. Vgl. sa. — ( ».j i n s kj i n n e r b y ld sa 
fier as hein. Van Blom, Vrije Fr. IV, 10. 

— Ho h e a r 1 i k as 't blonk, h o n e d i o h 
as 't hj itt e. 

■ - A s-d e r-o a n-ta , rehementerj rahle, mach- 
tig. 1 1 is sa k a 1 d a s-d e r-o a n-t a. — I) e 
s t ê d fa m m en k i n n e s a II m o a i d o u n- 
s j e as der oan ta. Oud deuntje 1702. 
Zie asti'afifa. Vgl. fa. ■ Engl. as, als, dan. 

— In t r e f t i e h boer is 1 o k k i ge r a s i n 
machtig k e n i n g. -Der p 1 o e g e t g j i n 
i e n b e 1 1 e r as de m a n s e 1 s. - W a t s e 
wier g r e a t e r as P i b e. - M y n 1 j e a f d e 
i s m a n s k e r en m y u b a n g e n s s i 1 1 i g e r 
as dyn l.jeafde, R. ind T.', 82. — Near- 
ne as dèr. O ars as . . . - [I^Gn, si 
pro as quis adhihet, est Hollandiamas. Hall». 
Lex. 122.) In de Dongeradl.. in een deel 
van Achtkars)». en van Tietj. ook wel dan, 
volgens de meesten door het .««choolhollandsch. 

— Ik bin greater dan hij. - Hier en 
daar ook: greater dan liim. Zie hy. 

runt, wanneer, indien. As 't friest 
ni o at tl e j) o n g f o r d e e a r m e n 1 o s. — 
A s 't m o a t . den m o a t i t. — As all e 
m i n s k (Ml ris g o e d wier n e. 

Dit as luidt somtijds at. At (îod ús 

]>leagje wol. beninit er \i s de wys- 

h e i t. At «1 at d i e n i s. - A t e r d a t 

docht. At de binnen los binne. 

.\ t i t s a li t k o m t . 

Vaak blijft bij <leze zinnen // weg: at sa 
11 1 k o m t. A s i k luidt meest : a'k. A s- 



' don wordt astou, ast. K. ind T.', 4. -- 
Prov. As de h i e 1 e w r a 1 d <l e 1 f o e 1 
w i e r n e alle p o t s j e s e n ]> a n t s j e s o a n 

I d i g g e 1 s. - En as de 1 o ft d e 1 f o e 1 . 
hiene wy al lege ar re in blauwe 



muts e (krage). 



As alle assen ris 



i e n as wieme, h w e t s c o e dat in 
greate as wêze, en as alle w etters 
i e n w e 1 1 e r w i e r n e , h w e t s c o e d a t i n 
g r e a t w e 1 1 e r wêze, en as d y g r e a t «i 
as den yn dat greate w etter foei. 
hwet scoe dat in grVate i>lof jaen. 
Woordsp. tusschen het coiy. en subst. Ue 
bedoeling is bespotting van overdreven be- 
zorgdheid. 

Als er een zegt van : as ik d i t o f d a t 
h i e .... is 't antwoord vaak : de a s s i t 
y n 'e m o u n 1 e. — As ik ris b y j i m m e 
kom, den . . (volgt een belotle). Soa, as! 
nou, den kin dat wol ris in lange 
as w i r d e. 

Zoodra. As 't «yn bar iH komt er 
a 1 1 y d hwet t w i s k e n. 

— terwijl. Hy laeitst as hy sa mei 
de modder plodjet; Hettema, Rymk. 92. 
Engl. as, of, meest na een negatie-zin, even 
als 't Engelsch. De klok hie d* oare 
d e i s n i n t w a ure let, a s d e b o e r e- 
frouljue kamen der al oansetten. 
R. ind T.\ 324«. - D' iene frijer het 
■ de hakken net oer 'e drompel as de 
oare hat de teannen der al wer op, 
Maeike Jakkeles. — Hwa acilit ontjilde. 
de skildige as de onskildige? Lex. 
122. --- lerapels as koalrapen. — 
Slaed as boerekoal. — Dy jonge as 
er wol as net^hyscil. Lilts asgoed. 
it kin my neat skele. — As er heech 
as leech sprong, hy moast bitelje. 
— As er Hipte as piipte hy gongder 
oan! - Sjen hwa as baes is. — It 
diirre mar efkes as dêrkaemeroan. 
I Dou biste sa goed net Wopk, a» 
dou soitte it ek sizze. R. ind T.', 326. 
Vgl. 824r<. Ook gebruikt men vaak of, s. d. 
- etiam si, Ook al. As woed er my ek 
mei goud Inhingje, doch woe*khim 
net ha. Ik scoe it wol litte,a8wier 
ik gnapperuôch, om immen dèrom 
to freegjen. Tj. Ualb. Roeker V. VgL 
öalverda 18. — ld. IV, 187. VgL ai. 
I — Engl. verouderd as, asU ture, evenwel 



ASA. 



61 



ASTR. 



alAof. evenals. — Injonj?ea«erút 
yk «lold wier. — 'tWiorkrekt as 
net doarste. — Dan skelde en 
'hte hy ae lit aä wieme se al hiel 

weismiten keard. H. S., Alm. 

!ï^9. — Kn alles siet «a proezich 
wier «e in jonge breid, Van Blom , 
tnmek. (Fr. Volksalm. 1S37. 110.) Y^\. 
m a*of. 

- MTfi. Engl. «Ä , maar. behalve , uitp^ezon- 
L — ! k kom alle dagen y n > s t ê d, 
Rneinf* kom ik er net. — Wy ha 
^oede risping krige, as ierapels 
r ï*a*n greate bult. --- It oareiten 
er net fremd. en goed klearmak- 
. as it flesk, dat wier mar heal- 
I r. H. S. Alm. 12*. - I k g e a n n o a i t i e r 
i >i ê d. a s i k m o a t n e 1 1 o g o e d w ê z e. 

mem skript en kl a u t sa 'n go d- 
nnke dei: hjatiukt om alles en 
•»>rearre, as aUinne net oan hjar 
!*. It folk is allegearre oni- 

m d , as de k a p t e i n , d y is 1 i b b e n 
n V wal kommen. Vgl. mar. 
%'aWLl interj. roep om honden aan tehit- 
i , pak aan Î Vgl. hi/m f 
Ulje, adv. h\) antwoorden, of ietfl aanrei- 
ide: asjeblieft. Leeuw. aske. Wol jy 
i a*»jebleaft dat boek efke« oan- 
tt jr j e ? .1 a w o 1 Î A s j e. - T a n k j e. 
tfl'jebljeaft , adv. Kngl. if yon phatte, 
eblief. — Scil ik asjebljeaft in 
nn tobak fen jo ha? - (Winkelier:) 
je bijeaft; (hij reikt het aan:) asjo- 
j e a f t. — N o u a s j e b 1 j e a f t g j i n il 1- 
' k y 11 1 'e s 1 e a t h e 1 j e. — Nou a s j e- 
jeaft, ris hwet stil, hearï en o ars 
»r litï — Asjebljeaft mei de spjel- 
» m a n t s#chertsende beleefdheidsvorm. Ook 
» interj. Nou, asjebljeaft.' dat' kunt 

«l»»nken Î — geloof dat maar Î Nou maar ! 

v[]n saohtst gesproken. -Ik dy snaek 
>ndert goune liene? Non. asje- 
jeaft! IkwoeljeaverÏ - S roest 
r>! mei fen Sykmoaiervjewolle? 
JU, asjebljeaft! dat kinst bigripe. 
ier Syts net bliid datst om hjar 
lemste? Noo asjebleaft. Se hie 
nk ik noait earder in folwoeksen 
ter foar de mûle hawn! — Dy kea- 
1 fregc my aajebljeaft indaeld'»»* 
r dy mûtse of. — Der w-^d''»^ 



asjebljeaft, maar eventjes, in foeoh 
tweintich kweaj onges yn 't hof om. 
-Der trape ik by ongelok yn in 
bult k j i 1 1 e , asjebljeaft. met per- 
missie. 

Ook askebljeaft, in zeer vertrouwe- 
lyken toon. Hier en daar ook a s t j o b 1 j e aft. 
[Uit as 't jo bil je aft.) III. asjebleft. 

aske , stadfr. Zio asjc. 

a43per2de, s. anpara'jux , asperge. 

asperzjebèd , n. aspergobed. As in 
dominy a sj) e r zjebod den oanlizze 
1 i t , s e i t min w^ o 1 , dat er h i m n e i 
b 1 i u w e u s e t. 

aspersf^e^rrien , n. heel fjjn grot»n, vooral 
bij ruikers gebruikt. 

as'rêd, n. het rad om de as van een mo- 
len. Zie by monnlr. 

ast , aste , astou , astû , voor as d o u , 

Fra. si tit, wanneer, indien, zoo gij, met 
verscherping van de ti tot /. 

aster (hier en daar spr. aster), s. Asfer 
(ittints, A. chiticnsis , bekende bloem in ver- 
schillende kleuren. Inkelde en dfibelde 
a ster s. 

astint', m. veldwachter. R. ind T.\ UCyb. 
Zie adtttint. 

astrant', adj. A: adv. arrojans, onbe- ^ 
schaamd, aanmatigend, vrijpostig. Lex. 128. 
— Dy a s t r a n t e j o a d hie de po s 1 e i n- 
k a s a 1 w a e c h en w i i d ie \) e n. - E k- 
strant (in de Wouden). Vgl. dabe v. (irou- 
wergea. — .1. Kommerts, 17. 

Vaak in de volkstaal: schrander, snugger, 
vlug van bevatting. In a s t r a n t e jon- 

ge. - Ook wel: oplettend. Hy is altyd 
lik e astrant yn 'e sa ken. Vgl. atfhif. 

Ook a s t r a n t i c h , a s t r a n t e r i c h. [ Vgl. 
Fra. (I SS u f '(int.] 

astranta', astrenta, adv. rchemmter , 

geweldig. 1 1 g i e tl e r o a n w e i a s t r a n t a. 

-Dan giert h y astrenta b a r g e t r i e n- 

nen, as balstienen siz ik sa, Hette- 

m a , Hvmkes 78. 

[Uit : as der oan t a. Vgl. oan t a.] 
Vgl. fen hom sa , fen raek. 

astran'tens , >-. armgantia , impudentia , 
onbeschaamde driestheid. Ik mei h i m n e t 
1 y e om s y n a s t r a n t e n s. M ij e n t o 

wezen is 1 ê s t i c h , m .i r a s t r a n t e n s is 
noch minder. Ook we^ -^'dettendheid 



ASTK. 



r>2 



AVEN. 



a43tran'tich y adj. & adv. no^' al 'astrant.' 
astran'tichheit , studfr. Zie astrantettn. 
ast(e)ranz'Je , a43seraiifide , s. asyturan- 

tie, meest te<<en brandschade. Ook l»rân- 

ast (e) ra 11 zj e. 

ast(e)rear'Je , a43serearje, v. Fra. a><- 

sHi'er , verzekeren (tegen brandseha<le). 
Syn ynboel a ss i»r ea rj e. Vgl. fora sf ie)- 
rcdi'Jt'. 

at. <'onj. als. Zie a>t. 

ate, Hl. m. arnit, «grootvader. Lex. 120. 
Zie oarreheit. 

atf ertear'Je , v. En^H. to aih-erthr, ad- 
verteeren. Sjoerd winkelman het 
a d fe r t e a r r e dat e r li t f o r k e a p j e s e o e 
for 1 eg er j)r i zen. 

atfertins'je , s. Engl. ad re rt hem ent , ad- 
vertentie. Ik ha d V a d f e r t i n s j e n e t 
y n 'e k r a n t e s j oen, j o u ? 

Oiuh'r a t fe rt i n sj es verstaat het volk 
in tle eerste plaats geboorte-, huweljjks- en 
sterf beri<'hten. Di»» in ieder nominer der 
Ijeeiiw. (\nirant voorkomende berichten noemt 
men b<»ertend de s k û t e l b a n k (z. d.) An- 
dere aankondigingen staan wel yn 'e kran- 
te, maar niet t»nder de a t fert insj es. 
De at f e r t i n s j e s . alias de s k û t e 1 b a n k 
efkes neisjên. 

n. Kngl. adrerfiser , advertentiebhul. Ha 
j y i t a d f e r t i n s j e f e n II e p k e m a a 1 
1 ê z e n ? 

adf ertinojeblèd , n. advertentieblad: h\] 
V4'rkorting i t a t f e r t i n s j e. l>at van Hep- 
kema. Heerenveen heet kort v/eg : H e ji k e m a. 

adf ertins'Je-Jild , n. prijn der adverten- 
tien , van j'en a<lvertentie. 
adfertinsje-nUs, n. krantennieuw.s. nieuws 
uit een advertentieblad. 

atfint, s. advent. 

atlas, s. ( kaarten )atlas. 

attestaes'je , s. attestatie, bewijs van 
kerklidmaatsehup. Dominy het f en 

'e moarn ôfkondige. dat de n ij e 
m a > t «' r > v n a 1 1 e s t a e s je o e r k o m d i s. 

attins'je , s. Fra. atfeiition. ojiletteiKlhei»!. 
hou m«Mh>t wul hwot mear at- 
tinsje bv dvn wirk ha. 

attins'je, >. hortensia, soort van bloeiende 
hiM'ster, vonnil in Friesland veel. Ook de bloem. 

attinsjebak, >. «Iraagbare, vaak op rol - 
letjeN Ntaaiid»' . houten blo(Mii)>ak voor de 
li<»rtensia. 



attint', adj. oplettend. Wes nou ris 
goed attint en h e a r h w e t ik s i z. 
Vgl. ouaftinf. 

au , interj. van pijn. -Au! h w e t k n i ij). 

- s n ij i k ni y d ê r Î 

aud, Schierm. adj. oud. Zie ald. 
aug^urch'Je , n. (Uu'umi.'< minor y augurk. 
augruS'tUS, ag^UStUS, Air^Uf(tus mens. 
Augustus , oogstmaand. Ook risp m o a n n e. 
aune, Tersch. s. furuan^ oven. Zie oun. 
aurikel, s. Prlmnla anrieuhj sleutelbloem. 

avansemint , avesemint, n. bevonle- 
ring. Dy 't goed 1 e a r d het e n g o e d 
oppast kin onder tsjinst wol avan- 
semint meitsje. 

a'veklap, in: hy flokt om in ave- 
k 1 a p. Zie haverklap. Vgl. amerij. 

avenant, adv. naar evenredigheid, in 
vergelijking, ld. I, 4: Nei advenant. 
Zie navenant. 

ave(n)saesje , h. voortgang, vonlering. 

— Hy makket avenaaenje, vonle- 
ring, met zijn werk. - D e r h i t n e u t g j i u 
a v e n s a e H j e y n d y k e a r e l , min kin 
8uver neat mei him wirde. — Der 
is gjin avesaesje by 't wirk (spil), 
it eint neat. - Der moat avertaenje 
makke wirde: w y w o 11 e o p b ê d. - ■ 
Dy kou k e al let hjoed net: Jêr is 
neat gjin avesaenje. — It in tig e 
great wirk mei Sibren en Akke, 
mar mei trouwen wirdt neat gjin 
a v e 8 a e s j e m a k k e. 

Hwet sizze jou, Sgke, scille wy 
ok ris avesaesje meitsje fen foart, 
de moanne forKÜ ek al wer hwet 
Ook abbesaesje. 

ave(n)sear'Je , v. Fra. avancer^ vorderen , 
voortgang maken. Hl. aiven8é*rje. Ave- 
searret jou jonge hwet? — Kom. 
meits foart, avesearjenou ris hwet. 
H y a v e n H e a r r e t a 8 in 1 li « o ]) in 
t a r t o n n e. - W y a v e a e a r j e a 1 m o a i 
nei de w i n t e r. 

Ook: een bezoek afbreken. *k Moat nou 
mar ris avenearje, tonei kom *k wol 
ris w e r. 

Ook: ab}>eöearje. 

Hwet bi-abbetfearreste (bi-a- 
vedDsearreste) der jonge? Wat voer 
je daar uit ? - -■ Vgl. ortn-, «w-, tf/Mifv(M)- 
searje. 



AVKN. 



63 



AZKM. 



aventûr^, n. fortuna, ttors , avontuur. 
H j i t o I» in a V e n t Û r, S. K. K., Mearkes, 30. 
Hl. a i V e n t Ú • r. — 1 n j u j? e r f? i o t fa e k 
•I ji 1 II w y l d a V o n t Û r , Tj. V. Foksejacht. 
* » I» in w y 1 (1 a V e n t û r li t w ê z e , als 
•^11 vrijer naar een vrjjster is, waar liy nopr 
nit-t i?t»nler kwam , en zonder 't haar vooraf 
Tr vragen ; vaak zonder haar zelfs te kennen. 
Zie joMnphefJe, — Dokter is li t op in 
w y 1 »1 a v e n t fir . oj) een to(rht buiten het 
*ltT\t, naar eeue kraamvrouw. Hiervoor ook: 
•I p > h a z z e j a c h t , z. d. O [) a v e n t û r 
hwet weaj^je. iets op kans, j^oed ge- 
luk wa^en. - 't Is op aventftr of 't 
jr o •• •! AT i e t. - Men m o a t soms ris 
li w e t y II 't a V e n t Û r s e 1 1 e . jjeld wa- 
ifï'n in eene onderneming. l)at sti«*t 

n <M- h V n 't a V e n t fi r . h w a 't w i n n e 
*fil. — Der (dv kou. dat hynsder. 
■ly <>iiekl sit wol aventûr yn. kans oj» 
v.M»nl»'fl. Ik sjueh ergjin nventftr 

V n. II V het wol aventûr, kans van 

*iiuren. - Dy 't neat weaget, hat g.jin 
a V f II 1 11 r . niets wordt je thuis l>ek.orgd. 1 k 
ha a 1 1 i k e f o 11 e a V e n t Û r as do u. S i- 
ui V n . u «i t n e t g a u o p h Ú 1 il s t e , h e s t wol 
a V t* n t ïi r o p i 11 ]) a k b r u jj e n. H e s t h w e t 
y II 't a V e 11 1 Û r V op 't oog? ( )ok : e v e n t û r. 
It rêd f'en 't aventûr, een spelrad om 
»in»*t i»p de kermis. — It ra«l van aven- 
tuur. zeker oud waarzeggerij-boekje . in den 
traut van de Wiersizzcry fen MaykeJakkelis. 
aventúr'je, v. avonturen, iets in ile 
waagschaal stellen door den afloop der om- 
^amligheden af te waehteii. W y m a 1 1 e 
"t mar a v e n t n r j e . maar wagen . al zie 
ik *T niet veel goeils in. ■ 't Is saehts 
t u a V e II t ii r j e n , j y h a der neat b y t o 
f <• r 1 i e z e n. - A v e n t û r j o 't ris o m o p 
't i i 'S t o kommen, r 6 )> Hei t. 

aventurlik, a<lj. gewaagd, ook wissel- 
vallig, 't lë in avent Û rl ik m an . een 
ondenieiueiul man , wel wat al te veel , i t 
•1 r a e i t op in gouden o f i z e r e n k e a t- 
I i tl i; li t. - Fi o e k w e i t i s t o a v e n t Û r- 
l i k . min kin 't net mei f o a r d i e 1 
»»uuwe. In aventûrlik spil, ge- 

vaagde onderneming, wisselvallige zaak. 
Inaventurlike rein wier 't. in smêl 
pa ed . o a n beide 8 i d e n w e 1 1 e r . in 
pikketfïj uater. — It Hémansl ibben 
i« in aventûrlik libben. 



aventürs'man , m. avonturier; die maar 
waagt; ook: die wat aandurft. 

avepy, s. meest haverij, z.d. 

a'war', interj. meest ha war, z.d. 

azem, s.. spiritus, adem. — Hy het 
a z e m as in h y n d e r. H y h a t g j i n 
gen Ô e h a z e m ; bij hardrijders , harddra- 
vers, enz. - T t 'e azem rû k e. - Sa- 
lang er a z e m y n is, i s d e r n e a t t o 
rtMlden; ook bij drenkelingen; en in 't al- 
gemeen. - - ( Î o e d o }) 'e a z e m w e ze. - 
Der sit wol azem yn. hij is van t»en 
krachtig gestel, kan een moeiljjken arbeid 
lang volhouden. De azem is er út. hij 
heeft fj;oen krachten meer. Lex. 139. -- 
D tM' h o e c h t s v n a z e m n et oer, daar 
hoeft hij zich niet in te moeien. Kfter 

azem we ze. Vgl. y;//.s'/. Dou meist 

e k w (» 1 ris in f a e lu û n d e r d 4» a z e ni 
kom me. Hüs-Hiem. WH, *2"). Ook: in 
faem nei de a/em riikt?. Klaes 

h et al we r d rank h a w n , k o m h i m 
mar ris fnnler 'e azem. 

a'zemjaen, v. zirh luide doen hooren. 
D e b e r n w i e r e n o a n 't t s i e r e n . m a r 
d o 't heit ris a z e m j o e c h (ziirh met 
klem deed hoorton ), h â 1 d e n s t- o p. -Nou! 
dy lytse jout ek goed azem, van e(»n 
hardschreeuwend klein kind. Meer en beter 
Kriesch : 1 û «1 j a o n. 

a'zemje, v. spirare, uitademen vooral. 
A s m e n o p s u 1 v e r- of k o p e r g û d 
a z e m t , en i t 1 û kt tl a l i k op. den is 
dat in teken, dat i t goed g 1 ê d is. - - 
H V a z e m t oer i t i t e n . m v 1 v k v n 

'e troanje. Azem je net sa tsjin 

de rut en. Vgl. />/-, ijn-, oan-, ntazemje. 

- Zie sijkje. 

a'zemskeppe, v. adendialen, op adem 
komen. Ook : zich i*ven verjioozen. A s 't 
mei reedriden l s j i n 'e wyn yngiet. 
m o a 1 1 e de f r o u 1 j u e li t en t r o c h 
azem sk •* jijie. - Nou ha wy in ûro 
of trjje oan 'e skrep w»*'st. nou moat- 
1 1.' w y e f k e s a z e ni s k e p }> e . een poosje 
rust nemen. (.)ok bij een bijeenkomst. - ■ 
Ik sit ni y s t i i f , 1 i t li s e f k e s a z e m- 
skej>p»». in de buitenlurht gaan. Dit meer 
in tochtsje skeppe, z. d. Ook: ef- 

k e s by d e k a s 1 1 e i n a z e m s k e j> p e . aan- 
leggen. Vgl. forhiftitijt', úf puste. 



H. 



04 



BÂP. 



1). 

B, l»io, s. de letter H. Lex. 1. 
ba, (spr. ba), interj. uitroep om iemand 
schrik iiiin te jagen. - Ha! roj)! hom- 
mels in ondogense jonge üt syn 
s k Û 1 h e r n e , om i m m e n d y 't e r o a n- 
komt kjel to meitsjen. \\r\. piipha,hoey 
kiku'hoe. I*rov D y s e i t g j i n h o e o f b a. 
van walging. Ba spek, 'k heb er meer 
dan genoeg. -- Prov. Ba b offert, sei de 
jonge en hy wier proppend (propte) 
s ê d. - B a j e n e V e r , h i e 'k mar i n d i k- 
kop (»len spuide ik in ammerfol) 
iron. zegje. — Prov. Ba wer, sa is 't bi- 
telle, vontemtum pro contemtu repende ^ tie 
per irani oltjunjeA. Burm. - Lex. 140. 490, 92S. 
Fra. hls j /at . moede. Ik b i n de s t ê d 
(dat geflaei) ba. — Ik bin ba (feu) 
sjjek, ba feu dat gerab fen'efrou- 
Ijue. I's Slip e en waei bin 'k ba. 

L i e t e b.. 111. - Ik bin 't sa ba as h i e 
'k i t m e i 1 e p p e 1 s i t e n. — Vgl. beu , 
gram , xèd. 

H w e t 11 a t dat b e r n in ba n o a s. 
Kiig. sHottij. Vgl. Bredero. passim. 

Dat b e r n h a t b a d ion, ca ca rif. Vgl . 
oIm y ukkeba , akkeleba. 
babbe, f. Zie beppe. 

babbe, f. femina futiiift , hif, onnoozel 
vrou wmensch. S a 'n gekke babbe, net? 
sok si eau praet het se. -- Hwet 
s e o e n e s o k k e b a b b e n m i e n e , dat 
it de feinten om hj arren to dwaen 
w i e r V Vgl. babk-e , blei , trutske , tutte, 

bab'belbek, eg. yarra/us, babbelkous, 
vooral van vrouwen, kla])pei. — Tryn is 
K a 'n e a r s t e b a b b e 1 b e k . de m û 1 e 
s k V n t h i a r n o a i t w a r e h t o w i r d e n. 
Hsfr. 11. 201». - In babbel bek feu 
in jonge frege him de ring as syn 
lean. K. P.. Keapman. V. 1 Ton. Lex. 
141. Vgl. babbel if at ^ -sek , -aknte. 

bab'belder, <*g. (/amtlus, babbelaar(ster). 
l>raat/u<htig mensch. Ook babbel er. 

babbelderti' , s. tjarrutitas, babbelarij. 
Lex. 141. <ïrkk<' (si eau we) babbel- 
der ij. /ontelous. onverstandig geklets. — 
I's burwiif ln*t mei hjar sl»»auwe 
babb»' Ith* r ii d •• h i f 1 e l>ûrren vn fi n- 
stjCir brni-ht. Hok babbel«»rij. Vgl. 
uebabfn'f. 



babbelegÛCh'JeS, pi. Hd. Albemheitea , 
Narren possen , babbelguigjes , gekheid. B a b- 
belegûchjes meitsje. Lex. 141, 9."»:^ 
— Hwet ha dy greate Ijue in babbe- 
legiichjes, veel onnoodigen omslag en 
coni])limenten. Vgl. fabetgnchjes. 
babbeler, Lex. 141. Zie babbelder. 
babbelerjj, s. Lex. 141. Zie babbelder ij. 
babbel£rat, f. die praat over alles uit 
zucht om te praten. Ook b a b b e 1 k o n t. 
babbel(h)afticli, babbelich, adj. loqaar. 
babbelachtig , praatziek. 

babbelje, v. garrire^ babbelen. Ik bab- 
belje, babbele (babbelde), ha babbele. bab- 
beljende, to babbeljen. 

babbelkont, -kunt (triv),f. Zie Inibbel- 
gat. 

babbeloer', eg. Kng. babbler. Murray 1, 
V. 2, overbabbehiar(ster) , die iets dat lijj (zijl 
verneemt terstond aan anderen vertelt. Vgl. 
Bijek. 1877, 12. 

Ook die kwaad.sprekerij overbrengt aan 
wien 't geldt. Zie oerbabbeJer. 

babbelsek, m. laile prater, praatvaar, 
die veel praat , maar niets degelgks zegt . 
Holl. volkstaal, kletsmeier. Vgl. eatnehek. 
babbelskûte, f. nugatrix, babbelzuch- 
tig vrouwmensch. Lex. 141. Tryn is sa'n 
babbels kut e, de bek hiiiget hjar 
a 1 1 i t e n y n 'e slinger. — Vgl. rabbel-, 
rattel-^ roffehkûte. 

babbelstientsjes , pi. Eng. jtebftiegto- 
fies , ronde keisteentjes, die in menigte 
aan het zeestnmd gevonden worden [en naar 
het geluid dat zij onder de voeten maken 
aldus genoemd.] Lex. 142. Vgl, Ä'î/Wk/iVh/k^k. 

ba'bel, n. Kug. babel , ronfused asHembfagr, 
Murray i. v. 2 , verwarde boel , door mekaar 
gegooide rommel. Hwet is my dit hjir 
in ba bel. 

babyaen' , eg. cynocephaiu». Eng. babooH. 
baviaan, üg. kwaadaardig mensch. In ba- 
bvaen fen in k e ar el. 

babke , n. laf, onnoozel vrouwmensch. Zie 
babbe. 

ba'bok, m. hotno iNMr6fiitM«, lomp, stunrtK'h, 
onwellevend mensch. 

"bad, n. bad. — Dou meist wol ris 

y n 't b a d (y n *e tobbe), iefgea een , die 

zich erg bemorst heeft. — Hy komt út in 

wiet bad thiis (meest: mei de wiet o 

\ kros). 



BAEI. 



65 



BAEL. 



n. gnuêape , baai , soort wollen stof. 
114. Read, blau, swart baei. 

Lron. n'fiMm rubrum^ roode wijn. — 
e baei, dêr 't hja in amerfol 
erg je koene. Vgl.R. ind T«., 303«. 
ti, s. herbae Nicotianae species Americana, 
bak [Heet skoo naar de Baya de San 
lor. Lex. 146]. De thans gerookte 
e baei* is Marvland-tabak. 

, p. sinus mar is y baai, zeeboezem. 
«8. — inham. De baei te Grou. 
ir, eg. Hd. Gróbian, die zich 
en wo<ï«t aanstelt, twistzoeker. Vgl. 
i T.*, 404«. — Ook Oostfr. en Clron. 
meiivje , dat veel van de mannen houdt 
Idi). 

t Zuiden vooral: woelwater. — Dy 
e dat is in earste baeifanger. 
iQe, V. Engl. to bathe, baden, zich 
liep water met het heele lichaam baden. 
im: Swomkje. J. W., Dial. I, 404. 
wem me. Lex. 145. Gron. baeien. — 
?i . baei(d)e, ha baeid (baeije) , baeijende, 
^gen. — Ik wit twa fammen fen 
sleat II Dy scoene togearre 
aege. Deuntje (1702). — As dyn 

efasdynein HHimwask'ten 
t en 8 pielt. Progn. — Hy 
t troch de snie, troch 't san, 
1 de modder. Vgl. modder-, sleatsje- 

— Vgl. sile f trâdsje, 
ltj01l, adj. gausapinus, baaien, van 
smaakt. — In blau baeien rok. 
1 read baeien himd. — Wolle 
n read baejjen rok oantsjen? 
PU daar :) een flesch rooden wjjn drinken. 
, eg. Kngl. bather, die zich baadt. 
146. 

(-steed), n., -sleat, s., 
. «.. -waer, n. Zie de Enkelwoorden. 
B (Westelijk), baitqje (Tietj. en 
»aden) , baetqje (Dongdln.) , n. ves- 
wiarum , operariorum, mans bovenkleed 
ji de heupen reikend ; ook hemdrok. — 
arsjes, ingelslearen, beverti- 

lekkens, buffelsk, pilowen 
pe)bait8Je. — In damasten, kra- 
n (kranowen), fiifskaften, be- 
foerlekkens (onder)baitsje.— En 
in wylgen stobbe jj Dêr hong 
baeitiije oan. R. ind. T.', 18a. — 



Wachtsje efkes, dat ik it baitsje 
oanlûk. R. ind T.^ 436. — It baitsje 
li 1 1 Û ke (u tt 8 j e n), ook ^^. de huid afstroo- 
pen. In iel, in ald hynder it baitsje 
litlûke. — Ik wit net of F rj ent 8 j er 
dyn léste merke net is, en denit 
baeitsje nei de loayer. Alm. 12«, 
1832. — Immen op syn baeitsje kom- 
me, hwet op syn baeitsje jaen, 
iemand een pak slaag geven. Lex. 144. — 
It baeitsje ophingje, zich tot vechten 
gereed maken , iemand tot vechten uitdagen. 
Vgl. R. ind T.', 13a. - Oan 't baitsje 
1 Û k e , ook : zich ontkleeden voor 't naar bed 
gaan. — In wiifmei fiifbern,dêr 
moat ik allinne 't baitsje forlfike, 
met werken den kost voor verdienen. Vjrl. 
onder- y hoppehaeifsje; klinkehaitsje. 

baeitsje (Oostel. Wouden), s. hoopje van 
8, kruislings over elkander gelegde handvol- 
len vlas (bij het vlastrekken). Flaekstep- 
pe for in heale sint it baeitsje, het 
gewone arbeidsloon. Vgl. bidtsje. 

baeitQJeknopen , pi. knoopen aan den 
hemdrok ; speciaal van zilver, platrond, zes- ot 
achthoekig; of half kegelvormig, met eenige 
versiering — of aardbeivormig. Op de platte 
stond gewoonlijk een ruiter gegraveerd, 
daarom ook 'sulveren ruters' genoemd. 

— 't Dragen van zilveren knoopen aan den 
hemdrok, behalve aan de mouwen, komt 
nu in Friesland bjjna niet meer voor. 

baek, s. baken. Zie beak en baken. 

baekster (HL, Dokk. en elders), f. ba- 
ker. Lex. 168. Vgl. kreamheinsterj-wnrster. 

baei, s. lid. Waarenhallen y baal. — In 
baei rys is 200 poun swier, inbael 
kofjebeane 100 poun. — De baei 
hierret óf. Vgl. baelsek. — Sekken fen 
baei, calemb. procesverbaal. 

baelder, Noh. s. samengetrokken uit 
baggelder, z. d. — Brune,8warte, 
blauwe baelder. 

baelderklippe , s.. -klute, s., -koal, 
s., -koer, s., -1 o e g j e(-l o e y e), v., -s k i p p e r, 
m., -skonne, s., -skûte, s. Zie de Enkel- 
woorden. 

baelje (Noordelijk meer), s. curtis rel 
cupa, groote hoeveelheid, van spys vooral. 

— Dêr waerd in baelje potstrou 
op 'e tafel brocht dêr min mei gjin 
pols oer Ijeppe koe. Vgl. broute. 



BAEL. 



66 



BAER. 



baelje, s. Zie balie. 

baermoal, n. fabriekuiatig baknieel, dat 
in balen verzonden wordt — iron. voor ze- 
mels. Bakkers, zegt men, krijgen wel eens 
balen zemels onder den naam van baalmeel 
thuis. 

baelsek, s. baalzak. In baelsek ta 
in kou wed e k brûke; as tekkens op 
bed. — Tryn slof het in baelsek ta 
in onderrok. 

baelt, Hl. in: Inbaeltopsotte, een 
keel opzetten. Zie balt. 

baen, s. lid. Bahnj baan. — G. J., T, 51. 
H w a e n s li y n d e r wier 't 1 ê s t m e i y n 'e 
baen? — < î reate Jai)ik feecht (f a g e t) 
de baen. — Op *e lange baen, op den 
langen weg, fig. op den duur. — Dat hyn- 
der is de hastichste net, mar oji 'e 
lange baen is 't in besten, houdt het 
lang vol. — Op 'e lange baen skouwe, 
uitstellen, om afstel te krijgen. — Op 'e 
k o a r t e baen (weg). — Mei y n 'e baen, 
meedoen , ook van menschen. — Vgl. iis-, 
hirddvarensbaen ; bybaen^ ronibaen. 

— Ier o f 1 e t y n 'e baen w ê z e , vroeg 
of laat op, op de been, in de weer. — 
Fen 'e baen reitsje, bedlegerig worden, 
door ziekte, ook van een kraamvrouw. — 
Hy (hja) is wer op 'e(n) baen, is weer 
hersteld. Prov. Dy fen 'e baen is. komt 
er mei rest en fêstjen wer op. — 
H w a s c o e dat op 'e (n) b a e n b r o e h t 
h a ? dat gerucht verspreid. 

baen, s. phujula, breedte van kleeding- 
stof. Janke isfiif banen for in rok 
nedich. Lex. 1-48. Ook: Op dat plak 
miirre geane seis banen bihang, 
zes strooken in de breedte. -De banen 
fen in flagge. 

baen'fager, -feger, -feyer, m. baanveger 
op het iJs. l^aenfagers binne Ijeaver 
ka ld as wirch. - - Lex. 147. 

baenfelje , v. de ijsbaan vegen. Lex. 147. 
Hl. skeij o-feije. 

baenfek, n. bepaald baangedeelte. 

"baenje , v. banen , ijsbanen maken. Lex. 
147. Vgl. hihaenji'. 

baenkaertsje, n. toegangsbewijs bjj hard- 
rijderijen. 

baenkindich , adj. die den weg over ijs 
kent. 

baenlintsje, n. een lintje als bewijs, 



dat men 't recht heeft op de bijbanen te 
rijden by hardrijderijen. 

baenman, m. baanveger, die een ijsbaan 
vooral voor kinderen schoonhoudt. Vgl. 
bactifager. Lex. 147. 

baenmaster , m. zooveel als commissa- 
ris van orde by hardrijderyen. 

baen'-, baentajeride , v. opeen ijsbaan 
heen en weder rijden. Lex. 14S. 

baen-, baentsfjerider, eg. die op et^i 
ijsbaan heen en weer rjjdt. Lex. 14^. 

baensint, s. cent voor de(n) baan(veger). 
— Op i t i i s m oa t min b a e n s i n t e n 
y n 'e b û s e ha. 

baentjen , Hl. boontje, pi. b a e n t j e s. -- 
Brune baentjes. 

baentsje, dem. n. baantje, smalle of 
korte baan, meer bepaald van het ijs. 

baentflje , n. baantje. Douw e het in 
baentsje by de tram. — Nachts en 
d e i s y n 'e baen w ê a e , 1 y k as dokter, 
is my ek in baentsje. 

baentsjeg^lide , v. kindervermaak : glij- 
baantje glijden. — Ook op de hurken zit- 
tend , rich door een ander laten voorttrekken ; 
dit ook baentsjesliere. Vgl. slydtsjegluie. 

baen'wachter , m. Zie spoarwachter. 

baer, bare, s. uudaj baar, golf. — Hl. 
b a «^ r e. - D e b a r e n f e n 'e s é, f e n 'e mar. 
Vgl. weach. Lex. 148. Ook: It lis leit mei 
baren; it stousân, de snie ek, as 't 
hird waeit. — Dewolle(fenditskiep) 
leit mei baren. Zie ribbel ^ rirhel, ronfel. 

baer, bare (O. dongdl.), s. f e rei rum, 
doodbaar. — Salv. 121, v. d. M., Suchten. Lex. 
253, 623. Hl. en Mkw. barje. — Vgl 
dea-y gihle-, slotbaer, 

^baer, s. contractwf^ pactum^ overeen- 
komst, verdrag, in: De baer meitsje. 
Meer gewoon in dezen zin is: baer op kar. 
bijlegging van een geschil, opgedragen aan 
scheidsrechters ; met de bepaling , dat indien 
een der twistenden zich niet aan de uitspraak 
onderwerpt , hy een zekere boete zal moeten 
betalen. Lex. 224. Ook bear, z-d. 

baer, adj. manifest us, perfectus^ baar. 
- Der slacht de bare divel troch. 
R. W., Bledden«25. — In hare Ijeafhab- 
ber, een hartstochtelijk liefhebber. Halb. 
in G. J. — Bare midswinter. — Baer 
jild, Kngl. ready monejf. — Zie bare, Vgl 
klearebare. 



BAER. 



67 



BAER, 



^MMrch, eg. poreus, varken , zwgn. — pi. 
bargen, dem. barchje. Stadfr. barch. 
— In baerch op *e winter, in 
bierch op 't hok ha. — In stik fen 
in dea baerch, iron. een stuk spek of 
T^rkensvleeflch. — De keallen, biggen, 
Kaerch moat sûpe ha, Bûrkery (1774), 
>*. — De rein komt nimmenonfor- 
*jûen 11 Den rint de baerch, den 
rintdesûch i| Entinktomwetter 
noih om droech. Prognostic. — Gjin 
jild, KJin bargen, gjin bargen gjin 
«pek. Hsfr. X, 184. — Vraagt iemand uit 
nieawsgierigheid : Hwer scitt' hinne? 
dan zegt een ander vaak : N e i f o t s j e-f i n n e, 
krij de baerch by destirt en lit 'in 
rinne. — Hi», — dat seit in baerch 
(?k as min him in skoptsjin'tgat 
'fiïn jout, tegen iemand die 'hi"?' zegt 
Ti>or : wat blief? — Op it bil ha de ba r- 
jr^'n gjin (of ek) eagen, woordspeling met 
BiHt (spr. FrieschBil). Prov. In bulte ge- 
raei^en in byt8Jewolle,8eidedivel, 
f n hy akearde de bargen.— Hy sjongt 
a« in baerchy dy't op 'e doar litsen 
V i r fl t , als een varken dat geslacht wordt, 
niet byzonder mooi dus. — It stiet him 
%A linich asinbaerchitfyoelespyl- 
jen lit bryiten mei de leppel), iron. 
't iftaat hem onhandig. — In baerch het 
ekinsin, scoehy dennet ien ha? 
A* de bargen fleanne, nimmer. — 
I»e baerch is fet, ook de spaarpot is 
Tol. Zalk een spaarpot, van gebakken aar- 
dewerk , in den vorm van een varken , kan 
m niet ledigen zonder hem te breken, 
at: As de baerch fet is, moat er 
• lachte wirde. — iron. Kom, de 
baerch i« fet, of: de baerch is yet 
net fet, gezegd als er twee lichten 
t«gelijk op de tafel staan. — Hy het 
in fet baerch (in nye broek) oan 
^jn fltalke fortsjinne, een nieuwen 
hoed aan zjjn vriend verdiend , door hem 
lan een vrouw te helpen. — In fet baerch 
krge, mei in fet baerch thiis 
kom me, binnentyds uit den dienst gera- 
ken. VgL S. K. F., Forj. 1892, 28. — De 
feint krige in fet baerch, hjajoech 
him seis wike, en goereis. Wiers. 
1 M. J. 7. — Hy (hja) is in baerch yn 
fvn (hjar) wirk, slordig in *t werk, 



vooral van veld- of huiswerk. — Hy kin 
gjin bargen keare, schimpend van 
iemand , die met de knieën buitenwaarts 
loopt. - In stielen baerch, iemand ge- 
hard tegen weer en wind. — Kin in dea 
baerch ek bite? wat zou- je mij kun- 
nen schaden ? — It komt in dea baerch 
oj) in stek net oan, er is aan hem (haar) 
niet meer te bederven, van een die ziek is 
en voor wie(n) geen hoop op beterschap be- 
staat. Ook : 't komt een dronken man op 
een borrel meer of minder niet aan. 
It wisse for 't onwisse, sei de man, 
en hy boun in dea de baerch de bek 
ticht. - Prov. Dy de baerch ringje 
wol, moat him 't gûlen treaste. 
Ned. die zijn billen brandt moet op de 
blaren zitten. — As de bargen mei 
lange strieën rinne, wol it reine; 
ook : als groote jongens uit lange pijpen roo- 
ken is er kans dat zij onwel worden. — 
Smoarge bargen dye fûlst(groeye 
best). Ook gezegd van kinderen, die zich 
by 't eten erg bemorsen. --Bargen moat- 
te net woelich wêze, dit verhindert het 
vet worden , iron. van luie vadsige rykaards. 
— Prov. In bulte (f o 11 e) bargen 
meitsje tinne drank, vele varkens ma- 
ken de spoeling dun. -- ItisFrienzer 
merke as de bargen alle modderop 
h a , van plaatsen waar 't nooit kermis is. — 
As dy kearel syn kop oi3 in baerch 
siet, mocht ik er gjin spek fen, 
van een die er erg onguur uitziet. 

— In baerch mei in gouden ear- 
iisder op, Ned. een vlag op een modder- 
schuit. Vgl. hirdhaerch; ijchel(stikel)baerch y 
ivinterhaerch. 

baerch, s. waterkeering , bestaande uit 
twee ryen korte jialen, waartusschen steen; 
loopende uit de palenrij in den zeedyk op, 
tot keering van den loop van het zeewater 
achter de i)alen. Lex 150. - JStiennen 
baerch, een muurtje in een sloot als wa- 
terkeering in de plaats van een houten of 
aarden waterdam. Ook barch en boarch. 

baercll7>oartsJe , v. dormire medio die y 
over dag gaan liggen slapen. Ook var- 
ken tjespel en , — dit meest bargeboart- 
sje, z. d. Lex. 152. 

baerhok, barehok, n. Eng. bier-shel- 
ter, hok op of by een kerkhof tot ber- 



BAER. 



68 



BAES. 



"ging der lijkbaren. Lex. 123. Een lijk, dat 
wegens vrees voor besmetting uit het sterf- 
huis moet worden verwijderd , wordt tot den 
dag der begrafenis in het baerhok ge- 
plaatst. 

Ook b a e r h li s k o. 

baerje, v. fluctuarej un(htre, golven (van 
het water , van graan op het veld.) 1 1 
baret en b r û s t f o a r i t s k i p o p. - - 
Dat iis is net fortroud: sjuch ris 
ho 't it baret as der h wa oer ry d t. 
— De rogge baret o p it fjild. 

baerjild , n. huur voor de baar , bij be- 
grafenissen , in sommige plaatsen waar de 
baar aan de diakonie behoort. 

baerke, n. dem. golQe, rimpeling. — 
As er baerkes op it wetterkomme 
bigjinne de fiskjes leger t o si len. 

baerkleed, n. het zwarte kleed of 
laken , dat zoolang het lijk boven aarde 
staat en wanneer dit naar het kerkhof ge- 
voerd wordt, over de kist ligt. Ook kiste- 
kleed. 

baerkleedshier, s. huur voor het baar- 
kleed, dat tegen huur voor het gebruik af- 
gestaan wordt. De huur van het baarkleed 
komt bij de afrekening (bûrforgadering) 
ter tafel. 0^ andere plaatsen behoort het 
baarkleed aan de diakonie. 

baerlik, adj. mitnifextua, persoonlijk, 
klaarblijkelijk, uitgemaakt. Dat wiif is 
de b a e r 1 i k e d i v e 1 , de duivel in eigen 
persoon. Lex. 148. — D a t b i n n e b a e r- 
like Ij e agens. 

baerlike — adv. ik w a e rd b a e r 1 i k e 
kjel. Vgl. hare. 

•baemde'wjni, s. brandewijn O.J.r,52. Ook 
b a e m e w y n , W. Gribb. — Zie hrâmîewyn. 

baeme (spr. baene). Westelijk, Tietj. , 
Leeuwarddl. en bij ouderen in de Wouden 
nog algemeen, v. nrere, anlere, branden. 
(i. J. i)assim. Elders b a r n e en b r â n n e , 
z. d. - Men b a e r n d e en b r i e k en 
atiek (vn 'e al de oarlochstiid). R. W., 
Bledden, 24. - Fjilr wol nin stok 
baerne. Oud zechje. Vgl. R. ind T.", 71ft. 
-- As 't fjûr baernde, scoe se it 
wet ter der oerhingje. H. S., Alm. 
12", 18(50. — ...hy miende ... dat er 
him tig e baernde, ibid. — Ik baern 
f e n 'e s o a d . z.d. It baernde my 

op 'e t o n g e , ik kon 't haast niet ver- 



zwegen. — Hy sjucht er lit as er 
baernd koarn iten hie, heeft veel 
jenever gedronken. Fig. It baernt op 'e 
n e i 1 , 't komt er op aan , de zaak eischt 
voorziening, de toestand is onhoudbaar; 't 
is vliegend druk, b.v. in den oogsttijd. - 
It baernt net, er is niet zoo'n haast bij. 
- Twisken hingjen en baerne n 
(wjirjen) in dilemma. — Kin 'k my dêr 
ek mei baerne? door in ongelegenheid 
komen. — Dêr het er him lilkmei 
baernd (fig.). — Baern dy net, fiis! 
Zie vóór je voeten , er ligt vuil. — S o n- 
debaernend, vloek als bevestiging. — De 
klean baerne my oan*e hûd(oan't 
liifj, Ned. ik sta opheete kolen, van drukte, 
ongerustheid of angst, Vgl. W-, y/i-, win-y 
troch-y út- baerne. 

baern end, brandend. — It is naeid 
mei in gleaune nidle eninbaernen- 
de tried, als de naad spoedig losgaat. - 
In baernende toarst, — haest, — 

Baernende hjit, — drok. Zie verder 
barnend. 

*\}B.er^lïhïg(e), s., nestm marini, branding 
der zee. Vr. Fr. V, 30. Zie brânning, 

baes, m. officinae dominus, baas, mees- 
ter. Baes smid, baes bakker, baes 
timmerman... enz. , titulatuur van de 
uitoefenaars dier vakken. Lex. 153, — 
Baes traktearre en de feinten 
seine gjin tank je. — In lyts 
baes is bette r as in great fel ut. 
Men zegt dit soms ook omgekeerd, omdat 
de laatste wel eens beter bestaan heeft dan 
de eerste. — Ik ha nuvere bazen 
hawn. Myn nye baes sei, ik hie in 
stap út tilzen. T. Halb., Alm. 12*. 1833. 
— Dy to lang for feint tsjinje, 
hawwe dien as hjabaeswirde, qui 
adolescentes nimio diu venerem rttgam cotur- 
runt. — De jonge bazen, de jongelingen 
en jonge dochters. De lyts e bazen, de 
kinderen. 

Dy bitellet is baes, die betaalt heeft 
het te weten. — Prov. Dy 't baes is moat 
it witte, men moet zich aan *t gezag 
onderwerpen. — Der is altjd baea bop- 
pe baes. — Allinne baes it best. — 
Hy is syn eigen baes. VgL man, — Hy 
is baes dêr 't de biesemitdk stiet 
(dêr 't de houn syn stirt leit), hg 



BAEiS. 



09 



BAC^. 



bftfi nieU Ui zegf^en. De baes «pylje, 

für bae« spylje. Wiisnoas wol de 

ba et» «pylje. — It is de ba en, het is 

h»*t Tcrkiedükste. Foart is de baes, 

het l»ente is dat vf\] weggraan. Lex. V^S. — 

In bae8, die aitmunt. Dat is in baes, 

Tan €^11 mensch, een dier of een levenloos 

vrhirwer]!, groot of uitstekend in zjjn soort. 

Id Via en (f en in) kearel, in baes 

■f PO in) wiif, in baes (f en in) bern. 

In baes opslagger (in 't kaatsen). 

HantHJe wier in baes keatser. In 

Nat»s rider, hynder, kou, snoek. — In 

baen kroade, sleat. — YgLearm-^feau-, 

fjurktrnt-, hei-j hellhiff-, hoerre-, houne-, hÚH- 

krppri', kUeil-^ kottt-f kream-, omler-, ploech-j 

i'iit', ftet-, skear-j sliep- j «piUc-f ttpin-^ terp-. 

timmer- f tcask-^ wjAdernhaes, Waar een woord 

'I> zii'h zelf al een handwerk aanduidt , staat 

b a ** ^ aN qaalitativum er voor : baes smid, 

rnz. r>ok: in smid dy sels baes is. 

baes'achtichj-aftich, adj. & adv. exeUenn, 
"f4imr^ uitmuntend, uitstekend, voortretteiyk. 

Dou ViÏHt in baesachtich f ank e. 
hat hast ris baesaftich makke. -- 
In ongunstigen zin: Dy kearel is wak- 
kiTe baesachtich, bazig. 

«»ok: *baeshaftich, *-eftich. 8 a 
l.rtPMeft ich fagenjou de Worp leech. 
k. ind T"., 161-. — Baeseftich, man! 
K. inl T'. 49*. — Do min ris baes- 
haftich umbrocht hie. Hsfr. 1 , 97. — 
Knun. l'>. 
baesgroen'tfije, baesroentfije , n. (hier 

••n daar). Zie hoeëgroentttje. 

'baeshaftich . adj. k adv. Zie baesach- 
firh. 

baeake, dem. n. meester-handwerksman, 

'iit? ef n kleine zaak heeft. — Sokke lytse 

i>a»*j«keH moatte net oan 'e greate 

kerweyen komme; as 't misrint bin- 

3»* <e yn ienen e arm. — Lytse baes- 

ktr^. kleine kinderen. Zie bae». Ook klei- 

n»* menschen, die veel geweld of kracht 

h»*M>«'n. Dat ié in baeske! Zoo ook van 

'li**ren . by v. paartlen. — B a e 8 k e ! b a e s k o Î 

idi-ht vermanend of bestraffend tegen iemand. 

Zi«* baes, 

baasmma'nen, pi. heldhaftige, voortref- 
f^'iyke mannen. Meest iron. — Ja wol, 
jimme binne fen dj baesmannen: 
iftS Sjouke de fjildwachter nei jim- 



me wiist, den tsjugge jimme op 
'e f] echt. Vgl. Hsfr. VI, 29, 284, 279. 

baesroentsje. Zie boesgroentsje. 

baesspylje, v. Fra. s'ériger en maitre, 
voor meester oi)spelen. — Der binne Ijue 
dy 't altyd baesspylje wolle: sok- 
ken is gjin lân mei to bisilen. - 
Tryn Bekstik wier it baesspy Ij en 
y n'e hu s wend. -gaesspylje heeft een 
meer algemeene beteekenis dan : de baes 
'''Pylj^ ('^i^ ^<ii'if}i dat meest van een be- 
paling vergezeld gaat: oer eat of immen 
de baes s p y 1 j e. 

baet, bate, s. commodumjlncnim , baat, 
voordeel, gewin. G. J. I, 26, 105. — Ba et 
siikje en baet fine. -Hy het by nin 
i e n dokter of middel baet f o u n. — 
Hwet baet scil 't my jaen? -Hy 
n i m t alles t o baet om t a s y n doel 
t o kommen. — H y het alles t o baet, 
in zijn voordeel , tot zjjn dienst. Zie bate. 

baffe , v. bassen , blaften , 'Inif ' roepen , 
blaffen. Vgl. icaffe. - Ook in denzelfden zin 
als : 

baffelje, v. druk spreken over allerhande 
niets beduidende zaken, wauwelen. -- Haf- 
fel j e en ba f f e 1 j e. Ook w a f f e Ij e , 
z. d. Zie (jcbaffel. 

baTfelder, eg. blatcro, wauwehuir. 

hSLgge , s., alleen in : *t o b a gg e g e a n , 
Ho l)agge reitsje, Kngl. to yo to wrack 
and ruin , op de flesch gaan. Lex. 159. Vgl, 
to üink (jvan. 

bag'g^elbak, s. bak, waarin deklijnmet 
water vermengd en tot een dikke brij be- 
werkt wordt. — It folk is yn'e baggel- 
b a k , zij zijn bezig met turfmaken. Ook 
mintjbak. 

bag^g^elboerden , pi. plankjes van IVa 

voet lang en 1 breed, met ongeveer in 't 
midden een patir gaatjes voor het touw, waar- 
mede ze als schaatsen onder de voeten ge- 
bonden worden. Men tnipt daarmee de over 
't land ges})reide en half gedroogde turfspe- 
cie dicht en efien. Ook t r a p e r s b o e r d e n. 

baggelderturf , of baggelder, s. Hd. 
bagyertorfy baggelaar. Lex. 158. In ton- 
n e , f u e r (z. fjnr) , skûte, healskûte, 
f e a r n , w e i n f o 1 , k o e r f o 1 , s t o b b e b a g- 
g e 1 d e r. 

Tweintich baggelders for in du- 
bel tsj e — Ook: baggel, ba gier en 



BAGG. 



70 



BAK. 



b a e 1 d e r. - Gron. ba^gel, baggelder, 
ba<:fcl. Oostfr. baggertörf. 

bagTfi^elf ean , n. baggerveen, veengrond 
geschikt tot uitbaggering; deze lage plek- 
ken vindt men ook tusschen hoogveen in. — 
Itbaggelfean, benaming van gronden 
o.a. onder het dorp Wijnjeterp, Drachten, 
Ureteq), enz., waaruit veen, soms ook 
kl ij n gebaggerd wordt. Lex. 157. Verg. khjn. 

bag^g^elfjild , n. streek , waar b a g g e 1- 
f e a n e n en k 1 y n d o b b e n (z. d.) gevonden 
worden , of waar veen gegi'aven wordt. 

bagTfi^elJe, v. baggeren, in 't algemeen: 
alle werkzaamheden , die aan het uit den 
grond halen en bewerken van het veen ver- 
bonden zijn tot dit op het veld gespreid is. 
Ook feantsje, z. d. Vgl. J. G. v. BI. Fr. 
Volkrfalm. 1893, 137. Lex. 157, 158. Gron. 
baggeln. Ook baggerje. 

baggelleapzens , pi. hooge tot over de 
knie reikende laarzen, die de turfmakers 
aanhebben. 

ba^^elljue, pi. werklui, die de turfspe- 
eie bereiden. 

bagTfi^elpet, s. veenpoel, waaruit men 
baggert of gebaggerd heeft. Zie pet. 

bagTirelpôle , s. stukje veengrond , waarin 
gebaggerd wordt, soms te midden van geculti- 
veerden grond (Drachten , c. a.). Onder War- 
tena, in het onlan, zijn dat verlaten hils- 
steden van veenarbeiders, meestal met 
wilgen omzet, in of by een uitgegraven 
veenderij. 

bagTireliiet , n. dicht net aan den bag- 
gerl>eugel , waarmede het klijn of de bag- 
ger wordt opgehaald. 

bag^gr^lpreaxn , ^. groote praam, waarin 
de oi>gehaalde bagger gestort en vervoerd 
wordt. Zie pream. 

bagTfi^eltiid , s. tyd gedurende welke men 
veen baggert , gewoonljjk vroeg in het voor- 
jaar. 

bagger, bagger-ierde , -modder, s. 
aarde of modder uit een vaart of kanaal ge- 
baggerd. ( )ok 1 e i k m o d d e r. 

baggerbügel, s., Hd. haggerhnyel ^ beu- 
gel om daar de klyn of bagger mee in 
de bok of baggerpraam te halen. Ook t r e k- 
bugel. 

bagger-ierde , h. Zie hagifor. 

baggerje, v. baggeren. Zie hlk-je vooral; 
en hmjifcljc. Ook overdr. door den modder 



of het vuil waden. Troch alles hinne 
baggerje. Vgl. ha^ije en hargje. 

baggerman, s. pi. -Ijue, baggerman, 
baggeraar, gewoonlijk polderjongens, die 
met hun woonscheepjes bij de plaats, waar 
zy aan het werk zijn, verblyf houden. — 
Lex. 157. Vgl. ïeiker. 

baggermodder , s. Zie haggerierde. 

^baggermounle , Hd. Bagger, bagger- 
molen, baggermachine. 

tbagi'ne, f. heghina, bagyn, bedelnon. 
Lex. 159. Zie hegyn, 

tbagynkoek, s. De portefuilje 
waerd by hjar as bagynkoek bi- 
warre. W. H., Teltsjes. Zie heginekoeke. 

tbahei', s. ostentatio clanwsa , ophef, snor- 
kery, gepoch, vermetelheid. G. J. I, 227: 
baheis littiukne preal. Vgl. pohei. 

balken, Hl. n. zie heaken, haken, 

baim, Hl. s. boom. Zie heam, — Yk 
ga°n naat haich yn'e bâ,im mei de 
priis, ik koop niet duur. 

baimpjen. Hl. n. boompje. Zie beamke. 

bak, 3. cisterna, regen watersbak. Lex. 
162. — It wiif hie krekt in tsjettel 
fol wetter út 'e bak helle, H. S., Alm. 
12^ 1860. 

Eng. tub, bak. — De faem moat turf 
yn'e bak helje, — It baggelfolk is 
yn 'e bak. — De bak fen 'ewein, 
f en *e sjeas. 

Lage buitenkist (zeewering). 

Hwet in bak fen in wein, fen in 
8 kip. Zie bakbeest. 

De bak omkeare, een miskraam krg- 
gen. A. IJsbr. (1808), 40. 

Vgl. baggel'f beife-yflesk-fflesse^foer-fgloerre-, 
jarre-j kachels- , kalk-, karre- , kionUfje-. koei-, 
lampe-y linnen-, ming- , oalje-, reinwftters-, 
rezine-, ridskip-, sjeas-, skroef-, spiker; su- 
kereiwattkers-, turf-, wask-, wein-, yesktbak, 

alveus. — Kom oan *ebak, kom aan 
tafel. Lex. 161, 162. — Lyk as de bar- 
gen oan *e (by de) bak gean, londer 
bidden aan tafel. — Zie tróeh, 

n. hoeveelheid, bakseL Zooveel brooden 
als er tegelyk in een oven gebakken knn- 
nen worden. Het gewone getal is 200. Vgl. 
bakt. Ook: in bak stien, pannen (oven- 
vol). 

carcer, gevangenis. — Yn 'e bak kom- 
m e , s i 1 1 e. 



BAK. 



1 



BAKK. 



baJc, verkorting van twiebak, z. d., 
Yrk. 6»>rMiY, tweebak, beschuit. Lex. 164. — 
Bu Inert er bakken. — In fearn bak- 
ken, 13 Atuks. In platte bak — in 
roune of heg e bak. Thans heeft men 
alleen nog platte bakken. — In rog- 
ïfene bak mei any y. — In min nis te 
Kak. met aniker en een stuk krentebrood 
♦T op. Stadfr. in m i n n i a t e boterham. 
\'.l\, pitjihak , ttukerhak. 
bak'aker, Zoh. R. P., s. VAabaksaHrr. 

bakbeest, bakkebeest, n. mol es, voor- 

w»*ri», dat groot in zijn soort of lomp en on- 
handig in *t gebruik i^^. — In bakbeest 
fen in tafel, f en in kloet. Lex. 162. 
Ovfrijf*. k o mbo f. 

bakboart, n. Eng. larhoard, bakboord. 
L»Tt. 217. 410. - ProT. Wol it net oer 
^akhoart. Ha moat it oer stjiir- 
boart. Lex. 217. 

bakbrocbje, n. -brogge, s. snee rog- 
?**broo<l met boter en kaas en een beschuit 
-r op , een 'Friesche boterham'. Zie hrochje. 
bakelaer, s. Ixtcca iaurl, laurierbes. 
Stadfir. bakelboontsjes. — Bakelaer 
i- in middel for de koarts en for 
•Ih mage, as'titennettarrewol. 
baken, s. baken. Zie heaken. 
bakei^e, v. Eng. to swaddle, to bask , 
*^xï kind bakeren. Ik bakerje, bakere, ha 
*Mkpre. bakerjende, to bakerjen. De kream- 
w.irster het him goed bakere. 
HL b a k e r j e. Ouderen zeggen k r a i ni- 
mine. — Yen bakerje, zich koesteren. 
Zi»» ttmherjf. 

bakerkoer, ». Kng. home, bakermand. 
>tadfr. k <tron. f uur kor f. — Hl. fier- 
ma • n d e. 

bakfol, n. hoeveelheid, die in een bak 
k.m. In bakfol reinwetter, turf, 
kiil k. ensfh. Zie hak. 

bakhÛS, n. Eng. hakehoHse, bakkers- 
VHfkphiat^f. Stadfr. bakkerjj. Lex. 164. 
bakje , dem. n. bakje , kistje, trogje. nap, 
k'.pje. — In houten bakje for pi- 
lt ere au en oare snypsnaren dy't 
w •• l r i r4 t o p a fl k o m m e. — I n bakje 
kofje, een kopje (eig. een schoteltje). Hl. 
bakjen kof je. meestal alleen bak jen. 
Vgl. pamUje, — Vgl. drinkenH-^ Uen.<<-y Jifd-, 
htek-, Iroffe-^ leppei'j naei-, segare-, sied-j 



bakjefol, n. hoeveelheid, die in een bakje 
kan. Zie bakje. 

bakke, v. Eng. to bakr, bakken. — Ik 
bak, bakte, ha bakt (bakke) , bakkende , to 
bakken. - Der bakt of bret nimmen 
f o r i n o a r. B r e a , b ô 1 e , k o e k e 

bakke. - Bak lis joun ris strou 
mei spek. Biirkerij (1774), 20. - Stien, 
pannen bakke. - Vgl. bl- of-, op-jfjear-j 
oan-, trochbakk'v. 

Dat m o a t s t m y net w e r bakke. 
Vgl. lappe y letter je. — Immen in pots 
bakke. 

It het t o -nacht in koekje bakt, 
sterk gevroren. — De snie wol net bak- 
ke. Vgl. pakke. 

In 't midden der 17e eeuw nog baetsje, 
boek, b a e t s e n. — Prov. fK o m m o a r n 
w e r , w y boeken j i s t e r , je komt te 
laat. —fit is éren al baetsendat nou 
krommei e wirdt. Lex. 163. 

bakkebirden, pi. barba (/enarnm, bak- 
kebaarden. Hsfr. IX, 178. 

bakkelelje, v. Hd. raiifen. Eng. to 

icrangle , plukharen, elkaar afranselen. — 
Ik bakke lei(je) , bakkeleide (-leije), to bak- 
keleijen. — H wet ha se der yn'e East 
wer oan 't bak kei e ij en west. Lex. 
545 geeft het nog op als Hollandsch. 

bakker, m. phtor, bakker. Lex. 168. 
(I. .1. 11,3. - Prov. - Better nei de 
bakker as nei de dok t e r. - W e n d e r 
d y mar oan, p o e s k e , s e i de bakker, 
en h y f a g e mei de kat de o u n út. — 
D ê r is de bakker mei 't w i i f t r o c h- 
g i e n , of: der h a t d e b a k k e r i t w i i f 
t r o c h j a g e, gezegd van een gat binnen in 
een wittebrood, zooals dit bij hot gaar wor- 
den ontstaan kan. - De bakker de kop 
ôfsnije, een (rogge)brood aansnijden op het 
eind, waar de naam {initialen) van den 
bakker op staat. - Dy bakker is troch 
d ' o u n f 1 e i n , failliet. Vgl. brea -, k'oekr-, 
ktienbal'ker; banket-, snkerfjakker ; glei bakker. 

bakkery, s. bakkersbedrijf, -winkel, 
werkplaats, het geheelehnis. — Hl. bakke- 
rie. In beste bakkerij, een beklante 
bakkerszaak. - Hsfr. III , 42, 45. — Vgl. 
bakhâi^ en de samenstellingen met dezelfde 
woorden als bij bakker. 

bakkerinne, f. bakkerin. Ook bakkers- 
vrouw, Stadfr. bakkerske. 



BAKK. 



72 



BAKS. 



bakker-oan! in: Dy is bakker-oan, 
is verloren , de dupe. — Ook : hy heeft pro- 
ces-verbaal. 

bakkersfeint, m. bakkersknecht. 

bakkersfisk, s. bakkersvisch , schertsend 
voor w e a k k e b Ô 1 e (z. d.) , een spijs , die 
een bakker nog al eens eet , als hij een bak- 
sel wittebrood niet geheel heeft kunnen uit- 
verkoopen. 

tbakkershoam , s. hoorn, waarop de 
bakker blies, ten teeken dat de versche 
broodjes gereed waren. B. ind T.*, 66a* 
Sedert nagenoeg een eeuw in Friesland niet 
meer in gebruik. Zie kwénehoarn. 

bakkers-yntsje , n. eg. gnjlluH domes- 
tivusj huiskrekel. ld. 111, 185. Ook 
i m e r k e en t r li t s j e. 

bakkerske, Stadfr. f. bakkerin. - Zie 
bakkerinne, 

bakkers-loet, s. lange yzeren roede, 
voorzien van een haak, waarmede men de 
sintels uit den oven haalt. Zie loete. 

bakkeps-oun, s. bakkersoven. — Hy 
g a p p e t as in (b a k k e r s) o u n. — 1 1 g a p- 
pet as in (bakkers)oun, het scheelt 
veel. Lex. 164. - Hja het in holle as 
h j a út in b a k k e r s-o u n k o m d is, rood, 
opgezet. ld. 1 , 109. 

bakkers-plaet , s. koperen of ijzeren 
plaat met opstaande randen, waaroj) witte- 
brood (koek en kleingoed) in den oven 
wordt gezet. 

bakkersskelkje , n. voorschootje, dat 
een bakker b^j zijn werk draagt. Forj. 1892, 
160. 

bakkersskeppe , s. bakkersschop , ijze 
ren schoj) om doorgebrande kool en kolen- 
gruis uit den oven te halen. Vgl. fjArakeppe. 

bakkersskonken , s. pi. bakkersbee- 
nen , - beenen , bij de knieën binnenwaarts 
gekeenl, tengevolge van 't staan vóór den 
baktrog en den oven. l^ex. 164. 

bakkers-'wein (Wouden), s. bakkerswa- 
gen. — M (? i d e bakker s-w e i n b y de 
boeren 1 â n s. 

bakkert (spr. bakket), s. Hd. grosse 
Schi'Ik'ugvl , stuiter, groote stuitknikker, meest 
gebakken steenen bal. Ook gebruikt by 
het *s k i i f s m i t e u', z. d, - D e j o n g e 
hi e in piide oan 'e holle as in bak- 
kert. Lex. 164. - In bakkert en in 
huske bikkels, compleet bikkelspel. — 



Ook bos ter, bosser, dosseren bom- 
mel, — spatter en stuiter. — In stien- 
nene, in glêzene bakkert. 

bakkertsje, dem. n. — kleine 'bak- 
kert'. 

bakkertsje, v. met 'b a k k e r t s' schieten. 
Zie 't volgende 

bakkertfljebosse , v. op 'bakkert s' 
schieten. Zie : 

bakkert(£de)£ditte, v. — Spel: de 'b a k- 
kerf ligt in een kuiltje; die speelt, pro- 
beert de 'bakkert' er uit te pikken, 
en mag als 't hem gelukt op de overige 
schieten. Ook: bakkertsjebosse, bos- 
terje, skoatsjepikke en skoatsje- 
sjitte. 

bakke-tromp (Zuidelijk), s. Zie haktromp. 

bakklinkert, s. baksteen. Zie bakst ien, 

bakkrom-, krûxn, s. beschuitkruimeUs). 

bak-lampe, s. ouderwetsche olie- of tuit- 
lamp (meest van blik , ook van koper) , o|v 
gehangen boven (en aan den achterwand van) 
een langwerpigen bak ; vroeger dienstdoende 
als winkellamp by neringdoenden, als loo]>- 
lamp door het huis, om 1850 vooral nog; 
nog wel bjj den boer *yn*e bût\ daarom 
ook bûtlampe. — Ook lytse lampe, 
tegenover de *t út lampe', — en mars- 
lamp e, snotkoker, z. d. 

Scheldnaam voor iemand , die zoo'n vorm 
van kin heeft. Vgl. apesnút, skuit^ekop. 

baklampke, dem. n. kleine *baklamp. 

baklucht, s. geur van versch gebakken 
wittebrood enz. in een bakkerswerkplaat^. 

bakmès, n. het groote bakkersmes, waar 
de 'poffen' mee doorgesneden worden. Vgl. 
2)ofme8. 

bakpanne , Hl. braadpan. Zie hriedpannf. 

baks-akker (N.O. vooral), s. patemmer- 
tje. Veelal alleen 'ak(k)er*, ».d. 

baks-amer, s. bakemmer, houten em- 
mertje , waarin men water uit den regenbak 
put. Ook put-amer. 

baks-amnxerke, dem. n. kleine 'baks- 
a m e r'. 

bakseillûke, v. bakzeilhalen, voor 
iemand onderdoen, toegeven. Lex. 218. — 
Hja feegden wakker tsjin in-oar 
op, mar Japke moast op it lést 
wol bakseillûke. — Dy *t merkt, 
dat er de pleit forlieie moat, 
docht wiis jntiids bakteil to lû* 



BAKS. 



73 



BA LD. 



ken. Vgl. W. D., Twa St. 17, - S. K. F., 
Foij. 1893. 125. — Zie hek-. 

baksel, n. Hd. Gebackenen y baksel. — 
Alle baksels en brousels falie net 
gelyk út. Vaak van huwelijken, onder- 
nemingen, enz. — Nou, d y fa e m , dat i .s 
mj ek in baksel, niet veel bizonders. 
Lex. lOô. Vgl. misbaksel, 

baks-kaeike, n. sleutel van een gesloten 
regenbak , -meun, mond van den bak , 
-slot, *t slot er van. 

baks-lid, n. deksel van den regenbak. 
In koperen (e amen) bakslid. In 
sfinken bakslid mei koperen knie- 
ren. — In houten bakslid. 

baks-petael , Hl. n. portaal , waarin de 
regenbak , vroeger in de Hl. huizen algemeen. 

bak'stien, s. baksteen, hard gebakken, 
r»»chte, witt^ klinkert , waaruit de regen- 
Wk opgemetseld wordt; (van daar den naam). 
Uok gebezigd voor 'rollagen' van stallen of 
aan den waterkant (stadsgrachten). Ook 
bak klinkert. — Ook de blauwe zerk, 
die op den bak ligt. Zie stien. 

baks'wetter, n. water uit den (regen)- 
bak, regenwater. 

bakt, n. Engl. batch f baksel. In bakt 
brea, in bakt twiebakken. - Alle 
bakten enbrouten bislaen net al- 
like goed. Vgl. Lands Ordonnantien |18e 
eeuw|. Tit. XIII, art. 6. Ook bak(te). Vgl. 
heaibakt f baksel, 

baktafel, s. lange zware houten tufol , 
waarop de bakker het brood vormt, bakkers- 
werktafel. Lex 164. 

baktonne (Oostelyk), s. beschuitton bij 
den bakker. Meestal t w i e b a k s t o n n e. 

baktrócll, s. Fra./;<'/rm,baktrog, waarin 
de bakker het deeg kneedt. Lex. 164. Ook 
breat rôch. 

baktromp, s. beschuittrommel. Hsfr. 1, 
79. Ook : bakketromp. 

bakweintfije , dem. n. bakwagentje: net, 
modem rytuig, waarvan het gedeelte, waarin 
m**n plaatA neemt, de b a k heet. S a 'n b a k- 
weintsje wier foarhinne yn'eWâl- 
•ien hwet foarnamer as sa 'n bolder-, 
•»pek- of wâldweintsje, z. d. 

bak' W er 10 y adv. naar bakboordzyde. I n 
'«kip bakwerts oanhälde. 

bal, 8. püa, bal, kaatsbal, kloot. — In 
ilestiken baL — To Wytmarsum 



wirde beste Ie arene (keatse)ballen 
m a k k e. Bij het kaatsen : Dy bal is 
hini oer, te hoog om goed terug 
geslagen te worden. — De b a 1 1> o p j) e , 
k w e a ü t s 1 a e n. - De bal y n 'e f 1 e c h t 
slaen, hein e. - De bal is oan west, 
heeft in zjjn vlucht een kleedingstuk aange- 
raakt. - Il wa is oan 'e bal (dit ook bij 
't biljarten) ? - S i n t P i t e r s bal, zilveren 
bal , die ter eere van den heiligen Petrus 
op den 22 Februari verkaatst werd, in de 
Dokkumer Wouden. 

De bal m i s s 1 a e n , tig. het mis hebben, 
iets zeggen, dat een geheel andere uitwer- 
king heeft dan men bedoelde. Do 't Sibe 
sei: Omke sjucht er yet best üt, 
s 1 o e c h er de bal m i s , h w e n t O m k e 
w o e er min ü t s j e n. Vgl. forbjiistere. 
Dy 't de bal litsmyt hat him w er- 
om towachtsjen. - For de ballen 
opkom me of stean, de gevolgen of kos- 
ten van iets dragen. - De keningen 
f j u c h t s j e en i t folk m o a t f o r d e b a 1- 
l e n o p k o m m e. - 1) y 't s e 1 s net d o a r r e 
litte in oar for de ballen opdraeije. 
Stoppen balie lit neat sjen, kinder- 
spel waarbij een bal in den schoot of op 
een andere plaats verborgen wordt, dien 
een ander dan moet zoeken, terwijl de overi- 
gen roepen : T i g e , t i g e t i c h t ! Il P a s 
op, dat h y de bal net k r y c h t. Lex. 
167. 442. 

Vgl. biljcrt', tuinv', heatsc-j kegel-, koai-, 
sJinjvr-y irevske- y hier-, hjm- , snie- ^ irriutv- 
hal. Zie bol. 

bal, s. k n. (NO., N. en W.) palma ma- 
nus , plauta pedis, hand-, voetpalm, het 
middengedeelte van hand ot voet. — Vgl. 
U. P., Keaimi. 2U1. It bal feu 'e han, 
f en 'e foet. 

bal, n. Fra. baly]ni\. It is lijoed great 
b al b V Ú s 1 â n h e a r r e , ook : er wordt 
uitgehaald. Bal nei. Vgl. douftsjen. 

Ook in 't algeui. : herrie. - Hwet giet 
i t d ê r o a n (o ni ) w e i. J a . j a . d ê r i s b a 1 Î 

«bal , in : 1» a 1 ni e i t s j e. - De j o n g e s 
h a w w e d e e i n b a 1 m a k k e , zoodat zij 
van de eieren is afgegaan. Lex. 166. Meest 
f or bal j e, z. d. 

baldadich, -''dedich, -'"diedich, adj. 
petulansy baldadig. Baldadige j on- 

ges, Lex. 166, 



BALD. 



74 



BALK. 



baldadichheit-, -*^dedich-, a.petniautia, 
baldadigheid. —De lotlingen hiene lit 
b a 1 d a d i c h h e i t de g 1 ê z e n b y de 
kastlein ynslein. 

baldadigens, -dedigei^, s. e. balda- 
digheid. - De baldedigens fen dy 
j o u n s k o a 1 1 e b e r n r o a i t i g g e noch 
kant! Vgl. Hsfr. IV, :31. 

balderbalkje , Mkm. v. bulderen. - 
It ken on bal der balk et. Lex 173. Meest 
bolderbalkje. 

bal'g^oa\je, v. een jongens.spel , waarbij 
een den ])al gooit en onmiddelijk daarop 
naar een bepaalde plaats loopt , en van daar 
naar 'honk' ('m ie f); de ander vangt 
den bal op, en poogt den eerste, voor hij 
bij 'honk' is, terug te raken; dan wordt 
van plaats verwisseld. Meest balsmite, 
ook baljaen. 

ba'lie (Amel.), «. rupa, tobbe. Zie haelje. 

ba'lie, s. 't gerecht. Zie ba el je. 

baljaen (Koudum), v. Zie halgoaije. 

balje, v. Hd. ballen y zich tot een bal vor- 
men. Wiet e snie wol best balje. 
— It ballet onder 'e foetten as de 
snie yen onder 'e klompen of s koen 
gearpakt. Lex. 157. Yn 't bosk 
hwêr 't sj)riitke knopkes ballet. 
V. d. M, Myn Suchten, 94. - 

Werpen met een bal , vooral in samenstel- 
lingen. Vgl. heine- , hoedfsje- , kratse-y sniehalje. 

balje, V. verjagen (visch, wild) door smij- 
ten , slaan. - Ik balje, balie, ha balie, 
baljende, to baljen. - Net balje, j on- 
ges, sjogge jimnie net dat wy hjir 
sitte to fiskjen? - Vgl. /bW>fï/>, Ä-/ii/ft/<\ 

tbâJJe, boalje, bôlje (G. J.) , v. damare, 
miujiri'y bulken, schreeuwen. Nu bâlte,z.d. 

balke, s. trahs, balk. Riga'ske, 

A m e r i k a e n s k e balken. — (Jok zolder- 
balk. ; Folie boeren ha de tiid fen 
't kealjen fen 'e k ij oan 'e balke 
skreaun. De kij stean e a l oan 'e 

balke, bij boelgoedcn wordt bij den inzet 
de gel)()den som door den oproei)er dadelijk 
boven het ve«» aan de 'bii thûsba 1 ken' 
met krjjt geschreven. Vgl. op»je. -- Hy 
stiet dêr (dat komt) oan 'e balke, 
zegt men in <le (vele) herbergen aan den 
waterkant , als de eerste op schaatsen of met 
paard en sle(» aankomt. Ook fig. als een 
waagstuk gelukt is. - De reed oan 'e 



balke hingje, ten teeken, dat men 
iemand uitdaagde om tegen hem te rij<len 
was hier vroeger een gebruik, nu nog in 
Oostfriesland ; — fig. uitdagen. — 1 1 i s 
hea oer 'e balke, meer dan genoeg, over- 
dadig; vooral bij een maaltijd. Vgl. (jvou- 
halken. — By Wibe-slachter hing e 
freed-to-moarn in fet kou oan 'e bal- 
ke. — Bûter tsjin 'e balke, Ned. . . . 
aan den galg. Hsfr. Vil, 76. — Prov. Dy 
't oer in balke springt moat oer in 
8 tri e net stroffelje, Ned. komt men 
over den hond, zoo komt men over den 
staart. - H y s p r e k t balken oan (m i d s) 
twa, is een pocher. — Der sjitt e bal- 
ken onder 'tiis, zegt men als bij felle 
vorst het ijs heel hoorbaar scheurt. — 1 n 
balke yn eigen each net sjen, mar 
wol in splinter yn in oarsines. 

pi. balke n, vooral het bintwerk van een 
huis. — Binnen *e balken, in huis. — 
Bernmoatte foar tsjuster binnen 
'e balken wêze. Vgl. do ar. — Dit 
bliuwt hjir binnen 'e balken, daar 
wordt niet over gesproken, 't blijft geheim. 

It hea is binnen 'e balken, de hooi- 
oogst is afgeloopen. — It is wer oer 
'e balken, binnen, van 't eten! — Hy 
hellet to folie hea oer .de balken, 
Ned. neemt te veel hooi op de vork, wil te 
veel in eens doen. Lex. 169. — De bal- 
ken scille jou net op 'e holle falie 
as jy by uzes komme, vriendeiyk ver- 
wijt aan iemand, dat hg ons te weinig be- 
zoekt. - As de balken nou mar net 
delkomme, uitroep als iemand een ander 
opzoekt, waar hiJ vroeger veel kwam, en 
nu in lang niet geweest is ; of die zelden 
komt, terwijl men hem g^^ag riet komen. 

Vgl. hoanne-j hou- {bi'UhúS')^ tertkhúsihyn- 
st(')-j k'M; ftouderbalken, 

fbalke (n o a r d s k e) , s. muziekinstrument, 
herkomst ig uit Noorwegen. — In 1850 hing 
er nog een in *Onder de Lindeboom' een 
muziekwinkel te Leeuwarden, hoek Peper- 
straat. - In 't Museum van Friesche Oud- 
heden bevinden zich drie exemplaren uit de 
vorige en deze (19*) eeuw, waaraan echter 
de snaren ontbreken. — VgL W. D., Pr. 
Volksl. I, 379; Doaitse mei de Noards- 
ke balke (liedeboek). — B. iiid TA 51«. — 
Lex. 171. 



BALK. 



75 



BALR. 



balke (Stadfr.), v. balken. Ditm. balken, 
lärmen, toben, heulen, bellen. — 
Zie balte, 

bal]E(e)bier, n. drinkgelag voor timmer- 
lieden, als van een in aanbouw zijnd huis, 
de balken op de muren gelegd zijn. 

baJlEebikantfiJe , v. , -bi kapje, v., 
-naegje, V. , -sjouwe, v. , -skave, v.. 
Zie de Enkelwoorden. 

balkebrekker, s. tempestas, hevige storm, 
vaak met onweer. Y^\. pan-stoarm. Lex. 170. 
— Ook m. , buitengewoon sterk persoon. — 
Jodsert wier sa'n balkebrekker, 
sa sterk as trye man. 

balkflot, n. balkvlot. Zie flot. 

balkhaaze , s. , grappig voor 'kat' — 
ï^joch dêr, in hazze. Ja, in balk- 
h a z z e. 

ball^e, n. kleine, lichte balk. Vgl. goat{e)- 
haikje; Vgl. rib, 

b&DiJe , V. mugire , clamare , bulken , 
loeien (van dieren), razen, tieren van (men- 
schen). Vgl. Epk., 19. 

balklaech, s. steenlaag, de onder- en 
lK)venrand van een gemetselden huismuur, 
waar de vloer- en de zolderbalken opgelegd 
worden. 

balkljedder , -IJerre, s. ladder, zoo lang, 
dat men op de 't e r s k h li s b a 1 k e n' en op 
'it bynt* kan komen. Lex. 171. Meest 
byntljedder, golleleider. 

ballcon' (spr. bölkon) , s. Fra. balcoii. - 
Op it balkon fen 'e tinte, paviljoen, 
dêr*t de kening onder si et by de 
hirdriderg . . . Sw. 1875, 82. — Hsfr. 
X, 298. 

baUcshichte, in : opbalkshichte, ter 
hoogte van de balken. — Demûrren 
binne op balkshichte zeggen de tim- 
merloi als van een in aanbouw z^jnd huis 
de muren zoohoog opgetrokken zyn, dat de 
zolderbalken der eerste verdieping daarop 
gelegd moeten worden. 

<Jok : t6r hoog^ van de *k o u b a 1 k e n'. 
Fen 'tjier ha wy in bytsje hea, 
oarejierren faek oan 'e bynten ta, 
en noa pas in balkshichte. 

baHaejlJe, v. schoeisel van halve zolen 
Tooruen. — In skoech, in lears, in 
toffel ballaépje. 

baHapey s. Lex. 168. halve zool over de 
eersl gel0gde bevestigd, — by nieuwe schoe- 



nen enz. om ze hooger te maken, doch 
vooral als reparatie van oude, op de plaats, 
waar zij gewoonlijk het eerst verslyten. — 
Nije hakken en ballapen onder de 
skoen sette. Zie hal. — "^Minrintyen 
de ballapen fen 'e skoen, Holl. het 
vuur uit de sloften. Zïq soalen. — Kry dou 
dyn ballapen hjir ris wer, kom hier 
eens weer, als je durft. 

ballèst , s., saburra , ballast. — W e 1 1 e r 
is forkearde ballêst, zorg datje schip 
dicht is. — Ballêst sjitte, saburrare ^ 
het schip met den noodigen ballast beladen. 
Lex. 172. — Ook: de ballêst sjit, de 
ballast raakt van zijn plaats, bij noodweer. 

Fig. last, overlast, bezwaar. - As 'k op 
reis bin ha 'k Ijeafst net folie bal- 
lêst mei. Vgl. begaezje — Asdebern 
frjj fen skoalle binne, is dat in 
hopen ballêst for de âlden. — ■ Bal- 
lêsten yn 'e maetskippij. — Bal- 
lêst mei(fen)immenha. — Dy man 
het to folie ballêst yn, is dronken. 

ballèster, s. ballastschop. Zie ballest- 
skeppe. 

ballêstfarre , -farje , v. ballast aanvoe- 
ren van de Wadden naar havensteden voor 
ballast in zeeschepen. — Wy koene mar 
gjin fracht bisette, en moasten 
derom bal lêstfarj e. 

balléstskeppe (spr. balleskeppe) , s. 
ballastschop, holle vierkante ijzeren schop 
met houten steel en gree^), voor het uit- 
strooien van aarde , grind , enz. — Ook hal- 
lester 

ballin^Ti ^^- balling. - Kuerd het sa 
'n lêstich wiif, dat er in balling 
is yn syn eigen hûs. — Hy is in bal- 
ling y n'e w r â 1 d , heeft g^^n 'thuis', voelt 
zich nergens thuis. — Vgl. ombaUing. — 
Dêr fljucht in balling lit it reid. 
Lex. 172. 

ballin^ns^P > «• exsiJlum , ballingschap. 

— De Babyloniske ballingskip. — 
Vgl. O. Jap. 11, 98. 

ballon, H. van een hinip. Zie lampebol. 

baloarich, Stadfr. en hier en daar op 't 
land. Geschreven wel balearich. — Hy 
is sa baloarich as Jan Edses, dy 
woe do 't er dea wier gjin brijite, 

— Vgl. (lófhAdich, oerhearrich. 
balroun, adj. bolrond. 



BALI). 



74 



BALK. 



baldadichheit-, -''dedich-, n.pvtulantia, 
baldaclifrheid. -De lotlin^en hiene lit 
baltladichheit de glêzen by de 
kast Ie in ynslein. 

baldadigrens, -dedigei^, s. e. balda- 
digheid. - De l)aldedigens fen dy 
j o u 11 M k o a 1 1 e ]j e r n r o a i t i g g o noch 
kant! Vgl. Hsfr. IV, M. 

balderbaU^e, Mkm. v. bulderen. -- 
It kenon balderbalket. Lox 173. Meest 
bolderbalkje. 

bal'goavje , v. een jongenHspel , waarbij 
een den bal gooit en onmiddelijk daarop 
naar een bej)aalde plaats loopt , en van daar 
naar 'honk' ('m ie f): de ander vangt 
den bul op, en poogt den eerste, voor hij 
by 'honk' is, terug te raken; dan wordt 
van plaats verwisseld. Meest balsmite, 
ook baljaen. 

ba'lie (Amel.), s. rupa, tobbe. Zie haelje. 

balie, s. 't gerecht. Zie baelje. 

baljaen (Koudum), v. Zie bahjoaije. 

baJJe , V. Hd. ballen j zich tot een bal vor- 
men. Wiet e snie wol best balje. 
- It ballet onder 'e foetten as de 
snie yen onder 'e klomjien ofskoen 
gearpakt. Lex. 157. Yn 't bosk 
hwêr 't spriitke knopkes ballet. 
V. d. M, Myn Suchten , 94. 

Werpen met een bal , vooral in samenstel- 
lingen. V'gl. hi'ine- , hovdtsje- , keatse-^ sniebalje. 

balje, V. verjagen (visch, wild) door sme- 
ten, slaan. - Ik balje, balie, ha balie, 
baljende, to baljen. Net balje. j on- 

ges, sjogge jimnie net dat wy hjir 
s i 1 1 e t o f i s k j e n ? - - Vgl. forbafje , kliUsJe. 

tbâlje, boalje, bôlje (d. J.), wdamare, 

mwjh'e , bulken , schreeuwen. Nu b â 1 1 e , z.d. 
balke, s. trabs, balk. Riga'ske, 

A m e r i k a e n s k e b ji I k e n. - Ook zolder- 
balk. ; Folie boeren ha de tiid fen 
't kealjen fen 'e kij oan 'e balke 
skreaun. De kjj stean e al oan *e 

balke. bij boelgoe<len wonlt bij den inzet 
de geboden som door den oi>roeper dadelijk 
boven hi't vee aan de *bii thûsbalk en' 
met krijt g»»schrev<»n. Vgl. opsjf. -- Hy 
stiet d ê r (dat komt) o a n 'e balke, 
zegt ni»'n in de (vel f) herbergen aan den 
waterkant , als de eerste op schaatsen of met 
paard en sh'«* aankomt. Ook tig. als een 
waagstuk gelukt is. De reed oan 'e 



balke hingje, ten teeken, dat men 
iemand uitdaagde om tegen hem te rij<len 
was hier vroeger een gebruik, nu nog in 
Oostfriesland ; — fig. uitdagen. — 1 1 i s 
hea oer 'e balke. meer dan genoeg, over- 
dadig; vooral bij een maaltijd. Vgl. fivon- 
balken. - By Wibe-slachter hing e 
freed-to-moarn in f et kou oan 'e bal- 
ke. - Bûter tsjin 'e balke, Ned. . . . 
aan den galg. Ilsfr. VII, 76. — Prov. Dy 
't oer in balke springt moat oer in 
strie net s troffel je, Ned. komt men 
over den hond, zoo komt men over den 
staart. - Hy sprekt balken oan (m i d s) 
t w a , is een pocher. — D e r s j i 1 1 e b a 1 - 
ken onder 'tiis, zegt men al» by felle 
vorst het ijs heel hoorbaar scheurt. — In 
balke yn eigen each net sj en, mar 
wol in splinter yn in oarsines. 

pi. balken, vooral het bintwerk vaneen 
huis. — Binnen 'e balken, in huis. - 
Bern moat te foar tsjuster binnen 
'e balken w ê z e. Vgl. d o a r. — Dit 
bliuwt hjir binnen 'e balken, daar 
wortlt niet over gesproken, *t blyfl geheim. 

It hea is binnen 'e balken, de hooi- 
oogst is afgeloopen. — It is wer oer 
'e balken, binnen, van 't eten! — Hy 
hellet to folie hea oer .de balken. 
Ned. neemt te veel hooi op de vork, wil te 
veel in eens doen. Lex. 169. — De bal- 
ken scille jou net op 'e holle falie 
^" jy ^y uzeskomme, vriendelök ver- 
wijt aan iemand, dat hy ons te weinig be- 
zoekt. As de balken nou mar net 
del kom me, uitroep als iemand een ander 
opzoekt, waar hy vroeger veel kwam, en 
nu in lang niet geweest is; of die zelden 
komt . terwyl men hem graag slet komen. 

Vgl. hwinne-j hou- (hiUkm-)^ terskhúaihyn- 
tftvVy k'iMt-, soiiderbalken, 

tbalke (n o a r d s k e) , s. rauaekinstmment. 
herkomstig uit Noorwegen. — In 1850 hing 
er nog een in 'Onder de Lindeboom* een 
muziekwinkel te Leeuwarden, hoek Pei)er- 
straat. - In 't Museum van Friesclie Ond- 
heden b(»vinden zich drie exemplaren nit de 
vorige en deze (19^) eeuw, waaraan echter 
de snaren ontbreken. — VgL W. D., Fr. 
Volksl. I. 879; Doaitse mei de Noards- 
ke balke (liedeboek). — B- iiid T/, 51«, — 
Lex. 171. 



BALK. 



75 



BALR. 



balke (Stadfr.), ▼. bulken. Ditm. balken, 
I&rmen, toben, heulen, bellen. — 
Zie haltf, 

batt:(e)bier, n. drinkgelag voor timmer- 
lieden, als van een in aanbouw zijnd huis, 
de balken op de muren gelegd zjjn. 

baJlEebikantfiJe , v. , -bi kapje, v., 
-!»aegje, V. , -sjouw e, v. , -skave, v., 
Zie de Enkelwoorden. 

ballcebrekker, s. tempestas^ hevige storm, 

vaak met onweer. Yg\. pan-stoarm. Lex. 170. 

- Ook m. , buitengewoon sterk persoon. — 

Jodsert wier sa'n balkebrekker, 

!<a sterk as trije man. 

balkflot, n. balkvlot. Zie flot. 

balkhasze, s. , grappig voor 'kat' — 
tSjoch dêr, in hazze. Ja, in balk- 
b a z z e. 

balkje, n. kleine, lichte balk. Vgl. goat(e)- 
baikje; Vgl. rih, 

b&DiJe , v. mugire , clamare , bulken , 
loeien (van dieren), razen, tieren van (men- 
jichen). Vgl. Epk., 19. 

balklaech, s. steenlaag, de onder- en 
liovenrand van een gemetselden huismuur, 
waar de vloer- en de zolderbalken op gelegd 
worden. 

balkljedder , -IJerre, s. ladder, zoo lang, 
dat men op de *t e r s k h li s b a 1 k e n' en op 
*it bynt* kan komen. Lex. 171. Meest 
byntljedder, golleleider. 

balkon' (spr. bölkon) , s. Fra. balcmt. — 
Up it balkon fen 'e tinte, paviljoen, 
dêr*t de kening onder si et by de 
hirdriderg ... Sw. 1875, 82. — Hsfr. 
X, 298. 

balkshichte, in: opbalkshichte, ter 
hoogte van de balken. — Demûrren 
binne op balkshichte zeggen de tim- 
merlui als van een in aanbouw zijnd huis 
de muren zoohoog opgetrokken zyn , dat de 
zolderbalken der eerste verdieping daarop 
gelegd moeten worden. 

Ook : ter hoog^ van de *k o u b a 1 k e n'. 
Fen 'tjier ha wy in bytsje hea, 
oarejierren faek oan 'e bynten ta, 
en non pas in balkshichte. 

baHaejlJe, v. schoeisel van halve zolen 
Tooruen. — In skoech, in lears, in 
tof f el ballaépje. 

baüape, s. Lex. 168. halve zool over de 
eersi gel0gd6 bevestigd, — by nieuwe schoe- 



nen enz. om ze hooger te maken, doch 
vooral als reparatie van oude, op de plaats, 
waar zij gewoonlijk het eerst verslyten. — 
Nye hakken en ballapen ond er de 
skoen sette. Zie bal. — "Minrintyen 
de ballapen fen 'e skoen, Holl. het 
vuur uit de sloffen. Zie soalen. — Kry dou 
dyn ballapen hjir ris wer, kom hier 
eens weer, als je durft. 

ballêst , s., saburra , ballast. — W e 1 1 e r 
is forkearde ballêst, zorg dat je schip 
dicht is. — Ballêst s j i 1 1 e , saburrare , 
het schip met den noodigen ballast beladen. 
Lex. 172. — Ook: de ballêst sjit, de 
ballast raakt van zijn plaats, by noodweer. 

Fig. last, overlast, bezwaar. - As 'k op 
reis bin ha 'k Ij ea fst net foll e bal- 
ie s t mei. Vgl. begaezje — As de bern 
fry fen skoalle binne, is dat in 
hopen ballêst for de âlden. — Bal- 
lêsten yn 'e maetskippij. — Bal- 
lêst mei (fen) immen ha. — Dy man 
het to folie ballêst yn, is dronken. 

ballêster , s. ballastschop. Zie ballêst- 
ske2)pe. 

balléstf arre , -farje , v. ballast aanvoe- 
ren van de Wadden naar havensteden voor 
ballast in zeeschepen. — Wy koene mar 
gjin fracht bisette, en moasten 
derom bal lést f ar je. 

ballêstskeppe (spr. balleskeppe) , s. 
ballastschop, holle vierkante yzeren schop 
met houten steel en greep, voor het uit- 
strooien van aarde , grind , enz. — Ook bal- 
lêster 

ballin^T) eg. balling. - Ruerd het sa 
'n lêstich wiif, dat er in balling 
is yn syn eigen hûs. - Hy is in bal- 
ling y n'e w r â 1 d , heeft geen 'thuis', voelt 
zich nergens thuis. — Vgl. omballing. — 
Dêr fljucht in balling lit it reid. 
Lex. 172. 

ballin^TSkip , s. vxsHium , ballingschap. 
— De B a b y l o n i s k e b a 1 1 i n g s k i p. — 
Vgl. G. Jap. 11, 98. 

ballon, s. van een lamp. Zie lampebol. 

baloarich, Stadfr. en hier en daar op 't 

land. Geschreven wel balearich. — Hy 

is sa baloarich as Jan Edses, dy 

woe do 't er dea wier gjin brijite, 

~ Vgl. dôfhûdich, oerhearrich. 

balroun, adj. bolrond, 



BALS. 






BALT. 



balsem, s., mentha, w/i*/iM(/ , kruizemunt. 
Ook k r u z e in i n t. - R i f^ a .s k (? b a 1 s e m , 
olie uit Kiji^a, veel aLs geneesmiddel; ook 
uitwendig oj> versche wonden gebruikt. 
— W y 1 d e . 8 1 j o n k e n d e balsem, bru- 
nt'Ila vuhjnris, wilde kruizemunt, als onkruid 
op den akker groeiende. - W y 1 d e b a 1- 
ö e m , (1 ê r m e y e de f 1 i e ë n net oer. 
Vgl. flu'k'i'iul. 

balsemyk(jes) , Stadfr. adv. cafUihsime, 
heet. - Nou, j i m m e h a w w e 't h j i r e k 
b a 1 s e m y k(j e s) , in k e a m e r o }> 't s u d e n 
en tl e n noch y n M a e ij e de kachel 
oan. 

balsemyn', s. imjjatii'nn hal na mi na , bal- 
Hemien. -- Balseminen binnealhiel 
út 'e moade rekke. Vgl. Hus-Hiem 1891, 
170. 

^al'semje, v. Engl. /o <'w/>flr/w, balsemen. 
In 1 y k b a 1 s e m j e. 

balslaen, v. spelen met den bal. door 
dien te werpen naar iemand, die hem te- 
rugslaat. 

balsxnite, v. met ballen wei-pen. Zie 
halgoaije. 

thet baNmjjten , si)el op ^t. Pietersdag. 
Het spel bestaat in het bemachtigen van 
een bal (of ballen), die door twee aan el- 
kander verloofde jongelui en hun speelnoo- 
ten onder de deelnemers worden gewoi*j>en. 
Die h»»t paar vergezellen , werj)en alleen 
weeskeb al len, wat dikwijls niets anders 
dan met gekleurd pajuer omwikkelde knol- 
len of aar<lap]>elen zijn; doch de kinderen 
voor wie ze bestemd zijn , vechten en pluk- 
haren erom als om iets van wezenljjke waarde. 
De eigenlijke prijsballen , mooier dan ile eer- 
ste en d()(>r middel van touw in een gaffel 
stevig bevestigd, worden de «'én door de bruid 
onder de verzameMe vrouwen en meisjes, 
de ander iloor den bruidegom onder de man- 
nelijke deehiemers gevvori)en. De kunst is 
nu om den bal oj) te rapen en uit den gaf- 
fel los te werken, vóórdat een ander er zich 
opnieuw meester van maakt. De strijd om 
het bezit b'vert een «Irojlige vertooning, 
doch geeft licht tot twist en vechti>artijen 
aanleiding: lH»t recht van den sterkste of — 
van den >limste gebit! Hij of zij, die 

den bal uit d<Mi gaffel heeft losge werkt, voor- 
dat een ander hem ()f haar dien kon ontne- 
lueu, heeft den prijs, die in een sierlgke 



kroon in of vóór de herberg is oj>gehangen. 

De St. Pieterzang is een oude volksdeun . 
die men bij tlie gelegenheid zingt. 

Vgl. V. cl. V., ld. X, 142. W. D., Fr. Volksl. 

bal'som, interj. hercle!9,U uitroep van ver- 
wondering, drommel, duivel! - Hwat bal- 
som i s d a 1 1 e ? - W a t b a 1 s o m n o u 
(noch ta)! Lex. 178. Vgl. R. ind T.', 284''. 

bal'Stien, s, silex, ronde keisteen. — 
De Po pp es tien to B ir gum is in on- 
wit end ein bals tien. 

- De balstiennen waechsje yn 'e 
groun, zegje. — Salang as 't gjin 
balstiennen (eidetinen, pjukstok- 
ken) re int, gean ik ertroch. zegt 
iemand die voor een beetje regen niet bang is. 
Van een klein kind, dat vrjj zwaar is: Dy 
jonge is sa swier as in balstien. - 
Iron. Swemme as in balstien. — Prov. 
Men kin in balstien (in hotte) wol 
siede, dat it sop goed is. — Prov. 
't Is fier fen laeitsjen, sei de breid, 
en hja skriemde triennen as bal- 
stiennen. Dat faltasinbalbtien 
y n m y del, dat verbaast me geweldig, - 
Sa for in houten (fl e wie len) bal- 
stien! Fra. sahre de boitt/ bastaardvloek. 

pi. balstiennen, straatkeien, tot be- 
strating tegenover 't *slecht', vooral ook van 
marktpleinen hier en daar. — Ik hie in 
sib faem, mar *t is lit rekke to 
Frentsjer oj) e balstiennen, op straat 
hadden ze verschil gekregen. Lex. 138. Stadfr., 
Kolluml. bolflinten. 

balstientoje, dem. n. kleine 'b a 1 s t i e n'. 

balstjü'rich, bol- (hier en daar), a<y. ro«- 
iamax , onhandelbaar , opbruisend , onbefinisd. 
doldrift ig, onstuimig (ook van het weder), 
rumoerig. Dy bern binne sa balstjiV 
rich, der is d'ein fen wei,hja jonwe 
nin byt om sizzen. — Lis it ding 
bidaerd oer, en gean net sa balstjû- 
rich to wirk. — De sé isbolstjûrich. 
— Ho is 't hjir sa balstjûrich? in 
onstuur, in rep en roer. A. B. , Bgek. 1854, 
24. Vgl. (terstjûr^ blaêtich, biHiêterick, 

balsum (Hsfr. X, a08), s. Zie balsem. 

balt, s. in balt (op)0etie, aclireeu- 
wei. een keel opzetten. — Hâld dyn balt, 
ju! Hl. ba*lt. 

bâltbek, eg. Hd. Flenmmwi, YmSkltmXk. Ook 
een schaap, dat gedurig blaat. Ook balt*eieL 



BALT. 



77 



BAN. 



balie, bólte (in de Wouden vooral), v. 
mugire, boare, bulken, loeien als een rund, 
luid blaten van een schaap , schreeuwen, ra- 
zen van menschen, luid en aanhoudend 
äthreien van kinderen. Ook : b â 1 1 s j e , 
bjalte, z.d. Stadfr. balk e. — Ik balt, 
Irâlte , ha balt (e) , bâltende , to bal- 
ten. - De kij bâlte fen honger. 
I>at «kiep docht neat as bólte n. -- 
-- Sok balten ter e are (iods ha'k 
noch noait heard, R. ind T.*, 402'. 
- 1 1 h Û s II t i n-o ar (fen b o p p e n, y n 
twaên) balt e. — Scilst it hiis vn 'o 
brân stok e? bal te Ba es Pikt ried. 
Alm- 12o. — Dy twa alde fa mm en 
bâlte fen jild. - Lex. 178.407. Hwet 
b i-balt dy jonge de hiele dei? 
Hearrttou dat noch? - nou, jylitto 
him ek mart a-b }\ 1 1 e. - H y m o a t m a r 
oan-bâlte, ont er fensels syn nocht 
kriget. - Zie oj) bi-, aan-, tn-, 

balt-ezel, eg. Zie balthek. 

baltaje , n. balletje. De b a 1 1 h j e s 

fenintelramt. — In echte keatse- 
bal is in swier, hirdentichtbal- 
tïije. — Jaen my ris in moai baltsje, 
•^eit Wol ris in iitslaggertsjin in 
<»]>slagger. — Vgl. flesfc-, surbalfsje. 

bal'tfijef OrdriU'We , s. verb., kinderspel. 
Twee, niet ver van elkaar, slaan elkaar 
onophoudelijk over en weer met de hand 
t^n kaatstbal toe zonder dat die ook maar 
«l**n grond raakt. — Zgn drie aan 't bal- 
t<<jefordriuwen, dan wordt de derde 
tasHc-hen twee strepen of merken gezet , tus- 
*Mh*»n de beide anderen in; die kaatsen el- 
kaar den bal over en weer toe ; mislukt dit 
of vangt de middelste hem op , dan vervangt 
hij den misgooier. 

bal'tajeftranje , .s. franje, waaraan bal- 
It^tjes gewerkt zyn , vooral aan 't *r a bat' 
iz.i\.) van bedgordijnen. Ook aan rol- of oj)- 
haalgordjjnen ('s t a e s j e - g e r d i n e n', '-k 1 e- 
den. z.d.). Vgl. Swbl. 1883, 8. 

bam, in: bom-bam, z.d. - 

«'bambraich, bom- (bieren daar, o.a. in 
tirouw, Roordahuizum) adj. & adv. impatien.^. 
•>nge<luldig, by iets pyniyks zich zelf geen 
meester, uitgelaten, buitensporig. Leeuw. 
wambidich. — In manminske is 
folie bambidiger as in frommiske. 
— Wês net sa bombidich. 



— noodeloos te groot ofte sterk. In bam- 
bidich ein kearel, — bambidige 
sterk, enz — Gebruikelijker is onbidich, 
z.d. — [Lex. 174 zegt: 'bam' — 'wan', 
en 'bidich' hoort (?) bij Frie. 'bidia', ma- 
nere. Vgl. (jron. lomberen, /;fl/;*bérig, wam- 
béiig, i'udis ^ asper , Drent. Alm. 1845, 89.] 

baxne , Hl. s. werkboezelaar. Roosj. 90. 

ban, s. excomtnunicatio, ban. - - Y n 'e ban 
w e z e , d w a o n. - W y h a d e j e n e v e r- 
flesse yn 'e ban dien, afgOHchaft. - 
K 1 a e H is b y b û r m a n y n 'e ban, heeft 
het bij hem verkorven. Op eigen ban en 
boet (In de Zuidelijke Wouden on 't aangren- 
zend Waterland) , op eigen gezag en verant- 
woording, (^ostfr. u p ogen ban u n bod. 
In y n s t j Û r d stik op eigen ban en 
boete pleatse hawwe, ld. IX, 160. 
Meer nog: banneboet. z.d. 

ban , s. band. De k r e a m b a e s s n e i 
de bannen fen 'e ruften en wynsels 
los. R. ind T.', 849f/. — Dat fanke rint 
m ei j e r n e n b â n , vent met garen en band. 
I z e r e n b â n n e n o a n 'e d o a r r e n. - - 
Dokter bat him y n 'e ban d i e n , een 
liesbreuk. — It nôt is yn 'e ban, het 
graan is tot schooven gebonden. Gjin 

i e n is t h li s t o halden, |I D e s k e a f 
barst út 'e ban. M. R. Swbl. 1884, 75. 

— Prov. It kin better fen 'e skeaf as 
fen 'e ban, Ned. beter van een rijke dan 
van een arme. F r ij e r s h a w w e g j i n 
bfmop'epong. I n bïl n tsj in it liif- 
ntskouwen (z.d.) soort van roDster, van 
ijzer, meest van touw gevlochten, om 't uit- 
zakken van de uterus bij vee te voorkomen. 

— In f r o m m i s mei 1 y t s e b e r n s i t 
ivich oan 'e ban, heeft nooit de handen 
ruim. Vgl. Hsfr. VII, 38 - Men hompe 
en sta et te de f rij e Fries, En 
la ei him oan 'e ban. R. W, Rledd., 
25. S m y t b â n en jok en k 1 li s t e r s 
wei, V. Rlom , Hik. Ut 'e ban bit e, 
fig. zeggen waar 't op staat, zijn ontevre- 
denheid o\) iemand in diens tegenwoor- 
digheid luchten. Ut 'e ban springe, 
buitensporig. - Troch de ban. R. ind. 
T.*, 175/>. 27H6, 279^/. Meer algemeen troch 
de bank. Zie bank. Vgl. achter-^ bek-, 
breuk-, boar-, boeke-, broeks-, doar-, ear-, 
earm-, echte-, fiter-, flaeks-, foar-, yalge-^ 
hier-, hoan-, houliks-, kiel-^ knier-, knoffeï-^ 



BALS. 



76 



BALT. 



balsem, s., mentha, //ii/i/Ä(/ , kruizemunt. 
Ook kruzemint. — Kigaske balsem, 
olie uit Ri^a , veel als geneesmiddel ; ook 
uitwenditf oj) versche wonden gebruikt. 
— W y l d e , s t j o n k e n de bals e m , hru- 
lu'lla vuhjaris, wilde kruizemunt, als onkruid 
op den akker groeiende. - Wylde bal- 
ö e m , d ê r m e y e de f 1 i e ë n net o e r. 
Vgl. fiirk-nhl. 

balsemyk(Jes) , 8tadfr. adv. caUdissime, 
heet. N o u , j i m me ha w w e 't h j i r e k 
b a 1 s e m y kij es), in k e a m e r o p 't s u d e n 
e n d en noch y n ^I a e ij e de k a e h e 1 
oan. 

balsemyn', s. impatit'ns halsamina , bal- 
semien. -- Balsem in en binnealhiel 
út 'e moade rekke. Vgl. Hûs-Hiem 1891, 
170. 

^al'semje , v. Kngl. to emhalmy balsemen. 
In 1 y k b a 1 s e m j e. 

b?.l8laen, v. spelen met den bal. door 
dien te werpen naar iemand, die hem te- 
rugslaat. 

balsmite, v. met ballen weii)en. Zie 
hahjoaiji'. 

thet balsmyten , spel op St. Pietersdag. 
Het spel bestaat in het bemachtigen van 
een bal (of ballen), die door twee aan el- 
kander verloofde jongelui en hun sj)eelnoo- 
ten onder d«» deelnemers worden geworpen. 
Die het paar vergezellen . werpen alleen 
weeskei» a 1 len, wat dikwjjls niets anders 
dan met gekleurd juipier omwikkelde knol- 
len of aardaj)pelen zyn; doch de kinderen 
voor wie /e bestemd zijn , vechten en pluk- 
haren erom als c>ni iets van wezenljjke waarde. 
De eigenlijke prijsballen . mooier dan de eer- 
ste en door mi^ldel van touw in een gaffel 
stevig bevestig<l, worden de één door de bruid 
onder de verzamelde vrouwen en meisjes, 
de ander door den bruid«'goni onder de man- 
neljjk»' (b'elnemers geworpen. De kunst is 
nu om den bal oi> te rajien en uit den gaf- 
fel los te werken . voordat een ander er zich 
opnieuw meester van maakt. De strij^l om 
het btv.it b'vcrt een drollige vertooning, 
doch geeft licht t<»t twist en vechtpartijen 
aanleiiling: liet recht van den sterkste of — 
van den slimste geldt! Hij of zjj , die 

den bal uit den gatt'el heeft losge werkt, voor- 
dat een ander hem of haar dien kon ontne- 
men, heeft den prys, die in een sierlyke 



kroon in of vóór de herberg is opgehangen. 

De St. Pieterzang is een oude volksdeun , 
die men bij die gelegenheid zingt. 

Vgl. V. d. V., ld. X, 142. W. D., Fr. Volksl. 

bal'som, interj. Ä*'rr/<'.'als uitroep van ver- 
wondering, drommel, duivel! — Hwat bal- 
som i s d a 1 1 e ? — W a t b a I s o m n o u 
(noch ta)! Lex. 173. Vgl. R. ind T.*, 284'. 

bal'stien, s. silex, ronde keisteen. — 
De Poppestien to Birgum is in on- 
WMtend e in bals tien. 

- De balstiennen waechsje yn 'e 
groun, zegje. - Salang as 't gjin 
balstiennen (eidetinen, pjuks tok- 
ken) reint, gean ik er troch, zegt 
iemand die voor een beetje regen niet bang is. 
Van een klein kind, dat vrjj zwaar is: Dy 
jonge is sa swier as in balstien. - 
Iron. S wem me as in balstien. — Prov. 
Men kin in balstien (in hotte) wol 
siede, dat it sop goed is. — Prov. 
't Is fier f en laeitsjen, 8 ei de breid, 
en hja skriemde triennen as bal- 
stiennen. - Dat fait as in balb tien 
y n m y del, dat verbaast me geweldig, - - 
Sa for in houten (fl e wiel en) bal- 
stien! Fra. sahre de hoh! bastaardvloek, 
pi. balstiennen, straatkeien, tot be- 
strating tegenover *t 'slecht', vooral ook van 
\ marktpleinen hier en daar. — Ik h i e in 
sib faem. mar 't is lit rekke to 
F rent sj er op e balstiennen, op straat 
hadden ze verschil gekregen. Lex. 138. Stadfr., 
Kolluml. bol f linten. 

balstientaje, dem. n. kleine 'balstien*. 

balstjü'rich, bol- (hier en daar), a^. cow 
fumaxj onhandelbaar, opbmisend , onbesaisd. 
doldrift ig, onstuimig (ook van het weder), 
rumoerig. Dy bern binne sa balstjû- 
rich, der is d'ein f en wei, hja jouwe 
nin byt om sizzen. — Lis it ding 
bidaerd oer, en gean net sa balstjû- 
rich to wirk. -De sé isbolstjûrich. 
- Ho is 't hjir sa balstjûrich? in 
onstuur, in rep en roer. A. B. , Bgek. 1854, 
24. Vgl. oerstjCir, blastich, biHitUHch, 

balsum (Hsfr. X, 308), s. Zie balsem. 

balt, s. in balt (op)8etie, achreeu- 
wen, een keel opzetten. — Hâld dyn balt, 
ju! Hl. ba'lt. 

bältbek, eg. Hd. Flenma^, hinlelMlk. Ook 
een schaap, dat gedurig blaat^ Ook balt*efteL 



BALT. 



77 



BAN. 



bAtte, l>ólte (in de Wouden vooral), v. 
mugire, boare j bulken, loeien als een rund, 
luid blaten van een schaap , schreeuwen, ra- 
len van menschen, luid en aanhoudend 
sohreien van kinderen. Ook : b â 1 1 s i e , 
bjalte, z.d. Stadfr. balk e. — Ik Inxlt, 
\tA\ie , ha balt (e) , ballende , to bal- 
ten. -- De kij bal te f en honger. 
I>at Hkiep docht neat as bôlten. -- 

- Sok bal ten ter eare Gods ha'k 
noch noait heard, R. ind T.*, 402'. 

1 1 h Û s II t i n-o ar (f e n hoppen, y n 
twaen) b&lte. — Scilst it hûs vn 'e 
Krân stoke? bâlte Baes Pikt ried. 
Alm. 120. — Dy twa âlde fammen 
halte f en jild. - Lex. 178.407. - Hwct 
b i-b & 1 1 d y jonge de h i e I e dei? 
Hearrttou dat noch? nou,jylitto 
him ek mart a-b â 1 1 e. - H y m o a t m a r 
oan-bâlte, ont er fensels syn nocht 
kriget. — Zie oj) bi-, oan-, ta-, 

balt-ezel. eg. Zie halthek. 

baltaje, n. balletje. - De baltsjes 
fenintelramt. — In echte keats e- 
hal irt in swier, hirdentichtbal- 
t-ije. — Jaen my ris in moai baltsje, 
i«eit Wol ris in litslaggertsjin in 
opglagger. — Vgl. flesk-, sur balt aje. 

bal'tfljef ordriUT^e , s. verb., kinderspel. 
Tw«N», niet ver van elkaar, slaan elkaar 
onophoudeiyk over en weer met de hand 
et?n kaat^tbal toe zonder dat die ook maar 
<i»*n grond raakt. — Zjjn drie aan 't bal- 
t «ijefordriu wen, dan wordt de derde 
tosschen twee strepen of merken gezet , tus- 
'^•h«*n de beide anderen in; die kaatsen el- 
kaar den bal over en weer toe ; mislukt dit 
of vangt de middelste hem op , dan vervangt 
hij den misgooier. 

bal'tfijeftranje , s. franje, waaraan bal- 
\t^t\t^ gewerkt zgn, vooral aan 't *rabat' 
'z. dj van bedgordijnen. Ook aan rol- of op- 
baalgonlynen ('s t a e s j e - g e r d i n e n', '-k 1 e- 
a»*n\ z.d.). Vgl. Swbl. 1883, 8. 

bam, in: bom-bam, z.d. - 

"bambi'dichy bom- (bieren daar, o.a. in 
<Jrouw, Roordahuizum) adj. & adv. inipatiens, 
onge<luldig, bg iets pynlyks zich zelf geen 
meester, uitgelaten, buitensporig. Leeuw. 
wambidich. — In manminske is 
folie bambidiger as in frommiske. 

— Wês net sa bombidich. 



— noodelooa te groot ofte sterk. In bam- 
bidich ein kearel, — bambidige 
sterk, enz — Gebruikelijker is o n b i d i c h, 
z.d. — [Lex. 174 zegt: 'ham' — 'wan', 
en 'bidich' hoort (?) bij Frie. ^bidia', ma- 
nere. Vgl. (rron. bomhéren , />rtw/bérig, watn- 
béng, ru(fi.s\ asper ^ Drent. Alm. 1845, 89.] 

bame, Hl. s. werkboezelaar. Roosj. 90. 

ban, ii. excommunicatio. ban. — Yn'e ban 
w ê z e , d w a e n. - W y ha d e j e n e v e r- 
f 1 e s s e y n 'e ban dien, afgeschaft. — 
K 1 a e s is b y b ii r m a n y n 'e ban, heeft 
het bij hem verkorven. —Op eigen ban en 
boet (In de Zuidelijke Wouden en 't aangren- 
zend Waterland) , op eigen gezag en verant- 
woording. Oostfr. u p e g e n ban u n bod. 
In y n s t j Û r d stik op eigen ban en 
boete pleatse hawwe, ld. IX, 160. 
Meer nog: b a n n e b o e t . z. d. 

ban , s. band. De k r e a m baes s n e i 
de bannen f en 'e ruften en wvnsels 
los. R. ind T.', 849<(. — Dat fanke rint 
ni e i j e r n e n b â n . vent niet garen en band. 

- Izeren l>ânnen oan 'e do ar ren. - 
Dokter bat him y n 'e ban dien, een 
liesbreuk. It nôt is yn 'e ban, het 
graan is tot schooven gebonden. Gjin 
ien is thiis to halden, |I De skeaf 
barst út 'e ban. M. R Swbl. 1884, 75. 

- Prov. It kin bet ter f en 'e skeaf as 
f en 'e ban, Ned. beter van een rijke dan 
van een arme. - F rijers hawwe gjin 
b â n o p'e p o n g. In b â n t s j i n i t 1 i i f - 
litskouwen (z.d.) soort van roDster, van 
ijzer, meest van touw gevlochten, om't uit- 
zakken van de uterus bij vee te voorkomen. 

— In f r o m m i s mei 1 y t s e b e r n s i t 
i V i c h oan 'e b A n , heeft nooit de handen 
ruim. Vgl. Ilsfr. Vil, 38 Men hompe 
en staette de frije Fries, Kn 
la ei him oan 'e bfm. R. W, Hledd., 
25. S ni y t ban en jok en k 1 ú s t e r s 
wei. V. Rloni , Hik. l't 'e })ân ])ite, 
i\g. zeggen waar 't op staat, zijn ontevre- 
denhei<l oj) ieman<l in diens tegen woor- 
digh«*id luchten. — Ut 'e ban s p r i n g e , 
buitensporig. Troch de ban. R. ind. 
T.*, ll-yb, 27H6, 279«. Meer algemeen troch 
de bank. Zie bank. Vgl. achter-, bek-, 
breuk-, boar-, boeke-, broeks-, </oar-, ear-, 
earni', echte-, fiter-, flaeks-, foar-, yalge-, 
hier'-f hmiK-, houliks-^ hiel-, knier-, knoffel-^ 



BAN. 



78 



BANG. 



reeds- f sintes-, knïs-, sliU-, snút-, stryk-^ lie-y 
middel' y tnjit-, mul-, mútse-, roks-, skearsli- 
pers-y skelks-y strie-y trouhân. 

— pi. bannen, vooral de sluitspieren om 
het bekken eener koe. — De bannen 
wirde wei, falie, ontspannen zich, dit 
heeft nl. plaats als het dier 'taredt', de 
baarmoeder wordt ontsloten. — Debannen 
wirde wer fêst, slute op, kom me 
wer, worden weer vast eerst langzamer- 
hand , na het kalven. - - De k ij f o r d ú n j e 
de bannen, k r ij e knikken y n (op) 'e 
bannen, de sluitspieren ontspannen zich 
tengevolge van het dünjen, z. d. Lex. 303, 
304. Vgl. Noordh. bandeloos. — Zie 
hihinich. 

ban'deloas, adj. <?^/v/tMÄ, bandeloos. Lex. 
304., gesclireven bandeleas. 

ban'der (Zoh.) , s. groote schuurdeur, waar 
men met den hooi-, en graanwagen binnen 
kan rijden. Drent. Overijs. band er. 

banderdoarren (Zoh.), pi. de groote 
deuren eener Friesche boerenschuur. Elders 
meestal skû(rre)doarren. 

bandich (Westelijk en Zuidelijk), adv. 
druk, volhandig. — Sibren hieittige 
drok, en de frouljue hiene it ek 
bandich. D. H., Uwnk-Lok, 26. — 't Is 
in swiere tsjinst der, o sa bandich. 
Ook veel bannich, z. d. — Vgl. úthan- 
dichy fdlbandichy ynhandich y loshandich, 

^andigje, v. bedwingen, betoomen. — 
Ik bandigje, handige, ha handige, bandig- 
jende, to bandigjen. — Yen bandigje, 
soms. — Jonge, h wer om sa mâlV Kin 
't n e t b i d a e r d e r ? B a n d i g j e d y h w a t! 

ban'doar (Oostelijk), s. schuurdeur. 

bane, Hl. Zuidh. Schierm. Burm. , boon. 
Zie hean. 

ban£^, adj. timidus, bang, afkeerig van, 
})eschroonid voor, niet houdend van. — De 
â 1 d e mem is bang, dat i t w a e r 
foroarje se il. R. ind T*, 5'. — . . . . 
omdat er bang wier, dat er syn 

nije broek bismoar kj e scoe, 

ibid. 217". — Ast e noch net bi- 
tinge biste, wird net bang, licht 
komt er op 'e lette joun noch in for- 
f 1 e i n e f û g e 1 , Wiers. f. M. J. 22. — Jan 
is sa ]> a n g y n 't r e e d r i d e n. — Dat 
bern is lumg; as er in frjemde by 
is, d o a r e r n e a t s i z z e. — T o bang 



om üt frijen to gean. — Bang fen 
moeite, twist , tweedracht. — Ik b i n . . . 
bang fen trouwen. Hsfr. VII, 40. — 
Lex. 174. — It is om bang to wirdenl 
ook iron. — Hy is bang om bang to 
wirde n. — Bang as in weesling, as 
't hountsje. — Hy is bang fen syn 
eigen skaed. — Sa bang as in houn 
fen bruyen. — Hy wier der sa bang 
fen as fen fjûr. — Vgl. Hsfr. 1857, 173. 

— Net bang fen in dea rot (fen in 
mich, fen Sinteklaes), niet voor een 
klein geruchtje vervaard. — A s h y (een 
onbeduidend persoon) lilk wirdt is der 
yet gjin dea mus (gjin mich) bang. 

— Ik bin bang (der bang for), ik ver- 
moed, dat wyjoun wolrisletthiis 
komme kinne. Nou, let thüskomme, 
dêr bin 'k oars bang fen, daar houd 
ik niet van. 

bangr'achtich, adj. bangachtig. — Dat 

hynder is hwet bangachtich, it 

wol him net to best krjje litte. Vgl. 

skrutel y wyld. 

ban£reloart(e), eg. bangert. Zie hangeahiter. 

bang^ens , s. timor , vrees beschroomdheid. 

— De bangens sloech my om 't hert. 

— Vgl. R. ind T.», 1156. — Dy jongkea- 
rel kin net troch syn eksamen 
kom me, om syn bangens. — Us 
lytsejonge stiet al as in top, 't is 
syn bangens allinne, dat er noch 
net rint. 

ban'g^eskiter, eg. ignavusy bloodaard, 
minachtend gebruikt. Ook bangeloarte, 
bang skiep. — Hwetbistou in ban- 
geskiter, om for in rot op 'e rin to 
gean. — Bangeskiter, doarstou net 
nei skoalle ta, net oer dy sleat 
springe? 

bang^ch , adj. beschroomd. J i n s e-b o e r s 
bern wieren hwetbangich, hja kom- 
me nea net onder 'e minsken. 

bangxnakker, s. die vrees aai^aagt. — In 
sjamme is in bangmakker for de 
fûgels. - It is mar in bangmakker, 
de kikkert yn'e sleat dy 't yen der 
y n 1 Û k t. 

bangmakkertl , s. ('t) bevreesd maken. 

— Jan drige Pier, dat er in pistol 
yn 'e bus hie, mar it wier bang- 
makker ïj. Zie 't volgende. 



BANG. 



79 



BANK. 



hangmeitflje , v. sabst. alleen als bang- 
maken, schrik aanjagen. — Bangmeit- 
9Jen 18 net goed! — 't Wier bang- 
meitsjen. 

banfi^, 8. anxieiaSj bangheid. Hier en 
daar enkele malen in W.-Dongerdl. b a n g t- 
nie. Vgl. R. P. , Keapm. 158. 

bân'izer, n. bandyzer. waarvan hoepels 
aln om emmers en vaten gemaakt worden. 
Vgl. Uaf, 

baxije, banjer (hier en daar, Tietj. o.a.), 
adj. tibumle , in overvloed. H y h e t j i 1 d , 
sjiek, iten, romte . . banjer. — Gûd 
banje for in jas. — Vgl. ttêd , riis. [Ma- 
leinch : banjak , banjer. Veth , Oost-West , 
82.8.] Vgl. Transvaal. banJe , veel. 

banjer, m, ostetUator, groot opsnijder, 
pronker, heer. — Hy wier int sjepkea- 
rel o ft er lit in bargeriezel draeid 
wier, ja, in hiele banjer. — In 
greatske, rike, keale banjer. 
In Htêds-b anjer. - Nin lofterhan, 
nin rjuchterhan, |1 f en sok in ban- 
jer f en it lan, K. ind T*., 4a. Vgl. ald, 
TTfï. — De banjer spylje. 

banjersteat, s. staat, levenswijze van 
een groot heer. Ualb. Wl. Lapek. In ho- 
pen, dy 't de ban jersteat fiere, dog- 
ge it fen in oarmans sinten. 

bank, s. scamnum, bank in 't algemeen, 
zitbank. Bepaaldelijk ook de bank in het 
*bûthÛ8'. De feintensitteop'ebank. 
— Domen y preket net Ijeafst for 
stoellen en banken. — In losse, 
f ê s t e (ook : de verhuurde), iepene, tic h te 
bank (meteen deurtje), in de kerk. — To 
f»toel en to bank komme, op stel en 
tot rust komen. — Dy- 't forfart hat 
in hopen drokte om wer to stoel 
en to bank to kommen. — Troch 
moaike jild kaem hy to stoel en to 
bank. — De banken foardedoar 
k r ij e , moeten toezien , dat zjjn goed ge- 
rechtelijk verkocht wordt. Vgl. hoelgAds-ta- 
fel. Dy 't mear litjout as erynbart 
kriget de banken foar de doar. — 
lm men onder 'e bank (tafel) drin- 
ke. — Hy hat it mei de rêch to 
dwaen,nou leit eryn'e bank. Vgl. 
*l\epbank. 

Efter *e bank reitsje, achteraan, 
uit de mode raken , buiten gebruik ko- 



men. — Vgl. Hsfr. IV, 23. — Achter 
'e bank triuwe. Vgl. hak. 

— Troch 'en bank binne de frou- 
Ijue lyk as de man, dy 't hja Ijeaf- 
habbe. Gewoonlijk troch de bank. Vgl. 
trochstrings. Lex. 175, 176, 455. Vgl. 
amer-y hêds-; herne-y hier-y hoelgoeds-y hokke-y 
hiithCis-y draei', finster-, fjtif-y foet- y frouljues-y 
haksel-y katte-y klomp-, laep-y lihis-y fjeagen-, 
múnljues-y mestel-, plak-, pronk-, rest-, ripel-, 
rjucht-y roei-y 8it{sel)-y skaef-, skande-y skoalle-, 
skroef-, skCitel-, slacht- , snij-y stoep- y tine-y 
toan-y tim-, tsjerke-, ividzebank. 

— brevia. --- In bank yn 'e sé. Lex. 
177. De bank bij Workum, bij Tacozijl, de 
Lenisterbanken, de banken tusschen Ameland 
en den vasten wal. — Ook p 1 a e t , z. d. Vgl. 
moksel', 8(ht-y sébank. 

— - lange eenvormige wolkenstrook aan den 
horizon. - Der sit in bank yn't wes- 
ten, it wol reine. -Als bij aanhoudende 
wintervorst , jouns in blauwe bank yn 
't westen ôfsakket forhellet him 
(volgens een oud Sj^annumer weer-profeet) 
de kjeld; as er o e r k o m t (de geheele 
lucht betrekt) foroaret it waer. Vgl. 
dau'y suiebank. 

— doorloopende aard- of mestlaag. 

— As min in terj) ôfgraeft, fynt 
min faeks hiele banken gûd dat 
kcekt op forkoalde dong liket. — 
Min stuitet soms oj) in bank fen 
read san of fen fels, as min yn't 
w y t san dolt. Vgl. streek , gael , klamp. 

— Fra. banque. Syn jild yn 'e bank ha. 

— Dat stiet sa fêstasdebank,als 
een paal boven water. — Sa grif, sa wis 
as de bank. — De bankhâlde,by't 
kaartspel. — De bank is sprongen! — 
Vgl. handels-, spar-, spyl-, wikselbank. 

bank'briefke, n. Eng. bancnote. Zie 
bankje. 

bânke, n. Zie bantsje. 

bank(er)ich, adj. met lagen. — In b an- 
ker ig e loft. -- De groun is banke- 
rich, gezegd wanneer men bij het graven 
van zand of klei of bij 't afgraven eener 
terp onderrfcheidene aardlagen ontmoet, die 
duidelijk door haar kleur tegen elkander 
uitkomen. — Us terp is malle banke- 
rich, dêrom dolt er ek sa ongelike 
8 w i e r. 



BANK. 



80 



BAPE. 



ba]lk(e)rot', n. Eng. hancrupt^ faillisse- 
ment, bankroet. In nearingdwaencle 
kriget altytin hiele bultebanke- 
rotten, posten en rekeningen , die niet 
betaald worden. - Hyhieinbank'rot 
y n 'e kast, d y 't s y n b a n k j) o m ji i e r 
opfriet (Calemb.). 

— adj. Hy Ate-en-hjar is de boel 
g a u bankrot, er door. 

baiik(e)rothoedtaJe , n. gedeukte Gar- 
ribaldi-hoed , van een niet vertrouwbaar man. 
— Overdr. Dat 's ek in bankerothoed- 
t « j e , als 't een of ander niet bij elkaar past. 
I L'it den tijd toen niet ieder zoo'n soort hoed 
droeg, en dit vaak misstond.] 

baiik(e)rotmakker, -^slagg^er, m. 

brankroetier, die frauduleus failliet gaat. 

bankerotslaen , -spylje, v. Ëng. to 
turn hancrupt , bankroet maken , -spelen , 
tailliet gaan. R. indT.*, 342^». Ook ban- 
kro ttearj e. 

tbankerots-pot , s. thee-oftrekpot. Men 
meende, dat door het drinken van de inder- 
tijd dure thee, die verspillers wel spoedig 
bankroet zouden gaan. 

bankerottier', m. bankroetier. R. ind T*., 
158a. 

banket' (Wouden), n. verlaagde, effene 
rand binnen en vóór den boomwal langs de 
landerijen. — Ook wel bjj 't graven van 
vaarten en 't leggen van djjken : in ban- 
ket s i 1 1 e 1 i 1 1 e , om 't instorten van de 
glooiing te voorkomen. 

banket', n. banket. — 'tSmakket him 
a s b a n k e t — Dy s n a s j e der (yn 'e ier- 
appels) e k a 1 y n o m a s b a n k e t. R. ind 
T.", 310^ 

banketear'Je , v. smullen. — Alle da- 
gen gastje en b a n k e t e a r j e , den 



bankje, zonder meer, beteekent bij vee- 
handelaars ƒ 100. — Ik bea him in bank- 
je, mar hy woe'tnetdwaen. — In 
dûbeld bankje, ƒ 200. Prov. For gjin 
b a n k j e , voor niets ter wereld. Zie hyndei\ 

bankje, v. conwwrarij verblijf houden . 
leven. It is him dêr to stil, hy kin 
der net bankje. — Syn wiifisin ser- 
pint, dêr kin er net by bankje. Lex. 
177. Vgl. ld. 1 , 48. R. ind T«, 1496. - - 
[Uit den tijd toen men op banken in plaats 
van stoelen zat.] Lex. 176. 

bankpompier, n. bankpapier. 

bankrottear'Je . v. bankroetslaan. — 
Do 't Pincoffbankrottearjen gyng. 
H. d. J., Bijek. 1881 , 59. Meer gebruikelijk 
is bankerotslaen, z. d. 

banne, v. propelhre , proterrere, verban- 
nen, verjagen, wegjagen. — Kinst dy 
houn ek banne? — Ban dy ondo- 
gense bern ta de doar út. Vgl. di- 
velhanne- , foart-, w^, weibanne. Zie halje. 

banneboet', in: op eigen banne- 
boet, op eigen gezag. Meest m a n n e- 
boet, z.d. 

bânnich, adj. k adv. occupatus, druk, vol- 
handig, sterk bezet met werk. — Dat het 
inbannigedeiwest. — Ikkindy 
brij allegearre net op, frou! it pan 
is my to bânnig, te machtig. — Wy 
ha 't tsjinwirdich bännich, — bân- 
nige drok. Lex. 304, 408. Ook ban- 
d i e h , z.d. 

bâü'rekel, eg. Eng. band-dog, ketting- 
hond. Sprkw. Dou leist der as in bân- 
rekel, als een hond, vooral als een luie 
hond. Lex. 304. — Hwet in ban rekel. 
nvkker. Zie rekeï, 

bânseadde, s. band-, bermzode, die den 



bliuwt er net folie eft er 't 1 innen, i qjweg scheidt van het voetpad, vooral op 



- - Lex. ITS. 

banket'sje , (Wouden) , v. — 1 1 1 â n 
banket sj<», de zoden bij booniwallen 
aan we«»rszijdon daarvan afsteken. 

bank'hâlder, m. die de bank houdt, bjj 
kaart sjuMon. 

bankich, adj. Zie banh'rich. 

bankje, dom. n. bankje, kleine bank. — 
Dêr is gjin bankje oan 'e loft, geen 
wolkje aiin de lucht: fig. geen zorg. Lex. 177. 

bankje, dem. n. bankbiljet. -- In 
bankje f on 2."), f en 40 goune, enz. In 



I 



zeedijkswegen , in de V-Deelen en elders. 

bânspiker, s. ronde spyker, waarmee 
de ijzeren deurbanden worden vastgeslagen. 

bänt3je, dem. n. bandje. Vgl. hakke-, 
knier-, naul-, rabantsje, 

^ba'pekau'we (Jelsum o.a.) v. verbaasd 
staan kijken. As in boerejonge for 
't earst yn 'e stêd komt stiet er raer 
to bapekauwen. 

"bapekaui^er, (Jelsnm) eg. diererwon- 
derd staat te kijken. — Don bist in rare 
bapekauwer. — Hwet bapekanwers 



BAR. 



81 



BARQEB. 



binne dat? Treemdelingen, wat ongewoon 
er uitziend (juist geen eeretitel!). 

bar, ber, s. Eng. Uu'nj beurt. Ook bard. — 
Do krigen de kreambôlen, de koe- 
ken, de twiebakken mei sûker en 
hwet ermear to plu z jen foei, ek in 
bar. R. ind T"., 349«. — Elts syn bar 
19 net to folie (to faek). Lex. 199, 
459. — Op tiid en bar, te gelegener tijd. 
— Om barren, by beurten. — Bar f o ar 
(om) bar, om de beurt. — Kar for bar 
(Terhome) in: dou hest kar for bar, 
je moogt kiezen. Ook... bar for kar, 
je moet afwachten. — R. ind. T"., 312«, 339 ^ 

bar, adj. & adv. vehemens^ erg. — Dat 
giet (is my) tobar. — 't Is den bar 
ho'tdy feint flokt. — 

*t Is barre ka ld. Meer gebruikelyk 
i« bare, z. d. Vgl. hot, 

barbaer', eg. woestaard. — Dyjonge 
wirdt in hiele barbaer, hy jout 
nearne net om. 

'barbaerskens , s. barbaarschheid , Forj. 
1871, 120. 

barbyajes, (ber-), s. in: Rin nei de 
barbysjea, loop naar de Mokerheide! — 
Hy giet nei de berbysjes, om zeep. 
[Ber bice , ,'t land waar de peper groeit."] 

barch, Stadfr. Zie baerch. 

barobje, dem. n. zwijntje. In barchje 
op *e winter. — Ook van een kind, dat 
zich bemorst heeft : dou bist sa'n barch- 
je. — Ook een soort zeeslakken-schelp, lang- 
werpig, bolrond aan den eenen kant, aan den 
anderen plat, met een lange keep , glanzend 
wit en heel hard. Ze zjjn er van verschil- 
lende grootte, soms als een kippenei. Vaak 
versierde men met de kleinere de hoofdstel- 
len en gereiden der paarden. Ook sébarch- 
je genoemd. Vgl. séhoarntsje, Jcinkhoarn- 
t*fe. — xDriekantig beentje uit den teen van 
het varken. 

barcbje, n. vrucht van de barchje- 
b I o m (z.d.) , van driekanten vorm, overigens 
Z4X>wel uit- als inwendig, gelykend op een 
augurkje. Meest in den pi. — De kinderen, die 
er gaarne mee spelen, steken er vier pen- 
netjes in, die de pooten voorstellen, terwijl 
het spitse boveneind den snuit en de steel 
den staart verbeeldt van het 'varkentje'. 

barcb'JeblolllLy s. iris speudacoris, gele 
liKh(-b]o6ai), groeit Teel aan den waterkant, 



vooral op veenachtige plaatsen. Ook ear- 
rebarreblom, z.d. 

bard (Oostelijk) s. beurt. Zie bar, 

♦bare, s. baar, golf. Hsfr. III, 137. 

bare, (Dongdl., Dantdl.) s. doodbaar. Zie 
baer. 

bare, adv. valde, zeer, heel, bizonder. — 
Dy man wier bare lil k. — Datwiif 
is bare pronkak. — Sa bare mal 
hoecht it net. — Net bare folie, 
lang. — Vgl. ld. IV, 129. — Inhoanne 
dy 't bare njût wier. Bijek. 1854, 23. 
— Lex. 184. — Vgl. baer groet, Stoke X, 459. 

ba'rehok, barehúske (Z. en ZWh.) n. 
Zie baer hok. 

bar'g^e-aert , s. varkensaard. — L j e a f s t 
yn'e smoargens omgruzje: dat is 
sa *barge-aert. 

barg^e-amer, s. emmer voor 't varkensvoer. 

barg^ebarte ,8. 'b a r t e' (z.d.), in het var- 
kenshok voor het dier om op te liggen. 

barg^ebek, s. varkensbek. Lex. 179. In 
hynder, in skiepmeiinbargebek, 
waarbjj de onderkaak , door een aangeboren 
gebrek, van voren te kort is. Zulke dieren 
kunnen niet dan in hoogstaand gras weide 
vinden. — P. Sch. M.S., 25. 

hSLTgébiggeCO , m. gesneden big van het 
manneiyk geslacht. Lex. 149. Zie bigge{l), 

bargebikkel, s. Zie bikkel. 

bar£f ebinnenst , n. de inwendige deelen 
van een geslacht varken, behalve het 'yn- 
taest', (z.d.) en 't 'smoar' (z.d.); daarbij 
ook nog de ribstukken. Soms heet men 
met dezen naam , evenals b\j andere slacht- 
dieren, alles van een geslacht varken, be- 
halve de zjjden , en vaak ook behalve de reu- 
zel. Zie binnespil. 

barg^ebisite , s. bezoek by den boer, als 
hij biggen aflevert. Meer biggebisite, z.d. 

barg^ebiten, s. verb. spel of scherts, op 
twist en handtastelijkheden uitlooi)end , kat- 
jes82)el. — As de bern al to útlitten 
mei in-o ar oan't mal fa rj en binne, 
wol 't op 't lést wol ris bargebiten 
wirde. Ook 'katte bi ten', z.d. — De 
keningen boartsje wol moai mei 
elkoar, mar 't wirdt meast barge- 
biten. Lex. 152. 

barg^ebloed, s. varkensbloed. R. indT*., 
162\ — Bargebloed is better as 
adelik bloed, sei de jonge, hwent 

6 



BARGEB. 



82 



BARGfiF. 



fen bargebloed makket mem bar- 
gemargen (z. d.) 

barg^eblozn, 8, trifoUum pratense ru- 
brunif roode-klaver(bloem). In Hl., en Kou- 
dum ook : de witte, (westelijk, beide soorten :) 
skieppeblom. Stadfr. skapebloem. 
Lex 151. 

Ook de rhinanthus major en R. minor^ groote 
en kleine ratelaar. 

tbarg^eblommede , Hl. s. bontgoed voor 
vrouwenkleeding; doorkruist met blauwe stre- 
pen, drie bij drie, op bepaalde afstanden ; 
elk zoo 'n stel is met dubbel witgestreepten 
rand afgezet ; 't blauw van de in de breedte 
loopende strepen is iets donkerder. 

barg^eboame, v. varkens drenken met 
wei of karnemelk. 

barg^eboarstels , pi. rugharen van het 
varken , — hoofdzakelijk gebruikt voor boen- 
derwerk; ook door schoenmakers om den 
draad door te steken. — 't Hier stiet dy 
jonge op 'e kop as bargeboarstels. 

barg^eboartfije , v. varkentje spelen. Zie 
haerchhoartsje. 

barg^eboel, s. morsboel. — Hwet ha 
dy bern hjir in bargeboel makke, 
't Is dêr in bargeboel, vuile ongered- 
derde boel. 

barg^eboet, s. ziekte der schapen, ge- 
brek aan eetlust. — It skiep hat de 
bargeboet. Lex. 151. 

tbarg^eboeten , pi. een der 13 gerechten 
van „De friesche petielle." Burm. 

bar£febon£fe(l), s. varkensblaas. Lex. 454. 
Vaak ook alleen: bon ge. Ook barge- 
blaze. Vroeger gebezigd voor tabakszak- 
ken. Wordt nog gebruikt om inmaakpotten 
af te sluiten; voor een 'rommelpot', enz. 

barg^edrank, s. voor: wei, -drinken, 
n. (varkens-)drank of spoeling, -dong, s. 
varkensmest, -driuwe, v., -driuwer, m., 
varkensdrjjven , -drijver. R. ind T*., 83*. Vgl. 
de Enkelwoorden. 

bargfedún, n. haar van varkens, be- 
halve de borstels, — soms: alleen het haar 
bij of up de pooten ; dan heet bargehier 
het andere, — elders alleen : bargehier, 
alle haar van een varken (Menalddl.) — Voor 
het maken van vegers en stoffers gebruikt. 
Vgl . ha rgebmt rutteïs. 

bargredútsk, barg^elatyn, n. iron. 
vreemdsoortige taal. -^llwetpratedy twa 



dêr? Ei ju, dat is bargedutsk, dat 
kinne wy net forstean. Zie N.O., 
68. Ook apegryks (Ferw.). 

bar£:e-ea£ren, -eachjes, pi. iron. kleine 
oogen met witte oogharen (van een mensch). 

— Dêr is hy ek mei syn read hier en 
syn barge-eagen. Ook bigge-eagen. 

barg^e-ear , n. varkensoor. — K o a 1 mei 
barge-ear', A.B. — R. ind T.«, 214*. Ook 
bargegehoar. — Mouwen mei bar- 
ge-ear en, vrouwen-jaksmouwen, metgroote 
opslagen in twee punten uitloopende. Lex. 
151. Zie W. D., Rinkelb.", 99. 

barg^ef angren , in: Hy het mei west 
to barge fangen, van een die *tsjal- 
8 k o n k i c h' (z. d.) loopt. 

bargrefearren, pi. in: Bargefearren 
fleanne net, iron. hy zal ook wat! er 
komt niet van. 

barg^efel, n. varkenshuid. — Der leit 
in barge fel foar de doar, gelooide 
varkenshuid. — Gewoonlyk een werkmans- 
kiel, zooals byv. sjouwerlui in de stad dra- 
gen ; vroeger van linnen, met split, en knoop 
van boven. (Henndl. en omstr. :) boezeroen. 
Zie boesgroefttsje. — Hy het it (mal) bar- 
gefel oan, Ned. hg heeft de bokkepruik 
op. Zie fel, 

hBxgefeVj adj. zoo vet als een varken. 

— In keapman, dy't syn kou of 
skiep aanpriisget, seit wol:, itbist 
is bargefet." 

bar^^efiuken, pi., -g eb r a d e n s , pi. -g e- 
grâns,n., -jacht, s., •hännel,8., -kamp- 
ke, n., -koazze(koen8e), s., -lucht, s., 
-merkje, v., -mest(j)e, v., -miei, n., 
-pânse,8., -pystrik, s., -pôlle, 8,, -priis, 
s., -print, n., -rid(de), s., -ring, s., 
-ringje, y., -sket, n. , -akinke, s. , 
8 k r a b (b) e r , s., -s m e 1 , n., -8 n g e, v., -8 1 e k, 
8., -stront, 8., -teant8Je8, pL, -term, 
8., -tyskje, V., -tonge, 8., -tr6ch, 8. 
Zie de Enkelwoorden. 

barg^eflap, 8. de 'flap* (s. d.) van een 
varkenshok. 

barg^efoaltflije, ▼. vaneen boer, die big- 
gen fokt. 

barg^efoer, n. varkensToeder. — Stamp- 
te ierdappel8 mei moal en tüpe is 
goed bargefoer. 

haxgetoerje^ t. ▼arkeni Toederen. — 
Ik bargefoerje «els, Bürkerg, 21. 



BARÖEP. 



83 



BARÖEM. 



— Bargefoerjen is ek in kinst. 
barsefoetten, — foetsjes, pi. var- 

kenspooten, als zy tot spijs bereid worden 
of zgn. — Sop fen barge foetsjes. — 
Bargefoetten yn 'e rapen bisean 
binne hearlik. — Solke mei de bar- 
gefoetsjes (titel). — Vgl. R. ind T.^ 79'. 

— Ook bargepoaten, — poatsjes. 
barf^eforstân, n. kennis van varkens 

als handelswaar. Ook wel : een verstand als 
een varken. Vgl. in forstûn as in haerch. 

barsref retten , n. varkensvoer. — It 
liket wol barge fretten, zoo'n poespas. 

barg^e^TCtlle , s. varkensgal, volksgenees- 
middel voor winterhanden en zwerende vin- 
gers, vroeger en nog hier en daar. 

barf^esreboar , n., pi. -gehoarren. Zie 
harge-ear, 

barsregrèrs, n. nardus stricta^ borstel- 
of zwynegras. Ook jarregêrs, z. d. Ook 
panicum crus gallis egelgras. 

barsre^TG wicht , n. varkensgewicht. — 
Treddeheal hondert poun for in 
minske, dat is in bargegewicht. 

hargegiiuvren, -greau'wen, pi. kanen. 

— In stik brea mei bargegriuwen 
wier in lekker bjt op 'e dei fen 't 
slachtsjen. Zie gri uwen. 

hBTgegvid, n. varkens-hutsppt. Dr. var- 
kenskortgoed. — In krouske stoofd 
bargegud by de ier appel s. — R. ind 
T.*, 214'». Ook b ar ge k o ar tg ûd en spek- 
j?ûd. Ook wel: eenige varkens. Zie güd. 

hSTgéhieTf n. varkenshaar. Zie bargediïn. 

bai^ebok, n. hara, varkenskot , overdr. 
vuile , morsige woning. G. J. 1,7. — 1 1 
(hûs) leit er hinne as in bargehok, 
't is vuil en ordeloos op den vloer. — Prov. 
In iwich bargehok, sei Jasper, en 
d'oare deis briek it, iron. van een werk, 
dat veel lijkt, maar niets degelyks heeft. 
Vgl. Lex. 161. 

— Skingen ien klok i| saan hûzen 
en in bargehok, schimpend op de onbe- 
daidendheid van genoemd dorp. — Den twee- 
den regel zegt men ook van de dorpjes Jous- 
wier, Lollum en Miedum. — De kerk van 
Jouswier heet ook 'bargehok', om de wa- 
pens daar aanweûg, waarop varkens voor- 
komen. 

h9ürgeABrdB,ppélBf pi. aardappels, kleine 
uitgesochle, of Terbouwd voor varkensvoer. 



barg^e-iten, s. wat tot of als varkens- 
voeder klaar gemaakt is. — Doch i t b a r g e- 
iten effen yn'e troch. — Mjuksje 
net alles troch in-oar yn dyn pan- 
ne, d o u m a k k e s t er b a r g e-i t e n fen. 

barg^eje^e , v. varkens drijven , minach- 
tend voor : handelen in varkens. Ook b a r- 
getyskje. Zie Jeije. 

bar^ejejyer, -jager, m. minachtend 
voor: handelaar in varkens. Lex. 152. Ook 
bargetysker. 

barg^ekla ver , s. roode klaver. Zie bar- 
gehlom. 

bar'gfekop , s. varkenskop. — Wordt vaak 
verloot op Sintniklaas. — Hest wol ris 
in heale bargekop mei twaeagen 
sjoen? — Né? — Dochst den altiten 
ien each ta, ast in heale bargekop 
sjuchste? Volksaardigheid. 

bargekop', het spek of vleesch van een 
varkenskop. — Wy ite ierdaj^pels mei 
bargekop'. — Ook een stuk land in dien 
vorm. 

bar^^elatyn , n. vreemdsoortige taal. Zie 
bargediitsk. 

bar^^elear, n. perkament. — In boek 
yn bargelear boun. 

bargelever, s. varkenslever. — In stik 
brea mei bargelever. 

bargelibben, s. varken«leven. — Ook 
vooral: lui, onbezorgd leven. 

bargeloarte, s. varkenskeutel. — Dou 
scoest oer sa'n hikke springe? In 
bargeloarte (in turf) is dy heger- 
n Ô c h. 

bargeloop , s. varkensloop , vaak over de 
sloot gemaakt uit het varkenshok naar de 
'b a r g e k a m p (• 2> Ô 1 e)'. 

bargeznage , s. varkensmaag. — In b a r- 
gemage en in minskemage is ien 
m a k e 1 e i , zegje. — In b a r g e ui a g e is 
sinnich, gauw overladen. 

bargemarge , s. bloedworst uit varkens- 
bloed , reuzel , rozijnen , stroop en roggemeel 
bereid. R. ind T.^ 139. Vooral bekend ge- 
bleven door de spijslijst in het St. Antlionie- 
gasthuis ; de Proveniers verschenken 't ook 
als lekkernij aan vrienden en bekenden. 
Zie mart/e. 

bargemerk , s. varkensmarkt , soms nog 
in Friesland (o. a. te Beetsterzwaag) afzon- 
derlijk gehouden. Te Leeuwarden , even- 



BARÖEB. 



82 



BARGfiF. 



fen bargebloed makket mem bar- 
gemargen (z. d.) 

bargfeblozn, s. trifolium pratense ru- 
brunif roode-klaver(bloem). In Hl., en Kou- 
dum ook : de witte, (westelijk, beide soorten :) 
skieppeblom. Stadfr. skapebloem. 
Lex 151. 

Ook de rhinanthus major en li. minor^ groote 
en kleine ratelaar. 

tbargfeblommede , Hl. s. bontgoed voor 
vrouwenkleeding; doorkruist met blauwe stre- 
pen, drie bij drie, op bepaalde afstanden ; 
elk zoo 'n stel is met dubbel witgestreepten 
rand afgezet ; 't blauw van de in de breedte 
loopende strepen is iets donkerder. 

bargfeboame, v. varkens drenken met 
wei of karnemelk. 

barg^eboarstels , pi. rugharen van het 
varken , — hoofdzakelijk gebruikt voor boen- 
derwerk; ook door schoenmakers om den 
draad door te steken. — 't Hier stiet dy 
jonge op 'e kop as bargeboarstels. 

barg^eboartsje , v. varkentje spelen. Zie 
haerchhoartsje. 

barg^eboel, s. morsboel. — Hwet ha 
dy bern hjir in bargeboel makke, 
't Is dor in bargeboel, vuile ongered- 
derde boel. 

barg^eboet, s. ziekte der schapen, ge- 
brek aan eetlust. — It skiep hat de 
bargeboet. Lex. 151. 

tbarg^eboeten , pi. een der 13 gerechten 
van „De friesche petielle." Burm. 

bar£febonge(l), s. varkensblaas. Lex. 454. 
Vaak ook alleen: bon ge. Ook barge- 
blaze. Vroeger gebezigd voor tabakszak- 
ken. Wordt nog gebruikt om inmaakpotten 
af te sluiten ; voor een *r o m m e 1 p o t', enz. 

barg^edrank , s. voor : wei , -drinken, 
n. (varken8-)drank of spoeling, -dong, s. 
varkensmest, -driuwe, v., -driuwer, m., 
varkensdqjven , -drijver. R. ind T"., 83«. Vgl. 
de Enkelwoorden. 

barg^edún, n. haar van varkens, be- 
halve de borstels, — soms: alleen het haar 
bij of op de pooten; dan heet bargehier 
het andere, — elders alleen: bargehier, 
alle haar van een varken (Menalddl.) — Voor 
het maken van vegers en stofl'ers gebruikt. 
Vgl. bargeboarstels, 

bargredútsk, bargrelatyn, n. iron. 
vreemdsoortige taal. — Hwetpratedy twa 



dêr? Ei ju, dat is bargedütsk, dat 
kinne wy net forstean. Zie N.O., 
68. Ook apegryks (Ferw.). 

barg^e-ea^ren, -eachjes, pi. iron. kleine 
oogen met witte oogharen (van een mensch). 

— Dêr is hy ek mei syn read hier en 
syn barge-eagen. Ook bigge-eagen. 

barg^e-ear , n. varkensoor. — Koal mei 
barge-ear', A.B. — R. ind T.«, 214\ Ook 
bargegehoar. — Mouwen mei bar- 
g e-e aren, vrouwen -jaksmouwen, met groote 
opslagen in twee punten uitloopende. Lex. 
151. Zie W. D., Rinkelb.", 99. 

bargrefangren, in: Hy het mei west 
to barge fangen, van een die 'tsjal- 
s k o n k i c h' (z. d.) loopt. 

bar£^efearren, pi. in: Bargefe arren 
fleanne net, iron. hy zal ook wat! er 
komt niet van. 

bar£^efel, n. varkenshuid. — Der leit 
in barge fel foar de doar, gelooide 
varkenshuid. — Gewoonlgk een werkmans- 
kiel, zooals byv. sjouwerlui in de stad dra- 
gen ; vroeger van linnen, met split, en knoop 
van boven. (Henndl. en omstr. :) boeaeroen. 
Zie boesgroentsje. — Hy het it (mal) bar- 
gefel oan, Ned. hg heeft de bokkepruik 
op. Zie fel, 

hBxgefeVj adj. zoo vet als een varken. 

— In keapman, dy't syn kou of 
skiep aanpriisget, seit wol:, itbist 
is bargefet." 

bar^^efiuken, pi., -g e b r a d e n s , pi. -g e- 
grâns,n., -jacht, s., -hân nel, s., -kamp- 
ke, n., -koazze(koenBe), s., -lucht, s., 
-merkje, v., -me8t(j)e, v., -miei, n., 
-pan se, 8., -py strik, 8., -po 11 e, 8., -priis, 
s., -print, n., -ridide), 8., -ring, s., 
-ringje, v., -sket, n. , -skinke, s. , 
skrab(b)er, s., -smel, n., -snge, ▼., -8tek, 
8., -stront, 8., -teantsjes, pL, -term, 
s., -tyskje, v., -tonge, 8., -tr6ch, 8. 
Zie de Enkelwoorden. 

barg^eflap, a, de 'fliip* (s. d.) van een 
varkenshok. 

barg^efoaltflije, v. vaneen boer, die big- 
gen fokt. 

barg^efoer» n. varkensToeder. — Stamp- 
te ierdappelB mei moal en «Ape is 
goed bargefoer. 

bargrefoezje, ▼. ▼arkeni moederen. — 
Ik bargefoerje eelt, Btkrlncgy 21. 



BARaEF. 



83 



BARÖEM. 



— Bargefoerjen is ek in kinst. 
barsefoetten, — foetsjes, pi. var- 

kenspooten , als zy tot «pys bereid worden 
of ign. — Sop f en bargefoetsjes. — 
Bargefoetten yn 'e rapen bisean 
binne hearlik. — Solke mei de bar- 
jfefoetsjea (titel). — Vgl. R. ind T.^ 79'. 

— Ook bargepoaten, — poatsjes. 
barf^ef orstiúl , n. kennis van varkens 

ikis handelswaar. Ook wel : een verstand als 
een varken. Vgl. in forstän as in haerch. 

barf^ef retten , n. varkensvoer. — It 
liket wol barge fretten, zoo'n poespas. 

bar^^e^^alle , s. varkensgal, volksgenees- 
middel voor winterhanden en zwerende vin- 
gers, vroeger en nog hier en daar. 

XiSTSB^éhOBX t n., pi. -gehoarren. Zie 
harge-tar, 

barsregrèrs, n. nardus stricta, borstel- 
of zwynegras. Ook jarregêrs, z. d. Ook 
panicum crus gaUi ^ egelgras. 

barsregrewioht , n. varkensgewicht. — 
Treddeheal hondert poun for in 
minske, dat is in bargegewicht. 

bariT^^T'iu'wen, -greau'wen, pi. kanen. 

— In stik brea mei bargegriuwen 
wier in lekker byt op 'e dei fen 't 
i^lachtsjen. Zie griuwen. 

bar£^e^d, n. varkens-hutsppt. Dr. var- 
kenskortgoed. — In krouske stoofd 
bargegûd by de ierappels. — R. ind 
T.*, ^W"*. Ookbargekoartgûd en spek- 
en d. Ook wel: eenige varkens. Zie yud. 

barsrebier, n. varkenshaar. Zie bargedún. 

bar£^bok , n. hara , varkenskot , overdr. 
vuile , morsige woning. G. J. 1,7. — 1 1 
(bus) leit er hinne as in bargehok, 
't is vuil en ordeloos op den vloer. — Prov. 
In iwich bargehok, sei Jasper, en 
d'oare deis briek it, iron. van een werk, 
dat veel lijkt, maar niets degelyks heeft. 
Vgl. Lex. 161. 

— Skingen ien klok i| saan hûzen 
en in bargehok, schimpend op de onbe- 
duidendheid van genoemd dorp. — Den twee- 
den regel zegt men ook van de dorpjes .ïoiis- 
wier, Lollum en Miedum. — De kerk van 
Jouswier heet ook *bargehok', om de wa- 
pens daar aanweûg, waarop varkens voor- 
komen. 

barfi^ierdappels, pi. aardappels, kleine 
uitgesochle , of Terbouwd voor varkensvoer. 



bar£^e-iten, s. wat tot of als varkens- 
voeder klaar gemaakt is. — Doch i t b a r g e- 
iten effen yn 'e trôch. — Mjuksje 
net alles troch in-oar yn dyn pan- 
ne, dou makkest er barge-iten fen. 

bar^feje^e , v. varkens dry ven , minach- 
tend voor : handelen in varkens. Ook b a r- 
getyskje. Zie Jeije. 

bar^^ejejljer , -Jager, m. minachtend 
voor: handelaar in varkens. Lex. 152. Ook 
bargetysker. 

barg^eklaver , s. roode klaver. Zie bar- 
gehlom. 

bar'gfekop , s. varkenskop. — Wordt vaak 
verloot op Sintniklaas. — Hest wol ris 
in heale bargekop mei twaeagen 
sjoen? — Né? — Dochst de n altiten 
ien each ta, ast in heale bargekop 
8 j u c h s t e ? Volksaardigheid. 

bargekop', het spek of vleesch van een 
varkenskop. — Wy ite i er da pp els mei 
bargekop'. — Ook een stuk land in dien 
vorm. 

bar£felat3ni , n. vreemdsoortige taal. Zie 
hai'yedidsk. 

bar^^elear, n. perkament. — In boek 
yn bargelear boun. 

bargelever, s. varkenslever. — In stik 
brea mei bargelever. 

bargelibben, s. varkensleven. — Ook 
vooral : lui , onbezorgd leven. 

bargeloarte, s. varkenskeutel. — Dou 
scoest oer sa'n hikke Hjjringe? In 
bar gel o ar te (in turf) is dy lieger- 
noch. 

bargeloop , s. varkensloop , vaak over de 
sloot gemaakt uit het varkenshok naar de 
'b a r g e k a m 2> (• p Ô 1 e)'. 

bargeznage , s. varkensmaag. — In b a r- 
g e m a g e en in ni i n s k e m a g e is ien 
m a k e 1 e i , zegje. — In b a r g e ni a g e is 
s i n n i c h , gauw overladen. 

bargemarge , s. bloedworst uit varkens- 
bloed , reuzel , rozijnen , stroop en roggemeel 
bereid. K. ind T.^ 1.'Ï9. Vooral bekend ge- 
bleven door de spijslijst in het 8t. Anthonie- 
gasthuis ; de Proveniers verschenken 't ook 
als lekkernij aan vrienden en bekenden. 
Zie mai\je. 

bargemerk , s. varkensmarkt , soms nog 
in Friesland (o. a. te Beetsterzwaag) afzon- 
derlijk gehouden. Te Leeuwarden, even- 



BARGEM. 



84 



BARGËS. 



aÎH te Dokkum , waa naast de (oude) *k o u- 
w e m erk' een afzonderlijke *b a r g e m e r k'; 
de huizen daar 'stonden op de b a r g e m e r k'. 

— Ook : de prys van de varkens. Zie merk. 
barg^emoal, n. rogge-, gerste- of boone- 

meel voor varkenavoeder gebruikt. 

barg^einot, s. bergamot, bekende peer 
(boom, — vrucht). — Simmer- en win te r- 
bargemot. 

barg^emot , a. -tsje , n. zoogenoemd mar- 
mot(je), eig. Guyaansch biggetje. 

barf^eznot'oaJJe , s. — Riezel mei in 
dripke bargemot-oalje is skoan for 
't hier. 

bar£:eznotte(par)beain , s. -par , h. Zie 
baryemot. 

barg^enin: greate bargen, riitahaga, 
soort rapen. Vgl. van Hall, Landbouwflora, 17. 

barg^enekke, s. dikke vette nek van 
menschen. Ook: in nekke as inbaerch. 
Zie 8peknekkt\ 

bargrepoaten, -poatsjes, pi. Zie har- 
gefoeisjes. 

bar£^epoat3]ebrjy , a. dikke soep van 
varkenspooten. Mei bargepoatsjebrij 
strykt min faek in kreamfrou út. 

barg^eprûk in: de bargeprûk 2)ha. 
Zie bokkepruk, 

barg^erèch , -rioh , s. varkensrug. Lex. 
152 — Sjuch dy kat der ria nidich 
stean mei in bargerêch, een hoogen 
rug makend. 

— By de Frieache manier van varkensslach- 
ten wordt de ruggegraat, meest met een strook 
spek or aan (maar ook wel zonder dat), uit- 
gesneden. 

— .lach thounen krije tsjûke stik- 
ken brea, dor 't it fet op smard 
wirdt mei in bargerêch', dikke afge- 
ronde laag vet. Vgl. W. D., Winterj., 79. 

— Dat lânis alto rounploege, de 
ekers lizze as in bargerêch. — 

De scherpe kant van in elkaar sluitende 
schotplanken heet ook bargerêch. 

barg^erib, s., varkensrib. — Fjouwer 
binnen r (Ni g e n de b a r g e r i b b e n 
f en 'e de is stokken, A. B., Bijek. 1854,25. 

— Meist wol bargeribben? Ja, 
g r a e c h Î Den k i n n e il o u en ik 
wol mei in-oar ite, hwent ik mei 
graech hwet twiske de ribben ait. 

Ook bargeribkes en bargeribatik- 



k e n , gewooniyk met weinig vleesch er aan: 
maar zoo er heel veel aanzit, heet het hier 
en daar 'pa ter stik'. Zie ribstik. 

Misschien is dit wat men vroeger noemde : 

bargerib'spier , s. een van de dertien 
gerechten van de Friesche patelle. Lex. 158. 

hSLrgerie'zelf s. varkensreuzel, de geheele 
reuzel. Ook: gesmolten reuzel, vroeger veel 
met zout en peper in plaats van boter ge- 
bruikt. — In stik brea mei bargerie- 
zel. — In kearel o ft er út in barge- 
riezel draeid wier, een banjer. Zie 
riezel. 

bargesykte, s. varkensziekte , vlekziek- 
te ; gebrek aan eetlust , verslapping der i>oo- 
ten en het krygen van blauwe vlekken onder 
den buik. 

barg^esin, n. dwarsdqjvend humeur. 

bargreskoentflijes , -slûfkes, pi. var- 
kenshoeven. 

bar£reskra(e)bje , v. een gedood varken 
het haar en de borstels met den 's krab er' 
afschrapen. — It gyng by 't barge- 
skraebjen óf, er bleef niet veel over. 

bar^reslaohter, m. varkensslachter, spek- 
slager. — In foarnaem bargeslachter 
for de Eastynjefarders, R. ind T.*, 
121«. — Op het land gewoonlgk iemand, 
die in den slachttijd bjj de boeren rondgaat 
om varkens te slachten, en niet voor zich 
zelf dit bedrijf uitoefent. 

barcreslachtersmiel, n. feest, maal h\] 
gelegenheid van 't varkenslachten. In Dr. 
en Overgs. nog : slachtmaal. 't Varken was 
by de Germanen een belangrgk dier. 

bargreslachterstUd, s. tgd van varken- 
slachten, tusschen Kersttgd en Nieuwjaar. 

bar^reslaohtflije , ▼. varken(8)8lachten. — 
De boer is nei syn bûrman to bar- 
geslachtsjen, nl. als gast. — Prov. 
Trouwen is (as) bargeslachtsjen: 
it het syn útf allen. 

bar^resinoar, n. varkensvet in *t algemeen. 
— Bargeriezel is ook bargesxnoar, 
maar alle smoar is geen riexel. Zie 
skiedelsmoar. 

barg^esnût, -snutOy s. varkenssnuit. 
Lex. 152. — Ook van menseben met voor- 
uitstekende tanden en lippen. — Rjnchtdt 
as de bargesnút, recht door lee, Bnrm. 
Vgl. Hsfr. IX, 184. 

bar^respek, n. t^genofer: 'tpalling- 



BAR6ES. 



85 



BARNN. 



spek'. Ook in : & 1 d- en n ij-b argespek, z.d. 

I>arge8tilte , s. plotselinge , doch voorbij- 
gaande windstilte, zooals dikwijls in den 
zomer. Lex. 152. Schierm. swinegeilte. 
Zie *«ry#i. 

bar^estirt , s. varkensstaart. — H y het 
noch in krol mear as in bargestirt, 
hg is een pronker, een verwaande zot. — 
Hofolle krollen binne der yn in 
rjuchte bargestirt? Bjjek. 1893, 5. 

bargestirtsje, dem. n. Linich as 
in bargestirtsje. — ld. X, 160. 

barsrestrûpers , pi. scheldnaam voor die 
van Temaard. Vgl. R. in T^ 329. 

bar£reteain , n. varkensfamilie. Schim- 
pend voor: een talryk huisgezin, 'wiif en 
njoggen bern\ R. ind T.", 417«. 

bar^reterms' , -termen, pi. varkens- 
darmen. — In slacht bargeterms, de 
^gezamenlijke dikke darmen van een geslacht 
varken, — door behoeftigen gegeten. Zie term. 

hajrgetysiLer , m. Zie hargejeijer. 

bars^tosken , pi. varkenstanden: erg 
naar buiten stekende hoektanden (van een 
mensch). 

barsretriexmen , pi. krokedilletranen , 
j^hoichelde tranen. — - Bargetriennen 
as balstiennen. Vgl. Hett., Rymkes 78. 

- Lex. 152. 

bars^vein, s. wagen tot vervoer van 
varkens. 

barsre'weitflje, v. 's nachts waken bij een 
varken , dat jongen moet werpen of pas ge- 
worpen heeft. Lex. 153. Ook biggeweit- 
sje, sûgeweitsje. 

bars^Ób, adv. naar varkens (riekend). - 
Hwet rukt it hjir bargich. 

bargje , v. morsen ; in morsigheid en vuil 
er heen leven. - Hwet binne dybern 
oan 't bargjen; hja bargje yn 'e mod- 
der om. — Dy ftldgryk wennet al- 
linne en barget er mar hwet hinne. 

— De boer barget yn'theaofop'e 
bon om, bg nat weder. Lex. 152. — Mei 
de klompen oan 'e hird ta bargje. 
Zie haeije. — Vgl. W-, tahargje. 

bargje (Oostelgk hier en daar), v. bergen. 
Zie hergje. 

baije (Hl. en B(kw.), s. baar, lijkbaar. 
Zie hoer, berje, 

barky barkaldpy s. (vroeger:) soort zeil- 
ï»chip voor de TraditTaart , van de kleinere 



soort, cf. Lex 179. (thans:) zeeschip met twee 
groote masten en een kleine zonder raas; 
een van de grootste soort zeilschepen. 

Ook: elk oud schip. Hwet bark is 
dat? 

barmliertich , adj. & adv. mlsericora^ 
su2)plex j lamentahüis f barmhartig, ootmoe- 
dig, jammerlijk. — Sa'n barmhartige 
Samaritaen! iron. van een woekeraar, 
die voor vroom wil doorgaan. — Dy â 1 d e 
stakker bea my sa barmhertich om 
instikbrea. — Itbernkryt barm- 
hertich. In dezen zin meest earmher- 
t i c h, z. d. — Lex 179. G. J. b i e r m h e r t i c h. 
barmliertichheid. , s. misericordia^ barm- 
hartigheid. Schierm. barmheartsich- 
heit (Hulde II, 166). — Bier en bar m- 
hertichheid kamen boppe. Vgl. R. 
ind T', 10\ — Ik wol barmhertich- 
heit en gjin offerande. Halb., Matth. 
XII, 7. 

barmhertig^ens , s. barmhartigheid. — 
Dou bist rynsk! Is de barmherti- 
gens dy om 'e lytse tean slein? 

barmke , n. verkort voor heide bar m- 
ke, ook voor stienbarmke, z.d. 

fbamder, m. brander. — Dehelske 
barnder, de duivel. — Zie stoker. 

bamderiU, s. branderij, jeneverstokerij. 
R. ind T.», 305*. 

bame (spr. bane), HL; hier en daar W. 
en N., Grouw, Henndl. — v. branden. Zie 
haerne en hrânne, — It fjûr(ke) oan 't 
barnen meitsje, fig. den twist gaande 
maken. — Hy is bang, dat er him oan 
kald wetter bame scil, hjj wantrouwt 
iedereen en alles. — Hwet my net barnt 
blies ik net, ik bemoei mij niet met wat 
my niet aangaat. — 
Samenstellingen als b|j baerne, z. d. 
b a r n e n d. Zie haernend. 
bamliout (spr. ban-), Tietj. Dantmdl., 
Oostdngdl., n. (een) brandhout. — Sa bros, 
sa meager as barnhout. — Divels 
barnhout, allerlei schelmen en schurken. 
Zie branhoiU. 

*bamin£^, s. branding der zee. Eolus, 58. 
Zie br (Inning. 

barnizer (q)r. ban-), n. ca e</<?riMm, brand- 
ijzer. R. ind T*., 169'». Zie hrânizer. 

banmettel (spr. ban-), s. urtica, brandne- 
tel. — Dove barnnettel, hondsnetel, 



BARNS. 



86 



BASK. 



doove netel. Zie hrânnettel en hroelnettel. 

bam'stien, (sj^r. -bam), n. clecfnim, barn- 
steen. Hl. ba ml eist een. 

bamstiennen, adj. barnsteenen, van 
barnsteen. — in barnstiennen segare- 
pyj^ke. — Barnstien nen e kralen. 

baron', m. })aron; een groot heer. — Hy 
stajit as in baron, — is in hiele 
baron (Piet). 

baron'spylje , v. den heer uithangen. — 
Tn boer jiast it baronspyljen net. 

barre, v. acHdere, gebeuren. — It bat, 
ba'de (barre) , is ba^l (barre) , barrende , to 
barren. — Hl. gebarre, gebadde, gebat. 

— It is bard yn 1623. R. in T.\ 

197». — Forj. 1878, 57. — Dat üs mem 
stjert en ik er net by bin, sei de 
jonge, scil net wer barre. 

barre in : barre m e i] e , contingeve , 
ten deel mogen vallen, door 't bezit of 't 
lot veroorloofd zijn. — Stadfr. beur e. — In 
breed earizer mei Bauk net barre. 

— It het him net barre mocht 
(me ij en), syn soan great to bringen. 

— ... s m e i t s nou wille !| sa lang 
't jini barre mei, M. B., Sw. 1884. — 
Vgl. ha ir we. 

barre, v. arcipere, inbeuren, (geld) ont- 
vangen. Lex. 198. — Aa 't yen yn 't 
bal f en 'e rjuchter han jokket, scil 
min g a u j i 1 d b a r r e; y n 'e 1 o f t e r , d e n i s 
't j i 1 d li t j a e n , zegje. — Vgl. //n-, taharre. 

barre, v. kneden. Zie huterbarre. 

barresjet'te , s. barouchette. — Ook 
gebruikt voor: rommelkast, oude bolderwa- 
gen. - Sjuch ris. hwet barreajette 
h a j y d O r ? 

barsk, adj. asper, barsch , onvriendelijk. 

— Hywier aa barak en sur, Deuntje 
(1702). — Oj) dat barske wetter at o e... 
Alth., 1700, va. 51. 

barst (apr. ba'st) , a. fisAura, barat, scheur, 
breuk. — 't Ia allegearre barsten yn 
't iis. Vgl. hinï'y hyihnrM. — Mei in 
barst, zeer vlug. Zie ook hoars^t. 

barste , v. barsten . acheuren , splijten , 
breken. — It bast, ba'ste, is ba'^st, bars- 
tend, to ba'sten. — 1 1 thékopke is barst. 

— H y y t h i m t o b a r a t e n. — 't M o a t 
b Û ge of}) a r a t e , buigen of breken. — Vgl. 
ütbarste. Ook (hier endaar:) boarate, z.d. 

barat end, a<lj. & adv. — Mei bars- 



tend gewelt. — 't Ia barstende fol 
yn 'e keamer. 
barst(e)rich , adj. vol barsten, barat jes. 

— Hwet is dat thégûd barstrich. 
barstje (apr. ba^'sje) , dem. n barstje. — 

Barstjes yn'e lippe. 

barte , (spr ba''te) s. vervoerbare hulpbrug 
van planken, door klampen of balkjes ver- 
eenigd, zonder leuning; om vee of wagens 
over een sloot te brengen. — Ook bij vee- 
lading in schepen of booten, dan vaak met 
leuning. — Ook een breede plank alleen. — 
Soortgelijke bedekking over een gier- of beer- 
put. — Te Leeuw, een houten stoep aan 't 
water. Zie staït. — In rêch as in barte, 
breede sterke rug. Lex. 188. — Hafr. II, 
194. — Honear komme jimme oer? 
As de greate barte leit, als er ijs i». 

— Hl. botte. — Vgl. havge-, flap-y koutte- y 
stryk'y sh/p', til-^ tsjernharte, 

Bartele, Barteld (Zoh.), n. p. m. — Hy 
wit wol hwêr 't Bartele de mester 
hellet, Ned. waar Abram den mosterd 
haalt. Vgl. dea. — Plat en sunich 
binne lit de tiid, do't de kou Bar- 
tele hiet, uit de dagen van Olim. Lex. 

189. — Prov. 't Is sljuchtwei Bartele, 
eenvoudig, dagelijks. 

bartsje , dem. n. vaste , breede plank over 
een sloot , die een begaan pad doorsngdt. — 
Mkw. houtsje, Westel. ('t) hout. — In 
bartsje oer de sleat, om over te gaan. 

— In bartsje oan *e sleatskant of 
onder de pomp, om er emmers en vaat- 
werk op te boenen. — In bartsje, dat 
men oer de groppe leit, als de koeien 
op of van stal moeten ; en bjj 't kalven. 

bas, 8. bas, 4* stem. — Us Jan ia by 
de bas. — 

Hy spilet op 'e bas en syn maet 
op 'e f y oei e. Vgl. Jxufyodt, 

basylkmn, s. bctsüieum, koningskmid ; 
soort zalf voor wonden. Ook masylkum, 
brasylkum. 

^bask, Hl. en hier en daar nog, acy* 
i<peclo8Uit, fraai, mooL — Baske pannen, 
mooie porseleinen pronkschotels, — baske 
klaen, — inbasken dook, baak wé'*r, 

- Dit ys bask gn*d for in skè'te) 
dook. Meestal möai. 

adv. baske möai, bgMnder finaal, Lex. 

190, 482. Roosj., 90. Vgl. htOA. 



BASS. 



87 



BATS. 



baasleutel, s. -stimme, s. — Zie de 
Enkel woorden. 

iMtSt, s. cortex j schors, schorslaag, bast 
(van boomen), omhulsel (G. J. II, lil). 

— Stek de hân net twiske de bast 
en de beam, kom niet bj] man en vrouw 
tusschenbeide. Lei. 140. 

— De twadde bast fen flear is in 
middel om swolmen ta ryp wirden 
to brinken. — De finen binne as de 
hjirk mei trettjin basten. — De 
earte of beane hawwe in hirde, in 
"^êfte of tinne bast (hul). Vgl. kas- 
tanje-^ nutebast. 

fig. corpus, eigenl. de huid van dieren, 
ook (triv.) van menschen. — Hy krige 
hwet op syn bast, een pak ransel. 
Vgl. baeitsje, hûd. — Hy het de bast 
(hûd) wer op 'e leest set, — de bast 
(hûd) fol fretten. — In skiep dt 'e 
bast h e 1 j e , s t r û p e , villen. — Ik h i e 
my effen lit 'e bast helle, me ver- 
Hchoond , geschoren. — 

Don mast dyn hânnenwa8kje,dôr 
fit in bast fen smoargens op. 

ba8ter(d) , adj. gemengd , verbasterd , ge- 
kruist. — Baster(d)e sûker, bastaardsui- 
ker, — ba8ter(d)e klontsjes. Zie klont- 
sjf. — Baster(d)e beantsjes, van ge- 
mengde kleur. — It b astere skaei, 't 
verbasterd geslacht. W. D. — In bas- 
t e r(d) e raem, — skiep, van gekruist ras. 

— Bastere knikkers,, albasten (eig. wit 
marmeren). — Zie forhasterje. 

bastord, eg. spurius^ bastaard, iemand 
buiten echt geboren of van gemengd bloed , 
- paard uit een Frieschen hengst en een 
buitenlandsche merrie of omgekeerd. 

basterdnachteg^el , eg. accent or mo- 
dnlaris, bastaardnachtegaal, boerenachte- 
^al. Soms: de braamsluiper. Zie toarnmosk. 
basterdfllcaei , n. verbasterd of ontaard 
geslacht of soort; fig. (minachtend:) volk, 
«l:it van voorouderlijke zeden ontaard is. — 
Dit basterdskaei wol 'trouneFrysk 
net ha. Zie skaei, 

basterdsoarte, r. bastaardsoort, gemengd 
«ïoort . van planten en dieren. — B a s t e r d- 
?»oarte fen ierdappels, rapen . . . , 

— fen hinnen, hounen, ensfh. 
bataUe, «. Fra. bataiüey slag. — De 

batalje fen Waierlo. 



kibbelarij, vechteqj, moeite, last. — Wy 
ha der gans in batalje bilibbe, 
herrie bijgewoond. Vgl. kampslach. 

— Hwet in batalje, rumoer. Vgl. 
opskoer. — 

troep. — Sjoch der ris in smite 
folk o ankommen! ja, in hiele ba- 
talje. — Vgl. R. ind T.», 121*. 

bate, s. utilitas y commoditm , baat. — 
Dy 't de niage oeriesd het fynt bate 
by festjen. — Prov. De skea moat 
foar de bate lit, men moet eerst de na-, 
dan de voordeden berekenen. Lex.192. Zie haet. 

bate, V. prodesse , proficere . baten. — It 
baet, bate, het baet (baten), hatende, to 
baten. Sagelterl. baetje. Lex. 154. — 
Baet it net den skaedtitnet, vaak 
van onschuldige huis(genees)middeltjes. — 
It scil dynet bate, niets geven , hel- 
pen. — Sur sjen baet dy net, sûpiit, 
it skaedt dy net. (Inschrift in het zil- 
veren deksel van een bierpul, van Joh. Wink- 
ler te Haarlem). 

bats, interj. onomatopoëtica. — Bats! 
der bruidedeboelhinne. — Ear't 
er der om tocht wier 't bats! dêr 
krige er in klap. — De hazze sprong 
lit it leger en do wier 't bats! getrof- 
fen. — Ook batsdy, batsty. 

bats, s. ictus, klap, botsing, terugstuit. 
— In bats oan 'e kop. — Hy roan by 
tsjuster mei in bats tsjin 'e mûrre 
oan. — In bats (een jaap) yn 'e fin- 
ger, — yn 'e kop. 

groote hoeveelheid vloeistof. Ook Gron. 
g. — In bats wetter, jenever, kof je. 
Vgl. bak, — Hy hie in batsyn, een 
stuk in, dronken. 

batse, V. Fra. battre, botsen, klotsen, 
plassen. — Tsjin elkoar oan batse. — 
Mei bakkerts batse. — Hy bats te 
mei syn greate learzensoantroch 
de modderige dammen. — D e w e a- 
g e n batse t s j i n 'e m û r r e. — H y b a t s t 
er a 1 1 y d mar h i n n e , flapt er alles maar 
uit, lik e folie hwa 't er foar het. 

batsk, adj. sujyerbus, trotsch, hoogmoe- 
dig en daarbij onvriendelijk en stuursch. — 
Dy Jouke is altyd al lik e batsk en 
syn wiil' kin yen al sa batsk of- 
snauw e. — Do boaske batske Jan 
mei Tryn. Hûs-hiem II, 182. 



BATS. 



88 



BEAK. 



batskens, a. supet'hia,pet:tïoniia,trotsch- 
heid. 

batte , (spr. ba''te) , v. de paarden in de 
uit^jfelorHchte garst ronddrijven om die van 
de nog overgebleven baarden te ontdoen. 
Vr. Fr. I, H5. - Posth. in Epk., 20. Vgl. 
koarnhatfe. 

batte, s. Fra. hât y in: onder 'e bat- 
te, onder de plak, onder den pantoffel. — 
lm men onder 'e batte ha 1de, onder 
'e batte sitte. Vgl. kwint. 

batter^', s. Fra. échafaudage , batterjj, 
stellage, stapel. — Halbe hat in hele 
batterij fen segarekistjes foar de 
glêzen. — In batterij by in toer, die 
in aan})Ouw is. 

batting, s. pi. -s, -en, ook dealjes 
genoemd, scheepsplanken , — lange breede 
planken, waarover de gravers van een 
vaart of kanaal het slijk naar den wal 
kruien. Lex. 189. Ook batte. Thans ook: 
machinaal gezaagd balkhout (rib), p. m. 7 
C.M dik en 17 c. M. breed, ook genoemd 
p o e p e r i b. 

bau, ook bou, s. tahanus hovinus ^ bauw 
(insekt), vooral hinderlijk voor koeien in de 
weide. — De bausitde kou onder 'e 
stirt. — In bau isoarsasinbrims 
(oestrus). Lex. 327 , 470. Halb. Overijs. alm. 
1841, 10. — N. O. 217. — Posth. in Wiarda, 25. 

bauje, bouje, v. als razend de weide 
op en neer loopen, van runderen die door 
de bauw gekweld worden. Lex. 471. — Ook 
wel : van jongens , die na 't zwemmen , al- 
leen 't hemd aan , in 't land omdraven , om 
droog te worden. — Halb. N. O., 217. Ook 
biizje (Zoh.), bôgje en bou we (Amel.). 

Bauke , i n : H y i .s a 1 B a u k e , buiten 
zorg, onder dak (fig.). — Dat is Bauke, 
dat i.s binn(»n, gekaapt. -- Vgl. onderdak. 

^aze, v. aliena hxjui ^ Eng. to bash , ba- 
zelen , ijlen , 'doorslaan'. Dr. bazen. G. J.: 
Epk. 20. — Lex. 791. — Hy tocht: scoe 
burnian baze? R. ind T.', 203'». — Den 
baest de man krekt as iukoartsich 
ni inske , Ibid. 410\ 

bazelisk', s. basiHsnis, denkbeeldig ge- 
drocht , voorgenteld als een slang met een 
lïan»*nk()j>, <li»* door haar gesis alle dieren 
wei»;j<n'g. (»f ze door haar aanblik doodde. 
Vgl. K. iiid T.', 21ü''. Zie over 't bijgeloof 
daaromtrent W. D., Fr. Volksl. 11, 200. 



bazeliske-aei, s. ei, waaruit een basi- 
liscus voortkomt. — De hoanne leit ba- 
ze 1 i s k e-a e ij e n , Oud Volksgeloof. — Lex. 
189. 

bazin'ne, f. domina^ bazin, manwijf. — 
Ook: meisje met een wilde, jongensachtige 
natuur. — Griet Hymphamp wier in 
earste bazinne, W. D. , Heam.*, 83. — 
ld. I, 89. — Vgl. hoes. 

bazu'ne, s. hucina, bazuin. G. J. I, 89. 
— Register in een orgel. 

bazûnje, v. de bazuin blazen. Vgl. ut- 
bazúnje. 

be-, bi-, onscheidbaar voorvoegsel. Het 
laatste in de Wouden, hier en daar in den 
Zh. , en in Hl. — Conter schrijft hie. — In 
't Oud-westerlauwersch Friesch vindt men 
by, maar ook be. Hind. Sémans Alm. (1679) be-. 
In W. Gribb. be en by beide. Bij Meinderts 
idem, doch meest by, Halb. in zijn eerste 
drukken meest be , in ziJn gedrukt Lex. bi , z.d. 

bea, s. bede, gebed. 

*beach, s. A. B., Doarpke, 161. Zie heage. 

*beafeart, s. bedevaart. Fr. Volksalm. 
1836, 44. 

*beafeartrei8£rer, m. bedevaartganger. 
G. J. II, 85. 

fbeage, s. ring. Lex. 540. 

beagre, bêgre (Wouden en ZWh. Dong- 
dln.), s. rechthoekig aaneengehechte borst- 
en rugband, van gevlochten hennipgaren. 
Trekzeel voor paarden, waaraan de 'syl- 
stringen* worden vastgemaakt. Lex. 199. 
Voluit sylbeage. Ook hamme, haam, 
z. d. — Trekzeel voor schippers, ook wel 
voor kruiers. — De beage past him, 
hy is bekwaam en heeft lust in *t werk. — 
De beage knypthim, h^is onhandig 
en lui. — Hy hinget yn 'e beage, hjj 
doet zijn best. — Ook de 'band*, om klein 
vee in een schip te hgsoben. — Elders: 
himpsel, 't Bildt hempsel. — 

Zijden hoedlinten. — In kyps mei sjd- 
ne beage n. R. ind T/, 5*. 

beaken, beken, s. Eng. heaeoH^ baken. 
Hl. baiken. G. J. 11,81. — As it tg for- 
rint moat min de beakens forsette. 
Lex. '^00. — Bestaat gewoonigk in een lange 
paal , waaraan van boven een raam in diago- 
naal bevestigd is, en die op verren afstand den 
schipper voor banken of ondieiiiMi moet 
waarschuwen. Ook bg hardieilpartfien om 



BEAK. 



89 



BEAM. 



de eindpalen aan te wyzen. Ook baek, 
baken, z. d. Vgl. fjiirbeaken. 

beakenje, bèkenje, v. Ëng. to huoy, 

bakenen, afbakenen; bakens in de vaiirwa- 
ten» plaaUen (Lex. 201), met bakens af- 
ttfttt^n een weg of terrein. Ook fig. N i n 
t »01 brie fen dat heilich paed || Dat 
< i o d li H b e a k'n e h e t , Salv. — Ook b a- 
krnje. Vgl. of', lUbeakenje. 

beakenjild, n. -rjuchten, pi. baken- 
ireld, van de schippers geïnd voor het uit- 
zaten of onderhouden der bakens. 

beakeije, bèkerje, v. zich koesteren. 

— De kat leit yn ^esinnetobea- 
kerjen. Ook bak er je. Vgl. opheakerje, 

bealch, (spr. be»lich, 't Waterland, N.O. 
en O. beulich [eu als in Holl. deurj, 111. 
bè*lich), 8. Hd. Balg f Ijjf, lichaam van een 
dier . triv. ook van een mensch. — In 
bealch as in wynhoun, van een paard. 

— Sa meager. dat min alle ribben 
wul yn bealch telle kin, T. E. Halb. 
Alm. 12*, 1832. — De bealch slacht it 
hvnder Zie slaen. — De ky rinne oan 
'e bealch ta yn 't gêrs. — De bealch 
der tsjin oan (der onder) sette, der 
•jan weagje, zwaar werk opnemen, — 't 
Uatste ook: overdadig eten of drinken. 
1>«? bealch op 'e leest sette. — 
Bealch, stean by! ikscildy to-nei 
n*»t wer lêstich falie, zegje. — Im- 
men de bealch fol skelde. — Op 'e 
bealch komme (falie), Fra. tomher sur 
Ifs bras, lastig vallen, tot lastpost worden. 

Op 'e bealch komme (jaen), een 
I«ak ftlaag geven. — Vgl. bast, httd , lea, 
i'twhri. — 

Komp van een wagen. Vgl. buk, — In- 
boadsruimte van een vat. 

*bealchbroer, m. combibo, slemper , 
«irinkebroer. G. J. I, 204. Zie bealgert. 

bealohfol, n. pensvol, maagvol. — Ite 
«frette) by 't bealchfol, van een dier 
vf een vraat onder de menschen. — In 
bealchfol jenever, van een dronkaard. 

Fig. zooveel als het lichaam (met moeite) 
ïenircgen kan. — In bealchfol wirk 
•iwaen. — Arbeidsje by 't bealch- 
fol en tinne brg (healsêd iten), 
zvjar werken bg schralen kost. Vgl. 
kidfid. 

Zooveel hooi aUi er m een (boeren)wagen 



kan , tot aan de bovenste randen van de zij- 
boorden. Lex. 201. Vgl. huk fol. 

bealchje, n. dem. van 'bealch'. — 
It is in ticht bealch je, een gedrongen 
ventje. - - Vgl. pochhealchje. 

«"bealclis-ein', -ein'taje, n. kort buisje 
zonder of niet heel korte achterpanden. Ook : 
roun-o m-'t-gat , snij-of-liy-de bealch, 
bloat, z. d. — Hier en daai' ook: hemd- 
rok zonder mouwen. 

— Ook wel: corpus, lichaam. — To 
jong k je, poatoan! Dou meistdyn 
bealch s-e in ek wol ris fiele. 

— Hy foei op syn bealch s-e in 
(stompe e in). 

bealchsgewelt , in: mei bealchs- 
g e w e 1 1 , uit alle macht , a r b e i d s j e , 
frette, sûpe, — tsjin eat oansitte, 
om het te beletten. Zie geivelt, 

bealchs-ivirk , n. zwaar werk. 

beali:er(t), (spr. -ea-, -eü- of -ja-), eg. 
helluo , ^.weiger, brasser, G. J. Lex. 202. — 
Sa'n bealger, als een bigge, een kalf, 
te haastig drinkt. 

bealgr^r > m. werkezel , zwoeger. Zie 
wrotter, 

bealg^erjj' (spr. als voren), s. zwelgery, 
brasseqj. G. J. 1 , 61. Lex. 202. 

bealg^erU, s. hard werken, ('t) zwoegen. 

beal'gje (spr. als voren), v. strenue 2>o- 
tare , zwelgen , onmïitig drinken (vooral) , 
ook brassen. G. J. 1, 67, 79. Lex. 202. — 
Syn sûpen en bealgjenhethimyn 
'e onderwal brocht. — Klokken, 
sw arren, bearen, bjalgjen. Telt. Fr. 
Jierb. 1883. Vgl. wette r- , wynhealgje. Vgl. 
putskje ^ supe. 

bealgje, v. zwaar werken. Vgl. ezelje, 
jyuchelje f wrame , tvrotte. 

beam , s. arhor , boom , heester (vooral in 
samenstellingen, z. d.) G. J. passim. PI. 
beam men, Koudum bemmon, O.dongdl, 
b j i m m e n. Hl. b a i m , b a i m e n , Warns 
bêm, bemmen. — Prov. De beam (it 
hûs) gr eat, de man de ad. Salv. M. S., 
65. — Men moat ite, al wieme alle 
beam men galgen, Burm. — De heech- 
s t e b e a m m e n ha de m e a s t e w y n- 
f a n g. - A 1 d e b e a m m e n , overdr. oude 
menschen. — Alde beam men litte 
hjar net maklik forplantsje. — Do 
kat út 'e beam sjen. — It scilmy 



BKAM. 



90 



BEAM. 



ris binije, ho dy kat iit 'e beam 
komt (fait), hoe dat afloopt, — H y komt 
út 'e beam, uit den hoek (fig.) — F e n 
de hege beam of tarre (ite), van 't 
kapitaal. — Bern nt 'e holle beam 
hel je (Zoh. Waterl. Westel.) , kinderen krij- 
gen. Grouw : li t 'e holle beam f e n 
Earnewald. Workum: út 'e Ferwoal- 
1 i n g e r beam, boom van Ferwoude. Zie 
Walden, poppestien , sJcuteboer. Vgl. R. ind T", 
348*. Lex. 204. — Ik bin fen me mme 
kant lang net oan 'e beam pisse, 
van een krachtig gestel. Lex. 203. — Vgl. 
fruchtheam ; ahrekoaze-j appel-, Irersr-, par- 
(re-)^ prom-, mispel-, nut e-, inchterheam;aheelje-^ 
hjirhen- j hûk'en- , dinne-, elzen-, esken-, iken-, 
iperen- , kastanje- , koetsen- , sparre- , wijl 'jen - 
beam; hei-, drtire-, flear- , haje- , haz(ze)- 
nute- , kântsje- , kn'fsbei- , najel- , roaze- , 
sniehalheam ; leider-, stamheam; treurbeam ; 
maibeam ; krysbeam. — Lat of paal , waarop 
de hoenders 's nachts zitten , cf. R. P. , Vr. 
Fr. IV, IV, 103, vaak rik, z. d. — Mei 
de h innen op 'e beam, Ned. met de 
kippen op stok, vroeg naar bed. 

— "Afsliiitboom bij deuren, Lex. 203, zie 
2>ost. En bij bruggen en sporen. Vgl. rik-, 
wizebeam. 

[Als eerste lid der samenstelling en als 
hoofddenkbeeld beam, spr. béam — met 
den nadruk op het tweede deel veelmalen 
spr. bjem, maar ook béam, vooral in 't 
N. en O. In 't Z. meest bjem.] 

beam'bast, s., -blêd, n., -grien, n., 
-knop, s., -kop, 8., -kopj e, V., -kweker, 
m., -lus, s., -moas, n., -plantsje, v., 
-s a e g j e , v., -s e 1 1 e , v., -s k a e d , n., 
-s koe ij ing, s., -skrobje, v., -snoejje, 
v., -stam, s., -stobbe, s,, -strampel, 
s., -s t r i p e , s., -t a r j e , v., -t û k e , s., 
-twiich, s. -wytsje, v.. -w o ar tel, s» 
Zie de Enkelwoorden. 

beambeidel, s. beitel sluitende met het 
benedongedeelte om een langen stok , om 
oudere boonien , van onderen *op te snoeien'. 
Bij dikki're takken wordt het werktuig door 
hamerslagen o))gedreven. Ook « n o e i b ei d e 1. 

beambosk, n. groepje dirht bij elkaar 
staan<le, uf iii «'Ikandrr gc^groeiile op een 
gemeenschuppelijken tronk ()j)gesclioten boo- 
men. — Dêr sit in hazze yn datbeam- 
b o 8 k f o r 8 i d e. — Op dat h e i d e f j i 1 d 



stiet hjir en dêr in beambosk. - 
Ook s. voor bosk, z. d. G. J. II, 74, 103. 

beambosk je, dem. — 'Beambosk- 
jes', over een zekere oppervlakte dicht bij 
elkander staande, vormen een kreupelbosch. 

tbeame , s. solum, fundus, bodem, bodem 
van een vat. — Alhwetútmintteoj) 
Fryske beame, G. J. I, 89. Vgl. ierd- 
beame. — Dêr is 't reabûter oan 'e 
beame, overvloed. Ibid 65. Zie boaim. 

— Lex. 272. 

beam (beamine>-^d , n. allerlei ge- 
boomte. 

beamkal^e, v. boomen met kalk be- 
strjjken, witten. 

beamkappe , -kapje , v. boomen om- 
houwen. 

beamke (spr. bjemke), n. arbor parrus, 
arbuscida, boompje, heester, struik. Lex. 
206. HL baimpjen. Ygh bei-, bramboaze-, 
krinte-, krûd-, piper-, roaze-, rükers-, sealje- 
beamke. 

beamkeforjetje , — f o r 1 i e z e (Jelsum), 
-forlosse (Zoh.), -forsjitte (.W.dongdl.) , 
v. zeker kinderspel. — De spelers gaan bjj 
een boom staan , behalve éen , die door *t 
lot aangewezen is. De een na den ander 
verlaat nu zijn boom, eindelijk allen, on de 
*krijer' (z. d.) tracht dien van een ander te 
krijgen vóórdat de eerste dien weer 'bis et' 
(z. d.) heeft , die dan op i^n beurt '1 o s b a n- 
dich', (z. d.) is. — Ook wel moet de losloo- 
pende (bij deze wgze van spelen heet- hg de 
„verspieder") als een den boom verlaat, 
dezen af kloppen (tikje). Zg ruilen dan 
van rol. Dit is een zeer levendig spel. 

— Ook wel raag de 'getikte' 'weerom tik- 
ken', — gelukt dit dan geldt het eerste 
niet. Maar onder de hand heeft de ander 
soms in zgn vlucht ongemerkt al een 
tweede 'af geklopt en wordt de vervolger 
op hetzelfde oogenblik dat hg sgn doel be- 
reikt, op zgn beurt door den laatst afge- 
klopte 'getikt.* Dit geval geeft altgd groote 
vrool ijkheid. — Dit of een dergelgk spel heet 
te Grouw hoekjerinne, Hl. bnkjefer- 
ruile, Koudum ulle forrulle. 

— In enkele streken, sonder voor dit 8]»el 
geschikte boomen , plaatst men op eenigen 
afstand rysjes in den grond. De losloopende 
tracht door list of geweld een ander van ign 
tak te verwijderen (t o f o r j e g e n) , lokt hem 



BEAM. 



91 



BEAN. 



dit . en heeft de ander geen tijd gehad , een 
ftnkje ran zjn tak af te breken en in de 
hand te honden, dan neemt hij diens plaats in. 
— Zie ook heamkewikselje. 
beamlcegud, n. kreupelhout, heèstergewas. 

beanücekladdeije , -kladsje, -klat- 
texje, V. in de boomen klauteren. 

beainkekladder(der) , m. die (gaarne) 
in de boomen klautert, van jongens. Ook 
beamkladder(der). 

— c^. (vrij algemeen) certhia familiariSj 
boomkmipertje. Ook beamkeklimmer. 
beam(ke)klim mer (Jelsum en elders) en 
beamkrûper, z. d. 

beamkeletters , pi. groote op linnengoed 
gre«tikte letters, met takken, bladeren of 
boomen versierd. — 'tHimd op 't boarst 
binaeid mei blommen || en mei 
beamkeletters, beid', G. J. I, 51. — 
R, P^ Vr. Fr. VIII , 398. — Lex. 206. 

beamker, (spr. bjemker), m. arborator , 
boomkweeker, hovenier. R. ind T.*, 174". 
óok : liefhebber van boomen en boomplanten. 

— Ü8 pak e wier sa'n âlde beamker. 

beamker^', (spr. als voren) s. Zie heomkje. 

beamke'wikselje , v. stuivertje wisse- 
len , kinderspel. In hoofdzaak hetzelfde als 
'b e a ro k e f o r j e ü e' (z. d.) maar bj twee 
tegenoverstaande rjjen boomen, de losloo- 
pende st^at tnsschen beiden in. Dit wordt 
vooral door meisjes, vaak 5, gespeeld. 

Ook stuverkeboartsje. 

beamkje , v. boomen kweeken. — S i b e 
het boerkerg en pielt ek hwet mei 
beamkjen. 

beamkladder , m. Zie heamkeklaâder- 
der. 

beamklimmer (spr. bjem .* Koudum) , eg. 
Zie als boven. 

beamkruperke, eg. boomkruiper. Stadfr. 
boomkrnperke. Zie als boven. 

•beammeskaed , n. lommer. Hsfr. III, 
3. — Ho smuk leit Wons dêr yn 't 
bearameskaed, P. J. , Nei de Stoarra. 

— Ook beamskaed (G. J. I, 31). Meest: 
fkaed, z. d. 

beamroe^ey -roegje, v. boomen rooi- 
en, geheel nit den grond halen (zeer vroeg 
in 't voorjaar). Lex. 206. — Hsfr. III , 38. 

beams-eam (Noordelgk), s. het in den 
grond xüCende gedeelte van een boom, na- 
dst die geheel hjj den grond is afgezaagd. 



beaxnsnoeijer , m. frondator, die het 
boomen snoeien als bedrijf uitoefent (in een 
kweekerij , bijv.) — 

Ook boomschaar, — mede een werktuig 
om boomen langs den weg of cp het land 
te snoeien , in den vorm van een halve maan 
aan een langen stok, 'vliegende schaar.' — Ook: 
dat mês is in bêstebeamsnoeijer. 

^beamte , n. geboomte. G, J. 1 , 21 , 22, 
62, 207. — Stoarm beart troch 't 
skodsjend beamte, Forj. 1885, 25. Zie 
henmmegAd. 

beamtegrrlen , n. gebladerte, loof van 
boomen. Hsfr. VI, 151. — ld. IV, 80. Ook 
beam grien. 

beam'wâl, (Oostelijk Tietj.), s. boomwal, 
opgeworpen wal of dijk met laag geboomte, 
rondom een stuk land, als beschutting of 
om het vee te keeren. Vgl. dyk j waldyk. — 
Ook : 't boomgewas langs de slooten. 

*bean, s. baan. 

bean, beane (G. J. I, 226), bjenne. 
8. faba, boon. pi. beane, bean en (O. 
Woudstr. Tietj.). bjenne (Menalddl., o. a.), 
bjennen (Zoh. en in 't midden), benen 
(Zwh.), Hl. ba^ne, bannen. — Greate 
en lytsebeane. — De rop-ein tsj es . . . 
langhal sj e nei in hânfol beane, R. 
ind T.", 5\ — It w etter siedt as bea- 
ne n (ook : as moksels). In libben 
as smoarge beane, een best leven. 

— Beane mei smoar, iron. brande- 
wijn met rozijnen. Ook: beane út it 
w etter. Vr. Volksalm. 1852. Meer algem. 
beteekent dit laatste: slechte kost, als 
slechts door de geringste lieden gegeten 
(vroeger). — De beane lit it wetter 
binne him noch to goed, van een 
slecht mensch. — Yn 'e beane (Hl. boe- 
nen)... om e art e (puien) to siikjen, 
in de war. — B i s te y n 'e beane (. . . en 
plokkeste earte)? — Lex. 207, 208. — 
Fen dy boer g j i n beanen (earte), 
daar moet ik niets van hebbon. Zie hutter. 
— 't Is beane (meer skrabjen) om 'e 
kant, schaarsheid , armoede. Vgl. Skuralm. 
19/IX, 1888. — Likefolle beane as 
p Û 1 1 8 j e s , Ned. zooveel ap^iels als peren , 
alles vergeefse h. — In bean y n 'e brou- 
tsjettel, zooveel als niets. - - Gjin bean, 
niets, niemendal. — Nou is 't net in 
bean, G. J. I, 4. 



BEAN. 



92 



BEAN. 



— Der is in misse bean yn 'e kofje. 

— De beanen (stukjes cichorei) op 'e 
iest binne droech, (Oostel. Woutlen). — 
Yf^l. (Jou-, hi/nsie- , sloffe rheane ; snijbeane; 
statu-, stokheane \ set-, sjidheane ; kochel- , 
kofjeheane ; sake rheane ; siikereiheanen. 

[Als eerste lid der samenstelling bean, 
bean e; bjen, bjenne, naar gelang van 
den tongval en naar mate het woord in de- 
zen of genen of in meer tongvallen bekend 
is. Als tweede lid , voor eiken tongval , 
regelmatig hetzelfde als 't enkel woord.] 

beanbloessum , s., beanebloisel, n. 
boonebloesera(s) , een of een hoeveelheid te 
zamen. — Beanebloisel, opjenever 
t rekke litte, is skoan for seare ste- 
den om to heeljen. Volksgeneesmiddel. 

beanbrea, (ook: bean e-, bjen-, bjen- 
ne b r e a) , n. brood van rogge- en boonemeel 
met half gekneusde paard eboon en , paarde- 
voeder. Hl. ba«nebra. — In 't hongerjaar 
1847: It skip komt oan, || Strak 
blaest de hoarn, || Den krijewy 
beanbrea thus. 

beanbriede , (ook : bjenne-), v. boo- 
nen op een kooltje vuur roosteren, zooals 
kinderen wel doen. Hl. ba*nen po f f e. — 
De hird is rom, nou kinne wybean- 
briede, ons warmen. 

bean-earte , pi. soort peulvrucht, in uiter- 
lyk varieerende tusschen boonen en erwten. 

bean-eker, -ikker (ook bjen-ikker), 
8. boonakker. Zie eker. — Ik scil him de 
beaneker (it mannewaer) ris op- 
lêze, eens goed de waarheid zeggen. 

beanfrucht, s., beangroun, s., bean- 
h o u k e ,(-h o u w e r) , s., b e a n h û 1 (b j e n- 
hûl, -hul), s., bean- (of bjen-) kop, s., 
-kopje, v., bean- (of bjen-)krob, s., 
bean 1 lis (bjenliis, -lus), s., bean- (of 
bjen-)moal, n., beannokken, pi., bean- 
pûl (of bjenpûl, -pul), s., beanpûlje 
(of bjenpûlje, -piilje), v. beanride, v. 
bean- (b e a n e-, b j e n (n e)) s e 1 1 e, v., b e a n- 
8 i c h t .*< j e (b j e n n e s i f 1 8 j e) , v. , -s i i k j e , 
v., beanskeaf, s., beanskonne, (boon- 
skei f), s.. iM'an- (of l>jen-)stof, n., bean- 
(bjen-) strie, s.. -stronk, s., -stûke, s., 
bean (of bj en-)stoppel , s., bean- (bj en-, 
b j e n n ♦•-) t o r s k j e , v. Zie de Enkel woorden. 

béanliea(r)re , bjenhear (Zoh.) bjen- 
hear (Westel.), s. droge oosten- of noor- 



denwind, die naar men meent, de boonen 
op het veld doet rijpen of hard worden. — 
De beanhearre w aeide. R. ind T.", 11*. 

beanhulen, bjennehûlen, pi. scheld- 
naam voor die van Pingjum. R. ind T.', 329. 

beankrüd, (ook bjen-) n. satureia hor- 
tensis , boonkruid, hofkum. Hl. ba*ne- 
kru«d. — Lex. 208. 

beannefretters , pi. scheldnaam voor die 
van Idsegahuizen. R. ind T.", 329\ 

beanpju^e (Dongdln), v. gaten maken 
met den stok om er boonen in te 'leggen.' 

beanpoater, c.g. Zie heansetter. Ook 
s. Zie heanstok. 

beanramt (Oostel. Wouden), n. houten 
raam met punten onderaan, waarmede ver- 
scheidene gaten, om er boonen in te ieg- 
gen' te gelyk gemaakt worden. 

beansetter, (ook bjen-), eg. die boonen 
poot. — Ook een werktuig. Zie heanhouk en : 

beanstok, s. stok met gzeren punt om 
gaten te maken voor het poten. Ook bean- 
pjuk, -po at er. 

Ook: pi. bean (bjen) stokken, faha- 
cia, boonestaken, tot steun voor opgaande 
boonen (stokboonen). 

beantaje (spr. bjentsje, ook in de samen- 
stelling), n, phaseolus, boontje. Bonte, 
brune, giele, wite beantsjes. Deze 
heeten altijd beantsjes^ ter onderschei- 
ding van het geslacht tncia faha^ waarvan 
de kleinere soorten in *t algemeen 1 y t s e 
beane(n, bjenne, -n) genoemd worden. 
Griene beantsjes, slaboonen , die groen, 
met de peul worden gegeten. — Ik bin 
in beantsje, mei in beantsje wêze, 
as'kitwyt; ho dat sa komt..., *k 
weet het niet . . . , (sterke ontkenning.) 

beantajebry, s. boonesoep. Hl. baan- 
tjes op. 

beantajedoppen, pL, -gronn, s., -her- 
ten, pi., -lêze, ▼., -ploaittje, ▼., -pul, 
s., -pûlje, ▼., -sette, ▼., -skonne, s., 
-stronk, s., -skifte, -terskje, v., 
-triedsje, ▼. Zie de Enkelwoorden. 

beantajelûke, v. de te veld staande 
(stam)boonen uit den grond trekken om 
te oogsten. Ook: beantsjes oplûke, 
z. d. 

beantajesop, -^vretter, n. water, waarin 
boonen als spgs gekookt ign. Middel om 
de afdrijving der nageboorte des aoodig ie 



BEAR. 



93 



BEAR. 



beTorderen (bg het vee). Ook om koperen 
vaatwerk te scharen. 

bear, m. ursusj beer. — In bearfen 
in kearel, — sa sterk, dryst, lomp, 
rûch as in bear, — bromme, in lûd 
a?» in bear. — DebearisloSjfen't 
keatlini^, de man raast en tiert. — Lex. 
209, 210. — In bear op sokken, van 
personen, die vreemd jj^ekleed zjjn; of die 
jrroote viltpantotfels aanhebben. Van paar- 
den met lompe breede hoeven, waarover 
veel haar hangt. — Hy is de bear, 't kind 
van de rekening (Mkw.). — Vgl. iishear. — 

— ttrren , manneijesvarken. Zwh. bier. 
bear, s. schoin gemetselde steun tegen 

de moren van groote gebouwen, bjj kerken. 

bear, s. zeewering, waterkeering meteen 
bekleeding van bazalt of van Drentsche steen 
en een kern van kleine(re) steenbrokken van 
allerlei soort. Vgl. haerch , boarch. 

tbear, s. vergeiyk, overeenkomst. — De 
bear meitsje, een vergelyk treiFen. R. 
P.. Jouwerk., 8.; P. Sch., M .S., 29. Zie baer. 

— In man fiif, seis dy makken lis 
de bear Ü Men praette en hantsje- 
bakke, de keap waerd klear. Hurk. 
fi. — In bear op kar, een uitspraak 
of beslissing op keur, onder voorwaarde, 
dat wie er niet mee tevreden is , een gelag 
moet zetten. 

beardmantaje (Stadfr.), eg. Zie bird- 

WHitUMJe, 

beare, beaije, v. veel geschreeuw ma- 
ken. Hl. beyerje. — Dat beart hjir, 
dat hearren en sjen scoe yen for- 
gean. — Net sa raer (sa mal) beare, 
bern! — Plokken, swarren, bea- 
ren, bealgjen. Telt. Fr. Jierb. 1833. — 
De boaze wrekt en beart, Ibid. — 
Beare, tiere, klege, klieme, R. W., 
Bledden, 66. 

— ophef maken. Der wirdt nuver 
fen beard ho'n moai faem dat is. — 
Aii't heal sa slim is as der fen beard 
wirdt, is 't al fiers-to slim. — It 
beart (gappet) mear as 't byt. — 
Hja bearden bjuster fen syn kap- 
tael, en hy liet neat nei. — Ho 
bearden bannen, stimme en stok, 
die waren in leveiklige beweging, werkten 
dapper mee, Salv. 98. 

Fim. fmirt êemUmni^ ach aanstellen, doen 



alsof. .. — Hy beart, dat erdypleats 
keapje wol, en hyhetgjinjild. — 
Hy bearde dat er der neat fen wis- 
te, en Japik hie 't him allegearre 
al trochdien, bekend gemaakt. Lex. 
223. — R. ind T»., 219^ - Bear mar 
datjy thiis binne, maak het je gemak- 
kelijk, — tast maar toe. Ook iron. tegen 
iemand , die werkelijk thuis is. Vgl. sabeare. 
— klinken. De needklok beart en 
bromt. — Nfr. baire. Vr. Fr. XII, 443. 

— Prov. Lege fetten beare meast. — 
De tonger beart, ld. X, 50. — Hark 
ho't de noardman (noordewind) beart. 

— [Stoarm] beart troch 't skodsjend 
beamte, Forj. 1885, 24. — R. ind T.", 
162". — G. J. — Hwet beart de wyn 
op 'e skoarstien. — As 't wetter yn 
'esé beart, Progn. — 't Wetter bear- 
de tsjin 'e stjûn, Lokw. (1734). 

harmonieeren, samenstemmen (altijd met 
een negatie of in ontkennende beteekenis 
in 't zinsverband). — It bearde net 
goed mei Tryn en de frou. — It wol 
der net beare. — Dat beart as skûr- 
de klokken, as in firt op 'e bonge, 
Bunn. 

bearefel, s. Meest bearehûd, z. d. 

bearefet, s. beerenvet. — In s tikje 
beare fet by yen drage is in middel 
om lilke hounen ôftowar^en, Volks- 
geloof. — In Henndl. hiervoor liuwefet. 

bearefoet, s. voet in den vorm van een 
beerenklauw aan antieke meubels. In kam- 
menet mei bearefoet ten. 

bearehâlder, m. die een springbeer houdt. 

bearehüd, «. beerenhuid. — Gûd (sa 
sterk, sa tsjok) as in bearehüd, 
sterke, dikke geweven stof. 

*bearekeal , n. beerenjong. — H o 1 p j e 
dit bearekeal sabjen. G. J. XXXI. 

bearekeardel , -man, m. beerenleider. 

bearekla'wen , Hl. pi. soort armwanten. 
Zie earm moffen. 

bearemûts(e) , s. beerenmuts. 

bearenboarch -burch, bearenboar- 
g e r , -burger (. . . k r û d e n) , Berenburg's 
maa«^krui(len, — jenever daarop getrokken. — 
I n p a k j e b e a r e n b o a r c h. — B e a r e n- 
burch b r Û k e f o r de m a g e. — In r o- 
merfol, in glêske beare nboarger 
foar iten. - R. ind T.% 67«. 



BEAR. 



94 



BEDD. 



— bearenboarchje (-burchje), n. 
glaasje 'bearenboarch'. — Woest' ek 
in bearenburchjo f o ar iten? 

bearepoat, s. bcerenklauw. Ook: lompe 
voet van een mensch. 

bearespek , n. spek van een beervarken, 
om zijn smaak weinig in trek. 

bearich, adj. smakend als van een beer- 
varken. — Bearich spek. Lex. 210. 

*bearje, v. Zie beare, 

tbeam, adj. bedaard, rustig, zedig. 
Lex. 374. 

bears, (spr. bé^z) eg. perca flupiatilis, 
baars. Grouw en omstr., Westeljjk bêrs. 
— Groati» hearen sitteoandykant 
fen 'e skûtel der 't de greatste 
bears leit. Lex. 199. — Hy het in fin 
me ar as in bears, Ned. een streepje voor, 
hy kan wel een potje breken. Vgl. stikelbears. 

bears'flach, n. potamogeton graminiuSy 
grasachtig fonteinkruid. Lex. 199. Ook 
bearÄeflach en bearzekrûd. 

bears-iten, s. verb. Zie hearspartij. 

bearsje (Schierm.) v. schreeuwen. Vr. 
Fr. 1, 188. 

bearske (spr. bjeske) Stadfr. bee''8ke, 
dem. n. baarsje. Grouw en omstr., Weste- 
lyk bêrske. 

Overdr. onverwacht fortuintje, meevallertje. 

bears-net, n. baarsnet. Lex. 199. 

bearsparty, s. maaltyd, waarbij baars 
de hoofdschotel. Voorname lieden deden vroe- 
ger vaak een uitstapje naar Bergumerdam, 
Oudeschouw, enz. om baars te eten. Zy gin- 
gen dan 't o bears-iten' of *op in bear- 
zemiel' — Vgl. R. ind T.", 3K 

bearsrit, s. het 'trekken' van baars in 
den rijtijd. 

bear'zebjTt, n. het noppen, aanbijten van 
baars aan den hengel. [Ken geoefend hen- 
gehiar ziet namelijk aan de beweging van 
den dobber welk soort van visch aan den 
hengel bijt.) 

Overdr., iron. sekuur beet, hooge ernst, 
tegenover i e 1 1 s j e b y t , z. d. — Zie hijt. 

bearzeblèdden , pi. HmnanthemHm tl l/m- 
jihoifit's , wattT-gentiaan. 

bearzeflach, n. Zie bearsfiach. 

bearzeheakje , n. kleine visehhoek, 't 
geschiktst voor baars te vangen. 

bearze-ieziii£: , -iezem, -ies, s. scho- 
ling van baars. Zie iezimj. 



bearzekrûd, n. Zie hearsfiach, 

bearzemiel, n. Zie bearspartij. 

bearzerûch , n. zannicheUia paluMnti . 
moeras-zannichellia (waterplant). 

bearzeskol, s. scholing van baars, in 
den rijtijd. 

bearzetiid, s. tyd dat men veel baars 
vangt (in Juni en Juli). 

bearze'waer , n. geschikt weer om baars 
te vangen (met den hengel). 

bearze'wier, n. najtis major, groote na- 
jas (waterplant). 

bêd, n. lectHs. Eng. bed, bed. Hl. böt. 
G. J. (passim) bod. Tietj. bid. Lex. 
194, 418. — Op bod gaan, naar, te bed 
gaan. Hl. op, tó, nei böt. — Of (fen) 
't bêd komme, opstaan. — Oan 't bêd 
reitsje, bedlegerig worden. Forj. 1874. 
146. — To bêd is 't best, sei de breid, 
en hja waard by 'tfjûrforgetten, 
Burm. — As *tbêditmarnetheart, 
iron. tegen een langslaper, die zeg^, dat hij 
den volgenden morgen vroeg wil opstaan. 

— Dy 't op bêd is moat stil wêze, 
tegen kinderen die praten op bed. Ook iron. 
tegen een groote, die vroeger dan de anderen 
naar bed is gegaan. — Gean op bêd, ju! 
Ook: loop heen! — It bêd nimt sines 
e k , te veel op bed liggen verzwakt de krach- 
ten (van een zieke). — Mei kalde fo et- 
ten en droege lippen op bêd, vaneen 
meisje, dat te vergeefs op een vrger gewacht 
heeft. — It wiifleit yn't waerm bêd, 
in 't kraambed. — Mei syn (hjar)-, mei 
eigen spot to bêd. — Meide forkear- 
de foet fen (óf) 't bêd komme, Ned. 
met het verkeerde been uit 't bed stappen. 

— Op in ongemakke bôd to Iftnne 
komme, slecht te pal raken. — It bêd 
for in oar meitsje, en sels op s*irie 
lizze, ook by koop, als een derde van de 
onderhandeling profiteert. — Dy wirch ia 
fielt gjin hird bêd. — Don mOchst 
it bed wol oan 't gat hingjen ha, 
tegen iemand, die veel van slapen houdt 

— 't I s s a'n bêd, slordig , lai , dik wjjf. 

*alv€us , bedding. De weagen, ... dy 
.. . djoeye op 't wriggeljend bêd, 
J. V. L. Jz.. Sw. 1851. Zie bodding, 

Fra. carreaUj bed. In bêd woarteli. 
Vgl. asperzje-, ierdbei', woartMêd* 

bêdderiU, s. bedden, bedgeleganheid. — 



BEDE. 



95 



BEDS. 



As Ú8 difenhûzers komme, ho stiet 
it den mei de bêddery? 

bédel ... — Woorden met dit als be- 
(^letterjp*epen , zie hidâeler. 

bedeler, bèdelje, HL bedelaar, bede- 
len , xie bidler en biddelje. 

bédfear, s., -folling, s., — (bêds)- 

jrerdinen, pi. *-hipper (*-kip, vloo), s., 
-k(j)es8en, n., -(bêd8)Iekken, n., lich- 
ter, s., -pel, s., bedsek, s., -skerm n. 
(b e d) 8 k o b b e n, pi. -s t o p j e, v., b e d s t r i e, 
n., bed teek, s., -{bôds)tek ken, s., -wier- 
je , v. Zie de Enkelwoorden. 

bed'^reanders-, béd^ronfirerstiid, s. tyd 
om naar bed te gaan. Hl. bödga^^ns-, 
Stadfr. bedgaenstiid. Ook bêdkrû- 
persti id. 

bédfi^d, n. beddegoed, dat tot een bed 
behoort. Hl. bödgu*d, Stadfr. bedde- 
gQ"d. Zie hèdspul en hêilrêdding. 

bédjak, n. nachtjak voor vrouwen en 
kinderen. 

*bedke, n. Zie hedtsje. 

bédUok, 8. vaste tyd om naar bed te 
)<aan. — Jounstsienûreis'tbyuzes 
bêdklok. 

bèdkrivBSt, -lichter, s. Zie lichter. — 
Lex. 196. 

bêdmeitaje, v. Eng. to make the bed, 
't bed opmaken. Hl. b ö d m e i k j e. 

bédmlfi^e, v. -miger, triv. eg. Zie bêd- 
pi^jf , — pisser. 

bedpaxme, s. fociäus lecticarius ^ bedde- 
}mD. Ook bêdwaermer. Lex. 196. 

bédpiflije, v. in bed wateren. Ook bêd- 
mige. 

bêdpi88ery eg. die 's nachts in 't bed 
watert — Hwet docht dyjongedôch? 
hj is sa stil as in bêdpisser(bedmi- 
ger). Lex. 196. 

bêdrêddizifir i s- het noodigste beddegoed. 
21ie redding. 

bed-ri'dich y- riten (nog hier en daar), 
adj. dinicus , bedlegerig. — De boer .... 
fiyn âld wiif is . . . meastal bedri- 
dich. R. ind T.", 288'. — vooral ook ge- 
legd van iemand, die uit zwaarmoedighei<l 
Teel te bed ligt. — R. P. in Epk., 380. Vgl. ride. 

bédromte, s. te maken slaapgelegenheid 
in een hais. Wj kinne wol in pear 
Qtfeoliûzers bergje, bédromte ha 
wy woL — EA. VI, 246. 



bedsboerd' — boerdtsje, n. plank 
aan 't hoofd- of voeteneinde van de bedstede 
voor den nachtpot, ook om gouden of zil- 
veren voorwer]>en : oorijzer, horloge . . . te 
bewaren. Zie boerd. Lex. 195, 419. 

bedsboerdtsj e, n. ook hoekplankje in 
een bedstede. Hsfr. IV, 175. 

bedsdoayren ,' pi. deuren van een bed- 
stede. — Lange en ko arte bedsdoar- 
ren. Zie beds-treppen. - Efter 'e beds- 
doarren krûpe, naar bed gaan. — Lex 685. 

bedsdrozn'pel , s. IjJHt ter hoogte van de 
onderleggers {spondae) onder de 'korte deu- 
ren' van een bedstede. — Hy het de fo et- 
ten noch net oer de bêdsdroinj^el 
of hy t siert en raest al, van een ru- 
ziemaker. 

bêd'side, s. de kant van het vertrek, 
waar het bed is. 

*bed8-ig^£^e , s. rand van de bedstede. 
Wl. in Lapek. — De oaljekoeken spi- 
keren hja oan 'e beds-iggen. R. ind 
T.*, 414. — Vgl. ibid. 9^ . 

bêdsje , (spr.-dzje) , V. een slaapplaats , 
nachtverblijf geven. — In goefrjeon 
kin 'k al tyd wol bêdsje, Lex. 198. — 
Ik s c i 1 j o h j i r y n 'e h o e k e mar b ê d- 
sje, hier uw bed leggen. 

^bêdsje , V. te bed leggen , leggen als op 
een bed. ld. VI , 49. 

bed'sket, -skod, -skut, n. houten ka- 
merwand , of (in ouderwetsche huizen) 't hou- 
ten gedeelte van den kamerwand, waarin de 
be.lsteden zijn aangebracht. — 't Fjûr 
teikent üs skaed op it bedsket. T. 
H. Halb., It jonge Frysl., 13. 

bedsplanke , s. beddeplank , losse plank 
vóór langs het bed. Hl. bötsplanke. 
Lex. 196. -R.indT.M*. - Dat 's ek fen 
'e bedsplan'ke óf, of hja binne fen 
'e bedsplan'ke of bigoan, als 't eerste 
kind 9 maanden na 't huwelijk geboren 
wordt. P. Sch. M. S. 40. — Hy hie sa 
i e r de toetten net oer de bedsplan- 
ke, as..., was niet zoodra ojjgestaan , 
of . . . 

bédsprieder, s. beddesprei. Lex. 197. 

bèd-spul, n. beddegoed. Zie bèdijud. 

bèds-ri'chel , s. kroonlijst langs de boven- 
zijde van de 'bedschutting' , in ouder wet- 
sche kamers. Hl. bödsriggel. Dient om 
ouderwetsch porselein of aardewerk , als 



BEDS. 



96 



BEETP. 



bonlen , kommen , pullen op te pronk te 
zetten. Zie richel. 

bedsteed, -Sté, n. cnhile, bedstede, 
beschotene ruimte voor een bed. Hl. bot- 
ste. — In leech bedsté, ongebruikt. 
— R ind T.*, 20G\ 

bêdstien, s. Zie foefi^tiefi. 

bedstok, -stok, s. beddeatok , bij 't bed- 
opmaken gebruikt. 

beds-treppen , s. & n. beddetrap. Hl. 
bots -tr oppen. Vaak ook: it trapke, 
vóór het bed onder de 'korte bedsdeuren', 
die alleen den ingang tot de bedstede afslui- 
ten, in ouderwetsche huizen. 

beduid, s. geregelde bedtijd. Hl. b ö 1 1 i i d. 

bedtsje, dem. n. bedje. Vgl. widzehed- 
tsje. Ook y : Top by mem op bedtsje. 
Ook: in bedtsje blommen, woar- 
t e 1 s , enz. 

bèd'waenner, s. beddepan. Hl. bbd- 
waermer. Zie hPdpanne. — Ook iron.: 
Hwet is dy Rionts in grou frommis, 
netV Ja, in goede bêdwaermer. 

bêdwjinner- , -"wtamep, -vrrottev , eg. 
die in 't bed woelt. — Us lytse jonge is 
sa'n bêdwramer, hy leit gjin amerij 
stil. 

beest , n. hestiu , hellua , hof^ , pi. bisten, 
dier (in 't alg. en als scheldnaam), rund 
(in 't bizonder). — Njfite en wylde bis- 
t e n. — Trouwer beest as dis se houn 
Rooe 'k net wit e. - De bisten yn 't 
1 â n b r i n g e , 't rundvee naar de weide. — 
Prov. Ho g re at er geest ho greater 
beest. - 1 1 1 i 1 k e beest w ê z e , Ned. 
de zondebok zijn.— In beest fen inkea- 
rel, — frommis, — yn 't sizzen. — 
Sa dronken, 1 i 1 k , s m o a r c h , n jj s g j i r- 
r i c h as in beest. — S û p e , 1 i g e , f 1 o k- 
ke as in beest. -For beest lizze, — 
de beest spylje. — Hy is beest, bij 
kaart- en ander s))el. 

It hûs (de vloer) leit er hinne as 
in beest. — In beest fen in bal- 
sti<Mi. Vgl- hdk'hi'i'Mt ; joHfj'^ koH-y melh-j 
nhtt'hthi'i'st ; ffok'-. h'ich-j plrach-y xupheest. 

Als eer>te lid der samenstelling meest 
b i s 1 1' , z. «1. 

beest' achtich , adj. A: adv. heMhiliti, 
b«»estachtig. *. . . as in beest.' — Syn 
beestachtig sûpen het him yn 'e 
earmocd brocht. Vgl. beest ich. 



beestachtiohlieit, -aohti^rens, s. /i- 

biïo bestialh , bestialitas , bee8tachtigheid. 
beesteboel, s. vuile, ongeredderde boel. 

— Alles leit hjir smoareh en onge- 
dien, 't is suver in beesteboel. - 
Ook onzedelijke huishouding. — 't Is der by 
hjarres in beesteboel. 

beeste-spul , n. menagerie. — Tt bees- 
tespul fen Van Aken. R. ind T.", 16*2. 

beestich , adv. beestachtig. — Beestich 
drinken, G. J. 79. — lomp , geweldig, zeer. 

— Ho beestich kin himienforgis- 
je, Ibid, I, 66. 

beestlik, in: geestlik en beest lik. 
stichteljjk en onstichtelgk. — Hy lést, 
rymt, spilet fen alles, geestlik en 
beestlik, van een knappen bol. 

beet, 8. nwrsuSf beet. — In beet fen 
in houn. 

— Der is beet oan, daar is wat aan 
te kluiven, iron. ook van een gezette vrjj- 
ster. — Zie bi/t, 

beet, adv. vast, *te pakken'. — Hg het 
it tou beet, — de deihier beet. — 
Vgl. Fr. Volksalm. 1852 (Metten Skroar). 

— Hy het de slach beet, kent de hand- 
grepen. — Hy het him aerdich beet, 
den slaap, is dronken. — Hy het it 
beet, is ziek. Zie teei, — Hy sit beet, 
gevangen , — ook bg 't «pel ,- en by debat : 
hij moet gewonnen geven. — Dat is beet, 
gepakt, gewonnen, ook gekaapt. 

beethâlde, v. vasthouden. — Hy hie 
de hikkepeal beeth&lden, Hsfr. 18i>7, 
224, iets anders dan: hy hie him oan 'e 
hikkepeal becthälden, wat te aange- 
haalder plaatse bedoeld wordt. 

beetkr^e, v. vatten, aangrgpen. — Men 
moat gjin hynder fen achteren 
b e e t k r ij e. 

— fig. zich eigen maken. — Hy 
het de rjuchte slach er yet net 
fen, mar hy scil 't wol beetkrge. 

beetnimme, v. voor den mal houden 
(FloUandisme), afzetten, bedriegen. — Dy 
kearel het my divekers beetnomd. 
Zie meinimme, — Stadfr. ook: vatten , aan- 
grijpen. 

beetpakke, v. aanvatten. — Pak dat 
reauke ris foarsichtiqh beet. — Hy 
sit by de faem en doar hjar net 
beetpakke, van een bloodan vi^er. 



BEE7. 



97 



BEIL. 



I>eey]e9 ▼• beven: vreezen. Lex. 378. Meest 
beve, z. d. 

bef, 8. Eng. collarband, bef , om den hals. 
Vgl. R. ind T,\ 211 \ 303\ 426*. 

fgn linnen halskraagje der Hl. jonge meis- 
jes. Roosj., 12. 

hemdkraag (Wouden). Elders h alsem, 
kraech, opsetsel, z.d. — Lex. 141,556. 

befke, dem. n. Fra. col, boordje. Ook 
kraechje (als vrouwen 't dragen). — wit 
▼oorhemdje (in de Wouden). Ook oerhimt- 
8 j e , Ä. d. — 

witte plek op de borst van sommige die- 
ren, katten, vogels. 

besr&e^e, s. bagage. Ook voor abbe- 
g a e 8 j e , z.d. 

iheginey f. bag^jn. Zie hagine. 

tbefi^elcoeke , s. bijzonder lekkere sui- 
kerkoek , fig. iets van byzondere waarde. — 
It liet, datste my jown heste, 
biwarje ik as beginekoeke. Lex. 
159. Ook bagynkoek, z.d. 

be^^esneed , als iemand vraagt wat dit 
is, dan luidt het antwoord: Fen foaren 
neat i| fenefterenbleat, || enoan 
beide siden iepen. 

tbefi^etûtaje , n. baggneku^e: een 
meisje , op de knieén liggende , houdt haar 
mond voor een opening tusschen de spaken 
der rugleuning, terwgl de jongeling vóór 
den stoel op de knieën liggende haar zoo 
een kns geeft (by pandverbeuren). Volgens 
Halb. vóór ongeveer een halve eeuw, nog in 
gebruik. Lex. 159. 

bei, 8. haeca (in 't alg.), bes, bezie. 6. 
J. II, 5, 6. Meest aalbes, rihes. Hl. beije 
(ook als Ie lid der samenst.) — Re ad e 
iR, rubrum)^ wite (R. ruhrum var. album) 
en swarte beyen (Ä. nigrum), — de 
beide eersten ook strinkje- en striiske- 
(trÓ8ke)beyen genoemd. — Vgl. blib- 
ber- , flear- , hage-j heide-, houne-, ierd-, 
koetne {kwUche)- , krús- , smoar- , stikel- , 
toam {brommer)bei ; — (tros-, of St. Anne 
b^jen , z. d.) 

beibeain(beaxnke), s., -kerl, s., 
-ploaitsje, v., -risse, v., -sop (sur), n., 
-stallen, pi., -tún, s., -wyn, s. Zie de 
Enkelwoorden. 

beide 9 acy. atnbo, beide (twee) , 6. J. 
pafwim. — De beide frouljue en wy 
mei úë beiden, -*- Vgl. aUebeide, 



beideg^earre , adj. beide, bepaaldelyk 
twee, G. J. II, 82. 'tBildt: baidegaer. 
Vgl. aUebeide. Vgl. Epk,, 48. 

beidel (dit meest), s. cuneus, beitel. Ook 
beitel en betel, z. d. — Vgl. beamCsnoei)-, 
formoed'y kâld-, kap-, stek-, skaefbeidel, 

^bei'delingen , pi. pinnae , tinnen of kan- 
teelen van muren. Zie beteling. 

beidelje, v. beitelen. Vgl. útbeidelje. 

beidelsbek, s., -heft n., rêch. s. Zie 
de Enkelwoorden. 

beideltsje, dem. n. cuneolus^ beiteltje. 

beiderhâjine , adj. beiderlei(80ort). Ook: 

beiderlei, adj. beiderlei. — Fen bei- 
derlei... offenbeiderhanne (soarte 
fen gûd) woe 'k wol hwet ha. — A. B., 
Doarpke, 24. 

be^e , Hl. s. bes , aalbes. Zie bei. 

bejjebaim(pjen) , n. -soppe, n. Hl. 
Zie de Enkelwoorden. 

be^ebak, s. bak, waarin de bessen 
gedaan worden voor men ze uitperst. 
Lex. 235. 

®beyer, s. xenodochium, huis waar men- 
schen van allerlei slag byeen zyn. Te Bols- 
ward : een gasthuis , waar ook bedelaars een 
tijdelyk verblijf vonden. Te Leeuw, een ge- 
deelte van het St.-Anthonygasthuis voor 't 
zelfde doel (15e eeuw); nog in de tweede 
helft der 19e eeuw zoo genoemd (nogBeijer- 
straat). — Te Holwerd (vroeger): een aan 
de Herv. diaconie behoorend oud huis met 
verscheidene kleine woningen en éen ge- 
meenschappelijke buitendeur. Onder Hardgr.: 
een dergelijk aan de Armvoogdij behoorend 
gebouw met een groot 'zaal', waarin eenige 
gezinnen gratis plaats vonden. — Ook een 
te Hantum (vroeger), spottend : 't Slot fen 
Beyeren' genoemd. 

be^erboel, (Hardgr. en omstr.), s. rom- 
mel, wanordelijke boel in een huishouden, 
of op een gemeenschappelijk erf van ver- 
schillende gezinnen. — Hwet ia dat hjir 
in bey erboel! 

be^erts, adj. als in een 'beyer'. — Hwa 
makket hjir sa'n beijerts libben? 
geweldig lawaai. Lex. 212. — Vgl. heibeijich. 

beike, dem. n. besje, kleine, niet vol- 
groeide bes. — Sjuch dat beamke, der 
komme al beikes oan! — Ook X: Mei 
er wol beikes, Ijeave? 

^beile, f. vrouw, die steeds min of meer 

1 



BEIT. 



98 



BEKJE. 



ongesteld is. — Tsjerke wiif is sa'n 
kranke beile. 

beitel (de geheele Zuidhoek), s. beitel. 
Zie beidel. 

bek, 8. os, riciuSy bek (van een dier), 
ook van een mensch, triv. en in sprkw., — 
rostrum j vooruitstekend gedeelte van som- 
mige voorwerpen. In geve, in minne 
bek, een gaaf, een slecht gebit (van een 
dier). — °Ik slacht sj e de bolle net 
om 'e bek, mar om 'e foetten, (omdat 
hy meer vertreedt dan opeet.) — De bek 
is dy goed, ast de hannen ek sa goed 
reppe koeste. .. — In fûgelmeiin 
bek (van een mensch), goed bespraakt. — 
Hy (hja) is mei bekken bihinge, kan 
praten ala Brugman. — De bek frj en 
de hannen thds, vrij spreken , maar niet 
vechten, ook . . . maar op een afstand blij- 
ven (by een vrouw of meisje). — In bulte 
yn'e bek, in bytke yn'e hannen. 
Ned. veel praats en weinig daads. Lex. 203. 
Ook: In bulte yn 'e bekenneat(in 
bytsje) yn 'e sek. — De bek yn ('e) 
beide hannen ha, voorbarig in 't spreken 
zjjn ; van kinderen en dienstboden vooral. — 
In bek as in sé, — as in skjirre, — 
as in skearmes (skearsliper), — as 
in opskoerde toffel, as in brieve- 
bos, vooral bjj ruzie. — Immenyn'e 
bek hingje, gedurig tegenspreken. A. 
Ysbr. (1808), 34. — Immen de bek iepen- 
b r e k k c , door harde verwy ten dingen doen 
openbaren , die anders in 't belang van den 
twistzocker verzwegen worden. — Immen 
in wize bek jaen, kwaad bescheid geven, 
— lyk yn'e bek sjen, onbeschaamd 
aanst^iren. — Immen (lyk)yn*ebek 
r i n n e , iemand ontmoeten , dien men *t lie- 
ver niet doet. — Yn'e bek nimme, — 
krye, verslinden, — ook fig. It hûs het 
ek al wer hwet yn'e bek krige, heeft 
wat (of vrjjwat) gekost aan reparatie (ook 
van andere dingen , die aan 'onderhoud' kos- 
ten). — De kjeld nimt de aldman 
yn 'e bek, ondermijnt zgn gezondheid. — 
Dat wier bij de bek om óf, op het nip- 
pertje. — Vgl. P. Sch., Sprw. 47. — Hy 
wol der ^'jin bek op sette, lust het 
niet. — De bek nei de byt sette, 
alles opmaken wat men verdient; volgens 
sommigen ook: de tering naar de nering 



zetten, niet verder springen dan de pols 
lang is. — Botte, brân ... of Poeske 
baern de bek net! 't is heet, brand je 
niet, (van heete vloeibare spjjs of koffie . . .) — 
Zie tilt. — Mis bek! als er iets van de 
boterham valt, dat men in den mond wou 
steken. — Vgl. mûle. 

bek fen in kaei, sleutelbaard, — f en 
in heak (aan een kleedingstuk) , fen in 
beidel, knyptange, hammer. Vgl. 
hargehek; babbel-, balt-, gul- f lekker-, swiethek; 
krús-f skerp-y stompbek; krüm-, roekebek; sa- 
laedsbek; snoekebek, 

be'ker, s. beker. — In bern by de 
beker opbringe, (vóór den tgd der «uig- 
flesschen.) Zie biker. 

tbelce-, biekesint, s. vroegere koperen 
cent, die onder links van 't Ned. wapen een B 
had, in plaats van het latere f- — Zoo ook 
béke-heal (halve cent) en békebra- 
b a n d e r. Zie brabander. — Zie Forj. 1888, 49. 

bek^flae^e, v. iemand naar den mond 
praten. Schierm. muleflooge. Ook bek- 
j e f 1 a e iJ e , z.d. 

bekflae^er, eg. mooiprater, die 'bek- 
flaei t', z.d. 

bek(bekde)fol, n. ofeUa, mondyol , (een) 
weinig, beetje. — For myn eigen omke 
scoe'k sa'n bekfol iten net oer ha? 
R. ind T'., 75*. - Yn dat bekfol tiid, 
Ibid. 164". — Sa'n bekjefol wirk, dêr 
salangmeiomtsjoene? — Wl. Lap. 

bek£^U, adlj. rap van tong. Vgl. m iUry/y. 

«bekhird, adj. bits, scherp in 't spreken, 
zonder iemand of iets te ontzien. 

bel^e, n. mond. — Hja ie ten hwet 
bekje lést, Hsfr. VII, 120. — Vgl. 
müUsje, 

gezichtje. Hwet is 't in Ijeaf bekje, 
dat bern! Vgl. snút^ 

ku^e. — iron. It bern in bekje 
jaen, Stadfr. it kyn in bekje ge- 
w e , een borrel nemen , R. ind TV 79*; 298«. 
Vgl. tJksje, — Lex. 215. — WL Lpk. — 
Vgl. swietbek^e. 

bekje, v. garrire, «nappen, babbelen, 
praten. Lex. 218. Sal?. 88. — W. D., 
Heam., 28. — Ik koe net tajin hjar 
bekje, Hsfr. VII, 120. — Akke Slomp, 
in earste ratteUkûte . • . . bekke 
oan ien tried wei, om mynhear oan 
't forstän to bringen ho H mei de 



BEKJE. 



99 



BEL. 



jonge wier. Vgl. for-^ foart-^ oerhekje, 

— Ü8 lytse faein (klein meisje) bi- 
bekkei alles al. Zie op hi-. 

huilen, Noh. — Dy jonge bekket oan- 
ien-wei! 

ludten , monden. — Dat iten bek- 
ket him net. — Pankoek mei bûter 
en sôker, dat scil Lokke wol bekje. 
Vgl. mulkje, léste. 

— It skip bekket tsjin'e wyn, 
zeilt byna tegen den wind in. 

bekjeflae^e, v. -flae^er, eg. min- 
der ernstig bedoeld dan bekflaeye, 
-flaeger, z.d. 

bek(Je)luke , v. columbaria trekkebekken. 

— En bek-Iûk dêr, en koer en pat- 
8je, y. BI., Bik., 8. 

— - distorquere, een scheeven mond trekken. 

— Dy jonge docht neat as gûlen en 
bek-lûken, zet dadelyk den mond tot 
schreien. — Ook uit ondeugendheid. Sjuch 
dy smjeont ris bek-lûken. 

bek(Je)-lûker , m. die een scheeven mond 
trekt. 

s. appel of peer , die een samentrekkenden 
smaak heeft. Vgl. mûlrjouwer. 

bei£CJe)lûkerich , adj. sa m en trekkend 
(van ooft). V. BI., Bik., 117. 

bek(ke)lins:, s. & n. (Hl). Eng. backy 
rugleuning van een stoel. Ook bek line. 

bei£(ke)lill£rs 9 ^dv. i-uggelings. Meest 
efter stabek y z.d. 

bekken, s. & n. (vooral als 2e lid der 
Ramenstellfng), lebes , bekken, schaal, cimbaal. 

— De dyakens gean mei de bekken 
om, houden een schaal koUekte. (Stads)om- 
roepers gebruiken mede een bekken : J i f- 
frou hjar hountsje is wei,datmoat 
op 'e bekkens (tromme). — De bek- 
kens s 1 a e n , bg de muziek. Vgl. doop- 
skear-^ uraskbekken. 

bekkert, eg. die scherp is en veel spreekt. 

— Dy faem is in earste bekkert- 

— In boaze bekkert, een kwaadspre- 
kend, vinnig vrouwspersoon. Vgl. bekstik. 

bek(ke)snUe, v. met scherp vechten, 
waarby 't er om te doen was, elkander in 
't gelaat te 'teekenen*. — Vooral in de veen- 
en aanliggende lage streken. 

bek(ke)8imer, m. bekkesnyder, vech- 
tersbaas met het mes. — De Friezen 
fornamen de Kening syn lûd || ])y 



beksnyers hiene hjar baitsjes al 
iit, II Sy rôpen al lûd, komsit se op 
'ehûd il En sny dy mirakels mar 
fiks oer de sniit. Skutterssankje, 1830. 

Ook : afgesleten geldstukje (oud dubbeltje) 
waarmee ook wel die vechtersbazen elkan- 
der in 't gelaat sneden. 

®bekline, s. rugleuning. Lex 217. Zie 
bekkelinj. 

bekling^bank'Je , n. het bordje aan de 
rugleuning van den barbiersstoel , waarop 
iemand, die geschoren wordt, het hoofd laat 
rusten. R. ind T*., 78". 

bek-ôf, bek-ou, adj. door en door moe. 
— Hy wier b e k-o f, kon niet meer. 

bekslach , s. meest fig. onzachte terecht- 
wyzing. — Dy sniishoanne krige dêr 
in bekslach, werd kort en goed op zyn 
nommer gezet. Lex. 215. — „Ik (een be- 
jaard man) wol net mearkomme (op 
de catechisatie) , hwent dy streuperts 
fen jonges jaenmy bekslachopbek- 
slach." Vgl. snúthokken^ snútslach. 

^bekst, adj. gebekt. Zie hibekke. 

bekstaech', s. meest pi. bekstag(g)en, 
drie touwen, die respectievelijk van den boeg- 
spriet naar de zyden van het schip en den 
voorsteven loopen, en daaraan op eenigen 
afstand van den waterspiegel bevestigd zijn. 

bekstaech'koelte, s. heeft het schip, 
als door opstuwenden wind de bakstagen (met 
het benedengedeelte) den waterspiegel raken. 

bekstariich, adj. hard in den bek, on- 
gehoorzaam en onwillig om naar den toom 
te luisteren. Lex. 215. 

brutaal, vooral van een dienstbare of on- 
dergeschikte tegenover zijn (haar) meerdere 
(Veenw. omstr.) — . . . bekstallich, d. i. 
m o u n i c h op 'e t r i e d, S. K. F., Printsjes, 4. 

fastidiosus , wars, afkeerig. — Sûnt wy 
ris troch 't iis sitten ha, is myn 
wiif bekstallich fen 't riden. — Vgl. 
Forj. 1894, 150. 

bekstik, n. vrouw, die scherp en bits 
van tong is. — In kwea bekstik. Lex. 
215. - R. ind. T»., 322\ 

bel, s. tintinnabulum^ bel. Hl. en hier en 
daar elders belle. — Der rinkelt slide 
en bel, M. B. Sw. 1884. — Romers 
mei bellen, R. ind T«., 302^ — De belle 
giet, (klinkt), de schel van den omroeper. 
Zie bekkir — 



BELD. 



100 



BERCH. 



— Kristallen bellen oan in hing- 
lampe, oan stelten (pullen) ensfh. (ter 
versiering). — De kat de beloanbine. 
oorbel. Goud en e bellen yn 'e earen. 

belvormige bloem van de fuchsia. 

— In(greate) bel jenever, ook Stadfr., 
een groot glas, roemervol. — Vgl. rattel-^ 
rinkelhel; shieppébel. — Vgl. skille. 

berderje , v. klinken , laten klinken van 
bellen, aanbellen. — De bern ha ús kat 
in lintsje om 'e hals dien mei in 
bel, dat heldert nou it hele hûs 
troch. — Oanskille, hear! mar net 
sa hird belderje, krekt as er brân 
is. Vgl. omhelderje. Vgl. skilje. 

berg^ereid, n. paardentuig met bellen , 
voor een arreslede. R. ind T*., 69*. — overdr. 
kwilyes en strikjes, onnoodige opschik — 
Sjuch smids Frouk ris mei hjar 
nije mantel: allegear kant en kra- 
len, f ij, sa'n belgereid! — Dy great- 
ske fint het in heel belgereid, cha- 
rivari, oan 't horloazje-kjetting. Zie 
helle. 

belhammer, m. concltor, coryphaeus, ne- 
bulo, belhamel: aanvoerder, raddraaier, 
aartsdeugeniet. — De belhammer fen 
*t spil. Vgl. opperteur. — Prov. N i m m e n 
wol Ijeafst de belhammer wêze, 
niemand wil de kat de bel aanbinden, cf. 
Lex. 220. 

belle, 8. pannuSj vod, bel. Lex 219. — 
Dat wiif hie hast gjin klean oan, 
en d' iene belle sloech d* oare. — 
De flarden en bellen hingje dat 
minske by 't gat del. 

onnoodige opsiering. — Jurken mei 
kant sj es en stroken; hwet bitsjut- 
te sokke onnutte bellen?! 

— Hwet het min oan sokke feilen 
en bellen, minste soort vleesch, ik ha 
Ijeaver in stik spek. Zie bel. 

bellefleur, s. bekende a))pelsoort, waar- 
van vier soorten: lange, dubbele, reinette, 
ronde bellelleurappels , die in 't Friesch geen 
bjjzonderen naam hebben. — In kleur as 
in bellefleur. — Blije (lichtroode) b e 1- 
lefleur, van daar: 

bell efl euren, pi. scheldnaam voor die 
van Hljja. Vgl. R. ind T"., 329". 

bel(le)slide , s. arreslede , poolsche slede. 
Ook hynsteslide. 



belle-strinfir, s. losse streng of leeren 
band met bellen, om bj het arren aan 
een gewoon gereid te worden vastgemaakt. 

belroas, s. erysipUas bulosum, belroos, 
zich kenmerkende door pyn in de kaken en 
zwelling van 't gelaat en den hals. — B 1 i e r- 
rige belroas, als 't zich tot blaren zet. 

— Lex. 220. 

beltsje, dem. n. belletje, oorbelletje. — 
Goudene belt sj es yn 'e earen. 

beltQJe , Mkw. n. borstdoek der vrouwen. 
Hl. foarspelddook. Lex. 221. 

beltQJeblozn , s. fuchsia. Ook foksyaan. 

— Nymoadrige beltsjeblom, dyclitra. 
ben, n. vischkorf. Zie hin, 

bep, (Bildt, N.-westel.), f. Zie heppe. 

bepke , n oud moederije , van een vroeg- 
wijs klein meisje. — 't Is sa'n bepke. 
Ook al d wiif, -wyfke, z. d. 

beppe , f. nva , grootmoeder. Lex. 222. 
No. 208, — A. B.,Doarpke, 152.— Ook bep, 
oarre en oar(r)emem. HL a m e. Vgl. oo/f . 

Amel. = mem, z. d. 

Oude vrouw, maar alleen voc. — Ho is 
't mei (jo,) beppe? 

beppehan'taje , n. zacht straffende hand. 

— Hy krige hwet fen my mei beppe- 
hantflje, ook iron. een ferm pak slaag. 

beppekerder, in: nel beppekel- 
d e r , naar beneden , te gronde , in *t ongeluk. 

— Ik roun der mar 8a op ta, en 
dêr gong 'k yn ienen nei beppe kel- 
der, in een kuil, door 't jjs. — It skip 
gong nei beppekelder. — Dy is 
ek al nei beppekelder, dood; ook: 
failliet. — Supers geane gaa nei bep- 
pekelder. — Dost' yet yn beppe- 
kelder sietste, nog niet geboren waart. 

Te Olterterp: een pad of doorloop, tusschen 
twee hooge wanden, waar men van uit het 
boschpad op een laan komt. 

bep'pesizzer, eg. kleinkind eener ttouw. 

— Ik kin sjen, dat ik âlder wird; 
ik haw al in beppesiiser. 

ber, berd, bert 0. J. I, 2; 59; 120, 
beurt. Zie har, 

berch, s. mons, berg. Lex. 225. G. J. pas- 
sim. Hl. burch (Holde D, 58). Molkw. 
borch. — In stöd op in berch, Halb. 
Matth. V. — Dêr binne wol heger 
bergen daeld, er sgn wél rgker dan hg 
arm geworden. — Bergen wirde dalen 



BERCH. 



101 



BERN. 



en dalen wirde bergen, Burm. — 
Berjfen mette in-oar net, mar mins- 
ken wol. — Oaren binne de berch 
opgien en wolstelde Ijue wirden. 
D. H. Üwnk-Lok, 48. — Ik scil dy de 
berch o p r i d e ! ik zal je mores leeren. — 
De Appel sge as ter bergen, eigenl. 
heuvels, duinen. — Vgl. iisherg. 

kunstmatig aangelegde hoogte in een tuin. 
— Dat simmerhúske stiet op in 
berch. * 

groote hoop. Dêr leit in berch koal- 
rapen e ft er hûs. — Hwa moat 
tsjin dy berch potstrou oan? — In 
berch jild.— G J. II, 76. — YgX.hrouie, 
htiUy heap f prottey steapel. 

berch, s. horreum, bergplaats. G. I, 66. 
Een vierkant dak, dat tusschen vier hooge 
palen op- en neergelaten kan worden, waar- 
onder ongedorscht graan en vooral hooi ge- 
borgen wordt. Lex. 226. — It nôt stie to 
fjilde en moast noch yn'e berch. 
R. ind T'., 53*. — En ho dynjiergong 
wêze wol, II ofmeager of de bergen 
f o 1. . . Burkery. Vgl. Äfa-, rogge-j nôtberch. 
kleine op zich zelf staande houten schuur 
of 'hok', tot berging van landbouwgereed- 
«fchap , turf enz., soms met een paar stallen 
of afzonderlijke hokken voor klein vee. 

berch-adltich , a(^. montuosus , berg- 
achtig, — met hoog^n en laagten. 

berch-ein, (spr. bergein) eg. anas ta- 
dortiOj bergeend. „Broedt in grooten getale 
in de duinen op Ameland, in kongnenholen, 
alsook onder Anjum in ga tent die men met 
opzet daarvoor vervaardigd Hbfb , en die aan 
het eene einde met een lossb zode werden 
gesloten, waardoor men in de gelegenheid 
is, de eieren weg te nemen." Alb. 

*berchlieftich, adj. bergachtig. Ualb. 
Wl. Lpk. — R. ind T\ 28«. 

berchhouten, pi. Hd. barkhöher^herk- 
hout , de zware rand of gording van 't schip. 
bercbjildy n. Zie berehlean. 
*bercbkrune, s. bergkruin, -top, G. J. 
1 , 207 , 220. 

berehlean, -JUd, n. bewaarloon, geld 
voorst in bewaamemen van strandgoederen, 
ook van andere dingen , die iemand voor een 
ander bewaart. 

berühplatr, n. reeeplaculum , bergplaats. 
— Forhoalen berchplak. Hsfr. IX, 144. 



n^erchtzne, n. montes^ gebergte. ld. I, 
52; VI, 49. 

bergje, v. Eng. to secure^ bergen. — Ik 
bergje, berge (burch), ha berge (burgen), berg- 
jende, to bergjen. Oostel. en Noh.Warns. b arg- 
je. Hl. börg(j)e. — Ititen,deklean 
yn 'e kast bergje. — Dy kearel kin 
t i g e h w e t bergje (in zijn maag) , veel 
eten. — Bergje dy! maak, dat je in vei- 
ligheid komt. Lex. 224. 

als bewoner hebben. — . . . hwet scil 
'k f en Dockura sizze, as 't oan- 
komt op 't berg jen... fen tige wize 
Ij uwe? R. ind TV, 69^ 

berge, (burgen), goed bezorgd. — . . . 
omdat er tochte, dat hja den berge 
wier. R. ind T"., 259'. Vgl. /br-, yn-, op-, 
weibergje. 

berje, s. lectica^ berrie, draagbaar. Lex. 
228. HL bar je. Ook burje. VgL buk-, 
draech-, sgdberje. 

berm, s. Hd. Bamiy berm, van een weg 
of dijk, pi. bermen, berms. — Oostel. 
barm. Lex. 228. Vgl. dykswal. 

bermf orhiering , s., -gêrs, n. , -hea, 
n., -hout, n., -sleat, s. Zie de Enkel- 
woorden. 

bpm, n. & pi. infans, pueH , kind, kin- 
deren. G. J. passim. Mkw., Balk, barn. 
Zh. HL Wkm. bö-'n. Wassenb. Bijdr, I, 
154, 161. Mkm. bjern. Lex. 180, 228, 
462. — Vgl. onder beam. 

— In goed bern dat op'efaerli- 
ket. — In bern as in blok, Ned. als 
een wolk. — Moaye bern hawwewol 
ris liltse nammen, R. ind T"., 29*. — 
Ljeave bern, Ijeave nammen. — 't 
Kin neat skele hwet de berndogge, 
as se mar stil binne, iron. laat hem 
geworden, daar hij toch niet wijzer is, van 
iemand die zich met beuzelingen vermaakt. 
— As 't bern mar in namme het, 
kin 't neat skele ho 't hjit. — Dêr 
folie bern binne smellet de eker, 
Burm. — Lytse bern en dronken Ijue, 
dêr is Ú8 LjeawenHearmei, anders 
ging het nooit zoo goed met hen. — Hy 
het bern noch boet, Ned. kind noch 
kraai, Burm. thans:... bern noch neat. 
S. K. F., Hüsbisiik, 3., Stadfr. kyn noch 
kuken. — As de bern iten hawwe, 
wolle se werom nei hûs. Burm. — 



BERN. 



102 



BERNH. 



Debern by de strjitten wite der 
fan to sizzen, Burra. — Hy hetyet 
gjin Ijeave bernoerd'earspaeid, 
Burin. — It earste bern, it earste ge- 
win. P. Scli. M. S. 41. — It earste bern 
komt as 't klear is, ittwadeop'e 
tiid. — Dy 't bern lîtstjûrt kriget 
bern werom, Ned. stuur de kat naar 
Rome, zij komt miauwende weerom. ^ It 
bern is der, it moat ret wirde, Ned. 
gedane zaken nemen geen keer. — As 1 y t- 
se bern op greate Ijues kakhuzen 
komme falie se troch de bril. — 
F en l)ern óf oan: van kindsbeen af. 
Stadfr. f en kynsgebiente an. — Vgl. 
hernsbern ; foar-^ neibern; hoerrebern; skoaï- 
lebern. 

— ®In faem mei bern m ei tsj e, ^rra- 
vidare , bezwangeren. Zie jong. 

VOO. tegenover jongeren , vooral vrouwen : 
Och, bern! hwet soit dêr hinnc 
d waen? 

*bem, beme, part. geboren. G. .1. 
passim, R. ind T. en elders. Zie geboaren. 

bem'achtich, -aftich (Wdngdl.) , -haf- 

tich (Henndl.) , adj. puerills, infant ilis , ac^. 
kinderachtig. Hl. bönnich. 

bemachtigens , h. jmeriHtas , kinderach- 
tigheid. 

bem'bine, v. geboortebinden. Zie bine. 

bemdopen , s. verb. doopdag. — S n e i n 
is 't bemdopen. 

ber'ne-aert, n., -boekje, n, -b o arte- 
rij > s.; -b o a r t e r s g Û d , n., -dokter, m., 
-faem, f., -frjeon, m., -gegryn,n., -ge- 
gul, n., -gejoel, n., -gek, eg., -ge- 
skriem, n., -gewimmel, n., -goed, n., 
-g r i t s e n , pi., -h e i 1 i n g , s., -j i e r r e n , pi., 
-kwael, s., -liet, n., -lûd,n., -praet, n., 
-rymke, n., -sykte, s., -streken, pi., 
-teltsje, n., -tiid, s., -weintsje, n., 
-widske, n. Zie de Enkelwoorden. 

tbemebier, n. kinderbier, feest bij de 
geboorte of den doop van een kind , waarbij 
oudtijds, even als bij alle feesten, warm bier 
de hoofddrank was. Vgl. Hett., Rymkes, 
40 v.v. 

bemebrea, n. alleen in: Dy berne- 
brea it (yt) !| dy mei ska n de sit, 
zijner kinderen brood, I3urm. 

bemedief , m. kinder<lief (quasi). — Gau 
op bed, bern! a e n s t o n s komt de 



bemedief, endenkrigeterjimme. 

beme-earske, n. iron. Fransch broodje, 
kadetje. Ook bemegatsje, bid Iers- 
gat. 

bernegrûd, n. kinderkleeding, vooral van 
jonggeborenen. — Der wier gjin berne- 
gûd noch neat klear, ho kin sa'n 
minske sa! (toen 't kind geboren werd.) 
Lex. 182. — Ook: dat bernegûd moat 
f e n 'e f I i e r , de kinderen moeten naar bed. 

bex*nehân, s. kinderhand. — Prov. In 
bemehan is gau stoppe, Ned. een kin- 
derhand is spoedig gevuld. — Mei in 
bemehân skreaun. — In kers yn in 
bemehân giet net út, volgens een oud 
volksgeloof, daarom (zegt men) gingen gauw- 
dieven daar oudtijds mee uit. — Zie hân. 

bemejild, n. vaste toelage voor predi- 
kantskinderen. Vgl. domenysjüd, 

bemekoer, s. luiermand. Ook ruft- 
koer. Zie bakerkoer, 

bemepart, n. een kindsdeel uit de na- 
latenschap. — De widdou hie gjin jild, 
it goed is fen hjar mans kant, mar 
hy het hjar in bernepart tamakke. 

^bemepleats, s. geboorteplaats. G. J. 
11 , 79. Zie gehoarteplak, 

bemepraet, n. in: Bern ha berne- 
praet, schimpend tegen grooteren. Vgl. 
S. K. F., Foij. 1893, 111. 

bemespil, n. kinderspel, iete van of 
voor kinderen: kleeren, speelgoed. — Dy 
fryerg fen Jan en Hoatske is in 
bernespil, kinderachtig gedoe. 

bemeteam, s. collect kindertal, al de 
kinderen van dezelfde oaders. Lex 182; G. 
J. I, 178; Salv., 50. — S. K. F., Húabisiik, 
G. — Hja is nou al oer deberneteam 
h i n n e , zg zal nu geen kinderen meer 
krögen. 

bemewirk, n. kinderwerk. Lez. 181. 
— Bern meitsje bernewirk, schim- 
pend of minachtend gebesigd. 

bemforwine, ▼. jonggeborenen uit de 
luren nemen en er weer in steken, — inde 
kraamdagen , *8 morgens en *s avonds , (ba- 
kerterm). — Amel. kynd-opnimme. Zie 
fortvine. 

bemhaftioh (Henndl.), a4j. kinderachtig. 
W. D. Oebl. GL, 58. Zie hemadoig. 

bemheljen, s. verb. kinderen krggen. 
Lex: 183. — Hja is o^r *t bemheljen 



BERNL 



108 



BEsmn.. 



hinne, den leeftijd van *t kinderkrijgen te 
hoTen. — Sonder bernheljen by de 
man sliepe, Vgl. R. ind T.", 352«. 

bemich, adj. veel van kinderen houdend. 

*bemin£^ffwea y n. nixus, barenswee. ld. 
III, 104. Zie fleoïjien. 

*benije, v. Eng. to chüdj kinderen ba- 
ren. Lex. 182. 

ntuci, geboren worden. ld. XIV, 151. 

bemke , n. kin(ye (vooral als kozewoord). 
(t. J. I, passim. — Lex. 180. R. ind. T.*, 
345. Zie herntsje. 

bemlik, adj. kinderlgk. R. ind T.*, 288*. 

Vgl. hemcichticK 

bemsbem , n. & pi. kindskind, kleinkind. 
(;. J. I, 119, 178. 

^bemsiik, adj. veel van kinders hon- 
dend. Lex. 183. Zie bernich. 

bemaky a^, puerilis^ ineptus, kinder- 
achtig. Lex. 183. — Bernske nijsgjir- 
gens, Hsfr. Vil , 280. — Bernske laf- 
fens, Fr. Jierb. 1833. — G. J. I, 13, 34, 
50, II, 87. Vgl. bernachtich. 

bemskexiB, bemskheit, s. kindsheid, 
kinderleeftijd ; meest kindschheid , staat des 
oaderdoms. — De &ldman is alheel yn 
'e bernskens. Hl. ys kynsk. Lex. 183. 
G. J. passim. 

bemtflde, n,infantulu8,parpulu8,liin(\je. 
— Wiif en berntsjes, R. ind T.", 221*. 
Ook tot grooteren: berntsje, berntsje, 
hwet scille dy de earen nochbi- 
k öge wirde! 

berre , v. beuren, gebeuren. G. J. Zie barre. 

bôrs (Gronw), s. baars. Zie bears. 

*berte, s. geboorte. Lex. 229. Zie ge- 
boarU, 

*bertedei, s. , -groun, s. , -plak, n. , 
-pleats, 8. Zie de Ënkelwoorden. 

*bertUii£r» eg. sterveling, mensch. ld. 
XV; Salv. 9. Skûralm. 1880, 25/11. 

•bertenisse, s. gebeurtenis. Wl. ld. XV. 

beekje Mkm. , v. klagen (over iemand of 
iet«). — Scoed min net beskje? ds 
bûrwiif scil wer pankoekbakke , 
en wy krge se nea to priuwen. Zie 
kUije. 

béety a4j- & adv. opiimusj uiterst goed, 
uitmuntend. HL best. Tielj. bist (korte i 
gerekt). Gnrbe is in best feint, een 
deugdzaam, braaf jongeling; ook: flinke 
knecht. — Bette Ijae ha gjin mis- 



se 1 1 e n , iron. — In boste timmerman, 
die zjn vak goed verstaat. — In beste 
kou, in best hynder, skiep. — Best 
gud, pannuSj medecinae. — Beste ierd- 
appels. — By dy winkelman krjjt 
min altyt biste (skoane) mjitte. 
— Dy Ijue ha in bêststikjebrea, 
een ruim bestaan. — 

Kwetst yn dyn bêsteûrentochtst 
en fielste, P. J. T. , Nfr. Bloeml., 80. 

Bern wite hjar eigen best net.... 
't wier ta myn best, bestwil. J. v. L. 
Jz. , Sw. 1851. — Hy is wol ris in bes- 
ten foarbygien, iron. hij deugt niet 
veel. — Dy 'tby elk in besten is, is 
in minnen fcr him sels. — Ikwyt 
net hwet best is, sta in twgfel wat te 
doen. — It is my best, ik ben er zeer 
goed mee tevreden, — mjjnentwege. — 1 1 i s 
net sa best mei him, hij is gevaarlijk 
ziek. — Bêsttosprekken, goed in zijn 
humeur. — Dat heste best makke, 
flink , naar mijn zin. Ook : ruimschoots be- 
taald. — Dêrha'kitbêst mei hawn, 
schoon wat aan verdiend. — Ik hie tocht 
om jou bern mei to nimmen nei 
uzes. Nou dat wier oars best, mar 
beppe het se al by hjarres helle. 
— Hy kin it best dwaen, dêr best 
wêze, is gegoed. Vgl. skoan. — Op syn 
best, hoogstens. — Op 't best, geluk- 
kigst. — It beste! vale. — Ut best, uit 
beatwil , met een goede bedoeling. — O m k e 
woe it dwaen üt best, R. ind T.*, 75*. 
Gewoonlik om best. Vgl. goederbêst. — 
To beste, ten beste. G. J. II, 80, 105. — 
Dêr wier neat to boste, niets in voor- 
raad. R.ind T.",316*. — To beste spriek, 
Alth., 138. 

Vgl. opper- y ptikbêst. 

alder-bêst. Vgl. alder-, 

beste, bestje, v. met ruwe steken los 
aaneenrijgen of naaien (een nieuw kleed). 
Hl. treetkje. — In jak, in jas yn 
in oar beste. Lex. 191. — Beste en 
rippe, slordig naaien. R. P. Vgl. opbeste. 

bes'teljem, n. soort wit garen, om te 
'besten'. 

bes'telstek, s. steek zooals men maakt, 
als men een kleed 'best'. — Zie stek. 

bes'teltried (spr. meest bes'sel) , s. witte 
draad, waarmee de deelen van een nieuw 



BESTEM. 



104 



BETTERN. 



te maken kleed voorloopig los aaneengehecht 
zyn. — In gloed nii pakje dêr de bes- 
teltriedden yet yn sieten. S. K. F., 
Forj. 1891 , 60. 

^besteznoer , f. grootmoeder. Nog in een 
kinderrijmpje voor : de middelste vinger. Lex. 
894. Dit ook: âlde-(lange)moer, z. d. 

bèstens, s. deugdelijkheid, voortreffelyk- 
heid. — Dat gûd is moai op it each, 
mar om syn bêstens hoechtmen't 
net to nimmen. — Dy Fedde is gjin 
bosten, wol? Né, hy mei syn bês- 
tens nedich halde, dat heeft niet over. 
Lex. 192. 

bèstich, ad^j. goed. — It binnebês- 
tige Ijue. — Vooral adv. — Ek môlke? 
Joun net moarnier al. Bêstich! — 
Lex. 156. 

bes(t)Je, V. Zie beste. 

*bet, adj. goed. — Wol en bet, goed 
en wel , G. J. passim. — beter. — I k s e o e 
de holle bet oplûke, Ibid I, 120. — 
Hwet tael bant bet de klanken nei 
II Of fiert Ú8 bet fen d'ierde wei, 
V. Blom , Bik., 7. 

tbete, V. Hl. met een munstuk het lot 
weq^en , waarbjj het beeld of de letter den 
winnaar aanwyst. Vgl. biede. 

bet'earjister (spr. bet-jerjuster) , adv. de 
dag vóór eergisteren. 

be'tel, Noh., Leeuwdl., Henndl., Baarddl., 
Wgmbrdl., HL, s. beitel. Hsfr. V, 44. Zie 
beUïel en beitel, 

betel-eide , s. beitelegge, ijzeren eg, met 
aan de gebogen tanden scherpe driehoekjes 
{rostri) , gebruikt om de dichte korst , waar- 
mede bouwland in 't voorjaar overdekt kan 
zijn, los te woelen (op de Klei). Ook beitel- 
eide. 

^be'telingen, pi. Eng. batthmefUs (Sha- 
kespeare), randen van het spitse bovendeel 
eens gevels ; borstwering , tinne. — J i m m e 
binnejamk op mûrren kleaun en 
bet el ing en. . . R. P., Keapm., 119. Zie 
beitelifKj. 

be'tewoartel (O. en Zoh., Tietj.) , s. bèta 
vuhjaris , roode biet. Zie bietewoartel. 

tbetfoart, adv. m(jx, aanstonds, straks. 
R. P., Keapm., 20; Jouwerk., 28. Vgl. Epk., 45. 

befoermoam , adv. den dag na over- 



morgen. 



bet'oeroar(r)eheit, m. over-overgrootva- 



der. R. ind T"., 258. Meest bet-oerpake. 
bette, V. betten, nat maken. Lex. 231. 

— afwasschen, reinigen: G. J. I, 116, 130. 
Meer alg. is dippe, z.d. 

dooven, uitdooven. G. J. I, 3, 211. Vgl. 
dôvje. 

better , adj. comp. van goed, beter. — 
De kou is yn'e finne net better wir- 
den, wel slechter in staat. — Ik bin fen 
myn boerwêzen net better wirden, 
wel armer. — Is dat goede turf? Nou, 
dy't better is, is ek goed, 't heeft niet 
over. — Ik bin al oer de better helt, 
de grootste helft (van myn leven). Burm. — 
Better as goed kin 't net, Fra. Ie mieux 
est Tennemi du bien, — Better is better, 
als men 't met het voorgaande niet eens is. 

— 't Wirdt al oars, mar net better. 

— Der binne better ophinge(yn't 
tichthüs), van of tegen een zeer slecht 
mensch. — t^ etter yn derfûglesang, 
as yn der heareklang. — Better 
to hawwen as to krgen, Ned. beter 
een vogel in de hand dan tien in de lucht. 

— Better by tiids weromgien, den 
kwealik foartgien, Ned. beter ten hal- 
ve gekeerd dan ten heele gedwaald. Burm. 

— Better hwet as neat, sei deman, 
en hy koft in pear skûrde klom- 
pen. — Better in goe^frjeon biski- 
ten as de man-sels, Burm. 

— Hy wier in tiidlang net goed 
(sanus), mar nou is er wer better, 
weer hersteld. — Better meitsje, mede- 
ri (alicuijf genezen. — Better wirde, con- 
valescerej herstellen. 

betterje, v. canvaleaeere, beteren, beter 
worden ; herstellen, genezen. — Syn seare 
skonk wol net betterje. — Der bet- 
tert nin (Ting op 'ejeld, Burm. Lex. 
156, 231. — Dat scil wol betterje, 
earst' in âldwiif biste, iron. troost 
voor iemand, die eenig letsel heeft. — *t 
Mat earst op 't slimst ear *t better- 
je scil. Vgl. oanbetterje^ 

— Dy syn jeugd yn 't wjrlde oan- 
stelt II bettert him wolop*ejeld, 
G. J. 1 , 12. Lex. 156. VgL farbeüeoe. 

gebeteren, beter maken, verhelpen. — 
Ik kin it net betterje, HoUandisme 
voor:helpe, R. P., — Gearq^. (1609), vb. 98. 

^bettemis, s. betenchaik G. J. II, 54. 



BETTERS. 



105 



BEÜZ. 



betterslcip , s. Enff. recovery , beterschap, 
Terbetering , herstel. — Betterskip bi- 
loTe. R. ind T.\ 327. — Der is yet net 
folie betterskip to sjen, van verbe- 
tering of herstel niet veel merkbaar. — 
Betterskip! wensch aan een die ziek of 
half dronken is. G. J. II, 59. Ibid. I, 191. 
xbeu, m. St. Niklaas (als boeman). — 
Gau stil wêze, oars heart de beu 
jimme, en den nimterjimmemei. 
interj. tegen kinderen : Beu! hark, dêr 
is er leau 'k al. 

beu (hier en daar oostelijk , in 't midden, 
ook te Leeuw.), n. nuchteren kalfsvleesch. 
Lex- 232. Ook : nochteren beu, kealle- 
beu. 

beu, Mkw. 8. hoorbare oprisping, 'boer'. 
— In beu litte. Lex. 232. Vgl. kroj}je. 
beu (Noordelijk), adv. zat, moede. Vgl. ha. 
beuboartflje, v. voor boeman, Sinter- 
klaas spelen, om elkaar quasi bang te maken. 
beucb , s. twee visschersbooten , die zich, 
met een net tusschen beide in , voor den 
wind laten afdreven om bot, ansjovis of an- 
deren visch te vangen. Vgl. 8eile, — Ook 
*t volledig stel netten daarvoor noodig. 
beu'^reltasse, Hl. Zie hûgeL 
beuk, beuke, s. Zie beuker. Vgl. 
fiaechsbeuk. 

beuke, v. ferire, beuken, kloppen (het 
vlas vóór het gebraakt wordt). R. P., Vr. 
Fr. IV, 100. — Flaechs beuke. — Ook: 
stokfisk beuke (of bûkje). Verder: 
een nieaw aangelegden dorschvloer met de 
'vlaabeuk' kloppen, om de specie (leem) 
dicht en effen te maken. (Met andere woor- 
den als voorwerp of lid der samenstelling 
wordt bûkje en bûtsje gebruikt.] Ook 
beokje, z. d. 

beuke(r), s. soort van groote houten hamer 
met krommen of scheef in 't blok zittenden 
rteel, om vlas te beuken. Ook beuk. 

beuker, m. dreutel, jongetje, mannetje. 
— Lytse beuker, kleine jongen. Lex. 
332. 425. VgL Halb. N.O., 14. — R. ind T.", 
264*. Vgl. bûkemant^'e, kreut. 

beukerblok, n. het blok, -stok, s. de 
neel van den vlasbeuker. 

beukje» v. beiik(je), beukte (beuke), ha 
lieolrt (beuke), betüóende, to beukjen. Zie 
beuke, 
beuly m. Zie hoal. 



beule, Stadfr. v. Zie beune. 

beun , s. vivarium , colum , bun, vischbun. 
Lex. 641. Ook bon(ne). Mkw. bun; Oostel. 
bodde. 

beune, v. rexare^ beulen, afbeulen. — 
Dou mast dat âld hynder net sa 
beune, boven zijn kracht aanzetten. Vgl. 
ôfbenne. 

"beunman , m. gubemator , stuurman. 
Lex. 232. 

beurs (spr. beu*"8), s. handelsbeurs. — 
iron. gewone verzamelplaats van werklui, 
na hun dagtaak , of van straatslijpers ... op 
een brug, of voor een smederij, op het kruis- 
punt van een straat, omdat daar gewoon- 
Ijjk van alles 'verhandeld' (bepraat) wordt. 

Ook hollandisme voor pong, z, d. 

beurske, n. geldbeursje voor vrouwen. 
Hollandisme voor k n i p k e. 

beurt, 8. in enkele uitdrukkingen. — 
B e u r t j a e n, schoonmaken (de kamer), "door 
de handen laten gaan" (een meisje), W. Gribb. 

— Dat gûd, dy klean.., habeurt 
hawn, hebben door 't gebruik zeer gele- 
den. — Ik scil hjoed beurt krye, een 
dag van zwaren arbeid. Ook: strenge be- 
risping, doorhaling, straf. 

Grouw : Kike hetjoun de beurt, van 
een kransje, zjj komen daar te zamen. 

Hollandisme voor : bar (z. d.), vooral bj 
jongeren. 

beurt, s. beurtvaart, beurtschipperszaak. 

— Hy het de beurt fen 'eGerdyk 
nei Amsterdam. Vgl. de volgende art". 

beurt'man, m. Eng. ferry-man y die op 
geregelde tijden (meest over zee) tusschen 
twee plaatsen vice-versa vaart om goederen 
en passagiers te vervoeren, ld. 1 , 133. — De 
Lemster, Snitser, Workumer, Am- 
sterdammer beurt man. Ook: 

s. Eng. ferryhoat , het schip. — D e b e u r t- 
man is forgien. — Ho let giet de 
beurtmanV Vgl. : 

beurtskip, n. en beurtskipper , m., 
voor de 'binnenvaart', ld. 1, 119, 120. — Vgl. 
fearskip , -skipiyer. 

beurtskippersfeint , m. beurtschippers- 
knecht. 

beu'zich, be'zich, adj. & adv. Eng. 6w«y, 
bezig, werkzaam, onledig. — Hy het in 
beuzich aert oer him. — Bern wolle 
altyt bezich wêze. 



BEUZ. 



106 



6IAR. 



beuzichheit , bezichheit, s. Eng. bu- 
sificss, bezigheid, lichte arbeid, tijdpaasee- 
ring. — Beuzichheit is it beate mid- 
del om yen net to forfelen. — Ha 
jy noch hwetbezichheit? wat te doen? 

— Ik ha gjin feat wirk for jo, m ar 
in bytaje bezichheitkoe'kjo al 
jaen. Vgl. oanslach j jnelen. — Lex. 341. 

beuzig^ens , bezig^ens , a. werkzaamheid, 
het bezig zijn, tot bezigheid geneigde stem- 
ming of aard , bezigheid van geest of karak- 
ter. — Yn in bijekoeria'tinbeuzi- 
gens aonder opa je, en elta het er 
syn aparte beuzichheit. — Dat bern 
het troch ayn bezigena de hele 
boel yn'e hûa oeral helle. 

beve, V. timere, vreezen, bang zyn, — 
worden. — Dou meiat beve, asjimme 
heit thüs komt, tegen een jongen die 
atraf verdiend heeft. — Aa dy de bek op- 
skûrt acoe men beve, dan komt er wat. 

— Ik beefaa 'k er om tink, hwer dy 
jonge aa lang bliuwt. Ook beevje. 
Vgl. tril je. 

bever, eg. castor fiber y bever, vroeger 
hier waarachijnlijk inheemsch. Vgl. Plaats- 
beachr., 127. 

bever, n. soort wollen stof voor onder- 
goed. — Brún, blau bever. — Nei- 
makke bever. 

bevers(k) , adj. van bever. In bevers 
baitaje, — beverse rok. 

bevertyn, n. zekere sterke stof voor 
werkmanakleeren. — Swart, briin ofwyt 
bevertyn. 

bevertinen, adj. van bevertin. — In 
bevertinen broek. 

bezaen'xnèst , s., -seil, n. -tuech, n. 
bezaanmast, -zeil, -tuig. 

bezich, bezichheit, bezigens (Oos- 
telijk en Tietj.). Zie beuzich. 

bi-, onacheidbaar part., dat bjj vragen 
of na uitroepen , wanneer daarin het denk- 
beeld van af keuring, verwondering of nieuws- 
gierigh»*i(l opgesloten ligt, voor aan het werk- 
woord g«'hecht wordt. — Hwet bi-igge- 
wearre-^to, jonge? Waarom dwarsdrijf 
je? (diit staat je alles behalve mooi). — 
Il w e t b i - h i m m e 1 s t e a 1 1 v t ? Waarom 
wasfh 011 i»las je altijd? (ik zou dat maar 
laten). Hwet b i '^ j e s k e t b e p p e s a ' n 
hele dei? Waamm loopt grootmoeder den 



geheelen dag zoo heen en weer ? (*t i a on- 
noodig). — Ik wit net hwetst doch 
bi- 8 jongste? vat niet waarom je zoo 
zingt (een ander heeft er maar last van). 
— Ik bigryp net hwet Klaes tajin- 
wirdich bi-rint! (wat zou hjj aan de 
hand hebben ?) — Men scoe sizze hwet 
Sytske bi-reaget, — hwet bûrman 
bi-timmert (wat mag daar de reden van 
zijn ?). 

Het tusschen haakjes staande wordt bij die 
vragen gedacht. — Bjjna alle werkwoorden 
kunnen aldus worden gebezigd. Bg enkelen 
zijn voorbeelden gegeven. 

Verder wordt bi- gevoegd h\] sommige 
werkwoorden, om een (meest slechte) ge- 
woonte aan te duiden. — Dy kearel bi- 
flokt alles. — Dat fanke bi-lypt 
alles. — Dou mast alles net sa bi- 
gnize! 

Dit gebruik van bi- is kenmerkend Friesch. 
Overigens stemt bi- overeen met het Hol- 
landsch be-, ofischoon dit niet altgd met 
bi', maar soms met for- e. a. equivaleert. 

bi (apr. bï), Woudstr., Tiei^j., Hl., Schierm., 
Tersch. , praep. b^. Elders meest spr. bg; 
en geschreven by, z. d. ook voor de sa- 
menstellingen. 

bi-ach'teje , v. Hd. beobtichien, in acht 
nemen. Lex. 288. — Dou meist dat wol 
bi-achtsje, oars giet it forkeard. 
Meer gebmikelgk is : . . . dat wol yn dyn 
acht nimme. Zie acht. 

bi-admistrear^Je , y. administrarê , be- 
sturen, gebieden. — Insaek, in onder- 
nimming bi-admistrearje. — De 
boel yn *e hûs..., in oar bi-admi- 
strearje, den baas spelen in-, over. Ook 
b i- o a r(r e)m i s t r e a r j e. 

bi-an'derje, meest bi-antfwlrdfl|}e » v. 
respondere, beantwoorden. — In brief, 
in minske bi-antwirdsje. G. J. I, 
40. 

bi-arl>eiâflde y y. elabarare^ bearbeiden, 
bewerken. — In hopen bonl&nnen wir- 
de net bi-arbeide sa *t heart. — 
Hjir komt nou ek in bysondere 
skoalle, dat het Doeke-baes meast 
bi-arbeide. — 

8. verb. elaboratio. — Ta it bi-arbeid- 
sjen fen in folslein wirdboek is 
in bulte kunde en gedaldfeimeden. 



BIAZ. 



107 



BIBEL. 



maken, bereiden. — Hja, de gierige en 
eergierige, bi-arbeidsje . . . hjar sela 
in hel op 'e wrald. G. J. 11, 99. — 
Ook b i-a V e(n)8 e a r j e. 

bi-a'semje , v. adhcHare, beademen. — 
Lit üa 8 jen of de sike de spegel 
noch bi-azemt. Lex. 941. Vgl. biwazemje. 

bilMtenJe , v. exaequari , gebaand worden. 

— As de Ijue alle dagen ride, sciPt 
iis wol gau bibaenje. — Ook: in bi- 
bane paed, een gebaand pad, ld. IX, 165. 
Meer gebruikelijk is: in bigien paed. 
Vgl. bipaedsje. 

bibag^elje, v. lutartf vuil maken. — 
De atrjittemeismoargelearzensbi- 
baggelje. Zie haggelje. — Vgl. hihargje, 

bibakke , ▼. iin)bakken, in wat anders. — 
De bûter is der yn bibakt, tegen kin- 
deren, als men hun brood zonder boter wil 
laten eten. — Ik woe him net ha, al 
wier er yn bûter bibakke, (bi)bakt. 

— It brea is bibakt, door bakken in 
omvang of gewicht afgenomen. 

biballes^e (spr. -lesje), v. suburrare^ 
met ballast bevrachten (een schip) , (iemand) 
belasten en beladen met allerlei zaken. — 
Jo binne aerdich bi-balleste, net? 
tegen iemand , die veel of van allerlei din- 
gen te dragen heeft 

bibalte, v. Fra. se faire etUendre y be- 
schreenwen. — Aid Jitse-boer wier sa 
dof, dat gjin minske him bibalte 
koe, Hsfr. I, 107. — Rop oan 'e s kip- 
pers! ik wol mei Hja binne al to 
fier; ik kin se net mear bibalte. 

bibargje, v. bemorsen. — Us lyts 
fanke kin al allinne ite, mar den 
is 't heislik ho 't se hjar bi ba rg et. 

— Pas op! bibargje dyn klean net 
alheel. Vgl. bigrieme, 

bibl>eije , v. bibberen. — Hy bibbert 
f en kjeld, fen *e koarts. Lex. 239. K. 
ind T.». 298*. Vgl. trilje, 

bibberkoarts y s. febHs horror , het be* 
ven , de rillingen van de koorts. — H y het 
de bibberkoarts, hg rilt van de koorts. 

— Ook iron. Hest de bibberkoarts? 
tegen een die *t wil laten voorkomen, alsof 
hJQ onwillekeurig zit te rillen. 

bibbertoal^e y v. klappertanden. — 
Sjoerd siet to bibbertoskjen, Forj. 
1892, 148, 



bibeakenje, v. van bakens voorzien. 
— Alle Fryske wetters binne bi- 
b e aken e. 

bibeamd', bibeamxne, adj. arborattis, 
met boomen bezet, beschilderd, beslikt. — 
Dy wei, dat lân is alhie] bibeam- 
me. — Bibeamd, bibyld mei side, 
G. J I, 2. Posth. in Epk., Halb. N. O., 
Lex. 239. 

bibearje , v. Zie probearje. 

bibekje , v. bespreken , bekeuvelen. — 
Hja het al hwet bibekke yn dat 
skoftsje tiid. — Us lyts fanke bi- 
bekket alles al. 

bibekke , adj. disertus , gebekt. — Goed 
bibekke wêze, Fra. avoir Ie bec bien 
toumé j Ned. niet op zijn mondje gevallen 
zijn. — Prov. Eltse fûgel s jongt lyk 
as er bibekke is. 

bi'bel, 8. biblia, bijbel. Ook it boek, 
bij uitnemendheid. — In bibel mei ko- 
peren heaken, sloten. — Hy kin de 
bibel fen buten, is door en door schrift- 
kundig iron. hy kent den bübel alleen van 
uiterlijk. — Bibel en Testemint 
(E wang e e Ij e), het Oude en Nieuwe ver- 
bond. — Hy seit it raer út 'e bibel 
op, gebruikt leeljjke woorden, vloekt. — Vgl. 
beme-t hokje-, meniste-, hüs-, print- , state- ^ 
tsjerkébibel. 

boekpens van een rund. 

spel kaarten (iron.) — Hy het de 
bibel yn *e bus e. Ook bibel fen 
Alexander, fen 32 blêdden, print(e) 
bibel, soldatebibel. 

bibelbeslach , n. koperen of zilveren ran- 
den en hoeken aan een bghel. 

^'bibeldoaze , s. kartonnen doos, waarin 
een bgbel bewaard wordt. 

bibeldruk , s. oude letterdruk , als in de 
vroegere Staten-bijbels. Vgl. bibelletter. 

bibelf ear , s. pauweveer in een kerkboek. 

bibelfèst, adj. bijbelvast, tekstvast. — 
... baes Bast, dybibelfêstwier, lies 
him de tekst, dat it klonk, Hsfr. V, 
108. 

«bibelf ordrae^er , ("-f o r krach ter), 
m., -forklearring, s., -frjeon, m., -les- 
ner, s., -spraek s., -spreuk, s., -stan- 
der, s., -toan, 8. Zie de Enkelwoorden. 

bibelleare, s. Zie bibelUzing. 

bibelletter , s. bübeldruk, oude lettertype 



BI BEL. 



108 



BICH. 



in den bijbel.- M e i b i b e 1 1 c 1 1 e r d r u k t. 
3ibellèzing^, s. ^oilsdionstoefeninpf, wïiiirbij 

3r ihm v(»orj»'nnf»'<*r hootclziikelijk uit den 

jbel gelezen en verklaard wordt. Ook bi- 
el 1 e a r e (zie f ca re) en 

bibeloef ening; , s. , dit meer gemeen- 
:happelijke bijbellezing]:, bij wijze van sa- 
aensprekin»^. Zie 't vori*»- artikel. 

bibels(k), a<lj. iV: adv. Ent?, script ural, 
vol*?ens den bijbel, schriftniatij?. — Hy is 
t i «^ e b i b e 1 s k , reileneert j^eheel volgens of 
in overeenstemming met den bijbel. — (Ja 
d o m e n y j) r e k t» t 8 u v e r b i b e 1 s k , m a r 
net *bi fvndelik'. 

bibeltekst, s. bijbeltekst, vers uit den 
bijbel. Ook skriftucrpleats. 

bil)eltQje, n. bijbel in klein formaat, kerk- 
boekje. - Soms ook voor een ander boek, 
van grootte als een bijbeltje. — Ily hie 
sa'n bibeltsje by him , dOr de lans- 
we 1 1 e n v n s t i e n e. — 

Sake dra echt de lej) ek al Ijeafst 
as in bibeltsje, onder den arm: h^ is lui. 
— Vgl. húnhihcUsje. 

^bibel-útlizkunde , s. bijbeluitlegkunde. 
Fr. Volksalm. 18^4, 147. 

"bibes'kje, v beklagen. — lm men 
bibeskje. Lex. 230. Zie beskje. 

bibidde , v. verbidden. — Ily liet h i m 
net bibidde, was onverbiddelijk. Vgl. 
bilt'zc , foi'trc'jc. 

— De divelbiinner bibidde it bist 
en bist riek it do. Zie hisprekhe. 

bibi^Je , V. bemorsen. — De 1 y t s e (zui- 
geling) s j> ij t i d e r k e a r, h y h e t h i m w e r 
alhiel bibigge. 

•bibiis'gje, 'bibizigje, v.door 't gebruik 
bruikbaarder wonlen. — In learenlape 
m o a t e a r s t h w e t b i b i i s g j e , den is 
er b e 1 1 e r as n jj. Vgl. bibruke, 

bibik'je , v. opeten. - - Dat ha w y w e r 
bib ikke. 

van rondom afinkken. — Dat m cast 
al h w e t b i b i k k e w i r d e , om het netter 
te niak»'n. 

nu't g«'kb»j>te steen bestrooien (een pad, 
weg). Zii' bipúnjc. 

*bibyld, adj. met lu^elden (van zijde) be- 
stikt. Hibeannl, bibyld mei si de, 

O. .1. I . ± 

bibine, v. rircionlitjarc, obndre re, hiiuXen^ 
vastbinden. — Bibyn itjild yndynbûs- 



doek, knoop het geld in je zakdoek vast. 

— \V y s c i 1 1 e i t (s t i k k e n e) h a k - 1 e a r 
f en 'e reed hwet bibine, den kinst 
noch ridende thüskomme. 

bibite , V. bebijten , beknabbelen. — B a r- 
gen bibite de trôch. — Yn't salt bi- 
biten, doorpekeld (vleesch), fig. Neil. goed 
gezouten: wijs door ondervinding. — Dat 
aldminske is goed yn^tsâlt bib iten, 
hja wit wol ho se der mei oanmoat. 

— Forj. 1892, 167. — Yn *t gat (yn't 
h i m d) b i b i t e n , angstig , bevreesd. 

^'bibizigje, v. Zie bibiisaie, 

bibje, (Hl. en oosteljjk vooral) v. beven. 

— 't Hert dat bibbe my yn 't liif, 
V. Blom, Bik., 90, 91. Vgl. trüje. 

bibjeskje (Zoh.), v. Zie Hpjeskje. 

biblet', adj. rrM^w/M* , bebloed. — In bi- 
b 1 e 1 1 e k o p. R. ind T»., 292'. — G. J. I, 210. 

bibliede (yen), v. zich met bloed be- 
vlekken, bjjv. door neusbloeden. 

^biblomje, v. met bloemen versieren, 
benaaien, bestikken. Lex. 404. 

Ook spreektaal: de glêzen biblomje 
fen 'e froast. 

biboerkje , v. als boer bewerken , in ge- 
bruik hebben. — Hy hieingreidpleats, 
dy't er sels sa hwet biboerke. — 
Voordeel of schade behalen, Igden met de 
boerder^. Hy het net folie biboerke. 
Ook in 't alg. — Vgl. hidijt, 

bibokselje , v. beloopen , loopende afleg- 
gen, afdoen. Zie bokseïje. 

bibolwirkje, v. faeere, doen, stellen. 

— Ik kin dat allinne net bibol- 
wirkje. Zie bolwirkje. 

bibouwe, v. aedificare, bebouwen. — 
Dy hele streek is nou mei hazen 
biboud. — Biboude eigendommen, 
huizen, gebouwen. 

colere^ (land) bebouwen. — .... ho- 
folle groun elts mei ierdappels bi- 
bouwe mocht. R. ind T.", Zllf, — Dit 
meest bouwe, z.d. 

bicbje, n. nucula, biggeije, Tarkentje.- 
Jongo bich.jes is aerdich gûd. - 
In moai bichje, dat jy dor yn'tho 
ha. Zie barchje. — Van een kind, dat zi< 
onder 't eten bemorst : Dou bist 8a*n ly 
bichje. 

bichjen. Hl. n. een halve cent. C 
bigge. Vgl. baew, hoiw» 



BYCHT. 



109 



BIDDEt. 



bychty 8. Hd. Beichte^ biecht, schuldbe- 
lÖdenis. — Ik bin hjir net kom d om 
my de bycht ôfnimme to litten, om 
mg uit te laten hooren. — Ik spriek: o, 
*k geil klear bycht, fen oertrêd, 
dwaen, G. J. I, 131. — Lex 240. — 

*bychter, eg. biechteling. Lex. 240. 

liycllt(fld)e , V. Hd. BeichteHy biechten, 
schuld bekennen. — Ont se yn'tbych- 
tsjen oan de PrysterU hjarbinaude 
droom fortelt, v. Blom, Bik., 33. — 
Mar earlik bychte scilste feint. R. 
ind TV 206*. — Ik hoef for dy net to 
bychten, 'k behoef je geen rekenschap te 
geven. Vgl. opbychi(8J)e, 

bycht'Btoel, s. biechtstoel. — Ik bin 
net yn 'e bychtstoel wol? wil je me 
aithooren ? 

bidaerd% (spr. bidae'^d), adj. «é'^a^u^, be- 
daard, kalm, ingetogen. — In bidaerd 
jongfeint. Vgl. dimmen , evenredich. — 
Bidaerd waer, rustig, kalm weder. — 
Vgl. deabidaerd. 

bidaerdens , s. Eng. sedateness, bedaard- 
heid (als karaktereigenschap). — Troch syn 
bidaerdens kamen alle drink el in- 
gen lokkich wer oan *e wal. 

bidaerdemOch , adj. bedaard genoeg, 
te bedaard. — Ik woe dy jonge wol 
hwet bidaerder ha. Al? Hy is my 
bidaerdernôch. 

bidaerdheit, s. Hd. Besonnenheit , be- 
daardheid. — In dingmei bidaerd heit 
o e r 1 i z 2 e , een zaak rustig overwegen. 

bidaerdwei, adv. op bedaarde wijze. — 
Hy komt er altyd bidaerdwei mei 
oan, doet of zegt alles even 'bedaard'. 

bida(e)r'Je , v. mitescere, sedari, bedaren, 
in hevigheid afnemen , gestild worden , tot 
kalmte komen. — Ik bidaer(ie) , bidar(r)e 
(bidaerde), bin bidar(r)e (bidaerd), bida(e)r- 
jende, to bida(e)ijen. Hl. bidaergje. — 
De wyn, it tongerjen, reinen, de 
kjeld bidarret (bidaert). — It need- 
waer wierbidarre, R ind T.', 369^. — 
De pine, it ho ast jen, de koarts...is 
aerdich bidarre. — Is dyn lilkens 
bidare? — de honger bidaerd? — 
A. B., Doarpke, 142. — Yen bida(e)rje. 
— Bida(e)rje dy hwet! niet zoo haastig, 
driftii^. Lex. 240. — Dou mast dybi- 
darje, Jelmer! W.D., Oebl. Gl. 46. — 



Hy koe net yn't bidarjen komme. — 
Ik koe him net yn 't bidaerjen 
k r ij e. Zie hidarring. 

bida(e)rje, v. Eng. to hecome of y belan- 
den, heen geraken. — Hwer scil dat 
hynder bidarje?— Hwer is dy swift 
bidare? — Ik wyt net hwêr myn 
skoen bidaerd binne, zij zijn zoek. — 
Lex. 240. — De boeren hiere depleat- 
sen altyd mar wer to djûr; hwêr 
moat dat op 't lést bidaerje? op uit- 
loopen. Vgl. bilânje. 

bidamje, v. met dammen voorzien. — 
De hierboer moat syn lannen bi- 
damje, 't onderhoud der dammen is voor 
zijn rekening. 

''bidaxnje (by enkelen), v. A. B., Doarp- 
ke, 142. — Zie hidimme. 

bidarje, v. Zie bidaerje. 

bidar(r)ing; , s. in: yn 'e bidar(r)ing 
tot stilstand, rust, kalmte. — Itminske 
wier sa oerstjûr, dat hja koe net 
yn 'e bidar(r)ing komme, — ik koe 
h j a r net y n 'e b i d a r (r) i n g k r ij e. Vgl. 
Hsfr. I, 18. — Ookyn't bidaerjen, z. d. 

bidauje, v. to bideic, bedauwen, met 
dauw bevochtigd worden. — Helje it lin- 
nen effen yn; it moat net alhiel 
bidauje, — ik wol 't net alhiel bi- 
d a u w e ha. 

bidde, v. precari, bidden, verzoeken. — 
Ik bid (tm. yk byd), ik bea (bidde, Hl. 
obaed), ha bidden (bean = verzocht), bid- 
dende, to bidden. Hulde 11, 108. - G. J. 
passim. — Om mar foart to farren, 
sei de jonge, scil ik de brij wol op- 
ite, wyls't mem bidt. — Hy bidt om 
wirk en tanket üs Ljeaven Hear 
dat er 't net krije kin, van een luiaard. 

— In Fries kin net bidde en smeke. 

— Der helpt gjin bidden oan. — R: 
W., Blêdden , 66. — Vgl. bi-, oan-, ófbidde. 

— Der is kreambi.site, dêr biste 
ek by bean, R. ind T.", 351". - To brij, 
to leed (op 'e bigraffenis), to bril- 
loft bidde, ter maaltijd, ter begrafenis, 
ter bruiloft noodigen. Thans meest: op 
it miei, op 'e bigraffenis, op 'e bril- 
loft forsiikje. — Lex. 241. 

bid'dei, s. bededag, als voor 't gewas 
en den oogst , in sommige kerken gehouden. 
Stadfr. bid -uur. 



BIBEL. 



108 



BICH. 



als in den bijbel. — Mei bibellctterdrukt. 

bibellèzing;, s. godsdienstoefening, waarbij 
door den voorganger hoofdzakelijk uit den 
bijbel gelezen en verklaard wordt. Ook bi- 
b e 1 1 e a r e (zie leare) en 

bibeloef ening; , s. , dit meer gemeen- 
schappelijke bijbellezing, bij wijze van sa- 
menspreking. Zie 't vorig artikel. 

bibels(k), adj. & adv. Eng. scripiural, 
volgens den bijbel, schriftmatig. — Hy is 
t i g e ]) i b e 1 s k , redeneert geheel volgens of 
in overeenstemming met den bijbel. — Us 
do men y j)reket suverbibel8k,mar 
net 'bifyndelik'. 

bibeltekst, s. bijbeltekst, vers uit den 
bijbel. Ook skriffucrpïeats. 

bil)eltQje, n. bijbel in klein formaat, kerk- 
boekje. — Soms ook voor een ander boek, 
van grootte als een bijbeltje. — Hy hie 
sa'n bibeltsje by him, dor de lans- 
wetten yn stiene. — 

Sake dra echt de lep ek al Ijeafst 
as in bibeltsje, onder den arm : hjj is lui. 
— Vgl. h(hi bibeltsje. 

^bibel-útlizkunde , s. bijbeluitlegkunde. 
Fr. Volksalm. 1884, 147. 

"bibes'kje, v, beklagen. — Immen 
bibeskje. Lex. 230. Zie beskje. 

bibidde , v. verbidden. — Hy liet him 
net b i b i <l d e , was onverbiddelijk. Vgl. 
hilêze j fonreje. 

— De divelbanner bibidde itbist 
en bistriek it do. Zie bisprekJce. 

bibi^Je , v. bemorsen. — De lytse (zui- 
geling) spijt iderkear, byhothimwer 
a 1 h i e 1 b i b i g g e. 

«bibiis'gje, "bibizigje, v. door 't gebruik 
bruikbaarder worden. — In learenlape 
m o a t e a r s t h w e t b i b i i h g j e , den is 
er b etter as nij. Vgl. bibrüke. 

bibik'Je , v. opeten. — Dat ha wy wer 
b i b i k k e. 

van rondom af bikken. — Datmoast 
al hwet bib ikke wirde, om het netter 
te maken. 

niet g«'kloj)te steen bestrooien (een pad, 
weg). Zi«* bipihije. 

*bibyld , adj. met beelden (van zijde) be- 
stikt. Hibeamd, bibyld mei side, 

G. J. 1 , 2. 

bibine, v. circumliyare, o/>ro^r<?rtf, binden, 
vastbinden. — Bibyn itjild yndynbûs- 



doek, knoop het geld in je zakdoek vast. 

— Wy scille it(s tikken e) hak-lear 
fen'e reed hwet bibinc, den kinst 
noch ridende thiiskomme. 

bibite , v. bebijten , beknabbelen. — Bar- 
gen bibite de trôch. — Yn 't sâlt bi- 
biten, doorpekeld (vleesch), ^Lg. Ned. goed 
gezouten: wijs door ondervinding. — Dat 
âldminske is goed yn'tsâltbibiten, 
hja wit wol ho se der mei oanmoat. 

— Forj. 1892, 167. — Yn 't gat (yn't 
h i m d) b i b i t e n , angstig , bevreesd. 

♦^iblzigje, V. Zie hibiisgje, 

bibje, (Hl. en oostelgk vooral) v. beven. 

— 't Hert dat bibbe my yn 't liif, 
V. Blom, Bik., 90, 91. Vgl. trUje, 

bibjeskje (Zoh.), v. Zie bipjeskje. 

biblet', adj. crw«f^M« , bebloed. — In bi- 
b 1 e 1 1 e k o p. R. ind T»., 292^ — G. J. I, 210. 

bibliede (yen), v. zich met bloed be- 
vlekken, b^v. door neusbloeden. 

^biblomje, v. met bloemen versieren, 
benaaien , bestikken. Lex. 404. 

Ook spreektaal: de glêzen biblomje 
fen 'e froast. 

biboerkje , v. als boer bewerken , in ge- 
bruik hebben. — Hy hie in greidpleats, 
dy't er sels sa hwet biboerke. — 
Voordeel of schade behalen, l^den met de 
boerderij. Hy het net folie biboerke. 
Ook in 't alg. — Vgl. bidife, 

bibokselje , v. beloopen , loopende afleg- 
gen, afdoen. Zie bokselje, 

bibolwirkje, v. facere, doen, stellen. 

— Ik kin dat allinne net bibol- 
wirkje. Zie bclwirkje, 

bibouwe, V. aedificare, bebouwen. — 
Dy hele streek is non mei hnsen 
biboud. — Biboude eigendommen, 
huizen, gebouwen. 

colere^ (land) bebouwen. — .... ho- 
folle groun elts mei ierdappels bi- 
bouwe mocht. R. ind T.", 815«. — Dit 
meest bouwe, z.d. 

bicbje, n. sueula^ biggeije, Tarkenlge.— 
Jonge bichjes is aerdich gûd. — 
In moai bichje, dat jy dèr jn'thok 
ha. Zie barchje, — Van een kind, dat nch 
onder 't eten bemorst: Don bist 8a*n lyts 
bichje. 

bichjen. Hl. n. een halre oent. Ook 
big ge. Vgl. baew, haew. 



BYCHT. 



109 



BIDDEt. 



byoht, 8. Hd. Beichte^ biecht, schuldbe- 
lÖdenis. — Ik bin hjir net komdoin 
mj de bycht ôfnimme to litten, om 
mg uit te laten hooren. — Ikspriek:o, 
'k 8cil klear bycht, fen oertrêd, 
dwaen. G. J. I, 131. — Lex 240. — 

*bychter, eg. biechteling. Lex. 240. 

bycllt(fld)e, V. Hd. Beichten^ biechten, 
schuld bekennen. — Ont se yn'tbych- 
tsjen oan de PrysterU hjarbinaude 
droom fortelt, v. Blom, Bik., 33. — 
Mar earlik bychte scilste feint. R. 
ind T»., 206*. — Ik hoef for dy net to 
bychten, 'k behoef je geen rekenschap te 
geven. Vgl. opbycht{sj)e. 

bycht'stoel, s. biechtstoel. — Ik bin 
net yn 'e bychtstoel wol? wil je me 
aithooren ? 

bidaerd', (spr. bidae'^d), adj. «^^a^u.?, be- 
daard, kalm, ingetogen. — In bidaerd 
jongfeint. Vgl. dimmen y evenredich. — 
Bidaerd waer, rustig , kalm weder. — 
Vgl. deahidaerd. 

bidaerdens , s. Eng. sedatenesa, bedaard- 
heid (als karaktereigenschap). — Troch syn 
bidaerdens kamen alle drink el in- 
gen lokkich wer oan *e wal. 

bidaerdemOch , adj. bedaard genoeg, 
te bedaard. — Ik woe dy jonge wol 
hwet bidaerder ha. Al? Hy is my 
bidaerdernôch. 

bidaerdheit, s. Hd. Besonnenheit , bc- 
daaniheid. — In dingmei bidaerd heit 
oerlizze, een zaak rustig overwegen. 

bidaerdwei, adv. op bedaarde wijze. — 
Hy komt er altyd bidaerdwei mei 
oan, doet of zegt alles even 'bedaard'. 

bida(e)r'Je , v. mitescere, sedari, bedaren, 
in hevigheid afnemen , gestild worden , tot 
kalmte komen. — Ik bidaer(ie) , bidar(r)e 
fbidaerde), bin bidar(r)e (bidaerd), bida(e)r- 
jende, to bida(e)ijen. Hl. bidaergje. — 
De wyn, it tongerjen, reinen, de 
kjeld bidarret (bidaert). — It need- 
waer wierbidarre, R ind T.', 369^. — 
De pine, it hoastjen, de koarts...is 
aerdich bidarre. — Is dyn lilkens 
bidare? — de honger bidaerd? — 
A. B., Doarpke, 142. — Yen bida(e)rje. 
— Bida(e)rje dy hwet! niet zoo haastig, 
driftig. Lex. 240. — Dou mast dy bi- 
darje, Jelmer! W.D., Oebl. Gl. 46. — 



Hy koe net yn't bidarjen komme. — 
Ik koe him net yn 't bidaerjen 
k r ij e. Zie hidarring, 

bida(e)rje, v. Eng. to become of, belan- 
den, heen geraken. — Hwer scil dat 
hynder bidarje?— Hwer is dy swift 
bidare? — Ik wyt net hwêr myn 
skoen bidaerd binne, zij zijn zoek. — 
Lex. 240. — De boeren hiere depleat- 
sen altyd mar wer to djûr; hwêr 
moat dat op 't lést bidaerje? op uit- 
loopen. Vgl. bilânje. 

bidamje, v. met dammen voorzien. — 
De hierboer moat syn lannen bi- 
damje, 't onderhoud der dammen is voor 
zijn rekening. 

''bidaxnje (bij enkelen), v. A. B., Doarp- 
ke, 142. — Zie bidimme. 

bidarje, v. Zie bidaerje, 

bidar(r)ing; , s. in: yn 'e bidar(r)ing 
tot stilstand, rust, kalmte. — Itminske 
wier sa oerstjûr, dat hja koe net 
yn 'e bidar(r)ing komme, — ik koe 
hjar net yn'e bidar(r)ing krije. Vgl. 
Hsfr. I, 18. — Ookyn't bidaerjen, z. d. 

bidauje, v. to bidew^ bedauwen, met 
dauw bevochtigd worden. — He Ij e it lin- 
nen effen yn; it moat net alhiel 
bidauje, — ik wol 't net alhiel bi- 
dauwe ha. 

bidde, v. precari^ bidden, verzoeken. — 
Ik bid (tm. >k byd), ik bea (bidde, Hl. 
«baed), ha bidden (bean = verzocht), bid- 
dende, to bidden. Hulde II, 108. — G. J. 
passim. — Om mar foart tofarren, 
sei de jonge, scil ik de brij wol op- 
ite, wyls't mem bidt. — Hy bidt om 
wirk en tanket lis Ljeaven Hear 
dat er 't net krije kin, van een luiaard. 

— In Fries kin net bidde en smeke. 

— Dêr helpt gjin bidden oan. — R: 
W., Blêdden, 66. — Vgl. bi-, oan-, ôfbidde. 

— Dêr is kreambisite, dêr biste 
ek by bean, R. ind T.', 351'. - To bry, 
to leed (op 'e bi gr af fen is), to b ril- 
lof t bidde, ter maaltijd, ter begrafenis, 
ter bruiloft noodigen. Thans meest: op 
it miei, op 'e bi graf f en is, op 'e b ril- 
lof t for si ik je. — Lex. 241. 

bid'dei, s. bededag, als voor 't gewas 
en den oogst, in sommige kerken gehouden. 
Stadfr. bid -uur. 



BIDDEI.. 



110 



BIDDERS. 



bid'del-agroaoje , s. kleinhandel in snor- 
repiji)erijen , aan de deuren te koop aange- 
boden waarbij van de gelegenheid gebruik 
gemaakt wordt ora te bedelen. . — Ook b i d- 
lerspatint. 

biddelbrief , s. & n. bedelbrief, (minach- 
tend voor) verzoekschrift, waarbij iemand 
een beroep doet op de hulpvaardigheid van 
anderen. — Dy kearel het synskip 
forlern, nou rint er mei in biddel- 
brief by de huzen, en krijt for syn 
al de kast licht in nijen. 

biddel-earmban , h. Hd. Bettelarmband, 
armband, waaraan allerlei kleine voorwer- 
pen, souvenirs van vriend(inn)en hangen. 
Hûs-hiem, 1890, 311. — Ook baanvegers- 
armband. 

bid(de)ler, m. mendicuSj bedelaar. Hl. 
bedeler. Tietj. bédelder, ook in de sa- 
mentelling. — Dy faem is sa bang fen 
in frijer as in bidlerfen in dûbel- 
tsje. — Lien dyn hynsderoan in bid- 
Ier en hy fljucht er mei út'e(n)fjou- 
weren. — Bidlers bitelje mei luzen. 
Lex. 242. — Derde bidlers dounsje 
der ötouwe de lapen, Burm. — De 
jongste (lytste) bidler moatdekoer 
drage, de jongste in een gezelschap moet 
het werk doen. Vaak iron. — Vgl. hrêgehid- 
Ier; nachthidler , skoaijer. 

bid(de)ler\] , s. memlicatio^ bedelarij. 

bid(de)lersbem , n., -(b i d d e 1-) f a n k e , 
n., -gesticht, n., -hoale, s., -(biddel-) 
jonge, m., -(biddel-) k e tier, n., -(bid- 
del) w i i f, -w y f k e , n. Zie de Enkelwoorden. 

bid(de)lersg:at , n. plaatsje waar veel 
bedelaurd van daan komen. — De K o m- 
j) en ij e, Nüebrêge, Sanbulten is in 
b i d 1 e r s g a t. 

O.-dongdl. een kadetje, 'fransch broodje.' 
Vgl. herneijatnje , -earske. 

iron. tegen een kind om het een beetje 
te plagen: Dou hest in bi diersgat, 
it is fen twa stikken ge ar set. 

bid(de)lers£:ebet, n. in: in bidlers- 
g e b e t d w a e n , mooi praten om wat te 
krijtr*Mi. -- Doch by moike mar in 
b id lor.^g t' be t , faek krigost wol in 
nij.* jurk. 

iron. kh'ingeld tollen, in 't bijzonder : zijn 
arniocdje (oig. zijn gebedelde centen) over- 
tellen. Vgl. dronkemaninjel>et. 



biddelers-lea , pi. in: bidlers-lea 
h a w w e. Zie aUemanslichem. 

biddelerspatint , n.: 'fjouwer doa^?- 
kes liisjefers en twa stikjes ban', 
(volksdefinitie). Zie biddelagoasje. Ook: 
skoaijerspatint. 

biddelg^at, n. Zie hiddehek. 

^biddelg^ave , s. afgebedelde gave. R. ind. 
T.3, 316*. 

biddelhikke, r. hek op een weg of pad 
door het land of aan den zeedgk, dat door 
arme kinders of vrouwen voor rjjtuigen of 
voetgangers geopend wordt, om daarvoor een 
gave te ontvangen. Ook kloes, Lex. 242. 

— Vgl. S. K. F., Spr. en Lêz., 23. 
bid'delje , v. mendicare, bedelen. Hl. b ê- 

delje. Tietj. e. e. bede Ij e. Als *vak'term 
freegje, z.d. — Vgl. óf- op-^ nachtbiddefje. 

— Zie akoaije, 

"biddelxnan, m. bedelaar. L. in W., 22. 
Ook b e d e 1 m a n (in een rympje). Zie hokke, 

biddelsek, s. ntantica, bedelzak. — O a n'e 
biddelsek reit s je, ad ificitas redigi, tot 
den bedelstaf geraken. Vgl. kniksek. 

— eg. die bedelt — Dou bist my sa'n 
lytse biddelsek, togen een kind, dat 
aanhoudend vraagt om iets te verkrijgen. 
Ook b i d d e 1 g a t. 

biddeltekken, s. lappedeken, deken 
met een overtrek van aan elkaar genaaide 
driekantige lappen van allerlei kleur tot een 
mozaiek gewerkt. Stadfr. bedeldeken. 

— Sa bont as in biddeltekken. — 
In biddeltekken meitsje, fig. farcire 
centonia alicui, — Dy *t leagent makket 
in biddeltekken. 

bidder, m. precator^ die bidt — Hûs- 
hiem, 1890, 310. — In hopen dominys 
binne bidders, mar gjin jonwers. 
V. d. M., Tr. Romm. — Vgl. brea-bidder. 

memiicuSy bedelaar. Yg\. nackibidder {-bid- 
deler.) 

rocator, (gast)noodiger , aaniegger. — Vgl. 
dea-y leedbidder, — 

B\] 't koolzaaddorschen de man, die is aan- 
gewezen om de boeren op de afrekening 
(koalsied-rekken, s. d.) uit te noodi- 
gcn , en ook om se hun 'benrt* van dorschen 
aan te zeggen. Die bg *t dorschen het zaad 
zeeft, heet de greate of &lde bidder 
tegenover de lytse bidder, de jon^n die 
het zaad in de zeef schept 



BIDDERS. 



111 



BIT) . 



biddemflier, b. plaatsje onder den wind 
(op den hoek van de dorschvloer) , waar 
bet (l(ool)zaad geschoond wordt. 

^biddemkleed , n. het kleed, waarop het 
(kool)zaad geschoond wordt. Meest wynkleed. 

bidderskoft, n. msttgd voor de zaad- 
schoeners, terw^il de dorschers een gedeelte 
afilorschen. Zie terskerskoft. 

bideldce, v. tegere, bedekken, overdek- 
ken, fig. geheim houden. — Dy Ijue bin- 
ne hjir sa earm komd, dat hja 
koene skraech hjar skamte bi- 
d e k k e , ze hadden haast geen kleeren aan 
't Igf. — In âlder wol graech alles 
for de bern bidekke, hun feilen en ge- 
breken tegenover anderen geheim houden. 

— part. bidekt (Westel. bidekke), bi- 
ditsen. — De groun is biditsen mei 
snie. — Sape dochter moat yn *e 
kream, dat wirdt yet bidekt (bi- 
ditsen) halden. 

— Ik stean dy man net, hy is bi- 
dekt, niet rond van karakter. — Lex 243. 

bidele, bidiele, v. parure, bedeelen, 
toedeelen. Lex. 643. — Binne jimme 
allegearre bideeld, bern? heb ik elk 
xgn competente portie gegeven (bü den 
maaltgd). Vgl. omdde, — De iene mins- 
ke is al better bidield as d* oare, 
ruimer met aardsche goederen gezegend. — 
Wy binne fen'tjier aerdichmei 
ierdappels bidield, hebben een goeden 
oogst er van gehad, een ruimen voorraad 
o|^^eslagen. — Dy man wirdt troch de 
earm fo uden bideeld, hy is mei yn'e 
bideling, bidieling, hollandismen voor: 
hj kriget onderhâld, onderstand. 

bidemme (Oostelgk), y. (zich) inhouden, 
beheerschen, beteugelen. — De moed fen 
frjemden to bidemmen,R. P., Eeapm. 
44. Vgl. bidimme. 

\Udert, n. é^^e^o^ydagelijksche nooddruft, 
bekomst. — Wy hawwe goed lis bi- 
derf. — De muzen siikje hjar biderf 
fen kromkes oer de flier. — Ik scil 
nin iten mear ha, ik ha myn biderf. 

— De boer het fen hea en gêrs syn 
biderf, zooveel als h|j noodig heeft. Lex. 
244. — P. Sch., MS. , 13. — B. ind T"., 293\ 

biderf y eg. eorruptor^ (-trix) ^ perditor , 
die anderen bederft of te gronde rieht. Tietj. 
fordert Zh. bidnrf — Dy keardel 



is in biderf for syn hûsgesin, för 
de maetskippij. — Ook die allerlei kat- 
tekwaad uitvoert. — Dy jonge, dat fan- 
ke is sa'n biderf.- Ook b i d e r f-n a g e 1. 
n. corruptio, bederf. Zie hidjer, 

biderf (e)lik , adj. bedervende, bedorven. 
Zh. bid ur flik. — It flesk is albiderf- 
lik. — Biderflik waer, zwoel, broeiich 
weer, als waardoor sommige eetwaren spoe- 
dig tot bederf overgaan. — Der is in bi- 
derfelike lucht oan, bedorvene lucht, 
reuk van in ontbinding overgaande stoffen, 
inz. vleeseh. Vgl. forgankelik. 

— Dat wiif stjonkt sa biderflik 
üt *e hals. 

biderf-nag^el, eg. bederver. Zie biderf, 

^bidêr'je (Zuidelijk), v. Zie hidaerje. 

bidêst (spr. ook è) , adj. & adv. modestus, 
bezadigd, ingetogen, — Stil en bidêst. 
Lex. 243. — Ho sitstou sa bidêst? ho 
sjuchst sa bidêst? in zich zelf gekeerd, 
peinzend. — Ook: vroom, devoot. — Dat 
minske sjocht altyd allike bedêst, 
der kin nin glimke óf. — quasi ern- 
stig, ingetogen. — Sneinsyn'e tsjer- 
ke, hwet sit se bidêst, Bijek. 1880, 78. 

— Dy jongfeint kin him wakkere 
bidêst balde, mar as er los komt, 
kin er ek tige maltjirgje. 

bidestens, s. modestia^ ingetogenheid. 

bidibberje , n. (zich ) bedwingen , beteu- 
gelen. Ley 243. — Ikkinmynlilkens 
hast net mear bidibberje, KI. A., 
Buike, 30. — Hy moast him al bidib- 
berje, mar doch hy balde him stil, 
W. D. Winterj., 51. 

bidich'enje, bidi'g^enje, v. door vragen 
of voorspraak (iets) voor een ander verwerven. 

— Hwet for immenbidichenje. Vr. 
Fr. I, 91. 

bidichtsje, v. in dicht beschrijven, be- 
zingen. — It foarjier is al faek bi- 
dichte. Hsfr. X, 209. 

bidig^enje, Lex. 562, v. Zie hidichenje. 

bidi'£:erje, bidikerje, v. bekijken uit 
de verte , met het oog bereiken. — De s t j e r- 
ren bidigerje, beschouwen of waarnemen. 

— De aken wieme sa fier fen iis of, 
dat wy koene se mar krekt bidi- 
gerje. 

bid^j'e, V. augescere, proficercy voordeel 
behalen, gewinnen, voorspoed hebben, sla- 



BIDIK. 



112 



BIDO. 



gen, gedijen. — Hwethabbejybedyd 
mei de bûrkerjj? R. ind T«., 26^ Vgl. 
Inhoerl'je, ■■- God, doch yn alles him 
bid ij en, R. P. — Ork, niyn soan, 
w o 1 8 1 o u b i d jj e , een gelukkig , welgesteld 
man worden. G. .1. 1 , 6. — L i 1 1 e 'i m n e t 
b i d ij e , niet slagen (maar een blauwtje loo- 
pen) Ibid. I, 8. 

— Dy beam het al trijejier stien, 
mar bid ij t net. 

bidikerje, v. Zie hidigerje, 

bidyk'Je, v. bedijken, met een dijk of 
dijken omringen. G, J,I,90. — Itlân 
bidykje, om het tegen 't hooge water te 
beveiligen. Ook: een hoogen aard wal rond- 
om opwerpen als bevreding. 

bidimme, bidimje, Lex. 243, 657. v. 
bedw^ingen , beteugelen. — Ik moatmy 
mar bidimje, W. D. Oebl. GL, 30. — 
Ho 't de Ijeafde . . . it wylde hert 
bidimt en synoerdwealsketochten 
torjuchte b ringt, R. P., As Jimme V. 
— Bi dim jou, Cassiuslspreksunich 
f en jou leed. Ibid. Jul. Caes. 

Ook b i d a m j e en b i d e m m e , z. d. 

bidip'pe, v. betten (een wond), bevoch- 
tigen met een natten doek of spons (bijv. het 
hoofd, als middel tegen koortshitte) , Lex. 
678. — besprenkelen. Yn'e bûse hied er 
in doek, bidipt mei aldeklonje. 
W. D. Winterj. 42. 

bidi'veld, adj. zot. — Bist bidiveld, 
ju? ben je mal ? — 

van den duivel bezeten. Halb. Matth. 
VIII. 33. 

bidjer', s. bederf. — Grien gûd (onqjp 
ooft) is in bidjer for de mag e. — Der 
komt bidjer oan it lyk. — Lex 245. 
Ook b i d e r f, z. d. 

bidjerre , v. corrutnpere , corrumpi j pu- 
trescere, bedierven. -- Ik bidjer, bidoar, bi- 
doiirn, to bidjerren. G. J. II, 114. Zoh. be- 
d u r V e . St a<lfr. bederve, bedurf , bedur- 
ven. - De fisk, it flesk bidjert mei 
dit myldo waer. — lén soan en dy 
bidoarn. — II v het it bidoarn. ver- 
korven. <>.>k fordjorre, z. d. 

bidjipje , v. Kng. to deep bciUepen , (de 
dit'pt»' van tvn water), fig. doorgronden. Ook 
<lji]»jt' lz<)nder praefix.) — Ik kin dy 
8 1 e a t net b i dj i p j e , het water staat er 
hooger dan ik lang ben (by het baden.) — 



Ik kin dy feart mei de kloet net 
bidjipje, met den scheepshoorn den bodem 
niet beraken. — Net to bidjipjen, on- 
peilbaar , fig. niet te doorgronden. Dy k e a- 
rel is net to bidjipjen. Lex. 678. 
Vgl. higrounje , trochgrounje. 

tbidjûpt, adj. vexatus, gekweld. G. J. 
II, 100. — Troch hwaens kweawol- 
lichheit en niid y bidjûpt . . . wir- 
de — . . . omdat wy mei sokke gek- 
like ynbyldingbidjûptbinne. Ibid. 
108. — Lex. 245, 678. — ld. V, 66. 

bidler en samenstellingen. Zie biddeler, enz. 

bidoar'iiexis, s. turpidOf bedorvenheid. — 
Us bidoarnens en sonde, Hsfr. IV,31. 

bidobje, v. tegere^ bedekken , begraven. 
— Aleartiden bidobben se hjar 
jild wol yn *e groun. — As bern 
bidobben wy in-o ar wol onder H 
hea. — In deade kat yn *e tún bi- 
dobje. — Yn poepeslombidobbe II 
Laei Geale yn't leavich reid, R. ind. 
T»., 18*. - Ik sit hast onder atikke- 
ne hoazzen en fo et sokken bidobbe, 
heb er veel te stoppen. — Hy ait onder 't 
jild bidobbe, bulkt van geld. 

— Brea for de frjeonen bidobje, 
verbergen, G. J. II, 59. — Him selme yn 
ellende bidobje, storten, Ibid, II, 97. 

— Yn'e fjûrgloed bidobje, werpen, 
Ibid II, 71. — VgL S.K.F., Foij. 1893,105. 

bidoekje, v.doekje8 om winden. ~ Don 
mast it mar net bidoekje. 

beetnemen. — Bidoekje him ris as 
j y k e n n e. 

bidoele, v. intendere, bedoelen, beoogen, 
meenen. — ... ik fornimjy bidoele 
myn bost, Hsfr. III, 113. — iron. Jo bi- 
doele it goed, mar jo lisxe it for- 
keard. — Hwet bidoele jo? — Sa 
wier *tnetbidoeld. — Ik bidoel him. 

bidoeliiig(e) , s. intentio, bedoeUng. - 
In goede, in forkearde bidoeling. 

— Foarút yn'e wr&ld, dat is elks 
bidoeling. — Hja woene dj man 
oars wol h&lde, herbergen, mar hja 
wisten net hwet er yn'e bidoeling 
h i e , wat hy in den sin had. — 1 1 i s m y 
in bidoeling! 't is me wat moois! — Is 
't net in bidoeling? Wie bad dat ooit 
gedacht? 

^bidolkje» ▼. met de wapenen irenneet- 



BIDO. 



118 



BI DR. 



teren, door dapperen stryd verwerven. — 
Ho Friezene fjuchtljue Lân frije 
earpreal bidolkene, G. J. I, 91. 

bidolle , V. vergraven. — Dejon^es 
ha de hele tiin bidold om angel- 
wjirnien to krjjen. Lex. 245. Gewoon- 
Igk : t o-d o 1 d. — fig. *bidold yndruk,in 
druk bedolven. G. J. I, 99. 

bidompeld, bidompen , bidoxnpt, adj. 
niporo^Hit, benauwend door onaangename 
dampen. — In bidom pelde lucht, in 
een vertrek. — In bidom pene keamer, 
somber en slecht geventileerd. - 1 n b i- 
«iompte loft, bidompt waer, som- 
bere grauwe lucht, triest weer. — ... al- 
le?* stil, near, bidompt! S. K. F., 
Forj. 1893, 107. — Lex 243. 

bidompt. adj. surdus ^ dof, van een ge- 
luid. — Lex. 695. 

bidondere (triv.), ai^'. pertonnUus, ont- 
>teld , beteuterd. — Bist bidondere V 
l»en je gek ? — Licht in banknoat, by 
forsin yn'e bran «titsen. Dat komt 
ï»a as men bidondere is, hen? Hsfr. 
Hf. 110. Vgl. forhouicerearre. 

bidonderje (triv.), v. f alle re, bedriegen. 
— Ik lit my net bidonderje, Hsfr. 
IX . 240. Zie hklrage. 

bidongje , v. stercorare , bemesten. — 
De greide bidongje. Ook dongje. 
x'jnder praetix. — fig. *b i d o n g e y u f r j e m d 
lans f Û 1 , met het kwaad van andere lan- 
den besmet. G. J. 1 , 94. 

triv. ctmcacare. Hast dy al wer bi- 
d'nge, smoarge jonge? Zie bidwaen. 

tbidomi', part. bedolven, begraven. — 
O. famke! dy is lang al wei en 
. . . djip bidoun, Salv. 106. — Ook: 

tbidou'wene. — Den libje ik bidou- 
wene yn iwige wille, Salv. 17. Oud- 
^tadfr. bed o ven. Zie doun, 

bid'printflje , n. (bid)prentje [grootte als 
♦*en speelkaart] met een heiligenbeeld of iets 
dergelijks, zooals de Katholieken by gele- 
kTenheid van een steifgeval aan familie en 
k'^nnisseii zenden. Op de achterzijde gedrukt: 
.Bid voor den nu zaligen N. N. overleden 
den . . ." en eenige godsdienstige spreuken. 
Mhu legt ze tusschen de bladen van het 
Kerkboek. 

bidraei'Je, v. verwarren, verstrikken. — 
It jern, bjrntoa . . . sit yn in-oar 



bidraeid. — It skiep sit yn 't tou 
b i d r a e i d. 

bidraeije , v. bedisselen , met slinksche 
streken bewerken. — De m e in s e i 1 dat 
wol sa bidraeije, dat de dochter 
oan'e man komt, — sabidraeye, dat 
heit tajout. Lex. 246, 725. 

bidrae^e, v. bedriegen. — Dou scitt' 
my net wer bidraeije, hei te! — . . . 
Ijue, dy 't frenide wyn en f e ar ren 
boppe fryske ienfald . . . stelle en 
--dor mei bidraeid rei tsj e, S.K.F., 
Forj. 1891, 68 noot. 

bidrag^e, v. Fra. monter ä, bedragen, be- 
loopen, pp. bidroegen. — De rekken 
bidraecht sa folie. 

bidrag^e, v. door dragen geschikter, be- 
ter worden. — Nije klean moat- 
te earst hwet bidrage om better 
t o sinten. — 't S c i 1 wol bidrage, 
sei de skroar, en hy li i e de niou- 
w e y n 't b û s g a t set. — T a r r i n g a c h- 
tige minsken bidrage it goud en 
si 1 ver, dat hja oan of by hjar ha, 
altyd moajjer as o ar en, is 't sizzen. 

Ook : door dragen verslijten. - 8y n b a i t- 
s j e wier al t i g e b i d r o e g e n , afgetka- 
gen. Zie ofdrage. 

bidrag^e, v. decipere, bedriegen, pp. b i- 
d ragen. Ook bid reagen. (î. .1. -Hl. b i- 
d r i g e, b i d r o o c h (b i d r i i g d e), b i d r y n d. 
A. 1.1 sbr. bedrogen. — B i d r a g e n ú t- 
k o m m e. . . . op in b i d r a g e n e i n li t- 
komme, Hsfr. III, 3. — Prov. De gjir- 
g e n s bidraecht de w y s h e i t. — H w a 
ringen jout is hastich bid regen, 
Burm. — Lex. 246. 

bidrag^er, eg. deceptor, bedrieger, be- 
driegster. 

bidrager^', s. f raus, bedriegerij. 

bidrave, s. afloopen. — In great on- 
ge ry flik hiis is in lest for in bo er- 
in n e, hja moat it allegearre mar 
b i d r a v e. 

- - In h y n s d e r bidrave, doen dra- 
ven om het een goeden staj) te leeren ; — 
te doen zien hoe *t stapt. Zie bimunsterje, 

bidribbelje , v. heen en weer trippelend 
beredderen. Lex. 247. 

bldrinke , v. Fra. boire ä , drinken O]» 
iemands gezondheid, op den goeden allooji 
eener ziUik. — De jonge soan bidrinke, 

8 



BIDR. 



114 



BIDU. 



bij geboorte. — Sibe Suteler het in 
nye skou-karre krige, dyhet ermei 
syn maten jisterjoun tige bidron- 
ken. 

bidrinsgje, bidrin^e (ien of eat), v. 
met water doornat gooien, water over iiit- 
ötorten. — De flier mei wetter bi- 
d r i n s g j e. Zie drinsgje. 

bidrippe, bidruppe, v. bedruipen, be- 
druppelen. ö. J. 1, 54. - Yn'e sim m er 
f en 1893 wieme destrjittenbidrupt 
me^i hars út 'e beammen — ... wyls't 
de (koken) jonge it lammebout bi- 
dripte, ld. 11, 137. — . .. bidrôp, Ibid., 
138. — Prov. Hwet d'iene bireint kin 
d'oare bidrippe, (vooral van meisjes, 
die verleid zgn) , Ned. die staat zie toe 
dat hij niet valle. Ook: men moet niet met 
lichaamsgebreken van anderen spotten. — 
Dy rein kin dy ek bidrippe, G. J. I, 
54. — F et flesk, iel. . . kin him sels 
(b i) d r i 1) p e , kan in zijn eigen vet gestoofd 
of gebraden worden. — Lokkichdy'thim 
sels (bi)drii>pe kin, die met zijn eigen 
inkomen of verdienste toe kan. Zie drippe. 
Lex. 240. — R. ind T"., 6*. 

bidritse, v. bedoen. Zie bidtcaen. 

bidriuw, bidrjouw, n. facinnSf ars, 
bcdröf, handeling, (4. J. 1, 72, 228; II, 53. - 
Der w a e r d e n al f r j emde eagenop- 
8 k Û r d f e n dat b i d r i u w. R. ind T*., 349 *. 

— BI ij spil yn ien bidriuw-, yn twa, 
trye... bidriuwen. Dit ook: utkomst, 
gedoente. — Vgl. hoerehidrimc, 

bidriu'we, bidrjou'we, v. bedrijven, 
begaan, plegen. G. J. l, 61, 99. — Lex. 247. 

— Allerhanne ontucht en ondo- 
gensheit waerd der bidreaun, Halb. 
Treemt. 54. — Ilinne poepinne ll kin 
naejje noch spinne || loze noch 
skriuwe: || hwet scil Hinne poep- 
inne bidriuwe? Oud rjjmpje. 

Dy k ij , s k i e p b i n n e al a e r d i e h bi- 
dreaun. aan 't drijven gewend. 

bidroch', n. dolus, bedrog. — Omdat 
. . . n e a b i d r o c h syn m û 1 e o n t g 1 i e d. 
G. J. I, 135. \V1. ibid, 200. - Men 
H c o e 't n j 11 n k e 1 y t s e n f o r s i z z e om t o 
i t e n of t o drinken, h w e n t m e i a 1 1 e s 
wirdt langer bidroch spil e. -- In 
de volkstaal vooral schijn, voor wezen. — 
Dat gûd liket moai f o ar 't e ach, 



mar 't is bidroch. — Vgl. G. J. 11, 102. 
bidroefd', (spr. soms bidroed) , adj. & lulv. 
bedroefd. G. J. 1, 42; II, 81. — bedroe- 
vend, treurig. — 't Is bidroefdaa'tin 
party minsken der lans moatte, 

— in bidroefd tiid mei dy ondo- 
g e n 8 (k) e j o n g e 8. — Sj u ch ris h o 't dat 
bern him niis fa Hen het; is 't net 
bidroefd? — In bidroefd wirk, krús, 
Igen — , in bidroefd (en) lest. . . . — 
Vgl. Lex. 247. - 

adv. erg, jammerlijk. — Bidroefde min, 
smoarch, stikken, dom, earm, lui, 
ensh. — Bidroefde gr aech, zeer gaarne. 
Lex. 247. — ... in frede dy Voltaire 
sa bidroefd miste, Hsfr. X, 212. 

bidroegrje, bidruUe, v. bedrogen, op- 
drogen. — It bloed siet him oan'e 
bannen bidroege. — Mei de noarde- 
wyn bidroegje de klaeidiken al. 
Lex. 247. 

door drogen in omvang en gewicht afne- 
men. — As de nge turf in heal- 
jier op 'e souder sit, bidroeget se 
g dns. 

bidroeve (yen om eat), v. ontevreden 
wezen , zich ergeren over iemand of iet««. 

— Ik moat my bidroeve sa ondo- 
gens as dy jonge langer wirdt, ja 
dêr moat 'k my om bidroeve. Ook 
bidroevje, hier en daar. Lex. 247. 

bidrouwe, v. bedreigen. Wl. ld. 15. Zie 
drouwe. 

bidnme, v. Zie bidroegje. 

bidrukt, part. bedrukt, gedrukt — It 
jaksgûd, it bihang is mei blommen 
bidrukt. — In krante mei reade 
letters bidrukt. 

bidrukt, b^. & adv. triêHê^ bedrukt, 
droevig. — Mei in hiel bidruktc 
troanje, in bidrukt wèien. — Mei 
in bidrukt sin kearde er nei hû9. 

— De mem wier tige bidrnkt om 't 
forlies fen hjar berntsje. — Ho 
sjuchst sa bidrukt? — Hl. het ki- 
kest bidrukt, faen! het tkeelt 'i 
u*n. 

biducht(fl|J)6n9 in: to bidncht(8J)ei] 
stean, te betwgfélen. — Of Klaes en 
Omke it op in dûr lyk finekinne 
scil to biducht(8J)en ttean. — Dal 
stik liket echt to wêien^ H Scil 



BIDÜ. 



115 



BIENE. 



noch to biduchten stean of 't dat 
wol is, S. K. F., Forj. 1890, 39. 

bidúdlik (Zuidel. Wouden), adv. perapicue^ 
aeer duidelyk. — Dy dominy preket sa 
bidiidlik, dy mei ik Ijeafst hearre. 

— K 1 e a r en b i d ú d 1 i k , R. P., As jimme, 
121. — Moat ik my hjiroer noch bi- 
diidliker forklearje? Dezelfde, Jou- 
werk., 20. — Meer düdlik, z. d. 

tbidûn, part. overdekt (met water), on- 
dergedompeld. Halb. in G. J. Vgl. onder- 
doun en aerdoun. 

bidwaen (yen), v. (euphem.) concacare, 
bedoen. — It bern bidócht him. — 
Nou men scoe yen bidwaen, net? 
van lachen, byv. Ook sarcastisch. 

bid'welxnje, v. bedwelmen, G. J. I, 30; 
II , 104. Zie dwelmje. 

bi-ei^e , v. met de oogen bereiken, zien. 

— Fen Reawier kin ik Inkhuzen 
bi-eagje. — 

tig. beoogen, bedoelen. Ik b i-e a g j e n e a t 
mei myn skriuwen as om rayn frys- 
ke lans Ij ue in noflike pear uren to 
bisoargjen. R. ind T'., 389\ 

bi-earsl^e (spr. bi-jeskje), v. afdribbelen. 
Zie enrskjf. Ook bihjerskje. 

bi-easten, bi-oasten (meest), adv. Eng. 

enAterly ^ oostwaarts van, ten oosten van. 
Lex. 839. Overtj. oastert-op. Zoo ook: 
binoarden, bisuden, biwêsten. Zie 
de Enkelwoorden. 

bi-6aB(J)e, v. behoozen, bevochtigen , be- 
«proeien. — 1 1 linnen b i-e a z j e. — 1 1 
lân bi-eaze meijarre. Zie eaz(J)e. 

biede, biedfije, v. praeherty licitarij 
bieden , een bod doen. — Ik bied , bea , ha 
bean, biedende, to bieden. Hl. bede, yk 
baed. wi baden, béiden. — Bied ris jild! 
Jy moatte earst easkje, den scil ik 
biede. — In goed Fries biedt de 
h e 1 1 e , sechje bj) den handel. — L o v e en 
biede. — Lex. 249. — G. J. I, 224: tank 
biede. — Vgl. oö»-, for-^ op-, oerbiede, 

biede (Bergum en elders) , v. het lot wer- 
pen. fHl. bete, cf. Halb. — Ik bied, ha 
bied, to bieden. — Lit er lis om biede, 
hwa 't earst scil, bij 't spel. — Ik bied 
earst, oard, enz.. Die 't eerst roept 
heeft de beurt die hy noemt. — Ook door 
't opwerpen van een mes, *poepeknyft', 
waanraa de eene igde *mark', de andere 



mint' vertoont , of van een (oude) cent met 
aan d' eene zijde 'letter', aan d' andere 
'Huw'. — Ik bied 'mark', 'letter', enz., 
die 't raadt met welke zjjde naar boven 't 
mes of het muntstuk op den grond komt, 
is eerst, en zoo vervolgens. Vgl. opsmite. 

— bied my! = bikoarje mynet! 
Zie bikoarje. 

bieder, eg. licUator, die een bod doet. 
— Keapman Jelle isheechste bie- 
der op 't hûs bleaun. 

bi-e'digje, v. Eng. to awear in^ beëedi- 
gen. — In rjuchter bi-edigje. Lex. 
937. 

b i - e d i g e , bedreven , geoefend. — J a p i k 
is in beste arbeider, en binammen 
as slatter is er bi-edige. — Ik wol 
gjin jonge, mar bi-edige mieren ha. 

bi-eidsje , v. be-eggen. — 1 1 s i e d y n 
't lan bi-eidsje. Zie eid.ye. 

fig. bespreken. Meest o e r e i d s j e , z. d. 

bien , n. os, been , (vi8ch)graat. Vgl. fisk- 
hienneti, — Prov. Twahounen oerien 
bien I| komme selden wol oerien, 
Burm. — It liif fol biennen || de 
skette fol triennen, van een gevallen 
meisje, Burm. Lex. 250. — Dat is al ien 
sonder bien, sei de divel, en hy 
friet in slak op. Zie sHen. Vgl. knar- 
[s[e)\bieH, Zie bienwirk. 

— Dy 't yn steat is in moartto 
d w a e n, f y n t (s j o c h t) e k g j i n bien, geen 
bezwaar, yn infalskeeed. Vgl. grom, 

— It mesheft is fen bien mak- 
k e. Zie biennen. 

bien'biter (Z. Wouden), s. beeneter. Meer 
alg. bien-iter, z, d. 

bien(b)i'tich , (spr. bjin-) adj. zwaar ge- 
bouwd en betrekkelijk mager. — ... in 
dominy... wier my to meager;... 
do pakte ik in abbekaet oan, dy 
wier my ek to bienbitich. R. ind T.*, 
213\ -- Bienitige en breedskoftige 
kearels. Ibid. 282\ — Byek. 1877, 57. 
Vgl. (jroubonk(er)ich. 

bienlireuk (Zoh.), s. in: springe mei 
in bienbreuk, met het eene been om 
den pols. Vgl. honne-, swannemelke. 

bien'droech , adj. zoo droog als been, 
Ned. kurkdroog. Ook h o a r n- , k o a r k- 
d r o e c h. 

biene (Z. Wouden, S'^^iûrni^ v boenen. 



BIENE. 



116 



BIERD. 



Zie (dit en alle daarvan gevormde of mep 
samengestelde woorden bij) bjin . . . 

bienen (Tietj. en elders), adj. Zie hiennen. 

bienAret (Zwh.) , -fretter (Zoh., ook :) 
-frettingr (Tietj. alleen dit) , s. beeneter. — 
Om bien fretting to genezen nimt 
men yii, pol ver f en in deadsbonke, 
safoUe as men op in stûrke hal de 
kin, volksbijgeloof. 

bienhefte, adj. met beenen hecht. — 
In bienhefte mes. 

bien'hird, adj. zoo hard als been. Lex. 
252. Ned. ijzerhard. Ook hage(l)hird. 
Zie hird. 

bien-iter , s. periosHtis , beeneter. — De 
bieniter yn 'e skonk, yn 'e earm. 

^bienne, v. Zie bjinne, 

biennen (spr. bjinnen), bienen (z. d.), 
adj. osAeus, beenen, van been. Hl. bénen. 
— In biennen mesheft, biennen e 
knopen. 

biennich, adj. beenig. Vgl. honkich, 

bienroSB (spr. hier en daar bjin-) , s. do- 
lor osfeocopis ex inflammafio (Dr. M. B.), 
beenroos. 

biens'wart, m. beenzwart (verfstof). 

*biente, n. ossa, gebeente. G. J. pas- 
sim. V. Blom. Bik., 17, 35. Zie gehiente. 

bientich (spr. bjintich), adj. been(der)ig, 
zwaar en grof gebouwd. — In bientigen 
hont, een sterke vent. Vgl. knoestich. — 
In bientige kon. Ook bonkich, z. d. 

bientsje (spr. bjintsje) , n. beentje uit het 
vleesch (chair); ook uit vleesch als spijs (rian- 
de) , dan meest b o n k j e. Vgl. evenwel lok- 
bientsje. — (beenen) slot- of toetsplaatje. — 
Der mist in bientsje f en 't kamme- 
net. Ook, al is 't niet van been: In ivoaren 
bientsje fen 'e pyane. — In bientsje 
yn 'e püp, mondstukje. Zie hippe rt. 

bientsjebrekke , v. Zie kultyebrel-ke. 

bientsjekou , s. oftauarium , knekelhuis. 
Lex. 253. Vroeger de i)lek tegen den buiten- 
muur van den toren, waar de doodgraver 
de doodsbeenderen bij elkaar bracht. R. ind 
T.*, 98*. In 't begin dezer eeuw nog te 
Leeuw, tegen de Oldehove. Zie Aldehou. 

bien'wirk, n. de beenen van een mensch, 
de pooten van een paard , te zamen geno- 
men. — Dy faem stiet bryk op hjar 
bienwirk. Vgl. styhcirk y nkamnielfty kak- 
hússtilen. — Dat hynder het in moai 



bienwirk, is best op biennen. Ook 
bonkwirk. 

bier , s. Fra. bière, doodkist. — Kiemste 
hjoed dyn krolle hier i| Moarn mûlk 
r e k k e 8 1 e y n 'e bier, G. J. 1 , 54. — 
De bier mei Lokke efternei, R. ind 
T*., 23". — Hl. u«n 'e biere lizze, ge- 
reed om gekist te worden, van een lijk, dat 
'bekleed' is. Vroeger lei men dit op den 
vloer tusschen twee stoelen, een aan 't hoofd- 
en een aan 't voeteneinde ruggelings tegen 
over elkaar. Hierop rustte een stok, waar- 
aan een doek hing, over het Igk. 

*baar. — Mûlk lizze w'yndeselde 
tiid II as sy ek op 'e bier, v. L. , Sw. 
1850. Zie b(iet. [De baar was oudtgds de 
kist. Vgl. tipk. 50.] 

Hier en daar schijnt bier, bierre het 
doodkleed te zijn. — It lyk leit yn'e 
bier (re), joun wirdt it yn 'e kiste 
Ie in. Zie hiergM. 

bier, n. Eng. heer, bier, Schierm. bjêr. 
Hl. b è " r. — D i m t e r-b i e r , Deventer bier, 
van ouds beroemd. In Friesland: Dokku- 
mer-, Knypster-, Haerlemmerbier, 
Bildbier, Klünbier, — tegenw. bier 
van allerlei soort en verschillenden naam 
even als elders. Vgl. nog maerte', merkebier ; 
— jotike- y juttebier; 8%ntet{du%te8)bier. — 
To bier gean, naar de herberg, bg ge- 
legenheid van de kermis of aoo. — . . . mei 
in faem to bier, R. ind T*., 1*. 

— Oer (boppe) syn bier wôse, be- 
schonken. Nog tegen w. in dien zin (eenign- 
zins als euphemisme) gebruikelijk. 

Bier was vroeger volksdrank en werd b|i 
alle feestelijke en plechtige gelegenheden 
gebruikt. Vandaar bier = feest, aanzit. 
Vgl. balk(e)'y beme-^ bogd-^ drinket-, flogff^t 
flot'y hgnste-, koalterskers-, leed', l&vel', pan- 
ne-, Hkippers-y fttjún-, trtastdbier, Vgl. Joh. 
W., Oud-Nederl. 815 w. 

bierachtich, a^j. Zie aekiièk. 

bierbrouwe, v., -brouwer, m., •brou- 
werij, 8., -buk, 8. k m., -drinke, v., 
drinker, m., -fet, n., -flesse, «•, -glês, 
n., -h o a 1 e(halle) , s., -bus, n., -hûshftl- 
der, m., -kaei, 8., -kanne, n^ -kant- 
sje, n., -kruk, s., -kelder, s., -man, m.^ 
-pomp, 8., -rider, m., «tonne» t.» -wein, 
8. Zie de Enkelwoofden. 

«^bierdraffw, m. liiardnurcrt lid vaahet 



BIËRE. 



117 



BIFA. 



bierdraKersgilde , door de stedelyke regeering 
aangesteld en by uitsluiting gerechtigd voor 
't vervoer van bier , uit en naar de schepen, 
of om het bg de afnemers te bezorgen. Zij 
waren tevens politiedienaar , vooral nacht- 
IK)litie. Nog in de 19« eeuw te Leeuwar- 
den, Dokkum en Franeker. 
biere , Hl. s. kist. Zie bier. 
bier-en-brea , s. (rogge)brood of grof- 
roggen beschuit in bier gebrokkeld en te 
zamen gekookt. Joh. W. , Oud-Ned. , 326. 
bierfet, n. doodkist. Zie f et, 
hiBTguAf n. Igkwade. Ook liz(zer8)- 
g n d , z. d. 
bieije , v. een Igk afleggen. Vgl. hiklaeije. 
bierUeed, n. doodkleed. Leeuw, hen- 
nek 1 e e d. 

tbiersalmen , pi. drinkliederen, oude 
volksliec^es. Vgl. R. ind T.*, 207'. Hl. 
b è '^ r 8 a i n g e n. 

bi-erv(j)e, v. door erfenis verkrygen. — 
Hy het tweintich tûzen goune bi- 
erve (-urven). Z\q err(j)e. 
bies, s. Zie hüs, 

"biete, v. betten. Lex. 146. Zie dippe. 
bietewoartel , s. heta, beetwortel, sui- 
kerbiet. Ook bitewoartel. Vgl. hetewoartel. 
biesexn, s. scopae, bezem. Hl. bezem. 
Zoh- bjizzem. Ook in de Bierumen, voor- 
al als eerste lid der samenstelling. Overtj. 
bessum. — In heiden, inrizenbie- 
zem. — In boerefeint dy 't de stok 
net rjuchtyn'ebiezem sette kin, 
mei yet net trouwe, Sechje. — De 
biezem yn 'e mest, sei Greate Pier, 
wy scille de Sudersé skjinmeitsje. 

- Nije biezems fege skjin. — üebie- 
zem hong er dt: in libben alhiel 
fen plezier. Alm. 12*. — De biezem 
y n 'e bus ha, Fra. avoir Ie diahie dan» la 
/fochf. -De pong for in oar leegje en 
^els mei de biezem yn 'e bus rinne 
... wirdt net askristenplichtfen 
üs easke, S. K. F. Foij. 1896, 173. - Vgl. 
biithÛM' ^ frouljues' , skyt( stront )- , stal-, tersk- 
hütbiezrm ; plomke(poe8ke)hiezeni ; klearbiezetn, 

bie'sembine y v., -bynder, m., -hei- 
d e. s., -line, s., -m e i t s j e , v., -snoer, 
n. . -win e, s. Zie de Enkel woorden. 

^esenije, v. met den bezem reinigen. 

— De skûrre oan 'e nael ta biezem- 
je. Zie reagfê. 



biezemke (Zoh. en Bierumen spr. bjiz- 
zemke). Vgl. stofbiezeinke. 

Ook X , kinderbezempje van rietpluimen of 
pluimgras. 

biezexnlcestûr , s. Zie biezemHtürke. 
biezemskjin , adj. met den bezem ge- 
reinigd. — As immen forfart, makket 
er de âlde wente earst biezem- 
8kjin,dêrkin er, nei ald gebrûk, 
mei folstean. 

biezemstirt (Noordelijk), s. rechtopstaan- 
de, niet golvende staart , van een haan. Lex. 
255, — kort afgesneden staart van een 
(remonte)paard. Ook fegerstirt. 

biezemstjer (Zwh.), s. komeet, staart- 
ster. Zie stirtstjer. 

biezemstók, s. bezemsteel. — By aids 
rieden de tsjoensters op in bie- 
zemstok troch de loft. — Dejeugd 
moat er lit, sei 't ald wyfke, en hja 
ried op in biezemstôk, Burm. — Wol 
sit op 'e biezemstôk', tegen een kind, 
dat zegt : ik wol net. Zie wolle. — B a e s 
der 't de biezemstok stiet. Zie baes. 
— Dat pear is oer de biezemstok 
troud, leeft buiten echt. Zie hiïzje. 

biezemstûrke , n. oude zilveren stui- 
ver, gestempeld met den pjjlbundel, de 7 
Vereenigde Nederlanden voorstellende, door 
het volk fig. biezem(ke) genoemd. Lex. 
252. Veel waren er niet in omloop. Soms 
gebruikt als amulet: droeg iemand zoo'n 
muntstukje en een klavervier, dan kon hg 
tooverheksen onderkennen. W. D., Fr. Volksl. 
11, 170. Was ook middel tegen 'ringvuur'. 
Er waren ook gouden biezem stûrkes. 
Ook biezemke-stûr. 

bjrf, n. Fïng. beafteak, biefstuk. — In 
mûlfol, en syn byf wier binnen, 
Salv. 92. 

^bifâlde, adj. rimpelig. - Bi f al de 
wangen. 

bifalle , v. Hd. yefallen , bevallen , aan- 
staan. Hl. bifalle, bifa*l, bifónd. — It 
iepen fjild bifalt my best, G. J. 1, 
65. — De . . . fêrsen, dy Y formyút- 
sk re aunhabbe... bifalle my oer- 
dadich. Ibid. II, 43. — Us faem is 
net nioai, mar hja bifalt lis best 
y n 't w i r k. Vgl. sinnigje, noaskje, foldwaen. 
bifalle, v. parere^ bevallen. — Myn 
wiif is bifallen fen twielingen fen 



BIFA. 



118 



BIFY. 



în erfgenaem. — Hl. bifalle, bifaM, 
])itond. — Jü ys bi fond fan injûnge 
8 ó " n. 

<>bifalle, v. demhtuere, bedaren, gaan 
liggen. — It waeit hird, mar 't kin bi- 
falle mei rein. — De wyn bifalt. 
Zie falie. 

— De lea bifalle my, ik word moe, 
slaperig. 

instorten (Oostel. nog). — It hiis bifoel 
yn ienen, is ynfallen. 

invallen , vermageren. — Syn wôzen is 
bifallen. Vgl. ld. IV, 177. — Dat er 
allinne om hjar sa dr o e vich bifal- 
len wier, ld. Vin, 36. Zie hiklinke. 

bifan^^e , v. bevangen , bemeesteren, over- 
vallen: slaap, vrees, hitte. Meer bifin- 
g e , z.d. 

bifaxre, v. natigarej bevaren, varende 
bereiken. — Hja kinne dat yn ien dei 
net bifarre. Lex. 987. 

door varen verkregen. — De ski p per 
het de kost bifearn op syn âlde dei. 

— Hy kin de kosten net bifarre. 
bevaren. — De sé bifarre, meest: 

op sé farre. Lex. 987. 

*bifearje, v. nakomen, opvolgen. — 
Gods bifelne rjucht bifearje. G. J. 
I, 119. 

bifearn, adj. bevaren. — Hl. bifai'd. 

— In bifearn siler, een bevaren ma- 
troos. Lex. 838. 

•bifel, n. iusHUM , bevel, gebod. Hsfr. III, 
84. _ Ook bifelne. G. J. I, 39. — By 
ouderen nog, maar meer oarder, lést, z. d. 

*bifelje, hiféHe^y. Juberej bevelen, ge- 
lasten, 5jol)ieden. G. J. II, 44, 57, 59, 106. 

aanbevelen. Ibid. I, 77. 149; II, 48, 58, 
60. - ld. VIII, 24; IX, 124. — Hsfr. H, 94, 
151. Lex. 122, 582, 257. — Vgl hiette, oa»- 
priisfjje , rikkemedearje. 

biferhabber, m. ^/mj-, l)evelhebber, hoofd, 
(in 't alg.) die de orders geeft. — Hwa is 
hjir de bifelhabber fen 't spil? — 
Ook b i w i n t h a b b e r. 

'^bif elling^e , s. beveling, toevertrouwing 
in iemands zorg of ho(»de, teraardebestelling. 
Lex. 251. 

bifelsxnan, m. bevelhebber. 

bifestigje, v. firma re, bevestigen, vast- 
maken, vaststellen, vast worden. G. J. I, 
119, 124, 146. Ha jo dat tou goed 



bifestige oan dy heak? — De tried 
bifestigje. Zie hisette. — De kalk o j) 
'e miirren is al bifestige. — Soe 't 
wier we ze hwat se sizze? Ik do ar 
't net bifestigje --... as er synbi- 
loften mei in eed bifesticht, Hsfr. 
III, 3. Vgl. hikreftige, — Us nije domi- 
ny het snein syn yntrede dien, en 
syn heit het him bifestige. 

*bifet, n. bevatting, begrip. G. J. I, 18. 

''bifetlik, adj. bevattelijk. Zie higrtjplik, 

bif etqje , v. inhouden , bevatten. — In 
fet bûter bifettet 80 poun. — It 
brief bifette net folie goeds. Vgl. 
gnhâMe, — omvatten. Hy koe 't lang 
net bifetsje, niet (met handen of armen) 
omvatten. Vgl. hifiemje, biklamme. — 

"vatten, begrypen. — Prov. Hwet ik net 
(bi)f etsje kin is for my net iepen- 
biere. Lex. 257. G. J. I. 42. Zie fetsje. 

hHeugelie , v. vastmaken. — D o u 
mast dat pak mar goed mei in ein 
tou bifeugelje, dat er gjin ien ta- 
k o m m e kin. 

inpakken. Us faem het er slach 
fen om in feint to bifeugeljen. 

**afloopen. Ik ha hjoed hwet bifen- 
gele, veel te loepen gehad. 

bifiele, v. temptare, bevoelen, betasten. 

— In kou bifiele om to witten ho 
swier er wêze kin. Lex. 257. 

bevinden , gevoelen. G. Jf II , 89 , 105. — 
Sa gau as ik bifielde dat dy feint 
net trou en earlik wier, makke ik 
maejje mei him. Lex. 257. — Meest 
fiele, z. d. 

bifie]n(J)e , v. bevamen. — Inkoubi- 
fiemje , bemeten (de proportien). — In 
beam bifiemje. Vgl. hiJdamme , omklan^e. 

— fig. In man kin syn eigen hichte 
net bifiemje, zgn eigen waarde niet 
schatten. 

tig. een te ondernemen zaak wel onder- 
zoeken en overwegen. — Don hest in 
great stik wirk oannomd, hest it 
al b i f i e m e ? den omvang en de kosten be- 
rekend? R. ind T.\ XXV*. Zie fiem, fien^f. 

biflTelJe (Zwh. en van ouderen hier en 
daar), v. f altere , bedotten, bedriegen. Lex. 
257. Vgl. hifAfdje, 

bifykje, v. eireumêeearê j rondom ^ttfimg- 
den, door sneden dnnner, pawond makan, — 



BIFl. 



119 



BIFO. 



door sngden beschadigen. — Lytsejon- 
i^es moatte noch gjin mês yn'ebûse 
ha, hwent oars bifykje se alles. 

UfUÜLe, V. bevitten, bedillen. — Ik wit 
net hwetstou altyd op dy fint to 
bifikken heste, Hsfr. IV, 231. Zie fikke. 
bifykselje, v. bg 't houtsneden afval 
laten vallen. — De f lier bifykselje. 
Zie fykttd. 

bifyije, V. circunUimare, bevglen, door 
iijlen danner, passend, glad maken. 

bifi'ney v. bevinden. G. J. passim. — 
Thiis alles goed bifoun? — It sa en 
!«a bifine. — Jan-boer is great mei 
<lefaem: hja hawwe hjartogearre 
h i f o u n , op overspel betrapt. — Vgl. R. W., 
Bledden, 26. 

Mflnge, V. capere, bevangen, koude vat- 
een, een verkoudheid opdoen. Ik bifing, 
bifomsTf hin bifongen. Ook veel bifingd, 
bg enkelen bifing en. Hsfr. IV, 273. — 
De kjeld bifingt hjar, v. d. V., Oerw. 
— De ierappels yn 'e bult binne 
t o-nacht bifingd, licht bevroren. 
bifiselje, v. Zie hifhelje. 
hiÏiakiBf V. visschen op. — De sé bi- 
fiï*kje. 
bifitexje , v. binden. R. P., Prieuwcke, 80. 
loopende afleggen , afdoen. — Ik h a w 
fen *e moarn al gans bifitere. 

biflaelje , biflseije , v. Fra. ficeler, om- 
winden, omwikkelen. — Intouom'e 
tonne bifizelje. Lex. 258. 

bUlnchteJe , v. oppugnare , bevechten. — 
De frede bifjuchtsje, G. J. I, 42. 

biflappe, v. vangen onder of in iets. — 
In flinter, in fûgel biflappe. — 
De brân onder in tekken biflappe. 

— In opperman rekke onder 'e mûr- 
re biflapt. 

fig. It net.., dêrjimme... onder 
biflapt west ha, R. ind T.", 423*. — 
Hj wier sa lyts (mak), datikhim 
wol onder *ehän biflappe koe, dat 
ik hem geheel naar mgn hand kon zetten. 

— Hy wol my onder 'e hoed biflap- 
p e . mg oit eigenbelang er in laten loopen. 

— De soan kaem dronken thiis, mar 
1«" mem biflapt e it, hield het bedekt. 
Lex. 25!^. 

biflaaC4n0» ▼. haastig loopende afdoen. 

— Ik moat alles allinne bifleanne. 



Ook biflitterje, biflodderje. Vgl. de 
Enkelwoorden. 

biflybje, v. bekwijlen. — It bern bi- 
flibet him (jou), pas op! 

bifloerje , v. pavimentare , be vloer en. 
Hsfr. III, 268. — Mei speeglich iis bi- 
floerre || Is marke, poel en wiel, 
Dr. M. B., Sw. 1884, 75. v. Blom, Bik. 30. 
Zie floerje. 

bifloeraje, v. befloersen. — In hoed 
bifloerzje, met rouwfloers bekleeden. Zie 
floers. 

bifluezje, v. met een vlies bedekt wor- 
den. — Seane môlke, as se effen 
stiet, bifluezet, er komt een vlies op. 
Zie fliiea. 
blfoar, adv. voor, voordat. Zie foar, 
bifoardeelje , v. bevoordeelen. Meer 
forrykje, z. d. 

bif oardering^ , s. bevordering, (hier en 
daar ook :) voortgang. — Hy het yn 
koarte tiid al aerdich bifoarde- 
ring makke. Vgl. avensemint. — Scil 
der hjoed ek ris hwet bifoardering 
makke wirde? voortgang met het werk. 
Ook forfo ar dering. Zie foardering. Vgl. 
foartgong , avensaesje. — In lyts tiid- 
wirkje ta bifoardering fen Fryske 
taelenFryske sin, G. C, Forj. 1883, 
57. 

bifoarderje , v. bevorderen. G. J. 70, 77, 
79. — Hwet kin men dwaen omüs 
Fryske sprake to bifoarderjen? (ti- 
tel). Zie foartsterkje. — Ik scil jou 
saek wol bifoarderje, in orde bren- 
gen. 

bevordering, voortgang maken. (Hier en 
daar als in de volgende zinnen:) — Hy is 
onder tsjinst al aerdich bifoarde- 
r e , allengs opgeklommen in rang. — M e i t- 
sje hwet oan mei dyn wirk, dou 
bist ommers noch neat bifoardere, 
gevorderd. Ook forfo ar d ere. Vgl. eine^ 
avensearje. — Us jonge giet al nei 
skoalle, mar hy is noch netjamk 
bifoardere, heeft nog weinig geleerd. — 
Wy binne mei us boerkjen net 
jarak bifoardere, niet vooruitgegaan in 
welstand. 

bif oar'ijuchtGije , v. privilegiare , bevoor- 
rechten. 

bifodfiije, V. befrommelen. — In boek 



BIFO. 



120 



BIGEA. 



yn in sik pompier bifoclnje, slordijif 
inpakk«Mi. 

bifoerje, v. vooren (oen kloedinprstuk). 
I n (r y <l) j as mei ski o p p e fe 1 1) i- 
foerre ]> licht en de 1)0 eren ûldtiids 
wol to draden. Zie foerje. 

bifoerje, v. winst ])ehalen met het mes- 
ten van vee. — W y ha o a n li s b a e r e h 
net folie hifoerre. 

( )ok : De f e i n t m o a t a 1 1 i n n e t w e i n- 
tich kou bis ten en twa hynsera bi- 
f o e r j e , voederen , drenken en schoon- 
houden. 

bifokselje, v. Zie hihokselje. 

bifolking^, s. . bevolking. A. B. , Doarp- 
ke, 83. 

bifolkje, V. bevolken. — Keninen 
kinne it hok fi^iiu bifolk.je. 

bifommelje , v. omwikkelen. — De 
troanje sa bifommele mei in siden 
doek, dat er n e a t b 1 e a t w i e r a s d e 
ea«7en. K. ind T.^ 258'. 

bifottelje, v. drentelend komen afdoen. 
Zie fotielje. 

bifrachtsje, v. bevrachten (een schip). 

bifredig^Je , v. bevredigen , vooral als 
p.p. gebruikelijk. (4. .LI, 124. — Is 't sin 
nou b i f r e d i g e ? 1 ►en je nu tevreden , 
volthian V 

bifredigje , bifreedsje , v. afsluiten , 
afschutten. — It lan bifreedsje, door 
stekken of slooten om het vee te keeren. 
Vgl. off reed f* je. Zie frifU(/Je. 

bifreegje, v. Fra. s' infomier <1e, be- 
vragen. — As immen de wei net wit 
e n h v h <» t d e m ii 1 e b v h i m , den kin 
er 't bifreegje. — Keamers to hier: 
to bifreegjen by dy en dy. 

bifï*ette , v. Iievrcten. — De muzen h a 
de t s i i s a 1 h i (» 1 b i f r e 1 1 e n. 

bifrïeze , v. bevriezen, Lex. 25S. -De 
i e r a p p t» Is b i n n e y n 'e bult b i f ê r z e n. 
■ - 1 1 w e 1 1 e r b i f r i <» s t t a i i s. - De 
s k i p JM' r . d y 't li s t u r f b r i n g t , is o n- 
d er we is bifêrzen, zijn schip raakte in- 
gevroren. — 1 1 f 1 e s k b i f r i e z e 1 i 1 1 e om 
i t g n e d t o h â I d c n. — F r e e g j e ik 
fjiirich, sy is bifêrzen, (4. J. 

bift*XJe, V. iiherare j bevrijden, verlossen, 
(ï. 2. 11, lul, 108, 108. Hsfr. IlI, 9Î) : 
VllI, 2.V;: IX, 88, 92. — Vooral pp. Fen 
'e de ad b ifrij d. 



bifrlje, v. bevqjen. Hl. bifrii-je. — 
Hy het dy faem al twa jier bifrijd 
en hjar doch net krige. Lex. 2.*>b. 
414. Meer gebruikelijk is frije (om), z. d. 

bifrisselje , v. bevlechten. — Blom m e n 
yn 't hier bifrisselje. — It hynder 
het de moanjes yn in-oar bifris- 
sel e. 

bifï*jeone , adj. amicun , bevriend. — 
Mei elkoar bifrjeone wêze. 

bifï*omxne]Je , v. befrommelen. Zie f rotn- 
melje. 

bifufelje, v. bedriegen. Zie hififeljr. 

bigaefd , adj. facmidiis , welsprekend. 
— In bigaefd man, sprekker, do- 
miny. 

bigaefdens, bigaefdheit» s. etoqnfn- 
tia , gaaf van welsprekendheid. 

*^bigaffelje, v. met open mond bekaken, 
aangapen. — Fjj! dou mast dat min- 
ske sa net bigaffelje. Zie higapjt. 

door overreding tot zjjn doel komen. 
Fen heit scil se dat wol dien krye, 
dat scil se wol bigaffelje. Lex. 258, 
259. 

bekostigen. Hy wolgraechinhjns- 
der hal de, mar dat kin er net bi- 
gaffelje. 

tbigâJJe, bigâlle» v. beschreien, bewee- 
nen. — Hy salme, hie hy eagen, bi- 
galde jou ongelok, G. J. I, 43. — 
bigalde wangen, Ibid II, 81. Lex. 259. 

bigangel (Zwh.), s. Hd. Leichenbegawf- 
nhs, begrafenisstoet. Zie igkMaettje, 

bigapje, v. begapen. — Dat bern 
kri ge in tsjûk omstik brea: hy koe 
't mar skraechwirk bigapje. — Prov. 
Min moat nin greater stik nimme 
as min bigapje kin, Ned. niet verder 
springen dan de pols lang is. — Ook: met 
open mond aanstaren, nieuwsgierig bekyken. 
£lk kin üs hjir bigapje. Lex. 259. 
Vgl. hiyaffelje. 

bigarje, v. overl^gen, besparen. Zie 
bigearje. 

bigarje (Zwh.), v. zich overeten. - 
: Hest dy bigarse? de maag overladen. 
I Zie higrrzje, 

I bigean, v. begaan, betreden. G. J. I. 
74, 122. — Dat paed is wol ridlik bi- 
gien, vrg goed beloopen. — IttbAn» it 
fjild bigean, q) het Umd gaan om te 



BIGEA. 



121 



BIGER. 



werken. — Mya fortrou stiet nou 
op 8a*n jjflêd paed, dat jimme wol 
tinke matte dat ik de minne óf wei 
fen in ban^ man bigong. R. P. , 
Keapm. , 175. Zie gean. 

big^ean, v. afleggen, bereiken. G. .1. I, 
y.V — Fen Holwert nei Ljouwert, 
dat kin 'knet mear bigean, zoo'n 
lange voetreis gaat mgn krachten te boven. 
— fig. hy kin itein net bigean, Ned. 
de handen zgn hem te kort, hij kan bij 
gebrek aan geld niet tot zyn doel komen. 

bifi^an (Tersch.), v. bezeilen, zeilende 
bereiken. Lex. 259. 

*'bifirean, v. verkrygen. — Nou ha 'k 
doch in lamp'eglês bigien. Zie bi- 
«ette. — Goedwaen ken dot tank 
begaan || Den wol hestdewraald 
fergaan. Hl. Sém-alm. , 192. 

bierman , v. perpetrare , begaan , uitvoeren. 
G. J. pa.sf)im. 

In misdied bigean, cammittere. Lex. 
260. — As ik myn wille bigyng, 
mijn zin deed, W. D. , Utdr. winkel , 10. 

Fra. laisser faire. — Immen bigean 
1 i 1 1 e , ongehinderd laten doen wat hij ver- 
kiest. -- In knap man moat min mei 
ï*yn wirk bigean litte. Zie hitsjen, 

tbifiToan (mei), v. samen gaan met , G. 
J. I, 18. — Mocht ik mei dy bigean || 
ik scoe nei nin heechmoed stean. 
Lex. 261. 

bifiTOanber» adj. al gaande bereikbaar, 
te bereiken. — Fen Hirdegeryp nei 
Ljouwert is maklik bigeanber, to 
bigean. — begaanbaar. In pas o a n- 
leine grintwei is to'n-earsten hast 
net bigeanber. Ook gongber. 

XAf^BV^f n. votum j optatnen, vóluntas^ be- 
geeren, verlangen, wensch. — Syn leste 
bigear wier dat er yn Fryslan to 
hof brocht wirde mocht. — Piter 
like al dalik hjar sin en bigear to 
wezen, Hsfr. VIII, 106. 

bigeard (N. W. en in *t Midden), adj. 
<le^elijk door ondervinding. — In from- 
miske, dy*t hwet mearjierren hie, 
dy'thwet bigearderwier, en hwet 
mear onder fining hie, W. D., Oebl. 
Gl-, 50", 38. 

lllj;^lirb , at^. orM^u^, af ar ii«, hebzuch- 
tig. — Dou mftst sa bigearich net 



wêze, in oar moat ek hwet ha. Ook 
bigearlik. Vgl . oer gin stich . 

bigearich., adj. appetentus, begeerig. 

— Sokke kofje..,. makket yen bi- 
gearich, V. d. M., Tr. Rommelp., 25. — 
Dy widner, Tryn, wier in goed 
man for dy. Né, hear! der bin 'k net 
bigearich op (ta). 

bigearigens , bigearlikens , s. nriditas, 
appetentiaSy hebzucht, begeerigheid. Vgl. oer- 
ginstigens. 

^'bigearje (spr. bigjerje), v. garen, op- 
sparen. Meer oergearje, z. d. 

®bigear(j)e (Wymbrdl. o. m.), v. slinken, 
bezakken, samentrekken, dichter worden. 

— It flesk moat earst in dei twa 
yn 't salt bigearje foar 't it bret 
wirdt. — In bigear de wei, bi- 
gearde turf, tsiis, droog en vast. — 
Bigeard bier, belegen bier. Meer alg. 
(ook daar waar 't woord bekend is) bil e- 
gerje, z. d. 

bigear(j)e , v. apjn'tere y bigeeren , ver- 
langen. Zh. b i g j e r j e , b i j e r j e. Mkw. 
bigerje. — Men kin net alles fen in 
oar b i g e a r e. — Om mear t o b i g e a- 
r e n as er n e d i c h is. L. in W., 124. — 
Ik bigearje net mear. Lex. 261. — Hy 
hoecht gjin tsjokker sj^ek to bigea- 
ren, geen beter leven te verlangen. Hsfr. 
Hl, 82. 

bigearlik (vooral Westelijk, ook bij ou- 
deren) , adj. begeerig. — Hy seach sa bi- 
gearlik nei dy moaije apels. Zie 
bigearich. 

hebzuchtig, inhalig. Dy jonge is al- 
titen sa bigearlik by de itenstafel. 

— Inbigearlike kearel. 
bigearlikens, s. Zie higearigens. 
bigearte , s. begeerte , verlangen , inz. 

de wensch van een stervende. — 1 1 wier 
mem me bigearte om by hjar folk 
bigroeven to wirden. - It wier 
omke bigearte, dat lis Abe syn 
gouden haloazje ha scoe. Lex. 262, 

bigean^e (Noordelijk) , v. Zie higèrzje. 

biger'Je, Mkw. v. begeeren. Zie higeare. 

bigèr2je, bigears^e, v. met gras be- 
groeien. — De finne is al aerdich bi- 



gerze. 



zich te goed doen. — Dy 't de lans- 
pong yn 'e han het, bigêrzct him 



BIGG. 



122 



BIGJ. 



sels earat. — Ik ha my fen'eripe 
i e r d b e ij e n t i <? e b i <? ê r z e. — Ly t a e Pi- 
ter het him yn'e beitiin to folie bi- 
gêrze, zich ziek aan bessen pfep^et en. Mkw. 
bio^arze. Lex. 258. - Hsfr. V, 21. — 

W. D., Ulosp.^ 44. 

higge, bichjen, Hl. s. halve cent. 

higge , biggeel , c<?. jyorcellus , big, speen- 
varken. Vgl. hargehûjge{T). Lex. 262. 

])iggels, pi. uitbraaksel. Zie higgelje. 

big'g^ebisite , s. onthaal bij den boer, 
by gelegenheid , dat de vooruit bestelde big- 
gen door de koopera worden afgehaald. Ook 
b a r g e b i s i t e. Zie binite. 

bigg^ejild, n. geld, betaald of ontvangen 
voor een of meer biggen, Bijek. 1893, 11. 
— Ook: geld om ze te koopen. 

bigrgrel, c.g. Zie bigge. 

bigge(l)-eaclijes, -eagen, pi. Zie barge- 
eachjes. 

bi£^£r6(l)hok , n. , -merk, s. , -tiid, s. , 
-trôch, s. Zie de Enkelwoorden. 

"biggelich, adj. Zie biggich. 

XAggéï^Q, v. biggen weq>en. Zie blgje. 

braken. - Der waerd sûpt en apile 
en biggele. Lex. 262. 

bigg^elje, v. biggelen. - De triennen 
b i g g e 1 tï n him oer de wangen. Zie 
rinne. 

"bengelen. — De b eagen (linten) big- 
gelen d y f a e m b y 't h o e d t s j e de l. 
Lex. 278. L. in W., 371. R. ind T.", 344". 

big^g^e'weitsje, -"wel^e, v. waken bij een 
zeug, die biggen moet werpen of pas ge- 
worpen heeft. Ook b a r g e w e i t s j e. — As 
de faem fen 'e boer in f e int (vrjjer) 
k r i g e t . y n 'e t i i d , dat d e m o t b i g- 
get, den kinne hja aerdich togear- 
r e b i g g e w e i t s j e. Vgl. Hsfr. IX , 257. 

big^g^ch , in : biggich s j e n , gezegd 
van iemand met kleine oogen en rosse wira- 
l^ers. — L j u o mei r e a d hier en s k e i n- 
8 prut en ><.jugge ek me ast biggich. 
Ook b i g g e 1 i c h. 

bigben, part. begaan, meewarig, bezorgd. 
-- Ik b i n m e i d v (» a r m man, - - mei 
s y n 1 o t b i g i e n. - H w a f y n i k m e i 
myn jammcrsteat bigien? G. .1. T, 
160. tHigien man die se ld e go e' 
k e a p p e n s k i j> . Burm. 

bi^rion (Klcistreken), adv. bijzonder op 
gesteld. Moike is der op bigien, 



dat ik sneins út 'e tsjerke wei by 
hjar kom. — Bin 'k er op bigien, ik 
ha gau oan elke finger ien (vrijer). 

ervaren, bedreven, afgericht. — Dy 't y n 
dy kinsten bigien binne, ha meast 
neat op 'ebûse, Burm. — Hwa scil 
him hoedsje for Ijue, dy 't op stel- 
len bigien binne? 

bifiri^rgelje (Dantmdl.), v. door bedelen 
krjjgen. — Hwer hest dat bigiggele? 

bigin, blginne (G. J. passim). Zie ^*- 
gjinj bigjinne, 

\Ag!ins\Ager y eg. die iemand begunstigt, 
door (hem) werk of klandizie te geven. Zie 
gmst, 

biginBt.lgje , v. begunstigen : nering , 
klandizie geven. Zie g%n«t. 

bigje , V. biggen werpen. —De s û e h 
(mot) b i g g e t (dit meest) , of biggelt. — 
Ook: braken. Dit meer biggelje, z. d. 
Lex. 262. 

bigjin, bigin (Zh. meer), n. exordium , 
initium, begin, aanvang. Hl. bigón. — 
In goed bigjin is de helte fen *t 
wirk, - is in goed bihagen. Lex. 
263. — Alle bigjin is swier... Zie 
onder alle. — Dêr is gjin bigjin of ein 
oan to kryen, Ned. geen kop of staart 
aan te vinden , — van iets dat in de war 
is. — Hwêr 't gjin bigjin is (makke 
wirdt), komt ek gjin ein. — It wirdt 
in bigjin s on der ein, als we op die 
manier beginnen , krygen we nooit een 
einde. 

bigjinne, biginne, ▼. beginnen. HL 
bigónne. — Ik bigjin (bigin), hy bigjint 
(bigint), hi bigjit (Bergum), — ik bigoan 
(Oosteljjk), bigoun (Westelgk), bigon (Zoh., 
W.Dngdl.), bigöast (Hl.)» bigöng (Bergam, 
Grouw) , bigyng ( Workum), — ha (hew) of bin 
bigoan (Oostelflk), bigoun (Westelök), big<hid 
(Hl.), bigöng of bigóngen (Bergum, 0rouw). 
|De niet opgegeven vormen, ook in dialect, 
zijn regelmatig.] Lex. 262. — J. W., DiaLI, 
441. — It bigjint to reinen... tsjus- 
ter, tsjok waer to wirden. — Men 
kin neat bigjinne, men is door om- 
standigheden (ziekte, *t weer, gebrek aan 
middelen) verhinderd te werken, ieti uit te 
voeren of te ondernemen. — Hwa is earst 
bigoun? is oorzaak Yandentwintt -^Set 
dy houn fêst, den kin er neat bi- 



BIGJ. 



123 



BIGRE. 



j^jinne, ^en kwaad doen. — Mar nou 
bijfoun de hoanne mei de groats- 
kerlen» A. B. , Bijek. 1854. — Tn pear 
frooijne bigounen mei al de bier- 
i'almen, R. ind T.", 385. — Wol bigoun 
in hant spoun, Bnrm. 

bigjiliner, eg. beginner, eerst begin- 
n«»nde, leerling. — Dy pas op in am- 
bacht of kantoar komt is in earste 
bigjinner. Lex. 263. 

*bi£^l&nze , part. beglanst. — De w r â 1 d 
biglânze fen itsintsje, W. D., Win- 
terj. , 156. 

versierd , opgeluisterd , met bizondere ga- 
ren voorzien , G. J. Il, 70. 

bi^rlûpe , V. begluren , bespieden ; be- 
sluipen. 

bicrlûrje, biglûrkje, v. begluren, be- 
spieden. G. J. I, 36, 51, 126, 147, 178. 
Lex. 263. 

bi^n^auwe, v. beknagen, beknabbelen, 
l>ekluiven. — De keninen bignauwe 
<ie traeljes. — De dogge bignaut in 
bon ke. 

bi£^b(bel)Je, v. beknibbelen, van rondom 
af knagen. — Dat tsyske is fon 'e mu- 
zen bignibbe(le). Ook bignobje. 

verkorten. — Min moat in arbeider 
net yn'e deihier bignib(bel)je. ld. IV, 
T.y Lex. 262. — Infrijdomyetmear 
ten ikmans kloer bignibbe, ld. V, 
67. Ook biknibbelje. 

bignitBkje (Tietj.), v. beknagen. — In 
bonke bignitskje. 

higtUEBf v.irridere (a/fcwi), belachen. Zie 
útynizf. 

aa n grim men , -grijnzen. — De grime 
dearl bigniist mei dealske tosken 
•ie winner fen it brea, R. ind. T*., 187*. 
bignoaije, v. beknorren. G. J. H, 80. 
— Dy âlde fekke bignoarret defam- 
men de hele dei. Lex 264. 
bignobje, v. ambe.iere, beknagen. Zie 

bt*nadeelen , door het heimelijk wegnemen 
van kleinigheden. R. P., Jouwerk., 66. — 
Binne Blokje hiesynboeralman- 
nich kear bignobbe, W. D. Zie gnohje. 

bignodflije, v. van rondom afnemen, af- 
«ngden , om het kleiner en daardoor beter 
^4^nd te maken. — Knip in lyts ran- 
[•«je fen dy lape 6f, mar dou mast 



'in net tofoUe bignodsje. — Deprik- 
ke yn'e pomp is to grou, dy moat 
hwet bignodde. Zie hihimmelje. 

bignuve, v. besnuffelen. — De hou n 
b i g n u e f t e a r s t hwet er o p f r e t. 

speculnriy bespieden, beloeren. — It wirk 
yn 't keammerke to bignuven, Forj. 
1887. 

bigoarje, v. bezuinigen. — 't U t 'e ra ii 1 e 
b i g o a r j e. 

er minder om hebben. De feinten en 
fa mm en moatte it bigoarje, dat 
de frou sa onbidich pronket. — 
Vgl. hilije. 

higoeólge, adj. gegoed, welgesteld. — 
Bigoedige Ijue. 

*bigOrdsJe, v. gratidare, bevruchten, 
bezwangeren. Vr. Fr. 1 , 168. 

bigraffenis(se) , v. futtus, begrafenis, Igk- 
plechtigheid. Ook: de begrafenisstoet. — 
In greate, in lytse bigraffenis — 
Vgl. hoerehigraffenis. 

bigraffenisf olk , n. die de begrafenis 
bijwonen. — As by't om 'thôfgean 
it bigraffenisfolk tsjispe 1 1, kom t 
er gau wer in bigraffenis op 't sel- 
d e t s j e r k h o f. Volksgeloof. 

bigraff enismiel , n. begrafenismaal, lijk- 
maal. Hsfr. III, 279. Zie leed, 

bigrape, v. naar zich toehalen. — Dy 
aldgjirgert klaut alles yn hwet 
er mar bi grap e kin. — Ook veel: bi- 
gripe en bigrape. — Dy lytse 
skoerheak hellet alles oer al hwet 
er mar bigripe en bigrape kin. 

bigrauvre, v. ohjurgare, op barschen, 
bitteren toon berispen. Lex. 268. 

bigrave , v. sepelii-e , begraven , ter aarde 
bestellen. — De forstoarne is hjoed 
b i g r o e V e n. — D o u s c i 1 1' n o c h h w e t 
kostje fen b i g r a v e n (ast' in gouden 
kiste krigeste), schertsende berisping 
wegens een dartel of moedwillig gezegde 
of handeling. Lex. 264. — ToDokkum 
woene se jister in kearel net 
bigrave. H e a , h w e r o m net? Om 't 
er net dea wier. Volksaardigheid. — 
De houn bigraeft de bonken. Vgl. 
hidohje. 

bi^eating^, big^rutting^ , s. aestimntio, 
begrooting, raming van kosten van een 
werk , van 't bestaan van gemeente ^^ ^^"^. 



BIGRE. 



124 



BmRI. 



In tien laatsten zin meer begroating 
(holIaniUsnie) : doqis- , gemeente- . . . be- 
grooting. 

bigreatlik, bi^^rutlik, Fra. dom ma je, 
jammer , onaangenaam. — 1 1 is 1) i g r e a t- 
lik ho rij in party mei 'tjild o m- 
8 m i t e. — 't Is b i g r e a 1 1 i k n e i s j e n , 
as min 't sa misse mat. - Sa'n fil:- 
se man oars, en dy lit it nou sa 
1 i z z e , dat is wol b i g r e a 1 1 i k. 

bi^eatsje , bigrutsje , v. aestimare , 
censerc, begrooten, schatten, ramen. — I k bi- 
gr e a t s j e i t y n k o m m e n f e n d y f a e m 
op t Û z e n g o u n e. — 1 1 w i r k ia m y al 
bigreate, mar 't is niy ontsketten. 
Lex. 204. 

big^eatsje, v. niet over heen kunnen, 
m. bigraetje. — Me tart wol ienris 
tsjin in hear, mar alle dagen wyn 
bigreatet my. Lex. 264. — . . . it bi- 
g r e a t (Î h j a r ... dat d y f r e a m d e k e a- 
rel mei hjar priis ôfgean scoe, Hsfr. 
1 1 1 , 82. - 't 8 c i 1 h i m n e a t b i g r e a t- 
aje, niet meevallen. — Dy rekken bi- 
greatet my gans, is veel hooger dan ik 
verwachtte. 

deren, smarten. — It bigreatet 
my om de man dy 't op syn al de 
d e i y e t e a r m o e d 1 jj e m o a t. Vgl. 
gvize, 

s. verb. Hwa scoe gjin bigreat- 
sjen hawwe mei dy man? — Dou 
mast gjin bigreatsjen hawwe mei 
Ma ei: hja wol omniers net oars! 

bi^n^ieme , v. itiqninare , bemorsen , be- 
vlekken. - Dy jonge het syn hele 
troanje mei sjerp bigriemd. Lex. 
267. Wassenb. 1 , 37. Vgl. hibargje. 

bi^rriexije, v. l)egroeien, met gras of 
loover begroeien. --■ It nyliin, de ha ge 
b i g r i e n e t al m o a i. 

*bigrienmanke , adj. bont. - In bi- 
g r i e n m a n k e 1 o f t , met wolken. Forj. 
1891 , 187. Zie griemmank (grijmank). Vgl. 
môlk'crich. 

bi£frintsje, v. (een weg) bestorten met 
grint. 

fbi^^rynzje , v. vittend bekijken. — I s 
er it'n, dy dr sk<>ech past, dy 
kin SH oantsjen; dy bigrynze 
syn m i s g r i p e n on net li s , A. Ysbr. , 
1808, VI. 



\UgXTPi °- spatium^ omvang, ruimte, 
bestek. - It loste hûs fen in minske 
is al in lyts bigryp. — Dat haloazje 
is al tigc bihindich,datkinynin 
lyts bigryp. Lex. 268. — Koart bi- 
gryp, kort overzicht, handboekje. 

bigryp , n. intellectus, bevatting, verstaml. 

— Dêr ha 'k gjin bigryp oer. — It 
giet boppe myn bigryp. — Ik kin 
beppe net yn *t bigryp krye..., 
niet aan 't verstand brengen. Lex. 268. 
Vgl. mis- j wanhigryp, 

bi£n>7P 9 n. meening, gevestigde wil, luim. 

— Mei de iene foet yn *tgrôf en 
nou yet in jong wiif trouwe, dat is 
al in nuver bigryp. — Foar syn 
tweintichste jier mei nimmen fen 
lis trouwe, dat is sa'n bigryp fen 
heit. — Id8...wier hjar bigryp, 
haar keuze, uitverkorene, R. ind T.", 199*. 
Vgl. «ifi, hiatek^ stuedzje, — Hy het fen 
dy bigripen en oankomsten. — In 
mis bigryp, dwaas idéé. 

tbigryp , s. rituperatio, beoordeeling voor- 
al van de slechte zgde, vitBUcht. — Dêr 
de bigryp great is, is de frjeon- 
8 k i p lyts, Burm. 

bigripe , v. comprehendtre , naar zich toe- 
halen, aangrepen. — It aei leit to fier 
yn *e koer op, ik kin 't net bigripe. 

— De dieven stelle alles hwet se 
mar bigripe en bigrape kinne, NeiL 
wat los en vast is. — Machtich bigry pt 
him de Ijeafde for 't heitelân. -- 

(Oost dngdl. zeekust) : Ik bigryp my, be- 
denk, bezin my anders. Vgl. biiinke^ bi- 
l'oarje. 

kragen (hier en daar nog). — M as- 
ter, Master! hwet scille jy foart 
dwaen? Kinne jy wol ea better 
plak bigripe? — Noait better 
pear koe men hjir earnse yn't ronn 
bigripe, Alih., 69. Lex. 267. 

bi^^pe» V. inttüigtre^ begrgpen, bevat- 
ten. 6. J. passim. — Learde Ijue dy *t 
min net bigrypt, bigripe jamk hjar 
sels net. — As jy... bigripe woene 
hwerfor ik de ring joech, R. P., 
Keapm. V, 1. — Baes koe him earst 
net bigripe [dat it wetter net sie- 
den wier], H. S., Alm. 12*, 1860. — . . . 
dat moatte jy sa net bigripe, loo 



BIGRY. 



125 



BIHA. 



niet verstaan, opvatten. R. ind T*, 351*. — 
Yen *t ien of 't oar net bigripe kin- 
ne. zich de reden daarvan niet kunnen 
Terklaren. — Ik kin my sokke Ijue 
net bi^ripe, indenken. 

lich voornemen, een voornemen opvatten. 
— Ik ha bigrepen om neat te keap- 
jen as mei ré jild. — Dy jonge het 
it forkeard bigrepen, is ongehoorzaam, 
balâ8tarrig. — Ik bigryp dit sa, wil dit 
zoo. — It op immen bigrepen habbe, 
iemand kwaadwillig gezind z^jn. Ook: voor 
lich kiezen. Hy het it op in rike boe- 
rcdochter bigrepen. — It net op 
dit of dat (op immen) bigrepen ha, 
de zaak (iemand) wantrouwen; vreesachtig 
voor zijn. Vgl. forsjoen. 

XAgtypkB f dim. n. iets van geringen om- 
vang, iets kleins. — Sa'n bern e-n o a s k e 
hwet ia dat in lyts bigrypke. — In 
•«kippers-foaronder is al in lyts bi- 
grypke. 

— (eenigszins) een denkbeeld. — Om er 
jimme in lyts bigrypke fen tojaen, 
R. ind T«., Ú\ 

bigryplilc, adj. comprehensihiUs^ begrgpe- 
Ijjk , gemakkelijk te verstaan. — Bigryp- 
like skoalleboekjes, R. ind T\, 41*. 

ring van bevatting. — Dy jonge is 
goed bigryplik, hy het daelks hwet 
onder 't forst&n. Vgl. otihijryplik. 

met opzet *o n b i g r y p 1 i k', vittend, haar- 
kloovend. — Sjnch, de goate rint! Ik 
sjuch 'twetter wol üt 'e goate rin- 
nen. mar de goate leitstil. Nou, dou 
bist ek sa bigryplik. Vgl. opmerksum. 

I»reciea, stipt op hetgeen anderen voor 
hem verrichten. — Dy man is sa bare 
bigryplik, it moat krekt sa en net 
oars by him, of it dooch net. Vgl. 
^rifp, bigripe. 

\AgrOB,iSll$^ j 8. Zie higreating, 

XúgroBi^B, V. begroeien, met groen be- 
dekt worden. — Mei in myld reintsje 
dril dy keale greide wol bigroeije. 
— Mei gêrs bigroeid. 

Fr. cicatriser» — Ik hamyrisoan'e 
foarholle biseard, mar 't is wer bi- 
(rroeid. — Dy ondogense jonges 
ba hjir ra er oan 'tbeamskilenwêst, 
'tscil my ng dwaen of dat wer bi- 
groeit. Vgl. 



big^oetfiiije, v. begroeten. 

bigri^unje, v. den bodem van een wa- 
ter met de voeten bereiken, terwijl het 
hoofd boven blijft. — Dy sleat kin ik 
net bigrounje. Vgl. bidjipje. 

big^niskje, v. bij kleine sommen over- 
sparen. — Se hiene wol s af olie for 
him bigniske, dat er der fen libje 
kinne scoe, S. K. F., Printsjes. 

big^rutsje, v. Zie higreatsje. 

big^rûa^e, v. besmetten, morsig maken, 
bijv. door betasten met vuile handen. Zie 
gruzich. Lex. 268. 

big^iruzje , v. bepeuzelen , oppeuzelen. Zie 
grúzje. 

'^^big^chje , v. bespotten , belachen , G. 
J. 1 , 51. 

big^chelje, v. illudere, begoochelen, be- 
tooveren. G. J. II, 90. — Immen de 
eagen bigûchelje. [Het volksgeloof wil, 
dat 'gûc helders' (z. d.) niet werkelyk 
verrichten wat z\] schijnen te doen, maar 
den toeschouwers 'de eagen b i g û c li e 1 j e, 
bitsjoene"]. 

listig bedriegen. Ik lit niy net wer 
fen dy k e ar el bigûchelje. Lex. 268. 

beknoopen. — Ho a i t d y h o a a b â n 
nou wer bigûcheleV — It reed a-t ou 
is hwet to koart, mar dou maat it 
salang mar hwet bigûchelje. 

beredderen , klaren. — Nou moat Jan- 
tsje hjoed kreamwarje, omsizze 
en koerrinne: 'tscilmy risbinye, 
ho 't hja dat bigiichelt. 

Wy scille dat wol stil bigiichel- 
j e , doen zonder dat iemand 't merkt. 

tbig^û^e, V. beschreien. 

bihaegje, biheagje, v. behagen. — 

Prov. Hwet in ni i n a k e i e n a b i h a g e 
het dat mei him net wer miahaegje 
(Vgl. d.), eens gekozen, blijft gekozen. 

bihaexje , v. behooien. — 1 1 1 â n is b i- 
h a e i d ; de hooioogst is geëindigd , 't hooi 
is er schoon af. 

— Hja het hjarres al lang bi- 
haeid, haar middelen schoon op, Burm. 

bihaffelje , v. oppeuzelen. — D e k ij 
ha de flotgôrzen bihaffele. Zie 
ha/feJJe. 

bihagen , biheagen , n. behagen , ge- 
noegen. — Ik fyn dêr neat gjin biha- 
gen yn. Vgl. nocht^ forpneits. 



BTHA. 



126 



BIHE. 



T^iliald, n. comfercatio, behoud, behou- 
ilenin. (i. J. pa«sim. Lex. 2H9. — Japik 
is 11 e 1 k w e a , mar h w e t los, in ^ o e d 
w ii f kin s y n b i h â 1 d (in b i h â 1 d 
for him) wirde. — Ta bihiild fen 'e 
taol, G. C. , Forj. 1888, 57. Y gh albihâhi. 

bihâlde, v. retinere, conservare ^ behou- 
den, (i. J. passim. — Dy syn bern net 
b i 11 â I d e mei, b i 1 i b b e t er e k g j i n 
fort riet fen. — Prov. Best biteard, 
sei s kipper Watse, it 8 kip for- 
lern, mar it easfet bihâlden. — It 
s 1 i m s t <ï wier y e t b i h fi, 1 d e n , achter- 



wej^e. 



— F e 11 de b i h â 1 d e n d e p a r t ij , iron. 
gierig. 

b i h â 1 d e n (N.-Westelyk) in: it to 
kwea, slim, swiid bihâlden ha, een 
overdreven zucht naar weelde, gemak of 
tot zindelijkheid hebben, niet te voldoen 
zijn op dat punt. — Jou wiif het it 
fiers-en-to kwea bihâlden. — Us 
b o e r i 11 n e het i t al h w e t slim b i- 
ha ld en. 

b i h 5Î I d e n , adj. salvus , soapes , behou- 
den. — 't Is bihalden nmoar. R. ind 
T.*, 288'. Zie smoar. — Wy winskje 
j i m m e in b i h â 1 d e n reis! — Y n b i- 
h â 1 d (Ml haven, goed aangeland , thuis 
gekomen, overdr. vooral. 

bibAIder, m. behouder, G. J. 1, 118. 

eg. spaarzaam mensch. — N e i in b i h â 1- 
der folget in spalder, na een spaarder 
een verkwister, als de erfgenamen door- 
brengen wat anderen hebben overgespaard. 
Lex. 209. 

bihalven, adv. k i)raep. behalve. Lex. 
269. ...bihalven de ontfanger, 
R. ind T.', 198. In frommiske seil 

dy alles op 't e in forj a en, bihalven 
ast e hjar seiste, dat se onsjuch is, 
R. ind T.\ 826. 

bihand(e)ling , bihân(ne)lin£: , s. Kng. 

freatment , behandeling, bediening. — By 
.1 e t s e k a s 1 1 e i 11 het men in beste b i- 
handliiig. wordt men zeer goed bediend. 
- - A. Yshr. 1XU8).68. .litske het Hes- 
se 1 s n e i n t o j o u n mar b o t w e i b 1 a u 
j i) w 11 , il a t 11 e a m ik in minne b i h â n- 
ling n effens in fatsoenlik feint. 

bihandelje , bihân(ne)]Je , v. behan- 
delen , betlienen. — I m m e n goed of 



forkeard, best of min bihandelje. 
-- Tseard Lap e het lis in bêd-en-sa 
levere, mar dêr het er üs min iii*.'i 
bihandele, slechte waar geleverd. — Lys 
het Bouwe gemien bihanle; se hou<l 
dy feint mar op 'e tocht, en wier 't 
onderwyl iens mei in oaren. 

bihan£^ , Fra. draperie , tapisserie , in 't 
alg. alles, waarmede iemand of iets be- of 
omhangen wordt, is. — Bi hang yn in kea- 
m e r , behangsel(papier). Ook pompier. 

— In swier bihang, dikke manen en 
staart. — In hynder mei bihangen 
swang, golvende manen en staart. — I u 
man mei gans in bihang, veel haar 
en baard. Lex. 273. — In boerinne mei 
in bult bihang, veel opschik , vooral veel 
gouden en zilveren sieradiën. — In bihang 
fen sa*n heal tûzen goune, G. P.. 
Swealt^ebL, 129. 

bihantliaeyje , v. facere , beredderen , in 
orde maken. — Jo matte dat mar for 
my bihanthaevje. 

biharli^Je, v. Engl. to orerhear, beluis- 
teren. Lex. 269. — As jyhwetto pra- 
ten ha, lit II 8 den yn'e hûsgeaii. 
hja mochten úshjirbiharkje. Ouk 
bilústerje. 

^biheagren, s., ^ihei^e (G. J. passim) 
V. Zie hihayen, hihaegje. 

bihear, n. beheer, bestuur, toexicht. 

bihear, n. behoor, aanhoorigheid. 
Wy wenje onder 't bihear fen Ljou- 
wert. Zie klokslach. 

bihearder , eg. adminiêtrator, beHtuurder. 

biheare, v. beheeren. 

biheare, v. Zie bihearre, 

bihearre, biheare, v. behaoren, beta- 
men G. J. passim. Lex. 271. — In de 
volkstaal meer hea(r)re alleen. 

bihearsker, m. beheerscher. Hsfr. VU. 
281. 

bihearskjey v. beheerschen, den baas 
spelen over. — Scoestou hjir alles bi- 
hearskje? — In man . . to bihear s- 
kjen. V. d. M., Fr. Sn., 67. — Hiifr. VII, 
248. — Halb. Matth. XX, 25. 

*biheft, a^'. behept 6. J. II, 114. Zie 
hihypt, 

biheind» a^j. gebrekkig van leden, met 
een zichtbaar en aangeboren lichaamsgebrek. 
— Warje dy for de biheiaden, wacht 



BIHE. 



127 



BlHt. 



o voor de geteekenden. — Imk wierbryk 
en oars biheind, ld. IX, 37. — De di- 
ve\ . . . fortoande him ... ek wol as 
in maji, mar altyd hied er in bi- 
heind foet, Hsfr. III, 178. 

— fi^. It moat in âld sear wêze, 
dêr se . . . mei biheind wieme, R. 
ind T"., 168*. 

omheind. — Biheind lân. 

bilielje , v. reportare , behalen, verkrygen. 
G. J. II, 55. — De priis bihelje. Lex. 
270. — £are bihelje mei eat, goedkeu- 
ring wegdragen. — Derisoandygjin 
eare to biheljen, alles wat men voor 
je bestwil doet is nutteloos. — Hûs-hiem 
1890, 78. — De geit siet yn't toubi- 
helle. Zie bitiisd. — Al syn spil kaem 
yn'e heak ear't de deadhimbihelle. 
R. ind T«., 202". 

betrekken (in). — Der waerd feu al- 
les yn bihelle, aangehaald, te pas ge- 
bracht (mondeling of schriftelijk.) — Yn 
rûzjes dy't my net oaugean, wol 
'k net bihelle wirde. 
— Vgl. A. IJsbr. (1808). — Lex. 270. 

bihelmje (Tersch.), v. met helm beplan- 
ten. — De dunen, it stran bihelmje. 

bihelp, n. Hd. Behelf, die of wat dienst 
doet bjj gebrek aan beter. — In bihelp 
fen in went, roer, mest, seil — , 
faem. Lex. 270. G. J. biholp. — Vgl. 
minskebihelp, 

bihelpe (yen), v. Hd. sich hehelfen , zich 
behelpen, 't er mee doen. — Men moat 
yen mar witte to bihelpen. — De 
earme Ijue moatte hjar bihelpe yn 
lytse krûp-yntsjes. Lex. 270. — R. ind 
T*., 258: biholpje. 

bihelplik, adj. & adv. gebrekkig. — Al- 
les wier allike âld en bihelplik. — 
Hsfr. VI, 50. — It giet al hwet bi- 
helplik mei dat mês, ik kin der 
my net goed mei redde. Lex. 272. — 
W. Gribb. 57: biholplik. 

bibellMEluni , adj. offidosusj behulpzaam, 
halpvaardig. — Immenhwet bihelpsum 
wêze, bijstaan. — Dy man wier frjeon- 
lik en bihelpsum, v. d. M. — G. J. II, 
77: biholpsum. 

1li]ieltei;}e 9 (Noh.) v. bruikbaarder, meer 
handelbaar maken, worden door aanhouden- 
dea arbeid, Tan dieren; ook van menschen. 



— Ik scil him wol bihelterje, het 
wel tegen hem opnemen. — Scoest dat 
bihelterje kinne, dat heele bordvol eten 
op kunnen? — Hy biheltertal, wordt 
minder aanmatigend , - ook : bedaarder. Zie 
bitommelje. 

bihept, adv. behept. Vgl. hihypt, 

bihertigje, v. behartigen, ter harte ne- 
men. Hsfr. IX, 72. 

bihinnmelje , v. schoonmaken. — Ik ha 
de tsiis hwet bihimmele. 

schoon opeten, bekluiven. — Yn in ame- 
rij hied er dy hele panfol earte bi- 
himmele. — In bonke bihimmelje. 

— Vgl. S. K. F., Forj. 1893, 114. 

— Hier en bird hwet bihimmelje, 
beknippen. — Hy kaemdymanopit 
sear, mar wist it letter wer to bi- 
himmeljen, terecht te praten. N.-Ooste- 
lijk: forhimmelje. 

bihindich, adj. & adv. klein , bekrompen 
klein en netjes of klein en bruikbaar. — In 
bihindich keareltsje, — in bihin- 
dich weintsje. — ^Om sa'n boerere au 
en bislach oan to keapjen,al is 't... 
op 't bihindichst, dêr is gans tane- 
dich, Hsfr. V, 99. — Mas ter hie in 
ridlik goed ynkommen for sa'n bi- 
hindige skoalle. — Hie se 't mar 
hwet bihindiger oanlein, wat een- 
voudiger geleefd. 

netjes, handig. Dou biste moai bi- 
hindich, Nynke, A. IJsbr. 66. — Hy 
kin 't sa bihindich sizze. Vgl. bisUpe, 
Lex. 271. 

bihlxi£^, (Noh. en Zuidelijk in de Woud- 
str.) n. manen van een paard. Zie bihang, 

bihinger, m. behanger. 

bihingje, v. vestire^ tegere , behangen, 
omhangen. G. J. I, 4,52. — Oerdwealsk 
bihinge, buitensporig opgeschikt, G. J. 

— De faem wier mei (of yn't) goud 
en sulver bihinge. Lex. 272. — In 
keamer bihingje, van behang voorzien. 

bihyplik , adj. netelig, moeilijk , bekrom- 
pen. — . . . in iepene hakke en in .. 
blier onder 't bal fen de., foet, dat 
my 't geiin bihyplik makke, S. K. F., 
Hûs-hiem , II, 168. — In bihyplik ei n- 
tsje wei, een gebrekkige weg. — Bihyp- 
lik wirk, A. Ysbr. (1808), 65. ld. V, 1. — 
It bihyt^'kste b^p^ ir ^^ ^ 881, 10. 



BIHY. 



128 



BllSB. 



bihypt, lulj. affectus , behept met zucht 
tot. — Mei <?jirgens, kweasprekken, 
1 i g e n . . . b ih y p t. - Ook in 't alg.: behept. 
Vgl. hiem , odiihcffc. 

bihirdsje, v. indurare^ beharden, ge- 
hard, verhard worden. — In dyk bihird- 
HJe, een weg hard maken, met puin. — 
Troch lij en is hy bihirde yn 't leed. 

— - H y is der y n bihirde, (daar wordt 
bij gedacht : y n 'e k j e 1 d , y n w e i t s j e n , 
y n h o n g e r 1 a p j e n , enz.) — Bihirdest 
mar alhiel yn 't kw^ea, stiifkop? 
W. I)., Oebl. <il.". 46. — It jong hyns- 
der is yet net op 'e wei bihirde, niet 
aan 't gewoel en de drukte op den weg ge- 
wend. Lex. 272. 

*bihizelje , v. verharden. --- 1 1 hert b i- 
hizelje, G. J, II , 66. 

bihoarlik (spr. behoalik, behoalk), ♦bi- 
hearllk, adj. rtïé», decenter, behoorlek, be- 
tamelijk. -- Hwa nimmen kwea docht 
en nimmen goed II Ia f o r k w e a • 
frjeonen bihoarlik hoed'. Skûralm. 

adv. tamelijk. — De rogge stiet bi- 
hoarlik (g o e d). Vgl. fetsoenlik. 

— Op in bihearlike tiid, ld. IX, 
68. — Op in bihearlik plak, L. in 
W., 686. - Vgl. OHbihoarlik. 

bihoef, n behoefte: het noodige. — Myn 
diel is net rom, mar 't is noch for 
myn bihoef. — Y n myn b i h o e f h a j y 
al lang f o a r s j o e n. Vgl. bUierf. 

bihoefte, s. ncri'ssUaSj behoefte: nood- 
zaak. — In earm minske mat soms 
hwet dwaen út bihoefte. — Ik ha 
^l^rgjin bihoefte oan, ben het niet 
noodig. — 't Is sa se ar gjin bihoefte, 
't behoeft nu juist niet. 

— Yens bihoefte dwaen, cacare. 
bihoeftich, adj. inopsy behoeftig, arm. 

— Hihoeftige Ijue, — bihoeftich yn 
'eklean. — Hja hawwe it tige bi- 
hoeftich. 

nietig, armelijk (van zaken) (Noh., ook 
in Barradl.:) — In bihoeftich berne- 
w e i n t s j e Vgl. hihelplik. 

"billoev(j)e, v. (/^rv/v, o/>«;7é';v, behoeven, 

— meest nog met een subst. onmiddellijk 
er op V(>lgend, anders meest hoeve, hoe- 
ge. zonder hi. — Dy 't fjûr bihoeft, dy 
s i k e t V n *e V e s k e. Burm. — Prov. t^ r e a- 
te e a r z e n b i h o e v e w i d e broeken. 



behooren. G. J. II, 78, 110, 112. -- Wy 
bihoevje net to eangjen for de 
de ad. Lex. 272. 

— W. Gribb. ; b i h o v e ; G. J.: b i h o a f j e. 
Bij ouderen hier en daar zweemt ook thans 
de uitspr. der oe hierin uaar oo, 

bihoffexije , v. havenen , reinigen ; — be- 
schaven, besnoeien. Vgl. hihimmelje, 

*beoefenen, ld. — Zie hoffenje. 

biholpje en afgeleide vormen. Zie 
holpje, 

biliou'we, v. behouwen. —Mei de bil e 
bihoud, fig. onbeschaafd. YgX. onhihoutcen. 

bihoven , adj. gevormd. — In kreas 
bihoven hynderke. Vgl. onbihoven. 

bihutselje, v. in elkaar hotsen, — .*»chom- 
melen. — Wy sitte hjir al hwet nau, 
mar mei 't riden scil't wol hwet bi- 
hutselje. 

bihûze, adj. in rom oflytsbihûze 
wêze, veel of weinig huisruimte hebben. 

blhfizlng, (in advertenties, akten, van 
verkoop), s. huizing. — In bihûzing mei 
tiin. Lex. 278. Zie hAzing, 

*biidsje, v. beiden, wachten. Sw. 1851. 
35. - Lieteb. WL - Ik biidsje stil :| 
ho de Hear it m eitje scil, ld. — 
Biidsje en tiidsje, afwachten. 

bi-ierdigje, v. begraven, ter aarde be- 
stellen. — In lyk bi-ierdigje. Ook bi- 
ierdsje. Zie higrave. 

biis, s. scirpus ïacustriëf bies, matte- 
of stoelebies. Ook bies. 

biis, schalk, guit, spotvogel. — In 
snoade jonge is me ast ek in biis- — 
De biis priket him, de spotzucht, gui- 
tigheid port hem aan. — Hyhingetde. 
biis dt. — It is in biis feninkea- 
rel, een gemeene kerel (nog c£ de oorspr. 
beteekenis, die van: boef, schurk.) 

biis-achtich, aiy. schalk s., guitig. ~ 
Biisachtige streken, guit«nstukken. 
Hsfr. X, 175. 

biis-achtigenB , s. gnitigheid. — H y, m e i 
syn biisachtigens, — men kin neat 
op him oan. 

biisbauje, -bouwe, ▼. ginnegappen, 
gniffelen. Lex. 8S6. Ook giisgouwe. 
giisgapje en gniisgapje. 

biisbauwer, -bouwer» m. ipofcvogel, 
guit (meest in ongonstigen nu.) — Djr fint, 
dat is mar in gemieae tAaek^ingek- 



BIISJ. 



lÖÖ 



BOK. 



oanstekker, in biisbauwer, W. D., 
Th. ülesp.', 74. 

biifijagrer, m. snaak, guit. — Dou bist 
sa'n lytsen biisjager, tegen een guitig 
kind. Zie hysfeint, 

boevenjager : gerechtsdienaar by de oude 
Friesche grietenijgerechten. Lex. 335. Zie 
hjfâjajer. Vgl. rattelhiia. 

^iifijoxi£ro> m. guitige knaap. Lex. 326. 

biiske, byske, n. kleine guit. — Hy 
is sa'n biiske. — Hyboartetbiiske, 
Hpeelt voor grappenmaker. Lex. 336. 

bii2d6 (Zh.), V. bissen, boutaarsen (Kil.), 
van koeien. Zie hauje. 

bii2d6 (Oostelijk) , v. grappen maken, gui- 
tenstukken uithalen. — De alde Ijue hin- 
gen alear fen biizjen gear. VgL R. 
ind T'., 8K 

een boevenstuk begaan. G. J. I, 66. 

by, 8. «/»«, bij. Hl. bi'. — Sa fl cu- 
rie h, helder, flitich, iverich, war- 
ber, kloek as in biJ. 

bi-Jaen (y e n), v. conferre (se) , zich bege- 
ven. G. J. passim. — Menhoechtyen 
net nei Amerika to bi-jaen om in 
loai libbentohawwen. Zie Jaen. 

bezwijken. — De azem en de skon- 
ken bi-jowe (bijane) de alde Ijue, 
worden zwakker. — In earm minske 
hie him oan'e wei bi-jown. Vgl. R. ind 
T'. 112\ 315-.— De mûrre bi-jout him, 
wordt bouwvallig, — it tou bi-jout him, 
't breekt. 

zich gemakkelijk schikken naar, in. — 
Men moat soms hwet skikke enske- 
wiele kinne, mar dêr kin Liuwe 
him net tabi-jaen. — In fe int (knecht) 
kin him goed nei (ta) 't libben fen 
in h e a r (b i) j a e n. Lex. 274. Zie jaen. 

— I n o f f y 8 j e bi-jaen (Hollandisme voor 
forjaen, z. d.) 

zich overgeven, toevertrouwen aan. — 
Hear! *k bi-jow my yn jou bannen, 
G. J. 1, 149. 

bi-jarje, v. (een stuk land geheel) met 
ïfi»'r besproeien. — Mei trijebakfollen 
kin de boer dat streekje greide 
b i-j a r j e. 

- De f lier b i-j ar je mei tobaks- 
flibe. Zie jarje, 

bAibiter, eg. ^öeneter', koolmees. Zie 
biaunfêkr. 



bi-jearje (G. J. en Zh.). Zie (ook voorde 
afgeleide vormen) hijear(j)e enz. 

b^'ebrea, n. bijenbrood, tamelijk vaste, 
kleverige, bruinachtige stof, bitter van smaak 
waarmee een gedeelte van het 'werk', steeds 
gevuld is, naast het andere met den honig. 
Lex. 235. 

b^ebroed, n. eiers en jonge larven van 
bijen met het 'werk' (de cellen) , waarin ze 
zijn opgesloten. Zie broed. 

b\)edoek, n. open-gaasvormig webdoek 
van een bruine ileur. — Saholasbije- 
doek, luchtig geweven (van kleedingstof). 

s. vierkante lap of doek van die stof, waar- 
mee men eiken bijenkorf, als zij vervoerd 
moeten worden , van onderen sluit. 

*bi-jef tigje , bi-jeftsje, v. begiftigen. 
Hsfr. VII , 83. V. d. M., Myn suchten , 58. 
A. IJsbr. (1861), 93. 

bl-je'gening^ , s. bejegening. — Immen 
in goede of kwealke bi-jegening 
jaen, een vriendelijk of onvriendelijk be- 
scheid. — De bihandeling dêr wis- 
ten se net fen, mar de bi-jegening 
koe wol better, S. K. F., Forj. 1893,157. 

bi-je'gexije , v. bejegenen. Wier dat 
bi-jegenjeu lyk? A. IJsbr. (1861), 59. 

— De alde ienfâld wirdt faek 
kwealk bi-jegene, G. J. I, 90. 

ohtinjere^ ohcenire ^ wedervaren. — ■ For- 
8 lach Ú8 ris hwet dy al bi-jegene. 
Lex 274. — A. LJsbr. (1861), 69. 

b\)ekape, s. kap, waarmee de bijenhou- 
der, als hij bij de korven komt , hoofd en 
aangezicht bedekt. 

bUekeuning, s. bijenkoningin. 

bU(e)koer, alreariumy s. bijenkorf, — 
half eivormig, van stroo en braamstruiken 
gedraaid en meest bruin geverfd. Aan de 
voorzijde een of meer kleine openingen (y 1- 
gatten) waardoor de bijen uit- en invliegen. 
Van binnen van dwarsstokjes voorzien, waar- 
aan het 'werk' wordt vastgehecht. 

pi. bijekoerren, overdr. groote soort 
braambeziën {rubufn cai'sius), welke dien vorm 
hebben. Zie toarnheijen. Ook: groote aard- 
beien en frambozen. 

bi-Jer'Je (Zh.), v. Zie bijeare. 

bigestâl , s. stal voor bijen, aan den voor- 
kant (naar de zuidzijde) open, van boven 
met een hellend dak, dat op den gesloten 
achterwand rust. Hierin worden de korven 

9 



BIJE. 



l:W 



BIKA. 



naast elkander op een kleine verhevenheid 
of doorloopeiide houten bank ge])laatöt. 

b^estront, s. geelachtige stof, welke de 
bijen in 't voorjaar , als zy uitvliegen , ont- 
lasten. Ook iron. voor: honig. 

b^esvraenn, svrenxi, s. Zie straerm. 

bi-jeu'zelje , v. penmadere, bepraten, 
overhalen. Lex 275. — Datspilealle- 
gearre mei in-o ar onder ien tekken 
om m }• n h e a r t o b i-j e u z e 1 j e n , R. ind 
T*, XXIX*. — Hy is sa gload (nuchter, 
onnoozel), dat in jonge him bi-jeu- 
zei je kin, Ibid 49'. — Dyfaem hot 
h j a r b i-j e u z e 1 j e 1 i 1 1 e n , zich laten ver- 
leiden. — Vgl. Bijek. 1893, 15. W. D., Forsl. 
bern, 18. Vgl. biléze, oerheJje^ biprate. 

by(e)'wein, s. bjjen wagen, lange opene 
wagen , waarmee men de bijen in de korven 
van de eene plaats naar de andere vervoert. 

— De ])ijeweinen ride, as 't eat kin, 
by nacht, om den binne de byen 
y n 'e r ê s t. 

bi-Jierre, adj. annoaus^ bejaard, oud. — 
In bijierre man, minske (vrouw). 

bi-jiette, bi-Jitte,v. i r rit/are, ir rora re, 
begieten. -- It linnen op'e bleek, de 
blommen bi-jiette, met den gieter. 

*bespatten, nat maken. --- As de së 
Bpijt skom en w^iette |j Dat hy 't 
stjirt' koarts se o e bi-jiette. Cî. J. 1, 
78. — Vgl. Hsfr. III, 84. 

b^ke dem. n. apicula ^ bijtje. Hl. bii- 
tjen. Lex. 235. v. Blom, Bik., 7. 

b^ke, voc. voor: S tab ij (hondennaam). 

— B ij k e , b ij k e ! r ô p ik.... A. B., 
Byek. 1854. 

b^ker, n. apiariuSy bijenhouder. — M as- 
ter wier lit bij kers laech, H. S., Tel- 
tsjes. — Ook y m k e r. 

b^jkje, V. de bjjenteelt uitoefenen. 

bik, fl. in: for de bik. — Hjir is 
neat, — net folie, — goed hwet for 
d e b i k , te schransen. 

^bikaedsje, v. verdedigen , bewaken, be- 
waren. —It wyfke lik et in laem, mar 
hja kin h j a r tsiis en brea wol bi- 
kaed sj o. Lt»x. 275. 

bikaeid. adj. bekaaid, l»edrogen , teleur- 

ge^t eld. - Bikaeid \v e i k o m m e , wei 

r e i t H j ♦* - ... d y n e t d r a e ij e k i n n e 

I' h j ar w o 1 f e a r t is bikaeid, W. D., 

Utdr.-wink., 29. — ['Bikaeid', omdat al- 



les op de 'kade' vertrapt wordt , of van 
b i k a e ij e , zijn plaats innemen , teleur- 
stellen. Vgl. 't tweed-volgende artikel.) 
Lex. 275. Zie: k-aei. 

bikae^e, v. beetnemen. — Hwet hes- 
ton dy bikaeije litten; hja ha dy 
by 'tfoetsje hawn. 

bikae^e (Tjummamm , e. o., Bergum . 
c. a.), V. als eerstaankomende een plaats 
bezetten, voor zich bedingen. — De ski p- 
per bikaeit in plak oan 'e wal. 

— As in bynster twa skeaven 
boun het is it sté bikaeid, by't 
korenbinden. — Ik bikaei dit beam- 
bosk, om er 't dood hout uit t€ zoeken (als 
er twee of meer *p r i k s i i k j e' (dit was vroe- 
ger vrij). — Ik bikaei dissestoepe 
om to bikkeljen. — It plak, dat im- 
men bikaeid het, dor mei in oar 
him net wei fordriuwe. [Oud gebruik, 
uit een aangeboren gevoel van recht en 
billijkheid voortgekomen, niet gereglemen- 
teerd , onder 't volk en by de jeugd nog 
voorkomende.] 

bikaiis, Hl. adv. bijkans, byna. Meest 
hest. Zie hast, 

bikaerdfiije , v. bekrauwen. — Mem 
bikaerdet hjar poppe de poalle. 
Lex. 275. Zie kaerdsje. 

bikalli^Je , v. schryven , schry vende in 
orde brengen. — Master koe dit wol 
effen for my bikalkje by de ab- 
bekaet, tocht my. 

bikant, adj. stekelig. — Hwet binne 
hja bikant tsjin in-o ar. Ook vaak: 
pikant. Vgl. stikelich. 

bikanterU, s. stekeligheid, nyd, pikan- 
terie. — Der is bikantery twisken 
dy twa. — *t Is neat at bikantery, 
moatte jo tinke. Ook vaak: pikan- 
tery. 

bikantfiije , v. kantig maken door kappen 
of zagen. Vgl. balkebikautêje, 

bikappe, bikapje, v. van rondom af- 
kappen. — In planke bikappe mei de 
bile, — in stik rib mei de tsjoksel. 

«"bikatsje , v. weigeren het gekochte voor 
den bedongen prys te ontvangen. Les. 275. 

— De keapman het de ierdappels 
bikatte. — Zie Jeat^, 

bikauje, v. bekauwen. Enuui. 14. Zie 
bikôgffe. 



BÏKE. 



131 



BIKJ. 



Ilikeapje , -keepje , v. comimpere, om- 
koopen. — Greate minsken wirde 
mei jild en de bern mei in stik 
koeke bikoft. 

— It mei de dead bikeapje. 
bikeard, adj. bekeerd, vaak iron. — . . 

hwet 8cil ik in opstopper ha moat- 
te, ear 'tik bikeardreitsje, ld. II, 
ól. Vgl. de volgende. 

bilceare, v. Eng. to convert, bekeeren. 
S.K.F., Mark. I, 15. G, J. I, 211: bikear- 
je. — Yen sels, in oar bikeare, — 
'ioma schimpend: Hy het him bikeard 
fen in lytse skelm ta in greaten, 

— fen hok keling ta sûpkeal, van 
een kerkeraadslid, die aan den drank raakte. 

bilcearill£^ , s. bekeering. — Hy het de 
bikearing krige, — de bikearing 
onder 'e lea, iron. van iemand , die plot- 
seling gewetensbezwaar maakt iets te doen, 
daar hy anders geen kwaad in zag. — 
...Se wier ris oer in pealtsjefal- 
len, en der fen hie se de bikearing 
krige (iron.), ld. lï, 57. S. K. F., Forj. 
l'iO-i, 160. — Halb. Matth. III , 8. — S. K. F., 
Mark. 1 , 4. — A. IJsbr. (1861), 94. 

bikearling^ , eg. bekeerling, proselyt. 
Halb. Matth. XXÏll, 15. 

bikend, bikind (W. meer), notus, fami- 
liaris, adj. & adv. bekend. — Hy is roun- 
om bikend, hy kent overal land en volk, 

— men kent hem overal. — Mei eat bi- 
kend wêze, er kennis van dragen. — 
Yn Drachten net bikend, niet op de 
hoogte van de zaak. 

kennende. — Ik ha him of ik ha 
•lat nea net mei bekende eagen 
<joen (steeds met negatie). 

— It mocht [kon] bikend stean, het 
Ijkt wel of... — Dat frommiske is 
^a'n breedte, it mocht bikend stean, 
hja isijongwiif {gravida), — It mocht 
bikend stean dat jimme barge- 
^lachtsje scoene, A. Ysbr. (1861), 4. 

bikend meitsje, — wirde, ruchtbaar 
maken , worden. 

bikeime, bllrinne , v. Fra. distin juer^ 
zi^n . onderscheiden , bespeuren. — 1 1 wier 
*a roettsjuster, ik koe gjingroun 
bikenne, A. 836. — Dêr is gjin iis 
mear to bikennen, 'tys is verdwenen. 
Ux. 277. — Vgl. R. ind T'., 95^. - Der 



wier gjin minske mear to biken- 
n e n. Meest met een negatie. — *S a k a e m 
it einling 8afier,'dat men de win- 
ners bikenne koe, Hsfr., III, 98. 

bikexme, biklnne, v. /a/fn* , bekennen, 
belijden, toestemmen, G. J. II, 54, 98,108, 
112. — Dy gjin skild bikenne wol 
het ek gjin birou. Lex. 277. — A. 
Ysbr. (1861), 57. 

Troef, kleur bikenne, in 't kaartspel. 

bi'ker, s. beker. G. J. II, 95. — v. Blom, 
Bik., 21: freugdebiker. Zie beker. 

bikeure , v. Eng. to mulct, bekeuren , 
beboeten, procesverbaal maken. — De f j i 1 d- 
wachter het him bikeurd. — De 
skipper is bikeurd om 't er de pün- 
w e i lans 't s e i 1 op hie. 

bikibje (Zoli. spr. -kjibje), v. bekyven. 
G. J. 1 , 42, 62. — Dat bern is sa goed, 
ik hoech hjar nea net to bikibjen. 
Zie kibje. 

bikyk (W. en Zwh.), s. spectatio, be- 
kijk(8). Vgl. printsje-y speldt sjebikijk. Zie 
bisjtich. 

bikykje (W. en Zwh.), v. bekijken, aan- 
schouwen. — Kom sy mar by mem, 
leaue, dan sol sy mei mem de 
printsj es bikykje. — G. J. 1 , 68. — 
Wassenb., I, 146. Zie bikypje. 

bikind (Westel.). Zie bikend. 

bikinne (Westel.). Zie bikenne. 

bikjTpJe, V. bekijken, begluren. Ook bi- 
kykje. — Wy wolle 't spil ris goed 
bikypje. Zie bisjen. 

bikirtsje (Zh.), v. bekorten, verkorten. 

— In swiet petear bikirtet de wei. 
G. J. I, 160. 

onthouden , niet geven. — G. .1. I, 203. 

— De gjirge bikirtet syn mage it 
needdrifts brea, Burm. — Lex. 277. 
Zie bikoartsjc. 

bikisting^, s. zeewering, waterkeering. 
Zie kist werk , strykdammen. Vgl. binnen- en 
butenki^te. 

bikist'Je , v. mee 'kisten' maken, — 
worden. — De s é d y k b i k i s t j e. — De 
mar is a 1 Ii e e 1 b i k i s t e , 't i s n e t b i- 
troud om er oer to riden. Zie kiste. 

looze betimmering. Zie kistbalken. 

bikje , V. Engl. t o piek, hikken ^ kloppen, 
afbikken. — In soal, in bit yn 't iis 
bikje. — Fen 'e moarn waerd ik al 



BIKK. 



1:^2 



BIKL. 



bytiid iit it bêd bikke (meest klop- 
pe). — 

Hwet bi-bikkest my iderkear? 
waarom stoot je mij telkens aan? - Zie op 
bh. — Vgl. sHen', hi-, ofhikje. — Lex. 277, 
547, 

bikke, v. kauwen, eten. — Pronkje 
dat it boarst, en jamk neat to bik- 
ken. — Lex. 278. — Hja (de vrouwen) pik- 
ke en bikke de hele dei . . . fen al- 
les t r o e h i n-o a r. L. in W. 387. 

bikkel , s. talus , koot ; bikkel voor meis- 
jenspel , meestal schapenbikkel, ook tinnen, 
looden of koi>eren bikkel. Vgl. harge-j higge-y 
kealle-, sk-ieppebik'kel. Lex. 278. 

bikkelje, v. bikkelen, met bikkels spe- 
len, (alg. bekend meisjesspel). 

biklach', n. beklag. — Onder biklach 
stean, *t meelijden, de deelneming van 
anderen bezittende. Zie hiklei. 

bikladderje , v. beklauteren, al klaute- 
rende bereiken. Lex. 278. — Dêr sit in 
nest heech yn 'e beam, hwakindat 
bikladderje? Ook bikladsje en bi- 
klatterje. O. J. biklaerdsje. — Zie 
kladderje. 

bikladsje, v. bekladden, bevlekken, fig. 
belasteren. -- Immen bikladsje. 

bikladsje, v. Zie bikladderje. 

biklae\|e, v. resfi re , super vetttire , beklee- 
den. -- M e i p n r p r e . . . b i k 1 a e i d , (t. J. 
11,92. — In koffer, in berneweintsje 
. . . b i k 1 a e ij e. — In b a 1 k e , in pomp 
biklaeije, met planken. — In heablok 
biklaeije, met riet of stroo. — De wal- 
len fen sleatten of grêften bi- 
klaeije, met zooden , — ook de r o u we 
plakken yn 'e finne mei greppel- 
se a d d e n b i k 1 a e ij e (Zwh.) Vgl. biJizze , 
bisette. 'lA^ prykje. — In d e a f e t (f e n bin- 
nen) b i k 1 a e ij e , — in b i k 1 a e i d e kis- 
te, op het land niet veel, als bjj de voor- 
namen. - I n 1 y k b i k 1 a e ij e. Zie bierje. 

^tenere, fungere. S y n p 1 e a t s b i k 1 a e y e, 
O. J. 92. 

biklaexjers, pi. die een lijk afleggen en 
het (l()(>dkleed aan<loen , — gewoonlijk de 
naaste buren : mannen . als de overledene 
een man ; vrouwen , als die een vrouw of 
kind is. 

biklaeifiel, n. bekleedsel, bekleeding. 
— Biklaeisel om in koffer, R. indT", 



131^ Meest: biunenbekleeding. S. K. F.< 
Mearkes, 44. 

biklamme, biklamje, v. beklemmen, 
omvatten. — Mei de beide hanncn. 
mei de e a r m s in beam biklamme. 

— In minske kin syn eigen pols 
moai likernôch biklamme. Vgl. om- 
klamme. — De knikkerts fen 'e kul e 
óf biklamme (by 't kûltsjeknikken. 
z.d.), de sinten fen *e streek óf bi- 
klamme (by 't streekjesmiten, z. d.l, 
den afstand meten met de uitgespreide duim- 
en vingertoppen. Vgl. bifieme. Zie klam. 

biklan'terje, v. beklauteren, beklimmen. 
Vgl. bikladderje. Zie kianterje. 

biklapje, -klappe, v. prodere, deferre^ 
beklappen. — Jo moatte my net bi- 
klapje. A. IJsbr. (1808), 2, 38. Lex. 279. 
Thans: forklappe, z.d. 

biklauje, v. beharken. — In weide 
hea biklauje, het losse hooi rondom 
af harken. — De bedden yn *etún hwet 
biklauje. Zie opklauff, 

biklauvre , v. bekrabben. — Immen i t 
gesicht biklauwe. 

onder krabben , krabbende bedekken. — 
In kat biklaut syn eigen kwea. 
afgang. — fig. Dat minske wyt hjar 
eigen missetten sa moai to biklau- 
wen, dat men scoe sizze, hja is i n 
ingel, as men net better wiste. 

— Hja moat alles allinne (bi- 
skreppe en) biklauwe, alleen al het 
werk doen. 

— Dy aldgryk wol alles wol bi- 
klauwe, byeen schrapen. He ifHklautre. 

biklei', n. miseratio , beklag. — In b u 1 1 e 
biklei en nin help. Ler. 279. — Hja 
is yn *t lijen, mar kriget net folie 
biklei, om *t it hjar eigen skild is. 

— Yn biklei wêze, als noodlgdend 
bekend , en daardoor voor gebrek bewaard 
zijn. — Min moat mar yn biklei wêze 
om in goed libben to hawwen, siz- 
ze Ijue, dy in oar dat forginne. 

— Hy het syn biklei dien by de 
boargemaster. — Ook biklaek. 

bikle^e, v. miserere, beklagen. G. 
J. passim. — Ik scoe dy wol bikleye, 
mar ik ha der gjin tiid ta (iron.) — 
Yen biklege (^neH) oer immen of eat. 

— Ik moat my oer jou jonge bi- 



BIKL. 



133 



BIKN. 



kleije. — Goeddwaen het in minske 
him noait (oer) to bikleijen. — Wis 
bik lei ikdatdêrnei, berouwt mij dat, 
Halb., Hulde II, 230. 

biklem, n. Zie hiklitnming. 

biklemxne, v. Zie hiklimme, 

hiklemining (Kolluml.), s. beklemming. 
— Rjucht f en biklem m in g, Jmä in re. 
Ook biklem(ming8 rjucht. 

biklieme, v. besmeren. — ^ De mûrre 
mei klaei biklieme. Lex. 280. Star- 
ter. 64. — It bern bikliemt de spe- 
gel mei syn grûzige fingers. Lex. 
280. Zie klUme, 

*b1kl1eTn1lige , s. besmetting. G. J. Il, 102. 

biklim'me, biklem'me (Oostelijk, Tietj.), 
V. beklemmen. — It bern hat it hânke 
biklemd tusken *e doar. — Trije 
pounsmiet biklimd yn Minnerde 
lânnen, door Minnerds landen ingesloten, 
R. P., Jouwerk. 69. 

biklimmincr» biklemming, s. klem. — 
Y II 'e biklimm ing of (yn'e biklem) si t- 
te. reitsje, in de klem, eig. en fig. — De 
rot sit yne beklimming. — Ik sit 
yn 'e biklimming: ik wit netho'k 
my redde moat. Lex. 280. 

— In bik lemming op boarst. Zie 
hisetting. 

biklinlce, v. condensarey deminuere , slin- 
ken, samentrekken, inkrimpen. — It lân 
bik 1 inkt, het (natte, doorweekte) land 
droogt op. — Weake slatmodder bi- 
klinkt as 't op *e wal leit, droogt in, 
vermindert, krimpt in. — Hy is f en 'e 
tsjinst (koorts) danich biklonken 
om 'e holle, erg vermagerd. Lex. 280. A. 
B. 49. — De kou is nei't kealjen gans 
biklonken. VgL hifaUe. 

— Do die se de bannen gear en 
biklonk er f en, werd bleek, bestierf, 
Tan verwondering. K. indT*, IV.Wgi.biläke. 

XxÚLÏilïkB^v.perficeref vaststellen, tot stand 
brengen. — Nei folie hinne en wer 
praten waerd de saek doch ein- 
ling» biklonken. —'t Is biklonken: 
ï?ape is mei Tet boaske. 

EngL to touehy klinken op. Dat waerd 
wit ho faek biklonken en bidron- 
ken, Bgek. 1893, 83. 

bikUnwe, v. eanscendtre fhékMmmen. — 
Yn Fryslftn binne nin bergen to 



bik Huwen. Lex. 281. — Ik kin 't net 
krjjejSeiSije || Denmast'tbikliu- 
we, sei Liuwe, Sechje. Vgl. W. D. , 
Doaze, 27. 

^bikliuvre, v. proficere, beklijven, ge- 
dijen. — Yn iiw'ge trouw bikliuwe, 
G.J. I, 110. — Dy bliuwt dy bikliuwt, 
Burm. Lex. 281. 

bikliuvre (Westel.), v. bekappen — In 
balke mei de bile bikliuwe. 

bekluiven. Lex. 281. Zie bikluije, 

biklomje, biklúmje, Stadfr. b e k 1 u (m)- 
me, V. bekleumen, kou vatten. — As min 
yen yn 't swit arbeide het, kin min 
licht biklomje. — De mûle is hjar 
net biklûme, Burm. 

Zoh. Dy het him ek moai biklûmje 
litten, laten beetnemen, afzetten. Zie 
klomje, 

biklomxning, blkliiming , s. bekleu- 
ming, koudevatting. — Hy het in bi- 
klomming skipe. 

biklutje, V. bekluiven. R. ind T*, 146^ 
— Gjin houn wol my bikluije, || sa 
meager bin 'k en bleek, W. D., Mink 
23. — t H y b i k 1 u g g e (b i k 1 u i d e) him 
as d'aebarre depod, Burm. Ook bi- 
kliuwe en bikluve. 

biklúnje , v. al 'k 1 ü n j e n d e' bereiken, 
afleggen. — By Ritsumesyl moat in 
ein trekwei biklune wirde. Lex. 281. 
Zie kliinje. 

inquinarcj bevuilen (Oostelijk). — De 
flier bikliinje mei modderige fo et- 
ten. Zie biicâdsje, 

biklûsli^e (Dokk. Wouden), v. *doen*, rei- 
nigen. — Tet hat de flier yn in amer- 
fol wetter biklûske, dat mat nou 
d wei Ij en hjitte. 

tbiknetsje , v. omwinden , binden ; woor- 
den in versen samenvoegen. Cl. J. Voorr. 
Vgl. hiknotsje. 

bikneiizelje (Tietj. en elders), v. Zie 
hiknuzelje. 

biknibbelje, v. Zie hignibhelje. 

biknipe, v. comprimere , be(k)n^pen, be- 
knellen, beklemmen. - O. J. I, 91: pp. 
biknypt. — De fingers twisken de 
doar biknipe. — Dat kin 'k yn 'ehfin 
wol biknipe.— Sa folie as min twis- 
ken torn me en finger biknipe kin, 
Fra. une pincée. — Yn 't gat bi(k)nypt, 



BIKN. 



lU 



BIKO. 



angstig, benepen. Vgl. bibifen, binaeUl. — 
Lex. 282. 

bikni'ping(e) , s. in : y n 'e b i k n i p i n g 
(au</usfiis) sitte, in de knel, klem, fig. 
verlegenheid. Zie knipe. — ... in bern 
komt gau ris hwet oer. Binam- 
men, sei Fokke, as se yn'ebikni- 
p i n g e s i 1 1 e . . . y n 't k a p r u f t . . . R. 
ind T*, 349'. Lex. 282. Vgl. bikUmminj. 

biknitselje (spr. biknutselje) , v. knut- 
selen. - ... handich yn 't biknitsel- 
jen f en lytse y stremintsj es, R. ind 
T*, 20^ Vgl. biknuzelje. 

biknoffelje , v. met inspanning, vaak ge- 
brekkig doen, — tot stand brengen. — A 1 d e 
m a s t e r b i k n o f f e 1 1 a 11 e s y e t a 11 i n n e. 

— Ha 'kniyn tiintsje net kreasyn 
oarder? Dat ha 'k sels allegearre 
biknoffele. — Lytse timmerkerwei- 
kes kin iis omke sels sahwet bi- 
knoffelje. Vgl. bikn Hzelje. 

— In ding y n (b y) t s j u s t e r b i k n o f- 
felje. 

beknoeien, bekuipen, bedisselen. — Hja 
jimme oaljekoeken bakt? Ho 
w y t s t o u dat? Wy m i e n d e n wol, 
dat wy dat sa stiltsjes biknoffelje 
80 o en e. — Der waerd f en alles op 
ütfoun, om to biknoffeljen dat 
Jan -boer f en 'e pleats moast. Vgl. 
biknúkje. 

biknoopje, v. innecterej beknoopen. — 
Gûd, 'boadskippen' yn 'e busdoek 
b i k n o o p j e. Ook b i k n o t s j e. Zie hioopjey 
knotsje. 

biknükje, v. bekuipen, bedisselen. — 
Hja hie dat sa biknûke, sonder dat 
de boerinne dit eane. Forj. 1892,143. 

— .... do 'k er efter komd wier, ho 
't dat h o u 1 i k b i k n û k e wier, S. K. F., 
Forj. \><\)\ , 60. 

biknúskje, v. beknutselen. — Hja het 
dat noch b i k n li h k e , dat nog uitgevoerd. 
Halb. in (i. J. , 74. 

bikniizelje, v. beknutselen. Halb. in (i. 
.1. , 74. — B e p j) e m o a t net d r e a u n 
w i r d e , d t* n kin s e y e t w o 1 a e r d i e h 
h w et 1 > i k n u z «' 1 j e. - - Hwet 1) i k n u- 
z e N t d «> u il ê r ? Ik ni tM t s e in s k i j) k e 
l'ur dr jniigt'. Ook b i k II e u ze Ije. 

bikoa^e, v. Zie bik'ôtjje, 

bikoar (spr. bekodr, Koudum, iStadfr. b e- 



koor; Leeuw, bekeur), n. pauze, rust (bij 
spelen). — Bikoar for my! houd even op. 

— Effen bikoar! Vgl. hiskied. 
bikoare , v placere , behagen. — 't U t- 

littene formeits kin in ald luan 
net bikoare. 

iUicere , verleiden. Hy hethimtroch 
moaije praetjes bikoare litten. - 
Hy hat dy faem witten to bikoa- 
ren, te verleiden. 

bikoaringr > »• verzoeking. — Aa je y n 
'e bikoaring reitse, nou? — Lied 
Ú8 net yn 'e bikoaring (1715). 

bikoarje (spr. -koâr-), v. in: Hy wier 
lilk, mar bikoar re him, hield zich in. 
Vgl. bidimme. — Ik bikoarje my, bezin 
miJ, wil niet zoo, maar anders doen. Lex. 283. 

— I m m e n b i k o a r j e , bj het spel. — Ik 
bikoarje dy! je hebt Terkeerd, niet vol- 
gens de regels gespeeld , je bent *af . — Bi- 
koarje my net! roept de speler, die aan 
de beurt is , als hy niet zeker is, dat hij 
volgens de regels speelt. Maar roept de 
speler 't eerst: Ik bikoarje my! dan 
staakt men 't spel en kan hy zyn spel op- 
nieuw overdoen. Vgl. bikeurd. 

bikoarje , v. door overgeven bevuilen. — 
It bêd bikoarje, in dronkenschap. Zie 
kou r je. 

bikoarlikens , s. bevalligheid, — in: 
Dy of dat, dêr is net folie bikoar- 
likens oan. Altyd met negatie. Ook 
bikoarliks en bikoarlikheit. 

bikoart(8d)e (spr. -koär-), v. breriare, 
bekorten, verkorten. — Dat paed lans, 
dat bi-(for)koartet wol in heal-ûre. 
Meest forkoarte, ynkoarte, z. d. 

bikoelje» v. refrigescere , bekoelen, af- 
koelen. — Nei de tonger is it waer 
aerdich bikoelle. — Fig. Dy jonge 
is sa lilk as in baerch, hy moat 
mar yn syn eigen sop bikoelje, van 
zelf tot kalmte komen. Zie bisoarje» 

bikofty adj. in: bikoft wèze mei, 
oan, tot te hoogen prys hebben. — In 
man is altyd bikoft mei in ryk wiif 
dat grutsk op hjar jild is. Lex. 276. 

— Der bin 'k net oan bikoft, daar 
kan ik zonder schade weer afkomen. 

bikôgje, V. bekanwen, bespreken, over- 
wegen. — Nei *t 66 it... mei eltioar 
bikôge hiene . . . folgen hja uyn rie. 



BIKO. 



135 



BIKR. 



R. ind T.*, 11*. — De earen binne dy 
noch net goedernôch bikôge, je 
hebt nog te weinig ondervonden. — De 
earen scille dy yet wol ris bikôge 
w i r d e , h e i t e ! je bent nog te overmoedig, 
je uioet door onaangename ondervinding 
wflzer worden. [Vechtende honden bijten 
mekaar in de ooren.] A. IJsbr. (1808), 6. 
K. ind T.\ 24. Forj. 1891, 179. Ook bi- 
koay e en bikauje. 

bULOmxne , v. bekomen, verkregen. G. 
J. (passim). — Dy 't alles ha wol bi- 
komt jamk neat, Ler. 283. — Wy bi- 
kommein lokkich ein, A. Ysbr. 1861, 
96. — In earm minske kin 't nedige 
hant net bikomme. 

bikomme» v. bekomen. G. J. I, 83. — 
*t dmakke üs swiet, 't bikomme ds 
wol, de Jong, Fr. Volksalm. 1852, 66. — 
Wol b i k o m m'-'t-j e (w o 1 b i k o m' t s j e) , 
pro»it , wel bekome het u ! na 't eten, of als 
iemand niest. — 't Scil him bikomme 
as de hoon it gêrs-iten (Burm.) . . . 
de woarst, 't zal hem zuur opbreken. — 
Ng bikomme, verbazen, krenken. — 
Jetske het dtstruid, dat ik great 
mei hjar bin, dat bikomt my njj. 
- 'tScoe my njj bikomme, as'k s a'n 
forwyt hearre moast, — as 'k net 
hirder ride koe as Jetse. 

bULOmme , v. bekomen , bedaren. — 
Nou. non, bikom in bytsje! de 
wrâld is net razen, tegen een on- 
^tuimigen heethoofd. — Heit is lilk oer 
't jildformoezjen, mar hy scil wol 
hwet bikomme, seit mem. — Net 
dalik käld wetter drinke, dyn hjit- 
tens moat earst hwet bikomd wêze. 
It waer bikomt. — De honger, de 
toarst, de wirgens is bikomd. — 

Fra. se remettre, herstellen. — G. J. ï, 15. 
— Fen 'e kelte, fen 'e reis bikomd 
wêze. — It flesk, it iten moat hwet 
bikomme, besterven , koiid worden. — 
De ferve moat hwet bikomme, goed 
droog, hard worden. Verg. bistjerre. 

Dy rik-skoarre moat earst yn 't 
f i Û r hwet bikomme, doorbranden, ear 
't er yn 'e komfoar kin. 

bikommerin^re, s. bekommering. A. 
Ysbr. 1861, 88. Zie bikommemisse, 

, V. curare, bekommeren. G. 



J. passim. — Ik bin om him net bi- 
kom m ere, hg zal zgn weg wel vinden. — 
Dat minske bikommert hjar net 
folie om hjar hiishâlding, maakt er 
weinig werk van. . . Hja is oer hjar 
bern bikommere, afflictus , in onge- 
rustheid. Vgl. hikroadsje. 

bikominemis , s. solUcitudo ^ bekommer- 
nis, bekommering. — Hy het nearne 
gjin bekommernis oer, hij bekommert 
zich om (over) niets. — In minske het 
al in bulte bekommernissen yn *e 
wrâld, beslommeringen. — Prov. By 't 
trouwen komt de doar fen 'e bi- 
kommernis iepen. 

bikomsty s. Eng. fill, bekomst, genoe- 
gen (van eten oi drinken vooral). — I k h a 
myn bikomst, ben voldaan. — I k h a 
dêr myn bikomst fen, ik verlang 
daar niet meer mee te doen te hebben, 't 
staat mg tegen. Ook: mijn geduld is uit. 
Vgl. nocht, — Lex. 283. 

bikom Bil m , adj. in: bikomsum iten, 
wat iemand goed bekomt. Vgl. onhikom- 
sum, 

bikonkelje, v. Eng. to plot, to intrigue, 
heimelijk bespreken. Wl. ld. XV. — Ik 
wist der neat fen, mar Gurbe en 
Syts ha dat mei elkoarbikonkele. 

bikost(ig)Je, v. Eng. to defvay, bekosti- 
gen. — Bern moatte in bulteleare; 
mar de alden kinne dat altyd net 
bikost(ig)je. Zie kostje. 

bikrachtifi^Je, v. bekrachtigen. Zie hi- 
kreftigje. 

bikramje, v. Eng. to wirsj bekrammen, 
met ijzerdraad aaneenhechten. — In stik- 
kene panne, in skûrde bûteraed 
(bi)kr amj e. 

de helling van den zeedijk aan de buiten 
(zee-)zijde met stroo-vlechtwerk bekleeden. 
Zie krammingen. 

bikrantsje , v. bepraten , babbelen over. 

- Hwet bikrantsje d y d ê r ? w a t (voor 

nieuws) bespreken zjj daar zoo druk? Lex. 282. 

bikrânz(g)Je , bikrânze, v. bekransen. 
R. P. Mei blommen bikransd. 

bikreauwe, v. betwisten. Zie ontkreauwe. 

beknibbelen , afdingen. Dat âld-fel kin 
de k e a p 1 j u o jamk om 'n h e a 1 e 
sint bikreauwe. Zie hitingje. Lex. 284. 
Zie kreautce. 



BIKR. 



136 



BIL. 



bikreftigje, v firma re, bekrachtigden, 
bevestigen. — Mem moat it yet bikref- 
tigje, den bart it. — Yens sizzen 
mei hirde wirden bikreftigje. — 
Bifestigje', ô bikreftigje' iis ford- 
bringen, (i. J. 1 , 124. — ... dat hy 
hjar Ijeafde bikreftigje scoe, Ibid 
II , 74 , Ook b i k r a e h t i g j e. 

bikreun(J)e (yen), v. curare y zich be- 
kreunen , l.)ekom meren. As in minske 
syn best docht, heter hini net to 
bikreunen. — To onbetocht dien, to 
let bikreund. — De Ijue bikreunje 
hjar in bulte oer it jildeninbyt- 
aje oer hjar si e Ie. Lex. 284. — Ook 
bikroanje. 

bikrimpe , v. bekrimpen , inkrimpen, be- 
korten. 

— Dat doek scil wol hwet bikrim- 
p e , door krimpen dichter, korter worden. Zie 
krimpe. — I m m e n y n syn 1 e a n bi- 
krimpe. Vgl. hijnihhelje , hikirte^hikrinhe. 
— Dy 't in lyts ynkommen het moat 
him yn alles bikrimpe, zoo veel mo- 
gelijk bezuinigen. — Syn steat bikrim- 
pe, op minder grooten voet gaan leven. 
Lex. 284. 

bikrinke (Noh.), v. te kort doen. — De 
baes het my noch noait gjin sint 
bikronken yn myn lean. — R. P. in 
Epk. , 254. Zie krinke. 

bikroadsje, v. bekruien, met kruiwa- 
gens berijden. 

— Dat ding ia bikroade, die zaak 
is bekonkeld, met slinksche middelen be- 
derd. 

bikroadoje, v. bekreunen, bekommeren, 
bemoeien, (t. J. II, 104. — Bern bikroad- 
sje hjar nearne net oer, aldeljue 
oer alles. — Bikroadsje dy net oer 
de dei f(Mi moarn. - II y bikroadet 
h i m net j a m k oer (om) syn eigen 
dingen. Lex.* 285. 

bikroa'ne, v. corona re, bekronen, Furj. 
ls01,202. - Ik hal) er jierren om 
s krept, mar nou sjen ik myn wirk 
doch bikroaud. 

It junge pear moat bikroane 
ik r o and) wird»'. dat komt hjar ta. 
Zie krtmnjr. 

bikroanje (Zh.), v. Zie bikreune. 

tbikrot', n. bekommernis, zorg, zwarig- 



heid. — Oer de takomst ha'k gjin 
bik rot, Lex. 285. 

bikrû'pe, v. al kruipende bereiken. — 
Ik wol myn stjerrend bern sjen, 
al moat ik it ein ok bikrûpe. Zie 
krúpe. 

— De feint het de faem bikrûpt. 
Vgl. bit rekke. 

bekruipen. It sin bikroep him om 
nei Amerika to tsjen. 

miserere, deren. — It bikrûpt my om 
dy herten ta (f en) bern; dy krije 
hast gjin iten. — As de wyn aa 
op 'e skoarstien boldert, bikrûpt it 
my nachts op bêdom mjrn scan dy 
't op sé is. Vgl. bijreataje, 

j)oenitere, berouwen. — Dat minske 
kin yn ienen opsternaet wirde, mar 
(*t gemoet) bikrûpt hjar ek dalik 
wer. Vgl. moeye, 

*bikrúflje , v. bekruisen, met kruisen ma- 
ken, met een ridderkruis versieren. Lieieb. V. 

bikûpje, v. bekuipen. — Yn in fet 
bikûpje. — fig. besteken, klaren. — Dat 
ding moat bikûpe wirde, dêr moat 
de man net om yn 't ûnk. — In ding 
stil bikûpje, heimelgk tot stand brengen, 
besteken. — 'k Scil dat fet wol oars 
bikûpje, met die zaak anders te werk 
gaan , het anders klaren , R. W., Bledden 66. 

bikwaem, a^\ periiuSf bekwaam, knap, 
bedreven, — In bikwame keareL 

sobriuSj nuchteren. — Gurbe hie wol 
in poas yn *e herberge sitten, mar 
hy wier oars goed bikwaem. Vgl. 
otibikieaem, 

bikweadigje, bikweadaje (Foij. 1881, 
48), V. peccare, bezondigen^ — Bikwea- 
digje dy net oan in oarmans gûd. 
Lex. 317. — Ik scil der myn bannen 
net wer oan bikweadigje, Fra. /e n'y 
toucherai plus. R. ind T.*, 9â*. 

Dy jonge is er fen bernejierren 
yn bikweadë, in iets kwaads verliard. 

bil, n. meest pL billen, eftmet^ bilOen). 

— In mingelen bokse en in pegel 
bil, iron. een wgde broek om achrale billen. 

— [De faem] skont de glddde billen 
oer de bedsplanke, R-indT.'.i. — Dat 
sûpkeal bat syn wiift goed troch 
de billen spile, «fifapMèWf, dooigebracht, 
verkwist. — Tet mei de billea wol 



BIL. 



137 



BYLD. 



bleat lizze, haar schuld wel hekennen. 

— Wy SC i 11 e ris sjen, hwa 't de 
blankste billen (bullen) het, wie 't 
er het knapst af zal brengen , — wie schul- 
dijf is of niet. — Simen en Fokscille 
trouwe; hja kinne oara net byin- 
oar bringe (der komt neat byin- 
oar) as fjouwer neakene billen (en 
^kald er oer hinne), zij hebben niets 
om mee te beginnen. — Weet mei bil- 
len, zware goed volgroeide tarwe , beste 
soort. Lex. 285. 

bil, 8. ruimte tusschen de buiten- en de 
binnenbekleeding van een schip. Lex. 297. 

bil , 8. in: Sondeier bil, jaarmarkt te 
Sondel. Lex. 285. 

byl, 8. hondennaam, Wassenb. 1, 18. 

byl, s. byl. — In hammer, kwast en 
byl li Is'twapenfenBûrsyl, Sechje. 
|De buurt B û r s y 1 of Comjum bestond vroe- 
ger uit drie huizen, waarin een smid, een 
verver en een slager.] Zie bile. 

*bilab(b)er» eg. lasteraar, kwaudspreker, 
ächimper. Hsfr. I, 215. 

bilabberd, adj. in: 't Is in bilab- 
berde boel, een ellendige boel. — Biste 
bi lab berd? mal, dwaas. 

bila4le, V. opladen, belasten. — Dou 
mast dy jonge net al te swierbi- 
lade (ôflade), een te zwaren last laten 
torschen. 

— Bipaktenbiladen, wanneer iemand 
b.v. iets op zyn rug en ook aan iedere hand 
draagt. Vgl. ôfîaden, 

*bila(e)bje , t. belasteren , laken , be- 
jvhimpen. — Better meitsje stiet 
moaijcr as bilaebje. Lex. 286. Lit 
^e gnoarje' en iis bilaebje, hwaems 
fjóris oan yeske tard, G. J. ï, 29. 
<>ok bilaegje. Vgl. birabje. 

bilaeitflde, bilaekje (Wassenb. I, 157), 
bilaetiBje, t. dfriderf, belachen. G. J. II, 
99. 111. Zie laeU^f, 

bila(e)pje » v. belappen , met lappen her- 
stellen. — Immen bilaepje en bi- 
n a e ij e , zgn ondergoed maken en heel hou- 
den. Lex. 286. — In b i 1 a p (p) e broek is 
better as ien mei gatten. Zie lape. 

bilakke, bila]i;Je, t. allectare, bedotten. 

- Ik lit my net bilakkc. Lex. 286. 
Zie IdU». 

taüaaiflr» ^' cammodum, pondus, belang. 



R. ind T.", 253*, 254^ — Ik ha dêr bi- 
lang — , gjin bilang by. — Hwet bi- 
lang hestou dêr by? wat gaat jou dat 
aan? — In ding fen bilang, een zaak 
van gewicht; ook iron. — Net fen bilang, 
niet veel. — Bern sit noch gjin bi- 
lang yn: hja witte net hwer 't wei 
kom me moat. 

bilan£^(J)e, v. belangen, aangaan. G. J. 
II, 95, 104. — En hwet it fatsoen bi- 
langt, R. ind T.*, 22«. Meest oanbi- 
lang(j)e, z. d. 

bilangje (Schierm.) v. bereiken. — S a au n 
jiear hiea ik pas bilange, ik was 
pas zeven jaar oud, Conter. 

bilangje. Hl. beangsten. De bo''n 
binne jitte na'^t thiis fan 't iis; it 
bilanget mi, ik maak mij beangst , be- 
zorgd. 

bilânje, v. pervenircy belanden, aanlan- 
den , terecht komen. — Hwer scil dy 
bal bilânje? — Hwêr is myn meskc 
bilanne? 't is wei. — Dy smycht 
is yn't tichthiis bilanne. — Hwêr 
moat dat bilânje? waar moet dat op 
uitloopen? (dat zal slecht eindigen.) Vgl. 
bid ar je. 

bilasterje, v. belasteren. — In o ar bi- 
lige en bilasterje om yen sels 
skiën to praten. — Rikst is in nu- 
ver faem; hwet het se in oar wol 
bilasterje! en nou moat se sels nei 
deWalden. — Bilaegje en bilasterje. 

bilazerje (triv.), v. foppen, beetnemen, 
bedriegen. — Hy het him moai bila- 
zerje litten. — Vgl. W. D. Op Maeije- 
dei, 8. 

— Bist bilazere? ben je mal ? Ook 
bilazerd. Zie lazer je. 

tbilbier, n. Bildtsch bier te St. Anna 
gebrouwen. 

bilboer, m. landbouwer op het Bildt. 

bilboeriime , f. boerenvrouw van het 
Bildt. 

tbilboerkes, pi. Leeuw. pi. korte dikke 
kaarsen. 

j byld, bield, n. imn^o, statna, affigies^ 
' beeld. Hl. beeld (ee klinkt naar i). Henndl.: 
i pi. b e e 1 1 o n. — G. J. pa.ssim. — In byl d 
}' n 'e t Ú n , — o p 'e kust. - H y 1 d e n 
yn 'e tsjerke, bij de katholieken. — In 
albastere, moarmeren, porsleinen, 



BYLD. 



138 



BILE. 



^ i p H e n l) y UI. - In b y 1 d f e n j n b e r n , 
f il e 111 , f r o 111 mis, iil. schoon , iron. leelijk. 
V<^1. boarst-, krits-^ ataudbyhl ; okkehyld. 

Small. , Opsterl. , Wouden , Waterl. , IJlat: 
kinderprent. Dr. beeldering. Zie heilinj , 
print. 

bylder, c^. de hond, in een oud volkn- 
raadsel. ... de bylder yn 'e daem. 

byld(e)rich, adj. beeldig, mooi. — Hl. 
bee'lderich. — In bylderieh staelt- 
öje fen gûd. — Hwet ha jy doch 
in byld'ric'h bern. S. K. F., Ec»,rder- 
Letter. — Ook bvldmoai. 

byldhouwer, m. statuariun^ beeldhouwer. 

s. ijzeren werktuig, waarmee men de 
horens van een rund vervormt om het jon- 
ger te doen schijnen. Ook de 'fryske di- 
vel'. Lex. 250. — 

m. de man, die dit werk doet. Zie kouice- 
kapper. 

byldmoai, adj. beeldschoon. Zie hijlderich. 

bildoarpen , pi. de dorpen der gemeente 
't Bildt. — Wy habbe in reedaje mak- 
ke de bildoarpen trocli. 

byldsje, v. van versierfielen schitteren. 
- ï t w i i f b y 1 d e t as in a p e 1 o p 'e 
pot kast. Lex. 250. — 

Vgl. hi', for-, yn-, vthyUlsje. — Zie hylkje. 

byldtsje , dem n. imayuncula , beeldje. — 
Po r s 1 e i n e n b y 1 d t s j e s (als ornament) o p 
*e skoarstien mantel. 

bile , 8. tteruris , bijl. — Dat is i e n f o r 
de bile, een slachtdier. — W y 1 i b j e as 
de okse for de bile, onbezorgd daar- 
heen. Hy docht it mei lange stap- 
l)en en de rug e bile, in 't ruwe. Lex. 
2ST. Mei de greate (stompe) bile 
der ynhouwe, plompweg iets zeggen. -- 
Prov. Men kin o j) alle o a s t e n vl e 
bile net set te, niet op alle kleine fou- 
ten letten. 8et de bile der mar vn, 
laten we 't verschil tusschen (*isch en bod 
deelen (bij den veehandel). Zie skfel. 

Hile en blok binne vet bihal- 
den, man »*n vrouw leven nog: er kunnen 
nog wt'l nn'cr kinderen komen. - \*x\,hekse-j 
hou-, iis-, kap-, shtrhtt'r.^-, sUnfferhilv. 

bileanje , v. rrmuneran' . beloonen. — 
( i o d s e i 1 i| y o k . n e i w i r k , b i 1 e a n j e , 
<i. .1. 1. 15Î*. -- ... t)t' hy jo for jou 
moeite. .. bileanje woe, Ibid. 11,114. 

straffen. De Heare se il dy der 



ienkear for bileanje, dogen e at! 
Zie Jeanje, 

bileanning^ , s. pi*aemiumy belooning. Lex. 
2^8, 293. — Us gewisse is üs bilean- 
ning en lis straffe op ierde. Zie lean. 

bileard , adj. geoefend, ervaren. - Hy 
is yn alle dingen bileard, van alle 
kanten klaar. — 'tïs in goed bileard 
hynsder, 't kin tsjernje en is mak 
op 'e wei. — In bilearde, gedresseerde, 
houn. Vgl. onhileard. 

bileaxe, v. emdire, dresseeren , oefenen , 
onderrichten. — Wy scille nei hj el- 
jou nstiid lis trjje-jierrich hynsder 
bil e ar e. Zie hiride, 

- Sa bil care lis ienfaldige echt- 
fryske Ijue. Forj, 1894, 150. VgL owrfir- 
rjuchtsje. 

bileanje , v. met laarzen aan doorwaden. 
— De wei stiet sa fier onder wet ter. 
dat it net to bilearzjen is, niet te 
doorwaden zonder natte voeten te krjjgen. 

bileasl^e (spr. -Ijeskje) , bileastde (spr. 
-leasje, doch: bileaste, als praet. èc pp.), 
bileaa^e, v. vochtige indrukken van den 
voet achterlaten. — 'k Hie krekt de 
keamer opdweile, en nou is alles 
al wer bileaske. — Hwa bileastet 
de flier hjir sa? Heat wiete fo et- 
ten? — De jonge hie mei Ijeppen 
in wiet foet helle, en bileaze de 
skoalleflier. Zie least. 

bileauwe (Waterl., Zh.), v. beloven. Zie 
bilori', 

bilea'ven, adv. TOoraL — Veel: foaral 
en bileaven. — Bileaven sunich 
wêze. — Jo moatte foaral en bilea- 
ven komme. — Ook bileven, bili- 
ven. Zie hiljeav(j)en. 

bilech', n. eerste laa^. — £arst in bi- 
lech om 'e hele golle (lizie), en den 
mei dwarslagen loege, dat berget 
it me ast e nôt. 

bil eggen, pi. belegstnkken. Zie hUtch- 
ütikken. 

bilecbjes, pi. onbepaalde ^exegden, uit- 
vluchten. — Dêrom praet hja der 
hwet oer hinne en brûkt sokke bi- 
lechjes om hjar sahwet heal oan 
him bikend to ra ei t «jen en heal on- 
bikend to bliuwen, R. P. Afjimme, 
149. Ook forlechje. 



BILE. 139 

, pi. belegstukken (van 
een vensierkozijn). Ook bil eggen. Vgl. 
kaHtfAikken. 

bile'fir^rje, v. door leggen dicht en vast 
worden , uitwerken. — De tsiis, itbier 
moat yet hwet bilegerje. — Bile- 
gere brea, turf. 

— ... ik ha se (vrouwen) 1 j e a v e r . . . 
hwet bilegere, wat onder, R. ind T.', 
2Ô3-. Vgl; bigear(j)e, 

bilehúsliiifir, n. -stok, -stalle. s. Zie 
de Enkelwoorden. 

bileid' , n. consilium , overleg. G. J. I , 
li, 141, 158. — Hja hie hjar wakker 
opdien |! en oanklaeid mei bileid, 
v. Blom, Bik., 57. 

bilekje, v. kwaadspreken van. — By 
jo praet er jo nei de mûle, by 
my bilekket erjo. Vgl. onbilekke. Zie 
irkje. 

bilel^e , v. afnemen , verminderen. — 
As er hwet wyn is en de sinne goed 
nkynty bilekket it hea gans yn in 
dei, op 't land. Vgl. büúnje. R. P. in Wi- 
arda. 288. — Bilekke middels, berooide 
middelen, R. P., Keapm., 6. 

bilek'skoa^e , v. bedillen , vitten op. 
Hsfr. IX, 114. Zie lekakoaije. 

bileman, m. een der werklieden, die den 
te kappen *meiboom' uitkiest. Zie maeiheam. 

tb i l e m a n n e n , pi. zoo noemde het volk 
de vroegere sappeurs. 

bilem'merüiflr, bilimmering , 8. diffi- 
^«//rt*, belemmering. — Hy het in bilem- 
mering yn syn spraek, hy spreekt on- 
duidelgk, tengevolge van een ander of ander 
.spraakgebrek. 

bilemmerje» bilimmerje , v. belemme- 
ren , in enkele uitdrukkingen : — H y 1 e i t 
tige min, de spraek is him al bi- 
lemmere, van een die gevaarlyk ziek is. 
- De tonge is him bilimmere. stjjf, 
zfxxlat hjj niet of moeilgk spreken kan. 

biléste , v. belasten. — In skip bi- 
lê.ste. — (It gêrs), dat bilêst wier 
mei de d a u , v. Blom , Bik., 36. 

— Bilêst en biladen, ookfig. — Mei 
ik jou dêr mei bilêste? 'tu opdragen? 

- Ik 8cil der my wol mei bilês- 
te, 't op mg nemen. 

bilè0t0g)Je9 ▼ flfioikfare, gelasten , beve- 
len. Tie^ bilêtkje. — Dat ofsa ha'k 



BILK. 



Hy SC il syn ing- 



m 



(it) dy bilêstge. - ^j .... oj » w.g 
len bilêstigje, dat . . . G. J. I, 146. 
Ibid. passim. 

bilêstge, pp. belast. — Meisûnde- 

oulnestiennen bilêstge, oHear!.. 
graei ik ta Dy, Ibid 1, 113. 

bilèsting^, s. r^c/*^rtf , belasting. — Ont- 
fangers, doarwarders, . . . fen 'e bi- 
lêsting. Vgl. lésten, les en tres. — It is 
nin bilêsting, it binne onimers mar 
opsinten, R. ind T.', 305". 

bilès(t)Je , V. Eng. to taxc , aanslaan in 
de belasting. — Off se my opsintsje of 
bilêstje, dat kin my neat skele, R. 
ind T'., 305^ 

bilet', n. belet, verhindering, oponthoud. 
— Ik hie oars earder kommen mar 
ik krige bilet. Vgl. forhindering, 

— Brûk myn wein, ik ha der gjin 
bilet om. Lex. 258. — Meest forlet, z.d. 

biletsel , n. verhindering , oponthoud. I k 
krige in hele boel biletsels, oars 
hie 'k earder klear west. — Dat 
wier him gjin biletsel, hy fleach 
er mar troch. 

biletsje , n. kleine verhindering. — Der 
wol gau ris in biletsje komme. 

bilette, v. impedirey beletten, verhinde- 
ren, ophouden. — Kinst dy jonge (dat) 
net bilette? — Min moat nimmen 
net bilette yn syn wirk. A. IJsbr. 
( 186 1 ) 53, 56. — .1 y m o a 1 1 e m y net bi- 
lette, ikmoatnedich fo art. Lex. 288. 

biletterje , v. met letters voorzien. I n 
doek, in hirad biletterje. 

Ook biletternaeije. Zie letterje. 

^biletting^e, s. impedimentum y beletsel, 
belet. G. J. II, 76. 

bileven, adv. vooral. Zie bil ea ren. 

bilèze, V. dictis ducere, overtuigen, over- 
reden, vleiende overhalen, b.v. tot het geven 
van het jawoord. — Kin ik netbilêze, 
d y , m y n g o u d n e R o a i t s ? G . J. 1,9. 
Zie aki 7<). — Lieteb. no. 54. 

bele>.en , liezwereii , uitwendig betasten en 
wrijven van een ziek lichaamsdeel onder 't 
opzeggen (lézen) van een tooverformulier, 
door wonderdokters. — Itkweabilêze, 
v.BI. Bik. 60. Vgl. W.l). Volksl. Il, 257. 

bliezen, lulj. belezen. Dy man (dat 
wiif) is tigebilêzen(bilêzenenbi- 
s p r a e kt) heeft veel gelezen , vooral op gods- 



BIL. 



140 



BILY. 



dienstig gebied , en weet met die boeken- 
kennis onderhoudend te spreken. — Bil- 
de r d y k wier in o n w i t e n d (zeer) b i- 
lezen man, R. ind. T.\ ï^97. 

bilfrommis , n. vrouw of meisje van 't 
Bildt. K, ind 'i\\ 79'. 

Ook (minachtend) groote, forsche vrouw. 

bilg^reppel, -^^i^ippel, s. diepe gruppel 
tusschen twee stukken of gedeelten bouw- 
land. 

bilhammer, s. bilhamer, om molenstee- 

nen mee te scherpen. Lex. 292. — Dy mei 

.nedich ris ûnder 'e bilhammer, 

schimpend van een gebochelde. Vgl. roïle. 

bilhynst, eg. bijzonder groot en sterk 
paard, met forsche billen, alzoo geschikt 
voor ploegpaard op den zwaren kleigrond. 

triv. ïn bilhynat fen in frommis, 
een buitengewoon forsch gebouwde vrouw. 
Lex. 29(). Vgl. hilmerje. 

bilib'Je, v. beleven, ervaren. G. J. Il, 
110. Wa.Msenb. 1, 160. - Prov. Inminske 
m o a t e k s o a r g j e f o r de dei d y 't 
er net bilibbet. — Dy 't nin kwea 
bilibje wol, moat ier stjerre. — To 
Warns i.s net folie to bilibjen, niet 
veel ervaring op te doen. Lex. 288. — In 
minske fen tachtich kin folie bi- 
libbe ha en neat leard. - Ljeave 
trettsien! hwet scille wy nou bi- 
libje? bij 't vernemen van iets buitenge- 
woons. — Ik hab in boel bilibbe en 
f o r 1 i b b e . veel beleefd en velen overleefd, 
zei een oud man. Zie forlibje. 

bili'de, v. fatcri , belijden, bekennen. — 
Ik bilyd. hy bilit. bilydt, — bilied, bilijde 
of bilitte, biliden of bilit. — Skuld 'bi- 
1 i d e. — H y het m y h e 1 s b i 1 i d e n (b i- 
1 ij d , bi li t) . d a t . . . in vertrouwen gezegd. 
Si)reektaal : vaak b i l e e d . b i 1 ed e n. 

bilidenisCse), s. confessio, belijdenis, be- 
kentenis, vooral : syn biliden is dwaen, 
afleggen in een kerkgenootschaj). -- schuld 
bekennen. Het er foar de rjuchter 
bi 1 iil en i-Jse dien? 

bilied (Tietj,). Zie />///Vn. 

biliede , v. het overlijden van iemand 
door het luiden der klok(ken) bekend maken. 
<J. .1. 1. *»4 : I» erii-bi 1 i ed en. j).]). bil(.»tï 
Ken (»v»Tl»MK'ne wor»lt dadelijk of «lt»n volgen- 
den dag een uur lang beluid. meest met twee 
klokken, zoo die er zyn, ook wel alleen met 



de groote voor een man , met de kleine voor 
eene vrouw of een kind, Nog in gebruik 
over 't grootste gedeelte van Zuidelijk Friesl., 
ook in Dr. Vgl. Dr. Alm. 1842, 142. - Op 
Ameland beluidt men alleen de oudste dor- 
peling(e), zoo deze sterft. — Op vele plaat- 
sen zou 't afgeschaft zijn igdens de groote 
sterfte in 1826. — Prov. Hwa fen driig- 
jen stjert se il men mei firten bi- 
liede, Burm. Lex. 291. W. D. Volksl. I, ;i:W- 

biliede, v. p.p. bilaet. — It koufé 
is bilaet, gewend aan leiding met een 
touw om de hoornen. Vgl. hidriutce. 

biliene , v. beleenen. — Mem het hjar 
earizer biliend. Meer forse t te, z. d. 

bilies in: bilies jaen, 't opgeven, 
'verloren' geven. Ook bilied. — Hy koe 
't tpjin Dirk net hâlde, hy moast 
wol bilies jaen. Sw. 1875, 23. \g\, for- 
iern. 

bili'ge , V. (iemand) door leugens verdacht 
maken, (iet«) vergoeljken. — In oar bi- 
lige en bilasterje. — Don witst it 
moai to biligen, min scoe siker 
tinke, 't is wier. — Ik moast it sa'n 
bytsje bilige, dat er 't net yn 'e ga- 
ten krjje Hcoe. 

<>bliy', n. detrimeHtum, schade, lost, lijden. 
— Ik Hen myn frjeonen myn jild 
as ik er sela gjin bilg (forlet, z. d.) 
fen ha. — Ik ha de tsjinst (koorts) net 
lang, njuggen dagen lang hie 'k er 
't earste bily fen. Lex. 289. 

bililje , V. lyden om , ter oorsake van. — 
Hwet de greaten misdogge, moatte 
de lytsen bilge (pleeti). — De goede 
moat it'mei de tsjoede biljje (ont- 
jilde). — 'k Mei wol in slokje, mar 
kin der net oer; nim 'k it hjoed, ik 
moat it moarn bil^e. — Pronkje en 
't üt 'e mûle bilge, yan blinkende ar- 
moede. Vgl. bigoarje, 

bime, V. behelpen, vergenoegen. — Hy 
moat him mei kftld wetter bilge. 
H. P. in E])k., 283. Zie biheipe, hinoegje, 

biiye, V. confUeri, beladen, erkennen. 
vereeren. O. J. I, 225. — Prov. Elts bi- 
lijt de Hear op syn menear. — Ik 
scoe 'tmarbilge, it komtdôchút. 

bilyk'je, Zh. ▼. in Tergelgking komen. 

- Hja kinne elkoftr skoftn bilykje, 

behoeven voor mekaar niei -onder te doen. 



BILÎ. 



141 



BIU. 



— Wy kinne in-oar net bilykje, dou 
in rike keapmans-soan ; en ik in 
earme skroar, F. B. , Alleg. lokkich, 10. 

blHniTneriiig , s., bilimmerje, v. (Wh.), 
belemmering^, — belemmeren. Zie b i lem- 
mer ing. . . . 

bUitsen» adj. beloken. — Hean en bi- 
litsen, mager en bleek. Zie bilâke, 

bilytflje, v. afnemen, kleiner worden, 
verminderen. — It hea de turf bilyt- 
«et, de Toorraad er van vermindert zicht- 
baar. R. P. , Keapm. 

klein of te weinig voorkomen, toeschijnen, 
kleiner of minder dan men verwachtte. — 
It jild bilytset my. — Ik miende 
mear smoar to hawwen, it bilytset 
my raer. -Ik tochte 20 goune út 
myn skiep to meitsjen, en der 
wirdt my mar 15 bean, dat bilytset 
my. Zie ôffalle. 

*bilitte , v. verlaten , begeven. Lex. 289. 

— De froast scil ús bilitte, in den 
steek laten. — De gong biliet hjar, 
de kracht om te loopen begaf hun. R. ind 
T.*, 240*. — It tou biliet him, het 
brak. Lex. 289. Zie lijaen. 

— Dou kinst dy op my bilitte, je 
kont, je op my verlaten, op mjj vertrouwen. 
R. ind T.«, 195*. Zie forlitte. 

«biliuixre , v. bedaren. — It waer bi- 
1 i a w t. Zie hikomme. 

biliven, adv. vooral. — Moat ikfyf- 
tich ierappels skile? Ja, biliven 
net mear, liever wat minder. — Foaral 
en biliven net forjitte. Zie hiljeaien. 

bilisBze, v. beleggen. Lex. 281. — Dy 
groun forkeapje 'k net, al wol je 'm 
my mei ryksdaelders bilizze. — Ik 
mat alles mei de duit bilizze, alles 
wat ik in de huishouding behoef, moet ik 
kooi>en. — 

— Jild yn län, yn pompieren bi- 
lizze, ook: jild ütsette. 

rtchikken, besturen, guhernare. — [(xod] 
kin syn wirk wol bilizze, G. J. 11, 
114. — Ik woe ris inmoayefytbi' 
1 i z z e , beramen. ld. — Dou geiste wak- 
ker feint, mar wy scille 't ris mei 
in-oar bilizze, onze krachten met elkan- 
der meten. Lex. 281. 

— Rie bilisEe, beraadslagen. Halb. 
Matth. XII, U; XXII, 15. — R. ind T.«, 427 '. 



beman telen , cotmternere, — Sa lang se 
de wierheit fordraeije en bilizze || 
Salangkindefredebistean || Mar 
as se elkoar rouniit de wierheit 
sizze 11 Scil 't gau op in oarlogjen 
gean. — Jinime witte 't al moai to 
bilizzen, W. D., Gjirgens, 9. Zie heiige. 

bedisselen. — Hy woe 't stil bilizze 
mar 't pakte forkeard lit. — Hin- 
tsj e bilizze ll Hjadoarstit net siz- 
ze II Kyk efterom || Kyk foarom || 
Kyk oan 'e beide siden. Liedje bij een 
kinderspel. Zie W. D., In Doaze, 87. 

bilje , v. billen , de tanden van een mo- 
lensteen scherpen , ophakken. Lex. 292. — 
Ook een slijpsteen afbikken. 

bylje , V. latrare , blaffen, bassen, huilen. 

— De houn bilet. — De hounen scil- 
le hast om my bylje, ik zal spoedig 
sterven. Vgl. spûk-gúle. — Byljen is gjin 
biten. — Hwet is in houn dy net bi- 
let? van een zwetser. — Hy bilet mei 
de hounen dêr't er meiyn'ebosk 
i.s. Lex. 292. 

Hwet bibylje dy hounen der op 'e 
dyk? Zie bi-. Vgl. bïafle. 

*Wyld bilet de wyn. ld. IV, 158. 

— ...'tstoarme byljen, Ibid IX, 94. 

— De doarp&klok bile 't holle bom- 
bam oer it Wette rlan, V. d. M., op 
tE. H. 1858. — Dêr fortwiv'ling helsk 
en lûd li bilet ... — G. J. 1, 76. — 
lyljend en byljend. v. Blom, Bik. 
109, 31. 

bilJeaTenis, biljeafküsse , s. believen, 
behagen. — As 'tjins biljeafnisse is, 
ook: mei jou biljeafnisse, met uw 
goedvinden. - F. B., Alleg. lokkich. 28. — 
Zie biljear(j)e. — 
.*biljeauwe, v. beloven. W. Gribb. 71 

bi]Jeav(J)e, v. gelieven. — Dat jy 't 
yn de jamkste falde biljeavje to 
sla en. — Hja biljeafden i t sa, R. P. 
in W. — 

Hl. bileav(j)e. - Bljef je ek è^r- 
pels, ook aardappelen noodig? — Bljef 
je e k in kop té? — Het b 1 j e f j e , 
wat belieft u? 

biljeav(j)en , n. believen, welgevallen. 

— Alles wirdt stjïird nei 't biljea- 
ven fen de man dy't bitellet. Lex. 
288. — As 't mei jou biljeaven is. 



BlU. 



142 



BILO. 



— Hl. Het ys er fan jimme bilea- 
wen? Vgl. Roosjen , 6^^ , 65. 

— Jy nioatte er biljeaven net f en 
prate. A. iJsbr. 1861, 4. — F o ar al en 
b i 1 j e a V (.j) e n , zonder missen. 

biljert' , n. bUjerttafel , «. biljard, b i 1- 
j e r t b a 1 , s. biljardbal , biljertstok, s, 
queue. 

biljertsje , biljertspylje , v. biljarten. 

biljet', n. brief of stuk, circulaire. — 
It biljet fen 'e forpoun ding, aanslag- 
biljet der grondbelasting. 

bi-ljochtsje , v. bezien. Ook biljacbt- 
s j e , -1 j u c b t s j e. — Dat g û d m o a t 
men ris by dei biljochtsje, oars 
kin men 't net skouwje. 

belicbten. — Biljacbtsje de kou oan 
'e krom stok mar; hja kin bisjen 
Ijie. — 't Paed biljochtsje. — Dou 
bist net wirdich dat de sinne dy 
biljochtet, lit stean biskynt. — 

*bestralen. G. J. l , 150. Zie IJochtsJe. 

biljoen', s. getal. — In biljoen, sterk 
met ko)>er vermengd zilvermuntstuk. 

billcant , s. de kant naar het Bildt heen, 
het Bildt en omliggende contrijen. Lex. 295. 

— Hy wennet oan 'e bilkant, is fen 
*e bilkant fen dinne. 

euphemistisch : Te ad e het ek neide 
bilkant west, syn wiif moat nei 
de Walden. — Ook: In nuver feint, 
hy haldt tig e fen 'e bilkant. 

bilkanter, eg. bewoner van het Bildt of 
den naasten omtrek er van. Lex. 296. 

bylkede , Hl. & Mkw. adj. beelderig, af- 
gebeeld. Vgl. Lex. 249. 

bylkerich, Hl. adj. bont, veelkleurig. 
In moajen dook, mar mi het to byl- 
k erich. 

bilkert, eg. wat van 't Bildt komt; 
meest bewoner van 't Bildt. Lex. 296. 

bylkje, Zwh. v. blinken, schitteren. - 
B y 1 k j e n d e , opzichtige . k 1 e a n s t e a- 
ne b»^j)pc net. Lex. 29;^. — Forj. 1877, 
74. - Dat gild bylket gans, mar 
't d o o c h net f o 1 1 e. - 1 n t s j e p fa o m 
wol. lil a r hja bylket li wet t o f o 1 1 e | 
un'i <lc toskt'ij. j)n)nkt te veel met haar ' 
taiuleii. l'at wiif is oan 't om f allen I 
ta en nou riiit se vet up'e strjitte 
to by I kj en. Vgl. jn'onkje. 

bilkluten, pi. zeer harde, langwerpige. 



afgeronde stukken klei, ter grootte van een 
duiven-, soms ook van een kippenei, en waar- 
van de kern bij sommigen Jjzer bevat. Zij 
worden op 0,5 M. diepte hier en daar (maar 
alleen op 't Bildt) gevonden. Plaat^beschr., 
85. — De zware kleigrond van het Bildt 
ligt, bij droogte na 't- ploegen, in groote 
harde , moeilyk ^n te maken stukken : 
dit heeten in de wandeling ook b i 1 k 1 u- 
ten. 

Scheldnaam der bewoners van 't Bildt. 

bilkoeke, s. iron. klappen voor de bil- 
len. — Hald nou op dogeneat, of dou 
krigest bilkoeke. Vgl ribbesmoar. 

biUe , Woudstr. in: Dy is oer de bil- 
le wipt, iron. in onecht geboren. Zie bil. 
Vgl. oerwinling. 

tbiliede, n. Hl. bontgoed, wit en blauw 
geruit; billede mei misdruk, voor zak- 
doeken. Roosjen 15, 16. Geen staal meer 
aanwezig. 

biller, bilder, m. die den molensteen 
scherpt. Lex. 292. 

billich, adj. met goed ontwikkelde bil- 
len, van koeien vooral ; ook yan paarden. — 
In billige kou, in billich keal. Vgl. 
smel'y stien-, skeanbülich, 

billik, a(\j. s. billikheid, (Oostelijk 
meer), billik. G. J, Zie binlik, 

bil'inerje, f. zwaar gebouwde merrie. 
Overdr. In frommis as in bilmerje. 
Zie bilhynst, 

^biloa^e» v. bedriegen. — Hy is mei 
dat lekken biloaid, gefopt. Lex. 295. 
— Dit hert kinne y net keapje,him 
net biloa^je ho y 't goud en de eare 
o p h e a p j e , R. P. 

^biloaitser, c.g. beschouwer. Vgl. pis- 
bil oa User. 

^biloaitsje» bil6li;]e, v. «Wfitom/^ri, be- 
schouwen. G. J. passim. — Do Foddat 
alles biloaitse hie .... K. ind T.^ 
:ï50'. V. Blom, Bik. 23. Lex. 294. Zie 
loait:<je. 

biloere, v. beloeren. Fr. Lèsb. 80. v. 
Blom, Bik. 88. — In faem biloere, haar 
voor zich winnen. — Einst de boer syn 
dochter net biloere? — De great- 
feint tocht de widdon to biloeren, 
mar hja woe net hingje. 

biloerl^e, y. insidiari, begluren, be- 
spieden. — Do *t ik him biloerke, 



BItO. 



14â 



BTLÜ. 



siet er in man byhim. Hsfr. I, 176. 

bllofte , 8. votum, gelofte. — J e f t a ' s b i- 
lofte. 

fidfs, belofte. As ik mei Pier rek- 
kenje wol: moaije bil of ten by de 
balt, mar gjin jild. Zie onthiet. 

*bil6kje, V. Zie hiloaitsje. 

'bilominerje , v. fig. benevelen. — H w e r- 
flte de minske op't ierdryk lynste, 
Oeral siket er 't forst ân to bilom- 
merjen mei in tinne blinkjende 
wolken, R. ind T*, 308". 

biloop, n. richting (van grenslijnen, die 
den vorm bepalen). — De e kers f en dat 
boiilân ha in moaibiloop(lizzeyn 
in moai biloop) ligging. — Yn ien bi- 
loop, in dezelfde richting. — Injurk, ~ 
in mofyn ien biloop. — Dyhoas kri- 
get sa gjingoed biloop: net fierder 
breid sj e. — In moai biloop fenin 
hynder, skip, wei n. ... Lex. 29Ô. 
Vgl. si ach j fatsoen y histek, 

In ding op syn biloop (birin) lit- 
te, den afloop afwachten. — It wrâlds 
«wearelds) biloop, Hûs-hiem 1895,129. 
- Togearre, zonder kinderen, bigjinne 
en togearre eindigje, alle kinderen 
de deur uit, dat is sa'twralds bi- 
loop. (hollandisme). Vgl. hirin. 

bilooyje , bilove , v. belooven , toezeg- 
gen , bieden , dreigen. Ook b i 1 e a u w e , 
!<oms in den Zwh. Hl. thans bilöwje. 
Koo^jen, 61, 66, — by G. J. bilauje. — 
Betterskip bilove. — 

For tooi V e sturen scil 'k it dwaen, 
alve is to min. Nou, ik kinnetmear 
hiloovje. — Wy ha 't dêr goed hawn, 
dat bil 00 f, verzeker, ik jimme. — 

Romke! dêr net oan, of ik scil 
*\y reitsje, dat biloovje ik dy! Lex. 
294. R. ind T.*, 114'. A. IJsbr. 1861, 39, 
ï»>. Zie onthjitte, Vgl. telle^ icikkfy sizze. 

*biloviii£^e , s. belofte. G. J.: b il au w in- 
ge. Lex. 205. 

bilpleats , s. landhoeve op het Bildt. Zie 

bils(J)UCht, 8. boutvuur, ziekte der run- 
deren, vooral kalveren, waardoor nog al 
dikwyis de bil, maar ook wel andere 
lichaamsdeelen het eerst worden aangetast. 
^Om deze ziekte te genezen of te verdry ven 
uit de fltreek, waar zg heerscht, wordt een 



bil van een gestorven dier buiten de gemeente 
gebracht en daar ergens begraven." Volks- 
bijgeloof (F. in Hus-hiem.) 

bilstik, n. dijstuk van een geslacht beest 
vaak in zijn geheel gekookt of gebraden. 

— ... haw sin oan dy Paryske 
bilstikken, dybekleeding, broeken, R. 
ind T.", ;3P. 

'^byltnis , s. beeltenis. Lex. 250, v. Blom, 
Bik. 9. 

biltsje, dem. van bil. Vgl. drinte^^kik- 
kertS'y skieppehiltsje. 

büts(k) , adj. Bildsch dialekt. Op 't Bildt 
c. a.: hy praet bils. Elders vaak: bil- 
kerts(k). 

bilük', in spreekwijzen : Ikseachder 
kwea biluk; een storm (van drift, veront- 
waardiging, verzet) in aantocht — Bil uk 
ja en, 't opgeven. — IngoeFriesjout 
nea bilûk. Vgl. hilies. — Lex. 298. 

bilüke, V. mager en bleek worden. — 
Tiet bilûkt sa om 'e troanje, scoe 
se jongwiif wêze? 

verbleeken. — Hywaerdsakjeldat 
h y biloek er fen. — Hy bilûkt (for- 
blikt) for nimmen of neat, is voor 
niemand of niets bang. — 

betrekken. — De loft bil û kt (bi- 
rin t). 

Zh. slenken. — It heablok bilûkt, 
krimpt in. — Doch in lap e mei yet- 
tich op dy forbolgene (gezwollen) 
hân, den scil er wol liwet bilüke. 
— Vgl. hilitsen. 

bilul', n. bewustheid. — Hyhiegjin 
bilul mear, sa dronken wie er. Ook 
binul. 

bilÚDje , V. krimpen , slenken , kleiner 
worden , verminderen. — De paden bi- 
1 11 n j e , bezakken , drogen op. — Dy a p e 1 s 
b i 1 Ú n j e gans f e n 't s i e d e n. Vgl. W- 
siede. — It hea bilunet, het hooi in den 
hoop bezakt. Lex. 298. Meer van gemaaid 
hooi op 't veld. — Nijgêrshea bilunet 
it me ast. Ook biljünje (Woudstr.). 
Zie bilekje. 

bilust\ ndj. appetevs, belust (vooral bij 
zwangere vrouwen). — Is de frou bilust 
op n ij e g r i e n t e ? H o i s d i t ? S k û 1 e t 
er h w e t ? 

— Ik bin neat bilust op him, niet 
op hem gesteld. 



BILÜ 



144 



BIMO. 



biluste , V. benieuwen. — It scil my ris 
b i 1 u s t e (1 u s t e) h w a 't d e p r i i s \v int. 
Zie h'i'te. Yprl. hhiije. 

bilûsterje , beluisteren. A. I.lsbr. 1861 , 
95. Zie hiharkjc 

bilwein , in : M e i d e b i 1 w e i n r e i s- 
gje, iron. te voet. \g\. skoenmakkersweintsje. 

bil'wirk, n. dijen en billen, vooral van 
een klein kind. -- Dêr sit in bêstbil- 
w i r k onder. 

bimakke, adj. in: Hj is in swift, 
mar i t is der y n bimakke, 't zit in 
zijn natuur. Vf^l. biiroartele. 

bimalkje, v. rom;/iarM7a;v, bekladden. — 
De jonge het i t h i e 1 e p 1 j i m s p o ra- 
}) i e r b i m a 1 k e. Zie malkje. 

bimanje , v. Eng. to man, bemannen (een 
schip), llsfr. V, 2:35. 

bimanning, Eng. crew, bemanning. 

bimantelje, v. bemantelen. — In tün 
b i m a n t e 1 j e , met boomgewas omplanten. 

bewimpelen , Hsfr. VU , 158. 

bimajsterje , v. poliri, vermeesteren, be- 
machtigen. 

bimealle, v. bemalen, droog houden. — 
In polder bimealle. — In (polder) 
m o u n 1 e bimealle, er dienst op doen als 
molenaar. — Hessel bi nieal t de pas- 
te r ij e m o u n 1 e f o r 80 g o u n e. 

bimeane, v. bemaaien. — It hof en 
de b 1 y k h w e t bimeane, opknappen 
door 't afmaaien van het te lange gras. 

bimeike , v. bemelken. — Sa'n kou dêr 
is net folio oan to bi melken, niet 
veel voordeel af te halen met melken. — 
Dat r i e r is gans b i m o 1 k e n (f o r m o 1- 
ken), door 't melken magerder geworden. 
Vgl. hiklonki'H. 

bimerke, v. bemerken. Zie merhe. 

bimerke , part. bekomen van het ker- 
m ishouden . - ■ Ho bist bimerke? 
Min; i k h a p i n e y n 'e holle. Zoo ook 
b i b r i 1 1 o f t e , b i n jj j i e r h â 1 d e n , enz. 

bimiddele , adj. bemiddeld, rijk (hol- 
Iandi<nie). Zie bijm'dije. 

^bimielje, v. ])eschilderen. (Î. ,1. I, 50. 

bimiette , v. bemeten. — In ding go e d 
)>ij)a SS »• f n biiuiett»*. Zie m'nttc. 

bixni'ge ^\v'i\.\\. pfrnifjerc, ronnji'rc j be- 
pi«'<«'n. Zit' hiitisjf', 

bimikerje , *biinykje, v. turende bezien, 
ld. V, ^T. Zie />/<//^/<7;yV , hi/cure , hiplm'r(j)e. 



bimimerje, v. mymerenover.bepeinzen. 

— Alle f a m m e u h w ê r h i m 't e a c h 
op fa Hen wier, tocht er oer en wer 
oer ris to bimimerjen hwer'ter fei- 
lichstrinnekoe. Hsfr. 1, 144. — *Dg 
stjirren to bimimerjen. Ibid III, 2. 

bimind', adj. bemind. — Al of net, 
tige, net botte bimind wêze. — Yen 
al of net bimind meitsje. 

beminder, biminnery eg. die van iets 
houdt, liefhebber. — Hja is in bimind er 
fenswiet. — Inpant8Jekofje,dêr 
bin'k in gr e a te (in earste) biminder 
fen. — Hy is gjin botte biminder 
fen sur. Schertsend ook: bimindhab- 
ber. Vgl. frjeon, IJeafhabber , maet, man. 

biming^e, v. het een in het ander men- 
gen. Lex. 299. — Wy krye hjoed lek- 
kere tsjokstrou; mem het erkrin- 
ten yn bimongen. 

biznitselje, v. bemetselen. — In stien 
yn 'e murre bimitselje. 

Fig. Ik sit er alheel yn bimitsele. 
zit met allerlei dingen om my heen. 

bimjuksje, v. van een bepaald getal 
stuks vee den mest wegruimen. — Ik hab 
moarns en jeans fjirtich bisten to 
bimjuksjen. 

bevuilen, bemorsen. — Deflierbi- 
mjuksje. 

bimochtich, adj. traa^ en loom. — Dy 
jonge is sa slûch en bimochtich. 
Zie wanmochtich, 

bixnodderje, y. met modder bevuilen 

— De strjitte, de flier bimodderje, 
klei- of terpaarde over 't land ryden. -- 

in stik la n bimodderje, ook b i m o d- 
d e r r i d e. 

roncacare. — It bern het him bimod- 
dere. Lex. ï300. — Ik hie my bynei 
bimoddere. G. J. I, 1. 

bixnoe jje (y e n), v. (zich) bemoeien, bezig- 
houden (met). — Men scoe -siixe . . . 
hwêr sa'n man him al mei bimoeit! 
R. ind T.«, :349. — Kinst dy ek rishwet 
mei dat bern bimoege? — Dy soarte 
fen dingen bimoei ik my net mei. 
houd ik my niet mee op. 

bimoeUenis 9 a. bemoeiing. — Mei eat 
of immen bimoenenis meitsje, ha. 
zi(!h mee bemoeien, mee inlaten. Minder 
alg. is: 



BIMO. 



145 



BIND. 



bimoejjiilfir, s. bemoeiing. A. B., Doarp- 
ke, 94. Zie het vorige. 
bixnoeisel , n. (iets) wat iemand aangaat. 

— Birooei dy mei dyn eigen bi- 
>eiäel, met je eigen zaken. Vgl. A. 

Ysbr. (1861), 59, 86, 91. 
bimoe^e , v. bemorsen , vooral met spys. 

— Dou mastdy net bi moe zje, tot een 
etend kind. Zie moezje, 

f bimomje , v. vermommen , vreemd op- 
schikken. G. J. 1 , 50. — Wassenb. Bijdr. II, 
14. Zie opfal-elje. 

bimotte, -motfi^e, Z. en Zwh., v. tV 
quinare, bemorsen. — Dou hesthj ir al- 
les mei heatuch bimotte. Zie motte. 

bimoudflje, v. met stof bedekken, be- 
stuiven. Zie moude, 

bimUBSterje y v. oefenen in houding, 
gang en draf. — In hynsder bimun- 
s t e r j e , ook om zijn gang en houding te 
«leen zien, zooals bij verkoop, keuring. 

bin, n. ben (korf), de inhoud er van. 
Ook ben. — Séfisk wirdt meast by 't 
bin forkoft. Vgl. fiskbin, plathin. Lex. 
3»Jl. 

binachtfide, v. overnachten. — Jy kin- 
ne hjir wol binachtsje. 

door den nacht (het donker) overvallen 
worden. — Yen binachtsje litte. — 
Ik lit my, as 't net hoef t, netyn 'e 
!4têd binachtsje, H. S., Boask 31. 

binadeije, v. Ëng. to confiscate, in be- 
4ag nemen. — De kommizen binader- 
je de kou, een slachtbeest , als zjj *t te laag 
aangegeven achten; zjj nemen 't dan over 
ra et 7 % boven den aangegeven prjjs. 

— De faem hie in fleske persiko 
f» i n a d e r e , ontvreemd, dêr se yn 'e ko- 
ken op traktearre. Zie naderje. 

binae^e, v. benaaien, bestikken. G. J. 
I. 'il. — In mûtse, in himd . . . bi- 
naeije. — Binaeide pantoffels, ge- 
werkte pantoffels. 

— Fig. In binaeide boel, een lastig 
e»*vdl. Hy wier sa yn 't gat (himd) 
binaeid, zoo angstig, dathy koe wol 
trorh in pypstalle ski te. — Vgl. yn 
'/ 5/(1/ hibiten. 

binaeisel, n. Eng. embrordety, borduur- 
de]. — It is in binaeisel; it stelt 
foar in eliepende herder, v. d. M. 

btnaniMi» IrtnaimneCa) t binèmen 



(Overtj.), adv. voornamelijk, inzonderheid. Lex. 
314. R. ind T.", 319', 349". Wl. ld. XV. 
H. S., Alm. 12", 1860. S. K. F., Printsjes. — 
Hja binne gnappe fa m men, bina- 
men Griet. Ook: binam(m)ently k. 

binaud, adj. & adv. benauwd, benauwend, 
eng, bekrompen, drukkend, angstig, gierig. 
— In binaude bui, tijdelyke zuinigheid. 
A. Ysbr. 13. — In binaude droom, v. 
Blom , Bik. 33. — 1 1 is binaud as 't b y 
nacht komt (en gjin Ijocht, oalje), 
iron. — In binaude lucht (rook), ver- 
stikkende lucht, onaangename geur. — In 
binaude set, physieke aanval van be- 
nauwdheid. — It binaude switbriek 
him út. — Skitende binaud, binaud 
yn'e broek, anxius , bang. — Moeilik 
en binaud, zwaarmoedig en bekrompen 
van geest. A. Ysbr. (1861), 46. — Prov. 
Dy 't op God bitrout li ia nea bi- 
naud. — To binaud om in siiit lit to 
j a e n , te gierig. — Binaude jonge, kea- 
rel, ondeugende jongen , nare vent. — In 
binaud wirk, lastig werk, onaangename 
zaak. — In binaud waer, noodweer. — 
Binaude krap, zeer armoedig. Vgl. bi- 
droefd. 

binaudens, s. a»xieias, angst, vreesach- 
tigheid. — Hy wist fen binaudens net 
hwer't er krupe scoe, Forj. 1893, 128. 
binaudheit, s. benauwdheid. - Do er 
syn jonge seach, boarstende fen 
binaudheit, R. ind T\, 349\ — Hy sit 
yn 'e binaudheit, in de engte , verle- 
genheid. 

binde, s. bende, hoop, menigte G. J. Il, 
73. Halb. Matth. XXVI, 55, slecht volk. 
R. ind T', 118\ — Ook: bandelooze, slor- 
dige huishouding. — 't I s s a 'n b i n d e ! 
Vgl. dieve-j moardners-, rovers- , skoaijers- 
hinde. 

binde, s. groep veldarbeiders onder een 
opziener. Zie keppel. 
bindebaes , m. zie krppelbaeif. 
bindel , bundel (Noordelijk), n. fasndua, 
bundel. Lex. 305, 408. \g\.bo^k. — In bin- 
del flaeks waecht trije poun en 
trêddel ons (1' * K. G.) — In bundel 
gud, kleeren in een doek gepakt. 7Ac pakje. 
bindeltsje, bundeltsje, n. bundeltje; 
pakje. — Dêr giet Pier hinne mei 

in bindel(t8Je) gud onder 'e e arm, 

IQ 



BYND. 



U(S 



BI NE. 



K c o e il er in f e t b a e r c h k r i g e li ii? 

bynder, m. die bindt. Y<!:\. bie2t'P)i-, boeke- 
taJckebf/Hffer , enz. 

bin'dikeil; pi. Zie binnmrhjk. 

bin'doar, h. denr van een binnenvertrek, 
tegenover lit- of, bûte(n)doar, z.d. 

bine, v. /r/n ;v, binden. — Ik byn, boun , 
ha boun(d), binende, to binen. — Hl. byn de , 
yk bynd, ba'nd , Iiev bnnden. — Mlkw. . . . 
hè binzen. - Zwh. ... ik byn, boende, hê 
boend. - Schierm ik . . . ., beann. 

— Stadfr. bine, ik byn, bon, litKw) bonnen. 

— Prov. Ik lit my oan gjin stric 
(r e a p) bine sa lang as der t o u is, ik 
laat mij door geen kleinigheid ontmoedigen, 

— ook : ik laat me niet weerhouden. — 
Prov. ü ê r 't ik i t k e a 1 byn s o i 1 't 
s t e a n b 1 i u w e , ik wil baas blijven. — 
Prov. As men d e rot op it spek bynt 
wol er der n e t fe n i t e. 

verbin len , verplichten. — Ik wol de 
e a r m e n wol hol p j e , mar m y net 
bine. Lex. 302. - Is min earmfoud, 
den s i t mi ii s n j e u n t o j o u n s a 1 1 y d 
b o u n. — Mem het in 1 v t s e n oan 't 
boarst, dat bynt*hjar de hannen. — 
1) e h a n n e n s i 1 1 e m y b o n n , door geld- 
gebrek. 

Ken .jarige op den stoel vastbinden , met 
een geschenk oj) den arm ; hij moet zoo 
gebond«'n Idijven tot hij beloofd heeft, te 
zullen tractiH'ren. Kinderen bond men al- 
leen 't geschenk op den arm. Men vroeg 
dan niet: Hwet hest krige? maar: 
llwêr bist mei boun? Thans niet meer 
alg. Lex. :J0'2. Vgl. W.Ü., Doaze 21/22; 
Volksl. 1 , 2'28. \'gl. bt'i'H-j bifzem-y boel-e-, 
fiaechs-, hjonwer-, kfio/felhbi-, beau-y koarn'^ 
nót-j reid-, rofjije-y rúffhâti-, strie-, takhe-y 
treetbine ; bi-, fish, for-y (fear-, i/n-, óf-, o/t-y 
onder-, ondenrei-j fa-, tirJitbinc. 

bi'ne, s. touw waarmee de ponterboom 
wordt vastgemaakt. Baarddl. en omstr., 
ook Zh. Zie btjnstoh. — Mees»! foar- en e f - 
t »» rb in e . z.d. 

IcdtTt'ii of' van hennep gevlochten i)aar- 
dcnlial-t»'r niet ij/.cn?n ringen en gespen. - 
Onk ln't touw van diMi halster. 

'bineamd', a«lj. vermaard, — In bi- 
n c a ni d in w s ter. een verm.iard «lokter. 
Lex. :UL H. ii.d '\\\ \V>^\. \<r\ Halb. Matth. 
JX, 'M. Meot i'orneamd, z.d. 



bineame , v. noemen (in verl^and met een 
of ander wat verteld wordt of gebeurd is). 

— Ik heardejister hwet fort ellen, 
der w a e r d e n j o u e k y n b i n e a m (1. - 
S a'n rabberij fan neat, dêr wol ik 
net yn beneamd wirde, niet in betrok- 
ken, Vgl. biheUe. 

bineame, v. benoemen, naam of bena- 
ming geven. — 11 wa sec en e se hjir 
as dokter bineame scille? -- Ik 
bin ta karmaster (by 't hirdriden) 
bineamd. -- Sier d-o m het s v n â 1 d- 
faem ta syn erfgenam(t) bineamd. 

— Ingbert het «yn heit bineamd, 
zijn jongen naar zyn vader genoemd. Pit 
meest forneamd. Zie forneame. 

— Hja bineamd en him mei de 
n a m m e f e n Jezus, Halb. Matth. ï , 2"). 

« 

— Ik kin dy wol bitsjut te hwet 
ik mien, mar ik wit net ho 'k it bi- 
neame moat, hoe ik het moet noemen. 

bineamiDg(e) , s. nominatioy benoeming, 
benaming, naamgeving, naam. R. P., Jou- 
werk., 61. — Hy het for syn binea- 
ming ta skoalm aster to N. bitank e. 

— Dy man is net folie yn 'e binea- 
ming, men hoort niet veel over hem spre- 
ken. — Ho is dat yn'e bineamingV 
hoe heet dat volgens 't spraakgebruik? 
Dy man is y n 'e b i n e a m i n g a 1 1 y d 
Jan postrindcr, syn fan wit ik net 
i e n r i s. 

binear(J)e, v. anjere, benauwen, benar- 
ren. Lex 808. — Binearjend waer. 
It is yn 'c keamer sa bineard, druk- 
kend, zwoel. ld. IV, 155. — Forj. 1H9;?. 
128. — Fen berns skonke oan.... 
wier *k hird bineard, Q. J. I. 229. 
S e i nj e iis mei 't g(Ve nei 't hird hert- 
pers' b i n e a r j e n » Ibid. 1 , 123. Zie near. 

*genaken , naileren. Ibid. 1 , 146. 

blne-bel^e, n. yzeren haakje, waarmee 
het b i n e-k j e 1 1 i n g (z.d ) aan debincring 
(z. d.) wordt gehecht. 

binebout^Je, n. gzeren d warsbontje aan 
't uiteinde van het binekjetling om dit 
er meê aan den ring vost te maken. 

bi-nef'ter, adv. post, achteraan, ten ach- 
teren. — Prov. It breedste is yet binef- 
ter, sei de man, en hy hie de 
skeppe op 't fl kon der (. • . eet *t ftld- 
w iif, en hja kakte ia pankoektpan- 



BINE. 



147 



BINH. 



ne, mar de stelle kaem earst, ZWh.). 

achter, achteraan, ten achteren. — Prov. 
*t Slimste is noch binefter, 't erg- 
ste» 't zwaarste komt nog. Ook binach- 
t e r , mede in de samenstellingen. G. J.: 
b y-ef ter. 

binefterbliuwe , v. achterblijven, ach- 
teraan komen, in gebreke blijven. — As er 
hwat to dwaen wier, den bleauwen 
hja net binefter D. H., Uwnk-Lok, '^8. 

binefterhalde, v. achterhouden, verhe- 
len, in petto houden, verzwygen. — Hest 
in dûbeltsje weitôge, of hest it 
b inefter-hâlden? — Wy jouwe de 
lytse baes hjoed oars neat as de 
doas mei boartersgûd, it prin te- 
boek hâlde wy mar binefter, den 
het er t o-n ei wer hwet. — Trvn 
F lap- út kin neat binefterhalde, 
niets stil houden. — Pier wier de 
leste reed foar, mar ülbe haldde 
hwet binefter, spaarde zijn kracht voor 
't laatst, en sa kaem er it earst oer 
de streek. 

binefterkomine , v. achteraan-, te laat 
komen. 

binefterreitsje , v. 'zakken*, achteraan , 
ten achter raken. 

binei'dele, v. nocere y benadeelen , te kort 
<loen. — Ik wol gjinien in heale sint 
)i i n e i d é 1 e. — In p a n t s j e f o 1 k o f j e 
mei drinke? Ja mar ik moat jimme 
net b i n e i d é 1 e. Né , w y ha de r o m t. 
<)'»k: b in ei die Ie. 

bineid'waen , Hl. v. iiuiture, nadoen. Zie 

bi]ieift*|jje , Hl. v. percontari , navragen. 

bine-keatlin^ , n. ketting, die in den 
ring van den halster bevestigd, en waaraan 
♦*»-n puard op stal vastgemaakt wordt. 

bine'pen, adj. Ä: adv. bekrompen, eng. 
Zi»f hinypt. 

bineppe , v. verslaan , dooden , bereiken 
Miii te dojden. — As de grizegrouwe 
komt. s c i 1 1 e w y d y bineppe, zongen 
• vjlgens het sprookje) de tooveiheksen op den 
;:raa?izolder van een brouwer. — Dat er 
jTJin Ingelsman sparre dy 't er mar 
bineppe koe, Hsfr. II, 45. Zie neppe. 

bine-rili£^, s. ring aan den halster, waar- 
in bet 'binekeatling' wordt vastgemaakt. 

bines'telje» v. nestelen. — Min moat 



er yen sah we t y n bineste Ije, als men 
in een hooihoop gaat slapen. — Fig. zich 
ergens inwerken. — Pier kaem as bern 
by syn omke en moaike en nou het 
er him der sa goed bi nes tele, dat 
h y b 1 i u w t er f o r f è s t. 

binfi^e, byng^e, s. heimelijk gemak. 
Noordwolde (Hem. Oldef.) — Prov. In gul- 
ke bynge bliuwt doch inbynge, 
een fraai secreet blijft toch m.iiir een se- 
creet. Burm. Zie ht'tske. 

Gaastlnd en 't Waterland: de sloot, waarin 
het mest water zich verzamelt. Zie jarre-, 
skytsleat. 

Ook : samenvloeiing , ophooping van aller- 
lei zaken. Zoh. — Hwet in bingeia't 
hjir! Lex. o09. Zie heijer. Vergl. Kign. 
Lijst , ;^6. 

bing^el, m. deugniet, stoute knaap. — 
G. J. I, ;ïo. 

bing^el, s. bengel, kleine klok. — De bin- 
gel let, om het werk-, etens-, rust-, sla- 
pensuur bekend te maken, in groote ge- 
stichten , — poortklok (vroeger). 

klepel in een klok. — Prov. II y het 
de klok wol lieden h e a r d , mar h y 
wit net hwêr 't de bingel hinget. 
Lex. 310. Hwerom hinget de klok 
y n 'e toer? Om 'e bingel. Oud volks- 
raadsel. W. D., Doaze 94. 

bins^el, s. meest in den pi.: flarden, lor- 
ren. Zie bonjel. 

bingelje, v. bengelen, slingeren; de klok 
luiden, aanbellen. — Ik bingel je sa 
by past o ar I| foar saunen oars net 
licht, K. ind. T"., 94'. Vgl. heiderji'. — 
Hwet b i n g e 1 1 dy k 1 i t s e d ê r onder 
'e rok wei? Vgl. omhinjelje. Vgl. houijeïje. 

bin'hús, n. binnenhuis, hoofdvertrek in 
een boerenhofstede, die verdeeld is in bin- 
hiis, milhiis en bûthús, behalve de 
skûrre. — Deze vier, thans aan elkander 
verbonden, slonden vroeger afzomlerlijk. Lex. 
'•M''\. — Het 'b i n h \\ s' is het aloude vierkante 
woon vertrek van den Vrije Fries; 't is 
het oudste gedeelte van de woning, dat 't eerst 
in privaat eigendom kwam. In de oude Wet- 
ten is 't <lan nok nog afzonderlijk bevredigd 
- In de hunll»ouwstreek op de Friesthe Klei 
vindt nu*n oude boerenhuizen mtft groote % i n- 
h u z e n", — er is dan behalve het m i 1 h li s 
nog een middelkamer. De bouwboeren had- 



BINl. 



148 



BïNNE. 



den vroej<er behoefte aan zoldeiTuimte voor 
gcdorschte jsfranen , omdat men toen 's win- 
ters gedurende vele weken niet« kon afleve- 
ren. Zulk een zolderruimte vond men boven 
het groot *binhiÏ8', dat zelden bewoond 
werd, meestal ongemeubileerd was en tot 
bergplaats diende voor gereedschap, dat tij- 
delijk niet gebruikt werd. Halb. N. O. — 
Ook thans alleen bij bruiloften of begrafe- 
nissen als gastenkamer gebruikt. — In de 
Dngdl. en hier en daar elders (Boornbergum 
o. a). bestaan nog enkele oude *binhuzen' 
die inwendig zeer ouderwetsch zijn. — bin- 
nehûs (A. Ysbr. [1861], ''>6.) 

binid'delje , v. heel houden (kleeren) met 
de naald. — In minske meiinhiiske 
fol bern hat gans to biniddeljen. 
Ook binulje. — Zie uiddeJje. 

bini'de, binydgje, binyd^Je, v. inridere, 
benijden. — Dy feu all ik e kondysje 
ofsteat binne . . . dy binydgje el- 
koarme, G. J. II, 94. — Ibid. l, 96. — 
Prov. Bet ter binyd as biklage. 

bini'felje, v. beknutselen. — Us Jouke 
kin alles binifelje;nouheterwerin 
fûgelkouwe makke. Lex. ïU 1. Zie nifelje. 

bin^'e, v. mirari, benieuwen, verwonde- 
ren. — It binjjt my dat jydêrneat 
f en heard ha. — It scil myrisbinije 
h w a 't d y p r i i s w i n n e scil, ik ben 
nieuwsgierig het te weten. — Itscoemy 
lilk binjje, as 't my nou net slag- 
ge. Zie f lij. 

binJije, v. inteJUgere^ begrjjpen. (Altijd 
met negatie.) — N i m m e n koe h i m b i- 
nije hwêrom dat skip der liinnc 
en wer svlde, Hsfr. IX , 231. - - H v k o e 
h i m net b i n ij e hwêrom 't er S t y n 
net seach, Ibid 264. Meer alg. in dezen 
zin is b i g r i p e , z.d. 

binying^, s. verbazing, verwondering. 
— Mei b i n ij i n g h a 'k h i m b i s j o e n : 
h wet is er o u fa 1 1 e n. - T ig e t a ú s 
b i n i) i n g k a m en w y b y o m k e f o a r 
d e t a-d o a r. 

binimme, v. benemen. (4. J. passim. — 
Ilja. lU' linten, binimme üs hert 
en imojmI. ald. l. Ô7. — Immon it 
Ijofht. het uitzicht, binimme. - l*rov. 
Min kin in 1 û :? net mear binimme 
(Ô f n i m m e) as 't I i bb e n ■ Yen s e 1 s 
it libben liinimme. 



binypt', adj. bekrompen, benauwd, eng, 
gierig. — Dy fis kerm an wennet bi- 
nypt yn in krûp-yn. — Dat hûs is bi- 
nypt boud. — Dat baeitsje sit my 
al to binypt. — Dy âldboer is tige 
binypt. Dr. krimphartig. — G. J. 11, 
W. D., Twa Gr. St., 81. 

binitsje (Wierum) v. Zie binutsje. 

binje , Hl. interj. volk ! (als iemand een 
winkel binnen komt). Ook binje yn! o. a. 
in Spannum , c. a. Zie folk\ 

byn'jem (Westelijk, G. J. II, 49), s. Zie 
bi/nfjern. 

binjes'kje (Dantdl. vooral) , v. verrichten, 
tot in kleinigheden alles in zyn bedryf na- 
gaan. — Syn alden hiene wol sa fol- 
ie for him bigriiske, dat as er di- 
ger en kloek wier . . . en it bytsje. 
dat er to forhakstûkjen wier, sels 
binjeskje woe. . . S. K. F., Printsjes. 

binjunke(n), oÂy.juxta, naast. — De 
wid ze stiet (bi)n janken 't grêf. Lex.311. 

*benevens, alsmede G. J. II, 61. 

bink (Grouw, Zwh.), s geval. — Dat 
wier in lilke bink for him. — Sa'n 
frjemde bink ha 'k myn libben no ch 
net hawn, R. ind T*., 44. ~ Op syn 20'' 
jier hied er in bink..., een mispas , 
Ibid. 338\ 

bynk, Hl. teleurstelling, misrekening. - 
D6t wöt in bynk for üs, bgv. als men 
dacht uit te gaan , en om 't weer zal moeten 
thuisblijven. Lex 812. 

binlan (Z. en Zwh.), n. Zie hinnelAn, 

binl&DSik) (als boven), a^j. Zie binnein)- 
lânsk. 

binlik, billik (Oostel. meer) , adj. ar^Muy, 
Justus, billijk, rechtvaardig. Lex. 312. — 
Wy moatte de binlike wei l&ns, de 
billijkheid betrachten. 

binlik-, billikheit, s. aequitas, faê, bil- 
lijkheid, rechtvaardigheid. — Rjuchten 
billikheit. 

bynmou'wen, pi. losse halve mouwen 
van linnen, die de schoovenbindsters aanheb- 
ben. Ook byn dersmouwen. Zie moMicy. 

binne (Oostel.) , praep. binnen. 6. J. pa^t- 
sim. — Binne trge of fjouwer uren 
moat it wirk dien wêse» doch: bin- 
nen in healûre. 

Ook in de samenstelling: Omteljïk, Zwh. 
met HL in alle daar bekende woorden, 



BINNEB. 



149 



BINNE(N). 



die geen adverbia zijn. De enkele uitzonde- 
ringen zjjn afzonderlijk opf^egeven. Zie binnen. 

binnebitdmmerin^ , 8. Zie binnenwirk. 

binnebûrren y s. dorpsbuurk, bebouwde 
kom van een dorp, tegenover bûtebûrren, 
X. d. Zie barren. 

binnefarder» m. schipper; die niet op 
de groote zeeën vaart, tegenover bûtefar- 
der, z.d. Ook binn en a kipper. 

'iïinnehÛS, n. Zie binhús. 

binnekomst, s. binnenkomst (van een 
schip in de haven). 

bin(ne)lân, (binne- ook in Oostergoo) , 
n. land, dat van het algemeen boezem- of 
zoogenaamd 'buitenwater' (zie bCdeicetter) is 
afgesloten. 

bi]i(ne)lâii8k , adj. van land, dat niet 
voor het boezem- of zoogenaamd buitenwa- 
ter bloot ligt. — Binnelânsk hea. 

bixmen» adv. & praep. int ra , binnen. 
Binnen de peallen, binnen 'e 
balken, binnen 'esédyk. — Bin- 
nen jier en dei. — Hy moat bin- 
nen sa'n tiid werom wêze. — Hy set 
«Ie f o et ten, de knibbels nei bin- 
nen, binnenwaarts gekeerd. — F e n bin- 
nen, inwendig. — In hûsfen binnen 
Kisjen. — Hy bisjucht him se Is f en 
Uinnen, zit te slapen. — Vgl. yn. 

Binnen in samenstelling : Westelyk (Bar- 
r.uleel vooral) , in Oostergoo (echter niet voor 
alle woorden) verder Zuideljjk, behalve in 
den Zoh. en den Zwh. met Hl., — algemeen: 
veel in onechte samenstellingen, vooral ad- 
verbiale uitdrukkingen, als één woord ge- 
schreven. — Overigens meest binne-, z.d. 
<>ok een enkele maal bin-. 

bin'nen-aeky s. aak voor de visscherij op 
<Ie binnenwateren. Lex 313. Zie aek. 

binnenbaks', adv. thuis. — Ik moat 
jouns njnggen ure binnenbaks 
wêze. 

- Hald dyn hânnen binnenbaks. 

bin'ne<n)beiirt8de , n. een kopje kofQe, 
buiten de gewone uren, dat men koffie drinkt. 
— Wy scoene gau in binnenbeurt- 
«je ha, A. Ysbr. (1861), 1. Vgl. slükpotsje. 

bezoek van een vrger aan zjjn meisje, 
buiten den gewonen daarvoor gezetten tjjd. 
Vgl. Mûpertttje, 

bliiiie(il)bâ8e , s. binnenzak in een kleed 
(jas of Test). Alm. 12% 1894. 



binnendyky s. oude zeedijk, binnen den 
eigenlijken zeedijk gelegen. Lex. 655. 

bin (n en) dik en, pi. dorpswegen , o.a. te 
Jelsum , Cornjum . . . tegenover: de He ge- 
of Brédy k. 

binnendikers , pi. dié binnen den ouden 
zeedjjk wonen. Zie: 

bixmendyks » adv. (het land) binnen den 
ouden zeedijk. — De V Delen, binne n- 
en bû tendy ks. 

bixmendykster , adj. binnen den ouden 
zeedijk wonende. — De binnendykster 
boeren. 

bin'ne(n)doar » s. deur binnen 's huis. 

bixmendoar' , -doarren, adv. in huis, 
thuis. — 't Is binnendoar better as 
bûtendoar, als 't slecht weer is. — 
Jouns op tiid binnendoar wêze. 
Vgl. binnenbaks. 

bixme(n)kant , s. binnenkant, -zjjde. 
— fig. Oan'e binnekant isdy kea- 
rel sa moai net asoan'ebûtenkant, 
hij is niet zoo braaf, als hij zich voordoet. 

bixme(n)kiinen, pi. in een schip. Zie kimen. 

bixmenkiste , s. gedeeltelijke zeewering ; 
zijnde een lage rij palen, geplaatst op 6 d.M. 
afstand aan de binnen- of dijkzijde van de 
hoofdpalenry , waarvan de tusschenruimte is 
gevuld met gebroken baksteenen, gedekt 
door keien en bazaltsteenen. Zie kiste. 

bmne(n)koartS , s. Eng. Ungering f ever y 
binnenkoorty. — De binne(n)koart8 
h a w w e , Dr. de roos indehiid. 

bixme(n)koartsich » adj. binnenkoortsig, 
inwendig koortsig. Ook roazich. 

bixme(n)koart8ichheit , s. binnenkoort- 
sigheid. — Skiër san (ynnimme) is 
skoan for de binnekoartsichheid, 
volksmeening. 

binnenkrite , s. 'krite' (z.d.), waarvan 
het land, daarin gelegen, tegen zomer- en 
winterwater bemalen wordt, tegenover bu- 
ten krite, z.d. 

bmne(n)kwael , s. inwendige kwaal. 

binnenlân (Doniawstl., Schoterlnd), n. 
Zie bin(ne)lAn. 

binnenlâns , adv. binnen *s lands. R. ind 
T«, 301^ Zie bin[ne)lân9k. 

bixmenmûls' , adv. binnen 's monds. — 
II y praette sahwet binnenmûls, 
mussitarit. Ook binne(n)'8m ûls. Hsfr» 
XIV, 197. 



BINNE(N). 



150 



BYNT. 



bixme(n)paed, binnepa iZoh.), n. pad 

door het hiiul , of van den lioofdwef;^ af ge- 
legen. -- Prov. Hy makket in binnefn)- 
paed buten om, hij volgt een langeren 
weg, terwijl bij plan had den kortsten te 
nemen , ook fig. 

binnenskipper , m. Zie hinncfaiuler. 

binne(n)spil , n. binnenwerk, de inwen- 
dige deelen , ook van mensch of dier. - - 
Ik l y k j e o a r s in hele k e a r e 1 , mar 't 
b i n n e s p i 1 d o o c h n e t. Vgl. ynhouten , 

binnenst, n. Fra. intestitis, de inwendi- 
ge deelen van mensch of dier. Vgl. harye- 
binnenst. 

iig. gemoed, geweten. — Ik bin sa 
ra er yn myn binnenst, om dat for- 
lies, treurig in mijn gemoed. — D y n b i n- 
n e n s t s e i 1 d y wol s i z z e h w e t m a n 
ast biste, je eigen geweten zal 't je wel 
zeggen (bestratlend tot een slecht mensch). 

binnenste. - - In ding i t b i n n e n- 
ste buten (binnenst bfitenst) keare. 
— adj. y n 'e binnenste s k û 1 h e r n e n 
f en 'e bosk, G. J. I, 42. 

binne(n)tiids' , a<lv. vóór 't verloop van 
een bepaalden tijd. — len f en 'e bargen 
h i e in p o a t britsen en wier d e r o m 
binnetiids si ach te, Bijek. 1877, 22. 
— Binnentiids út 'e hier reitsje. 

binnentroch' , adv. den kortsten weg 
(langs), tegenover: buten -om, z.d. — Ik 
bin binnentroch g i e n. 

binne(n)"wei,s. binnenweg , oude (rij)weg. 
Zie hinn('(n )fKie<I. 

binne(n)"wetter , n. 't water in de sloo- 
ten biniuMi den polderdijk , — binnen den 
zeedijk , in 't alg. wat van 't boezemwater 
is afgesloten. — It b i n n e w e 1 1 e r is h e- 
ger as it biitewetter, der moat 
m e a 1 d , — s t r o o m d w i r d e. Lex. 313. 

binneCn)^^^*]^ , n. binnenwerk, werk bin- 
nen de wanden van een in aanbouw zijnd 
huis (timinermansterm). — ïk haw it bin- 
n e w i r k li t b i s 1 1» 1 d , — o a n n o m d f o r 
safolle. <.>ok b in n ebi t im m e r i ng. 

bin(^nen)w i rk, --wirkje, 'tusschenzet- 
sel' van kn-st-nsloopen. Ook troch loper 
i.bdsunii. M»'fst t u < k en set s el , z.d. 

binnepa iZnlu n. Zi»' binmnpaed. 
• bin'newirks, adv. van binnen gemeten, 
tegenover h \\ t e w i r k s , z.d. 



*binne'Witten , n. con.^rit'nti(t, geweten. 
G. J. II, 92. Ook *m eiwit ten. Zie ffv- 
weten, 

binoar'den, adv. ten N. van. — Stiens 
leit bin o arden Ljouwert. Ook bop- 
p e , z.d. 

binoask'je, v. besnuffelen , doorsnuffelen 

— Kekke hie de oanwenst, om alles 
y n 'e h û s t o b i n o a s k j e n. — Mar h w t» t 
lija koft . . . of . . . to bin oaskj en 
hie, R. ind T*, 1. Vgl. bisneuvelje. Zie 
noa.^kji'. Lex. 'M4. 

binoa^e, v. doorsnuffelen, doorbladeren. 

— . . . om her rimeferseu tobinoaz- 
jen, G. ,1. H, 48. 

*binoedsJe , v. zorg dragen voor. — \V y 
habbe üs potestaten en prinsen of 
stêdhalders binoede en bi warre. 
B. K., 6. Zie noed. 

binoede, adj. vergenoegd. Wl. ld. XV. 
Hsfr. II,l,e.a. — Tofreden en bin o eg e. 

*binoeging(e) , binoeUingre, 8. verge- 
noegen, vergenoegdheid. W. L. ld., XVI IL 
G. J. II, 113: binoeijen. 

'^binoeginfi^fol , adj. genotvol. — Dy 
winter jonnen || binn' sa binoe- 
gingsfol, Hsfr. II, 33. 

binoegje (yen), v. zich vergenoegen. — 
Ik kin my dêr best mei binoegje. 

binsg'je, alleen Noordelgk, v. afrotuien. 
boenen. — It linnen binsgje. Zie 
kïing.ye. — Lex. 815. 

trossen, slaan, volgens Rpk. 54 nog (d.i. 
1824) veel in gebruik. Vgl. ófbinsgje. 

*reinigen , zuiveren. — lenich CJods 
Soan ... dy lis binsge, . . . klinsge, 
ons van zonde reinigde. GJ. I, III. — Ibid. 
101: klinsgbinsgje in geljjke beteekenis. 

bjrnster» f. schoovenbindster. R: P. in 
Ei)k., 50. 

bjrnstok vOostel. en in den greidhoek). 
s. ponterboom , die op een voer hooi of ko- 
ren schoo ven gebonden wordt om het op den 
wagen te houden. Lex. 554: Ook poun- 
t(sj)er en wizebeam, z.d. Vgl. Hsfr. X. 
180, noot. 

bint, bunt, n. cHnnuB taecae et scrofaf, 
geslachtsdeel van een koe of zeng. Dr. ven- 
zel. Vgl. fots, Idinh^ segH. Ler. 554. 

bynt, n. in een boerenhnis: elk samen- 
st(d van twee zware op ^klippen* rechtop- 
staande styien Terbonden door een dwarsleg- 



BYNTJ. 



151 



BIPL. 



f^er, en waarop de Mraechhouten' (z.d.) 
nist^n. Lex. 302. — R. ind. T^., 79\ 

— Boppeste bynt. Zie (jrouhalke. 

]>!. bynt en, in 't al<?. gebinte, bintwerk 
van een ha is. Vgl. hyntwirk. 

bynt-Jem, 'bynjem, n.Vjug.packthread, 
bindgaren , paktouw. Lex. 20^). — In reaf, 
in kleaune, in eintsje byntjern. Ook 
b V n t o n. 

bynt-jemtaje , n. eindje bindgaren. — 
Jouw my ris in byntjerntsje om dit 
t'êst to meitsjen. Ook byntoutsje. 

byntleider, -IJerre, s. Zie halkljedder. 

byntou, s. paktouw. Zie byntjern. Soms 
l»edoelt men er mee: een touw om het vee 
vast ia binden. 

bynt^xrirky n. bintwerk, de gezamenlijke 
binten van een (boeren)behaizing. Lex. 302. 

binut'sje» binitsje, v. Hd. beniUzen, be- 
nutten , ten nutte maken , gebruiken. — 
Alles kin net yn'e skaefspoennen, 
min kin 't letter binitsje faek. — 
Lit úa dit moaije waer binutsje, 
• »m in jounkuyerke to hawwen. 
Vgl. hrCikw. 

binuttigje , v. amputare , snoeien , be- 
•'iK'eien. — In beam, in hage binut- 
tigje. L3X. 315. 

in 't alg. kleiner maken, er afnemen. Vgl. 
'••/V^'X» ^ifyU^ •> bijnauicjj bijttibbelje^ bignob- 
je, bihimmelje y bihoffenje j bi hapje , biknippe ^ 
his'x'ile f bisnije, bisnocijej bistekke ,bit.yiik'3elje. 

bi-oarberje, v. verorberen. — H a s t dy n 
*' rogge nou albi-oarbere? — Ook for- 
oarberje. 

bi-oardele» -deelje, v. beoordeelen. 

bi-oarderje, v. regelen, ordenen, ver- 
onlenen. W. L. ld. XVL — Deheleboel 
wier foar elkoar, omke hie alles 
al bi-oardere. 

bi-oarlogje» v. beoorlogen. 

bi-oar(re)ini8trear'Je , v. Zie bi-ndwi- 
jitrearjr. Ook wel bi-al lem istrearje. 

bi-oeTenJe, v. beoefenen. 

bi-op'passe» v. verplegen. — In sike 
1» i-o p p a 8 8 e (o p p a 8 8 e). — Dat s u k k e 1 i- 
ir** minske is nou yn't earmhus, dêr 
wir<lt hja better bi-oppaat as thiis. 

bipaedfije, v. door veelvuldig gebruik 
met een (voet)pad worden. — Der is gans 
)>nie fa Hen, mar as der folk op 'en 
baen komt sciptwol gau bipaedsje. 



— Scoe 'k ek fordwale kinne troch 
dy 1 finnen? Ei né, it is goed bi- 
pade. Zie bibane. Vgl. Lex. 315. — R. P., 
Fa r wol , 4. 

bipaeld, holl., adj. bepaald. — In bi- 
p a e 1 d e t i i d. 

bipale (als boven), v. bepalen. — H o n e a r 
k i n *k j o f o r w a c h 1 8 j e ? Dat k i n 'k 
yet net bipale. — Dou mast dyby 
ien fak bipale, net fen alles troch 
elkoar by de ein ha. Zie hAlde. 

bipaling^, s. bepaling. — De dingen 
binne mei gjin goede bipalingen 
fen hjarsein, niet duidelijk genoeg om- 
schreven. A. Ysbr. 1861 , 83. 
bipasse, v. Zie bimiette. 
bipealje (spr. -pjel-), v. met palen om- 
ringen , bezetten. — De s é d y k is b i p e a 1- 
le, met palen bevestigd. Lex. 315. 

fig. bepalen. G. J. I, 95. — R. ind T^ 
178'. 

bipeasg:Je, bipeaskje, v. met natte 
voeten bemorsen. — Dou mast de hele 
f 1 i e r sa net b i p e a s g j e jonge. Zie 
peaiiije. 

afloopen, loopende afdoen. — Beppe bi- 
peasget yn 'e hûs alles, hja het 
gjin si tt end gat. — Hy moat alles 
allinne bipeaskje,* alle loopend werk 
verrichten (bijv. op een kantoor). Ook bi- 
bj es kj e. 

bipikje, v. bepekken, met ))ek bestrijken. 
In d e a f e t , — i n s k i p b i p i k j e. 

bipisje, v. bepissen. — It bern bipis- 
aet him. — Ik stoe e ft ikmy bipisse 
hie, A. Ysbr. (1808), 20. — Hy stiet as 
in bipisse prester, beschaamd, Burm. 
-- Ik bipisse my bynei fen laeit- 
s j e n , fen b i n a u d e n s . . . — 1 1 komt 
bipisse li t ; i t is in b i j) i s s e boel, 
een leelijke zaak. , 

biplachtsje, -pleitoje, v. bepleiten. 
biplakke, v. beplakken. — In draek, 
de naden, in m ii r r e 1) i p l a k k e. 

biplantsje, v. beplanten. - In wei 
mei beam men biplantsje. — R. P., 
Jouwerk., (j7. — In t i c h t b i j) 1 a n t e 
boskje, V. Blom, Bik. 24. 

biplaskje, v. te groote stukken afsnijden. 
- - Ik lit gjin bern i e r d a p p e 1 s k i 1 e , 
s e i t T r y n , ik wol s e n e t s a b i j) l a s- 
k e ha. — Zie plaskje. 



BIPLA. 



152 



BIRD. 



biplaskje , v. in : (i in m e n o f e a t) b i- 
w a s k j e en biplaskje. Zie biiraskje. 

biplasterje, v. met pleisters beleggen, 
met kalk bestrijken (metselwerk.) Ook bi- 
p 1 e i 8 1 e r j e en b i p 1 e a s t e r j e. — De 
binnekant fen 'e mürren wirde 
meast be piaster e. Vgl. hirape^ hismite. 

fig. bedekken, bemantelen. — In mem 
wit de smoarge stikken fen hjar 
bern altyd moai to biplasterjen^ 
Lex. 316, 317. — Wyt biplastere grê- 
ven. Hsfr. X, 128. 

bipleisterboerdtQJe , n. vierkant houten 
of ijzeren bordje met handvat, waarmee de 
metselaar de kalk op de muren effent. Ook 
lAeisterhoerditsje). 

bipliske(t), adj. met water overdekt. — 
Biplisket lan, overstroomd land. Lex. 
316. Ook: bipliske en biplaske. 

biploaits(J)e , biplólcje, v. beplukken. 
In golle, in weide hea biploaitse. 

biploegje , biploe^je , v. beploegen , on- 
derploegen. De dong, dy 't oer 'tlan 
brocht is, is der onder biploeid, 
(biploege). 

*biplomje, V. bepluimen. — Mei flok- 
k e n, vlokken schuim van water, biplomje. 
V. Blom, Bik. 108. 

biplúzyje, v. bepeuzelen, opeten, beklui- 
ven. — In bonkc bi plu zje. — Wy ha 
foar Krystiid in pear keninen 
slachte, dy ha wy mei in-o ar bi- 
pluze. Forj. 1892, 54. — Bijek. 1893, 20. 

bipoche, v. hoog roemen. De wille i 
njjs fen jo bi pocht. v. Blom, Bik. 

bipoezje, v. bestorten, nat maken. — 
. . . pompte er in faem, dy w etter 
tôge, 8a tsjin d'iene amer oan, dat 
hy der sels fen bipoezze rekke, H. 
S., Alm. 12", 1860. Zïq poezje. 

biprate, v. bespreken, overreden, ver- 
ontschuldigen, bevitten, becritiseeren. — 
Hl. bipra^tsje. — Wy m o at te dat 
nou ris goed mei i n - o a r b i p r a t e. — 
Hy het him der ta biprate li ttcn, 
— hy het him biprate litten om . . . 
Vgl. hi-jeuzeljey hiU'ze. — Dou kinstit 
b i i> r a t e s a ' s t w o s t e , mar 't i s d y n 
eigen ski ld. — Dv faem is dêr al 
ge noch oer (om) bipraet. Vgl. bi- 
rahje. - Us lyts famke bipraet al- 
les al, kan reeds heel aardig praten. 



bipreel^e» v. ergens den (predik)dienst 
waarnemen. — Indomeny fen Aldegea 
bipreke Hynlippen eftermiddeis, 
R. ind T^, 220». 

bipryl^e , v. beprikken. — 1 1 1 â n b i- 
seadride en biprykje. Zie prykje. 

bipriuwe» v. proeven, R: ind T'., 114"- 
— Ik kin der neat oan bipriuwe, 
't smakket neat oars as oars. G. J. 
II, 77, 98. Zie priuice. 

^bipronkje, v. opsieren, versieren. Zie 
oppronkje, 

fbipune» adj. beperkt, eng, klein. 
Myn lan is to bipune om tweintich 
kij to halden. Lex. 316. 

bipúnje , v. puin over brengen. — i n 
wei bipünje. Vgl. higrintsje, 

birabje, v. infamare, becritiseeren, belas- 
. teren. Lex. 317. — Prov. Dy 't in oar bi 
rabbet dooch sels net. — Dy 't net 
ris birabbe wirdt is gjin tel (troost- 
woord). 

birame, v. door hard werken tot stand 
brengen. — Sa twiskenskofts enjouns 
biraemt en biskoert er in hele bul- 
te. Zie hiwrame, 

birape , v. met kalk aansmeren. — In 
mûrre bismite en birape. 

biraze» v. beschreeuwen. — Ik kin him 
net biroppe of biraze, my niet door 
roepen of schreeuwen aan hem doenhooren, 
verstaan. Vgl. bibaite, 

bird, n. barba, baardhaar, (een) baard. 
HL bi t. Stadfr. beard, e. — G. J. 1 , 53, 
175. — Hy het it bird yn'e kieL Vgl. 
Lex. 318. — tPake sit rûch yn't bird, 
fig. is welgesteld. — Immen yn 't bird 
sitte, hing je, zyn partg aanvallen. Zie 
hier. — Der iSt, dy 't gjin bird het, 
iron. de vrouwen moeten gaan. — Us 
boerefammen hälde net fen tútsjes 
mei bird er yn, van een TTfjer met een 
snor. Vgl. bakkebird, hier't»4>M , joadfbird, 
jûkelbird. 

bird'l ú n. F * 'S 

Holl. n* rwan rt Ur. 

smeugeitien. — i ir- 

mer. 

birdl 
baard, o* oe 

U 
wai 



BIRD. 



153 



BIKE. 



zijn afgeschoren. — Earderscilitbir- 
dich spek üs as Jan-hagel snieit- 
s e , Rman. 43. 

tbirdmankea , pi. secte der Doopsgezin- 
den, zeer eenvoudig in kleeding en levens- 
wijze, die zich niet schoren of den baard 
kortten. Lex. 318. 

birdmantaje , n. Parus biarmicus, baard- 
mees , dek vogeltje. Ook beardmantsje. 
Ook een kleine man met een grooten baard. 

b i r d m a n 1 8 j e 8 , ook oude kannen met 
aan den hals een kop met baard. — Zie 
Cat. Fr. Mus. v. Oudh. 

soort kippen met veeren op de wijze van 
een baard voorzien. 

birdsykte , s. baardziekte , baard worm. 

birdskrabber, m. baardschrapper, min- 
achtend : barbier. 

birdflje , v. tondere , scheren. — H e s t 
boadskip yn *e bûrren? Ja, ik moat 
my birdsje litte. 

birdstoppel, s. baardstoppel, het bene- 
dengedeelte van een baardhaar, van de baard- 
haren. 

birdtflje , n. kin vlok. In h e a r k e 

mei in fegerke en in birdtsje. 

birdwjimi, s. baardworm. 

biream'Je , v. met room overtrekken, van 
melk. — De mälke het sa lang yn 'e 
kop stien, dat se is al bireamme. 
Zie reamje. 

bireare, birea(r)de, Oosth. v. beroeren» 
berokkenen. — Sjerp yn*e brij bi re arde 
(bireare.) — Dou hest my hwetbi- 
reard! door zeggen of doen last veroor- 
zaakt. Zie biriere. 

birédde, v. procurare ^ beredderen, ver- 
richten. — It wirk iM biret (birêdden), 
gedaan , geëindigd. — It is biret, sei in 
âld skoalmaster, as er foarlêzenhie 
yn 'e tsjerke. — Ik scil dy birêdde, 
ranselen. — De tsjerne birêdde, de ge- 
kamde boter afnemen. — De kreamwar- 
ster biredt it bern, wascht en kleedt 
het Lex 318. — It is birêdden, de lij- 
der is OTorleden. In minskejoutfaek 
gftns spil üt, mar o! it kin sa gau 
birêdden wése. 

. 1 f 1 fl birêdde, graridare, 

*-* larde keap for 

ilompke 



birêdder, m. procurator^ waarnemer, 
behiirtiger van een zaak. — Sint de al d- 
boer syn dead is de fêste arbei- 
der dêr de birêddcr. Vj^l. boelbirêdder. 

birèdding^ , s. gedoe, moeite. — S n j e u n- 
tojonns fiif bern waskje en for- 
skjinje, dat is my in birêdding. 

— Hwet is 't dêr in birêdding, ver- 
warde boel , huishouding. Vgl. boel. 

bireek, n. Zie birik. 

bireid, adj. bereid, ook te Hl. — Roos- 
jen, 78, 80. 

bireine, v. beregenen. — Hwetis mem- 
me carizer bireind. — Zie bij bidrippe. 

bireisge, adj. uereisd. — In bireisge 
man. — van de reis bekomen. — Ik bin 
goed, min bireisge. 

bireisg^Je, v. bereizen. — Fiere la n- 
n e n b i r e i s gj e. 

al reizende ondervinden , ervaring opdoen. 
G. J. I, 61. 

bireits(J)e , v. bereiken , onder bereik 
hebben. — Mei dy stok kinstit net 
bireitsje. — Prov. Hwet min net bi- 
reitae kin, moat min stean litte, 
voorbij van wat men niet betalen kan. — Ook 
b i r i k k e. Zie reitsje. 

bireitsfjiende, adj. toereikende. — De 
yn komsten sille wol bireitsjende 
wêze, as 't wiifmar kloek is. Lex. 
320. Zie tareitsende ^ tarikkende. 

bireke (Dongldl. Hl. en elders), v. bera- 
ken. Zie birikke. 

birekke, v. Kngl. f ö rnArt», berekenen, be- 
rakelen. G. J. I, :i — ld. 1, 20. — Stadfr. he- 
li n-) r e k e n e. - - 1 1 f j û r (onder 'e y e s k e) 
birekke. — Ook: fbegraven (een doode). 

berekkene , adj. berekend , bekwaam. 

— Hy is for syn wirk birekkene. 

— Hy wier der net for birekkene, 
kon dat niet uitvoeren , tot stand brengen. 

— in birekkene kearel, ervaren , be- 
kwaam. 

bipekken(ing) , s. berekening. — Dit 
r i n t buten m y n b i r e k k e n i n g , boven 
mijne raming. - 11 y het in forkearde 
birekkening makke. Ook fig. Zie 
rekken. 

birekkenje, v. computare , berekenen, 
uitrekenen. — Litte wy ris efkes bi- 
rekkenje hwet dat aventûrkehim 
wol kostje moat. — Infoec^ boar. 



131 RK. 



154 



inRi. 



Pf er-ynk om men t aje en iis in hear 
1 i b j e , ik kin net b i r e k k e n j e , dat 
(lat ^oedkonime kin. 

biréstin^, s. berusting. 

birést'jie, v. acquii'!^cen\ berusten. — Wy 
scille mar yn 'e aaek bi rest je. - 
Forj. mr.), 18. V. Blom, Bik. 71. 

biret', aAj. promptus , beraden , vaardi^r. G. 
.1. I1.2l:-3. III. birot. — 8a utsliept 
en b i r et as .1 a p i k I n «^ b e r t s w i e r , 
binne er net folie. Vgl. R ind T^ 
XXII. W. I). Volksleven 1, iU , v.v. -In 
b i r e 1 1 e k e a r e 1 , die weet te handelen 
als 't tijd is. -- O p 't a n t w i r d b i r e t , ge- 
vat. - - Zie biri'df. 

biret'heit, birettens, s. (vast)beraden- 
heid. ld. IV, 179. — It is oan svn b i- 
r e 1 1 e n s t o t a n k j e n dat de k r i t e net 
onder vvetter forsûpt is. 

biriddenear je , v. besi)reken , bepraten. 
-Dy m a n k i n 't alt v d m o a i b i r i d- 
d e n e a r j e , m a r a s 't op d w a e n o a n- 
komt, is er n e a t. Zie ridiU'twnrjt'. 

biri'de, v. berijden. — In hynzer bi- 
ride, een paard oefenen, afri(diten. Vgl. 
hijnste[bi)ri(lc. — In b i r i d e n h y n d e r, mak 
en handelbaar in het rijden. — Wy scille 
in n ij k e a p (z. d. ) b i r i d e. — 1 n h y n s- 
d e r m o a t h w e t b i r i d e n w ê ze e a r 't 
min 't in jonge y n 'e h a n n e n jou t. 
— 1 1 h V n z e r is v n alle t li e c h b i- 
r i d e n (y n a 1 1 (? s i 1 e n ma k). 

-De wei, i t i i s i s a 1 b i r i d e n. — 
Foarsieht i eh , der is noch gjin bi- 
r i d e n p a e d (/;* t/ïacic). -- De banen 
b i r i d e n en g r i i s. v. Blom , Bik. 70, 

— It lân biride, aarde er over bren- 
gen. Vgl. doHj', ii'ni-j fuodderride. 

- - D e a d e n s c o e m e n sa biride, doo- 
den maken door zulk woest, onvoorzichtig 
rijden, v. d. M., Suchten 1. 

al rijdende afleggen, bereiken. -- Wy 
k i n n «* L j o u w e r t w o 1 v n i n û r e b i r i- 
de. t«* paard, met den wagen of oj) schaat- 
sen. Kin>t dat hiel e ein wol bi- 
ride? p«T M-haats. Zie ri(h'. 

biride, v. in: in h Û s , in toer, in 
dak biride. overal nazien, om. vvaarnoo- 
diir. li^rst»lliiiL'en a in te brengtMi (timmer- 
mun^-t'Tmi. \ gl. nrisf'in. VAo ridt'. Hl. Di 
d e s »' f Ô n a * 1 d e t i d en h e t b i f e '* r n, 
bikru • st , bi r iden. 



birider, m. Eng. ./o^Av// , berijder, ruiter, 
j)ikeur. — 1 1 h y n d e r en s y n birider. 
Vgl. hijnste[hi)rider. 

birie, biried, n. d^Uberatio ^ ronsiUum , 
beraad, overweging, G. J. I, 71: E, 4"). — 
Hl. b i r é. — Ik s t e a n y e t y n biried, of 
ik moarn nei Snits se il of net. 'k 
weat nog niet. Vgl. bifttâti , kiif. . . . - 
Dit efdatop(yh) yens biried hâl- 
d e , er zich nog op bedenken , — y n b i- 
r i e n i m m e , in overweging. — In koart 
biried, in goed biried, — en dat 
goed. — Ik ha m v n biried (b v m v ) , 
mijn besluit genomen. — 1 1 ia gjin biried 
w i r d i c h , daar kan men zonder bedenken 
toe overgaan, besluiten. — Nei ryp bi- 
rie. — Sonder biried, haastig, verme- 
tel. - Hsfr. III, 273. Zie ried. 

birlede, v. beraden, bedenken, begin- 
nen. G. J. 11, 11^3. — Biried dy goed 
en den de h â n n e n út 'e m o u w e. Lex. 
ïV22. — Biried dy oor dit plan. — . . . 
hy . . . woe de doar út. Mar hy bi- 
rette him en kaem werom, S. K. F., 
Mearkes, :U. — H. Z., Alm. 12», 1860. ~ 
Stietst der noch to biriedenV beslui- 
teloos dralend? 

biriede, v. berokkenen. — Dat sApen 
en fretten hat dy rik e man in ie re 
dead biret. Lex. 322. Meer alg. bi- 
rie r (d) e , z.d. 

^biriedslagje » v. beraadslagen. R. ind 
T'., 42'. Zie ricilplachtsje. 

birier(d)e» v. te weeg brengen. — H w e t 
kinne dy flarden fen bern yen al in 
lést b i r i e r e. Vgl. biroerje, — Dy dat 
oerblaeide het ús hjir al dat di- 
velsk spil birierd, Hsfr. III, 28. 

biriere, biriede » v. roerende mengen , 
er door heen roeren. Ook birear(d)e en 
birearje, z. d. — Moal biriere. Vgl. 
bishtm. — Sjerp yn'e brjj biriere. — 
Zie ricrc. 

tbirierd» p.p. geroerd, bewogen, G. .T. 
11, GS. 

birik, n. bereik. Hsfr. II, 148. — Ook: 
b i r e e k (o. a. Hl.). — Zie slath, 

blrikje, birykje, v. fumigart, beroo- 
ken. ~ De kleden (gordgnen) binne al- 
hiel birikke — De widsobirikje, 
uitrooken met tooverkroiden van een duivel- 
banner. Byek. 1864, 5. Zie úîtikje. 



BIRI. 



155 



BIRO. 



birikke» birlkje, v. attingere, 2)ertin' 
ffere, beraken, bereiken. — Hy kin de 
balke krekt mei de hân birikke. 

Ook bireke (o. a Hl.) z. d. Zie rihke. 

birilje, v. met ga^nj^en, doorloopen in 
den f^rond maken. — De mollen ha de 
hele eker birille. Zie ril(rid), 

birixne , birsrmje , v. berijmen. — G. Ja- 
pika e n Althuysen ha de 150 salmen yn 
'tFrysk birymd. — It houlik is al 
na . . fa ken birime, Hsfr. X , 209. 

biriming, s. berijming. De aldebi- 
riming f en 'e psalmen. Vgl. salmhiri- 
ming. 

birymje , v. met rijm of rijp bedekt wor- 
den. — Ujar klean wierne rûch bi- 
rime, R. ind T*., 198". 

biringje, v. met ringvormige vlekken 
worden , door vocht. — It linnen, it ta- 
felkleed is biringe. — Usglêskle- 
den, de berneruften binne biringe. 

birin , n. beloop , loop. — It wralds- 
birin. Zie hiloop. 

birinne , v. beloopen , afleggen, loopende 
bereiken, behalen. G. J. I, 7, 65, 160. — 
Dou kinst dat ein net birinne. — 
Ik kin fen uzes óf de stêdyn in 
goed ure birinne. — Hsfr. III. 157. 
Vgl. bigean. — Birint de weazigefoet 
eat, deyeskigeneat, Burm. Eng. the 
sleeping fox catched no poultry. — Salv. 27. 

achtervolgen , overrompelen , treffen. — 
— It wetter biroan ds fen efteren, 
wylst wy foar oan'tdykjen wieren. 
Nin leed koe my birinne, Salv. 128. 
•Fen'e galike dea bironn. 

{ia menstemmen , treffen. — Dy man het 
nuvere bigripen, mar dy it mei 
him birinne kin, hetitoarsnetsa 
slim. Vgl. raatje. 

beloopen, bedragen. ld. IX, 171. — Dat 
birint mei i n-o ar gans in som me. 

bespoelen. G. J. I, 81. 

birinne, v. betrekken. — De lof t bi- 
rint. — De finsterkleden binne fen 
'ewiette alhiel biroan, vlekkerig 
geworden. 

bii^UCht, n. bericht, tijding. R. ind T'., 
419\ — A. Ysbr. — R. P., Jouwerk. e. a. 
G..J. 11,44: birjachtinge. Hl. birucht, 
tbirókst. — Zie tynge, 

blxijlictatigje, y. recht geven , machtigen. 



— Asjo my dêrta birjuchtigje wol- 
Ie, kin dat woloangean. — Ta eat 
b i r j u c h t i g e w ê z e. R. ind T^, 52. 

""birjuchtin^ , s. inlichting. Vgl. birjucht. 

birjuchtsje , \. judicarc j berechten, recht 
doen. R. P. in Wiarda. — Us heit hat 
de fjuchterij birjucht e en bisljuch- 
te. 

•'verrichten. — It wirk birjuchtsje. 
Zie forrJHchtsje. 

birjuchtQJe, v. berichten, melden. — 
Sjoerd het my birjuchte,dat ik 
moast raoarnier tsien ure by hjar- 
r e 8 w ê z e. 

— Ho scil ik dy dat nou birjucht- 
sje? onderrichten, duidelijk maken. Vgl. 
útlizze. 

biroai, n. bestek, bigrip, oordeel. — 
Biroaifen in ding ha. — Ik ha der 
gjin biroai oer, weet er geen bereke- 
ning van te maken. Zie heroaijing. — Hy 
wier syn biroai kwyt, had een on- 
zekeren gang, was dronken. Zie bistjür. 

— Hy het gjin biroai, kan niet mik- 
ken. Zie bivoaije. 

biroaid, adj. berooid. — Inbiroaide 
holle. Lex. 325. Zie onbiroaid. 

biroa^e, v. treffen. — Kinst dat wol 
biroaije mei in stien? 

biroaying, s. richting. — Hwerscoe 
dy bran weze? Sahwet yn 'e biroai- 
jing fen Wâlds-ein. 

raming, schatting. — Nei myn biroai- 
jing is der sahwet tsien sek sied. 

— Ik kin der gjin biroaying oer 
m ei tsj e. 

biroaslcje, v. beroesten. Zie biruskje. 
biroerd, adj. & adv. slecht. — In bi- 
roerde kearel, in biroerd e boel. 

— Der binne a 1 1 y d 1 j u e , d y 't i t b i- 
roerde wol o a n wol. W. D., Op Maeije- 
dei, 5. — Biroerd yn 'e hiid wêze, 
zich onwel gevoelen. — Prov. Biroerd 
bislein, sei de ûle, en hy seach syn 
eigenjongen. — Injonge..hiein 
tig e pak bruijenfen syn mem krige; 
do sei er: ik bin hj ir y n di t hûs al 
b i r o e r d e min t o plak k o m d. 

biroerdling, eg. slecht menach. 
*biroerje , v. beroeren , verontrusten. 
biroerje , (spr. -r u-ó r-) , v. uitvoeren , 
*klaren', bedisselen R. P. in Epk. — Ik 



lilKO. 



15G 



BIRU. 



koe dat dèr a 11 egearre aerdich y n 
e moaiin esk y 11 biroerje. W. I)., Th. 
Ulesp."*, 4(). — Dat ik t'en 'e i)leatH 
lil o ast, dat heston biroerre. - Mem 
en i k h a d a t t o-g earre stil biroer- 
re, o 111 heit ris li t t o s t r i k e n. — 
Zwh. ook biroeije. 

bipoerte, s. apoplexia ^ horoevt e. Halb. 
Matth. VIII, 6. — Vgl. rolbiroerte. 

bipolje, V. wikkelen. -- II y birolle 
h i m y n 'e t e k k e n s , Hsfr. I X , 18(). — 
Hy birolle de . . . earm yii in pear 
. . . kranten, Hûs-hiem 18S9, HOX 

biromme , biromje , v. beroemen. — 
Yen op e at biromme. 

birongje, v. bevestigen met rongen. — 

tig. bewerken , tot stand brengen, v. d. M., 
Moarn-Jonn, 10. 

bedwingen, betengelen. - - Ik seoe dy 
b o 1 s t j Û r i g e jonge wol b e 1 1 (? r b i- 
r o n g j e. 

biroovje, birove, v. beroven. O. .1. I. 
41; II, iÜ, in, 100. 

birop, n. beroep, bezigheid, bedrijf. G. 
J. I, 119. - Oi) birop i^reekje, ergens 
een predikbenrt houden oj) hoop er be- 
roepen te worden. - iron. Hy het op bi- 
rop p r e k e , van een die naar een meisje 
geweest is, -- hja het in birop krige, 
schriftelijk aanzoek om verkeering. Vgl. 
pompierk'efriJi'H. — In k a n d a t u s s o n d e r 
birop, overdr. een meisje zonder minnaar. 
Lex. 8*2o. — II y se il op birop preek- 
j e , van een werkman met wit overhemd en 
boord, toen het <lragen daarvan nog niet zoo 
algemeen was. 

Y n b i r o j) g e a n , in hooger beroep bij 
een rechtbank. Vgl. appffcarjc. 

biropbrief , n. cV: s. Hd. UesU'llutrjshrief, 
brief aan een pre»likant, waarbij hij het be- 
roep naar een geni«»ente ontvangt , tevens 
ln*t srhrifti'lijk bewijs zijner beroeping. 

biroppe , v. r-iepen tot: benoemen. — 
In dom en y biroj)])e. ...jou binne 
d<*r op biro]>pen, ma ster, K. in<l T"., 
900'. /it' Ithh-anh'. - Lj e a v e H e a r e Î . . . 
<ly 't biljt'ave' li s to birop pen !i Ta 
dat sillirh >elski]> boppe, (î. J. I, 100. 

biroppe, v. zijn rnrpen aan iemand doen 
v»'r>taan. I>y âld man is sa d ó f , ik 

kin him net biro])pe. 
-tig. Dat is naeid, dat d'iene stek 



kin de care net biroppe, luet lange 
steken. Zie voppe. — De iene krint kin 
de o ar e net biroppe, in een krente- 
brood , waar niet veel krenten in zitten. 
Lex. 325. — W. D., Th. Ulesp'., 84. 
Zie roppe. 

biroppe (yen . . . op), v. (zich) beroe- 
pen (op). — Dou hoefat dy op Wi- 
bren net to birop pen, dy wit er 
neat f en. — Klaes giet net uei 
tsjerke; hy biropt er him op, dat 
dat er gjin goede klean het, veront- 
schuldigt zich daarmede. 

in beroep komen. — As ik gjin gelyk 
krij, den birop ik my op 'erjucht- 
bank. Zie forroppe. 

biroppinge, s. beroeping, ambt, bedrijf. 
G. J. II, 100. — Hy hie de biroppinge 
(het beroep) oannomd (bjj ouderen nog). 

birou» n. poenUefttiaj berouw. G. J. 11, 
107, 110. — Birou fen eat ha, krye. — 
Prov. Birou komt nei de sonde. - 
Halb., Matth. XXVII, 3. — A. Ysbr. SU. 
Schierm. bireau. 

birou'w(j)e, v. berouwen, berouw heb- 
ben. G. J. I, 42; II, 88, 106. Meest rou- 
we, z. d. 

— De aldman woe net biroud wir- 
de, wiersynbigearte, wenschte niet, 
dat men na zgn dood rouwkleederen zou 
dragen. 

birove, v. Zie biroovje, 

birt, s. *beurt\ W.Gr. 17; Wasaenb., 24. 
Zie beurt. 

birûgelje, v. bemorsen met droge waar; 
uit slordigheid iets strooien waar dit niet 
behoort. — De flier fen'tbakhûs is 
alhiel mei simmels birâgele. 

misleiden, bedriegen, benadeelen. -- Dy 
't in oar birûgelje wol, birûgelt 
him se Is, v. d. V., Bit^. Wrâld, 24. Ook 
birftselje, forrûselje. Zie rugdje, 

birûke, v. beruiken. — Dat wiif is sa 
fiis,hja moat alles birûke, besnuf- 
felen, ear 't se't keapje do ar. 
I — Dieren (koeien, schapen, honden) b i r û- 
ke hjar gelikens, b in amen dy *t 
' hjar frjcmd binne. 
I overdr. referre^ opnemen. — As er*nye* 
bern op skoale komme, hokje de 
I oaren om hjar gear, hja moatte 
' earst effen birûkt wirde. 



lîreu. 



157 



BISR. 



birûsd , ailj. beneveld door een roes. — 
Mei in heal birûsde holle, Bijek. 
1840. 9. 

biruakje, binis(t)Je, t. met roeet be- 
dekt worden. Ook b i r o a s(t)j e , b i r o 8(t)j e. 
Zie ruskje. 

bisakje , v. bezakken, (dichter wordende) 
dalen. — It hea bisakket hird. - Net 
hird rinne, ear't it iten hwet bi- 
}(akke is. Lex. ï^27. 

fig. bedaren. — Ik hamy niisopdy 
altigcnidich makke || mar nou is 
it al wer bisakke, W. D. Utfenh., 67. 
V^l. saksearje. 

bisakJe, v. bezinken, op den bodem zak- 
ken. — It kofjetsjûk bisakket op 'e 
boaim f en 'e tsjettel. Zie hisinke. 

bisaud , adj. verbaasd , ontsteld. Zie : 

bisaui^e, bisauje (VV. k ZW.), v. ont- 
stellen, bezwyken. — By de tynge fen 
hjar floans dea bisaude de mem. — 
...'t is om tobisauwen,R. ind T^, 
iHâ^. — Ho Fries nea moed bisauwe, 
hoe den Fries de moed nooit begaf, O. J. 
K 91. 

— Yen oer 't ien of 't oar bisanwe 
of der fen bisauwe, verbaasd, ontzet 
zijn, verstald staan. — Hwet dy jonge al 
yn'e mûle nimme doar, dêrmoat ik 
my oer bisauwe. — Ik krij der in 
rekken fen 'e dokter, dêr bisau ik 
fen, zoo hoDg is die. — Lex. 328. Vgl. /or- 
boutcerearje. 

biseare, bisearje» v. kwetsen, verwon- 
den. Lex. 835. ^ 

— . . . hja . . . bisearden him oan 
e holle, S. K. F., Mark. XH, 4. 

— fig. ... hy wier bang dat er 
immen bisearje scoe, kwetsen, kren- 
ken. R. ind T*., 189*. — G. J. 1 , 99. 

— Ikhamyoan'etûme biseard. 

— fig. bisear dy net! holl. brand je 
niet (de deur is geverfd, — er ligt vuil)! 

— Bisear dy der net mei! breng je 
daar niet mee in ongelegenheid. Zie baerne. 

bisearinfiTi s. vulneratio , verwonding. Ook 
fiiï. schade , beschadiging. — In lilke bi- 
searing, belangqjke schade, -- scheur in 
een kleed. Ook blessearing, z.d. 

bi'seendey Hl. a^j. beziende. Zie stek- 
VuMer)Uh. 

biser, n. naÜQ, b«sef, begrip, — ver- 



stand. — Bern ha noch gjin bisefoer 
in hopen dingen. — Ik koe dêr gjin 
bisef oer krije. — De sike het near- 
ne gjin bisef fen, ligt buiten kennis. — 
Ta bisef komme, uit een bezwijming 
ontwaken , — tot inzicht komen. 

biseffe , v. inteUigere , beseffen , begrijpen. 

— ... as him (de arbeider) s y k t e n 
tref f e II Of brek oan wirk him 
nypt, gj in-i en kin rjucht biseffe 

II hwet den syn lij en is, S. K. F., 
Earder-Letter , 22. — v. Blom, Bik. 11: 
b i s e f j e. 

♦bisèftigje, bisêftsje, v. Hd. heHanf- 
tijen, besussen. — R. P., Keapm., 71. Zie 
dellt'dsje. 

bise'golje, v. confirmare, bezegelen: be- 
vestigen. — Hy woe syn sizzen mei 
hirde w ir den bisegelje. 

— In skip bisegelje, de zeilen aan- 
binden en afnemen , de touwen vastmaken 
. . . van een vastgeraakt schip. ld. VI 11, 
115. Zie bútskij). — De ynboel is bise- 
gele troch de kanton rjuchter. Zie 
forsejeije. 

biseiTerje, v. bedriegen. Ook bisif er- 
je, en bisleiferje, z.d. 

*bi8ersklpje , v. vergezellen, j^ezelschap 
houden. Wl. ld. XVI. 

bises'tere, adj. dwaas, zot. Ook bisj es- 
ter e. — Bist bisestere? ben je mal! 

biset', adj. ingenomen, vervuld (een 
plaats). — It is tsjinwirdich slim, in 
bistean to finen: 't is allegearre 
sa biset y n 'e w r â l d. 

Hd. heschCtftijt , met bezigheden over- 
laden. — Ik bin op dit amerij sa bi- 
set, dat ik kin jou net t o reden 
s t ean. 

— D y s t o e 1 , d a t p l a k i s b i s e t , ge- 
reserveerd. 

— ^'N a u b i s e t , bekrompen , gierig , be- 
zwaard , benauwd. 

— B i s e 1 1 e t i i d , uur van sluiten in 
de herberg, Sw. 1892. 70. 

biset'te , v. bepoton , bebouwen , in 't alg. 
l)laats innemen of geven. — In l o a n e mei 
b e a m k e s . . . b i s o 1 1 (\ — I) v s t r e e k 
i s m e i h û zen b i s e t. — O f g r o e v e n 
g r o u n m o a t m o i p l a g g e n (s e a d d e n) 
biset w i r d e. - - 't L â n (g r e i d e) is a e r- 
dich biset, dicht met gras begroeid, — 



lîISK. 



158 



BIST. 



ook: met voc V^l. hislein. — In stoel 
b i s e 1 1 e , jj^aan /itten. - De stallen mei 
kou Ie bisette. volzetten. - Ik ha pi- 
n e y n 'e s i «l e , dat s i t mar op in 1 y t s 
plakje; ik kin 't wol mei de tomme 
bisette, b:3-lekken. 

1.) e p i n e b i s e 1 1 <» , bezweren. Lex. 895. 
Ook betoovering bisette, en ziekte. — U s 
1 y t s e het d a u-w j i r m , nou wol li s 
ni o e i k e h a , w y s o i 1 1 e 't b i s e 1 1 e 1 i 1 1 (». 

bevestigen , vastzetten. — I) e t r i e d b i- 
sette, bij 't naaien, - - ook bij 't rietdek- 
ken: [ s 't bis et? vraagt de rietdekker aan 
den *j e n n a e ij e r' (z. d.) , en 't antwoord 
is : b i s e t i s 't ! - - D e h o e k s t i k k e n (kan- 
ten) bisette, bij 't optassen van hooi op 
den wagen of in de schuur. — De kou 
bisette h j a r mei de p o a t e f t e r 't 
sj i Ik ea tling, werkte zich vast. — It 
boarst is dv man biset. — De si- 
ken bisette him. S. K. F., Mearkes, 
95. — Ik wirdde biset' fen skam t e, 
R. V., Keai)m. V . I. 

in de engte brengen, benauwen, G. J. 
II, .«=^8. 

vangen , bemachtigen , bekomen. — I k 
ha dy dief al efter si t ten, mar 'k 
koe him net bisette. - ... h o 't 
h j a .1 e z u s mei list bisette koene, 
Halb. Matth. XXVI, 4. — Der hilshaldt 
v n 't b o s k . . . in. . . wolf, d v 't alles 
formoardet hwet er mar bisette 
kin. Fr. Lêsb. 74. — Ik koe vn hele 
Drachten gjin klompen bisette. — 
Mid«len y n '♦» winter binne er gjin 
f e r s k e a e ij en t o b i s e 1 1 e n. 

1 1 b i < c 1 1 •* t s j i n . . . , we lij veren met, 
evenaarden. - F a b e kin s k o a n r i d e , 
mar tsjin Honk e kin er 't net biset- 
te Net ien fen de opneamde <li<'- 
ren kin 't yn deugden t^jin't ezel 
bisette. H. l*. Jou werk. 

I» i s e 1 1 e II . ()j)jn'rssus, b«'zeten. -- 1 k 
wacrd f<Mi wrvt en spvt biset ten. 
(;. .1. 1, :V2. 

bisetting, s. bezetting, b, 'klemming, 
kl«Mii. I 11 l»i<»*tting (»p it buarst. 

l»»"kb'!ii!:i:ii.r iii «b' ;!<l"mlnliiig. - Dat 
Douw f «i.ilaiiiii >' v t z.i m :i s t a t e vn 

■ 

b i -< »' 1 1 i i; i; «' luMMii . . . bl. VI. 14. — 1> V 
't ImisU l\ri;,'«Mi - ♦' de ninardner y n 'e 
b i < ♦' t t ing. Vgl. hiffitjnrf. 



bysfeint, m. Fr. espihfle, guit, schalk, 
grappenmaker. — W. D., Heam.', 49. W. 
D., Ulesp. ', 5. 

Ook: schelm, deugniet. R. ind T'., 97'. 
Zie biifi. Lex. 826. 

bisibbe, adj. partu affim's, familiari.*, 
verwant , vermaagschai)t. — .T a k 1 e en 
Greult binne mei (of oan) in-o ar bi- 
sibbe: it binne neven. 

Fig." De boer is mei de k o u w e k e a- 
per r j u e bi sibbe, de laatste ia aan d<*n 
eerste geld schuldig. Lex. 236. Zïefamylje. -■ 
Sa wier n e de kranten do mei ligen 
bi sibbe. Sw. 1861, 82. 

bisibje, v. verwant maken, nauw ver- 
eenigen. — 't B y n a c h t j i 1 d t e 1 1 e n of 
yn'e spegel sjen bisibbet mei de 
k w e a d e , v. d. V., Bitsj. Wrâld. — I n 
ban dy 't lis oan d' ierde bisibbet, 
Hsfr. XIV, 105. 

bisich(ty, n. bezichtiging. — K e a p j e o p 
f rij biKich(t), keepen zender de waar te 
zien, onder voerbehoud, den koop te kun- 
nen breken, als ze by bezichtiging tegen- 
valt. Vgl. gesicht, 

bekjjks. Zie bisjuch. 

bisi'de (in samenstelling) , adv. Eng. bt»- 
sidt', ter zijde, aan kant. Alleenstaande: bi- 
s i d e n , z.d. 

biside , adv. verborgen , verscholen. Ook 
forside (mede in de samenstelling), z.d. 
— De ierdappels sleten yn'e mod- 
der biside. Hsfr. VI, 9. Vgl. aikebiside. 
Zie bisK'iU. 

bisidebergje, v. wegleggen. Vgl. irei- 
opbcr.Je. Ook : Ik scil my hwet bis i- 
debergje, verwyderon om een dutje te 
doen (Wijmbrdl.). 

bisideboartsje , v. Fr$L,jouer caehe-rache, 
s huilhoekje spelen. Oosth. Tieij. forside- 
boartsje. OostdongdL ook pypforside 
boartsje, py pkeskûlboartRJe, l»yp- 
forsydsje. Zh. pypkebiskiUbortsje. 
Zoh. weikrûpboartsje. Wijmbrdl. bi- 
sk 11 leboartsje, Koudum ülbbrtsje, 
't Bildt skiiltsjeblink apeule. Stadfr. 
f e r s t o )) ]) e r k e 8 p e u 1 e. 

bisidebrin^e » v. verstoppen. — Dy 't 
by 't ti pol jen (z.d.) *t earst hondert 
het. moat de tipel bisidebringe. 
Ook forsidebringe. 

bisidegean, v. lich Terben^eii, uit den 



BISÏ. 



V)9 



BlSl. 



wo^ g-aan. — len sik et de o aren, dy 
't b i s i d e g i e n b i n n e. Ook f o r s i d e- 
gean. —Gong hwet biside, der komt 
iu wein oan. 

bisidehâlde, v. apart houden. — Hald 
dit salang efkes biside. 

verborgen houden. — 't Stik koeke bi- 
sidehalde, dat de bern'tnetsjug- 
ge. - Hald dy biside, dêr komt heit 
oa n. 

bisidekrûpe , v. wegkruipen , naar bed 
gaan. — De hear . . . lammentearre 
...sa folie, dat er biside... op 
b ê d k r Ú p e mocht, S. K. F. Mearkes 
17. Ook fordidek rûpe. 

bisidelizze , v. ter zjjde leggen , afzonde- 
ren . wegleggen (dit ook : opaidelizze), 
— wegleggende verbergen. Dit ook for- 
s i d e 1 i z z e. — J i 1 d b i 8 i d e 1 i z z e , apart 
leggen, wegbergen of verstoppen. Vgl. wvi- 
lizze , opbergje, . . 

biside(n), praep. k adv. bezijden, ter 
zijde van, oo8t- of westwaarts van: Bisi- 
<len lis hûssteantwagreatebeam- 
men. — Jelsum leit efkes bisi den 
Ljouwert. — Onderoan, bisiden, on- 
deraan terzijde van het geschrevene , A. Ysbr. 
(1801), IV. Zie bhide. 

— Bisiden de wierheid, niet geheel, 
of in 't geheel niet waar. 

- Bisiden elkoar, zij aan zij. Lex. 
•^•^7. — Deun bisiden my fleach in 
fa gel fen 't nest. — Bisiden elkoar 
lans 1 i z z e. Vgl. njunken , nest. 

bisidestopje y v. wegmoffelen, verstop- 
pon Ook forsid es topje. 

bisiede, v. door koken in hoeveelheid 
verminderen. Zh. met Hl. bikôkje. — 
I*ot-iten bisiedt gans. — koken door 
iets heen. — Spek yn*e rapen bisiede. 
- B. ind T", 395". — Ook bisi ere. Zie 

bisiedsje, v. bezaaien. Halb. Matth. 
Vllï. 22, 23. — Overdr. Us finne is bi- 
?<ie«lde mei on waersfûgels. — It hiis 
tl** vloer) is bisiedde (leit siedde) 
mi'i pompierknipsels fen 'e bern. 
Zi»* Mifdsje. 

'bisielje, v. bezielen, v. Blom, Bik. 10. 

bisiferje, v. becijferen, berekenen. Vgl. 
üttdferje. 

Ook: bedriegen. — Dou hest dy fen 



dyjeud bisiferje litten. Vgl. biseiferje. 

bisi'gfe, V. uitzijgen, -zijpelen. — Dy 
t roe h-wie te lekkens moattebûten- 
doar hwet bisige ear't seyn'ehûs 
op it rek komme. Vgl. ûtsîye. 

bisiije y Hl. v. benaaien, met zijde be- 
stikken. Lex. 438. — Goasse liet by in 
âlde syster fen syn mem in fyn 
linnen doek oan 'e rannenbisiije, 
R. ind T"., 362'. 

bisiik, n. bezoek. Hl. bis eek. — Ook 
forsiik. — Wy krjje hjir net folie 
bisiik. — Wy krije hjoed bisiik, ver- 
wachten gasten. R. ind T"., 352'. Vgl. bisite. 

bisiik;Je, v. experire, beproeven. Stadfr. b e- 
soeke. -— Ikscil'tbisiikjemaster! 
beproeven of ik 't doen kan, E. A. Borger. 

— As wy 't net bisiik je, witte wy 't 
net (sprkw.). — It mei inoar bisiik je, 
zien of men 't samen kan vinden, — tsjin 
elkoar bisiik je, zien wie 't winnen zal. 

— As se him . . . fregen, ho't it 
gie? den sei er: op foetten goed, 
op 'e bannen ha 'k it noch netbi- 
socht, Forj. 1893, 112113. - Hja woe 
't noch fierder mei him b i s i i k j e , 
geduld met hem hebben , Ibid. 115 Vgl. pre- 
bearje, 

onderzoeken — . . . alles bisiikje en 
i t goede b i h â l d e. — Prov. B i s i i k j e n 
is 't n eiste rjucht. Lex. 337. 

zien, ondervinden. — Hes tou sa fol 1 e 
bisocht, soanV W. Gr., 62. 

bisiilcje, v. iuriaere, bezoeken. — Bi- 
s i i k j e Ú s e k ris. G. .1. 1 , 203. . . R. ind 
T^, 140'. Ook forsiikje, z.d. 

bezoeken met straffen of plagen. — Alle 
dagen a 1 w e r o a n s w i e r a r b e i d s j e , 
dat b i s i k e t de l e a , 't lichaam lijdt 
daaronder. G. J. I, 164. 

" — met zegeningen. Ibid I, 191, 192. 

bisiking, s. malnm^ bezoeking, plaag, 
ramp. Lex. 338. — S y k t e n en o ii g e m a k- 
ken, misgewaechs, sykte onder 't 
f é , in h 11 H f o I o 11 d o g e n s e bern... 
dat elk f o r o a r is in b i s i k i n g. — iron- 
1 1 i s in b i s i k i 11 g , sei Kees, en h y 
b r i e k s y u k 1 o in p. Vgl. l-rus , list , lifen. 

bisyld, adj. bevaren. -- In bisyld 
skip, bevaren scliip, dat men door en door 
'kent'. 

bisile, V. bezeilen, bevaren. — (4reato 



BI SI. 



160 



BISJ. 



Pier wier glêd forjitten 11 Hie hy 
net (Ie s t'? 1) i s il e , (j. J. 1 , 74. 

zeilende bereiken. - Gjinien koe üs 
b o a t b i s i l e , zoo snel varen , of nabij ko- 
men. - Heecli oan en Smalbrêgge 
net ienris bisile, Sprkw., ook titel van 
een tooneelstukje van J. Hepk., z. d. — Mei 
dy man is gjin lân to bisilen, men 
kan niets met hem beginnen. 

zwemmende bereiken. Zie sile, G. J. I , 
VX 

bisil'Je, V. door uitgeven in hoeveelheid 
verminderen. - Dy heap not is gans 
bisiUe. V^gl. fors(j)i1je. Zie silje, 

bising^elje , v. omsingelen , belegeren. — 
Do wac^rd it hûs sa bisingele, dat 
e r n i m m e n Ú t k o m m e koe, W. D., De 
dochter, ><. — T o j o n g e s , j i m m e m o a t- 
te dy gekke kearel mei in-oar bi- 
singelj e. 

bisinke , v. bezinken. — It kofjetsjok 
b is i n k t y n 'e t s j e 1 1 e 1. — U s r e i n w e t- 
ter is sa smoarch, dat moat hwet 
8 1 e a n t o b i s i n k e n. Vgl. hUakje. 

bisinksel; n. .y^Z/wt^w/Mm, bezinksel, droe- 
zem. - Smvt dat smoarch bisinksel 
mar w e i. 

bisinne, v. bezinnen, bedenken. — Ik 
ha dat nel goed bisind. — Bisin dy 
goed e a r-s te dat o n d e r n i m s t e. 

herinneren. -- Ik kin my net goed 
m e a r b i s i n n e h o 't e i g e n 1 i k wezen 
het. Vgl. 8w. 1Ö78, 25. — Ik moat my 
d ê r e a r s t ris op b i s i n n e , bedenken , 
om het mij te herinneren. 

zich anders bedenken. — Ik ha m y (d e r 
oer) bisind: *t moat nou mar oergean. 
Vgl. hii'iede , hit inkt'. 

bisiperje, v. bezijp(d«Mi (Lex. 8o8). weg- 
zijpch'n. - 1 1 w e 1 1 e r is der a 1 1 e- 
g e a r r e y n b i s i p e r e. Zie siperjc. 

bisit, n. posftt'fisio, bezit. G. J. 1, U5, 
2'2^. B i s i t is n i n r j u c- h t. — O j) i t 

b i >; i t r»Mi in <1 i n g to stean, K. P. 
KcMpiii, V., 1. - Tigi' yn 't bisit wôz(», 
k».»)Hini'. rijk zijn. wor.lcn. - Dat slot 
nn'i t ;i b i 11 .' ;i r is in moai bisit. Zie 

bisi'te il''ii„"ll. 011 /ith. s]u*. bot'.sitel. s. 
Fra. si/Irt't'. /'i'-rjifl-ni , bi'/.üok. ge/olsihap, --- 
bijjM'nknni^t v.m g».'niMMlig«b* ga<{en. Ook 
forsite. Scliiorm. «mi elders gast bod, z.d. 



— De man yn't weardshiis en 't wiif 
op bisit e, sa'n ryk kin net bi stean. 
Lex. 232. Hsfr. VI, 221. — Vgl. bari/e-, 
boe re- f famme-, feinte-, frouljues-^ manljues- en 
frouljues-bisUe , kreambisite. — Vgl. oansit , 
f/earset, 

bisiter^', s. ('t) veel op gezelschap gaan. 

— Mei pronkjen en bisitery brocht 
mannich-ien syn jild to siik, Tj. V, 
Sj. de Fries, 124. Zie: 

bisitersda^en , pi. dinsdag en donder- 
dag, die gewoonlijk uitgekozen worden om 
op 'bisit e' te gaan, of deze te houden. 

bisytsjen , s. verb. 't ontvangen en bezoe- 
ken van gezelschappen. — As pronkjen 
en bisytsjen iubisteanjoech, den 
wier dat wiif in besten. Vgl. Hsfr. 
VIII, 119. 

bisdtte, V. zitten op, zittende bedekken. 

— Dy hin kin wol toalve briedaei- 
jen bisitte. — Dy doeken mast gear 
teare en se den hwet bisitte, opge- 
vouwen op een stoel leggen en er een poos 
op zitten (in plaats van mangelen). — Hy 
het in fêst plak yn 'e tsjerke, mar 
bisit itnet folie, zit er niet vaak. 

piisidere, bezitten, hebben. — Hy bi- 
sit gjin reade sint. — . . . al it goed 
dat de wrald bisit, R. P.» Keapm. V, 
1. — A. B., Jounpr., 75. G. J. passim. — 
Hy bisit bus en skûrre, ald. I, 6. 

*bi8itten » aüj. bezeten. — De Heidnen 
beardne as dol bisitten, G. J. I, 156. 

— . . . fen in grou wle-geast bisit- 
ten. Ibid, lï, 88. — Sprktl.: beseten. Vgl.yn. 

bisitter, eg. posseMor, bezitter. — Hy 
is bisitter, hg is rjjk , raim voorzien van 
dit of dat. Vgl. biaU, Lex. 839. Salie h is 
de bisitter, beatus possidenê ^ gelukkig 
die iets in bezit heeft. — A. B., Jounpr. 60, 
74. - 

bisittin^e, s. bezit(ting). G.. J. I, 59. 
Zie bisif. 

"bys-jager, m, dorpsveld wachter. — De 
s koa Hem asters wieme yn 'e foarige 
|l8Je| ieu bysjagers, W. D., Pr. Lê}*b. 
23, noot. Vgl. Mr. Pan, Dr. woorden en 
sprkw., 17. Zie biisjïtger, -jeyer. 

bisjasrgelje 9 -ejaèhelje, t. beschache- 
ren, bedriegen. ld. IX, 35. Zie f^fff^. 

bisjen', v. bezien. G. J. II, 72. Hl. bis een. 

- 't Fë, de merke blsjen, benchtïgen. 



BI8J. 



IM 



BTSKA. 



— It griist my as ik dy goed bis jen 
(sa meager biste!), T. H. Halb., Alm. 
12*, 1882. — . . . bisjucht de kobbe 
mei de brul op *e noas, R. ind T*., 5\ 
-- l)ou meiflt dy sels earst wol ris 
bÏHJen, ear-ste op in oar smeulste. — 
Aa min alleding f oardt bisj en ko e, 
den wier ryk-wirden gjin kinst. — 
't K i n b i 8 j e n 1 ü « i 't ziet er goed uit. — 
<fû<l op bisjen, op zicht, op keur. — It 
bouwen fen sa'n keammerke kin 'k 
for in bytsje bisjen, gedaan krygen. 

— It ein bisjen, den afloop afwachten. 

— \Vy kinne 't ein bisjen, zien 't werk 
spoedig af. — Itkeatsendûrre üsto 
lang om de ein to bisjen. — Scoest 
dat allinne bis jen kinne? al dat eten 
opeten. — Kom, ha jo't ek al wer bi- 
sjoen? afgedaan ft werk, de dagtaak). 

— My grouwUet as ik 't nei bi- 
sjoch, G. J. I, 71. 

— It heg er bisjen, in hooger beroep 
gaan, iron. naar bed gaan. Zie forsiikje. 

— It scil to bisjen stean. Zie 6t- 
(iHt'ht(sj)e. 

Vgl. /V-, gdd'y hâs'f Mn^t platte- y pleats-i 
/x);/- , iipek' , tttjerkebisjen. 

bifljestere, adj. Zie bisestere. 

bisjitte, V. beschieten, met schieten be- 
reiken. — Douma-stins waerd bisket- 
ten, Fr. Jierb. 1831, 32. — Dy fûgel is 
to fier, ik kin him net bisjitte. — 
Dy faem is for my net to bisjitten, 
niet te ^krygenV — De kriich bisjit net 
folie, brengt niet veel goeds aan, Burm. 
Lex. 340. 

'verschieten, besterven. — Hja biskoat 
en lei yn swime asdea, G. J. 1,15. 
Vgl. ibid 61, 184. — It swirkbiskeat 
en Mleat it each, Salv., 73. Vgl. bisketten. 

bifljuch' (spr. meest bisjóch), n. bekijks. 

— Hans w'oarsten op 'e stoel habbe 
't me as te bisjuch. Lex. 340. Vgl. bi- 
fivh(t), bikyk. 

bisJusTsrer, eg. kgker. — Tabe syn 
pleats is to winst, dêr hawwejis- 
t»*r al bisjaggers west. VfiiL pleats- 
bi'vu^jger. 

biskaedBje, v. beschaduwen.— D y b e a m 
kin ns finster krekt biskaedsje. 

fig. verhelen. — ..om syn ontrouwich- 
heit to biskaedfljen. G.J. 1, 89. Lex. 228. 



biskae^B» v. beredderen. — Do dat 
allegearre biskaeid wier . . . ld. IV, 
136. — Beppe wol alles biskaeije en 
set neat üt. Lex. 331. 

beschrijden , bestrijken. — Scille wy ris 
8 jen hwa 't fierste, de grootste afstand, 
biskaeüe kin? Vgl. bist r ampel je. — E ö- 
lusjhwet in fjild hes te biskaeid, 
R. ind T.* 159'. 

bedeelen , zorgen voor . . . — Syn fin- 
gers-einen wieme ... to lang om 
him sels net earst to biskaejien, 
R. ind T.», 77'». 

bi8ka(e)insuin , adj. & adv. pudibundus, 
pudendus, schaamachtig, beschamend. — In 
biskamsum fanke. — As de Tilden 
hjar sljucht oanstelle, dat is bi- 
skaemsum for de bern. Lex. 328. — A. 
Ysbr. (1861), 64. 

bi8ka(e)insiimens , bi8ka(e)m8uxn- 

heit, pudicitia , schaamachtigheid, kuische 
schaamte. — Itis... in teiken fen 
biskamsumheit by it Fryskejong- 
folk, dat hja net frye foarallcmans 
eagen, R. ind T.', 410*. — Hja hie him 
wol om 'e hals falie wold, mar lit 
biskaemsumens liet se 't. 

biskaet» Tietj. interj. uitgescheiden, 
opgehouden! (van twistenden, vechtenden). 
Zie bhkied. 

adj. gescheiden, afzonderlijk. — Alle wir- 
tels fen sipelgêrs binne biskaet. 
Lex. 331. 

biskaevje , v. Zie biskare, 

biskamje, v. beschaamd zijn, worden. 
— Biskamje dy net oer earmoed, 
mar oer onearlikjild. Lex. 328. R. 
ind T.s, 1*. Hsfr. IV, 245. Zie skamje. 

beschamen, beschaamd maken. — God, d y 
't de goeden nea biskammet, Telt. , 
Fr. Jierb. 1833, 29. 

biskamme, adj. — Hy makket my 
biskamme. — Lit my net biskamme 
stean, G. J. I, 147. 

biskamming, s. beschaming, schande. — 
In f o a r n a m e-1 j u e 8 bern as d i e f o p- 
brocht: hwet in biskamming! — Hy 
tochte care to biheljen, mar 't 
d r a e i d e op in biskamming ü t. 

biskave, v. beschaven — Planken 

b i s k a V e. — Fig. De wylden yn 'e 

frjemdte to biskaven is tige best, 

11 



BISKA, 



1«2 



BÎSK1, 



mar hjir-by-om fait ek yet wol hwet 
to biskaven. Ook •biskaevje. 

adj. Fen biskave (biskaefde) min- 
8 k e n H c o tMi e men e a r s hwet f o r- 
waebtsje, A. B. , Doarpke, 75. 

biskavin^e, s. beschavinj^, R. ind T.^, 
186\ 

biskeadigje , v. nocere, beschadigen. 
Ct. J. Il, 77. — De stoarm het de di- 
ken tige biakeadijje. Vgl. sJcanzearJc. 

biskeid, n. bescheid, antwoord, bericht. 

— \Vy ha jister biskeid hawn fen 
ü s broer, d y 't onder t s j i n s t is. — 
Hy is dea, mar het noch gjin bi- 
akeid, hij weet niet dat hij dood isr 
is een suttert, — leidt een plantenleven. 

— llett., Kymkes, 108. - Goed of ra er 
(kwea, tsjoed) biskeid jaen, vrien- 
delijk of onvriendelijk (norsch, brutaal) ant- 
woorden. — Goed fen reden en bi- 
skeid, wel bespraakt en bescheiden. — Bi- 
skeid s i z z e , antwoord geven op een bood- 
schap. — Biskeid d w a e n , op een dronk ; 
ook: wat mee-eten. — Lex 381. Hl. Alm. 
Hulde 224, Koosjen 80, 3. Ook biskie(d), 
z. d. 

tbiskerd, p.p. beschoren. G. J. l, 103. 

— It wier oars mei lïs biskerd, 
Halb., Kuen, 32. — Hulde 38: be schaard. 

Ook: biskern. G. .1. 1, 132, 182. — 't 
Sillich lot... 11 Fen Gods Ijeafde 
oer m y biskern, Telt. , Fr. Jierb. 1833, 

tbiskerje, Hl. v. beschikken, besluiten. 

— . . . jea heèben 't al voaroaf bii- 
scherre, Fr. Jierb. 1834, 70, Roosjen, 57. 
Hulde, 23^: Hl. alm. 

biskermer, m. pn^tector ^ beschermer, 
beschutter. Lex. 330. — Dy lytse boi 
het in goede b i s k e r m e r b y h i m. 

biskenning, s. j)rotectio, bescherming, 
hoede. Lex. 330. 

biskermje, v. in bescherming nemen 
(tegen . . .), R. ind T.', 118,,. 

biskern, part. Zie hiakerd. 

biskeuke, v. be<lisselen. — Sierd is 
p o s t r i n d e r w i r d e n , dat het m a ster 
for hini bi<keukt. — Hsfr. V, 115. — 
macht iir worden. - H w er h e s t d a t b i- 
sk»*uktV lo^gnkregen. Vgl. opakóbhe. Zie 

biskie, n. ))eschikking , bestel. — Hja 
fiele de llear is go e, en syn biskie 



nea tsjoe, Salv. 30. — Gods biskie, 
Ibid. 117. Zie hiskiede. 

biskie, n. regel, gematigdheid, betamelijk- 
heid. — Alle ding het syn biski», 
Burm. — G. J. I, 168. 

bescheidenheid. — As in hounkomt 
ta heare || den wit er biskie noch 
eare, Burm. 

biskied, biskie (Zh), n. bescheid, ant- 
woord. Zie biskeid. — W. D., Heam, 74. 
R. ind T.«, 73. 

biskied (Tietj. en elders), n. quies, Holl. 
uitschei: pauze bjj 't spelen der kinderen, 
vooral by 't 'krijbo arts jen' (z. d.) , om 
adem te scheppen. Ook biskier en bi- 
skaet, z. d. — „Effen biskied for 
niy", ropt er ie n, den mei dejinge 
d y 't 'i s' (zie wêze) h i m net tikje. — As 
disse fen 'biskied' ropt, den is 't a 1- 
gemien, for allegearre, sa lang 
ont er w^er ropt: , 't Biskied isütï" 

— Vgl. hikoar. Zie hiskieiie, 
biskiede, v. bescheiden. — Synbroar... 

biskaette him op de Aldeskou, 
hwer hy . . . bylans kom me moast, 
R. ind T, 419\ 

bepalen. — It wier biskaet (biakie- 
den) omhealwei trgen, den scoe hy 
der mei to gong. ld. VIII, 70. — Op 
biskicden tiden klokliede, Ibid. IX, 
17. 

biskiede, biskiere (Dantdl. en hier 
en daar elders), pauze kom mandeeren , voor 
al de meespelers. — Ik biskied effen. 

— 'tls al bi8kie(r)d, biskaet. — Ook 
in 't alg. : ophouden, eindigen. — Biskied 
(biskier)! houd op! schei uit! (met vech- 
ten byv.). Zie biskaet. 

afscheiden , a&onderen. Itex. 830. Zie bi- 
skaet. 

•onderscheiden, onderkennen. — Der 
hinge in boerd dêr hwet op stie, 
mar dat wier sa forwettere, dat 
der neat mear fen to biskieden 
wier, R. ind T.', 21 K Zie hikenne, 

G. J. I, 53. 

beschikken. — God het oer mynet 
wol biskaet, Salv. 115. 

arbitrare, beslissen. — ... twiiken 
trye jongkearels wiit er net to bi- 
skieden, ld. XIII, 62. 

biskiedon, a4j. motMuêg beseheideD. — 



BISRF. 



163 



BISKL 



Hja wier wakkere biskieden yn 't 
oankomment Ilefr. II, 104. — Biskie- 
den wingk, S. K. F., Earder-Letter , 19. 

— Mâlje ik, hja 's bi$^kieden, G. J. 

I, 33. Zie biakied, 

— Elk syn biskieden, gerechte , toe- 
komende, diel. — Lyk biskied'ne 
rjucht, G. J. I, 172. Ook biskeiden. 

biskieden, biskie(den)lik, adv. dui- 
delgk, klaar, nadrukkelijk. G, J. II, 68.. 

— Hy koe 't biskieden klappen 
hearre, W. D., Heam, 41. — Men kin 
de bergen yn 'e moanne bi skieden- 
lik sjen. — Biskielik hearde se 
hwet gespus, ld. VIII, 171. 

biskiedenheit , s. bescheidenheid. G. J. 

II, 51, 100, — Ut biskiedenheit hâld- 
de er him tobek. 

biskik , n. beschikking. — It is al in 
nuver biakik, R. ind T.», 292. Ook bi- 
skikking, z. d. 

— In bulte biskik ha, zich met vele 
zaken bemoeien. Lex. 332. Vgl. albiskik, 
Vgl. histel. 

biskikke, v. beschikken, regelen, G. J. 
Il, 114. — Dy alles biskikke wol bi- 
fikikt neat. — Oer gans tobiskikken 
h a, in vele zaken mee te beslissen hebben. 

— bezorgen, toezenden. G. J. 1 , 93. — hel- 
pen aan... — Dy man wier forlegen, 
ik hab him jild biskikt. — Teake 
hat my in fear kou biskikt. Lex. 231. 
Zie hiaoargje. 

biflkikking, s. beschikking. — In bi- 
skikking fen de Heare. 

opschik, figuur. Stadfr. ferskining. — 
As dat ftldwiif yn hjar moarns- 
klean yn dy ftld briedstoel sit, den 
is 't al in nuvere biskikking, een 
wonderlyk figuur. — Mei dat &ld jak 
bist 8a*n rare biskikking, Tryn, 
sa mast de bûrren net l&ns. — W. 
D., Th. ülesp.*, 11. — Ook biskik. 

biskildexje, v. beschilderen. — Biskil- 
dere glêzen yn ftlde tsjerken. 

bi8klld(ig)iii^ (spr. als in 't volgende) , 
!«. beschuldiging. Matth. XII , 10. Zie hi- 
tijing. 

biflkildigje (behalve o. a. te Hl. Wierum, 
Peasens en Moddergat, spr. meest biskuldigje), 
▼. Qcemêare, beschuldigen. G. J. passim. 
Lex. 382. Zie hUügfe. 



blskiWlTTi elje, v. mueeacere, beschimmelen. 
bi8kimp(J)e , v. beschimpen. A. B. , 
Doarpke, 21. 
biskine , v. iUucere , beschijnen. Lex. 332. 

— Sa'n troc h-g emiene rakkert 
moasten se yn in gat sette, dêr't 
gjiu sinne of moanne him biskine 
koe. — Hy is net wirdich dat de 
sinne him biskynt, van een slecht 
mensch. Vgl. biïjochlsje. 

biskinke, «biskinkje (Alth.), *bi- 
skinzgje (G. J.), v. beschenken, begiftigen. 

biskipperje, v. in orde brengen. — Ik 
scil dat wol for dy biskipperje, 
dat (zaakje) wel voor je opknappen. 

tbiskirmer, m., biskirming,s., bi* 
skirmje, v. Hl. Alm. Hulde II, 210, 216. 
Zie hiskermer, . . 

biskite (triv.), v. beschyten, bemesten, 
fig. bedriegen. — De miggen ha de spe- 
gel biskiten. — Hy scil de galge 
yet biskite, Burm. — Ik woe dat 'k 
er my for biskiten hie, in plaats van 
wat ik gedaan heb. — Ik woe dat 'kit 
yn in biskiten doekje hie, het geld dat 
die of die bezit , — wat ik nutteloos heb uit- 
gegeven. — Hy biskyt him fen binau- 
dens. — Biskyt dou dy! loop heen! — 
Prov. It is in sljuchte fûgel, dy't 
syn eigen nest biskyt. — Hy het syn 
eigen nest dêr biskiten, zjjn zaak 
bedorven. 

— Astou itlân net biskytste, bi- 
skyt it lan dy, als je je land niet be- 
mest, kom je bedrogen uit. R. ind T.", 41'». 

— Hy leit it altyd op biskiten oer, 

— giet altyd op biskiten út. — Bet- 
ter in goefrjeon biskiten as de man 
sels, Burm. — Dy 't in oar biskyt, bi- 
skyt op 't lOst him sels, Burm. — Prov. 
Mei finen en blinen wirdt men 't 
measte biskiten. — Dauwe op 'e 
rein || jowt (nimt) in biskiten ein. 
Sechje. 

biskiter» eg. bedrieger. — Prov. Bi- 
skiters dij e net, bedriegers komen niet 
vooruit. Lex. '333. — Fine biskiter 
listige, geslepen — , ook : schijnheilige be- 
drieger. 

biskiterU» s. bedriegerij. — War je 
dy for de kwaksalvers-atfertinsjes, 
hwent dat is biskiter y. Vgl, bid r och ^ 



BTSKO. 



164 



BTSKR. 



biskoa^e, v. door bedelen verkrijgen. 
Vgl. hihiddelje. 

biskoa^je, biskoe\je, v. beschoeien. — 
De wallen biskoeije, met palen en plan- 
ken beschutten. 

biskoayin^, biskoeljng, v. be.schoei- 
ing. Ook biskoaisel (Ilsfr. IV, 5). 

biskoattelje , v. met grendels afsluiten; 
achter grendels sluiten. ld. IX, 178. — In 
on dogen se kearel hie him yn'e hûs 
biskoattelje litten. 

biskoffelje, v. schoffelen. — De tun- 
paden biskoffelje. 

^biskôg^er , c.g. beschouwer. Hsfr. VI, 162. 

biskô£:Je, biskou'we (dit meest sprk.), 
biskouje, (ZWh. met HL), v. beschou- 
wen, bezien, bezichtigen. — Faekasit 
jong her te |1 de Ijeafde as . . . |1 
't heechste biskoget, O. H. S., Forj. 
1874, 8:$. Sa biskôge het er gelyk. 

— In . . . skilderii . . . biskôgje, 
G. J. I, 6ih - V. Blom, Bik. 12, 91. — 
Biskou nou dy smoarge jonge ris! 
Min scoe him mei gjin tange oan- 
taeste. — Nou moat jy 's biskouje! 
stel je voor! Zie skôgje. 

biskomje, v. beschuimen. — De lea- 
wcn biskomjend, v. Blom, Bik., 108. 

— Wyt biskomme wet ter we ag en. 
biskonken, a(\j. ehrius, beschonken, 

dronken. 

biskonl^e , v. beloopen , met loopen vol- 
houden. Sa'n bern kin in e in f en in 
ftre geans net biskonkje. 

bis'kop, m. p^»Vo;>m», bisschop, v. Blom, 
Bik., 46. — Yn 'o Wylgen by de Poas- 
brêgge binne de giêven fen trijebis- 
koppen, soldaten van den bisschop. (1672). 

biskop'pe, v. schoppende beraken. — 



achtend voor sk e ar der, z. d. — H. S., Fr. 
Spr., 82. 

biskra(e)bje , v. den baard schrappen , 
scheren. Hsfr. Il, 197. — In baerch bi- 
s k r a b j e , de borstels en haren afschrappen, 
bij het slachten. 

biskrasse, v. Eng. to serath, bekrassen, 
met krassen maken. — It iis biskrasse, 
als een schaatsenrijder *inhoudt\ Lex. 3'>3. 

— Bern, jimme moatte de tafel sa 
net biskrasse. Ook bikrasse. 

biskreau'we , v. beschreeuwen, beroepen. 
Zie hiroppe. 

biskreppe , biskrippe , v. werkende af- 
doen , verkrijgen. — Ik ha trye lytse 
bern en in great hûs, en moat alles 
allinne biskrippe. — Biskrippe en 
biklauwe. — Lyk as de bjjen hunich 
biskreppe for de winter, A. B. , 
Jounpr. , 67. Zie skHppe, 

biskriexne, v. beschreien, beweenen. — 
Hwetha dy bern hjar beste for- 
stoarne mem biskriemd. — Biskrie- 
me mei Wibe hjar libbenslang: hy 
kriget noait sa'n best wiif wer. — 
Dou bist sa heislike biskriemd om 
'e kop, door schreien vuil in 't gelaat. 

biskriu'we, v. beschrijven, volschrijven. 

— In bôge pompier biskrinwe. 
fiescribere , beschrijven. — Ljeafde hu- 
nich swietst^ bidreanwne || wirdt 
hjir yn rym biskreaune, G. J.H, 
62. — Ibid. II, 107. 

- - Min kin in ding folie better 
biprate as biskrinwe. 

— Hjir binnen yn it herte || dèr 
stiet dyn nam me biskreaun, R. ind 
T.«, 102'. 

schrifbelgk bericht geven. — Hwer kin 



Hwet skoppe dy jonges der tsjin i ik jo biskriuwe? waar is uw adres? 



'e 11 i k k e o a n ! U z e s net, d y k i n n e 't 
net b i s k o p p e. 

biskot', n. prorentus , opbrengst van hooi 
of vcldgewas. Lex. 840. — As er t o-m in 
s i n n e s k y n is, komt er wol lang 
strio. mar gjin bis kot. — De leste 
wiet»' jiorrcn leveren op 'e hege 
klailânnen iu goed biskot. Fr. Vlb. 

biskot, m. hüutbckleoding. — In hou- 
ten (planktMi) biskot. 

biskou'we, v. beschouwen. Zie biskôgje. 

"biskraber, m. baardschrapper, — min- 



te weeg brengen. — Dy eangstme 
fen Agema biskriuwt Ú8 hwet, R. 
ind T.«, 83". 

bij inschrijving een eerste bod doen voor 
vastigheden (bg openbaren verkoop). — B a e s 
en Evert-boer biskreauwen in pear 
persélen lân, Hsfr. IX, 126. 

— Tabe syn ynboel is biskreaun, 
geïnventariseerd om gerechtelök te worden 
verkocht. 

biskriuwlnff, a, deêeripHOf beschrgving. 
— Hy koe net bigripa dat er fen 



BISKR. 



165 



BISLA. 



8a*n ding. (in komeet) earne inbi- 
skriuwing lézen hie, Hsfr. Vlll. 89. 

biskroarje , v. met *a k r o a r j e n' (z. d.), 
winnen, overleggen. — Gabe het fen 
syn libben net folie biskroarre. Zie 
skroarje. 

biskrobbinfiT» s. berisping. — In bi- 
skrobbing ja en, — krije. — Vgl. Sw. 
1850, 28. Hsfr. IV, 246, etc. Vgl. skroh- 
hearing. Zie : 

bislcrobje , v. increpare , berispen , be- 
knorren. — Sy biskrobbe my wol 
gau ris, H. Z, Ts. Tuwzen, 98. — De ald- 
boer biskrobbet it jong folk dat se 
sa oerdwealsk net wêze moatte, 
R. ind T.3, h\ — R. ind T.^ 6*. — Halb. 
Matth. XVII, 18; XVIII, 15. — Prov. Dy 't 
in oar biskrobje wol, moat sels su- 
ver,skjin,op'e hûd wêze. Lex. 334. 

biskromlik, adj. schromelijk. — In 
biskromliken ellinde. Forj. 1881, 105. 
Zie skromelik. 

biskromine , adj beschroomd. Hsfr. VII, 
2h3. Vgl. onhiskromme. 

biakûl , D. beschutting , schuilplaats. 
— De mieren leinen onder hjar 
b i 8 k Û 1 , schuinstAand hek , met gras over- 
dekt, op het maaiveld. — Twisken it 
bynt en de golle wier in moai 
b i H k Û 1 , om zich te vei-stoppen (by dit spel). 

adv. schuil, verscholen. 

biakûle, adj. verscholen. — [It doarp] 
na kûsyn it grien biskûle, P. .1. , 
Nei de stoarm, 67. Forj. 1888, 1. 

biakûl(e)boartflde , v. verstoppertje-spe- 
len. Zie biMdehoartaje. 

biakûigean, v., -hâlde, v., -krûpe, 
V., lizze, v. Zie de Enkelwoorden. Vgl. 
hiêide en samenstellingen. 

biakûltflje in: In biskûltsje meit- 
HJe. ongevraagd de school verzuimen. 
Meer : skûltsje sette. Zie skoaltsje- 
ttkMjf, 

bislnitte, v. beschutten. A. B., Doarpke, 
42. — Och, waerd dy âldehutte || 
net troch dy beam biskutte, || licht 
waeide er gau om fier. — In stevich 
oaljepak moat de fiskerman tsjin 
waer en wyn biskutte. — Inâlder 
kin syn bern net tsjin alle leed 
biskutte. Zie Inskertnif, 

'9 eg, hond, die er op gedres- 



seerd (of volgens de volksmoening van na- 
ture geschikt) is , om bij de 'lange jacht' een 
pas gevangen stuk wild te beschutten, op- 
dat het niet door de windhondeu verscheurd 
worde , voordat de jagers op de plaats aan- 
gekomen zijn. 

oppasser, bespieder, eg. — In Friezinne 
is allinne wollosbitroud: ik hoef 
gjin biskutter by my, aeit hja, as 
injaloerske man ofalden yn noed, 
hjar dy meijaen wolle. 

bislabberje, v. inquinarej hemorsen. Zie 
bislanterje. 

bislabje, v. delamhercj belikken. Lex. 
641. R. ind T*, 8\ 

bislach, n. beslag, dat waarmede iets 
beslagenis. — It bislach fen in skeppe. 

— Houten amers mei e aren bislach. 

— In bibel mei sulverene heakken 
en bislach. Lex. 343. 

hoef beslag, de gezamenlijke hoefyzers van 
een paard. VgL hynstehislach. 

bislach , n. beslag , beslaglegging , in- 
bezitneming. — In hopen witte der 
better smeet op om in oar synjild 
yn bislach to k rij en as hjar eigen 
yn bislach to halden, Hafr. VII, 198. 

— Hastou dat yn bislach nomd? 
het je toegeëigend, 't ingepalmd? — Dou 
nimst alle romte yn bislach. 

— Bislach lizze op immens goed, 
op s y n y n k o m m e n , gerechtelijk beslag. 

bislach, n. het (rund)vee, tot een boer- 
derij behoorende , zooveel stuks als een boer 
op zijn stallen kan plaatsen. — Re au en 
bislach. Ook boer eb isl ach. Lex. 243. 

bislach (Oostelyk en in 't Zuiden), n. 
Zie hisleek. 

bislachspôt, s. Zie hhleekspôt. 

bislaen, v. (plaats, ruimte) beslaan, in- 
nemen, bedekken. — In ken ing fen 
greate riken b isl acht yn 'tein gjin 
tsien foet romte. Lex. 341/42. G. J. 
II, 70. 

— 't Mei de gek bislaen, schertsen 
met . . . , een grappige wending geven aan 
('t gesprokene). 

bislaen, v. Fra. ferrer^ van beslag voor- 
zien. — ...de bles waerd bislein. 
Hûs-hiem , 1893, 90. Vgl. hynstebisJaen. — 
Wy binne bislein (voor opboun), heb- 
ben de schaatsen aangebonden- —Op f j o u- 



BISLA. 



166 



BISLI. 



weren bislein, van zessen klaar , fig. 

— In ierdappelbult bislaen, de 
rondom aangebrachte aarde met de spa dicht 
en effen slaan. 

bislaen, v. Fra. battre , beslaan, klutsen, 
'beslag' maken. — Mo al yn sûpe bi- 
slaen. Lex. 342. 

bislaen, v. Fra. se ternir ^ bewazemen, 
bewalmen. — De glêzen bislagge as 
'tyn'ehûs waermer isasbûtendoar. 

— It kopergûd bislacht fen 'e sâlte 
baggelderwalm. Vgl. oansiaen. 

bislaen, v. uitvallen. — Goed, f o r- 
keard, min bislaen. — As dat goed 
bislacht, acil der wol mear goedbi- 
slaen, van een gewaagde onderneming. — 
De bolt sj es binneforkeard bislein. 
Vgl. mlshisiacn. Vgl. hisïanterje , hiteare ^ 
titfaliey vtïotsje , útpakke. 

Zh.. Odngdl.: overgaan in, eindigen. — It 
kin wêze dat dy hirde wyn bi- 
slacht mei rein. Lex 342. — fig. Dy 
hele ril zje scil wol mei stilte bi- 
slaen. — Us iisklub is ek al mei 
stilte bislein, heeft opgehouden te be- 
staan. 

bislanterje, bislinterje, v. onder het 
eten zich bemorsen. — Hyhathimmei 
mosterstip, mei brijbislantere. 

fig. bekladden , een smet aanwrijven. Forj. 
1893, 124. 

— Dat bislantere best, forkeard, 
liep goed , niet te best, af (Henndl. & elders.). 

bedriegen. — Lit dy net bislanterje, 
laat je niet misleiden. Lex. 343. 

bislatte, v. voor het onderhoud ('t uit- 
diepen) der slooten zorgen. — In kabel 
1 â n , in p 1 e a t s bislatte. 

bisleatsje, (spr. -aljetsje), v. met slooten 
maken. — De hierboer moat syn lan 
bisleatsje, ensfh. Lox. 343. 

bisleek, (Kleistr. & HL), n. meelbeslag. 

— B i .s l e e k f o r p a n k o e k e n. — M o a 1- 
len bisleek yn 'e brij. Lex. 843. Ook; 
b i s 1 a c h. 

bisleeks-, bislacli(s)pot , s. beslag|>ot. 

— In twa-eare readstiennen bi- 
sleek s]>ot. Zie let. 

bisleiferje (Wdngdl.), v. bedriegen, be- 
diï<selen , verj^'odyken. T r y n wit dat 

wol t o b i s 1 e i f e r j e n , terecht te praten. 

bislein, adj. beslagen, van beslag voor- 



zien. — In bisleine skeppe. Lex. 342. 

bisle'kich, adj. niet goed doorgebakken 
(van pannekoeken.) 

bisle'pen, adj. Zie hislipe. 

bislepenheit , s. geslepenheid. Zie hi- 
slipe, 

bisleiir , n. bezinning , bewustheid , be- 
sef. — By syn bisleur komme. Lex. 
343. — De sike is al sonder bisleur, 
ligt buiten kennis. — Ik hie mar pas 
sa folie bisleur, dat ik wist hwet 
ik die, Fr. VolksbL — Dat (sûpen) 
dûrrekrekt sa lang as se hj ar bi- 
sleur kwyt rekken, Hsfr. VIII, 93. — 
Dat fanke het nearne gjin bisleur 
oer. Vgl. hiluly binul, bisef. 

*bislibberje , v. met slib bemorsen, A. B., 
Doarpke, 26. Ook voor bislanterje, z. d. 

bisliepe, v. beslapen. — In bêd bi- 
sliepe. — In frommiske bisliepe. 
Halb. Matth. II, 25. Lex. 343. — It bern 
I is ti(e)zich, it is net goed bisliept. 

I Lex. 344. 

I 

i — Yen earne op (oer) bisliepe, 
in beraad , overweging houden , — (betee- 
kent meest , dat men niet genegen is op de 
zaak in te gaan). — Dou wolste my mei 
ha nei d' East? Nou, dor wol 'k my 
earst wol ris opbisliepe. — Bisliepe 
jo to beste, bitinke jo to beste, 
biriede jo to beste, Burm. 

bislik^le , v. belikken. Lex. 344. — In 
dier bislikket syn jongen by de 
geboarte. — Dat is bislikke, dat 
hebben we weer gehad, genoten, — dieiaak 
is afgedaan. — Dat is bislikke en bi- 
staet, II sei de man, en hy hie syn 
wiif daet, jj hy hinge it fel oer 'e 
doar II en socht om in o ar, OudSecl^'e. 
— *t Miei is bislikke, wy moatte 
de smaek er mar fen onth&lde. 

bislimerje, bislymje, blallinje, v. 
beslijmen , met sl^jm besoedelen. — De 
slakken bislimerje de flier. — De 
beane, de ierappels op it fjild 
binne fen *e rein tige bi8li(m)me. 
Zie bislingerje, 

bislimp(J)e , bialympije. v. dicht en ef- 
fen slijken door den regen. — It l&n, de 
greide is mei de rein wer bislimpt 
Ook: bislink(j)e. Nf^L. HOM^ti^. 

bislingexije, v. Imoedelen. — De wein 



BISLI. 



167 



BISMA. 



is op *e smoarge piindyk alheel bi- 
s 1 i n g e r e. Lex. 344. — It nôt wier gans 
binlingere fen 'e rein, liurkery, 19. 

fig. bezwalken. G. J. — Ook: bisl in- 
ter je. Vgl. bislarUerje. 

bi8link(j)e, v. slinken, bezakken. — 
As de froast dt 'e groun is, bislinkje 
de paden en wegen gau. Ook: bi- 
sl imp(j)e. 

bislypje, V. beslgpen, door slypen een 
vorm geven , afsl^jpen. Lex. 344. — ...rou- 
we d yamanten ... dy ... it bislyp- 
jen wirdich binne, Forj. 1893, 105. — 
Bislipe klontsjes, mooie gladde klon* 
tjes. Ook: slypatientsjes. 

— In bislipe hynsder, kou, met 
fraaie, goed geevenredigde vormen. 

bislipe, geslepen. Lex. 344. — Dy win- 
kelman is like bislipe as de klont- 
sjes, dy 't er foar de glêzen lizzen 
het, slim, oneerlek. — Ook in goeden zin: 
schrander. — Frouljue listich en bi- 
i»lipe, II witeyn'eneedhastaltyd 
rie, W. D. Ald-Nö, 46. 

beschaafd, welgemanierd. G. J. II, 104. 

— Ook: bisl epen. — iron. Sa bislepen 
an in houten klomp, lomp en ongema- 
nierd. 

bisliterje) bisliderje, v. zich met 'sli- 
t e r' (z. d.) bevuilen , van koeien. 

bisljuchtaje , v. beslechten, een geschil 
bijleggen, G. J. Il, 46. — Dat binne al- 
legearre dingen, dy foar de Rjuch t- 
bank bisljuchte wirde moatte,H8fr. 
VII, 235. — Yn'e âlde tiid waerd alle 
skeel II mei *t gleone swird bi- 
sljuchte, B. W., Blêdden 24. — ld. IV, 
1H4; XIII, 110; XVIII, 3. 

afdoen , eindigen. — Dat wirk hied er 
bisljuchte. Vgl. v. d. M., Suchten, 66. 

— De brilloft wier bisljuchte, W. 
D., Fr. Sang. 

bislonuner (Zoh.), n. beslommering. — 
Dêr kin *k gjin bislommer oer ha, 
my niet over bekommeren. Alth., 83. — W. 
D., Fr. Sang, 28. — Alth. 135.— Hett, 
Rvmkes, 114. 

bislommornig , s. beslommering. — In 
minske het al gans bislommernis- 
fen jn*é wr&ld. Ook : bislom mering. 

bisloty n. goede sluiting. — Myn knip- 
ke fit gjin bislot mear yn, sluit niet 



goed meer. — Dy âlde foetsokken sit 
gjin bislot raear yn. — 'tiskrekt 
as 'k gjin bislot raear yn myn 
lichem ha, als men door buikloop ver- 
zwakt is. Ook : hast gjin bislot mear 
y n 't lichem? tegen een vraat. — Gjin 
(bi)8lot mear yn'omûleha, van oude 
lieden , die de tanden missen. — (Veelal met 
negatie.) — It bislot is noch goed. 
Ook «bishit. 

bislût, n. (lecretum y consilium , ^;ro/;oi<j- 
turn j finia f besluit. G. J. passim. — In bi- 
sliit nimme; — ta't bislút komme, 
besluiten, tot een eindresultaat komen. — 
Ik ha myn bisldt by my. Y^X.hiried, 

— Ta bisldt moatte wy mar ria 
sjonge. Vgl. eintsjebislút. 

— Syn oerjas is in ding sonder 
bisldt. Zie hislot. 

bislute, V. besluiten, opsluiten, verber- 
gen. G. J. passim. — Bisldt dy dôfhû- 
dige jonge yn 't turfhok. — Hja 
hawwe Pier mei Tet yn'e keamer 
bisluten. — In Ijurkjen yn in kau 
bisl ut en, W. D., Blommekr. 16. 

besluiten, eindigen, G. J. passim. 

bevatten , in zich behelzen. G, J, I, 12. 

— Hwet hest fen dyn rike moike 
ta nyjier krige? Safolle as 'k yn 
myn each bislute kin. — In blik, 
hweryn in wrâld fol lok en sillich- 
heit bisletten leit, v. d. W. , Nfr. 
Bloeml. 

(heemere, G. .1. I, 170; II, 74. — De 
Rie het bisletten. — Hwet God oer 
ds bisletten het, A. Ysbr. (1861), 7. 

voornemen. — 'k Ha bisletten, 'k wol 
net ride. — Wessel [koe] net rjucht 
bislute . . . om by hjar to kommen, 
Hûs-Hiem, 1893, 122. Vgl. riaaeUvearje. G. 
J. passim. 

— Bisletten wetter, stilstaand wa- 
ter , tegenover rinnend wetter, z.d. Ook: 
bevroren water in vaarten , enz.; dit meer 
ticht, z. d. — In laem, dat... yn 
bisletten weide . . . de gêrskes 
skerret, v. BI. Bik., 46. — Bisletten 
tiid, gesloten voor de jacht en visscheqj , 
meest forbeane tiid. 

p.p. bisluten of bisletten, met onder- 
scheid van beteekenis. Vgl. de voorb.Zie aJiUe, 
bismarre, v. besmeren, bestreken. Lex. 



BISMI. 



168 



BISO. 



345. — ... bismar sjmi holle mei rûk- 

oalje. Hdlb. Matth. VI, 17. Zie smarre. 

bismite, v. met eeii werptuig bereiken. 

— Ik kin dat net bismite, zoo ver 
niet gooien. — Hwet men net birikke 
kin, moat men bismite. 

— In i e r a p p e 1 b u 1 1 bismite, los 
met aarde bedekken. — In mûrre bi- 
smite, met kalk. Zie hirape. 

bism(j)irkje (Westelijk), bevuilen. Lex. 
345. Zie hismoarkje. 

bismoare, v. besmoren, verkroppen. — 
. . . wyls 't se alles yn hjar (se Is) 
bismoardü hwet hjar hinde re en 
k rink te, Forj. 1893, 130. 

bismoargje (Oostelijk), bisxnoarkje , 
V. bemorsen , vuil maken. — 't Is in min- 
ne fûgel dy 't syn eigen nest bi- 
smoarket. — ...om dat er bang 
wier, dat er syn nije broek mei dat 
wet ter bismoarkje scoe, R. ind T.', 
197. Vgl. mede R. ind 'i\\ 101*, 250'. 

bi82nod8(£:)Je , v. iftquinare, bezoedelen. 

— Dyn learzens sjugge der malle 
bismodze út. — . . . mei . . . slyk en 
. . . modder b i s m o d s g e w i r d e , Hsfr. 
IV", 64. — ...troch gjin onsuvere 
nerts tocht bismodse, Forj. 1891, 204. 

bisneupe , v. bekijken, doorzoeken. — 
Hy bisneupte dat frjemde ding 
wakker, mar koe der net by. 

bisneuvelje (Dantdl.), v. nasnuffelen, — 
Kekke hie de o an wenst om alles 
yn 'e hûs to bisneuveljen. Zie sneu- 
relje. 

bisime» V. Eng. to hcsnow , besneeuwen, 
met sneeuw bedekt worden. 

bisn^e , v. van rondom afsnjjden , om 
(iets) den vereisehten vorm te geven , er 
snywerk op maken. — It fetsoen is net 
r j u e h t goed, dat mast' y et hwet b i- 
s n y e. -Klompen fe n buten b i s n ij e , 
de eerst ruw gevormde klom])en verder af- 
werken. ( >ük : er figuren op snijden. 

Fig. in fyn bisneine troanje, een 
fijn gevormd gelait. — In moai bisniene 
kou. 

— 't Is bisnijd, toegedeeld, brea, der 
mast e mei t a. 

— 1 1 b i s n y t h i m , het loopt vast. — 
Jild útjaen en net barre, dat bi- 
s n iJ t h i m g a u. — Dat p r a e t b i s n iJ t 



h i m 8 e 1 m e , spreekt zich zelf tegen. — 
Lex. 355, 346. Zie snij'e. 

hianiiing, s. in: yn ('e) bisnijing, in 
de engte, in de macht. — Hja krye, 
n i ni ni e , h a w w e , h â 1 d e h i m (o f h j a r) 
yn ('e) bisnijing. — Hja hiene dy 
kearel nou al sa goed yn'ebisnö- 
ing, dat er net mear ontkomme 
koe. Lex. 345. Ook: bianijenis. 

biSDjitte , V. bespuiten , besprenkelen , 
bespuwen, beschjjten. — De glêzen bi- 
snjitte, met de glazespuit. — De bus- 
doek mei âldeklonje bisnjitte. — 
Dy kearel bisnjit my de hele flier 
mei tobaksflibe. — De protter dy 
it plakkaet bisnjit, R. ind T.*, 68". 

bedriegen (Garijp en omstr.) — De boer 
het him fen in mersekreammer bi- 
snjitte litten. Lex. 346. 

bisnoe^e , v. besnoeien. A. B., Doarpke, 
2. — Beammen bisnoege. — In riu- 
westôk, dy 't to grou is, mei 't mês 
hwet bisnoeije. Zie hinuttigije. — De 
seilen der plat by en de hüshalding 
bisnoeije, inkrimpen , T. H. H. , Fr. 
Lèsb., 41. 

fig. beschaven. — Komst út 'e bosk? 
Dou mast yet gans bisnoeid wirde, 
scoe'ksizze. 

bisnotterje (triv.), v. besnotteren. — 
Hald doch op fen gûlen, fanke! dou 
bisnotterst dy alheel. 

bisnuifelje, v. besnuffelen. Lex. 346. 
Vgl. bisneuvelje. Zie anttffelfe, 

bisnústerje, v. min of meer bemorsen. 
— Skiën gûd bisnústerje. Zie bhús- 
terich. — David syn heilichheit 
waerd bisniistere, Hsfr. VII, 189. — 
Hy seach er hwet bisnustere üt, — 
wier hwet bisnustere, dronken. 

bisnuve, v. besnuffelen, beruiken, be- 
spieden. — De ky kinne 't ynkûle gèr» 
to 'n earsten wakker bisnuve. 

— Elkoar bisnuve (Westelgk), samen 
vryen, kussen. 

— Dy fint bisniifthjir alles, neemt 
alles heimelyk op. 

bisoargre, aci^. besorgd, geboigen, on- 
der dak. — For de kost, de takomst, 
d' alde dei, syn libben bisoarge. — 
Vgl. H. S., Bloml. 28. 

bisoargje, ▼. besoigen* — Tijeard icoe 



BISO. 



169 



BISP. 



dat pakje by Janke-en-hjarre bi- 
soargje. 

verschaffen. — Ha jy dat lint ek to 
keap? Ik ha 't net by my, mar ik 
kin *t jo wol bisoargje. — . . , dy 
oan allegearre sa'n noflik thiis- 
kommen biaoarge, Forj. 1891, 178. Vgl. 
hiêkikkf. Zie soargje, 

bisoaije, v. eig. gaarstoven van spyzen. 
Zie soarje. — fig. Immen yn'tsopbi- 
Hoarje litte, Holl. in zgn eigen vet gaar 
laten koken, van iemand, die een booze 
of ontevredene bui heeft. Ook bisûrje. — 
Dat, de ongerustheid, scil wolwerbi- 
Hoarje, wel voorbggaan, R. ind T.", 196*. 
— Yn't kwea al hiel bisoarre, ver- 
hanl, R. W., Blêdden. 

bisocht, adj. bezocht , geplaagd, gekweld 
met ziekte. — Dy man is slim bisocht, 
hy hat de kanker yn *e lippe. Lex. 
238. — ... mei de goarre bisocht, 
Forj. 1898, 109. Zie biinikie. 

bisonder, adj. k adv. bizonder, zonder- 
ling, ongemeen. Hl. bisûnder. Zie hy- 
«onder, 

bisondigje (yen), v. zich bezondigen : 
vergrijpen aan. — As 'k my oan dy bi- 
8ondigje woe, den helle ik dy it 
Ijocht ta de kop üt, Vgl. Forj. 1883, 110. 
Hy het him oan *e faem bisondige, 
gratidamt, — Zie hikweadigje. 

bison'Je, s. Fr. heaognêy drukte, werk- 
kring. — Sa'n hele dei yn 'e bisonjes 
wêze, den het min op 't lést yens 
nocht. Ik kin net oer utgean, *k 
bin Ijeafst thüs yn myn âlde bi- 
sonje. Vgl. bisúnje. 

bisoudere, p.p. in: It sied is goed 
bisoudere, door het op den zolder lig- 
gen, of, terwgl het daar lag, niet slechter 
geworden. 

bisouje, R. ind T., 99\ bisouwe, ibid. 
122*, V. zich ontzetten. Zie bisautre, 

bisouje , V. door zeven (ziften) in hoeveel- 
heid verminderen. — Dat heapke rogge 
is g&ns bisouwe. 

bispaime, v. bespannen, met uitgestrekte 
vingers en duim beklemmen, meten. Zie 
bikiamme, 

laAapmrief ▼. besparen, uitwinnen, over- 
leggen. — In arbeider kin net folie 
bispsrje. — Ier en bytiid op bêd 



gean om fjûr en Ijocht to bispar- 
jen. — Dy 't útgiet to iten kin 't 
miei thiis bisparje. 

— Immen in reis bisparje, er voor 
hem heengaan. — Dy 't lycht, hwet 
docht dy?, De wierheit bisparje, 
Sechje. — Zie sparje, 

bispatte, v. bespatten. Lex. 346. — 
Mei bloed bispat, v. Blom, Bik. 61. — 
De wein is smoarch en bispat fen 
'eweake pündyk. 

bispeure , v. bespeuren, opmerken, vooral: 
eat oan immen bispeure. — 'k Hie 
al lang oan dy manbispeurd, dat 
er oars wier as oars: nou het er him 
op hing e. — G. J.: bispoarje. 

bispiele, v. bespoelen. — De flier mei 
wetter bispiele. Lex. 346. Zie spiele. 

bisp^e, bispulje, v. bespuwen, G. J. 
I, 210. Lex. 348. Zie spije, 

bispikerje, v. bespijkeren, met spjjkers 
bevestigen, — beslaan. — Dy ald doar 
wol üt in-oar falie, ik scil 'm hwet 
bispikerje. — De soaUen fen 'e 
8 k o e n b i s p i k e r j e. 

bispikkelje , v. bespikkelen. Zie bisprik- 
kelje. 

bispylje , v. Fra. jouer dej — <), bespelen. 

— Master bispilet it oargel yn 'e 
tsjerke, hij is organist, hy kan op 't 
orgel spelen, hy is bezig op 'torgel te spe- 
len. Zie spglje. 

bispinne, v. omspinnen, met spinnen 
winnen. — ... rûch bispoun yn 't 
reach, G. J. I, 82. — Mei lotsjen 
scitte nin side bispinne. Lex. 347. 
Zie spinne. 

bispjeldoje, v. met spelden vaststeken. 
Zie spjeidsje. 

bispoarje, v. besporen door 't berijden 
met wagens. — De weiisbispoare. 

tbespeuren, bemerken, G. J. II, 81. Lex. 
347. Zie bispeure. 

bi'spól. Hl. n. Zie byspU. 

bispot'te, V. be8i)otten. Lex. 347. Halb. 
Matth. XXVII, 31. 

bispraekt, adj. goed ter taal, welspre- 
kend. — Us domeny is tigebispraekt. 

— Dy liepe Tryn is sa bispraekt, 
in hopen frouljue binne net for 
hjar birekkene. 

bisprek , n. bespreking , onderhandeling 



BISP. 



170 



BIST. 



— Ik ha vet ^jin faemwoun,mar 
ik bin mei ien yn bisprek. — Wy 
binne yn bisprek oer in kou, onder- 
handelen over den koop er van. 

Te Wirdum: fonds voor de jivarlijkache 
uitdeeling van turf en eetwaren uit de op- 
brengst van 30 pondematen grasland onder 
Wy tgaard , vóór pi. m. 300 jaar door twee 
vrouwen vermaakt aan de gereformeerde 
niet-bedeelde armen, — beadministreerd door 
twee notabelen te Wirdum en den op een 
na oudsten predikant te Leeuwarden. — 
Sy krije hjerstmia ek lit it bisprek. 

bisprekke , v. bespreken , beloven , toe- 
zeggen. -- Mynhear het Klaes in af- 
fysje bi^pritsen. Vgl. tasizze. 

vermaken. — Moikehetmyynhjar 
testemint in pleats, boerderij , b i- 
spritsen. Lex. 847. Vgl. R. P. Keapm., 186. 
Hsfr. IIT, 274. — Vgl. tameitttje, tatestcmintsje. 

bestellen.— Hynd er en weinbisprek- 
ke, — plakken bisprekke, by een voor- 
stelling. — Ik bis p riek hjar, dat se it 
finster iepen litte scoe, W. Gribb., 
78. Zie histeUe. 

bezweren. — De tsjinst bisprekke, 
de koorts, door 't bjjgeloof als 't werk van 
booze geesten beschouwd, door bezwering 
verdrijven. Lex. :U7. K. ind. T"., 399«*. 

— Party skoaijers en omrinders 
kinne in lilke hiemdogge bisprek- 
ke, dat er hjar gjin kwea docht. 

— W.D.,Volksl. 11,257.- A. Y8br.{1861),91. 
bispriede (Oostel.), v. adapergere, be- 
strooien. — It liin mei dong bisprie- 
d (s j) e. — It linnenop'ebleekbisprie- 
de, besproeien. 7Ae bispriusfije. — It flesk 
mei sâlt bispriede. Lex. .348. Zie 
histruije. 

bisprikkelje, v. Eng. to hisj>eclcle, be- 
sprikkelen. Vgl. hispikkelje. 

bispring^e, v. springende bereiken. — 
II a r m e n koe de o a r e wal net b i- 
s p r i n g e. 

bisprinkelje , v. r esperger e. besprenkelen. 
L<'x. :U8. H. 8. Bloml. 16'. 

bisprins(g)Je , v. besprengen. Tietj. b i- 
Kjireenzgjp. — Do skepte er wetter 
en bisprinz»le trije kear detûken. 
ld. 1X61, 14U. 

bispu^e, v. bespuwen. Halb. Matth. 
XXVII, :iO. Zie hhpije. 



bispuit(QJ)e , v. bespuiten. — Tegen de 
spuitgasten : ,. J i m m e m e ij e li s h e a b 1 o k 
ekwol bispuite, oars rekket dat 
ek noch yn 'e bran." 

bist, n. beest. Zie heest, 

bistammerje, v. hakkelend uitbrengen. 
De jonge woe der om lige, mar 
wist hast net, ho 't er it bistam- 
merje scoe. 

bistân, bistand, n. in : y n b i s t ä n w ê- 
ze, 8 1 e a n , twjjfelen wat men doen, geloo- 
ven moet. — Ik bin yn bistan hwet 
wei as 'k op sciL — Hy stiet yn bi- 
stan eft er moarn nei stêd scil as 
net. — Master scil nou wol mei dy 
widdou trouwe, dêr bin 'k net oer 
yn bistân, daar twyfel ik niet aan. — 
Dat is net yn bistän, daar is geen twy- 
fel aan. Vgl. hiried, kiif, tichel, 

bistân, bistand, adj. bestand, gehard, 
gesterkt. — Dat tou is net bistän, niet 
sterk genoeg, om in okse to halden. 
— Hja binne wol tsjin in-o ar. bi- 
st â n , opgewassen. — T8jin*ekjeld,it 
Ijjen . . . bistân. — De meastepart 
binne tsjin 'e weelde net bistân. 
Lex. 349. — Is 't lichemnetbistân 
tsjin disselêst, v. Blom, Bik. 30. 

bistappe, v. stappende overschrydeu. — 
Hwa kin dit yn tryen bistappe? 

> stappende bereiken. — Ik kinLjou- 
wert wol bistappe. 'lie stappe. 

bistean, v. bestaan, in wezen zyn, bly- 
ven. Hl. bista'n. — God bisteande 
sonder ein, Alth. — G. J. I, 913, 126. 
Prov. Alle goede dingen bistean yn 
tryen. — Hsfr. Vil, 120. 

een bestaan hebben. — Hja kinne fen 
'e boerkery sahwet bistean. — Son- 
der de útwrydskens koe üs l&n bet- 
ter bistean as nou. Vgl. Hsfr. II, 213. 

stand houden. — Hwa scil foar God 
bistean? — De Ijeagen kin for de 
wier heit net bistean. 

van aard zyn. — Heit is net gjirrich, 
sa bistiet er net. — [ontofreden]. . . 
sa bistiet de minske fen nature, 
Hsfr. II, 178. — H. 8., BlomL 84. 

— Hja bistean elkoar (yn *tbloed), 
zijn verwanten, . . . net (jn *t bloed), 
zyn geen familie (of alleen Hunilie door 
aanhnwelyking). — Hy is myn (oan- 



BISTE. 



171 



BISTE. 



troude) omke, mar bistiet my net 
yn 't bloed. Lex. 348. 

bifltean , v. bestaan , zich verstouten , 
Termeten. — Hywoe mywol oanflea- 
ne, mar doarst it net bistean. — 
Hûs-hiem 1893, 84. — En mei ik al net 
for hjar stjerre, || 'k Scil alles 
doch for hjar bistean, Hsfr. Vlil, 267. 
Vgl. treagje, onderlizze, 

bistean , n. bestaan, aanwezen. — Party 
minsken leauwe yet oan 't bistean 
fen spoeken. — üs tael, de tael fen 
*t herte, is boun oan iis bistean, 
H«fr. VII , 43. 

gemoedsbestaan , geaardheid , karakter. — 
In goedlik, in forkeard, aeklik bi- 
stean. Lex. 349. — Sjouk is sa fen 
bistean (het sa'n bistean), hja wol 
Ijeafst alles ha, en kin neat misse. 
— Hja wieme beide kloek en war- 
ber, il Mar ongelyk wier hjar bi- 
dtean, S. K. F. , In Bytsje, 1. — . . . hy 
wier oppassend en bistindich fen 
bistean, Hsfr. VII, 98. 

bestaanmiddel. — Sa'n winkel ...kin 
wol ris in rom b istean opleverje, 
Hûs-hiem, 1893, 104. Forj. 1389, 123. Hsfr. 
II, 17. — Hiinlippen jouwt mii mïin 
hale biista'n. Vgl. Roosjen, 82. 

bisté^te, Hl. V. bestorten, bemorsen. — 
Du hest dyn skenen slap al wur he- 
iendal bistesten. Zie bistirte. 

bistfebeill (-mar tel der), m., -brea, n, 
'dokter, m. Zie de Enkel woorden. 

bisteegje (dit meest), bisteedfiije, v. 
besteden, gebruiken. — Bisteegje mear 
jild oan 't learen fen 'e bern. — G. J. 
II, 124. 

aanbesteden. — It hûs (by de minste 
oannimming) bisteegje. — By de 
ras bisteedsje. 

in den koet doen. — Syn omke het 
him by Ü8(yn*ekost)bistege. 

slU knecht of dienstbode verhuren. — D v 
faem bisteget hjar for wyks in heal 
goone. — ... dêrom bistege er my 
by Baes Hidde to Hagewier, Hûs- 
hiem 1893, 93. — Sommige frouwen 
. . . wirde . . . yn de tiid fen it bi- 
• teegjen sa ynskliklik . . . alhiel 
avver, Hsfr. III, 2S. 

— De Ingelsken en Frânsken bin- 



ne oan elkoar bistege, tegen elkan- 
der opgewassen, bestand. Lex. 249, 250. 
Vgl. oan- y vthisteegje. Vgl. histelle. 

bistee£n3ter, f. biste'grer, m. die dienst- 
boden een 'huur' bezorgt. 

bis'tefoer, n. veevoeder. 

biste'g^er, m. die een werk uitbesteedt. 

— De bisteger en de oannimmer 
wieren beide op 't kerwei. — Zie 
ook 't voor-vorige art. 

tbistegrers-dei (Grouw) , s. dag voor het 
vaststellen van het loon, b.v. voor de scheeps- 
timmerknechten op 5 Maart (voor 't zomer-), 
en op 25 September (voor 't winterloon). Op 
die dagen werd er niet gewerkt, maar za- 
ten de knechten in 't 'schuithuis' om een 
groot vuur. 

bistegrers-tiid, s. tyd voor het besteden 
en aannemen van dienstboden. — Om K r y s- 
tiid en Nyjier hinne is 't sahwet 
bistegerstiid. 

bistefi^lng^, s. besteding, aanbesteding. 

— Moarn is de bisteging fen ithûs. 
Vgl. oan-, úthisteying. 

bis'teg^d , n. gedierte, vee. — F i s k en 
oar lyts en great bistegûd, J. S. — 
It bistegûd dtjeye, het vee uit den 
stal naar de weide drijven , overdr. geld uit- 
geven, R.indT.*, 37". Vgl.ibid,29\ Zie^nW. 

Ook als scheldwoord. 

bistek', n. bestek, ontwerp, plan. — It 
bistek for in hiis meitsje. — Bistek 
en t e k e n(i n g). 

berekening , oordeel. — Nei mynbi- 
stek koest dy ierd appels wol yn dy 
koer hâlde. — It bistek meitaje» 
de plaats van een schip op den oceaan be- 
rekenen. Lex. 350. — In boer het net 
folie bistek oer it wirk op in skip. 

— Myn bistek is (ik bin fen bistek) 
om moarn nei de stêdtogean. — Der 
is gjin bistek langer op'e wrald to 
meitsjen, R, ind T.«, 192^ — Elk het 
syn eigen bistek; fjirdel baerch is 
saun siden spek, Sechje. — Hy het 
gjin bistek fen praten. Zie slach. 

— Ruerd het bistek op Jitske. 

— Hja waerden boer en boerin- 
ne... om 't it wiif der it meaate 
bistek yn hie, R. ind T.», 262*. — Bi- 
stekken en foarnimmens. Vgl. R. P. , 
Keapm., 6. 



BISP. 



170 



BIST. 



— Ik ha jet gjin faem woun, mar 
ik bin mei ien yn bisprek. — Wy 
binne yn bisprek oer in kou, onder- 
handelen over den koop er van. 

Te Wirdum: fonds voor de jaarlijkache 
uitdeeling van turf en eetwaren uit de op- 
brengst van 30 pondematen grasland onder 
Wy tgaard , vóór pi. m. 300 jaar door twee 
vrouwen vermaakt aan de gereformeerde 
niet-bedeelde armen, — beadministreerd door 
twee notabelen te Wirdum en den op een 
na oudsten predikant te Leeuwarden. — 
Sy krije hjerstmis ek út it bisprek. 

bisprekke, v. bespreken, beloven, toe- 
zeggen. — Mynhear het Klaes in af- 
fysje bigpritsen. Vgl. tasizze. 

vermaken. — Moikehetmyynhjar 
testemint in pleats, boerderij, bi- 
sp ritsen. Lex. 847. Vgl. R. P. Keapm., 186. 
Hsfr. IIT, 274. — Vgl. tameitstje, tatestemintsje. 

bestellen. — Hynderen weinbisprek- 
ke, — plakken bisprekke, bjj een voor- 
stelling. — Ik bis p riek hjar, dat se it 
finster iepen litte scoe, W. Gribb., 
78. Zie histelle. 

bezweren. — De tsjinst bisprekke, 
de koorts, door 't bijgeloof als *t werk van 
booze geesten beschouwd, door bezwering 
verdrijven. Lex. Ml, K. ind. T*., 399«*. 

— Party skoaijers en omrinders 
kinne in lilke hiemdogge bisprek- 
ke, dat er hjar gjin kwea docht. 

— W.D.,Volksl. 11,257.- A. Ysbr. (1861),91. 
bispriede (Oostel.), v. adspergere, be- 
strooien. — It lân mei dong bisprie- 
d (s j) e. — 1 1 1 i n n e n o p 'e b 1 e e k b i s p r i e- 
d e , besproeien. Zie hiftprim^f^je. - - 1 1 f 1 e s k 
mei 8 â 1 1 bispriede. Lex. ïM8. Zie 
hhtruije. 

bisprikkelje, v. Eng. to bisj>eckfe, be- 
sprikkelen. Vgl. hhpikkelje. 

bisprin£^e, v. springende bereiken. — 
H a r m e n koe de o a r e wal net b i- 
s p r i n g e. 

bisprinkelje , v. respergere, besprenkelen. 
Lex. :Uï^. H. S. Bloml. 16'. 

bi8priii8(g)Je , v. besprengen. Tietj. b i- 
spreenzgje. — Do skepte er w etter 
en b i s p r i n z d e t r ij e keur d e t û k e n. 
ld. istU. 140. 

bispu^e, v. bespuwen. Halb. Matth. 
XXVII, .*»U. Zie hhpijt'. 



bispuit(QJ)e , v. bespuiten. — Tegen de 
spuitgasten: „Jimme me ij e üs heablok 
ekwol bispuite, oars rekket dat 
ek noch yn 'e brân." 

bist, n. beest. Zie beest, 

bistammerje, v. hakkelend uitbrengen. 
De jonge woe der om lige, mar 
wist hast net, ho *t er it bistam- 
merje scoe. 

bistân, bistand, n. in : y n b i s t ä n w ê- 
ze, stean, twyfelen wat men doen, gel oo- 
ven moet. — Ik bin yn bistân hwet 
wei as'kopsciL — Hy stiet ynbi- 
stân e ft er moarn nei stêd scil as 
net. — Master scil nou wol mei dy 
widdou trouwe, dêr bin 'k net oer 
yn bistân, daar twyfel ik niet aan. — 
Dat is net yn bistän, daar is geen twy- 
fel aan. Vgl. biried , kiif, ttcivel, 

bist&n, bistand, a^j. bestand, gehard, 
gesterkt. — Dat tou is net bistân, niet 
sterk genoeg, om in okse to halden. 
— Hja binne wol tsjin in-o ar. bi- 
8 tan, opgewassen. — Tsjin *e kjeld, it 
Ijjen . . . bistân. — De meastepart 
binne tsjin *e weelde net bistän. 
Lex. 349. — Is *t lichem netbistan 
tsjin disselêst, V. Blom , Bik. 30. 

bistappe, v. stappende overschrydeu. — 
Hwa kin dit yn tryen bistappe? 

> stappende bereiken. — Ik kinLjou- 
wert wol bistappe. Zie atappe, 

bistean, v. bestaan, in wezen zïjn, bly- 
ven. Hl. bista'n. — God bisteande 
sonder ein, Alth. — G. J. I, 913, 126. 
Prov. Alle goede dingen bistean yn 
tryen. — Hsfr. VII, 120. 

een bestaan hebben. — Hja kinne fen 
'e boerkery sahwet bistean. — Son- 
der de ütwrydskens koe üs lân bet- 
ter bistean as nou. Vgl. Hsfr. II, 213. 

stand houden. — Hwa scil foar God 
bistean? — De Ijeagen kin for de 
wierheit net bistean. 

van aard zyn. — Heit is net gjirrich, 
aa bistiet er net. — [on tof red en]. . . 
sa bistiet de minske fen nature, 
Hsfr, II, 178. — H. S., BlomL 84. 

— Hja bistean elkoar (yn *tbloed), 
zijn verwanten, . . . net (jn *t bloed), 
zyn geen familie (of alleen fiunilie door 
aanhuwelyking). — Hyis myn (oan- 



BISTE. 



171 



BISTE. 



tronde) omke, marbistiet my net 
yn 't bloed. Lex. 348. 

bifltean , v. bestaan , zich verstouten , 
wenneten. — Hywoe mywol oanflea- 
ne, mar doarst it net bistean. — 
Hûs-hiem 1893, 84. — En mei ik al net 
for hjar stjerre, || 'k Scil alles 
doch for hjar bistean, Hsfr. Vlil, 267. 
Vgl. weagje, anderlizze, 

bistean , n. bestaan, aanwezen. — Party 
minsken leauwe yet oan 't bistean 
fen spoeken. — üs tael, de tael fen 
*t herte, is boun oan lüs bistean, 
Hrfr. VII , 43. 

Kemoedsbestaan , geaardheid , karakter. — 
In goedlik, in forkeard, aeklik bi- 
stean. Lex. 349. — Sjouk is sa fen 
biatean (het sa'n bistean), hja wol 
Ijeafst alles ha, en kin neat misse. 
— Hja wieme beide kloek en war- 
ber, II Mar ongelyk wier hjar bi- 
stean, S. K. F. , In Bytsje, 1. — . . . hy 
wier oppassend en bistindich fen 
bistean, Hsfr. VII, 98. 

bestaanmiddel. — Sa'n winkel ...kin 
wol ris in rom bistean oplever je, 
Hûs-hiem, 1893, 104. Forj. 1389, 123. Hsfr. 
II, 17. — Hiinlippen jouwt mii mi in 
hale biista^'n. Vgl. Roosjen, 82. 

bi8tè*'te, Hl. v. bestorten, bemor8en. — 
Du hest dyn skenen slap al wur he- 
iendal bistesten. Zie histirte. 

bistfebeill (*m art el der), m., -brea, n, 
'dokter, m. Zie de Enkelwoorden. 

bisteegle (dit meest), bisteedfiije, v. 
besteden, gebruiken. — Bisteegje mear 
jild oan 't learen fen 'e bern. — G. J. 
11, 124. 

aanbesteden. — It hûs (by de minste 
oannimming) bisteegje. — By de 
rus bisteedsje. 

in den kost doen. — Syn omke het 
him by üs (yn 'e kodt) bistege. 

alff knecht of dienstbode verhuren. — .D v 
faem bisteget hjar for wyks in heal 
goone. — ... dêrom bistege er my 
by Baes Hidde to Hagewier, Hûs- 
hiem 1893, 93« — Sommige frouwen 
. . . wirde . . . yn de tiid fen it bi- 
«teegjen sa yaskliklik . . . alhiel 
naver, Hafr. III, 28. 

" De lageltken en Fransken bin- 



ne oan elkoar bistege, tegen elkan- 
der opgewassen, bestand. Lex. 249, 250. 
Vgl. oan- , vthisteegje. Vgl. histelle. 

bistee^TSter, f. biste'grer, m. die dienst- 
boden een 'huur' bezorgt. 

bis'tefoer, n. veevoeder. 

biste'sr^r, m. die een werk uitbesteedt. 

— De bisteger en de oannimmer 
wieren beide op 't kerwei. — Zie 
ook 't voor-vorige art. 

tbistegrers-dei (Grouw) , s. dag voor het 
vaststellen van het loon, b.v. voor de scheeps- 
timmerknechten op 5 Maart (voor 't zomer-), 
en op 25 September (voor 't winterloon). Op 
die dagen werd er niet gewerkt, maar za- 
ten de knechten in 't 'schuithuis' om een 
groot vuur. 

biste^rers-tiid, s. tyd voor het besteden 
en aannemen van dienstboden. — Om K r y s- 
tiid en Nyjier hinne is 't sahwet 
bistegerstiid. 

bisteging^, s. besteding, aanbesteding. 

— Moarn is de bisteging fen ithûs. 
Vgl. oan-, útbisteging. 

bis'teg^d , n. gedierte, vee. — F i s k en 
oar lyts en great bistegûd, J. S. — 
It bistegûd litjeye, het vee uit den 
stal naar de weide drijven, overdr. gelduit- 
geven, R.indT.*, 37". Vgl.ibid,29\ Zie^'Mrf. 

Ook als scheldwoord. 

bistek', n. bestek, ontwerp, plan. — It 
bistek for in hûs meitsje. — Bistek 
en t e k e n(i n g). 

berekening, oordeel. — Neimyn bi- 
stek koest dy ierd appels wol yn dy 
koer hâlde. — It bistek meitaje» 
de plaats van een schip op den oceaan be- 
rekenen. Lex. 350. — In boer het net 
folie bistek oer it wirk op in skip. 

— Myn bistek is (ik bin fen bistek) 
om moarn nei de stêdtogean. — Der 
is gjin bistek langer op 'e wr al dto 
meitsjen, R, ind T.^, 192\ — Elk het 
syn eigen bistek; fjirdel baerch is 
saun siden spek, Sechje. - Hy het 
gjin bistek fen praten. Zie slach. 

— Ruerd het bistek op Jitske. 

— Hja waerden boer en boerin- 
n e . . . o ni 't i t w i i f d ê r i t m e a s t e 
bistek yn hie, R. ind T.», 262*. — Bi- 
stekken en foarnimmens. Vgl. R. P. , 
Keapm., 6. 



BISTE 



172 



BISTI. 



— Altyt út en 't wirk opfrjem- 
den atean litte, datisinforkeard 
b i s t e k. 

— Dy faem hetgjinbistekyn'e 
holle, werkt zonder overleg. 

afmeting, omvang, ruimte. — In dea* 
kiste is al in lyts bistek for in ke- 
ning. Lex. 350. -- Hy fâlde It op yn 
inlyt«bistek,R.indT.S4K — Ibid. 118'. 

gedaante, vorm, fatsoen, houding. — In 
nu ver bistek, een wanstaltige figuur, — 
model. Lex. 350. — In teanbyld f en in 
echt Frysk bistek fen in frou, R. 
ind T.\ 38". Vgl. hoerehhtek (Ibid 269'). — 
Dat it hjar grousum spiet, dat koe 
'k lit hjar hiel e bistek wol sjen, 
Sw. 1851 , 37. 

bistekje (Greidhoek), v. 'stekken' plaat- 
sen. — De h ierder fen 'e pleats moat 
se Is it li\n bigropje, bihekje en bi- 
stekje, van veescheidingen voorzien. 

bistek'ke, v. besteken. Lex. 350.— De 
mouw e bistek k e mei spjelden. — 
Dy n a e d is 1 o s g i e n , d y wol 'k e f f e n 
bistekke, naaien. 

— It mei in-oar bistekke. -Bistit- 
sen wirk, fig. onderbeatoken spel. Vgl. 
om-, op-, frochstitsen. Zie steHr, 

bister, n. bestel, bestelling. — Dou 
hest altyt in hopen bis tel. — Ik ha 
fen Japke fiifpoun skiepfleskyn 
bis tel krige. 

bister, n. die veel te 'bestellen' heeft, 
overal bevelen wil . in kleinigheden. Vgl. 
al' , (V(i- , triinbiiftel. 

bevel. — B i s t e 1 e n 1 ê 8 1, V. Blom, Bik. 35. 

bister^^d, n. bestelgoed (op expeditie- 
kantoren). 

bistelhûs, n. bestelhnis. 

bistelle, v. bestellen, opdragen, — be- 
velen, besteden. — Us moal is oi>, wy 
ni o a 1 1 e n e d i c h g û d bistelle. — M y n 
wiif bis telt mar fen alles, mar ik 
d r a e i for 't b i t e 1 j e n op. - In f o e r- 
m a n , -in r e a n bistelle, — plakken 
bistelle. Vgl. hispreHr. 

— Mem het m y d e g r o e t e n i s ]> i- 
pteld. - - Do<*h Ivk as ik it dv bisteld 
ha. — Bist el. bezorg, foaral de hier, 
Hett., Rymkes, 119. 

— — De â 1 d man h i e i t sa bisteld, 
R. ind T.", 4U*. 



— In hopen frouljue bistelle 
jild oan diggels en flarden. — Dat 
is oan de rjuchte bisteld, meest 
iets onaangenaams. — Forkeard bisteld, 
niet goed uitgekomen , niet bij elkaar pasaend. 

— 'tKinús... net f r j e m d t i n k e , 
dathja oaninoar bisteld, verloofd , 
rekken. R. ind T.', 418'. 

— Dy widdou koe hjar net rôdde, 
do het se in tsjinst soeht, en de 
bern bv in oar bisteld, uitbesteed. - 
Yen by immen yn 'e kost bistelle. 
— Hy het him bisteld by de boer, 
een huur aangenomen. — N o u h a d-i e 'm 
op 'en ski p besteld || Dat lag op 
tij to wachten (Stadfr.) , Hsfr. Vil, 93. 

— Jan en Pier binne mei (oan) 
in-oar bisteld, zyn partjj, t«gen elkaar 
opgewassen. — Ik bin der mei (oan) 
bisteld, 'k heb er de handen vol mee - 
Hy is drok mei him sels biste ld,met 
zorg voor zyn eigen onderhoud. — Vgl. histeefjje. 

«bezopen. — Dy swift is tige bi- 
steld, Lex. 350. 

bistelling, s. bestelling, boodschap. — 
. . . dêr kamen . . . boargerdochters, 
om... bistellingen to dwaen oan 
feinten, dêr se hwet mei út to 
stean hiene, Hsfr. III, 19. 

bistemerk, s. , -moardsjen, n. Zie 
de Ënkelwoorden. 

bistiivje, v. bestollen. -- It fet bisti- 
vet om*e leppel. Ook: bistjurje. 
Zie stiivje, 

bistikke , V. Fra. piquer , besiikken, met 
naald werk versieren. Lex. 851. 

bistilje (Henndl.), v. doen bedaren. — 
Dat famke kin soms sa bj aster oer- 
stjûr reit 8 je, datsehastnettobi- 
stiljen is. — Dou mast sjen, datnt 
him hwet bistilleste. — Yen bi- 
stilje, zich zei ven tot bedaren brengen, 
zich bedwingen. — Hy kin him net bi- 
stilje. Lex. 351. G. J. I, 8. 

bistimd, aèy. bestemd, vast. — Alle- 
ding moat syn bistimd plak ha. — 
In bistimd doel. 

part. bestemd. — Jouke en Geale 
kamen . . . mei yet in pear oare 
feinten, dy for de ^jillingen* (cd.) 
bistimd wieme, Hsfr. III, 25. Vgl. 
ornearre. 



BISTI. 



173 



BISTJ. 



Mstiiiunlng , s. befltemming : doel. — 
Min komt hast net ta yens bistim- 
ming, aU men gedurig hinderpalen op z^n 
weg ontmoet. 

bistimpe , v. bestampen. — F e t y n *t 
pôt-iten bistimpe. 

bistimpelje, v. bestempelen. — Dat 
brief is oan beide kanten bistim- 
pele. — Hja bistimpelen de boer 
mei rare nammen. — Lolke, dy *t 
mazyk leare scoe, bistimpele de 
tenorhoarn mei de namme fen 
knoarhoarne. Zie stimpelje. 

bistindich, adj. stabilis, bedaard, ge- 
Igkmatig van aard. — In hiel bistin- 
dich feint. R. ind T.*, 204*. — Prov. 
Stil en bistindich, en de knepen 
ynwindich. Lex. 351. — In bistindige 
libbens-wize, bedaarde , rustige levens- 
wijze , Hsfr. VIII, 101. — Bistindich 
waer, rustig, kalm weer. — Frouljues 
sin ofwaer ofwyn||Hwêr sit meast 
bistindichs yn? Sechje. — Op ierde 
is neat bistindich, v. Blom, Bik. 21. — 
Vgl. hidaerd, evenredich, Vgl. onbistindich. 

bistlnâichheit, s. bedaardheid, gelijk- 
matigheid. — Dy jonge, dêr sit gjin 
bistindichheit yn, 't is een woelige , 
ongedurige knaap. 

bistindigens, s. bestendigheid. — Win- 
terdei iisjowfrin hopen wille, mar 
yn *e hûs neat gjin bistindigens. 

bistipje , bistippe , v. met stippen ma- 
ken, inz. stippen op kant benaaien. Lex. 351. 

— Infaem bistippe, graridarcy be- 
zwangeren. 

— De miggen ha de lampe alheel 
bistipt, cacarerunt, 

bistirte, bistoarte, v. bestorten. Hl. 
bistè'^te. — Ik ha myjiaterjoun mei 
«upe bistirt, W. Gribb., 11. Lex. 351. 
Vgl. bipofzje, 

bistjalpje, bistjelpe, v. overstelpen. — 
It biatjelpt him yn 't boarst, hy 
hetft een brok in de keel. — De eangst- 
me b i 8 1 j a 1 p e O r e o 1 1 , Fr. Volksblad. 

bistjerre , v. besterven. — It minske 
in 't bistoarn, gestorven ten gevolge van. 

— De scan wier dea, en sa is 't 
goed allegearre op 'ebernsbern bi- 
• toarn. — In ryk bistoarne jiffer, 
door erfeniflsen rgk geworden. R. P., Keapm. 7. 



— Fen kelte bistoarn, bleek van 
schrik. — De wachters bistoaren as 
liken. — Hy bistoar as in kalken 
mûrre. Vgl. Lapek. , 6. B. K. , 47. Fr. 
Jierb. 1830 , 81. — Dat sizzen is (leit) 
him yn'emûlebistoarn, van een ge- 
zegde, dat iemand veel bezigt, R. ind T.', 
lOG'*. — Ei, dat praet bistjert fen 
s e 1 8 w e r , die kwaadsprekerij zal wel dood- 
bloeden. — It iten bistjert my yn 'e 
mûle, ik kan het niet door de keel kqj- 
gen , van schrik of verdriet. 

— Dy ferve bistjert moai, droogt 
mooi op. — It hea bistjert al, 't ge- 
maaide gras verwelkt en verkleurt. — It 
flesk moat nei 't slacht s jen bi- 
stjerre, e ar 't it forkoft wirdt, eerst 
geheel koud worden. 

bistjitte , V. bestooten , treffen. — 't 
Spoarbjuster sin moat pleageoer 
pi e ach bistjitte, G. .1. 1, 105. 

stootend aanraken , duwend voelen. — 
Dat wiifis sa fet, men kin gjinbon- 
ken bistjitte. Vgl. A. Ysbr. (1861), 15. 

samenstooten. — Binne al dyn oer- 
winst, eare, tryomfen, büt, bistaet 
yn dit lyts m ietsje? R. P. 

— Dat bistjit net, dat treft niet, kan 
in ons geval niet helpen. Lex. 351. 

bistjûr, n. guhematio y moderameny be- 
stuur. Hl. bisti*r. — It bistjûr kwyt 
r e i 1 8 j e , over de gewone lichaamsbeweging, 
door bedwelming. — Dêr is gjin bi- 
stjûr yn 'tskip, yn 't hynder, het 
schip, het paard laat zich moeilyk sturen. 
Ook stjûr, z. d. 

— Hy is gans út 't bistjûr. Zie 
postuer, 

regimen , bestuur , regeering. — H y sit 
mei yn 't bistjûr fen 't Nut. — v. Blom, 
Bik., 76. Vgl. alhistjûr ; dyTcs-, earm- ^ ge- 
meinte- , lans- , polder- , stêdsbisfjûr. 

blstjûrder, m. rector , moderator y be- 
stuurder. — De baes en bistjûrder 
fen dat spil. Hsfr. lil, 145. R. P., Jou- 
werk, 67. 

bistjûre, v. regere, dirigere, moderare ^ 
besturen, G. J. passim. Hl. bisti're. — 
E lts wol 'tlan bist jure en dokter je. 
Lex. 351. — ... om alles to bis tj uren 
hwet yn in boerkerg ... dien wirde 
moat. — Hwa kin in fekke bis tj ure? 



BÎSTJ. 



174 



BISTE. 



— Syn beril dj hy bistjûrt, lyk 

as 't in faer tabiheart. A. Ysbr. , 
1861 , 96. 

verrichten , afdoen. — De m i e 1 1 ii d 
is bistjûrd, nou in iyts knipperke. 

— Us wirk is nou bistjûrd, Bur- 
kery 20. 

bistjurje , v. stollen , bestollen. — Ik 
hab út de noas biedt, it bloed sit 
yn luyn busdoek bistjurre. — It fet 
bistjurrct yn 'e panne. Vgl. bistiirje. 
Zie stjurje. 

bistke , n. beestje, in 't bjjzonder : koetje. 

— Hy melkt in bistke twa. A. Ysbr,, 
(1861), 89. 

bistoarmje, v. bestormen, aan-, over- 
vallen, G. J., Il , 101. 

tbistoelinfiT» s. recht van beweiding van j 
een djjk , dat de aanliggende boeren hebben. ' 
(Eigenl. bezitting, van stoel, zetel, Halb.) 
Lex. \^h\. 

bistokelje, v. in verdenking, trachten 
te brengen. — Nou bigoun er de man 
to bistokeljen, ja, hy klage him 
sels oan by de tsjerke, Fr. Volksbl. 
20/Xl, 1881. - Yn saken fen frijerg 
wirdt faek in boel bis tok e Ie. Zie 
atokelje. 

bistopje, V. toedekken, inwikkelen, 
verbergen. G. J. passim. — De bern yn 
'e w i d z e , op bed bistopje. Lex. 352. — 
. . . de ierappels yn 'e bult . . . bi- 
stopje, Forj. 1893, 122/23. — It fjûr 
bistopje, inrakelen. Vgl. hirekke. — 
... yn 't grêf bistoppe, Salv. , Fr. 
Lêsb. , 4o. — S k a m m e 8 1 d y oer d y n 
fr e e slik oansicht sels by nacht, 
om it den to bist op jen, as it kwea 
romst ba en het, R. P. , Keapman. 144. 

— O, do 'k niyn kwea . . . bistoppe 
en stil forswige, G, J. I, 130. 

bistopje, v. met stoppen dicht maken. 

— Syn hoazzen wieme fen onder 
ta boppe bistoi^pe, met stopwerk be- 
dekt. 

bistoUTve , v. bestuiven. — Myn skoen 
binne bist oud fon 'e moude. 

— Hy iï» ga ns bist oud , beschonken. 
Vgl. hi.^m'tstt't't'. 

bistraffe, bistrafje, v. bestratfen. — 
I n f r j e o n ... d y myn kwea b i s t r a f t, 
Hsfr. II, 249. — Domeny bistrafte him 



oer dat foarnimmen, A. Ysbr. (1861), 
91. — De bern bistraffe, in den volks- 
mond vaak: tuchtigen, slaag geven. - 
Lj e aflik bistrafjend. Van Blom, Bik., 
93. A. B., Doarpke, 114. 

bistraffln^r, v. bestraffing, berisping. Zie 
biskrobbhtc/. 

bistrainpelje , v. Fr. enjaniber, beschry- 
den. — Sa'n lytse jonge kin dat 
hynder net bistrampelje. — In sleat 
bistrampelje. Vgl. biskaeye. 

gebrekkig loopende bereiken. — Myn 
gong wirdt minder, ik kin mar 
just de tsjerke noch bistrampelje. 
Zie strampeJje, 

bistride , v. bestreden , tegenspreken , 
betwisten (een gevoelen of bewering). — 
Beppe wol my bistride, dat de ier- 
de draeit; den moasten wy der oni- 
mers ôffalle, seit hja. Lex. 35. Zie 
ontsfriâe, 

bistrider, v. bestrgder, die bestrydt, te- 
genspreekt. Hsfr. II, 160. 

''bistriâich, adj. tegensprekend, twistziek. 
Lex. 352. Zie tsjinstridich, 

bistrielje, v. bestralen. — DyVenus 
mei hjar glans bistrielet. v. Blom, 
Bik. 9. 

blBtrike, n. bestrüken. — De mûrre 
mei kalk bistrike. Ook de dakpannen. 
Zie panstrihe, 

— It hynsder bistrykt him, schaaft 
by 't loopen den eenen poot met den andere, — 
door verkeerd hoef beslag. — Ljue, dy 't 
sa nau binne (nau spoare) bistrike 
hjar, bemorsen op een siykerigen weg hun 
broekspijpen door se tegen elkander testry- 
ken. — As in koubeest oer 'e keat 
gliden is, makket de wonderdokter 
it mei bistriken wer yn *e heak. 

bistrlnge, v. met touw omwinden, bin- 
den. — Bistring en byn dy mac, hy 
is mäL — Bistring dy nitelige 
bolle. Lex. 853. — It bern wier 
bistringe (bistringd), door den navel- 
streng , by de geboorte. Dit gebeurt , vol- 
gens het volksgeloof, als de moeder, swan- 
ger zynde, onder een drooglün doorloopt, 
of kralen om den hals draagt Ook bi- 
st rin gel e. 

bistrypje, v. bestrepen, met strepen 
maken of versieren, ioB. een kleed met 



ÜISTB. 



175 



Bisyr. 



strooken of opzetsel» versieren. Lex. 353. 

bistruye, v. bestrooien. Hl. bistro "je. 
Lex. 353. — De glêdde stoepe mei 
san, yeske . . . bistruije. — It flesk 
mei sâlt — , in boffert, rys, mei sû- 
kerbistruye. — Hjar hier isbistruid 
mei blommen, Lieteb. , 77. — In jong 
pear, dat fen 't trouwen werom 
komt, bistru^je. 

bistrune, v. Eng. to stray, heimelyk be- 
spieden, beloeren. Lex. 353. — 'k Ha de 
froo en Mary bistrdnd, sy wieme 
yn'ekeamer en ik wier op 'elinnen- 
s o u d e r , Hepk. , 4 Rotten , 67. Zie strtine, 

bistrûpe, v. in een strik vangen, ver- 
strikken. — In snoek bistrûpe, vangen 
in een strik van dun koperdraad. — Do 
gongen de Farisieuwen hinne en 
l>ileinen rie ho 't hja him onder it 
praten bistrûpe scoene, Halb., Matth. 
XXII, 15. 

bistudearje, v. bestudeeren. It evan- 
geelje bistudearje. — Heit bist u- 
dearre de krante 

bisuden, adv. meridiem versus, bezuiden, 
ten zuiden van. 

bisunigje, v. bezuinigen. Lex. 355. 

bisûnje (Zh., Westel.), Fra. besogne, bezig- 
heid , werk , omslag , beslommering. — 
Wigle fen Ayta wier in man fen 
j^reate en wichtige bisunjes. — Ja- 
pik wirdt al âld, mar hy is yet al- 
tyd yn 'e bisúnje. — Itgiet yn 'e 
pelde bisiinje foart, 't is één moeite. 
<k>k ; bisonje, z. d. 

bisûxje , V. bezuren, boeten. — De b e r n 
moatte de mftlle flink en fen de al- 
den bisûrje. — Wy scille úskwea- 
dwaen ienris bisûrje moatte, Hsfr. 
II. 186. — De ein bisûrret it al, het 
eind draagt den last. Barm. — Hûs-hiem, 
1893, 94. Zie s&r, 

— Itmoatmarbisûrjeyn'tsop 
der 't yn sean is, we zullen maar af- 
wachten hoe het zaakje zal loopen. Vgl. 
bi*oarjf, 

bisiUfJe, V. besassen. — Mem moat 
heit mar hwet bisusje. — Zie delhedsje. 

blauteljey ▼. rondventen. — De Don- 
gerdelen mei tsiis bisutelje. Vgl. 

biswaelttalg^ s. beweging, drukte. — J o n- 



kehet in hele greate biswae^ing 
uitgebreide , drukke zaak , mar dêr wint 
it, leau 'k, net nei. — Dy man het 
ek al lang yn'e biswaeijing west, 
in de zaken. 

biSTvarre, v. bezweren, met eede be- 
vestigen of verzekeren. Lex. 354. — Forj. 
1892, 57. — Hy hetitmeihirdewir- 
den bisward, dat it net wier wie. 

biSTvarrin^^ , s. eed , bezwering* Hsfr. 
IX, 70. — Dêr is gjin biswarring ta 
nedich: in man in man, in wird 
in wird. 

bisvTler, n. bezwaar, hindernis, last. — 
Hy bet gjin biswier, niets tot zijn last, 
een zorgeloos leven. — Mei in húsfol 
bern het it syn biswier, alles ep- 
tich en kreas to halden. — In wid- 
dou sonder biswier fen bern komt 
licht yet ris oan 'e man. — In ho- 
pen Ijue fine gjin biswier yn in 
Ijeagen. Lex. 354. 

~ Der laei gjin biswier opdy 
p 1 e a t s. Vgl. hiswierxng. 

bis^wierich , adj. bezwarend, drukkend, 
lastig. Lex. 354. Meer bi s w i e r 1 i k , z.d. 

bis'wierin^^ , s. moeilyk bezwaar. — 
Klaes die neat as kleijen oer de bi- 
swiering dy 't er hie, Hsfr. VII, 100. 
— Tryebern, dy'tyet neat winne 
kinne, dat is in biswiering for 
s a 'n w i d d o u ! 

— Der leit biswiering op dat 
goed, hypothecaire schuld, — ook andere 
zakelijke lasten , als : erfdienstbaarheden , 
grondrenten , enz. 

bi8'wier(J)e , v. bezwaren. — Hy foun 
him der net oerbiswierd. — Ikfyn 
my biswiere om fen widdouwen en 
wezen de uterste penje to nimmen. 
Lex. 354. — Dat hiis of lân is biswie- 
re (b i 8 w i e r d) met hypotheek , of andere 
zakelyke lasten. — It iten biswie(r)ret 
my, ligt mij zwaar in de maag. — Hjar 
eagen wieren mei slûgens biswie- 
re, Matth. XXII, 43. 

bis'wierlik, adj. bezwaarlijk. — S af ol- 
ie hüshier en sa folie lesten tob i- 
teljen, dat wirdt my to biswierlik. 
Ik moat in oar hûs ha. — As men 
lang by in-o ar bliuwt, den wirdt 
it skieden ho langer ho biswier- 



BISW. 



17« 



BITA, 



liker, Hsfr. Vil, 107. — It scil bi- 
Bwierlik wêze om de bidlery al- 
h i e 1 Ú t *e w e i t o k r ij e n , Ibid. Il, 180. 
Vgl. A. Ysbr. 1861 , 92. 

biswike , bis^wykje , v. bezw jjken , on- 
machtig worden. Lcx. ^^54. — Ik biswyk, 
biswiik of biswiek (biswykte) , bin biswykt , 
biswikende , to biswiken. Ik biswykje , bi- 
«wiik , bin biswykt (biswike). — 1 1 w a e i- 
de my tofolle. ik bin for de reia 
biswykt. — In hele tóch, sa'n sek 
fol gûd, me se o e der onder biswyk- 
je. — Jonge! hwet bifljuchste yn 
pa'n waermte, dou scoest er onder 
biswike. Hsfr. IX, 205. 

bisTvymJe; biswime, v. bezwijmen, in 
zwijm vallen. — Jeltsjemoai sloech 
deeagenop || En'taldesloofbi- 
swime, K. ind T.*, 198". Do waerdik 
sa near en bang, dat ik hast bi- 
swymd wier. W. Gribb. Zie swime. 

biS'wit, adj. bezweet. — Us Wibren 
wier bis wit en do het er kjeld ski- 
pe. — Bis wit te troanje. Hsfr. VIII, 
282. 

bit (W. en Zwh. met Hl.), byt (Stadfr. 
Kollum, Grouw, 't Waterl.) , but (Zoh. Tietj. 
spr. bnd) , n. bijt , in het ijs gekapte opening. 
Lex. 356. — In fremde einyn 't byt, 
een vreemde in een gezelschap. Vgl. einebit. 

byt, s. Fra. mor sur e ^ piqCire , beet. — 
De byt fen in du me houn is ge- 
fa er lik. Ook beet (z. d.), vooral in de 
samenstelling. 

byt, n. Eng. hit, beet. — Hy het byt, 
de visch bijt aan 't aas van zyn hengel ; fig. 
hij heeft goede kans (op voordeel , winst . . ., 
bij een vrijster), ook: hjj is dronken. Zie 
by hok. — Prov. Dy 't byt het moat op- 
hel je, Ned. men moet het yzer smeden als 
het heet is. Vgl. heet. 

byt, ook vischaas. — Lex. 856. Vgl. hare-, 
hearze- j groun- y ieUsjehyt. 

byt, s. frat/mentum, bete, stukje brok. 

- - In byt b r e a , b ô 1 1 e. — I n byt i t e n, 
boterham. Vgl. //«'<-, tcrhyt. — Fen de 
onbisoarge byt libje, Ned. uit den pot 
van Egy]>te meeëten. — lm men de bi- 
t e n y n 'e m û 1 e t e 1 1 e , omdat men hem 
niets gunt. — Dy apels ha wy for de 
byt (knap), om uit de hand op te eten. 

— Biten en brokken (van dit of dat). 



— Vgl. onder bek. — Forbeane biten 
smeitsje best, Hsfr. IX , 263. 

— N i n byt, niets. Lex. 356. — Ik tel i t 
n i n byt. — De w r â 1 d is n i n byt slim- 
mer of better as foartûzenjier. 

beetje, weinigje. — In Ijeaf lyts byt 
da ei, R. P. , Jouwerk , 19, Gewoonlijk 
bytsje, z. d. 

bitaeste, bitaestje, betasten. R. ind 
T.*, 116\ 

bitakelje (Zwh.), v. omwoelen, omwin- 
den. — De ein fen it tou bitakelje, 
het uiteinde van een touw met dunne koord 
omwinden. Lex. 354. Vgl. biwoelje, hitrine. 

bitamje , v. decere , betamen. G. J. 
I, 194. — En scoe 't nou dy, by 
Ijochtskyn-dei, || as sedich faem 
bitamje || en rin sa'n fint op strjit- 
te nei? Hsfr. VII, 88. R. ind. T.S 420'. 
A. Ysbr. (1861), 51. 

bitaTnlik , adj. decensy honestus, betame- 
lijk, voegzaam. 

bitank, n. dank, dankbetuiging. Lex. 
362. — It wier wol in bitank (bi- 
tankjen) wirdich, de dienst mg bewe- 
zen, 't geschenk dat ik kreeg. — Is dy 
dat gjin bitank wirdich? tegen een 
ondankbare. Zie tank. 

bitankje, n. dank, dankbetuiging. — 
Hwet ha 'kfor myn goedwaen kri- 
ge? Net ienris in bitankje. — En 
nou rint er hird foart, krekt oft 
er gjin bitankje ha wol for syn ta- 
wird, W. D., Hûs-hiem, 1890, 108. — 
Ik hie op dy pleats skreaun, mar 
krige hjoed in bitankje, brief hou- 
dende ontslag van-, en dankbetuiging voor 
het gedane boil. — Het domeny 't birop 
oannomd? Né, 't is in bitankje wir- 
den. — Ook bid ank je. 

bitankje , v. bedanken. 6. J. II, 44, 53, 
114. — Wy bitankje de frjeonen for 
de léste eare, de forstoarne oan- 
dien. — Rinske bitanke hjar man 
for 't lyts famke, de jonggeborene (Oud 
gebruik). — Binn* jimme ek noadge? 
Ja, mar wy ha bitanke. VgL A. 
Ysbr. 1861, 71. — For in bineaming, 
for syn ampt bitankje, niet aannemen, 
neerleggen. 

bitarje , v. beteeren , met teer beefargken. 
HL (bi)terje. Zie tatye» 



BITA. 



177 



BITE. 



bitarre, v. verminderen, inkrimpen. — 
Folie iten bitart troch*t sleden. 
Lex. 3.55. — De heabult bitart on- 
egael, hy sakket skeef. — V^I. 
bilúrije. 

— Ho is dat bitard? uitgekomen? 
Zie bUeare^ 

byfb&n, s. gzerbeslag op troggen en 
kribben, om de dieren (varkens, paarden) 
te beletten , dat zg daaraan knagen. 

mail band, sterke leeren band met gesp 
voor een xeug, die bg *t biggen werpen 
kwaadaardig is. — Ook: In houn mei 
in bytb&n om. 

tbitdammede , s. Hl. bontgoed. Zie 
dammede, 

bi'te, V. bgten, steken. G. J. passim. — 
Ik byt, (KoUaml., Achtk:, Dantdl., Tietj.: 
du bi(t)8te, hi bit), biet (Hl. beet), ha biten, 
bitende, to biten. — Pas op dy houn, 
dat er dy net byt. — To, jo moatte 
ek ris yn jou bôle bite, uitnoodigend 
tot een gast. — Hy het neat to iten of 
to biten. — De sliepliiskes bite it 
bern, iron. — It wol hjoednet rjucht 
bite, de visch wil niet aanbyten. — Dy 
skjirre, dat mês net yn *e bannen, 
anstons byt it dy, waarschuwend tegen 
een kind. — Tettik byt op in sear 
steed. — In libben fol fen bitend 
sear, Hsfr. II, 112. — Op *e tosken 
bite, van pgn, kwaadheid, om zich goed 
te houden. — Hy biet op 'e tosken as 
in dea hin op *e loarte. — Hja wolle 
net op in-oar bite, ze ontzien elkaar. 
— Hja woe dêr net op bite, veinsde 
het niet te beg^pen. — Hja (of hy) is 
fen *t hountsje biten, lichtgeraakt. — 
It kin dy wol b i t e, *t ligt vlak by je (daar 
je om zoekt). Ook: as *t in bek hie biet 
it dy. — *t Byt op*e non. Leeuw.: *t 
byt op *ehaek, *t komt er op aan, de 
zaak is dringend, eischt voorziening. — 
Immen hwet yn *t ear bite, heimelyk 
in 't oor fluisteren. B. ind T.«, 233'. — 
It gappet mear as *t byt, 't lykt meer 
dan 't is. — Hier fen 'e houn dy 't 
jen biten het op *ewoune lizze, den 
bettert it, volksgeloot — De houn dy't 
jen biten het, moat yen ek wer ge- 
lêse, orerdr. voor 'haarpön* neemt men een 
bond om dit geroel te Terdröven. — Prov. 



Twa kwea' hounen bite elkoar net. 
— Yens neiste hounen bite yen 
meast. — Meagere luzen (miggen) 
bite fûlst. — Hwet bi-bytste op 'e 
neilen? — Hwet bibite dy muzen 
dêr efter'tbihang? Zie W-. Vgl. W-, 
for- , yn- , oan-, of-^ ta- , troch-, úthxte; harge- 
biten. 

bite, Smald. s. Zie hytling, 

biteare, v. vouwen, wikkelen, inwikke- 
len. — Hwet heste deryndatgrou 
pompier biteard? Byek. 1893, 14. — 
Lex. 34. 

in vouwen vallen. Dy doek biteart 
net goed, er vallen valsche of verkeerde 
plooien in. 

afloopen. — Best biteard, sei skip- 
per Auke, it skip forlern, mar it 
easfet bihälden. — 'tis bêstbiteard 
oan alle kanten, R. ind T.', 247". — 
Dat scil wol better biteare, Hûs- 
Hiem, 1893, 116. Ook bitarre. Vgl. bislaen. 

''bitebau, biteboe, s. denkbeeldig we- 
zen , dat (volgens het bijgeloof) door gebrom 
of geruisch de menschen voor den mal houdt. 

*^bitebauje, v. voor den gek houden. 

bitelcenje, biteikenje, v. beteekenen, 
teekenen op. — Dou mast dat bock net 
alhiel bitekenje mei read kryt. Zie 
tekenje, 

— Dy kou (dat keal) is moai bi- 
teken e, fraai geteekend, heeft een fraai 
gevlekte huid. 

Fra. signifier , prédire , être bon d. — 
Hwet scoe dat sizzen bitekenje? — 
Jouns reade kimen bitekent d'oare 
moarns moai waer. Vgl. bitsjuUe, — 
Hwet scil dat bitekenje? Fra. â quoi 
bon? waar zal dat voor dienen? Lex. 360. 

bite'kenisse , biteikenisse , s. betee- 
kenis. — Hwet is dêr de biteken is se 
fen? b.v. van een figuur, een op- of by- 
schrift , enz. 

bitel'dei, s. betaaldag. Vgl. rekkende*. 

bitel'der, biteller, eg. betaler. —-In 
goede, in minne bitelder. 

bi'telich, bytlich, adj. morsiUs, byt- 
achtig , geneigd tot byten. — In bitelige 
houn, — in bytlich hynder, byt 
naar menschen of paarden, die naby zyn 
kop komen. — In bytlich faem, iron. 
die bg het kussen haar tanden laat voe- 

12 



BITE. 



178 



IBITI. 



len — Bitelige Lieuwe, het sterrebeeld 
de Leeuw (in een oude almanak). — G. J. II, 
72: bytlich, bits, vinnig. — Ook: bite- 
rich. 

biterje, v. betalen, vergelden. — G. J. 
pasmim. — In goune, in dûbeltsje . . ., 
jild bitelje. — Skild bitelje, vol- 
doen. — It stiet oan 't wollen netal- 
linne |I Men moat it ek bitelje kin- 
ne, Hsfr. II, 107.— Bitelje is altyt it 
boadskip, 't komt maar altijd op betalen 
aan, men moet gedurig geld uitgeven. — 
Hel je en bitelje, geld bij de visch. 

— Men moat d' iene jild jaen en d' 
o are bitelje, als men contant betaalt 
kan men gaan ]>ij wie men wil (om te koo- 
pen), of: 't is hetzelfde bij wien men gaat. — 
Ljue dy't hjar sels moanje, bitelje 
noait. — Hy scil bitelje yn trjje 
terminen: nou net, en den neten 
noait net, iron. van een , die nooit betaalt. 

— Mei rekken jen, (m ei de t a-p o n g) 
bitelje, Fra. saus hourse df'lie}\ Ned. met 
gesloten beurzen. — Mei de stikken 
bitelje, slaag geven in plaats van geld. — 
Hiishier mei 't aldbedstriebitelje, 
de woning verlaten zonder huur te betalen, 
en 't oude stroo er in laten. — Goed fen 
biteljen wêze, gewoon zijn om op tijd 
te betalen. — Mei de de ad bitelje, 
met den dood bekoopen. — Ik ncil dy 
bitelje, ranselen , tot straf. 

blteller, eg. betaler. Zie hitelder. 

bitelling, s. betaling. 

bitemxne, bittmme, v. betoomen, be- 
dwingen. — In minske moat him sels, 
syn drift bitemme kinne. — Ik kin 
dy on dogen se jonge netbitimme. 
Vgl. hiilemme, 

biteppe, v. beplukken. — In golle 
hea biteppe, 't loshangend hooi er af 
trekken. Zie teppe. 

bi'ter , eg. k s. die of dat byt. — Dat 
hynder is in biter. Vgl. bytlich, — In 
fûle later, heet gebakerde vrijer. — In 
k w e a ]> i t e r , die zich de kaas niet van 't 
brood la.it eten. — B 1 a f f e r s b i n n e g j i n 
biter<. - l*as op, bern , dat 's in bi- i 
ter, een uf ander ^iherp voorwerp. 
- 1 1 b o rn het al b i t e r s , tanden. 

— .limme moat te net vn dat ke- 
tier gean, der binne hiiar &, pedicuU, 



*biters-ark, n. 't gebit, de tanden. J. 8., 
14. Zie ark. 

biterich, adj. Zie hytelich, 

biters-plak , n. plaats in het water, waar 
veel visch is, en 't dus 'bit e' wil. Lex. 357. 

biters-'waer, n. geschikt weer om te 
hengelen. -- As de wyn yn'tSuden, 
de loftbitritsen, en 't net to kald 
of towaerm is, den is 't moaibi- 
terswaer. 

biters-"wyii , s. gunstige wind voor 't 
vangen van visch met den hengel. 

biteu'tere , adj. bedremmeld y onthutst. 
Stadfr. beteuterd. — As wy der by de 
kening stiene || En hielendal bi- 
teut're wierne, Tj. V., Sw. 1871 (Ta- 
heakke). 

bitichtsje, v. verdichten, hard worden. 

— It ferske brea hwet stean lit- 
te om to bitichtsjen. Vgl. bilegerje. 

— It paed is aerdich bitichte. 
Vgl. hihirdsje. 

bitichtaje, v. Zie hitiiaje, 

biti'sring^, s. aantijging, beschuldiging. 
R. P. , Jouwerk, 34. Zie: 

bitiigje , v. Eng. to accuse , beschuldigen, 
toedichten. — Immen mei eat bitiigje. 
te laste leggen. — . . . hy bitige my 
fen fûke-neisjen, ielrôven en hwa 
wit hwer mear fen, Hûs-hiem 1893,92. 

— Hwa bliuwt onskildich as it fol- 
dwaende is immen to bitiigjen. 
Lex. 365. Ook bitichtsje. 

bitiisd, biüze, a^j. verward. — De 
mich sit yn 't reach, de fûgel yn 't 
net bitiisd. — Ei, foart boi! dou 
rekkest alhiel yn myn jern bitize. 

— fig. De wräld leit yn't goed en 
k w e a b i t i z e. A. B., Doarpke , 115. — Y n 'e 
sliep bitiisd (fortiisd). Lex. 265. Ook 
bitiesd, bitieze. 

bitikje , v. bereiken om 'af te kloppen' 
(by kinderspelen). 

bekloppen. — In sike it boarst bi- 
tikje. Zie bikhpje, 

door tikken op de rniten iemand een 
teeken geven, om te komen. — D6r giet 
Lou hinnc, tikje ris oan kim! Ik 
kin him net mear bitikje, kg ii reeds 
te ver. 

bitikaelje, e. bekappen tt«t een diateL 
fig. bedisselen , R. ind. T% 41«. Zm hU^fékêe{fe. 



BITÏ. 



179 



BITl. 



bitixmneriofi^ , s. het betimmerde, het 
betimmeren. Vgl. hinnenhitimmering. Zie 
hit immer je. 

bitixmnexje , t. betimmeren. — Ik 
ha 't goed bitimmere, stevig met spy- 
kera vast geslagen. — In keamer bi- 
timmer j e , van binnen afwerken. — Yens 
bûrman it Ijocht bit immer je, door 
bouwen of verbouwen. Lex. 365. Zie timmerje, 

hïthxgf 8. knagende insecten (in den grond). 
Ook iting. Zie fretting, 

biting^Je , v. bedingen, voorwaarde(n) stel- 
len. — (f en dy geastlike boekjes) 
lit ik nou en den ris ien printsje 
en den bitingje *k er by... mei âl- 
derwetske letters, Hsfr. II, 176. Vgl. 
tnbitingje. — It ein is my to fierto 
rinnen, nou ha'k inweinbitinge. 

— Wolst mei my merk e-h â 1 d e ? N é , 
ik bin bitinge, heb m^n woord al aan 
iemand gegeven. Lex. 362. 

— Immen bitingje, bjj hem afdingen. 

— Ho meist it ha, dy earmewiddou 
pa to bitingjen om in pear sinten? 
Zie tingje, 

bitill£^t, n. & 8. conditiOf pacUim^ excep- 
tie , beding , voorwaarde. — Mem, me ij e 
wy joun opbliuwe? Ja, mar ien bi- 
tingst: net oangean. — Sape wol 
my for in kear al in hynder liene, 
mar altyd mei in hiele boel bi- 
tingsten. — Op ien bitingst. Vgl. 
Hsfr. II, 14. 

Ook (bjj kinderspelen) voor : b i k o a r , z.d. 

bitlnke, «"bitinsOi v. bedenken. — Bi- 
tink dat it grêf dy wachtet. — Ik 
moat my der ris oer (op) bitinke, 
't in overweging nemen , ook : het mij trach- 
ten te herinneren. 

bezinnen, zich anders bezinnen. — Hy 
scil him wol ris bitinke, ear't er 
bannen oan syn breahear slacht. 
Lex. 362. — It is gjin bitinken wir- 
dich. Zie biried. — Dêrhoefik my 
net oer to bitinken, mgn besluit staat 
reeds vast. — En myn wiif hat hjar 
bitocht, bitocht... Deuntje. 

rommtHisci, uitdenken, verzinnen. — Ljea- 
gens — , fiten bitinke. — Flaeyen 
het de divel bitocht, Lex. 365. — 
Der wier *i8 in feintsje Rinse, dy 
koe *t sa m&l bitinse • • . Volksrympje. 



— Utere-tiit, myn sang is út; ik kin 
net me ar bitinke . . . Oud Dountje. — 
G. .Î. 1, 2, 8, G9. 

— Bitink jimrae dit ris! R. P., 
Keapm. V, I. 

— Bitink hwet d' yngoe God d'on- 
wirde minske al jout, G. J. 

begiftigen, beweldadigen. — Bitink de 
widdouwen enweeskes. Lex. 663. — 
Immen yn syn testeraint bitinke. 
Vgl. R. ind T\ 94*. — De earmen to 
bitinken || dêr oan ha hja gjin 
loer, Hsfr. VIII, 279. 

^verdenken. — Dy man joech dy wid- 
dou in wintertarring , en nou bi- 
tinke se him, dat er great mei 
hjar is. Lex. 363. — Dy sels net doge, 
binne gaust ré om in oarto bitin- 
ken, R. P., Jouwerk. 9. — Hy waerder 
fen bitocht, dat er him sels bigêr- 
ze meidetsjerkfoudjj. Zie fortinkc. 

bitinkelik, adj. bedenkelyk. — Dy saek 
is bitinkelik. 

bitinken, bitinsen, n. mccning, begrip, 

— Nei myn bitinken wierst in gek 
as 't it dieste. Vgl. R. ind T" 405'. 

bitinken, ''bitinsen, s. bedenking, over- 
weging, — aanmerking. — Ik scil it ris 
yn bitinken haldo, e ft dy ald 
baerch it pleit wirdich is of net. 

— Yn bitinsen nimme, G. J. 1,94. 

— Nim yn bitinsen dat it dyn mem 
is. Lex. 363. — En mei dit bitinken 
giet se fierder, Forj. 1893, 111. 

vermoeden, verdenking. — Sonderdat 
baes kwea bitinken op hjar krige, 
Hsfr. IV, 235. — Ik ha der yn*e koer 
hwetfoun, 1! dat het my hwet bi- 
tinken joun, W. D., Heam., 9. 

gedachte. — Mar de Ijue hiene ek 
sa hjar bitinkens, Forj. 1893, III. — 
Der hie *k sa gau gjin bitinken op. 

bitinking , s. gepeins. — Iksietsayn 
'e bitinking, hwet my al yn myn 
libben b i-j e gen e is. — G. J. II, 68. 

bitinksel, n. verzinsel, verdichtsel, voor- 
wendsel. Lex. 363. — Malle bitinksel s, 
W. D., Oebl. Gl. 34 Ook optinksel, z.d. 
Vgl. Htfynsel. 

bitins(J)e , v. b i t i n s e n. n. Zie hitinke(n), 

bitippelje, v. beloopen, loopende berei- 
ken. Zie tippelje. 



BYTK. 



180 



BITR. 



bytke, n. beetje, (een) weinig. R. ind 
T.\ 35*. Schierm. bik e. Zie btftsje, 

b3rtlin£r , n. frenum , toom met de ringen 
(of ijzeren plaatjes) waaraan het hoofdstel 
en de teugels van paarden, alsmede het 
klemketting bevestigd worden. Vgl. Lex. 358. 
P. Sch. M.S. 15. 

houten toom , met een 'jaaglyn* van bind- 
garen, waaraan pypesteelen en gekleurde 
ronde lapjes geregen zyn, en waarmee kin- 
deren 'paardjemennen.' 

Ook hynstebit. — Vgl. kjirremjirre-mes- 
kenhyüing, 

bytling, a. R. ind T.*, SS'». Zie platte- 
hoek. 

bitocht, adj. bedacht, gevat. — ... op 
middels bitocht, Hsfr. III, 29 — . . . 
ik bin der altyd op bitocht om . . . 
grapkes en telt sj es op te dissen, 
W.D., Th. Ulesp., 277. — Ho mient Do- 
meny dat? frege Master, dy dêr 
net sa goed op bitocht wier, Hûs- 
hiem 1890, 260. Vgl. fortocht. forfette, 

bitoeft, bitoevd, adj. slim, geslepen, 
doortrapt. Lex. 365. — Hald douiten 
wêz bitoeft, W. D., Nut-nocht 40. — Al 
binnc jimme Hollanners noch sok- 
ke bitoevde feinten, sa lit ik my 
net forrifelje. R. ind T.\ 340\ — Ibid, 
115-». — Hsfr. VII, 170. 

bitoeftens, bitoevdens, s. schrander- 
heid, geslepenheid, sluwheid. — As 't op 
knappens en bitoeftens oankaem, 
den koene in hele boel feinten . . . 
net tsjin [Pibe] út, W. D., Th. Ulesp. 

bitoffelje, V. beloopen, loopende afdoen. 
Zie toffefje- 

bitomkje, bitûmkje, n. Eng, tothuniby 
met den duim betasten. — De keapman 
bitomket de tsiis, — de dokter in 
forbolgen (lichemsjdiel. Taalg. IX, 24. 
— II y (de keapman) wol syn par ren 
net fen in oar bitomke ha (hwent 
dat jout plakken), fig. hjj wil niet , 
dat een ander zijn meisje kust, zijn vrouw 

beduimelen, met duim of vingers bemor- 
sen. 

bitommelje , bitûmelje, v. bedaren 
(van de onstuimigheid der jeugd) , tot kalm- 
te komen. — Dy jongkearels gean er 
oan 'e hoasbannen ta troch, mar 
hja scille mei de jierren wol bi- 



tommelje. Lex. 367. — Hy wier nou 
gans bitommele, syn lilkens wier 
glêd oer. — R. ind T.«, 328\ 

*bitongerJe, v. beschieten met donde- 
rend geschut. Hiest net oer de wea- 
gen bromd en de Ingelsman biton- 
gere. R. ind T.', 89^ 

bitODje, V. betonnen, van tonnen (ba- 
kens), voorzien. — In farwetter bi- 
tonje. — De Abt is oeral bitonne. 

bitrachtaje, v. betrachten. — Yens 
plicht bitrachtsje. 

bitraepje, v. betreden: vaat treden. — 
It paed, de snie is al aerdich bi- 
t r a p e , door 't betreden geëfifend , dicht ge- 
worden. — Sw. 1887, 51. — . . dong en 
onrant... foar de drompel del- 
bruid en yn de . . . foetleasten bi- 
trape, Forj. 1893, 106/7. 

van koeien, die naast elkaar op stal staan. 

— Jei dat bist ris oerein, datdy 
oare him it oer net bitrapei. 

bitraepje, bitrappe, v. betrappen, over- 
vallen. Lex. 366 — . . . de opsjenner 
bitrapet de mitselder, as er by 
forsin san yn pleats fen semint 
yn'e kalk brûkt, v. d. M., Hsfr. IV, 26. 

— De falske weager dy se bi trap- 
ten, R., ind T.*, 29«. 

i bitrèdflje, v. betreden. — Hy kin dat 
I yn in ure wol bitrêdsje, te voet af- 
I leggen. 

met lange gelijkmatige schreden aftoo- 
pen, om de grootte te bepalen. — It län 
bitrêdsje. Vgl. ôftrêdnje, 

bitrekke, v. bedriegen, beetnemen. — 
Dêr scoest my moai bitrekke, mar 
dat is mis feint! Lex. 816. — Geale 
Romkes fen Sânlean || Is ek al 
moai bitritsen || for tritich goune 
bûterjild, Oud liedje. — En sa wier 
't dat Piter syn maten, dy er sa 
faek bitritsen hie, him ek rie beet 
nimme woene, D. H., Fr. Lèsb., 186. — 
R. ind T.', 380*. — ▼. Blom, Bik. 96. — D e 
hoklingboUe het ien feii*e keallen 
bitritsen, besprongen. — De baeshet 
de faem bitritsen . . . 

in 't nauw brengen. — Ho ek troch 
oermacht, need en lé bitritsen, 
Fr. Lieteb. 

bitrekCUng), s. ^^^HnOim, trek, be- 



BITR. 



181 



BYTS. 



geerte. — Aa myn wiifnei de Walden 
moat, hee hja gjin bitrek op iten. 
Lex. 367. — Om joun lit to gean, dêr 
ha*k net folie bitrekking op. 

bitrekteing, s. Toorliefde. — Ha jy ek 
bitrekkingopdatboek? Ja, 't is 
vet fen myn pake, ik scoe't graech 
ba wol Ie. 

byt'ringy s. groote ivoren ring voor kin- 
deren, die aan *t tanden kragen lijden, om 
er op te byten, — ook om er mee te spe- 
len. Daarom ook boartring. 

bitrttsen, adj. betrokken. — De loft 
ié bi trits en. Zie hiroan. 

bitrolje» V. bewikkelen, omwikkelen, 
warm inwikkelen. — It[8poek] wieryn 
in lange swarte mantel bitrolle, 
8. K. F., Saonrisom, 7. Ook: 

bitrollemolle, p.p. ingewikkeld. Lex. 
;367. — R. ind. T.*. 35', 228*. 

bitromje, v. door trommelen doen ver- 
staan. — Dou kinst him net bitromje, 
8a dof is er. 

bitrou» n. vertrouwen. — Goed, min 
vn bitrou wêze. Vgl. kredyt, — Y n 
bitroa jaen, deponeren in bewaring ge- 
ven. Zie biwaer. 

bitroad, a^j. te vertrouwen. — It iis 
in net bitroud. — Stoellen mar pas 
bitroud om er op to sitten. — Bi- 
troud folk, eerlgke, flinke lieden , waarop 
men kan vertrouwen. — It kêssen is net 
bitroud yn*e sjeas, men kon het daar- 
uit stelen, W. D., Th. Ulesp. 102. — 
Lytse bern binne net allinne bi- 
troud. — Net los (net allinne) bi- 
troud, niet tegen mogelgke ongelukken of 
verleiding bestand. — It is om fierrens 
net bitroud, Sw. 1887, 51. 

bitroilje, s. verb. vertrouwen. — It 
bitroujen giet út *e wräld. Lex. 367. 
Zie bUroHwe, 

bitr o n som, a4j. vertrouwend op iemands 
eerlgkheid. — Hy is net botte bitrou- 
• um, vertrouwt niet licht iemand. Vgl. 
ombUrouêum, 

bitrou sm nhait, s. ft) vertrouwen (op 
ienuuid). — De earlikheit fen 'e min- 
deren en de bitrousumh eid fen 'e 
riken, & ind T.', 112\ 

btifom r » (dit meest), bttrouje, v,fiderf, 
cmiiUUrtt T erti o o weiL G. J. I, 149. — Bi- 



trou, mar sjuch op hwa. — ... hy 
hie him to goed bitroud op syn ont 
hâld, Fr. Lesb., 177. — Astou sa bang 
biste, doar ik my . . . net op dy bi- 
trouwe, W. D., Th. Ulesp. 116. — Ik 
bitrou jou wol, geloof in uw eerlijk- 
heid, bouw op uwe (mji bekende) stilzwij- 
gendheid. 

deponere. — Ik bitrou myn linnen 
nachts net bûtendoar. — lebel 
wier hahdich . . . mefrou bitroude 
hjar al leding, A. B., Foarl. 37. 

bitrou'we, v. door huwelgk verkrijgen. 

— Hy het mei syn wiiftwaboere- 
pleatsen bitroud. Lex. 367. 

bits, adv. bits. — Immen bits bi- 
jegenje. Vgl. fits. 

bitsich, adj. & adv., bits, voortvarend, 
tuk (op). — In bitsich wiif, voortvarend 
en kort van stof. Ook: bijeenhoudend. Zie 
fuL — Allyk in bitsich, wirksum 
man || it hûs troch rykdom docht 
bid ij en, R. W. — Al dat gewrot 
en bitsich bodsjen, R. ind T.", 32'. 

— Bitsich (fûl) op 't gewin, — bit- 
sich en hetsich op'twirk. Lex. 358. 

Ook: scherp, nijdig. Zie hits. 

— Hwet stapt dy lytse faem der 
bitsich oer, vlug en parmantig. 

bitojaffelje, v. babbelen over ... — 
Hja het in ketier sitten, raar hwet 
se yn dy tiid bitsjaffele het, dat 
w y t-j y n e t. Ook : 

bitsjan te Ij e. 

overreden, R. P. in Epk. 

bytflje n. in — , (een) weinig, een klein aan- 
tal , of kleine hoeveelheid. Stadfr. b i t s j e. 
Schierm. bik e. Hl. lik. — Inbytsje 
môlke, bûter, fûgelsied, — stien- 
nen, hûzen, enz. — In bytsje fë oan 
'emerk, — folk yn 'e tsjerke. — In 
bytsje for 't jild, weinig naar rato van 
den prys. — In bytsje minder as yen 
lést, dat bikomt yen best. — De 
handel seit in bytsje tsjinwirdich, 
heeft weinig te beteek enen. — In Ijeaf 
lyts bytsje, Fra. un tout petit peu. — 
Gans in bytsje, vry veel, tamelyk erg. 

— Net in bytsje, veel, zeer, erg. — 
Prov. Alle bytsjes helpe (sei de 
man, en hy pisse yn'e sé). — As 't 
in bytsje lik et, zoo *t eenigszins moge- 



BITSJ. 



182 



BITT. 



lijk is. — As de klok in bytsje 
shu'hf, tus>!chou Vi en twee uur. — Ia 
in l)ytsje goe«l, folie mei nin kwea. 

- - II w e t 8 o i s t o? Ik s i z n e a t. Dat 
's in bytsje. — F e n s t i k j e t a b y t- 
sje, Fra. (h; fli en archal. — Ik ha Ijea- 
ver in bytsje as in bult, calemb. — 
Dy man is och s a 'n bytsje, zeer zwak, 
ziekelijk. — By bytsjes bitelje, in 
kleine termynen. — Wy ha hj,ir noch 
mar in bytsje wenne, korten tijd. — 
In bytsje lyn, kort geleden. Vgl. bt/tke. 

bitsjen' (spr. soms bisjen') v. in : b itsj e n 
litte, Fm. laisiier aller j -faire ^ laten be- 
gaan , zijn gang laten gaan. G. J. I ; 9. 
Stadfr. bitie n. — Lit dat bitsjen, laat 
dat na of ongemoeid. — Lit my bitsjen. 
laat mij begaan of met rust. — R. ind T.*, 
'^ — Lit dat maljeijen bitsjen. — 
Dou litst my mar mei de bern bi- 
tsjen, don sjuchst er net nei om. 
Lex. :m, 367. Forj. 1883, 7. Ygl, gewir- 
(Ie, tct'ze. 

bitsjinder, eg. Zie hitsjinner. 

bitsjinje, v. bedienen, waarnemen. G. J. 
II, 100,114. —Hl. bitaenje, bitênje. — 
Omke het dat bacntsje al lang bi- 
tsjinne. — De sé bitsjinje, bevaren. 

— Hy is jus ter al bitsjinne, de zieke 
is voorzien van de II. Sacramenten der ster- 
venden. R. ind T.', 330^ — Ily hie de 
t s i e n d e i s e f j i 1 d t o c h t mei bitsjin- 
ne, Hsfr. VII, 216. —Dy aldfeint stel- 
de er o a n om m y t o b i t s j i n j e n , W. 
I)., Th. Ulesp. 201. -- Hy het nou les 
y n 't p a t s j e n h a w n || b y 'n f a n k e 
mei in snoad fora tan, il Hja koe him 
fiks bitsjinje, W. D., Th. Ulesp., 58. -- 
Ik ha m y g o e d b i t s j i n n e f e n i e r a p- 
p e 1 s mei k o u w e f 1 O s k. Zie tsjinje, 

bitsjinner, bitsjinder, eg. ]>edienaar, 
die iemand bedient. — De bitsjinders 
op in brilloft, — bigr affenisse. Vgl. 
taft'It.yindcr. 

d'w een ambt bedient. — In bitsjinner 
f en in anipt. 

bitsjinning , s. officium , bediening. Lex. 
063. G. .T. II, 100. — Der kamen wy 
by in man, dy hie in f Ca te bitsjin- 
n i ng ü a n 'e k o m e e »1 s j e . W. D., Th. Ule- 
sp., 22>=. - De opi>erbazen [f en 'e 
b r â n s p u i t| h i e n e . . . g j i n wille f e n 



hjar bitsjinning. Ibid. 259. — [Do- 
meny] woe net de driuwfear wêze, 
dat ... [ma ster] f en syn bitsjinning 
ontslein wirde scoe, Hûs-hiom 1890, 
270. Zie afft/sje. 

bitsjoede, (Tietj. hier en daar nog) v. 
beduiden. G. J. I, 51. Zie bitsfutte. 

bitsjoene, v. betooveren, beheksen. — 
't Is krekt o ft de boel bitsjoend ia, 
it eint neat. — Nou siedt it wetter 
yet net, it liket wol bitsjoend. Ook 
Stadfr. — Leeuw, beheks e. Lex. 363. Zie 
tüjoetie. 

bitsjudde (o.a. Barradl., Schoterl., Zwh.), 
V. beduiden, Sw. 1862, 25. — Zie bitsjutte. 

*bitsjûg(j)e , V. betuigen , betoogen , ver- 
zekeren, verklaren, G. J. passim. Lex. 365. 
Hsfr. X , 126. — Th. Ulesp. 3 , 40. Zie bituge, 

bitsjûkselje , bitqjokselje , v. met den 
disselbyl bekappen, fig. beschaven. Zie tsjúksel. 

bitqjusterje , v. verduisteren. — In de- 
mon . . . bitsjustere . . . syn kleare 
holle, R. ind T.*, 59\ Zie fortsjuaterjt. 

door de duisternis overvallen worden. — 
To Makkum ha 'k my bitsjusterjf 
lit ten, ben ik zoo lang gebleven tot het 
donker werd. Lex. 363. Zie binaehtsje, 

bitsjutte, V. indieare, expHearf, signi- 
ficare^ ralere, beduiden, aanwgsen, uitleg- 
gen, beteekenen. Stadfr. bedude. — Kin- 
ne jo my it paed nei Spannum ek 
bitsjutte? — Bitsjut dy earme mar 
it wird fen Jezus. — De earmer 
wirdt de blide boadskip brocht 
hwet bitsjut dat? — Hwet acil dai 
skelden en rachen bitsjutte? wal 
moet dat? Waar is dat goed voor? — D] 
of dat het net folie to bitsjutten 
— ... der scoe 'k it earst yet rii 
wys wirde hwet it bitsjutte boei 
to wezen, Fr. Lêsb., 187. Ook bitsjud 
de, b i 1 8 j o e d e , z. d. 

^bitQjuttenis , s. beteekenis, R. ind. T ' 
404*. 

bitQjuttinfir, 8. bedniding, beteekenis. Wl 
Lapek. — Ik koe dy jonge net onde: 
]>it8Juttingkrge, aan *t ventand brengen 

bitter, acy. & adv. amaruê, bitter. — 
Sa bitter as ga 11 e. — Bittere man 
gels. — Bittere mftlke, bûter. 

— In bitter iot of Igen, — in bit 
ter k r ü s. 



BITT. 



183 



BI WA. 



— Bittere kâld, krap. Ook bit- 
terlik. Lex. 358, 577. 

— Sar fortsjinje en bitter fortarre, 
nl. in den drank, bittere jenever. Ook wel: 
bitter fortsjinje en bittor fortarre, 
den is 't allegear bitter, dm^: geef 
me liever een klare! 

bitter, n. bitter, kruiden-aftreksel of 
elixer . dat men in sterken drank gebruikt, — 
de gebitterde drank zelf. — Jenever mei 
bitter. — Hwet drinke jy, kleare 
of bitter? In gleske bitter — . . . 
de iene naem bitter, de oare mei 
sûker... elk nei syn smaek. Pr. 
Lesb. 165. Ook: in bittertsje. 

bitter-aelVe, s. aloë. Dongdl. bitter (e)- 
ael. Zie aelve. 

bitterblèd, n. soort van kruipend on- 
kruid, met ronde zwart gespikkelde blaad- 
jes, die een scherp bitteren smaak hebben. 
Komt voor op vochtigen , veenachtigen 
grond. 

bitteivbrande^nryn, s., -j e n e v e r , s. bran- 
dewijn , jenever met bitter. — In romer 
bitter-b randewyn, -jenever. 

bitterens, s. bitterheid, bittere smaak. 

— Der is hwet bitterens oan, 
tinkt my. 

bitterfleske» n. karaQe voor ^bitter.* 
bitterfles(8e), s. flesch gevuld met bit- 
ter-jenever of -brandewijn. — Oebele hel- 
le de bitterflesse f o ar 't Ij och t, 
W. D., Th. ülesp., 125. 
bttteije, V. een bitteren borrel drinken, 

— ook: dit veel voor een gewoonte hebben. 

— De hearen sieten foar iten to bit- 
te rj en. — Baes Sge bittert stevich, 
mear as goed for him is. 

bttterke, n. bittertje. — Zie bittertsje. 

bitterkoeli;Je, n. 'bitterkoekje', bij den 
banketbakker. 

bitterlik, adv. met meer nadruk gebruikt 
dan bitter, z.d. 

bittemoas» s. bittemeus, roode neus 
tengevolge 't gebruik van bittertjes. Zie 
jmerernoas, 

bittertsje (dit meest), bitterke , n. een 
glaasje sterken drank met bitter. 

hibagBt V. betuigen, betoogen, verklaren , 
venekeren. — Hy bituge syn onskild, 

— lyn tank. — Hja het my mei de 
hin op t hert bituge, dat se net in 



sint mear yn *e hûs hie. Vgl. W- 
tsju^'e. 

bi-(by-)tûlta]es (hier en daar), bitúl- 

tjes (Stadfr.) , adv. ludicre^ in scherts, schert- 

senderwjize. Ook bitüntsjes. Zie saheare 

Ook: heimeiyk, stilletjes. (Zie (tó) mûk, 

bitûmkje, v. Zie bitomkje. 

bitúntoje, v. grond met tuinge wassen 
beplanten. Lex. 368. Zie tiintaje, 

biti^ang, s. bedwang, tucht, G. J. II, 
87. — Jonge s moatte onder bitwang 
stean. Lex. 364. — In hynst dy 't goed 
yn't flêsk sit yn bitwang to hal- 
den, dat is kearelswirk. 

bit'win8^)e, v. bedwingen, onder zyn 
macht brengen, intoomen. — Yen sels, 
yens herts-oandriuw bitwinge. — 
. . . hy woe de faem trouwe, en 
. . . hwet mem dêr tsjin sei of die, 
hy liet him net wer bitwinge, W. 
D., Th. Ulesp. 279. G. J. 74, II, 69, 74. 
Lex. 368. Zie ttcinge. 

bit'wiskeCn) , praep. & adv. tusschen in. 

— Dat minske rottelt oan ien tried 
wei, men kin der gjin wird bitwis- 
ke krije. — De frou en de faem ha 
fiif goune bitwisken elkoar, dy 
scil de faem ha of net, al nei't se 
forfal kriget. 

^biu'we, V. pochen, hoog opgeven van. — 
De poepen biuwe er in bulte fen, 
R. ind T.«, 82\ 

bi'wachtsje, v. wachtende krijgen, zich 
op den hals halen. — Wez net bang 
foarby to reitsjen, dou biwach- 
test nin skea, Wierz. f M. J. IX. 

bi'wadflje, v. met bloote voeten afdie- 
pen. — De sleat wier net djip, ik 
koe 'in best biwadsje. 

met de voeten bemorsen. — De skjinne 
flier biwadsje. 

dicht treden. Jimme moatte gjin 
foetpaed oer de bou meitsje, ik 
wol 't net biwadde ha. 

bi'waechsCDe , bi'waeksje, v. begroeien. 

— Mei dit lije waer scille de holle 
steden yn 'e finne wol hwet bi- 
waechsje. — Rûchyn'thierbiwoech- 
sen. — Lex. 369. Zie waech8{j)e. 

bi'waeye , s. *bewaaien'. De tonger 
moat biwaeye, oars komt itiwier 
waer binnen tr^e dagen werom (be- 



BIWA. 



184 



BIWE. 



wering van vele „weerprofeten"). Lex. 370. 
Zie foncaeye. 

bii^a(e)r, n. bewaring, hoede. — Ynbi- 
w a(e) rjaen, — krije, hawwe, nimme. 

— verzekerde bewaring. — Dat roan 
. . . sa fier, dat de polysjeman him 
... yn biwaer naem en... yn 't 
hounegat ... treau, S. K. F., Saun- 
ris-om, 19. 

biwaerje, s. door ongunstig weer over- 
vallen of opgehouden worden. — Wylst 
ik biware wier to Warkum, trof ik 
dCr myn frjeon. Lex. 370. 

biwaermje, v. door opwarmen afnemen 
in massa. — It poarsje ierdappels bi- 
lytset my, hja binne gans bi- 
waer me. 

bii^âld, n. macht, geweld, beheer, be- 
stuur, bewind, bescherming, G. J. passim, 
Lex 369. —Hja is yn biwâld || Fen 'e 
droomne-tooverwrftldv. Blom , Bik. 30, 
Zie icâld, 

hiwéldOf s. beheerschen, besturen, in 
z^n macht hebben , bewaren , in stand hou- 
den , onderhouden , G. J. passim. — E. Was- 
senb. I, 169. Lex. 369. 

bi'wiÜJe, V. overstelpen, omringen. — 
Hwet stoarmen om üs al je, || ef 
hwet lok üs mei biwälje || efhwet 
leed wy drage ef kriis, || sillich 
fielew'ús denthús. Zie ufolje. 

biwalxnje, v. bewalmen, bewazemen. 
Zie walmje, 

biwandelje, biwannelje, v. bewan- 
delen (fig.) — ... ik hab reden om to 
tinken, datstou de paden der idel- 
heit yette biwannelste, W. D., Th. 
Ulesp., 64. G. J. II, 89. 

"biwânllng , s. dagelyksch gebruik, om- 
gang. Zie tcânling, 

biwapenje, v. wapenen, van wapenen 
voorzien, Wl. ld. 

bi'war, n. Zie biwaer, 

bi'warje, v. bewaren, behoeden, behou- 
den. Lex. 370. — Dy 't him sels biwar- 
ret, biwarret gjin rottige apel, 
Sw. 1888, 75. — Lit üs siikje lis hert 
to biwarjen. Hsfr. IV, 33. — Mar 
lokkicb, dat it stoarjeblêd || Us 
mannich fy t bi wa rre het || Fen 't 
folk út 'e aide tiid, R. W., Blêdden. 
— Jy moasten dochs om jou swiere 



eden him (de ring) mear ontsjoen 
en biwarre ha, R. P., Keapm. V, 1. — 
As God my mar biwarret for earm- 
wirden, ik scil my sels wol for ryk- 
wirden biwarje, woord der lichtzinnig- 
heid. — It jild fen in oar trou bi- 
warje. — To biwarjen ja en, in bewaar 
geven. Zie biwaer, — G. J. : biwearje 
passim. 

biwarre, biweare (Wdngdl., Westh., 
Tietj.), V. bewerken, bewerkstelligen. — 
Japik het biweard dat wy omke 
hjir moarn kr^e. — Us riedsleden 
ha safolle biward, dat üs merke 6f- 
skaft wirdt. 

biwartelje, ▼. met een wervel afsluiten. 
Zie wartel (warle). 

bi-waskershúzen, pi. huizen waar, of 
waaruit een werkvrouw gewoonlgk de wasch 
doet. 

bi'wa8]i;je (immen), v. bewasschen, zyn 
kleeren (linnen) wasschen. — Boerefe in- 
ten biwaskje, doen arbeidersvrouwen in 
de dorpen. Bgek. 1894, 45. Zie Inwringe. 

door wasschen al of niet Terkleuren 
(verschieten). — Dat bontgûd biwas- 
ket moai, it forklenrt gjin spier. 
Lex. 370. 

biwasemje , v. bewassemen. — De g lé- 
zen biwazemje. 

biwearder, Tieij. eg. bewerker, die 
.iets te weeg breng^. 

biweare, v. Zie Jnwarrt. 

biweare, v. beweren. 

biweechlik, biwegellk, a^. k adv. 
bewegend: roerend, bewogen. — Hja die 
mei in biwegelike stimme in se- 
genwinsk. Hsfr. VIII, 26. — As dome- 
ny biweechlik preke, A. Ysbr. (1808), 
60. — 

druk, levendig. — In tige biweechlik 
bern. — In biweechlik skipke, leer 
los op 't water liggende. — Ik kin dúd- 
lik sjen, it is biweechlik, liet be- 
weegt zich. 

biwege, v. drgven, aansporen. — Hwet 
biweecht dy man om my altyd to 
plcagjen? — Ik wit net hwet dy 
biweecht, hoe je daar bg komt, ^ waar- 
om je zoo vreemd , dwaas bent 

overhalen, overreden. — Heit vier net 
to biwegen om dyakaa to virdea. 



BIWE. 



185 



BIWI. 



in bew^g^g brengen, Terwrikken. — H w a 
kin dy peal biwege? Zie fortcege, 

bi'WBsrere, acy. van binnen bekleed. — 
Inbiwegere tsjalkskip. 

bi'wefif erinff » s. binnenbekleeding in een 
schip. 

bi'wegiiicr» 8. beweging. — De boer 
sette syn rêch onder de weide hea, 
mar hy koe der gjin biweging yn 
krge. 

gebaren. — Ub domeny preket út *e 
holle, en het er net folie biweging 
by. — Hy het gans in biweging, 
loopt met veel vertoon over straat, is ver- 
waand. 

— Der wier jouns net folie biwe- 
ging yn'e bûrren, vertier, drukte. 

menstruatie, — üs faem is wol gau 
ris net al to goed; hja het de biwe- 
ging net op *e tiid. Vgl. hoel, saken, 

biweidflije , v. afweiden. — De kjj kin- 
ne sa ofsa*n great stik biweidsje. 
Lex 371. — Ook: voordeel behalen met de 
vetweiderg. — Hy het net folie oan dy 
bisten biweide. 

biweinje, v. Zie hiwet^e, 

Mvreitser» eg. bewaker. Vgl. aielbeweitser, 

biweit^Je, biwekje, v. bewaken. Lex. 
371. Epk. 47. — 

waken bg. — Ikwoeljeaver in jon g- 
faem biwekje as in äld wiif. 

biwenber, a^j. bewoonbaar. — It hûs 
is net mear biwenber, bouwvallig. 
Zie wenber, 

htwm^e^ ▼. bewonen. — In hûs bi- 
wenje. Zie wet^. 

hkwemiB , V. gewoon worden , gewennen. 
— Us famke wol min nei skoalle, 
mar *t scil wol biwenne. — It bi- 
went al mei *t hynder, dat safolle 
flpoek seach. — Dy 't yn*e hel bi- 
wend is, wit fen nin himeltosiz- 
xen. Lex. 371. 

— Ngc klean biwenne troch *t 
dragen. Vgl. bidrage. — De ng ôfhin- 
ge doar giet hwet stiif, mar dat 
scil troch *i gebrûk wol biwenne. 

, eg. bewoner, Fr. Lêsb. 181. 

,, adv. ten westen van. — 
Healbeam (Uerbayum) leit in heal- 
Are biwesien Frjentsjer. Ook: oan 
diste of oan d*oare kant 



bi'wierje, v. uitluchten. — Bring dat 
muffe gûd buten doar, den scil 
't wol hwet biwierje. Zie wierje, 

door het weer opgehouden worden. Zie 
biwaerje. 

*biwlerje, v. bewyzen, waar maken. 
H. S. ld. 

biwlis (Zwh. met Hl., Grouw). Zie biwys, 

bi'wliTje, V. als vrouw in het huwelyk 
uiterlgk veranderen. — Gelske is aer- 
d i c h , nog al sterk b i w i v e. 

bi'wliz(g)Je , bi'wlze, v. bewjjzen, be- 
toonen. — Sjuch dêr . . biwezen,hwet 
ik . . . biwize woe Hsfr. IV , 27. — . . 
hwet kin in minske syn snoadens 
better biwiizgje, as to sjen, dat 
synsizzen neikomd is, Forj. 1893, 
143. — Frjeonskip, Ijeafde, trou, 
earbied biwiizje. G. J. passim. 

bi'willigje, v. toestemmen, goedvinden. 
Der (net) yn biwilligje. — Klaes 
het er yn biwillige, om it priis- 
keatsen op syn greide to habben. 

bi'wine, s. bewinden, omwinden, bedek- 
ken , bekleeden. — De earm yn 'e doe- 
ken biwine. — Yn't swart biwoun, 
in rouwgewaad. G. J. I, 203. 

bi'winterje, v. overwinteren, door den 
winter opgehouden worden. — It skip is 
biwintere to Harns. Lex. 372. — Dy 
't let yn'e tiid nei 'tAmelân reis- 
get, kin der licht ris biwinterje. 

bi'wlrker» eg. bewerker, die iets be- 
werkt. A. B., Doarpke, 86. — Dat Bauke 
tsjerkfoud ôfwirden is, dêr is ont- 
fanger de biwirker fen. Vgl. icirk- 
master. 

bi'wlrl^e, s. bewerken, bewerkstelligen. 
— Omke het biwirke, dat neef on t- 
fanger waerd. Lex. 372. Dat immen, 
dy . . . in oar efterút arbeidsje en 
him sels op 'e foargroun helpe wol, 
faek krekt it tsjindiel biwirket, 
dat sjuggewyoan... — W. D. Th. 
Ulesp. 278. Vgl. G. J. 1, 231. — Gysbert 
Japiks het tul, witenskip en kinst 
yn Fryske tael biwirke. Vgl. G.J.I,231. 

Ook b i w i r k m a B t e r j e. 

bi'wlrtelje, biwoartelje, v. vastwor- 
telen, inwortelen. Meest in het p.p. — Dy 
beam sit goed biwirtele. — It isnin 
minsken ut to lizzen ho *t dat biwir- 



BIWY. 



186 



BIZT. 



tele sit. — Itkweasitalheelyn*e 
minske biwoartele. — üs Lv s-m o i 
is bare bygelovich. Ik wol hjar 
dat wol Ô f p r a t e , mar 't sit tl ô r s a 
y n biwoartele, d ê r is g j i n praten 
tejin. Vgl. bimal'kc. 

bi'wys, bi'wüs, n. bewijs. — Hy het 
wol biwys for nyn si z zen. — H j a 
het my út makke for hoer en beest, 
mynhear, en dat ha 'k noait west; 
der w o e 'k den wol b i w v s f e n ha. 
Rechtzaak. Heerenv. 30111, 1893. 

schuldbewijs, kwitantie. — Dou mast 
n i m m e n j i 1 d 1 i e n e (o f b i t e 1 j e) s o n- 
d e r b i w V s t o n i m m e n. 

blijk, voorbeeld. — Hja sizze, it het 
t o-nacht fêrzen, en der is gjin bi- 
wys f en iis. Lex. 373. 

iets nietigs , gerings in zjjn soort. — T o 
Boarnwerd ha se mar infoechbi- 
wiis f e n in toer op 'e tsjerke. — Hja 
het in biwys f en in tapyt oer de 
flier, mar 't is net folie bysonders. 
Zie biici/ske. 

bi'wisje (y e n) , v. vergewissen , verzeke- 
ren. — "SVy moatte lis wol tige by 
t i g e b i w i s j e , zorgen zeker van de zaak 
te zijn , e a r 't w y h w e t b i g j i n n e. G. 
J. II. 7>^, 108. Hsfr. III, 36, 78, 108. 
W.D., Biiterfet, 8 e. a. 

bi'wyske, n. onderhandsch bewjjs, in 
haast geschreven bewijs van ontvangst of 
overeenkomst. Lex. 278. — Hest in goe- 
de skildbikentenis op segel? Ei 
n é , mar s a 'n 1 y t s b i w y s k e. — Nou 
in lyts biwyske twiske libjen en 
stjerren, U. ind T.", 336. Vgl. rispis. 

een beetje, *schijntje\ — Wol mefrou 
ek mâlke vn 'o thé? nou, in Ivts 
biwyske. -- . . . h w e t se a n e m o s t e r 
en in b i w y s k e f e n f e t. Forj. 1893 , 1 14. 

^bi'witenskippe , adj. geleerd. Ook als 
titel: Tige, heech be w itenskippe 
H o a r ! 

bi'wlze, v. aanwijzen. -- De pong leit 
der earne, mar ik kin 't (\y net bi- 
w i z e. D V 1 V t s e kin n o c h n e t 
folie ])rate, mar hy biwiist alles 
al. Zie inz,'. Fr. Lesi). 08. W. D., Th. 
Ulesp. jKissim , e. a. 

Ook: iM'wijzen. Zie hitriizi(ji'. 

bi'woartelje , v. Zie hiicirfeljf. 



bi'woelje, v. bewinden, omwikkelen. 
Il'ilb. in Epk. Vgl. bitakelje. Zie icoeljo, 

bi'wolke, adj. met wolken bedekt. — 
In biwolke loft. 

bi'wolkoxnje , v. verwelkomen, WI. ld. 
XVII. Zie forwólkomje, 

bi'wonderje, bi'wiïnderje , v. bewon- 
deren. — Wier dat nou dy pracht en 
|l forhevene greatnie 1| moaat dat 
men biwûnderje? Forj. 1885, :^^. 

— verwonderen. — Itscilmvrisbi- 
wonde rj e ho*t dat litrinne scil, Lex. 
373. Zie forwonderje, 

bi'^xrrakselje , v. Zie: 

bi'WTaxne, v. met veel inspanning en 
werkzaamheid tot stand brengen. — J a j) i k- 
om het doch sa folie biwraemd, 
dat er op syn âlde dei libje kin fen 
syn eigen. Ook bi ram e, z. d. Vgl, 6ï- 
irrakselje, bitcrotte. 

bi'wrin^e, v. in: biwaskje en bi- 
wringe. — Ha jy Ijeafst skjin lin- 
nen oan, II wol'tditwiifmarbrin- 
ge, II for inbytsjescil sejou || bi- 
waskje en biwringe. Oude Kinderprent. 
Zie wrinye. 

bi'WTOtte, V. door zwaren arbeid bewer- 
ken, verkrijgen. — De earmeminsken 
moatte alles sels biwrotte en bi- 
wrame. — Al hwetinboerbiwrot. 
dat 8 jout er nei syn hear, A. B., 
Doaq)ke 86. 

bi-wiinderje, v. Zie Uwonderje. 

tbi'zelje, v. beuzelen. Lex. 841. R. P. 
in Epk. 50. 

bizexnatte, s. (vloer)mat, (stoeDzitting 
van biezen. Zie matte, 

bizepluzer, a. die aan de biezen van 
zijn stoel trekt en ze zoo zoeijea aan stuk 
krabbelt. Ook mattepluzer, z. d. 

bizeplú^Je, v. aan de biezen van zijn 
stoel peuteren. Zie pltizje. 

bizerQ' , s. guiterg , Rchelmeif . Lex. 326. 
- R. ind T.\ 247*. — ld. V, 49. 

bizeset, s. -stik, n. -streek» s. gui- 
tenstuk, schelmstuk. 

bizich, adj. & adv. gr<ûtig, schalk. — 
In flinke feint, in bjtsje bisich, 
oars trochgoed, Salv. 76. — In bi- 
zich glimke. Alm. 12* 1889. — Bizich 
laeitsje. Lex. 826. — In biiige streek, 
guitenstuk. 



BIZI. 



187 



BJÜZ. 



bizifirens, s. guitigheid. — Hja het 
hwet fen hjar heite bizigens, iets 
van zijn guitigen aard. 

bjalte, (Bierumen en elders, vooral by 
ouderen), v. bulken, schreeuwen, ld. VI, 
79. Zie balte. 

bjear (Warns), n. bier. G. J. passim. 
Zie bier. 

bjèr, Schierm. n. bier. Zie bier. 

bjinder, s. boender. Hl. been der. Vgl. 
aed'f amer^f apeakbjinder, 

bjtnhout, n. boenhout, op den grond 
liggend of bevestigd houten bord, om em- 
mers en vaten op te boenen, vaak bjj de 
pomp , dan ook pompstap. Hl. b e e n- 
ho**lt. Ook barte, bartsje, z. d. Ook 
by of over een sloot; dan meer bjinstap. 
Zie stap en stcUt. 

bjinne, v. boenen, met den boender rei- 
nigen. Hl. béne. Vgl. aed-^ anierbjinne; 
<>ƒ-, om-J xUhjinne. — A. Ysbr. 1808, 57, 59. 
Ook biene (Noh. met Schierm. en Z. 
Wouden). 

bjinstap, n. Zie bjtnhout. 

bjinten, pi. molinia coeralea, bentgras, 
pionten, op lichten zand- of veengrond was- 
sende, als pgpendoorhalers gebruikt. 

8. In boskje bjinten. — In bjint 
(bjintsje) om de piip troch to stek- 
ken. Zie {piip)troch8tekker. 

bJirlCy 8. betuia album ^ berk, berkeboom. 
Hl. byrk. Ook bjirkenbeam. Lex. 375. 
— n. berkenrijs, -twijg. Ook bjirkenriis. 

bjirk, 8. gzeren ring tot bevestiging van 
een werktuig aan den steel. — Bjirk oan 
in gripe, lodde, foarke, sein e. Ook 
bjirp. Lex. 375. 

bjirken, adj. van den berkeboom. — 
Bjirken biezemriis. Lex. 375. — Bjir- 
ken blokjes, brandhout. Ook: van ber- 
kenhout. — In bjirken stok. 

bjirlcenbaflity s., -beam, s., -blêd, 
n., -bosk, 8,, -rils, n., -roede, s., -stam- 
me, 8. Zie de Enkel woorden. 

|^i»iriift^Ti-nA ^ m. mannetjes-, -hin, f. 
wijQeskorhoen. Zie koarhin. 

bjirk. w etter , n. sap van den berkeboom. 
Volksgeneesmiddel tegen wonden, vroeger 
ook tegen *t graveel en andere ziekten der 
blaas aangewend; ook om de nageboorte 
bf| *t vee (boo noodig) af te drgven. 

Ill^rp (Bftrradl) , s. ^zeren ring. Zie bjirk. 



bjiskje, V. bezig zijn, zonder veel uit te 
voeren. — Alden bodsje en jongen 
bjiskje mei, Fr. Volksalm. 

bjist, 8. colostra, biest, de eerste melk 
van een koe na het kalven. Hl. bèast. 
— Earste, oarde en trêdde bjist. 
(Greidh.) Ook earste-, twade-, trêd- 
demiels bjist, of bjist fen 't ear- 
ste, oarde, tredde miei (Barrad.) Lex. 
376. 

bjistich , adj. biestachtig. ~ D e b ô 1- 
len smeitsje bjistich, als er te veel 
onvermengde biest in het deeg gemengd is» 

— 't Is 't fjirde miei, mar noch to 
bjistich om by d'oare mâlke to 
dwaen. 

bjistpankoek , -strou, s. pannekoek, 
waarvoor het beslag met biest bereid is. 
Lex. 376. 

bjuster, adj. & adv. bijster, wonder, 
zeldzaam , vreemd , zonderling. Ook b y s- 
ter. — [In] bjuster freamd djier, 
G. J. I, 16. — Bjuster! ik baern 
troch dyn kjeld, Ibid. 25. — Freamde, 
bjustre, wond're dingen. Ibid 33. 

vervaarljjk, geweldig, groot. — Bjuste- 
re skea, G. J. I, 159. 

afschuwelijk. — . . . bjustere skelm- 
died, G. J., II, 75. 

— Bjuster waer, onstuimig weer. — 
De bern binne sa bjuster, wy krge 
hirde wyn, ha'k soarch. — Itien 
of 't oar of immen bjuster wêze, 
missen, verloren hebben. — Noubin'k 
ÚS hele jonge bjuster, heb hem uit 
het oog verloren. — Ik bin raynnille 
bjuster, die is zoek. — De sliep bjus- 
ter. — It boekje bjuster, Ned.de plank 
mis. Ook : van de wijs , in de war. — 1 1 
spoar bjuster, van 't spoor, op den 
dwaalweg, in de war. Vgl. spoarbjuster. 
G. Jap. 1 , 19. — V. Blom , 44. 

adv. zeer, heel. — Bjustere dom, for- 
legen, frjemd, lilk, mal, enz. — 
It is hjoed den bjustere myld, 
R. ind T.«, 81«. — G. J. II, 79; I, 26. — 
ZWh. met Hl., Kolluml. en Stadfr. byster 
ook in de volgende samenstelling. 

bJusterbaerUk , adv. zonderbaar, zeld- 
zaam. — Nou is 't den bjusterbaer- 
like bryk, W. D. Winterj. 

bju^je , (GaasterL) , v. morsen. Zie poezje. 



BLAB. 



188 



BLAF. 



Lex. 376. Ook knoeien , gebrekkig doen. — 
Us Japke kin nou yn 'e hûs al hwet 
dwaen, mar as 'top arbeid s jen oan- 
komt ia 't me ast bjuzjen. Vgl. grieme. 

blabbe(r), a. slijk. R. P. Jouwerk. 16. 
Ook blabs, blabze, brabze, z. d. 

blabberich, adj. nat en slykerig. - It 
paed, it lân is hjir rare blabbe- 
rich. Ook blabzich, brabzich. 

blabberkoeltsje (schippersterm), n. lab- 
berkoeltje. 

blabs, blabze (N. en N.Oostel.). Zie 
blahher. 

blaei (triv.), s. groote mond. — Aei of 
dop? — Aei. . . . Ik slaen 't dy foar 
d y n blaei. Vgl. blei(ke). Zie hlaeijer, 

blaeibek (triv), eg. meest f. laffe bab- 
belaar(8ter). — Ik hiedatLyaynfor- 
trouwen sein, nou het dy blaeibek 
dat wer oerkrant e. Vgl. hhi, Lex. 378. 

blae^e, blagje (Oostelijk) , v. de tong uit- 
steken, hijgen met de tong uit den mond, 
van honden, ook van menschen. Vgl. /br-, 
oerhlaeije, 

— Min tôget dat men blaeit, W.D., 
Utfenh., 49. — Learzens puts e, dat 
min blaeit, W. D., Keapm. Koarts., 1. 

belikken. Né jonkje, dat klûntsje, 
dêrstou op om blaeid heste,wol 
ik net ha. 

laffe praatjes hebben , kwaad spreken. 
Lex. 377. — Nou giet se dôchmeihim, 
en earst het se sa tige oer him 
to blaejjen lein. — De fammen 
blaeiden him... e ft e mei, R. ind 
T.«, U\ 

schreien (vooral te Hl. en in den Zwh.) 
— Ei, fanke, blaei net langer: don 
krigest dyn sin doch net. 

blae^er, s. tong, vooral van een hond, 
of een koe, (triv.) ook van een mensch. -- 
De k ij s k o a r d e n mei h j a r lange 
b 1 a e ij e r 8 y n 't g O r s om. Vgl. R. ind ' 
T.% 361". — Hy atiek de blaeijer ' 
tsjin my iit. — De sinne skynde him 
op s y n g r t' a t e b 1 a e ij e r , als hjj in de 
kerk zong, W. 1)., Heam., 46. 

mond. — Heat d <» blaeijer al wer 
o p ? tegon een kind , dat bjj de minste aan- 
leiding Mchreit. 

eg. laffe babbelaar(8ter), die alles over- 
^ertelt Lex. 377. Vgl. Uei. 



blae^erich, adj. praatziek. — Dat 
greate blaejjerige fanke het altyd 
de bek yn beide bannen. 

blaexn, s. blaam. Lex. 379. — Immen 
in blaem nei-jaen, een smet aan wry ven. 
— Dêr 't ienkear de blaem op leit, 
dy kin gjin goed wer dwaen. Vgl. 
kladde. 

blaes, s. (water)blaas. — It libben is 
in blaes, Holl. zeepbel. Zie hange. Vgl. 
bargehlaes. Ook zwemblaas der visschen. 

iron. adem. — Ik ha al gjin blaes 
mear, ben buiten adem. 

sterk gerezen wittebrood. — Datbôle- 
goed liket gans op *teach, mar 't 
is blaes. Ook b 1 a e s w e i. Vgl. bâkeblaes, 

blaes'-ystremint , n. blaasinstrument. 

blaespiip , s. blaaspjjp , om het vuur aan 
te blazen. Vaak gebruikte men hiervoor 
een oude geweerloop , of een hollen vliersten- 
gel. Ook: blaasroer, erwtenblazer. 

sprekende orgelpijp, tegenover pronk- 
piip, z.d. 

blaespoep, m. rondreizende (Duitsche) 
hoommuzikant. 

blaes'wer, n. wat men (hyperbolisch:) 
weg kan blazen. — Sa'n lyts flitterke 
brea, dat is mar in blaeswei. — 
Dat herterke ta bern, is in blaes- 
wei (k e). Vgl. Moes. 

bla^tpó'^tje , Hl. v. blootvoetsaan *t strand 
in zee omloopen. 

blaf (bg varenslui), s. soep van groene 
erwten met aardappels. — Ljeafde en 
blaf forklappe hjar sels. Lex. 378. 

blaffe, V. latrare^ bla£Eén. Hl. ook 
blaf je. — De houn blaft. — fig. Fen 
honger blafje, Fra. crier famine, 

pochen, zwetsen. — Ik scoe der mar 
net to lûd fen blaffe. 

Vgl. bylje, Vgl. oan-, útUaffe. Lex. 378. 

— Tsjin in-o ar blaffe, TÓor de be- 
schryving elkanders taxatie onderling ver- 
gel y ken, om zoo ongeveer tot éen doel te 
komen (by verkoop van vaitii^lieden). — 

blafrer(t), eg. blaffer, blnffer. -— Blaf- 
fers bite net, binne gjin bitera ■— 
Hy is oars neat as in greate blaf- 
fer. — Der is mear as ien honn, djr 
blaffert hjit. VgL Uom. 

index , klapper, alfiibetiacli inlioiidvQgisier 
op een boek. Ook: boek mok brnkcaiBgen 



BLAP. 



189 



BLAÜ. 



van alle mogelyke marktprgzen en gewichts- 
hoeveelheden (in den boterfaandel). — Oud 
boekje, waarin aangegeven vaste regels 
aangaande den prijs naar 't gewicht , met 
onder- en overwicht, van schoongemaakt 
vlas. (Nog bg alle vlashandelaren op 't 
platteland in gebruik). — Ook bg hontkoopers 
en wagenmakers bekend. 

blafli;Je, v. latrare leviter , zachtjes 
blaffen. 

blagje (Oostelgk, vooral bg ouderen), v. 
Zie blaeife, 

blai (N.W. vooral), s. blei. Zie bleu 

blaker, Hl. & elders, s. blaker. Zie hleaher. 

blak(8til), adj. doodstil (meest van den 
wind, ook van het water). Lex. 379. — 
De moarns wier it blak, mar de 
oerdeis kaem er da Ij e op, verhief de 
wind zich. Lex. 612. — Dêrop foei de 
wyn, en it waerd blakstil, S. K. F., 
Mark. IV, 39. Ook blokstil. 

blakstilte, s. volkomen windstilte. — 
iron. Tn'e fliegende blakstilte. 

blaksum , (bg ouderen nog hier en daar), 
8. bliksem. Lex. 395. Halb. Matth. XXIV, 
27. Ook als interj. Dy blaksum! sei 
Lardus! (Grouw). Ook blakstien. 

blanderje, Hl. v. pronken , schitteren.— 
Het blander(e)st mei dyn nfjen 
hu«d. 

blank , adj. blank, helder. — Sa blank 
as sulver. — In faem sa blank as in 
leelje. — Blank flesk, goed uitgebloed. 

— It blanke stiel, v. Blom , Bik. 49. 

— Blanke (skiër e) iel, tegenover 
swarte.iel, s. d. — Blank wetter 
(Tersch.), regenwater. Lex. 379. — Dy 
beane binne my to dreech, it blan- 
ke fet stiet er op (it fet stiet er 
blank op). Lex. 380. — ... de polders 
steane blank, onder water. Fr. Volksbl. 
1879. 

— Opsterl.: Der bin ik jou blank 
for, daar sta ik voor in. 

tbiank, s. munt, ter waarde van 6 
daiten (= 8% cent). Lex. 380. — Dêr 
ba wy 't earste oartsen al! Dêr liz 
ik in blank by, den is *t in stûr, 
Ä. ind. T.«, 271». 

Uaskeui» s. blankheid, helderheid. 

tdiiw, 8. glans, kracht. — Hy is yn 
gl&aa ea bl&nt. Lex. 880. 



blftns, ^balftns s. Fr. halance, evenwicht. 
It spant om it spil yn*eblâns, de 
zaken in orde, to halden. — fig. Ik 
kin dy prakke net yn*e blânshâl- 
de, dien knaap niet in bedwang houden. 
Lex. 380. — As heit ofmemermist, 
is it spil út*e blâns. 

blaat, 8. opgeblazenheid, tengevolge van 
winden (by het vee). — De kou, it skiep 
is oan'e blast, het de blast. Lex 384. 

spoedig uitgaande vlam. — Dy turf 
jowt mar in blast, mear neat. 

bluf, grootspraak. — lenfâldich, son- 
der wyn of blast. 

opvliegend, driftig 'persoon. Vgl. hd- 
derhlast, — Ook bluffer, windmaker. Sa*n 
blast! moaije klean en dj ure wyn, 
en den bankerot gean. Lex. 384. 

de tol, die by het 'potjekloven* het earst 
'afloopt* en daarom in den *pot' komt, om 
tot mikpunt voor de andere te dienen. 
Lex. 659. 

blaatich, adj. ladende aan 'blast.' — De 
kou is blastich. 

blast veroorzakende. — Klaver is blas- 
tich (fé)iten. — triv. Ik yt my hjoed 
blastich, zoo lekker smaakt het my. 

overdreven haastig en voortvarend. — Dy 
man is al to blastich; hy rint him 
sels foarby. Vgl. bluisterich. 

driftig, opvliegend. — üs heit is op 
sa'n stuit wol ris hwet blastich, 
mar oars net kwea. 

hoogmoedig, pralend, grootsprekend. — 
Blastige Ijue reitsje wol gau ris 
yn 'elytseloege. Lex. 384. 

blastifiTBlia , s. drift, oploopendheid. — 
Dou best de boel forbruid mei dyn 
blastigens, hy scil nou net wer- 
komme. Vgl. blutste rigens, 

blau, adj. blauw. — Sa blau as la ei, 
(pot)lead. — Ik ha myn earm blau 
staet— , bontenblau. R. ind T.*, 199\ — 
In blauwe skine rinne, krye, — mei 
in blauwe bles, op in blauwe kjed- 
de (run) thüs komme, blau rinne 
(krye), den zak krygen by een meisje. — 
Blau rinne, ook in 'talg.: teleurgesteld 
weg komen. — Alles blau blau litte, 
de zaak laten rusten. — It komt blau 
út. — Hy is dêr blau weikomd, met 
scha en schande. — Blauwe môlke 



BLAÜ. 



190 



BLAÜ. 



(flut), ook met kond water aangelengde 
melk, zoo ook blauwe jenever. — Blau- 
we, onware, pra etsjes. — Onder 'e 
blauwe pannen (1 a e ij e n) , in de gevan- 
genis. — De blauwe loft, de onbewolkte 
hemel. — Blauwe loft en, wolken die 
sneeuw , blauwe tongerwolkens, die 
onweer voorspellen. — It lan stiet blau 
en m o e d i c h , vol kraehtigen groei. — 
Blauwe Fedde, de dood, stiet om 'e 
doarsherne, dreigt ieder uur. — 1 1 w i i f 
mei de blauwe mouwen, zeker nacht- 
spook, dichterlijk ook: personificatie van den 
nacht. Vgl. R. ind T.*, 260. Lex. 380— '88, 
405. Vgl. hlij' , donker- 1 himels- , koaren- ^ 
moaihlau. 

8. Dat is moai blau. — It blau 
fen 'e flagge is aerdich forblikt. 

— De blauwe, de blauwbonte koe of 
het blauwgrijze paard. 

blauwsel, lakmoes. — Dy waskfrou 
docht to folie blau yn 't linnen. — 
— In bytaje blau troch dewiters- 
kalk. Vgl. koegelfsjeblau i toerkehlau, 

blau'bekje, v. koude lijden: tot verve- 
lens toe ergens staan wachten. — Ikkoedêr 
mar stean toblaubekjen, te wachten, 
te kleumen. Lex. 382. Ook klom bekje. 

blaubloxn'ke , n. myosotis palustris^ ver- 
geet-mij-nietje. 

blaublomkegpiid ^Odngdl ), n. alg. naam 
voor verschillende soorten van kruipend on- 
kruid. 

blau'boekje, n. libel, brochure, gering- 
schattend zoo genoemd, ook al is de omslag 
niot blauw. 

blauboe'zel(d)er, n., -bont, s. & adj. 
-dimter(koeke), s. -drukt, s. & adj., 
-fervery, s., -fervje, v. -fyfskaft, n. 
Zie de Enk el woorden. 

blau'gêrs, -gears, n. gras van een 
blauwgroene kleur, groeiende op 's winters 
ondcrgeloopen land. 

blaugèrshea, n. -miedeu, pi. Zie de 
Enkel woorden. 

blaugon'zer, -gûnzer, s. blauwe brom- 
vlii'g. Zie bhtutulch. 

blau-yn'ske , n. blauwe waterlibel. 

blau'jaen, s. verb. een blauwtje geven. 
S y t ü wier y n h j n r f 1 e u r a 1 1 y d g a u 
klearmei blaujaen, nou sit se yn 
'e fodkoer. 



— Scille wy ris blaujaen? rooken. 
blauje, V. blauwen, blauw maken. — 

God ... blauje wer dy swarte loft. 
Fr. Jierb. 1830, 75. Vgl. ôfblauje, 

blauke, n. blauwtje. Hsfr. VI, 91. Ook 
voor een blauwbonte koe , en een blauwgrijs 
paard. Zie hlautsje. 

blauklu'ten, pi. blauwe veenkluiten , ge- 
droogd als brandstof, in 't N. zeer gewild. 

blau'kop , 8. gewone aardworm. Lex 495. 

— pi. blaukoppen, asperi^es. 
blaukrop'pert, eg. blauwe kropduif. Zie 

kt'oppert, 

blaukrû'pers, pi. zekere vroegrype aard- 
appelsoort. 

blau'kûp, s. blauwververskuip. 

blamneal'Je, blauxnelV, &. chenopodium 
album j gewone melde. 

blaumen'dei» -moandei (spr. -di), s. 
korte poos. — Hy het in blaumoandei 
to Parys west, nou kin er syn 
moerstael net mear. 

— Alle blaumendeis, om een haver- 
klap, komt dy fint hjir, den om 't ien 
en den o m 't o a r. 

blau-xnich' , s. blauwe bromvlieg. Ook 
blaugonzer. Zie drager. 

iron. soldaat, policiedienaar. 
I blaumies'ke, -mûske, n. parus caeru- 
lu8f pimpelmees. Ook stiselkop. Stadfr. 
blaumuuske. 

blauinod'der 9 s. fossarum eoenumt op 
den bodem van vaarten en slooten. — Hy 
is alhiel blaumodder. 

blamnodderioh, ac(j. met 'blauwe mod- 
der' op den bodem. — Dy sleat is gans 
blaumodderich. 

blaiimutslces (IdaarddL) -skoentsjes 
(Odngdl) , pi. monnikskap. Zie adam en eca. 

blaupan'ne, n. schaunel van blauwe 
dakpannen. — Us faem skjirret itko- 
pergûd mei blaupanne. 

adj. met blauwe (dak)paimen. — In blau- 
panne hûs, skûrre. 

blaurut'flJeSy a4j. & s. blauw geruit, 
blauw geruite stof, Zie rút^feê, 

blausel, n. blauwsel. 

blauselfabryky s. -w etter, n. Zie de 
Enkelwoorden. 

blauselpot, s. blauwselpot — Mei de 
blauselpot omfalle, een blauwtje 
loopen. 



BLAÛ. 



191 



BLËA, 



blau-sys^e, n. parus major, koolmees. 
Ook bybiter en blokfink. 

blaustar^rin^Ti -stjerrins:, -«t^irrinfi:, 
-stiriis, eg. sterna hirundOj vischdieQe. Zie 
gtirns, 

blau8treekt\ -«trypt» adj. & s. blauw- 
gestreept , stof met blauwe strepen. 

blausi^e'te (a p e 1 s) , striepeling. 

blau'toppen, pi. Zie toppen. 

blautoje» blauke, n. afwyzing, teleur- 
stelling. — In blautsje rinne by, 
krye fen in faem. — Dy drompel- 
maeger tocht hjir it miei op to 
rinnen, mar 't wier in blautsje. — 
H8fr. VI, 91. 

blau'wejan' , s. water- en meelbeslag , 
dat onder gedurig roeren gaar geworden is. 
Uok : gleane jan, gleane wilt s je, 
gleane douwe, broei, loaye wive- 
kost. 

blau('^e)kraertfije8, pi. muacari bot- 
rtjoides , druif hyacinth , in ouderweteche 
bloemtuintjes veel gekweekt. Ook krael- 
tsj e-b lommen. 

blau'Wens, s. blauwheid. — Dat gûd 
skynt út 'e(n) blauwens, heeft een 
blauwen weerschyn. Lex. 283. 

blaze , y. blazen. — Ik blaes , blaesde of 
blies (bloes, Wousdl.), ha blaesd, blazende, 
to blazen. Hl. bléze, bleesde, blees d. 
Westel. blieze, z. d. — Pof f e en blaze, 
lit in great gat blaze, grootspreken. 
— Hja kinne my gjin fear fen 't gat 
blaze, Hd. nichta machen , ik ben buiten 
schot. — Blaes dou dy yn 'e bûse, loop 
heen! A. Ybbr. (1861), 3. Vgl. foart-, 
oan- , ó/"-, op-J troch'j út- ^ weiblaze; bultsje-, 
yfts- , hoarnblaze, 
blazer, m. die blaast. YgLglês-, hoarnblazer. 

blaaskaak, grootspreker. — 't Is sa 'n 
poffer en blazer. Vgl. pompierblazer. 

blaaer, s. visschersvaartuig, grooter, meer 
zeewaardig, doch minder hooggetopt dan 
een aak; te Wierum en Moddergat, ook te 
Makknm in gebruik. 

blea (Dongdln.), a4j. timidus, bloode. v. 
Blom, Bik., 27, 94. — As de gjirgert 
bigjint tojaen en de bleaëtoslaen, 
den witte ee fen nin útkearen, Oud 
Seclge. Thans meest bleu, z. d. 

hÈmtL'mm^ s. timidUaê, blooheid. Meer 
alg. bleaent. 



bleaker, & blaker, waarin men de kaars 
zet Ook blaker eu bleker (b li k e r). 
R. ind T.^ 115*. 

bleakerje, v. blikkeren, schitteren. — 
Dêr bleakert lis in mar yn d'eagen, 
G. J. I, 69. Ook blaker je, bleke rj e, 
blikerje, R. P. in Epk. 53. 

zich bakeren. — De kat leit yn 'e 
sinne to bleakerjen (Leeuwdl. en om- 
streken.) Zie beakerje. 

blea]^e, v. blaken, blinken. Lex. 385. 
Zie het voorgaande. 

bleaman (in sprkwn.), m. bloodaard. — 
't Is mar in bleamans eangste. Lex. 
377. — Rjuchte bleamans der (dy) 
net doare, Alth. 133. — Better blea- 
man as de a-man. 

blearje (spr. meest bljerje), v.blaterare, 
blaten. — It touke blearret om syn 
laem, R. P., Keapman. Ook blête, z. d. 

— Hâld op fen blea r jen, bern! 
schreeuw niet zoo luid. Ook: bloarje. 
Vgl. bletterjcy balte. 

bleat, bloat, n. schapevel, dat van de 
wol ontdaan is. Ook : skieppebleat, 
-bloat. 

iron. oude kale jas. — Ik moat myn 
âld bloat mar wer oan ha. 

bleat, adj. & adv. nudusj bloot, naakt. 

— Mei de bleate holle. — Mei 't 
bleate earizerop, zonder 'floddermuts'. 

— It bleate, ongewapend, each. — 
De bleate sabel. Zie blank. — E arm 
(neaken) en bleat, van het noodigste 
verstoken, van alles beroofd. — In greate 
steat en 't gat bleat, Ned. groote pa- 
rade en klein garnizoen. — Kofje mei 't 
bleate gat, zonder iets er by. — lerd- 
appels mei t bleate gat, met enkel 
mosterdsaus en weinig of geen vet. — In 
bleate pylskie, een ledige pylschede. 
Lex. 386. Vgl. ueaken. 

eenvoudig, naar waarheid. — Bleat, 
al myn fortsjinst. — Dat kost my 
bleat tritich goune. — Dou hoefst 
oars net as dêr effen hinne to gean, 
en bleat to freegjen of.... — De 
bleate wierhei t. — Fry en bleat 
V. Blom, Bik. 78. — Klear en bleat, 
duidelyk en klaar. 

s. bleate (de), 't bloote achterst van 
een mensch. 



BLEA. 



llfô 



BLED. 



bleaterjj, s. werkplaats van den vellen- 
blooter , vellenblooteraafFaire. Ook : feil e- 
bleaterij. 

bleatsbonke , bleatspoataje , adv. 
(triv.). Zie : 

bleatsfoet, bleatfoets, adv. pedibus 
niidis, blootsvoets, met bloote voeten. — 
Bleatsfoet troch de sleat wad s je. — 
Bleatfoets yn *e skoen. 

bleatflje, v. blooten, van de wol ont- 
doen. — In skieppehûd bleatsje. Ook 
bloatsje. 

bleatskoii^e , v. met bloote beenen loo- 
pen. 

bleatskonkCs) , adv. met (op) bloote bee- 
nen. — (Heal)bleatskonk8wiet, bloot- 
beens, met de bloote beenen (halverwege) 
in 't water [gezegd door veenarbeid(8t)er8]. 

— Halb. Quikbome 10. 
bleatspoatflje , adv. blootsvoets. Zie 

bleatsbonke, 

blebben, (Tietj.), pi. Zie blibben. 

blebberbei (Zob.), s. roode boschbezie. 

blêd, n. blad, van planten, van een boek, 
van een tafel, van een lepel, spade, zaa^, 
zeis, sikkel, ^lemmer van een mes (R. ind 
T.*, 280»). Hl. blbd. — De beammen 
steane wer yn*t blêd, in bladerdos. 

— Falie hwet hird de blêdden ou 
II den komt wollichtde wintergan, 

Skoeralm. 29, IX, 1888. — In blêd pom- 
pier, in blêd stoart, sink, ensfh. — 
De blêdden fenin tange, earizer. 

— De twa en tritich blêdden, een 
spel kaarten, Kees út de Wkt, 12. — 
Toalve, minniste blêdden smoke, 
als ter sluik een licht pgpje rooken. [Het 
tabakrooken was vroeger by de Doopsge- 
zinden schande, Halb. N.O. 153.] 

pi. blêdden, ook bladeren (Schierm. 
en in enkele zegswyzen.) — Hy is wak- 
ker yn'e bladeren, zeer in zyn nopjes. 

— Hv libbet fen 'e bladeren (blêd- 
den), van zijn renten (of van *t kapitaal.) 
Hy koe fen 'e blêdden libje s on der 
dat er de beam hoegde oan to 
dwaen. — Hy het dêr de blêdden 
fen. het vruchtgebruik. Zie Lex 386). 

Vgl. beam-, (b\j samenst.:) beams-, bitter- , 
Wow-, breake-, kenine-f kmikefs-, koals; lau' 
rier-f poihle-, pampe-^ semels-j tobaks^, tre- 
rtrsbitd; dekbiéd; bjirken-, elzen' . . . Hêd.) 



Vgl. hppélblêd, seine-f sichtéblêd; tafeiblk 
skoiiderblêd; thé-, prissentearblêd. 

blêddich , adj. bladerrijk. — *t W i r d t a 
sa blêddich yn *e bosk, de nachtc 
ga el kin mar kom me. — R. ind. T.*, 21i 

in samenst. = . . . van blad , met . . 
blad(er)en. v. gl. breed-, smel-, tin-, tsjokbUc 
dich, 

bléde, Hl. v. bloeden. Tk bleed, d 
blbdtst, hii blbt, blbtte, hè blbt. Zie WM< 

bled'follixiK, s., -folsel , n. bladvullinj 
(in een boek). 

blêdfi^óud, n. -sulver, n., -tin, i 
goud, zilver, tin, tot bladen uitgeslagen o 
geplet. 

blôâ£rûd(-spil), n., -ierde (dong 
modder), s., -lüs, s., VgL de Enkel 
woorden. 

*blèdke, n. dem. blaadje. Lex. 381 
Zie blêdtsje. 

blôdlús, s., -nervels, pi. Zie de En 
kelwoorden. 

blôdpompierke , n. papieHje, als lees 
wgzer tusschen de bladen van een boe! 
gelegd. 

blédrâzme, s. bladrand. 

bledreid, (Leeuwdl.,W. en Zwh.) n. blad 
riet. Hl. blbdreit Zie hafreid, 

bledside , s. pagina , bladxgde. 

blôdfije, V. bladeren in een boek. Vg! 
om-, trochblédi^, 

in *t blad komen , van boomeiL Lex. 38' 
Vgl. ófbUdsje, 

blôdstâlle , s. bladsteel. 

blèdstU, a^j. bladstil, van den wind 
zoo stil, dat geen blad xich beweegt Ygi 
blakstiL 

bledtoje, dim. n. blaadje. — Dèr kon 
me al bledtsjea oan *e beammen. - 
In blêdtsje pompier, — in bledtsj 
dt in boek. — In romer op in bied 
tsje. — It libben op in blêdtsje, o; 
een bordje: een bestieren. — In bied tij 
omkeare, een knar^ Icffgoi» — Goed 
net sa best by immen jn *tbledtij 
stean. — Ik stean dèr yn in kwe 
blêdtsje, niet loo beet nangeechreTei 
Skûralm. 7/X, 1879. — It blêdtsje i 
omteard, de saak is Teraaderd. 

bledt^jâisâd, n. a^gama»— aaa» toc 
verschillende soorten nui kraj^and asdornid 
als: tünerfi bitterblêda cm. 



BLED. 



193 



BLEL'. 



bledtflje-iten , 8. iron. groente (bij de land- 
bewoners, die in den regel niet van groente 
houden). 

bledtsjeslaed, n. veldsalade. 

bledtfljich, adj. bladerig. — Bled- 
tdjich hea, gêrs, met veel 'bledtsje- 
gûd* (z. d.) er door. 

blèdwizer, ». index paginanwt, bladwijzer. 

bleek, blikke (Noh.), s. bleek(veld). 
Amel. bleekt. — It linnen op 'e bleek 
h a , iron. een wit overheradje vóór hebben , 
van iemand waar men dit niet van gewoon is. 

bleek, adj. bleek, kleurloos, verkleurd. 
— Sa bleek as in wytling, as in 
skylfisk, as in doek. — Dy inket is 
sa bleek as pisse. Vgl. ici/t. Lex. i>90. 

blei, blai, eg. cyprinus bliccay bliek, 
brasem. 

blei, f. laf of onnozel vrouwmensch. Gron. 
sleif. — Dy sljuchte (sleauwe) blei 
wit net hwet hja sizze of swye 
m o a t. Ook : bleikemoei. Vgl. hlaei. 

Ook: wilde, manzieke deerne. 

bleike , dim. n. kleine 'blei'. — In 
bleike oan 'e angel ha. 

bleike, n. onnoozel, onervaren meisje. — 
Noch teren bleike. 

— Hwet in moai bleike! tegen een 
kind, dat de tong uitsteekt. Vgl. blaei. 

blein, bUln (Oostel. Wouden), n. balein, 
walvischbaard. — Bleinen yn in lyfke 
(corset), yninjak. — De bleinen fen 
in p a r e p 1 u. 

Thans voor alles wat vroeger van balein 
gemaakt werd : izeren, stielen blei- 
nen. — Spaensreiden bleinen yn 
in riowe. Lex. 387. 

bleinebiter (Stadfr.) , s. calopteryx t'iryOj 
frlazemaker. Ook : glêsdrager, -mak- 
ker, skoeskoater (Molkw. , Stav. , Hl.) 
en poep (Barrdl.). Meest h y n s t e- (p e e r- 
de-) en war te bit er, z. d. 

bleinen, biynen, adj. van balein ge- 
maakt — In bleinen swip e. 

bleintfliJe, bLyntsJe, dim. n. kleine 
balein. 

n. puistje. — In fjurrich bleintsje 
op *e tonge, — yn 'e troanje. Lex. 388. 

bleisteriüh, adj. opzichtig. — 8yn ok- 
kebjld fen in wiif, ontsjuske moai 
mei hjar bleisterige jûpe oan, R. 
iod T/, S^. VgL UuiHerich. 



blekens, s. bleekheid van 't gelaat. — 
^y jonge is f est net goed, syn ble- 
kens stean ik net. 

bles, s. bles, langwerpige witte plek op 
het voorhoofd van een paard of ander dier. 
Tietj. bliz (= bliiz). 

eg. het paard zelf. Zie hUshynder. Vgl. blau. 

iron. wit overhemd voor de borst van een 
in 't zwart gekleed persoon. — Hy het 
gans in bles. Vgl. hefke. 

kaal hoofd. — Onder dy foarnarae 
mannen sjucht min al gau ris ien 
mei in bles. 

blès, adj. kaal van het voorhoofd af naar 
de kruin. — De In gelsken binne folie 
bles. Lex. 385. 

blèsd, adj. geblest, met een bles. — 
In b 1 ê s d h y n d e r. Zie hUshynder. 

blèsd, adj. Fra hlessè, gewond. — Hy 
is fallen, dat er der in biesde noas 
fen het. 

blèshynder, -hynzder, -hynzer, n. 
blespaard. Lex. 388. — Ho fierleit Mant- 
gum hjir fen dinne? || Seit keap- 
m a n B e i n t , d ê r m o a t ik li i n n e. || 
'k S e i 1 d ê r in b r i'i n blèshynder h e 1- 
j e , II G o e n d e i ! ik s e i 1 w e r o m b i- 
telje. Oude kinderprent. 

bleske, dim. n. biesje, kleine bles. Vgl. 
koltsje. 

paardje met een bles. Bijek. 1848, 76. 

blesseard, blesseare, pp. Fra. Uessé ^ 
gewond. 

blessearing^, s. Fra. blessure, wond, overdr. 
beschadiging. Zie biseariny. Ook: bles- 
s u e r. 

blète, blètsje, v. blaten. 

bletterg^at, n. babbelaarster. Vgl. biet- 
te rlamke. 

bletterje , v. gedurig blaten , blaten van 
een lam. — As de waerlamkes (z. d.) 
bletterje is der noardewyn op til. 

met trillende stem zingen. — Roel Ot* 
t e s b 1 e 1 1 e r t sa, as er (s a 1 m) h j o n g t. 

onophoudelijk snappen en babbelen. — 
Hja blettert foar 't al de gat wei. 
Lex. 384, 3S9. - Ook : luide, onwellevend 
vervelend schreien. 

bletterlaznke , n. Zie uaerlamke. Ovenlr. 
babbel zuchtig meisje. 

bleu, adj. bloode. Vgl. blea, 

bleuens, s. blooheid. Vgl. blemnt. 

13 



BLÊZ. 



1*94 



BLIE. 



blê2de, V. bles (kïial) worden. 

blib(be), blibber, bübze, s. lip. - 

De b 1 i 1> b e n f'e n in p a t r i i s li o u n , — 
f en in sk v-lfisk. 

Vooral : de onderlip van een paard. 

triv. van een menseh. — A k k e 1 i t de 
b 1 i b b e r h i n g j e , omdat J i 1 d o u 'h j a k 
n iJ ni o a d r i «( e r is as h j a r r o s. Lex. 3^9. 
— Prov. Hy sjuclit as wier er mei 
de lul op 'e blib slein, beteuterd. — 
V<^1. pn'ihlïppe). 

— Blibzen onder 'e eagen. Vgl.^i/W/**. 
Ook: de leeren tuit aan een houten 

l)Omp. 

blibben, blebben, pi. lellen van een 
haan. — In hoanne mei reade (of 
w i t e) e a r s k i 1 e n en reade b 1 i b b e n. 

blibke, n. oorlelletje van een mensch 

blib(k)]e, v. de onderlip gedurig bewe- 
gen, pruilend de lip laten hangen. — Hy 
stiet t o b 1 i b k j e n as in h y n d e r f o a r 
de hikke. — Sjuoh, de lytse kin 't 
net langer forswolgje, sjuch ho 't 
er blibket, anstons bigjint er to 
g Û 1 e n. 

bUbze, s. Zie hUhdO. 

blidens, bl^jens , s. blijheid, doorgaande 

opgeruimdheid van geest. Hl. blï-jens. - 

I)e blidens f en hjar wêztMi. Lex. 890. 

H w e t n ij s d a t h j ar blidens f o r- 

hege, ld. Vil, 72. 

blyd'skip, s. blijdschap (over 't een of 
ander). Lex. 39'>. Hja brocht oer al 
freugde en bly<lskip mei, v. Blom, 
Bik. 20. 

bliede , v. bloeden. — Ik blied , dou 
bliehlist ible(t)st), hy bliedt (biet), ik blette, 
ha bb^t, bliedende. to blieden. -Hl. bléde, 
Zwh. Stadfr. bloede, z. d. -- Bliede 
as in kou, geweldig bloeden, ook uit den 
neus. - 1) e w o u n e b 1 e 1 1 e , v. Blom, Bik. 
71. — Biet i m m en t r ij e d r i p p e n \\ t 
*e noas, den se il er gau ien stjerre. 
Volksbijg»'loof. 

-- Om d ♦* beal gerij f en in swift 
m o a t i t hiel e h Ci s g »» s i n b 1 i e d e , lij- 
di'ii. Lex. :i!»9. 

— Pas n|). dat de abbekaten dy 
n e t y n'»' < k j i r r e k r ij <» . h w e n t d e n 
mast bJi^Mle. - Hwet imnien for- 
k e a r d s d o e h t . il ê r m o a t er letter 
fuok om (t"or) bliede. voor boeten. — 



I 



H y m o a t bliede, geld of geldboete be 
talen. — In doekje for 't blieden, 

blier, s. blaar. Zoh. bij ir re. Zwh 
blirre. — Onwentejowt blierren. — 
Dy 't him it gat baernt moat op 't 
blierren sitte. Lex. 390. -• De fervt 
op 'e doar lukt oan blierren. — D< 
HÛch krige onder 't bigjen in blier 
gedeeltelijke uitzakking der baarmoeder 
Vgl. bloed- ^ hrân-j k-ni/p-, icetterblier. 

blier, s. groote witte vlek vóór den koj 
eener koe. 

eg. de koe zelf; dan ook blier kop. 

blier, adj. & adv. vroolflk, big, vriende- 
lijk uitziende. — In bliere troanje. ir 
blier wezen; bliere eagen. — ïr 
bliere 1 a e i t s , v. Blom , Bik., 9. — B 1 i e i 
sjen, laeitsje. — In bliere dead< 
fo ars pelt, dat er gau wer ien fer 
*t hûsgesin stjerre aciL Volksbyge- 
loof; ook : een blgk van een zalig uiteinde. 

— Blier yn 'e kaart lizze (kaartleg- 
sters-term), voorspelt geluk. Hûä-hiem 1889, 
271. — Myn famke kipet gol er 
blier 1| Ut hjar twa blauwe eagen, 
R. ind T-, 5*. 

blierd, adj. met een groote witte vlek 
voor den kop. — In s wart blierde kou. 

bliereag^e, -eagich, adj. vrooiyk, vrien- 
delijk uit de oogcn kgkende. Lex. 390, 821. 

blierens, s. vroolykheid, vriendelgkheid 
van wezen. — De blierens fen Au re- 
re, R ind T', 6«. 

blierg^atten, pi. ronde witte plekken, 
luchtbellen , in gaaf zwart jja. 

blierhertich, adj. bljjhartig, opgeruimd. 

— Wiere frommena makket blier 
hertich. — In blierhertich man- 
tsje, altyd goed op skik. 

blierje vspr. bljirje), v. met blaren wor 
den. — It brea blierret, — de (f erve 
doar blierret, er trekken blaren op 
Lex. 390. 

blierje, v. van welvarendheid glanzen. - 
Sounens blicret op dy wangen 
Hsfr. IX, 47. — Hjar oansicht blier 
de for my, v. Blom, Bik. 6, 66. — Üi 
blomkes blierje yn tün en fjild 
Zie hlierh'Je. 

blierke (9pr. b\jirke), dim n. kleïn< 
blaar. -- In blierke op *e tonge 

blierkje (spr. bljirlge), y. helder, vroo 



BLIE. 



195 



BLIK. 



liJk, vriendelijk uitzien, glanzen. Lex. 390. 

— In blierkjend wezen, van opge- 
ruimdheid stralend gelaat. — De faem 
blierke efkes, do wist ik it oare 
wol. — It foarjier-sintsje blierket 
oan 'e kleare loft. 

blierkop(kou) , eg. Zie blier. 

blierread, adj. helderrood. — In blier- 
reade kleur, gelaatskleur, — blier- 
reade wangen. Vgl. blijread, 

blierrichy acy. blarig, met blaren bezet. 

— It brea, de koeke is blierrich. — 
Us foardoar is forline jier opferve, 
en nou is er al blierrich. — Blier- 
rige belroas, z.d. 

bliersy kte , s. tongblaar, b^ koeien. 

^blierskrander , adj. opgeruimd en 
schrander uitziende. — Syn blierskran- 
dere eagen, R. ind T', 39\ 

blieze (Westel., Leeuwdl.), v. blazen. 
Mlkw. bliize. Zie hlaze. 

bU» , Hl. a^y. biyde. Zie hliid. 

bUid, adj. biyde, verblgd. Hl. bli. Kou- 
dum blij. Lex. 389. — Sa bliid as in 
ingel, — as in bern, — as in protter. 
Pro%'. Bliid ut, bliid thiis. — Myn 
soan het it plak krige, derbin'k 
tige bliid ta. — Itjonkje is bliid 
mei syn top, enitfamkemeihjar 
p[oppe, (ook bliid for . . .) — . . . bliid 
ta, datste der wer biste, R. ind T*., 
74'. — Dêr bin *k neat n't bliid mei, 
Klecht mee ingenomen. 

bliidmeitsje , v. blü maken. — B e p p e 
hetNynke bliidmakke mei in sil- 
veren earmbân. — Hymakkethini 
bliid mei in deademosk, bj] voor- 
baat en zonder grond. 

bliik (Makkum), s. bleekveld. Lex. 891. 
Zie hieek. 

adj. bleek. Zie bleek. 

blU (Zwh. meer) , a4j. bl^de. v. Blom, Bik. 
28, 78. Zie Uüd. — Big hier, blond. 
R. P. in W. Zie Ijacht 

*bmblau, a4j. licht blauw. Wl. ld. 
XVII. 

bmePfl, 8. blgheid. — Giet frijen yn 
früens || En trouwen yn trou, || It 
iene jowt blgens, || It oar gjin bi- 
rou. Zie hiidtnM, 

*bl4^lllto, s. blgmare, v. Blom, Bik., 45. 

— G. J. I, 186. 



bljj-, blimoe'dich , adj. blijmoedig. 
Hsfr. XI, 3r). 

blUmoedifi^ens , s. blijmoedigheid. 

bljjread, adj. helder- , licht-rood. — B 1 ij- 
reade ierdappels, blijread jurks- 
gûd. Vgl. blier read. 

bljjspil, n. comoedia^ bljjspel. 

blik (Noordel. enOostel.), blyk (Westel., 
Zh. met Hl. , — Bierumen en Grouw, vooral 
bij ouderen) , n. blik , meest ijzer tot bladen 
uitgeslagen en daarna vertind. Ook: ko- 
per- en 8 i n k b l i k. — Iets van geringe 
waarde vergelijkt men soms bij: blik of 
âld blik. Vgl. R. ind T.S 297. 

— Feger en blik. Hl. Feger en 
blykjen. Zie fAlenshlik. 

Ook: waschblik. 

tblik, 8. grond, die boven 't water uit- 
komt. Lex. 392. Ook b l i k p l a e t , b l i k- 
lân. Zie Joh. W., Naaml. , 39'. 

blyk, n. blijk, teeken. Lex. 392. — Blyk 
e n 8 k y n.— B 1 i k e n d w a e n (j a e n), blijken. 

Ook: bewijs. — Immen in blykjaen 
feu to lie n jo wn j il d. 

het kleverige vocht in <le spenen van 
drachtige koeien , een teeken (blyk) van 
drachtig zijn. 

blike, V. blijken, zich vertoon en. — It 
blykt, bliik (blykte), is blykt, blikende, 
to bliken. 

blikears, s. blikaars. Zie hlikgat. 

bliken, blikken, adj. blikken, van blik. 

— Syn greate bliken doaze, W. D. , 
Heamiel 30. — In bliken doaske, iron. 
Ned. kaartenhuisje : licht timmer- of meu- 
belwerk. Zie spoennen. — 't is s a 'n blik- 
ken panne, gauhiet en gaukald, 
hij is beweeglijk van karakter. Ook: licht 
vatbaar voor ongesteldheid. — In blik- 
ken h a l o a z j e , (oud) spinsbekkeu horloge. 

— In blikken dûbeltsje, afgesleten 
dubbeltje. — Lex. 391.— Hsfr. III, 100. 

— In bliken lûd, schelle stem (van 
een man). 

blikens, s. Zie blekens. 

blikfol, n. blikvol. — In blikfol 
tüch, oanfaechsel. 

blikg^at, n. blikaars. — Dy man rint 
him omtrint in blikgat hj ir, komt 
hier gedurig. Ook blikears, blikken t. 
Vgl. brykgat. 

blik-, blyk^at, n. potenUla anserina f 



BLIK. 



196 



BLYN. 



zilverblad. Ook (iron.): Karnewaldster 
klaver, N.holl.Berkhouter klaver. Lex. 391. 

blik-, blykgüd, n. blik waren. — Pot- 
skippers hawwe ek blikgfid to 
keap. Zie gûd, 

blikje, blykje(n), n. blikje, stukje blik, 
blikken plaatje of bandje. - In blikje 
oer de k 1 o ni p. 

vooral verkorting van f û 1 e n 8 b 1 i k j e . 
2. d. 

blil^e, n. bloekje, kleine bleek, bleek- 
veldje. 

blil^e ! interj. verzachting van bliksem. 
— O, blikje! de bry siedt oer. 

blikke, s. Zie hhek. 

blikke, v. bleeken. — It linnen leit 
to blikken. — Yn *eMeart wol it 
best blikke. Vgl. /V>r-, uthlikke. 

blikker, m. (linnen)bleeker. Lex. 391. 
R. ind T.*, 131". 

blikkert , s. linnenbleekery. — T o 
Ljoiiwert en to Huzum binne grea- 
t e blikkerijen. 

bUkkershounCtaJe) , h. (n.) bleekers- 
houdije). 

blikkoerren, \ú, manden aan een juk, 
gevuld met blik waren om te venten. — 
Uh i)otHkipper komt hjir hjoed mei 
de blikkoerren. 

blikkont (triv.). s. Zie hUkuat, 

blikznan, m. koopman in blikwaren. 

bliks, interj. Zie blits, 

bliksem, s. fulmen, fuljnr, bliksem. 
Lex. 095. G. J. I, 222, II, 73. -- v. Blom, 
Bik. 11, 73. 

*bliksemf3ûr (G. J. I, 80), n., *-flit8, 
ld. IV, 146), s., -^- striel (CÎ. J. H, 67. — 
V. Blom , Bik. 49) s. bliksemvuur , -schicht , 
-straal. 

bliksemje, v. fulmînare, bliksemen. — 
Pe pastoar, dy tongert mei syn 
wirden, moat earst bliksemje mei 
syn c k s i m p e 1. - O. .Î. 1 , 62 ; 72. 

Vgl. foart-y irei bliksemje. 

bliksems , ad j. k adv. verwenscht. — Dy 
)) 1 i k H «' m s ♦• jongt». -- - Ik s c o e der 
bliks e m s . g«'weldig , t r o c h r a m e ij e , 
v. Blom. Bik. 90. 

blik(s)kater , b I i k s 1 a (g) g e r , b 1 i k* 
stien(der), interj. vloek. - Dy blikska- 
ter! 

blikskaters, bl ikslAg(g)ers, blik- 



s t i e n (d e r) s , interj. drommels ! verwenscht ! 

— Ook. adj. Ä: adv. — Dy blikstieuse 
jon ges, enz. Zie biiksefns. 

bliksla(g:)£:er, m. blikslager, blikwe^ 
ker. — Vgl. ook het vorige art. 
blyn, adj. caecus, blind. Hl. blynd. 

— ïnblynminske is in earmmins- 
ke. — Sa moayer-noch: in blinc 
boer HJucht er neat f en. 

— fig. Ho kin immen sa blyn we- 
ze, verblind. — Blineliedsljuefen 
blinen. — Ljeafde is blyn. — Im- 
men bline hynders foar de doar 
liede, iemand trachten te misleiden. — 
In blyn hynderkindergjinskea 
d w a e n , er is niets van waarde in huis. - 
In stikje fen bline Douwe spylje, 
slapen gaan. — Bline dobbelstiennen, 
met alleen op eene zyde oogen. — Blyn 
smite, geen oogen werpen. — Blyn 
sp3'lje, soort van dominospel. — Blin€ 
domino's-houtsjes: ien-blyn, twa- 
blyn... seis-blyn, dûbel-blyn. — 
Klok-blyn, hammer-blyn, bj) 't klok- 
en hamerspel. — 'tis blyn spil, kans- 
spel, een gewaagde onderneming. — Blinc 
nea(r)ring driuwe, zich veil geven om 
geldeljjk gewin (van een vroaw of meifje). 

— Bline fragen, vragen waarop de leer- 
ling zelf het antwoord moet vinden (in een 
catechesatie- boekje.) Vgl. hAtemfmgtn. 

— In bline mûrre, sonder venater; 
in blyn finster, bline doar, nage- 
bootst. — In bline steich, londer uit- 
gang, slop. In Holwerd: kjirre-wjir 
Stailfr. gloppe. — In bline klip. -- 
Blyn lau, met aarde overdekt grasland, 

— Blyn sop, waarop geen oog vet dröft 

— Bline fin ken, een vleeBchgerocht. 

— Dat is blyn, is ongeldig, passeer! 
niet: by 't spel (van kinderen.) — Immeii 
blyn slaen, overtreffen in een wedstrjjd 

— Ik scil dy blyn sile, 't van je win 
nen met hardzeilen. Lez. 398 , 894. — Im- 
men blyn slaen mei bibelieksten 
overbluifen. — Hja slaen de minsken 
blyn mei in greate steat, bedekken 
hun armoe onder vertoon van rgkdom. — 
Dou slipost it mes blyn, slgpl 
het zoo, dat het, in plaats van aeherperi 
stomper wordt. Vgl, kieur', 
ttinne- , s((jkhlyn. 



BLYN. 



197 



BLIÜW. 



blyn, n. blind, veDsterluik (vroeger alleen 
binnen*8 huis, anders f i n s t e r). Vgl. büten- 
blijn, ainnehlyn. 

blindekater , blinder (dy), interj. van 
verrassing , schrik of verbazing. Hsfr. VI , 
."»8. Ook al-den-blinder. Zie al-den, 

bltnderom, interj. als 't voorgaande. 

— Dy blinderom! Lex 94. 

Ook a^. bijzonder. — In blinderom- 
mcn noebt. 

blinders, a4j. & adv. drommels. — Dat 
in nou blinders! hie 'k dat witen! 

— Dy blinderse kweajonge! 
blyndoek, s. blinddoek. Lex, 393. — 

Kjj, dat slynders binne, docht min 
wol in biyndoek foar. 

blyndoe]i;]e , v. blinddoeken, fig. mis- 
leiden. Lex. 394. G. J. 1 , 60. - I k 1 i t 
my net mei moajje praetsjes blyn- 
doekje. — Vgl. hidoekje, 

blyiidoek(Je)boarteJe, v. bl indeman- 
netje spelen, bekend kinderspel. 

*blyndfi(]e, v. blindmaken, de oogen slui- 
ten of er iets voor binden. Fr. Alm. 1847, 61. 

bline, eg. die blind is. — Blinehet 
in hazze fongen, de onhandige heeft 
toevallig een gelukje gehad. 

blineman, m. blindeman. — iron. In 
blineman de eagen dttraepje, HoU. 
z{jn grootvader de oogen uittrappen, onver- 
hoeds in een hoop drek, sterciis, trappen. 
Lex. 393. 

blinens, s. caeeitas, blindheid. Lex. 394. 

«"blynje, ▼. blinddoeken (Lex. 394), blind- 
maken, Salv. 107. Zie hlyndoekje. 

blynlcape, s. lederen kap, waarmee de 
oogen van een paard, als het in den karn- 
molen of voor den dorschrol loopt, worden 
bedekt Lex. 296. — R. P., Jouwerk. 22. 

bllnke, v. blinken. — Ik blink, blonk, 
ha blonken, blinkende, to blinken. Hl. 
b I y n k e , blaink, blûnken. — 't I s al g j i n 
gond h wet er blinkt. Lex. 364. v. Blom, 
Bik. 3, 51, 95. — iron. It blinkt as in 
turffet by nacht, as in forkoalde 
rottepyl yn donker, as in forlakte 
(forfêrzene) hounekeutei yn 'e 
moanneskyn. Ook blinkje. Vgl. 

hüfllre, ▼. — by 't (spel) 'forsidebrin- 
gen* (z.d.) moeien een of meer, terwyl één 
bet cUwuraa te «peken voorwerp verstopt, 



zich zoolang vcrwyderen : b 1 i n k e. Lex. 395. 
Vgl. út, 

blinker, s. fijne kamerdoeken muts der 
Hl. vrouwen, Roosjen 44. 

Op de eilanden ; witte , onbegroeide, hooge 
duin. 

vischtuig, bestaande uit een lepeltje met 
aan 't eene einde een haak, om op snoek 
te visschen. 

bllnkJe (Makk., Waterl.), v. L. en W., 26. 
G. J. passim. Zie hlinke. 

blinkje, n. zwak schynsel, flauwe glans. 

— In blinkje om in drink je, een zon- 
nestraal tusschen regenwolken door (volks- 
meening, dat dit de regen uitlokt). — In 
blinkje f en 'e dage, in blinkje foar 
de de ad, — f en fors tan, tydens krank- 
zinnigheid. — In blinkje fenlibben 
is er noch oer. Lex. 394. 

blyntraepje, v. kinderspel, zie aeislaen, 

blyntsje , dim. klein blind. — 1 1 b 1 y n- 
tsje is der foar wei waeid. Y^. kelder- 
blyntsje, 

blyntfljes , adv. blindelings, geblinddoekt, 
met de oogen dicht , R. P. in Epk. 57. Ook: 
bly ntsjes-w ei. — Ik kin 't wol blyn- 
tsjes-wei fine. Barrdl. bly ntsje-each, 
blyntsje-'t-each. 

blyn'wei, adv. blindelings, in den blinde. 

— Hy roun der mar blynwei op 
ta. — fig. Dy âldfaem gyng blyn- 
wei hjar ûnk to-mjitte, D. H., Baes 
Teake, 6. 

blits , s. bliksem. — As de blits, blik- 
semsnel, R. in T'., 339'*. — Gean hinne, 
mar kom ynin(asde)blit8werom, 
in een ommezien. 

— De spar k jen de blits, ld. 

interj. De blits! — Lex. 385/392. — 
Blits! fljucht elk in pylj'n'thert. 
V. BI. Bik. 23. -- Ook soms bliks. 

blitsom, -lim, interj. bliksem, — Ids- 
om, blitsom! || sei Master fen Hit- 
sum, II dy leste stûr || hwetisdy 
djûr. De schoolmeester van Hitsum kocht 
te veel slokjes by 'Ids-om' in 'De laatste 
stuiver' te Franeker. P. Sch. Sprkw. 

bliu-we, bliou'we (Westel. Grouw , Dokk. 
Woudstr.), v. blijven. — Ik bliuw(bliouw) , 
bleau , ha of bin bleaun (bliouwn) , bliuwen- 
de (bliouwende) , to bliuwen (bliouwen). Hl. 
b 1 ü w e (de li zweemt naar i); yk bluw (bliw) 



BLIUW. 



198 



BLOED. 



yk bliwde (bleew), bli<^nd. Stadfr. bliwc, 
bleew, blewen. 

— Ik m o a t 111 V mar n e i b 1 i ii w e n 

ft 

statte, maar voorrftellon, dat ik hier moet 
of zal Idijvt'n (wonen). — Ik lit him bliu- 
we for itjinj^e er is. — ■ Myn broer 
is op s é b 1 e a u n , verongelnkt. — 1) och 
ik lit it dor by bliuwe. — G. J. I, 58. 
Vgl. trvzi'. — Vgl. hij', (hijn)i'fter-y m'i-j oan-j 
óf-, op'^ tlv'is-, ût-t welbUuwc, 

bliu'wer, c»^. die blijft. — It is gjin 
bliuwe r, het kind heeft geen levensvat- 
baarheid. Lex. 395. — Ook: de vrijer mag 
niet blijven. 

— U s m a s t e r is i n b l i u w e r, h y h a t 
d e 1 e \) p e m e i n o ni m e n, vertrekt niet weer. 

bliOU'we, V. Zie bliuwe, 

bloarje (spr. bloarje), v. blaten. Zie hleavje. 

— overdr. schimpen, schelden. — Lit 
den in 1 o m p e r t b 1 o a r.j e sa 't er wol, 
Alm. 1*2". 

bloarre, eg. muiskleurige koe. — Als 
eig»'nnaam: In kou dy bloarre hjitte, 
R. ind T.', 70\ — m. melkmuil , dom, on- 
noozel jongmensch , R. ind T.^ 19'. 

bloarrich, adj. dom, onnoozel, jong en 
onervaren. — Alles wier sa forguldich 
f o a r myn jonge, b 1 o a r r i g e e a g e n , 
dat ik as bitsjoend like, R. ind T.®, 

bloat, s. van de wol ontdane schapen- 
huid. Vgl. skieppchlont. Zie hleat. 

bloed, n. sanf/itiSf Idoed. III. bloow 
(ook in de samenstelling). Schierm., Tersch. 
bhi^d. Lex. :ï90. Wassenb. I, 158, 159, 
165. — (roed en bloed. — In t'aem, 
in kleur as m ô 1 k e en 1) 1 o e d. --De 
kou is oan 't bloed, vooral in 't voorjaar 
en bij jong v(»e, dat na schrale voe<lering 
op den stal i)lotscling in go<*de weide komt. 
Laten is (t gcM'd voor. 

— It bloed kr fipt d êr 't n et gean 
kin.-- Myn e i g t» n f 1 e s k en bloed, 
myn bern. — Prov. Oar bloed, oar 
s k a e i. 

roHMdfit/uinitafi , verwantschaj) , familie, af- 
komst. — 1 1 n e i s t e bloed erft i t goed. 
Stadfr. : wie s a 1 i c h wil s t e r w e , 
la»»t »'t na es te blood er we. — (^oed 
rn bloe<l ♦* n j e 1 d allyk,|I dat is l>et- 
t e r a s t» a r m e n r v k. 

bloed, eg. sukkel, 3tumi>er. Lex. 899. 



— . . . man! hwet bist in bloed, R. 
ind. T.^ 1". — Bearn Oardelfoet, dy 
goede bloed, Huwel. krant. 

beklagenswaardig menseh. — Och, dy 
e a r m e bloed, dat er sa 'n w k a n d e 
f en syn bern bilibje moat. Vgl. Hsfr. 
IH, 195. 

bloeddrip, s. , -gjalp, s. , -ier, s. , 
-k 1 e u r, s. , -loop, s. , -plak, -r e a d , adj., 
n. , -spije, V., -s pij ing, s. , -stroom, s., 
-striem, s. Zie de Enkelwoorden. 

bloede, Zwh. en Stadfr., v. bloeden. — 
Ik bloed, dou bloe(d)st, hè bloeden. Zie 
blie(fe. 

bloedfin, s. bloedzwoer. Lex. 397. 

bloedfrjeon, eg. consanjuineus , bloed- 
verwant. — Byienbrocht troch ien 
f en Aegtsjea bloedfrjeon en, A. Ysbr. 
(1827), titeh — ld. IV, 100. W. D., ülesp. 
58. Schelt. M. S. 39. G. J. II, 64. Zie 
sibbeth 

bloedich, adj. & adv. hevig, moeilgk, 
zwaar. — In bloedich wirk, moeilyk, 
zwaar werk. — In bloedigen wirk, 
veel werk. — Dat wirdt in bloedige 
reis, Hsfr. IV, 37. Lex. 399. —In bloe- 
d i c h, vervelend, ein feart, Foij. 1894, 154. 

bloedjild , n. bloedgeld , den arme of 
den werkman van zyn loon onthouden, of 
onbillijk van hcmgeëischt. Lex. 397. — Elk 
dûbeltsje, dat jimme in earme ar* 
beider fen syn lean ôfgnibbelje (of 
him tof olie ôfnimme) is bloedjild. 

met zwaar werken verdiend geld. — Sa'n 
lyts deihier for sok leabrekkend 
wirk: it is bloedjild. 

bloedknoarre , s. in: Hj het in kop 
as in bloedknoarre, ia rood van toom. 

bloedkrael (spr. bluói-), n. & 8. bloed- 
koraal. Hl. blo o w-k ra* Ij e. Lez. 397. — 
In slotsjc fen bloedkrael. — In 
string bloedkralen. — Trge strin- 
gen re ad e kleare blinkende bloed- 
kralen, 'scchje* om sonder haperen uit te 
spreken. 

bloedkralen, acy. van bloedkoraa]. — 
In bloedkralen ring. 

bloedrich (spr. bluód-), a^j. crumiiu, 
bebloed, met bloed bevlekt. Lex. 890. 

met bloed vermengd. — Bloedrige 
m â 1 k e. 

bloedryk, ad], bloedrgk. -* Bern 



BLOED. 



199 



BLOK. 



moatte sa folie iten net ha, oars 
wirde se to bloed ryk. Eman. 8. 

rijk aan bloe Iverwanten. — Goedryk, 
b 1 o e d r y k , wie rjik ia , heeft veel verwan- 
ton. Lex. 398. 

''bloedrizin^^, s. geringe, licht bloedende 
wond. Lex. 399. R. P. in Wiarda 56, in 
Epk. 55. — lm in en in bloedrizing 
Hlaen, L. in W., 413/14. 

bloeâsûsrer, s. hirudOf bloedzuiger, fig. 
woekeraar. Lex. 398. 

iron. vloo. Zie flie, 

eg. canijt moloasus, bloedhond. 

bloei, 8. bloei. — It koalsied, de 
parbeara stiet yn *e bloei. 

— De frou is yn'e bloei, zwanger. 

— De kou het (der lei t) bloei op 
't j a e r , het jadder is roodachtig. Zie hloeije. 

— overdr. Yn'ebloeifen tlibben. 
bloejje, blojje, v. fiorere, bloeien. ^ 

G. J. I, 19. — De blom bloeit. — Sa 
lang as de beam bloeit kin er ek 
(frucht) drage. Ook van vrouwen: men- 
ittruare. Zie bloei. 

— De uren fen 'e kou bloeije, zijn 
roodachtig, bewjjs van raelkrjjkheid. Lex. 400. 
Vgl. btoei. 

— Dat hynder is oars geef, mar 
de iene poat bloeit hwet, vertoont 
aanleg tot een aderspat. 

bloede, V. oxydeeren. — In pot, in 
goatling bloeit licht, as men iten 
dat er yn aean is, der yn stean 
lit: binamen fet of sur iten. Ek 
as se yn lang net br-ûkt binne. 

— It wetter bloeit, is roodachtig, 
vooral in *t vooijaar , in slooten. 

bloe^erich, ac^. oxydeerend, metoxyde 
bedekt. — Yn in bloeyerich goatling 
moat men gjin iten siede. 

bloeisel, bloisel (Noorden), n. bloeisel, 
*le gezamenlijke bloesems van een plant. 
Vsrl. appelbl^msel, 

oxyde. Vgl. izer- ^ koperhloeisel . 

bloei(8el)knop , s. bloesemknop , be- 
paaldelgk aan een vruchtboom, tegenover: 
blêdknop. 

bloeisem, bloisem (Noordel.), bloes- 
sem (Oostel., Tietj.), s. bloesem, elke bloe- 
lem afzonderlek. Leeuw, blössum. Vgl. 
nppei'^ beam-, ftMii-, flfar'^ ierappelbloeïsein. 

'y 8. schildvleugelig in- 



sect van een bruine kleur, dat veel op 
bloeiende boone-atengels leeft. 

blok , n. blok. — In bern as in blok 
van een zuigeling , flink en krachtig. — 
Mei de kloaten oan 't blok sitte 
(triv.), in verlegenheid. — Blokken en 
skiven nin brek, helpers genoeg. — 
Blok en hammer, zeker kinderspel. — 
Hok, stok, blok, kinderspel op de lei, 
Holl. tikke, takke, tol. Lex. 400, 401. Vgl. 
{eftei')oan-y flesk-, koek-, heC-y krya-^ pols , 
skiif-y taelje-y toelle», tsiishlok. 

— In blok hea, vierkantig opgetaste 
hoop. Vgl. hcahlok. 

— In blok lân, verscheidene aan elkaar 
belendende akkers, stukken. — Inhûsmei 
in goed blok groun der by. Lex. 401. 

— Inblokhuzen, in steden of groote 
dorpen: een getal aan elkander belendende 
of aan elkander gebouwde huizen. -- In 
blokje omkujjerje, een straatje om- 
wandelen. 

zekere grondmaat, waarnaar uitgegraven 
veen betaald wordt. Lex. 403. 

blokfink (Stadfr.), eg. parus major, 
koolmees. Zie hlaunyske. 

blokhús, -hûs, n. blokhuis , voormalige 
gevangenis te Leeuwarden , vroeger een ver- 
sterkt kasteel , ter verdediging der stad. Ook 
te Harlingen en Stavoren , Lex. 401. 

blokje, dim. n. klein blok. 

pi. blokjes, vierkantjes, op doek of ge- 
weven stof in bas-relief opgewerkt of door 
andere kleur of weef-dessin uitkomende, en 
zoo ruiten vormende. 

blokjebrégge , s. brug, bevloerd met 
vierkante blokjes hard hout. 

blokjedoaze , s. doos met legprenten op 
blokjes, bouwdoos. 

blok(Je)letter , s. blokletter, lettervorm, 
met aan een kant een blokje, waarmede 
vrouwen het linnen merken. Vgl. kriïakeletter. 

— bl o kl etters: bij boekdrukkers en 
huisschilders. 

blokjes , pi. kachelhout. Zie kachelhlok- 
jea. Vgl. goatehlokjea. 

blokje(8)gûd , n. met *blokjes* gewevene 
stof. 

blokje-skaef , s. kleine schaaf om den 
vlakken kant van hout finaal glad te schaven. 

blokjes-matte , s. fgne soort biezen vloer- 
mat, ruitvormig geweven. Zie blokje. 



BLOK. 



•200 



BLOM. 



blokkich, adj. geblokt' met *blokjes\ 
z. «1. 

— Blokkiïie knip, liardo knip- of za- 
v<»l«rron<l. du* \n\ het bewerken in hoekige 
klunij)pn iiitoonvalt. Lex. 40'J. 

bloknoat, s. vierkante muzioknoot , zoo- 
als <li<ï prewoonlijk no^ in do psalmboeken 
af^ebeold wordt. 

blok-steal, h. jj^rondlaaj^ van takkebos- 
sen en .stroo, waarop het 'blok' hooi wordt 
gezet. 

fblokstik, n. stuk van een boomtronk 
tot bran«lstof aan den haard Lex. 40L Vgl. 
{cfft'r)o(iMok\ 

blom, s. ff 08^ bloem. Hl. blómme, in 
ï<amenst. ook blom. — De roas in in 
moaije blom. — IVov. Maeije komt 
mei blommen, mar net mei jild 
(meest is Mei de huurvervaltijd}. 

— Blommen, d y 't winters k o m m e 
en si m m e r s g e a n , ried ris h w e r 't 
d V blo m men s t e a n. 

-- ovenlr. De blom is fen hjar of, 
zij is haar <»Hr kwijt. 

— In jonge b 1 o m , jong meisje. — W. 
D., Fr. S;ing. ~ R. ind T*., 23'. 

s. colleet. — In stik blom, bloeiende 
klaver. Zie l'hirerbhm. 

bloemen voortbrengende (si»T)plant. Vgl. de 
samenstellingen, als: hiUer-, túntsjt'hlomj enz. 

bloeisel. Vgl. de samenstellingen, als : 
fiear-y hnifc-y hoetneblom , enz. 

— Blom fen roggen-, weitenmoal, 
fen s we vel. 

Als eerste lid der samenstelling Noordel. 
enOostel.: blom, elders ook blo mme, z.d. 

Blom, s. homlennaam. — Der b in n e 
m e a r h o u n e n . d v 't Blom h j i 1 1 e. 

blombèd f-bôt. Hl.), n., -blêd, n., 
-bol, s., -fat^s. s., -knop, s., -sied (-aie, 
Zwli., -s«', Hl.), n., -pot (-pilt, Hl.),s. Zie 
de Knk«*l woorden. Zie hlomnn'. 

blomd, adj. gebloemd, met bloemen ge- 
schildiTil of iffdnikt. Hl. hlómked. 

ir* 

— Moai 1)1 omd bihang, behangsel- 
papier. 1 n b 1 o m d e rok, gebloemde 
vronwenrok. Blom de i er appels. Zie 

hlotnnn'. 

blomje (Zwh.i, v. Idoeien. G. J. I, S3. 
Zi«' hlinnhjc. 

blomJ^e , dim. n. /lo^frulus ^ bloempje , 
bloesemjije. Lex. 4lKÏ. Hl. blompjen. — 



Sokke blomkes binne moaist se oj 
plôkke binne. Vgl. ajtel. 

kriiimig plekje. — De ierappels lizze 
op *e panne mei in blomke. YAebloHunf 

blom(ke)bûter, s. grasbof^er, iu den tijd 
dat de weiden met bloeiende bloemen bc 
dekt zijn. Ook maibûter. 

blomked, Hl. adj. gebloemd. — Dt 
b 1 o m k e d e w e n t k e , Koosjen 66. Zit 
hloimï. 

blomkeletter , s. met bloemen versierdt 
letter, in borduurwerk. Lex. 404. 

blomke-nae^e, v. borduren. Hsfr. Xl, 104 

blomker, m. bloemkweeker. Lex. 40') 

eg. bloemenlief hebber. — Us mem b^ 
hjar libben seijamk: ik binsa'i 
alde blomker: blommen dêr ha '1 
I alles for oer. 

' blomkeslil^e , v. bloempjes plukken ii 
't veld , zooals kinderen gaarne doen. — H .^ 
het se alle fiif net, der is ienti 
blomkesiikjen, Holl. hij verhuurt bo 
venkamers, hjj is niet wel by 't hoofd. 

blom(k)Je, v. florere, bloeien. — üi 
flear blomket (blommet). — De sti 
kels binne bros, mar as se blomke 
ha wirde se houtich. Lex. 404. 

blomkje, v. bloemen kweeken en ver 
zorgen uit liefhebbery. — Beppe he 
wakker nocht oan blom kj en. 

blomkje, v. een stuk klaverland nie 
voor weide gebruiken, maar laten groeiei 
en bloeien om er zaad van te winnen. Ooi 
klaverblomkj e. 

blomkoal, s. brasaicabotrtftiSfhloeTokoo] 

blomme, v. in: De ierappela blom 
m e , vertoonen , gaar zynde , kraimige plek 
jes. Vgl. blomd, 

blomme, Hl. s. bloem. G. J., passim 
- nu nog als 1^ lid der samenstelling. 

blom(me)bak, s., blommegftd, n. 
blom(me)gieter, s., -koerke, (blom 
m e m a " n d e, -m a • n t j e n, Hl.), n., -k r ft n c 
(blommekra^ns, HL), -rakje (rekje) 
n., -s talie (blommestelle, Hl.), -sian 
der, s., -stok, s., -tafel (blommetal 
fel), s., blommetiid, s., blo]n(]ne)túi] 
H., -tiintsje (-tdntjen, Hl.), n. Zie d< 
Eukelwoorden. 

blommemoanne, s. bloeinuuuid. Mei 
Lex. 404. Vgl. maeimoanme^ 

blommioh, a4j. bebloemd, Uoemt^lc. - 



BLOM. 



201 



BOAD. 



De blommige gr ei den. Ook: blom- 
111 ige ierappel 8. Vgl. blomâ, 

blomsûre (apels), blanke rabauw. Ook 
s 11 r e r a b a u. 

blomsi^ete (apels), hollandsche zoete, 
^oe<le zoete, kandijzoete. Ook swiete 
k a n t H j e 8. Zie kantaje. 

*blomte, n. gebloerate. Lex. 404. G. J. 
1 , 78. Vgl. hlommegûd. 

blonde, s. Fra. blonde, — Blonde yn 
in k y p 8 , zooals men zo een 30 jaar ge- 
letlen droeg. 

tbluffede, Hl. s. zakdoek van Hl. bont- 
goed. Ler. 405. 

bliiister, s. bloei, glans, luister. — O, 
Heslinga, o edele state! || ho is 
dyn bluister sa forroun, L. in W., 7. 

bliii8t(e)rich, adj. Hd. uppie/, weelderig, 
bloeiend van planten. Lex. 405. 

tierig, lustig, opgewekt. Halb. Wl. Lapek. 

luiHterryk, glanzend, schoonschynend. — 



Dingen, dy sa bluist'rich binne, 
k inne wol ris lilk forrinne, ld. V, 60. 

los en windig. — Bluistrich waer. 

veel geweld makend, van driftige men- 
seben, Halb. Ov. Alm. 1836. 

opgewonden, wild. — Dat kinst om- 
mers net dwaen mei dyn bluiste- 
rige holle. Don bist altyd sa gau 
Dp*t ein en den sjucbst neatoan, 
W.D. Oebl. GL, 35. — BluistVich, fûl 
en foars sjit immen op hjar oan, 
met drift en geweld. Hsfr. VI, 109 

boos , kwaad , geraakt. — Hja wier der 
bluisterich oer, dat er hjar sin net 
dwaen woe. 

— Hwet woeste dat ik... mei in. 
bluistrich swird it trochset, dat 
ik op 'e hearewei libjeasindief? 
R. l\ 

Vgl. bl<iM{er)hh, 

blus , adj. bluts , 'lens'. — Ik bin blus, 
by *t spel, heb al mgn zakgeld verloren. 

— In &ld man by in jong wiif is 
g a a bias. Lex. 406. Vgl. kys, Uit, lutes, rut, 

tblutsen, pi. huid vlekken b\j een mensch. 
Lex. 406. 

blutsen, pi. deuken. Zie dúk, 

blaaser, HL in: In bluzzer krl-je, 
hloozen, een kleur krygen. Vgl. kaetn, 

boade, eg. bode, boodschapper. G. J. 
II , 60. Lex. 420. 



divulgatot'y die vrijwillig een nieuwtje uit- 
bazuint. Hl. b ü d d e. — Ha j y 't a 1 h e a r d? 
Ja, wy ba de boa de hjir al hawn. 
Vgl. foar; foarjiers'y jóbs-j yeloks-, ongeloks' 
hoade. 

dienaar. — De boade fen 't stêdshûs. 

agent , bezorger van een maatschappy of 
vereeniging. Vgl. ook hrievehoade, 

meest: dienstbode. — Wy ... waerden 
fen lis folk en boaden achtenearre, 
S. K. F., Earder-Letter 18. Vgl. tsjinst- 
hoade. 

bó^de, Hl. 8. plank. Zie hoerd, 

boadelean, n. dienstbodenloon. 

*boaden, pi. geboden. — In séman 
soms onhjirmlik sweart || en nei 
Gods wirden of boaden heart, R. 
ind T.', 197*. Zie gehot. 

boade'wimxnel , eg. minachtend: bood- 
schaplooper, boodschappenbezorger. W. D. , 
Twa Gr. Stikk., 50; Th. ülesp. 36. — 
Boadewimmel, gedienstige geest, fen 
'e grytman. Lex. 420. 

boadskip (apr. boad-), n. boodschap. — 
Hl. boadskip. — Hwer 't de divel in 
boadskip het, stjûrt er in âld wiif 
hinne. Lex. 420. — Dou hest hjir 
gjin boadskip, hier nieta te maken. — 
Hy hie der gjin boadskip, kwam af- 
gewezen, teleurgesteld weerom. — R. ind 
T.', 359*. — In oartsens, in sintes 
boadskip, onbeduidende, dikwyls voorge- 
wende boodschap. — Oppassen . . . is dyn 
boadskip. 

huishoudelyke benoodigdheden uit den win- 
kel gehaald. — . . . in koer fol boad- 
8 kippen, Forj. 1893. 

boadskipje , v. nunciare , boodschappen , 
doen weten. — Sa gau as 'kwit ho't 
is, scil 'k jou boadskipje. 

boodschappen doen , waren uit den winkel 
halen. — Snjeontojounen, as de man- 
Ijue hjar wykjild barre, geane de 
wyfkes, yn 'e doarpen, to boad- 
skipjen. Lex. 420. 

boadskipkoer , s. mand voor kleine in* 
koopen in den winkel. Meest : sUU-f hânkoer, 

boadskipper, m. toevallige boodschap- 
per. — Hjir is de boadskipper fen 
dat n ij s. 

boadskip-rinder, eg. die boodschappen 
bezorgt , bjjv. vau 't eene dorp naar 't au"» 



BUAD. 



202 



BOAR. 



(lero, en daarvan zijn (haar) beroep maakt. 
Lex. 420. — vaste dienstbode voor het doen 
van ]>oods<'liai»pen , in een druk <^ezin , in 
een winkel, enz. Ta'x. 420. 

boadskip-rinders-Jonge, m., -fanke, 
n, jon«^en , meisje om boodschappen te doen, 
loüpjonffen, loopmeisje. Hsfr. IX, 265. 

boadskip-rinne , v. uitgaan voor het 
doen van boodschappen. 

^boadtsjelap, eg. Wl. ld. Zie hoantsjeUip. 

boa^lem, boaim, boom, s. fundusy 
bodem van een kuip , pot , ketel , enz. — 
van een schip ; — ook het schip zelf. v. d. V.. 
Ov<?rw. 

— In f e t s j e s o n d e r boa ij e m , een 
vraat. 

— In boa ij e m f et, laag gestold vet 
op vleeschnat. (.)ok: boazzem. 

— D e b o a ij e m is er \\ t , van een on- 
vruchtbare of niet meer vruchtbare vrouw. 

De boel is de boaim ynslein, 
de zaak is voor goed bedorven. — • Hjar 
lok w i r d t de boaim ynslein, Skûr- 
alm. 1888, X\\. — As immen der to 
r iJ y n lans giet, f y n t er g a u de 
boaim f en 'e pong. 

boa^emloas, adj. bodemloos. Lex. 4-^0. 

boa(i)ts, s. kuip voor karnemelk of wei. 
Vgl. Hiip- , icaeihoaitü, 

"boa(i)tske, n. ronde spanen doos voor 
het bewaren van vrouwenkleeren. Lex. 430. 

boal, m. atmifex y beul, scherprechter. 
G. .]. I, 164. Ook: boal Ie, Ibid. I, 210; 
II, 92, 100. Vgl. heul. 

tboale, roale, Hl. s. kant werk op fijn 
Ijjnwaad (kamerdoek) , waarmede de 'foar- 
fl echt er' (z. d.) van boven gesloten werd, 

— bij het hoofdtooisel der vrouwen, nog in 
de 1« helft der 19'" eeuw in gebruik. 

boal-salve, s. beulzalf. U. ind T.^ 11". 

— 'Master Ihirk (v. (îorkum)', de beul, gaf 
deze zalf voor verrekking en reumatiek. 
Later te Leeuwarden verkrijgbaar, on<ler 
den na:im van: grien e, trochgeande 
s a 1 v ♦*. 

boan akker, -ekker, -ikker, h. ge- 

^treng♦» berisping. -- Heit het my de 
boanekker oplT^ziMi oer myn jiltl- 
for.** m i t en. Lex. 4M>^. Ot>k: bean-éker, 
z. d. Vgl. tufinnriracr. 

boantsje in : b o a n t s j e k o m t o m 
fyn loantsje (Hollandisme). 



bbantajelap (spr. boan-), eg. *duivels- 
toejager'. — l)ou mast not mi en e, dat 
ik dyn boantsje lap bin. — Immen 
for boantsjelap rinne litte, vo.)r 
gek laten loopen, om allerlei nietige bood- 
schappen zenden. 

boar, s. ferehra, boor. Lex. 409. Vgl. 
apel-, bCiter-y dril-j dAker-, f/roun-^ hea-, izer-, 
l'fi/n- , modder- , vójer- , sinter- , skroef- , 
spiker- , ter}}- , tsiisboar, 

boarch (spr. boarch), m. sponsor ^ borg. 
G. J. 1,210. — Dy boarch wirdt,jowt 
de jildsjitter de kaeijen f en nyn 
kant o ar. Lex. 461. — Dor atean 
(bliuw, bin) 'k dy boarch for, dat ver- 
zeker ik je. 

boarch, s. crediet, het uitbergen. Hl. 
burch. — T o boarch, op cretUet (in Jen 
kleinhandel). Lex. 461. — Us winkel is 
o ars goed, mar men het to folie 
boarch, moet te veel aitborgen. 

boarch, s. burcht, in: De boarch is 
on t set, die zwarigheid is opgeheven. 

boarchbrief ke , n. schiiftelijk bewyii, 
dat men voor iemand borg blgft. — 1 n 
boarchbriefke f en *e (earm)foudcn 
for de húshier. 

boarchsizze (-sprekke), -wlrde, v. 
borg worden, zich borg stellen. 

board (spr. board), n. etensbord. — G r o u- 
we boarden op 'e richel, ter versie- 
ring van 't vertrek. Hett., Rjmkes 14. Zie 
l>onne. 

Ook: houten bord. Zie boerd. 

board (spr. boo''d), Eng. border, boord, 
rand, kant. — G. J. passim. 

board, s. Fra. cd, kraagje, halsboonL 

boardflje, boerdfije, v. boorden, om- 
boorden. Lex. 410. Zie omboard^, 

boardtaje (spr.-oa-), n. etensbordje, lio- 
terhambordje. Zie pantttje. Ook: houten 
bordje. Zie boerdtsje, 

boardtflje (spr. -óa*), n. halsboor^je. — 

Ook boordje onder om de mouwen. Zie 
boerdttje. 

boargat, n. gehoord gatw — li «ûch- 
gat yn in pomp is in boargat, 

boargemaster (spr. -oér) , m. buigemees- 
ter, hoofd van een gemeente. Hl. burge- 
mester. Lex. 568. 

boargemasters-ampty n. ambt van 
burge meest-er. 



BOAR. 



208 



BOARS. 



boarsremaBters-bûk, s. ronde buik, 
die iemand goed staat. Ook: in buk as 
in boargemaster. 

boarg^emaBtenske , ». burgemeesters- 
vrouw. 

boarger (spr. boâr-), hurger , eg. bur- 
ger. — Boargers fen Starum. Lex. 
460. — Boargers fen Sleat, stean op 
it is dei. II De hoarn is fol skyten 
de rottel is wei, || De koster is gek 
en de toer is mal, || Ik wyt net 
hwet ik roppe sal. Oud rjjmpje , toe- 
genchreven aan een nachtwacht te Sloten , 
dien men, toen hjj in slaap was gevallen, 
een poets had gebakken. R. ind T*, HOV. 

— De Harnzer boargers korame 
yn't lan, nou krjje wy onlijich 
w a e r, — zeemeeuwen , die als er onstuimig 
weer op handen is, landwaarts intrekken. 

— Boargers en boeren. 

boarsrerbistean, n., -hûs, n., -hiishal- 
ding, s., -jonge, m., -klean, pi. -kost, s., 
-libben, n., -Ijue, pi., -plicht, s., -pot, 
s., -skoalle, s., -stân, s., -man, m., 
minske, n., -(s) moade, s., -ôfkomste, 
ft. Zie de Enkelwoorden. 

boarsroxU, s. burger^, burgerstand. 

boarsr^i^Uli^ » a^j- burgerlek. — In 
boargerlik bistean. — Syn boar- 
gerlike hantearring, burgerlek bedrjjf, 
ld. I, 164. 

als een burger. — Dy Ijue komme 
knap boargerlik foar *t Ijucht. 

boarSTOrs-amer, s. burgeremmer, tegen- 
over: boarn-, of meikamer. 

boargje (spr. -oâ-), v. borgen, op cre- 
diet nemen, geven. Lex. 461. Hl. burgje. 

— Boargje en nea bitelje, W. D., 
Utfenh., 43, Hl. — Dy nimmen boar- 
get, nimmens boarch is, en gjin 
hoargen for eigen skulden hoeft, 
dj libbet sonder soargeu, Skûralm. 
1H79. 10/XII. 

wachten. — As it iten op 'e tafel 
«tiet, kinne sokke roppige jonges 
net lang boargje. — ' Jan boarge 
net lang, mar joech de lompert 
daelk in draei om syn earen. 

Vffl. éf; vtboargfe. 

boai^Jey ▼. dateren*: bespringen. — Us 
âlde kat het jongen krige. || Dat 
het bûrmans boarre dien. || Kin *k 



himkrije, 'kscilhirasnije, || Dat 
er net wer boarje kin, Oud Sechje. 

boarje , (spr. bodrje) , v. boren , steken. 
G. J. I, 54, 180. Hl. bnrje. — Immen 
in gat (troch de noas) boarje, na- 
deel toebrengen, in ongelegenheid brengen. 
Lex. 409. — 'kScil dy in gat boarje 
dêrst net ien heat e, mij gevoelig op 
je wreken. 

boar-lep, s. boor\'ormige spade voor het 
afgraven van teri:>en. Vgl. terp-lodde. 

boarlerjj (spr. -oa-), s. drinkpartij. 

boam'amer , s. groote houten emmer om 
het vee te drenken. — In kop, in liifas 
in boarnamer. Lex. 410. Stadfr. boon- 
eramer. Hl. bón-amer. Ookkynsens- 
amer, wegens zijn inhoud. Zie k-ynsen. 

boamdobbe, s. gegraven kuil in een 
weiland tot drenking van het vee. Lex 410. 
Ook d r i n k e r s d o b b e. Zie dohbe. 

bornput, waterbron, fontein. G. J. I, 131. 
Ook b o a r n e. 

boame, s. bron, fontein, put (put- ol 
bronwater.) v. Blom, Bik 47. G. Jap. I. 167. 
— Hl. bónne. Vgl. saed. 

boame, v. drenken, de koeien op den 
stal water geven. Stadfr. boom e. Zwh. 
met Hl. bónne. — De ky, de keallen 
boame. Vgl. havgehoarne. 

— Dat wiif boarnt hjar bern 
fiers-e n-t o folie. — lm men dron- 
ken boarn e. 

boarre, m. Eng. hoarcat^ kater. Stadfr. 
borre. Zwh. met Hl. bürre. Tieij.: ka- 
ter. — As de boarre (overdr. de man) 
fen hûs is, den is lïskat (overdr.: de 
vrouw) siik. Lex. 210, 411, 565. 

boarrel, boerrel, s. borrel. Zwh. bur- 
rel. — In boarrel vn 'e bek, in 
ribbe yn 'e sek (triv.). — Vgl. abbekate- 
boarrel. 

eigenl. bobbel , waterbel. Vgl. bobbel. 

boarrelje , v. borrelen, — borrels drinken. 

boarsalve, s. zekere soort van zalf. 

boarsel, n. fyne houtdeeltjes ontstaan 
door boren. 

boars-izer, n. boorjjzer. 

boar-skaef, s. timmermanswerktuig, om 
de kanten (boorden) glad te schaven. 

boars-om'slach , n. boorkruk. 
boarst, n. borst. Stadfr. en Zwh. bust. 
(u=Hd.ö) HL bost. — Hy het it op 't 



130ARS. 



204 



BOART. 



b o a r s t. is verkouden, aamborstig. — In w y t 
b o a r a t, een wit overhemd. — H y s e t j^ â n s 
in boarst (krop), 't is aUegearre 
krop en boa rat, hij i.s trotsi-h. — It ia 
m y t s j i n 't b o a r s t , 't stuit mij tegen 
de borat, 't ia tegen mijn zin. Vgl. k-rop. 

mamma , vrouwenborst. — In bernoan 
't boarst ha, een kind zoogen. — Hja 
het net folie boarat, tate, zog. Lex. 
411, 412. -- H j a r t w a d d e mem, d y 't 
hjar t o -boa rat hawn het en opfok- 
ke, R. ind T.«, 392'. W. Gribb. 66. 

boarst (apr, -oa-), (Zwh., Henndl. en el- 
dera), 8. fisunra, barst, scheur, breuk. W. 
C. Lapek. Lex. 41:^. Hl. böat. — Do 
wier n e se mei in boarst klear, 
in een oogwenk, R. ind T.^ 29'. — De 
goede dingen kom me oerlangaum, 
de k w e a d e mei in boarst. Zie barst. 

boarstbien, n. borstbeen. Lex. 252. Meest 

b o a r a t b o n k e , a. 

boarstbringster , f. zoogster, min die 
0]> geregelde tjjden (gewoonljjk 4 maal daags) 
bij iemand aan huia komt om de jonggebo- 
rene te zoogen. Ook ta tebririgster. 

boarste (apr. oa-), v. barsten, scheuren, 
splijten, breken, f}. .]. passim. Hl. boste. 
— De broeksban wier my boarst, 
R. ind T.2, 147". — Hy boarst fen 
greatskens. Lex. 412, 58;J. — As 't 
tongerlud oer 't rinwiet boarst, 
V. Blom, Bik.. 7. Vgl. los- , op-, vthoarste. 
Zie barste. 

boarstel (apr. boâssel), s. (rug)haar van het 
varken. Sta<lfr. bussel. Hl. hossel. Vgl. 
banjefMXfrstel. 

— overdr. De boaratela stiene him 
oerein, hij was boos, geraakt. — Hja 
h i e n e e 1 k o a r b y d e b o a r s t e 1 a , wa- 
ren aan 't plukharen. 

boarstel, a. achuier, kleerborstel. Vgl. 
hier-, hijnntc-y karhel- ^ klean- ^ koue- . neil- ^ 
shten- , toskboarMvL 

boarstelferve , s. afkooksel van provin- 
oiehout met 'fliekesied' (z. d.) 

boarstelfervje, v. met 'boratelverf klee- 
dingstukken zwart maken : 's w a r t b o a r- 
steljo'. Fr. Wjn. III. l-V*). 

boar'stelich , adj. borstelig. Lex. 412. 

-- Hoar>trlich bird, v. Hlom , Hik. SU. 

- tig. twistziek, verstoonl. Zie atikelich. 

Jboarstelje , v. borstelen , schuieren. Lex. 



412. Stadfr. bussel e. Hl. bósaelje. Vgl. 
of- y oer-i «^- 1 sicartboaratelje. 
fig. 'den mantel vegen', hekelen , berispen. 

— Ikhaw him ris goed boarstel e. 
boarstelm akker , m. borstelmaker. 
boarstich, adj. met sterk ontwikkeMe 

borsten. — In boarstich frommiske 

— . . . . van borst. Vgl. nearboarstich. 

fig. hooghartig, trotsch. — R. ind T*., 
252": boastich (volgens de uitspraak). 
Vgl. proaatich. Lex. 412. Vgl. greatboar- 
stich. 

boarstje (spr. -oii-), v, bersten, v. Blom, 
Bik., 24. Zie boarste. 

boarstklont^je , pi. , n. -k r û d o n , 
-kwael, s., -lap e. Zie de Enkelwoorden. 

boarstm akker. Zie bAkmakker. 

boarstrok, s. borstrok (vrouwcnkleeding- 
atuk). — Boerefrouljue rinne «im- 
mers wol yn 'e bleate boarstrok, 
ook: ... yn 'eboarstroksmouwen, 
zonder bovenkleed. 

boart, n. boord, scheepsboonl. Schierm. 
bues. — Oan boart gean, scheep gaan. 

— naar en in het schip gaan. M. J. , 20. 

— Heger boart, windsyde van het 
schip. — Hy häldt him oan hegor 
boart, is al dronken. Lez. 410. Vgl. 
bak- f stjurboart, 

boarter, (spr. -oa-), eg. spelend, ook 
speelgraag kind, speelmakker. — Us Jouke 
het hjoed boartersbyhim, kinderen 
op visite. — P. J., Nei de Stoarm, 69. 

boarter]], s. Ct) spelen, gespeel. Vgl. 

berneboarterij. 

boartersding, n.-, -doaze, s., -gûd 
(-ark, -reau), n., -plak, n., "tiid, s. 
Zie de Enkelwoorden. 

boartfaexn, f., -fftmke.n. speelmeisjet 
speelnootje. Lex. 414. 

boartfeint, m. speelmakker. Lex. 414. 

boartlapke, n. speelbal. — In goed 
Fries lit him net for boartlapke 
brûke. liCX. 414. 

boartlik, -Uoh, a^j* speelich , speeliiek, 
boertig. Lex. 414. G. J. pastim. — Myn 
jongbte suster is noch in boartlik 
bern, ld. 1 , 125. — y. Blom, Bik. 20^74. 

boartUkens, -UffenBy •. speelicUieid. 
Ook boartlikheit Lez. 414. 

boart-ring, s. Zie bptring. 

boartfl(|e, (spr. -o&-), a Imiert ^ ipelai, 



BOAS. 



205 



BOAZ. 



zich vlug en luchtij? bewegen, G. J. IT, 87, 
90, — spelen, boerten, stoeien, Ibid. I, 53. 
W. Gribb. 5. — Maaier mei ek graech 
ris boartsje, |I Boartsje wy togear- 
re in hoartsje, v. Blom, Bik. 74. — 
Dat famke kin wol mei hjar eigen 
bannen en foetten boartsje, sa 
fleurich is se. Vgl. hlyndoekQe)-^ forside-, 
krij{oaH)'y sabeareboartsje. 

-- Dêr de bollen boartsje, mogge 
de hoklingen wol dounsje. Lex. 414. 
Elk het syn pop dêr 't er mei boar- 
tet. Salv., M. S. 13. 

8. verb. spel, (het) spelen. — As de 
berneskoen út komme, moat it' 
boartsjen ophâlde. — Fen boart- 
sjen komt jamk bargebiten. 

boa3 , adj. hevig, onstuimig (van het we- 
der). — Itis in boas waer (Noh. voor- 
al ; Stadfr.: boos weer. — Kollumerland : 
beus). — 't Is boaze kâld. 

— Hjar mem wier in boaze fek- 
ke. — Boas yn'e mûle, brutaal tegen- 
over ouderen of meerderen. Vgl. mounich. 

— Skûralm. 1888, 8/11. — A. Ysbr. (1861), 
passim. 

boos, toornig. Meer alg. lilk, z. d. 

8. (Dongdln., Zoh.) Onnoazele grappen 
dêr scil üs harder gjin boas yn 
fine, R. ind T*., 47. — Dat mei gjin 
boas = is goed, raadzaam. Zie kwea. 

— De romte fen ierdappels forde 
winter, dat mei gjin boas. 

boa3, adj. wakker, ijverig. — Boas 
vn 't wirk. Lex. 462. 

tuk op winst. — Myn seiÏ den forkeap- 
je jimme sokke spillen ek al? 
Hwet binne jimme boas en by de 
pinken. ld. IV, 59. Vgl. f al 

— In boas fanke. een flink meisje, 
die er durft te wezen. Lex. 462. Ook: 
een schrander meisje.. Zoo ook: in boas 
w ii f , Halb. in G. J. 59. — 1 1 boas w i i f , 
TToedvrouw. Lex. 423. A. Ysbr. (1861), 6. 
Zie gotdfrou. 

boasdoarren, Zoh. pi. schuurdcuren. Zie 
ftkû(rre)doaren . 

boasdixraendery m. boosdoener, kwaad- 
doener. Ook: ^oasdieder. G. J. I, 104. 

bOMheit» 8. boosheid. G. J. passim. 

bOMk (o. a. Gronw enz.), s. verloving, 
hnweljpr. — De boask yu *t lyk is 



beide even ryk. Lex. 415. G. J. passim. 
Ook boas t(e). 

boasker^ , (Grouw enz.) , s. verloving, het 
verloven. Lex. 414, — het trouwen. R. 
ind T'., 251. N. O. G. J., I, 2. Vgl. trouwerij. 

boaskje (nog te Grouw enz.), v. zich ver- 
loven, huwen, trouwen. Lex. 414. N. 0.58. 
R. P. in Vr. Fr. X, 28. G. J. passim. Was- 
senb. Bijdr. I, 162. Hett. , Rymkes , 20. 
W. Gribb. 23: boastgje. Vgl. trouwe. 

''boastCe), s. verloving. — It boaste 
kaem yn d' earste nacht al klear. 
Alm. 12*». G. J. passim. Zie hoask. 

boastgje, v. Zie hoaskje. 

tboat, s. halssieraad der vrouwen, een 
met juweelen of andere edelgesteenten bezet 
gouden slot, waarmede twee of drie stren- 
gen gitten of kralen , ook wel parels , of 
soms fijne gouden kettinkjes, gesloten wor- 
den, om als halssnoer te dienen. Vgl. 
kroantsje. 

boat, s. & n. boot, open vaartuig. Lex. 
356, 415. Ook: stoomboot (dan altijd s.) 
Vgl. fé'^ ki/l-, nacht-f spriet-, roei- , stomboat. 

boatjild, n. geld voor vracht op een 
stoomboot. 

boatsje, dim. n. bootje, scheepje. Vgl. 
mAlkboat(sje). 

boatsjef arre , v. spelevaren. Lex. 415. 

boatsjeseil , n. zeil van een kleine boot, 
zooals men in 't Waterland heeft. R. ind 
T.', 410^ 

boatQJesile , v. in een zeilboot spele- 
varen. Lex. 416. 

boats, 8. romp van een vrouwenhemd. 

boatsman, m. bootsman op een schip. 

boatte , Fra. botte , langwerpig ronde 
spanen doos of koffertje, met deksel en heng- 
sel soms, nog by schippers in gebruik voor 
het meenemen van mondvoorraad. — Om- 
streeks 1850 nog door arme lieden gebruikt, 
om het lyk van pasgeborenen in te be- 
graven. — Ook voor het bewaren van vrou- 
wenkleeren (pelswerk). Zwh. met Hl. b u 1 1 e. 
Zie boa(%)t8ke. 

boaze (de), n. diabolus, de duivel. — 
De boaze hi e al faet op hj ar krige. 
Alm. 12«. 

boazem, s. rookleiding boven den zolder. 

boazembalke , s. de voor of in den 
schoorsteenmantel liggende balk , waarop 
de 'boazem' rust. 



BOAZ. 



206 



BODD. 



boazemdoar, a. deur in den *boazem\ 
boazemer-miette , s. overloopoml volle 
maat. Vfrl. Forj. 1894, 150. 

boazens ; s. wakkerheid, tukheid op winst. 

— Mei boazens komt men fierst. 
Lex. 462. Vgl. hoas. 

toorn , vertoorndheid. — Mei boazens 
komt men net fier. — Meest lil- 
k e n s, z.d. 

bobbe, bobbert (Stadfr.), m. logge, 
domme jongen. Sa'n bobbe, net?! - 
Ook als scheldwoord : dikkop. Zie bobbe- 
kop. 

bobbekop, eg. dikkop, botterik, dom- 
kop. Lex. 416. 

bob'bel , s. bel , waterbel. R. P. , As 
jimme, 43. Ook: b robbel. Vgl. bAl(ch), 

borrel-, veldflesch. 

bobbelje , v. borrelen , opborrelen. — 1 1 
wetter bobbelt. — Hobbeljend en 
bob b el j end, v. Blom, Bik. Lex. 417. 
Vgl, bûJ((jjJi'. 

bochel, buchel (Tietj. en in 't Zuiden), 
8. bochel, bult. Lex. 417. 

eg. bultenaar , gebochelde. S. K. F. , 
Mearkes, 35. 

bochelje, v. Zie bokkelje. 

bocht, s. bocht, kromming. — De Bol- 
setorfeart hat 99 bochten, Sechje. 

— De boe 11 t omgean, overdr. sterven. 
Forj. 1S92. 49. — Men moat mar yn 'e 
bocht kin n e , de huig naar den wind 
weten te hangen. — Hv is bang as er 
yn 'e bocht moat, lui. — De bocht 
om 'e earmtakke, de schaapjes op het 
droge. 

baai, (zee)boezem. — De bocht f en 
(Î u i n é. 

bocht, s. bjj het touwtjespringen. - In 
bocht toudounsje. -Tsjin *e bocht, 
daarbij wordt het touw in omgekeerde rich- 
ting van de gewone rondgedraaid. Zwh. 
t s j i n d e r , z. d. Vgl. yiselbovht. 

- - l* a k e moat mei y n 'e b o c h t , 
moet UHM' dansen. Lex. 418. 

- - V ov in o a r y n 'e b o c h t s p r i n- 
g «» , in tic bres zijn. 

bocht, s. slechte waar. — Bocht feu 
gûd. Lex. 4 lx. 

bochtich, adj. bochtig, gebogen. 

bochtsje, V. met een bocht, met boch- 
ten looi»en. — I) o wei, de f e a r t b o c h t e t. 



bochtsprin^^e , v. touwtjespringen, twee 
draaien het touw , de ander(en) .springt 
(springen). Zie tou-iioun^en, 
bód, n. bed. G. J. passim. Zie hêd, 
bod (spr. bbd), n. Eng. spacej bod, 
ruimte (ook van t\jd , geld , enz.) , G. J. I , 
120. —It wetter stiet by lis sa heech 
op 't hiem, dêr is mar in hänbré 
bod. — Dêrom leine se in earmetaks 
op alle huzen en landerijen. Do 
wier der bod, de earmen fregen 
net mear, mar hja easken onder- 
hald, R. ind T.*, 201*. — Der is noch 
bod, voorraad (in *t algemeen). Lex. 
419. 

— Der is nou bod oan *edei, de 
dagen z^n nu lang. 

het uitgevierde gedeelte van een lyn, touw 
of koord. — Byn my 't bod in slach 
om 't liif. Alm. 12'. 

bodjaen, vieren. — Jow mear bod, 
vier de Ijju. Ook by 't vlieger-oplaten : J o w 
de draek hwet bod. 

toegeven, zich in8chikkel{jk beioonen. — 
Wêz mar sa razen as jy wolle, ik 
scil bod jaen, K. P. 

— It is in from en earlik man, 
ik scil him bod jaen, tgd geven (om 
te betalen). 

fig. botvieren. — ... ho er ... syn 
„ho älder ho gekker" bod joech, 
Forj. 1893. 

bod, n. geboden prgs. — Alle bod- 
den oan ein wêze, zooveel geboden heb- 
ben als men kan, fig. Fra. Hre au bout du 
roiileaii. Lex. 419. — Twa oan bod, 
twee bieden hetzelfde. Ook: aan de beurt. 
— Ik bin oan bod. — For yens 
bod stean, zyn bod gestand doen, by 
verkoop. 

— Hja kamen to loof en to bod. 
aan 't loven en bieden. 

bodbriefke, n., inschrgvingsbrieQe, in- 
houdende de geboden som, bg veriiuring 
met gesloten briefes van een 'boeren- 
plaats. 

bodde, s. hut, armelyke woning. Lex. 
420. Vr. Fr. X, 368. 

bewaarplaats van levende visch achter in 
een visschersboot Vgl. hear, Lex. 421. 

bodde, 8. sleep (voertuig). YgL fMf-, 
greidhoiide. Zie thep. 



BODD. 



207 



BOEK. 



bod(de)lertJ s. Fra. houtellerie, botte- 
lery, glazekast, tot berf^ing van porselein-, 
glas-, en zilverwerk (in ouderwetsclie hui- 
zen). Wkin. bûrlerij. — De straffe op 
in gnappe kokenfaem is in lege 
boddelerij, R. ind T"., 285". — Der 
stiene fjouwer bleakers nest hjar 
yn'e boddelerjj. Ibid. 115*. 

boddelerU, s. slemperjj, zwelgerij. — 
Set dy de boddelerjjen fen dyn 
jonge jierren út 'e holle, ld. VI, 64. 
Ook boarlerjj, bûrlerg. 

bodder, eg. arbeider, werkezel. Cl. J. II, 
85. Lex. 423. — Oeds-om, dy alde 
trouwe bodder, ld. 

bodderU, s. werkzaamheid, moeite, ar- 
beid. G. J. Il, 111. Lex. 423. Vgl. gebod. 

bodding^, s. hout<en bodem in een sluis- 
kolk , — bodem in een regenwat^rsbak. Ook 
veeltijds boom. 

bodfije, y. arbeiden, slooven, zwoegen. 
G. .1. passim. — Saun jier boddet men 
om ien goed jier. Lex. 422. 

bodflje, V. de over *t land gebrachte 
aiirde met de *g r e i d b o d d e' verdeelen , 
fyn werken. Lex.. 422. Ook slypje, z.d. 

bódfije, Hl. V. Zie hêdsje, 

boe, n. klank, kik. — Hy sei nin boe 
of ba, geen enkel woord. Lex. 536. — v. 
Blom, Bik. 88. 

X Hwet seit it kouke? It seit 
boe. Ook: amoe, hamoe, z. d. 

boeba, m. fituarscb, onvriendelijk mensch, 
een die weinig spreekt. — In boeba fen 
in k e ar el. Vgl. hahok. 

Ook : zwetser- Vgl. poeha. 

boech, 8. boeg van een schip. — Fig. 
Immen dwars foar de boech kom- 
m e , verkeerd aankomen , hinderpalen in 
den weg leggen. — It op alle boegen 
bisiikje, op allerlei wgzen beproeven. — 
Op in oar boech, andere wyze, R. ind 
T.*, 87'- — Uren oer in boech, uren 
lang, Ibid. 28*. — Wy ha noch in heel 
ein (ntik) foar de boech, nog lang 
geen afgedaan werk. — It is in min 
pkip, dat op nin ien fen beide boe- 
gen sile wol. Lex. 540. 

boechljeppe (Schierm.) , v. touwtje- 
iq>ringen. Zie hochtspHnge, 

Ixiedde (Gronw) , s. zeshoekige doos voor 
*t bewaren nm lappen. Zie hoatte. 



boef, m. boef, guit, schelm. Lex. 423 J 

— dim. boefke, ook liefkozende: harte- 
dieQe. 

— Boefke spylje, oneerlijk spelen, op 
oneerlijke wyze geld terughouden. Lex. 
423, 539. Barrdl.: foefkes py 1 j e. 

boefke, s. bry van boekweitengort. — 
Ook: poefke. 

boei, s. Hd. Boie ^ boei, ton of ander 
voorwer^ï aan een ketting op het water 
drijvende, tot aanwijzing der plaats waar 
het uitgeworpen scheepaanker ligt, of een 
bank of ondiepte is. Vgl. ankerhoei. Lex. 423. 

boei, 8. band, kluister. G. J*. I, 111. pi. 
b o e ij e n s , hand- of voetboeien. Lex. 423. 
Leeuward. boeijems, l)oeijemen. — It 
doarp trochbrocht wirde mei de 
boeijens oan, Hsfr. VII , 237. 

boei, boeike, n. hondennaam. 

boei, adj. scheef, schuin. Zie hoei-om, 

scheel. — Hja sjucht gans in bytsje 
boei, W. D., Winterj. 43. 

boei! interj. rechtsom! Zie hoei-om. 

boe^e, V. boeien, de boeien aandoen. — 
It skip sit boeid, door de ebbe vast- 
geraakt. Lex. 423. 

boeiije, v. de paarden rechts doen wen- 
den of zwenken. Lex. 540. Vgl. o/"-, om-, 
troch- , \\thoe{ie. 

— It keal leit boeid, averechts (in 
de baarmoeder). 

boeiijer, s. boeier, pleiziervaartuig. Vgl. 
alcnjehoe\jer. 

boei-oxn, adv. rechtsom, bij het mennen 
van paarden , — B o e i-o m g e a r p 1 o e ij e , 
een stuk land met spiraalsge wijze loopende 
voren ploegen, waartoe men, op het einde 
van den akker komende , de paarden altijd 
rechtsom doet wenden. 

boeisel, n boord, rand van een schip. 

boek, n. boek, boekwerk. G. J. passim. 
Hl. book. — It sprekt as in boek, 
't is onbetwistbaar. — I n oarm ans boe- 
ken binne tsjuster om to lezen, 
men weet niet de beweegreden van iemands 
handelingen , kent andermans zaken niet. 

— Ik SC il jou de boeken wol iepen 
1 i z z e , nauwkeurig vertellen hoe de zaak 
in mekaar zit. — To boek stean for, 
bekend staan als... — By immen yn 
't swartc boek stean, slecht aange- 
schreven. 



BOEK. 



208 



BOEL. 



bijbel. -K rij it boek ris fen *eplan- 
k e , w y s c i 1 1 e in kapittel 1 ê z e. 

— In boek s k r i n w p o m p i e r. Vgl. 
great-, kaerie-, Us-y liete-y plak-^ printe-^ 
psalm-, rekken-, skriuic-, tsjerke-, winkel- 
hoek. 

boek, s. fagus, beuk, beukeboom. Ook 
de boomsoort. Hl. beuk. — B run e, bon- 
te boek, Ook boeken- of boekel- 
b e a m. Vgl. hage-, treurboek. 

boek'blèd, n. , -(e)bynder, ni., -{e)bi- 
ne, V. -(e) kas, s. , -(e)wrotter, m. , 
-forkeaper, m., -hal de, v., -hal der, 
m., -h II 1 d e r ij, s., -h a n n e 1, s., -h i n g e r, s., 
-(e)kiste, s. , *-skôging, s. , -winkel, 
8. Zie de Phikelwoorden. 

boekebân, s. , -disk e, n., -drukker 
(printer), m., -drukkerij (printerjj), 
s. , -j o a d , m. , -kennis, s. , -k r e a m , s. , 
-man, m., -rak (rek), n. , tas, s. Zie 
de Enkel woorden. 

boekei, s. beukenoot, vrucht van den 
beuk. Oudeschoot : b e u k e 1. 

boekelbeam , beukelbeam (Oude- 
schoot.) Zie hoek. 

boeken, adj. beuken(houteu) , van beu- 
kenhout. — in samenst. : van den beuk ; 
ook van beuken. 

boekenbeam , s. , -bast, s. , -b 1 ê d , 
n., -hage, s. , -hout, n., -sta mme, s. , 
-stobbe, s. Zie de Enkelwoorden. 

IWestel. voor de h boeken-, vóór h (en 
andere letttersj boek e-.] 

boeli^e. dim. n. boekje. Hl. boekjen. 
— Dominy preket buten 't boekje, 
uit het hoofd. — Dat giet buten 't 
boekje, buiten den regel. — Dat stiet 
net yn myn boekje. — Ut it mal 
boekje prat e, ruwe of gemeene taal uit- 
slaan. — In boekje fen im men (e at) 
i e p e n d w a e n, — B y i e n y n i n g o e d 
boekje stean, Lex. 431 , 433. — Hy 
kin prate (lige^ oft er 't út in 
boekje lést. - j)raten (liegen) alsof 't 
gedrukt staat. Vgl. herne- , fraech- , htei- , 
ju'intehoekje. 

boekstaverje , -staberje (R. P.), 
boekstaevje iv. Blom , Bik. voorr.) , v. 
Hpflb'n (Lex. 43.*ii, schrijven, te boek stel- 
h'n. Stoe 't net in hopen bet ter 

wê/.e. datst dyn fraechboek kri- 
geste t.' n b o e k s t a v e r j e d er h w e t 



yn? A. B., Bjjek., 1854, 25. — Dat 
Evangelie van Mattheus) is nou boe' 
s tav ere yn dyn eigen Rpraek, 
d. M. Ook boekstoajje. 

^boekstaverins:, -stoaUin^r, s. spellin 

boekweit (Noordel. Wouden), s. boe 
weit. ld. IV, 87. Hl. b ook weet. Zie ho 
weet. 

boekweiten, adj. (als afz. woord en a 
eerste lid der samenstelling:) Zie bokwitte 

boel, s. boedel, familiegoed, bezitting 
nalatenschap; verwarde rommel. Hl. bii' 
— De boel ia op, 't goed is verteer 
doorgebracht. — Yens eigen boel yn 
efterst bringe, zijne zaken verwaar looz( 

— In rare boel, zonderlinge, gekki 
verwarde, onrustbarende zaak. — Dat i 
wirdt in boel, lastige zaak. Een en a 
der dikwijls schertsend gebezigd. — Hwt 
is *t ofit is in boel mei Baege (Ke 
ke)! Vgl. hyboi4, 

— Hwet het dy man syn wiify 
in boel sitte litten, in een ontrei 
derde zaak achtergelaten. Lex. 422, 5:^ 
Vgl. ynhoel. 

menstruatie. Vgl. saketit, 

— In boel, menigte , veel. — In boe 
jild, en nea genôch. — In boel foU 
in bytsje wizen. Lex, 422. Zie bult f e 

boerbirédder , m. executeur-testanei 
tair, administrator van een nalatenschap, 
boer^^d, n. & 8., publieke verkoopin 
van huisraad, enz., boedelverkooping. Le: 
422. Hl. bûMge. Zwh. búlgud. — H 
woe . . . boelgûd oanstelle, A. Tsl 
(1861), 47. - Boelgûd h&lde, v. Bloi 
Bik. , 85. Vgl. boere- , fé- , ekakúi^ , Ion 
merts', tnaeyeboelgûd, 

boelgûdder, eg. die gaarne 'boelgo 
den' bezoekt, om er te koopen. - Syta 
boer is in earste boelgûdder. 

boelgûd(8)dei, s. Gron. boeldag, da 
waarop een 'boelgoed* gehouden wordt - 
Op marke- en boelg&ddagen is 
myn beste tiid, A. Ysbr. (1861), 14. 

boergûdflje, v. een boedelverkoopix 
houden. Zh. bülgudsje. — Vgl. forbot 
I giuisje. — Ook : op 'boelgoeden* iets koope: 
I — Ta reedriden en boelgüdsjen h( 
I elk sinten. 

boelfiTÛâBtafel, i. tafel, waarop by ec 
'boelgoed* de 'oproeper* itaai. — Ui men 



BOEL. 



209 



BOER. 



mo Hifdracht op *e boel^iidstafel! 
Dat moat net. — Hy kriget de boel- 
gû (latafel foar de doar, zijn inboedel 
wordt gerechtelgk in 't openbaar verkocht. 
Ook : boelgûdsbank. Zie bank\ 

boeltflje , n. boeltje , schamel inboedeltje. 
— Dat hele boeit sj e is gjin trye 
goune wirdich — Tryn Slof is mei 
hjar skurf boeltsje yn *tearmhûs 
komd. — It is in boeltsje, sei Roel- 
tsjo, niyn dochter wol de man net 
h a. Zie hoel. 

boender, boander, n. deschampia caespi- 
toAH, boendergras. Lex. 424, 552. Ook : bj i n- 
der en boendergêrs. 

pi. boenders = boenderlân, z. d. — 
Wy ha dêr fjouwer mêd boenders. 

boen'derhichte, s. kleine met dit gras 
bemoeide hoogte; geliefkoosde plekjes voor 
tien kievit, om er eiers te leggen. — Ook: 
bji nderpôle, hounebosk. 

boenderlân, n. land met boendergras 
begroeid. Lex. 424, 552. Ook boenders, z.d. 

boer, m. Hd. Bauer y boer, landbou- 
wer, veehouder, hoofd eener boerdery. Ook 
als titel, vooral bg zjjn dienstbaren. — 
De beste boer is in boer út in boer, 
een boerenzoon. — De boer het in ampt, 
hy moat oeralwêze. Lex. 556. — In 
boer moat boerbliuwe, Ned. schoen- 
maker houd je by de leest. — Hy is boer 
by nacht, iron. hy melkt by nacht hei- 
melyk andermans koeien. — Op 'e boer 
rinne of de boer op gean, langs de 
boerenhuizen loopen venten of bedelen. — 
De boer tsjinje, als knecht of meid by 
een boer dienen. Vgl. W. D., Volksl. Il, 
293 94. 

elkeen van *t platte land (schimpend in 
Jen mond van would-be meer beschaafde 
stedelingen). Vgl. úld- , hou- , greid- , heare- 
hirr-, koaler- , nyboer ; turf-, skûteboer, 

— In achtkante boer, forsch ge- 
bouwde , eenigszins lompe man. — De 
achtkante boer, een beruchte gauwdief 
uit de laatste helft der 18* eeuw. 

by het dobbelen om geld, die voor de 
inderen werpt. Vgl. W. D., Volksl. I, 863. 

pion in bet schaakspel , — boer in *t kaart- 
fpel. Vgl. herieu', klaver', kantre-j ruten- , 
fkoppen^, troef boer, 

boer (Leeuw.), s. ructus, hoorbare op- 



risping. Lex. 549/550. — 'Geev die boer 
'en stoel, als iemand hoorbaar oprispt. 

boer'achtich , adj. & adv. boersch. — 
Boerachtige minsken. — Boerach- 
tich klaeid. 

boerd (spr. boeM), n. Eng. board, bord, 
plank. G. J. 1, 74. Lex. 424, 425, 560. 
Hl. bó»de. Zh. bodrd. Vgl. bôle-, boltxje-, 
bûthûs- , dam-, draei-, driuw- , ein- y hem-, 
iis-, kas-, kelders-, mangel-, skUder-, skoar- 
8tien-j 8kriuw(skoalle)- y shjp-y tafel-, tsiis- , 
ûle- , iithing- , wynboerd, 

— Fen 't boppest boerd, van de 
beste, A. Ysbr. (1808), 6. Zie boerdtsje. 

pi. boerden (spr. buódden), ook in de 
molenwieken. — It waeit hird, de 
mounlen geane flink om sonder 
boerden. 

het bord, waarop by verkoopingen het 
bod met kryt wordt geschreven. — Gurbe 
syn hûs scil ek op 'e boerden kom- 
me, publiek worden geveild. — Hus-hiem 
1895, 55. — W. D., Volksl. I, 273. — 
Dêr kamen gjin boerden op lit, nie- 
mand deed een bod. 

— Dêr scil net folie fen to boerde 
(board e) kom me, terecht komen. Lex. 
425. 

boerde (Oosth.) , s. boord van een kleed, 
strook. Lex. 556. Zie board(eJ. 

boord , kant , rand (in 't alg.). G. J. passim. 

boer'defol, adj. boordevol. G. J. I, 175. 
Ook: boardefol. 

boerd'lint (spr. buód-) , n. boordlint , 
-band. Ook : boar-, boerlint. 

boerd'pompier (spr. buód), n. carton, 
bordpapier. 

boerdsje (spr. buódzje , Oostel.) , v. boor- 
den, omboorden. Ook: boardsje. Vgl. owi- 
boerdüje, 

boerdtsje (spr. buótsje) , dim. n. bordje, 
plankje. — Fen 't boppeste boerdtsje, 
Ned. het neusje van den zalm. — Dêr 
scille wy in boerdtsje foar skou- 
we (sjitte), Ned. een schotje voor schie- 
ten, R. ind T.", 308«. Vgl. skaat tel tsje. — 
Hy het it libben (de wrâld) op in 
boerdtsje, een gemakkelyk , lekker le- 
ventje, Hsfr. Vil, 99. 

schvijf plankje , om het bod op te schry ven, 
by openbaren verkoop van vastigheden. Zie 
boerd, 

14 



HOER. 



210 



BOER. 



lessenaar van den voorzanger, voorlezer 
(in tle kerk). 

V«jl. beiU- j hiplcister- , saci- ^ titfelboerd- 

boere (Leeuw.j, v. een 'boer' laten. Zie 
kropje. 

boe're-aerd, n., -arbeider, m., -ark, 
n., -bern, n. Üc pi., -bidriuw, n., -l)i- 
graffenis, s. (vgl. vooral W. I)., Volksl. 
I, 404—424), -bisite, s. (ibid. 1, 819), -bi- 
slaeh, n., -bist e k, n. , -boelgûd, n. , 
-boffert, s., -bul e s. (A. Ysbr. 1^^01,46), 
-1) r n 1 1 o f t , fl. , -b Û t h ii s , n. , -d o n n s , s. , 
-doarp, n. , -do e liter, f., -dracht, s. , 
-einen, pi. (A. Ysbr. 1>^61 , 10), -faem, 
f . , -f e i n t , m. , -folk, n. , -f o t .^ e , f. , 
-(f r o 11) ni i n s k e , n. , -li i e m , n. , -h û k , n. , 
-h Û zing, s. , -kost, s. , -1 e p pel, s. , 
-1 j u e (-1 i n w e) , pi. , -ni i n s k e n , jd. , 
-ni o a d e, s., -p c a r, n., -p 1 e a t s, s., -r e •^ n, 
n. , -s k n r r e , s. , -s o a n , ni, , -s pul, n. , 
-s t â n , 8. , -t s i i s , s. , -t s j i n s t , s. , -wa- 
pen, n., -wein, s. , -went, 8. Zie de 
Enk el woorden. 

boerebûter, s. boerenboter, tegenover: 
w â 1 d- en k o u ni e 1 k e r s b n t e r en f a- 
bryksbnler, — natuurboter, tegenover 
k i n 8 1 b Û t e r , z. d. 

boerefel', n. iron. in : H y het f o r- 
skate boerefel l en o]) 'e sonder 
hingjen, gezegd van een hardvoehtigen 
landheer, die zijn boeren 'het vel over de 
ooren hanlt' en ze dan van de 'plaats' drijft. 
Vgl. hoeretftrûper. 

boerefent' (8tadfr.) , m. boerenknaap , 
jonge man van 't i)latteland : ook: boeren- 
zoon. Maar: in rike boereseun. 

boereforstân , n. zooveel verstand (ken- 
nis) als erii boer gewoonlijk heeft. ; ook niin- 
aehteiul voor : niet veel verstand. — I k 
i\\ e i ni y n d o in (ni (») b o e r e f o r s t â n , 
zegt vaak iiMiiand, die niet voor dom wil 
doorgaan. 

vi'i-stand , kennis van br)iM*derij. — M a ï< t e r 
is tig»' kna]>, mar hy het gjin boe- 
re forst â n. 

boerefrysk', n. boerenfrie-;ch, landfriesch, 
tt'g«'nov«'r -la«lfri»'-(li. Vgl. frifsh- , hovrsk. 

boerehoat'ske , n. minachl^'inl: i»l«»mpe, 
innhttT»' biicn'nib'rrii. R. ind T.", 41(). 

boerejon'g^e , m. boiTenknaap; jongen, 
di«' l'ij d«'ii Imk'I' dit'nt. 



pi. boerejonges. — Hrandewyn nM 
b o e r e j o n g e s , brandewijn met rozjjnen. 

boerekoar, s., -moes, n. hrassiat oi 
rarea , boerenkool. Achtk. : heide-, 1 a n j 
of s t r Û p m o e s. 

boerekofje , s. warm bier met brand 
wijn , notemuskaat en wuiker. W. I)., Volksl 
I , 84S. .Joh. W., Oud-Nederl. 

boerekryt' , n. boerenkrijt — R e k k e i 
je mei boerekryt, vroeger veel, tbai 
nog wel in gebruik; soort van eenvoudi». 
rekening met streepjes, kruisjes en hab 
maantjes. 

boerelän', n. (het) platteland. — 1 
wenj<? Ij «Ml ver yn 't boerei ft n as y 
'e stêd. 

boereplof , s. in : mei in b o e r e p l ( 
oer de sleat Ijeappe (spring e), m 
den iH)ls in de handen op de sloot toeloope; 
en terwijl men den pols in het water n«»e 
j)lompt , er over springen. 

De 'skotsetrije' (Friesche volkridaii 
wordt ook boereplof genoemd. 

boeresnein', s. iron. weekmarktilng 
de naastbjjgelegen stad. 

boerestreek' , s. dor]) of gehucht , ei 
rij boerenhuizen (ook wel met andere hu 
zen er tusschen) , op geringen afst-and vj) 
elkander langs den weg. — De Pein (O 
einde) is in moaije boercatreek. 

boerestrû'per, m. boerenvilder, schran 
zuehtig landeigenaar. — LAnheam*] 
dy de boeren it fel oer de nekli 
hel je binne boeres