Skip to main content

Full text of "Geschiedenis der Noordsche compagnie door Mr. S. Muller Fz"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 





KROMTliF.lJiiK,\inOF 
OX'NT r.\n. KI.VNT 

NEMDKItUF THÜt 
IXSriTI-TF- Ol' PltWt li 
lllSTOItLWor TtlC 

rmrr.HT wmi i.vrwièfip Ytti 




ê 



GESCHIEDENIS 



DEK 



NOORDSCHE COMPAGNIE 



DOOR 



2^(Cr. S. S^TJIjIjER Fi. 



UITOSOSVSN DOOR HET 

PRO^TNCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP 



TAV 



KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 



UTRECHT, 
Gebk. van der post. 

ÜUB«Tin TSB hek ProriiidMl Utraehtoch Goiooticlui^ 

1874. 






< , 



« ■ 



Piaro9 Fnad. 
^^J 9 1903. 



"«MPUT «Mo . . 

"• " tT«l!CHT. 



• ■": J 



BEANTWOORDING 






DEB 

PRIJSVRAAG: 

HI8TOSI8CH OVEBZICHT VAN DE ONTDEKKINGEN DER H0LLANDSB8 
Df DB NOOBDPOOLZEEËN EN VAN HX7NNE VESTIGING OP ENKELE 
.MU NT EN , YOOBNAMELUK OP SPITSBERGEN, ALSMEDE YAN DB IN- 
^rSBNATIONALB GESCHILLEN DER NEDEBLANDSCHB REPUBLIEK MET 
BLUOELAND, DENEMARKEN EN ZWEDEN, OVER DE VAART EN VI8- 
S«HERU IN HET NOORDEN." 

ONDtE DB 8PB1UK: 



Plus ultra; 



AAM WILKX 

OR HET PROVINCIAAL ÜTRECHTSCH GENOOTSCHAP 

VAN 

KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN, 

OP DEH 24 Juni 1873, 

Z>S a-OT7Z>SN- 3B3BRSX>RUrS 

18 TOEGEWEZEN. 



VOORREDE. 



Bern enkel woord vooraf hij het in het licht zenden van dit hoek ter 
reckivaardiging van titel en inhoud , die niet geheel beantwoorden aan 
het geèUchte in de door het Provinciaal Utrechtsch Genootschap uitge" 
êckreven prijsvraag. 

Mijne aandacht werd het eerst op deze zaak gevestigd door de ver- 
mdding der internationale geschillen over vaart en visscher\j in de 
IJszee, een onderwerp mij van vroeger bekend. Het bleek mij echter 
aanstonds^ dat de hoofdinhoud der vraag — de geschiedenis der Neder^ 
landêche ontdekkingsreizen naar de noordpool — eene afzonderlijke , uit- 
voerige studie vorderde , en hoe meer ik mij daarin verdiepte , hoe meer 
ik de overtuiging erlangde ^ dat tusschen de reizen, door de Nederlan- 
ders herhaaldelijk naar Novaya Zendya ondernomen om den noordelijken 
doortocht te zoeken, en de tochten, door hen in latere jaren ter walvisch- 
vangst naar Spitsbergen gedaan ^ nauwelijks eenig verband bestond. De 
vereeniging van beide onderwerpen in éen boek scheen mjj onmogelijk. 
Berst nadat ik kennis gekregen had van de tot dusver geheel onbekende 
latere Nederlandsehe noordpoolreizen ^ gelukte het mij een aanknoo- 
pingspunt te vinden. Dien band tusschen de twee ongelijksoortige 
onderwerpen meende ik gevonden te hebben in de geschiedenis der 
Noordsche Compagnie. 

En zoodra ik dezen weg om uU de moeielijkheid te geraken gevonden 
had, kreeg het onderwerp voor mij dadelijk groote aantrekkelijkheid. 
Br is niet veel studie noodig om zich te overtuigen, dat het eenige, 
dat tot nog toe van deze cotnpagtue bekend was, bestaat in eenige 



Vm YOORRSDB. 

weinige bladzijden , door JUzema in z^ groot werk aan een of twê§ 
punten uU hare geêckiedenis gewijd. Wat men overigenê daarover vindt , 
is niets dan naschrijver^ en omwerking van het weinige^ dat JUzema 
gaf, Bn toch Ueek het my wddra^ dat men wd is waar terecht de 
geschiedenis der geoctrooieerde Oost- en West^lndische Compagnién met 
groote voorUrfde beha$tdeld had, maar dat toch de veronachtzaming van 
de lotgevallen der derde zuster, de Noordsche Compagnie, zeer te be^ 
lammeren was. 

De vroege vat van dit lichaam heeft de Nederlandsche geschiedschrjj" 
vers geheel doen vergeten , dat de Noordsche Compagnie gedurende haar 
bjjna dertigjarig bestaan nagenoeg de eenige Nederlandsche handeleoer- 
eeniging waSy die expedities uitzond ter verkenning van de noordsche 
streken y — dal zij het was, die de Nederlanders in staat stelde, daar 
met de JEngdschen gdijken tred te houden en ze soms voorbij te stre^ 
ven, — dat zij niettegenstaande schijnbaar onoverkomdijke moeidijk'- 
heden lange jaren alleen onder alle Europeesche natiën op de kusten 
der IJszee gevestigd bleef, — dat de handhaving van de eer der 
Nederlandsche vlag in die wateren tegen verschillende machtige volken 
langen tijd alleen aan hare handen toevertrouwd was, — en eindd^k 
dat hare geschiedenis eene leerzame bijdrage zou kunnen leveren voor 
de kennis der te weinig bestudeerde handelspolitiek van de Nederlanders 
der zeventiende eeuw. 

Ik zette mij dan ook dadelijk aan het werk , en was zoo gdukkig 
drie rjjke bronnen voor de geschiedenis der Noordsche Compagnie ie 
vinden , die in dit opzicht nog ondearbeid waren , en ons voor het verlies 
van het archief der ver eeniging eenigszins schadeloos stdlen. In de 
BesdluÜën der Staten-Oeneraal ontdekte ik reeds dadd^k een lange l^H 
van bedmteuy die op dit onderwerp betrekking hadden, en die, hoewel 
steeds zeer kort, een vaste leiddraad voor de geschiedenis der rereeni- 
ging leverden. Het bekende werk van Purehas bood verder een schat 
van nog onopgemerkte berichten over het begin van de wahisehvangsi 
der Nederlanders en hunne geschillen daarover met de Engdschen, 
Einddijk trof ik op het Byks-arehief eene porttfemüe met stukken 
aan, die door wijlen den rijks-archivaris Bakhuizen Van den Brink — 
meest uit de liassen der inkomende brieven aan de SUaten-Oeneraal — 
waren bijeengebracht, en die onder den titd * Noordsche togten^^ eene 
wd is waar ongeordende, maar overigens toor mijn onderwerp geheel 
gereedgemaakte verzamding bleken te zijn, Ddarin vond ik de meeste 
eemgszins uitvoerige bouwstoffen voor mijn werk. Het vid m\j gemak» 



VOOEREDE. IX 

Irdijk , het ontbrekende uit de liassen van brieven , uit Dme^narken aan 
de Staten^Generaal gericht y uit de verbalen van enkele ambassaden en 
uU de 8entefitif''n van het Hof van Holland nog eenigermate aan te 
vullen y en het resultaai van dit alles bi^d ik hierbij aan liet publiek 
aan. Wil men zeggen , dat het weinig is, ik zal de eerste zijn om liet 
te erkennen. Nu het archief der compagnie eenmaal verloren is , ?noeten 
er natuurVjk bijna op elke bladzijde van hare inwendige geschiedenis 
vraagteekens blijven staan, en met name moet al, wat naar statistiek 
ffweemt, steeds wijde gapingen vertoonen. Nog veel hinderlijker is het 
genUê der archiefstukken bij het verhaal der ontdekkingsreizen. Ik heb 
im het daarover handelende hoofdstuk bijna niets anders kunnen doen , dan 
de brotmen te gebruiken , waarop reeds da aandacht gevestigd was door 
den heer De Jonge, wiens niet genoeg te waardeeren ver diëtiste het is, 
dat k\j bijna voor elk gedeelte der geschiedenis van onze handel en 
zeevaart nieuwe brofinen geopend heeft. De hoogste lof dien ik hierbij 
kan oogsten j is dan ook , dat ik een goed gebruik gemaakt heb van wat 
hij gevonden heeft. Ongelukkig geven die bronnen hier echter bijna 
niets over de resultaten der mitdekkingsreizen , en voor aardrijkskunde 
en cosmographie is het verhaal dan ook zonder waarde. Maar de 
enkele namen ^ dagteekenifigen en aanduidingen van bezochte kusten, die 
ik heb kunnen opsporen ^ geven op verrassende wijze eeti nieuwe getui- 
genis van de verbazende volharding en de uitgebreide kundigheden onzer 
voorvaderen. Mocht het mij gelukt zijn^ die nieuwe aanspraak van 
het voorgeslacht op onze bewondering in het licht te stellen/ 

Nog een enkel woord. Men zal in dit werk niet gesproken vinden 
van de in de prijsvraag vermelde geschillen met Zweden. Ik heb daarvan 
niet het minste spoor kunnen ontdekken. In het door mij behandelde 
igdvak hebben ze zonder eenigen twijfel niet plaats gehad, en ook dl 
WOB mij van latere diplomatieke geschillen met Zweden iets gebleken y 
ik zou gemeend hebben de eenheid van mijn werk niet te mogen ver- 
breken ter wille dier in ieder geval onbeduidende ttcisfen. — Jnders 
is het gesteld met het eerste» hoofdstuk van dit boek. Het valt in het 
oog, dat het hier niet thuis behoort. IVare ik vrij geweest in de 
behandding van mijn onderwerp ^ ik had dit hoofdstuk met de nu 
onvermgdelijke inleiding dan ook laten vervallen en alleen in een kort 
woord vooraf de Nederlandsche ontdekkingsreizen in het noorden vóór 
1614 besproken, met bizondere vermelding der plannen van Thome 
Plandus en Barendsz. en der reizen van Jan Cornelisz, Hgp en Henry 
Hudeon, die samen de eer van SpUsbergens ontdekking moeten deelen. 



▼ 10ia.23S. 



Vr r^ktmi m^fifimtji ^mm UMJm piam oi 4t jrntaU 
^ 4it vKé' dW T^ »y 'v'MÊÊfétt. Er itij/t mti 
«i«)r^ 4»^« êmrteii^km iamk > ii fiy ■ jot mZoi. & «1/ 97 
Vvfr^vM^ i^Ê nmm i , heUfsmmm zsfm j e wmt L Ik 
m Jk^ •m tm tdtsr ém hietsr r yoh-^rdÊÊamiM Vim 

éfüfj^rmk npUlém mmiem . tmtmea» ^tL^mÊeem, lekemd it . — -iem 
ik^^mriM Ofmp/^l . Se mi} zé f 4 met apnf»erim§ oai ^j» vrtj es tijd im 
4^ ^fi^fitmèéfU kêfift tniU^M ddU» de mtfCMen^ emrptoL mi FyerdhoM 
téAiM'tm m^k . Ae ik hekaefie. te 11 1 lm in ffyi ■, — ^bi keer Lewpe^ 
Se met n^eiü weri w^j «oor mj» merk memme bomanÊo^em mmm te 
myjidm , weieBfimk hj h*j s-jne Imêfémriee icad&v leer de yeieriamdmrke 
rek§eie eer ze^tei^iygfne (seMte kmtte men ^ekn^eM . ^-^ m eueeei^k ans 
iieer BemM te Utreekt, Se e^gt w»eer dmm §emnme Mpm^dïf k eid 
m^ «M Jk^/t tpiüem ieiwlpremm liju hij kei teekeaem der kierhij 
nnepée ke^fri. 



INLEIDING. 



«Men kan zich niets treuiigers denken dan het voorkomen van 
SpitsbergenB kusten, wanneer de heuvelen, bedekt met vcrsch ge- 
vallen sneeuw, in nevel en mist gehuld zijn, maar men zal ook niet 
licht een schitterender en vrolijker tafereel aanschouwen, wanneer 
op een schoenen dag do wolkenlooze hemel prijkt iu zijn onover- 
troffen donkerblauwen tint , terwijl de zon hare stralen uitschiet, 
getemperd door die eigenaardig zachte en toch heldere atmospheer, 
die een besneeuwd landschap altijd omgeeft. Op zulk eeneu dag 
is de wind bij het land nauwelijks merkbaar, dikwijls is het zelfs 
volkomen stil, maar de stranden zijn vol beweging en leven. De 
geheele natuur schijnt dankbaar te ziju voor den heerlijken zon- 
neschijn, al wat leeft verheugt zich eu is vrolijk. 

>Zulk een dag was de 4® Juni (1818). Wij allen waren verrast 
door de verandering van de sombere atmospheer der opene zee in 
den vrolyken glans , die de heuvelen en de kalme oppervlakte van 
de Magdalena-baai bestraalde. Niemand voelde de koude , eu toch 
waren wy omringd door sneeuw en ijs , toch stond de thermometer 
slechts even boven het vriespunt. Verschillende soorten van am- 
phibiCn , duizenden vogels , die hier byeen waren , schenen zooveel 
zg konden van de kortstondige warmte te genieten , die hun de 
zonneschyn bood. Reeds vroeg in den morgen weergalmde het 
strand onophoudelyk van de vrolijke kreteu der watervogels ; 
overal vermengde zich het afgebroken geblaf van den zeehond met 
het speelsche gebrul van troepen walrussen , die zich in de zonne- 
stralen koesterden. 

» Zeker, er was geen harmonie in deze vreemde mengeling van 
geluiden ; maar toch hoorden wij ze met genoegen omdat wij wis- 
ten dat dit alles eene uiting was van ^eluk. Het was een genoegen 
van denzelfdeu aard als dat van iederen reiziger, die op een helde- 
ren avond in een tropisch klimaat luistert uaar het vrolijk gegons 
van duizenden gevleugelde iusecteu , zoodra de zon ib oudorgegaan. 
Zoo verschillend heeft de groote Schepper der natuur zijne giften 
verdeeld ! In de vei*schroeiende hitte onder de keerkrln^^ew ^v^^V 



fa#'t dalen dor zon duizenden kleine wezens tot vrolijkheid en be- 
weging op, waartoe zg onder de stekende stralen der middagzon 
de kracht niet hadden. Hier int<*gendeel is de zonsondergang het 
teeken tot algemcene rust. 

» Zoodra die tijd van den dag in de Magdalena-baai was aange- 
broken, ontstond er dan ook eene stilte, die aan het verhevene 
grensde , eene stilte , slechts afgebroken door het barsten van een 
gsberg of het vallen van stukken rots , die van de bergen afrol- 
den. En zelfs deze geluiden, die over de kalme oppervlakte der 
baai weergalmden, braken het algemeene zwggen niet at: als zij 
weldra in de verte verstierven, was de stilte die ze achterlieten 
nog dieper dan te voren. 

»Over dag ging de aanwezigheid onzer schepen niet onopgemerkt 
voorby. De vogelen ontweken ons in hun vlucht. Elk geraas , 
dat toevallig gemaakt werd, was daar vreemd: de zeevogels, die 
tusschen de rotsen vischten, trokken zich verder terug, geheele 
troepen van dieren , die anders grootendeels in diepen slaap zou- 
don verzonken geweest zgn, bleven wakker en op hunne hoede. 
Telkens wanneer er iets op het dek viel , lichtten zij hunne kop- 
pen op en wierpen onderzoekende blikken over de baai, als om 
te vernemen waardoor zulk een ongewone stoornis werd veroor- 
zaakt. Deze zwakke geluiden, die op bewoonde plaatsen zeker 
onopgemerkt zouden gebleven zijn , bewezen meer dan iets anders 
hoezeer de mensch hier een vreemdeling is. Ik moet bekennen, 
dat deze bewustheid iets streelends had door de overtuiging, dat 
wy ons op eene plek bevonden , slechts zelden vóór ons door men- 
Hchen bezocht.** *) 

Zóo moet Spitsbergen zich vertoond hebben aan hen , die op 
het einde der zestiende eeuw bet vroeger geheel onbekende land 
bezochten ; zóo beschryft nog in onze eeuw een Engelschman den 
indruk , dien de verlatene stranden van dit barre gewest op hem 
maakten. En geen wonder, zoo Spitsbergen eeuwen achtereen 
eenzaam was! De natuur schgnt dit land, verscholen in den 
uitersten hoek der aarde, door een dam van ys aan den blik 
der menschen te hebben willen onttrekken. Reeds de groote be- 
zwaren, verbonden aan het bezoeken van streken, waar schyn- 
baai niets is wat den mensch kan aanlokken, leidon tot de ge- 
volgtrekking , dat Spitsbergen voor altoos even eenzaam bly ven 
zou als de ontdekkers het vonden. 

Toch is dit niet het geval geweest. In de eenwen, die tus- 
schen de ontdekking en het hierboven beschreven bezoek verlie- 
pen, is het land niet alleen herhaaldelijk bezeild, maar zjjn de 

') Beechey, Voyage of Diicovery towards the North Pole, gecit. io: White , 
Spitzbergeu and Grecniaod. p. VUT — X. 



steeils met sneeuw en ijs bedekte kusten het tooueel geweest van 
bet drukke gewoel eener handelsnederzetting, de bron waaruit een 
j«>Qgdig volk een winst van millioenen te voorschijn bracht ^ een 
voorwerp om welks bezit zelfs de machtigste volken der zeventiende 
eeuw lang en hardnekkig gestreden hebben. » Indien men deeze 
tyden hadde mogen beleeven, of noch beleevon mogt/' roept een 
Hollandsch schry ver uit , » wat zou men zich met lust en y ver aan 
de Visschery konnen overgeeven! Want gelyk meest alles door 
schaade of voordeel, welgevallig of ongevallig, licht of zwaar 
word gemaakt, zoo is dan by gevolg, dit voor veelen een bc- 
haaglyke Visschery geweest , geovende niet alleen groot voordeel 
aan de Beeders , maar teffens voor de Commandeurs , Hai'poniers 
en meer andere Belanghebbers , die door veel te vangen , zoo 
veel te meer partgeldt verdienden. Alle de Kookeryen en Pak- 
hnizen maakten gelykzaam een buurt of klein Dorp uit , 't welk 
dieshalven niet oneigentlyk naar de nering, het Dorp Smeeren- 
burg wierd genoemt. Nademaal de Schepen dubbelt volk voer- 
den, zoo was *tdaar dagelyks 'tzy in de Schepen, in de Sloepen 
of op 't Landt niet weinig drok ; derhalven quamen *er ook met 
deeze Schepen, gelyk in de Leegers, eenige Zoetelaars over, die 
in bun eigen behuizing, of in de Pakhuizen hunne Waaren, als 
Brandewyn, Tabak, en meer diergelyke dingen verkochten; ins- 
gelyks quamen er ook Bakkers om Broodt te bakken, wordende 
des morgens wanneer de warme bollen en 't wittebroodt uit den 
oven quam, op den Hoorn geblaazen; zulks dat aan dit Smee- 
renburg, omtrent den zelvigen tydt met Batavia gesticht, in 
dien tydt lustig wat te doen viel, schoon echter niet in verge- 
lyking met deeze Javaansche Hoofdstadt; niet te min was 'er 
mede ül vry veel gewoel, en naar de gelegentbeit van 't Landt 
taamelyk wat te bekomen, mogelyk ook de Wyn en Braudewyn 
reedelyk goed koop." >) 

Zulk eene drukte, zulk een gewoel vertoonde zich aan den bezoe- 
ker van Spitsbergen lang voordat een halve eeuw na de ontdekking 
verloopen vras; nog een halve eeuw later en de kusten waren 
sedert lang weder tot hare vorige eenzaamheid teruggekeerd! 
Slechts een enkele verdwaalde walvischvaarder, een zeldzame we- 
tenschappelgke reiziger storen nu en dan met groote tusschen- 
poozen den ijsbeer en den zeehond in hunne worstelingen op leven 
en dood. Zelfs de reusachtige bewoner der zee, de walvisch, 
heeft voor goed Spitsbergens stranden verlaten. 

Kan men zich wonderlijker geschiedenis van oen land denken? 
Sinds de vroegste tijden onbewoond , plotseling geduniiide «'cu 
halve eeuw druk bezocht, zoo druk dat de wedijverende natiün 



'j Zorgdrager. Gnieul. viMch. p. 215, 227, ^^2S. 



4 

elkander van de kust trachten te verdringen, en daarna even 
plotseling en voor goed in de eenzaamheid teruggevallen ! Zeker, 
de lotbcdeeling van alle staten is rijk aan verrassende wendin- 
gen, welk land heeft echter zulk eene korte eri tevens zulk eene 
belaig wekkende geschiedenis ? 

Het is mijn voornemen deze geschiedenis van Spitsbergen in de 
volgende bUden te verhalen ; de ontvouwing der redenen , die tot 
het bevolken en het verlaten van dit land geleid hebben, zal mg 
tevens gelegenheid geven een belangrijk en nog onbeschreven 
hoofdstuk van onze eigene handelsgeschiedenis te schetsen. Voor- 
dat ik echter daartoe overga , is het noodig een overzicht te ge- 
ven van de vroegste tochten in de IJszee , die middellgk tot de 
ontdekking van Spitsbergen geleid hebben. 

Reeds vroeg in de middeleeuwen , kort na den dood van Karel 
den Groote, was er eene natie, die bijna de geheele uitgestrekt- 
heid der noordelijke IJszee, voor zooven e zij het tooneel was 
van de onttlekkingsreizen der zestiende en zeventiende eeuw, had 
bevaren. Deze natie , de Noormannen , had niet slechts hoog in 
het noorden hare kolonit^n steeds meer vooruitgeschoven totdat 
zelfs Groenlands westkust op een trap van beschaving stond , die 
in die streken sedert niet weder bereikt is, maar zij bezat zelfs 
vrij nauwkeurige kennis van het groote vasteland aan den over- 
kant des aardbols, dat eerst vele eeuwen later aan het overige 
Europa bekend zou worden. Door de uitvoerige verhalen , die 
hunne kroniekschrijvers daarvan hebben nagelaten, kunnen wg 
ons eene vrij duidelijke voorstelling van de bedoelde ontdekkings- 
tochten maken. 

Had nog vóór 890 de Noorman Octher de Noordkaap omzeild 
en, verre voorbij de piek waar later Kola stond gestevend, 
zijne reis misschien tot zelfs aan de Witte Zee uitgestrekt , reeds 
vroeger was IJsland door zijnen landgenoot Naddodr ontdekt (860) 
en spoedig daarop door Ingolfr gekoloniseerd (874). Het kon niet 
lang duren of de zeevarende bewoners van IJsland, dat als het ware 
de brug vormt van Europa naar Amerika, werden bekend met 
het bestaan van Groenland. En werkelijk was dit zoo. Wel 
bad de eerste ontdekking van dit groote vasteland door den IJs- 
lander Gumbiörn (880) naar het schjjnt geen gevolg, maar toen een 
ander, Erikr Rauthi genaamd, in 982 en 983 de kusten nader 
ondei-zocht had , was spoedig bij hem het besluit gerypt eene volk- 
planting van IJsland daarheen te voeren, een besluit reeds in 985 
en 986 ten uitvoer gelegd. De vestiging leidde weldra tot eene 
kolonisatie op uitgebreide schaal. In twee gedeelten, den Ooster- 
en Westerbygd, gescheiden door de onbewoonbare wildernis 
Ubygd, bevolkten de IJslanders de zuidwestkust van Groen- 



land. ') De noderzetting , vooral de meest zuidelijk gelegen Oos- 
terbygd, bloeide aanvankelijk zéér. Vele dorpen, waarbij na de be- 
keering der bewoners tot het Christendom (door Leifr Erikson 
omstreeks 990) vei*scheidene kerken verrezen , ontstonden langza- 
merhand. In jacht en visscherij en door talrijke kudden vond 
men overvloedige middelen van bestaan. Het verkeer met Noor- 
wegen was levendig, de handel niet onbelangrijk; het schynt 
zelfs dat de Grocnlandsche kolonie schatting aan het moederland 
betaalde. Ën geen wonder! de volkplanting wist zich zelve te 
helpen en scheen door hare ondernemingszucht te toonen , dat zij 
levenskracht bezat. Immers niet alleen strekten zich do tochten 
der jeugdige Grocnlandsche nederzetting ter walvisch vangst hoog 
in het noorden door straat Davis tot in de Baffinsbaai uit, zóo 
zelfs dat z|j in 1266 het eiland Disco bereikten, maar ook het 
verkeer met hot Amorikaansche vasteland was levendig. Reeds 
spoedig na de aankomst in Groenland had Bjarni Herjulfrson 
toevallig do streek lands bij het tegenwoordige Boston ontdekt 
(986) en sinds het jaar 1000 was de verdere ontdekking van 
dit heerlijke gewest, dat men Vinland noemde, gevolgd: over- 
winteringen in het zachte klimaat waren niet zeldzaam geweest. 
Hoewel kolonisatie en zelfs handel door de vijandige houding der 
inboorlingen onmogelijk bleek , ondernamen de stoutmoedige Groen- 
landeis eeuwenlang gedurig tochten naar het nieuwe land. Voor- 
namelijk om de rijke ladingen hout, die zij daar vonden, was 
het te doen : hout was een artikel in het eigen land niet te vinden 
en toch bepaald onmisbaar. 

En toch, niettegenstaande al de ontwikkelde energie ging de 
kolonie eindelijk te niet. Op den duur schijnt het klimaat, de 
grond van Groenland te bar geweest te zijn , dan dat de bewoners 
onafhankelijk van alle hulp uit Euroim konden bestaan. Aanvan- 
kelijk was dan ook het verkeer vrij geregeld geweest: na den 
dood van den bisschop van Groenland was altijd dadelijk weder 
een opvolger derwaarts gezonden ; ook tot het drijven van handel 
landden niet zelden schepen, die de Groenlanders van noodzake- 
Igke levensbehoeften voorzagen. Toen echter in de eerste jaren 
der vgftiende eeuw de beroemde Margaretha van Denemarken in 
een oogenblik van ontevredenheid plotseling alle verkeer met de 
verafgelegeno kolonie verbood, hielden natuurlijk alle berichten 
uit Groenland op. Langzamerhand vergat men in Europa de 

*) Vol^Qs de vroeger algemeen hccrsehende inecning was het Groenlands 
oottkwt, die door IJslanders bevolkt werd. Het is hier de plaats niet, deze 
meening te wederleggen , die voornamelijk schijnt te steunen op den verkeerd 
begrepea naam Oosterbygd. Door de resultaten van Graahs eipcditie naar Groen- 
Uiids ooetkuft en het yinden der mines van de Noorweegsehe huizen op Groen- 
landi weatkutt sehyni m^ de zaak echter nu uitgemaakt. 



rm YOOEEEDS. 

toemige Uadz}jden , door AUzema in e^ groot werk aan een of twee 
punten uU hare gescAiedems gewyd. Wat men overigene daarover vindt , 
u nieis dan naechrijverij en omwerking van kei weinige ^ dat Jitzema 
gaf, Bn toch bleek het my weldra, dat men wel ia waar terecht de 
geechiedenis der geoctrooieerde Oost" en West^lndische Compagnim met 
groote voorliefde behandeld had, maar dat toch de veronachtzaming van 
de lotgevallen der derde zuster, de Noordeche Compagnie, zeer te be^ 
lammeren was. 

De vroege val van dit lichaam heeft de Nederlandsche geêchiedechr\f^ 
vers geheel doen vergeten , dat de Noordsche Compagnie gedurende haar 
byna dertigjarig bestaan nagenoeg de eenige Nederlandsche handelsver^ 
eeniging was, die expedities uitzond ter verkenning van de noordsche 
streken , — dat zij het was , die de Nederlanders in staat stelde , daar 
nut de Bngelschen gdijken tred te houden en ze soms voorbij te stre* 
ven, — dat zij niettegenstaande schijnbaar onoverkomelijke moeielijk' 
heden lange jaren alleen onder alle Eurcpeesche natiën op de kusten 
der IJszee gevestigd bleef, — dat de handhaving van de eer der 
Nederlandsche vlag in die wateren tegen verschillende machtige volken 
langen tijd alleen aan hare handen toevertrouwd was, — en eindelijk 
dat hare geschiedenis eene leerzame bijdrage zou kunnen leveren voor 
de kennis der te weinig bestudeerde handelspolitiek van de Nederlanders 
der zeventiende eeuw. 

Ik zette mij dan ook dadel^k aan het werk , en was zoo gelukkig 
drie rijke bronnen voor de geschiedenis der Noordsche Compagnie te 
vinden , die in dit opzicht nog onbearbeid waren , en ons voor het verlies 
van het archief der vereeniging eenigszins schadeloos stellen, In de 
RescluÜën der Staten-Oeneraal ontdekte ik reeds dadd^k een lange l^st 
van beduiten, die op dit onderwerp betrekking hadden, en die, hoewd 
steeds zeer kort, een vaste leiddraad voor de geschiedenis der vereeni- 
ging leverden. Het bekende werk van Purchas bood verder een schat 
van nog onopgemerkte berichten over het begin van de walvisehvangst 
der Nederlanders en hunne geschillen daarover met de Engdschen. 
Emddyk trof ik op het B^ks^rehief eene portefeuille met stukken 
aan , die door wijlen den rijks^archivaris Bakhuizen Van den Brink — 
meest uit de liassen der inkomende brieven aan de Staten-Oeneraal — 
waren bijeengebracht, en die onder den titd ^Noordsche togten^'^ eene 
wd is waar ongeordende, maar overigens voor mjjn onderwerp geheel 
gereedgemaakte verzameling bleken te zijn. Ddarin vond ik de meeste 
eenigszins uitvoerige bouwstoffen voor mijn werk. Het vid m'^ gemak- 



VOORREDE. IX 

Icelijk, het ontbrekende uit de Haaien van brieven, uit Dmetnarken aan 
de Staten'Qeneraal gericht y uit de verbalen van enkele ambassaden en 
uit de Sentetiiié'n van het Bof van Holland nog eetiigermaie aan te 
vullen, en het resultaat van dit alles bied ik hierbij aan het publiek 
aan. JFxl men zeggen , dat het weinig is , ik zal de eerste zijn om het 
ie erkennen. Nu het archief der compagnie eenmaal verloren is, moeten 
er natuurlijk bijna op elke bladzijde van hare inwendige geschiedetiis 
vraagtetkens blijven staan, en met name moet al, wat naar statistiek 
sweemt, steeds wijde gapingen vertoonen. Nog veel hinderlijker is het 
gemiê der archiefstukken bij het verhaal der ontdekkingsreizen, ik heb 
in het daarover handelende hoofdstuk bijna niets anders kunnen doen , dan 
de bronnen te gebruiken , waarop reeds de aandacht gevestigd was door 
den heer De Jonge, wiens niet genoeg te waardeeren verdiefisfe het is, 
dat hij bijna voor elk gedeelte der geschiedenis van onze handel en 
zeevaart nieuwe bronneti geopend heeft. De hoogste lof dien ik hierbij 
kan oogsten , is dan ook , dat ik een goed gebruik gemaakt heb van wat 
hij gevonden heeft. Ongelukkig geven die bronnen hier echter bijna 
niets over de resultaten der ontdekkingsreizen, en voor aardrijkskunde 
efi cosmographie is het verhaal dan ook zonder waarde. Maar de 
enkele namen, dagteekeningen en aanduidingen van bezochte kusten, die 
ik heb kunnen opsporen, geven op verrassende wijze een nieuwe getui- 
genis van de verbazende volharding en de uitgebreide kundiglieden onzer 
voorvaderen. Mocht het mij gelukt zijn, die nieuwe aanhaak van 
Met voorgeslacht op onze bewondering in het licht te steUen! 

Nog een enkel woord. Men zal in dit werk niet gesproken vinden 
van de in de prijsvraag vermelde geschillen met Zweden, Ik heb daarvan 
niet het minste spoor kunnen ontdekken. In het door mij behandelde 
tijdvak hebben ze zonder eenigen twijfel niet plaats gehad, en ook al 
was my van latere diplomatieke geschillen met Zweden iets gebleken , 
ik zou gemeend hebben de eenheid van m\jn werk niet te mogen ver- 
breken ter wille dier in ieder geval onbeduidende twisten. — Jnders 
is het gesteld met het eerste hoofdstuk van dit boek. Het valt in het 
oog, dat het hier niet thuis behoort, ff^are ik vrij geweest in de 
behandeling van mijn onderwerp ^ ik had dit hoofdstuk met de nu 
onvermijdelijke inleiding dan ook laten vervallen en alleen in een kort 
woord vooraf de Nederlandsche ontdekkingsreizen in het noorden vóór 
1614 besproken, met bizondere vermelding der plannen van Thome 
Flancius en Barendsz. en der reizen van Jan Comelisz. Rgp en Henry 
Hudson, die samen de eer van Spitsbergens ontdekking moeten deelen. 



8 

volgden zy ook slechts op de baan die Colnmbns geopend had , 
toch zgn zg de eigenlfjke ontdekkers van Amerika ') en honne 
meer veelzijdige werkzaamheid heeft hunnen naam ook op het ge- 
bied der noordpoolreizen met onverwelkbare lauweren omkransd *). 
Giovanni Cabot , een Venetiaan die zich te Bristol gevestigd had , 
verkreeg 5 Maart 1496 van Hendrik YII van Engeland eene akte 
om met zijne drie zonen ter ontdekking van onbekende streken 
te mogen uitvaren. De reis, die daarop door hem ondernomen 
werd, leverde de belangrijkste resultaten: den 24 Juni 1497 
zette Cabot bij Newfoundland het eerst den voet op Amerikaan- 
schen grond en zeilde van daar eenige weken zuidwaaii;s langs 
eene geheel onbekende kust. De koning was door de mede- 
doeling hiervan zoo verrast, dat hij dadelijk een nieuw patent 
aan don reiziger verleende (13 Februari 1498). Weldra rustten 
do Cabots zich dan ook tot eeno tweede ontdekkingreis uit. 
Ditmaal was het Giovanni Cabots tweede zoon Sebastiaan, die 
den tocht ondernam. Zijn doel was echter niet het verder onder- 
zoeken van het nieuwgevonden land: Amerika werd steeds door 
hem beschouwd als een hinderpaal voor het vinden van zijn ideaal, 
een korten weg naar Oost-Indil*. Ook het resultaat van deze 
reis was allorgewichtigst. Het moet ieder met bewondering voor 
Cabot vervullen , dat hij , de eerste die het plan om eene noord- 
westelgke doorvaart naar Oost-IndiCJ to zoeken opwierp, de eer- 
ste die daarnaar zocht, reeds dadelijk de twee wegen vond, die 
ook nu nog als de eenige beschouwd worden , die kans op wel- 
slagen in het noordwesten bieden: de beide zeeöngten, die haren 
naam, met voorbijgaan van haren ontdekker, van de veel lat<?re 
reizigers Davis en Hudson hebben ontvangen '). 

Het voorbeeld door Cabot gegeven vond weldra navolging. In 
eenen tijd, toen de lust tot ontdekkingen nagenoeg geheel Eu- 
ropa bezielde, was het niet meer dan natuurlijk, dat ook bijna 
alle handeldrijvende natiën Cabot op zijnen weg volgden. Het zoe- 
ken van eenen doortocht naar Oost-Indië midden door Amerika 



* ) Cabot bereikte het vaste land van Amerika in 1 497 , dus een jaar vuor 
Columbus. Bovendien schijnt Cabot de eerste geweest te zijn, die bemerkte, 
dat de gevondene landstreken niet een deel van Azië waren, maar een nieuw, 
tot dusverre geheel onbekend werelddeel, (cf. Asher, Itudson the Navigator, 
p. LXXl.) 

*) Zie over de Cabots: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 89,90. — Rundall , 
Voyagcs tow. the North-wcst. p. 4 — 6. — Richardson , Polar rcgions. p. 36 vlg. , — 
en vooral: Asher, Hudson the Navigator, p. LXVl— LXXV, CIl , CXX— CXXIII. — 
Het hoofdwerk over de Cabots is : Biddle , Mcmoir of Sebastiau Cabot. 

■) Waarschijnlijk werd straat Davis door Cabot eerst op z^'ne reis van 1317 
ontdekt. De berichten omtrent de beide reizen nju echter zeer verward. 
(cf. Asher, Hudson the Navigator, p. LXXIll, CXX.) 



werd het doel van verscheidene ondernemingen. Van de meesten 
zijn slechts zeer onvolledige berichten tot ons gekomen, slechts 
de meer bekende vermeld ik hier. De Portugeezen waren ook 
hier wederom de eersten. Reeds in 1501 deed een edelman van 
die natie, Gaspar de Cortereal, een reis naar Amerika*s noord- 
kust. Misschien onder het zoeken naar Hudsons-straat , misschien 
oo\ terwgl hij trachtte een anderen weg dan den door Cabot 
aangewezene te vinden, verviel hij in eene zeer natuurlijke en 
later algemeene vergissing. De wijde mond van de St. Lau- 
rens- rivier, die in de golf van dien naam eindigt, werd voor 
eene zeeöngte gehouden. De berichten, die men al spoedig van 
de inboorlingen verkreeg over de gi'oote zee , waarnaar die stroom 
leidde (de vijf groote Amerikaausche meren) konden niet anders 
dan dit vermoeden bevestigen. Cortereal was de eerste die dezen 
weg onderzocht. Zijne ontdekkingen bepaalden zich dan ook tot 
de *golf en de riviermonding van St. Laurens en t^t de omlig- 
gende kusten. Een tweede tocht leidde tot geen verder resultaat 
en de moedige reiziger zelf vond daarbij den dood. 

Ook de Franschen deden spoedig pogingen om hun aandeel in 
den roem hunner tijdgenooten te bemachtigen. Maar eerst na 
twintig jaren vruchteloos gezocht te hebben, vonden zij kluchtige 
hulp in den Yenetiaan Giovanni di Verazzano, die zijne diensten 
aan Frans I aanbood. De koning nam ze gretig aan en gaf hem 
het bevel over een schip, waarmede de reiziger in 1524 den 
oceaan overstak. Vomzzano handelde onder de bepaalde overtui- 
ging, dat er een westelijke doortocht naar Oost-Indië moest 
zgn, naar het schijnt echter zonder bepaald plan waar die was. 
Om zeker te zijn , dat de gewenschte zeeöngte hem niet ontsnappen 
zou , stuurde hij zuidwestelijk en ontdekte de Amerikaausche kust 
op 34* NB. Van daar noordwaarts langs het strand stevenende 
onderzocht hij de baaien , die hij ontmoette (voornamelijk den 
mond der Hudsons-rivier en de Narraganset-baai) en zette zgne 
tochten voort tot de noordpunt van Newfouudland. Omtrent 
de St. Laurensbaai schijnt hij beter ingelicht te zijn geweest dan 
zfjne voorgangers; maar daardoor moest hg nu ook, toen de 
levensmiddelen begonnen te ontbreken, naar huis keeren zonder 
zelfs hoop op een bepaalden doortocht te kunnen geven. De be- 
kende reizen van den Franschman Jaques Cartier in 15B4 en 1535 
slaagden nog minder goed: evenals Cortereal bepaalde hij zich 
tot onderzoekingen op de St. Laurensrivier, waar hg meende den 
noordwestelijken doortocht te zullen vinden. De volkplantingen 
door Cartier later (1540) naar de dus bekend geworden streken 
gevoerd hebben zijnen naam echter een eervolle plaats in de ge- 
schiedenis verzekerd. 

De Spanjaarden , bezitters van een gedeelte der Amerikaansche 



10 

strekpn , waardoor men verwachtte dat de doortocht zou loopen , 
wareD niet het miust ijverig in het zoeken daarnaar. Sinds 1500 
deden zij onophoudelijk tochten langs de kust, voornamelijk in 
Middel-Amerika. De beroemde Fernando Cortez maakte zelfs een 
plan om de geheele Noord- Amenkaansche kust, zoowel de oost- 
als de westzijde te doen onderzoeken door eene daartoe met opzet 
uitgeruste expeditie, die van het zuiden beginnende niet rusten 
zou voordat zij verder noordwaarts den doortocht gevonden had. 
De verdienstelijkste tocht der Spanjaarden was echter dje onder 
den Portugees Estevan Gomez. Deze uitstekende zeeman, die 
naar het schijnt in zijnen tijd voor eene autoriteit op bet gebied 
der cosmographie gehouden werd , verkende slechts weinige maan- 
den na Verazzano (1525) op last van Karcl V dezelfde kusten, 
die de Venetiaan had bevaren, maar in omgekeerde richting. 
Waar hij zijne reis begon is niet zeker, maar het staat vast, dat 
hij de Amerikaansche kust ten noorden van 41** NB. tot aati de 
West-Indische eilanden nauwkeurig opnam en de meest volledige 
berichten over land en volk medebracht. De kaart, die hg van 
de door hem geziene kust opmaakte , staat verre boven de gelgk-^ 
tgdige van Verazzano. De interessante reis van Gomez , die trou^ 
wens niet nader tot het voorgestelde doel leidde , was de laatste 
tocht van belang , die voorloopig ondernomen werd. De Engel* 
schen begonnen zich omstreeks dezen tijd mede in het strgdpcrk 
te vertoonen , maar hunne eerste pogingen waren zwak en zonder 
eenig belangrijk resultaat. 

Twee redenen schgnen omstreeks 1530 samengewerkt te hebben 
om de pogingen om westwaarts naar Oost-Indi(! te zeilen te doen 
opgeven. De hoofdreden zal natuurlgk wel geweest zijn de slechte 
uitslag van zoovele ondernemingen, die bgna jaar op jaar gedu- 
rende meer dan het vierde eener eeuw waren beproefd. Alle 
reizen, die in deze eerste periode volbracht waren, hadden wel 
is waar geleid tot eene betrekkelgk nauwkeurige kennis van 
Amerika's oostkust, maar tot het voorgestelde doel, hot vinden 
van eenon korten weg naar Oost-Indië , was men geen stap gena- 
derd. Voor een lateren tgd bleef het bewaard het spoor door 
Cabot aangewezen te volgen en in het verre noordwesten naar een 
doortocht te zoeken •); voorloopig werd de tot dusverre betreden 

') Id deze eerste periode had men over het algemeen het voetspoor gevolgd van 
Columbus, die eenvoudig westwaarts naar Oost-Indië had willen seilen. Toen men 
het bestaan van Amerika ontdekt had, zocht men ergens midden door dat wereld- 
deel een doortocht , die zekerde eenvoudigste weg naar Oost-Indië zou geweest z^n. 
Nadat deze pogingen vruchteloos gebleken waren, beproefde men natuurlijk den 
kortsten weg , den noordoostelgken doortocht. Eerst toen ook hier zich groote 
moeiel\jkheden opdeden , wendde men zich naar het noordwesten en in deze glans- 
r^'ke tweede periode van het zoeken naar de westelijke doorvaart, nagenoeg 



11 

wrg algemenn verlaten , en terwijl He Spanjaarden op het voetspoor 
van Cortez in verschillende expedities Amerika's westkust onder- 
zochten zonder de doorvaart te vinden, gaven de andere natiën 
hunno pogingen geheel op. Maar een tweede reden bracht daar- 
toe niet weinig bij. De expedities om het rijke Oost-Indiö en het 
mythische Cathay , het land waarvan men zoovele wonderen ver- 
haalde , te vinden hadden do Europeanen meer en meer opmerk- 
zaam gemaakt op de schatten, die het uienwontdekte westelijke 
vasteland zelf in niet minderen overvloed aanbood. Langzamer- 
hand begon dan ook de lust om die zoo gemakkelijk te bereiken 
voordeelen te bemachtigen , de overhand te krijgen op de begeerte 
om de Indische rgkdommen , waarvan de oudheid gewaagd had , te 
winnen. En de reizen naar Amerika's kusten met dat doel gemaakt, 
hadden natuurlijk niet meer den omvang , waardoor de vroegere 
zulke uitgebreide resultaten op het gebied der aardrijkskunde 
hadden opgeleverd. Want voortaan waren het bepaalde punten van 
het nieuwe vasteland zelf, waarheen men zijne tochten richtte, 
en alleen het voortdurend toenemende verkeer was oorzaak , dat 
ook deze reizen na lange jaren aanmerkelijk bg droegen tot de geogra- 
phische kennis van Amerika's kusten. De landstreek, waarop ik 
hierbij voornamelijk het oog heb, is Newfoundland. Het was 
reeds den eersten reizigers niet ontgaan , dat de bgzonder groote 
overvloed van kabeljauw , die zich op de kusten van dat land 
bevond , een bron van voordeel zou kunnen zgn , die niet verwaar- 
loosd diende te worden, en toen eenmaal de weg daarheen gewe- 
zen was , verschenen hoe langer hoe moer Portugeesche , Spaansche 
en vooral Fransche schepen in die rijke wateren. De Franschen , 
wier Baskische broeders reeds van ouds als onverschrokkene vis- 
schers bekend stonden , verdrongen eindelgk hunne mededingers 
geheel van dat gebied, maar niet voordat de Portugeezen du 
geheele kust tot zelfs in Hudsons-baai bezeild en vrg nauwkeurig 
opgenomen hadden, (voor i570.) *) 

Lang voor dien tgd was 'echter het zoeken van een noordel jjken 
doortocht naar Oost-Indië, of zooals men toen algemeen zeide 
naar China en Cathay, reeds weder hervat en wel volgens een 
geheel nieuw plan. 

De pauselgke bul, waarbg aan de Portugeezen de nieuw ont- 
dekte landen op de oostelgke helft van den aardbol , aan de Span- 



aitslnitend door Engelschen beproefd , onderscheidden zich vooral mannen als 
Frobisher , Davis , Weymouth , Bileth en Bafiin. Over deze reizen vindt men 
uitvoerige berichten in : Furchas his Pilgrimcs. III. 

*) In dit overzicht der ontdekkingsreizen op de Amerikaansche kust volg ik 
bgna uitaluitend de uitnemende inleiding voor: Aaher, Hudson the Navigator, 
p. LXV— Cl. 



12 

jaarden die op de westelgke helft werden geHcbonken (1493) , had 
dezen in hun eigen oog gerechtigd alle andere natiën van de vaart op 
de hnn toebehoorende landen , bekend of onbekend , uit ie sluiten. 
Er waren maatregelen genomen om de demarcatielijn juist te 
trekken (congres van Badajoz 1524) '), en men was eindelgk tot 
eene vreedzame oplossing gekomen. Het laat zich begrepen , dat 
dit alles door de overige Europecsche natiën met leede oogen 
werd aangezien. Mocht ook voor niet-katholieke natiën het pau- 
selijk woord geen gewicht in de schaal leggen, de beide begun- 
stigde mogendheden hechtten daaraan des te meer, en daar zfj in 
de zeeën , die den toegang naar het zoo begeerde Oost-Indië op<m- 
den , oppermachtig wai en , deed hun wil om anderen uit te sluiten 
hier alles af. Maar deze toestand was op den duur niet te dul- 
den : voor do uitgeslotcnen was het alles waard het verre land te 
bereiken en de wrevel tegen de overweldigers was algemeen. 
Eene handeldrijvende natie als de Engclsche, bovendien steeds 
in oppositie tegen Spanje, moest wel het eerst ongeduldig wor- 
den over den opgelegden dwang. Het was dus waarschijnlgk , dat 
Engeland eene nieuwe poging zou doen om Oost-Indië te berei- 
ken, zoodra zich een kans opdeed om dien stap to doen met 
eenige hoop op goeden uitslag. 

En die kans deed zich op. In 1548 was Sebastiaan Cabot, die 
sinds zijne vorige tochten met een korte tusschenpoos ') in Spaan- 
schen dienst was geweest, in Engeland teruggekomen. Een reis 
naar het noordwesten in 1517 ondernomen had hem de overtuiging 
geschonken , dat zoo al een doortocht naar Oost-Indië in die richting 
te vinden was , de moeielijkheden daaraan verbonden toch in ieder 
geval te groot waren dan dat die weg voor den geregelden han- 
del met Oost-Indië van eenig nut zou kunnen zyn. Zijn aandacht 
viel nu op de eenige zee , die nog kans op eenen nieuwen weg 
scheen aan te bieden. 

Het hooge noorden van Europa was sinds de dagen van Octher 
niet meer bezocht geworden : de beschaafde wereld was geheel 
onbekend met de kusten der IJszee. Slechts onbepaalde voorstel- 
lingen vormde men zich van die streken , voorstellingen voorna- 
melijk aan de schriften van Plinius en andere oude geographen 
ontleend. Dezen hadden geleerd , dat do kust van Azië ten noor- 
den in een kaap uitliep, die kaap Tabin (kaap Taimyr?) ge- 
noemd werd. Van dat punt zou de kust recht naar het zuiden 
loopen. Door eene straat , de straat van Anian genaamd (de Beh- 
ring-straat) , meende men onmiddellgk het rgke Cathay, een my- 

*) Zie cUarover: Hakluyt, Divers voyages. p. 47 Noot 2. 
* ) In die tnsachenpoos Tolbracht Cabot in £ngelschen dienit z^ne noord weste- 
l\jke reit nun 1516 of 1517. 



13 

thisch land ten noorden van China , te kunnen bereiken ; de weg 
van daar naar China en Oost-Indie zou niet moeielijk te vinden 
zyn. — Dezen weg wilde Cabot nu inslaan. De moeielijkheden 
daaraan verbonden waren hem onbekend ; het onmiskenbare voor- 
deel , dat deze weg boven alle andere bood , de kortheid , moest 
ieder in het oog vallen. Vast besloten om ten minste een proef 
te wagen , vinden wij Cabot dan ook reed» weinige jaren na zyne 
laatste mislukte noordwestelijke reis, in 1522 en 1523 bezig met 
onderhandelingen , om aan zijne vaderstad Venetië de voordeelen 
van deze vaart te verzekeren *). Maar te vergeefs! Venetiö was 
door hare ligging aan gene zijde van de straat van Gibraltar te 
veel afhankelijk van Spanje's goedvinden om het te wagen de 
bedoelingen dier gioote mogendheid te weerstreven op een punt 
van zooveel belang. Cabot was dus genoodzaakt van zijn ideaal 
af te zien: Venetië zou de vruchten van de plannen door haren 
zoon gemaakt niet plukken. Maar nauwelijks was de geniale grijs- 
aard vele jaren later in Engeland teruggekeerd, of hjj maakte 
gebruik van de gunstige gelegenheid en het jarenlang geliefkoosde 
plan werd ter tafel gebracht. 

En niet zonder vrucht! Het eerste resultaat van Cabots be- 
moeiingen was reeds in 1551 de oprichting eener nieuwe com- 
pagnie, die bestemd schijnt geweest te zijn om het overwicht, 
dat de Hansesteden door hare privilegiën in~Ëngelands handel 
hadden , te vernietigen en de eigen werkzaamheid der Engelschen 
door het openen van nieuwe banen voor het verkeer op te wekken. ^ 
De belangryke plaats, die deze compagnie ook in ons verhaal 
innemen zal , maakt het noodig over haar iets uitvoeriger te spre- 
ken *). Het was eene maatschappij op aandeelen van 25 p. St. ; 
binnen korten tijd had men de som van 6000 p. St. bijeen en 
kon de compagnie onder den naam van »The Mystery, Com- 
pany and Fellowship of Merchants Adventurers for 
discovery of unknown lands" hare werkzaamheden begin- 
nen. Cabot werd tot president voor zyn geheele leven benoemd. 
Het doel was, zooals reeds uit den naam blykt, het ontdekken 
van nieuwe landen ; het aanknoopen van handelsbetrekkingen zou 
daarmede natuurlijk gepaard gaan. Reeds de eerste tocht der 
compagnie , waarover later meer, bepaalde voor goed de richting , 
waarin zich hare ondernemingen voortaan zouden bewegen. Er 
werden namelyk reeds in 1553 handelsbetrekkingen met Rusland 

■) Cabot heeft dus de prioriteit boven Robert Thorne, die in 1527 nieuwe 
plannen over den noordelijken doortocht naur Oost-Indië opperde. Zie Thorne's 
werkjes afgedrukt in: Hakluyt, Divers Voyages tu Aiuerica. 

*) Zie Hakluyts uitvoerig verhaal der omstandighedeu , die tot de vestiging 
dexer compagnie leidden , in de iuleidiug vhu : Btku , Three voyages by the 
Nurth-east. p. 11 — IV. 



u 

aangeknoopt, en hoewel de compagnie haar doel, het ontdekken 
van vreemde landen, niet uit het oog verloor, — hoewel door 
hare pogingen de Engelschc wal visch vangst een tijdlang bloeide , 
bleven toch de betrekkingen met Rusland zoozeer hoofdzaak , dat 
de naam der compagnie geheel in vergetelheid geraakte en men haar 
gewoonlijk de Moscovische of Russische Compagnie noemde. 

In Engeland was men trouwens zeer met de handelwgze der 
nieuwe vereeniging ingenomen. Dadelijk na de terugkomst der 
eerste expeditie verkreeg zjj (6 Februari 1555) van Philips en 
Maria verschillende privilegi($n en octrooi voor den uitsluitendeu 
handel op het noorden. De compagnie werd in dit stuk aange- 
duid door de omschrijving: »The Merchants adventurers 
of Ëngland for the discovery of lands, territories, 
isles, dominions and seignories unkno^n.*' Toen later, 
door de groote winsten die de maatschappij maakte aangelokt, 
andere Engelschen inbreuk op haar octi'ooi maakten en onder al- 
lerlei voorwendsels trachtten de beperkende bepalingen der wet 
te ontduiken > ) , toonde Elisabeth hoezeer zij het bestaan der com- 
pagnie op prijs stelde, door op nieuw in uitdrukkelyke bewoor- 
dingen het uitsluitend recht der vereeniging, voortaan »The 
Fellowship of English Merchants for the Discovery 
of New Trades*' genaamd, te handhaven. (1566)*) Onder 
laatstgemelden naam heeft de Moscovische Compagnie de eeuwen 
getrotseerd en bestaat zy tot op dit oogenblik *). 
I Dadelijk na hunne vereeniging maakten de kooplieden zich op 
Cabots aandrijven gereed het voorgestelde doel, de ontdekking 
van nieuwe landen, te bereiken. Reeds in 1553 zeilde eene expe- 
ditie naar het noordoosten. In plaats van Cabot, die te oud was 
om persoonlijk de ontberingen eener noordelgke ontdekkingsreis 
te verduren , werd Sir Uugh Willoughby , een ervaren krijgsman 
van aanzienlijke familie *) , aan het hoofd der onderneming ge- 
steld. Als opperstuurman werd hem de bekwame Richard Chan- 
cellor toegevoegd. De drie schepen, waaruit de kleine vloot be- 
stond, de Bona Esperanza, de Ëdward Bona venture en de Bona 



■ I Zie over deze inbrenken op het octrooi der Moscovische Coinpiigiiie : Ha- 
mel, Tmdescant der Aeltere. p. 204. 212, ook p. 220, cf. p. 201 Noot 1 , 214 
Noot 2, 21ü Noot 2. 

*) Sommigen verhalen, dat deze bevestiging van het octrooi onder iJiUzabeth 
bjj parlement sa kte is geschied. 

*) Zie over de Moscovische Compagnie: Hamel, Tradescant. p. 88 — 90, 162, 
212. — Ashcr, Hudsou ihe Navigator p. ClI , CIII , C.XXUI , CXXV. - 
Ueke , Three voyages by the north-east. p. Il — IV, VII. — llakluyt. Divers 
voyagoa. p. LXXW, LXXXVl. — Kead, Hist. inq. cooc. Ileury lludson. p. 21 vlg. 

^) Zie over den persoon en de familie van Willoughby met zeer overdrevent 
uitvoerigheid: Hamel, Tradescaut der Aeltere. p. VI — 104. 



15 

Confidentia, verlieten de haven van Ratcliff den 10 Mei 1553 
Geheel Engeland zag met belangstelling den uitslag der onderne- 
ming te gemoet. Het resultaat was dubbel belangrijk. Niette- 
genstaande een hevige storm reeds spoedig op de kust van Noor- 
wegen den Ëdward Bonaventure, met Richard Chancellor aan 
boord f van de overige schepen scheidde , zeilden beide afdcelingen 
moedig voort. Willoughbj ontdekte den 14 Augustus Novaya 
Zemlja. Hij bereikte dat gedeelte van het eiland , dat de Gan- 
zenkust heet en dat op de nieuwste kaarten ter zijner eere Wil- 
loughbj-land genoemd wordt i). Het ijs belette hem te landen 
en na vruchteloos getracht te hebben noordwaarts te zeilen be- 
sloot hy de Russische kust op te zoeken. Hg bereikte den mond 
van de rivier Warsina, waar het ijs hem insloot. In deze zeer 
ongunstig gelegen haven in eene verlatene streek moesten de 
daarop niet voorbereide schepen overwinteren. Het volgend voor- 
jaar vonden de Laplanders ze beiden ingevroren: de geheele be- 
manning was van koude en gebrek omgekomen. 

Van meer dadelijk belang voor de compagnie was het resultaat 
door Chancellor bereikt. Met z|jn schip, waarvan de bekende 
Stephen Burrough kapitein was, oostwaarts gezeild , kwam h^ in 
de Witte Zee en landde 24 Augustus 1553 aan den mond van 
de Dwina. Welwillend ontvangen overwinterde de bemanning 
aldaar. Chancellor zelf vertrok over land naar Moscou, waar hij 
den czaar bereid vond tot het aanknoopen van handelsbetrekkin- 
gen. Dit heugel jjk bericht , door hem het volgende jaar aan zijne 
lastgevers overgebracht, gaf aanleiding tot het aanknoopen van 
een geregeld verkeer tusschen Engeland en den mond der Dwina , 
waar spoedig op het Rozen-eiland by Kholmogorui eene kolonie 
van Engelschen verrees *). 

*) Dat WUloughby-land en de Gaiizenkast identiek z\jn, wordt nu algemeen 
erkend. (Beke, Three voyages by the north-east. p. V. — Asher, Hudson the 
Navigator, p. CXXIV, CLVIII. — Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 110.) De 
eer van dit overtuigend bewezen te hebben komt toe aan Rundall. (Voyages 
towards the north-west. p. III — VI.) — Tot zoover is men het eens; over 
de quaestie of Willoughby n a de ontdekking van Novaya Zemlya ook Spitsber- 
gen heeft gevonden kan nog eenig verschil bestaan. B\j de overtuigende gron- 
den door Kundall (1- c* P* VI — XII) tegen dit gevoelen aangevoerd, zou men 
m. i. nog deze kunnen voegen , dat het onwaarschijnlijk , ja b\jna onmogelijk is , 
dat Willoughby in een reit van negen dagen door eene altijd met ijs bezette zee 
(term^jl hg in het gunstigste geval slechts drie dagen noordelgk gezeild is en 
overigens meest zuidoost of zuidwest) den grooten afstand heeft afgelegd tus- 
schen Novaya Zemlya's zuidwest pnnt en Spitsbergen. 

') Zie over het handelsverkeer tusschen Ëngelaud eu Rusland voornamelijk in 
de eerste twintig jaren: Hamel, Tradescant der Aeltere 1618 in Russlaud. In dit 
zeer geleerde , zeer onsystematisch bewerkte en met vele onbelangrijke kleinig- 
heden opgevulde boek vindt men over dezeu handel nauwkeurige eu uitvoerige 



16 

Niettegenstaande deze handel v^eldra bijna alle aandacht der 
jeugdige compagnie tot zich trok, werden toch de pogingen tot 
het ontdekken van den noordoosteljjken doortocht naar Oost- 
Indië niet opgegeven. Reeds in 1556 werd Stephen Burroogh , 
die kapitein was geweest van Chancellors schip, uitgezonden om 
nadere kennis omtrent de noordoostelijke zee te verkrygen en 
bepaaldelijk om den mond van de rivier den Ob te verkennen. Met 
een klein schip de Searchthrift verliet hg 23 April Gravesend, 
bevond zich 9 Juni te Kola, stak verder oostwaarts gezeild den 
mond der Witte Zee over en volgde van daar nagenoeg de lyn 
der Russische kust. Langs het eiland Eolguev bereikte de moe- 
dige zeeman den 31 Juli Vaigatsch, waar hij landde; hij zag 
Novaya Zemlya en ontdekte den ingang naar de zee van Kara, 
de breede naar hem genoemde Burroughs-straat , ook wel Kara- 
straat geheeten '). Maar toen hg de nog door geen Europeaan 
bezeilde zee was ingevaren, vond hg het gs daar in zulke 
hoeveelheden ronddrgven, dat hg het ongeraden achtte verder, 
te gaan. Den 5 Augustus keerde hg terug en kwam 11 Sep- 
tember behouden te Kholmogorui aan 

Hoezeer deze reis de geographische wetenschap eene belang- 
rgke schrede vooruitbracht , waren hare praktische resultaten eer 
ontmoedigend dan verblgdend. De zekerheid was wel is waar 
verkregen, dat de hinderpaal, die zich zoo onverwachts in de 
IJszee tot ver in het noorden uitstrekte, den toegang naar het 
oosten niet geheel sloot , maar men had zich tevens kunnen over- 
tuigen, dat de verdere weg naar Oost-Iudi6 met vele bezwaren 
bezet was, — dat niet alleen kaap Tabin, het doel waarnaar 
ieder zeeman streefde, maar zelfs de mond van den Ob niet 
gemakkelgk te bereiken was. Onder deze omstandigheden besloot 
de compagnie , meer en meer door den handel op de Dwina bezig- 
gehouden , eenen weg in te slaan , die waarschgnlgk spoedigtT tot 
resultaten van praktisch belang zou leiden dan de tot dusver be- 
proefde. Verschillende pogingen werden door Anthony Jenkinson 
op haren last aangewend om overland het rgke Cathay te berei- 

bericbtea vao het grooUte beUng, die grootendeels oit de voor ons zoo moeie- 
lijk toegaokelijke RuMitche archievea geput zjja. 

*) Dat dexe itraat later voor de noordpoolreizen zelden of nooit meer gebnükt 
werd, is waarschijnlijk aan hare ondiepte toe te schrijven. Massa teekent toch 
daarbij op zijne kaart (in Hesscl Gcrritsz' ficschr. v. Samoyden-Jiandt) aan : 
„Hier marbroen bv hoogb water overvaeren, anders ist droogh." Witsen «Noord 
en oost Tartarje. p. V)21) is van een ander gevoelen en verbaalt, dat «de Mos- 
koviten de vaert beuoorden 't Eiland Waigats na de Binnen-zee schouwen, maer 
meest altoos de doortogt nacst aen de vaste Kust gebruiken, hoewel de Noor- 
der-straet bet diepste is. Zy zyn vreesachtig," voegt hij er by. «dat van die 
zyde meer trovacr is, om dat nldaer de meeste Ys-schoUen zoude(n) zyo.'* 



17 

ken en onderweg handelsbetrekkingen met Perzi(^ aan te knoo* 
pen. Maar dit plan mislukte volkomen: de onderlinge oorlogen 
der aldaar wonende stammen beletten , dat er een vreedzame han- 
delsweg door Azië's binnenlanden geopend werd '). 

Toen het zoodoende gebleken was , dat de weg overland aan 
meer bezwaren en meer wisselvalligheden onderworpen was dan 
die over zee , sloeg de compagnie den ouden weg op nieuw in. 
Herhaaldelijk beproefde zjj van de noordelijke kusten ten minste 
eene eenigszins nauwkeurige kennis te verkrijgen. Het doel was 
bjj die tochten niet zoozeer het omzeilen van kaap Tabin, — de 
onverwachte ontdekking van Novaya Zemlya schgut de toenmalige 
geographen aan de juistheid van Plinius* mededeelingen te hebben 
doen twijfelen , — maar voornamelijk om te onderzoeken of ergens 
voorbij den Ob de kust zich al dan niet noord westwaarts om wendde 
en door aansluiting aan Novaya Zemlya* s noordoostpunt een baai 
vormde , die aan alle verdere pogingen om den doortocht naar Oost- 
Indië langs dien weg te vinden eens en voor goed een onoverkome- 
l^ken hinderpaal in den weg moest leggen. Tevens werd den 
reizigers op het hart gedrukt om te onderzoeken, of het door 
Willoughby ontdekte land al dan niet verbonden was met het door 
Burrough geziene Novaya Zemlya , en om te ontdekken hoedanig 
de gesteldheid was van de kusten van den Ob en van de bewo- 
ners dier streken. ') 

Van de tochten met dit oogmerk ondernomen zijn ons slechts 
zeer onvolledige berichten bewaard gebleven. Slechts van éene 
reis, die van Arthur Peten Charles Jackman in 1580, kunnen w|j 
een eenigszins volledig overzicht geven. Evenals in 1553 was de 
belangstelling in dezen tocht, waaraan men een meer dan gewoon 
gewicht schijnt gehecht te hebben, in Engeland zeer levendig. 
Met twee schepen, de George en de William, verlieten Pet en 
.Jackman, twee ervaren zeelieden, 31 Mei 1580 de reede van 
Harwich. Reeds den 24 Juni , niet ver voorbij Wardöhuus , moest 
echter Jackman tot hersteb van zijn ontredderd scheepje — de 
William — de kust opzoeken. Pet zette zgne reis moedig voort : 

*) Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 199—203. — Itead , Henry Hudson. 
p. 55 , 59. 

*) De iDstroctiën aan Bassendine c. s. io 1568 eo aan Pet en Jackman in 1580 
door de Moscovische Compagnie gegeven , z^n nagenoeg volkomen eensluidend 
wat het doel der reis betreft. Men moet echter uit dit feit geene conclusién 
trekken over de algemeene verspreiding der daarin vervatte beschouwingen , im- 
mers beide stukken z^n van de hand van den bekenden William Burrough. 
(Hamel, Tradescant der Aclterc. p. 223 en vooral p. 185 Noot 1. — Bekc. 
Tliree voyages. p. XXV.) De lijst van geschriften van W. Burrough in de in- 
leiding van Haklnyts Divers voyages (p. LXI) moet dus met deze beide vermeer- 
derd worden. 



18 

hij bereikte , Willoughby*8 spoor volgende , Novaya Zemlyu nage- 
noeg op dezelfde plaats als zgn voorganger en maakte zoodoende 
de identiteit van Novaya Zemlya en Willonghby-land voor goed 
uit , een feit , waarop door de toenmalige geogi-aphen echter geen 
acht geslagen is. Op eenigen afstand van de kust — ijs en 
mist beletten hem haar geheel te volgen — zeilde Pet langs No- 
vaya Zemlya , miste den ingang van Burroughs-straat , die vol gs 
zat, en kwam 17 Juli in de baai van Pechora aan. Bjj de eerste 
goede gelegenheid vertrok hij weder van daar , volgde de Russische 
kust en ontdekte de tweede opening, die toegang verleent tot de 
zee van Kara , Yugorsky-sjar, door de Hollanders later straat van 
Nassau , door de nieuwere geographen echter naar haren ontdekker 
Pets-straat genoemd. Na vruchtelooze pogingen om door het ijs 
te breken , ontmoette onze reiziger volgens afspraak zijnen tocht- 
genoot Jackman bij Vaigatsch. Beide bevelhebbers besloten na 
noordwaarts te zeilen om eene jjsvrije zee te zoeken , maar vruch- 
teloos ! Na eene nieuwe beraadslaging besloot men de reis op te 
geven en den terugtocht aan te nemen. Pet kwam 26 December 
behouden te Ratcliff aan, Jackman overwinterde in eene Noor- 
weegsche haven en men heeft sedert dien tijd niets meer van hem 
vernomen. 

Van de overige expedities , door de Moscovische Compagnie om- 
streeks dezen tijd uitgezonden, weten wij uiterst weinig. *) Uit ver- 
spreide berichten vernemen wij , dat er in 1568 een plan heeft be- 
staan tot eene expeditie met geheel hetzelfde doel als die van Pet en 
Jackman, onder Bassendine, Woodcocke en Browne, en dat deze 
expeditie waarschyniyk vertrokken is. Vóór 1584 zjjn er nog 
verschillende andere reizen door Engelschen gemaakt met het doel 
om den mond van den Ob te vinden , on wel niet zonder belangr^ke 
resultaten , die echter ongelukkig alle voor de wetenschap verloren 
zijn gegaan. De eerste dier reizen had ten gevolge het vinden 
van den weg ter zee naar den mond van den Ob , eene wetenschap , 
die aan Europa niet bekend werd, liaar alle deelnemers aan de 
expeditie door de Samojeden vermoord werden. *) Zekere Anthony 
Marsh, x)nbekend met hot resultaat door zgne landgenooten 
verkregen , deed in dienst der compagnie nogmaals den land- 
weg beproeven. Een Rus met name Bodun , bereikte op zijnen last 
zoodoende den Ob weder, maar de czaar keurde dergelijke proef- 
nemingen ten sterkste af: hij zette Bodan gevangen, ontnam 
hem zjjn rgke voorraad koopmansgoederen en belette daar- 

*) Zie intUMchen daarover: Hamel, Tradescant. p. 313, 22. 

*) Zie over deze reis breedvoerig: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 322 
Noot 2. Hamel plaatst haar op goede grondeo in 1581 en maakt het waar- 
ichgnl\jk , dat Jackman en de z^nen de moedige reizigers gcwi est zjjn , die hier 
den dood vonden. 



19 

door op nadrukkelijke wijze alle verdere proefnemingen met ge- 
bruikmaking van de verkregen kennis. Marsh beraamde ein- 
delijk in 1584 een nieuw plan om den Ob te bereiken. Eenige 
Russen zouden voor hem in twee vaartuigen do rivier de Pechora 
opzeilen, van daar door eene andere rivier, door hen Ouson ge- 
noemd (de üssa?), in den Ob komen on dien met den stroom 
afzakken. De Bussen gaven aan Marsh de keus tusschen dezen 
weg en dien door Mathijs-straat over de zee van Eara naar den 
mond van den Ob. Of er ooit iets van deze onderneming geko- 
men is , is niet bekend. Eene ontdekking van niet minder belang 
was de kennis , die Marsh door deze Russen verkreeg van het be- 
staan en de ligging van Mathgs-straat zelve (Matyushin-sjar tus- 
schen Novaya Zemlya en Mathijs-land) , de derde en voor zoover 
bekend is de laatste weg naar de zee van Kara *). 

Hoe belangr^k de tot 1584 verkregen uitkomsten zyn mochten, 
men kon zich niet verhelen , dat men na dertig jaren zoekens nog 
slechts éene schrede op den moeiel y ken weg naar Oost-Indië ge- 
vorderd was. Ook nu men den mond van den Ob bereikt had, 
bleven de grootste hinderpalen op dien weg zelfs ondoorzocht. 
Volgde men Plinius* uitspraken , dan bleef de verre noordelgkste 
punt van Azië kaap Tabin nog steeds in het duister; het bleef 
twijfelachtig of op zulk eene noordeljjke hoogte de zee bevaar- 
baar was. En de vrees, dat de zee van Kara niets dan eene 
groote baai zou zijn, die den weg naar Oost-Indië afsloot, was 
niet weggenomen. Onder deze omstandigheden schijnt de com- 
pagnie , die nu reeds naar haren uitgebreiden handel op de Witte 
Zee terecht den naam van Moscovische droeg, besloten te heb- 
ben aan dien handel al hare aandacht te wjjden. Noch Hak- 
luyt, die zooveel belang gesteld had in de noordpoolreis van 1580 
en wiens beroemd werk Principal Navigations eerst in 
1589 verscheen, (de tweede editie is van 1598), — noch Purchas, 
die de wetenschappelijke nalatenschap van dezen nitnemenden ge- 
leerde in materiëelen en immateriëelen zin aanvaardde , melden iets 
van Engelsche ontdekkingsreizen naar het noordoosten na 1584. 
De reis van Pet en Jackman schijnt de laatste expeditie van eenig 
belang geweest te zijn , door Engelschen uitsluitend tot het doen 
van ontdekkingen naar het noordoosten uitgezonden, totdat de 
opmerking, dat de IJszee in den walvisch een onmetelgken rijk- 
dom in hare wateren verborg , op nieuw tot het opsporen van on- 
bekende landen aanzette '). 

*) Van een vierden weg door Novaya Zemlya naar de zee van Kara, tusacben 
Math\it-land en Lütke's-land wordt het bestaan wel vermoed; bet ii ecbter nog 
niet gelukt hem te ontdekken. Hamel (Tradescant. p. 321) gelooft er niet aan. 

*) In het verhaal dezer noordoostelijke tochten volgde ik voornamelijk de uit* 
nemende iuleidlug voor: Bckc, Threc voyngcs by tbc uortb-east. 



20 

Maar de taak, die de Engelschen na moedig en gyerig pogen 
dus onafgewerkt gelaten hadden , werd dadelgk door eene andere 
natie opgevat. De rivaliteit , die Engeland en Nederland gedurende 
de geheele zeventiende eeuw verdeelde, nam reeds op het einde 
der zestiende een aanvang. In de onherbergzame wateren der 
IJszee begon een stryd, die zich van daar over allo oorden der 
wereld zou uitbreiden , — een strijd , die op de geschiedenis van 
geheel Europa den beslissendsten invloed zou oefenen. 



HOOFDSTUK I. 



DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565 — 1613.) 



»Men miskent het doel der wetenschap , als men hare waarheden 
minder hoog schat , omdat men de nnttige toepassingen niet ont- 
dekt, die men daarvan zal knnnen maken *)". Zoo is het waarlijk 1 
De wetenschap is het slechts te doen om waarheid op elk gebied : 
met de eischen der praktik kan zjj zich niet dan accidenteel 
besighonden. Gelukkig echter is het nat der wetenschap daarom 
nog niet uitsluitend in het ontdekken van waarheden gelegen , 
die, hoe gewichtig ook, toch soms zeer koel door het algemeen 
ontvangen worden. De onbaatzuchtige geleerde, wien het alleen 
om die waarheden te doen is , doet soms op zjjnen weg ongezochte en 
onverwachte ontdekkingen, die aanleiding geven tot het verbe- 
teren van bestaande of het scheppen van nieuwe toestanden , — 
ontdekkingen, die door personen alleen op praktische r3sultaten 
bedacht bezwaarlgk zouden zjjn gedaan. Op deze wjjze zgn ver- 
reweg de meeste der uitvindingen verkregen, die de negentiende 
eeuw zoo oi^indig ver boven de vorige verheflfen; op deze w|jze 
verwierven ook de Nederlandsche noordpoolreizigers der zeven- 
tiende eeuw een ongedachten pi*gs voor hunne inspanning. 

De herhaalde reizen door de Nederlanders op het einde der 
zestiende en in het begin der zeventiende eeuw in de IJszee ge- 
daan, versierden de namen der eenvoudige zeelieden die ze onderna- 
men met onverwelkbare lauweren, en zelfs nog zeer onlangs ver- 
leenden onverwachte ontdekkingen aan den roem van hun moed 
en volharding nieuwen glans. Zg brachten over tot dien t^d 
nagenoeg onbekende streken verrassende berichten en bewezen 
aan de wetenschap dier dagen belangr^ke diensten. Maar tege- 
Igk verwierven zij ook voor hunne volharding eene bclooning van 



*) Sprayt, De achterhoede van het idealisme. (Gids» Juni 1872. p. 891.) 



22 

practischen aard , al werd het doel , dat zij zich voorgesteld had- 
den, in weerwil van al hunne inspanning niet bereikt. De ge- 
zochte handelsweg naar Oost-Indië bleek meer en meer een her- 
senschim, maar onverwachts werd den moedigen ontdekkers een 
rnim veld geopend , waarop de energie hunner landgenooten door 
het vestigen der walvischvangst eerlang schatten zou verwerven. 
Men make uit het voorgaande de gevolgtrekking niet, dat het 
den helden op wie ik het oog heb om een zuiver wetenschappelijk 
belang te doen was. Overdreven zucht tot verheerlgking van 
het voorgeslacht moge soms de Staten voorgesteld hebben als 
edele menschen, die van liefde tot de wetenschap blakende kost- 
bare expediti($n uitrustten om de meuschheid met de wonderen der 
IJszee bekend te maken ; teleurgestelde nationale trots moge het 
zelfs den moedigen ontdekkers tot schande aangerekend hebben, 
dat zy niet uit zuivere zucht om de kennis van den aardbol te 
vermeerderen maar uit baatzucht hunne reizen ondernamen : deze 
traditioneele voorstellingen , deze overdreven eischen zfjn even 
onjuist als onbillijk. Reeds in theorie schgnt het voor eene re- 
geering onwenschelgk , de plannen van zuiver wetenschappelyke 
mannen, die zich met do eischen der practgk niet inlaten, uit 
hare middelen te steunen. Partikulieren als Hakluyt en Mercator 
mogen tjjd en geld overhebben voor het doen van nasporingen, 
die slechts theoretisch nut opleveren; de staat, die het algemeen 
belang moet behartigen, kan zich met die nasporingen niet inla- 
ten, wanneer er niet gegronde hoop bestaat, dat ze tot een prak- 
tisch nuttig resultaat zullen leiden. Het is reeds veel, zoo do 
regeering door premiën en belooningen voor verkregen uitkomsten 
de beoefening der wetenschap aanmoedigt; eerst wanneer de ge- 
leerde onderzoekingen haar bevorderlyk schynen voor het algemeen 
belang mag zjj zelve daaraan deelnemen. Hoeveel te minder mag 
men hoogere eischen stellen aan de leiders van den gewapenden 
opstand tegen Spanje, in eenen tijd toen geld en nogmaals geld 
het doel der verarmde onderzaten bfj al hunne ondernemingen 
was en zjjn moest , toen de behoefte van den geest aan iets hoo- 
gers dan de belangen der geldkist zich bgna uitsluitend uitte in 
een streng vasthouden aan den onlangs aangenomen kerkvorm! 
Hoe getuigt het veeleer voor den ruimen blik der Staten-Generaal , 
voor hun gezonden practischen zin, voor hunne verlichte denk- 
beelden , dat zij niet meer maar ook niet minder deden dan men 

zelfs in gewone omstandigheden van eene regeering eischen mag ! 
Want de laatste twintig jaren der zestiende eeuw waren waar- 
lijk geene gewone: het was een donkere tyd van algemecue 
ellende. De godsdiensttwisten , die Europa beroerd hadden , lie- 
ten bjjna alle staten uitgeput achter en nog was er overal 
overvloedige brandstof opgehoopt, die eerlang de vlammen fel- 



23 

Ier dan te voren zou doen uitbarsten. Spanje was door den 
reeds langen oorlog met zyne oproerige onderdanen verzwakt 
en verspilde zgne krachten met pogingen om in Frankijk de 
leiding der zaken in handen te krggen. En wel stuitten die 
pogingen af op den nationalon zin van het Fransche volk, maar 
Hendrik IV won slechts een land, sinds lange jaren door byna 
onafgebroken bloedige twisten geteisterd en nog steeds door den 
bittersten partxjhaat verdeeld. In Duitschland heerschte na de over- 
winning der protestantsche partij een betrekkelgke rust , maar de 
aanhoudende verdeeldheden deden reeds voorzien , dat de godsdienst 
ook hier in de politiek haar laatste woord nog niet gesproken 
had. Ook Engeland , dat onder het bestuur der protestantsche 
koningin tgden van ongekende welvaart doorleefde , moest alle aan- 
dacht wjjden aan den toestand van het buitenland , wilde het zyne 
zelfstandige plaats tusscheii de nog steeds vjjandig tegen elkaar 
overstaande partijen behouden. Slechts éen volk ontwikkelde onder 
de algemeene verslapping plotseling groote energie. Het gods- 
dienstige antagonisme, dat overal elders zoo nadeelig werkte, had 
in Nederland integendeel alle sluimerende krachten gewekt. Met 
taaie volharding werd de stryd gestreden; het enthousiasme 
van een jeugdig volk , dat zich nu voor het eerst één voelde tegen 
den algemeenen vijand , wekte tot groote daden op. Had ook Hol- 
land zelf in de middeleeuwen zjjne vlag reeds op eene niet on- 
aanzienlgke handelsvloot doen wapperen, de overkomst van tal- 
rgke Zuid-Nederlandsche vluchtelingen had nieuwen moed en 
nieuwe talenten in de bevolking ontwikkeld. De voorname Vla- 
mingen , die in die jaren dikwijls den toon aangaven en in bijna 
alle ondernemingen van eenig belang gemoeid waren , deelden aan 
de Noord-Nederlanders hun heftigen ijver mede voor kerkelyke 
rechtzinnigheid , maar ook hunne ondernemingszucht en hunne erva- 
ring in handel en nijverheid, en bepaalden zoodoende zelfs voor 
een goed deel het karakter der Nederlandsche natie gedurende 
den tachtigjarigen oorlog. Gesterkt door deze even talentvolle 
als vermogende schare , doorleefden de Hollanders bange tijden 
zonder te bezwyken : het gevaar en het ongeluk scheen hun slechts 
een nieuwe prikkel tot krachtsinspanning te zijn. Geleid door 
eene regeering , die , hoewel in geeuen deele als eens haar vorste- 
lijke leider den tyd waarin men leefde vèr vooruit, toch steeds 
in hare betrekkingen met handel en nijverheid eene even vry- 
zinnige als vrygevige politiek volgde, geraakte het jonge ge- 
meenebest eerlang tot verbazenden bloei. Niet tevreden met de 
oude banen , zocht de ontluikende energie naar nieuwe wegen om 
de welvaart ie vermeerderen en onder het krggsrumoer, dat haar 
soms van nabjj dreigde , vond do wetenschap op het kleine plekje 
gronds reeds toen eene eervolle plaats. 



24 

Dit waren tgden , waarin stoute , geniale plannen konden ge- 
vormd worden, maar de kamergeleerde, de wetenschappelgke on- 
derzoeker vond er geen plaats. Wie lust tot dergelgke bezig- 
heid voelde , wgdde zich aan de theologie, die aller harten innam : 
boiten de kerk dwong de nood der tijden tot mateloos werken, 
tot het zoeken van winst. In dien tgd moest een Plancins leven , 
rechtzinnig theoloog en wakker geleerde als éen , maar die misschien 
aan de geographische stadiën zjjne aandacht niet zon gew^d heb- 
ben , als hg er niet het eenige middel in gezien had om den noor- 
der>yken doortocht naar het rgke Indië te vinden. Het was dit 
veelbelovende plan, dat aan de geographie in die dagen nieawe 
vlucht gaf; daarmede waren schatten te verwerven , daardoor was 
Spanje gevoelig te treffen , daarvoor was dus ook de sympathie van 
regeoring en volk. Stap voor stap naderde men het begeerde doel ; 
allen werkten samen om het te verwezenlgken. Maar niet de ge- 
leerden gaven aan de uitvoering van het plan den krachtigsten stoot: 
een man der practgk, een Zuid-Nederlander bracht daartoe het 
meeste bg , evenals het weder eenvoudige kooplieden , weder Zuid- 
Nederlanders zouden zy n , die door het vestigen eener nieuwe ne- 
ring de vruchten plukten van de inspanning hunner voorgangers. 

Toen de Engelschen zich in 1553 aan den mond der Dwina bg 
bet klooster van St. Nikolaas gevestigd hadden, was er door hengeene 
moeite gespaard om zich bij voortduring in het uitsluitend bezit 
vau den handel op die streken te handhaven <). Slechts gedu- 
rende korten tijd had hun dit mogen gelukken; reeds twaalf jaren 
na de aankomst der Engelschen waren de Nederlanders er in ge- 
slaagd het spoor hunner voorgangers ten minste gedcelteljjk te 
vinden. In het jaar 1565 toch knoopte zekere Philip WinterkÖ- 
nig , een bann(*ling uit Wardöhuus , betrekkingen met Nederland 
aan; een schip uit Enkhuizen kwam door zijne tusschenkomst 
naar de plaats, waar spoedig Kola verrijzen zou*). Reeds het 
volgende jaar (1566) durfden twee Antwerpsche kooplieden, Simon 
Van Salingen en Comelis De Mejjer, van Kola langs de kust ge 
stovend, de Witte Zee inzeilen. Zij landden aan den mond van 
den Onega en reisden verder als Russen verkleed overland naar 
Moscou *). Schgnt ook deze moedige tocht, die geen ander doel 
had dan de regeling van partikuliere zaken, niet dadelyk tot het 
vestigen van handelsbetrekkingen met de Witte Zee geleid te heb- 
ben , de nederzetting te Kola bleef bestaan en nam weldra maat- 
regelen om den directen handel met de Dwina in te leiden. 



>) Vgl. Hamel. Tradescant der Aeltere. p. 204—20. 
*) Hamel. Tradeteaat. p. 160 Noot. 293, SI 8. 
>) Hamtl, Tradescant. p. 2\2 Noot. 3! 8. 



25 

zond daartoe een vertrouwd persoon met Russische schepen naar 
Khohnogorui (eene stad, dicht bg de Engelsche nederzetting op 
het Bozen-eiland gelegen) om de Russische taal te leeren, waar- 
schgniyk ook om eenige voor de vestiging van handelsbetrekkin- 
gen noodige inlichtingen in te winnen. Die man was geen ander 
dan de vroeger zoo bekende '), tegenwoordig voor velen raad- 
selachtige Olivier Brunei *). 

De nu bgna vergeten naam van Olivier Brunei verdient door 
den toekomstigen schrijver onzer handelsgeschiedenis in hooge eer 
gehouden te worden ; ook in dit overzicht der Nederlandsche ont- 
dekkingsreizen moet hy de eerste plaats innemen. Brunei was 
niet alleen de grondlegger van Nederlands handel op de Witte 
Zee , hg was ook onze eerste reiziger in het noorden. Laat ons 
zien in hoeverre w^ uit de hier en daar verspreide losse berichten 
de levensgeschiedenis van dezen belangwekkenden man kunnen 
reconstrueeren •). 



*) Dat Olivier Brunei op het laatst der zestiende eenw een persoon van £u- 
ropeescbe vermaardheid was , bl^kt reeds daaruit , dat bijna alle berichtgevers 
(o. a. Gerrit De Veer, Moucheron , Logan en Hudson) zijnen naam zonder eenige 
verdere aanduiding noemen. 

*) De berichten omtrent Brunei vindt incn verzameld bij: Beke, Three voyages. 
p. XXXVII — LI. De voornaamste bron (Wassenaer. Hist. vcrhael. VIII fol 98) 
is hem echter ontgaan. Aan den heer De Jonge komt de eer toe , het eerst 
op dit allerbelangrijkste bericht de aandacht gevestigd te hebben. Te groote be- 
■cheidenheid geeft echter den schgn, alsof hij zijne mededecliugeu over Brunei 
•Deen aau Hamel ontleend heefl , wiens verhaal door Beke zeer ten onrechte 
^a hypothetical biographical niemoir*' genoemd wordt. 

•) Ik neem hierby de hypothese van Hamel over, die Olivier Brunei met Al- 
ferios vereenzelvigt. (Zie: Hamel, Tradescant. p. 316 — 19.) De juistheid dezer 
■cherpzinnige gissing (te scherpzinniger omdat Hamel ^VaA8cnaers bericht slechts 
kende nit de verkorte mededecliugeu van Scheltema iu zyn: Rusland en de Ne- 
derlanden. I p. 39) wordt ook door De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag in 
Ooft-Iudië. I p. 10 , 14) erkend. Daar dizc erhter de gronden zijner meening 
niet opgeeft , wil ik ze hier mededeelen om aan het ongeloof van mannen als 
Beke een einde te maken. Wij weten dan, dat in 1581 twee personen, beiden 
den niet gewonen naam van Olivier dragende , waarvan de een «natione Belga," 
de ander «domo Brnxella" was , sinds lange jaren aan de Witte Zee gewoond 
hadden. Neemt men in aanmerking, dat eerst iu 1578 zich eenige weinige Ne* 
derlanders voor het eerst daarheen begeven hadden, dan is reeds deze overeen- 
komst vry in het oogvallend. Beider ontwikkeling was dezelfde: de een, Alfe- 
rins was volgens Balak geen geleerde maar een man van rjjpe ervaring; de 
ander, Brunei, had zijn leven als handelsreiziger in het noorden doorgebracht. 
Ook in beider levensomstandigheden is er eene treffende overeenkomst: Alferius 
«captivns aliquot aunos vixit in Moscovitarum ditione, apud viros illic cele- 
berrimos lakouins et Vnekius" ; Bnmel werd in Rusland «eenighe jaren in ge- 
▼mnckeniase gehouden'* en ^daer uyt verlost door de Ameckers, dat seer treffe- 
lyeke koopinyden zyn, ende haer honden tot Coolwitsogda*', die Krnnel daarna 
^eenighe jaren gedient" heefl. „lakouius et Vnekins" werden reeds door Lütkci 



26 

Olivier Brunei werd in de eerste helft der zestiende eeuw te 
Brussel geboren. Van zijne eerste levensjaren is ons volstrekt 
niets bekend. Men kan gissen , dat hg reeds in 1565 met de 
eerste Enkhuizer schepen te Kola gekomen is; men kan het er 
voor houden , dat hij , evenals vele Zuid-Nederlandsche koopmana- 
geslachten, zooais de Moncherons, de Le Maire*s, de üsselincxs 
en anderen, Alva*s dwingelandij ontvluchtende, zich eerst later 
daarheen begeven heeft. Zeker is het , dat hy reeds spoedig na de 
vestiging der Nederlanders te Kola de bovenvermelde reis naar 
Kholmogonii aanvaardde. Het geluk diende hem daar niet : spoedig 
door de Engelschen opgemerkt en als concurrent gevreesd werd hg 
door hen als spion overgeleverd aan de Russische regeering, die 
hem te Jaroslawl verscheidene jaren gevangen hield. Eindelgk 
daagde er voor hem hulp op: de gebroeders lakov en Grigory 
Anikiew >), die tot het aanzienljjke handelshuis der Stroganows 



die vaa BroDel waarschijnlijk niets wist, voor lakov en Grigory Anikiew ge- 
houden; Hamel was overtnigtl , dat met de „Araeckers" alleen de Anikiewi te 
Sol-Wütschcgodsk bcdoell konden worden , hoewel zijn berichtgever Scheltema 
„Coolwitsogda" (Sol-Wutschegodsk) willekeurig in .Cool" (Kola) veranderd had. 
Alferins verder werd in 1581 naar Nederland gezonden, Brunei ging da«r jaar- 
lijks heen, Bruuel reisde dikwijls over land naar Rusland, Alferins deed de 
reis langA de kusten der Oostzee. Alferius was dikwijls in dienst zijner patroons 
aan den Ob geweest , Brunei was jarenlang handelsbediende geweest bij Rus- 
sen, die jaarlijks op den Ob handelden; Alferins zou van Nederland uit den 
noordelijken doortocht zoeken , Brunei is als de eerste Nederlandsche noordpool - 
reiziger bekend. Kindelijk: Brunei was een der bewerkers van de Nederlandsche 
noordpoolreizen en sprak daarover met den Zuid Nederlander Moucheron ; Alfe- 
rins was op reis naar den Zuid-Ne<lerlniider Mercator, onder wiens medewerking 
Moucheron den stoot gaf tot het ondernemen dier noordpoolreizen, — Al deie 
redenen doen mij geen oogcnblik aarzelen , voor Alferius Olivier Brunei te 
schrijven: de tnkele bezwaren wegen niet tegen deze grootc overeenkomst op. 

') Zie over de Anikiews en hunne plannen zeer uitvoerig: Massa, Beschrjr- 
vinge van Sibcria , in : Hessel Gerritsz , Beschr. v. Samoyeden-Iiandt. Zij hadden 
o. a. «eenighe van hunne Slaven ende Knechten, tot 10 oAe 12 toe met de Sa- 
moieden in haer Lant gcsonden , bevelende de selve , dat se alle 't Landt datse 
door-reysden . alles wel ueerstelyck bespieden souden , ende oock alle haer nu- 
nieren , wooningen . leven ende ghebaerden wel ordentelijck souden op-teeckeuen, 
om so van alles goedt rapport te doen . als sy weder t'huys souden comen , d'welck 
eens geschiet zijnde, heeft hyse, dieder geweest waren, wel ghetracteert , ende 
oock goede gunste toe-ghed ragen , dan heeft haer neerstelijck bevolen te swyghen, 
ende 04M*k heeft hy 't nt^erstelijck by hem gehouden , sonder yemant daer van te 
vermanen , maer heeft het Jaer daer aen volghende meerder partye daer heenen 
ghesondun , oock eenighe zjner Vrienden , met Coopmanschap van kleynder weer- 
den , als Duytsehe ('ramerye , Bellen ende dierghelijckc dinghen : dese t^n oock 
met gereyst , ende hebbent oock gelijck als d'andere alles wel door-snuffelt ende 
doorsien , ende reysdeu tot de Riviere Oby toe, door vele Wocstynen , ende ver- 
scheydcn Rivieren, die daer vele z^n, ende maeckten met sommighe Sanioyeden 
aldaer grootc Vruntschap ende Alliantie.... In somma, door-saghen 't alles. 



27 

te Sol-Wütachegodak behoorden , verzochten en verkregen van den 
czaar zgne vryheid. De edelmoedige kooplieden hadden alle reden 
zich over de weldaad aan Brunei bewezen te verblgden : hun be- 
schermeling nam gverig en opmerkzaam deel aan de jaarlijksche 
tochten , die de Russen naar het oosten ondernamen. Zoowel te 
land door Samojedenland on Siberië, als ter zee langs de kust 
voorby de rivier de Pechora , bereikte hjj met hen den door En- 
gelschen en Nederlanders vergeefs gezochten Ob. Op een dier 
reizen, die waarschijnlijk nu en dan ook langs den in Rusland 
gewonen weg door Matjnshin-sjar gingen, werd hy door zgnen 
Russischen gids in Kostin-sjar gebracht, eene zeeëngte die door 
dit bezoek aan Europa bekend werd. 

Weldra maakte de ondergeschikte zich echter voor zgne mees- 
ters nog verdienstelijker door het openen van nieuwe wegen voor 
hunnen handel. Met de Nederlandsche kolonie te Kola en met 
de behoeften van den Nederlandschen handel goed bekend, opperde 
Brunei het plan om in het westen eene gelegenheid te zoeken tot 
afzet der Russische producten. Om dit plan uit te voeren ver- 
trok hij zelf, begeleid door twee bloedverwanten der Anikiews en 
met passen van den czaar naar Kola, huurde daar een Neder- 
landsch schip en kwam behouden te Dordrecht aan. Daar vonden 
de Russische bezoekers goede gelegenheid om hunne waren te ver- 
koopen. Het overblyvende gedeelte werd te Antwerpen en te 
Parijs voordeelig geplaatst, en toen Brunei het volgende jaar bij 
zgne patroons teruggekomen was, toonden dezen zich met het 
resultaat der reis zeer ingenomen. Zij besloten tot het aanknoo- 
pen van geregelde handelsbetrekkingen met Kola en van daar uit 
met Nederland. Zoo bezocht Brunei jaarlijks als agent der Ani- 
kiews beide plaatsen. 

Het duurde niet lang of hij maakte van zijne gunstige positie 
gebruik om het plan uit te voeren , waarom hij jaren geleden met 
zoo ongelakkigen uitslag in Rusland gekomen was. Hij trad in 
overleg met zekeren Jan Van de Walle en in 1577 haalde hij 
dezen over om overland de reis naar Rusland mede te maken. 
Van de Walle maakte zich zijnen tgd uitnemend te nutte: reeds 
het volgende jaar werd het eerste Nederlandsche schip door stuur- 

ende qaaemen met rjjckdommeii van Bont weder t*huys, ende hebbende Anica 
doen van alles verstaen , daar hy nae wenschte , soo dreef hy met zyne V runsten 
eenighe Coopmanschappe op die Landen, eenighe jaren langh, so dat dese A.ni- 
eoD\j heel machtich wierden." Deze Aniconij „woonden inde Stadt Osoil, op de 
Riviere Witsogda ghelegen." Is het niet, alsof deze beschrijving een commen- 
taar is op het ons reeds van Alfcrins Brunei en zijne patroons bekende? en is 
het wel gewaagd onzen landgenoot onder deze „Slaven ende Knechten," die de 
Aaicong ^wel ghetracteert ende oock goede gunste toe-ghcdraghen hebben," 
eene eervolle plaats aan te wijzen? 



28 

mau Jan Jacobsz mette Lippen van Alkmaar in den Pudoshemsoo- 
niond der Dwlna voor anker gebracht. (1578.) Dit schip, uit 
Vlissingeu uitgezeild , behoorde aan Gillis Van Ejchelenberg, ge- 
zegd Hoofman , een Antwerpsch koopman te Middelburg gevestigd ; 
als zgn agent was Jan Van de Walle daarop aanwezig. Onder de 
schepen, die tegelijk mot dat van Hoofman in Rusland aankwa- 
men , bevond zich reeds dadelijk dat van Adnaan Crg t , een see- 
kapitein in dienst van den bekenden Balthazar De Moucheron. 

De handel van Nederland met de Witte Zee was zoodoende 
gevestigd. Spoedig kwam Melchior De Moucheron zich als agent 
van zijnen bloedverwant Balthazar aan den Dwina-mond vestigen. 
De handelsnederzetting werd verlegd naar een haven bg het kloos- 
ter van St. Michiel; weinige jaren later verrees daar de stad 
Novo-Kholmogorui, meestal Archangelsk genoemd. Na langdurige 
aarzeling waren de Engelschen genoodzaakt hunne nederzetting 
op het Rozen-eiland te verlaten en zich in de nieuwe reeds bloei- 
ende koopstad te vestigen : de Nederlandsche energie was hun te 
machtig, Nederlands handel bloeide weldra meer dan die van 
Engeland, dat toch den weg gebaand had >). Dit alles uitvoerig 
te verhalen ligt buiten ons .bestek : wij keeren tot Olivier Bru- 
nei terug. 

Reeds twee jaren nadat Brunei den Nederlandschen handel op 
Rusland had bevestigd , vinden wjj hem bezig met nog grootseher 
en avontuurlijker plannen. Het was het jaar 1580, toen Peten 
Jackman onder den toeloop van duizenden op ecne nieuwe noord- 
oostelijke reis uitgevaren waren , toen de geleerde wereld in ge- 
spannen verwachting den uitslag van deze poging verbeidde. Ook 
aan den Dwina- mond zullen de Russen, die dagelijks met de dienaars 
der Moscovische Compagnie in aanraking kwamen , zonder twgfel 
kennis gekregen hebben van de verwachtingen, die men omtrent 
den noordelijken doortocht koesterde. Niet te verwonderen was 
het zeker , dat Russen , met de kusten der IJszee oneindig beter be- 
kend dan de Engelschen , van die meerdere kennis gebruik trachtten 
te maken, om aan de plannen op het vinden van den noordoostelyken 
doortocht gebouwd deel te nemen *). De Anikiews hadden reeds 



') Zie over de vestiging ?an den Nederlandschen handel op de Witte Zee: 
Wassenaer, lïist. verhael. p. 89 — 93. — De Jonge, Opkomst. I p 9 — 14. — 
Purchas , Pilgrinirs. III p. 464. — Uitvoerig bij: Scheltema, Rusland en de 
Nederlanden. I, en bij: Hamel, Tradescant, passim. 

*) Dat Engelsche en Russische kaarten Brunei tot zijne reis aangespoord heb- 
ben, blijkt uit de mededeeliug van Hcssel Gerritsz (Beschryvinghe van Samoye- 
den-Landt p. 2), die trouwens met Brunei en z\jne daden reeds veel minder 
bekend schgnt dan Barendsz en z\jne tijdgenooten. — Overigens komt het iii\j 
waarschijnl^lE voor, dat de twee schepen, door de Anikiews uitgeniit, eerto 
met de plannen tot de verovering van Siberië omstreeks dien t\jd in verband 



29 

dadolgk een Zweedsch scheepsbouw meester iu hun tlienst, die zich 
bezighield met het bouwen van twee tot die reis geschikte sche- 
pen. Brunei, de Nederlandsche handelsreiziger, kreeg van hen 
den last om in Antwerpen bekwame stuurlieden en matrozen te 
huren , al was het tegen hooge prijzen. 

Op zijnen weg daarheen kwam Brunei in Februari 1581 op het 
eiland Oesel in de golf van Eiga, waar hg in de stad Arensburg 
eene samenkomst had met zekeren Johan Balak , een cosmograaph 
met den beroemden Gerard Mercator bevriend. Balak , die zeer 
veel belang schjjnt gesteld te hebben in ontdekkingstochten, gaf 
hem eenen aanbevelingsbrief aan Mercator te Duisburg mede. Uit 
dezen brief, door Haklujt bewaard, kennen wij de plannen en 
inzichten van onzen landgenoot. Zoo Balak het ons niet uitdruk- 
kelyk verzekerde , uit de mededeelingen van Brunei zelven zouden 
wy het reeds kunnen opmaken , dat hij , de koopman , geen geleerde 
was, maar een man van rijke ervaring: zijne plannen getuigen 
niet van de studie van Plinius, maar daarentegen van eene be- 
trekkelgk nauwkeurige kennis van de Siberische kusten. 

Brunei was dan voornemens een schip van weinig diepgang in 
Nederland met koopmansgoederen te beladen , in de Witte Zee 
eenige ervaren Russen te huren , zich van den noodigen proviand 
te voorzien en in de maand Mei ter ontdekking uit te zeilen. 
Oo^lpvaarts voorbg het eiland Dolgoi gestevend , wilde hy den 
mond der Pechora bezoeken, onderweg alle kusten en zeeën 
nauwkeurig opnemen en zooveel mogelgk do afstanden bepalen. 
Vooral den mond der Pechora wilde hij als een geschikt station 
voor de heen- en terugreis nauwkeurig onderzoeken. Langs de 
knst door de Yugorsky-sjar stevenende , de Karabaai overstekende , 
meende h|j spoedig aan den Ob te zullen komen. Eenige van de 
vele monden dezer rivier wi 1de Brunei opnemen en dan twaalf dagen 
de rivier stroomopwaarts opzeilen totdat hij aan de plaats kwam , 
waar een andere groote rivier, de Yaks Olgush genaamd (de Taz- 
rivier ?) , zich in den Ob uitstortte. Op zgne reizen overland was 
hg vroeger reeds op die plaats geweest , waar de inboorlingen 
hem verzekerd hadden , dat zij , wanneer zij daarheen varende den 
Ob in drie dagen waren overgestoken , rgke scheepsladingen door 
zwarte menschen de rivier (namelijk de Yaks Olgush) hadden zien 
afvoeren. Eene nabygelegene rivier, de Ardoh (de Keta of de 
Taimyr?), die zich in het meer van Kittai •) (Keta of Taimyr?) 
uitstortte, begtensde dan ook het land, bewoonde door de Carrah 



getUan zullen hebben » dan met het zoeken van den uoürdoostelijkcu düortocht. 
Massa (Betchr. v. Siberia. p. 4) is zeer uitvoerig in hel verhalen van het aandeel 
door de Anikiewi aan dien tocht genomen. 

*) China heet volgens Hamel in het Kussisch nog steeds Kittai. 



80 

Colmak , dat niets anders was dan het rijke en beroemde Cathay. 
(Khatangsk ?) Bmnel hoopte daar te overwinteren en het volgende 
jaar naar de Witte Zee temg te keeren. 

Dit was het plan , dat de oudste Nederlandsche noordpoolreizi- 
ger zich had voorgesteld. Tot den mond van den Ob had hy 
zijne eigene ondervinding om hem te leiden. Verder moest hij 
alleen op de on volkomene berichten der Samojeden afgaan. En 
dat dezen geene veilige gidsen waren , blijkt reeds bg eene opper- 
vlakkige studie der kaarten. De verwarring, door Plinius' berich- 
ten gesticht, was nauwelijks grooter dan die, waartoe de verha- 
len der wilde stammen Brunei brachten. Tot den Ob kannen 
wij hem volgen. Maar zoo al de gissingen , hier en daar over zgn 
verderen tocht uit de overeenkomst van naam en ligging door mg 
gewaagd, juist zijn, in ieder geval blijkt het, dat de opgaven 
der afstanden voorbg den Ob geheel verkeerd zijn. En Brunei zon 
zeker spoedig hebben bemerkt , dat bij den Ob zijne reis eerst begon. 

De ontwerper zelf was van de deugdelijkheid zijner plannen 
overtuigd. Niet echter zijne Russische weldoeners , het vaderland 
moest het voordeel genieten, dat de jarenlange nasporingen van 
den handelsreiziger zou beloouen. Nu hij zelf eindelijk de noo- 
dige kennis voor het aanvaarden der reis verkregen had , besloot 
Brunei dadelgk , do liefde tet het vaderland hooger stellende dan 
de dankbaarheid, om eenige kooplieden in Nederland voor zyn |^n 
te winnen. Dadelijk na zijne aankomst stelde hg alles in het werk 
om tot de verwezenlijking zijner geliefkoosde denkbeelden te komen. 
Ik geloof dan ook niet , dat het gewaagd is aan te nemen , dat het op 
zgnen aandrang was, dat eenige kooplieden aan prins Willem I 
het voorstel deden om door het noordoosten eenen weg naar Oost- 
Indië te zoeken, mits de regeering hen ondersteunde. De bekende 
Middelburgsche koopman Balthazar De Moucheron '), de beroemde 
geleerde Gerard Meroater *), beiden evenals Bininel Zuid-Neder- 
landsche ballingen, beiden met hem goed bekend, schijnen aan 
dit plan niet vreemd geweest te zgn. De toestand des lands was 
echter te benard, dan dat de regeering het op zich had kunnen 
nemen veel geld te wagen in ondernemingen , waarvan de uitslag 
zoo twijfelachtig was als van deze. Hoe ingenomen de prins per- 
soonlijk met het plan zijn mocht, aan ondersteuning van staats- 
wege viel dus niet te denken. •) 



>) Zie over Moucheroo: De Jonge, Opkomst v. h. Ned. gezag. I p. 109 — 12. 

*) Moll, Zeetogten der Nederl p. 46. — Reeds lang v<k)r 1581 had Merca- 
tor, volgens den brief van Halak , van de reizen naar den noordpool bizondere 
stndie gemaakt. 

*) De Jonge, Opkomst. I p. 15. — Linschoten , Vojrasie ofte schip vaert bj 
Noorden om. (Voor re Jen.) 



81 

De beide ondernemende Zuid-Nederlanders, Brunei en Mouche- 
ron, lieten zich echter niet afschrikken. Het komt mg hoogst- 
waarschijnlijk voor, dat in 1584 op kosten van Moucheron de 
eerste Nederlandsche noordpoolreis ondernomeu werd ■). Hoe dit 
zij , zeker is het , dat aan Brunei de eer dier eerste reis toekomt. 
Met een schip van Ënkhuizen — de stad , die reeds sinds 1565 
handel dreef op Kola, — vertrok de onvermoeide reiziger » lange 
voor Willem Barentszoons reis*' naar het noorden om het verre 
Cathay te bereiken. Evenals al zijne navolgers , die , kooplieden 
in merg en been als de Nederlanders waren, zich ook op zulke 
gevaarlijke reizen niet van den handel wilden onthouden *), hield 
ook Brunei zich o ader weg bezig met het aanknoopen van han- 
delsbetrekkingen met de Samojeedsche stammen. Zijne pogingen 
waren hem echter noodlottig: nog voordat hij Novaya Zemlya be- 
reikt had , nam zijne reis een einde. De rivier de Pechora , die 
hg blijkens den brief vau Balak reeds vroeger als zeer ondiep had 
leeren kennen, verzwolg zijn schip, dat reeds met eene rijke la- 
ding kostbare handelsartikelen (pelterijen , bergkristal en Russisch 
glas) bevracht was '). 

Nog wilden de twee bondgenooten het niet opgeven : zij besloten 



*) Ik maak dit op uit het bericht van den hier zéér welingelichten Middel- 
burgschen notaris Le Petit (Gr. chron. anc. et unud. 11 p. 651), die op het jaar 1 59 i 
verhaalt, dat Balthazar De Moncheron vS'asseurant sur cela (d. i. de berichten 
uit Rusland over de mogelijkheid van den noordelijken doortocht) oultre la 
petite espreuve que dix années auparavant ilen avoit des- 
ia f ai te, advertit le priucc Maurice de la délibération quMI avoit do cher- 
cher ledit passage/' Moucherou deed juist iu 1584 met kracht eeuu uitrusting 
op de Witte Zee en w\j weten , dat hij dien handel sedert , «mits dat z\jneu 
naem in descn eenichsins kennelic endc rnchtbacr gemaect was, nyct en heeft 
moghen ofte derven vervolgen endc continueren." (De Jonge, Opkomst. I 
p 15, 17.) — Wel verhaalt Linschoten iVoyosie, Voor-redeo) dat «etlijcke Kooplieden 
ende andere dese Noordtsche Vaert ofte ondersoeckinghe langhe ghesocht hebben 
op de baen te brenghen ; maer dat dat altijdt achterghebleven is tot op het laer 
1598," maar het bericht van den anders natuurlijk zeer betrouwbaren getuige is 
toch bepaald onjuist, daar wij weten dat Brunei omstreeks 1584 eene mislukte 
reis deed. Het eenige, dat tegen het noemen van Moncheron als recder van 
Bmnels schip pleit, is het feit, dat deze laatste uit Enkhnizcn vertrok , terwijl 
de Moucherons zooals men weet te Middelburg, later te Veere g^*vestigd waren. 

s) Zoo moest b. v. ook de tweede noordpoolreis (van 1595) volgens de In- 
structie alleen dienen om handelsbetrekkingen met Cathay en andere Aziatische 
landen aan te knoopen : verder dan Japan mochten de schepen nog niet gaan. 

*) Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV. („Sints," d. i. na Pet 
en Jackman in 1580, «heeft Oliner Brunei uyt Hollant de Noordooste passagie 
ghesocht , ende ontdeckte", d. i. onderzocht (?), „de Reviere van Pechora.") — 
Beschr. v. d. Saraoycden- Landt. p. 2. — Ook Van Dam (Gesch. der O.-I. C. 
MS, R,A.) spreekt van vruchtelooze noordpoolreizen , door Nederlanders op het 
voetspoor der EngrUihcn ree «Is vwor 159 i ondernomeu. 



32 

tot eeae nieuwe poging. Maar eene noordpoolreis was geene zaak 
yan gering l>elang : » by de Ivooplieden alleen kende 't selfde seer 
qaalijck te weghe ghebracht worden sonder eenighe hnlpe ofte 
assistentie midtsgaders d* aathoriteyt yan *t Landt daer toe te 
hebben ■ ).** Het yadorland had zich tot bgstand onmachtig yer* 
klaard: nieu moest zich das elders heen wenden. Aan een temg- 
keer in Rassisohe dienst yiel yoor Branel niet te denken : yema- 
men wij reeds , dat hy tjjdens zgn bezoek aan Balak niet yan 
plan was zich by do Russische ondomeming naar het oosten aan 
te sluiten, hoe zou men hem ontyangen, nn hij yan het geheim 
den geheimzinnigen Russen afgezien gebruik gemaakt had om den 
streng yerbodeu handel op Siberië zelf te ondernemen? Hoe zou 
men den ontwerper van het plan beschouwen, terwyl de geld- 
schieter Moucheron zelf, die nog in 1584 talrijke schepen naar de 
Witte Zee zond , daar met zulke wantrouwende blikken werd aan- 
gezien, dat hy het raadzaam oordeelde den winstgeyenden han- 
del eerlang te staken? *) Maar eene andere mogendheid bleef 
hun oyer. Denemarken, reeds lang misnoegd oyer de tochten 
naar de Witte Zee , die zynen Sondtol afbreuk deden , zon gaarne 
de gelegenheid aangrijpen om zelf in het noorden machtig te 
worden. Daarheen wendde zich dan ook eerlang Brunei en sloot 
uit naam van Moucheron met den koning eene overeenkomst , 
waarbij Z. M. den Zeeuwschen koopman verscheidene privilegrien 
schonk en hem zelfs ƒ 100,000 voor zijne moeite beloofde , zoo 
hij den tocht wilde doen ondernemen en zijne kennis voor den 
koning beschikbaar stellen. Miiar ook ditmaal kwam er van de 
reis niets: mag men Moucheron gelooven, dan » prefereerde hy 
den dienst ende welvaert van deze landen" ten slotte boven het 
bevoordeelen van den vreemdeling , en was dus zuivere vaderlands- 
liefde de oorzaak , dat hy zich ongeneigd toonde den Deen te 
helpen •). 

Maakt ook dit wel wat laat opgekomen gewetensbezwaar bg 
iemand , die zoo goed wist wat hij wilde als de latere handlanger 
van Hendrik IV, een eenigszins venlacht figuur, zeker is het dat 
Brunei minder nauwgezet was. De wegen der beide krachtvolle 
mannen scheiden zich hier. Terwijl Moucheron zich langzamerhand 
en in het geheim voor verdere noordpoolreizen voorbereidde , zocht 
Brunei elders bevrediging voor zijn onleschbaren dorst naar avon- 
turen, tienmaal in betrekking met Denemarken bood hg den 



') Linschotrn, Voynnie oftr schip-viuTt. (Voor- reden.) 

*) rontract van ^louchcroo met de Staten van Zeeland, bg : De Jonge , Opkomst. 
I p. 17. 

*) Dit bericht heeft De Jonge bekend gemaakt nit het contract van Muq- 
cherou met de Staten van Zeeland. (De Jonge, Opkomst. I p. 17.) 



83 

koning aan de lang verlorene Groenlandsche koloniën voor hem 
te gaan opzoeken. Het aanbod van den ervaren noordpoolreiziger 
kon niet andei*s dan welkom zijn aan eene natie , die reeds vroe- 
ger een paar maal tochten met dit doel had ondernomen , en gi*e- 
tig werd dan ook de voorslag aangenomen. Brunei trad dadelijk 
in Deenschen dienst en gaf niet eerder zijne pogingen op, voor- 
dat drie vruchteloozo reizen , door hem in achtereenvolgende ja- 
ren ondernomen, hem van de ijdelheid van zijn streven hadden 
overtuigd *). 

Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Brunei zich daarna in 
zgn vaderland heeft nedergezet om krachtig mede te werken tot 
verwezenlijking zyner geliefkoosde plannen en om de begeerte zijner 
landgenooten naar betere kennis van het geheimzinnige noorden 
te prikkelen. Wij weten toch , dat de latere noordpoolreizen der 
Nederlanders voor geen gering deel aan zijne bemoeiingen moeten 
toegeschreven worden ' ) ; wij kunnen nagaan, dat h^ met Barendsz. 
zei ven uitvoerig over zijne ervaringen moet gesproken hebben •). 
Waarschgnlijk ging hij met zijne onderrichtingen voort tot aan 
z^nen dood, die zeker op het einde der zestiende eeuw voorge- 
vallen is: althans in 1577 was hij » al een bedaeght man*' *). Zijn 

*) Dit interessante bericht omtrent Brunei heb ik gevonden bij : Megiser, 
Septentrio Novantiquas (161 H), die op p. 174 verhaalt: «Innerhalb 100 lahrea 
haben die Bennenmercker den Strich oder Weg dahin (d. i. naar Groenland) 
▼erlohren. Darnmb dann be\j vnsern Zeiten , OHvier Brunei , ein wolerfahrner 
Stewrman dre^ lahr nach einander vom König von Dennenmarck gegen Mitter- 
nacht gesandt worden, diese Insnl Grouland zu suchen." Ik heb er een oogen- 
blik aan gedacht, of met die drie reizsn in drie opeenvolgende jaren ook die 
van Hall e. s. (1605 — 7) bedoeld zouden kunnen z\jn. 

*) Hessel Gerritsz verhaalt (Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p. 8), dat i^de toch- 
ten der Engelachen ende van OHvier Bunel" aanleiding tot de Nederland- 
Bcbe noordpoolreizen gegeven hebben. — Ik vermoed, dat Brunei om tot die reizen 
aan te sporen zelfs eene brochure heeft uitgegeven , waarin h\j z\jne lotgevallen in 
het noorden beschreef. Het boekje is waarschijnlijk de aan prof. Fruin (Tien 
jaren p. 241 Noot 2) onbekend gebleven bron van Wasaenaer. 

*) Dit maak ik op uit het feit, dat Barendsz. Kostin-sjar herkende vol- 
gens de beschrijving door Brunei daarvan gegeven. (De Veer, Drie sejrlagien. 
Eerste reis. fol. 7.) 

*) Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93. — Het tijdstip van z\jnen dood 
maak ik op uit het feit, dat hg, bekend als hg was en na al z\jne bemoeiin- 
gen, niet voorkomt onder de bevelhebbers der drie noordpoolreizen van 1594 >97. 
Ook sprak Hessel Oerritsz. reeds in 1613 van zgne reis als die van «Oliverii 
eninsdam Bunelli.*' (Descr. detect. freti , bg : Asher, Hudson. p 287) — Ik geloof 
dan ook niet, dat h\j ia 1606 bij de ongelukkige noordpoolreis van John Knight 
tegenwoordig geweest kan zgn , wat men anders zou kunnen opmaken uit de vol- 
gende mededeeling. Aan het einde van het journaal der reis (bg : Purchas , 
Pflgrimea. III p. 881) staat vermeld: «The rest of this louruall, from the 
death of Master John Knight, was written hy Oliuer Browne (of «Brownel'*) 
oac of the Company." (De laatste letter van dun naam Brownel is niet davdfi\^^ 



34 

naam bleef w^d en zjjd bekend : Engelschen en Nederlanders yer- 
melden hem als iemand van gezag en onderyinding >). Slechte 
de zorgeloosheid der geschiedschrijvers is ooi*zaak, dat wg zoo- 
lang onbekend gebleven zgn met de lotgevallen van eenen land- 
genoot, wiens naam als die van zoovele reizigers dier tgden tot 
nog toe nagenoeg hot eenige was , dat van hem ter onzer kennis 
was gekomen *). 

Maar waren ook zijne daden vergeten, de uitwerkselen daarvan 
zijn sinds eeuwen wereldberoemd. Brunei zelf schgnt de uit- 
voering zijner plannen niet meer beleefd te hebben, maar zgn 
deelgenoot Moucheron vatte met de hem eigene energie het oude , 
niet vergeten plan weder met kracht aan , zoodra hg een geringe 
kans van slagen zag. Gedurende de lange jaren , dat de onderneming 
schijnbaar was opgegeven , had hij door zijne bloedverwanten te 
Archangel en te Londen , door personen , die hg alleen met dat doel 
naar Rusland zond, onvermoeid de meest volledige inlichtingen 
verzameld over de kansen op eene noordoostelgke doorvaart en 
de resultaten door Bussen en Engelschen reeds verkregen >). In 



afgedrakt.) Maar al is de lezing »Brownel" (de gewone Engehche yerbastering Tan 
„Broner') juist, dan schijnt het toch vreemd, dat een oud en ervaren, algemeen 
bekend zeeman als hg nog in eene ondergeschikte betrekking zon gevaren hebben. 
Onmogelijk is het echter volstrekt niet , dat wij hier een belangrijk bericht over den 
verderen levensloop van onzen landgenoot bezitten. Dat Brunei te gelijk met Knight 
uit Deenschen in Engelschen dienst overgegaan is en zoodoende het noordwesten 
op nieuw bezocht , is op zich zelf niet onwaarschijnlyk , te minder daar de Engelsch- 
man Josiah Logan nog in 1611 nanwkearig wist te zeggen, hoe Brunei Kostin- 
sjar gevonden had. (Beke, Three voyages. p. XLIII.) Ik maak hieruit op, dat 
deze Engelsche noordpoolreizigcr, die uit de ons bekende veel kortere Nederland- 
sche berichten niet geput kan hebben, Brunei persoonlijk moet gekend hebben. 
£n bovendien zou het feit, dat Brunei zich na zgne mislukte noordpoolreis in 
1584 voortdurend in Deenschen en Engelschen dienst bevond, z\jne afwezigheid 
op de latere Ncderlandsche noordpoolreizen en Hessel Oerritsz.' onbekendheid met 
z^ne lotgevallen voldoende verklaren. 

') Vgl. de bij Bekc (Three voyagcs. p. XL[I, XLIll) aangehaalde gezegden 
van Barcndsz. , Hudson en Logan. Zie ook het contract van Monchcron met 
Zeeland, bjj : De Jonge, Opkomst. lp. 17. 

*) Ik ben in de beschrijving van het leven van Brunei uitvoeriger geweest 
dan ik over de verdere Nederlandsche noordpoolreizen z\jn zal, omdat hetgeen over 
dezen persoon , die reeds vroeger de aandacht der geschiedkundigen getrokken heeft , 
bekend is , gevonden wordt in allerlei oude werken . De eenige , die er een overzicht 
van geeft is — behalve De Jonge, die natunrlgk zeer kort is, — Hamel, wiens 
boek door het geheele gemis van opgaven der bronnen minder vertrouwen geniet 
dan het verdient. De drie nu volgende, beroemde ontdekkingsreizen der Neder- 
landers z\jn echter meer dan voldoende bekend : ik zal dus bg het verhalen daar- 
van den tegenovergestelden weg inslaan en mg zooveel mogelgk bekorten 

*) Zie hierover en over de verdere voorbereidingen tot de expeditie : Linscho- 
ten , Voyaiie ofte lehip-vaert by Noorden om. (Voor-reden.) — Contr. der Stn. ▼. 
2f«Und met Moneheron, tla bglage achter de Notulen Zeeland 1504. — L« 



35 

1593 kon h^ zich dan ook tot Manrits Van Nassau wenden ^) en^ 
door dezen aan de Staten aanbevolen , in December aan den the- 
saurier van Zeeland Jacob Valcke en aan de Gecommitteerde 
Raden dier provincie zijne plannen ontvouwen. De Staten van 
Zeeland toonden zich dadelyk geneigd tot medewerking : zij boden 
Moucheron het bestuur over de onderneming aan en ^ van de 
in- en uitgaande rechten der langs den nieawen weg te vervoe- 
ren goederen, mits hij ^ van de kosten droeg. Toen echter de 
zaak door eene conferentie van Moucheron met Maurits, Oldon- 
bamevelt , Cant , Maelson en Valcke meer algemeen bekend werd , 
mengde zich ook Holland daarin en beide provinciën besloten ge- 
heel op eigene kosten zonder tusschenkomst van Moucheron den 
tocht te doen ondernemen. Den ontwerper beloofden zij met eene 
som gelds bf eene jaarwedde voor hem en zijne nakomelingen te 
zullen beloonen. Moucheron moest , hoewel hg liever zelf als aan- 
deelhouder in de verwachte voordeden der onderneming had wil- 
len deelen, toegeven en hg sloot met de Staten van Holland en 
Zeeland een contract, waarbij hij zich verbond hen voor de ont- 
worpen reis met zijne verkregen kennis bij te staan. Na lange 
beraadslagingen en vele conferentiën met Moucheron werd ein- 
delgk 11 Mei 1594 de Instructie voor de expeditie vastgesteld en 
den 16 door de Staten-Generaal bekrachtigd. Dit gewichtige 
stuk bevatte den last om de Yugorsky-sjar, de straat tusschen het 
vaste land en het eiland Vaigatsch, door te zeilen, te trachten 
over de Kara-zee het voorgebergte Tabin te bereiken en van daar 
na alle kusten, eilanden, havens en reeden, alle zeeën en andere 
wateren goed opgenomen te hebben, na de nauwkeurigste waar- 
nemingen omtrent vloed en eb en andere belangrgke verschgnse- 
len in het scheepsjournaal te hebben aaivgeteekend , onverwgld 
huiswaarts te keeren. Het zoeken van den verderen weg werd 
voor eene volgende reis bewaard *). 

Petit» 6r. chron. anc. et mod. II p. 651. — De Jonge, Opkomst ▼. h. Nederl. 
gexag in Oott-Indië. I p. 14 — 18 — Een uitnemend en tot in bizonderheden vol- 
komen jnist oTerzicht van de nanleiding en voorbereiding der Nederlandsche noord- 
poolreizen vindt men b\j : Fruin , Tien jaren. p. 238 — 54. — In : Begin ende 
Yoortgangh van de Oost-Indische Compagnie (Inleid, p. 1 , 2) worden Jacob 
Yaleke en ChriitoiTel Roeltius , Theaaarier en Pensionaris van Zeeland, en de be- 
kende kooplieden Balthazar De Moucheron, Jan Jansz. Carel en Dirk van Os als 
de voornaamste aanleggera der noordoostelijke tochten genoemd. Eveneens b\j : 
Van Meteren, Comment. ofte Memor. foL CXXV. 

*) Le Petit, Gr. chron. anc. et mod. II p. 651. — Jinschoten , Yoyasie ofte 
schip-vaert bjr Noorden om. (Voor-reden.) 

*) «Instructie voor Wilhem Barentsz. waer neer hy hem sal hebben te regu- 
leren , omme die reyse by Noorden (Noua Sembla) om t' ondersoucken ende te 
vinden naer 't Coninckryck van China enz." dd. 16 Mei 1594, in het Register 
der «Instructien zedert 1588 tot 1610." K.-A. 



86 

Ondertusschen had de Amsterdamsche regeering , wier opmerk- 
zaamheid zich weldra op de onderneming vestigde, het plan op- 
gevat om voor zich een aandeel in den roem en het voordeel daar- 
van te verkrijgen. Aangevnnrd door haren burger, den beroemden 
cosmograaph Petrus Plancius, besloot zij tegelijk met de Staten- 
Generaal een schip voor eigene rekening naar het noorden uit te 
zenden. De plannen , door de hooge regeering in overleg met Mon- 
cheron gemaakt, droegen echter de goedkeurig der Amsterdammers 
niet weg. Zy besloten de inzichten van Plancius te volgen. Mis- 
schien ondei den invloed der berichten van Brunei , die ongetwg- 
feld van den Russischen handelsweg naar het oosten door Ma- 
tyushin-sjar ten noorden van Novaya Zemlya (p r o p r ia) gesproken 
had, verkondigde Plancius de leer, dat de weg door Tugorskj- 
sjar met vele moeielijkheden verbonden was (de reis van Pet 
en Jack man had dit voldoende bewezen) en dat men dus de 
voorkeur moest geven aan het zoeken van eenen doortocht ten 
noorden van Novaya Zemlya "). De instructie, aan de Amster- 
dammers door do Staten-Generaal gegeven, luidde dus, dat zg 
overeenkomstig met deze begrippen den weg aan de beide andere 
schepen voorgeschreven wel een eind ver moesten volgen, maar 
dat zij vóór het bereiken van Novaya Zemlya daarvan moesten 
afwijken en trachten dit land te omzeilen. Na het bereiken van 
kaap Tabin moest ook deze expeditie na soortgelijke waarnemin- 
gen als de andere langs denzelfden weg huiswaarts keeren >). 

Wel niet te gelijk, maar toch op denzelfden dag (5 Juni 1594) 
verlieten de beide expedities de reede van Texel. Den vorigen 
dag had men besloten gezamenl^k den tocht tot Kildin te maken 
en Comelis Comelisz. Nay, den kapitein van een der beide schepen 
van de Staten-Generaal, tot opperbevelhebber van de geheele 
vloot benoemd. Den 23 Juni lag men te zamen voor Kildin: 
spoedig daarop vertrok elk in de hem voorgeschrevene richting. 
Wg zullen eerst de grootste der beide uitrustingen op haren weg 
volgen. 

De twee schepen, de Swane van Veere en de Mercnrins van 
Enkhuizen, uitgerust onder toezicht van Moncheron en Maelson, 



*) Tot het aannemeD van Plancias* meening werkte ongetwijfeld mede de on- 
zekerheid of Novaya Zemlya een eiland dan wel ten noordoosten met het ratte 
land verbonden was. Was het laatste waar. dan voerde de Yngorsky-sjar niet 
naar eene opene xee maar naar eene baai , die geen uitgang ten oosten had. (Vgl. 
o. a. Hessel Gerritsz' aanteekeningen op de kaart van Massa in : Beschr. v d. Sa- 
moyeden-Landt. — Ook de Instr. der Mosc. Comp. aan Bassendine e. s. en aan 
Pet en Jackman , aangehaald hiervoor p. 17 Noot 2. — Eindelijk nog : Philosophi- 
eal Trtnsactions. Vol. X (1675) p. 418.) 

*) Inttr. der Stn.-Oen. voor Wilhem Barentu. , dd. 16 Mei 1694, in: Iii« 
Itrncticbock der Stn.-Gen. 1588—1610. R.-A. 



37 

Tertrokken 2 Juli naar Vaigatsch. Op de Swane was kapitein 
Comelis Comelisz. Nay van Enkhuizen , die meermalen voor Mou- 
cheron op de Witte Zee gevaren had, stuurman Pieter Dircksz. 
Strickbolle van Enkhuizen, een zeeman, die zijne ervaring mede 
in dienst der Moucherons had verkregen; als commies was daar 
de bekende Francoys De la Dale , een bloedverwant van Mouche- 
ron , die lang voor hem aan de monden der Dwina vertoefd had ; 
Christoffel Splindler, een Slavoniër die te Leiden gestudeerd had , 
ging als tolk mede. Op de Mercurius was kapitein Brandt Ys- 
brandtsz. Tetgales van Enkhuizen en stuurman Claes Cornelisz. 
uit dezelfde stad ; de commies was de beroemde Jan Huygen Van 
Linschbten. Wat kon men niet van de vereenigde pogingen van 
zoovele ervarene en geleerde mannen verwachten! 

Het resultaat der onderneming was, hoezeer ook door tijdge- 
nooten geroemd, slechts gering: do Nederlanders kwamen langs 
denzelfden weg als Pet en Jackman ongeveer tot hetzelfde punt 
als hunne voorgangers. Reeds dadelijk door drijfijs bemoeielijkt 
zeilden zij langs de Russische kust, staken de Witte Zee en de 
Cheskaia-golf over en bereikten 18 Juli den mond der Pechora. 
Den 21 kwamen zij bij Vaigatsch voor anker, zeilden na vele 
onderzoekingen de Yugorsky-sjar door en bereikten 1 Augustus 
de zee van Kara. Ook daar werden zij zeer door drgfijs gehin- 
derd, maar na moedig doorzetten kwamen zij 9 Augustus op om- 
streeks 71" NB. in eene opene zee. Zij meenden daarom wel wat 
voorbarig de doorvaart naar Indiö gevonden te hebben en ^ stem- 
den met een ghomeen accoort de Cours weder naer *t Vaderslandt 
te stellen om aldaer (hun Godt sulcks gunnende) dese wel-gheluckte 
begonnen vaert, met blijdtschap te communiceren." Aan verschil- 
lende, zooals zij meenden door hen ontdekte plaatsen hadden zg 
namen gegeven. Zoo noemden zg Yugorsky-sjar de straat van 
Nassau, Vaigatsch het Enkhuizer eiland, de Kara-zee de Nieuwe 
Noordzee, twee eilanden het Maelsons- en het Staten-eiland •). 
Pier op het resultaat hunner reis, die hen naar zg meenden 
voorbij den Ob en in hot gezicht van kaap Tabin gebracht 
had, ontmoetten Nay en de zgnen den 16 Augustus ten wes- 
ten van Vaigatsch de Amsterdammers, die minder hoog van 
zich zelven denkende in werkelijkheid aan het voorgestelde doel 
veel nader gekomen waren. 

Deze expeditie bestond uit slechts éen schip , de Mercurius , dat 
een jacht of visschersschuit bij zich had. De geringe krachten der 
onderneming werden echter ruimschoots opgewogen door de tegen- 
woordigheid van Willem Barendsz. als kapitein. Het is voldoende 



*) Vgl. over deze reis: Linschoten, Voyasic ofte schip- vaert by Noorden om. 
(Eerste reis.) 



88 

zgnen naam te noemen om voor den lezer dadelgk het beeld op 
te roepen yan dezen beroemden Terschellinger, den ervaren stnnr- 
man, die »yan syne kintsche daghen aen altgt gheneghen 
gheweest was , omme nae alle sjn vermoghen , de Landen die hy 
bewandelde oft beseylde, Caertsghewyse met den omloopenden 
Zeen, Wateren, ende Streckinghen af te beelden" >), — den 
vromen held, die volgens zgne zinsprenk »Niet sonder Qod" ') 
deed , — den man eindelijk , wiens karakter zgnen onderhoorigen 
tegelijk diep ontzag en warme genegenheid inboezemde. Het ia 
dan ook overbodig meer over zijnen persoon te zeggen ; van zgne 
vroegste lotgevallen is het onmogelijk iets van belang mede te 
deelen. 

Den 29 Juni verliet de Amsterdamscho expeditie Kildin, den 
4 Juli kreeg zy Novaya Zemlya in het gezicht ten noorden van 
Matyushin-sjar. De lijn der kust volgende bereikte Barendsz. 
reeds 10 Juli zonder vele moeiel ij kheden kaap Nassau , het punt 
van waar de kust zich oostwaarts wendt , maar reeds drie dagen 
later ontmoette hem veel ijs en het overige gedeelte der reis ging 
daardoor met ontelbare bezwaren gepaard. Steeds heen en weer 
zeilende kwam het schip eerst 29 Juli op 77' NB. bij het noor- 
delijkste punt van Novaya Zemlya , dat IJskaap genoemd werd , 
en twee dagen -later bij de Oranje-eilanden, die nog steeds de 
herinnering aan Willem Van Oranje bewaren. Juist op dit pnnt , 
waar de lang gezochte zee van Kara zich opende , moest Barendsz. 
zijne pogingen opgeven: de zee was vol drijfijs en de bemanning 
weigerde verder te gaan. Men zeilde temg geheel langs Novaya 
Zemlya tot de zuidpunt toe, miste echter Matyushin-sjar, waar 
men juist de kust eenige dagen verlaten had, en bereikte na 
lang omz werven Vaigatsch. Den 16 Augustus ontmoette Barendsz. 
daar Nay en de zijnen •). 

Den 16 September 1594 kwam de verzamelde vloot behouden 
in het vaderland aan. De bevelhebbers deden dadelgk verslag 
van hunne verrichtingen aan Maurits , aan de Staten- Generaal en 
aan de Staten van Holland , in tegenwoordigheid van eenen afge- 
vaardigde van Zeeland. Het resultaat van Nay's reis, hoe ge- 
ring het ons moge schijnen, en ook het verslag door de Amster- 
dammers uitgebracht, waren wel geschikt om den Staten moed 

■) BarentzocD, Nieuwe beachr. ende Caertboeck vuide Midlandtsche Zee. 

(Voorrede.) 

») Barentzoeo. Caertb. vande Midlandtsche Z«e. (Lofdicht.) — l>e opvoeding: 
Tan Barend», «chynt door Bfke (Three voyage». p. LV) met recht ,good if not 
learned'* genoemd te z\jn : uit de opdracht van het (^aertboeck bl^kt . dat hij Ia- 
t\jn verstond. 

•) Vgl. over de» reis: De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken ran 
Catthay ende CTiina. (Eerste reis.) 



89 

te geven tot verdere pogingen. Beide ondernemingen hadden ten 
oosten van Novaya Zemlya eene opene zee gevonden; beide kon- 
den meenen , dat de bezwaren op eenen weg naar Oost-Indië niet 
onoverkomelijk waren. Dadelijk werden dan ook de voorbereidende 
maatregelen getroffen om op nieuw uit te zeilen. Door middel 
van den bekenden Emanuel Van Meteren , Nederlandsch consul te 
Londen , werden inlichtingen ingewonnen van den Engelschen geo- 
graaph Richard Hakluyt. Het bericht door dezen gegeven luidde 
alleszins bemoedigend: Hakluyt geloofde, ook onafhankelijk van 
de door de Nederlanders verkregen kennis , vast aan het vinden 
van den noordoostelijken doortocht. Door al de^ berichten was 
men in Nederland vol hoop; men vreesde zelfs nu reeds mede- 
dinging van Frankrijk langs den te vinden weg : men stelde voor 
de straat van Nassau te versterken en zoo aan alle vreemde natiën 
den pas af te snijden ; tot het verder voortzetten der ontdekkings- 
reizen werd zonder aarzeling besloten. Holland was de eerste pro- 
vincie, die van de zaak sprak. Reeds in October 1594 werd de 
zaak daar in de statenvergadering behandeld. Ook Zeeland toonde 
zich ijverig: Moucheron was den Staten weder met raad en daad 
behulpzaam. Na langdurige conferentiën van Holland en Zeeland 
onderling en van deze provinciën met de Staten-Generaal , werd 
9 Mei 1595 tot het ondernemen eener tweede reis op staatskosten 
besloten: de instructie werd 16 Juni vastgesteld *). 

Het plan dezer tweede Nederlandsche noordpoolreis leeren w^ 
nauwkeurig kennen uit de »pointen geproponeert opte Nauigatie 
benoorden om, naeden Coninckrycken van China ende Japan." *) 
Het voornemen was zich 11 Juni in het Marsdiep te verzamelen 
en van daar ten spoedigste langs Vaigatsch naar kaap Tabin te 
zeilen. Twee jachten waren bestemd om de tijding van het bereiken 
van dit moeielyk te naderen punt dadelijk in het vaderland aan te 
brengen. De expeditie zou ondertusschen van kaap Tabin voortsteve- 
nen »naede haeuen ende Stadt van Guinsay", aldaar landen en moeite 
doen om den vrijen handel te bekomen , vooral er op lettende » wat 
Coopmanschappen aldaer aengenaem waren, ende voor retour her- 
waert szouden wezen te becommen." Dezelfde pogingen moesten de 
schippers, wanneer het hun hier mislukte , herhalen in alle havens van 
Azië's oostkust tot aan het noorden van Japan. Slaagde men ook daar 

•) De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 20, 21. — 
De Instructie is afgedrukt in de „Voyasie" van Linschoten op fol. 24. 

*) Zie dit merkwaardige stuk in de verzameling: Noordsche togten , 1. R.-A. — 
Deze ;,pointen" werden den 9 Mei 1595 in tegenwoordigheid van Moucheron en 
andere gecommitteerden der Staten van Zeeland in de vergadering der Staten-Oe- 
neraal geresumeerd. Men besloot de reis op die punten vermeerderd met de 
adviezen der comparanten en op eene nadere instructie te ondernemen , en de kosten 
uit den opbrengst der konvooien en licenten te vinden. (R. S.-G. 9 Mei 1595.) 



40 

niet, dau moesten de schepen terngkeeren om in Juli , Angnstosof 
uiterlijk September 1596 straat Nassau weder te kunnen passeeren. 
Evenals het vorige jaar kreeg de bemanning last »van alles goede 
notitie te houden" en twee jachten af te zenden om den terugweg 
benoorden Novaya Zemlya te beproeven onder belofte van »eerljcke 
recompense extraordinarie by succes." Zooveel wat de reis zelve 
betrof; de Staten wenschten echter reeds dadelgk de handelsbe- 
langen te bevorderen en besloten »omme te aengenamer te wezen 
in de voorszeide landen" » eenige Coopmanschap" aan de schepen te 
doen medegeven. Ten einde de ondernemiugszucht der kooplieden , 
»dio op zoe onsekere reyse niet gaerne en zouden hazarderen ," te 
prikkelen, zou men hen »daertoe Inviteren" door de belofte van 
vrijdom van in- en uitgaande rechten en van de vracht. Ook 
kolonisatieplannen werden gekoesterd; ten minste men besloot, 
dat »oick geleth soude werden oft men eenige quaetdoenders op 
het Landt soude stellen." ') 

Nog veel tijd ging met het gereedmaken der vloot heen : eerst 
2 Juli konden de schepen voor de onderneming bestemd van 
Texel in zee steken. Opperbevelhebber der vloot was wederom 
Cornelis Cornelisz. Nay *), opperstuurman Willem Barendsz. Als 
commiezen van Holland waren op de vloot aanwezig de bekende 
Linschoten, Heemskerck en Rijp; voor Zeeland De la Dale en 
Buys, neven van Moucheron. Zoo zeker rekende men ditmaal op 
het bereiken van Azi(5'8 oostkust , dat men het anders geheel onnoo- 
dige getal van zeven schepen voor de reis had uitgerust ; men hoopte 
ze beladen met kostbare handelsartikelen te zien terugkeeren, 
en werkelijk hadden eenige kooplieden de schepen met koopman- 
schappen bevracht. De Instructie, die voor Linschoten en De 
la Dale als oppercommiezen werd gereed gemaakt, schreef hun 
zelfs nauwkeurig voor, hoe zij met de vorsten der stammen ten 
noorden van Japan handelsbetrekkingen moesten aanknoopen. 

Al deze schoone verwachtingen zouden echter op de grievendste 
wijze teleurgesteld worden. Eerst den 10 Augustus bereikte de 
vloot den Noordkaap; reeds den 17 ontmoette zij drijfijs. Toch 
kwamen de reizigers weldra aan de straat van Nassau, waar zjj 



*) Daertoe werd besloten > Van Meteren (Comment. ofte memor fol. CXXV) 
verhaalt: „eenighe soaden daer ontrent verwinteren, om te weten hoe langbe 
den Winter ende ghcvries daer dnert , daer toe ghereetschappe mede nemende 
om stoven op te stellen." 

*) Merkwaardig is het zeker en het g(>tnigt niet voor Nay 's bestnor op den 
eersten tocht, dat de Staten-Generaal besloten, wanneer de bevelhebber *thert 
ende Resolntie njet en hadde om voort te varen*', de overige bevelhebbers dit 
op hunne eigene verantwoordelijkheid mochten doen ; een nader aan te w\jzen 
persoon, misschien wel de onversaagde Willem Barendsz., zou dan het bestuur 
voeren. (Pointen opte Nauigatie benoorden om , in : Noordsche togten , I. R.>A.) 



41 

echter in cene baai , door hen Traenbaei genoemd , moesten blijden 
liggen: de geheele straat van Nassau was eene onafgebroken 
gsylakte. Wel gelukte het 24 Augustus de straat door te zeilen , 
maar het ijs dreef de schepen spoedig weder naar Yaigatsch 
terug en toen zij eindel^k 3 September het Staten-eiland bereikten , 
bleken de moeielijkheden in de zee van Kara toch te groot dan dat 
men zich daarin durfde wagen. Na herhaalde vruchtelooze pogin- 
gen door Barendsz. , die van geen terugkeeren hooren wilde , gedaan 
om ergens open water te vinden, bewilligde deze eindelijk 15 Sep- 
tember in het mede-onderteekenen van een protest , waarby alle be- 
velhebbers der vloot voor God verklaarden , dat het hun onmogelijk 
was dit jaar verder te zeilen. Eerst in November kwamen de 
schepen zeer verspreid in het vaderland terug '). 

Maar al was het resultaat ontmoedigend , de kooplieden wilden hun 
streven niet opgeven. Nog voor het einde van het jaar leverde Lin- 
schoten aan de Staten-Geueraal zijn journaal van de reis over ; tege- 
lijk gaf hg HHM. een nieuw plan ter overweging. Op het voorbeeld 
der Portugeezen wgzende , die eerst na herhaalde proefnemingen den 
weg naar Oost-Indië hadden gevonden, wekte hij de Staten tot een 
nieuwe poging op. Door het reeds omtrent de gelegenheid der 
Tszee bekende achtte hij het ontwijfelbaar , dat de noordoostelijke 
doortocht naar Oost-Indië bestond ; uit de jaarlijksche tochten der 
Bussen naar den Ob besloot hij , dat de straat van Nassau niet 
altgd zoo onbevaarbaar zijn kon als de Nederlanders haar dien 
zomer gevonden hadden. Alleen >de kennisse ende rechte erva- 
rentheydt van den tijt" was nog onbekend. Om die kennis te 
verkrggen stelde Linschoten voor , dat de Staten vroeg in het voor- 
jaar van 1596 twee ^ lachten ofte Boots" naar de straat van 
Nassau zouden zenden om daar het oogenblik af te wachten , dat 
de Russische schepen de reis naar den Ob deden. Eenmaal daar 
aangekomen twgfelde hi) niet of de verdere weg was gemakkelijk : 
zjjne ondervinding van 1594, toen hij meenende reeds voorbij den 
Ob te zijn eene opene zee had gevonden, boezemde hem daar- 
omtrent het volste vertrouwen in. Weldra zouden de schepen 
de rivier de Gillissy (de Jenissei) bereiken , waar zij des gevorderd 
gemakkelijk overwinteren en van de talrijke kustbewoners de 
noodige inlichtingen verzamelen konden om het volgende jaar de 
reis voort te zetten *). 



') Zie over deze reb: Lioachoten , Voyssie ofte schip-vaert by Noorden om- 
(Tweede reis.) — De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken van Catthay 
ende China. (TVeede reis.) 

*) Linschoten , Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Conclusie ofte Na- 
reden.) — Hetzelfde plan werd later nog aanbevolen door ^lassa (Gort verhael. 
p. 8, in: Beschr. ▼. d. Samoyeden-Landi), — en door Pontanus. (Beschr v. Amst. 

p- n«.) 



42 

Maar hoc schoon het plan mocht 8ch|jnen , er kwam niets van. 
De onvoldoende uitslag der laatste onderneming schrikte de re- 
geering van verdere pogingen af. Wel beraadslaagden de Staten- 
Generaal en de Staten van Holland nogmaals ernstig over een 
nieawen tocht, maar »hoe wel meest alle de Steden van Hol- 
lant daer toe eerst waren juclinerende" *), besloot men toch geen 
geld meer aan zoo onzekere kansen te verkwisten en liever eene 
premie van/ 25.000 benevens vrijdom van in- en uitgaande rechten 
uit te loven voor dengene, die den doortocht werkel^k ontdekt 
had *). Amsterdam, altijd zoo ijverig in het bevorderen van deie 
zaak, liet het er niet lang by blijven. Reeds vóórdat de premie 
uitgeloofd was had de vroedschap besloten , — overwegende >dat 
bysonder dese Stad (als principaelyck Inde coophandel ende naui- 
gatie bestaende) ende oick 'tgemeeno landt ende d'Ingesetenen 
vandien in neringe, coophandelinge ende ryckdomme groote- 
licx souden kommen te floreren , by soe verre de voorszeide vaert 
(daer toe goede hope wierd gegeven) mochte werden gevonden ," — 
dat de stad ƒ 12.000 zou beschikbaar stellen om twee schepen, éen 
vun 50 a (>0 en éen van 30 last, naar het noorden uit te zenden '). 
Plancius was nu evenals de vorige malen niet alleen een der voor- 
naamste bevorderaars der reis , maar ook de eerste raadsman dor 
regeering. Had hij het vorige jaar bg het opmaken der plannen 
voor de reis zijne eigene inzichten opgeofferd, toen het scheen 
alsof de straat van Nassau een geheel ijsvrijen weg naar Oost- 
Indië zou openen ; nu het gebleken was , dat deze straat somtgds 
nog grootere moeiel ij kheden opleverde dan het omzeilen van 
Novaya Zemlya , kwam hij op zijn oude plan terug. Men besloot 
dan ook , dat deze expeditie den door Barendsz. onderzochten weg 
nogmaals zou inslaan. 

Wederom waren het ervarene zeelieden , aan wie het bestuur 
der scliepon werd toevertrouwd. Was Jan Comelisz. Rgp van 
Kukhuizen , die reeds den vorigen tocht als commies had mede- 
gemaakt, schipper en commies op het eerste schip met Arend 
Martensz van Amsterdam als stuurman *) ; in het andere bekleedde 
Jacob Hendricksz. Heemskerck dezelfde betrekkingen als Rijp , ter- 
wjjl geen minder persoon dan Willem Barendsz. stuurman was. De 
bizonderheden van deze allerbelangrijkste onderneming, waarbg men 

») Kr-Mïl. drr Am«t. vrwdschap , dd. 25 Maart 1590 (Anwl. arch.) 

») \i S.O. 13 Apr. i:)96. — De Veer. Ikrdc seylagie. fol 16. 

•) Riwïl. Aiimt. \T(M*dnrh. 25 Mrt. 1596. — PictiT llasselaer en e«nige anderen 
werden d<M>r de burgtiinccsters volgens dc7.e resolutie aangewezen, ffOmme te Ter- 
sorgrii alle. 't gundt tot wtrnstinge vande voornoemde schepen van noode wezen 
iini." De \eer. Drie seylagteu. fol. 61. 

*) Zie zgne getuigenis over den tocht van Rgp in de verzameling : Noordtchc 
togten. 4. lioopfnde Noordsche Compagnie. R.-A. 



43 

yerdere ontdekkingen deed dan de meeste beroemde zeevaarders 
der negentiende eeuw , zijn algemeen bekend : deze reis is een der 
populairste gedeelten onzer geschiedenis. Ik kan mij dus bepalen 
tot het geven van een overzicht van den gevolgden weg. Den 
18 Mei van Vlieland nitgezeild zette men noordelijk koers. Reeds 
spoedig ontstonden er onaangenaamheden tusschen de aanvoerders 
van beide schepen. Rijp meende , in overeenstemming met Plan- 
cius' inzichten •), dat het volgen van den ouden koers tot bij 
Novaya Zemlya de expeditie evenals vroeger in het ijs zou 
voeren; hij vreesde ook op de reeds zoo dikwjjls onoverkomelijk 
bevonden bezwaren , die de zee bg Vaigatsch aanbiedt , te zullen 
stuiten. Ook Barendsz. was wel niet van plan zich naar Vai- 
gatsch te begeven , maar hij meende toch dat de richting , die 
Rgp aangaf, te veel westelijk was. Voor eenen tijd gaf hij echter 
toe dien koers te blijven vervolgen. Het resultaat daarvan was 
reeds 9 Juni de ontdekking van Beeren-eiland en weinige dagen 
later (17 Juni *)) ook van Spitsbergen, dat zij niet verre van den 
noord westelijken hoek bereikten. De pogingen om van daar in 
noordwestelijke richting eenen doorgang dgor het ijs naar de 
pool te vinden mislukten. Men keerde na eene landing op een 
der noordwestelijke eilanden terug en poogde , langs de kust zuide- 
lijk gestevend, de zeeëngte, die Prince Charles* foreland van 
Spitsbergen scheidt, door te zeilen. Maar deze nauwe straat 
bleek onbevaarbaar en de expeditie voer dus het eiland weste- 
lijk langs, bezocht Bellsound en bereikte, nadat zij de ge- 
heele westkust van Spitsbergen gevolgd had, den 1 Juli het 
Beeren-eiland weder '). Hier deed zich bet verschil van ge- 



') Planciiis mceude volgens Linschoteo (Voyasie ofte 8chip->'Bert by Noorden 
om. Voor-reden) : ^dat boven Nova-Zembla, te weten, ouder den Polus 
Articus door, den rechten ende docniijcksten wegh moeste zijn; om wel- 
kes te bevestighen, hy . . . , ghennegh met sekerheyt bevestighde, .... dat 
den wegh onder den Pole, te weten , boven Nova Zembla om , seker, 
gantsch ghewis , ende souder twijffel goet was." 

*) Dien datum geeft het journaal van Barendsz. , door Uessel Gerritsz. me- 
degedeeld; dat van I)c Veer vermeldt eerst 19 Juni het zien van land. 

*) In de bi-schrijving van deze reis verwerp ik het gevoelen van Beke (Three 
voyages. p. LXXXV — LXXXIX), die meent, dat Spitsbergen door Heemskerck en 
Rijjp omzeild is. Ook De Jonge is het niet met Beke eens (Opkomst. I p. 28-26). 
het komt mij echter voor, dat z^ne gronden niet alle even afdoende z\jn. Doch 
iinds de uitgave van dat werk zijn er een paar ontdekkingen gedaan , die Beke's 
gevoelen geheel wederleggen. Tielc heeft aangetoond (Mem. s. 1. journ. des na- 
▼igat. Holl. p. 93. 112, 195) : !<>. dat de opgave van den weg der reizigers van 
159| op de „tabula geographica'' (opgenomen o. a. in Ashers Hudson the Na- 
vigator) door Barendsz. zelven daarop is aangeteekend en dus een onwederlegbaar 
bewgs levert, dat Spitsbergen door hem niet omzeild is. 2^ dat de voornaam- 
ste grond , waarop Beke de authenticiteit, van het door HesseJ Gerritsz. in z\jne 



44 

voelen tnsschen beide bevelhebbers op nieuw voor en men be- 
sloot tot eene scheiding. Rgp zeilde nogmaals noordelgk om to 

Histoire de Spitsberg he medegedeelde journaal van Barendaz. zelven be- 
twist, (namelijk de vermelding daarin van den naam Spitsbergen.) vervallen 
is door ï)e Jonge's ontdekking van Rijps getuigenis, waarin men leest, dat 
reeds d*: eerste ontdekkers aan het eiland den naam gaven, waaronder het later 
bekend bleef. (Opkomst. 1 p. 24.) De andere reden, waarop fieke de echtheid 
daarvan betwist , beteekent m. i. niets. H^j meent , dat Barendsz'. journaal 
noodzakelijk na deu dood van den schrijver in handen van De Veer had moeten 
komen en dns met het journaal van den laatste in alle opzichten overeenstem- 
men. De n o o d z a k e 1 ij k h e i d , dat het journaal van den opperstuurman na 
diens dood aan een ondergeschikt , zij het ook bovriend , persoon uit de beman- 
ning ter hand gesteld werd, zie ik volstrekt niet in. Maar ook al neemt 
men die aan , dan toch is het ondenkbaar, dat de eerlijke Gerritaz. , 
om de ontdekking vau Spitsbergcu door de Nederlanders te bewezen , ter- 
wijl by uit het journaal van Do Veer eenige feiten overnam , de opper- 
vlakkig beschouwd zeer onwaarschijnlijke koersen langs nog grootendecls on- 
bekende kusten, die het door hem medegedeelde extract opgeeft, zou ver- 
zo n n e u hebben , zonder daardoor zijne argumentatie voor 
de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders ook 
maar iets sterker te maken dan ze door de eenvoudige me- 
dedecling van De Veer 's journaal zou geweest zijn. Het ver- 
schil in de opgaven der koersen en hier en daar in het verhaal der omstandig- 
heden, bewijst voldoende, dat wij hier twee geheel zelfstandige werken voor 
ons hebben. En dan verdient het journaal van Barendsz. , dat minder anecdoten , 
naar meer opgaven vau koersen geeft , m. i. zelfs veel meer vertrouwen dan de 
onduidelijke opgaven van De Veer, die blijkbaar minder goed op de hoogte was. 
Nog meer: uit den tïkst van het door Gerritaz. medegedeelde uittreksel zelf 
blijkt m. i. . dat het aan het dagboek van den stuurman ontleend is. De uiterst 
uau«keurigc inedcdecling van de jrevolgde koersen , van de gemaakte waarnemin- 
gen , het geheel verwaarloozeu van alles, wat aan het verhaal voor den lezer 
Vts aangenaams geven kan, stempelt het fragment als een scheepsjournaal, een 
;,logb<)ok", dat niet tot lectuur bestemd is Ik meen dus, dat bet journaal van 
Barendüz. echt i«i. Maar ook al neemt men dit niet aan , dan nog verdient het 
fragment als zelfstandig werk van een blijkbaar beter ingelicht persoon dan De 
Veer, wiens medededeelingcn soms zeer onbestemd zijn, alle vertrouwen. £n 
Beke zelf geeft Uu: (Threc vovuges. p. LXXXIX Noot), dat de daar beschre- 
vene reis lang» Spitsbergcns westkust niet teu noorden van het eiland plaats 
had. (Vgl. ook het verhaal der reis van den goed ingclichten Van Meteren , 
Comment. ofte niemor. fol. ('LIIÏ, — en het verhaal door Heasel Gerritz. inde 
Detei'tio freti. ed. 161 :<. F. 2 u i t h e t j o u r n a a 1 v a n 1) e Veer opgemaakt.) — 
Zoo het noodig was, bij deze afdoende argumouten tegen de omzeiling van Spits- 
bergen door Barendsz. een ander te voegen, dan zou reeds het door Beke zel^ 
vermelde feit , dat Spitsbergen door Barendsz (en door velen lang na hem) voor 
een gedeelte van Groenlands oostkust gehouden werd (ecu feit, dat volstrekt 
niet strijdt met het geven van den naam vau Spitsbergen aan een gedeelte dier 
kast) ouverklaarbiiar zijn , wanneer het eiland op de zoo algemeen bekende reis 
van 159« door Barendsz. omzeild was. (Vgl. o. a. Van Metereu, Comment. 
f il. CLIII. — Zie ook: Hist. de Spitsberghe. p. 18, waar gezegd wordt: ,Dn Fayre 
Forland au loug de la coste il laut prendre la route Nord norest et Nordett, 
jnsqu*es par dessus la hauteur de 80 degrés la ou Guilliaume Barenss. 



45 

trachten de pool te bereiken. Daar hij aan de westzijde van 
het nieuw ontdekte Spitsbergen de ijsvlakte dicht aaneengeslo- 

etJean Corneliss. Rijp, dccouvrirent premièrement Ie Pays", — 
en van het noordelijke gedeelte van den Foreland fjord : „c'est la mcsme Baye 
la OQ ont esté Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. laquelle ils pensoyent 
passer par derrière on par dedans , mais ils u'y trouvoyent pas prou (?) profond et 
7 avoit de la glacé , qni estoit ferme attaché aii fond , comme aussi a tronvé la 
Navire de Dnynkerkes, selon qu'a raconté un de lenr Filotes." Het Duinkerk- 
sche schip was in 1618 op Spitsbergen ter wal visch vangst, (f Hst. de Spitsb. 
p. 21.) Deze ijsdam, waarop men stnitte , wordt nog op eene in 1631 ver- 
vaardigde kaart van Spitsbergen (in : White , Greenland and Spitsbergen p. 253) 
als ]vThe Barr" aangeteekend. — Zie over de op deze reis aangedane plaatsen 
ook de getnigenissen van Arend Martensz. en Antonie Claesz. Homan , in : 
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. , waar dnidelijk het Amsterdamsche ei- 
land , de Foreland fjord en Bellsound opgegeven worden.) 

Nog een enkel woord over de beide verhalen van de ontdekking van Spitsber- 
gen : de ontdekking van het journaal van Barendsz. geeft een zeer goede maatst af 
voor de kritiek van De Veer's reisverhaal. Ik zeide reeds , dat de mcdedeelin- 
gen van Barendsz. in alle opzichten den voorkeur verdienen. Niet alleen heeft 
Barendsz. als zegsman meer gezag dan zijn ondcrhoorige , maar zijne opgaven zijn 
beter. Barendsz. geeft gedurig uiterst nauwkeurig de richting op, die soms ver- 
scheidene malen op één dag veranderd werd ; De Veer zegt dikwijls , dat de 
koers b.v. eenigszins noordelijk was zonder nadere aanduiding. Barendsz. geeft 
eiken dag het voorgevallene op ; De Veer slaat somtijds een paar dagen over. De 
Veer houdt zich niet alleen dikwijls bezig met uitvoerige verhalen , die van geen 
belang z\jn (b.v. de tallooze gevechten met beercn) , maar hij verwaarloost daarom 
dikw^la zaken van meer, belang , waarbij hij trouwens misschien niet altijd te- 
genwoordig was , of die om andere redenen hem als ondergeschikte dikwijls onbe- 
kend bleven. Maar vooral daalt het journaal van De Veer in waarde, wanneer 
w\j door de vergelgking met dat van Barendsz. bemerken, dat hij zijn journaal 
niet dagelijks bijschreef, maar later opgesteld heeft : hoewel in de hoofdzaak beide 
verhalen volkomen overeenstemmen is de chronologie van De Veer geheel ver- 
keerd. — Van de andere zgde is het verwijt aan De Veer gedaan, dat zijn ver- 
haal niet te begrgpen zou z\jn en de richting van het schip niet te volgen (Bekc , 
Three Vojages. p. LXXXV. — De Jonge , Opkomst. I p. 23 , — vooral : Asher, 
Hndson. p. CXXXIX) onverdiend. Het schijnt m^ duidelijk, dat de schepen, van 
Beeren -eiland NW. gezeild (De Veer's mededeeling van een NO. koers wordt 
door de feiten weersproken; niettemin was men reeds op de reis zelf het over 
de gevolgde richting niet eens : Ryp hield met De Veer vol , dat z\j NO. gezeild 
waren, et Hist. de Spitsb. p. 10), den 17 Juni ten NW. van Spitsbergen op het 
^sveld stuitten, dat zich ten noorden van het eiland uitstrekt. Westelijk deed 
lieh geene opening daarin op , zuidoostelijk scheen het in eene punt te eindigen. 
De wind belette den reizigers die punt te omzeilen , maar hunne ZO. richting 
had hen in de nabijheid van Spitsbergen gebracht , dat zij den 1 9 ontdekten op 
ongeveer 79®50' NB. en 13« OL. van Greenwich. Den 20 volgden zij de kust in 
westelijke richting en zeilden den 21 den NW. hoek van het eiland om. 22 Juni 
onderzochten zg dien NW. hoek (de twee eilanden en het schiereiland , waar zij de 
rotganzen vingen , z^n zonder eenigen twijfel het Amsterdamsche en het Deensche 
eiland met het schiereiland ten N. van de Magdalenabaai, waarop nog de wHotges- 
of Rotganzen- berg*' ligt.) 23 Juni : vergeefsche pogingen om NW. door den ijsdam 
Bur de pool door te breken, en daarop terugkeer. Zjj leilen daarop 



46 

ten bevonden had, beproefde Iqj ditmaal of ten oosten van dat 
land de kans hem gunstiger zou zyn. Maar vergeefs ! Ook 
daar vond h^ de ijsmuur ondoordringbaar en al volgde hg den 
rand daarvan westeljjk, geen doorgang vertoonde zich. Bg zgne 
pogingen om dien te vinden geraakte hg ondertnsschen hoe langer 
hoe meer westelgk , ten noorden yan het land , en kwam eindelgk 
op de plaats terug , waar hg eenige weken te voren met Heems- 
kerck en de zgnen vruchteloos naar eenen doorgang gezocht had. 
Van daar zuidelijk gezeild , richtte hg in eene baai op 79* en eeniga 
minuten NB. , waarschgnlgk de Cross-bay , een paal op , zooals hg 
dat met de anderen had afgesproken en zeilde ook de vroeger be- 
zochte Vogelhoek voorbg. Het vinden van een doortocht noor- 
delijk naar den pool werd nu opgegeven en Bgp besloot Heems- 
kerck en de zgnen naar Novaja Zemlja te volgen. Het jaargetgde 
was ondertusschcn verre verloopen en weldra stuitten de reizigers 
op zooveel ijs, dat zij genoodzaakt waren »sonder veel anders 
ujt te rechten" te Kola binnen te loopen en van daar huiswaarts 
te keeren * ). Niet het schip van Heemskerck heeft dus , zooals on- 
langs beweerd is, Spitsbergen omzeild; aan Bijp alleen komt de 
eer van die moeielijke reis toe. De weinige publiciteit, die echter 
aan den tocht van Bijp na zgne scheiding van Heemskerck 
gegeven is , schijnt de oorzaak geweest te zijn , dat de aardrgks- 
kundige wetenschap der zeventiende eeuw van zijne ontdekking , 
dat Spitsbergen een eiland is, geen partij getrokken heeft. 

Onderwijl hadden Heemskerck en Barendsz. een geheel andere 
richting gevolgd. Den 17 Juli kwamen zij in het gezicht yan 
Novaya Zemlya. Op nieuw volgde Barendsz. nu de noordwestknst 



jylangs de westzijde van heiland." 24 Juni: Crost-bay. 25 — 27 Jnni: tuwchem 
Spitsbergen en Prince Charles' forcland. 28 Jnni : om Vogelhoek Z. langs de knst. 
20 Juni; langs de kust tot de zuidpnnt van het eiland. 80 Juni : ZO. door de 
zee. 1 Juli : Beereneiland. — Barendsz.' journaal komt in hoofdzaak met deie 
beschrijving van den tocht overeen ; vooral in de chronologisehe volgorde der 
feiten verschilt hg echter nu en dan en over het geheel geeft hg ook de ge- 
volgde koersen veel nauwkeuriger op. 

') De koers van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck wordt hier voor 
het eerst medegedeeld. Ik ontleen dien voornamelgk aan de door De Jonge ge- 
vonden getuigenis van Rgp zclven. (Opkomst. I p. 24.) De woorden zgn niet 
overal dnidelgk , maar in verband met de mededeeling van De Veer op 1 Joli 
1506 (en van Van Meteren, Comment. ofle memor. fol. CUII), dat Rgp op 
nieuw naar 80<* NB. wilde zeilen en wel o o s t e 1 g k van Spitsbergen , en met 
de berichten van zgne aankomst bg Vogelhoek, kan ik de woorden van Rgp: 
j^et prist son cours en amont (naar het noorden ?) a tour d' i c e 1 u y p a y s ," 
niet anders verstaan dan door het omzeilen van Spitsbergen aan te nemen. 
Daarmede tiemt volkomen overeen het verhaal van Rgps plannen en reis door 
Hessel Gerritaz. (Hist. de Spitsb. p. 10). die Barendsz.' journaal voor zioh had 
liggen. — Vgl. over de reis van Rijp ook: Pontanns, Bcschr. v. Amst. p. 188. 



47 

ran het eiland, die hem reeds in 1594 bekend geworden was. 
Weken lang worstelde het schip met het ijs en den 15 Augustns 
bereikte men eindelijk de Oranje-eilanden, het verste punt der 
eerste reis. Ditmaal gelukte het verder te gaan. Zuidoostwaarts 
de knst volgende zeilde men den Hoek van Begeerte om en kwam 
21 Augustus in de IJshaven aan, waar het schip geheel in het 
gs beklemd raakte. Hoe de Nederlanders hier van den 26 Augus- 
tus 1596 tot den 14 Juni 1597 onder 76® NB. op eene onbe- 
woonde barre plaats in een hut van planken moesten over- 
winteren, hoe zij daarna in twee opene schuiten de terugreis 
aannamen, hoe Barendsz. onderweg overleed, hoe zijne lotgenoo- 
ten na tallooze gevaren ontmoet te hebben eindelijk 2 September 
te Kola een Nederlandsch koopvaardijschip vonden, waarop hun 
vroegere tochtgenoot Jan Comelisz. Rijp kapitein was, en hoe 
zij van daar 29 October in de Maas aangekomen te Amsterdam 
in hunne pelzen van vossenvel rapport van hun wedervaren 
deden , — zijn zaken , die te bekend zgn om ze hier uitvoerig te 
verhalen *). 

Het verslag, dat Heemskerck en de zgnen van hunne avon- 
tuuriyke reis deden, was niet geschikt om tot verdere proefne- 
mingen aan te moedigen. Men mocht hen prijzen om den be- 
toonden moed en volharding; men mocht hun den lof geven, dat 
zg verder dan een hunner voorgangers in het noorden waren 
doorgedrongen, te verhelen was het niet, dat de doortocht niet 
gevonden was en dat , ook al had geen land de reizigers gestuit, 
de zee zelve dicht bezet met drijfijs een bijna even onoverkome- 
Igken hinderpaal had opgeleverd. Men moest wel door eene harde 
noodzakelgkheid gedrongen worden , wanneer men die byna onbe- 
vaarbare zee als handelsweg gebruiken wilde. £n die noodzake- 
Igkheid bestond reeds niet meer. Waren reeds in het begin van 
1596 de uitkomsten van Linschotens reizen in Portugeeschen 
dienst bekend geworden , in hetzelfde jaar als Heemskerck keerde 
Houtman met de eerste Nederlandsche vloot uit Oost-Indi6 terug. 
De gewone weg, waarom men Spanje en Portugal steeds zoozeer 
bengd had, was gevonden: wat behoefde men zich een nieuwen 
doortocht te zoeken, die zooveel meer moeielgkheden aanbood? 
Werkelgk werd er in de eerste jaren na 1597 niet meer aan 
den noordelgken doortocht gedacht: de handel op Oost-Indië 
bloeide langs den gewonen weg meer en meer. In 1602 kwam 
het tot de oprichting der Oost-Indische Compagnie, die den 
handel bevestigen en voor goed in den ouden weg leiden zou. 



') Zie over deze rei»: De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken van 
Citthaj ende China. (Derde reis.) — Ook: Hamel, Trtdesctnt der Aeltere. 
p. 148 Noot 1. 



48 

Maar juist door die oprichting ontstond er weder eene aanleiding 
tot het zoeken van den noordelyken doortocht. In het octrooi 
had de regeering zydelings eene premie uitgeloofd op het be- 
reiken van het vroeger zoo begeerde doel. Aan de Oost-Indi- 
sche Compagnie was namelijk door de Staten het recht verleend 
om met uitsluiting van alle andere Nederlanders op Oost-Indië 
te mogen varen langs de kaap de Goede Hoop en door 
de straat van Magellaan. Andere onontdekte wegen naar 
Oost-Indië bleven dus voor de vrye mededinging open. Wat won- 
der; dat zij , die om politieke of religieuse redenen geen deel aan 
de voordeelen, door de bevoorrechte compagnie verkregen, wil- 
den hebben, zich dadelijk bey verden het oude Nederlandsche 
plan weder op te vatten, dat te lang vergeten wa&? De Oost- 
Indische Compagnie werd door deze mededingers dan ook reeds 
dadelijk na hare oprichting verontrust. Was er reeds iü Decem- 
ber 1601 — misschien onder den indruk van de verschgning 
van het journaal van Linschoten in dat jaar, — weder sprake 
geweest van het zoeken van den noordoostelijken doortocht ^ ) , 
den 8 November 1602 richtten eenige kooplieden tot de Staten- 
Generaal een verzoek om hulp tot een tocht ^omte soecken den 
pas om noorden nade ejlanden ende vaste landen van Asiaende 
America." *) Dadelyk beraadslaagden do bewindhebbers der Oost- 
Indische Compagnie om zei ven den doortocht te zoeken en zoo- 
doende, steunende op hun recht als eerste ontdekkers, ook dezen 
weg in hun monopolie te doen opnemen. Het gevaar dreigde 
echter de compagnie nog te zeer van verre om de vergadering 
tot zulke maatregelen van belang over te halen: den 7 Augustus 
1603 namen de zeventien het besluit den doortocht niet te zoe- 
ken. Men schgnt overwogen te hebben , dat ook na de ontdekking 
het verkrygen van octrooi bg de bekende ongunstige gezindheid 
der Staten-Generaal voor monopoliën twijfelachtig was, en men 
nam dus voor, liever te trachten de pogingen door de vgan- 
den der compagnie aangewend te verijdelen , dan zelf met hen te 
wedy veren in zoo onzekere ondernemingen '). 

Hoewel dit plan van de bestrijders der Oost-Indische Compagnie 
voorloopig ter zgde gesteld schgnt te zgn , hield de concurrentie vol- 

*) R. S.-6. 21 Dec. 1601. — Het joarnaal van LinBchoten bevatte in de op- 
dracht aan de Staten-Generaal eene nienwe aansporing tot het zoeken van den 
noordoostelgken doortocht. Het doel dezer poging, door de v^anden derO.-I.C. 
gewaagd, schgnt geweest te z\jn, te beletten, dat de compagnie octrooi kreeg 
ook voor de nog onontdekte wegen naar Oost-Indië. 

») R. S.-G. 8 Nov. 1602. 

•) Resol. XVII dd 27 Febr., 7 Aug. 1603. — Marphj, Iludson in Holland, 
p. 22 ,28. - De Jonge , Opkomst. I p. 26 . — Van Dam , GtscL der O.-I. C. 
I Cap. 1. 5. (MS.; R A. 



49 

strekt niet op. De bekende Isaac Le Maire , do hardnekkige te- 
genstander der compagnie , zocht voortdurend naar middelen om 
de gehate yereeniging te doen bakken. Wel had in 1606 een 
besluit der Staten-Generaal het door hen verleende monopolie 
krachtig gehandhaafd, maar de publieke opinie verklaarde zich 
meer en meer ten nadeele der compagnie en de oppositie schepte 
moed. Vele Zuid-Nederlandsche kooplieden , nog onlangs versterkt 
door de rgke aandeelhouders der compagnie zelve , die geen deel aan 
den door haar met de wapenen in de vuist verkregen buit wilden heb- 
ben , waren reeds lang in het geheim aan het onderhandelen met 
Hendrik IV, om onder zijne bescherming den Franschen handel 
op Oost-Indië te vestigen. Le Maire voegde zich bij hen. De 
nieuwe compagnie , die zich alleen op vreedzaam handeldrijveu 
wilde toeleggen , zou ongestoord de vruchten plukken van de door 
de Oost-Indische Compagnie met geweld en kosten behaalde voor- 
deelen en haar dadelijk op elk met moeite ontgontien veld als 
mededingster kunnen volgen. Door de bescherming van Neder- 
lands machtigen vriend zou zg onschendbaar zijn <). En dit meer 
slimme dan edele plan was niet het eenige gevaar , dat de Oost- 
Indische Compagnie dreigde. Een ander lievelingsdenkbeeld der 
Zuid-Nederlanders , het ontwerp van eene West-Indische Compag- 
nie , werd door Willem Usselincx gedurig met kracht aangedron- 
gen , en het naderend bestand met Spanje dreigde de compagnie 
met nieuwe moeielijkheden. Wat eindelgk alles afdeed : de alver- 
mogende Oldenbarnevelt , die slechts onder den drang der om- 
standigheden medegewerkt had tot het vestigen van het Oost- 
Indische monopolie , scheen niet ongeneigd den mededingers nu de 
hand boven het hoofd te houden. Waarlijk, zelden stonden de 
kansen der Oost-Indische Compagnie zoo hachelijk ! In deze om- 
standigheden was het van het uiterste belang, dat de publieke 
opinie zich weder begon bezig te houden met den doortocht in 
het noorden. 

In 1607 had de beroemde Henry Hudson een nieuw tijdperk in de 
geschiedenis der noordoostelijke reizen geopend. Hy had Spitsbergen 
bezocht en bg z^ue terugkomst vele belangrijke mededeelingen ge- 
daan. Het gerucht van zgue reis had ook Nederland bereikt en de al- 
gemeene aandacht gaande gemaakt. Voor de Oost-Indische Com- 
pagnie was dit een feit , waarmede gerekend moest worden : in den 
emstigen toestand , waarin zy verkeerde , zou de ontdekking van 
de noordeiyke doorvaart , die aan hare mededingers ook bin- 
nenslands de handen beloofde vry te geven , haar onmiddellijk ten 



*) Zie over deze plannen: Fruin, Een onuitgeg. werk van de Groot, in: Gids. 
1SS8. IV p. S3 — 35. — Bakhuizen van den Brink , Isaac le Maire , in : Gids. 
1M6. IV p. 18—34. — Asher, Hudson the Navigator, p. CXCVIII— CCI. 



50 

Tal gebracht hebben. Er moesten dus maatregelen genomen wor- 
den om die mededingers vóór te zijn , nu de publieke opinie 
nieuwe tochten naar het noorden scheen te eischen. 

De compagnie zag dit zelve in en haro maatregelen beant- 
woordden aan haar karakter als bevoorrechte vereeniging. Op 
het einde van 1608 besloot zij bij de Staten- Generaal een ver- 
zoek in te dienen om haar octrooi uit te breiden. Door ook den 
noordelijken weg naar Indië daarin op te nemen meende zy , dat 
voor goed aan alle mededinging de pas afgesneden zou zgn. 
Maar het plan lekte uit en dadelijk was de erfvijand der compagnie , 
Isaac Le Maire , gereed om het te bestryden. Hij diende bg Olden- 
bamevelt eene uitvoerige memorie in , waarin hij er op wees , 
dat alle onnoodige uitbreiding van monopolie schadelyk was , 
omdat ^daermede ecnige particuliere alleen het benefitie genietten 
ende het generael daervan gefrustreert is.^* Waren daarom 
alle de verzochte uitbreidingen van het octrooi niet wenschelyk, 
de vaart naar het noorden in het bizonder behoorde open te blg- 
ven , aangezien ^ die noch te vinden was ende misschien by de 
Compagnie niet gevonden sonde werden, ende met sulcken ernst 
apparentelycken niet ea soude gesocht worden, als by andere.** 
Het verzoek der bewindhebbers strekte verder tot nadeel van alle 
partikuliere kooplieden der Vereenigde Provinciën, die zich steeds 
verlaten hadden op de in 1596 op het ontdekken van den door- 
tocht gestelde premie •). 

Dit laatste was wel het hart der quaostie. Lo Maire verheelde 
het aan Oldenbarnevelt niet, »dat andere soowel als de Ck)mpagnie, 
desseing hadden gemaeckt , inde vaerf van Noorden te aventue- 
ren , ende niet en behoorden gefrustreert te worden.** Werkelgk 
werden van beide zijden toebereidselen gemaakt om den doortocht 
te zoeken. Oldenbarnevelt, de OTide vyand van alle monopolie, 
was de man niet om tot het plan der compagnie mede te wer- 
ken , en van het uitbreiden van het octrooi kwam dan ook niets. 
De bewindhebbers hadden dit zei ven reeds gevreesd. Reeds vooraf 
hadden zij hunne maatregelen genomen , en zoodra het bleek , dat 
hun plan geen kans van slagen had , poogden zij in het worstel- 
perk der vrije concurrentie de overwinning te behalen. Dadelgk 
toen Hudson in 1608 terugkwam van zijne tweede reis, waarop 
hij den weg ten noorden van Novaya Zemlya te vergeefs had 
beproefd , Kostin-sjar onderzocht en bevonden had , dat die zeeQngtc 
niet naar de zee van Kara leidde, ontbood de Oost-Indische Com- 



*) Zie deze memorie afgedrakt bij: De Jonge. Opkomst v. h. Neder], gezag 
in O.-l. III p. 864 vlg. — Vgl. daarover: De Jonge. Lc.III.p. 125. — Van 
Reet, Gesch. der staathnishoudk. II. p. 48 vlg. — Bakhnizen van den Brink, 
Isaac le Maire, in: Gids, 1865. IV p. 81—30. 



51 

pagnie hem zelven naar Nederland om met hem in onderhande- 
ling te treden. 

Omstreeks het einde yan 1608 kwam Hudson werkelijk te 
Amsterdam >). Hij had langdurige conferentiën met de bewind- 
hebbers der Oost-Indische Compagnie , met Plancius en Hondius , 
maar ten slotte oordeelde men het onmogelijk , van een zoo om- 
slachtig ingericht lichaam als de Oost-Indische Compagnie , tij- 
dig een besluit te verkrijgen om Hudson nog dit jaar in dienst 
te nemen. Met eene belooning voor zijne moeite en de belofte 
hem het volgende jaar te zullen uitzenden, moest de Engelschman 
dus naar huis vertrekken. Dadelijk maakte Le Malre van deze 
gelegenheid gebruik. Hij sprak met Hudson en trachtte hem over 
te halen, do reis naar het noorden nog dit jaar voor zijne reke- 
ning te doen. Voor de nieuwe in Frankrijk op te richten Oost- 
Indische Compagnie stelde hij zich gouden bergen voor van de 
diensten des beroemden zeemans. Maar het plan lekte uit en de 
Oost-Indische Compagnie nam dadelijk hare maatregelen. Toen 
de Zeeuwsche kamer weigerde Hudson uit te zenden, daar zy de 
uitgaven aan het zoeken van den noordoostelijken doortocht be- 
steed , als nuttelooze geldverspilling beschouwde , besloot de Amster- 
damsche kamer in de bestaande onmogelijkheid om tijdig eene algc- 
meene vergadering bijeen te roepen , de verantwoordelijkheid voor 
de zending alléén op zich te nemen. Zg trad dadelijk op nieuw 
met Hudson in overleg en den 8 Januari 1609 sloten beide par- 
tgen een contract, waarbij de Engelschman zich verbond den 
noordoosteiyken doortocht te zoeken en bij goeden uitslag dadelijk 
naar Nederland terug te keeren. Daar zou hij zich dan met der 
woon vestigen en uitsluitend in dienst der Oost-Indische Com- 
pagnie blyven. Deze verbond zich daarentegen aan Hudson na 
het einde der reis ƒ 800 of bij overlijden aan zijne vrouw en kin- 
deren ƒ 200 uit te betalen. Zoo de doortocht gevonden was , zou 
men hem ry keiijk beloonen ; de aard en grootte dezer belooning 
werden geheel aan de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie 
overgelaten. Den 6 April 1609 vertrok Hudson daarop met een 
vlieboot, de Halve Maan genaamd, van de reede van Texel *). 

Zoo belangryk de geschiedenis van het uitzenden van Hudson 
is , zoo onbeduidend zyn de resultaten , door hem verkregen in de 
hem by zyne Instructie opgedragen taak. Men had hem voorge- 
schreven het oude Amsterdamsche plan nogmaals te beproeven, 

*) Zie hetgene over Hiidsons vroegere betrekkingen te zeggen valt zeer uit- 
voerig bg : Read, Hist. inqairy conc. Henry Hudson. 

*) Zie over het voorgaande zeer uitvoerig: Murphy, Hudson in Holland. 
p. 22-8». — Ook: Asher, Hudson the Navigator, p. CCII, CCIII. — Dat Hud- 
Bons schip de Halve Maan, niet de Goede Hoop heette, heeft Murphy 1. c. 
p. 55*58 overtuigend aangetoond. 



52 

en dus evenals Barendsz. ten noorden van Novaya Zemlya te trach- 
ten de straat Anian te bereiken * ). Van daar moest h^ temgkee- 
ren , zonder bij mislukking van die poging eenen anderen weg te 
mogen beproeven. Dergelijke proefnemingen wenschte de Oost- 
Indische Compagnie tot eene latere gelegenheid nit te stellen; 
voorloopig was het haar alleen om de prioriteit in het vinden 
van den noordoostelgken doortocht te doen *). 

In de uitvoering van dit plan was Hudson bizonder ongeluk- 
kig. Evenmin als op zijne vorige reis vermocht hij Novaya Zemlja 
nu te omzeilen. Den 5 Mei bg de Noordkaap aangekomen, zette 
hij koers naar Novaya Zemlya , maar geraakte spoedig in het gs 
beklemd. Nog voordat hg dit eiland bereikt had , werd zgn volk 
oproerig en was hy genoodzaakt den tocht op te geven. Den 
14 Mei keerde hg om , den 19 was hij weder bij de Noordkaap en 
op zgne verdere reis hield hij zich geheel bozig met het uitvoe- 
ren zgner nieuw opgevatte plannen tot het vinden van den noord- 
westelgken doortocht '). Dat hg op die reis o. a. de Hudsons- 
rivier onderzocht en aanleiding gaf, dat de aandacht zich op de 
heerlgke streek , waar nu New- York verrezen is , vestigde , is eene 
zaak, die, hoe gewichtig ook en met hoeveel ingenomenheid ook 
door de geschiedkundigen besproken, voor ous van geen belang 
is. Het zg ons genoeg op te merken, dat Hudson den 7 No- 
vember in Engeland aan wal gestapt , aan de Nederlandsche Oost- 
Indisohe Compagnie voorstelde om van daar uit op hare kosten 
het noordwesten verder te onderzoeken, — dat de bewindhebbers 
hem integendeel bevalen dadelijk naar Nederland te komen , maar 
dat hij door de Engelsche regeering verhinderd werd aan dien 
last te voldoen ; eindelijk dat hg , dus belet om zgne gelofte aan 
de Oost-Indische Compagnie gestand te doen , zgn journaal over- 
zond , het schip alleen naar Nederland liet terug gaan en zich op 
nieuw in dienst der Engelsche Moscovische Compagnie begaf *). 
Hoe was het ondertusschen met de pogingen van Le Maire af- 
geloopen? Het was niet te verwachten, dat een man van zgne 

>) Witsen, Noord- en oost-Tartarjre. p. 906. 

*) Hadsons Instructie is verloren ; zie echter een overzicht van den inbond 
uit Van Dam 's Geschiedenis der 0.-1. C. bg : Mnrphy, Hudson in Holland, p. 3S, 89. — 
Zoo men al de ontdekkingen, door den Engelschman Hndson op deze reis ge- 
daan, aan de Nederlanders wil toeschrijven, is het toch duidelgk, dat Nederland 
alle aanspraak op de ontdekking der Hudsonsrivier, die tegen den wil der 
bewindhebbers geschiedde, verliest. 

*) Zie over deze plannen zeer nitvoerig het scherpzinnige betoog van Morphjr: 
Hndson in Holland, p. 41—52. 

*) Alle berichten over Hudsons reizen vindt men verzameld bg : Asher, Hndion 
the Navigator. De berichten over dezen tocht , voor zoover die voor mgn onder- 
werp van belang is , vindt men bg : Van Meteren , Historie, fol. 029 en ia 
iiet joomaal van Jnet bg Purchat. 



53 

energie eene zoo belangryke zaak zou opgeven zonder ze eerst te 
beproeven. Werkelijk was dit ook het geval niet : niettegenstaande 
de vele teleurstellingen zette h^ zgn plan door. Wij hebben ge- 
zien, dat Hendrik IV de plannen van de vganden der Oost- 
Indische Compagnie in zijn eigen belang begunstigde ; het kwam 
er slechts op aan den weg door het noorden te vinden , ten einde 
botsingen met de Staten-Generaal te voorkomen. In Frankrgk 
was echter niet licht iemand te vinden , die met kans op goeden 
uitslag den gevaarvollen tocht zou kunnen ondernemen. Wg 
zagen, dat ook de onderhandelingen met Hudson aangeknoopt 
mislukten. Het was dus zaak , in Nederland een persoon in dienst 
te nemen , die tegen den Engelschman ten minste eenigszins opge- 
wassen was. Le Maire meende dat dit niet moeielijk zou zijn. 
Reeds dadelgk nadat Hudson door de Oost-Indische Compagnie 
in dienst was genomen, had hy het oog op een ander, die zgne 
oogmerken kon bevorderen. Wie daarmede bedoeld wordt, weten 
wg niet ; alleen verhaalt ons Jeannin , dat het iemand was , die 
de reis (ten noorden van Novaya Zemlya) reeds eenmaal gedaan 
had en door Le Maire voor een meer ervaren zeeman dan Hudson zelf 
gehouden werd. Wg mogen het er voor houden , dat dit verhaal 
meer van de zucht om het plan aan Hendiik IV smakelgk te ma- 
ken dan van historische nauwgezetheid getuigt: een bekwamer 
persoon dan Hudson was toch in 1609 bezwaarlgk te vinden. 
Verschillende omstandigheden schgnen dan ook den bedoelden zee- 
man eenvoudig als eenen tochtgenoot van Heemskerck en Rgp op 
hunne beroemde reis van 1596 en 97 te kenmerken '). 



>) Jeannin, Négotiation. II p. 280. — De gissing maak ik op nit eene plaats 
Tan denzelfden (1. c. 11 p. 276) waar hij ons meldt, dat Le Maire b\j deze ge- 
legenheid confereerde met Plancius en eenige „pilotes, qui ont fait la même na- 
▼igation ," o. a. een , „qm fut aussi , il y a trois ans , employé en cette même re- 
eherehe, et passa jusqu'i Nova Zembla, . . . tirant au nord." Dat hier sprake is 
van eenen tochtgenoot van Heemskerck in 1596, is dunkt mij buiten tw^fel. £ene 
Nederlandsche reis naar het noorden tusschen 1597 en 1609 heeft niet plaats 
gehad : de reis van Hudson was j^de vierde Schip-vaerd." (Tiele, Mémoire. p. 115.) 
Ook eene reis door Engelschen naar Novaya Zemlya ondernomen is m\j niet bekend , 
behalve die van Hudson zei ven in 1608. Asher plaatste dan ook zonder aarzeling 
«treize" voor «trois ans." (Hudson the Navigator, p. 246.) — Hoe dit zy , op 
Melchior Van Kerckhoven scheut de beschrijving van dezen stuurman gegeven vol- 
strekt niet te passen (zooals De Jonge, Opkomst. I p. 28, III p. 125 wil) en 
ik moet dus aannemen , dat Le Maire zich eerst later tot hem gewend heeft. — 
Asher daarentegen (Hudson the Navigator, p. 258 Noot 1) gist, dat Le Maire 
het oog had op Nay, den bevelhebber der Nederlandsche expeditiën van 1594 en 
1595, zonder nochtans eenigen grond voor dit gevoelen op te geven. Daar Asher 
echter Comelis Cornelisz. Nay nu en dan met Jan Oornelisz. May, den noordpool- 
reiziger van 1611 en 12 , verwart (zie 1. c. p. XLV en CXXXIII, waar hij beide 
malen May bedoelt) is het ook mogel^k, dat hij den laatste voor den aange- 
dniden perioon houdt. Ik geloof echter, dat beide gissingen onaannemel^k z|JQ: 



54 

Wg weien niet, of Hendrik IV Le Maire's keus goedkeurde; 
zeker is het, dat de onderhandelingen met den stanmuui van 
1596 weldra werden afgebroken. De redenen daarvan zgn ons 
onbekend; wy knnnen ze echter gissen. De Oost-Indische Com- 
pagnie had in overleg met Hudson de plannen voor de onderne- 
ming vastgesteld en het was voor Le Maire, die breedvoerige 
conferenties met den Engelschman gehad had, niet twgfelachtig 
langs welken weg deze zyn doel zou trachten te bereiken. Het 
kon niet wenschelyk schynen , met de compagnie , die in ieder 
geval vroeger gereed zou zgn dan Le Maire , langs denzelfden weg 
mede te dingen, en de koers ten noorden van Novaja Zemlyn 
werd das door den ondernemenden koopman opgegeven *). De 
voornaamste aanbeveling van den stnurman van 1596, namelgk 
het vermoeden dat hij den te volgen weg kende, verviel hier- 
mede en het was dus verkieslijker iemand van meer ervaring in 
dienst te nemen. 

Het voornemen was nu, om overeenkomstig mot de plannen van 
Linschoten den ouden korteren weg door de straat van Nassau weder 
te beproeven. De jaarlgksche tochten der Bussen naar den Ob bewezen, 
dat het mogelgk was langs dien weg ten minste ver naar het oosten 
te komen, en het viel Le Maire niet moeielyk eenen anderen schip- 
per » fort entendu aux nauigations et de grande expérience'* voor die 
plannen te winnen. De dus door Jeannin geprezen zeeman was geen 
ander dan de befaamde Melchior Van Kerckhoven , op wiens be- 
kwaamheid en moed met meer reden geroemd werd dan op zgn 
karakter en beginselen *). Moeielljker bleek het een commies voor 
de reis te vinden. Le Maire had dadelijk het oog laten vallen op 
den bekenden Isaac Massa van Haarlem ') en zeker had hg moeie- 

▼»n Na ƒ noch van May is het bekend , dat h\j «ce même vojrage" (ntmemk ten 
noorden van Novaya Zemlya) voor 1609 gedaan heeft. 

* ) Dat Lo Maire aanvankelijk op den weg ten N. van Novajra Zeml>a het oog 
had , blgkt uit het verslag zijner conferentiën met Hudson e. a. b^ : Jeannin , 
Négotiation. II p. 276. Massa's beschrijving van de reis bewast echter, dat dit 
plan veranderd werd. De poging om Massa voor de reis te winnen w\jst aan, 
dat het de bedoeling van Le Maire was , zich de ondervinding der Rnsaen vol- 
gens het plan van Linschoten (zie hiervoor p. 41) ten nutte te maken en loo- 
doende eene laatste poging langs den algemeen opgegeven weg door de straat 
van Nassau te wagen. Nog in 1614 beval Pontanns deze richting aan boven de 
toen algemeen geroemde over de pooi. (Beschr. v. Amst. p. 179.) 

*) Beschr. v. d. Samojr eden Landt. p. 4. — Jeannin, Négotiation. II p. 489. 
Vgl. over Van Kerckhoven: De Jonge, Opkomst. I p. 52, 12S,29. — De 
Jonge, Nederland en Venetië, p. 86. 

') Zie over hem: Van der Linden, Isaac Massa. — Nicolai (Relation. Vor- 
redt, p. 11) verhaalt, dat de Staten j^ein aignen Mann in der Moszkan nnder- 
halten Isaac Massa genannt" om berichten over de mogelgkheid 
van een NO. doortocht naar O-I. in te winnen; het schijnt eek- 
ter, dat dit bericht alleen steunt op Massa's verhaal der wegen naar en door 



55 

Igk een beter keus kannen doen, nu het gold de kennis, die de 
Russen van de kusten der IJszee verkregen hadden , ten nutte der 
reis aan te wenden. Gedurende zijn langjarig verbluf in Rusland 
had Massa, yverig beoefenaar der aardrijkskunde en schrander 
opmerker als hij was, langzamerhand een schat van berichten 
opgezameld, die in Europa geheel onbekend gebleven waren. On- 
gelukkig bleek hij echter de man niet te zijn , die Le Maire dienen 
kon. Ofschoon een tegenstander der bekende plannen van Plancius 
en overtuigd dat alleen de weg door de straat van Nassau kans 
van slagen aanbood, was Massa te nauwkeurig bekend met de 
bezwaren , die eene reis in de IJszee opleverde , misschien ook te 
weinig doortastend om de altijd onzekere plannen zelf te steunen. 

Hij stelde reeds dadelijk vele eischen. De geheele inrichting 
der expeditie was volgens hem verkeerd. De reizigers moesten 
vóór hun vertrek nog talrijke voorzorgen nemen en zich beter 
toerusten tot den tocht; zy moesten bepaialdelyk naar het voor- 
beeld der Russen kleine booten medenemen, die altyd veel meer 
kans hadden zich door het ijs heen te werken dan de betrekkelijk 
groote Nederlandsche schepen; zij moesten eindelijk zich voorbe- 
reiden op de mogelgkheid eener overwintering in bet barre noor- 
den , die waarschynlyk noodig was wilde men zijn doel bereiken. Het 
was echter Le Maire onmogelijk zich al deze wenken , hoe heilzaam 
ook , ten nutte te maken : hij had de voorschriften , die van ouds 
voor noordpoolreizeu bestonden, gevolgd en Massa's plannen zouden 
eene geheel nieuwe uitrusting hebben noodig gemaakt. Daartoe 
zou echter vóór alles veel tijd en veel geld noodig zijn geweest, 
en hoewel Hendrik IV zijnen handlanger een paar maal eene som 
gelds door zgnen gezant deed toekomen, had hij gemeend aan 
diens hooge eischen niet geheel te moeten voldoen. Tijd vooral 
was het , die Le Maire ontbrak : het door de Oost-Indische Com- 
pagnie uitgeruste schip was reeds gereed en Hudson kon op 
zynen tyd vertrekken. Zoo deze ervaren zeeman, van wien men 
zooveel verwachtte , den doortocht vond voordat Le Maire gereed 
was, dan was alles verloren, het doel der reis gemist. 

Het was dus duidelgk , dat de onderhandelingen moesten afsprin- 
gen. Maar ook al waren de beide geniale kooplieden het hierin 
eens geworden, dan nog zou Le Maire zich waarschijnlijk van 
Massa's medewerking niet veel goeds hebben mogen beloven. Het 
mocht een verstandige eisch heeten , dat Massa in de plannen en 
voorbereidingen van Le Maire de fouten wilde verbeterd zien, 
die zyne rijke ervaring hem aanwees; het is hem geheel niet 
kwalyk te nemen , dat hij , toen Le Maire weigerde zgnen raad te 



Siberië, dit Nieolai in Hessel Gerritsz.' Detectio freti vond. NicoUi was toch 
orer NederhuidBche zaken zeer slecht ingelicht. 



56 

volgen , van zynen kant ongeneigd was om deel te nemen aan eene 
expeditie , die naar zijne inzichten niet slagen k o n*, maar het 
was kleingeestig , dat hij ook , waar zijne ervaring hem in den 
steek liet , aan zijne bekrompene wereldbeschouwing argumenten 
tegen de mogelijkheid van te slagen ontleende. Het toonde, dat 
het Massa met de zaak geen ernst was ; — het bewees , dat hg niet 
bezield was met den geest, die de Moncherons, de Barendsxen, 
de Linschotens gedrongen had hunne tochten over den geheelen 
aardbol uit te strekken, dat hg zgne landgenooten door dwaze 
bezwaren , waaraan hij zelf niet geloofde , van verdere pogingen 
afschrikte * ). Maar wij laten Massa en zijne kritiek rusten : 
^ick sloech hot af,** dus verhaalt hg, ^want ick bewysen wil 
dat mender niet door en can en altyts vergeefs sal wesen wat 
sj doen, oft moesten *t anders aenlegghen.*' >) 

Zoo was dus Le Maire weder teleurgesteld, maar de zaak 
opgeven dat wilde hy niet. Spoedig was een andere commies 
gevonden en de overeenkomst met Hendrik IV werd nu gesloten. 
De onderneming zou op naam van Le Maire , in het geheim echter 
voor Fransche rekening, plaats hebben. Gelukte de poging, dan 
zou het schip niet in Nederland maar in Frankrgk binnenvallen; 
Le Maire zou dan dadelgk naar Pargs vertrekken en zich aan 
het hoofd der nieuwe Fransche Oost-Indische Compagnie plaatsen. 
Voorloopig ontving de ondernemer reeds 15,000 livres van Hen- 
drik IV ') en den 5 Mei 1609 vertrok Kerckhoven met een »kle7n 
schipken** en voorzien van eenen geloofsbrief van Maurits naar het 
noorden. *) 



* ) Dit was te meer verkeerd, omdat men toen ter tijd vrij algemeen aan de moge* 
lijkheid van den noordoostelijken doortocht gewanhoopt schijnt te hebben Zelfs 
Hessel Gerritsz. twijfelde. (Zie zijne Beschr. v. d. Samo^cden Landt. p. 8, 4. Vgl. 
echter aldaar zgne aanteekeningcn op Massa's kaart.) Het bl\jkt uit Massa's in 
den tekst aangehaalde woorden , dat hij integendeel aan de mogelijkheid geloofde. 

*) Zie de kritiek van Massa in zijn : «Cort verhael van de Wegen ende Ri- 
vieren njrt Moscovia." p. 8, 1 3 , 14 , in : Beschr. v. d. Samoyeden Landt. 

') Zie over de plannen en voorbereidingen voor deze reis: Jeannin, Négo- 
tiation. II p. 8i5, 70, 73. — Bakhnizcn van den Brink, Isaae le Maire, in: 
Gids. 1865. IV p. 28-83. — Mnrphj , Hndson in HolUnd. p. 81 . 82. 

*) Jeannin, Négotiation. II p. 489. — Bij het verhaal dezer reis verwerp ik 
het door De Jonge (Opkomst. I p. 28) op het voetspoor van Mnrphj ^Hudaon 
in Holland, p. 32 Noot 1) voorgestane gevoelen , dat Le Maire twee tochten naar 
het noorden zou hebben doen ondernemen: in 1609 en omstreeks 1611. Reeda 
Megiser (Septentrio Novantiquns. p. 481) sprak in 1613 van eene reis van Le Maire 
naar het noorden in 1611. Al deze schr^vers hebben echter hnn bericht ont- 
leend aan Massa, die zegt, dat een Nederlandsch schip «dit Jaer" voor Le Maire 
aan Vaigatsch geweest is. (Cort verhael. p. 8 in: Beschr. v. d. Samojreden Landt.) 
No is de „Beschryvinge vander Samoy eden Landt" verschenen in het voorjaar van 
1612 en het lag dos voor de hand te mceuen. dat Massa's «Cort verhael" ge- 
schreven wu iu 1611, toen de schrijver in Nederland aanwezig wu. De drie 



57 

Hoo dwaas ook de argumenten van Massa tegen de uitToer- 
baarheid van het laatste gedeelte der reis waren, het bleek den 
reizigers weldra, dat hy over het eerste gedeelte met volkomen 
kennis van zaken gesproken had. De onderneming was tegen de 
bedoeling van Le Maire , die haar gaarne zeer vroeg in het voor- 
jaar had zien vertrekken *), door den herhaalden tegenspoed een 
paar maanden , vertraagd en geen wonder dan ook , dat Eerckhoven 
in dit toch reeds zeer ongunstige jaar de straat van Nassan onbevaar- 
baar vond. De zeeëngte was opgevuld met |jsmassa*s van niet min- 
derdan 50 èk 60 vademen dikte. >) Aan het vol^weren van den tocht 
viel niet te denken; de reizigers moesten terugkeeren en maakten 
eene » slechte rejse." ') Het is niet onwaarschgnlyk , dat Le 
Maire in het volgende voorjaar op nieuwe pogingen bedacht was *) , 
maar de plotselinge dood van zijnen beschermer Hendrik lY 
maakte natuurlijk aan alle plannen een einde. 

Terwgl de beide bovenvermelde reizen grootendeels hare ver- 
klaring vinden in den strgd tusschen monopolie en vrge concur- 
rentie , schijnt het tot nog toe niet duidelgk geweest te zgn , wat 
de reden was, dat van 1607 tot 1612 plotseling na tienjarige 
rust het zoeken van den noordoostel^ken doortocht naar Oost-Indië 
weder met zooveel ijver, een enkele maal zelfs van staatswege, 
in Engeland en Nederland werd. opgevat. Het komt mg voor, 
dat deze hernieuwde pogingen moeten toegeschreven worden aan 
het genie van twee Engelschen , die eene andere richting aanwezen 
dan den tot nog toe in de noordsche ondernemingen gewoonlgk 
gevolgden koers. 

Toen Henry Hudson in 1607 zijne eerste reis naar het noorden 
ondernam, handelde hg volgens een bepaald plan. Beeds in 1527 
had Bobert Thorne, een Engelschman, die te Seville woonde, 
verkondigd, dat men noordelgk recht over de pool naar Oost- 
IndiS moest zeilen. Hg meende, dat die weg veel korter was 
dan eenige andere tot dusver ingeslagen; aan de bezwaren met 
dit plan verbonden , de onbevaarbaarheid der zee en de onbewoon- 

geleerdea Mh\jnen echter voorbijgezien te hebben, dat Hessel Gerritsz. op den 
titel z^ner Besehryringe vander Samoyeden Landt mededeelt , dat de beide daarin 
voorkomende ttnkken van Massa «wt de Rnische tale overghetet (en blgkens de 
aanteekeningen op den mg van Massa's kaart vermeerderd) syn Anno 160 0." — 
Het door De Jonge 1. e. gecursiveerde woordje ,» wederom" behoeft dunkt m\j 
niet op een N<ederlandsch schip door Le Maire uitgerust te slaan. 

") Jeannin,,Négotiation. II p. 279. 

*) Massa, Cort verhael. p. 8. in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt. 

*) Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 4. 

*) Dit maakt De Jonge (Opkomst. I p. 28) op uit het aankoopen van een 
voor Noordsche tochten veelal gebruikte vlieboot door Le Maire in Februari 
1610 voor een doel, dat volgens zgn zeggen, wanneer het bereikt werd, den 
lande zeer voordeelig zou zijn. 



58 

baarheid van het land, geloofde bg niet *). Dit voorstel, in 1582 
door Haklayt in zijne Divers Voyages wereldkundig gemaakt, 
bleef aanvankelijk onopgemerkt. Plancias alleen scbgnt het met 
Tbome eens geweest te zgn >), maar Barendsz. nam op de twee 
tot bereiking van Plancias' doel uitgeruste tochten steeds zgn 
koers te veel oostelgk om de pool te bereiken en zoo naar Oost* 
Indië te geraken. Slechts Jan Comelisz. Rgp, getrouwer dan 
Barendsz. aan Plancius' instructidn, sloeg in 1596 de richting door 
Thome aangewezen in >). Hg wilde ten noorden van Spitsber- 
gen door het gs breken en de pool bereiken, maar de gsdam, 
die zich steeds oostelyk van Groenland en ten noorden van Spits- 
bergen uitstrekt, belette hem zijn plan uit te voeren. En Ba- 
rendsz. zelf, al kon hij zich ook niet vereenigen met de plannen 
van Rgp, stierf in de overtuiging, dat men niet door de noor- 
delijke kusten van Europa of van Novaya Zemlya te volgen , maar 
door hooger in het noorden zgnen weg te zoeken de meeste 
kans hebben zou om eene opene zee te vinden *). Het onbedui- 
dende resultaat, dat de reis van Bgp volgens de toenmalige in- 
zichten had , belette , dat men zijn plan op nieuw trachtte uit te 
voeren , maar de op zijn aandraven gevolgde noordelijke koers had 
tot de ontdekking geleid , dat niet altijd de koude , hoe meer men 
de pool naderde, heviger werd •). De opmerking, dat het op Spits- 
bergen op 80° minder koud was dan op Novaya Zemlya op 76®, — 
een verschijnsel, dat waarschgnlijk aan den warmen golfstroom 
moet worden toegeschreven, — leidde reeds de Nederlanders tot 
de conclusie , dat de massa's gs , die de Russische rivieren in de 
IJszee uitstortten , de atmospheer kouder , do zeeën onbevaarbaar- 
der maakten dan hoog in het noorden, waar volgens Mercator 



') Het plan van Tborne wordt uiteengezet in: «The booke made bj Master 
Robert Thorne ," in : Haklnyt , Divers voyacres. p. 48 vlg. — De hier beachreTen 
koert if als «de v^fde wegh naar Cathay" opgenomen in de «Diversche Dit- 
courssen de O.-I. vaert betreffende" achter de uitgave der Nederlandsche reiien 
naar het NO. van Jan Jansz. (1648.) 

*) «Nowe then/' zegt Thome, «there is no doubte, bnt sajrling North- 
warde and paasing the pole, descending to the equinoctiall Ijrne, wee skall 
hitte thote Ilandes." (nam. de Oost-Indische.) — Over het gevoelen van Plancioi 
zie hiervdor p. 48 Noot 1 en vooral: Jeannin, Négotiation. II p. 276, 77. 

') Dat de koers door de noordpoolreizigera gevolgd niet met hunne instme- 
tien overeenkwam, bl^kt dnidel^k uit De Veer's inleiding voor de eerste reis. 
(Drie sejrlagien. fol. 1, 2.) Barendsz. sch^nt na het mislukken z\jner reis in 1S07 
van plan geweest te zijn, van de Noordkaap recht naar het NO. te zeilen. Zie 
ook de opdracht der Drie sejrlagien aan de Staten-GeneraaL 

*) Zie vooral de merkwaardige plaatsen in : De Veer, Drie seylagien. foL 18. — 
V^ ook ald. Opdr. en fol. 1 , 2. 

•) De Veer, Drie tejlagien na de Coninckriïjcken van Catthaj ende China. 
Opdr. en fol. 8, 



59 

de snelle stroomingen de vorming van gs Terhinderden en waar 
dus eene opene zee zich nitstrekte *). Door deze opmerkingen 
moesten de plannen van Thonie meer en meer uitvoerbaar schgnen. 

Toch was een Engelschman de eerste , die weder volgens Thome's 
voorschriften handelde. Eerst in 1607 trachtte Henry Hndson 
de noordpool te bereiken en zeilde daarom aan beide zgden van 
Spitsbergen naar het noorden. Evenmin als Bijp, die in 1596 ge- 
heel hetzelfde gedaan had , slaagde Hndson. Toch gaf hg het niet 
op en volgde op zgne tweede reis hetzelfde plan. Ditmaal was 
het echter meer oostwaarts dat hg den doortocht zocht en zoo- 
doende kwam hij eenigszins op den weg , dien Barendsz. gevolgd 
had. Maar minder gelukkig dan zgn voorganger moest hg het 
reeds spoedig opgeven en terugkeeren *). Toch was het resultaat 
zgner reizen gewichtig. Evenals do Nederlanders had hij de op- 
merking gemaakt, dat op Spitsbergen de atmospheer betrekkelgk 
warm was, de plantengroei minder dor dan op Novava Zemlja '). 
Zgn bezoek in Nederland , waar hg in den geleerden Plancins een 
warmen voorstander zijner denkbeelden vond , versterkte hem in 
zgne plannen , en evenals vroeger was hg dan ook in 1609 weder 
voornemens het plan van Thome uit te voeren. Hg sprak daar- 
over nog uitvoerig met Plancins en Le Maire , en schgnt het met 
beiden volkomen eens geworden te zijn ^). Ook de bekende carto- 
graaph Hessel ' Gerritsz. , hoewel aanhanger der plannen van Lin- 
schoten, achtte de meeniugen van Plancins en de zijnen eene 
ernstige overweging waard. 

Het laat zich begrgpen , dat , toen Hudsons plannen zoodoende 
in Nederland bekend werden , waar de publieke opinie reeds eenigs- 
zins op het ontvangen van zulke mededeelingen was voorbereid *), 
ze dadelijk algemeen ingang vonden. Plancius werd meer en meer 



*) De Veer, Drie seylagien. Opdr. en fol. 1 , 2 , O, 18. -^ De Jonge, Opkomst, 
lp. 18. — Zie eene uiteenzetting en kritiek van dit plan in het «Discoars van 
Joh. Is. Pontanns" achter: Begia ende Voortgangh van de Oost-Indische Com- 
pagnie, p. 70. 

*) Zie over de plannen van Hndson b^ zyne twee eerste reizen : Asher, Hndson 
the Navigator, p. CLXXXIV-CXCVI. 

*) Zie o. a. Asher, Hndson the Navigator, p. 14. — Jeannin, Négotiation. 
n p. 277. 

*) Jeannin , Négotiation. II p. 277. 

*) Zoo zeide een van Heemskercks tochtgenooten in 1609 tot Plancins : «qne, 
pour n'estre lors assez experimentë en cette nanigation, an lien d'entrer anant 
en pleine mer, oü elle n'cst iamais gelee , k canse de Ia profondenr et de la 
grande impetuosité de ses flots et vagnes, il se contenta de costojrer les bords : oü , 
ajant tronnë la mer gelee , Iny et ses compagnons forent arrestez et contrains 
de s*en retonrner sans passer outre." (Jeannin , Négotiation. II p. 270.) — Zie 
ook De Veer's oordeel over de drie eerste Nederlandsohe noordpoolreizen : Drie 
seyligien. Opdr. en fol. 1 , 2. 



60 

in zfjne denkbeelden bevestigd. Met nadruk verkondigde h^ , dat 
de zon , die gedurende de zes zomermaanden onafgebroken de noor- 
dolyke streken beschijnt , de zeo warmer maakt , het {js doet smelten 
en daardoor de overmatige konde aan de atmospheer ontneemt *). 
Hg meende dus , dat de koude tot op 66^ NB. voortdurend toenam 
om van daar weder af te nemen tot de pool toe; h^ vond eene 
bevestiging dier meening in het feit, dat het onder de evennachts- 
Ign minder warm is dan onder de keerkringen. De meening der 
ouden , die de poollanden voor onbewoonbaar hielden , was volgens 
Plancius even ongegi'ond als hunne verhalen omtrent de onver- 
dragelgke hitte onder de evennachtslgn , waar men eene talrgke 
bevolking gevonden had. Hg geloofde dus , dat de Nederlanders niet 
meer als vroeger langs de kust slechts tot ongeveer 73® NB. moesten 
gaan, maar in de opene zee recht noordelgktot 83® NB. zeilen, waar 
de gsvrije oceaan zonder twgfel den weg naar straat Anian zon 
openstellen. Van daar zou de weg langs Aziö*s oostkust naar Oost- 
Indie gemakkelgk zgn en veel korter dan alle andere bekende 
wegen *). De invloedrgke Plancius won weldra weder aanhan- 
gers voor zgne leer en meer en meer maakte het denkbeeld om 
naar de pool te zeilen opgang. 

Zoo waren de zaken gesteld, toen in 1610 zekere Helisaeus Bös- 
lin, med. doet. te Buchsweiler in den Elzas en Igfmedicus van 
den graaf van Hanau, den Staten een boekje aanbood, waarin 
hy het nieuwe plan uitvoerig aanbeval *). Door astrologische be- 
rekeningen tot het inzicht gekomen, dat Ood de ontdekking van 
de Noordpool wilde, stelde hg voor om ten minste tot 80® of 
82® noordwaarts te zeilen , waar hg meende , dat men eene opene 
zee zou vinden. Het mislukken der vroegere Nederlandsche toch- 
ten was volgens hem alleen toe te schrgven aan de richting dier 
reizen , die de schepen steeds door eene zeeëngte voerde , waar het 
gs zich ophoopte *). Evenals Thome wees hg op de vergissing 
der ouden , die ook de tropische gewesten voor onbewoonbaar ge- 
houden hadden; evenals Plancius meende hg, dat de lange pool- 

■) Deie ▼oorttelling mtakte men zich nog in 1624. V^.: Wtstenaer, Hist. 
▼erh. Vn foL 95 tio. (Jnni 1624.) 

*) Jeannin , Négotiation. Il p. 277. 

*) BGtterniehtige Schiflarth, von den Herrn SUden inn Niderlmnden Tor XV 
Jihren vegebenlich furgenommen , wie dieselbige anzostellen, dass man daaelbai 
hemmb in Oriënt Tnd Chinam kommen moge , zn sonderem der Christenheit , 
aonderlich Tentichlands Nutzen Tnd WoUfart, Ein künstlicher Philoaophischer 
Tractat, ... Geitellt dnrch Helisaenm Röslin." 1610. — Vgl. over andere werken 
Tan Röslin: Jöcher, AUg. Gelehrten-Lexicon. III p. 2175. 

*) Volgens de kaart , in het boekje Toorkomende (waarop het eerst kaap Tabin 
Terre Toorbg het zeer noordelgk gelegen Promontoriom Scjrthicnm is aangege- 
Ten), is de zee Tan Kara nieta dan eene zeeëogte tnsschen NoTaya Zemlya en 
het promontoriam Sejrthienm. 



61 

dag de temperatuur hoe langer hoe meer verhitte, mtarmate men 
de pool naderde. Met veel ernst trok hg te velde tegen een paar 
argumenten van eenige tegenstanders van zgn plan: het religi- 
euse bezwaar van sommigen , dat het Parades aan de pool zou 
liggen en dat dus Ood zelf door zgnen engel met het vlammende 
zwaard den toegang daarheen zou beletten, achtte hy onbewe- 
zen; de verhalen van den magneetberg, die alle schepen, als zg 
de noordpool bereikten, by het daaraan bevestigde gzer vast- 
houden zou, hield hy voor volkomen ongegrond >). 

Het boekje maakte opgang en werkte er krachtig toe mede , dat 
twee Nederlanders , Ernst Van de Wal en Pieter Aertsz. de jonge 
van Amersfoort , de Staten-Generaal en de Amsterdamsche admi- 
raliteit om bystand tot het ondernemen van eenen nieuwen 
tocht verzochten *). Zy beweerden stoutweg, dat het Barendsz. 
en Linschoten aan den noodigen moed en volharding ontbroken 
had. Overtuigd als zij waren van de deugdelykheid van Röslins 
beschouwingen , meenden zy zelven gelukkiger te zullen zy n , want , 
zoo redeneerden zy schertsend, »de Spn soude eerder daer by 
Noorden zout maken dan ys.** Niettegenstaande de afkeui-ing 
van sommigen *), die het boekje vol »sottemien** achtten en de 
voorstellers van den tocht » eenige onervaren , vermetele menschen*' 
noemden, vond het plan byval en in 1611 besloot de admiraliteit te 
Amsterdam tot den nieuwen tocht. Twee schepen , de Vos en de 
Craen, werden na langdurige beraadslagingen met Plancius en 



*) Een daiddgk overzicht van de voorstellingen, die men zich destijds van de 
poollanden vormde, geeft Megiser. (Septentrio Novantiqnns. p. 869.) »Es sind 
Unter Fantaseyen ," zegt hij , ^was etliche bisshero fürgegeben vnd den Nort-Po- 
Inm also gemalet haben , dass nemlich gestracks vnder dem Polo ein hoher schwartz- 
lichtiger Steinfels von laater Mognet sey e , der begreiff in seinem Vmbkreiss 83 
Frantsösische Meilen. Es sollen anch vmb denselben hervmb vier Insnln ligen , 
swischen denen der Oeeanns dnrch 19 Ostia oder Eingang einbreche, vnd vier 
Enripos oder Arm vnd Strom mache, welche vom78grada an mit solcher Ge walt 
vnd Vngestümmigkeit nach dem Polo zn gezogen vnd getrieben , vnd allda in 
mechtig grosse Abgmnd verschlacket werden : also dass kein Schiff , so einmahl 
darein komme , anch dnrch den starcksteu Wind , mög znrück gebracht werden." 

*) Hessel Gerritsz., Beschr. vander Samoyeden Landt. Voorrede, p. 4. 

*) Hevige bestrijders vond het misschien wel wat onberaden plan der over- 
moedige voorstellers in Hessel Gerritsz. (Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 8 , 4. — 
Detectio freti ed. 1618 F. 2) en in Joh. Is. Pontanus (Beschr. v. Amst. p. 179 , 80), 
beiden voorstanders der plannen van Linschoten. Ook Isaac Massa oordeelde 
liet door dezen ontworpen plan het eenige , dat kans van slagen had. (Massa, 
Cort verhael, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 18.) Nicolai (Relation. 
Vorredt, p. 10) zegt , dat Röslin nallein etliche seine Tr&um unnd Mucken erzehlt , 
die er ihm hinder dem Ofen im Sawrbrnnnen zn Schwalbach traumen lassen." — 
Onder leiding van May werd het plan echter beter nitgevoerd dan het zich aan- 
vankel^k liet aanzien en althans Gerritsz. kwam nog in zyne Detectio freti 
xelven op zijne afkeuring terug. 



62 

Linschoten voor de reis oitgerust. De bevelhebber der onder- 
neming was Jan Cornelisz. May, bijgenaamd Mensch-eter, van 
Hoorn *), die reeds in 1598 de reis van Van Neck naar Oost- 
Indi6 had medegemaakt en later op de reis om de wereld yan 
Spilbergen van 16 14 tot 1617 als kapitein op des bevelhebbers 
schip zou aanwezig zijn *). Commies en stunrman op zyn schip 
de Vos waren Ëmst Van de Wal en Pieter Fransz. ; het andere 
schip voerden Sjmon Wülemsz. Cat als kapitein, Pieter Aertsz. 
de jonge als commies, en Comelis Jansz. Mes als stunrman. 
Hun werd by hunne Instructie gelast , ten noordoosten den 
doortocht door straat Anian te zoeken. Zoo dit doel in één jaar 
niet bereikt kon worden , moesten zij ergens eene plaats opzoeken, 
geschikt tot overwinteren. Mocht de reis naar het noordoosten 
ook het tweede jaar niet gelukken , dan moest May het in het 
noordwesten beproeven en trachten door straat Davis Oost-Indi6 
te bereiken. In overeenstemming met de pogingen in de laatste 
jaren door Engeland en Frankrijk aangewend om koloniën in 
Amerika te verkrijgen , werd nu ook May belast , overal te letten 
op de plaatsen , die geschikt waren ter colonisatie en tot het aan- 
leggen van forten •). 

De reis, den 18 Maart 1611 aangevangen , beantwoordde geheel 
niet aan de verwachting. May sloeg weder den door Barendsz. 
reeds tweemaal beproefden weg in en was nog ongelukkiger dan 
deze. Nu het goede spoor, door Rijp ingeslagen en in Nederland in 
de laatste jaren met zooveel warmte aanbevolen, verlaten was, 
beloofde de reis reed? dadelijk niet veel nieuws. En waarlijk was 
dit gedeelte van May*s reis arm aan resultaten. Hij bezeilde de 
kust van Novaya Zemlya , onderzocht de langen tijd zoo raadsel- 
achtige Kostin-sjar *) , en bereikte het Cruys-eylant op 76*, maar 
nergens kon h{j door het ijs breken. Tegen het najaar moest hg 
tot herstel der geledene schade naar Kildin vei*trekken, van 
waar hy naar Noord-Amerika zeilde om te overwinteren. Het 

*) De reit van Jan Corneliszoon van Hoorn, waarover Wiisen (Noord> en oott- 
Tartarje. p. 906) spreekt, is geen andere dan deze tot voor korten t\jd b|jna 
onbekende tocht. — Volgens Wassenaer (Hist. verhael. VIII fol. S4 Tto) deed 
irlan May van Hoorn" in 1624 nog ccne reis naar Nieuw- Nederland. Op den 
reis noemde hg waarschgnlijk den mond der Delaware «May-bay" , de oocte- 
Igke pnnt van den oever daarbij «Caep May." (Zie de kaart v. Nienw-Nederland 
in den Atlas v. Jast. Danckers.) Ook een veel zuidelijker gelegen rivier op die 
kast heette ; „R. de May." (Zie de kaart van Amerika in dien Atlas.) M(^d^k 
cijn echter al deze namen van den bekenden Comelis Jacobsz. May afkomstig. 

■) Ticle, Mémoire. p. 70. 

*) De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag. I. p. 28-80) heeft het eent de 
aandacht op deze belangrijke reis gevestigd. 

*) Hudson had trouwens op z\jne tweede reis reeds beweien, dat KoiliBHQir 
niet naar de Kara-zee leidde. 




m 

langdurige gedwongen oponthond werd door hem besteed tot 
onderzoekingen op de Amerikaansche kust yblu 4:V — 42|''N6. *); 
bij eene dier landingen werd Aertsz. met eenige anderen door de 
wilden vermoord. Den 27 Februari 1612 besloot men eindelijk , dat 
bet schip de Craen, na nog eenig vertoef op de Amerikaansche 
kust, huiswaarts zou keeren *), en dat May met het schip de 
Vos op nieuw den noordoostelij ken doortocht zou opzoeken. 

Deze tweede reis volbracht May met evenveel volharding, maar 
met even ongelukkigen uitslag als die van het vorige jaar. In 
het begin van Juni 1612 bereikte hij Kildin, vertrok van daar 
den 10 en stevende naar Novaya Zemlya, waar hij den 30 aankwam. 
Tot 8 Juli zeilde hij noordelijk langs de kusten van dit eiland, 
maar toen stuitte 14j op een vast ijsveld , dat zich noordwestelijk 
van het land uit.strekte. Hij volgde den rand daarvan tot 14 Juli, 
wanneer hij op 7T NB. was , en keerde naar de kust van Novaya 
Zemlya terug, die hij den 20 bereikte. Een dergelg ken tocht langs 
het ijs ondernam hg tusschen 29 Juli en 9 Augustus , toen hij niet 
verder dan tot 77* 45' NB. kon komen. Zijn plan om recht naar 
het noorden te zeilen scheen dus onuitvoerbaar; de buitengewoon 
strenge winter van 16J-| had de zee van Spitsbergen in eene 
gsvlakte veranderd *). Den 26 Augustus keerde hg naar huis te- 
rug , waar hg omstreeks half September behouden aankwam. Het 
eenige resultaat der reis was de zekerheid , dat de uitgestrekte zee 
tu88chei\ Novaya Zemlya en Beeren-eiland geene eilanden bevatte 
en dat dus de eilanden Matsyn en Willoughby-land niet bestonden *), 

De ongelukkige uitslag dezer reis schrikte anderen niet af: 
reeds het volgende jaar werd een andere tocht met hetzelfde doel 
ondernomen. Jonas Witsen, raad en oud-schepen der stad Am- 
sterdam, en Symon Willemsz. Nooms *), een Amsterdamsch 



* ) Herinneringen van de reis vindt men echter ook op Amerika's oostkust op 
42* NB. in de ^Vos-haven" en wCrane-bay". (Kaart t. N. NedcrL in den atlas 
T. Goos van 1666.) 

*) Het schip kwam behouden aan. (Ilessel Oerritsz. , Beschr. t d. Samoyeden 
Landt. Voorrede , p. 4.) Zie over de onderzoekingen op de Amerikaansche kost 
na het vertrek van de «Vos" vrg uitvoerig: Descr. detect. freti. ed. 1613 F. 

*) Een dergelijk \jsveld tusschen Spitsbergen en Novaya Zemlya vond kapitein 
Wood in 1676. Zie de afbeelding daarvan bij: Witsen, Noord- en oost- Tar- 
Urye. p. 907. 

*) Berichten omtrent dezen tocht vindt men, behalve bg De Jonge en Wit- 
ten , in: Beschryvinghe vander Samoyeden Landt. (Voorrede p. 4 , en op den rug 
der kaart van Massa) en uitvoeriger in: Descriptio detectionis freti. (ed. 1618 F en 
F 2.) — Als eene merkwaardigheid brachten de reizigers behalve walrustanden en 
beerenhuiden een stuk ijs mede van zulk eene dikte, dat de Amsterdamsche ad- 
miraliteit het in Nederland nog aan het publiek kon vertoonen. 

*) Het octrooi der compagnie van Nieuw-Nederland (bg : 0'Callaghan, New 
Kei^hmd. I p. 74) noemt ook den Amsterdamschen oud-burgemeester Gerrit Ja« 




64 

handelaar op de kust van Guinea, wendden zich in Maart 1613 
uit naam eener Amsterdamsche compaguie weder tot de admirali- 
teit en verzochten het schip de Vos , waarmede May de reis gedaan 
had, ter leen. Z^' boden daartegen aan eën deel in de winst, 
door handel of door het verkrijgen der in 1596 door de Staten 
uitgeloofde premie te maken. De admiraliteit toonde zich gene- 
gen aan het verzoek te voldoen en om voor de waarde van het 
schip , gewaardeerd op ƒ 3000, in de onderneming te participee- 
ren '). Zoodra men het eens was geworden, vertrok het schip. 
Als schipper diende daarop Pieter Fransz. *), die May^s stuurman 
geweest was *); de lading bestond in koopmansgoederen van 
allerlei soorten: glazen flesschen, olifantstanden , stukken laken , 
ketels en vooral » zeeven cleynne kasgens met norembergerye.** ^) 
Evenals May wilde men eerst den noordelyken doortocht zoeken ; 
ditmaal echter langs eenen nieuwen weg. Reeds zoovele malen 
hadden Nederlandsche zeelieden het noordoostelijk gedeelte der 
IJszee vruchteloos doorkruist , dat men er aan begon te wanhopen, 
daar te slagen. Het noordwesten , waar Hudson in de laatste 
jaren onverwelkbare lauweren had geplukt , waarheen nog onlangs 
Button vertrokken was , om het verloren spoor van zgnen voor- 
ganger te zoeken , was den Nederlanders echter nog geheel onbe- 
kend en beloofde dus beteren uitslag. Wij zagen , dat reeds May 
den last had , wanneer zgne pogingen in het noordoosten misluk- 
ten , naar straat Davis den steven te wenden ; nu besloot men , de 
straat , die reeds den naam van Hudson droeg , te doen onder- 
zoeken en te trachten handelsbetrekkingen met de inwoners dier 
streken aan te knoopen. Door straat Anian moesten de reizigers 
verder Oost-Indid zien te bereiken. Daar echter het drgven van 
handel en het verkrijgen van direct voordeel ditmaal hoofdzaak 
was , werd aan Fransz. reeds dadel{jk evenals aan May de last ge- 

cobsz. Witsen onder de readers van de yVos." De Resolutiëu der Amsterdam- 
sche admiraliteit spreken van hem geen enkele maal. ' 

*) Resol. Adm. Amst. 27, 28, 29 Mrt. 1618. — Ygl. De Jonge, Opkomst. I. p. SO. 

*) Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614. 

*) Waarsch\jnlgk was op deze reis ook tegenwoordig de bekende Willem Meer- 
man , zoon van den oud-burgemeester en schont van Delft Gerrit Meerman en 
schrijver van de geestige satire op de kerkelgke geschillen «Comoedia vetns." 
Althans Brandt (Hist. der reform. II p. 197) verhaalt van hem, dat hg na 
lange jaren op zee gevaren te hebben, in 1612 «op een tocht naar 't Noordi* 
westen van America ging , om van daer een nienwe doortoght naar Oostindie te 
soi-cken; doch nooit terugkeerde." Waarschgnlijk heeft dit «overedel vernuft" 
zich in Nienw-Nederland gevestigd. Het is waar, dat de reis van de Amster* 
damsche reeders in 1618 voorviel , maar ik acht het toch waarsch^nlijker, dat 
Meerman hierbij tegenwoordig was, dan op de reizen in 1612 door de £ngel* 
schen Bntton en Hall gedaan. 

*) Resol. Adm. Amst. 14 Ang. 1614. 



65 

geYen , om , wanneer het doel in het noordwesten niet bereikt werd , 
zoidelgker streken te bevaren en in Nova-Francia met de inlan- 
ders den ruilhandel te beproeven '). 

Weldra bleek het , hoe wijs deze bijvoeging geweest was. Waar- 
schgnlijk sneed het tusschen de tallooze landen en eilanden van 
het noordwesten opgehoopte ijs den reizigei's weldi*a den pas 
af; zeker is het, dat het zoeken van den doortocht opgegeven 
en de steven naar »de Riviere Hudson" gewend werd. *) Onder- 
tnsschen was de zomer verstreken en men moest besluiten in het 
latere Nieuw-Nederland te overwinteren. De »quaetwillige inwoon- 
der8*\ door herhaalde bezoeken in de laatste jaren niet gunstig 
jegens hunne blanke broeders gestamd, toonden zich echter nu 
evenmin als twee jaren vroeger den overwinterenden genegen. 
Van het drijven van handel was geen sprake; ja evenals op de 
reis van May vielen ook nu eenige Nederlanders, waaronder de 
kapitein Pieter Fransz. zelf, als offers der ontembare Indianen *). 

Tegen het voorjaar van 1614 schenen de kansen voor onze rei- 
zigers zich te verbeteren. Achtereenvolgens verschenen niet min- 
der dan vier Nederlandsche schepen op de kust. Lambert Van 
Tweenhuysen, de oprichter der Noordsche Compagnie, had twee 
vaartuigen gezonden: de Tyger, schipper Adriaen Block en de 
Fortuyne, schipper Hendrick Christiaensz. Van Cleef; voor eene 
andere Amsterdamsche reederij was het schip de Nachtegael 
schipper Tys Volckaertsz. Mossel uitgezeild, terwijl Le Maire's 
Austraalsche Compagnie — of ten minste de hoofdreeders daar- 
van — Comelis Jacobsz. May met het schip de Fortuyne, van 
Hoorn uitgezonden hadden *). Schipper Jan De Wit, die in plaats 
van den vermoorden Fransz. aan boord van de Vos was opge- 
treden*), kwam met de nieuw aangekomenen overeen >in Com- 
paignie te handelen'' *) , en ieder vertrok om zyn voordeel te 
zoeken. Block en May maakten zich door hunne ontdekkin- 



*) Descr. deteet. freti. p. 5. — «Nee fervor iste (om den N. doortocht te zoe- 
ken)", dus verhaalt ons daar Heftsel Gerritaz. in den zomer van 1618 »in nostris 
AmBtcrodamensihns deferbnit plane , inperioribus enim menflibuB ab ^8 emista est 
navis, eo tantum fine, ut de transitu, vel Freto Hudsoni inquireret, et num 
commercg locus sit in istis oris; si vero eventns votis non respondeat, in Oris 
Novae Franciae negotiabuntur." 

*) Resol. Adm. Amst. 13 , 14 Aug. 1614. Over de reis in het noordwesten 
wordt daar het stilzwijgen bewaard, omdat men vrijdom van uitgaande rechten 
hoopte te verkregen, zoo de teruggebrachte goederen in 1615 weder naar de- 
zelfde bestemming als in 1618 werden uitgevoerd. 

•) Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614. 

*) 0'Callaghan , Hist. of N.-Netherland. p. 74. 

*) Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614. — 0'CalIaghan , N.-Netherland. 1 p. 74. 

•) ReM>l. Adm. Amst. 24 Juli 16U. 



66 

gen een beroemden naam '); Van Cleef was reeds in Juli met 
zgn schip geladen met beyervellen te hnis *), maar het schip 
de Vos had voortdurend ongeluk. Toen De Wit in het begin 
van Augustus 1614 weder' te Amsterdam aankwam, had hg 
zoo weinig voordeel behaald, dat de beide reeders van het schip 
de admiraliteit moesten verzoeken om vrystelling van de inko- 
mende rechten over bijna alle goederen, waarvoor zg reeds bg 
het uitvaren betaald hadden. Hunne ondememingszucht was 
echter door het ongeluk zoo weinig uitgedoofd, dat zg dadelgk 
verlof verzochten de goederen naar dezelfde plaats weder vrg 
te mogen uitvoeren •). 

Hier eindigt het eerste tgdperk der Nederlandsche tochten naar 
het noorden. Het jaar 1614 was bestemd om aan de ondeme- 
mingszucht der ontdekkers een dubbelen hinderpaal in den weg te 
stellen. Twee compagniën verrezen nagenoeg tegelgkertgd , die ^ 
door het octrooi der Staten-Greneraal beschermd , alle Nederlanders 
uitsloten van den handel op het terrein, door de Nederlandsche 
noordpoolreizigers in de laatste jaren bevaren. Het verzoek door 
Witsen en Nooms gedaan om hunne goederen weder vrg te mogen 



>) 0'CallaghAD, N.-Netherland. I p. 72,78. 

*) Re«ol. Adm. Amst. 24 Juli 1614. 

*) ResoL. Adm. Ainst. 13, 14 Aag. 1614. — Berghaus (Wat men vin de aarde 
weet. p. 226) deelt nog een bericht mede over eene andere Nederlandache noord- 
poolreis, die hg tot het jaar 1613 terugbrengt. De ongenoemde zeevaarders ion- 
den , verre naar het NO. stevenende , Novaya Zemlya's noordoostpnnt verre voorb\j 
gezeild, ja zelfs tot 112° OL. gekomen zijn. Het resultaat is zeker verb«- 
zend, maar voor ons onderwerp van minder belang. Uit het verhaal zelf bl^kt 
toch , dat het jaartal 1613 hojgstwaarschgnlijk oqjuist is. De daarbg vermelde 
onutandigfaeden vertoonen zelis eene groote gelijkheid met het verhaal der plan- 
nen van Willem Vlaming en eenige andere requestrauten , die in 1664 \'an de 
Stn.-Gen. een monopolie voor de N. vaart verzochten. Het jaartal strookt bo- 
vendien zeer goed met de mededeelingen in Berghaos' bron, de: Philosophical 
Transactions. Dl. X (1675) p. 418, waar wel het jaar der reis niet opgegeven, 
maar toch gesproken wordt van ^some years since." Misschien is dus ,d« 
. geheele mededeeling niets anders dan een uitvoeriger, maar dan ook zeer over- 
dreven verhaal van de bekende eerste reis van Vlaming, die door De Jonge (Novm 
Zembla. p. 24) tot 1663 teruggebracht wordt, en dus juist een halve eeuw na 
1618 plaats had. — Nicolai (Relation. Vorredt p. 7, 11, 18) verhaalt van ver- 
schillende Nederlandsche reizen ter zee en te land oodemomen om den doortocht 
te zoeken in 1611—18, met name van 8 Nederlandsche schepen, in 1618 uit- 
gevaren om Hndson te zoeken, maar onverrichter zake teruggekomen met de 
ontdekking, dat Hndsons straat een zeeboezem is. De schrijver, met de ge- 
beurtenissen in Nederland zoo slecht bekend , dat hg zelfs niets van de reis van 
J. Csz. May vernomen heelt, schgnt echter zgne berichten alleen uit Megisers 
vertaling van Hessel Gerritsz's Detectio freti geput te hebben ; de eerste Méa 
onbepaalde mededeeling schgnt op de beweerde reis van Jjg Maire en Mataa in 
1611 te slaan; de tocht van 1618 is donkt mg londer twgfel Buttons reit in 
dat jaar, waarvan Nicolai IIomoI Ccrritsz.' verhaal verkeerd bffrepen heeA. 



67 

uitvoeren — een verzoek dadelijk toegestaan ') — toonde reeds 
dat de vaart op Amerika*s oostkust door hen niet opgegeven zou 
worden. Weinige maanden later (11 Octobor 1614) werden do 
beide reeders dan ook opgenomen in het octrooi , dat de Compagnie 
van Nieuw- Nederland van de Staten-Generaal verkreeg. Reeds 
in Januari van hetzelfde jaar had eene andere compagnie ook 
voor de vaart op de noordsche landen uitsluitende rechten ver- 
kregen: de » Noordsche Compagnie'* trad als bevoorrechte veree- 
niging op. De vaart op het noorden en het westen , sinds Hud- 
sons derde reis voortdurend vereen igd , werd dus voortaan de bron 
waaruit twee vereenigingen schatten hoopten te verzamelen. Maar 
toch bleef de band , die de beide compagniën verbond , zeer nauw. 
Lambei*t Van Tweenhujsen, die als hoofdreeder in de compagnie 
van Nieuw-Nederland optrad , was ook de eerste, die in het oc- 
trooi der Noordsche genoemd werd , en terwjji de eerste bewind- 
hebbers van beide compagniën gedeeltelijk dezelfde personen waren , 
zetten de-familiën deze traditie nog jarenlang voort *). De Com- 
pagnie van Nieuw-Nederland , die eerlang in de West-Indische 
Compagnie opging , bleef ook toen nog nauw met hare Noordsche 
zuster verbonden. Maar het lot der beide lichamen, door oor- 
sprong en belangen vereenigd, was toch geheel verschillend. De 
West-Indische Compagnie , eerlang van het terrein , waarop zg zich 
eerst gevestigd had , verdreven , sleepte in andere gewesten gedu- 
rende langer dan eene eeuw haar kwgnend bestaan voort ; terwgl 
de Noordsche, zich juist te nauw beperkend tot het gebied, 
dat zg reeds dadelijk bezette, wel is waar zonder vreemde hulp 
en aanvankelgk met voordeel zich kon staande houden , maar toch 
reeds na dertig jaren voor de aanvallen harer mededingers bezweek. 
De geschiedenis der eerste vereeniging is, voorzoover zg Nieuw- 
Nederland betreft , door Amerikanen reeds op eene wijze bewerkt , 
die den Nederlander moet doen blozen ; het zal m|jn streven zgn , 
nu ten minste door de beschrjving van de lotgevallen der Noord- 
sche Compagnie gedeeltelgk eene leemte aan te vullen , die to lang 
in onze geschiedboeken bestaan heeft. 

«) BmoI. Adm. Amst. 18 Ang. 1614. 

*) Onder de eerste reeders ter walvischvangst worden aIs bewindhebbers , ree- 
ders of pstrooné in Nienw-Nederland genoemd : Lambert Van Tweenhaysen , Simon 
Van der Does, Samuel Oodin, Claes Jacobsz. Harencarspel , Hans Claessen en 
Barend Sweerts voor Amsterdam ; bg de Zeeuwen : Pieter Bondaen Coorten , Adriaan 
Ketelaer, Jan Oyselingh, Adriaan Velters en Jan De Moor. Onder de latere ree- 
ders vinden wij bg beide compagniën leden der familiën Ranst, Van der Graeff 
Snellingh, Velincx, Lampsens, Bisschop, Ray en Van der Dussen. Adriaan Block 
reisde in 1614 naar Nieuw-Nederland, in 1615 naar Spitsbergen; het schip de 
Fortuyne voer in 1618 naar Spitsbergen , in 1614 naar Nieuw -Nederland ; Hinlopen , 
een der bewindhebbers der N. C. werd in Nieuw-Nederlaud vernoemd ; de beide 
sonen van Jacob ^lay deden in dienst van beide compagniën in 1614 twee reizen. 

V 



HOOFDSTUK II. 



DE NOORDSCHE COMPAGNIE. 



Terwgl de Nederlanders zich alzoo bij herhaling verdienstelgk 
maakten door hunne pogingen om de noordelyke zeeën aan Ea- 
ropa te doen kennen , hadden ook de Ëngelschen niet stilgezeten. 
De Moscovische Compagnie, in 1553 opgericht met het doel om ont- 
dekkingen te doen en nieuwe handelswegen te openen , was daartoe 
dan ook te goed in de gelegenheid dan dat zij niet meer syste- 
matisch dan de Nederlanders zich op het verkennen der noorde- 
lijke streken zou toegelegd hebben. Al bleef hare aandacht Yoor- 
namelijk op den Russischen handel gericht, toch zond zg nog 
dikwyls schepen naar het hooge noorden om de onbekende zeeën 
te doorzoeken. 

Op een dezer reizen, in 1603 door Stephen Bennet op kosten 
van Sir Francis Cherie , lid der Moscovische Compagnie * ) , met 
het schip The Grace ondernomen , stuitte men echter toevallig , op 
weg van Kola naar het noorden , op het den Ëngelschen nog on- 
bekende Beeren-eiland. De tocht werd gestaakt en met het be- 
richt, dat men op het nieuw gevonden land eenig looderts en 
vele sporen van walrussen gevonden had , keerde men huiswaarts. 
De Moscovische Compagnie begreep het gewicht der ontdekking. 
Dadelgk zond z^ in 1604 Bennet weder naar Beeren-eiland en 

*) Zie over Sir Francis Cherie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 296 , 96. — 
I)e Moscovische Compagnie was evenals de Engelsche Oost-Indische eene sooge- 
naamde «regnlated company", ^ecn soort van gilde, welks leden vr\j waren om 
hinnen zekere grenzen en met inachtneming van zekere bepalingen nllstandig te 
handelen, en dat onder zekere voorwaarden nieuwe leden in zich mogt opnemen. 
Elke uitrusting eencr vloot werd ondernomen door eenige personen , die vr^wil- 
lig samenwerkten, geheel voor eigen rekening handelden, en slechts door de al- 
gemeene voorsehriften der compagnie gebonden waren." (Van Kees, ütaathoia* 
houdknnde in Nederl. II p. 19.) 



69 

toen h^ daar nu werkelijk eene groote menigte walrussen gevon- 
den had , besloot men het land geregeld te bezoeken. Naar den 
eei-sten reeder werd het Cherie-island genoemd en jaarlgks ver- 
trok nu voortaan een schip , op kosten van een der leden van de 
Moscovische Compagnie, daarheen 1). De walrusjacht bleef hoofd- 
zaak: aanvankelijk met geweren, later met lansen viel men de 
logge monsters aan, die eerlang een gemakkelijke prooi voor de 
jagers werden. Honderden koppen werden jaarlijks in Engeland 
ingevoerd; want vooral de tanden, destijds duur betaald, waren 
het doel der jacht. In 1605 begon men uit het spek de eerste 
traan te kooken ; sinds 1611 beproefde men ook de huiden als 
handelsartikel te gebruiken '). Naast de walrusjacht hield men 
zich met het dooden van zeehonden, beeren, vossen en vogels 
bezig; de reeds in 1603 opgemerkte loodmijn leverde nu en dan 
ecnig erts en een enkele maal vond men steenkool. Zoo was Bee- 
ren-eiland gedurende eenige jaren een rijke bron van voordeel 
voor de Moscovische Compagnie. 

Maar de kans keerde. De walrussen werden door het jagen 
schuw , de vangst werd bezwaarlijker, de dieren minder in getal. 
Ën daarby kwamen concurrenten, die eerlang op de voordeelen 
der vaart opmerkzaam werden. Reeds in 1607 verscheen een schip 
voor rekening van een Londensch bierbrouwer op het eiland; de vis- 
schers van Huil , reeds van ouds geoefende walvischvangers aan de 
Noordkaap, volgden dadelijk in dit spoor •). De compagnie, die 



>) Zie de verhalen dezer reizen bij: Gordon, Voyage to the Northwards . Anno 
1603. (Parchas, Pilgrimes. III p. 566, cf. ald. ITI p. 464.) — Poole, Divers 
Voyage» to Cherie Iland. (1604) (Purchas, 1. e. 111 p. 556.) — Poole, Third 
Voyage to Cherie Hand. (1605) (Purchas, 1. c. IIT p. 55«.) — Poole. Fourth 
Voyage to Chcry Hand. 1606. (Purchas. 1. c. 111 p. 659.) — Poole, Sixth 
Voyage to Cherie Hand. (1608) (Purchas, 1. c* III p. 560.) — Poole, vSeventh 
Voyage to Cherie Hand. (1609) (Purchas, 1. c. III p. 561.) — Poole, Voyage 
to Cherry Hand etc. (1610) (Purchas, 1. c. III p. 700.) — Comm. der Mosc. 
Coup. voor Edge. (Purchas, L c. III p. 709.) — Edge, Dutch disturbance. 
(Parchas, 1. c. III p. 464.) — Poole deelt ons in het verhaal van een dezer 
reizen (1608) een merkwaardig bericht mede over de temperatuur in de IJszee. 
jyThe twentieth and one and twentieth dayes (of Jnne) ,'* dus verhaalt hij, „it 
was calme, and the weather cleere, and wee had it as hot as I haue commonly 
feit in England at that time of the yeere. For the Pitch did mune downe the 
ahips sidet ; and that side of the Masts that was to the Sunne ward, was so 
hot, that the Tarre did frye out of it, as though it had boyled." Heley ver- 
haalde aan Purchas, dat het op Spitsbergen somtijds zoo koud was, dat de be- 
TToren zeilen niet te behandelen waren , terwijl den volgenden dag de tempera- 
tour zoo heet was , dat al het pik op het schip smolt , zoodat alles vuil werd ; 
ja, nu en dan kon men te middernacht zijne pijp door middel van een brandglas 
•antteken. (Pnrchas, Pilgrimes. III p. 788.) 

*) Commiaaie der Mosc. Comp. voor Poole, bij : Purchas, Pilgrimes. III p. 709. 

•) Parchas, Pilgrimes. III p. 709. 



70 

het door baar aan de Engelscben bekend geworden eiland als baar 
uitsluitend eigendom aanmerkte en er dan ook reeds in 1608 een 
sloep acbterliet, ging wel in 1609 tot de plecbtige inbezitneming 
over, maar bet baatte niet , de concurrentie nam toe en* het voor- 
deel verminderde sterk. In deze omstandigheden sloeg de Mos- 
coviscbe Compagnie bet oog op Spitsbergen, dat door Hudsons 
bezoek in 1607 nader bekend geworden was. Jonas Poole werd 
in 1610 door de vereeniging naar de tot nog toe sleehts tweemaal 
bezochte kusten van dit eiland gezonden ; hij verkende de baaien * ) 
en ving eenige walrussen. En daar Thomas Edge, die met een 
ander schip der compagnie weder naar Beeren-eiland vertrokken 
was, dit jaar geheel zonder lading terugkwam, nam men da- 
deiyk het besluit de oude nederzetting te verlaten *) en de uit- 
rustingen voortaan naar Spitsbergen, of zooals men toen zeide, naar 
Greenland •) , te richten. 

Met dit besluit ging echter dadelgk eene gehecle verandering 
van het doel der reizen gepaard. Reeds Hudson had de aandacht 
gevestigd op den aan traan en andere kostbare handelsartikelen 
zoo ryken walvisch; Poole had het bevestigd, dat de zee om 
Spitsbergen van die dieren wemelde *). Dadelijk in 1611 vinden 
wy dan ook op de twee schepen , die onder Bennet en Poole naar 
Spitsbergen vertrokken , zes harpoeniers uit St. Jean de Lnz ; de 
sinds eeuwen met de walvischvangst goed bekende Basken moes- 



*) Bij deze gelegenheid gaf Poole aan verschillende plaatsen namen, die ze 
langen tijd (enkele zelfs tot nu toe) behouden he.bben. Zoo vinden wij genoemd : 
Hornesouud, Muscovy Companies Monnt , Ice-point . Kell-point , Lownesse-island , 
Lowe-sound , Blackpoint-isle , Cape Cold , Ice-sound , Fair foreland , Knottj-point , 
Fowl-sound , Dcer-sonnd , Goss-cove , Gurnerds-nose , Cross-road , Fairhaven en 
Greenhaven of Greenharbonr. 

*) Wel werd „Cherie-island" nog verscheidene malen bezocht, o. a. reedi in 
1611 door Poole, die daar 200 walrussen doodde en de bemanning der by 
Spitsbergen gestrande Mary Margaret vond (cf. Poole , Briefe Declaration of mj 
Vo>age to Greeneland. 1611, in: Purchas , Pilgrimes. III p. 711) en door 
Gordon met ;,The Amitic" (cf Hamel , Tradescant der Aeltere. p. 806) , maar de 
geregelde jaarlijksche tochten van de schepen der Moscovische Compagnie tot 
de walrusjacht hielden sinds 1610 op. 

*) De Engelsche schrijvers van dien tgd noemen nagenoegzonderoitzon- 
dering Spitsbergen „Greenland** , een naam, gegeven in den tijd, dat meo het 
eiland voor een gedeelte der Groenlandsche kust hield. Groenland zelf noemden 
zij daarom nu ter onderscheiding Groneland , Groynland , Groenland of met eene 
andere dergelijke verbastering. 

*) In deze eerste jaren waren de Engelscben gewoon, behalve op walmsaea 
en robben ook op zoogenaamde witvisschen (witte walvisschen) jacht te maken. 
Men ving ze met groote netten van kabeltouw als zegens. Zij namen weldra 
de wijk naar diepere wateren. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 196, 206.) De Ne- 
derlanders hadden reeds in 1618 ontdekt, dat die vangst geen voordeel gaf, en 
hielden zich er nooit mede bezig. (Hist. de Spitsberghe. p. 19.) 



71 

ien de Engelschen in de gelegenheid stellen dit handwerk zelven 
te leeren. Dit eerste jaar was de reis zeer ongelukkig. De beide 
schepen strandden en de bemanning mocht zich gelukkig rekenen , 
dat schipper Thomas Marmaduke van Huil, die de Engelschen 
ook daarheen gevolgd was, zich bereid verklaarde haar naar het 
vaderland terug te voeren '). De compagnie hield echter vol: in 
1612 verschenen weder twpe schepen, het eene onder Poole on 
Bennet, het tweede onder Russell en Edge op Spitsbergen. Dit- 
maal was men gelukkiger : niettegenstaande hunne onbedrevenheid 
doodden de Engelschen zeventien walvisschen en eonige walrussen , 
die te zamen 180 tonnen traan leverden *). Maar tegel^k ver- 
toonden zich ook op het nieuwe jachtveld concurrenten , die de 
hoopvolle vooruitzichten der compagnie zouden vernietigen. 

Reeds in 1611 was de verschoning van hot Hullsche schip eene 
ernstige zaak geweest. Niettegenstaande de Moscovische Compagnie 
hare schepen voorzien had van een bevelschrift van den Gehei- 
men Raad, dat de vereeniging machtigde om haar octrooi te 
handhaven tegen alle Engelschen, die zich in het noorden vertoo- 
nen zouden, en om zich met alle kracht tegen aanvallen van 
vreemden te verdedigen, had schipper Marmaduke zich niet ont- 
zien Spitsbergen te bezoeken en had Nicholas Woodcocke, een van 
Bennets matrozen, hem zelfs den weg naar de beste baaien ge- 
wezen. Zulk eene niets ontziende stoutmoedigheid van hare con- 
currenten, zulk eene trouweloosheid van de zgde harer onderhoo- 
rigen beloofde voor de compagnie niets goeds. En werkelijk, in 
1612 verschenen nog geduchter mededingers. De Nederlanders, 
het jeugdige volk, dat overal naar middelen zocht om te vol- 
doen aan den lust tot daden, die het bezielde, waren ook nu 
weder onder de eersten, die met de Engelschen kwamen con- 
curreeren. >They kept their wont in following of the EInglish 
steps ," zegt Edge met kwalijk verborgen wrevel: evenals in 1578 
naar de Witte Zee volgde zg nu weder in de baan door de Engel- 
schen geopend. Hadden zij echter toen in hunnen landgenoot 
Brunei eenen gids gehad , die hun niet alleen den weg , maar ook 
de beste plaatsen voor hunnen handel aanwees, nu ontbrak hun 



*) De verhalen over de handelw^jxe der bemanning van het schip van Ilollbij 
deze gelegenheid zijn zeer verschillend. Terwijl Jonas Poole met groote heftigheid 
zyne oude concurrenten van eene schandel^ke handelwijze beschuldigt, neemt 
de onpartijdige Purchas mede een verhaal van Pooles broeder Randolph op , waarin 
die van Huil zeer geprezen worden. (Purchas, Pilgrimes. III p. 712,18.) Het 
is onmogelgk hier te beslissen: in ieder geval is dit echter eene merkwaardige 
bedrage ter beoordeeling van de groote auimositeit tusschen monopolisten en 
«interlopers" in dien t^d. 

*) Zie ket verhaal van de drie eerste reizen der Engelschen naar Spitsbergen 
door Poole zelven b^: Purchas. PUgrimes. lil p. 699—707, 711—18, 718-^15. 



72 

zulk een leidsman geheel. De weg naar Spitsbergen was den 
Nederlanders door de reis der ontdekkers genoegzaam bekend; 
de plaatsen voor do walvischvangst geschikt, de w^ze waarop 
die nieuwe winstgevende nering werd geoefend , moesten zg door 
eigene krachtsinspanning leeren kennen. Hot moet tot hunne 
schande gezegd worden, dat zij een gemakkelijker maar ook min- 
der eervol middel aangrepen om dit doel te bereiken: door om- 
kooping haalden zij eenen Engelschman over tot verraad aan zgn 
land en zgne heeren '). 

Reeds in 1611 waren — mag men het eenigszins verwarde 
verhaal van Zorgdrager *) gelooven — op verschillende plaatsen 
des lands , met name te Amsterdam , Schiedam , Hoorn , Enkhui- 
zen en Middelburg , inschrijvingen gedaan om de zoo winstgevende 
nieuwe nering der walvischvangst ook in Nederland te vestigen. 
De zaak had echter toen op zulk eene uitgebreide schaal nog geen 
voortgang; voorloopig vereenigden zich alleen Lambert Van 
Tweenhuysen , Jacques Nicquet , Jacques Mercys en eenige andere 
Amsterdamsche kooplieden, wier namen hunne Zuid-Nederland- 
sche afkomst verrieden , tot eene compagnie , die ten doel had de 
walvischvangst in de IJszee te beginnen. De vereeniging rustte 
dadelijk in 1612 een schip van 140 last uit *), bemande 
het met 36 koppen on zond het onder bevel van Willem Van 
Muyden naar Spitsbergen met patent van graaf Maurits >om 
aldaer Walrussen te bekomen , ofte anders haer profy t te soeckon". 
Allan Sallowes , een Engelschman , die lange jaren voor de Mosco- 
vische Compagnie op de IJszee gevaren had, maar volgens de 
Engelschen een ter kwader naam bekend staande persoon , die zyn 
vaderland om schulden verlaten had, ging als stuurman mede *). 

*) Edge (Datch, Spanish , Danish disturbance , in: Purchas, Pilgrimes. III p. 466) 
verhaalt uitdrukkelijk, dat de Nederlanders „werc brought thither (d. i. naar 
Spitsbergen) by an English man, and not out of any knowledge of their owne 
Discoucries , bat by the direction of one Allan Sallowes." Zoo ik desniet- 
tegenstaande eene andere voorstelling guef, dan is het omdat: 1**. het ait de 
Hist. da pays de Spitsberghe van 1614 blijkt, dat de Nederlanders toen nog in 
bizonderheden met de reis hnnner landgenooten naar Spitsbergen in 1596 be- 
kend waren en das eigenlijk geen gids daarheen noodig hadden. 2**. omdat 
Sallowes door het hardnekkig en gevaarlek volgen der Ëngelsche schepen van Beeren- 
eiland af toonde, dat h^ de bekwaamheid miste om dien weg te wjjzen. Ik ben 
daarom van het trouwens zeer partijdige geschrift van Edge afgeweken en meen, 
dat Sallowes door de Amsterdammers aangenomen was om hun de wijze der 
walvischvangst en de plaatsen daartoe geschikt te toonen. 

•) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207. 

*) Purchas (Pilgrimage. p. 816) spreekt ten onrechte van drie Nederlandsche 
schepen. De Nederlandsche berichten (Hist. de Spitsberghe. p. 10, 11) noemen er 
twee, waarvan een slechts tot Beeren-eiland kwam. 

*) Sallowes, die in vrijheid weder vertrok, verscheen ook in 1613 als staar • 
man van een schip van Bordeaux op Spitsbergeu. (Baffin , loarnall of the Voyage 



73 

Reeds aan het Beeren-eiland ontmoetten Van Muyden en de zijnen 
de twee Engelsche schepen. De bevelhebbers daarvan beraadslaag- 
den er dadelijk ernstig over Sallowes als een » interloper" — of 
zooals men toen zeide >lorrendrayer" — gevangen te nemen, 
maar besloten toch eindelijk hem te laten gaan. Het Engelsche 
schip volgende kwamen daarop de Amsterdammers, niettegen- 
staande het herhaalde verbod der Engclschen, 26 Mei met een 
Engelschen » interloper ," (het schip Diana, kapitein Thomas 
Bastion van Wapping- wall • ) ) op Spitsbergen aan. De beide 
schepen zwierven langs de kust heen en weer en deden pogingen 
om eene goede ligplaats buiten het gezicht van de schepen der 
compagnie te vinden , maar hunne onbekendheid met de walvisch- 
vangst was oorzaak , dat de buit schraal was en zjj bijna onver- 
richter zake huiswaarts moesten keeren *). Een ander Neder- 
landsch schip, door eene Zaandamsche reedcrij uitgerust, schijnt 
zich dit jaar alleen met de walrusjacht op Beeren-eiland te heb- 
ben beziggehouden *). 

Het volgende jaar bleven de Nederlanders niet achter. Willem 
Van Mnyden kwam weder met zgn schip op Spitsbergen ; de reeders 
hadden er nog het kleinere schip de Fortuyne, kapitein Jan Jacobsz. 
Boots van Medemblik *) , bijgevoegd. De Zaandamsche rcederij 
zond mede twee schepen op de walrusjacht uit , die ditmaal ook 
op Spitsbergen kwamen ^J ; een Enkhuizer schip , dat door eene 
tweede Amsterdamsche reederij was uitgerust, was weder door 



to GrecuUnd in 1613, bij: Purchas , Pilgrimca. p. 716. 17. — Vgl. Hist. du 
fmys de Spitsb. p. 20 — 25, waar Sallowes „Maistrc Sell>" gt-noeind wordt.) 

») Dit waren niet de eenige concurrenten der Moscovischc Compagnie. Nicholas 
Woodcocke had dit jaar een Spaansch schip uit St. Sebastiaan naar Spitsbergen 
geleid. Marmaduke van Huil kwam met zijn schip „The HojMi-well" ook weder aan 
het eiland , dat hij echter weldra verliet om eene ontdekkingsreis in het noorden 
te maken. 

*> De commies van Van Muyden, dr. koopman Ky^n, verloor op Priuce Charles* 
foreland het leven. (Poolc , Rclation of a Voyage to Grecnland in 1612, in: Pur- 
chas, Pilgrimes. III p. 7U — llist. du pays de Spitsberghc. p. 12.) Naar deze 
gebeurtenis werd het eiland, waar ze plaats had, door de Nederlanders dier dagen 
«l'Isle de Kyn" genoemd. 

•) Zie over deze eerste reis der Nederlanders : Rcquest der Amst. reeders aan 
de Stn.-Gen., by : Wassenaer, Hist. verh. Vlll. fol. 88. ~ Hist. de Spitsberghe. 
p. 10, 11. — Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207. — Poole, Relat ion of a Voyage 
to Grecnland iu 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718 — 15. — Edgc, 
Datch , Spanish, Danish disturbancc, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466. — 
Detectio freti, ed. 1613 F 3. 

*) De Histoire de Spitsberghc noemt den bevelhebber voortdurend „Mossel." 
Misschien wordt daarmede Tys Volckaertsz. Mossel bedoeld, die iu het volgende 
^■ar als schipper op de Nachtegael naar Nieuw-Nederland kwam; waarschijnlijk 
was hg hier stuorman. 

*) Zie over de verdere geschiedenis dezer reederij : hierna p. 74 Noot 2. 



74 

oenige Engel schcn , waartoe de kapitein Thomas Bonner zelf be* 
hoorde, daarheen geleid. Eindelijk was er nog een schip vaA 
Hoorn, dat voor cene Fransche reederij voer. Ditmaal was men 
ook beter ter walvischyangst toegerust: behielpen de Enkhoizers 
zich nog met Ëngelschon, de Amsterdammers hadden zich reeda 
evenals hunne voorgangers gedaan hadden , van twaalf Baskisclie 
harpoeniers voorzien , die , meer ervaren dan de Engelschcn , tevens 
minder de woede van den admiraal der Moscovische Compagnie 
zouden opwekken. De concurrentie werd dus voor deze vereeniging 
gevaarlijk; bovendien had de rijke vangst, in 1612 door een 
Biskaaisch schip op Spitsbergen verkregen, nu ook talr^ko schepem 
van die bekwame walvischvaarders daarheen gelokt. 

De Engelsche compagnie was van al deze toebereidselen in t{jdfl 
verwittigd en maakte zich gereed tot veel grooter uitrusting dan 
het vorige jaar. Voelde men zich misschien in 1612 niet sterk 
genoeg om tegen de mededingers geweld te gebruiken, dit jaar 
werden zeven schepen door de Moscovische Compagnie uitge- 
rust en steunende op een koninklijk patent onder het groote zegol 
van Engeland , werden de vreemde schepen alle aangevallen. 
Sommige werden verdreven, andere beroofd, enkele in dienst 
der Engelschen gehouden. De Nederlandei's ontvingen van dien 
aanval ruimschoots hun deel : slechts een der Zaandamsche schepen 
ontkwam zonder schade '). Zoo was do oorlog door de Mosco- 
vische Compagnie aan hare mededingers verklaard. Men had nn 
in Nederland slechts de keus tusschen het opgeven van den han- 
del en het nemen van krachtige maatregelen. Tot het laatste 
werd dadelijk besloten. 

De reeders zei ven zagen in , dat men eenig moest zijn om krachtig 
te kunnen optreden ; de beide Amsterdamsche compagniën voor de 
wal visch vangst vereenigden zich dadelijk tot éene compagnie *) en 
den 27 Januari 1614 werd in de vergadering der Staten-Generaal 
gelezen een request van Van Tweenhuysen, Nicquet, Mercys en 

*) VtTif. oviT de gebeurtenissen op Spitsbergen in 1618 (waarover later meer): 
Baffiu, Juiirnall of the Voyage to Groenland in 1618, b\j: Purchas. Pilgrimei. 
III p. 716 — 20. — Edge, Dutch, Spanish , Danish disturbance , in: Purchas, 
Pilgrimes III p. 466. — Hist. du pays de Spitsberghe. p. Il, 12, 20—26 — 
Request der Amst. reeders aan de Stn.-Gen. bij : Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88. 

*) De Zfiaudanische reederij jnng later ook in de Noordsche Compagnie op. 
Di: St aten-Generaal maakten bij het verleenen van het octrooi aan die vereeni- 
ging het uitdrukkelijke beding , ,ydat die twee Soepen van Serdam , die twee Jaren 
aldaer ^d. i. op do IJszee) hebben gevaren, jnde Compaignie souden werden aea- 
genomen , Oft dat de Coropaiguie dcse Soepen souden eoopen , eude die eygeniers 
recompenseren voor hare gedane oosten tot redelycke pryse, ten leggen tui 
Inyden hen des verstaendc, Ofle anders ten seggen van hare Ho. Mo.*' (R. S.-G. 
27 Mrt. 1614.) Waarschijnlijk had de weinige deelneming der SSaandammera aan 
de inschrijvingen ten gevolge, dat de laatste weg ingeslagen werd. 



75 

zes andere kooplieden » met haere Compaignons , als nu te samen 
vereenicht in eene Compagnie." *) De requestranten verzochten 
daarbg van de Staten-Generaal » Consent ende Octroy omme voor 
den tydt van thien eerstkomende Jaeren alleene te mogen handelen 
van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen 
Spitsbergen , Beeren-eylant , Groenlandt ende de andere Eylanden 
die onder de voorszoide limiten souden mogen gevonden worden.** 
Zy steunden hun verzoek op het feit, »dat sy Supplianten de alder- 
aerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de Noort aen- 
gevangen hadden te varen ofte te seylen , met toemstinge van eene 
qnantiteyt Schepen , alwaer noyt Christen Menschen ontrent had- 
den gheweest." Zjj meenden dus volgens de begrippen dier tijden 
recht te hebben om als de eersten, die den handel hadden gedre- 
ven, alle andere Nederlanders daarvan uit te 'sluiten. Toch 
waren zij er niet eer toe gekomen om de bekrachtiging van dit 
recht door de Staten-Generaal te vragen, voordat zij door eene 
harde noodzakelijkheid daartoe gedrongen waren: >Ende alsoo zij 
supplianten bij experientte benouden hebben ," dus gaat het request 
voort, »dat de Engelschen hun soucken te beletten de voorszeide 
vaerte , poogende hun seluen mette Waepenen Eijgenaers te maecken 
vande voorszeide Landen , twelck zij supplianten uwe Ho: Mo: Ed: 
int lange hebben verthoont *), waervan de questie alsnoch is 
ongedecideert , sien zij geene apparentie omme alleene ofte int 
particulier opte voorszeide landen te connen vaeren, door het gewelt 
vande voorszeide Engelschen , waerdoor de couragie lichtelick beno- 
men sonde werden vanden Coopluyden in 't particulier te onder- 
soecken eenige nieuwe Landen.** Alleen de zucht der Engelschen 
om monopolie te verkrijgen had hen genoodzaakt, zei ven tot een 
dergelijk middel om den handel te vestigen de toevlucht tenemen *) ; 



') De medcdeeling van Zorgdrager (Oroenl. vissch. p. 207) over pogingen om reed» 
▼oor en in 1611 octrooi voor de wal visch vangst van de Staten-Generaal te krijgen 
aeh^nt ontleend aan: Le Long. Kooph. van Amst. II p. 159 — 61 , die echter 
niet d\t zegt, maar alleen dat in 1611 de eerste Nederlandsche uitrusting ter 
walviscbvangst plaats had. (Vermoedelijk ontleend aan een Engelsche bron , die 161 1 
Toor 1612 schrijft.) De verandering, door Zorgdrager in het verhaal gemaakt, wordt 
door de R.S.-6. weersproken, die voor 1614 van verzoeken om octrooi zwijgen. 

* ) Zinspeling op het request der Amsterdamsche reeders ter walvischvangst * 
a^^ednikt bij: Wassenaer. Hist. verh. VIII fol. 88. 

*) De hierboven aangehaalde zinsnede uit het request bevestigt alleszins het ge- 
voelen van Van Rees (Gesch. der staathuishoudk. in Ned. p. 175 , 76), dat alleen 
de vrees, dat de Nederlandsche walvischvangst zich zonder octrooi niet tegen de 
Engelschen zou kunnen staande houden, den afkeer der Staten-Generaal voor mo- 
Aopoliën ditmaal overwonnen heeft. Joachimi verhaalde ook aan de Staten van 
Zeeland , dat het octrooi verleend werd ^ter oorsaecke van" de gewelddadig- 
heden dfer Engelschen en de aanmatiging van uitsluitende rechten door hnnncn 
koning. (Not. Zeeland. 19 Mrt. 1614.) Zie ook het gevoelen van De la Court 



76 

immers »het soude buyten reden wesen, dat 't geene sy Sup- 
plianten op hare grooto excessive kosten gevonden hadden, 
ende 't geene sy als noch verhoopten te vinden, by andere de 
profijten endü vruchten daer van gctrocken souden werden, 
't welck sy Supplianten vastelick vertrouwden haere Ho: Mo: moy- 
nin<^c oock niet te zijn." Toch verklaarden de requestranten zich 
> tevreden, dat alle Persoonen onder haer Ho: Mo: gebiedt inde 
voorszelde Compagnie vande eerste acnstaende JSquipagie binnen 
een Maent souden aengenomen werden , ende voor de naevolgende 
Jaren binnen drie eerst^komende Maendeu, door dien sy Supplianten 
binnen den tijdt van ses Weecken in Zee souden moeten wesen met 
haere Schepen." Geen monopolie, alleen samenwerking was het 
«lus, wat de oprichters der compagnie beoogden "j. 

De beslissing der State n-Generaal kon niet twijfelachtig zgn. 
Daar reeds eenmaal na lange beraadslaging door het verleencn 
van octrooi tuin de Oost-Indische Compagnie *) van hot oud- 
Nederlandsche systeem van vrijen handel was afgeweken, kon 
nu ook aan de in geheel dezelfde omstandigheden verkeerende 
Nederland sche reeders op de IJszee een gelijke gunst niet ge- 
weigerd worden : ook daar dreigde te groote concurrentie by aan- 

bij : Van Ilees 1 c. p. 179 Noot I. — l)c N. C. zelve verhaalde iii 1624 de ge- 
srhiedeiiis van hel vcrlecneii vau het octrooi aldus; „In h(st jaer 1614 den ijver 
cude •feiie'TiMithtajt tolt e iicringe van Wulvischvanjfht , bij velen ingcuetonen de- 
ser landen noch meer nis oijt te vooreu ontsteken «ijnde. uijt de Rapporten eade 
advertcntieu dijemen vercreeg, vande gene dije het jacr te voeren ter selverne- 
rinpe wigcweest «aeren, ende dalinen verstoadt wat effecten de Ëugelschen 
daer van Maren genietende, soo hebben verscheijdeu persoonen geraden geuonden de 
neringe te hervatten e n d er o ni m e haer te meer te v e r s c e c k e r e n j e- 
gens alle hostiliteijten soo van de Engelschen als anderea na- 
tiën." (zinspeling op de Denen, die echter onjuist is. daar dezen zich eerst m 
IfilS op Spitsbergen vertoonden) „dije haer daerjnue souden willen troublcrcn , 
van l'we Ho: Mo: te versouckeu een generael Octroij , onder beneficie vantwelcke, 
wkcre ('oni{Kigni('n in dese lauden mochten werden gedresscert , dijc met meerder 
orde ende eenieheijt als wel te voorcn de voorszeide neringe aenvangen mochten ; 
ende nac dat tselve Octroij by Uwc IIo: Mo: was vergunt ende daaronder alles 
in redelijcke goede ordre gebracht, ... soo js daermede met meerder versoccker- 
heijt de Xerinije . . . aen Spitsbergen gecontinneert." (Corlc Dednctie ende Re- 
monstrantie der \. C , in: Noordsehe toglen. 4 Loop. N. ('. R.-A.) 

*) Een afschrifl van dit request is door mij gevonden op het R.-A. in de ver- 
zameling getiteld: Xoordsche togten. 1596—16*4. (k I^op. N. C. 1616 — 1634.) 
liet is mij daaruit gebleken, dat de griffier Aerssen , die in dit afschrift eigen- 
handig hier en daar veranderingen en aanvullingen maakte en het verleende 
octnKji achteraan stelde, het geheele request nagenoeg onveranderd als conside- 
rans in het octrcK>i opgenomen heeft. Alleen de door mij hierlniven afgedrukte 
zinsneden over de Engelschen zijn om redenen van staat eenvoudig geschrapt, 
waardoor de gedachtengang in het octrooi trouwens onverstaanbaar wordt. 

*) Zie over de motieven . die tot de oprichting der Oost-Indische Compagnie 
leidden : Van Rees, Staathuishoudk. in Nederland. II p. 9 — 22. 



77 

yallen van bnitenlandsche v^'anden den ontluikenden handel eer- 
lang den doodsteek te zullen geven. Dadelgk besloten dan ook 
de Staten-Generaal het verzoek der Amsterdammers toe te staan 
en den supplianten voor het loopende en de twee volgende jaren 
het octrooi te verleenen. Als waarborg tegen een monopolie stelde 
de Staten echter uitdrukkelijk de voorwaarde , >dat die geene 
die dit Jaer inde Compagnie sullen begeren te komen 't selve 
sullen moeton doen, ende baer daer op verklaren binnen ses 
Weecken naer affixie van Billieten , ende binnen vier Maenden die 
geene die daer inne sullen begeeren ontfangen te werden voor de 
voorszeide twee naevolgende Jaren. Welverstaende dat die geene 
die respective inde Compagnie sullen komen niet alleen en sullen 
profijteren van haer Geit naer advenant dat sy gheadventueert 
sullen hebben, maer oock van alsulcke voordere voordeelen alsser 
sullen mogen geraecken te vallen binnen den voorszeiden tijt , soo wel 
het bewint vande voorszeide Compagnie ende Ëquipagie aengaende , 
als anders."' Op deze voorwaarde » intcrdiceerden eude verboden de 
Staten alle ende een yegelijck vande Inghesetenen van dese Landen , 
van wat conditie ofte qualiteyt die zijn, anders als die vande 
voorszeide Compagnie Supplianten , binnen dit loopende ende twee 
daer na volgende Jaeren, uyt dese Vereenichde Nederlanden te 
handelen ende visschen op de Kusten ende Landen van Nova 
Sembla, tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen Spitsber- 
gen , Beren-Eylant , Groenlant , ende die andere Landen die onder 
de voorszeide Landen gevonden souden mogen werden , op de ver- 
beurte van hare Schepen "ende Goederen." Zij » ontboden daer omme 
ende bevalen wel expresselick allen Gouverneurs , Justicieren, 
Officieren , Magistraten ende Inwoonders der voorszeide Vereenichde 
Landen , dat sy de voorszeide Compagnie Supplianten rustelijck ende 
vredelijck souden laten genieten ende gebruycken 't volkomen 
effect van desen Octroye ende consent , cesserende alle contradictien 
ende empeschementen ter contrarien , want Haere Ho : Mo : 't selve 
ten dienste vanden Lande bevonden hadden alsoo te behooren" *). 
Zoo was de vereeniging gegrondvest, die onder den naam van 
de »Noordsche compagnie" ') bijna dertig jaren lang zoo goed als 



«) R. S.-G. 26, 27 Jan. 1614. — Gr. Placiet-boeck, I p. 669—72. — Het 
octrooi is ook afgedrokt bij : Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 208,9, en bij: Waa- 
ienaer, Hist. verh. VIII fol. 95,6. 

*) Zie over de verschillende namen der compagnie : Muller, Mare Clausum. 
p. 128 Noot 1. — Degewone naam was : Noordsche Compagnie. Het is zonderling, 
dat tegen het einde van het octrooi (1642) deze naam meer en meer plaats 
maakt voor dien van Groenlandsche Compagnie , terwijl het toch juist toen meer en 
meer zeker begon te worden , zoo het niet reeds uitgemaakt was, dat Spitsbergen 
evenmin als Jan Ma^en-eiland iets met Groenland te maken had. In de eerste 
jaren van haar bestaan werd de N. C. veelal als «Compaignie ^vau Spitsbergen" 



70 

het door haar aan de Engelschen bekend geworden eiland als haar 
uitsluitend eigendom aanmerkte en er dan ook reeds in 1608 een 
sloep achterliet, ging wel in 1609 tot de plechtige inbezitneming 
over, maar het baatte niet , de concurrentie nam toe en* het voor- 
deel verminderde sterk. In deze omstandigheden sloeg de Mos- 
covische Compagnie het oog op Spitsbergen, dat door Hudsons 
bezoek in 1607 nader bekend geworden was. Jonas Poole werd 
in 1610 door de vereeniging naar de tot nog toe sleehts tweemaal 
bezochte kusten van dit eiland gezonden; hjj verkende de baaien >) 
en ving eenige walrussen. En daar Thomas Edge, die met een 
ander schip der compagnie weder naar Beeren-eiland vertrokken 
was , dit jaar geheel zonder lading terugkwam , nam men da- 
deiyk het besluit de oude nederzetting te verlaten ') en de uit- 
rustingen voortaan naar Spitsbergen, of zooals men toen zeide, naar 
Greenland ') , te richten. 

Met dit besluit ging echter dadelyk eene geheele verandering 
van het doel der reizen gepaard. Reeds Hudson had de aandacht 
gevestigd op den aan traan en andere kostbare handelsartikelen 
zoo rijken walvisch; Poole had het bevestigd, dat de zee om 
Spitsbergen van die dieren wemelde ♦). Dadelijk in 1611 vinden 
wy dan ook op de twee schepen , die onder Bennet en Poole naar 
Spitsbergen vertrokken , zes harpoeniers uit St. Jean de Luz ; de 
sinds eeuwen met de walvischvangst goed bekende Basken moes- 

') Bij deze gelegenheid gaf Poole aan verschillende plaatsen namen, die ze 
langen tijd (enkele zelfs tot nu toe) behouden hebben. Zoo vinden wij genoemd : 
Hornesouud, Muscovy Companies Monnt , Ice-point, Bell-point , Lownesse-island , 
Lowe-sound , Blackpoint-isle , Cape Cold , Ice-sound , Fair foreland , Knotty-point , 
Fowl-sound , Deer-sonnd , Closs-cove , Gurnerds-nose , Cross-road , Fairhaven en 
Oreenhaven of Greenharbonr. 

*) Wel werd «Cherie-island" nog verscheidene malen bezocht, o. a. reeds in 
1611 door Poole, die daar 200 wabussen doodde en de bemauning der bij 
Spitsbergen gestrande Mary Margaret vond (cf. Poole , Briefe Declaration of my 
Vo>age to Greeneland. 1611, in: Purchas , Pilgrimes. II i p. 711) en door 
Gordon met „The Amitie" (cf Hamel , Tradescant der Aeltere. p. 806) , maar de 
geregelde jaarlijksche tochten v»n de schepen der Moscovische Compagnie tot 
de walrusjacht hielden sinds 1610 op. 

' ) De Engelsche schrijvers van dien t^d noemen nagenoegzondernitzon- 
der ing Spitsbergen ,, Greenland", een naam, gegeven in den tijd , dat men het 
eiland voor een gedeelte der Groenlandsche kust hield. Groenland zelf noemden 
zij daarom nu ter onderscheiding Groneland , Groynland , Groenland of met eene 
andere dergel^ke verbastering. 

^) In deze eerste jaren waren de Engelschen gewoon, behalve op walmsaen 
en robben ook op zoogenaamde witvisschen (witte walviischcn) jacht te maken. 
Men ving ze met groote netten van kabeltouw sis zegens. Z^ namen weldra 
de wgk naar diepere wateren. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 196, 206.) De Ne- 
derlanders hadden reeds in 1613 ontdekt, dat die vangst geen voordeel gaf, en 
hielden zich er nooit mede bezig. (Hist. de Spitsberghe. p. 19.) 



71 

ten de Engelschen in de gelegenheid stellen dit handwerk zelven 
te leeren. Dit eerste jaar was de reis zeer ongelukkig. De beide 
schepen strandden en de bemanning mocht zich gelukkig rekenen , 
dat schipper Thomas Marmaduke van Huil, die de Engelschen 
ook daarheen gevolgd was, zich bereid verklaarde haar naar het 
vaderland terug te voeren >). De compagnie hield echter vol: in 
1612 verschenen weder twpe schepen, het eene onder Poole on 
Bennet, het tweede onder Russell en Edge op Spitsbergen. Dit- 
maal was men gelukkiger : niettegenstaande hunne onbedrevenheid 
doodden de Engelschen zeventien walvisschen en eenige walrussen , 
die te zamen 180 tonnen traan leverden *). Maar tegel^k ver- 
toonden zich ook op het nieuwe jachtveld concurrenten , die de 
hoopvolle vooruitzichten der compagnie zouden vernietigen. 

Reeds in 1611 was de verschoning van het Hullsche schip eene 
ernstige zaak geweest. Niettegenstaande de Moscovische Compagnie 
hare schepen voorzien had van een bevelschrift van den Gehei- 
men Baad, dat de vereeniging machtigde om haar octrooi te 
handhaven tegen alle Engelschen, die zich in het noorden vertoo- 
nen zouden, en om zich met alle kracht tegen aanvallen van 
vreemden te verdedigen, had schipper Marmaduke zich niet ont- 
zien Spitsbergen te bezoeken en had Nicholas Woodcocke, een van 
Bennets matrozen, hem zelfs den weg naar de beste baaien ge- 
wezen. Zulk eene niets ontziende stoutmoedigheid van hare con- 
currenten, zulk eene trouweloosheid van de zgde harer onderhoo- 
rigen beloofde voor de compagnie niets goeds. En werkelijk, in 
1612 verschenen nog geduchter mededingers. De Nederlanders, 
het jeugdige volk, dat overal naar middelen zocht om te vol- 
doen aan den lust tot daden, die het bezielde, waren ook nu 
weder onder de eersten, die met de Engelschen kwamen con- 
curreeren. >They kept their wout in following of the English 
steps ,'* zegt Edge met kwalijk verborgen wrevel: evenals in 1578 
naar de Witte Zee volgde zg nu weder in de baan door de Engel- 
schen geopend. Hadden zg echter toen in hunnen landgenoot 
Brunei eenen gids gehad , die hun niet alleen den weg , maar ook 
de beste plaatsen voor hunnen handel aanwees, nu ontbrak hun 



*) De Terhalen over de hAnde]w|jze der bemanning Tan het schip van Hollb^ 
deze gelegenheid zijn zeer verschillend. Terw^l Jonas Poole met groote heftigheid 
zgne oude concurrenten van eene schandelijke handelwijze beschuldigt, neemt 
de onpartijdige Purchas mede een verhaal van Pooles broeder Randolph op , waarin 
die van Huil zeer geprezen worden. (Pnrchas, Pilgrimes. III p. 712,13.) Het 
is onmogel^k hier te beslissen: in ieder geval is dit echter eene merkwaardige 
bedrage ter beoordeeling van de groote animositeit tusschen monopolisten en 
«interlopers" in dien t\jd. 

*) Zie ket verhaal van de drie eerste reizen der Engelschen naar Spitsbergen 
door Poole zelven bg: Porchas. Pilgrimes. UI p. 699^707 . 711— 13. 7U--15. 



72 

zulk een leidsman geheel. De weg naar Spitsbergen was den 
Nederlanders door de reis der ontdekkers genoegzaam bekend; 
de plaatsen voor de walvischvangst geschikt, de wgze waarop 
die nieuwe winstgevende nering werd geoefend , moesten zg door 
eigene krachtsinspanning leeren kennen. Het moet tot hunne 
schande gezegd worden , dat zy een gemakkelijker maar ook min- 
der eervol middel aangrepen om dit doel te bereiken: door om- 
kooping haalden zij eenen Engelschman over tot verraad aan zgn 
land en zijne hoeren *). 

Reeds in 1611 waren — mag men het eenigszins verwarde 
verhaal van Zorgdrager *) gelooven — op verschillende plaattieii 
des lands , met name te Amsterdam , Schiedam , Hoorn , Enkhui- 
zen en Middelburg , inschrijvingen gedaan om de zoo winstgevende 
nieuwe nering der walvischvangst ook in Nederland te vestigen. 
De zaak had echter toen op zulk eene uitgebreide schaal nog geen 
voortgang; voorloopig vereen igden zich alleen Lambert Van 
Tweenhuysen , Jacques Nicquet , Jacques Mercys en eenige andere 
Amsterdamsche kooplieden, wier namen hunne Zuid-Nederland- 
sche afkomst verrieden , tot eene compagnie , die ten doel had de 
walvischvangst in de IJszec te beginnen. De vereeniging rustte 
dadelijk in 1612 een schip van 140 last uit •), bemande 
het met 36 koppen en zond het onder bevel van Willem Van 
Muyden naar Spitsbergen met patent van graaf Maurits >om 
aldaer Walrussen te bekomen , ofte anders haer profijt te soecken**. 
AUan Sallowes . een Engelschman , die lange jaren voor de Mosco- 
vische Compagnie op de IJszee gevaren had, maar volgens de 
Engelschen een ter kwader naam bekend staande persoon , die zijn 
vaderland om schulden verlaten had , ging als stuurman mede * ). 

*) Edge (Datch. Spanish, Danish disturbance , in: Purchai, Pilgriines. III p. 466) 
verhaalt uitdrukkelijk, dat de Nederlanders „were brought tbither (d. i. naar 
Spitsbergen) by an Englisb man, and not out of any knowlcdge of their owne 
Discoucries , but by the direction of onc Allan Sallowes." Zoo ik desniet- 
tegenstaande eene andere voorstelling geef, dan is het omdat : 1^. het uit de 
Hist. dn pays de Spitsberghe van 1614 blijkt, dat de Nederlanders toen nog in 
bizonderheden met de reis hunner landgenooten naar Spitsbergen in 1596 be- 
kend waren en dus eigenlijk geen gids daarheen noodig hadden. 2*^. omdat 
Sallowes door het hardnekkig en gevaarlijk volgen der Engelsche schepen van Bceren- 
eiland af toonde, dat h\j de bekwaamheid miste om dien weg te wjjzcn. Ik ben 
daarom van het trouwens zeer partgdige gesehrift van Edge afgeweken en meen, 
dat Sallowes door de Amsterdammers aangenomen was om hun de w^'ze der 
walvischvangst on de plaatsen daartoe geschikt te toonen. 

■) Zorgdrager. Groenl. vissch. p. 207. 

*) Purchas (Pilgrimage. p. 816) spreekt ton onrechte van drie Nederlandachr 
schepen. De Nederlandsche berichten (Hist. de Spitsberghe. p. 10, 11) noemen er 
twee, waarvan een slechts tot Beeren-eiland kwam. 

^) SaUowes, die in vrijheid weder vertrok, verscheen ook in 1618 als stuur- 
man van een schip van Bordeaux op Spitsbergen. (Baffin , loumall of the Voyige 



73 

Reeds aan het Beeren-eiland ontmoetten Van Muyden en de zijnen 
de twee Ëngelsche schepen. De bevelhebbers daarvan beraadslaag- 
den er dadelijk ernstig over Sallowes als een » interloper" — of 
zooals men toen zeide »lorrendrayer" — gevangen te nemen, 
maar besloten toch eindelijk hem te laten gaan. Het Ëngelsche 
schip volgende kwamen daarop de Amsterdammers, niettegen- 
staande het herhaalde verbod dor Engelschen, 26 Mei met een 
Engelschen » interloper ," (het schip Diana, kapitein Thomas 
Bustion van Wapping-wall *)) op Spitsbergen aan. De beide 
schepen zwierven langs do kust heen en weer en deden pogingen 
om eene goede ligplaats buiten het gezicht van de schepen der 
compagnie te vinden , maar hunne onbekendheid met de walvisch- 
vangst was oorzaak , dat de buit schraal was en zij bijna onver- 
richter zake huiswaarts moesten keeren *). Een ander Neder- 
landsch schip, door eene Zaandamsche reederij uitgerust, schijnt 
zich dit jaar alleen met de walrusjacht op Beeren-eiland te heb- 
ben beziggehouden >). 

Het volgende jaar bleven de Nederlanders niet achter. Willem 
Van Muyden kwam weder met zijn schip op Spitsbergen ; de reeders 
hadden er nog het kleinere schip de Fortuyne, kapitein Jan Jacobsz. 
Boots van Medemblik *) , bijgevoegd. De Zaandamsche rcederij 
zond mede twee schepen op de walrusjacht uit , die ditmaal ook 
op Spitsbergen kwamen •^; een Enkhnizer schip, dat door eene 
tweede Amsterdamsche reederij was uitgerust, was weder door 



to Greealand in 1613, bij: Purchas , Filgrimes. p. 716. 17. — Vgl. Hist. du 
pays de Spitsb. p. 20 — 25, waar Sallowes ^.Maistrc Sell>" grnoeind wordt.) 

*) Dit waren niet de eenige coocurrenten der Moscovischc Compagnie. Nicholas 
Woodcocke bad dit jaar een Spaansch schip uit St. Sebastiaan naar Spitsbergen 
geleid. Marmaduke van Huil kwam met zijn schip „The Hope-well" ook weder aan 
het eiland , dat hij echter weldra verliet om eene ontdekkingsreis in bet noorden 
te maken. 

*) De commies van Van Muyden, de koopman Ky/en, verloor op Prince Charles' 
foreland het leven. (Poole , Relation of a Voyage to Greenland in 1612, in : Pur- 
chms, Pilgrimes. III p. 714 — Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.) Naar deze 
gebeortenis werd het eiland, waar ze plaats had, door de Nederlanders dier dagen 
«PIsIe de Kyn" genoemd. 

•) Zie over deze eerste reis der Nederlanders : Request der Amst. reeders aan 
de Stn.-Gen., by : Wassenaer, Hist. verh. Vlll. fol. 88. — Hist. de Spitsberghe. 
p. 10, 11. — Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207. — Poole, Relation of a Voyage 
to Greenknd in 1612, bij: Purchas. Pilgrimes. III p. 718 — 15. - Edge, 
Dntch, Spanish, Danish disturbance. bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466. — 
Detectio freti, ed. 1613 F 3. 

*) De Histoire de Spitsberghe noemt den bevelhebber voortdurend „Mossel." 
Misschien wordt daarmede Tys Volckaertsz. Mossel bedoeld, die in het volgende 
als schipper op de Nachtegael naar Nieuw-Nederland kwam; waarschijnlijk 
hij hier stuorman. 

*) Zie over de verdere geschiedenis dezer reederij : hierna p. 74 Noot 2. 



74 

eonigc Engel schen, waartoe de kapitein Thomas Bonner zelf be- 
hoorde, daarheen geleid. Eindelijk was er nog een schip vaa 
Hoorn, dat voor ocno Fransche reederij voer. Ditmaal was mea 
ook beter ter wal visch vangst toegerust: behielpen de Enkhoizera 
zich nog niet Engelschen, de Amsterdammers hadden zich roeda 
(evenals hunne voorgangers gedaan hadden , van twaalf Baskisclie 
harpoeniers voorzien, die, meer ervaren dan de Engelschen, tevens 
minder de woede van den admiraal der Moscovische Compagnie 
zouden opwekken. De concurrentie werd dus voor deze vereeniging 
gevaarlijk; bovendien had de ryke vangst, in 1612 door een 
Biskaaisch schip op Spitsbergen verkregen, nu ook talryko schepen 
van die bekwame wal visch vaarders daarheen gelokt. 

De Eugelsche compagnie was van al deze toebereidselen in t^jde 
verwittigd en maakte zich gereed tot veel grooter uitrusting dan 
het vorige jaar. Voelde men zich misschien in 1612 niet sterk 
genoi'g om tegen de mededingers geweld te gebruiken, dit jaar 
werden zeven schepen door de Moscovische Compagnie uitge- 
rust en steunende op een koninklijk patent onder het groote zegel 
van Engeland , werden de vreemde schepen alle aangevallen. 
Sommige werden verdreven, andere beroofd, enkele in dienst 
der Engelschen gehouden. De Nederlandei's ontvingen van dien 
aanval ruimschoots hun deel : slechts een der Zaandamsche schepen 
ontkwam zonder schade '). Zoo was de oorlog door de Mosco- 
vische Compagnie aan hare mededingers verklaard. Men had nn 
in Nederland slechts de keus tusschen het opgeven van den han- 
del en het nemen van krachtige maatregelen. Tot het laatste 
werd dadelijk besloten. 

De reeders zelven zagen in , dat men eenig moest zyn om krachtig 
te kunnen optreden ; de beide Amsterdamsche compagniën voor de 
walvischvangst vereenigden zich dadelijk tot éene compagnie *) en 
den 27 Januari 1614 werd in de vergadering der Staten-Generaal 
gelezen een request van Van Tweenhuysen, Nicquet, Mercys en 

*) Vcrji. ovHF de gebeurtenissen op Spitsbergen in 1618 (waarover later meer): 
Baffiu. lournall of the Voyage io Grcenland in 1618, b\j: Purchas, Pilgrimes. 
UI p. 716—20. — Edge , Dutch. Spanish , Danish disturbancc , in: Porchai, 
Pilgrimes III p. 466. — Hist. du pays de Spitsberghe. p. U, 12, 20 — 26 — 
Request der Amst. reeders aan de Sin. -Gen. bij : Wassenaer, Hitt. verh. VIII fol. 88. 

*) De Zaandamsche reederij ^ng later ook in de Noordsche Compagnie op. 
De Staten-Generaal maakten bij het verleenen van het octrooi aan die vereeni- 
ging het uitdrukkelijke beding , «dat die twee Scepen van Serdam , die twee Jaren 
aldacr (d. i. op de IJszee) hebben gevaren, jnde Compaignie souden werden aen- 
genomen . Oft dat de Compaignie dese Scepen souden coopen , cnde die eygeüMrt 
recompennercn voor hare gedane costen tot redelycke pr}'se, ten seggen vaa 
luyden hen des verstaende , Ofte anders ten seggen van hare Ho. Mo." (R. S.-6. 
27 Mrt. 1614.) Waarschijnlijk had de weinige deelneming der Zaandammers «an 
de inschrijvingen ten gevolge, dat de laatste weg ingeslagen werd. 



75 

zes andere kooplieden » met haere Compaignons , als nu te samen 
vcreenicht in eene Compagnie." *) De requestranten verzochten 
daarbg van de Staten- Generaal » Consent ende Octroy omme voor 
den tydt van thien eerstkomende Jaeren alleene te mogen handelen 
van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen 
Spitsbergen , Beeren-eylant , Groenlandt ende de andere Eylanden 
die onder de voorszeide limiten souden mogen gevonden worden." 
Zy steunden hun verzoek op het feit, >dat sy Supplianten de alder- 
aerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de Noort aen- 
gevangen hadden te varen ofte te seylen , met toemstinge van eene 
qnantiteyt Schepen , alwaer noyt Christen Menschen ontrent had- 
den gheweest." Zjj meenden dus volgens de begrippen dier tyden 
recht te hebben om als de eersten , die den handel hadden gedre- 
ven, alle andere Nederlanders daarvan uit te * sluiten. Toch 
waren zg er niet eer toe gekomen om de bekraehtigiug van dit 
recht door de Staten-Generaal te vragen, voordat zij door eene 
harde noodzakelijkheid daartoe gedrongen waren: >Ende alsoo zij 
supplianten bij experientte beuonden hebben ," dus gaat het request 
voort, »dat de Engelschen hun soucken te beletten de voorszeide 
vaerte , poogende hun seluen mette Waepenen Eijgenaers te maecken 
vande voorszeide Landen, twelck zij supplianten uwe Ho: Mo: Ed: 
int lange hebben verthoont '), waervan de questie alsnoch is 
ongedecideert , sien zij geene apparentie omme alleene ofte int 
particulier opte voorszeide landen te connen vaeren , door het gewelt 
vande voorszeide Engelschen , waerdoor de couragie lichtelick beno- 
men sonde werden vanden Coopluyden in 't particulier te onder- 
soecken eenige nieuwe Landen." Alleen de zucht der Engelschen 
om monopolie te verkrijgen had hen genoodzaakt, zei ven tot een 
dergelijk middel om den handel te vestigen de toevlucht tenemen *) ; 



') De mededeeling van Zorgdrager (Hroenl. vissch. p. 207) over pogingen om reeds 
TÓor en in 1611 octrooi voor de wal visch vangst van de Stateu-Generaal te krijgen 
aeh^nt ontleend aan: Le Long. Kooph. van Amst. II p. 159 — 61 , die echter 
niet d\t zegt, maar alleen dat in 1611 de eerste Nederlandsche uitrusting ter 
walvischvangst plaats had. (Vermoedelijk ontleend aan een Engelsche hron . die 1611 
voor 1612 schrift.) De verandering, door Zorgdrager in het verhaal gemaakt, wordt 
door de R.S.-6. weersproken, die vuor 1614 van verzoeken om octrooi zwijgen. 

* ) Zinspeling op het request der Amsterdamsche reeders ter walvischvangst • 
afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88. 

*) De hierboven aangehaalde zinsnede uit het request bevestigt alleszins het ge- 
voelen van Van Rees (Gesch. der staathuishoudk. in Ned. p. 175 , 76), dat alleen 
de vrees, dat de Nederlandsche walvischvangst zich zonder octrooi niet tegen de 
Engelschen zou kunnen staande houden, den afkeer der Staten-Generaal voor mo- 
nopoliën ditmaal overwonnen heeft. Joachimi verhaalde ook aan de Staten van 
Zeeland , dat het octrooi verleend werd nter oorsaecke van" de gewelddadig- 
heden dér Engelschen en de aanmatiging van uitsluitende rechten door hnnnen 
koning. (Not. Zeeland. 19 Mrt. 1614.) Zie ook het gevoelen van De la Court 



84 

wal visch vangst »iii eene gemeene rekeninge*' te brengen ■), maar 
het plan stuitte waarschijnl^k af op don onwil van Amsterdam , 
dat begreep , zoodoende het overwicht , dat het in de compagnie 
bezat, te zullen verliezen. In 1623 was er op nieuw sprake van, 
dat eene generale compagnie » onder een gemeene borsse*' zou 
opgericht worden '), maar ook ditmaal schijnt er niets van ge- 
komen te zijn. Enkele kamers onderling poogden toen de nadee- 
len y aan de regeling verbonden , door afzonderlijke overeenkomsten 
uit den weg te ruimen. Zoo sloten Hoorn en Ënkhnizen, de 
»camers van het Noorderquartier", 11 Maart 1632 een contract, 
waarbij zij o. a. besloten de uitrustingen voortaan gezamenlgk te 
bekostigen '), en ook tusschen Delft en Rotterdam, de » camera 
van de Maze'\ schijnt eene nauwe vereeniging bestaan te hebben *). 
Aan het bezwaar , dat de groote risico aanbood , kwam men mede 
zooveel mogelijk te gemoet. Reeds in 1617 bij de vereeniging 
met de Zeeuwen kwam men overeen de schade, door vreemde 
natiUn aan de schepen der Noordsche Compagnie toegebracht, ge- 
zamenlijk naar evcuredigl^id van ieders uitrusting te dragen *) , 
en bij het bovenvermelde contract van die van het Noorderkwar- 
tier werd bepaald, dat ook de schade door zeerampen aan de 
sche|)en van een der partijen veroorzaakt, door elk der kamers 
voor de helft zou bekostigd worden •). 

Maar dergelijke maatregelen alleen zouden niet voldoende ge- 
weest zijn. Het was te voorzien, dat tusschen zulke zelfstandige 
licham<'n, die toch door een gemeenschappelyken band vereenigd 
waren, gedurig twist zou ontstaan en de uitkomst bewees het 
gegronde dier vrees. De Noordsche Compagnie was dan ook vol- 
strekt niet , wat de Engelschen eene » regulated company" noemen, 
eene instelling hier te lande trouwens vreemd. Integendeel , reeds 
de oprichters hadden gezorgd voor een krachtig centraal gezag. 



*) MiM. V. de Zeeawsche gedepat. aan de Sin. ▼. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, 
in : Archief Zeeland. 

») R. S.-G. 14 Apr. 1623. 

*) Sent. V. de H. R in zake de N C. Hoorn e. Enkh dd. 4 Apr. 1687. 

^) Voornamelijk tusschen de Rotterdainsche kamer en de kleine N. C. Vin 
de vele kleine aanw^zingen noem ik alleen deze : Pieter Ewoutsz. Van der Horst 
was tegelijkertyd bewindhebber der kleine N. C. te Delft (R. S.-G. 8 Dec. 
1620) en van de kamer der N. C te Rotterdam. (Contr. der N. C. met de 
Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. lioop. \. C. R.-A. — Req. der N. C. 
dd 1 Sept. 1621 , in : Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Ma^en-ciland. R.-A. — 
cf ook: R. S.-G. 21 Apr. 1618, 19 Nov. 1620.) 

•) R S.-G 9 Nov. 1617. — Req. der Vliss. reeders dd. 26 Sept. 1617. en: 
Contr. der N. C. met de Zeenwen dd. 19 Mrt. 1617, in : Noordsche togten. 4 Loop. 
N. C. R.-A. — Sent. t. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Amit* 
dd. 31 Mrt. 1636. 

*; Sent. v. de il. R. in lake do N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. 



85 

dat berusten zou by de algomeene vergadering. De inrichting 
dier vergadering was hoogst eenvoudig en op de leest der toen- 
malige regeeringscolleges geschoeid. Op de beschrijving der presi- 
deerende kamer ') kwamen de bewindhebbers der verschillende 
kamers of eenigen van hen daartoe afgevaardigd *), gewoonlijk 
driemaal *sjaars te zamen: in het begin van Maart en van Juli 
en op het einde van October '). Het praesidium ging bij beur- 
ten rond *), zoo dat gedurende drie jaren eene der HoUandsche 
kamers, het vierdejaar eene Zeeuwsche als voorzittende optrad •). 
De plaats der vergadering wisselde op dezelfde wijze af •). Men 
stemde natuurlijk kamersge wijze. Waarschijnlijk had aanvankelijk 
Amsterdam vier stemmen , terwijl elk der overige kamers zich met 
éene stem moest tevreden stellen ; maar later veranderde de verhou- 
ding geheel. Toen Zeeland tot de compagnie toetrad, werd er bepaald, 
dat van de vijf stemmen gedurende drie jaren de Hollanders vier , 
de Zeeuwen éene zouden hebben; terwijl het vierde jaar Holland 
drie, Zeeland twee stemmen mocht uitbrengen '). De verdee- 
ling dier stemmen onder de verschillende kamers kan men alleen 
gissen: waarschijnlijk stemden Delft en Rotterdam, Hoorn en 
Enkhuizen, Middelburg en Veere met elkander. De opneming 
der Friezen bracht eene wijziging in de verhouding : van de negen 
uit te brengen stemmen werden aan Holland zes, aan Zeeland 
twee, aan de Friezen slechts éene toegekend •). 

Aan deze vergadering waren de belangen der Noordsche Com- 
pagnie toevertrouwd: over de belangrijkste punten werd daar 
beraadslaagd. In het algemeen bestond de hoofdwerkzaamheid , 
aan de vergadering opgedragen, in het regelen der jaarlijksche 
uitrustingen : men besliste hoe vel e schepen de financiën der com- 
pagnie toelieten uit te zenden •) , en bepaalde het getal, dat iedere 

*) Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R -A. — 
Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. 11 p. H60. — '■ 
Ook baitengewone vergaderingen kwamen op beschrijving der presideerende kamer 
byeen. (R. S.-G. 80 Sept. 1636.) 

^) Aitzema, Sakcn v. Staet. 11. p. 360. 

') Aitzema, Saken ▼. Staet. 11 p. 360. — Reeds in 1614 worden echter ver- 
gaderingen vermeld op 17 April, 21 Juni en 21 October („Debath** van Kyen en 
Leversteyn , in: Noordsche togten. 1. R.-A.), later van 15, 17 en 25 Maart, 29 
Juli, 25 November en 4 December. 

*) R. S.-G. 23 Apr. 1638. — Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noord- 
sche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

•) Contr der N. C. met de Zeeuwen, in : Noordsche togten. 4. Loop N. C. R - A. — 
Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Sakcn v. Staet. Il p. 3fi('. 

•) Contr. der N C. met de Zeeuwen, in : Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R -A. 

') Contr. der N. C. met de Zeeuwen , in : Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

•) Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. Il p. 360. 

•) Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in : Noordsche togten. 4 Loop. N. C. R.-A. — 
Contr. der N. C. met de Friezen , bij : Aitzema , Saken v. Staet. II. p. 360. 



86 

kamer volgens hare quote daarvan zou mogen nitrasten. Om 
de nering op te houden en ze niet door te groote concurrentie 
te benadeelen , oordeelde men het noodig , dat geene kamer schepen 
uitrusten mocht zonder of tegen het besluit der vergadering *). 
De gezamenlgke kamers bepaalden verder het getal der sloepen , 
die den walvisch zouden vervolgen; zg beraadslaagden over het 
hurcu der barpoeniers *), stelden de instructie voor de com* 
mandeurs der schepen op *) , besloten waar iedere kamer de 
vangst zou oefenen *j en beraamden middelen tot afwering vaa 
de vijanden der compagnie door het sluiten van admiraalschap 
of de wapening der schepen *). Zulke contracten of reglementen 
over de uitrusting, die strekken moesten >omme alle Confugsie te 
weren ende tot defensie jegens 't ge welt vande Vreemde Natiën" •), 
werden aanvankelyk jaarlijks gesloten ^), maar later voor ver- 
scheidene jaren tegelijk opgemaakt *). In haren walvischvangat 
zelven waren de kamers vrij *), maar evenals iedere kamer naar 
evenredigheid van hare quote moest bijdragen tot alle uitgaven 
van de generale compagnie * * ) , zoo werd ook aan ieder van haar , 
hoeveel ze ook zelve gevangen mocht hebben, slechts een met 
hare quote evenredig deel van de geheele jaarlij ksche vangst 
toegeleid. In den verkoop van dit deel waren de kamers ook 
weder gebonden aan de besluiten der algemeeene vergadering. 
Jaarlijks werd er namelijk door haar bepaald, hoeveel de traan 
dit jaar gelden zou, en den kamers was het streng verboden. 



») Contr. der N. C. met de t>iezen , bij: Aitzema , Saken v. Staet. II p. 360. 

*) Reeds in 1617 was er sprake van, een definitief reglement te maken op het 
huren der „Basques." (Contr. der N. C. met de Zeeuwen , in : Noordsche togtrn. 
4. Loop N. C. R.-A.) 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. 

*) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. 

*) Contr. der N. C. met de Zeeuwen , in : Xoordsche togten. 4. Loop. N. C. 
R.-A. — Contr. der N. C. met de Friezen , bij : Aitzcmi , Saken v. Staet. Il 
p. 360. — Corte Deductie ende Remonstr. der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in 
Noordsche topten. 4. Loop. N. C. R.-A. — Sent. v. de II. R. in zake de N C. 
Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. — N. Z. 26 Jan 1617. 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. 

») Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Am«t. , dd. 31 Mrt. 
1635. (ov. het contr. v. 2 Mrt. 1618.) - R. S.-G. I, 7 I>ec. 1617. 20 Febr. 1622. — 
N. Z. 13 Apr. 1617. 

•) Sent. V. de H R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr 1637. 
(contr. V. 8 Nov ICSO over de jaren 1631—34.) 

•; Miss. V. de rcgcering v Delft aan de Gccommitt. Radrn v. Holl. dd. 7 
Febr 1022, in: Noordsche togten. 4. I^wp. \. C. R.-A. 

*•) Roq. der Zecuwsche kamers x\. ('. dd. 22 Aug. 1624, in: Noord.nche togten- 
2. Admiraliteit. R.-A. — Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten* 
4. lioop. N C. R.-A. — Ck)ntr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken 
V Staet II p. 360. 



87 

beneden de som, alzoo tot het op prgs houden der goederen be- 
paald, te yerkoopen *). 

De algemeene vergadering had do zekerheid , dat hare besluiten 
zouden worden uitgevoerd: niet alleen verbond de beslissing van 
de meerderheid der tegenwoordige leden ook de afwezige *), maar 
er waren boeten op de overtreding der besluiten gesteld. Het be- 
drag dier boeten was in het algemeen bepaald op het dubbele der 
schade , door de overtreding aan de compagnie toegebracht ; de goe- 
deren der kamers waren voor de voldoening verbonden *). Werd het 
nemen van een besluit door de veelvuldige oneenigheden der ka- 
mers en leden onderling *) verhinderd, dan werd de beslissing, aan- 
vankelijk aan de Staten-Generaal voorbehouden '), gewoonlijk over- 
gelaten aan de neutrale kamers of leden ; zoo allen in het geschil be- 
trokken waren, beslisten drie onpartijdige kooplieden als arbiters *). 

Wg hebben nu de inrichting der Noordsche Compagnie in al 
hare bizonderheden leeren kennen; wij zullen haar later hande- 
lend zien optreden. Hier is het de plaats om den indinik weder 
te geven , die het optreden der vereeniging op ons gemaakt heeft. 
Wg willen nagaan, in hoeverre uit de handelingen der vereeniging, 
uit de stukken van haar uitgegaan , de beginselen blijken , waar- 
door de bewindhebbers zich lieten leiden. Genoeg reeds bleek 
uit het eenvoudig verhaal van de inrichting der compagnie om 
te zeggen, dat haar hoofdbeginsel was de uitsluiting der vrij- 
heid. Zy paste dit beginsel zoowel naar buiten als naar binnen 
toe, tegenover hare mededingers en tegenover zich zelve. 

De bedoeling der Staten-Generaal met het verleenen van een 
uitsluitend octrooi aan de Noordsche Compagnie was aanvan- 
kelijk alleen geweest , de Neder landsche wal visch vangst door ver- 
eeniging van alle krachten in staat te stellen om zich tegen- 
over hare mededingers staande te houden ^). De hoofdreden van 



') Contr. der N. C. met de Zeeuwen, ia: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. 
R.-A. — Sent. v. de U. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. 

») Contr. der N. C. met de Zeeuwen , in : Noordsche togten. 4. Loop. N. C. 
R.-A. — Contr. der N. C. met de Friezen, hij: Aitzema, Saken v. Staet. 
II p. 360. 

•) Contr. der N. C. met de tViezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. 11 p 361. 

*) De Amsterdamsche kamer klaagde in 1686, dat 8 kamers waren „te vecll 
om te verhandelen soo clcijnen werck als daer is den Walvisvangst. In welcker 
▼ergaderinge dickwils maer te veel swaricheijden voorvallen om alle de verstan> 
den ende sinnen in een te brenghen." (Repartitie v. de Amst. kamer N. C. 
dd. 19 ]Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Ilrl. gedeput. R.-A.) 

•) R Ü.-G. 24 Jan. 1617 — Gr. Placaetb. 1 p. 673, 74. 

•) Sent. V. de H. R in zake de N. C. Hoorn e. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. — 
Contr. der N. C. met de l">iczen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. Il p. 361. 

^) Groot Plicaetb. I p. 675. 



88 

haar bestaan was dus het streven tot handhaving van het recht 
der Nederlanders om zich naast de Engelschen op Spitsbergen te 
vestigen , en de compagnie begon dan ook natuurlijk met in haar 
vaan de vryzinnigo leuze »mare liberum*' te schrjjven •). Daar 
echter, zoolang de walvischvangst onder het land , niet in de volle 
zee gedreven werd , volgens de bedoeling van den beroemden ver- 
dediger dier leuze zelven een beroep daarop hier niets afdeed , 
werd reeds dadelgk daarnaast op de ontdekking van Spitsbergen 
door Nederlanders gewezen. Misschien werd dit feit aanvankelgk 
alleen vermeld om indruk te maken op de Engelschen , die hunne 
uitsluitende rechten op de voorgewende ontdekking van het eiland 
door hunnen landgenoot WiUoughby grondden. Zoodra het echter 
gebleken was , dat de Engelschen wel niet overtuigd waren , maar 
toch door de overmacht der Nederlanders voortaan wel gedwongen 
zouden worden hen op Spitsbergen toe te laten , begon de Noord* 
schc Compagnie een anderen toon aan te slaan. Had zg reeds kort 
na hare oprichting op grond harer ontdekking van Jan Mayen-eiland 
do Duinkerkers van dat eiland trachten te weren, op het voor- 
beeld der Engelschen begon zij zich nu ook op de ontdekking van 
Spitsbergen te beroepen en zich op hare beurt uitsluitende rechten 
aan te matigen *). De vrijheid der zee geraakte meer en meer 
op den achtergrond. Weldra heette niet alleen de Mauritius- 
baai '), maar zelfs geheel Spitsbergen ♦) eene Nederlandsche be- 
zitting. Men achtte eerlang den ondergang der compagnie nabg , 
zoo vreemden op gelijken voet naast haar in de door Nederlanders 
bezochte baaien werden toegelaten *) ; zelfs het uitsluitend octrooi 
werd als argument gebruikt om vreemden uit de walvisch- 
vangst te weren "j. 

Dat het der compagnie niet gelukte, om alleen tegenover vele 
vreemde natiün een systeem van uitsluiting vol te houden , dat 
de Engelschen ook tegenover Nederland alleen haddon moeten 



•) R. S.-G. 26 Aug. 1613. — Antw. dvr Stn.-Gcii. anc de Eng. imbui. 
lid. 16 Apr. 1615, bij: Mnllcr, Mare ('lausuiii. p. 864,65. 

•) Zie o. a. „Mcmoirc" der N. C. bij: Muller, Mnrr (Jlausam. p. 370. 

*) Zie o. a. de gi'winsi'ldc stukken tiisscheu Dinukcrcker , Ys en Vrolicq in 
1632 eu 1633, in: L. F 1633, en in: Xoordsche tugten. 4. Loop. N. C. R.-A. — 
R. S.-Cf. 4 Jan. 1686. 

*) Req. V. Vrolicq aan de Stn.-Gen. en v. de \. Cc. Vrolicq, dd. 11 Mrt., 
8 Mei 1633, iu: Stn. N. C. v. d. Hrl. gcdcput. R.-A. 

•) Req. der N. C. c Vrolicq dd. 2 FVbr. 1634, in: Noordsche togten. 
4. Loop. \. C. R -A. 

•) Req. der N. C. aan de Sln.-Geu. dd. 15 Mrt. 1019 (l*?": 1618), in: 
Noordsche togten. 2 Admiralit. R.-A. — Protest der N. ('. dd. l Dec. 1681 • 
in: Noordsche togten. 4 I/)op. N. C. R.-A. — Stn. gewisM^ld tnss. Ys en Vrolicq 
10 1633, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. — R. H. 8 Mei 1683. 



89 

opgeven, spreekt wel van zelf. Maar daarom liet zij haar stre- 
ven niet varen: voortdurend poogde zij ten minste de gevol- 
gen van de vreemde concurrentie zooveel mogelijk af te wen- 
den. Jaren achtereen poogde zij de Staten te bewegen, den 
invoer van traan en balein uit het buitenland te verbieden 
of ten minste zoo hoog te belasten >datse hier nget souden con- 
nen marcten.'* Op deze w^'ze hoopte de compagnie de handen 
ten minste in Nederland zelf vrij te houden; werd de maatregel 
genomen , dan kon zij zonder vrees voor concurrentie de prijzen 
van hare goederen voortdurend opdrijven en ze toch spoedig ver- 
koopen. Reeds in 1617 drong de Noordsche Compagnie bij de 
Staten-Generaal op zulk een verbod aan; het werd toen aanbe- 
volen als retorsiemaatregel tegen de handelingen van vreemde 
vorsten, die getoond hadden dergelijke uitsluitende beginselen 
te z^n toegedaan. De uit Rusland ingevoerde traan wilde de 
Noordsche Compagnie vrijlaten om den handel op dat land niet 
te benadeelen, maar alle overige traan wenschte z^ belast te 
zien met ƒ 8 per okshoofd ^), do baarden met ƒ 6 de 100 pond. 
De admiraliteiten van het Noorderkwartier , van de Maas en van 
Zeeland , wier oordeel gevraagd werd , adviseerden gunstig , maar 
de zaak stuitte af op den lijdelijken tegenstand van die van 
Amsterdam *). Nieuwe pogingen, door de Noordsche Compagnie 
in 1636 aangewend om het monopolie van invoer van alle » wal- 
vistraenen" (de > moscovitse , robben- en berger leuer-traen" werden 
ditmaal uitgezonderd) te verkrijeen , stuitten weder af op den on- 
wil van Holland •). Toen het dus op deze wijze niet gelukte de 
concurrentie te vermijden , trachtte men in overleg met de mede- 
dingers zelve een dergelijk resultaat te verkrijgen. Van Cracauw, 
de Nederlandsche resident in Denemarken, deed in November 
1688 »op het Belieuen ende approbatie" der Noordsche Com- 
pagnie aan Chris tiaan IV voorstellen, die ten doel hadden, 
dat de wederzijdsche walvischvaarders elkaar in vangst noch ver- 
koop zonden hinderen. Om het eerste doel te bereiken , zouden 
beide natiën op afzonderlijke plaatsen met een vooruit bepaald 
getal schepen visschen; in den verkoop zou men vrij zjjn door 
de aanwijzing van bepaalde rijken, die aan ieder als débouchés voor 
hare goederen geheel overgelaten zouden worden ^). De koning 



*) 1 okshoofd = I qoarteel. (Zceuwsche schaderekcning van 1617, in : Noordsche 
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) 

•) R. S.-G. 31 Aug.. 21, 22, 28 Scpt. 1617. 12, 22 Jan.. 15 Mrt. 1618 — 
Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (Iccs: 1618), in: Noordsche 
togten. 2. Admiraliteit. R.-A. 

■) Versl. der confer. met de N. C. v. 1636, in : Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. 
R-A. — Aitxema, Salcen v. Stact. II p. 860. — R. S.-G. 2 Nov. 1638. 

•) Miss. V. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in : L. D. 1638. 



82 

3 November 1630 nog gewijzigd >), zoodat in Februari 1636 de 
verhouding der kamers was als volgt : 

q«arteel«m 



Amsterdam -f^ 4500 

Delft j\ met /j van j\ (van de 2» kamer van Delft). 2733| 
Pedij J van ,*, (van de 2« kamer van Delft) .... 437 J 
Meyn | van y, (van de 2^ kamer van Delft) .... 62 J 

Rotterdam y% 1000 

Hoorn ,<, met ^ van ^\ (van de 2> kamer van Delft). 1166} 
Ënkhnizen -f^ met | van j\ (van de 2^ kamer van Delft). 1100 

Middelburg 15J/40 van ,«, 1550 

Vlissingen 15 j/40 van -f^ met -f^ (van de 2^ kamer 

van Delft) 2550 

Veere ,% van ,«, 900 

16000 *) 
De opneming der Friezen , die ^ aandeel in de Noordsche Com- 
pagnie kregen, wijzigde deze verhouding niet: alle kamers droe- 
gen naar mate van hare krachten tot het den Friezen uit te 
keeren gedeelte der vangst bg *). Do verdeeling tusschen de 
* beide Friesche kamers onderling is onbekend, maar het is zeker 
dat de Harlingsche kamer die te Stavoren in belang verre 
overtrof. 

De kennis van de krachten der verschillende kamers is daaronoL 
van belang , omdat men hier onder den schijn alsof het deelen van 
een geheel waren, werkel^k met bgna geheel zelfstandige licha- 
men te doen heeft, die dau ook meermalen terecht compagnieën 
genoemd worden *). Do verschillende kamers der Noordsche Com- 
pagnie hadden hare eigene ^bewindhebbers, die voor hun leven 
benoemd werden en wier getal bij ontstentenis van een hunner uit 



') Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. — 
Bij die overeenkomst , waarin de gehecle vangst op 17500 qnarteelen begroot was, 
werden aan Delft toegedeeld 3009| quarteelen, aan Hoorn 1817, Ënkhnized 1814, 
Veere en Pedy te zamen } van 2967 d. i. 1978 quarteelen. 

*) Naar het verslag der confer. van 14 Febr. 1686, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. 
gedepat. R.-A. (gecorrigeerd naar eeu iu dcnzelfden bundel aanwezig duplikaat.) — 
Ped\j en "Sleyn worden daar gezegd hunne aandeden te houden van de ^l* kamer 
Delft" (evenals in het opschrift van het proces-verbaal van 1 Dec. 1681 , BijL D 
v. h. request der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4 Loop. N. C. 
R.-A.); ik veranderde het overeenkomstig p. 80 Noot 2. 

•) Contr. der N. C. met de iViezen, by: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 860. 

*) R. S.-G. 9 Apr. 1625. — Req. der Zeeuwsche kamers N. C. aan de Stn.-Gen. 
dd. 22 Aug. 1624, in : Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A. — Corte Deductie 
ende Remonstr. der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4 I^oop. 
^« C', R.*At 



83 

een dabheltal, door de overige bewind hebbers uit de hoofdpar- 
ticipanten (aandeelhouders voor minstens ƒ 2000) genomineerd , 
werd aangevuld door de electie van den magistraat der stad , waar 
de kamer gevestigd was ^). ledere kamer had een afzonderlijk 
kapitaal *) en bezorgde dus natuurlijk hare eigene uitrustingen *). 
Het gevolg was, dat ieder hare eigene schepen bezat *), hare 
eigene scheepsbevelhebbers aanstelde *) , hare afzonderlijke loge 
had op het strand der plaatsen, waar de wal visch vangst gedre- 
ven werd •), afzonderlgke sloepen voor de walvisch vangst ^) , af 
zonderl^ke vaten om de vangst te bergen *). De schade, door 
zeeroof of rampen aan een van deze zaken geleden , bleef dan ook 
voor rekening der kamer, aan wie zg behoorden •). In het doen 
van ontdekkingsreizen was elke kamer geheel vrij ^^), 

De vrijheid, zoodoende aan ieder op zijn eigen gebied gelaten, 
kon niet anders dan weldadig werken, maar zg streed ook uit 
haren aard met het wezen der Noordsche Compagnie als geoc- 
trooieerde vereeniging. De uitsluiting van alle concurrentie, het 
streven naar centralisatie, dat de compagnie met alle dergel^'ke 
lichamen gemeen had, moest reeds eeno regeling doen afkeuren, 
die zooveel zelfstandigheid aan de leden der compagnie verzekerde. 
En dan had toch ook het versnipperen van de finantiëele krach- 
ten der vereeniging bij de groote lisico, die de walvischvangst 
steeds opleverde, hare bedenkelgke zijde. Er werden dan ook 
herhaaldelgk pogingen gedaan om eeue andere regeling te ver- 
kregen. Reeds in 1616 toonden eenige kamers zich geneigd, de 



■) De 2^uwsche kamers schijnen iels meer democratisch ingericht te zijn 
geweest dan de overige ; ten minste herhaaldelijk worden de participanten zclven 
als handelende personen genoemd, waar bij de Hollandsche kamers steeds de 
bewindhebbers als vertegenwoordigers optreden. (R. S.-G. 3 Mrt., 28 Mei 1622. — 
Req. der Zeenwsche kamers N. C. dd. 22 Ang. 1624, in: Noordsche togten. 
2 Admiraliteit. R.-A. — Req. der N. C. dd. l Sept. 1621, in: Noordsche tog- 
ten. 8 Ontd. V. Jan Mayen-eiland. R.-A. — N. Z. 17 Mrt. 1622.) 

») R. S.-G. 4 Nov. 1622, 14 Apr. 1623. 21 Mrt. 1625. 

•) Miss. der gedeput. v. Zeel. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: 
Arch. Zeel. — Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. £nkh. dd. 4 Apr. 1637. 

*) Req. der N. C. dd. 29 Aug. (le^s: 2 Sept.) 1615, in : Noordsche togten. 
8 Ontd. V. Jan Mayeu-eiland. R.-A. 

*) Raven, Jonmael vande Voyagic naer Groenlandt. p. 5. — Aitzema, Saken 
▼. Staet. I p. 1175. — Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. 
dd. 4 Apr. 1687. 

*) Van der Brugge, Journael van de Se ven Matroosen. p. 12. 

*) Van der Brugge, Journael van de Seven Matroosen. p. 16, 42. 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. £nkh. dd. 4 Apr. 1637. 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. 

»•} R, S.-G. 28 Oct. 1617, i?5 Mrt., 16 Dec. 1C25. 



92 

belette , zich bij de eerste gelegenheid tegen de verdere toelating 
harer bondgenooten met hand en tand te verzetten '). 

Er bleef echter in het octrooi zelve der Noordsche Compagnie eene 
leemte: de Staten-Generaal hadden alleen de visscherg aan de 
kusten en landen in het noorden verboden , de zee was vrfjge- 
bleven. Tegen de binnenlandsche concurrentie, die ook hiervan 
eerlang gebruik maakte, was de Noordsche Compagnie machte- 
loos. Wel verbood zij haren commandeurs ten strengste, door het 
oefenen der zeevisscherij de aandacht op de mogelgkheid daarvan 
te vestigen *), maar toch, de concurrentie nam toe. De Noord- 
sche Compagnie verzocht toen de Staten-Generaal dringend alle 
>byvangst" van Nederlanders te weren (1636) *), maar het baatte 
niet: de regeeriug hield het voor overbodig, nu de Nederlanders 
door de vreemden tot de walvisch vangst toegelaten waren, de 
Noordsche Compagnie ten nadeele van alle andere ingezetenen der 
Vereenigde Provinciën te blijven beschermen. 

Niet alleen de mededinging van buiten af werd door de Noord- 
sche Compagnie geschuwd: zij achtte ook de wrijving, die door 
de werking der verschillende kamers natuurlijk ontstond, ver- 
keerd en trachtte angstig allen schijn van concurrentie zelfs te 
vermijden. Een plakkaat, door de Staten-Generaal in 1614 uit- 
gevaardigd , dat als premie voor nieuwe ontdekkingen ook in 
do IJszee den handel op de nieuw ontdekte plaatsen aan de ont- 
dekkers bij uitsluiting van alle anderen gunde, dreigde steeds 
mededingers te voorschijn te roepen, ja het optreden der kleine 
Noordsche Compagnie was alleen daaraan te wijten geweest. De 
Noordsche Compagnie bepaalde daarom , dat al hare leden of ka- 
mera — van dezen toch ging de meeste concurrentie uit , — zoo 
zij nieuwe landen in het noorden ontdekten, die voortaan >op eere, 
trouwe ende vromicheyt" aan de generale compagnie zouden moeten 
opgeven , opdat ze ten gemeenen bate zouden kunnen gei^xploiteerd 
worden *). Nog meer: de Amsterdammers verklaarden eenmaal, 
dat het getal der kamers reeds te groot was om de walvischvangst 
behoorlijk te drijven *) ; de andere kamers rilden op het denk- 



*) Zie hicrtia (Ifdst. IX. 

*) Doorogccst , Rijper zee-postil. p. 352. 

•) Versl. der confercnticn met de N. C. (1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. 
grdrput. K.-A. 

*) ('ontr. met de Zeeuwen , in: Noordsche togten. 4. JxK)p. N. C. R.-A. — 
In 1636, toen het doen van ontdekkingsreizen geheel opgehouden had , werd aan 
den ontdekker gedurende 5 jaar de afzonderlijke exploitatie gegund; eerst daarna 
zou de ontdekking ten bate der N. C. komen. (Coutr. met de Friezen, bg: Ait- 
zema, Sakeu v. Staet. II p. 360.) 

•) Repartitie v. de Amst. kamer dd. 19 Mrt. 1686, in: Stn. N. C. y. d. 
llrl. gedeput. R.-A. 



93 

beeld , dat de band , die ze omsloot , losser gemaakt zou kunnen 
worden, en had de heerschzncht van Amsterdam, die zelfstan- 
digheid wenschelijk maakte, het niet belet, men zou tot de 
vereeniging van alle kapitalen > onder een gemeene borsse" over- 
gegaan z^n *). Zoover kwam het wel niet, maar toch maakte 
men het onmogelijk , dat zelfs een begin van concurrentie zich 
openbaarde. Zich beroepende op de bedoeling der Staten -Ge- 
neraal , die de Noordsche Compagnie opgericht hadden om » meer- 
der ordre ende eenicheyt" in de wal visch vangst te brengen *), had 
de vereeniging er zich dadelijk op toegelegd, om alles zooveel 
doenlgk te reglementeeren. Men hield het voor onmogelijk zon- 
der »een behoorlyck ende voorsichtich reglement" de walvisch- 
yangst anders dan met » confusie ende disordren" te oefenen; 
ja men vreesde, dat de geheele nering dan »teenemael infruc- 
tueux" zou worden *). Deze reglementen betroffen voomame- 
Igk twee nauwsamenhangende zaken : de sterkte der uitrus- 
tingen en de prijs der traan. De Noordsche Compagnie had met 
de beide andere geoctrooieerde Nederlandsche compagnieën der 
zeventiende eeuw het beginsel gemeen , dat het beter was weinig 
te vangen en duur te verkoopen dan veel af te leveren tegen 
goedkoope prijzen. Het was dit beginsel, door de compagnie 
streng doorgedreven , dat haar noodzaakte alles te reglementeeren. 
Zg erkende volmondig, dat het haar streven was zoo weinig 
schepen in zee te zenden als met behoud van winst mogelijk was , 
»omme de negotie in goede reputatie te houden" ; *) zij meende, 
dat bg groote uitrustingen de prijs van de traan zou dalen en de 
compagnie »8ich sou consumeeren *).'* Wilde men dit voorkomen, * 
dan behoorde de concurrentie ook tusschen de kamers onderling 
uitgesloten te worden ; men begreep , dat sommigen het voordee- 
liger zouden oordeelen hunne goederen spoedig te verkoopen, al 
was het tegen iets lagere prijzen dan de anderen, dan om de 
dure waar misschien maandenlang in de pakhuizen te behouden. 



') Miss. der Zeenwsche gedeput. aan de Stiu v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616 , in : 
Arch. Zeel. 

*) «Corte Dedociie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 
4 loop. N. C. R.-A. 

•) R. S.-G. 4 Febr. 1622. — N. Z. 17 Mrt. 1622. - Sent. v. de H. R.in 
zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. — Req. der N. C. aan de 
Stn. V. HoU. (dd. 18 Jan. 16*2), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedepnt. R.-A. 

•) Req. der N. C. aan de Stn.-Gen.dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noord- 
•che togten. 2 Admiraliteit. R.-A. — Miss. der Zeenwsche gedeput. aan de Stn. 
▼. ZeeL dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeeland. 

•) N. Z. 17 Mrt. 1622. — Miss. der Stn. v. Zeel. aan de gedeput. v. Zeel. 
dd. 17 ïklrt. 1622. (ByL v. N. Z.) — cf. Miss. v. Vau Cracauw aan de Stn.-Gen. 
dd. II Mrt. 1689, in: L. D 1639. 



94 

Daarvoor moest gewaakt worden : de compagnie besloot , jaarl^ks 
met gemeen overleg naar gelang der omstandigheden de prgs 
van de traan vast te stellen en de kamers onder eede te doen 
beloven, de haar toebedeelde quarteelen niet onder die bepaalde 
prijs aan de markt te brengen >). Om ontduiking te voorkomen 
verbood men tevens het verkoopen van traan in de Uszee zelve 
en het direct invoeren daarvan in vreemde landen *): vóór 
alles moest de waar in Nederland opgelegd en de prgs bepaald 
worden. 

»Den welstandt der Compaignie," zoo spraken de bewindhebbers 
nog in 1636, »kan eene uijtbreijdinge niett lijden, maer moett 
gaen cleijn ende op menage, want hett ghewis is, hoe grootter 
equipage hoe meerder schade, want cquipeert men sterck, ende 
vanght men we^nich , soo valt maer schade , vanght men veel mett 
grootte equipage, soo valt don vangst costelycken, ende wortt 
den prijs door de veelheijtt mede onder den voett gesmeten. 
Soo datt men mett vollen vangst oock well schade doen kan. 
Om proffyt te doen, soo moetmen mett menage equipcren ende 
vangen naer aduenant gheconsumeertt kan worden , ende mett de 
minste kosten sien hett meeste te vanghen, ende int beneficeren 
vanden traen soo moetten de leden den anderen verstaen *).** 
Dit systeem was volgens de Noordsche Compagnie het ideaal van 
een verstandig beleid: tot haar einde toe volhardde zij daarbg. 
Reeds in 1616 was haar hoofdgrief tegen de kleine Noordsche 
Compagnie, dat zij do markt voor hare goederen bedierf *), en 
nog twintig jaren later , toen eenige Hollandsche steden deel aan het 
octrooi wenschten te krijgen, verklaarden die van Amsterdam, 
dat de nieuwe leden »soo eenen anderen cours wertt ghesett" 
dan de tot nu toe gevolgde , niet alleen > haer lieden te spade daer 
ouer souden beclaghen ,'* maar dat de gehcele compagnie eerlang 
»80u comen in een volcomen verderflf ende ruine.'' •) 



») Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Iloorn r. Enkh. dd. 4 Apr. 1687.— 
Repartitie der Amst. kamer dd. 19 Mrt. 10.SC. iu: Stn. N. C. v. d. Hrl. 
gedeput. R.-A. 

*) Contr. met de Zeeuwen , in : Noordsche tugtco. 4. Ixwp. N. C. R.-A. — 
Contr. inet de ïViczen , bij: Aitzema , Saken v. Staet. Il p. 360. 

•) Repartitie der .Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1036, in: Stn. N. C. ▼. d. 
Hrl. gedeput. R.-A. 

*) „Cort advertissemcnt" v. Kyen r ». (dd. 29 Fcbr. 1616), in: Noordiche 
togten. 1 R.-A. — Kyen r. ». boden dan ook aan , het getal hunner schepen te be- 
perken en de prjjs hunner traan niet lager dan van die der N. C. te stellen . 
maar de N. C. , die hoopte de kleinere vereeniging geheel te zullen kunnen we- 
ren, weigerde. {hCotX advertis.%ement." 1. e.) 

•) Repart. der Amit. bewindh. dd. 19 Mrt. 1686. in: Stn. N. C v. d. Hrl. 
gedeput. R.-A. 



95 

Wg hebben gezien, dat de Noordsche Compagnie, opgericht 
om de yrgheid van vaart en visscherg te helpen bevorderen, 
weldra ontaardde in een lichaam, dat alle gebreken van eene 
geoctrooieerde maatschappij in hooge mate in zich vereenigde. 
Ongetwijfeld lag het in den aard van het monopolie , dat deze 
richting zich allengs openbaarde, en het is den bewindhebbers te 
vergeven , dat zg , gestennd door participanten , die — minder las- 
tig dan de aandeelhouders der Oost-Indische Compagnie — reeds 
tevreden waren, wanneer de uitdeelingen goed uitvielen en zich 
verder met de beginselen van de leiders der vereeniging niet 
bemoeiden '), dien weg meer en meer bewandelden. Waren ech- 
ter de Staten-Generaal , beroemd om hunne voor dien tijd ver- 
lichte inzichten, geneigd om zich door eene betrekkelgk kleine 
compagnie als de Noordsche meer en meer te laten medesiepen 
op den weg van bescherming en monopolie , ook toen de nood- 
zakelgkheid daartoe weldra was opgehouden? Waren zij, die het 
toezicht over de handelingen der door hen geschapene compagnie 
oefenden, medeschuldig aan de richting dier handelingen ? Laat 
ons ten slotte onderzoeken, in hoeverre de regeering de Noord- 
sche Compagnie in haar egoistisch streven steunde. 

In de eerste plaats komt natuurlijk bij het bespreken der hulp , 
van staatswege aan de Noordsche Compagnie verstrekt , het octrooi 
zelf in aanmerking. Wij hebben reeds opgemerkt , dat de Staten- 
Generaal slechts daarom eenheid onder de Nederlandsche walvisch- 
vaarders wilden, omdat zij het onmogelgk achtten op andere 
wgze den Engelschen ontzag in te boezemen, en dat zij het 
octrooi eerst verleenden , toen de Engelschen ze) ven door geweld- 
dadig optreden het sein daaitoe gegeveu hadden. Het komt mij 
dan ook voor , dat de veroordeeling , door De la Court — en na 
hem door bijna alle schrijvers — over het beleid der Staten- 
Oeneraal in deze zaak uitgesproken , onverdiend is. De beroemde 
vgand van alle bescherming verklaart , dat de oprichting der 
Noordsche Compagnie »quaalik gedaan was,** omdat de wal- 
vischvangst na de opheffing van het octrooi sterk is toege- 
nomen; »dog met het opregten der Geoctroyeerde Compagnien 
op Oost- en West-indien," dus vervolgt hg, »was het een 
geheele andere saak: want het een noodsakelik qiiaad 
heeft schgnen te weesen , om datmen wilde handelen in ende om- 
trent soodaanige Landen, daar ODse vyanden voor particulieren te 
sterk souden sgn geweest ; sulks in alle manieren schijnd dienstig 
geweest te zijn , dien handel door een kragtig gewaapende hand te 



') Wtssenaer, Mist. verh. VIII fol. 96. — Geen pamphlet Is mij bekend, dat 
klaagde over de handelwijze van de bewindhebbers der N. C, die toch ook de 
Toor de 0.*l. C. loo kritieke jaren 1622 — 24 mede doorleefden. 



96 

iondeorcn ; en dat vermits dit Land met den oorloge teogen den 
Koningc van Spanjen worstelende, alle sijne kragten noodighad, 
het seer voorsigtelik is geweest, die Geoctroyeerde Compagnien op 
te regteu »)/' Uit het door De la Court zelven later aangevoerde *) 
blijkt voldoende, dat men bij de oprichting der Noordsche Com- 
pagnie volkomen in hetzelfde geval was als bij de Oost- 
en West-Indische Compagnien *) , en had men ook bij deze ver- 
eenigingon eene proef met de opheffing genomen , de uitkomst zon 
ongetwy feld evenzeer ten nadeele der octrooien zijn uitgevallen als het 
in 1642 met de Noordsche Compagnie het geval was. De woorden 
van De la Conrt zelven over de Oost- en West-Indische Compag- 
nien bevatten dus de beste rechtvaardiging van het beleid der 
Staten-Generaal met betrekking tot de Noordsche. 

Den inhoud van het octrooi deelde ik reeils boven mede. Het 
was den 27 Januari 1G14 voor drie jaren verleend *) en werd 
den 1 April 1615 voor nog een jaar verlengd *): met het jaar 
1618 zou dus de visscherij weder openvallen. Maar reeds 24 
Januari 1617 was het octrooi der Noordsche Compagnie, nu ver- 
eenigd met die van Zeeland , op nieuw verlengd , ditmaal voor vier 
jaren *) : de eenige merkwaardige bepaling was, dat de regee- 
ring — gewaarschuwd door de geschillen der Noordsche Compagnie 
met de kleine Noordsche en met de Zeeuwen — zich de beslis- 
sing in twisten tusschen de leden der compagnie voorbehield ^). 
Met het jaar 1621 eindigde echter ook dit octrooi en de 
Noordsche Compagnie di'ong op vernieuwing aan '). Maar onder- 
wijl was er onder de Nederlandscho walvischvaarders een twist 
ontstaan, die zelfs door bemiddeling der Stat^Mi-Goneraal niet by- 
gelegd kon worden. En daar alleen samenwerking van allen te- 
gen den gemeenschappeiyken vijand het doel der Staten met het ver- 



*) Aauwysing der heils. polit. Groudcn. p. Si, 85. 

*) Aanwjrsing. p. 188 , 191. 

•) Vgl. p. 75 Noot 3. 

•) R. S.-G. 27 Jan.. 27 Mrt. 16U. 

*) R. S.-G. 4 Apr. 1C14. 1 Apr. 1615. ~ Req. der N. C. aan de Stn.-Gfn. 
dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togtcn. 4. Jioop. N. C. R.-A. 

•) R. S.G. 2S Dcc. 1616, 21 , 24 Jan. 1617. 

•>) Gr. Placaelb. 1 p. 678, 74. — R S.-G. 24 Jan. 1617. — Sent. v. de 
H. R. in zake de N. C. Noordcrkw. c. Amst. dd. 81 Mrt. 1635. — Van de 
bevoegdheid , die de regccring zich zelve dns toegekend bad . maakte z\j slechts 
hoogst zelden gebruik en altijd om de walvischvaarders tot eenheid te brengen, 
(cf. R. S.-G. 2 Srpt. 1621, 25 Jan., 3. 4, 5 Febr. 1622, 24 Mrt., 
14 Apr. 1623.) 

•) R. S-G. 24 Ang.. 1, 2 Sept.. 6 Oct. 1621, 8 Jan. 1622. — Req. der 
N. C. aan de Stn -Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. S.Ontd. y. Jan 
Maycn-eiland. R.-A. — Ri-q. dir kl. N. ('. aan d»; vSlu.Gin. dd. 2 Sept. 1621, 
iu: Xoordschtf (ugteii. 2. Admiraliteit. K.-A. 



97 

leenen van het octrooi der vereeniging geweest was, scheen het 
werkolgk de vraag of het vernieuwd zou worden. De Staten- 
Oeneraal, wien het onmogelijk was de twistenden te vereenigen, 
namen een voorloopigen maatregel en gaven aan beide partijen 
den 4 Februari 1622 verlof om voor dat jaar op zekere voorwaarden 
en met eene regeling, die ze dwong elkaar niet te hinderen, de 
walvischvang^ gezamenlijk te oefenen ' ). De regeering oordeelde 
het nog steeds noodig , de Nederlandsche .walvischvaarders als een 
vast aaneengesloten macht tegenover de Engelschen te stellen , en 
spaarde daarom geene pogingen om hen nog tot eenheid te bren- 
gen. De regeling van 1622 voldeed geheel aan hare verwachting: 
den 20 December 1622 werd in de statenvergadering een request 
voorgelezen van de drie Nederlandsche compagniën voor de wal- 
vischvangst, die »nn tsamen vereenicht" waren. Zy verzochten 
een nieuw octrooi , dat hun nu reeds twee dagen later voor twaalf 
jaren verleend werd *). 

Het schijnt mjj zeer twijfelachtig, of de Staten-Generaal ditmaal 
niet den goeden weg verlieten en overgingen tot bescherming , waar 
de omstandigheden zulk eenen voor het publiek belang schadelijken 
maatregel niet wettigden. Het gevaar toch voor buitenlandsche 
aanvallen was grootendeels geweken. Engeland deed in 1623 en 
1624 nog wel pogingen om zijne uitsluitende pretensiën te hand- 
haven , maar het had de macht niet om zijnen wil door te zetten. 
Denemarken , dat eerst in 1623 met de Nederlanders ernstig in 
conflict kwam, had nooit den emstigen wil hen van Spitsbergen 
te verdreven. Toch liet zich misschien het nieuwe octrooi als 
voorzorgsmaatregel wel verdedigen, maar zeker onverdedigbaar 
was het , dat de Staten tegelykertyd een groeten stap op den weg 
der bescherming vooruit deden. Het octrooi van 1622 verschilde 
in vier punten met de vroegere, en het verschil was steeds ten 
nadeele der vrijheid. Beeds in de voorgaande bladzijden merk- 
ten w$ op, dat ditmaal voor het eerst niet als vroeger aan 
nieuwe participanten gelegenheid werd gegeven om tot de Noord- 
Bche Compagnie toe te treden : de bescherming aan de vereeniging 
verleend ontaardde dus in eene bescherming van bepaalde personen. 
En wat de zaak nog erger maakte was, dat de voordeden van 
het octrooi nu niet meer voor drie of vior jaren, maar voor den 
langen tyd van twaalf jaren aan dezelfde participanten gegund 
werden , terwgl de straf op inbreuken van het octrooi — vroeger 
alleen in verbeurdverklaring van schip en goed bestaande — nu 
met eene boete van / 6000 voor elk schip verzwaard werd. Een 
laatste verschil met de vroegere octrooien was , dat in 1622 — waar- 



>) R. S-6. 25 Jan., 8, 4, 6 Febr. 1622. 
*) R. S..0. 20 , 22 Dec. 1622. 

7 



98 

schynlijk om »lorrendrayeriën'* met kracht^en zekerheid te weren — 
de bepaling gemaakt werd, dat niet alleen handel en yisscherg, 
maar zelfs de vaart op Spitsbergen niet vrij meer zou zyn. Zelden 
kwam het zeker voor , dat een Nederlandsch schip , dat zich niet 
op de yisscherg wilde toeleggen , naar het verafgelegone eiland 
kwam, maar de omstandigheid, dat het » havenen** aan deze 
eenigo rustplaats in de IJszeo tot 1642 niet geoorloofd was , kan 
toch niet anders dan ongunstig op de ontdekkingsreizen in het 
noorden gewerkt hebben *). 

Het monopoliestelsel won nu blijkbaar allengs in kracht: het 
octrooi, dat eerst met het einde van 1634 yervallen zou, werd 
reeds 25 October 1633 op geheel dezelfde voorwaarden als in 
1622 zonder eenige moeielijkheid voor niet minder dan acht jaren 
vernieuwd >). Eerst toen dit octrooi met het einde van 1642 
afgeloopen was, toen de Engelschen sinds achttien jaren geene 
vgandelykheden meer gepleegd hadden en ook de Denen, al was 
het met leedwezen, in de vrije visscherg der Nederlanders nit- 
drukkelijk bewilligd hadden, zagen de Staten het verkeerde van 
hunne handelwijze in *). De aandrang van alle landprovinciOn , 
die aandeel aan het octrooi wilden hebben , en die dus de moeielijk- 
heid eener goede regeling bizonder verzwaarden, zal het hare 
daartoe by gebracht hebben: hoe het zy , het octrooi werd in 1642 
niet meer vernieuwd *). 

Nauw hing met het verleenen van octrooi samen het zorgen 
voor een behoorlyk geleide van de vloten der Noordsche Com- 
pagnie. Jaarlijks van den aanvang af verzocht de compagnie van 
de Staten-Generaal eenige oorlogschepen ter harer bescherming 
tegen Engelschen en andere vijanden; jaarlijks werd het veraoek 
aanvankelijk toegestaan. En terecht: hetzelfde motief, dat de 
regeering tot het veileenen van een octrooi gedreven had, moest 
haar ook bewegen tot het ondersteunen der compagnie met kon- 
vooischepen, zoolang zij zelve niet in staat was in hare verdedi- 
ging te voorzien. Voornamelijk daaraan was het dan ook te dan- 
ken, dat de Engelschen de v^alvischvaarders in de drie eerste jaren 



') VgL Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 287. — De wal viich vangst. I p. 31. 

») R. S.-G. 18, 25 Oct. 1633. 

■) Reeds in 1636 had de N. C. te vergeefs om verlenging van octrooi aange- 
houden. (Versl. der l« en 2« confer. met de N. C, conc.-rapp. aan de Stn. v. 
Holl., in: Stn. N. C. v. d. lïrl. gedeput. R.-A.) In 1642 herhaalde xg dit ver- 
zoek nadnikkelijk. (Req. der N. C. aan do Stn. v. IJoU. dd. 18 Jan. 1642, in: 
Stn. N. C. V. d. Hrl. gedeput. R.-A.) 

*) Aanwysing. p. 191. — De octrooien zijn o. a. afgedrukt in: Gr. Placaetb. 
I p. 66U, 671, 673, 677. -- De eenjarige verlcugingen van 1615 en 1622 waren 
echter tot nog toe niet bekend ; het schijnt niemand in het oog gevallen te zgn , dat 
de jaren zonder dezo beide niet aansloten. (Zie o. a Lnzac , Holl. rijkdom. I p. 847,) 



99 

na de oprichting der Noordsche Compagnie met rust lieten. Maar 
toen begonnen de Staten ook te bedenken, dat juist om aan de 
Engelschen krachtigen weerstand te bieden, de compagnie was 
opgericht , en z^' vermaanden haar dns om , nn betere tijden schenen 
te zgn aangebroken, zelve >wel ende sterck te eqniperen ende 
njt te varen opte Visscherije, dat sy die sonde kannen mainte- 
neren jegens alle beletselen ')/' De aanval, door de Engelschen 
dien zomer (1617) op drie Zeenwsche schepen aan Spitsbergen ge- 
daan, de onaangenaamheden tusschen beide nati(^nin 1618 bewezen 
echter voldoende, dat de positie der Noordsche Compagnie op 
Spitsbergen voorloopig nog zeer gevaarlijk bleef en de konvooi- 
schepen werden tot 1620 toe zonder bezwaar toegestaan. In 1621 
echter gaf de provincie Holland , de jaarlijkscho nitgaven voor de 
Noordsche Compagnie moede , den verstandigen raad om , voordat 
men op nieuw tot het toestaan der konvooischepen overging, te 
onderzoeken of het algemeen belang door de wal visch vangst vol- 
doende gebaat werd om de gedurige uitgaven te wettigen •). De 
raad werd opgevolgd en het onderzoek schijnt een voor de Noord- 
sche Compagnie ongunstig resultaat opgeleverd te hebben : althans 
jnist dit jaar voor het eerst sinds hare oprichting werd het konvooi 
geweigerd , hoewel er geruchten in omloop waren , die van zware 
nitmstingen der Engelschen tegen de walvischvaardcrs spraken *). 
Sedert werd« van het toestaan deii konvooischepen door de Staten- 
Oeneraal geen vaste regel meer gemaakt ; slechts wanneer bizon- 
dere omstandigheden het wenschelijk deden voorkomen, werd de 
walvischvloot door oorlogschepen begeleid. De Engelschen zagen 
weldra voor goed van eene aanvallende houding af; tegen de 
Denen kon de Noordsche Compagnie zich zelve handhaven en kon- 
vooischepen werden dus meer en meer eene zeldzaamheid. Toch 
vinden wjj ze nog in 1639 *) en zelfs na den val der compagnie 
in 1652 genoemd '). 



») Gr. Placaetb. I p. 673. — R. S.-G. 24 Jan., 16 Mrt. 1617. 

•) R. H. verg. v. 20 Apr.— 8 Mei 1621. p. 79. (Resolutie „'t vcrsoeck te 
difficoUeren , tot dat men sien sal wat profijt het pnbl|jck van- dien Handel is 
genietende, te meer, soo verstaen wordt, dat daer door gheruioeert worden de 
onde Neeringen van Oljr-slaen , en van de Handelaers met Zaet.") 

») R. S.-G. 15 Mei 1621. 

*) Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629. 

>) Gr. Placaetb. I p. 688, 84. — De statistiek der jaarlijksche konvooien is 
ali volgt: 

1614 8 schepen. (R. S.-G. 4 Apr., 29 Sept. 1614. — Miss. der Stn.-Gen. aan de Adm. 

V. de Maas, dd. 20 Ang. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A. — 
Resol. Adm. Arast. 24 Apr.. 2, 5 Mei 1614.) 

1615 8 g (R. S.-G. 20 Nov. 1614, 1 Apr. 16!5. — Req. der N. C. 

dd, 1 Apr. 1613, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) 



90 

was met die vooi*slagen zeer ingenomen , maar de zaak bleef slepen 
en toen Z. M. er op tomgkwam , was de Noordsche Compagnie 
op het punt van ontbonden te worden en onder de groote con- 
currentie reeds bijna bezweken. Het plan bleef dus onuitgevoerd ^). 
Maar ook tegen binnenlandscbe concurrentie moest de Noordsche 
Compagnie voortdurend waken. Zij was nu eenmaal van oordeel , 
dat >de Visscherye van Walvisschen ende andere Zeemonsteren 
sondcr Octroy hier te Lande niet konde werden gheconserveert 
nochte behouden, maer by vreemde Natiën ondergeslagen, onge- 
twijffelt in andere Landen sonde worden ghediverteert." *) De 
Staten-Generaal deelden die meening geheel ; zg oordeelden samen- 
werking tegen de vreemde natiën noodig en zg legden er zich steeds 
op toe, om alle Nederlandsche walvischvaarders onder éen octrooi te 
vereenigen. De klachten der Noordsche Compagnie over zgde- 
lingsche inbreuken , op haar octrooi gemaakt door Nederlanders , 
die zich onder vreemden vlag op Spitsbergen vertoonden , werden 
dan ook aanstonds door een plakkaat gevolgd , dat alle dergelgke 
knoeierijen ten strengste verbood (11 Maart 1633) •) , — een plak- 
kaat, dat trouwens zoo slecht gehandhaafd werd, dat de Noordsche 
Compagnie reeds in 1636 en 1638 op vernieuwing moest aandringen *), 
terwgl »de Heeren Bewinthebberen" zelven zich toch konden be- 
roemen, dat zy »altijt hart hadden geweest teegen de Tnterloopers.** *) 
Maar verder wenschte de regeering niet te gaan : hoezeer de com- 
pagnie ook aandrong , men zag volstrekt niet in , waarom de voor- 
deden van het octrooi uitsluitend tot de eerste aandeelhouders be- 
perkt moesten worden. Bij het verleenen der beide eerste octrooien — 
die van 1614 en 1617 — hadden de Staten dan ook de bepaling 



>) Mis». V. Vau Cracauw aan de Stn.-Gcn. dd. 11 Mrl. 1639, in: L. D. 
1639. — Vcrbael der conferentie te Staden en GliicksUdt van 1641, ad 10/20 
Juli. 4/14 Sept. R.-A. 

») Gr. Placactboeck. 1 p. 679 cf. p. 675. 

•) Zie het plakkaat in: Gr. Placaetb. I p. 680, 81. — cf. R. S.-G. 
7. 11 Mrt. 1683. ~ R. H. verg. v. 16 Kebr.— 26 Mrt. 1638. p. 15. — De N. C. 
zelve hnd reeds in 1617 haren bewindhebbers op verbeurte van hun aandeel , de 
b<;trekking van bewin'ilhebber en eenc boete van / 1000 verboden , aandeelcn ia 
bnitenlandsche compagniiin voor de walvischvangst te hebben. (Conir. met de 
Zeeuwen, in : Noordsche togten 4. l/)op. \. C. R.-A.) Deze maatregel werd io 1686 
tot ttllc aandeelhouders uitgestrekt. (Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken 
van Statt. II p. 860.) 

•) Vernl. der confer. met de N. C. (1686), in: Stn. N. C. v. d Hrl. gedeput. R.-A.— 
Aitzema. Sakcn v. Staet. II p. 360. — R. S.-G. 2 Nov. 1638. — Dat de kUchten 
der compagnie niet ojigcgrond waren , schijnt zeker. (Aitzema , Sakcn van Staet* 
II p. H2.— Miss. v. de Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 26 Juni 1637. in: L D- 
1637. — De Stn.-Gen. gaven in den laatsten brief als reden van de slechte hand- 
having van het plakkaat huune vriendschap (?) voor Denemarken op.) 

») Miss. V. Van Cracauw aau de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1689 , in : L. D. 1689. 



91 

gemaakti dat alle Nederlanders, die zich binnen eenen bepaalden tgd 
aanmeldden, door de Noordsche Compagnie moesten toegelaten 
worden tot alle voordeelen, die de eerste participanten genoten, 
bet recht op eene bewindhebbersplaats in eene der kamers niet 
uitgesloten '). Maar al werd deze bepaling — zoo aanstootelijk 
voor de Noordsche Compagnie, die in haren geldnood liever hare 
aitrustingen besnoeide dan dat z^ vreemden in zich opnam *), — 
op haar verzoek *) in de volgende octrooien van 1622 en 1633 
niet meer gehandhaafd *) , de aandrang van buiten hield niet op. 
Steunende op hun recht eischten eerst de Zeeuwen , later de Frie- 
zen *) toelating tot de compagnie; zij moest toegeven en haren 
vijanden het recht op afzonderlgke kamers en bewindhebbers in- 
ruimen •). Bevreesd als de geoctrooieerde vereeniging echter 
voor concurrrentie was , trachtte zij van de mededingers na hunne 
opneming dadelijk bondgenooten te maken '), en zoodra de re- 
geering ook aan den aandrang der kleine Noordsche Compagnie 
had toegegeven en haar recht erkend om naast hare oudere zus- 
ter op Jan Mayen-eiland te visschen , sloot deze dan ook dadelijk 
een contract met de gevaarlijke tegenpartij, waarbij men over- 
eenkwam om samen te visschen en den opbrengst der vangst te 
verdeelen •), — een contract, dat de Noordsche Compagnie niet 



») Wwscnacr, Ilist. verh. VIII fol. 96. — Gr. Placaetb. I p. 670,73. 

») Mias. der Zeeawschc gcdeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19 Oct. 1616, 
in: Archief Zeeland. 

•) N. Z. 22 Febr. 1622. 

•) Gr. Placaetb. I p. 676, 80. 

*) Het maakt een goeden indruk, dat de Friezen zich beter voorstanders 
der vr^heid betoonden dan de N. C. Zij wenschten vrije vaart op Spitsbergen 
(R. S.-G. 18 Nov. 1632. — Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412), zij wilden 
nieuwe participanten toelaten (Aitzema, 1. c. II p. 413), z^ wilden andere Ne- 
derlanders niet van de visscherij uitsluiten. (Aitzema, 1. c. II p. 413.) Ik moet 
echter bekennen, dat ook de N. C, toen zij nog niet de overhand had be- 
honden, vr^zinnige beginselen voorstond, en dat in het contract der l*Viezen 
met de compagnie niets van vrijzinnigheid blijkt. De Friezen waren echter in 
geene positie om de wet te stellen en zijn dus misschien door de machtige N. C. 
overstemd. 

•) Dien van utrecht gelukte de toeleg echter niet. (R. S.-G. 22 Dec. 1622.) 

^) In 1686 kwam de N. C. fcrst met de Ilollandsche steden, die deel aan 
bet octrooi wilden hebben , overeen , gezamenlijk de Friezen te weren (Versl. der 
eonfer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedcput. R.-A.), en toen de 
conditiën der Hollanders onaannemelijk bleken, sloot zij weinige maanden later 
een contract met de tViczen om de Hollanders te weren. (Contr. met de Friezen 
dd. 25 Juli 1636, art. 5-7, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.) Geheel 
op gelijke wyze schijnt de N. (\ reeds iu het najaar vau 1621 met de kleine 
N. C. en de Zeeuwsche walvischvaarders gehandeld te hebben. (Zie hierna 
Hoofdit. IX.) 

•) Inatr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 28 Mei 1616. 



92 

belette , zich bij de eerste gelegenheid tegen do verdere toelating 
harer bondgenooten met hand en tand te verzetten ■). 

Er bleef echter in het octrooi zelve der Noordsche Compagnie eene 
leemte: de Staten-Gcneraal hadden alleen de visscherg aan de 
kusten en landen in het noorden verboden , de zee was vrijge- 
bleven. Tegen de binnenlandsche concurrentie, die ook hiervan 
eerlang gebruik maakte, was de Noordsche Compagnie machte- 
loos. Wel verbood zij haren commandeurs ten strengste, door het 
oefenen der zeevisscherij de aandacht op de mogelgkheid daarvan 
te vestigen *), maar toch, de concurrentie nam toe. De Noord- 
sche Compagnie verzocht toen de Staten-Generaal dringend alle 
>byvang8t" van Nederlanders te weren (1636) *), maar het baatte 
niet: de regeering hield het voor overbodig, nu de Nederlanders 
door de vreemden tot do walvisch vangst toegelaten waren, de 
Noordsche Compagnie ten nadeele van alle andere ingezetenen der 
Vereenigde Provinciën te blgven beschermen. 

Niet alleen de mededinging van buiten af werd door de Noord- 
sche Compagnie geschuwd: zij achtte ook de wrijving, die door 
de werking der verschillende kamers natuurlgk ontstond, ver- 
keerd en trachtte angstig allen schijn van concurrentie zelfs te 
vermijden. Een plakkaat, door de Staten-Generaal in 1614 uit- 
gevaardigd , dat als premie voor nieuwe ontdekkingen ook in 
do IJszee den handel op de nieuw ontdekte plaatsen aan de ont- 
dekkers bij uitsluiting van alle anderen gunde, dreigde steeds 
mededingers to voorschijn te roepen, ja het optreden der kleine 
Noordsche Compagnie was alleen daaraan te wijten geweest. De 
Noordsche Compagnie bepaalde daarom , dat al hare leden of ka- 
mers — van dezen toch ging de meeste concurrentie uit , — zoo 
zij nieuwe landen in het noorden ontdekten, die voortaan »op eere, 
trouwe ende vromicheyt" aan de generale compagnie zouden moeten 
opgeven , opdat ze ten gemeenen bate zouden kunnen geëxploiteerd 
worden *). Nog meer: de Amsterdammers verklaarden eenmaal, 
dat het getal der kamers reeds te groot was om de walvischvangst 
behoorlijk te drijven •); de andere kamers rilden op het denk- 



*) Zie hierna fifdst. IX. 

*) Dooregecst , Rijper zce-postil. p. 352. 

») Vcrsl. der confercnticn met de N. C. (1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. 
gcdeput. R,-A. 

*) ( ontr. met de Zeeuwen , in: Noordsche togtcn. 4. l/oop. N. C. R.-A. — 
In 1636, toen ht^t doen van ontdekkingsreizen geheel opgehondcn had , werd aan 
den ontdekker gedurende 5 jaar de afzonderlijke exploitatie gegund; eerst daarna 
zou de ontdekking ten bate der N. C. komen. (Contr. met de Friezen, bg: Ait- 
zema, Sakeu v. Staet. II p. 360.) 

•) Repartitie v. de Amst. kamer dd. 19 Mrt. 1686 . in : Stn. N. C. y. d. 
Hrl. gedeput. R.-A. 



93 

beeld , dat de band , die ze omsloot , losser gemaakt zou kunnen 
worden, en had de heerschzucht van Amsterdam, die zelfstan- 
digheid wenschelijk maakte, het niet belet, men zou tot de 
vereeniging van alle kapitalen > ouder een gemeene borsse" over- 
gegaan zijn *). Zoover kwam het wel niet, maar toch maakte 
men het onmogelijk, dat zelfs een begin van concunentie zich 
openbaarde. Zich beroepende op de bedoeling der Staten -Ge- 
neraal , die de Noordsche Compagnie opgericht hadden om » meer- 
der ordre ende eenicheyt" in de wal visch vangst te brengen *), had 
de vereeniging er zich dadelijk op toegelegd, om alles zooveel 
doenlgk te reglementeeren. Men hield het voor onmogelijk zon- 
der »een behoorlyck ende voorsichtich reglement" de walvisch- 
yangst anders dan met » confusie ende disordren" te oefenen; 
ja men vreesde, dat de geheele nering dan >teenemael infruc- 
tueux" zou worden *). Deze reglementen betroffen voomame- 
Igk twee nauwsamenhangende zaken : de sterkte der uitrus- 
tingen en de prijs der traan. De Noordsche Compagnie had met 
de beide andere geoctrooieerde Nederlandsche compagniën der 
zeventiende eeuw het beginsel gemeen , dat het beter was weinig 
te vangen en duur te verkoopen dan veel af te leveren tegen 
goedkoope prijzen. Het was dit beginsel, door de compagnie 
streng doorgedreven , dat haar noodzaakte alles te reglementeeren. 
Zg erkende volmondig, dat het haar streven was zoo weinig 
schepen in zee te zenden als met behoud van winst mogelijk was , 
»omme de negotie in goede reputatie te houden"; *) zij meende, 
dat bg groote uitrustingen de prijs van de traan zou dalen en de 
compagnie »sich sou consumeeren *)." Wilde men dit voorkomen, * 
dan behoorde de concurrentie ook tusschen de kamers onderling 
uitgesloten te worden ; men begreep , dat sommigen het voordee- 
liger zouden oordeeleu hunne goedoren spoedig te verkoopen, al 
was het tegen iets lagere prgzen dan de anderen, dan om de 
dure waar misschien maandenlang in de pakhuizen te behouden. 



■) Mias. der Zeeuwsche gedeput. aan de Sin. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616 , in : 
Arch. Zeel. 

*) «Corte Deductie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 
4 Loop. N. C. R.-A. 

•) R. S.-G. 4 Febr. 1622. - N. Z. 17 Mrt. 1622. - Sent. v. de H.R.in 
ttke de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. — Req. der N. C. aan de 
Stn. V. HoU. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput, R..A. 

«) Req. der N. C. aan de Stn.-Gen.dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noord- 
sche togten. 2 Admiraliteit. R.-A. — Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. 
▼. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeeland. 

•) N. Z. 17 Mrt. 1622. — Miss. der Stn. v. Zeel. aan de gedeput. v. Zeel. 
dd. 17 Mrt. 1622. (ByL v. N. Z.) — cf. Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. 
dd. Il Mrt. 1689, in: L. D 1689. 



94 

Daarvoor moest gewaakt worden : de compagnie besloot , jaarlgks 
met gemeen overleg naar gelang der omstandigheden de prgs 
van de traan vast te stellen en de kamers onder eede te doen 
beloven, de haar toebedeelde quarteelen niet onder die bepaalde 
prijs aan de markt te brengen >). Om ontduiking te voorkomen 
verbood men tevens het verkoopen van traan in de IJszee zelve 
en het direct invoeren daarvan in vreemde landen *): vóór 
alles moest de waar in Nederland opgelegd en de prgs bepaald 
worden. 

»Den welstandt der Compaignie/' zoo spraken de bewindhebbers 
nog in 1636, >kan eone u^tbreijdinge niett lijden, maer moeit 
gaen cleijn en de op menage, want hett ghewis is, hoe grootter 
eqnipage hoe meerder schade, want cquipeert men sterck, ende 
vanght men weijnich , soo valt maer schade , vanght men veel mett 
grootte equipage, soo valt den vangst costelycken, ende wortt 
den prijs door de veelheijtt mede onder den voett gesmeten. 
Soo datt men mett vollen vangst oock well schade doen kan. 
Om proff^'t te doen, soo moetmen mett menage equiperen ende 
vangen naer aduenant gheconsumeertt kan worden , ende mett de 
minste kosten sien hett meeste te vanghen, ende int beneficeren 
vanden tracn soo moetten de leden den anderen verstaen *).** 
Dit systeem was volgens de Noordsche Compagnie het ideaal van 
een verstandig beleid: tot haar einde toe volhardde zij daarbg. 
Reeds in 1616 was haar hoofdgrief tegen de kleine Noordsche 
Compagnie, dat zij de markt voor hare goederen bedierf *), en 
nog twintig jaren later , toen eenige HoUandsche steden deel aan het 
octrooi wenschten te krijgen, verklaarden die van Amsterdam, 
dat de nieuwe leden »soo ecnen anderen cours wertt ghesett" 
dan de tot nu toe gevolgde , niet alleen > haer lieden te spade daer 
ouer souden beclaghen ,'* maar dat de geheele compagnie eerlang 
»80u comen in een volcomon verderflf ende ruine." *) 



») Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687.— 
Reparlitie der Amst. kamer dd. 19 Mrt. 10.SC, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. 
gedepnt. R.-A. 

*) Conlr. met de Zeeuwen , in : Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. — 
Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. Il p. 360. 

•) Repartitie der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1G36 , in: Stn. N. C. ▼. d. 
Hrl. gedeput R.-A. 

•) „Cort advertissemcnt" v. Kyen c s. (dd. 29 Febr. 1616), in: Noordsche 
togten. l R.-A. — Kyen r. ». boden dan ook aan , het getal hunner schepen te be- 
perken en de prijs hunner traan niet lager dan van die der N. C. te stellen , 
maar de N. (.'. , die hoopte de kleinere vcrecnigiug geheel te zullen kunnen we- 
ren, weigerde. (»Cort odvertissement.*' 1. c.) 

•) Repart. der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1686, in: Stn. N. C. ▼. d. Hrl. 
gedeput. R.-A. 



95 

Wg hebben gezien, dat de Noordsche Compagnie, opgericht 
om de vrgheid van vaart en visscherij te helpf^n bevorderen, 
weldra ontaardde in een lichaam, dat alle gebreken van eene 
geoctrooieerde maatschappij in hooge mate in zich vereenigde. 
Ongetwijfeld lag het in don aard van het monopolie , dat deze 
richting zich allengs openbaarde, en het is den bewindhebbers te 
vergeven , dat zij , gesteund door participanten , die — minder las- 
tig dan de aandeelhouders der Oost-Indische Compagnie — reeds 
tevreden waren, wanneer de nitdeelingen goed uitvielen en zich 
verder met de beginselen van de leiders der vereeniging niet 
bemoeiden '), dien weg meer en meer bewandelden. Waren ech- 
ter de Staten-Greneraal , beroemd om hunne voor dien tijd ver- 
lichte inzichten, geneigd om zich door eene betrekkelijk kleine 
compagnie als de Noordsche meer en meer te laten medesiepen 
op den weg van bescherming en monopolie , ook toen de nood- 
zakelijkheid daartoe weldra was opgehouden? Waren zij, die het 
toezicht over de handelingen der door hen geschapene compagnie 
oefenden, medeschuldig aan de richting dier handelingen? Laat 
ons ten slotte onderzoeken, in hoeverre de regeering de Noord- 
sche Compagnie in haar egoïstisch streven steunde. 

In de eerste plaats komt natuurlyk bij het bespreken der hulp , 
van staatswege aan de Noordsche Compagnie verstrekt, het octrooi 
zelf in aanmerking. Wij hebben reeds opgemerkt , dat de Staten- 
Generaal slechts daarom eenheid onder de Nederlandsche walvisch- 
vaarders wilden, omdat zij het onmogelgk achtten op andere 
wgze den Engelschen ontzag in te boezemen, en dat zij het 
octrooi eerst verleenden , toen de Engelschen zejven door geweld- 
dadig optreden het sein daaitoe gegeven hadden. Het komt mg 
dan ook voor , dat de veroordeeling , door De la Court — en na 
hem door bgna alle schrgvers — over het beleid der Staten- 
Generaal in deze zaak uitgesproken , onverdiend is. De beroemde 
vgand van alle bescherming verklaart , dat de oprichting der 
Noordsche Compagnie >quaalik gedaan was,*' omdat de wal- 
vischvangst na de opheffing van het octrooi sterk is toege- 
nomen; >dog met het opregten der Geoctroy eerde Compagnien 
op Oost- en West-indien," dus vervolgt hij, »was het een 
geheele andere saak: want het een noodsakellk quaad 
heeft schgnen te weesen , om datmen wilde handelen in ende om- 
trent soodaanige Landen , daar onse vyanden voor particulieren te 
sterk souden sgn geweest; sulks in alle manieren schijnd dienstig 
geweest te zyn , dien handel door een kragtig gewaapende hand te 



*) Wassenaer, Ilist. verh. VIII fol. 96. — Geen pamphlet is mij bekend , dat 
klaagde over de handelwijze van de bewindhebbers der N. C, die toch ook de 
voor de O.-l. C. eoo kritieke jaren 1622 — 24 mede doorleefden. 



96 

ioudeoren ; en dat vermits dit Land met den oorloge teegen den 
Koninge van Spanjen worstelende, alle sijne kragten noodighad, 
het seor voorsigtelik is geweest, die Geoctroyeerde Compagnien op 
te regteu •)." Uit het door De la Court zelven later aangevoerde *) 
blykt voldoende, dat men bij de oprichting der Noordsche Com- 
pagnie volkomen in hetzelfde geval was als bij de Oost- 
en West-Indische Compagniön *) , en had men ook bij deze ver- 
eenigingon eeno proef met de opheffing genomen , de uitkomst zou 
ongetwijfeld evenzeer ten nadeele der octrooien zijn uitgevallen als het 
in 1642 met de Noordsche Compagnie het geval was. De woorden 
van De la Court zelven over de Oost- en West-Indische Compag- 
nien bevatten dus de beste rechtvaardiging van het beleid der 
St aten-Generaal met betrekking tot de Noordsche. 

Den inhoud van het octrooi deelde ik reeds boven mede. Het 
was den 27 Januari 1614 voor drie jaren verleend ♦) en werd 
den 1 April 1615 voor nog een jaar verlengd '): met het jaar 
1618 zou dus de visscherij weder openvallen. Maar reeds 24 
Januari 1617 was het octrooi der Noordsche Compagnie, nu ver- 
eenigd met die van Zeeland , op nieuw verlengd , ditmaal voor vier 
jaren •) : de eenige merkwaardige bepaling was, dat de regee- 
ring — gewaarschuwd door de geschillen der Noordsche Compagnie 
met de kleine Noordsche en met de Zeeuwen - zich de beslis- 
sing in twisten tusschen de leden der compagnie voorbehield *). 
Met het jaar 1621 eindigde echter ook dit octrooi en de 
Noordsche Compagnie drong op vernieuwing aan •). Maar onder- 
wijl was er onder de Nederlandschc walvischvaarders een twist 
ontstaan, die zelfs door bemiddeling der Statcn-Generoal niet bij- 
gelegd kon worden. En daar alleen samenwerking van allen te- 
gen den gemeenschappelijken vijand het doel der Staten mot het ver- 



*) Aauwysing der heils. polit. Grouden. p. 8^, 85. 

*) Aanwjsing. p. 188, 191. 

•) Vgl. p. 75 Noot 3. 

*) R. S.-O. 27 Jan., 27 Mrt. 1614. 

•) R. S.-G. 4 Apr. ICU, 1 Apr. 1615. — Req. der N. C. aao de Stn.-Gen. 
dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. j/oop. N. C. R.-A. 

•) R. S.-G. 23 Der. 1616, 21 . 24 Jan. 1617. 

') Gr. Placaelb. I p. 673, 74. — R S.-G. 24 Jan. 1617. — Sent. t. de 
H. R. in zake de N. C. Noordcrkw. c. Amst. dd. 81 Mrt. 1635. — Van de 
bevoegdheid . die de regecring zich zelve dus toegekend had , maakte z\j slechts 
hoogst zelden gcbrnik en altgd om de walvischvaarders tot eenheid te brengen, 
(cf. R. S.G. 2 Sept. 1621, 25 Jan., 3. 4, 5 Febr. 1622, 24 Mrt., 
14 Apr. 1623.) 

•) R. S-G. 24 Ang., 1, 2 Sept., 6 Oct. 1621, 8 Jan. 1622. — Req. der 
N. C. aan de Stn -Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togtcn. S.Ontd. t. Jan 
Mayen-eiland. R.-A. — Rrq. drr kl. N. (\ aan dr Stn.-Gn. dd. 2 Sept. 1621, 
iu: Noordsche togteii. 2. Admiraliteit. K.-A. 



97 

leenen yan het octrooi der vereeoiging geweest was, scheen het 
werkolgk de vraag of het vernieuwd zou worden. De Staten- 
Oeneraal, wien hefc onmogelijk was de twistenden te vereenigen, 
namen een voorloopigen maatregel en gaven aan beide partijen 
den 4 Februari 1622 verlof om voor dat jaar op zekere voorwaarden 
en met eene regeling, die ze dwong elkaar niet te hinderen, de 
walvischvangst gezamenlijk te oefenen * ). De regeering oordeelde 
het nog steeds noodig , de Nederlandsche -walvischvaarders als een 
vast aaneengesloten macht tegenover de Engelschen te stellen , en 
spaarde daarom geene pogingen om hen nog tot eenheid te bren- 
gen. De regeling van 1622 voldeed geheel aan hare verwachting: 
den 20 December 1622 werd in de statenvergadering een request 
voorgelezen van de drie Nederlandsche compagniën voor de wal- 
vischvangst, die »nu tsamen vereenicht'* waren. Zy verzochten 
een nieuw octrooi , dat hun nu reeds twee dagen later voor twaalf 
jaren verleend werd *). 

Het schgnt mij zeer twijfelachtig , of de St^ten-Generaal ditmaal 
niet den goeden weg verlieten en overgingen tot bescherming , waar 
de omstandigheden zulk eenen voor het publiek belang schadelijken 
maatregel niet wettigden. Het gevaar toch voor buitenlandsche 
aanvallen was grootendeels geweken. Engeland deed in 1623 en 
1624 nog wel pogingen om zgne uitsluitende pretensiën te hand- 
haven , maar het had de macht niet om z^'nen wil door te zetten. 
Denemarken , dat eerst in 1623 met de Nederlanders ernstig in 
conflict kwam, had nooit den emstigen wil hen van Spitsbergen 
te verdreven. Toch liet zich misschien het nieuwe octrooi als 
voorzorgsmaatregel wel verdedigen, maar zeker onverdedigbaar 
was het , dat de Staten tegelykertyd een grooten stap op den weg 
der bescherming vooruit deden. Het octrooi van 1622 verschilde 
in vier punten met de vroegere, en het verschil was steeds ten 
nadeele der vrijheid. Beeds in do voorgaande bladzgden merk- 
ten w^* op, dat ditmaal voor het eerst niet als vroeger aan 
nieuwe participanten gelegenheid werd gegeven om tot de Noord- 
sche Compagnie toe te treden : de bescherming aan de vereeniging 
verleend ontaardde dus in eene bescherming van bepaalde personen. 
En wat do zaak nog erger maakte was, dat de voordeelen van 
het octrooi nu niet meer voor drie of vior jaren, maar voor den 
langen tyd van twaalf jaren aan dezelfde participanten gegund 
werden , terwgl de straf op inbreuken van het octrooi — vroeger 
alleen in verbeurdverklaring van schip en goed bestaande — nu 
met eene boete van ƒ 6000 voor elk schip verzwaard werd. Een 
laatste verschil met de vroegere octrooien was , dat in 1622 — waar- 



>) R. S-6. 26 Jan., 8. 4, 6 Febr. 1622. 
>) R. S.-0. 20, 22 Dec. 1622. 



98 

schijnlyk om »lorrendrayeri6n*' met kracht^en zekerheid te weren — 
do bepaling gemaakt werd, dat niet alleen handel en visschergy 
maar zelfs de vaart op Spitsbergen niet vrij meer zou zyn. Zelden 
kwam het zeker voor , dat een Nederlandsch schip , dat zich met 
op de yisschery wilde toeleggen, naar het verafgelegone eiland 
kwam, maar de omstandigheid, dat het > havenen" aan dexe 
eenige rustplaats in de IJszee tot 1642 niet geoorloofd was , kan 
toch niet anders dan ongunstig op de ontdekkingsreizen in het 
noorden gewerkt hebben *). 

Het monopoliestelsel won nu blikbaar allengs in kracht: het 
octrooi, dat eerst met het einde van 1634 vervallen zou, werd 
reeds 25 October 1633 op geheel dezelfde voorwaarden als in 
1622 zonder eenige moeielijkheid voor niet minder dan acht jaren 
vernieuwd '). Eerst toen dit octrooi met het einde van 1642 
afgeloopen was, toen de Engelschen sinds achttien jaren geene 
vijandelijkheden meer gepleegd hadden en ook de Denen, al was 
het met leedwezen, in de vrije visscherij der Nederlanders nit- 
drukkelijk bewilligd hadden, zagen de Staten het verkeerde van 
hunne handelwijze in '). De aandrang van alle landprovinciSn , 
die aandeel aan het octrooi wilden hebben , en die dus de moeielgk- 
heid eener goede regeling bizonder verzwaarden, zal het bare 
daartoe bijgebracht hebben: hoe het zy , het octrooi werd in 1642 
niet meer vernieuwd ♦). 

Nauw hing met het verleenen van octrooi samen het zorgen 
voor een behoorlijk geleide van de vloten der Noordsche Com- 
pagnie. Jaarlijks van den aanvang af verzocht de compagnie van 
de Staten-Generaal eenige oorlogschepen ter harer bescherming 
tegen Engelschen en andere v^anden; jaarlijks werd het verzoek 
aanvankelijk toegestaan. En terecht: hetzelfde motief, dat de 
regeering tot het verleenen van een octrooi gedreven had, moest 
haar ook bewegen tot het ondersteunen der compagnie met kon- 
vooischepen , zoolang zij zelve niet in staat was in hare verdedi- 
ging te voorzien. Voornamelijk daaraan was het dan ook te dan- 
ken , dat de Engelschen de vsral vischvaarders in de drie eerste jaren 



") VgL Zorgdrager, Grocnl. viswh. p. 237. — De walvischvangst. 1 p. 81. 

») R. S.-G. 18. 25 Oct. 1633. 

•) Reeds ia 1636 had de N. C. te vergeefs om verlenging van octrooi aange- 
honden. (VersL der 1* en 2« confer. met de N. C, conc.-rapp. aan de Stm v. 
HoU., in: Stn. N. C. v. d. firl. gedeput. R.-A.) In 1642 herhaalde ai dit ver- 
zoek nadrukkelijk. (Req. der N. C. aan do Stn. v. Holl. dd. 18 Jan. 1642, in: 
Stn. N. C. V. d. Ilrl. gedeput. R.-A.) 

*) Aanwysing. p. 191. — De octrooien zyn o. a. afgedrukt in: Gr. Placaetb. 
I p. 669, 671, 673, 677. -- Ue eenjarige verlengingen van 1615 en 1622 waren 
echter tot nog toe niet bekend; het schgnt niemand iu het oog gevallen te z\jn, dat 
de jaren xonder deie beide niet aansloten. (Zie o, a Ln«ac , HolL rijkdom. 1 p. 847J 



99 

na de oprichting der Noordsche Compagnie met rust lieten. Maar 
toen begonnen de Staten ook te bedenken, dat juist om aan de 
Engelschen krachtigen weerstand te bieden, do compagnie was 
opgericht , en zij vermaanden haar das om , nu betere tijden schenen 
te zgn aangebroken, zelve »wel ende sterck te equiperen ende 
ujt te varen opte Visscherije, dat sy die soude kunnen mainte- 
neren jegens alle beletselen ')/' De aanval, door de Engelschen 
dien zomer (1617) op drie Zeeuwsche schepen aan Spitsbergen ge- 
daan, de onaangenaamheden tusschen beide natiën in 1618 bewezen 
echter voldoende, dat de positie der Noordsche Compagnie op 
Spitsbergen voorloopig nog zeer gevaarlijk bleef en de konvooi- 
schepen werden tot 1620 toe zonder bezwaar toegestaan. In 1621 
echter gaf de provincie Holland , de jaarlijkscho uitgaven voor de 
Noordsche Compagnie moede , den verstandigen raad om , voordat 
men op nieuw tot het toestaan der konvooischepen overging, te 
onderzoeken of het algemeen belang door de walvischvangst vol- 
doende gebaat werd om de gedurige uitgaven te wettigen '). De 
raad werd opgevolgd en het onderzoek schgnt een voor de Noord- 
sche Compagnie ongunstig resultaat opgeleverd te hebben : althans 
juist dit jaar voor het eerst sinds hare oprichting werd het konvooi 
geweigerd , hoewel er geruchten in omloop waren , die van zware 
nitmstingen der Engelschen tegen de walvischvaarders spraken '). 
Sedert werd^ van het toestaan den konvooischepen door de Staten- 
Oeneraal geen vaste regel meer gemaakt ; slechts wanneer bizon- 
dere omstandigheden het wenschelijk deden voorkomen, werd do 
walvischvloot door oorlogschepen begeleid. De Engelschen zagen 
weldra voor goed van eene aanvallende houding af; tegen do 
Denen kon de Noordsche Compagnie zich zelve handhaven en kon- 
vooischepen werden dus meer en meer eene zeldzaamheid. Toch 
vinden wij ze nog in 1639 *) en zelfs na den val der compagnie 
in 1652 genoemd '). 



») Gr. PUcaetb. I p. 673. — R. S.-G. 24 Jan., 16 Mrt. 1617. 

•) R. H. verg. v. 20 Apr.— 8 Mei 1621. p. 79. (Resolutie „*i vcrsoeck te 
difficalteren , tot dat men sien aal wat profijt het pnblijck yan^dien Handel is 
genietende , te meer, soo verstaen wordt , dat daer door ghernineert worden de 
oude Neeringen Tan Oly-slaen , en van de Handelaers met Zaet.") 

•) R. S.-G. 15 Mei 1621. 

*) Aitzema, Sakcn v. Staet. Il p. 620. 

») Gr. Placaetb. I p. 688, 84. — De statistiek der jaarlgksche konvooien is 
ali volgt: 

1614 8 schepen. (R. S.-G. 4 Apr., 29 Sept. 1614.— Miss. der Stn.-Gcn. aan de Adm. 

V. de Maas, dd. 20 Ang. 1614, in: CoU. Bisdom. 160. R.-A. — 
Resol. Adm. Arast. 24 Apr., 2, 5 Mei 1614.) 

1615 8 , (R. S.-G. 20 Nov. 1614, 1 Apr. 1615. — Req. der N. C. 

dd, 1 Apr. 1615, in: Noordsche togtcn. 4. Loop. N. C. R.-A.) 

7» 



100 



Aan het hoofd van het konvooi werd door de Staten-Generaal 
steeds een Commandeur-generaal geplaatst , die , bijgestaan door 
een raad uit de andere kapiteins der konvooischepen (als Yice- 
Admiraal en Schout-bij -Nacht) en zoo mogelijk ook uit de schip- 
pers van de schepen der compagnie, over alle zaken van belang 
besliste. Alles wat op de verdediging der schepen betrekking 
had, was uitsluitend aan dezen raad overgelaten, en de afschei- 
ding tusschen krggs- en handelszaken was zoo scherp, dat het 
aan de bemanning van het konvooi , die natuurlgk aan Spitsber- 
gen meestal zonder werk was , verboden was den walvischvaarders 
in hun bedrijf de behulpzame hand te bieden anders dan tegen 
betaling *). Ter vergoeding van de kosten, door de Staten-Ge- 
neraal voor het konvooi gemaakt , werd verder van de Noordscbe 
Compagnie een vast > lastgelt" geheven , dat bestond in 1 J */, in- 
komend recht van de ingevoerde goederen ^). Dat dit voor de 



161G 5 schepen. (R. S.-G. 28 Apr., 11. 12, 23 Mei, 2 Jnni 1616. — Req. 

der N. C. dd. 29 Apr. 1616, in: Noordsche togten.4. Loop. N. C. 
R.-A. — Instr. der Sin.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.) 

1617 1 „ (R. S.-G. 20 Apr., 13, 15 Mei 1617.) 

1618 2 „ (R. S.-G. 12, 30 Jan. 1618. — Sent. v. de H. R. m zake 

de N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 81 Mrt. 16«15.) 

1619 3 , (R. S.-G. 23, 28 Mrt., 7, 15 Mei 1619.) 

1620 1 , (R. S.-G. 23, 27 Mrt., 13 Apr. 1620. — . Req. der N. C. 

dd. 27 Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2. Admir. R.-A.) 
(R. S.-G. 28, 30 Apr., 15 Mei 1621.) 
(R. S.-G. 17, 29 Apr. 1622.) 



1621 geene « 

1622 geene „ 

1623 geene „ 

1624 gcenc ;, 



(R. S.-G. 14, 16 Mrt., 23 Apr. 1624. — Vgl. echter hierue 

Hfdst. VI ad 1624.) 

(R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625.) 

(R. S.-G. 26 Fcbr. , 23 Mrt. 1626.) 

(R. S.-G. 16 Mrt. 1627.) 

(R. S.-G. 1, 3 ^Irt. 1628.) 

(R. S.-G. 11 , 25 Apr. , 2 . 3 , 16 Mei 1629.) 



(R. S.-G. 19 Apr. 1631.) 



1625 1 , 

1626 2 

1627 2 „ 

1628 2 „ 

1629 geene „ 

1630 geene „ 

1631 geene „ 
1632i 

tot [geene „ 
1638) 
1639 1 n 

16401 
tot jgeene „ 

1642\ 

De kleine N. C. verkreeg in 1618 en 1620 voor zich alleen nog ecnig geschat 
ter leen. (R. S.-G. 17 Mrt, 21, 25 Apr. 1618, — 4, 18, 28 Apr., 1 Mei 1620) 

>) R. S.-G. 29 Apr. 1615. — Instr. der Stn.-Gcn. voor Quast en Schrobop, 
dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616. 

*) Miss. der Stn.-Gen. aan do .\dmiralit. v. de Maas dd. 20 Ang. 1614, in: 



(R. S.-G. 23 Apr., 16,18 Juni 1689. — Aitzema , Saken 
V. Staet. II p. 629.) 



101 

regeering eene niet geheel te verwerpen bron van inkomsten was , 
blgkt nit het feit, dat in 1632 voor éen beladen walvischvaarder 
aan inkomend recht werd betaald ƒ 231 — 12 st. voor de traan , 
ƒ 189 — 12 st. voor de baarden ^). 

Wij zagen dus , dat het verleenen van octrooi en het toestaan 
van konvooischepen — maatregelen van geheel gel^ke strekking — 
volkomen gerechtvaardigd waren door den drang der omstandig- 
heden; w^ hadden echter tevens gelegenheid op te merken, dat 
de Staten-Oeneraal bg het eerste middel, weinig lettende op de 
eischen van het oogenblik, te lang voortgingen met hunne be- 
schermende hand over de kooplieden uit te strekken, eene fout, 
die zg bij hot tweede middel gelukkig wisten te vermeden. De 
hulp , voor het overige door de Staten-Generaal aan do compagnie 
verstrekt, draagt evenals de reeds besprokene over het ge- 
heel den stempel hunner vrgzinnige regeeringsbeginselen. Zg 
verleenden aan de compagnie allen noodzakel^ken steun , maar zg 
handhaafden tevens vooral in den beginne ook tegenover de com- 
pagnie zelve het beginsel van gel^ke rechten voor alle natiën, 
dat tot de oprichting eener geoctrooieerde vereeniging had geleid. 
Zoo bevalen zg den bevelhebbers van het konvooi ten strengste, 
alle aanvallen van vreemden op de schepen der compagnie te 
keer te gaan, maar om ook van hunne z^'de alle vreemde wal- 
vischvaarders tot de visscherg toe te laten ^) ; zoo weigerden zg 
standvastig de compagnie te volgen op den weg der bescherming 
door den invoer van traan en baarden van buitenslands te ver- 
bieden ') en zoo werd ook de zeevisscherij van Neder] andsche >b7- 
vaerders*' nooit door hen geweerd *). Van den anderen kant 
poogde de regeering de compagnie tegen inbreuken op haar octrooi 
langs slinksche wegen te beschermen door het plakkaat van 11 
Haart 1633 *). Zij maakte dadelijk een einde aan den windhan- 
del in traan en baarden, die in de laatste jaren der compagnie 
oen noodlottigen invloed dreigde te hebben. Een mandement van 

ColL Bisdom. 160. R.-A. — Resol. Adm. Amst. 26 Aug. 1614. — R. S.-6. 24 Oct. 
1642. — De koQTOoigdden werden later, waarschijnlijk in 1623(R.S.-6. 12 Joli 1622), 
tot 2*/^ verhoogd (6r. Placaeth. 1 p. 682. — Lnzac, HoU. rijkd. 1 p. 848) en 
eent in 1675 afgeschaft. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 801.) 

*) Dictom ▼. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 8 Apr. 1687. — 
•Corte Deductie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624 , in : Noordsche togten. 4. Loop. 
N. C. R..A. — Gr. Placaeth. I p. 679. 

*) Instr. der Stn.-Gen. voor Qaast en Schrohop dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616 

') Zie hierTÖor p. 89. 

«) Zie hiervoor p. 92. 

•) Zie hiervoor p. 90. — De „violatenrs" van het octrooi der N. C. moesten 
op bevel der Stn.-Gen. door de konvooiers genomen en met schepen, vangst en ge- 
reedschappen in Nederland ingebracht worden om voor de admiraliteit terecht- 
Seateld te worden. (Instr. der Stn.-Cren. voor Schrobop dd. 28 Mei 1616.) 



102 

prins Frederik Hendrik ontsloeg de contractanten in zulke zaiken 
vau de levering, en hoewel men laag neerzag op dengene, die 
zich, zooals men zeide, >met Prins Fredrik Hendrik behielp/* 
waren de nadeelige gevolgen van den windhandel door den maat- 
regel natunrlijk voorkomen *). Ook John Osborne, een Engelsch- 
man, die door eene op aansporing van de bewindhebbers der Noord- 
sche Compagnie gedane uitvinding veel bijgedragen had tot het 
rijzen van den prijs van het balein, werd dadelijk door de Staten- 
Generaal met een octrooi voor tien jaren begiftigd ^). 

Al deze handelingen, die mij toeschynen den toets der kritiek 
zegevierend te kunnen doorstaan , getuigen van het loffelgk streven 
der Staten-Generaal , om de door hen in het leven geroepene com- 
pagnie zooveel mogelyk te helpen en aan den anderen kant toch 
niet de eischen te vergeten, die eene vrijzinnige staatkimde hun 
deed. Het was echter reeds vooraf te vreezen, dat de regeering , 
dus geslingerd tusschcn de begeerte om eene uit haren aard uit- 
sluitende vereeniging van onderdanen vooi*t te helpen en den 
wensch om liberaal te blijven ook tegenover vreemden, niet alt^d 
het rechte pad zou blijven bewandelen , maar dat z|j dikwgls zou 
afwijken. En werkelyk gebeurde het zoo I Het toezicht , door de 
Staten aanvankelijk op de daden der compagnie gehouden, om haar 
te noodzaken de beginselen van uitsluiting , die zij aankleefde , ten 
minste niet tegenover vreemde natiön in praktijk te brengen *) , ver- 
flauwde langzamerhand en hield weldra geheel op. £n toen de 
Noordsche Compagnie eenmaal de bezwaren van haren toestand 
te boven gekomen was en dus, terwijl zij den steun der Staten- 
Generaal geheel missen kon, hun toezicht en himne waarschu- 
wende stem moer dan ooit behoefde, gaf de regeering door het 
verlengen van het octrooi juist het eerste blijk van hare veranderde 
gezindheid. Maar het was niet het laatste! De Staten-Generaal 
namen in de geschillen der Noordsche Compagnie met Denemarken 
steeds, en soms ten onrechte, de partjj hunner onderzaten, en 
toen in 1632 en 1633 de Franschen door de schepen der compagnie 
uit de Robbenbaai verdreven waren , namen de zoo vrijzinnig ge- 
prezene Staten tegenover de klachten der verongelijkten eene hou- 
ding aan, die overtuigend bewees, dat ook zfj zich soms door 
partijdigheid van het rechte pad lieten brengen *). 

*) Zorgdrager, Groenl. visach. p. 800. — Tegcnw. Staat. I p. 598. 

*) Wassenaer, Hist. verh. VIII foL 87. — Zie meer hierna Hfdst. III. 

*) R. S.-G. 29 Apr. 1615 , 16 Mrt. 1617.4 Febr. 1622. — Inatr. der Stm-Gea. 
▼oor Qaast en Schrobop dd. 29 Apr. 1614, 28 Mei 1616. 

^) Zie over de houding der Stn.-Gen. tegenover de N.C. en hare medediogen 
meer aan het einde van Hfdat. VIII en IX. — Vgl. over do hnlp, door de 
regeering na den val der N. C. aan de Nederlandache walvischvaarders verleend: 
Tegenw. Staat. I p. 598, 98. — De walviachvangst. I p. 21—84, II p. 88. 



HOOFDSTUK III. 



DE WALVISCHV ANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE. 



Wg hebben in het vorige hoofdstuk gezien, hoe de Noordsche 
Compagnie ingericht was en welke beginselen zg aankleefde; 
w$ znllen nu trachten te schetsen , hoe die zonderling ingerichte 
vereeniging deze bekrompene beginselen by haar bedrijf in toe- 
passing biucht. Het laat zich vooruitzien, dat w^ hier geen 
tafereel zullen kunnen ophangen van den weldadigen invloed, van 
het leven en do drukte, van de verbeteringen en bezuinigingen, 
die de vrije concurrentie aanbrengt; maar toch blyfb het schouw- 
spel aantrekkelgk genoeg. Het is belangwekkend , die kooplieden , 
die eenvoudige zeelieden der zeventiende eeuw zich te zien inspan- 
nen om een nieuw bedrgf te grondvesten; het is een tooneel, 
dat onze bewondering opwekt , te zien , hoe die onervaren mannen , 
van alle kanten besprongen en met den ondergang bedreigd , wel- 
dra den palm der overwinning wegdragen en al hunne mede- 
dingers in dat nog zoo kort geleden hun onbekende bedrgf over- 
treffen, — hoe zg, de bewoners van een spanne gronds, de barre 
en bgna ongekende kusten der IJszee met een drukte en gewoel 
vervallen, die nog na verloop van eeuwen algemeene belangstel- 
ling wekken. 

Ten einde een duidelgk overzicht van de werking der Noordsche 
Compagnie te verkrijgen, doen wg het best haar in haar bedrijf 
te volgen: z^ zelve wgst ons den weg, dien wij bij ons ver- 
haal moeten gaan. Wy vinden haar reeds dadelgk bezig met 
het gereedmaken der walvischvloot. Zoodra de algemeene ver- 
gadering in het begin van Maart het getal schepen bepaald had, 
dat dit jaar naar het noorden zou zeilen, zetten de kamers 
zich gverig aan het werk om de schepen, die elk volgens hare 
quote leveren mocht ^), voor de reis uit te rusten. Het eerst 



■) Dat het aantal der schepen, door elke kamer uitgerust, daarom niet altijd 



104 

kwam het er op aan een geschikt schip te vinden. De dnbbde 
bemanning, die men steeds meevoeren moest, vooral de mime 
vangst , maakte het wenschelgk vrg groote schepen voor de wal- 
vischvangst te gebruiken. Maar in die dagen, toen men het 
Ijs nauwelyks zag , was het gevaar , waaraan de vaartuigen bloot* 
stonden, daarentegen uiterst gering, en men koos dan ook meestal 
oude schepen, die voor eene verre reis niet meer deugden *)• 
Waren voor de zeevisschery kleine schepen voldoende *), kajn- 
tale schepen van 2 tot 500 ton ') , met eene bemanning van 80 
k 90 man *) werden voor de visscher^ in de baaien, die voor de 
compagnie altyd hoofdzaak bleef, gekozen '). 

Eenmaal in het bezit van een geschikt schip, had men zich 
bezig te houden met de uitrusting, die zeer omslachtig was. De 
inrichting der compagnie zal er het haie toe b^gedragen hebben 
om de uitgaven te vermeerderen en om niet alt^d d&ar te doen 
besparen, waar het wen8chel|jk en noodig scheen. Hoe dit zg, 
men klaagde over groote kosten *). £n geen wonder! Bg een 
groot schip behoorden toch niet alleen 4^6 sloepen , ruim genoeg 
om behalve den harpoenier en zyne gereedschappen eenen stuur- 
man en vier roeiers te kunnen bevatten ^); maar ook verschil- 



geheel geëvenredigd was atn kaar aandeel in de compagnie , blijkt o. a. nit hei Ibtt, 
dat de Amsterdamsche kamer, die de helft der aandeelen bezat, in 1614 ileehta 
4 van de 11 tchepen en jachten nitrnstte. (Resol. Admir. Amit. 19 Apr. 1614.) 
Het komt mij daarom niet onwaarsch^nlijk vuor, dat slechts bet aantal der 
sloepen, die iedere kamer volgens bare qnote in zee mocht brengen , door 
de algeraeene vergadering bepaald werd. Daar die sloepen dikwijls in het noor- 
den achterbleven, kon men met het zenden van weinige, zeer groote schepen, 
van veel volk en veel victualie voorzien, volstaan en de te groote vangst door 
naschepen laten afhalen. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241. — De walvischvangst. I p. S2. — 
Scoresby, Accoant of the arctic regions. II p. 181. 

*) Raven, lonrnael vande rejse nae Spitsberghen. p. 5. 

') Edge, Dntch distnrbance, bjj : Porchas, Pilgrimes. III p. 467» 68. — 
Br. V. Catcher aan Heley. dd. 29 Jani 1623 , bij : Pnrchas, 1. e. III p. 787. ~ 
Een schip van 600 last was eene groote uitzondering. (1 last = 2 ion.) 

*) Raven (loornael vande rejse nae Spitsberghen. p. 10) noemt een tehip be* 
mand met 86 man. 

*) Raven, lonrnael. p. 8. 

*) Aanwysing v. gronden en maximen, p. 75. — Scoresbj, Aceonnt. Il p. 56. — 
Repartitie der Amst. bewindh. N. C. dd. 19 Mrt. 1686, in : Stn. N. C. t. d. Hri. 
gedepnt. R.-A. 

*) Req. V. Vrolicq aan de Stn.-Gen., in: NoordKhe togten. 4. Loop. N. C. 
R.-A. — Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 251 , 882 , 888. — De walviachTaagsi. 
p. IV. — Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Il oom c Enkh. dd. 4 Apr. 1687. — 
Br. T. Salmon aan Sherwin dd. 24 Joni 1618, — van Catcher aan Hekj 
dd. 17 Juni 1620, — van Fanne aan Helej dd. 24 Jnni 1628, in: Paraat, 
Pilgrimes. III p. 788 , 785 , 786. 



105 

lende gereedschappen voor de walvischyangst , vaten of qnarteelen 
om de gemaakte traan te bergen, of ten minste duigen, waar- 
uit de kniper ze timmeren kon , walvischlijnen van 200 vadem het 
stuk '), voorgangers (kleine lijnen, die aan den harpoen beves- 
tigd waren), harpoenen en lenzen om walvisschen en walrussen 
te vangen en te dooden moest men jaarlijks medevoeren. Want 
al liet men jaarlgks veel in het noordon achter voor het vol- 
gende jaar, steeds was er nienw gereedschap noodig ^). Daarbg 
kwamen de kosten tot wapening der schepen. Wel gingen er in 
de jaren, dat de strijd met buitenlanders het levendigst was, meestal 
konvooischepen mede naar het noorden, maar men wilde toch 
niet geheel onvoorbereid uitgaan. Beeds in 1614 voorzag de 



') Drie Voytgien na Groenlandt. p. 18. — Scoresbj (Acconnt. II p. 178) 
fpraekt TUI 800 vadem, Zorgdrager (Groenl. tIbscIl p. 335) over latere t^den 
aprekende van 125. 

*) Zorgdrager, Oroenl. viasch. p. 882, 88. — De walvischvangst. I. p. 85. — 
Hariena, Vojage into Spitzb. , b^: White, Spitzb. and Oreenl. p. 119, 20, 25. — 
Corte Deductie ende Remonstr. der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordtche 
togten. 4. Loop. N. C. R.-A. — Zie over den inbond van een walvischvaarder 
de Nederlandsche en Engelscbe schaderekeningen van 1617 en 18, in: Noordache 
togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en : Lias loop. 1618. R.-A. — Om eenig denkbeeld te 
geven van de onkosten der reeders, ontleen ik daaraan de volgende, zeker nog 
al hoog getaxeerde cijfers. Een traanketel werd berekend op pd. vl. 66 — 14 — 4, 
een lyn op 1 pd. vL , 3 sloepen op 50 pd. vl. , l lans op 5 sh. , de harpoenen, 
lenzen en messen van een schip te zamen op 25 pd. vl. , 6 gotelingen op ƒ900, 
1 mnaket op Ji 1 — 10 , 100 pnnd kmit op ƒ 45 , 1 ton bier op ^ 8 , de vic- 
tualie van de bemanning van een schip voor eene maand op 75 pd. vl., de gage 
van het scheepsvolk van een schip voor eene maand op pd. vl. 69 — 8 — 4 , de 
hereidingskosten van l okshoofd spek tot traan in Nederland op / 2. — Een 
beladen walvischvaarder werd in 1624 van een Duinkerker gerantsoeneerd voor 
ƒ 10,000 en ƒ 200 voor de zeilen. (Wassenaer. Hist. verh. VIII fol. 86.) — Verder 
U^jkt nog , dat men voor eene reis medenam 2600 vaten (Eng. schaderekening) , 
dat men voor de vangst van 1817 qnarteelen 6 sloepen noodig oordeelde, dat 
eene vangst van 657 qnarteelen geen voldoende vergoeding gaf voor de kosten 
der uitrusting van een schip, dat de reeders voor het opnemen van geld (in 1682) 
betalen moesten 8*/, (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. 
dd. 4 Apr. 1687) en dat de uitrusting hier te lande 40*/, duurder was dan in 
andere landen, waarsch^nl^k omdat alle materiaal van buitenslands moest inge- 
voerd worden. (Req. v. de kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: NoordKhe 
togten. 2. Admiraliteit. R.-A.) — Berghaus (Wat men van de aarde weet. II p. 887) 
spreekt ook van proviandschepen , die de vloten der N. C. vergezelden. Daarvan 
ia m^ van eldera nieta gebleken. — Verschillende opgaven van kosten en opbrengst 
der walvischvangst vindt men nog verspreid in : Dictums v. de H. R. in zake de 
N. C. Hoorn e. Enkh. dd. 28 Mrt. , 8 Apr. 1687. en in: Sent. v. de H. R. in zake 
ak boven dd. 4 Apr. 1637. — Over de uitrusting van een schip in latere jaren 
en de onkosten der reeders vergelijke men: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 385 — 86, 
89—42, 46, 70, 71, 72. - De walvischvangst. I p. 84, 85, 89—116. — Martens 
L e. p. 188, 34. — Scoresby, Account. II p. 151 (volgens tabellen in : De Koop 
min, en door Oerard Van Santé.) — Dooregeest, I^jper zeepostiL p. 353. 



106 

Noordsche Compagnie hare schepen dan ook van geschat en 
ammunitie ^), en toen do regeering de compagnie in 1617 had 
oitgenoodigd , zelve hare verdediging krachtig te bevorderen *), 
besloot men , dat elk schip ten minste 8 gzeren gotelingen zon 
moeten voeren om zich te kannen verdedigen tegen mogelgke 
aanvallen '). Tot haren val toe volhardde de compagnie bg dezen 
voorzorgsmaatregel *), en toen de tgden verbeterden had zg geene 
konvooischepen meer noodig om zich te handhaven '). 

Maar wanneer de walvischvaarders geheel opgetnigd en van het 
noodige voorzien waren, bleef nog het moeielijkste gedeelte van 
de taak der reedeiij over : de bemanning moest gehaard worden. 
In de tijden der compagnie, toen, zooals wij reeds zeiden, een schip, 
dat meer dan 80 man voerde, geene zeldzaamheid was , ofschoon men 
er ook van 70 , enkelen van 60 vond ^) , was niet alleen het vin- 
den van bekwame , maar ook van genoeg manschappen eene zaak 
van belang. Het was van het aiterste gewicht, dat er niemand te 
kort schoot: ieder had in de visscherg zgne aangewezene plaats. 
De bemanning werd in twee afdeelingen verdeeld: de eerste, de 
eigenlgke scheepsgezellen en visschers, hield zich bgna alleen 
met de vischvangst zelve in de sloepen bezig; de overige perso- 
nen, die door de Engelschen >land-men** genoemd werden ^), 
gingen dadelgk na aankomst aan land en hielden zich daar voor 
de bewerking van het gevangene bereid ■). Wij willen ons voorloo- 
pig alleen met het scheepsvolk bezighouden *). Twee personen trek- 



•) Wassenier, Hist. verh. VIII fol. 94. — Corte Deductie der N. C, in: 
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. — In 1615 verklaarde de N. C. zich echter 
buiten staat, de kosten Toor de yerdediging harer schepen te dragen. (Req. der N. C. 
aan de Stn.-6en. dd. 1 Apr. 1615, iu: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) 

») R. S.-G. 24 Jan. 1617. 

*) Contr. der N. C. met de Zeenwen dd. 19 ^Irt. 1617, in: NoordKhe togten. 
4. Loop. N. C. R.-A. — In 1617, 18 en 25, dus in gevaarlyke tijden, ont- 
moeten wij dan ook op Spitsbergen Nederlandsche walvischvaarders met 10, 12, 
14, 16, 18, eens zel& met 22 stukken geschut. (£dge, Dutch disturbance, bjj: 
Purchas, Pilgrimes. III p. 468. — Br. v. Salmon aan Sherwin dd. 24 Juni 1618, 
b^j: Purchas 1. c. III p. 733. — Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.) 

•) Req. der N. C. aan de Stn. v. HolL (v. 1642), in: Stn. N. C. t. d. HrL 
gedepnt. R.-A. — Luzac, Hollands rijkdom. I p. 847. 

') Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629. — Zie hiervoor p. 99. 

•) Zorgdrager, GroenL vissch. p. 220. — Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9. — 
£dge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468. — T^dens lee 
en jjsvisscherg werd de dubbele bemanning natuurlgk afgeschaft; de schepen 
voerden toen 80 k 40 mau. (Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 853.) 

*) Pellham, Gods power and Providence, in: White, Spitzbergen and Green- 
hmd. p. 283. 

•) Zorgdrager, GroenL vissch. p. 220. — De wal vischvangst. I p. 28. 

*) Zie eene opgave der bemanning van een walvischvaarder {in 1700 bg s 
Zorgdrager, GroenL vissch. p. 844, 45. 



107 

ken daaronder de aandacht: de schipper en de harpoenier, die 
beiden evenals enkele anderen i) boven hun loon nog een > part- 
geldt** naar evenredigheid der vangst verdienden en daarom 
veelal als » parteniers** van de overigen, »niaandgelders** genaamd, 
werden onderscheiden >). De schipper, door elke kamer op hare 
eigene vaartuigen aangesteld, had aanvankelijk alleen het bevel 
over het schip en het scheepsvolk , met de visscher|j zelve mocht 
hg zich niet inlaten; maar toen langzamerhand de kunst van het 
harpoeneeren en vangen der visschen* meer algemeen bekend 
werd en de harpoeniers dus personen van minder belang werden , 
aarzelde men niet ook de visscherg onder zgn bevel te stellen- 
Met den titel van commandeur kreeg de bevelhebber van het 
schip toen onbeperkt gezag op zgnen bodem '); soms vervulde 
hg zelf den post van harpoenier *). Dat was echter in veel latere 
tgden; in de eerste jaren der walvisch vangst zou zulk eene ver- 
eeniging van betrekkingen onmogelgk geweest zgn. Bg do geheele 
onbekendheid der Nederlanders met de walvischvangst hadden de 
reeders zich toch reeds in 1613 genoodzaakt gezien , eenige der 
met de walvischvangst sinds eeuwen bekende Basken naar Amster- 
dam te ontbieden. Dat jaar kwamen er 13 over ') , en naarmate 
de walvischvangst zich ontwikkelde, nam ook hun getal natuurlek 
toe. ledere sloep werd met drie Basken bezet *) en op ieder 
schip waren dan ook gewoonlgk ten minste drie harpoeniers ^), 
die tevens de betrekkingen van speksngder en kapper vervulden *) ; 
bovendien had men nog een of meer Baskische >maitres de chaloupe," 
een >maitre de la ligne *)** en in het begin ook verscheidene traan- 
kokers ^ ®). De vreemdelingen wisten zich onontbeerlgk te maken 
en stelden hunne eischen: onafhankelgk van den schipper moesten 
zg hun werk verrichten ^ ') en hun loon moest geëvenredigd zgn 



') Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 889. 

*) Zorgdnger, Groenl. vissch. p. 215, 812. 

') Zorgdrager, Oroenl. vissch. p. 127. — De walvischvangst. I p. 27. — Van 
der Brugge, Joomael vande Seven Matroosen. p. 46. — Req. t. Vrolicq aan 
de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1683, in: Sin. N. C. t. d. Hrl gedepnt. R..A. 

*) Bat de betrekking van harpoenier en speksnijder ook nog later in aanxien 
hleef, bljjkt o. a. nit het voorbeeld van Jacob Hardebil, die eerst commandeur, 
later speksn^der werd. (Zorgdrager, GroenL vissch. p. 266.) 

*) Wassenaér, Hist. verh. VIlJ fol. 88. — Hist. de Spitsberghe. p. 11. 

•) Br. v. Catcher aan Helcy dd. 17 Juni 1 620, by : Purchas . Pilgrimes. IIJ p. 786. 

*) Drie Voyagien na Groenlandt. p. 16. — Opschriften der getuigenissen van 
D'Hallegorey c. s. en Gasteloser c. s., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 346. 

•) Opschr. der getuigenissen van D'Hallegorey c. s. en Gastcloser c. s. , in : 
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*•) HUt. de SpiUberghe. p. 11. 

»») Scoresby, Account. U p. 89. — De walvischvangst. I p. 27. — Luzac, Hol- 



108 

aan huLiie moeite. Behalve hunne vaste bezoldiging, die trou- 
wens behalve de kosten van vervoer en onderhoud niet meer dan 
ƒ 50 schijnt bedragen te hebben '), kreeg dus elke harpoenier 
als >schietgelt** voor iedere levende of doode door hem in zee ge- 
vangen visch 40 rgksdaalders of / 100 ^) , elke stuurman van een 
sloep ƒ 50; voor elke doode visch uit het schip gezien ontving 
de > eerste siender*' 1 pond vlaamsch of / 6 '). Het lag in den 
aard der zaak , dat men trachten zou zulke veeleischende bedienden 
door goedkoopere te vervangen, en reeds in 1616 zien w^ dan 
ook de Noordsche Compagnie pogingen aanwenden om de Basken 
door Nederlandsche harpoeniers te vervangen. Op vier sloepen, 
door haar met Basken bemand , besloot zg toen , al was misschien 
daardoor voor het oogenblik de winst geringer, een v^fde met 
Nederlanders bemand uit te rusten *). De proefneming beant- 
woordde aanvankelijk niet aan de verwachting: den Engelschen, 
die hunnen scheepsgezellen dadelyk hadden gelast den Basken de 
kunst af te zien *), was het mislukt, en ook de Nederlanders 
hadden moeite een bedrijf aan te leeren, dat niet minder be- 
kwaamheid dan moed vorderde. Maar door volharding kwam 
men toch de moeielijkheden te boven: in 1630 werd reeds de 
helft der sloepen met Nederlanders bezet *) en hoewel zich nog 
in 1636 Basken op de Nederlandsche schepen bevonden ^) , wor- 
den daarna toch meer en meer Nederlandsche harpoeniers ge- 
noemd *). Eindelijk werden de Basken geheel verdrongen; kort na 
den val der Noordsche Compagnie was hunne aanwezigheid op 
Nederlandsche walvischvaarders eene zeldzaamheid geworden *). 



lands rijkdom. I p. 846. — Tegenw. Staat. I p. 588. — Lindeman, Arkt* 

R«ch. p. 7. 

') Een Dninkerksche reederijj betaalde aan 6 Basken in 1616 Toor loon ,100 
Croonen/' eene som die echter, waarschijnlijk door de kosten van vervoer en 
onderhond , tot ƒ 700 verhoogd werd. ](Sent. v. de H. R. in zake Lampsioi e. 
Clarcqne dd. 81 Juli 1620.) 

*) Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15. 

') Sent. V. h. Hof v. Holl. in zake Montmaker e. Coman, dd. 81 Jnli 1641. — 
Hartens, Voyage into Spitzb., in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 126. 

*) Instr. der Stn.-6en. voor Schrobop, dd. 28 Mei 1616, in: Noordicha 
togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) Comm. der Mose. Comp. voor £dge voor de reis van 1611, b^: Porchu, 
Pilgrimes. III p. 710. 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. 

V) VersL der 1« confer. met de N. C. dd. 14 Febr. 1686 , in: Stn. N. C. 
V. d. Hrl. gedepnt. R.-A. 

*) In 1685 in de Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Montmaker c. Coman , 
dd. 81 Juli 1641; — in 1639 bjj: Dooregeest, Rgper zee-postil. p. 851; — 
in 1646 in de: Twee Journalen der Matroosen die overwinterden, p. 24. 

*) Zorgdrager, Oroenl. vissch. p. 126. 



109 

Wanneer allee voor de reis gereed gemaakt was, verzamelden 
zich de schepen der verschillende kamers op de hnn aangewezene 
plaatsen. Men heeft de jaarlgksche uitrustingen der Noordsche 
Compagnie op ongeveer 30 schepen begroot *). Deze berekening 
is gegrond op het feit, dat de Friezen, die voor | in de com- 
pagpiie participeerden, 3 schepen uitimstten. Men heeft echter 
daarbg niet gelet op de omstandigheid, dat de bedoelde uitrus- 
ting der Friezen plaats had in 1635, dus vóór hunne opneming in 
de compagnie, en dat het dus nog de vraag blgft of men den 
concurrenten, die er blijkbaar zeer op gesteld waren om leden 
der vereeniging te worden, een deel heeft ingeruimd zoo groot 
als zg met het oog op hunne finantiëele krachten misschien wel 
souden g^wenscht hebbeu. Ook geloof ik niet, dat de uitrustingen 
der Noordsche Compagnie gewoonlijk zelfs het lage cyfer van 30 
schepen bereikt hebben. T^r bevestiging myner meening volgt hier 
eene statistieke opgave, die , hoe uiterst onvolledig ook , toch eenigs- 
zins een denkbeeld geeffc van de doorgaande sterkte der vloten. 

Spitsbergen. Jan Majen-eiland. 

Sehapaa. Sthepcn. 

1612 2 geene. 

1613 5 geene. 

1614 11 >) 3 (tor ontdekking.) 

1615 11 2 (ter ontdekking.) 

1616 4 9 (2 N. C. — 5 kl. N. C. — 

2 uit Zeeland.) 

1617 3 (allo uit Zeeland.) ? (7? N. C. ») — ? kl. N. C. — 

geene uit Zeeland.) 

1618 23? (5 Zeel. ^ 2 Noorder- ? (geene uit Zeeland.) 

kwart. — 1 Delft. *)) 

1619 11? (llNed. sch. in Fair- ? (geene uit Zeeland.) 

haven. *)) 



') Scoresbj, Account of the arctic regions. II p. 144. 

*) Dit geeft op: Wasseoaer. Hist. yerh. VIII fol. 94. — Edge (Dutch dis- 
tnrlMUiee, b^: Parchas, PflgrimeB. III p. 466) noemt er 14. 

•) Vlg. Edge (Dntch distnrbance , bjj: Porchas, Pilgrimes. III p. 467) meende 
een Zeenwscb kapitein tien schepen op Spitsbergen te znllen vinden ; drie Zeenwen 
waren op het eilaud, de overige 7 (Hollanders) waren dos op Jan Mayen-eiland. Waar- 
•eh^nlijk waren er daar echter met de reeds dadelijk daarheen bestemde schepen 
meer: de N. Z. 26 Jan. 1617 noemen 14 of 15 schepen voor de geheele nitrnsting. 

^) Uit de uitrustingen der enkele kamers kan men met behulp der boven 
(p. 81, 82) opgegeven verhouding van de krachten der kamers, de sterkte der ge- 
heele vloot nagenoeg berekenen. Het cijfer van 23 schepen , door Edge (Thiteh 
disturbance, hg*. Purchas, Pilgrimes. III p. 469) opgegeven, komt mij dan ook 
veel te hoog voor. 

•) De Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624 (Noordsche togten. 4. Loop, 



110 



SpitE 


iber 


gen. Jan ^ 


[ay 


en-eiland. 


Sebap». 




SeliapeB. 


1620 


2? 


(2 Ned. sch. in Fair- 
hayen.) 


? 


(geene uit Zeeland.) 


1621 


? 




? 


(geene nit 2ieeland.) 


1622 


? 




? 




1623 


5 ' 


') 


? 




1624 


20? 


(2 sch. uit Zeeland.) 


? 




1625 


8 




4 


(2 andere schepen naar el- 


1626 


? 




? 


ders. «)) 


1627 


? 




? 




1628 


? 




12 




1629 


? 




? 




1630 


6? 


(34 sloepen.) 


9^ 


^ (51 sloepen •.)) 


1631 


? 




V 




1632 


? 


(1 sch. Hoorn, geen 
sch. Enkh.) 


? 


(2 sch. Amst., 1 sch. Enkh., 
geen sch. Hoorn.) 


1633 


? 




? 




1634 


6 




? 




1635 


? 


(lsch.Harl.,2sch.Stav.) 


? 




1636 


? 




? 




1637 


? 




? 




1638 


? 




? 




1639 


? 


(1 sch. Hoorn , 1 sch. 
Harl.) 


? 


(2 sch. Amst., 2 sch. Hoorn, 1 
sch. Harl. in de opene zee.»)) 


1640 


? 




? 




1641 


? 




? 




1642 


? 




? 


(2 sch. Stav. in de opene zee.) 



N. C. R.-A.) verzekert, dat de Zeeuwen van 1619 — 22 hunne uitrustingen ter 
walvischvangst geheel staakten. Dat dit oujuist is , bl\jkt uit : R. S.-G. 7 Mei 
1616, 15 Febr., 28 Mrt., 18 Apr. 1620, 8 Jan., 8, 4. 20 Febr. . 8 Mrt., 28 
Mei. 5 Nov. 1622. — N. Z. 4 Febr. 1620 , 9 Mrt. 1621 , 22 Febr. , 17 Mrt. 1622. — 
Hr. V. Salmon aan Heley dd. 5 Juli 1619, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 785. 

*) Dit getal geeft Waaaenaer (Hist. verh. V fol. 157): Kunne (bij: Parcbai, 
POgrimes. III p. 736) regt verkeerdelijk, dat er na die 5 nog 2 verwacht werden. 

*) Waartchgnlgk naar straat Davis. cf. hierna Hfdst. V. 

*) Deze berekening bernst op het boven medegedeelde feit , dat 1 scbip 4 & 6 
sloepen voerde. 

*) Deze opgaven zijn te vinden by: Wasseneer. Hist. verh VIIÏ foi. 86, 88, 
«4, 95, IX fol. 12*. X fol. 106, XVI fol. 26.— R.S-G. 19 Mei, 9 Juni 1685 , 
2i Oct. 1642. — Hist. de Spitsberghe. p. 11. — F^dgo, Dutch distnrbanee. 
b|j: Purrhas. Pilgrimes. III p. 467, 68. — Batfin, lournall, en: Brieven der Kag. 
walviichv., by : Purchas 1. c. III p. 716 vlg. — lustr. der 8tn.-Gen. voor Schrobop, 
dd. 23 Mei 1616. — Sent. v. de U. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. 
dd. 4 Apr. 1687. — Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmakcr c. Comaa , 
dd. 81 Joli 1641. — Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 265. 



111 

2iOodra men bgeen was, maakte men zich tot het vertrek ge- 
reed« Meestal voeren een paar kamers gezamenlgk nit ^); wanneer 
de nood der tgden het wenscholp: maakte, zeilde men in admi- 
raalschap en onder geleide van een of meer oorlogschepen om 
zich tegen mogelgke aanvallen te beschermen >). De vrees voor 
de Duinkerkers was zoo groot, dat de Noordsche Compagnie tot 
haren val toe dezen maatregel moest doorzetten en >met eene 
gecombineerde macht bere^jt staen tot affweringe van alle gewelt 
ende onervallinge *)/* De vloot was in den beginne gesteld on- 
der bevel van den Commissaris-generaal, die, door de Staten- 
Greneraal aangesteld maar door de compagnie van last voorzien, 
het toezicht had op alles wat tot de reis en de vischvangst be- 
trekking had , terwijl alle krggszaken aan den Commandeur-gene- 
raal van het konvooi en zgn raad waren overgelaten *). De post 
van Commissaris-generaal, in 1614 door den bewindhebber Anto- 
nie Monier zelven '), het volgende jaar door den in de geschie- 
denis van Nieuw-Nederland bekenden Adriaan Block bekleed *) , 
geraakte echter weldra in onbruik. De zelfstandige plaats van 
de beide hoofden der vloot » die dagelijks met elkander in aanra- 
king moesten komen, gaf misschien aanleiding tot oneenigheid; 
hoe dit z)j , reeds in 1616 besloten de Staten-Generaal den Com- 
mandeur-generaal van het konvooi. Jan Jacobsz. Schrobop, tevens 
tot Commissaris-generaal aan te stellen '). Alle scheepsbevelheb- 
bers » de kapiteins der oorlogschepen zoowel als de schippers 
der compagnie , waren das nu aan den Commandeur-generaal on- 
dergeschikt. Bg deze regeling schgnt het voorloopig gebleven te 
zgn. Maar toen de konvooischepen sinds 1621 niet meer gere- 
geld de visschersvloot vergezelden en de schepen op hunne eigene 
verdediging bedacht werden , weid het natuurlek onmogelijk , dat 
de bevelhebber van het konvooi de vloot aanvoerde. Toch duurde 
ook toen de vereeniging van krfjgs- en handelszaken onder éen 



*) Twee Joarnalen der Matroosen. p. 19. 

*) Contr. der N. C. met de Zeeawen, io: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. 
R.-A. — Sent. ▼. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 81 
Mrt. 1635. — Conc.-Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 18 Mei 1616, in: 
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. — Zorgdrager, Groenl. vissek. p. 818. 

•) Req. der N. C. aan de Stn. ▼. HoU. (v. 1642), in: Stn. N. C. ▼. d. Hri. 
gedepnt. R.-A. — Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86. 

«) InttT. der Stn.-Gen. Toor Qnast dd. 29 Apr. 1614. 

*) Wastenaer, Hist. rerh. VIII fol. 94. — Instr. der Stn.-Gen. roor Qniat 
dd. 29 Apr. 1614. 

•) Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. (dd. 2 Sept. 1615) in: Noordsche togten. 
8 Ontd. ▼. Jan Mayen-eiland. R.-A. — Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95. 

*) Conc.-Instr. Toor Schrobop dd. 19 Mei 1616, in: Noordsche togten« 
4. Loop. N. C. R.-A. 




112 

hoofd Yoort: het oppertoezicht over de geheele yloot bleef OTer- 
gelaten aan éen persoon , die den titel van Commandenr-generaal 
(of eenvoudig >Generaer') behield. >) 

De walvischvaarders verlieten gewoonl^k, hetzg gezamenlgk, 
hetzij afzonderlijk , tegen het einde van April de Nederlandsche ha- 
vens ^). Evenals bij de Ëagelsche walvischvangst *), zoo werd ook 
den Nederlanders vóór hun vertrek de plaats aangewezen , waar zg 
visschen zouden *), en ieder begaf zich dus dadelijk naar de 
hem aangewezene plaats in de Mauritiusbaai op Spitsbergen of 
naar Jan Mayen-eiland *) , waar de Nederlandsche walvischvangst 
weldra hare hoofdzetels vestigde. Op het eind van Mei of in 
het begin van Juni kwam men gewoonlijk op Spitsbergen aan *). 
Zoodra het ijs losraakte , zeilde men dan naar het land ; in 
latere tyden poogde men zelfs moedig door do vaste gsvelilen in 

*) Vgl. o. a. Van der Brugge, Joamael der Seven Matroosen. p. 46. — 

Stu. gewisseld tusscheu Ys en Vrolicq (1633), iu: Noordsche togtcn. 4. Loop. 

N. C. R.-A. — Het is oiet onwaarschijnlijk, dat de bevelhebber van eene af* 

deeling schepen, die aan éene kamer toebehoorden, ook soms den titel yib 

Commandenr-generaal droeg. 

*) K. S.-6. 11 Mrt. 1639. — Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 

1617. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. — De schepen zeilden echter 

soms vroeger, soms later uit. (1 Apr.: Confer. ▼. 14 Febr. 1686, in: Stn. N. C. 

y. d. ElrL gedeput. R.-A. — Half Mei: Instr. der Stn.-Oen. voor Bnrch en 

Coenders, dd. 14 Mei 1639.) 

•) Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467. — Fotherbye, 

Voyage of Discouerie, bij: Purchas 1. c. III p. 721. 

*) Deze bepaling geschiedde natuurlijk door de N. C; de Stn. -Gen. deden het 

iu 1616 waarschijnlijk om den gevaarlijken toestand der vloot op Spitsbergen. 

(lustr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 

4. Loop. N. C. R.-A.) — In de eerste jaren, toen de N. C. over geheel Spits- 

bergen beschikte, geschiedde die aanwijzing door verloting der verschillende 

baaien. (Mémoire der N. *C., bij: Muller, Mare Clansum. p. 871. — R. S.-G. 

5 Nov. 1622. — Sent. v. de H. R. iu zake de N. C. Noorderkwart, c Amtt. 

dd 31 Mrt. 1635. — Br. der gedeput. aau de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. 

Zeel.) — De Amsterdammers schijnen zich echter voortdurend in de Mauritiusbaai 

gevestigd te hebben. (R.S.-G. 4 Nov. 1622. — Miss. v. Cbrist. IV aan de Stn.-Gen. 

dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1680. — cf. R. S.-G. 5 Nov. 1622. — Aitzemi, 

Saken v. Stact. I p. 1160.) 

•) Sent. V de IL R. in zake de N. C. Hoorn c Enkh. dd. 4 Apr. 1687.— 

Uit deze sententie bigkt iu verband met andere mededeel inge n , dat niet alle 
kamers hare uitrustingen over beide plaatsen verdeelden. Alleen het machtige 
Amsterdam schijnt jaarlijks ann Spitsbergen en Jan Ma^en-eiland beide geviKht 
te hebben, terwijl de kamers van de Maas, Midi.elburg en Veere, evenals hier 
van die van het Noorderkwartier blijkt, contracten schijnen gesloten te hebben, 
waarbij zij hare uitrustingen voor gezamenlijke rekening ieder naar een der beide 
eilanden zonden. Deze maatregel spaarde kosten en voorkwam te groote dmkte 
op éene plaats. 

*) Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in: NoordKhe togten. 
4. Loop. N C. R -A. — Zorgdrager, Groe^l. vissch. p. 29. 



113 

de baaien door te dringen, zoodat soms verscheidene schepen der 
Noordsche Compagnie in het ^'s vastraakten eo verongelukten '). 
De schepen ankerden dadelijk aan het land , de sloepen werden 
uitgezet en men maakte zich gereed den walvisch te vervolgen. Het 
duurde in die eerste tijden der vangst gewoonlijk niet lang, voor- 
dat men er een hoorde blazen. De harpoenier en zijn volk stortten 
zich dan glings in de sloepen ; de harpoen — een ijzeren staaf van 
drie voet, van een scherpe punt met weerhaken voorzien — werd 
gereed gehouden, de voorganger en de walvischl^n daaraan be- 
vestigd en men voer op de prooi af. Zoodra men genaderd was , 
wierp de harpoenier van den voorsteven zijn wapen met kracht in 
het lichaam van den walvisch, die dan onmiddellijk in pijlsnelle 
vaart naar de diepte dook. De Ijjn , des noods door aanhechting 
van eene nieuwe < verlengd , bleef echter steeds in handen van den 
harpoenier , die de sloep alle bewegingen van don walvisch zooveel 
mogel^k deed volgen. Andere sloepen voegden zich daarbij en 
zoodra de walvisch na eenigen tgd weder bovenkwam om adem 
te scheppen , werden hem nieuwe harpoenen in het lijf geworpen , 
zoodat h^ stevig vastgelegd was. Eenmaal zoover gekomen wachtte 
men den langzamerhand afgematten visch op met de werp- en 
stootlenzen — scherp gepunte gzeren wapenen aan lange lijnen 
of stokken van 10 è 12 yoet bevestigd ^). Niet lang duurde het 
dan, of de visch gaf door het uitblazen van bloed het bewijs, 
dat hg doodel{jk gewond was '); hevig slaande met de staart 
zwom hij op het water rond. Dan moesten de sloepen ijlings 
ontwaken, want een enkele slag met de staart verbrijzelde dik- 
w^ls een geheele sloep ! Maar spoedig werden de slagen flauwer 
en weldra stierf de visch van uitputting. Met een paar booten 
werd hg dan naar het strand gesleept, waar hg een paar dagen 
aan een touw vastgemaakt naast het schip bleef liggen : een begin 
van bederf toch doet den visch vèr boven het water rgzen en 
maakt het dus gemakkelgker het spek af te snijden *). 

Zoodra de gelegenheid het toeliet, begon het tweede gedeelte 
van den arbeid, het » flenzen." Door twee lange sneden en 
verschillende insngdingen in de breedte werden door den spek- 
sngder, die aan het strand half in het water stond, groote 



*) Zorgdrager, Groenl. viasch. p. 219, 29. — Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 9. 

*) Zie afbeeldingen van harpoen en lens , b\j : Zorgdrager , Groenl. Tiisch. 
p. 848, 860. 

*) Hen noemde dit in grove zeemans-scherts : ^oranje blaxen!*' 

*) Eene vr^ uitvoerige en gel^jktgdige beschrijving der wal visch vangst vindt 
men in de: Drie Voyagien na Groenlandt. p. 13 — 15. — Vgl. ook: Scoresby , 
Aeeonnt. II p. 178. — Hist. de Spitsberghe. p. 17 — 19. — Martens, Voyage 
into Spitxb., b\j: White, Spitxbergen and Greenland. p. 116—26. — Le Long, 
Kooph. v. Amst. II p. 169 — 61. 



114 

stukken spek van 2 k 300 pond van den dooden visch losgemaakt , 
en met zoogenaamde »spek-takel8/' eene soort van kraan, op het 
land gewondenf Onmiddell^k begon daarop het derde gedeelte 
der walvischvangst , het zoogenaamde » afmaken/* In latere jaren 
duurde het soms lang eer men daartoe den tijd vond ; onder de 
Noordschc Compagnie was echter de helft der bemanning, die 
dadelijk na de aankomst aan land gegaan was , steeds gereed om 
de opbrengst der jacht te ontvangen en verder te bereiden. Aan 
het strand stond een man gereed om het spek in stukken te hak* 
ken, die dadelijk op eene berrie naar de traanketels gebracht 
werden. Daar werden deze stukken, terwgl de staart van den 
visch als hakbord diende, in nog kleiner gedeelten, » vinken*' ge- 
naamd, gesneden en in den traanketel geworpen. 

In de vaste overtuiging, dat de walvischvangst in de baaien 
eerder zou toe- dan afnemen , had de Noordschc Compagnie kost- 
bare inrichtingen op het strand doen verrijzen. De traanketel, 
een roodkoperen pan, die een halve ton spek kon bevatten, was 
op den grond vastgemetseld ; daaronder bevond zich een fornuis, 
dat met hout en met den afval van den wal visch gestookt werd. 
De ketel , waarin water was voor het aanbranden , werd dadelgk 
gevuld met spek, dat gedurende twee uren onder gedurig roeren 
gekookt werd. De traan werd daarna in een vat geschept, van 
onderen met een houten rooster voorzien , dat allen afval van den 
walvisch terughield en het zuivere gedeelte in een koelbak liet 
vloeien. Wanneer de traan nog een paar malen in gedeeltelgk 
met water gevulde bakken of vaten >) verder afgekoeld en be- 
zonken was, werd zg eindelijk in de quarteclen gegoten. Deze 
quarteelen , in vlotten van twintig naar de schepen gesleept , werden 
daar in ontvangst genomen door eenige personen , die daartoe op 
het schip achtergebleven waren, en in het ruim weggestuwd *). 

De walvischbaarden , bij het flenzen uit den bek van den wal- 
visch gesneden, werden in bossen naar land geroeid, daar van 
elkander gekloofd, afgestoken, geweekt en geschrobd. Na het 
droogen werd het haar er afgesneden en do schoone baarden aan 
bossen van vijf of zes stuks tusschcn de ti*aanvaten in het ruim 
van het schip geborgen '). 



*) De Engdfchen gebruikten eenvoadig sloepen als koclbakken. (Parchat, Pil* 
grimes. III p. 471.) 

*) Scoresby, Account. II p. 174—76. — Purchos, Pilgriinrs. III p. 470, 71. — 
De wyzc van traanbereidcn veranderde door het overbrengen vuu dit bedryf naar 
Nederland bgna niet (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 869, 70. — I)c walvisch- 
vangst. I p. 48. — Martens, Voyage into Spitzb., by : White, Spitzbcrgen and 
Greenland. p. 125—80, 81, 88.) 

•) Scoresby, Account. II p. 177. — Pnrchas, Pilgrime». III p. 471. - Zorg- 
dragnr, Groenl. viswh. p. 856. 371. 



115 

Dit was de gewone manier van doen der walvisclivaarders tot 
na den val der Noordsche Compagnie toe. Maar reeds lang voor 
dien tgd was eene andere behandeling van den walvisch naast 
deze gewone vry algemeen in gebruik gekomen. Het zal de aan- 
dacht mgner lezers niet ontgaan zijn , dat het octrooi der Noordsche 
Compagnie slechts de landen en kusten in de IJszee noemde, en 
dus stilzwijgend het bevaren en bevisschen van de opone zee zelve 
voor de vrjje concurrentie openliet '). Lang duurde het, voor- 
dat de Nederlandsche handel deze leemte in het monopolie dor 
Noordsche Compagnie opmerkte. Eerst in 1626 vernemen wg 
bg uitzondering , dat twee Zaandamsche walrusjagers op weg naar 
de straat van Nassau in de opene zee eenen walvisch vingen ^). 
Hun voorbeeld schijnt nu en dan door enkele Nederlanders 
gevolgd te zyn. De Noordsche Compagnie zag echter aanvanke- 
Igk in deze concurrentie weinig bezwaar; zij verwees vreemden 
en Nederlanders , die zich naast haar op Spitsbergen wilden ves- 
tigen, zelve somtijds naar de opene zee *). Men was in de goede 
jaren der walvisch vangst, toen de gewenschte prooi zich bgna 
uitsluitend onder de kust ophield, te zeer overtuigd dat de zee- 
visscherij geen voordeel kon geven, dan dat de geoctrooieerde 
vereeniging de concurrentie zou gevreesd hebben. De mededingers 
zelven schenen dan ook van dit middel om de Noordsche Com- 
pagnie haar monopolie te ontnemen slechts een spaarzaam gebruik 
gemaakt te hebben, al wisten zy ook, al erkende de compagnie 
zelve, dat de volle zee hun openstond *). Langzamerhand veran- 
derden echter de zaken van aanzien : het gedurig jagen en visschen 
maakte den walvisch schuw ; de overvloed van visschen , die zich 
vroeger in de baaien vertoond had , verminderde langzamerhand en 
de vangst der compagnie werd dus ook veel minder voordeelig. Het 
laat zich verklaren , dat zy in dit tijdperk van overgang , toen alle 
concurrentie meer dan ooit nadeelig zjjn moest, het een harer 
harpoeniers Marten Michielsz. van De Byp , die volgens de over- 
levering de eerste was, die in dienst der compagnie in de opene 
zee een walvisch ving, uiterst kwalyk nam, dat hij het voorbeeld 



•) Zie de vier octrooien der N. C. in: Gr. Placaetb, I p. 669 vlg. — Vgl. ook: 
Kort Verhael vande Gedaente der Wakisschen , in : Drie Voyagien na Groen- 
Undt. p. 15. 

«) Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 134. — cf. R. S.-G. 7 Mrt. 1626. 

■) Insin. V. Dnynkercker aan Vrolicq dd. 29 Jani 1682, in: Stn. N. C. v. d. 
Hrl. gedepnt R.-A. — R. S.-G. 14 Apr. 1636. 

") Nota van Ys aan Vrolicq dd. 1 Juli 1633, en: Kcq. der N. C aao de 
Stn.-Gen. r. Vrolicq dd. 2 Fcbr. 1634, in: Noordsche togten. 4. liOop. N. C. 
R.-A. — Vgl. ook: Drie Voyagien na Groenlaudt. p. 15. — Zorgdrager, Groenl. 
viMch. p. 135. — Üe walvisch vangst. I p. 30 Noot. 

8* 



108 

aan hnLne moeite. Behalve hunne vaste bezoldiging, die iron* 
wens behalve de kosten van vervoer en onderbond niet meer da n 
ƒ 50 schijnt bedragen te hebben *), kreeg dos elke harpoenier 
als > schietgelt'* voor iedere levende of doode door hem in zee ge» 
vangen visch 40 rijksdaalders of ƒ 100 >) , elke stuurman van een 
sloep ƒ 50; voor elke doode visch uit het schip gezien ontving 
de > eerste siender*' 1 pond vlaamsch of ƒ 6 *). Het lag in den 
aard der zaak , dat men trachten zou zulke veeleischende bedienden 
door goedkoopere te vervangen, en reeds in 1616 zien w^ dan 
ook de Noordsche Compagnie pogingen aanwenden om de Basken 
door Nederlandsche harpoeniers te vervangen. Op vier sloepen, 
door haar met Basken bemand , besloot zij toen , al was misschien 
daardoor voor het oogenblik de winst geringer, een vijfde met 
Nederlanders bemand uit te rusten *). De proefneming beant- 
woordde aanvankelgk niet aan de verwachting: den Engelschen, 
die hunnen scheepsgezellen dadelgk hadden gelast den Basken de 
kunst af te zien *), was het mislukt, en ook de Nederlanders 
hadden moeite een bedryf aan te leeren, dat niet minder be- 
kwaamheid dan moed vorderde. Maar door volharding kwam 
men toch de moeielijkheden te boven: in 1630 werd reeds de 
helft der sloepen met Nederlanders bezet ■) en hoewel zich nog 
in 1636 Basken op de Nederlandsche schepen bevonden '), wor- 
den daarna toch meer en meer Nederlandsche harpoeniers ge- 
noemd *). Eindelijk werden de Basken geheel verdrongen ; kort na 
den val der Noordsche Compagnie was hunne aanwezigheid op 
Nederlandsche wal visch vaarders eene zeldzaamheid geworden *). 



landi rgkdom. I p. 846. — Tegenw. Staat. I p. 588. — Lindemau, Arkt* 
Fisch. p. 7. 

') Een Duinkerksche reeder^ betaalde aan 6 Baiken in 1616 voor loon ,100 
Croonen/' eene som die echter, waarschijnlijk door de kosten van vervoer en 
onderhoud , tot ƒ 700 verhoogd werd. [(Sent. v. de H. R. in zake Lamptini e. 
Clarcqoe dd. 81 Juli 1620.) 

*) Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15. 

*) Sent. V. h. Hof v. Holl. in zake Montmaker e. Coman, dd. 81 Jnli 1641. — 
Mariens, Voyage into Spitzb., in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 126. 

*) Initr. der Stn.-Gen. voor Schrobop , dd. 28 Mei 1616, in: Noordache 
iogten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

•) Comm. der Mosc. Comp. voor Edge voor de reis van 1611, b^ : Porchia, 
Pilgrimea. III p. 710. 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. 

*) VersL der 1* confer. met de N. C. dd. 14 Febr. 1686 , in: Stn. N. C. 
V. d. Hrl. gedeput. R.-A. 

*) In 1685 in de Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Montmaker e. Coman , 
dd. 81 Juli 1641; — m 1689 b\j: Uooregeest, Rgper zee-postil. p. 851; — 
in 1646 in de: Twee Journalen der Matroosen die overwinterden, p. 24. 

*) Zorgdrager, Oroenl. vissch. p. 126. 



109 

Wanneer alles voor de reis gereed gemaakt was, T^rzamelden 
zich de schepen der verschillende kamers op de hnn aangewezene 
plaatsen. Men heeft de jaarlijksche uitrustingen der Noordsche 
Compagnie op ongeveer 30 schepen hegroot '). Deze berekening 
is gegrond op het feit , dat de Friezen , die voor ^ in de com- 
pagnie participeerden, 3 schepen uitrustten. Men heeft echter 
daarby niet gelet op de omstandigheid, dat de bedoelde uitrus- 
ting der Friezen plaats had in 1635, dus vóór hunne opneming in 
de compagnie, en dat het dus nog de vraag blgft of men den 
concurrenten, die er blijkbaar zeer op gesteld waren om leden 
der vereeniging te worden, een deel heeft ingeruimd zoo groot 
als zg met het oog op hunne finantiëele krachten misschien wel 
zouden gewenscht hebbeu. Ook geloof ik niet , dat de uitrustinge n 
der Noordsche Compagnie gewoonlgk zelfs het lage cijfer van 30 
schepen bereikt hebben. Ter bevestiging mijner meening volgt hier 
eene statistieke opgave, die , hoe uiterst onvolledig ook , toch eenigs- 
zins een denkbeeld geeft van de doorgaande sterkte der vloten. 

Spitsbergen. Jan Mayen-eiland. 

Sehepan. Schapen. 

1612 2 geene. 

1613 5 goene. 

1614 11 «) 3 (ter ontdekking.) 

1615 11 2 (ter ontdekking.) 

1616 4 9 (2 N. C. — 5 kl. N. C. — 

2 uit Zeeland.) 

1617 3 (alle uit Zeeland.) ? (7? N. C. ») — ? kl. N. C. — 

geene uit Zeeland.) 

1618 23? (5 Zeel. — 2 Noorder- ? (geene uit Zeeland.) 

kwart. — 1 Delft. •)) 

1619 11? (llNed. sch. inFair- ? (geene uit Zeeland.) 

haven. •)) 



*) Scoretby, Account of the arctic regions. II p. 144. 

•) Dit geeft op: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94. — Edge (Datch dit- 
tnrlMnce, bjj: Parchas, Pilgrimes. III p. 466) noemt er 14. 

•) Vlg. Edge (Datch disturbance, by: Pnrchas, Pilgrimes. III p. 467) meende 
een Zeenwsch kapitein tien schepen op Spitsbergen te zullen vinden ; drie Zeeuwen 
waren op het eiland, de overige? (Hollanders) waren dus op Jan Mayen-eiland. Waar- 
schijnlijk waren er daar echter met de reeds dadelijk daarheen bestemde schepen 
meer: de N. Z. 26 Jan. 1617 noemen 14 of 15 schepen voor de geheele uitrusting. 

*) Uit de uitrustingen der enkele kamers kan men met behulp der boven 
(p. 81, 82) opgegeven verhouding van de krachten der kamers, de sterkte der ge- 
heele vloot nagenoeg berekenen. Het cijfer van 23 schepen , door Edge (Dutch 
disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469) opgegeven, komt mij dan ook 
▼ecl te hoog voor. 

•) De Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624 (Noordsche togten. 4. Loop, 



118 

tóch verzuimde zij nooit haar voordeel , wanneer de aan bnit zoo 
rijke woestenijen van het noorden haar gelegenheid gaven dat te 
maken. De handel in walvischvellen en vinnen, dien de Noord- 
sche Compagnie aanvankelgk dreef '), schgnt spoedig opgegeven 
te zijn. Met de vangst van witvisschen schijnen de Nederlanders 
zich nooit bezig gehouden te hebben * ) ; ook de vinvisch was een 
te moeielijk bereikbare en tevens te onvoordeelige prooi dan dat 
men zich begverd zou hebben 'dien te vangen *). Maar in de 
eerste plaats komt na de walvischvangst de jacht op walmssen 
in aanmerking. Deze dieren , de buit dien de Engelschen en Ne- 
derlanders beiden aanvankelgk alleen zochten , gaven in hun spek, 
dat zg wel in veel mindere mate dan de walvisschen maar toch 
in vr|j groote hoeveelheid opleverden *) , en vooral in hunne beide 
tanden, toenmaals hooger dan ivoor geschat, handelsartikelen, 
die ruime winst bezorgden. Aanvankelgk bij groote troepen tegelgk 
door middel van lansen op de stranden van Spitsbergens weste- 
lijke baaien gedood'), vond men ze later zeldzamer. Slechts 
weinige walrussen werden nu en dan in zee ontmoet en meest 
met harpoenen gedood. In den natijd was echter aan Spitsbergens 
oostkust bij Disco , — vooral sinds de ontdekking der Rgk Tsz.- 
eilanden na den val der Noordsche Compagnie (1645), — de wal- 
rusjacht nog steeds een rgke bron van inkomsten •). Ook de robben, 
vroeger niet bizonder opgemerkt, werden later vooral op de ran- 
den der vaste gsvelden in groote menigte met stokken doodge- 
slagen. Hun spek ') en vooral hunne kostbare vellen verschaften 
aan de Noordsche Compagnie ruime winst *). De beeren, aan- 
vankelijk gevreesde vijanden der walvischvaarders , werden allengs 
hunne prooi: het vel evenzeer als het vet waren begeerde arti- 
kelen. Talloos zijn dan ook de verhalen van gevechten met bee- 
ren, die ons zijn overgeleverd, eti de beerenjacht werd eene 
geregelde bezigheid *). En dat zij geen onbelangryk voordeel aan* 
bracht , bewijst het feit , dat in 1628 alleen op Jan Mayen-eiland 
niet minder dan 70 beeren door die van de Noordsche Compagnie 



>) Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89. 

■) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 196. 

•) Wassenaer, Hist. verh VII fol. 108. 

*) Een walras leverde gewoonlijk ^ quarteel spek. (De walvischvangst. I p. 44. — 
Tegen w. Staat. I p. 610.) 

•) Hist. de Spitsberghe. p. 19, 20, 22. — Zorgdrager, Groenl vissch. p. 195, 96. 

*) De walvischvangst. I p. 44 vlg. — Tegenw. Staat. I p. 610. 

"*') Voor een qoarteel spek moest men 15 a 16 robben (Tegenw. Staat. I p. 610), 
volgens anderen 24| rob vangen. (De walvischvangst. 1 p. 47.) 

■) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 196. — De walvischvangst, I p. 46. — Tegenw. 
Staat. I p. 610. 

•) De walvischvangst. I p. 47 vlg. — Zie o. a. de vele verhalen van gevechten 
uaet beeren bij : Van der Brugge , Joarnael der Seven Matrooaen. 



119 

geschoten werden M. De jacht op vossen, rendieren, meeuwen 
en rotganzen, waarvan meermalen gesproken wordt *)*, schijnt 
moer gedreven te zgn om versch vleesch te bekomen dan om 
eenig handelsvoordeel te verkrijgen; de vellen bleven echter na- 
tnarlgk welkome aanwinsten voor de lading. Een laatste bron 
van inkomsten was voor de walvischvaarders de handel met de 
Groenlanders. Deze nering , die later , toen de visscherij in straat 
Da vis zich ontwikkelde , op vrij groote schaal gedreven werd •), 
leverde aan de Noordsche Compagnie natuurlijk slechts dan een 
klein voordeel , wanneer hare reizigers met de bewoners van nieuw 
ontdekte plaatsen in aanraking kwamen of wanneer een walvisch- 
vaarder door storm of toeval op Groeulands onherbergzame kus- 
ten verzeilde ♦). 

Het laat zich denken , dat door deze uitgebreide werkzaamheid, 
maar vooral door de wal visch vangst jaarlijks eene vrg aanzien- 
lijfce lading bij de Nederlandsche vestigingen op Spitsbergen en 
Jan Mayen-eiland voorhanden was. Naderde het einde van den 
tijd dan werd alles bijeengebracht en de Commandeur-generaal 
moest de geheele vangst op het strand onder de kamers naar 
evenredigheid harer uitrustingen verdeelen. Gewoonlijk werd ech- 
ter de rooiing op last van den Commandeur-generaal verricht 
door den »Generael-royer'* ten overstaan der kamers zelve. Zulk 
een »royer*' — op de vloot een man van gewicht, die naast den 
Commandeur -generaal genoemd werd *) — ging jaarlijks mede 
naar Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de » royinge of roeyinge** 
te doen en daarvan in het »generael royboeck** aanteekening te 
houden '). Hjj wees aan iedere kamer haar deel toe, om het 
in hare eigene schepen te laden en huiswaarts te voeren '). Had 



») Wagsenaer. Ilist. ?erh. XVI fol. 26. 

») Zie o. a. Wasseoaer , Ilist. verh. VII fol. 108 , 9 , XII fol. 89. — Van 
der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 8. — £ene vlakte bij den Bis* 
cayer-hoeck werd voornamelijk door de Nederlanders voor de rendierenjacht ge- 
bruikt en heette daarnaar „Rheene-velt." (Reeënveld.) 

•; Tegcnw. Staat. 1 p. 610. 

*) Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43. 

*) Yander Bmgge, Journael der Se ven Matroosen. p. 46. 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. — 
In 1682 bekleedde Jan Matthysz. Steen op Spitsbergen, Gors Jansz. van Lier op 
Jan Mayen-eiland de betrekking van generaal-rooier. (Sent. v. de H. R. in zake 
de N. C. Hoorn e. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Steen, ook wel eenvoudig Jan Tysz. 
genoemd , schgnt eene zekere reputatie bezeten te hebben : meermalen wordt l^j 
door de walvischvaarders zonder nadere aanduiding genoemd. Gors Jansz. was 
vele jaren scheepskapitein in dienst der N G. en o. a. in 1631 met Wybe Jansz. 
in die betrekking op Jan Mayen-eiland geweest. (Zie hun getuigenis voor de re- 
geering V. Amit. dd. 7 Mrt. 1684, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. G. R.-A.) 

') Brief der Zeeuwsche gcdeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: 



120 

eene kamer meer gevangen en gekookt dan haar bg de verdeeling 
werd toegelegd, dan werden de >coockgelden'' op de algemeene 
vergadering vergoed '). 

Do kamer» zelven zorgden natuorlgk voor het vervoer van 
ieders aandeel in de traan en balein naar het vaderland. Maur 
niet zelden kwam het voor, dat de vangst zoo rgk was geweest, 
dat eenigo kamers geene ruimte genoeg in hare schepen hadden 
om haar aandeel te bergen. Meestal riep men dan de hulp in 
van ecnc andere kamer, die grootere schepen had, en verrekende 
de voorschotten voor vracht en verpakking later op de algemeene 
vergadering *). Waren echter alle schepen volgeladen, dan nam 
men zgn toevlucht tot de schuren, door de compagnie op het 
land gebouwd, en borg daar de goederen tot het volgende jaar. 
Ëen enkele maal weixlen ze ook wel begraven '). In het voorjaar 
liet men ze dan door afzonderlgke vrachtschepen afhalen , die men 
»nuschepen** noemde. Deze schepen kwamen in den bloeitgd der 
walvischvangst niet somtgds, maar geregeld naar Spitsbergen 
on Jan Mayen-eiland om de visschers van de te groote lading 
te ontlasten. Korten tgd na de walvischvaarders uit het vader- 
land vertrokken, waren zy, die zich natuurlgk met geene vis- 
schery ophielden, gewoonlgk het eerst aan de markt. Het is 
zelfs voorgekomen, dat éen naschip in éen jaar twee reizen naar 
Jan Mayen-eiland deed en roet volle ladingen huiswaarts keerde. 
Toen de walvischvangst in bloei afnam, werd natuurlijk het 
zenden dezer naschepen overbodig en dus afgeschaft ^). 

Zoodra de tgd voor het eindigen der visscherg gekomen was , — 
voor Spitsbergen op 10 of 12 September, voor Jan Mayen-eiland 



Arch. Zeel. — ('ontr. v. 3 \ov. 1630. aaofrehaald iu de: Sent. v. de H. R. in 
zake dv. N. C. iloorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Ilooru c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. — 
Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

») Wansenaer, Ilist. verh. XII fol. 8. — In 1682 bracht de kamer der N. C. 
te Hoorn aan die te Enkhnizen in rekening voor de vracht van Spitsbergen naar 
Hoorn per quartcel spek ƒ 6 . en voor elk quarteel (vat), dat daar\'oor noodig waa,/8. 
(l)ictuiii v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 8 Apr. 1687.) 

*) Dat dit som» niet weinig was . blijkt uit het feit , dat de N. C. in 1618 
met 5 Kchepen 6000 quarteelen traan maakte, waarvan z\j er 1000 moeat begraven. 
(Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157 ) Ook verneemt men. dat twee Baskiaehe tchepen 
in het najaar van 1632 van Jan Mayen-eiland roofden 600 qoarteelen traan en 
200.000 pond baarden (Req. der N. C r. Vrolicq dd. 8 Apr. 1638 .in: Stn. N. C. 
▼. d. Hrl. gedeput. R.-A.) en dat Willem Y« eens in éen jaar 2000 quarteelen 
traan met een naschip van hetzelfde eiland haalde. (Zorgdrager, Groenl. viasch. 
p. 215.) 

») Zorgdrager. Groenl. vissch. p. 185, 215. — Lindeman , Arkt. Fiach. p. 9. — 
Tegen w. Staat. I p 591. 



121 

op 28 Augostos bepaald >), >- moesten alle schepen geladen z^n. De 
Commandeur-generaal gaf het teekon tot het vertrek *) en de vloot 
zeilde weg. Bgna altgd kwam zy behouden in het vaderland aan. 
De vangst werd dan voornamelijk te Amsterdam ontladen, waar 
de kamer op de Keizersgracht bg de Brouwersgracht de drie 
Groenlandsche pakhuizen had laten bouwen *). 

Wg hebben nu gezien, hoe de Noordsche Compagnie haar be- 
drgf inrichtte ; de vraag rgst echter natuurlgk of dat bedrjjf wel 
de vele kosten loonde , die daarvoor gemaakt moesten worden. 
Ter beantwoording dier vraag moeten w^ twee zaken nagaan : 
hoeveel de jaarl^jksche vangst der walvischvaarders bedroeg en 
hoeveel geld de compagnie door verkoop van die vangst in kas 
kreeg. Ik zal trachten op die vragen een antwoord te geven. 

Wg bezitten voor de begrooting van de jaarl^jksche vangst der 
Noordsche Compagnie twee algemeene opgaven als leiddraad voor 
onze onderzoekingen. Eene alleszins betrouwbare autoriteit ver- 
zekert ons weinige jaren na den val der compagnie, dat hare 
vangst steeds gering was *), en de Noordsche Compagnie zelve 
verklaart nog in 1636, dat de wal visch vangst slechts een>cleyn 
werck" was *). Van alle zijden wordt ons tegelijkertyd mede- 



*) B|j de Instnictie der Commandeun van 1682. (Sent. v. de H. R. in zake 
de N. C. Hoorn e. Enkh. dd. 4 Apr. 16S7.) Men vertrok echter dikwijls vroeger, 
boewei het verboden was. (In 1682, ef. Sent. v. de H. R. dd. 4 Apr. 1687. — In 
1688 vau Sp. 80 Ang., van J. M.-eil. 26 Ang. cf. Vander Brugge, Joumael. p. 5, en : 
Twee Journalen, p. 8. — In 1634 van Sp. 1 Sept. cf. Twee Journalen, p. 22. — In 
het algemeen van Sp. omstreeks half Augustus, cf. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 29.) 

*) Contr. der N. C. met de Zeeuwen , in : Noordsche togten. 4. Loop. N. C. 
R.>A. — Niemand mocht afzonderlijk vroeger vertrekken, daar men vreesde voor 
vanden. Zoo werd in 1624 een wal visch vaarder , die alleen voomitgezeild was, 
voor de Nederlandsche zeegaten door een Duinkerker genomen. (Waasenaer , Hist. 
▼erb. VIII fol. 86.) 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229. — Tegenw. Staat. I. p. 590. — Lin- 
deman, Arkt. Fisch. p. 8. — Le I/ong. Kooph. v Amst. II p. 160. — Bij de 
uitlegging van Amsterdam in 1616 «'erd volgens het register der uitgiften 
vmn gronden (Amst. Arch.) een erf op de Keizersgracht tusschen de Prinsen- 
itraat en de Brouwersgracht voor ƒ 600 verkocht aan een steenkooper Wouter 
Jacobai., die het l October 1620 overdeed aan «Ysbrandt l)obbe cum soc\js." 
(Ysbr. Bobbesz. was in 1614, 1617 en ook in 1621 bewindhebber der N. C. 
cf. Octr. der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669. — Contr. der N. C. met de 
Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A. — Req. der N. C. aan 
de Stn.-Geu. dd. 1 Sept. 1621 , in: Noordsche togten. .3. Ontd. van Jan Mayen- 
eOand. R.~A.) De Groenlandsche pakhuizen zijn dus waarschijnlgk gebouwd in 
1621 ten t^de van den grootsten bloei der N. C. 

*) Aauwyaing van heils. polit. gronden, p. 75. 

») Repart. der bewindh. v. de N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1686, in: Stn. N. C. 
V. d. Hrl. gedeput. R -A. 



122 

gedoeld, dat in de eoi'ste tijden der walvischvangflt de visch zoo 
overvloedig voorkwam, dat men de prooi, later met moeite op- 
gespoord, slechts te dooden had •). De twee opgaven, hoe te- 
genstrijdig zo schijnen , zijn zeer goed overeen te hrengen. Wer- 
kelijk kwam de walviseh in de eerste tijden der Noordsche Com- 
pagnie in grooten overvloed aan de kusten van Spitsbergen en Jan 
Mayen-eiland voor, en toch is het zeker, dat de compagnie in 
den regel , al ontbrak het uoodige kapitaal haar niet , eene vangst 
naar huis bracht, uiterst onbeduidend in vergelijking met den 
grooten voorraad, dien de vrije visscherij later jaarlijks in Ne- 
derland invoerde. Het was toch , zooals wij zagen , haar systeem 
evenzeer als van de Oost- en West-Indische Gompagniën, dat 
het beter was weinige goederen tegen hooge prijzen af te leveren 
dan veel te verkoopen , wanneer do waarde der goederen door die 
veelheid zelve aanmerkelijk verminderd was. Dit systeem , hoe 
hoogst verderfelijk ook voor don handel en voor het algemeen 
belang, had werkelijk veel wat het in het oog van bekrompene 
bezitters van monopolil^n en van kortzichtige economisten aanbe- 
val, en de Noordsche Compagnie volhardde daarby tot haar einde 
toe *). Of zg er wel bij voer? Ik vrees, dat dit hier evenmin 
als elders het geval was. 

Het ligt zeer voor de hand te meonen , dat eene vereeniging , 
die er zich op toelegde steeds bij grooten overvloed van visch 
slechts weinige schepen op de walvischvangst uit te zenden, ieder 
jaar die schepen ten boorde toe geladen naar huis moest zien 
keeren. De traditioneele voorstelling van de geschiedenis der 
Noordsche Compagnie leert ons dan ook, dat de eerste jaren 
tijden van later ongekenden voorspoed en overvloed waren , dat 
de rijke vangst steeds klom tot 1633 toe en dat eerst van toen 
af door de merkbare vermindering der visschen aan de kust, de 
Noordsche Compagnie kennis maakte met de slechte zijde van een 
avontuurlijken handel. Het nadeel door haar geleden , aanvanke- 
lijk gering, zou weldra zoozeer toegenomen zijn, dat de compagnie 
eerlang evenveel verloor als zjj vroeger gewonnen had en zelve 
in 1642 do nering opgaf •). Men vergeet bg deze voorstelling 



») Zie o. a. Scoresby, Accouut. TI p. 141. 

*) Dit blijkt o. a. iiit de mededeeling der N. C. in 1636, dat haar raogtt 
met \ vermeerderen zou . wanntTr o. a. do iuvocr vau traan en balein van bui- 
tenslands verboden werd. (Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. X. C. 
V. d. Hrl. gedeput R.-A ) Het op prijs bonden der waren was das haar motief 
om wcinitf te vanpen. (Vgl. ook: Repart. der N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 163^, 
in : Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput R.-A.) Zie ecbter bierna p. 124. 

*) Zorgdrager, Groeul visscb. p. 192, 229. — De walviscbvangst. II p. 87. — 
Scoresb)', Account. II p. 52, 178. — Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20. — Tegenw. 
Staat. I p. 590—92. 



123 

echter te veel, dat een bedrjjf als de walvischvangst uit zijnen 
aard zeer onderhevig is aan geluk en ongeluk, dat »groote pe- 
rgcnlen," pgang, storm, zware mist veel invloed op het resul- 
taat van »'t onzoecker visschen" kunnen oefenen; men brengt bo- 
vendien te weinig in rekening de geringe ervaring en bekwaam- 
heid der Nederlanders in 1614, gebreken door de overkomst van 
enkele Basken slechts weinig verholpen. Wij hebben dan ook 
reeds gezien, dat de bovenvermelde voorstelling, berustende op 
het verhaal van Zorgdrager, — een boek ter loops gezegd even 
voortreffelgk waar het door den schrijver zei ven geziene zaken 
mededeelt, als slecht te vertrouwen waar het de geschiedenis 
der walvischvangst geldt, — althans wat het laatste gedeelte 
aangaat stellig onjuist is: de kustvisscherg gaf nog eenige jaren 
na den val der Noordsche Compagnie voordeel aan hen , die zich 
daarmede bezighielden, en het octrooi der vereeniging werd dan 
ook in 1642 zeer tegen den zin der aandeelhouders ingetrokken. 
Ook wat de rijke vangst betreft en het tgdstip van den groot- 
sten bloei der walvischvangst zal het blijken, dat Zorgdrager 
geheel misgetast heeft. Reeds dadelijk volge hier eene opgave van 
het resultaat der walvischvangst over de eerste twintig jaren *). 
Spitsbergen. Jan Mayen-eiland. 

1612 slecht — 

1613 slecht (door roof der Engelschen) — 

1614 slecht — 

1615 zeer slecht — 

1616 slecht ? 

1617 slecht (door roof der Engelschen) ? 
1618-22 ? ? 

1623 zeer goed ? 

1624 goed zeer goed 

1625 ? slecht 

1626 slecht zeer goed 

1627 ? ? 

1628 slecht (alleen Vlissingen gelukkig) slecht (alleen Vlissin- 

1629 ? ? gen gelukkig) 

1630 ? ? 

1631 ? zeer goed 

1 632 goed niets (het jjs blijft het 

eiland omringen) *) 



*) Over de laatste tien jaren der N. C. vind ik gcene opgaven medegedeeld. 

») Deze opgaven zijn ontleend aan: Wasscnacr, Hist. verh. V fol. 157, VlI 
fol. 108, VIII fol. 86, 88, X fol. 106, XIl fol. 8. XVI fol. 26. — Hist. du pavs 
de Spiisberghe. p. 22, 25, 26. — Kdge, Dutch distnrbance, bij: Purchau. Pil- 
grimes. III p. 466, 67. — R. S.-G. 28 Apr. 1615. — Getnigeniwen in zake de 



124 

Het blijkt dns reeds U^rstond: 1*. dat de allereerste jaren 
der walvischvaugst , wel verre van een resultaat te leveren , dat 
met den zoo geroemden overvloed der visschen overeenkwam, in- 
tegendeel bizonder slecht uitvielen '), 2*. dat de Noordache 
Compagnie ook in latere jaren, toen ervaring en bekwaamheid 
toenamen , volstrekt niet rekenen kon op een vaste mime vangst, 
maar steeds afhing van verschillende omstandigheden , die op het 
resultaat der reis invloed oefenden, en 3*. dat de jaren, waarin 
wij weten, dat de Noordsche Compagnie een meer dan gewoon 
aantal schepen uitzond (1614, 1615 en 1628) volstrekt niet als 
gunstig in de boeken der vereeniging aangeteekend stonden, — 
cenc opmerking, die bewijst, dat het kleine getal schepen door 
do compagnie uitgezonden niet uitsluitend aan het bovenver- 
melde beginsel van > kleine vangst hoogc prezen'* toegeschreven , 
maar evenzeer aan de betrekkelijk geringe ruimte van het terrein 
geweten moet worden. 

Bij al hetgeen deze onvolledige opgaven over het resultaat der 
vangst ons dus leeren , laten zij ons echter ovei eene zaak geheel 
in het duister. Wat verstond men onder een goede en slechte 
vangst, m. a. w. hoeveel kon de Noordsche Compagnie redelg- 
kerwijze verwachten jaarlgks te zullen vangen? Het antwoord op 
deze vraag is niet gemakkelijk , daar ons nagenoeg alle gegevens 
voor eene statistiek van de jaarlijks ingevoerde hoeveelheid traan 
en baarden ontbreken. Wij moeten ons dus vergenoegen met den 
zeker eenigszins onzuiveren maatstaf, dien ons de algemeene be- 
grootingen der Noordsche Compagnie aanbieden. 

Bij de overeenkomsten, die de verschillende kamei*s der com- 
pagnie van tijd tot tijd met elkander sloten en waarbg zg ieders 
aandeel in de vangst regelden, weid namelijk het deel dat aan 
eene kamer toekwam uitgedrukt in quarteelen (vaten) traan; al 
deze deelen bij elkaar gevoegd vormden dus het getal quarteelen , 
dat men hoopte te vangen. Over de eerste jaren ontbreken die 
opgaven, eerst met het jaar 1622 vinden wij een cgfer genoemd : 
do Noordsche Compagnie begrootte toen haar jaarlijksche vangst 
op 21.000 quarteelen ')• Sedert is een gedurige vermindering der 
opbrengst merkbaar. Bij het contract van 1630 werd de vangst 



Eng. qaarstie v. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. X. C. R.-A. — Sent. ▼. 
de 11. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. — GetnigeDU ▼. 
Wybe Jausz. voor de rcgerring t. .\inst. in : Noordsche togten. 4. T^oop. N. C 
R.-A. — Req. der N. (■. c. Vrolicq en v. Vrolicq c. de N. C. dd. M Mrt , 
8 Apr. 1638. in: Stn. N. C v. d. Hrl. gedepnt. R.-A. 

*) Dit wordt nog bevestigd door de N. (\ zelve. (Req. der N. C. e. CUrke 4d 
15 Mrt. 1619 (lees 161S) in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R..A.) 

») R. S.-O. 8 Febr. 1622. 



125 

op 17.500 qoarteelen begroot *)i in 1636 op slechts 16.000 *). 
Ik geef dadelgk toe, dat men op deze cijfers niet vast ver- 
trouwen kan: naarmate het aandeel van sommige kamers op |, 
it i 0^ op kleinere breuken geschat werd, koos men een ge- 
tal , dat ook in die breuken een ronde som kon geven ; maar on- 
getw^feld is de begrooting toch ongeveer de uitdrukking van 
hei^geen de Noordsche Compagnie krachtens vroegere ondervinding 
van hare vangst verwachtte '). 

Slechts enkele opgaven geven een volkomen zuiveren maatstaf 
voor de begrooting van de geheele vangst der compagnie. Wij 
hebben gezien, dat het getal schepen, die de Noordsche Com- 
pagnie jaarlgks naar het noorden zond , hoogst zelden tot twintig 
klom *). Wanneer wij nu vernemen, dat een groot schip on- 
geveer 1000 quarteelen traan kon bevatten *), en wanneer wy 
er aan denken , dat het niet zelden voorkwam , dat men een ge- 
deelte der vangst op het land moest achterlaten of met nasche- 
pen laten vervoeren , kunnen wij gemakkelijk berekenen , dat 
de compagnie met eene vangst van 20.000 quarteelen tevreden 
kon z^'n *). Eenige bewindhebbers verklaarden eenmaal zelfs, 



*) Sent. T. de H. R. in zake de N C. Hooro e. £ukh. dd. 4 Apr. 1687. 

*) Venl. der confer. t. 14 Febr. 1686, in: Sin. N. C. v. d. UrI. gedepat. R.-A. 

*) Geheel geene gevolgtrekkingen kan meu afleiden uit de vermeerdering der 
gewone begrooting met 1800 quarteelen in 1622, en met 3000 in 1686. (R. S.-6. 
4, 11, 12 Febr. 1622. — Aitzema, Saken van SUet. II p. 860. — Te- 
genw. Staat. I p. 590.) Beide malen geschiedde deze vermeerdering ten gerieve 
▼an nieuwe leden (de kleine N. C. en de Friezen) wien men geen aandeel nit 
de gewone begrooting kon of wilde toeleggen om de rechten der overige kamers 
op de eens vastgestelde raming niet te krenken. Natuurlek blgkt daaruit geheel 
niet, dat de vangst vermeerderd was. De begrooting der geheele vangst op 
24.000 quarteelen in Juli 1636 (Aitzema, 1. c. Il p. 860), terwjjl ze nog in 
Februari van hetzelfde jaar op slechts 16.000 begroot was (zie hiervoor p. 124 
Noot 8), geschiedde waarschijnlijk omdat men nog aan het onderhandelen was 
met acht HoUandsche steden , die men slechts in de N. C. wilde toelaten , indien 
de regeering door wering van alle concurrentie het der compagnie mogelgk maakte 
bare vangst op 24.000 quarteelen te brengen. (Versl. der confer. in 1636, in: 
Stn. N. C. V. d. Hrl. gedepnt. R.-A.) 

») Zie de statistiek op p. 109 , 10. 

*) Wasaenaer, Hist. verh. V fol. 157. — Martens, Vojage toSpitib., in: White, 
Spitzbergen. p. 183. — Sent. v. h. Hof v. HoU. in zake de N. C. e. Braem, 
dd. 29 Juni 1629. — Eene vangst van 657 quarteelen beloonde de kosten van uit- 
rusting van een schip niet. (Sent. v. de H. R, in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. 
dd. 4 Apr. 1687.) I>e Engelsehe schepen waren gewoonlijk veel kleiner. (Purchas , 
Pilgrimea. III p. 467—69, 787. — Purchas, Pilgrimage. p. 816.) 

*) De Engelschen waren veel spoediger tevreden: zij oordeelden het een zeer 
goede vangst, toen in 1616 acht schepen 1300 vaten traan, in 1617 veertien 
schepen 1900 vaten en in 1622 zes schepen 1300 vaten inbrachten. ^Kdge, Dutoh 
disturbance. b\j: Purchas, Pilgrimes. 111 p. 467.69.) 



126 

dat de groote on kleine Noordsche Compagnieën tot 1622 toe — 
dns tot op het tijdstip waarop wy zagen , dat de vangst hun het 
meest inbracht, — te zamen in geen jaar ooit meer hadden ge- 
vangen dan 19.000 quarteelen traan ^), eeno opgave, die tot eene 
nog ongunstiger conclusie leidt dan de zoo even gemaakte bere- 
kening. Wg vernemen eindelyk, dat omstreeks 1640 een schip 
by gunstige vangst tien walvisschen of zelfs enkele meer kon 
vermeesteren ' ) , en wanneer wij bedenken , dat éen walvisch ge- 
woonlijk 60 a 70 quarteelen traan en 1000 a 1800 pond baar- 
den leverde *) , komen wij tot de van elders bevestigde conclusie, 
dat de gouden tijden der naschepen toen reeds lang voorbg waren. 

üit al het voorgaande blijkt , dat de geschiedenis der walvisch- 
vangst onder de kust in groote trekken aldus is. Terwgl de eerste 
jaren door onervarenheid en ongeluk, misschien door te groote 
uitrustingen nadeelig waren, werd het resultaat gunstig, zoodra 
de Noordsche Compagnie besloot zich uitsluitend naar de door 
mededingers niet bezochte noordelijke baaien op Spitsbergen en 
naar Jan Mayen-eiland terug te trekken : de jaren 1619 tot 1624 
zgn dus die van den grootsten bloei. Beeds van dit laatste 
jaar dagteekent de langzame vermindering der vangst , die echter 
nog in 1636 belangrijk genoeg was om de Friezen tot de vestiging 
op het Deensche eiland over te halen. Meer en meer afnemende 
was de vangst omstreeks 1640 toch nog vrij goed en eerst na 
het openstellen der visscherij voor alle Nederlanders werd de 
walvisch in weinige jaren voor goed uit de baaien verjaagd. 
De zeevisschery , die omstreeks 1630 opkwam, moest reeds twin- 
tig jaren later door de ijs visscherij vervangen worden. 

Maar al weten wij nu ongeveer, in welke jaren de grootste 
scheepsladingen traan en balein in ons vaderland werden binnen- 



■) Req. T. P. V. d. Graeff c. s. aan de Stn.-Gen. dd. 12 Febr. 1628, in: 
Noordsche togten. 4 Loop. N. C. R.-A. 

*) Drie Vojagien na Oroenlandt. p. 15. (Dat deze opgave ait de latttte dagen 
der N. C. dagteekent, blijkt uit het feit, dat de schrijver gedurig van lecTia- 
schers spreekt, die niet aan Spitsbergen mochten komen om hunne traan te koken.) 

') Dit is de gemiddelde opbrengst, maar er was daarop zoo weinig staat te 
maken, dat men van walnsschen leest, die niet meer dan 10 quarteelen oplcTer- 
den, terwijl anderen wel 100 quarteelen gaven. Ter vergel^king zie men de 
opgaven van de opbrengst van een walvisch bg : Wassenaer , Hiit. verh. VlU 
<ol. 86. — Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 105, 129, 318, 856, 871. — De walviack- 
vangst. I p. 42. — Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 6, 
8, 10, 106. 118, 120. — Dooregeest, Uijper zee-postil. p. 866. — Hist. do 
pays de Spitsbcrghe. p. 18. — Drie Voyagien na Oroenlandt. p. 15 — Sent 
V. h. Hof v. Holland in zake de N. C. c. Bracm dd. 29 Juni 1629. ~ Parcbas, 
Pilgrimes. 111 p. 470, 732, 34, 86, 87. — Schaderekening der Zeeuwen v. 
1(U7, il): Noordsche togten. 4 Lotip. X. ('. R.-A. — Kug. schaderekening v. 
1618, iü: Lius loop. 1618. R.-A. 



127 

gevoerd , het antwoord op de vraag naar de winst der Noordsche 
Comp£^nie is daarmede nog niet gegeven. Terwijl toch van de 
eene zgde het haar dikwijls ten laste gelegde wanbeheer en ge- 
brek aan zuinigheid ook bij eene rijke vangst kon doen verliezen , 
had de compagnie in de door haar zelve bepaalde vaste prijzen 
der traan een middel om ook bij een zeer geringe toevoer nog 
redelijke zaken te doen. Laat ons zien wat daarvan is. Wij 
kunnen niet beter doen dan de Noordsche Compagnie, die w^ 
reeds met hare vangst in de Groenlandsche pakhuizen hebben 
zien aankomen, nog verder in haren handel te volgen. 

Wat het afzetten van de waar betreft, beleefde de compagnie 
in het begin werkelijk gouden dagen. Voor de traan, die voor- 
namelijk in lampen tot verlichting word gebruikt , én het spek , 
dat ook tot spijs schijnt gediend te hebben >), vond men bgna 
overal een willige markt ; de balein , waarvan men aanvankelijk 
het nut niet goed schijnt ingezien te hebben , werd sinds de uit- 
vinding van den Engelschman John Osborne, die ze in 1618 
door samenpersing begon te bewerken *), gezocht voor schü- 
derijlgsten , versierselen aan buffetten en schoorsteenmantels , 
ook voor wandelstokken, meshechten enz. Het binnenland bleef 
natuurlijk de hoofdmarkt voor deze artikelen •), maar van Ne- 
derlandsche kooplieden der zeventiende eeuw was het niet te 
verwachten, dat zij zich binnen zulke enge grenzen zouden be- 
perken. Weldra werd Frankrgk, ♦) waarschijnlijk ook Duitsch- 



») Wawcnaer, Hist. vcrh. VII fol. 109. 

*) Op verzoek van de N.C. had Osborne, geboortig van Worcester maar sinds 
fijn zeventiende jaar ivoordraaier te Amsterdam, daarover lang gepeinsd en ein- 
delijk ifdoor een sonderlinge wetenschap de dnnne stucken soo in malkanderen 
weten te parssen, dat sy een massa /.yn en blvven." Had het balein eenmaal 
deze knnstbewerking ondergaan, dan werd het „so gedwee of mol, datmen met 
een gesneden plaet daerop drnckt 't gene men wil , de aldcrdunste graveringhen , 
•It stralen van de son of anders, presenteren haer so helder, als men die inde 
plaet , of het pampieren afdrncksel siet : Men macckt daer tronien heel uytstaende 
mf, van mans en vrouwen, leeuwen, satyrs, en alle beeltenissen van Historiën, 
of sy vande beste beeldt-snydcrs gedacn waercn : tot ornamenten der huysen 
en eamers dienende, blyvende altoos soo swart als gitte, so men seyt " (Was- 
lenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.) Deze uitvinding ontlokte den goeden Dr. Waa- 
•enaer een kreet van bewondering: „Nu bevinde ick", schreef hg, „dat die Inyden 
in haer opinie bedroghen zyn, die ghevoelcn dat alle konsten op het hooghste 
zyn , en datter niet en is , of 't sy al ghevondeu. (NB. in 1624 1) Voorwaer dese 
inventie braveert alle snbtyle verstanden 1" 

*) De Aanwysing v. heils. polit. gronden zegt zelfs (p. 75), dat de N. C. zich 
tot den binnenlandschen verkoop geheel bepaalde. Dat dit onjuist is, blgkt ait de 
beide volgende noten. 

*) Uit het beslag, in 1634 volgens verlof der Rounansche adniiroliteit gelegd 
op de goederen der N. ('. te Rouaan. Bordeaux en Ikyouue (Req. der X. C, 



128 

land, Spanje en de kusten der Middellandsche zee ') voor den 
nieuwen handel ontsloten. De prijzen waren aanyankelgk natuar- 
Igk zeer hoog: éen walvischbaard werd met/ 12 (30 stuivers het 
pond) betaald *), en de Noordsche Compagnie durfde in 1617 een 
quarteel traan op ƒ 150 , de 100 pond balein nog op / 30 be* 
grooten *). Maar weldra daalden de pryzen: de baarden waren 
in 1618 bgna niets meer waard ^) en ook de traan werd als 
nieuw en kostbaar artikel door het geringe verbruik gedrukt. 
Toen de walvisch vangst zich in 1623 na eenige jaren van goede 
vangst hersteld had van de verliezen der eerste jaren, vin- 
den wij het quarteel traan in Frankrjjk begroot op ƒ 45, de 100 
pond balein op ƒ 10 *). In Nederland — waar de prgzen niet 
veel van de Fransche verschild zullen hebbon , daar de compagnie 
bij de bepaling der ' vaste prjjzen natuurlijk met het buitenland 
moest rekenen, — werden dit jaar de prijzen zeer hoog geoor- 
deeld *). De vraag vermeerderde langzamerhand: in 1624 werden 
100 pond balein voor/ 20 verkocht *); in 1632 werd de prgs 
van het quarteel traan op ƒ 60 bepaald *) (de hier te lande ge- 
kookte slechtere traan gold dat jaar ruim / 51{ het quarteel *) ), 
terwijl de baarden echter weder niet meer dan ongeveer ƒ 8 de 
100 pond deden '*). Sedert begon de invloed der concurrentie 



dd. 2 Febr. 1684 en ald. Bijl. il, in: Noordsche tugten. 4. Jjoop. N.C. IL-A.), 
blijkt dat de compagnie daar agenten had. 

^) De Nederlandsche resident Van Cracanw stelde in 1638 aan Christiaan IV 
voor, de markt voor traan en baarden tusschen beide natiën te deelen : de Denen 
zonden Denemarken en de oostelijk van daar gelegene landen alleen hebben , de 
Nederlanders Dnitschland ten westen der Elbc, Nederland, Frankrijk en alle 
andere zuidelijk en westelijk gelegene landen. (Miss. v. Van Cracanw aan de 
Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 163», in: L D. 1638.) De resident, die in correspon- 
dentie stond met de N. C. , zou dezen voorslag , waartoe hg tronwens geen spe- 
cialen last had , zeker niet gedaan hebben , zoo de compagnie van den allecnhniide] 
in die landen geen voordeel had kunnen trekken. 

*) Wassenaer, Hist verh. VIII fol. 86. 

*) Schaderekening der Zeeuwen v. 1617. (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. 
R.-A.) De Engelschen begrootten een quarteel traan in 1618 op Ji 15. (Eag. 
schaderekening, in: Lias loop. 1618. R-A.) 

») Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88. 

*) Sent. V. h. Hof v. IIoU. in zake de N. C c. Braem dd. 29 Juni 1629. 
. •) Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157. 

*) Waswïnaer, Hist. verh. VIII fol. 88. 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c Enkh. dd. 4 Apr. 1687. — 
Dictum V. de H. R. in zake als boven dd. 3 Apr. 1637. 

*) Dictum V. de II. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 8 Apr. 1637. 

»•) Sent. V. de II. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1837.— 
Uit deze sententie bl^kt , dat voor de baarden niet als vo<)r de traan vooraf een 
vaste prijs door de N. (\ bepaald werd : in 1 632 werden ze eenTondig allen aan 
de Amsterdamsche kamer ter verkoop gezonden. 



129 

zich meer en meer te doen gevoelen : de walvischvangst van 
Denen en Franschen begon zich nevens die der Engelschen op de 
markt te doen gelden, de Hansesteden vertoonden zich later 
ook in de IJszee , en vooral de meer en meer zich ontwikkelende 
xeevisscherij der Nederlanders zelve wierp een groot gewicht 
in de schaal. De Noordsche Compagnie , gewoon aan eene 
Yr\je en machtige positie, wist zich niet spoedig naar de veran- 
derde omstandigheden te schikken. Zij bleef hare goederen voor 
veel geld aanbieden; de inrichting der compagnie maakte het 
onmogelijk de vaste vooruitbepaalde prijzen spoedig te veranderen , 
en het resultaat schijnt geweest te zijn, dat hare goederen, na 
gernimen tijd in de pakhuizen gelegen te hebben, eindelijk op 
onvoordeelige wijze van de hand gedaan moesten worden <). Lang- 
zamerhand was de vereeniging toch wel genoodzaakt, met haren 
tijd mee te gaan; omstreeks 1640 was de prijs van een qnarteel 
traan naar gelang van de vangst tot ƒ 45, 30, ja 25 gedaald *). 
B{j de verliezen, die de Noordsche Compagnie dus door hare 
inrichting zelve noodzakelijk nu en dan lijden moest, voegden 
zich echter andere , die zij tot het laatst toe niet poogde te voor- 
komen. De omslachtige wijze van traankoken, die zij had aan- 
genomen en die haar noodzaakte kostbare inrichtingen in het 
barre noorden in stand te houden, was misschien ') wenschelijk 
toen de overvloedige vangst niet in de schepen geborgen kon 
worden en toen men dus verplicht was naschepen te zenden om 
ze af te halen, maar zij gaf zeker geen voordeel meer, toen in 
latere jaren de vloot zelfs in het gunstigste geval bijna geene 



*) Aanwysing v. heih. polit. gronden, p. 75. 

*) Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15. — Om de prijzen te berekenen moet 
men weten, dat de traan geborgen werd in quarteelen , die ongeveer 12 stee- 
kannen (van 10 mengelen) hielden. (Zorgdrager, Groenl. visach. p. 339, 370 , 
871. — Lindeman, Arkt. Fiach. p. 9. — Dictum en Sent. t. de H. K. iu 
xake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 8 , 4 Apr. 1637.) De apekquarteelen waren 
grooter, z\j hielden 16 k 18 steekannen. (Zorgdrager 1. e. p. 835 , 870. — 
Rijper zeepostil. p. 856. — Tegenw. Staat. I p. 608.) 

*) Ik xeg „misschien", omdat men door het spek tot traan te koken slechts 
20«/o aan ruimte won. (Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitsbergen. 
p. 131.) Op elk volgeladen schip — een schip, dat 1000 quarteelen hield, be- 
hoorde onder de groote — zou men dus, wanneer men het spek niet tot 
traan kookte, slechts 200 quarteelen spek behoeven achter te laten. Wanneer 
Msi} de jaarlijksche vloot der N. C. op 15 schepen schatten, geeft dit dus een 
jaarlijkach overschot van 3000 quarteelen spek. Nemen wij dus al aan , dat de 
schepen alle jaren geheel volgeladen werden en dus het overschot der vorige jaren 
DOoit konden medevoeren , (wat wij weten dat bepaald niet het geval was ,) duu 
kon men door jaarlgks drie naschepen te zenden , den geheelen omslachtigcn toe- 
itel van traankokerijen en woonhuizen in het noorden , van dubbele bemanning 
tn dubbele victualie bespaard hebben. 



122 

g(MleeM, dat in de eerste tijdeo der walvischvangRt de viscb zoo 
overvloedig voorkwam, dat men de prooi, later met moeite op- 
gespoord, slechts te dooden had "). De twee opgaven, hoe te- 
genstrijdig ze schijnen , zijn zeer goed overeen te brengen. Wer- 
kelijk kwam de walviseh in de eerste tijden der Noordsche Com- 
])agnie in grooten overvloed aan de kusten van Spitsbergen en Jan 
Mayen-eiland voor, en toch is het zeker, dat de compagnie in 
den regel , al ontbrak het noodige kapitaal haar niet , eene vangst 
naar huis bracht, uiterst onbeduidend in vergelijking met den 
grooten voorraad, dien de vrije visscherij later jaarlyks in Ne- 
derland invoerde. Het was toch , zooals wg zagen , haar systeem 
evenzeer als van de Oost- en West-Indische Compagniën, dat 
het beter was weinige goederen tegen hooge prijzen af te leveren 
dan veel te verkoopen , wanneer de waarde der goederen door die 
veelheid zelve aanmerkelijk verminderd was. Dit systeem , hoe 
hoogst verderfelijk ook voor den handel en voor het algemeen 
belang, had werkelijk veel wat het in het oog van bekrompene 
bezitters van monopoliOn en van kortzichtige economisten aanbe- 
val , en de Noordsche Compagnie volhardde daarbjj tot haar einde 
toe *). Of zg er wel bij voer? Ik vrees, dat dit hier evenmin 
als elders het geval was. 

Het ligt zeer voor de hand te meenen , dat eene vereeniglng , 
die er zich op toelegde steeds bij grooten overvloed van visch 
slechts weinige schepen op de wal visch vangst uit te zenden, ieder 
jaar die schepen ten boorde toe geladen naar huis moest zien 
keeren. De traditioneele voorstelling van de geschiedenis der 
Noordsche Compagnie leert ons dan ook, dat de eerste jaren 
tijden van later ongekenden voorspoed en overvloed waren , dat 
de rijke vangst steeds klom tot 1633 toe en dat eerst van toen 
af door de merkbare vermindering der visschen aan de kust, de 
Noordsche Compagnie kennis maakte met de slechte zijde van een 
avontuurlijken handel. Het nadeel door haar geleden , aanvanke- 
lijk gering, zou weldra zoozeer toegenomen zijn, dat de compagnie 
eerlang evenveel verloor als zij vroeger gewonnen had en zelve 
in 1642 de nering opgaf '). Men vergeet bij deze voorstelling 



*) Zie o. a. Scoresby. Accouut. TI p. 141. 

*) Dit blijkt o. a. uit de mededeeling der N. C. io 1636, dat haar Ttogtt 
met \ Termeerder en zou , wanneer o. a. de invoer van traan en baleiu Tan bai- 
teudlands verboden werd. (Versl. der confcr. v. 14 Febr. 1636, iu: Stn. X. C. 
T. d. Hrl. gedeput. R.-A ) Het op prijs houden der waren was dus haar motief 
om weiniK te Tanden. (Vgl. ook: Repart. der N. C. Amst. dd. 19 Mrt. lÖSfi, 
in : Stn. X. (\ t. d. Hrl. pedeput. R.-A.) Zie eehter hierna p. 124. 

") Zorgdrager, Groeul. vissch. p. 192, 229. — De walvischvangst. Il p. 87. — 
Scoresby, Account. II p. 52, 178. — Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20. — Tegenw. 
Staat. 1 p. 590—92. 



123 

echter te veel, dat een bedryf als de walvischvangst uit zijnen 
aard zeer onderhevig is aan geluk en ongeluk, dat »groote pe- 
rgculen," gsgang, storm, zware mist veel invloed op het resul- 
taat van »'t onzeecker visschen" kunnen oefenen; men brengt bo- 
vendien te weinig in rekening de geringe ervaring en bekwaam- 
heid der Nederlanders in 1614 , gebreken door de overkomst van 
enkele Basken slechts weinig verholpen. Wij hebben dan ook 
reeds gezien, dat de bovenvermelde voorstelling, berustende op 
het verhaal van Zorgdrager, — een boek ter loops gezegd even 
voortreffelyk waar het door den schrgver zelven geziene zaken 
mededeelt, als slecht te vertrouwen waar het de geschiedenis 
der walvischvangst geldt, — althans wat het laatste gedeelte 
aangaat stellig onjuist is: de kustvisscherjj gaf nog eenige jaren 
na den val der Noordsche Compagnie voordeel aan hen , die zich 
daarmede bezighielden, en het octrooi der vereeniging werd dan 
ook in 1642 zeer tegen den zin der aandeelhouders ingetrokken. 
Ook wat de rijke vangst betreft en het tijdstip van den groot- 
sten bloei der walvischvangst zal het blijken, dat Zorgdrager 
geheel misgetast heeft. Reeds dadelijk volge hier eene opgave van 
het resultaat der walvischvangst over de eerste twintig jaren *). 
Spitsbergen. Jan Mayen-eiland. 

1612 slecht — 

1613 slecht (door roof der Engelschen) — 

1614 slecht — 

1615 zeer slecht — 

1616 slecht ? 

1617 slecht (door roof der Engelschen) ? 
1618-22 ? ? 

1623 zeer goed ? 

1624 goed zeer goed 

1625 ? slecht 

1626 slecht zeer goed 

1627 ? ? 

1628 slecht (alleen Vlissingen gelukkig) slecht (alleen Vlissin- 

1629 ? ? gen gelukkig) 

1630 ? ? 

1631 ? zeer goed 

1632 goed niets (het ys blijft het 

eiland omringen) *) 



•) Orer de laatste tien jaren der N. C. vind ik geene opgaven medegedeeld. 

■) Dexe opgaven zijn ontleend aan: Wassenacr, Hist. verh. V fol. 157, VII 
fol. 108, VIII fol. 86, 88, X fol. 106, XII fol. 8. XVI fol. 26. — Hist. du pays 
de SpiUberghe. p. 22, 25, 26. — Edge, Dutch distnrbance. bij: Purcha*, Piï- 
griines. III p. 466, 67. — R. S.-G. 23 Apr. 1615. — Getuigenissen in zake de 



124 

Het blijkt dn8 reeds U^rstond: 1*. dat de allereerste jarea 
der wulvlschvaug8t, wel verre van een resultaat te leveren, dat 
met den zoo geroemden overvloed der visschen overeenkwam, in- 
tegendeel bizonder slecht uitvielen '), 2*. dat de Noordsche 
Compagnie ook in latere jaren, toon ervaring en bekwaamheid 
toenamen , volstrekt niet rekenen kon op een vaste ruime vangst, 
maar steeds afhing van verschillende omstandigheden , die op hei 
resultaat der reis invloed oefenden, en 3*. dat de jaren, waarin 
wij weten , dat de Noordsche Compagnie een meer dan gewoon 
aantal schepen uitzond (1614, 1615 en 1628) volstrekt niet als 
gunstig in de boeken der vereeniging aange teekend stonden, — 
ecnc opmerking, die bewijst, dat het kleine getal schepen door 
do compagnie uitgezonden niet uitsluitend aan het bovenver- 
melde beginsel van » kleine vangst hooge pryzen'* toegeschreven, 
maar evenzeer aan de betrekkelijk geringe iiiimte van het terrein 
geweten moet worden. 

Bij al hetgeen deze onvolledige opgaven over het resultaat der 
vangst ons dus loeren , laten zij ons echter over eene zaak geheel 
in het duister. Wat verstond men onder een goede en slechte 
vangst, m. a. w. hoeveel kon de Noordsche Compagnie redelij- 
kerwijze verwachten jaarlijks te zullen vangen ? Het antwoord op 
deze vraag is niet gemakkelijk , daar ons nagenoeg alle gegevens 
voor eene statistiek van de jaarlyks ingevoerde hoeveelheid traan 
en baarden ontbreken. Wij moeten ons dus vergenoegen met den 
zeker eenigszins onzuiveren maatstaf, dien ons de algemeone be- 
grootingen der Noordsche Compagnie aanbieden. 

Bij de overeenkomsten, die do verschillende kamers der com- 
pagnie van tijd tot tijd met elkander sloten en waarbg zij ieders 
aandeel in de vangst regelden, weid namelijk het deel dat aan 
eene kamer toekwam uitgedrukt in quarteelen (vaten) traan; al 
deze deelen bjj elkaar gevoegd vormden dus het getal quarteelen , 
dat men hoopte te vangen. Over de eerste jaren ontbreken die 
opgaven, eerst met het jaar 1622 vinden wij een cyfer genoemd : 
de Noordsche Compagnie begrootte toen haar jaarlij ksche vang^ 
op 21.000 quarteelen *). Sedert is een gedurige vermindering der 
opbrengst merkbaar. Bij het contract van 1630 werd de vangst 



Eng. quarMie v. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C, R.-A. — Sent. t. 
de II. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. — Getaigrenia ▼. 
Wjbe Jansz. voor de rogcrring v. Amst. in: Noordsche togteo. 4. TiOop. N. C. 
R.-A. — Req. der N. ('. r. Vrolicq en v. Vrolicq c. de N. C. dd. \ l Mrt , 
8 Apr. 1688, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A. 

■) Dit wordt nog bevestigd door de N. C. zelve. (Req. der N. C. e. Garke dd. 
15 Mrt. 1019 (leea 1618) in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.) 

>) R. S.-O. 8 Fehr. 1622. 



125 

op 17.500 qoarteelen begroot >), in 1636 op slechts 16.000 *). 
Ik geef dadelgk toe, dat men op deze c^fers niet vast ver- 
trouwen kan: naarmate het aandeel van sommige kamers op |, 
•(, ^ of op kleinere breuken geschat werd, koos men een ge- 
tal , dat ook in die breuken een ronde som kon geven ; maar on- 
getw^feld is de begrooting toch ongeveer de uitdrukking van 
hotsen de Noordsche Compagnie krachtens vroegere ondervinding 
van hare vangst verwachtte >). 

Slechts enkele opgaven geven een volkomen zuiveren maatstaf 
voor de begrooting van de geheele vangst der compagnie. Wij 
hebben gezien, dat het getal schepen, die de Noordsche Com- 
pagnie jaarlyks naar het noorden zond , hoogst zelden tot twintig 
klom *). Wanneer wij nu vernemen, dat een groot schip on- 
geveer 1000 quarteelen traan kon bevatten *), en wanneer wij 
er aan denken , dat het niet zelden voorkwam , dat men een ge- 
deelte der vangst op het land moest achterlaten of met nasche- 
pen laten vervoeren , kunnen wij gemakkelijk berekenen , dat 
de compagnie met eene vangst van 20.000 quarteelen tevreden 
kon zyn *). Eenige bewindhebbers verklaarden eenmaal zelfs , 



*) Sent. V. de H. R. in zake de N C. Hoorn e. £nkh. dd. 4 Apr. 1637. 

*) Versl. der eonfer. v. 14 Febr. 1686, in: Sin. N. C. v. d. Hrl. gedepat. R.-A. 

*) Geheel geene gcTolgtrekkingen kan meu afleiden uit de vermeerdering der 
gewone begrooting met 1800 quarteelen in 1622, en met 3000 in 1686. (R. S.-6. 
4, 11, 12 Febr. 1622. — Aitzema, Saken van Staet. II p. 360. — Te- 
genw. Staat. I p. 590.) Beide malen geschiedde deze vermeerdering ten gerieve 
▼an nieuwe leden (de kleine N. C. en de Friezen) wien men geen aandeel nit 
de gewone begrooting kon of wilde toeleggen om de rechten der overige kamers 
op de eens vastgestelde raming niet te krenken. Natuurlek blgkt daaruit geheel 
niet, dat de vangst vermeerderd was. De begrooting der geheele vangit op 
24.000 quarteelen in Juli 1636 (Aitzema, 1. c. Il p. 860), terwgl ze nog in 
Februari van hetzelfde jaar op slechts 16.000 begroot was (zie hiervoor p. 124 
Noot 8), geschiedde waarschijnlijk omdat men nog aan het onderhandelen was 
met acht HoUandsche steden , die men slechts in de N. C. wilde toelaten , indien 
de regeering door wering van alle concurrentie het der compagnie mogelijk maakte 
bare vangst op 24.000 quarteelen te brengen. (Versl. der eonfer. in 1686, in: 
Stn. N. C. V. d. Hri. gedeput. R.-A.) 

») Zie de sUtistiek op p. 109 . 10. 

•) Wasaenaer, Hist. verh. V fol. 167. — Martens, Vojage toSpitib., b: White, 
Spitzbergen. p. 183. — Sent. v. h. Hof v. HoU. in zake de N. C. c. Braem, 
dd. 29 Juni 1629. — Eene vangst van 657 quarteelen beloonde de kosten van uit- 
rusting van een schip niet. (Sent. v. de H. R, in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. 
dd. 4 Apr. 1687.) De Engelsche schepen waren gewoonlijk veel kleiner. (Purchas , 
Pilgrimea. III p. 467—69, 787. — Purchas, Pilgrimage. p. 816.) 

*) De Engelschen waren veel spoediger tevreden: zij oordeelden het een zeer 
goede vangst, toen in 1616 acht schepen 1800 vaten traan, in 1617 veertien 
schepen 1900 vaten en in 1622 zes schepen 1800 vaten inbrachteu. ^Kdge, Dutch 
disturbance, bg: Purchas, Pilgrimea. III p. 467. 69. j 



126 

dat de groote cu kleine Noordsche Compagniën tot 1622 toe — 
das tot op hot tijdstip waarop wij zagen , dat de vangst hnn het 
meest inbracht, — te zamen in geen jaar ooit meer hadden ge- 
vangen dan 19.000 quarteelen traan ^), eeno opgave, die tot eene 
nog ongunstiger conclusie leidt dan de zoo even gemaakte bere- 
kening. W|j vernemen eindelgk, dat omstreeks 1640 een schip 
by gunstige vangst tien walvisschen of zelfs enkele meer kon 
vermeesteren ' ) , en wanneer wij bedenken , dat éen walvisch ge- 
woonlyk 60 ^ 70 quarteelen traan en 1000 a 1800 pond baar- 
den leverde *) , komen wij tot de van elders bevestigde conclnsie, 
dat de gouden tijden der naschepen toen reeds lang voorbg waren. 

üit al het voorgaande blijkt , dat de geschiedenis der walvisch- 
vangst onder de kust in groote trekken aldus is. Terwgl de eerste 
jaren door onervarenheid en ongeluk, misschien door te groote 
uitrustingen nadeelig waren, werd het resultaat gunstig, zoodra 
de Noordsche Compagnie besloot zich uitsluitend naar de door 
mededingers niet bezochte noordelijke baaien op Spitsbergen en 
naar Jan Mayen-eiland terug te trekken : de jaren 1619 tot 1624 
zyn dus die van den grootsten bloei. Beeds van dit laatste 
jaar dagteekent de langzame vermindering der vangst , die echter 
nog in 1636 belangrijk genoeg was om de Friezen tot de vestiging 
op het Deensche eiland over te halen. Meer en meer afnemende 
was de vangst omstreeks 1640 toch nog vrij goed en eerst na 
het openstellen der visschery voor alle Nederlanders werd de 
walvisch in weinige jaren voor goed uit de baaien verjaagd. 
De zeevisscherij , die omstreeks 1630 opkwam, moest reeds twin- 
tig jaren later door de ysvisscherij vervangen worden. 

Maar al weten wij nu ongeveer, in welke jaren de grootste 
scheepsladingen traan on balein in ons vaderland werden binnen- 



') Req. V. P. V. d. Graeff c. 8. aan de Stn.-Gen. dd. 12 Febr. 1628, in: 
Noordsche togten. 4 Loop. N. C. R.-A. 

*) Drie Vojagien na Groenland!, p. 15. (Dat deze opgave nit de lattate digra 
der N. C. dagteekent , blijkt uit het feit , dat de schr^ver gedurig Tan seeTia- 
schers spreekt, die niet aan Spitsbergen mochten komen om hunne traan te koken.) 

') Dit is de gemiddelde opbrengst , maar er was daarop zoo weinig staat te 
maken , dat men van walvisschen leest , die niet meer dan 10 quarteelen oplever- 
den, terwgl anderen wel 100 quarteelen gaven. Ter vergel^king zie men de 
opgaven van de opbrengst van een walvisch bg : Wassenaer, Hist. verh. VIII 
<ol. 86. — Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 105. 129. 313, 356, 871. — De walviseh- 
vangst. I p. 42. — Martens , Voyage to Spitzb., in: White, Spitsbergen, p 6, 
8, 10, 106, 113, 120. — Dooregeest, Rijper zce-postil. p. 866. — Hist. dn 
pays de Spitsberghe. p. 18. — Drie Voyagicn na Groenlandt. p. 15 — Sent. 
v. h. Hof V. Holland in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629. — Parchaa. 
Pilgrimes. III p. 470, 732, 34, 36, 87. — Schaderekening der Zeeuwen v. 

1617, iu: Noordsche togten. 4 Ixxjp. .\. C. R.-A. - Eng. schaderekening t, 

1618, ia: Liii!) loop. 1618. R.-A. 



127 

gevoerd , het antwoord op de vraag naar de winst der Noordsche 
Compagnie is daarmede nog niet gegeven. Terwijl toch van de 
eene zgde het haar dikwijls ten laste gelegde wanbeheer en ge- 
brek aan zuinigheid ook bij eene rijke vangst kon doen verliezen , 
had de compagnie in de door haar zelve bepaalde vaste prijzen 
der traan een middel om ook bij een zeer geringe toevoer nog 
redelijke zaken te doen. Laat ons zien wat daarvan is. Wij 
kunnen niet beter doen dan de Noordsche Compagnie, die w^' 
reeds met hare vangst in de Groenlandsche pakhuizen hebben 
zien aankomen, nog verder in haren handel te volgen. 

Wat het afzetten van de waar betreft, beleefde de compagnie 
in het begin werkelijk gouden dagen. Voor de traan, die voor- 
namelijk in lampen tot verlichting word gebruikt , en het spek , 
dat ook tot spijs scheut gediend te hebben '), vond men bijna 
overal een willige markt ; de balein , waarvan men aanvankelijk 
het nut niet goed schijnt ingezien te hebben , werd sinds de uit- 
vinding van den Engelschman John Osborne, die ze in 1618 
door samenpersing begon te bewerken *), gezocht voor schü- 
derijlgsten, versierselen aan buffetten en schoorsteenmantels, 
ook voor wandelstokken, meshechten enz. Het binnenland bleef 
natuurlijk de hoofdmarkt voor deze artikelen •), maar van Ne- 
derlandsche kooplieden der zeventiende eeuw was het niet te 
verwachten, dat zij zich binnen zulke enge grenzen zouden be- 
perken. Weldra werd Frankrijk, ♦) waarschijnlijk ook Duitsch- 



») W«8»eu»er, Hist. verh. VII fol. 109. 

*) Op verzoek van de N.C. had Osborne, geboortig van Worcester maar sinds 
gijn zeventiende jaar ivoordraaier te Amsterdam, daarover lang gepeinsd en ein- 
delijk ipdoor een sonderlinge wetenschap de dnnnc sturken soo in malkanderen 
weten te parssen, dat sy een massa zyn en blyven." Had het balein eenmaal 
deze knnstbewerking ondergaan, dan werd het r,so gedwee of mol, datmen met 
een gesneden plaet daerop druckt 't gene men wil, de alderdunstc graveringhen , 
als stralen van de son of anders, presenteren haer so helder, als men die inde 
plaet, of het pampieren afdrucksel siet : Men maeckt dacr tronien heel nytstaende 
mf, van mans en vrouwen, leeuwen, satyrs, en alle beeltenissen van Historiën, 
of sy vande beste beeldt -snyders gcdaen wacren: tot ornamenten der huysen 
en eamers dienende, blyvende altoos soo swart als git te, so men seyt " (Was- 
lenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.) Deze uitvinding ontlokte den goeden Dr Was- 
■enaer een kreet van bewondering: „Nu bevinde ick", schreef hij, „dat die luyden 
in haer opinie bedroghen zyn , die ghevoelen dat alle konsten op het hooghste 
zyn , en datter niet en is, of 't sy al ghevonden. (NB. in 1624 I) Voorwaer dese 
inventie braveert alle subtyle verstanden !" 

') De Aanwysing v. heils. polit. gronden zegt zelfs (p. 75), dat de N. C. zich 
tot den binnenlandschen verkoop geheel bepaalde. Dat dit onjuist is, blgkt uit de 
beide volgende noten. 

*) Uit het beslag, in 1634 volgens verlof der Rü\iaansche admiraliteit gelegd 
up de goederen der X. (\ te Houaan . Burdeuux en Ua^ouiie ^Kcq. der N. C, 



128 

land, Spanje en de knsten der Middellandsche zee ') voor den 
nieuwen handel ontsloten. De pr^'zen waren aanyankelgk natanr- 
Igk zeer boog: éen walvischbaard werd met/ 12 (30 staivers het 
pond) betaald ^), en de Noordsche Compagnie durfde in 1617 een 
quarteel traan op ƒ 150, de 100 pond balein nog op ƒ 30 be- 
groeten '). Maar weldra daalden de prijzen: de baarden waren 
in 1618 bgna niets meer waard ^) en ook de traan werd als 
nieuw en kostbaar artikel door het geringe verbruik gedrukt. 
Toen de walvisch vangst zich in 1623 na eenige jaren van goede 
vangst hersteld had van de verliezen der eerste jaren, vin- 
den wy het quarteel traan in Frankrijk begroot op ƒ 45 , de 100 
pond balein op ƒ 10 *). In Nederland — waar de prezen niet 
veel van de Fransche verschild zullen hebben , daar de compagnie 
by de bepaling der ' vaste prijzen natuurljjk met het buitenland 
moest rekenen, -— werden dit jaar de pryzen zeer hoog geoor- 
deeld *). De vraag vermeerderde langzamerhand: in 1624 werden 
100 pond balein voor/ 20 verkocht ^); in 1632 werd de prgg 
van het quarteel traan op ƒ 60 bepaald *) (de hier te lande ge- 
kookte slechtere traan gold dat jaar ruim / 51{ het quarteel *) ), 
terwijl de baarden echter weder niet meer dan ongeveer ƒ 8 de 
100 pond deden '*). Sedert begon de invloed der concurrentie 



dd. 2 Febr. 1684 en ald. Bgl.il, in: Noordiche tugten. 4. lioop. N. C. IL-A.), 
blijkt dat de compagnie daar agenten had. 

^) De Nederlandsche resident Van Cracauw stelde in 1688 aan Chriitiaaa IV 
voor, de markt voor traan en baarden tusschcn beide natiën te deelen : de Denen 
zonden Denemarken en de oostelijk van daar gelegene landen alleen hebben, de 
Nederlanders Dnitschland ten westen der Elbc, Nederland, Frankrijk en alle 
andere znidel\jk en westelijk gelegene landen. (Miss. v. Van Cracanw aan de 
Stn.-Gen. dd. 27 Nov. Ift8», in: L D. 1638.) De resident, die in eorretpon- 
dentie stond met de N. C. , zou dezen voorslag , waartoe hg trouwena geen tpe- 
cialen last had , zeker niet gedaan hebben , zoo de compagnie van den alleenhnndel 
in die landen geen voordeel had kunnen trekken. 

M Wasseneer, Hist verh. VIII fol. 86. 

*) Schaderekening der Zeenwen v. 1617. (Noordsche togten. 4. Loop. N. i\ 
R.-A.) De Engelschen begrootten een quarteel traan in 1618 op X 15. (Eng. 
schaderekening, in: Lias loop. 1618. R-A.) 

•) Wasseneer, Hist. verh. VIII fol. 88. 

•) Sent. T. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Jnni 1629. 
. •) Wasseneer, Hist. verh. V fol. 157. 

*) WasMïnaer, Hist. verh. VIII fol. 88. 

•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. IA87. — 
Dictum V. de H. R. in zake als boven dd. 8 Apr. 1637. 

*) Dictum V. de II. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 8 Apr. 1687. 

»•) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687.— 
Uit deze sententie blijkt , dat voor de baarden niet als vo<)r de traan vooraf een 
vaste prgs door de N. C. bepaald werd: in 1682 werden ze eenvondig allen aan 
de Amsterdarosche kamer ter verkoop gezonden. 



129 

zich meer en meer te doen gevoelen : de walvischvangst van 
Denen en Franschen begon zich nevens die der Engelschen op de 
markt te doen gelden, de Hansesteden vertoonden zich later 
ook in de IJszee , en vooral de meer en meer zich ontwikkelende 
seevisschenj der Nederlanders zelve wierp een groot gewicht 
in de schaal. De Noordsche Compagnie , gewoon aan eene 
Tr\je en machtige positie, wist zich niet spoedig naar de veran- 
derde omstandigheden te schikken. Zij bleef hare goederen voor 
veel geld aanbieden; de inrichting der compagnie maakte het 
onmogelijk de vaste voomitbepaalde prijzen spoedig te veranderen , 
en het resultaat schijnt geweest te zijn, dat hare goederen, na 
gemimen tijd in de pakhuizen gelegen te hebben, eindelijk op 
onvoordeelige wijze van de hand gedaan moesten worden <). Lang- 
zamerhand was de vereeniging toch wel genoodzaakt, met haren 
tijd mee te gaan; omstreeks 1640 was de prijs van een qnarteei 
traan naar gelang van de vangst tot ƒ 45, 30, ja 25 gedaald *). 
B{j de verliezen, die de Noordsche Compagnie dus door hare 
inrichting zelve noodzakelijk nu en dan lyden moest, voegden 
zich echter andere , die zij tot het laatst toe niet poogde te voor- 
komen. De omslachtige wijze van traankoken , die zij had aan- 
genomen en die haar noodzaakte kostbare inrichtingen in het 
barre noorden in stand te houden, was misschien ') wenschelijk 
toen de overvloedige vangst niet in de schepen geborgen kon 
worden en toen men dus verplicht was uaschopen te zenden om 
ze af te halen, maar zij gaf zeker geen voordeel meer, toen in 
latere jaren de vloot zelfs in het gunstigste geval bijna geene 



*) Aanwysing v. heih. polit. gronden, p. 75. 

*) Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15. — Om de prijzen te berekenen moet 
men weten, dat de traan geborgen werd in quarteelen , die ongeveer 12 8tee> 
kannen (van 16 mengelen) hielden. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 339, 370 , 
871. — Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9. — Dictnm en Sent. v. de H. K. iu 
zake de N. C. Hoorn c. £nkh. dd. 8 , 4 Apr. 1637.) De Bpekquarteelen waren 
grooter, z\j hielden 16 è 18 steekannen. (Zorgdrager I. c. p. 835 , 870. — 
Rijper zeepostil. p. 856. — Tegeuw. Staat. I p. 608.) 

*) Ik xeg «miBSchien", omdat men door het spek tot traan te koken slechts 
20*/o aan ruimte won. (^fartens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergeu. 
p. 131.) Op elk volgeladen schip — een schip, dat 1000 quortcelcn hield, be- 
hoorde onder de grootc — zou men dus, wanneer meu het spek niet tot 
traan kookte, slechts 200 quarteelen spek behoeven achter te laten. Wanneer 
wij de jaarlijksche vloot der N. C. op 15 schepen schatten, geeft dit dus een 
jaarlijkach overschot van 3000 quarteelen spek. Nemen wg dus al aan , dat de 
schepen alle jaren geheel volgeladen werden en dus het overschot der vorige jaren 
nooit konden medevoeren , (wat w\j weten dat bepaald niet het geval was ,) dan 
kon men door jaarlgks drie naschepen te zenden , den geheelen omslachtigcn toe- 
itel van traankokerijen en woonhuizen in het noorden , van dubbele bemanning 
en dubbele victualie bespaard hebben. 



130 

volle lading traan meer medebracht. De geheele toestel dagtee- 
kende uit de tyden , toen men meende , dat het niet alleen onvoor- 
deelig maar ook bijna onmogelijk was , het in stukken gesneden 
walvischspek naar het vaderland mede te nemen en eerst daar tot 
traan te bereiden. De concurrentie had ook hier den goeden weg 
gewezen; de zeevisschers , die het land niet mochten naderen en 
dus wel genoodzaakt waren hun spek ongekookt mede te nemen , 
hadden bewezen , dat er ook op die wijze uitnemende zaken te ma- 
ken waren. Maar toch volhardde de geoctrooieerde vereeniging 
by haar oud gebruik: niettegenstaande deze gewoonte de kosten 
der jaarlijksche uitrustingen b^'na verdubbelde, droeg zij liever 
de daaraan verbonden schade dan ze op te geven. Had ook zg 
het spek mede naar huis genomen , dan had zij zelve het grootste 
voordeel prijsgegeven , dat zg boven hare mededingers meende te 
hebben , en zg volhardde dus in de hoop , dat de betere qnaliteit 
der door haar gekookte traan de verbruikers zou doen genoegen 
nemen met de groote duurte, die deze kostbare bereiding van 
het artikel natuurlijk medebracht. Het was te denken, dat de 
vereeniging, die dus de bakens niet wist te verzetten toen bet 
getij verliep, niet kon concurreeren met mededingers, die xelfs 
uit de uitgekookte vinken , uit de bezonken prut en lil een winst 
wisten te maken , die de compagnie door het gedurig achterlaten 
van dien afval in het noorden steeds moedwillig verzuimde *). 

De gevolgen lieten zich niet wachten: de eene reeder vóór de 
andere na, wiens kapitaal niet groot genoeg was om de zware 
verliezen te dragen, die hem nu en dan troffen, verkocht zijne 
aandeden en beloofde zich zelven , voortaan geen duit meer in de 
gevaarlijke nering te zullen steken. Zoo werden de Zeeuwsche 
compagniën , die het trouwens al bizonder slecht getroffen en geen 
van de drie eerste jaren , dat zij zich met de wal visch vangst bezig- 
hielden, ongestoord gevischt hadden, reeds met het einde van 1618 
ontbonden ^). De kamers van het Noorderkwartier volgden dit 
voorbedd op het laatst van 1621 *); die van Delfb, wier aan- 
deel in de Noordsche Compagnie zoo belaogrjjk was, nog vóór 



') Tegenw. Statt. I p. 599. — Dat de achtergelaten afval niet onbedaidend 
was, blgkt wel ait het feit, dat de acht Eogeliche matrozen , die in 1630 op Spita- 
bergen overwinterden , zich gedarende den geheelen winter grootcndeels daarmede 
voedden. (Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 267.) 

*) Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624 , in: Noordsche togten. 4. Loop. 
N. C. R.-A. — Herhaaldelijk wordt ook van de »on d e Noortsche Compaignien'* te 
Vlissingen en elders gesproken. (Req. v. de N. C. aan de Stn -Gen. dd. 28 Ang. 
1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A. — R. S--G. 22 Ang., 2S 
Sept. 1624, 9 Apr. 1625.) 

•) Corte Dednctie der N. C. dd. 18 Sept. 1624. in: Noordsehe togtei. 
4. Ixwp. N. r. R.-A. 



131 

1624 O » ^^ kleine Noordsche Compagnie, door de energieke Kyen 
en Leversteyn opgericht , zag den laatste reeds weinige jaren later 
xich uit dit bedr^f terugtrekken , en kort na de vereeniging met 
hare oudere zuster loste zjj zich geheel op ^). Wel waren in die 
tgden vol moed en energie steeds nieuwe handelaars gereed om 
hun kapitaal aan de wisselvallige kansen te wagen, maar dat de 
gedurige ontbindingen der kamers niet door gril of toeval veroor- 
zaakt werden , blijkt toch voldoende. Al gelooven wg de jammer- 
sieke bewindhebbers der Noordsche Compagnie niet, die zelfs in 
1624 en 1633 , in tijden van byna ongestoorde rust , over de ont- 
zettende ellende der laatste jaren klaagden ' ) ; al schenken wg 
geen gehoor aan de ontboezemingen der Zeeuwen, die zeker sterk 
overdreven , toen zy het in 1624 deden voorkomen alsof z(j ook na 
de oprichting van nieuwe compagniën (1618) geen voordeelig 
jaar gehad hadden ^ ) , wij kunnen ons niet voorstellen , dat de 
bewindhebbers onwaarheid spraken toen zij feiten noemden. En 
die feiten zyn welsprekend 1 Wij vernemen , dat het kapitaal der 
Noordsche Compagnie na de reis van 1615 geheel verbruikt was *), 
— een feit, dat de geringe uitrusting van 1616 verklaart ; de 
kleine Noordsche Compagnie verzekerde, dat zij in 1621 na zes- 
jarig bestaan nog maar twee goede jaren had gehad *); wy 
hooren, dat die van het Noorderkwartier in 1624 niet minder 
dan 1^ kapitaal ten achteren waren ^) en dat in de eerste jaren 
der walvischvangst de ongelukkige Zeeuwen meer dan eens hun 
kapitaal op éene reis geheel verloren *). 

Zóo weinig geloof verdient de rooskleurige beschrgving, ons 
door Zorgdrager van de eerste jaren der walvischvangst opge- 
dischtl Maar dat aan den anderen kant op het boven geschetste 
tafereel , — uit den aard der zaak grootendeels aan de berichten 
der bewindhebbers zelve ontleend, — de sombere tinten het 
meest in het oog vallen, is niet minder waar. Do voortdurende 



*) Corte Dedactie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordiche togtea. 
4. Loop. N. C. R.-A. 

») Zie meer hiervoor p. 79, 80 en hiernt Hfdit. IX. 

■) ,Cort advertissement" ▼. Kyen en Leversteyn (dd. 29 Febr. 1616), in: 
Noordsche togten. 1. R.-A. — Corte Dedactie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, 
ia: Noordiche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. — Gr. Placaetb. I p. 678. 

») N. Z. 22 Fobr. 1622. — Req. der N. C. Zeeland san de Stn.-6en. 
dd. 22 Ang. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A. 

•) R. &-G. 28 Apr. 1616. 

•) Req. der ld. N. C. aan de Stn.-6en. dd. 2 Sept. 1621 , in: Noordsche 
togten. 2. Admiraliteit. R.-A. 

♦) Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 
4. Loop. N. C. R.-A. 

•) Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsehe togten. 
4. Loop. N. C. R.-A. 

9^ 



132 

aandrang, eerst van de kleine Noordsche Compagnie en van de 
Zeeuwen, later van Hollandsche steden en Friesche reeders, om 
deel aan de steeds gesloten walyischvangst te krijgen bewijst vol- 
doende , dat er winst bij te behalen viel. Mogen ook bnitenland- 
sche mededingers, die zich voortdurend naast de Noordsche Com- 
pagnie in de IJszee nestelden, met weinig kennis van zaken een 
bedryf ter hand genomen hebben, dat weldra bleek lang geene 
zekere geldbelegging te zijn : aan de binnenlandsche concurrenten 
kon het toch zeker niet onbekend blijven , dat de Noordsche Com- 
pagnie nu en dan zéér ongelukkig was en hare slechte jaren telde. 
Om dus den voortdurenden aandrang te verklaren, die door de 
compagnie slechts met moeite afgeweerd werd , moet men wel aan- 
nemen , dat tegenover de groote verliezen jaren stonden , die door 
oveiTyke vangst vele slechte tijden vergoedden , — jaren als die, 
waarvan Zorgdrager ons bericht , dat Willem Ys met éen naschip 
tot tweemalen toe 1000 quarteelen traan van Jan Mayen-eiland 
in het vaderland invoerde *). 

En zoo komen wij van zelf tot de gevolgtrekking, waartoe 
reeds de schrijver van den Tegen woordigen Staat voor de latere 
jaren der visscherij gekomen is *), — de gevolgtrekking , dat de 
wal visch vangst eene » loterij" was. Wg kunnen ons volkomen ver- 
eenigen met het resultaat , dat de walvischvangst over het geheel 
deu reeders voordeelig was *), — hoe toch laat zich anders de 
voortduring van dit bedrijf verklaren ? — maar wij moeten er 
bijvoegen, dat er een ruime beurs noodig was om dat voordeel 
te verkrijgen , dat men den moed en do macht moest he])ben om 
de jaren af te wachten, die ruimschoots schadeloos stelden voor 
tyden van tegenspoed en verlies *). 



>) Zorgdrager, Groenl. yissch. p. 215. — De kleine N. C. SDtwoordde dan 
ook op de bedreiging der N. C. , dat zij de nering zon opgeven ah de kleine 
N. C. niet geweerd werd, dat vélen dan den handel, die zoo verwaarloosd 
werd , zouden willen bij de hand nemen. («Cort advertissemèbt" van Kyen c. a. 
dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche togten. 1. R.-A.) 

•) Tegenw. Staat. 1 p. 600. 

•) Tegenw. Staat. I p. 606. 

^) Zie voor de statistiek der walvischvangst over de jaren na den val der 
N. C: Aanwysing p. 29, 76, 8i. — Versl. over de zeevisscher^en. B\jL TVJ. — 
Tegenw. Staat. I p. 697—611. — Achenwall, SUatsverf. p. 4U , 15. _ 
Le Long , Kooph. v. Amst. II p. 161 — 190. — Lindeman, Arkt. Fiseh. p. 20. — 
Seoresbjr, Acconnt. II p. 141, 43, 49—61. — Doorogeest, R^per zce-pottil. 
p. 867. — De walvischvangst. II p. 89 — 116. — Zorgdrager, Groenl. viatch. 
p. 197. 241, 251, 802 vlg. — Martens, Voyage to Spitzb. , in: White, Spiti- 
bergen, p. 118, 120. 



HOOFDSTUK IV. 



DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE. 



Beeds een paar malen heb ik in de voorgaande bladzgden ge- 
sproken van de inrichtingen, door de Noordsche Compagnie op 
de knsten der IJszee gebouwd. Het zal mijnen lezers niet ontgaan 
zgn , dat die inrichtingen van bly venden aard waren en dat men 
hier dus bepaaldelijk aan eene Nederlandsche vestiging , eene soort 
van kolonie te denken heeft. Be gelegenheid ontbrak mij tot 
nog toe, daarover anders dan in het voorbijgaan te spreken en 
ik wil de geschiedenis dier vestigingen dan ook hier in het bizon- 
der behandelen, — te liever daar er over de nitgebreidheid en 
het belang daarvan »een ongelooflijk groot misverstand" heerscht. 
Terw^l de een spreekt van het gewoel, ja het gedrang, dat er 
alle zomers op Smeerenburg was , weet een tweede te verhalen , 
dat daar, bijna onder de Noordpool, de » weelderige'* koopman 
der zeventiende eeuw bijna alle gemakken vond, die hem zyn 
welgebouwd huis binnen Amstels wallen bood ; een derde verheft 
den roem der kolonie tot in de wolken en verzekert , dat Smeeren- 
burg, door vruchtbaargemaakte velden omringd, als handelsstad 
van even groot belang werd geacht als het jeugdige Batavia ; een 
vierde eindelijk drgft de zaak tot het uiterste door te verhalen van 
prachtige winkels en > voortre£felgk ingerigte logementen** (I), 
die men onder de woningen der kooplieden op Smeerenburg vond > ) ! 
Het is geoorloofd te vragen , wat de bij uitstek practische Neder- 
landers der zeventiende eeuw bedoelden met het bouwen van 
dergelgke inrichtingen op de barre en jaarlijks slechts gedurende 
een paar maanden bezochte kusten , tenzg archaeologische naspo- 
ringen de geleerden misschien eenmaal tot de ontdekking brengen , 
dat men hier met een asyl voor schipbreukelingen te doen heeft 



■) Zie een sterksprekend voorbeeld b^: Berghaus, Wat men van de aarde 
weet. TI p. 887. — Vgl. ook: De Reste, Hist. de» Pêche». I p. 42. 



134 

of met de prototypen dier hospitalen voor teringlgders , wier aan- 
bouw op Spitsbergens stranden nog onlangs door aardrijkskundigen 
yan naam voorspeld werd! 

Het is zeker onaangenaam, dergelgke fantastische en uitlok- 
kende voorstellingen te verstoren, maar aangezien ik yolkomen 
overtuigd ben , dat al deze verhalen niets meer zgn dan sproo^es » 
die de een den ander navertelt zonder dat het sommigen vertel- 
lers zelfs mogelgk zal zijn hun laatsten berichtgever te noemm, 
schroom ik niet deze onaangename taak op mg te nemen. Steu- 
nende op de berichten der Noordsche Compagnie, en vooral op 
de journalen der matrozen, die op de plaatsen zelve de bar- 
ren winter hebben doorgebracht, — niet in weelderig^ hotels» 
maar in hutten van planken, waarin zy zich in hunne houten 
kribben ter nauwemood voor den wind konden beschermen, ^ 
stel ik mij voor eene beschrijving der Nederlandsche vestigingen 
in de IJszee te geven. Het ware verhaal zal misschien sterker 
getuigen voor de energie en de ondememingszucht der Amster- 
damsche kooplieden , dan de thans in omloop zijnde sproolges voor 
hun practischen zin en hun gezond verstand! 

Laat ons zien , waar wg het Nederlandsche gebied in de Usiee 
te zoeken hebben. Dat het tot Spitsbergen en Jan Majen-eiland 
beperkt was , wordt algemeen aangenomen. Vestigingen op Groen- 
lands westkust werden eerst mogelijk sinds den aanvang der 
visscherij in straat Davis in 1719 ■). Zoo enkele schrgvers van 
vestigingen aldaar vóór 1642 gesproken hebben ^) , dan berust dat 
op een verkeerd verstaan van den naam > Groenland ," die vroeger 
niet alleen bepaaldelgk ook op Spitsbergen en Jan Majen-eiland , 
maar zelfs in het algemeen wel eens op alle noordsche landen werd 
toegepast. Op Jan Mayon-eiland , waar de Noordsche Compagnie 
weinige of geene concurrenten had, schgnt het Nederlandsche 
gebied niet nauwkeurig begrensd geweest te zgn; des te meer 
echter op Spitsbergen , waar Engelschen , Denen en Franschen aan 
de Nederlanders den voorrang betwistten. Van zelf was het gebied 
der verschillende natiën beperkt door den loop der walvisschen, 
die hoofdzakelijk de westkust van het eiland bezochten : d4ar waa 
het dan ook , dat de wedijverende volken hunne ankerplaatsen kozen 
en hunne hutten opsloegen. Laat ons eerst onderzoeken, welke 
plaats zich de Engelschen , de eerste walvischvaarders , toeëigenden. 

Het uitgangspunt der Engelsche bewegingen was reeds in 1612 
Sir Thomas Smith^s-baj, ook wel Fair foreland geheeten *);het 
volgende jaar vischten zij daar weder en ook in Bellsound en 



') Lbdeman. Arkt. Fischerei. p. 26, 28. 

*) Lazac, Hollands r^'kdom. I p. 847. 

*) Hifi. dn payt de Spitsberghe. p. 13, 21. 



135 

Icesonnd ■), terwgl in 1614 Bellsonnd^ Icesound (Greenhar- 
bour) , Sir Thomas Smith*8-bay en Fairhaven alleen als hun uit- 
sluitend eigendom werden aangeduid *). Beeds dadelijk was 
Deersound (Cross-road) door de Engelschen bezocht ') , en het 
blgkt, dat ook in Hornsound en Maudlensound door hen in den 
eersten tijd een enkele maal gevischt is *). In deze zeven baaien 
alleen vinden wg gedurende den geheelen duur der walvischvangst 
onder het land Engelsche schepen *) ; de drie noordelijkste werden 
echter weldra geheel door hen verlaten *) en hoewel Greenharbour 
en ook Hornsound nog een enkele maal genoemd worden ^), waren 
Sir Thomas Smith's-baj en Bellsound de hoofdpunten , waar zich 
de Engelsche walvischvangst vestigde. Dat deze vestiging echter 
niet veel te beduiden had , blijkt wel uit het foit , dat in Bellsound 
behalve eenige linnen tenten *), die tot woning der »land-men" 
dienden en later door houten hutten vervangen werden *) , slechts 
een groote planken schuur stond met pannen gedekt, die tot 
bergplaats diende en door de kuipers tevens als woon- en werk- 
plaats gebruikt werd >*). Elders vond men alleen een steenen 
huis met houten dak , waarin zich eenige houten kribben bevonden , 
benevens eene kuiperij, die tegelijk woonhuis was <>). Voor ber- 
ging van gereedschappen gedurende den winter was dus slechts 
ter nauwemood gezorgd ^^), Bij elke vestiging bevonden zich 



*) Baffin, lonrnall, b^: Parcluu, Pilgrimes. III p. 716 vlg. 

*) Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95. — Fothcrbye, Voyage of Discouerie, 
b^: Parebas» Pilgrimes. III p. 720 vlg. 

•) Poole, Voyagc to Cberry Iland etc. 1610 (1611), bij: Purebas, Pil- 
grimes. III p. 703. —Br. ▼. Potberby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bg: Porcbas 
L c. III p. 781. — Br. t. Salmon aan Heley dd. 5 Juli 1619, b\j: Purebas 1. e. 
m p. 785. 

•) Eng. scbadcrekening van 1618, in: Lias loop. 1618. R.-A. — Fotberby, 
Voyage of Discouerie, bg: Purebas, Pilgrimes. III p. 722. — Insin. v. Ys aan 
Vrolicq dd. 80 Jnni 1633, in: Noordscbe togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) jyPortniek," waar de Engelscben in 1617 viscbten (Br. v. Heley aan 
Deicrowe, bg: Porcbas, Pilgrimes. III p. 782), is waarscb^nlijk Niekes Cove 
(Behouden baven) in Icesound. 

•) Req. V. Vrolicq aan de Stn.-6en. (1634), in: Noordscbe togten. 4. Loop. 
N« C. R.— A, 

*) Pellbam, Gods power, in: Wbite, Spitzbergen. p. 258,67. 

*) Zie de kaart t. Spitsbergen bg: Purebas, Pilgrimes. III p. 478. 

•) Pellbam, Gods power, by: Wbite, Spitzbergen. p. 270. — Zulk een bouten 
huisje werd in 1618 door de Engelscben opdC 15 begroot. (Eng. scbadcrekening, 
in: Lias loop. 1618. R.-A.) 

>•) Pellbam, Gods power, in: Wbite, Spitzbergen. p. 269. 

>») Scoresby, Account. II p. 177. — Pellbam, Gods power, by : Wbite, 
Spitzbergen. p. 262. 

«») Pellbam, Gods power, by: Wbite, Spitzbergen. p. 267, 71, 72. — Eng. 
scbaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A. 



136 

verder natuurlijk een gf meer yastgemetselde traanketels met of 
zonder steenen schoorsteenen ^), Dit was nagenoeg alles , wat 
de Engelschen in hun uitgestrekt gebied, dat bgna de g^heele 
westkust van Spitsbergen omvatte , voor woning en berging hadden 
gebouwd. Laat ons nu zien , of de Nederlandscbe vestiging van 
meer belang was. 

Hoewel Boeren-eiland in den aanvang een enkele maal besocht 
werd, was reeds dadelyk Spitsbergen het doel van de tochten 
der Nederlandsche walvischvaarders. Terwyl Van Muyden in 1612 
op zyn zwerftocht langs de kust Fair foreland aangedaan en in 
zuidelijker baaien zonder veel vrucht de visscherij beproefd had *)y 
was bij reeds dadelijk in 1613 gelukkiger. Behouden-haven in 
Icesound, Lowsound en vooral Schoonhaven (Bellpoint) in Bell- 
sound verschaften hem toen rijken buit. Homsound werd dat 
jaar door kapitein Thomas Bonner met een Nederlandsch schip 
bezocht '). Reeds in het eerste jaar der Noordsche Compagnie 
(1614) bereikten de Nederlanders daarop de plaats, waar zg nader- 
hand hunnen hoofdzetel zouden opslaan : eenige schepen vertoonden 
zich in de noordelijke baai van Fairhaven *) , een der vischrgkste 
en veiligst gelegen baaien van bet gansche eiland *), die toch 
door de Engelschen tot nog toe niet bezocht was en daarom nn 
reeds dadelgk de >Hollandscbe baai** genoemd werd *). Het vol- 
gende jaar (1615) werd deze baai weder bezocht; ook in Hom- 
sound waren eenige schepen der compagnie , Bellsound was echter 
het hoofddoel van de reis '). Reeds datzelfde jaar deed men 
een belangrijken stap tot het verkrijgen eener duurzame vestiging. 

Al dadelijk in 1612, en vooral in 1613 met behulp der ge- 
huurde Basken, had de Noordsche Compagnie zich toegelegd op 
het bewerken der gevangen walvisschen tot traan •) ; de noodige 
ketels en gereedschappen had men in het schip medegevoerd en 



*) Pellham, Gods power, bij: AVliite, Spitzbergen. p. 270. 

*) Poole, Relat ion of a Voyage to Greenland in 1613, b\j: Porchai, Pilgri- 
mes. III p. 714, 15. 

*) Hist. da pays de Spitsbcrghe. p. 21, 22, 24. — fiaflan, lonmaU. bg : 
Purchas. Pilgrimes. III p. 716, 17, 19. 

•) Fothcrbye, Voyage of Discoucrie, bij: Parebas, Pügrimet. III p. 728. 

•) Zorgdrager, Groenl. visscb. p. 86. 

*) Deze naam wordt reeds in 1616 genoemd. (Instr. der Sin.-Gen. voor Scbiobop 
dd. 23 Mei 1616.) De gewone naam in de lijden der N. C. was ecbter «Manri- 
tias-baai " 

*) Edge, Dutcb distwrbance, bij :^Parcha8 , Pilgrimes. III p. 467. 

•) Resol. Adm. Amst. 20 Apr. 1613. — Wassenaer, Hist. vcrb. VIII fol. 88. — 
Waarschijnlijk uit vrees voor de Engelschen schijnen echter de Nederlanders bet 
traankokcn toen nog niet geregeld te hebben bij de band genomen; tlthftDi in 
1614 kwamen er schepen van de N. C. binnen geladen met spek. (Br. der Stn.-G«iL 
aan de Admir. Maze dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A,) 



137 

slechts ty delijk aan land opgesteld '). Natunrlijk deed zich spoedig 
de behoefte gevoelen aan eene gelegenheid tot berging van de 
yele omvangrgke werktuigen , ten einde het lastige heen- en wedr- 
Yoeren te vermijden. Het was das eeno zeer eenvoudige zaak, 
dat de Noordsche Compagnie op het voorbeeld der Engelschen, 
die reeds in 1613 eene loge aan Fair foreland hadden, in 1615 
bevel gaf een houten gebouw in Bellsound op te richten. De wal- 
vischvaarders gehoorzaamden aan dit bevel en borgen in de opgesla- 
gen loods hunne sloepen , vaten en gereedschappen voor het volgende 
jaar *). Hoe natuurlijk deze handelwijze ook was, toch kon zij niet 
anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Men was midden in 
den strijd met de Engelschen , die zich den uitsluitenden eigendom 
van Spitsbergen toekenden; hoe kon men hopen, dat dezen de 
Nederlanders, die eerst sinds twee jaren het eiland bezochten, 
niet zouden verhinderen in eene handeling, die blijken gaf van 
hun voornemen om zich daar bg voortduring te vestigen en waar- 
op zij zich later tegen Engeland zouden kunnen beroepen ? En de 
kansen der Noordsche Compagnie werden nog ongunstiger, toen 
zg de macht niet had om zich te handhaven; het jaar 1615 was 
zeer onvoordeelig geweest en met de geringe krachten , waarover de 
compagnie dus in 1616 te beschikken had, oordeelde zij het raad- 
zaam de Engelschen dit jaar te ontwijken en zich met de visscher^ 
aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland te vergenoegen *). Natuurlijk 
maakten de Engelschen nu van de afwezigheid der Nederlanders 
gebruik om hunne loge te vernielen en zich den inhoud toe te 
eigenen *). Vier schepen der Noordsche Compagnie, die door 
de schrale vangst aan Jan Mayen-eiland gedwongen waren op 
Spitsbergen hun geluk te beproeven, waren te zwak om de 
euveldaad hunner vijanden te verhinderen ; slechts éen kwam naar 
Bellsound , terwijl de anderen Greenharbour , Maudlensound en de 
Hollandsche baai bezochten *). Het ongeluk schrikte de Noordsche 
Compagnie af: voor het jaar 1617 werd hare geheele uitrusting 



*) «Corte Dednctie ende Remonstrantie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: 
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

») »Mcmoire" der N. C. bij : Muller, Mare claasom. p. 871. — Instr. der 
Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616. 

») „Corte Deductie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 
4. Loop. N. C. R.-A. — Dat de compagnie echter het denkbeeld eener vestiging 
niet opgaf, blijkt wel uit art. 18 van het contract met de Zeenwen van 19 Mrt. 
1617 (in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C, R.-A.), waarin bepaald werd. dat 
iedere kamer de sloepen en gereedschappen , door haar in het noorden achtergela- 
ten , het Tolgende jaar weder zou mogen aanvaarden , «sonder datmen dselve 
d*een oft d'ander ontvreemden zal." (!) 

•) „Mémoire" der N. C. bij Muller, Mara Clausnm. p. 371, 

•) Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop. dd 23 Mei 1616. 



138 

weder naar Jan Mayen-eiland gezonden. Drie Zeeawscbe schepen , 
die Hornsound bezochten , brachten hun gereedschap zelve mede *). 
Veel te zwak om zich te vestigen werd een van hen zelfs door de 
Engelschen beroofd, en ook de anderen keerden overhaast temg. 
Geheel anders was het in 1618: aan Jan Majen-eiland was 
te weinig ruimte voor de vele schepen en de Noordsche Gompag* 
nie besloot dus , op nieuw haar geluk aan Spitsbergen te beproe- 
ven. De verschillende baaien op Spitsbergens westkust werden 
onder de kamers verloot en de schepen verspreidden zich in vier 
afdeelingen. De Amsterdammers begaven zich naar de Holland- 
sche baai '); de Zeeuwen en die van Delft vestigden zich onbe» 
schroomd in Sir Thomas Smith's-bay ') , waar nog nooit een Ne- 
derlander de Engelschen in hun bezit gestoord had *) ; aan die van 
het Noorderkwartier was Bellsound ten deel gevallen en Rotterdam 
moest zich met Hornsound tevreden stellen *). In het bewustzgn 
hunner overmacht besloten de Nederlanders nu , op nieuw te be- 
proeven zich op Spitsbergen te vestigen : zonder vertoef begon men 
met het bouwen van loges. Maar het resultaat was even onvoldoende 
als de eerste maal. De schepen, die in Sir Thomas Smith*B-baj 
vischten , hadden nauwelijks himne traanketels aan land gebracht of 
de Engelschen , die zich daar onbeperkte meesters waanden , verbo- 
den hun ze op te stellen en eene loge te bouwen *). Slechts met 
geweld konden zij zich handhaven en tot eene vestiging kwam het 
daar niet. Die van het Noorderkwartier kregen hunne loge in Bell- 
sound gereed , — een houten huis 80 voet lang , 50 breed , gedekt 
met dakpannen , — maar slechts om weldra door de Engelschen 
verjaagd te worden, die het gebouw dadelijk weder afbraken en 
op eene andere plaats oprichtten >whcre more fit for their 
tume ').** Toen het dus ten tweedenmalo mislukt was, zich in 
de zuidelijke baaien van Spitsbergen te vestigen, schgnen de 



>) Getnigenissen in sake den aanval der Eng. in 1617, in: Noordscbe iogtea 
4. Loop. N. C. R.-A. — «Mémoirc" der N. C. bij: Muller, Mare claosam. 
p. 372. — •Corte Deductie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordwlw 
togten. 4. lioop. N. C. R.-A« 

») R. S.-G. 4 Nov. 1622. 

*) Edge, Dntch distnrbance, b|j: Purebas , Pilgrimes. III p. 468. — BrieTeoT. 
Salmon, Sberwin en Beversbam, bij: Purcbaa 1. c. III p. 733. — Sent. t. de 
H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 163S. 

^) vMémoire et Rclation véritable" der Mosc. Comp., bij: Muller, Mareclan- 
snm. p. 373. 

•) «Corte Deductie*' der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordscbe togten. 4. Loop. 
N. C. R.-A. 

•) „Mémoire" der N. C, by: Muller, Mare clausum. p. 372. 

^) Br. V. Sberwin aan Heley dd. 29 Juni 1618, in: Parebas, Pflgrimet. UI 
p. 788. 



189 

Nederlanders van het bezoeken dier vischplaatsen voor goed afge- 
achrikt te zgn. Zg lieten hunne geroofde loge in handen der Engel- 
schen, die ze nog in 1630 als hun hoofdkwartier in Bellsonnd 
gebrnikten >) en trokken zich naar de Manritins- of Hollandsche 
baai in Fairhaven temg, waar zg ongestoord konden yisschen. 

Fairhayen was wel niet de grootste , maar toch de rgkste »Bonnd** 
Tan geheel Spitsbergen. Door twee vrij groote eilanden , die eer- 
lang het Deensche en het Amsterdamsche zouden genoemd worden, 
verdeeld , bestond de baai uit twee boven elkander geplaatste rechte 
hoeken , die in elkander vloeiden. De zuidelyke hoek werd eerlang 
door de Engelschen verlaten en sedert niet meer gebruikt; in 
de beide armen der noordelgke (de » Noord-" en > Westbaai") 
schgnen de Nederlanders zich reeds nu bg uitsluiting gevestigd 
te hebben. Zooveel ten minste is zeker, dat er in de > Holland- 
sche baai" in 1619 weder elf >), in 1620 twee Nederlandsche 
walvischvaarders waren *), terwgl de baai verder tot 1623 toe 
geregeld door Nederlanders bezocht werd *). Het staat ook vast, 
dat in 1623 en 1625 de schepen, die de Noordsche Compagnie 
naar Spitsbergen zond, uilen in Fairhaven vischten *). Men zou 
zich echter vergissen , wanneer men meende , dat daarom de Noord- 
sche Compagnie zich toen reeds uitsluitende rechten op die baai 
aanmatigde. Integendeel, terw^l zij sinds 1617 de Denen vrij- 
willig naast zich op het Amsterdamsche eiland toeliet *), wees 
zg aan den anderen kant alle kamers behalve die van Amsterdam 
naar het zuidelijke gedeelte van Spitsbergen als het terrein , waarop 
zg de walvischvangst konden oefenen. Officieel bleef zg nog steeds 
haar systeem handhaven , dat het geheele eiland Spitsbergen voor 
ieder openstond en dat alleen de Nederlanders als ontdekkers 
uitslmtende rechten zouden kunnen doen geldon. 

Aan dien twijfelachtigen toestand , toen de pretensiën der com- 
pagnie in strgd waren met haar feitelgk bezit , werd volgens alle 
schrgvers een einde gemaakt door de overeenkomst , die de geheele 
westkust van het eiland tusschen de verschillende natiën, die ze be- 
zochten, verdeelde '). Het bestaan dezer overeenkomst, waarop — 



*) Pellham» Godi power, bij: White» Spiizbergen. p. 269. 

») Br. T. Salmon aan Heley dd. 5 Juli 1619, bg: Porcbas, Pilgrimea. III 
p. 785. 

•) Br. T. Catcher aan Heley dd. 17 Joni 1620, bg: Porcbas, Pilgrimes. III 
p. 785. 

*) Edge, Dntcb dittarbance, b\j: Porchas, Pilgrimes. III p. 469, 70. — Br. 
▼. Panne aan Heley dd. 24 Juni 1628 , bg : Pnrchas 1. e. III p. 786. 

') Waiaenaer, Hist. verh. V fol. 157. cf. Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Jnni 
1628, b|j: Pnrehas, Pilgrimes. III p. 736. — Wassenaer L c. IX foL 124. 

•) et o. a. R. S.-6. 25 Jan. 1624. 

*) Zie o. a Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 194, 211. — De walvischrangtt. I 



132 

aandrang, eerst van de kleine Noordsche Compagnie en van de 
Zeeuwen, later van Hollandsche steden en Friesche reeders, om 
deel aan de steeds gesloten walvischvangst te krijgen bewijst vol- 
doende , dat er winst bij te behalen viel. Mogen ook bnitenland- 
sche mededingers, die zich voortdurend naast de Noordsche Com- 
pagnie in de IJszee nestelden , met weinig kennis van zaken een 
bedrgf ter hand genomen hebben, dat weldra bleek lang geene 
zekere geldbelegging te zijn : aan de binnenlandsche concurrenten 
kon het toch zeker niet onbekend blijven , dat de Noordsche Com- 
pagnie nu en dan zéér ongelukkig was en hare slechte jaren telde. 
Om dus den voortdurenden aandrang te verklaren, die door de 
compagnie slechts met moeite afgeweerd werd , moet men wel aan- 
nemen , dat tegenover de groote verliezen jaren stonden , die door 
oveiTyke vangst vele slechte tijden vergoedden , — jaren als die, 
waarvan Zorgdrager ons bericht , dat Willem Ys met éen naschip 
tot tweemalen toe 1000 quartuelen traan van Jan Mayen-eiland 
in het vaderland invoerde '). 

En zoo komen wij van zelf tot de gevolgtrekking, waartoe 
reeds de schrijver van den Tegenwoordigen Staat voor de latere 
jaren der visscherij gekomen is *), — de gevolgtrekking, dat de 
walvischvangst eene » loterij" was. Wij kunnen ons volkomen ver- 
eenigen met het resultaat , dat de walvischvangst over het geheel 
don reeders voordeelig was *), — hoe toch laat zich anders de 
voortduring van dit bedrijf verklaren ? — maar wg moeten er 
bijvoegen, dat er een ruime beurs noodig was om dat voordeel 
te verkrijgen , dat men den moed en do macht moest he])ben om 
de jaren af te wachten, die ruimschoots schadeloos stelden voor 
tijden van tegenspoed en verlies *). 



*) Zorgdrager, Groenl. Tissch. p. 215. — De kleine N. C. antwoordde dan 
ook op de bedreiging der N. C. , dat z\j de nering zou opgeven ab de kleine 
N. C. niet geweerd werd, dat vélen dan den handel, die zoo verwaarloosd 
werd, zouden willen b^' de hand nemen. (jyCort advertissemébt" van Kyen c. t. 
dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche togten. l. R.-A.) 

•) Tegenw. Staat. I p. 600. 

•) Tegenw. Staat. I p. 606. 

^) Zie voor de statistiek der walvischvangst over de jaren na den val der 
N. C: Aanwysing p. 29, 76, Si. — Versl. over de zeevisscher^en. B\jL XVI. — 
Tegenw. Staat. I p. 597—611. — Achenwall, SUatsverf. p. 4U, 15. _ 
Le Long.Kooph. t. Amst. II p. 161 — 190. — Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20. — 
Seoresbjr, Acconnt. II p. 141, 43, 49 — 61. — Dooregeest, R^per zce-postU. 
p. 867. — De walvischvangst. II p. 89 — 116. — Zorgdrager, Groenl. viasch. 
p. 197, 241, 251, 802 vlg. — Martens, Voyage lo Spitzb. , in: White, Spiti- 
bergen, p. 118, 120. 



HOOFDSTUK IV. 



DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE. 



Reeds een paar malen heb ik in de voorgaande bladzgden ge- 
sproken van de inrichtingen, door de Noordsche Compagnie op 
de knsten der IJszee gebouwd. Het zal mijnen lezers niet ontgaan 
zgn , dat die inrichtingen van blijvenden aard waren en dat men 
hier dus bepaaldelijk aan eene Nederlandsche vestiging , eene soort 
van kolonie te denken heeft. Be gelegenheid ontbrak mij tot 
nog toe, daarover anders dan in het voorbijgaan te spreken en 
ik wil de geschiedenis dier vestigingen dan ook hier in het bizon- 
der behandelen, — te liever daar er over de nitgebreidheid en 
het belang daarvan »een ongelooflijk groot misverstand" heerscht. 
Terwijl de een spreekt van het gewoel, ja het gedrang, dat er 
alle zomers op Smeerenburg was , weet een tweede te verhalen » 
dat daar, bijna onder de Noordpool, de «weelderige** koopman 
der zeventiende eeuw bijna alle gemakken vond, die hem zgn 
welgebouwd huis binnen Amstels wallen bood ; een derde verheft 
den roem der kolonie tot in de wolken en verzekert , dat Smeeren- 
burg, door vruchtbaargemaakte velden omringd, als handelsstad 
van even groot belang werd geacht als het jeugdige Batavia ; een 
vierde eindelgk dry ft de zaak tot het uiterste door te verhalen van 
prachtige winkels en «voortreffelijk ingerigte logementen** (I), 
die men onder de woningen der kooplieden op Smeerenburg vond < ) ! 
Het is geoorloofd te vragen , wat de bij uitstek practische Neder- 
landers der zeventiende eeuw bedoelden met het bouwen van 
dergelgke inrichtingen op de barre en jaarlijks slechts gedurende 
een paar maanden bezochte kusten , tenzg archaeologische naspo- 
ringen de geleerden misschien eenmaal tot de ontdekking brengen , 
dat men hier met een asyl voor schipbreukelingen te doen heeft 



■) Zie een sterksprekend voorbeeld bij: Berghaus, Wat men van de aarde 
WMt. TI p. 887. — Vgl. ook: De Reste, Hist. des Péches. I p. 42. 



134 

of met de prototypen dier hospitalen voor teringlgders , wier aan- 
bouw op Spitsbergens stranden nog onlangs door aardrgksknndigeii 
van naam voorspeld werd! 

Het is zeker onaangenaam, dergelijke fantastische en uitlok- 
kende voorstellingen te verstoren, maar aangezien ik volkomen 
overtuigd ben , dat al deze verhalen niets meer zijn dan sproo^eSy 
die de een don ander navertelt zonder dat het sommigen vertel- 
lers zelfs mogeiyk zal zijn hun laatsten berichtgever te noemm , 
schroom ik niet deze onaangename taak op mij te nemen. Steu- 
nende op de berichten der Noordsche Compagnie, en vooral op 
de journalen der matrozen, die op de plaatsen zelve de bar- 
ren winter hebben doorgebracht, — niet in weelderig^ hotels, 
maar in hutten van planken, waarin zy zich in hunne houten 
kribben ter nauwemood voor den wind konden beschermen, ^ 
stel ik mg voor eene beschrijving der Nederlandsche vestigingen 
in de IJszee te geven. Het ware verhaal zal misschien sterker 
getuigen voor de energie en de ondememingszucht der Amster* 
damsche kooplieden , dan de thans in omloop zgnde sproolges voor 
hun practischen zin en hun gezond verstand! 

Laat ons zien , waar wij het Nederlandsche gebied in de Usiee 
te zoeken hebben. Dat het tot Spitsbergen en Jan Majen-eiland 
beperkt was , wordt algemeen aangenomen. Vestigingen op Groen- 
lands westkust werden eerst mogelgk sinds den aanvang der 
visscherij in straat Davis in 1719 ■). Zoo enkele schrgvers van 
vestigingen aldaar vóór 1642 gesproken hebben ^), dan berust dat 
op een verkeerd verstaan van den naam > Groenland ," die vroeger 
niet alleen bepaaldelijk ook op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland , 
maar zelfs in het algemeen wel eens op alle noordsche landen werd 
toegepast. Op Jan Mayen-eiland, waar de Noordsche Compagnie 
weinige of geene concurrenten had, schgnt het Nederlandsche 
gebied niet nauwkeurig begrensd geweest te zgn; des te meer 
echter op Spitsbergen , waar Engelschen , Denen en Franschen aan 
de Nederlanders den voorrang betwistten. Van zelf was het gebied 
der verschillende natiën beperkt door den loop der walvisschen, 
die hoofdzakelijk de westkust van het eiland bezochten : d4ar waa 
het dan ook , dat de wedijverende volken hunne ankerplaatsen kozen 
en hunne hutten opsloegen. Laat ons eerst onderzoeken, welke 
plaats zich de Engelschen , de eerste walvischvaarders , toeëigenden. 

Het uitgangspunt der Engelsche bewegingen was reeds in 1612 
Sir Thomas Smith*s-bay, ook wel Fair foreland geheeten *);het 
volgende jaar vischten zij daar weder en ook in Bellsound en 



') Lindeman. Arkt. Fischerei. p. 26, 28. 

*) Lozac, Hollands r^'kdom. I p. 847. 

*) Hist. dn payt de Spitsberghe. p. 13, 21. 



135 

Icesonnd ■), terwgl in 1614 Bellsonnd^ Icesound (Greenhar- 
bour) , Sir Thomas Smith's-bay en Fairhaven alleen als hun uit- 
sluitend eigendom werden aangeduid ^). Beeds dadelgk was 
Deersound (Cross-road) door de Engelschen bezocht *) , en het 
blgkt, dat ook in Hornsound en Maudlensound door hen in den 
eersten tyd een enkele maal gevischt is *). In deze zeven baaien 
alleen vinden wg gedurende den geheelen duur der walvischvangst 
onder het land Engelsche schepen *); de drie noordelijkste werden 
echter weldra geheel door hen verlaten *) en hoewel Greenharbour 
en ook Hornsound nog een enkele maal genoemd worden ^), waren 
Sir Thomas Smith's-baj en Bellsound de hoofdpunten , waar zich 
de Engelsche walvischvangst vestigde. Dat deze vestiging echter 
niet veel te beduiden had , blijkt wel uit het feit , dat in Bellsound 
behalve eenige linnen tenten *), die tot woning der »land-men" 
dienden en later door houten hutten vervangen werden *), slechts 
een groote planken schuur stond met pannen gedekt, die tot 
bergplaats diende en door de kuipers tevens als woon- en werk- 
plaats gebruikt werd >*). Elders vond men alleen een steenen 
huis met houten dak , waarin zich eenige houten kribben bevonden , 
benevens eene kuiper^, die tegelijk woonhuis was <>). Voor ber- 
ging van gereedschappen gedurende den winter was dus slechts 
ter nauwemood gezorgd *^), Bij elke vestiging bevonden zich 



») Baflin, loonmll, b\j: Pnrchas, POgrimes. III p. 716 vlg. 

*) Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95. — Fotherbye, Voyage of Diacouerie, 
b^x Pnrchai, Pilgrime«. III p. 720 vlg. 

•) Poole, Voyage to Cbcrry Iland etc. 1610 (1611), by : Purcbas, Pil- 
grimes. III p. 703. —Br. ▼. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bg: Porchas 
L c. III p. 781. — Br. t. Sahnon aan Heley dd. 5 Juli 1619, b\j: Porchas 1. c. 
III p. 785. 

*) Eng. scbaderekening van 1618, in: Liaa loop. 1618. R.-A. — Fotherby, 
Voyage of Disconerie, bg: Porchaa, Pilgrimes. III p. 722. ~ Insin. v. Ys aan 
Vrolicq dd. 80 Joni 1633, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) jyPortnick," waar de Engelschen in 1617 vischten (Br. v. Heley aan 
Deicrowe, b^: Purchas, Pilgrimes. III p. 782), is waarschijnlijk Nickes Cove 
(Behouden haven) in Icesonnd. 

•) Req. V. Vrolicq aan de Stn.-6en. (1634), in: Noordsche togten. 4. Loop, 
N. C. R.-A. 

*) Pellham, (3ods power, in: White, Spitzbergen. p. 258,67. 

•) Zie de kaart v. Spitsbergen bg: Purchas, Pilgrimes. III p. 478. 

*) Pellham, Gods power, b|j: White, Spitzbergen. p. 270. — Zulk een houten 
huiije werd in 1618 door do Engelschen op dC 15 begroot. (Eng. schaderekening, 
in: Lias loop. 1618. R.-A.) 

>•) PcUham, (Jods power, in: White, Spitzbergen. p. 269. 

"") Scoresby, Account. II p. 177. — Pellham, Gods power, by : White, 
Spitzbergen. p. 262. 

«») Pellham, Gods power, by: White, Spitzbergen. p. 267, 71, 72. — Eng. 
scbaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A. 




186 

verder natnnrlijk een gf meer yastgemetselde traanketels met of 
zonder steenen schoorsteenen i). Dit was nagenoeg alles , wat 
de Engelschen in buH uitgestrekt gebied, dat bgna de geheele 
westkust van Spitsbergen omvatte , voor woning en berging hadden 
gebouwd. Laat ons nu zien , of de Nederlandsche vestiging van 
meer belang was. 

Hoewel Boeren-eiland in den aanvang een enkele maal bexocht 
werd, was reeds dadelijk Spitsbergen bet doel van de tochten 
der Nederlandsche walvischvaarders. Terwijl Van Mujden in 1612 
op zyn zwerftocht langs de kust Fair foreland aangedaan en in 
zuidelyker baaien zonder veel vrucht de visscher^* beproefd had *), 
was bij reeds dadelijk in 1613 gelukkiger. Behouden-hayen in 
Icesound, Lowsound en vooral Schoonhaven (Bellpoint) in Bell- 
sound verschaften hem toen rijken buit. Homsound werd dat 
jaar door kapitein Thomas Bonner met een Nederlandsch schip 
bezocht *). Reeds in het eerste jaar der Noordsche Compagnie 
(1614) bereikten de Nederlanders daarop de plaats, waar zg nader- 
hand hunnen hoofdzetel zouden opslaan : eenige schepen vertoonden 
zich in de noordelijke baai van Fairhaven *), een der vischrgkste 
en veiligst gelegen baaien van het gansche eiland *), die toch 
door de Engelschen tot nog toe niet bezocht was en daarom nn 
reeds dadelijk de >Hollandsche baai** genoemd werd •). Het vol- 
gende jaar (1615) werd deze baai weder bezocht; ook in Hom- 
sound waren eenige schepen der compagnie , Bellsound was echter 
het hoofddoel van de reis '). Reeds datzelfde jaar deed men 
een belangrijken stap tot het verkrijgen eener duurzame vestiging. 

Al dadelijk in 1612, en vooral in 1613 met behulp der ge- 
huurde Basken, had de Noordsche Compagnie zich toegelegd op 
het bewerken der gevangen walvisschen tot traan •) ; de noodige 
ketels en gereedschappen had men in het schip medegevoerd en 



») Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbcrgen. p. 270. 

*) Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, b\j: Parchai, Pilgri- 
met. III p. 714, 15. 

*) Hist. do pays de Spitsbcrghe. p. 21, 22, 24. ~ Baffin, loomall. bq : 
Purchas, Pügrimes. III p. 716, 17, 19. 

•) Fotherbye, Voyage of Discoucrie, bij: Parebas, Pilgrimet. III p. 728. 

•) Zorgdrager, Grocnl. vissch. p. 86. 

*) Deze Daam wordt reeds in 1616 genoemd. (Instr. der Sin.-Gen. Toor Schrobop 
dd. 28 Mei 1616.) De gewone naam in de i^'den der N. C. was echter «Maori- 
tins-baai *' 

*) Edge, Dutch disturbancc, bij r^Purchas , Pilgrimes. III p. 467. 

•) Resol. Adm. Amst. 20 Apr. 1613. — Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88. — 
Waarschijnlijk uit vrees voor de Engelschen schjjnen echter de Nederlanders het 
traankoken toen nog niet geregeld te hebben bij de hand genomen; tlthftDB in 
1614 kwamen er schepen van de N. C. binnen geladen met spek. (Br. der Stn.-G€n. 
aan de Admir. Maze dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.) 



137 

> 

Blecbts tgdelijk aan land opgesteld * ). Natunrlgk deed zich spoedig 
de behoefte gevoelen aan eene gelegenheid tot berging van de 
▼ele omvangrgke werktuigen , ten einde het lastige heen- en weér- 
▼oeren te vermgden. Het was dus eeno zeer eenvoudige zaak, 
dat de Noordsche Compagnie op het voorbeeld der Engelschen, 
die reeds in 1613 eene loge aan Fair foreland hadden, in 1615 
bevel gaf een houten gebouw in Bellsound op te richten. De wal- 
vischvaarders gehoorzaamden aan dit bevel en borgen in de opgesla- 
gen loods hunne sloepen , vaten en gereedschappen voor het volgende 
jaar ^). Hoe natuurlijk deze handelwgze ook was, toch kon zij niet 
anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Men was midden in 
den strijd met de Engelschen , die zich den uitsluitenden eigendom 
van Spitsbergen toekenden; hoe kon men hopen, dat dezen de 
Nederlanders, die eerst sinds twee jaren het eiland bezochten, 
niet zouden verhinderen in eene handeling, die blaken gaf van 
bun voornemen om zich daar by voortduring te vestigen en waar- 
op zg zich later tegen Engeland zouden kunnen beroepen ? En de 
kansen der Noordsche Compagnie werden nog ongunstiger, toen 
zg de macht niet had om zich te handhaven; het jaar 1615 was 
zeer onvoordeelig geweest en met de geringe krachten , waarover de 
compagnie dus in 1616 te beschikken had, oordeelde zij het raad- 
zaam de Engelschen dit jaar te ontwijken en zich met de visscherij 
aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland te vergenoegen *). Natuurlijk 
maakten de Engelschen nu van de afwezigheid der Nederlanders 
gebruik om hunne loge te vernielen en zich den inhoud toe te 
eigenen *). Vier schepen der Noordsche Compagnie, die door 
de schrale vangst aan Jan Mayen-eiland gedwongen waren op 
Spitsbergen hun geluk te beproeven, waren te zwak om de 
euveldaad hunner vijanden te verhinderen ; slechts éen kwam naar 
Bellsoxmd , terwijl de anderen Greenharbour , Mandlensound en de 
Hollandsche baai bezochten *). Het ongeluk schrikte de Noordsche 
Compagnie af: voor het jaar 1617 werd hare geheele uitrusting 



*) «Corte Dednctie ende Remonstrantie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: 
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

») «Mémoire" der N. C. bij : Muller, Mare clansum. p. 871. — Instr. der 
Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 28 Mei 1616. 

») »Corte Deductie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 
4. Loop. N. C. R.-A. — Dat de compagnie echter het denkbeeld eener vestiging 
niet opgaf, bl^kt wel nit art. 18 van het contract met de Zeeuwen van 19 Mrt. 
1617 (in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), waarin bepaald werd. dat 
iedere kamer de sloepen en gereedschappen , door haar in het noorden achtergela* 
ten , het volgende jaar weder zou mogen aanvaarden , „sonder datmen dselve 
d'cen oft d'ander ontvreemden zal." (!) 

*) .Mémoire" der N. C. bij Muller, Mare Clansum. p. 371. 

•) Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop. dd 23 Mei 1616. 



138 

weder naar Jan Mayon-eiland gezonden. Drie Zeeawscbe schepen , 
die Hornsound bezochten, brachten hnn gereedschap zelve mede *). 
Veel te zwak om zich te vestigen werd een van hen zelfs door de 
Engelschen beroofd, en ook de anderen keerden overhaast temg. 
Geheel anders was het in 1618: aan Jan Mayen-eiland wat 
te weinig ruimte voor de vele schepen en de Noordsche Gompag* 
nie besloot dus , op nieuw haar geluk aan Spitsbergen te beproe- 
ven. De verschillende baaien op Spitsbergens westkust werden 
onder de kamers verloot en de schepen verspreidden zich in vier 
afdeelingen. De Amsterdammers begaven zich naar de Holland* 
sche baai '); de Zeeuwen en die van Delft vestigden zich onbe» 
schroomd in 8ir Thomas Smith*s-bay *) , waar nog nooit een Ne- 
derlander de Engelschen in hun bezit gestoord had *) ; aan die van 
het Noorderkwartier was Bellsound ten deel gevallen en Rotterdam 
moest zich met Hornsound tevreden stellen *). In het bewnstzgn 
hunner overmacht besloten de Nederlanders nu, op nieuw te be- 
proeven zich op Spitsbergen te vestigen : zonder vertoef begon men 
met het bouwen van loges. Maar het resultaat was even onvoldoende 
als de eerste maal. De schepen, die in 8ir Thomas Smith*B-baj 
vischten, hadden nauwelijks himne traanketels aanland gebracht of 
de Engelschen , die zich daar onbeperkte meesters waanden , verbo- 
den hun ze op te stellen en eene loge te bouwen *). Slechts met 
geweld konden zij zich handhaven en tot eene vestiging kwam het 
daar niet. Die van het Noorderkwartier kregen hunne loge in Bell- 
sound gereed , — een houten huis 80 voet lang , 50 breed , gedekt 
met dakpannen, — maar slechts om weldra door de Engelschen 
verjaagd te worden, die het gebouw dadelgk weder afbraken en 
op eene andere plaats oprichtten >where more fit for their 
turne ')." Toen het dus ten tweedenmalo mislukt was, zich in 
de zuidel^ke baaien van Spitsbergen te vestigen, schgnen de 



*) Getuigenissen in sake den aanval der Eng. in 1617, in: Noordsche togten, 
4. Loop. N. C. R.-A. — ,Méraoire" der N. C. bij: Muller, Mare clansam. 
p. 372. — «Corto Deductie" der N. C. dd. 18 Scpt. 1624, m: Noordache 
togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

») R. S.-G. 4 Nov. 1622. 

•) Edgc, Dutcb disturbance, b^: Purchas , Pilgrimes. III p. 468. — BricTen ▼. 
Salmon, Sherwin en Beversham, b^: Purchas 1. c. 111 p. 733. — Sent. t. de 
H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 163S. 

^) vMémoire et Relation véritable" der Mosc. Comp., bg: Muller, Mare clan- 
turn, p. 373. 

•) «Corte Deductie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. 
N. C. R.-A. 

*) vMémoire" der N. C, b^: Muller, Mare clausum. p. 372. 

^) Br. V. Sherwin aan Heley dd. 29 Juni 1618, in: Purchas, Pilgrimea. III 
p. 733. 



189 

Nederlanders van het bezoeken dier yischplaatsen voor goed afge- 
schrikt te zgn. Zg lieten hunne geroofde loge in handen der Engel- 
Bchen, die ze nog in 1630 als hun hoofdkwartier in Bellsound 
gebruikten >) en trokken zich naar de Mauritius- of Hollandsche 
baai in Fairhaven terug, waar zg ongestoord konden yisschen. 

Fairhaven was wel niet de grootste , maar toch de rgkste » sound*' 
yan geheel Spitsbergen. Door twee yry groote eilanden , die eer- 
lang het Deensche en het Amsterdamsche zouden genoemd worden, 
verdeeld , bestond de baai uit twee boven elkander geplaatste rechte 
hoeken , die in elkander vloeiden. De zuidelijke hoek werd eerlang 
door de Engelschen verlaten en sedert niet meer gebruikt; in 
de beide armen der noordelijke (de » Noord-** en » Westbaai'*) 
schgnen de Nederlanders zich reeds nu b|j uitsluiting gevestigd 
te hebben. Zooveel ten minste is zeker, dat er in de » Holland- 
sche baai" in 1619 weder elf ^), in 1620 twee Nederlandsche 
walvischvaarders waren '), terwgl de baai verder tot 1623 toe 
geregeld door Nederlanders bezocht werd *). Het staat ook vast, 
dat in 1623 en 1625 de schepen, die de Noordsche Compagnie 
naar Spitsbergen zond, uUen in Fairhaven vischten *). Men zou 
zich echter vergissen , wanneer men meende , dat daarom de Noord- 
sche Compagnie zich toen reeds uitsluitende rechten op die baai 
aanmatigde. Integendeel, terwjjl zij sinds 1617 de Denen vrg- 
willig naast zich op het Amsterdamsche eiland toeliet *), wees 
zg aan den anderen kant alle kamers behalve die van Amsterdam 
naar het zuidelgke gedeelte van Spitsbergen als het terrein , waarop 
zg de walvischvangst konden oefenen. Officieel bleef zij nog steeds 
baar systeem handhaven , dat het geheele eiland Spitsbergen voor 
ieder openstond en dat alleen de Nederlanders als ontdekkers 
uitsluitende rechten zouden kunnen doen gelden. 

Aan dien twyfelachtigen toestand , toen de pretensiën der com- 
pagnie in stqjd waren met haar feitelijk bezit , werd volgens alle 
Bchrg vers een einde gemaakt door de overeenkomst , die de geheele 
westkust van het eiland tusschen de verschillende natiën, die ze be- 
zochten , verdeelde ^). H^t bestaan dezer overeenkomst , waarop — 



*) Pellliam, Gods power, bg: Wkite, Spiizbergen. p. 269. 

*) Br. T. Saknon aan Heley dd. 5 Juli 1619, b\j: Pnrchai, Pilgrixnet. III 
p. 735. 

•) fir. T. Catcher aan Heley dd. 17 Joni 1620, b\j: Porchai, Pilgrimea. III 
p. 786. 

«) Edge, Datch distorbance, b\j: Porchas, Pilgrimes. III p. 469, 70. — Br. 
T. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1628, bij: PnrchaB 1. c. III p. 786. 

<) Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157. of. Br. ▼. Fanne aan Helej dd. 24 Jnni 
1628, b\j: PnrchaB, PUgrimes. III p. 736. — Wassenaer L c. IX foL 124. 

•) et o. a. R. S.-6. 25 Jan. 1624. 

*) Zie o. a Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 194, 211. — De walvisch vangst. I 



140 

als weleer op het contrat social — alle schrijvers zonder onder- 
scheid zich beroepen zonder dat zij ooit opg(>ven, wat de jniste 
bepalingen daarvan waren, tnsschen wie en wanneer ze gesloten 
werd, schynt mg intusschen zéér tw^'felachtig. Er zon volgens 
de Noordsche Compagnie zelve in bepaald zgn , dat de grens tnt> 
schen Engelschen on Nederlanders by Fair foreland getrokken zon 
worden >), terw|jl anderen alleen Fairhaven met hare drie baaien 
als het Nederlandsche gebied aanwezen ^). Het is onmog^l^ b§ 
het gemis van alle bewgsstukken deze tegenspraak op te lossen, 
maar toch is het zeker, dat de Engelschen na 1623 langzamerhand 
van de visscherjj ten noorden van Fair foreland afgezien hebben *) 
en dat de Nederlanders zich na 1618 nooit meer ten zuiden van 
Fairhaven waagden. In de tnsschen Engelschen en Nederlanden 
opengelaten mimte vestigden zich in 1633 de Franschen en 
sedert 1640 de Hamburgers *) zonder van eenige schriftelgke 
overeenkomst te weten *). Het komt mjj daarom waarschgnlgk 



p. 26. — Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9. — De N. C. beweerde in 1688, «qa'Q 
Aist accordé, Qae ceux d'Angleterre et cenx de la Compagnie flamande des Ion 
en avant feroijent la paisiblement leor Pescbc, Sana nnire, troabler on inqnieter 
l'un Paotre d'avantage, et ainsi demenreroijent certaine distance lei nni dM 
antrcs." (Req. der N. C. e. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsehe togten. 
4. Loop. N. C. R.-A.) Vrolicq van zijne zijde beweerde, „dat de limiten Tmndfl 
Compagnie roo onseuckcr syn als hare begeerlvchevt onmatich is, ende alle 
palen ende limiten te buytcn gacnde." (Rcq. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. v. 1684 , 
in: Noordsche topten. 4. Loop. N. C. R.-A) 

*) Rcq. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634. in: Noordsche togten 
4w I/)op. N. C. R.-A. 

•) Score^by, Acconnt. II p. 87 vlg. — Vrolicq beweerde in 1684. dat eeiie 
ba^ii ten noorden der Ilambargerbaai was „onder het quarticr vande Engelschen'* 
(Req. aan de Stn.-Gen., in: Noordsche logten. 4.I/Oop. N. C. R.-A.). en de N. C. 
zelve stond hem toe te visschen „au Zud dn Cap de Znd de la Baij de Magda- 
lena." (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) 

') Reeds in 1627 verklaarde de Engelsche regeering, dat „de limiten om te 
visschen bij partien contcndenten (nam. Engelschen en Nederlanders^ waeren ge- 
^aemt." (Muller, Mare clausum. p. 228.) Een onverdeeld gezamenlgk betit rmn 
Fairhaven is daarmede niet te vereenigen. 

*) Nergens heb ik voor 1642 Hamburgers op Spitsbergen genoemd gevonden. 
Martens' opgave van het jaar 1640 als ongeveer het begin der Hambnrgiclie 
walvischvangst (Lindeman, Arkt. Fisch. p. 13) schijnt mij dus zeer waarschijnlijk , 
hoewel Lindeman (1. c.) het jaar 1620 aanneemt. 

•) Zie'hierboven p. 139 Noot 7. — Volgens Zorgdrager waren er omitreekt 
1700 sporen van vestigingen te vinden aan Disco (Stones foreland) , op het Hoop- 
en het Halvemaans-eiland , aan Wybe Jansz. '-water, in Hornsound, fiellaonnd (ia 
dril- inhammen) , Icesonnd (in Grcenharbonr en Behouden haven) , in Osbnms-in- 
Iet (?) (St. Jaus-baai), Kingbay (Engelsche baai), Crossroad, Hamburger-baai, Mand- 
leuEound , Fairhaven|(in de Engelsche baai , Robbcnbaai en Hollandsche baai). Archi- 
pel (Zeenwsche baai), Roode baai (P) en in Biscayerhoek. (Zorgdrager, GroenL 
visKh. p. 212-214.) 



141 

TOOT, dat door eene stilzwggende Bchikking de grenzen dezer 
Terschiliende ligplaatsen zgn afgebakend, en dat deze schikking 
door langdurig gebruik bevestigd werd. De quaestie van het 
bestaan van het contract is dus yan weinig belang. Ook al 
heeft het nooit bestaan , dan nog blijft het recht der Nederlanders 
op de twee noordelijke baaien van Fairhaven, waarop zg voor- 
namelgk aanspraak maakten*), even onbetwistbaar. Zij hadden 
zich do beide baaien , vóór hen nooit door iemand bezocht , reeds 
sinds 1614 toegeëigend; zij hadden door langdurig bezit den 
eigendom van dien >cle7non hoeck'* gronds bevestigd, en het was 
dus eene dwaasheid om, zooals enkelen deden *), Spitsbergen 
in zjjn geheel voor een woest en vrij land te verklaren. 

De grensregeling tusschen de Noordsche Compagnie en hare 
buitenlandsche mededingers kwam dus reeds in 1618 feitelgk tot 
stand ; maar tegelgkertijd begon het twisten tusschen de kamers 
onderling over het ieder van haar toekomende gebied. Wy 
zagen reeds, dat de Noordsche Compagnie in 1618 nog stijf vast- 
hield aan haar recht om ook buiten Fairhaven te visschen. Het 
gevolg was voor eenige harer leden allernoodlottigst. Bij de 
verloting der baaien onder de kamers was Fairhaven aan de Am- 
sterdammers >tocgecaveld;** aan de andere kamers was het onge- 
luk te beurt gevallen , in de zuidelijke baaien naast de Engelschen 
hun bedrijf te moeten oefenen '). Toen echter na de onaange- 
naamheden van 1618 de verhouding tusschen beide natiën ge- 
spannen was geworden en dus het bezoeken der zuidelijke baaien 
voor de Nederlanders gevaarlijk werd , schijnt de Amsterdamsche 
kamer haar verkregen recht op de Mauritius-boai toch gehandhaafd 
en hare zusters uitgesloten te hebben. Het blykt ten minste , dat 
zg zich in 1622 reeds sinds verscheidene jaren in het uitsluitend 
bezit der baai verheugen kon *) en dat zij zich ook in 1623 niet- 
tegenstaande de pogingen der andere kamers weder daar gevestigd 



*) De N. C. eischte in 1633, dat Vrolicq zoa blijven «bnyten de limvjtten 
Tin Magdalenenbaije ende de noorder punt ofte noorder gatt/' waar zij haar 
bedrijf oefende. (Req. der N. C. e. Vrolicq dd. 8 Mei 1638, in: Stn. N. C. v. d. 
Hrl. gedeput. R.-A.) 

») Req. V. Vrolicq c. de N. C. dd. 15 Apr. 1688 , in : Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. 
R.-A. (jvCwe Ho. Mo. is al te well bekent bet onderscheyt datter is tusschen 
landen die bewoont syn ende met forteressen ende garnisoenen continuellyck ge- 
posaideert ende bewaert werden, ende landen die t' ecnemael woest ende onbe- 
woont synde, nergens anders toe en dienen als tot commoditeyt van die ghene 
die ter zee haere neeringhe doen; ten welcken insicbte de selve oock de jure 
gentinm gehouden werden Tan deselve naluyre ende recht ais de zee selffs.") 

•) Zie hierna Hfdst. VI. 

*) R, S.-O. 5 Nov. 1622. („om hare vorige possessie aldaer vredelyck te 
moegen continneren.") 



142 

had '). De baai zelve droeg dan ook destyds terecht den naam Tan 
»AmBterdam8che baai *);*' het eiland, waar de kamer zich neer- 
sloeg, heeft den naam van » Amsterdamsch eiland*' steeds behouden. 
De andere kamers schijnen aanvankelijk in deze aanmatiging der 
Amsterdammers berust te hebben. De Zeenwen vestigden zich 
in de aan Fairhaven in het noordoosten grenzende baai — ge- 
woonlijk de Archjpel genoemd naar de >Zeenwsche Uitkjk** en 
andere eilandjes, die haar begrenzen, — en sloegen er hnnne 
traanketels en hutten op *); de overige kamers, die van de Maas 
en van het Noorderkwartier, bezochten waarschijnlyk Spitsbergen 
gedureude eenige jaren niet en stelden zich met de visscherg aan 
Jan Mayen-eiland tevreden. De Amsterdamsche nederzetting nam 
ondertusschen in omvang toe. Op het naar het zuidoosten ge- 
. keerde smalle strand van het eiland, dat naar hen genoemd is, 
hadden de Amsterdammers , en sinds 1617 de Denen zich gevestigd. 
Men vond daar reeds in 1623 verscheidene hutten, schuren om de 
gereedschappen in te bergen, gemetselde traanketels, waarbg 
men onder bescherming van het aan een paal opgerichte wapen 
van stad of land zijn bedrijf oefende *). De vangst was zoo voor* 
deelig, dat men dat jaar zelfs besloot eene uitbreiding aan da 
kolonie te geven door den aanbouw van eenige nieuwe woonhuizen *). 
Op den duur was echter zulk een ongelijke toestand natuurlgk 
onhoudbaar, en hot was te voorzien, dat do verongelukte kamers 
niet lang zouden toezien, dat hare Amsterdamsche zuster dus 
misbruik maakte van het voordcel , dat het toeval haar eenmaal 
verschaft had. Vooral wanneer het contract met Engeland ge- 
sloten is, — dat dan omstreeks 1625 moet hebben plaatsgehad, — 
was de onbillijkheid in het oog loopend. Vier kamers moes- 
ten zich dan tevredenstellen met hunne aanspraken op een 
gebied , waarvan de Noordsche Compagnie officieel afstand gedaan 
had! Reeds in 1622 schijnen zich dan ook eenigen van haar in 
het Amsterdamsche gebied gedrongen te hebben; althans de 
kamer verzocht in het najaar de Staten-Gcneraal haar te hand- 
haven in haar vorig bezit van de Mauritius-baai *). Eene uitne- 
mende gelegenheid om de zaak door te drijven bood zich echter 
weldra den verongelijkten kamers aan. De Denen, die een ge- 
deelte van het Amsterdamsche eiland in bezit hadden , lieten 



•) Miu. T. Christ. IV aan de Stn.-Gcn. dd. 27 Mrt. 1680. in: L. D 1630. — 
Zie nog in 1631: Aitzema. Saken v. Staot. I p. 1150. 

») Wauenaer. Hist. verh. IX fol. 124. 

•) Zorgdrager, Grocnl. vissch. p. 214, 227. 

") Sent. T. h. Hof van HoU. in zake de N. C. c. firaem dd. 29 Juni 1629. 

•) Br. ▼. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1628, b^ : Parchai, Pflgrimet. III 
p. 786. 

•) R S.-G. 5 Nov. 1622. 



143 

htume plaats sinds 1623 gemimen tijd open. Er waren onaan- 
genaamheden met de Amsterdammers ontstaan en toen de Denen 
zich in 1624 niet vertoonden, meende men zich gerechtigd tot 
de conclusie , dat zij van de walvischvangst hadden afgezien. Al 
stonden er dan ook nog do Deensche schuren èn hutten , de kamers 
der Noordsche Compagnie te Hoorn, Enkhuizen en Ylissingen 
namen in 1625 bezit van het verlatene terrein, iets westelgker 
dan het gebied der Amsterdammers gelegen. Het Deensche ge- 
reedschap werd eenvoudig weggenomen en de overweldigers bouw- 
den nieuwe loges voor hun gebruik ; de Noordsche Compagnie , 
bewust van het onrecht dat zij pleegde, richtte bovendien een 
fort ter verdediging harer gezamenlijke bezittingen op het nieuw 
verworven grondgebied op *). De klachten der Denen baatten 
niet; z$ moesten hunne vestiging naar de Bobbenbaai op het 
Deensche eiland verplaatsen. 

Nu dus eenmaal de eerste stoot gegeven was, volgden weldra 
de andere kamers. De overige Zeeuwen — die van Middelburg en 
Veere — schenen met huune kleine baai evenmin tevreden geweest 
te zgn als de Vlissingers ; Delft en Rotterdam , tot nog toe naar 
het scheut zonder bepaalde plaats op Spitsbergen, waren er 
natuurlyk op gesteld, die te verkrijgen. Spoedig werd aan hun 
verlangen voldaan. In 1633 waren alle kamers reeds eenigen 
tgd vreedzaam naast elkander gevestigd *) aan de zuidoostelijke 
punt van het Amsterdamsche eiland op »een strant ontrent 
een kleyne Musquetschoot broed'*, omringd door vrg hooge 
bergen •). 

Niettegenstaande deze schynbare eenheid bleef men echter streng 
vasthouden aan het beginsel van afzondering der verschillende 
kamers, dat men nu eenmaal aangenomen had. ledere kamer 
had op het strand hare afzonderlyke >tent'* op eenigen afstand 
van die der andere kamers *); ieders traankokerij was daarnaast 
gemetseld en de verdere noodige gebouwen , kuiperijen , schuren of 
pakhuizen, en hutten voor de land-matrozen waren daaromheen 
gelegen ^). Vóór die vestiging had elke kamer hare afzonder- 
Igke ligplaats, waar hare schepen ankerden en gedurende het 



*) Misi. ▼. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1681 , in: L. D. 1682. — 
R. S.-6. 18 Mrt. 1682. — Wasscnaer, Hist. yerh. XII foL 8. 

*) Vander firngge (Joarnael der Seven Matroosen) noemt «tenten" Tan Am- 
sterdam (p. 12, 25), Deia (p. 28). Middelbnrg (p. 28), Vlissingen (p. 89) en 
Veere. (p. 87) Het bestaan ecncr Hoornsche yestiging blijkt nit: Raven, lonr- 
nael. p. 11, — eener Enkbuizensche nit: Wassenaer, Hist. yerb. XII foL 8; — 
Rotterdam wordt door Zorgdrager (Grocnl. visscb. p. 220) genoemd. 

*) Van Kenlen, Zee-atlas. I p. 72. 

*) Zie hierróor Noot 2. 

*) Zorgdrager, Groenl. visncb. p. 220. — Raven, lonrnaeU p. 11. 



144 

geheele getg bleven liggen *). Aan dit beginsel werd zoo streng 
Yastgehouden , dat men de Friezen in 1636 alleen in de Noord- 
sche Compagnie opnam op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zg 
by het vrije gebruik der » landen ende bajen", die do compagnie 
op Spitsbergen bezat , steeds op redelyken afstand van het tot nog 
toe door de andere kamers gebruikte gebied zouden blyven *). 
De Friezen namen daarmede geuoegen en vestigden zich dos 
tegenover het Dodemanseiland op de noordoostpnnt van het 
Dcensche eiland ; de Westbaai (later Zuidbaai genoemd) , die zich 
voor hunne vestiging, eerlang de Harlinger kokerij geheeten, 
uitstrekte, leverde hun overvloedige vangst •). De afstand, die 
de verschillende vestigingen scheidde , was echter zoo gering , dat 
men gemakkelijk van de eene naar de andere kon gaan ; als men 
ze allen overzag , omringd door de kramen en winkels van levens- 
behoeften, vormden de gebouwen zelfs te zamen een soort van 
geheel. Gedurende den tijd, dat de walvischvaarders aan land 
waren , was er om deze verzameling van hutten en schuren zulk 
cene drukte , dat men aan eene bloeiende handelsnederzetting kon 
denken. Het >dorp'* kreeg weldra eenen naam: als > Smeeren- 
burg" werd het algemeen bekend *). 

Men wachte zich echter reeds dadelijk weder voor overdrijving: 
hei zoogenaamde dorp zal wel altijd gering van omvang, arme- 
lijk van uitzien geweest zijn. In 1626, toen de nederzetting 
dus reeds verscheidene jaren bestaan had en door de aankomst 
van die van Vlissingen, Hoorn en Eukhuizen aanmerkelijk toege- 
nomen was, stonden in de Mauritius-baai behalve de kleinere 
gebouwen nog slechts vijf loges of loodsen *). Natuurlijk ging de 
plaats nog sterk vooruit; de vestiging der vier overblijvende 
kamers deed nieuwe huizen, schuren en traanketels verrijzen, 
maar wanneer wij vernemen, dat in 1633 — dus toen de wal- 
vischvangst het tijdstip van haren hoogsten bloei onder de Noord- 
sche Compagnie reeds voorbij was — alleen Amsterdam twee 
groote > tenten" schijnt gehad te hebben •), — wanneer wij lezen, 

M Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Eakh. dd. 4 Apr. 16S7. 

V Aitzema, Saken v. Staet. II p. 300. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227. — De wal visch vangst. I p. 17. — • 
Tegenw. Staat. I p. 590. — Meu was iu Nederland zoo overtuigd van de nood- 
zakelijkheid van zulk eene afscheiding, dat die van l.'trecht, die in 16.18 in de 
Noordsche Compagnie weuschtcu opgenomen te worden , dadelijk aanboden zich op 
Spittibcrgen Z kb mijlen van du llollandirrd te vestigen. (R. S.-G. 29 Sept. 1688.) 

*) Zorgdrager, Groenl. vissoh. p. 227. — Tegenw. Staat. I p. 691. — Req. 
der N. C. aan de Stn,-Gen. dd. 3 Mei 1633, in : Stn. X. C. v. d. HrL ge- 
deput. R.'A. 

•) Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8. 

*) Vander Brugge. lonmael der Seven Matroosen. p. 83. 88. — Yin Kenlra, 
Zee-atlas. 1 p. 72. 



145 

dat het getal der fondamenten van traanketels op Smeerenbnrg 
later slechts acht of tien bedroeg *), -~ een getal vrij wel over- 
eenkomende met dat der kamers, — dan moeten wij het 
Zorgdrager toestemmen, dat Smeerenbnrg zich zelfs in de dagen 
van haar hoogsten bloei op verre na niet met hare tweeling- 
zuster Batavia kon meten *). Dat de Harlinger kokerg uiterst 
weinig te beteekenen had, blijkt nit het feit, dat in 1670, toen 
er nog zoovele huizen op Smeerenburg stonden, dat ze zich 
als een klein dorp voordeden '), van de geheele Harlinger ko- 
ker^ slechts éen traanketel, twee woonhuizen en twee schuren 
overig waren *). 

Van de inrichting van Smeerenburg en de daar aanwezige 
gebouwen kunnen wij ons een vrij goed donkbeeld vormen uit de 
journalen van eenige matrozen , die daar twee jaren achtereen in 
den grootsten bloei der walvischvangst overwinterden. Op eene 
breede vlakte , door hooge bergen omringd en door de Mauritius- 
baai bespeeld, verrezen de gebouwen der verschillende kamers *). 
Daaronder trok voor alles de opmerkzaamheid de eigenlijke kern der 
vestiging , de >tent". Het was een gebouw van vrij grooten omvang , 
aanvankelyk van hout, later van steen opgetrokken ^), Reeds in 
1618 werd er door de Nederlanders in Bellsound eene opgericht , 
die 80 voet lang en 50 breed was , maar die dan ook tegclijker- 
tgd voor berg- en woonplaats, en tevens voor kuiperij zal ge- 
diend hebben '). De inrichting was hoogst eenvoudig: eene groote 
kamer, die de geheele breedte innam, diende der bemanning tot 
woning '); losse kribben waren daartoe getimmerd, een oven 



') Zorgdrager, Groenl. visgcb. p. 227. — Op eene groote geteekende kaart 
Tmn de Maoritias-baai , vervaardigd na de vestiging der Friezen en voor het ver- 
Uten van Smeerenbnrg (das omstreeks 1640) viud ik zelfs slechts zes „tenten" 
op Smeerenburg aangeteekend ; het kaartje der Manritius-baai in Van Kenlen's 
Zee-atlas heeft er v\jf. De volgorde van het oosten naar het westen was: Am- 
sterdam, Middelburg, Vlissingen, Denemarken (? = Enkhuizen na de occupatie 
Tan 1625?), Del/t en Hoorn. (Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.) 
*) Zorgdrager, GroenL vissch. p. 228. 

*) Hartens, Voyage into Spitsb., h^: White, Spitzbergen. p. 28. — Zorgdra- 
ger, GroenL vissch. p. 214. 

*) >Iartens, Voyage, bij: White, Spitzbergen. p. 23. — Scoresby, Account. II 
p. 180. — Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88. 

•) Zorgdrager, Groenl. vissch, p. 214. — Martens, Voyage, hij: White, 
Spitzbergen. p. 28. 

•) Rcq. v. de N. C. c. VroUcq dd. 8 Mei 1688, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. 
gedepnt. R,-A. — Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1684, in: Noord- 
iche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 269. — Scoresby, Account. 

II p. 177. 

*) Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9. — De Commtndeor-generaal woonde 

10 



146 

(»Btoof ') diende zeker niet alleen om de kamer ie yerwarmen *)• 
Achter deze kamer was eene kleinere aangebracht, die tot ber- 
ging dor leeftocht strekte en door ecne deur met de voorkamer 
gemeenschap had. Een trap leidde van daar naar eene mimta 
boven de met klei bestreken zoldering, die des noods tot berging 
diende en door het pannen of bonten dak werd gedekt *). Qe- 
bmikte men het gebonw in de eerste jaren der visscher^ tevens 
voor berg- en werkplaats , toen de walvischvangst zekerder en 
meer duurzaam gevestigd was , bouwde men daartoe afzonderlgke 
loodsen; de tenten zelve werden op grooter on steviger voet 
gebouwd. Ja, toen het aantal walvischvaarders toenam, bleek 
weldra éene tent onvoldoende om de vele matrozen te huisvesten. 
Amsterdam ging over tot het bouwen eener tweede tent; de 
andere kamers bouwdon verscheidene houten hutten, geheel als 
de tenten ingericht maar op kleiner schaal. Deze hutten dien- 
den van toen af aan het overschietende volk tot woning. Het 
woonvertrek, dat de gehoelc breedte (16 voet) innam, was daar 
slechts 7} voet hoog, 21 lang en met een halvesteensmuur om- 
geven; het kleinere proviand ver trek daarachter was eenvoudig 
van planken opgetrokken '). 

Na de tent was do traanketcl het voornaamste gebouw der 
vestiging. Een groote koperen ketel of pan werd in de opene lucht 
vastgemetseld op een lage stcenen oven, en de traankokerg was 
gereed. Later bouwde men er een steenen schoorsteen bij ; mis- 
schien beschermde een planken hut, om de geheele inrichting 
opgetrokken, de kokers soms voor de snerpende winden *). Een 
noodzakelijk gebouw was ook de kuiperij , waar de kuipers de 
medegebrachte duigen tot vaten maakten; de zolder daarboven 
strekte hun tot woning *). 

De meeste gebouwen op Smeerenburg waren echter ongetwgfeld 
houten schuren, grooter dan de hutten maar minder stevig ge- 
bouwd. Zij strekten om de gereedschappen , die tot de walvisch- 

in de nieuwe Amsterdamsche tent. (Vander Brngj^c, loarnael der Seven Ma- 
iroosen. p. 26.) 

') Vaader Brugge, lonruael. p. 18, 14. 

*) lournacl van seven matroscn 1634/85, achter; Raven, lournael. p. 14. 

•) Martcns, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitrbergen. p. 28. — Vander 
Brugge, lournael. p. 14, 27, 40, 47. 

*) Pellham , Gods power, bij : White , Spitzbcrgen. p. 270. — Martens, Voyage, 
by: White 1. c. p. 22. — Rclation du Groenland, bij: White 1. c. p. 283. — 
Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220. 

•) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220. — Tegenw. Staat. 1 p. 690. — Daar 
er een vrij groot aantal kuipers, ook metselaars om de traanketcls te bevestigen 
jaarlijks mede naar Spitsbergen gingen , verliest het dwaze verhaal, dat de Smee- 
renburgsche huizen „in Holland getimmerd" (!) en zoo op de srhcpen medegevoerd 
werden (Berghans, W^at men van de aarde weet. Il p. 886) allen redel^ken grond. 



147 

vangst noodig waren , — l^nen, harpoenen , lensen, vaten, hoepels , 
dnigen, ovens, aanbeelden, smidstangen enz. — gedurende den 
winter te bergen *). De traanketels werden veelal met de houten 
koelbakken en de looden gooten daarnaast eenvoudig op het strand 
achtergelaten ^). Ook de kaapstanders bleven staan; de sloepen 
trok men meestal op het strand en liet ze zoo in de sneeuw ach- 
ter *). Wanneer het gebeurde, dat de rijke vangst in de schepen 
niet kon geborgen worden en ook in de naschepen geene ruimte 
genoeg was, werden veelal de traan en baarden, die men dus 
genoodzaakt was den winter op het eiland over te laten , in de 
schuren geborgen *). In den rijksten tyd der visscherij kwam het 
echter voor, dat men ze eenvoudig in den grond begroef; de 
schuren bleven hoofdzakel^k tot berging der gereedschappen 
bestemd. 

Voeg by al deze gebouwen eene kerk *), een fort met eenige 
batterijen *), die de vestiging verdedigen moesten tegen zwor- 
vende Duinkerkers of Basken, en ge kunt u eene voorstelling 
maken van Smeerenburg , zooals het zich omstreeks 1633 ver- 
toonde. Het tooneel werd des zomers verlevendigd door de aan- 
wezigheid der walvischvaarders , ongeveer 1000 in getal, die 
ruimschoots gelegenheid hadden zich behalve het noodige allerlei 
versnaperingen te bezorgen; Op de schepen der Noordsche Com- 
pagnie bevonden zich toch meestal bakkers , kramers , zoetelaars 
en andere dergelijke lieden, die niet tegen de reis opzagen om 
winst te maken. Hetzij in de schuren der compagnie zelve , hetzij 
in eigene kramen en loodsen sloegen zij zich neer, en ventten aan 
de begeerige matrozen hun wijn en brandewijn , hun tabak en hun 
warm brood. Men verhaalt , dat vooral het laatste artikel zoo ge- 
wild was , dat men lederen morgen door het blazen op een hoorn 
de matrozen kennisgaf, dat de broodjes uit den oven genomen 
werden *). 

*) Sent. V. b. Hof ▼. HoU. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629. — 
Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220. — De walvischvangst. I. p 80. — Vander 
Brugge, Jonrnael. p. 11, 15. 

*) Vander Brugge, Journael. p. 20, 80, 32, 36, 88, 89. 

*) Raven, Journael. p. 11. — Vander Brufrge, Journael. p. 46. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 28. 

•) Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Mei 1688, in: Stn. N. C. ▼.. d. Hrl. 
gedepnt. R.-A. 

*) Vander Brugge, Jonrnael. p. 6, 28. — Aitzema, Saken v. Staet. Il p. 861. — 
Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Mei 1688, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedepnt, 
R.-A. — Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1684 , in : Noordtche togten. 
4. Loop. N. C. R.-A. — Miss. v. ChrUt. IV aan de Stn.-Gen, dd. 28 Dec. 1681, 
in: L. D. 1682. 

*) Zorgdrager, Groenl. Tiasch. p. 228. — De walvischvangst. I p. 28. — Lin- 
deman, Arkt. Fisch. p. 9. 

10^ 



140 

als weleer op het contrat social — alle schrijvers zonder onder- 
scheid zich beroepen zonder dat zg ooit opgeven, wat de joiste 
bepalingen daarvan waren, tnsschen wie en wanneer ze gesloten 
werd, schijnt mij intusschen zéér tw^'felachtig. Er zon volgens 
de Noordsche Compagnie zelve in bepaald zijn , dat de grens tnt> 
schen Engelschen on Nederlanders by Fair foreland getrokken zon 
worden >), terwijl anderen alleen Fairhaven met hare drie baaien 
als het Nederlandsche gebied aanwezen ^). Het is onmogelgk bg 
het gemis van alle bewgssiukken deze tegenspraak op te lossen, 
maar toch is het zeker, dat de Engelschen na 1623 langzamerhand 
van de visscherg ten noorden van Fair foreland afgezien hebben *) 
en dat de Nederlanders zich na 1618 nooit meer ten zuiden van 
Fairhaven waagden. In de tnsschen Engelschen en Nederlanders 
opengelaten ruimte vestigden zich in 1633 de Franschen en 
sedert 1640 de Hamburgers *) zonder van eenige schriftelgka 
overeenkomst te weten *). Het komt mij daarom waarschgnlgk 



p. 26. — Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9. — De N. C. beweerde in 1688, «qa'Q 
tani accordé , Qae ccnx d'Angleterre et cenx de la Compagnie flamande des Ion 
en avant feroijent Ia paisiblemeut leor Pescbe, Sana nuire, tronbler on inqnieter 
l'nn Tantre d'avantage, et aiusi demenreroijent certaine distance lei nna ém 
antres." (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Fcbr. 1634, in: Noordsehe togteii. 
4. Loop. N. C. R.-A.) Vrolicq van zijne zijde beweerde , «dat de limiten vandfl 
Compagnie soo onseeckcr syn als bare bi'geerl} cbevt onmaticb is, ende aUe 
palen ende limiten te buiten garnde." (Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. v 1684, 
in: Noordscbc togten. 4. Loop. N. C. R.-A) 

*) Req. der N. C. aan de vStn.-Gen. dd. 2 Fcbr. 1684, in: Noordscbe togten 
♦. I.^p. N. C. R..A. 

») Scoresby, Acconnt. IT p. 87 vlg. — Vrolicq beweerde in 1684, dat eeiie 
baai ten noorden der Ilamburgerbaai was „onder het quartier vande Engelschen*' 
(Req. aan de Stn.-Gen. , in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), en de N. C. 
zelve stond hem toe tu visschen „au Zud dn Cap de Znd de la fiaij de Magda- 
lena." (Req. der N. C. dd. 2 Fcbr. 1684, in : Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) 

*) Reeds in 1627 verklaarde de Engelsche regeering, dat «de limiten om te 
yisschen bij partien contendenten (nam. Engelschen en Nederlanders) waeren ge- 
^aemt." (Hnller, Mare clansnm. p. 228.) Een onverdeeld gezamenlijk bezit rmn 
Fairhaven is daarmede niet te vereenigen. 

*) Nergens heb ik voor 1642 Hamburgers op Spitsbergen genoemd gevonden. 
Martcns' opgave van het jaar 1640 als ongeveer het begin der Hambnrgscke 
walvischvangst (Lindeman, Arkt. Fisch. p. 18) schijnt m\j dus zeer waarschynlgk , 
hoewel Lindeman (1. c.) het jaar 1620 aanneemt. 

•) Zie 'hierboven p. 189 Noot 7. — Volgens Zorgdrager waren er omstreeks 
1700 sporen van vestigingen te vinden aan Disco (Stones foreland) , op het Hoop- 
en het Halvemaans-eiland , aan Wybe Jansz.'-water, in Hornsound, Bellsonnd (ia 
dril- inhammen) , Icesound (in Grcenharbonr en Behouden hav?n) , in Osbnms-in- 
Iet (?) (St. Jans-baai), Kingbar (Engelsche baai) . Crossroad, Hamburger-baai, Mand- 
lensonnd. Fa irhaven|(in de Engelsche baai , Robbenbaaien Hollandsche baai). Archi- 
pel (Zeenwsche baai), Roode baai (P) en in fiiscayerhoek. (Zorgdrager, GroenL 
visKh. p. 212-214.) 



141 

Toor, dat door eene stilzwggende schikking de grenzen dezer 
Terschillende ligplaatsen zijn afgebakend, en dat deze schikking 
door langdurig gebruik bevestigd werd. De quaestie van het 
bestaan van het contract is dus van weinig belang. Ook al 
heeft het nooit bestaan , dan nog blgft het recht der Nederlanders 
op de twee noordelijke baaien van Fairhaven, waarop zg voor- 
namelijk aanspraak maakten*), even onbetwistbaar. Zij hadden 
zich do beide baaien, vóór hen nooit door iemand bezocht, reeds 
sinds 1614 toegeëigend; zg hadden door langdurig bezit den 
eigendom van dien >cle7nen hoeck** gronds bevestigd, en het was 
dus eene dwaasheid om, zooals enkelen deden *), Spitsbergen 
in zijn geheel voor een woest en vrg land te verklaren. 

De grensregeling tusschen de Noordsche Compagnie en hare 
buitenlandsche mededingers kwam dus reeds in 1618 feitelijk tot 
stand ; maar tegelijkertijd begon het twisten tusschen de kamers 
onderling over het ieder van haar toekomende gebied. Wij 
zagen reeds, dat de Noordsche Compagnie in 1618 nog stjjf vast- 
hield aan haar recht om ook buiten Fairhaven te visschen. Het 
gevolg was voor eenige harer leden aller noodlottigst. Bij de 
verloting der baaien onder de kamers was Fairhaven aan do Am- 
sterdammers >tocgecaveld;** aan de andere kamers was hot onge- 
luk te beurt gevallen , in de zuidelijke baaien naast de Engelschen 
hun bedrijf to moeten oefenen '). Toen echter na de onaange- 
naamheden van 1618 de verhouding tusschen beide natiën ge- 
spannen was geworden en dus het bezoeken der zuidelijke baaien 
voor de Nederlanders gevaarlijk werd , schijnt de Amsterdamsche 
kamer haar verkregen recht op de Mauritius-baai toch gehandhaafd 
en hare zusters uitgesloten te hebben. Het blijkt ten minste , dat 
zg zich in 1622 reeds sinds verscheidene jaren in het uitsluitend 
bezit der baai verheugen kon *) en dat zij zich ook in 1623 niet- 
tegenstaande de pogingen der andere kamers weder daar gevestigd 



*) De N. C. eiBchte in 1633, dat Vrolicq zoa blijven «bnyten de lim^tten 
van Magdalenenludje ende de noorder pant ofte noorder galt," waar z^ haar 
bedrgf oefende. (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Mei 1633, in: Sin. N. C. v. d. 
Hrl. gedepnt. R.-A.) 

*) Req. T. Vrolicq c. de N. C. dd. 15 Apr. 1688 , in : Stn. N. C. v. d. Hrl. gedepat. 
R.-A. (vUwe Ho. Mo. is al te well bekent het onderscheyt datter is tasschen 
landen die bewoont syn ende met forteresseu ende garnisoencn continaellyck ge- 
posaideert ende bewaert werden, ende landen die t' ecnemael woest ende onbe- 
woont synde, nergens anders toe en dienen als tot commoditeyt van die ghene 
die ter zee haere neeringhe doen; ten wclckeu insichte de seWe oock de jure 
gentinm gehouden werden van deselve nalnyre ende recht als de zee selffs.") 

•) Zie hierna Hfdst. VI. 

*) R. S.-G. 5 Nov. 1622. („om hare vorige possessie aldaer vredelyck te 
moegen continueren.") 



142 

had ' ). De baai zoIyo droeg dan ook destyds terecht den naam Tan 
lAmsterdamsche baai^);'* het eiland, waar de kamer zich neer- 
sloeg , heeft den naam van » Amsterdamsch eiland*' steeds behouden. 
De andere kamers schgnen aanyankelijk in deze aanmatig^g der 
Amsterdammers berust te hebben. De Zeeuwen vestigden zich 
in de aan Fairhaven in het noordoosten grenzende baai — ge- 
woonlijk de Archjpel genoemd naar de >Zeeuwsche Uitkjk** en 
andere eilandjes, die haar begrenzen, — en sloegen er hunne 
traanketels en hutten op *); de overige kamers, die van de Maas 
en van het Noorderkwartier, bezochten waarschijnlijk Spitsbergen 
gedurende eenige jaren niet en stelden zich met de visscherg aan 
Jan Mayen-eiland tevreden. De Amsterdamsche nederzetting nam 
ondertusschen in omvang toe. Op het naar het zuidoosten ge- 
. keerde smalle strand van het eiland, dat naar hen genoemd is, 
hadden de Amsterdammers , en sinds 1617 de Denen zich gevestigd. 
Men vond daar reeds in 1623 verscheidene hutten, schuren om de 
gereedschappen in te bergen, gemetselde traanketels, waarbg 
men onder bescherming van het aan een paal opgerichte wapen 
van stad of land zijn bedrjjf oefende *). De vangst was zoo voor* 
deelig, dat men dat jaar zelfs besloot eene uitbreiding aan de 
kolonie te geven door den aanbouw van eenige nieuwe woonhuizen *). 
Op den duur was echter zulk een ongelgke toestand natuurlgk 
onhoudbaar , en het was te voorzien , dat de verongelijkte kamera 
niet lang zouden toezien, dat hare Amsterdamsche zuster dus 
misbruik maakte van het voordeel , dat het toeval haar eenmaal 
verschaft had. Vooral wanneer het contract met Engeland ge- 
sloten is, — dat dan omstreeks 1625 moet hebben plaatsgehad, — 
was de onbillijkheid in het oog loopend. Vier kamera moes- 
ten zich dan tevredenstellen met hunne aanspraken op een 
gebied , waarvan de Noordsche Compagnie officieel afstand gedaan 
had! Reeds in 1622 schjjnen zich dan ook eenigen van haar in 
het Amsterdamsche gebied gedrongen te hebben; althans de 
kamer verzocht in het najaar de Staten-Generaal haar te hand- 
haven in haar vorig bezit van de Mauritius-baai *). Eene uitne- 
mende gelegenheid om de zaak door te dry ven bood zich echter 
weldra den verongelukten kamers aan. De Denen, die een ge- 
deelte van het Amsterdamsche eiland in bezit hadden , lieten 

•) MiM. X. Chmt. IV aan de Stn.-G€n. dd. 27 Mrt. 1680, in: L. D 1630. — 
Zie nog in 1631: Aitzema. Saken t. Staet. I p. 11 50. 

•) WiMenaer. Ilist. Tcrh. IX fol. 124. 

*) Zorg:drager, Grocnl. visseh. p. 214, 227. 

*) Sent. T. h. Hof van Huil. in zake de N. C. c. firaem dd. 29 Juni 1629. 

•) Br. V. Fanne aan Heley dd. 24 Jani 1628, bg : Purchas, Pilgrimet. III 
p. 786. 

•) R S.-G. 5 NoT. 16i2. 



143 

htume plaats sinds 1623 gemimen tijd open. Er waren onaan- 
genaamheden met de Amsterdammers ontstaan en toen de Denen 
zich in 1624 niet Ter toonden, meende men zich gerechtigd tot 
de oóndnsie , dat zij Tan de walTischvangst hadden afgezien. Al 
stonden er dan ook nog do Deensche scharen èn hutten , de kamers 
der Noordsche Compagnie te Hoorn, Enkhoizen en Ylissingen 
namen in 1625 bezit Tan het Terlatene terrein, iets westelgker 
dan het gebied der Amsterdammers gelegen. Het Deensche ge- 
reedschap werd eenTOudig weggenomen en de OTerweldigers bouw- 
den nieuwe loges Toor hun gebruik ; de Noordsche Compagnie , 
bewust Tan het onrecht dat zij pleegde, richtte boTcndien een 
fort ter Terdediging harer gezamenlijke bezittingen op het nieuw 
Terwonren grondgebied op >). De klachten der Denen baatten 
niet; z^ moesten hunne Tcstiging naar de Bobbenbaai op het 
Deensche eiland Terplaatsen. 

Nu dus eenmaal de eerste stoot gegCTcn was, Tolgden weldra 
de andere kamers. De OTcrige Zeeuwen — die Tan Middelburg en 
Veere — schijnen met huune kleine baai CTenmin tcTreden geweest 
te zijn als de Ylissingers ; Delft en Rotterdam , tot nog toe naar 
het sch^nt zonder bepaalde plaats op Spitsbergen, waren er 
natuurlyk op gesteld, die te Terkrggen. Spoedig werd aan hun 
Terlangen Toldaan. In 1633 waren alle kamers reeds eenigen 
tgd Treedzaam naast elkander geTestigd *) aan de zuidoostelijke 
punt Tan het Amsterdamsche eiland op >een strant ontrent 
een kleyne Musquetschoot breed'*, omringd door Trij hooge 
bergen •). 

Niettegenstaande deze schynbare eenheid bleef men echter streng 
Tasthouden aan het beginsel Tan afzondering der Terschillende 
kamers, dat men nu eenmaal aangenomen bad. ledere kamer 
had op het strand hare afzonderlijke >tent'' op eenigen afstand 
Tan die der andere kamers *); ieders traankokerij was daarnaast 
gemetseld en de Terdere noodige gebouwen , kuiperijen , schuren of 
pakhuizen, en hutten TOor de land-matrozen waren daaromheen 
gelegen ^). Vóór die Testiging had elke kamer hare afzonder- 
Igke ligplaats, waar hare schepen ankerden en gedurende het 



*) Misi. T. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1681 , in: L. D. 1682. — 
R. S.-6. 18 Mrt. 1682. — Wassenaer, Hist. Terh. XII foL 8. 

*) Vander firagge (Jonrnael der Seven Matroosen) noemt latenten" van Am- 
tterdam (p. 12, 25), Deia (p. 28). Middelbnrg (p. 28), Vliuingen (p. 89) en 
Veere. (p. 87) Het bestaan eener Hoornsche vestiging blijkt nit: Rayen, lonr- 
naeL p. 11, — eener Enkhnizensche uit: Wassenaer, Hist. yerh. XII foL 8; — 
Rotterdam wordt door Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 220) genoemd. 

*) Van Kenlen, Zee-atlas. I p. 72. 

«) Zie hierróor Noot 2. 

*) Zorgdrager, Groenl. visncb. p. 220. — Raven, lonrnaeh p. 11, 



144 

geheele getg bleven liggen *). Aan dit beginsel werd zoo streng 
▼astgehoaden , dat men de Friezen in 1636 alleen in de Noord- 
sche Compagnie opnam op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zg 
bij bet vrije gebruik der > landen ende bajen'^ die de compagnie 
op Spitsbergen bezat , steeds op redelijken afstand van het tot nog 
toe door de andere kamers gebruikte gebied zouden blyven *). 
De Friezen namen daarmede genoegen en vestigden zich dos 
tegenover het Dodemanseiland op de noordoostpunt van het 
Deensche eiland ; de Westbaai (later Zuidbaai genoemd) , die zich 
voor hunne vestiging, eerlang de Harlinger kokerg geheeten, 
uitstrekte, leverde hun overvloedige vangst •). De afstand, die 
de verschillende vestigingen scheidde , was echter zoo gering , dat 
men gemakkelijk van de eene naar de andere kon gaan ; als men 
ze allen overzag , omringd door de kramen en winkels van levens- 
behoeften, vormden de gebouwen zelfs te zamen een soort van 
geheel. Gedurende den tijd, dat de walvischvaarders aan land 
waren , was er om deze verzameling van hutten en schuren zulk 
cene drukte , dat men aan eene bloeiende handelsnederzetting kon 
denken. Het >dorp" kreeg weldra eenen naam: als > Smeeren- 
burg" werd het algemeen bekend ♦). 

Men wachte zich echter reeds dadelijk weder voor overdrijving: 
hei zoogenaamde dorp zal wel altijd gering van omvang, arme- 
lijk van uitzien geweest zijn. In 1626, toen de nederzetting 
dus reeds verscheidene jaren bestaan had en door de aankomst 
van die van Vlissingen, Hoorn en Enkhuiz«jn aaumerkelyk toege- 
nomen was, stonden in de Mauritius-baai behalve de kleinere 
gebouwen nog slechts vijf loges of loodsen *). Natuurlijk ging de 
plaats nog sterk vooruit; de vestiging der vier overblijvende 
kamers deed nieuwe huizen, schuren en traanketels verrijzen, 
maar wanneer wij vernemen, dat in 1633 — dus toen de wal- 
vischvangst het tijdstip van haren hoogsten bloei ouder de Noord- 
sche Compagnie reeds voorbij was — alleen Amsterdam twee 
groote > tenten'' schijnt gehad te hebben •), — wanneer w^ lezen, 

M Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. 

*) Aitzeina, Saken v. Staet. II p. 300. 

*) Zorgdrager, Groeul. vissch. p. 227. — De wal visch vangst. I p. 17. — 
Tegenw. Staat. I p. 590. — Meu was in Nederland zoo overtuigd van de nood- 
zakelijkheid van zulk cene afiicbeiding, dat die van Utrecht, die in ItS-lS in de 
Noordsche Compagnie wcnschteu opgenomen te worden, dadelijk aanboden lich op 
Spitsbergen 3 a 5 mijlen van de Hollanders te vestigen. (R. S.-6. 29 Sept. 1688.) 

*) Zorgdrager, Groeul. vissch. p. 227. — Tcgeuw. Staat. I p. 591. — Req. 
der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 8 Mei 1633, in: Stn. X. C. v. d. Hrl. ge- 
depnt. R.-A. 

•) Wassenaer, Kist. verh. XII fol. 8. 

*) Vander Brugge, lonmael der Seven Matroosen. p. 83, 88. — Yin Kealn, 
Zec-atlas. 1 p. 72. 



145 

dat het getal der fondamenten van traanketels op Smeerenbnrg 
later slechts acht of tien bedroeg >), — een getal vrij wel over- 
eenkomende met dat der kamers, — dan moeten wij het 
Zorgdrager toestemmen, dat Smecrenbarg zich zelfs in de dagen 
van haar hoogsten bloei op verre na niet met hare tweeling- 
ZQster Batavia kon meten *). Dat de Harlinger kokerij uiterst 
weinig te beteekenen had, blijkt nit het feit, dat in 1670, toen 
er nog zoovele huizen op Smeerenburg stonden, dat ze zich 
als een klein dorp voordeden '), van de geheele Harlinger ko- 
kerg slechts éen traanketel, twee woonhuizen en twee schuren 
overig waren ♦). 

Van de inrichting van Smeerenburg en de daar aanwezige 
gebouwen kunnen wg ons een vrij goed denkbeeld vormen uit de 
journalen van eenige matrozen , die daar twee jaren achtereen in 
den grootsten bloei der walvischvangst overwinterden. Op eene 
breede vlakte , door hooge bergen omringd en door de Mauritius- 
baai bespeeld, verrezen de gebouwen der verschillende kamers *). 
Daaronder trok voor alles de opmerkzaamheid de eigenlijke kern der 
vestiging , de » tent". Het was een gebouw van vrg grooten omvang , 
aanvankel^'k van hout, later van steen opgetrokken ^). Reeds in 
1618 werd er door de Nederlanders in Bellsound eene opgericht , 
die 80 voet lang en 50 breed was , maar die dan ook tegelijker- 
tgd voor berg- en woonplaats, en tevens voor kuipery zal ge- 
diend hebben '). De inrichting was hoogst eenvoudig: eene groote 
kamer, die de geheele breedte innam, diende der bemanning tot 
woning ') ; losse kribben waren daartoe getimmerd, een oven 



') Zorgdrager, Groenl. ylssch. p. 227. — Op eene groote geteekende kaart 
Tmn de Maoritiua-baai, verTaardigd na de vestiging der Friezen en voor het ver- 
laten van Smeerenburg (das omstreeks 1640) viud ik zelfs slechts zes ^tenten*' 
op Smeerenburg aangeteekend ; het kaartje der Manritins-baai in Van Keulen's 
Zee-atlas heeft er v\jf. De volgorde van het oosten naar het westen was: Am- 
sterdam, Middelburg, Vlissingen, Denemarken (? = Ënkhuizen na de occupatie 
Tan 1625?), Delft en Hoorn. (Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.) 
*) Zorgdrager, GroenL vissch. p. 228. 

*) Hartens, Voyage into Spitib., b^: White, Spitzbergen. p. 28. — Zorgdra- 
ger, GroenL vissch. p. 214. 

•) Martens, Voyage, by: White, Spitzbergen. p. 23. — Scoresby, Account. II 
p. 180. — Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88. 

•) Zorgdrager , GroenL vissch, p. 214. — Martens , Voyage , by : White , 
Spitzbergen. p. 23. 

•) Rcq. V. de N. C. c. Vrolicq dd, 3 Mei 1683, in: Stn. N. C. v. d. HrL 
gedepnt. R,-A. — Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1684, in: Noord- 
sche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 269. — Scoresby, Account. 

n p. 177. 

*) Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9. — De Commandeur-generaal woonde 

10 



146 

(>Btoof *) diende zeker niet alleen om de kamer te verwarmen *). 
Achter deze kamer was eene kleinere aangebracht, die tot ber- 
ging dor leeftocht strekte en door eene deur met de Toorkamer 
gemeenschap had. Een trap leidde van daar naar eene ruimte 
boven de met klei bestreken zoldering , die des noods tot berging 
diende en door het pannen of houten dak werd gedekt *). Ge- 
bruikte men het gebouw in de eerste jaren der visscherij tevens 
voor berg- en werkplaats , toen de walvischvangst zekerder en 
meer duurzaam gevestigd was, bouwde men daartoe afzonderlijke 
loodsen; do tenten zelve werden op grooter on steviger voet 
gebouwd. Ja, toen het aantal walvischvaarders toenam, bleek 
weldra éene tent onvoldoende om de vele matrozen te huisvesten. 
Amsterdam ging over tot het bouwen eenor tweede tent; de 
andere kamers bouwden verscheidene houten hutten, geheel als 
de tenten ingericht maar op kleiner schaal. Deze hutten dien- 
den van toen af aan het overschietende volk tot woning. Het 
woonvertrek, dat de geheele breedte (16 voet) innam, was daar 
slechts 7| voet hoog, 21 lang en met een halvesteensmuur om- 
geven; het kleinere proviand vertrek daarachter was eenvoudig 
van planken opgetrokken '). 

Na de tent was do traanketel het voornaamste gebouw der 
vestiging. Een groote koperen ketel of pan werd in de opene lucht 
vastgemetseld op een lage stcenen oven, en de traankokerij was 
gereed. Later bouwde men er een steenen schoorsteen bij ; mis- 
schien beschermde een planken hut, om de geheele inrichting 
opgetrokken, de kokers soms voor do snerpende winden ♦). Een 
noodzakelijk gebouw was ook de kuiperij , waar de kuipers de 
medegebrachte duigen tot vaten maakten; de zolder daarboven 
strekte hun tot woning *). 

De meeste gebouwen op Smeerenburg waren echter ongetwyfeld 
houten schuren, grooter dan de hutten maar minder stevig ge- 
bouwd. Zy strekten om de gereedschappen , die tot de walvisch- 

in de nieawe Amsterdamsche tent. (Vander Brugge, loornael der Seven Ma- 
troosen. p. 26.) 

') Vander Bragge, loornael. p. 18, 14. 

*) lonmael van seven matrosen 1634/85, achter; Raven, lonrnael. p. 14. 

•) Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbcrgen. p. 28. — Vander 
Brugge, loumael. p. 14, 27. 40, 47. 

*) Pellham , Gods power, bij : White , Spitzbcrgen. p. 270. — Martens, Voyage, 
by: White 1. c. p. 22. — Relation du Groenland , bij: White 1. c. p. 235. — 
Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220. 

•) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220. — Tegenw. Staat. 1 p. 590. — Haar 
er een vrij groot aantal kuipers , ook metselaars om de traanketeli te bevestigen 
jaarl\jki mede naar Spitsbergen gingen , verliest het dwaze verhaal, dat de Smee- 
renbargsche huizen «in Holland getimmerd" (!) en zoo op de schepen medegevoerd 
werden (Berghaos, W^atmen van de aarde weet. II p. 886) allen redelgken grond. 



147 

vangst noodig waren , — l^nen, harpoenen ,len8en, vaten, hoepels , 
dnigen, ovens, aanbeelden, smidstangen enz. — gedurende den 
winter te bergen *). De traanketels werden veelal met de houten 
koelbakken en de looden gooten daarnaast eenvoudig op het strand 
achtergelaten <). Ook de kaapstanders bleven staan; de sloepen 
trok men meestal op het strand en liet ze zoo in de sneeuw ach- 
ter *). Wanneer het gebeurde , dat de rijke vangst in de schepen 
niet kon geborgen worden en ook in de naschepen geene ruimte 
genoeg was, werden veelal de traan en baarden, die men dus 
genoodzaakt was den winter op het eiland over te laten , in de 
schuren geborgen *). In den rijksten tijd der visscherg kwam het 
echter voor , dat men ze eenvoudig in den grond begroef; de ' 
schuren bleven hoofdzakemk tot berging der gereedschappen 
bestemd. 

Voeg bij al deze gebouwen eone kerk^), een fort met eenige 
batter^en *), die de vestiging verdedigen moesten tegen zwor- 
vende Duinkerkers of Basken, en ge kunt u eene voorstelling 
maken van Smeerenburg , zooals het zich omstreeks 1633 ver- 
toonde. Het tooneel werd des zomers verlevendigd door de aan- 
wezigheid der walvischvaarders , ongeveer 1000 in getal, die 
ruimschoots gelegenheid hadden zich behalve het noodige allerlei 
versnaperingen te bezorgen; Op de schepen der Noordsche Com- 
pagnie bevonden zich toch meestal bakkers , kramers , zoetolaars 
en andere dergelijke lieden, die niet tegen de reis opzagen om 
winst te maken. Hetzij in de schuren der compagnie zelve , hetzij 
in eigene kramen en loodsen sloegen zij zich neer, en ventten aan 
de begeerige matrozen hun wijn en brandewijn , hun tabak en hun 
warm brood. Men verhaalt , dat vooral het laatste artikel zoo ge- 
wild was , dat men lederen morgen door het blazen op een hoorn 
de matrozen kennisgaf, dat de broodjes uit den oven genomen 
werden '). 

») Sent. V. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629. - 
Zorgdnger, Groenl. vissch. p. 220. — De wal visch vangst. I. p 80. — Vander 
fimgge, Jonrnael. p. 11, 15. 

*) Vander Brugge, Journael. p. 20, 80, 82, 36, 88, 89. 

*) Raven, Jonrnael. p. 11. — Vander Brugge, Journael. p. 46. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 28. 

«) Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Mei 1688, in: Stn. N. C. v.. d. Hrl. 
gedepnt. R,>A. 

*) Vander Brugge, Journael. p. 6, 28. — Aitzema, Saken v. Staet. II p. 861. — 
Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Mei 1688, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedcpnt. 
R.-A. — Req. der N. C. c, Vrolicq dd. 2 Febr. 1684 , in : Noordtche togten. 
4. Loop. N. C. R,-A. — Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1681, 
in: L. D. 1682. 

*) Zorgdrager, Groenl. viasch. p. 228. — De walvischvangtt. I p. 28. — Lin- 
deman, Arkt. Fitch. p. 9. 

10* 



148 

Al deze gebouwen met hunne bewoners waren bestemd om slechts 
weinige jaren de stille stranden van Spitsbergen te verleyendigen. 
Zorgdrager bericht , dat men ongeveer tegel^kert^d met Batavia 
(1619) op Smeerenburg begon te bouwen ') ; wg hebben gezien, dat 
de opgave volkomen juist ïb. En reeds twintig jaren later was de 
zoo veelbelovende vestiging aan het vervallen I Het is natuurlek 
onmogelgky een juisten datum voor dit langzaam toenemende verval 
op te geven ; verschillende bekende jaartallen laten echter slechts 
weinig speelruimte over. Wij weten, dat in 1633 de walvisch- 
vangst aan het land nog steeds bloeide ') ; in 1636 was dit be« 
drijf ^^S 2^^^B '^^ zooveel belang , dat de Friezen , na hardnekkigen 
"aandrang eindelgk in de Noordsche Compagnie opgenomen, eene 
nieuwe vestiging op het Deensche eiland oprichtten '). Maar toen 
begon ook het verval schielijk toe te nemen ^). De compagnie 
zelve oordeelde het eerlang voordeeliger , naast de kustvisscherg 
ook de zeevisscherij ter hand te nemen: reeds in 1638 zond zg 
eon paar schepen daarop uit '). Ondertusschen was de kustvis- 
scherg nog in 1642 belangrijk genoeg: de Noordsche Compagnie 
deed veel moeite om haar octrooi te doen verlengen en zich ten 
minste aan land van mededingers te ontslaan <). Hot gelukte niet 
en weldra was de Mauritius-baai vervuld met talrijke schepen, 
wier bemanning door hare drukte en gewoel , door hare te sterke 
jacht den walvisch in weinige jaren geheel verjoeg '). Ondertus- 
schen werd nog in 1646 de walvisch vangst aan land geoefend *), 
maar hoe langer hoe meer verliet de visch de kusten ; de banken 
werden bezocht ') en in 1650 werd de zeevisscherij reeds zoo 
sterk gedreven , dat de walvisch in het ijs begon te wijken 
en men moest beraadslagen of het niet raadzaam zou zijn hem 
daar te volgen < <*). In 1650 was Smeerenburg dus zeker geheel 
verlaten ' "). 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p 228. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229, 266. 

^) Zie hiervoor p. 144. 

*) Scoresby, Accoant. II p. 52. 

•) Zie hiervoor p. 116. 

•) Zie hierna Hfdst. IX. 

*) Scoresby, Accoant. II p. 179. 

•) Twee Journalen der Matrooscn p. 24. („Kort verhacl" vin Municky.) — 
Relation du Groenland, bij: White, Spitzbergen p. 285, 86. 

•) De walvischvangst. I p. 29. 

••) Dooregeest, Ryper rec-postil. p. 855. 

»») Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 285, 86) en na hem byna alle werken over 
de walvischvangst (o. a. De walvischvangst. I p. 29, 80) plaatsen het verlaten 
van Smeerenburg voor den val der N. C. Ten onrechte , zooals onwederlegbur 
Uykt uit Noot 8. — Scoresby (Account. II p. 148—45) daarenUgen houdt het 
er voor, dat nog lang nadat de N. C. gevaUen was en de kustvisachery waa op- 



149 

Gedurende het vgf- of zesjarig tgdperk na den val der com- 
pagnie , dat men dus de plaats was bl^'ven bezoeken , — onge- 
twijfeld het tijdperk van de grootste drukte in het dorp, — 
hadden de readers hunne gebouwen en inrichtingen nog op het 
strand laten staan. Of ze echter nog met vele nieuwe vermeer- 
derd werden, schijnt mij twgfelachtig ; de walvischvangst onder 
het land was in 1642 reeds te zeer afgenomen , dan dat men vele 
kosten zon gedaan hebben om zich daar te vestigen. Weldra wer- 
den dan ook de schuren ontruimd , alle gereedschappen , alles wat 
draagbaar was er uitgenomen ; zelfs de traanketels werden los- 
gebroken , in de schepen geladen en weggevoerd. De huizen zel- 
ve , met zoovele kosten gebouwd , moest men achterlaten ; ze ver- 
dwenen weldra door de baldadigheid der matrozen, door brand 
en vooral door verwaarloozing *). Walvischvaarders , die in 1670 
en 1680 Spitsbergen bezochten, vonden van het eens zoo bloei- 
ende Smeerenburg, van de Harlinger kokerg, die slechts tien 
jaren bestaan had , niets dan eenige fondamenten van traanketels , 
eenige vervallen huizen , waarin men hier en daar nog eenige ver- 
molmde vaten , een aanbeeld , dat te zwaar geweest was om mee- 
gevoerd te worden , enkele gebroken gereedschappen zag *). In 1784 
was alles verdwenen: van het geheele dorp met zijne huizen en 
forten was niets dan eenige bouwvallen overgebleven '). De rei- 
ziger, die nu de plaats bezoekt, waar eens Smeerenburg stond, 
vindt niet dan met moeite de sporen van deze eens zoo be- 
kende kolonie : het kerkhof alleen , dicht bij Smeerenburg aan de 
Westbaai gelegen *), bewaart onvergankelijk de sporen der men- 
schel^ke vergankelijkheid ^). 

Nu ik de Spitsbergsche vestiging zoo uitvoerig beschreven heb , 
kan ik over die op Jan Mayen-eüand korter zijn: beide neder- 
zettingen droegen geheel hetzelfde karakter. De vestigingen op 



gegeven , Smeerenbnrg druk bezocht werd op het einde van het getg om het ipek 
in Tftten te pakken. In dien t^d plaatst hg zelfs den grootsten bloei van Smee- 
renbnrg door het jaarljjksch bezoek van de dnbbele bemanning van 2 JL 8Ó0 
ichepen. Bit is echter bepaald onjnist. De groote bloei der walvischvangst, die 
toen 2 JL SOO schepen telde, begon eerst toen de schepen zich in het gs waag. 
den , en de afstand van daar naar fimeerenbnrg was natanrlgk te groot om alleen 
voor het inpakken van het spek, dat even goed op het schip zelf geschieden 
kon , dien langen weg af te leggen ; de dnbbele bemanning was toen ook natuorlgk 
als onnoodig reeds lang afgeschaft. Bovendien weten w|j van Hartens , dat Smee- 
renborg in 1670 reeds sinds gemimen tgd verlaten en aan het vervaUen was. 

*) Zorgdrager, Oroenl. vissch. p. 287, 266. — Tegenw. Staat. I p. 591. 

*) Martens, Voyage to Spitzb., bg: White, Sp4zbergen. p. 22, 28. — Zorg- 
drager, GroenL vissch. p. 88, 227. — Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9. 

•) De walvischvangst. I p. 17, Il p. 25. 

*) Vander Bmgge, lonmael der Seven Matroosen. p. 80. 

*) Hartens, Voyage to Spitzb., bg: White, Spitzbergen. p. 23. 



150 

Jan Mayen-eiland waren ongetwijfeld belangrijker dan die op Spits- 
bergen y in dezelfde mate als de walvischvangst daar meer ople- 
verde; zg zgn echter minder bekend, omdat zg vroeger dan Smee- 
renburg verlaten Bchfjnen te zgn en omdat zg minder het aanzien 
van een visschersdorp znllen gehad hebben dan van eenige kleine 
en onaanzienlijke buurten. De eerste belangrijke nitiiisting ter wal- 
vischvangst naar Jan Mayen-eiland werd gedaan in 1616 >) , en 
reeds dadelgk waren er dit jaar 15 schepen bgeen: de Noordsche 
Compagnie zond er 6 , de kleine Noordsche Compagnie 5 , de Zeeu- 
wen waren nu voor het eerst door 2 schepen vertegenwoordigd en 
ook eene Duinkerksche reederg waagde zich met 2 schepen in de 
byna onbekende wateren <). Hoewel Zeeuwen en Duinkerkers da 
vaart niet lang voortzetten en ook de Hollanders aanvankelijk niet 
zoovele walvisschen vonden als zij zochten, werd Jan Mayen- 
eiland toch gedurende vele jaren druk door de walvischvaarders 
bezocht. Evenals in 1616 werd de uitrusting van de Noordsche 
Compagnie in 1617 uitsluitend naar het eiland bestemd '), waar 
de Engelschen de Nederlanders niet in hun bedrgf stoorden; en 
al werd langzamerhand Spitsbergen op nieuw door de schepen 
der compagnie bezocht, Jan Mayen-eiland was en bleef haar 
hoofdkwartier *). Natuurlijk werd de traankokerij daar dadelgk 
begonnen; mag men de overlevering gelooven, dan kookte de 
bemanning van een Rotter damsch schip, de »Mary Muss** (Maria 
Musch?) *), de eerste traan op het eiland iu de naar dit feit 
benoemde baai (een gedeelte der Kruisbaai.) <) Hoe dit zg, zeker 
is het, dat er weldra vele Nederlandsche traankokerijen op Jan 
Mayen-eiland verrezen, niet als op Spitsbergen bij elkaar op de 
wijze van een dorp maar verspreid in verschillende baaien. 
Scoresby noemt sporen van traankokerijen in de Zuidbaai, aan 
den Rooberg, in de Noord- of Ëugelsche baai en in de beide 

1) Instr. der iJtn.-Gen.^ voor Schrobop dd. 28 Mei 1616. — Zie verder 
Hfdst. IX. 

») Zie hierna Hfdat. VIII, IX. 

*) «Corte Deductie" der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. 
N. C. R.— A. 

*) Zorgdrager beweert (Groenl. vissch. p. 285), dat de Nederlandsche wal- 
vischvangst aan Jan Ma)cu-«iland steeds veel onbeduidender was dan die aan 
Spitsbergen. De statistieke opgave op p. 109 en 1 10, hoc onvolludig ook , leert dunkt 
my het tegendeel en het is trouwens niet meer dan natuurlijk, dat het Amster- 
damsche eiland met twee baaien minder voordeel gaf dan Jan Mayen-eiland met v^f . 

*) Dat het schip door eene vrouw met name Maria Musch nitgenist loa 
x\jn, sooals het verhaal eigenlijk luidt, komt mg met het oog op de inriehting 
der N. C. onwaarschgnlgk voor. — In de R. S -G. 24 Dec. 1626. 24 Febr. 1627 
vinden wg Mr. Comelis Musch , «Secretaris tot Rotterdam", genoemd als reeder 
van een schip naar het noorden. Mogelgk was hg lid van de N. C. 

•; Scoresbjr, Aeconnt. I p. 167. — Vgl. Vnn Keulen, Zee-atlas I p. 75. 



151 

Kraisbaaien >). De drie eerste vestigingen, op het znidelgk ge- 
deelte der westkust van het eiland gelegen, waren echter de 
eenigen, die hoop op ryke vangst gavon en die dus belangrgk 
genoemd mogen worden <). In de Noordbaai was het hoofdkwar- 
tier der Noordsche Compagnie *). Daar vond men op het strand 
niet minder dan tien > tenten**, waarvan er eens drie, alle 
toebehoorende aan de Amsterdamsche kamer met tien sloepen 
en de daarbg liggende vaten en traanbakken door eone aard- 
storting wegspoelden *) ; dèar overwinterden in 1633 zeven ma- 
trozen , d&ar waren ook twee Amsterdamsche kokergen ge- 
vestigd *). Natuurlijk had de Noordsche Compagnie op Jan 
Mayen-eiland hetzelfde systeem gevolgd als op Spitsbergen; iedere 
kamer had hare afzonderlijke baai of plaats , waar ze hare eigene 
traankokerg, hare eigene huizen had *). Het geheele getal huizen 
en schuren sch|jnt vrg aanzienlek geweest te zgn; overal toch 
vond men later fondamenten en ruïnen '). Beeds in 1628 was 
de vestiging van zooveel belang, dat de Noordsche Compag- 
nie het de moeite waard oordeelde , daar evenals op Smeerenburg 
twee forten en eene batterg op te richten tegen de aanvallen der 
zeeroovers •). Nog in 1699 vond Zorgdrager, toen hg de ruïnen 
bezocht, niet minder dan twintig sloepen, twee groote booten, koel- 
bakken en traanvaten , zelfs groote stapels kabeltouw op het strand 
aan weer en wind blootgesteld *). De vangst schgnt dikwgls zoo 
rgk geweest te z|jn, dat de berging onvoldoende was: het over- 
schietende gedeelte, op Smeerenburg meestal in de pakhuizen 
geborgen, schgnt op Jan Mayen-eiland dikwyls begraven te z|jn 
geworden * *). Maar toch hield de visscherg ook hier eerlang op 
pnder het land voordeel te geven : nog eerder dan bg Spitsbergen 



*) Scoretby, AccouDt. I p. 157. 

*) Zor^rager, Groenl. vissch. p. 102. — De wal visch vangst. II p. 62. 

*) Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75. 

*) Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75. — Scoresby , Account. I p. 157. — De 
Amsterdammers lieten dadelijk twee nieuwe tenten bouwen. 

•) Twee Journalen der Matroosen. p. 6, 7. 

•) Gr. Placaetb. I p. 674. — Twee Journalen der Matroosen. p. 6. — R. 8.-6. 
28 Mei 1623. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 288, 260. 285. — Gr. Placaetb. I p. 678, 
74, 78. — Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1684, in: Noordsche togten. 4. Loop. 
N. C. R.-A., en ald. Bjjl. K: Getuigenis v. Wybe Jausz. voor de regeering 
▼an Amsterdam. 

•) Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26. — Twee Journalen der Matrooaen. p. 4, 5. 

•) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 285. 

••) Req. der N. C. c. VroUcq dd. 8 Apr. 1638, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. 
gtdeput. R.-.A. — Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1684, in: Noordsche togten. 
4. Loop. N. C. R.-A. — Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26. — Sent. v. de 
H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. 



152 

verlieten de walnsschen hier de kustzee '). Omstreeks het einde 
der Noordsche Compagnie sch^'nt Jan Mayen-eiland verlateD 
geworden te z^'n; het ijs, dat o. a. in 1632 de schepen den ge- 
heelen zomer belette aan land te komen *), heeft zeker later 
het eiland eenmaal geruimen tgd ingesloten gehouden: zoo zgn 
waarsch^nl^k de boven aangeduide goederen der compagnie op 
het eiland achtergebleven '). 

Geheel op zich zelve stonden de vestigingen der Nederlanders 
op Spitsbergens oostkust. De walvischvangst , die daar door de 
Noordsche Compagnie gedreven werd, — de zoogenaamde zuidgs- 
visscherij in tegenoverstelling der westijsvisscher^ , die men bg 
Smeerenburg op noordelijker graden dreef *) , — was van betrek- 
kelyk groot belang. Bizonderheden daarover zgn echter weinig 
bekend. Zorgdrager verhaalt ons, dat ten t|jde der Noordsche 
Compagnie de zuidijs vissch erg — later alleen in geval van nood, 
wanneer do westijs visscherg niets opleverde, in den natgd ter 
hand genomen *) — geregeld werd gedreven •). En werkelgk 
zijn de bewijzen voorhanden , dat die tak der wal visch vangst niet 
onbelangrijk was in do dagen, toen men zich nog met de kust- 
visBcherij bezighield. Sporen van traankokerijen en hutten zgn 
gevonden aan het verafgelegen Disco (Stones foreland), op het 
Hoop- en Halvomaans-eiland ') en op de kusten van Wjbe Jansz.*- 
water bij Whaleshead »). Wij weten , dat in 1636 behalve deze 
plaatsen ook de >Svvarte hoeck" en > Staten-landt" (Edge-island ?) •) 
als voordeel ig voor dewalvischvangst gelegen werden beschouwd > •). 
Men zegt zelfs, dat door do Noordsche Compagnie de walvisch- 
vangst bij Novaya-Zemlya soms >met redelyck goet gevolg" 
gedreven werd "). Wel is het niet waarschijnlijk, dat al de ge- 
vondene ruïnen van Nederlandei*s afkomstig zijn, daar ook de 



') Zie o. a. Van Keulen, Zee-atlas (I p. 76), die zeer veel woordel^k heeft 
oyergenonien van kaartbocken uit den t^d , dat de walvischvangst aan Smeeren- 
borg nog in vollen gang was. 

*) Sent. V. de H. R. in zake de N. C. Hoorn e. Enkh. dd. 4 Apr. 1687. 

*) Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101, 260, 266. — De walvitehTangit. 
I p. 81. 

*) De wal visch vangst. I p. 52. 

») Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 81. — cf. Scoresby, "Account. II p. 180. — 
Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20. — De'walvischvangst. I p. 46. — Zorgdrager 
1. c. p. 204. 

•) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179, 80. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 218. 

•) Petermann, Spitzbergen. p. 42. 

*) £dge-island draagt op oude kaarten dikwijls den naam «Staadsforelind", 
waarschijnlijk ecne verbastering van Staten- (of Staats-) voorland. 

»•) Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412. 

") Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179. 



153 

Engelschen zich reeds vroeg op de yisscherg aan Spitsbergens 
oostkost toelegden <), maar er blgkt toch voldoende nit, dat de 
znidljsvisscherg niet zonder belang wus , te meer daar men bij de 
betrekkelgke onzekerheid der vangst, d&ar niet zoo licht als bg 
de voordeeliger westgsvisscherg zal overgegaan zgn tot het bou- 
wen van schuren en traankokeqjen *). 

Wij hebben nu den geheelen omvang der Nederlandsche vesti- 
gingen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland leeren kennen. Voor- 
waar I er was reden genoeg, waarom de Noordsche Compagnie 
op den eigendom der door haar bezette plaatsen zou kunnen 
aanspraak maken. Maar toch had de compagnie vijanden, die 
niet aarzelden haar recht op de met zooveel moeite bebouwde 
en verdedigde plaatsen te bestrijden. Engelschen, Denen, Fran- 
schen en Zuid-Nederlanders betwistten haar alle uitsluitende rech- 
ten. Wat meer was , er waren vijanden , die niet eens de moeite 
namen met een juridieken eisch op te treden , — die slechts het 
oogenblik afwachtten, wanneer de schepen der compagnie naar 
het vaderland teruggekeerd waren, om de verlaten plaats in te 
nemen, te rooven en te plunderen. Het was wel gebeurd, dat 
de Nederlandsche walvischvaarders in het voorjaar bij hunne 
vestigingen komende hunne schuren door Baskische of Duinkerk- 
sche zeeroovers opengebroken gevonden en uit gebrek aan het 
noodige gereedschap hun bedrijf niet naar wensch geoefend hadden. 
Eén middel slechts was er om zich op den duur voor deze geva- 
ren te beschermen, de walvischvaarders moesten voor goed hun 
verblgf in de barre noordelijke gewesten opslaan. Smeerenburg 
en Jan Majen-eiland moesten werkelijk worden wat ze reeds 
niet zonder overdrijving heetten '): Nederlandsche koloniën. 

Het denkbeeld eenmaal opgevat had veel wat het aanbeval. 
Niet alleen zouden de goederen der Nederlanders in de IJszee 
voortaan veilig zgn , maar ook onmiddellijk voordeel was met de 



*) Pellham, Gods power, in: Wliite, Spiizbergen. p. 258. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 867 , 68. 

*) De N. C. beweerde , dat de door haar bezette plaatsen haar toebehoorden 
«Jnre Innentionis, Occupationis et Dintnmae possessionis , datt s^lnijden hare 
colonien aldaer hadden geplant, voor soo vele als de nature ende hett climaett 
van die plaetsen toelaett, dat sij lalden den geheelen soomer aldaer wooneni 
ende des winters alleen mett de menschcn voor eenen tijtt demigreren, om te 
eniteren de felhe^tt vande locht, ende de onlijdeljjcke konde, latende inde selne 
qnartieren continnelgcken staen hare steenen ende houtten hnijsen, gemenbleert 
ende yersien mett allerle^ ghereetschappen tott de Tisscherije noodich , oock de 
plactse geapproprieertt tott den Godesdienst mitsgaders de forten ende haterren 
▼ersicn mett Canon." (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Mei 1688, in: Stn. N. C. 
▼. d HrL gedepnt. R,-A.) 



154 

duurzame vestiging in het noorden te behalen. Gedurende den lan- 
gen winter konden de bewoners , niet door de drukte der walvisch- 
vangst beziggehouden, ongestoord jacht maken op de talloose 
beeren en vossen , die door honger gedreven zich in groote scharen 
ver over het gs in zee waagden en dus zeker een kostbaren buit 
den jagers toevoeren zouden. Nog meer, de overwinterenden , 
behoorlijk tot de visschery uitgerust , konden in het najaar en in bet 
vroege voorjaar, wanneer geen schip zich zoo hoog in het noorden 
bg het land durfde wagen uit vrees van in het ijs beklemd te 
raken, zonder vrees op de wal visch vangst uitgaan; zoodra een 
scheur in het ijs zichtbaar werd , konden zg onderzoeken of soms 
de walvisch zich «laar reeds vertoonde ; de prooi , door storm of 
toeval op het strand geworpen, konden zij vermeesteren en be* 
reiden. Zoodoende kon men zich van het uiterst kostbare plan 
een winst beloven, die verre van onbeduidend zijn zou *). 

Maar van den anderen kant waren de bezwaien niet gering. Men 
behoefde zich slechts de door Heemskerck en Barendsz. uitgestane 
ellende te herinneren om zelfs moedige en ondernemende personen 
van eene proefneming af te schrikken. Toch moest voor alles 
onderzocht worden, in hoeverre de uitvoering mogelijk was; het 
gold dus nu mannen te vinden , moedig genoeg om met een klein 
getal de gevaren van eenen winter onder de pool te trotseeren. 
En die gevaren waren niet gering , het was zelfs onzeker of men 
het waagstuk niet met den dood zou moeten bekoopen. Maar 
Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw gaven niet spoedig 
een plan op wanneer het winst beloofde , ook al was de uitkomst 
onzeker; en arme varensgezellen, die niets te verliezen had- 
den, met den avontuurlijken geest bezield, die de Nederlandsche 
natie toenmaals kenmerkte, mannen met een hart in het lijf en 
weinig geld op zak, konden op den duur de verleiding niet 
weerstaan. Al duurde het dan ook lang eer men het plan uit- 
voerde ; zoodra men het ernstig doorzetten wilde , werden er wel 
mannen gevonden , die bereid waren het waagstuk te ondernemen 
en eene nieuwe bladzijde te voegen in het roemrijke boek, dat 
de avonturen der Nederlandsche zeelieden zou verhalen. 

Het denkbeeld eener overwintering op Spitsbergen schgnt het 
eerst bij de Moscovische Compagnie gerezen te zijn. Haar komt 
de eer toe, met scherpen blik de voordeden te hebben ingezien , 
die eene voortdurende vestiging in het noorden kon opleveren. 
Zg loofde eene premie uit voor degenen , die het waagstuk wilden 



>) Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 57» 58. — Twee journalen der Matrooten. 
p. 2,4,7. 17. — Vandcr Brugge. Journael. p. 8, 6. — Rcq. der N. C. c. Vrolic^ 
dd. 8 Febr. 1684. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. II.-A. — Scorotbj, 
Account. I p. 168 — Gr. Tlacaetb. I p. 678, 7». 



155 

ondernemen. Maar niemand bood zich aan. Zelfs ter dood veroor- 
deelde misdadigers, aan wie gratie beloofd was op voorwaarde 
dat zg eenen winter op Spitsbergen zonden doorbrengen, namen 
het aanbod wel gretig aan, maar deinsden terug, toen zg met 
eigene oogen de barre woestijnen aanschouwden, waar zg alleen 
in koude en duisternis vele maanden zouden moeten doorbrengen. 
Zg verkozen eenen wissen en smadelijken dood nog boven eene 
langzame marteling, al gaf zij hoop op behoud *). De graagte 
om te overwinteren vermeerderde er niet op , toen negen matro- 
zen , bg ongeluk door de Engelsche walvischvaarders in Bellsound 
achtergelaten, het volgende voorjaar allen dood en half verslon- 
den teruggevonden werden '). £n misschien zou er van het 
f^heele plan nooit iets gekomen zgn , zoo niet in den winter van 
1630/31 acht Engelschen, bg toeval weder in Bellsound achter- 
gebleven toen de walvischvloot vertrok, niettegenstaande hun 
gebrek aan goed voedsel , kleoding en woning , door buitengewone 
vindingrgkheid en energie alle bezwaren te boven gekomen ^ 
in het vooijaar van 1631 gezond en wel door de walvischvaar- 
ders teruggevonden waren *). 

Dit voorval moet wel krachtig medegewerkt hebben tot de 
verwezenlijking van de plannen der recders op de walvischvangst. 
De Engelsche visscherg was toen reeds te onbeduidend dan 
dat zg aan eene vestiging zou hebben gedacht, maar de 
Noordsche Compagnie , op het toppunt van haren bloei gekomen, 
schepte nieuwen moed. Reeds lange jaren had het plan onder 
de geliefkoosde denkbeelden der bewindhebbers behoord. In 1623 
boden eenige » onbedachte luyden'* hxm aan op Spitsbergen eonen 
winter door te brengen *) en hoewel zg toen op' dit voorstel als 
eene »onnoodige saeck'' geen acht sloegen, lag het toch in den 
aard der zaak, dat zg er met meer ernst over zouden beginnen 
te denken, zoodra het bleek, dat eene voortdurende vestiging 
een krachtig middel ter verdediging tegen allerlei sooi-t van 
vganden zou zgn. Reeds in 1626 was dan ook een uitgewerkt 
plan gereed , dat alles goeds beloofde. Vijf en twintig mannen , van 
levensmiddelen en medicgnen rgkelijk voorzien , zouden op Spits- 
bergen eene iniime woning bouwen met eene keuken en vele 
gemakken en goed tegen de koude beschut. Een kachel zou hen 
voor het bevriezen bewaren. Bg hen zou zijn een scheepje van 



<) PeUliam, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 268, 64. 

*) Scoresby, Account. II p. 48. — Pellham, Godi power, by: White, Spiti- 
bergen, p. 264. 

*) Zie het nit roerig verhaal van han wedervaren bg: Pellham, Goda power, 
in: White, Spitzbergen. p. 266 vlg. 

«) Wasaenaer, Hist. verh. VII fol. 110. 



156 

25 last, dat den geheelen winter in eenen inham voor het gs 
beveiligd zou worden. Gedurende den langen nacht zon beereiyacht 
en Yossenvangst hun bezigheid en beweging verschaffen; zoodrs 
de zon doorkwam en het gs losraakte, moesten zg het schip in 
zee brengen en beproeven of in die tyden, wanneer een groot 
schip uit Nederland er nog niet aan kon denken Spitsbergen te 
naderen, de walvischvangst of de walrusjacht reeds eenig voordeel 
opleverde. Meteorologische waarnemingen — wel verre van voor- 
wendsel te zijn 1) — waren integendeel hoofddoel der onderne- 
ming ; men kwam er toch reeds nu voor uit , dat deze eerste over- 
wintering slechts eene proefneming zou z^n voor latere ondemo- 
mingen op grooter schaal. Men mocht het onmiddellijk voordeel 
dus verzuimen, zoo men slechts nauwkeurige berichten over de 
bewoonbaarheid der poolstreken en de gevaren, waaraan de be- 
woners zich blootstelden , medebracht. Met deze voornemens was 
men vervuld toen de vloot uitzeilde; het schijnt echter, dat men, 
toen het op de uitvoering aankwam en men de bezwaren nogmaals 
overwoog , tot de overtuiging gekomen is , dat meer onderzoek en 
meer voorbereiding noodig was , eer men zoovele personen aan de 
gevaren van eenen winter onder de pool blootstelde. Misechien 
schoot ook de moed der vijf en twintig uitgelezenen te kort, toen zg 
de zaak meer van nabij overlegden : hoe het zij , de overwintering 
werd uitgesteld *). Maar niet voor goed; meer en meer vestigde 
zich de aandacht op de voordeden, die eene gelukkig geslaagde 
proefneming beloofde. Reeds in 1628 werd er op nieuw van 
gesproken ') en toen de gelukkige uitslag der Engelsche over- 
wintering bekend werd, nam men de zaak met kracht weder 
ter hand. In 1633, toen do vijandige houding van eenige Basken 
en de moeielijkheden , daardoor met Frankqjk en Denemarken 
ontstaan ^), do noodzakelijkheid eener voortdurende vestiging op 
nieuw aangetoond hadden , besloot men eindelijk tot eene dub- 
bele proefneming, op Spitsbergen en op Jan Mayen-eiland •). Waar- 
schgnlgk dooi het uitzicht op belooning aangespoord, boden veer- 
tien personen zich dadelijk vrgwillig voor het waagstuk aan. Jacob 
Segersz. van Brugge werd met zes man (waaronder twee Doit- 
schers) op Smeerenburg achtergelaten , Outgert Jacobsz. van Oroo- 
tebroek bleef met zes anderen in de Noordbaai op Jan Mayen-eiland. 
Ik zal mij niet ophouden met een uitvoerig verhaal van hun 
wedervaren. Het laat zich denken, dat zg weinige avonturen 



*) Scoresbj, Acconnt. I p. 168. 

») WasseMcr. Hist. ?erh. XI fol. 56—58. XII fol. 9 

•) Wwsenaer, Hist. vcrh. XVI fol. 26. 

*) Zie hierna Hfdst. VII. VIII. 

») Gr, Placaotb. I p. 678, 70. 



157 

beleefden, die der vermelding waardig zijn. Toch is het naïeve 
verhaal van het Igden der zeven mannen in hnn kleine hut op 
Spitsbergen, die niettegenstaande hunne waarschuwing tegen de 
koude elecht voorzien was, aantrekkelijk en aangr^pend. Onver- 
moeid gingen zij op de jacht en verzuimden geene gelegenheid 
om zich daardoor beweging en hunnen meesters winst te verschaf- 
fen. Niet ontmoedigd door de gevaren hunner positie schroomden 
sg niet andere gevaren tegemoet te gaan: verre tochten werden 
ter rendierenjacht ondernomen; met hunne ontoereikende hulp- 
middelen zetten zij den walvisch na , en de gevreesde koning der 
gsvlakten, de reusachtige beer, zag zich in gevecht bg gevecht 
door de zeven matrozen overmand : de aankomst van een der Ne- 
derlanders was eindelijk reeds voldoende om de ijsbeeren, uitge- 
hongerd als zg waren, van hunne prooi te verjagen. En in al 
die gevaren, terw^l hunne watervaten naast het vuur stgf be- 
vroren, terwgl de koude hen dikw^ls dwong den nacht op- en 
neergaande door te brengen , terw|jl de sneeuw soms het uitgaan 
belette en alle gebouwen bedekte , terwijl bijna alle levensmidde- 
len door de vorst hun smaak verloren, terwijl de harde wind, 
cUe hun houten huis reeds eenmaal bijna een prooi der vlammen 
had doen worden , hen soms belette te stoken , ja terwijl een van 
hen zich nog bovendien verbeeldde >van de Satan aengevochten 
te worden,** — onder al die ellende ontsnapte geen klacht aan 
hunne pen ! Slechts éénmaal — het was in het begin van hunne 
eenzaamheid, toen de harde vorst voor geen vuur wilde wij- 
ken, — schreef Segersz. in het journaal, dat zij >by nae gedis- 
couragieert werden, en oversulcks Godt Almachtigh daghelijcks 
baden, hen niet na verdiensten te straffen." Maar de moedeloos- 
heid was van korten duur: dadelijk werden weder de gewone 
bezigheden ter hand genomen en in duisternis en koude gingen . 
zg op de hun aanbevolen jacht. Ja, toen het Kersfeest aanbrak 
was de opgeruimdheid teruggekeerd: zg >koockten den Ham en 
een Rheenen hutspot, nuttigden daer benevens een back heete 
Wgn en gaven yder man 7 duym Toback met een schoone Pgp.** 
Zoo vierden zij hun feest; het eten van goede, verwarmende spijs 
was den ongelukkigen waarl|jk reeds een zelden voorkomend 
genot! Nieuwjaarsdag volgde »met bittere koude, jacht-sneeu 
ende harde Vorst," maar de moed noch zelfs de opgeruimdheid 
ontviel hun. »0p dato", dus schrijft Segersz., » hebben wj ons 
Qebedt tot Qodt gedaen, dat hy ons door sgne Goddelijcke ge* 
nade in dit Nieu aengevangen laer voor allen quade wilde be- 
waren; nae welck Gebedt ick een kanne heete Wyn met een 
Balaet liet gereet maecken , aen yder Persoon tot een Nieuw-Iaer 
(weder!) een schoone Pijp met scs dugm Taback uytreyckende.** 
En toen was ook hunne grootste ellende voorby: op het einde 



158 

van Januari kvvam de zon temg ; weldra begon bet ga te breken , 
de bevroren voorwerpen wat te ontdooien. De tocbten buiten de 
but strekten zicb toen allengs verder uit en daarmede was ook 
bet gevaar voor scbeurbuik grootendeels geweken. Den 26 Mei 
1634 kregen zg eindelijk de eerste sloep van de terugkeerende 
walviscbvaarders in bet gezicbt, »daer over sy al t* samen seer 
verblgd waren, God danckende dat by ben so langbe bewaert 
badde ende voor alle prgckel beseberm t". *) 

Hoe was bet ondertusscben met bunne lotgenooten op Jan 
Mayen-eiland afgeloopen? Reeds dadelijk liet de zaak zicb voor 
ben erger aanzien. Het voortdurende slecbte weder, storm en 
sneeuw belette ben spoedig uit te gaan en de noodige beweging 
te nemen ; de beeren , die aan de Spitsbergers gedurig zulk een wel- 
komen voorraad verscb vleescb verscbaften , kon men bier slecbts 
zelden bemacbtigen. De zeven matrozen op Jan Mayen-eiland bad- 
den bet dan ook op 71' veel erger dan bunne lotgenooten op 80*: 
de koude was nijpend , bet weder woest. Wel werden zij niet 
als de Spitsbergers in eene maandenlange nacbt gebuid, maar 
de vale scbemering , die zicb gedurende eenigc uren per dag ver- 
toonde , terwijl de zon zelve acbter de booge bergen bleef scbui- 
len, strekte slecbts om bun bet troostelooze van bun toestand 
duidelijker te doen zien. In bun tent opgesloten badden zij niets 
om de lange , lange dagen zonder eenige afwisseling te korten ; 
bg de verveling kwam zich weldra ziekte en angst voegen. Het 
journaal der ongelukkigen, dat aanvankelijk met stoicijnscbe onver- 
scbilligheid slechts eentoonige opgaven van weer en wind bevat, — 
(in dit opzicht is het dan ook waarlijk verdienstelijk nauwkeu- 
rig !). — dat over ziekte en rampen zwijgt en een enkele klacht , 
die onwillekeurig aan de pen ontsnapt, dadelijk weder afbreekt 
door eene nieuwe meteorologische waarneming , begint dan ook 
allengs met weinige , maar treffende woorden den klimmenden 
angst der zeven kluizenaars te schilderen. Heette het aanvankelgk, 
toen de zon begon te verdwijnen: >in de Tent konnen wy niet 
langher sien te Icsen of te schrijven, soo dat ons den dagb heel 
ontvalt ende sitten meest met toe deuren , *t welck een weynigh 
onse couragie beneemt, snachts de wint N ;'* later schroefde 
>boeck-bouder", dat zij >seer begeerigh" waren om een beer te 
schieten^ >alsoo sy lange den ouden kost gebadt hadden, ende 
daer deur seer met het Scheur-buyck gequelt waren ;" en weinige 
dagen later: >wy en vernemen tegenwoordigh niet sonders, oock 
80 is onse couragie wat kleyn, alsoo wy vry wat sieck van 



*) Zie het wedervaren der oTcrwinterenden zeer ailToerig verhaald in: «Van- 
der Brugge, Jonrnael gehouden by Seven Matrooten in haer OvertK-interea op 
Spitsbergen." 



159 

't Schenrbuyck zyn ; wy hebben weynigh verversinghe , om ons een 
weynigh op de been te helpen/* Toen daarop de eei'ste der zeven 
op Paaschdag stierf, schreef een der overblij yenden : >de Heer 
wil zijn Ziel genadigh zijn , en geyen ons wat ons salich is , want 
wy meest oock al sieck zijn ; hoe het Godt met ons versien heeft 
is hem bekent I'* Maar onder al die rampen en ongelukken tracht- . 
ten zij toch moed te houden. Nauwelijks kwam een korte zon- 
neschijn hen vervrolijken of het journaal betuigt dankbaar : »Den 
9 September de windt ZO met moy Sonne-schgn , soo dat wy onse 
Hembden iiyttrocken, sittende teghen het Geberghte aen, en 
koester(en)de en vermaekende ons soo wat." Ook de verveling 
zochten zij te bezweren: >wy leyden somwylen een discoersjen in 
'thondert, ende elck vertrock vast zijn avontuer, dat hy soo te 
lande als te water, wel van zijn leven gehadt hadde, ofte hem 
bejegent was, so brochten wy somwijlen onsen tijt toe." Toen 
de rampen toenamen en de ziekte , die zoovele reizigers in het 
noorden reeds gedood had , ook hen meer en meer begon te kwel- 
len, sterkten zij zich door het gebed: >Anno 1634 den eersten 
Januarius, naer wy smorghens op gerezen zijn geweest, so hebben 
wy raalkanderen een gelucksalig Nieuwe-jaer toe gewenscht, en 
wenschten malkanderen dattet ons tot een goede uytkomste ge- 
lucken mochte , 't welck ons hartelijck begeeren was , ende heb- 
ben ghelijckelijck een Gebedt gedaen, om alsoo ons ghemoet 
wat te verlichten." En werkelijk het gelukte hnn , al, werd de 
toekomst hoe langer hoe donkerder, goeden moed te houden; het 
gelukte hun in al hunne ellende nog »sonderlinge vermaeck te 
hebben in 3 jonge Beerkens te sien, welcke waren ontrent als 
kloyne Schaepkens." Nauwelyks veertien dagen nadat de boekhou- 
der dit schreef, viel hij als eerste offer van het scheurbuik; nog 
veertien dagen later eindigt het journaal plotseling op 30 April 
1634 by > klare Sonneschijn weer" midden in een volzin: de 
scheurbuik had den laatste hunner alle krachten benomen. Het 
overige laat zich gissen; de schepelingen, die 4 Juni op het eiland 
aankwamen, vonden hen allen »seer desolaet" en dood in hunne 
kooien liggen: »d* een voor d* ander nae was van de groote koude, 
die daer geen ghebreck was, versteven, ende waren soo allen 
van ongemack vergaen." *) 

Het is licht te begrepen, dat na deze ondervinding geen van 
de bemanning der vloot het waagde op de onherbergzame kust 
achter te blijven; maar op Spitsbergen, waar men van dit alles 
onbewust was, stonden de zaken anders. De ondervinding had 
geleerd, dat het niet alleen mogelyk was daar in goede gezondheid 



*) Zie een nitvoerig verslag vau hun wedervaren in: «Twee Journalen ge< 
houden by Seven Matroosen op het Eylandt Mauritius gestorven eu«," 



160 

de strengheid van den winter te trotseeren, maar het verblgf 
der zeven matrozen had een oyerrijken bnit van beerenyellen in 
handen der Noordsche Compagnie gebracht. Wel had de walvisch- 
vangst niets opgeleverd, maar een grooter aantal mannen zon 
misschien beter slagen. Vol hoop op de toekomst besloot men 
dan ook het oordeel der bewindhebbers over eene voortdarende 
vestiging in te winnen ; voorloopig bepaalde men, dat weder eenige 
matrozen op Smeerenbnrg zonden achtergelaten worden. De 
goede uitslag van het vorige jaar gaf den matrozen moed: >ver- 
schejde Persoonen presenteerden haer gewilligh" om te big ven. 
Uit die allen werd Andries Jansz. van Middelburg met zes man 
uitgekozen en in het najaar van 1634 op het eiland achtergelaten. 
Het korte uittreksel uit hun journaal, dat ons overgebleven 
is , geeft een aangrgpend verhaal van hunne ellende ; met vreesse- 
Igke eentoonigheid bevat het dag aan dag het bericht, dat de 
een voor de ander na door het scheurbuik aangetast wordt , een 
drank inneemt en toch voortdurend verergert. Want hetzij dat 
de beercn door het onafgebroken jagen bevreesd geworden waren, 
hetzij de matrozen minder moed en behendigheid toonden dan 
hunne voorgangers , zeker is het dat zij geen versch vleesch kon- 
den krijgen en ^ok het als »8alael'' bekende kruid, dat het beste 
geneesmiddel tegen de scheurbuik is ■), konden zij >tot haerder 
groote droef heydt niet op doen." Wel > troosten sy haer onder 
malkander , dat God haer groente en verversinge wesen sou (!), en 
dat hy 't versien sou ;'* maar de ziekte , die zich reeds den 24 
November geopenbaard had, nam toe en een maand later was 
»niemandt van haer allen sonder pijn." >Wilt niet beter worden," 
dus schreven zij mismoedig, »soo zijn wy altemacl doodt eer de 
Schepen hier komen; dan Godt weet wat ons van nooden is.'* 
Reeds 14 Januari 1635 viel een van hen als slachtoffer der ziekte, 
twee zijner medgezcllen volgden binnen drie dagen. De beeren, 
die nu als om hen te bespotten in groote troepen kwamen op- 
zetten, waren veilig: »sy hadden de macht niet om een Roer af 
te schieten , en of sy al getreft hadden , om haer nae te loopen , 
want konden de eene voet voor den ander niet setten, noch 
gheen Broodt bijten, hadden vreesselijcke pijn inde lenden en 
't lyf , en boe quader weer hoe slimmer; de eene spoogh bloedt, 
de andere loosde bloedt door de stoelgangh. Jeroen Carcoen was 
de sterckste noch, die haelde altemet noch wat kolen om vyer 
aen te leggen." De vier o verblijvenden zagen eindelijk de zon 
terugkomen; maar het was slechts om hun sterfbed te verlich- 



*) Zie over dule vSulaci*' («scurvy-graM**; en de ook wel eens rermelde zarin^: 
Vtuder Brugge» Journael. p. 6, 7, 8. — Scorcsby, Atyount. I p. 145. — Mar- 
Uni, Vojage to Spiubergeu , by: White, Spitibcrgen. p. 49, 60. 



161 

ten. Reeds twee dagen later (26 Febniaii 1635) schreven zg : 
» Wy leggen met ons vieren , die noch in *t leven zyn , plat te 
Koy, wy souden wel eten, wasser een soo kloeck dat hy uyt 
syn Koy komen kon om vyer aen te leggen. Wy konnen 
ons niet roeren van pijn. Wy bidden Godt met ghe vouwen han- 
den , dat hy ons uyt dese benaude Wereld t verlossen wil ; alst 
hem belieft , soo zijn wy gereet , want wy mogen 't dns niet 
langer harden sonder eten of vyer, en wy konnen malkander niet 
helpen ; elck moet sijn eygcn last dragen.*' Zoo eindigde het 
journaal! Maanden later vonden de schepelingen der walvisch- 
vloot hen dood in hunne tent, de drie eerst gestorvenen in kis- 
ten , de overigen in hunne kooien of op don grond , de kin tegen 
de knieën getrokken door koude en ziekte. De mannen »maeck- 
t-en kisten tot de vier, en begroeven haer nevens de andere drie 
in *t snee , alsoo daer noch door de groote koud' geen and(>re 
gelegentheydt was ; maer naderhandt doe het snee begon te smel- 
ten , en het Landt begost bloodt te komen , begroeven sy se met 
Aerde het best dat sy konden , alle seven wn malkanders zijde , 
leyden steenen op haer kisten , om dat sy van 't Wildt niet ver- 
scheurt souden worden." *) 

9 Naderhandt en isser geen meer Volck op Spitsbergen gheble- 
vcn om te overwinteren ," zegt de uitgever van het journaal. 
Onder hen, die dit vreesselijke tooneel gezien en gevoeld had- 
den , was de lust en de moed om het voorbeeld der slachtoffers 
te volgen gering. 



*) Het uittreksel uit het journnal der 7('veu matrozen is afgedrukt Achter: 
RtTen, Jonriuiel van de reyse nae Spitsberghen iuden Jnre 1639 p. 12 — H, - 
en in: Twee journalen vande Seven Matroosen. p. 21 — 23. 



u 



HOOFDSTUK V. 



ONTDEKKINGSREIZEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE. 



Terwijl alzoo eene nieuwe nering de IJszee tot het tooneel van 
een levendig verkeer maakte, was de westelijke helft der pool- 
streken nog steeds hoogst onvolkomen bekend en bijna geheel ver- 
laten gebleven. Eerst veel later zon men er toe komen die stre- 
ken voor de oefening der walvischvangst te gebruiken ; voorloopig 
waagden zich slechts enkelen in de onherbergzame oorden , en die 
enkelen was het meest allen te doen om den zoo gewenschten 
doortocht naar Oost-Indië te vinden. Reeds voordat de ongeluk- 
kige tocht van Pet en Jackman in 1580 de Engelschen van verdere 
onderzoekingen in het noordoosten had afgeschrikt , was hun oog 
op het westen gevallen , waar de nog nagenoeg onbezochte noord- 
sche wateren misschien een gemakkelijker en zeker een korter 
weg beloofden dan door het noordoosten ooit te vinden zou zjjn. 

De eerste, die pogingen deed om dezen weg te vinden, was 
Sir Martin Frobisher, die op drie reizen (1576 — 78) de naar hem 
genoemde baai en de nabijgelegen landen op 62" NB. nauwkeurig 
onderzocht. Maar de doortocht was daar niet te vinden, en het 
later gezochte goud beloonde zijne moeite evenmin. Hem volgde 
weinige jaren later (1585—87) de wereldberoemde John Davis, 
die eveneens drie reizen ondernam. Het was hem meer dan zynen 
voorganger ernst met het zoeken van den doortocht. Telkens was 
de naar Davis genoemde zee het doel zijner reizen en het gelukte 
hem de beide kusten der zoogenaamde straat , vooral de oostelijke 
nauwkeurig te verkennon tot op 73" NB. Hoeveel hoop deze ont- 
dekkingen ook op het vinden van den doortocht mochten geven, 
het spoor van Davis werd voorloopig niet weder betreden. Elerst 
George Weymouth stevende in 1602 weder naar het noordwesten. 
Het feit , dat hy de eerste was , die de reeds door Davis geziene 
Hudsons-straat een eind weegs bezeilde, heeft deze reis meer be- 
kend gemaakt dan het resultaat verdient. Reeds spoedig toch 
dwong het scheepsvolk dnu wakkeren kapitein den steven te wen* 



163 

den en naar het vaderland terug te keeren. De vier reizen, door 
James Hall voor Deensche en Engelsche rekening naar straat Davis 
ondernomen (1605-— 7, 12) , leverden geene nieuwe resultaten. 
Veel belangryker was in dit opzicht de bekünde vierde reis van 
Henry Hudson (1610/11), die de geheele naar hem genoemde 
straat door en de groote baai binnenzeilde , waar hij overwinterde 
en als het slachtoffer eener samenzwering den dood vond. De 
expeditie, in 1612 onder Sir Thomas Button uitgezonden om hem 
te zoeken , bereikte niet alleen de westkust van Hudsons-baai , 
waar zy overwinterde , maar verkende ook in 1613 het noordelijker 
gelegen Southampton-island tot 65° NB. Vorder dan een hunner 
voorgangers kwamen in 1615 en 1616 Robert Bylot en William Baf- 
fin , die het tweede tijdvak der Engelsche noordpoolreizen sluiten. 
Op hunne eerste reis drongen zij door Hudsons-straat tot op ruim 
65* aan de oostkust van Southampton-island door; hun tweede 
tocht bracht hen tot op bijna 79* in de naar Baffin genoemde 
baai , waar zij de drie straten ontdekten , die nog voor de eenige 
gehouden worden, waardoor de doortocht in het hooge noorden 
mogelgk is: Smith*s sound, Jones* sound en Lancaster-sound *). 
Het zon zeker verbazend geweest zijn, zoo de Nederlanders, 
de eerste zeevarende natie der zeventiende eeuw, het tooneel, 
waarop hunne mededingers voortdurend door hun moed en vol- 
harding lauweren behaalden, onbezocht gelaten hadden. Het feit 
op zich zelf, dat een Engelschman eene nieuwe onderneming 
had begonnen, was destyds voldoende om Nederlanders tot 
navolging uit te lokken; hoe zou dat hier het geval niet ge- 
weest zgn, nu het welslagen der Engelschen dezen in het bezit 
zou gesteld hebben van den kortsten weg naar Oost-IndiO juist 
op het oogenblik, dat de wedijver van beide natiën daar meer 
en meer een ernstig karakter begon aan te nemen? Ook is het 
slechts de geheele onbekendheid der latere Nederlandsche noord- 
poolreizen, die ooit het gevoelen heeft kunnen doen wortelschie- 
ten , dat de Nederlanders in de zeventiende eeuw het noordwesten 
nooit bezocht hebben; wij zagen reeds, dat nog voor het einde 
van het eerste tijdperk een Amsterdamsch schip den steven 
daarheen wendde. Juist echter nu dus aan de vaart der Neder- 
landers naar het noorden nieuwe banen schenen geopend te zul- 
len worden, bedreigde haar een ernstig gevaar. Het octrooi 
der Noordsche Compagnie sloot een groot gedeelte der noord- 
pooUanden voor allen, die geen aandeel in de vereoniging had- 
den; de vischryke stranden van Spitsbergen, de langen tgd 
gezochte goudmijnen aan straat Davis waren aan het verkeer 



* ) Zie over dese reUen uitvoeriger : Barrow, Voyages into the arctio regioni. 
p. 77—217. 



164 

onttrokken, de handel met de Groenlanders was verboden. Nam 
reeds dit op zich zelf een prikkel tot nieuwe ontdekkingsreizen 
weg , weldra zonden er nieuwe moeielgkheden daartegen oprezen. 
De ondervinding had geleerd , dat het bezit* van land in de IJszee 
voor de walvischvangst nuttig, ja onontbeerlgk was, en terwgl 
dns do inbezitneming der reeds bekende landen door de Noordsche 
Compagnie spoedig te verwachten was, verklaarde deze reeds 
dadelgk, dat zg voornemens was verdere ontdekkingstochten te 
doen om de tot nu toe onbekende streken voor hare nering in 
bezit te nemen. Het was gemakkelijk te voorspellen , dat de com- 
pagnie, dns meester in de geheele IJszee en tot in straat Davis 
toe , weldra feitelyk het monopolie zou verwerven ook voor reizen 
ter ontdekking van den noordelijken doortocht, waartoe zg beter 
dan iemand in staat was, omdat zij gemakkelgker en minder 
kostbaar dan alle andere Nederlanders de vaart kon volbrengen. 
Wat erger was , het kon den schgn hebben , alsof de Staten-Gene- 
raal hunne goedkeuring aan dit monopolie geschonken hadden. 
Daarvoor moest gezorgd worden: de regeering, die zelfs aan de 
zoozeer bevooiTedite Oost-Indische Compagnie het monopolie om 
de IJszee te bevaren uitdrukkelgk geweigerd had om zoodoende 
den prikkel tot ontdekkingen levendig te houden, wilde er voor 
waken, dat ook nu de omstandigheden haar op nieuw tot het 
verleenen van voorrechten gedwongen hadden, de ondernemings- 
zucht der Nederlanders niet uitgedoofd werd en eene andere be- 
voorrechte vereeniging niet de voordeden verkreeg, die aan hare 
oudere zuster geweigerd waren. De zaak scheen spoed te vereischen 
en reeds dadelijk werd dan ook het ^depescheren" van het octrooi 
der compagnie opgehouden '). 

Ook buiten de vergadering der Staten-Generaal waren deze 
bedenkingen gerezen. Isaac Le Maire , de hardnekkige tegenstan- 
der van alle monopolie , de gevreesde vijand der Oost-Indische 
Compagnie, zag dadelijk het gevaar in, dat de ondernemingen 
zijner landgenooten bedreigde. Juist was hij met een nieuw om- 
vangrijk plan bezig, dat beloofde de Oost- Indische Compagnie 
door de ontdekking van eenen nieuwen weg in het zuidwesten 
eindelgk haar monopolie te ontwiingen, maar de zaak was toch 
niet zeker genoeg dan dat hij niet alles in het werk zou stellen 
om zich bij mislukking van dit plan den ouden reeds eenmaal 
beproefden weg door het noorden open te houden. Met het oog 
op zijne Austraalsche Compagnie en op het pas verleende octrooi 
der Noordsche diende hij diiurom weldra bij de Staten een ver- 
zoekschrift in , waarbij hij , wars van alle duurzaam monopolie , als 
belooning zijner moeite zich de voordeelen zijner eventueele ont- 



») R. S.-r,. 27 Jun. ir.u. 



165 

dekkingen ten minste voor eenige jaren bg uitsluiting trachtte te 
bedingen >). Het gevolg was, dat de Staten den 27 Maart 1614 
wel het octrooi der Noordsche Compagnie nu definitief uitvaar- 
digden, maar tevens een »generael octroy" verleenden »voor die 
geene die ei^nige nieuwe Passagien, Havenen, Landen oft Plaet- 
sen souden ontdecken/* >Wy verstaen," dus spraken de Staten , 
»eerlijck , dienstlijck ende profijtelijck voor dese Landen, ende tot 
Torderinge van den welstant van dien , oock tot onderhoudt van 
het Zeevarende Volck te wesen , dat die goede Lighesetenen ver- 
weckt ende gheencourageert worden , omme hen te employeren 
ende verkloecken in *t ondersoecken ende ontdecken vande Passa- 
gien, Havenen, Landen ende Plaetsen, die voor desen niet ont- 
deckt ofte bevaren zyn gheweest , ende is by eenige Koopluyden 
ons openinge ghedaen , dat syluyden door Godes ghenadige 
hnlpe , met diligentie , moeyten , periculen ende kosten , hen 
daer toe sulcks vorhoopen te employeren, dat daer van goede 
vmchten souden staen te verwachten, indien onse beliefte ware, 
hen te octroyeren, piïviligieren ende begenadigen, dat sy die 
Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen, by henluyden van 
nieuws te vinden ende ontdecken, alleen souden mogen bevaren, 
beseylen ende frequenteren voor ses reysen in recomponse van 
hare kosten , moeyten ende periculen : Met interdictie dat niemant 
directelijck ofte indirectelijck de selvo Passagien, Havenen, Landen 
ofte Plaetsen soude mogen bevaren, beseylen ofte frequenteren, 
voor ende al eer die eerste ontdeckers ofte bevinders der solver, 
de voorschreve ses reysen souden hebben volbracht." De Staten- 
Generaal dit alles »r|jpelijck overgewogen hebbende, ende bevin- 
dende het voorschreve voornemeji voor den welstant der Veree- 
nichde Landen loffelijck, eerlyck ende dienstelick, Ënde willende 
het besoecken voor alle ende een yegbelijck vando Ingesetenen deser 
Landen vry ende gemeen maecken , wilden allen ende een yegbe- 
lijck vanden Inghesetenen der Vereenichdo Nederlanden tot het 
voorschreve ondersoeck noodigen", en »octroyeerden ende consen- 
teerden daeromme, dat die geene die eenige nieuwe Passagien, 



*) Dat Le Maire en zijne compagnons van de Austraalschc Compagnie de ver- 
soeken van het «generael octroy*' waren, staat vermeld bij: Bakhuizen v. d. 
Brink, Iiaac le Maire, in : Gids. 1865. IV p. 44. Ik heb daarvoor geen bewijs 
gevonden, maar het is zeer waarschijnlijk, te meer omdat zich in de verzame- 
ling sNoordsehc togten" (1. R-A.)een afdruk van het »gencrael octroy" bevindt , 
waarop met eene hand van dien tijd geschreven is : ^Austraelsse Compaignie." — 
0*Callaghan (Hist. of New-Netherland. I p. 69) schrijft het vragen van het 
octrooi toe aan de handelaars op Nienw-Nederland , waaronder trouwens waren 
Jan Clemensz. Kies e. a. Hoomsche kooplieden, die leden waren van Le Maire*i 
compagnie. (0'Callaghan l. e. I p. 74 ) — De R. S.-O. 27 Maart 1614 spreken 
slechts van «verscheiden Conpluijden , Ingesetenen vande Vereenichde Provineiön." 



166 

Hayenen, Landen ofte Plaetsen voortaen sou outdecken, hy de 
selve alleenlijck sou bevaren ofte doen bevaren voor vier rejsen, 
sonder dat jemant anders directelijck ofte indirectelgok de selve 
nieuwe ontdeckte ende gevonden Passagien, Havenen, Landen 
ofte Plaetsen sou mogen uytte Vereenichde Landen besejlen, 
bevaren ofte frequenteren, voor dat den eersten bevinder ofte 
ontdecker de selve vier reysen selfs sal hebben ghedaen , ofte doen 
doen , op peyne van confiscatie vande Schepen ende goederen daer 
mede daer jegens sou worden gheattenteert , ende een mulcte van 
vgftich duysent Nederlandtsche Ducaten ten profyte vande voor- 
schreve Bevinder ofte ontdecker.** 

Tegenover de voorrechten aan de Noordsche Compagnie ver- 
leend werden dus andere voordeden uitgeloofd , die het aan ieder 
vrijstond te verkrijgen. Ieder oogenblik kon er nu een mededinger 
voor de bevoorrechte vereeniging opstaan, en om misverstand 
tusschen de wedijverende lichamen te voorkomen, bepaalden de 
Staten-Generaal nu reeds dadolgk, »dat sy by dosen niet en 
verstonden eenige prejuditie ofte verminderinge te doen aen 
hunne voorgaende Octroyen ende Goncessien. Ende soo verre in 
ofte ontrent een tgdt , ofte in een Jaer , een ofte meer Compag- 
nien sulcke nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen 
vonden ende ontdockten, dat de selve te samen dit Octroy ende 
Privilegie souden genieten. Ende in gevalle eenige ghcschillen ofte 
differenten desen acngaende ofte andersints uyt dese hunne Con- 
cessie quamen te rijsen ofte ontstaen, souden de selve by haer 
Ho : Mo : worden gedecideert , waer naer hem een yegelgck sou 
hebben te reguleren." •) 

De maatregel bleek de Noordsche Compagnie tot krachtsin- 
spanning te prikkelen; bevreesd voor de steeds dreigende mede- 
dingers deed zij alle moeite om hen te voorkomen, en in de 
eerste jaren van haar bestaan deed zij zelfs ernstige pogingen 
om van hare gunstige positie gebruik te maken , ten einde den 
langgezochten doortocht naar Oost-IndiU te vinden. Reeds in 
1613 kan men het er voor houden , dat de Amsterdamsche reeder s 
op de walvischvangst hetzy door de schepen van Van Muyden, 
hetzy door eene afzonderlijke onderneming getracht hebben de 
noordpool te bereiken. In hun request aan de Staten-Generaal , 
waarbg zg octrooi verzochten, beroemden dezen zich toch, »dat 
sy de alder eerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de 
Noort aengevangen hadden te varen ofte te seylen , met toerustinge 
van eene quantiteyt Schepen, alwaer noyt Christen Men- 
schen ontrent hadden gheweest, Jae dat sy hadden 
ghepasseert drie-en-tachentich graden, blgckende by 



•) Gr PlM-ael-boirk. 1 p. 563—06 — K S -<;. 27 Mnarl IfiU. 



167 

seeckere Caerte ende bewijs onder de Supplianten berustende, 
alwaer hare Schepen ghevonden hadden eene ruyme Zee, sonder 
Ys, vlack Weylandt, met Gras-etende Gedierten, ende aldaer aen- 
den Zee-kant ende daer omtrent ghevangen eene quantiteyt Wal- 
visschen. Walrussen ende andere Visschen/* *) Het komt m^' 
echter waarschgnlijk voor , dat deze opgave van de bereikte hoogte 
overdreven is. Nergens elders blijkt, dat er in 1613 door Van 
Tweenhuysen c. s. schepen ter ontdekking zijn uitgezonden en het 
verhaal van de » ruyme Zee sonder Ys" en het > vlack Weylandt met 
Gras-etende Gedierten", waar men aan den zeekant walvisschen 
en walrussen ving, wijst te duidelijk op de bekende reis van 
Van Muyden, die Spitsbergens westkust bezocht, dan dat men 
eene afzonderljjke ontdekkingsreis ten noorden van dat eiland, 
waar zooals bekend is het zoogenaamde westys weldra allen 
verderen doortocht belet, zou behoeven aan te nemen. 

Maar zoodra de Noordschc Compagnie haar octrooi verkregen had, 
namen de ontdekkingsreizen een aanvang. Aangevuurd door de me- 
dewerking der Staten-Generaal besloot de vereeniging een tocht te 
doen ondernemen naar het noorden om den doortocht naar Oost- 
Indië te zoeken. Overeenkomstig met de toen heerschende denk- 
beelden omtrent den weg recht naar de noordpool werd daarheen 
de steven gewend. Twee schepen, »de goude Cath" van Amster- 
dam, kapitein Jan Jacobsz. May '), en >den Orangienboom" van 
Enkhuizen , kapitein Jacob De Gouwenaer , vertrokken , met de Ne- 
derlandsche walvischvaarders naar Spitsbergen gezeild , in het begin 
van Juli uit Fairhaven *). Tüsschen Groenland en Spitsbergen door 
zette men koers naar het noorden. Over den uitslag der reis bewaren 
de reeders het stilzwijgen , maar wij bezitten een bericht van een 
nog geloofwaardiger getuige: op een der schepen was stuurman 



*) Zie het octrooi der Noordsche Compagnie. (Gr. Placoetb. I p. 669.) — De 
ifCorte Deductie ende Remonstrantie" der N. C. van 1624 (Noordiche toglen. 
4. Loop. N. C. K.-A.) verhaalt, dat „\n den Jarc 1611 (lees 1612) eenige Sche- 
pen geeqnipeert ende na de voorszeide oosten (van Spitsbergen) wtgesonden syn, 
de welcke na veele zeijlens ende menichfuldige periculen van ijs storm ende an- 
ders de selve coaten aengedaeu hebben ende nijet alleene nader besocht maer 
soowel in dat selve jaer als eenige navolgende het Landt eene goede streeck 
langs om de noort verder als oijt te vooren hebben opgedaeu ende beseijU." 

*) Jan Jacobsz May wordt nog in 1623 als kapitein op een Nederlandsch 
oorlogschip genoemd bij: Wasscnaer, Ilist. verh. Vfol. 66,67. — In 1622 bracht 
hij in dienst der admiraliteit van het Noorderkwartier een Fransch schip op. 
(Zie o. a. R. S.-G. 16 Dcc. 1622, 10 Apr. 1623.) — Vgl. over hem en zynen 
broeder Cornelis nog: Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 112. — 0'Callaghan. Hist. 
of New-Netherland. I p. 72 , 73 . 86 , 99. 

*) Fothcrbye, A Voyage of Disconerie to Greenland. Anno 1614, bij: Purchas, 
Pilgrimes. III p. 7-^3. 



168 

Mr. Joris Carolus van Enkhuizon. Deze kundige zeeman , op wien 
de mantel van Barendsz. gevallen was , scbynt zich nanw aan de 
Noordsche Compagnie verbonden en haar krachtig g^teund te 
hebben bg hare eerste ontdekkingsreizen. Beeds toen was hg 
een ervaren zeeman. Na in het beleg van Ostende een been 
verloren te hebben schijnt h^ zich op de stuormanskunst ioege* 
legd te hebben. Lange jaren had hij toen in dienst der Oost- 
Indische Compagnie in de gevaarlyke wateren van den Indischen 
archipel verkeerd, en nog lang zou hij op zgne talrgke reiien 
in de Earopeesche wateren een. schat van kennis verzamelen. 
Eindüiyk toen hem »syne jaren ende impotentie eenighsins 
beletten/' zette hjj zich als leermeester der stunrmanskimBt te 
Amsterdam neder en bij de uitgave van zgn > Nieuw vermeerde 
Licht ende Vierighe Colom des grooten Zeevaerts" in 1634 kon 
hij toen getuigen, dat hij alle peilingen , opmetingen on teekenin- 
gen der Earopeesche stranden , die dit uitgebreide kaartboek be- 
vatte, mededeelde >niet uyt het verhael van andere, maer njt 
syn eyghen observatien ende byweesen" '). Onder die » observatien** 
is er eene , die over het resultaat der reis, die wg bespreken , een 
merkwaardig licht verspreidt. »Het landt van Out-Groenlandt" 
(d. i. het zuideljjkc gedeelte van Groenlands oostkust) , zegt Caro- 
lus, »by Noorden Yslandt, streckende Zugdtwaert tot de Caep 
ofte Staten Hoeck, ende dan om den Hoeck voorzeid langhs het 
Fretum Davids ende in do grootc binnen Zee , rontsom is altemael 
vast lant, ende is al oen sclve landt aen America vast, zynde 
tot by Noorden ende Noordoost van Yslandt af, soo *t anders 
niet aen Spitsberghen vast en is, twelck ick niet gheloove, ver- 
mits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen, 
dit heb ick bevonden inden j are 1614 doen ick soo 
verre om de Noord was tot op S'i gr aden *), alwaer ick 
ghesien heb dat alle de ebben om de Noord liepen, daerom ver- 
moede soo daer een deurgang om de Noord te vinden is, soo 
moet men die dat henen soecken , of hy noch bekent sal worden 
is Godt bekent, (Tck hope jae.)" >) Reeds uit het medegedeelde 
blijkt, dat de expeditie wel hoop had den doortocht te vinden 
en hot zelfs tot zeer ver in het noorden bracht, maar dat het 
doel der reis niet bereikt werd •). Reeds don 9 Augustus passeer- 
d«'n do twee schepen dan ook de noordwestpunt van Spitsbergen op 

») ('arolu» , liet nii'uw virnnpcrdo Licht drs Zoevacrts. Opdr. p. 2. 

*) lil de o|MlrAcht vau boveiiffmicld kaartboek verhaalt (.'arolui, dat hij eea< 
maal „in de Wcvumih tot up de huoghde van S'i graden als Stuerman*' was. Waar- 
schijnlijk heef\ ook dit bericht op de/e reis betrekking, al kcDnen w^ de d naam 
i^Weygats*' voor dczc lee van elders uiet. 

•) Carolus, Het nienw vermeerde Licht des Zeevjierts p. 147. 

*; Zie over dez- reis: H. S.-(i. Itj Juu. 1615. 



169 

hunne temgreis *). Toch was deze tocht voor de Noordsche Com- 
pagnie voordeeliger dan eenige volgende : onderweg ontdekte men 
toevallig het afgelegen Jan Mayen-eiland , eene ontdekking voor 
de compagnie van onberekenhaar belang, maar door haar aan- 
vankelgk niet gewaardeerd *). Ik hoop aan het einde van dit 
hoofdstuk op deze ontdekking terug te komen. 

Spoedig na zijne terugkomst in het vaderland wendde Carolus 
zich tot de Staten -Generaal en wekte hen tot eene nieuwe onder- 
neming van landswcge naar het noorden op. Hij bood zijne dienst 
aan »omme met yver tallen tyden opt comandement van hare 
Ho : Mo : noch voirder ondersoeck te doen." Zijne moeite was 
echter vruchteloos. Wel legden de Staten-Generaal hem tot beloo- 
ning van zgnen ijver en in aanmerking van zijne vroegere diensten 
de som van / 72 eens toe »tot eene vereeringe", maar tevens 
verklaarden zij, »dat hare Ho: Mo: voirder egheen costen meer 
en begeerden te doen tot last van het lant, om de voorszeide 
passage te doen ondersoecken , toelatende sulcx te doen die Coop- 
luyden ende andere die de prys op het vinden vande voorszeide 
passage gestelt sullen begeerte hebben te winnen ')." Geluk- 
kiger slaagde Carolus bij de Noordsche Compagnie. De vereeni- 
ging toonde zich de hulp der Staten waardig, en was bereid 
om de vrgzinnige politiek der regecring in de hand te werken. 
Ook in 1615 maakte zij zich dus tot eene ontdekkingsreis gereed, 
ditmaal echter volgens een nieuw plan. In het begin van dit 
hoofdstuk heb ik er op gewezen, dat de ontdekkingsreizen der 
Ëngelschen zich in de laatste dertig jaren bijna altijd naar het 
noordwesten richtten. Nederland bad lang de oude wegen door 
het noordoosten boven de andere verkozen; eerst toen alle 
pogingen vergeefs bleken gaf zij die richting voor langen tijd op. 
Wij zagen, dat reeds in 1613 eene Nederlandsche expeditie da- 
delgk naar het noordwesten uitgezonden werd, natuarlyk was 
het dat eene compagnie , aan wier hoofd een handelaar op 
Nieuw-Nederland, Lambert Van Tweenhuysen •), stond, dien weg 

') Fotherbye, A Voyage of Discoucrie to Greciiland. Anno 1614, bij: Pur- 
ehaf, Pilgrimes. III p. 725. 

*) Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in: Noordsche 
togten. 8. Ontdekking Tan Jan May en -eiland. R.-A. — Dat het eiland op dezen 
tocht naar de pool ontdekt werd, blijkt voldoende uit den naam „Mr. loris 
EyUnt," dien Carolus met vergefelijke ydelhcid daaraan geefl op de kaart van 
Groenland in z|jn: Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. 

•) R. S-G. 16 Jan. 1615. 

•) Wasicnacr, Ilist. vcrh. IX fol. 44. - O'Callaghan , Hist. of New-Nether- 
land. I p. 74. — Ook de bewindhebbers der N. C. Samnel God ia bezat land in 
Nieaw-Nedcrland. (O'Callaghau 1. c. I p. 121 , 125. 479.) Adriaan VanderDonck 
noemt de N. C. in verband met de eerste reizen naar Nieuw-Nederland. (0*Cal- 
Ughan 1. e. I p. 29.) 



170 

niet ondoorzocht zou laten. Ook was het daarheen , dat de Noord- 
sche Compagnie verder hare meeste ontdekkingsreizen richtte. 

Den 2 April 1615 kwam in de vergadering der Staten-Gene- 
raal het plan dor compagnie ter tafel ; hare schepen wareu reeds 
gereed om ter ontdekking uit te zeilen. De Noordscho Compagnie 
beoogde mot deze reis niets minder dan b^ noorden om naar 
China te varen en om de Kaap de Goede Hoop terug te keeren '). 
Weinige weken voordat Jaques Le Maire langs het zuidwesten 
eene reis om de wereld begon , vertrok dus eene andere expeditie 
met hetzelfde doel en »omme te soecken ende ontdecken zeekre 
nyeuwe landen liggende int noortwesten** uit de Nederlandsche 
zeegaten. Maar de geest , die de bewindhebbers der Oost-Indische 
Compagnie bezielde, — een geest, waarvan Le Maire in het vol- 
gende jaar do treurige uitwerkselen zou ondervinden, — was 
aan de Noordsche Compagnie te goed bekend dan dat zg zich 
niet vooraf van de medewerking der Sta ten-Generaal zou ver- 
zekerd hebben. Voorzichtiger dan de bekende mededinger der 
Oost-Indische Compagnie verzochten de bewindhebbers vooraf 
van de regoering eene akte, dat het den schepelingen geoorloofd 
zou zijn op hunnen terugtocht de havens, die onder het octrooi 
der Oost-Indische Compagnie begrepen waren , aan te doen. Maar 
hooren wij hen zelven. >De Bewinthebberen vande geoctroy eerde 
compjignie vande Noordersche quartieren gheeuen reuerentelyck 
te kennen', dus heet het, »dat zij geresolveert sijn eenighe schee- 
pen weederom te seijnden tot het ondersoucken vande passagien 
bij noorden naer China ende Catbaij , Welcke Schei>en nu eerst- 
diiechs sullen gereet sijn om in Zee te loopen, ende dewijlc dat 
onseeker is, offschoon de zelue passage werde ontdeckt, dat het 
doenlijck sonde wcesen met de Scheepen de selue wech wederom 
te keeren , maer dat zij souden genootsaeckt zijn te passeeren de 
Cabo de Hona Esperantie ofte d'engte van Magalanes, ende 
ouersulcx gedwongen *t zij om ververssinge van water, victualie 
ende anderssints aen te doen oenige landen In Oost-Indien, de 
welcke hun bij de Scheepen vande Oost-Indische Compagnie 
aldaer weeseude soude mogen werden belet, soo keeren sij sup- 
plianten hun tot uwe H. M. deselue ootmoetlelijck biddende te ver- 
leenen acte op dat de voornoemde Scheepen ouverhindert de voors- 
seide passage souden mogen doen ende de versseide Landen frc- 
qui'nteeren, op dat sulcken goeden aengeuangen werck in geener 
Manieren werde verachtert." *) De Stuten-Generaal oordeelden het 



•) K. S.-G. 2 April 1015. 

*) Kcq der N. ('. aan de Stn.-Ocn. dd. 2 Apr. 1615, in: Noord»che togtro. 
4. Loop. N. C. 1616—84. R.-A. — - Akte voor de Noortsche ComiMgnie , 
dd. 2 April 1615. (Gr. Placactb I p. 671 , 72.) 



171 

verzoek »in reden, billickheyt ende equiteyt ghefandeert ," en 
als altijd gunstig voor het zoeken van den noordelijken doortocht 
gestemd, verleenden zij dadelijk de verlangde akte '), ja toen 
de compagnie den 11 Mei nog een jacht ter leen vroeg om de 
reis te maken, besloten de Staten- Generaal onmiddellijk »alsoo 
de saecke haeste vereyschte ende faveur meriteerde ,'* dat de Am- 
sterdamsche admiraliteit met de supplianten zou onderhandelen 
om hun het verlangde te leenen zoo *s lands belang dit toeliet *). 
Kort daarop vertrok werkelijk een jacht, door de Noordsche 
Compagnie uitgezonden , naar het noordwesten. Het zeilde straat 
Davis in en kwam tot de vóór dien tijd daar nog niet bereikte 
hoogte van 80" NB. *) Ook over deze merkwaardige reis van 
Nederlanders, die een jaar vóór Bylot en Baffin nog verder 
dan dezen in het noordwesten doordrongen, heeft ons Joris 
Carolus naar ik meen eenig bericht nagelaten. In zijn boven 
vermeld kaartboek, dat voor de kennis der noordelijke stre- 
ken zoo groot gezag had , dat daaruit alle latere Nederlandsche 
kaartenmakers naar het schijnt bijna zonder uitzondering ge- 
put hebben, verhaalt hij ons nauwkeuidg de strekking van de 
oostkust van straat Davis tot op 71'. >Dan cryght men," dus 
gaat hij voort, »een groote ruyme Zee Noord- west op gaende 
ende also weder Noord waert rontsom nae 't Oosten toe loopende , 
ende dan weder Zuydwaert tot de voorszeide enghte (nam. straat 
Davis.) Deze zee loopt sooverre Noord waerts tot 79 graden, 
maer is achter dicht ende vast landt met Inwycken ende Rivieren, 
daer een groote menichte van ys gegenereert wordt, dat allens- 
kens met de groote afwatering deur het nauwe van de Straet 
inde Noord-zee comt dryven langhs beyde custen henen tot in 
Terra Nova, alwaer ick een menichte hebbe sien dry ven tot in 
de groote Baye van S. Laureyns achter ende bewesten Terra 
Novam." •) Hot komt mij weinig twijfelachtig voor, dat Carolus 
deze ervaring op de hierbesproken reis van 1615 heeftopgedaan: 
de gevolgde koers , de bereikte hoogte stemmen nagenoeg overeen 
met het van elders bekende; Carolus was volgens zijne eigene 
getuigenis slechts driemaal hoog in het noorden on wij weten 



») R. S.-G. 2 April 1615. 

•) R. S.-O. 11 Mei 1615. — De N. C. had hierbij het fwg «p het oorlogs- 
jacht «de Craen ." bekeud door zijuc rein in 1611 met May. De admiraliteit 
toonde zich wel genegen dit schip, dat niet goed voer, aan de compagnie te ver- 
koopen, maar zij weigerde het te leenen. (Resol. Adm. Amst. 13, 14 Mei 1615.) 
De cooipagnic wilde echter den koop natnurlijk niet sluiten , en den 18 Juni werd 
«de ('raen*' verkocht aan Pietcr Evertsz. Huift voor ƒ 2900. (Resol. Adm. Amst. 
26 Aag. 1614. 5. 12. 18 Juni 1615.) 

•) R. S.-G. 26 Nov. 1616. 

*) Caroloi, Het nieuw ?crmeerde Licht des Zee-vaerts. p. 148. 



172 

dat ven dier reizen reeds in 1614 had plaatsgehad ; eindelgk 
het staat vast, dat hi} met de Noordsche Compagnie nauw ver- 
bonden was en in 1614 en 1617 in haar dienst reizen deed. Wg 
kannen dus nagaan , dat de expeditie langS' beide zgden van straat 
Davis en van de toen nog onbezeilde Baffius-bay een doortocht 
trachtte te vinden *) on, toen zij dien niet vond, ouder gewoonte 
haar geluk in den handel met de inlanders beproefde. Immers Carolus 
toont zich met de bewoners der kust goed bekend: zgn oordeel 
over hen luidt zeer ongunstig. »De Inwoonders van dit Landt 
aen beydo zyden van de Straet," dus verhaalt hg verder *), 
>zyn alte-samen Heydenen ende wilde Menscheneters. Men moet 
haer schoon semblant niet ghelooven, al wat sy vermanghelen 
willen , dat langhen sy op haer riem , daer sy haer cano met 
voort roeyen, sy en vertrouweu niemant, daerom zyn sy oock 
niet te betrouwen, men moet hem wei wachten van aen landt 
te loopen , ten sy dat ghy wel op u hoede syt met een goet 
musquet : waut sy vraghen niet veel nae een sabel , want men 
comtse 800 nae niet: macr sy connen u treffen met hare 
boghen ende slingers, macr als sy sien datter een ter neder 
ghovelt wordt met een musquet , soo loopen d ander te lande- 
waert in int gheberghte daer sy haer onthouden.*' Dus te- 
leurgesteld keerden de reizigers terug: straat Davis uitgezeUd 
bereikten zij een groot land, zich uitstrekkende van 57* tot 53* 
Nli. ^twelck men beraemde te wesen ten zuyelycxsten van 
Fretum Davits." Dit land, dat niets anders zijn kan dan 
de reeds lang bekende kust van Labrador, werd door hen dus 
waarschijnlijk voor een nieuw ontdekte streek gehouden. De 
schepelingen gingen aan land en namen in naam der Staten-(rü- 
neraal plechtig bezit daaivan door het planten der wapens van 
H. H. M. Aan een kaap op de kust gaven zij den naam van 
een der bewindhebbers van de Noordsche Compagnie en noemden 
ze >Tweenhuysens-hoeck." •). De compagnie haastte zich na de 



*) Van do aanwezigheid van Joris Carolus op deze reii dras^en dr onde kuur- 
Irn nog de sporen. In navolging van Carolus zei ven nf>cnicn vele oude Neder- 
laiidschc kaarten aan (iroenlands westkust op 61<* de namen: «Mr. Joris hoeek'* 
en i,Mr. luris Bay." In den omtrek vindt mtm daar uog de Nederlaudsche na- 
men: Siutetihoerk, Mauritii Bay. Wapo u berge u , (Jaop Mael^on en Wilde Imiv (MS. 
kaart v Carolus. K.-A. - Kaarten van Groenland in den atlas van Goos en 
bij: Zorgdrager, (troenl. vis»eh. p. 71); ook dezen zou ik geneigd zijn tot deze 
reit terug te brengen, de naam van Maurits van Nassau wijst toch op ecue reis, 
die voor 1625 moet plaatsgehad hebben en ook de bekende Fran9ois Maelson, 
een der ijverigste bevorderaars der reis van 1594, zal hut jaar 1615 wel niet 
zeer lang overleefd hebben. 

*) Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147. 

*) Deze mam komt Toor op de gcteekcnde kaart van Joris Carolui Tan 16M 



173 

tmrogkomst van het jacht in November volgens het »generael 
ootroy*' eene akte aan te vragen , dat zg de ontdekkers waren van 
het betreden land. De Staten-Generaal vervielen in dezelfde 
dwaling als de bewindhebbers en de akte werd verleend *). 

Hoe weinig praktische resultaten de groote reis, door Carolns 
en de zgnen volbracht , ook had opgeleverd , z^' had den Nederlan- 
ders de overtuiging geschonken, dat daar althans de gewenschte 
doortocht naar het verre Indië niet te vinden was. Carolus 
verzekerde later zonder aarzelen, dat de >deurgangh daer veel 
treffelgcke Zeevaerders naer ghesocht hebben maer te vergeefs** 
niet bestond *). Nieuwe pogingen schenen vruchteloos, nu eene 
zoo volhardende bemanning geleid door een stuurman als Carolus 
niet geslaagd was. Nog slechts éen enkele weg bood dus aan do 
Noordsche Compagnie kans op het bereiken van haar doel: lager 
in het noordwesten, waar Frobisher en Hudson gehoopt had- 
den eene zeeëngte te vinden , was nog veel ondooi*zocht ; niemand 
had van daar nog zulke zekere en teleurstellende berichten mede- 
gebracht als Carolus omtrent straat Davis. Daarheen moest dus 
de steven gewend. Onvermoeid toog de Noordsche Compagnie 
weder aan het werk : in het voorjaar van 1616 had zg eene nieuwe 
expeditie gereed, die den laatsten weg zon onderzoeken. Het jacht 
^den Orangienboom** van Amsterdam,kapitein Willem Jansz •), ver- 
trok van Jan Mayen-eiland , waar dit jaar de walvischvangst voorna- 
melgk gedreven werd, stevende benoorden IJsland langs, omzeilde 
Ghroenlands zuidpunt en kwam , straat Davis overstekende , aan 
^het westlant van fretum davits," d. i. het tegenwoordige Cum- 
berland-island. Daar werd waarschijnlijk in Probisher-straat naar 
den doorgang gezocht, die daar niet te vinden was, misschien 
Hudsons-straat en baai bezeild *), maar het eenige resultaat der 



(R.-A. Vgl. De Jonge, Opkomst, p. 81 Xoot 2. Üe kaart is vlg. de R. S.-G. 
10 Apr. 1626 uitgegeven.; Het komt mij niet twijfelachtig voor. dat men dien tot 
dexen tocht moet terugbrengen. In den omtrek van Tweenhuysens-hoeck bevin- 
den lich nog op de kust van Labrador de volgende Hollandsche namen: Cardi- 
naels-hoed, H oy bergen , Swarte hocck , Twee rode eylanden , Steylhoeck , Ganse- 
bay , Vastlant , Slapershaven , Noothaven , Claptmuts-bay, Orangebay , Hollandt- 
iche bay, Schildpadds-eyland , Sadel-eyland , Vossen-eyland , Syboldshoeck , Zuydt> 
ootthoeck, Warderhoeck, Anthonis ofte Cameelshoeck , Lage hoeck, ^schoon eylant 
en Jacob Wendelshaven. Waarschynlijk zijn ook deze namen op de reis van 1615 
gegeven. (Zie ook de atlassen van J. Danckers , P. Goos en N. Visscher uit de 
tweede helft der zeventiende eeuw.) 

») R. S.-G. 26 Nov. 1615. 

•) Carolui. Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147. 

•) ÏQstr. T. de Stn.-Gen. voor .Schrobop dd. 23 Mei 16-16, in: Noordsche 
tngten. 4 Loop. N. C. R.-A. 

•) Ik ion dit opmaken uit de op het R.-A. aanwezige kaart der noordelijke 
Itreken tutacheii Hudions-haai en IJsland , door Joris Carolus in 1626 vervaar. 



174 

reis , toen het jacht in November in het vaderland terugkwam , 
was t dat men een land op de westkust van straat Davis tasseben 
GO*" en 66' NB. had verkend en betreden. Men had daar met 
de inwoners gesproken en van het land , Statenland genoemd , in 
naam der Staten- Generaal met het planten hnnner wapens bezit 
genomen <). Evenals de ontdekking van het jaar 1615 werd 
ook Statenland volgens het >generael octroy" voor vier jaren 
onder het octrooi der Noordsche Compagnie begrepen *), zonder 
dat het blijkt, dat daarom de vereeniging zich ooit op het ver- 
keer met die verre gewesten heeft toegelegd •). 

Toen dus ook deze tocht naar het verre westen den zoo gewensch- 
ten doortocht naar Oost-Indi($ niet had doen ontdekken , verflanwde 
bij de Noordsche Compagnie de lust naar het zoeken daarvan voor 
geruimen tgd *). De weg langs Novaya-Zemlya was reeds vroe- 



digd , waarop hij aantrekeot , dat hij deze landen vdriemacl lelfs bcseylt" heeft. 
Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Mudsons-baai op deze reis bezocht wer4; 
Carolns was ongetwijfeld ook nu de piloot der N. C. en op geen andere reis kwaoMB 
de Nederlanders zoozeer in de nabijheid der baai. Zoo ik twijfel, dan is het alleen , 
omdat Carolns blijkbaar voor het samenstellen zijner kaart ijverig gebruik gemaakt 
heeft van (iie van JensMunck van 1619, 20. (Zoo noemt hij b.v. de „nieuwe zee** 
▼an Hndson „Mare ('hristianc", terwijl Munrk H udsons-straat Fretum Chrittiani , 
Hudsons-baai Mare novum en James'-bav Mare Christiannm noemde naar 
Christiaan IV van Denemarken Op twee plaatsen in Hudsous-straat vind ik 
aangeteckend : „hier hebbcnse overwintert" en „Munckeues.") Wel is waar vindt 
men op deze kaart in en bij iludsons- straat Xederlaudsohe namen genoeg, alt: 
Heerenhoeck , Kolden hoeck , Gebroken landt , Sustcrs, Ys-eylundt . Snee eylandt , 
Zuydhoeck , maar raisischien zijn ze op dezelfde wijze van Mnuck overgenomen 
en vertaald; van de „Susters" en het „Snee cylandt" is dit ten minste zeker. — 
Zie over Muncks reis: B.irrow , Voyages into the arctic rei^ious. p. 230— 84. — 
Kelatioii du Groenland, in: White. SpitzbtTgen and Greenland. p. 237—47) 

") Misschieu werd op d»'Ze reis de niet onbelangrijke opmerking gemaakt , dat 
er in die streken overvloed van walvisschen was. ('arolus teekent toch op zijne 
bovenvermelde geteekende kaart ten noorden van „( omberlants Bay" aan : «rwal- 
vis veel*', „hier cooctcn traen," enz. Het is echter niet onmogelijk , dat ook deze 
aanteekeningen opeenc reis van Jeu^i Munck of een ander betrekking hebben. (Zie 
vorige noot.) 

») K. S.-G. 23 Xov. 1616. 

'; Met het in 1G34 als station der walvischvaardcrs genoemde „Statenlandt* 
(Oetr. der Stn. v. Fr. voor de comp. voor de walvisrhv dd. 22 Xov. 1684, by .. 
Zorgdrager. (Jroinl. vissi'h. p. 221 ) schijnt Kdgc-islund bij ï>|»itsbergen bedoeld te zijn. 
(Zie liierv«'M»r p. \'r2 Xoot 9 ) liet komt mij voor, dat het strevm der S.C om anderen 
uit te sluiten /ouder zelf van de in bezit geuoineue streken eenig nut te trek- 
ken, moet torgeschreven worden aau de -«Icchle ouderviuding door haar opgedaan, 
toen zij in 1614 ver/nimd had van de schijnbaar onbelangrijke ontdekking van 
Jan Mayen-eiland kennis te geven nan d<' >tateu-(ieneraal. 

•) Dit schijnt te blijken , behalv»' uit hel grheele gemis van eenige berichten , 
uit de verklaring vau Joris Carolns op zijne bovenvermelde geteekende kaart, 
dat h\i Groenland eu het noorden van Amerika „d r i e m a e 1 selft beseylt*' heeft. 
De rei* vau 1614 is de ei-rstc, waarjp wij Larolus oulmoeteu. 



175 

ger opgegeven ; toen das ook de nieuwe wegen , die in den laatsten 
tgd beproefd waren, niettegenstaande de groote *hoogte, die de 
schepen bereikt hadden, geen resnltaat opleverden, meende men 
geene verdere pogingen meer te moeten doen. Geen weg was 
meer ondoorzocht; de moedeloosheid was algemeen en Maurits 
zelf, eens zoo ijverig voor het zoeken van den doortocht, ver- 
klaarde nu ronduit, »qu'il tient que c'est peino perdue de s'y 
tranailler d'auantage.** *) Men meende, dat het vasteland^ 
dat 'zich veel verder naar het noorden uitstrekte dan Amerika*s 
zuidpunt naar de zuidpool, steeds te veel moeielijkheden zou 
blijven aanbieden voor eenen doortocht; immers reeds in de 
straat van Magellaan en in straat Le Maire op 52^ en 56^ ZB. hin- 
derde het gs de reizigers altijd zeer *). Hoewel er zeker op deze 
redeneering vrij wat viel af te dingen , had de ondervinding toch 
voldoende geleerd , dat de noordelijke doortocht , ook als hij gevon- 
den werd, vele moeielijkheden zou blgven opleveren. En bij dit 
bezwaar voegde zich een andere reden , die de Nederlanders min- 
der ijverig maken moest tot het zoeken van den weg. De eens 
zoozeer begeerde ontdekking was niet langer het doel , waarnaar 
bgna allen, die geene leden der Oost-Indische Compagnie waren , 
met goedkeuring der regeering zelve streefden. »Je ne voy pas,'* 
schreef de Fransche gezant Du Maurier op het laatst van 1618 
aan een zijner bekenden, »qu'en cette Republique, quand bien il 
se pourroit, ils desirent la decouuerture dndict passage, pour 
les raisons que je vous ay marcquées cy deuant, tellement que 
cette consideration faisant en quelque sorte cesser TEspoir de la 
recompense, cessera quant et quant le courage et TEnuie de se 
hasarder pour cela." •) Het is zeker jammer, dat de redenen, 
die Du Maurier daarvoor opgaf, niet bewaard zijn gebleven, maar 
het is niet moeielijk ze ten minste eenigermate te gissen. De 
Oost-Indische Compagnie was meer en meer het lichaam ge- 
worden, waarnaar de natie zich gewend had op te zien als 
het stevigste bolwerk in den op nieuw dreigenden oorlog met 
Spanje. En dat lichaam , dat dus voor *s lands vryheid een ver- 
eischte geworden was , verkeerde niet meer in den bloeienden toe- 
stand , waarover men zich in de eerste jaren van zijn bestaan zoo- 
zeer verheugd had. Meer en meer waren misbruiken in het beheer 



») Brief van Du Maurier aan Mr. de Pequzé. La Have 15 Dec. 1618. (Cata- 
logus der vcrzamelinj( MSS. vau den heer Mr. L. C. Luzac. N» 298.) 

•) Brief van Du Maurier als boven. 

•) Brief van Du Maurier als boven. — Met de in den tekst vermelde „re- 
compense" wordt waarschijnlijk de in 1596 uitgeloofde premie bt^doeld , die de 
Staten-Generaal bij hunne tegenwoordige gezindheid zeker niet gaarne zoudi-n uit- 
betaald hebben. 



176 

openbaar geworden, het gemompel over den slechten stand der 
zaken was toegenomen , in Indië zelf had men met de Engebchen 
reeds lang onaangenaamheden, die gedurig toenamen. Na dns 
eenmaal het behoud der Oost-Indische Compagnie eone nationale 
zaak geworden was, zou het zonderling geweest zgn met haar 
te gaan concurreeren. De regeering kon de wed^ver niet meer 
aanmoedigen , de natie zelve moest haar belang inzien en de Ter- 
toornde participanten konden toch ook niet anders dan concnrrentie 
vreezen. Nog slechts éénmaal veiTiemen wg dan ook in de eerst- 
volgende jaren van eene poging om den doortocht naar Oost- 
Indië te vinden: een Nederlandsch schipper stevende in 1618 
weder mot dat doel naar het noorden. De reis had trouwens niets 
te beduiden; toen de kapitein in December terugkeerde kon hg 
zich niet beroemen op de bereikte hoogte (65* NB.), en hg Tcr- 
genoegde zich dus hoog op te geven van de gevonden schatten, 
die in eenige roode en groene jaspissteenen bestonden. Hg meende , 
dat uit do groote rotsen, die hij van dien steen gezien had, 
groote kolommen te vervaardigen waren , die gemakkelgk gepolgst 
en tot versiering der huizen gebruikt konden worden, maar de 
gewaande schatten van het noordwesten hadden reeds te Teel 
zeelieden bedrogen dan dat men naar den schipper geluisterd heb- 
ben zou '). 

Maar al was het zoeken van den vörren weg naar Indië opge- 
geven, de Noordsche Compagnie hield zich voortdurend met nieuwe 
ontdekkingsreizen bezig. Boven gewaagde ik reeds van het belang 
van landbezit in de IJszee voor de oefening der walvischvangst 
en daarnaar streefde de Noordsche Compagnie met al hare krach- 
ten. > Jaerlijcx wiert by haer scer getracht tot vorder ontdeckinge 
van onbekende landen ende zeen ,'* dus verhaalde zg zelve nog in 
1624 *). Het doel was natuurlijk de nadere verkenning van de 
kusten der IJszee en de inbezitneming daarvan voor de walvisch- 
vangst: de vrees voor concurrentie door het >generacl octroy" 
drong de compagnie ook binnen de grenzen van haar eigen gebied 

') Uet Terhaal U ontleend aan den boven aangehaalden brief van Dn Umi- 
rier. Niet onwaarschvjnlijk 'u het, dat het betrekking heeft op de reia ran het 
schip de Bruyn-visch, kapitein Carel Nijs of Denijs, met wien Joris Caroloi 
en andere stuurlieden omstreeks het begin van 1619 terugkwamen van ccoe 
reis, op last der Staten -Generaal oudernomen ter beproeving der nieuwe manier 
van bepaling der lengte op xee van Jan Hendricxz. Jaricx. Den kapitein wat 
bvj zijne Instructie door de Staten -Generaal opgedragen, zuo mogelgk tegel^k 
eenige ontdekkingen te doen en wij weten . dat hij o. a. IJsland bezocht. (Zie 
over deze reis: Instr.der Stn.-Gt-n. voor Nys dd. 17 Mei 1618, in : Instructieboek der 
Stn.-Gen. R.-A. — Kesol Admiralit. Amst. 5, 17 Mei 1618, 12 Jan. 1610.^ 
R. S.-G. 5 Jan. 1619. — Carolus. Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148.) 

•) Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 16S4, iat 
Noordsche togteu 4. Loop. N. (.'. R.-A. 



177 

oienwe landen ie Eoeken. Reeds in 1614 schgnt het met geen 
ander doel geweest te zgn , dat het schip >bet cleyne Swaentgen" 
T»n Delfshaven, kapitein Jan Jansz. Kerckhoff, de IJszee invoer; 
hg was echter niet verder dan Jan Mayen-eiland gekomen en 
kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van Opperdoes, die met bot schip 
>TBwaentgen" ook wel genaamd >bet da;S'gen"oplastder Noord- 
sche Compagnie in 1615 van Spitsbergen oitgezeild was, om 
weder ontdekkingen te doen, had bet, dezelfde richting als de 
reizigers van 1614 volgende, eveneens niet verder gebracht '). 
Haar nu bet zoeken van den doortocht was opgegeven , nam de 
compagnie het doen van dergel^ke ontdekkingsreizen op kleiner 
•chaal met meer gver ter band. De resultaten waren echter 
schraal : slechts éea enkele maal vernemen wy van eene ontdekking. 
Joris Carolns ontdekte in 1617 op een schip, door drie kamers 
der Noordsche Compagnie — die te Delft, Hoorn en Enkhnizen — 
nitgemst , twee eilanden ; het eene , door de schepelingen Nienw- 
HoUand genaamd, was gelegen van 60° tot 63* NB. (een ge- 
deeltevan Groenlands oostkust?!, bet andere, Opdams-eiland , op 
66* NB. en 20 mglen ten oosten van IJsland '). Dit laatste, 
ook wel Enkhnizer-eiland genoemd *), is ook op latere Neder- 
landsche kaarten onder dieu naam te vinden *); tegenwoordig is 
het echter daarvan verdwenen on het kan dus bezwaarl^k als 
eene ontdekking beschouwd worden. Het verlangde octrooi werd 
echter aan de compagnie dadelgk verleend. 

Het resultaat was zeker niet schitterend en de >jaerlycie ont- 
deckingen" zelve der Noordsche Compagnie toonden , dat zg meer 
en meer de hoop opgaf om langs dien weg voordeel te behalen. 
Wg zagen, dat reeds by de laatste ontdekkingsreizen de kosten 
gedragen werden door eenige kamers der compagnie , terwgl de 
andere zonder tw^fel den moed badden laten zakken. Na 1617 zien 
wg nog wel ontdekkingsreizen ondernemen , maar niet de kamers , 
slechte enkelen harer leden drogen daarvan de kosten. Hoewel 
vreemden door hnn kapitaal dat der ondernemers moesten ver- 
sterken, waren het toch steeds leden der geoctrooieerde veroeni- 
^ng, die de reizon schgaen ontworpen te hebben; steeds worden 



') Zie meer toot iae beide reiien in Hnofditub IX. 

■) B. S.-O. S8 Ocl. IfllT. 

') DeuD Dum drugt het eiUnd , toovar ik weet, bet eent op de kurt Tin 
lOodt-OToenliailt ent." in Ciralni' Nieuw Tenneerde Licht dea ZeevterU. p. 14S. 
Wunchgnlijk ii de num door Cirolui vennderd en bet eiland nur lijne Tider- 
«Ud beiKiemd. W^ ttgen recdi hovEii (p. 169 Noot i) , dit Cirolus ziük eene ver- 
■aderivg niet Kbawde , wmaeer durdonr lijo eigen undeel un in ontdekking 
iDccr op den Toorgrood gaiteld werd. 

*] O. 1. op de kurt van Groenliad eni. in den itlu tu Gooi {1S6S) en 
>elb oiqt np de wekurt Tan Van Keolen. 



178 

zij in do eerste plaats geuocmd. En daar het aandeel, dat dien 
leden aan de eveutneele ontdekkingen zon ingeruimd worden, 
volgens de bepalingen door de kamers gemaakt steeds dadelgk 
aan de generale compagnie ton goede moest komen zonder dat 
den ontdekker zelfs voor de vier jaren van het >generael octroy** 
afzonderlijke exploitatie werd gegund *), kunnen ook deze reizen, 
hoewel slechts gedeeltelijk op kosten van enkele leden der Noord- 
sche Compagnie ondernomen, zeer wel onder de reizen der ver- 
eeniging gerangschikt worden : het feit , dat geen enkele maal 
zonder medewerking van hare ledon gehandeld werd , bewgst vol- 
doende, dat zij het was, die aanleiding tot de tochten gaf. Reeds 
dadelijk in 1618 vinden wg drie reizen vermeld. 

Twee Hoomsche kooplieden, Jan Jansz. Molenwerff, bewind- 
hebber der aldaar gevestigde kamer der Noordsche Compagnie , en 
Otto Reyners, hadden reeds in 1616, zoo men hun verhaal geloo- 
ven mag, het schip >de vier Heemskinderen", kapitein Pieier 
Jansz. stuurman Laurens Broers , ter ontdekking van nieuwe 
plaatsen voor de walvischvangst uitgezonden. Het resultaat der 
reis was de ontdekking geweest van een eiland op 70 j* NB. , 28 
k 30 mijlen westzuidwest van Jan Mayen-eiland. Het volgende 
jaar hadden zg weder een schip daarheen uitgezonden om hunne 
ontdekking te exploiteeren ; men had de walvischvangst daar be- 
proefd en met uitnemend gevolg gevestigd. In 1618 werden na 
weder twee schepen met hetzelfde doel uitgezonden , maar het gs 
belette de schepelingen ditmaal het eiland te naderen en den 12 
Augustus vielen zij zonder eenigc vangst te Hoorn binnen. Na 
eindelijk werd er aan gedacht , bij de Staton-Generaal octrooi voor 
de ontdekking aan te vragen ; de reeders lieten een proces-verbaal 
van hunne vruchteloozc laatste reis opmaken en verzochten de Staten 
dit te willen aannemen als rapport van hunne ontdekking. Maar 
het verzoek was zeer bedenkelijk. Nog daargelaten , dat een 
eiland op de aangeduide plaats niet bestaat en dus het geheele 
verhaal onwaarschijnlijk is, konden de reizigers >geen perfect 
rapport doen vande gelegen theyt vant voorszeide eylant by bewys 
van Caerte , Sti eecken , opdoeninge ende aencomste by tsel ve , om 
daermede te thoonen dat zy de vinders daervan alleene waren.** 
De Staten-Generaal oordeelden dan ook het verzoek der reeders 
om eene akte volgens het »generael octroy*' ongegrond en wezen 
het van de hand. (24 Augustus 1618.) *) 

Gelukkiger waren weinige dagen later OiO Augustus) Comelis 
Jansz. Muis en Adriaeu Direxz. Leversteyn , de hardnekkige con- 



') Contr. V. de N. C. met de Zeeuwen, art. 19, in: XooriUche togten. 
4. Loop N. C. R.-A. 

•) R, S.-G. 24 Aug. 1618. 



179 

current der Noordsche Compagnie , op wier kosten kapitein Aert 
Adriaensz. Havelaer >) met het schip >de Hasenwint" op 67 1* 
toBschen Groenland en IJsland, een eiland ontdekte (waarschijn- 
lyk een gedeelte van Groenlands oostkust) , waar hg vele vogelen , 
vossen, kabeljauwen en andere dieren ving. De schipper deed 
dadelgk na zgne terugkomst op 17 Augustus rapport van zijn 
wedervaren en de Staten-Generaal verleenden na overlegging 
der kaart de door de reeders van de ontdekking verzochte akte 
volgens het >generael octroy'* *). 

Allerbelangrgkst is het bericht, dat wg in de resoluti^n der 
Staten-Generaal van 8 Januari 1619 vinden omtrent de ontdek- 
king van een voor de walvischvangst geschikt land tusschen 
76*3' en 80*6' NB. door Logier Jaspersz. met een schip van 
' Pieter Courten te Middelburg, een der voornaamste leden van 
de Zeeuwsche compagnie voor de walvischvangst. Dit land , door 
den ontdekker Nieuw-Zeeland genaamd , moet gelegen hebben op 
de oost- of westkust van Groenland '). Maar hoe dit ook zg, 
in ieder geval is de reis, waarvan ons dit schrale bericht is 
overgebleven, een nieuw bewgs van de verbazende volharding 
onzer zeelieden, die reeds in de zeventiende eeuw in eene altgd 
bgna onbevaarbare zee doordrongen tot eene hoogte , die zelfs de 
zooveel beter toegeruste reizigers van onzen tgd daar niet of 
eerst in de allerlaatste jaren bereikt hebben. Ën dat de ont- 
dekking wèl gestaafd was, blijkt uit de resolutiën der Staten- 
G^neraal zelve: het verzochte octrooi voor vier jaren werd 
dadelgk verleend *). 

Van eene andere reis, in 1619 op kosten eener Delftsche com- 
pagnie van kooplieden ondernomen, zgn geene berichten over. 
Bruin Willemszw d'Edel en Bruin Dircxz. Van der Dusse kochten 
in het voorjaar van dit jaar van de Noordsche Compagnie het 
schip de »Waterhondt*' van 180 last en zonden het 1 Mei naar 
Groenland. De Staten-Generaal leenden den reeders op hun verzoek 
veertien stukken geschut met de daarbg behoorendo kogels , maar 
van den uitslag der reis is niets bekend *). 

*) HtTdaer wordtin 1617 als gverig contrs-remonitrant genoemd bg: Brandt, 
Hiat. der Reform. II p. 461. 

*) R. S.-6. 80 Ang. 1618. 

*) Wearschgnl^k lag het land op de oostkust , want de ontdekkers kwamen 
Tan Spitsbergen, waar zij nog in het begin van Jali 1618 trschtten walvisscben 
te TaBgen in Sir Thomas Smiths bay. (Mémoire et Relat ion veritable , b\j: Muller, 
Mare Clansum. p. 874. — Vgl. hierna Hfdst. VI.) 

•) R. S.-6. 8 Jan. L619. 

*) R. S.-G. 13 Apr. 1619. — Het is trouwens niet onwaarscl^jnmk , dat 
deie reit alleen gedaan werd om wslvisschen te vangen. jfBrujn van der Dussen" 
toeh vertegenwoordigde in 1640 met Jacob Van der Graeff de N. C. Het is dui 
wel mogelijk, dat het schip eenvoudig voor rukcning der kleine N. C, 



180 

De verdere tochten, door de Nederlanders in de eerste jaren 
na 1619 ondernomen, schgnen niet tot de ontdekking van nieuwe 
landen in het noorden geleid te hebben , ten minste de resolntiSn 
der Staten-Generaal zwygen daarover. Trouwens wanneer men 
niet tot het zoeken van den doortocht den steven verre naar 
het noordwesten wendde, was er niet veel nieuw land meer in 
de IJszee te vinden. De oostkust van Groenland was op enkele 
plaatsen bereikt, de eilanden in de IJszee waren voor zoover ze 
nu bekend zgn reeds allen ontdekt, ook Groenlands westkust 
was door Nederlanders bevaren. Het is dan ook alleen van 
tochten tot het zoeken van den doortocht ondernomen, dat wg 
nog enkele berichten vinden. 

Het jaar 1624 kwam en plotseling zien wg de Nederlanders 
het zoeken van den noordelgken weg naar Oost-Indië weder met 
kracht opnemen. Naar beide zgden werd dit jaar de nog steeds 
onbekende doorgang gezocht. De Noordsche Compagnie zond een 
schip oostwaarts; de koopman Leversteyn, dien w|j reeds in 1618 
als haar mededinger leerden kennen, deed ditmaal eene uitrus- 
ting naar het westen. Door de jaarlgksche tochten ter walviscL- 
vangst waren de schippei*s der compagnie meer en meer bekend 
geworden met de noordkust van Spitsbergen; zg hailden opge- 
merkt , dat die kast zich meer en meer naar het oosten wendde. 
Tot 82* NB. waren zg in het noorden doorgedrongen en een 
schipper van Enkhuizen had op die hoogte zelfs >eenighe ghe- 
broocken landekens'* of eilanden meenen te zii»n. De verkregfen 
zekerheid, dat Spitsbergen niet zooals men vroeger meende een 
gedeelte van Groenland was , maar dat zich ten noorden van het 
eiland eene ijsvrgc zee bevond , die zich ten minste een eind ver naar 
het noorden uitstrekte, gaf nieuwe hoop op het vinden van den door- 
tocht en het omzeilen der ver in het noorden uitstekende kaap Tabin. 
De Noordsche Compagnie besloot eon spiegelschip van 40 last, wel 
uitgerust en voor langen tijd van proviand voorzien , uit te zenden 
om dien weg in te slaan. Den 3 Juni 1624 verliet dit schip onder 
bevel van Simon Willemsz. '), met Jacob Jacobsz. van Edam 
als stuurman en acht personen als bemanning, de reede van 
Texel. Het plan was noordelgk langs Spitsbergens westkust naar 
de pool te zeilen, — de oude theorie van de warmte onder de 
pool gaf daartoe den moed; — eerst echter zou onderzocht wor- 
den of de noordkust van het eiland voortging zich oostwaarts te 
wenden, om zekerheid te verkiijgen of langs den voorgenomen 



waartoe ook Van der Graeff behoorde , op de vis8cher\j zeilde naar Jan Mayen- 
eiland.dat dikwgls «Groenlandt" genoemd wordt. 

') Mitsckien de kapitein van het schip de Craen, dat in 1611 de reii met 
Jun Corneliu. Maj deed. 



181 

weg kaap Tabin te bereiken was en of niet hoog in het noorden 
missohien een onbekend land den reizigers den pas zou afsngden. 
In Nederland stelde men zich van den uitslag dezei reis veel 
▼oor, maar de uitkomst beantwoordde geheel niet aan de ge- 
koesterde verwachting. Reeds op 83* NB. belette de gsvlakte 
het schip verder noordelgk te zeilen ; men was genoodzaakt oost- 
waarts den rand van bet gs te volgen. Nergens werd echter 
een doorgang naar het noorden gevonden : het schip was genood- 
zaakt terug te keereu. Zoo spoedig was de reis geëindigd, dat 
de schepelingen nog vroeg genoeg in de Mauritius-baai aankwa- 
men om aan de walvisch vangst van dit jaar deel te nemen *). 

Uitvoeriger berichten wist Leversteyn van zgn wedervaren te 
geven. Reeds vroeger meende men de zekerheid verkregen te 
hebben, dat Groenland ten noorden aan de westkust van straat 
Davis verbonden was en dat dus deze zoogenaamde straat geeiie 
zeeëngte maar een baai was. Toen Leversteyn dus in 1624 met Jan 
Jansz. Molenwerff, bewindhebber van de kamer der Noordsche 
Compagnie te Hoorn, en een ander koopman, Borch genaamd, 
een schip uitrustte om in het noordwesten eenen doortocht 
naar Oost-Indië te zoeken, hoopte men dien weg niet zoozeer 
hoog in het noorden als wel iets lager in het verre westen te 
vinden. Het schip, waarop waarschijnlijk Marten Arendsz. van 
Den Briel opperstuurman was * ) , zeilde dan ook daarheen en vond 
werkelgk ten noorden van Hudsons-straat >een passagie, daer 
ghemeent werdt een pas naer Oost-Indien te zgn: daer was een 
open Zee, wel vierdehalf Mgl wgt, en al gebroocken Lant, vol 
van volck, al met Pelterijen en Robbe-Vellen ghecleedt, seer be- 
gerich naer Yser-werck, \7illende de Bouten uyt het Schip haelen: 



M Zie over deze reis: Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95, IX fol. 123. 

*) Ik Tennoed dit , omdmt op eene kaart van de zuidwestkust van Groenland , 
door La Pereyre in de bibliotheek van kardinaal Mazarin gevonden, aangetee- 
kend stond: «Haec delineatio facta est per Martinum filium Amoldi natom in 
HuUandia, Civitate dicta den Briel qui bis navigatio'nem ad insniam 
dictam antiqoam Groenlandiam, instituit; tanquamsupre- 
mns Onbernator, ano 1624 & ] 625." (White , Spitzbcrgen and Greenland. 
p. 180.) Van Leversteyn alleen weten w^, dat h^ in beide jaren een schip naar 
straat Davis uitzond. (Is misschien het nnden van deze kaart , die in het archief 
der Staten-Generaal behoorde, op die plaats reeds voor 1646 eene aanw^zing, 
dat Leversteyn, wiens daden zulk eene verrassende overeenkomst met die van 
Le Maire vertoonen, evenals deze den koning van Frankrijk voor z^jne noorde- 
Igke ontdekkingen heefl willen interesseeren, nadat de Staten-Generaal hem te- 
leurgesteld hadden ?) — Op deze tocht was ook tegenwoordig de bekende Willem 
Ys, de zegsman van Witseu en Zorgdrager. Dit blijkt uit zgu verhaal over de 
twee oaar Nederland overgebrachte Groenlandsrs bg: Witsen, Noord- en oost- 
Tartarve. p. 928. Wassenacr verhaalt (Hist. verh. TX p. 48, 124), dat op dezen 
tocht de twee Groenlandcrs herwaarts kwamen. 



162 

seer diefachtig, alles nemoDde dat los is, rauw Vleesch en Viach 
eetende , seer net op een parck schietende , met haer Flitsen daer 
sy het Wildt mede treffen : daer was goede handelingh van Pelte- 
rijen , dies men iu *t Schip alles vermangelt heeft dat het in 
hadile/* ') Niettegenstaande den ophef van deze ontdekking 
gemaakt blgkt hot overtuigend , dat de reizigers eenvoudig straat 
Davis een eind weg opgezeild zgn en wel niet verder dan tot 
65* Nfi. *). De ontdekte »passagie*' is waarschynlgk de Cnmber- 
lands-bay. Dat de doortocht niet gevonden werd, spreekt van 
zelf; straat Davis overstekende keerden de reizigers langs de 
oostkust terug. Leversteyn verhaalde toch aan de Staten-(}ene- 
raal, dat een door hem ontdekt land zich van 9 de Oostcaep van 
Fretum Davis" (d. i. kaap Farewell) >) uitstrekte tot 5* meer 
noordelgk, waar zich een zekere rivier bevond, die zgn Bchip 
bezocht had *). 

Maar niet ongestoord zou Lieversteyn de vruchten van zgne ge- 
waande ontdekking genieten. Ook een Brielsch koopman Engel- 
bert Pietorsz. Van der Zee had dit jaar straat Davis doen bezei- 
len en daar ontdekt een nieuw eiland, waar hg had 9opgedaen 
seeckere silvere ende goutmynen voor desen noyt bekent •)." Zoo- 



M Wawnarr. Hut. Tcrhacl. IX ibl. 43. 

*) Oi>k de Dtnwkfurighfid dir ontdekking liet te wenacheo oTerig. Niet illeeB 
wist ]<eTerste}n uiet jai«t aan te duiden, waar de ontdekte landen gelegen wa- 
ren (R. S,-G. 37 Febr. 16^5 . maar de beTelhebber Marten Arendfx. rerkcerde 
mtg in df onde dwaling, dat Gn^nland» /aidpant nit twee eilanden bestond. 
(Zir de kaart van Groenland, in: White. Spitxbergen and Greenland. p. 17(. 
naar ArendAi.' kaart vervaardied. Zie ald. p. IS0.> 

*> >Yetttin IHTids i» namelgk in de zeventiende eeaw de naam niet alleea 
%an de xvettraat. maar bepaaldel\jk ook van Groenland* westkust, terwgl de 
westkutt vau «traat l>avi« al» het Westland bekend 15. Groenland» oostkost bcette 
daarentei^ra WrM-GrvMrnland . verdeeld in Oud-Gnteoland . het laidelijke, en 
Nieuw-Grxwnland. het ncK^rdelijke cedeelte der kust. Spitsbergen werd tont^ 
lV»st -Groenland genoemd. 

« K. S.-G. Il No%. UU. — IV bereikte rivier is waarsehünl^k de op de 
kaarten van Groenland van Carolt* ,I6i6. K.-A.^ en Zorcdracer ^Groenl. Tiaaeh. 
p. 71>. vvtk in de atlassea van Gw» ca VLsscher. ivenaU op [>aneken* kaart tab 
Amerika. duidel\;k aaagewejea Kaals-r.vier op 6l' NB In den omtrek rindt 
men daar .IVlf* haven" eu ,lV!f* pca*.." NB lever»?evn woonde te Delft,) 

•' K. 8-G. U Kebr. 16:?: — Spi.rvB van i.:«a •.ochr vindt men op de 
kaart %an larvlu* ^aa 1626 .K.-\.^ ea j? GkV. \ -Mcher» en Zorgdrager* 
vGn^al vi«*ch. j\ 7r kaarten *aa i'.r^ti'.j-jd . •?. .ka»? Br >i" en de pBhcbc 
h*%ea" >Y t^2^ en 6S* NB IV ,»r./.*: iiws k.-tri-. .vk .^p Danekers* kaart 
*Att \tuvrik» wvr /^ k\::;~ea «xh^ïT .vi h-üa-ra ^laanx -.'atleenen aan Mar- 
ïen Arvudsx v>mi IVa Br-v*.. wsATwh;;*'";^ 'i* Wvelb-bber op LeTertttjns 
icheï^a -.a I6i4 tv Ï5 ,£:t her\ vr ï». 1>1 \ -i ■ ;? — la ïed<r ceral i» het 
a.<l *»ü»»Ar>«h\;aI\;k. Jat ie e\5«ed'l:e >aa ^ ia i.r Z.f; SfLi3gT:;ke ontdekkis- 
i.x'1 'ït*:\ j;'.*ijaj . %a-'. •.tr»^'. M*-vti .\r\;'c>i. ■.■ c *c'.-rr4'. vaa «insiüa dieta 
aa*.a«(iu GrwaUadv»' ,:iv V.ervwr p. ISl N;c4 i . vert**!: Waste aacr rcc^ ia 



V 



188 

dra Leversteyn zich nu tot de Staten-Generaal wondde met yer- 
zoek om octrooi voor niet minder dan twintig jaar, opdat hg zijne 
ontdekking met uitsluiting van allo andero Nederlanders zou 
kunnen exploiteeren en ze tot 84** NB. voortzetten , verzette zich 
Van der Zee tegen de inwilliging van dit verzoek. Van zgne z|jde 
verzocht hij octrooi om straat Davis gedurende twaalf jaren 
alloen te mogen bevaren; hjj bood aan zijne ontdekking te bewg- 
zen en tegelgk aan te toonen >de sub- ende obreptie'* van Lever- 
steyns verzoek. 

Hoewel het zoeken van den doortocht opgegeven en eene ont- 
ginning der walvischvangst in die streken niet bedoeld schgnt te 
zgn, was echter de Noordsche Compagnie niet gezind zich het 
monopolie van landbezit in de poolstreken, dat zij zoo langen 
tgd bgna ongestoord bezeten had, te laten ontwringen. Zoo zg 
zelve zich tot nog toe tot de walvischvangst bepaald had, hare 
beginselen waren te exclusief dan dat zij het zou gedoogd heb* 
ben, dat anderen zich zelfs tot het diijvcn van den pelterghan- 
dol of het ontginnen der reeds lang gezochte goudmijnen bij straat 
Davis in het noorden vestigden. Dadelgk verzocht zg dan ook 
de Staten-Generaal, de requesten van beide kooplieden, voordat 
daarover eene beslissing genomen werd, in hare handen te doen 
stellen om ze nader te onderzoeken. De Staten-Generaal wensch- 
ten echter de beslissing aan zich te houden en besloten (11 No- 
vember), de drie partijen voor eene daartoe benoemde commissie 
nader te doen hooren ■). 

De beide requestranten schijnen daardoor in groote verlegen- 
heid gebracht te zijn: reeds den 21 November werden partijen 
gelast tegen den 25 voor de commissarissen te verschgnen *), en 
toch hadden de beide mededingers nog in Februari zoo weinig 
afdoende bewgzen van him recht ingeleverd, dat de Staten-Ge- 
neraal op verzoek der bewindhebbers van de Noordsche Compag- 
nie besloten , Leversteyn en Van der Zee te gelasten , dat zij toch 
9 rechte openinge** zouden doen van do ligging der door hen ont- 
dekte landen om te beslissen of die al dan niet onder het octrooi 
der Noordsche Compagnie vielen, en zoo neen of zg door de 
schepen der compagnie vroeger waren bevaren '). De zaak bleef 
slepen *) : het schijnt de taktiek der partgen geweest te zijn , de 



April 1625, dat „Groenlandt gheen Eylandt bevonden is." (Hist. verh. IX fol 43.) 
Het is kwalgk denkbaar, dat deze kennis aan iemand anders dan Van der Zee 
ontleend ii, die blijkens zijne beweerde ontdekking van mijnen in Groenland 
daar aan land geweest is. 

«) E. S.-G. 11 Nov. 1624. 

») R. S.-G. 21 Nov. 1624. 

•) R. S.-G. 27 Febr. 1625. 

•) Wasfenaer (Hist. verh. IX f<»l. 44) verhaalt, dat Leversteyn c. s. „na lange 



184 

beraadslagingen over deze zaak te rekken, totdat zg op nieaw 
het bewnste land hadden bevaren en afdoende bewgzen voor hnn 
recht konden bgbrengen. 

Het bleef dan ook niet bg vertoogen aan de Staten-OeneraaL 
Dadeiyk zond de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie 
in het volgende jaar (1625) een scheepje van 40 k 50 last naar 
het noorden ■)• ^^ bevelhebber dezer expeditie kreeg last om 
het bewuste land te bezeilen en daarna straat Davis of Hadsons- 
straat en de naar hem genoemde baai (9syn ghevonden Zee/' 
zegt Wassenaer) te onderzoeken, »met hoope om aldaer oock wat 
raers of nieus t* ontdecken.*' De kapitein van het jacht was Jan 
Jansz. *), de bemanning bestond uit vijftien koppen. Men wilde 
dit jaar de kosten verkennen en in het najaar terogkeeren : het 
volgende jaar zou de Noordsche Compagnie dan »met ernst daer 
op equipperen ').*' De schepelingen hielden zich allereerst bezig 
met het onderzoeken der door Leversteyn gezochte 9pa8sagie'* 
(door Cumberlands-bay) , maar vonden die «ghestopt met lant." 
Iets meer naar het zuiden kwamen zg aan eenen inham, reeds 
vroeger door Europeanen bezocht (Frobisher-straat) , maar dien 
een eind wegs opzeilende, kwamen zy verder dan hunne Toor- 
gangers geweest waren. De bewoners, even roofzuchtig als de 
Groenlanders , toonden zich bereid tot ruilhandel; zg boden wa- 
pens, kleedingstukken , schuitjes en al wat zij hadden ter rnil 
aan, maar de zooveel belovende peltergen, waarvan Leversteyn 
gesproken had, kregen de Nederlanders niet te zien. Ontevreden 
keerden zij terug en na eene rampspoedige reis, door nevel, storm 
en gs gehinderd, kwamen zij in het vaderland aan *). Voorde 
ontdekking van verschillende baaien, rivieren, eilanden en vol- 
ken tusschen 60** en 68 {* NB. verzochten zg, aan hun systeem 
van uitsluiting getrouw, echter dadelgk aan de Staten-Generaal 
octrooi *). 

Maar ook Leversteyn had onderwgl niet stilgezeten. Hg had 
met zgne deelgcnooten in Mei 1625 niet minder dan drie sche- 
pen van 100 last uitgezonden, waarschgnlgk weder onder bevel 



Oppositie" in April 1625 octrooi voor vier jaar gekregen hebben. De R. S.-G. 
zwijgen daarover en het door Wasaenaer zei ven (I. c. IX fol. 184) verhaalde ttr\)dt 
er mede. 

*) Wasftenacr (Hist. vorh. IX fol. 43) zrgt , dat de compagnie in dit voor- 
nemen «ia belet.' Zie echter Wassenaer (1. c. IX fol. 124) en de R. S.-G. 
16 Dec. 1625. 

*) Jan Jarisz. bg Wassenaer (Hist. verh IX fol. 124) is zeker een drnkfoat 
voor Jan Jansz. 

•) Wassenaer. Hist. verh. IX fol. 124. 

•) WassenaiT. Hist. verh. .\I fol. 58. 

•) R. S.-G. 16 Dcc. 1625. 



185 

Tan Marton Arendsz. van Den Briel als opperstuurman ' ) , om op 
de ontdekte landen handel te drgyon on den doortocht nader te 
onderzoeken <). Z^ verkregen een gunstig resultaat en ont- 
dekten in straat Davis >seecker Lant bewoont met menschen, 
noyt voor dato vandien by eenige ingesetenen der Vereenichde 
Nederlanden bevaren ')." De beide mededingers verschenen dan 
ook op het laatst van 1625 weder voor de Staten-Goneraal en 
verzochten octrooi voor hunne ontdekkingen. De regeering stelde 
beide requesten in handen eener commissie om partyen zoo mo- 
gelgk in der minne tot eene overeenkomst te brengen *). De 
uitslag dezer bemoeiingen wordt niet gemeld. — Eene poging 
• van Van der Zee, om nog in 1627 den naar het schijnt toen reeds 
bgna vergeten strijd over do ontdekkingen op Groenlands west- 
kust weder te verlevendigen door nogmaals octrooi voor zyne 
beweerde ontdekking van 1624 te vragen, schgnt even onbeslist 
gebleven te zgn *). Het blgkt echter, dat ook in 1626 straat 
Davis door Nederlanders bevaren is *). 

Ook het zoeken van den noordoostelijken doortocht naar 
Oost-Indië was door de Noordsche Compagnie onderwgl weder 
opgevat. De ongelukkige reis van schipper Simon Willemsz. 
had haar echter van het volgen van de richting door het hooge 
noorden afgeschrikt en zg keerde dus terug tot de oude plan- 
nen der zestiende eeuw , die b^ de onbekendheid van het hooge 
noorden met groote voorzichtigheid aanrieden, op eenigszius pri- 
mitieve wgzc eenvoudig de lijn der kust te volgen. Daartoe 
lustte de Amsterdamscho kamer der compagnie nu een spiegel- 
schip van 90 last, »de Cat*' genaamd, uit voor eene lange reis. 
Het werd bemand met 24 koppen, van proviand voorzien voor 
2| jaar en schipper Comelis Teunisz. Bosman van Amsterdam 
aan het hoofd der onderneming gesteld, terwijl Willem Joosten 
Glimmer hem als commies vergezelde '). De algemeene aan- 



*) Zie hienróor p. 181 Noot 2. 

*) WassenAer, Hist. irerh. IX fol. 43, 44. 

•) R. S.-G. 10 Oct. 1625. 

•) R. S.-G. 10 Oct., l« Dec. 1625. 

•) R. S.-G. 15 Febr., 6 Mrt. 1627. 

•) R. S.-G. 24 Doe. 1626, 24 Febr. 1627. — Het schip behoorde aan Joost 
Adriaensz. Van Colster en Mr. Cornelis Musch , «Secretaris tot Rotterdam." Het 
doel der nitrusting wordt niet gemeld. 

*) Waasenaer. Hist. verh. IX fol. 123. — Gelijkheid van jaar en plan zonden 
reeds voor het vereenzelvigen van de reizen van Tennis Cornelisz. (volgens Waa- 
senaer) en van Cornelis Bosman (volgens Witsen) pleiten. Van Dam (Gesch. der 
O.-I. C. R.-A.) neemt echter allen twgfel weg door den schipper Comelis 
Tennisz. Bosman te noemen, daardoor bewijzende, dat Wassenaer bij vcrgis- 
•ing Tennii Cornelisz. voor Cornelis Teonisz. schreef. 



186 

(lacht schijnt zich op duze onderneming gevestigd te hebben ; er 
waren aan de uitrusting geheimzinnige inrichtingen verbonden, 
die aan de reis grootere kans van slagen verzekerden dan aan 
eenige vorige *). De Noordsche Compagnie, als al tgd zeer voor- 
zichtig , waar zg met hare Oost-Indische zuster in botsing dreigde 
te komen, verzocht evenals in 1615 van de Staten- Generaal 
»opene patente, daerby alle uytheemsche Coningen ende poten* 
taten mitsgaders alle gouverneurs ende bevelhebberen van wat 
conditie off qualitcyt die souden mogen syn, versocht ende ret- 
pcctive bevoelen wierden ,*' het schip te laten heen- en temggaan 
zonder eenige verhindering. (25 Maart 1625.) Het verzoek der 
compagnie werd dadelijk toegestaan en haar tevens op haar ver- 
zoek afschrift verleend van de resolutie van 1596, waarbg de 
premie van ƒ 25,000 door do Staten was uitgeloofd *). Het schip 
schgnt nog eenigen tijd opgehouden te zgn en vertrok eerst 24 Jnni 
van Texel. Het plan der reis was geheel hetzelfde als in 15d4 : 
men wilde langs de Russische kust de straat van Nassau door- 
zeilen naar den Ob, kaap Tabin tiuchten te bereiken en door 
straat Anian den weg naar Cathay , China en Japan zoeken , om 
het volgende jaar langs denzelfden weg terug te keeren en octrooi 
voor het vinden van den weg aan te vragen >). De uitslag be- 
antwoordde echter geheel niet aan de hooge verwachtingen, die 
men van de onderneming koesterde. Eei*st 24 Juli voorbg het 
eiland Kolgojev gezeild , bereikte men 28 Juli Novaya-Zemlya op 
70T)r>' NB. en werd reeds daar zoozeer door het drgfgs gehin- 
derd , dat men dagenlang in eene baai moest blijven liggen. Eerst 
10 Augustus kon de straat van Nassau ingezeild worden. Den 
13 Augustus kwam het schip ook behouden voor het Staten-eiland 
t-cn oosten van Vaigatsch ten anker, maar nauwelijks was men 
1 7 Augustus van daar vertrokken of een harde vorst deed de zei- 
len stijf bevriezen, terwijl de wind de ijsschotsen met zulk een 
geweld op het vaartuig aandreef, dat men wel genoodzaakt was 
in straat Nassau terug te keeren. Bosman was nog daar, toen 
een hevige storm hem onder sneeuw en hagel van zijne ankers 
sloeg en hem tot den terugtocht deed besluiten. De berichten 
van eenige Russische visschers, die hij ontmoette, hadden de 
reeds ontmoedigde reizigers in hun voornemen bevestigd. Zg ver- 
haalden , dat straat Nassau slechts eens om de twee of drie jaar 



») I)c grhcpcliogen hadden behalve ile proviand bij zich zekere ,,anderc noot- 
drufligheden, om redenen willen niet verhaelt.'' Ook waren zg ^met twee ttoo- 
ven int Schip vcrsieu" en »op eenich renconter wel met Cniyt en Loot rer- 
Bien." (Waasenaer, Hist. verh. IX fol. 123, XI fol. 58.) 

>) R. S.-G. 25 Maart 1626. 

*) WaMcnaer, Hist. verh. IX fol 44. 123. - R. S.-G. 25 Maart 1625. 



187 

open was en dat dan nog alleen laat in den tgd het drfjfgs den 
toegang vrijliet ; zij , die gewoon waren jaarlgks met drie of vier 
kleine scheepjes tusschen Pechora en Vaigatsch de vischvangst te 
beproeven , waren dan ook dikwijls genoodzaakt zich tot de ondiep- 
ten in de straat van Nassau zelve te bepalen ■ ). Hoe onmogelgk 
het dns voor de expeditie scheen verder te gaan , in het vaderland 
was men, toen Bosman in het begin van September onver- 
richter zake terugkwam, niet zeer tevreden over zgn beleid. 
Men schgnt hem gebrek aan volharding en moed verweten te 
hebben; men schgnt het hem ten kwade geduid te hebben, dat 
hg reeds op het gezicht van het drijfijs teruggekeerd was zonder 
sich daarin te wagen. > Het staet alsoo met «Ie vaert door *t Ys , 
naer ghelegentheyt vando winden,'* schrijft Wassenaer, die veel 
van de reis gehoopt had, »d'eene wint dryft u al het Ys op 
*tl^f dat ontrent u is , die wint veranderende , drgft al 't Ys 
van u of, en ghy hebt eenen vryen pas; die wat ondersoccken 
wil , moet niet schroomen hem in *t Ys te begheven , en daer 
eenighe daghen in te bljven legghen, en dryven, en daer nae 
weder los werden ; die soo niet doet sal niet ujtrechten , als desen 
voorghevallen is *)." 

Dit zgn de laatste berichten, die ons omtrent ontdekkings- 
reizen naar het noorden, door of ten tijde van het bestaan der 
Noordsche Compagnie door Nederlanders ondernomen, zgn over- 
gebleven. De ongelukkige uitslag sch^nt van verdere pogingen 
te hebben afgeschrikt en de Noordsche Compagnie heeft zich zeker 
meer en meer op de walvischvangst toegelegd , die ook zonder de 
ontdekking van nieuwe vaste uitgangspunten juist in deze jaren 
overvloedige winsten afwierp '). Voordat wg echter over de ont- 



*) fiixonderheden over deze reis vindt men bij : Van Dam, Gesch. der O.-I. C. 
I eap. 1 5. (MS. R.-A.) , die een uittreksel uit het journaal van Bosman ge- 
Imikte. Daannede stemmen overeen Witsen (Noord- en oost-Tart ar ye. p. 906, 7) 
en fierghaus. (Wat men van de aarde weet. I p. 229.) Tn bizonderheden w^kt 
dexe laatste echter van het verhaal der anderen af zonder zijne autoriteit 
te noemen. 

») Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58. — Twee andere ^wel-ghcmonteerdc" 
schepen der N. C. zeilden dit jaar nog „op een ander uoyi bevaercn plaets om 
jeU t' ODtdecken." (Wassenaer 1 c. IX fol. 124.) 

*) Gedurende het bestaan der Noordsche Compagnie bepaalde men zich ver- 
der dan ook tot het onderzoeken der kusten van Spitsbergen. Men moet echter 
voorzichtig z^n met het toeschrijven van ontdekkingen aldaar aan Nederlanders : 
de Hollandsche namen zgn daarvan volstrekt geen bewgs, daar de Nederlanders 
zich niet ontzagen de namen door Engelschen gegeven op hunne kaarten te ver- 
talen, b. V. Klok-baai, Kyk-uit enz. (Bell-sound, Look-out.) Toen de Noordsche 
Compagnie in 1642 werd opgeheven, ondernamen natuurlvjk nu en dan Neder- 
landsche walvischvaarders tochten om nieuwe kusten te vinden , terwijl Spitsbergen 
meer en meer verlaten werd. Maar toch niet dan zelden was dit het geval ; weldra 



188 

dekkingen der Noordsche Comimgnie zwggen , blgft ons over ieU 
mede te deelen omtrent de ontdekking van Jan Mayen-eüand, 
waarover zeer verwarde verhalen in omloop zgn. 

Jan Mayen-eiland is volgens de gewone overlevering ontdekt 
door Jan Cornelisz. May op zgne reis naar het noorden in 1611. 
Dit verhaal, reeds door Zorgdrager medegedeeld '), is na hem 
door alle schrgvers, die het eiland vermelden, overgenomen *). 
Het is niet moeielijk de redeneering na te gaan, die het heeft 
doen ontstaan. Jan Mayen-eiland was natunrlgk ontdekt do<nr 
Jan May , de naam zelf reeds wees het aan ; zekere Jan May was 
in 1611 naar het noorden geweest, dus was hg de ontdekker. 
Toch mocht het zonderling heeten, dat zulk eene belangrgke 



werd de overtuiging algemeen, dat,. zon de walvisch uit de zee om Spitsbergea 
langzamerhand verdween, andere wateren nog minder door die begeerl^ke prooi 
bezocht werden. Ook de berichten omtrent die tochten zijn schaarsch en on- 
samenhangend. Over de reizen van Willem Vlaming en de beide zonen tu 
Jelmcr ('ock (in 1663 of 64, 1669 en 1688) vindt men een en ander b^: 
Witseu, Noord- en oost-Tart ar> e. p. 900, 2, 8. 4, 23, 24, 25, 26. bq: Vai 
Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5, bij: Valeutijn, Oud eu nieuw O. I. lp. IM, 
bij : Zorgdfi'.gor, Groenl. vissch. p 186, en bij : De Jonge, Nova-Zembla. p. 24— 26,~ 
over de reis van Cornelis Pictersz. Snobbeger (1675), bij: Witsen 1. c. p. 918, — 
van Tennis Ys: ald. p. 901, 2, 4. 51, 52, — van (k>rnelis Roule : ald. p. 920.— 
over ontdekkingsreizen door Nederlanders in 1664 eu 66 oudemomen : ald. 
p 007, 62 , — over de plannen van den commandeur ter walvisch vangst Jan 
Pietersz. Haay (1650), bij: Van Dam, Gesch. der O.-l, C. 1 cap. I 5 (cf. Zorg- 
drager. Groeul. vissch. p 320) . — over de ontdekking van verschillende ponten 
van Groenlands oostkust (1654. Gale Hamkcsland en baai op 78® — 75^ NB. — 
1655. Broer Ruysland ontdekt door Gerrit Ruisch op 73o. — 1655. Edamaland 
op 77® of 78» NB — 1665. Bontekoe's eUand op 78»30' (?). — 1670. Lam- 
bertsland op 78*'30') : in de atlassen van Colom, Goos en Doncker, en op de kaart 
vau Vau Keulen. (Vlg. Witsen 1 c. p. 904 is Groenlands oostkust in de 17* 
eeuw nooit bereikt.) — over de ontdekking van Gillis-laud op SO^ NB. ten 
oosten van Spitsbergen door Cornelis Gillis: in den atlas van Van Keulen; — 
over de ontdekking van het problematische Jelmersland: Witsen 1. c. p. 902 1 
en van het niet bestaande Witsen -eiland: ald. p. 928. — De O.-I. C. aehgnt 
in het midden der 17* eeuw nog enkele reizen tot het zoeken van den N.-O. 
doortocht van O.-I. uit te hebben doen ondernemen. Zie daarover: Philoaophieal 
Transactions of the Royal Society. IX , X p. 197, 417. — Zorgdrager, Groenl. 
vissch. p. 137. — Scoresby, Account of the arctic regions. l App. p. 62. — 
Over plannen om voor het zoeken van den N. doortocht nog in 1 664 een monopolie 
te verkrijgen vergelijke men: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5. 

*) Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101. 

*) O. a. door den schrgver van : De walvisch vangst (II p. 62), MoU (Zee- 
togten der Nederl. p. 95), Bennet en Van Wgk (Nederl. ontdekk. p. 54), Asber 
(Hudson the Navigator, p. 257). Berghaus (Wat men van de aarde weet. p. 8S5), 
Barrow (Vojages into the arctic regions. p. 227.) Alleen Scoresby (Account of 
the arct. reg. I p. 154) twgfelt , maar op zeer dwaze gronden. 



189 

plaats in het octrooi der Noordsche Compagnie van 1614 niet 
genoemd werd; toch berichtte de heer De Jonge, dat in het zeer 
oitvoerige journaal van de reis van Jan Comelisz. May geene 
melding van het eiland gemaakt werd * ). Nasporingen op het 
Bgks- Archief en elders hebben m^ nu in staat gesteld, de ware ge- 
schiedenis der ontdekking uitvoerig te verhalen. Dat zg ingewikkeld 
is blgkt reeds uit de feiten, dat niet minder dan zevenmaal 
terecht of ten onrechte op de eer en het voordeel der ontdekking 
van Jan Mayen-ciland als van een nieuw land is aanspraak ge- 
maakt , — dat over die ontdekking niet minder dan drie processen 
door Nederlanders en vreemdelingen tegen de Noordsche Com- 
pagnie gevoerd z^n , — dat het eiland onder twaalf verschillende 
namen in de geschiedenis bekend is, — dat degene, die geacht 
wordt zgn naam aan het eiland gegeven te hebben , zelfs van het be- 
staan daarvan geheel onkundig was , — en dat de werkelgke naam- 
gever de eigenlijke ontdekker niet is. In de volgende bladen hoop 
ik al deze vreemdklinkende beweringen te bewijzen: voorloopig 
zal ik m^ bepalen tot een kort verhaal der verschillende zooge- 
naamde ontdekkingen. 

>In the jeere 1608,** dus verhaalt Edge in zijn »Northemc 
Discoueries of the Muscouia Merchants," »the said fellowship 
set forth a Ship called the Hope-well, whereof Wil- 
liam Hudson was Master, to discouer to the Pole, 
where it appeareth by his lournall, that hee came 
to the height of 81 degrees, where he gaue Names 
to certayne places, vpon the Continent of Green- 
land formerly discouered, which continue to this 
day, namely, Whale Bay, and Hackluit Headland, 
and being hindred with Ice, returned home without 
any further vse made of the Countrey, and in ran- 
ging homewards, hee discouered an Hand lying in 
71 degrees, which hee named Hudsons Tutches/* *) 
Asher •) heeft m. i. overtuigend bewezen, dat Hudsons Tutches 
niets anders is dan Jan Mayen-eiland ^), en dat dit laatste in 
Engeland nog in 1618 onder den naam van >Hudson*s Touches*' 



') De Jonge, Opkomst. I p. SO. 

*) Porchai, Pilgrimes. III p. 464. 

•) Asher, Hudson the Nsyigator. p. CXCI, CXCII, 146 Noot l. 

*) In éene zaak echter geloof ik, dat Asher hier dwaalt. Hij vindt een hewijs 
sgner stelling in den naam „Rudson's point", volgens hem eene verbastering van : 
Hudsons point. Ik durf zeggen, dat de afleiding geheel verkeerd is. Op de 
m\j bekende kaarten heet de bedoelde plaats niet «Rudson's point" maar eenvou- 
dig «Rudsen.** Met dezen naam worden dunkt m\j de klippen bedoeld , die daar 
in lee liggen. (Rudsen, rudzig, oud-Hollandsch voor: rotsen, rotsig.) 



162 

seer diefachtig , alles nemeDde dat los is , rauw Vleesch en Visch 
eetende , seer net op een parck schietende , met haer Flitsen daer 
sy het Wildt mede treffen : daer was goede handelingh van Pelte- 
rijen , dies men iu 't Schip alles vermangelt heeft dat het in 
hadde.** ') Niettegenstaande den ophef van deze ontdekking 
gemaakt blgkt het overtuigend , dat de reizigers eenvoudig straat 
Davis een eind weg opgezeild zgn en wel niet verder dan tot 
65* Nfi. *). De ontdekte >passagie'' is waarschgnlgk de Cumber- 
lands-bay. Dat de doortocht niet gevonden werd, spreekt van 
zelf; straat Davis overstekende keerden de reizigers langs de 
oostkust terug. Leverstejn verhaalde toch aan de Staten*(}ene- 
raal, dat een door hem ontdekt land zich van >de Oostcaep van 
Fretum Davis" (d. i. kaap FareweU) ») uitstrekte tot 5* meer 
noordelgk, waar zich een zekere rivier bevond, die zgn schip 
bezocht had *). 

Maar niet ongestoord zou Leverstejn de vruchten van zgne ge- 
waande ontdekking genieten. Ook een Brielsch koopman Engel- 
bert Pietersz. Van der Zeo had dit jaar straat Davis doen bezei- 
len en daar ontdekt een nieuw eiland, waar hg had 9opgedaen 
seeckere silvere ende goutmynen voor desen noyt bekent •)." Zoo- 



>) Wtstenaer, liUt. verhael. IX fol. 43. 

*) Ook de naowkeorigheid der ontdekking liet te wenschen overig. Niet alleen 
wist Iieventeyn niet juist aan te duiden, waar de ontdekte landen gelegen wa- 
ren (R. S.-G. 27 Febr. 1625), maar de bevelhebber Marten Arendv. verkeerde 
nog in de oude dwaling, dat Groenlands zuidpunt uit twee eilanden bestood. 
(Zie de kaart van Groenland, in: White, Spitzbcrgen and Greenland. p. 175, 
naar Arendsz.' kaart vervaardigd. Zie ald. p. 180.) 

*) Fretum Davida is namel^k in de zeventiende eeuw de naam niet alleen 
van de zeestraat, maar bepaaldelijk ook van Groenlands westkust, terwgl de 
westkust van straat Davis als het Westland bekend is. Groenlands oostkoit heette 
daarentegen West -Groenland , verdeeld in Oud-Grocnland , het zuidelijke, en 
Nieuw-Groenland, het noordelijke gedeelte der kust. Spitsbergen werd somtgds 
Oost-Groenland genoemd. 

*) R. S.-G. 11 Nov. 1624. — De bereikte rivier is waarschgnlük de op de 
kaarten van Groenland vau Carolus (1626. R.-A.) en Zorgdrager (Grocnl. visaeh. 
p. 71), ook in de atlassen van Goos en Visscher, evenals op Danckers' kaart van 
Amerika , duidelijk aangewezen Baals-rivier op ti^ NB. In den omtrek vindt 
men daar «Delfs haven" en »Delfs punt." (NB. Leversteyn woonde te Delfi.) 

•) R. S-G. 15 Febr. 1627. — Sporen van dezen tocht vindt men op de 
kaart van Carolus van 1626 (R.-A.) en op Goos*, Visschers en Zorgdragers 
(Groenl. visseh. p. 71) kaarten van Groenland, in: ^l^aap Briel" en de vBrielte 
haven" op 62«> en 63® NB. De „Brielse haven" komt ook op Danckers* kaart 
van Amerika voor. Z^ kunnen echter ook hunnen naam ontleenen aan Har- 
ten Arendsz. van Den Briel, waarsch^nlijk de bevelhebber op Levertteyns 
schepen in 1624 en 25. (Zie hiervoor p. 181 Noot 2.) — In ieder geval is het 
niet onwaarsehgnl^k, dat de expeditie van Van der Zee belangr^ke outdekkin- 
geii heeft gedaan , want terwijl Marten Arendsz. nog spreekt van ^insula dieta 
antiqua Groenlandia" (zie hiervoor p. 181 Noot 2), verhaalt Wasaenaer reeds in 



188 

dra Leversieyn zich nu tot de Staten-Generaal wendde met ver- 
zoek om octrooi voor niet minder dan twintig jaar, opdat h|j zijne 
ontdekking met uitsluiting van alle andere Nederlanders zou 
kunnen exploiteeren en ze tot 84° NB. voortzetten , verzette zich 
Van der Zee tegen de inwilliging van dit verzoek. Van z^jne zijde 
verzocht hij octrooi om straat Davis gedurende twaalf jaren 
alleen te mogen bevaren ; hij bood aan zijne ontdekking te bewe- 
zen en tegelijk aan te toonen >de sub- ende obreptie" van Lever- 
stejns verzoek. 

Hoewel het zoeken van den doortocht opgegeven en eene ont- 
ginning der walvischvangst in die streken niet bedoeld schijnt te 
zgn, was echter de Noordsche Compagnie niet gezind zich het 
monopolie van landbezit in de poolstreken, dat zij zoo langen 
tgd btjna ongestoord bezeten had, te laten ontwringen. Zoo zg 
zelve zich tot nog toe tot de walvischvangst bepaald had, hare 
beginselen waren te exclusief dan dat zij het zou gedoogd heb- 
ben, dat anderen zich zelfs tot het drijven van den pelterghan- 
dol of het ontginnen der reeds lang gezochte goudmijnen bij straat 
Davis in het noorden vestigden. Dadelijk verzocht zij dan ook 
de Staten-Generaal, de requesten van beide kooplieden, voordat 
daarover eene beslissing genomen werd, in hare handen te doen 
stellen om ze nader te onderzoeken. De Staten-Generaal wensch- 
ten echter de beslissing aan zich te houden en besloten (11 No- 
vember), de drie partgen voor eene daartoe benoemde commissie 
nader te doen hoor en >). 

De beide requestranten schijnen daardoor in groote verlegen- 
heid gebracht te zijn: reeds den 21 November werden partijen 
gelast tegen den 25 voor de commissarissen te verschijnen *), en 
toch hadden de beide mededingers nog in Februari zoo weinig 
afdoende bewijzen van hun recht ingeleverd, dat de Staten-Ge- 
neraal op verzoek der bewindhebbers van de Noordsche Compag- 
nie besloten , Leversteyn en Van der Zee te gelasten , dat zij toch 
» rechte openinge*' zouden doen van de ligging der door hen ont- 
dekte landen om te beslissen of die al dan niet onder het octrooi 
der Noordsche Compagnie vielen, en zoo neen of zij door do 
schepen der compagnie vroeger waren bevaren '). De zaak bleef 
slepen *): het schijnt de taktiek der partijen geweest te zijn, de 



April 1625, dat „Groenlandt gheen Eylandt bevonden is." (Hist. verh. IX foL 48.) 
Het i« kwal^k denkbaar, dat deze kennis aan iemand anders dan Van der Zee 
ontleend ia, die blijkens zijne beweerde ontdekking van m\jnen in Groenland 
daar aan land geweest is. 

») R. S.-G. 11 Nov. 1624. 

») R. S.-G. 21 Nov. 1624. 

•) R. S.-G. 27 Febr. 1625. 

*) Wasicnaer (Hist. verh. IX fol. 44) verhaalt, dat Leversteyn c. s. „na lange 



184 

beraadslagingen over deze zaak te rekken, totdat zg op nieaw 
het bewnste land hadden bevaren en afdoende bewgzen voor hun 
recht konden bijbrengen. 

Het bleef dan ook niet b|j vertoogen aan de Staten-CtoneraaL 
Dadelijk zond de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie 
in het volgende jaar (1625) een scheepje van 40 k 50 last naar 
het noorden >). De bevelhebber dezer expeditie kreeg last om 
het bewnste land te bezeilen en daarna straat Davis of Hadsons- 
straat en de naar hem genoemde baai (»syn ghevonden Zee,*' 
zegt Wassenaer) te onderzoeken, »met hoope om aldaer oock wat 
raers of niens t' ontdecken." De kapitein van het jacht was Jan 
Jansz. '), de bemanning bestond uit vijftien koppen. Men wilde 
dit jaar de kusten verkennen en in het najaar temgkeeren : het 
volgende jaar zou de Noordsche Compagnie dan >met ernst daer 
op equipperen *).** De schepelingen hielden zich allereerst beiig 
met het onderzoeken der door Leverstejn gezochte >passagie 
(door Cumberlands-bay) , maar vonden die »ghe8topt met lant. 
Iets meer naar het zuiden kwamen z|j aan eenen inham, reeds 
vroeger door Europeanen bezocht (Frobisher-straat) , maar dien 
een eind wegs opzeilende, kwamen z|j verder dan hunne voor- 
gangers geweest waren. De bewoners, even roofzuchtig als de 
Groenlanders , toonden zich bereid tot ruilhandel; z|j boden wa- 
pens, kleedingstukken , schuitjes en al wat zij hadden ter mii 
aan, maar de zooveel belovende peltergen, waarvan Leverstejn 
gesproken had, kregen de Nederlanders niet te zien. Ontevreden 
keerden zg terug en na eene rampspoedige reis, door nevel, storm 
en ijs gehinderd, kwamen zg in het vaderland aan *). Voorde 
ontdekking van verschillende baaien, rivieren, eilanden en vol- 
ken tusschen 60" en 68}* NB. verzochten zg, aan hun systeem 
van uitsluiting getrouw, echter dadelgk aan de Staten-Generaal 
octrooi •). 

Maar ook Levcrsteyn had onderwgl niet stilgezeten. Hg had 
met zgne deelgenooten in Mei 1625 niet minder dan drie sche- 
pen van 100 last uitgezonden, waarschgnlgk weder onder bevel 






oppositie*' in April 1625 octrooi voor vier jaar gekregen hebben. De R. S.-G. 
zwijgen daarover en het door Wassenaer zei ven (t. c. IX fol. 124) verhaalde ttrgdt 
er mede. 

*) Wassenaer (Ilist. vrrh. IX fol. 43) zrgt , dat de compagnie in dit voor- 
nemen «is belet.' Zie echter Wassenaer (1. c. IX fol. 124) en de R. S.-G. 
16 Dec. 1625. 

*) Jan Jarisz. b^ Wassenaer (Ilist. verh IX fol. 124) is zeker een drukibat 
voor Jan Janu. 

•) Wassenaer. Hist. verh. IX fol. lU. 

*) Wassenaer. Hist. verh. XI fol. 58. 

*) R. S.-G. 16 Dec. 1625. 



185 

Tan Marton Arendsz. van Den Briel als opperstuarman > ) , om op 
de ontdekte landen handel te drgven en den doortocht nader te 
onderzoeken *). Zij verkregen een gunstig resultaat en ont- 
dekten in straat Davis »8eecker Lant bewoont met menschen, 
toyt voor dato vandien by eenige ingesetenen der Vereenichde 
Nederlanden bevaren *).** De beide mededingers verschenen dan 
ook op het laatst van 1625 weder voor de Staten-Generaal en 
verzochten octrooi voor hunne ontdekkingen. De regeering stelde 
beide requesten in handen eener commissie om partijen zoo mo- 
gelgk in der minne tot eene overeenkomst te brengen *). De 
uitslag dezer bemoeiingen wordt niet gemeld. — Eene poging 
• van Van der Zee, om nog in 1627 den naar het sch|jnt toen reeds 
bgna vergeten strgd over de ontdekkingen op Groenlands west- 
kust weder te verlevendigen door nogmaals octrooi voor zgne 
beweerde ontdekking van 1624 te vragen, schgnt even onbeslist 
gebleven te zgn *). Het blgkt echter, dat ook in 1626 straat 
Davis door Nederlanders bevaren is *). 

Ook het zoeken van den noordoostelij ken doortocht naar 
Oost-Indië was door de Noordsche Compagnie onder wgl weder 
opgevat. De ongelukkige reis van schipper Simon Willemsz. 
had haar echter van het volgen van de richting door het hooge 
noorden afgeschrikt en zij keerde dus terug tot de oude plan- 
nen der zestiende eeuw , die bg de onbekendheid van het hooge 
noorden met groote voorzichtigheid aanrieden, op eenigszius pri- 
mitieve w|jze eenvoudig de lijn der kust te volgen. Daartoe 
lustte de Amsterdamsche kamer der compagnie nu een spiegel- 
schip van 90 last, »de Cat*' genaamd, uit voor eene lange reis. 
Het werd bemand met 24 koppen, van proviand voorzien voor 
2j jaar en schipper Comelis Teunisz. Bosman van Amsterdam 
aan het hoofd dor onderneming gesteld, terwijl Willem Joosten 
Glimmer hem als commies vergezelde ^). De algemeene aan- 



*) Zie hiervoor p. 18] Noot 2. 

*) Waaaenaer, Hist. verh. IX fol. 48, 44. 

•) R. S.-G. 10 Oct. 1«25. 

•) R. S.-G. 10 Oct., 16 Dec. 1625. 

») R. S.-6. 15 Fcbr., 6 Mrt. 1627. 

•) R. S.-G. 24 Dec. 1626, 24 Febr. 1627. — Het schip behoorde aan Joost 
Adriaensz. Van Colster en Mr. Comelis Mosch, «Secretaris tot Rotterdam." liet 
doel der uitrusting wordt niet gemeld. 

*) Wassenaer. Hist. verh. IX fol. 123. — Gelijkheid van jaar en plan zouden 
reedi voor het vereenzelvigen van de reizen van Tennis Cornelisz. (volgens Was- 
senaer) en van Cornelis Bosman (volgens Witsen) pleiten. Van Dam (Gesch. der 
O.-I. C. R.-A.) neemt echter allen tw^fel weg door den schipper Comelis 
Teunisz. Bosman te noemen, daardoor bewijzende, dat Wassenaer bij vcrgis- 
nng Teunis Cornelisz. voor Cornelis Teunisz. schreef. 



186 

<lacht scbgnt zich op deze onderneming gevestigd te hebben; er 
waren aan de uitrusting geheimzinnige inrichtingen verbonden, 
die aan de reis grootere kans van shigen verzekerden dan aan 
eenige vorige >). De Noordsche Compagnie, als altgd zeer voor- 
ziohtig , waar zg met hare Oost-Indische zuster in botsing dreigde 
te komen, verzocht evenals in 1615 van de Staten -Generaal 
»opene patente, daerby alle ujtheemsche Coningen ende poten- 
taten mitsgaders alle gouverneurs ende bevelhebberen van wat 
conditie off qualiteyt die souden mogen syn, versocht ende res- 
poctive bevoelen wierden ,** het schip te laten heen- en teruggaan 
zonder eenige verhindering. (25 Maart 1625.) Het verzoek der 
compagnie werd dadelijk toegestaan en haar tevens op haar ver- 
zoek afschrift verleend van de resolutie van 1596, waarbg de 
premie van / 25,000 door do Staten was uitgeloofd *). Het schip 
schgnt nog eenigen tijd opgehouden te zijn en vertrok eerst 24 Joni 
van Texel. Het plan der reis was geheel hetzelfde als in 1594 : 
men wilde langs de Russische kust de straat van Nassau door- 
zeilen naar den Ob, kaap Tabin ti^achten te bereiken en door 
straat Anian den weg naar Cathaj , China en Japan zoeken , om 
het volgende jaar langs denzelfden weg terug te keeren en octrooi 
voor het vinden van den weg aan te vragen '). De uitslag be» 
antwoordde echter geheel niet aan do hooge verwachtingen, die 
men van de onderneming koesterde. Eerst 24 Juli voorbg het 
eiland Kolgojev gezeild , bereikte men 28 Juli Novaya-2iemlya op 
70*55' NB. en werd reeds daar zoozeer door het drgf|js gehin- 
derd , dat men dagenlang in eene baai moest blgven liggen. Eerst 
10 Augustus kon de straat van Nassau ingezeild worden. Den 
13 Augustus kwam het schip ook behouden voor het Staten-eiland 
ten oosten van Vaigatsch ten anker, maar nauwelgks was men 
1 7 Augustus van daar vertrokken of een harde vorst deed de zei- 
len stijf bevriezen, terwijl de wind de ijsschotsen met zulk een 
geweld op het vaartuig aandreef, dat men wel genoodzaakt was 
in straat Nassau terug te keeren. Bosman was nog daar, toen 
een hevige storm hem onder sneeuw en hagel van zgne ankers 
sloeg en hem tot den terugtocht deed besluiten. De berichten 
van eenige Russische visschers, die hij ontmoette, hadden de 
reeds ontmoedigde reizigers in hun voornemen bevestigd. Zg ver- 
haalden , dat straat Nassau slechts eens om de twee of drie jaar 



*) De trhcpclingcn hadden bchalvi; de proviand bij zich zekere ^andere noot- 
draftigheden , om redenen willen niet verhaelt.'* Ook waren z\j «met twee ttoo- 
ven int iSchip versirn" en „op eenich rcnconter wel met Cruyt en Loot ver- 
sien." (Waasenaer. Hitt. verh. IX fol. 123. XI fol. 58.) 

») R. S.-G. 25 Maart 1025. 

») Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44, 123. - R. S.-G. 25 Maart 1626. 



187 

open was en dat dan nog alleen laat in den tgd het drgf^s den 
toegang vrijliet ; z|j , die gewoon waren jaarlijks met drie of vier 
kleine scheepjes tusschen Pechora en Vaigatsch de vischvaDgst te 
beproeven , waren dan ook dikwijls genoodzaakt zich tot de ondiep- 
ten in de straat van Nassan zelve te bepalen > ). Hoe onmogelijk 
het das voor do expeditie scheen verder te gaan , in het vaderland 
was men, toen Bosman in het begin van September onver- 
richter zake terugkwam, niet zeer tevreden over zijn beleid. 
Men schijnt hem gebrek aan volharding en moed verweten te 
hebben; men schgnt het hem ten kwade geduid te hebben, dat 
h|j reeds op het gezicht van het drij^'s temggekeerd was zonder 
zich daarin te wagen. » Het staet alsoo met *\e vaert door 't Ys , 
naer ghelegenthejt vande winden," schrgft Wassenaer, die veel 
van de reis gehoopt had, >d*eene wint dryft n al het Ts op 
'tlgf dat ontrent u is, die wint veranderende, drgft al *t Ys 
van n of, en ghj hebt eenen vryen pas; die wat ondersoecken 
wil , moet niet schroomen hem in 't Ys te begheven , en daer 
eenighe daghen in te blyven legghen, en dry ven, en daer nae 
weder los werden ; die soo niet doet sal niet uytrechten , als desen 
voorghevallen is •)." 

Dit zgn de laatste berichten, die ons omtrent ontdekkings- 
reizen naar het noorden, door of ten tïjde van het bestaan der 
Noordsche Compagnie door Nederlanders ondernomen, zijn over- 
gebleven. De ongelukkige nitslag sch|jnt van verdere pogingen 
te hebben afgeschrikt en de Noordsche Compagnie heeft zich zeker 
meer en meer op de walvischvangst toegelegd , die ook zonder de 
ontdekking van nieuwe vaste uitgangspunten juist in deze jaren 
overvloedige winsten afwierp •). Voordat w|j echter over de ont- 



*) Bizonderheden over deze reis yindt men bij : Van Dam, Geach. der O.-I. C. 
I cap. 1 5. (MS. R.-A.) » die een uittreksel uit het journaal van Bosman ge- 
Inmikte. Daarmede stemmen overeen Witsen (Noord- en oost-Tartarye. p. 906, 7) 
en Berghaus. (Wat men van de aarde weet. I p. 229.) In bizonderheden w|jkt 
deze laatste echter van het verhaal der anderen af zonder zijne autoriteit 
te noemen. 

•) Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58. — Twe« andere „wel-ghemontcerde" 
schepen der N. C. zeilden dit jaar nog „op een ander noyt bevacren plaets om 
jeU t' ODtdecken." (Wassenaer 1 e. IX fol. 124.) 

*) Gedurende het bestaan der Noordsche Compagnie bepaalde men zich ver- 
der dan ook tot het onderzoeken der kusten van Spitsbergen. Men moet echter 
voorzichtig zijn met het toeschrijven van ontdekkingen aldaar aan Nederlanders : 
de Hollandsche namen z^n daarvan volstrekt geen bew^s, daar de Nederlanders 
zich niet ontzagen de namen door Engelschen gegeven op hunne kaarten te ver- 
talen, b. V. Klok-baai, Kjjk-uit enz. (Bell-sound , Look-out.) Toen de Noordsche 
Compagnie in 1642 werd opgeheven, ondernamen natuurlijk nu en dan Neder- 
landsche walvischvaardcrs tochten om nieuwe kusten te vindeo , terwijl Spitsbergen 
meer en meer verlaten werd. Maar toch niet dan zelden was dit het geval : weldra 



HOOFDSTUK VI. 

ENGELSGHE MEDEDINGERS. 



Wg hebben in het tweede hoofdstak nitvoerig verhaald , hoe 
men er toe kwam de IJszee in het begin der zeventiende eenw op 
nieuw tot ver in het noorden te bevaren , — hoe de walrnsjacht 
aan Beeren-eiland gedurende eenige jaren voor de Moscovische 
Compagnie een bron van groote voordeden was, — hoe daarna 
de groote uitbreiding , die aan deze jacht gegeven werd , leidde tot 
de uitroeiing dezer dieren op 6eeren*eiland en het zoeken van 
nieuwe plaatsen tot de vangst geschikt, — hoe de Ëngelschen 
daarop Spitsbergen onderzochten en daar de wal visch vangst ves- 
tigden , en hoe eindelijk de groote voordeelcn der Engelschen de 
Nederlanders aanlokten om hun spoor te volgen. Ons blijft nu 
over , meer in bizonderheden uiteen te zetten ^ hoe de Engelschen 
zich tegenover hunne mededingers gedroegen. 

Toen Poole en Russell den 3 Mei 1612 b^ hunne aankomst op 
Beeren-eiland het Nederlandsche schip ontmoet hadden, waarop 
de Engelschman Allan Sallowes stuurman was ' ) , werd er dadelgk 
ernstig beraadslaagd om dit verraad, door een vroegeren die- 
naar der Moscovische Compagnie aan zijn land gepleegd , te straf- 
fen door hem gevangen naar Engeland over te brengen. Gelukkiger 
dan zgn landsman Nicholas Woodcocke, die een Biscaaisch schip 
naar Spitsbergen had geleid , ontkwam Sallowes dit lot. De rede- 
nen van deze toegevendheid der Engelschen zijn ons onbekend. 
Toen Sallowes echter daardoor moed vattende het waagde zijne 
landslieden op hunnen tocht van Beeren-eiland naar Spitsbergen 
te volgen en niettegenstaande alle wendingen van Poole daarin 
volhardde, verdroot dit den Engelschen en zg verboden het 
nadrukkelgk. De Nederlanders hielden af en vonden hunnen 
weg te zamen met een Engelschen «interlopt^r'' zelven naar 
Spitsbergen. Tweemaal ontmoetten z^ daar de schepen der Mos- 



*^ Zie hiervoor p. 72, 



197 

coviscbe Compagnie en weder was de handelwgze der Engelschen 
weifelend. Terwgl Pool e de Nederlanders rustig liet visschen en 
zelfs Sallowes aan zijn boord ontving, verbood Edge, de commies 
van het andere schip, hem bepaaldelijk Spitsbergen te bezoeken >). 
Waarschijnlijk hadden de Engelsche bevelhebbers geene machtiging 
aanvallenderwijze te wérk te gaan: ook het vorige jaar had de 
Moscovische Compagnie met verlof van den Geheimen Raad haren 
schippers bevolen, aan alle Engelsche > interlopers** hot visschen te 
verbieden, de vreemdelingen echter slechts te keer te gaan wan- 
neer zij aanvallers werden '). 

Toen nu echter in 1613 van alle z^'den berichten van nieuwe 
groote uitrustingen door Nederlanders, Franschen, Spanjaarden 
en inwoners der Spaansch-Nederlandsche provinciën in Engeland 
aankwamen, voelde de Moscovische Compagnie haren handel bg 
eeue mededinging op zoo groote schaal niet meer veilig. Z|j reedde 
ditmaal zeven schepen tot de walvischvangst uit en hiermede niet 
tevreden verzocht zg van Jakob I een bewfjs van haar uitsluitend 
recht om op Spitsbergen te varen. Om te meer klem aan dit 
verzoek by te zetten verkondigde de compagnie nu voor het eerst 
de onjuiste, in ieder geval onbewgsbare theorie, dat zg als ont- 
dekster van Spitsbergen recht had op den uitsluitend en eigendom 
daarvan. De ontdekking van het eiland door Heomskerck en Rijp 
werd wel niet bepaald ontkend, maar men beweerde, dat, lang 
voordat dezen er aan gedacht hadden den steven noordwaarts te 
wenden, de Engelschman Willoughby Spitsbergen gezien en aan 
de beschaafde wereld bekend gemaakt had *). Volgens de toen in 



*) Zie oTer deze reis: Poole, Relation of a Voyage to Greeoland in 1612, en: 
Edge, Datch, Spanish, Danish distarbaore, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718,466. 
*) Comm. der Mosc. Comp. voor Edge 1611 , b|j : Purchas, Pilgrimes. III p. 710 
*) De onwaarschijnl^kheid dezer theorie bl^kt reeds ait het feit , dat de Engel- 
schen zelven het niet eens schenen geweest te zijn , wanneer Willoughby Spitsbergen 
ontdekt zon hebben: Purchas zelf, de «insolent defender of this erroneons idea," 
is niet zeker. (cf. de beide hieronder aangehaalde kantteekeningen.) Terw^'1 men 
▼r^ algemeen aannam, dat het dnsgenaamde Willonghby-land Spitsbergen zon 
z^n , iets wat bepaald onjuist is , teekent Purchas aan , dat het door den reizi- 
ger eerst 23 Aqgnstns 1553 ontdekte land (hoogst waarsch^nl^k een gedeelte 
der Russische knst) het bewuste eiland is. (Vgl. Rundall, Voyages towards the 
Korth-west. Introd. p. VII, VIII.) Het is dan ook nagenoeg zeker, dat de 
theorie eerst omstreeks 1613 als wapen tegen de Nederlanders is uitgevonden. 
(Ten minste in 1608 wist Iludson evenmin als de Moscoviscbe Compagnie er nog 
iets van. Zie: Asher, Hudson the Navigator, p. 40. — Vgl. echter : Van Meteren , 
Comment. ofte memor. fol. CXXV," waar de schrijver verhaalt (in 1608), dat 
Willoughby „verseylde in Groenlant, daer hy vervroos.") Asher (1. c. p. CLIX) 
wil zelfs bepaaldel^k het jaar 1612 aannemen en houdt zekeren Samnel Daniel voor 
den uitvinder der theorie. Zijne gronden z^n echter m. i. niet overtuigend ; in ieder 
geval was niet de dichter Samnel Daniël, maar een cartograaph John Daniel 
de bedoelde persoon. (Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.) Dat Plancins in z\jne 



198 

Engeland heersohende begrippen was niet alleen met den eigen- 
dom van het land het recht verbonden om de nabggelegen zeeOn 
Yoor ieder te sluiten , maar gaf ook het bevaren der zee aanspraak 
op den eigendom van den ruimen oceaan zelven. Koning Jakob , 
de IJverige verdediger van deze rechten, aarzelde dan ook geen 
oogenblik en verleende aan de compagnie een patent onder het 
groote zegel van Engeland, waarbij zij gemachtigd werd alle 
schepen, vreemde of Engelsche, die niet voor de Moscovische 
Compagnie voeren, van Spitsbergen te verdrgven, en om tevens 
voor den koning in bezit te houden en zelf te bevaren alle lan- 
den , ontdekt of onontdekt , die zich in de IJszee omtrent Spits- 
bergen bevonden >). De compagnie haastte zich van dit patent 
gebruik te maken; zij gaf aan Spitsbergen den nieuwen naam 
van Eing James* Newland en hield zich in de eerstvolgende jaren 
gedurig bezig met het plaatsen van palen voorzien van 's konings 
wapen op de kusten van Spitsbergen en andere eilanden, die zg 
langzamerhand ontdekte *). 

De mededingers der Moscovische Compagnie ondervonden dade- 



«Repliqaes" ook niet op een Engelsch boek, ma&r in het algemeen op de bewerin- 
gen van sommige Engelschen antwoordde, bl^kt m. i. orertuigend oit de inlei- 
dende woorden van Hessel Gerritsz. voor dat stak: ^Les propositions de leor 
Instice ou preeminence ," zegt hij (Hist. de Spitsb. p. 26), «sont celles cv. Qu*Ut 
sont les premiers qni Pont tronvée avec Ie Chevallier Willonghby, TAn 155S 
et que c'est Groenland, leqael souloit estre soubs la puissance de Nomegnea, par- 
qaoy ils font annucllement recognoissance d'unne boune somme de livres a la 
Majesté de DeDcmarcque. A l'encontre desquellcs ie tresdocte Cosmographe 
D. P. Plancius a faict les repliques suivantcs/' liet springt dunkt mij in het oog 
dat de beide geheel tegenstrijdige beweringen, dat Spitsbergen Groenland 
is , en dat het door WiUoughby ontdekt zou zijn , niet in een boek vereeuigd 
kunnen geweest zijn. Beide meeningen waren wel in Engeland gangbaar ; de 
Groenlaudsche hypothese schijnt echter in Nederland ontstaan te zjjn. « 

*) Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III 
p. 466. — Dctectio freti. ed. 1613 F. 8. — Vlg. de Histoire de Spitsberghe (p. 22) 
strekte het patent zich nit over |,tons Pays et terres desja trouvées, et eellea 
qui se pourroyent encore trouvcr, comprinses dansan riu de vent do Nordoest,et 
une de Nordest , sortans d'nn Compas mis en leur Cartc au milien d'entre Dron- 
ten et Islande." 

*) De Moscovische Compagnie zond bijna jaarl^ks een of meer schepen ter ont- 
dekking uit. De resultaten waren aanmerkelijk. Zoo ontdekte men in 1618 llope- 
island en eenige omringende eilanden (Ed^e, Dutch distnrbance , by : Purchas. Pilgri- 
mes. p 466 ; de ontdekking wordt door velen ten ourcchte aan de Nederlanders 
toegeschreven); in 1614 werd de uoordkust van i>pitsbergen verkend tot Sir Tho- 
mas Smiths-inlet (de Wijde Baai) (Fotherbyc, Voyage of Discouerie, by : Pur- 
chas l. c. 111 p 720-28); in 1615 ontdekking van Sir Thomas Smiths-island 
(Jan Mayen-eiland) (Fotherby, Voyagc anno 1615 for Discouerie, by: Pnrchas 
1. c. p. 729), 1616 van Edges-island en 1617 van Witches-island, het onlange 
wcergt; vonden Konig Karlslaud (Purchas 1. c. Hl p. 732. — Vgl. hiermede de 
kaart van Spitsbergen in : White . Spitsbergen and Greenland. p. 258.) 



199 

Igk de gevolgen van de vergmming van Jakob I. De vereeniging 
gevoelde zich krachtig genoeg om van haar recht gebruik te 
maken. Nadat de commandeur Joseph de visscherij geregeld had 
aan de npordpnnt van Prince Charles* foreland, waar zich eene 
soort van vestiging der Ëngelschen van het vorige jaar bevond, 
begaf h^* zich met eenige schepen langs de kust en overviel de 
in verschillende havens verspreide schepen der vreemden. Terwgl 
Franschen en Duinkerkers over het geheel met zekere toegevend- 
heid behandeld werden, verjoegen de Ëngelschen de Spanjaarden 
met onverbiddelijke gestrengheid en vervolgden de Nederlanders, 
na hun het visschen verboden te hebben , zelfs langs de kust. De 
Nederlanders mochten zich met de Fransche schepen vereenigen 
en ook met de Duinkerksche op goeden voet staan , de overmacht 
der Ëngelschen was te groot, dan dat hunne verspreide en ver- 
deelde mededingers met goed gevolg hadden kunnen weerstand 
bieden en de aanvallers behaalden dus overal eene gemakkel^ke 
overwinning. Wij zullen de lotgevallen der Nederlanders meer 
in bizonderheden nagaan. 

De commandeur Van Mujden, met zgne beide schepen den 
27 Mei op Spitsbergen aangekomen *), had zich bg de zuidpunt 
van Prince Charles* foreland gevestigd en was 13 Juni de wal- 
vischvangst in Behouden-haven (de »Pooppy-Bay or Nickes Cove" 
der Ëngelschen) begonnen. Bij hem bevonden zich drie Fransche 
schepen en aan de tegenoverliggende zijde van Ice-sound waren 
twee schepen (een van Duinkerken en een van St. Sebastiaan in 
Spanje) in Greenharbour bezig met visschen. Nauwelgks had de 
Engelsche commandeur Benjamin Joseph bericht van de aanwe- 
zigheid der vreemden gekregen of hij begaf zich derwaarts en 
hield zich van 16 tot 19 Juni bezig met het door list en geweld 
verjagen zijner vijanden. Van Muyden toonde den Ëngelschen 
zgne commissie van graaf Maurits, die hem machtigde vrgelgk 
aan Spitsbergen te visschen en zich tegen alle aanvallen te ver- 
dedigen , maar Joseph beriep zich op den last , hem door de Mos- 
covische Compagnie gegeven , en gebood Van Mujden nadrukkelijk 
te vertrekken zonder verder aan het eiland te visschen. De 
kapitein moest toegeven; de opbrengst zgner vangst werd een 
prooi der Ëngelschen. De overige schepen, die in Ice-sound 
waren , werden gedeeltelijk verjaagd , gedeeltelijk tegen zeer hooge 
belasting tot de vischvangst toegelaten. 

Van Muyden liet zich niet afschrikken; hij stevende dadelgk 
naar Bell-sound (20 Juni) , waar hij zich , vereenigd met een groot 
schip van St. Jean de Luz in het uitsluitend bezit der visscherg 



*) Zie over do uitrusting van dit en de andere schepen hierTÖor p. 73, 74. 



200 

wist te handhaven tot 21 Juli *). Dien dag naderden hem echter 
drie Engelsche schepen op nieuw , ditmaal geheel tot een gevecht 
nitgerust. Toen het Biscaabche schip zich dadel|jk overgaf bleef 
er voor de Nederlanders geen keus: zg volgden het voorbeeld 
van hunnen medgezel. Het schip van Boots, Van Mojden*! 
onderbevelhebber, werd dadelgk van de vangst beroofd en naar 
huis gezonden; Van Mujden hielden de Engelschen tot 28 Jnli 
b|j zich en lieten hem toen met een klein geschenk in ruil voor 
de achttien hem ontnomen walvisschen naar huis vertrekken. Tot 
9 Augustus zwierf de verjaagde kapitein nog op de kust rond; 
maar zonder eenig aanmerkelijk voordeel moest hg toen de terugreis 
aannemen. De schade zijner reeders bedroeg minstens/ 130,000 *). 
Den overigen Nederlanders was het niet beter gegaan. Van de 
twee schepen, door de Zaandamsche reederg uitgerust, was wel 
is waar het eene beladen met het spek van 200 in Bell-sound >) 
gedoode walrussen, die men uit vrees voor de Engelschen niet 
tot traan had durven kooken , reeds 25 Juni naar huis gezonden ; 
maar het andere was in Bell-sound gebleven en deelde daar in de 
algemeene plundering van 21 Juli. Het moest verder van zgne 
geheele vangst beroofd de Engelschen dienen. Eerst in het begin 
van Augustus zond commandeur Joseph het met een klein geschenk 
van spek naar huis. 

Nog slechter was het Enkhuizer schip behandeld. Het had 
zich met een Fransch schip vereenigd om gezamenlgk in Hom- 
sound te visschen; drie Spaansche schepen oefenden daar ook de 
walvischvangst , terwgl het Duinkerksche schip zich nadat het uit 
Greenharbour verdreven was bij hen gevoegd had. Den 23 Juni 
ondergingen ook deze schepen het algemeene lot. Op bevel van 
den naderenden Engelschen commandeur kwamen alle kapiteins 
bg hem aan boord en onderwierpen zich. Alleen Bonner, de 



■) Van Mayden trachtte eerst in Low-sound te visschen, wiarom die baai 
nog op de kaart van Spitsbergen in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C. 
p. 13 den naam van ^Willems van Muyden haven" draagt. Toen het hem daar 
mislakte vertrok hij naar Bcll-point, de Recherche-baai van latere kaarten. 

*) De begrooting der schade werd tot over de /* 200,000 opgedreven. — Zie de 
verschillende opgaven b\j: Mnller, Mare Clansnm. p. 120 Noot 4. -r Vgl. ook het 
rapport van Joachimi aan de Stn. v. Zeeland in: N. Z. 19 Mrt. 1614, en: Reaol. 
Adm. Amst. 28, 27 Aug. 1618. (De som van ƒ 100,000. daar door de reedera 
opgegeven . is echter geen znivere maatstaf : Van Muyden was toen met het 
grootste schip nog niet binnen. Resol. Adm. Amst. 31 Aug. 1613.) 

*) Waarschijnlijk heet daarnaar de later als Van Keulen-baai bekende inham 
op de kaart in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C. p. 13: „Sardammer- 
riuier." — In het werkje «Dctectio freti** (cd. 1618 F 3) verhaalt de schryvcr, 
dat het schip eenige «Hippopotami" zon gevangen hebben De vergissing is 
zeker nog al zonderling, manr niet onverklaarbaar: op sommige oude Nederland- 
|4rhe platen heeft de walms werkelgk eenige overeenkomst met het njjlpaard. 




201 

kapitein van het Enkhnizer schip, zelf een Engelschman en met 
eene bemanning, waaronder zich twintig Engelschen bevonden, 
waagde het niet voor Joseph te verschenen en beproefde zich te 
▼erdedigen. Eenige kanonschoten dwongen hem echter weldra zich 
over te geven, en zooals hij verwacht had werd h|j zwaarder 
gestraft dan zijne medgezellen. Bonner en de Engelschen werden 
gevangen genomen , de verdere bemanning van het schip over de 
Engclsche schepen verdeeld, terwijl het Nederlandsche schip zelf 
met Engelschen onder kapitein Marmaduke bemand, voor de 
overwinnaars in Fairhaven visschen en ontdekkingsreizen ten 
zuiden van Spitsbergen doen moest. Commandeur Joseph nam 
het volgeladen mede naar Engeland , loste het daar en terwijl de 
lading in handen der Moscovische Compagnie bleef , kon het schip 
ledig naar huis keeren. *). 

Ook de Nederlanders, die in vreemde dienst naar Spitsbergen 
gekomen waren , kwamen er niet beter af. Het Hoomsche schip , 
dat voor eene reederij te La Bochelle voer , moest reeds 19 Jnni 
naar de Noordkaap vertrekken; kapitein Claes Martensz. van 
Hoorn , bevelhebber op de bg het Dninkerksche schip behoorendc 
pinas , mocht het als eene groote gnnst beschouwen , dat h|j op 
het groote schip van Duinkerken vertrekken mocht en niet als 
zgne Engelsche tochtgenooten gevangen gehouden werd *). 

De Engelschen waren over den uitslag hunner reis zeer voldaan. 
Wel had de jacht op de vreemdelingen hun eigen voordeel doen 
vergeten en was de reis voor ditmaal slecht geweest *), maar 
toch prees men Joseph, »who without bloudshed disappointed 
those Strangers, readj to reape that which others had sowne, 
and either had not at all discouered, or whoUy ginen over the 
bnsinesso *).'* Anders dachten de Nederlanders over de zaak. 
De stemming der natie was zeer oorlogzuchtig *): de reeders 



*) Zie de berichten yan Bonners reisgenoot S,vmon Van der Does , den zoon van 
den Amsterdam Bchen schont Willem Van der Does , in : Detectio freti , ed. 1618 F 3 

*) VgL over deze reis : Baffin , lonrnall of the Voyage to Greenland in 16 1 3, 
b^: Pnrchas, Pilgrimes. III p. 716. — Hist. du pays de Spitsb. p. 11,20. — 
Edge, Dntch distnrbance, bij: Pnrchas 1. c. p. 466 — Corte Dednctie ende 
Remonstrantie der N. C. , in : Noordsche togtcn. 4. Loop. N. C. R.-A. — Mé- 
moiro der N. C. , bij : Mnller, Mare Clausnm. p. 369. 

*) Ylg. Edge (Dntch distnrbance, bij: Pnrchas, Pilgrimes. III p. 467) be- 
droeg de schade der reeders wel dC 3 è 4000. 

•) Pnrchas, Pilgrimage p. 815. — Vgl. Detectio freti, ed. 1618 F 8. 

*) Hessel Gerritsz. durfde in het najaar van 1618 openlgk schreven: ^For* 
tasse seqnenti anno nostrates Mercatores periculnm facient armis, an pcucs nos- 
irates sit ibi ius piscandi , qni primum detcximns , an penes Anglos , qui primum 
piicati sunt: qnod fiaxit Deus, in patriae nostrac commodum!'* (Detectio freti. 
ed. 1618, F 8.) De reeders waren echter met dergelijke openbare uittartingen 
minder ingenomen : i^satis acriter eum reprehenderunt ," en Gerritsz. was genood- 



202 

zelven, hoewel voorzichtiger, toonden zich niet minder veront- 
waardigd. Reeds voordat Van Mujden mot zjjn schip thuis 
was gekomen , klaagden de Amsterdammers op de berichten , door 
Boots met het schip de Fortuyne aangebracht , aan de Staten- 
Oeneraal. Zy beweerden , dat Spitsbergen een onbeheerd en vrg land 
was , waarop de Nederlanders als ontdekkers in ieder geval meer 
aanspraak hadden dan de Engelschen; zg verdedigden de zeer 
jniste stelling, dat de zee en de vaart daarover voor ieder vrg 
moesten geacht worden en brachten die in praktijk door van alle 
» preferentie" nit kracht van hunne ontdekking af te zien. Zg 
verklaarden , dat zij zich niet als verschillende andere natiCn had- 
den willen vernederen tot het betalen eener belasting nit vrees 
voor het misnoegen der regeering *) en zij verzochten de Staten- 
Generaal op al deze gronden te zorgen : 1"*. dat zij onverwgld ver- 
goeding kregen van de Engelschen , 2*. dat hnn voortaan de vaart 
op Spitsbergen onverhinderd bleef openstaan, en 8"*. dat op de 
schepen van den commandeur Joseph na zijne aankomst in En- 
geland beslag gelegd werd *). 

De Staten-Goneraal besloten dadelijk aan het verzoek der Am- 
sterdammers te voldoen. Aan den Engelschen ambassadenr Win- 
wood en aan Caron , den gezant der Staten te Londen , beiden werd 
opgedragen, om Jakob I >te verthoonen het ongel jck, dat niet 
alleene de voirszeide Supplianten , maer oyck by consequentie dese 
landen daerby is geschiet*', en om te bewerken, dat den klagers 
> volgende het Jus gentium" hun goed werd teruggegeven •). 



zaakt hctgücu hij gezegd had openlijk als „temere et inconsiderate" te brand- 
merken. Hij vcrkliiarde toen , dat de reeders met eerbied voor Jakob 1 niet 
anders verwachtten dnn hunne handhaving door Z. M. tegen zjjne eigene onder- 
danen ; gebeurde dit niet , dan verklaarden zij tueh nooit tot geweld hunne 
toevlucht te zullen nemen, hoewel hun recht duidelijk was, zooals uit de daarb^j- 
gevoegde »refutatio" van Planeius bleek. (Dctectio freli. G — Deze 4 bladi^den 
zijn in sommige exemplaren later bijgevoegd.) 

') De Staten-Gcneraal besloten reeds dadelijk, dat de Nederlanders geen li- 
cent mochten betalen. Tweenhuyscn c. s hadden verklaard „te meenen, dat oock 
dese natie by voorgaende versochtc licentie ofte by avonturc cenighe gedane 
recognitie by den Koningh van Engelant ofte voorszeide Compagnie sonde wor- 
den gcaduiitteert , maer dat sy Supplianten niet en wisten ofte hacre Groot- 
Mo : Ed : aengenaem sonde sijn te geschieden." (Wassenaer, Hist. verh. VIII 
fol 89.; Dtr Staten-GeiuTJial bevalen dan ook Caron, bij het overhandigen van het 
requL-st aan Jakob I «vu)t te laten de presentatie die de Supplianten doen bj densel- 
ucn Kequcste van eenige submissie cnde erkenteuisse aen zyno Ma^. te doen voor 
het toelaten vande voirszeide visscherje. ouermitsdezeer(?) preiu- 
diciabel consequentie voirdcn Stact van tlant daerjnne 
gelegen." (R. S.-G. 26 Aug. 1613.) 

») Zie dit rcquest afgedrukt by: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88. 

») R. S. G. 26, 81 Aug. 1618. 



208 

Haar te vergeefs! Winwood gaf wel goede hoop, dat niet alleen 
restitutie gegeven, maar ook maatregelen genomen zonden wor- 
den om de herhaling van znlke ergerlgke tooneelen te voorkomen ; 
doch niettegenstaande den aandrang van Caron kwam het daartoe 
niet *). De Moscovische Compagnie had nadrukkelgk geprotes- 
teerd tegen het openstellen van Spitsbergen voor Nederlanders. 
Zg voelde zich door hare beweerde ontdekking van 1553 tot zulk 
eene houding gerechtigd, en al verklaarden de Staten-Generaal 
dan ook herhaaldelijk, dat het hunne meening niet was de En- 
gelschen door het op den voorgrond stellen der rois van Heems- 
kerok en R|jp van de walvischvangst uit te sluiten , het laat zich 
begrgpen, dat de compagnie op haar meer bekrompen standpunt 
niet met ziük een aanbod tevreden was *). 

De Staten-Generaal besloten dan ook met de illiberale inzichten 
der Moscovische Compagnie te rekenen; zij wenschteu aan te 
toonen, dat ook volgens deze beschouwing het recht der Engel- 
schen allen redelijken grondslag miste. De Amsterdamsche reeders 
werden uitgenoodigd al hunne bewgsstukken naar Den Haag te 
zenden, ten einde de redeneeringen der Moscovische Compagnie 
op meer afdoende wijze te beantwoorden dan een diplomaat als 
Caron dat doen kon '). Nauwelijks werd dit verlangen der Staten 
bekend , of het regende^ stukken , die allen ten doel hadden de on- 
gegrondheid der Engelsche pretensiën te bewijzen. Ook de geleerde 
Flancins, zeker de daartoe meest bevoegde persoon, zond eene 
wederlegging van de geographische ketteryen der Engelschen naar 
Den Haag ^). Hij bewees daarin kort maar overtuigend: 1*. dat 
het door de Engelschen dusgenoemde Willoughby-land op de door 
de kaarten aangewezene plaats niet bestond en dus elders gezocht 
moest worden *), —dat, ook al kon men de juiste ligging van dit 
land aanduiden, het volkomen zeker was, dat het volstrekt niet 
hetzelfde was als het later ontdekte Spitsbergen , — dat , ook al ware 
dit zoo, het door Willoughby geziene land niet door hem was in 
bezit genomen , — en eindelijk dat Sir Hugh ook op zijne verdere 
teis na de ontdekking van Willoughby-land Spitsbergen niet be- 
reikt had. Met een enkel woord werd daarop vermeld, dat de 



») R. S.-G. 25, 2e Oct., 2 Nov. 1618. 

*) Maller. Mare Clansnm. p. 123 Noot 4, 5. 

») R. S.-G. 2 Nov. 1613. — Grotii Epistolae. p. 20. Ep. 59. 

«) Wassenaer. Hist. yerh. VIII fol. 94. 

*) De ware ligging van Willoaghby-laad kendo Plancias echter niet. Hij 
meende, dat het identiek was met «de Willebordts eilanden" (eene verbastering 
van Willoughby -eilanden ?), waarmede hg schgnt te hebben willen aanduiden het 
op oude Nederlandsche kaarten voorkomende „Matsyn id est plurimae insulae," een 
vDoppelganger" van Mathys-land , zooals Willonghby-land was van de Ganzenkust 
op Novaya-Zemlya. 



204 

beweerde identiteit van Groenland en Spitsbergen reeds voldoende 
wederlegd was ^) en daarop uit al het voorgaande de conclusie 
getrokken, dat Heemskerck en de zijnen de ware ontdekkers 
van het eiland waren. 2°. trachtte Plancins te bewezen, dat 
de Engelschen ook als domini maris geen recht hadden om de 
vaai*t naar Spitsbergen te verbieden. Dit dominium maris ; toch , 
dat zich volgens de Engelschen ook over de IJszee uitstrekte, 
gaf geen recht op Spitsbergen zelf, hetgeen reeds daaruit bleek, 
dat dichter bij de Britsche eilanden gelegene landen, als Ghroen- 
land, IJsland enz. aan Denemarken behoorden *). Maar ook al 
kwam Spitsbergen zelf aan Engeland toe, de regel van het yol* 
kenrecht luidde, » dat ofschoon eenigh vast lant ofte Ejlandt jernan- 
den toebehoorde dat nochtans de Zee-vaert ende visscheryen na 
het algcmejne Recht van allen volcken eenen yegel|jcken even na 
is ende vry open staet •)." 

De Staten-Generaal toonden zich met het werk van Plancins 



I) Het is mij niet gebleken, dat de Engelschen deze bewering in éen oiBeiëe 
stuk ter bekrachtiging van hun recht gebruikt hebben. Wel noemden ly SpiU- 
bergt-n Greenland, maar dat zij zeer goed wisten, dat het niet hetzelfde was ab 
het van ouds bekende Groenland, blijkt uit hel feit, dat zij dit met den naam 
Gronelaud of iets dergelijks aanduidden. (De bewering van den schrijver der 
„Histoiro dr- Spitsberghe" (p. 26), dat de Engelschen het recht om bij Spittber- 
gcn te visschen van Denemarken zouden gekocht hebben, schijnt mij geheel on- 
juist.) — Terwijl men dus reeds lang voor 1613 aannam, dat Spitsbergen geen 
godei-U.' van Groenlauds oostkust was (de Ncderlandsche ontdekkers zijn misschien 
door hunne onbekendheid met middelen om de lengte op zee te bepalen in deze 
dwaling vervallen) schijnt men echter eerst verscheidene jaren later volledige zeker- 
heid hierover erlansd te hebben. Die zekerheid was uatuurlijk eerst te verfcrygen 
door het bewijs , dat Spitsbergen een eiland was. De omzeiling door Ryp wai 
vergeten en Fotherby zegt dan ook in 1C15, dat Spitsbergen vis most like to 
be an Hand." (Purchas, Pilgrimes. III p. 730.) Purchas verhaalde in 1625.dat „Green- 
land is now almost altogether discouered to bee an Hand, or rat her many Hands 
and brokeu grounds.'* (Purchas , Pilgrimes. p. 816.) Evenwel „gheloofde" Jorii 
Carolus nog in 1634 ;,niet , dat het landt van Out-Groenlandt aen Spittberghen 
vast en is , vermits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden romen" 
(Carolus , Nieuw vermeerde Licht des Zcevaerts. p. 147), en Vander Hrngge ichreef 
in datzrlfde jaar (Jonrnael der Se ven Matroosen p. 4) : „Of Spitsbergen een Ej- 
landt, of vast aan-een-palcnt landt sy , is tot noch toe onbekent '* Christiaan 
IV van Denemarken sprak echter reeds in 1631 van „die Grönlandische In suil 
Spitzbergen." (Miss. v Chr. IV aan de Stn.-Gcn. dd. 28 Dec. 1631. in: 
L D. 1632 ) 

») Dat dit argument onjuist is, blijkt uit: Muller, Mare (lausnm. p. 121 Noot 6. — 
I)c rechtsgrond , door de Eugelschen voor hun dominium maris in de IJszee aan- 
gevoerd, was huune occupatie als eerste reizigers in de IJszee. Ook deze be- 
wering trachtten de Nederlanders echter te weerleggen. Zie de daartoe strek- 
kende betoogcn bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89 vlg. 

*, Zie dit stuk van Plancins in: Hist. de Spitsb. p. 27, en bij: Waatenaer, 
Hist. verh. VI 11 fol. 93. 



205 

ingenomen en zonden het aan Jakob I om hem van het goed 
recht der Nederlanders te overtuigen. Maar de eigenzinnige vorst 
was de man niet , om zich spoedig van eene eens opgevatte meening 
te laten temgbrengen : hij gaf gaarne gehoor aan de » andere in- 
formatien** der Moscovische Compagnie, en » al wast dat het 
teghendeel dujdeljck genoegh aenghewesen was /* hij kon of wilde 
het niet aannemen. >0f nu sulcke groote verstanden tot consi- 
deratien van so kleyne dingen niet konnen descenderen, of dat 
sy yets ons onbekent daer mede voor hebben, is swaerl^ck te 
oordeelen ," merkt Wassenaer ironisch op * ). Zeker is het echter, 
dat de compagnie voor de wal visch vangst op maatregelen zon om 
den koning op nadrukkelijke wyze te beduiden, dat do Neder* 
landsche natie niet geneigd was van de pas begonnen vaart op 
Spitsbergen af te zien. Hoofdzakelijk steunende op het feit, dat 
de Engelschen hen niet goedschiks op Spitsbergen wilden toelaten , 
verzochten zg van de Staten-Generaal octrooi om met uitsluiting 
van alle andere Nederlanders op Spitsbergen te mogen varen. 
Eerst door vereeniging van alle krachten hoopte men in staat te 
zgn , de aanvallen der Engelschen te weerstaan en tevens de groote 
kosten der uitrusting vergoed te krijgen. W^ hebben gezien, dat 
de Staten-Generaal het octrooi verleenden *). Zij betoonden aan 
de nieuwgevormde compagnie nog verder hunne gunst door baar 
op haar verzoek tegen betaling eener belasting met eenige oor- 
logschepen bij te staan. Ook de vereeniging zelve rustte hare 
schepen tot den strijd toe en het liet zich aanzien, dat het jaar 
1614 niet zonder bloedige botsingen in het noorden zou voor- 
begaan »). 

Toch bleef het dit jaar op Spitsbergen rustig. Weldra bleek 
het, dat de Nederlanders den verstandigsten maatregel genomen 
hadden , die in de gegeven omstandigheden te nemen was. Nooit 
werd de spreuk »si vis pacem para bellum" schitterender be- 
vestigd. Hoewel Jakob I den Staten-Generaal na de oprichting 
der Noordsche Compagnie zijn ernstig ongenoegen over de vol- 
harding der Nederlanders had te kennen gegeven *) , kwam het 
niet tot een gevecht. De Engelschen hadden na ongewone krachts- 
inspanning behalve een schip, dat onder kapitein Fotherbj ter 
ontdekking uitzeilde ') dertien schepen en twee pinassen naar 
Spitsbergen gezonden , maar de Nederlanders waren toch sterker : 
zg kwamen met veertien groote schepen vergezeld van drie wel- 



>) WaMenaer, Hist. vcrhael VIII fol. 94. 
•) Zie hiervoor p. 74 — 77. 

•) R. S-G. 4 April 1614. — Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94. — Rc«ol. 
Adm. Amst. 18, 19, 24 Apr., 2 , 5 Mei 1614. 
•) R. S.-G. 19 Mei 1614. 
*) Zie i\ju journaal b\j: Purchas, Pilgrimes. 111 p. 720. 



206 

toegeruste oorlogschepen , die de Staten-Generaal hun hadden 
medegegeven. Al waren dos de Engelschen niet minder dan 
het vorige jaar geneigd tot gewelddadige handelingen *) , »het een 
mes hielt het ander in de schede** en het bleef yrede. »The 
Dutch stayed and fished for the Whale perforce , they were farre 
strenger then the English/* verhaalt Edge wrevelig. De com- 
mandeur Joseph, ook nu weder de aanvoerder van de schepen 
der Moscovische Compagnie , was zelfs zoo ontmoedigd , dat hg 
den Y7^ niet den Nederlandschen commissaris-generaal Antonie 
Monier eene overeenkomst sloot voor een jaar, waarbg hij hem 
alle hulp in zgne visscherij aanbood , mits hg aan de Engelschen 
de reeds toen door hen bezeten baaien Bell-sound, Ice-sound, 
Fair foreland (of Sir Thomas Smiths-bay) en Fairhaven alleen 
overliet *). Op dien voet verkeerden partgen in vrede naast 
elkander , maar de groote menigte der schepen was oorzaak , dat 
de vangst aan beide zijden slecht was. ') » 

Was het misschien in de overtuiging , dat zulk eene overspan- 
ning van krachten als in 1614 had plaats gehad, op den duur 
voor beide natiën onvoordeelig ja onhoudbaar moest zgn , zeker 
is het, dat de Noordsche Compagnie zelve de eerste was, dio 
niettegenstaande de meer voorkomende houding, door de Engel- 
schen dit jaar aangenomen , op pogingen tot een vergelgk met hen 
aandrong. Het was op haar verzoek, dat de Staten-Generaal 
20 November 1614 Caron aanschreven om moeite te doen, dat de 
Engelsche ambassade , die eerstdaags in Den Haag verwacht werd 
tot regeling der Oost-Indische geschillen, last medekreeg om 
ook de quaestie der vaart en visscherg in do IJszee te schikken *). 
Koning Jakob toonde zich daartoe niet ongeneigd. Hg voorzag 
zijne gezanten Wotton, Edmonds, Middleton en Abbot van com- 
missie om over de zaak te onderhandelen. Maar deze commissie 
beloofde weinig goeds : reeds de uitdrukking , dat men zou spreken 
over de >piscationes in mari Boreali prope Groenlandiae littora 



* ) Tegenwind alleen weerhield o. a. Fotherby, twee vreemde schepen uit Mand* 
len-sound te verjagen. (Fotherby e , Voyagc of Diacouerie to Greenland, bg : 
Purchas, Pilgrimes. 111 p. 724.) 

*) Du Engelsche verhalea maken van dit contract natunrlgk geene melding. 
Zie echter de „Memoire" der N. C. bij: Maller, Mare Clansum. p. 871. — 
De overeenkomst is afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. fol. 9i. — Ook met 
den zoo gehatcn Marmadake van Huil was de Moscovische Compagnie dit jaar 
«in termos of consortment ;" „but nothing was coucluded", voegt Fotherby (Voyage 
of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 727), zinspelende op de overeen- 
komst met de Nederlanders , dadelgk daarbg. 

*) Zie over deze reis: £dge, Dutch disturbance, bij: Pnrchaa, Pilgrimes. lU 
p. 466. 

•) R. S.-G. 20 Nov. 1014. 



207 

nobis sol urn et nostris jure acquisitaS) ab Incolis et 
Inhabitatoribus Vnitarum Provinciarum tarnen interruptas /* ■) 
bewees , dat de yorst zgn vermeend recht bleef handhaven. Wer- 
kel^'k bleek het dan ook weldra, dat de Engelschen aan geen 
toegeven dachten. De ambassadeurs hadden zich bereid verklaard 
de zaak te bespreken na afloop der Oost-Indische onderhande- 
lingen *) en zoodra nu Hugo De Groot door de Staten-Generaal 
op aandringen der Noordsche Compagnie *) tot hen gezonden 
werd om hun gevoelen te vernemen (8 April 1615), leverden zg 
eene nota over, waarin zij met nadruk verklaarden, dat JakobI 
van zgn recht op Spitsbergen en de aangrenzende wateren vol- 
strekt niet dacht af te zien *). De Staten-Generaal benoemden 
nu dadelijk eene commissie, om met gebruikmaking van de be- 
scheiden, die onder de Noordsche Compagnie berustten, de En- 
gelschen te weerleggen *). Het antwoord , dat De Groot en zijne 
mede-commissarissen opstelden, werd reeds 16 April aan de 
gezanten overgegeven. Het ving aan met de opmerking, dat 
•dese Landen, zynde van seer cleyne extensie, iegens de macht 
van haere openbaere , ofte bedeckte vjanden nyet en souden con- 
nen bestaen nochte dienstich zjn aen haere vruuden, ten waere 
de zee suppleerde t* gunt aen t' landt is ontbreeckende , sulcx dat 
de hoochdringende noot de Ingesetenen van dese landen heeft 
bewogen , om verscheyden nauigatien te soecken , ende haer seinen 
alsoo ten deele door trafficque , ten deele oock door de Visscherie 
te onderhouden.** uitvoerig werd daarna gewezen op de oudheid 
der Nederlandsche visscherijen , en werden de bekende tochten 
der Nederlanders naar de IJszee verhaald. Nogmaals werd aan- 
gedrongen op herstel van de schade der Amsterdamsche reeders; 
nadmkkel^k verdedigde men het verleenen van octrooi aan de 
Noordsche Compagnie door een beroep op de natuurlijke vrijheid 
der zee. Onder protest, dat de Staten hunnen onderdanen be- 
paald verboden hadden , aan de Engelschen of eenige andere natie 
direct of indirect de visscherij op Spitsbergen te beletten, werd 
eindelijk aangedrongen op het maken van » eenige goede ordre 
ende reglement, waerdoor de visscherie vande walvisschen, wal- 
russen, ende andere zeemonsters ontrent de voorseide custen, 
met affweeringe van alle confusien ende misverstanden, ten 
meesten proffgte van de ondersaten van zyne Ma', ende vande 



•) Zie de commissie in: Noordsche togten. 4. Loop N.C. R-A. 
») R. H. verg. v. 4—17 Mrt. 1615. p. 5. 

■) Zie haar reques^ aan de Stn -Gen. dd. 1 April 1615, in: Noordsche tog< 
ten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) Maller, Mare Claosum. p. 129. 
•) cf. R. S.-G. 8, 10, 15 Apr. 1615. 



208 

ingesetenen van dese landen mocht werden gebeneficieeit , ende 
het different vande voorgaende schaden tot redelyck conteutement 
affgedaen." Een bepaalden voorslag daartoe deden do commis- 
sarissen in stryd met de opdracht der Staten-Oeneraal nog niet ' ). 
Overtnigend als deze geschiedkundige uiteenzetting z|jn mocht , 
de Ëngelsche pretensie werd er niet door weerlegd. Bg de ovetf 
handiging van het stuk aan de ambassadeurs werd echter deze 
leemte voldoende aangevuld. Een vrg hevig dispuut , waarin De 
Groot een zeer hoogen toon voerde, schgnt toen tusschen de 
wederzijdsche gevolmachtigden ontstaan te zijn; het verdedigende 
standpunt , dat in de memorie zeer verstandig was ingenomen om 
den lichtgeraakten vorst van Groot-Britannië niet te kwetsen , werd 
in de hitte van het debat verlaten en men liet zich onvoorzichtig 
tot eenen aanval op de zoogenaamde Ëngelsche kroonrechten ver- 
leiden. De Nederlanders weerlegden nu de beweerde ontdekking 
van Spitsbergen door Willoughbj breedvoerig en staafden de door 
hen in hunne memorie aangevoerde feiten over de ontdekking 
door Heemskerck nog nader. Maar vooral werd er in deze bgeen- 
komst op gewezen, dat het geschil over het bezit van het eiland 
eigenlijk nutteloos was: de zee toch, meenden de Nederlanders, 
was en bleef gemeen goed van allen, de walvisschen behoorden 
aan niemand en konden dus door ieder vrgelijk worden gevangen. 
Toen bleek het duideljjk , dat het de Engelschen met eene schik- 
king geen ernst was : volmondig erkenden zij , dat zg de stukken 
ter weerlegging dezer redeneering niet bij zich hadden. Ook was 
dit volgens hen in het geheel niet noodig: elke schikking tas- 
schen beide natiön toch , dus beweerden zij op hoogen toon , moest 
vóór alles beginnen met eene erkenning van Jakob I als heer 
van Spitsbergen; wilden de Nederlanders den vorst beleedigen 
door het in twijfel trekken van zijn recht, dan was ook alle 
onderhandeling nutteloos *), Men scheidde dus met de nietszeg- 
gende belofte, dat de ambassadeurs rapport van het gehoorde 
aan hunnen koning zouden doen , die later aan Caron zgn besluit 
zou mededeelen *). Weinige dagen later vertrokken de gezanten 
weder naar Engeland *). 

Het was te verwachten, dat ook nu de argumenten der Neder- 
landers en de voorstellingen van Caron weinig indruk op Jakob I 
zouden maken. Weldra kwam dan ook in Den Haag het bericht, 
dat de koning overwoog , zijne onderdanen door den bestand van 
twee oorlogschepen in staat te stellen, hunne beweerde rechten 

*) K. S.-G. 16 Apr. 1615. — Zie de memorie afgedrukt b\j: Muller, Mare 
Ckufum. p. 863. « 

«) Grotii ËpiBtolae. p. 19, 20. £p. 59. 
•) R, S.-G. 4 Mei 1615. 
*) R. ij.-ü. ö Mei löló. 



209 

met kracht te handhaven , en dat ook de Moscovische Compagnie 
beraadslaagde over nog krachtiger uitrusting d&n het vorige jaar '). 
In deze onzekerheid meenden de Staten-Generaal de Noordsche 
Compagnie nogmaals te moeten bijstaan. Zij schreven aan Caron 
om voor het laatst te beproeven eene botsing te voorkomen *), 
maar tevens namen zij krachtiger maatregelen. De Noordsche 
Compagnie werd aangeschreven > haer in goede ordre tot de Naui- 
gatie ende Neeriuge te willen tydelyck praepareren ende het 
selve doende naer behooren, ten minsten als in den voorleden 
jare is gedaen, dat in dien gevalle haer gelycke assistentie ende 
&veur ghedaen soude worden als in den voorleden jare was ghe- 
schiet, maer anders en by gebreck van haer eygen devoir niet *)." 
Meer dan de tusschenkomst van Caron baatte deze krachtige 
houding: terwijl de Noordsche Compagnie elf schepen onder 
Adriaen Block *), begeleid door drie oorlogschepen naar Spits- 
bergen zond *), verschenen de Engelschen tegen de verwachting 
dit jaar slechts met twee groote schepen en twee pinassen. Waar- 
sch^nl|jk had de slechte vangst der beide laatste jaren eene crisis 
onder de reeders ter walvischvangst doen ontstaan , en was daar- 
door de uitrusting geringer dan zij vorige jaren geweest was *). 
Hoe dit ook zij , de Nederlanders »stayed vpon the coast of 
Groenland perforce*' en bezochten ook de door de Engelschen het 
vorige jaar gereserveerde baaien. Zij gingen zelfs over tot het 
bouwen van eene loge in Bell-sound om hunne gereedschappen 
voor het volgende jaar te bewaren '). 

In den zomer van 1616 koerden echter de kansen; de Engelschen 
kwamen met acht groote schepen en twee pinassen op Spitsber- 
gen, terwgl de Nederlanders reden hadden om ook eenige Deen- 
sche oorlogschepen met vijandige bedoelingen daar te verwachten. 
Tegen deze overmacht kon de Noordsche Compagnie , door de groote 
uitrusting van het vorige jaar uitgeput, niet meer dan zes sche- 



*) "i/Liu, ▼. Caron aan den koning dd. 6/16 Mei 1615, in: L. E. 1615. — 
R. S.-6. 16 Mei 1615. — Req. der N. C. aan de Stn.-Geu. dd. 1 Apr. 1616 , in: 
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) Maller, Mare Clansam. p. 130 Noot o. 

•) R. H. verg. v. 4—17 Mrt. 1615. p. 5. 

*) Wasscnaer, Hist. verh. VIII fol. 95. — Block is bekend door zyne reis 
naar Nieuw-Nederland in 1614. (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 85 , IX foL 44. — 
Zie meer b\j: De Jonge, Opkomst. I p. 33.) 

*) £dge, Batch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467. 

*) £dge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469) verhaalt, 
dat de leden der Moscovische Compagnie , die zich op de walvischvangst toelegden , 
in 1610 «dissolued againe." 

*) Mémoire de la Comp. Scptentrionale , bij : Muller, Mare Clansum. p. 371. — 
Instr. V. de Stn.-Gen. voor Schmbop dd. 23 Mei 1616, art. 8, in: Noordsche 
togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

14 



202 

zelven, hoewel yoorzichtigei , toonden zich niet minder yeront- 
waardlgd. Reeds voordat Van Muyden mot zgn schip thuis 
was gekomen , klaagden de Amsterdammers op de berichten , door 
Boots met het schip de Fortnyne aangebracht , aan de Staten- 
Generaal. Zij beweerden , dat Spitsbergen een onbeheerd en vrg land 
was , waarop de Nederlanders als ontdekkers in ieder geval meer 
aanspraak hadden dan de Engelschen; zg verdedigden de zeer 
jniste stelling, dat de zee en de vaart daarover voor ieder vrg 
moesten geacht worden en brachten die in praktgk door van alle 
> preferentie" uit kracht van hunne ontdekking af te zien. 2«g 
verklaarden , dat z^ zich niet als verschillende andere natiën had- 
den willen vernederen tot het betalen eener belasting uit vrees 
voor het misnoegen der regeering ') en zg verzochten de Staten- 
Generaal op al deze gronden te zorgen : V. dat zg on verwed ver- 
goeding kregen van de Engelschen , 2*. dat hun voortaan de vaart 
op Spitsbergen onverhinderd bleef openstaan, en 3*. dat op de 
schepen van den commandeur Joseph na zijne aankomst in En- 
geland beslag gelegd werd *). 

De Statcn-Gcneraal besloten dadelijk aan het verzoek der Am- 
sterdammers te voldoen. Aan den Engelschen ambassadeur Win- 
wood en aan Caron , den gezant der Staten te Londen , beiden werd 
opgedragen, om Jakob I >te vcrthoonen het ongelyck, dat niet 
alleene de voirszcide Supplianten , maer oyck by consequentie dese 
landen daerby is geschiet'', en om te bewerken, dat den klagers 
> volgende het Jus gentium" hun goed werd teruggegeven '). 



zaakt hetgeen hij gezegd had openlijk als ,, temere et inconsiderate" te 1>nDd- 
merken, lig verklaarde toen, dat de reeders met eerbied voor Jakob 1 niet 
anders verwachtten dnn hunne handhaving door Z. M. tegen z\jne eigene onder* 
dauen ; gebeurde dit niet , dan verklaarden zg toeh nooit tot geweld hnone 
to(;vlucht te zullen nemen, hoewel hun rerht duidelijk was , zooals ait de duurb^- 
gevoegde «refntatio" van Plancius bleek. (Detectio freti. G — Deze 4 bUdz^den 
zijn in sommige exemplaren later bijgevoegd.) 

') De Staten-Ceneraal besloten reeds dadelijk, dat de Nederlanders geen li- 
cent mochten betalen. Tweenhuysen c. s hadden verklaard wto mecnen, dat oock 
dese natie by voorgaende versochte licentie ofte by avonture eenighe gedane 
recognitie by den Koningh van Engelant ofte voorszeide Compagnie sonde wor- 
den geadinittecrt , maer dat sy Supplianten niet en wisten ofte haere Groot- 
l^lo: Ed : aengenaem sonde sijn te geschieden." (Wassenaer, Hist. yerh. VIII 
fol 80.) De St aten-Generaal bevalen dan ook Caron, bij het overhandigen van het 
requcst aan Jakob I *vnyt te laten de presentatie die de Supplianten doen by dentcl- 
uenRequeste van eenigu submissie ende erkentenisse aen zync Mat. te doen Toor 
het toelaten vande voirszcide visscherye, ouermits de zeer (?) prein- 
diciabcl consequentie voirden Staet van tlant daerjnae 
gelegen." (R. S.-G. 26 Aug. 1618.) 

*) Zie dit request afgedrnkt b\j: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88. 

•) R. S.-G. 26, 31 Aug. 1613. 



211 

>8terck te reoden ende vuyt te varen opte Neringe ende Vis- 
Bcherio." *) De Noordscbe Compagnie sloeg dien wenk niet in 
den wind en deed het uiterste om zich te versterken, al moet 
het haar veel gekost hebben. Den 19 Maart 1617 trof zij eene 
overeenkomst met eene Zeeuwsche compagnie, die zich onlangs 
ook op de walvischvangst had beginnen toe te leggen. Men kwam 
overeen over het aandeel , dat ieder in de winst zou hebben , men 
beloofde elkander wederkeerig hulp en bescherming *). Dus ver- 
sterkt hoopte men den Engelschen het hoofd te kunnen bieden. 
Maar toen het contract eenmaal gesloten was , schgnt de Noord- 
sche Compagnie berouw gehad te hebben. Jan Mayen-eiland , van 
de gemeenschap uitgesloten , omdat de Hollanders als ontdekkers 
daarop uitsluitende rechten doden gelden , — bleef een door de af- 
wezigheid der Engelschen aanlokkelyk verblijf. Al had de walvisch- 
vangst daar in 1616 niet aan de verwachting beantwoord, de 
verleiding was groot en de hulp , die de Zeeuwen konden leveren , 
schgnt niet aan de verwachting der Noordsche Compagnie beant- 
woord te hebben. Toen de tijd van uitvaren gekomen was , schoot 
dan ook de moed der vcreeniging te kort en tegen de bepaling 
van het pasgesloten contract in zond zij in 1617 hare geheele 
uitrusting naar Jan Mayen-ciland. Toen dus op het laatst van 
Mei drie Vlissiugsöhe schepen, >de Arke Noü** kapitein Jan 
Verelle, >de Peerle" kapitein Huybrecht Comclisz. , en >de Vos" 
kapitein Cornelis De Cock , op Spitsbergen aankwamen , waren zij 
volkomen onbeschermd. De Moscovische Compagnie daarentegen , 
die dit Jaar veertien groote schepen en twee pinassen naar het 
noorden had gezonden, waarvan slechts éen Spitsbergen op eene 
ontdekkingsreis verliet, was gereed tot krachtige maatregelen. 
Reeds voordat de Zeeuwen Spitsbergen bereikten, ontmoette 
De Cock den Engelschen commandeur Edge , die hem , toen hij 
vernam dat de Moscovische Compagnie dit jaar op Spitsbergen 
de sterkste was, onder beroep op de commissie van Jakob I 
het visschen verbood, terwijl hij alle Nederlanders gelastte zich 
dadelijk van de kust te verwijderen met de be<lreiging hun 
anders hunne vangst te zullen ontnemen. Niet ontmoedigd be- 
proefde De Cock met zyne beide medgezellen daarop de wal- 
vischvangst in Horn-sound, maar toen een daar aanwezig 
Engelsch kapitein, Harry Smith gehceten, dadelijk den com- 
mandeur van hunne aankomst bericht gaf, en de Hollanders , 
die te hulp geroepen waren, bleken niet in Bell-sound te zijn, 
voelden de drie Vlissingors zich to zwak om het herhaalde ver- 



*) MoDer, Mire Clansam. p. 131 Noot 5. 

*) Zie het contnet in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 



204 

beweerde identiteit van Groenland en Spitsbergen reeds voldoende 
wederlegd was *) en daarop nit al bet voorgaande de conclusie 
getrokken, dat Heemskerck en de zijnen de ware ontdekkers 
van bet eiland waren. 2°. tracbtte Plancins te bewpzen, dat 
de Engelscben ook als domini maris geen recbt badden om de 
vaart naar Spitsbergen te verbieden. Dit dominium maris : toch, 
dat zieb volgens de Engelscben ook over de IJszee nitstrekte, 
gaf geen recbt op Spitsbergen zelf, betgeen reeds daaruit bleek, 
dat dicbter bij de Britscbe eilanden gelegene landen, ak Ghroen- 
land, IJsland enz. aan Denemarken beboorden *), Maar ook al 
kwam Spitsbergen zelf aan Engeland toe, de regel van bet vol* 
kenrecht luidde, »dat ofscboon eenigb vast lant ofte Eylandt yeman- 
den toebeboorde dat nochtans de Zee-vaert ende visscheryen na 
het algcmeyne Recht van allen volcken eenen yegelgcken even na 
is ende vry open staet ')." 

De Staten-Generaal toonden zich met bet werk van Plancins 



*) Het is mij niet gebleken, dat de Engelschen deze bewering in een oiBciöe 
stuk ter bekrachtiging van han recht gebruikt hebben. Wel noemden z^ Spit»- 
berv^en Grcenland, maar dat zij zeer goed wisten, dat het niet hetzelCde was alt 
het van ouds bekende Groenland, blijkt uit hel feit, dat z\j dit mot den naam 
Groneland of iets dergelijks aanduidden. (De bewering van den schr^ver der 
„Histoiro de Spitsberghe" (p. 26), dat de Engelscben het recht om bij Spitsber- 
gen te visschen van Denemarken zouden gekocht hebben, schijnt mij geheel on- 
juist.) — Terwijl men dus reeds lang voor 1613 aannam, dat Spitsbergen geen 
gedtH-llv^ van Grocnlands oostkust was (de Nederlandschc ontdekkers zijn misschien 
door hunne onbekendheid met middelen om de lengte op zee te bepalen in deze 
dwaling vervallen) schijnt men echter eerst verscheidene jaren later volledige zeker- 
heid hierover erlangd te hebben. Die zekerheid was uatuurlijk eerst te verkrggen 
door het bewijs , dat Spitsbergen een eiland was. De omzeiling door Rijp waa 
vergeten en Fotherby zegt dan ook in 1615, dat Spitsbergen «is most like to 
bc an Hand." (Purchas, Pilgrimes. III p. 730.) Purchas verhaalde in 1625, dat „Green- 
land is now almost altogether discouered to bee an Hand, or rathermany Hands 
and brokeu grounds." (Purchas , Pilgrimes. p. 816.) Evenwel „gheloofde" Jorit 
Carolus nog in 1634 „niet, dat het landt van Out-Groenlandt aen Spitsberghen 
vast en is , vermits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden romen" 
(Carolus , Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147), en Vander Brugge schreef 
in datzelfde jaar (Journael der Se ven Matrooscn p. 4) : „Of Spitsbergen een Ej- 
laudt, of vast aan-een-palent landt sy, is tot noch toe onbekent " Cliristiaan 
IV vnn Denemarken sprak echter reeds in 1631 van „die Grönlandische Insull 
Spit/bergen." (Miss. v Chr. IV aan de Stn.-Gcn. dd. 28 Dec. 1631, in: 
L D. 1632 ) 

») Dat dit argument onjuist is. blijkt uit: Muller, Mare Clausnm. p. 121 Noot 6. — 
De rechtsgrond , door de Engelscben voor hun dominium maris in de IJszce aan* 
gevoerd, was hunne occupatie als eerste reizigers in de IJszee. Ook deze be- 
wering trachtten de Nederlanders echter te weerleggen. Zie de daartoe strek- 
kende bcfoogeu bij: Wassenaer, Ilist. verh. VIII fol. b9 vlg. 

*, Zie dit stuk van Plancins in: Hist. de Spitsb. p. 27, en b\j : Wassenaer, 
Hist. verh. VIII fol. 93. 



205 

ingenomen en zonden het aan Jakob I om hem van het goed 
recht der Nederlanders te overtuigen. Maar de eigenzinnige vorst 
was de man niet , om zich spoedig van eene eens opgevatte meening 
te laten terugbrengen : h{j gaf gaarne gehoor aan de > andere in- 
formatien** der Moscovische Compagnie, en » al wast dat het 
teghendeel duydelyck genoegh aenghewesen was /' hg kon of wilde 
het niet aannemen. >0f nu sulcke groote verstanden tot consi- 
deratien van so klejne dingen niet konnen descenderen, of dat 
sy yets ons onbekent daer mede voor hebben, is swaerlijck te 
oordeelen/' merkt Wassenaer ironisch op *). Zeker is het echter, 
dat de compagnie voor de walvischvangst op maatregelen zon om 
den koning op nadrukkelijke wijze te beduiden, dat de Neder- 
landsche natie niet geneigd was van de pas begonnen vaart op 
Spitsbergen af te zien. Hoofdzakelijk steunende op het feit, dat 
de Engelschen hen niet goedschiks op Spitsbergen wilden toelaten , 
verzochten zg van de Staten-Generaal octrooi om met uitsluiting 
van alle andere Nederlanders op Spitsbergen te mogen varen. 
Eerst door vereeniging van alle krachten hoopte men in staat te 
zjjn , de aanvallen der Engelschen te weerstaan en tevens de groote 
kosten der uitrusting vergoed te krggen. Wij hebben gezien, dat 
de Staten-Generaal het octrooi verleenden *). Zij betoonden aan 
de nieuwgevormde compagnie nog verder hunne gunst door haar 
op haar verzoek tegen betaling eener belasting met eenige oor- 
logschepen bij te staan. Ook de vereeniging zelve rustte bare 
schepen tot den strgd toe en het liet zich aanzien, dat het jaar 
1614 niet zonder bloedige botsingen in het noorden zou voor- 
bggaan »). 

Toch bleef het dit jaar op Spitsbergen rustig. Weldra bleek 
het, dat de Nederlanders den verstandigsten maatregel genomen 
hadden , die in de gegeven omstandigheden te nemen was. Nooit 
werd de spreuk >si vis pacem para bellum'' schitterender be- 
vestigd. Hoewel Jakob I den Staten-Generaal na de oprichting 
der Noordsche Compagnie zyn ernstig ongenoegen over de vol- 
harding der Nederlanders had te kennen gegeven ^) , kwam het 
niet tot een gevecht. De Engelschen hadden na ongewone krachts- 
inspanning behalve een schip, dat onder kapitein Fotherby ter 
ontdekking uitzeilde *) dertien schepen en twee pinassen naar 
Spitsbergen gezonden , maar de Nederlanders waren toch sterker : 
zg kwamen met veertien groote schepen vergezeld van drie wel- 



>) Wassenaer. Hist. TerhaeL VIII fol. 94. 
•) Zie hiervoor p. 74—77. 

•) R. S-G. 4 April 1614. — Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94. — ResoL 
Adm. Amst. 18, 19, 24 Apr.. 2 , 5 Mei 1614. 
•) R. S.-G. 19 Mei 1614. 
*) Zie 2^n journaal b\j: Purchas, Pilgrimes. UI p. 720. 



206 

toegeruste oorlogschepen , die de Staten-Generaal hun hadden 
medegegeven. Al waren das de Engelschen niet minder dan 
het vorige jaar geneigd tot gewelddadige handelingen *) , »het een 
mes hielt het ander in de schede'' en het bleef yredo. >The 
Dutch stayed and fished for the Whale perforce , they were fEurre 
stronger then the English," verhaalt Edge wrevelig. De com- 
mandeur Joseph, ook nu weder de aanvoerder van de schepen 
der Moscovische Compagnie , was zelfs zoo ontmoedigd , dat hg 
den ^7^ met den Nederlandschen commissaris-generaal Antonie 
Monier eene overeenkomst sloot voor een jaar, waarbg hij hem 
alle hulp in zgne visschorij aanbood , mits hg aan de Engelschen 
de reeds toen door hen bezeten baaien Bell-sound, Ice-sound, 
Fair foreland (of Sir Thomas Smiths-bay) en Fairhaven alleen 
overliet *). Op dien voet verkeerden partgen in vrede naast 
elkander , maar de groote menigte der schepen was oorzaak , dat 
de vangst aan beide zijden slecht was. ') » 

Was het misschien in de overtuiging , dat zulk eene overspan- 
ning van krachten als in 1614 had plaats gehad, op den dnor 
voor beide natiën onvoordeelig ja onhoudbaar moest zgn , zeker 
is het, dat de Noordsche Compagnie zelve de eerste was, die 
niettegenstaande de meer voorkomende houding, door de Engel- 
schen dit jaar aangenomen , op pogingen tot een vergelgk met hen 
aandrong. Het was op haar verzoek, dat de Staten-Generaal 
20 November 1614 Caron aanschreven om moeite te doen, dat de 
Engelsche ambassade , die eerstdaags in Den Haag verwacht werd 
tot regeling der Oost-Indische geschillen, last medekreeg om 
ook de quaestie der vaart en visscherij in de IJszee te schikken *). 
Koning Jakob toonde zich daartoe niet ongeneigd. Hg voorzag 
zijne gezanten Wotton, Edmonds, Middleton en Abbot van com- 
missie om over de zaak te onderhandelen. Maar deze commissie 
beloofde weinig goeds : reeds de uitdrukking , dat men zou spreken 
over de >piscatione8 in marl Boreali prope Groenlandiae littora 



* ) Tegenwind alleen weerhield o. a. Foiherby, twee vreemde schepen nit Mand- 
len-sound te verjagen. (Fotherbjre , Voyagc of Discouerie to Greenland, by : 
Purchas, Pilgrirae». III p. 724.) 

*) De Kngelsche verhalen maken van dit contraet natuurlek geene melding. 
Zie echter de „Memoire" der N. C. bij: Muller, Mare Clausum. p. 871. — 
De overeenkomst is afgedrukt bij: Waasenacr, Hist. verh. fol. 94. — Ook mei 
den zoo gehaten Marmadukc van Huil was de Moscovische C'ompagnie dit jaar 
,in termcs of consortmcnt ;" „hut nothing was concludcd", voegt Fotherby (Voyage 
of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimcs. III p. 727), zinspelende op de overeen- 
komst met de Nederlanders , dadelgk daarbg. 

•) Zie over deze reis: Edge, Datch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. 111 
p. 466. 

•) R. S.-G. 20 Nov. 1014. 



207 

uobis solam et nostris jure acquisitaS) ab Incolis et 
Inhabitatoribus Vnitarum Provinciarum tarnen interruptas /' ') 
bewees , dat de vorst z jjn yermeend recht bleef handhaven. Wer- 
kel^'k bleek het dan ook weldra, dat de Engelschen aan geen 
toegeven dachten. De ambassadeurs hadden zich bereid verklaard 
de zaak te bespreken na afloop der Oost-Indische onderhande- 
lingen ') en zoodra nu Hugo De Groot door de Staten-Generaal 
op aandringen der Noordsche Compagnie ') tot hen gezonden 
werd om hun gevoelen te vernemen (8 April 1615), leverden zg 
eene nota over, waarin zg met nadruk verklaarden, dat JakobI 
van zgn recht op Spitsbergen en de aangrenzende wateren vol- 
strekt niet dacht af te zien *). De Staten-Generaal benoemden 
nu dadel^k eene commissie, om met gebruikmaking van de be- 
scheiden, die onder de Noordsche Compagnie berustten, de En- 
gelschen te weerleggen *). Het antwoord , dat De Groot en zijne 
mede-commissarissen opstelden, werd reeds 16 April aan de 
gezanten overgegeven. Het ving aan met de opmerking, dat 
>dese Landen, zynde van seer cleyne extensie, iegens de macht 
van haere openbaere , ofte bedeckte vjanden nyet en souden con- 
nen bestaen nochte dienstich zyn aen haere vruuden, ten waere 
de zee suppleerde t* gunt aen t' landt is ontbreeckende , sulcx dat 
de hoochdringende noot de Ingesetenen van dese landen heeft 
bewogen , om verscheyden nauigatien te soecken , ende haer seluen 
alsoo ten deele door trafficque , ten deele oock door de Visscherie 
te onderhouden.*' uitvoerig werd daarna gewezen op de oudheid 
der Nederlandsche visscherijen , en werden de bekende tochten 
der Nederlanders naar de IJszee verhaald. Nogmaals werd aan- 
gedrongen op herstel van de schade der Amsterdamsche reeders; 
nadrukkelgk verdedigde men het verleenon van octrooi aan de 
Noordsche Compagnie door een beroep op de natuurl^ke vrijheid 
der zee. Onder protest, dat de Staten hunnen onderdanen be- 
paald verboden hadden , aan de Engelschen of eenige andere natie 
direct of indirect de visscherij op Spitsbergen te beletten, werd 
eindelgk aangedrongen op het maken van » eenige goede ordre 
ende reglement, waerdoor de visscherie vande walvisschen, wal- 
russen, ende andere zeemonsters ontrent de voorseide custen, 
met affweeringe van alle confusien ende misverstanden, ten 
meesten proffgte van de ondersaten van zyne Ma', ende vande 



*) Zie de commissie in: Noordsche togtcn. 4. Loop N. O. R-A. 
») R. H. verg. v. 4^17 ^Irt. 1615. p. 5. 

■) Zie haar reqnes^ aan de Stn -Gen. dd. 1 April 1615, in: Noordsche tog- 
ten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) Maller, Mare Clansum. p. 129. 
•) cf. R. S.-G. 8, 10, 15 Apr. 1615. 



208 

ingesetenen van dese landen mocht werden gebeneficieeit , endft 
het different yande yoorgaende schaden tot redelyck conteutement 
affgedaen.'* Een bepaalden voorslag daartoe deden do commis- 
sarissen in strgd met de opdracht der Staten-Oeneraal nog niet '). 
Overtnigend als deze geschiedkundige uiteenzetting zyn mocht , 
de Ëngelsche pretensie werd er niet door weerlegd. Bg de oyer- 
handiging van het stuk aan de ambassadeurs werd echter deze 
leemte voldoende aangevuld. Een vr^' hevig dispuut , waarin De 
Groot een zeer hoogen toon voerde, schynt toen tusschen de 
wederzijdsche gevolmach tigden ontstaan te zijn ; het verdedigende 
standpunt , dat in de memorie zeer verst-andig was ingenomen om 
den llchtgeraakten vorst van Groot-Britannië niet te kwetsen , werd 
in de hitte van het debat verlaten en men liet zich onvoorzichtig 
tot eenen aanval op de zoogenaamde Ëngelsche kroonrechten ver- 
leiden. De Nederlanders weerlegden nu de beweerde ontdekking 
van Spitsbergen door Willoughby breedvoerig en staafden de door 
hen in hunne memorie aangevoerde feiten over de ontdekking 
door Heemskerck nog nader. Maar vooral werd er in deze bgeen- 
komst op gewezen, dat het geschil over het bezit van het eiland 
eigenlyk nutteloos was: de zee toch, meenden de Nederlanders, 
was en bleef gemeen goed van allen, de walvisschen behoorden 
aan niemand en konden dus door ieder vryelyk worden gevangen. 
Toen bleek het duideljjk , dat het de Engelschen met eene schik- 
king geen ernst was : volmondig erkenden zij , dat zg de stukken 
ter weerlegging dezer redeneering niet bij zich hadden. Ook was 
dit volgens hen in het geheel niet noodig: elke schikking tus- 
schen beide natii^n toch , dus beweerden zij op hoogen toon , moest 
vóór alles beginnen met eene erkenning van Jakob I als heer 
van Spitsbergen; wilden de Nederlanders den vorst beleedigen 
door het in twgfcl trekken van zijn recht, dan was ook alle 
onderhandeling nutteloos *). Men scheidde dus met de nietszeg- 
gende belofte, dat de ambassadeurs rapport van het gehoorde 
aan hunnen koning zonden doen , die later aan Caron zgn besluit 
zou mededeelen '). Weinige dagen later vertrokken de gezanten 
weder naar Engeland *). 

Het was te verwachten , dat ook nu de argumenten der Neder- 
landers en de voorstellingen van Caron weinig indruk op Jakob I 
zouden maken. Weldra kwam dan ook in Den Haag het bericht, 
dat de koning overwoog, zgne onderdanen door den bg stand van 
twee oorlogschepen in staat te stellen, hunne beweerde rechten 

*) K. S.-G. 16 Apr. 1615. — Zie de memorie afgedrukt b\j: Muller, Mar« 
Claufum. p. 363. « 

«) Groiii Ëpistolae. p. 19, 20. £p. 59. 
•) R, S.-G. 4 Mei 1615. 
*) R. a.'G. ü Mei lülü. 



209 

iet kracht te handhaven , en dat ook de Moscovische Compagnie 
eraadslaagde over nog krachtiger uitrusting d&n het yorige jaar '). 
n deze onzekerheid meenden de Staten-Generaal de Noordsche 
/Ompagnie nogmaals te moeten bijstaan. Zij schreven aan Caron 
»m voor het laatst te beproeven eene botsing te voorkomen *), 
naar tevens namen zij krachtiger maatregelen. De Noordsche 
yompagnie werd aangeschreven > haer in goede ordre tot de Naui- 
^tie ende Neeringe te willen tydelyck praepareren ende het 
lelve doende naer behooren, ten minsten als in den voorleden 
jare is gedaen, dat in dien gevalle haer gelycke assistentie ende 
hveur ghedaen soude worden als in den voorleden jare was ghe- 
schiet , maer anders en by gebreck van haer eygen devoir niet •)." 
üfeer dan de tusschenkomst van Caron baatte deze krachtige 
bonding: terwgl de Noordsche Compagnie elf schepen onder 
A.driaen Block *), begeleid door drie oorlogschepen naar Spits- 
bergen zond *), verschenen de Engelschen tegen de verwachting 
dit jaar slechts met twee groote schepen en twee pinassen. Waar- 
schgnlgk had de slechte vangst der beide laatste jaren eene crisis 
onder de reeders ter wal visch vangst doen ontstaan , en was daar- 
door de uitrusting geringer dan zij vorige jaren geweest was *). 
Hoe dit ook zij , de Nederlanders »stayed vpon the coast of 
Greenland perforce*^ en bezochten ook de door de Engelschen het 
vorige jaar gereserveerde baaien. Zij gingen zelfs over tot het 
bouwen van eene loge in Bell-sound om hunne gereedschappen 
voor het volgende jaar te bewaren '). 

In den zomer van 1616 keerden echter de kansen; de Engelschen 
kwamen met acht groote schepen en twee pinassen op Spitsber- 
gen, terwgl de Nederlanders reden hadden om ook eenige Deen- 
sche oorlogschepen met vijandige bedoelingen daar te verwachten. 
Tegen deze overmacht kon de Noordsche Compagnie , door de groote 
uitrusting van het vorige jaar uitgeput, niet meer dan zes sche- 



*) MiM. ▼. Caron aan den koning dd. 6/16 Mei 1615, in: L. E. 1615. — 
R. S.-O. 16 Mei 1615. — Req. der N. C. aan de Stn.-6eu. dd. 1 Apr. 1616 , in: 
Noordache togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 

*) Muller, Mare Clausum. p. 130 Noot 5. 

•) R. H. verg. v. 4—17 Mrt. 1615. p. 5. 

*) Waucnaer, Hist. verh. VIII fol. 95. — Block is bekend door zgne reit 
naar Nieuw-Nederland in 1614. (Wasscnaer, Hist. verh. VIII fol. 86 , IX fol 44. — 
Zie meer by: De Jonge, Opkomst. I p. 33.) 

*) Kdge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgriroes. III p. 467. 

*) £dge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgriines. III p. 469) verhaalt, 
dat de leden der Moscovische Compagnie , die zich op de wal visch vangst toelegden , 
in 1610 «dissolned againe." 

*) Mémoire de la Comp. Septcntrionale , bij : Muiier, Mare Clausum. p. 371. — 
Instr. ▼. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, art. 8, in: Noordsche 
iogien. 4. Loop. N. C. R.-A. 

14 



210 

pen overstellen, veaaryan zg om goede redenen ') nog eenige 
naar het pas ontdekte Jan Mayen-eiland moest zenden. De Sta- 
ten-Generaal hadden daarentegen het hunne gedaan om de yer- 
eeniging met kracht bij te staan: een konyooi van yjjf oorlog- 
schepen werd ter harer beschikking gesteld, terwfjl aan den 
commandeur daarvan Jan Jacobsz. Schrobop bevolen werd om 
geene vreemde natiën in de walvischvangst te hinderen , maar dan 
ook eventueele aanvallen krachtig te keer te gaan *), Maar toch 
voelde de Noordsche Compagnie zich niet krachtig genoeg: zg schgnt 
ernstig beraadslaagd te hebben , de walvischvangst aan Spitsbergen 
voor goed op te geven en zich met de voordeelige visscherg aan Jan 
Mayen-eiland tevreden te stellen. Althans daarheen was het dat 
dit jaar de geheele uitrusting der vereeniging gezonden werd. De 
Engelschen maakten van deze gelegenheid gebruik : in de afwezig- 
heid der Nederlanders wreekten zij zich over de concurrentie van 
vroegere jaren door het vernielen der nieuwgebouwde loge. Vier 
schepen der Noordsche Compagnie , die later in het jaar aan Spits- 
bergen kwamen, moesten zich iu verschillende baaien verspreid 
schuil houden. Zij hadden eeno slechte vangst, terwgl de Engel- 
schen ongeveer 100 walvisschen vingen en zooveel traan kookten, 
dat zij nog een gedeelte daarvan op het eiland moesten achter- 
laten tot het volgende jaar '). 

Het blijkt niet, of de Staten -Generaal met de verplaatsing der 
Nederiandsche walvischvangst naar Jan Mayen-eiland genoegen ge- 
nomen hebben, maar men zou bijna geneigd zijn dit aan te nemen, 
wanneer men ziet, dat juist in 1617 de regeering bezwaar maakte 
het gewone konvooi aan de compagnie te verleenen, eene spaar- 
zaamheid , die de vereenigiug misschien zou kunnen noodzaken in 
haar voornemen te volharden. Het is waar, er kunnen andere 
redenen voor deze handelwijze der regeering bestaan hebben: de 
Engelschen hadden , niettegenstaande de verdeeling der Nederiand- 
sche krachten hun het laatste jaar eene uitnemende gelegenheid 
tot wraak aanbood, 3inds 1613 hunne aanvallen op de walviach- 
vaarders niet herhaald ; de Noordsche Compagnie , die toch in ieder 
geval een paar goede reizen gemaakt had, kon in staat geacht 
worden om zich zelve te beschermen : maar toch, de weinige onder- 
stand , dien de vereeniging in deze crisis verkreeg , schgnt er op te 
wijzen, dat de regeering huiverig was den strijd met de Engel- 
schen openlijk te aanvaarden. Hoe dit zij, de Staten-Generaal 
vermaanden de walvischvaarders in het voorjaar van 1617, zelven 



>) Zie over die redenen: Hoofdst. IX. 

*) Zie de Instructie in: Noordsche togtcn. 4. Loop. N. C. R.-A. 
•) Edge, üutch distnrbance, by: Purchas, Pilgrimes. IH p. 466, 67.— Mé- 
moiré der N. C, by : Muller, Mare Clausum. p. 871. — Purchas, Pügrimage. p. 816. 



211 

•sterck te reeden ende vuyt te varen opte Neringe ende Vis- 
Bcherio." *) De Noordsche Compagnie sloeg dien wenk niet in 
den wind en deed het uiterste om zich te versterken, al moet 
het haar veel gekost hebben. Den 19 Maart 1617 trof zij eene 
overeenkomst met eene Zeeuwsche compagnie, die zich onlangs 
ook op de walvischvangst had beginnen toe te leggen. Men kwam 
overeen over het aandeel , dat ieder in de winst zou hebben , men 
beloofde elkander wederkeerig hulp en bescherming *). Dus ver- 
sterkt hoopte men den Engelschen het hoofd te kunnen bieden. 
Maar toen het contract eenmaal gesloten was , schijnt de Noord- 
Bche Compagnie berouw gehad te hebben. Jan Majen-eiland , van 
de gemeenschap uitgesloten , omdat de Hollanders als ontdekkers 
daarop uitsluitende rechten doden gelden , — bleef een door de af- 
wezigheid der Engelschen aanlokkel^k verblijf. Al had de walvisch- 
vangst daar in 1616 niet aan de verwachting beantwoord, de 
verleiding was groot en de hulp , die de Zeeuwen konden leveren , 
Bcl4jnt niet aan de verwachting der Noordsche Compagnie beant- 
woord te hebben. Toen de tijd van uitvaren gekomen was, schoot 
dan ook de moed der vereeniging te kort en tegen de bepaling 
van het pasgesloten contract in zond zij in 1617 hare geheele 
uitrusting naar Jan Mayen-ciland. Toen dus op het laatst van 
Mei drie Vlissiugsöhe schepen, »de Arke Noë" kapitein Jan 
Verelle, >de Peerle" kapitein Huybrecht Comelisz. , en >de Vos" 
kapitein Cornelis De Cock , op Spitsbergen aankwamen , waren zij 
volkomen onbeschermd. De Moscovische Compagnie daarentegen , 
die dit jaar veertien groote schepen en twee pinassen naar het 
noorden had gezonden, waarvan slechts éen Spitsbergen op eene 
ontdekkingsreis verliet, was gereed tot krachtige maatregelen. 
Reeds voordat de Zeeuwen Spitsbergen bereikten, ontmoette 
De Cock den Engelschen commandeur Edge , die hem , toen hij 
vernam dat de Moscovische Compagnie dit jaar op Spitsbergen 
de sterkste was, onder beroep op de commissie van Jakob 1 
het visschen verbood, terwijl hij alle Nederlanders gelastte zich 
dademk van de kust te verwijderen met de belreiging hun 
anders hunne vangst te zullen ontnemen. Niet ontmoedigd be- 
proefde De Cock met zijne beide medgezellen daarop de wal- 
vischvangst in Horn-sound, maar toen een daar aanwezig 
Engelsch kapitein, Harrj Smith gchceten, dadelijk den com- 
mandeur van hunne aankomst bericht gaf, en de Hollanders , 
die te hulp geroepen waren, bleken niet in Bell-sound te zijn, 
voelden de drie Vlissingors zich to zwak om het herhaalde ver- 



*) Maller, Mire Clansam. p. 131 Noot 5. 

*) Zie het contract in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. 



212 

'bod der Engelschen te weerstaan en 'besloten aan Beeren-eiland 
hun geluk te beproeven. Maar de vangst was daar uiterst onvoor- 
deelig en op aanstoken van den bekenden kapitein Marmaduke, 
die sinds 1611 jaarlijks met zgne Huilers ter walvischvangst op 
Spitsbergen kwam en de Moscovische Compagnie trotseerde '), 
keerden z^ naar Spitsbergen terug. Het geluk diende hun ook 
toen niet. In Horn-sound vonden zg behalve Smith nu nog een' 
ander schip der Engelsche compagnie. De kapitein James Bevers- 
ham liet hun wel toe te visschen, maar zond in het geheim 
naar Edge in Bell-sound om bijstand tot het verdrijven der in- 
dringers. Gelukkig kregen de Zeeuwen hiervan nog tgdig kennis 
en zy besloten nu Cornelisz. en De Cock dadel^k met een paar 
onderweg gevangen walvisschen naar huis te zenden , maar Yerelle 
kon niet zoo spoedig gereed komen en moest dus nog eenigen 
tijd in Horn-sound achterblijven. Terwijl hy nog bezig was zgne 
gereedschappen van de kust te halen, kwam William Heley, de 
Engelsche onderbevelhebber , daar aan om hem ^e veijagen. Heley , 
een jong man die aan groote bekwaamheid een vurigen inborst 
paarde *), viel Verelle dadelijk aan, nam hem niet alleen de 
weinige door hem gevangen walvisschen af, maar beroofde hem 
ook van al zyne gereedschappen voor de walvischvangst. Uit 
vrees voor repiesailles werd den Zeeuwen ook hun geschut en 
kruit ontnomen. Wel was de directe schade der Zeeuwen niet 
groot, maar daar zij dit jaar nagenoeg niets mede naar huis 
brachten, waren de kosten der uitrusting geheel verloren •). 
De Nederlandsche verbalen zijn dan ook eenstemmig in klach- 
ten over de behandeling van Heley, dien zij »cen Jonck ende 
outrequidant persoon sich zeer violentelyck comporterende" noe- 
men. De Moscovis^e Compagnie maakte daarentegen dit jaar 
weder zulk eene goede reis , dat zij een gedeelte van hare vangst 
van 150 walvisschen voor het volgende jaar op Spitsbergen 
moest achterlaten *). 

*) Hoewel aaa de Huilers iu 1618 verboden werd Spitsbergen te bezoeken en 
hun als schadeloosstelling de visscherij bij Jan Mayeu-eiland werd opengesteld 
(Macpherson, Annals. 11 p. 292), vinden wij nog in 1631 twee Hnllsche walviich- 
vaarders afgescheiden van de schepen der Moscovische Compagnie op Spitsbergen. 
(Pellham , Gods power, iu: White, Spitzbcrgen and Greenland. p. 281, 82.) Van 
hunne aanwezigheid op Jan Mayeu-eiland blijkt daarentegen nooit iets. 

*) Heley vervaardigde verscheidene gedichten op de walvischvangst der £n- 
gelschen. (Purchas, Pilgrimcs. lil p. 738.) 

*) Zie de schaderekeniugen der Zeeuwsche reeders, in: Noordsche togten. 4. 
Loop. N. C. R.-A. — De Engelschen achtten de geroofde goederen leer gering. 
(Edge, Dutch disturbance, en: Brief van Heley aan Deicrowe, in : Purchas, Pfl- 
grimes. III p. 468, 732.) 

*) Zie de Nederlandsche voorstelling dezer zaak uitvoerig in de getnigenissea 
van De Cock c. s. , D'Hallegorey e. s., Gasteloser c. s. en Verelle c. s., en in: 



218 

Dadelgk bg hunne thuiskomst klaagden de Zeeuwen aan de 
Staten-Oeneraal. Tegelijk zonden zg een persoon met aanbeve- 
lingsbrieven der Staten aan Caron naar Engeland om daar hunne 
belangen voor te staan. De zending beloofde aanvankelijk veel 
goeds. Wel werden de geroofde goederen der Zeeuwen onder de 
oogen van hunnen gevolmachtigde in het openbaar verkocht i), maar 
het ontnomene geschut werd dadel^k teruggegeven en de Zeeuw- 
sche zendeling maakte van zijne tegenwoordigheid te Londen ge- 
bruik om te trachten op andere wijze het doel der Nederlanders , 
de onverhinderde visscherij op Spitsbergen , te bereiken. Sir John 
Cunningham >) en eenige Schotten hadden juist in dien tgd van 
koning Jakob een patent verzocht om nevens de Moscovische Com- 
pagnie op de IJszee te mogen varen ; Engelschen , waarsch^'nlgk 
inwoners van HuU, voegden zich bij hen, en ook de te Londen 
aanwezige Zeeuwen , die van hunne compagnieschap met de Hol- 
landers niet veel voordeel gehad hadden, werden nu in de ver- 
eeniging opgenomen '). De koninklijke toestemming werd verleend 
en de nieuwe compagnie beijverde zich de bekwaamste stuurlie- 
den van hare mededingster te onderhuren en provisi6n op groote 
schaal in te slaan. Reeds maakte zij zich gereed in de ruime 
winsten, die de Moscovische Compagnie in de laatste jaren ge- 
maakt had , te deelen , toen een maatregel van hare mededingster 
al deze plannen verijdelde. De Moscovische Compagnie , van den 



Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. in: Noordsche togten. 4. Loop. 
N. C. R.-A. — Vgl. ook: Mémoire der N. C. , bij: Muller, Mare Clauaum. 
p. 871. — R. S.-G. 9 Nov. 1617. — Miss. v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan 
Caron dd. 21 Dec. 1617, als bglage achter de N. Z. — De Eugelsche verhalen 
▼an Edge (Dutch disturbance) en Heley (brief aan Deicrowe) staan afgedrukt 
bü: Pnrchas, Pilgrimes. III p. 467. 68, 732. (Edge geeft het verhaal tweemaal; 
alechts bij aandachtige lezing ontdekt men , dat de uitvoerigste beschrijving volgt 
onder 1618.) 

*) Mëmoire de la Compagnie Septentrionale , bij: Muller, Mare Clansum. ' 
p. 871. — Corte Deductie ende Remonstrantie vande Noortse Compagnie, in: 
Noordsche togten. 4 Loop. N. C. R.-A. — Miss. v. Zeeland dd. 21 Dec. 1617, 
achter de N. Z. 1621. 

*) Sir John Cunningham had lang in Deensche dienst op de IJszee gevaren. 
H^ was in 1606 en 1606 kapitein geweest op het admiraalschip van de expe- 
ditiën van Lindenau naar Groenland, waarop de bekende James Hall stuurman 
was. (Barrow, Vojages into the arctie regions. p. 169 , 73.) In 1615 kwam hg 
alt kapitein van een der drie Deensche oorlogschepen op Spitsbergen. (Brief v. 
Fotherby aan Ed^ dd. 15 Juli 1615, bg : Pnrchas, Pilgrimes. III p. 781. — 
Ygl. hierna Hfdst. VII.) 

*) In Londen was destijds ook gevestigd Willem Courten, compagnon van 
zijjnen broeder Pieter, die een der voornaamste Zecuwsche handelaars op de 
IJizee was. (Mémoire et Relation veritable der Mosc. Comp. , bij : Muller, Mare 
Clansum. p. 874, 75. — N. Z. 11 >Irt. 1619.) WaarschijnUjk werd ook hy in 
de nienwe compagnie opgenomen. 



214 

nood eene deugd mnkendc , kwam met hare Oost-Indiscbe zuster 
overeen, dat beiden voortaan gezamenl^k de kosten der uitros- 
tingen voor de walvischvangst zouden dragen. Door buitenge- 
wone krachtsinspanning hoopte men de concurrentie, die nu ook 
van nabij dreigde, te overvleugelen. De nieuwe compagnie zag 
dadelijk in , dat zij tegen zulk eene kolossale vereeniging van ka- 
pitalen niet zou kunnen opwerken en ging uiteen. Verheugd dat 
de zaak zich zoo schikte , was de Moscovische Compagnie gaarne 
bereid voor grof geld de door hare mededingers opgedane voor- 
raad over te nemen , al was die voor haar ook nutteloos * ). Zoo 
eindigde dit incident, dat echter medewerkte om de fondsen der 
Moscovische Compagnie uit te putten en aan de Engelsche uit- 
rustingen ter walvischvangst op den duur een gevoeligen slag 
toebracht. Voorloopig was daarvan echter nog geen quaestie: 
de Moscovische Compagnie , sterk door haar bondgenootschap met 
de Oost-Indische, reedde dertien schepen en twee pinassen naar 
Spitsbergen uit onder bevel van den ervaren Thomas Edge. 

De Nederlanders waren echter niet gezind zich straffeloos te 
laten mishandelen. Vertoornd over de behandeling van het vorige 
jaar, waarvoor zij geene vergoeding hadden kunnen krijgen, — 
teleurgesteld door het uiteengaan der Schotsche compagnie , sloten 
de verschillende kamers der Noordsche Compagnie den 2 Maart 1618 
weder eene overeenkomst om elkander tegen de Engelschen te 
verdedigen. De Staten- Generaal stonden de compagnie twee oor- 
logschepen als konvooi toe, en eene ongewoon groote walvisch- 
vloot vertrok dit jaar naar Spitsbergen. Daar aangekomen ver- 
deelden de drie en twintig walvischvaarders zich volgens af- 
spraak in vier af deelingen : de Rotterdammers bezetten Hom-sound 
onder konvooi van een oorlogschip; die van het Noorderkwartier 
namen in Beli-sound hun verblijf, terwijl het voor hen bestemde 
tweede oorlogschip achterbleef, daar het door de Amsterdammers 
weder naar Jan Mayen-eiland gezonden was; de Zeeuwen en die 
van Delfshaven verzamelden zich onder bevel van Abraham Dircksz. 
Leversteyn in Sir Thomas Smiths-bay *); aan de Amsterdammers 
eindelyk viel de Mauritius-baai ten deel >). Ook de Engelschen 



*) Edge, Dutch disturbance , bij: Pnrchas , Pilgrimes. III p. 468. 

*) Volgens de getuigenis van den commandeur LeverstejTi (op de Engelsche 
schadereken ing in: Lias loopende 1618. R -A.) gebeurde het hieronder verhaalde 
in Fairhaven. Zoowel uit Engelsche als Xederlandsche bronnen blijkt echter, dat 
I^everstejn ongelijk had, toen hij stoutweg verklaarde : ;, Is gelogen , want hebben 
daer geen van allen geweest." Nog de groote kaart van Van Keulen noemt eene 
kleine baai in den Foreland-ljord , waarschijnlijk naar het in 1618 voorgevtlleae , 
„Zeelands baay." 

») R. S.-G. 4 Nov. 1622. 



215 

waren over het geheele eiland verspreid ; de meeste schepen waren 
echter te zwak voor een gevecht. De commandeur Edge bevond 
zich met eenige schepen in Bell-sonnd en de onderbeveihebber 
Helej met een paar andere in Sir Thomas Smiths-baj. 

De Amsterdammers, die weder voor zich het best gezorgd 
hadden , vischten dit jaar ongestoord ; maar slecht verging het de 
onbeschermde schepen van het Noorderkwartier. In Bell-sonnd 
aangekomen, beval hnn Edge dadelijk de baai te verlaten; hg 
was niet van plan hen te berooven of te hinderen, maar l^j 
toonde door daden, dat hij zijn bevel gehoorzaamd wenschte te 
zien. De in het nauw gebrachte schepen zochten hulp bg de Bot- 
terdammers in Hom-sound, maar het oorlogschip was daar tot 
handhaving der rust hoognoodig , en die van het Noorderkwartier 
moesten dus naar hunne broeders in Sir Thomas Smiths-bay wgken. 
Na hun vertrek wreekten zich de Engelschen door het vernielen 
der pas weder opgebouwde Nederlandsche loge in Bell-sound. 

De aankomst der beide door de Engelschen verjaagde schepen 
van Hoorn en Enkhuizen in Sir Thomas Smiths-bay was het sein 
tot eene losbarsting van woede. Den geheelen zomer was daar 
de verhouding zeer gespannen geweest. De Engelschen, die hier 
slechts met éen schip »the Pleasure*' en een pinas »the Prudence*' 
waren, hadden de vier schepen van Delfshaven, Veere en Vlis- 
singen dadel^k na hunne aankomst in deze door hen vroeger 
nooit bezochte baai het visschen verboden, en sinds dezen ge- 
weigerd hadden aan dit bevel te voldoen werd hunne tegenwoor- 
digheid door de Engelschen, die zich te zwak gevoelden om hen 
te vexjagen, slechts noode geduld. Aanvankelijk hadden de Neder- 
landers, weldra door twee schepen van Middelburg versterkt '), 
gepoogd met de Engelschen eene overeenkomst over de vis- 
scherg te sluiten , en toen dit aanbod gemelijk verworpen was , 
bleven zg zich even voorkomend als vroeger gedragen. Hunne 
vganden zelven erkennen, dat hun gedrag niets te wenschen 
overliet , maar het stemde dezen niet beter : zij bleven steeds het 
plan koesteren om hunne mededingers zoo spoedig mogelgk te 
verdrgven en beleedigden ze bg elke voorkomende gelegenheid *). 



') Deze tehepen, aan den Middelbnrgschen koopman Conrten , bewindhebber 
der N. C. beboorende, vertrokken ecbter waarschgnl^k spoedig weder. Altbans 
Conrten overtuigde later Carleton, dat zijne schepen onschuldig waren aan bet 
berooven der Engelschen (Carleton, Lettres. II p. S55); uit andere, zoo Engel- 
acbe als Nederlandsche verhalen blijkt ook , dat ze daarbij niet tegenwoordig wa* 
ren. Waarschijnlijk vertrokken de schepen van Spitsbergen naar Groenlands 
ooatknst , waar ze dit jaar eeoe kust outdekten , die zij Nieuw-Zeeland noemden. 
(R. S.-G. 8 Jan. 1019. — Vgl. hierv^r p. 179.) 

*) Van de kwade gezindheid der Eugelschcn tegen de Nederlandsche walvisch- 



216 



Zulk eene behandeling moest de Nederlanders op den duur ver- 
drieten ; Do Cock en Cornelisz. , die hier beiden tegenwoordig 



▼aarders in den zomer van 1618 getuigen de brieven, door sommige kapiteini 
op Spitsbergen aan andere Engelschen geschreven en door Pnrchas (Pilgrimet 
UI p. 782—38) bewaard. »We haue reasonable good qnarter wilh the Flcm- 
mings," schreef kapitein Salmon 24 Juni, kort voor het gevecht aan ki^iteüi 
Sherwin, „for we are merry aboord of them, and they of vs; they hauc good 
store of Sacks (jenever), and are very kindc to vs , proflfering vs any thing that 
we want. I am very doubtfull of making a voyage this yeere (.the Flemmingt 
are too many for vs to make a voyage ," schreef hij ook) the Company must take 
another course the next yeere: if they meanc to make any benefit of this Country, 
they must send better ships that must beat these knaues out of this Country; Imt 
as farreasi can vnderstand by them, they mean to make a trade9fcontinuanee 
of it : we will let them rest this yeere, and let who wiU take care the next yeere, 
for I hope not to trouble them." Salmon vond bij zijnen vriend Sherwin volkomea 
instemming: den 29 Juni schreef deze uit Bell-sound (Pnrchas 1. c. III p. 783): 
„As for the Flemmings let them all go hang themselves , and although yon be 
not strong enongh to meddle with them , yet the worst wordes are too good for 
them, the time may come you may be reucnged ou them againe. The Captaine 
wishes they would come all into Bell-sound and beat vs out, and carry ti for 
Holland; here is a great fleet of them in this Country. Here came iu two Flem- 
mings , but wee handled them very honestly but for feare of after-claps , or had it 
beene the latter part of the yeere , wc would haue handled them better ; now they 
be gone for Home-sound, I would that they had all of them as good a paire 
of hornes growing on their heads , as is in this Country." De gemoedelgke 
Pnrchas zag dit alles met leedwezen. „Ihad thought to haue added," dus schrift 
hy (Pilgrimes. lil p. 734), „a large Discourse of occurrents betwixt the Dateh 
and Ëuglish in Greenlaod this yeare 1618 and had prepared it to the Preste. 
But hauing alreadie giuen some Relation thercof from Captaine Edgc , and seeing 
the insoleucies of some of the Dutch wcre intolerablc to English spirits, which 
then Buffered , or hereafter should reade them . I chose rather to passé them by 
aduising my Countrimen not to impute to that Nalion what some frothy spirit 
vomits from amidst his drinke, but to honer the Hollanders worth, and to 
acknowledge the glorie of the Confederatc Prouinccs, howsoeuer they also have 
their sinks and stinking sewers (too officious mouthes such as some in this bo- 
sinesse of Grecnland , bcyond all names of impudence against his Maiestie , and 
his Leege people , as others elscwhere haue dtmeaned themselves) whose loth- 
somnesse is not to be cast as an aspersion to that industrious and illustrioos 
Nation. Euerjbody hath its excrements, eucry great House its Vault or Ia- 
kes, euery Citie some Port exquiline and dunghils, euery Campe the baggage; 
the World it selfe a Heil: and so hath euery Nation the retriments, scnmme, 
dregs , rascalitie, intempered, distempered spirits, which not fearing God nor 
reuerencing Man, spare not to spue out that to the dishonor of both, which 
saning the honor of both can scarsly be related aft er them. A difference is to 
be made of relation (Nationall ?) and personall faults , of which we haue said 
enongh in the East India quarrels, twixt ours and the Dutch." Zoo weinig ons 
dit breedsprakige staaltje doet verlangen den bekwamen man van den kansel te 
hooren, zoo merkwaardig schijnt mij dit kleine preekje voor de Nederlanders 
als een bewijs , hoe diep de animositeit tnsschen beide volken reeds toen wortel 
geschoten had. 



217 

waren, herinnerden zich met steeds klimmende woede de behan- 
deling, den hunnen het vorige jaar door denzelfden Heley aange- 
daan, die thans het bevel voerde. Reeds had een twist over een 
der door de Engelschen het vorige jaar geroofde traanketels tot 
onaangenaamheden aanleiding gegeven ; van weerszoden had men 
grieven, die licht tot een brenk aanleiding geven konden. Daar 
brachten de uit Bell-sound verjaagde schepen de tgding van het 
gebeurde. Spoedig daarop liet Heley den Nederlanders weten, 
dat commandeur Edge hem bevolen had , de Zeeuwen uit de baai 
te verdrgven ; weigerden zij , dan wilde hij zelf komen en hen 
erger behandelen dan hunne landgenooten in Bell-sound. In al- 
lergl werd nu door de Nederlanders beraadslaagd, wat hun te 
doen stond. Zij hadden zich voor hun vertrek van eene commissie 
van Zgne Excellentie voorzien, die hen machtigde eiken aanval 
met geweld te keeren ; de vraag was , of hier aan zelfverdediging 
kon gedacht worden. Overwegende echter, dat die van het 
Noorderkwartier door de Engelschen veijaagd en dus niet in 
de gelegenheid geweest waren hunne reis te doen, — dat de 
ondervinding hen alle pogingen om schadevergoeding van de En- 
gelschen te krijgen als nutteloos had leeren beschouwen, — en 
vooral, dat het zaak was de voreeniging van Edge en Heley te 
voorkomen, ten einde den aangekondigden aanval te ontgaan, 
besloten de Nederlanders, al werden zij niet direct aangevallen, 
van hunne commissie gebruik te maken. Stemde ook het Enk- 
huizer schip niet met dit besluit in, de twee schepen van Ylis- 
singen, die van Veere, van Hoorn en van Delfshaven tastten 
door en sommeerden Robert Salmon, den kapitein van Heley^s 
schip > the Pleasure" tot de overgave. Deze weigerde op hoogen 
toon en poogde te ontsnappen. De Nederlanders^ lieten hem tgd 
om zich te bedenken, en namen eindelijk den 19 Juli 1618 het 
schip met geweld. Ook de pinas werd van alles beroofd. Het 
geschut en de in het schip gevonden traan en walvischbaarden 
werden naar Nederland gevoerd, om te dienen als gedeeltelijke 
schadevergoeding voor het den Nederlanders in 1613 en 1617 
ontnomene. De goederen werden volgens het voorschrift, hun 
door Maurits bij zijne commissie gegeven, ter beschikking der 
admiraliteit gesteld , die ze tusschen de vier kamers , voor wie de 
aanvallende schepen uitgezeild waren, verdeelden *). Voor het 



*) Zie over de reis van 1618 en het daarbij voorgevallene: Mémoire de la 
Comp. Septentrionale , bij: Muller, Mare Clantum. p. 871. — Corte Deductie 
ende Remonstrantie der N. C. , in : Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. — 
Arrest v. de H. Raad van 31 Maart 1635. — Req. der Zceuwsche N. C. aan 
de StD.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: NoordRchc togten. 2. Admiraliteit. R-A. — 
Efigelsehe schaderckeuing met het getuigenis van Leversteyn, in: Lias loc- 



218 

geschut werd in het begin yan 1621 op aansporing van Carleton 
aan de bevelhebbers der beide beroofde schepen, Bobert Salmon 
en een Schot, de som van ƒ3600 uitgekeerd. De Noordsche 
Compagnie zwichtte hierin voor den billijken aandrang der Staien- 
Generaal: ook het in 1617 door de Engelschen genomen goschni 
was haar, hoewel op zeer onaangename wgze , door de Mosoovische 
Compagnie teruggegeven *). 

De verontwaardiging aan het Engelsche hof over deze onyer- 
wachte stoutmoedigheid der Nederlanders was niet gering. Carle- 
ton kreeg van zijnen vorst dadel^k last om daarover te klagen, 
en toen h^ den 3 October 1618 in de vergadering der^ Staten- 
Generaal verscheen om op het zenden eener ambassi^de naar 
Engeland aan te dringen, liet hij zijne rede voorafgaan door de 
voorlezing van de > informations sur les violences, robberies et 
assasinats commis hostilement par les Hollandais sur les navires , 
biens, et personnes des Anglais aux quartiers du Nort,** een 
stuk, dat de blijken droeg, dat het »exploict" der NederlandeiB 
»jn Engelant ten quaetsten gerapporteert ende met veele onwaer- 
achtige lasteringen ende logenen geexaggereert" was *). De 
verontwaardiging van den gezant was door het gedrag van liet 
Haagsche gepeupel niet verminderd: >nous auons eu ces idurs 
passez'', dus voerde h^ den Staten op hevigen toon te gemoet, 
>la nouuelle chantée icy è la Haye, a bouche ou verte et visage 
asseuré, dans la Court, et par les rues, avec les particularites 
tant des pieces d'artillerie , et des tonneaux d'huyle prises et 
divisées en mer, comme des hommes tuez et blessez, et Ie tont 
receu avec grand applaudissement et triumpbe, comme d*une 
victoire gaignée sur les ennemis. Eo audaciae perventum est.'* 
Carleton stelde het gebeurde op Spitsbergen zóó voor, alsof de 
Nederlanders den Engelschen het visschen aan het eiland hadden 
willen beletten, en verweet den Staten-Generaal het ongergmde 
van zulk een gedrag na de lange vertoogen, die zij bg verachil- 
lende gelegenheden voor de vr^heid der zee hadden gehouden. 



pende 1618. R.-A. — Mémoire et Relation veritablc, bij: Maller, Hare Claa- 
snm. p. 873 vlg. — £dge, Dntch disturbance , bij: Pnrchas, Pflgnmea. III 
p. 468, 69. — Brieven van Salmon, Sherwin en Beversham, bg: Pnrcliaa L e. 
III p. 733. 

») R. S-G. 24 Dec. 1620, 4, 5, 13, 14, 20, 22, 26, 27 Jan., 12 Febr., 
4, 27 Mrt 1621. — N. Z. 9 Mrt. 1621. — Corte Deductie ende Remon- 
strantie der N. C, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. — Zie orer 
de restitutie vau hrt geschut aan de Nederlanders en het daarbij voorgevallene: 
('orte Deductie ende Rcmoustrautie der N. C. , 1. e. , en : Muller, Mare 
riausum. p. 160 Noot 1. 

*) Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. , in: Noordsche togt 
4. Loop. N. C, R.-A, 



219 

Hg eindigde zgne lange rede , waarin hg ook over andere grieven 
der Engelschen klaagde , met het nadmkkolijk yerzook , dat de 
Staten-Oeneraal de ambassade , die reeds zoolang aan koning Jakob 
beloofd was , zonder uitstel zouden zenden , voorzien van volkomen 
last om ook over deze zaak te onderhandelen. ') 

Na lange aarzeling kwam het eindelijk daartoe. Den 7 De- 
cember 1618 kwamen de heeren Van Goch, Van der Dussen en 
Liens als ambassadeurs der Staten-Generaal te Londen aan. Hunne 
Instructie verdedigde het bezoeken dor IJszee door de Neder- 
landers met een beroep op de vrijheid der zee , maar tevens door 
te wgzen op de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders, 
en op het feit , dat de Engelschen , zelfs al hadden zij het eiland 
in 1553 ontdekt, in ieder geval hunne ontdekking weder kennelgk 
verlaten hadden. Het gebeurde van den vorigen zomer werd 
gerechtvaardigd door de deductie, dat de Nederlanders niet om 
de Engelschen te verdrijven, maar alleen uit zelfverdediging tot 
geweld waren overgegaan. Om dergelijke voorvallen voor het 
vervolg te voorkomen , werd het maken van een reglement aan- 
bevolen, waartoe de gezanten gemachtigd werden eenige voor- 
slagen te doen. 

Lang duurde het, eer de onderhandelingen over dit punt aan- 
vingen. Eerst den 16 Maart 1619 kwamen wederzijdsche gede- 
puteerden bijeen, om over de zoogenaamde Groenlandsche zaken 
te beraadslagen. Van beide zijden begon men met klachten over 
de schade , door de tegenpartij toegebracht ; van beide zg den werd 
vergoeding verzocht. Twee memoriën werden gewisseld, waarbg 
men voornamelijk de wederzijdsche grieven besprak en de daden 
van den vijand in het hatelijkste daglicht stelde. Zooveel bleek 
echter reeds dadelijk, dat de Engelschen evenmin als in 1615 
geneigd waren, over de aanspraken van hunnen koning op 
Spitsbergen te twisten. Zij beriepen zich op hun recht als 
eerste walvischvaarders , die zich zee en visscherij hadden toe- 
geëigend, en eischten daarop de buitenspong hooge vergoeding 
van ^ 22.636| voor directe schade en <^ 43.800 voor winstder- 
ving. De Nederlanders namen van hunne zgde een niet minder 
ongerijmd standpunt in ; zg beriepen zich voornamelijk op hunne 
ontdekking van Spitsbergen in 1596, waaruit zg hun recht op 
de walvischvangst afleidden. De handelwijze hunner landgenooten 
was volgens hen uiterst liberaal; niettegenstaande hun recht 
waren zg volkomen bereid de Engelschen op Spitsbergen toe te 
laten en slechts tot zelfverdediging en als schadevergoeding wareu 
zg tot het aanvallen en berooven van het Engelsche schip over-» 
gegaan; toch waren zij volkomen bereid de genomen goedere^ 



*) R. S.-6. 8 October I6ia. 



220 

terug te geven, mits de Engelschen, die de eerste aanvallers 
waren geweest, met de restitutie begonnen '). 

Het komt mij voor, dat beide partijen in deze onvruchtbare 
discussie ongelijk hadden: geen van beide had m. i. op Spits- 
bergen eenig recht. De Engelschen schijnen nu reeds zelve 
ingezien te hebben , dat de beweerde ontdekking van Spitsbergen 
door Willoughby niet te bewjjzen was; maar ook al nam men 
deze ontdekking aan, het stond vast, zooals de Staten-Oeneraal 
zeer juist opmerkten, dat het ontdekte land weder verlaten en 
dus alle aanspraak daarop vervallen was. Beter recht schgnen 
(Ie Engelschen aan hunne reizen naar Spitsbergen sinds 1610 te 
hebben kunnen ontleenen. Zij hadden in dat jaar het woestlig- 
<;ende eiland als het ware op nieuw ontdekt: de aandacht van 
de beschaafde wereld had zich eerst toen daarop gevestigd. Jaar- 
lijks hadden zij het sedert dien tijd bezocht en zich in alle yoor 
de walvischvangst geschikte baaien gevestigd; slechts wanneer 
het barre jaargetijde de noordsche streken onbewoonbaar maakte , 
vertrokken zij vandaar. Men kon dus aannemen , dat zg volgens 
het ieder toekomende recht als eerst aankomenden van eene nie- 
mand toebehoorcnde zaak hadden bezit genomen. Maar hun recht 
had toch eene zeer zwakke zijde. Bij de groote wisselvalligheid 
der walvischvangst was het niet meer dan natuurlek, dat de 
Engelschen vooral in de eerste jaren niet altijd al de zeven groote 
baaien , die Spitsbergens westkust aanbiedt , bezochten. Wel had- 
den zij zich in allen beurtelings met de visscherij beziggehouden» 
maar die visscherij was lang niet overal geregeld gedreven. En 
de verlatenheid, waarin dus sommige vischplaatsen jarenlang 
bleven , was te bedenkelijker in eenen tijd , toen de bezitters van 
Spitsbergen nog bijna geheel niet als in latere jaren door het boawen 
van woonhuizen en andere inrichtingen op de door hen bezette stran- 
den blijk gegeven hadden van hun voornemen om over korter of lan- 
ger tijd op de ingenomen plaats terug te komen. De vestiging der 
Engelschen in eene baai droeg daardoor het karakter van een 
voorbijgaand bezoek, een gebruiken en weder verlaten eener plaats , 
dat volstrekt 'geen recht kon verleenen. Van hunne bedoeling , om 
de zeven baaien als eene bezitting der Moscovische Compagnie 



*) Eene schaderekening leverden de Nederlanders niet in: de Zeeowtche 
kamers weigerden hunne schade op te geven. (Miss. der Stn -(Jen. aan de Gc- 
rommitt. Raden v. Zeeland dd 29 Apr 1619 , in : Lias loopende 1619. R.-A.) Toch 
was eene Zecuwsche schaderekenin^r van het jaar 1617 in het archief der Stn.~ 
Oen. aanwezig. (Zie deze in: Noordsche togten. 4. I>oop. N. C. R.-A.) Het be* 
staan daarvan schijnt echter vergeten te zijn en hoewel de ambassadeurs g«dnrig 
om de begrooting der schade schreven (zie de bovenvermelde missive der Stn.— 
Gen.), ontvingen zij die eerst te laat. (Maller, Mare Clausum. p. 159 Noot 4.) 



221 

te beschouwen, was boYcndien nooit iets gebleken. De Ëngel- 
schen zelven gevoelden deze leemte in han rechtstitel zeer goed; 
zoodra de Nederlanders zich aan Spitsbergen vertoonden en 
verklaarden met hen te willen concurreer en , begonnen zij ijverig 
met het inbezitnemen van alle reeds bekende en nieuw ontdekte 
baaien. Zeer onverstandig echter! Hunne handelwjjze toch kon 
niet anders dan de aandacht vestigen op hunne vroegere nala- 
tigheid , terwgl zij , nu hun feitelijk bezit door de Nederlanders 
gestoord was, alle recht misten, de ook door dezen bezochte 
plaatsen aan het verkeer te onttrekken. Veiligheidshalve beriepen 
zg zich nu dan ook niet op hun bezit van Spitsbergen zelf krach- 
tens de vestiging der Moscovische Compagnie, maar gaven de 
voorkeur aan het beweren van hersenschimmige eigendomsrechten 
op zee en visscherij krachtens de toeëigening der walvischvaar- 
ders, — rechten , die reeds toen door vele leeraars van het vol- 
kenrecht op goede gronden bestreden werden. Hadden zjj als 
heeren van Spitsbergen de Nederlanders met volle recht uit de 
baaien en de territoriale zee kunnen weren, de nu op den voor- 
grond gestelde bewering gaf den Nederlanders gelegenheid, om 
zich zeer terecht op de vrijheid der zee en hare onvatbaar heid 
voor toe(!igening te beroepen. Ongelukkig voor dezen belette 
echter de houding, door hen zelven in de Oost-Indische zaken 
tegenover Engeland aangenomen, dat zy van die gelegenheid 
gebruik maakten; zij moesten zich nu beperken tot het aanvoe- 
ren van aanspraken op Spitsbergen als ontdekkers van 1596 , 
eene bewering, waarop volkomen de aanmerking paste door 
henzelven op het recht van den zoogenaamden Ëngelschen ontdek- 
ker gemaakt. Het was niet te loochenen, Nederlanders hadden 
Spitsbergen ontdekt, maar zij hadden het dadelijk weder voor 
jaren verlaten; eerst toen de Ëngelschen op het belang van het 
eiland waren opmerkzaam geworden en er zich hadden gevestigd, 
kwamen de Nederlanders zelve weder terug in de langvergeten 
gewesten ^). 

Be twistende partjjen zelve zagen echter in, dat de rechts- 
quaestie hier eigenlijk bijzaak was. Handelsnajjver was de oorzaak 
van den twist: Ëngelschen noch Nederlanders wilden hunne vis- 
scherg opgeven en het scheen zeker, dat beide natiën te zamen niet 
vreedzaam op Spitsbergen konden verkeeren. De Nederlanders 
grepen daarom het eenige middel aan om aan de zaak een einde 
te maken en deden volgens hunne Instructie drie voorslagen voor 

') Reeds Purchas merkte op bg de beschrijving der Nederlandsche reis van 
1596/7: «They are said to haue tuuched io ibis Naoigation on Greene-land. 
How>eaer ihat be,they coutinncd no tradc nor Discooerie tbither, till the £ng* 
liflh diners yeeres afier had made a new Disrouerie. and fuaud there a profitablc 
Wbale-fishing." (Pnrchas, Pilgrimes. III p. 815.) 



214 

nood eene deugd makende , kwam met hare Oost-Indiscbe zuster 
overeen, dat beiden voortaan gezamenlijk de kosten der uitros- 
tingen voor de walvischvangst zouden dragen. Door buitenge- 
wone krachtsinspanning hoopte men de concurrentie , die nu ook 
van nabij dreigde, te overvleugelen. De nieuwe compagnie zag 
dadelijk in , dat zij tegen zulk eene kolossale vereeniging van ka- 
pitalen niet zou kunnen opwerken en ging uiteen. Yerheogd dat 
de zaak zich zoo schikte , was de Moscovische Compagnie gaarne 
bereid voor grof geld de door hare mededingers opgedane voor- 
raad over te nemen, al was die voor baar ook nutteloos *). Zoo 
eindigde dit incident, dat echter medewerkte om de fondsen der 
Moscovische Compagnie uit te putten en aan de Engelsche uit- 
rustingen ter walvischvangst op den duur een gevoeligen slag 
toebracht. Voorloopig was daarvan echter nog geen quaestie: 
de Moscovische Compagnie , sterk door haar bondgenootschap met 
de Oost-Indische, reedde dertien schepen en twee pinassen naar 
Spitsbergen uit onder bevel van den ervaren Thomas Edge. 

De Nederlanders waren echter niet gezind zich straffeloos te 
laten mishandelen. Vertoornd over de behandeling van het vorige 
jaar, waarvoor zij geene vergoeding hadden kunnen krijgen, — 
teleurgesteld door het uiteengaan der Schotsche compagnie , sloten 
de verschillende kamers der Noordsche Compagnie den 2 Maart 1618 
weder eene overeenkomst om elkander tegen de Engelschen te 
verdedigen. De Staten- Generaal stonden de compagnie twee oor- 
logschepen als konvooi toe, en eene ongewoon groote walvisch- 
vloot vertrok dit jaar naar Spitsbergen. Daar aangekomen ver- 
deelden de drie en twintig walvischvaarders zich volgens af- 
spraak in vier afdeelingen : de Rotterdammers bezetten Hom-sound 
onder konvooi van een oorlogschip; die van het Noorderkwartier 
namen in Bell-sound hun verblijf, terwijl het voor hen bestemde 
tweede oorlogschip achterbleef, daar het door de Amsterdammers 
weder naar Jan Mayen-eiland gezonden was; de Zeeuwen en die 
van Delfshaven verzamelden zich onder bevel van Abraham Dircksz. 
Leversteyn in Sir Thomas Smiths-bay >); aan de Amsterdammers 
eindelijk viel de Mauritins-baai ten deel >). Ook de Engelschen 



* ) Edge , Dutch disturbance , bij : Pnrchas , Pilgrimca. lil p. 468. 

*) Volgens de getuigenis van den commandeur Leversteyn (op de Engelfcke 
schaderekening in: Lias loopende 1618. R -A.) gebeurde het hieronder verhaalde 
in Fairhaven, Zoowel uit Engelsche als Nederlandsche bronnen blijkt echter, dat 
Leversteyn ongelijk had, toen hij stoutweg verklaarde : „Is gelogen , want hebben 
daer geen van allen geweest." Nog de groote kaart van Van Keulen noemt eeoe 
kleine baai in den Foreland-fjord, waarschijnlijk naar het in 1618 voorgeTtllene, 
wZeelands baay." 

») R. S.-G, 4 Nov. 1622. 



215 

waren over het geheele eiland verspreid ; de meeste schepen waren 
echter te zwak voor een gevecht. De commandeur Edge bevond 
zich met eenige schepen in Bell-sonnd en de onderbeveihebber 
Helej met een paar andere in Sir Thomas Smiths-bay. 

De Amsterdammers, die weder voor zich het best gezorgd 
hadden , vischten dit jaar ongestoord ; maar slecht verging het de 
onbeschermde schepen van het Noorderkwartier. In Bell-sonnd 
aangekomen, beval hun Edge dadelijk de baai te verlaten; hg 
was niet van plan hen te berooven of te hinderen, maar l^j 
toonde door daden, dat hij zijn bevel gehoorzaamd wenschte te 
zien. De in het nauw gebrachte schepen zochten hulp b^ de Bot- 
terdammers in Hom-sound, maar het oorlogschip was daar tot 
handhaving der rust hoognoodig , en die van het Noorderkwartier 
moesten dus naar hunne broeders in Sir Thomas Smiths-bay w^'ken. 
Na hun vertrek wreekten zich de Engelschen door het vernielen 
der pas weder opgebouwde Nederlandsche loge in Bell-sound. 

De aankomst der beide door de Engelschen verjaagde schepen 
van Hoorn en Enkhuizen in Sir Thomas Smiths-bay was het sein 
tot eene losbarsting van woede. Den geheelen zomer was daar 
de verhouding zeer gespannen geweest. De Engelschen, die hier 
slechts met éen schip >the Pleasure*' en een pinas »the Prudence'* 
waren, hadden de vier schepen van Delfshaven, Veere en Vlis- 
singen dadel^k na hunne aankomst in deze door hen vroeger 
nooit bezochte baai het visschen verboden, en sinds dezen ge- 
weigerd hadden aan dit bevel te voldoen werd hunne tegenwoor- 
digheid door de Engelschen, die zich te zwak gevoelden om hen 
te verjagen, slechts noode geduld. Aanvankelijk hadden de Neder- 
landers, weldra door twee schepen van Middelburg versterkt ■), 
gepoogd met de Engelschen eene overeenkomst over de vis- 
scherg te sluiten , en toen dit aanbod gemelijk verworpen was , 
bleven zg zich even voorkomend als vroeger gedragen. Hunne 
v^anden zelven erkennen, dat hun gedrag niets te wenschen 
overliet , maar het stemde dezen niet beter : zij bleven steeds het 
plan koesteren om hunne mededingers zoo spoedig mogelgk te 
verdrgven en beleedigden ze bg elke voorkomende gelegenheid >). 



') Deze iehepen, aan den Middelburgschen koopman Courten, bewindhebber 
der N. C. behoorende, vertrokken echter waarschijnl^k spoedig weder. Althans 
Coorten overtuigde later Carleton, dat z^ne schepen onschuldig waren aan het 
berooven der Engelschen (Carleton, Lettres. Il p. 855); uit andere, zoo Engel- 
ache als Nederlandsche verhalen blijkt ook , dat ze daarbij niet tegenwoordig wa* 
ren. Waarschijnlijk vertrokken de schepen van Spitsbergen naar Groenlands 
ooatknst , waar ze dit jaar eene kust outdekten , die zij Nieuw-Zeeland noemden. 
(B. S.-G. S Jan. 1619. — Vgl. hiervcwr p. 179.) 

*) Van de kwade gezindheid der £ugelschcn tegen de Nederlandsche walvisch- 



224 

hun geld verder aan zolke wisselvallige kansen te wagen; alecbts 
de wakkere Edge had den moed met eenige andere leden der 
compagnie eene nieuwe uitrusting te beproeven "). Uit den aard 
der zaak waren echter hunne krachten gering, en hoewel men in 
Engeland de Nederlandsche ambassade van 1621 herhaaldelgk 
lastig viel ov^er hot betalen der schadevergoeding'), hoewel 
de Engclsche walvischvaarders zelve luide klaagden over den 
last hun door de Nederlandsche concurrenten aangedaan '), tot 
dadelijkheden kwam het voorloopig niet. 

Des te meer drong Jakob I er echter op aan , dat de zaak der 
restitutie in dor minne werd afgehandeld. Was hij slechts met 
moeite overgehaald aan de Nederlandsche ambassadeurs van 1621 
uitstel te verleeneu tot de maand Juni van dat jaar *), aan Car- 
leton zond hij weldra den last om de Staten-Greneraal met nadmk 
te vermanen, aan do gezanten, die op het einde van 1621 gereed 
stonden om naar Engeland te vertrekken, volmacht te geven 
om deze aanstootelijke zaak voor goed ten einde te brengen. De 
gezant volbracht dit bevel met on vermoeiden jjver •). De 
Staten konden niet weigeren en machtigden hunne ambassa- 
deurs, om de zaak der restitutie af te doen des noods door 
middel van arbiters; mocht men hun van eene regeling voor het 
vervolg spreken, dan moesten de gezanten dezelfde voorslagen 
doen, die in 1619 de Engelschen zoo weinig behaagd hadden. 
Zonder uitdrukkelijken nieuwen last der Staten mochten zg daarvan 
niet afwijken. 

Spoedig bemerkten de gezanten (de heeren Van Aers^en, Bas 
en Tuyll Van Serooskercke) , dat de Groenlandsche zaak den ko- 
ning na aan het hart lag. Weinige weken na hunne aankomst 
werd er reeds van gesproken , en onder de vele scherpe ver wg ten , 
die de oude koning hun bij verschillende gelegenheden deed, nam 
deze zaak steeds eene eerste plaats in. Toch duurde het tot Decem- 



') £dge, Dntch disturbance . b^: Purchas, Pilgrimes. III p. 469. 

*) Muller, Mare Claosam. p. 178. 80, 82. 83. 84, 86. 

*) BrieveQ v. Catcher, Salmon, Fanne en Goodlard, bjj: Purckas. Pilgrimes. 
III p. 735—87. — De Engelschen meenden, dat God, vcrloorod orer het 
storten van bloed in 1618, de zcccn om Spitsbergen door de walvisschen had 
doen verlaten. „\ doe verily perswade my selfe,'* schrift Salmon 6 Jali 1621, 
ifthat God is mnch displeased for the blood which was lost in this placf, and 
I feare a perpetuall curse still to remainc vet." ,,Our harbonr," dus verhaalde 
ook Catcher 29 Juni 1623, „manie say still, is vnpossiblo to make a Voyage 
by reason that the Flemmiugs shcd bloud thcre , which I pray God to take that 
plague firom vs.'' 

♦) Muller, Mare Clausnm. p. 184. 

•) R. S.-G. 10 Apr., 18 Mei, 29 Juli, 24 Nov. 1621. — R. H. verg. r. 
25 Mei^26 Juni (p. 103, 115. 116, 124, 138). 20 Sept. 16S1. 



225 

ber 1622 eer het tot bepaalde onderhandelingen hierover kv^am ; 
de ambassadeurs hadden gedurig middelen weten te vinden om 
de behandeling der qnaestie uit te stellen. Ook toen echter werd 
de zsLok door de Engelschen zeer onhandig aangevat De recbi«- 
quaestie , die immers volgens 's konings uitspraak in het najaar 
▼a'i 1622 weder in behandeling zou komen, werd geheel terzijde 
gelaten en men drong alleen aan op de teruggave der geroofde 
goederen. Zoowel de koning als de Raad hielden vol, dat de 
ambassadeurs van 1619 de beslissing dier zaak aan Z. M. hadden 
overgelaten en dat dus diens uitspraak de Nederlanders verbonden 
had om op den bepaalden tjjd (drie maanden en driejaar na dato) , 
die reeds lang verstreken was , de geöischte som te betalen. De 
gezanten ontkenden dit natuurlijk, en den Engelschen was het 
niet mogelgk eene akte van submissie te toonen. De strijd over 
deze quaestie, waarin Z. M. zelf zich nu en dan mengde, was 
even heftig als onvruchtbaar. Het kwam tot ergerlijke tooneelen 
en de Nederlanders eindigden met hun afscheid te verzoeken 
voordat er iets besloten was , onder belofte hunne volmacht aan 
Caron te zullen overdragen. De koning nam daarmede genoegen 
en de gezanten vertrokken *). 

Ondertusschen had reeds het gedrag der Engelschen getoond , 
dat zij zich niet spoedig meer zouden laten tevreden stellen. Ge- 
prikkeld door hunne jaarlijksche verliezen, was hun geduld ten 
einde. Reeds in 1621 was Jakob I met zijnen zwager van Dene- 
marken overeengekomen voortaan gezamenlijk alle vreemden uit 
de IJszee te verdrijven *) ; men besloot nu dit tractaat ten uit- 
voer te leggen. De gezanten waarschuwden dan ook de Staten- 
Generaal dadelijk na hunne terugkomst herhaaldelijk, dat de zaak 
aan koning en volk zeer ter harte ging. pu dat er reden was 
>vol bedenckens" te zijn ■). Werkeljjk bleek het weldra, dat de 
koning zijn recht , al had hjj er de Nederlandsche gezanten niet 
van gesproken , niet dacht op te geven Hadden de Nederlanders 
in het doen der restitutie toegestemd , misschien had hij hen met 
rost gelaten; nu was hij op eenen afdoenden maatregel bedacht 
om z^n recht te handhaven. 

Maar de tijd daartoe was reeds lang voorbij. Wel kregen de 
schepen, die de Moscovische Compagnie in 1623 naar het noorden 
zond , in last* den Nederlanders aan te zeggen, dat de hun in 1619 
verleende tyd van drie jaren voorbij was en dat zij dus Spitsbergen 
moesten ruimen , zoo zij het plegen van geweld wilden voorkomen. 



*) Zie over deze Hinbassaile zeer uit vuerig: Maller, Mare Clnusum. p. 1 SS — 203. 
*) Zie meer over deze zaak: hierna Hfdst. VII. 

•) Verbaal der ambassade v. 1621— 2* ad U Febr. 1623. — R. S.-G. U 
Febr., 28 Mn. 162». — R. H. 22 Mrt. 1628 



226 

Maar al toonden de bevelhebbers der Engelsche walvischvaarders 
zich bereid aan dien last te voldoen, hun macht was veel te 
gering om de daarbg gevoegde bedreiging uit te voeren. De Engel- 
schen maakten dan ook werkelijk een droevig figuur! In Fair- 
haven, waar de Nederlandsche commandeur Comelis Ta z^n 
hoofdkwartier had opgeslagen , bevond zich een Engelsch kapitein , 
Nathanael Fanne. Ook hem was de koninklijke opdracht bekend 
en zonder aarzelen zeilde hij den 23 Juni 1623 de Nederlanders 
te gemoet, die pas aangekomen juist begonnen waren met het 
bouwen van >Houses and Tabemacles to inhabit/' Hg verklaarde 
aan Ys, dat de koning, daar de tijd van het aan de Nederlanders 
verleende verlof verstreken was , de Moscovische Compagnie onder 
het groote zegel van Engeland gemachtigd had om alle Nederland- 
sche schepen te verdrijven, en dat hij, zoo de Nederlanders niet 
aan zijn vriendelijk verzoek gehoor gaven, geweld zou moeten 
gebruiken. Ys bleef onder deze bedreiging van éen schip tegen 
vijf zeer kalm : hij antwoordde bedaard , dat hg niets van dit 
alles gehoord had en verzocht de commissie van Fanne te zien. 
Toen de Engelschman die niet toonen kon , verklaarde hg kortaf 
dat hij commissie had van den prins van Oranje om op deze 
kusten te visschen en zich verder niet met de Engelschen wilde 
inlaten. En daarbij bleef het! >) Op andere plaatsen waren de 
Engelschen niet gelukkiger. De commandeur Goodlard schreef 
zelfs den 8 Juli uit Bell-sound aan zijnen onderbevelhebber, den 
bekenden Heley, dat hij voor zich het niet raadzaam achtte, de 
Nederlanders te verdrijven , al hinderden zij de Engelschen nog 
zoozeer. Hij voorzag, dat de Engelschen de macht niet zouden 
hebben om geweld te gebruiken , en hij zag duidelijk in , dat de Ne- 
derlanders , vertrouwende op hunne commissie , ook al gelukte het 
hen uit de noordelijke baaien te verdrijven, dadelijk in de zui- 
delijke hun geluk zouden beproeven, zonder dat de Engelschen 
daardoor iets wonnen *). Het cenige gevolg van de mislukte 
pogingen der Engelschen schijnt geweest te zijn, dat de Neder- 
landers hen uitlachten en misschien meer dan gewoonlijk in den 
weg traden; althans de Moscovische Compagnie klaagde in het 
najaar, dat de Nederlandsche »Coopluyden dit Jaer haerlujden 
groote oultragie hadden gedaen , ende dat zy aldacr al wilden 
regeren, en haerluyden buyten sluyten, waert mogelyck." ■) 
Niet beter verging het den Engelschen het volgende jaar. Men 



•) Brief van Fanne aan Helcy dd. 24 Juni 1623, bij: Pnrchas, Pilgrimea. 
lil p. 736. 

•) Brief van Goodlard aan Heley dd. 8 Juli 1623, bij: Purchaa, Pilgrimct, 
llï p 737. 

*) R. S.-G. 17 Oct. 1623. 



227 

had met grootere aitrusiing gedreigd <) en werkelgk koesterde 
de Moscoyische Compagnie weder het voornemen den Nederlan- 
ders het visschen te beletten. Het gelnk scheen hen te be- 
gunstigen. Vijf Engelsche schepen vonden , op Spitsbergen 
aankomende, daar nog slechts twee Zeeuwsche, die met een 
konvooischip , kapitein Willem Tas van Haarlem , de Nederland- 
sche vloot voomitgezeild waren. Dadelijk voeren de Engelschen 
op de schepen toe en wilden ze kort en goed vermeesteren. Zg 
hadden gerekend eene gemakkelijke prooi te zullen hebben, maar 
Tas daarbij komende en van het plan der ^ngelschen hoorende 
>vergramdede hem seer.** Hg noemde het »een actie tegens recht 
en reden /' dat men eene vr|je natie in haren handel met geweld 
wilde verhinderen. De Engelschen bleven hem niets schuldig en 
weldra kreeg men hooge woorden, want >al is 't dat een Hol- 
lander van naturen sachtsinnigh is, nochtans te veel geterght 
zgnde, toont hj vrymoedigen en resoluten natuur geen jock te 
kennen verdraghen.*' Eindelgk daagde Tas de twee Engelsche 
schepen, die zich het meest op den voorgrond gesteld hadden, 
tot het gevecht uit. Maar de Engelschen » dese couragie en bra- 
vade siende" voelden zich niet tegen Tas opgewassen; zij » lieten 
haer trots gemoet sincken , en verexcuseerden met vleyende woor- 
den haren voorslagh , met eenige andere redenen van andere schgn 
bekleedende." Tas nam daarmede genoegen, maar dreigde, zoo 
men weder plan maakte de Nederlanders te verjagen , dat men 
zien zou met wie men te doen had. De kloeke houding van den 
kapitein redde de twee schepen van den ondergang , want spoedig 
daarop kwamen er meer Nederlandsche walvischvaarders en weldra 
waren er niet minder dan twintig bgeen. De Engelschen waag- 
den nu natuurlgk geenen aanval, en de visscherg werd >in goede 
Ordre voleyndight." De Nederlanders hadden eene overvloedige 
vangst en kwamen allen behouden in het vaderland terug *). 

Ondertusschen had men in Engeland hevig over de houding der 
Nederlanders op Spitsbergen geklaagd. Herhaaldelgk waren er 
klachten bg Caron ingekomen, en dikwgls schreef deze te ver- 
geefs om volmacht en naderen last. De handelwgze der Engel- 
schen op Spitsbergen in 1623 bewees , dat men over dit uitstel 
ontevreden was. Toch was men op herhaald aandringen van Caron 
eerst op het eindo van 1623 na lange overwegingen tot het be- 
sluit gekomen , hem te machtigen tot de verklaring , dat het den 
Staten na grondig onderzoek gebleken was , dat de ambassadeurs 
van 1619 wel is waar gedurig op wederzgdsche restitutie 
der geroofde goederen hadden aangedrongen , maar dat *8 konings 



>) WttMüMr, Hist. verh. Y fol. 157. 
*) WMsenaer. Uut. verh VIll fol. 86. 

VS* 



228 

uitspraak hierover evenmin ooit door hen was aangenomen als zy 
de zaak aan Z. M.'s beslissing hadden onderworpen >). 

Gelukkig behoefde Caron deze besliste afw^zing der Engelsche 
beweringen niet aan den koning mede te deelen. De Moscovische 
Compagnie, de gedurig uitstellende antwoorden van den gezant, 
die steeds op instructie wachtte, moede, en den ongelukkigen 
uitslag harer eigene pogingen op Spitsbergen ziende , wendde zich 
liever tót de Nederlandsche ambassade, die in 1624 te Londen 
aankwam, om herstel harer schade. Eeue belangrijke schrede 
deed de behandeling der zaak bij deze gelegenheid voorwaarts. 
De Engelschen zagen in, dat hunne pretensiën van uitsluitend 
recht bij de geheel veranderde verhouding van de krachten der 
beide natiën in het noorden onhoudbaar waren *). Zg boden dus 
nu zelven aan, wanneer de schade vergoed was, met de Neder- 
landers in overleg te treden over het maken van een reglement, 
waarbij zij zich bereid toonden den Nederlanders verschillende baaien 
af te staan , om ongehinderd in te visschen. Ongelukkig hadden du 
Staten-Generaal den ambassadeurs geen last over deze zaak ge- 
geven ; het was hun belang de zaak als eene particuliere quaestie 
door hun gewonen gezant te zien afhandelen. De ambassadeurs 
moesten dus , niettegenstaande het herhaalde aandringen der Mos- 
covische Compagnie en de hevige woorden van den koning , er bg 
bljjven, dat Caron de quaestie zou bespreken •). 

Toen het gezantschap echter bij zijn rapport aan de Staten- 
Generaal op beslissing der zaak aandrong, toonden dezen zich 
geneigd van de gelegenheid gebruik te maken om de rechten, 
die hun nu voor eeuige duizenden guldens als te koop werden 
geboden, te verkrijgen *). Wel was het niet twy felachtig , dat 
de Nederlanders door hunne toenemende mach tsont wikkeling op 
Spitsbergen de overhand zouden behouden; maar door de afdoe- 
ning der rechtsquaestie in der minne , waarop nu alle hoop 
scheen, zou den prikkelbaren Jakob 1 een gedurige reden tot 
klagen ontnomen worden. Juist was men met dien vorst in een 
nieuw verbond tegen Spanje getreden ; het was dus zaak hem in 
kleinigheden als deze te wille te zijn en den vijanden der repu- 
bliek alle gelegenheid om kwaad te stoken te ontnemen. Nog 
meer: het onbesliste der quaestie stelde de Nederlandsche wal- 



») R. S.-G. 7 Apr., 6 Mei, 17 Oct., 16 Nov. , U Dee. 16-i3. — Miw. der 
Stn.-Gea. aaa Caron, in: Loketk. der Stu.-Gen. Engeland. \o. 43. 

*) Zelfs de combinatie met Denemarken sinds 1621 tot het gcmeenscliappelyk 
verdreven van alle vreemdelingen van Spitsbergen (Lindeman , Arktische Fiacherei. 
p. 10) had niets gehaat. 

•) Muller, Mare Claasam. p. 211, l^. 

*) R. S.-G. 6 Juli 1624. — Ook werd van Engelsche egde op spoed nader 
»au|(edrougcD Zie o. a. R. S.-G. 13 Mrt. 1625. 



229 

viBchyaarders voortdurend aan onverwachte aanvallen bloot en 
noodzaakte hen dos , zich jaarlyks met groote kosten tot den strgd 
toe te rusten. Wat alles afdeed, de koning vaardigde weldra 
represaille-brieven uit , wier intrekking men alleen door het betalen 
der ge^ischte schadevergoeding meende te kunnen verkregen '). 
Ernstige beraadslagingen hadden dan ook in Den Haag plaats. 
De Noordsche Compagpiie was echter volstrekt niet gesteld op 
het oprakelen der oude geschillen ; de spoedige afdoening der 
zaak werd ook door twisten tusschen de kamers onderling ver- 
hinderd. Om deze goed te begrepen moeten wij eenige schreden 
teruggaan. 

Wg hebben gezien, dat de Staten-Oeneraal aan de Noordsche 
Compagnie jaarlijks een of meer konvooischepen medegaven ter 
harer bescherming tegen de aanvallen der Engelschen op Spits- 
bergen. Sinds 1616 had de exploitatie van Jan Mayen-eiland eene 
verdeel ing der uitrusting noodig gemaakt, maar daar men aan 
dat Weinig bekende eiland geene belangrijke mededinging te vree- 
zen had , had de regcering gemeend het konvooi voornamelijk voor 
die schepen te moeten bestemmen, die door de noodzakelijkheid 
gedwongen werden zich naar Spitsbergen te begeven. Desniette- 
genstaande had de Amsterdamsche kamer in 1616 *) en 1617 
het geheele konvooi bij hare schepen aan Jan Mayen-eiland ge- 
houden, in 1618 had zij met een der beide oorlogschepen even- 
zoo gehandeld. Had deze hoogst willekeurige handelwijze in 1616 
ook geene kwade gevolgen , wij zagen reeds dat in 1617 het be- 
rooven van een Zeeuwsch schip en het ledig huiswaarts keeren 
der beide andere daardoor veroorzaakt werd, en dat in 1618 
niet alleen de beide schepen van de kamers van het Noorder- 
kwartier in Bell sound geen weerstand konden bieden aan de aan- 
vallen der Engelschen, maar ook het gevecht in Sir Thomas 
Smiths-bay een indirect gevolg was van het misdadige egoïsme 
der Amsterdammers '). 

Het laat zich denken , dat de benadeelde vereenigingen dit alles 
niet rustig aangezien hadden. Reeds 9 November 1617 hadden 
de Zeeuwen aan de Staten-Generaal overgelegd eenige verklarin- 



•) R. S.-G. 21 Mrt. 1625. 

*) Tnttr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche tog- 
ten. 4 Loop. N. C. R.-A. — Edge, T>utch distorbance, in: Purchas, Pilgrimes. 
III p. 467. 

*) Corte Dednctie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: 
Noordsebe togtcn. 4 Loop. N. C. R.-A. — Sent. v. d. H. R, v. Holl. tusschen 
de kamers N. C. Noordcrkw. en Amst. dd. 81 Mrt. 1685. — Brief v. Bevers- 
bam aan Heley dd. 12 Jali 1618, bg : Pnrchas, Pilgrimes. III p. 784. — 
R. S.-G. 4 NoT. 1622. — N. Z. 18 Apr. 1617. — Zie meer hierover: hiv- 
TÓor p. 209—18. 



230 

gen van de in de quaestie van dien zomer betrokkene personen, 
die aUen met blijkbaren wrevel getuigden , dat alleen de afwezig- 
heid der Hollanders schuld aan hun ongeluk was. De bepalingen 
der Staten-Generaal over de bestemming van het konvooi schenen 
echter ditmaal niet zoo bepaald geweest to zyn, dat daarop een 
eisch gegrond kon worden, maar de Zeeuwen beriepen zich op 
eene bepaling in hun contract met de Hollanders , waarbij de ver- 
schillende kamers zich verplicht hadden om alle schade aan een van 
haar door vreemden veroorzaakt naar evenredigheid harer nitms- 
ting voor dat jaar te helpen vergoeden. Volgens deze onderlinge 
assurantie moest de schade der Zeeuwen dus over de vgf Hol- 
landsche kamers mede omgeslagen worden en Amsterdam bleef 
natuurlijk voor het grootste gedeelte aansprakel^'k *). Hoewel ech- 
ter de Staten-Generaal op verzoek der Gecommitteerde Raden van 
Zeeland aan de Hollanders hunne verplichting voorhielden, toonden 
dezen zich onwillig de schadevergoeding uit te keeren. Eene 
commissie werd benoemd om de twistenden te vereenigen , maar 
ook dit baatte niet *). Wij zagen reeds, dat de Zeeuwen by 
hunne pogingen om in Engeland vergoeding hunner schade te 
krijgen niet gelukkiger waren >). En weldra verhinderde het aan- 
deel , door de beroofden zei ven aan den aanval op de Engelschen 
in 1618 genomen, de verdere behandeling dezer zaak. De reeders 
trokken zich uit dit bedrijf terug *) en staakten hunne klachten, 
tevreden zoo de Engelschen van hunne zijde hen niet om vergoe- 
ding aanspraken *). 

De benadeelde kamers van het Noorderkwartier handelden ver- 
standiger. In Engeland , dat begrepen zij , was voor hen geene 
vergoeding te krijgen. Maar er stond hun een andere weg open : 
de kamer van Amsterdam was door het terughouden van het kon- 
vooischip oorzaak geweest, dat zij al de verwachte winst der 
reis verloren hadden, de Amsterdammers behoorden hun dit dus 
natuurlijk te vergoeden. Die van het Noorderkwartier beriepen 
zich op de bepalingen van een contract, dat na de herhaalde 

') Req. der Vlissingschc reeders aan de Gecommitt. Raden ▼. Zeel. (ree. 26 
Sept. 1617) met bijlagen, in: Noordsche togten. 4 Loop. N. C, R,-A. — 
R. S.-G. 9 Nov. 1617. 

•) R. S.-G. 1, 7 Dec 1617. — Op het ten gevolge dezer onderhandelingen 
eindelijk den 2 Maart lül8 gesloten contract maakten de Amsterdammers reeds 
den eersten zomer inbreuk. (Zie hieronder ) 

•) Zie hiervoor p. 213, 14. 

*) Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: 
Noordsche togten. 4 Loop. N. C. R.-A. 

•) R. S.-G. 5. 9 Nov. 1618, 6, 22, 29 Apr. , 1 Mei 1619. - Mis», der 
Stn.-Gen. aan de Gecommitt. Rdn. v. Zeel. dd. 29 Apr. 1619, in: Lias loop. 
1619. — Miss. der Zceuwsche Gedeput. aan do Stn. v. Zeel. dd. 27 April 1622, 
in : Archief Zeeland. 



231 

klachten der beroofde Vlissingsche reeders door de verschillende 
kamers den 2 Maart 1618 *) over de toen aanstaande reis gesloten 
was, en waarbjj men niet alleen nitdrukkelijk overeengekomen 
was, dat het grootste oorlogschip in Bell-sound zon zijn, maar 
waarbij de kamers ook een bepaald verbond gesloten hadden om 
elkander tegen de Engelschen te verdedigen. Toen de Amster- 
dammers weigerden de geëischte som te betalen, wilden de 
kamers van Hoorn en Enkhuizea zich tot de Staten- Oeneraal wen- 
den, maar de Amsterdammers voorkwamen de klachten hnnner 
wedei*partij en verkregen na lang uitstel van het Hof van Hol- 
land een vonnis , waarbij] aan de twee klagende kamers bevolen 
werd, hunne actie binnen zes weken voor het Hof in te stollen 
»op pe^ne van een eeuwich sw^gen ende silentium/* (29 Maart 
1624.) Een beroep op den Hoogen Raad was door die van het 
Noorderkwartier juist aanhangig gemaakt, toen de bemoeiingen 
der Staten-Oüneraal om den Engelschen schadevergoeding te be- 
zorgen den loop dor zaak kwamen storen *). 

Alle aandacht van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie 
werd nu aan de beslissing dezer quaestie gewijd. Den Staten- 
Creneraal was het ditmaal ernst met de zaak; de Engelschen zelven 
drongen weder herhaaldelijk op spoed aan •). Nu de twee re- 
geeringen het op dit punt dus eens waren, scheen de compagnie 
te zullen moeten buigen en al hare krachten moesten dus worden 
ingespannen om eene oplossing der zaak , zooals de Staten -Oeneraal 
die bedoelden, te beletten. Want de Noordsche Compagnie had 
vele bezwaren tegen eene schikking met de Engelschen ! De Zeeuw- 
sche compagniün, die de Engelschen in 1617 benadeeld hadden, 
waren sinds lang ontbonden *). Andere kooplieden hadden nieuwe 
vereenigingen opgericht, maar de oude aandeelhouders waren nog 
steeds ongeneigd om van hunne schade te reppen, nu hun eigen 
aanval op de Engelschen in 1618 hen met eene waarschijnlijk 
hoogst nadeelige compensatie dreigde. Evenzoo was het met die 
van het Noorderkwartier gesteld. De Amsterdamsche kamer stond 
buiten deze beide quaestiën en wilde er zich dan ook geheel buiten 
houden; juist daarom was ook zij onwillig om de rekeningen harer 
schade van 1613 nu over te leggen. Het nog steeds hangende 
proces met de kamers van het Noorderkwartier gaf toch dezen 
eene gerecde aanleiding om de Amsterdammers in de quaestie 
van 1618 te betrekken of om ten minste de door dezen van de 



•) R. S.-G. 1, 7 Dec. 1617. — Sent. v. d. H. R. v. HoU dd. 31 Mrt. 1685. 

») Sent. V. d. H. R. V. Holl. dd. 31 Mrt. 1635. — R. S -G. 21 Mrt. 1625. 

•) R. S.-G. 16 Ang. , 8 Oct. , 23 Nov. , 7, 9 Dec. 1624 , 18 Mrt. 1625. — 
Secr. R. S.-G. 17 Dec. 1624. 

*) Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: 
Noordsche togten« 4 Loop. N. C. R.-A. 



232 

Engelscbon te ontvangen gelden te compenseeren met de in het 
proces geëischte wegens het wegzenden van het konvooischip. Ook 
de Zeeuwen dreigden Amsterdam bij vermenging der rekeningen 
met compensatie der van de Engelschen te ontvangen schadever- 
goeding voor het gebeurde in 1613 met de pretensie, die zij sinds 
1617 nog op hunne Amsterdamsche broeders hadden. 

Alle betrokkene kamers , Amsterdam , Vlissingen , het Noorder- 
kwartier, ook Delft en Veere, die veel te betalen en niets te 
ontvangen hadden , waren dus weigerachtig om het geschil met de 
Engelschen in redelykbeid te helpen eindigen. Men kwam dan 
ook uiet veel verder. De bewindhebbers van de verschiUende ka- 
mers der Noordsche Compagnie werden door de Staten-Generaal 
eindelijk tegen 5 Augustus 1624 naar Den Haag beschreven. 
Amsterdam verscheen niet, maar aan de overigen deed eene com- 
missie uit naam der Staten-Generaal den voorslag om iemand te 
zenden aan Caron, die sinds 1623 commissie had tot af handeling 
der quaestie, ten einde hem over den stand der zaken uitvoerig 
in te lichten. De Zeeuwen , zich beroepende op hunne armoede , 
die hen belette door de overaame der Amsterdamsche pretensiSn 
eene voordeelige compensatie met de Engelschen te treffen , ston- 
den op hun recht om zich alleen voor Nederlandsche rechters te 
rechtvaardigen ; wilde men iemand naar Engeland zenden, dan moest 
dat zijn ten koste van het land *). Nieuwe conferentiën brach- 
ten de zaak niet verder: de Amsterdammers wilden de bewijzen 
hunner schade niet overdoen dan op onmogelijke voorwaarden en 
de Zeeuwen bleven bij hunne eischen. De Staten-Generaal van 
hunne zijde stonden er op, dat het land »buyten costen sonde 
werden gehouden," en gaven dit punt niet dan na langdurige 
aarzeling toe *). 

Ondertusschen kwam Caron te sterven en men besloot zijnen 
opvolger Joachimi last te geven om de zaak nu definitief af te 
doen 'j. Eene nieuwe commissie, nu door de Staten-Generaal 
benoemd, bracht de weerspannige kamers na verscheidene con- 
ferentiën eindelijk tot een vergelgk. De Amsterdammers beloofden 
hunne schaderekeningen van 1613 te zullen overleveren , mits de 
Staten-Generaal zei ven hun de som geld» uitbetaalden , waarmede 
de Zeeuwsche kamers daardoor bij de compensatie met de Engel- 
schen bevoordeeld waren ; do Staten-Generaal stonden er voor in, 



») R. S.-G. ö . 16 , 25 , 31 Juli , 22 Aug. 1624. - Heq. der Zceawache N. C. 
aan de Stn -Geu. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A. 

») R. S.-e. 3, 12, 18. 21. 23 Scpt.. 8, 11 Oct. , 9 Dec. 1624. — Corte 
Deductie eude Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordiche 
togten. 4 Loop. N. C. R.-A. 

») Sccr. R. S.-G. 1 Jan. 1625. — R. S.-G. 16 Jan. 1625. 



233 

<Ut de Amsterdammers niet zouden betrokken worden in de quaesiie 
met Elngeland over de schade van 1618, en bet proces van Hoorn 
en Enkhoizen togen Amsterdam werd daartoe tot na de afdoening 
der Engelscbe geschillen geschorst >). De Zeeuwen verklaarden 
nog uitdrukkelijk , dat zij , hoe de zaak ook loopen mocht , na de 
compensatie der schaderekeningen van 1617 en 1618 in geen geval 
wilden toebetalen *) , maar zy zonden iovh de bewijsstukkei^ hunner 
pretensie over *). De Amsterdammers volgden dit voorbeeld 
weldra *) en de Staten-Greneraal gaven nu aan Joachimi speciale 
commissie om de zaak in Engeland af te handelen '). 

Kort daarop vertrok de ambassadeur in gezelschap van het 
Kederlandsche gezantschap , dat juist toen naar Engeland afreisde, 
naar Londen. De Staten hadden hem last gegeven, in aanslui- 
ting aan den voorslag door de Moscovische Compagnie aan de 
ambassade van 1624 gedaan , een reglement met haar te beramen 
op den voet als de gezanten van 1619 hadden voorgeslagen. 
Des noods moest Joachimi met den koning zelven over de zaak 
spreken, de redenen door de Noordsche Compagnie tot hare ver- 
dediging aangevoerd voorstellen, en wyzen op het feit, dat de 
oneenigheden op Spitsbergen steeds waren uitgegaan van de En- 
gelschen , terwijl de Staten- Generaal alles hadden gedaan om twist 
te voorkomen. Ook aan de quaestie der restitutie wilden de 
Staten gaarne een einde zien. Zij machtigden Joachimi de zaak 
des noods door arbiters te laten afdoen, maar daarbij bleven 
zg er op staan dat hun recht niet werd prijsgegeven. Over het 
bedrag der restitutie wilden zij veel toegeven: de Staten zouden 
er in berusten, zoo de arbiters beslisten, dat de Nederlanders 
den Engelschen nog moesten toebetalen, msiar zij drongen er 
ernstig op aan, dat in ieder geval de aan de Noordsche Com- 
pagnie in 1613 en 1617 toegebrachte schade, die volgens hen 
veel meer bedroeg dan de Engelsche schade van 1618, tegen 



•) R. S.-G. 20 Jan. , 17, 25 Febr. , 21 Mrt. 1625. — Daar hel niet tot die 
aldoening kwam , wachtten de kamers van het Noorderkwartier geruimen t|jd eer 
zij hunne actie tot schadevergoeding tegen de Amsterdammers weder instelden. 
Eindelijk werden zij op han verzoek 16 Maart 1630 door de Stn.-Gen. bevrijd 
van de gevolgen, nit de schorsing van het proces voortvloeiende, en niettegen- 
staande de tegenspraak der Amsterdammers werden zij 81 Maart 1 635 door den 
H. R. bevoegd verklaard tot het vervolgen der actie. (Sent. v. d. H. R. t. HoU. 
dd. 31 ^Irt. 1635.) Die van Amsterdam schgnen toen hunne veroordeeling niet 
mfgewacht en de zaak geschikt te hebben, ten minste het bl^kt niet, dat z^ 
▼enrolgd is. 

«) R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625. 

•) R. S.-G. 9 Apr. 1626. 

•) R. S.-O. 9 Mri 1625. 

•) R, S.-G. 10 Apr., 10 Mei 1625. 



234 

deze in rekening gebracht zou worden. Op het principe kwam 
het hun aan; was de taxatie der schade wat partgdig, welnu, 
de Staten waren bereid eenige duizenden te betalen om hun recht 
erkend te zien *). 

Het liet zich aanzien, dat door de aitYoering dezer ver- 
standige en liberale volmacht de geschillen nu tot eené bevre- 
digende oplossing zouden komen. Verschillende redenen werkten 
echter samen, om de zaak een voor Nederland nog voordeeliger 
einde te doen nemen. Jakob I, die jarenlang met deze qnaestie 
geplaagd was geweest , was onlangs gestorven ; zgn opvolger 
Karel I zal wel niet dezelfde belangstelling getoond hebben in 
eene zaak, waarin het beweerde recht der Ëngelschen niet ge- 
handhaafd scheen te kunnen worden, terwijl het belang daarvan 
voor de steeds achteruitgaande Ëngelsche walvischvangst gering 
was ; eene quaestie , waarbij het dus alleen op de betaling van eenige 
weinige duizenden aan sommigen zijner onderdanen aankwam. Ook 
kon het den jongen koning , die zijne regeering begon met krachtig 
optreden tegen Spanje en een nauw verbond met de Staten-Ge- 
neraal, niet verstandig schijnen, nu om zulk een nietig geschil 
de goede verstai^dhouding met zijne bondgenooten te verbreken. 

Onder deze omstandigheden was het misschien ook in Engeland 
een welkom bericht , dat de twistende partijen zich zelve ge- 
holpen livulJen. De jaarlijksche twisten moede, gedurig gehinderd 
door de Nederlandscbe walvischvaarders , die met groote over- 
macht naast de Ëngelschen vischten en hun daardoor groot nadeel 
toebrachten , was het aan de Moscovische Compagnie , die er aan 
wanhoopte hare schade vergoed te krijgen, verstandig voorge- 
komen , aan de Nederlanders eenige baaien op Spitsbergen voor 
hunne vrije visscherij over te laten, nu zij daardoor van hare 
zijde de vrije beschikking over de overige kou verkrijgen. Reeds 
in 1625 was dan ook de sterke uitrusting, die de Noordsche 
Compagnie uit vrees dat de Ëngelschen »haer onvechtvaerdighe 
Actie begheerden te sustineeren" gedaan had *), nutteloos ge- 
bleken; de reis liep vreedzaam af en weldra berustten de Ën- 
gelschen, ook zonder dat hunne schade vergoed werd, voor goed 
in de reeds door het gebruik gemaakte vei"deeling der baaien •). 
De Nederlanders vergenoegden zich met den noordwestelyken 
hoek van Spitsbergen, waar zij nieuwe vischrijke baaien ontdekt 
hadden ; de Ëngelschen behielden daarentegen het gcheele zuide- 



») Muller, Mare Clausum. p. 215. 16. 

») Wasscuaer, Hist.fverh. IX fol. 124. 

*) In den zomer Tan IC25 of in 1626 zou het door Zorgdrager (Groen! . 
vissch. p. 194, 211) vermelde contract van verdeeling moeten gesloten zlJD ; ik 
zeide echter reeds (hiervüor p. 139 — 41), dat ik aan het bestaan daarvan niet geloof. 



235 

Ifjke gedeelte der westkust , waar van ouds de walvischvangst ge- 
dreven werd, voor zich. Deze schikking werd in 1627 door de 
Engelsche regeering stilzw^gend erkend '), en daarmede was de 
hoofdzaak nu voor goed geregeld. 

Een enkele maal schenen de Engelschen zich nog voor de resti- 
tutie der schade van hunne landgenooten te willen interesseeren ; 
een paar maal werd er eene poging gedaan om daarover op nieuw 
door gezanten te onderhandelen *) , maar de Nederlanders bleven 
steeds bg hunne weigering en de tegenpartij moest zich telkens 
met eene verwijzing naar den last van Joachimi tevreden stel- 
len. Ook in latere jaren, toen de Engelsche souvereiniteit ter 
zee een onderwerp van ernstige geschillen met de republiek der 
Zeven Provinciën werd, gaf Earel I eenmaal te kennen, dat hij 
deze zaak niet vergeten had '). Bij het begin van den Engelschen 
burgeroorlog sprak men zelfs in het parlement nog over de lang- 
begraven quaestie, maar de Staten volhardden bij hun systeem: 
zy bleven er bij, de zaak alleen als eene particuliere quaestie te 
willen beschouwen en wezen diplomatieke onderhandelingen daar- 
over van de hand *). Een eenigszins ernstig karakter nam de 
zaak echter nooit meer aan ; het gelukte den Nederlanders steeds 
bet verder » ophalen van dese oude saecken*' te beletten, en 
naarmate de walvischvangst der Engelschen aan Spitsbergen lang- 
zamerhand geheel onbeduidend werd , nam de Nederlandsche daar 
in macht toe. Het was den Staten gelukt te bewerken, dat 
werkelijk van uitstel afstel kwam; hunne onderdanen hadden 
daartoe krachtig medegewerkt en weldra waren de Engelschen, 
de voorgangers der Nederlanders, evenals in Oost-Indiö uit de 
door hen met zooveel moeite ontdekte zeeën verdreven. 



*) Maller, Mare CUosum. p. 22:^. 

*) B^ gelegenheid der ambassaden van Bnckingham in Den Haag en van Cats 
te Londen. (Muller, Mare Clausam. p. 222 , 23.) 
•) Muller, Mare Clausnm. p. 266 Noot 1. 
•) R, S-G. 7. 10, 20 Deo. 1641. 



HOOFDSTUK VIL 

DEENSCHE PRETEN SI ÊN. 



Het waren niet alleen de Engelscben, met wie de Noordsche 
Compagnie te strijden had om hare plaats in de IJszee te behou- 
den. Reeds het jaar na hare oprichting trad eene andere natie 
met nieuwe aanspraken op het door Nederlanders ontdekte Spits- 
bergen te voorschijn. 

De lezer zal zich herinneren, dat Barendsz. zelf, en op zijn voet- 
spoor de meerderheid der geographen , gedurende vele jaren Spits- 
bergen voor een deel van Groenland hield, tene dwaling, die 
eerst langen tijd nadat de wal visch vangst meer en meer bezoe- 
kers naar de IJszee had gelokt overtuigend weerlegd schgnt te 
zijn '). Uit deze vrij algemeen aangenomen meening leidde eer- 
lang de koning vau Denemarken zijn recht af om zich zelven als 
heer van Spitsbergen te beschouwen en andere natiën van daar 
te weren. Groenland , dus redeneerde hij waarschijnl^k , behoorde 
van ouds aan de kroon van Noorwegen; elk deel van Groenland 
was dus het eigendom vau Denemarken , dat sinds lang met Noor- 
wegen vereenigd was *j. Het is geheel onnoodig de ongegrond- 
heid van deze aanmatiging te bewijzen. loder springt het in het oog , 
dat ook al ware het toen alleen ontdekte westel^ke gedeelte van 
Spitsbergen een deel van Groenlands oostkust geweest, het enkele feit, 
dat twee landstreken , waarvan de eene aan Denemarken behoorde , 
niet door de zee van elkander gescheiden waren , den koning geen 
recht hoegenaamd kon geven op eene kust, die nooit bekend was 
geweest, voordat de Nederlanders ze in 1596 ontdekten, — eene 



») Zie hiervoor p. 204 Noot l. — Vgl. o. a. V. d. Brugge , JoutbmI van Seven 
Matroosfu. p. 4. („Jspitsbcrgen is . . . ten aensieu des Ontdeckers van 't Landt 
met den naem van Grocnlandt ; maer van wegcu de spitshcyt des geberghten. . . 
Spitsberghen , en (bij) eenighe soo 't schijnt het NieuweUndt genoemi.*') Zie 
ook : Van Meteren . Comment. fol. CLIII. 

*; Zie o. a Lindeman, Arkt. Kischerei. p. 8. 



237 

kust , die na dien tijd door Denen niet bezocht veel min in bezit 
genomen was *). 

Het Wi\8 dos op gelijksoortige gronden , dat Engeland en Dene- 
marken aan vreemde natil^n het bevaren van Spitsbergen verbo- 
den. Een ander punt van overeenkomst is de houding van de 
vorsten der beide landen tegenover de Europeosche politiek. Beide 
koningen waren door de banden des bJoeds en der godsdienst 
evenzeer als door neiging nauw verbonden. Beiden namen in den 
godsdienststrijd, die de eerste helft der zeventiende eeuw veront- 
rustte , eene geheel gelijke plaats in. Weifelend als hunne houding 
van het begin tot het einde was , kon zelfs het kiachtig optreden 
van beiden als kampvechters voor de protestantsche belangen , — 
eene inspanning, waartoe beiden slechts eenmaal gedurende hunne 
geheele regeering in staat waren, — hen niet bevrijden van de 
voortdurende verdenking, dat zij Spaansche sympathieën koester- 
den en dat z^ slechts in de katholieke mogendheden hunne ware 
Yiienden zagen. Deze veranderlijke houding aan de eene z^de, 
dat wantrouwen aan de andere, oefenden natuurlijk op de be- 
trekkingen van beiden met eene zuiver protestantsche mogendheid 
als Nederland een machtigen invloed. Met de gedurige wisseling 
der politieke gezindheid veranderden ook de onderhandelingen over 
andere zaken dikwijls van karakter. 

Men zou lichtel^'k meenen, dat dan ook de betrekkingen van 
Nederland tot Engeland en Denemarken gedurende de eerste helft 
der zeventiende eeuw vau volkomen denzelfden aard waren. Toch 
was dit volstrekt niet het geval. Terw^l tusschen Engelschen 
en Nederlanders de rivaliteit op commercieel gebied gedurig tot 
hoogloopende onaangenaamheden aanleidiog gaf , -- onaangenaam- 
heden, die gelijkheid van belangen toch steeds weder tot diplo- 
matieke geschillen beperkte, — droegen de betrekkingen van 
Nederland en Denemarken eene minder bepaalde kleur. Ook De- 
nemarken had zgnen mededinger , maar Zweden , niet Neder- 
land was de mogendheid, die de afgunst der Denen gold. Bg 
veel overeenkomst in de zuiver politieke betrekkingen is er dan 
ook in de onderhandelingen, die den handel betreffen, een groot 
▼erschil tusschen Jakob I en Christiaan IV in de houding door 
hen tegenover Nederland aangenomen. By beiden bestond een 



') Vtuder Brugge verhaalt (Journael der Seven Matroosen. p. 4), dat de 
Denen ook op Jan Mayen-eiland „door pretensie van aeapalingh" (aan Groen- 
laad) aantpraak maakten en daar inct de Nederlanders visehten. Van elders is 
m\j niets hiervan , evenmin als van de daar vermelde Eugelsche . Fransche en 
fiiteaaiache walvisch vangst aan het eiland , gebleken. Het vermoeden van eene 
walvitchvan^t door Engelschen wordt echter bevestigd door den naam «Eng^l- 
lehe Baay." (Krt. v. Jan Majen-eiland b\j : Zorgdrager, Groenl. vitsch. p. 100.) 



238 

machtige drijfveer, die de commerciëele betrekkingen steeds tot 
hetzelfde doel leidde ; maar terwijl Jakob I by al z^jne yertoogen 
op den bloei van den Engelschen handel het oog moest hebben, 
bezielde slechts de zucht om zooveel mogelijk voordeel van de 
vreemde natiën te trekken den koning van Denemarken , wanneer 
hij met hen in aanraking kwam. De twisten over de tollen in 
den Sond en te Glückstadt zijn daar om van het streven van den 
inhaligen Noordschen vorst te getuigen. Het is natunrlgk, dat 
ook de geschillen over de vaart op Spitsbergen datzelfde karakter 
vertoonen. Aan dit doel werden gedurende twintig jaren de 
krachten der Deensche diplomatie dienstbaar gemaakt; hevige 
vcrtoogen, gewelddadige handelingen, commerciëele knoeierijen, 
list noch geweld werd gespaard om te bewerken, dat de Euro- 
peesche natiën zich cijnsbaar aan Denemaiken erkenden. Toen 
eindelijk de eischen der schatkist door ruimere inzichten werden 
tot zwijgen gebracht, en ook de belangen der Deensche onder- 
danen gewicht in de schaal begonnen te leggen , was de Neder- 
landsche handel in het noorden aan de voogdij van Denemarken ge- 
heel ontwassen en de aangematigde souvereiniteitsrechten moesten 
wel ter zijde gesteld worden. Zoo behielden ook hier de Neder- 
landers het veld : ook tegenover Denemarken bleven de Staten-(}e- 
neraal standvastig in hunne ontkenning der uitsluitende rechten 
van anderen. In het bewustzgn hunner macht handhaafden zg 
hun standpunt, en terwijl zjj niet schroomden handelend op te 
treden , waar zij hunne rechten geschonden oordeelden , versmaad- 
den zg ook de hulp der diplomatie niet, waar zij meenden, dat 
die hun goede diensten kon bewijzen. Slechts éen vlek ontsiert 
hunne overigens even waardige als verstandige houding : de vrg- 
zinnige politiek , over het geheel tegenover Engeland gevolgd , ken- 
merkte hier hunne daden niet. Hadden zij de vrijheid der zee 
bijna altijd tegen Jakob I verdedigd ; tegenover Denemarken , de 
minder machtige staat , was hun gedragslijn in theorie niet min- 
der onvrg zinnig dan die van Christiaan IV zei ven. Slechts de 
eischen der praktijk en van eene verstandige politiek verzachtten 
hunne onrechtmatige beweringen. Het resultaat, door de wrg- 
ving van beide machten verkregen , was echter zeer bevredigend : 
de beide volken verkeerden eindelijk volkomen vrij naast elkander 
aan Spitsbergen. — Laat ons nu de handelingen van beide regee- 
ringen en volken wat meer van nabij beschouwen. 

In het begin van Juli 1615 werden de op Spitsbergen aanwe- 
zige walvischvaarders verrast door de aankomst van drie Deensche 
oorlogschepen. Ook ditmaal waren het onderdanen van koning 
Jakob I , die den vreemdelingen den weg naar het nooit bezochte 



289 

eiland hadden gewezen. Kapitein op een der schepen was de Schot 
Sir John Cunningham *), stnurman was James Vadun *), beiden 
beproefde reizigers in de IJszee. De Deensche admiraal liet het 
anker vallen in Crossroad en, zeer voorzichtig in eene zaak van 
zooveel belang, poogde hij den Engelschen kapitein Fotherby, 
die daar weldra aankwam , over te halen om met hem mede te 
varen als getoige van wat er tusschen hem en de Engelsche 
bevelhebbers zou voorvallen. Fotherby had daartoe echter geen 
tgd, en geweld schenen de Denen toch niet te hebben durven gebrui- 
ken *). Zg besloten alleen Sir Thomas Smiths-baj in te zeilen en 
vonden daar Thomas Ëdge met zijn schip. Men eischte van hem be- 
taling van eene recognitie onder beroep op het recht , dat de koning 
van Denemarken op Spitsbergen had. Edge weigerde bepaald en be- 
weerde van zijne zijde , dat Spitsbergen'aan zijnen vorst behoorde ^). 
De Denen schgnen zich daarop tot de Nederlanders gewend te 
hebben , ten minste ook dezen werden met dergelijke eischen lastig 
gevallen. Bg de groote macht, die de Noordsche Compagnie echter 
juist dit jaar op Spitsbergen had (elf schepen en drie groote oor- 
logschepen tot konvooi), is het niet te verwonderen , dat de Denen 
bier geen beter onthaal vonden dan bij de Engelschen: comman- 
deur Schrobop antwoordde, dat men niets wist van een recht 
van Denemarken, waarop de Nederlandsche walvischvaarders 
inbreuk maakten door volgens het gemeene recht in de IJszee 
te visschen *). Dit was de eerste stap, door Denemarken tot 
handhaving van zijn recht gedaan *); langs diplomatieken weg 
zette men weldra het begonnen werk voort. 



') Br. V. Fotherby aan Edge dd. 15 Jiili 1615, bg: Purchas, Pilgrimes. 
III p. 731. — Fotherby noemt hem eigenlijk „Captaine Killingham", maar ik 
geloof, dat de gissing niet gewaagd is^ dat hier Sir John Cunningham bedoeld 
wordt , die reeds in 1 605 en 6 in Deenschen dienst naar de Noordpool gezeild 
was. (lUuTOw, Voyages into the arctic regions. p. 169, 73. — Vgl. over hem: 
hiervoor p. 213 Noot 2.) 

*) Edge, Dntch distnrbance , b\j : Purchas , Pilgrimes. III p. 467. — Vadun 
(ook Vaden genoemd) was reeds in 1611 als kapitein van het schip The Amitie 
ter ontdekking naar Pechora en den Ob gezeild. Zie over die reis : Purchas , 
Pilgrimes. lU p 53U— 84. 

•) Brief v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bij: Purchas, PUgrimes. 
III p. 731 .3SJ. 

•) Edge , Dutch disturbance , bij : Purchas , Pilgrimes. III p. 467. — Mac- 
pherson , Annals of commerce. II p. 282. 

•) Miss. ▼. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 18 April 1616, in: L. D. 
1616. — De Nederlanders waren op de aanmatiging der Denen eenigszins voor- 
bereid, zooals blgkt uit de mededeeling in de N. Z. 28 Mei 1615 over de uit- 
nuting van acht Deensche oorlogschepen tegen de walvischvaarders. 

*) Aanleiding tot het plotseling handelend optreden van Denemarken gaf, zoo 
men honne tegenstanders gelooven mag , de onvoorzichtige handelwijze van de 
Anuterdamsche bewindhebbers der N. C. , die in 1615 eene aizonderlgke com- 



232 

Engelscben te ontvangen gelden te compenseeren met de in het 
proces geëischte wegens het wegzenden van het konvooischip. Ook 
de Zeeuwen dreigden Amsterdam bij vermenging der rekeningen 
met compensatie der van de Engelscben te ontvangen schadever- 
goeding voor bet gebeurde in 1613 met de pretensie, die zg sinds 
1617 nog op hunne Amsterdamscbe broeders hadden. 

Alle betrokkene kamers , Amsterdam , Vlissingen , het Noorder- 
kwartier, ook Delft en Veere, die veel te betalen en niets te 
ontvangen badden , waren dus weigerachtig om het geschil met de 
Engelscben in redelykbeid te helpen eindigen. Men kwam dan 
ook niet veel verder. De bewindhebbers van de verschiUende ka- 
mers der Noordsche Compagnie werden door de Staten-G^nenuü 
eindelijk tegen 5 Augustus 1624 naar Den Haag beschreven. 
Amsterdam verscheen niet, maar aan de overigen deed eene com- 
missie uit naam der Staten-Generaal den voorslag om iemand te 
zenden aan Caron, die sinds 1623 commissie had tot afhandeling 
der quaestie, ten einde hem over den stand der zaken uitvoerig 
in te lichten. De Zeeuwen , zich beroepende op hunne armoede , 
die hen belette door de overname der Amsterdamscbe pretensiSn 
eene voordeelige compensatie met de Engelscben te treffen , ston- 
den op hun recht om zich alleen voor Nederlandsche rechters ie 
rechtvaardigen ; wilde men iemand naar Engeland zenden, dan moest 
dat zijn ten koste van het land *). Nieuwe conferentiën brach- 
ten de zaak niet verder: de Amsterdammers wilden de bewgzen 
hunner schade niet overdoen dan op onmogelijke voorwaarden en 
de Zeeuwen bleven bij hunne eischen. De Staten-Generaal van 
hunne zijde stonden er op, dat het land »buyten costen sonde 
werden gehouden,'' en gaven dit punt niet dan na langdurige 
aarzeling toe *). 

Ondertusschen kwam Caron te sterven en men besloot zijnen 
opvolger Joachimi last te geven om de zaak nu definitief af ie 
doen '). Eene nieuwe commissie, nu door de Staten-Generaal 
benoemd, bracht de weerspannige kamers na verscheidene con- 
ferentiön eindelijk tot een vergelgk. De Amsterdammers beloofden 
hunne schaderekeningen van 1613 te zullen overleveren , mits de 
Staten-Generaal zei ven hun de som gelds uitbetaalden , waarmede 
de Zeeuwsche kamers daardoor bij de compensatie met de Engel- 
scben bevoordeeld waren ; de Staten-Generaal stonden er voor in, 



») R. S.-G. ö. 16, 25, 31 Juli, 22 Aug. 1624. - Hcq. der Zeeuwsche N. C. 
aau de Sin -Gen. dd. 22 Aug. 1624 , in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A. 

>) R. S.-e. 3, 12, 18. 21. 23 Sept.. 8, 11 Oct. , 9 Dcc. 1624. — Corte 
Deductie eude Remoostrautic der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordiche 
togten. 4 Loop. N. C. R.-.\. 

») Sccr. R. S.-G. 1 JuD. 1625. - R. S.-G. 16 Jan. 16i?5. 



233 

dat de Amsterdammers niet zouden betrokken worden in de quaesiie 
met Engeland over de schade van 1618, en bet proces van Hoorn 
en Enkhuizen togen Amsterdam werd daartoe tot na de afdoening 
der Engelscbe geschillen geschorst *). De Zeeuwen verklaarden 
nog uitdrukkelijk , dat zij , hoe de zaak ook loopen mocht , na de 
compensatie der schaderekeningen van 1617 en 1618 in geen geval 
wilden toebetalen *), maar zy zonden toch de bewijsstukkei^ hunner 
pretensie over '). De Amsterdammers volgden dit voorbeeld 
weldra *) en de Staten-Gleneraal gaven nu aan Joachimi speciale 
commissie om de zaak in Engeland af te handelen '). 

Kort daarop vertrok de ambassadeur in gezelschap van het 
Nederlandsche gezantschap , dat juist toen naar Engeland afreisde, 
naar Londen. De Staten hadden hem last gegeven, in aanslui- 
ting aan den voorslag door de Moscovische Compagnie aan de 
ambassade van 1624 gedaan , een reglement met haar te beramen 
op den voet als de gezanten van 1619 hadden voorgeslagen. 
Des noods moest Joachimi met den koning zelven over de zaak 
spreken, de redenen door de Noordsche Compagnie tot hare ver- 
dediging aangevoerd voorstellen, en wijzen op het feit, dat de 
oneenigheden op Spitsbergen steeds waren uitgegaan van de En- 
gelschen , terwijl de Staten- Generaal alles hadden gedaan om twist 
te voorkomen. Ook aan de quaestie der restitutie wilden de 
Staten gaarne een einde zien. Zg machtigden Joachimi de zaak 
des noods door arbiters te laten afdoen, maar daarbij bleven 
zy er op staan dat hun recht niet werd prijsgegeven. Over het 
bedrag der restitutie wilden zij veel toegeven: de Staten zouden 
er in berusten, zoo de arbiters beslisten, dat de Nederlanders 
den Engelschen nog moesten toebetalen, maar zij drongen er 
ernstig op aan, dat in ieder geval de aan de Noordsche Com- 
pagnie in 1613 en 1617 toegebrachte schade, die volgens hen 
veel meer bedroeg dan de Engelsche schade van 1618, tegen 



•) R. S.-G. 20 Jan., 17, 25 Febr. , 21 Mrt. 1625. — Daar hel niet tot die 
afüoening kwam , wachtten de kaïners van het Noorderkwartier geruimen tijd eer 
0} hunne actie tot schadevergoeding tegen de Amsterdammers weder instelden. 
Eindelijk werden zij op hun verzoek 16 Maart 1630 door de Stn.-Gen. bevrijd 
▼an de gevolgen, nit de schorsing van het proces voortvloeiende, en niettegen- 
staande de tegenspraak der Amsterdammers werden zij 81 Maart 1635 door den 
H. R. bevoegd verklaard tot het vervolgen der actie. (Sent. v. d. H. R. t. Holl. 
dd. SI Mrt. 1635.) Die van Amsterdam schenen toen hunne veroordeeling niet 
afgewacht en de zaak geschikt te hebben, ten minste het blgkt niet, dat z^' 
▼enrolgd is. 

») R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625. 

•) R. S.-G. 9 Apr. 1625. 

•) R. S.-O. 9 Mei 1625. 

•) R. S.-G. 10 Apr., 10 Mei 1625. 



234 

deze in rekening gebracht zou wordeu. Op het principe kwam 
het hun aan; was de taxatie der schade wat partijdige welnu, 
de Staten waren bereid eenige duizenden te betalen om hun recht 
erkend te zien •). 

Het liet zich aanzien, dat door de aitvoering dezer ver- 
standige en liberale volmacht de geschillen nu tot eene bevre- 
digende oplossing zouden komen. Verschillende redenen werkten 
echter samen, om de zaak een voor Nederland nog voordeeliger 
einde te doen nemen. Jakob I, die jarenlang met deze qnaesÜe 
geplaagd was geweest , was onlangs gestorven ; zgn opvolger 
Earel I zal wel niet dezelfde belangstelling getoond hebben in 
eene zaak, wsiarin het beweerde recht der Engelschen niet ge- 
handhaafd scheen te kunnen worden , terwijl het belang daarvan 
voor de steeds achteruitgaande Ëngelsche walvischvangst gering 
was ; eene quaestie , waarbij het dus alleen op de betaling van eenige 
weinige duizenden aan sommigen zijner onderdanen aankwam. Ook 
kon het den jongen koning , die zijne regeering begon met krachtig 
optreden tegen Spanje en een nauw verbond met de Staten-Gre- 
neraal, niet verstandig schijnen, nu om zulk een nietig geschil 
de goede verstai^dhouding met zijne bondgenooten te verbreken. 

Onder deze omstandigheden was het misschien ook in Engeland 
een welkuin bericht , dat de twistende partijen zich zelve ge- 
holpen hadden. De jaarlijksche twisten moede, gedurig gehinderd 
door de Nederlandsche walvischvaardcrs , die met groote over- 
macht naast de Engelschen vischten en hun daardoor groot nadeel 
toebrachten , was hot aan de Moscovische Compagnie , die er aan 
wanhoopte hare schade vergoed te krijgen, verstandig voorge- 
komen , aan de Nederlanders eenige baaien op Spitsbergen voor 
huime vrije visscherij over te laten, nu zij daardoor van hare 
zijde de vrije beschikking over de overige kon verkrijgen. Reeds 
in 1625 was dan ook de sterke uitrusting, die de Noordsche 
Compagnie uit vrees dat de Engelschen »haer onrechtvaerdighe 
Actie bogheerden te sustineeren" gedaan had *), nutteloos ge- 
bleken; de reis liep vreedzaam af en weldra berustten de En- 
gelschen, ook zonder dat hunne schade vergoed werd, voor goed 
in de reeds door het gebruik gemaakte voi"deeling der baaien *). 
De Nederlanders vergenoegden zich met den noord westelijken 
hoek van Spitsbergen, waar zij nieuwe vischrijke baaien ontdekt 
hadden ; de Engelschen behielden daarentegen het geheele zuide- 



») Muller, Mare Clausum. p. 215 , 16. 

») Wasscnaer, Hist.fverh. IX fol. 124. 

■) In den zomer van 1625 of in 1626 zou hel door Zorgdrager (Groenl. 
vissch. p. 194, 211) vermelde contract van verdeeling moeten gesloten z\JD ; ik 
zeide echter reeds ^hierv(K}r p. 139 — 41), dat ik aan het bestaan daarvan niet geloof. 



235 

Igke gedeelte der westkust , waar van ouds de walvischvangst ge- 
dreven werd, voor zich. Deze schikking werd in 1627 door de 
Engelsche regeering stilzwijgend erkend '), en daarmede was de 
hoofdzaak nu voor goed geregeld. 

Een enkele maal schenen de Engelschen zich nog voor de resti- 
tutie der schade van hunne landgenooten te willen interesseeren ; 
een paar maal werd er eene poging gedaan om daarover op nieuw 
door gezanten te onderhandelen *), maar de Nederlanders bleven 
steeds bg hunne weigering en de tegenpartij moest zich telkens 
met eene verwijzing naar den last van Joachimi tevreden stel- 
len. Ook in latere jaren, toen de Engelsche souvereiniteit ter 
zee een onderwerp van ernstige geschillen met de republiek der 
Zeven Provinciën werd, gaf Karel I eenmaal te kennen, dat hij 
deze zaak niet vergeten had '). Bij het begin van den Engelschen 
burgeroorlog sprak men zelfs in het parlement nog over de lang- 
begpraven quaestie, maar de Staten volhardden bij hun systeem: 
zg bleven er bg, de zaak alleen als eene particuliere quaestie te 
willen beschouwen en wezen diplomatieke onderhandelingen daar- 
over van de hand *). Een eenigszins ernstig karakter nam de 
zaak echter nooit meer aan ; het gelukte den Nederlanders steeds 
het verder » ophalen van dese oude saecken*' te beletten, en 
naarmate de walvisch vangst der Engelschen aan Spitsbergen lang- 
zamerhand geheel onbeduidend werd , nam de Nederlandsche daar 
in macht toe. Het was den Staten gelukt te bewerken, dat 
werkolgk van uitstel afstel kwam; hunne onderdanen hadden 
daartoe krachtig medegewerkt en weldra waren de Engelschen, 
de voorgangers der Nederlanders, evenals in Oost-Indit! uit de 
door hen met zooveel moeite ontdekte zeeën verdreven. 



*) Muller, Mare CUnsom. p. 228. 

*) B^ gelegenheid der ambassaden van Bnckingham in Den Haag en van Cats 
ie Londen. (MnUer, Mare Clausam. p. 222, 28.) 
') Maller, Mare (nansam. p. 266 Noot 1. 
«) R. S-0. 7, 10, 20 Dec. 1641. 



HOOFDSTUK VIL 

DEENSCHE PRETEN SI ÉN. 



Het waren niet alleen de Engelschen, met wie de Noordsche 
Compagnie te strijden had om hare plaats in de IJszee te behou- 
den. Reeds het jaar na hare oprichting trad eene andere natie 
met nieuwe aanspraken op het door Nederlanders ontdekte Spits- 
bergen te voorschijn. 

De lezer zal zich herinneren , dat Bareudsz. zelf, en op zgn voet* 
spoor de meerderheid der geographen , gedurende vele jaren Spits- 
bergen voor een deel van Groenland hield, t-ene dwaling, die 
eerst langen tijd nadat de wal visch vangst meer en meer bezoe- 
kers naar de IJszee had gelokt overtuigend weerlegd schgnt te 
zijn '). Uit deze vrij algemeen aangenomen meening leidde eer- 
lang de koning van Denemarken zijn recht af om zich zelven als 
heer van Spitsbergen te beschouwen en andere natiën van daar 
te weren. Groenland , dus redeneerde hij waarschijnlijk , behoorde 
van ouds aan de kroon van Noorwegen ; elk deel van Groenland 
was (lus het eigendom van Denemarken , dat sinds lang met Noor- 
wegen vereenigd was *j. Het is geheel onnoodig de ongegrond- 
heid van deze aanmatiging te bewijzen. Ieder springt het in het oog , 
dat ook al ware het toen alleen ontdekte westel^ke gedeelte van 
Spitsbergen een deel van Groenlands oostkust geweest, het enkele feit, 
dat twee landstreken , waarvan de eene aan Denemarken behoorde , 
niet door de zee van elkander gescheiden waren , den koning geen 
recht hoegenaamd kon geven op eene kust, die nooit bekend was 
geweest, voordat de Nederlanders ze in 1596 ontdekten, — eene 



>) Zie hiervoor p. 204 Noot 1. — Vgl. o. a. V. d. Brugge , Journitel tan Sctcb 
Matrooscu. p. 4. („Jipitsbergen is . . . ten aensien des Ontdeckers van 't Landt 
met den nacm van Grocnlandt ; macr van wegen de spitsheyt des geberghten. . . 
Spitsberghen , en (bij) eenighe soo 't schijnt het Nicuwelandt genoemi.") Zie 
ook : Van Meteren . Comment. fol. CLIII. 

*) Zie o. a Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 8. 



237 

kust, die na dien tijd door Denen niet bezocht veel min in bezit 
genomen was *). 

Het Wi\s dus op gelijksoortige gronden , dat Engeland en Dene- 
marken aan vreemde natiën het bevaren van Spitsbergen verbo- 
den. Een ander punt van overeenkomst is de houding van de 
vorsten der beide landen tegenover de Europeesche politiek. Beide 
koningen waren door de banden des bloeds en der godsdienst 
evenzeer als door neiging nauw verbonden. Beiden namen in den 
godsdienststrijd, die de eerste helft der zeventiende eeuw veront- 
rustte , eene geheel gelijke plaats in. Weifelend als hunne houding 
van het begin tot het einde was , kon zelfs hot krachtig optreden 
van beiden als kampvechters voor de protestantsche belangen , — 
eene inspanning, waartoe beiden slechts eenmaal gedurende hunne 
geheele regeering in staat waren, — hen niet bevrijden van de 
Toortdurende verdenking, dat zij Spaansche sympathi(jn koester- 
den en dat zij slechts in de katholieke mogendheden hunne ware 
vrienden zagen. Deze veranderl^ke houding aan de eene zijde, 
dat wantrouwen aan de andere, oefenden natuurlijk op de be- 
trekkingen van beiden met eene zuiver protestantsche mogendheid 
als Nederland een machtigen invloed. Met de gedurige wisseling 
der politieke gezindheid veranderden ook de onderhandelingen over 
andere zaken dikwijls van karakter. 

Men zou lichtel^k meenen, dat dan ook de betrekkingen van 
Nederland tot Engeland en Denemarken gedurende de eerste helft 
der zeventiende eeuw van volkomen denzelfden aard waren. Toch 
was dit volstrekt niet het geval. Terwijl tusschen Engelschen 
en Nederlanders de rivaliteit op commercieel gebied gedurig tot 
hoogloopende onaangenaamheden aanleiding gaf, — onaangenaam- 
heden, die gelykheid van belangen toch steeds weder tot diplo- 
matieke geschillen beperkte, — droegen de betrekkingen van 
Nederland en Denemarken eene minder bepaalde kleur. Ook De- 
nemarken had zijnen mededinger , maar Zweden , niet Neder- 
land was de mogendheid, die de afgunst der Denen gold. Bij 
veel overeenkomst in de zuiver politieke betrekkingen is er dan 
ook in de onderhandelingen, die den handel betreffen, een groot 
verschil tusschen Jakob I en Christiaan IV in de houding door 
hen tegenover Nederland aangenomen. By beiden bestond een 



') Vauder Brugge verhaalt (Jouraael der Se ven Matroosen. p. 4), dat de 
Denen ook op Jan Mayea-eiland „door pretensie van aenpalingh" (aan Groen- 
land) aanspraak maakten en daar inet de Nederlanders visehten. Van elders is 
m\i niets hiervan , evenmin als van de daar vermelde £ngelsche , Fransche en 
Biteaaiache walvisch vangst aan het eiland , gebleken. Het vermoeden van eene 
walviacb vangst door Engelschen wordt echter bevestigd door den naam «Engel- 
lehe Baay.*' (Krt. v. Jan Mayen-eiland b\j : Zorgdrager, Grocnl. vissch. p. 100.) 



238 

machtige drijfveer, die do commerci6ele betrekkingen steeds tot 
hetzelfde doel leidde ; maar terwijl Jakob I by al zijne yertoogen 
op den bloei van den Ëngelschen handel het oog moest hebben, 
bezielde slechts de zucht om zooveel mogelgk voordeel van de 
vreemde natiën te trekken den koning van Denemarken , wanneer 
h^ met hen in aanraking kwam. De twisten over de tollen in 
den Sond en te Glückstadt zijn daar om van het streven van den 
inhaligen Noordschen vorst te getuigen. Het is natunrlök, dat 
ook de geschillen over de vaart op Spitsbergen datzelfde karakter 
vertoonen. Aan dit doel werden gedurende twintig jaren de 
krachten der Deensche diplomatie dienstbaar gemaakt; hevige 
vertoogen, gewelddadige handelingen, commerciëele knoeierijen, 
list noch geweld werd gespaard om te bewerken, dat de Ëoro- 
peesche natiën zich cijnsbaar aan Denemai'ken erkenden. Toen 
eindelijk de eischen der schatkist door ruimere inzichten werden 
tot zwijgen gebracht, en ook de belangen der Deensche onder- 
danen gewicht in de schaal begonnen te leggen , was de Neder- 
landsche handel in het noorden aan de voogdg van Denemarken ge- 
heel ontwassen en de aangematigde souvereiniteitsrechten moesten 
wel ter zijde gesteld worden. Zoo behielden ook hier de Neder- 
landers het veld : ook tegenover Denemarken bleven de Staten-Oe- 
neraal standvastig in hunne ontkenning der uitsluitende rechten 
van anderen. In het bewustzijn hunner macht handhaafden zg 
hun standpunt, en terwijl zij niet schroomden handelend op te 
treden , waar zij hunne rechten geschonden oordeelden , versmaad- 
den zij ook de hulp der diplomatie niet, waar zij meenden, dat 
die hun goede diensten kon bewijzen. Slechts éen vlek ontsiert 
hunne overigens even waardige als verstandige houding : de vrg- 
zinnige politiek , over het geheel tegenover Engeland gevolgd , ken- 
merkte hier hunne daden niet. Hadden zij de vrijheid der zee 
bijna altijd tegen Jakob I verdedigd ; tegenover Denemarken , de 
minder machtige staat , was hun gedragslijn in theorie niet min- 
der onvrg zinnig dan die van Christiaan IV zei ven. Slechts de 
eischen der praktijk en van eene verstandige politiek verzachtten 
hunne onrechtmatige beweringen. Het resultaat, door de wrg- 
ving van beide machten verkregen , was echter zeer bevredigend : 
de beide volken verkeerden eindelijk volkomen vrij naast elkander 
aan Spitsbergen. — Laat ons nu de handelingen van beide regee^ 
ringen en volken wat meer van nabij beschouwen. 

In het begin van Juli 1615 werden de op Spitsbergen aanwe- 
zige walvischvaarders verrast door de aankomst van drie Deensche 
oorlogschepen. Ook ditmaal waren het onderdanen van koning 
Jakob I , die den vreemdelingen den weg naar het nooit bezochte 



289 

eiland hadden gewezen. Kapitein op een der schepen was de Schot 
Sir John Cnnningham >), stanrman was James Vadun *), beiden 
beproefde reizigers in de IJszee. De Deensche admiraal liet het 
anker vallen in Crossroad en, zeer voorzicbtig in eeue zaak van 
zooveel belang, poogde hij den Engelschen kapitein Fotherby, 
die daar weldra aankwam , over te halen om met hem mede te 
varen als getuige van wat er tusschen hem en de Ëngelsche 
bevelhebbers zou voorvallen. Fotherby had daartoe echter geen 
tgd, en geweld schgnen de Denen toch niet te hebben durven gebrui- 
ken *). Zg besloten alleen Sir Thomas Smiths-bay in te zeilen en 
vonden daar Thomas Edge met zijn schip. Men eischte van hem be- 
taling van eene recognitie onder beroep op het recht , dat de koning 
van Denemarken op Spitsbergen had. Edge weigerde bepaald en be- 
weerde van zgne zijde, dat Spitsbergen'aan zijnen vorst behoorde *). 
De Denen schgnen zich daarop tot de Nederlanders gewend te 
hebben , ten minste ook dezen werden met dergelijke eischen lastig 
gevallen. Bg de groote macht, die de Noordsche Compagnie echter 
juist dit jaar op Spitsbergen had (elf schepen en drie groote oor- 
logscbepen tot konvooi), is het niet te verwonderen , dat de Denen 
hier geen beter onthaal vonden dan bij de Engelschen : comman- 
deur Schrobop antwoordde, dat men niets wist van een recht 
van Denemarken, waarop de Nederlandsche walvischvaarders 
inbreuk maakten door volgens het gemeene recht in de IJszee 
te visschen *). Dit was de eerste stap, door Denemarken tot 
handhaving van zyn recht gedaan*); langs diplomatieken weg 
zette men weldra het begonnen werk voort. 



') Br. T. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bg: Parcha«, Pilgrimes. 
III p. 731. — Fotherby noemt bein eigenlijk „Captaine Killingham", ouuir ik 
geloof, dat de gissing niet gewaagd is^ dat bier Sir John Cnnningham bedoeld 
wordt , die reeds in 1 605 en 6 in Deenschen dienst naar de Noordpool gezeild 
WM. (liarrow, Voyages into the arctic regions. p. 169, 73. — Vgl. over hem: 
hierffjor p. 218 Noot 2.) 

*) Edge, Dntch distnrbance, b\i : Purchas , Pilgrimes. lil p. 467. — Vadnn 
(ook Vaden genoemd) was reeds in 1611 als kapitein van het schip The Amitie 
ter ontdekking naar Pechora en den Ob gezeild. Zie over die reis : Pnrchas , 
PUgrimei. lU p 53U— 84. 

*) Brief v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bij: Purchas, Pilgrimes. 
III p. 731 , .12. 

*) Edge, Dntch distnrbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467. — Mac- 
pheraon , Annals of commerce. II p. 282. 

•) Miaa. ▼. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. U April 1616, in: L. D. 
1616. — De Nederlanders waren op de aanmatiging der Denen eenigszins voor- 
bereid, looals blgkt nit de medcdeeling in de N. Z. 28 Mei 1615 over de nit- 
miting van acht Deensche oorlogschepcn tegen de walvischvaarders. 

*) Aanleiding tot het plotseling handelend optreden van Denemarken gaf, zoo 
men honne tegenstanders gelooven mag , de onvoorzichtige handelwijze ran de 
Amaterdamache bewindhebbers der N. C. , die in 1615 eeue afzouderlgkc com* 



240 . 

Den 11 April 1616 ontvingen de Staten-Oeneraal eenen brief 
van Christiaan IV van 18 Februari, waarin zijne pretunsiën en 
plannen uitvoerig werden uiteengezet. Z. M. ving aan met de 
uitvoerig beredeneerde mededeeling , dat de walviscbvangst aan 
de Noordkaap, bij IJsland en de Fftr-öer eilanden voortaan aan 
vreemdelingen verboden zou zijn <). Deze maatregel was alles- 
zins te billijken: als vorst van Noorwegen en de in den brief 
genoemde eilanden , als beheerscher der aan die landen grenzende 
territoriale zee^n had Christiaan IV volkomen recht , allen die hg 
wilde uit deze wateren te weren; het belang zyner onderzaten, wier 
visschery aan de Noordkaap niet onbelangryk schynt geweest te 
zijn, ontnam aan den haiden maatregel zelfs den schyn van onlnl- 
lijkheid. Bedenkelijker was echter het verder in den brief gez^^de. 



pagnie voor de walviscbvangst aan de Noordkaap oprichtten eu daartoe verlof 
vau Denemarken vroegen tegen betaling van den tienden visch. Cbristiaan IV 
zou daardoor op bet denkbeeld gekomen zijn om „van allen ende een ijgelicken 
noort op visscbende gel\jcke profiijt te treckcn", onder voorwendsel ilat alle noor- 
delijke landen aan de JJeenscbc kroon behoorden. Zoo zou de N. C de Denen 
ffOpt lijff gecregen" hebben. («Cort advertissement" en ,yDebatb" v. Kien en 
Leversteyn tegen de N. C. van 1616, in: Noordscbe togten. 1. U.-A.) 

') Dezd maatregel van den koning dagteckende reeds vau 1596 (Waasenaer, 
Hist. verh. VIII p. 16 vlg.) eu werd vau tijd tot tijd (o. a. in 1601. cf. Lindeman, 
Arkt. Fisch. p. 6) bernienwd , hoewel de Nederlanders steeds protesteerden en 
het verkeer evenmin als de Huilers, die reeds siuds l^9^ aan de Noordkaap 
viscliteu (Scoresby, Account. II p. 20. — Lindeman 1. c. p. 7) , staakten. Bepaal- 
delijk in 1613 schijnen de Noordkaap eu IJsland beiden door Nederlandsche 
walvisch vangers bevaren te zijn. (,Deboth" v Kion c. s. c. de N. C , in : Noordarhe 
togten. 1. R.-A. — R. S.-O. 18 Mei 1615.) Ook de nu in 1616 genomen maatre.sel 
had niet veel gevolg: reeds in 16*^1 moest Denemarken zich met Engelaud verbin- 
den om vreemdelingen o. a. van IJsland en de Noordkaap te weren. IJsland 
bleef gesloten, aan de Noordkaap werd reeds in 1622 voor Bremen eeue uit- 
zouderiug gemaakt. (Lindeman, Arkt. Fischurci. p. 10.) In 1624 werd het ver- 
bod om aa:i de Noordkaap te visschen hernieuwd , maar niet gehandhaafd (Was- 
senaer, Hist. verh. VIII p. 16) , hoewel wij in 1026 Nederlandsche walvis^-h- 
vaiigers met Deeusche passen aan de Noordkaap vinden (WassenaiT 1 r. XI 
fol. 181.) In 1631 bood men den Nederlanders op zekere voorwaarden verlof 
daartoe aan, dat echter geweigerd werd. (R. S -G. 26, 28 Juli 16HI.) De 
visscherij en het verkeer aan IJsland werd door Christiaan 1 \ b\j missive van 28 
Dec. 1631 daarop nadrukkelijk verboden. (U. S.G. 13 Mrt. J632. — Misa. v. 
Chr IV dd. 16 Febr. 1635, iu : L. D. 1685.) Weldra klaagden de Denen, 
die daar alleen huudolcu mochten, over roiicurrcDtie van Nederlanden; de 
N. C. behoorde echter niet onder de schuldigen. (R. S.-G. 22 Apr. , 23 Jnli , 
12, 24 Aug. 163?.) Nadere klachten van de Deensche IJsland.srhe compagnie 
over den Amsterdamschen koopman Elias Trip bleken onjnist ; het schgnt echter, 
dat de Nederlanders het verkeer niet staakten. (R. S.-G. 3 Apr , 5 Mei, 2, 19 
Jnli, 1 Aug., 11 Dec. 1685. — R. H. 4 Apr., 8 Mei, 11 Jnli, 6 Dec 
1,.8.^. — Miss. V. Chr. IV aan de Stu.-Ger. dd. 16 Febr., 11 Dec. 1035. iu : 
L D. 1635, — Scheltema, Aemstels oudheid. III p. 224—26.) 



241 

>Waa weitter vnnser Grönlandt, oder nach etlicher nennung 
Grfinlandt *) anreichet/* dus ver volgde de koning, >Nachdem 
der missbrauch vber den Walfischfang derer örtter, so E. L. 
ynd eoren vnderthanen, aus vnnser mit E. L. vnnd earen beijderseits 
wolhergebrachten freundtschafft , daheuer gestattet werden end- 
lich dahin gerathen , das man vnnser vnleugbar Vhraltes Becht , 
daselbst mit Neuen Nahmen zuaerkebren, vnnd vnsere darüber 
habende proprietet znuerwenden sich befliessen. So haben wir 
hing^^ obener gestalt vnnsers Ambts erachtet, auch diesen 
excessen mass znsezen , vnd E.L. vnnd eoren vnderthanen , welche 
sich ohn fürhergehende recognition vnnser hocheit, zu solcbem 
ende femer dahin finden würden, nicht weniger den Walfischfang 
zu prohibirn, Jedoch sein wir nicht vngeneigt, diese piscatur 
denn jenig zu indulgim , so beij leistang vnd erlegung der gebühr, 
vnsere Passbrief darüber impetrirn vnnd solche vnnsere beampten 
ftlrzeigen werden, Woraoff E.L. vnnd Ihr die Ihrige, vnd das 
Sie andei'er massen auf Grünlandt nicht lauffen mögenn noch sol- 
len, zu werschauen , crafft dero auctoritet goruhenn wollten *).** 
Beeds boven zette ik uiteen, hoe belachelijk de in deze regels 
vervatte aanmatiging heeten mocht. En toch waren de Staten- 
Generaal , die wel begrepen , dat het hier meer ecne quaestie van 
macht dan van recht gold, een oogenblik met de zaak verlegen: 
de resolutie op den brief werd niet dadelyk genomen. Maar er 
was haast b|j de zaak : de schepen der Noordsche Compagnie waren 
nagenoeg gereed om uit te zeilen. Holland nam dan ook weldra 
een kloek besluit en adviseerde zeer lakoniek: »op de Brieven 
beleefdelyck te antwoorden en te continueren het gebruyck ende 
yryheyt van visschen, sulcx als tot noch toe is gedaen ').** In 
dien zin arresteerden dan ook de Staten-Generaal 13 April een 
antwoord aan Christiaan IV, dat wel is waar niet minder uit- 
voerig was dan de brief van den koning geweest was, maar dat 
toch eigenlgk niets anders dan eene beleefde weigering inhield. De 
Staten-Generaal meenden , dat de Nederlanders door hunne sche- 
pen naar verschillende streken ter vischvangst uit te zonden , niets 
anders gedaan hadden »als tgeene volgende die gemeene gebruyckte 
rechten van allen ouden tyden byden ondersaten deser Landen 
800 ter See , als anderssints was gedaen , ende gepleecht.** Zij be- 
weerden dan ook, dat door hunne onderdanen, toen zy de ge- 

*) Vgl. het hiervóór p. 204 Noot 1 gezegde over het gebruik van Groneland of 
Grojnland en Oreenland door de EngeUchen. Ook in Denemarken schgnt men 
reedi een flauw bewuatzgn gehad te hebben , dat Groenland en Spitsbergen niet 
identiek waren. 

*) Miss. V. Chriat. IV aan de Stn.-Gen. dd. 18 Febr. 161G , in: L. D. 1616.— 
R. S.-6. 11 Apr. 1616. 

») R. H. verg. t. 1 Mrt.— 26 Apr. 1616. p. 7. 

16 



242 

vraagde betaling weigerden, >nyet tot obbrenck offce verminde- 
ringo van Sgne Ma", rechten , ofte tot syner ondersaten schade 
int voorszeide visschen gedaen was." Op deze gronden verklaar- 
den zg >vastelyck te vertrouwen ende oock seer vriendelyck 
dienstelyck ende naebuerlyck te versoucken, Dat syne Ma*, deur 
syne beampte Officieren ende Dienaren te water nochte te landen 
den onsen nyet alleen geen verhinderinge ofte belet, maer veel 
eer nae gelegentheyt alle assistentie ende bevorderinge sonde 
willen doen ')." 

Terecht meende echter de Noordsche Compagnie in het » vaste 
vertronwen" der Staten-Generaal op de welwillendheid van Chris- 
tiaan IV niet te moeten dealen. Reeds den 28 April hielden zg 
den Staten voor, dat een subsidie van do regeering tot handha-* 
ving van de Nederlandsche walvischvangst onmisbaar was. Zg 
hadden vernomen , dus verhaalden de bewindhebbers , dat in Dene- 
marken reeds zeven »cloucke** schepen , allen van 36 »lepelstucken*\ 
uitgerust waren om hun de visscherij te beletten; de vrees dat 
de Engelschen , die gezegd werden »genoechsaem mette Ma^^^. van 
Denemarckens Onderdanen een te zyn ,'* zich daarbij zouden voe- 
gen, maakte de zaak zeer bedenkelijk. Een konvooi van niet 
minder dan zes oorlogschepen scheen dus noodig om de Noordsche 
Compagnie dit jaar tegen de aanvallen haror vijanden te bescher- 
men *). Ook de Staten-Generaal begrepen , dat het aannemen 
van eene krachtige houding noodig was om aanvallen te voorko- 
men. Na lange dcliberatiën en aanmaningen van vele zgden 
besloten zij der compagnie eenig geschut ter wapening harer 
schepen toe te staan en vijf oorlogschepen om de walvischvaarders 
»naer haeren vuytersten vermogen" te verdedigen; ja, zij schre- 
ven zelfs de admiraliteit te Amsterdam aan nog meer schepen te 
zenden, zoo dit cenigszins mogelijk was *). De Instructie, voor 
Jan Jacobsz. Schrobop als hoofd van het konvooi den 23 Mei 1616 
door de Staten-Generaal gearresteerd , lastte hem 1*. om aan ieder 
die het vi'oeg te verklaren, dat do Nederlanders van plan waren 
vreedzaam aan Spitsbergen te visschen zonder iemand te hinderen , 
2**. om met alle macht te beletten, dat iemand de schepen der 
Noordsche Compagnie in hare nering lastig viel, 3*. om geweld 
aan die schepen aangedaan zooveel mogelijk te keeren en de ple- 
gers daarvan volgens de commissie der Staten-Generaal aan te 
tasten, 4°. om de schepen der comimgnie, die in handen van 
vijanden gevallen waren, met geweld te bevrijden, en de ver- 

») Miss. V. de Stn.-Gen. aaa Chr. IV dd. 13 Apr. 1616. in: L. D. 1616. — 
R. S.-G. 13 April, 27 Mei 1616. — Carleton , Lettres. I p. 89. 

«) Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 (28) Apr. 1616, in: Noord«eh« 
togten. 4 Loop. N. C. R -A. 

») R. S.-G. 28 Apr., 11, 12 Mei, 2 Juni 1616. 



243 

oterurs te dmngen de schade te vergoeden of bg weigering hen 
gevangen in een Nederlandsche haven op te brengen , om de 
qnaestie door Nederlandsche rechters te doen beslissen *). Ge- 
lukkig was Schrobop niet in de gelegenheid deze Instructie uit 
te voeren '), iets vrat de krachten zyner schepen zeker te boven 
gegaan ston zgn: de berichten over de groote uitrustingen der 
Denen bleken onjuist en het schijnt zelfis, dat dit jaar geen 
Deensch schip zich op Spitsbergen vertoond heeft '). 

Ook de eerstvolgende jaren bleef de zaak hangende *). De be- 
sliflte afwgzing van Engelschen en Nederlanders had den Denen 
den moed voorloopig ontnomen. Toch waren de geruchten over 
eene Engolsch-Deensche combinatie in zooverre juist geweest , dat 
van Deensche zgde zulk eene combinatie bepaald gewenscht werd. 
Maar lang duurde het eer men het eens was: eerst in 1621 kwamen 
Jakob I en Christiaan IV, naar het schijnt met terzy destelling 
der wederzgdsche aanspraken, overeen, gezamenlgk alle vreemde 
natiën uit de IJszee te weren *). De Staten-Generaal, in groote 



*) Imtractie voor Schrobop, in: Noordsche togten. 4 Loop. N. C. R.-A. *- 
R. 8.-«. 28 Mei 1616. 

*) Edge, Batch dUturbance , bij: Porchas , Pilgrimes. III p. 467. — Instr. 
Tin Schrobop, in: Noordsche togten. 4 Loop. N. C. R.-A. 

*) Dit maak ik op nit het zwegen van £dge in zijn meergemelde «Dutch 
diatnrbanee" (Porchas, FUgrimes. III p. 466), terwgl wij overigens daar b\jna 
jaariyka van de aanwezigheid der Deensche schepen op Spitsbergen lezen. Ook 
de N. C. noemde in 1687 het jaar 1617 als het tgdstip van het verschgnen 
▼an den eersten Deenschen walvischvaarder aan Spitsbergen. (Aitzema, Saken v. 
Staet. II p. 442.) 

*) De Staten-Generaal waren echter nog niet dadelgk gernst gesteld ; zie over 
verdere maatregelen tot bescherming der walvischvaarders tegen Denemarken 
genomen: Arend, Alg. gesch. des vaderl. III, 8. p. 2. De berichten over Deensche 
oorlogaehepen , die tegen de Nederlandsche walvischvaarders uitgernst werden 
(R. 8.-6. 18 Mei 1617), bleken echter onjuist en het volgende jaar 1618 waren 
de Staten reeds zoo zeker van hnnne zaak, dat zjj in de Instractie der ambas- 
iade naar Denemarken (Cnlemborg c. s ) zich ter verdediging hunner bewerin- 
gen over de O.-I. aangelegenheden durfden beroepen op de „missiucn , by 
tjne Mat. (van Denemarken) selfTs , belangende den Groenlandtschcn handel , met 
exeloiie ende verboth van andere natiën. Inde voorledene Jaren (d. i. in 1616\ 
geaehreven." (Instr. der ambass. naar Deoem. dd. 21 Mei 1618, art. 86.) 

*) Reeds boven (p. 289 Noot 8, 4) haalde ik de woorden der Engelsche walvisch- 
faarden over de Deensche indringers aan. Ook verder schijnt de verhouding 
voorloopig niet zeer vriendschappelijk geweest te zijn, althans in 1618 kwam 
eea Deensch gezant , Dr. Jonas (Charisius ?) te Londen om te onderhandelen over 
de onaangenaamheden, tusschen de beide natiën door de uitsluitende pretensiën 
van Denemarken ontstaan. (Carleton, Lettres. II p. 217.) Men hoopte de zaak 
BOg ie schikken, maar het mislukte: in 1619 waren Engelschen en Denen nog 
niet vgeaocordeert." (Muller, Mare Clausum. p. 162 Noot 8.) Eerst in 1621 kwam 
de in den tekst vermelde overeenkomst tot stand. (Miss. v. Chr. IV aan de Bre- 
ambast. dd. 10 Jan. 1622 en het medegedeelde hierover uit het Ham- 

16» 



244 

ontsteltenis toen hun dit tractaat bekend was geworden , gaven 
dadelijk hunne gezanten, die naar Kopenhagen vertrokken (Pauw, 
Liclama, Haorsholte en Schaffer), den geheimen last mede: »dat 
sy met alle goode circomspectie ende voorsorge letten souden, 
dat d'Ingeseteuen deser Landen int stuck vande vrije Schip ende 
Zeevaerdt niet verhindert off gesloten werden ujt eenige plaatsen, 
landen, ejlanden, revieren, hauenen ende stroomen, daer sg voor 
desen gevaren, gehandelt, off gevischt hadden, ende ouersulcz 
niet gedoogen , dat eenige plaetsen by d'Ingesetenen deser Landen 
hierbeuooreus beuaeren off gefrequentreert in dispute ofte con- 
trouersio soude(n) worden getrocken , als off het plaetsen waeren , 
daermen niet gewoon soude syn te handelen ^).*' Gelukkig was 
deze voorzorgsmaatregel der Nederlandsche regeering overbodig: 
men schijnt het gezantschap van 1621 niet van de zaak ge* 
sproken te hebben *). Het geheele heerschzuchtige plan der beide 



borgsche archief bij : Lindeman , Arkt. Fischerei der DeuUchen Seestadte. p. 10. — 
Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. R.-A. — VgL de YerkUring 
van Jakob I bij : Maller, Mare Claasum. p. 194. — Het tractaat zelf heb ik nergem 
gevonden: in het Engelsch-Deensche tractaat van 19 April 1621, bij: Damont, 
Corps diplomat. V, 2. p. 391 vind ik de bepaling niet.) De geschiedenis der En- 
gelsch-Dccnschc betrekkingen vtrtoont dus in het kort denzelfden gang als de 
Nederlandsch-Deensche. — Uit het medegedeelde blijkt voldoende , hoe ongegrond 
de geruchten waren, die verhaalden, dat de £ngelschen eene recognitie aan 
Denemarken betaalden om aan Spitsbergen te mogen visschen. (Zie o. a. Hist. 
du pays de Spitsb. p. 26. — R. S.-G. 4 Jan. 1636. — Miss. v. Van Cracouw 
aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. , 28 Mei 1639, in: L. D. 1639.) Christiaan IV 
zelf beweerde het eenmaal (.\itznna . Sakcn v. Staet. II p. 442); ik geloof ech- 
ter, dat er hier eene verwarring bestaat met de vaart op de Xoordkaap , IJs- 
land enz. , waarover Kngeland werkelijk en terecht met Denemarken in den aan- 
geduiden zin ouderhandoldc (Selden, Mare Clausum. p. 241, 42), ten minste in 
1G3S verklaarde Christiuau IV, dat hij aan do Ëngelschen en Nederlandera de 
visscherij aan Spitsbergen toeliet „nijt goede Nabuijrlicke vruntschap ende om 
dat sij langen tijt hadden geweest in possessie." (Miss. v. Van Cracouw aan de 
Stn.-Gen. dd. 5 Febr. 16:^3 , in: L. D. 1633.) 

») Secr. ïustr. der ambassade naar Denemarken dd. 2 Aug. 1621 , art. 2. 
>) Het bij deze gelegenheid verhandelde over verbodene havens heeft sommigen 
tot eene tegenovergestelde conclusie geleid. Ten onrechte , want toen de Nederland- 
sche ambassadeurs bezwaar maakten om in het tractaat van die verbodene havens te 
spreken , toonden de Denen zich dadelijk bereid deze zaak op te geven onder 
verklaring , dat zij daarmede «gcene andere haeuens meenden dan eenige wei- 
nige plaetskens tot den Conincklycken dis ouer eenige houdert laren geprivüi- 
geert z<mj dat de eygene onderdaenen vanden Coninck daer op niet en rer- 
mochten te comeu, nuemende Vsland ende twee ofte drye andere clegne ioo sy 
seyden ende ons unbekende Eylandekens , alwaer d' onderdaenen van hare Ho : Mo : 
niet gewoon waeren te comen." (Verbaal der Deenschc ambass. v. 1621 ad 25 
Aug. — Vgl. Arend, Alg. gesch. des vaderl. III.3. p. 608, 9,652 — 59.) Ook in 
het Deensche tractaat van 19 April 1621 met Engeland, dat in de Spitsberg- 
sche quaestic te;^'Dover Denemarken het/elfde belang had als Nederland , vindt 



245 

zwagers was trouwens bestemd om niet nitgevoerd te worden. 
Terwgl van Engelsche zgde eene enkele zwakke poging beproefd 
werd om de bepalingen van het tractaat na te leven >), schijnt 
het belang der Deensche walvischvangst Christiaan IV zelfs ver- 
hinderd te hebben , aan de gemaakte plannen een begin van uit- 
voering te geven. 

Want terwgl de Deensche vorst de belangen zgner schatkist 
meende te behartigen, hadden zijne onderdanen een beteren weg 
ingeslagen om zich voordeel te verwerven. Reeds spoedig hadden 
zg besloten van de gewaande Deensche bezitting op eene andere 
wgze zooveel mogelijk partij te trekken en terwijl vroeger alleen 
van oorlogschepen , die eene belasting kwamen opeischen , sprake 
was, vinden wij dan ook reeds in 1617 twee Deensche walvisch- 
vaarders op Spitsbergen. Zonder dat de koning zijne pretensie opgaf, 
werden zgne onderdanen het eerlang met de Nederlanders eens. De 
Deensche walvischvaarders werden door de Noordsche Compagnie 
bereidwillig toegelaten om met twee schepen hun bedrijf te oefenen 
aan den noordhoek van Spitsbergen , waar de Nederlanders zich ge- 
vestigd hadden en juist de grondslagen van het latere Smeerenburg 
bronnen te leggen. Tegen de gemeenschappelijke vganden, de 
Engelschen , genoten de Denen de bescherming der Nederlanders. 
Ieder der beide natiën had voortaan op het Amsterdamsche eiland 
zgne afzonderl^ke vestiging voor de traankokery, met palen af- 
gescheiden en met de wapens der beide mogendheden voorzien. 
Den Nederlanders, nog zelven sleehts noode door de Engelschen 
op Spitsbergen geduld, kon het niet dan aangenaam zijn, zoo zg 
yersterking van andere natiën tegen hunne vijanden kregen; 
Christiaan lY, die zync pretensie nergens erkend zag, handelde 
verstandig , toen hij oogluikend toeliet , dat zijne onderdanen zich 
den steun van een der beide twistende partyen op Spitsbergen 
yerzekerden *). Was er reeds in 1617 zulk een nauw verbond 



men in art. XIV van die verboden havens («Portus prohibiti") gesproken. (Dn- 
mont, Corps diplomat. V, 2. p. 891.) 

*) Zit daarover hiervoor p. 225 — 27. 

*) De overeenkomst sch^nt het karakter eener stilzw^gende minnelgke schik- 
king gehad te hebben. De Nederlanders lieten de Denen in hnn vischwater toe 
en dexen znUen zeker verheugd geweest zijn voor het verleende verlof en de ge- 
noten bescherming in aUe voorwaarden toe te stemmen, die de Nederlanders 
maken wilden. In werkelijkheid waren de Denen verreweg de minderen en 
aan de aanspraken van Christiaan IV, waardoor hg zich de meerdere wilde too- 
nen, hebben beide partgen waarschgnlijk in 1617, toen depraktgk zgne eischcn 
deed gelden^ niet gedacht. — Zie hierover: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150, 
n p. 442, 632. — Req. derN. C. c. Vrolicq, in: Noordsche togten. 4 Loop. N. C. 
R.-A. — Sent. van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629. («Zijlugden stonden 
milcinderen de possessie toe, sgnde tosschen zgne Mat. ende de Ho: Mo: Hee- 



24fi 

tosschen Denemarken en Nederland, dat slechts een der beide 
voor Deensche rekening met traan en baarden bevrachte schepen 
naar Kopenhagen vertrok, terwijl het andere naar Amsterdam 
gezonden werd >), een geregeld verkeer bestond er toen nog zoo 
weinig, dat Jakob I in het voorjaar van 1619 aan de Neder- 
landsche gezanten verklaren kon , dat de Denen evenals alle andere 
natiën behalve de Nederlanders van de walvischvangst op Spits- 
bergen hadden » gedesisteert *)." Eerst met 1619 begonnen de 
Deensche walvischvaarders het eiland jaarlgks te bezoeken, in 
1620 werd er te Kopenhagen eene compagnie voor de walvisch- 
vangst opgericht ') en tot 1622 toe verschenen hare schepen 
geregeld met de Nederlandsche aan den noordelgken hoek van 
Spitsbergen *). In deze omstandigheden ware het voor Ghris- 
tiaan IV eene dwaasheid geweest het tractaat van 1621 mt te 
voeren en vereenigd met de Ëngelschen, die nog zoo kort gele- 
den zyne onderdanen vijandig behandeld hadden , de ieder jaar in 
kracht toenemende Nederlandsche wal visch vangers, de vrienden 
en beschermers der Denen , aan te vallen. Toen echter het recht 
der Denen om naast de Nederlanders in de Mauritins-baai te vis- 
schen eenmaal goed bevestigd scheen , veranderden de betrekkin- 
gen der beide volken weldra geheel. Christiaan IV meende nn 
veilig zyne vroegere houding weder te kunnen aannemen. Eer- 
lang maakten do Denen van de goedwilligheid der Nederlanders 
misbruik en bleek het aan de Staten-Generaal , dat de Deensche 
pretensie wel is waar gesluimerd had, maar dat zg nog volstrekt 
niet dood was. 

Den 27 Maart 1622 had Chnstiaan IV aan de Deensche com- 
pagnie voor de walvischvangst, waarvan Johann Braem, een 
voornaam Duitsch koopman te Kopenhagen *), het hoofd was, 
een uitsluitend *) octrooi verleend »omme op de Noortcaep ofte 



ren de Staten Generael te demeleren off ijemant, off wie van bedden ftUeen 
ende priuatiae ter dier plaetsc het gesach sonde mogen hebben ," zeiden de Denem) 

*) Brief v. Heley aan Deicrowe dd. 12 Ang. 1617, b\j : Porchai , Pilgrimet. 
III p. 732. — De Nederlandsche berichten weten echter slechts Tan éen schip. 
(Aitzema, Saken v. Staet. Il p. 442. 632.) 

*) Muller, Mare Clausnm. p. 162. 

*) Lindeman , Arktische Fischerei der Deutschen Seestüdte. p. 9. 

*) Ook volgens de Engelsche berichten vischten de Denen b^ de Nederlanden. 
(Brieven der Eng. walvischvaarders, o. a. van Catcher aan Heley dd. 17 Jnni 
1620, bij: Pnrchas, Pilgrimes III p. 735.) 

*) Zie over latere knoeierijen van Braem ten nadeele der Nederlanders : Min. 
V. Van Craconw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1639, in: L. D. 1639. 

*) Christiaan IV verklaarde in 1625 aan den Nederlandschen gezant Vosber- 
ghen , »dat hv geen paspoorten op Spitsbergen hadde gegeven als alleen 
ecuen Braem, ende acn nvemant meer geven sonde.'* (Miss. t. Vosberghen 
de Stn.-6en. dd. 4/14 Juni 1625. in: L. D. 1625.) 



247 

in de hayenen ofte efjlanden van Travisont ende Soorog *) mits- 
gaders opt Lant van Groenlant te mogen de walvischerge doen." 
Dat jaar had Braem in de Mauritias-baai , waar Denen en Neder- 
landers gewoon waren naast elkander te visschen , de walvischvangst 
in vrede geoefend en er zgne scharen en gereedschappen voor 
het volgende jaar achtergelaten. Maar de visscherg der Denen 
Bchgnt op den dnnr onvoordeelig geweest te z^n; ten minste 
Braem trof in het voorjaar van 1623 eene overeenkomst met Jean 
De Heraneder en Michel De Lamlde , kooplieden van St. Jean de 
Lnz en Siboore *) in Biscaaie, waarbij hij hen tegen een aan- 
deel in hunne vangst in zijne compagnie voor de walvischvangst 
opnam. Volgens dit contract kwamen in het begin van Juni 
1623, terwijl de Denen zich dit jaar niet op Spitsbergen ver- 
toonden, twee Biscaaische schepen op naam van Braem en z^ne 
compagnie bij de Nederlanders aan, openden de Deensche schuren 
en wilden de walvischvangst beginnen. De Nederlandsche com- 
mandeur Comelis Ts vroeg hen echter dadel^k om hunne pa- 
pieren te zien. Toen z^ niets anders konden toonen dan >een slecht 
cartabelleken ," door hunne Baskische reeders in het Nederlandsch 
geschreven, dat alleen het verzoek aan den commandeur inhield 
den brenger goed te behandelen, verbood Ts hem het visschen. 
Hg beweerde, dat de door de Biscaaiers bezochte baai aan de 
Nederlanders en de Denen gezamenlijk behoorde , dat geen ander 
recht had daar te visschen en dat hg zich dus verplicht ge- 
voelde zijne vrienden de Denen in hunne afwezigheid tegen roof 
en overweldiging te verdedigen. De Basken mochten zich daar- 
tegen op hunne overeenkomst met Braem beroepen, Ys hield 
zich als geloofde hg van het goheele verhaal niets en bleef er 
bg, dat hg niet verantwoord was, zoo hg de Biscaaiers »op 
soodanigen Imperfecten beschegt" tot de visscherij toeliet. Dezen 
moesten erkennen, dat zij >niet wel en waren versorcht;*' zg 
stelden aan Ts voor, dat hg hen zou laten visschen op voor- 
waarde, dat de geheele vangst ten bate der Noordsche Compagnie 
zon komen, zoo het in Nederland bleek, dat hunne reeders geen 
recht op de visscherij hadden. Ys antwoordde, dat hg hun wel 
voor dit jaar alleen en met behoud van het recht der Noordsche 
Compagnie aan eene andere plaats op Spitsbergen in vrede wilde 
laten visschen, maar de visscherij in de Mauritius-baai bleef hij 
hnn weigeren. De twee schepen waagden het niet elders te gaan : 
de Engelschen , die nog dit jaar hunne uitsluitende pretensie tegen 



>) De eiUnden Tronuondt en Saröe liggen bij Hammerfest. 

*) Dexe plmats ligt volgens oade NederUndsche kaarten aan den mond der 
riTier, waaraan St. Jean de Lnz ligt, juist tegenover deze stad ; op nieuwe kaarten 
vind ik den naam niet. 




248 

do Nederlanders hadden trachten te handhaven , toonden genoeg- 
zaam, dat zij ook anderen vreemden niet genegen waren. Na 
eenig vertoef waren de Basken das genoodzaakt zich naar de 
Noordkaap te begeven '). 

Daarmede was eene quaestie ontstaan , die gedurende tien volle 
jaren de Staten voortdurend tot last zou zgn , en waarover nog 
bgna twintig jaar na het plegen van het feit nu en dan geklaagd 
worden zou. Wat was de reden , dat over zulk eene kleinigheid 
zoolang onderhandeld werd? Het komt mg voor, dat er in dese 
zaak meer gezocht moet worden, dan er bg oppervlakkige be- 
schouwing in ligt. Ik zal trachten mgne uit enkele verspreide 
aanwijzingen opgemaakte meening duidelijk te maken. 

De koning van Denemarken , wiens pretensie op de souvereini- 
teit over Spitsbergen wel nergens erkend , maar daarom niet op- 
gegeven was , had de handelwijze van Braem niet ongaarne gezien. 
Het was met zijne toestemming, dat de Basken in de Deensche 
compagnie waren opgenomen. De walvischvangst zgner onderda- 
nen was van weinig belang. Sinds 1617 was het getal der Deensche 
schepen , die op Spitsbergen kwamen , bijna niet toegenomen : het 
octrooi van Braems compagnie, die de eenige reederjj ter wal- 
vischvangst was en blijven moest, verleende hem slechts verlof 
om met drie schepen daarop uit te gaan. En nu bleek het boven- 
dien, dat Braem zelf de winsten, die de visscherij hem be- 
loofd had, na eene proefneming geringschatte. Wat wonder was 
het dan, dat Christiaan IV het voordeeliger oordeelde, dat zgne 
reeds in 1616 op den voorgrond gestelde rechten door vreemde 
natiön erkend werden, dan dat do walvischvangst zijner onder- 
danen een kwijnend bestaan voortsleepte en aan éene compagnie 
karige winst verschafte? In het door Braem beraamde contract 
meende de koning nu een uitnemend middel te hebben om dit groo- 
tere voordeel te verkrijgen. De Baskische reeders zouden visschen 
op naam van Braem en op gezag van Deensche paspoorten; een 
gedeelte van den opbrengst der vangst zou schgnbaar als aandeel 
in de winst , eigenlijk als koopprijs , misschien als belasting aan 
de Deensche compagnie worden uitgekeerd. Het plan was niet 
slecht bedacht en had kans van slagen. Op eene weigering yan 
toelating door de Nederlanders was echter volstrekt niet gerekend ; 
dit blijkt genoegzaam uit de onvoldoende bewijsstukken , die men 



*) Hüt verhaal dezer gebeurtenis is hoofdzakelgk ontleend aan het Tonnii Tan 
het Hof van Holland dd. 29 Jani 1629. (R.-A.) Enkele kleine trekken zgn er 
uit hier en daar verspreide berichten bijgevoegd. — Zie o. a. Wasaenaer, Hist. 
verh. V fol. 157 en de brieven van Fanne , Catcher en Goodlard,bg: Purchas , 
Pilgrimes. III p. 736—38. (Catcher wantrouwde de Biscaaien en schreef: .1 
know the Captaiues will what he would hauc donc in it. I hold ii not fit 
that thejr shonld harbour there," d. i. in Greenharbonr.) 



249 

den Baskim naar Spitsbergen medegaf. Toch was de liandelwgze 
der Noordsche Compagnie zeer redelgk. Sinds jaren in het bezit 
yan de Mauritins-baai , die daarnaar zelfs den naam van HoUand- 
Bche baai gekregen bad, eerlang door de Engelschen niet meer 
in dat bezit gehinderd , was het reeds veel , dat zg in die beperkte 
roimte nog de Denen mede tot de walvischvangst had toegelaten. 
Naar het schgnt was die toelating dan ook alleen geschied als 
>een Accommodatie njt Nabujrlycke Vrontschap** en onder eene 
beperking, wat het aantal schepen betrof *). Het was nn ein- 
delijk wat veel gevergd , dat zij tot de walvischvangst , die toen- 
maals nit baren aard niet in de volle zee kon geoefend worden, 
nog andere natiën zon toelaten, terwijl het geheele overige ge- 
deelte van het eiland toch voor de weinige schepen der Engelschen 
niet noodig was. Ook al bleek het , dat de indringers op naam en 
gezag van de met de Nederlanders bevriende Denen kwamen , dan 
nog was het niet twgfolachtig , dat Braem misbruik maakte van 
de goedheid der Noordsche Compagnie *) , — een misbruik, waar- 
tegen deze recht had te waken. Uit een zuiver juridiek oogpunt 
beschouwd komt het mg zelfs voor , dat de Noordsche Compagnie 
recht had tot wat zij deed. Terwijl in haren strijd met Engeland 
de vrgheid der zee haar hoofdargument geweest was , — al werd 
de ontdekking van Spitsbergen te dikwijls vermeld om aan de 
Trgzinnigheid der compagnie in veranderde omstandigheden te 
gelooven, — werd in de Deensche onaangenaamheden de quaestie 
der vrge zee door geen van beide partijen aangeroerd. Beiden 
kenden zich op even onhoudbare gronden ') de souvereiniteit 
over geheel Spitsbergen toe , maar beiden namen ook zonder gron- 
den voor hunne bewering op te geven , eenstemmig hun gemeen- 
zchappelgk, alle andere natiën uitsluitend bezit van de Mauritius- 
baai aan. En die bewering schgnt mij volkomen juist. Al 
hadden de Nederlanders ook de Denen alleen uit vriendschap en 
>provisioneer' verlof gegeven om nevens hen te visschen; zulk 
een verlof, verleend in eenen tgd toen niemand hun uitsluitend 
recht op de Mauritins-baai erkende, ja toen zg zelven daarop 

>) Memorie der N. C. van 1681, bij: Aitsema. Saken ▼. Staet. I p. 1150. 

*) Een «Toornaem heer in Denemarcken" zou dan ook Yolgeni de N. C. in 
1682 gezegd hebben: «Laett de Hollanders heit kindeken Jetnm gaen aoecken, 
wan tg heit geuonden hebben , soo willen wij het oock gaen aenbeden." (Reter. 
der N. C. e. VroUcq dd. 8 Mei 1683, in: Stn. N. C. v. d. HrL gedepnt. R.-A.) 
Het kan niet ontkend worden , dat deze beschoawing jnist was , maar of de 
Nederlanders recht tot klagen hadden, terw^l op hnnne verhouding met En- 
geland het gezegde van den Deen nog veel beter paste, schgnt minst genomen 
twijfelachtig. 

') Zie over het sustenu der Nederlanders, berustende op de ontdekking van 
Spitsbergen : hiervoor p. 221, — over de Deensche beweringen betreffende Groen- 
luid: hienröor p. 286. 



250 

misschien nog geen aanspraak maakten , kon niet herroepen wor- 
den , toen de Denen door jarenlange visscher^ , door inbezitneming 
en omheining van den grond, door vestiging eindelyk nevens de 
Nederlanders op de aan niemand toebehoorende plaats een even 
goed recht hadden verkregen als dezeil , die alleen de oudheid van 
het hunne boven de Denen voorhadden. De meening , dat de Mauri- 
tius-baai uitsluitend aan de Nederlanders en Denen behoorde , werd 
destgds algemeen gedeeld, zooals blijkt uit het feit, dat noch de 
Denen noch deBasken zelven gedurende verscheidene jaren er ooit in 
ernst aan schijnen gedacht te hebben, dat deze laatsten daar krachtens 
een eigen recht zouden mogen visschen. De handelwijze der Noord- 
sche Compagnie tegen de Basken was dan ook volgens de Denen 
zelven alleen in stryd met de beweerde souvereiniteit van Chris- 
tiaan IV over Spitsbergen; werd die niet erkend, dan hadden 
de Nederlanders het recht allen behalve de Denen uit de Man- 
ritius-baai te weren. Ook Christiaan IV beschouwde de zaak zoo. 
Hij beweerde, dat het verdrijven dor Basken een inbreuk op 
zijne kroonrechten was , dat hem de souvereiniteit over Spitsber- 
gen toekwam en dat dit recht door de Noordsche Compagnie ge- 
schonden was. 

Deze aanmatigende houding, die de Deensche koning gedurende doi 
geheelen loop der zaak bleef aannemen , had meer dan een reden. Hg 
had de handelwijze van Braem goedgekeurd en moest dus nu zijnen on- 
derdaan beschermen. Maar bovendien , wilde hij door de Basken zgne 
souvereiniteit erkend zien , dan was het zaak , die ook tegenover de 
Nederlanders te handhaven, en te toonen, dat dezen, die niet schroom- 
den zich op hunne ontdekking van Spitsbergen te beroepen, niet straf- 
feloos de maatregelen door den koning van Denemarken genomen 
konden verijdelen. Juist naar het tegenovergestelde doel streefden 
de Staten-Generaal. Zij wilden alles vermijden , wat aan de zaak 
het karakter van eene politieke quaestie kon geven; dreigde een 
enkele maal dit gevaar van nabij , dan drongen zij bij de Noord- 
sche Compagnie steeds ernstig op eene minnelijke schikking aan. 
Deze eindelijk volgde als derde betrokkene partij nagenoeg de- 
zelfde gedragslijn als de Nederlandsche regeering, maar zg trad 
minder omzichtig op. In het bewustzijn van hare macht en van 
haar recht was zij steeds onverzettelijk in haren wensch om de 
zaak door den gewonen rechter afgedaan te zien. Ook al dreig- 
den politieke verwikkelingen haar , zij bleef volhouden en weigerde 
hardnekkig iedere schikking. Gaan wij nu zoo kort mogelgk den 
loop der zaak na. 

De Baskische reeders wendden zich natuurlgk tot Johann Braem, 
die hun zijn recht had overgedaan , en deze klaagde dadelgk aan 
den koning van Denemarken , dat de Nederlanders zijne paspoor- 
ten niet hadden geëerbiedigd en zgnen onderdanen het visschen 



251 

op Spitsbergen hadden willen verhinderen. Braem begrootte zgne 
Bohade op / 135.000 en verzocht daarvan vergoeding. 

Niet lang daorde hot, of de Staten-(jeneraal kregen kennis van 
het gebenrde. Reeds den 2 November 1623 ontvingen zg nit El- 
seneur bericht van *s konings woede ^), een bericht weldra (15 
December) door eenen brief van Z. M. zelven gevolgd *). Van 
alle kanten kwamen de klachten in; de eene mededeeling over 
het misnoegen van den koning volgde de andere >) , men dreigde 
zelfs met represaille-maatregelen in den Sond *). Van Deensche 
zgde werd erkend , dat Braem met goedvinden van den koning 
de Baskische reeders in zijne compagnie had opgenomen, maar 
tevens bepaald ontkend, dat de schepen op Spitsbergen geen pas 
van Denemarken hadden medegebracht. Men stelde het tevens 
zoo voor, alsof de Nederlandsche commandeur ia voor den ko- 
ning van Denemarken beleedigende bewoordingen de Denen niet 
tot de walvischvangst had willen toelaten; terwgl h^ verklaard 
zon hebben , dat slechts zg , die van de Noordsche Compagnie ver- 
lof hadden bekomen , recht hadden op Spitsbergen hun bedrgf 
te oefenen. De voorslag, door de Staten-6enei*aal dadelgk ge- 
daan, om te zorgen voor eene billgke behandeling van Braem, 
wanneer h^* zich aan de Nederlandsche rechters wilde onderwer- 
pen , werd dan ook dadelijk door Christiaan IV van de hand ge- 
wezen. Z. M. meende , dat dit eene quaestie was , > darahn seine 
KOnigl. hoheit (over Spitsbergen) mit Interessirt ," die hg vol- 
strekt niet wilde opgeven. Van een gewoon proces kon dus zoo- 
wel om deze reden, als omdat hy » wegen allerhande weitleuffig- 
keiten*' een ongunsügen afloop vreesde, geen sprake zgn. De 
koning stelde integendeel den eisch , dat do zaak door commissa- 
rissen nit de Staten-(jeneraal >summarie absque strepitu judicii" 
zon worden afgedaan. Voor het vervolg wenschte Z. M. , dat de 
Noordsche Compagnie niet meer dan twee of drie schepen naar 
Spitsbergen zon zenden; hg van zgne zgde beloofde, dat de De- 
nen er ook slechts drie of vier zouden uitrusten, >damit nicht 
etwa durch menge der Schiffe der fang gehindert vnnd beide 
theile darttber verkürzet werden *)." 

De Staten-(jeneraal namen de zaak dadelgk gverig ter hand. 
Zg zonden een nauwkeurig verhaal van het gebeurde naar Dene- 
marken en boden hunne hulp aan om het geschil ten einde te 



*) R. S.-6. 8 Nov. 1628. 

*) R. S.-6. 15 Dec. 1623. 

•) R. S.^. 20 Jan., 10 Apr., 80 Mei 1624. 

•) Min. ▼. Christ. IV aan de Stn.-6en. dd. 28 Joli 1624 , in : L. D. 1634.— 
B. a-6. 20 Jan. 1624. 

•) Mias. van Christ. IV aan de Stn.-6en. dd. 28 Juli 1624. — R. S.-6. 24 
Oet. 1624. 



252 

T)rengen ^), Maar tevens beraAdslaagde men , om de Noordsche Com- 
pagnie »ten regarde van de Denen off andere Natiën" door een 
konvooi van drie oorlogschepen te beschermen *). In afwachting 
van eene beslissing van den koning werd er verder eene com- 
missie uit de Staten-Generaal benoemd, die echter natuurlek na 
maandenlange conferentiën met de bewindhebbers der Noordsche 
Compagnie de zaak niet verder bracht, en zoo bleven de zaken 
slepen. Eindelijk verscheen 1 Juni 1624 Dr. Comelis Vinck, 
agent van Denemarken, in de vergadering der Staten-Greneraal 
en verklaarde last te hebben om over de zaak te onderhandelen. 
Na eindelooze conferentiën met de Staten-Generaal, die meer 
woorden dan daden gaven , en met de bewindhebbers , die hard- 
nekkig op hun stuk bleven staan •), gelukte het dezen eindelgk 
eene schikking te treffen. De Denen hadden iets toegegeven en 
de zaak werd ter beslissing in handen van het Hof van Holland 
gesteld. (1 Maart 1625.) •) 

Men meende een middel gevonden te hebben , om de rechtszaak 
met verwijdering der politieke quaestie door de gewone rechters te 
doen behandelen. Van weerszijden kwam men overeen , het geschü 
over de souvereiniteit van Spitsbergen te laten rusten en de zaak te 
behandelen als hadden beide partijen door hunne jarenlange vis* 
scherij in de Mauritius-baai gelijke rechten op het bezit dier 
zeeboezem verkregen. Op dien grond klaagden nu de Denen over 
het niet toelaten hunner schepen. Van Nederlandsche zijde werd 
toen echter dadelijk geantwoord , dat de vreemde schepen , die in 
den zomer van 1623 op Spitsbergen verschenen waren, van geen 
enkel geldig bewijs voorzien waren, dat zij uit naam van 
Denemarken kwamen, en dat dus de Nederlandsche commandeur 
het recht van Denemarken in geen geval moedwillig aangetast 
had. De Denen ontkenden dit en beweerden , dat de koning aan 
Johann Braem een octrooi en paspoort gegeven had om aan Spits- 
bergen te visschen. Terwijl de Noordsche Compagnie dit feit 
niet tegensprak , beschuldigde zij echter Braem , dat hg dien pas 
aan eenige Baskische reeders verkocht had. De uitspraak over 
beide quaestiën was beslissend voor Bracms eisch tot schadever- 
goeding. Was de eerste bewering der Noordsche Compagnie 



«) R, S.-G, 11, 25 Nov. 1623, 20, 25 Jan. 1624. 

*) Daartoe kwam het echter, niettegenstaande den aandrang van Z.Exc, niet. 
(R. S.-G. 14. 16 Mrt., 28 Apr. 1624.) 

•) R, S.-G. 10 Apr.. 1. 28, 29 Juni, 24. 25 Oct. 1624. - Aitiema, Sakeii 
V. Staet. I p. 355. 

•) R. S.-G. 25 Oct., 29 Nov., 7, 21, 28 Dcc. 1624, 18 Jan., 8,17 Febr.. 
1 Mrt. 1625. — Reeda b\j deze resolutie werd bepaald, hoe io geral ?an appèl 
te handelen. 



258 

waar, dan had de eischer door zgne nalatigheid zgn recht ver- 
beurd en hadden de Nederlanders gehandeld zonder het gewicht 
hunner daad te kunnen beseffen; werd de tweede beschuldiging 
juist bevonden , dan had Braem eene met het sustenu van gel^ke 
uitsluitende rechten voor Nederland en Denemarken strijdige han- 
deling gepleegd en was dus tegenover beide natiën schuldig. 

Ik bon na eene aandachtige studie der nog voorhanden gege- 
vens tot de overtuiging gekomen , voor zoover het mogel^'k is 
eene overtuiging over deze zaak uit te spreken , dat de Noordsche 
Compagnie in beide beweringen gelijk had. De Basken schenen 
werkelijk , hoe zonderling het schijne , het octrooi , dat aan Braem 
volmacht verleende om bij Spitsbergen te visschen , en een bewgs, 
dat deze hun zijn recht overgedragen had, niet bg zich gehad 
te hebben *). Wat den verkoop van het octrooi door Braem 
betreft, 'het is moeielijk zonder het contract zelf gezien te hebben 
een oordeel te vellen. Het komt mij echter voor, dat de com- 
pagnie in het wezen der zaak het recht aan hare zgde had. Bg 
herhaling verklaarden de Denen wel , dat de bewering der Neder- 
landers onwaar was en dat Braem den Basken slechts een aandeel 
in zijne compagnie had gegeven , maar deze verklaring schgnt 
meer naar de letter dan naar den geest juist geweest te zijn. 
Braem had met de Basken een coutiact van compagnieschap 
gesloten, waarbij hij voor zich een aandeel in de vangst be- 
dong en zich daarentegen verbond de Basken vrij te laten 
visschen. Reeds de eerste uitrusting bewees echter, wat dit 
contract bedoelde. Terwijl het Deensche octrooi aan Braem verlof 
gaf om drie schepen naar Spitsbergen te zenden , kwamen daar 
de Basken toen met twee schepen ; terwijl het derde , te Kopenhagen 
(of volgens de Nederlanders te Hoorn) bevracht met » coolen tot het 
branden van den traen noodich'*, de beide andere op hunne terug- 
reis aan de Noordkaap zou opwachten. Feitelijk trokken de Basken 
dus het voordeel van het octrooi, terwijl Braem hun zgnen naam 
en zgne hulp voor geld leende. Het contract tusschen beide ge- 
sloten was dan ook van dien aard , dat Christiaan IV , die zgnen 
onderdaan steeds tegen de beschuldiging van verkoop verdedigd 
had, na de toezending van een afschrift van het stuk uit Den 
Haag niet meer van de zaak repte >). — Wanneer men dus 



*) Zie over deze zaak o. a. : Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29 Jnni 

1629. — Miss. V. Chriat. IV dd. 28 Juli 1624, 27 Mrt. 16.S0 , in: L. D. 1624 , 
1680. — Memorie der N. C. v. 1631 , bij: Aitzema, Sakea v. Staet. I p. 1149. 

*) Zie de beweringen van beide partijen hierover in het vonnis van het Hof 
T. Holland dd. 29 Juni 1629. — Vgl. ook den brief v. Christ. IV dd. 27 Mrt. 

1630 , en de brieven v. Vosberghen en v. de Stn.-Gen. dd. 4/14 Jnni 1626 , 
2 Jan. 1626, in: L. D. 1625—80. 



246 

tosschen Denemarken en Nederland, dat slechts een der beide 
voor Deensche rekening met traan en baarden bevrachte schepen 
naar Kopenhagen vertrok, terwgl het andere naar Amsterdam 
gezonden werd *), een geregeld verkeer bestond er toen nog zoo 
weinig, dat Jakob I in het voorjaar van 1619 aan de Neder- 
landsche gezanten verklaren kon , dat de Denen evenals alle andere 
natiën behalve de Nederlanders van de walvischvangst op Spits- 
bergen hadden » gedesisteert ^).** Eerst met 1619 begonnen de 
Deensche walvischvaarders het eiland jaarlgks te bezoeken, in 
1620 werd er te Kopenhagen eene compagnie voor de walvisch- 
vangst opgericht ') en tot 1622 toe verschenen hare schepen . 
geregeld met de Nederlandsche aan den noordelgken hoek van 
Spitsbergen *). In deze omstandigheden ware het voor Chris- 
üaan IV eene dwaasheid geweest het tractaat van 1621 uit te 
voeren en vereenigd met de Engelschen, die nog zoo kort gele- 
den zgne onderdanen vijandig behandeld hadden , de ieder jaar in 
kracht toenemende Nederlandsche walvischvangers, de vrienden 
en beschermers der Denen , aan te vallen. Toen echter het recht 
der Denen om naast de Nederlanders in de Mauritios-baai te vis- 
schen eenmaal goed bevestigd scheen , veranderden de betrekkin- 
gen der beide volken weldra geheel. Christiaan lY meende na 
veilig zgne vroegere houding weder te kunnen aannemen. Eer- 
lang maakten do Denen van de goedwilligheid der Nederlanders 
misbruik en bleek het aan de Staten-Generaal , dat de Deensche 
pretensie wel is waar gesluimerd had , maar dat z|j nog volstrekt 
niet dood was. 

Den 27 Maart 1622 had Chnstiaan IV aan de Deensche com- 
pagnie voor de walvischvangst, waarvan Johann Braem, een 
voornaam Duitsch koopman te Kopenhagen *), het hoofd was, 
een uitsluitend *) octrooi verleend »omme op de Noortcaep ofte 



ren de Staten Generael te demelerea off ^jemant, off wie van bedden alleen 
ende priuatiue ter dier plaetsc het gesach sonde mogen hebben /' zeiden de Oenen.) 

*) Brief t. Heley aan Deicrowe dd. 12 Aug. 1617, bij: Purchat , Pilgrimet. 
III p. 782. — De Nederlandsche berichten weten echter slechts van éen schip. 
(Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442, 682.) 

*) Muller, Mare Clausum. p. 162. 

*) Lindeman , Arktische Fischerei der Deutschen Seestadte. p. 9. 

*) Ook volgens de Engelschc berichten vischten de Denen bg de NederUnden. 
(Brieven der Eng. walvischvaarders, o. a. van Catcher aan Heley dd. 17 Joni 
1620, by: Purchas, Pilgrimes IlI p. 786.) 

*) Zie over latere knoeierijen van Braem ten nadeele der Nederlanders : MIaa. 
V. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1639, in: L. D. 1689. 

*) Christiaan IV verklsarde in 1625 aan den Ncderlandschen gezant Voaber- 
ghen , «dat hy geen paspoorten op Spitsbergen hadde gegeven als alleen nen 
eeuen Braem, ende acn nyemant meer geven sonde." (Miss. v. Vosberghen 
de Stn.-Gen. dd. 4/14 Jn'ni 1625, in: L. D. 1625.) 



247 

in de havenen ofte eglanden van Travisont ende Sooro^' ') mits- 
gaders opt Lant van Groenlant te mogen de walvischer^e doen." 
Dat jaar had Braem in de Manritius-baai , waar Denen en Neder- 
landers gewoon waren naast elkander te visschen , de walvischvangst 
in vrede geoefend en er zijne schuren en gereedschappen voor 
het volgende jaar achtergelaten. Maar de visscherg der Denen 
schgnt op den dnur onvoordeelig geweest te zijn; ten minste 
Braem trof in het voorjaar van 1623 eene overeenkomst met Jean 
De Heraneder en Michel De Landde , kooplieden van St. Jean de 
Lnz en Sibonre ^) in Biscaaie, waarbij hij hen tegen een aan- 
deel in hunne vangst in zijne compagnie voor de walvischvang^st 
opnam. Volgens dit contract kwamen in het begin van Juni 
1623, terw^l de Denen zich dit jaar niet op Spitsbergen ver- 
toonden, twee Biscaaische schepen op naam van Braem en z^ne 
compagnie bg de Nederlanders aan, openden de Deensche schuren 
en wilden de walvischvangst beginnen. De Nederlandsche com- 
mandeur Cornelis Ts vroeg hen echter dadel^k om hxmne pa- 
pieren te zien. Toen zij niets anders konden toonen dan >een slecht 
cartabelleken /* door hunne Baskische reeders in hot Nederlandsch 
geschreven, dat alleen het verzoek aan den commandeur inhield 
den brenger goed te behandelen, verbood Ys hem het visschen. 
Hg beweerde, dat de door de Biscaaiers bezochte baai aan de 
Nederlanders en de Denen gezamenlijk behoorde , dat geen ander 
recht had daar te visschen en dat hij zich dus verplicht ge- 
voelde zijne vrienden de Denen in hunne afwezigheid tegen roof 
en overweldiging te verdedigen. De Basken mochten zich daar- 
tegen op hunne overeenkomst met Braem beroepen, Ys hield 
zich als geloofde hij van het gcheele verhaal niets en bleef er 
bg, dat h^* niet verantwoord was, zoo hij de Biscaaiers >op 
soodanigen Imperfecten besche^jt" tot de visscherg toeliet. Dezen 
moesten erkennen, dat zij »niet wel en waren versorcht;" zg 
stelden aan Ys voor, dat hg hen zou laten visschen op voor- 
waarde , dat de geheele vangst ten bate der Noordsche Compagnie 
zon komen , zoo het in Nederland bleek , dat hunne reeders geen 
recht op de visscherij hadden. Ys antwoordde, dat hij hun wel 
voor dit jaar alleen en met behoud van het recht der Noordsche 
Compagnie aan eene andere plaats op Spitsbergen in vrede wilde 
laten visschen, maar de visscherg in de Mauritius-baai bleef hg 
hnn weigeren. De twee schepen waagden het niet elders te gaan : 
de Engelschen , die nog dit jaar hunne uitsluitende pretensie tegen 



*) De eiknden Tromsondt en Snröe liggen bij Hammerfeat. 

*) Dexe plaats ligt volgens oade Nederlandsche kaarten aan den mond der 
riyier, waaraan St. Jean de Luz ligt, jnist tegenover deze stad ; op nieuwe kaarten 
vind ik den naam niet. 



248 

do Nederlanders hadden trachten te handhaven , toonden genoeg- 
zaam, dat zg ook anderen yreemden niet genegen waren. Na 
eenig vertoef waren de Basken das genoodzaakt zich naar de 
Noordkaap te begeven >). 

Daarmede was eene quaestie ontstaan , die gednrende tien volle 
jaren de Staten voortdurend tot last zou zgn , en waarover nog 
bgna twintig jaar na het plegen van het feit nu en dan geklaagd 
worden zou. Wat was de reden , dat over zulk eene kleinigheid 
zoolang onderhandeld werd? Het komt mij voor, dat er in deze 
zaak meer gezocht moet worden, dan er bg oppervlakkige be- 
schouwing in ligt. Ik zal trachten mgne uit enkele verspreide 
aanwijzingen opgemaakte meening duidelijk te maken. 

De koning van Denemarken , wiens pretensie op de souvereini- 
teit over Spitsbergen wel nergens erkend , maar daarom niet op- 
gegeven was , had de handelwgze van Braem niet ongaarne gezien. 
Het was met zijne toestemming, dat de Basken in de Deenadie 
compagnie waren opgenomen. De walvischvangst zgner onderda- 
nen was van weinig belang. Sinds 1617 was het getal der Deensche 
schepen , die op Spitsbergen kwamen , bijna niet toegenomen : het 
octrooi van Braems compagnie, die de eenige reeder^ ter wal- 
vischvangst was en blijven moest, verleende hem slechts verlof 
om met drie schepen daarop uit te gaan. En nu bleek het boven- 
dien, dat Braem zelf de winsten, die de visscherij hem be- 
loofd had, na eene proefneming geringschatte. Wat wonder was 
het dan, dat Christiaan IV het voordeeliger oordeelde, dat zgne 
reeds in 1616 op den voorgrond gestelde rechten door vreemde 
natiön erkend werden, dan dat do walvischvangst zgner onder- 
danen een kwijnend bestaan voortsleepte en aan éene compagnie 
karige winst verschafte? In het door Braem beraamde contract 
meende de koning nu een uitnemend middel te hebben om dit groo- 
tere voordeel te verkrijgen. De Baskische reeders zouden visschen 
op naam van Braem en op gezag van Deensche paspoorten; een 
gedeelte van den opbrengst der vangst zou schijnbaar als aandeel 
in de winst , eigenlijk als koopprijs , misschien als belasting aan 
de Deensche compagnie worden uitgekeerd. Het plan was niet 
slecht bedacht en had kans van slagen. Op eene weigering van 
toelating door de Nederlanders was echter volstrekt niet gerekend ; 
dit blijkt genoegzaam uit de onvoldoende bewgsstukken , die men 



*) Het verhaal dezer gebeurtenis is hoofdzakelijk ontleend aan het ronnia Tmn 
het Hof ?an Holland dd. 29 Jani 1629. (R.-A.) Enkele kleine trekken z^jn er 
uit hier en daar verspreide berichten bijgevoegd. — Zie o. a. Waasenaer, Hist. 
verh. V fol. 157 en de brieven van Fanne , Catcher en Goodlard , bg : Parchat , 
Pilgrimea. III p. 736—38. (Catcher wantrouwde de Biscaaier» en achreef: ,1 
know the Captaiucs will what he would haue done in it. I hold ii not fit 
that thejr should harbonr there," d. i. in Greenharbour.) 



249 

den BaflkAn naar Spitsbergen medegaf. Toch was de handelwgze 
der Noordsche Compagnie zeer redelijk. Sinds jaren in het bezit 
yan de Mauritins-baai , die daarnaar zelfs den naam van Holland- 
Bche baai gekregen had, eerlang door de Engelschen niet meer 
in dat bezit gehinderd , was het reeds veel , dat z^ in die beperkte 
ruimte nog de Denen mede tot de walvischvangst had toegelaten. 
Naar het schgnt was die toelating dan ook alleen geschied als 
>een Accommodatie uyt Nabujrlycke Vruntschap" en onder eene 
beperking, wat het aantal schepen betrof <). Het was nn ein- 
deïgk wat veel gevergd , dat zg tot de walvischvangst , die toen- 
maals nit haren aard niet in de volle zee kon geoefend worden, 
nog andere natiën zon toelaten, terwgl bet geheele overige ge- 
deelte van het eiland toch voor de weinige schepen der Engelschen 
niet noodig was. Ook al bleek het, dat de indringers op naam en 
gezag van de met de Nederlanders bevriende Denen kwamen , dan 
nog was het niet twijfelachtig , dat Braem misbruik maakte van 
de goedheid der Noordsche Compagnie ^) , — een misbruik, waar- 
tegen deze recht had te waken, üit een zuiver juridiek oogpunt 
brachonwd komt het mg zelfs voor , dat de Noordsche Compagnie 
recht had tot wat zij deed. Terwijl in haren strijd met Engeland 
de vrgheid der zee haar hoofdargument geweest was , — al werd 
de ontdekking van Spitsbergen te dikwgls vermeld om aan de 
vrgzinnigheid der compagnie in veranderde omstandigheden te 
gelooven, — werd in de Deensche onaangenaambeden de quaestie 
der vrge zee door geen van beide partijen aangeroerd. Beiden 
kenden zich op even onhoudbare gronden ') de souvereiniteit 
over geheel Spitsbergen toe , maar beiden namen ook zonder gron- 
den voor hunne bewering op te geven , eenstemmig hun gemeen- 
Bchappelgk , alle andere natiën uitsluitend bezit van de Mauritius- 
baai aan. En die bewering schijnt mij volkomen juist. Al 
hadden de Nederlanders ook de Denen alleen uit vriendschap en 
«provisioneer' verlof gegeven om nevens hen te visschen; zulk 
een verlof, verleend in eenen tgd toen niemand hun uitsluitend 
recht op de Mauritius-baai erkende, ja toen zg zelven daarop 

*) Memorie der N. C. vtn 1681, bij: Aitxema, Saken y. Staet. I p. 1150. 

*) Een «TooniAem heer in Denemarcken" zon dan ook Tolgent de N. C. in 
1688 geiegd hebben: «Laett de Hollanders heit kindeken Jeanm gaen eoecken, 
wan sq hett genenden hebben , soo wiUen w^ het oock gaen aenbeden." (Reaer. 
der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Mei 1683, in: Stn. N. C. ▼. d. HrL gedeput. R.-A.) 
Het kan niet ontkend worden , dat deze beachonwing jnist waa , maar of de 
Nederlanders recht tot klagen hadden, terwgl op hnnne verhonding met En- 
geland het gesegde yan den Deen nog veel beter paste, schgnt minst genomen 
twyfelaehtig. 

*) Zie oyer het snstenn der Nederlanders, bernstende op de ontdekking van 
Spitsbergen : hiervóór p. 221, — over de Deensche beweringen betreffende Oroen- 
Uad: hienróor p. 886. 



250 

misschien nog geen aanspraak maakten , kon niet herroepen wor- 
den , toen de Denen door jarenlange visscher^ , door inbezitneming 
en omheining van den grond, door vestiging eindelyk nevens de 
Nederlanders op de aan niemand toebeboorende plaats een even 
goed recht hadden verkregen als dezeil , die alleen de oudheid van 
het hunne boven de Denen voorhadden. De meening , dat de Mauri- 
tius-baai uitsluitend aan de Nederlanders en Denen behoorde , werd 
destgds algemeen gedeeld, zooals blijkt uit het feit, dat noch de 
Denen noch deBasken zelven gedurende verscheidene jaren er ooit in 
ernst aan schijnen gedacht te hebben, dat deze laatsten daar krachtens 
een eigen recht zouden mogen visschen. De handelwijze der Noord- 
sche Compagnie tegen de Basken was dan ook volgens de Denen 
zelven alleen in strijd met de beweerde souvereiniteit van Chria- 
tiaan IV over Spitsbergen; werd die niet erkend, dan hadden 
de Nederlanders het recht allen behalve de Denen uit de Man- 
ritius-baai te weren. Ook Christiaan IV beschouwde de zaak zoo. 
Hy beweerde, dat hot verdreven der Basken een inbreuk op 
zgne kroonrechten was , dat hem de souvereiniteit over Spitsber- 
gen toekwam en dat dit recht door de Noordsche Compagnie ge- 
schonden was. 

Deze aanmatigende houding, die de Deensche koning gedurende den 
geheelen loop der zaak bleef aannemen , had meer dan een reden. Hg 
had de handelwijze vanBraem goedgekeurd en moest dus nu zgnen on- 
derdaan beschermen. Maar bovendien , wilde hg door de Basken zgne 
souvereiniteit erkend zien , dan was het zaak , die ook tegenover de 
Nederlanders te handhaven, en te toonen, dat dezen, die niet schroom- 
den zich op hunne ontdekking van Spitsbergen te beroepen, niet straf- 
feloos de maatregelen door den koning van Denemarken genomen 
konden verijdelen. Juist naar het tegenovergestelde doel streefden 
de Staten-Generaal. Zij wilden alles vermijden , wat aan de zaak 
het karakter van eene politieke quaestie kon geven; dreigde een 
enkele maal dit gevaar van nabij , dan drongen zg bij de Noord- 
sche Compagnie steeds ernstig op eene minnelijke schikking aan. 
Deze eindelijk volgde als derde betrokkene partij nagenoeg de- 
zelfde gedragslijn als de Nederlandsche regecring, maar zg trad 
minder omzichtig op. In het bewustzijn van hare macht en van 
haar recht was zij steeds onverzettelijk in haren wensch om de 
zaak door den gewonen rechter afgedaan te zien. Ook al dreig- 
den politieke verwikkelingen haar , zij bleef volhouden en weigerde 
hardnekkig iedere schikking. Gaan wij nu zoo kort mogel^k den 
loop der zaak na. 

De Baskische reeders wendden zich natuurlijk tot Johann Braem, 
die hun zijn recht had overgedaan , en deze klaagde dadelgk aan 
den koning van Denemarken , dat de Nederlanders zijne paspoor- 
ten niet hadden geiierbiedigd en zgnen onderdanen het visschen 



251 

op Spitsbergen hadden willen verhinderen. Braem begrootte zgne 
schade op / 135.000 en verzocht daarvan vergoeding. 

Niet lang daorde hot, of de Staten-Generaal kregen kennis van 
het gebenrde. Reeds den 2 November 1623 ontvingen zg nit El- 
senenr bericht van *8 konings woede ^), een bericht weldra (15 
December) door eenen brief van Z. M. zelven gevolgd >). Van 
alle kanten kwamen de klachten in; de eene mededeeling over 
het misnoegen van den koning volgde de andere >) , men dreigde 
zelfs met represail^e-maatregelen in den Sond *). Van Deensche 
zgde werd erkend, dat Braem met goedvinden van den koning 
de Baskische reeders in zijne compagnie had opgenomen, maar 
tevens bepaald ontkend , dat de schepen op Spitsbergen geen pas 
van Denemarken hadden medegebracht. Men stelde het tevens 
zoo voor, alsof de Nederlandsche commandeur in voor den ko- 
ning van Denemarken beleedigende bewoordingen de Denen niet 
tot de walvischvangst had willen toelaten; terwgl h§ verklaard 
zon hebben , dat slechts zg , die van de Noordsche Compagnie ver- 
lof hadden bekomen , recht hadden op Spitsbergen hun bedrgf 
te oefenen. De voorslag, door de Staten-6enei*aal dadelgk ge- 
daan, om te zorgen voor eene billyke behandeling van Braem, 
wanneer h^ zich aan de Nederlandsche rechters wilde onderwer- 
pen , werd dan ook dadelgk door Christiaan IV van de hand ge- 
wezen. Z. M. meende , dat dit eone quaestie was , > darahn seine 
KOnigl. hoheit (over Spitsbergen) mit Interessirt,*' die hg vol- 
strekt niet wilde opgeven. Van een gewoon proces kon dus zoo- 
wel om deze reden, als omdat hy » wegen allerhande weitleuffig- 
keiten** een ongnnsügen afloop vreesde, geen sprake zgn. De 
koning stelde integendeel den eisch , dat de zaak door commissa- 
rissen nit de Staten-Oeneraal >summarie absque strepitn judicii*' 
zon worden afgedaan. Voor het vervolg wenschte Z. M. , dat de 
Noordsche Compagnie niet meer dan twee of drie schepen naar 
Spitsbergen zou zenden; hfj van zgne zgde beloofde, dat de De- 
nen er ook slechts drie of vier zouden uitrusten, >damit nicht 
etwa durch menge der Schiffe der fang gehindert vnnd beide 
theile darttber verkürzet werden *)." 

De Staten-Generaal namen de zaak dadelijk gverig ter hand. 
Z|j zonden een nauwkeurig verhaal van het gebeurde naar Dene- 
marken en boden hunne hulp aan om het geschil ten einde te 



*) R. S.-6. 8 Nov. 1628. 

*) R. S.-6. 15 Dec. 1623. 

•) R. S.^. 20 Jan., 10 Apr.. 80 Mei 1624. 

•) Miis. ▼. Christ. IV aan de Stn.-6en. dd. 28 Jnli 1624, in: L. D. 1624.— 
B. a-O. 20 Jan. 1624. 

•) Mias. yan Christ. IV aan de Stn.-6en. dd. 28 JoU 1624. — R. S.-G. 24 
Oet. 1624. 



252 

T)rengeii >). Maar tevens beraadslaagde men , om de Noordsche Com- 
pagnie >ten regarde van de Denen off andere Natiën" door een 
konvooi van drie oorlogschepen te beschermen ^). In afwachting 
van eene beslissing van den koning werd er verder eene com- 
missie uit de Staten-Generaal benoemd, die echter nataorlyk na 
maandenlange conferentiën met de bewindhebbers der Noordsche 
Compagnie de zaak niet verder bracht, en zoo bleven de zaken 
slepen. Eindelijk verscheen 1 Juni 1624 Dr. Comelis Vinck, 
agent van Denemarken, in de vergadering der Staten-Generaal 
en verklaarde last te hebben om over de zaak te onderhandelen. 
Na eindelooze conferentiën met de Staten-Generaal, die meer 
woorden dan daden gaven , en met de bewindhebbers , die hard- 
nekkig op hnn stok bleven staan '), gelukte het dezen eindelgk 
eene schikking te treffen. De Denen hadden iets toegegeven en 
de zaak werd ter beslissing in handen van het Hof van Holland 
gesteld. (1 Maart 1625.) •) 

Men meende een middel gevonden te hebben , om de rechtszaak 
met verwgdering der politieke quaestie door de gewone rechters te 
doen behandelen. Van weerszijden kwam men overeen , het geschil 
over de souvereiniteit van Spitsbergen te laten rusten en de zaak te 
behandelen als hadden beide partijen door hunne jarenlange vis* 
scherij in de Mauritius-baai gelijke rechten op het bezit dier 
zeeboezem verkregen. Op dien grond klaagden nu de Denen over 
het niet toelaten hunner schepen. Van Nederlandsche zgde werd 
toen echter dadelijk geantwoord , dat de vreemde schepen , die in 
den zomer van 1623 op Spitsbergen verschenen waren, van geen 
enkel geldig bewijs voorzien waren, dat zg uit naam van 
Denemarken kwamen, en dat dus de Nederlandsche commandeur 
het recht van Denemarken in geen geval moedwillig aangetast 
had. De Denen ontkenden dit en beweerden , dat de koning aan 
Johann Braem een octrooi en paspoort gegeven had om aan Spits- 
bergen te visschen. Terwijl de Noordsche Compagnie dit feit 
niet tegensprak , beschuldigde zij echter Braem , dat hij dien pas 
aan eenige Baskische reeders verkocht had. De uitspraak over 
beide quaestiën was beslissend voor Braems eisch tot schadever- 
goeding. Was de eerste bewering der Noordsche Compagnie 



«) R, S.-G. 11, 25 Nov. 1623. 20, 25 Jan. 1624. 

*) Daartoe kwam het echter, niettegenstaande den aandrang van Z.I^r., niet. 
(R. S.-G. 14, 16 Mrt., 28 Apr. 1624.) 

•) R, S.-G. 10 Apr.. 1. 28, 29 Juni. 24, 25 Oct. 1624. - Aitzcma, Sakeii 
V. Staet. I p. 855. 

•) R. S.-G. 25 Oct.. 29 Nov., 7, 21, 28 Dec. 1624, 18 Jan., 8,17 Febr.. 
1 Mrt. 1625. — Reedt b\j deze rcaolutie werd bepaald, hoe ingeval van appèl 
te handelen. 



258 

waar, dan had de eischer door zgne nalatigheid zgn recht yer- 
benrd en hadden de Nederlanders gehandeld zonder het gewicht 
hunner daad te kunnen beseffen; werd de tweede beschuldiging 
juist bevonden , dan had Braem eene met het sustenu van gel^ke 
uitsluitende rechten voor Nederland en Denemarken strgdige han- 
deling gepleegd en was dus tegenover beide natiën schuldig. 

Ik ben na eene aandachtige studie der nog voorhanden gege- 
vens tot de overtuiging gekomen, voor zoover het mogelgk is 
eene overtuiging over deze zaak uit te spreken , dat de Noordsche 
Compagnie in beide beweringen gelgk had. De Basken schijnen 
werkelijk , hoe zonderling het schijne , het octrooi , dat aan Braem 
volmacht verleende om bij Spitsbergen te visschen , en een bewgs, 
dat deze hun zijn recht overgedragen had, niet bg zich gehad 
te hebben '). Wat den verkoop van het octrooi door Braem 
betreft, het is moeielijk zonder het contract zelf gezien te hebben 
een oordeel te vellen. Het komt mij echter voor, dat de com- 
pagnie in het wezen der zaak het recht aan hare zgde had. Bg 
herhaling verklaarden de Denen wel , dat de bewering der Neder- 
landers onwaar was en dat Braem den Basken slechts een aandeel 
in zijne compagnie had gegeven , maar deze verklaring schgnt 
meer naar de letter dan naar den geest juist geweest te zgn. 
Braem had met de Basken een coutiact van compagnieschap 
gesloten, waarbij hij voor zich een aandeel in de vangst be- 
dong en zich daarentegen verbond de Basken vrij te laten 
visschen. Reeds de eerste uitrusting bewees echter, wat dit 
contract bedoelde. Terwijl het Deensche octrooi aan Braem verlof 
gaf om drie schepen naar Spitsbergen te zenden , kwamen daar 
de Basken toen met twee schepen ; terwijl het derde , te Kopenhagen 
(of volgens de Nederlanders te Hoorn) bevracht met » coolen tot het 
branden van den traen noodich'*, de beide andere op hunne terug- 
reis aan de Noordkaap zou opwachten. Feitelijk trokken de Basken 
dus het voordeel van het octrooi, terwijl Braem hun zijnen naam 
en zgne hulp voor geld leende. Het contract tusschen beide ge- 
sloten was dan ook van dien aard , dat Christiaan IV , die zgnen 
onderdaan steeds tegen do beschuldiging van verkoop verdedigd 
had, na de toezending van een afschrift van het stuk uit Den 
Haag niet meer van de zaak repte >). — Wanneer men dus 



*) Zie over deze zaak o. a. : Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29 Jnni 

1629. — Miss. V. Christ. IV dd. 28 Juli 1624, 27 Mrt. 16.^0 . in: L. D. 1624 , 
1680. — Memorie der N. C. v. 1631 , bjj: Aitzema, Saken t. Staet. I p. 1149. 

*) Zie de beweringen van beide partijen hierover in het vonnis van het Hof 
T. Holland dd. 29 Juni 1629. — Vgl. ook den brief v. Christ. IV dd. 27 ^Irt. 

1630, en de brieven v. Vosberghcn en v. de Stn.-Gen. dd. 4/14 Jnni 1625, 
2 Jan. 1626, in: L. D. 1626—80. 



25d 

eenmaal aannam , dat de Manritins-baai aan Denemarken en Neder- 
land gezamenlgk behoorde, — en dat dit algemeen het geval 
was , blgkt uit do geheele geheime knoeierg van Braem met de 
Bassen, — dan komt het mg niet twijfelachtig voor, dat de 
veroordeeling van Braem door de Nederlandsche rechters onmid- 
dellijk volgen moest. 

2iOo spoedig gebeurde dit echter niet; de politieke zgde der 
quaestie , die toch altgd bedenkelgk was , belemmerde waarschgn- 
Igk de vr|je handeling der rechters , en de Noordsche Compagnie 
zelve deed haar best om de zaak op de lange baan te schuiven. 
Reeds anderhalf jaar had het proces geduurd en nog steeds was 
er geen einde aan te zien : het Hof talmde voortdurend met zgne 
beslissing. Toen oordeelden de Staten-Generaal, door den Deenschen 
gezant Thomasius aangemaand en ziende , dat de quaestie over de 
souvereinitoit van Spitsbergen tegen de afspraak herhaaldelgk in 
het debat gemengd werd , dat het wenschelijk was nogmaals eene 
poging aan te wenden, om deze zaak, die zoo licht tot politieke 
verwikkelingen aanleiding kon geven, in der minne te schikken. 
Zg maanden de Noordsche Compagnie nogmaals met nadruk tot 
toegeven aan, onder mededceling >dat sg de Deensche geincli- 
neert vonden tot affdoeninge vande saecke bij accoort" ■ ). Maar 
te vergeefs! »Het ia notoir," dus schreven de bewindhebbers 
hoog terug, »dat soo wie in eenich accoort condescendeert dat 
by de selue schuit bekentenis beuonden wert , ende alsoo wy int 
minste niet en connen beninden in eeniger deel yets schuldich 
te siju, ende ter wyle dese saecke de Justitie beuolen is ende 
dat wy weduwen ende weesen goederen administreren soo connen 
wy in het voorgestelde accoort niet en treden *)." Toen werden 
de Denen ongeduldig: zeer dikwijls werd er bij de Staten-Gene- 
raal op spoed aangedrongen '), totdat eindelijk het Hof na rjjpe 
overweging van het van weerszijden aangevoerde den 29 Juni 
1629 een einde maakte aan de zaak, die meer dan vier jaren 
aanhangig geweest was , en Johann Braem zjjnen eisch tot schade- 
vergoeding ontzegde, terwijl de kosten gecompenseerd werden *). 

Het liet zich voorzien, dat de koning van Denemarken met 
deze beslissing niet tevreden zou zijn. Werkelijk ontvingen de 



») R. S.-G. 29 Juli, 1, 7 Aug. 1626. 

») Miss. V. de N. C'. aan de Stn.-Gen. dd 8 Scpt. 1026. — R. S.-G. IS 
Sept. 1626. 

•) R. S.-G. 7 Jan., 80 Scpt. 1626, 27 Scpt. 1627, 20 Sept.. W Oei. 1628. 
12 Juni 1629. — Aitzcma , Sakcn v. Stact. I p. 548. — Miw. v. de 
Nederl ambass. te Kopenhagen en v. Van den Ilonacrt , beide dd. 26 Mei 
1627, in: L D. 1627. 

*) Sententie van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629. 



255 

Staten-Gleneraal den 26 April 1630 eenen brief van Z. M. met 
een >wgtlopich verhael** van de zaak van Braem en den loop 
▼an het proces. Christiaan IV klaagde hevig over den langen 
duur der rechtszaak en verwaardigde zich verschillende ponten 
aan te wijzen, waarop het Hof z. i. bg zgn vonnis niet 
genoeg gelet had ; het hoofdpunt was ook nu weder de qnaestie , 
of de Basken een Deenschen pas dan wel een eenvoadig brieQe 
bg zich gehad hadden. Do koning noemde het vonnis kortweg 
»ein vnbillig Vrtheill/* en weigerde in appèl bg den Hoogen Baad 
te komen, daar de Denen nu genoeg ondervinding hadden >das 
Ihr gegentheil dortt im lande ihnen viell zu mechtig, nndt 
dergestallt supportirt würde, das Sie daselbst weiter zu 
Bechte zu gehen nicht vermüchten." Hij verzocht dus de 
Staten-Generaal dringend , aan Braem op andere wijze vergoe- 
ding te doen geworden ; gebeurde dit niet , dan dreigde hg de kamer 
der Noordsche Compagnie te Amsterdam met represailles ^). Maar 
er was meer : de koning had nog een andore ernstige grief tegen 
het vonnis. Wg hebben gezien , dat Christiaan IV , aanvankelgk 
weigerachtig om het geschil aan de gewone rechters te onder- 
werpen, daarin eindelijk alleen toestemde, op voorwaarde dat de 
quaestie over zijne souvereiniteitsrechten op Spitsbergen buiten 
het proces zou blijven. Tegen dit voorschrift hadden beide par- 
tgen herhaaldelijk gezondigd. De twist over het verkoopen van 
het octrooi , of volgens de Deensche lezing over het opnemen 
van eenige Basken in de compagnie voor de walvischvangst 
door Braem met goedkeuring van den koning, had allicht de 
eischers tot het wrevelig antwoord gebracht, dat Z. M. ten 
slotte vrij was, aan wie hij wilde paspoorten te verleenen om 
op z g n land te varen , al waren onder de bevoorrechten ook 
vreemdelingen met de Denen vermengd geweest. Van Nederland- 
Bche zgde was men het antwoord op zulk eene opmerking geen 
oogenblik schuldig gebleven : men had zich beroepen op de ontdekking 
van Spitsbergen door Heemskerck en Bijp en dat beroep door eene 
eenigszins onjuiste voorstelling van de geschiedenis der Neder- 
landsche walvischvangst gestaafd. Daaruit waren wederom lang- 
durige onaangenaamheden voortgekomen. Christiaan IV had reeds 
in 1626 geklaagd, dat men hem zijne kroonrechten wilde be- 
twisten, eii verklaard, dat hij ^geenssints goet vont in dispute 
te laeten trecken zyne Superioriteyt ouer Spitsberghen, veel 
weyniger dat daer ouer alhier gedecideert soude werden *).'* 
Slechts met moeite was de zaak toen geschikt door het aanbod 
om alle deze zaak betreffende stukken uit het proces te lich- 



») Miss. V. Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630 , in : L. D. 1680. 
•) R. S.-G. 7 Jan. , 6 Febr. . 29 Joli 1626. 



256 

ten 1), en nu bleek het plotseling oit het vonnis van het Hof, dat aan 
deze belofte niet voldaan was. Aan het hoofd van de bewerin- 
gen van ieder der beide partijen vond men in het vonnis een 
uitvoerig betoog, dat Spitsbergen haar toebehoorde, — eene bg- 
voeging , waardoor ter loops opgemerkt de redeneering van beiden 
niet aan logische helderheid gewonnen had. Het laat zich den- 
ken, dat Christiaan IV hevig vertoornd was. 

Z. M. was zeer verontwaardigd, dus schreef h|j, dat niettegen- 
staande de herhaalde beloften der Staten-Generaal toegelaten 
was, >das man ünsere hoheit uber die lande nicht allein strei- 
tig zu machen, Sondern so weit an ihnen gewesen, Vns gar zu 
entziehen sich unterstanden , Den die Compagnie in ihrer antwortt 
undt duplica aussdrücklich vorgebt, das sie die hoheit derselben 
den vereinigten Provintzen acquirirt ').'* Den 29 Januari en 
21 Juni 1631 kwam Z. M. hierop terug en klaagde, dat de 
Noordsche Compagnie > ihre vorige vnbegründete einwürffe weitt- 
IftufPtig wiederholett , besondern auch seine vff seinem Landt Spiz- 
bergen habende hoheit vnnd bottm&ssigkeit fast mehr vnnd mehr 
in Zweiffell zuziehen vnnd disputirlich zu machen sich vnter- 
standenn." Eerlang werd nu bet eiland Spitsbergen >Christi- 
ansbergen", de Mauritius-baai >Christianshaffen** verdoopt als 
bewijzen van het Deensche eigendomsrecht , en nadrukkelgk 
verzocht de koning de Staten-Generaal te verhoeden, »das seine 
hoheit tibcr dlesolbe Lande , da der Walfischfang geübet wird , in 
eintzig disputat gezogen werde ')." In September 16;U kwam daarop 
een gezant met nieuwe klachten mm ^), en de Staten begre- 
pen iets te moeten doen. Zij schreven dus aan den koning 
bg herhaling *), dat »wat belanght de hoogheyt ende gerech- 
tigheyt die syn Majesteyt over de Landen van Groenlandt, 
ende andere quartieren om den Noort ghelegen souden mo- 
gen hebben, ofte pretendeeren, en is haer Hoogh Mog: mee- 
ninge ende intentie gansch niet dat alhier te Lande daer over 
sal werden gedisputeert , gely ck haer Ho : Mog : sulcks hier bevo- 
rens expresselijck hebben verbooden daer 't behoort , al hoe wel 
het schgut dat eenige gopoogt hebben, zyn Majesteyt contraerie 
opinie te doen suscipieeren , die nochtans met de waerheyt niet 
over een en komen , volgens dese haer Ho : Mog : ronde en sincere 
iterative verklaringe •)." 



») R. S.-G. 24 Fcbr. , 7 Aug. 1626. — Miss. v. de N. C. aau de Stn.-Gen. 
dd. 8 Sept. 1626, in: L. I). 1626. 

•) Miss. ?. Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, iu : L. I). 1630. 

•) Miss. V. Christ. IV dd. 29 Jan., 21 Juni 1681. in: L. 1). 1631. 

*) Aitzema, Saken v. Stact. lp 1175. 

•) R. S.-G. 28 Juli, 4 Oct. 1631. 

•) Aitxema, Saken v. SUet. I p. 1176. 



257 

Maar hierbg bleef het ook *). Men was minder dan ooit ge- 
zind 's konings recht 'te erkennen en ook de cisch , dat de Staten 
aan Braem op de eene of andere wijze vergoeding zouden bezor- 
gen , werd niet voor inwilliging vatbaar geoordeeld. Juist het 
herhaaldelijk bespreken van de souvereiniteitsrechten der Deen- 
Bche kroon had het gevaar aangetoond om zich eene zaak als 
deze officieel aan te trekken en de Staten waren dan ook vast 
besloten, dat z{j als eene partikuliere quaestie met de Noord- 
sche Compagnie zou afgehandeld worden. Daarop was dus de 
geheele gedragslijn der regeering ingericht. Braem wendde zich 
eindelgk tot de Noordsche Compagnie , maar na maanden onder- 
handelens was de zaak nog niet verder gekomen *). Een zeer 
heftige brief van den koning had ten gevolge, dat «Ie quaestie 
toen nog eenmaal in handen van eene commissie uit de Staten- 
(ïeneraal gesteld werd, maar ook daardoor vorderde men niet '). 
Eene laatste poging der Staten-Gencraal om de zaak te schikken 
stuitte af op de onverzettelijkheid der Noordsche Compagnie , die 
niet van haar door het vonnis verkregen recht wilde wyken, al 
dreigde Christiaan IV ook met krasse maatregelen, al deed 
Johann Braem ook de verleidelijkste beloften *). Er schoot dus 
eindelgk voor de regecring niets anders over, dan aan Dene- 
marken en aan de compagnie beiden definitief te schryven, dat 
de quaestie eene partikuliere was en als zoodanig moest be- 
handeld worden. 

Aan de Noordsche Compagnie ontzeiden dus de Staten-Gene- 
raal hunnen steun , nu zy geweigerd had de pretensie van Braem 
voor eene kleine som geld af te koopen; den koning verzocht 
men, zich de zaak evenmin aan te trekken en de rechters te 
laten beslissen *). Geheel overeenkomstig met dit plan weigerden 
de Staten-Generaal ook in de Instructie van de ambassadeurs 
Van Beveren , Oetgens van Waveren en Schaffer , die in Septem- 
ber 1631 naar Kopenhagen vertrokken, de redeneeiingen der 
Noordsche Compagnie over deze quaestie op te nemen •) en 



>) R. S.-G. 10 Scpt., 21 Oct. 1680. 

») R. S.-G. 22 Mrt. 1681. — Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan. 1681, in: 
h. D. 1681. 

•) R. S.-G. 9, 19. 30 Apr., 12, 21, 22 Mei. 21 Jnli 1681. — Miss. v. 
Chmt. IV dd. 21 Juni 1681, in: L. D. 1681. 

*) R. S.-G. 26, 28 Juli 1681. 

») R. S.-G. 28 Juli 1681. 

•) R. S.-G. 20 Aug. 1681. — De Stalen keurden het echter goed, dat de 
N. C. xelve de ambassadeurs van last voorzag. Zie de memorie, die van deze aan* 
miniog bet gevolg was, bij: Aitzema , Saken v. Staet. I p. 1149. Vgl. hierna 
p. 267. 

17 



258 

werd de Deenscbe gezant Claus Daa, die in dezelfde maand 
herwaarts kwam met last om bij de Staten over de zaak te 
klagen, onbevredigd weggezonden met eene verwyzing naar den 
Hoogen Raad >). Een tweede Deenscbe gezant, Giinter, die in 
1632 te *s-Gravenbage verscheen en op nieuw ernstige klach- 
ten deed boorén, verkreeg van de regeering evenmin iets meer 
dan oen algemeen antwoord *), en ook Gödert Braem, die in 
hetzelfde jaar herwaarts kwam om zgnen broeder Jobann door 
onderhandelingen met de Noordsche Compagnie de verlangde 
schadevergoeding te bezorgen , moest onverrichter zake weder ver- 
trekken •). 

Toen begreep Christiaan IV, dat hy een anderen weg moest 
inslaan. Het verkrijgen van schadevergoeding voor Johann Braem 
werd opgegeven; slechts een enkele maal werd er nu en dan in 
latere jaren van gesproken *). Do zaak zelve was van weinig 
belang , nu de koning in plaats van door de schadevergoeding eene 
erkenning van zijne rechten te verkrijgen, door de Nederlanders 
integendeel zijne souvereiniteit bestreden zag. Maar de hoofd- 
zaak , het binnenleiden der Basken op Spitsbergen , werd op nieuw 
het doel , waarnaar Christiaan IV streefde ; en al wilde de Noord- 
sche Compagnie haar ongelgk niet erkennen, de koning had be- 
sloten den tegenstand te breken. 

In 1624 had de Deenscbe compagnie noch hare Baskische deelge- 
nooten uit vrees voor verdere onaangenaamheden met de Neder- 
landers tot eene uitrusting durven besluiten *). Wel schynt het 
volgende jaar Gödert Braem, Johanns broeder, op Spitsbergen 
geweest te zijn •), maar terwijl het proces onbeslist was, kon het 
verblijf op Spitsbergen naast de machtige Nederlanders voorde Denen 
toch niet wenschelijk zijn. De vereeniging had zich ontbonden ') 
en sinds lb25 was het eiland door Denen niet meer bezocht *). 
Toen echter het vonnis uitgesproken was en alle aanvragen om 



') R. S.-G. 19, 23 Scpt., 4 Oct. 1631. — Aitzema, Saken ▼. Staet. I 
p. 1175, 76. — Maaricius. NaleesiDgen o?er de Noordtlijke Landen. (R-A.) 

») R. S.-G. 21 Juli, 30 Aug.. 4, 6 Scpt. 1682. 

') R. S.-G. 13, 31 Mrt., 24 Juli 1632. — Miss. v. ChrUt. IV en v. G. Bnem 
dd. 16 Jan., 18 Mrt. 16«2, in: L. D. 1682. 

*) Verbalen der ambassaden naar Denemarken v. 1639 en 1641 , ad 7 Oct. 1039 
11. 28 Juli, 19, 26 Sept. 1611. — In 1641 werd er zelfs van beide x\)den 
over gesproken, dat de quaestie der restitutie in revisie op nieuw aan de Neder- 
landschc rechters zou worden voorgelegd. Daarvan schgnt echter niets f?eko- 
men te zijn. 

•) Sent. V. h Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629. 

•) Miss. V. Cbrist. IV dd. 29 Jan. 1681 , in: L. D. 1631. 

') Scoresbjr, Account of the arctic regious. II p. 160. 

•) Miss. V. Christ. IV dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632. 



2^9 

op andere wgze voldoening te kqjgen vruchteloos waren , ver- 
leende Christiaan IV in 1630 aan Johann Braem een nieuw 
octrooi , waarbg het hem geoorloofd werd , met vijf of zes schepen 
in de Mauritius-baai te visschen. Onder die schepen zonden er 
twee uit Blscaaie mogen zijn >). Zoo was aan de Staten-Generaal 
elk voorwendsel ontnomen, om Braem van verkoop van octrooi 
of oneerlykheid te beschuldigen: de koning zelf billijkte openl^k 
zgne compagnieschap met de Baekische reeders. Toch was de 
nieuwe knoeierg erger dan de eerste. Toen de Biscaaiers er aan 
begonnen te wanhopen om de verzochte schadevergoeding van 
Braem machtig te worden , had Jean Vrolicq , een zeekapitein in 
hunnen dienst, van den koning van Frankrgk octrooi verzocht 
om op Spitsbergen te mogen varen. Wel begrgpende, dat de 
Nederlanders de Franschen op hun eigen naam nog minder in de 
Mauritius-baai zouden toelaten dan onder Doensche vlag , schgnt 
hg echter met Johann Braem op nieuw een contract gesloten tè 
hebben, waarbg deze beloofde te gelijk met de Basken eene uit- 
rusting op Spitsbergen te zullen doen. Voor de hem door de 
Denen verleende vergunning en de te genieten bescherming zou 
Vrolicq aan Braem en zijne compagnie een zeker gedeelte van 
zgne vangst afstaan. De geheele compagnieschap was dus evenals 
de vorige slechts een bedekt middel om van de Franschen eene soort 
van recognitie te verkrijgen, en de Noordsche Compagnie had 
volkomen gelijk toen zij aanmerkte, dat > alhoewel het selve pas 
op naem van Braem van de Maj. van Denemarcken is verkreegen , 
800 is het ejghentlijckon ende in der daedt voor en tot behoef 
van de Biscayers" *). 

In den zomer van 1631 verscheen nu Gödert Braem met een 
wel toegerust schip op Spitsbergen en weldra volgde Vrolicq met 
een klein scheepje uit Havre de Grace. Aanvankelijk scheen het 
geluk hen niet to begunstigen. Gedurende de jarenlange afwe- 
zigheid der Denen van Spitsbergen hadden de Nederlanders zich 
niet alleen meester gemaakt van het na het overhaast vertrek 
der Basken in 1623 achtergelaten gereedschap, maar ook langza- 
merhand het door hunne deelgenooten aan de Mauritius-baai ge- 
bruikte terrein in bezit genomen en met hunne schuren bezet. 
In de meening, dat de Denen niet terug zouden komen, hadden 
sg zelfis een fort ter verdediging daarbg gebouwd. Toen Gtödert 
Braem dus in 1631 aankwam , vond hij zijne plaats grootendeels 
ingenomen '). Klachten baatten natuurlek niet en hg koos dus 



*) Memorie der N. C. v. 16SI, b^: Aitzema, Saken t. Staet. I p. 1149. 
*) Aitsema, Saken ▼. Staet. I p. 1150. 

•) MiM. ▼. Clirist. IV aan de Stn.-Oen. dd. 28 Dec. 16S1 , in: L. D. 1A82. — 
Propoa. ▼. Gimter, in: R. S.-a. 21 Jnli 1632. 

17* 



260 

met zijnen medgezel de Bobbenbaai op het later naar de Denen ge- 
noemde eiland voor zyne vestiging ■). Deze baai was wel is waar 
binnen hot beweerde Nederlandsche gebied , maar toch op eenigen 
afstand van de Manritins-baai gelegen , en er was geen het minste 
gevaar, dat beide natiën elkaar hinderen zonden. Toch waren de 
beide schepen daar nauwelijks met de walvischvangst begonnen, 
of de Nederlandsche commandeur naderde Braem, verzocht zgne 
paspoorten van den koning van Denemarken te zien en vroeg 
tevens of Vrolicq bij hem behoorde en door hem beschermd en 
gehandhaafd zon worden. Braem, reeds korzelig gestemd, ant- 
woordde, dat hij niet verplicht was de eerste vraag te beant- 
woorden, en wat de tweede betrof verklaarde hg eenigszinB 
ontwjjkend, dat Vrolicq >son inthime amy*' was en als zoodanig 
door hem behandeld zou worden. Vrolicq zelf weigerde na 
overleg met Braem zgne papieren te toonen. De Nederlandsche 
commandeur verbood hem toen te visschen en bedreigde hem 
met gewelddadige verhindering in zijn voornemen, maar toen 
Braem daarop dadelijk eenige kanonnen liet zien en zich gereed 
maakte Vrolicq te verdedigen, waren de Nederlanders toch te 
onzeker over de betrekking, die tusschen Denen en Franschen 
bestond , om het na al het over de gebeurtenis van 1623 voorge- 
vallene tot geweld te durven laten komen. Zy hielden af en de 
beide schepen vischten verder gerust *). 

Naar mijn inzien had do Noordsche Compagnie dan ook geen 
recht, om Braem of Vrolicq over hun gedrag lastig te vallen. 
De geheel toevallige omstandigheid , dat de beide schepen dit jaar 
niet in de Mauritius -baai maar in de Robbenbaai terecht kwamen , 
schijnt mij voor het recht der Denen beslissend. Het gebied der 
Nederlanders op Spitsbergen toch was wel niet, zooals Vrolicq 
later verklaarde, >soo onseecker als hare begeerljcheyt onmatich 
is , ende alle palen endo limiten te bujten gaendo ,** maar het 
kon toch niet ontkend worden , dat de Nederlanders , hoe klein het 
gedeelte van Spitsbergens kust , waarop zij aanspraak maakten , ook 
was , zich meer aanmatigden dan de geringe omvang hunner vis- 



*) Toch waren er nog in 1684 Deensche vaten op het Amsterdamsche efland. 
(Vander Brugge , Journael der Scven Matroosen. p. 29) ; het kaartje der Man- 
ritius-baai in Van Keulen's groote Zee-atlas (I p. 72) noemt daar zelfa nog een 
„Deensche Tent." Denkelijk waren de Deensche bezittingen aan de Knkhaiien- 
sche kamer overgegaan , maar hadden zij den naam behouden. (Krt. v. de Maor.-b. 
in den Zee-atlas v. V. Keulen I p. 72, jcto. de beschr. daarvan ald. — Vgi. 
hiervoor p. 148.) 

*) Protest V. de bewindh. der N. C, als byl. D achter hnn rcq. aan de Stn.-Gen. 
dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4 Loop. N. C. R.-A. — Zie ook de 
rescriptic der N. C. dd. 8 Apr. 1633 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1M8, 
onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. N. C. R,-A. 



261 

scherg wettigde. Van de geheele uitgestrektheid van Fairhaven 
tot Maudlensoond toch werd alleen de Maaritius-baai en het Am- 
sterdamsche eiland door hen jaarlgks bezocht ; bepaaldelijk in de 
Bobbenbaai schjjnen zy zich vóór 1631 niet vertoond te hebben >). 
En de beweerde overeenkomst met de Engelschen, waarbg hun 
de geheele noordwesthoek van Spitsbergen afgestaan heette te 
zgn, mocht tegen dezen als wapen gebezigd kunnen worden; de 
Denen noch eenig ander volk zouden zich zeker storen aan eene 
regeling , waardoor eene geheele uitgestrektheid lands , waar veel 
winst te behalen was , aan het verkeer onttrokken word ter wille 
van eene natie, die misschien de noodige formaliteiten vervuld 
had, maar zeker de eigenlyk gezegde inbezitneming van verre- 
weg bet grootste gedeelte van het haar afgestane land achter- 
wege gelaten had. Volkomen met hetzelfde recht als de Neder- 
landers zich indertgd nevens de Engelschen op door dezen niet 
gebruikte plaatsen gevestigd hadden , namen nu de Denen op 
hunne beurt weder van de eenzame Bobbenbaai bezit. De toe- 
stand van onverdeeld gemeenschappelijk bezit der Mauritius- baai 
door Nederlanders en Denen nam dus een einde, maar terwyl 
de Nederlandei's voortaan dien zeeboezem voor zich alleen behiel- 
den , hadden dan ook do Denen het recht in de door hen ingeno- 
men Bobbenbaai allen toe te laten, die zy wilden. 

Hoewel dus de verplaatsing der Deensche walvischvangst naar 
de Bobbenbaai het gunstige gevolg scheen te zullen hebben, dat 
de koning in zyne plannen met de Basken bij beter recht ook 
ifeer kans van slagen hebben zou, was Christiaan IV echter 
niet geneigd zich zonder protest te laten verdringen. Weldra 
yerscheen Oödert Braem in Den Haag met brieven van den 
koning, die klaagde, dat de Noordsche Compagnie zich niet 
ontzien had een groot gedeelte van de plaats >v£f der von vn- 
serm Königreich Norweg dependirenden GrönlSlndischen Insull 
Ghristiansbergun, von anderen Spitzbergen genand,*' waar de 
Denen van ouds gewoon waren te visschen, zich toe te eigenen 
en te bebouwen. Onder bedreiging met krachtige maatregelen 
verzocht de koning kort en goed >restitution und demolition *)." 



*) Vrolicq althins renekerde dit herhaaldemk. (Zie o. a. z^jn request aan de 
SiiL-Gen. dd. 11 Mrt. 1688, in: Sin. ▼. d. Haarl. gedeput. N. C. R.-A.) De 
N.C. ontkende bet nooit bepaald , en de Stn.-Gen. beweerden slecbts een enkele 
maal, blikbaar minder jnist ingelicht , dat de N. C. de walvischvangst in de 
bedoelde baai niet alleen sinds lang bad geoefend , maar zelfs daarvan had bezit- 
genomen «bactiasant leur loges et dressans tout leur appareil necessaire." (Autw. 
der Stn.-6en. aan Baogy dd. 22 Joli 1684. in ; L. F. 1684.) 

*) Miaa. ▼. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631 , in: L. D. 1682. — 
R. &-6. 18 Hrt. 1682. 




262 

De zaak werd nog nader aangedrongen *), maar de Staten-Oene- 
i*aal gaven niet dan uitstellend antwoord en er kwam ook verder 
niets van eenige voldoening. Ook scheen dit onnoodig : de Deeimche 
walvischvaarders vestigden zich voor goed in de Bobbenbaai; zg 
hadden daar en misschien in het nabijgelegen Deensche gat OTen 
goede gelegenheid voor hun bedr^f als vroeger , zonder ooit met 
de Nederlanders te behoeven in aanraking te komen. 

De gdegenheid om de Baskische walvischvaarders op Spits- 
bergen binnen te leiden scheen dus nu schooner dan ooit. On- 
gelukkig liet juist op dit oogenblik de ondankbare Yrolicq zgne 
beschermers in den steek. Hoewel hem in 1631 ongetwgfeld 
alleen door de tasschenkomst van Gödert Braem het verU^f in 
de Bobbenbaai gegpind was, schijnt hij gemeend te hebben, dat 
hg nu ook voortaan wel zonder van zyne daden rekenschap te 
geven op Spitsbergen zou kunnen verkeeren. Dadelgk na sgne 
terugkomst in Frankr^k verkondigde hij dan ook , dat de Neder- 
landers de Fransche paspoorten erkend hadden en hg maakte 
zich gereed zelfstandig op Spitsbergen te verschynen. Wg zullen 
spoedig zien, dat z|jne onafhankelijkheid hem ten minste aan- 
vankelijk slecht bekwam *); voorloopig houden wg ons alleen 
met de Denen bezig. 

Johann Braem liet zich niet ontmoedigen : nu Vrolioq hem ont- 
vallen was, knoopte hij dadelijk onderhandelingen met andere 
Franschen aan. Het gelukte hem werkelijk eenige Basken, wien 
de walvischvangst aan Spitsbergen door het uitsluitend octrooi, 
dat Richelieu aan Yrolicq verleeend had , gesloten was , voor z|jn 
plan te winnen en in den zomer van 1632 verschenen nevens 
Gödert Braem twee Biscaaische schepen, de >Pigeon blanc** 
kapitein Pien-e Bathon ') en de >Ste. Marie" kapitein Jean De 
Sigaroj in de Robbenbaai. Commandeur Jacob Jansz. Dujn- 
kercker, doortastender maar ook minder nauwgezet dan het 
vorige jaar, gelastte hun echter dadelijk te vertrekken. Braem 
scheut zijne beschermelingen niet tegen den bepaalden wil der 
Nederlanders in de Robbenbaai te hebben kunnnen handhaven 
en de Basken moesten voor de overmacht bukken on zich naar 
de Noordkaap begeven. Om zich te wreken wachtten zg echter 
daar het vertrek der Nederlandsche walvischvaarders van Jan 
Majen-eiland af en zeilden toen daarheen. Den 31 Augustus 
1632 landden z|j, brakende verlatene schuren der Nederlanders 



») Propos. V. Gunter, in: R. S.-G. 21 JoH 1682. — R. S.-G. 81 Mrt. . S4 
Jnli 1682. 

*). Zie hierover meer in Hfdst. Vlll. 

') Ik kies dezen naam op goed geluk af uit de verschillende , die rermeld 
worden: Bathon, Balcon, Ratson en Piasion. 



263 

open, roofden niet minder dan 600 qnarteelen van de daar achier- 
gelatene ti'aan en meer dan 200,000 pond walvischbaarden. Ook 
gereedschappen tot de walvischvangst werden medegevoerd; wat 
niet draagbaar was werd vernield *) en toen de schepen der 
Noordsche Compagnie in 1633 weder op het eiland aankwamen, 
begrootten zy de schade op veel meer dan / 100,000. Van eenige 
Basken yemam men al spoedig, wie de daders waren *). 

Het was eene netelige zaak, waarover men van verschillende 
kanten en bg verschillende rechters klagen kon. De Nederlanders 
schgnen dan ook met de zaak verlegen geweest te zijn. Terwgl 
de Noordsche Compagnie volhield , de toegebrachte schade als van 
Baskischen oorsprong te schreven op rekening der Fransche 
compagnie voor de walvischvangst, die natuurlek tegen de daders 
even vijandig gezind was als zij zelve ') , klaagde z|j toch bg de 
Staten-Q«neraal over de >mole8tie*', hun door de Denen op 
Spitsbergen aangedaan door het herhaalde invoeren van Fransche 
walvischvaarders *). Tevens verzocht zij met nadruk , om door de 
Staten >bj haer recht ende octroj gemainteneert te worden *)." 
Do Staten zeiden der compagnie wel hunne bescherming toe *), 
maar durfden bij Christiaan IV, met wien men juist bezig was over 
eene schikking te onderhandelen, niet te klagen uit vrees voor 
nieuwe moeielgkheden. De koning van zijne zgde wilde niet 
spreken van den inbreuk, op z{jn recht gemaakt door de wei- 
gering van toelating der Basken uit vrees voor eischen tot ver- 
goeding der door hen aangerichte schade. Blikbaar was ook Z. M. 
met de zaak verlegen. Hij sprak Van Cracouw een enkele maal 
daarover aan, en vroeg zeer naïef: >waer wil dat egntelick heen?*' 
Maar toen de Nederlandsche resident hem op do verkeerde ge- 
volgen van Braems knoeierjjen met de Basken wees, liet hg zich 
toch weldra tot eene betere regeling voor het vervolg vinden ^). 
Een eisch tot vergoeding der geledene schade werd eerst in 1641 , 



*) Uit trees voor eene herhaling van dergelijke aanvallen waren de Nederland- 
sche matrozen, die in 1688 op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland overwinterden, 
dan ook zeer tegen de komst van fiaskische schepen op hanne hoede. (Jonm. 
der Seven Matroosen op Mauritius, p. 4. — Vander Brugge, Journael, p. 6.) 

*) Req. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1684, ook: ald. bgl. K, 
in: Noordsche togten. 4 Loop. N. C. R.-A. — Rescr. der N. C. dd. 8 Apr. 
1688 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1688, in: Stn. N. C. v. d. HaarL 
gedepnt. R.-A. 

•) Dnpl. y. Vrolicq dd. 15 Apr. 1688 op de rescr. der N. C. dd. 8 Apr. 1688, 
in: Stn. N. C. ▼. d. Haarl. gedeput. R.-A. 

*) R. S.-G. 18 Jan. 1683. 

•) R. S..6. 21 Jan., 10 Febr. 1688. 

•) R. 8.-G. 18 Jan. , 10 Febr. 1688. 

*) Miss. ▼. Van Craconw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1682. 5 Febr. 1683, in: 
L. D. 1688, — en dd. 20/80 Mrt. 1688, in : Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A. 



264 

toen de juiste toedracht der zaak vergeten was, in zeer over- 
drevene termen aan de Nederlandsche ambassadeurs op de confe- 
rentie te Staden godaan. Weder werd de zaak zóo voorgesteld , 
alsof de Noordsche Compagnie Oödert Braem zelven van Spitsber- 
gen verjaagd had, en met veel ophef werd weder gewaagd van 
de >hergebrachte gerechticheyt ratione proprietatis et doming** 
van Denemarken over de zee($n , » die van Norwegen ende Oroen- 
lant dependeren." Ook over deze grief verwees men echter de De- 
nen naar de gewone rechters '), en van de zaak, die zoolang 
gerust had , werd niet verder gesproken. 

Terwijl alzoo Christiaan IV door zijne herhaalde verzoeken aan 
de Staten-Generaal evenmin als door gewelddadige handhaving 
der Basken een stap verder gekomen was tot zgn doel, de 
erkenning van zyne souvereiniteit over Spitsbergen door de Bis- 
caaiers en vooral door Nederland, had Johann Braem zelf langs 
omwegen hetzelfde doel trachten te bereiken. Beeds in 1631 had h$ 
aan de Noordsche Compagnie als een groot voordeel aangeboden , 
dat zy tegen vergoeding der door hem in 1623 geledene schade 
deel zou kunnen krijgen in het octrooi hem door den koning ver- 
leend , ja zelfs voor eene recognitie aan Denemarken de walvisch- 
vangst aan de Noordkaap zou mogen oefenen <). Het komt mg 
weinig twijfelachtig voor, dat met deze schoonschgnende aanbie- 
ding , zeker met voorkennis van Christiaan IV gedaan , niets anders 
bedoeld werd dan de compagnie tot eene daad te verlokken, 
waardoor zij minst genomen den schijn op zich zou laden, dat 
zg van den koning van Denemarken het recht op de walvisch- 
vangst tegen betaling verkregen had. De Staten-Generaal lie- 
pen in den strik; de Noordsche Compagnie weigerde echter 
kortaf •). Toen dus ook deze poging om het voorgestelde doel te 
bereiken vruchteloos gebleken was, beraamde Braem een tweede 
list. Den 26 Februari 1633 wendde zich een Amsterdamsche 
koopman , Pelt genaamd , een handelsvriend van Braem en waar- 
schijnlijk voor deze zaak zijn compagnon *), tot de Staten-Ge- 
neraal met verzoek om een te Amsterdam voor Johann Braem 
tot de walvischvangst uitgerust schip naar Denemarken te mogen 



*) Verbaal der ambass. v. 1641 ad 16/26 Sept. 1641. 

») R S.-G. 26 Juli 1631. 

*) R. S.-G. 28 Juli 1681. — In 1626 scbijncn cenige Nederlanders gewilliger 
geweest te zijn , maar de slechte uitslag der walvischvangst aan de Noordlouip 
heeft hen zeker van het doorzetten der zaak afgeschrikt. (Wassenaer, Hist. Terlt. 
XI fol. 181.) 

•) Vlg. den brief van Vau Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1639 (L. D. 
163\)) was Philips Pilt „factoor" vau Braem te Auisterdiim . en ,wiert hy oock 
verdacht te sijn in ('onipagnie met Jan Braem weegen de walvischvangst." 



265 

laten vertrekken 'j. Op advies der Amsterdamsche admiraliteit 
werd het verzoek echter afgeslagen *) en weinige dagen later 
gingen de Staten zelfs op verzoek der Noordsche Compagnie over 
tot het arresteeren van een plakkaat tegen alle > directe ofte 
indirecte lorrendrajerien ')." »Wg komen in ervaringe/' dos 
schreven de Staten-Generaal daarin, >dat deur toedoen van eenige 
ongeruste Menschen, de welvaert deser Vereenichde Landen be- 
nwonde, ghetracht wort de Walvisscherge , bj directe ende 
indirecte wegen ende middelen, te contramineren, om de goede 
Ingeeetenen deser Landen van de voorszeide Neeringe t' ontsetten , 
ende de verwachte Vruchten selfs te genieten , poogende tot dien 
eynde in dese Vereenichde Provintien tot hen te trecken veele 
Lighesetenen ende Liwoonderen deser Landen, om bj andere 
wegen als deur directie ende belejdt van de Noortsche Compagnie , 
binnen de Limiten van Nova Sembla tot Fretum Davits te varen , 
ende de Neeringe van Walvisschen ende andere Zee-Monsters te 
plegen, exerceren, ende de selve elders bujten dese Lande te 
diverteren. Ende dat oock vele onser Ligeseteoen hun vervorderen 
soodanige diensten aen te nemen, andere daer toe te induceren 
ende helpen aennemen , mitsgaders in üjtheemsche Com- 
pagnien ende vojagien te participeren, ende de selve 
met hun middelen te helpen formeren, streckende alle 
't selve tot groot oaedeel van de voorszeide Compagnie, interest 
van de gemeene welvaert deser Landen , ende ujt-nemende groote 
schade van veele Ingesetenen van dien, daer uyt de voorszeide 
Compagnie is gheformeert , waer jegens nae behooren dient voor- 
sien, ende alle mogelgcke ordre gestelt/' Op deze gronden 
verboden de Staten alle inwoners der Vereenigde Nederlanden 
!*• om in vreemde dienst ter wal visch vangst uit te varen, 
2*. om Nederlandsche schepen te verhuren aan vreemde walvisch- 
▼aarders, en 3*. om aandeelen te nemen in vreemde compagniën 
voor de walvischvangst *). Toen de Staten hunne gedragslgn 
zoo openlgk hadden afgebakend , was er natuurlgk aan geen 
inwilligen van het verzoek van Pelt meer te denken. Hoewel 
dan ook niet alleen Johann Braem en de Nederlandsche resi- 
dent in Denemarken Carel Van Cracouw, maar ook de koning 



>) R. S.-6. 26 Febr. 1688. 

») R. S.-O. 7 Mrt. 1688. 

•) R. S.-G. 7, 11 Mrt. 1688. — R. H. verg. v. 16 Febr.— 26 Mrt. 
1688. p. 15. 

*) 6r. PUcaetboeck. I p. 680—83. — Het plakkaat zal misscbiea bedoeld 
hebben , tegelgkert\jd een einde te maken aan eenige handelingen van Nederlan- 
den Tan geheel denzelfden aard met betrekking tot eene Franache compagnie. 
Zie hierover meer in Hfdst. VIll. 



266 

zelf het verzoek nog dringend aanbevalen , stuitte ook de«e toeleg 
om Nederlandsche walvischvaarders onder de Deensche vlag te 
scharen af op de besliste bonding der Staten-Generaal. De aan- 
beveling van Van Cracouw werd voor kennisgeving aange- 
nomen 1), Braem verwees men naar het plakkaat '); de booce 
brief van den koning eindelijk werd ter zyde gelegd als »niet 
geschreven in soodanige terme als syne Co. Ma. gewoon is aen 
hare Ho. Mo. te schryven." Het stuk werd zelfs later terugge- 
zonden met do vraag, »waerom datmen in dese den gewoon- 
licken stjl was te bujten gegaen , ende hare Ho : Mo : niet geqoa- 
lificeert (had) met den titul die deselve competeert ').'* 

Niettegenstaande de Staten-Generaal dus alle erkenning , hetxg 
ze zijdelings of direct verzocht werd , stoutweg durfden weigeren , 
trachtten zij toch gedurig te bewerken, dat men hen van verdere 
aanzoeken verschoonde. De voortdurende brommende vertoogen 
van Christiaan IV over zijne >Hoocheit ende Regalia** moede, 
wenschte men langs diplomatieken weg den koning van het im- 
politieke zgner handelwijze te overtuigen, toen het bleek dat de 
standvastige weigering hem het gekozene standpunt niet deed 
verlaten. Reeds dadelijk na de overeenkomst van 1625, waarbg 
het geschil met Braem aan het Hof van Holland was onder- 
worpen, had de Noordsche Compagnie, daar het scheen, dat de 
zaak een goed einde zou nemen , van de gelegenheid gebruik ge- 
maakt om er by Christiaan IV op aan te dringen, dat hg alle 
reden tot dergelijke onaangenaamheden voor het vervolg zon 
voorkomen. Zij had den koning verzocht, om voortaan slechts 
aan zijne onderdanen paspoorten voor de visscherij bij Spitsbergen 
te willen uitreiken en wel onder beding , dat verkoop aan vreemden 
ongeoorloofd zou zijn ♦). Ofschoon dit verlangen zeker zeer 
billijk was, werd aan den Nederlandschen gezant Van Vosbergen, 
wien de zaak in handen gegeven was * ) , door den koning ge- 
antwoord , dat de voorstelling door de Noordsche Compagnie van 
Braems handelingen gegeven geheel onjuist was. Zoo de Neder- 
landers mochten kunnen bewijzen, dat Braem zijn octrooi wer- 
kelijk verkocht had, wilde de koning hem >ten exemple van 
anderen sonder genade straffen •)." De Noordsche Compagnie 



•) R. SG. 21 Apr., 8 Mei 1633. — Zie den brief (dd. 20/80 Mrt. ie»«) 
in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A. 

*) R. S.-G. 18 Apr. 1683. 

•) R. S.-G. 19 Apr. 1688. 

*) R. S -G. 26 Apr. 1625. 

») R. S..G. 18 Mei 1625. 

•) MiM. V. Vosberghcn aan de Stu.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625. in; L. D. 
1626. — R. S.-G. 28 Juni 1625. 



267 

antwoordde op deze vordering door het overleggen van een af- 
schrift "van Braems contract met de Basken, waaruit de oneer- 
Igke handelwijze van 's konings beschermeling doidelgk bleek. 
De Staten-Generaal zonden dit stak naar Kopenhagen met eene 
begeleidende missive, waarin zg nader op het ophoaden van alle 
betrekkingen met de Biscaaiers en het intrekken van Braems 
octrooi aandrongen. Wy knnnen niet gelooven , das schreven de 
Staten, itd*jntentie van uwe 'Con. Ma^ te sjn de Walvischei*ge 
ende neringe daer an dependerende njt uwe Ma^T^ Coninckrgck 
te doen diverteren, strydende het selve jegens de fondamentale 
redenen ende de natnre zelver van alle octrogen, daer toe strec- 
kende, omme de onderdanen selver ende niet vremde ende nyt- 
heemsche te gratiGceren ■).'* De koning moest zich met deze 
overtoigende bewjjzen wel tevreden honden , maar aan het verzoek 
der Staten werd voorloopig niet voldaan. Waarschynlijk heeft 
Braem >met sgne fanoriten*' de zaak gesast. De onaangename 
toon y door Christiaan IV aangeslagen , belette verder gemimen 
tgd alle kalm overleg en jarenlang staakte men alle pogingen 
in dezen geest. Eerst de memorie , door de Noordsche Compagnie 
in 1631 aan de ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Wa- 
▼eren en 8cha£fer medegegeven *), behandelde de politieke qoaestie 
weder zeer aitvoerig. Het was eene geheime mededeeling, alleen 
ter instructie van de gezanten bg eventueele klachten bestemd, 
en laat ons dus een diepen blik in de politieke drjjfveeren der 
twistende partgen slaan. 

De Noordsche Compagnie begon met de handelwgze van Braem 
in deze zaak kortelijk te verhalen. Eerst had deze zgn octrooi 
aan de Biscaaiers verkocht en daardoor een lang en nadeelig pro- 
ces met de Noordsche Compagnie moeten voeren. Daarna, toen 
hg zag dat zgn toeleg niet gelukte , had hij een nieuw octrooi van 
den koning verzocht met volmacht om de Basken daarin te mogen 
opnemen. Dit octrooi, schijnbaar aan Braem verleend, was in 
werkelgkheid alleen den Franschen voordeelig geweest , want Jean 
Vrolicq had tegelgkertgd een octrooi van Frankrgk gevraagd , en 
terwgl het zeker was, dat de Deensche onderdanen in de Fran- 
sche compagnie »niet eenen stujver'* aandeel hadden, kregen 
dezen alleen een zeker gedeelte van de vangst voor het verlof 
om op de Deensche passen te mogen varen. — Aan dit verhaal 
werden nu de gevolgtrekkingen vastgeknoopt, dat 1*. door het 
vragen van een Fransch octrooi de souvereiniteit der Denen over 
Spitsbergen, waarop Christiaan IV zoozeer gesteld was, twgfeU 



*) Mifs. ▼. de Stn..6eii. aan ChristiaaD IV dd. 2 Jan. 1026, in: L. B, 
1626. — R. S.-6. 2 Jan. 1626. 
*) Zie hienróor p. 257 Noot 6. 



268 

achtig gemaakt werd, en 2*. dat door de slinksche streken Tan 

Johann Braein de nering der walvischvangst uit Denemarken 

werd overgebracht naar vreemde landen. Over dit laatste punt 

waren de bewindhebbers vooral uitvoerig, üit het medegedeelde 

bleek voldoende, schreven zg, >met wat studie" de Basken, die 

vroeger meermalen verzocht hadden tegen recognitie door de 

Noordsche Compagnie op Spitsbergen te worden to^^laten, — 

een verzoek, steeds >om gewichtige redenen met beleeftheyt afjge- 

slagen," — >van tgdt tot tydt hadden getracht hen selven in te 

dringen in de Visscherie om alsoo metter tgdt de andere natiSa 

daervan te depossederen.** Het hoofdpunt der memorie bleef dan 

ook het betoog >hoe schaedelijck dat het sonde wesen, niet alleen 

voor dese Landen , maer oock voor die van Denemarcken selven , 

het inrujmen van de Biscayers , Francoisen , ofte andere Natiën , 

in den Walvisch-vanckst op Spitzberghen : ende dat daer mede 

die gantsche neringe niet alleen uyt dese Landen , maer ooi^k uyt 

Dennemarcken sonde werden gediverteert , en in de andere Ko- 

ninckrycken ende Landen getransporteert" >). 

Deze zoo behendig gestelde Instructie miste haar doel niet. Wel 
schjjnt men den gezanten niet van de zaak gesproken te hebben , 
maar waarschynlgk lieten z^ het stuk in handen van den Neder- 
landschen resident Van Cracouw, die er weldra een nuttig gebruik 
van maakte. De onafhankelijke stelling in 1632 door Vrolioq 
aangenomen, die niet schroomde tegen do Denen, die hem op 
Spitsbergen binnengeleid hadden , uit kracht van zgn Pransch 
octrooi op te treden , — de ongelukkige uitslag der proefneming 
door Braem met andere Basken gewaagd , openden de oogen van 
den Deenschen vorst voor de onvermijdelijke gevolgen zijner han- 
delwijze. Van die veranderde gezindheid maakte Van Cracouw 
dadelijk een behendig gebrnik; de eerste gelegenheid greep hg 
aan , om den koning voor de redenen der Noordsche Compagnie 
te winnen. De >meededelinge*' der paspoorten aan de Biscaaiers, 
dus betoogde Van Cracouw, was de eenige oorzaak van de on- 
aangenaamheden tusschen Denemarken en Nederland. De Noord- 
sche Compagnie had lange jaren aan de Denen op Spitsbergen 
»alle hulpe ende assistentie'' verleend, en was nog bereid daar- 
mede voort te gaan ; maar de Basken , die nu met twee schepen 
gekomen waren en zeker in volgende jaren met hoe langer hoe 
grooter uitrusting Spitsbergen zouden bezoeken, wilde men niet 
toelaten, > alsoo sg bg alle weegen ende middelen sochten de 
Neeringe ende vischeiïe der Compaignie te ontrecken, niet 
alleene tot groote prejuditie ende Schade derseluer Compaig- 



■) Zie de memorie b\j: AiUemA, Saken v. Staet. 1 p. 1U9. 



209 

oie maer oock tot Sgne Ma**, onderdanen selffs" *). Deze rede- 
neering vond dadelijk een ganstig onthaal. Z. M. verzocht den 
resident bg gelegenheid eens nader over de zaak te spreken. 
Reeds die tweede audiëntie had door de behendigheid van Van 
Craconw het gelukkige resultaat , dat de koning aan Braem ver- 
bood zgne paspoorten aan de Biscaaiers over te doen of met 
ben in compagnie te zgn. Z. M. besloot voortaan geene paspoor- 
ten voor de walvischvangst meer aan de Basken uit te geven en 
beloofde aan Van Cracouw, dat hg de reeds verleende zou intrek- 
ken *). Het belang der Deensche walvischvangst schjjnt eindelyk 
de overhand behouden te hebben op 's konings begeerte om zgn 
voorgewend recht erkend te zien , een recht , dat hem toch zeker 
minder voordeel zou opbrengen dan de handel zgner onderdanen 
zelf, wanneer het gelukte dien te doen bloeien. 

Johann Braem bukte voor den bepaalden wil des konings; hg 
beloofde »de Basques te willen aflfsnijden ende met haer geen 
handel meer te hebben.'* Weldra bracht hg aan Van Cracouw 
een bezoek en betuigde voortaan weder in » goede vrundt- 
Bchap ende correspondentie" met de Noordsche Compagnie te 
willen leven; hg zou daartoe evenals vroeger met twee Deen- 
sche schepen naar Spitsbergen ter walvischvangst komen. Van 
de compagnie hoopte hij dan ook weder de toestemming te 
verkrggen, om met die twee schepen in vrede naast de hare 
te mogen visschen '). De Noordsche Compagnie van hare zgde 
had zich reeds lang daartoe >ouerboodich" verklaard en alle 
moeite gedaan om zonder in iets toe te geven weder met 
Braem op goeden voet te komen. Met vreugde werd dus het 
verzoek begroet en zoo was de quaestie eindelgk in der minne 
geschikt *). 



>) Miss. ▼. Van Craconw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 16S2 , in : L. D. 1638. 

*) Miss. T. Van Cracouw aan de Stn.Gen. dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1638. 

•) Miss. Y. Van Craconw aan de Stn.-Gen. dd. 20/80 Mrt. 1688, in: Sin. 
N. C. ▼. d. Haarl. gedepnt. R.-A. 

*) Van Deensche zgde werd tevens beloofd , dat men moeite zon doen de 
intrekking Tan het Fransche octrooi te verkrijgen. (Miss. v. Van Craconw dd. 
5 Febr. 1633, in: L. D. 1688.) Spoedig werden echter pogingen aangewend, 
die met deze belofte streden. De Basken , eenmaal op Spitsbergen toegelaten , 
kadden zich niet laten verdreven. Christiaan IV besloot toen, op nienw te 
tnieliten, van hen zooveel voordeel te trekken als mogelijk was. Op het 
laatst van 1685 verscheen zijn natunrl^ke zoon aan het Fransche hof en poogde 
te bewerken, dat de Basken, die op Spitsbergen voeren, van den koning van 
Denemarken paspoorten verzoeken en hem recognitie betalen zonden. De leezant 
der Staten , Panw van Heemstede , werkte dit dadelijk tegen door het voordragen 
vmn bet halfslachtige Nederlandsche snstcnu: «dat die vaert ende visscherge op 
de voorszeide van nienws ondeckte landen ende eylanden vry ende niemant snb- 
ieet is, behalven dat d' eerste inventenrs ende ontdeekers bv preferentie mogen 



270 

Oednrende do eerstvolgende jaren na 1633 werd de walyisoh- 
vangst tasschen de beide mogendheden niet besproken. De DeeoBcha 
visscherg ontwikkelde zich langzamerhand en de Nederlanders 
dachten er niet aan, hnune bondgenooten in hun vreedzaam be^ 
drgf te hinderen. Langzamerhand bedreigde echter een nieuw 
gevaar de goede verhouding der twee natiën. Ditmaal wareo 
het de Nederlanders, die hoewel onwillekeurig aanleiding waren , 
dat Denemarken zich tot krachtige maatregelen verplicht rekende. 
Terwgl gedurende den geheelen tgd van haar bestaan de nitma- 
tingen der Noordsche Compagnie nagenoeg even sterk schgnen 
gebleven te zyn, zag men kort na 1633 het getal der Neder- 
landsche schepen in de IJszee plotseling toenemen. Niet de 
Noordsche Compagnie gaf door grootere inspanning aanleiding tot 
die vermeerdering ; concurrenten waren in Nederland zelf tegen de 
bevoorrechte vereeniging opgestaan. Niet alleen het altgd be- 
trekkelijk kleine getal > interlopers'*, niet alleen de sinds 1634 door 
acht concurrcerende Hollandsche steden openljjk naar Spitsbergen 
gezondene schepen ' ) , vooral de op eenigen afstand van dit eiland 
gedrevene zeevisscherij deed het getal walvischvaarders klimmen. 
Deze vroeger nauwelijks opgemerkte en door de compagnie steeds 
geminachte concurrenten namen weldra zoozeer toe , de vangst in 
de volle zee bleek eerlang , toen de walvisschen de baaien meer en 
meer verlieten , zoo voordeelig , dat de compagnie zelve eenigszins 
bezorgd begon te worden. De koning van Denemarken , sinds 1631 
reeds uit de Mauritius-baai verdreven , begon dan ook bevreesd te 
worden, dat de Nederlanders zijne onderdanen zouden overvleu- 
gelen en langzamerhand geheel verdringen. Hg besloot op af- 
doende wyze aan de zoo ras toenemende concurrentie een einde te 
maken. De macht daartoe zou hem niet ontbreken: > alleen in 
Vreede sittende , ende al de werelt in actie ende Oorlogen siende , 
dede hy wat hem beliefde , ende meende hem konde geen Zee te 
hoogh gaen" *). 

Evenals de Noordsche Compagnie, bewerende dat de Denen 
slechts volgens haar goedvinden en door hare welwillendheid op 
het aan Nederland toebehoorende Spitsbergen vischten, wel eens 
te kennen had gegeven , dat zy ongaarne meer dan het van ouds 
gebruikelijke getal van twee Deensche schepen tot de visscherg 



esde behooren te genieten de plactsen bij haer tot so grote costen ende peri- 
colen ondeckt ende bevischt." (Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 
1685, in: L. F. 1686. — R. S.-G. 4 Jan. 1686.) De zaak schijnt geen verder 
gevolg gehad te hebben, en eerlang staakten de Basken hunne toehten. (Ver- 
baal der ambass. naar Denem. v. 1639 ad 7 October.) 

•) Versl. ?. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1* confer. dd. 14 
Febr. 1686) . in : Stn N. C. v. d. HrL gedepnt. R.-A. 

*; AitMma, Saken v. Staet II p. 442. 



271 

icm toelaten *), zoo had ook Christiaan IV uit kracht van zfjne 
beweerde soavereiniteit reeds een paar maal verzocht, dat de 
Nederlanders niet meer dan eenige weinige schepen naar de 
Manritins-baai zonden zenden , opdat z|jne onderdanen niet binnen 
den kleinen omvang der baai in hunne wal visch vangst gehinderd 
zonden worden *). Nu echter scheen het noodzakelijk dien eisch 
met kracht door te zetten , opdat niet ook de Kobbenbaai voor de 
Denen gesloten zou worden. Do Noordsche Compagnie had zich 
echter in de jaren, die sinds de qnaestie met Braem verloopen 
waren , een goude en weinig hinderlijke nabuur getoond en Christi- 
aan IV maakte dus geen bezwaar haar ook verder op Spitsbergen 
toe te laten. De groote vermeerdering der Nederlandsche walvisch- 
vaarders was niet van de compagnie uitgegaan , maar hoofdzake- 
lijk van hare concurrenten, en aan dien ongeregelden toeloop 
van Nederlandsche visschers wenschte de koning paal en perk te 
stellen. Gleen beter middel was er om dit doel te bereiken , dan 
om zgne souvereiniteitsrechten , die , tot nog toe alleen een middel 
tot geldafpersing , sinds dat streven nutteloos gebleken was byna 
niet meer genoemd waren, op nieuw met nadruk op den voor- 
grond te stellen. Daartoe werd dan ook weldra besloten. 

Den 10 April 1637 ontvingen de Staten- Generaal eenen brief 
van Christiaan IV van 12 Februari, waarin hij aandrong op 
vermindering en regeling van do uitrustingen der Nederlanders 
op Spitsbergen, daar de Noordsche Compagnie meer schepen 
uitzond >als de plaets leedt**, en vooral daar schepen niet aan de 
compagnie behoorende te gelijk met de hare aankwamen. Z. M. 
beweerde, dat zjjn uitsluitend recht op het eiland door alle 
natiën erkend was; hjj meende, dat het eene slechte vergelding 
was voor het verlof , den Nederlandschen walvi^hvaarders boven 
anderen *bj conniventie'* en uit vriendschap verleend, dat men 
nu door de grootere uitrustingen de Deaen belette hun bedrgf 
te oefenen, en hy eindigde met de verklaring, dat hg vertrouwde, 
dat de Staten-Goneraal deze handelwijze zouden afkeuren en, voor- 
dat hy tot andere maatregelen overging , zorgen , dat er voortaan 
niet meer Nederlandsche schepen op Spitsbergen verschenen dan 
tot nog toe het geval geweest was '). 

De Staten-Generaal waren met dezen bepaalden eisch , die nog 



>) Min. T. Van Cracoaw. dd. 5 Febr. , 80 Mrt. 1688, in: L. D. 1688, en in t 
Sto. N. C. v.d. Haarl. gedeput. R.-A. — Aitzema, Saken ▼. Staet. I p. 1150.—- 
Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1684, in: Noordsche togten. 4 Iioop. 
N, C. R.-A.. en: Protest der N. C. v. 1631, aldaar als byl. D. 

*) Misa. ▼. Christ. IV aan de Stn.-Gea. dd. 28 Juli 1624, 29 Jan. 1681 « 
in: L. D. 1624. 1681. — Propos, v. Gnnter, in: R. S.-O. 21 Juli 1682. 

•) R. S.-6. 10 Apr. 1687. — Aitzema, Saken ▼. Staet. II p. 442. 



2t>4 

toen de juiste toedracht der zaak vergeten was, in zeer over- 
drevene termen aan de Nederlandscbe ambassadeurs op de confe- 
rentie te Staden gedaan. Weder werd de zaak zoo voorgesteld , 
alsof de Noordsche Compagnie Gödert Braem zelven van Spitsber- 
gen verjaagd had, en met veel ophef werd weder gewaagd vaii 
de »hergebrachte gerechticheyt ratione proprietatis et doming** 
van Denemarken over de zee({n , » die van Norwegen ende Groen- 
lant dependeren.** Ook over deze grief verwees men echter de De- 
nen naar de gewone rechters *), en van de zaak, die zoolang 
gerust had , werd niet verder gesproken. 

Terwijl alzoo Christiaan IV door zgne herhaalde verzoeken aan 
de Staten-Generaal evenmin als door gewelddadige handhaving 
der Basken een stap verder gekomen was tot zgn doel, de 
erkenning van zjjne souvereiniteit over Spitsbergen door de Bis- 
caaiers en vooral door Nederland, had Johann Braem zelf langs 
omwegen hetzelfde doel trachten te bereiken. Beeds in 1631 had lig 
aan de Noordsche Compagnie als een groot voordeel aangeboden , 
dat zij tegen vergoeding der door hem in 1623 geledene schade 
deel zou kunnen krijgen in het octrooi hem door den koning ver- 
leend , ja zelfs voor eene recognitie aan Denemarken de walvisch- 
vangst aan de Noordkaap zou mogen oefenen *). Het komt mg 
weinig twijfelachtig voor, dat met deze schoonschgnende aanbie- 
ding , zeker met voorkennis van Christiaan IV gedaan , niets anders 
bedoeld werd dan de compagnie tot eene daad te verlokken, 
waardoor zij minst genomen den schijn op zich zou laden, dat 
zjj van den koning van Denemarken het recht op de walvisch- 
vangst tegen betaling verkregen had. De Staten-Generaal lie- 
pen in den strik; de Noordsche Compagnie weigerde echter 
kortaf '). Toen dus ook deze poging om het voorgestelde doel te 
bereiken vruchteloos gebleken was, beraamde Braem een tweede 
list. Den 26 Februari 1633 wendde zich een Amsterdamsche 
koopman , Pelt genaamd , een handelsvriend van Braem en waar- 
schynlijk voor deze zaak zyn compagnon *), tot de Staten-Ge- 
neraal met verzoek om een te Amsterdam voor Johann Braem 
tot de walvischvangst uitgerust schip naar Denemarken te mogen 



>) Verbaal der ambass. v. 1641 ad 16/26 Sept. 1641. 

') R S.-G. 26 Juli 1631. 

•) R. S.-G. 28 Juli 1631. — In 1626 schijnen eenige Nederlanders gewilliger 
geweest te zijn , maar de slechte uitslag der walvischvangst aan de Noordkaap 
heefl hen zeker van het doorzetten der zaak afgeschrikt. (Wasaenaer, Hiat. Terh. 
XI fol. 181.) 

•) Vlg. den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1689 (L. D. 
163\)) was Philips Prlt „factoor" van Braem te Amsterdimi, en «wiert hy oock 
verdacht te sijn in Conipagnie met Jan Braem weegen de walvischvangst." 



265 

laten vertrekken '). Op advies der Amsterdamsche admiraliteit 
werd het verzoek echter afgeslagen >) en weinige dagen later 
gingen de Staten zelfs op verzoek der Noordsche Compagnie over 
tot het arresteeren van een plakkaat tegen alle » directe ofte 
indirecte lorrendrajerien ')." >Wg komen in ervaringe," das 
schreven de Staten-öeneraal daarin, »dat denr toedoen van eenige 
ongemste Menschen, de welvaert deser Vereenichde Landen be- 
ngdende, ghetracht wort de Walvisscherge, by directe ende 
indirecte wegen ende middelen, te contramineren, om de goede 
Ingesetenen deser Landen van de voorszeide Neeringe t' ontsetten , 
ende de venrachte Vruchten selfs te genieten , poogende tot dien 
ejnde in dese Vereenichde Provintien tot hen te trecken veele 
Lighesetenen ende Liwoonderen deser Landen, om bj andere 
wegen als deur directie ende belejdt van de Noortsche Compagnie , 
binnen de Limiten van Nova Sembla tot Fretum Davits te varen , 
ende de Neeringe van Walvisschen ende andere Zee-Monsters te 
plegen, exerceren, ende de selve elders bnyten dese Lande te 
diverteren. Ende dat oock vele onser Ingesetenen hun vervorderen 
soodanige diensten aen te nemen, andere daer toe te induceren 
ende helpen aennemen , mitsgaders in üytheemsche Com- 
pagnien ende voyagien te participeren, ende de selve 
met hun middelen te helpen formeren, streckende alle 
*t selve tot groot naedeel van de voorszeide Compagnie, interest 
van de gemeene welvaert deser Landen , ende uy t-nemende groote 
schade van veele Ligesetenen van dien, daer uyt de voorszeide 
Compagnie is gheformeert , waer jegens nae behooren dient voor- 
sien, ende alle mogelijcke ordre gestel t/' Op deze gronden 
verboden de Staten alle inwoners der Vereenigde Nederlanden 
!*• om in vreemde dienst ter walvbchvangst uit te varen, 
2*. om Nederlandsche schepen te verhuren aan vreemde walvisch- 
vaarders, en 3*. om aandeelen te nemen in vreemde compagniën 
voor de wal visch vangst *). Toen de Staten hunne gedragslgn 
zoo openlgk hadden afgebakend, was er natuurlgk aan g^en 
inwilligen van het verzoek van Pelt meer te denken. Hoewel 
dan ook niet alleen Johann Braem en de Nederlandsche resi- 
dent in Denemarken Carel Van Cracouw, maar ook de koning 



') R. S.-6. 26 Febr. 1638. 

») R. S.-G. 7 Mrt. 1688. 

•) R. S.-G. 7, 11 Mrt. 1688. — R. H. verg. v. 16 Febr.— 26 Mrt. 
1688. p. 15. 

*) Or. Placaetboeck. I p. 680—83. — Het plakkaat zal misschien bedoeld 
hebben , tegel^kert^d een einde te maken aan eenige handelingen van Nederlan- 
den van geheel denzelfden aard met betrekking tot eene Fransche compagnie. 
Zie hieroYer meer in Hfdst. VIII. 



266 

zelf het verzoek nog dringend aanbevalen , stuitte ook deze toeleg 
om Nederlandsche walvischvaarders onder de Deensche vlag te 
scharen af op de besliste houding der Staten-Oeneraal. De aan- 
beveling van Van Cracouw werd voor kennisgeving aange- 
nomen I), Braem verwees men naar het plakkaat *); de boose 
brief van den koning eindeljjk werd ter zijde gelegd als >iiiet 
geschreven in soodanige terme als syne Co. Ma. gewoon is aen 
hare Ho. Mo. te schryven." Het stuk werd zelfs later terugge- 
zonden met do vraag, >waerom datmen in dese den gewoon- 
licken styl was te buy ten gegaen , ende hare Ho : Mo : niet gequa- 
lificeert (had) met den titul die deselve competeert *).** 

Niettegenstaande de Staten-Generaal dus alle erkenning , hetzg 
ze zijdelings of direct verzocht werd , stoutweg durfden weigeren , 
trachtten zij toch gedurig te bewerken, dat men hen van verdere 
aanzoeken verschoonde. De voortdurende brommende vertoogen 
van Christiaan IV over zijne >Hoocheit ende Regalia'* moede , 
wenschte men langs diplomatieken weg den koning van het im- 
politieke zijner handelwijze te overtuigen, toen het bleek dat de 
standvastige weigering hem het gekozene standpunt niet deed 
verlaten. Reeds dadelijk na de overeenkomst van 1625, waarbg 
het geschil met Braem aan het Hof van Holland was onder- 
worpen, had de Noordsche Compagnie, daar het scheen, dat de 
zaak een goed einde zou nemen , van de gelegenheid gebruik ge- 
maakt om er bij Christiaan IV op aan te diingen, dat hg alle 
reden tot dergelijke onaangenaamheden voor het vervolg zon 
voorkomen. Zij had den koning verzocht, om voortaan slechts 
aan zijne onderdanen paspoorten voor de visscherij bij Spitsbergen 
te willen uitreiken en wel onder beding , dat verkoop aan vreemden 
ongeoorloofd zou zijn *). Ofschoon dit verlangen zeker zeer 
billgk was, werd aan den Nederlandschen gezant Van Vosbergen, 
wien de zaak in handen gegeven was *) , door den koning ge- 
antwoord , dat de voorstelling door de Noordsche Compagnie van 
Braems handelingen gegeven geheel onjuist was. Zoo de Neder- 
landers mochten kunnen bewijzen, dat Braem zijn octrooi wer- 
keiyk verkocht had, wilde de koning hem »ten ezemple van 
anderen sonder genade straffen *).*' De Noordsche Compagnie 



•) R. S-G. 21 Apr.. 3 Mei 1683. — Zie den brief (dd. 20/80 Mrt. IIWS) 
in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R,-A. 

») R. S.-G. 18 Apr. 1683. 

») R. S.-G. 19 Apr. 1638. 

•) R. S -G. 26 Apr. 1625. 

•) R. S.-G. 18 Mei 1625. 

•) Miss. T. Vosberghen aan de Stn. -Gen. dd. 4/14 Juni 1625, in: L. D. 
1626. — R. S.-G. 28 Juni 1625. 



267 

■ 

antwoordde op deze vordering door het overleggen van een af- 
schrift "van Braems contract met de Basken, waaruit de oneer- 
Igke handelwgze van 's koning^ beschermeling daidel|jk bleek. 
De Staten-Oeneraal zonden dit stuk naar Kopenhagen met eene 
begeleidende missive, waarin zy nader op het ophouden van alle 
betrekkingen met de Biscaaiers on het intrekken van Braems 
octrooi aandrongen. Wg kunnen niet gelooven , dus schreven de 
Staten, i^d'jntentie van uwe 'Con. Ma^ te syn de Walvischerge 
ende neringe daer an dependerende uyt uwe Ma^T^ Coninckryck 
te doen diverteren, strydende het selve jegens de fondamentale 
redenen ende de nature zei ver van alle octrogen, daer toe strec- 
kende, omme de onderdanen selver ende niet vremde ende ujt- 
heemsche te gratiBceren >).*' De koning moest zich met deze 
overtuigende bewgzen wel tevreden houden , maar aan het verzoek 
der Staten werd voorloopig niet voldaan. Waarsch^nlgk heeft 
Braem >met sijne fauoriten" de zaak gesust. De onaangename 
toon, door Christiaan IV aangeslagen, belette verder geruimen 
tgd alle kalm overleg en jarenlang staakte men alle pogingen 
in dezen geest. Eerst de memorie , door de Noordsche Compagnie 
in 1631 aan de ambassadeurs Van Be veren, Oetgens van Wa- 
▼eren en Schaffer medegegeven >), behandelde de politieke quaestie 
weder zeer uitvoerig. Het was eene geheime mededeeling, alleen 
ter instructie van de gezanten bg eventueele klachten bestemd, 
en laat ons dus een diepen blik in de politieke drijfveeren der 
twistende partgen slaau. 

De Noordsche Compagnie begon met de handelwgze van Braem 
in deze zaak kortelijk te verhalen. Eerst had deze zgn octrooi 
aan de Biscaaiers verkocht en daardoor een lang en nadeelig pro- 
ces met de Noordsche Compagpiie moeten voeren. Daarna, toen 
hg zag dat zgn toeleg niet gelukte , had hg een nieuw octrooi van 
den koning verzocht met volmacht om do Basken daarin te mogen 
opnemen. Dit octrooi, schgnbaar aan Braem verleend, was in 
werkelgkheid alleen den Franschen voordeelig geweest , want Jean 
Yrolicq had tegelgkertgd een octrooi van Frankrgk gevraagd , en 
terwgl het zeker was, dat de Deensche ouderdanen in de Fran- 
sche compagnie >niet eenen stujver'* aandeel hadden, kregen 
dezen alleen een zeker gedeelte van de vangst voor het verlof 
om op de Deensche passen te mogen varen. — Aan dit verhaal 
werden nu de gevolgtrekkingen vastgeknoopt, dat 1*. door het 
vragen van een Fransch octrooi de souvereiniteit der Denen over 
Spitsbergen, waarop Christiaan IV zoozeer gesteld was, twgfeU 



*) Miis. ▼. de Stn.-Gen. aan Chmtiaan lY dd. 2 Jan. 1626 « in: L. D^ 
1626. — R. S.-6. 2 Jan. 1626. 
*) Zie hierröor p. 257 Noot 6. 



268 

achtig gemaakt werd, en 2*. dat door de slinksche streken van 
Johann Braeiu de nering der walvischvangst nit Denemarken 
werd overgebracht naar vreemde landen. Over dit laatste pont 
waren de bewindhebbers vooral uitvoerig, üit het medegedeelde 
bleek voldoende, schreven zjj, >met wat stadie" de Basken, die 
vroeger meermalen verzocht hadden tegen recognitie door de 
Noordsche Compagnie op Spitsbergen te worden toegelaten, — 
een verzoek, steeds > om gewichtige redenen met beleefbheyt afge- 
slagen," — >van tgdt tot tgdt hadden getracht hen selven in te 
dringen in de Visscherie om alsoo metter tgdt de andere natiSn 
daervan te depossederen." Het hoofdpnnt der memorie bleef dan 
ook het betoog >hoe schaedelijck dat het sonde wesen, niet alleen 
voor dese Landen , maer oock voor die van Denemarcken selven , 
het inmymen van de BIscayers , Prancoisen , ofte andere Natiën , 
in den Walvisch-vanckst op Spitzberghen : ende dat daer mede 
die gantsche neringe niet alleen uyt dese Landen , maer ooi^k njt 
Dennemarcken sonde werden gediverteert , en in de andere Ko- 
ninckr^cken ende Landen getransporteert" >). 

Deze zoo behendig gestelde Instructie miste haar doel niet. Wel 
schgnt men den gezanten niet van de zaak gesproken te hebben , 
maar waarschgnlgk lieten zg het stuk in handen van den Neder* 
landschen resident Van Cracouw, die er weldra een nuttig gebnuk 
van maakte. De onafhankel^ke stelling in 1632 door Vrolicq 
aangenomen, die niet schroomde tegen do Denen, die hem op 
Spitsbergen binnengeleid hadden , uit kracht van zgn Pransch 
octrooi op te treden , — de ongelukkige uitslag der proefneming 
door Braem met andere Basken gewaagd , openden de oogen van 
den Deenschen vorst voor de onvermijdelijke gevolgen zijner han- 
delwijze. Van die veranderde gezindheid maakte Van Cracouw 
dadelgk een behendig gebruik; de eerste gelegenheid greep hg 
aan , om den koning voor de redenen der Noordsche Compagnie 
te winnen. De > meededelinge" der paspoorten aan de Biscaaiers , 
dus betoogde Van Cracouw, was de eenige oorzaak van de on- 
aangenaamheden tusschen Denemarken en Nederland. De Noord- 
sche Compagnie had lange jaren aan de Denen op Spitsbergen 
>alle hulpe ende assistentie" verleend, en was nog bereid daar- 
mede voort te gaan ; maar de Basken , die nu met twee schepen 
gekomen waren en zeker in volgende jaren met hoe langer hoe 
grooter uitrusting Spitsbergen zouden bezoeken, wilde men niet 
toelaten, » alsoo sij by alle weegen ende middelen sochten de 
Neeringe ende vischerie der Compaignie te ontrecken, niet 
alleene tot groote prejuditie ende Schade derseluer Compaig- 



*) Zie de memorie bg: AiUema, Saken v. Staet. 1 p. 1149. 



269 

aie maer oock tot Sgne Ma**, onderdanen selffs*' ^). Deze rede- 
neering vond dadelijk een gunstig onthaal. Z. M. verzocht den 
resident bg gelegenheid eens nader over de zaak te spreken. 
Seeds die tweede audiëntie had door de behendigheid van Van 
Gracouw het gelukkige resultaat , dat de koning aan Braem ver- 
bood zgne paspoorten aan de Biscaaiers over te doen of met 
ben in compagnie te zgn. Z. M. besloot voortaan geene paspoor- 
ten voor de walvischvangst meer aan de Basken uit te geven en 
beloofde aan Van Cracouw, dat hg de reeds verleende zou intrek- 
ken *). Het belang der Deensche walvischvangst schgnt eindelgk 
de overhand behouden te hebben op *8 konings begeerte om zgn 
voorgewend recht erkend te zien , een recht , dat hem toch zeker 
minder voordeel zou opbrengen dan de handel zgner onderdanen 
lelf , wanneer het gelukte dien te doen bloeien. 

Johann Braem bukte voor den bepaalden wil des konings; hg 
beloofde >de Basques te willen affsnijden ende met haer geen 
handel meer te hebben.'' Weldra bracht hij aan Van Cracouw 
een bezoek en betuigde voortaan weder in > goede vrundt- 
Bchap ende correspondentie'' met de Noordsche Compagnie te 
willen leven; hg zou daartoe evenals vroeger met twee Deen- 
sche schepen naar Spitsbergen ter walvischvangst komen. Van 
de compagnie hoopte hg dan ook weder de toestemming te 
verkrggen, om met die twee schepen in vrede naast de hare 
te mogen visschen '). De Noordsche Compagnie van hare zgde 
had zich reeds lang daartoe >ouerboodich" verklaard en alle 
moeite gedaan om zonder in iets toe te geven weder met 
Braem op goeden voet te komen. Met vreugde werd dus het 
verzoek begroet en zoo was de quaestie eindelgk in der minne 
geschikt *). 



■) Miss. T. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632 , in : L. D. 1688. 

*) Miis. T. Van Cracouw aan de Stn.Gen. dd. 5 Febr. 1638, in: L. D. 1638. 

•) Mist. T. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 20/80 Mrt. 1688, in: Sin. 
N. C. ▼. d. Haarl. gedeput. R.-A. 

*) Van Deentche zijde werd tevens beloofd , dat men moeite zou doen de 
intrekking van het Fransche octrooi te verkrijgen. (Miss. v. Van Cracouw dd. 
6 Febr. 1688, in: L. D. 1688.) Spoedig werden echter pogingen aangewend, 
die met deze belofte streden. De Basken , eenmaal op Spitsbergen toegelaten , 
luidden zich niet laten verdreven. Christiaan IV besloot toen, op nieuw te 
trachten, van hen zooveel voordeel te trekken als mogel^k was. Op het 
laatst van 1685 verscheen zijn natuurlijke zoon aan het Fransche hof en poogde 
te bewerken, dat de Basken, die op Spitsbergen voeren, van den koniug van 
Denemarken paspoorten verzoeken en hem recognitie betalen zouden. De f^ezant 
der Staten . Pauw van Heemstede , werkte dit dadclgk te^en door het voordragen 
van het halfslachtige Nederlandsche sustenu: „dat die vaert ende visscher\je op 
de voorszeide van nieuws ondeckte landen ende eijlanden vry ende niemant sub- 
ieet is , behalven dat d' eerste inventeurs ende ontdeckers by preferentie mogen 



270 

Oedurende de eerstvolgende jaren na 1633 werd de 
vangst tasschen de beide mogendheden niet besproken. De Deensdie 
visscherg ontwikkelde zich langzamerhand en de Nederlanders 
dachten er niet aan, hunne bondgenooten in hun vreedzaam be^ 
drgf te hinderen. Langzamerhand bedreigde echter een nieaw 
gevaar de goede verhouding der twee natiën. Ditmaal waren 
het de Nederlanders, die hoewel onwillekeurig aanleiding waren, 
dat Denemarken zich tot krachtige maatregelen verplicht rekende. 
Terwijl gedurende den geheelen tgd van haar bestaan de nitras- 
tingen der Noordsche Compagnie nagenoeg even sterk schgnen 
gebleven te zyn, zag men kort na 1633 het getal der Neder- 
landsche schepen in de IJszee plotseling toenemen. Niet de 
Noordsche Compagnie gaf door grootere inspanning aanleiding tot 
die vermeerdering ; concurrenten waren in Nederland zelf tegen de 
bevoorrechte vereeniging opgestaan. Niet alleen het altgd be- 
trekkelijk kleine getal » interlopers*', niet alleen de sinds 1634 door 
acht concurrcerende Hollandsche steden openlyk naar Spitsbergen 
gezondene schepen ' ) , vooral de op eenigen afstand van dit eiland 
gedrevene zeevisscherg deed het getal walvischvaarders klimmen. 
Deze vroeger nauwelijks opgemerkte en door de compagnie steeds 
geminachte concurrenten namen weldra zoozeer toe , de vangst in 
de volle zee bleek eerlang , toen de walvisschen de baaien meer en 
meer verlieten , zoo voordeelig , dat de compagnie zelve eenigszins 
bezorgd begon te worden. De koning van Denemarken , sinds 1631 
reeds uit de Mauritius-baai verdreven , begon dan ook bevreesd te 
worden, dat de Nederlanders zijne onderdanen zouden overvlen- 
gelen en langzamerhand geheel verdringen. Hij besloot op af- 
doende wyze aan de zoo ras toenemende concurrentie een einde te 
maken. De macht daartoe zou hem niet ontbreken: » alleen in 
Vreede sittende , ende al de werelt in actie ende Oorlogen siende , 
dede by wat hem beliefde , ende meende hem konde geen Zee te 
hoogh gaen" *). 

Evenals de Noordsche Compagnie, bewerende dat de Denen 
slechts volgens haar goedvinden en door hare welwillendheid op 
het aan Nederland toebehoorende Spitsbergen vischten , wel eens 
te kennen had gegeven , dat zjj ongaarne meer dan het van onds 
gebruikeljjko getal van twee Deensche schepen tot de visscherg 



esde behooren te genieten de plaetsen bij haer tot so grote eesten ende peri- 
cnlen ondeckt ende bevischt." (Miss. v. Pnaw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dee. 
1685, in: L. F. 1636. — R. S.-G. 4 Jan. 1636.) De zaak schijnt geen verder 
geyolg gehad te hebben, on eerlang staakten de Banken hunne toehten. (Ver- 
bul der ambasfl. naar Denem. v. 1639 ad 7 October.) 

") Versl. V. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1» confer. dd. 14 
Febr. 1686) . in : Stn N. C. v. d. HrL gedcpnt. R.-A. 

*) Aitxema, Saken v. Staet. lï p. 442. 



271 

zoa toelaten >), zoo had ook Christiaan IV nit kracht van zgne 
beweerde souvereiniteit reeds een paar maal verzocht, dat de 
Nederlanders niet meer dan eenige weinige schepen naar de 
Manritins-baai zouden zenden , opdat zjjne onderdanen niet binnen 
den kleinen omvang der baai in hnnne wal visch vangst gehinderd 
zonden worden *). Nu echter scheen het noodzakelyk dien eisch 
met kracht door te zetten , opdat niet ook de Kobbenbaai voor de 
Denen gesloten zou worden. De Noordsche Compagpiie had zich 
echter in de jaren, die sinds de quaestie met Braem verloopen 
waren , een goede en weinig hinderlijke nabuur getoond en Christi- 
aan IV maakte dus geen bezwaar haar ook verder op Spitsbergen 
toe te laten. De groote vermeerdering der Nederlandsche walvisch- 
vaarders was niet van de compagnie uitgegaan , maar hoofdzake- 
Igk van hare concurrenten, en aan dien ongeregelden toeloop 
van Nederlandsche visschers wenscbte de koning paal en perk te 
stellen. Green beter middel was er om dit doel te bereiken , dan 
om zgne souvereiniteitsrechten , die , tot nog toe alleen een middel 
tot geldafpersing , sinds dat streven nutteloos gebleken was bijna 
niet meer genoemd waren, op nieuw met nadruk op den voor- 
grond te stellen. Daartoe werd dan ook weldra besloten. 

Den 10 April 1637 ontvingen de Staten- Generaal eenen brief 
van Christiaan IV van 12 Februari, waarin hg aandrong op 
vermindering en regeling van de uitrustingen der Nederlanders 
op Spitsbergen, daar de Noordsche Compagnie meer schepen 
uitzond >als de plaets leedt'*, en vooral daar schepen niet aan de 
compagnie behoorendo te gelijk met de hare aankwamen. Z. M. 
beweerde, dat zjjn uitsluitend recht op het eiland door alle 
natiën erkend was; hy meende, dat het eene slechte vergelding 
was voor het verlof , den Nederlandschen walvL^chvaarders boven 
anderen >by conniventie'* en uit vriendschap verleend, dat men 
nu door de grootere uitrustingen de Denen belette hun bedrgf 
te oefenen, en hy eindigde met de verklaring, dat hij vertrouwde, 
dat de Staten-Ooneraal deze handelwijze zouden afkeuren en , voor- 
dat hij tot andere maatregelen overging , zorgen , dat er voortaan 
niet meer Nederlandsche schepen op Spitsbergen verschenen dan 
tot nog toe het geval geweest was *). 

De Staten-Generaal waren met dezen bepaalden eisch , die nog 



>) MIm. y. Van Cracoaw, dd. 5 Febr. , 30 Mrt. 1683, in: L. D. 1688. enini 
Stn.N. C. v.d. Haarl. gedeput. R.-A. — Aitzema, Saken ▼.Staet. I p. 1150.— 
Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634. in: Noordsche togten. 4 liOop. 
N. C. R.-A.. en: Protest der N. C. v. 1631, aldaar als byl. D. 

«) Mist. ▼. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Jiüi 1624. 29 Jan. 1681 j 
in: L. D. 1624. 1681. — Propos, v. Gnntcr, in: R. S.-G. 21 Juli 1682. 

') R. S.-0. 10 Apr. 1687. -— Aitzeou, Saken ▼. Staet. II p. 442. 



272 

nooit met zooveel nadmk gesteld was, zeer verlegen. De reso- 
latie op den brief des konings werd uitgesteld en de Noordsche 
Compagnie om inlichting gevraagd over de daarin besproken 
zaak <). Weldra kwam er by de Staten-Generaal eene remon- 
strantie van de compagnie over den Deenschen eisch in *). Zg 
betoogde in dat stak, dat de Nederlanders krachtens hunne 
ontdekking en gerast bezit sinds 1596 heeren van Spitsbergen 
waren geweest; dat de aanspraak der Denen op het eiland van 
1617 dagteekende, toen de Noordsche Compagnie een Deensch 
schip uit vriendschap tot de wal visch vangst had toegelaten, en 
dat het aan Denemarken toebehoorende Groenland een geheel 
ander land was dan het hier bedoelde Spitsbergen. Van hare 
zgde klaagde de compagnie nu, dat de Denen sinds 1617 lang- 
zamerhand het g^tal hunner schepen hadden vermeerderd en 
zoowel hierdoor als door het verkoopen der passen aan de Bas- 
ken den Nederlandschen walvischvaarders veel schade hadden 
toegebracht; dat z^ nu tegen de plakkaten der Staten-Generaal 
hunne uitrustingen in de Vereenigde Provinciën deden en ook 
hunne vangst daar verkochten tot groot nadeel der compagnie en 
als een bljjkbare inbreuk op haar octrooi. In de hoofdgrief van den 
koning deelde de compagnie zelve volkomen : ook zjj klaagde , dat 
vele schepen niet aan haar toebehoorende tegen het octrooi der 
Staten-Generaal aan Spitsbergen kwamen visscben en dat daardoor 
een voordeelige vangst onmogelijk werd. Op al deze gronden 
werd van de Staten-Generaal handhaving van het octrooi der Noord- 
sche Compagnie, hernieuwing van het plakkaat van 1633 t^gen 
de inbreuken daarop en verbod of zware belasting van den invoer 
van traan en baarden door vreemden verzocht '). 

Niettegenstaande deze memorie in de vergadering der Staten- 
Generaal den 15 Mei eindelijk gelezen was * ) , werd het antwoord op 
den brief van Christiaan TV steeds uitgesteld. Driemaal moest van 
Deensche zijde aangedrongen worden op bescheid*). Eindelgk be- 
sloten de Staten-Generaal , toen uitstel niet langer mogelijk scheen , 
op advies van Holland •) uit den brief der Noordsche Compagnie 
eene missive aan Christiaan IV samen te stellen ' ). De Staten klaag- 
den daarin over inbreuken op het octrooi der compa^ie , die door 



») R. S.-G. 10 April 1637. 

*) R. S.-G. 15 Mei, 24 Juni 1687. — De inhoud der memorie in modce^- 
deeld bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442. 

') Aitzemn, Snken v. Staet. TI p. 442. 

*) R. S.-G. 16 Mei 1687. 

») R. S.-G. ,6. 15 Mei. 19 Juni 1637. 

•) R. H. 19 Mei 1637. 

') R. S.-G. 24 Juni 1687. 



273 

Pelt en anderen sinds 1633 niettegenstaande het plakkaat van 
11 Maart onverholen gepleegd werden >). Er was reden tot 
klagen over de Deensche walvischvaarders , das Inidde het, » ver- 
mits deselve onder hun laten schuilen vele jngesetenen deser 
Landen diewelcke in prejuditie en tegens het Octroy , *t welck 
wj aende voornoemde onse Compaigpiie hebben verleent deselve 
onderstaen den walvischvanxt te ondercruipen , daertoe gebinii- 
kende verscheiden pretexten** >). Wanneer de koning geen orde 
op de zaak wilde stellen, dan werd met strenge handhaving van 
het plakkaat tegen de >lorrendrayerien** gedreigd. Den 26 Juni 
1637 werd het stuk gearresteerd en verzonden •). 

Christiaan IV liet zich met zoo onvoldoend antwoord niet 
tevreden stellen. Zgne pretensie werd ontkend ; in plaats van vol- 
doening waren hem zelven klachten te gemoet gevoerd. Hy 
besloot de Staten-Generaal met geweld te dwingen , om den groe- 
ten toeloop van walvischvaarders , die niet eens tot de Nooidsche 
Compagnie behoorden, te verhinderen. In den zomer van 1638 
verscheen kapitein Corvitz Vhlefeldt met drie Deensche oorlog- 
Bchepen in de IJszee. Nog in volle zee ontmoette hg twee schepen 
van de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam , genaamd 
de St. Pieter, kapitein Claes Melchiorsz., en de Eenhoorn , kapitein 
Adriaen Ollebrantsche (Hillebrantsz. ?) *) , die in navolging hunner 
concurrenten daar met de walvischvangst bezig waren. De ont- 
moeting beloofde niets goeds. Immers de zeevisscherjj zelve , tot nog 
toe alleen door mededingers der Noordsche Compagnie gedreven, 
was in de oogen van den Deen reeds een reden om de plegers te wan- 



*) Zie durover hieryóor p. 264 vlg. — Dat de knoeieiTJen nog Toortdnur- 
den, Ugkt uit den brief van Van Cracouw aan de Stn.-6en. dd. 24 Mrt. 1689, 
in: L. D. 1689. 

*) Zie den briefin: L. D. 1687. — Ug ia a%edrukt bg : Scheltema , Acmstels oud- 
heid. III p. 226 — 28 ; de daarbij gevoegde inleiding behoort hier echter niet thuis. 

•) R. S.-G. 26 Juni 1687. 

*) Eigenlgk zegt de Instructie der ambassade van 1689 (bij : Aitzema , Saken 
¥. Staet. JI p. 682), dat het waren «twee Schepen van Amsterdam, toebe- 
hooiende aen de Bewinthebbers van de Noordtsche CJompagnie." Daar 
echter de N. C. zelve zich voor de schepen in de bres stelde, komt het mij 
Toor, dat de woorden moeielgk anders verstaan kunnen worden dan ik in den 
tekst deed , te meer daar een inbreuk op het octrooi door de bewindhebbers 
lelven toch onwaarschgnlgk is. — De Denen beweerden , dat de schepen behoor- 
den aan zekeren «Jochim Melchert /' die het verlof om naar Spitsbergen te varen 
en in de opene zee te visschen gekocht had van de bewindhebbers van de Am- 
fterdamtche kamer der N. C. (Antw. v. Christ. IV dd. 7 Oct., in : Verbaal der 
ambtas ▼. 1689 — Br. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 l^lrt. 1689 , in : 
L. D. 1689.) Ik heb den oorsprong van dit verhaal niet kunnen opsporen. Zie 
de plechtige verklaring der Stn.-Gen. over de onwaarheid daarvan in hunnen 
brief aau Chrisiiaau IV dd. 29 Mrt 1639. (L D. 1689.) 

18 



274 • 

trouwen. Vhlefeldt dwong dan ook de bevelhebbers door eenige scho- 
ten met scherp dadelijk , hem hxmne scheepspapieren te toonen. Hoe 
wel de schepen der compagnie, sinds jaren niet in hun yreedzaam 
bedrgf gehinderd ^n op niets dergelijks verdacht , de vereischte be- 
scheiden niet by zich hadden , sch^'nt het hun toch gelakt te zgn 
den Deen tevreden te stellen met de verzekering , dat zij Nederlan- 
ders waren en niets anders deden dan hun geoorloofd was. Tegen 
betaling van eene vergoeding van / 10 voor elk gedaan schot liet 
Vhlefeldt hen gaan. Ongewoon als het echter toen nog was, de 
zeevisscherg door schepen der Noordsche Compagnie zelve te zien 
oefenen, schijnt het bedrijf der beide schepen den Deenschen 
kapitein toch nog altgd verdacht voorgekomen te zijn. Hij kon 
niet gelooven, dat de compagnie zelve de voordeelige kustvisscherg 
zou opgeven voor een bedrijf, dat tot nu toe alleen door hare 
mededingers gedreven was, on hij hield dus de beide schepen 
verder in het oog. En nauwelgks lieten zij het anker aan 
Fair foreland vallen , of hij legde beslag op schip en lading. 
Het was nu uitgemaakt, meende hij, dat z^ door de visscherg 
aan Spitsbergen eene daad pleegden, die niet hun maar alleen de 
bevoorrechte compagnie bjj uitzondering geoorloofd was. Hei 
gelukte don Nederlanders ditmaal niet, Vhlefeldt van z$n 
ongelijk te overtuigen: een geheele maand bleven zg in arrest 
en eerst aan andere schepen der compagnie , die toen van de zaak 
kennis kregen, gelukte het de gevangenen in vrjjhoid te stellen. 
Daar het reeds ingeladen spek , onbereid als het was , gedurende 
het arrest meest gesmolten was , en de gelegenheid om dit verlies 
te herstellen hun door het langdurige oponthoud ontbrak , kwamen 
de beide schepen met groot verlies te Amsterdam aan '). 

De handelwijze van den Deenschen koning schgnt door de 
Nederlanders geheel verkeerd begrepen te zijn. Terwgl het Chris- 
tiaan IV alleen te doen was om de in die jaren door de Staten 
van Holland begunstigde, veelvuldige inbreuken op het octrooi 
der Noordsche Compagnie te weren en zoodoende de walvisch- 
vangst zijner onderdanen voor te groote concurrentie te bovei- 
ligen , meende de compagnie, dat Z. M. niets minder bedoeld had , 
dan van alle Nederlandscbe walvischvaarders Deensche verlofpassen 
voor de visschery aan Spitsbergen te eischen en dus ook de com- 
pagnie zelve in haar jarenlang ongestoord bezit der walvisch- 



*) Het verhaal ia ontleend aan de berichten in de: Miss. v. Van Cracouw 
de Stn.-Gen. dd. 29 Mrt. 1639, iu: L. D. 1639, en in de: Instructie van de 
Staten Generael. . . . voor de Hceren .... Burgh .... ende Conders van Helpea , 
....gaende in Ambassade aenden Coninck van Deuneuiarcken , dd. 14 Meil6S9. — 
Zie ook: Aitzenia , Sakeu v. Statt. II p 629. 



275 

vangst te storen >). Zij klaagde dan ook hevig bg de Staten** 
C^eneraal en dadel^'k werd door dezen aan Van Cracouw geschreven, 
dat hg zorgen zou voor spoedige voldoening *). 

De onderhandelingen , door dezen met Christiaan IV gevoerd , 
leidden aanvankelgk tot een gnnstig gevolg. Van Cracouw stelde 
twee eischen. Hg verzocht l*". reparatie van de schade , door Vhle- 
feldt aan de Nederlanders in hunne nering veroorzaakt, en 
2*. handhaving van het recht der Noordsche Compagnie uit kracht 
van hare ontdekking van Spitsbergen en haar jarenlang bezit 
der wal visch vangst. Hoewel Z. M. dit laatste punt volstrekt 
niet wilde toegeven en volhield, dat zelfs het geven van den 
naam Spitsbergen eene usurpatie was, daar het land behoorde 
tot de » Qronlftndischen Vtscheren'' en »Christiansbergen*' heette, 
toonde hg zich evenwel tot eene schikking geneigd *). Op 
verzoek van den kanselier Beventlow, met wien de onder- 
handeling werd voortgezet, deed Van Cracouw dadelgk eenige 
voorslagen, om de walvischvangst der twee volken en de ver- 
deeling van de traan tusschen hen te regelen, opdat alle 
oneenigheden in het vervolg voorkomen worden en beide partgen 
daardoor meer voordeel dan tot nog toe tiekken zouden. Van 
Cracouw stelde voor op hoop van de goedkeuring der Noordsche 
Compagnie: l*". dat de twee volken overeen zouden komen om 
jaarlgks een bepaald getal schepen naar Spitsbergen te zenden 
in verhouding tot de krachten der wederzgdsche compagniën, 
2*. dat beiden zouden blijven binnen de grenzen van het nu door 
hen op het eiland bezeten gebied , of 3*". dat de Deensche com- 
pagnie hare traan alleen in Denemarken zou invoeren, en dat 
haar dit land en >heel Oostlandt" (de landen aan de Oostzee) 
als débouché zou worden overgelaten; terwgl de Noordsche Com- 
pagnie de landen aan de Ëlbe, Weser en Ëems benevens Neder- 
land , Frankrgk en de overige zuidelgke en westelgke landen van 
traan zou voorzien. Op het eerste gezicht beviel deze regeling 
Christiaan IV wel; eerst na nader onderzoek van de verhouding 
der beide compagniün wenschte hij zich echter bepaald uit te 
laten. Wat de zaak van Vhlefeldt aanging, voorloopig beloofde 
Z. M. (9 November 1638) onderzoek te zullen doen naar het in 
den zomer aan Spitsbergen voorgevallene; reeds nu gaf hg aan 
Van Cracouw te kennen , dat het zgne bedoeling geheel niet was 
de Nederlanders hunne nu eenmaal gevestigde walvischvangst 
te beletten. Zgn verlangen was alleen, dat zg in hunne >ge- 



*) R. S.-6. 9 Nov. 1688. — R. H. 3 Dec. 1638. — Inatr. der ambass. v. 
1689. — Aitzema, Saken v. Staot. II p. 588. 
») R. S.-G. 18 Oct. 1688. 
•) Miu. V. Van Cracouw aan de Stu-Gea. dd. 18 Nov. 1638, in:!. I). 1638. 

18* 



276 

purende schranken'* blijven zonden, en hg was dan ook voor- 
nemens nieuwe vreemde indringers te weren. Mits de Neder- 
landers de Deensche walvischvaarders niet hinderden, wilde hg 
alles doen om de visscherg van beide natiën te bevestigen en te 
verzekeren. Inbreuken op zgne koninklijke rechten wenschte hg 
echter gestraft te zien >). 

Op deze gunstige verklaring volgde echter niets. VanCraconw 
wachtte maandenlang eene nadere beslissing, maar te veigee£i. 
En weldra bleek het, dat de zaken weder geheel van aanzien ver- 
anderd waren en er niets goeds meer van den koning te hopen 
was. Het onderzoek, dat Z. M. aan Van Craconw beloofd had 
in de zaak van Vhlefeldt te zullen doen , schgnt ten nadeele der 
Nederlanders afgeloopen te zjjn : de admiraliteit van Kopenhagen 
besliste 25 Februari 1639 , dat Vhlefeldt geheel volgens zgne 
Instructie gehandeld had en dat daarentegen de Nederlanden 
door het bevrijden der twee gearresteerde schepen gehandeld 
hadden als >me7needige schelmen," die 's konings jurisdictie ge- 
schonden hadden *). Christiaan IV, om politieke redenen weder 
minder vriendschappelijk dan vroeger jegens de Staten-Oeneraal 
gezind, nam de houding aan als wilde hg volgens dit vonnis 
handelen ; er liep een gerucht , dat de sterke uitrusting , dit voor- 
jaar in Denemarken gedaan, tegen de Nedorlandsche walvisch- 
vaarders gericht was *). Dadelgk werden nu de sinds lang 
rustende onderhandelingen door Van Cracouw op verzoek 
der Noordsche Compagnie weder opgevat *). Weder stelde 
hg de oude eischen, schadevergoeding en verzekering voor 
het vervolg, maar de zaak vorderde ditmaal geheel niet. Van 
de Nederlandsche voorslagen tot regeling der visscherg werd 
niet meer gerept, en terwijl men den resident na lang- 
durige onderhandelingen met den kanselier Fries tot het ver- 
krggen van schadevergoeding naar den aanstaanden Deenschen 
rgksdag en vandaar weder naar de justitie verwees, bleef de 
koning eene nieuwe schriftelijke verklaring van zgne goede 
bedoelingen jegens de Noordsche Compagnie weigeren met de 
verzekering, dat hg zich aan de nota van 9 November bleef 



') Mi88. V. Van Cracouw aan de Sta.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L D. 1688, 
eu de verklariug van 9 Noveuibcr, die als bijlag bij den brief vnn Vau Cra- 
couw dd. 18 November ia gevoegd. 

*) Aitiema, Saken v. Staet. II p. 629. 

*) Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629. — Instr. der ambaas. y. 1689. 

*) Zie over Van Cracouw's onderhandelingen tot de aaukomdt der N'edcrlaiKl- 
8che ambassade: Missive v. Van Cracouw aan de Stu.-Gen. dd. 4. 11 Mrl.. 14 Apr.. 
6 Juni 1689, iu: L. I). 1639. — R. S.-G. 24, 29 Mrl. 1639. — R. H. ;;4. 
26 Mrt. 1689. — Miss. v. de Stu.-Geu. aan Christ. IV en aan Vao Cracoaw 
dd. 29 Mrt. 1689, iu : L. D. 1639. 



277 

hoaden. Toch was het moei^^lyk door dergelgke betuigingen 
geinistgesteld te worden, terwijl de Deensche regeering hardnek- 
kig weigerde aan het goede recht der beide schepen te geloovcn, 
ierwgl de verhalen over de uitrusting van Deensche oorlogschepen 
toenamen ^), en ter wyl er zelfs voor de Kopenhaagsche admiraliteit 
geprocedeerd werd tusschcn Vhlefeldt en Johann Braem , nog steeds 
het hoofd der Deensche compagnie voor de walvischvangst , wie 
de oorzaak was geweest van het ontsnappen der schepen en dus 
de schade aan den vertoornden koning moest vergoeden. De meest 
tegenstrgdige geruchten waren te Kopenhagen in omloop. Ter- 
wgl de een verzekerde, dat de Noordscho Compagnie, voorzien 
van >een nieuw vast Octroog bg alle de Pro vintien geconfirmeert", 
hare uitrustingen zou moeten •>besngden" en eene overeenkomst 
met de Deensche compagnie treffen over de onderlinge verhouding 
harer uitrustingen >), wisten anderen te verhalen, dat niets dan 
het verkrggen eener recognitie het geheime doel van den Deen- 
schen vorst was; alle moeielgkheden , meenden dezen, zouden 
plotseling eindigen , wanneer men hiervan slechts repte '). Do 
ware bedoelingen van Christiaan IV bleven zoodoende een geheim, 
maar toch scheen er reden om ernstig ongerust te zgn. 

Qeen wonder dan ook, dat de Noordsche Compagnie op maatregelen 



*) Die Yerhalen bleken echter onjaist ; lang schgct men geweifeld te hebben , 
eindel^k bleyen de schepen liggen. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. 
ód. n Mrt., 28, 81 Mei, 6 Jnni 1689, in: L. D. 1689.) Nog den 9 Angnstus 
waren z^ niet vertrokken. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gcn. dd. 9 Aug. 
1689, in: Verbaal der ambassade van 1689.) 

*) Als reden daarvoor werd opgegeven, dat «de traen in reputatie gehouden" 
moeat worden, en dat bg voortduring van concurrentie de beide compagniën 
^aieh souden consumeeren" en de vaart op Spitsbergen te niet gaan. (Miss. v. 
Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1689, in: L. D. 1689.) 

*) Toch geloof ik niet, dat dit nu de bedoeling van Christiaan IV was. Uit 
allerlei omstandigheden blijkt dit overtuigend. Om iets te noemen: men be- 
weerde, dat Vhlefeldt na het nemen der beide schepen aan alle Nederlandsche 
walvisehvaarders eene generale insinuatie en protestatie had laten beteekenen , 
waarby hg hun uit naam van den koning op hooge boeten verbood, voortaan 
londer Deensche commissiën en verlofsbrie ven aan Spitsbergen te verschgnen. (Miss. 
der Stn.-6en. aan Chr. IV dd. 29 Mrt. 1689, in: L. D. 1689.) Deze handeling 
werd te Kopenhagen dadelijk gedesavoueerd, als zonder last gedaan. (Miss. v. 
Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. U Mrt. 1689, in: L. D. 1689.) Misschien 
had de insinuatie van Vhlefeldt betrekking op de visscherg aan de Noordkaap, die 
altgd aan vreemdelingen verboden was. (Zie hiervoor p. 2 iO Noot 1.) DeDevnsche 
oorkïgschepen werden ten minste in volle zee op verren afstand van Spitsbergen het 
eerst gezien , en* de kanselier Fries verklaarde bg deze gelegenheid nitdrukkelgk , 
dat zgn meester niet voornemens was de walvischvangst aan de Noordkaap zonder 
xqne paspoorten toe te staan, terwgl Van Cracouw daarbij opmerkte, dat Z. M. 
nsich scheen te asscribeercn Dominium Maris Septentrionalis Norvegici." 
(Misa. V. Van Cracouw aan de Stn.-Geo. dd. 11 Mrt. 1689, in: L. D. 1689.) 



278 

bedacht was om zich te verdedigen. Herhaaldelijk had zg reeds 
op het laatst van 1638 bij de Staten-Generaal op bgstand aange- 
drongen. In den beginne had zg alleen verzocht om voorlichtiiig, 
hoe zich den volgenden zomer jegens de Denen te gedragen ^); 
maar toen de Staten daarop geen voldoend antwoord konden 
geven, had zy bepaalde maatregelen tegen hare vganden geSischi. 
Zg wenschte de hernieuwing van het plakkaat van 1638 tegen 
de inbreuken op haar octrooi , verbod of zware belasting van den 
invoer van traan en baarden, eindelijk bgstand mot een oorlog- 
schip *), >niet soo seer tot assistentie (want sj waren den Deenen 
wel ghewasse