(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde"

}'^.X^ 













.=3Atllii2, 



GESCHIEDENIS 



NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE. 




GESCHIEDENIS DER 
NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE 



D.OOR 



G. KALFF, 

HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-ÜNIVERSITEIT TE LEIDEN. 



ZEVt:XDE DEEL. 



TE (',R0XIX(;EX bij J. B. WOLTERS' ü. -M., 1912. 



STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOUTERS. 




VOORREDE. 



Over mijn opvatting van literatuur en literatuurgeschiedschrijving 
heb ik in dit boek met opzet gezwegen (zie VI , 38). Hier schijnt het 
mij echter wenschelijk, den lezer een kleine inlichting te geven om 
mogelijk misverstand te voorkomen. 

Boek VIII dezer Geschiedenis (De Nieuwe Tijd) handelt over de beide 
eerste auteursgeslachten der IQde eeuw; over het derde geslacht, dat 
tusschen 1870 en 1880 in onze letterkunde optreedt, en het vierde 
(de „generatie van '80") wordt hier maar weinig medegedeeld. Het 
zou kunnen zijn, dat deze verdeeling der stof door sommigen in 
verband werd gebracht met den omvang van dit deel ; met het oog 
op die mogelijkheid acht ik het wenschelijk te verklaren dat er geen 
verband van dien aard bestaat. Ook al ware de omvang van dit deel 
geringer, dan zou ik mij toch onthouden van een poging om de 
twee laatstgenoemde auteursgeslachten hier te behandelen : den tijd 
daartoe acht ik nog niet gekomen, mij zelven in allen gevalle daartoe 
niet in staat. Het geestesleven van de tweede helft der IQiie en den 
aanvang der 20ste eeuw is zóó wonderbaar samengesteld en inge- 
wikkeld; de samenhang tusschen het maatschappelijke en het geestelijke, 
het nationale en het vreemde of internationale zóó moeilijk te onder- 
kennen , dat ik mij daarvan vooralsnog geen voorstelling kan vormen 
die als grondslag zou kunnen dienen voor een literatuurbeschouwing. 
De lezing van Chamberlain's Die Gmndlagen des IQe^ jahrhunderts 
baat weinig aan wie hier voorlichting zoekt en toont vooral , hoe 
zeer deze talentvolle wildeman de zwaarte zijner taak heeft onderschat 
en zijn eigen krachten overschat. Veel hooger schijnt mij Ziegler's 



Die geistigen and sozialen Strömiingen des neiinzehnten Jahrhanderts 
te staan; doch Ziegler spreekt slechts over Duitschland. Het ver- 
zamelwerk Eene Halve Eeuw (Amst. 1898), dat de tweede helft der 
IQde eeuw behandelt, geeft hier en daar belangrijke aanwijzingen; 
doch wie kan zich ééne voorstelling vormen uit die 36 overzichten , 
samengesteld door 35 mannen en 1 vrouw , die hunne taak op zoo 
verschillende wijze hebben opgevat en vervuld? 

Daarbij komt , dat de invloed van vreemde literaturen op de onze 
sterk is geweest ook gedurende de laatste veertig jaren. Een omvang- 
rijke kennis dier vreemde literaturen is noodig voor wie de onze wil 
bestudeeren , zoowel om het eigene te kunnen scheiden van het ont- 
leende, als om de letterkundige stroomingen van dezen tijd te leeren 
kennen, die bij groote volken doorgaans duidelijker te onderscheiden 
vallen. De West-europeesche literatuur van de laatste veertig jaren is 
mij niet onbekend ; maar ik zou haar veel beter moeten beheerschen , 
eer ik mij in staat zou achten tot het vormen van een algemeen oordeel. 

Ten slotte: ik acht den tijd voor een wetenschappelijke behandeling 
van dit deel onzer literatuurgeschiedenis nog niet gekomen , ook 
omdat wij hier — in veel hooger mate dan bij de beschouwing van 
vroegere tijden - belemmerd worden door onze, toch al onvermijde- 
lijke, subjectiviteit. Wij staan te dicht bij die auteurs, grootendeels 
onze tijdgenooten , om ze met voldoende onbevangenheid te kunnen 
beoordeelen ; de meesten hunner leven en werken nog ; een oordeel 
over hun wezen en hun waarde voor ons volk laat zich bezwaarlijk 
vormen , vóórdat hun werk als een afgesloten geheel vóór ons ligt ; 
wij missen te zeer de hulp van den Tijd, die met zijn wan het 
kaf van het koren zal scheiden. 

Belangwekkend acht ik onze letterkunde der laatste veertig jaren in 
hooge mate; doch voor den geschiedschrijver die meer wenscht te 
geven dan ecu samenstel van namen , titels, jaartallen, inhoudsopgaven 
en enkele eigen indrukken, een al te zware stof ter bewerking. 



G. K. 



INHOUD. 



BOEK VII. 

DE LITERATUUR TIJDENS DE REGEERING VAN 
KONING WILLEM I. 

Blz. 
Inleiding 1 

De Poëzie. I. (Ockerse. A. Kleyn. Feith. Kinker. Van Hall. Loots. 

Staring. Tollens). II. (De Klyn's. Borger. Ten Brink) ... 15 

Bilderdijk en de zijnen (Da Costa en De Clercq) 6Q 

De strijd der Romantiek 109 

Het Proza (De Halbertsnia's. Vosmaer. Geel) 129 

Drama en Tooneel 154 



BOEK VIII. 

DE NIEUWE TIJD (DE ZEGEPRAAL DER RO.MANTIEK). 

I. 1830-1848 185 

Het oudere geslacht en zijn geestverwanten (Tollens en Spandaw. 
Da Costa. Withuys. Bogaers en Boxman. Van den Bergh en 
Van Zeggelen. Limburg Brouwer) 192 



Blz. 

Het eerste geslacht tot 1848 215 

1. De mannen van De Gids (Drost. Heye. Bakhuizen van den 
Brink. Potgieter). 

2. Invloed van Scott en Byron (J. van Lennep. Van der Hoop. 
Meijer. Hofdijk. Oltmans. Toussaint) 258 

3. Romantiek en Reactie (Van Koetsveld. Hasebroek. Beets. 
Kneppelhoiit. Ter Haar. Winkler Prins. De Hoop Scheffer. 
Ten Kate. De Groningers. Des Amorie van der Hoeven Jr. 
Alb. Thijm) 300 

4. Drama en Tooneel 359 

5. Poëtiek en Critiek. Ontwikkeling der Literatuurgeschiedenis) 369 

6. Literatuur en Tooneel in Vlaamsch-België 390 

II. 1848 1870. 

Het eerste geslacht en het tweede geslacht 427 

Tollens. Spandaw. S. J. v. d. Bergh 431 

Da Costa 434 

Potgieter en Busken Huet 442 

De mannen \'an De Ncderlandsche Spectator (Lindo en Mulder. 

Vosmaer. Cremer en Keiler) 476 

Van Lennep. De Schoolmeester 501 

Geschiedenis en Landschap (Hofdijk. Sloet tot Oldhuis) . . . .514 

Bosboom -Toussaint. Schimmel 520 

De Orthodoxie in de literatuur (Van Koetsveld. Beets en Hase- 
broek. Ten Kate en Ter Haar. Alb. Thijm) 534 

Het Modernisme in de literatuur (De Génestet. Pierson. Haver- 

schmidt. De Veer) 557 

Malcontenten en Hervormers (Van Vloten. Multatuli) 579 



Blz. 
III. 1870 tot heden. 

Malcontenten en Hervormers (Potgieter. Huet en Multatnli. Van 

Vloten. Pierson) 611 

Liberalen en Modernen (De Spectator-Club. De Veer. Haverschmidt) 649 

Hofdijk. Schimmel. Bosboom -Tonssaint 662 

De Orthodoxie in de Literatuur (Beets en Hasebroek. Ter Haar 

en Ten Kate. Alb. Thijni) 674 

Drama en Tooneel (Bosscha en Mulder. Schimmel) 687 

Literatuur en Tooneel in Vlaamsch-Belgic 705 

Besluit 748 



BOEK VII. 



DE LITERATUUR TIJDENS DE REGEERING 
VAN KONING WILLEM L 



INLEIDING. 

De „nacht van Holland" was voorbij ; de nationale zelfstan- 
digheid herkregen, zij het slechts voor een deel door eigen 
kracht. Uit ons volk, ontnuchterd, verarmd, verzwakt, waren 
de kracht en de moed geweken , noodig om zijn onafhankelijk- 
heid met sterke hand te hernemen , toen de geweldige Korsikaan 
eindelijk zijn val nabij was. Slechts enkelen in Holland, dat ook 
nu hart des lands bleek, durfden de handen uit de mouw 
steken ; hier en daar begonnen de oranje-kokardes te flikkeren 
als vlammetjes van hoop; Prinsgezinden en Patriotten, voor 
het eerst de oude tweedracht ter zijde stellend, verwelkomden 
met blijdschap of verrukking den vorstelijken balling te Scheve- 
ningen, weldra als Souverein Vorst te Amsterdam gehuldigd. 
Menigeen, die de nationale driekleur met Oranje-wimpel zag 
hijschen op het Paleis te Amsterdam, sprongen de tranen in 
de oogen; jongeren als Withuvs en de Clercq, die haar zagen 
wapperen , dachten vol aandoening aan „al de roem van vroeger 
eeuwen"; ouderen als Barbaz en Barend Klyn begroetten 
de vlag, waar zij golfde van mast en roer der schepen op het 
IJ of verheugden zich bij de gedachte, dat het Oranje-lint nu 
„geen merk van Prinsenklant", maar ,,de kleur van 't Vader- 
land" was. 

Die eerste geestdrift kon niet duren; toen de Koning te 

wapen riep, kwamen slechts eenige duizenden vrijwilligers op; 

de vrijwillige giften vielen niet mee. Meer toewijding en kracht 

toonden de Nederlanders, toen gedurende de honderd dagen 

hun pas herkregen zelfstandigheid op nieuw werd bedreigd; 
KALFF, Letterkunde, VII. 1 



Quatre-Bras en Waterloo verhoogden het nationaal zelfbewust- 
zijn niet weinig. Vooral dat aandeel in den strijd tegen Napoleon 
gaf ons volk aanspraak op waardeering van de zijde der groote 
mogendheden die, na Napoleons val, geroepen waren de orde 
in Europa te herstellen. De hooggespannen verwachtingen van 
Falck: „alles tot aan de boorden van de Moezel wederom aan 
Frankrijk ontrukt en Hollandsch gemaakt", werden niet ver- 
wezenlijkt; doch België aan Nederland toegevoegd en zoo het 
Koninkrijk der Vereenigde Nederlanden gevormd. 

Mogen wij den ons van vroeger bekenden Willem Emmery, 
baron de Perponcher als een van de tolken der openbare 
meening beschouwen, dan was men aanvankelijk vol goede 
verwachting voor de toekomst van het nieuwe koninkrijk; in 
de Opdracht van zijn Joseph of de Broederhaat {2^ stukje , 1815) 
aanvangend met: „Heil aan den Koning" lezen wij: »Ja aldus 
werden Vorst en Volken, door wederzijdsche hoogagting,. 
bewondering en liefde aan een gehegt; het nieuwe Koningrijk, 
op deeze gronden van Eendragt, onwrikbaar vast gevestigd; 
en wij kunnen nu de gloriedagen van Maurits en Frederik 

Hendrik zien herleeven Den Ouden Staat zagen wij 

ondergaan en nu worden wij opgeroepen om eenen Nieuwen 
Staat te helpen stichten, die nog meer bloei en magt, dan de 

vorige verkrijgen kan Wij moeten eene nieuwe 

vereeniging stichten tusschen twee Volken; en daar toe zijn 
veranderingen, opofferingen, mededeelingen van voordeden, 
overneeming van lasten, en veelerlei nieuwe werkzaamheden 
noodig. De taak is moeilijk, maar hoe groot ook het belang, 
hoe heerlijk de vrugt." 

Reeds de naaste toekomst zou toonen, hoe de toenmalige 
machthebbers zich vergisten, toen zij twee volken, zoozeer 
verschillend in nationaliteit, geloof en andere voorname dingen , 
in één staatsverband brachten. Voorloopig had die samenvoeging 



geen nauwer aanraking ten gevolge; elk had genoeg te doen 
in eigen huis. 

Over de ZuideHjke Nederlanden zullen wij eerst later handelen; 
hier eischen de Noordelijke onze aandacht. Wat zien wij er, 
nadat de rust was teruggekeerd en de nieuwe orde van zaken 
een aanvang had genomen? 

Een stemming van weeke dankbaarheid als van iemand, pas 
aan groote gevaren ontsnapt; een toestand van overspanning, 
nawerking dier doorstane gevaren, die den blik voor de even- 
redigheid der dingen benevelde; een sterk verlangen naar het 
behoud van de, met inspanning en opoffering verkregen , vrede 
en rust. Men dankte den God van Nederland voor de redding 
uit Napoleons macht; men beschouwde zich nog altijd, gelijk 
de Israëlieten vanouds, als Gods uitverkoren volk. Het herstel 
der nationale onafhankelijkheid kon, met allen eerbied voor de 
moedige mannen die er den stoot toe gaven, bezwaarlijk een 
grootsche daad heeten ; doch er bestond een sterke neiging het 
daartoe op te blazen. 

De vaderlandslievende oude admiraal Van Kinsbergen schreef 
zelfs een wedstrijd in het blazen uit en spaarde geen geld om 
mededingers te lokken : / 700. - voor een «geschied- en rede- 
kunstig gedenkstuk van de verlossing en herstelling van Neder- 
land in 1813, in den smaak der ouden, vooral van Sallustius"; 
dezelfde som voor „het bezingen van de opgemelde belangrijke 
gebeurtenis in een uitvoerig Nederduitsch Dichtstuk, in Alexan- 
drijnsche versmaat"; ƒ 500.-- voor een „krachtvollen Neder- 
landschen Lierzang"; ƒ 500. - voor «een volkslied, met de 
daartoe behoorende muziek". Van der Palm, die met zijn 
Geschied- en Redekonstig Gedenkschrift (1816) de gelukkige 
winner was van de eerste ƒ 700. - , toonde een langen adem 
te bezitten. Over dat Gedenkschrift als letterkundig werk spreken 
wij later; hier hebben wij te doen slechts met den geest, waarin 



het is opgesteld. De eerbiedwaardige mannen , die het bekroon- 
den, (Cras, Hooft, D. J. van Lennep, M. C. van Hall) 
bewonderden Van der Palm's werk zoowel om zijn vorm als 
om zijn inhoud; wij, die het nu lezen, moeten wel een onaan- 
genamen indruk krijgen van Van der Palm's opschroeverij 
eenerzijds, zijn omzichtig erkennen der verbloemde waarheid 
anderzijds. Ook elders trouwens, in Spandaw's verzen van 
dien tijd b.v. , vinden wij dat opblazen van den heldenmoed 
der Nederlanders; dat aanblazen van „den heilgen gloed", die 
slechts door veel wind gaande gehouden kon worden. 

Nog onverkwikkelijker is de houding, door een groot deel 
van ons volk tegenover Napoleon aangenomen. Dat men den 
dwingeland vreesde, haatte, verfoeide, was begrijpelijk en ver- 
gefelijk. Maar weerzinwekkend waren de slaafsche onderdanig- 
heid en gehuichelde blijdschap bij zijn zegetocht door ons 
land; weerzinwekkend ook het schelden en tieren na zijn val; 
de gemeenzame grapjes over »Nap", gelijk wij ze hooren van 
knechts, nadat de baas zijn rug heeft gewend. Zulke grapjes 
werden ten beste gegeven o. a. in den „vrolyken vriendenkring" 
te Haarlem (vermoedelijk „Democriet"), waar Mr. Jan ten 
Brink, rector der Latijnsche scholen, zijn gedicht voordroeg, 
aanvangend : 

Waarde vrienden! 't is dan zeker: 
Nap is eindlijk in de val. 

Een grap van dat allooi was ook de straf door „een geestig 
man" onder des rectors kennissen voor „Nap" bedacht: men 
moest hem „in een schamel kruijers-pak" koffie, suiker en 
tabak laten sleepen, hem een beetwortel in de handen geven 
om aan te zuigen en hem dan vragen: „is 't niet lekker, Nap?" 

Men kan twijfelen, welk gevoel bij zulke uitingen van een 
vernederd en vertrapt volk sterker in iemand zal zijn: weerzin 



of medelijden; doch niet betwijfeld kan worden, dat de oude 
kracht en fierheid uit zulk een volk geweken waren. 

Daarvan worden wij overtuigd ook, wanneer wij kennis maken 
met het werk van een tweeden prijswinner in Van Kinsbergen's 
wedstrijd: Tollens' Wien Neerlandsch bloed. Niet alleen de 
bovengenoemde beoordeelaars, ook andere hoogstaande mannen 
van dien tijd (Kinker, Van der Palm, Borger, Des Amorie 
VAN der Hoeven, Loots, Wiselius) prezen dat lied als «het 
volkomen uitdruksel van den geest en der gevoelens van de 
natie." Zoowel de uitspraak der jury als het oordeel dier 
mannen geven aan het Wien Neerlandsch Bloed - hoe laag 
wij het ook als dichtwerk stellen - voorname historische 
beteekenis. Tollens' buigzaam karakter en talent stelden hem 
in staat te voldoen aan alwat Van Kinsbergen had gevraagd: 
in de antwoorden mocht niets voorkomen, dat de vroegere 
partijschappen verlevendigde - van patriot noch prinsgezinde 
werd hier gerept; «voor vaderland en vorst" was het refrein, 
dat — kon het onpartijdiger? telkens afwisselde met „voor 
vorst en vaderland"; eerbied voor den geliefden Koning moest 
worden ingeboezemd — vandaar de «troon, op duurzaam regt 
gebouwd" en de «deugd" waardoor zijn kroon vooral moest 
blinken; aan onverdraagzaamheid jegens andere volken mocht 
geen voedsel worden gegeven — de «kleumsche Gal" en de 
«verwaten Brit" die het vroeger zoo hard te verantwoorden 
hadden, werden hier met rust gelaten. 

Maar toch, hoe Tollens ook zijn best had gedaan, zijn 
Nederlandsche natuur bleek sterker dan de leer van Van 
Kinsbergen met zijn vijfhonderd gulden: reeds dadelijk bij 
den aanvang immers was hem dat „van vreemde smetten vrij" 
ontglipt, waarin de oude nationale zelfgenoegzaamheid zich zoo 
duidelijk vertoont. Die zelfgenoegzaamheid is een der karakter- 
trekken van het lied, waarin wij den geest en de gevoelens 



van het toenmalig Nederlandsche volk uitgedrukt zien; daarnaast 
zien wij echter andere: het geloof in Neêrlands God, die 
«na 't zalig koor// Dat hooger snaren spant" het eerst naar 
't Wien Neerlandsch bloed luistert; de verlichting die moet 
gloeien „voor mensch en broeder"; de beschouwing van het 
volk als één huisgezin met den vorst tot vader; eindelijk de 
opgeschroefde geestdrift die telkens verzekert, dat zij „gloeit", 
„zwelt", „diep geroerd" is, juist omdat zij het tegendeel beseft; 
het slappe, kieurlooze, klam-gevoelige van dit nationale lied, 
dat zeker nooit zoo lang geleefd zou hebben, indien zijne 
melodie het niet gedragen had. 

Het Geschied- en Redekonstig Gedenkschrift en het Wien 
Neerlandsch Bloed leveren deugdelijk materiaal aan wie trachten 
wil, zich eenige voorstelling te vormen van den algemeenen 
toestand der geesten in het Koninkrijk der Vereenigde Neder- 
landen; Van der Palm en Tollens mogen beiden gelden 
als typen van ons volk uit dien tijd. Naast hem staan echter 
anderen, die onze aandacht eischen; behalve de genoemde 
verschijnselen uit ons volksleven na 1813 zijn er andere, waar- 
mede wij rekening moeten houden, om onze voorstelling niet 
al te onvolledig te laten blijven. 

o Nacht van Holland ! waar de schare 
Slechts sombre duisternisse in ziet 

schreef Potgieter terecht in zijn schoon dichtstuk Ter Ge- 
dachtenisse. Inderdaad, de groote menigte heeft ook later weinig 
oog gehad voor het goede, dat de jaren van vernedering, 
verdriet en ellende met zich hebben gebracht. Thorbecke keek 
scherper, toen hij schreef: „De inlijving deed ons op eenmaal 
een stelsel van wetgeving deelachtig worden, dat ons over 
menig beletsel heen voor goed op den weg der algemeene 



hedendaagsche ontwikkeling heeft geplaatst." Het weer zelfstan- 
dig geworden volk ging natuurlijk ten deele voort langs de 
paden , waarop wij het vroeger zagen ; verlichting en rationalisme 
bleven de gemoederen der meeste toongevers beheerschen. 
„De godsdienstigheid van wie het ook zij, af te meten naar 
het kerkgenootschap, waartoe hij behoort", wordt in 1823 
„ongerijmd' genoemd door H. H. Klyn in het voorbericht 
van De Heldendood van M. A. de Ruiter; dat een dissenter 
als de doopsgezinde hoogleeraar S. Muller in 1827 door de 
Theologische Faculteit te Leiden doctor honoris causa gemaakt 
werd, was een daad van bijzondere liberaliteit. Kant's wijsbe- 
geerte vond nog steeds bewonderaars en navolgers ; maar tegen 
FiCHTE en Schelling waarschuwde Van der Palm de 
hoorders zijner Redevoering op E. A. Borger; in het werk dier 
wijsgeeren zag hij slechts: „praalzucht, buitensporige nieuwig- 
heidsjacht en een geheime zamenzvvering, om onder allerlei 
gedaanten den Godsdienst der Bijbelsche Openbaring te ont- 
zenuwen." Om „den afschuw voor Slavenhandel in ons Vader- 
land levendig te houden", vertaalde Van Dam van Isselt het 
gedicht Hassar of de Negers (1829) uit het Fransch. De 
vrijmetselaars namen toe in bloei en invloed; in 1816 zien wij 
zelfs Prins Frederik als Grootmeester aan hun hoofd; meer 
dan een letterkundige van naam was in d^zen tijd lid hunner 
orde: H. H. Klyn en zijn vriend Mr. Jan van 's-G raven- 
weert, WiTHUVS; Van Dam van Isselt, die het in 1837 
zelfs tot Grootredenaar bij het Groot Oosten bracht: een 
waardigheid die Van 's-Gravenweert vóór hem bekleed had. 
De glans van het wereldburgerschap was aan het tanen; 
maar dit ideaal der verlichting had toch den blik van velen 
verruimd, de belangstelling voor andere volken verlevendigd; het 
nationaliteitsgevoel zelfs had zijn invloed ondervonden en leerde 
breeder vlucht nemen: men begint den blik te richten naar 



elders wonende stamverwanten ; toen D. J. van Lennep op een 
lezing in Felix Meritis (1817) betreurde, dat de betrekkingen 
tusschen ons volk en zijne voormalige koloniën in Noord- 
Amerika, Zuid-Amerika en Zuid-Afrika hadden opgehouden, 
opende hij voor het nationaliteitsgevoel een nieuwe bron, die 
in de toekomst rijkelijk zou gaan vloeien. 

Niet ieder was zoo ingenomen met het Wien Nterlandsch 
Bloed als David Jacob van Lennep en zijne mede-juryleden 
in den Van Kinsbergen-wedstrijd : sommigen vonden het lied 
«niet populair genoeg, te statig, te deftig, te gerekt, te lang- 
wijlig," zooals Tollens' levensbeschrijver Schotel ons vertelt. 
Anderzijds waren juist die statigheid en deftigheid eigenschap- 
pen, waardoor het in den smaak der meerderheid viel; want 
deftig waren de Nederlanders gebleven ondanks alle gelijkheid 
en broederschap. Wat de levensbeschrijvers van D. J. van 
Lennep, (Sybrandi en Siegenbeek) bijzonder had getroffen, 
was Van Lennep's „eigenaardige vriendelijke deftigheid", zijne 
„minzaamheid .... veelal door zekere deftigheid getemperd"; 
met die deftigheid strookte het poeder op zijn hoofd, zij open- 
baarde zich in zijn „deftige kleeding." Maar ook wie niet 
behoorden tot de patriciërs van 1748, geen buitenplaats bezaten 
en het poeder hadden afgezworen, bleven deftig. Hoe deftig 
is - om van Bilderdijk te zwijgen - Van der Palm, die 
de matrozen „vlotelingen" noemt en de studenten aanspreekt 
met: „edele jongelingen, die de Leydsche Hoogeschool ver- 
siert"; hoe deftig zien veel mannen van naam dier dagen eruit 
in hun gekleeden rok met opstaanden kraag en stropdas, met 
hun ridderkruis van den Nederlandschen leeuw - Fransche 
uitvinding die van menschenkennis getuigde — op het hart; 
hoe deftig schijnen ons de Haarlemsche en Amsterdamsche 
burgers van dien tijd, waar wij een enkelen keer een kijkje 



kriji'^en in hun dagelijksch leven, hetzij wij hen zien op een 
bur;Teriij k-statige theepartij in een buitentuin of bij een huis- 
bezoek, waar zij met halfgesloten oogen en gevouwen handen 
zitten te luisteren naar de deftige toespraak van den predikant. 

De oudvaderlandsche ruwheid , keerzijde der oudvaderlandsche 
kracht, was niet verdwenen, maar toch getemperd, naarmate 
die kracht afnam. Onder den invloed van Frankrijk was reeds 
in de IS^^^ eeuw een uiterlijke verfijning der zeden begonnen, 
die bleef doorwerken. Op zich zelf natuurlijk een heuglijk 
verschijnsel, doch heuglijk alleen voorzoover de ontwikkeling 
van het uiterlijk hier samenging met innerlijke ontwikkeling. 
Een warm vaderlander als Wiselius , dien niemand behoudziek 
of „laudator temporis acti" zal noemen, was in dit opzicht niet 
geheel gerust; in het Voorbericht zijner Mengel- en Tooneel- 
poezie (181S) lezen wij: „want het schijnt, dat de hedendaagsche 
zedigheid veel kittelooriger is dan die der Vaderen , indien maar 
niet bij ons de kuischheid in den mond doch de dartelheid in 
het hart schuile, en men nu zoozeer op vijgenbladeren gesteld 
is, alleen omdat men zich zelven bewust is naakt te zijn." 

Geen ding was er, dat al die deftige burgers van kitteloorige 
zedigheid begeerlijker voorkwam dan rust en vrede. Inderdaad, 
daarvoor bestond alle reden! Geslingerd door velerlei wind 
van nieuwe leering, geschokt door verdriet en ellende, vermoeid 
van indrukken en aandoeningen, wenschten de bewoners van 
het nieuwe Koninkrijk niets liever dan te mogen voortwerken 
aan den opbouw van hun pas hersteld volksbestaan. Van den 
boom der partijschap hadden zij gegeten en de oogen waren 
hun opengegaan. Dien boom zouden zij liefst met wortel en 
tak hebben uitgeroeid; alvast scherpten zij hunne bijlen en 
vielen aan het kappen. „Een werkzame en hartelijke gezindheid 
voor de eer en het waar belang des Vaderlands, verwijderd 
van alle sektenhaat en staatkundige partijschap" — daarop 



10 

hoopte de jury in den Van Kinsbergen-wedstrijd als de meest 
wenschelijke uitwerking van Van der Palm's Gedenkschrift. 
Van der Palm zelf zwaaide de bijl met lust; had het slechts 
aan hem gelegen, de Nederlanders waren hedentendage een 
volk van lieflijk samenwonende broederen. In zijn Vaderlandsche 
Uitboezeming , kort na het herstel onzer nationale onafhankelijk- 
heid, roept hij uit: „Verdwenen is de tweespalt der overheden, 
verdwenen de haat der burgeren! Verdwenen zijn de luchtkas- 
teelen, de droomerijen der bespiegeling, door geene wijze 
ervarenis bekrachtigd ! Ieder brengt op het altaar des Vaderlands 

het offer zijner bijzondere gevoelens Wat zeg ik? Zij 

bestaan niet meer! Eén hart en ééne ziel is het hart en de ziel 
van allen!" Dreigend klinkt het een eind verder: „Die het eerst 
het zaad der partijschap zou willen zaaijen, wie hij zijn moge, 
op hem kome de vloek der natie!" 

De welmeenende Hendrik HarjMEn Klyn, die het - in 
proza - niet tot zoo hooge vlucht brengen kon, was omtrent 
de eendracht met Van der Palm eensgezind; in den brief aan 
Kemper, die zijn dichtwerk De Heldendood van M. A. de 
Ruiter voorafgaat, lezen wij o. a. : „ga voort om den Neder- 
lander het gevaarlijke, het zinneloze te doen inzien, dat er in 
ligt, door het opscheuren van oude wonden eenen partijgeest 
te hernieuwen, die enz." 

Naast dat vurig verlangen naar eensgezindheid en eendracht 
zien wij den wensch naar terugkeer van de oude welvaart. De 
bede tot God, waarmede Van der Palm zijne Vaderlandse/ie 
Uitboezeming besloot: „Dat gewesten, steden en vlekken; edelen, 
aanzienlijken en burgers; stad- en landbewoners, door éénen 
wil geleid, tot één doel gerigt, als één gelukkig huisgezin, de 
zegeningen eens Vaderlijken bestuurs mogen smaken" — begon 
reeds in vervulling te gaan. Langzamerhand herstelden handel, 
landbouw en nijverheid ztch; de Nederlandsche Handel-Maat- 



11 

schappij werd opgericht; de Nederlander keerde weer tot zijn 
oude hefde: het droogmaken van plassen; ditmaal zou de 
Haarlemsche waterwolf niet ontkomen aan het lot, hem reeds 
voorlang door Leeghwater toegedacht. Overal werden kanalen 
en wegen aangelegd. Het verkeer begon Van der Palm zelfs 
te druk te worden: die straatwegen aangelegd langs „onafzien- 
bare regte lijnen, die alle afwisseling van verschieten, en alle 
aangename verrassing buiten sluiten," smaakten hem weinig; 
„ach mogten wij nog langs den liefelijken Vechtstroom kron- 
kelen!" zuchtte hij. En waartoe al die rechte wegen? Om „met 
den meesten spoed van A. tot B. te komen," antwoordde de 
Wiskunde. „Met den meesten spoed" - herhaalde weemoedig 
de redenaar over Eenheid en Verscheidenheid „in het Winter- 
saisoen des jaars 1829"; „ach ! dat men thans zoo veel en in alles 
zoo overgroote haast heeft, om te komen waar men wezen wil!" 
Hier zien wij een nieuw element zijn intrede doen in ons 
volksleven: de zenuwachtige haast die sindsdien steeds is toe- 
genomen. Van zenuwachtig niogen wij spreken in dezen tijd, 
nu dat woord in zwang komt ; waarin een bevoegd beoordeelaar , 
de Medicus Jacob Vosmaer, van het woord zenuwen getuigde: 
«dat er zeker weinig woorden zijn, welke op het tooneel der 
wereld eene gewigtiger rol spelen." In hoever het samengesteld 
physio-psychologisch verschijnsel, hetwelk wij met dat ééne 
gebrekkige woord zenuwen trachten aanteduiden, samenhangt 
met den invloed der sentimentaliteit, kunnen wij niet uitmaken; 
maar Vosmaer's voorspelling: „dat de zenuwen bij het volgend 
geslacht nog vrij wat meer den baas zullen spelen" is droevige 
waarheid geworden. 

De haast, die Van der Palm zoo mishaagde, kan slechts 
een enkel bitter droppeltje in zijn geluksbeker gemengd hebben. 
Was hij reeds kort na het herstel onzer onafhankelijkheid zoo 
blijde gestemd, de volgende jaren zouden die stemming nog 



12 

verhoogen. Zijne redevoering op Het Vierde Eeuwfeest der 
Boekdrukkunst besloot hij met een warme hulde aan het ,;geluk- 
kig Nederland," den „aiouden zetel van godsdienst en burger- 
deugd, van vrijheid en volksgeluk alleen waardig de 

geboortegrond der edele Boekdrukkunst te wezen"; vijf jaar 
later, in zijn Feestvierende Herinnering van den Akademischen 
Leeftijd noemt hij Nederland zelfs »het voorwerp van edeler 
nijd en naijver zijner naburen: benijd om de wijsheid zijner 
instellingen, om de zachtheid van zijn bestuur, om de onbe- 
kronpenheid zijner beginselen .... alom geroemd en geprezen 
als het gelukkigste land van den aardbodem !" Daarmede waren 
wij weer gezakt tot de zelfvoldaanheid van den «beroemden 
dichter" Claes Bruin en zijne vrienden, over wie wij vroeger 
hebben gesproken; tot de nationale zelfverheffing die Nederland 
»de lust der Oppermajesteit" noemde (V, 447, 571, 575). 

In het verschiet dat Van der Palm zoo helder scheen, 
waren een paar donkere punten, waarop hij geen acht sloeg, 
doch die mettertijd donderwolken zouden blijken: het pauperisme 
en de reactie der verlichting. 

Ook vroeger waren er armen geweest en had men liefdadig- 
heid betracht; doch zonder zich voldoende rekenschap te geven 
van de wijze waarop men hielp; zonder te overwegen of het 
mogelijk zou zijn, niet slechts tijdelijk maar ook blijvend te 
helpen. Een hoogstaand man als David Jacob van Lennep 
zag met deernis de nooden der lagere standen en zocht naar 
middelen om die op afdoende wijze te verhelpen ; op een lezing 
in Felix Meritis (1817) zette hij een plan uiteen om „de over- 
matige bevolking onzer steden" af te leiden naar het platte land 
en hen de woeste gronden in Gelderland, Drenthe, Brabant 
en elders (te) laten ontginnen". Het denkbeeld van landbouw- 
koloniën hing blijkbaar in de lucht: in 1818 werd door den 
oud-generaal Van den Bosch, gesteund door Prins Frederik, 



13 

Kemper, Van Hogendorp en anderen de Maatschappij van 
Weldadigheid opgericht, die in hare landbouwkoloniën trachtte 
te ver\vezenHji<en, wat door Van Lennep en anderen werd 
gewenscht. En anderen; Mr. Abraham Boxman zal toch wel 
niet de eenige zijn geweest, die bij het zien der Drentsche 
heiden verzuchtte: «Helaas! mag dan geen hand den ploeg 
door 't heiveld dringen." 

Tegen het pauperisme kon men maatregelen nemen, al moest 
nog blijken wat zij zouden baten; doch wat te doen tegen de 
reactie? De Heilige Alliantie, die ernaar streefde voortaan de 
rust in Europa te verzekeren, die meer lette op de belangen 
der dynastieën dan op die der volken, had een strijd aange- 
bonden met de voorstanders der verlichting, die zich zou 
openbaren in voortdurende onrust en revolutionnaire bewegingen. 
Wie zich al dadelijk of langzamerhand gekant hadden tegen de 
verlichting, steunden de reactionnaire regeeringen of partijen 
en traden stoutmoedig op tegen de liberalen. De voorstanders 
der verlichting begonnen het donker in te zien. „Geheel Europa 
bijna", schrijft H. H. Klyn in 1823, «zucht onder den geesel 
der reactie"; zelfs een bezadigd man als Spandaw is ongerust, 
somber, bitter; wel zes eeuwen is men in één jaar teruggegaan, 
roept hij uit in een gedicht van het jaar 1S25, waarin men 
regels vindt als: 

Ja, 't is stikdonkre nacht aan de oevers van den Iber, 

Zijn vale vlerken breidt hij uit aan Seine en Tiber; 

Van uit hun Gothisch puin verrijzen kloosters weer, 

De schim van Loyola waart rond, 't verstand wordt stomper; 

Juicht, lezers aan den disch en Ridders van den domper! 

Voorloopig echter werd de aandacht te onzent zoowel van 
het pauperisme als van de reactie afgeleid door de steeds 
toenemende spanning tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke 



14 

gewesten van het Koninkrijk der Vereenigde Nederlanden; een 
spanning die op scheuring en scheiding zou uitloopen. 

Verschil van nationaliteit en geloof deed uiteenvallen wat te 
kwader ure was samengevoegd door wie dat verschil niet zagen. 
Voor beide landen bleek de scheiding heilzaam: voor België^ 
dat eerst nu tot ontwikkeling van eigen kracht kwam; voor ons 
schip van staat, dat, bevrijd van zijn last op sleeptouw, eerst 
nu vaart kon krijgen. De tiendaagsche veldtocht moge slechts 
een paar grootsche daden te zien geven , zijn invloed is niet 
gering geweest: de oproep des konings wekte algemeene en 
warme geestdrift onder zijn volk; voor het eerst gevoelden de 
Nederlanders weer, dat zij, ook alleen, iets durfden en konden 
tegen een vijand van buiten; onze volkseenheid, tot nog toe 
in woorden verheerlijkt, werd door daden beproefd, de band 
met Oranje versterkt; die tien dagen in het veld deden meer 
ter verhooging van ons nationaal zelfgevoel dan honderd rede- 
voeringen over onze voortreffelijkheid. 

Jammer was, dat op dit opgewekt nationaal leven een aantal 
jaren van afwachting volgde; dat het tot 1839 duurde, eer de 
scheiding tusschen Noord en Zuid haar beslag gekregen had 
en de beide volken huns weegs konden gaan. Voor de geschie- 
denis onzer literatuur echter achten wij dezen tijd even belangrijk 
als het tijdperk onzer vereeniging met België. Niet om de 
nieuwe auteurs die wij tusschen 1813 en 1830 zien optreden: 
geen dezer evenaart de besten uit het vorig tijdperk, die ook 
nu werkzaam bleven; maar omdat in de jaren tusschen 1813 
en 1840 de strijd tusschen classicisme en romantiek gestreden 
en in hoofdzaak beslist wordt; nog meer, omdat in deze jaren 
een nieuw geslacht opgroeit, dat de kunst van het woord te 
onzent op nieuwe banen zal leiden i). 



DE POËZIE. 



OCKERSE. ANTOINETTE KLEYN. FEITH. KINKER. VAN HALL. LOOTS. 
STARING. TOLLENS. 

Van de auteurs die wij in het voorafgaand tijdperk hebben 
leeren kennen, waren nog slechts weinigen over. Sommigen 
hunner sterven vóór of kort na den strijd met België: Ockerse 
en zijne zuster Klein, Feith, Loots. Anderen, die nog 
eenigen tijd getuigen waren van de opkomst eener nieuwe 
generatie: Kinker, Van Hall, Starlng, Tollens hadden óf 
hun meest karakteristiek werk reeds geleverd of leverden het 
in dit tijdvak. Deze auteurs moeten wij eerst volgen in hun 
leven en werk om ons daarna te wenden tot anderen, die in 
dezen tijd voor het eerst onze aandacht trekken. 

Ockerse en Antolnette Kleyn, met Van der Palm de 
eenig overgeblevenen van BELLAiViv's vertrouwde vrienden, 
leefden nog altijd in de herinnering aan hun vroeggestorven 
vriend, wien zij een schoon gedenkteeken oprichtten in hun 
Gedenkzuil op het Graf van Jakobus Bellamy (1822). 

Ockerse was, door bemiddeling van vrienden, secretaris 
eener Maatschappij van Weldadigheid geworden en van vurig 
patriot een warm Oranje-man. Zijne Napoleontische Redevoerin- 
gen (1814), waarover wij later nog spreken, toonen hem in 
zijn patriotsch enthousiasme; maar het voornaamste letterkundig 



16 

werk uit zijne laatste jaren (hij stierf in 1826) waren zijne 
Vruchten en Resultaten van een zestigjarig leven, een werk 
dat in 1823 voor de pers werd bezorgd door zijne vrienden 
H. W. Tydeman en Clarisse. De Vruchten en Resultaten behel- 
zen allerlei bespiegelingen en raadgevingen , mededeelingen over 
karakter en opvoeding, zeden en gewoonten, die getuigen van 
gezond verstand en gevoel; dat gezond verstand en gevoel 
uiten zich in heldere en zuivere taal; desniettemin kunnen wij 
ons licht vereenigen met een recensent dier dagen, die wenschte, 
dat OcKERSE „meer ronduit hadde gesproken .... en over 
het geheel beknopter, kerniger geschreven". 

Een jaar na hem stierf zijne zuster, nu te Leiden woonachtig. 
In de bundels, die zij gedurende het laatste deel van haar leven 
in het licht gaf [Nieuwe Dichtkundige Mengelingen 1817, 
Mengelingen in Proza en Poëzij 1824 -'27) toont zij zich 
opnieuw een ontwikkelde, begaafde vrouw, die verstandig en 
onderhoudend schrijft over tal van onderwerpen; verscheidene 
harer korte essay 's {De Natuur, De Zamenleving , Muzyk, 
Opvoeding, Het Poëtisch Proza, Het Genie, Het Huwelijk, 
Waar en Valsch Vernuft, Zinnelijke Vermaken) hebben eenige 
verdienste als letterkundig werk of als bronnen van kennis 
voor hfet geestelijk leven dier dagen. In stukken als Lof 
van Gelderland en De Herfst zien wij, dat de min of 
meer stichtelijke natuurbeschouwing van Feith en Elisabeth 
Post ook haar niet vreemd is. Ook overigens gevoelde 
zij zich, zooals uit een lijkdicht blijkt, verwant met den zan- 
ger van Boschwijk, dien wij nu in zijn laatste levensjaren 
hebben te schetsen. 



17 

FEITH (t 1824). 

Feith had vóór 1813 het voornaamste gegeven van wat hij 
te geven had, zijn wezen als mensch en als dichter van onder- 
scheiden kanten getoond. Hem kon ons herboren volksbestaan 
niet tot nieuw leven wekken; het gemis zijner vrouw, met wie 
hij zoo lang en gelukkig geleefd had, drukte hem; hij voelde 
zich oud en eenzaam; met de poëzie meende hij afgerekend te 
hebben. In die verwachting bedroog hij zich: zijn oude liefde 
tot de poëzie herleefde; eigen gemoeds- en gedachtenleven, 
zoowel als indrukken van zijn lectuur bleven om uiting vragen. 
Zoo zag dan in 1818 nog eens een bundel gedichten van zijn 
hand het licht onder den titel Verlustiging van mijnen Ouderdom, 
drie jaar later gevolgd door een paar dichtwerken in drie 
zangen en alexandrijnen: De Eenzaamheid, De Wereld. De 
eerste bundel bevatte een aantal lyrische stukken in den trant 
der vroegere; de tweede »eenige losse bespiegelingen over die 
onderwerpen, die, naar het oordeel van den vervaardiger, onder 
dezen algemenen titel best zaamgetrokken , en tot eenheid 
gebragt konden worden." 

In menig opzicht vinden wij hier herhaling van reeds be- 
handelde motieven; elders zien wij den dichter op een zelfden 
v^eg verder gaan dan tot dusver; hier en daar een ander pad 
kiezen. Iets van de vroegere beginselen toont zich nog in het 
gedicht Verlichting, dat van het jaar 1816 dagteekent: zoo b.v. 
in „den nacht der gruwbre middeneeuwen" en de „armoe" die 
whaar broodkorst met genoegen" eet; doch hoeveel verder hij nu 
van de Verlichting staat, blijkt waar hij de „verheven Vorsten- 
trits" der Heilige Alliantie verheerlijkt o. a. in deze verzen: 

Gods Englen zongen 't heil der aarde, 

Toen ge uw verbond voor Jezus sloot. 
KALFF, Letterkunde, VII. 2 



18 

In De Eenzaamheid {1^^ Zang) zien wij hem zelfs ais over- 
tuigd ,;prijzer van 't verleen" in de passage die aanvangt: 
«o Nederland! waar zijn uwe ouderlijke zeden?"' Hier stond 
hij niet ver van Bilderdijk, met wien hij zich verzoend had, 
sinds deze hem in 1809 als Voorzitter van het Koninklijk 
Instituut bij zijne komst in die vergadering had verwelkomd. 
Hun verhouding herkreeg zelfs iets van de oude warmte en 
teederheid; al ergerde Bilderdijk zich heimelijk, toen de 
ex-patriot zijn Verlustiging van mijn Ouderdom opdroeg aan 
de Princesse Douairière van Oranje-Nassau. 

Ook in Feith's letterkundige neigingen zien wij eenige 
verandering: de klassieke literatuur had nooit voor hem de 
bekoring gehad, die uitging van de moderne buitenlandsche^ 
van den bijbel en de Christelijke letterkunde; doch een zoo 
scherpe tegenstelling als die tusschen „'t wulpsche beuslen van 
een Grieksche Lier" en den „zuivren hemeltoon" van Job,. 
Mozes en David vindt men vroeger toch niet (Spraak en Schrift). 
Zelfs Ossian gaat zijn too verkracht voor hem verliezen : in 
Herfstbespiegeling (1815) hooren wij nog een warme lofspraak 
op den „grijzen bard" en zijn „diep weemoedig lied"; vijfjaar 
daarna echter heet het in De Eenzaamheid {^^^ Zang), dat „een 
Ossian nog steeds denzelfden toon // In Schotland nabaauwt"; 
daarentegen wordt Homerus hier naast Mozes verheven. 

Noch staatkunde noch letterkunde echter, noch eenig ander 
deel van het geestelijk leven dier dagen vervulde Feith's hart 
zóó zeer als het verleden en de toekomst: het verleden met 
zijn weemoedig herdenken van vervlogen huwelijksgeluk {Her- 
innering), en het schrijnen van vroegere zonde of dwaasheid 
{De Eenzaamheid, 1^ Zang); de toekomst met haar hoop op 
een beter leven. Weer zien wij hem als voorheen op een 
kerkhof staan, waar de wind door het gras der graven ruischt;. 
doch hij is „vol zoete hoop" {Aan God); de Dood is hem 



19 

«niet meer Koning der Verschrikking"; in een grafkelder ziet 
hij «in 't stof des doods het zaad van eeuwig leven". Dat was 
de stemming, waarin hij doorgaans verkeerde; de stemming 
waarin de lezing van het Evangelie hem bracht, wanneer 
hij zoo menigmaal „bitter bedroefd, en diep neergeslagen", 
naar zijn „eenzaam boekvertrek" gegaan, het „bemoedigd en 
met een verruimd harte weer verliet"; waarin hij een gedicht 
schreef als Heimwee of deze slotverzen van het gedicht In den 
Grafkelder te N. O.: 

Eerlang zinkt ook mijn stof in 's aardrijks koelen schoot - 
Reeds naakt mijn zon het West; reeds gloeit mijn avondrood! 

Toen Feith den S^ten Februari 1824 gestorven was, verwekte 
zijn dood algemeene deelneming en droefheid onder de Neder- 
landsche burgerijen. „Dierbare Gestorvene!" lezen wij in de te 
zijner eer opgerichte Gedenkzuil (1825), „bij de mare van uw 
verscheiden vloeiden onze tranen, en geheel Nederland deelde 
in onzen rouw.". Onder degenen die hunne droefheid lucht 
geven, vinden wij auteurs van naam als Van Hall, Loots, 
Tollens, Staring naast minder bekende als Klyn, Warn- 
siNCK, NiERSTRASZ. Niemand evenaarde Feith toen in populari- 
teit; met recht mocht van hem getuigd worden: „onder zoo 
vele Dichters zijner tijdgenooten geen .... wiens liederen, 
bij alle rangen en standen, zoo gelezen, zoo gekend, ja van 
buiten geleerd zijn als de zijne"; duizenden teekenden in op 
de uitgaaf zijner werken, die kort vóór zijn dood was begonnen 
te verschijnen. 

Reeds vroeg wist hij de harten te treffen; een jongeling „van 
een zeer slordige levenswijs" schreef hem na de lezing van 
den roman Julia, dat hij door dat werk tot inkeer was gebracht; 
„zelfs geestelijken hebben er mij hunne erkentenis wel voor 

9* 



20 

willen betuigen", verhaalt Feith zelf ons. Niet geringer was 
de invloed, door Ferdinand en Constanüa geoefend. Uit onge- 
veer denzelfden tijd moet dagteekenen, wat Van Hall ons 
mededeelt in zijn Lof- en Lijkrede, »toen ik, nog jong zijnde, 
zijn dichtstuk op de vergankelijkheid van het Heelal .... in 
de vaderlijke woning, door een mijner bloedverwanten . . . . 
hoorde opzeggen, gloeide mijne kinderlijke wang, fonkelden 
mijne oogen, en verhief zich mijn hart opwaarts tot de Bron 
van het oneindige en schoone". Toen Feith een tijd lang als 
dichter gezwegen had, richtten zijne vrienden Jo. de Vries en 
VAN Hall zich in 1809 tot hem met een bede om nieuwe 
poëzie: «Rijs opwaarts, ed'le! rust niet langer!" schreef de 
laatste, «Ontwaak! heel Neêrland toeft uw lied." Bij menigeen 
kreeg deze vereering iets dweepzieks; van dien aard waren 
uitingen als: „Waar Feith God en de Voorzienigheid bezingt, 
doet hij ons bijna vergeten dat hij mensch is"; „uwe Schriften 
en Liederen, zullen wij en nog duizenden na ons, lezen en 
zingen, als waren zij meer dan menschelijke Oorkonden en 
heilige Gezangen"; zijn jonge vriend Nierstrasz, die hem 
vereerde „als een kind zijn vader", klaagde: 

Waarom gingt gij - waarom graag? 
Englen zijn zoo schaarsch omlaag! 

De invloed van Feith's persoonlijkheid verhoogde nog dien 
van zijn werk. Velen wilden hem zien en spreken; „schaars 
verliep er een dag, dat Boschwijk niet bezocht werd door 
Aanzienlijken en geringeren"; welk een ontroering trilt na in 
Warnsinck's verhaal van de ontmoeting met zijn „eeuwig- 
geliefden Feith": nog voelt hij „den laatsten afscheidskus van 
den edelen Grijsaard", nog zijn laatsten handdruk, nog ziet 
hij zijne tranen en hoort hij zijn laatst en aandoenlijk „God 
zij met u!" Wie hem kwamen bezoeken, werden veroverd door 



21 

de blijmoedigheid van hun gastheer, door zijn vrooHjke scherts, 
als zij met hem de boerenplaatsen van Boschvvijk rondwandelden 
en de landheer met boer en boerin over het werk praatte. 
Gaarne stelde men hem „als zede- en volksdichter" in het 
voordeeligst licht tegenover Bilderdijk. Dat Feith's naam, 
door vertalingen van enkele zijner werken ook in Duitschland 
en Frankrijk bekend geworden was, verhoogde natuurlijk zijn 
roem onder zijne landgenooten. 

Die roem ging tanen, nadat omstreeks 1840 een nieuw 
geslacht de plaatsen der ouderen kwam innemen; maar niet 
opeens werd Feith vergeten. Eenige godsdienstige liederen 
houden zijn naam nog in eere bij de Protestantsche gemeenten 
die ze zingen; wie ook buiten de kerk voor zijn godsdienstig 
en zedelijk leven opwekking bij hem vond, bleef hem als 
dichter en prozaschrijver eeren. Een zijner hedendaagsche ver- 
eerders geloofde zelfs, dat men uit Feith's werken wel het 
„onsterfelijkheid aanbrengend boekje" zou kunnen samenstellen. 
Voor de meerderheid der ontwikkelde lezers echter schijnt 
Feith thans slechts een naam te zijn; voor ons heeft hij vooral 
historisch belang. In sommige zijner grootere werken, in enkele 
zijner Ijrische stukken, ook die uit het laatst van zijn leven, 
toont hij zekere zachte bevalligheid en welluidenden weemoed; 
doch zijn voorname verdiensten liggen in hetgeen hij gedaan 
heeft ter ontwikkeling zijner tijdgenooten. Plaatsen wij hem 
naast twee oudere Duitsche dichters van dien tijd , beiden door 
hem nagevolgd: Klopstock en Gellert, dan toont hij zich 
verwant vooral met den laatste. In Klopstock, den geoefenden 
zwemmer, ruiter, schaatsenrijder, bergklimmer, was meer 
natuur dan in Feith, die altijd „de schoone natuur" voor 
oogen tracht te houden. Wie kan zich Feith voorstellen den 
lof van den Rijnwijn zingend of een zwartoogige schoone 
kussend? Maar in menig opzicht doet Feith denken aan den 



22 

week- gemoedelij ken, vromen, voorbeeldeloos populairen Gel- 
LERT, tot wien oud en jong zich richtten om raad en troost. 
De uitgever Doijer moge te ver gaan, als hij Feith een 
„tweeden Cats" noemt — zeker heeft de zanger van Boschwijk 
door zijne gedichten veel bijgedragen tot de godsdienstige, 
zedelijke en aesthetische vorming zijner oudere en jongere 
tijdgenooten en zich daardoor een eervollen naam verworven in 
de geschiedenis onzer literatuur en onzer geestelijke beschaving 2). 



KINKER (t 1845). VAN HALL (f 1858). LOOTS (f 1834). 

Meer dan dertig jaar bleef het „wijsgeerig ventje van vier 
€n een' halven voet rijnlandsch" - zooals Feith zijn bestrijder 
in een knorrige bui doopte - onder ons herboren volk werk- 
zaam; maar die werkzaamheid kwam slechts voor een gering 
deel ten goede aan onze letterkunde. Onder de nieuwe orde van 
zaken ontwaakte in den voormaligen redacteur van De Arke 
Noachs en Sein, Cliam en japhet de lust weer als gids en 
voorlichter optetreden. Zoo begon hij dan in 1815 de uitgave 
van het tijdschrift De Herkaauwer, dat hij grootendeels alleen 
voortzette tot 1817. Belangrijk voor de kennis van het geestelijk 
en staatkundig leven dier dagen, biedt dit tijdschrift ons weinig 
zuiver-literairs en slechts enkele nieuwe gegevens, waardoor wij 
KiNKER beter leeren kennen. Van eenige letterkundige waarde 
is de parodie van het stukje „poëtisch proza" Aan den Tijd in 
Sterniaanschen trant, en vooral Iets over het Public Spirit, 
ongetwijfeld het beste stuk uit de drie deelen van De Herkaauwer. 
Overigens zien wij hier opnieuw den bezadigden voorstander 
der verlichting, die polemizeert tegen den reactionnairen geest 
van Chateaubriand's Ge'nie du Christianisme (I, 172), die in 
zijne Ode aan Voltaire (III, 205) duidelijk toont, hoeveel 



23 

dichter hij stond bij den geestigen spotter, met zijn scherp, 
koel verstand en zijn veelomvattenden geest dan bij den dichter- 
lijken droomer en vaag-wijsgeerigen gemoedsmensch Rousseau. 
De poëzie, behalve deze Ode door Kinker gedicht, brengt ons 
weinig nieuws; uit zijn gedicht Mijn Afscheid aan het IJ en den 
Amstel zien wij echter dat zijn leven een wending ging nemen. 
Op aanbeveling van zijn vriend Falck, nu als Secretaris van 
Staat een man van invloed, was Kinker in 1817 door den 
Koning benoemd tot hoogleeraar in de Nederlandsche taal, 
geschiederHS en welsprekendheid. Het zou daar zijn taak zijn, 
de samensmelting van Noord en Zuid te bevorderen; de „koete- 
rende tongen" Nederlandsch te leeren spreken, zeide - weinig 
heusch tegenover de nieuwe broeders - M. Stuart; „peilere 
barbariem", naar Bosscha's grove uitdrukking. Blijkbaar waren 
Noord en Zuid nog ver van „koek en ei"; het verwondert ons 
niet dat de kleine man met den hoogen rug te Luik onvrien- 
delijk werd ontvangen. „Esopus!" mompelden de studenten, 
toen de nieuwe professor voor het eerst binnenkwam. Maar 
Kinker was slagvaardig: „Pah, mijne Meeren! Esopus liet de 
dieren spreken, maar ik hoop dit te leeren aan beschaafde 
menschen". Tegen college-geven dien dag bestond eenig bezwaar: 
de katheder was met banken gebarricadeerd. Ook hier echter 
bleek Noord sterker dan Zuid: .,Messieurs" (met een glimlachje) 
«faut-il prendre la Chaire Hollandaise a l'assaut?" In een 
oogwenk was alles opgeruimd; Kinker had zijn zaak gewonnen. 
Hij maakte te Luik veel vrienden ; vormde er leerlingen , waar- 
onder den artillerie-luitenant \'on Eichstorff die gedichten van 
Feith, Bellamy, Kinker e. a. in het Duitsch overbracht; 
stichtte er een genootschap voor de beoefening van het Neder- 
landsch dat nog bestaat; werkte in de twaalf jaren van zijn 
professoraat krachtig mede tot het samenbrengen der beide 
deelen van het nieuwe koninkrijk. 



24 

Dat professoraat, op 53-jarigen leeftijd door hem aanvaard, 
brengt Kixker, tot dusver verdeeld tusschen wetenschap 
en kunst, ertoe zich vooral aan de wetenschap te wijden. 
Verscheidene grooter en kleiner geschriften over algemeene 
taaistudie en spraakkunst, het natuurrecht, de kunst van den 
redenaar en andere onderwerpen werden door hem uitgegeven; 
doch hier moeten wij daarover zwijgen. Na de afscheiding van 
België in Amsterdam teruggekeerd, bleef hij daar studeeren en 
werken, algemeen geacht om zijn veelomvattende kennis en 
zijn geest, bemind om zijn oprechtheid en goedwilligheid. Aan 
de letterkunde onttrok hij zich niet geheel, maar zijn letterkundig 
werk uit het laatste deel van zijn leven heeft toch weinig te 
beteekenen. Zijn dood maakte dan ook in de letterkundige wereld 
weinig indruk; vergeten was hij niet, hoe hoogbejaard ook; 
maar zijn invloed als letterkundige behoorde tot het verleden. 

Meer denker dan dichter, begaafd met vers- en rijmvaardig- 
heid en een fijn muzikaal gevoel, doet Kinker ons in zijn 
wijsgeerige poëzie soms aan Schiller denken, al blijft hij 
ver beneden dezen; geestig geleerde en slagvaardig publicist 
aan Voltaire, al bezat de Hollander bij solieder wetenschap 
niet zulk een schitterend vernuft als de Franschman. Had men 
in zijn tijd scherper scheiding gemaakt tusschen wetenschap en 
kunst, hij zou zich misschien uitsluitend aan de wetenschap 
gewijd hebben en werken geschapen, die als mijlpalen zouden 
staan op den weg harer ontwikkeling. Nu maakt hij op ons 
den indruk van een man met buitengewone talenten en van 
grooten invloed op het geestesleven zijns tijds, die door versnip- 
pering zijner krachten geen blijvend werk heeft kunnen scheppen. 

In mindere mate geldt dat ook van zijn vriend en levens- 
beschrijver M. C. VAN Hall, die eerst in 1858 stierf als laatst 
overgeblevene uit een vroegeren tijd. Napoleon had hij niet 



25 

willen dienen ; ook van koning Willem 1 hield deze republikein 
zich aanvankelijk op een afstand. Van tijd tot tijd bleef hij zich 
ontspannen met letterkundig werk, dat, tot bundels vereenigd, 
werd uitgegeven in 1829 en 1839. Stukken als Cicero, Cornelia, 
de moeder der Qracchen, Scipio toonen, dat hij trouw bleef 
aan de klassieke vaan waaronder hij vroeger gediend had , wij 
zien dat ook uit zijne navolgingen van Horatius, uit een 
berijmde noodiging tot zijn vriend Van Royen om hem buiten 
te bezoeken en regels als: 

Maar de lieve roos bloeit hier; 

'k Zal haar vlechten om uw slapen. 

Met de jaren wordt hij conservatief: in het Voorbericht van 
de 2<*e Verzameling zijner Gedichten (1829) toont hij zich 
bewust, dat hij „den heerschenden toon der volksmenners en 
smaakleiders onzer dagen" niet navolgt; in de 3^^ Verzameling 
(1839) vinden wij een gedicht Aan de beroerders van Europa 
in 1830, waarin hij «Europa's Scheptervoerders opwekt, het 
menschdom te redden „uit der tijgren tand en klaauw" en niet 
te buigen voor „snode volksberoerders". Zoo kwam ook hij 
dichter bij Bilderdijk te staan , wiens lof hij zong in De Aloë, 
wiens klassieke neigingen hij deelde, naast wiens bewerking 
van Pope's Essay on Man hij de zijne van Pope's Essay on 
Criticism stelde. 

Ook terwijl Van Hall, in het publieke leven teruggekeerd, 
aanzienlijke betrekkingen vervulde (Lid der Eerste Kamer, 
Staatsraad in buitengewonen dienst, Voorzitter der arrondisse- 
ments-rechtbank), bleef hij zich met poëzie, geschiedenis en 
rechtsgeleerdheid bezig houden en gaf tal van geschriften in 
het licht. Het eenige werk van letterkundigen aard, dat wij 
hier moeten vermelden zijn de Gedenkschriften van en door 
Frank Floriszoon van Arkel, door hem. in 1832 zonder zijn 



26 

naam uitgegeven. In den vorm van eenige hoofdstukken uit 
de levensgeschiedenis van dezen verbeelden Van Arkel, een 
man van zestig jaar, en van zijne vijftigjarige wederhelft Brigitta, 
ontvangen wij hier een mengsel van zedenschildering, gesprek- 
ken over de staat- en letterkundige begrippen dier dagen, 
ontmoetingen met menschen van dien tijd. Het geschrift was 
>; toepasselijk op de bedrijven, gesprekken en omstandigheden 
vooral van onze Hoofdstad"; de toenmalige lezers wisten dan 
ook best, welke origineelen de stof hadden geleverd tot de hier 
voorkomende karikaturen van „opgewonden jonge politici en 
verwaande rijmelaars". Daardoor hadden deze Gedenkschriften 
de waarde van het „a propos", zooals toen reeds door De 
Vriend des Vaderlands (VII, 923) erkend werd; voor latere 
lezers echter werden zij daardoor minder aantrekkelijk en 
belangrijk. Hier en daar is eenige geest, zoo b.v. in de beschrij- 
ving eener vergadering van het Dichtlievend Genootschap ;,Sic 
itur ad astra", al had Van Effen een eeuw vroeger reeds iets 
dergelijks gedaan; overigens valt er meer streven naar geestig- 
heid te bespeuren dan geestigheid zelve. In de uitweidingen, 
de vergelijkingen en zekere wendingen openbaart zich de invloed 
van buitenlandsche humoristen; in de voorrede worden Swift 
Sterne, Liscow, Rabener en Jean Paul dan ook genoemd 
nevens vroegere auteurs (Rabelais, Montaigne). Een halve 
eeuw vroeger had Boudewijn Donker Curtius in zijn Legaat 
van Gillis Blasius Stern een dergelijk werkje als dit gegeven; 
ook daaruit blijkt, dat Van Hall hier eer achterblijver dan 
voorganger moet heeten. 

Dat wij LooTS met Kinker en van Hall tot een trits 
vereenigen, heeft zijn reden: met beiden verbond hem een 
vriendschap die op geestverwantschap berustte; Van Hall en 
Tollens bezorgden de uitgave van Loots' nagelaten gedichten; 



27 

over de samenwerking tusschen Loots en Kinker o. a. aan het 
tijdschrift Sem, Cham en Japhet spraken wij vroeger reeds. 
Echter vinden wij ook hier verschil naast overeenkomst. Kinker 
en Van Hall, al bleven zij het vaandel trouw, behoorden tot 
de teleurgestelden ; bij Loots, meer optimist dan zij, is van 
teleurstelling niet veel te zien. De vermaning, door Loots in 
1817 gericht tot de Nederlanders, die niet dankbaar genoeg 
waren voor het herstel hunner onafhankelijkheid, ademt een 
gansch anderen geest dan De Herkaanwer , waar van zulk een 
tevredenheid weinig sprake is. Ook Kinker en van Hall 
waren geen voorstanders der reactie; doch niet licht zouden zij 
zich zoo fel hebben uitgelaten als Loots in de voorrede van 
Feestzang bij de viering van het vierde Eeuwfeest der uitvinding 

van de Boekdrukkunst : »de stof was Vaderlandsch en 

alleruitlokkendst, dewijl ik mij ook eens regt vinnig tegen de 
duisterlingen onzes tijds en de vijanden van de vrijheid der 
drukpers meende te zullen kunnen uitlaten". 

„Vaderlandsch" - dat waren zij alledrie; maar het nationale 
element komt het sterkst uit bij Loots, op wien de klassieke 
beschaving en literatuur geen invloed hadden geoefend en de 
buitenlandsche literatuur een veel zwakkeren dan op Kinker 
en VAN Hall, doorvoed met het leeuvvenmerg der oudheid. 
In den Lofzang op Frederik Hendrik verheft Loots den lof 
onzer gouden eeuw; in zijn Volkslied van 1817, aanvangend: 

„Wilhelmus van Oranje!" 
Zoo klonk der vaadren zang 

toont hij zich een overtuigd Oranje-man; met zijn nationaliteits- 
gevoel gaat, als vanouds, afkeer van vreemden gepaard: in 
Les voor Vrijers wordt de geldzucht der Duitschers gehekeld, 
in Opwekking der Mogendheden ter Heirvaart naar Parijs (1831) 
lezen wij o. a. : 



28 

Wat kwaad, meer dan Parijs ooit broeide in hare muren! 
o Riep men 't wereldrond te zaam in 't volksgerigt, 
En kwam de lange rol der gruwlen in het licht, 
Der gruwlen van die stad, naauw werd geduld het lezen, 
Of met één donderstem der aard' werd zij verwezen. 

Anders dan Kinker en van Hall, moest Loots hard wer- 
ken voor het onderhoud van zich en de zijnen, onder wie hij 
ook de onverzorgd achtergebleven familie van zijn zwager 
Helmers rekende: 

Steeds sloven, slaven zonder end, 
Schoon ook de schouder dreigt te wijken 

zegt hij zelf in een zijner gedichten (1 , 267). Maar zijn braaf- 
heid, geestkracht en gelukkig temperament deden hem het 
hoofd ophouden; noch zijne moeiten en zorgen, noch het 
podagra konden een zwartkijker of knorrepot van hem maken: 

Zie, hoe het leliewit, van 't blozend inkarnaat 
Doormengd, versiert en kleurt zijn ongefronst gelaat 

zeide zijn vriend van Hall. In ongeletterde kringen waardeerde 
men hem zelfs alleen om «zijne luimige en snaaksche invallen". 
Maar J°. de Vries toonde hem beter te kennen, toen hij aan 
het graf van den ontslapene getuigde van diens «ronden, 
hupschen, vrijen, kinderlijken en toch verheven aard". Onder 
zijne poëzie vindt men dan ook menig vroolijk stukje. Van tijd 
tot tijd krijgt zijne vroolijkheid een satiriek karakter; zoo b.v. 
in Aan ons Jongelingschapje (II, 143) waar hij den spot drijft 
met de „overwyze heertjes" van toen: 

Lof, lof, uw kransjes en bezoekjes. 

Zoo geestig en zoo vreugdevol ! 
Wat zacht muzijk! wat fransche boekjes! 

Of 't domineetje, een spel zoo dol! 



29 

Evenzoo in Charmant en deszelfs treurig uiteinde. Een enkelen 
keer slechts wordt zijn spot scherp; dat is het geval in een 
epigram op den gehaten minister van financiën Appelius, toen 
deze het grootkruis van den Nederlandschen Leeuw gekregen 
had; dit, in handschrift bewaard, stukje is zeker niet een van 
LooTS' minste: 

Appelius Grootkruis. 

Zoo schenkt de koninklijke hand 

Ten loon voor 't schaamtloos logenspreken 

Het groote kruis van 't Leeuwenteeken 

Aan 't grootste kruis van 't vaderland. 

ó Mogt eens Amstels burgerij 

Dien gunstling naar verdiensten lonen - 

Zij schonk, om ook haar gunst te toonen, 

Drie kruisen*) op zijn rug daarbij. *) Toespeling 

op dedriekrui- 
Of liever, roept heel 't volk met algemeene stem; seninhetstads- 

1 , 1 • - , r , - , . , ■ , wapen , tevens 

Hangt hem aan t kruis, o \ orst! en met het kruis aan hem. brandmerk. 

Zulk een epigram had ook Kinker kunnen schrijven; maar 
noch Kinker noch de statige \'.\n H.\ll bezaten dien eenvoud 
en die onbevangenheid van geest, die frischheid van gevoel en 
vatbaarheid voor indrukken, die bezieling en dien „poëetschen 
geest" vooral, welke de beste stukken van Loots kenmerken. 
Enkele letterkundigen dier dagen, moede van pompeuze verzen, 
moeten aangenaam getroffen zijn geweest door het, in zijn een- 
voud met zekere natuurlijke gratie zich bewegend , Oogstlied aan 
Sint Jacob (1817). Op den klassieken literator Epkema maakte 
het zulk een indruk, dat hij het in Latijnsche verzen overbracht; 
de jonge Potgieter noemde het „een meesterstuk". Zóó 
hoog zullen de meeste hedendaagsche critici het zeker niet 
stellen; ook in Loots' overige poëzie trouwens is vrij wat, 



30 

dat ons, die haar slechts lezen, maar ten deele zal voldoen. 
Een stuk als De Zee geeft een goed denkbeeld van Loots' 
wijze van voelen, denken en zien: niet één sterke indruk, één 
stemming, één voorname voorstelling, maar iets vaags, wijd- 
strekkends, onbestuurds, een zich laten gaan van het een op 
het ander, een van alles erbij of erin brengen; in een weelderige, 
doch onbesnoeide, verscheidenheid geen eenheid; geen voor- en 
achtergrond. Bij de voordracht - daarop waren vele gedichten 
van dezen tijd berekend - troffen zulke eigenschappen de 
hoorders niet of weinig; daarentegen zullen zij genoten hebben 
van die gemakkelijk voortstroomende verzen, die hen droegen 
en meevoerden en hunne ziel in die trilling brachten, welke 
men van den kunstenaar vraagt. Geschikt om Loots te doen 
kennen is ook het dichtwerk Hagar in de Woestijn, dat zijn 
ontstaan te danken had „vooral aan de uitgeschrevenc Historische 
stoffe door het Departement Teekenkunde der Maatschappij 
Felix Meritis voor den jare 1820". 

Zoowel hier als in andere van Loots' dichtstukken vinden 
wij goede of mooie verzen of verdienstelijke passages; van dien 
aard is b.v. de beschrijving eener trekkende karavaan (p. 48) 
of een verzenpaar als dit: 

Dan huppelde de kudde en schoor der kruiden knoppen 
En ringswijs blonk zijn wit om donkre heuveltoppen. 

Dat Loots bij een zoo groot gemak van verzenschrijven niet 
is ondergegaan in rijmelarij; dat hij zich, tijdelijk maar telkens, 
weet te verheffen en het goede of fraaie te bereiken, had hij 
zeker voor een niet gering deel te danken aan Vondels invloed. 
Uit zijn Hulde aan Vondel van het jaar ISIS bleek opnieuw, 
hoe hoog hij onzen „aartspoëet" bleef stellen; op meer dan 
een plaats hebben zijne verzen een Vondelschen klank; zoo is 
het b.v. in zijn Najaars Buitenvennaak aan den Weled. Heer 



31 

Harm. Verwet Asschenberg (I, 153), dat ons aan sommige 
gedichten van Vondel tot vrienden of beleenden herinnert en 
aldus aanvangt: 

Al is de zomer weggeweken , 
Nog geven veld en buitenstreken 
Geneugten die de drukke stad, 
Met al haar weelde niet bevat. 



De jagthoorn künkt, het jagtroer knalt, 

De haas is buit, de vogel valt. 

Maar Asschenberg die last van dagen, 

Van welbesteden tijd moet dragen, 

Onttrekt zich liefst aan dat gewoel; 

Hij kiest den houten vinkersstoel 

Om stil en heimlijk op te letten 

Hoe hij, door 't spannen van zijn netten, 

Den vogel wien het aas verleidt 

Met listig garen overspreidt. 

Voor ons kan Loots niet meer zijn, wat hij voor vele zijner 
jongere tijdgenooten is geweest; maar er was toch iets in hem 
van den echten dichter. 

Had hij een zoo scherpe zelfcritiek geoefend als Staring, 
hij had zeker minder geschreven; doch dat mindere zou van 
hooger waarde zijn geweest dan zijn tegenwoordige dichterlijke 
nalatenschap. Ook zoo als het is echter, verdient zijn werk 
onze achting, omdat het zich verheft boven veel van het 
overige dier dagen; omdat het getuigt van dichterlijke gaven, 
tegengehouden in hun ontwikkeling als knoppen door den 
oostenwind, maar toch hier en daar ontloken in de bloem 
der poëzie 3). 



32 



STARING (t 1840). 

Rustig leefde Staring voort te midden van zijn aangroeiend 
gezin, zijn tijd verdeelend tusschen de zorg voor de opvoeding 
zijner kinderen -- in 1819 vier zoons en vier dochters — en 
het beheer van den Wildenborch. Hoe teruggetrokken ook in 
den Achterhoek levend, men vergat hem niet; meer dan een 
eere-ambt of onderscheiding viel hem ten deel: Directeur van 
de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem 
(1804), Correspondent der Eerste Klasse van het Kon. Ned. 
Instituut (1809), Curator van 't Athenaeum te Harderwijk (1816). 
Wie zijne gaven hadden leeren kennen uit zijn beide eerste 
bundels, konden licht den indruk krijgen, alsof hij de poëzie 
had vaarwel gezegd; sedert 1791 immers had hij niets in het 
licht gegeven. Maar Kleyn wist beter, in wiens Album Staring 
in 1801 eenige coupletten schreef, die den mensch en den 
dichter karakterizeeren in hun worstelend streven om vrome 
berusting onder nationalen druk weertegeven in Horatiaansche 
schoonheid. 

Ook wie hem van nabij konden gadeslaan, wisten, dat hij 
in stilte voortwerkte, het oude beschavend, het nieuwe toetsend 
en - in portefeuille houdend. 

Een man als hij, gevoelig, vaderlandslievend, edel van hart, 
kunnen de lotswisselingen van ons volk niet onverschillig hebben 
gelaten; doch hij uit er zich niet over in zijn poëzie. In het 
gedicht aan Kleyn hooren wij iets als een gesmoorden kreet: 
„ons Middaglicht werd Nacht!" doch in de jaren die volgen 
is er stilte als van een vogel vóór het onweer. Eerst tien jaar 
na de inlijving (in het lijkdicht op Feith) krijgen wij iets te 
zien van de smart des dichters uit den tijd „Toen Nêerlands 
Taal met Neêrlands Naam verdween!" Maar in Dec. 1813 heeft 
het zwijgen uit: een Krijgslied klinkt, door andere gedichten 



33 

van dien aard gevolgd. Het herstel van ons onafhankelijk 
volksbestaan geeft ook hem weer moed; nu eerst vindt hij de 
opgewektheid, om den oogst zijner stille werkzaamheid tot 
schooven gebonden, in het openbaar te brengen: in 1820 zag een 
uitgaaf zijner Gedichten in twee stukken het licht; op deze liet 
hij in 1832 een bundel Winterloof volgen , om ten slotte met een 
tweede uitgave zijner Gedichten (1836- '37) zijne dichterlijke 
voortbrenging te besluiten , al rustte de hand niet van polijsten. 
Den dichter van stap tot stap in zijn ontwikkeling volgen, 
hoe aanlokkelijk ook, is ons hier niet vergund. Wij moeten 
ons bepalen tot het zoeken naar een antwoord op de vraag: 
hoe vertoont Staring zich als mensch en als dichter in die 
laatste uitgaaf zijner Gedichten, al mogen wij hier en daar iets 
van zijn dichtergroei aanwijzen. 

Oprecht Christen, die zich zondaar gevoelde, maar, vast 
vertrouwend op Gods liefde, dit leven beschouwde als voor- 
bereiding tot een beter hiernamaals, heeft hij zijn redelijk geloof, 
naar het schijnt zonder strijd, zijn gansche leven door behouden 
als een bron van kracht en hoop. Kind der verlichting is hij 
niet alleen in zijn lof van de Rede en haar licht, maar ook in 
de Verdraagzaamheid, die hij heeft gehuldigd in een zijner 
puntdichten en met schoonheid bekleed in De Israëlitische 
Looverhut. 

In dat verstandelijk geloof, zacht doorgloeid van warmte en 
tot innigheid verdiept, heeft hij zijn kinderen opgevoed, die 
zich gelukkig mochten achten in het bezit van zulk een vader; 
zijn schoone bede voor hen: 

God blijve uw schild! Uw paden rigte Hij, 
Het dreigend en het lokkend Kwaad voorbij 

zullen zij wel nimmer vergeten hebben. 

KALFF, Letterkunde, VII. . 3 



34 

Staring mocht in het vervolg dezer bede en in zijne 
Kerkgezangen meer dan eens het aardsche leven tegenover en 
beneden het hemelsche stellen, zoolang hij in deze wereld 
leefde, deelde zij rijkelijk in zijn belangstelling, in de Cantate 
voor het Natuurkundig Gezelschap te Zutphen verheft hij de 
macht der wetenschap; in Het Stoomtuig en andere stukken 
uit hij zijn bewondering voor de „Wondereeuw" waarin hij 
leeft. Met de tegenstanders der Verlichting kon wie zoo dacht, 
bezwaarlijk samengaan; toch plaatst hij, weinig strijdlustig van 
aard, zich slechts zelden tegenover hen. Een paar maal zien 
wij hem van leer trekken; zoo in het bitter-ironisch puntdicht 
Het Geredde Spanje (1823) en in een ander uit iets vroeger 
tijd {De Leer der Ultra's), dat een fel en grof-persoonlijk stukje 
van BiLDERDijK uitlokte {Licht en Vrije Tong), door Staring 
waardig en krachtig beantwoord met zijn Licht, Vrije Pen en 
Vrije Tong. Een aanmaning tot tevredenheid, zooals Loots die 
richtte tot zijn landgenooten , had Staring niet noodig: ook 
voor hem keerde Willem. I tot ons in als «een Vader bij zijn 
Huisgezin"; onder die leiding zou alles goed gaan. Des dichters 
persoonlijke omstandigheden waren er wel naar hem tot tevreden- 
heid te stemmen en hij was te gezond van gevoel om zich in 
Bosch wij kschen weemoed te koesteren, in het gedicht Aan mijne 
gade (1820) erkent hij volmondig: „Vriendin! ons daagde een 
heilrijk Lot" en zeker mag men deze verzen uit Het Geluk 
(1820) op hem zei ven toepassen: 

Tevreên in 't lot haar toegewogen, 
Knielt stille Wijsheid dankend neer. 

Dat aangenaam rustig buitenleven in een hoek des lands 
bracht ongetwijfeld het gevaar van zekere egoïstische zelfge- 
noegzaamheid mede; tevergeefs zoekt men naar een woord over 
armen en misdeelden in de Horatiaansche behagelijkheid van. 



35 

De Winter en Zang bij den Haard (1820). Daaruit afleiden, 
dat Staring geen oog en hart had voor wie arm en misdeeld 
waren, zou onvoorzichtig en onbillijk zijn; doch in dit gemis 
aan wat wij „sociaal gevoel" zouden noemen, is Staring een 
kind van zijn tijd. 

Bij een nadere beschouwing der poëzie, waaraan wij hier eenige 
trekken ontleenden ter kenschetsing van Staring"s persoonlijk- 
heid, treft ons in de eerste plaats haar geringe omvang: vier 
kleine deeltjes bevatten den oogst van een halve-eeuws dichter- 
lijke werkzaamheid. Gering in omvang als die deeltjes, zijn ook 
vele lyrische gedichten zelve, waaronder het puntdicht in eere 
is. Welk een verschil met de lijvige bundels zijner tijdgenooten , 
met hun stukken van honderden verzen. Welk een verschil; 
maar ook welk een verademing! Hier is een dichter aan het 
woord, een kunstenaar aan het werk, voor wien poëzie arbeid 
is; die onder den invloed der klassieken, vooral van Horatius, 
in zijn lyriek de bezonken aandoeningen van zijn diep, zuiver 
gevoel, de scherp waargenomen voorstellingen zijner krachtige 
verbeelding met eerbiedige toewijding en eerbiedwekkend talent 
tot woordmuziek heeft verwerkt. Die lyriek is even verscheiden 
van inhoud als van vorm: de gebeurtenissen van het jaar 1813, 
Waterloo, de expeditie tegen de Algiersche zeeroovers, de 
veldtocht tegen de Belgen en al wat daarmede samenhangt 
hebben er een plaats naast de liefde tot vrouw en kinderen, 
de genegenheid tot vrienden; het natuurgevoel openbaart er 
zich; de wijsgeerige levensbeschouwing ontbreekt er zoo min 
als de vroolijke levenslust, de neiging tot scherts en spot; 
edel-vrome kerkgezangen vormen den eenen pool , gelegenheids- 
dichten, luchtig maar vernuftig, als dat Ten Geleide van een 
Haas en menig losse kwinkslag onder de puntdichten den 
anderen. 



36 

Oorspronkelijkheid is een van de voorname kenmerken dezer 
lyriek; tenauwernood kan men enkele stukken aanwijzen, waar 
de dichter iets aan een ander dankt; ook waar hij iemand 
volgt, blijft hij zich zelf: zijn bevallig Oogstlied is ontstaan 
onder den indruk van Hölty's Erntelied; doch wie het Hol- 
landsch met het Duitsch vergelijkt, zal zien dat Staring zijn 
voorbeeld overtrof. Enkele zijner Kerkgezangen (een aanvang 
als: «Gods paleis ontsluit zijn deuren", een lied als «De Heer 
is God, en niemand meer!") treffen ons door verheven eenvoud; 
kracht van edele verontwaardiging, zich uitend in ernstige 
schoonheid, bewonderen wij in strafdichten als Aan de Stad 
Parijs en de, nu gansch hergoten en hersmede, /a/wö^/z; in 
rustige waardigheid gaan stukken als De Israëlitische Looverhut 
en Bij het graf van Rhynvis Feith; pit van gedachte in soberen 
vorm genieten wij in Het Stoomtuig en zoo menig ander 
grooter of kleiner stuk. Zijne liederen van dezen tijd {Ze/ir en 
Chloris, Adeline Verbeid, Meizang, Lentezang) overtreffen de 
vroegere niet in bevalligheid en muzikale welluidendheid ; doch 
zij evenaren ze en dat zegt veel. Een gedicht als Herdenking , 
een der schoonste uit onze gansche letterkunde, kon hij eerst 
nu, na veel schrappens en wijzigens, zóó formeeren en te boek 
stellen, waar het nu straalt in stillen schoonheidsglans. Eerst 
nu ook vinden wij zoo fijne natuur-plastiek als in Herdenking, 
Aan mijne Dennen, Zeflr en Chloris, Aan Spandaw. 

Hij volgt Cats nog even gelukkig na als vroeger; doch blijft 
meer zich zelf: De Ooijevaars en Op het gezigt van trekkende 
kraanvogels vertoonen de beste eigenschappen van Cats, maar 
het geestig slot van het eerste, de schoone verzen hier en daar 
in het tweede zijn van Staring, die ook hier het vernuft en 
de pittigheid van Huygens paart aan het vertellerstalent van 
Cats. Evenals vroeger slijpt en wet hij zijn puntdichten; vele 
daarvan behelzen, evenals de vroegere, slechts vermakelijke 



37 

grappen of kwinkslagen; andere onderscheiden zich door een 
diepte van zin, een soberheid en fijnheid van vorm, welke in 
zijn vroegere puntdichten niet worden aangetroffen. 

Dat Staring's gemoed en geest, smaak en techniek zich 
gestadig ontwikkelden, ziet men duidelijk uit een vergelijking 
der beide redactie's van het strafdicht Aan de Stad Parijs. De 
forschheid van aandoening en de kracht van verontwaardiging, 
waaruit in 1815 het gedicht ontstaan was, waren in de volgende 
jaren eenigszins bezonken; toen de dichter zijn werk in den 
bundel van 1820 wilde opnemen, voldeed de inhoud niet meer 
aan zijn toenmalige stemming; meerdere kalmte van gemoed 
liet der zelfcritiek van oog en oor ruimer baan; zoo werd er 
heel wat gewijzigd, veranderd, geschrapt en kreeg het stuk een 
nieuw innerlijk en uiterlijk. De tweede redactie telt slechts zes 
verzen meer dan de eerste, doch zij is rijker, doordat het 
beste behouden, het zwakke saamgedrongen of verwijderd werd, 
terwijl nieuwe verzen winst brachten; hare dichterlijke waarde 
is verhoogd, doordat het onjuiste woord vervangen werd door 
het treffende, een mingelukkig beeld door een gelukkig, het 
abstracte door het concrete, het onbezielde door het bezielde; 
de nieuwe redactie, met hare zichtbare geledingen, laat beter 
overzicht van het geheel toe; soms is de kracht van een enkel 
vers verhoogd door het te breken en de helften in onderlinge 
tegenstelling te brengen. Veel grooter nog is het verschil tus- 
schen de satire Tegen de Equivoque en de 30 jaar jongere 
Jamben: het verwondert ons niet, dat het werk van den zooveel 
ernstiger en rijper geworden dichter twintig verzen meer telt 
dan het vroegere gedicht, dat de volwassene krachtiger optreedt 
tegen het kwaad dan waartoe de pas gerijpte in staat was; ook 
hier is het beste behouden, doch zijn gansche- stukken door 
nieuwe vervangen; ook hier vinden wij die winst van juister 
woord en treffender uitdrukking, terwijl het verwijderen van 



38 

het al te forsche of schelle, van mythologische en klassieke 
bestanddeelen het geheel aan schoonheid en eenvoud heeft 
doen winnen. 

In onze scheiding tusschen lyrische en epische poëzie volgden 
wij den dichter zei ven, die in de tweede uitgave zijner Gedichten 
aan zijne gezamenlijke Verhalen een afzonderlijke plaats gaf. 
De lust tot verhalende poëzie, aanwezig reeds in den jongen 
dichter, maar toen nog minder sterk dan de behoefte aan lyriek, 
groeide met de jaren. Evenals vroeger zoekt Staring de stof 
om dien lust te boeten gaarne in de geschiedenis van Gelder- 
land; dat blijkt uit Folpert van Arkel, Arnhem Verrast, Het Schip 
van Bommel, Ediiard van Gelre, Hertog Arnoud in den Kerker, 
Locliem Behouden. Maar de geschiedenis van Gelderland was 
niet onuitputtelijk; reeds vóór 1820 zien wij den dichter zijn 
blik elders richten: naar den veel verder af liggenden Germaan- 
schen vóórtijd {Thor als Visschcr, De Noordsche Goden en 
hun Bouwmeester), naar het Gelderland van zijn eigen tijd 
Het Vogelschieten , De Vorstin in het dorp , De Hoofdige Boer, 
De Tuchtiging der Algerijnen); naar het Zuiden en het Oosten, 
vanouds een rijke voorraadschuur van epische stoffen {Sint- 
Nikolaas, De leerling van Pancrates , De twee bultenaars. De 
Vampyr, Jaromir, Marco). 

De levensbeschouwing van den auteur, doorstralend in de 
keus en de opvatting zijner stoffen, neigde tot het vroolijke 
en luimige, al was zij niet afkeerig van het tragische, al rust 
zij doorgaans op een grond van ernst en een ondergrond van 
innige vroomheid. Zijn luim boeit, zijn ernst treft, zijn vroom- 
heid verheft ons; te pittig om vervelend, te geestig om onbe- 
duidend, te smaakvol om plat te kunnen worden, weet hij ons te 
vermaken in den lageren en den hoogeren zin van dat woord. 

Onverschillig was den dichter de keus zijner stof niet; maar 



39 

toch , in vergelijking van het vertellen zelf was zij hem bijzaak. 
Hoofdzaak na de opv'atting was voor hem, hoe hij de aan 
novelle, kroniek of lied ontleende stof zou bewerken: hoe 
zijne karakters opvatten, uitbeelden, zoo noodig in hun ontwik- 
keling toonen, ze naast of tegenover elkander stellen; hoe de 
onderscheiden draden van zijn verhaal vlechten, verknoopen, 
ontknoopen; en hij heeft dat gedaan met een vindingrijkheid 
en vaardigheid, die in ónze letterkunde schaarsch gevonden 
worden. Het is waar, dat Staring zijne draden soms wat lang 
uitspint, zijne knoopen te moeilijk ontwarbaar maakt {De twee 
bultenaars, Marco); doch hoe voortreffelijk verteld zijn de meeste 
verhalen: hoe weet de dichter ons bij den aanvang met enkele 
vlugge trekken in den toestand te verplaatsen; onze aandacht 
vasttehouden en te spannen, op gelukkige wijze zijn verhaal te 
besluiten. Het huiselijk praten met den lezer, in den trant der 
achttiend'eeuwsche humoristen, droeg er niet toe bij de illuzie 
te versterken ; doch paste wel bij het breede en rustig-gemoede- 
lijke van den epischen trant. 

Scherp waarnemer van innerlijk en uiterlijk leven, weet hij 
ons door zijne beschrijvingskunst menschen, dieren en dingen 
op sobere maar treffende wijze voor oogen te brengen ; 
diezelfde kunst, en een natuurgevoel, in den buitenman hooger 
ontwikkeld dan in een zijner tijdgenooten , stellen hem in staat 
tot fraaie natuurschetsjes: de omgeving waarin of de achter- 
grond waartegen zijne verhalen zich afspelen. Idealistisch kun- 
stenaar, houdt hij het oog gaarne gericht op het goede, ware, 
schoone; slaagt hij wel in idyllen als De Verjaardag en De 
Vorstin in het Dorp ; echter is hij realist genoeg om de wereld 
ook van een anderen kant te bezien, oog te hebben voor het 
dagelijksch leven in zijne karakteristieke onderdeden, oor voor 
het dialect van den Achterhoek, gelijk hij dat toont in De 
Tuchtiging der Algerijnen, een der uiterst schaarsche stukken 



40 

in dialect van dezen tijd. Zoowel in zijne dichterlijke verhalen 
als in zijne romancen toont Staring zich een geoefend vers- 
kunstenaar; welk een verscheidenheid bewonderen wij in zijne 
romancen, die telkens een andere strofe, een ander metrum of 
rhythme, een ander rijmschema doen zien; slechts een enkelen 
keer herhaalt hij zich, waar hij den vorm van Folpert van 
Arkel aanwendt ook voor Ediiard van Gelder. De voortdurende 
afwisseling van lange en korte jambische verzen geeft aan 
zijne grootere verhalen iets onrustigs, al weet hij menige periode 
op uitnemende wijze met een kort vers te besluiten. De onvol- 
daanheid met eigen werk, die Staring ertoe bracht zijne lyriek 
telkens te toetsen en te wijzigen, vertoont zich eveneens in zijne 
verhalende poëzie. Voorbeelden van zóó ingrijpende verande- 
ringen als in de twee bovengenoemde lyrische stukken zijn 
hier misschien niet aantewijzen; toch is ook hier de oogst van 
varianten rijk genoeg. Blijven wij soms in twijfel aangaande de 
redenen die den dichter bewogen tot wijzigen, invoegen of 
schrappen — doorgaans zullen wij erkennen, dat zuiverder 
gevoel, juister inzicht, fijner smaak zijne pen bestuurden, ook 
al bestaat de wijziging slechts in het weglaten van een uitroep- 
teeken; van gedachtenstreepjes , erfenis der sentimentaliteit; in 
het vervangen van een komma-punt door een dubbele punt, 
de w klein kapitaal" door de gewone letter. 

Onvoldaan met eigen werk is Staring gebleven tot zijn 
dood: in zijn hand-exemplaar van de tweede uitgaaf der Ge- 
dichten ziet men weer verscheidene nieuwe wijzigingen. Die 
onvoldaanheid ging samen met een lagen dunk van zijne 
beteekenis als dichter. Horatius moge hem in menig opzicht 
ten voorbeeld hebben gestrekt, niets lag verder van den ootmoe- 
digen Christen dan het trotsche «exegi monumentum', het 
zelfbewust «non omnis moriar" van den Romein. „Wie ben ik, 



41 

dat ik U een eerkrans gaf!" fluistert hij bij het graf van Feith; 
zelfs voor een Spandaw buigt hij het hoofd in de bekentenis: 

Maar U als Dichter na te streven, 
Eischt kunst, die mij ontstaat. 

Van de toekomst zijner poëzie had hij dan ook geringe ver- 
wachting; in het gedicht Aan den Heer Mr. A. H. Spandaw, 
dat wij hierboven aanhaalden, schreef hij: 

Mijn handvol kranke heidebloemen 
Zal ras na mij vergaan! 

Het nageslacht heeft anders geoordeeld: het leest Feith niet 
meer, kent Spandaw niet meer; doch houdt Staring in waarde, 
al is de kring van wie hem eeren klein. Voor een groot 
dichter houden wij hem niet — hoe weinig dichters mag dat 
epitheton gelden! — maar een echt dichter blijft hij voor ons, 
als voor Potgieter en Beets die hem in zijn volle waarde heb- 
ben erkend. Bij dichters en critici zal Staring in hooger achting 
staan dan bij het groote publiek; desniettegenstaande is er in 
dat viertal bescheiden deeltjes menig stuk verhalende of lyrische 
poëzie, dat verdient in ruimer kring bekend te worden. Dat 
dit niet alzoo is, dat men Starings bevallige liederen zoo 
zelden hoort, dat menig geestig vers en fraai puntdicht vol 
levenswijsheid niet tot gemeen goed van ons volk zijn gewor- 
den, kan ons alleen verwonderen indien wij vergeten, dat het 
maar Nederlandsche verzen zijn. 



TOLLENS. 



Het hart vol blijde hoop, begroette Tollens het nieuwe 
Koninkrijk der Vereenigde Nederlanden. „De toekomst is in 
goud gehuld", schreef hij in zijn jubellied 's Konings Kpmst 



42 

tot den Troon; zelf inschikkelijk van aard, noodigde hij de 
Europeesche souvereinen tot een huiselijk: 

Schuift op, o vorsten! met uw troonen: 
Want Nassau zet zich naast u neer. 

De bekroning van zijn Wien Neerlandsch bloed kon hem 
slechts versterken in het groeiend besef van een dichter naar 
het hart zijns volks te zijn; hij kreeg er een nieuw bewijs van, 
toen de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en 
Wetenschappen hem in 1819 den gouden eerepenning toewees 
voor zijn Overwintering der Hollanders op Nova Zeinbla. Dat 
berijmd verhaal moest wel in den smaak vallen van het geletterd 
publiek: Helmers had hen door den Vierden Zang zijner 
Hollandsche Natie in de rechte stemming gebracht; in „'t heilig 
strand" aan het slot der Overwintering hooren wij een nagalm 
van den bardenzang; de dichter bezorgde zijne hoorders aan- 
gename rillingen bij het relaas van al die doorstane gevaren 
en ellende; ordelijk opsommend, helder samenvattend, aanschou- 
welijk beschrijvend, bracht hij de lotgevallen dier eenvoudige 
dapperen nader tot zijn lezers, terwijl hij hen deed genieten 
van ijstafreelen en noorderlichts-vuurwerk, hen ontroerde door 
vaderlandsche binnenhuisjes, hen stichtte door het licht des 
geloofs, dat het al bestraalde. Begrijpelijk dan ook, dat een 
jury, bestaande uit letterkundig-ontwikkelde geleerden (Borger, 
Van der Palm, Siegenbeek, Kinker) dit werk ter bekroning 
aanwees; dat het ras de harten veroverde; dat de ruim zeven- 
honderd alexandrijnen, die gestadig van het opgeschroefde in 
het alledaagsche vallen, met hun conventioneele vergelijkingen 
en wendingen, maar ook met hun zuiverheid van taal, helderheid, 
aanschouwelijkheid en afwisseling, door menigeen van buiten 
geleerd; dat verscheidene passages en verzen algemeen letter- 
kundig eigendom werden. 



43 

Het pleit voor Tollens, dat hij, al steeg zijn roem bij den 
dag, naar hooger bleef streven. In 1828 hooren wij hem klagen 
over het »gebrek aan eene geletterde opleiding en het gemis 
der gelegenheid om zijn natuurlijken aanleg uit te breiden en 
te volmaken"; wat hij kon doen om in dat gebrek en dit gemis 
te voorzien , verzuimde hij niet. Het vertalen van buitenlandsch 
werk was een der middelen, waardoor hij zich trachtte te 
ontwikkelen, in 1818 — '19 zond hij een paar hunde\s Romancen , 
balladen en legenden in het licht, die in 1832 en 1839 door 
nieuwe verzamelingen van vertaalde stukken werden gevolgd. 
Burger en Schiller trekken hem vooral aan; doch ook Uhland, 
KöRNER, MoNCRiF, Lamartlne, Victor Hugo, Béranger, 
al achtte hij diens werk «een slijkpoel"; ook Walter Scott, 
Southey en Wordsworth; slechts Byron niet. Wie dit ver- 
taalwerk hier en daar onderzoekt, kan er geen hoogen dunk van 
opvatten; zelf kenschetste Tollens de meeste dezer stukjes als 
«met eene luchtige pen overgezet"; aan de hedendaagsche eischen 
voldoen zij allerminst; het beeld van den sentimenteel-onnoozelen 
minnezanger, in zijn onwaarschijnlijk kostuum op het titelblad 
der bundels van 1818 -'19 afgebeeld, past al te wel bij deze 
aldus vernederlandschte dichterlijke verhalen. 

Pogingen om in den geest van een ander dichter te dringen, 
in de worsteling van taal met taal zijn voorbeeld te evenaren, 
zien wij hier al te zelden; Tollens blijft in deze vertalingen 
die hij is en doorgaans ver van hem dien hij volgt. Slechts 
voor één dezer buitenlandsche dichters moeten wij een uitzon- 
dering maken: Matthias Claudius; met dezen vromen een- 
voudigen zanger van het huiselijk leven, sedert 1771 als 
wWandsbecker Bote", later als „Asmus" overal een welkome 
gast, voelt Tollens zich éénes geestes kind. Ook dichters van 
iets vroegeren tijd doen ons aan Claudius denken: zijn trou- 
wen hond, aan den voet van een eik begraven, vinden wij bij 



44 

Feith; zijn Duitschen jongeling met breede borst en kokend 
bloed bij Bellamy; zijn Winter, flinken gast met grijzend 
haar, bij Staring; maar niemand was zóó ingenomen met 
hem als Tollens, wien Claudius «dikwijls toesch(een) als uit 
(z)ijn eigen hart te spreken". Vandaar dat de Liedjes van 
Matthias Claudius zooveel beter geslaagd mogen heeten dan 
Tollens' overige navolgingen. 

Mede onder den invloed van Claudius leert Tollens zijn 
eigen wezen, en daarmede zijn kracht, kennen. In Het Turfschip 
van Breda (1815) had hij reeds gezegd: „Verstomm', wie 
Grieksche fabels zoekt // En voorliegt in zijn lied." Maar zijn 
eerzucht droomde toen nog van groote dingen: ,;de zege van 
't onsterflijk lied"; de dichter „rijksmonarch van de aarde - Die 
zielen in zijn boeijen knelt"; eerbied voor Homerus, door 
vorsten benijd - zulke idealen zweefden hem voor den geest, 
toen hij in 1820 zijn lierzang Het Dichterlijk Geluk voordroeg 
in een vergadering van het Koninklijk Instituut. Echter, die daar 
sprak, was de echte Tollens niet; het was een lid van het 
Instituut die meende, dat een zoo aanzienlijk gehoor recht had 
op iets buitengewoons en verhevens. Dat buitengewone en 
verhevene echter was - om met Geel te spreken — een 
»boven\verp" voor hem; in zijn hart moet hij reeds overtuigd 
zijn geweest van hetgeen hij Claudil^s nazeide: 

De Grieken volgen? 'k zou 't mij schamen! 



Wat gaat mij hun verfijning aan? 
Mij leert natuur de snaren slaan ! 

Die overtuiging sprak ook uit het stukje Mijne Dichtkunst, 
het laatste van een bundel Nieuwe Gedichten, door hem in 
1821 uitgegeven; uit de verzen Aan een vogel, die een tweeden 
bundel van het jaar 1828 besluiten. Van deze bundels is terecht 



45 

getuigd, dat zij ons het dichtvermogen van Tollens toonen 
,;0p den hoogsten trap, dien het bereiken kon"; in die bundels 
hebben wij de gegevens te zoeken voor onze voorstelling van 
Tollens, zooals hij zich in dezen tijd aan ons vertoont. 

Wij zien een vroom Christen, die ons aan de „Profession 
de foi du vicaire Savoyard" doet denken, waar in zijn Avond- 
godsdienst het heelal tot hem spreekt van den Eeuwige, 
Almachtige, Heilige; die, kind der Verlichtmg, in zijn Geloofs- 
belijdenis den lof zingt der verdraagzaamheid, welke ook den 
«zoon van Abraham" niet uitsloot. Wie deze geloofsbelijdenis 
van het jaar 1825 leest en in verband brengt met des dichters 
uitingen over middeleeuwsche dweepzucht, domheid en gewe- 
tenstirannie in den Feestzang op de Boekdrukkunst van twee 
jaar vroeger, dien verwondert niet, dat Tollens in 1827 „na 
rijp beraad en ernstige overdenking" van het R. K. kerkgenoot- 
schap tot het Protestantsche is overgegaan. Wat de orthodoxie 
van lateren tijd in Tollens' geloof miste: „het mwendig derven 
en ontbreken, en zijne vervulling uit den rijkdom der genade 
Gods", zou niet bestaanbaar zijn geweest met de oppervlakkige 
blijmoedigheid en tevredenheid, die tot de voorname trekken 
van des dichters karakter behoorden. Eenvoudig en oprecht, 
dankbaar voor veel zegen hem ten deel gevallen, bidt hij God 
om „een lang genieten"; dubbel dankbaar is hij, omdat hem 
„'t geschenk van 't lieve leven" in Nederland gegeven is; beter 
land kent hij niet: 

Gij ziet geen trouwer onderzaat. 
Gij vindt geen braver koning 

heet het in een lied op 's Konings Verjaardag van 1831; bij 
die uiting kan men andere dergelijke voegen. Wel ziet hij hier 



46 

en daar misstanden: de behoefte, geschuwd om hare lompen; 
het «dwaas verschil van standen" - doch hij troost zich met de 
overweging, dat in het kerkgebouw „kleed noch aanzien gelden", 
dat allen zich gelijk kennen voor God. 

In het gemak waarmede Tollens zich heenzet over deze 
en andere dergelijke dingen, was hij een kind van zijn tijd; 
voorganger tot het betere echter, waar hij in zijn Winteravond- 
liedje zelfgenoegzaam-onbarmhartigen rijkdom in het hart greep 
en opwekte tot milddadigheid. Zijn goedheid van hart kwam 
in verzet tegen de „bonte spotkleedij" der weezen, al mag het 
de vraag heeten of sentimentaliteit hier niet het nut dier 
bijzondere kleedij uit het oog verloor. De sentimentaliteit zijner 
eerste ontwikkelingsjaren bleef hem ook later bij; in het derde 
deel zijner Gedichten (1815) had hij God gedankt, die aan 
droeven het weenen vergunt {Tranen), zich verlustigd in de 
weelde der smart {Op den dood van mijn dochtertje), diepge- 
roerd de stille maan belonkt [Zucht); ook in de Nieuwe 
Gedichten vinden wij nog een loflied Aan de Maan, in het 
gedicht Ter Uitvaart van Cornelis Loots een verteedering des 
harten over de vergetelheid die hem als dichter wacht, bij het 
mijmrend staren op graven een Young-schen weemoed over de 
vergankelijkheid van den mensch. 

Van sentimentaliteit is ook zijn natuurgevoel niet vrij: Mei- 
zang (1820) eindigt met een verzuchting van den veertigjarige 
over een witte vlok tusschen zijne zwarte haren en den wensch 
om in Mei te mogen sterven: \\ti Zomerliedje tn Zomerochtend- 
liedje met zijn slot: ,/t Gelukkig vee mag blijven" zijn mede 
aan den sentimenteelen kant. Overigens openbaart zich in deze 
en een paar andere stukjes een liefde tot de natuur en het 
buitenleven, die het zelden brengt tot fraaie natuurschildering, 
doch die wij bij geen andere auteurs van dezen tijd - Feith 
en vooral Staring uitgezonderd - aantreffen. 



47 

Vergelijken wij Tollens' poëzie uit een aesthetisch oogpunt 
met de vroegere, dan bliji<t zij in menig opzicht dezelfde te 
zijn gebleven. Ook nu openbaart opgeschroefde aandoening 
zich te vaak in buitensporigheid van uitdrukking; zoo b.v. in 
deze verzen uit: Lijkzang op E. A. Borger: 

Wij wagglen met den schat, dien wij ter grafkuil dragen; 
De lijkkist ploft op ons, die in de groeve daalt. 

Ook nu weet de dichter, eens begonnen, niet van uitscheiden; 
ais wilde hij door veelheid van verzen vergoeden wat hij in 
kracht te kort komt: een gedicht Bij mi/n gades jongste bevalling 
telt ruim 180 verzen, de romance De Spaansche Broeders voor 
Haarlem 58 vierregelige coupletten, een Avondmi/mering (1823) 
wordt door 81 coupletten heen voortgezet. Soms streeft hij met 
goed gevolg naar het eenvoudige en natuurlijke; in de 188 
verzen Op den dood van mijn dochtertje vindt men hier en 
daar zuiver gevoel eenvoudig en treffend uitgedrukt; maar de 
oude deftigheid vertoont telkens weer haar pruik; zoo is het 
b.v. waar wij een moeder tot den zuigeling op haar schoot 
hooren zeggen: 

Neem wat in mijn aders vliet: 
Koningskindren hebben 't niet. 

Zulke verzen lokten de parodie uit, die de Schoolmeester 
er van zou geven; doch Tollens had te weinig oog voor het 
komische om het gevaar te bemerken dat hem hier dreigde. 
Hoe zelden is hij geestig of ook maar luimig; waar hij aanvech- 
tingen daartoe gevoelt, durft hij er zich niet aan overgeven: 
zijne verzen in den trant van Cats en van Datheen houdt 
hij in portefeuille. Conventioneele uitdrukkingen, wendingen, 
metaphoren als «de ondeugd van een Tijd", die met dubbel 



krijt schrijft op de cijferlei van het leven, kan men ook in zijne 
poëzie van dezen tijd aantreffen. Het eenige waarin wij vooruit- 
gang opmerken is de kunst van beschrijving; vooral in De 
Overwintering op Nova-Zembla , maar ook in De Verovering 
van Damiate en een paar andere verhalende gedichten vinden 
wij daarvan de bewijzen. 

Het is een andere beschrijvingskunst dan die van Staring: 
eenvoudiger, gemakkelijker te volgen, maar minder sober en 
treffend; beter geschikt om den smaak van het groote publiek 
te voldoen, maar minder bestand tegen de wisselingen van den 
smaak. Die laatste tegenstelling geeft ten deele het verschil aan 
tusschen den zanger van het Wien Neerlandsch bloed en zijn 
dertien jaar ouderen tijdgenoot. Tollens bereikte in dit deel 
van zijn leven eene populariteit, zooals zelfs Feith niet, zooals 
alleen Cats gekend had: zijne bundels Gedichten (1808-1815) 
werden bij duizenden verkocht; toen reeds drie oplagen 
uitverkocht waren, liet de uitgever Immerzeel nog een oplaag 
van 10,000 exemplaren drukken, en reeds eenige jaren later 
was een vierde uitgaaf noodig. De gevierde kanselredenaar 
Abraham des Amorie van der Hoeven moest Tollens' 
verzen steeds onder het bereik zijner hand hebben; zijne 
Echtscheiding bracht een »in onmin en gescheiden levend" 
echtpaar weer bijeen. Zijn talent als voordrager verhoogde nog 
den indruk dien zijne poëzie maakte: Bowring, een Engelsch- 
man die hier te lande veel in geletterde kringen vertoefde, 
spreekt van Tollens' feestelijke en oostersche voordracht, is 
onder den indruk der zwarte oogen van den donkerharigen 
zuidelijken zanger; Bogaers gewaagt van Tollens' «trillende, 
mannelijke stem en den zielvollen blik zijner donkere oogen". 

Wat was, daarbij vergeleken, de populariteit van Staring, 
die het in 15 jaar slechts tot een tweeden druk zijner Gedichten 
bracht! Doch ook, welk een verschil tusschen beider opvatting 



49 

van de kunst der poëzie. Tollens begon met een hoog ideaal 
van het dichterschap; in De Dichter, een werk uit zijn eersten 
ontwikkeHngstijd , wordt gezegd: „Een godheid is hem inge- 
varen", blijkbaar vertaling van „est deus in nobis". Deze aan 
de klassieken ontleende opvatting poogde hij ook later vastte- 
houden, zooals wij zagen in Het Dichterlijk Geluk; maar de 
ongeëvenaarde opgang zijner poëzie belemmerde zijn pogen. 
Ten deele mocht het een geluk voor hem heeten, het inzicht: 
dat zijn kracht niet in het hooge lag; dat hij, lager bij den 
grond blijvend, het publiek bekoorde of verrukte; maar ander- 
zijds werd hij door zijne vroegtijdige populariteit geschaad, 
immers verslapt: van een streven naar ontwikkeling bemerken 
wij niets meer; hij was, vooral na Feith's dood, de vader- 
laridsche dichter — wat zou hij zich nog inspannen? Onder 
de toejuichingen van een gansch volk, bij het allerwegen 
opstijgen der bedwelmend-geurige wierookdampen sluimerde 
zijn dichterlijk geweten in. 

Een enkelen keer ontwaakte het: in Avondmijmering (1823) 
toont hij zich pijnlijk bewust van het verschil tusschen hetgeen 
hij eens gehoopt had en hetgeen hij nu geworden is, hooren 
wij hem klagen over de giften door de natuur aan hem ver- 
Jiwist; maar de veertigjarige was toen reeds te ver op zijn pad 
gevorderd, om nog een anderen koers te kunnen kiezen. Hoe 
anders Staring: krachtiger van karakter dan de brave maar 
weeke Tollens, rijker en dieper van gemoed, fijner van smaak, 
had hij m de strenge school der Ouden van jongs af geleerd 
zich hooge eischen te stellen; bleef dat streven naar volmaking 
steeds levendig en krachtig in hem, waarzonder geen kunstenaar 
tot volle ontwikkeling van zijn wezen komen kan; door geen 
vroege populariteit verslapt, werkte hij rustig maar gestadig 
voort en slaagde erin werk voort te brengen, dat nog groent 

en krachtig staat als de dennen van den Wildenborch. 
KALFF, Letterkunde, VII. . 4 



50 

Toen Staring in 1840 stierf, stond de zestigjarige Tollens 
op het toppunt zijner populariteit; in de zestien levensjaren 
die nog vóór hem lagen, zou hij zich daar bUjven handhaven. 



DE KLYN'S. BORGER. TEN BRINK. 

Achter de, hierboven gekarakterizeerde, banierdragers der 
poëzie zien wij een menigte van minder beteekenende , toch 
niet onbelangrijke, schrijvers: oudere en jongere tijdgenooten 
van Tollens, in menig opzicht met hem verwant, opgegroeid 
onder den invloed der verlichtings- en vrijheidsdenkbeelden, 
ten deele gevormd door ouderen als Feith, Bilderdijk, Klnker 
en VAN Hall, Hel.mers en Loots. 

De beide Amsterdamsche suikerraffinadeurs Klyn (Hendrik 
Herman 1773-1856 en Barend 1774—1829) verdienen onder 
hen een eerste plaats als typische vertegenwoordigers van hun 
tijd. Voortgekomen uit een kring van ongeletterden , wier 
geestelijke behoeften bevredigd werden door Cook's reizen en 
een enkele voorstelling in den Hollandschen Schouwburg, wier 
voorname ontspanning de kolfbaan was, ontworstelt Hendrik 
Herman zich aan dien kring, zoodra de groote denkbeelden 
van dien tijd vat op hem krijgen. Als lid der burger vergade- 
ringen, als officier der schutterij sluit hij zich aan bij Kemper, 
VAN Hall en zoovelen die de Bataafsche vrijheid met vreugde 
begroetten. Wordt hij later ook ontnuchterd door de zelfzucht 
en het ambtsbejag van vele revolutionnair-gezinden , hij blijft 
toch gelooven in de ware vrijheid en den maatschappeHjken 
vooruitgang. De omgang met doctor Doornik en Klnker 
brengt hem tot het bestudeeren der wijsbegeerte, vooral die 



51 

van Kant; spoedig kreeg hij zelfs naam onder de Kantianen. 
Ook aan de literatuur gaat hij zich wijden; Feith is de gids 
op wien hij het oog gericht houdt; in den Rouwzang op 
Mr. R. Feith getuigt de dankbare leerling: 

U dank ik dit gevoelig hart; 
U dank ik alles wat ik werd; 

aan het slot van zijn gedicht op Loots zien wij navolging van 
BiLDERDijK's Afscheid. 

De deftige suikerraffinadeur, altijd opgeruimd, al verloor hij 
een eenige dochter die hij zielslief had, braaf, geloovig, wei- 
meenend moet een beminnelijk man zijn geweest. Kinderen 
waren altijd welkom in zijn huis op de Heerengracht; „als wij bij 
hem kwamen" - vertelde één hunner later - „stampte hij met 
een dikke rotting met gouden knop op den grond". Dan kwam 

de huishoudster en hij riep: „gauw snethlaagjes *) voor de *) langwer- 

pig-vierkante 

kinderen!" Bij tijdgenooten en ouderen was hij gezien; zijn drogegebak- 

, _, . . . ... 11. il 1 • Jes met een 

schoonzoon Boissevam , wien wij liet verhaal der snethlaagjes anijssmaakje. 

danken, reed wel eens met „papa Klyn" in een fourgon naar 
de bekende herberg „De Geleerde Man" tusschen Haarlem en 
Leiden; daar ontmoetten de geletterde Amsterdammers dan de 
vrienden uit Leiden; de lange goudenaars werden opgestoken, 

de vermaarde Fransche wijn aangesproken dan aan het 

praten en debatteeren ! In tal van besturen en commissie's 
wenschte men Klyn als medelid; niet zelden trad hij op in de 
Loge, in Felix Meritis of een andere Maatschappij om er een 
zijner gedichten voortedragen of een lezing te houden. 

Wat wij gehoord hebben van Klyn's vorming en omgeving, 
kah ons reeds doen vermoeden, wat de inhoud van die lezin- 
gen en gedichten zal zijn geweest; een vrucht zijner Kant-studie 
was b.v. zijne voorlezing over De mensch een volmaakbaar 
wezen (1805); zijn sterk verlangen naar verlichting en bescha- 



52 

ving uit zich in het gedicht Mijne eerste gedachte bij mijne 
intrede in de Loge ; de denkbeelden van verlichting en menschen- 
waarde vinden wij ook in andere populair-wijsgeerige gedichten 
als De kracht der wetenschappen en kunsten bij het gevoel der 
tegenspoeden , De Starrekunde, De verpligting der kunsten aan 
de vrouwen die door hun inhoud en vveinig-persoonUjken vorm 
aan dergelijke stukken van Kinker, Helmers, Loots en anderen 
herinneren. Door de dichtkunst het gezag der rede handhaven, 
mede langs dien weg een vvijsgeerig volks-leerdichter worden - 
dat streven van Klyn openbaart zich ook in het omvangrijk 
leerdicht De Driften (1812); geheel in den geest der Verlichting 
en van Pope's woord: the proper study of mankind is man" 
zijn deze regels van het Voorberigt: „Altoos was de mensch 
het geliefkoosde onderwerp mijner bespiegelingen; alles wat 
eene onmiddellijke betrekking op hem, als denkend en hande- 
lend wezen, had, was my dubbel belangrijk, en zoude die dan 
niet zijn gemoed, zijne Driften zijn?" 

Uit die sferen van bespiegeling trekken de gebeurtenissen 
van 1813 Klyn omlaag; het vaderland wordt nu grondtoon 
zijner poëzie en hij schrijft Vaderlandsche Zangen vol Hel- 
mersch pathos, met Helmersche zelf-opzweepingen als: «Barst 
los, geschokt gevoel ! barst los, verkropte tranen !" in 1815 dicht 
de vreedzame suiker-raffinadeur zelfs een Krijgslied der Neder- 
landen. Is de vrede verzekerd, dan houdt een goedmoedige 
tevredenheid haar intocht in zijn hart. Tollens moet met 
instemming in een Nieuwjaarsgroet van Klyn dit couplet heb- 
ben gelezen: 

Daarom hij die thans nog mort, 
Of ons soms tot wrevel port. 
Is gewis een aterling. 
En niet waard, wat hij ontving. 



53 

Ook de poëzie, door Klyn in dat ,, nieuwe tijdperk" voort- 
gebracht, typeert den tijd in zijne kleurloosheid, conventie en 
hol pathos dat het eenvoudig waar gevoel onderdrukte; een 
goed staaltje van conventioneele uitdrukkingen, beelden en 
vergelijkingen vinden wij b.v. in het gedicht Weemoed. Klyn 
lijdt aan dezelfde neiging tot opschroeving van zijn gevoel als 
Tollens; dat zien wij o. a. in een gedicht aan zijn vriend 
B. Hulshoff en regels als: 

Wat biede ik?.... tranen? ja, zij paarlen in mijne oogen ; 
Een handdruk? Hulshoff, voel! hoe dat de hamdpalm beeft! 

Te weinig poëet om zelfs in de weeklaciiten over den dood 
zijner inniggeliefde dochter ons hart te kunnen ontroeren, 
te argeloos om elders het ongewild-koniische te vermoeden 
van een regel als: „'k Hoor Potter! 'k hoor uw stier, 'k snel 
met de melkmaagd meê!" heeft Klvx maar enkele stukken 
gedicht, die zich iets boven de rest verheffen {Neen, nooit 
wordt de dichter oud! (aan Tollens), Mijne Eenzaamheid, 
Het Meer van Genève). In het omvangrijk gedicht Zwitserland 
(1828), vrucht eener reis door hem ondernomen met zijn 
vriend Mr. Jan van 's-G raven weert, geeft hij een geestdriftige 
schildering van het land in het algemeen, de stroomen en de 
dalen, afgewisseld door allerlei beschouwingen of herinne- 
ringen aan zijn vaderland ; hij toont oog te hebben voor de 
verheven schoonheid der bergen, het lieflijke der dalen, het 
indrukwekkende der watervallen; van weinig gewicht voor de 
geschiedenis der literaire kunst te onzent, heeft het echter 
belang voor de geschiedenis onzer beschaving, met name die 
van het natuurgevoel. 

Barend Klyn vaart over het algemeen in het zog van zijn 
broeder en compagnon, maar toont toch hier en daar den tijd 



54 

waarin hij leefde van een anderen kant. In omvangrijke wijs- 
geerige stukken als Het Leven, Vergankelijkheid , doet hij aan 
Hendrik Herman denken; evenals deze toont hij zich volks- 
leerdichter in zijne gedichten over Weldadigheid en Mensch- 
lievendheid. Op het voetspoor van Loots hekelt hij in zijn 
verzen Aan de Vaderlandsche Jongelingen (a° 1820) 

dat inlandsch bastaardsoort, 
Dat in gang, vermaak en kleeding slechts uitheemsche wetten hoort. 

Een zijner opmerkelijkste stukken is De Bestemming van den 
Mensch, dat voorgedragen werd in het „Genootschap tot be- 
oefening van Deugd en Kunde" bij de feestelijke viering van 
het 25-jarig bestaan; duidelijk zien wij er, van welken aard de 
invloed was, door den Amerikaanschen vrijheids-oorlog vooral 
op de jongeren geoefend, in deze regels: 

De heilstaat van den mensch , het heil der maatschappij 

Was 't uitzigt waarop 't oog met jeugdige aandrift staarde, 

En 't vurig jonglingshart een heiige huivring baarde. 

't Verlost Amerika goot toen zijn vrijheidsmin 

Zijn zucht voor orde en wet aan aller harten in. 

Het gloeide in elke borst, het gloeide in aller zielen: 

De mensch was beeld zijns Gods. Geen slaafsch verachllijk 

knielen 
Voor wezens, hem gelijk, was 't voorschrift van zijn' pligt; 
Maar menschenliefde en deugd en wat de deugd verrigt. 
Ja, Franklin wees u 't spoor, dat spoor kon nimmer dwalen 

enz. 

Aan deze bewondering der gevoelens van menschenwaarde , 
menschenliefde, deugd is Barend Klyn, evenals zijn broeder, 
ook later trouw gebleven; voor die bewondering heeft hij 



55 

anderen gewonnen; o.a. den jongen Potgieter, die omstreeks 
1S25 met de Klyn's kennis maakte en de dichterlijke koop- 
lieden als leidslieden beschouwde bij het zoeken van zijn weg. 
Die weg zou hem spoedig van hen af voeren; desniettegen- 
staande mag hun invloed op zijn vorming niet zonder betee- 
kenis worden geacht. Ook om dien dienst aan onze literatuur 
bewezen, zal men het broederpaar Klyn niet geheel mogen 
vergeten. 

Voor Barend Klyn was de poëzie slechts een middel om 
„den werkeloozen tijd te korten en aangenaam te maken"; in 
denzelfden geest hooren wij zijn tijdgenoot Mr. Jan ten Brink 
verklaren: „ik heb van jongs af alleen de Dichtkunst beoefend 
ter veraangenaming van mijn huisselijk en gezellig leven". Bij 
anderen vinden wij een hooger motief: „ik beminde" - het 
is R. H. VAN Someren die spreekt - „van mijne jeugd af de 
edele Poëzy". Maar, tijdverdrijf of liefde, de uitkomst was, dat 
er angstwekkend veel verzen werden gemaakt. Loots raakte er 
zóó door uit zijn humeur, dat hij in De Rijmdrift dezen 
draconischen maatregel voorstelde: 

Men doeme elk' rijmelaar, die 't prulschrift hielp vermêeren , 
Dat hij zijn lompe vrucht, op driedik perkament 
Gedrukt, door 't keelgat zwelg' en zoo ten lijve zend'. 

Inderdaad, gering was deze rijmdrift niet: „wij zuchtten" - 
lezen wij in Nieskruid voor den Heer J. L. Nierstrasz Jr. (1828) - 
„bij het bericht dat er in één jaar Honderd Veertien bundels 
en bundeltjes verzen in Nederland uitkwamen!" In de „eere- 
penningen", door zoo menige Maatschappij uitgeloofd, zag de 
auteur van dit geschrift de bron dezer verzenstroomen; de 
bovengenoemde Van Someren verwierf niet minder dan 4 



56 

gouden en 3 zilveren medailles; de billijkheid eischt er bij te 
vermelden, dat hij dit edel metaal in 1830 «ten offer bracht" 
op het altaar des vaderlands. Alle verzenmakers van dien tijd 
noemen - wie zou het kunnen? wie zou het wenschen , indien 
hij liet kon? Van de wan des tijds zijn ze afgestoven als kaf 
voor den wind; slechts enkele hunner vallen ons nog in het oog: 
de welmeenende, geloovige, vaderlandslievende boekhandelaar- 
uitgever J. Immerzeel Jr. (1776- 1841), wiens goedmoedige 
grapjes en burleske stukjes Voor opgemimden van geest thans 
even ongenietbaar zijn als zijn kleinburgerlijk- benepen ernstige 
stukken, en die zich zelven zoo juist kenschetste in de regels: 

Dat ik zoo maar, ?ans fagon, 
In mijn slaaprok, op pantoffels, 
Nader tot den Helikon. 

Mr. J. O. VAN DE Kasteele (1780-1835), dien wij alleen 
als zoon van van Alphen's vriend vermelden en als schrijver 
van het rijmwerk Het 's-Gravenhaagsche Bosch; de predikant 
J. Decker Zimmerman (1785-1867), redacteur van het tijd- 
schrift Euphonia, die verscheidene zijner bijdragen vereenigde 
tot een bundel met den al te juisten naam Kinderen der Ver- 
getelheid (1825 -'28). 

Meer naam van dit drietal had gedurende langen tijd de Fries 
Elias Annes Borger (geb. 1784); doch vooral doordat men 
zijne verdiensten als geleerde in rekening bracht bij de beoor- 
deeling zijner verzen. Evenals Nieuwland, met wien hij terecht 
vergeleken is, had Borger een buitengewonen aanleg voor de 
wetenschap; toch groeide er geen kamergeleerde uit den jongen, 
die een voortreffelijk knikkeraar en liefhebber van zeilen was, 
die zwom en dook als een visch en schaatsen reed trots de 
besten. Gevierd kanselredenaar, die in 1815 hoogleeraar te 



57 

Leiden werd , vriend van van der Palm , bewonderd en bemind 
door velen , behoorde hij tot onze eerste mannen van dien tijd ; 
reeds in 1820 echter nam de dood hem weg. Vermoedelijk is 
ook voor Borger de poëzie doorgaans slechts een middel 
geweest tot ontspanning van wat men toen „ernstiger bezigheid" 
placht te noemen. Zich en zijne tijdgenooten heeft hij zeker 
vermaakt met zijn navolgingen van Cats en Datheen , al had 
Betje Wolff dat lang vóór hem gedaan, al geeft Borger - 
anders dan Staring - Cats op zijn minst te zien; de schets 
van een Leidsch patriot {De Vaderlander) is in haar boertig 
genre niet slecht, evenals zijn verjaardicht voor den ouden 
professor Tydeman. Aan zulke stukjes, die de bescheiden 
Borger zelf vermoedelijk niet herdrukt zou hebben, mag men 
geen hooge eischen stellen; maar ook waar zijn verzen uitstor- 
ting waren van het overvolle hart, vinden wij geen poëzie, 
slechts rethorica en conventie , met menigen val van opgeschroefd 
hoog op laag. Borger's veelbewonderd lijkdicht op zijne 
vrouw en zijn kind Aan den Rijn in de lente van het jaar 1820 
vertoont dezelfde eigenschappen. Opmerkelijk is dat stuk vooral 
als aanwijzer van het laag literair peil te onzent in 1820: 
zoo'n stuk werd hier nog bewonderd, toen Coleridge, 
Wordsworth, Byron, Shelley en Keats hun beste werk 
grootendeels of geheel reeds hadden gegeven; André -Chénier 
vijftien jaar dood was, de Lamartine en Victor Hugo bezig 
waren met de Méditations en de Odes; toen Schiller en 
Novalis reeds hadden opgehouden te werken, Goethe op het 
toppunt van zijn roem stond, de Schlegel's, Tieck en Uhland 
in hun volle kracht waren ! 

Een gansch ander man dan de eenvoudige nederige Borger 
was zijn oudere tijdgenoot Jan ten Brink (1771-1839). 
Amsterdammer van geboorte, was hij in zijn jeugd bevriend 
met SiEGENBEEK, Kemper, D. J. van Lennep, Abraham en 



58 

Jeronimo de Vries. Leerling van den vrijheidlievenden rector 
VAN Ommeren, verbond ook ten Brink de studie der klassieke 
oudheid met sympathie voor de revolutionnaire begrippen dier 
dagen: in 17Q5-'96 zien wij den vurigen jongen man als 
Dagbladschrijver der Nationale Vergadering, een post die hem 
een ruim bestaan opleverde, doch dien hij, ras ontnuchterd, 
liet varen voor een karig bezoldigd praeceptoraat te Harderwijk. 
Sedert was hij rector te Haarlem en professor in de oude talen 
te Groningen. Door verscheidene overzettingen trachtte hij het 
beschaafd publiek nader tot de Ouden te brengen en werd zoo 
een medestander van de Perponcher, van Hall en D. J. 
VAN Lennep. Als dichter heeft hij weinig te beteekenen. Henig 
vernuft blijkt uit zijn zevental puntdichten, o. a. uit dit vers 
op een ,;geleerde snapper": „Zoo hij min wist, waar 't hem, 
min sprak, waar 't ons ten voordeel"; voor zoo'n regel had 
hij vermoedelijk iets te danken aan Voltaire, door hem in 
1823 „de dichterlijkste Fransche Dichter" genoemd. Overigens 
echter vinden wij in De invloed der Dichtkunst op vrijheids- 
zucht en Liefde, Mijn roem als Nederlander en andere stukken 
van dezen aard slechts weinig dat ons uit literair-historisch of 
aesthetisch oogpunt belangrijk voorkomt. 

Slechts weinig, maar toch iets: in zijne blijmoedigheid en 
tevredenheid met de nieuwe orde van zaken na 1815 toont 
TEN Brink zich een geestverwant van Tollens en Klyn. in 
zijn gedicht De Waarde van het Tegenwoordige Leven lezen wij : 

'k Beklaag hem, die, verblind, van dankbaarheid verbasterd. 
Steeds van den Hemel spreekt en 't aardsche leven lastert. 

Die tevredenheid met het leven hier op aarde, die onwil 
tegen wie dat aardsche leven minachtten, dagteekenden trouwens 
reeds van vóór 1815. In een gedicht van 1811 -'12 keert 



59 

Barend Klyn zich tegen hen, die naar „dweepzuchts tempel 
snellen" en daar .,des levens vreugde smoren" en naarmate wij 
verder komen, zien wij de tevreden menschen al feller worden 
tegen de ontevredenen. Jan ten Brink schiet in 1823 het 
harnas aan tegen een paar „Ridders van den Domper", waar 
hij „de oorzaak der toenemende natuurlijke en zedelijke bedor- 
venheid der Menschen" in verzen behandelt. Uit hetzelfde jaar 
dagteekent een stukje van zijn hand, getiteld Vcrgeefsche Moeite 
waarin wij o. a. lezen: 

Wat tracht Gij, welgezinde Liên! 

In ernst een' dvveeper 't hoofd te biên? 



Gewis; hij maakt geen proseliet. 

Of, dien hij maakt, die 's even dwaas. 

En rijp voor 't dolhuis, als zijn baas. 

Met het zwaard der Verlichting keert Barend Klyn zich 
tegen „de duisterlingen": 

Verheft dan vrij uw stem gij , zwakke duisterlingen ! 
Poogt weer des menschen geest in de oude boei te wringen ; 
Ontzegt hem licht en kracht, ontneemt hem rang en eer, 
En werpt hem, zoo gij kunt, in 't graf der domheid neer. 
Waar ook uw schandleer ooit de zege mogt behalen 
in Nêerland blijft het licht op 't duister zegepralen. 

Het wordt tijd die „dweepers" en „duisterlingen" of wie 
daarvoor golden en de door hen voortgebrachte literaire werken 
nader te gaan beschouwen ■^). 



60 

BILDERDIJK EN DE ZIJNEN. 
BILDERDIJK (Slot). 

Zelfs BILDERDIJK had meegejubeld ov^er ons herboren volks- 
bestaan; met Krijgsdans en Wapenkreet had hij zijn landge- 
nooten opgewekt tot strijd tegen Napoleon ,;den heidraak, weer 
op nieuw ten afgrond uitgebroken'' en de Franschen, het 
;; verbasterd Kaïnskroost, uit duivlenzaad geteeld"; hij had mede 
den nieuwen Koning verwelkomd en in zijn gedicht Holland 
aan België (1815) de handen der zustervolken ineengelegd 
„voor 't zelfde Gods altaar". Maar tevredenheid, het deel van 
zoovelen, was niet voor hem weggelegd: de grondwet, die de 
nieuwe Koning had moeten bezweren, was reeds voldoende 
om in Bilderdijk's oog den herboren staat tot een kind der 
revolutie van 1795 te maken; in de raadslieden des Konings 
zag hij, niet geheel te onrechte, politieke tegenstanders of 
persoonlijke vijanden; een krenking, door hem in 1815 onder- 
vonden, deed den beker zijner ergernis overloopen. 

Aan het Athenaeum lllustre moest een hoogleeraar in de Neder- 
landsche taal- en letterkunde worden aangesteld; Bilderdijk hield 
zich terecht voor den aangewezen man ; Koning Willem had hem 
bij monde van Wiselius hoop gegeven; Kemper, Valckenaer, 
D. J. VAN Lennep deden hun best voor hem - door tegen- 
werking van Amsterdamsche hoogleeraren werd J. P. van 
Capelle, in dezen verre Bilderdijks mindere, benoemd. Niet 
alleen werd daardoor een van des dichters liefste wenschen: 
nuttig zijn door academisch onderwijs, verijdeld; doch boven- 
dien voelde hij zich op grievende wijs verongelijkt; Amsterdam 
werd hem „een helsch gruwelnesf'. Het onderwijs aan den 
jongen Da Costa, wien hij in 1815-1816 van zijn rijke 
wetenschap mededeelde, van zijn levensbeschouwing doordrong. 



61 

gaf hem vooreerst bezigheid en afleiding, maar toen de leerling 
in het najaar van 1816 naar Leiden ging, hield zijn meeeter 
het te Amsterdam niet langer uit: in Mei 1817 verhuisde ook 
hij naar Leiden. Nam hij ook daarheen zijne ergernissen en zich 
zelven, mede - het leven in de kleine, stille universiteits-stad 
paste hem toch in veel opzichten beter: met verscheidene 
professoren stond hij nog op goeden voet (de beide Tydemaks , 
vader en zoon, van der PaliM, Siegenbeek, Kemper); zijn 
trouwe vriend Valckenaer woonde niet te ver weg; van tijd 
tot tijd bezocht Bilderdijk hem op het Huis Ie Bijweg of op 
Meer-en-Bosch, waar hij soms ook Wiselius, van Hall en 
andere vrienden van den heer des huizes ontmoette. 

Bovenal, hij vond in Leiden Da Costa terug, die welhaast 
andere jongeren in aanraking bracht met zijn hoogvereerden 
meester: zijn boezemvriend Capadose, Israëliet als hij; Wil- 
lem en Dirk van Hogendorp, zoons van Gijsbert Karel; 
Carbasius en Bodel Nyenhuis. Dat zestal werd het auditorium, 
waarvoor Bilderdijk na de groote vacantie van 1817 een college 
over de geschiedenis des vaderlands aanving; deze hoorders 
verdwenen , naar gelang zij promoveerden en de academie 
verlieten, doch steeds werden hunne plaatsen door anderen 
ingenomen; in het tiental jaren, dat Bilderdijk te Leiden 
doorbracht, namen ongeveer een veertigtal jongelieden aan dit 
privatissimum deel, onder wie, behalve het bovengenoemd 
zestal: Groen van Prinsterer, Rau, Callenbach, Schim- 
melpenninck van der Oye, Jacob van Lennep, Elout. 
Een der deelnemers aan dit college heeft ons een omtrekje van 
Bilderdijk als leermeester nagelaten. De college-kamer, waar 
eenige jongelieden op stoelen, de meeste op den grond zitten, 
komt hij binnen, veelal nog half in nachtgewaad, het bekende 
tulband-achtige hoofddeksel op; met gedempte stem vangt hij 
aan: hij weet niet of zijne krachten hem zullen toelaten het 



62 

college te geven; welhaast wordt zijn stem forsch, het papier 
met aanteekeningen ontvalt zijn hand, in schitterende taal 
improvizeert hij verder, terwijl zijne jongeren vol eerbied 
Inisteren naar den profeet, die, uitgegaan van de historie, over 
recht, wijsbegeerte, taal en poëzie spreekt; die niet rust voordat 
hij ze weer eens heeft neergeworpen al de afgoden van den 
dag: de nieuwe grondwet, de verlichting, de filozoofsche deugd, 
de rede, den volkswil, de vrijheid. 

Zoo ging dan aan den avond van zijn leven de wensch in 
vervulling, door hem aan het slot van zijn Lotbefreuring {\ 809) 
uitgesproken : 

Dat nog uit zijn verworpen ooft, 
Een enkel zaadgrein, rijp gestoofd, 
Ontwikkien kan voor later tijden ! 

Zoo werd hij langzamerhand de vaste kern eener kleine 
reactionnaire groep, vlottend en toch blijvend, wisselend in 
hare bestanddeelen , maar standvastig in haar wezen, die nieuwe 
kracht kreeg uit elk nieuw studentengeslacht en nieuwen invloed 
met elk van hare leden, die de academie voor de maatschapjjij 
verliet. In die kleine groep zelve was werking en wederwerking: 
oefende de meester een sterken invloed op zijne jongeren - 
omgekeerd had het spreken tot deze getrouwen , het vorm geven 
aan zooveel wat in hem woelde en slechts ten deele uiting kreeg 
door de poëzie, invloed op den meester zei ven, wiens reaction- 
naire gevoelens en meeningen al dieper wortel in hem schoten, 
die al scherper kwam te staan tegenover de toenmalige toongevers. 

Niet langer werd hij door twijfelingen verontrust in zijn 
geloof; hij zag nu in, dat men den bijbel moet lezen niet „met 
de praesumptie des verstands, waarvoor hij een strik is, maar 
met een eenvoudig en naar waarheid dorstend hart" (Aan 
WiSELius 1822); dat boek der openbaring slaan hij en Da Costa 



63 

op in moeilijke oogenbiikken, daar vinden zij dan - doch niet 
bij toeval - den tekst die troost of licht geeft; in persoonlijke 
zedelijkheid kon iemand, als Leicester te kort schieten, maar 
zijne „rechtzinnigheid in het Godsdienstige" mocht daartegenover 
gesteld worden ; met de geestenwereld blijft hij in nauwe betrek- 
king; wie al die vingevingen, verschijningen en gewaarwordin- 
gen uit het Geeslendom' niet opmerkt, wil ze niet opmerken, 

„verhardt er zich tegen schrijft ze aan zwakheid van 

inbeelding toe" (Aan Da Costa 1823). Zijn Christendom gaat 
zich afwenden van de klassieken, immers Heidenen. Hij heeft 
er bezwaar tegen zijn zoon Lodewijk Latijn te doen leeren; die 
taal toch had altijd gediend „tot vehikel .... van 't gruwelijk 
Heidendom" (Aan Da Costa 1822); in Lamartine die Byron 
vergoodt en Chateaubriand „met zijn fraai geschrijf voor de 
Grieken" ziet hij slechts „'t herstelde Heidendom" (Aan Capa- 
DOSE 1825); de sympathie van den jongen Tydeman voorden 
opstand der Grieken leidt tot een vriendschapsbreuk met dezen. 
Al feller worden zijne uitvallen tegen de Liberalen, wien het 
slechts te doen is om onrust en oproer te verwekken; tegen 
hun «domheid, dolheid, razerny" die nu de wet geven; tegen 
het volk 

duizendhoofdig beest, 
Dat Kruis en Kroon vertreedt. 

tegen de vrijmetselaars, voorstanders en verbreiders der ver- 
lichting; tegen de „onfeilbaarheid van 't courantiers verstand" 

Dat, naar vrijmachtig welbehagen, 
Thans Wetten, niet van doen, maar denken, geeft in 't Land. 

Zelfs tegen de „dolle afschaffing der slavernij"; in dat streven 
ziet hij denzelfden geest, „die door 't omstooten van alle 
wettige regeering, het rijk des Satans wilde vestigen .... die 



64 

alle nieuwigheden sedert de helft der vorige eeuw ingevoerd 
heeft, en onder den schijn van lichtflikkering, die duisternis 
des afgronds ingehaald, die thans alles overnevelt en niet dan 
door Gods hand gebroken kan worden" (Aan M. Tydeman 1S16). 
Nog altijd brandt het vuur der zinnelijkheid fel in den 
zeventigjarige, die nog een Qryzaarts Bmiloftszangkon dichten 
in den trant der minnepoëzie voor Odilde; maar ook nu zien 
wij zijn beter-ik worstelen met zonde en zwakheid; nog altijd 
hooren wij zijne klachten en verzuchtingen tot God; nog altijd 
duurt die afmattende strijd tusschen vleesch en geest, die hem 
eens deze aangrijpende bekentenis ontlokte: ,;ik beschouw mijn 
geheel doorgeworsteld leven als een staat van aantrekking van 
God en terugstooting van mijne zijde, waarin de genade met het 
verderf in een eindeloozen strijd is. Die dit leest, bidde voor mij". 

Het kon niet anders of wie zulke anti-liberale gevoelens en 
gedachten door mondeling onderwijs en in geschrifte verbreidde 
en verdedigde, moest in botsing komen met de liberale toon- 
gevers. De Leidenaars werden ongerust: Bilderdijk's jongeren 
behoorden tot de beste en aanzienlijkste studenten; men begon 
te vragen of hij wel recht had als leermeester der geschiedenis 
optetreden ; moest zoo'n onruststoker niet door Curatoren uit 
Leiden verwijderd worden? Kemper kwam er rond voor uit, 
dat hij zou trachten Bilderdijk's invloed te keeren; zijne 
redevoering De liberali dispiitatione van September 1821 toonde, 
dat het hem ernst was met dat voornemen; in die redevoering 
kwamen verscheidene punten der liberale geschiedbeschouwing 
ter sprake en werd met zekere geringschatting gesproken over 
de beweringen van „Unus ille vir." Dirk van Hogendorp's 
dissertatie over het recht van Prins Willem 1 op de grafelijkheid 
van Holland lokte scherpe critiek uit; de Vaderlandschc Letter- 
oefeningen spraken zelfs van „addervergif uit een venijnige bron". 



65 

Erger werd het toen de Leidsche predikant Schotsman, 
tijdgenoot en geestverwant van Bilderdijk, in 1819 een Eere- 
zuil ter gedachtenis der Dordtsche Synode uitgaf, die algemeene 
ergernis verwekte; Bilderdijk mengde zich in den strijd met 
een voorrede voor de tweede uitgaaf, fel in verweer, fel in 
aanval; zijn naam had hij verzwegen, doch niemand twijfelde 
aan zijn auteurschap. Een herhaling van dezen strijd zag men 
toen Da Costa in 1823 zijne geruchtmakende Bezwaren tegen 
den geest der eeuw in het licht zond, de vermetele schrijver 
van alle zijden werd aangevallen en Teisterbant „a Ia rescousse!" 
snelde. Sedert ging het hard tegen hard: Bilderdijk zet zich 
meer en meer vast in zijn anti-liberale, anti-revolutionnaire 
gevoelens; in meer dan een opzicht toont hij zich een voor- 
looper van onzen tijd: zoo b.v. waar hij in zijn geschrift Aan 
de Roomsch'Katholieken dezer dagen (1823) betoogt, dat dezen 
en de geloovige Protestanten één gemeenschappelijken vijand 
hebben: de Deïsten; konden de Roomschen slechts het leerstuk 
der onfeilbaarheid laten varen , dan ware er kans op vereeni- 
ging; zoo ook, waar hij (in een onuitgegeven gedicht) opkomt 
tegen openbare scholen „wier strekking siddren doet," waar 
het kind „van geen Heiland hooren mag". 

Spaarde hij zijne tegenstanders niet, anderzijds werden zijne 
aanvallen en uitvallen met even groote felheid beantwoord. Wie 
uit het liberale kamp van vroeger met hem bevriend waren, 
komen tegenover hem te staan: zijn vriendschap met Kemper, 
WiSELius en den jongen Tvdeman verkoelde of werd afgebro- 
ken; in felle spotdichten, die hij echter voor zich hield, gaf de 
prikkelbare dichter zich lucht tegen van der Palm, met zijn 
„duivlenlach op 't huichlend aangezicht," „den tijdslaaf zonder eer, 
steeds draaiend naar den wind"; tegen „'t spellersbaasjen" Siegen- 
beek; tegen Kinker „baas in 't verlichtersgild", met zijn „verdor- 
ven hart en dom vooroordeel". Ook anderen kregen hun deel van 

KALFF, Letterkunde, VII. 5 



66 

dezen stortvloed verwenschingen : ,;de slechte en domkoppige 
Borger"; de lector in Hoogduitsche taal- en letterkunde N. 
G. VAN Kampen, ook al een verkondiger van „d'oproer- en 
Deïstenleer", wiens ongunstig uiterlijk gekarakterizeerd werd in 

Dat wroeten ziet den varkenssnuit 
En oog en Judaswenkbraauw uit; 

LOOTS, die in 1823 na de uitgaaf van Da Costa's Bezwaren 
tegen dezen en Bilderdijk op een lezing in Amsterdam „don- 
derde", al trok Bilderdijk er zich niet veel van aan, daar hij 
het volkomen begrijpelijk achtte, dat deze „gemeene karel 
zonder geboorte of opvoeding een woedenden nijd tegen en 
zucht tot vernedering van elk fatzoenelijk man" had. 

Deze uitingen kenschetsen Bilderdijk's stemming; een stem- 
ming, die men terugvindt in zijne gedichten van dezen tijd,, 
al is hij daar niet zoo grof en veel minder persoonlijk, in de 
dagbladen en tijdschriften der tegenpartij ging men fel tegen 
hem te keer; vooral in de Vaderlandsche Let- of Las-ter- 
oefeningen , zooals hij schertsend zeide in zijn Ouden Mans 
Klacht. Ook op andere wijze gaf de algemeene ergernis tegen 
hem zich lucht. Da Costa verhaalt ons van „pamfletten, 
anonyme (voor het meest!) of pseudonyme schimpschriften, 
spotverzen, epigrammen, parodiën, kluchten, schand- en schend- 
brieven over de post — te vuig om er den inhoud zelfs van 
te laten vermoeden". Op een vergadering van de Maatschappij 
der Nederlandsche Letterkunde wilde eens niemand naast hem 
plaats nemen; hij bleef alleen zitten, totdat Kemper binnen 
kyvam en „aan de ergerlijke vertooning een eind maakte". Prof. 
S. Muller, die op een bijeenkomst der Maatschappij tot Nut 
van 't Algemeen de gezondheid van Bilderdijk instelde, werd 
met gesis ontvangen. 

Naar het schijnt, hebben slechts weinige der tegen Bilderdijk 



67 

gerichte schriften letterl<undige waarde; op een paar ervan 
vestigen wij hier de aandacht. In het ,, zangspel in twee be- 
drijven" W. van Teisterkoord of de Gebroken Domper (1824) 
treden, behalve de hoofdpersoon , op I. van der Rib (Da Costa) 
en A. van Arragon (Capadose) , terwijl de tegenpartij vertegen- 
woordigd wordt door N. van Velden (Van Kampen) die Da 
Costa's Bezwaren had bestreden; veel beteekenis heeft het 
stukje niet; in het 2de bedrijf 2ag men op het altaar der vrijheid 
het vuur der verlichting branden; de drie ridders van den 
Domper trachten het onder een grooten domper te smoren; 
de schimmen van Willem 1, Frederik Hendrik, Oldenbarne- 
velt. De Groot, De Witt zingen den lof der verdraagzaam- 
heid; een donderslag, die den domper verbrijzelt, maakt een 
eind aan het stuk. VeeWiooger staa.t de Rotsgalmende Rekelzang, 
door JuRRi.\AN MoüLiN onder den schuilnaam „Spiritus Lenis" 
waarschijnlijk in 1825 geschreven. Moulin toont hier een, 
sedert Marnix in onze letterkunde zeldzaam, talent om zich 
in den geest des tegenstanders te verplaatsen en zijn trant 
natebootsen: verdienstelijk karikaturist, laat hij van tijd tot tijd 
het masker vallen en ons zijn eigen vroolijk-spottend gelaat 
zien. In zijne lengte van 115 achtregelige coupletten lijdt het 
stuk aan de algemeene breedsprakigheid dier dagen; beperkt 
en besnoeid , zou het in pit en kracht hebben gewonnen ; doch 
ook in dezen vorm heeft het onbetwistbare letterkundige ver- 
diensten. Bilderdijk's krachtwoorden , zijne gewelddadige woord- 
koppelingen met hier en daar een germanisme, zijn virtuositeit 
in het uitmaken en afmaken van tegenstanders, zijn woedende 
uitvallen en felle epitheta; het „boetbazuingeblaas van ridder 
Bulderdijk en zonen" over den aardappel, den vaccine-dwang, 
de verlichting ,, ondier met vier tongen" en zooveel meer zijn 
hier niet zelden op uitstekende wijze geparodieerd; wij hooren 

het al dadelijk uit den aanhef: 

5* 



68 

Kiet uit de vloekbre Hengstebron , 
Waar, met ontheiligde offerschalen, 

De heidens van den HeHi<on 
Verpest en zondig water halen, 

Schept zij die mij bezielen kon 
En drenkte met gewijde druppels; 

In 't cedrenhout van Libanon 
Daar kapt mijn zangster Dortsche knuppels. 

Niet minder uit een volle laag als deze: 

Kraakbeenig slijkelingenkroost. 
Uit groengeel slibberslijm ontwikkeld 



Weg slingerapensanhedrin, 

Schaar van konventiejakobijnen , 
Ruigt zonder evangeliezin , 

Bezwangeraars van kontermijnen , 
Omwentelingsgedrochtenhoop , 

Marionettenkonterfeitsels , 
Vergriekt door een kaleidoskoop, 

Marsch, sabbatschenders, zwenkt de leidsels! 

Telkens klinkt de spot door de verwenschingen heen; nu 
eens heeft de spot de overhand als waar hij de „schavuiten 
vol nieuw licht" een „bitterkoekje" belooft, dat reeds voor hen 
gebakken ligt; dan eens hooren wij de boetbazuin alleen, totdat 
aan het eind van een couplet de schelle triangel der satire zich 
in dat zwaar geluid komt mengen; zoo is het b. v. in: 

Verjudast filozofenras, 
Volleerd in duivlengoochelstreken. 

Gij die door 't scheefgeslepen glas 
Van Kant en Kinker hebt gekeken. 



69 

Verduitschte muichelmooordrentroep, 
Gij zult, verkikkerd door vaccine, 

Tot onoudtestamentsche soep 
Verdampen door een stoommachine! 

Eenige jaren later voelde Moulin zich door nieuwe uitvallen 
van BiLDERDijK opgewekt nog eens den strijd aantebinden; 
het stuk, waarmede hij nu voor den dag kwam met zijn Bil- 
derdijkschen titel : Mijn Leeftijd. Eene opgerakelde Navonkeling 
van Spiritus Lenis (1S29) evenaart als geheel den Rekelzang 
niet; doch ook hier toont zich het talent van den karikaturist 
in coupletten als: 

o Bram*)! blaas jij de wraaktrompet; «) Capadose. 

De groote boetbazum. Da Costa, 

Met geestdrift aan den mond gezet! 
Terwijl ik wakker op mijn post sta 

En (daar ons heir, met Wap, op buit 
Verhit, krachtdadig slaat aan 't hommeien) 

Met onverschrokken maatgeluid 
Mijn vaderingewand Iaat rommelen. 

Gij, die, verhard in bastaardij, 
Stanko^fers brandt op drekaltaren, 

In vrijkorpistenkrijgskleedij 
Mijn hartaar zoekt, baalspriesterscharen , 

Verachtbre snoodaards, vliegend heer 
Van aterlingen, vloekgenooten, 

Dra stort ge in zwijmling voor ons neer, 
Wij zijn uit Abrams heup gesproten ! 

BiLDERDijK trok zich weinig aan van al die vijandschap en 
strijd tegen hem en de zijnen; te minder, naarmate hij ouder 
werd en de geestelijke verzwakking, die zich omstreeks 1825 



70 

in hem ging openbaren, langzamerhand toenam. Southey, 
die hem in dat jaar bezocht en veertien dagen bij hem ver- 
toefde, vond hem nog in zijn volle kracht en vlocht hem in 
zijne verzen een schoone krans. Omstreeks dienzelfden tijd of 
iets later krijgen wij hem te zien op een promotie, toen de 
jonge Dirk Veegens als buurman naast zich kreeg: „een klein 
man met glinsterende ligtblaauwe oogen, die van zeldzame 
levendigheid van geest getuigden; die „een steek met groote 
oranjelinten" in de hand hield; die zich bij eiken treffenden 
zet in het debat met een typisch „lief, niet waar?" tot den 
naast hem zittenden jonkman richtte. 

Zijne dagen in Leiden waren overigens geteld; rust vond de 
rustelooze niet in de stad, waar hij steeds meer alleen kwam 
te staan, waar geen huis hem voldeed. Een zware ziekte van 
zijne vrouw maakte hem ten slotte moedeloos en deed hem zijn 
laatste huis in Leiden, dat ongeschikt bleek voor een herstel- 
lende zieke, verlaten om naar Haarlem te trekken (1827). Ook 
daar vond hij niet wat hij hoopte; Mevrouw Bilderdijk bleef 
zwak, hij zelf begon meer en meer te sukkelen; de stille, 
bleeke Lodewijk, nu hun eenig kind, kon de vroolijkheid niet 
in huis brengen; de nieuwe woonplaats viel tegen, al trachtten 
A. DE Vries en J. van Walré den dichter door bezoeken 
optewekken , al bleven zijn oude vrienden Da Costa , Capadose 
en Dirk van Hogendorp hem trouw. Hoe ook door velen 
gehaat en gevreesd, hij was nu een beroemd man; bezoekers 
van verschillenden stand en landaard komen kennis met hem 
maken: de onttroonde koning van Zweden, Gustaaf Adolf IV; 
Duitsche geleerden, aan wie hij zich ergerde; de Engelschman 
John Bowring, die hem beschrijft als „een grijsaard, deftig 
gekleed, met een opgetoomden hoed, het gelaat doodelijk bleek, 
dat diepe sporen droeg van eenen sterk denkenden en sterk 
gevoelenden geest"; de bekende predikant-literator J. H. Hal- 



71 

BERTSMA ; de jonge vrijzinnige R. K.-letterkundige Wap, die 
zich reeds in Leiden een volgeling van Bilderdijk had getoond ; 
de gewezen Luthersche proponent Kohlbrugge. Zulke bezoeken 
mochten afwisseling, soms opgewektheid in zijn leven brengen, 
de blijmoedigheid als een bleek zonnetje door de wolken van 
somberheid heen schijnen - over het algemeen ligt er een zware 
nevel van droefgeestigheid over deze vier laatste jaren van 
BiLDERDijKS leven. Mevrouw Bilderdijk werd in het voorjaar 
van 1829 opnieuw ernstig ziek; zij vermagerde, verbleekte, 
kwijnde weg; met moeite behield zij de kracht om te blijven 
strijden tegen de moedeloosheid die haar soms overweldigde. 
Hoe ware het haar mogelijk geweest, opgewekt te blijven in 
het gezelschap van haar steeds klagenden , tobbenden man, die, 
mede tengevolge van voortdurend opium-gebruik, van tijd tot 
lijd vlagen van wezenloosheid had; voor wien het leven een 
droom werd, zoodat een bezoek, hem door Dirk van Hogen- 
DORP gebracht, in het begin van 1828, te nauwernood tot hem 
doordrong; wiens werkkracht, sinds 1828 sterk verminderd, 
in het volgend jaar voorgoed verdween. Wien verwondert het, 
dat de ongelukkige Lodewijk meestal ;;diep néerslagtig was" en 
«zwijgend en star op één punt voor zich ziende"; mismoedig, 
daar hij op zijn achttiende jaar nog niet wist wat hij, wat er 
van hem worden moest. 

De zwaarste slag, die Bilderdijk treffen kon: de dood zijner 
vrouw, trof hem omstreeks Paschen van het jaar 1830. Toen 
zij, die met voorbeeldige liefde en toewijding dertig jaar lang 
voor hem had gezorgd , hem ontviel , werd het eerst recht nacht 
om hem heen; de strijd met België maakt weinig indruk op 
hem; de gouden medaille, hem in Juli 1831 door Halbertsma 
namens de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde over- 
handigd, deed hem nog eenig genoegen, al kwam deze hulde, 
den 75-jarige bewezen , rijkelijk laat. Lichamelijk en geestelijk 



72 

werd hij steeds zwakker; niet ver meer was hij nu van den 
eindpaal, waarnaar hij zoo vaak reikhalzend had uitgezien. 

Ook in de poëzie van dit laatste tijdvak kunnen wij den 
gang van Bilderdijk's innerlijk leven volgen. Zijn werkkracht 
en zijn scheppend vermogen bleven lang onverminderd; behalve 
eene omvangrijke Geschiedenis des Vaderlands , nieuwe uitgaven 
van Hooft, Huvgens, Antonides, eene spraakleer, verhan- 
delingen over spraakkunst, praktijk en theorie der dichtkunst, 
gaf hij tal van verzenbundels, die in hunne titels van des 
dichters stemmingen getuigen. Een bundel van het jaar 1814 
had hij Affodillen genoemd naar de bloemen, waarmede bij 
Homerus ,;de donkere en benevelde toegang des doods" 
beplant is; uit die doodsgedachten keerde hij zich tot het 
leven met zijne Nieuwe Uitspruitsels (1817), het tweetal 
deelen Wit en Rood (1818), die ook gedichten van zijne 
vrouw bevatten, met een ander dergelijk tweetal Nieuwe 
Dichtschakeering (1819); leermeester van jongeren, die zijn 
moed en zelfvertrouwen voelde wassen, stortte hij in zijn 
Leidschen tijd een stroom van verzen uit, waaronder de strijd- 
poëzie talrijk is: Perzius Hekeldichten en Zedelijke Gispingen 
(1820), behalve Ondergang der Eerste Wareld eerst nu (1820) 
uitgegeven en een vrije bewerking der Batrachomyomachie 
{Muis- en Kikvorschkrijg 1821), een bundel Sprokkelingen 
(1821), drie deelen Krekelzangen (1822 --'23) en twee deelen 
Rotsgalmen (1824). 

Indien wij slechts op het aantal verzen letten, zouden wij 
kunnen meenen, dat de voortbrengingskracht des dichters na 
1825 onverminderd bleef; doch het gehalte der poëzie was niet 
evenredig aan haar omvang; titels als Navonkeling , Oprakeling 
(1826) en Nieuwe Oprakeling (1827) toonen, dat deze beschou- 
wing ook die van Bilderdijk zei ven was; de namen zijner 



73 

laatste bundels De Voet in 't Graf (1827), Vermaking*) , *) Legaat. 
Avondschemering (1828), Schemer schijn (1829) getuigen, dat hij 
zich aan het eind van zijn pad wist. Zoo zien wij dan op dien 
geweldigen haard van geestelijk leven, die Bilderdijk heet, in 
het achttal jaren tusschen 1817 en 1825 het vuur, gevoed door 
nieuwe brandstof die jongeren aanbrachten, feller brandend 
door de pogingen van wie hoopten het te dooven , nog 
eens opvlammen met alle kracht - om dan zijne vlammen 
langzaam te laten zinken en bijwijlen onder de oppervlakte 
verdwijnen, al bleven de kolen gloeien, al schoot een vlam 
hier en daar uit, totdat het eindelijk, verflauwend met het 
vallen der schemering, uitdoofde en zich oploste in den nacht 
des doods. 

Nieuwe wegen zien wij den dichter, die nu de zestig vast 
naderde, niet meer inslaan; in menig opzicht brengen deze 
bundels ons herhalingen van de poëzie uit het vorig tijdperk; 
bij een verbazingwekkende productiviteit, die soms negen vel 
druks in veertien dagen beliep, kon natuurlijk lang niet alles 
goed, laat staan voortreffelijk, zijn; in de bundels van 1826 -'29 
is de achteruitgang zichtbaar - doch anderzijds moet men 
erkennen, dat onder deze massa's poëzie vrij wat is, waarin 
Bilderdijk zich handhaaft op vroeger bereikte hoogten en 
menig stuk dat tot zijn beste werk behoort. 

Tot het drama, waarvan hij zich had afgewend, zien wij hem 
nog een enkele maal terugkeeren met het, naar Euripides ver- 
taald, saterspel De Cycloop; tot eigen scheppingen kwam hij 
in dezen tijd niet meer. Levendiger bleef in hem de lust tot 
verhalende poëzie; evenals vroeger dicht hij nog berijmde ver- 
halen in coupletten van grooten omvang, ten deele vertaald, 
ten deele oorspronkelijk; doch stukken als Willem Teil, De 
twee broeders voor Bommel, Het wiel van tieusden toonen ons 



74 

den dichter niet van een andere zijde; de romance in boertigen 
trant {Radagijs , 1819) staat ook nu in haar soort hooger dan 
de ernstig-bedoelde verhalen. 

Het leerdicht, dat hem vroeger zoo sterk aantrok, beslaat 
nu geringer plaats dan vroeger. Nu hij te Leiden gelegenheid 
had gekregen om zijn wetenschap en zijn levensbeschouwing 
mondeling te verbreiden, verminderde de behoefte om de poëzie 
als leermeesteres te doen dienen. Tegenover de groote leer- 
dichten uit het vorig tijdperk (V, 397) kunnen wij slechts een 
enkel uit dezen tijd plaatsen: De Dieren (1817); voorts eenige 
klemere gedichten waarin onderwerpen behandeld zijn als: 
Kleeding, Roemziicht, Betrouwen, Wijsheid. Deze en dergelijke 
stukken met Da Costa onder de «gewijde poëzy" rangschikken, 
kan slechts verdedigd worden op grond dat Bilderdijks eigen- 
aardige godsdienstige en theologische opvattingen zich ook hier 
niet geheel verloochenen. Dat laatstgenoemd verschijnsel kunnen 
wij duidelijk waarnemen in De Dieren. Defoe, Sterne, Cow- 
PER en anderen, te onzent gevolgd door van Alphen, Feith, 
Elisabeth Post, hadden de oogen hunner tijdgenooten geopend 
voor het eigenaardig wezen der dieren, der huisdieren in de 
eerste plaats; doch ook deze nieuwe beschouwing heeft op 
Bilderdijk weinig of geen indruk gemaakt: voor hem zijn de 
dieren gevallen engelen, opmerkelijk vooral in hun verhou- 
ding tot Adam en Eva in het Paradijs; de geschiedenis van het 
eerste menschenpaar beslaat in dit gedicht een breede plaats; 
na hen trekt vooral de slang des dichters aandacht; de overige 
dieren zijn vluchtig behandeld; wat ons over hen wordt mede- 
gedeeld, is alledaagsch van inhoud en conventioneel van vorm. 
Adam, door het Paradijs wandelend met al de dieren wien hij 
peripatetisch onderwijs geeft; de hond die apporteert, de schild- 
pad die hem op haar rug iaat spelevaren , de das die 's avonds 
bij wijze van plaid op zijn voeten gaat liggen, mogen „voor 



75 

goed ontwikkelde kinderen genietbaar' zijn , de meeste goed 
ontwikkelde volwassenen zullen er vermoedelijk weinig be- 
hagen in scheppen. Zoo oordeelend , kan men toch erken- 
nen, dat ook in dit omvangrijk leerdicht vele goede en 
eenige mooie verzen gevonden worden en des dichters onge- 
ëvenaarde kunstvaardigheid bewonderen in zijn dichterlijke 
karakteristiek van de taal, die „schildring zonder verf, door 
loutre luchtpenceelen." 

De overige stukken van dezen aard toonen ons op nieuw 
Bilderdijk's vermogen om alles in verzen uittedrukken ot" 
te beschrijven; belangrijk zijn zij als bijdragen tot de kennis 
van des dichters geloof en wijsbegeerte, overigens bevatten zij 
vooral gemakkelijk en vloeiend berijmd proza. Meer leven en 
beweging vinden wij in die talrijke gedichten uit de jaren 
tusschen 1817 en 1825, welke wij strijdpoëzie kunnen noemen; 
veel daarin is herhaling van vroeger; slechts zijn de beschul- 
digingen krasser, de aanvallen feller geworden ; de onmatigheid 
van uitdrukking wordt ook hier aangetroffen; niet zelden ook 
gaf verontwaardiging of ergernis den dichter krachtige en 
schoone verzen in de pen. Die gevoelens, niet vroolijkheid of 
luim, waren geschikt zijn geest gaande te maken; in het laatst 
van zijn leven moge hij de Scherts (1826) hebben bezongen — 
zelf was hij weinig geneigd tot schertsen; waar Bilderdijk 
lacht, laat hij de tanden zien. Hij was niet fijn genoeg om in 
ironie of satire iets uitstekends voorttebrengen ; doorgaans zien 
wij hem of goedmoedig-spottend als in Lofredcnen (1827) of 
bitter als in Een Liberaal (1824). Bitter en schamper, maar 
goed in dat genre, waren zijn spotverzen op tegenstanders als 
Van der Palm, Kinker, Borger, Van Kampen. Humor is 
schaarsch in zijn werk; waar deze voorkomt, zien wij hem als 
galgenhumor, zoo b. v. in den verdienstelijken Rondedans 
{in fiituro) om een Doodkist (1820): 



76 

Nu is BiLDERDIJK 

Een lijk; 
Nu, zijn mond gesloten; 
Nu, zijn pen en vingers stil; 
Nu heeft Marsyas zijn wil, 
Trouwe bondgenooten ! 

enz. 

Wij zien hier denzelfden galgenhumor die hem eenige jaren 

later aan ]°. de Vries deed schrijven: „En haast zal 't gerucht 

u toewaaien, dat de Turca Batavus geweest is, en by gevolg 

Griekenland met zijn Leonidassen in vrijheid hersteld. Wat feest 

zal dit zijn! Nu, zoo ik kan, koom ik dan eens om een hoekjen 

kijken, om te applaudisseeren" ; en in een anderen brief aan 

denzelfden vriend deze zelfkarakteristiek geven: „een lammetjen 

*) het bia- als ik, wien men zelfs het lu] /dj*) zeggen kwalijk neemt", 
ten, hier weer- 
gegeven door Niet alleen met zich zei ven echter, ook met zijn vrienden 
het Grieksche 
woord voor dreef hij den spot, en dat soms op ombarmhartige wijze; de 

goede Hendrik Herman Klyn, wien hij in 1820 had toegezongen: 

Gy, die in Pindus lauwerdalen 
(Hoe duizenden in 't wilde dwalen) 
My volgt met onbezweken tred, 
En wien de rei der Zangchoralen 
De priesterkrans op 't voorhoofd zet 

Ki-YN, wien hij verzekerde: ,/k heb u vriend bevonden /, Bij 
't knellen van benaaude stonden", had hem uit dankbaarheid 
voor die verzen een pakje bruine suikerplaatjes gezonden, die 
„bijzonder goed voor Bilderdijks borst" zouden zijn; in het 
volgende jaar liet hij op die borstplaatjes zijn treursp&l Montigny 
volgen. Wat schrijft Bilderdijk op het schutblad van het hem 
aangeboden exemplaar? 



77 

Ja, goede Klvx, gij meent het wel, 
Maar verzen maken is geen spel ; 
Blijf liever aan het suikerkoken. 
Dan helden, even voos als gij. 
Met bloed en brein van rijstenbrij 
Op 't schouwtooneel te laten spoken. 

Feith was weer de „dierb're Feith" geworden; maar toen de 
voormalige „vrijheidsdichter" een lijkdicht schreef op den dood 
der Princes-Douairière, die hem indertijd een paar porseleinen 
potten vereerd had voor de opdracht der Verlustiging van myn 
Ouderdom, werd Bilderdijk zijn ergernis te machtig; hij lucht 
haar in zijn spotdicht Feiths lijktranen op de oude Princes. Hij 
vermaakt zich met het denkbeeld van den leegen porseleinen 
pot dien de tranenrijke nu kon vullen en vervolgt dan: 

Wat zeg ik? Een? zij schonk er twee. 
't Moet tranen stroomen als een zee, 
Want beide dient hij vol te huilen , 
Nu moet de bleeke kuische maan, 
Nu 't kerkhofsbloemtjen achter staan , 
Al zouden ze al haar leven pruilen. 



Ja schrei, mijn goede Feith, schrei door! 
Geen traantjen gaat er van te loor: 
Daar kan wat in die mingelskannen *) ! 
Maar 't zijn twee vliegen in één slag, 
Een kleine wimpel bij de vlag - 
Men kan wel bakken met twee pannen ! *) 



*) mengel (min- 
gel) =^ ruim 
13/4 liter. 



*) omdat hij 
tevens zijn 
hondje bewee- 

Als vanzelf zijn wij bil deze karakteristiek van Bilderdijk's "en kon; bo- 

•'■'■' vendien toe- 

poëzie uit het laatste tijdperk zijns levens tot zijn lyriek gekomen; speling op zijn 
daar viert hij , evenals in vorige tijdperken , zijne triomfen als overtuiging. 



78 

kunstenaar. De zwakheden , die wij in zijn vroegere lyriek 
aanwezen, zijn ook hier te zien; doch daartegenover ook nu 
eigenschappen, welke hem onbetwistbaar recht geven op den 
eerenaam van dichter. 

Geweldige kracht van gevoelen, denken, willen, een der 
voorname trekken van Bilderdijk's persoonlijkheid, was de 
volle bron waaruit zijn poëzie ontsprong; aan die kracht paarde 
zich een sterke behoefte aan schoonheid, ook de schoonheid 
van het muzikale woord en een bewonderenswaardige techniek, 
die de taal tot een willig werktuig in zijn hand maakte. Die 
techniek, waardoor hij gemakkelijker verzen schreef dan proza, 
bracht er hem toe, zich van die poëzie te bedienen bij eiken 
inval en elke stemming; ook daar waar hij in proza zijn wit 
beter zou hebben getroffen. Vandaar niet weinig berijmd proza 
en menig stuk, dat uit technisch oogpunt hoog staat en ons 
toch weinig ontroert. Ook was zijn smaak niet kiesch genoeg 
om hem zwakke regels te doen schrappen of door betere ver- 
vangen. Anderzijds stelt diezelfde techniek hem in staat tal van 
gedichten te schrijven, die ons treffen door hun kracht, hun 
volheid van geluid, door de lichtheid waarmede zij opwellen, 
het gemak waarmede zij voortstroomen als uit rijke ader; ver- 
scheidene gedichten ook, geboren uit ontroering over godsdien- 
stige, zedelijke of intellectueele schoonheid, verheven, of bevallig, 
die tot het beste in onze letterkunde moeten gerekend worden. 

Die kracht en dat gemak toonen zich b. v. in den ironischen 
Feestzang der Vrijheid en Verdraagzaamheid (1820) met dat 
grimmig slot: 

Triomf dan, edel Kroost der apen. 
Tot 's warelds onderricht geschapen, 
Dat niemand langer voort laat slapen 
In d'ouden soes! 



79 

Triomf, o Helden der verlichting, 
In 't heil der nieuwe Statenstichting! 
't Heelal erkent u zijn verplichting, 
A voiis! a vous! 

Welk een rijkdom van taalkennis en beheersching van dien 
rijkdom, welk een vers- en rijmkunst zien wij in de bewerking 
der Batrachomyomachie , waarin het anderhalf honderd verzen 
van Bilderdijk's eigen maaksel geenszins onderdoet voor die 
van het oorspronkelijke. De Zangcoupletten van 1827: 

Onder de bloemen verscholen 

In holen 
Loert de venijnige hofslang op ons. 
Legt u niet neder, ó meisjens of knapen, 
Om LI wellustig aan 't schoon te vergapen ! 
Sluimert niet in op het mosschige dons! 

hebben dezelfde muzikale bevalligheid als De Rozen van vijf- 
tien jaar vroeger, al evenaart het innerlijk gehalte van zulke 
stukjes hun uiterlijk schoon niet. Ook elders zou de techniek 
des dichters ons een oogenblik kunnen misleiden: de romance 
Rolands-Eck aan den Rhyn (1825) treft ons door bevalligheid 
van strofenbouw; doch wie het stuk in zijn geheel leest, zal 
vrij wat vinden, dat zijn smaak niet bevredigt of beleedigt; het 
beroemde Uitvaart (1827) geeft vooral in den aanvang voor- 
treffelijk werk te zien; doch zou Staring uit het middenge- 
deelte („Wat zoude ik thands" en volgende verzen) niet vrij 
wat hebben geschrapt, en zou dit verlies geen winst zijn ge- 
weest? Wie Bilderdijk's werk van dezen tijd doorleest, zal 
misschien andere opmerkingen van dezen aard maken; doch 
ook telkens weer zich ontwapend voelen door nieuwe schoon- 
heid die hem treft en eerbied of bewondering inboezemt. Om 



80 

stukken te vinden, die in verhevenheid den aanvang der ode 
Aa/l God (1824) evenaren, moet men tot Vondels Lucifer 
gaan; van verheven schoonheid zijn ook de verheerlijking der 
poëzie aan het slot van het dichtstuk Het Vergaan (1816), 
de verzen over het verkeer met geesten uit Aan de Maan 
(1817), een dithyrambe als Orde (1827). Wie Schiller's vvijs- 
geerij^e poëzie geëvenaard wil zien in het Nederlandsch , moet 
het oog richten op zulk een dithyrambe of op den fraaien 
Beurtrei van het jaar 1823 met dezen aanhef: 

't Vocht, in dampen opgeheven. 
Wordt tot wolken saamgedreven, 
Wandelt 's hemels ruimte door, 

En als regen 

Neergezegen , 
Baant het zich op aard een spoor, 
't Daalt in kronklend ommezvvieren 
Van der bergen hoogten neer. 
En herschapen tot rivieren, 
Keert het naar zijn oorsprong weer. 

En zelden hebben zich behoefte aan poëzie en afhankelijk- 
heid van God in aangrijpender woordmuziek lucht gegeven 
dan in Zangzucht (1824), dat aldus begint: 

Wat zing ik, wat zing ik? mijn hart wil een zang. 
En tracht zich een voorwerp te vinden ; 

De drift van mijn boezem weêrzet zich den prang 
En is in geen banden, geen ketens, te binden. 

Wien zing ik, wien loof ik, dan U die mij schiept. 

Tot leven, tot waarheid, tot zaligheid riept, 
Gezeteld op vleugels der winden ! 



81 

Bevrijder, kom! ruk los die ketens die my prangen: 
Ach! koel is 't in uw arm, en op uw peuluw zacht. 

Zoo schreef op den 21sten van Bloeimaand 1829 de man, 
die met Job meermalen had geklaagd: „Waarom geeft Hij den 
ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van 
gemoed? Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; 
en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten." Nog 
twee en een half jaar zou het duren, eer op Zondag den 18 
December 1831 de Bevrijder kwam. Wel mocht het orgel van 
den Sint-Bavo bij het naderen van dezen lijkstoet den psalm 
aanheffen van ,,'t Hijgend hert, der jacht ontkomen". Bilderdijk 
was gestorven onder een zwaar onweer; strijd der elementen 
had den uitgang begeleid van hem, wiens leven één strijd was 
geweest: felle, onverpoosde, afmattende strijd van vleesch en 
geest; strijd ook met dien geest der eeuw, die volgens hem 
ons volk ten verderve leidde. 

Tachtig jaren zijn voorbijgegaan sedert zijn dood; doch wie 
er op wijst, dat de voorspellingen van den ongeluksprofeet 
beschaamd zijn, moge zich afvragen in hoever Bilderdijk's 
toentertijd doodverklaarde beginselen hebben bijgedragen tot 
de instandhouding van ons onafhankelijk volksbestaan. Wordt 
het genie naar Goethe's woord tot Eckermann, gekend aan 
zijne «productiv fortwirkende Kraff', dan zeker mag Bilderdijk 
een genie heeten. Terwijl de Patriotten om den vrijheidsboom 
dansten, vatte hij post bij den ouden boom, die voor hem 
ons verleden vertegenwoordigde; aan dien stam hing Don 
Teisterbant zijn schild op en wachtte met speer en zwaard af 
wie met vijandige bedoelingen naderkwam. 

Die trouw is beloond: aan den ouden boom zijn nieuwe 

loten ontsprongen; hij leeft en draagt vrucht. Hoe men ook 

over die vruchten moge oordeelen, niemand kan ontkennen, 
KALFF, Letterkunde, VII. 6 



82 

dat de beginselen, door Bilderdijk met zooveel kracht ver- 
dedigd, levensvatbaar zijn gebleken; dat wie hedentendage die 
beginselen voorstaan invloed oefenen en meetellen. Een auteur, 
die zulk een invloed geoefend heeft, moet reeds daarom een 
belangrijke figuur voor den geschiedschrijver der letterkunde 
heeten; doch ook wie hem ziet te midden zijner tijdgenooten , 
wordt getroffen door het indrukwekkende dier veelzijdige per- 
soonlijkheid. Van aanleg zoo rijk, dat hij zijne gaven slechts 
ten deele kon ontwikkelen; veelomvattend geleerde, diep denker, 
talentvol dichter, heeft hij op menig veld van wetenschap, ook 
in de literaire kunst voortreffelijk werk geleverd. Die kennis 
en die kunst heeft hij in dienst gesteld van een wereld- en 
levensbeschouwing, indruischend tegen die van de toongevers 
zijner eeuw, doch vruchtbaar zaad voor de toekomst in zich 
bevattend. Wij mogen glimlachen over zijn verwantschap met 
de graven van Teisterbant en zoo menige andere eigenaardig- 
heid waarin hij zich bloot geeft; dat was de romantiek in hem,, 
die zich vertoont m zijn lust tot indrukwekkende somberheid, 
in zijn tulband-achtig hoofddeksel als in zijn steek met groote 
oranjelinten. Doch om zulke uiterlijkheden mogen wij niet 
voorbijzien, dat hij in den strijd met zijn eeuw zich geweerd 
heeft met een kracht die eerbied afdwingt en waardoor hij 
uitsteekt boven al zijn tijdgenooten; noch dat er in dezen strijd 
van één tegen allen iets van dat grootsche is, dat in onze 
literatuur schaarsch gevonden wordt. 

Ook in een beschouwing van Bilderdijk's poëzie mag men 
het beste niet voorbijzien , al is het vermengd met veel van 
minder waarde. Bilderdijk was „niet met geheel zijn ziel, 
met geheel zijn wezen dichter" (Pierson); evenals Kinker heeft 
hij zijne krachten verdeeld over velerlei, aan de poëzie slechts 
een deel zijner rijke ijaven gewijd. Bij een voorbeeldeloos gemak 
in het maken van verzen heeft hij , die geen strenge scheiding^^ 



83 

maakte tusschen wetenschap en kunst, die zijne krachten be- 
proefde ook aan dichtsoorten waarvoor zijn aanleg gering was, 
in een lang leven een overweldigend aantal verzen voortge- 
bracht. Veel daarvan moet berijmd proza heeten of is slechts 
van middelmatige waarde; veel ook is er, dat indruk maakte 
op des dichters tijdgenooten, doch voor ons zijne bekoring 
verloren heeft. Doch waar hij op zijn best is: waar het ver- 
terend vuur van den hartstocht den jongen man doorgloeit of 
de herinnering aan genoten minneweelde hem doortrilt, waar 
in de bange worsteling tusschen vleesch en geest het water 
hem aan de lippen komt, waar de balling den vaderlandschen 
grond weer betreedt, de ingelijfde in den nacht der onder- 
drukking den dageraad van een nieuw volksbestaan ziet gloren, 
waar de Christen zich op wieken des geloofs verheft of neer- 
gebogen smacht naar bevrijding uit den kerker des lichaams, 
waar hij de Muze met heerlijkheid bekleedt en omstraalt met 
den glans van zijn woord, waar hij in schaarsche oogenblikken 
van opgewektheid de innerlijke zielsmuziek laat uitstroomen 
in schoone eendracht van welluidend woord en dartel-bevallige 
maat of in grimmigheid den degen van het woord hanteert met 
een kracht, die de gratie niet uitsloot - daar toont Bilderdijk 
zich een dichter, die ook ons, geestverwanten of tegenstanders, 
dwingt tot luisteren en eerbiedige bewondering"'). 



DA COST.^ EN DE CLERCQ. 

Die bewondering werd Bilderdijk, vooral gedurende zijn 
laatste levensjaren niet geheel onthouden : sommige critici erkenden 
hem als groot dichter; de gebroeders de Vries deden hun best 
om het publiek tot waardeering te stemmen; M. C. van Hall 
schaarde zich m zijn gedicht De Aloë aan hunne zijde. «Zoo 



84 

schandelijk verguisd, als spoorloos aangebeden" ~ aldus ken- 
schetste hij elders de stemming der menigte tegenover Bilder- 
DijK. De aanbidders waren schaarsch in vergelijking met de 
verguizers, maar zij waren er. De jonge Nierstrasz, dien wij 
als vereerder van Feith leerden kennen, getuigde het met 
leedwezen in het voorbericht zijner Gedichten 1827: „Treurig 
is het", lezen wij daar, »dat een man als Bilderdijk, die door 
zijne zeldzame gaven en talenten zich de bewondering van 
tijdgenoot en nageslacht verworven heeft, op den rand des grafs 
de stichter is geworden van eene factie, die in het staatkundige 
oude wonden openscheurt; in het godsdienstige dwaalbegrippen 
van vroegere tijden uit het stof opgraaft, en een leerstelsel wil 
doen aankleven, dat, Gode zij dank! voorlang door gezond 
verstand en Bijbel, als onredelijk en onrechtzinnig verworpen 
is. Treurig is het, dat de invloed van dien man ook dezulken 
met zich sleepte, die zich anders door talenten onderscheiden 
en wier braafheid en godsdienstigheid vooral niet verdienen, 
dat men hunne dwaling in een belachelijk licht poogt te stellen. 
Ik ken er van nabij onder dien kleinen aanhang, wien ik" enz. 
Sommige jongeren kozen later een anderen weg dan dien de 
meester hun had gewezen; maar zij waren toch onder zijn 
invloed geweest en bleven een open oog houden voor zijne 
verdiensten. Zoo was het met Jacob van Lennep; zoo ook 
met een auteur die in den eersten jaargang van De Gids (1 , 87) 
naar aanleiding der publicatie van Bilderdijks Brieven schreef: 
,;En toch zoude ik niet met die kalme zelfbewustheid over 
Bilderdijk durven spreken, indien ik hem nog aanhing met 
dat vuur mijner jeugd, met die hartstogtelijke hevigheid mijner 
eerste gewaarwordingen, toen ik een' God in hem meende te 
zien, die mij eene nieuwe onbekende wereld van gevoel, 
denkbeelden en vormen ontsloot. De tijd der dweeperij is voor 
mij voorbij gegaan". Deze auteur was dus, na hetgeen hij als 



85 

een afdwaling der jeugd beschouwt, gekomen tot het standpunt, 
waarop wij Spandaw, de Klyn's, ten Brink en andere 
hberalen hebben aangetroffen: de anti-liberalen waren dwepers. 
Anderen echter bleven den meester trouw, al mocht ook hunne 
zienswijze met de jaren eenige verandering ondergaan. Slechts 
twee van dezen hebben in het literair leven en de literatuur een 
rol van beteekenis gespeeld: Da Costa, met wien wij reeds 
even kennis hebben gemaakt en zijn vriend Willem de Clercq. 



ISAAC DA COSTA (1798-1860). 

Het optreden van Da Costa in onze literatuur beteekent in 
de eerste plaats de opneming van het Jodendom in het Neder- 
landsche volk. 

Tot dusver eer aanhangsel dan bestanddeel der natie, hadden 
de Joden als in een achterhoek voortgeleefd, dankbaar reeds 
dat zij niet vervolgd werden. Spinoza's wijsbegeerte, eerste 
krachtige openbaring van het Nederlandsch Jodendom, had 
van terzijde eenigen invloed geoefend op onze literatuur (IV, 
520 vlgg.); doch na die oplaaiing van Joodsch geestesleven was 
alles weer duisternis geworden. De Fransche revolutie bracht 
ook hier nieuw licht en nieuw leven. In een drietal vlugschriften 
van omstreeks 1795 werd de emancipatie der Joden bepleit; 
misschien daardoor aangemoedigd, richtten sommige Duitsche 
en Portugeesche Joden te Amsterdam het genootschap wFelix 
Libertate" op «om middelen te beramen tot het verkrijgen van 
algemeene vrijheid" en de Joden in de Nederlandsche volks- 
gemeenschap intelijven. Zonder strijd zou hun dat niet gelukken. 
De meerderheid hunner geloofsgenooten stelde zich tegenover 
hen; de rabbijnen en parnassijns vooral, die vreesden voor 
botsingen tusschen de plichten van het voorvaderlijk geloof en 



86 

die van het nieuwe burgerschap, ook voor vermindering van 
hun eigen bijna onbeperkt gezag. Ondanks het krachtig verzet 
der behoudende partij wonnen de nieuwe denkbeelden langzaam 
veld; eenerzijds werden de Christelijke Nederlanders zachter 
gestemd tegenover de Joden door dichters als Bilderdijk, 
Staring, Tollens; anderzijds zien wij het Jodendom zich 
gaandeweg opheffen uit zijn maatschappelijke en geestelijke 
minderwaardigheid: een Jonas Daniël Meijer maakt naam als 
rechtsgeleerde, een Asser neemt zitting in de rechtbank, een 
Moresco in den Stedelijken Raad; geleerden als Lemans, Polak, 
Mulder bevorderen de ontwikkeling der wetenschap onder hun 
geloofsgenooten ; in den veldtocht naar Rusland strijden hon- 
derde Joden naast de overige Nederlanders. 

Zoo waren de tijden dan rijp voor het ontluiken van de 
bloem eener Nederlandsch-Joodsche kunst. 

Da Costa's afkomst en opvoeding bepaalden zijn plaats 
onder de partij des behouds. Afstammeling van een oud-adellijk 
Portugeesch-Joodsch geslacht, was hij door zijn vader, een 
warm Orangist, opgevoed in afkeer van de Fransche revolutie- 
begrippen, in een denkwijze „geheel strijdig met den heerschen- 
den geest der eeuw". Joodsch edelman was hij en bleef hij. 
Nog in 1853, lang na zijn overgang tot het Christendom, 
hooren wij hem zeggen: „Israëliet die ik ben van afkomst en 
aanleg". De fierheid op zijn geslacht, die in zijn gedicht Uit 
Portugal het blazoen der Costa's doet schitteren tusschen die 
der Almeida's, Sousa's en Pereira's, openbaart zich 25 jaar 
vroeger in de hoogheid van zijn gezegde tot Prof. Slmons. 
Simons duwt Da Costa in 1823 een kwaadaardig stukje tegen 
Bilderdijk onder den neus met de woorden: „ziedaar wat van 
uw patroon"; maar deze: .;ik heb geen patroon, ik laat dit aan 
de Romeinsche plebejers over". 



87 

Het ridderlijke in Da Costa, de ,;adel-erkenning en „adel- 
vereering", waarover hij in De Mensch en de Dichter Willem 
Bilderdijk spreekt, maakten hem bij uitstek geschikt om zijn 
loopbaan te beginnen als schildknaap van den afstammeling 
der Teisterbants , aan wiens hooge afkomst hij geen twijfel 
loont. Overeenstemming tusschen meester en leerling zien wij 
trouwens ook op andere punten. Bilderdijk's „grootsche op- 
vatting van het leven" moest aantrekkelijk zijn voor den knaap 
die de Latijnsche school had verlaten met een gedicht „de 
Herculeis laboribiis" ; voor den jongen man, wien de zin voor 
het verhevene in het bloed zat, immers een erfenis was zijner 
vaderen, die het Oude Testament aan de wereld schonken. 
Lag over Bilderdijk's jeugd een zware schaduw, in een ge- 
dicht van het jaar 1822 hooren wij Da Costa getuigen: 

want ach! die kindertijd, voor andren zoo vol zoetheid, 
was my een bronwei van verteerend boezemleed; 

en 't rusteloos gevoel, dat toen mijn ziel bezwaarde, 
bleef, drukkender dan ooit, mijn sombre jonkheid by: 

ik vroeg om laafnis by den hemel en by de aarde - 
den hemel kende ik niet, en de aarde haatte my! 

Voor een deel mag men die ,;Sombre jonkheid" misschien 
toeschrijven aan den druk der tijden waaronder de knaap op- 
groeide; aan zijn eenzelvig leven, waarin hij slechts een enkelen 
speelkameraad vond in Abraham Capadose, zoon van den 
compagnon zijns vaders. De diepste grond dier somberheid 
echter lag niet daar; uit de boven aangehaalde verzen blijkt, 
dat ook voor Da Costa gold, wat hij van den jongen Bil- 
PERDijK getuigde: „Op den bodem van dat hart lag van den 
beginne een heimwee, ook door het heerlijkste wat vaderland 
of wereld had kunnen aanbieden niet te bevredigen." Wel 



88 

mocht Da Costa in zijn eersten bundel gedichten tot zijn 
vriend Capadose zeggen : 

Noch voor u, noch voor my is deze aarde gemaakt, 
noch de droom van haar laffe vermaken ! 

iMaar toch, voor het leven op deze aarde en in die maat- 
schappij had hij zich voortebereiden ; op die voorbereiding 
oefenden twee zijner leermeesters een krachtigen invloed : 
D. J. VAN Lennep en Bilderdijk. Van Lennep ontwikkelde 
door zijn onderwijs niet alleen de liefde van den jongen Israëliet 
tot de klassieke poëzie, maar door zijne lessen in de geschie- 
denis ook het geloof in de roeping van het Joodsche volk, in 
de goddelijke openbaring als «een geschiedkundige daadzaak". 
Hoe vol hij was van de klassieken, blijkt uit zijn gebrekkigen 
Lof der Dichtkunst (1812), het eerste gedicht dat wij van hem. 
kennen; dat hij voordroeg op een vergadering van het Joodsch 
letterkundig gezelschap „Concordia crescimus" en dat hem, 
zooals wij vroeger zagen, den weg baande tot zijn eigenlijken 
leermeester Bilderdijk. 

Op verzoek van vader Da Costa zou Bilderdijk den jongen 
Isaak les geven in het Romeinsch recht en de Nederlandsche 
taal. Bilderdijk greep deze kans om medetewerken tot de 
vorming van het opgroeiend geslacht gaarne aan; anderhalf 
jaar lang had hij «den jongen Heer D'acosta" onder zijne 
leiding; bij den samenhang zijner encyclopaedische kennis met 
zijne gansche persoonlijkheid, beperkte hij zijn onderwijs niet 
tot de bovengenoemde vakken, maar gaf zijn leerling van alles, 
ook zijn wereld- en levensbeschouwing. Toen Da Costa in 
het najaar van 1816 naar Leiden vertrok en zijn meester hem 
in 1817 daarheen gevolgd was, werd het onderwijs hervat. 
Bilderdijk kreeg op zijn colleges nieuwe gezichten te zien; 
nu eerst zou hij in den vollen zin des woords een leider van 



89 

jongeren kunnen worden; zeker zal zijn onderwijs aan leven- 
digheid en volheid gewonnen en Da Costa, nu luisterend 
met andere gelijkgezinden, nog sterker indrukken van dat on- 
derwijs ontvangen hebben. Lang duurde zijn studie-tijd niet; 
leerling, die zijn meester eer aandeed, promoveerde hij reeds 
in het laatst van 1818 tot doctor in de beide rechten. Hij 
vestigde zich als advocaat te Amsterdam, maar de band met 
Leiden werd niet verbroken, ook doordat hij zich nu ging 
voorbereiden tot zijne promotie in de letteren. Zoo zien wij 
hem dan tusschen de jaren 1818 en 1820 afwisselend in de 
hoofdstad en in het Leidsch Atheen. 

Het jaar 1820 werd een keerpunt in Da Costa's leven: hij 
verlooft zich met de „innemende, schier Andalusische schoone", 
die hij lang had gekend en bemind, zijn nicht Hanna Belmonte; 
hij leert den man kennen , wiens vriendschap hem weinig minder 
is geweest dan de liefde dier vrouw, Willem de Clercq; hij 
gaat over tot het Christendom. 

Indien verschil van meeningen bij gelijkheid van gevoelens 
den besten grond vormt om er vriendschap op te bonwen, 
dan waren er goede uitzichten voor een vriendschap tusschen 
deze twee jonge Amsterdammers. Den grond voor dat aan- 
vankelijk verschil van meeningen hebben wij te zoeken , behalve 
in verschil van afkomst, in verschil van omstandigheden. Hoe 
anders was de jeugd van Willem de Clercq dan die van 
den drie jaar jongeren Da Costa: zoon van aanzienlijke 
Amsterdammers, die met de besten der stad omgaan, vindt 
hij tal van vrienden onder de Van Eeghen's, Boissevains, 
Gildemeesters, Focks, Bosscha's; een hunner, Claude Crom- 
melin, wordt zijn boezemvriend; hij gaat naar kinderbals, 
naar de komedie, naar het buiten zijner grootouders aan de 
Vecht. Lust tot wetenschap, literatuur en tooneel openbaren 



90 

zich al vroeg in den knaap, die poppetjes van hout of suiker 
grafschriften doet reciteeren, die zich op kransjes met zijn 
vrienden oefent in het maken van verzen, die een ware boeken- 
versiinder wordt. Voor Wagenaar is hij niet bang, al ontgaat 
hem niet, welk een zwak stylist dit Jantje Sekuur is, vergeleken 
bij Hooft en Robertson, bij Sallustius en Tacitus. Latijn 
en Grieksch leert hij door privaat-lessen en onderhoudt die 
talen met zijn vrienden; maar, anders dan Da Costa, wordt 
hij aangetrokken vooral door de nieuweren. Op zijn lö'^^^ jaar 
leest en bewondert hij Schiller's Don Karlos en Maagd van 
Orleans, hij komt onder den indruk van den geweldigen 
Wallenstein, den edelen Piccolomini. Voor den afstammeling 
van réfugié's kan dat Duitsche tooneelwerk voorloopig de 
meesterwerken der Franschen niet evenaren: „comme ouvrage 
dramatique", lezen wij in zijn Dagboek „quelle différence encore 
avec les chefs d'oeuvre du théatre frangais!" Hoe geniet hij 
van Talma als Achilles in Racine's Iphigénie\ 

Aan den geest des tijds kan hij zich echter niet onttrekken : 
in Pamdise Lost is vrij wat, dat zijn Franschen smaak belee- 
digt of kwetst; maar hij voelt toch, dat Milton een groot 
man is. Dat het wassend tij der romantiek hem bereikt, 
zien wij uit zijn bewondering voor Voung; duidelijker nog 
uit zijn vergelijking tusschen Paradise Lost en Voltaires 
Henrladc; „Ie style de la Henriade est plus beau", zegt zijn 
Fransch-klassicisme, maar de opkomende romantiek doet hem 
erkennen: „cependant l'auteur de ce dernier ouvrage {Paradise 
Lost) avait sürement la tête plus poétique". Van de Hollandsche 
dichters leest en bewondert hij o. a. Loots en Vondel. Bil- 
DERDijK - hier was een schakel tusschen hem en Da Costa - 
trekt vooral zijn aandacht: gedurig hooren wij De Clercq 
over hem spreken; hij vangt een karakteristiek gezegde van 
BiLDERDijK op, noemt hem „l'Ossian Hollandais", den „Rem- 



91 

brandt der dichters, groot en verheven"; eiken nieuwen bundel 
van BiLDERDijK leest hij; al wat hem aangaande dit „être tres 
singulier" wordt verteld, boezemt hem belang in. In zijn 
staatkundige denkwijze stond de jonge man echter ver van 
Bilderdijk: Vaderland en Oranje zijn hem in 1815 „schoone 
en hoogklinkende namen en van die sesquipedalia verba" waar- 
mede dan ook in den tegen woordigen tijd zeer veel uitgevoerd 
wordt", maar waarachter hij „zeer veel" ziet, »dat juist zoo 
niet is als men wel zou wenschen"; Vaderland en Koning, 
twee woorden, die „al vrij wonderlijk bij elkander" komen; 
wat beduidt een volksvertegenwoordiging, vraagt hij, „indien 
de vertegenwoordigers niet door het volk verkozen worden en 
de debatten geheim blijven?" Sommige der dichters, die hij 
bewondert en die invloed op hem oefenen, waren weinig 
geschikt, hem nader tot Bilderdijk te brengen: de lezing van 
Goethe's Wahrheit and Dichtung geeft aan zijne „denkbeelden 
over sommige onderwerpen eene geheel andere richting"; 
BvRON schijnt hem „un être énigmatique comme Bilderdijk", 
wel „Ie poète du désespoir" die hem doet rillen, maar toch 
j,un poète de premier ordre." 

De Clercq was ondertusschen twintig jaar geworden. Bij 
de vele aandoeningen, door dezen licht ontroerde reeds onder- 
vonden , komt nu de liefde zich voegen; de poëzie in zijn 
hart, gevoed en verlevendigd door de stroomen van poëzie 
waarmede hij zijn gemoed en geest had doordrenkt, begon 
om uiting te vragen; zij vond die door het onder ons volk 
zeldzaam improvizatie- talent, dat zich voor het eerst openbaart 
in het jaar zijner verloving met Caroline Boissevain (1815). 
Die eigenaardige gave om een, door anderen opgegeven, on- 
derwerp te behandelen in verzen, voortstroomend uit volle 
bron met een snelheid voor geen schrijver bijtehouden, werd 
aanvankelijk door hem alleen in zijne familie geoefend; na 



92 

1821 trad hij ook buitenshuis en voor groote gezelschappen 
op, steeds diepen indruk makend op wie hem hoorden. Het 
spreekt vanzelf, dat slechts een verbazende kennis, langzaam 
vergaard en steeds zich uitbreidend en een niet minder ver- 
bazingwekkende vlugheid van opvatting en groepeering der 
stof hem in staat konden stellen tot dit voor de vuist spreken 
in verzen; de rijke geest van dezen improvizator omvatte het 
hooge en het lage: Leonidas en «crème fouettée", ouderliefde 
en de haring, geschiedenis der wijsbegeerte en een kurk, 
Nebukadnezar, de Spaansche omwenteling, eene parel en het 
buskruit. Toen dit talent zich voor het eerst in hem vertoonde, 
schrikte de familie van de spanning en ontroering waarin de 
geest der poëzie haar priester bracht; zijne Caroline viel hem 
om den hals: «lieve Willem, doe dat nooit weer"; een paar 
grootpapa's waarschuwden hem er zich niet aan toetegeven — 
maar de bewondering behoudt ten slotte het veld. Geacht en 
bemind, gelukkig getrouwd, voorspoedig in zaken, bewonderd 
om zijn talent, scheen De Clercq weinig te wenschen over 
te hebben; toch zien wij hem, vooral in het jaar 1819, niet 
zelden ten prooi aan zwaarmoedigheid en twijfel : allerlei vragen 
doen zich voor hem op, die. hij niet weet te beantwoorden, 
hij mist kracht van karakter onder ons volk, hij is ontevreden 
over zich zelf, zijn improvizatie-talent schijnt hem slechts een 
«handigheid", een «kunstje"; levendig gevoelt hij het gemis 
van vrienden, die hem «wezenlijk zouden kunnen aanzetten 
om den verderen weg te beproeven". 

Juist in dit tijdperk van zijn leven ontmoet hij Da Costa. 
Den 2den Januari 1820 had hij dezen in de Hollandsche Maat- 
schappij een ode hooren voordragen, kort daarna met hem bij 
een wederzijdschen vriend gedineerd; doch eerst in October 
van dat jaar openden zich hunne harten voor elkander en werd 
een band tusschen hen gelegd, dien alleen de dood zou losmaken. 



93 

hDa Costa, hij staat daar als een reus tusschen de Pygmeën 
van onzen tijd", schrijft de Clercq in den aanvang van 1821; 
van nu af zien wij hen in een verkeer van hart tot hart, 
hooren wij meer dan eens van samenkomsten waar de uren tot 
minuten worden. In zijne staatkundige opvattingen blijft de 
Clercq ver van Da Costa, maar als vriend wordt deze hem 
steeds liever. Hoeveel inniger zou die vriendschap kunnen 
worden, indien de slagboom van geloofsverschil eens ware 
opgeheven ! Er was in dezen meer gebeurd dan De Clercq wist. 
Onder Bilderdijks onwillekeurigen invloed, in den vertrouwe- 
lijken omgang met zijne mede-discipelen was Da Costa het 
Christendom langzaam nader gekomen; op zekeren dag van 
October 1820 vielen de schellen hem van de oogen, viel hij 
geloovend neder voor Jezus den Nazarener als ook zijn Heer 
en zijn God. Aan De Clercq bleef dit voorloopig onbekend; 
doch dikwijls trof hem de eerbied, waarmede zijn vriend de 
woorden van het Evangelie aanhaalde, de scherpzinnigheid 
waarmede hij punten van overeenkomst tusschen Christendom 
en Jodendom vaststelde. Vurig hoopte hij, dat Da Costa eens 
Christen zou worden, doch kiesche schroom weerhield hem 
van vragen. Eens op een Augustus-avond van het jaar 1821 
vond hij den moed en de rechte woorden - hoe zalig werd 
het hem te moede, toen hij den man, ,;die als vernuft, als 
genie alles voor (hem) was, op eens als Kristen voor (zich) 
zag staan". 

Voorloopig bleef Da Costa's overgang een geheim; slechts 
zijne Hanna had hij deelgenoot gemaakt van wat hem vervulde 
en haar weldra als Christin tot een rechte hulpe tegenover hem 
maakte. Voor zijne ouders vooral moest zijn geloofsverandering, 
die hen stellig verdriet zou doen, verborgen blijven. Alsof van 
dit heimelijk Christendom des te meer kracht uitging, oefende 
Da Costa, pas bekeerd, reeds invloed op zijn niet ten volle 



94 

in zich verzekerden vriend. Meer en meer werd „het ideale 
alleen werkelijkheid" voor hen. Dat standpunt namen zij in 
ook bij hun voortgezette gesprekken over kunst en literatuur. 
Niet zelden brachten die gesprekken hen op Bilderdijk; hoe 
had Da Costa over zijn meester kunnen zwijgen , hoe De 
Clercq nalaten naar dezen leerling te luisteren ! Wij begrijpen 
licht, dat de laatste begon te verlangen den „reus onzer letter- 
kunde" eindelijk ook eens in persoon te leeren kennen. 

Ontegenzeggelijk waren De Clercq's geestelijk en godsdienstig 
leven door dit alles met nieuwe kracht bezield, maar de oude 
twijfelmoedigheid kwam toch soms weer boven. Hoeveel dichter 
zij ook bij elkander waren gekomen door Da Costa's overgang 
tot het Christendom - in het staatkundige bleven zij geschei- 
den; in het najaar van 1821 hield De Clercq een rede over 
de Grieken, die Da Costa, indien hij haar gehoord heeft, 
geërgerd moet hebben. Maar hun persoonlijke vriendschap leed 
daaronder niet; Da Costa, „een engel van een joodje', zooals 
een der dames uit de familie De Clercq zeide, had bij zijn 
edel hart iets zoo beminnelijks, dat men wel van hem moest 
houden. Droefheid over het verlies van dierbare verwanten trok 
den band tusschen de twee vrienden nog sterker aan : kort na 
De Clercq's moeder stierf Da Costa's vader. In het daarop- 
volgend jaar kreeg De Clercq eindelijk gelegenheid tot per- 
soonlijke kennismaking met Bilderdijk. Da Costa, die in den 
zomer van 1822 met zijne vrouw eenigen tijd te Zeist vertoefde, 
bracht van daar uit een bezoek aan Bilderdijk; ook De Clercq 
was tegenwoordig en werd voorgesteld aan den grooten man, 
wiens uiterlijk hem eer afstootte dan eerbied inboezemde, doch 
met wien hij den volgenden dag op intiemer voet kwam. Drie 
maanden later zien wij de beide vrienden weer te Leiden en 
bij Bilderdijk; ditmaal voor den plechtigen doop waardoor 
de Da Costa's in de Hervormde Gemeente werden opgenomen. 



95 

Da Costa's openlijke toetreding tot het Christendom sluit het 
eerste tijdperk van zijn leven af. Wij gaan zien , wat hij in dat 
tijdperk als dichter heeft voortgebracht. 

Acht jaren waren verloopen, sinds de schuchtere Joodsche 
knaap in het sombere huis op den Achterburgwal voorgesteld 
was aan wie zijn leidsman zou worden. Zijn eerste gebrekkige 
proeve van poëzie, die aanleiding gaf tot zijn kennismaking met 
BiLDERDijK, schijnt een tijd lang zijn eenig letterkundig werk te 
zijn gebleven; maar in 1814 doet de verlossing van Nederland 
hem weer naar de pen grijpen; van nu af blijven de verzen 
vloeien, totdat zij werden opgevangen in een paar bundels 
Poëzy (1821-1822). Beschouwen wij deze bundels in hun 
geheel, dan zien wij op menige plaats de geestverwantschap 
met BiLDERDijK en in den leerling van D. J. van Lennep den 
invloed der klassieken; doch in het ontleende het eigene, naast 
de klassieken de modernen , en de persoonlijkheid van den 
jongen dichter ook in oorspronkelijk werk. 

In Da Costa's opvatting van het wezen en de bestemming 
der poëzie herkennen wij die van zijn meester: in De Hol- 
landsche Poëzy, Het Gevoel, De Gaaf der Poëzy , Dichteren- 
Wereld vinden wij het gevoel voorgesteld als de rechte bron 
van alle poëzie; daarnaast de verbeelding in haar waarde erkend,, 
doch slechts onder voorbehoud; als derde in den bond den 
heldenmoed in het verdedigen van des dichters beginselen. 
Ook Da Costa erkent het verband van wijsbegeerte en dicht- 
kunst, door hem in een afzonderlijk gedicht uiteengezet; ook 
volgens hem moet de poëzie «deugd en godsdienst palmen 
vlechten", „der zielen artseny" zijn, den geest der eeuw terug- 
dringen, zich te weer stellen tegen de „ongodisten"; evenals 
BiLDERDijK voelt hij zich geroepen tot strijd tegen de vrijheids- 
begrippen zijner dagen {Vrijheid), tegen de «rampzaal'ge volks^ 



96 

verlichting", .,dwaze Liberalen", „het ongeloof en zijn verdruk- 
king". Levendiger echter dan Bilderdijk gevoelt Da Costa 
zich verwant met de boetprofeten van Israël; de meerderheid 
van het Christendom boven het klassieke Heidendom , waarmede 
Bilderdijk eindigt, is Da Costa's aanvangspunt: 

Neen! Gy alleen, Jeruzalems Profeten, 
Verkondigers der Godheid en haar woord 



Mijn Vaderen! geeft me adem, krachten, woorden! 

Overigens verloochent hij zijne sympathie voor een deel der 
klassieke literatuur niet: wij vinden een vertaling van OviDius' 
bekenden strijd over de wapenen van Achilles (Jieldenpleit); 
hij bewondert Homerus, dien hij met De Clercq las; de sage 
van den dichter-zanger Orpheus trekt hem aan {Earydicé). 
Opmerkelijk is echter het verschil met zijn leermeester: Bilder- 
dijk vertaalde een treurspel van Sophocles en brokken van 
EuRiPiDES; Da Costa spreekt wel den wensch uit, zich te 
schoeien „met Sophocleesche laerzen", doch verder komt hij 
niet. De treurspeldichter, die den sterksten indruk op hem 
maakt, is Aeschylus, de godsdienstige dichter wien hij hulde 
bracht in zijn ode Het Treurspel; wiens verhevenheid hem 
moet hebben herinnerd aan die van Job, Jesaja en zoo menig 
ander deel van zijn bijbel; wiens Perzen en Prometheiis hij 
vertaalde met fragmenten uit Zeven tegen Thebe en Aganieninon, 
vertalingen waardoor het Nederlandsche volk voor het eerst 
in ruimen kring onder den indruk geraakte van die grootsche 
schoonheid. 

Minder in staat nog dan Bilderdijk, zich tijdelijk overtegeven 
aan een ander en dien te volgen in zijn dichterlijke voorstelling 
en trant, toont Da Costa in zijne vertalingen telkens zich 
zelven. Zoo zien wij de onbedwingbare behoefte van den acht- 



97 

tienjarige aan een leven met en in God in den koorzang, 
waarmede hij De Perzen besloot; dat toevoegsel strookte geheel 
met de beschouwing van het treurspel als tot Gods eer bestemd, 
die wij aan het slot der bovengenoemde ode aantreffen. In het 
verleden ziet hij het heden: in den slag bij Plateae dien bij 
Waterloo, in Prometheus Napoleon op Sint-Helena, in de Zeven 
tegen Thebe een toespeling op den veldtocht der Geallieerden 
tegen Parijs, in Agamemnon Alexander I. Moeten ook de 
ongeluksprofetieën van Cassandra hem niet aan zijn eigen tijd 
herinnerd hebben? Die stem der zieneres, uitroepend: 

De dagen 

der toekomst dreigen wraak, en naadren, zwaêr van plagen! 

en zooveel meer van dien aard, was dat niet Bilderdijk's 
stem, die weerklank vond in het hart van zijn leerling? 

Niet anders dan tegenover klassieke dichters is Da Costa's 
houding tegenover de modernen: de «diep van zich zelf vervallen 
ziel" in zijn navolging van Byron's The Tear {De Traan) is 
allerminst Byroniaansch; de schoonheid van Byron's Caïn is 
voor Da Costa gelijk aan die der paradijs-slang; door reien 
vóór en in zijn vertolking heeft hij getracht den verderfelijken 
invloed dier schoonheid zooveel mogelijk te keeren. Ook in 
zijne vertalingen van Lamartine, al voelde hij zich met dezen 
meer verwant, zien wij hier en daar het eigen godsdienstig 
leven zich uiten. 

Krachtiger uit zich dat godsdienstig leven in de oorspronke- 

hjke poëzie, welke wij hier aantreffen. Heeft Bilderdijk's epos 

Da Costa opgewekt tot een dergelijke onderneming en is het 

groote epische fragment Caïn de vrucht van dat pogen? 

Zekerheid hebben wij hieromtrent niet, al herinnert dit stuk 

door zijn geest en trant aan De Ondergang der eerste Waereld. 

De Tocht uit Babel geeft een ander tafereel uit het leven van 
KALFF, Letterkunde, VII. 7 



98 

het Joodsche volk, waarin het lyrische met het epische afwis- 
selt. Aan BiLDERDijK worden wij weer herinnerd door de hymne 
Voorzienigheid, zoowel in den aanvang: 

Gy ZIJT, en 't geen wy zijn is ONZIJN, o mijn God! 

als in de verzen over de geesten in hunne betrekking tot de 
menschen. Behalve het geloof en het vroegst verleden van zijn 
volk hebben andere dingen des dichters belangstelling: de 
afstammeling van Portugeesche Joden ontleent den inhoud van 
zijn treurspel Alfonsus de Eerste aan de geschiedenis van 
Portugal; de gebeurtenissen van den dag leverden stof voor 
gedichten als Ter verjaring van den veldslag bij Waterloo , de 
bijschriften op de prinsen van Oranje, Napoleon, Parijs; ver- 
scheidene andere stukken hebben betrekking op bloedverwanten 
en vrienden. Hoe teekent het Da Costa, dat de liefde voor 
zijn verloofde hem slechts een enkel gedicht {Liefde) ontlokt, 
terwijl dan nog die liefde verheerlijkt wordt als „hemeltelg", 
die «'t heelal in wezen houdt"; hoe teekenen hem ook die 
verzen Aan mijne egade in hun vrome toewijding. Aan zijn 
vader droeg de dankbare zoon zijn eersten bundel poëzie op; 
tot zijne vrienden De Clercq, Capadose en Hogendorp, 
tot BiLDERDijK, tot Ds. Egeling, die hem en zijne Hanna 
gedoopt had, richtte hij een aantal gedichten. 

Belangrijk zijn deze alle voor wie den dichter en zijn omge- 
ving wil leeren kennen, belangrijk uit literair-aesthetisch oogpunt 
slechts ten deele. Evenals Bilderdijk is Da Costa als kunste- 
naar zeer ongelijk aan zich zelven. Hoe hoog hij de poëzie als 
gave Gods ook stelt, hij heeft te weinig kunstenaars-zelfbeheer- 
sching om te wachten totdat een aandoening in hem bezonken 
is; de schoonheid op zich zelve schat hij niet hoog genoeg om 
lang te zoeken naar den eenig juisten vorm voor wat hem 
vervult. Zijn gevoel is even licht ontroerd als diep en krachtig,. 



99 

maar niet zelden overmeestert het hem ; wel mocht hij tot 
De Clercq zeggen: 

'k Stortte nooit nog in mijn lied 
Half den gloed uit, die mij blaakte! 

en in een dichterlijke Voorafspraak bij de lezing van eenige 
zijner gedichten in de Hollandsche Maatschappij: 

Maar ach, mijn hart, verslingerd en verloren 
in de overmaat van 't brandendste gevoel , 

als 't dit gevoel herscheppen wil voor de ooren, 
vindt ieder klank, vindt ieder uitdruk koel! 

Terecht liet hij iets verder daarop volgen: ;/k ben in de 
ziel meer dichter dan voor 't oor." Zoo tracht hij dan, evenals 
BiLDERDijK en anderen , door veelheid van woorden het gemis 
aan intensiteit te vergoeden; zijn romance Eurydice in 74 vier- 
regelige coupletten evenaart in omvang die van Bilderdijk; 
in zijn treurspel Alfonsus de Eerste naar Fransch-klassieken 
trant, en zijn dramatisch gedicht Ines de Castro , in De zesde 
December is meer gezwollenheid dan verhevenheid; daar en 
elders is ook het conventioneele niet afwezig. Maar dikwijls 
ook, wanneer een gedachte of een gevoel zijn innerlijkst wezen 
in trilling brengt, ontstroomt hem poëzie, die ons aangrijpt 
met forsche kracht, ons bekoort door een spontaneïteit en een 
melodieuze schoonheid die aan Lamartixe's Méditations en 
Harmonies doen denken - hoe groot het verschil tusschen 
deze twee poëten overigens moge zijn. Zulke indrukken 
ontvangen wij o. a. van dien breed-golvenden aanhef van het 
vloekdicht Parijs, van de verzen Aan doctor Abraham Capadose. 
Hoe worden wij aan de poëzie van het Oude Testament her- 
innerd door coupletten als: 



100 

In de dorre woestijn van den weg naar het graf, 
is me uw vriendschap een smeltende regen ! 

By de stormen des Lots in dit leven van straf, 
is me uw vriendschap een schuilplaats! een zegen! 

Woorden als dat van den psalmist: „want met u loop ik 
door eene bende en met mijn God spring ik over een muur" 
moeten naar het hart zijn geweest van den dichter, die een 
zwaard wenschte te worden in Gods hand, een paard voor 
dien ruiter {Het Zwaard, Het Paard). Vlekkeloos zijn gedichten 
als Vrijheid, De Gaaf der Poëzy, Aan myne Egade en andere 
dergelijke niet; doch desniettegenstaande is er echte poëzie in 
en BiLDERDijK heeft niets geschreven, dat in verhevenheid en 
schoonheid Da Costa's Inleiding tot de hymne Voorzienigheid 
overtreft. 

Meer dan een gedicht uit deze bundels Poëzy was voorge- 
dragen op een bijeenkomst van de Hollandsche Maatschappij, 
voordat het in druk verscheen. Inderdaad, al nam Da Costa 
een eigen standpunt in, hij hield zich daarom niet ver van de 
toongevers op het gebied van wetenschap en kunst. In de 
laatste dagen van 1822 gaf Wiselius een diner ter eere van 
De Clercq, die bekroond was voor zijne Prijs- Verhandeling 
over den invloed der buitenlandsche literatuur op de onze; 
daar zaten o. a. Kinker, Loots, Tollens en Spandaw aan; 
De Clercq hield er een improvizatie over het treurspel en 
trachtte den spotzieken Kinker met zijne alexandrijnen te ver- 
pletteren; aan het dessert komt ook Da Costa, die met zijn 
Inleiding tot de hymne Voorzienigheid allen electrizeert behalve 
Kinker, die uitroept: „ja, jammer is het dat zooveel talent 
geheel aan het obscurantisme gewijd wordt." Zoo was er dus, 
bij veel verschil van meening, toch ook wederzijdsche achting 



101 

en vriendschappelijke omgang. In het volgend jaar zouden die 
achting en vriendschap echter ernstig bedreigd worden. 

Sinds BiLDERDijK zijn onderwijs te Leiden had aangevangen, 
broeide het tusschen de mannen der verlichting en die van 
den domper. De uitgave van Da Costa's Poëzy had de 
atmosfeer slechts zwaarder met electriciteit geladen ; in de 
Voorrede had hij reeds aangekondigd dat hij zich keeren zou 
tegen wden heerschenden geest der eeuw" en in menig stuk 
zag men het weêrlichten. Tot een eigenlijke losbarsting was 
het niet gekomen; doch zij was te voorzien. Bilderdijk en 
De Clercq verwachtten grooter dingen van Da Costa en 
deze was zich daarvan bewust; zijn overgang tot het Christen- 
dom had hem met nieuwen ijver bezield , de dood zijns vaders 
hem vrijer en zelfstandiger gemaakt; gestadig peinzend over 
den niensch in zijn verhouding tot God, over het zedelijk, 
geestelijk en godsdienstig verval dat hij met Bilderdijk overal 
waarnam , en over de middelen om dat verval te stuiten , ont- 
lastte hij het volle gemoed eindelijk in een lijvig geschrift, dat 
In Augustus 1823 het licht zag onder den titel Bezwaren tegen 
den Geest der Eeuw. 

Als acte van beschuldiging vertoont dit strijdschrift vrij 
wat overeenkomst met het dertig jaar oudere boek van Van 
Hamelsveld De zedelijke toestand der Nederlandsche Natie 
op het eind der achttiende eeuw. Maar Da Costa ging veel 
verder dan deze verlichte patriot: hij tastte de „kortzichtige 
Rede" en de Verlichting aan, achtte de toenmalige ver- 
draagzaamheid uit den Booze, noemde het Tolerantisme in 
één adem met het gehate Jesuitisme, sprak van Kant's „hoog- 
moedige eigen wetgeving", roemde de eerste kloosters als 
„heerlijke voorbeelden van zelfopoffering en liefde, noemde de 
vrijheid van drukpers een dwaling. In zijn lange falanxen van 
zinnen, hier en daar onderbroken door een korte, scherpe 



102 

vraag of uitroep, ontwikkelde hij een kracht en een felheid, 
die Van Hamelsveld vreemd waren, kwetste hij door ironie 
of sarcasme waar zijn voorganger slechts droefheid had getoond. 
Bovendien, Van Hamelsveld werd door de toongevers van 
1791 beschouwd als «van de familie", hij mocht het zeggen — 
doch deze aanval kwam uit het kamp der kleine schare, die 
sinds eenigen tijd met wantrouwend oog werd aangezien; van 
wie men gevaar duchtte, zoo zij eens de macht in handen kreeg. 

Geen wonder, dat de Bezwaren insloegen, dat men uit het 
liberale kamp aansnelde om den aanval te beantwoorden: 
■dominees preekten, de deftige Van der Palm schreef er tegen; 
op lezingen, in couranten, tijd- en vlugschriften fulmineerde 
men tegen den auteur; de Arnhemsche Courant noemde hem 
«een ellendeling"; de barbier van De Clercq vertelt dezen, 
dat er ook in de mindere klasse zooveel over dat boek ge- 
sproken wordt. Maar Da Costa, Christen-soldaat bij de banier 
van Teisterbant op post, geeft geen kamp; al die strijd prikkelt 
hem tot voortgaan op den ingeslagen weg. 

De Clercq komt tusschen de partijen in het nauw; niet 
alleen zijn vriend Crommelin, ook anderen waarschuwen hem 
tegen den omgang met de Biiderdijkianen. Zelf wil hij, hoe 
bezield Da Costa ook spreken moge, er nog niet aan „dat 
de Vorsten door Profeten geregeerd moeten worden, dat de 
geestelijkheid alleen het opzicht over de scholen moet hebben"; 
anderzijds kan hij niet besluiten den Luther los te laten wiens 
Melanchthon hij zoo gaarne zou zijn, tegenover wien hij zich 
voelt als Telemachus tegenover Mentor, wiens innigheid van 
geloof hem aantrekt, wiens kracht zijn zwakheid stut. De 
moeilijkheden die hier voor hem dreigden te ontstaan, kregen 
een tijdelijke oplossing door zijn verhuizing naar Den Haag, 
waar hij als secretaris der nieuw opgerichte Handel-Maatschappij 
tot 1831 bleef wonen. Aanvankelijk voelt hij er zich vreemd, 



103 

langzamerhand raakt hij er thuis; zijn ambtswerk en zijn 
improvizatie-talent brengen hem met vele ontwikkelde en aan- 
zienlijke Hagenaars in aanraking; hij vindt er nieuwe vrienden 
o. a. in Bosscha en De Jonge; Groen van Prinsterer en 
zijne vrouw worden voor De Clercq hartsvrienden, wier 
omgang hem dichter bij de geestverwanten van Bilderdijk 
en Da Costa brengt. 

Min of meer weifelend blijft hij. Hij is te natuurlijk en 
eenvoudig, te scherp van blik ook, om te kunnen meedoen 
aan de algemeene tevredenheid en zelfverheerlijking — maar 
aan Capadose's strijd tegen de vaccine neemt hij geen deel: 
waarom mag men de vaccine niet beschouwen als een door 
God gegeven middel? vraagt hij; hij komt veel in de wereld — 
maar de schouwburg begint hem eenigszins verdacht te worden ; 
zijn improvizatie-talent vertoont zich in volle kracht: in de 
zeven Haagsche jaren vinden wij niet minder dan 150 impro- 
vizatie's vermeld — doch zijn talent wordt hem langzamerhand 
vooral een middel tot evangelie-verkondiging. De vriendschap 
met Da Costa verflauwt niet; over en weer blijven zij elkander 
opbouwen ook door liefderijke berisping, Da Costa De Clercq 
tot vastheid, deze zijn vriend tot zachtheid vermanend. Op 
een zijner bezoeken aan Amsterdam woont De Clercq voor 
het eerst (1828) eene zoogenaamde Oefening bij: een dier 
kleine aderen van het water des geloofs, uit welker samen- 
vloeiing later de godsdienstige strooming van het Réveil zal 
ontstaan. In den beginne is er vrij wat in deze bijeenkomsten, 
dat den fijngevoeligen, smaakvollen dichter mishaagt; lang- 
zamerhand verzoent hij er zich mede, meer en meer gaat het 
verlangen naar een persoonlijke gemeenschap met Christus 
hem vervullen. 

De invloed van Da Costa deed zich hier sterk gevoelen. 
Nog vóór De Clercq's vertrek uit Amsterdam was hij be- 



104 

gonnen ook door het houden van lezingen zich een eigen 
publiek te vormen. Zoo behandelde hij in 1823 het taalstelsel 
van BiLDERDijK, in het volgend jaar de Remonstrantsche en 
Contra-remonstrantsche twisten, in 1824 -'25 de Handelingen 
der Apostelen; na 1831 sprak hij over vaderlandsche geschie- 
denis, taal en poëzie, Bilderdijk's Ondergang der Eerste 
Wereld. Sommige dezer verhandelingen werden in druk uitge- 
geven. De argwaan tegen Da Costa en zijne geestverwanten, 
door zijne Poëzy en de Bezwaren gewekt, werd door deze 
voordrachten natuurlijk nog verhoogd: omstreeks 1824 kreeg de 
burgemeester van Amsterdam zelfs een bevel uit Den Haag om 
i/wekeHjks verslag te geven van de personen, die zich ten huize 
van Da Costa lieten vinden"; in 1828 van iemand zeggen 
«hij is da Costiaansch' was een banvloek over hem uitspreken. 
Ook deze palm echter groeide tegen de verdrukking in; met 
dankbaarheid gewaagde Da Costa van »een nieuwe teelt", die 
hij zag opkomen: vrucht van het zaad door Bilderdijk gezaaid. 
Gaandeweg mocht de leerling zich minder afhankelijk van den 
meester gaan voelen; hij bleef toch in hoofdzaak diens begin- 
selen verkondigen. In 1831 had hij aan Bilderdijk's graf, waar 
ook De Clercq tegenwoordig was, terugkeer tot den weg der 
vaderen aangeprezen en hij bleef anderen in die richting voor- 
gaan. Gemakkelijk was zijn taak als voorganger niet. Onder zijn 
geestverwanten begonnen zich voorteekenen van scheuring te 
vertoonen; eenigen hunner, vooral de voormalige Luthersche 
predikant Kohlbrugge, drongen heftig aan op afscheiding van 
de Nederduitsch-Hervormde kerk; Da Costa kantte zich daar- 
tegen en werd daarom door Kohlbrugge voor «gematigd" 
verklaard, uit dien mond een verwijt. Naarmate het verlangen 
naar afscheiding veld won en de kerkelijke Overheden krachtiger 
begonnen optetreden tegen de «afgescheidenen", werd de ver- 
deeldheid onder de jonge partij sterker. 



105 

Toonde Da Costa zich hier ongeneigd den band der 
gemeenschap met zijne mede-Christenen te verbreken, anderzijds 
trokken deze hem nader tot zich. Zijne voordrachten, zoo 
karakteristiek, verrassend door onverwachte wendingen, over- 
gaand (evenals die van Bilderdijk) van het een op het ander, 
soms boeiend door eenigszins barokken humor, begonnen meer 
dan vroeger in den algemeenen smaak te vallen; men zag er 
ook mannen als burgemeester Huydecoper, den gevierden 
prediker Abraham des Amorie van der Hoeven, den invloed- 
rijken David Jacob van Lennep die zich in 1823 van Bilder- 
dijk en Da Costa had afgewend. Ongetwijfeld was deze 
toenadering tusschen Da Costa en het publiek naar het hart 
van De Clercq, zelf ongeneigd zich geheel van de wereld 
aftescheiden, ook omdat hij het gevaar besefte van den geeste- 
lijken hoogmoed dien zulk een afscheiding licht met zich brengt. 

Aan rijkdom van innerlijk leven en verscheidenheid van 
krachtige aandoeningen ontbrak het de beide vrienden in deze 
jaren dus allerminst. Wij zagen dan ook, dat De Clercq het 
volle hart telkens in improvizaties uitstortte; in de negen jaren 
die op de zeven Haagsche volgden, neemt het getal zijner 
improvizaties merkbaar af, doch blijft nog aanzienlijk. Anders 
ging het Da Costa, wiens tijd en kracht grootendeels in beslag 
werden genomen door zijne lezingen, de publicatie van eenige 
verhandelingen en persoonlijke bemoeienissen. Tot de poëzie 
wendt hij zich slechts van tijd tot tijd; de oogst over het 
zeventiental jaren na de Bezwaren evenaart dan ook niet dien 
van het achttal jaren dat eraan voorafging, maar verdient op 
zich zelf toch onze volle aandacht. 

In het drietal jaren dat op de uitgaaf der Bezwaren volgt, 
zien wij het vuur, waaruit deze bliksemstraal voortgeschoten 
was, telkens op nieuw lichten. De vastheid van des dichters 



106 

overtuiging, de fierheid van zijn moed, versterkt en geprikkeld 
door de felle aanvallen van vele zijden , openbaren zich in meer 
dan een lyrisch stuk: Aan Dr. A. Capadose, Aan Bilderdijk, 
Geestelijke Wapenkreet, Israël en Nederland. De dichter heeft 
zijn roeping ontdekt, zijn taak gevonden; hij voelt de kracht 
in zich om de banier van Teisterbant te verdedigen tegen al 
die vijanden. Dat besef doortrilt den nazaat van Portugeesche 
edelen met blijden trots en strijdlust; die gevoelens zwellen in 
zijne verzen. Maar zijn strijd is een heilige strijd; zoo hij een 
vaandel zwaait, het is om het te planten 

op het slot, 
dat de Eeuwgeest dorst bezetten ! 

ridder voelt hij zich, maar «ridder Gods". Zelfs de fierheid van 
den Christenridder echter smelt weg voor den zachten gloed 
der aanhankelijke liefde, die zich kind Gods voelt; voor den 
ootmoed van den dankbaren bekeerling die zich nederwerpt 
voor God; die, alwat hij is en kan, wijden wil aan Zijn dienst. 
De gloed der overtuiging en het vuur van den strijdlust hebben 
aan de bovengenoemde gedichten een bezieling, kracht van 
uitdrukking en gedragenheid van geluid gegeven, die wij ook 
in Da Costa's vroegere gedichten hebben genoten. Nergens 
echter - tenzij in de Inleiding tot de hymne Voorzienigheid — 
stijgt hij zóó hoog als in het heerlijk voorspel tot de hymne 
God met ons: het knagend gevoel van onvoldaanheid eener 
edele ziel, de behoefte aan een leven met God, de zuivere 
verrukking van den bekeerling, de vurig-vrome toewijding en 
de ootmoed van den Christen hebben hier hunne omhoog- 
stijgende stemmen versmolten tot een geheel, niet vlekkeloos 
schoon , doch dat desniettemin door de kracht en de teederheid 
van zijn godsdienstig gevoel, door de aangrijpende ontsluiering 
van innerlijkst leven, door de meesleepende vaart zijner klank- 



107 

volle verzen en de statigheid zijner stadig voortruischende orgel- 
muziek eenig is in de geschiedenis onzer letterkunde. 

In de weinig talrijke gedichten uit de jaren 1826 -'40 hooren 
wij het onweer dat in de Bezwaren was losgebarsten , hier en 
daar narommelen; zoo b.v. in het gedicht Aan Ds. L. H. 
Bdhler en 

d'ijdlen klank dier Alverdraagzaamheid 
die niets wil dulden dan den gruweldwang der zonden. 

In de stichtelijke poëzie van 1829 en iets vroeger of later 
{Paaschzangen enz.) vinden wij meer innig geloof, in de 
bijschriften op eenige Oranje- vorsten (1834- '35) meer vrome 
vaderlandsliefde dan kunst. Ook eenige gelegenheidsdichten 
van dezen tijd, zooals dat op de bruiloft van zijn vriend 
Mr. H. J. Koenen, leeren weinig nieuws omtrent Da Costa als 
dichter. Het verschil tusschen hem en de groote meerderheid 
des volks zien wij in zijn houding tegenover de gebeurtenissen 
van 1830: hier geen bruisende vaderlandsliefde, zich uitend in 
stroomen poëzie en niet zelden chauvinistische grootspraak - 
doch een gedicht ten antwoord op een, hem door Dr. Wap 
toegezonden, dichtstuk, en dan nog om ook hier de eigen 
geloofsovertuigmg op den voorgrond te stellen; een tweede 
stukje in denzelfden geest, gezonden aan zijn jongen vriend 
den theol. stud. H. P. Scholte die met de Leidsche Jagers 
uittrok, waarin alleen „'t heir der tijgren .... dorstig naar 
■oud-Hollandsch bloed" herinnert aan de overige Nederlandsche 
poëzie van dezen aard ; een derde Op het Qorkamsche heiden- 
dom, om zijn ergernis en verontwaardiging te luchten over de 
ontvangst der citadel-verdedigers te Gorkum, waarbij o.a. wierook 
werd gebrand op een paar Grieksche drievoeten. Sommigen 
hadden in deze en de volgende jaren meer poëzie van hem 
verwacht, ook vaderlandsche zangen die een „heldenschaar" 



108 

voor den Staat zouden vormen; maar Da Costa zweeg: „de 
kunst voor zulk een doel is dwaling" zeide hij. Echter, hij had 
de dichtkunst als „moeder van het zichtbre schoon" te lief, om 
ook in dezen overigens onvruchtbaren tijd niet hier en daar 
zijne kracht te toonen. De bovengenoemde omschrijving der 
dichtkunst komt voor in het fraaie stuk Aan de Poëzy dat nog 
van 1824 dagteekent; maar ook onder de Kerst- en Nieuwjaars- 
intreêzangen vinden wij mooie coupletten. 

Het langzaam maar gestadig afnemen van Da Costa's 
dichterlijke voortbrenging had het publiek in den waan gebracht, 
dat het niet veel meer van hem te verwachten had; als de 
wandelaar - zeide de dichter Calisch - die na de eerste 
zangen van den nachtegaal staat te luisteren „En wacht en 
hoopt in 't stil en eenzaam hout" 

Zoo staan wij daar, o Dichter! wachten, hopen. 
Of weer een klank, een trilling van uw luit 
Voor ons gevoel de bron der wellust open 

Potgieter sprak in 1835 van hem „die weleer de eerste 
onzer jeugdige dichters was" en vreesde dat de hymne Voor- 
zienigheid zijn „zwanenzang" zou bHjken. Ook Da Costa zelf 
meende, dat het met hem als dichter gedaan was; deemoed 
hield hem neergebogen: hij voelt zich geen zanger, die op 
breede vleugelen opwaarts stijgt, maar 

„een wormke, zwak en klein, 
in eigen, in Gods oog onrein! 

Maar dan zien wij hem weer moed vatten. Misschien bleef 
de oproep van Calisch niet zonder uitwerking; misschien ook 
voelde hij zich opgewekt en geprikkeld door de lezing van 
GOETHE dien hij met Ds. Ter Borg „een groot man" noemde, 
„zelfs een heerlijk man! indien er geen God was" (1839). Hoe 



109 

ook, het drukkend gevoel zijner dichterlijke onmacht wijkt van 
hem; in de jaren tusschen 1826 en 1840, waarin de akker 
zijner poëzie slechts weinig vruchten voortbracht, had zijn 
persoonlijkheid zich ten volle ontwikkeld; zijn gemoedsleven 
was na de eerste hevige opbruisingen bezonken; zijne over- 
tuigingen door veel studie en nadenken rijper, sterker, ruimer 
geworden; in de laatste jaren was hij nader gekomen tot de 
hooger ontwikkelden onder zijn volk - er was slechts een 
aanleiding noodig om het levend water der poëzie, tot dusver 
ondergronds aanzwellend, omhoog te doen stijgen en als versche 
bron aan het daglicht te brengen "j). 



DE STRIJD DER ROMANTIEK. 

1. Invloed der buitenlandsche letterkunde. Het klassicisme. 
Het Oosten. Het nationale. D. J. van Lennep. Van der Palm. 
Van Kampen. Lulofs. 

De Romantiek, die zich in het buitenland sneller had ont- 
wikkeld dan te onzent, bleef invloed oefenen op leven en 
literatuur der Nederlanders. Wij zien dat vooral, indien wij het 
oog richten op twee van hare voornaamste karaktertrekken: de 
ontwikkeling van het individualisme; de liefde tot en de uitbeel- 
ding van het nationaal heden en verleden. 

Walter Scott's poëzie begint indruk te maken. Willem de 
Clercq noemt hem in zijn Verhandeling over den invloed 
der buitenlandsche literatuur (1821) »de(n) Ossian der achttiende 
eeuw, de(n) Zanger van Schotsche Natuur en Schotsche helden- 
daden"; Waverley en The Pirate zijn hem reeds bekend; wie 
de auteur was, nog niet; negen jaar later echter hooren wij, 
dat een jonggetrouwde Amsterdamsche (Maria van Heukelom) 
«als liefhebster van de romans van W. Scott", het „geduchte" 



110 

van een stormachtigen avond geniet, „dat den geest niet tot 
zachte vroolykheid stemde": Aan de bekoring, die uitging van 
Byron's sterke individualiteit kon Da Costa zich niet onttrek- 
ken; LooTS gaf een vertaling van Byron's Fare thee well, 
ViNKELES van zijn Siege of Corinth. De Clercq noemt Byron 
whet raadsel zijner tijdgenooten , beurtelings de Dichter der 
wellust en die der wanhoop"; doch erkent, dat er „schatten 
van welluidendheid en genie in de meesterstukken van Byron 
opgesloten liggen". Zelfs in de oude Haarlemsche Rederijkers- 
kamer „de Wyngaerdranken" dringt de onweerstaanbare binnen. 
Wordsworth, meesterlijk schilder van nationale natuur en 
huiselijk leven, meesterlijk vertolker van het gemoedsleven, 
werd onder zijn eigen volk nog maar half gewaardeerd - hoe 
zou men hem in den vreemde reeds recht hebben gedaan? 
De Clercq verneemt in 1825 van Southey, hoe hoog deze 
zijn zwager stelt; doch wij zien niet, dat deze lof De Clercq 
aan het lezen heeft gebracht. Tollens vertaalde iets van Words- 
worth, maar Tollens vertaalde zoo veel." Daarentegen gaat 
Shakespeare's ster ook voor ons rijzen: Adam Slwons noemt 
hem in een zijner Verhandelingen „in aanleg misschien de 
grootste dichter die ooit bestond"; Jurrl-van Moulin, dien wij 
leerden kennen uit zijne parodieën van Bilderdijk, gaf in 
zijn Macbeth (1835) een voor dien tijd voortreffelijke vertaling. 
De Lamartine's ontleding of schildering van godsdienstig 
gemoedsleven trok meer dan een Nederlandsch schrijver, behalve 
Da Costa aan: wij hooren A. F. Sifflé spreken over „de 
geheime tooverkracht" dier Fransche zangen , waarvan hij er 
verscheidene vertaalde (1821, 1823, 1844); Jacob van Eeghen 
gaf een overzetting van Le Poète mouraut (1834): Tollens 
van andere stukken. Van Victor Hugo vinden wij slechts 
een enkel gedichtje vertaald , dat de huiselijke Nederlanders- 
wel moest aantrekken: „Lorsque l" enfant paraW' (Tollens). 



111 

J. Immerzeel Jr. ontleende zijn gedicht Atalaas Dood (1823) 
aan Chateaubriand. De jonge George Vreede hoorde 
CoRNELis VAN Marle, tocn (omstreeks 1825) een man in de 
kracht van het leven, Delavigne's Messéniennes voordragen, 
stukken van Byron, Lamartine, Millevoye, de beide Ché- 
niers, Chateaubriand, Paul Louis Courier. Schiller's 
invloed stijgt: bovengenoemde Sifflé vertaalde Die Ideale en 
An die Freude (1825), maar bleek niet tegen die taak opge- 
wassen; Jan ten Brink had twee jaar vroeger een gedicht 
aan Schiller gewijd, al kon hij niet al het werk van dezen 
bewonderen; E. W. van Dam van Isselt koos in datzelfde 
jaar de partij van den Duitschen dichter tegen Bilderdijk, 
hier „Jan Paradox" genoemd. W. H. Warnsinck Bz. en Tollens 
vertalen stukken van Schiller en Goethe, van Hölty, 
Burger, Uhland, Körner; Simons spreekt over verscheidene 
Duitsche dichters in zijne Verhandeliugen. 

Rechtstreekschen invloed der Duitsche letterkunde op het 
persoonlijk leven zien wij in H. H. Klyn's schoonzoon G. J. 
Boissevain: na den dood zijner vrouw geeft de lectuur van 
Duitsche auteurs (|ean Paul, Burger, Hölty, Matthison,. 
Goethe, Schiller, Claudius) hem weer denkensstof en 
levensmoed. Onder Duitschen invloed krijgt de idylle een 
ander karakter, de humor meer beteekenis. Men gaat inzien^ 
dat de idylle niet alleen in een arcadisch droomland, doch 
ook in de historische werkelijkheid of in het eigen huiselijk 
leven een plaats kan vinden: de Luïse van Voss, door Lulofs 
in proza overgezet en min of meer genationalizeerd (1811) gaf 
een voorbeeld van het laatste; Goethe's Hermann undDorothea, 
in de proza-vertaling van C. ten Hoet Jr. (1826) van het 
eerste. Vermoedelijk hebben beide idyllen eenigen indruk ge- 
maakt op den boekhandelaar Willem Messchert, een geest- 
verwant van Bilderdijk, die in zijn Gouden Bruiloft (1825), 



112 

een dergelijk werkje samenstelde. Een vergelijking met de 
Hermann und Dorothea zou onbillijk zijn, doch Messchert's 
werk staat heel wat lager ook dan de Luïse; er is in dit Neder- 
landsch mengsel van komische deftigheid en huisbakkenheid, 
oversausd met weeke vroomheid, wel zekere eenvoud en hier- 
en-daar iets knus-genoegelijks, doch die eenvoud heeft niets 
edels noch waardigs; de uiterlijkheden (een versierde kamer, 
een feest-tafel) zijn nog het best. Waarschijnlijk zal Tollens' 
Voorbericht er wel toe hebben bijgedragen, dat dit rijmwerkje 
in de volgende halve eeuw ten minste driemaal herdrukt is. 

Een belangrijk element der Romantiek, de humor, had hier 
reeds eenigen tijd invloed geoefend vooral door Sterne's 
werken; doch, naar het schijnt, vooral op sommige auteurs. 
Nu werd de humor nader gebracht ook tot het groote publiek 
door een bloemlezing uit de werken van Jean Paul, die door 
Mr. J. A. Weiland omstreeks 1818 met een inleiding werd 
uitgegeven. Menigeen zal eerst door deze verdienstelijke Inleiding 
het wezen van den humor en den humoristischen schrijftrant 
beter hebben begrepen; ingezien, dat niet enkel het lachwek- 
kende, zonderlinge, satirieke, maar ook het ernstige, wee- 
moedige en verhevene deel van den humor uitmaken; dat warme 
menschenliefde er samengaat met levendig besef van het be- 
trekkelijke aller menschelijke dingen; dat zekere gewilde zor- 
geloosheid, verrassende overgangen en talrijke uitweidingen 
tot het wezen van den humoristischen schrijftrant behooren. 
Die Inleiding zal licht hebben ontvangen uit verscheidene hier 
overgenomen aphorismen , waarvan ik slechts dit staaltje mede- 
deel: ,/Ons leven is eene chambre obscure waarin de voorwerpen 
des anderen levens met des te helderder licht vallen , naarmate 
zij meer verduisterd is." 

Da Costa's houding tegenover Byron en Goethe, Bil- 



113 

DERDijKS uitingen over Byron en De Lamartine, Tollens 
die Béranger's werk een «slijkpoel" noemde, toonden ons 
reeds dat Nederlandsche vroomheid en godsdienstigheid op 
hun hoede waren tegen wat uit den vreemde tot hen kwam. 
De Clercq noemde Byron „den dichter der wellust en der 
wanhoop", doch bleef daarbij niet staan; het werk van den 
Engelschen dichter gaf hem „tevens de kracht, om den nevel 
der duisternis, die hij zoekt te verspreiden, in stralen des lichts 
te herscheppen." 

Ook buiten de Bilderdijksche sfeer had menigeen godsdienstige 
of zedelijke bezwaren tegen den invloed der buitenlandsche 
romantiek. In een van Simons' Verhandelingen lezen wij: 
„Schiller's Raüber moge een meesterstuk wezen van zijne 
vroege jeugd en onze bewondering afdwingen voor de zeldzame 
gaven van dit onnavolgbaar vernuft, zijne Roovers nogtans zijn 

te gevaarlijk, om hen zelfs op het tooneel toe te laten 

ook AbaUino of de groote bandiet behoorde nimmer opgevoerd 
te worden." Lulofs had „ter vermijding van ergernis" de 
„tot Godsdienstige gevoelens in betrekking staande plaatsen" 
in Voss' Luïse „eenigsints verzacht". Spandaw was waar- 
schijnlijk niet de eenige Nederlander, die Byron (om zijn 
ongeloof) lager stelde dan De Lamartine. In een tooneelspel 
van A. RuYSCH, getiteld Het kasteel van Toiirville of de Hol- 
landsche Zeelieden in Frankrijk (1835) wordt Victor Hugo's 
Le Roi s' amuse een „walgelijk libel" genoemd, „zedeverpes- 
tende lectuur bij uitnemendheid geschikt om zelfs dragonders 
te doen blozen". 

Menig romantisch werk was den bezadigden Nederlander 

ook uit aesthetisch oogpunt te buitensporig, woest of wreed. 

Voor Jan ten Brink, die toch revolutionnair bloed had, is 

meer dan een stuk van Schiller te kras, maar Schiller's 

deugd maakt weer veel goed : 

KALFF, Letterkunde, VII. 8 



114 

Uitsporig, 't is waar, was uw geest in uw jeugd, 
Doch altijd, hoe woest ook, getrouw aan de deugd. 

Raüber, Fiësco , Kabale iind Liebe „overschrijden de maat",-; 
doch Don Karlos, Maria Staart, Jungfrau von Orleans , be- 
hagen allen (1823). „Het is zelfs te vreezen", lezen wij in De 
Recensent ook der Recensenten (aO 1834; 2, p. 228): „dat ook 
voor een tijd het buitensporige, ja zelfs woeste der zoogenaamde 
Fransche romantieke school, b. v. van een Victor Hugo, 
den smaak regelen zal, doordien het imposante, ofschoon 
tegennatuurlijke, dadelijk begoochelt en de edele eenvoudige 
natuur als het ware in de schaduw plaatst." 

Cooper's Laatste der Mohikanen smaakt den Recensent ook 
der Recensenten (1834) allerminst. Wat vindt men er? „AUer- 
zonderlingste redeneeringen der wilde Indianen"; voorts allerlei 
bloedigs, moorddadigs, ontzettends en afgrijselij ks, afgewisseld 
door kluchtige en lachverwekkende tooneelen ; hachelijke tochten 
„waarby den lezer de hairen te berge rijzen", sprongen over 
diepe afgronden, zweven op ontoegankelijke rotsen - „dat 
alles is hier aan de orde van den dag." Men begrijpt licht, 
dat deze criticus zijn oordeel besluit met: „wij kunnen niemand 
en allerminst der teedere sexe sterk aanraden, dezen wilden 
en ijsselijken roman te lezen, die voor het hart geenerlei en 
voor het verstand luttel voedsel oplevert." 

Ook de brave Hendrik Klyn was allerminst ingenomen 
met een literatuur, die leefde van het buitensporige en schrik- 
wekkende; in een gedicht op Loots van het jaar 1835 vaart 
hij aldus uit tegen de „eeuw van spoorloosheid", die ook de 
poëzie niet verschoonde: 

't Wil alles, woest en wreed, tot dolheid zijn geprikkeld: 
Wie vraagt naar 't ware en 't schoon? weg met dien zachten wijn ! 
't Moet bruisende champagne — en weer champagne zijn ! . . , 



115 

Ging van de klassieke literatuur geen kracht uit, die den 
invloed dezer Romantiek stuitte? Ten deele wel. in de eerste 
plaats moeten wij in het oog houden , dat auteurs als Bilderdijk 
en Da Costa, Staring, Van Hall, Van der Palm het 
klassieke en het romantische - elk op zijn wijs - in zich 
vereenigden en dat het eene door het andere in hen moet zijn 
getemperd of gewijzigd. Schoon Van der Palm de buiten- 
landsche romantiek op prijs stelde, hij sloot het oog niet voor 
wat hem daarin verkeerd scheen. Zoo sprak hij in zijn rede- 
voering Over het middelmatige (1822) van „den overmoed 
eener nog jeugdige letterkunde, die zoo gaarne de teugels der 
wijze ervarenis van zich werpt, en, gelijk Faëton, den zonne- 
wagen wil mennen". 

Onder de voorstanders van het klassicisme vinden wij een 
vriend of goede kennis van Willem de Clercq: Mr. Jan 
VAN 's Gravenweert (1790-1870), die zich gevormd had 
onder de leiding van D. j. van Lennep, en voor zijne letter- 
kundige vorming ook aan Uylexbroek en Bilderdijk vrij 
wat te danken had. Met eenige overzettingen van Fransch- 
klassieke treurspelen , met zijn vertaling van de ///a5(1808- 1818) 
en van de Odyssee (1823) bleef hij in de klassieke lijn. Later 
voelde hij zich overrompeld door den snellen gang der eeuw, 
waartoe hij in den aanvang het zijne had bijgebracht door het 
gedicht Marco Bozzaris. De voorname vertegenwoordiger echter 
van het klassicisme in onze toenmalige literatuur was Petrus 
VAN Limburg Brouwer (1795-1847). Hij had te Leiden ge- 
studeerd, waar Bilderdijk's leerling Carbasius tot zijne vrienden 
behoorde en was in de medicijnen gepromoveerd. Als dokter 
ging het hem niet voor den wind; uit Rotterdam, waar hij 
praktijk zocht te krijgen, schrijft hij (omstreeks 1818) aan zijn 
studievriend en lateren levensbeschrijver Huber: «daarbij komt 

dat mijne uitzigten hier zoo donker zijn als de nevel, die in 

8* 



116 

den stormigen herfstnacht Lochlin's kale rotsen bedekt 

Doch ik bemerk dat de droefheid mijn stijl gezwollen maakt 

en ik zal maar weder tot den gewonen nederigen briefstijl 
terugkeeren". Daar verraadt zich de klassikus reeds, voor wien 
OssiAN en gezwollenheid hetzelfde beteekenen. Klassiek literator 
zou hij zich ook toonen, nadat hij de medicijnen had laten 
varen voor de letteren en als buitengewoon hoogleeraar te 
Luik (1825), later als gewoon hoogleeraar te Groningen (1831), 
was opgetreden. 

Van de talrijke geschriften, waardoor hij kennis van en liefde 
voor het leven en de letterkunde der Grieken trachtte te ver- 
breiden, kunnen wij hier zwijgen; zijne Proeve over de zedelijke 
schoonheid der poëzy van Pindarus (1826) en andere dergelijke 
werken zullen zijn schoonvader, den klassieken Wiselius, ge- 
sticht en verheugd hebben , doch staan in te los verband tot de 
Nederlandsche letterkunde om hier behandeld te worden. Van 
belang voor ons zijn Brouwer's romans Charicles en Eupho- 
rion (1831) én Diophanes (1838), een kleiner geschrift getiteld 
Een Ezel en eenig speelgoed (1843) en een dialoog Grillus. 
Ten deele zijn deze werken ontstaan uit een reactie tegen de 
Romantiek. Wij zien dat vooral in Diophanes (11, 86), waar 
wij lezen: „Men verbeeldt zich dat al wat tot de geschie- 
denis der middeleeuwen behoort, ridderfeesten , kruistochten, 
steekspelen, veemgerichten , dat dat alles eene lectuur oplevert, 
voor eiken lezer geschikt, en meer dan eenige andere verma- 
kelijk en onderhoudend;" daartegenover wil Brouwer nu eens 
toonen „dat men even zoo gemakkelijk en eigenlijk nog ge- 
makkelijker eene Grieksche of Romeinsche geschiedenis aange- 
naam en onderhoudend kan voorstellen." 

Reactie tegen de romantiek vinden wij ook in: „Maar ik heb 
te goede gedachte van den smaak van ons Nederlandsch publiek, 
om te gelooven dat het van zijne schrijvers de horreurs zou 



117 

vorderen, waar vele Fransche romanschrijvers hunne lezers op 
onthalen." 

In beide romans heeft de auteur gepoogd het Grieksche 
leven in beeld te brengen: in Charides en Euphorion is het 
hem te doen vooral om de uiteenzetting der Platonische wijs- 
begeerte; Diophanes geeft een veel meer omvattende voorstel- 
ling van het Grieksche huiselijk en maatschappelijk leven in 
Sparta, Thebe en andere deelen des lands. Aan de kennis, 
noodig om te bereiken wat hij zich voorstelde, ontbrak het 
den auteur der Histoire de la civilisation morale et religieuse 
des Grecs (1833-1842) allerminst. In zijn omvangrijke, gron- 
dige kennis van het Grieksche leven had hij voortreffelijke 
bouwstof te zijner beschikking; maar hem ontbrak de noodige 
scheppingskracht die ontwerpt en vormt, de kunstvaardigheid 
die bewerkt en voltooit. Ongetwijfeld valt hier en daar wel 
kunst te zien; zoo b.v. in de wijze waarop in Charides en 
Euphorion de ernstige Ismene tegenover hare wufte stiefmoeder 
Sosandra is geplaatst, de Platonist Charides tegenover zijn 
vriend Euphorion, den volgeling van Aristippus; zoo ook in 
meer dan een aardige bladzijde of goeden dialoog. Maar de 
handeling grijpt ons nergens aan, de karakters blijven schaduw- 
achtig; waar de auteur gelegenheid heeft om voor den dag te 
komen, zooals bij een ontluikende liefde, betuigt hij zelf zijn 
onvermogen in dezer voege: »ik moet het bekennen, goede 
lezer, dat ik mij tot deze taak te zwak gevoele" (11, 48). Ver- 
gelijkt men Charides en Euphorion en Diophanes met oudere 
geschriften als Van Hall's Plinius en Valerius Messala (\'1 , 410) 
dan mogen zij een groote stap vooruit genoemd worden; doch 
legt men ze naast Bulwer's gelijktijdige Last Days of Pompeii 
(1834), hoe duidelijk ziet men dan, dat het dezen professor met 
bellettristische neigingen ontbrak aan de plastiek en het vertellers- 
talent waarzonder geen goede roman gemaakt kan worden. 



118 

Een Ezel en eenig speelgoed is een vrije bewerking van 
elementen, door den auteur ontleend aan Lucianus, Apulejus 
en Photius' Mynobiblon. Om niet louter klassiek te blijven, 
had hij »ten gunste van meer romantische lezers" een dialoog 
tusschen Faust en Mephistopheles erbij gevoegd; dat was het 
speelgoed. Die dialoog was niet het eenige offer door Van 
Limburg Brouwer aan den smaak van het publiek gebracht; 
zijn vertaling der Promessi Sposi van Manzoni, een navolger 
van Walter Scott, getuigde in 1835 eveneens dat deze 
klassikus zich niet kon onttrekken aan den geest des tijds. Hem 
zelven bleef dat niet verborgen en hij zou het vermoedelijk 
met eenig pathos betreurd hebben, indien de humor ook hem 
niet geleerd had er met een glimlachje in te berusten. Zoo 
schrijft hij dan in de Voorrede van Diophanes: »Er was een 
tijd, waarin een professor zich wel zou gewacht hebben te 
doen hetgeen ik nu doe, onbeschaamd zijn naam zetten voor 
een - roman; voor een roman, in de landtaal geschreven". 
Inderdaad, wel diep moest zulk een val van het eerwaardig 
klassicisme voorkomen aan menig verstokt philoloog van den 
ouden stempel; doch het viel eenmaal niet langer te ontkennen: 
het monopolie der klassieken had uit; naast de stoffen en per- 
sonages der klassieke oudheid kwamen andere gelijke rechten 
op een plaats in de literatuur eischen. 

Het Oosten krijgt langzamerhand meer beteekenis voor de 
West-europeesche volken. De reizen van Mungo Park en de 
expeditie van Napoleon naar Egypte, vooral de onderzoekings- 
tochten van Alexander von Humboldt, natuurkenner en natuur- 
schilder tevens, deden die verre landen in hun gloed en pracht 
beter kennen dan vroeger. Men begon te beseffen, dat er een 
Oud-indische literatuur bestaat: Simons maakt gewag van 
Sakontala; De Clercq in zijne Verhandeling van Ramajana 



119 

€n Mahabhamta, die hij had leeren kennen door Heeren's 
Ideën. Naar het Oosten werden de blikken van het publiek 
getrokken door den opstand der Grieken, door Byron's 
Corsair, Giaoiir, Siege of Corinth , Don Juan, door Moore's 
Lalla Rookh (1S17), Victor Hugo's Orlentales (1829). Voor- 
alsnog openbaart zich die wassende invloed van het Oosten 
slechts hier en daar in Nederlandsche geschriften. Loots' Hagar 
in de woestijn (1820) had getoond, dat de bijbel hier een 
schakel vormt tusschen West en Oost; Bilderdijk uit de litera- 
turen van Oostersche volken vrij wat vertaald ; op Da Costa 
mocht men zijn eigen woord tot Lamartine toepassen: „Een 
Morgenlandsche lucht doorademt uw gezangen !" De Gedichten 
van L. van den Broek (1828) bevatten een afdeeling, Oostersche 
Poëzy, met schilderingen van Oostersch leven en Oostersche 
natuur. In den bundel Romantische Poëzy (1836) van H. Vin- 
KELES vinden wij behalve een gedicht op Marco Bozzaris, een 
navolging van Lalla Rookh en van Siege of Corinth. 

Onze Indische koloniën, die tot dusver schaarsche bijdragen 
hadden geleverd tot onzen voorraad van literaire stoffen , begin- 
nen meer aandacht te trekken. Onno Zwier van Haren, 
Helmers en anderen hadden hun lezers wel eens naar die 
gewesten verplaatst; doch zonder die kennis van landen en 
volken, noodig voor wie beschrijven of schilderen wil. Nu 
vinden wij voor het eerst eenige „tafereelen van Javaansche 
Zeden" met kennis van zaken ontworpen door C. S. W. Grave 
VAN HoGENDORP en in den Recensent ook der Recensenten 
van het jaar 1833 geplaatst; één dier tafreelen, een kleine liefdes- 
idylle doorvlochten met Maleische woorden en uitdrukkingen, 
is een voorspel van Muitatuli's Saïdjah en Adinda. 

De invloed van het Oosten op de verbeelding en het gevoel 
van het Nederlandsch publiek zou eerst mettertijd van belang 



120 

worden; anders stond het met de belangstelling in het eigen 
volksverleden, met name in onze oude letterkunde, die wij in 
de 18<iö eeuw zagen ontstaan en die sindsdien gestadig was 
toegenomen. Over Bilderdijk's aandeel in dezen, over Feith's 
beschouwing der middeleeuwen spraken wij vroeger (VI, 597, 
590-592. Met Siegenbeek als professor had de vaderlandsche 
taal haar intrede gedaan in het academisch onderwijs (VI, 309). 
Op dien weg ging men verder; in 1815 aanvaardde Lulofs te 
Groningen het professoraat in Nederlandsche taal en Welspre- 
kendheid met een redevoering Over de Noodzakelijkheid van 
de Beoefening der eigene Taal en Letterkunde voor de Zelfstan- 
digheid en den Roem van eene Natie. Naast hem waren ver- 
scheidene anderen werkzaam om de meer ontwikkelden bekend 
te maken met de taal, de letterkunde en het geestelijk leven 
van het voorgeslacht: Clignett, Visser, Jo. de Vries, Le 
Jeune, Van Kampen, Willems. Ook Duitsche geleerden sloe- 
gen de hand aan dit werk, o.a. de Grimm's en Mone; niemand 
echter met meer kracht dan de jonge Hoffmann von Fallers- 
LEBEN, die aan de trage Nederlanders iets van den gloed zijner 
geestdrift mededeelde en in 1830 zijne belangrijke Horac Belgicae 
begon uittegeven. Hoffmann het eerst maakte de Nederlanders 
opmerkzaam op den schat van mooie oude liederen, tot dusver 
door hen verwaarloosd; de Leidsche dames en meisjes, wien 
hij er een paar voorzong, mochten lachen om die liedjes en 
hun enthousiasten zanger - hier werd zaad gezaaid, dat rijke 
vrucht zou dragen. 

Mede van die herboren oude literatuur zou in den herboren 
staat invloed uitgaan , die aan het nationaliteitsgevoel en de 
volkskracht ten goede zou komen. Overbodig mocht zulk een 
invloed allerminst heeten: ondanks de chauvinistische uitweidin- 
gen over de Nederlandsche voortreffelijkheid , oefende het 
Fransch nog een sterken druk op de vrije ontwikkeling van 



121 

den eigen volksaard. Nog eenigen tijd vóór 1819 hooren wij 
deze klacht van Wiselius: „Welk eene menigte huizen, bij 
voorbeeld, is er ook in de Noordelijke Gewesten des Rijks, 
waar men het Fransch voor de dagelijksche spraak houdt", en 
in verband daarmede deze vraag: „hoe zou men daar echte 
nationaliteit , liefde voor den geboortegrond , eerbied en achting 
voor vaderlandsche kunstwerken met reden zoeken mogen?" 

Het is wel opmerkelijk, dat die liefde voor den geboorte- 
grond, die eerbied en achting voor vaderlandsche kunstwerken 
krachtig bevorderd zijn door een man die zelf een echt-Fransche 
opvoeding gehad had: David Jacob van Lennep. Wij hebben 
Van Lennep het laatst gezien in 1813 als luitenant-kolonel van 
den landstorm; toen ook vernomen, hoe romantiek en nationa- 
liteitsgevoel zich in dezen bewonderaar en navolger der klassieken 
openbaarden (Vi, 411-414). Bij het herstel onzer onafhanke- 
lijkheid had hij zijn vreugde lucht gegeven in een herzang; 
doch overigens bleef hij rustig aan het werk en verrijkte onze 
letterkunde in 1823 met een voortreffelijke vertaling van 
Hesiodus' "Egya xai "Hjuégai, een gedicht dat voor den bewo- 
ner van „Het Manpad" bijzondere aantrekkelijkheid moest 
hebben. Niet hem bracht 1830 het hoofd op hol: in December 
van dat jaar houdt hij in Felix Meritis een redevoering, waarin 
hij eenige „bedenkingen" ten beste geeft over hetgeen men 
thans gewoonlijk Geestdrift noemt"; o. a. over „de(n) waan, 
dat geestdrift onafscheidelijk is van V^aderlandsliefde; en zich 
geene Vaderlandsliefde denken laat, die bezadigd, kalm en 
rustig is". Van diezelfde vaderlandsliefde getuigde een Verhan- 
deliug, vier jaar vroeger door hem gehouden in het Kon. Ned. 
Instituut „over het belangrijke van Hollands grond en oud- 
heden voor gevoel en verbeelding"; een verhandeling die een 
mijlpaal mag heeten op den ontwikkelingsweg der Nederlandsche 
romantiek. Hier immers bracht Van Lennep, uitgaand van 



122 

Walter Scott, diens roem als schrijver van historische romans 
«n gaven als landschapsschilder, het Holiandsch landschap met 
zijn rijkdom van herinneringen voor het geestes-oog zijner 
hoorders en lezers; aan het slot dezer Verhandeling vond men 
dien fraaien Hollandsche{n) Duinzang, waarin zoowel het 
bekoorlijk duinlandschap, met jagers- en vinkers-oog gezien, 
als de heugenissen aan een krijgshaftig voorgeslacht en een 
pleidooi voor het instandhouden van historische monumenten 
€en plaats vonden. 

Op dit veld van letterkundige werkzaamheid, hier voor het 
eerst met warmte en kennis van zaken aangeprezen, zullen wij 
onder een jonger geslacht steeds meer arbeiders bezig zien. 

De buitengewone ontwikkeling der nationale literaturen van 
West-Europa had vanzelf geleid tot tegenstelling en vergelijking 
van dat nieuwe met de vereerde klassieken , ook met het literaire 
werk, onder den invloed dier klassieken ontstaan. Te onzent 
stelde Feith's uitgever A. Doijer Tz. een vergelijking te boek 
tusschen de Iphigenie in Tauris van Euripides en die van 
GoETHE; N. G. VAN Kampen gaf een vergelijkende beschou- 
wing van eenige moderne heldendichten: Jeruzalem Verlost, 
Lusiade, Paradise Lost, Henriade, Messiade; De Clercq's 
Verhandeling gaf telkens aanleiding tot vergelijking. Verschil 
van temperament en smaak, van opvoeding en omstandigheden 
dreven den een naar deze, den ander naar gene zijde; er 
vormden zich partijen en kampen ; het voor en tegen van beide 
richtingen werd levendig of hartstochtelijk bepleit. Van een 
partij vinden wij reeds door De Clercq gewag gemaakt in 
zijn Verhandeling, waar hij zegt: „De zoogenaamde poëzij 
der middeleeuwen, welke men Romanisch of Romantisch zou 
moeten noemen , indien niet deze naam de leus van eene partij 
in de letterkunde was geworden." 



123 

Hetzij De Clercq hier het oog heeft op het buitenland, op 
ons land of op beide - zeker is, dat de tegenstelling tusschen 
klassiek en romantiek de aandacht trok ook van Nederlandsche 
letterkundigen en dat beide richtingen op verschillende wijze 
werden beoordeeld. Wij zien dat uit de geschriften van een 
drietal mannen van verschillenden leeftijd, die als vertegen- 
woordigers mogen gelden van onderscheiden phasen der 
romantiek te onzent: Van der Palm, Van Kampen, Lulofs. 
Alle drie waardeeren de klassieken naast of tegenover de 
romantieken, doch de elementen hunner waardeering ver- 
schillen in aard en wijze van samenvoeging. Van der Palm, 
de oudste, is ook het meest klassiek-gezind, in zijn Verhande- 
ling over Eenheid en Verscheidenheid (1829) vat hij het verschil 
tusschen de klassieke en de romantische school aldus samen: 
dat in de eerste de eenheid, in de laatste de verscheidenheid 
„meerden boventoon voert". Hijzelf is geneigd aan de klassieken 
den palm toe te kennen: de romantische school heeft nooit 
iets kunnen leveren, dat met den Oedipus van Sofokles of 
zelfs met de meesterstukken van Racine en Corneille gelijk 
gesteld kan worden; het romantisch drama vergrijpt zich aan 
de eenheden van tijd en plaats, die toch niet willekeurig maar 
„uit de natuur ontleend" zijn; het „zondigt tegen de waar- 
schijnlijkheid" en daardoor „gaat het vermaak der begoocheling 
ten grooten deele verloren". Den echten Van der Palm in 
zijn weifelzieke voorzichtigheid hooren wij dan in de bedenking: 
^/wachten we ons van de schim van den grooten Shakespeare 
tegen ons in het harnas te jagen of de asch van Schiller te 
ontrusten"; maar hij komt toch niet verder dan deze slotsom: 
recht doen aan de werken der romantische school als surrogaten 
van het echte. 

Nader dan Van der Palm stond de twaalf jaar jongere 
Van Kampen (1776—1839) bij de modernen, aan wier bestu- 



124 

deering hij zijn leven heeft gewijd; echter was ook hij te zeer 
doordrongen van den geest der klassieken om de buitenlandsche 
literatuur voetstoots te aanvaarden. Al vroeg moet hij begonnen 
zijn den grond te leggen tot zijne verbazende belezenheid; zijn 
levensbeschrijver S. Muller verhaalt ons, hoe Nicolaas 
Godfried, als kind op zijn vaders knie, Cato's alleenspraak 
uit Addison's treurspel reciteerde en zich dan met een talhout 
als dolk een stoot in het hart gaf. Ouderloos geworden, doet 
hij op een Duitsche kostschool zijn eerste kennis op van de 
taal, die hij later met vrucht zou bestudeeren. Teruggekeerd 
in zijn geboorteplaats Haarlem, tracht hij bloemist te worden, 
doch slaagt daarin niet. Beter gaat het hem als student in de 
letteren te Leiden; stadig zijn kennis uitbreidend, vestigt hij 
zijn naam als geleerde. Bij de nieuwe regeling van het Hooger 
Onderwijs in 1815 treedt hij op als lector in de Hoogduitsche 
taal aan de Leidsche Hoogeschool; een ambt, dat hij in 1829 
verwisselde met dat van hoogleeraar in Vaderlandsche Geschie- 
denis en Nederlandsche Letterkunde aan het Amsterdamsch 
Athenaeum. 

Tot een betere kennis der Duitsche literatuur deed hij 
het zijne door zijn Handboek der Hoogduitsche letterkunde 
(1825 -'29), maar het is er ver van af, dat hij zich daartoe 
beperkt zou hebben. Veelweter en veelschrijver, heeft hij een 
ontzagwekkend aantal boekdeelen over allerlei onderwerpen 
samengesteld , die wij niet behoeven optesommen. Wel moeten 
wij er op wijzen, dat hij reeds in 1801 (zonder zijn naam) 
een vertaling van Chateaubriand's Atala uitgaf en tusschen 
1831 -'36 een Bloemlezing uit de Fransche letterkunde; in 
1834 -'36 een Geschiedenis der nieuwere letterkunde en in het 
laatstgenoemd jaar een Verhandeling over den invloed der 
Engelsche Letterkunde op de Nederlandsche. Ook aan de vader- 
landsche letterkunde wijdde hij zijn aandacht: in 1812 stelde 



125 

hij op uitnoodiging van Prof. Eichhorn eene Geschichte der 
Niederi Literatur samen als onderdeel eener Geschichte der 
schonen Redekiinste en werkte dat geschrift later om tot een 
Beknopte Geschiedenis der letteren en wetenschappen in de 
Nederlanden (1821 -'26). 

Een der voorname verdiensten van Van Kampen moet heeten , 
dat hij voor het eerst te onzent een poging heeft gedaan om 
den strijd tusschen klassieken en romantieken in zijn wezen te 
doorgronden en dien strijd zelven te beslechten. In antwoord 
op een prijsvraag der Hollandsche iMaatschappij van Fraaie 
Kunsten en Wetenschappen, schreef hij zijne Verhandeling 
over de vraag: welk is het onderscheidend verschil tusschen de 
klassische poëzy der Ouden en de dus genoemde Romantische 
poëzy der nieuweren (1823). Na een korte inleiding over Roman- 
tiek en Gothiek, schetste de auteur den samenhang tusschen 
klimaat, landschap en volkskarakter, zooals het zich in de 
literatuur der Grieken openbaart. Ais voorname karaktertrekken 
van het klassieke noemt hij: waarheid, eenvoudigheid, natuur- 
lijkheid, veredelde zinnelijkheid. Het Oosten wordt dan tegen- 
over Griekenland gesteld, de Roode Zee tegenover den Archipel; 
de invloed van Arabieren (Mooren), van Provence en Spanje 
uiteengezet; eveneens die van het middeleeüwsch Christendom 
met zijn ridderwezen en vrouwendienst, zijn neiging tot het 
avontuurlijke en wonderbare. De mysterie-spelen brengen ons 
tot het tooneel, tot Shakespeare's vermenging van het boertige 
met het ernstige en zijn „onmiskenbaar gebrek aan smaak", 
tot Goethe's „onsterfelijke Iphigenia in Tauris". Van Kampen's 
ingenomenheid met de Hoogduitsche letterkunde toont zich, 
v^aar hij spreekt over Klopstock, Lessing, Schiller, Tieck 
en anderen ; maar zij was toch niet sterk genoeg om den ouden 
zuurdeesem van Nederlandsche zelfgenoegzaamheid uit te drij- 
ven; op komische wijze openbaart die zelfgenoegzaamheid zich 



126 

waar hij van het NibelungenHed zegt: „de Hoogleeraar Siegen- 
BEEK heeft het niet beneden zich geacht, daarvan een uitvoerige 
schets met verscheidene vertaalde proeven, en doorgaanden 
lof, aan het algemeen mede te deelen." Voor Hoffmaxx von 
Fallersleben's geestdrift „die ons wel van de klassische studiën 
geheel tot die onzer oude Romantische gewrochten .... had 
willen terugbrengen" voelt Van Kampen echter weinig. 

Ondanks zijn omvangrijke kennis van en belangstelling in 
de modernen, staat Van Kampen toch op klassicistisch stand- 
punt in zijn opvatting der poëtiek als wetgeefster. Die opvat- 
ting openbaart zich in zinsneden als: „Thans is de vraag: 
of men dat veld (der romantische poëzie) als dor, onvrucht- 
baar .... moet verlaten, en zich alleen tot het kweeken van 
bloemen uit Griekenlands en Italiës onvergankelijke lusthoven 
moet bepalen" en „Bewijst dit alles niet dat het voor de 
ontwikkeling van jeugdige geniën noodlottig zou zijn de heil- 
zame wetten der dichtregelen te schenden en zich te verlustigen 
in de gevaarlijke Romantische vryheid ?" Zijn slotsom is dan 
ook, zooals wij konden verwachten, een voorstel tot aanprijzing 
van romantische stoffen in klassieke vormen. Datzelfde com- 
promis was meer dan een kwarteeuw vroeger door Chénier 
voorgesteld in het bekende vers: „Sur des pensers nouveaux 
faisons des vers antiques". 

Met de jaren werd Van Kampen's oordeel over vele roman- 
tische auteurs niet gunstiger; zijn levensbeschrijver vertelt ons: 
hij was gewoon vele geschriften van Wieland, en inzonderheid 
van ViCTOR Hugo en Bvron „wangedrochten, sirenen met 
een wegslepend gelaat en een wanstaltig lichaam" te noemen; 
hij stoof op in goedhartige drift, indien men het genie van 
Byron en Shelley verhief, Heinrich Heine prees. Nog in 
1838, kort vóór zijn dood, sprak hij in de inleiding tot een 
bloemlezing uit den Hollandschen Spectator over „alle de 



127 

opeengestapelde gruwelen en gemeenheden van Victor HugO;, 
DuMAS, Paul de Kock, Balzac, jules Janin en juffrouw 
Georges Sand." 

Juist die verafschuwde Victor Hugo was het, die den 
Groningschen hoogleeraar Lulofs (1787-1849), een tiental 
jaren jonger dan Van Kampen, verlokte tot het vertalen van 
een zijner proza-stukken. Lulofs, Zutfenaar van afkomst, had 
zijn sympathie voor de Romantiek getoond door de overzetting 
van eenige gedichten van Schiller, van Goethe's Erlkönig 

en Voss' Liiïse. Uit den titel zijner Akadeniische Voorlezingen 

over de Vinding en de Welsprekendheid naar de denkbeelden 
der Ouden (1822) blijkt echter, dat hij ook onder den invloed 
der klassieken staat; hij heeft Aristoteles, Cicero, Vossius, 
ook Lessing's beschouwing van Aristoteles' theorie bestu- 
deerd; in overeenstemming met Lessing's opvatting van het 
klassicisme is zijn besliste voorkeur voor het Grieksch, door 
hem den sleutel genoemd van „oneindig rijker Schatkameren 
van oude Letterkunde" dan het Latijn. Opmerkelijk is nu, in 
deze Voorlezingen nategaan, hoe de auteur zijns ondanks naar 
den kant der Romantiek getrokken wordt. In het Voorberigt 
vergelijkt hij een geschrift van Cicero en Sallustius ,;bij een 
goed, krachtig, heerlijk stuk Ossevleesch", een roman >,bij 
zoo wat liflafjes, taarten, confituren en dergelijke zoetigheden 
meer .... waarvan mannen dan ook nog wel eens mede 
proeven willen." Maar hoe goed blijkt hij van die liflafjes op 
de hoogte: «Wilt Gij Romans schrijven, neem dan wat les bij 
onze Wolf en Deken, en buiten 's Lands bij den nog levenden 
Walter Scott in Groot-Brittanje, of bij Göthe, bij Tieck, 
bij DE LA Motte Fouqué en anderen in Duitschland!" 

Ook langs andere wegen dan die der literatuur is de Romantiek 
tot hem doorgedrongen: op zijne reizen hebben de Dom te 
Keulen, de Nótre Dame te Parijs, de kathedralen van Ant- 



128 

weqDen en Brussel hem „den diepsten eerbied" ingeboezemd 
en iets van den geest der Gothiek geopenbaard; Goethe's 
indrukken van den Straatsburger Munster waren hem bekend 
en zullen wel niet zonder invloed op hem zijn gebleven. 

Zoo verwondert het ons dan niet, Lulofs in deze „naar 
de denkbeelden der Ouden" gevolgde Voorlezingen de Romantiek 
te hooren verdedigen: Pieter Realiteit wordt berispt, omdat 
hij Staring's romancen knorrig wegwerpt en sprookjes van 
Moeder de Gans noemt, terwijl hij geen bezwaar maakt tegen 
de klassieke verhalen van Cyclopen, Sirenen, Reuzen en Sfinxen; 
Macbeth, Wallenstein, Egmont, Wilhelm Teil zijn - lezen wij 
elders — ,rnog geene stukken van barbaren", omdat zij niet 
geschoeid zijn op de leest van het Grieksche treurspel. 

Anders dan Van Kampen blijft Lulofs fnet de jaren even 
gunstig gezind tegenover de Romantiek. Victor Hugo trekt 
hem aan; echter min of meer als de verboden vrucht. Voor 
de verleiding om een proza-stuk van dezen auteur te vertalen 
bezwijkt hij ten slotte, maar niet zonder eenig schuldgevoel. 
Achter den titel Fragment over de Doodstraf naar het Fransch 
van Victor Hugo (1833) lezen wij: „als een staaltje van den 
zonderlingen en grilligen, maar levendigen, beeldrijken en 
soms wegslependen stijl, diens veelgelezenen Proza-schrijvers 
en Dichters"; in de Voorrede zegt hij nog eens, ais iemand die 
vreest voor misverstand: „Biootelijk dus om het zeldzame en 
vreemdsoortige van den stijl heb ik dit opstel in een Hollandsch 
kleed gestoken. De levendigheid toch van dien schrijftrant, hoe 
grillig soms ook enz."; in de aanteekeningen vinden wij op- 
merkingen als: „gelukkig en levendig", „deze tegenstelling is 
bitter", „schilderachtig maar wat gewaagd van stijl" en dit 
typische: ,reen van die opgeblazene , luchtbelachtige zoogenaamde 
krachtgezegden , door zulk een Franschman in hunne alge- 
meenheid daar maar heen geworpen, om een bontverwigen 



129 

schitterglans te verspreiden." Overigens is Lulofs' vertaling 
door een hedendaagsch kenner geroemd als «met zorg en 
smaak bewerkt" en zal zij vermoedelijk het hare hebben bijge- 
dragen tot ontwikkeling van ons proza. 

Lulofs was wat al te optimistisch, toen hij in een noot op 
zijn vertaling schreef: ,;de genoeg bekende, jaren lang achtereen 
in Frankrijk gevoerde letterkundige strijd tusschen de zooge- 
naamde Romantieken en Klassieken begint echter naar 

zijn einde te loopen, want de verstandigen zien in, dat men 
zoowel in een Romantieken als m een Klassieken \orm beide 
goed en slecht kan schrijven." Zóó nabij was het einde van den 
strijd niet; maar de tijd heeft bevestigd wat Lulofs voorspelde: 
«een bezadigd Romantismus zal op den duur hoe langer hoe 
meer veld winnen." In stilte had de Romantiek inderdaad veld 
gewonnen door het werk van Staring, Feith en Tollens, 
menig stuk van Bilderdijk en Da Costa. Na 1830, toen het 
besef van een strijd in ruimer kringen doordrong, zien wij 
het woord „romantiek" soms als een vlag gebruiken; zoo b. v. 
in Romantische Tafereelen (1831) van A. F. H. Smit, Romantische 
Poëzy (1836) van H. Vinkeles, in Warnsinck's Lorenzo en 
Blanca (1839), dat „Romantisch gedicht" genoemd wordt; doch 
de lading was in deze gevallen weinig geschikt, eerbied inteboe- 
zemen voor de vlag waaronder zij vervoerd werd. 



2. HET PROZA. 

De Halbertsma's. Vos.maer. Geel. 

Ook in het proza zien wij de nieuwe elementen, door de 

Romantiek in de literatuur gebracht, tot ontwikkeling komen. 

Het klassieke proza handhaafde zich vooral in het werk van 

Van der Palm, die door zijne preeken en redevoeringen 
kalff, Letterkunde, VII. 9 



130 

diepen indruk maakte op de meerderheid zijner tijdgenooten. 
Dat was alleszins begrijpelijk: in zijne gevoelens en opvattingen 
vertegenwoordigde hij het gemiddelde van den ontwikkelden 
Nederlander dier dagen; zijn geleerdheid boezemde ontzag 
in; zijn pathos maakte indruk; zijn streven naar beknoptheid 
stak gunstig af bij de heerschende wijdloopigheid ; de gelijk- 
matig vloeiende stroom zijner gladde welluidende volzinnen 
voldeed aan de toenmalige eischen van schoonheid. Vandaar 
dan ook, dat een zijner lofredenaars, de predikant Fockens, 
de deugden van Van der Palm's geschriften samenvatte in 
„strenge bondigheid en innemende bevalligheid". 

Voor hedendaagsche lezers echter moeten deze redevoeringe 
vrij wat van hunne bekoring verliezen. Mun klassieke-sebrefheid 
behaagt ook ons; doch kan niet opwegen tegen hun gemis aan 
individualiteit, aan kracht en kleur. Wij zien te vaak opgeschroefd- 
heid, waar de tijdgenoot hoogheid of verhevenheid zag. Wij 
worden argwanend gestemd tegenover een redenaar, die van te 
voren wist waar hij zich door aandoening zou laten overstelpen 
(IV, 104; V, 130, 134); die een redevoering tot Lodewijk 
Napoleon, kort na de ramp van Leiden, besloot met de woorden: 
„Daarvoor, Sire! brengt U de dankbare Natie hare eerbiedige 

hulde toe! Ontvang dezelve uit den mond van hem, die 

Leydens ongeluk en Uwe grootheid waardeeren kan .... van 
een Vader, die een geliefd kind onder Leydens puinhoopen 
zag omkomen, en die, al kon hij deze rede waardiger besluiten,, 
door zijn snikken zou verhinderd worden voort te gaan!" 

Anders dan de preeken en redevoeringen, was het Geschied- 
en Redekonstig Gedenkschrift van Nederlands Herstelling 
bestemd om gelezen te worden. Breede uitwerking van een 
vroeger stukje over De Vrede van Europa (1814), vertoont dit 
proza-werk vrij wat verwantschap met Van der Palm's overige 
geschriften. Ondanks het streven van den auteur om zich 



131 

te wachten voor »de dienstbaarheid der navolging", is dit 
Gedenkschrift in zijn zinbouw, zijne vergelijkingen en rheto- 
rische figuren sterk- Latijnsch gekleurd; als voorbeeld van 
klassicistisch proza desniettemin een werk van historische 
beteekenis; een werk ook, dat zijn vormende kracht nog niet 
verloren heeft voor wie prijs stelt op zuiverheid van taal, 
evenredigheid en bevalligheid van bouw, kunst van karakteris- 
tiek, van beschrijven en vertellen. 

Klassicistisch proza vinden wij ook bij Ockerse, al zien wij 
daar tevens den invloed van het „poëtisch proza" uit den kring 
van Bellamy. Ockerse's Napoleontische Redevoeringen (1814) 
toonen diezelfde zuiverheid van taal en regelmaat van zinbouw,, 
die waardigheid ook, welke het proza van Van der Palm. 
kenmerken; echter lijdt Ockerse in hooger mate dan Van der 
Palm aan grootspraak en maakt hij meer misbruik van vraag 
en uitroep. Zelfs was hij zich van zijn zwakheid in dezen wel 
eenigszins bewust; „ik weet zeer wel", zegt hij m zijn Lijkrede 
aan het Graf van Napoleon Bonaparte, „hoe ligt men, in deze 
manier schrijvende, tot een al te zwellend, poëtisch proza komt". 
Inderdaad , men behoeft slechts den aanhef dezer Lijkrede te 
hooren, om van de waarheid dier woorden overtuigd te worden: 

„Buonaparte ! . . . . Napoleon ! Napoleon ! . . . . Geen gehoor, 

— geene beweging. Zou hij dood zijn? — Dood! — Hij, die 
een halve eeuw leefde, de zwaarste afmattingen doorstond" enz. 

Het verhalend proza toont bij een paar auteurs uit een vorig 
tijdperk, hetzelfde karakter als vroeger. Twee romans van 
Willem Kist: De Egyptische Tooverstaf (1822) en Lodewijk 
van Landen (1832) brengen niets nieuws. Weinig nieuws het 
drietal romans van A. Loosjes Pz. : Het Leven van Hillegonda 
Buisman (1814), Het Leven van Robbert Hellemans (1815), 
Het Leven van Johannes Wouter Blommesteyn (1816). Loosjes' 



132 

kenschetsing van den eerstgenoemden roman: «volkomen van 
denzelfden aanleg, behandeling en strekking als het Leven van 
Maurits Lynslager" is van toepassing ook op de beide volgende; 
hier als daar was het oogmerk: „Vaderlandsche Zeden, Deugd 
€n opregten Godsdienst voort te planten"; wij vinden hier 
andere namen en feiten - denzelfden inhoud en trant. Opmer- 
kelijk is alleen de vrees, door den auteur in het Voorberigt van 
Robbert Mellemans uitgedrukt, dat hij „de Romanlectuur die 
zeker te algemeen is, en dikwijls verderfelijk voor verstand en 
hart beide", eenigermate zal bevorderen. Voorts dat wij in dezen 
roman, en meer nog in Johannes Wouter Blommesteyn , het 
begin van ons volksverval gekenschetst zien; „de peststoffen 
van loszinnigheid en ongodsdienstigheid, door onze over- 
heerschers zoo listig der Nederlandsche Jeugd van zekere 
standen bovenal ingestort," waren belichaamd in de lichtzinnige 
tweede vrouw van Hellemans, dochter van een réfugié, en de 
kokette Madame Brittoni, in wier strikken de brave Blomme- 
steyn verward raakt. 

De vaderlandsche roman zou echter niet blijven, wat Kist, 
De Wacker van Zon en Loosjes ervan trachtten te maken. 
De invloed der buitenlandsche letterkunde deed zich ook hier 
gelden; het duidelijkst in het werk eener tijdgenoote van D. J. 
VAN Lennep, die onder zijn invloed den roman op een nieuwe 
baan bracht. Margaretha Jacoba de Neufville (1775- 1856) 
bleef met haar eerste oorspronkelijk werk De kleine Pligtcn 
(2^ dr. van 1824) in een vroeger genre, in dezen roman in 
brieven immers heeft zij niet zonder talent de romans van 
WoLFF en Deken nagevolgd en een hier en daar welgeslaagde 
voorstelling gegeven van het huiselijk en maatschappelijk leven 
te Amsterdam gedurende de dagen der Fransche overheersching; 
het komisch element, vertegenwoordigd door de brieven van 
de dienstmeid Kaatje Wilkes, brengt eenige afwisseling in het 



133 

geheel, dat, mede door zijn moralizeerende strekking, tamelijk 
zwaar-op-de-hand is. Een nieuwen weg sloeg De Neufville 
in, nadat zij in Januari 1827 Van Lennep's redevoering «Over 
het belangrijke van Hollands grond en oudheden voor gevoel 
en verbeelding" had aangehoord; in De Schildknaap ... . Een 
oorspronkelijk, historisch romantisch verhaal (1829) gaf zij het 
eerste voorbeeld te onzent van den modernen historischen 
roman, gelijk hij door Walter Scott was geschapen. De stof 
van dit verhaal: een jonge Fries uit het adellijk geslacht der 
Cammingha's, die schildknaap wordt van graaf Willem II van 
Holland en eerst later zijn afkomst ontdekt, is aantrekkelijk 
genoeg; maar de verbeelding der schrijfster was niet rijk, haar 
vormkracht niet sterk genoeg, om uit het, met ijver samen- 
gebracht materiaal een werk van blijvende waarde te scheppen. 
Een jaar later toonde Mejuffrouw De Neufville hare sympathie 
voor den historischen roman nog eens door een vertaling van 
De Vignv's Cinq-Mars. Oorspronkelijk werk bracht zij niet 
meer voort; haar levenskracht overtrof haar scheppingskracht 
verre; maar als baanbreekster van een nieuw genre verdient 
zij een plaats in deze Geschiedenis. 

De bloemlezing uit Jeax Paul's geschriften toonde ons, dat 
ook de invloed van den humor zich in ons proza ging ver- 
toonen. Naast dat vertaald geschrift plaatsen wij het oorspronkelijk 
werk van de Halbertsma's, van een onbekende en van den 
Med. Dr., later professor te Harderwijk en te Utrecht, Jacob 
VosMAER (1783-1824). 

De gebroeders Halbertsma, Justus Hiddes (17S9-1869) 

en Eeltje (1797-1858) kunnen hier niet geschetst worden in 

hun veelzijdige taal- en letterkundige werkzaamheid; doch in 

een karakteristiek van ons proza mag De Lapekoer *) fen Gabe *^ Lappemand. 

*) Kleer- 
Scroar"") (1822) niet ontbreken. Deze omvangrijke bundel maker 



134 

proza en poëzie in boeren-Friesch verdient in onze letterkunde 
een eigen plaats om zijn aesthetische waarde en om het bewust 
streven naar een geschreven taal, die den eenvoud en de 
natuurlijkheid van het dagelijksch leven teruggeeft. Het volk 
moet weten .,hoe de taal moet uitgesproken worden", zegt 
JuSTUS in zijn belangrijke Voorrede; hij verzet zich tegen de 
tirannie der schoolmeesters en opzieners van het onderwijs met 
hun lees- en spelboekjes en spraakkunsten en wijst er op hoe 
het Hollandsch daaronder geleden heeft. 

In de kleinere en grootere proza-stukken , die wij hier vinden 
{De Reis tiei de Jichtmasters, It Boalswerter Nut, Miswier, 
De twadde Joun, De aldkies fen Piebomme e. a.) vinden wij 
dezelfde gezonde vroolijkheid en volkshumor, de geestige 
omtrekjes en treffende uitdrukkingen , de goede karakteristiek 
ook, die wij bewonderen en genieten in het werk van Fritz 
Reuter en Klaus Groth; evenaren de Halbertsma's deze 
beide auteurs ook niet, hun naam mag toch in een geschiedenis 
der Nederlandsche letterkunde evenmin ontbreken als die van 
GvsBERT Japix en die van den geheimzinnigen Bernlef, 

De onbekende auteur, die in het jaar 1823 een Proeve van 
Hekelschriften uitgaf, werd tot het schrijven van dat werkje 
gedreven door behoefte om het oude op literair gebied uit den 
weg te ruimen. Het oude waartegen hij zich kantte, was de 
Verhandeling: de degelijke, deftige, omslachtige, met haar vaste 
indeeling en kleurlooze taal, haar eentonigheid en saaiheid; 
het prozaïsche kind der achttiend'eeuwsche „Maatschappy" met 
hare lange gouwenaars en kwispedoors. Aan die verhandeling 
begonnen de Nederlanders te ontgroeien. Zoo vinden wij in 
deze Proeve dan eenige parodieën van verhandelingen, zelfs 
een „verhandeling over de verhandeling en de verhandelgezel- 
schappen"; eenige schetsen ook in den trant van den Duitschen 
satiricus Rabener. 



135 

Tegen de verhandelzucht kant zich ook Vosmaer, waar hij 
in een zijner stukken gewaagt van »de besmetting der voorlees- 
ziekte" en in Maartsche Biiyen HchteHjk den spot drijft met 
„alle verhandeHngen en redevoeringen, welke, gedurende het 
wintersaizoen , zoo hier als elders, in ons lieve vaderland, 
worden voorgedragen". Deze en verscheidene andere proza- 
stukken werden grootendeels in de Vaderlandsche Letteroefenin- 
gen voor het eerst gedrukt en kort na den dood des auteurs, 
tot een bundel Nagelaten en Verspreide Letter-arbeid vereenigd , 
uitgegeven (1826). Enkele stukken m dien bundel: Het Droo- 
men, Maartsche Buyen en dergelijke toonen verwantschap met 
de Spectatoriale Vertoogen uit een vroeger tijdperk. Wat hem 
recht geeft op een eigen plaats in de Geschiedenis onzer Let- 
terkunde, zijn een aantal schetsen en verhalen, hier samengevat 
onder den titel Het Leven en de Wandelingen van Meester 
Maarten Vroeg. 

Over het geheel toont Vosmaer zich een geestverwant van 
KiNKER en PiETER VAN WoENSEL: vau de revolutie-koorts is 
bij hem niets meer te zien; Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap 
moeten menige veer laten (I, 99 noot, 103, 104, 170, 171, 
176, 179); echter is hij trouw aan de beginselen der Verlichting, 
hij heeft geleerd het menschdom als een éénheid en de wereld- 
geschiedenis wijsgeerig te beschouwen, zooals blijkt uit zijn 
opstel Over de vier trappen der beschaving van het menschelijk 
geslacht uit de geschiedenis der volkeren kenbaar; in zijn 
beschouwing van geloof en godsdienst staat de moraal op den 
voorgrond; daarmee strookt zijn afkeer van vormendienst en 
Christelijk Farizeïsme (II, 42; I, 149); zijn verstandelijkheid 
kant zich tegen de Fransche ideologen, die verzekeren „dat 
alles gevoel is" (1, 102); bij zoo'n denkwijze past spot met de 
sentimentaliteit (I, 198); ook in zijn gevoelens over opvoeding 
toont hij zich een zoon der Verlichting (1, 186-7; II, 39, 



136 

135, 188). Wat hem van zijn voorgangers onderscheidt, zijn 
de talrijke stukken waarin wij den medicus en beoefenaar der 
natuurwetenschappen erkennen, handelend over onderwerpen 
als : De waarde der Natuurkunde voor den Mensch als Mensch , 
Over den invloed der maag op het volksgeluk, De kunst om 
ziek te zijn, De zenuwen, Het liart, Over den slaap; in deze 
en andere stukken toont de schrijver zich een voorganger 
in de moeilijke kunst om wetenschappelijke stof populair te 
behandelen. 

Voor het overige onderscheidt Het Leven en de Wandelingen 
van Meester Maarten Vroeg zich door meerdere zuiverheid van 
literair karakter. Wij vinden hier het eerste belangrijke voor- 
beeld van een Nederlandsch humoristisch geschrift, oorspron- 
kelijk, al verloochent het zijn verwantschap met buitenlandsche 
humoristische geschriften niet; ook hier immers vinden wij die 
losjes samenhangende hoofdstukken, slechts door de persoon 
des schrijvers eenigermate bijeengehouden; die afdwalingen en 
zijsprongen, al zijn zij minder buitensporig dan die' van Sterne 
en Jean Paul. Vosmaer kent Swift's Gulliver, doch de 
bitterheid van den misanthropischen Dean of St. Patrick is bij 
hem niet te vinden; in de goedigheid zijner wijsgeerige levens- 
beschouwing doet hij aan Goldsmith's Vicar of Wakefield 
denken, in zijn zachten humor zoowel aan dezen als aan 
Sterne. Wat hem van deze buitenlandsche humoristen onder- 
scheidt, is zijn Hollandsche neiging tot het positief-degelijke 
en rechtstreeks-nuttige, die het zuiver-literaire afwisselt met 
populair-wetenschappelijke hoofdstukjes als: Apologie der Ge- 
neeskunst, Zondagsche overdenkingen, Over den geest destijds, 
De Hypochondrie. Sommige zijner typen : Griffioen, Gloriosus, 
Vanisca, Geurtje uit de „komenijswinkel" (1, 144 -"48, 161) 
onderscheiden zich niet wezenlijk van dergelijke bij Van Effen; 
de droom (1. 172) als vorm van gedachten-uiting is ook bij 



137 

oudere auteurs (Addison, Van Effen, Van Woensel) te 
vinden; doch in geestigheid evenaart hem onder deze drie 
alleen Van Woensel; in de kleine novellistische schetsjes: 
Het Consult, Chirurgicale vryaadje, Professor Sic, Verzinsel 
en Waarheid toont Vosmaer zich niet alleen de gelijke van 
Van Effen, maar ook de voorlooper van latere humoristische 
schrijvers als Beeïs, Hasebroek en anderen. Het is dan ook 
vooral dit geschrift, herdrukt in 1852 en 1872, dat den naam 
van Jacob Vosmaer als letterkundige heeft helpen bewaren, 
dat hem maakt tot een schakel tusschen zijn geslacht en het 
volgende. 

Diezelfde bindende kracht was, maar in veel hooger mate, 
eigen aan den man, dien wij daarom op de grens van twee 
afdeelingen dezer Geschiedenis plaatsen: 

JACOB GEEL (1789-1862). 

Leerling van den smaakvollen D. J. van Lennep, kwam hij 
in 1810 als huis-onderwijzer bij de familie Dedel te 's-Graveland. 
De zoons en dochters van den huize vonden een uitstekend 
opvoeder in den jongen man, die behalve in de klassieken 
ook in het teekenen en de muziek ervaren was; zijnerzijds 
leerde hij Fransch en Engelsch van het hoofd des gezins; 
waarschijnlijk zal de zoon van den Amsterdamschen kostschool- 
houder ook voor zijn uiterlijke en innerlijke beschaving vrij 
wat te danken hebben gehad aan zijn twaalfjarig verblijf in dat 
gezin. In 1823 trekt hij als onder-bibliothecaris der Universiteits- 
bibliotheek naar Leiden; tien jaar later komt hij aan het hoofd 
dier bibliotheek te staan. In het stille Leiden heeft hij het 
voornaamste deel van zijn leven (1823 -'58) doorgebracht; hij 
vond er, hoewel eerst laat, een levensgezellin in Caroline 
Reinwardt; ware vrienden in den strengen classicus Bake en 



138 

den hoogleeraar in de Oostersche letteren Hamaker; andere 
vrienden en kennissen, tevens een letterkundig centrum, in de 
Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Slechts des zomers 
verliet hij de stad , om in het buitenland te reizen en er weten- 
schappelijke vrienden optezoeken, waarmede zijn werkzaamheid 
als bibliothecaris en philoloog hem in aanraking bracht. Hoe 
critisch ook van aanleg en geneigd tot philologische studiën, 
de liefde tot de letteren openbaarde zich bij hem ook in lust 
tot navolging. Het is begrijpelijk, dat de leerling van V^an 
Lennep begint met het werk van een klassiek auteur: de 
Argonautica van Apollonius Rhodius; dan echter komt de 
Romantiek haar deel eischen: Walter Scott's Lady of the 
Lake bekoort hem zoozeer, dat hij er twee fragmenten van 
vertaalt en uitgeeft met een inleiding, die getuigt van warme 
bewondering. Geel was geen dichter; niettemin zijn deze 
fragmenten mooi vertaald. Bovendien was deze vertaling voor 
den vertaler reeds hierom van gewicht, omdat zij, «van eene 
verpoozing . . . . , een wezenlijke arbeid geworden", zijn inzicht 
in het wezen der poëzie verhelderde. Ook een overzicht van 
Milman's dramatisch gedicht De Val van Jeruzalem, dat het- 
zelfde onderwerp behandelt als Vondel's Jeruzalem Verlost, 
bevat mooi vertaalde brokken in hexameters, alexandrijnen en 
lyrische versmaten. 

Deze en andere romantische kunstwerken moeten inGEEL's, 
met de klassieken doorvoeden, geest gewerkt hebben als gist; 
er vragen doen rijzen aangaande de verschillende beginselen 
der oude en der nieuwe kunst; hem tot nadenken gebracht 
over het menschelijk vermogen , waarmede deze beginselen 
nauw samenhangen: den smaak. In een lezing, gehouden in 
een maand vergadering van de Maatschappij der Ned. Letter- 
kunde (1826), 'getiteld Iets over den smaak, heeft hij getracht 
een antwoord te geven op de vele vragen die zich hier voor- 



139 

doen. Opklimmend van het zinnelijke tot het geestelijke, komt 
hij ertoe voorloopig den smaak te omschrijven als een «mengsel 
van luim en eigenzinnigheid" en als «gevoel voor het schoone". 
Het onderzoek der vraag, die dan rijst: wat is schoon? leidt 
niet tot een bevredigende uitkomst. Dan beproeft de schrijver 
het langs een anderen weg: hij stelt het publiek tegenover de 
auteurs en laat beide partijen hun recht om den smaak te 
bepalen verdedigen; met dien verstande, dat het publiek vooral 
op het noodzakelijke van orde en voorschriften wijst, de kun- 
stenaars het nuttelooze dier voorschriften betoogen. Daar deze 
tegenstrijdige gevoelens den schrijver in onzekerheid hebben 
gelaten, tracht hij ten slotte «zoo al niet een afgewerkt beeld, 
ten minste een schemerenden omtrek van den smaak te geven": 
Apollo voert de zanggodinnen ten rei; statig en stichtend is 
de optocht; doch de schoonheid ontstaat eerst, nadat de Gratiën 
zich onder het negental hebben gemengd. 

Het geheel is stevig van betoog, maar wat stijf en zwaar; 
de partijen spreken beurtelings, maar blijven lang aan het woord; 
hun woord is degelijk, maar stijf; het mist afwisseling en 
bevalligheid. Geel zelf besefte dat, toen hij van de partijen 
zeide: «misschien zouden zij in een gemeenzaam gesprek zich 
beter verstaan hebben". Aan het slot van het stuk geeft hij 
€en antwoord, dat min of meer beslissing moet heeten. Later 
zou hij dat vermijden, om alleen suggestief te werken; later 
ook eerst de Gratiën kunnen dwingen om haar tred te vlijen 
naar de wendingen zijner dialogen. 

Met het stuk Over den Smaak had de nu reeds 37-jarige 
den kunstvorm gevonden, die het best paste voor zijn aanleg 
en zijn streven: de verhandeling. Maar hij maakt van dat 
bestaand genre iets nieuws: rijker van inhoud, krachtiger van 
werking, eenvoudiger en natuurlijker van taal, bevalliger van 



140 

vorm, met meer afwisseling van trant, soms laag bij den grond, 
hier gemeenzaam, daar zich verheffend tot pathos en schoon- 
heid; den Platonischen dialoog, herboren in oorspronkelijk 
Nederlandsch. In het twaalftal jaren, dat op deze eerste ver- 
handeling volgde, heeft Geel - gezwegen van allerlei philo- 
logisch werk - een achttal proza-stukken samengesteld, die 
in 1838 onder den titel Onderzoek en Phantasie z\]n migtgtvtn 
en hem in zijn kracht als Nederlandsch auteur doen kennen. 
Op een paar dier stukken: Het blijspel bij de Grieken en Over 
het Delphische Orakel, goede voorbeelden van populair-weten- 
schappelijk proza, zullen wij slechts terloops den blik richten; 
de zes andere: Over het reizen (1834), Tafelgesprek over zaken 
van groot gewigt, Over de pligten van een toehoorder (c. 1831), 
Iets opgewondens over het eenvoudige (c. 1832), Gesprek op 
een leidschen buitensingel over poëzy en arbeid (c. 1834?), 
Nieuwe karakterverdeeling van den stijl (1837), meerendeels 
voorgedragen in vergaderingen van de Maatschappij der Ned. 
Letterkunde of van de Hollandsche Maatschappij, eischen vooral 
onze aandacht. Niet minder de Lof der Proza in 1830 voor- 
gedragen in het Leesmuseum te Utrecht en het Gesprek op 
den Drachenfels, in 1835 afzonderlijk uitgegeven, welke naar 
den geest met het bovengenoemd zestal verwant zijn. 

Men behoeft dit bundeltje proza niet ten einde te lezen, om 
te bemerken dat deze auteur met iets nieuws kwam. Levend 
onder Genootschappers en Verhandelaren, luisterend naar lang- 
wijlige redekavelingen over prijsvragen en andere zaken, besefte 
hij, humorist door aanleg en vorming, het betrekkelijke en 
gebrekkige dezer dingen. Gezworen vijand van deftigheid en 
onnatuur, drijft hij den spot met de, soms onnoozele, prijs- 
vragen. Zijn humor toont hij in den tact, waarmede hij de 
genootschappers doet lachen om hun eigen deftigheid , waar zij 
kringetjes zitten te blazen of gesteld worden voor de vraag: 



141 

hoe zij, met een pijp in den mond en een glas in de hand... 
een traan moeten weenen; waar hij hun mededeelt, dat ernst 
snert wordt, wanneer men «de letters op hare plaats zet". 
Evenals andere humoristen, neemt hij gaarne een loopje met 
zich zelven, zooais waar hij spreekt over den verhandelaar, die 
zich verbeeldt dat hij wat nieuws zegt; over het voortbrengen, 
dat een genoegen is, zelfs » wanneer men voortbrengt wat 
anderen vervelen zal"; over de «drie woorden, die somtijds de 
roerendste zijn eener geheele verhandeling: Ik heb gezegd" : het 
slot zijner eigen voordracht Over de pligten van een toehoorder. 
Hoe voortreffelijk doet hij uitkomen, dat de deftigheid der 
meeste verhandelaars iets uiterlijks was, waaraan niets innerlijks 
beantwoordde, waar hij schrijft: »Ik dacht (en ik dacht in ge- 
meenzame taal: want wie is er deftig, wanneer hij denkt?) ik 
dacht": enz. Het woord verhandeling smaakt hem niet: „eene 
verhandeling te maken, lag niet in mijn plan" schrijft hij in den 
aanvang zijner lezing Over het Reizen ; blijkbaar doet dat woord 
hem denken aan den gekleeden rok waarin wij zoo menig 
letterkundige dier dagen afgebeeld zien; blijkbaar - want in 
één adem laat hij er op volgen: „onze afgesloten bijeenkomsten 
laten een stijl in huisgewaad toe". De vrijheid, die dat huisge- 
waad hem geeft, gebruikt hij gaarne om teekenachtige woorden 
der omgangstaal te bezigen: yin den nek zien", „afgezaagd", 
„lamzalig". Voor zulke uitdrukkingen wachtte de gewone ver- 
handelaar zich; het publiek zou er zich aan geërgerd hebben, 
indien zijn gevoeligheid niet gespaard ware door middel van een 
„vergeeft de uitdrukking" of dergelijke „caplatio benevolentiae". 
Echter, onder dit luchtig uiterlijk school innerlijke kracht en 
ernst onder dien vroolijken spot. Die ernst en kracht waren 
noodig voor wie iets nieuws ingang wilde doen vinden. De 
Genootschappers waren invloedrijk; velen hunner deden aan 
poëzie; de 114 bundels, omstreeks 1828 in één jaar verschenen. 



142 

waren voor een deel ook hun werk. Die zondvloed werd 
veroorzaakt vooral , doordat de schrijvers zich niet vol- 
doende rekenschap gaven van het verschil tusschen poëzie 
en proza; Geel nam de taak op zich hun aan beter inzicht 
te helpen. 

Daarvoor was noodig, dat zij leerden nadenken over het 
verschillend wezen van proza en poëzie; inzien dat veel verzen 
slechts berijmd proza waren; dat het proza ter uiting van 
innerlijk en beschrijving van uiterlijk leven dezelfde aandacht 
verdient als de poëzie. Vandaar dat Geel, ter bevordering van 
de ware poëzie, den Lof der Proza verkondigde. Die lezing 
joeg den Utrechtschen professor Simons, verzenmaker gelijk 
zoovele anderen, in het harnas; dreef hem tot het houden eener 
verhandeling Over de Poëzie, die op meer dan een plaats tegen 
Geel gericht is. Hoe Geel vervuld was van dien samenhang 
tusschen proza en poëzie, blijkt reeds bij den aanvang zijner 
verhandeling (later eenvoudig Het Proza genoemd), waar hij 
begint met den oorsprong der poëzie om daarna den dichter 
met den prozaschrijver te vergelijken. Door een brok proza van 
Cicero tegenover een van Barlaeus te stellen en beider ver- 
schillend karakter te ontleden , tracht hij dan zijn hoorders 
het verschil tusschen echte en nagemaakte schoonheid duidelijk 
te maken; door hetgeen hij mededeelt over beeldspraak, vernuft 
en rhythme van het proza hen te overtuigen, dat deze kunst- 
vorm zijn eigen schoonheid heeft, zijn eigen eischen en 
moeilijkheden met zich brengt. Over het proza handelde ook 
de lezing, in 1837 door Geel gehouden over een Nieuwe 
karakterver deeling van den stijl. Hier keerde hij zich rechtstreeks, 
schoon zonder namen te noemen, tegen het ouderwetsche proza: 
tegen hen die bepaalde soorten van stijl aannamen , zooals Van 
Kampen, die een verhandeling had samengesteld als antwoord 
op de vraag : welke zijn de hoofdvereischten van den historischen 



143 

stijl (1830); zooals anderen die van een „briefstijl", een „rede- 
kunstigen" stijl spraken. Hier keerde hij zich ook tegen die 
„voorschriften", welke men slechts had te volgen om een 
goeden stijl te verkrijgen: in de verhandeling Over het reizen 
had hij, onder Sterne's invloed, zijn luim laten spelen bij de 
verdeeling der reizigers in soorten; hier ontwerpt hij karikaturen 
van eenige stijlen om het onnatuurlijke en dwaze van zulke 
schoolsche indeelingen te doen uitkomen. 

Tusschen deze twee stukken over het proza moeten wij waar- 
schijnlijk het Gesprek op een leidschen buitensingel plaatsen^ 
dat over poëzij en arbeid loopt. Uit den titel dezer samenspraak 
blijkt reeds, dat Geel de aandacht zijner hoorders wil vestigen 
op de voorstelling, dat poëzie arbeid is: de overtuiging waartoe 
zijn vertaling van The Lady of the Lake en zijn studie der 
klassieken hem gebracht hadden. Het spreekt vanzelf, dat de 
voorstelling: poëzie = arbeid, slechts een deel der waarheid 
bevat, maar toch een voornaam deel; juist dit deel moest onder 
de aandacht gebracht worden van menschen, die te zeer geneigd 
waren om het stroovuur hunner opgewondenheid voor den 
brand van dichterlijken hartstocht te houden, holheid van klank 
voor diepte van gevoel, opgeschroefdheid voor verhevenheid; 
die - anders dan Staring - het werken aan poëzie een 
vergrijp achtten jegens de hoogheid der Muze; die geen oog^ 
hadden voor het verstandelijk element in het ontwerpen en 
voltooien van een of ander poëtisch kunstwerk. 

Geel's onafhankelijk en onbevangen oordeel, gepaard aan 
neiging tot onderzoek en critiek, bracht er hem telkens toe, 
het bestaande naar zijn recht van bestaan te vragen, de geloofs- 
brieven van het algemeen erkende te onderzoeken. Ook op hem 
zijn de fraaie verzen toepasselijk, waarin Hooft Montaigne 
schetste : 



144 

Comt in sijn handen yet, dat aensien heeft gecregen 
*) onder- Ter werelt, hij mistrouwt sijn ooch, versoeckt*) te degen, 

•) ledig. Of 't wan*), of ijdel*) is, gespleten of ondicht, 

En clopt, en blaest, en wiekt, en draeit het tegen 't licht. 



Die neiging tot scepticisme deed Geel vragen stellen, die 
voor de meesten sinds lang geen vragen meer waren; zich 
hoeden tegen vooroordeelen , zooals hij er eenige in zijn 
voorlezing Over het reizen behandelt; tegen het gedachteloos 
gebruiken van woorden, die men niet meer voelt in de zuiver- 
heid hunner beteekenis. Vroeger had hij gevraagd: wat is smaak? 
Later vroeg hij: wat is onderwijzen? wat onderhouden? wat 
proza? wat poëzie? Zoo vroeg hij ook: wat heet in de kunst 
eenvoud? Een onderzoek dier vraag gaf hij ten beste in zijn 
lezing Iets opgewondens over het eenvoudige , waarschijnlijk kort 
nadat Siegenbeek een opstel over het Eenvoudige had voor- 
gedragen in een vergadering van „Letterkunde". 

Na een korte inleiding over het betrekkelijke en ontoereikende 
van der menschen zoeken naar waarheid, over het opwekkende 
van onderlinge gedachtenvvisseling, worden ons voorbeelden 
van het eenvoudige in ,de Grieksche literatuur en geschied- 
schrijving getoond. Met andere staaltjes van eenvoud in de 
schilderkunst (Dou en Rafaël) gaan wij van de Oudheid naar 
de nieuwere tijden. Peinzend over de vragen, door hemzelven 
gesteld, geraakt de auteur in een toestand tusschen waken en 
slapen, waarin hij een visioen heeft: Bilderdijk, ontevreden 
rondwandelend in een schoone streek, rondziend „met een blik 
die verslindt", ontmoet Schiller „met zijn levendig, maar teeder 
oog, dat alle voorwerpen zwelgt, die zijn rijke geest tot dichter- 
lijke grondstoffe verwerkt". Bilderdijk's voordracht van eenige 
zijner verzen uit De Schilderkunst herinnert Schiller aan zijne 
eigene uit Das Ideal und das Leben. Een gesprek ontstaat over 



145 

het weergeven van de natuur door de kunst, over verbeelding 
en eenvoud, waarin ook de „ Kraftgenies" van den „Sturm- 
und-Drang" een beurt krijgen. Bilderdijk vertegenwoordigt 
in dit gesprek het idealisme of het klassieke, Schiller het 
romantische. Hesiodus, die eenige verzen uit Van Lennep's ver- 
taling der "Eoya y.al 'Huéoai zingt, brengt hen tot den eenvoud 
terug. Met een levendige woordenwisseling over de verhouding 
tusschen Duitschers en Nederlanders, tusschen Bilderdijk en 
zijn volk eindigt het visioen en wordt de dialoog besloten. 

Dit onderzoek had in Geel zelven vragen doen rijzen, die 
hem niet loslieten. De tegenstellingen, door hem gemaakt 
tusschen Bilderdijk en Schiller, Rafaël den idealist en Dou 
den realist, de voortbrengselen der Duitsche romantiek en die 
der Ouden, een edelen en een alledaagschen geest als uitbeel- 
der van historisch leven - hingen nauw samen met dien strijd 
tusschen klassiek en romantiek, die sinds eenigen tijd de geesten 
vervulde. Die strijd kon een man als Geel natuurlijk niet 
onverschillig laten. Zelf doortrokken van den geest der klas- 
sieken, maar met een open oog voor de schoonheid der 
modernen, sprak hij veel over vraagstukken van dezen aard 
met zijn vriend Bake, den eenigszins steilen classicus. In die 
gesprekken en de overpeinzingen die erop volgden, voegde 
zich argument bij argument en tegenwerping bij tegenwerping. 
Terwijl hij gestadig zijn geestesoog liet weiden over de ver- 
schillende wijze, waarop de ouden en de modernen tegenover 
het leven stonden, over de verhouding tusschen leven en 
literatuur, de verwantschap en het verschil tusschen poëzie en 
schilderkunst, de tegenstelling tusschen de antieke kunst en die 
van Goethe en Schiller, van Scott, Byron, Moore, 
Victor Hugo - verzamelde zich allengs een volheid van 
gedachten in hem, die om uiting vroeg, die uiting vond in 

het beroemde Gesprek op den Dmchenfels. 

KALFF, Letterkunde, VII. 10 



146 

Werkelijkheid en bespiegeling zijn in dezen dialoog op kunstige 
wijze dooreengeweven tot een schoon geheel. Geel kende den 
Rijn, dien romantischen stroom bij uitnemendheid; in Bonn 
had hij veel vrienden, o.a. den philoloog Ritschl en den oriën- 
talist Freytag; dicht bij Bonn lagen Godesberg, Rolands-eck, 
Nonnenwerth , die aan de romantische poëzie zoo menige stof 
hadden geleverd. Zoo deed hij dan een greep in de werkelijk- 
heid, toen hij ons hier drie mannen voor oogen bracht, op 
weg naar den top van den Drachenfels en in gesprek over 
allerlei vraagstukken van kunst, waartoe de wandeling hun 
telkens ongezochte aanleiding geeft. Het zijn een paar Duitsche 
geleerden: Diocles, een verstokt classicus, in wien vermoedelijk 
ook iets van Bake schuilt, en Charinus, een verdediger der 
romantische kunst; de derde is de auteur zelf, régisseur, mede- 
speler en koor, die ons het stadig wisselend tooneel schetst, 
door vragen en tegenwerpingen aan den dialoog afwisseling 
bijzet en de indrukken weergeeft, door den strijd der meeningen 
op den lezer gemaakt. 

Een blik op het Zevengebergte , een Engelschman op een ezel 
den Drachenfels afdalend, brengen Diocles tot een uitval tegen 
beschrijvende en verhalende literatuur die op het gebied der 
schilderkunst verdwaalt, Charinus tot een verdediging dier lite- 
ratuur; een groote steen , eertijds wellicht altaar voor menschen- 
offers, herinnert hun de legende van den Drachenfels, de middel- 
eeuwsche legenden en sprookjes die men tegenover de klassieke 
verhalen van dien aard kan stellen ; onder den invloed der om- 
geving peinst de auteur over het verschil tusschen romantische 
en klassieke poëzie in verband met de romantische natuurschildering 
en het antieke landschap; «the castled crag of Drachenfels", drei- 
gend uitziend over den stroom, doet hen aan Childe Harold 
denken en de kunst van „dien somberen dichter, wiens hart 
eene gapende wonde was"; de ruïne van Rolands-eck wekt. 



147 

Charinus op om de geschiedenis van Roland en Hildegonde 
te vertellen, door hem in zijn jonge jaren tot een romance 
verwerkt; van de romance komen zij weer op het romantische — 
en zoo gaat het voort. 

Het verband tusschen landschap en poëzie, de verschillende 
indrukken gewekt door de Noordzee en de Ionische zee, de 
invloed der Mooren op de literatuur en dergelijke onderwerpen , 
in dezen dialoog aangeroerd of nader onderzocht, herinneren 
ons de Verhandeling van Van Kampen; echter noemt Geel 
nergens den naam van zijn geleerden vriend, dien hij in een 
berijmden toast „een entrepót-dok van wetenschap" noemde, 
„een hart, dat voor deugd en eerlijkheid als een kalkoven staat 
te vlammen en te kraken". Overigens was er meer verschil 
dan overeenkomst tusschen beide geschriften; daar: een lijvige 
Verhandeling, vol feiten en namen, eindigend met voorschriften 
aan dichters en proza-schrijvers, degelijk maar taai, kunsteloos 
van bouw, eentonig van stijl - hier: een klein geschrift, rijk 
aan inhoud, nu vluchtig aanstippend dan diep indringend, 
nergens de wet stellend, overal prikkelend tot nadenken, vol leven 
en afwisseling ook in zijn stijl, die gedurig rijst en daalt, naar 
gelang de stof het met zich brengt, die de natuurlijke omgangs- 
taal voortreffelijk weet aantewenden, die ook het alledaagsche 
niet vreest, omdat hij zich daaruit telkens kan verheffen tot 
edelen eenvoud of sobere schoonheid. 

Deze laatste tegenstelling is een bijdrage tot de karakteristiek 
van Geel's prozakunst. Van die kunst hebben wij gaandeweg 
een en ander te zien gekregen , doch zij verdient op zich zelve 
beschouwd te worden. 

In de verhandeling Iets over den Smaak zagen wij Geel 

zijn weg zoeken. De dialoog, als voertuig van gedachten, trekt 

hem aan, doch hij weet dat voertuig nog niet met kracht en 

10* 



148 

kunst te besturen. Al doende leert hij rijden en omzien. In 
Het Proza is een sterk dialogisch element, maar het is een 
dialoog tusschen den schrijver en zijn publiek. Zoo is het ook 
in het stuk Over de pligten van een toehoorder, dat van iets 
later tijd schijnt. Een zuiver dialogisch karakter vinden wij in 
het Tafelgesprek over zaken van groot gewigt, van onbekenden 
datum, doch misschien het eerste van dezen aard. In allen 
gevalle treft ons hier, dat de auteur zelf zijn verdicht gesprek 
bij «een oud symposium" vergelijkt. 

Voortaan is de Platonische dialoog hem een voorbeeld, dat 
hij gaarne volgt. Hemsterhuis en Wieland hadden dat vóór 
hem gedaan; in 1831 had J. A. Bakker een Verhandeling in 
het licht gezonden over de Socratische Gesprekken, waarin de 
eigenaardige leerwijze van dien wijsgeer o. a. in Plato's 
Theaetetus en Meno was getoond. Het wezen van den Plato- 
nischen dialoog openbaart zich duidelijk in Geel's zelfstandige 
navolgingen daarvan: dat benaderen van het onbekende door 
middel van het bekende, dat werken met analogieën , dat weer- 
leggen van vooroordeelen , die ironie en voorgewende onkunde. 
Ook Geel streeft naar opscherping des verstands door een 
sceptische behandeling der zaak, waarmede hij zich bezig houdt; 
ook hij lost de, door hemzelven gestelde, vragen met op, 
doch prikkelt tot veelzijdig nadenken; ook hij laat een spreker 
wel eens overdrijven, om daardoor een anderen gelegenheid 
te geven tot uitkomen; stelt de tegenpartij wel eens te onnoozel 
voor of nadert de haarklooverij. Duidelijk komt de Socratische 
„maieutik" voor den dag in het Gesprek op den Drachenfels , 
waar Diocles, op den grooten steen gezeten, voor orakel speelt, 

Aan Plato had Geel, evenals de meeste latere dialoog- 
schrijvers veel te danken; doch hij had dien meester nooit zóó 
kunnen navolgen, indien hij niet zelf kunstenaar ware geweest. 
Kunstenaar toont hij zich in den fraaien opzet van zoo menig 



149 

stuk; in de moeilijke kunst der overgangen, al spot hij ook 
daarmede wel eens; in den bouw of het breken eener periode ; 

in een geestig slot als dat van het Gesprek over poëzy en 

arbeid; in de zuiverheid zijner heldere taal, slechts hier en 
daar verbroken door een gallicisme of een germanisme. Nergens 
komen die eigenschappen beter uit dan in zijn meesterstuk 
Het Gesprek op den Drachenfels , waarin de langzame 
benadering van het onderwerp met de telkens wisselende 
natuurtooneelen op meesterlijke wijze verbonden is tot een 
harmonisch geheel. Kritisch kunstenaar toont Geel zich in zijn 
kracht, waar hij zich vermeit in de fraaie groepeering, den 
bevalligen optocht, het kunstig reien zijner oorspronkelijke 
gedachten. Ook de parodie en de persifflage hanteert hij voor- 
treffelijk: getuige de ontwerp-prijsvraag aan het slot van Tafel- 
gesprek over zaken van groot gewigt en de geestige stijl-karika- 
turen, waarin ons de geschiedenis van Hein Knap wordt ver- 
teld. De vertaler, wien wij de fraaie fragmenten van The Lady 
of the Lake te danken hebben, bleek ook later nog in staat 
tot een mooie vertaling van Schiller's verzen uit Das Ideal 
and das Leben en tot een overzetting van Sterne's Sentimental 
fourney, die voortreffelijk mag heeten als voorbeeld van los, 
natuurlijk, geestig Nederlandsch ; een overzetting, waarvoor 
hem deze lof van Thorbecke ten deel viel: „Hij gaat voor 
met eene vrijheid van uitdrukking, van wending en vormen, 
welke, nagevolgd, het gedenkteeken onzer barbaarschheid , de 
scheidsmuur tusschen de taal der pen en die van den omgang 
moet doen vallen." 

Voorganger - inderdaad, zoo mocht Geel heeten. Voor- 
ganger heeft hij zich getoond bovenal in de moeilijke kunst 
der harmonische zelf-ontwikkeling; een kunst, waarin zijne 
Grieken hem tot leermeesters waren geweest, doch die hij - 



150 

zooals ieder - door eigen ervaring en oefening eerst lang- 
zamerhand meester kon worden. Studie der oudheid had zijn 
bhk gescherpt, zijn oordeel gevormd, zijn smaak geoefend; 
doch zijn onbevangenheid en frischheid van geest niet geschaad. 
Lust tot onderzoek en waarheidsliefde behoorden tot zijn voor- 
name karaktertrekken; doch voor verzinken in de werkelijkheid 
van het positieve behoedde hem die neiging tot de fantazie, 
welke onder zijn tijdgenooten zoo schaarsch was. Wie met 
zooveel nadruk had gewaarschuwd tegen vooroordeelen , kon 
het nieuwe niet laatdunkend over het hoofd zien noch domweg 
verwerpen. Hoe vurig zijn bewondering der Ouden ook was, 
de nieuweren vonden bij hem een open oor: de vlucht hunner 
verbeelding kon zijn oog niet ontgaan; hun zin voor het 
individueele moest hem aantrekken, die er steeds naar streefde 
zich zelf te zijn. Tot zulk een man, eenvoudig, ongedwongen, 
vroolijk en geestig, moesten jongere menschen zich getrokken 
voelen; aan zijn oordeel waarde hechten, naarmate zij zijne 
geestelijke en zedelijke meerderheid gevoelden of beseften. Niet 
alleen de jonge Dedels leerden Geel als een goed opvoeder 
en leermeester kennen; ook de kinderen van Hamaker, die na 
hun vaders dood in hem een tweeden vader vonden; de jonge 
Kappeyne van de Coppello, die later rector van het Amster- 
damsch gymnasium zou worden; Cobet, Pluygers en andere 
leerlingen van Bake en Peerlkamp. 

Wat wonder dat ook Bakhuizen van den Brink en zijn 
vriend Potgieter, ook Beets, Hasebroek en anderen die 
tusschen 1830 en 1840 te Leiden studeerden, binnen de sfeer 
van Geel's invloed geraakten! Tot de openbare vergaderingen 
van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde hadden 
de studenten toegang; Geel's optreden daar trok hun aan- 
dacht. Eenigen tijd nadat Onderzoek en Phantasie in 1838 was 
uitgekomen, schreef Hasebroek aan Potgieter: „Ik had de 



151 

meeste opstellen reeds door mondelinge voordracht leeren ken- 
nen". Kort nadat Geel zijn Nieuwe karakterverdeeling van den stijl 
in „Letterkunde" had voorgedragen, schreef Beets aan Pot- 
gieter: „Geel heeft hier onlangs eene verhandeling over den 
stijl gehouden, die 't mij zeer grieft niet gehoord te hebben. 
Men vertelt er allerlei geestigheden uit". Bakhuizen van den 
Brink, toen reeds een scherp en voortreffelijk criticus, noemt 
Onderzoek en Phantasie: „een uitmuntend boek, een stichtelijk 
boek, waaruit ik mij dagelijks troost en sterk". Voor hem was 
Geel een leidsman in den vollen zin des woords: „wat zal 
Geel ervan zeggen? dat kwam, als hij iets schreef, telkens bij 
hem op. Hasebroek is in zijn lof van Geel's bundeltje nog 
meer enthousiast dan Van den Brink; in bovengenoemden 
brief aan Potgieter lezen wij o. a.: „Welk een schat in zulk 
een klein boeksken ! welk een verblindende rijkdom ! welk een 
treffende nieuwheid! welk een diepe bUk in den geest des 

tijds ! Wonderbaar ! Wonderbaar ! en welk een vorm voor 

deze gedachte! welk een weergaloos losse stijl! Hoe staat er 
alles gebeeldhouwd!" Echter had hij ook zijn bezwaren; ineen 
anderen brief aan Potgieter luidt het: „Uw Geel is een 

uitmuntende afbreker, ik geef hét toe er staat geen enkele 

steen; maar och, mijnheer Geel! nu een woordje over het ge- 
bouw dat in de plaats moet komen?" Dat Geel zulk een woord 
niet sprak, mishaagde Hasebroek; doch te onrechte: Geel's 
gansche streven, gericht op prikkeling tot zelfwerkzaamheid, 
liep juist lijnrecht in tegen het geven van voorschriften „hoe 
het zijn moest". 

Erger verkorf Geel het bij Hasebroek's vriend Beets. 
Aanvankelijk was zijn verhouding ook tot dezen jongere goed: 
in 1835 hij hij een waardeerende critiek gewijd aan Beets' 
José en Maskerade, in het begin van 1838 aan Owy de Vlaming; 
ook persoonlijk kenden zij elkander; maar de scherpe critiek, 



152 

door Geel geoefend op Vooruitgang , een naamloos stukje van 
Beets in de Gids van 1838, joeg den, door publiek en auteurs 
verwenden jongen schrijver in het harnas. Beets had het met 
zijn protest tegen de wetenschap en wat men „vooruitgang" 
noemde, misschien zoo erg niet bedoeld; hij was aan het 
doorslaan geweest; echter - zijn later werk zou het getuigen - 
er school ernst onder de scherts en voor Geel een adder onder 
het gras. Geel voelde zich aangetast in zijn geloof aan den 
vooruitgang, dat hem en zoovele andere zonen der Verlichting 
kracht gaf bij de vervulling zijner taak in deze wereld; dat 
zulke - half ernstig, half schertsend geuite - bezwaren tegen 
den geest der eeuw gepubliceerd werden in het tijdschrift dier 
jongeren, op wie hij zijne hoop had gevestigd voor een her- 
leving der vaderlandsche letterkunde en wetenschap, achtte hij 
een bedenkelijk teeken; daarbij, hij wist niet, wien hij vóór 
had: hij was „in een dikken mist van pseudonymiteit tegen 
iemand aangeloopen" ; zoo schreef hij dan zijne critiek, die den 
eersten druk van Onderzoek en Phantasie inleidt en als staaltje 
van literaire polemiek in onze literatuur zelden overtroffen is. 
Beets was bitter boos en stelde een brief ten antwoord op, 
dien hij op raad van Van der PALiM ter zijde legde. Met dien 
brief echter niet zijn boosheid; dat blijkt uit het stukje 
Humoristen en vooral uit het zuurzoet, zelfs eenigszins geniepig 
Genoegens Smaken, beide aan Geels adres gericht, zooals 
dezen niet verborgen bleef. 

Na deze geschiedenis trok Geel zich terug; hij weigerde in 
1840 geschriften van Beets en Hasebroek in de Gids te be- 
spreken, om „de prikkelbare eigenliefde" dier beide auteurs niet 
te „kwellen met diepsnijdende aanmerkingen". Hij was, zooals 
het meer ouderen gebeurt, te ver gegaan in zijn verlangen om 
invloed te oefenen op jongeren, die beter bestand waren 
tegen lof dan tegen blaam. Met de Gids echter bleef hij 



153 

op goeden voet, al beviel het, half letterkundig half weten- 
schappelijk, karakter van dat jonge tijdschrift hem niet; al 
had hij de schaal gaarne zien doorslaan naar den kant der 
wetenschap. 

Zoo heeft Geel dan door zijn persoon en zijn werk een 
gewichtigen invloed geoefend op de ontwikkeling onzer letter- 
kunde. Meer een auteur voor de auteurs dan voor het publiek, 
is hij niet-populair en zal dat niet licht worden; maar er is in dien 
kleinen bundel Onderzoek en Phantasie iets klassieks, dat hem 
levenskracht en invloed waarborgt, zooals tendeele reeds ge- 
bleken is uit een vijftal herdrukken. Die invloed was veelzijdig, 
doch openbaarde zich vooral in het proza. 

Met het oog op dien kunstvorm had hij in 1830 aan het slot 
van zijn Lof der Proza geschreven: «Er blijft ons nog veel te 
buigen, te kneeden, te lenigen, te beproeven". Misschien was 
het onder den invloed dier opwekking, dat J. Immerzeel Jr. 
een gedeeltelijke vertaling van Paul Louis Courier's proza 
beproefde, die hij in 1839 uitgaf onder den titel Stalen van 
geestigen schrijfstijl. Deze poging tot overzetting van klassiek- 
sober, geestig Fransch is merkwaardig als teeken des tijds, al 
toont Immerzeel zich maar half opgewassen tegen zijn moeilijke 
taak. Opmerkelijk ook en den tammen geest dier tijden ken- 
schetsend, is Immerzeel's vrees dat men in zijn vertaling van 
Courier's spotternijen over hof en hovelingen een aanval op 
het Nederlandsche hof zou zien; hij acht het noodig te ver- 
klaren, dat „hetgeen Courier in Hof en hovelingen berispelijk 
vindt, bij uitsluiting in zijn eigen land te huis behoort, en 
gelukkig niet algemeen op andere hoven, op andere hofstoet, 
en vooral niet op ons land van toepassing is," 

Immerzeel was echter een man van het geslacht dat verdween. 
Toen Geel een jaar later schreef: „Laat ons het Proza be- 



154 

werken: de echte Poëzij zelve zal er bij winnen!" stond een 
schare van jongeren gereed om te doen, wat hij hoopte: de 
vaderlandsche letterkunde en de vaderlandsche wetenschap langs 
nieuwe wegen omhoog voeren. Verscheidene dier jongeren 
hadden zich in de jaren tusschen 1830 -'40 reeds als auteurs 
doen kennen; sommige hunner leverden omstreeks 1840 hun 
beste werk, anderen zouden zich eerst later toonen in hun 
volle kracht. Wat die jongeren met Geel gemeen hadden, 
wat velen hunner tot hem trok, was behoefte aan ontplooiing 
der eigen persoonlijkheid; aan vrijheid van beweging, niet 
beperkt door overlevering en conventie; niet minder was dat 
hun afkeer van leege vormen en ongevoelde beeldspraak, hun 
liefde tot oorspronkelijkheid, tot het juiste, teekenachtige woord. 
Een geslacht jonger dan Geel, opgegroeid in een verschil- 
lende staatkundige en geestelijke atmosfeer, hadden zij echter 
bovendien andere behoeften en verlangens, eigenschappen en 
gaven, die hen in staat stelden, de tolken hunner tijdgenooten 
te zijn. Met die jonge auteurs en het geslacht waarvan zij deel 
uitmaakten, begint voor ons volk, dus ook voor onze letter- 
kunde, een nieuwe tijd"). 



3. DRAMA EN TOONEEL. 

Vergelijkt men het drama uit de jaren tusschen 1813 en 1840 
met dat van het voorafgaand tijdvak, dan valt er weinig nieuws 
te zien. Het herstel onzer onafhankelijkheid was slechts voor 
een gering deel uitvloeisel van groeiende volkskracht geweest; 
begrijpelijk dus, dat ook de dramatiek na 1813 geringe sporen 
vertoont van krachtig nieuw leven. Men wilde wel iets anders 
en streefde naar iets beters; doch de kunst kon niet geven, 
wat de natuur weigerde. Indachtig aan den sterken invloed 



155 

dien drama en tooneel op het volksleven kunnen oefenen, 
peinsden sommigen over middelen tot herstel van beide. In 
het tijdschrift De Tooneelkyker (1816 -'19) vinden wij onder 
die middelen genoemd: medewerking van het Gouvernement; 
begunstiging van het nationaal tooneel; een nieuw répertoire 
uit reeds bestaande stukken; een goede directie; gestadige 
tooneelcritiek door bevoegden. Omineus klonk de prijsvraag 
der Hollandsche Maatschappij van F. K. en W.: „bezitten de 
Nederlanders een nationaal tooneel met betrekking tot het 
Treurspel?" Limburg Brouwer, die er (nog in zijn Rotter- 
damschen tijd) een antwoord op schreef, is geneigd die vraag 
ontkennend te beantwoorden, al zou hij voor den tijd van 
Vondel een uitzondering willen maken. Ook hij doet ver- 
scheidene middelen tot verheffing der kunst aan de hand: 
aanmoediging der dichters, uitschrijven van wedstrijden, aandeel 
der dichters in de behaalde winsten, „eene School voor jonge 
Tooneelkunstenaars", verkeer der auteurs onder de gegoede 
standen, hooger salarissen, beter beheer van den Schouwburg. 
Het behandelen van stoffen uit onze vaderlandsche geschiedenis 
schijnt hem het zekerste middel om „een nationaal tooneel te 
bekomen". 

Wat men ook van deze middelen moge denken - dat de 
patiënt ziek was, geloofde blijkbaar meer dan een tot oordeelen 
bevoegde. Wiselius karakterizeert den toestand omstreeks 1819 
aldus: „men moet vooral zijne oogen verlustigen. Nieuwe 
Decoratiën, nieuwe kostumen, schitterende optochten, woedende 
Gevechten, ziedaar, wat nu eenige jaren het lokaas was, om 
den Schouwburg met aanschouwers (helaas, wel alleen aan- 
schouwers!) vervuld te krijgen." Het melodrama, door Guilbert 
DE PixÉRicouRT te Parijs in de mode gebracht, vond ook hier 
bijval; het groote publiek verlustigde zich aan die stukken 
«waarin het ernstige met het kluchtige, ja meestal met het 



156 

gemeen kluchtige vermengd werd, die zeer arm in daad waren, 
maar daarentegen opgevuld met gevechten, dansen, zangen en 
fraaije vertooningen waarin men branden, overstroomin- 
gen , ja zelfs aardbevingen vertoonde." Zoo verwondert het ons 
niet in het tijdschrift Pandora over het speeljaar 1825 -'26 te 
lezen: „Het Tooneel is thans een volslagene tooverlantaarn" 
en te vernemen, dat in Januari 1826 na De Marre's Jacoba 
van Beijeren het ballet Milo van Crotona werd gegeven, waarin 
een sterke man met gewichten werkte. 

De invloeden , waaronder het drama zich vroeger had ont- 
wikkeld, bleven ook in dezen tijd werkzaam. In overeenstem- 
ming met de stijgende bewondering voor de Grieksche literatuur 
is, dat ook anderen dan Bilderdijk zich opgewekt gevoelen 
een Grieksche tragedie te vertalen; over Da Costa's bewer- 
kingen van Aeschylus spraken wij vroeger; naast die bewer- 
kingen zetten wij Camper's vertaling van Euripides' Phoenissae 
en twee vertalingen van Sophocles' Antigone door Camper 
(1834) en Sifflé (1836). 

Dat de Fransche Schouwburg - zooals De Tooneelkijker 
ons vertelt - dikwijls meer publiek trok dan de Nederlandsche, 
lag ten deele waarschijnlijk aan de nog altijd bestaande voor- 
liefde voor het Fransch; anderdeels vermoedelijk aan de be- 
koring die van het melodrama uitging. Overigens werden hier 
niet alleen stukken van Pixéricourt vertaald, maar ook van 
Andrieux, Arnault, Laharpe en anderen. 

De invloed van het Duitsche drama was nog belangrijk, 
maar de sterren van Iffland en Kotzebue gingen toch dalen. 
Van den eerste werden in dezen tijd slechts weinig stukken 
vertaald. Kotzebue's Onechte Zoon wordt door De Tooneel- 
kyker in 1816 „het troetelkind van het Amsterdamsch gemeen" 
genoemd; als oorzaak dezer voorkeur echter opgegeven: «dat de 



157 

lieden van de groote wereld in hetzelve in een verachtelijk 
daglicht worden gesteld, en de bedelarij, ja zelfs de dieverij 
verontschuldigd". Zelfs waarschuwen zij telkens tegen een auteur 
in wiens werken zij naar inhoud en vorm zoo veel te berispen 
vonden : verheffing van het Heidendom boven het Christendom , 
van de lagere standen boven de hoogere, bespotting van het 
heilige, dubbelzinnige uitdrukkingen schadelijk voor de goede 
zeden, dwaas sentimenteel gevoel dat alle redeneeringen van 
het gezond verstand verwerpt, algemeene verwaarloozing van 
de eerste regelen der Tooneeldichtkunst. Vermoedelijk nam het 
aantal dergenen, die zulke gevoelens over Kotzebue hadden, 
langzamerhand toe; naar het schijnt, werden er na 1813 niet 
zooveel stukken van hem vertaald en gespeeld als vóór dien 
tijd en mocht Wiselius omstreeks 1821 met recht zeggen: 
»Zoo spoedt hier (voor 't minst in de Hoofdstad des Rijks) de 
Kotseboeaansche Eeuw ten einde." Wie dat betreurd moge heb- 
ben, niet Abraham des Amorie van der Hoeven, die in zijne 
Verhandeling Over den zedelyken invloed van het Schouwtooneel 
(1831) Kotzebue's tooneelstukken „een sluipend vergif" noemt. 
Dat men Shakespeare's genie beter leerde beoordeelen, 
hebben wij hiertevoren uit eenige staaltjes gezien. De vroegere 
geringschatting was nog niet verdwenen: de auteurs van De 
Tooneelkyker beweren, dat Othello „volstrekt onder de Prullaria" 
moet gerangschikt worden; immers er waren „grove gebreken 
en onwelvoegelijkheden" in dat „wanschapen" stuk. In de parodie 
van Barbaz Othello of de Jaloersche Zwart (1814) trad Othello 
op, gekleed als Harlekijn. Maar Limburg Brouwer, toch een 
overtuigd classicus, heeft heel wat ruimer blik: hij sluit het 
oog niet voor wat hij noemt „den zonderlingen vorm" van 
Shakespeare's werken; de vermenging van boert en ernst vindt 
blijkbaar geen genade bij hem; hij spreekt over Shakespeare's 
„belagchelijke anachronismen en onnaauwkeurigheden" - maar 



158 

daartegenover; „\k bewonder hem als eenen man van het fijnste 
gevoel, als een' waren dichter, en onder deze als een der 
grootste menschenkenners". Op Moulin's, voor dien tijd uit- 
stekende, vertaHng van Macbefh liet Roorda van Eysinga in 
1836 een goede vertaling van Hamlet volgen. Een jaar vóórdat 
Moulin's werk uitkwam, had Mr. L. Th. C. v. d. Bergh een 
Bloemlezing uit de dramatische werken van W. Shakespeare het 
licht doen zien. 

Van dit vertaalde wenden wij ons nu tot het oorspronkelijk 
Nederlandsch tooneelwerk. 



TREURSPEL EN TOONEELSPEL. 

Het nieuw-klassiek treurspel is het eenig dramatische genre 
van dezen tijd, waarin een weinig leven en kracht valt te 
bespeuren. In Wiselius en Klyn vond het zijn voornaamste 
beoefenaars; met Wiselius, den belangrijkste van dat tweetal, 
vangen wij onze beschouwing aan. Aanvankelijk zien wij hem 
verdeeld tusschen het oude en het nieuwe: het treurspel en het 
tooneelspel. Van zijn bewondering voor de klassieken hebben 
wij vroeger gehoord; zij bleef hem ook later bij. Na 1805 - 
vertelt zijn schoonzoon Van Llmburg Brouwer ons - was hij 
gewoon „zijn dagelijkschen arbeid aantevangen met een uur in 
Nepos, de oraties van Cicero of Livius te lezen. In de lijn der 
klassieken lag dan ook de vertaling van Luce de Lancival's 
treurspel Hektor, die hij in 1810 uitgaf. Maar met het „tooneel- 
spel in proza" Walwais en Adelheid (1812) wendt hij zich tot 
het nieuwe genre. Het gegeven van dat stuk: Gustaaf Adolf 
van Zweden, medeminnaar van zijn gunsteling Walwais, was 
belangwekkend en de auteur heeft zijn best gedaan, die belang- 
wekkende stof op boeiende wijze te behandelen. Er is afwis- 



159 

seling en tegenstelling van karakters, wisseling van tooneei^ 
grootsche gevoelens worden uitgeboezemd, hier en daar is een 
poging gedaan om de taal van het dagelijksch leven weertegeven ,- 
wij krijgen veel te zien: een razende luitenant afstormend op 
den verleider zijner zuster, een geheime kast waarin een edel 
mensch wordt verstopt, datzelfde edel mensch geboeid voor 
den koning gebracht, een jonkvrouw die zich doorsteken wiL 
Desondanks komt het stuk niet boven de middelmaat uit; in 
de karakters is veel charge, de personages zijn onnatuurlijk en 
opgeschroefd, zij declameeren meer dan zij spreken. 

Bij deze proefneming met het tooneelspel liet Wiselius het,-: 
in het volgend jaar keert hij met zijn treurspel Polydoriis tot 
zijne geliefde klassieken terug. Het was duidehjk, dat hij in dat 
stuk het oog had op den toestand van ons ingelijfd land en 
volk; de Fransche politie lichtte er dan ook verscheiden verzen 
uit, die haar minder wenschelijk voorkwamen; toespelingen als 
deze op den prins van Oranje: «Men wenscht u op den troon ,^ 
mijn Prins! Geef 't volk gehoor" waren al te duidelijk. In de 
lijn der klassieken bleef Wiselius ook met zijn latere stukken: 
Adel en Mathilda (1815), dat ontleend was aan een roman van 
Mevrouw Cottin en speelt in Palestina tijdens den derden 
kruistocht; Aernoud van Egmond (1819); De Dood vanKarel, 
kroonprins van Spanje (1819); Ion en Alcestis, treurspelen van 
EuRiPiDES, waarvan hij met behoud der „treffendste brokken" 
nieuwe tooneelstukken had gemaakt. 

Wiselius wist wat hij wilde en wat hij niet wilde. Hij wilde 
«een eigen pad bewandelen tusschen het Grieksche en het 
Fransche treurspel in gelegen", uit die beide kiezen wat hem 
diende en »er de hedendaagsche zucht tot grooter gewoel bij 
in het oog houdende", zich zoo een eigen geheel vormen; een 
soort van tooneelspel-achtig treurspel dus; de handeling zou er 
dan ook meer op den voorgrond staan dan het tragisch gevoeL 



160 

Zijn klassieke neigingen maakten hem afkeerig van „aanstotelijke, 
nu en dan walgelijke tafereelen"; die ontbraken ook in de 
Grieksche tragedie wel niet, maar Schiller, Kotzebue en 
Shakespeare maakten het toch veel bonter; Schiller's ver- 
diensten blijven hem niet verborgen, hij erkent de groote 
dichterlijke waarde van Don Karlos — maar dat en de overige 
stukken van Schiller acht hij toch „voor het regelmatige 
Schouwtooneel ten eenenmale ongeschikt". Eveneens staat het 
met Shakespeare: er zijn „fraaie vertrekken" in die stukken, 
maar ook „keukens en vaten-hokken", zelfs „zwijnen-kotten, 
vuilnis-hoopen en drek-goten". 

Aan ernst en toewijding ontbrak het Wiselius bij de be- 
werking zijner stukken allerminst: hij deed zijn best, zijne 
personages (Oude Traciërs, Trojanen, Grieken, Kruisridders, 
Oosterlingen) te doen spreken en handelen, zooals hun landaard, 
leeftijd en omstandigheden dat vorderden; hij zorgde voor een 
zuivere zedeleer, hoedde zich iemand van andere geloofsover- 
tuiging aanstoot te geven „zoo hij slechts geloofsdwang en 
godsdienstige vervolging afkeurde"; streelde het nationaal gevoel 
door loftuitingen op „'t Belgisch heldenbloed" - het mocht 
niet baten. „Men vraagt thands" - schrijft hij omstreeks 1833 
mismoedig - „in eene tooneel-vertooning blootelijk naar be- 
drijf en woeling, en zoodra die ontbreken, ziet men alras groote 
neiging tot geeuwen, hoe belangrijk de taal zij, door den 
Dichter den tooneelkunstenaar in den mond gelegd". Smartelijk 
had hij het ondervonden bij het pleidooi voor den vrede van 
Malek Adel in Adel en Mathilda: Bilderdijk had dat pleidooi 
uitmuntend genoemd. Snoek en later Evers het voortreffelijk 
voorgedragen -- maar de toeschouwers gaven „zulke zichtbare 
bewijzen van verveling", dat hij tot het „harde en pijnlijke 
besluit" moest komen, dat pleidooi ten minste gedeeltelijk 
achterwege te laten. 



161 

Ons gaat het bij de lezing van Wiselius' werk niet anders 
dan het toenmalig publiek bij het luisteren naar Malek Adel. 
Men' kan Wiselius' streven slechts roemen; in zijn beste werk 
{Adel en Mathilda) komt dat streven duidelijk uit; er zijn 
belangwekkende elementen: tegenstelling van Christenen en 
Heidenen, met den ridderlijken Adel als schakel; liefde tusschen 
een Sarraceenschen prins en een Christen-prinses; geheime 
samenkomsten; overval door verraders; gevechten en verhalen 
van gevechten, kasteelzalen en wapenhallen; Richard Leeuwen- 
hart en Graaf Willem van Holland - maar waar is kunst van 
karakteristiek, waar poëzie? Waar deze ontbreken, kunnen 
degelijke theoretische kennis, toewijding en achtenswaardige 
techniek slechts weinig bereiken. 

Tot die overtuiging brengen ons ook een drietal treurspelen 
door H. H. Klyn achtereenvolgens in het licht gezonden: Montigni 
(1821), Filips van Egmond (1826) en Agathodes (1832), alle in 
vijf bedrijven en alexandrijnen. Het „tooneelspel" had voor Klyn 
blijkbaar weinig aantrekkelijks; in zijn Montigni (antwoord op 
een prijsvraag van het Kon. Ned. Instituut) laat hij zich dan ook 
afkeurend uit over den „tooneelpraal" die „zeldzaam iets we- 
zenlijks ter verheffing van verstand en hart achterlaat". Volgens 
hem is het treurspel bij de verschillende volken diep gezonken; 
„hier heerscht Duitsche wansmaak, ginds Engelsche woestheid 
en daar eene zedeloosheid, welke alleen in het wufte Frankrijk 
haren oorsprong vinden kan". Zelf wil hij een beter weg 
bewandelen. Aan degelijke studie zijner stof en goeden wil 
ontbrak het hem evenmin als Wiselius; ook de vaderlands- 
liefde en het godsdienstig-zedelijk element zijn hier aanwezig: 
zoo moest b. v. Agathocles den triomf van het Christendom 
doen zien in het Nicomedië der 4^© eeuw n. C. Evenals 
Wiselius streeft Klyn naar tooneelen, die het „doen"; van 

dien aard is b. v. het slot van Filips van Egmond: de 
KALFF, Letterkunde, VIL 11 



162 

snoodaard Filips, oudste zoon van Lamoraal, die de Spaan- 
sche zijde heeft gekozen, wordt stervend binnengedragen en 
krijgt vergiffenis van zijn moeder. Overigens heeft ook Klyn 
meer bestreefd dan bereikt. Zijn chauvinisme brengt hem tot 
schrille tegenstellingen als die tusschen den edelen held Mon- 
tigni, Filips den bloeddorstigen tiran, Granvelle de verpersoon- 
lijkte valschheid en huichelarij; tot een uiting als deze over 
Alva: „Het monster sliep, omstuwd van bergen doón, gerust" 
{FU. V. Egmond). Strevend naar het verhevene, levert hij door- 
gaans slechts grootspraak. Die edele gevoelens, dat chauvinisme, 
die grootspraak werden toen bewonderd; Van der Palm, 
Kemper en Van Swinden kenden heele stukken van Montigni 
van buiten — tegenwoordig zullen er vermoedelijk weinigen 
zijn, wien deze poëzie nog smaakt. 

Tegenover Wiselius en Klyn, die in hoofdzaak trouw 
bleven aan het nieuw-klassiek treurspel, plaatsen wij den Am- 
sterdamschen suikerraffinadeur Warnsinck, een der jongere 
vrienden en bewonderaars van Feith en A. van HalmaelJr., 
die BiLDERDijK als auditeur-militair te Amsterdam opvolgde. 
In het werk van die beiden immers zien wij het romantisch 
tooneelspel het klassiek treurspel overvleugelen. 

Warnsinck had omstreeks 1822 een treurspel op touw gezet 
over den dood van Prins Willem I, doch hield het „en porte- 
feuille" om zich tot het tooneelspel te wenden; Nathan van Geneve 
(1824), een zedelijk nastukje, waarin een rijke edelmoedige 
Jood hoofdpersoon is, De Slag op de Zuiderzee (1831) en 
andere stukken waren proeven in het nieuwe genre. Omstreeks 
1836 nam hij zijn treurspel over Willem den Eerste weer op 
en besloot het om te werken als proeve van verzoening tusschen 
het klassiek en het romantisch drama. In een wijdloopige 
voorrede deelt de auteur ons een en ander omtrent de wording 
van het stuk en zijn eigen opvattingen der dramatische kunst. 



163 

mede. Hij maakt gewag van »de introductie der Romantische 
Muze op het tooneel"; erkent, dat er veel voor de richting 
van Shakespeare, Schiller, Goethe en de Schlegels te 
zeggen valt, al kant hij zich tegen de „vvanschepsels" van 
„ligtzinnige Franschen" als Hugo, Dumas en Scribe; de 
klassische Muze is een „eerwaardige Schoone", maar waarom 
zou de echte zoon van Phebus Apollo niet aan hare jongere 
bevallige romantische zuster — men vergeve de gemeenzame 
uitdrukking - mede het hof maken? Zoo heeft hij dan in zijn 
oorspronkelijk ontwerp onderscheidene wijzigingen gebracht: 
de voorname personages mochten in alexandrijnen blijven 
spreken; voor de burgerij wordt de alexandrijn nu „te statig, 
te deftig, gemaakt en onnatuurlijk" geacht, vandaar dat de 
burgers zich van rijmlooze vijfvoetige jamben bedienen; aan 
het eind van het 3^^ bedrijf is een kleine inbreuk „gewaagd" 
op de eenheid van plaats; veredelde zinnelijkheid, wel eens 
de grondslag van het klassiek treurspel genoemd, vormt nu 
gemengd met echte godsdienstigheid, den grondslag van het 
romantisch treurspel; in het oorspronkelijk ontwerp zijn eenige 
openbare en huiselijke tooneelen aangebracht, om de toen- 
malige zeden te kenschetsen en het geheel te verlevendigen; 
de moord op den Prins, vroeger achter de schermen ge- 
houden, om Publieks gevoel te sparen, heeft nu op het 
tooneel plaats. 

Voor de toewijding en de theoretische kennis, waarvan 
Warnsinck's omwerking getuigt, kan men slechts lof hebben; 
als mijlsteen op den ontwikkelingsweg der Romantiek te onzent 
heeft zijn stuk eenig belang; doch overigens ging het dit 
tooneelstuk als het „berenjong" van Staring: 

«als 't lieve leven faalt, 

dat lekt geen tong erin." 

11* 



164 

Het is welmeenend, hartelijk, van een kiamme vaderlands- 
liefde en overschuimende geestdrift, maar als geheel zoetsappig 
en onbeteekenend. Achter Prins Willem zien wij Koning Willem, 
den vader zijns volks; voor een waard en zijn vrouw die aan 
het vechten zijn , maalt deze vorst de plichten des huwelijks 
af en schetst beider rechten; in het vervolg zal de vrouw haar 
eegade nooit meer met de schenkkan slaan; eenige soldaten 
zingen vaderlandslievende liederen, „in hun blikken kan men 
trouw en opregtheid lezen"; ondanks den voet minder, spreken 
de burgers van Delft een proza, dat even hoogdravend is als 
de pompeuze verzen van den Prins en de zijnen. 

Op den weg, hier ingeslagen, ging Warnsinck voort; zijn 
Adam Scheffer of de bevrijding van tiet Inn-dal in 1430, 
tooneelspel in drie bedrijven (1843), is een poging om een 
stuk te leveren in den geest van Schiller, wiens Wilhelm Teil 
hem blijkbaar voor oogen stond; ook hier echter bleef het 
bij pogen. 

Van Halmael's liefde tot het drama was gewekt door de 
tooneelvoorstellingen te Amsterdam, waar hij Snoek, Bingley 
en Wattier had bewonderd; Bilderdijk, wien hij een zijner 
gedichten mocht voorlezen, had hem aangemoedigd met de 
woorden: „Vaar voort, gij zijt Dichter!" In die zekerheid zette 
onze auditeur-militair zich aan het werk. Onder Bilderdijk's 
invloed bleef hij aanvankelijk in de klassieke lijn, zooals blijkt 
uit zijne treurspelen Oerard van Velzen (1815), Reinier en 
Willem van Oldenbarnevelt (1828), Peter de Groote (1834); 
maar dan bezwijkt ook hij voor de romantische sirene. Zijn 
Mathilda en Struensee (1837) is nog wel in vijf bedrijven en 
alexandrijnen vervat, maar nauw verwant met Schiller's 
historische stukken; zijne „romantisch-dramatische tafereelen" 
De Twist om Bolsward en Friesland in 1498 (1841) worden 
door hemzelven gekenschetst als „historie-spelen in den trant 



165 

van Shakespeare, niet zoo geheel onregelmatig en met alle 
tooneel wetten strijdig, maar veellicht ook grootendeels zonder 
eenige dier schoonheden, welke in de scheppingen van den 
onsterfelijken Brit in eene zoo overgroote menigte voorhanden 
zijn ; een kenschetsing die ons volkomen juist schijnt. 

De werken van dit viertal auteurs zijn voldoende om het 
treurspel van dezen tijd te karakterizeeren. Wij zouden nog 
verscheidene dergelijke stukken in vijf bedrijven en alexandrijnen 
kunnen noemen van Van Walré, Sloet tot Oldhuis, Jabot, 
SiFFLÉ, OuDKERK PooL, RuYL ; ook daar zouden wij enkele 
voorbeelden kunnen aanwijzen van den invloed der romantiek; 
doch daar deze stukken overigens niets eigens of schoons hebben, 
kunnen wij ze terzijde laten, om ons te wenden tot 

HET TOONEELSPEL. 

Wij vinden hier een aantal stukken , meerendeels in proza en 
drie of vier bedrijven, waarin wordt voortgezet wat men in 
het laatste kwart der 18<ie gguw begonnen was. Ida van Falken- 
stein (1821), De Twee Ringen (1829) en dergelijke stukken 
vertoonen veel overeenkomst met de pathetische gewrochten van 
een vroeger tijdvak; in andere als De Melancolicus uit verveling 
(1828), Ontrouw uit Eerzucht, Onrust en Vertwijfeling of de 
Kracht van het Geweten (1833) is de zedelijke strekking al te 
zichtbaar; enkele, zooals Leicester of het kasteel Kenilw o rth (1833) 
ontleend aan den roman van Walter Scott, staan ook door 
den historischen roman in verband tot de romantiek. 

Een afzonderlijke plaats komt toe aan die nationale of vader- 
landslievende stukken, waarvan verreweg de meeste wtooneelspel" 
heeten, al draagt een enkel, met hoe weinig recht dan ook, 
den naam van «treurspel". Wat Limburg Brouwer in zijn 
antwoord op de prijsvraag der Hollandsche Maatschappij ter 



166 

verheffing van het tooneel aanried : behandehng van stoffen uit 
onze vaderlandsche geschiedenis, was reeds eenige jaren vroeger 
voorgesteld door den tooneelspeler en tooneelschrijver M. Wester- 
MAN. In het Voorberigt van zijn Admiraal de Ruiter (1815) 
zegt hij, dat wij „in dit oogenblik .... als het ware overstelpt 
door de onderscheidene voortbrengselen van andere natiën .... 
in eene soort van verdooving geraakt zijn"; daarom moeten wij 
trachten «de vreemde voortbrengselen met overleg door eigen 
te doen vervangen"; wij moeten daarbij echter rekening houden 
met de heerschende stemming; die stemming heeft hij te voren 
aangeduid als „ten koste van den goeden smaak op de uiter- 
lijke zinnen werken of door hevige schokken treffen". Langs 
dien weg hoopte hij de «vreemde wangedrochten van het tooneel 
te kunnen verbannen". De daad bij den raad voegend, schreef 
hij o. a. het „historisch Tooneelspel ' De Admiraal de Ruiter 
te Napels, De Menschlievende Kozak (1815) een blijspel met 
zang, Marco Bozzaris of de Grieken, liistoriesch tooneelspel 
(1824) in drie bedrijven en alexandrijnen. Ongetwijfeld was de 
bedoeling ook van dezen tooneelschrijver goed, maar zijne 
gaven schoten te kort om iets goeds voorttebrengen. Opge- 
schroefdheid en chauvinisme met een restje van sentimentali- 
teit - dat zijn de voorname indrukken, die dit werk bij ons 
achterlaat; zoo z^gt De Ruiter tot zijn matrozen: „Ik kan van 
mijne kinderen niet denken, dat zij iets zouden zingen, waar- 
over zij zich in mijne tegenwoordigheid moesten schamen" en 
een dek-officier tot een matroos: „Ei wat! nu zingen, zie maar 
eens naar mijne oogen, daar komen de waterlanders voor den 
dag, als ik er om denk". 

Ook een tweede Noordnederlander, L. G. Visscher die later 
hoogleeraar te Utrecht werd, oordeelde dat het tooneel te onzent 
«in een allezins beklagenswaardig verval geraakt" was en dat 
«de Duitsche drama's en over het algemeen de vertalingen onze 



167 

beste stukken verdrongen". Evenals Westerman trachtte hij 
door eigen werk in de behoefte aan nationale stukken te voor- 
zien; zoo schreef hij dan De Koningin te Breda en het tooneel- 
spel De Verbroedering of de Hollander en Brabander in een 
vreemd land (1823); het laatste stuk, dat eindigt met een 
huwelijk tusschen een jongen Belg en een Amsterdamsch meisje, 
moest Noord- en Zuidnederlanders opwekken tot erkentelijkheid 
jegens den Vorst ^ . . . tot liefde voor zijn huis en verkleefdheid 
aan het vaderland". Geen van beide stukjes heeft letterkundige 
waarde. 

Datzelfde oordeel moeten wij vellen over tal van vader- 
landslievende stukken en stukjes, die tusschen 1830 en 
1834 ten tooneeie werden gebracht door auteurs als Thöne, 
Kerkhoven, Warnsinck, Muller- Wester.man, Ruyl; wij 
noemen er slechts eenige: Het Verjaarfeest in Nov. 1830 , Alles 
voor het Vaderland, De Slag op de Zuiderzee in 1573, De 
Admiraal Piet Hein te Delfshaven, Groningen ontzet. Eenigs- 
zins verwant met deze stukken door zijn staatkundige strekking 
is het „tooneelspel", dat Jonkheer Johan Warin, „Ridder der 
Militaire Willems-orde", in 1838 uitgaf onder den titel Menschen 
vormen Volken. De bedoeling van den auteur was : „der vorsten 
regering met de opvoeding door ouders aan kinderen gegeven 
te vergelijken"; dus worden ons verschillende staatkundige 
richtingen voorgesteld onder de gedaante van personen: de 
Liberalen zijn vertegenwoordigd door professor Heufting, de 
aanhangers der constitutioneele monarchie door baron Van 
Stam , het Jacobinisme door een losbol. Waarin dit tooneelspel 
echter moge verschillen van de voorgaande, uit letterkundig en 
dramatisch oogpunt beschouwd, staat het even laag als deze. 



168 



KLUCHT- EN BLIJSPEL. 

Uit meer dan een tooneelspel, ook uit een gelegenheids-stuk 
als Foppe's De Afgevaardigde tot de Algemeene Vergadering 
der Maatschappij tot Nut van het Algemeen (1830), is het 
karakteristieke van dit genre, dat wij vroeger hebben leeren 
kennen (VI, 455) nagenoeg verdwenen. Andere zoogenaamde 
tooneelspelen zou men zonder bezwaar tot het klucht- of blij- 
spel kunnen rekenen; daartegen is te minder bezwaar, omdat 
hetgeen ons in dezen tijd onder den naam van klucht- of blijspel 
wordt aangeboden, vaak zoo weinig kluchtigs of blijds bevat. 
A. Beeloo b.v. noemt zijn Maria Tesselschade Visscher een 
,; blijspel''; maar waar is eenige luim of zelfs maar vroolijkheid 
in dit stijf, conventioneel-pathetisch gewrocht? Nergens misschien 
blijkt het verval van het blijspel zoo duidelijk, als wanneer men 
Langendijk's Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden legt naast 
de bewerking ervan, die in 1827 door C. van der Vijver in 
het licht werd gezonden: de moraal is er nog eens dik opge- 
legd, de lijnen zijn verzwaard, het geheel vertaaid. 

Anders dan in het ernstig drama schijnt de invloed der 
buitenlandsche dramatiek in het komisch drama weinig beteekenis 
te hebben. T. J. van Kerkhoven vertaalde een paar nastukjes 
{Neen en Kom Hier) uit het Duitsch; Klyn en Ruysch elk 
een „blijspel met zang" uit het Fransch; er is nog een en ander 
van dien aard te noemen, maar men schijnt in dit tijdvak toch 
vrij wat minder blijspelen en kluchten vertaald te hebben dan 
in het voorafgaande. Men zou geneigd kunnen zijn, dat voor 
een goed teeken te houden ; doch wat wij verder van het komisch 
drama te zien krijgen, moet ons tot een andere meening brengen. 
Een slecht teeken is, dat de bewondering voor Molière na 
kortstondige herleving (VI, 491) weer gaat kwijnen en verdwijnen. 
Een slecht teeken ook, dat — De Tooneelkijker getuigt het — 



169 

„door het invoeren der Zangspelen de Kluchtspelen grootendeels 
werden verdrongen" (I, 25). Het »zoo veel gerucht makende'' 
zangspel Asschepoester , wekte zekeren Hendrik Krayesteyn 
op tot het samenstellen van zijn „Toover Zangspel" Kl^in 
Duimpje en de Reus Fayel (1814). Onder de andere blijspelen 
met zang noemen wij er slechts drie: Robert Henncbo en zijne 
Vrienden (1815), De Bloedzuigers (1835) en De Qans met de 
paauwenstaart of het geneesmiddel der hoogmoedsdolheid (1839). 

De auteur der beide laatste stukjes, A. Ruysch, zoekt zijn 
kracht in de karikatuur; staaltjes daarvan zien wij o. a. in de 
voorstelling der geaffecteerde kleermakersvrouvv Grietje uit het 
laatstgenoemde stuk, die Melanie wil heeten en van den schilder 
August die buitengewoon bohême-achtig spreekt. Vermoedelijk 
wilde Ruysch in deze figuur tevens de romantiek treffen ; men 
wordt herinnerd aan de buitensporige beeldspraak der toen- 
malige romantische schrijvers, waar men hem tot de kleer- 
makersdochter Mina hoort zeggen : „de verbeelding, lieve meid, 
is een der stevigste heipalen, waarop ons levensgebouw ge- 
vestigd is; op onzen leeftijd zet zij ons een bril met rozen- 
kleurige glazen op de neus." 

Een beter indruk van het komisch drama geven ons een 
drietal blijspelen in één bedrijf, die men vroeger kluchten zou 
hebben genoemd: De vlugt van de gewaande Qoud-begraver 
(1821), Trouwlust (1826), De Schoolopziener ad Interim {\^'i^). 
In het eerste, bijna geheel in Joodsch dialect geschreven, en 
in het laatste zijn wel aardige tooneeltjes, de dialoog is hier 
en daar niet onverdienstelijk; het tweede heeft een goeden 
opzet; de dialoog streeft naar losheid, maar kan zich niet 
ontworstelen aan de plechtstatigheid, waarvan ook de beide 
andere stukjes niet geheel vrij zijn. 

Een dol-dwaze, maar niet onvermakelijke, satire op de ont- 
houders vinden wij in De nieuwe Ridderorde of de Temperan- 



170 

tisten van C. E. Roniface, dat in 1832 te Kaapstad het licht 
zag. Pogingen tot het hoogere blijspel in alexandrijnen en vijf 
bedrijven werden in het werk gesteld door C. W. Thöne, 
•een anderen auteur die zich aanduidt met de letters V. R. M. 
«n C. J. VAN Abcouw. De drie stukken van Thöne: Oude 
■en Nieuwe Zeden (1828), een pleidooi voor de vaderlandsche 
zeden en gewoonten, De Mededingers (1830) en De Onver- 
genoegde (1832) streven naar het goede, doch zonder succes; 
alles is stijf en mat. De Stiefmoeder (1823 -'27) van V. R. M. 
was een proeve „in hoeverre het mogelijk zijn zoude" om, 
met het Hoogduitsch stuk Die Braut als leidraad, „onze 
nationale zeden op het tooneel te brengen"; enkele deelen van 
dit stuk (de soiree in het 3« bedrijf) zijn niet slecht, eenige 
uitvallen tegen Da Costa's fif'zivflAm verhoogden de actualiteit, 
■ook is er wel iets goeds in den dialoog, doch het geheel te 
zeer karikatuur om verdienstelijk te kunnen heeten. Dezelfde 
nationale strekking, maar zich uitend vooral in verzet tegen 
den invloed van Frankrijk, vinden wij in Van Abcouw's De 
Man naar de Wereld of de verfranschte zeden (1834). Deze 
man naar de wereld geeft feesten, verwaarloost zijn brave 
vrouw, wil zijn dochter liever uithuwen aan een verfranschten 
losbol dan aan een braven luitenant-ter-zee, maakt schulden, 
vlucht, keert berouwvol terug en doet boete. Zijn schoon- 
moeder, een deftige oudhollandsche dame, zegt o. a. tot hem: 

Zoek kringen waar de scherts niet strekt om 't al te lastren 
Wat Hollandsch is en braaf 

Ware Hollandsche braafheid voldoende geweest om een 
goed blijspel te maken, dan zouden deze auteurs vrij wat 
bereikt hebben; doch scherts en luim zijn eenmaal voor den 
blijspeldichter onontbeerlijker dan braafheid. Scherts, luim, 



171 

geest nu waren schaarsch onder het oudere geslacht waartoe 
deze tooneelschrijvers behoorden of waarmede zij verwant 
waren; het geslacht dat het lachen verleerd had onder den 
•druk van den Franschen tijd en de inlijving, dat den pas 
herkregen schat zijner onafhankelijkheid verheerlijkte met chau- 
vinistische grootspraak en angstig zocht te vrijwaren tegen 
vreemden invloed, 

Eenigen kans op nieuwen bloei zou het komisch drama 
krijgen eerst door een jonger geslacht, opgegroeid onder blijder 
vooruitzichten, met even sterke vaderlandsliefde als de ouderen, 
•doch minder chauvinistisch, vrijmoediger in zijn optreden tegen 
het gebrekkige of verkeerde dat stof tot lachen gaf, vrijmoe- 
diger ook in het herscheppen van het leven door de kunst. 
Zulk een jonger geslacht - wij hebben het aan het eind van 
het vorig hoofdstuk gezien — stond voor de deur. 



TOONEELSPELERS. 

Het oudere geslacht van tooneelspelers verdween langzamer- 
hand van de planken. Andries Snoek, die met Wattier- 
ZiESENis, Majofski en anderen tot dat oudere geslacht be- 
hoorde, stond nog in zijn volle kracht: De Tooneelkijker prijst 
zijn (/Voorbeeldig spel" als Marinelli in Emilla Galotti; elders 
heet het van hem in dat tijdschrift: «Snoek schitterde. Snoek 
was Achilles"; „de Heer Snoek was (als Hamlet) onovertrefbaar 
en wijkt den Franschen Talma niet in de uitvoering van deze 
rol"; in het tooneelblaadje Pandora (1825 -'26) wordt hij 
«Amsterdams eerste kunstenaar" genoemd, „door de natuur 
met eene majestiieuse gestalte, edele houding en grootsch 
orgaan begaafd"; men prijst er hem om zijn „Tartuffe" en 



172 

zijne „meesterlijke" vervulling der rol van M. A. de Ruyter. 
Bij niemand stijgt de bewondering voor Snoek zóó hoog als 
bij den vurigen Loots; in zijn gedicht De Godsdienst (sfi ISM) 
schrijft hij over een vertooning van Racine's Athalie, waarin 
Snoek voor Jojada speelde: 

't Was godsdienst in dat uur, het was geen schouwburg meer, 
En Jood en Christen zaam viel voor Jehova neer. 

Wattier -ZiESENis was in 1827 gestorven; zij werd ten deele 
vervangen door Mejuffrouw Grevelink, van wie De Tooneel- 
kijker zegt: „Mejuffrouw Grevelink heeft ons meermalen 
Wattier herinnerd : dit strekke haar tot den grootsten lof." 
Onder de acteurs, die gelijk zoovelen van dezen en vroegeren 
tijd ernstige en komische rollen vervulden, merken wIjJohan- 
nes Jelgerhuis op; Jelgerhuis - zegt De Tooneelkijker - 
zal een onzer verdienstelijkste tooneelkunstenaars worden, ,,mits 
hij de slotwoorden der regels duidelijk uitspreke en niet 
schreeuwe". Het chargeeren, dat wij bij de tooneelschrijvers 
van dezen tijd aantroffen, was vermoedelijk een karaktertrek 
ook van verscheidene tooneelspelers; zoo lezen wij b. v. in 
bovengenoemd tijdschrift: „het komieke bestaat niet, zooals de 
Heer Jelgerhuis denkt, in schreeuwen, herhaald snuiten, met 
drift schellen, en als een dronkaard zijn hoed op het hoofd 
te zetten"; van een ander bekend acteur, den vaderlandslie- 
venden Rozenveld die indertijd gevankelijk naar Frankrijk 
was gevoerd, lezen wij iets dergelijks aangaande zijn vervulling 
der titelrol in Molière's Vrek. 

Onder de Rotterdamsche acteurs en actrices van dezen tijd 
worden Hoedt, Stoopendaal, Ward Bingley en Hanswyk 
geprezen; Mejuffrouw Stoopendaal wordt geroemd als „eene 
voortreffelijke Actrice"; Mejuffrouwen Hoedt en Wicart als 



173 

«allerloffelijkst in verscheidene rollen en karakters". Ook hier 
wordt gewag gemaakt van een acteur (Valkenier) die zich 
onderscheidt door zijn „vervaarlijk geschreeuw". 

Dit „vervaarlijk geschreeuw" dat ons Punt herinnert, brengt 
ons tot de wijze waarop de tooneelspelers hunne rollen voor- 
droegen. Het zal natuurlijk onmogelijk blijven, zich een vol- 
ledige en juiste voorstelling te vormen van een kunst zóó 
vluchtig van aard als deze; doch zelfs een eenigszins volledige 
voorstelling kunnen wij nog niet geven. Wij moeten ons ver- 
genoegen met enkele aanwijzingen. De „Hollandsche helden- 
toon" uit de dagen van Punt, toentertijd aangeduid met den 
naam declameeren , bleef ook later in zwang. Wiselius getuigt, 
dat men zich in zijn jeugd „wel degelijk op het declameeren 
bleef toeleggen zooals ik - schrijft hij in de Voorrede van 
zijn Nieuwe{n) Dichtbundel (1833) - mij uit mijne jeugd nog 
met genoegen herinner het gehoord te hebben van eenen 
Hilverdink, van eenen Van Marle, en daarna nog van vele 
anderen, uit welke de Heer Croese mij altijd het meest be- 
haagd heeft". Aan dat declameeren hechtten ook de redacteurs 
van De Tooneelkijker , waar zij aangaande den acteur Evers 
schrijven: „bij eene declamatie, te veel op ons tooneel ver- 
loren, en die hij alleen nog bezit, paarde hij de schrikkelijkste 
werking der hartstochten". Echter erkennen zij hier grenzen; 
van den acteur Van Hulst in de rol van Proculus heet het: 
(hij) „was flaauw en declameerde ons te veel". Ook Wiselius, 
al was hij een man van de oude school, wenschte omstreeks 
1833 wat meer vaart in de voordracht der alexandrijnen: „ik 
weet wel" - lezen wij in bovengenoemde Voorrede - „dat 
onze alexandrijnen zich niet zeggen laten, als Fransche verzen , 
maar er is een midden tusschen den dagelijkschen praat-toon 
en dat declameren hetwelk thands met den naam van preêken 
bestempeld wordt. 



174 

Door zooveel voortreffelijke tooneelspelers en speelsters als 
wij in de laatste helft der IS'^^ en het eerste kwart der IQ^eeeuw 
aantreffen, werd het aanzien der kunst en der tooneelisten 
verhoogd. Ook vroeger was het overlijden van een bekend 
acteur door een dichter herdacht, zooals in 1833 geschiedde ^ 
toen LooTS eenige verzen schreef: Na het overlijden van den 
Eersten Tooneelkunstenaar in het Blijspel aan den Amster- 
damschen Schouwburg , den Heer Oerrit Carel Rombach. Een 
tiental jaren vroeger echter was - dat mocht iets nieuws 
heeten - na den dood van Bingley een Gedachtenis-Offer 
op den Amsterdamschen Schouwburg vertoond, waarin o. a. 
door den Genius der Tooneelkunst hulde werd gebracht aan 
Bingley's nagedachtenis. Toen Dirk Sardet zijn 25-jarig jubilé 
als tooneelspeler vierde, droeg Johanna Cornelia Wattier 
een door Kinker gedichte Aanspraak voor te zijner eere. 

Het zelfgevoel der tooneelspelers werd door zulke openbare 
huldigingen gewekt of verhoogd. Op Corver's voorbeeld 
grijpen sommigen naar de pen, om zich en hun kunst te 
verdedigen: Westerman tegen de redacteurs van De Tooneel- 
kijker; Hoedt en Bingley in een heftig stukje tegen de be- 
oordeelingen hunner voorstellingen in het Algemeen Nieuws- 
en Advertentieblad (1828). Wij zien een paar voorbeelden van 
samenwerking tusschen tooneeldichter en tooneelspeler, zooals 
wij er vroeger geen ontmoet hebben. Toen Snoek de rol van 
Karel den Stoute in Wiselius' Aernoud van Egmond naar de 
meening des dichters geheel verkeerd opvatte, schreef Wiselius 
hem uitvoerig om hem het verkeerde van die opvatting aante- 
toonen. Men had beweerd, dat Wiselius voor Mevrouw Greve- 
LiNK altijd rollen schreef, waarin zij zoo „beminnelijk en be- 
langwekkend" voorkwam, dat zij het Publiek wel moest innemen 
en op hare hand krijgen. Dat zeggen was haar overgebracht. 
Kort daarna bracht Wiselius haar een bezoek en vroeg haar 



175 

of zij ook wel „in een hatelijk karakter" zou willen verschijnen. 
wWaarom niet?" hernam zij, ;,zoo de rol voor het overige 
maar belangwekkend was". Toen maakte hij met het oog op 
haar de rol van Katharina van Kleef, gemalin van hertog 
Arnoud van Gelder. De belangstelling in de theorie der wel- 
sprekendheid en de kunst van voordragen , nauw verwant met 
de tooneelspeelkunst, die wij in de tweede helft der 18<*^ eeuw 
zagen toenemen (VI, 532), bleef levendig: Schrant, hoog- 
leeraar te Gent, vertaalde Fénélon's Gesprekken over de Wel- 
sprekendheid en voegde er aanteekeningen bij die in omvang 
het geschrift zelf ver overtreffen; Mr. P. S. Schull gaf een 
Karakteristiek der Welsprekendheid {1^20) ; de predikant Steen- 
MEVER vereenigde ettelijke verspreide geschriften uit de jaren 
1831 -'33 tot een bundel, die eerst in 1853 werd uitgegeven; 
Mr. A. BOGAERS eindelijk gaf een Verhandeling over het Wezen 
der Uiterlijke Welsprekendheid uit, die in 1840 het licht zag. 
Het plan tot oprichting eener tooneelschool , vroeger slechts 
in zijn wenschelijkheid betoogd (VI, 534) werd door Wiselius 
verwezenlijkt, al schijnt zijn schepping niet lang geleefd te 
hebben. Met behulp van Mevrouw Grevelink richtte hij een 
Genootschap voor uiterlijke welsprekendheid op om jonge 
lieden, die aanleg voor de tooneelspeelkunst betoonden, kosteloos 
gelegenheid te verschaffen tot het bekomen van onderwijs in 
die kunst. Onder de burgerij daarentegen ging de lust tot het 
voordragen van tooneelpoëzie verminderen of verdwijnen. 
Sprekend over zijn jonge jaren, zegt Wiselius in de boven- 
vermelde Voorrede: „Schaars ook woonde men te dier tijd, 
waarvan ik spreek, een gastmaal bij, het mogt zijn in hoog- 
aanzienlijke of in deftige burger-kringen, waar niet bij het 
nageregt beroemde dichtstukken of belangrijke rollen uit treur- 
spelen, zelfs door de fatsoenlijkste vrouwen werden opgezegd 
en naar de kunst voorgedragen, doch welk nuttig en geestver- 



176 

heffend bedrijf bij het latere geslacht plaats heeft moeten maken 
voor de Lignolleaansche schranderheid in het uitvinden van den 
zin van charades en meer ander Gallikaansch narren-tuig". 

Wat men in deze klacht ook op rekening van den «laudator 
temporis acti" moge schrijven , zooveel schijnen wij wel te mogen 
aannemen, dat in de voordrachtskunst de „liefhebbers" van 
vroeger schaarsch werden en dat men het voordragen van 
tooneelpoëzie ging overlaten aan de tooneelisten van beroep. 

In de beoefening der wetenschappen kan men een dergelijke 
strooming waarnemen: wij wezen vroeger op de tegenstelling 
tusschen Cornelis van Lennep, den liefhebberenden verza- 
melaar en zijn zoon David, den geleerde; die tegenstelling 
geldt een deel van het gansche oudere en jongere geslacht 
dezer periode. De door Geel verdedigde stelling: poëzie is 
arbeid, zijn aandringen op scherper scheiding tusschen poëzie 
en proza ten bate van beide, ter vermindering van het aantal 
liefhebberende verzenmakers, waren verschijnselen van den- 
zelfden aard. 

Zoo zien wij dan -ook hier een nieuwen tijd aanbreken , een 
nieuw geslacht in aantocht, welks beteekenis voor onze letter- 
kunde wij nu gaan beschrijven en verhalen S). 



AANTEEKENINGEN. 

1) Over het hijschen der vlag te Amsterdam en de stemming aldaar 
vgl. o. a. : Dagboek van Willem de Clercq 1,55; \V\JHij\'S' Hollands 
Vlag; Barbaz' Wandeling langs den Ij -kant (a" 1S14); Gedichten 
van Barend Klyn. I, 190 (.,Het Oranjelint"); Onze Voortrekkers (op 
het jaar 1S13). Over de verwachtingen van Falck vgl. Het Leven 
van C. en D.J. van Lennep 111,343. Nederland - Israël en Neêrlands 
God o. a. bij Van der Pal.m, Orator. Werken II, 107, 126. Over 
den wedstrijd door \^.\N Kinsbergen' uitgeschreven vgl. Colen- 
BRANDER's Inleiding tot de uitgave van V.\N der Palm's Gedenk- 
schrift (ed. Pantheon). Over Napoleon vgl. Gedichten van Mr. Jan 
ten Brink en Onze Voortrekkers (Brief van 16 July 1821 : „De dood 
van Nappie etc"). De uiting van Thorbecke over de inlijving in zijne 
Historische Schetsen p. 152. Van der Palai's waarschuwing tegen 
FiCHTE en Schelling in zijne Orator. Werken III, 38 -9. Over het 
doctoraat aan S. Muller toegekend vgl. Levensber. van de M. der 
Ned. Lett. 1876, p. 89. Over D. J. v. Lennep's deftigheid: Levensber. 
der Maatsch. der Ned. Lett. 1853, p. 117 en Alg. Konst- enLetterb. 
1853, no. 49. De aanmerkingen van tijdgenooten op het Wien Neer- 
landsch Bloed in Schotel's boek over Tollens en zijn Tijd p. 78 
en De Tooneelkijker (.Amsterdam, 1817) II, 328. Staaltjes van deftig- 
heid der burgerij in S. Muller's Dagboek (onuitgegeven). Het opstel 
over De Zenuwen in Jacob Vosmaer's Nagel, en Verspr. Letter- 
arbeid (1826). Boxman's gedicht De Heiden van Drenthe in zijne 
Gedichten (1823) p. 96. Spandaw's klacht over de reactie in zijne 
Gedichten (4de druk) II , 27. Overigens verwijs ik hier naar werken 
als Blok's Geschied, v. h. Ned. Volk Deel VII, P. L. Muller's 
Geschiedenis van onzen tijd Deel I , Colenbrander's De Belgische 
Om wenteling ( 1 905) . 

2) Over Ockerse en Antoinette Kleyn te verg.: J. P. Hase- 
broek's Een Dichteralbiim o. a. p. 55, 57-60, 71, 84 vlgg. en de, 
in den tekst genoemde, werken van beiden. 

Over Feith's verhouding tot Bilderdijk de, door mij uitgegeven 
brieven in Tijdschr. v. N. T. en L. Deel XX1\'. De oproep van 
KALFF, Letterkunde, VII. 12 



178 

Van Hall in Oden en Gedichten (1809) Deel IV, XII; uit Feith's 
antwoord blijkt, dat ook De Vries hem had aangemaand. Over den 
invloed, geoefend door de romans y«//a en Ferdinand en Constantia ^ 
vgl. Dicht- en Proz. Werken (Rotterdam, J. Immerzeel Jr. 1824) III, 
90, 93. Over de vertalingen van Feith's werk vgl. Menne, Goethes 
Werther in der Niederl. Litteratur 18-19 (noot 1-3), 89 (noot); de 
uitgever Doijer, voor wien eenig verband bestond tusschen Feith's 
roem en het welslagen van de uitgave der Dicht- en Prozaïsche Werken 
maakte hiervan: 

Die Duitschland aan zich hield geboeid , 
Wiens lof van vreemde lippen vloeit 
En heel Euroop is doorgedrongen. 

Feith's bewonderaar (schoon geen blinde bewonderaar), van wien 
hier sprake is, was J. A. F. L. baron van Heeckeren; zie zijne arti- 
kelen over Feith in Taal en Letteren 1902. 

3) Bij de vroeger genoemde bronnen van Kinker's leven en wer- 
ken voeg ik hier nog Siegenbeek's Toespraak ter vergadering van- 
de Maatsch. der Ned. Lett. 1846. Over VON Eichstorff en zijne 
vertalingen vgl. Menne, Goethes Werther etc. p. 89. Den uitval van- 
Feith vindt men in zijne Dicht- en Proz. werken II, 57. 

In het Voorbericht van Bakh. v. d. Brink's Studiën en Schetsen 
VII leest men: „dat de oude Heer (M. C. v. Hall) van tijd tot tijd 
ook het karnavalspak van Frans Floriszoon van Arkel aangetrokken 
en ons jeugdige mannen der letterkundige beweging, als Lubbert 
Ignatius Bril in de kaart gekeken had." 

Vgl. voorts Potgieter's Leven van Bakhuizen v. d. Brink p. 273. 

De volledige titels van LooTS' Gedichten (1816- '17), Nieuwe Ge- 
dichten (1821) en Nagelaten Gedichten (1855) in den Catal. v. d. 
Maatsch. der Ned. Lett. Voorts verwijs ik naar Ter Nagedachtenis 
van Cornelis Loots (Amst. Van der Hey 1835); Gedichten van M.C. 
van Hall 3de Verzam. p. 31 , 55. Een uitvoerig artikel met karakteris- 
tiek van Loots' poëzie gaf Potgieter in De Muzen, later opge- 
nomen in zijne Knt. Studiën {Versp. en Nagel. Werken) I. 

De bibliotheek van de Maatsch. der Ned. Lett. bezit een verzameling 
van afzonderlijke dichtstukken van LoOTS in 6 deelen , waarin zich 
ook verscheidene portretten van den dichter bevinden. 

4) Voor Staring en Tollens verwijs ik naar de vroeger genoemde 



179 

werken ; de titels der in den tekst genoemde bundels volledig in 
den Cat. v. d. Maatsch. der Ned. Lett. 

Voor de studie van Tollens zij hier nog het Tollens-Album 
(verzameling van Dr. Wap) genoemd, dat zich almede bevindt in de 
boekerij van de Maatsch. der Ned. Lett. 

Voor de Klyn's zie men: Gedichten van H. H. Klyn {Amst 1828); 
Nagel, en Verspr. Gedichten en Redevoeringen (van denz. Niet in den 
handel) Amst. 1856; Gedichten van Bd Klyn 52. (Amst. 1817- 1828); 
De Driften (in afz. uitgaaf van 1812); Zwitserland (id.) 1828; voorts: 
J. DE Bosch Kemper's Levensbericht van H. H. Klyn (i/d Levensber. 
V. d. Maatsch. der Ned. Lett. 1856), het vroeger genoemde boek van 
Charles Boissevain Onze Voortrekkers en Groenewegen's Pot- 
gieter, p. 7 — 10. BORGER's Dichterlijke Nalatenschap met inleiding 
door W. Eekhoff (Schiedam. H. A. M. Roelants. Volksuitgaaf); de 
vergelijking tusschen Borger en Nieuwland door Busken Huet 
in zijne Lett. Fant. en Krit. XXIV, 13. 

Gedichten van Mr. Jan ten Brink (Amst. 1823); Levensbericht door 
Prof. N. C. DE Fremery; Hulde door Siegenbeek e. a. Een bundel 
losse stukken van J. ten Brink ter Univ. Bibl. te Leiden. Er zou 
een opmerkelijke parallel (overeenkomst en verschil) te trekken zijn 
tusschen dezen Jan ten Brink en zijn gelijknamigen kleinzoon (later 
hoogleeraar te Leiden), door hem op diens eersten verjaardag (15 Juni 
1835) begroet met een gedicht. 

5) Bij de vroeger genoemde literatuur over Bilderdijk voeg ik 
hier nog slechts een stuk over De Dieren van den heer J. Hobma 
in Taal en Letteren Xllle Jaargang; Pierson's hierboven aange- 
haalde uitspraak in zijne Verspr. Geschriften II, 152. 

6) Literatuur: Da Costa' s Kotnpleete Dichtwerken ... . door J. P. 
Hasebroek (Arnhem, D. A. Thieme 1870); Levensberigt van Mr. 
Is. da Costa door Mr. H. J. Koenen in Levensber. van de Maatsch. 
der Ned. Lett. 1860; Ten Brink's Geschied, der Noord-Nederl. Let- 
teren in de XlXe eeuw (2e druk , bezorgd en bijgewerkt door Taco 
H. de Beer) I, 38-131; W. G. C. Byvanck, De Jeugd van Isaac 
da Costa (Leiden 1894 -'96); Oosterzee, Iets over Da Costa; 
Pierson's Oudere Tijdgenooten (ook over W. de Clercq); Isaac 
da Costa. Een Gedenkrede van denz. (Haarlem 1865); Brieven van 
Mr. I. da Costa ed. Mr. Groen van Prinsterer (Amsterdam 1872); 
Een en ander uit het leven van Dr. Da Costa, door hemzelven be- 
schreven (Amsterdam 1845). 

Over Willem de Clercq, behalve den bovengenoemden bundel 

12* 



180 

Oudere Tijdgenooten in de eerste plaats de uittreksels uit zijn Dagboek 
uitgegeven door A. Pierson en De Clercq's jongste kleindochter 
(Haarlem, Tjeenk Willink 1888); voorts: Herinneringen uit het Leven 

en den Omgang van Willem de Clercq door Mr. I. da Costa 

(Amsterdam, Höveker 1850) en Willem de Clercq herdacht door 
Johannes Bosscha ('s-Gravenhage. M. Nijhoff 1874). 

Een kleine bijdrage tot de geschiedenis van het geslacht Da Costa 
levert de volgende mededeeling uit het Journael van Constantyn 
HUYGENS den Zoon II, 345, waar men op het jaar 1694 leest: 
„Mevrouw Acosta, moeder van de vrouw van Soasso, was mede aen 
boord gekomen ende had met haer soon de Capiteyns camer, nevens 
noch een seer oude Jood, die oock naer Hollant gingh met syn 
vrouw, oock seer oudt , om daer, soo sij seyden, te gaen sterven." 

De hier voorkomende mededeelingen aangaande de geschiedenis 
der Nederlandsche Joden zijn door mij ontleend aan Geschiedenis 
van het volk Israël door M. Monasch (Amsterdam. \'an Creveld & Co. 
1891) III, 272 vigg. 

Potgieter's uitingen over Da Costa in 1835 te vinden in zijne 
Verspr. en Nagel. Werken, Krit. Studiën I, 50-51. 

7) Maria van Heukelom als „liefhebster van de romans van 
Walter Scott" genoemd in het bovenvermeld werk Onze Voor- 
trekkers (ao 1830). LooTS' vertaling van Bvron's Fare thee well in 
zijne Nagelaten Gedichten II, 221. Byron onder de Haarlemsche 
rederijkers, is te vinden in Vruchten ingezameld door de aloude 
Rederijkkamer De Wyngaerd ranken (Haarlem. V. Loosjes 1836) 
Ile Deel, p. 94 vlgg. ; men vindt hier nl. een vrij uitvoerige verhan- 
deling over „Het Leven en de Werken van Lord Byron". Wordsworth 
in De Clercq's Dagboek II, 15 genoemd. Simons over Shakespeare 
in de bovengenoemde Verhandelingen p. 23, 91. 

Aangaande de vertalingen naar Lamartine vgl. Sifflé's Gedichten 
(1825): Keuze uit de Nagelaten Gedichtjes van Jacob van Eeghen 
(1835) p. 124; Atalaas Dood in Gedichten van J. Immerzeel Jr. 
(1823) II, 25; de mededeeling over CoRNELis VAN Marle 'm Levens- 
schets van G. W. Vreede (Leiden 1883) p. 32-33. 

Van Dam van Isselt contra Bilderdijk in zake Schiller, in 
de Gedichten van eerstgenoemde, die in 1823 te Utrecht verschenen, 
p. 107. Warnsinck's vertalingen in: Vertellingen, Romancen en 
andere stukjes naar het Hoogduitsch (Amst. 1835); de mededeeling 
over G. J. Boissevain in Onze Voortrekkers (aO 1823). 



181 

Over vertalingen naar V'ictor Hugo , ook de later genoemde door 
LuLOFS vgl. de rede door wijlen Prof. A. G. van Hamel gehouden 
ter jaarvergadering van de Maatsch. der Ned. Lett. (zie: Hand. en 
Meded. 1901-1902, p. 41 vlgg.); Klyn'S gedicht op LOOTS met den 
uitval tegen de romantiek te vinden in zijne Nagel, en Verspr. Ged. 
en Redev. p. 10. 

Over Limburg Brouwer te verg. de uitgaaf zijner Romantische 
Werken en voorts: P. van Limburg Brouwer door C. U. J. Huber 
(Groningen 184S). Een eenigszins voldoende geschiedenis der klas- 
sieke philologie in Nederland zou ons ook hier goede diensten kunnen 
bewijzen — indien wij er eene bezaten. 

De opmerking van Wiselius over het gebruik van het Fransch in 
het voorbericht zijner Mengel- en Tooneelpoëzy Deel 111 (p. X, 
noot 6). De titels der werken van D. J. v.\N Lennep o. a. in den 
Catal. V. d. Maatsch. der Ned. Lett.; de bovengenoemde Verhandeling 
Over het belangrijlie enz. in V.\N Ka.mpen's Holl. Magazyn Vil, 113. 

Doyer's vergelijking tusschen de Iphigenie van EURIPIDES en die 
van Goethe in : Nieuwe Werken der Holl. Maatsch. van F. K. en 
Wet. II, die van Van Kampen tusschen bovengen. heldendichten in 
hetzelfde werk III. Van Kampen's Levens- en Karakterschets door 
Samuel Muller kwam uit in 1840. 

De Gedichten van LULOFS zijn in 1851 te Groningen uitgegeven. 

De noodige aanwijzingen omtrent Geel en zijne geschriften vindt 
men in het voortreffelijk proefschrift van Mej. Dr. M. J. Ha.makeR: 
Jacob Geel, naar zijn brieven en geschriften geschetst (Leiden, 
Gebroeders Van der Hoek 1907). Dr. Hamaker heeft ons niet alleen 
een blik op Geel als mensch gegeven, gelijk niemand vóór haar; 
maar ook een betrouwbaren grond gelegd voor wie G. en zijn werk 
in de toekomst willen bestudeeren. 

Het Gesprek op een leidschen buitensingel over poëzy en arbeid is 
ongedateerd; ik vermoed, dat het van 1834 is, omdat er in gespro- 
ken wordt van een pasverschenen Horatius-uitgave, die kwalijk een 
andere kan zijn dan die van Peerlka.mp („een snoeyersbaas - die 
Uitgever" enz.); die uitgaaf nu is van 1834. 

Van Kampen's Verhandeling over den historischen stijl is te vinden 
in Werken der Holl. Maatsch. van F. Kunsten en Wetenschappen 
VIII. Over Geel contra Beets ook Nicolaas Beets door P. D. Chan- 
tepie de la Saussaye, p. 47-49. 

Beets schreef aan Potgieter (Ha.maker p. 14), dat men in 



182 

Geel's stijlkarikaturen van den goelijken, den voorzichtigen en den 
knorrigen stijl Siegenbeek en Tydeman „zeer zichtbaar" achtte; 
doch men legge een stukje proza van Beets zelven uit zijn jongen 
tijd (Dichtwerken, Amsterdam, W. H. Kirberger 1878 I, 72-73, 
aP 1835) eens naast Geel's proefje van den „verwaanden stijl". Is 
ook daar de gelijkenis niet „zeer zichtbaar"? Ook aan Van der 
Palm's Gedenkschrift doet Geel's karikatuur van den verwaanden 
stijl ons meer dan eens denken. 

Voor de studie der Romantiek als algemeen literair verschijnsel zijn 
van belang De Musset's geestige Lettres de Dupuis et Cotonet 
{1836- '37), in den eersten brief worden dergelijke vragen behandeld 
als in het Gesprek op den Drachenfels. 

Over Geel als philoloog handelt het proefschrift van Dr. A G. 
WientjeS: De Jacobo Geelio philologo classico (Lugd. Bat. apud 
Van der Hoek fratres MCMIX). 

Eerst nadat dit deel van den tekst mijner Geschiedenis was afgedrukt, 
zag ik in De Vooys' uitgaaf van O. en Pk. (Wereld-Bibl. p. 203), 
dat achter DIOCLES en Charinus een paar Duitsche professoren 
schuilen. Er kan dus wel „iets van Bake" in Diocles schuilen; 
immers B. sprak veel met G. over dit onderwerp; maar een ander 
zat toch voor het fantazie-portret. 

*^) Zooveel mogelijk is het, voor dit hoofdstuk gebruikt, materiaal 
in den tekst genoemd. Voor de volledige titels van minder belangrijke 
tooneelwerken of geschriften verwijs ik naar den Catal. v. d. Maatsch. 
der Ned. Lett. en Dr. WORP's Drama en Tooneel II, dat mij ook 
hier eenige goede diensten bewezen heeft. Ter aanvulling slechts worde 
hier het volgende vermeld. De mededeeling over den opgang, door 
Klyn's Montigny gemaakt, ontleende ik aan het meermalen genoemd 
werk Onze Voortrekkers p. 212. 

Een levensbericht van A. van Halmael Jr. door W. Eekhoff 
vindt men in de Levensberichten van de Maatsch. der Ned. Lett. 1851. 

Over Rozenveld, den acteur, na zijne ontsnapping uit Frankrijk ten 
tooneele te Amsterdam verwelkomd, vgl. De Clercq's Dagboek I, 66. 

LOOTS over Snoek in Loots, Gedichten IV, 153. 

Kinker's verzen op Sardet in Gedichten van Mr. J. Ki'ikerlW, 125. 

Voorts verwijs ik naar Mengel- en Tooneel Poezy van Mr. Saniitel 
Iperuszoon Wiselius (Amsterdam 1818), Nieuwe Dichtbundel van 
denz. (Amsterdam 1833) en het Leven van Wiselius, door zijn 
schoonzoon Limburg Brouwer beschreven (over de tooneelschool 
p. 265-266). 



BOEK VIII. 

DE NIEUWE T IJ D. 



I. 1830-1848. 

wToen de scheiding van Noord en Zuid haar beslag had 
gekregen, brak voor ons land een der ongelukkigste tijdperken 
uit zijne nieuwste geschiedenis aan. Geen initiatief, geen moed, 
klachten over toenemende armoede, twijfelmoedigheid en wan- 
trouwen in de toekomst" - aldus laat zich een geschiedschrijver 
uit over de jaren, die op 1839 volgden. Ook na deze ebbe 
echter gaat het tij wassen. Uit enkele verschijnselen zou een 
opmerkzaam beschouwer misschien reeds toen tot nieuw leven 
hebben kunnen besluiten. Spoorweg, stoomboot en telegraaf 
komen de rustige rust verstoren, die menigeen deed indommelen, 
al gingen zij de zenuwachtigheid verhoogen. 

Het pauperisme nam - het is waar - schrikbarende afme- 
tingen aan , doch begon tevens de oogen der burgerij iets wijder 
te openen: in 1847 werd de eerste kinderbewaarplaats opgericht, 
twee jaar later de eerste school voor havelooze kinderen, in 
1850 het asyl Steenbeek. De reactie had in menig opzicht veld 
gewonnen; maar de wensch naar hervorming van het staatsbe- 
stuur bleef toch bestaan. De conservatieve Commissie tot grond- 
wetsherziening deed niets ; doch Thorbecke's Aanteekening op 
de Grondwet van het jaar 1839 schrikte haar en het conservatieve 
deel van ons volk wakker. In dezen Zwollenaar van Westfaalsche 
afkomst (geb. 1798), gedurende een lang verblijf in Duitschland 
(1820- '24) in verkeer met de edelste geesten gevormd tot een 
uitnemend geleerde, tot een rechtschapen man van hoog on- 
buigzaam karakter, vonden de liberale denkbeelden een ver- 



186 

nieuwer; vond al wat jong en vooruitstrevend was, een 
voorganger gelijk zij zich geen beteren konden wenschen. 

Thorbecke zag wel, dat „een op bezit van uitwendige 
goederen gegrond stelsel van voorregten" in de plaats was 
gekomen van „persoonlijk standsvoorregt" en zou zijn best 
doen dien hinderpaal op den weg der volksontwikkeling uit 
■den weg te ruimen. Hij besefte ten volle, dat er aan onze 
volksontwikkeling veel ontbrak en durfde ronduit zeggen: »De 
middelmatigheid beslaat bij ons eene breede ruimte; er worden 
bij ons boeken geschreven en met stichting gelezen, die elders 
slechts het uitwerksel hebben zouden de volslagen onbekwaam- 
heid van den auteur aan een ieder in het oog te doen vallen; 
allerlei persoonlijke bedenkingen en vreesachtigheden zijn aan 
de opkomst eener hartige kritiek in den weg; vele namen zonder 
gehalte hebben bij ons courante waarde, alléén van wege den 
publieken stempel .... Wij zien meer terug dan vooruit; wij 
schatten soms overdreven, wat vroeger gedaan is, wat zijn tijd 
gehad heeft, in plaats te bouwen voor de toekomst. Wij ont- 
leenen den regel, in plaats dat wij, al doende, regel zouden 
geven. Wij zijn met den nieuwen levensloop van Duitschland 
nog slechts in gedeeltelijke gemeenschap". 

Hier en elders in dit stukje, vol sobere kracht {Onze be- 
trekking tot Duitschland 1837), blijkt duidelijk welken koers 
Thorbecke voor zijn volk het meest gewenscht achtte: „wij 
zijn nederlanders; wij zijn geen duitschers"', schreef hij; toch 
geloofde hij , dat wij onze individualiteit moesten ontwikkelen 
in verband met den Duitschen volksgeest. Die lijn van volks- 
ontwikkeling lag min of meer in de richting der Romantiek. 
Ook anderen richtten hun blik over de enge grenzen van onzen 
staat en - op D. J. van Lennep's voorbeeld - hun aandacht 
op die verwanten van onzen stam, die elders op de wereld 
leefden. Oranje ging hier voor: in 1838 kwam Prins Hendrik 



187 

met de „Bellona" naar Zuid-Afrika, bezocht Kaapstad en werd 
te Stellenbosch en ten platten lande met Oranje-vlaggen ver- 
welkomd. Ook uit andere feiten blijkt, dat de banden met het 
moederland niet geheel losgemaakt waren, al hadden Neder- 
landsche lauwheid en kortzichtigheid die laten glippen: nog 
altijd studeerden er Kapenaars aan onze academiën - Klikspaan 
stelde hen hoog; in 1842 werden Van Alphen's Kindergedichtjes 
te Kaapstad herdrukt; hoe treffend bleek de aanhankelijkheid 
•der Natalsche boeren aan het moederland , toen het Nederlandsch 
koopvaardij-schip „de Brazilië" rechtstreeksche betrekkingen met 
hen kwam aanknoopen. Willem de Clercq , als Nederlander 
en afstammeling van réfugié's dubbel verwant met de Zuid- 
afrikaansche Hollanders, voelde zijn nationaal gevoel „geheel 
levendig" worden bij dit feit en „groote liefde voor die menschen, 
die nog zooveel waarde in den Hollandschen naam stellen". 

Dit nieuwe leven was het werk van een nieuw geslacht, 
omstreeks 1810-'20 geboren, dat tusschen 1830- '40 in ons 
volksleven gaat optreden en omstreeks 1840 — '48 zijn eersten 
bloei beleeft. De schilderkunst, barometer van onzen volksgeest, 
begint te stijgen: Bilders (1811 -'81) is een der eersten, die 
zich losmaken van de o. a. door Koekkoek, Schelfhout en 
Meyer geschapen traditie; Rochussen (1814 -'95), illustrator 
van middeleeuwsch en zeventiend'eeuwsch leven, doet met 
teekenpen en penseel wat de schrijvers van berijmde verhalen 
en historische romans op hunne wijs deden; Bosboom (1817 -'91) 
openbaart zijn volk de verheven schoonheid der gothische kerken, 
die hij, zoon der Nederlandsche Romantiek, liefst stoffeert met 
zeventiend'eeuwsche figuren. De Nederlandsche muziek, zoo 
laag gedaald van de hoogte waarop zij vroeger stond , herkrijgt 
met Heije (1809-1876) en Verhulst (1816 -'91) met Boers, 
Brandts Buys en Bastiaans een deel van hare vroegere kracht 



188 

en haar nationaal karakter. Voor de beoefening der natuur- en 
geneeskunde breekt met 1840 een nieuw tijdvak aan: Donders, 
ScHROEDER VAN DER Kolk, Wenckebach, Hartixg, Mulder, 
Kaiser en anderen vertegenwoordigen hier de nieuwe kracht. 
De \'ries en Joxckbloet worden baanbrekers voor de Xeder- 
landsche philologie en literatuur-geschiedschrijving; Bakhuizen 
VAN DEN Brink, Groen van Prinsterer, Moll voor de 
moderne historiographie ; Scholten en Opzoomer zijn de 
banierdragers van theologie en wijsbegeerte; Cobet handhaaft 
den ouden roem der klassieke philologie, Dozy dien der 
Oostersche studiën te onzent. 

Om de weerga van zulk een nieuwen opbloei van genie en 
talent onder ons volk te vinden, moet men terug tot het 
geslacht waartoe Vondel behoorde. De Nederlandsche volks- 
kracht, in lange jaren van vernedering en verdriet onderdrukt, 
ontplooide zich in dit geslacht van den aanvang der 19'^^ eeuw 
met een volheid en breedheid als sedert den aanvang der 17^^ 
eeuw niet gezien waren. Tot dat geslacht behoorden de dui- 
zenden, die mede uittrokken tegen de Belgen; later een kern 
onder ons volk, die het herleefd nationaliteitsgevoel hielp be- 
waren voor verdorring en versterving. Een krachtig geslacht: 
matig, zelfs sober; licht ontroerd, niet diep van gevoel; met 
zin voor eenvoudige levensvreugd; meer geneigd tot het ethische 
dan tot het aesthetische en meer tot het bedrijvig dan tot het 
beschouwend leven; vroom en kerksch; een geslacht, dat aan 
het individu wel zekere vrijheid gunde, maar op voorwaarde 
dat het zich niet onttrok aan zijne maatschappelijke verplich- 
tingen. Aan de sentimentaliteit waren zij nog niet ontwassen: 
bij Hasebroek en Beets, Potgieter, Drost en anderen van 
dien tijd zullen wij het sentimenteele aantreffen; \'an Oosterzee, 
geboren in 1817 en dus iets jonger dan zij, vergiet „warme 
tranen" bij de eerste lezing van Feith's Julia en Ferdinand 



189 

en Constantia. Maar die sentimentaliteit vond een tegenwicht 
in een mengeling van praktische vroomheid en oudhollandsche, 
eenigszins ruwe, kracht. Die mengeling zien wij o. a. in den 
Rotterdamschen rector Terpstra, die zijn abituriënten deze 
slotvermaning placht medetegeven : „Jongelui , bidt God en 
eet geen peper." 

Een deel van dit geslacht voelde zich aangetrokken tot de 
taak om de liberale denkbeelden te verwerkelijken, en te ver- 
dedigen tegen de reactie. Die liberalen stelden zich meerendeels 
ook in zaken van geloof en godsdienst tegenover het oude; 
er doen zich in dezen echter allerlei verbindingen en schakee- 
ringen voor. Hofstede de Groot, hoogleeraar te Groningen, 
verklaarde in 1834 „dat de vraag of de leeraars der Hervormde 
Kerk Dordtsch-rechtzinnig behoorden te zijn , slechts ontkennend 
mocht beantwoord worden"; het evangelisch supra-naturalisme 
der zoogenaamde Groninger school werd door velen in den 
lande als gevaarlijke ketterij beschouwd. Naast en bijna tege- 
lijkertijd met die Groningers zien wij te Leiden en Utrecht de 
„modernen" opkomen, die met behulp van historische critiek 
en wijsbegeerte, op voorgang van Duitsche theologen, een 
nieuw stelsel van begrippen en opvattingen omtrent geloof en 
godsdienst scheppen. 

Het beslist optreden der Groningers prikkelde de orthodoxie 
tot verzet: in Mei 1842 vorderden eenige Bilderdijkianen 
(Groen van Prinsterer, Dirk van Hogendorp en vijf 
anderen) het hoogste kerkgezag op tot strikte handhaving der 
oude kerkleer, herziening der reglementen en handhaving der 
tucht. Sedert 1845 hield deze partij, onder voorzitterschap van 
Groen van Prinsterer, hare halfjaarlij ksche bijeenkomsten 
te Amsterdam; haar orgaan: Christelijke Stemmen stond onder 
leiding van Otto Gerhard Heldring, predikant te Hemmen. 

Ook in een ander deel van de partij des behouds, de 



190 

R. Katholieken, begon meer leven te komen. Tot dusver 
schenen de ontwikkelden onder R. Katholieken en Protestanten 
niet zoo heel ver van elkander te staan. De, later zoo bekend 
geworden, Utrechtsche hoogleeraar Vreede mocht, de dagen 
zijner jeugd herdenkend, schrijven: ^Alleraangenaamst was 
destijds (1821 -'25) in Noord-Brabant de onderlinge verhou- 
ding der gemengd Protestantsch-Katholieke gezellige kringen." 
Bakhuizen van den Brink toont zich nog in 1844 „vol van 
herinneringen aan een Vaderland, waar de verlichte Katholijk 
en de verlichte Protestant elkander zoo vol vertrouwen en zoo 
broederlijk naderen." Maar reeds tijdens de regeering van 
Willem I begonnen de voorteekenen van een scherper scheiding 
tusschen Roomschen en Protestanten zich te openbaren; onder 
Willem II, den R. Katholieken welgezind en niet onvoorwaar- 
delijk ingenomen met de Protestantsche kerkleer en kerkvormen , 
richtten de R. Katholieken een eigen tijdschrift op {De Katholiek 
1842) en een eigen dagblad De Ti/ d {\ 846) , die bestemd waren 
veel invloed te oefenen; reeds was het Ultramontanisme bezig 
de kloof tusschen beide gezindten breeder en dieper te maken. 

Dat waren de voorname partijen, wier streven ook in de 
literatuur tot uiting kwam. Maar in die ruw geschetste groepen 
vinden wij allerlei nuanceering, tusschen die vormen van gods- 
dienstig leven menigen overgangsvorm, tusschen die verschil- 
lende elementen tal van verbindingen. Zoo rekent men Groen 
VAN Prinsterer met recht tot de anti-revolutionnairen; maar 
hij zelf verklaart: „Van Bilderdijkianisme was bij mij geen 
zweem. Door deze contra-revolutionaire felheid ben ik niet 
medegesleept" ; hem immers had de invloed van Plato behoed 
tegen de „overrompeling eener zeldzame genialiteit" en die van 
des Meesters „sofistischen trant". In den strijd tegen de school- 
wet van 1806 gingen orthodoxe Protestanten en R. Katholieken 



191 

samen; maar dat Mejuffrouw Toussaint \n Het Huis Lauernesse 
(1840) aandrong op rechtvaardiger beoordeeling der Roomschen, 
prikkelde menigen orthodoxen Protestant. In den strijd tegen 
de Groninger School en het opkomend modernisme waren 
felle en gematigde orthodoxen bondgenooten ; maar in andere 
opzichten ging elk zijn eigen weg. Tusschen de orthodoxen 
eenerzijds en de modernen anderzijds vormde zich een derde 
partij, die de „kerkelijke rechtzinnigheid met de erkende resul- 
taten van moderne wetenschap" trachtte te verzoenen. De Oids 
mocht met recht het tijdschrift der liberalen heeten; maar 
daarom nog niet dat der modernen: nam de Redactie niet in 1843 
Ter Haar onder hare leden op? Potgieter was omstreeks 
1845 ongetwijfeld een echt liberaal; maar hij noemt Opzoomer, 
Van Vloten en Veth in dat jaar „afbrekers die niets gelooven"; 
in het volgend jaar schrapte de Redactie in een stukje van haar 
medewerker Van Vloten een zinspeling op de Tubinger ketterijen. 
Na 1848 zullen de partijen zich scherper gaan afteekenen en 
krachtiger te weer stellen; de grondwets-herziening van dat 
jaar zal een grooter aantal leden der gegoede middelklasse 
deel geven aan de regeering en de belangstelling in de publieke 
zaak in ruimer kring verbreiden. Terecht beschouwt men dat 
jaar 1848 dan ook als het eerste eener nieuwe orde van zaken. 
Maar het leven der literatuur hangt af van andere oorzaken 
dan het staatkundig leven en leidt tot andere uitkomsten: het 
eerste geslacht der \9^^ eeuw, dat wij hierboven in enkele 
lijnen trachtten te schetsen, begint op staatkundig gebied eerst 
in 1848 werk van beteekenis te verrichten; op het veld der 
letterkunde daarentegen heeft het dan zijn beste werk grooten- 
deels reeds geleverd. Zoo blijkt ook hier de waarheid van 
Shelley's woord: dat de poëzie een weldadigen omkeer in 
eens volks meeningen en instellingen niet alleen begeleidt en. 
volgt, maar ook aankondigt i). 



192 



HET OUDERE GESLACHT EN ZIJN GEESTVERWANTEN BIJ 
HET BEGIN VAN DEN NIEUWEN TIJD. 

(Tollens en Spandaw. Da Costa. Withuys, Bogaers en 

Boxman. Van den Bergh en Van Zeggelen. 

Limburg Brouwer). 

Wie den Muzen-Almanak van de jaren 1835 -'40 door- 
bladert, vindt er ouderen en jongeren in bonte mengeling en 
vreedzaam bijeen: Beets, Hasebroek, Potgieter, Heije, 
Van Lennep, Van der Hoop, Ten Kate, Winkler Prins, 
De Hoop Schepper, Hofdijk naast iets oudere tijdgenooten 
als Boxman, Withuys, Bogaers en vrij wat ouderen als 
Jan ten Brink, Immerzeel, Klyn, Tollens, Warnsinck. 
Uit vele, hier voorkomende, navolgingen of vertalingen blijkt 
de invloed der buitenlandsche romantiek. Het verzet tegen 
dien invloed, waarvan wij vroeger gewaagden, scheen nieuwe 
kracht te zullen krijgen door den wassenden invloed van 
Bilderdijks beginselen. In de Nederlandsche Stemmen over 
Godsdienst, Staat- Geschied- en Letterkunde (111, 22) wordt 
gewaarschuwd tegen «de nieuwerwetsche dichtsoort der Roman- 
tische School'", die «werkt op onze zwakke en zondige inborst 
door voorstellingen alleen geschikt om het haar mede aan- 
geboren sympathetisch gevoel voor misdaad , onreinheid en 
wanstaltigheid op te wekken en uit te breiden"; Goethe's 
invloed wordt hier niet minder verkeerd geacht dan die van 
BvRON en Victor Hugo. Daartegenover moeten wij echter 
stellen, dat een gemoedelijk-orthodox jongman als W. G. Brill 
in De Gids van 1839 en 1840 zijn best deed om een billijker 
en juister oordeel over Goethe ingang te doen vinden. 

Van de oudere auteurs, die wij in den aanvang van dit deel 
hebben behandeld, waren Kinker, Van Hall, Geel, Van 
Lennep, Wiselius, Harmen Klyn, Van der Palm nog in 



193 

leven; doch wat zij na 1840 voortbrachten, beteekent niet veel , 
al bleven sommigen hunner gezag en invloed behouden. Anders 
stond het met Tollens en Spandaw, die ook na 1840 aan 
het werk blijven en over wie wij hier dus in de eerste plaats 
hebben te spreken. 



TOLLENS EN SPANDAW. 

Blijf, o blijf! het uurglas loopt; 
't Wordt al langzaam tijd van scheiden; 

met die verzen richtte de bejaarde Tollens zich tot zijn 
zangster, toen zij eens wat langer dan gewoonlijk was uitge- 
bleven. In dat stukje Aan mijne Zangster, in verzen als: 

Meisje, meisje! dat ge 't wist. 
Wat ik heimlijk moest verduren: 

als ware de Muze een «hitje", hooren wij de ons bekende slem 

weder. Hij was dan ook geheel dezelfde gebleven ; slechts ging 

hij beseffen dat zijn pad bergaf liep, zooals bleek uit den titel 

Laatste Gedichten van den bundel dien hij in 1848 uitgaf. 

Hier is weer de dankbaarheid van den Christen, wien het 

goed gegaan is, al had hij in 1838 zijn „onvergetelijke" vrouw 

en zijn oudsten zoon moeten verliezen ; Nederland is hem 

nog altijd het beste land ter wereld; nog waakt de „God van 

Neêrland" erover; de opkomende democratie met haar „volks- 

geschreeuw" behaagt hem weinig, maar mannen als de Minister 

Van Maanen bleken toch tegen den „vlammende(n) oproer- 

draak!' bestand (1842). Nog geniet hij van de natuur «Gods 

wonderwerk"; nog herkennen wij de overblijfselen der oude 

sentimentaliteit in de verzen Aan de Maan en in het bewust 

genieten van „'t heimlijk wee der ziel" {Herinnering). 
KALFF, Letterkunde. VU. 13 



194 

Met grootvaderlijke bezorgdheid slaat hij de vogels in zijn 
moestuin gade: 

Weest voorzigtig, al te dartlen ! 
Niet zoo woelig, niet zoo druk! 
Krijgt toch maar geen ongeluk! 

hij houdt zijn ervk^tjes liefst voor zich, maar de tuinman mag 
niet dadelijk op de gevleugelde stroopers schieten: 

Hoor eens: als ze 'tschaplijk maken, 
Zie wat door de vingren, baas! 

(De Vogelen.) 

Hij is nog altijd deftig, deftig; maar ook steeds huiselijk en 
gemoedelijk. Wij vinden in deze Laatste Gedichten de populaire 
vergelijkingen van vroeger terug; in zijn berijmde verhalen 
{Hondentrouw , De Brand , De Echtbreekster , De Wraak) den 
lust tot sterke effecten en de beschrijvingskunst. Een enkelen 
keer worden wij getroffen door een aardig slot als dat van 
De Geuzenvronw te Gouda, waarbij wij een oogenblik aan 
Staring denken. 

Het opmerkelijkst misschien onder Tollens' werk van dezen 
tijd is zijn philanthropische of ten minste maatschappelijke poëzie. 
De Gevels van de Huizen bevat weliswaar de conventioneele 
voorstelling uit Van Alphen's tijd: handenwringende, schreiende 
of teringzieke rijken achter arduinen wanden tegenover vroo- 
lijke, van gezondheid bloeiende armen achter leemen muren. 
Maar in Bedelbrief in den langen winter van 1844 en '45 hooren 
wij het pauperisme zijn stem verheffen, in Weldoen en De 
Pleegzuster een eenvoudiger en natuurlijker beschouwing der 
armoede; in '5 Konings Vrijspraak - ondanks de wat zoetelijke 
voorstelling van den Koning-Vader des volks ~ een humaner 



195 

en rechtvaardiger beschouwing van vergrijpen tegen de maat- 
schappelijke orde dan toen den meesten eigen was. 

Die laatstgenoemde gedichten waren wel geschikt de popu- 
lariteit te verhoogen van wie reeds zóó populair was. In 1846 
had Tollens een reeds lang bestaanden wensch vervuld gezien: 
hij had Rotterdam en de zaken vaarwel gezegd en was buiten 
gaan wonen. De bewoner van Ottoburg te Rijswijk werd meer 
en meer een letterkundig patriarch. Deftige Rijswijkers noo- 
digden hem op hunne diners en soupers; oudere en jongere 
letterkundigen kwamen hem opzoeken; hij was of werd lid 
van alle mogelijke taal- en letterkundige genootschappen; geen 
gewoon lid, maar „buitenlid", „briefwisselend lid", „lid van 
verdienste", „lid van eere" of -eerelid", „beschermheer". Kwam 
hij in een openlijke vergadering, allen stonden op en begroetten 
hem met gejuich en handgeklap; zat hij aan bij een feestmaal, 
zijn volkslied werd aangeheven; uit alle oorden des lands zond 
men hem brieven vol dank en bewondering. 

Toch was de kentering zijner populariteit reeds aangevangen. 
Hij zag een nieuw geslacht naast zich opkomen en achtte het 
veiliger „met zijn vedel afletreden", zooals wij lezen in het 
gedichtje Afscheid. Uit dat stukje zou men opmaken, dat de 
68-jarige voor het werk dier jongeren slechts waardeering of 
bewondering koesterde: 

Scheller toonen zijn aan 't stijgen. 
Stouter snaren slaan akkoord. 
Voller aders bruisen voort. 

Doch dat is reeds op zich zelf moeilijk aantenemen; boven- 
dien blijkt van elders, dat Tollens' meeningen over het werk 
der jongeren ten minste zeer verdeeld waren. Meer dan een 

zijner oude kunstvrienden - vertelt hij zelf ons in het Voor- 

13* 



196 

tericht der Laatste Gedichten - had hem verzocht »(z)ijn 
oordeel over den tegenwoordigen staat onzer poëzij .... te 
doen kennen". Maar Tollens wilde er liever het zwijgen toe 
doen; hij was niet bevoegd tot oordeelvellen, zeide hij. Ook 
die verzekering moet «cum grano salis" worden verstaan; in 
een brief aan Schotel ten minste acht hij zich bevoegd genoeg 
om te verklaren: „ook dat ophalen van middeleeuwsche klooster- 
legenden, dat erbarmelijk mystisch gerijm .... is mij zeer 
tegen de borst" en naar aanleiding (\tx Redevoeringen van Des 
Amorie van der Hoeven (1845) te schrijven: „Dat is nog 
eens weder duidelijk, degelijk, hartelijk, verstandig en verstaan- 
baar hollandsch.'Hoe steekt daar veel van den hedendaagschen 
romantischen doolhof- of dolhuis-stijl bij af, waarvan men 
hoofdpijn krijgt .... Ik bedoel voorzeker geen Beets, Hase- 
broek, ToussAiNT, maar .... doch ik wil geen namen noemen". 
Hij vermoedde wel, dat sommige „jonge regters in den raad" 
met „een lach van spot of smaad" naar zijne zangen luisterden. 
Geheel ongegrond was dat vermoeden niet. Schimmel zegt ons 
ten minste van de jaren onmiddellijk vóór en na 1848: „men 
begon Tollens' Volkslied minder aangrijpend schoon te vinden 
en hem die als volksdichter bij uitnemendheid gold, meer als 
tolk van een huisbakken moraal dan van het Nederlandsche 
menschenhart te beschouwen". Maar het zou nog lang duren , 
voordat deze beschouwing de heerschende werd. 

Tollens' geestverwant Spandaw had in de jaren tusschen 
1813 en 1840 minder van zich doen hooren dan vóórdien tijd. 
Met Het Vogelnestje (aO 1822) „Ziet ge ginds dien pronk der 
dalen", had hij opgang gemaakt; in een stukje als Aan mijn 
Vaderland, dat in 1838 den vorm kreeg dien het nu heeft, 
ging hij voort op de vroeger door hem betreden wegen. Maar 
evenals Tollens, begint hij te beseffen dat zijn tijd voorbij is. 



197 

Alleen in het gedicht Vooruitgang (1848) gelukt het hem iets 
te leveren, dat zich boven het peil zijner gewone middelmatig- 
heid verheft. Hier hooren wij iemand, die zich een bezadigd 
vriend van den vooruitgang noemt; hij ziet, hoe dreigend het 
pauperisme wordt, doch hoopt het door landbouw-kolonies te 
kunnen bezweren ; overigens waarschuwt hij tegen de nieuwe 
denkbeelden van „communisten en ultra-liberalen", tegen de 
verwachtingen der cosmopolieten, dat de wereld één huisgezin 
zal worden door de uitbreiding der verkeersmiddelen. De 
70-jarige Spandaw trekt één lijn met den 23-jarigen Beets, 
waar het hem ergert, dat de nieuwe historische wetenschap den 
aureool van menigen naam deed tanen of verdwijnen. Ook 
elders ziet hij slechts achteruitgang: vroeger stelde men 
het „huislijk heil" hoog, nu „het burgerschap der aard"; nu 
streeft men slechts „naar rijkdom .... naar vermaak en zin- 
genot"; het materialisme heerscht zoowel in het werk van 
Walter Scott, Goethe en Byrox, als in en buiten Neder- 
land; »al wat de zinnen streelt .... wordt driftig nagejaagd". 
Bij die beschouwing past wel, dat Spandaw mismoedig uitroept: 

Wien boeit ook poëzij ? ze treft niet meer 't gemoed. 
Verbeelding moet geschokt; romans alleen behagen, 
Waarin men gruw'len die de menschheid diep verlagen, 
Opéénhoopt, en gestaag in slijk en vuilnis wroet, 
't Moet al romantisch zijn, dat vindt alleen genade 
Bij d'Aristarch der eeuw 

Die 't Nibelungen-lied stelt boven d'lliade. 

Deze beschouwing van het realisme of naturalisme in den 
roman verschilt niet veel van hetgeen Potgieter daaromtrent 
in zijne studie over Frederike Bremer (1842) geschreven had; 



198 

toch was Spandaw, in vergelijking met Potgieter, een man 
des behouds. Maar die behoudsman wordt middenman, indien 
wij de litteraire vertegenwoordigers der anti-revolutionnairen en 
hunner geestverwanten op hem laten volgen. 



DA COSTA EN DE CLERCQ (Vervolg). 

O morgen waarop ons de wellust gebeurde, 
Getuige te zijn van 't herrijzen dier zon, 

Die langzaam den sluijer der neevlen niet scheurde, 
Wat wist zij van worstling? die rees en verwon! 

(Potgieter). 

Wij hebben Da Costa verlaten op een tijdstip dat hij, na 
een stadmm van geringe vruchtbaarheid ais dichter, maar 
innerlijk gerijpt en gesterkt, slechts een aanleiding noodig had 
om zich opnieuw in zijn kracht te openbaren. Die aanleiding 
kreeg hij in zijn benoeming tot lid van het Kon. Ned. Instituut 
(1839). Willem de Clercq, die lid was sinds zijne Verhan- 
deling, deed er zijn best voor; Wiselius en D. J. van Lenner 
steunden hem met hun gezag; zoo gelukte het. Een nieuwbe- 
noemde was verplicht in een openbare zitting het woord te 
voeren; hij moest spreken. Da Costa wist, dat hij daar staan 
zou voor een uitgelezen schare, waaronder hij enkele vrienden , 
maar meer tegenstanders telde. Zijn moed vlamt op. Hij zal 
spreken, neen: getuigen. Zijn geest doorvliegt den tijd die 
achter hem ligt: tijd van grootsche gebeurtenissen, tijd zijner 
eigen ontwikkeling; één forsche greep - de Vyf en Twintig 
Jaren ontstaan. 

Het is alsof dat gedicht de sluizen van den allengs in hem 



gezwollen vloed der poëzie openzet; in een tijdvak van acht 
jaren schrijft hij, behalve dat eerste groote gedicht, nog vier 
andere dergelijke: Aan Neder/and in de lente van 1844, 
Hagar (1847), Wachter wat is er van den nacht (1847), 1648 
en T848 ; bovendien verscheidene kleinere gedichten; ook blijft 
die stroom van verzen nog een paar jaar na 1848 aanhouden. 
De dichter zelf heeft in twee voorberichten van het jaar 1847 
het verschil tusschen deze en zijn vroegere poëzie aangeduid: 
meer dan vroeger heeft hij nu behoefte aan „die historische 
openbarmg, waarvan het leven en de grondslag is de Heil- 
belofte des Ouden en des Nieuwen Testaments"; gedichten als 
de hymne Voorzienigheid vorderen nu z. i. „nauwlettende 
toetsing aan het Woord van God, ter onderscheiding van 
beproefde waarheid en gewaagde dichting"; hij zou nu huiveren 
van de lasteringen in Bvron's Caïn , zij het ook om ze te 
weerleggen; hij ziet in zijn werk van na 1840 een „menging" 
van proza en poëzie, die in het vroegere niet werd aange- 
troffen. Wij kunnen hieraan toevoegen, dat de rechtstreeks uit 
het hart gewelde lyriek schaarscher wordt; veelvuldiger daaren- 
tegen het historisch overzicht in vergelijking en tegenstelling, 
de uiteenzetting en het betoog in alexandrijnen, die den proza- 
vorm hier en daar naderen, al ontbreekt het hun niet aan 
gloed en vaart. 

Al die bovengenoemde groote gedichten zijn breed opgezet 
en forsch uitgevoerd; met groote stappen schrijdt de dichter 
door de wijde velden van het verleden; behalve Hagar, be- 
vatten zij alle vier variaties op de Bezwaren tegen den geest 
der eeuw. Zoo zien wij den dichter in Vijf en Twintig Jaren , 
na een voorspel over het herleven zijner poëzie, over het 
Jodendom, de Joodsche Muze en zijn eigen Joodsch-Christelijk 
werk, de geschiedenis van 1815 -'40 in forsche trekken 
schetsen; verleden en heden tegenover elkander stellen, maar 



200 - 

om - evenals Bilderdijk en Groen van Prinsterer - te 
getuigen van verval, en afval van God; om het materialisme 
van zijn tijd te verdoemen, den Eeuwgeest dreigend te vragen : 
«wat hebt gy met uw heerlijkheid gedaan?" en ten slotte het 
geheel te bekronen met een grootsche voorspelling van Jezus' 
komst op aarde. Zoo plant hij in het gedicht Aan Nederland 
de lichtbakens der idealen , waarop volk en vorst koers 
behooren te zetten: leven en beweging wenscht hij, maar 

ontwikkeld uit den wortel van Geschiedenis en 

Geloof! 
In zijn wezen, vrucht der tijden, — in zijn vorm, van 

dezen tijd ! 

Evenals de Vyf en Twintig Jaren wordt ook dit gedicht 
besloten met eenige lyrische coupletten : een zelfstandige bewer- 
king van Becker's Rijnlied („Zij zullen het niet hebben"), een 
anti-revolutionnair volkslied. 

Toen Da Costa zijn Aan Nederland vohooide, was De Clercq 
niet meer onder de levenden. Hun vriendschap was na 1840 
even innig als vóór dien tijd; dat getuigden Da Costa's diep- 
gevoelde verzen Aan Willem de Clercq, andere over een 
portret van zijn vriend en het gedicht op diens zilveren bruiloft, 
alle van het jaar 1843. In 1840 hadden zij met ontroerde harten 
den intocht van Willem II bijgewoond; „Da Costa" - lezen 
wij in het Dagboek van De Clercq - „hield zich eerst goed, 
naderhand was hij recht kapot; ja, zeide hij, hij is toch de 
man, die het doen moet"; zij hoopten namelijk, dat deze vorst 
het Nederlandsche volk zou maken tot eene natie, in gods- 
vrucht verheven boven alle natiën, een voorbeeld voor de 
geheele wereld. De Clercq's belangstelling in literatuur is nog 



201 

niet verdwenen; Goethe blijft hem aantrekken en afstooten; 
een jaar vóór zijn dood schrijft hij: „'s Avonds las ik nog in 
Goethe. Hij was gedecideerder heiden dan Schiller en toch 
gevoelde hij meer nog het hoogere van het christendom. Er 
zijn treffende woorden bij hem." Het werk der jongeren en 
die jongeren zelve hebben zijn aandacht en sympathie: van de 
Camera Obscura heet het: ,; waarlijk een zeer geestig boek. De 
beschrijving van den schooltijd vmd ik onvergelijkelijk"; 
Jonathan's schets De Haarlemsche Courant leest hij «met 
groot genoegen"; Het Huis Laaernesse „met veel deelneming"; 
Potgieter's Jan en Jannetje „niet alleen met belangstelling 
maar met aandoening"; het nationale van dat stuk trof hem en 
vond weerklank bij hem. Ook voor Potgieter's persoonlijkheid 
had hij sympathie: „ik gevoel veel voor hem" - lezen wij in 
het Dagboek - „het schijnt mij een man, die afkeer heeft 
van al wat laag en ondeugend is." Maar inniger toch werd 
zijn verhouding tot Toussaint, Hasebroek en Beets, vooral 
tot den laatste, met wien hij „een verbond des harten sluit"; 
begrijpelijk daar zij in hun godsdienstig gemoedsleven dichter 
bij hem stonden dan Potgieter. 

Zoo was De Clercq dan in menig opzicht gebleven wat hij 
vóór 1840 was; maar toch - in zijne omstandigheden en zijn 
persoonlijkheid ging veel anders worden. Benauwdheden gaan 
hem kwellen; zijn kinderen beginnen „uit te vliegen: „een 
smartelijk tijdstip des levens", zooals hij het noemt; dat zijn 
begaafde oudste zoon een overtuigd liberaal was, moest hem 
wel pijnlijk zijn en blijven; weemoed wordt de grondtoon 
zijner bespiegelingen; de teere aandoenlijkheid zijner vrome 
ziel wordt lichter geschokt of gekwetst; in de uitvoerigheid 
van zijn Dagboek, van de excerpten zijner lectuur, van zijn 
»;grübeln" over zich zelven gaat hij ijdelheid en hoogmoed 
zien. De bron zijner improvizaties, niet meer gevoed door zoo 



202 

warme en veelzijdige belangstelling in leven en literatuur als 
voorheen, begint te verdrogen: in het jaar 1839 vinden wij 
nog 14 improvizaties vermeld; in het jaar 1840 evenveel; in 
de drie jaren 1841 -'43, die daarop volgen, samen: 9. Zoo 
kan ons niet bevreemden, dat hij in dat laatste jaar schrijft: 
„En nu de letterkundige wereld. Dien warboel en dat poppen- 
spel weer in te gaan, dat kan ook niet." Op dezelfde plaats in 
zijn Dagboek lezen wij: „Het is mij of mijn taak afgeweven , 
en of er niets meer voor mij te doen is". Het voorgevoel van 
zijn naderend einde, dat zich hier en elders in zijn Dagboek 
openbaart, werd spoedig bewaarheid: in den vroegen morgen 
van den vierden Februari 1844 hield dit nobel hart op te kloppen. 
In Willem de Clercq, edele loot van Hugenootschen stam 
in Nederlandschen grond verplant, verloor ons volk een rijk- 
begaafden zoon, onze literatuur een buitengewoon talent. Als 
geen Nederlander vóór hem, heeft hij de zelfbeschouwing tot 
een kunst gemaakt: de duizenderlei verschijnselen, aandoeningen, 
gevoelens, stemmingen, gedachten van een, in zuidelijke weel- 
derigheid zich ontplooiend, gemoeds- en geestesleven aandachtig 
waargenomen en getrouwelijk beschreven. Ruischte het uiterlijk 
leven door de Aeolus-harp van dat lichtbewogen gemoed of 
trilde zij van innerlijke ontroering, dan ontstroomden haar 
melodieën die meesleepten of betooverden wie ze hoorden. 
Door die zeldzame gave, door zijn veelomvattende kennis, 
hoofschheid van geest, vrouwelijke teederheid van gevoel en 
kinderlijke vroomheid was hij waard de boezemvriend te zijn 
van een der schaarsche echte dichters onder zijn tijdgenooten ; 
diens kracht te temperen door zijn zachtheid; een schakel te 
vormen tusschen dien sterke, geneigd tot alleen staan, en zijn 
volk. Van zijn Dagboek bezitten wij slechts een uittreksel, hoe 
belangrijk en boeiend ook; van zijne honderde improvizaties 
zijn slechts een paar flauwe echo's overgebleven — maar de 



203 

heugenis aan wat hij is geweest en heeft gedaan, mag niet 
verdwijnen onder een volk, dat groote voorgangers eert. 

De laatste woorden van De Clercq's Dagboek hebben 
betrekking op Da Costa. Wat deze in zijn vriend verloor, 
kunnen wij slechts eenigszins opmaken uit hetgeen hij, onmid- 
dellijk na De Clercq's overlijden, schreef ^ „Wij hebben dezen 
morgen een dierbaren broeder op aarde verloren; van mijne 
zijde en van mijn hart werd een vriend gescheurd , zooals men 
er weinig op aarde vindt." In poëzie gaf hij vooreerst geen 
uiting aan zijn droefheid; eerst een jaar later, toen hij zijn 
vriend Dr. Verkouteren een afbeeldsel van De Clercq 
zond, sprak hij over den „trouwen boezembroeder // Op eens 
ten hemel opgeroepen van mijn zij." Maar hoe smartelijk hem 
het gemis van dien vriend moge zijn gevallen, hij verflauwde 
niet in zijn strijd tegen „de goden dezer Eeuw". Dat bleek 
ons reeds uit het gedicht Aan Nederland; dat zou blijken uit 
de beide laatste der bovengenoemde groote gedichten. Tusschen 
de twee eerste en die beide laatste liggend, schijnt Hagar 
gedicht ter verpoozing: uit het Westen neemt de dichter de 
wijk naar zijn Oosten; uit het heden naar den bijbelschen 
voortijd en de middeleeuwen; van het Christendom wendt hij 
zijn oog naar den Islam. Hagar, met haar zoon Ismaël, den 
lateren stamvader der Arabieren , uitgestooten en eenzaam - 
die figuur moest dezen Semietischen dichter wel aantrekken. 
Voor het eerst vinden wij in onze letterkunde hier de woestijn 
in haar grootsche eenzaamheid, den kameel op zijn tocht door 
die zandzee, het Arabisch ros in Oud-testamentischen gloed 
en kracht van taal. Bij Hagar, wier naam het gedicht draagt, 
blijven staan, zich verdiepen in haar toestand, hare gevoelens 
en stemmingen - dat ware eer een taak voor De Clercq 
geweest dan voor Da Costa met zijn behoefte aan wijden 



204 

horizon en groote vergezichten. Zoo voert hij ons dan met 
zich door het verleden , vergezelt de Arabieren door de wereld- 
geschiedenis, schetst de grootsche figuur van Mohammed, de 
kruistochten - vvorsteHng van Oost en West - in hun invloed 
op de Westersche beschaving, om eerst aan het slot van zijn 
gedicht terugtekeeren tot de moeder Ismaëls, wier nakomelingen 
hij eens met Joden en alle andere volken der aarde „voor de 
eigen voetbank Gods" vereenigd hoopt te zien. 

in den laatsten alexandrijn van Vijf en Twintig Jaren: w voor- 
zegd, de donkre nacht; voorzegd, het Morgenlicht" vinden 
wij het motief, dat de dichter later zou uitwerken in zijn 
Wachter! wat is er van den nacht? In grootschen trant vinden 
wij hier een voorstelling gegeven der literatuur van den dag; 
van de uitspattingen der romantiek; geloof, zedelijkheid en recht, 
die in last zijn; pauperisme en opstandigheid. Van waar is 
uitkomst te wachten? Wat biedt het buitenland? Duitsch mo- 
dernisme en ongeloof; Fransche omwentelingszucht. Engeland 
belooft meer en beter: werd niet daar de slavernij afgeschaft, 
de handel vrij gemaakt? vindt men er geen rusteloos onderzoek 
en „ruime vlucht in 't kennisrijk"? Maar ook daar knaagt een 
worm aan den wortel des booms: lerlands honger, Londens 
armoe, „Londen, dien abys // Van ontucht -, valschheid -, 
roof - en bloedgeheimenis." Amerika, het land der vrijheid, 
heeft zijn grootschheid en schoonheid, maar ook zijn bande- 
loosheid en „in stelsel en praktijk de heerschappij van 't Ik". 
Noch Rusland, noch Italië kunnen ons redden - „Van 't Oosten 
komt de zon"; „De Wachter antwoordt: Hoort het woord des 
Heeren Heeren." 

In 1648 en 1848 eindelijk vinden wij, na een schildering 
van het verleden , alles wat de dichter voor „schuddingen en 
krankheên onzer dagen" houdt, breed uitgemeten: pauperisme, 
communisme, verlichting, anarchie en despotisme; ten slotte 



205 

tegenover het ;,ijdel spook" der gelijkheid zijn eisch van »toe- 
naadring" gesteld; toenaadring van vorst en volk, groot en 
klein, arm en rijk. 

Zoo brengt Da Costa telkens weer diezelfde levens- en 
wereldbeschouwing naar voren , die wij uit de Bezwaren tegen 
den geest der eeuw leerden kennen. Niet anders is het in zijne 
vrij talrijke gelegenheidspoëzie van dezen tijd : een geschenk 
van fijnen wijn herinnert hem de bruiloft van Cana en het 
zoenbloed van Christus; druiven van de Douairière Calkoen- 
Van de Poll aan den wijnstok waarvan Jezus spreekt; een 
zilveren bruiloft aan de eeuwige hemelsche bruiloft; hetzij het 
de beoefening van taal en geschiedenis geldt of een bouillon- 
kop - hij ziet het al in hooger licht. 

In de meeste dier gelegenheidsdichten is weinig kunst; 
slechts hier en daar worden wij getroffen door een breedgol- 
vende periode als in Büderdijk (1843 III, 93-4); door een 
Da Costa eigene mengeling van teederheid en verhevenheid, 
als in Gedachten bij het graf van den twaalfjarigen Hendrik 
Christiaan Capadose. Eenigszins anders staat het met de vijf 
bovengenoemde groote gedichten. Het valt niet te ontkennen, 
dat Vijf en twintig jaren doorloopend den vorm eener kroniek 
heeft; dat de overige voor een deel berijmd rhetorisch proza 
bevatten, zij het ook bezield door gloed van overtuiging en 
kracht van uiting. Anderzijds moet erkend, dat Da Costa ook 
hier in zijn opvatting en voorstelling niet zelden een grootsch- 
heid toont, die wij bij geen ander Nederlandsch dichter van 
dezen tijd vinden; dat het goud der poëzie schittert tusschen 
het ruwe erts zijner verzen in den Voorzang der Vijf en 
Twintig Jaren, in brokken als die over Napoleon en den 
spoortrein, in de verzen over de woestijn, de kameel en de 
verbreiding van den Islam uit Hagar; in den aanvang van 
Wachter! wat is er van den nacht! en enkele andere stukken. 



206 

Streefden wij in deze Geschiedenis naar - immers toch 
onbereii<bare - volledigheid, dan zouden wij hier moeten 
handelen over Da Costa's jongeren vriend en geestverwant, 
Mr. H. J. Koenen (geb. 1809), over den Joodschen dichter 
E. M. Calisch (1806-1880); over verscheidene andere, oudere 
en jongere, tijdgenooten van Da Costa, zooals: Van 's Gra- 

VENWEERT, VaN HARDERWIJK, KlUPPELL, NiERSTRASZ, BeELGO, 

Van Groningen, Rau Jr., Sifflé, Hirschig, Van der Pot, 
De Breuk, De Liefde. Sommigen dezer zijn hier en daar in 
ons verhaal ter sprake gekomen; wij achten onnoodig dat weinige 
hier aantevullen en geraden ons te beperken tot enkelen, wier 
werk zich door letterkundige waarde of karakter eenigermate 
onderscheidt van dat der overigen. 



WITHUYS (1794-1865). BOGAERS (1795-1870). 
BOXMAN (1796-1856). 

In de geschriften van den Amsterdammer Karel Gotfried 
WiTHUYS, die begon als ambtenaar en eindigde als directeur 
der Landsdrukkerij , herkennen wij zonder moeite een geestver- 
want van het oudere geslacht. H. H. Klyn, vrijmetselaar als 
hij, behoort tot zijn vrienden; evenals Feith en anderen van 
diens geslacht, verheft hij den lof van Washington „seraf 
meer dan mensch, te groot voor vorstenkroonen" (1822); evenals 
Spandaw zingt hij den lof der vrouwen {Onfsc/iuldiging sfi 1829). 
In het proza en de poëzie, door hem ten beste gegeven tijdens 
en na den Tiendaagschen Veldtocht, vinden wij de gewone 
opgeschroefd heid en grootspraak dier dagen, al toont Withuys 
groote vaardigheid in de behandeling van taal en vers. Slechts 
in het, toentertijd hooggeprezen, gedicht op het hijschen der 
nationale vlag ten Paleize te Amsterdam vinden wij een paar 



207 

coupletten, waarin de aandoening des dichters ook ons nog 
even treft. Zijn berijmde Verhalen, Romancen en Vertellingen 
bewegen zich tusschen het melodrama en het huisbakkene. Te 
midden van het griezelige en akelige der romantiek, herkennen 
wij nog hier en daar den invloed der sentimenteele pastorale. 
Ook hier toont de dichter een niet geringe vaardigheid , maar 
tevens treft ons het gemis aan bevalligheid, schoonheid, adel 
van gevoel. Zeker, zoo oordeelde de meerderheid zijner tijdge- 
nooten niet; zijn levensbeschrijver heeft hem zelfs de onsterfe- 
lijkheid gewaarborgd. Zelf had hij geen geringen dunk van 
zijn dichterlijke gaven: „Mijn God, mijnheer! hij kende WiT- 
HUYS niet!" zeide hij tot een vriend na een audiëntie bij Koning 
Willem, lil, die in hem vooral den Directeur der Landsdrukkerij 
had gezien; en tegen een apotheker te Leerdam, die eerst bij 
den derden klop gehoor kreeg: „En zeg nu, dat je een dichter 
hebt zien werken !" 

Uit het antwoord van dien bezoeker: „Och kom, mijnheer^ 
pakt dat zoo aan?" blijkt slechts, dat er voor hem niet veel 
verschil was tusschen het draaien van pillen en het draaien van 
verzen. Maar ook ons schijnt Withuys' geestdrift toch vooral 
koude drukte. De spotters, die hem „Windhuis" noemden, 
hebben gelijk gekregen. 

Verwant met het oudere geslacht is ook de Hagenaar 
Adrianus Bogaers, die als advocaat zijn maatschappelijke 
loopbaan intrad en haar verliet als Vice-President der Arron- 
dissements-Rechtbank te Rotterdam. Het dichtst staat hij bij 
Tollens, met wien hij door innige vriendschap verbonden 
was. Als deze is hij een voorstander van verdraagzaamheid, 
een vijand van onderlinge verkettering, heeft hij zijn land lief, 
wil hij voor zijn volk het goede. In Tollens' geest is een 
welmeenend stukje als Broers en Zusters; de Noorderreus , dat 



208 

opwekt tot medelijden met de armen; Tevredenheid en de lof- 
rede op Het Gezond Verstand. Evenals Tollens schept 
BoGAERS behagen in het akelig-romantische (Tennis Ruwhart) 
en dicht hij wijdloopige berijmde verhalen als Het Pleegkind, 
Het Leidsclie Wonder, Het Geschenk. Jochebed (eerste aanleg 
c. 1822) en De Togt van Heemskerk naar Gibraltar (1836) 
zijn omvangrijke dichterlijke verhalen in den trant van Tollens' 
Overwintering, al kunnen ook Van Lennep's Legenden hier 
invloed hebben geoefend. Op zijn best zien wij Bogaers in 
de beschrijving; zoo is b.v. zijn voorstelling van de toebereid- 
selen tot den slag in De Togt van Heemskerk naar Gibraltar 
aanschouwelijk en levendig; ook de beschrijving van den slag 
zelf heeft veel goeds. Anderzijds vinden wij in dit, door de 
Holl. Maatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen 
bekroond, gedicht te vaak de conventioneele taal en de hoog- 
gedoste plechtstatigheid, die ook Tollens eigen zijn, zoodra 
hij een hooger toon aanslaat dan gewoonlijk. Tal van kleinere 
stukjes in verbalenden of beschrijvenden trant {Rotterdamsche 
Winterkermis op de Maas, De Redding, De Schaatsenrijder, 
Tromp voor Diiins, Koning Knuts familiezwak, Otto Clant , 
Opleggen) zullen ook nu nog genoten worden door een publiek, 
dat niet al te hooge eischen stelt. Ook hier doet Bogaers ons 
niet zelden denken aan Tollens; maar «zijn smaak" - zegt 
Beets terecht - »is zuiverder, zijn oordeel helderder, zijn 
kennis blijkt van een degelijker allooi, zijn vormen zijn ver- 
scheidener, zijn toevoer van woorden is grooter, zijn dictie 
correcter." 

Bogaers is ongetwijfeld een man geweest, van wien men 
veel goeds kan zeggen: hij was vroom, hulpvaardig, beschaafd, 
bereisd, belezen, belangstellend in allerlei talen en literaturen; 
hij kende onze taal goed in haar ouderen en jongeren woorden- 
schat; hij was verstandig, nauwkeurig, stelde prijs op zuiver- 



209 

heid van taal, netheid en juistheid van uitdrukking — doch 
hij schoot te kort in die eerste vereischten voor een dichter: 
diepte van gevoel, kracht van verbeelding, individualiteit. Daar- 
door ontroert of treft zijn werk ons evenmin als de gladde en 
correcte schilderstukken zijner tijdgenooten Kruseman en 

PlENEMAN. 

Wie het portret van Gorkum's burgemeester Abraham Boxman 
ziet: dat baardeloos, braaf, bedachtzaam gelaat, dat hooge 
voorhoofd, dien rok met Nederlandschen leeuw en stropdas - 
die denkt aan Spandaw, achtbaar magistraat als hij; klassiek 
gevormd; vriend van vaderland, vrijheid, verlichting. Aan 
Spandaw's gedichten herinnert een van Boxman's vroegste 
werken: De Invloed der Vrouwen (1822), ook andere stukken 
als: Deugd en Vreugd, De Nederlandsche Nijverheid {d!^ 1820), 
De Nederlandsclie Vlag (aO 1823), Amerika (beschouwd als het 
vrijheidsland a^ 1826), Europa en Nederland in 1848, al vinden 
wij hier ook aanknoopingspunten met andere auteurs van dezen 
tijd, zooals Withuys en Da Costa. Nierstrasz behoorde tot 
Boxman's vrienden; geen wonder dat ook de laatste een gedicht 
schreef Bij het graf van Feith. Voelde Beets zich aangetrokken 
tot Bogaers, wiens Gezamenlijke Dichtwerken hij m 1871 
persklaar maakte - Ten Kate zorgde voor Boxman's Dichter- 
lijke Nalatenschap die in 1861 werd uitgegeven. 

Ten Kate achtte het niet noodig «op te treden als Boxman's 
lofredenaar". Ook wij achten dat niet noodig; zij het om andere 
redenen. De „eigenaardige frischheid" en „zeker waas van 
oorspronkelijkheid", die Ten Kate in deze poëzie bekoorden, 
zijn voor ons ten eenenmale vervlogen; doch ook verdorde 
bloemen kunnen eenige beteekenis behouden voor de wetenschap. 



KALFF, Letterkunde, VII. 14 



210 



VAN DEN BERGH (1814-1868) EN VAN ZEGGELEN 
(1811-1879). 

In een vermakelijk stukje („Weet-je waarom Van den Bergh" 
enz.) heeft Braga zich vroolijk gemaakt over het aandeel van 
drogisten en apothekers in de Nederlandsche letterkunde van 
omstreeks 1840. Moet iemands dichterHjke werkzaamheid in 
meerdere of mindere mate den invloed van zijn beroep onder- 
gaan, dan heeft de Hagenaar Samuel Johannes van den 
Bergh zich onder ongunstige omstandigheden ontwikkeld: hij 
volgde zijn vader op in een, over de 100 jaar oude, drogisten- 
zaak, hij trouwde de dochter van een apotheker, hij dankte zijn 
vorming o. a. aan A. van der Hoop Jr., die in het vak van 
drogerijen handelde. 

Wat daarvan zij, de jeugdige drogist wijdde zich met hart 
en ziel aan de poëzie en zocht gretig den omgang met letter- 
kundigen. Van den Bergh's huis - deelt zijn vriend Van 
Zeggelen ons mede - was „vaak de verzamelplaats van lite- 
ratoren en kunstenaars"; in zijn „eenvoudige kelderkamer, waar 
hij tevens een oog op zijn winkel hield, verpraatte menigeen 
zijn tijd". Ook Kneppelhout herinnerde zich die „intieme 
gesprekken in een soort van hol dat tot huiskamer diende, 
waar dan gewoonlijk bij de kachel Bennink Janssonius of De 
Kanter zat, „wiens rug nog hooger vlugt nam dan zijne ver- 
liefde lierzangen". Met Nicolaas Bosboom, broeder van den 
schilder, Van Zeggelen en den boekhandelaar W. P. van 
Stockum stichtte Van den Bergh het genootschap „Oefening 
kweekt kennis", waarin al spoedig ook de jonge Ten Kate 
werd opgenomen en dat Helvetius van den Bergh, Calisch, 
Van der Hoop en Van Lennep, Lublink Weddik, Tollens, 
Bogaers en Hofdijk onder zijn eere-leden telde. 

Deze mengeling van oud en nieuw, die wij in Van den 



211 

Bergh"s letterkundige omgeving opmerken, kenschetst ook zijn 
poëzie. Buiten den invloed der klassieken staande, had hij zich 
gevormd vooral door de lezing van oudere vaderlandsche poëten; 
„inzonderheid waren het de dichtwerken van Helmers, Bii.der- 
DijK, WisELius, Tollens e. a. die hem boeiden"; hij schrijft 
zelfs een lofdicht op Helmers. Maar ook de buitenlandsche 
roinantiek oefent mvloed op hem: hij vertaalt Moore's Sacred 
Songs {Godgewijde Zangen 1842) en Liglit of ihe Haram {Licht 
van den Harem 1843), Byron's Corsair (1843) en Lam (1845). 
In den Dichtbundel voor mijn vaderland, dien hij in 1848 uitgaf, 
vinden wij het schaarsche goede verdronken in het middelmatige. 
De verzen ontvloeien den dichter, naar het schijnt, gemakkeHjk; 
doch zij hebben iets alledaagsch; er is meer breedheid en 
omvang dan kracht en pit. In het gedicht Aan de Zee, dat zes 
bladzijden beslaat, vinden wij weinig meer dan de opmerking, 
dat zij reeds lang zóó heeft geklotst en de onvermijdelijke her- 
innering aan De Ruiter's schim. Zulke poëzie toont Van den 
Bergh als een geestverwant der ouderen; doch het woord uit 
zijn Voorbericht: „deze bundel - c'est moi", dat de golfslag 
van het nieuwe leven in de literatuur ook hem bereikt heeft. 
Zijne Zangen des Tijds uit de jaren 1844 -'48, doen door hun 
inhoud hier en daar aan Potgieter's klachten denken; doch 
wij zien er weinig of niets van dat streven naar hooger en beter 
kunst dat Potgieter kenmerkte. „Een geacht burger, een braaf 
huisvader en goed vriend, een verdienstelijk dichter" - zóó 
kenschetste Van Zeggelen zijn vriend; naar het ons voorkomt, 
vooral dan terecht, indien men in het oog houdt, dat de „dichter" 
hier - vermoedelijk zonder opzet - eerst in de vierde plaats 
genoemd wordt. 

Een dergelijke kenschetsing past ook op den kenschetser 

zelven. Ongetwijfeld" is Willem Josephus van Zeggelen een 

14* 



212 

braaf man geweest, een goed Christen , bescheiden, eenvoudig, 
vergevensgezind , ruim van hart en welke goede eigenschappen 
meer hem door zijn vriend Ising worden toegekend; doch 
onder een dichter verstaan wij toch iets anders. Met zijn boertig 
verhaal De Reis van Pieter Spa naar Londen (1838), dat twaalf 
maal herdrukt werd, maakte hij grooten opgang en sedert kon 
men hem vaak in „Oefening" en andere Genootschappen zien 
optreden: „klein van gestalte, bescheiden van voorkomen, met 
innemenden glimlach, ooiijken blik en koddige mimiek". Het 
publiek had hem menigen vroolijken avond te danken; men 
schaterde om zijne Sermoenen van Pater Brom, waarin een 
boeren-pastoor op grove wijze wordt afgebeeld in den trant 
van Pater Abraham a S. Clara; om de Ithaka van Jan Trochee; 
men genoot van Een bezoek bij Jan Steen; voelde zich gesticht 
door Drie Zusters, Kfuis en Kracht, De Weduwe; gesterkt in 
zijn behoefte aan optimisme door zijn Gezelschapslied met 
typische verzen als deze: 

Laat ons toch nimmer het leven vergallen 
Door over steentjes en strootjes te vallen 



Wij zien de lichtzij van 't leven maar aan, 
Wij zijn het eens en volkomen voldaan, 
Vredebest, vredebest, zoo moet het gaan! 

Vurig bewonderaar van Tollens, heeft Van Zeggelen vrij 
wat met dezen gemeen; ook hij mag „volksdichter" heeten ; 
een stukje als Louw de Timmerman is waarlijk niet het eenige 
van zijn hand, dat alom in den lande bekend was; doch, bij 
geringer talent dan zijn meester, is Van Zeggelen in de 
schattmg van het ontwikkeld publiek nog zooveel lager gedaald 
dan deze. 



213 



VAN LIMBURG BROUWER (f 1847). 

Behalve het vroeger behandeld geschrift Een Ezel en eenig 
Speelgoed, dat naar zijn dagteekening eigenlijk hier ter sprake 
behoorde te komen, gaf Brouwer in dit tijdvak nog slechts 
een enkel prozawerk in het licht. Het Leesgezelschap te Diepen- 
beek, dat bij zijn verschijning in 1847 grooten opgang maakte 
en een paar maal herdrukt werd, is nu op weg naar de ver- 
getelheid. Niet vreemd voor wie weet, dat wij hier te doen 
hebben met een pleidooi voor de Groninger richting en strijd- 
schrift tegen den geest van het Réveil, dat, zoo goed en 
kwaad het ging, in den vorm van een roman is gebracht. 
Waarde heeft het nu vooral als voorstelling van het toenmalig 
godsdienstig en kerkelijk leven, gezien en beoordeeld van vrij- 
zinnig standpunt. Onpartijdig is die voorstelling allerminst: al 
het licht valt op de Groningers, de tegenpartij blijft in de 
schaduw; hare vertegenwoordigers: de dweepzieke, bekrompen 
timmermansbaas Hartman, de huichelaar Van Groenendaal, de 
onbeteekenende Bilderdijkiaan Van der Goot maken een droevig 
figuur tegenover Kapitein van Berkel en den Groninger propo- 
nent Hendrik Rusting. Om zijn voorstelling vollediger te 
maken, heeft de auteur zekeren pastoor Labarius ingevoerd, 
die zoo genoegelijk zijn „kloddertje" gebruikt bij den goed- 
protestantschen zeekapitein, doch zijns ondanks moet meedoen 
aan den strijd tusschen Protestanten en Roomsch-Katholieken , 
die juist in de jaren tusschen 1840 en 1848 begint op te leven. 

De theologische bespiegelingen en redeneeringen, gesprekken 
en twistgesprekken boezemden het lezend publiek dier dagen 
de belangstelling in , die nu aan dergelijke van socialistischen 
aard te beurt zou kunnen vallen ; voor de meeste heden- 
daagsche lezers echter zal dit theologisch taai-taai vermoedelijk 
weinig genietbaar zijn. Daarbij komt, dat de karakteristiek 



214 

zwak is: de figuur van den zeekapitein Van Berkel is niet 
kwaad, maar een der vele navolgingen van Wolf en Deken's 
kapitein De Harde; er is wel tegenstelling beproefd tusschen 
de zusters Charlotte en Esperancja en tusschen de beide pro- 
ponenten; er is ook wel gestreefd naar nuanceering - maar 
het blijft bij tegenstelling en nuanceering van richtingen. In 
den stijl van het boek is invloed van Sterne zichtbaar; doch 
Sterne's losheid en natuurlijkheid zoekt men er te vergeefs. 
Vergelijkt men Het Leesgezelschap van Diepenbeek, ten op- 
zichte van zijn stijl, met het, vóór 1847 verschenen, proza 
van jongeren als Beets, Potgieter, Drost, Kneppelhout, 
Hasebroek en Van Koetsveld, dan blijkt wel , dat Van 
Limburg Brouwer behoorde tot een ouder geslacht en dat 
hij, voor onze literatuur, niet te vroeg gestorven is, al stierf 
hij in de kracht des levens. 

Wij zouden nog de aandacht kunnen vestigen op Chonia's 
(J. C. Kindermann) Wat er van Diepenbeek werd (1849), 
een vervolg op Limburg Brouwer's geschrift; op den niet 
onaardig vertelden, historisch-theologischen roman Baltfmzar 
Bekker in Franeker. Wij zouden naast Van den Bergh zijn 
vriend B. Ph. de Kanter kunnen plaatsen, die Bellamy en 
Van der Woordt onder zijn voorbeelden noemt en het eerste 
gedicht op Het Zeebad (1836) schreef; naast Van Zeggelen 
andere welmeenende grappenmakers als den aartsboertigen 
Van Oosterwijk Bruyn en j. Brester Az., wiens Lustig 
Lijsje, jong van jaren, Heeft er iemand ook een touwtje en 
dergelijke stukjes zoo populair waren bij onze ouders. Mede 
ter kenschetsing van den smaak des publieks hebben zulke 
geschriften ongetwijfeld eenige waarde; doch in dit verhaal 
kunnen zij slechts in het voorbijgaan genoemd worden. 

Onze aandacht wordt geëischt vooral door de jongere auteurs, 



215 

die, in tegenstelling met deze ouderen of geestverwanten der 
ouderen, het nieuwe in literatuur duidelijk en rijkelijk te zien 
geven 2). 

HET EERSTE GESLACHT TOT 1848. 

1. De mannen van de Gids: DROST (1810- '34). Heye 
(1809-76). Bakhuizen van den Brink (1810- '65). 
Potgieter (1808- '75). 

Ware de chronologie ons eenig richtsnoer bij de groepeering 
dezer stof, dan zouden wij misschien Van Lennep en Van 
DER Hoop aan den ingang van dit nienwe tijdvak plaatsen; 
immers deze Amsterdammer en die Rotterdammer waren iets 
ouder dan Drost en zijne vrienden en hun letterkundige 
werkzaamheid vangt iets vroeger aan. Maar in Van Lennep 
en Van der Hoop, aanvankelijk aanhangers van Bilderdijk 
in het godsdienstige en staatkundige, zien wij het nieuwe sterk 
gemengd met het oude; hetzelfde geldt, zij het in mindere 
mate, van jongeren als Beets en Hasebroek. Ook in de 
persoonlijkheid en het werk van bovengenoemd viertal Amster- 
dammers is de band met het verleden zichtbaar; doch het 
oude heeft minder macht over hen; mettertijd zullen zij in de 
literatuur het vooruitstrevend element van ons volk vertegen- 
woordigen , terwijl de overigen geestelijke leiders der conser- 
vatieven of reaciionnairen worden. 

Amsterdammers noemden wij dit viertal; in den vollen zin 
des woords mogen alleen de drie eersten, geboren en getogen 
in de hoofdstad, zoo heeten. Er bestaat echter alle reden, den 
Zwollenaar Potgieter bij hen te voegen: als knaap te Am- 
sterdam gekomen, bleef hij er het grootste deel van zijn leven 
wonen, werd hij Amsterdammer met hart en ziel; naar den geest 
was hij bovendien innig verwant met Drost en zijne vrienden. 



216 



DROST. 



Aarnout Drost hebben wij voorop gezet. Niet omdat de 
Romantiek zich in hem vroeger of sterker openbaarde dan bij 
voorbeeld in Potgieter, maar om den invloed door dezen 
jonggestorvene op zijne vrienden geoefend. Predikant wilde 
hij worden; niet theoloog, maar herder der gemeente: „een 
bekoorlijk dorp, in een schoon oord gelegen, een lieve echt- 
vriendin aan zijne zijde, een gemeente die hem lief had gelijk 
hij haar'' - dat waren idealen die hem voor den geest zweefden, 
doch die hij niet verwezenlijkt mocht zien. 

Het werk van Adriaan Loosjes had den knaap smaak 
ingeboezemd voor den vaderlandschen roman; eerst Walter 
SCOTT echter toonde hem, hoe de historische romantiek het 
verleden kan bezielen. De lessen van den hoog door hem 
vereerden D. J. van Lennep maakten zijn geesl gaande; diens 
bekende Verhandeling moet hem geprikkeld hebben om zijn 
scheppingsdrang te werk te stellen. Zoo verdiept hij zich dan 
met hartelijke belangstelling in ons volksverleden , bestudeert 
geschiedverhalen, oude zeden en gewoonten, onze vroegere 
letterkunde. Gelderlands natuurschoon verrukt hem; maar ook 
in de wijdende schaduw der bosschen houden herinneringen 
aan het voorgeslacht hem bezig, blijft zijn oog vooral op het 
historisch landschap gericht. 

Anders dan Loosjes wordt hij aanvankelijk niet door onze 
17de eeuw het sterkst bewogen; zijn vroom gemoed, dat reeds 
trilt onder den adem van het komend Réveil, voelt zich ge- 
trokken tot het Christelijk element onzer volksbeschaving; zijn 
geest wijkt in de diepten van het verleden terug zoover het 
hem mogelijk was: de tijd, toen het Christendom het oud- 
nationaal geloof kwam verdringen. Zoo ontwierp hij dan in 



217 

alle stilte een roman, die een levensbeeld van het Bataafsch 
voorgeslacht zou geven; aarzelend en blozend, leest hij er een 
deel van voor aan een vriend en medebewonderaar van Van 
Lennep; in 1832 zag die roman het licht onder den titel: 
Heriningard van de Eikenterpen. Een oud Vaderlandsch Verhaal. 

Wat de schrijver van dit verhaal wilde toonen , was vooral, 
dat het Christendom bij zijn komst in deze landen hier en daar 
den bodem bereid vond. Hermingard, een nicht van den 
Bataafschen hertog Thiedric, heeft een sterk verlangen naar 
en een vaag besef van het Christendom , nog vóórdat het haar 
verkondigd is; tegenover de centrale figuur dezer jonkvrouw 
heeft Drost Thiedric's zoon Siegbert geplaatst, wiens liefde 
voor Hermingard in strijd zal komen met zijn heidensch geloof. 
Om dit paar heen zijn andere figuren gegroepeerd: behalve 
hertog Thiedric en zijne magen Landwijn en Ernhold, de bard 
Welf de Usipeter, de oorlogsman Winfried , de Christen-apostel 
Caelestius, de knaap Timotheus, de waarzegster Witte Geertrud. 
Die Germanen en Christenen worden ons voorgesteld in hun 
handel en wandel, hunne woonhuizen op de eikenterpen, 
buiten in de moerassige eeuwenoude bosschen, bij een offer- 
plechtigheid, in een veldslag. Overal merken wij een achtens- 
waardig streven op om den lezer in de stemming te brengen, 
waarmede de aanschouwing en overpeinzing van dat nevelig 
verleden den auteur zelven had vervuld. 

Maar des schrijvers vinding en verbeelding waren niet rijk 
genoeg om dat verleden te herscheppen tot een levensbeeld 
dat ook op lezers van onzen tijd nog een sterken indruk kan 
maken. Zijn minnend paar, door het geloof verdeeld — kern 
van zijn werk - had hij misschien aan Chateaubriand's 
Les Martyrs ontleend; ook daar vinden wij het conflict tusschen 
Heidendom en Christendom in den Christenjongeling Eudorus 
en het Grieksche meisje Cymodocée, al zijn de rollen er 



218 

anders verdeeld ; de priesteres Velleda zal Drost tot zijn Witte 
Geertrud hebben gebracht. Niet dat Drost hier zijn voordeel 
deed met het werk van een voorganger, getuigt tegen hem; 
wêl dat hij aan het overgenomene weinig eigens wist toe te 
voegen; zoowel Hermingard als Siegbert, Caelestius en andere 
personages uit dit boek blijven schimmen voor ons. Ook 
elders staat de literatuur belemmerend tusschen den auteur en 
het leven van dien voortijd: Ossian moet hem helpen waar 
hij verhevenheid, Gessner waar hij liefelijkheid noodig heeft; 
bij de schets eener idylle in een wildernis herinnert hij zelf 
ons het verhaal van Genoveva. Dat het catechetisch onderwijs 
van Caelestius aan Hermingard vrij wat plaats moest innemen, 
spreekt vanzelf; doch van de indrukken, door het Christen- 
dom op onze voorouders gemaakt, het meest belangwekkende 
deel van het conflict, vernemen wij weinig. Desniettemin valt 
er in dezen roman ook veel te prijzen. Vergeleken met de 
omvangrijke vaderlandsche romans van Loosjes mag Hermingard 
van de Eikenterpen een groote stap voorwaarts heeten : hier is 
inderdaad een plan, een handeling met knoop en ontknooping, 
streven naar uitbeelding van leven en natuur, naar voeglijkheid 
en schoonheid van taal; hier is geen kracht die ons aangrijpt, 
maar zekere zachte bevalligheid die ons nog kan bekoren ; 
vooral, hier is — kort na Jacob van Lennep, doch geheel 
onafhankelijk van dezen — een levensbeeld van het voorge- 
slacht gegeven, zooals wij er nog geen bezaten; de schepping 
van den modernen historischen roman , vrucht van gepaarde 
wetenschap en kunst, door Van Lennep begonnen, is hier vol- 
tooid; het doode verleden ging herleven onderden bezielenden 
adem der kunstenaars. 



219 



HEIJE. 

Drost was waarlijk niet de eenige onder de toenmalige 
studenten aan het Amsterdamsch Athenaeum die iets beloofde 
voor de toekomst; behalve Ter Haar, Stuffken, VanGeuns, 
Allebé, allen mannen van naam geworden, vond men er den 
medicus Jan Pieter Heije, die in 1825 en den theoloog 
Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink, die in 1826 
als student werd ingeschreven. Op deze beiden hebben wij 
onze aandacht te vestigen. 

Aanvankelijk liepen de wegen van Heije en Drost uiteen. 
Heije ging ter voltooiing zijner studiën in 1827 naar Leiden, 
"trok in 1830 met de Leidsche Jagers uit, promoveerde na zijn 
terugkomst in 1832 op een proefschrift De morbis qiii mentales 
dicuntur en vestigde zich in zijn geboortestad, waar hij als 
medicus weldra op den voorgrond kwam. Zijn lust tot poëzie 
had hij als Leidsch Jager getoond in een Wapenkreet en andere 
dergelijke stukken; de Leidsche Studenten-Almanak der jaren 
1830— '33 bevat ook minne- en natuurpoëzie van zijn hand. 
Te Amsterdam in kennis geraakt met Drost, neemt hij met 
dezen de redactie op zich van De Vriend des Vaderlands, een 
tijdschrift van zonderling tweeslachtig karakter : het was eigenlijk 
bestemd voor berichten over de toenmalige koloniën van wel- 
dadigheid , de overschietende ruimte mocht besteed worden aan 
letterkundig mengelwerk. In dat tijdschrift en in den Muzen- 
Almanak (1832— '33) publiceerde Heije proza en poëzie, die 
ons eenig denkbeeld geven van zijn letterkundigen aanleg en 
zijn streven: een vaderlandsch gedicht als Bemoediging (1832) 
in romantisch-afwisselende versmaat; een romantisch-somber 
minnedicht Clara (1833); Opmerkingen en Herinneringen van 
Janus Petrinius (1833) met eenige «levensregelen en gedachten" 



220 

in den trant van Jean Paul, doch zonder diens griiligen 
geest. Van meer gewicht dan deze stukken waren eenige 
HoUandsclie Liederen op uitheemsche Zangwijzen, die wij in 
De Vriend des Vaderlands van het jaar 1833 aantreffen; daar 
immers heeft Heije het genre ontdekt dat het best voor zijn 
aanleg paste en waarin hij werk van blijvende waarde zou leveren. 



BAKHUIZEN VAN DEN BRINK. 

Toen Drost met Heije samenwerkte aan De Vriend des 
Vaderlands , was hij reeds jaren bevriend met Bakhuizen van 
den Brink. In het studentengezelschap L. O. S., aan de 
beoefening der Oostersche letteren gewijd, hadden zij elkander 
leeren kennen; in 1829 .vervulde Drost er de taak van rede- 
naar, die „Bakkes" — zoo noemden zijne vrienden hem — 
met een paar andere leden van het gezelschap moest uitleiden. 
In dat en een ander Amsterdamsch dispuut toonde de jonge 
Van den Brink reeds zijn buitengewonen aanleg. In 1831 
trekt hij naar Leiden, waarheen Drost hem was voorgegaan. 
Maar de studie der theologie smaakt hem al minder en minder; 
de professoren in die faculteit — Clarisse uitgezonderd — 
hadden weinig aantrekkelijks voor hem; zij konden hun genialen 
leerling ook weinig bieden. Onbevangen en scherp van blik, 
zag hij, wat zij niet konden of wilden zien: hoe zeer de 
Nederlandsche wetenschap van dien tijd achterstond bij de, 
door hen geminachte, Duitsche. 

Met den stroeven Bake, met Geel en Hamaker kwam hij 
vooreerst niet in nauwer aanraking. Zoo zocht hij dan zijn 
troost in eigen onverpoosde studie der klassieke literatuur, der 
oudere en jongere wijsbegeerte, der moderne letteren. Weinig 



221 

gemakkelijk in den omgang, houdt hij zich in het eerst vooral 
aan Drost. Wij zien hen op wandelingen naar Poelgeest en 
Teylingen; zij trotseeren den stank der rottende visch van 
Rijnsburg om er te mijmeren bij de luttele overblijfselen der 
beroemde abdij of het kerkje binnentegaan, waar Drost in 
verrukking de zonderlinge beeltenissen der Hollandsche graven 
aanstaart. 

De nieuwe letteren zullen niet zelden het onderwerp hunner 
gesprekken zijn geweest; op aanraden van Drost heeft Van 
DEN Brink alle werken van Jean Paul doorlezen, al vond hij 
er onverteerbare brokken in ; ook met Moore maakt hij kennis 
en roemt diens verzen als „het non plus ultra van elegante 
poëzy"; Lalla Rookh en Loves of the Angels stelt hij om hun 
oostersche kleur verre boven HuGO's Orientales. Het welbe- 
hagen in zulke lectuur kan bezwaarlijk zonder invloed zijn 
gebleven: Moore's weelderige anacreontiek, de overschuimende 
levenslust van oude Hollanders als Breero en Starter moeten 
in den forschgebouwden jonkman verlangens hebben gewekt 
die er tot dusver gesluimerd hadden. Zijn geweldige energie, 
die nog geen haar passende taak had gevonden, zoekt bevre- 
diging langs nog andere wegen dan die der studie; een wilde 
begeerte om het leven in zijn volheid te genieten, grijpt hem 
aan en sleurt hem mede. 

Is hij voor het oogenblik uitgeraasd, dan trekken zijne boeken 
hem weer tot zich. Ook de vrienden te Amsterdam vergeet hij 
niet; van tijd tot tijd zien wij hem daar om er een of ander 
studentenfeest bijtewonen of een vriend te bezoeken. Het was 
bij een van die gelegenheden , op een zomeravond van het jaar 
1833, dat hij ten huize van Drost kennis maakte met Potgieter. 



222 

POTGIETER. 

Over Potgieter spraken wij hierboven terloops; wij moeten 
nu trachten hem nader te doen kennen. 

Zwollenaar van ouder tot ouder, kleinzoon van een warm 
Patriot, zoon van den lakenhandelaar Hermanus Potgieter en 
de Zwolsche burgemeestersdochter Berendina van Ulsen, wordt 
hij wegens droevige familie-omstandigheden reeds op zijn \3^^ jaar 
naar Amsterdam gezonden. Daar woont hij in bij zijn tante 
Van Ulsen, die samenleefde met haar vriendin Mejuffrouw \an 
Hengel. Door die tante wordt hij opgevoed, in den leerhandel 
dier vriendin opgeleid. Met dat tweetal moederlijke vriendinnen 
trekt hij in 1827 naar Antwerpen, waar een handel in suiker 
werd opgezet. Het driejarig verblijf in de Schelde-stad heeft 
den jongen Potgieter in menig opzicht gevormd: op de 
kantoren en ter beurze doet hij handels- en menschenkennis 
op; hij leert er vloeiend Fransch spreken en schrijven; zijn 
oprecht orthodox-getint geloof wordt er versterkt in den omgang 
met de predikanten Marcus en Mounier; wie hem over de 
heerlijke Antwerpsche kathedraal hoort spreken, ziet hem onder 
den indruk der bekoring van het Roomsch geloof en den 
Roomschen eeredienst. De omgang met Jan Frans Willems, 
die weldra een vertrouwelijk karakter aannam, wordt van veel 
beteekenis voor hem: zijn nationaüteits-gevoel moet verdiepten 
versterkt zijn door de aanraking met den man, die de Ylaamsche 
beweging in het leven zou roepen; door de oudhollandsche 
liederen die Willems hem voorzong en zijne kennis der middel- 
eeuwen bracht hij den jongen Hollander nader tot de Romantiek. 
Aan dat opwekkelijk leven te Antwerpen maakt de opstand 
der Belgen een einde; met zooveel andere Hollanders wijkt ook 
Potgieter uit het land; in November 1830 zien wij hem in 
Amsterdam terug. 



223 

WILLEMS had hem een aanbevelingsbrief voor Jeronlmo de 
Vries medegegeven. In het gastvrij huis van dezen ouden vriend 
van BiLDERDijK en veelzijdig ontwikkelden letterkundige, dubbel 
aantrekkelijk door de lieve dochters van den gastheer, vond 
men niet zelden mannen van naam in wetenschap en kunst 
bijeen; daar was een letterkundige kring die eenigermate aan 
de dagen van het „saligh Roemers huys" en van het Muiderslot 
herinnerde. Voor sommigen hunner zal de jonge Potgieter 
niet geheel een onbekende zijn geweest. Reeds vóór zijn vertrek 
naar Antwerpen had hij, met de gebroeders Klyn als gidsen, 
zijn eerste stappen in het veld der poëzie gezet; met Hendrik 
Klyn zien wij hem ook nu in vriendschappelijke betrekking. 
Uit Antwerpen had hij sedert 1828 bijdragen gezonden aan het 
tijdschrift Apol/o , dat geredigeerd werd door Van Lennep en 
Van der Hoop. Ten huize van De Vries maakte hij kennis 
met WiTHUYS; Yntema, redacteur der Vaderlandsche Letter- 
oefeningen, trachtte den jongen dichter voor zijn tijdschrift te 
lijmen. In dat tijdschrift en andere als Algemeen Letterlievend 
Maandschrift , De Vriend des Vaderlands , Almanak voor het 
Schoone en Ooede heeft Potgieter in de jaren tusschen 1828 
en 1831 verscheidene gedichten gepubliceerd, die ons een blik 
geven op zijn groei als mensch en als dichter. 

Wij vinden er uitingen van een idealistisch gemoed , dwepend 
met geloof, liefde tot de menschheid en het vaderland, met 
„Vader Willem" en de dapperen die tegen de Belgen ten strijde 
trokken; dwepend ook met vriendschap en vrouwenliefde. Den 
band met het verleden zien wij hier in den lof, toegezwaaid 
aan „Verdraagzaamheid! der wijzen kroon"; in een staaltje van 
achttiend'eeuwsche anacreontiek {Drinklied) en het aan Bellamy's 
kring herinnerend Vriendschap ; in de conventioneele dichtertaal, 
die hier verre van zeldzaam is. Mag men dien band met het 
verleden zien ook in de min of meer sentimenteele droefgeestig- 



224 

heid van sommige dezer gedichten? Ten deele ja: zijn stadgenoot 
Feith had tot zijn modellen behoord, al ontlook tevens zijn 
bewondering voor Staring reeds; doch anderdeels neen, want 
juist hier zien wij het eigene en het nieuwe in Potgieter zich 
vertoonen. 

De droefgeestigheid en somberheid van den jongen man 
waren waarlijk niet verbeeld noch als louter sentimenteel te 
beschouwen. In de eerste plaats zijn zij te verklaren uit zijn 
opvoeding; in een brief aan H. Klyn van November 1831 
schrijft hij over zich zelven: „Het knaapje had door te vroege 
lectuur reeds te veel vooruit gesmaakt, dan dat iets den jon- 
geling nieuw en bekorend zou zijn. Alles bleef beneden zijn 
gespannen verwachting." De gedachte aan het ongelukkig 
huwelijksleven zijner ouders moet hem vaak terneergedrukt 
hebben; voor de klacht: „Mijne moeder, mijne arme Moeder !" 
die hem ontglipt in een reisaanteekening van Juli 1831, was, 
naar het schijnt, maar al te veel grond. Uit Antwerpen bracht 
hij weemoedige herinneringen mede aan teleurgestelde liefde 
en vernietigde vooruitzichten. Bij .dat alles voegde zich de 
bitterheid, dat hij niet met zoovelen zijner tijdgenooten had 
mogen uittrekken tegen de Belgen. Dien weemoed en die 
somberheid vinden wij rechtstreeks uitgesproken o. a. in het 
gedicht Mijne Stemming, dat hij 30 December 1830 richtte tot 
zijn „geliefden vriend" J. F. Willems. 

Echter, al was de stemming van zijn geest niet zelden somber, 
hij liet het hoofd niet hangen. Geen wittebroodskind als Feith, 
maar gestaald door vroeg ondervonden leed en tegenspoed als 
zijn oudere stadgenoot Thorbecke, was Potgieter te gezond 
van gevoel en te krachtig van geest, te afkeerig van pose, te 
Irotsch ook, om het medelijden van de buitenwereld te vragen 
of ook maar • uittelokken. Aan den opgewekt schertsenden 
jonkman met de „levendige grijze oogen, altijd in beweging," 



225 

merkten de menschen weinig droevigs of sombers. Dr. Willet 
getuigde het , toen hij op een diner bij De Vries onder het 
nagerecht tot Potgieter zeide: „uit uwe sombere poëzij had 
ik gevreesd een sentimenteel mannetje te zullen zien." 

Ook aan dat beheerschte leed gaf hij een dichterlijken vorm. 
Die vorm toont, dat in den jongen dichter — hij mocht dan 
nog voeling houden met het oude — het nieuwe aanwezig is. 
In de gedichten De Twintigjarige , duidelijker nog in Wilhelms 
Reize en Aan Adeline zien wij den romanticus, zich boven 
zich zelven verheffend, eigen gemoedsleven objectiveerend in 
een door zijn verbeelding geschapen personage. «De fierheid 
van zijn geest beheerschte 't krimpend hart" — dat vers uit 
Wilhelms Reize (II) mag ook Potgieter zelven gelden. Be- 
heerscht leed , waarheid en verdichting gepaard , werden door 
hem herschapen tot de figuur van dien landjonker, die een 
der liefste kinderen van zijn verbeelding zal blijven. Deze jonge 
edelman, die de oude muren van zijn burg ontwijkt, wiens 
jachthond hem tevergeefs wacht, die scheidend een „droef 
vaarwel" richt tot zijn beminde Adeline, toont verwantschap 
met Byron's Childe Harold , mismoedig huis en hof verlatend , 
bij zijn vertrek een „Good Night" richtend tot zijn vaderland 
waarin wij o. a. lezen: 

Deserted is my own good hall, 

lts hearth is desolate; 
Wild weeds are gathering on the wall; 

My dog howls at the gate. 

Of Potgieter hier verplichtingen had aan Byron, moeten 

wij in het midden laten; zeker is, dat hij in den korten tijd 

van zijn tweede verblijf te Amsterdam eerst recht ingewijd 

werd in de Engelsche literatuur. Meer dan dertig jaar later 

spreekt hij nog met levendige ingenomenheid van hetgeen hij 
KALFF, Letterkunde, VII. 15 



226 

door Nayler, Playter en Jacob van Lennep hoorde voordragen 
inde „English Literary Society" : werk van Byron, Pope, Sheri- 
DAN, Percy's Reliques, Moore, Goldsmith, Keats, Shelley. 
Kort noemden wij dat tweede verblijf te Amsterdam ; immers 
reeds in het voorjaar van 1831 nam het een einde. 

Potgieter werd door den heer Van der Muelen, compagnon 
van Mejuffrouw van Hengel, belast met een vertrouwelijke zending 
naar Zweden ter regeling van erfenis-zaken. Over Hamburg en 
Kopenhagen trok hij naar Gothenburg, waar hij zijn werk begon ; 
van daar naar Stockholm. Afwisselend in die hoofdstad , te Gothen- 
burg en elders vertoevend, bleef hij in Zweden tot December 
1832. Dat meer dan anderhalf jarig verblijf in den vreemde is 
van grooten invloed geweest op zijn verdere ontwikkeling. 

Dank de aanbevelingsbrieven die hij had medegekregen ,. 
maar meer aog zijn vlugheid van geest die hem het Zweedsch 
weldra met gemak deed spreken en zijn innemende persoon- 
lijkheid, verwierf hij zich in Zweden tal van vrienden. Hij 
krijgt toegang tot allerlei kringen, ook de hoogste; nu eens 
zien wij hem op een bal, al danst hij zelf niet; dan op een 
buitengoed, te paard een vroolijken stoet volgend, of een rol 
vervullend in een tooneelvoorstelling. Meer dan een Zweedsche 
schoone brengt zijn hart in beroering: Hilda Prytz wordt 
opgevolgd door Fanny Vallentin en Mina Fröding. ,. How 
happy could I be with either!" zucht bij de gedachte aan de 
twee laatstgenoemden de jonge man, wien een gelukkig thuis 
en eigen gezin het beste en hoogste scheen wat een man op 
deze aarde te beurt kan vallen; maar het lot was hem niet 
gunstig, ontberen werd hem plicht. 

Niet alleen het Zweedsche volk, ook het land en zijn literatuur 
leert hij kennen. Tegnèr, die reeds zijn hoogsten bloei had bereikt^ 
werd doorhem bewonderd; het werk van Geyer, Atterbom, Fran- 



227 

ZEN oefende invloed op hem ; de volkssagen trokken zijn aandacht. 

Al dat nieuw geziene en doorleefde deed nieuwe poëzie 
ontstaan, waaruit zijn persoonlijkheid al duidelijker voor ons 
begint optekomen. Vermoedelijk is onder den indruk der 
Zweedsche romances die hij had leeren kennen , de ballade 
De drie Jonkers ontstaan , al kon zij om haar boertig element 
ook wel onder Bilderdijk's invloed geschreven zijn. Van nie;r 
belang is het stukje Holland, dat eveneens uit Zweden en het 
jaar 1832 dagteekent; in dat viertal fraaie coupletten, uit heim- 
wee en vaderlandsliefde geboren , hooren wij de stem van den 
lateren Potgieter voor het eerst met eenige duidelijkheid en 
kracht. Weemoedig herdenken van zijn leven, van zijn verloren 
geluk te Antwerpen , verlangen naar zijn Amsterdamsche vrien- 
den , spreken uit meer dan een uitgegeven of onuitgegeven 
gedicht tot De Vries, Withuys of Klyn. De nieuwe teleur- 
stellingen in de liefde ondervonden en de worstelingen om het 
verloren evenwicht in zijne ziel te herstellen, krijgen dichterlijken 
vorm in andere gedichten uit dezen tijd. 

Ook nu heeft hij een enkele maal rechtstreeks zijn leed 
geuit: De beide Meisjes, dat na zijn terugkeer in Holland, in 
1833, geschreven werd, is blijkbaar een herinnering aan wat 
hij gevoeld heeft voor de bruine Fanny en de blonde Mina. 
Andere gedichten spreken ons van de wegen waarlangs hij 
vergoeding zocht voor de liefde die hij moest ontberen; in een 
gedicht tot H armen Klyn van Nov. 1831 lezen wij: 

'k Zocht rust bij wetenschap en kunst; 

Wie kennis zoekt, zoekt smarte 

En zoet is slechts der Muzen gunst 

Voor een gelukkig harte! 

De lauwer is van prijs beroofd, 

Vlecht haar de min niet om het hoofd. 

15* 



228 

De gedachte, vervat in die beide slotregels: de kunst geeft 
geen vergoeding voor ontbeerde liefde, vinden wij verwerkt 
in een zijner beste gedichten uit dezen ü]d De Zangeres (1833). 
Ook hier objectiveerde Potgieter zijn leed om het langs 
dien weg geheel meester te worden. Op treffender wijs had 
hij dat vroeger gedaan, toen hij te Gothenburg in Juni 1831 
zijn gedicht De Jonge Priester voltooide, in dien priester 
immers, die de liefde overal in de natuur en het leven moet 
aanschouwen, maar zich gedwongen ziet „den droom van 
't huislijk heil , als waar 't een slang te ontwijken", die in de 
vriendschap geen vergoeding vindt voor de ontbeerde liefde 
van vrouw en kinderen, die kracht van God afsmeekt om 
staande te blijven in den strijd — heeft Potgieter ons een 
aangrijpend beeld gegeven van eigen, voor der wereld oog 
verborgen, lijden en strijden. 

In deze beide gedichten en in het bovengenoemd Holland, 
kunnen wij Potgieters persoonlijkheid als dichter reeds in 
hare voorname karaktertrekken onderscheiden : daar is reeds 
diepte van gevoel en mannelijke ernst, zinnelijkheid door 
vroomheid gelouterd, hoogheid van opvatting, kracht aan 
bevalligheid gepaard , bondigheid van uitdrukking en streven 
naar het teekenachtig woord. Daarnaast zien wij nog hier en 
daar de sentimentaliteit, het overladcne, het te sterk aangezette 
der kleuren en onvoldoende plastiek; maar desniettegenstaande — 
welk een belofte voor de toekomst werd hier gegeven. In niet 
mindere mate mag dat gelden van het Afscheid van Zweden, 
door Potgieter bij zijn vertrek naar het vaderland gedicht; 
daar ziet men eerst recht, hoe de bevallige Zweedsche lyriek 
den Hollandschen dichter geleerd had, zijn moedertaal te doen 
vloeien naar den klank en den val van het zangerig Zweedsch. 



229 

DE MUZEN. 

Vóór de Kerstdagen van 1832 was de reiziger terug in 
Amsterdam. Zelfstandig geworden naar den geest, werd hij het 
nu ook in maatschappelijk opzicht: hij vestigt zich als agent 
van buitenlandsche huizen. Daar Mejuffrouw Van Hengel de 
hoofdstad verliet, gmg hij met zijne tante samenwonen; de 
rollen werden nu omgekeerd : voortaan zorgde hij voor haar met 
kinderlijke liefde en toewijding. 

Juist nu vindt hij nieuwe vrienden op zijn weg, die een 
belangrijken invloed op hem zullen oefenen. Ten huize van De 
Vries maakt hij kennis met Heije; deze zal hem in aanraking 
met Drost hebben gebracht; Drost werd de brug waarlangs 
Bakhuizen van den Brink tot hem kwam. De kennismaking 
leidde tot vriendschap en deze tot samenwerking op letterkundig 
gebied. Op dien bovenvermelden zomeravond van het jaar 1833 
liep het gesprek overallerlei buitenlandsche literatuur, tenslotte 
kwam het op Van Lennep's Pleegzoon. Uit hetgeen toen door 
het viertal te berde gebracht werd, stelde Drost op verzoek 
der overigen de recensie samen , die in De Vriend des Vader- 
lands van dat jaar verschenen is; daar zien wij de eerste vrucht 
eener samenwerking, die van groote beteekenis is geworden, 
voor de ontwikkeling onzer letterkunde. 

Aanvankelijk gaat Potgieter voort met het zenden van 
bijdragen aan verscheiden tijdschriften. Yntema, die ging 
bemerken wat zoo'n medewerker waard was, liet hem niet los; 
een aantal der hierboven genoemde stukken zijn dan ook in de 
Vaderlandsche Letteroefeningen uitgegeven. Maar eindelijk krijgt 
Potgieter genoeg van dezen middelmatigen prijzer van het 
oude, die weinig oordeel des onderscheids toonde tegenover 
het nieuwe; in 1833 verlaat hij de Letteroefeningen voor De 
Vriend des Vaderlands waaraan hij eenige vertalingen uit het 



230 

Zweedsch en het Spaansch afstaat; andere stukken van dien 
aard vonden een plaats in Westerman's Verzameling van 
Voortbrengselen van Ultheemsche Vernuften. Van meer gewicht 
dan deze vertalingen en eenige Liederen uit de middeleeuwen 
is de beoordeeling van den historischen roman Galama, door 
Potgieter op verzoek van Drost en Heije voor De Vriend 
des Vaderlands opg&steld. In dat, ietwat wijdloopig maar levendig 
en onderhoudend geschreven stuk, heeft hij eerst zijn ideaal 
van een geschiedkundigen roman geschetst om dezen roman 
aan dat ideaal te toetsen; scherp maar juist in zijn oordeel, 
verwijt hij den auteur gemis aan voorbereidende studie; aan 
kennis van het leven en het m.enschelijk hart, veroordeelt de 
onwaarschijnlijkheid van het verhaal en de opgeschroefdheid 
van den stijl. Afbrekend en opbouwend heeft hij hier een 
critische studie gegeven, merkwaardig als protest tegen de 
achterlijke critiek van tijdschriften als de Boekzaal der Geleerde 
Wereld, merkwaardig ook als eerste openbaring van zijne gaven 
als literair criticus. 

Reeds vroeger had hij zijne gedachten laten gaan over het 
ideaal van den criticus, zooals blijkt uit De Beoordeelaar , een 
onuitgegeven gedicht van het jaar 1833, dat een hulde aan 
|o. de Vries bevat. Maar vooral Drost heeft Potgieter aan 
het werk gezet en als criticus aan zich zelven ontdekt. Bij den 
■eersten stap, in de critiek van Galama gedaan, zou het niet 
blijven. Meer en meer werden de vrienden overtuigd van het 
•onvoldoende der bestaande tijdschriften, zoowel wat hun letter- 
ikundige bijdragen als wat hun critiek betrof; Drost en Heije 
hadden wel de leiding van De Vriend des Vaderlands, maar 
de zonderlinge vereeniging van literatuur met berichten omtrent 
weldadigheids-koloniën gaf aanleiding tot moeilijkheden en de 
uitgever dwarsboomde de redactie niet zelden in hare wenschen. 
Zoo ontkiemde het plan tot het stichten van een nieuw tijd- 



231 

schrift; in 1834 werd dat plan verwezenlijkt: den l^ien Sep- 
tember van dat jaar verscheen de eerste aflevering van De 
Muzen. Nederlandsch Tijdschrift voor de beschaafde en letter- 
kundige wereld. Een uiteenzetting van beginselen vindt men 
hier niet: de jeugdige redacteurs verklaren slechts, dat er naar 
hun meening behoefte bestaat aan „een billijk en onpartijdig, 
van wijsgeerig-aesthetische beginselen uitgaand Tijdschrift, het- 
welk een beoordeelend overzigt oplevert van In- en Uitheemsche 
voortbrengselen van Letterkunde en Schoone Kunsten." Beloften 
vvenschen zij niet afteleggen; zij nemen eenvoudig aan: „Elk 
onzer lezers deelt in onzen afkeer tegen marktschreeuwers." 
Potgieter treedt hier door het aantal, ook door het gehalte, 
zijner bijdragen op den voorgrond. De kiem , die wij in 
Wilhelms Reize hebben leeren kennen, heeft zich hier ont- 
wikkeld tot een kleinen cyclus van gedichten onder den titel 
De Nalatenschap van den Landjonker, voorafgegaan door een 
inleiding in proza, waarin de landjonker zich aan den lezer 
voorstelt. Heugenissen van Zweden en zijne liefde voor de 
schoonen die hij er leerde kennen, berusting in het ontberen 
van gehoopt geluk - motieven uit Afscheid van Zweden en De 
Jonge Priester— ruischen ons hier weemoedig tegen; het roman- 
tisch welbehagen in het edel ros , vanouds des ridders vriend , 
toont zich in eenige stukjes onder den titel Paardrijden; een 
ander romantisch motief: de zelfverteedering bij de gedachte 
aan afscheid en dood, vooral aan een vroegen dood, merken 
wij op in Vroeg Sterven. Als criticus zien wij Potgieter hier 
o. a. in een, op verzoek van Drost ondernomen, studie over 
LooTS, voor dien tijd een voortreffelijk stuk. 

Bakhuizen van den Brink, dien wij nog niet ais auteur 
leerden kennen, gaf hier als proefstuk een meesterstuk in een 
studie over Hemsterhuis. Uit de bespreking eener lofrede op 
dien wijsgeer groeide een zelfstandige verhandeling, die ons 



232 

den schrijver in zijne kracht toont. Welk een krachtig, scherp 
verstand, bekwaam om de hoogste problemen te omvatten en 
te behandelen zien wij hier; welk een kennis van Plato, van 
de Engelsche en de Duitsche wijsbegeerte; hoe helder, sober, 
overtuigend wordt hier uiteengezet m welke opzichten Hem- 
STERHUis Plato navolgt , in welke hij Locke vertolkt of op 
de wegen door dezen aangewezen verder gaat; van hoeveel 
meesterschap getuigt de behandeling der stof, die nergens 
sporen van inspanning toont; in hoe fraai Nederlandsch zijn 
Hemsterhuis' dialogen weergegeven. En die dit stuk schreef, 
was een jonge man van 24 jaar! 

De buitenlandsche letterkunde is hier vertegenwoordigd door 
een vertaling van SiLVio Pellico's Doveri degli Uonilni, een 
overzicht van Allan Cunningham's History of the British 
Literature of the last fifty years , mededeelingen uit de brief- 
wisseling tusschen Goethe en Zelter, opmerkingen over 
Shakespeare, W.,Scott, Moore, Victor Hugo, den roman- 
schrijver Spindler. Aan den strijd tusschen klassiek en roman- 
tiek herinneren ons eenige gematigde woorden uit een degelijke 
critiek van Beets' José. Jacob van Lexnep wordt geprezen 
om zijn vaardigheid als vertaler, maar moet eenige veeren 
laten, omdat zijn vertolking van Moore „dat fijn en teeder 
gevoel, die keurigheid van uitdrukking" mist, die het origineel 
onderscheiden. Schotel moet het ontgelden om zijn dor boek 
over Alkemade en Van der Schelling; Willems' Reinaert 
de Vos wordt onder de aandacht van het publiek gebracht; 
de redacteurs verdedigen Bilderdijk tegen Lulofs, al deelen 
zij den afkeer dien de laatste gevoelt van „al wat naar mystiekerij , 
dweeperij , veroordeeling van andersdenkenden en grillige zon- 
derlingheid zweemt". 

Wie meent, dat de rijkdom en de nieuwheid van het hier 
gebodene tal van inteekenaars hebben gelokt, bedriegt zich. 



233 

Misschien was de tijd nog niet rijp voor een dergelijke onder- 
neming; misschien waren de redacteurs niet beslist genoeg in 
hun verwerpen van het oude en voorstaan van het nieuwe in 
allen gevalle gedijde het nieuwe tijdschrift niet; reeds in het 
volgend jaar moest men het opgeven. 



DROST (Slot). 

Nog vóór De Aïuzcn was Drost van het literair tooneel 
verdwenen: den S^en November 1834 was hij bezweken 
aan de tering die zijne krachten langzamerhand had ge- 
sloopt. Potgieter's droefheid over het verlies van dat hart 
»dat al (z)ijn nood en vreugde deelen kon", trilt na in de 
verzen, ongeveer een jaar later door hem in het Album 
Amicorum van Beets geschreven. Echter, hij deed meer en 
beter dan treuren : met Bakhuizen van den Brink ordende 
hij de letterkundige nalatenschap van hun vriend; uit die 
nalatenschap stelden zij een bundel Schetsen en Verhalen 
samen, die in het laatst van 1835 het licht zag. De vijf hier 
vereenigde stukken verschillen onderling naar omvang en 
inhoud: De Kaninefaat, onvoltooide schets waarin wij Brinio 
als knaap zien, verplaatst ons in de tijden van Hermingard; 
de novellen Het Altaarstuk en Meerhuyzen, evenals De Pesti- 
lentie ie Katwyk naar de eerste helft der \1*^^ eeuw; het laatste 
stuk heeft den omvang van een roman, evenals De Augustus- 
dagen dat een levensbeeld van omstreeks 1830 geeft. Al die 
stukken getuigen van de toewijding des kunstenaars. Welk een 
moeite heeft Drost aangewend om zijn stoffen te leeren 
kennen. Blijkbaar is hij onder den indruk van het rijk en 
schilderachtig leven onzer voorouders; hij tracht dien indruk 
weertegeven door een volheid van gebeurtenissen, een veelheid 



234 

van toestanden en personages, die aan Loosjes herinneren, 
al ontbreekt bij dezen het romantisch-huiveringwekkende waarin 
Drost zich soms vermeit. Wij krijgen de verschrikkingen van 
de pest te zien, een heks, lijkroof bij onweer; ook vreedzame 
tooneelen als een preek bij de Rijnsbiirgsche Collegianten ; 
allerlei personages: Barlaeus, Jacob Wytz, Passchier de Fyne, 
Schout Bondt, Van der Kodde, Katwijksche visschers, boeren enz. 
In Drost's beschouwing van dat vroeger leven is vrij wat 
Helmersch chauvinisme; de uitdrukking «heilig voorgeslacht" 
zal hem niet vreemd geklonken hebben. Anders dan Loosjes, 
heeft hij ernaar gestreefd zijn personages de taal van hun tijd 
te doen spreken, zooals hij zich die voorstelde: een mengel- 
moes uit Breêro, Hooft en andere auteurs, hier en daar 
zelfs uit een oud lied. Voor de lezers van toen was dat alles 
nieuw; zij zullen het genoten hebben, zooals de menigte 
tegenwoordig een nagemaakt oud stadsplein, verlicht met 
bengaalsch vuur. 

Ook in De Augustusdagen zien wij dat streven naar volheid 
en veelheid, dat meer in de breedte dan in de diepte ging. 
Drost had bij deze schets van eigen-tijds-leven voorgangers 
in Kist en vooral in Bruno Daalberg; doch zoo hij zich 
strenger houdt aan zijn plan en minder afdwaalt, hij miste de 
luim, die De Overysselsche Predikantsdochter en dergelijke 
werken verlevendigt en veraangenaamt; Jean Paul wordt hier 
warm geprezen , maar Drost is meer met hem verwant door 
zijn weekheid en zijn neiging tot charge dan door zijn humor. 

Alles samengenomen, valt er in deze novellen en romans 
veel verdienstelijks te waardeeren. In zijn liefdevolle bewonde- 
ring van het verleden en zijn verlangen het door de kunst te 
herscheppen, in menigen gelukkigen greep hier voor het eerst 
gedaan, toont Drost iets van den echten kunstenaar. Was de 
romantiek ook voor hem een middel om te ontsnappen aan 



235 

een heden dat hem tegenstond , een vlucht uit de werkelijkheid? 
De uitgevers der Schetsen en Verhalen schijnen op zoo iets te 
doelen, waar zij in hun voorrede schrijven: „Maar geplaatst 
in eene wereld , waarin zoo veel zijn kiesch gevoel kwetsen , 
zijnen zedelijken zin verstoren, zijne eerzucht bedriegen, zijne 
wenschen verijdelen moest, keerde hij in zich zelven terug, 
en verlustigde zich met kinderlijk vertrouwen aan de schoone 
idealen, die uit de milde bron zijner reine ziel voortvloeiden." 
Echter, aan die werkelijkheid ontleende hij dan toch de stof 
voor zijne Augustusdagen'^ In allen gevalle mag men niet 
buiten beschouwing laten, wat Drost zelf met zijn werk be- 
doelde, wat hij er van hoopte: „Te eeniger tijd, dat was alles 
wat hij wenschte, zouden zijne Schriften eene aangename ver- 
poozing zijn voor hen, die vaderlandschen zin met een' goeden 
onafhankelijken smaak wisten te paren; zou eene teedere jonk- 
vrouwmet levendige belangstelling zich aan zijn verhaal boeij en; 
maar boven alles een verbeterde Gode dank zeggen, dat eene 
nuttige les, door hem in een bevallig kleed gewikkeld, diepen 
ingang in deszelfs hart had gevonden." Met dat zedelijk streven 
strookt geheel wat hij eens tot zijne vrienden zeide: „tot den 
prijs van hun genie, van hunnen roem, zou ik noch Schiller's 
Götter Griechenlands noch Göthe's Faust willen geschreven 
hebben. Het mag een gebrek zijn, dat ik het gebied der kunst 
te eng beperke; wie dit wraakt, zie toe, welk een looden juk 
hij het zedelijk gevoel dreigt op te leggen !" 

Het spreekt vanzelf, dat een krachtig ontwikkeld zedelijk 
gevoel de bron kan worden van hooge kunst; anderzijds kan 
een overheerschende neiging om zedelijken invloed te oefenen 
de belangstelling des kunstenaars in de kunst zelve vermin- 
deren, hem belemmeren waar hij het leven in zijn volheid en 
naar waarheid tracht weertegeven. Die neiging heeft Loosjes 
als romanschrijver ondergehouden en Drost vermoedelijk geen 



236 

goed gedaan. Staande aan den ingang van den nieuwen tijd , 
moet Drost een mertcwaardig auteur heeten, zoowel om het- 
geen hij heeft beproefd als om den invloed dien hij heeft 
geoefend. Jacob van Lexxep trad in zijn spoor, toen hij 
Brinio en zijne Kaninefaten, in den Hollandschen Duinzang 
voor het eerst door de poëzie verheerlijkt, als stof voor een 
historischen roman behandelde. Hoe sterk Drost's invloed 
op Potgieter is geweest, hebben wij reeds gezien; wij kunnen 
echter op nog andere voorbeelden wijzen: de figuur der 
amazone {De Augustusdagen) die Potgieter lief zal worden; 
de preek te Rijnsburg en de hagepreek in Potgieter's Anna; 
den liedjeszanger die Huvgens' Scheepspraet voordraagt {Pest 
te Katwijk) en Potgieter's Floor in Het Rijksmuseum. Wie 
den stijl van Potgieter vergelijkt met dien van Drost, zal 
in zinbouw en zinwending vrij wat overeenkomstigs opmerken ; 
de hoofschheid , waarmede Drost zijne personages baron 
of tuinbaas - bedeelt, vindt men bij Potgieter terug; ten 
slotte: wanneer wij Potgieter eerst na den dood van Drost 
zijn kracht zien beproeven aan de historische novelle, dan 
mogen wij aannemen, dat het bestudeeren en persklaar maken 
van zijn vriends nalatenschap den prozaschrijver in hem 
heeft gewekt. 



DE GIDS. 



Duidelijk zien wij dien invloed van Drost op Potgieter ook 
in de novelle Het Christenleger (1S38), door Potgieter „naar 
eene nauwelijks aangelegde schets van mijnen onvergetelijken 
vriend A. Drost voltooid". Die novelle, een schets der laatste 
dagen van den apostel Bonifacius, was verwant met, immers 
een voortzetting van Henningard; wij vinden hier het min of 
meer dwepend geloof, het weeke gevoel, het schilderachtige 



237 

€n de nawerking van Ossian, die ook dien roman eigen zijn; 
vermoedelijk zal de meerdere kracht in deze novelle op reke- 
ning van Potgieter gesteld moeten worden. In een drietal 
andere novellen had deze echter reeds in 1836 bewezen, dat 
hij op den akker, hem door Drost getoond, ook eigen vrucht 
kon telen. De eerste schilderij van Rembrandt van Rhijn is 
geheel in de manier van Drost, ook in de archaïstische taal 
der personages; zelfs in het verkeerd gebruik van het voor- 
naamwoord dij heeft Potgieter zijn vriend gevolgd. Anna. 
Schets uit den Spaanschen tijd getuigt van meer hartstocht dan 
in Drost aanwezig was; in Tehuiskomst. Tafereel uit den 
winter van 1813 zien wij, gelijk ook later zoo dikwijls, den 
verteller gedurig achter zijn personages te voorschijn komen; 
personages, die alle even gevat en belezen zijn als de auteur 
zelf en citeeren tot in den dood. 

Behalve deze novellen en eenige gedichten bracht dit vrucht- 
bare jaar 1836 een vertaling van La.mb's Essays of Elia, 
gewichtig in de geschiedenis onzer letterkunde als uiting van 
dien „kopiëerlust des dagelijkschen levens", die ook menig Neder- 
landsch auteur van dezen tijd eigen was en door Potgieter 
voor het eerst in het licht gesteld zou worden. Bovendien 
schreef hij de vertelling De Medeminnaars en begon zijn 
merkwaardig boek Het Noorden. 

Miet alleen als dichter, prozaïst en criticus, ook als mensch , 
had Potgieter in 1836 zijne krachten leeren kennen en zijn 
weg in de toekomst afgebakend. Wij zien dat ook uit een 
drietal gedichten van dit jaar: lauwren mocht hij .in de verte 
zien blinken, niet de roos van de min in haar schaduw geplant 
{Liefde en Eer); zijn vroom geloof had, naar het schijnt, de 
stem des twijfels wel gehoord, doch niet hem zouden de 
„Heil'ge Bladen" tot ,; spotten of tot t\vijflen" brengen {Bijbel- 



238 

lezen); «weelde en vreugd zijn heen — ons blijft slechts pligt 
en deugd" schrijft hij in Levensbeschouwing. Hij had in zekeren 
zin met het leven afgerekend, wist wat hij wilde en voelde de 
kracht in zich om als leider optetreden. Met De Mazen hadden 
hij en zijn vrienden een eersten stap in die richting gedaan; 
toen hadden zij het veld moeten ruimen; maar ook hier zou 
het »te rugge treên" blijken „om grootren sprong te doen". 

Een twist tusschen den uitgever Beyerinck en den redacteur 
der Vaderlandsche Letteroefeningen Yntema werd de aanleiding 
tot oprichting van een nieuw tijdschrift. Beyerinck zag er een 
wapen in tegen Yntema, de jongeren een orgaan dat zij 
noodig achtten voor den bloei der vaderlandsche letterkunde. 
Potgieter zou de leiding op zich nemen; zekere Robidé van 
DER Aa, een onbeteekenend letterkundige, dezen als bezadigd 
vriend terzijde staan. In Augustus 1836 verscheen een door 
Potgieter gesteld Prospectus dat, behalve een scherpe, juiste 
en grondige critiek van de Letteroefeningen , een uiteenzetting van 
de idealen en plannen der redactie gaf: Yntema's smaak werd als 
wansmaak veroordeeld, in plaats van zijn bekrompenheid zou 
het gezond verstand voortaan den rechterstoel bekleeden. De 
Gids. Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen — zoo zou het 
nieuwe tijdschrift heeten — wenschte het schoone te huldigen 
waar hij het vond, te waken voor de eer onzer letterkunde; 
wars van persoonlijke aanvallen en partijdigheid hoopte hij de 
„dorre en onvruchtbare kritiek der gebreken door de vrucht- 
bare en hooge kritiek der schoonheden te vervangen." 

Ditmaal bleek de tijd rijper voor een onderneming als deze: 
den eersten Januari 1837 was het eerste nommer verschenen; 
aan het eind dier maand telde de uitgever meer dan 220 intee- 
kenaars. Gelukkig voor het jonge tijdschrift trok Robidé van 
der Aa zich al spoedig terug; in 1838 traden Bakhuizen 
van den Brink, die reeds vroeger had medegewerkt, J. van 



239 

Hasselt, en de medici Van Geuns en Schneevoogt tot de 
Redactie toe. 

Zoowel de namen van deze als die der eerste redacteurs 
bleven het publiek voorloopig onbekend. Slechts enkele inge- 
wijden waren min of meer op de hoogte; zoo b.v. Geel, die 
reeds in 1837 met sympathie over het nieuwe tijdschrift ge- 
schreven kad en zich in 1838 „ten hoogste vereerd" achtte door 
de recensie in De Gids van zijn Onderzoek en Phantasie. 
Echter weigerde hij in het volgend jaar als vaste medewerker 
toetetreden; hij wilde zich niet binden, zoolang hij niet wist 
wie meer tot ■ medewerking zouden worden uitgenoodigd. In 
1840 werden Dr. H. Pol en de romanschrijver Oltmans in 
de redactie opgenomen, in 1843 de dichter Ter Haar die 
echter reeds in het volgend jaar zijn ontslag nam. 

Ernstiger dan door Ter Haar's heengaan werd De Gids be- 
dreigd door een oneenigheid tusschen de twee voornaamste leiders: 
Potgieter en Van den Brink. De laatste schijnt sedert 1841 
de penvoerder der redactie te zijn geweest; doch langzamerhand 
rezen er geschillen tusschen hem en zijn vriend. Ten deele 
raakten deze het geloof; de dichter Potgieter moest anders 
staan tegenover de dichters Bilderdijk, Da Costa en hun 
aanhang dan de criticus Van den Brink; sommigen verdachten 
De Gids in deze dagen zelfs nu en dan van „koketteren met 
de school der antirevolutionairen", uit „aangeboren haat tegen 
de theorie van gebodene verdraagzaamheid en van indommeling 
uit zucht tot vrede". Omtrent de vraag of de kunst dan wel de 
wetenschap de vlag zou voeren in het tijdschrift, zullen de 
gevoelens der twee leiders allicht niet geheel overeengestemd 
hebben. Waarschijnlijk hebben persoonlijke zich met de zakelijke 
geschillen gemengd en deze verscherpt. Wat hiervan ook zij, 
in 1843 kwam er een eind aan Bakhuizen's mede-redacteur- 
schap: wegens zijn talrijke schulden moest hij het land verlaten ^ 



240 

al hield zijne medewerking aan De Gids daarom niet op. In 
Bakhuizen's plaats kwamen Gerrit de Clercq, de begaafde 
zoon van den improvisator en de veelbelovende literator-jurist 
Vissering. 

Het aanzien van het nieuwe tijdschrift steeg langzaam maar 
stadig; het aantal inteekenaars nam toe en had in deze jaren 
de 40Ü reeds overschreden. Minder voorspoedig was men in 
het vinden van medewerkers; van tijd tot tijd ging een circulaire 
met die bedoeling in zee; mannen van zoo verschillenden aanleg 
en uiteenloopende richting als Da Costa, J. van Lennep en 
JONCKBLOET betuigden hunne hoogachting voor het streven der 
redactie, al had Da Costa natuurlijk ook hier bezwaren ; maar 
over het geheel was de steun gering. In 1845 werd een nieuwe 
circulaire verspreid, die den koers van De Gids omstreeks dezen 
tijd aangeeft: men wilde niet alleen een oordeelkundige waar- 
deering van de voortbrengselen der letterkunde geven, maar 
ook een samenvatting en beoordeeling van de resultaten der 
wetenschap; de talrijke feiten op het gebied van godsdienst, 
staatkunde, wetenschap of kunst, die de algemeene aandacht 
spanden, zouden grondig en onbevooroordeeld behandeld worden; 
terecht werd vooral op de Engelsche Review's gewezen als 
navolgenswaardige voorbeelden. Daar zien wij de richting afge- 
bakend, die De Gids in hoofdzaak ook later is blijven volgen. 

Potgieter had, naar het schijnt, niet recht vrede met deze 
wending, al steeg het aantal der inteekenaars langzamerhand 
tot 700; hij vreesde, dat de literatuur — en om haar was het 
hem toch in de eerste plaats te doen geweest — bij den 
nieuwen koers in het achterschip zou geraken. De hooge 
eischen, door hem en Van den Brink gesteld, waren oorzaak 
dat menige aangeboden bijdrage werd geweigerd, zij het ook 
in beleefden vorm en onder opbouwende critiek; dat de 
redactie zelf moest aanvullen wat zij aan kopij te kort kwam. 



241 

Potgieter had zich in dezen waarlijk niet onbetuigd gelaten; 
-dat kan blijken uit een overzicht en karakteristiek van de poëzie 
en proza, in de jaren 1837 — '48 door hem voortgebracht en 
grootendeels in De Gids, anderdeels in de jaarboekjes Tessel- 
schade en Aurora of een der talrijke Almanakken voor het 
eerst uitgegeven. 



POTGIETER (Vervolg). 

Letten wij op den inhoud van dat werk, dan treft ons hoe- 
veel ruimer plaats het heden daarin beslaat dan het verleden. 
Van een liefdevol zich verdiepen in en uitbeelden van het 
verleden om zijn zelfs wil is bij Potgieter gaandeweg minder 
sprake. Van de middeleeuwen wendt hij zich al spoedig af; 
nieuwe romances dicht hij slechts zelden {Lief en Leed in het 
Gooi); een enkele uit vroegeren tijd {De Gelofte der Jonkvrouw) 
heeft hij, gewijzigd, een herdruk waardig gekeurd; onze 
middeleeuwsche literatuur kan hij in 1851 slechts waardeeren 
als overblijfselen van „onze kindsheid"; men moet er geen 
sympathie voor eischen als „voor de voortbrengselen uit de 
dagen onzer kracht." Die dagen onzer kracht liggen voor hem 
in de 17*^6 eeuw; naar de 16"^^ eeuw worden wij, behalve in 
de novelle Anna, slechts door enkele gedichten verplaatst. 
Wat Potgieter zoo dreef tot onzen bloeitijd als volk, was, 
behalve zijn welbehagen in dien tijd, ook en vooral zijn 
opvatting van de taak der kunst. De kunst immers moest, gelijk 
hij het in zijn schets Albert (1841) uitdrukte, een „medehefboom" 
worden „tot onze ontwikkeling als zelfstandig volk"; Schiller's 
woord tot de kunstenaars: „Der Menschheit Würde ist in eure 
Hand gegeben" was hem naar het hart gesproken. Zoo vinden 

wij dan in 1837 en volgende jaren wel enkele novellen en 

KALFF, Letterkunde, VII. 16 



242 

gedichten, die louter beeld van het verleden zijn, doch daarna 
bij voorkeur een geïdealizeerd verleden tegenover het heden 
gesteld om dat heden in zijn zwakheid en onvolkomenheid te 
doen uitkomen; dikwijls ook het heden zelf als stof voor 
levensbeelden gekozen met die neiging tot den schaduwkant 
des levens, die sympathie voor de misdeelden en de lagere 
standen die met de romantiek op den voorgrond waren gekomen. 
Al die w£rken bevatten uitingen van een, in hooge mate 
individueel, kunstenaar; wij zullen trachten die individualiteit in 
eenige harer voorname trekken te schetsen. 

Potgieter voelt zich een zoon van het bar maar krachtig 
Noorden; niet hem verlokken het weelderig Oosten en het 
zoele Zuiden: „'k Heb nooit gesmacht naar 't bloemenkweekend 
Zuid" heet het in Winter (1839); de avondwind „belaên met 
myrrhe en mastik" streelt zijn Bontekoe niet: 

Hij walgde van zijn week'lijk wuiven; 
Hem dorstte naar den geest der kracht. 

Deze Germaan voelt zich Nederlander; vroom en vroed 
noemt zijn woordvoerder Albert het: „alle krachten in te spannen 
ter ontwikkeling onzer nationaliteit". Diep doordrongen van ons 
volksverval, dat hij in zijn /a/z en Jannetje (1841), ï Is maar 
een pennelikker (1842), Het Rijks-Miiseum te Amsterdam (1844) 
zoo scherp deed uitkomen, tracht hij zijne tijdgenooten te 
prikkelen tot het uitdrijven van Jan Salie die voor hem de 
Booze is; evenals Thorbecke wil hij „alle sluimerende krachten" 
in ons volk „opwekken", vroegere degelijkheid doen herleven, 
nieuwe bronnen van welvaart en glorie openen voor tijdgenoot 
en voor nageslacht (7 Is maar een pennelikker). 

Het verleden verheerlijken, dat hadden vóór hem ook Helmers,. 
LOOTS en anderen gedaan; doch hun bedoeling was: een ge- 



243 

vallen volk troosten en opbeuren; Potgieter wilde een volk, 
dat met zijn onafhankelijkheid zijn oude zelfgenoegzaamheid 
herkregen had en dreigde in te dommelen, wakker houden en 
prikkelen tot een „weldadige vernieuwing van meeningen en 
instellingen" (Shelley). Het staatkundig en maatschappelijk leven 
van zijn volk legt beslag op Potgieter's aandacht; voor de 
natuur, voor andere kunsten dan die van het woord blijft met 
veel over. Voor de muziek voelt hij niet veel; hij ergert zich 
aan de uitbreiding van haar aanzien en invloed ; haar en de 
schilderkunst beschouwt hij liefst uit het oogpunt van volksop- 
voedmg. Voor de natuur in haar schoonheid, liefelijkheid of 
eigenaardig karakter heeft hij wel oog: in de Licdekens van 
Bontekoe vinden wij de tropische natuur en de Noordsche 
winterpracht ertegenover; in Lief en Leed in het Gooi het schoon 
van het Sticht; in De Zusters en elders de Hollandsche weiden 
en vaarten en boerenerven. Maar toch, vergeleken met het 
overige, beslaat de natuur een geringe plaats m zijn werk; 
opmerkelijk is, in dat verband, de klacht over het «gebrek aan 
aanschouwelijke natuurbeschrijving'' in onze letterkunde (Albert). 
Voor het aantrekkelijke van den winter en den herfst hadden 
Van de Kasteele, Tollens en anderen ook zijn oog geopend. 
In de neiging tot die jaargetijden was iets sentimenteels, erfenis 
van de vorige eeuw. In Oudejaars-avond en Nieuwjaars-morgen 
(1837) verklaart hij niet te houden van „overdrevene sentimen- 
taliteit noch van overdreven spiritualisme", doch die beide soorten 
van gevoel zelve zijn in zijn werk aanwezig: hij zit gaarne met 
zijn Album Amicorum vóór zich; het langst verwijlt hij bij de 
beeltenis van een vroeggestorven meisje dat staart op een half- 
verwelkte roos; een gedicht als tiet Graf (1839) herinnert niet 
alleen door zijn titel aan Feith, al is Potgieter's sentimen- 
taliteit een andere dan die van zijn stadgenoot. 

Moet ook de neiging tot het deftige, statieuze, hoofsche dat 

16* 



244 

Potgieter kenmerkt, een erfenis der IS^^^ eeuw genoemd 
worden? Ten deele, ja: het streven naar bevalligheid en stijl 
m de levensvormen van dien tijd trok dezen Zwollenaar van 
onaanzienlijk uiterlijk aan, evenals zijn ietwat zware degelijkheid 
bekoord werd door het levendig, luchtig, geestig Fransch, dat 
hij gaarne in zijn werk strooit. In de hoofsche kringen van 
Stockholm en Göteborg was die neigmg tot het hoofsche in 
taal en omgang versterkt; niet vreemd, dat wij haar ook in 
zijn werk aantreffen. 

Dat werk behoort tot de triomfen die de romantiek te onzent 
vierde. De rechtstreeksche invloed der klassieken is er gering. 
Potgieter immers had geen klassieke vorming genoten; 
HoRATius was hem alleen uit vertalingen bekend en zelf rang- 
schikt hij zich onder de misdeelden , wien de klassieken ondanks 
alle vertalingen duister bleven. 

Des te sterker deed zich de invloed der buitenlandsche 
romantiek gelden. Dat toonen ons de overtalrijke citaten en 
verscheidene, min of meer geslaagde, vertalingen; dat ook 
romantische typen als die van den ridderlijken roover in Maarten 
liarpertsz {1831) , de amazone in Het togtjc naar ter Ledestein; 
de sterk aangezette kleuren in gedichten als Fortuin zoeken 
<1838), De Jonge Priester en Siudert. Potgieter's individualiteit 
was krachtig genoeg om haar eigen erf te vrijwaren tegen 
overstrooming. Een onvoorwaardelijk bewonderaar van het 
vreemde was hij niet; hoe hoog hij Byron in menig opzicht 

moge stellen, hij erkent in 1838: „onze dagen eischen 

een' dichter van anderen stempel, die niet, als Bvron, strijd 
voere tegen godsdienst en beschaving; die eerbied hebbe voor 
orde!" (Parisina etc); over de grillige tegenstellingen in 
ViCTOR HuGO's Notre Dame de Paris laat hij zich, vermoe- 
delijk op voorgang van Geel, afkeurend \\\X {Giiy de Vlaming); 



245 

den stijl van Hugo noemt hij in 1S41 ..schrikbarend overladen" 
{Kopieerlust d. d. L.) ; voor Dickens „den letterkundigen Baal" 
heeft hij geen onverdeelde bewondering. Evenals de krachtige 
zeventiend'eeuwers wist Potgieter het schoone en goede uit 
den vreemde, dat bij de kern van zijn wezen paste, met dat 
wezen te versmelten tot een nieuw nationaal geheel. „Nationa- 
liteit in de kunst" - zoo eindigt het laatst aangehaalde opstel - 
«de gelukkige, die voor u ijvert, doet hij het niet voor de 
schoonste deugd ?" 

Evenwijdig met dit ijveren voor het nationale liep zijn streven 
naar oorspronkelijkheid; zich zelf zijn, dat was de lichtbaak 
die hij opstelde voor een volk als voor een mensch en een 
kunstenaar. „Wat is verdienste in kunst anders dan oorspron- 
kelijkheid ?" - vraagt hij aan het slot eener studie over een 
schilderij van Leopold Robert (1S38); „onsterflijk maakt de 
oorspronkelijkheid", dat slotvers van zijn Halve-Eeiiws Wake 
(1851) is de leus, waaraan deze ridder van den geest zijn leven 
lang getrouw is gebleven. Erkend dient, dat zijn liefde tot 
het eigene en persoonlijke hem niet zelden tot het gemaniereerde 
heeft verleid: steeds zoekend naar hetgeen beter was dan het 
voor-de-hand-liggende, werd hij niet zelden gezocht; dikwijls 
vindt hij iets eigens, een nieuwe wending, een nieuwen uit- 
drukkingsvorm, doch deze gestadig herhalend, vervalt hij niet 
zelden tot manier. 

Den romantischen kunstenaar zien wij voorts in den tenau- 
wernood beteugelden lust tot uitweidingen. Potgieter is zóó 
belezen, weet zóó veel en is zóó verslingerd op wat hij noemt 
„the art of cultivating pleasant associations", dat hij overal stof 
vindt tot een beschouwing, vergelijking of tegenstelling; die 
inlasschingen brengen dikwijls een aangename afwisseling 
in zijn stukken, maken ze onderhoudend of boeiend, rijk 
van inhoud of suggestief van werking, doch de harmonie 



246 

van het geheel wordt er meer dan eens door bedreigd of 
verbroken. 

Wij zagen vroeger, hoe Potgieter zijn subjectief gevoel 
objectiveerde om het meester te bUjven; waar hij als verteller 
objectief het uiterlijk of innerlijk leven wil schetsen of schil- 
deren, drmgt zijn subjectiviteit zich niet zelden tusschen hem 
en zijn onderwerp. In zijn novelle Hanna toont hij wel te 
beseffen, dat er „zoo weinig gang" in zijn verhaal is; inder- 
daad blijkt reeds uit den aanvang, hoeveel moeite het den 
auteur kost op gang te komen. In deze en andere dingen zien 
wij PoTGiETER's talent niet van de gunstigste zijde; maar 
hoeveel goeds en schoons kunnen wij daartegenover stellen. 

De scherpe blik van Geel zag dadelijk dat Het Noorden 
(1836 -'40) iels nieuws en veel goeds bracht. Inderdaad, ook 
hier mocht gelden, wat Cats van Huygens' Costelick Mal 
en Voorhout zeide: 

Hier coomt een nieuwe Svvaen met onghemeene pennen, 
Hier coomt een hoogher geest door onse landen rennen. 

Het scherpst komt dit nieuwe uit, indien men het boek legt 
naast Van "s-G raven weert's /iet Noorden en het Oosten, 
dat in dezen zelfden tijd het licht zag (1840- '41). Dat degelijk 
reisverhaal van bijna 1000 bladzijden, voor de studie van land- 
en volkenkunde zeker niet zonder belang, vormt in zijn ouder- 
wetsche omslachtigheid van stijl en vooral in zijn geringe 
artistieke waarde een volkomen tegenbeeld van Potgieter's 
werk. Toch kende Van 's-Gravenweert Lamartine's Voyage 
d' Oriënt die in 1835 verschenen was. Dat, bij afwisselmg 
schitterend, of banaal en vervelend, werk staat door zijn sub- 
jectiviteit veel dichter bij Het Noorden. Met het oog op die 



247 

subjectiviteit mocht Geel tot Potgieter zeggen: ga even op 
zij, ik kan met zien - hij roemde den stijl als „uitmuntend" 
en het geheel „eene aanwinst voor de Nederlandsche letteren". 
Van dit boek geldt niet, wat terecht van de Voyage d' Oriënt 
gezegd is, dat men er meer van den schrijver dan van de door 
hem bezochte landen in bemerkt. Ja, Geel had ten deele gelijk, 
toen hij schreef: (de auteur) „zegt ons minder wat hij gezien, 
dan wat hij ondervonden en gevoeld heeft"; maar, anders dan 
in Sterne's Sentimental Journey en Lamartine's reisverhaal , 
heeft Potgieter zijne herinneringen en ziele-beelden van het 
vreemde land, van het volk in zijn verleden en heden, zijn 
literatuur en oude sagen op kunstige wijze met stemmingen 
en aandoeningen van het eigen gemoedsleven weten te ver- 
eenigen tot een fraai geheel. 

De rijkdom van Potgieter's geest komt eerst goed uit, 
indien men de novellen en gedichten overziet, door hem vol- 
tooid terwijl hij bezig was aan Het Noorden. Gedwongen tot 
beperking, vestigen wij de aandacht onzer lezers vooral op 
den bundel proza-stukken uit de jaren 1837 -'45, die in 1864 
door hem als een „zelfkeur" werd uitgegeven. Die stukken 
met eenige later herdrukte en andere die op een herdruk 
wachten, toonen hoe Potgieter Geel's opwekkend woord 
ter harte had genomen. In 't Is maar een pennellkker blijkt 
rechtstreeksche invloed van Geel; alle stukken samen gaven 
een welsprekend antwoord op dat woord : laat ons het proza 
bewerken ! Duidelijker nog dan in Het Noorden zien wij het 
nieuwe in dit dertiental stukken, dat verleden, heden en toe- 
komst des volks omvat: het verleden in Het Rijks- Museum, 
De Folio-bijbel , de beschouwing onzer dichtgenootschappen in 
De letterkundige Bentgenooten te Parijs; het heden - dat de 
meeste plaats inneemt - in de novellistische schetsen van de 
gegoede of hoogere standen {De Zusters, Marie, De Ezelinnen), 



248 

in de levensbeelden uit den geringen stand (Blaauw Bes ^ 
Hanna), in de typen van fatsoenlijke armoede (7 /s maar een 
Pennelikker , Als een visch op het drooge) of van afhankelijkheid 
als dat der gouvernante {Marie), waarop hier voor het eerst 
de aandacht werd gevestigd; het heden en de toekomst in die 
treffende allegorie /a/z, Jannetje en hun jongste kind. 

Waar valt in ons proza van vroeger tijd een dergelijke bundel 
aantewijzen ? Oorspronkelijk was dit werk in hoogemate: voor 
Jan, Jannetje en hun jongste kind moge Potgieter eenige 
verplichting hebben aan Washington Irving's John Buil - 
wie beide schetsen vergelijkt, zal zien dat de Nederlander zijn 
eigen weg ging. De kracht van gevoel in deze novellen en 
schetsen , kracht ook van zuivere bondige pittige taal , komt 
scherp uit, indien wij er de teederheid tegenover stellen, waaruit 
de beelden van het blauwbessenvrouwtje en Hanna geboren 
zijn, en een beschouwing als die over het kind in De Ezelinnen. 
Naast die kracht en die teederheid zien wij mannelijken ernst, 
hoogheid van opvatting, gevoel voor het grootsche en verhevene. 
De degelijkheid is er overvloediger dan de bevalligheid; luch- 
tigheid er vaker bestreefd dan bereikt. Voor uitbeelding vinden 
wij niet zelden beschouwing; zekeren schuw voor realisme en 
voor het rechte woord op de rechte plaats; den auteur ook 
hier te vaak achter zijn personages; als gevolg daarvan iets 
eentonigs en vermoeiends; het gewrongene en de manier niet 
afwezig; daartegenover tal van mooie bladzijden en gelukkige 
tooneelen of grepen, statige schoonheid of stemmige bekoor- 
lijkheid; nergens het alledaagsche of platte, overal ernstige 
bewuste kunst. 

Potgieter's poëzie van dezen tijd vertoont in menig opzicht 
overeenkomst met zijn proza. In de jaren 1836 -'46 vertaalde 
hij, vermoedelijk ook om zijn ouders te kunnen steunen, eenige 



249 

omvangrijke prozawerken: Bulwer's Riënzi, Marryat's Mid- 
shipman Easy, Hazlitt's Table-Talk, werken van Leigh Hunt^ 
Warren e. a. ; daartegenover kan men een groot aantal ver- 
taalde dichtstukken plaatsen van Zweden, Denen, Duitschers, 
Franschen; van Engelschen en Amerikanen, toen nog door 
weinigen gelezen, veel minder vertaald, als Wordsworth, 
COLERIDGE, HoOD, LoNGFELLOW en Whittier ; de bewonde- 
ring voor Dante, die lang onder ons volk gesluimerd had, 
wordt door Potgieter's terzinen weer tot nieuw leven gewekt 
{Francesca da Rimini 1837). 

Het verleden is ook hier in de minderheid tegenover het 
heden. Uitbeelding van het verleden om zijn zelfs wille zien 
wij slechts hier en daar, o. a. in Afrid ter Valkenjacht (1842), 
dat door het welbehagen in paardrijden en jacht almede een 
voorspel mag heeten van een deel der Nalatenschap van den 
Landjonker , zooals die cyclus zich later zal ontwikkelen. Het 
nationaliteitsgevoel openbaart zich krachtig in Aan New-York 
en Zandvoortsche Wedrennen; het streven naar nationale kunst 
in Verschyning op Sinte-Lucie-nacht; het warme medegevoel 
voor misdeelden en armen vindt in den dichter een even 
bezielden en welsprekenden tolk als in den prozaïst; dat getui- 
gen Arme oude luidjes, De eerste duizend, vooral Veteranen- 
Klagt, De Chineesche Mandarijn en de beide vertalingen naar 
Thomas Hood. Ook hier openbaart zich de begeerte van den 
kunstenaar om door middel zijner kunst invloed te oefenen 
op het leven: den geestverwant van Thorbecke hooren wij in 
deze verzen uit Maart MDCCCXLIV: 

Wat sluimerende krachten 
Alleen den wekker wachten, 
Worde ieder zich bewust! 

Jan Salie komt hier ten tooneele in De Stilstaanders en Een 



250 

wonder is de Nieuwe Beursl Andere zangen des tijds zijn 
Aanstaande verandering van Amsterdams Wapen en Eerzucht. 

In Potgieter's proza hoort men den „allegro" slechts hier 
en daar {Drie Schoolmakkers , Het Weeuwtje uit het Hof van 
Holland, Lief en leed in het Gooi); overigens is vooral de 
„penseroso" er aan het woord. Ook in zijne poëzie overheer- 
schen ernst en weemoed de vroolijkheid; maar de laatste doet 
er zich toch vaker hooren dan in het proza; voor het zoet 
genot van vrijage en min, hem door het leven ontzegd, zoekt 
hij zich door de kunst schadeloos te stellen: in het proza staat 
het Weeuwtje uit het Hof van Holland tamelijk verlaten - in 
de poëzie klinkt het motief van vrijen en trouwen met meer 
kracht {Roeltjen uit de bonte Koe, Machteld, Wijs Klaertjen op 
7 Ijs, Dieuwertjen, Pieter Breugel, Het Kraamschut mijner 
moei). Maar kenschetsend is toch, dat Potgieter zich verplicht 
gevoelt „den luchtigen toon" van zijn Speelmans- Deuntje te 
«verklaren." 

De kracht en de teederheid , den ernst en de hoogheid van 
gevoel, de zuiverheid van taal, de bondigheid en pittigheid, 
ook het gewrongene en het gezochte vindt men in de poëzie 
als in het proza; doch de rijkdom van vormen en wendingen 
schijnt in de poëzie rijker. In de talrijke vertalingen kan men 
zien, hoe Potgieter's oog, op schoonheid belust, m de 
buitenlandsche literatuur rondspeurt en er het beste kiest, om 
er eigen geest mede te verrijken , eigen gevoel door te ver- 
diepen, eigen smaak te verfijnen, eigen techniek te oefenen. 
De vruchten dier veelzijdige oefening zien wij in zijn oorspron- 
kelijke poëzie, die doorgaans een eigen klank heeft, hetzij ze 
in langademige perioden van korte verzen voorttreedt of, 
coupletsgewijs ingedeeld, in sneller stap zich beweegt. Het 
luchtige en bevallige gaat den dichter beter af dan den door 
zijne hoofschheid soms gedwongen prozaïst; anderzijds nadert 



251 

de poëzie hier en daar het alledaagsche, wat in het proza zeer 
zelden het geval is. Een stuk, zóó grootsch van opzet en 
schoon van uitwerking als Het Rijks- Museum te Amsterdam, 
kunnen wij in de poëzie van dezen tijd niet aanwijzen; eerst 
later zal de dichter de poëzie zoo leeren beheerschen, dat hij 
groote stukken kan ontwerpen, welke dat proza-stuk evenaren 
of overtreffen. 



B.\KHUIZEN VAN DEN BRINK EN HEIJE. (Vervolg). 

Wij hebben over Bakhuizen in zijn betrekking tot De Oids 
een en ander gehoord , dat wij hier ten deele moeten aanvullen. 

Potgieter was de letterkundige, Van den Brink de weten- 
schappelijke leider van het tijdschrift; samen vertegenwoordigden 
zij de critiek: Potgieter de literaire, Van den Brink de 
wetenschappelijke, al kwam de laatste wel eens grasduinen bij 
den eerste. Geel, in wien wetenschap, critiek en kunst een 
schoone drie-eenheid vormden, stelde De Gids hoog vooral 
om zijn wetenschappelijke critiek; in Bakhuizen erkende hij 
een geestverwant op wiens medewerking aan het tijdschrift hij 
hoogen prijs stelde. Toen hij hem in 1844 schreef: ik heb 
Potgieter dringend verzocht ,,in het tijdschrift den geest 
levendig te houden, dien gij er in gebragt" hebt, kan hij niets 
anders bedoeld hebben dan den geest van wetenschappelijke 
critiek. 

Voor Potgieter lag het zwaartepunt van De Oids in de 
nieuwe poëzie en proza die als voorbeelden zouden dienen, in 
de nieuwe letterkundige critiek die zou afbreken en opbouwen. 
Het jonge tijdschrift stond of viel niet met Van den Brink; 
dat heeft de geschiedenis getoond; als letterkundig criticus had 
hij kostelijke eigenschappen, maar „Bakkes" was noch dichter 



252 

noch scheppend prozaïst. Zijne critiek zullen wij later in ver- 
band met die van Potgieter en anderen behandelen; hier 
volge slechts iets aangaande zijn overige bijdragen aan het 
nieuwe tijdschrift. 

Opmerkelijk is zijn artikel over vaderlandsliefde in den Jaar- 
gang van 1840, omdat het van een gansch andere opvatting 
getuigt dan tot dusver geheerscht had. Zich keerend tegen het 
oude, betoogt hij dat het algemeen aanprijzen en verheffender 
vaderlandsliefde haar gedood of ten minste krachteloos heeft 
gemaakt. In de plaats van dat aanprijzen stelt Van den Brink 
het begrijpen, het inzicht b.v. dat de taal uiting is ook van 
het nationaliteitsgevoel , voortbrengsel van den bodem , de lig- 
ging, de gansche natuur des lands, ook van zijne geschiedenis. 
„De roem des vaderlands", schrijft hij, „is te allen tijde de 
prikkel der vaderlandsliefde geweest; vandaar de gedenksteenen , 
standbeelden, eerezuilen, gedenkdagen. Maar dat „jubelgekraai 
over al hetgeen bij ons bestaat" behaagt hem weinig; hoeveel 
hooger is zijn opvatting: „vaderlandsliefde is handelen , zedelijk 
handelen". 

Evenals Potgieter wordt hij door de middeleeuwen niet 
sterk aangetrokken; ook voor hem is de ly^^ eeuw de glorietijd 
van ons volk; hij erkent ronduit: „ondanks al onze romanciers, 
ik bemin de middeleeuwen niet". Dat hij desniettemin in de 
novelle Trudeman en zijn wijf (1843) getracht heeft een levens- 
beeld van dien tijd te scheppen, kan, evenals het schrijven van 
een paar andere historische novellen (Culemborg , Sivaert Sické) 
slechts verklaard worden uit den invloed der romantiek en uit 
dien van Drost en Potgieter, aan welken ons een paar 
typische wendingen herinneren. In die eerstgenoemde novelle 
valt wel talent te prijzen, al blijft het geheel wat schaduwachtig; 
al is het uiterlijke er beter dan het innerlijke - juist wat hijzelf 
aan Van Lennep verweet. Voor Van den Brink kunnen deze 



253 

novellen niet veel meer dan een ontspanning zijn geweest; zijn 
geest en gemoed werden door andere dingen aangetrokken. Tot 
dusver had hij zijn buitengewoon rijken aanleg in vele richtingen 
ontwikkeld; de omstandigheden brachten hem tot het ontdekken 
en ontginnen der rijkste ader van zijn wezen : de geschied- 
vorsching en geschiedschrijving. 

Zijn schulden dreven hem het land uit; daardoor kwam tevens 
een eind aan zijn verloving met mejuffrouw Toussaint, voor 
wie hij „opregte dankbaarheid" en een „zuiver Platonische liefde" 
gevoelde; niet die liefde, waaruit een gelukkig samenleven kon 
ontstaan. Een toeval bracht hem in Brussel en Luik op het 
spoor van onbekende bronnen onzer zestiend'eeuwsche geschie- 
denis. Van studie-reizen in Duitschland en Oostenrijk terugge- 
keerd te Brussel, vormde hij zich tot een uitnemend historicus; 
in Luik vond hij een echtgenoote, die kalmte bracht in zijn 
onrustig bestaan; nu begint het verlangen naar het eigen land 
en de oude vrienden luider in hem te spreken. Het verblijf in 
den vreemde had hem evenals Potgieter - nu weer zijn 
vriend - in menig opzicht tot een ander man gemaakt: zijn 
hartstochtelijke vaderlandsliefde was in den vreemde gelouterd 
en versterkt; forsch en fier spreekt zij op menige bladzijde zijner 
briefwisseling (p. 103, 159, 212, 301); hij ziet in, dat zijn 
vroegere leidslieden, de klassieken, geen oplossing kunnen 
geven voor zoo menige vraag van den nieuweren tijd; hij zou 
het Latijn willen afschaffen voor wetenschappen „die een aan 
de klassieke oudheid geheel vreemden kring van gedachten 
vorderen"; de bellettrist is op den achtergrond geraakt, al toont 
hij zich in de briefwisseling nog b.v. in het geestig omtrekje 
van baron Van Westreenen en in het voortreffelijk portret 
van den Duitschen Michel (p. 78, 153 -'6). Ten slotte, hij 
had zijn kracht leeren kennen. Toen hij in een brief aan Bake 
van het jaar 1851 een balans zijner persoonlijkheid opmaakte, 



254 

gaf hij tevens de slotsom weer van het geestelijk proces in hem 
gedurende zijn zevenjarige ballingschap: uit den theologant, 
literator, humanist en wijsgeer had de nood een historicus 
gevormd, die niets liever wenschte dan zijn volk dienen met 
hetgeen hij wist en kon. Bake wendde zich om hulp tot den 
minister Thorbecke; deze bleek willig tot helpen; weldra zou 
Van den Brink, door zijn vrienden van schulden bevrijd , door 
eigen voortreffelijk werk reeds een historicus die meetelde, zijn 
nieuwen werkkring aan het Rijks-Archief m Den Haag aanvaarden. 

Heije hebben wij uit het oog verloren. Zijn verhouding tot 
Potgieter schijnt niet bijzonder hartelijk te zijn geweest; in 
Potgieter's brieven aan Beets ten minste wordt, naar de laatste 
ons mededeelt, over Heije „zelden met die sympathie gesproken, 
die men ten opzichte van een bondgenoot .... verwachten 
mocht". Na zijn terugkomst uit Zweden had Potgieter zich 
teruggetrokken uit den kring van jo. de Vries, hoe zeer dat 
den laatste ook speet; voor Heije, jong medicus aan het begin 
zijner loopbaan, was er meer dan een reden om zulk een 
betrekking niet af te breken; Potgieter zag den toenemenden 
invloed der muziek met leede oogen aan, Heije deed al zijn 
best, dien invloed te versterken; hun wederzijdsche vriend 
Drost hield hen met langer bijeen - zoo gingen hunne wegen 
dan uiteenloopen. 

Aan de stichting van De Gids heeft Heije geen deel gehad; 
Potgieter vroeg hem niet om medewerking, sprak hem zelfs 
niet over de zaak. Eerst in het laatst van 1837 kwam Heije te 
weten , hoe de vork in den steel zat. Dat griefde hem en hij 
beklaagde zich dan ook in een briefje aan Potgieter over 
diens ,;Onvriendschappelijke achterhoudendheid". Hun vriend- 
schap werd wel niet verbroken; zelfs zond Heije van tijd tot 
tijd letterkundige bijdragen aan De Gids; doch ieder ging 



255 

voortaan zijn eigen weg. Heije's belangstelling en kracht werden 
voor een goed deel in beslag genomen door de praktijk des 
levens; op dien akker leverde hij voortreffelijk werk. Zoo stichtte 
hij met anderen in 1844 de nog bloeiende Vereeniging voor 
Ziekenverpleging; de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 
welker voorzitter hij in 1847 was, vond in hem een ijverig 
werkzaam medestander, in 1849 richtte hij de Maatschappij „de 
Toekomst" op, die verzorging van verwaarloosde kinderen 
in de gezinnen der gegoeden beoogde; lichaamsoefening en 
volksgezang werden door hem aangeprezen als middelen tot 
volksgeluk. 

Niet alleen de lichamelijke en zedelijke opvoeding des volks 
ging hem ter harte; als algemeen secretaris der Maatschappij 
tot bevordering der Toonkunst werkte hij, ook door talrijke 
vertalingen van buitenlandsche oratoriën, cantaten en psalmen, 
krachtig mede tot de ontwikkeling van geest en gemoed zijner 
tijdgenooten. Aan het lied, hem lief om de vereeniging van 
poëzie en muziek, was hij steeds trouw gebleven; doch voor 
den volksvriend en geletterden musicus werd het nu een middel 
tot volksopvoeding. Met het oog op dat doel schreef hij - eerst 
misschien onbewust, later bewust - tal van volks- en kinder- 
liederen, die in 1844, tot een paar bundels vereenigd, werden 
uitgegeven en later telkens door nieuwe gevolgd. Het zijn vooral 
die liederen, welke Heije recht geven op een eigen plaats in 
de geschiedenis onzer letterkunde. 

Dat die liederen zulk een verbazenden opgang maakten, dat 
de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen den kinderdichter 
met een gouden krans huldigde, laat zich licht verklaren uit 
het karakter der liederen in verband met het karakter van dien 
tijd. Er was in de levensbeschouwing van den gematigd- 
orthodoxen, verlichten en godsdienstigen dichter juist zooveel 
van het conventioneele en ouderwetsche, dat de lezers en zan- 



256 

gers er zich thuis in voelden: daar was nog de „herderin met 
eeren", die het goud en zilver van den jonker versmaadt en 
trouwt met een boerenknaap, het visschersmeisje en de edel- 
knaap in dergelijke rollen; landmeisjes met voetjes blank ge- 
schuurd door de golfjes der beek; armen in hun stulpje met 
klimop en klimrozen en „een hagelwit bed , Wel arm maar 
net", die juichen: „O Heer! ook de Armsten zijt Gij goed!"; 
daar was nog de oude zelfvoldaanheid die uitriep: 

Neêrland ! och wat heb je een hart 
Voor uw W'eêuwen en uw Weezen; 

die de weeskinderen opwekte: 

Weesjes ! dankt met vroom gemoed , 
Dat gij zijt van Neêrlandsch bloed ; 

die, evenals Vak der Palm en Tollens vóór hem, waarschuwde 
tegen verdeeldheid en den wensch uitsprak: „Eendragt, hou stand!" 
Doch tegenover dat oude deed zich sterker de stem van het 
nieuwe hooren: de geestverwant van Bakhuizen, afkeerig van 
chauvinisme, die, na erkenning van het goede onder ons volk, 
daarop liet volgen: 

Doch, maak er dan 

Zoo'n spuls met van 

En wilt er niet op bluffen; 

de geestverwant van Potgieter, die de gegoeden met klem 
herinnerde aan hun plichten jegens de misdeelden: 

Neêrland ! heb je geen erbarmen 
Met uw naakte schreijende armen, 
Snakkend naar een dronk en beet? 
Handenwringend in den nood 
Om te werken voor hun brood! 



257 

die zijn teleurstelling niet ontveinst, waar hij zooveel ..nare 
bloeden, half rijp half rot" ziet; de voorganger van iMuItatuli, 
die Nederland zijn schuld aan Indië voorhoudt. 

Bovenal toont Heije zich in zijn liederen een volksopvoeder. 
Het algemeen-menschelijke is er vertegenwoordigd in stukjes 
als Schippers- Dean en Stuurlui; vooral in de afdeelingen, 
getiteld Zedespiegel in spreuken en Van Vryen en Trouwen. 
Tegen het drankmisbruik keert hij zich in het zangerig liedje 
Al in de Plantagie daar is er een kroeg; tegen dierenmishan- 
deling in Honde-Wagen. Het spreekt vanzelf, dat ook deze 
volksopvoeder het oog richtte naar het opgroeiend geslacht bij 
wie de toekomst des volks berust. Zijne kinderliederen sluiten 
zich ten deele aan bij zijn overige vaderlandsche liederen ; 
Vlaggelied, Triomfantelijk Lied van de Zilvervloot , De Ruyter 
hebben fortuin gemaakt: zij hebben ons volk stormenderhand 
veroverd als de Watergeuzen Den Briel; niet minder mag dat 
gelden van liederen die op de zee betrekking hebben als De 
kabels los , Naar Zee , Noordzeebad. Ook onder degene die de 
opvoeding van knapen en meisjes in het algemeen raken , zijn 
voortreffelijke stukjes als Houw en Trouw, Jantje Wysneus, 
Pietje Bedroefd. Er woei in die liedjes een frissche wind, 
die dufheid verjoeg en opwekte tot durven. Die liedjes pakten 
Jan Salie bij den kraag, schudden hem door elkander dat 
het een lust was, joegen hem naar buiten, zetten hem aan 
't spelen of stopten hem in zee. 

Zeker hebben Heije's liedjes hun opgang mede aan hunne 
pakkende melodieën te danken; maar ook hun eenvoud, 
het goedronde van hun lach, de leukheid van hun spot 
hebben daartoe bijgedragen. Niet te vergeefs had deze 
liederdichter onze oude liederen bestudeerd, wier klank en 
trant wij herkennen in een aanhef als dezen Van een oud 

vrijerij e : 

KALFF, Letterkunde, Vil. 17 



258 

Jaapje! ben je wel begoud, 
Ben-je xwl bezilverd, ventje? 
't Is maar jammer, ieder kent-je 
Lang voor zestig jaren oud ! 



of in; 



Een visscher, een visscher van Egmond op Zee, 
Die iiad er drie dochters, zoo knap en zoo reê. 

Doch zijne studie dier oude Hederen — hij dichtte er ook 
eenige „naar ouden trant" — zou hem weinig gebaat hebben, 
indien niet tusschen die oude dichters en hem die geestverwant- 
schap had bestaan, die zijne Hederen zoo echt nationaal maakt 
en ze springlevend heeft gehouden tot den dag van heden s). 



2. Invloed van W'alter Scott en BVRON. Jacob van 
Lennep (1802-186S). Het berijmd verhaal (Van der 
Hoop, Meijer, Hofdijk) en de historische roman 
(Oltmans. Toussaint). 

Had men omstreeks 1840 getracht door een stemming uitte- 
maken, wie onder de jongere letterkundigen het hoogst bij het 
geletterd publiek stond aangeschreven, dan zou Beets vermoe- 
delijk heel wat meer stemmen hebben gekregen dan de mannen 
van De Gids; maar de meerderheid zich ongetwijfeld verklaard 
voor Mr. Jacob van Lennep. Feith was als gunsteling van 
Sultane Publiek opgevolgd door Tollens; deze kreeg een 
mededinger in V^-\n Lennep. Ook \'an Lennep's geschriften 
zijn ten deele vergeten, ten deele afgezakt naar kringen waar- 
voor zij oorspronkelijk niet waren bestemd; doch er is — 
anders dan bij Tollens — nog leven in zijn werk, en in 
allen gevalle moet hij om zijn buitengewone populariteit onder 



259 

zijn tijdgenooten een belangrijke figuur in de geschiedenis 
onzer letterkunde worden geacht. 

In menig opzicht staat hij dichter bij zijn grootvader dan bij 
zijn vader. Hij hield van de IS^e eeuw en wortelde er ten 
deele in; hij kende heele brokken van buiten van achttiend' 
eeuvvsche dichters, die in zijn tijd door weinigen meer gelezen 
werden; evenals Cornelis van Lennep, was hij vroolijk, een 
man van de wereld, van voornaamheid met eenvoud gepaard; 
zijn geleerdheid, hoe omvangrijk ook, doet toch aan die 
der achttiend'eeuwsche ,; liefhebbers" denken. Echter, een halve 
eeuw jonger dan zijn grootvader, vertoont hij natuurlijk over 
het algemeen een andere persoonlijkheid dan deze: in den 
kleinzoon was geen aasje sentimentaliteit; de romantiek had 
meer vat op hem dan de verlichting. Het schijnt alsof de 
deftige ernst van den vader, als terugslag, in den zoon een 
onuitdoofbaren lust heeft gewekt tot scherts en boert; lust, die 
hem niet zelden bracht tot allerlei grappen en grollen, maar 
die hem ook maakte tot den amusantsten Nederlander van 
zijn tijd. 

Het duurt vrij lang voordat hij weet waar, in het leven 

als in de literatuur, zijn weg ligt. Wij zien onderscheidene 

kiemen in hem, waarvan sommige afsterven, andere opschieten. 

Op de Latijnsche school munt hij niet uit, tot groot verdriet 

van zijn klassieken vader; later vertaalt hij wel eens stukken 

van ViRGiLius, OviDius of Horatius; maar toch, niet de 

klassieken hadden zijn hart. Van de modernen leest hij wat hem 

maar in handen valt. Roover- en ridderromans behooren tot 

zijn vroegste lectuur; aardig teekent hij in den Voorzang van 

Jacoba en Bertha den jongen met zijn blikken zwaard, die bij 

den nagemaakten bouwval op Meer-en-Berg met zijn kameraadjes 

roovertje of riddertje speelt; daar zien wij den romanticus in 

den dop. Liefde tot het tooneel ontwaakt reeds in den vijfjarigen 

17* 



260 

knaap die in den Stadsschouwburg onder den indruk komt van 
Gysbrecht van Aemstel, die niet rust voordat hij het gansche 
stuk van a tot z kan opzeggen. Tooneelspelen schrijven, wordt 
de eerzucht van den gymnasiast en hij schudt ze dan ook uit 
zijn mouw. Op dien weg van veelzijdige letterkundige ontwik- 
keling blijft de student aan het Athenaeum voortgaan. Had hij 
reeds als gymnasiast aan Ossian een plaats gegeven naast 
Hollandsche en Fransche dichters, nu gaat hij kennis maken 
met Byron, wiens Marino Faliero (1820) hij in 1822 vertaalt. 

In Leiden, waar hij ter wille zijner studiën eenigen tijd 
vertoeft, komt hij in kennis met Dirk van Hogendorp en 
andere kweekelingen van Bilderdijk, welhaast met den meester 
zelven. Gelijk zoovelen raakt hij aanvankelijk geheel onder 
Bilderdijk's invloed. Vader David Jacob, wien „geene excessen, 
hoe ook genaamd" behaagden, werd ongerust; in 1821 vraagt 
hij Falck of deze Bilderdijk geen professor kan maken aan 
een der zuidelijke academiën. In datzelfde jaar ontmoet 
De Clercq den jongen Van Lennep bij Da Costa, die 
groote verwachtingen had van den nieuwen proseliet. Eenige 
jaren blijft hij trouw aan het vaandel van Teisterbant; nog in 
1827 geeft hij een, naar Louis Racine gevolgd, gedicht 
De Genade uit, waarin men de denkbeelden van f,dwepers" 
en „geestdrijvers" als Da Costa meende te herkennen en dat 
zijn vader bedroefde en schokte. Maar toen was het eind zijner 
Bilderdijksche periode reeds in het zicht; een jaar vroeger 
immers vraagt De Clercq aan Van Lennep, dien hij op een 
audiëntie ontmoet, „of hij van Da Costa en Capadose was 
afgevallen"; niet lang daarna werd de vriendschap tusschen 
Van Lennep en Da Costa verbroken; nu gaat de eerste zich 
langzamerhand zelfs schamen over den tijd waarin hij „dweepte" 
en wordt min of meer sceptisch. 

In 1824 gepromoveerd tot Meester in de Rechten, in hetzelfde 



261 

jaar getrouwd niet jonkvrouw Henriëtte Roëll, gaat hij zijn 
plaats in de maatschappij innemen. Hij wordt secretaris van 
Curatoren van het Athenaeum, later adjunct van den Rijks- 
Advocaat; in 1829 volgt hij dezen op in het ambt dat hij 
lange jaren zou blijven vervullen. 

Zijn naam als dichter was toen reeds gevestigd. In 1826 had 
iiij een bundel Academische Idyllen uitgegeven en een jaar 
later een tweeden, getiteld Gedichten. De Academische Idyllen 
waren opgedragen aan Bilderdijk, wien hier „trouw en man- 
schap toegezworen" werd, aan wien ook een romance als 
Graaf Floris eerste krijgstocht herinnerde. Overigens bevatten 
deze berijmde schetsen uit het studentenleven, ouderwetsch en 
stijfjes hier, grappig of boertig daar, geiijkvloersch bijna 
overal, weinig bijzonders, in de Gedichten heeft het oorspron- 
kelijk werk niet veel te beteekenen; hoe conventioneel van 
inhoud en vorm zijn stukken als De dichter aan zijn verloofde 
en De feestgroet aan mijne bruid; zoo ergens, dan had het 
eigene zich daar toch moeten toonen. Opmerkelijker zijn de 
vertaalde stukken; daar immers zien wij den invloed der 
buitenlandsche romantiek, die zich reeds vroeger had aange- 
kondigd, duidelijker voor den dag komen in vertalingen naar 
Byron en W. Scott. In hetzelfde jaar 1826, waaruit deze 
vertalingen dagteekenen, spreekt David Jacob van Lennep 
de bekende verhandeling uit, die zulk een belangrijk aandeel 
heeft gehad in de ontwikkeling der romantiek te onzent. 

Dat romantisch zaad viel bij den zoon des redenaars in 
vruchtbare aarde. Bewondering van Scott's werk leidt hem 
tot navolging; nu vindt hij den weg die het best geschikt is 
voor zijn aanleg: dichterlijke uitbeelding van het nationaal ver- 
leden. Anders dan Drost en Potgieter, dacht Van Lennep 
hier niet aan invloed op het heden; maar ook, terwijl oor- 



262 

spronkelijkheid hun leus was, verklaarde hij van zich zelven : 
7,j'ai tenu beaucoup du singe et du perroquet" en op het Taai- 
en Letterkundig Congres te Brussel in 1858 met humoristische 
berusting: „sedert bijna veertig jaren, heb ik voornamelijk 
geleefd van roof en diefstal". Duidelijk blijkt de waarheid 
dezer woorden uit de Nederlandsche Legenden die hij tusschen 
1828 en 1831 het licht deed zien, een viertal berijmde verhalen 
waarin de navolging van W. Scott al te zichtbaar is: Het 
Huis ter Leede, de geschiedenis van den boozen Heer van 
Lederdam, die door den duivel gehaald wordt; Adegild, een 
tafreel uit den strijd tusschen Franken en Friezen; Jacoba en 
Bertlia, ontleend aan de geschiedenis van jacoba van Beieren; 
De Strijd met Vlaanderen, dubbel aantrekkelijke stof voor wien 
zoo menige zoete herinnering verbond aan „Het Manpad". 

Berijmde verhalen als deze waren te onzent iets nieuws; het 
publiek las ze met graagte en bewondering: de keus der sloffen 
mocht gelukkig heeten; het verhaaltalent des dichters kwam 
gunstig uit in den opzet en den bouw van het verhaal, in den 
vluggen gang, het voorbereiden eener ontknooping; het schrik- 
wekkende van Hd huis ter Leede maakte indruk, het bevallige 
in Jacoba en Bertha streelde; De Strijd met Vlaanderen, die 
in 1831 uitkwam, zette het vaderlandsch hart in gloed; de 
natuurschildering hier en daar bekoorde; het historisch land- 
schap wekte aangename herinneringen aan den Hollandschen 
Duinzang. Hedendaagsche lezers van eenige literaire ontwikke- 
ling zullen anders staan tegenover deze poëzie. Zij zullen 
enkele brokken (o. a. De Heer van Lederdam te midden zijner 
gasten ; de jacht in Jacoba en Bertha al is zij navolging van 
The Chase in The Lady of the Lake) verdienstelijk achten en 
gaarne erkennen, dat er hier en daar bevallige liederen worden 
gehoord. Doch hoeveel slordige verzenmakerij vinden wij daar- 
tegenover; welk een gelijkvloerschheid van gevoel; hoe vaak 



263 

het pompeuze af!',ewisseld door het alledaagsche of platte, 
zoodat men wanen zou den volgeestigen Brester of den 
grappigen Van Zeggelen te hooren; hoeveel stoplappen - 
kortom, welk een gemis aan artistieken ernst en schoonheidszin. 
Zóó ongunstig zal het oordeel van den dichter zelven niet 
geweest zijn; maar hij overschatte zich toch niet te zeer; bij 
iemand van zijn natuurlijkheid en oprechtheid is er geen reden 
om aan louter valsche nederigheid te denken, waar hij in den 
Voorzang van Jacoba en Bertha en in den ó^en Zang van 
Adegild klaagt over dichterlijke onmacht of zich bij de kwakende 
landeend vergelijkt. Toen dan ook de iets jongere Beets met 
andere berijmde verhalen optrad, geloofde Van Lennep, dat 
hier de meerderman kwam voor wien de minderman wijken 
moesl; „willig, schoon zuchtend" ruimde hij het veld der ver- 
halende poëzie voor zijn mededinger. 

Ondertusschen was hij een beroemd man geworden. Zijn 
gelegenheids-stukje Het Dorp aan de Grenzen maakte in die 
dagen van strijd tegen België „furore"; bij de vertooning van 
zijn ander chauvinistisch gelegenheids-stuk De Roem van Twintig 
Eeuwen in den Amsterdamschen Schouwburg, omhelsde de 
Koningin hare zonen; op een „soiree littéraire" ten Hove las 
Jonkheer Gevers uit de Nederlandsche Legenden voor; als de 
jonge dichter met het geestig gezicht en de „blonde wuivende 
haren" ze zelf voordroeg in den Kloveniers-Doelen te Amster- 
dam , daverde het zaaltje van de toejuichingen. Nog geen dertig 
jaar oud, werd hij Ridder van den Nederlandschen Leeuw; 
het Kon. Ned. Instituut nam hem onder zijne leden op; in 
hetzelfde jaar (1832) sloot hij zich aan bij de Vrijmetselaars 
en werd spoedig een groot man onder hen. Ook de deftige 
WiSELius prijst hem, doch onder voorbehoud: men mocht - 
schreef hij omtreeks 1830 - van Mr. J. van Lennep nog 



264 

„veel voortreffelijks en schoons" verwachten, „in zooverre hij 
zich bHjve hoeden voor de besmetting der bastaardij en den 
tuimelgeest van het romantische". 

Er waren meer dingen, waarvoor de luchtige Rijks-advocaat 
zich had te wachten , zou hij geen aanstoot geven ; iets waar- 
voor hij overigens niet zoo heel bang was. Sommige zijner 
jongere vrienden sterkten hem in dien lust tot het zeggen en 
doen van dwaasheden en die spotzucht, die hem verdacht 
maakten in de oogen van bezadigde Nederlanders. Zulk een 
invloed zal uitgegaan zijn niet van den jongen Hasebroek, 
dien Van Lennep bij zijn vriend Willem Veder, predikant 
te Heilo, ontmoette; ook niet van Hasebroek's vriend Beets; 
maar allicht van Veder's tweelingbroeder Aart, een geestigen 
spotvogel op wien Van Lennep's kinderen dol waren; niet 
minder van een ander jeugdig Leidsch theoloog: Gerrit van 
DE Linde Janszoon. Van de Linde zou predikant worden; 
maar er viel niet veel te verwachten van een proponent , die 
toen hij eens te Bennebroek zou komen preeken, aan Van 
Lennep schreef: „ik hoop het kuddeken dan ook fameus te 
stichten"; hij was lichtzinnig, maakte schulden en moest eindelijk 
in 1834 zijn schuldeischers ontvluchten. Door de hulp van 
Van Lennep en andere vrienden kon hij te Londen een school 
overnemen en bleef sindsdien in Engeland wonen. Zijne brieven 
uit zijn Leidschen en lateren tijd zijn vol dwaasheden; een 
enkelen keer geeft hij ook nu reeds toe aan den lust, de kapriolen 
van zijn geest aan de banden van maat en rijm te leggen; zoo 
b. V. in een briefje aan Van Lennep, toen deze hem, kort na zijn 
vestiging te Londen, kwam bezoeken, dat eindigt met de regels: 

En als je bij toeval een post mogt vinden van rentenier of 

[kantoorbediende of opvolger van de Kroon, 
Denk dan aan je opregten vriend G. van de Linde Janszoon. 



265 

Daar rinkelen de belletjes van de marot, die hij in volgende 
jaren dikwijls ter hand zou nemen. 

Ook voor Van Lennep had de kap met bellen soms een 
onweerstaanbare aantrekkelijkheid. Daarom paste op zijn hoofd 
dan ook geen professorale baret, zeiden zij die hem in 1S34 
als opvolger van A. Simons te Utrecht weerden en anderen 
die vijf jaar later bij een vacature aan het Amsterdamsch 
Athenaeum den weinig bekenden Beyerman boven hem ver- 
kozen. Dien lust tot dwaasheid en grappen maken zien wij ook 
hier en daar in de beide romans, die tegenhangers vormen 
zijner Nederlandsche Legenden: De Pleegzoon (1827, 1833) en 
De Roos van Dekama (1836). 

In zijn berijmde verhalen had Van Lennep middeleeuwsche 
stoffen behandeld; in zijn eersten proza-roman deed hij een 
greep in de \1^^ eeuw: den tijd eener samenzwering tegen 
Prins Alaurits; in den tweeden roman keerde hij tot de middel- 
eeuwen terug en gaf een levensbeeld van graaf Willem IV van 
Holland, besloten door het verhaal van zijn krijgstucht tegen 
de Friezen. De Pleegzoon, omstreeks 1827, dus tegelijk met 
de Nederlandsche Legenden begonnen, werd spoedig de gun- 
steling van het publiek; ook hier genoten de lezers van het 
talent des vertellers, die hen wist te boeien en te vermaken. 
De Recensent ook der Recensenten van het jaar 1834 (XXVII, 1) 
noemde het boek „in weerwil van den vorm, een dichtstuk 
uit eene volle ader gevloeid en door eene rijke verbeelding 
gekleurd", wel «in den toon van W. Scott, maar hem niet 
slaafs nagevolgd"; hier en daar achtte de criticus het verhaal 
,/wat heel romantiek"; het ijzingwekkende kwam er, meende 
hij , beter uit dan het teedere. Niet zoo onverdeeld was de 
lof, dien Bakhuizen van den Brink in den eersten jaargang 
van De Gids aan De Roos van Dekama gaf: hij prijst de 
fantazie van den auteur, zijn verhaallalent en handigheid; laakt 



266 

het gemis aan psychologische diepte, aan hartstocht, aan histo- 
rische waarheid in de gesprekken. Wij staan anders tegenover 
die romans dan Bakhuizen toen: de bekoring van het nieuwe, 
die zij voor hem hadden, bestaat niet meer voor ons; er is 
sindsdien , ook in het Nederlandsch , zooveel beter werk van 
dezen aard verschenen ; mede daardoor moet ons oordeel minder 
gunstig luiden dan het zijne. 

jongens, meisjes en andere lezers van geringe letterkundige 
ontwikkeling kunnen, meenen wij, nog behagen scheppen in 
dit werk; lezers van rijper jaren en eenigszins ontwikkelden 
smaak tenauwernood. Zij zullen gaarne erkennen , dat Van 
Lennep zich ook hier een knap verteller toont; dat er, vooral 
in De Roos van Dekama goede of verdienstelijke tooneelen zijn 
(o. a. het tournooi te Haarlem, de voorspelling van Barbanera, 
de tocht naar Friesland) ; maar het mooie of goede wordt voor 
hen overschaduwd door het leelijke of zwakke. Zij kunnen niet 
meer onder den indruk komen van dat hoog-romantische, niet 
zelden schril afstekend tegen het laag-komieke; het gemis aan 
psychologische diepte laat hen onbevredigd, de niet zelden 
conventioneele, weinig verzorgde of slordige taal hindert hen. 
De grond van dit alles lag, behalve in Van Lennep's eigen- 
schappen als mensch en auteur, in het feit: dat hij ztelf niet 
voldoende onder den indruk was van het verleden dat hij wilde 
uitbeelden. 

De gemoedskalmte die de auteur aan het slot zijner Inleiding 
tot De Roos van Dekama zoo aanprijst, is door hemzelven bij 
het ontwerpen zijner romans al te goed bewaard. Men ziet dat 
o. a. waar hij de beschrijving van Willem de Vierde's sneuvelen — 
een der weinige eenigszins aangrijpende tooneelen — besluit 
met het leuke: „Maar het is tijd om tot den goeden Deodaat 
terug te keeren, dien wij enz." In bovenvermelde Inleiding- 
waren de lezers gewaarschuwd, dat zij geen „fantastische schil- 



267 

dering van exceptioneele personen" zouden vinden, maar 
«menschen, zooais zij nog heden ten dage zijn, met hun goede 
en slechte hoedanigheden". 

Een talentvol realist zou natuurlijk ook bij deze opvatting 
werk kunnen leveren, dat ons aangrijpt door levenswaarheid; 
voor Van Lennep is deze beginselverklaring een vrijbrief om 
zich te vermeien in het alledaagsche, het platte of boertige. 
Hoe kunnen vvij nog onder den indruk komen van personages 
als baron van Reede uit De Pleegzoon die, afscheid nemend 
van Prins Maurits, naar zijn tent terugkeert .;als een patrijshond, 
die aan de ketting ligt en zijnen meester ter jacht ziet gaan 
zonder hem mede te nemen"; dien wij elders door een stoel 
gezakt zien met armen en beenen in de lucht; van bisschop 
Jan van Arkel, die de in zwijm gevallen Madzy weer bij brengt 
«met de trouwhartigheid eener oude baker"? Seerp van Adeelen 
heeft den Graaf van Holland uitgedaagd tot een tweegevecht en 
is in het strijdperk verschenen; geen tegenstander daagt op ; het 
volk wordt ongeduldig: zij waren - zegt de auteur - »als 
menschen die lang moeten wachten op een vuurwerk, de ont- 
knooping van een langdradig tooneelstuk of de aankomst van 
een diligence die een ongeluk heeft gehad". Zal de liefde der 
ridderlijke broeders Reinout en Deodaat van Verona voor de 
bekoorlijke Madzy eenigen indruk maken op ons, dan moet 
zij toch eerst indruk hebben gemaakt op den auteur zelven; 
HoRATius' wsi vis me fiere" geldt, gewijzigd, ook voor dit 
geval. Maar welk motto lezen wij boven het hoofdstuk, waarin 
die liefde wordt behandeld? Deze aan La Fontaine ont- 
leende verzen: 

Deux coqs vivaient en paix: une poule survint 
Et voila la guerre allumée. 

De vergelijking treft door hare juistheid; maar de twisten 



268 

van het kippenhok zijn beter stof voor den rommelpot des 
straatzangers dan voor de luit van den meistreel. 

Onder den eersten indruk van de bekoring der romantiek 
had Van Lennep zich gevoeld als een vrijgelaten vogel, als 
een auteur verlost van den dwang der achttiend'eeuwsche 
poëtiek. In den V^oorzang v^n Jacoba en Bertha roept hij uit: 

Ja, 'k min haar teer, mijn vrijheid: licht te veel: 
Geen regelmaat, geen voorschrift kan my dwingen, 
'k Ontwoelde my den breidel 

in het vervolg van dien Voorzang vinden wij dan ook een pleidooi 
voor de romantiek, die door de klassieken werd gewraakt als 
een « bastertsoort" en „wrange vrucht van middeleeuwschen 
stam". Maar van de uitspattingen der romantiek, die hij lang- 
zamerhand leerde kennen, schrikte zijn Mollandsche nuchter- 
heid terug. Het is opmerkelijk, dat onder zijne navolgingen 
van BvRON Beppo het best geslaagd is; die luchtige inhoud, 
die schertsende toon, dat vrijelijk zich laten gaan, was geheel 
in zijn geest; dien trant kon hij het best volgen. Zoo hernamen 
natuur en eenvoud dan langzamerhand hare rechten op hem; 
in de Inleiding tot De Roos van Dekama had hij reeds ver- 
klaard, dat men het «fantastische' en „exceptioneele" hier niet 
moest zoeken; in een gedicht Aan de Zanggodin van het jaar 
1838 teekent hij zelfs protest aan tegen de „wangedrochten" 
der romantiek die voor „waarheid" werden uitgegeven en wees 
op de klassieke poëzie, wier goede eigenschappen te zeer 
miskend werden. Er is geen reden om, met Bakhuizen van 
DEN Brink, Van Lennep wegens dit gedichteen „overlooper" 
te noemen; wel zien wij hem hier, onder den invloed der 
klassieken, zich wenden naar den kant van natuur en eenvoud. 



269 

In overeenstemming daarmede is wat hij in de Inleiding tot 
Ferdinand Huyck zegt over de verwerping „der oude eenvou- 
digheid welke wij van de Grieken en Romeinen hadden ont- 
fangen" en zijn geringe smaak in „dat verschrikkelijk bonte, 
dat sterke licht en bruin, al die schuddende en schokkende 
contrasten"; evenzoo hetgeen wij in het vijfde deel van Onze 
Voorouders lezen over „een al te groote jacht naar wezenlijk- 
heid, welke in werken van dezen aart niet met waarheid moet 
verward worden". 

In de beide, hier genoemde, werken zien wij Van Lennep 
op zijn best; maar Ferdinand Huyck spant de kroon. Met dien 
zoon van een achttiend'eeuwschen Amsterdamschen magistraat, 
gewoon mensch , bedaard , natuurlijk , zonder airs , was 
Van Lennep verwant; in die achttiend'eeuwsche maatschappij 
voelde hij zich thuis: in dat gemakkelijk en genoegelijk leven 
met zijn uiterlijke vormen, zijn Fransch vernis en Franschen 
zwier; op die welvarende hofsteden en kostbaar aangelegde 
buitenplaatsen, die aan „Het Manpad" en de buitens van 
's-Graveland doen denken; in dat leven, waarin geen buiten- 
gewone krachten van geest en gemoed zich openbaren, waarin 
het gewone de overhand had, maar dat toch romantische 
elementen vertoonde m verdachte en vermomde personages, 
geheimzinnige staatsmisdadigers , aanvallen van struikroovers en 
bekkesnijderij. Het romantisch element werd in dezen roman 
vertegenwoordigd vooral door den geheimzinnigen Vliesridder 
en ex-boekanier met zijn bekoorlijke dochter en de personages 
die tot hem in betrekking staan: Zwarte Piet en Andries. lacobus 
Blaek, door zijn geheimzinnige misdaad met hem verbonden, 
vormt den schakel tusschen het romantische en het gewone leven. 

Die Vliesridder doet aan \V. Scott denken en in den dokter 
op Terschelling meenen wij Dickens' Jingle te herkennen. 
Echter zijn het geen buitenlandsche romanciers wier invloed 



270 

hier het sterkst uitkomt. Hier sloot Van Lennep zich aan bij 
Nederlandsche voorgangers als Van Effen , wiens bijeenkomst 
van poëten en harddraverij-tooneeltjes wij in Ferdinand Huyck 
terugvinden; bij Wolff en Deken: is Nicht Woelwater geen 
familie van tante Van Bempden en Alida Leevend van Suzanna 
Huyck? Opmerking verdient voorts, dat in dezen roman, 
waar de auteur zich zoo thuis voelt, de stijl zooveel beter 
verzorgd is; slechts hier en daar vinden wij het stijve dat 
Latijnsche constructies met zich plegen te brengen of een staaltje 
van slordigheid. 

In Onze Voorouders, een bundel grootere en kleinere novellen, 
begonnen in 1S38, voltooid in 1844, keerde Van Lennep zich 
weer tot de middeleeuwen, al beschouwde hij dien tijd nu met 
eenigszins ander oog dan toen hij de Nederlandsche Legenden 
dichtte. De romantiek is hier aanwezig b.v. in de onderaardsche 
gang, die zoowel in Brinio als in de Saxische Weezen voor- 
komt; in de „cierlijke taal" van Graaf Ravening {De Koorknaap) , 
de verheven taal van Daginus -Civilis {Alwart) , de aandoen- 
lijkheid en gemoedsbeschaving van Ada en de zielegrootheid 
van haar broeder {Brinio) ; doch dat alles is minder buitensporig 
dan vroeger. Den invloed van Walter Scott zien wij o. a. 
in de krankzinnige Rheime met haar, onder een duinroos be- 
graven, kind en haar zang van toepasselijke liederen {Brinio): 
vermoedelijk een navolging van Scott's voortreffelijk geschilderde 
Madge Wiidfire uit The Heart of Midlothian; ook in het verhaal 
van Gerlach den Wapenknecht {Reisgenooten) en Wandering 
Willie's Tale uit Redgauntlet. Hier en daar dringt hel moderne 
storend het middeleeuwsch leven binnen: Aquilius die van „eene 
lieve gastvrouw"; Ada, die van „ware levenswijsheid" spreekt 
{Brinio); een zin als deze uit Chariëtto: „Bernulf, laat ons het 
verledene niet opdelven. Wat ook de gevoelens, de droomen 
onzer jeugd geweest zijn enz.; de bruggewachter uit de ,;Chi- 



271 

neesche schimmen" vóór de burcht Matilo [Brinio). Maar door- 
gaans blijft de verteller in zijn verhaal en weet ons onder den 
indruk daarvan te brengen. 

Welk een knap opgezet, handig uitgevoerd, aardig verteld 
stuk is Brinio en hoeveel goeds van dien aard is ook in de 
overige verhalen. Er is rijkdom in de afwisseling van Canine- 
faten, Batavieren, Friezen, Saksen, Noormannen, Romeinen, 
.Wagyaren zelfs {De Hunenborg); adel en geestelijkheid , burgers 
en boeren; zangers en skalden; Christendom en Heidendom. 
Er zijn aardige tooneelen als dat der twee kinderen bij maanlicht 
voor den grafheuvel van hun vader [Saxische Weezen); de 
optocht van het gezantschap in De Friezen te Rome; Coponius. 
het fleschje van een zijner ruiters uitdrinkend {Brinio) en tal 
van andere. 

Op de tijdgenooten van den auteur hebben deze verhalen 
zeker dieper indruk gemaakt dan op ons, die er zelden of nooit 
door ontroerd of aangegrepen worden. Maar ook wij erkennen 
gaarne de gaven van dezen opgewekten vertelier met zijn lichte 
luim , zijn eenvoud en ongedwongenheid , die u boeit maar 
nooit vermoeit, u met zich voert en aangenaam bezig houdt 
als een vroolijke gids door een aardig landschap; die in zijn 
Ferdinand Huyck een reeks van tafereelen voltooide, welke naast 
de geestige pastellen van Troost mogen gesteld worden. 

Niets van hetgeen Van Lennep in de jaren tusschen 1S40 
en 1848 verder nog schreef, overtreft of evenaart Ferdinand 
Huyck en Onze Voorouders. Wij vinden in deze jaren een aantal 
kleinere schetsen uit de middeleeuwen, de IT^e en de \^^^ eeuw 
{Het Gods-oordeel , De twee Pistoolschoten, De Twee Amiralen , 
Eene Schaking in de 17^'*^ eeuw, Cornelia Vossius), wier huiselijk- 
familiare dialoog ons - evenals in De Roos van Dekatna - 
wel eens doet vergeten dat wij in het verleden verplaatst zijn. 



272 

maar die toch ook vrij wat te zien geven van het goede dat 
wij hierboven noemden; verhalen, waarover men te hard oordeelt 
door ze met Potgieter voor „onleesbaar slecht" te verklaren. 

Onder Van Lennep's poëzie van dezen tijd noemen wij het 
staaltje van technische vaardigheid in zijn navolging van 
Southey's Cataract of Lodore {Hoe loopt de Dusse langs het 
hol van Neander 1840). Dat was werk uit de school van 
BiLDERDijK; naar dezen wijst ook het leerdicht De Bouwkunst 
dat in 1842 het licht zag. Ware Van Lennep na 1842 gestorven, 
dan zou men niet zonder grond van zijn aanstaande bekeering 
hebben gesproken; immers, hoewel pas veertig jaar, spreekt 
hij die zoo vroeg begonnen was - hier van zijn „najaar" 
en zijn „leste kracht"; ..leste kracht" die hij zich voorneemt 
aantewenden tot „nutter doel": het „verwaarloosd en vergeten" 
Leerdicht weer tot eere brengen. Van eenig belang voor de 
ontwikkelingsgeschiedenis van den auteur, is dit leerdicht 
overigens geen aanwinst voor onze letterkunde; voor dit genre 
was zijn aanleg al heel weinig geschikt. Vermoedelijk zal deze 
neiging tot het leerdicht en het nuttige in verband hebben 
gestaan niet een tijdelijke versterking van Bilderdijk's invloed; 
wij mogen dat vermoeden ook omdat De Ondergang der Eerste 
Waereld den dichter hier blijkbaar voor den geest zweefde 
(1, 312). Aan Bilderdijk herinnert ons ook de romance Het 
Sterfbed in de Hut (1843) en misschien hebben wij aan een 
tijdelijke versterking van Bilderdijk's invloed toeteschrijven, 
dat het gedicht Avondrust (1845) een, bij Van Lennep zeld- 
zame, diepte van gevoel vertoont. 

Hetzij men hier dan van een omkeer wil spreken of 
niet, in allen gevalle is die omkeer niet van blijvenden aard 
geweest: wij krijgen na 1845 geen Van Lennep te zien, die 
wezenlijk verschilt van den vroegeren. Zijn liefde tot de tooneel- 
poëzie verminderde alvast niet. Indertijd had hij verscheidene 



273 

drama's vertaald (van Byron, Schiller, Shakespeare) ; zijn 
Dorp over de Grenzen had minder opgang gemaakt dan Het 
Dorp aan de Grenzen, maar hij bleef onvermoeid in het 
bedenken en opstellen van nieuwe gelegenheidsstukken als 
Amsterdamsche Winteravond (1832), Vondels Droom (1838), 
Rembrandt van Rijn (1848) en zangspelen, meerendeels ver- 
taald. Al die stukken en stukjes, voor het oogenblik geboren, 
zijn terecht vergeten. Beter dienst bewees hij het vaderlandsch 
tooneel door zijne toewijding aan de Rederijkerskamer Achilles, 
evenals een andere dergelijke instelling, omstreeks dezen tijd 
<1844) uit verhoogd nationaliteitsgevoel ontstaan. Voortreffelijk 
regisseur, goed voordrager ondanks zijn schorre stem, begaafd 
met een uitstekende mimiek, werd hij alras de ziel dezer ver- 
eeniging. Zijn eigen steeds groeiende liefde en bewondering 
voor Vondel wist hij ook in de leden van „Achilles" over te 
storten. Zij speelden Lucifer maar in zwarten rok en witte das; 
maar met hoeveel toewijding was dat stuk in tal van voorbe- 
reidende vergaderingen door hun leider besproken en verklaard, 
samenkomsten waarvan niemand ooit wegbleef. Daar trok Van 
Lennep één lijn met de mannen van De Gids, die Vondel 
weer in zijn grootheid begonnen te zien en aan anderen 
te toonen. 

Kennis en , meer nog, liefde was noodig om Vondel langs 

dezen weg weer tot eere te brengen; maar ook van Lennep's 

persoonlijke eigenschappen kwamen hem hier te stade. Wie 

hem als leider van „Achilles" leerden kennen, hingen met 

liefde en bewondering aan den man die vrij was van alle 

ijdelheid, kleingeestigheid en afgunst op anderen; van wien 

men nimmer een vinnige kritiek, harde uitspraak of schamper 

woord hoorde. Zijn beminnelijk „sans-gêne" nam de harten 

in, zijn ongekende hulpvaardigheid verbond ze aan zich; overal 
kalff, Letterkunde, VII. 18 



274 

thuis, bij ViCTOR HuGO, Charles Nodier, in de salons van 
Lord Elgin, als onder de eenigszins burgerlijke leden van 
„Achilles", had zijn gansche persoonlijkheid iels zonnigs, dat 
zijn populariteit als dichter, verteller en tooneelschrijver nog 
verhoogde. Jeugdige talenten moedigde hij aan of hielp ze voort; 
uit een langen brief van Mejuffrouw Toussaint (1847) blijkt, 
hoe hoog zij hem stelt; Hofdijk had hem te danken, dat 
hij, verlost uit de Aikmaarsche secretarie, zich aan de kunst 
kon wijden. 

Om bestand te zijn tegen zulk een populariteit, had hij 
sterker moeten zijn dan hij was; hoe zou de gunsteling van 
het publiek, die zoo gemakkelijk voortbracht, geleerd hebben 
hooge eischen te stellen aan zijn werk? In zijn verdere letter- 
kundige loopbaan zullen wij dan ook geen stijging meer zien. 
In 1848 ontwaakte de dichter der Nederlandsche Legenden nog 
eens in hem en gaf hij zijn Ediiard van Gelre; in opvatting 
der stof, kunst van karakteristiek en beschrijving bracht dat 
stuk weinig nieuws, maar de bewerking getuigde van meer 
zorg. Een jaar vroeger had hij een roman op touw gezet, 
die later onder den titel Klaasje Zevenster veel gerucht in den 
lande zou maken, maar voorloopig onvoltooid bleef liggen. 



VAN DER HOOP (1S02-1841). MEIJER (1810- 1S54). 
HOFDIJK (1816-1888). 

Met den Rotterdamschen koopman Adriaan van der Hoop Jr.. 
was Van Lennep verbonden door vriendschap, die op eens- 
gezindheid berustte. In 1830 droeg Van der Hoop een bundel 
Poëzy op aan „zijn Boezemvriend" Van Lennep; in het vol- 
gend jaar wekte deze (Inleiding tot den 1^" Zang van den. 



275 

Strijd met Vlaanderen) den „dierbren'' Van der Hoop op, 
om met hem Neêrlands en Oranje's zaak voortestaan en 
door hunne verzen „het muitziek rot" der Belgen van schrik 
te doen verbleeken. Bilderdijk werd door Van der Hoop 
hoog vereerd; ook na den dood des Meesters blijft hij diens 
inzichten trouw; nog in 1839 richt hij een gedicht tot Da 
Costa. Evenals Van Lennep hield Van der Hoop veel 
van het tooneel en muntte uit als declamator en acteur. Zoo 
is het dan begrijpelijk, dat hij met zijn vriend in 1827 het 
tijdschrift Apollo ging uitgeven , waarin zij de aandacht 
vestigden op Walter Scott en Byron, op Lamartine en 
ViCTOR Hugo. 

Wie in het samengesteld verschijnsel der Romantiek meer 
let op het kleurige, forsche, buitensporige, sombere, schrik- 
wekkende dan op het nationaal- en individueel-oorspronkelijke, 
die zal Van der Hoop een volbloed-romanticus noemen. Wat 
hem m de buitenlandsche romantiek aantrekt, zijn Victor 
Hugo's Esmeralda en Han dlslande , de smart van een Bassa 
die zijn tijger verloren heeft, het lied van den Arabier in de 
woestijn, Byron's Parisina, zijn ode aan de zee uit Childe 
Harold, zijn strijd voor de Grieken, Moores Licht van den 
Harem; ook wel het teedere, zooals in V. Hugo's „Lorsque 
r enfant parait". In zijne, geheel of gedeeltelijk oorspronkelijke, 
poëzie vinden wij denzelfden geest: een der hoofdstukken 
van zijn Slot van IJsselmonde heet Manfred; echt-romantisch 
is in dit gedicht b.v. het geraamte, met een zware keten 
aan een steenblok verbonden, dat door het vreedzaam land- 
volk in een «diep verwulft" wordt ontdekt; in De Impro- 
visatrice vinden wij een ander geliefd romantisch motief: 
een amazone, met een „pluimhoed van sneeuwwit castoor" 
op lokken „zoo zwart als geblakerd ivoor", die gaat rijden op 

„Sxwiaz de ontembare". 

18* 



276 

Voor ons is in dit alles meer rook en walm dan gloed en 
licht. Anders dan Van Lennep had Van der Hoop zich - ver- 
moedelijk onder Bilderdijk's invloed - een hooge opvatting 
gevormd van het dichterschap; maar zijn kracht was niet toe- 
reikend om aan die hooge eischen te voldoen. Hier en daar 
vinden wij in zijn landschaps-schildering of in zijne kleinere 
gedichten wel eens een goed couplet, maar doorgaans heeft 
zijn poëzie iets onvoldragens. Er moet zekere verdeeldheid in 
hem hebben bestaan , die hem belet heeft zijne gaven ten volle 
te ontwikkelen. Hoe kon hij den absolutistischen Bilderdijk 
aanhangen en Byron den trotschen rebel vereeren ? Hij ver- 
heerlijkt den strijd der middeleeuwsche Zwitsers en der moderne 
Grieken voor hun nationale zelfstandigheid; maar de Belgen 
en de Polen zijn muiters, die door wijze Landsvaders met 
geweld ten onder moeten worden gebracht. Die houding 
tegenover de Polen nam vele Nederlandsche vrijheidsvrienden 
tegen hem in. Echter, niet vooral zijn staatkundige houding 
stond hem in den weg om door zijn tijdgenooten gewaardeerd 
te worden. Menigeen zal zijn vereering van Bilderdijk met 
ieede oogen hebben gezien, maar ook zijn kunst niet hoog 
hebben gesteld. Voor de ouderen was zij te woest en bandeloos; 
jongeren als Heije en Drost zagen wel wat haar ontbrak; in 
De Vriend des Vaderlands moest hij harde woorden hooren 
over zijn „kakelbonten opschik"; in De Muzen en De Gids 
kwam hij er niet beter af. 

Teleurstelling en somberheid maken zich van hem meester; 
tevergeefs zoekt hij troost in den drank. Soms zag men zijn 
rijzige, breedgeschouderde, zwaarlijvige gestalte nog wel eens 
in den winkel van zijn vriend S. J. van den Bergh, handelaar 
in drogerijen als hij; gaarne droeg hij dan een door hem ver- 
vaardigd gedicht op V. Hugo voor met de befaamde woord- 
speling: „Sois conquérant, Victor!" — maar wat was er ge- 



277 

worden van zijn dichterschap ! In zijn hooge verwachtingen 
en geringe uitkomsten beantwoordde het maar al te zeer aan 
de verzen door Van Lennep in zijn Strijd met Vlaanderen 
tot hem gericht: 

Men slaat, op eigen krachten sterk, 
De kloeke hand aan 't wichtig werk, 
En vormt besluiten, trotsch en zwaar. 
Alsof dit leven eind'loos waar; 
Maar ach ! te dikwijls ziet men nooit 
Een aangevangen taak voltooid ! 



De volbloed-romantiek, waarvan wij boven spraken, 
niet - zooals bij Van Lennep - getemperd door kennis der 
klassieken, heeft haar stempel gedrukt op het werk van Meijer 
evenals op dat van Van der Hoop en Hofdijk en maakt hen 
tot geestverwanten. In het werk van alle drie zien wij hier en 
daar nog den invloed van Ossian , doch die invloed behoorde 
reeds tot het verleden en had bijna uitgewerkt; veel sterker 
was de invloed, door Scott en Byron op hun ontwikkeling 
geoefend. Voor den zee-officier Meijer moet de bekende pas- 
sage aan het slot van Childe Harold nog een gansch andere 
bekoring hebben gehad dan voor den drogist Van der Hoop; 
Meijer's beroep zal ook wel niet zonder invloed zijn gebleven 
op de keuze der stof van zijn beide berijmde verhalen: De 
Boekanier (1840) en Heemskerk (1847). 

Anders dan bij Van der Hoop, zien wij bij Meijer de 
romantiek als vlucht uit de werkelijkheid, uit „de eeuwig vlakke 
baan" en „'t drukkende eenerlei van 't geestdrift-arme leven'; 
maar de geest hunner verhalende poëzie is dezelfde. In De 
Boekanier krijgen wij een romantisch type te zien , door Scott's 



278 

Rokeby (1813) in zwang gebracht, dat door zijn woesten harts- 
tocht en bandelooze kracht, zijn fiere onbuigzaamheid en 
somberen trots verwant is met de Byronsche helden. In Heems- 
kerk bewerkte Meijer een stof, vóór hem door Bogaers 
behandeld. In beide gedichten met hun romantische afwisseling 
van versmaat viert de romantiek hoogtij. Arnold de Boekanier 
is „de laatste van zijn stam"; die sympathie voor alwat op het 
punt staat te verdwijnen, was echt-romantiek: wij zien het in 
Heemskerk, „den laatsten telg'' van zijn geslacht, in Van 
Lennep's Heer van Lederdam, in Chateaubriand's Dernier 
Abence'rage , Moore's Last Rosé of Summer, Cooper's Last 
of the Mohicans, Bulwer's Last of the Barons. In kiachts- 
uitdrukking en forschheid van vergelijkingen evenaart Meijer 
Van der Hoop: hij spreekt b.v. van „zijden wimpers op de 
bleeke wang als ravendons op 't sneeuwtapijt" (H.); elders 
vinden wij deze vergelijking: 

De donkre knevelbaard die omkrulde op zijn lip, 
Gelijk de strandbaar op de hoekige oeverklip. 

Gemis aan smaak doet Meijer soms in het barokke of alle- 
daagsche .vallen, zooals wij het bij Van der Hoop niet licht 
zullen zien; voorbeelden daarvan vinden wij in verzen als: 
„De vrees is evenals de hoop / Een schrikkelijke niikroskoop" of: 



■=) M. bedoelde Goud maakte een atlas*) tot een dwerg; 

En Heemskerk had het niet! 



Niet licht zal men bij Van der Hoop een regel vinden 
als deze uit De Boekanier: „Mij zal uw boezem tot een 
koningszetel zijn". Maar daartegenover staat, dat Meijer in 
de beschrijving van Claessen's heldendood, al is zij te zwaar 



279 

•en te forsch , werk leverde, zooals men het bij \'ax der 
Hoop niet vindt en hier en daar verzen die tegenover 
de beste van dezen moo-en staan. 



Wat Hofdijk in zijne ontwikkeling onderscheidt van 
Meijer en \'an der Hoop is, dat hij, jongste der drie, eerst 
door Van Lexxep de romantiek leert kennen en dus onder 
diens rechtstreekschen invloed staat. De Nederlandsclie Legenden 
Avekten in den zoon van den Alkmaarschen goudsmid en zijn 
-dichterlijken vriend Evert Masdorp levendige bewondering en 
sympathie voor het ridderwezen en den riddertijd. Een zolder 
boven een stal was door Willem Jacobsz en een viertal kame- 
raden ingericht tot „Ridderzaal"; daar hingen hun bordpapieren 
met zilver overplakte harnassen, hun houten zwaarden en 
bogen; daar hield de „Ridderbond" zijne tweekampen en steek- 
spelen. Toen De Pleegzoon verschenen was, teekende een hunner 
»wien het niet aan aanleg voor schilder ontbrak" (waarschijnlijk 
de jonge Hofdijk zelf) op een zolderdeur een groote pop; dat 
was de verafschuwde Jezuïet Eugenio, op wien de jeugdige 
schutters hun pijlen richtten. 

D. J. van Lennep's Verhandeling opende hun oogen voor 
het romantisch verleden van hun Kennemerland ; geschied- 
schrijvers van verschillend allooi, op boekenstalletjes bemachtigd, 
leerden hun dat verleden beter kennen. De vertrouwelijke 
schoonheid van het Nyenburgsche bosch wekte in den jongen 
Hofdijk die liefde voor de natuur in haar rijkdom van ver- 
scheidenheid en dien zin voor het historisch landschap, die 
een der meest kenmerkende eigenschappen van den kunstenaar 
zou worden. 

Eens verhalende liederen te dichten gelijk het lied van 
Culemborgs Heer uit Jacoba en Bertha , dat behoorde tot de 



280 

idealen van den knaap; maar het beeldend vermogen in hem 
was nog onzeker omtrent den weg waarlangs het tot uiting zou 
komen. Voorloopig trok de schilderkunst hem sterker aan dan 
de kunst van het woord ; maar aan geen van beide kon hij zich 
ten volle wijden. Gedwongen voor zich zelf te zorgen, wordt 
hij in 1836 secondant op een kostschool in de Betuwe; drie 
jaar later zien wij hem klerk ter secretarie van Alkmaar. 

De jonge secondant had zijn lust tot het berijmd verhaal 
reeds getoond in het „romantisch dichtstuk" Rosamunde (183Q), 
ontleend aan de geschiedenis van den Longobardenkoning Alboïn. 
Uit letterkundig oogpunt beteekende dat stuk weinig, maar het 
vestigde de aandacht op den jongen dichter. De uitgever Immer- 
zeel vroeg zijn medewerking voor den Muzen- Almanak; hij 
maakt kennis met zijne stadgenoote Mejuffrouw Toussaint en 
door haar met de letterkundigen, die elkander van tijd tot tijd 
ontmoetten in Hasebroek's pastorie te Heilo. In 1842 vond hij 
in Helene Ukena, zuster van een paar leden van den „Ridder- 
bond" eene langgewenschte levensgezellin ; in datzelfde jaar trad 
de „Minstreel van Kennenierland" op met een nieuw verhalend 
gedicht, getiteld De Bmidsdans. 

Hier heeft Hofdijk zijn weg gevonden: uit Italië is hij terug- 
gekeerd naar het gewest, dat hij liefhad en kende. Naast den 
invloed van Van Lennep zien wij nu dien van W. Scott: 
reeds uit den Voorzang blijkt de indruk door 77?^ Lay of the 
last Minstrel op den dichter gemaakt. Hoog-romantisch is 
zoowel de stof als de bewerking: een burchtheer „wiens wenk- 
brauw als de ruigten aan de klippen over 't vonkenschietend 
oog hangt"; een jonkvrouw met goudblond haar, drijvende licht- 
blauwe oogen en satijnen lippen, in een smetloos-blank gewaad 
van zilverlaken; een fiere edelknaap met rein gemoed, verliefd 
op de jonkvrouw die hem ontzegd wordt ; een rit te middernacht 
door een somber bosch; een ontmoeting met een paar heksen: 



281 

Rood van oogbol, graauw van hairen, 
Krinklend om den nek als slangen, 
Rimpels op de geele wangen; 

met een stemgeluid „als hondgebas en uilgegil". 

Karakteristiek was dat alles wel; karakteristiek ook die uit 
den vreemde teruggekeerde edelknaap: 

zienelijk vermagerd 
Als een, aan langen rouw verzwagerd 
En uitgehuwlijkt aan de smart. 

Maar schoonheid is hier schaarsch; willen wij haar vinden, 
dan moeten wij het oog richten op de natuur, hier met 
schildersoog waargenomen, met het dichterhart genoten. Daar 
zien wij Hofdijk in zijn kracht; zoo b.v. in dat schetsje van 
het „lief Heilo" (aanvang van Zang III), in dit omtrekje van 
den herfst (Zang IV): 

De maydoorn stak zijn schromplig hout 
Reeds bladloos op. Het herfstblazoen 
Verving het blinkend zomergroen. 
Het kleurde 't loof van ranke' abeel 
En breeden beuk met ros en geel, 
En strooide 't bleekende eikenblad 
Der rijpe galnoot purperrood 
Met volle mildheid in den schoot. 

Dat had de schilder-dichter gezien; hij kende die bosschen, die 
luchten, die weilanden, die vaarten, die hij ons elders in dit gedicht 
voor oogen brengt; die vogels, waaraan hij eenige verzen wijdt. 

Op dezen weg gaat Hofdijk voort; hij blijft" Kennemerland 
bestudeeren in zijn romantisch verleden en zijn natuurschoon- 
heid; hij wordt zich van die schoonheid beter bewust door 



282 

zijn oefeningen in het teekenen naar de natuur. Toevallig ziet 
de schilder Bosboom die schetsen en moedigt hem aan ze ter 
beoordeeling te zenden aan den Raad van Beheer der Academie 
van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Het oordeel luidde 
gunstig; de Alkmaarsche Gemeenteraad gaf den jongen kunste- 
naar - zeldzaam feit! - een jaar verlof met behoud van 
traktement; zoo trekt hij dan in 1848 naar Gelderland om er 
zich als landschapsschilder te oefenen. 

Maar de poëzie bleef haar rechten op hem handhaven. Op 
zijn zwerftochten door den Alkmaarder Hout, Heilo, Bergen 
en Schoorl was nieuwe dichtensstof langzamerhand in hem 
aangegroeid; zij kreeg vorm in een derde berijmd verhaal, dat 
in 1849 het licht zag onder den titel De Jonker van Brederode. 
Duidelijk blijkt hier, dat Hofdijk, sinds De Bniidsdans 
omvangrijker en grondiger kennis van het ridderwezen heeft 
gekregen; het krachtig nieuw leven in de Nederlandsche philo- 
logie, geschied vorsching en oudheidkunde tusschen de jaren 
1840 en 1850 was ook hem ten goede gekomen. Was reeds 
de voorstelling der philologen van het vaderlandsch verleden 
idealistisch getint, hoeveel meer moest dat dan het geval zijn 
bij een dichter. Overigens vinden wij hier ten deele bekende 
motieven als: een jachtstoet die uitrijdt (ook in Jacoba en 
Berthd) , een meistreel die een lied voordraagt, een onbekend 
ridder aan een gastmaal {Lord of the Isles) ; de schelle kleuren 
der romantiek worden hier niet gemist; niet zelden is er iets 
nevelachtigs in de voorstelling der gebeurtenissen; bovendien 
toont zich hier een neiging tot beeldspraak ook in den dialoog, 
die wel verband zal houden met den invloed der Frithiofs- 
sage, door Hofdijk in een Duitsche vertaling gelezen. 

Ook andere, kleiner, dichtwerken waren op die zwerftochten 
van den Kennemer meistreel geheel of gedeeltelijk ontstaan; 
doch wij zullen die eerst later leeren kennen. 



283 



OLTMANS (1806-1854). TOUSSAINT (1812-188 ). 

Van Lennep had, evenals zijn voorbeeld W. Scott, zoowel 
het berijmd verhaal als den historischen roman beoefend; Van 
DER Hoop, Meijer en Hofdijk hielden zich aan het eerste 
genre; Oltmans en Toussaint aan het tweede. Als schrijvers 
van historische romans behooren deze twee bijeen , al toont 
hunne kunst een verschillend karakter; in beider werk is de 
invloed van W. Scott zichtbaar, al is daarmede nog niet 
veel gezegd. 

De samenhang tusschen nationaal leven en historischen 
roman, dien wij in Van Lennep's Strijd met Vlaanderen 
opmerken, is zichtbaar ook in den eersten historischen roman, 
waarmede Oltmans onder den schuilnaam j. van den Hage 
in 1833 optrad: de stof voor Het Slot Loevestein in 1570 had 
de auteur in Hooft's Nederlandsche Historiën gevonden, 
waar de episode van Herman de Ruyter sober en treffend 
wordt verhaald; maar wat Oltmans juist deze stof deed kiezen, 
was bewondering voor de zelf-opofferende daad van Van Speyk. 
Zoozeer als de tengere, bescheiden, teruggetrokken zoon van 
den rijks-ontvanger Oltmans verschilde van den levenslustigen , 
min of meer overmoedigen, populairen Van Lennep, zoozeer 
verschilt ook beider werk. Oltmans mist het gemakkelijke, 
lichte en aangename van Van Lennep; hij is ook niet zoo'n 
goed verteller, al is zijn ingevlochten verhaal van Pedrillo 
(I, 252 vlgg.) niet kwaad. Hij is meer onder den indruk zijner 
stof; zóó zelfs, dat hij, naïevelijk, gaat deelnemen aan het 
door hem vertoonde stuk bij wijze van koor; wanneer een 
dapper Spaansch vaandrig zich tegenover De Ruyter stelt, 
wordt het den auteur bang om het hart en hij roept: „Verme- 
tele jongeling! Waarom blijft gij, of kent gij den Boodschapper 
niet? Dwaas! weet gij niet, dat enz,"; zoo ook elders tot de 



284 

verdedigers van Loevesteyn, die de bevelen van De Ruyter in 
den wind slaan: » Dwazen! wat gaat gij beginnen? Vergeet gij, 
dat enz". 

Soms geeft de kunstenaar ons ongewenschte kijkjes in zijn 
werkplaats: terwijl het beleg in vollen gang is, houden De 
Ruyter en een zijner dapperen een gesprek over den dienst- 
plicht in ons land en de staande legers; op een andere plaats 
vinden wij een vergelijking tusschen het leven van den soldaat 
voorheen en thans; weer elders een uitweiding over de strijd- 
baarheid der Hollanders in vroegere tijden (11, 22—32). Olt- 
MANS heeft meer gevoel voor het grootsche dan Van Lennep; 
zijn hoofdpersoon, dien hij »de Boodschapper"', en liever in 
het Spaansch „el Emisario", noemt, heeft iets heroïeks, dat 
zich niet alleen in zijn ondergang toont. Aan die sympathie 
voor het grootsche paart de auteur die voor het geheimzinnige; 
sommige zijner personages, die het geschreeuw van de wilde 
eend of het knarsen van de uil nabootsen, doen aan Cooper's 
Indianen denken; een overeenkomst, ook door den auteur 
zelven beseft (11, 96, 108). De teekening der bijfiguren van 
den roman (het minnende paar Van Doorn en Anna; de 
helpers van den Emisario; de Spanjaarden- Perea en Velasquez 
tegenover elkander) toont meer talent dan de bouw van het 
werk zelf: met den dood van De Ruyter, die vóór het midden 
van het tweede deel plaats heeft, is het eigenlijk verhaal 
geëindigd en wordt daarna vee' te lang voortgezet. Het chau- 
vinisme, volgens hetwelk de Spanjaards doorgaans laaghartig, 
de Nederlanders edel zijn, ontbreekt hier zoo min als bij 
Van Lennep ; evenals in de eerste romans van dezen is ook 
de taal van Oltmans stijf en conventioneel, soms slordig 
(1, 23, 39, 53). 

Zoo'n eersteling beloofde iets goeds; het was slechts de vraag 
of de auteur zou voortgaan zich te ontwikkelen. Dat er inder- 



285 

daad groeikracht in zijn talent school, toonde hij in een tweeden 
roman, getiteld De Schaapherder, dien hij in 1838 onderden- 
zelfden schuilnaam uitgaf. Dit verhaal, ontleend aan den strijd 
tusschen Hoekschen en Kabeljauvvschen , met de geschiedenis van 
Jan van Schaffelaar tot kern, is veel breeder opgezet dan Het 
Slot Loevestein. Evenals daar is hier het verhaal hoofdzaak; 
van den historischen achtergrond bemerkt men niet veel: het 
schijnt soms alsof wij te doen liebben met een persoonlijken 
strijd tusschen Van Schaffelaar en zijn doodvijand Perrol met 
de Roode Hand , een eigenaardig type van een vijftiend'eeuw- 
schen condottiere; evenals in Het Slot Loevestein Alva pas aan 
het eind van den roman optreedt, zoo komt bisschop David 
van Bourgondië hier ook slechts even aan het slot van het 
verhaal voor den dag. 

Den invloed van W. Scott merken wij een enkelen keer, 
nl. bij de bestorming van »De Schaffelaar", die aan het beleg 
van Front de Boeufs kasteel in Ivanhoe herinnert; doch door- 
gaans volgt Oltmans zijn eigen weg. Zijn beste kracht heeft 
hij gewijd aan de schildering der beide hoofdpersonen , die 
een schrille tegenstelling vormen: Van Schaffelaar is wat heel 
'edel, maar toch heeft de auteur hem belangwekkend, krachtig 
€n innemend weten voor te stellen; Perrol toont eenige ver- 
wantschap met Byrox's helden: „niemand weet welk oord 

hem zag geboren worden het is een schoon man 

het is een engel, maar een gevallen engel" (zie ook 1, 316; 
363; III, 95). Oltmans is niet in de fout vervallen van zoo 
menig ander romancier, namelijk: den tegenstander van zijn 
held tot een weerzinwekkend wezen te maken; integendeel, 
Perrol is niet zonder waardigheid en gratie; zijn luchtige 
lichtzinnigheid, tergende bedaardheid en koele spot misstaan 
hem te mindei-, omdat hij meermalen blijken geeft van kracht, 
behendigheid en moed. Onder de andere personages is veel 



286 

goeds: Van Schaffelaar's vriend Frank tegenover den geduchten 
Walson, Perrol's luitenant; Heintje de schildi<naap „Ia note 
gaie" in het verhaal tegenover den nobelen Vidal; Ralph , de 
geheimzinnige schaapherder, die de gave der voorspelling heeft, 
tegenover de heks Ganita van de Hunnenschans, een vroeger 
liefje van Perrol; het gezin van den Amersfoortschen wapen- 
smid Wouter. Er zijn hier tooneelen, zoo fraai van schikking 
en bewerking, als ze in Het Slot Lotvestein niet, onder het 
beste werk van Van Lennep hoogst zelden, voorkomen; van 
dien aard zijn het feestmaal waarop Perrol aanbiedt zich de Roode 
Hand te laten afhouwen; het bezoek van Perrol aan de Hunnen- 
schans; de laatste strijd der Zwarte Bende; de dood van Perrol, 

Het is waar, dat zich ook in dezen roman zucht tot het 
onmatige en theatrale vertoont; het licht, waarin de auteur 
zijne tooneelen zet, doet soms aan Bengaalsch vuur denken; 
de handeling is overladen , de bijzonderheden benemen ons 
niet zelden den blik op het geheel ; hier en daar (IV, 321 , 335 - 6) 
komt de moralizeerende strekking te zeer op den voorgrond — 
doch over het geheel toont Oltmans zich hier geen onwaardig 
navolger van den meester- verteller en historieschilder, die The 
Heart of Midlothian, The Bride of Lammermoor, Ivanhoe, 
Queniin Durward , The Pirate en zoo menig anderen voor- 
treffeiijken roman schreef. 

Dat was ook het oordeel van De Gids. Potgieter kwam 
Oltmans bezoeken en wist hem voor het nieuwe tijdschrift te 
winnen; maar zijn lidmaatschap der Redactie kwam geen van 
beide partijen ten goede. De bescheiden, teruggetrokken man 
was geen leider en had geen stuwkracht; Potgieter, eenigszins 
dwangziek in zijn sterke overtuigingen, dreef Oltmans tot 
werk dat meer oorspronkelijk zou zijn. Maar de aanleg van 
den nieuwen redacteur was niet rijk: dat was reeds gebleken, 
toen hij in De Schaapherder een tweede daad van zelfopoffering 



287 

verheerlijkte; het bleek ook nu uit een tiental verhalen, die 
tusschen de jaren 1840 -'42, meerendeels in De Gids ver- 
schenen zijn. Geen dier verhalen onderscheidt zich door bij- 
zondere kunstvaardigheid ; de neiging tot het buitengewone en 
geheimzinnige komt vooral uit in Het huis van het Zeewijf; 
Een Damesportret , dat in des schrijvers eigen tijd speelt, heeft 
eenige verwantschap met sommige novellen van Potgieter. 
Maar, vergeleken met zijn beide romans, toonen deze novellen 
duidelijk dat de auteur hier buiten de grenzen van zijn talent 
ging. De bezielende adem, die van Walter Scott's werk 
uitging, had de vonk van talent in Oltmans aangeblazen tot 
een lustig vuurtje, doch het brandde slechts kort: de brandstof 
ging weldra ontbreken. Men merkte weinig meer van hem; op 
de redactie-vergaderingen van De Gids zag men hem niet; 
toen hij in 1845 zijn ontslag nam, was het blijkbaar hoogtijd; 
in datzelfde jaar immers schrijft Potgieter aan Bakhuizen: 
«Oltmans is levend-dood." In 1847 verliet hij om zijn gezond- 
heid Amsterdam voor het stille dorpje Steenderen; daar is hij 
in 1854 eenzaam gestorven. Eerst een paar jaren vóór zijn dood 
was zijn eigen naam op het titelblad zijner romans verschenen. 



ANNA LOUISA GEERTRUIDA TOüSSAINT. 

De beste Nederlandsche roman der 18'^^ eeuw, Sara Burger- 
hart, was het werk van een paar vrouwen; de eerste die hier te 
lande een historischen roman in den trant van W. Scott uitgaf, 
was een vrouw (De Neufville); Mejuffrouw Toussaint mag 
Nederlands beste romanschrijfster der IQ"*® eeuw heeten. 

Evenals haar stadgenoot Hofdijk, zoekt Truitje Tous- 
saint - zoo werd zij onder vrienden genoemd - haar weg 
eerst in het onderwijs. Voor dat werk bleek het tenger schepseltje 



288 

weinig geschikt, maar het verblijf bij de familie De Bruyn Kops 
te Hoorn bleef toch niet zonder invloed op hare vorming. Met 
haar vader, een geleerd en geletterd apotheker, had zij Vondel 
en Hooft gelezen; zelve kennis gemaakt met Van Lennep's 
Nederlandsche Legenden en ze bewonderd; in den familie-kring 
Ie Hoorn leerde zij voor het eerst De Pleegzoon kennen. Zoo 
i vormt zij zich, evenals Hofdijk, onder den rechtstreekschen 
invloed van Van Lennep; ook bij haar wordt de invloed van 
Van Lennep opgevolgd en versterkt door dien van W. Scott, 
zooals wij het vooral in De Graaf van Devonshire maar ook 
elders {Mejonkvronw de Maidéon) kunnen zien. De lust tot 
letterkundig werk openbaart zich bij haar het eerst in vertalingen 
uit het Fransch en Duitsch. Eerst als zij met pogingen tot het 
uitgeven van dat vertaalwerk weinig fortuinlijk is, komt zij ertoe 
iets oorspronkelijks te ondernemen en schrijft de x\o\t\\t Almagro , 
die in 1837 het licht ziet. 

Wie belust was op het buitengewone, op forschheid van 
aandoeningen, op hartstocht, schokkende tooneelen, kleurig 
decor, schitterende mise-en-scène, kon zich hier verzadigen aan 
de avonturen van den onechten zoon van een Fransch markies, 
die zeeroover wordt en ten slotte schatrijk als echtgenoot van 
een schatrijke Engelsche jonkvrouw naar Amerika trekt. Op 
Almagro volgde in 1838 De Graaf van Devonshire, waarin wij 
Maria Tudor en Elizabeth als medeminnaressen zien, beiden 
hartstochtelijk verliefd op haar prinselijken neef Edward Cour- 
tenay; in 1839 De Engelschen te Rome en in 1840 Lord Edward 
Glenhoiise die ons verplaatsen naar het Vaticaan en in het 
leven van paus Sixtus V, naar Turin en de kringen van den 
Italiaanschen adel. Ook hier vierde de romantiek, evenals in 
het werk van Van der Hoop, Meijer en Hofdijk, hoogtij. 
Almagro, romaneske zeeroover, in zijn kajuit weelderig en 
smaakvol als „het boudoir eener vrouw naar de mode", die 



289 

zich wreken wil op een maatschappij die hem uitgestooten heeft, 
is verwant met Byron's Corsair en Balzac's Rastignac; de 
amazone zien wij in de marchesa Horatia di Zoni (Glenhouse); 
andere romantische motieven in Wyatt's wonderbaadijke ver- 
schijning op het kasteel van Elizabeth; het geheimzinnig huwelijk 
van Arabella Sterny met een volslagen onbekend ridder, wiens 
oogen wbranden van een verzengend vuur" en die „den blik 
van een basilisk" heeft. 

Te midden van de hooggaande golven dier romantiek zien 
wij echter de persoonlijkheid der schrijfster, die worstelt en 
opkomt. In De Engelschen te Rome verontschuldigt zij zich, 
dat haar jonge prinses Orsina Peretti geen echte romanheldin 
is: „het spijt ons, zoo wij Orsina niet schilderen kunnen als 
de vlekkelooze romanheldin die opeens een dwazen hartstocht 
verzaakt .... Wij zoeken waarheid, onze Orsina is een meisje 
en niets dan een meisje". Behalve dat streven naar waarheid 
zien wij hier een talent van karakteristiek, zooals Van Lennep 
en Oltmans het slechts in hun beste werk toonen; het portret 
van de bekoorlijke Orsina Peretti en de schildering van hare 
liefde voor haar speelnoot Scipione in vergelijking met die voor 
Colonna; de portretten van Maria Tudor in hare zwakheid 
tegenover Gardiner, van de Marchesa uit Edward Glenhouse 
geven mooi werk te zien. Hoe goed de jonge schrijfster het 
vrouwelijk hart kende, blijkt ook uit de schildering van Lady 
Anna Oston ; er was moed noodig om een tooneel aan te durven 
als dat waarin Lady Anna kardinaal Montalto bekent, dat zij 
hem heeft lief gehad {Eng. te Rome); talent en vrouwelijke tact 
om het zóó uittevoeren. Toussaint's veelzijdigheid behoefde 
zich niet te beperken tot haar eigen sekse: hoe goed zij de 
stem van den hartstocht in een man had beluisterd en kon 
vertolken, toonde zij in dat fraaie tooneel ten huize van kardinaal 

Montalto; voortreffelijk is zij geslaagd in hare schildering der 
KALFF, Letterkunde, VII. 19 



290 

grootsche figuur van paus Sixtus V in dienzelfden roman {Eng. 
te Rome), niet het minst door de wijze waarop zij, met licht 
en bruin werkend, de roerende gehechtheid aan zijn neef 
Montalto tegenover zijn onbuigzame kracht heeft gesteld. 

Zoowel in Edward Qlenhouse als in De Engelschen te Rome 
geeft de dialoog niet zelden blijk van kunstvaardigheid; men 
leze b.v. het gesprek tusschen den spion Scipione en kardinaal 
Montalto, tusschen dienzelfden spion en paus Sixtus den Vijfde. 
Doorgaans weet de schrijfster den indruk van het verhaal te 
verhoogen door hare schildering van het tooneel en dé om- 
geving; in De Engelschen te Rome krijgt men meer dan eens 
een goed kijkje op de Eeuwige Stad; de schets van het Paasch- 
feest aldaar, niet alleen als Roomsch-Katholiek maar ook als 
algemeen-Christelijk feest, mag welgeslaagd heeten. In den bouw 
der verhalen zien wij wel eens zwakheden; van dien aard is 
b.v. een vader (Thomas Bealow in De Qraaf van Devonslüre) 
die aan zijn dochter allerlei vertelt wat zij zelve mee ondervonden 
heeft. Grooter echter is het tekort der schrijfster op het stuk 
van taal en stijl. Haar taal lijdt op menige plaats aan Gallicismen 
of andere on-nederlandsche uitdrukkingen; wij vinden er ge- 
waagde personificaties als: „dunne grijzende lokken die luide 
de (zwarte) wenkbrauwen van onwaarschijnlijkheid beschuldigden" 
{E. t. Rome), buitensporige beeldspraak als: ,;golvende lokken" 
die op het vlekkeloos albast (van Lady Editha's hals) „heen- 
dansen als blonde elfen in het zachte maanlicht", paleizen, die 
„marmeren loofhutten van verveling en ergernis" worden ge- 
noemd. Vooral treft ons de overladenheid der beeldspraak; een 
vergelijking die onder het schrijven zich binnen den kring van 
het bewustzijn der schrijfster vertoont, wordt gevolgd door een 
tweede, een derde, een vierde - en alle zijn der onbeteugelde 
verbeelding welkom; de „glurend bespiedende blik" van Gardiner 
(G. van Dev. p. 183) wordt gekenschetst als „de blik van den 



291 

wilde op den vijand dien hij onder het scalpeermes heeft, van 
den Afrikaanschen panter op het naakte slavenkind"; dan volgen 
nog: de verfijnde wellust der wraak en der overwinning van 
den beschaafden Europeaan, de gloed der verhitte dweepzucht, 
de Dagonspriesters met Daniël, Saulus en het steenigen van 
Stephanus enz.; „zij was" - lezen wij in De Eng. te Rome — 
»het kind dat met eene adder speelt, het vogeltje dat in den 
muil van den krokodil ronddartelt, de maagd die enz." Hier 
was een teveel, maar een teveel aan kracht; weelderigheid van 
groei , waarin geoefende smaak mettertijd het snoeimes kon zetten. 

Op het publiek van toen maakten deze verhalen natuurlijk 
dieper indruk dan op ons. Zelfs Potgieter, moeilijk te vol- 
doen, prees De Graaf van Devonshire in De Gids, bracht 
hulde aan de » buitengewone verbeeldingskracht" der schrijfster 
en voorspelde dat zij een sieraad onzer Letterkunde zou wor- 
den, indien zij haar „voortreffelijken aanleg door ijverige 
studiën ontwikkelde en volmaakte". Getrouw aan zijn beginsel, 
keurde hij de navolging der buitenlandsche romantiek in haar 
werk af en uitte den wensch dat zij hare krachten mocht wijden 
aan een „waarlijk Nederlandschen roman". Die wensch van 
den Gids-redacteur werd tot werkelijkheid gebracht door den 
uitgever van dat tijdschrift: in December 1838 deed Beyerinck 
Mejuffrouw Toussaint het voorstel: voor hem een roman te 
schrijven „uit het eerste tijdperk der Hervorming in Holland 
en die bepaaldelijk voorstellen moest den invloed der laatste 
op het burgerlijk en huiselijk leven der Nederlanders". Was 
Beyerinck tot de keuze dier stof gebracht door Potgieter, 
die met zijn novelle Anna (1836) een eerste proeve had gege- 
ven in dat genre? Is de jonge schrijfster tot het aanvaarden 
dezer taak opgewekt door Hasebroek, die haar in datzelfde 

jaar 1838 in zijn pastorie te Heilo had genoodigd en haar 

19* 



292 

Potgieter's gunstige recensie getoond? Wij kunnen hier 
slechts vragen stellen, zij het ook dat deze niet allen grond 
missen. Zeker is, dat het voorstel van Beyerinck in den geest der 
26-jarige slechts een kiem deed ontluiken, die tot de kern van 
haar wezen behoorde: haar Christelijk-nationaal levensbeginsel. 
Wel mocht zij in de Narede van haar nieuwen roman Het 
Huis Lauernesse (Oct. 1840) schrijven: „er lag een rijkdom in 
het onderwerp, die mij verlokte, zoodat ik de uitvoering op 
mij nam". 

In hare eerstelingen, waartoe ook Olenhouse behoort, door 
haar geschreven tijdens de voorbereiding tot Het Huis Lauer- 
nesse, kan men dat Christelijk nationaal element duidelijk waar- 
nemen: Almagro wordt van zijn Voltairiaanschen spot en 
Byroniaansche wanhoop genezen door een jong Protestantsch 
geestelijke; het gebed van Arabella (G. v. Dev.) wordt niet 
verhoord, omdat het de groote voorwaarden: geloof en zelf- 
beheersching, voorbijziet; in dienzelfden roman vinden wij een 
feit uit Courtenay's leven voorgesteld als „een bittere satyre op 
den hoogmoed van den mensch", de aanmatiging veroordeeld 
van den mensch in zijn beoordeeling der „daden van Hem, 
die eeuwig uit wilskracht bestaat" en het gezin van den 
Lutherschen predikant en martelaar Bealow met liefde getee- 
kend; Edward Glenhouse wordt overtuigd door dokter Schilfern, 
die tot hem zegt: „geloof mij, er is Voorzienigheid in dit 
alles". Tot het nationale kwam ook Mejuffrouw Toussaint niet 
dadelijk; evenals Meijer in zijn Boekanier en Hofdijk in zijn 
Rosaniunde wordt zij eerst aangetrokken door het vreemde; 
ook de verbeelding heeft hare „wanderjahre"; maar in De 
Graaf van Devonshire vinden wij toch een vingerwijzing naar 
het nationale, waar Courtenay spreekt over „het groote doch 
vaak miskende deel des volks, dat men het gemeen noemt" en 
van hen getuigt: „zij alleen behouden het eigenaardige volks- 



293 

karakter". In Het Huis Lauernesse had Toussaint dan nu 
gelegenheid, zich zelve te geven in hare overtuigdheid als 
Christin en hare warme belangstelling in het volksverleden. 
Hoe heeft zij zich van de haar opgedragen taak gekweten? 

De tijdgenooten bewonderden en genoten den nieuwen 
roman: reeds in het volgend jaar was een tweede druk noodig, 
in 1843 door een derden gevolgd en in de zestig jaren na de 
verschijning van het boek door nog acht andere; het werd 
vertaald niet alleen in het Duitsch, maar ook in het Engelsch 
en zelfs in het Fransch. 

Tot op zekere hoogte kunnen wij die bewondering deelen. 
Een belangrijk stuk wereldgeschiedenis leverde de stof tot dit 
verhaal; uit die stof, doorgloeid van het eigen geloof der 
schrijfster, heeft zij een volheid van leven geschapen die onze 
aandacht trekt en boeit. De groote strijd tusschen het Protes- 
tantisme en Rome is hier belichaamd in tal van goed geteekende 
karakters: Ottelijne (de jonkvrouw van Lauernesse), Paul, 
Johanna, johannes Pistorius, Laurens Cornelisz aan den kant 
der nieuwe leer; tegenover hen: Aernoud Bakelsze, Donna 
Teresia en de Dominicanen ; tusschen de partijen in : de Vicaris 
Boudewijn en Aafke, Aernoud's zuster. Heeft ook de Hervor- 
ming de volle sympathie der afstammelinge van réfugié's, zij 
kan zich toch wel verplaatsen in de eenvoudige Aafke, eerst 
tot de nieuwe leer geneigd , later weer aangetrokken door het 
oude geloof; zij durft het - in dien tijd! - betreuren, dat 
de Hervorming «de vereering der jonkvrouwelijke moeder" 
heeft weggenomen. Hoe zacht van gemoed ook, zij kiest beslist 
partij tegen Spanje en Rome; geen wonder dat zij niet hoog 
loopt met de verdraagzaamheid, waarvan wij slechts lezen: 
„zij heeft bijna zooveel koude als licht; zij is er niet en zij 
zal er niet zijn, waar warmte is en gloed". Tal van treffende 
tooneelen: de verloving op Lauernesse, het sterfbed der weduwe 



294 

Reinierse, de samenkomst van Aernoud en Ottelijne, afgebroken 
door het woord Inquisiteur - om er slechts een paar te noe- 
men - verhoogen de aantrekkelijkheid van het geheel. De 
dialoog is niet zelden verdienstelijk; goed ook de archaïstische 
tint, waarmede de schrijfster - vermoedelijk in navolging van 
Drost en Potgieter - de taal van hare gesprekken heeft 
gekleurd. 

Tegenover die groote deugden staan geen geringe gebreken. 
De schrijfster beheerscht de stof niet, doch de stof haar; zelve 
erkent zij dat rondweg midden in haar verhaal (p. 283), al 
past die openhartigheid daar even weinig als de twijfelingen 
aangaande de betrouwbaarheid van hare bronnen elders (p. 142). 
Dat Ottelijne's schijndood wat heel romanesk was, besefte 
ToussAiNT zelve (p. 432); zwaarder vergrijp echter is, dat zij 
hoofdstuk XVIII een hoofdstuk noemt „dat ook wel overge- 
slagen kan worden". Over het algemeen vindt men in Het 
Huis Lauernesse te vaak uiteenzetting en beschouwing in plaats 
van uitbeelding door woord en daad. De schrijfster zelve komt 
op zonderlinge wijze van achter de schermen in den wensch 
aan het slot van haar werk: „dat wij Hervormden rechtvaar- 
diger (mochten zijn) voor de Roomsch-Katholieken"; nergens 
zóó voor het voetlicht als wanneer zij , van het haardvuur in 
de zaal van Lauernesse (p. 417) op haar vriend Hasebroek — 

*) Zie het Jonathan en zijn „gloeienden lieveling'' komt *). Evenals in haar 

stukje De Bi- , , , , , , , 

biiotheek in vroeger werk is zij zoo vervuld met de karakters en toestanden 

Waarheid en jj^rer personages, met de denkbeelden en gevoelens die zij 

Droomen. . 

aanhangt of verwerpt, dat er weinig belangstelling overschiet 
voor de taal, die toch alle aanspraak heeft op de belangstelling 
en de zorg van den kunstenaar. In de Narede deelt zij haar 
lezers mede, dat „het grootere deel" van de jaren 1839 -'40 
„met een ernstig en vlijtig onderzoek van alle bronnen" werd 
besteed, „het kleinere deel met schrijven". Het onzuiver Neder- 



295 

landsch dezer mededeeling is in overeenstemming met ver- 
scheidene andere vergrijpen tegen den aard onzer taal of het 
taalgebruik. Tegen de zuiverheid van beeldspraak en figuurlijke 
taal wordt in Lauernesse, naar het schijnt, minder gezondigd 
dan in de voorgaande werken, maar wij vinden toch ook hier 
nog beelden als dat van een «afgestreden adelaar" die heul 
zoekt onder de vleugelen van een trouwe klok (hen)." 

Het Huis Lauernesse maakte zijn schrijfster niet alleen be- 
roemd, maar ook beter bewust van haar eigenlijk wezen en 
hare gaven. Juist omstreeks dezen tijd kreeg zij kans, zich 
zelve nog beter te leeren kennen in den omgang met een 
man uit wien een echtgenoot kon worden. Maar Geertruida 
ToussAiNT en Reinier Bakhuizen van den Brink waren 
blijkbaar niet voor elkander geschapen. Lichamelijk waren zij 
al te ongelijk: „de kleine sylphe" - schrijft \'an Lennep in 
1841 - „of aangekleede zenuw, zooals Dr. Willet haar min 
poëtisch noemt, is mij best bevallen; maar zeker, als zij met 
Van den Brink binnentreedt, is 't even als viel zy uit zijn 
zak." Geestelijk schenen zij beter bij elkander te passen: haar 
vurige dorst naar kennis, haar warme belangstelling in ge- 
schiedenis vooral konden rijkelijk bevrediging vinden bij zijn 
ontzagwekkende geleerdheid, zijn veelomvattend verstand en 
scherp vernuft; na zijn Leidsche uitspattingen moeten de rein- 
heid en liefelijke zachtheid der begaafde schrijfster hem te meer 
hebben aangetrokken; maar op den duur ging het toch niet. 
Ondanks zijn fijn gevoel moet „Bakkes" haar te rauw zijn 
geweest en wat hij voor haar voelde, bleek slechts platonische 
liefde. Zoo was het dan voor beiden misschien een uitkomst, 
dat zijn gedwongen ballingschap in het laatst van 1843 
hen scheidde. 

Ondertusschen was de scheppingsdrang in haar eer versterkt 



296 

dan verzwakt. Opmerkelijk is het, nategaan hoe haar geest in 
de acht jaren die volgen op Lauemesse, deels op den inge- 
slagen weg voortgaat, deels het verleden in nieuwe richtingen 
verkent. In Eene Kroon voor Karel den Stoute deed zij een 
greep in een anderen tijd en een andere stof dan die van 
Lauernesse: het laatst der middeleeuwen en de eerzucht van 
dien hartstochtelijken Bourgondiër die naar de koningskroon 
greep. Met dien roman bleef zij in het vaderlandsch verleden, 
al bracht BourgondJë haar in nauwe aanraking met Duitschland. 
In de volgende jaren zien wij hare verbeelding, die nu haar 
honk gevonden heeft, telkens uitvliegen naar den vreemde: de 
novellen Ximenes, A/ba, Orsini (1844) spelen in Spanje; andere 
als Het Kanten Bruidskleed , Vergelding, Twee Doopzusters , De 
Man uit het Bidvertrek, alle van 1846, in Parijs, Engeland, Por- 
tugal, Italië. Maar daartusschenin keert zij telkens even naar 
honk terug: Het Sterven van Burgemeester Hooft ^ Een Vader 
(Friesland a'' 1815), Eene Moeder, waarin de liefde voor de 
natuur van Noord-Holland en Alkmaar zich terloops vertoont. 
Dat het Christelijk geloof hare aandacht vasthoudt, blijkt uit 
drie novellen van 1846: Lasthenia, de geschiedenis eener 
Atheensche dichteres die Christin wordt; Twee Doopzusters: 
een prinses die vrijwillig zich in een klooster terugtrekt, er 
leeft en sterft in strenge deugd „naar het licht dat haar was 
gegeven"; De Man uit het Bidvertrek: Jean Calvin en Renata 
van Anjou, in 't geheim voorstanderesse en belijdster van de 
nieuwe kerkleer". De lijn van Lauernesse wordt voortgezet in 
het omvangrijk werk De Graaf van Leycester in Nederland 
(1846). In Mejonkvrouw de Mauléon (1847), dat ons naar 
Frankrijk verplaatst, vinden wij het conflict tusschen liefde en 
geloof, dat Het Huis Lauernesse zoo belangwekkend maakt, 
opnieuw behandeld. In verscheidene der bovengenoemde no- 
vellen is veel goeds; het verhaaltalent van Mejuffrouw Toussaint, 



297 - 

schoon niet zoo vaardig als dat van Van Lennep, mag er toch 
zijn, en hoe overtreft zij zoowel hem als Oltmans door den 
rijkdom van hare verbeelding, de diepte van haar gemoed, 
haar vermogen om hartstocht uittedrukken en ons te ontroeren. 
Eene Kroon voor Karel den Stoute toont stoutheid van opvatting, 
kunst van karakteristiek en beschrijvingskunst; vooral de ver- 
houding tusschen Karel en den Keizer is goed weergegeven. 
Hier en elders zijn hare vrouwenportretten weer mooi: Maria 
van Bourgondië „in witte damastzijde, eene reine pracht, die 
goed stond bij het kinderlijk eenvoudige harer trekken"; Jacoba 
Reingoud uit Leycester in Nederland ..met haar goudblond haar 
in wit-zilver damast"; die witte kleeding wordt bijna symboliek: 
in Het Huis Honselaarsdijk, dat even oyer de grens van- het hier 
behandeld tijdvak ligt, zien wij de Venetiaansche Felicia Mano- 
lessa in een wit-satijnen gewaad te midden van bloeiende oleanders 
en oranjeboomen „als eene heilige in een groene nis". 

Overigens moet het grootste werk uit dit achttal jaren De 
Graaf van Leycester in Nederland, vergeleken bij Het Huis 
Lauernesse, eer een stap terug dan een stap vooruit heeten. 
Voor de toewijding der schrijfster en haar kennis der historie 
kan men slechts lof hebben; zij heeft bij de bewerking alle 
zeilen bijgezet, tal van merkwaardige personages (Marnix, 

COORNHERT, DuiFHUIS, ElBERTUS LEONINUS, UITENBOGAERT, 

Sidney) doen optreden; er zijn ook wel belangwekkende toe- 
standen en spannende oogenblikken , b.v. die tusschen Leycester 
en zijn zoon Roger, tusschen Sidney en Martina de Burch- 
grave - maar dat alles doet ons de langdradigheid van dit 
1000 bladzijden tellend verhaal niet vergeten, nog minder het 
gemis aan beheersching der stof, dat ons telkens onaangenaam 
treft. Voortdurend houdt de schrijfster ons staande bij de bronnen 
harer kennis: „daar zijn geschiedschrijvers geweest, die enz.; 
Hooft heeft dit gezegde en Wagenaar heeft dat plaatje; traag 



298 

kruipt het verhaal voort en de verhaalster zelve is er zich maar 
al te zeer van bewust. Zij troost zich met de gedachte, dat de 
lezers haar dank zullen weten voor het hier geboden „over- 
zicht van Nederlands staatsbestuur voor en op het oogenblik 

van Leicesters aanvaarding daarvan, zonder dat ze Hooft of 
BOR behoeven in te zien"'. Zoo verontschuldigt zij in de Narede 
de uitvoerigheid van haar werk door er op te wijzen, dat dit 
tijdperk „wel wat veel verwaarloosd (was) door de historie". 
Wij hebben hier dan ook niet te doen met een historischen 
roman, doch met een vrije bewerking van een historisch tijdvak, 
die de allures van een roman heeft aangenomen, maar in hare 
tweeslachtigheid noch aan de eischen der historie noch aan die 
der epische kunst voldoet. 

Wie echter meenen mocht, dat de vlucht van Mejuffrouw 
ToussAiNT, die in Lauernesse een hoogtepunt had bereikt, nu 
voorgoed ging dalen , vergiste zich. Met forschen zwaai verhief 
zij zich weer in Mejonkvrouw de Maaléon, haar beste werk 
uit dezen tijd. Het gegeven: een paar kinderen, op zeer jeug- 
digen leeftijd verloofd volgens een plan van de vaders, was 
reeds gebruikt in Lord Edward Gleniwuse; maar met hoeveel 
meer kunst is het hier verwerkt. De karakters van Jacques 
Bossuet, den later zoo beroemden redenaar en van Yolande 
Desvieux die hem liefheeft, zijn beide zóó mooi geschilderd, 
dat er in de vroegere Nederlandsche romanliteratuur weinig 
van even hooge waarde kan worden aangewezen. Voortreffelijk 
is de zielestrijd weergegeven, dien Yolande strijden moet, 
vóórdat zij besluiten kan haar geliefde aan de Kerk aftestaan; 
niet minder de samenstemming tusschen den storm in hun 
gemoed en dien in de natuur die hen omgeeft. Met juist inzicht 
in den eisch der verhaalkunst worden wij bij den aanvang „in 
medias res" verplaatst, om eerst later, langzaam teruggaand, 
op de hoogte te worden gebracht. Jammer slechts, dat ook 



299 

hier weer de taal menige onzuiverheid of slordigheid vertoont; 
dit Hollandsch verraadt al te zeer, dat het geschreven is door 
iemand die pas veel Fransch had gelezen. 

Een enkele maal komt ook nu de persoonlijkheid der ver- 
haalster op den voorgrond, waar zij (p. 168) polemizeert tegen 
Bossuet's oordeel over Protestanten. A-laar hier openbaarde zich 
dan ook wat de kern van haar wezen uitmaakte: haar Christe- 
lijke geloofsovertuiging. 

Die overtuiging werd met de jaren vaster; daarin wenschte 
zij ook anderen te doen deelen; die deed haar, ten opzichte 
van de toekomst haars volks, een ander standpunt kiezen dan 
waarop Potgieter stond. Op dezen, zou men zeggen, al schatte 
zij hem overigens hoog, doelt zij waarschijnlijk in dit brok uit 
hare Fantasiën (Dec. 1848): „Wie dat ook liefst en meest 
herhale, ik zie niet in dat het goed is, het volk altijd toe te 
roepen: „Gij zijt en voor immer vervallen van uw vroegeren 
luister; geen spoor der aloude grootheid is meer in u.... 
Nederland kan nog de benijding der volken worden, met het 
standbeeld van Willem I als baken voor zich; zwijgen en 
spreken als hij, denken en waken als hij, verdragen en ge- 
looven als hij, handelen als mannen, bidden als Christenen, 
strijden als helden, sterven als martelaars, aan ons zelf geloo- 
ven, geen menschen vreezen, op God vertrouwen . . . ." 

Die overtuiging bracht haar, als romancière bij deze groep 
behoorend, dichter bij hen, die het heil voor zich en hun 
volk zochten in de richting, waarin Bilderdijk en Da Costa 
waren voorgegaan, al wenschten zij niet zoover te gaan als 
dit tweetal ^). 



300 



3. Romantiek en Reactie. Het Letterl<undig Leven aan de 
Hoogescholen. Kopieerlust des dagelijkschen levens. 

Het nieuwe in staatkunde en maatschappij, geloof en kunst, 
dat vooral in het tweede kwart der IQ^^^ eeuw op den voor- 
grond komt, vertoont zich, met het oude vermengd, onder 
het individualistisch Nederlandsch volk in vormverbindingen 
zoo talrijk als die der sneeuwkristallen onder het vergrootglas. 
Die rijkdom van verscheidenheid zal zich natuurlijk ook in de 
literatuur afspiegelen, maar het oog van den geschiedvorscher 
is te zwak om dat alles waartenemen; wij zullen ons moeten 
bepalen tot het aanwijzen van enkele scheidingslijnen en groepen. 

De mannen van De Gids , Potgieter en Bakhuizen vooral, 
maar ook verscheidene der latere redacteurs en medewerkers, 
mogen gelden als de vertegenwoordigers van het uit de Ver- 
lichting geboren liberalisme; maar sommige redacteurs van of 
medewerkers aan dat tijdschrift: Beets, Brill, Ter Haar, 
ToussAiNT zouden eerst gaandeweg beseffen , dat de dieper 
liggende grond van hun wezen een andere was dan die der 
liberalen, met wie zij aanvankelijk, uit sympathie voor de 
romantiek, samengingen. In Van Lennep, eerst Bilderdijkiaan, 
later meer sceptisch geworden , toch in zijn hart een conser- 
vatief, en Van der Hoop, die Bilderdijk als leidsman trouw 
bleef, hebben wij een paar nuances van conservatisme. Da Costa, 
Willem de Clercq, Groen van Prinsterer en hun mede- 
standers, die de beginselen van Bilderdijk, gewijzigd naar 
elks persoonlijkheid en inzicht, bleven verdedigen, vormden 
de kern eener afzonderlijke groep onder ons volk; Potgieter 
en Bakhuizen van den Brink, Gerrit de Clercq, Vis- 
sering met hunne medestanders, allen geestverwanten van 
Thorbecke, de kern eener andere groep. Het standpunt, door 
een auteur ingenomen ten opzichte dezer twee groepen, ver- 



301 

schaft ons een hulpmiddel bij de scheiding en groepeering der 
toenmalige auteurs. Een ander hulpmiddel daartoe vinden wij 
in de houding van een auteur tegenover het klassicisme en 
de romantiek, de verhouding van klassieke en romantische 
elementen in zijn werk. Bilderdijk en Da Costa, vereerders 
der klassieken en onder dien invloed gevormd , maar niet buiten 
de strooming der romantiek gebleven; Willem de Clercq, 
niet onbekend met de klassieken , maar volbloed christelijk- 
romanticus, gaven ons reeds drie onderling verschillende scha- 
keeringen van romantiek en klassicisme te zien. in sommige 
der hiervoor behandelde auteurs zagen wij zuivere romantiek; 
in andere de romantiek, door klassicisme gematigd of gelouterd. 

Het zal duidelijk zijn, dat wij hier slechts een paar groote 
lijnen hebben getrokken; toegegeven worde, dat meer dan een 
auteur een geval op zich zelf vertoont; doch wij hebben nu 
althans eenigen grond onder de voeten, waar wij opnieuw een 
aantal jongere auteurs vereenigen tot een groep. Tot de voor- 
name eigenschappen van de leden dezer groep behoort, dat 
hun godsdienstige, zedelijke, ten deele ook staatkundige be- 
ginselen een evangelisch-christelijk of althans behoudend karakter 
dragen of meer en meer verkrijgen; dat sommigen hunner, 
klassiek gevormd, aanvankelijk zich aan de romantiek over- 
geven, later onder den invloed van hun geloof en hun klassi- 
cisme daarvan min of meer terugkomen ; dat anderen , evenzeer 
klassiek gevormd, zich vijandig tegenover een deel der Neder- 
landsche romantiek stellen. In overeenstemming met deze eigen- 
schappen en neigingen is de diepe eerbied voor Bilderdiik, 
dien wij bij vele leden dezer groep, vooral in hun jonge 
jaren opmerken. 

Van de beginselen dezer auteurs en de menging van het 
klassieke en het romantische in hun werk zal gaandeweg een 
en ander blijken, wanneer wij ze afzonderlijk leeren kennen. 



302 

Hier worde reeds nu de aandacht gevestigd op liet feit, dat 
verreweg de meesten hunner een klassieke opleiding genoten: 
Beets en Hasebroek, Kneppelhout, Van Koetsveld, Ter 
Haar, Ten Kate, Winkler Prins, Hecker, Engelen en 
anderen. Beets gedenkt nog in 1864 wat hij aan zijn onder- 
wijzer in de klassieke talen, den later zoo bekenden paedagoog 
Epkema, te danken had; Van Koetsveld was op de Latijnsche 
school te Rotterdam een leerling van Limburg Brouwer, later 
te Leiden van HoFiMAN Peerlkamp; het streven naar eenvoud 
en natuurlijkheid, dat wij in deze beide als in andere auteurs 
dezer groep opmerken , moet zeker voor een deel aan den 
invloed der klassieken worden toegeschreven. Richten wij 
daarentegen het oog op de beide voorgaande groepen, dan 
zien wij dat ook daar mannen met klassieke vorming voor- 
komen: Drost, Heije, Bakhuizen v. d. Brink en Van 
Lennep; doch tegenover hen Potgieter, Van der Hoop, 
Hofdijk, Meyer, Oltmans en Toussaint, die buiten den 
invloed der klassieken stonden. 

De eersteling van den jongen Beets is een treurdicht over 
den dood van A4evrouw Bilderdijk, waarin ook „'t roemrijk 
dichtrenwonder", de «Homeer van Nederland" verheerlijkt 
wordt; het eerste stuk, waarmede Hasebroek voor het groote 
publiek optreedt: een gedicht op Bilderdijks Dood; het werk 
van den ontslapene wordt door hem vergeleken bij 

Een Dom , waar 't wuft geslacht van heden weer 

[kan leeren, 
Hoe 't hart, ontrukt aan 't aardsche slijk, 
Der vaadren God op 't spoor der vaadren moet vereeren. 

De jonge Kneppelhout schrijft in 1834, na een bezoek 
aan Bilderdijk's graf, eenige verzen aanvangend: 



303 

Verheven zanger! 'k heb uw Hjkgesteent betreden 
En bij '1 gezicht gebloosd, wat hulde dit geslacht 
Aan uw verdiensten, aan uw geest heeft toegedacht. 

in de verzameling afgeschreven dichtstukken van den jongen 
Ter Haar heeft Bilderdijk slechts een plaats naast vele anderen; 
maar Ten Kate en Alberdingk ThviM mag men dichters uit 
de school van Bilderdijk noemen; algemeen bekend zijn de 
verzen van den laatste By Royers Borstbeeld van Bilderdijk en 
deze aanvang: 

U min ik, Oude! met uw stroefgeplooide trekken! 
Hecker verheft den lof van Bilderdijk: 

Ten spijt der menigt, die baldadig uitgebroken, 
U hoonde, lasterde, verroekeloósde en schond 

en Engelen prijst hem in zijn Dichterlijke Brief aan Dr. H. 
Riedel (1833): „Neerlands eeuwge roem" en „nooit volpreezen 
Bard". Die gevoelens van eerbied zijn later bij sommigen in 
kracht verminderd of van aard gewijzigd; bij Beets en Thym 
komt - evenals bij Van Lennep - Vondel Bilderdijk ver- 
dringen; maar zoowel zij als anderen die tot deze groep be- 
hooren, blijven toch ook in hun later leven aan den conser- 
vatieven kant. 

Van die sterke sympathie voor Bilderdijk bemerken wij 
weinig bij Drost en Heije, Hofdijk en Meyer, Oltmans en 
ToussAiNT. Potgieter heeft voor den dichter Bilderdijk altijd 
eerbied gehad: in zijn studie over Loots (1834) heet hij „onze 
eenige Bilderdijk"; dienzelfden geest ademen uitingen als 
„Hollands tweede Vondel" {Giiy de Vlaming 1837) en nog m 
1849 „de wedergeboorte der Hollandsche dichtkunst dagteekent 



304 

van zijne verschijning" (Jacob van Heemskerck). Echter moeten 
wij daartegenover stellen, dat hij in 1837, met het oog op 
BiLDERDijK, spreekt van „zekere letterkundig-godsdienstige 
school", die „in plaats van vooruitgang achteruitgang predikt" 
{Staring) en in datzelfde jaar den balling, zwerver en lijder: 
„een (door zijne subjectiviteit) vervelend personaadje' noemde 
{Hasebroek). Krasser doet Bakhuizen van den Brink zich 
hooren, waar hij in zijn beoordeeling van Geel's Onderzoek 
en Phantasie (a^' 1838) schrijft: „Of werkt en woelt niet onder 
ons de partij van Bilderdijk, die, met den profetischen mantel 
om de leden, ons voor Baaispriesters scheldt en met vuur van 
den hemel dreigt, wanneer wij aan hare kwalijk gemaskerde 
heerschzucht ons niet onderwerpen"? 

In de hier samengevoegde groep onderscheiden wij zonder 
eenige moeite een drietal kleinere. In veel hooger mate dan 
nu waren toen, bij de minder scherpe scheiding tusschen 
wetenschap en kunst, de academies en athenea brandpunten 
ook van letterkundig leven. Richten wij het oog op die instel- 
lingen voor Hooger Onderwijs, dan zien wij onder de kwee- 
kelingen der Leidsche Hoogeschool Van Koetsveld en Beets 
met zijne vrienden Hasebroek, Gewin en Kneppelhout; 
aan het Amsterdamsch Athenaeum - behalve Drost en Bak- 
huizen van den Brink - Ter Haar, ook Winkler Prins 
en De Hoop Scheffer, die wij later in letterkundige samen- 
werking zien treden met den Utrechtschen student Ten Kate; 
onder de studenten aan de Groningsche Hoogeschool Hecker 
en GoEVERNEUR, Bennink Janssonius en Lesturgeon. Naast 
deze drie groepen geven wij een afzonderlijke plaats aan 
A. des Amorie van der Hoeven Jr. en den vertegenwoor- 
diger der R. Katholieken: Alberdingk Thvm. 



305 



Leiden: Van Koetsveld (1807- '93). Hasebroek (1812 -'96). 
Beets (1814-1903). Kneppelhout (1814 -'85). 

Wij noemen Cornelis Eliza van Koetsveld het eerst, 
slechts als den oudste; als letterkundige toch treedt hij later op dan 
de overigen. Zoon van een vurig Rotterdamsch patriot en een 
moeder van prinsgezinden bloede, is hij reeds vroeg een 
middenman geworden, maar een middenman met eere. In 
October 1830, toen Hasebroek en andere Leidsche studenten 
zich gereed maakten om uit te trekken, was Van Koetsveld 
juist als predikant in Den Hoekschen Waard bevestigd; zoo 
bleef hij buiten den stroom van vaderlandsche geestdrift, die 
zijn jongere tijdgenooten verfrischte; zijn kalme aard en de 
toewijding aan zijn ambt bewaarden hem voor verzinken in de 
wateren der Romantiek. Vooreerst neemt het predikambt zijne 
krachten in beslag; later zullen wij uit zijn pastorale werkzaam- 
heid de bescheiden bloemen zijner kunst zien groeien. 

Oók Johannes Petrus Hasebroek, zoon van een Leidsch 
apotheker en een dochter van Bellamy's vriend Kleyn, wilde 
predikant worden: Strauss' K^rkklokstoonen , een lievelingsboek 
zijner te Leiden woonachtige, geliefde grootmoeder Kleyn, had 
den lust tot dat ambt al vroeg in hem gewekt. Maar hem lieten 
de gebeurtenissen van 1830 en de Romantiek niet die hij was. 
Een kemphaan is er uit den Leidschen Jager niet gegroeid; 
maar in zijn ziel bleef iets van die militaire marschmuziek 
ruischen, die opwekt tot het hooge en aanvuurt tot het stoute: 
de romantiek van het soldatenleven. Dat de letterkundige roman- 
tiek hem aantrok, bleek uit eenige Proeven van vertaling uit de 
Gedichten van Thomas Moore (1836); belangrijker echter dan 

die overzettingen waren zijn oorspronkelijke verzen: in den 
KALFF, Letterkunde, VII. 20 



306 

Leidschen Studenten- Almanak had hij wel eens iets geschreven ; 
in den Muzen- Almanak van 1833 het bovenvermeld lijkdicht 
op BiLDERDijK geplaatst; in 1837 liet hij op deze eerstelingen 
een bundel Poëzy volgen; veel later (1859) een anderen onder 
den welluidenden titel Windekelken, waarin ook enkele zijner 
vroegste stukken voorkomen. Wij zien uit die beide bundels, 
dat hij reeds als twaalfjarige knaap het oog houdt gericht op 
De Lamartine; misschien bracht deze hem tot Byron, over 
wien een hier opgenomen gedicht handelt; K^rkklokstoonen 
herinnert ons den invloed van Strauss; het omvangrijk stuk 
De Vrouw door zijn indeeling aan Cats, een dichter hoog in 
eere bij Bilderdijk, maar door de mannen van De Gids naar 
den achtergrond geschoven. 

Met Gewin, Van de Linde, de beide Veder's, Heije, 
Leidsche Jagers als hij, had hij gedurende den Tiendaagschen 
Veldtocht de vriendschap onderhouden of aangeknoopt; ook 
Drost en Bakhuizen van den Brink, Kneppelhout, Beynen 
en Beets telde hij onder zijn vrienden; de drie laatstgenoemden 
behoorden met hem tot de leden der in 1833 door Leidsche 
studenten opgerichte „Rederijkerskamer voor uiterlijke welspre- 
kendheid". Wat wonder, dat de pastorie van Heilo, in 1836 
door Hasebroek als predikant betrokken, spoedig een letter- 
kundig centrum werd, waar de beminnelijke gastheer en zijn 
innemende, letterkundig begaafde, zuster Betsy Amsterdammers 
en Leidenaars dichter bijeen brachten; waar Potgieter en Beets 
elkander ontmoetten; waar Bakhuizen van den Brink, Van 
Lennep en Willem de Clercq even welkom waren als Gewin, 
Kneppelhout en Hasebroek's oude vriend Brill; waar Geer- 
truida Toussaint een vriendschap voor het leven sloot met 
de „domineesche" en de Kennemer Meistreel in haar spoor 
volgde. Geen liever gast echter in de Heiloosche pastorie 
dan Nicolaas Beets. 



307 

Overeenkomst van levensomstandigheden, gevoelens en idealen, 
verschil van karakter en aanleg vormden den stevigen grond 
voor de vriendschap tiisschen deze twee dichterlijke apothekers- 
zoons en aanstaande predikanten. Van rijker talent dan zijn 
vriend, vond Beets in dezen een geestverwant die hem in alles 
kon volgen, wiens neiging tot zachten humor hij deelde, wiens 
oprechte bewondering hem opwekte. In den Haarlemschen 
gymnasiast, die door een Engelschen vriend Walter Scott, 
Byron en Sterne leert bewonderen en genieten , doch tevens 
vol eerbied is voor zijn stadgenoot Bilderdijk, zien wij het 
uitheemsche naast het nationale en het eigene. Ossian's ver- 
hevenheid maakt indruk op hem; Scott's berijmde verhalen 
bewondert hij en vertaalt er fragmenten van; Byron's genie 
komt dat van Scott, nu door hem onderschat, in zijn geest 
verdringen. Maar reeds onder zijn allereerste gedichten vinden 
wij tegenover deze uitheemsche romantiek het eigene: in het 
korte stukje Wenschen het geluk beseft dat er ligt in genoeg; 
in Zwijgen zelfbedwang als ideaal; in Het Maarfsch Viooltje do: 
liefde voor eenvoudig schoon en vaderlandsche natuur; in 
Bmilofts Beurtzang, vertaald naar Catullüs, den invloed der 
klassieken; in Maria op den Kruisberg dien zijner Christelijke 
opvoeding. Die onderscheiden kiemen van poëzie schieten in 
zijne studentenjaren tusschen 1833 en 1838 naast elkander op, 
al wordt het eigene wel eens overschaduwd door het ontleende. 

Vooreerst blijft Byron zijn macht over hem behouden. Het 

berijmd verhaal José (1834) was een zwakke poging tot het 

scheppen van een personage in den trant van Lara, aan welk 

gedicht wij hier inzonderheid herinnerd worden. Het tooneel 

van José ligt in Spanje; in zulk een buitenissige omgeving 

voelde de jonge dichter zich beter in staat tot zoo sombere en 

woeste romantiek. Maar in Kuser (1835) en Gwy de Vlaming 

(1836) brengt hij — vermoedelijk onder den invloed van W. Scott 

20* 



308 

en D. J. VAN Lhnnep - de romantiek naar het nationaal ver- 
leden over. Voor de middeleeuwen had hij wel eenige sympathie; 
dat toonden een drietal coupletten van De Maskerade en zijn 
vernieuwing der middeleeuwsche romance Het daghet in den 
Oosten (1837). Maar toch, niet in het berijmd verhaal, mengel- 
moes van Scott'sche en Byroniaansche romantiek lag zijn kracht. 

In Kuser „een zoon des ramps, een broeder van de smart", 
in José met zijn „ontvleesde wang" en Gwy met zijn „uitgevast 
gezicht" was veel „pose" en theatraal pathos. Die waren in 
Byron's helden ook; maar Lara, Manfred, Giaour, Corsair, 
trotsche opstandelingen, waren één met hun geestelijken vader; 
bij de schepsels van Beets' fantazie was dat anders. Byron's 
menschenhaat en wereldverachtinj>- waren aan het wezen van 
den vromen, gevoeligen, leuk-luimigen, bedaarden Haarlemmer 
even vreemd als Byron's zinnelijkheid, trots en onbuigzame 
kracht. Deze Nederlandsche poëzie was grootendeels onecht; 
vandaar het vallen van het opgeschroefde in het platte, de 
conventioneele dichtertaal, en de parten den dichter door het 
rijm gespeeld; daartegenover weinig van die beurtelings ont- 
roerende, aangrijpende of schitterende poëzie waardoor Byron 
de gansche beschaafde wereld had veroverd. Beter slaagde Beets 
in zijn navolging van Byron als dichter van Beppo en sommige 
deelen van Don Juan: die huiselijke toon, die gelegenheid tot 
adem scheppen aan het eind van een couplet, dat vrijelijk zich 
laten gaan naar de luim van het oogenblik pasten hem beter. 
Vandaar dat De Maskerade nu nog, ook door anderen dan 
Leidsche studenten, met genoegen kan worden gelezen, en - 
tusschen José en Kuser - den indruk maakt alsof de auteur 
zijn romantisch masker afneemt om even uit te blazen. 

Zijn eigenlijk wezen toont Beets ook in de overige poëzie 
van dezen tijd. Sommige stukken mogen een voorspel van zijn 
latere beste werk heeten; hier is reeds de eerbiedige liefde 



309 

van den jonkman voor de vrouw in Schroom en Aleide; het 
natuurgevoel en de natuurschildering in het bekende Najaars- 
mijmering; de welluidendheid van kleinere stukjes als Stil is 
de Nacht en Zangstukjen. Het gevoel is hier en daar nog 
sentimenteel; dat blijkt uit de passage over vroeg sterven met 
de daarbij behoorende verteedering over zich zelven in Najaars- 
mymering; maar wij mogen de aardige stukjes Sta Bene en 
Vrouwengeluk daartegenover stellen , die den auteur der Camera 
Obscura aankondigen. In Rijmelarij en Verjaarverzen had hij 
zich aan de zijde der overige jonge auteurs geschaard, waar 
zij ruimte zochten voor een nieuwe poëzie en de oude op- 
ruimden; aan De Muzen en De Gids werkte hij mede, maar 
het stukje Vooruitgang toonde, dat deze medewerker maar 
half met de leiders kon medegaan. 

Wie zijn werk uit deze jaren onderzoekt, zal trouwens meer 
openbaringen vinden vaneen geest, die met dat Gids-artikel ver- 
want is of er geheel mede strookt. Het leuk-spottend Wij Weten, 
twee jaar vóór Vooruitgang gtA\c\\\, kwam voort uit dezelfde bron; 
het gevaar, dat hem van Byron's verleidelijke muze dreigde, 
besefte hij wel blijkens de keuze der doorhem vertaalde stukken; 
hoe komt in Gwy de Vlaming de theoloog voor den dag in de 
verzen over Gwy's godsdienstige opvoeding, „'t ongeloof van 
onze dagen", de woorden te laat, „waar 't boeten of bekeering 
raakt" (I, 296, 299, 307); hoe zien wij den aanstaanden pre- 
dikant reeds in het gedicht Voorbereiding , dat de 22-jarige 
tot zijn zuster Geertruide richt; in Moeders Troost met dat 
ouwelijke: „Mijn hart heeft steeds de kinderkens geschat" en 
die witgedaste slotregels; Beets' hymne Aan het Noorden met 
haar afkeer van „'t zieklijk Zuiden" doet denken aan Potgieter's 
Winter en Liedekens van Bontekoe; maar de „beestl ijkheid" 
van „de Roomsche sloor" en vooral „de troon der boosheid" 
aan de Seine doen ons het oog wenden naar Da Costa. 



310 

Daar zien wij een anderen Beets dan den bewonderaar van 
SCOTT en Byron: een gematigd volgeling van Bilderdijk en 
Da Costa, die zich tegen der liberalen vooruitgang keert; 
niet met gloeiende verontwaardiging of breede schouders tegen 
den stroom zettend, zooals zij, maar met goedmoedige luim 
en lichten spot; bedacht vooral op de instandhouding en ver- 
breiding van zijn evangelisch Christendom; poëzie en letter- 
kundige studiën beoefenend óf in dienst van zijn geloof öf 
ter ontspanning van wat hij ernstiger bezigheid acht. Die 
Beets gaat het winnen van den vroegeren: Byron en hetgeen 
hij nu «mijn zwarten tijd" noemt, laat hij in 1839 varen voor 
een gezonder levensbeschouwing; Ada van Holland, zijn afscheid 
aan het berijmd verhaal, getuigde in datzelfde jaar opnieuw, 
dat niet in dit genre zijn kracht lag; zijn Rijmbijbel, als poëzie 
ook door hemzelf niet hoog gesteld, was een eerste stap op 
den nieuwen weg. Eer hij dien weg voorgoed opging, publi- 
ceerde hij, eveneens in 1839, een aantal prozastukken uit »,den 
speeltijd van onzen geest," die onder den titel Camera Obsciira 
beroemd zouden worden. 

Met Beets en Hasebroek, Beynen, Gewin en anderen 
behoorde Kneppelhout tot de Rederijkerskamer die toen een 
brandpunt was van het literaire leven onder de Leidsche stu- 
denten; door Heye en Schneevoogt stond hij in betrekking 
ook tot de Amsterdammers die hij bovendien in Hasebroek's 
pastorie en elders kon ontmoeten. Ook voor Kneppelhout 
was Bilderdijk een tijd lang »de gevierde wetgever, bij 
wiens woorden de jongeling zweert"; maar zijn eerbied voor 
Bilderdijk belette hem niet een hartstochtelijk bewonderaar der 
Romantiek te worden. Evenals Beets beleeft hij zijn „zwarten 
tijd": „O die zwarte tijd!" - schrijft hij in 1842 - „O, die 
goede dagen van voorheen, toen wij zoo rampzalig waren; 



311 

die zonnige jaren van akadeniievreugd, toen wij zoo wanhopig 
keken; toen men zich aan een voortdurende romaneske aan- 
doenlijkheid overgaf, die ons benijdbare nachten van slapeloos- 
heid bezorgde." Evenals bij Beets en Potgieter openbaarde 
zich die «aandoenlijkheid" o. a. in het dwepen met een vroegen 
dood, zooals wij zien in het Fransche stukje Heiireux celui 
qui meurt jeune van het jaar 1835. 

Niet zóó levensmoede echter was hij of het verlangen naar 
letterkundigen roem maakte zich van hem meester. Schrijver 
worden en naam maken , werd zijn ideaal. Aan de nationale 
letterkunde wijdde hij wel eenige aandacht; evenals Beets voelt 
hij zich aangetrokken tot onze oude liederen; echter is er in 
zijn Nederlandsch werk van dien tijd weinig dat belangrijk 
mag heeten. Van meer belang achtte hij wat door hem in 
het Fransch werd geschreven; op die taal hield hij bij zijn 
toekomstdroomen het oog gevestigd; in het Fransch is dan 
ook verreweg het meeste geschreven van hetgeen hij tusschen 
de jaren 1831 -'39 heeft voortgebracht. Wij kunnen volstaan 
met dat werk te kenschetsen als echte romantiek in den trant 
der Fransche van 1829 -'30, vooral van Victor Hugo en 
Jules Janin: staaltjes van het griezelige of gruwzame, het 
opgeschroefd-erotische, sentimenteele vriendschap en natuur- 
beschrijving behooren tot het voornaamste dat men hier vindt. 
Een dezer stukjes Charles Ramer (1833) : een zestigjarig kasteel- 
bewoner die een vriendschapsepisode beschrijft, doet ons aan 
Potgieter's Landjonker denken; het vlugschrift Lère critique ou 
tart et Ie culte (1837), waarin wordt betoogd dat de Hervorming 
vijandig is geweest aan de schoone kunsten , een oogenblik aan 
Toussaint's verzoenende houding tegenover het R. Katholicisme; 
door artikels over Nederlandsche letterkundigen van vroeger en 
later tijd in Fransche tijdschriften hoopte Kneppelhout een 
middelaar te worden tusschen zijn volk en het buitenland. 



312 

Die droomen werden wreed verstoord: Janin's nadrukkelijke 
waarschuwing had hij in den wind geslagen; Buloz, directeur 
der in 1834 opgerichte Revue des deux Mondes vernietigde 
zijn idealen voorgoed. Dat de jonge eerzuchtige zich ontmoe- 
digd en gedrukt voelde, was geen wonder. Beets, die hoogen 
prijs stelde op Kneppelhout's vriendschap, trachtte hem uit 
die somberheid optewekken o. a. door den goeden raad : „Waak 
op, leef, bedrijf, wees nuttig - gij kunt het zoo gij wilt." 
Inderdaad, wat Kneppelhout ontbrak, was een taak waaraan 
hij zich kon wijden; tot een maatschappelijke betrekking kwam 
de bewoner van het groote huis op het Rapenburg niet; hij 
deed zelfs geen enkel examen : het heilige moeten ontbrak hem. 
Maar als schrijver viel er iets voor hem te doen; gebeurtenissen 
in de studenten-maatschappij die hem na aan het hart lag, 
deden hem opnieuw naar de pen grijpen en een proza-werk 
ontstaan, dat met drie andere van Beets, Hasebroek en Van 
Koetsveld een afzonderlijke behandeling en plaats verdient. 



KOPIËERLUST DES DAGELIJKSCHEN LEVENS. 

De letterkundige strooming, door bovenstaanden titel aan- 
geduid, die wij omstreeks 1840 hier te lande opmerken, ver- 
toont zich in het buitenland iets vroeger dan te onzent; de 
Nederlandsche kopiëerlust des dagelijkschen levens heeft zich 
ontwikkeld onder den invloed vooral der Engelsche en der 
Fransche. Uitbeelding van de ons omringende werkelijkheid 
was op zich zelf natuurlijk niets nieuws; doch de Romantiek 
drukte op dit literair genre haar eigen stempel. Onder den 
invloed van Sterne en Jean Paul, van nieuweren als Lamb, 
DiCKENS, misschien ook Washington Irving; van Franschen 



313 

als ViCTOR HuGO, Balzac, Janin, Huart, openbaarde zich 
ook hier de lust om het dagelijksch leven weertegeven , zooals 
het zich vertoont aan de oppervlakte en in de diepte, in zijn 
uitwendigheid en zijn innerlijk, zijn licht en schaduw, den 
rijkdom van zijn tegenstellingen en détails; daarbij vrijeHjk aan 
de persoonlijke zienswijzen en opvattingen des auteurs een 
plaats te geven; zich daartoe bedienend van het proza, van 
een ontwikkelde beschrijvingskunst, van epische, lyrische en 
dramatische vormen, van de rijkdommen der taal in haar 
ganschen omvang, die der minder ontwikkelden en die van 
het dagelijksch leven niet uitgesloten. 

Is het slechts toeval, dat wij onder deze groep alleen de 
Leidenaars zulk proza zien beoefenen ? Moeten wij hier niet 
ten minste voor een deel denken aan Geel's invloed op de 
Leidsche academieburgers? Wat daarvan zij, het mag een 
merkwaardig verschijnsel heeten, dat ongeveer terzelfder tijd 
een viertal prozawerken ontstaat, die met het werk van Pot- 
gieter en Drost, met dat van Van Lennep, Oltmans en 
Toussaint een te voren ongekenden bloei van het proza te 
zien geven. 

Camera Obscura (1839), Waarheid en Droomen (1840) 
Studententypen (1839- '41) en Studentenleven (1841-1844), 
Schetsen uit de pastorie van Mastland (1843) geven alle een 
deel der toenmalige werkelijkheid weer. In hun opvatting en 
voorstelling der werkelijkheid zien wij naast veel overeen- 
komst veel verschil; hetzelfde geldt van de persoonlijkheid 
hunner auteurs. 

Vestigen wij onze aandacht op hun oorsprong, dan moeten wij 
de werken van Hildebrand en Jonathan, geboren uit zuiveren 
lust tot levens-uitbeelding, stellen tegenover die van Klikspaan 
en Van Koetsveld, die hun ontstaan te danken hebben aan 



314 

dienzelfden lust, gemengd met een sterk didactisch en mora- 
listisch streven; zelfs is dat streven bij den Leidschen student 
ten minste zoo sterk als bij den predikant uit den Hoekschen 
Waard. Hildebrand en Jonathan voldeden slechts aan een 
inneriijken drang tot verwerking van doorleefd leven; ook Van 
Koetsveld en Klikspaan gevoelden dien drang, doch ver- 
bonden met het verlangen om invloed te oefenen op de praktijk 
des levens. De „pastor" van Mastland begint met de verklaring: 
«Romanschrijver ben ik niet, noch dichter, noch schilder; 
eenvoudig predikant, meer niet." Wij zien hem dan ook het 
gansche boek door vervuld van den wensch zijne „medebroeders" 
van dienst te zijn bij de volbrenging van hun pastoraal werk 
(p. 19, 56, 62-3, 69, 130, 202, 205. 207, 223). Uit het 
Naschrift van den tweeden druk (1844) blijkt, dat velen dezen 
bundel schetsen als een handboek beschouwden; een handboek 
voor predikanten natuurlijk. De bescheiden auteur acht zijn 
bundel daarmede „te veel eer aangedaan", maar hij wraakt de 
kenschetsing niet. Dat zijn schetsen desniettegenstaande veel 
eigen waarneming en levens-uitbeelding te zien geven, bewijst 
slechts dat bij den schrijver de natuur boven de leer ging. 

Bij Klikspaan zien wij iets dergelijks. Toen in 1839 uit 
eenige kleinere studentencorpsen na veel verwarring en ge- 
haspel, partijstrijd en onderlinge verbittering eindelijk één allen- 
omvattend corps, het Leidsch Studentencorps, was ontstaan, 
voelde hij behoefte, die nieuwe maatschappij als gids te dienen 
met de ervaring door hem in een achtjarig studentenleven 
vergaderd ; als mentor optetreden voor jongeren , wier wel en 
wee hem, dweper met mannenvriendschap, na aan het hart 
lag; hen te bezielen voor zijn idealen van levensreinheid, 
levenskracht, levensschoonheid. Zoo waren zijne Studenten- 
Typen en zijn Studentenleven - het laatste in hooger mate 
dan het eerste - ontworpen en geschreven ;,ten dienste van 



315 

studenten"', als ..een leiddraad in den doolhof" van het stu- 
dentenleven. Zooals wij Koetsveld hooren spreken over: 
bevestiging, schetsen van leerredenen, huisbezoek, catechisatie, 
aanneming van lidmaten, armenbedeeling - zoo Klikspaan 
over praktijk en methode van studie, examens en graden, 
promotie en proefschrift, liefhebberende verzamelaars, corps- 
leven. Klikspaan was slechts prediker; Koetsveld bovendien 
predikant; een echte, ouderwetsche: een zachtmoedig, liefderijk 
Christenleeraar; de dominee, naar wien met eerbied wordt 
opgezien; de dienstmaagd blijft met stoffer en blik op den 
drempel van zijn studeerkamer staan; 's mans „lieve Cornelia" 
tikt zachtkens aan de deur om hem met te storen. \'eel minder 
dikwijls zien wij in Waarheid en Droomen den predikant, al 
is hij ook daar met afwezig. Beets moest nog bevestigd worden , 
toen hij zijn Camera Obsciira uitgaf; maar de proponent ver- 
toont zich duidelijk in De Familie Kegge (p. 192), ook aan 
het slot van Jongens en in het begin van De Wind met zijn 
preek-achtigen aanhef. 

Hier en daar vinden wij in deze werken of in hetgeen de 
literatuurgeschiedenis ons leert, staaltjes van persoonlijke be- 
trekking of geestelijke verwantschap tusschen deze auteurs. 
Waarheid en Droomen ontstond op aandrang van Potgieter; 
met Beets trachtte deze uit Hasebroek's brieven een bloem- 
lezing te maken; toen hun dat niet gelukte, zette Hasebroek 
zelf zich aan het werk. Kneppelhout maakt een paar maal 
gewag van Jonathans en Hildebrands werk {Typen 78, 130; 
Stad. Leven 218); soms heeft hij pleizier in de rolvan bejaard 
man, die ook in Jonathans smaak viel {Stiid. Leven 201 -2 en 
W. en D. 56, 129, 225). Hasebrofk spreekt reeds in 1837 
van de „zwarte verbeelding van Byron" (305) en was Beets 
hier dus voor. In Waarheid en Droomen vinden wij meer dan 
een motief, hetzij slechts terloops genoemd, hetzij eenigermate 



316 

uitgewerkt, dat wij in de Camera Obscura terugvinden: de 
teleurstelling bij de ontmoeting met een vroegeren vriend 
(p. 100 en Dr. Deluw uit de C. O.); arme kinderen op Sinter- 
klaas voor een winkel (p. 125 en De Familie Kegge); Hase- 
broek's De Koning gaat ten grave kan naast een veel later 
gedicht van Beets gelegd worden ; Van Koetsveld's De 
Vi'inter Buiten naast 's Winters buiten van Beets. 

Beets en Van Koetsveld zijn zóó verdiept in de beschou- 
wing hunner omgeving, dat zij geen oog hebben voor wat 
daarbuiten ligt; Klikspaan daarentegen ziet verder dan zijn 
studentenwereld: hij toont zich bezorgd, dat „de Hollandsche 
natie een volk van eigen gatjes kinderen" zal worden" (Typen 110); 
hij trekt te velde tegen „de jansalies" {Stud. Leven I, 127 -'9); 
in overeenstemming met hem hooren wij Jonathan zeggen: 

„de natie moet herboren worden Maar hoe zal die 

wedergeboorte plaats grijpen ? Wie zal een nieuwen geest in 
ons volk doen varen?" 

Aan de sentimentaliteit, erfenis der IS^^^ eeuw, hebben zij 
alle vier deel; maar Kneppelhout en vooral Van Koetsveld 
minder cjan Beets en Hasebroek. Bij Klikspaan vertoont de 
sentimentaliteit zich vooral in zijn dwepen met vriendschap; 
hier en daar ook in zijn pathos [Typen 197; Stud. Leven I, 
181; II, 74, 81). Bij Van Koetsveld in de conventioneele 
tegenstelling tusschen stad en land (p. 103); overigens toont hij 
zich tegen de sentimentaliteit op zijn hoede of drijft er den spot 
mede (161 , 284-5). Dien spot vinden wij ook bij Hildebrand; 
de sentimenteeie Ainélie uit De familie Stastok mag tegenover 
het kransenvlechtend Jansje uit Het Bezoek worden gesteld, al 
is de letterkundige waarde dier schetsen zeer ongelijk; „het 
gevoelig hart", waaraan Feith's personages elkander indertijd 
herkenden, is Hildebrand niet vreemd (p. 118); ook elders 
vinden wij duidelijke sporen van sentimentaliteit (p.- 200, 282, 



317 

284-5). Jonathan is weeker dan Hildebrand: de uitdrukking 
„een gevoelig hart" vinden wi] ook bij hem (p. 25, 102); maar 
bovendien heeft hij in hooger mate dan zijn vriend die neiging 
tot medelijden met en verteedering over zich zelven , die tot het 
wezen der sentimentaHteit behooren: zie dien ouden vrijer, die 
zich door zijn „oude dienstmaagd" een kopje kandeel laat klaar- 
maken, telkens wanneer een vroegere geliefde, nu met een 
ander getrouwd, bevallen is (p. 7, voorts p. 66, 117, 119, 176, 
178, 228). In zijn beschouwing der mindergegoeden is de 
sentimentaliteit duidelijk waarneembaar; zijn melkmeisje is - 
zegt hij - „verre van de idealische herderin van Theocritus 
of Geszner"; maar toch „blinken onschuld en reinheid uit de 
heldere duivenoogen". Zijn zulke melkmeisjes dan onbestaanbaar? 
Dat zal niemand beweren; maar wie dit meisje als type geeft, 
gaat toch wat heel ver. 

Jonathans Zeeuwsche arbeider „mist vijfenzeventig van de 
honderd ondeugden, waaraan wij schuldig staan"; ook is hij 
tevreden; immers, hij „heeft alles wat hij wenscht", hij heeft 
alle dagen een lekker gastmaal: aardappelen, door zijn eigen 
hand geteeld, met een heerlijke saus overgoten die honger 
heet, en een groot feest: rust na arbeid." 

Bij Hildebrand zal men zulke typen niet vinden; het diaken- 
huismannetje moge een zweempje van sentimentaliteit vertoo- 
nen, als geheel is dat toch een prachtstukje van werkelijkheid. 
Anderzijds mag men niet voorbijzien, dat Jonathan dieper 
gevoel toont voor de misdeelden dan de optimistisch-gestemde 
Hildebrand. Voor het lijden der armoede heeft Hasebroek 
evenals Kneppelhout een open oog {W. en D. 12; Stud.- 
Leven I, 181). Wanneer Beets een aantal arme kinderen voor 
een koekebakkerswinkel ziet, vermaakt hij zich met hun op- 
merkingen (p. 162); Hasebroeks hart breekt bij datzelfde 
schouwspel (p. 125). 



318 

Geen dezer vier werken geeft ons een geheel te zien : het 
zijn verzamelingen van novellen, schetsen, typen, omtrekjes, 
mijmeringen, stemmingen, welker eenheid in de persoon van 
den auteur ligt. In Waarheid en Drooinen stelt die auteur zich 
voor als een weemoedig-berustend oud-vrijer; in Camera Obscura 
als een Leidsch student; in Stadenten-Typen en Studentenleven 
als een nevelfiguur die «door de andere typen heenkronkelt"; 
in De Pastorie van Mastland als ;,een Nederlandsch dorps- 
leeraar", die zijn naam verzweeg, maar dien men te midden 
zijner gemeente zag als waarnemer van dat dagelijksch leven, 
waarin hijzelf een der voornaamste rollen vervulde. Bij alle 
vier zien wij het streven naar waarheid , bij den een meer 
bewust dan bij den ander. Jonathan gaf de waarheid een plaats 
in den titel van zijn boek. Klikspaan verklaart in het Voorbericht 
van zijn Typen: „Naar niets heeft de schrijver met meer ijver 
gestreefd dan naar de meest nauwgezette en tastbare waarheid 
en werkelijkheid, ook in vorm van stijl en voorstelling"; zoowel 
in dezen bundel als in de Camera Obscura meende het publiek 
allerlei „portretten" van tijdgenooten te kunnen aanwijzen. 

Het opmerkelijkst is Van Koetsveld's houding tegenover 
waarheid en werkelijkheid: hij is zich bewust, dat hij in zijne 
Schetsen «de eenvoudige beeldtenis van ons leven, geheel gelijk 
het is" geven wil (p. 10); „ik heb altijd de waarheid bemind",, 
lezen wij elders, „nooit ze geschroomd of vermeden"; hij wil 
„den bril der verbeelding afzetten , om met het bloote oog de 
waarheid te zien, ja die desnoods met het vergrootglas te 
onderzoeken." Dat „desnoods" teekent hem: blijkbaar kost het 
hem, den meest ouderwetsche, met Hasebroek den zacht- 
zinnigste der vier, moeite het leven en de menschen niet een 
beetje mooier te maken ; destemeer moeten wij in hem loven , 
dat hij aan die verleiding zoo krachtig weerstand heeft geboden. 
Op één plaats van zijn bundel ziet men dien weerstand dui- 



319 

delijk in de vermelding van „eenige kleine bijzonderheden" 
die, achteraan komend als het hinkende paard, de liefelijkheid 
van het vergeten en vergeven te Mastland verminderen, doch 
de waarheid der voorstel Hng verhoogen (p. 89). Waar Koets- 
veld het gesprek met zijn smid Willem Klaver weergeeft 
(p. 145) toont hij zich wel bewust, dat hij de werkelijkheid 
eenigszins opgesmukt heeft; maar op tal van andere plaatsen, 
dat hij haar ten volle aandurft (p. 155, 156, 157, 160, 227, 
228, 245, 247, 254, 256). 

In rijkdom van verbeelding, scherpte van waarneming, plas- 
tische kracht, stilistische vaardigheid schijnt Jonathan de minste 
der vier; hij geeft niet zoozeer het leven als overpeinzingen 
van dat leven en de stemmingen waarin het hem brengt; in 
een twaalftal typen, bijna alle uit de lagere standen {De Zeeiiwsche 
arbeider, De Rotterdamsche sleeper, De Harlngkooper , De 
Schoorsteenveger , De Vischvroiiw) toont hij hier en daar, b. v. 
in De Straatjongen, ongetwijfeld talent. Er is in zijn ganschen 
bundel een waardige gemoedelijkheid, iets edels en zekere 
fijnheid, die den lezer aangenaam stemmen; het boek heeft 
dezelfde zachte innemendheid die den schrijver bij zijn leven 
eigen was; maar de aesthetische waarde ervan is niet groot. 
Van Koetsveld staat als levens-uitbeelder hooger dan Hase- 
BROEK; hij kent zijn dorpswereldje door en door, toont ons 
zijn gemeente van hoog tot laag, geeft in zijn burgervader, 
zijn schoolmeester, zijn boer Ploegstaart goed of mooi werk 
te zien, verscheidene goed geschetste typen als die der ring- 
broeders en der afgescheidenen en tal van voortreffelijke détails. 

Evenals Van Koetsveld heeft ook Kneppelhout een be- 
perkt veld van waarneming; maar de Leidsche studentenwereld 
bood toch grooter rijkdom van leven en meer verscheidenheid 
van belangwekkende typen dan het nederig Mastland. Het 
ruimste tooneel , de meeste verscheidenheid van personages 



320 

vinden wij in de Camera Obscura, waar wij beurtelings in 
Haarlem, Leiden, Rotterdam of ten platten lande van Noord- 
Holland vertoeven, ook wel eens naar Marken, Brabant of 
Limburg worden verplaatst; waar ons menschen worden ge- 
schetst of geschilderd van allerlei leeftijd en karakter, zich onder- 
scheidend door allerlei neigingen en hartstochten, eigenschappen, 
hoedanigheden, eigenaardigheden, zwakken, en verkeerend in 
allerlei levens-omstandigheden. Hoeveel hooger Hildebrand als 
levens-uitbeelder staat dan zijn vriend Jonathan, blijkt misschien 
het duidelijkst, wanneer men het dozijn karakterschetsen, door 
den een geleverd voor het verzamelwerk De Nederlanden , legt 
naast het dozijn van den ander voor datzelfde werk. Hasebroek 
is bijna overal louter beschrijver; hij somt op en voegt bijeen; 
dat doet Beets ook wel {De Markensche Visscher, de Noord- 
hollandsche Boer, de Baker), al doet hij het levendiger en 
geestiger; maar in meer andere (D^ Veerschipper , de Schippers- 
knecht, De H uurkoetsier, De Jager en de Polsdrager, De Lim- 
burgsclie Voerman) toont hij ons zijne typen in hun omgeving, 
met een of meer bijfiguren, sprekend, handelend. Gij hoort 
ze, ziet ze; kortom - zij leven; die van Hasebroek niet. 

Diezelfde kostelijke eigenschap: leven, dramatisch leven, 
hebben ook Klikspaans typen in hooge mate: zijn beste werk 
{De Klcplooper, De Aflegger, De Liefhebber en dergelijke) 
staat niet lager dan het beste van Hildebrand; maar deze 
heeft op hem voor, dat zijn werk rijker is aan het algemeen- 
menschelijke; Klikspaan's beide bundels kunnen slechts ten 
volle genoten worden door studenten of ex-studenten ; de 
Camera Obscura is een boek voor allen. Aan dat algemeen 
menschelijke heeft het zeker voor een deel zijn groote popu- 
lariteit te danken; tegenover het tien- of twaalftal herdrukken 
der overige werken kan de uitgever der Camera er meer dan 
twintig stellen. Naast dat algemeen-menschelijke, en er innig 



321 

mede verbonden , moet het nationaal karakter van het boek 
genoemd worden als oorzaak zijner populariteit; de Neder- 
landsche maatschappij van omstreeks 1830 -'40 is er afge- 
beeld, in hare klein-burgerlijke deftige dufheid en benepen- 
heid, ook in hare eerzame braafheid en degelijkheid, zoo 
volledig en juist, met zulk een zachten humoren zoo treffende 
kunst van karakteristiek als in geen ander literair werk van 
dezen tijd. 

De vernieuwing van geest en gemoed, waaruit deze werken 
ontstaan zijn, is natuurlijk ook in, hun taal en stijl optemerken; 
het oude is er nog zichtbaar, maar als het dorre blad tusschen 
den overvloed van het jonge groen. 

In De Pastorie van Mastland en Waarheid en D roemen 
vindt men „dezelve", „dezulken", „eikanderen", „de zorg^", 
«dat men zich schamp", „ik bemin de studie" en dergelijke 
uitdrukkingen. Jonathan toont nog den achttiend'eeuwschen 
afkeer van het gewone woord: kaarsen heeten bij hem „nacht- 
fakkels", een wandelstok „een doornstaf", een wijnglas „een 
berkemeier", de zalm „de gerookte riviervorst". Zelfs Hildebrand 
lijdt soms aan Latijnsch-deftige constructies als: „eene donkere 
steeg, aan welker einde een hel licht als uit den grond opkwam, 
voor welk licht enz." en doet een enkelen keer aan de ouder- 
wetsche verhandelaars denken. De predikanten Van Koetsveld 
en Hasebroek nemen over het algemeen zekere deftigheid in 
acht; de studenten Beets en Kneppelhout hebben losheid en 
durf, tooiien ook een bewust streven naar de natuurlijkheid 
van het dagelijksch leven. Hildebrand schreef in 1839, dat hij 
gewaagd had „onze taal het zondagspak uit te trekken", al 
besefte hij, dat hij niet de eerste was die het waagde; inder- 
daad, gezwegen van Van Effen, waren Wolff en Deken, 
Van Woensel, Bruno Daalberg en Geel hier baanbrekers 

geweest. Evenzoo schreef Kneppelhout in 1846: dat hij er 
KALFF, Letterkunde, VII. 21 



322 

met anderen steeds naar gestreefd had aan het verhaal en de 
samenspraak „een eenvoudiger, meer met de taal des dage- 
lijkschen levens overeenkomenden toon te geven". Doch zoo 
zij hier voorgangers hebben gehad, hun komt de eer toe van 
krachtig te hebben medegewerkt tot de verdere ontwikkeling 
van ons proza. 

Van Koetsveld durft het Mastlandsch niet goed aan ; slechts 
van tijd tot tijd hooren wij er iets van; maar Beets laat zijn 
menschen praten met een fijn gevoel voor al die verschillen, 
nuanceeringen en schakeeringen , welke samenhangen met het 
verschil van gewest, stand, ambt of beroep, karakter, leeftijd, 
stemming, omstandigheden enz. Vandaar het dialect van zijn 
boeren; de volkstaal van zijn diakenhuismannetje, den meester- 
knecht Barend en de hospita van Suzétte Noiret; de technische 
uitdrukkingen van het koekbakken en het biljarten; maar ook het 
eigen taaltje van de Stastokken, de Kegge's, den charmanten 
Van der Hoogen en zooveel anderen. Klikspaan staat ook hier 
het dichtst bij Hildebrand; hij kent zijn Leidsch, maar beter 
nog zijn studententaal; hoe natuurlijk en naar het leven is die 
taal weergegeven; hoe voegt zij zich naar elks karakter, om- 
standigheden en stemming, hetzij wij den klaplooper, den 
hoveling, Bivalva of Flanor hooren, den dronkeman of den 
examinandus, een corpsvergadering, een dispuut of een pro- 
motiepartij bijwonen. 

Van zijn taal bedient elk der vier auteurs zich weer op zijn 
wijs: Koetsveld en Hasebroek met iets goedigs, iets huiselijks 
dat - vooral bij den eerste - wel eens huisbakken wordt, 
het gemeenzaam-vertrouwelijke dat een samenspraak met den , 
lezer geeft; Beets met iets leuk-luimigs, dikwijls geestig en 
met rustigen humor; Kneppelhout levendig, opgewekt, niet 
zelden uitgelaten. Aardige nieuwe wendingen, een pakkend of 
treffend slot vinden wij bij alle vier; het minst bij Van Koets- 



323 

VELD, het meest bij Beets en Kneppelhout. Soms is de spot 
van Jonathan en Hildebrand ons wat tam; zoo b. v. de her- 
haling van den titel UEd. ; maar hoe aardig weet de laatste 
zijn voordeel te doen met een ouderwetsche wending als die 
op p. 58 („diezelfde tuinkamer") en het geleuter van eenvoudige 
menschen weertegeven door een simpele herhaling van relativa 
(p. 39, 167) of van het woordje en (179, 246). De voortref- 
felijke détails liggen trouwens in de Camera Obscura, ook - 
hoewel niet in zoo rijken voorraad - bij Klikspaan, voor 
het grijpen. 

Behoefte aan beeldspraak en vergelijking, lust tot tegenstelling 
zijn in verschillende mate aan deze vier auteurs eigen. Bij 
Van Koetsveld en Hasebroek zijn de beelden of vergelij- 
kingen niet talrijk maar doorgaans juist, soms treffend, in 
Hildebrand's Een Beestenspel vinden wij er een ruimen voor- 
raad van, ook in andere stukken ontbreken zij niet; maar 
onder Klikspaans pen schieten zij op met een romantische 
weelderigheid die niet zelden de perken te buiten gaat. 

Voor een deel zullen wij deze eigenaardigheid van Klikspaans 
proza wel moeten toeschrijven aan den invloed dier Fransche 
romantiek, die hij zoozeer bewonderde en trachtte te evenaren , 
vóórdat hij zich zijne roeping als Nederlandsch schrijver be- 
wust werd. Die opmerking brengt ons tot de vraag, met 
welker beantwoording wij deze parallel zullen besluiten: hoe 
verhouden zich in dit viertal werken het ontleende en het 
eigene tot elkander? Van dat standpunt beschouwd, vertoonen 
deze auteurs zich weer in een ander licht. Koetsveld schijnt 
de meest oorspronkelijke. Wie is zijn voorbeeld geweest? 
Bevatten zijne Schetsen iets anders dan de vrucht van eigen 
waarneming, nadenken, beeldend vermogen? Kan men aan- 
wijzen, dat een ander hem heeft leeren zien of op het denk- 

21* 



324 

beeld gebracht zijne waarnemingen op deze wijze te verwerken? 
Op hem volgt Kneppelhout. Huart's Physiologie de l' Etudiant 
(2'ie ed. 1841) en Gautier's Les Jeunes- France (1832) kunnen 
hem opgewekt hebben tot het schrijven van zijn Studententypen 
en Studentenleven; coöperatieve werken in den trant van Les 
Franfais peints par eux-mêmes (1841) om daarvoor de hulp 
van zijn medestudenten interoepen; overigens is hij aan Huart 
of anderen niets verschuldigd. »lk ben het niet met u eens 
dat uw Studenten-typen meer aan Jeróme Paturot dan aan de 
Vie de Bohème doen denken", schrijft Busken Huet in 1861 
aan Kneppelhout; over de gelijkenis met het eerstgenoemd 
werk kan ik niet oordeelen, doch indien zij niet meer beteekent 
dan de gelijkenis met de Vie de Bohème dan is het al heel 
weinig. Voorzoover ik weet, is Kneppelhout's werk in 
hooge mate oorspronkelijk; beelden uit het studentenleven in 
dezen geest en trant zijn mij ten minste niet in eenige andere 
literatuur bekend. 

Anders is het met het werk van Jonathan en Hildebrand. 
Aan Sterne's voorbeeld hebben zij ongetwijfeld een en ander 
te danken: Hildebrands indeeling der reizigers (C. O. p. 90) 
is blijkbaar een navolging van die uit de Sentimental Journey 
{In the Desobligeant); trouwens ook Klikspaan kent de indee- 
ling {Typen 137). Sterne's hoofdstuk The Ass heeft Hasebroek 
opgewekt tot het schrijven zijner schets Het Schaap; maar veel 
sterker doet zich in het werk van hem en Beets de invloed 
van een paar jongere auteurs gelden: Lamb en Dickens. De 
schuilnaam „Jonathan" werd door Hasebroek gekozen onder 
den invloed der lezing van Lamb's Essays of Elia ; in New 
Years Eve stelt Lamb zich voor als een bedaagd vrijgezel die 
met een bedaagde huishoudster woont: een rol waarin de, 
met zijn zuster levende, Hasebroek zich gemakkelijk kon 
vinden; de aandoeningen gewekt door het klokgelui en het 



325 

zich verdiepen in allerlei herinneringen in Lamb's Oudejaars- 
avond \'m6.tn wij terug in Jonathans DeHiiisklok; De Engelsch- 
man schreef een Praise of Chimney-sweepers en de Nederlander 
een type onder den titel De Schoorsteenveger , waarin eenige 
gelijke elementen voorkomen. 

Onaangename menschen in den trant van Nurks vinden wij 
in Lamb's Poor Relations: Samuel Salt uit 77?^ Old Benchers 
of the Inner Tempte, die nooit lacht en een populair disch- 
genoot is vooral bij de dames, met wie hij zich overigens 
weinig bemoeit, vertoont een flauwe gelijkenis met Wagestert 
uit Oerrit Witse; zoo herinnert de oude arme doove man uit 
A Death-Bed, wiens vrouw en dochters aangewezen zijn op 
de liefdadigheid eener corporatie die hij vijftig jaar gediend 
heeft, uit de verte aan het diakenhuismannetje uit de Camera 
Obscura. In Lamb's Poor Relations leest men (in Potgieter's 
vertaling): ,;Een arme bloedverwant is het onaangenaamste ding 
ter wereld: het is een lastige betrekking en hatelijke nabuur- 
schap eene smet in uw bloed, eene kladde op uw wapen; 

eene scheur in uw gewaad; een doodshoofd op uw feest; de 

vaas van den pottebakker bij die van Agathocles een 

leeuw op uw pad, een kikvorsch in uw kamer; een vlieg in 
uw zalf; een stofje in uw oog enz." Geheel dezelfde manier: 
opsomming van vergelijkingen, vindt men in deze passage 
uit Hildebrand's Een Beestenspel: «Bedroevend schouwspel! 
Een haspel in een flesch; men weet niet hoe 't mooglijk is 
dat hij er inkwam! Een ziek soldaat; een grenadier met geweer 
en wapens, berenmuts en knevels (foudre de guerre) in een 
schilderhuis; Simson met afgesneden haar; Napoleon op St. 
Helena." Hier is slechts stijl verwantschap; navolging moet men 
aannemen, indien men Dickens' Sketches doorleest en daarin 
telkens motieven, typen, toestanden aantreft, die wij ook in 
de Camera Obscura vinden. 



326 

DiCKENS, wij hebben het van Potgieter reeds gehoord, 
was een der afgoden van het pubHek. „Wij allen" - schreef 
in later tijd Alexander Ver Huell - „kenden Dickens 
haast van buiten en kaatsten elkaar de Pickwick-uien toe op 
de wandeling en aan tafel." Ver Huell was een tiental jaren 
jonger dan Beets en Hasebroek; maar onder de vrienden 
dezer twee vond men een vurig bewonderaar van Dickens 
in Bernard Gewin, die onder den schuilnaam „Vlerk" in 
Reisontmoetingen van joachim Polsbroekerwoud (1840) een 
langwijlige zwakke navolging der Pickwick-papers uitgaf. De 
Sketches van Dickens verschenen tusschen 1835 — '37 in het 
Montfily Magazine; de oudste: Mr. Minns and his consin 
dagteekent reeds van 1833. Wie dat oudste stukje leest, zal bij 
den „toast" van Mr. Budden aan dien in Gerrit Witse denken ; 
bij de beschrijving van Minns, op een warmen dag uit eten 
gaand bij zijn neef, aan Mr. Bruis en Dr. Deluw. Maar ook 
elders vinden wij telkens min of meer treffende overeenkomsten: 
de onaangename Nicodemus Dumps {The Bloomsbury Christe- 
ning) en Nurks; de beschrijving van een reis met de diligence 
in den aanvang van De Fam. Stastok en Omnibiises; het 
roeitochtje aldaar en 77?^ Steam Excursion (o. a. Dolf van 
Brammen en Percy Noakes); de „charmante" Van der Hoogen 
en Mr. Horatio Sparkins; Wagestert en Mr. Tupple (The New 
Year) met Mr. Danton {The Bloomsbury Christening); het begin 
van De H uurkoetsier en The Streets-Morning). 

Met het oog op deze overeenkomsten moet men waarschijnlijk 
achten, dat Hasebroek en Beets als waarnemers en afbeelders 
der werkelijkheid vrij wat te danken hebben gehad, de een 
vooral aan Lamb, de ander vooral aan Dickens. Wordt daardoor 
de oorspronkelijkheid van hun werk eenigszins verminderd, 
anderzijds mag men niet vergeten, dat Beets - al moge 
Dickens zijn blik gescherpt hebben - uit eigen oogen is 



327 

blijven zien ; dat hij voor het Hollandsche leven heeft gedaan , 
wat DiCKENS in zijne Sketches voor het Engelsche deed; en 
dat hij bij de bewerking zijner levensbeelden een hooge mate 
van zelfstandigheid toont"). 



VAN KOETSVELD. HASEBROEK. BEETS. KNEPPELHOUT 
tot 1848 (Vervolg). 

Het is opmerkelijk, dat geen dezer vier auteurs later iets 
heeft geschreven, dat het werk hunner jeugd overtreft of ook 
zelfs evenaart. Met letterkundig werk blijven zij zich bezig 
houden, maar in de jaren tot 1848 hebben zij, met uitzon- 
dering van Beets, niet veel van belang voortgebracht. 

Van Koetsveld geeft leerredenen en hulpmiddelen bij het 
catechetisch onderwijs uit en maakt een begin met de uitgave 
zijner novellen (1847), die wij later tegelijk met de overige 
zullen bespreken. Leerredenen zendt ook Hasebroek in het 
licht; bovendien voldoet hij een oude schuld door de over- 
zetting van Strauss' Kerkklokstoonen (1845) en toont zijn neiging 
tot mystiek in een vertaling der Imitatio (1844). Kneppelhout 
gaf o. a. een viertal studenten-geschiedenissen , getiteld Verhalen 
(1846), waarvan alleen De Portland-vaas op de hoogte van 
zijn vroeger werk staat; in 1848 toonde hij zijne democratische 
sympathieën in een vlugschrift ten gunste der rechtstreeksche 
verkiezingen. 

In het jaar na de eerste uitgave der Camera Obscura 
was Beets gehuwd met Aleide van Foreest en als predikant te 
Heemstede bevestigd door zijn vriend Hasebroek. Zijn nieuw 



328 

geluk stemde hem tot ootmoed, de nieuwe verplichtingen hem 
opgelegd brengen meer ernst in zijn levensopvatting, zijn pas- 
toraal werk legt beslag op het voornaamste deel zijner kracht, 
het streven om in waarheid een Christen te worden gaat meer 
en meer zijn gemoed vervullen. Als letterkundige reeds beroemd, 
toen hij te Heemstede kwam, wordt hij ras een prediker van 
naam; ook de hoogere standen, voorzoover zij tot de gema- 
tigde orthodoxie behoorden, kwamen dikwijls onder zijn gehoor; 
tot Da Costa, De Clercq, Koenen en andere aanhangers 
van het Réveil komt hij in innige betrekking te staan. Langzamer- 
hand wijzigt zijn persoonlijkheid zich; de predikant, dien wij 
hier en daar in zijne Byroniaansche verhalen en overige poëzie 
te zien kregen, komt op den voorgrond: Hildebranü wordt 
verdrongen door „dominee"' Beets, den „dierbare" die van 
Geertruida Toussaint - toch geen godloochenaarster - na 
het afbreken harer verloving schreef: „Och, of zij een zuster 
in den Heer worden mocht." 

Aanvankelijk blijft Hildebrand zich nog roeren: van 1840 
dagteekent het mooie stuk De Patrijzen, later onder den titel 
Teun de Jager in de Camera gevoegd; van 1842 de bovenge- 
noemde twaalf karakterschetsen, geschreven voor het verzamel- 
werk De Nederlanden. Dat hij zich in later jaren over zijn 
Camera schaamde, is nergens gebleken; er is volstrekt geen 
reden dat te vermoeden; maar, nu eerst bekend wordend met 
het leven en den rechten ernst des levens, werd hij meer en 
meer overtuigd van hetgeen hij in 1851 aldus samenvatte: »ik 
kon mijn instrument beter gebruiken." 

Dat „betere" wordt in de jaren tusschen 1840 en 1848 ver- 
tegenwoordigd door een uit het Duitsch vertaald Leven van 
Jezus, een boek over Van der Palm (1842), catechetisch 
werk als Christelijke Lesjes voor jonge kinderen , vooral preeken 
en nog eens preeken; alles stichtelijk werk dat zeker meer heeft 



329 

bijgedragen tot den opbouw van het Christelijk geloof zijner 
tijdgenooten dan tot dien onzer letterkunde. 

De schrijver van bellettristisch proza verdween; maar de 
dichter bleef. Bevrijd van de sentimentaliteit zijner jonge jaren, 
van ingebeelde zwaarmoedigheid en sympathie voor helden met 
wie hij zich nooit waarlijk verwant had gevoeld, vindt hij nu 
als dichter zich zelven: niet langer streeft hij naar het buiten- 
gewone of buitenissige; hij gaat het voorschrift van Cats in 
praktijk brengen: 

Ey, springt noyt verder, saligh man, 
Als daer uw stockje reycken kan. 

Natuur en waarheid worden zijn leus; wat het hart of de 
stemming van het oogenblik hem in de pen geeft, zet hij op 
de eenvoudige melodieën die in zijn ziel sluimeren; zijn geloof 
wordt een der voorname bronnen van zijn poëzie. Het paar 
dozijn „liedekens" in 1839 door hem gedicht op de droog- 
making van de Haarlemmer-meer, op Het Putje van Heiloo , 
De Conducteur, Maartje van Schalkwijk, Het Boertje van 
Heemstede en andere luchtig-vroolijke, aardige of gevoelige 
volksdichtjes in Heve's trant, zijn met Teun de Jager en het 
dozijn karakterschetsen te beschouwen als Hildebrands afscheid. 
In den schaarschen oogst van poëzie uit de jaren 1840 -'48 
wordt deze „note gaie" nog slechts een enkelen keer gehoord: 
in de, door Braga terecht geparodieerde, jongensmij mering. 
In de plaats daarvan vinden wij grootendeels bijbelsQhe of 
stichtelijke poëzie als Petrus, I Korinthen XIII, Jeremia, Een 
Paaschgezang , Aan eene Weduwe, Aan Rachel; ten deele 
kleine, pittige stukjes, samenvattingen van bezonken levens- 
wijsheid in zuivere taal en treffenden vorm, gelijk Beets ze 
tot den einde zal blijven dichten. Meer dan eens treft ons in 



330 

een stuk een mooi couplet, zoo b. v. het voorlaatste van Aan 
een gestorven Kind, de fraaie verzen op Willem de Clercq 
in het gedicht op Da Costa's zilveren bruiloft. Zomernacht 
is een schoone bewerking van een couplet van Victor Hugo; 
Zomerregen en Vondel, het eene de belijdenis van den tot 
inkeer gekomen Christen, het andere die van den tot inkeer 
gekomen dichter, behooren tot het beste door Beets in deze 
jaren gedicht. 

Naast de overeenkomst tusschen die beide stukken zien wij 
dit verschil, dat het laatste slechts klachten bevat over vroeger 
verzuim, terwijl het eerste eindigt met den dank voor een 
nieuw godsdienstig leven en met 

Deze eene wensch : o Heer! 

Mocht op het veld mijn handvol koren 

Slechts ruischen tot uw eer! 

Die wensch gold ook zijn dichterlijke werkzaamheid; in deze 
jaren van betrekkelijke onvruchtbaarheid voor de letterkunde 
heeft Beets zich gevormd tot den Christelijken volksdichter, 
die hij sedert gebleven is. Voor dien dichter was opbouw des 
Christelijken geloofs het voornaamste. Dat het bij die opvatting 
mogelijk is, goede of mooie poëzie voort te brengen, toonen 
enkele der bovengenoemde gedichten; anderzijds kan bezwaarlijk 
ontkend worden, dat Beets' dichterlijke ontwikkeling door die 
opvatting is belemmerd of onderdrukt. De behoefte om te 
stichten of te preeken liet vaak te weinig aandacht over voor 
de eischen en de rechten der kunst. Vandaar de sopperigheid 
van omvangrijke gedichten als Aan Mr. I. Da Costa en Aan 
Rachel, beide over de tweehonderd verzen groot; vandaar 
menig stuk, dat koel of koud laat wie van poëzie verlangt dat 
zij in de eerste plaats kunst, niet stichtelijkheid geve; vandaar 
zwakke coupletten, smakelooze verzen, prozaïsche wendingen. 



331 

Des dichters vroegverworven roem en populariteit waren 
voor zijn ontwikkeling evenmin gunstig; zij oefenden een 
min of meer verdoovenden invloed op zijn letterkundig geweten , 
zooals blijkt vooral uit de nog niet talrijke huiselijke poëzie 
van dezen tijd. Dat een dichter zingensstof ontleent aan eigen 
huiselijk leven , aan dat van verwanten of vrienden , kan slechts 
door doctrinarisme gewraakt worden; alles zal afhangen van 
inhoud en vorm dier poëzie, van de grenzen door den dichter 
hier in acht genomen. Onder Beets' huiselijke poëzie van 
•dezen tijd vinden wij een aardig stukje als K'^etjes Verjaardag 
en het gevoelig gedicht aan zijn vader, getiteld Aan een Huis- 
vader; doch daarnaast zwakke stukjes als dat aan zijn vriend 
Arntzenius en Na den dood van mijn jongste zuster. Aleides 
Verjaardag treft ons door zijn fraaien aanhef, maar zakt in 
de volgende coupletten; zoo is het ook met Bruidstranen, dat 
bovendien een en ander te danken heeft aan Staring's Ada 
van Holland. Dat deze dichter gevaar liep, de grenzen te over- 
schrijden, zoowel waar het de aandacht des publieks als waar 
het de grenzeii der kunst gold, blijkt al te duidelijk uit Thuis- 
komst van het eenjarig Koosje na, wegens ziekte van het overige 
gezin , een verblijf van vier weken in het huis van haar groot- 
vaders met coupletten als: 

Kom maar weder aan den disch - 

(Jongens, schikt wat op!) 
Waar des noods een plaatsjen is 

Op mijn knie, mijn pop! 

Allen zijn zij ziek geweest, 

Met Mama en mij; 
Thans is 't haast herstellingsfeest. 

Gij behoort er bij. 



332 

Met zulke poëzie waren wij weer gedaald tot het peil van 
Tollens' Op den eersten tand van mijn jongstgeboren zoontje, 
van Dirk Smits' Verjaerzang voor myne Kornelia en andere 
staaltjes van een rijmelarij, waartegen wij den zeventienjarigen 
Beets de pijlen van zijn spot zagen richten. 



Amsterdam en Utrecht: Ter Haar (1806- '80). Winkler 
Prins (1817-1908). De Hoop Schepper (I819-'93). 
Ten Kate (1819- '89). 

Toen Drost en Bakhuizen van den Brink aan het Am- 
sterdamsch Athenaeum kwamen studeeren, was de theoloog 
Bernard ter Haar al naar Leiden vertrokken om er zijne 
studiën te voltooien. Evenals Van Koetsveld had hij de 
Akademie reeds achter zich, toen de strijd met België uitbrak; 
ook de zachtzinnige jonge predikant van Eemnes-Binnen volgde 
dien strijd slechts uit zijn pastorie. Maar voor den golfstroom 
der Romantiek was hij noch te Amsterdam noch te Leiden 
veilig geweest. In de Adversaria van den gymnasiast vindt 
men naast de klassieken en tal van Nederlandsche auteurs ook 
verscheidene wegbereiders of aanvoerders der Romantiek. De 
liefde tot poëzie, die wij in deze Adversaria opmerken, bleef 
even sterk in den student: op een voetreis met zijn vrienden 
Spijker en Immink in het Oosten des lands, hooren wij het 
drietal voortdurend verzen reciteeren; hoe diep zij nog in de 
sentimentaliteit steken, blijkt, waar wij hen „aan het eind van 
een donkere laan op een zodenbank'' vinden, bezig den Kaïn 
van Bellamy te reciteeren, om „het sombere van de plaats 
en het plechtige van den avond te verhoogen". Met Schiller, 
Lamartine en Tollens dweepte de jonge theoloog; vooral 
Tollens was zijn man: „ik herinner mij zelfs zeer duidelijk 



• • 333 

een tijdperk" — schrijft hij in de opdracht van zijn Gedichten 
aan Tollens (1851) — „waarin ik u schier uitsluitend als 
model ter navolging had gekozen." 

In zijn vroegste poëzie {Palestina, Een Landschap bij onder- 
gaande zon e. d.) vinden wij dan ook dezelfde algemeenheden , 
en het conventioneele in natuurgevoel en taal, die Tollens 
eigen zijn; „het heldre blauw" na een regenbui als beeld voor 
„de dankbre traan na mistroostig weenen", de „effen beek" 
voor de onbezorgde jaren der kindsheid, de avondzon voor 
«de grens van 't leven" zijn geheel in Tollens' geest en trant. 
Naam maakte Ter Haar eerst door zijn Joannes en Theagenes 
(1838): een berijmd verhaal over een leerling van den apostel 
Johannes, die rooverhoofdman wordt, maar berouw krijgt en 
zich door den apostel weer op den goeden weg laat brengen. 
Drost had dezelfde legende willen verwerken tot een roman- 
tisch verhaal, maar de dood was tusschenbeide gekomen. Ter 
Haar's gedicht gaf Christelijke romantiek, niet zonder talent 
van schildering, maar langdradig, schel van kleur en grof van 
lijn, met zichtbare stichtelijke strekking; de passage aan het 
slot over het berouw ademt denzelfden geest als die in Beets' 
Guy de Vlaming. In zijn poëzie van de volgende jaren (o. a. : 
Het Klooster op den Sint Bernard 1839, Aan het strand te 
Katwijk en Elegie aan een spelend kind 1840) doet Ter Haar 
zich kennen als een godsdienstig,, teerhartig, huiselijk man 
die gemakkelijk-vloeiende , soms zangerige, verzen schrijft 
Indruk maakte in een tijd, die voor het eerst van bijbelcritiek 
hoorde, zijn gedicht Aan een Apostel des Ongeloofs (1841) 
Strauss 

De held des ongeloofs, de apostel der verlichting, 
Die 't Christendom uit faablen schiep 

wordt hier een „gevallen Engel" genoemd; een „verleider" die 



334 

het Godsgebouw wil omverhalen om zich van het brokklend 
puin een eerzuil te bouwen, van waar hij „lachend neer kan 
schouwen"; een Herostratus, een dweper, slachtoffer eener 
eeuw die alles wil doorgronden, een „moordenaar van 't ziele- 
leven", een demon Wel mocht de dichter op al deze 

epitheta laten volgen: 

Dat droomde uw moeder niet, toen ge in uw kindsche dagen 
Zoet sluimrend in haar armen hingt. 

Zulk een gedicht was wel geschikt hem populair te maken 
onder een publiek waarbij hij als predikant reeds een streepje 
vóór had. Die populariteit werd nog verhoogd door zijn 
Huibert en Klaartje (1843), een lievelingsstukje van onze 
ouders, die geroerd werden door dit romantisch geval: een 
bezitter van een „hoogaadlijk slot" met een „kleed vol zwier", 
aan arme daglooners een van hun negen kinderen vragend; 
die bekoord werden door het eenvoudig en natuurlijk verhaal,, 
verteederd door menig aardig trekje uit het kinderleven. 

Ondertusschen was Ter Haar als predikant naar Amsterdam 
getrokken en door Potgieter gewonnen voor de Redactie van 
De Gids. Al spoedig moet hem gebleken zijn, dat hij in dien 
kring niet paste: reeds in het volgend jaar nam hij zijn ontslag. 
Duidelijker nog moet hem het verschil tusschen Potgieter's 
opvatting van poëzie en de zijne geworden zijn uit de critiek 
in De Gids van zijn Sint Paiiliis-Rots (1846), een verhalend 
en beschrijvend gedicht, dat de lotgevallen behelst van een 
aantal schipbreukelingen. De Sint-Paiilus-Rots herinnert aan 
de langademige verhalen van Tollens. Ter Haar toont gave 
van vertellen en beschrijven, maar, bevangen in de rhetoriek, 
is hij er steeds op uit zijn taal dichterlijk te maken; dat streven 
openbaart zich ook waar hij ons mededeelt, dat hij zich aan- 



335 

getrokken voelde door de «vele schilderachtige situatiën en 
partijen" van het verhaal, waaraan hij „de noodige sieraden" 
had bijgezet. 

Potgieter overvroeg misschien in zijn Gids-artikel. Alber- 
DiNGK Thym, die den dichter tegenover den criticus verdedigde, 
kreeg gelijk van het publiek, want in de halve eeuw die volgde 
werd Ter Haar's werk zevenmaal herdrukt; een feit dat 
niemand verwonderen kan die weet dat nog in 1879 een elfde 
druk van Tollens' Overwintering op Nova-Zembla verscheen. 

Met Drost, Heije, Bakhuizen van den Brink en Ter 
Haar was de neiging tot poëzie en literatuur niet van het 
Amsterdamsch Athenaeum geweken; in 1838 sloten een vijftal 
Doopsgezinde studenten: Dronrijp Uges, Harting, De 
Hoop Scheffer, Leendertz en Winkler Prins zich aaneen 
tot een vriendenkring onder den naam N. E. K. (Natuur en 
Kunst). Dronrijp Uges had zijn kameraden gewezen op het 
voorbeeld van den «Göttinger Dichterbund"; De Hoop 
Scheffer reeds in 1834 een aanvang gemaakt met het schrijven 
van een historischen roman naar gegevens van Melis Stoke; 
Leendertz was bezig den grondslag te leggen tot de degelijke 
kennis onzer oude taal en letterkunde, die hij later in zoo 
menige uitgave zou toonen; Winkler Prins had reeds een 
paar jaar in Utrecht gestudeerd en o. a. een dichterlijk verhaal 
Het Steekspel op het Huis Te Duyn (1838) geleverd, door 
hem opgedragen „aan den dichterlijken Broederkring N. E. K." 

In N. E. K. was men afkeerig van de Leidsche Romantiek; 
men richtte liever het oog op de Nederlandsche klassieken. In 
overeenstemming met die nationale sympathieën droeg elk lid 
een zeventiend'eeuwschen bentnaam (Hooft, Huygens, An- 
TONiDEs). Zij droegen eigen verzen voor, gaven scherpe critiek, 
ook wel parodieën van Romantische poëzie. Maar toch, niets 



336 

anders dan Romantiek waren hunne, vermoedelijk maar half- 
gemeende, plechtigheden bij de opneming van een nieuw lid: 
N. E. K.kianen, in wit gewaad met rooden gordel, met witte 
mijters op, staande bij een altaar vanwaar een blauwe vlam 
opsteeg; verplichtingen in N. E. K.termen voorgelezen , stukken 
van het Ari-monster (Witsen Geysbeek's Rijmwoordenboek) 
aan de vlam geofferd. Zoowel De Hoop Schepper met zijn 
onvoltooiden historischen roman als Winkler Prins met zijn 
berijmd verhaal uit den riddertijd stonden onder den invloed 
der Romantiek, al mishaagden sommige van hare uitingen hun. 



TEN KATE. 



Sympathie voor de Romantiek naast verzet tegen een deel 
van haar invloed vinden wij ook in den begaafden Utrechtschen 
student J. J. L. ten Kate, dien wij in Juni 1839 als gast op 
een vergadering van N. E. K. zien. 

Deze jonge Hagenaar had al vroeg de aandacht van het 
geletterd publiek getrokken door eenige verzen ; het pas gesticht 
genootschap «Oefening kweekt kennis" nam hem , zoo jong 
als hij was, onder zijne leden op. Hij was reeds werkzaam in 
den handel; maar een vriend zijner ouders, de Hemmensche 
predikant Otto Gerhard Heldring, die zich ook wel op 
«Oefening" deed hooren, trok zich den veelbelovenden jongen 
aan. In de pastorie te Hemmen bereidde hij zich voor tot de 
academie; in januari 1838 ging hij (e Utrecht theologie stu- 
deeren. Niet als een onbekende kwam hij er: in 1836 was 
een bundel Gedichten van zijne hand verschenen, die opzien 
had gemaakt. Er was in die „minnedichtjens en anakreontika" 
veel zwaks en conventioneels; in verzen als Eenzaamheid, 
geschreven „\n het Hemmensche Bosch" zekere vooze volheid; 



337 

maar zoowel daar als in de vertalingen uit Macpherson, 
Walter Scott , Byron, Burns, Moore toch ook een ver- 
wonderlijk gemak en een techniek, zeldzaam bij een jongen 
van dien leeftijd. Withuys - dat laat zich hooren — was 
i; getroffen en geboeid", sprak van Ten Kate's „uitmuntenden 
aanleg, kracht van geest, vlugheid van verbeelding, diepte van 
gevoel en goed muzykaal gehoor". De jongere critici van De 
Vriend des Vaderlands prezen de verzen die hen aan Bilderdijk 
deden denken , al waarschuwden zij den jongen dichter wegens 
„den mangel aan oorspronkelijke gedachten". Kneppelhout, 
zelf overigens een zwak poëet, was verrukt: „Aan het werk 
dus, verwonderlijke- knaap", schreef hij aan het slot zijner aan- 
kondiging, „aan het werk! naar de studeercel, naar de een- 
zaamheid! Daar kennis opgegaard, daar uw verstand gescherpt, 
uwen smaak verfijnd; daar de groote geniën, die u zijn voor- 
gegaan, geleken! Zoo kan uwe toekomst heerlijk zijn." 

Een aansporing tot werken had Ten Kate niet noodig; 
eerder tot verfijning van zijn smaak, en vooral - zou hij 
trachten het genie eenigermate te gelijken - tot het stellen van 
hooge eischen aan eigen werk. Voorloopig ging hij voort op 
den ingeslagen weg. Met zijn gedicht De dood van Ahasverus 
(1837) had hij zoowel de Hagenaars van „Oefening" als de 
Amsterdammers van N. E. K. onder den indruk gebracht van 
zijn talent; twee jaar later zag een veel omvangrijker bewerking 
dier sage het licht onder den titel Ahasverus op den Grimsel. 
Daar en in een groot bijbelsch verhaal Maria Magdalena 
(1836 -'41) zien wij Ten Kate in zijn zwakheid en zijn kracht: 
woordenvloeden, verzenstroomen, gelijkmatig-ondiep, eentonig 
ruischend, die doen denken aan iemand die voortdurend zingt 
met een hooge keelstem , in plaats van de stem , vrij uit de 
borst komend, nu te doen rijzen, dan dalen; altijd dezelfde 

psalmodiëerende toon; hier en daar goede of mooie verzen 
KALFF, Letterkunde, VII. 22 



338 

niet zonder beeldende kracht, maar telkens grootspraak voor 
verhevenheid, verzen die uit den toon vallen , weinig verzorgde 
uitdrukkingen, slordigheid van taal, onzuiverheid of gemis aan 
smaak in de beelden. 

Niet zonder reden schreven de critici van De Vriend des 
Vaderlands dat de jonge dichter hen aan Bilderdijk herinnerde; 
Ten Kate voelde zich aan Bilderdijk en de zijnen verwant; 
ook voor hem was de poëzie: „een Engel Gods, een Boó van 
't Evangelie", zooals hij in de opdracht van zijn Ahasverus op 
den Grimsel schreef. Nog in 1841 zien wij hem het volslagen 
verouderd genre van den verdichten rijmbrief beoefenen, dat 
alleen bij Bilderdijk genade gevonden had {Agnes van der 
Sluis aan Floris V). In datzelfde jaar zendt hij Da Costa 
een gedicht, waarin hij tracht „de weelde te malen", het 
„vlammende bruisende zielengenot", hem verschaft door de 
hymne God met ons. Evenals Bilderdijk en Da Costa, ziet 
hij bij een vergelijking tusschen heden en verleden slechts 
achteruitgang, die alleen door terugkeer tot het ware geloof 
gestuit kan worden {Aan Neêrland 1840). Roepstem (1840) 
was een vurig pleidooi voor „der Vaadren gulden taal" en 
„der Vaadren deugd", meer nog tegen „het walglijk Fransch" 
en „den helschen geest die Frankrijks spraak verpest"; aan 
dien geest schreef de dichter toe, dat de onervaren jeugd 
liederen zong „vol ingebeelde ellend of zedelozen brand", dat 
de Bijbel en 'Cats verdrongen werden door „koortsige romans". 

Tot een dichter, die zulke Zangen des Tijds schreef, moesten 
de mannen van N. E. K. zich getrokken voelen. Hier was een 
jong dichter die, in naam van het nationale, zich kantte tegen 
den verkeerden invloed der buitenlandsche romantiek; die, 
zijns ondanks door die buitenlandsche romantiek bekoord, in 
1840 Byron's G/öOttr vertaalde «in weerwil van al zijn mogelijke 



339 

gebreken"; die in zijn Lief Elsjen een groote vaardigheid toonde 
in het navolgen van andermans (Hooft's) dichttrant, in zijn 
Moderne Poëtrye aanleg voor de dichterlijke parodie, waarin 
ook zij behagen schepten. Zoo'n medestrijder winnen, zou de 
moeite waard zijn. Uit den wensch werd de daad geboren. 
Van WiNKLER Prins, nu predikant te Tjalleberd maar in zijn 
hart nog N. E. K.kiaan, ging de eerste stoot uit. In het najaar 
van 1842 zien wij hem bij zijn vriend De Hoop Schepper, 
die nu te Utrecht studeerde en er Ten Kate tot contubernaal 
had. Vermoedelijk had Ten Kate juist hel scherpe oordeel 
gelezen, door De Gids over zijne Zangen des Tijds geveld 
en zal hij wel neiging hebben gevoeld zich te weer te stellen. 
Met hun drieën en den uitgever De Haas (firma Padden- 
burg en 0«) beraamden zij het plan tot het uitgeven van een 
nieuw tijdschrift: in December 1842 zag de eerste aflevering 
het licht van: Braga. Dicliterlijke Mengelingen , uitgegeven door 
een dichtlievend gezelschap onder de ncoit gebruikte zinspreuk: 
„Utile Dulci"; wie redacteurs en medewerkers waren, bleef 
voorloopig onbekend en zou het lang blijven. Reeds de naam 
van het nieuwe tijdschrift was een protest: niet Apollo , De 
Muzen of een dergelijke klassieke naam, maar Braga, als ver- 
tegenwoordiger van dat ijzig maar kuisch en krachtig Noorden,, 
dat den Nederlander moest redden uit de ontzenuwende om- 
arming van het zwoele snoode Zuiden. 

Wat Braga beoogde, werd ras duidelijk: hekeling van de 
ouderwetsche rijmelarij die de talrijke almanakken en jaarboekjes 
vulde, van het opgeschroefde en onware der nieuwerwetsche 
romantiek, van de recensenten die uit onkunde of winzucht 
onbeteekenende of slechte critiek leverden. Het oude wegster- 
vende werd uitgeluid b. v. in Het Sterfbed van den Muzen- 
almanak; rijmelaars als Oosterwijk Bruin, Sifflé, Van 

Pellecom kregen hun deel in Zwart op Wit, de zedeprint 

22' 



340 

De Rijmelaar, stukken als Geniale Gedachtenvonken over rijm 
en maat, Hoe maakt de kwartpoëet zijn vaerzen. 

De motto-manie, van Walter Scott, Janin en anderen 
overgeslagen vooral op de Leidenaars, maar ook op Van 
Lf.nnep, Potgieter en anderen, werd reeds op de eerste 
bladzijde bespot in een „Polyglottische staalkaart van mottoos, 
waaruit de lezer maar te kiezen heeft". Het berijmd verhaal 
werd geparodieerd in Fragment uit een berijmd verhaal en 
Soweid en zijn bruid; op Gwy de Vlaming doelde inzonderheid 
het Dichtrecept „voor een berijmd verhaal". Van Lennep werd 
als plagiator aan de kaak gesteld om zijn kunststukje met de 
Dusse, al gaven ook de Braga-mannen wel vertalingen zonder 
den naam van den oorspronkelijken dichter. Hofdijk raakte in 
de knel met zijn Bruidsdans, Beets mei zijn Jongens mijmering 
{Hondenmijmering) en de «zoetheên op Heilo". De critiek 
moest menige veer laten in Karakteristiek onzer vaderlandsche 
tijdschriften. Uit den Rokzak van een Recensent, Walpurgis- 
nacht, Romance van den Recensent. In die Karakteristiek kwaiu 
De Gids er betrekkelijk goed af, maar in De huishoudelijke 
Vergadering werden de «viri pedantissimi" der Redactie niet 
gespaard. 

Niet alles was hier hekeling, spot of parodie; er waren ook 
vrij wat ernstige stukken, oorspronkelijke als Apathie, Gedachte, 
Minneles of vertaalde van Victor Hugo, Barbier, Lamar- 
tine, Heine, Goethe. Over het algemeen staan de oorspron- 
kelijke ernstige stukken lager dan de hekelpoëzie. Deze zondigt 
hier en daar tegen dezelfde overdrijving, die de auteurs in 
anderen laakten; maar de meeste stukken van dezen aard zijn 
aardig of geestig en doorgaans raak. In onze latere literatuur 
zijn slechts een paar stukjes aantewijzen, die het beste uit 
Braga misschien evenaren; niets dat het overtreft. Het leeuwen- 
aandeel in dezen lof komt toe aan Ten Kate; op Ten Kate 



341 

volgt WiNKLER Prins, voorts andere N. E. K.kianen als Leen- 
DERTZ; ook leden van „Oefening" als S. J. van den Bergh 
en Van der Vliet droegen een en ander bij, de laatste 
b. V. de aardige parodie op Hofdijk; de jonge Alberdingk 
Thym trad hier een enkelen keer op onder zijn schuilnaam 
Pauwels Foreestier. 

Totnogtoe spraken wij slechts van den Eersten Jaargang; 
daarin vindt men dan ook het beste deel van Braga. Na dat 
eerste jaar trok Ten Kate zich terug; de redactie kwam toen 
in handen van den officier der genie Hendrik Kretzer, die, 
met hulp vooral van De Hoop Scheffer, het tijdschrift nog 
een jaar voortzette. Over het algemeen heeft deze Tweede Jaar- 
gang iets mats; men vindt er niet veel nieuws, wel herhaling 
van vroegere motieven , terwijl de ernstige verzen talrijker 
worden. Goede stukken ontbreken ook hier niet: Kretzer's 
Fragmenten uit de Beer, Leendertz' Het ongelukkige Vrouwen- 
timmer en de proeve van dieren-epos Op eene eend , Van der 
Vliet's Vraag aangaande de verplichtingen der toenmalige 
Nederlandsche letterkunde aan de apotheek, Kretzer's OJacob. 
De Hoop Scheffer en Leendertz maken zich vroolijk over 
Beets' gedicht Aan Rachel; maar zoowel hier als elders voelt 
men, dat het eerste pleizier er af is, dat de eerste frissche 
opgewektheid en spotlust geweken zijn. De redacteurs werden 
wat bezadigder: de maatschappij ging beslag op hen leggen; 
de degelijke critiek van De Gids voorzag voor een deel in de 
behoefte waaruit Braga geboren was en ten slotte - van letter- 
kundige critiek alleen of vooral kan een tijdschrift niet bestaan. 

Aan die oorzaken, niet aan het immers bevredigend debiet, 
moet men toeschrijven dat Braga in 1844 ophield te verschijnen. 

De Hoop Scheffer trok als predikant naar Hoorn en gaf 

zijn vrijen tijd liefst aan kerkgeschiedenis. Winkler Prins was 



342 

boos op den uitgever, die volgens hem de redactie van den 
Tweeden Jaargang van Braga eigenmachtig had geregeld; 
voortaan wijdde hij zich aan zijn ambt, aan maatschappelijk 
werk, aan de popularizeering der natuurwetenschap en, vol- 
bloed Thorbeckiaan , aan de politiek. In Ten Kate waakte de 
Braga-dichter nog eenmaal op; bezield door Barbier's bekende 
verzen over het verval der Fransche poëzie, gaf hij in 1843 
een gedicht uit onder den titel Hollands Muze. Het was een 
jammerklacht over den val van het „schoon blaauwoogig Kind 
van 't Noorden" nu »een bedelkind met kakelbonte lompen" 
geworden; over de nabootsingen van Scott en Byron „wan- 
schepsels zonder geest", de heerschappij van „'t daverend mu- 
ziekgerucht", over een tijd waarin alleen Da Costa de vaan 
der poëzie hoog hield - alles in die grootmondige, zwaar- 
rhetorische, klaterende verzen, waaronder ook goede schuilen, 
doch die in hun geheel slechts een ongeoefenden smaak kunnen 
voldoen. Bakhuizen van den Brink nam den handschoen 
op en gaf in De Gids een krachtig antwoord op dit „Bilder- 
dijksch manifest"; daar bleek opnieuw, dat de wegen van de 
vertegenwoordigers der liberalen en die van de Bilderdijkianen 
in de literatuur uiteenliepen. 

Met Hollands Muze neemt Ten Kate voorgoed afscheid 
van wat hij met Beets „den speeltijd van onzen geest" had 
kunnen noemen. Ook hem eischte de maatschappij op; in 1845 
trok hij als predikant naar Marken, een standplaats die hij 
twee jaar later verwisselde met Almkerk; voortaan geeft hij 
nog slechts bijbelsche, stichtelijke of ernstige poëzie. Zijne 
voortbrengingskracht vermindert niet; aan zijn pen ontvloeien 
Legenden en Fantaziën {Sint-Christophoms , Eeuwigheid, De 
zeven slapers van Efeze) , stichtelijke stukken als het visioen 
De Dag des Heeren, parafrazes van den Bijbel en verscheidene 
vertalingen naar Andersen, Guiraud, uit Goethe's Faust, 



343 

de Divina Commedia. De poëzie der Legenden en Fantaziën 
onderscheidt zich niet wezenHjk van die der eerste verhalende 
gedichten; ook hier vinden wij de dichtertaal rijkehjk vertegen- 
woordigd, het buitengewone gemak in het voortbrengen van 
verzen, bovendien de stichtelijke strekking duidelijk zichtbaar, 
niet zelden aan het slot samengevat in een paar met kapitaal- 
letters gedrukte regels. In gedichten als De Jongste Dag zien 
wij het verhevene meer bestreefd dan bereikt, ook het ouder- 
wets zich opzweepen tot geestdrift, en Ossiaansche vaagheid 
van omtrekken; een stuk als Barmhartigheid toont, dat de al 
luider wordende stem van het pauperisme het oor van dezen 
predikant heeft bereikt. 

Als vertaler heeft Ten Kate ongetwijfeld verdiensten; reeds 
doordat hij den letterkundigen horizon zijner tijdgenooten 
zoozeer verruimd en bijgedragen heeft tot de ontwikkeling 
van hun gevoel en hun smaak. Op het genie van Dante, 
langen tijd door ons volk veronachtzaamd, heeft hij de algemeene 
aandacht weer gevestigd; hij is na Potgieter een der eersten 
geweest, die den „divino" in Nederlandsche terzinen deed 
spreken (1847). Zijn techniek heeft hem in staat gesteld, meer 
dan eens goed of verdienstelijk werk te leveren; anderzijds 
mag niet verzwegen, dat hij ook vaak beneden of ver beneden 
zijn voorbeeld blijft, alteveel verloren laat gaan, gevoelde 
poëzie overbrengt in conventioneele of weinig oog toont voor 
de nuance. 



Groningen: Engelen (1804-75). Goeverneur (1809- '89). 
Hecker (1817-1910). Bennink Janssonius (1817-72). 
Lesturgeon (1815-78). 

Het Haagsch clubje van «Oefening kweekt kennis" telde ook 
buiten Den Haag vrienden: wij spraken reeds over Heldring; 



344 

ook tot Kneppelhout, Winkler Prins, Alberdingk Thym 
stonden zij in betrekking; zelfs tot de Groningers Hecker en 
Bennink Janssonius. Uit het voorbeeld van Lulofs bleek 
ons, dat Groningen ondanks zijn ligging niet buiten de nieuwe 
stroomingen in de literatuur was gebleven; toch handhaafde 
het oude zich hier krachtiger tegenover het nieuwe dan elders. 
In Adriaan Walraven Engelen, die van 1820- '26 te Gro- 
ningen studeerde, vonden Bilderdijks beginselen en meer nog 
zijn classicisme een overtuigd aanhanger. 

Van Engelens bewondering voor Bilderdijk maakten wij 
reeds melding; slaan wij zijn eersten bundel Poëzy (1829) op, 
dan vinden wij daar onderscheidene vertalingen van klassieke 
auteurs; in 1828 had hij een vertaling der Aeneïs het licht 
doen zien. Evenmin als Da Costa kon Engelen zich onttrekken 
aan de bekoring die van Byron uitging: ook bij hem vinden 
wij een fragment van Caïn vertaald en een langdradig gedicht 
Aan Byron; maar het aan Lamartine ontleend motto: „o chantre 
des enfers ' Le ciel mème aux damnés enviera tes concerts" 
geeft zijn gevoelens ten opzichte van Byron al eenigszins aan. 
In Dichterlijke Brief (1833) aan Dr. H. Riedel, leeraar aan 
het Groningsch gymnasium, klaagt Engelen in Bilderdijks 
trant over de „schrikbre rijmelziekte" dier dagen; aan Bilderdijk 
herinneren ons hier ook de Hippocrene die tot een „modderpoel" 
is geworden en „'t schandlijk marktgeschreeuw dier waanpoëten". 

Dien toon ving Hecker op: 

Ik volg u. Engelen, geërgerd door een tijd, 

Die dechten zang veracht, dien haar een dichter wijdt 

lezen wij in het hekeldicht Hippokreen-Ontzwaveling , waarmede 
hij in 1838 zoowel tegen de ouderwetsche rijmelaars als tegen 



345 

enkele jongere romantici te velde trok. Ook deze Groninger 
zag met eerbied op tot Bilderdijk; het onderwijs van Limburg 
Brouwer, sedert 1831 aan de Groningsche Hoogeschool ver- 
bonden en van Jan ten Brink heeft hem waarschijnlijk ver- 
sterkt in zijn klassieke sympathieën en zijn vooringenomenheid 
tegen de romantiek. Loots, Kinker, Wiselius, Spandaw, 
Tollens, Van Hall, Boxman, Withuys en Bogaers - 
dat waren voor dezen 21-jarige de Nederlandsche dichters van 
dien tijd. Van „der waanpoëeten-bende" 

't eindloos heir van Warnsincks en Siffleen, 

• Van Bruynen, Pellecoms en gekke Robideen 

had hij even innigen afkeer als van hun geestverwant, den 
„volgeestigen Yntema". Ook jongeren als Beets en Hasebroek, 
die alles aan Byron en Moore ontleenden, behagen hem niet 
die vooral op oorspronkelijkheid aandringt. Van Lennep, 
„Neêrlands Scott", krijgt een pluimpje; Ten Kate wordt 
welkom geheeten „in Apolloos Tempelchoor" ; dat Hecker hem 
echter niet geheel vertrouwt, moeten wij opmaken uit het dan 
volgend : „O stel geen toekomst door verspeelde hoop te loor." 
De volgende jaren brachten inderdaad de teleurstelling die 
Hecker vreesde. Meer dan die teleurstelling echter ergerde 
hem de voortgaande triomf der Romantiek. Zoo greep hij dan 
eenige jaren later op nieuw naar de pen, om zijn verontwaar- 
diging lucht te geven in een hekeldicht, dat onder den Vir- 
giliaanschen titel Quos Ego in 1844 het licht zag. „Als oude 
Ontzwavelaar treed ik op nieuw te voren ," schreef hij met een 
herinnering aan zijn eerste satire; inderdaad valt hier wel over- 
eenkomst met de Hippokreen-Ontzwaveling te zien; maar de 
aanval was ditmaal feller, de toon scherper. Ook hier vinden 
wij den lof van „Hollands Bilderdijk, Apolloos uitverkoren"; 
een dichterlijke hulde aan Da Costa van het jaar 1840 gaat 



346 

het eigenlijk hekeldicht vooraf; krachtig dringt Hecker aan op 
beoefening der klassieken. De oudervvetsche rijmelaars „slaap- 
muts Harderwijk" en „grootvaar Yntema" krijgen van tijd tot 
lijd een veeg uit de pan, maar het zijn nu vooral de jonge 
romantici die het moeten ontgelden; geen hunner vindt genade 
in de oogen van den hekeldichter. Van Lenxep krijgt nu te 
hooren, dat hij op „lekkernijtjens van vreemde tafels" aast- 
Hecker's bewondering voor Bilderdijk gold blijkbaar den 
dichter, niet zijn godsdienstige beginselen: de Bild^rdijksche 
„boetbazuine", door Ten Kate geblazen, behaagt hem niet, 
noch „het vloeken van onze aard", gelijk Ten Kate en Van 
der Hoop deden. Over de liberale letterkundigen was hij 
echter evenmin voldaan: De Gids gaf niet wat hij met ophef 
had beloofd. Wat vond men er? grootspraak, winderige school- 
geleerdheid of „kunstjens van geveinsde oorspronklijkheid". Die 
laatste uitval gold Potgieter, zijn Liedekens van Bontekoe, 
zijn ,,Amerikaanschen kost met ijzerhard gebit herkaauwd" 
en zijn „maaklaarsbiuf". Het felst is Hecker gebeten op het 
vriendenpaar Hildebrand -Jonathan, vooral op Hildebrand 
„den Oppervorst der nieuwste Romantiek": de zwarte tijd met 
zijn „kranke beelden van een kranker fantasy' wordt nog eens 
bespot; 't is waar dat die tijd achter hem ligt, maar nu „kijkt 
hij puriteinsch" en houdt „zalvingvolle preeken". Het realisme 
van den kopieerlust des dagelijkschen levens staat den klassikus 
tegen: de „kaas-, jenever- en tabakslucht", de „tafreelen uit de 
kroeg"; het zondagspakje hebben deze humoristen onze taal 
uit-, maar het harlekijnspakje aangetrokken; zij zoeken het in het 
buitenissige: Keesje met zijn hemd, een voorrede achter het boek. 

En dan die Jonathan? de waterlandsche kwezel 

Treedt voor een schaap in 't pleit als Sterne voor zijn ezel. 

Maar blijft toch met zijn schaap niets anders dan een schaap. 



347 

En zulke auteurs werden - godbetert! - geprezen. Zoo 
.klaagde, toornde, smaalde of schimpte Hecker. 

Opmerkelijk als een oordeel van vurig maar bekrompen 
klassicisme over de toenmalige romantiek, heeft dit hekeldicht 
meer waarde voor de geschiedenis der letterkunde dan voor 
die letterkunde zelf. In Hecker's verzen is meer felheid dan 
kracht; felheid van minachting voor Engelen die in een Dich- 
terlijke Naniitsvoorlezing (1839) zoete broodjes had gebakken, 
voor de geveinsde nederigheid van zoo menig letterkundige, 
terwijl de ware dichter zich immers mag voelen. Ook is zijn 
critiek wel eens raak, zoo b. v. w^aar hij Ten Kate het 
waterzuchtige zijner poëzie verwijt; de ouderwetsche rijmelaars 
bespot - al had Braga dat veel aardiger gedaan; op Beets 
Potgieter en anderen juiste of ten deele juiste aanmerkingen 
maakt. Anderzijds is zijn verblinding voor wat er goeds en 
moois was in het nieuwe al te erg, de hoogheid waarmede hij 
neerziet op de Gids al te dwaas: wat had Hecker m 1844 
geleverd, dat hij kon stellen tegenover het werk van Pot- 
gieter en Bakhuizen van den Brink? Met Byron's f/zo'//^/? 
Bards and Scotch Reviewers (1808) had deze satire gemeen, 
dat zij ten deele uit gekrenkte auteurs-ijdelheid was voort- 
gekomen: het oordeel, door de Gids in 1838 geveld over 
zeker Dichterlijk Mengelwerk, heeft Hecker vermoedelijk 
niet kunnen verkroppen. Vandaar zijn felheid, vandaar ook 
zijn gemis aan zelfbeheersching; 1000 verzen waren hem nog 
niet voldoende om te zeggen wat hij op het hart had. Dat 
Hecker als dichter de vergelijking met Byron met kan door- 
staan, pleit nog niet sterk tegen hem; maar hij had zijn 
geliefden Horatius toch eenigermate kunnen navolgen in 
diens rustig zelfbezit, pittige kortheid en elegante fijnheid, 
indien hij bij meer zelfbeheersching meer zorg aan zijn werk 
had besteed. 



348 

De Hippokreen-Ontzwaveling , naamloos verschenen, had een 
naanilooze Ontzwaveling van den Hippokreen-Ontzwavelaar 
uitgelokt; dien ontzwavelaar was op zijn beurt Nieskruid toe- 
gediend door iemand die zich slechts met zijn voorletters aan- 
duidde; op het naamloos Quos Ego was door een anonymus 
geantwoord - alles vooral geschikt om achterdocht en mis- 
verstand te wekken. Had Hecker geweten, wie de recensent 
was van zijn Dichterlijk Mengelwerk, vermoedelijk zou zijn 
Quos Ego anders geluid hebben. Ook mag het de vraag 
heeten of hij, beter ingelicht omtrent Ten Kate's aandeel in 
Braga, m zijn Quos Ego wel zou hebben geschreven: „Help 
broeder Braga, help, help Jan de Rijmer meê"; ten minste 
voorzoover het „broeder Braga" betrof, want Jan de Rijmer 
behoorde tot zijn goede vrienden. 

Jan de Rijmer was de schuilnaam van Jan Jacob Antonie 
Goeverneur, die in 1816 met zijne familie te Groningen 
was kómen wonen en er van 1825 af had gestudeerd. Mede 
uitgetrokken tegen de Belgen, had hij in het kamp en elders 
verzen geschreven, waarover wij kunnen zwijgen. Meer aan- 
dacht verdient zijn spotdicht op Het Rijmwoordenboek van 
Witsen Geysbeek (1833), waarmede hij deelnam aan den strijd 
tusschen het oude en het nieuwe. Zijn eigenlijk wezen als 
dichter ontdekte hij kort na den Tiendaagschen Veldtocht: op- 
gewekt door een Duitsch voorbeeld (Heye's Eabeln f ür Kinder) , 
begon hij toen Nederlandsche kinderversjes te dichten , waarvan 
in 1837 een eerste bundel, getiteld Fabelen en Gedichtjes voor 
Kinderen het licht zag. Als dichter van een romantisch verhaal 
Het vliegend schip (1836) maakte Goeverneur in zijn tijd 
eenigen naam; als redacteur van De Huisvriend, in 1843 door 
hem op touw gezet en bijna veertig jaar bestuurd, was hij een 
welkome gast in menig gezin, maar niet daar liggen zijne 
aanspraken op een plaats in onze literatuurgeschiedenis. 



349 

Dat zijn naam vooreerst niet vergeten zal worden, dankt hij 
aan de voortreffelijke kinderversjes, waarin de ongehuwde en 
kinderlooze al zijn liefde en teederheid voor die kleine menschjes 
heeft omgezet; die zoo goed den kinderlijken toon weten te 
vatten, der kinderen aandacht te boeien en de kinderziel ont- 
vankelijk te maken voor wat goed is en liefelijk en wel luidt. 

Niet minder innig dan de vriendschap tusschen Hecker 
en GoEVERNEUR was die tusschen Hecker en zijn studie- 
vrienden Bennink Janssonius en Lesturgeon, met wie hij 
„een onafscheidelijk drietal" vormde. Het bovengenoemd Dich- 
terlijk Mengelwerk, door hen drieën samengesteld, geeft ons 
een kijkje op hunne letterkundige sympathieën: wij vinden er 
vertalingen van klassieke auteurs als Ovidius, Horatius, 
MoscHUS, SiMONiDES, Aristophanes ; ook van nieuwere 
dichters, Klopstock, Schiller en Höltv, Byron, Chateau- 
briand, zelfs van den te onzent nog zeer weinig bekenden 
CoLERiDGE; Bennink Janssonius schrijft eenige verzen Bij 
Bilderdijks graf , Lesturgeon een groot gedicht over Bilderdijk 
vol medelijden en dwepende bewondering; Hecker vertaalt 
Tollens' gedicht Aan een gevallen meisje in het Latijn. 

Na zijn Quos Ego deed Hecker zich nog slechts een enkelen 
keer als dichter hooren; in 1846 lector, later professor, te 
Groningen geworden, gaat hij zich nu vooral aan de studie 
der geschiedenis wijden. De beide andere vrienden vinden 
meer gelegenheid en lust om zich van tijd tot tijd in verzen 
te ontboezemen, al is ook hun dichterlijke nalatenschap niet 
groot. In BenninkJanssonius' Z.é'/z/(?A/afif^/ï (1844) zag Potgieter 
geestverwantschap met de poëzie vaN Da Costa; zelfs ontdekte 
hij er eenige meesterstukjes. Voor ons is deze en latere vrome 
gemoedelijke poëzie te zoetelijk en conventioneel, dan dat wij 
er zoo gunstig over kunnen oordeelen. Geen andere indrukken 



350 

ontvangen wij van Lesturgeon's Verstrooilingen (1844), vvaarin^ 
ons, alleen door zijn inhoud, het gedicht Italië treft: men 
behoeft slechts dezen aanvang te hooren : 

De wulpsche teelt van 't land der Hesperiden 
Verstrik de ziel in koorden van satijn 

om te vermoeden , dat zich hier in conventioneelen vorm die 
Germaansch-Christelijke afkeer van het Zuiden toont, dien wij 
reeds meermalen hebben aangetroffen. 



DES AMORIE VAN DER HOEVEN JR. (1821 -'48). 

Gaandeweg hebben wij ten minste een dozijn Hervormde 
of Doopsgezinde predikanten in onze literatuur van dezen tijd 
zien optreden; bij hen sluit zich een Remonstrantsch ambts- 
broeder aan, in jaren de jongste, in talent niet de minste. 
Zoon van den destijds beroemden kanselredenaar, studeerde 
ook Abraham des Amorie van der Hoeven Jr. theologie, 
werd in 1844 predikant te Boskoop, in het volgend jaar te 
Utrecht, doch overleed reeds drie jaren later. 

Ook hem trok de Romantiek aan: omstreeks 1839 reeds zien 
wij hem in zijn gedicht De Maan Wordsworth navolgen; 
De Bedoiiïne (1840) met zijn „Goul" doet aan HuGO's Orientales 
denken; de 0-sprook, Colholms Roos (1841) tegelijk aan Ossian 
en Van Lennep die met zijn E-legende zulke letterkundige 
grappen in zwang had gebracht. Doch waar de Romantiek in 
botsing kwam met zijn geloof, moest zij het veld ruimen; zoo 
wekte de lezing van Goethe's Faust hem op tot het dichten 
van een Nazang (aO 1841) met deze slotsom: 

De mensch — hij wordt alleen als Christen 
En met zijn God hereend, ten mensch. 



351 

Evenals Ter Haar werd Van der Hoeven geschokt en 
gekwetst door het Leben Jesii, maar zijn innigst geloof kon 
Strauss hem toch niet ontnemen; troost vond hij in de verzen 
van Lamartine: „Et si Tautel brisé, que la foule abandonne"' 
en wat daar meer volgt. Uit dien schat zijns harten heeft hij 
stichtelijke poëzie voortgebracht, zooals Siinon Petrus te Rome, 
dat aan Ter Haar en den invloed des bijbels op het berijmd 
verhaal doet denken; ook kleinere stukken als Aan Schelling 
den wijsgeer en Geloof des Harten („Leven is lieven en lieven 
is leven"), die als een voorspel zijn dier Leekedichtjes , waar- 
mede een jonger Remonstrantsch predikant-dichter zooveel op- 
gang zou maken. 

Ook als prozaschrijver leverde Van der Hoeven werk, dat 
onze aandacht verdient. Zijne preeken schijnen zich te verheffen 
boven het meeste kanselwerk van dien tijd. Niet op die Nage- 
laten Leerredenen (1849) echter houden wij hier in de eerste 
plaats het oog gevestigd , maar op zijn Herinneringen van mijne 
Academie-reis in 1843. Dat reisverhaal behoort tot het meest 
natuurlijke, losse en onderhoudende proza dier dagen; de 
auteur heeft gave van vertellen, schetsen en beschrijven; weet 
een dialoog goed weertegeven, is doorgaans vroolijk, niet 
zelden geestig, nergens flauw of onbeduidend. Er is rijkelijk 
veel theologie, zooals er rijkelijk veel philologie is in Bak- 
huizen VAN DEN Brink's brieven van dezen tijd, maar over- 
vloed van andere zaken, aardige of pittige opmerkingen 
over menschen en dingen, over natuur, studie, vroomheid, 
kunst - proza, dat ons hier en daar aan dat van Geel 
doet denken, al heeft de 22-jarige niet de soberheid en 
beheerschte kracht van den gerijpten man. 



352 
ALBERDINGK THIJM (1820-1 

In De Gids van 1845 plaatste Des Amorie van der Hoeven 
eenige „Aphorismen over het eigenaardig goede in de Roomsch- 
Katholijke Afdeeling der Christenkerk", die, volgens zijn vader, 
door sommigen hevig gelaakt, door velen geheel verkeerd 
begrepen werden, maar bij anderen hooge goedkeuring vonden. 
Die verstandige, echt vrijzinnige opmerkingen, ook nu nog 
de lezing waard, vestigen onze aandacht op een deel van ons 
volk, dat, naar het scheen, was verdwenen van het tooneel 
onzer letterkunde: de Roomsch-Katholieken. 

Gedurende de gansche 18<ie eeuw zwijgt de stem der Roomsch- 
Katholieken in onze literatuur; de eenige R. K. auteur van 
beteekenis uit het eerste kwart der IQ^^® eeuw: Tollens, ging 
over tot de Hervormde Kerk. Maar het Roomsch koraalrif 
groeide in stilte en zou zich welhaast aan de oppervlakte van 
het volksleven vertoonen. Door de staatsregeling van 1798 
waren de R. Katholieken wel niet gelijk geworden met de 
overige staatsburgers maar toch gelijkberechtigd. Dat was 
althans een eerste stap. Langzamerhand beginnen zij zich nu 
te verheffen uit hun vernedering, te voorschijn te treden uit 
hun afzondering. De man, die stem gaf aan hun wassend 
zelfbewustzijn en door zijn letterkundige en wetenschappelijke 
werkzaamheid dat zelfbewustzijn verhoogde; die de R. Katholieke 
levensbeschouwing in onze literatuur weer tot uiting bracht; 
aan zijn geloofsgenooten door zijn voorbeeld toonde, hoe zij 
achting en eerbied konden afdwingen , levend te midden van en 
met hun volk maar zich handhavend op een eigen plaats onder de 
conservatieven - was Josephus Albertus Alberdi'ngk Thijm. 

Met Pater Brugman en Thomas a Kempis, met sommige 
Bijbelvertalers en schilders, met Thorbecke en anderen, be- 
hoorde de familie Alberdingk tot de „inkomelingen", die 



353 

aanwinsten voor het Nederlandsche volk waren. Nog in het eind 
der 17'ie eeuw woonden zij, Protestanten toen, ja Kalvinisten, 
in Hessen- Kassei; in de eerste helft der \S'^^ eeuw echter zien 
wij een Roomsch geworden Alberdingk in Holland. Eerst in 
1835 voegde Joseph's vader den naam Thijm - dien zijner 
vrouw - bij den zijne. Het zaakje in verduurzaamde levens- 
middelen, waarin de jonge Thijm door zijn vader gezet werd, 
was weinig geschikt zijn geest te verheffen; maar zijn liefhebberij 
in teekenen en schilderen en zijn liefde voor de letteren be- 
hoedden hem voor verzinken in de praktijk. Zijn zorgzame 
vader raadpleegt Withuys en Harmen Klvn, mannen van 
naam, over de letterkundige vorming van zijn zoon; die trekken 
zich den jongen aan, helpen hem voort, wijzen hem op BiL- 
DERDijK. „Onder het vaandel van Teisterbant" - dien titel 
zou een der eerste hoofdstukken van zijn levensgeschiedenis 
mogen dragen: in 1839 is hij bezig met een verzameling van 
Bilderdijks werken; „jongen, jongen", schrijft hij aan zijn 
vriend Cramer, „die Vent moet toch almagtig knap geweest 
zijn"; na lezing van de Hippokreen-Ontzwaveling merkt hij op: 
„de schrijver schijnt een groote partisan van Bilderdijk te 
wezen"; drie jaar later maakt Royer hem gelukkig met een 
afgietsel van het bekend borstbeeld. 

Echter, niet in alles volgt hij zijn „maestro e autore"; anders 
dan deze, zoekt hij den omgang zijner tijdgenooten , liefst zulken 
van wie hij iets leeren kan. Hij volgt de literatuur van den 
dag met belangstellend oog; met S. J. yan den Bergh, Van 
Zeggelen, Beynen en Ten Kate komt hij in persoonlijke 
aanraking; ook hem brengt de Amsterdamsche boekhandelaar 
Nayler tot Shakespeare en de studie der Engelsche letter- 
kunde; HeYE behoorde tot zijne vrienden; sinds 1841 ook 
Potgieter. Zoo blijkt dan wel, dat hij den omgang met 

Protestantsche letterkundigen eer zocht dan schroomde; maar 
KALFf, Letterkunde, VII. 23 



354 

toch, zijn innigste sympathie bewaarde hij voor zijn geloofs- 
genooten. Met zijn begaafden broeder Lambert en zijn vriend 
Cramer vormde hij een trits van „Roomsche jongelui, die het 
goede willen, en daartoe willen geraken langs den weg van 
het schoone". Sedert 1842 gaven zij een tijdschrift uit onder 
den titel De Spektator, waarvoor zij ook andere Roomsche 
«knappertjens" zooals Ferdinand Borret zochten te winnen; 
„gij begrijpt licht," schrijft Thijm aan dezen, „van hoe groot 
aanbelang het voor de zich nü eerst emancipeerende Katho- 
lijken is, ook in de Kunstwaereld een orgaan te hebben." Daar 
hooren wij den aanstaanden leider reeds. 

Ondertusschen bleef hij verzen schrijven, al zat hij wel eens 
„om een rijmwoord in den brand". Van het literaire werk 
zijner jeugd en volgende jaren tot 1848 kunnen wij ons een 
voorstelling vormen o. a. uit een drietal bundels, die hij achter- 
eenvolgens in het licht gaf onder de titels: Viooltjens (1844; 
gedrukt voor zijn vrienden); Legenden en Fantaiziën (1847); 
Palet en Harp, Romantiesch Dichtwerk in vaerzen en proza 
(1848). De familie- en gelegenheidspoëzie die hier voorkomt, 
hartelijk en wel eens aardig, heeft meer biografische dan 
artistieke waarde. Hier en daar geeft zij ons een kijkje op den 
jongen Thijm en zijn omgeving: wij zien zijn vereering voor 
de vrouw in een stukje aan „een drietal bevallige nichten"; 
het door kunst veredeld en verinnigd familie-leven der Thijm's 
in een „kantate, uitgevoerd door mijn vijf broers en zusters" 
op de zilveren bruiloft der ouders. Het eenigszins breedsprakig 
en vaag idealisme van stukken als Naar Hooger, Pöè'zj' ( 1 839) , 
Behoefte aan Poëzy (1840) doet aan Ten Kate denken; doch 
er is hier zekere hoogheid en kracht, tevens een gevoel van 
onvoldaanheid met eigen werk, die wij bij Ten Kate missen.. 
Een paar regels uit een gedicht van Scott overgezet, een. 



355 

vertaling naar Byron toonen, dat ook Thijm den weg wist 
naar de bronnen waaraan zoovele romantici zich hadden ge- 
laafd. Evenals Van Lennep en Van der Hoop, Hofdijk en 
Meijer, Beets en Ter Haar dicht hij berijmde verhalen: den 
(onvoltooiden) Roman van Rosenburch (1841 -'42), Ermingard 
van Voorne (1844), De Klok van Delft (1846). 

De beide eerstgenoemde onderscheiden zich in hoofdzaak 
niet van andere berijmde verhalen; ook hier sterke effecten, 
gezwollenheid, verdienstelijke naast weinig verzorgde gedeelten ; 
romantiek, waarop wij worden voorbereid door het titelprentje 
van Palet en Harp: Hertog Jan van Brabant als meistreel 
optredend voor bevallig neergezegen of statelijk rustende edel- 
vrouwen in de gaanderij van een onwaarschijnlijk kasteel. Echter 
is De Strijd op Duiveland, dat in 1844 in De Gids verscheen^ 
niet zonder verdienste; De Klok van Delft staat zeker gelijk 
met het beste van dien aard, dat toentertijd door Nederlanders 
werd gemaakt; door de symboliek die de dichter in zijn werk 
trachtte te leggen, onderscheidt het zich van de overige berijmde 
verhalen. 

Trok Thijm hier één lijn met wie hem waren voorgegaan, 

met Da Costa, Beets, Ten Kate zien wij hem in Bilderdijk's 

zog varen, waar hij zijn meester huldigt, zich kant tegen de 

liberalen en de wijsbegeerte der Verlichting. Echter verdient 

het opmerking, dat niet één gedicht op Bilderdijk - die van 

Da Costa uitgezonderd - zoo hoog staat als Thijm's By Royers 

Borstbeeld van Bilderdijk. Materialisme was een protest in 

Teisterbantschen geest tegen het miskennen van den Christus 

en het vergoden van „eigen wanbegrippen". In De Filosofen 

van den Dag hooren wij echo's van Bilderdijk en Da Costa; 

voor Beets' goelijken spot met der liberalen vooruitgang echter 

bij Thijm Da Costiaansche verontwaardiging en kracht; ook 

hier en daar brokken die van Bilderdijk konden zijn. Het 

23* 



356 

militante, een der karaktertrekken van dezen auteur - strijdros, 
geen paradepaard, zooals hij zelf zeide - toont zich hier 
duidelijker dan in zijn spotdichtje: Aan zekeren professor bij 
zyn vernedering tot kunst- en zederechter. Echter, dat militante 
was slechts een uiting van een dieper liggende kracht zijner 
ziel: de liefde tot zijn Roomsch-Katholiek geloof. Eerst lang- 
zamerhand wordt hij er zich ten volle van bewust, dat die 
liefde de wortel van zijn wezen is; dat daar de lijn ligt, waar- 
langs zijn leven en zijn kunst zich moeten bewegen. 

Die erkentenis van zijn wezen en zijn roeping had hij Pot- 
gieter te danken: ,;uit zijnen mond", deelt Thijm zelf ons 
mede, „mocht ik het eerst de zending vernemen, die mij in 
mijn vaderland door aangeboren zm en tijdsomstandigheden 
werd opgedragen"; een zending, door Potgieter omschreven 
als wde ontwikkeling eener nieuwe zijde onzer letterkunde: het 
Hollandsch-Catholieke". Hij gaat de middeleeuwen met andere 
oogen beschouwen: zooals Potgieter de menschen der 

\1^^ eeuw, zoo idealizeert TiiijM 

't geslacht 

Dat, eedier drift in hart en aadren 

Dan Redetrots en goud vergaadren. 

Voor God en de eer werd grootgebracht. 

Zijn oog gaat open voor de middeleeuwsche bouwkunst, 
beeldhouwkunst, schilderkunst, immers: Christelijke kunst. Zijn 
liefde en bewondering voor die kunst heeft hij uitgestort in menig 
gedicht, nergens in zoo fraaie verzen als waar hij in De Christen 
Kunst de primitieven tegenover en boven Titiaan en Rafaël stelt: 

Neen, Sanzio stuwde niet op teerder voorhoofdshelling 
Dier tressen goudblond uit, in zacht verpoosde zwelling; 
Nooit bracht zijn kunstnaarsziel , zijn tooverend penseel 
Dat minlijk eenvoudsmerk in 't kinderlijk tafreel. 



357 

Die schuchtre zedigheid, die argeloze vormen, 
Dat «alle kunst voor God" 



Niet hunner was die kunst, waartoe onstoflijke Engelen 

In 't grondeloze Licht de reine verwen menglen; 

Dat rein, dat geestlijk schoon: der Heemlen spiegeling! 

Een glimlach, frisch, of hem de vrome Meester ving 

Van 's Heilgen aanschijn , komt om 's Martlaars lippen weemlen , 

En, waarlijk! dezer Kunst ontlook de poort der Heemlen; 

Vergeten anibachtslién , zichzelf schier onbewust , 

Dien werd een blik gegund in 't rijk van liefde en rust; 

Voor hen der Heilgen Keur, ten tooi der tempelboogen ! 

Tot schittring op de ruit die licht brengt uit den Hoogen ! 

Uit hen de Christenkunst. 

Zóó had te onzent nog niemand over de middeleeuwen ge- 
schreven; niemand zóó het wezen der middeleeuwsche kunst 
gevoeld en gevat, met zoo innige liefde beschouwd, in zoo 
bezielde verzen vertolkt. 

Ook de middeleeuwsche literatuur had Thijm's belangstelling; 
terwijl de Vereeniging ter bevordering der oude Nederlandsche 
Letterkunde middeleeuwsche teksten uitgaf, en Jonckbloet aan 
zijn Geschiedenis der Middennederlandsche Dichtkunst werkte, 
dichtte Thijm het wonderverhaal Hnibert de Smid, moderni- 
zeerde hij de middeleeuwsche legenden van Beatrijs en Van 
Sinte Qheertruden Min. Van de poëzie wendt hij zich nieuw 
stadium in de ontwikkeling zijner kunst - tot het proza; 
dezelfde liefde tot middeleeuwsch leven, geloof en kunst, waaruit 
bovengenoemde gedichten geboren werden , schiep de mooie 
novelle De organist van den Dom (1848). 

Actie wekte ook hier reactie: naarmate de, jonge man zich 
verdiepte in de Christelijke kunst der middeleeuwen, werd hij 



358 

sterker gehecht aan zijn Roomsch-KathoHek geloof, dat een 
historischen achtergrond kreeg. Tot afzondering in eigen kring 
«chter en de doorgaans daaruit voortvloeiende bekrompenheid 
kwam hij niet. Van zijn belangstelling voor wat er buiten zijn 
land gebeurde, getuigen zijne gedichten In lerlands nood en 
Bij de mare van den val van Lodewijk Filips. Hij eischt 
«rkenning van wat de middeleeuwen goeds en groots hadden : 

Langer mij geen zeven eeuwen 

Van het leven dezes Staats, 
Bij misbruikt //Wilhelmus-schreeuwen" 

Bot ontkend - ten einde raads! 

Maar hij heeft van de Verlichting verdraagzaamheid geleerd; 
in de opdracht van De Christen Kunst aan zijn vriend Beynen 
schrijft hij: „eerbiediging van ieders gemoedelijke overtuiging - 
dit achtten we noodig en wenschelijk; verdraagzaamheid, vriend- 
schap zelfs, tusschen lieden van verschillende denkwijs, deze 
hielden wij natuurlijk en onzer beschaafde tijden waard." Boven 
staats- en kerkpartijen gaat hem het vaderland; op de vraag 
wat het is 

Dat den geest der Nederlandren , 
Trots 't verdeelend driftgewoel , 
Buigt, en vastsnoert aan elkandren 

antwoordt hij: 

't Is de liefde voor de luchten, 
Die den vaderlandschen grond 
Overzwieren en bevruchten. 

Zóó schreef hij in de Voorspraak van Holland gegrondvest. 
Maar de jaren stonden voor de deur, waarin hij zou ervaren 
dat een Roomsch Nederlander gesteld kan worden voor de 
keus: Rome of Nederland"). 



359 



4. Drama en Tooneel. 

In een vorig deel dezer Geschiedenis (II, 3) schreven wij, 
naar aanleiding van het middeleeiiwsch drama, dat de drama- 
tische kunst „meer samengesteld van aard dan epos of lyriek, 
meer tijd vordert, vóórdat de knop zich zetten en de bloem 
zich ontplooien kan". De juistheid dier bewering blijkt opnieuw, 
wanneer wij ons drama van den nieuwen tijd in zijn ontwik- 
keling nagaan. De jongeren, die wij achtereenvolgens zagen 
optreden, komen in de lyriek, in de verhalende of beschrij- 
vende poëzie en proza met iets nieuws; in het drama laten zij 
alles bij het oude of brengen het niet verder dan klachten. 
Slechts een enkele van hun oudere tijdgenooten , Hel- 
VETius VAN DEN Bergh, slaat in het blijspel een nieuwen 
weg in. 

Duitsche en Fransche melodrama's hebben m dit tijdperk 
evenals vroeger, oog en oor van het publiek; tooneelstukken , 
door Kneppelhout gekenschetst als „van het grofst letter- 
kundig allooi, slecht gemetseld, ruw geschaafd, ronsebons- 
achtig gedacht, best voor verafstaanden en hooggezetenen; eene 
Schipbreuk der Medusa, een Steven Langer uit Glogau, een 
Kaspar Hauser, eene Johanna II , koningin van Napels, een 
Moord in het woud van Bondy , vodden van de ergste soort." 
Kotzebue's Menschenhaat en berouw werd nog bewonderd 
en genoten: «Wat al tranen" — lezen wij in De Spectator van 
1843 - „worden er niet ontperst aan de oogen van eerbare 
en oneerbare schoonen, telkens, als het stuk wordt opgevoerd." 
Nederlandsche stukken werden in den Leidschen schouwburg — 
en ook elders - naar verhouding zelden gespeeld. Onder de 
auteurs van oorspronkelijke stukken worden door Kneppelhout 
HiLMAN en Van der Hoop genoemd, bij wie wij nog andere 



360 

kunnen voegen. Van den Amsterdamschen koopman Johannes 
HiLMAN (1802-1881), wiens liefde voor drama en tooneel 
zijn gaven als tooneelschrijver ver overtrof, bezitten wij treur- 
spelen als Qenoveva (1835), Detnetrius Keizer van Rusland 
(1838), Willem de Eerste (1848), in vijf bedrijven en alexan- 
drijnen; louter herhalingen van de vroegere levenlooze treur- 
spelen met hunne pompeuze of snorkende tiraden. 

Van een hartstochtelijk verzet tegen het nieuw-klassiek treur- 
spel, gelijk in Victor Hugo's Cromwell, was te onzent geen 
sprake. Men zou een oogenblik kunnen vermoeden, dat Van 
DER Hoop, schrijver van het „romantisch treurspel" Hiigo en 
Elvire (1831), een poging in dien geest zou ondernemen; doch 
het bleef ook nu bij pogen. In het voorbericht van z\]x\ Johanna 
Shore (1834), een vrije bewerkmg van Nicolas Rowe's gelijk- 
namig drama, lezen wij o. a.: „De Fransche dichter Victor Hugo, 
die schoon de eene partij hem vergoodt en de andere hem ver- 
guist, een merkwaardig verschijnsel is in de nieuwere letterkunde 
en eenen onafhankelijken geest m zijne schriften ontwikkelt, die 
menigen zich liberaal noemende in ons vaderland moest doen 
blozen, indien hij daarvoor vatbaar ware", in overeenstemming 
met zijn Bilderdijksche beginselen zet Van der Hoop voorts 
uiteen, dat de dramatische kunst, „zal zij heur doel waardig 
blijven", slechts „twee hoofdoogmerken" mag hebben: God en 
het volk. God verkondigen aan het volk „door die daden, 
welke de voorzienigheid aan den mensch verklaren", noemt hij 
wden eenigen grondslag van alle treurspelen van Edipus af tot 
op Macbeth". Dichter naderde hij Victor Hugo, nadat hij 
diens Han d'Islande eerst in een Hollandsche vertaling van 
De Keyzer (1830), later in het oorspronkelijke had leeren 
kennen. Hij beschouwde dien roman als „de onrijpe vrucht 
eener verhitte verbeelding, maar altijd van de verbeelding van 
een genie"; in de Voorrede vinden wij een pleidooi voor 



361 

Shakespeare, voor de Gothiek en »den grooten Byron". Dat 
alles verhinderde Van der Hoop niet, den nadruk te leggen 
op de zedelijke strekking van zijn, uit HuGO's roman getrokken 
drama (1838), dat „geen tooneelspel in den trant van de ver- 
dienstelijke familie-tafereelen van den menschkundigen Iffland 
of de vernuftige charakter-schilderingen en tableaux de genre 
van den geestigen Kotzebue" mocht heeten, maar „eene voor- 
stelhng, evenzeer verwijderd van den Melodramatist Pixéricourt 
en den teugeloozen Alexandre Dumas". Hoe goed Van der 
Hoop het ook bedoelde en hoe zeer hij zich poogde te wachten 
voor „den geest der nieuwere letterkunde dien men ten onrechte 
romantisch noemt'' - hij bleef een romanticus. Duidelijk toont 
dat ook zijn „tafereel uit de Parijsche modewareld" De Dood 
eens Spelers. Wij zien daar Eduard - zoo heet de speler - 
alleen; „hij is naar den allerlaatsten smaak gekleed, met een 
alma-viva dien hij afwerpt, nadat hij verwilderd is binnen- 
getreden en hij zich op een stoel heeft nedergeworpen. Lange 
donkere lokken beschaduwen zijn hoofd." Van onder die lokken 
hooren wij dan : 

Mijn laatste hoop vervloog! Nadat ik dertig malen 
Het rood dorst wagen, moest ik 'i zwart zien zegepralen! 
Nadat ik dertig maal dien sombren Italjaan 
Zijn gloènde blikken op het goud zag nederslaan 
enz. 

Door zulke stukken worden parodieën als Kretzer's Frag- 
menten uit de Beer eerst recht begrijpelijk. 

Zooals Van der Hoop's Han van IJsland aan een roman 
van ViCTOR HuGO, zoo was Roorda van Eysinga's De 
Kardinaal, Hertog van Richeliea (1834) aan De Vigny's roman 
Cinq-Mars ontleend; historisch-romantische stukken als dit zijn 



362 

eveneens De Kleurling van Columbia (1840) door A. v. L. en 
Albrecht van Beyeren (1841), een „oorspronkelijk geschiedkundig 
drama" door A. Ruysch in vijf bedrijven en proza. In het 
laatste stuk zijn wel goede elementen: het ridderleven dier 
tijden in zijn uitwendige pracht en bekoring, aangrijpende too- 
neelen, gevechten, een samenzwering, een niet onverdienstelijke 
hofnar enz. Vertoond, zal het op het toenmalig publiek wel 
eenigen indruk hebben gemaakt; voor ons is de karakteristiek 
te zwak, de taal te boekerig, de geest van het geheel te zeer 
in overeenstemming met dien van Beets' Kuser, onder welks 
invloed Ruysch zijn stuk geschreven heeft. 

Uitloopers van het sentimenteel-pathetisch „tooneelspel", dat 
wij in de 18^^ eeuw tot ontwikkeling zagen komen (Vi, 470), 
zijn stukken als De Krankzinnige (1840), Ontrouw uit Eerzucht 
door C. K. VAN Hemert (1842), De Vrouw door Iz. J. Lion 
(1843), Het Testament uit Amerika door A. Ruysch (1846), 
De Schipbreukeling door I. D. Lodeesen (1848); alle betiteld 
met den naam „tooneelspel", alle in proza en in 2, 3, 4 of 5 
bedrijven, die niets nieuws brengen voor wie de oudere stukken 
van deze soort kent. 

Anders dan het ernstig drama geeft het komisch drama ons 
toch eenig nieuw leven te zien. Dat had men te danken niet 
aan Van der Hoop, die in De bekeerde Liberaal (1831) 
wblyspel met zang" een gelegenheids-stukje gaf in den trant 
van Van Lennep's Dorp aan de Grenzen; maar aan P. T. 
Helvetius van den Bergh, in 1799 op een buiten bij Zwolle 
geboren, later bevriend met Weiland, den vertaler van Jean 
Paul en lid van het Haagsch genootschap „Oefening kweekt 
kennis". Van auteurs als Van der Hoop, Meyer, Hofdijk 
en anderen, die zulk een romantisch welbehagen toonden in 
het sombere, huiveringwekkende, grootsche en stoute of wat 



363 

daarop geleek, kon men tenauwernood verwachten, dat zij 
neiging en aanleg zouden hebben voor het blijspel; Van den 
Bergh, die spreekt over de ,; walgelijke afgrijselijkheden" en 
de „triviale platheden" der „romantische kookschool", en het 
toenmalig drama een „vrucht der verhitte verbeelding" noemt, 
had blijkbaar weinig last van romantische aanvechtingen. Meer 
2in had hij voor dien kopieërlust des dagelijkschen levens, 
waarvan hij blijk geeft in kleine proza-verhalen en luimig- 
gemoedelijke gedichten als dat van het gelukskind dat geen 
hemd aan 't lijf heeft. Zoo kan het ons dan niet bevreemden, 
dat hij zich aangetrokken voelt tot het komisch drama en in 
1837 optreedt met De Neven. Blijspel in vier bedrijven, dat 
grooten opgang maakte. 

Dien opgang kunnen wij wel verklaren: het toongevend schouw- 
burgpubliek van 1838 en volgende jaren werd hier verplaatst onder 
deftige menschen , ook in het gezin van een baron die glans aan 
het stuk bijzette; zij zagen de aristocratie van het geld tegenover 
de aristocratie van geboorte, ouden tegenover jongen, meesters 
tegenover bedienden; zij werden beziggehouden met liefde en 
andere edele gevoelens, met verwarringen en treffende voorvallen; 
er was een student die een arme freule redt uit het gevaar waarin 
een „vreeslijk steigrend paard" haar gebracht heeft, die een 
handschoen der schoone als dierbaar aandenken bewaart — 
een geval, door een der personages „regt romanesk" genoemd - 
die bovendien den broeder der freule uit het water haalt en wien 
de dankbare vader zijn dochter geeft als tegengeschenk voor den 
natten zoon. Dat alles was vervat in de taal van het dagelij ksch 
leven, door gemakkelijk vloeiende alexandrijnen gedragen; een 
doorgaans levendige dialoog boeide het publiek; hun burgertrots 
werd gestreeld door sententies als: „Een edel mensch geldt meer 
dan menig edelman"; hun romantische menschelijkheid verteederd 
door den baron en gepensioneerden kapitein, waar hij zegt: 



364 

Verminkt nam 'k, met een traan , toen afscheid van mijn' degen; 
Heb nog, bij groote gunst, een klein pensioen gekregen 



om dan, door aandoening overmand, te blijven steken. 

Het standpunt van 1838 is het onze niet meer: die «treffende 
voorvallen" treffen ons niet, het onwaarschijnlijke neemt ons 
te veel plaats in, de karakteristiek voldoet ons slechts ten deele, 
over het geheel zien wij te veel overdrijving. Echter vvaardeeren 
ook wij aardige tooneelen als het 2^6 tooneel van Bedrijf I, de 
aanvang van Bedrijf 11, in het 7de tooneel van dat Bedrijf de 
beschrijving van het billardspel in De Paaiiw: een tegenhanger 
van het potspel in De Familie Stastok; ook nu kunnen wij 
den dialoog op menige plaats prijzen, in aanmerking genomen 
dat de omgangstaal van 1838 ons deftig schijnt. Hoe men 
overigens De Neven beoordeele, erkend dient, dat in dit stuk 
een groole stap voorwaarts gedaan werd ; het hoogere blijspel 
van Molière en Beaum.\rchais, van Sheridan en Goldoni 
vertoonde zich hier - of men moest op Langendijk's Spiegel 
der Vaderlandsche Kooplieden wijzen - voor het eerst in onze 
letterkunde. Van Lennep, liefhebberen kenner van het tooneel, 
besefte dan ook wel, dat De Neven een aanwinst voor onze 
literatuur was en wenschte den auteur in een vleiend schrijven 
geluk met zijn werk; een eer, door Van den Bergh op 
hoogen prijs gesteld. 

Vermoedelijk zal Van Lennep's oordeel hem hebben aan- 
gemoedigd tot nieuw werk van dezen aard; in allen gevalle 
zien wij nog in hetzelfde jaar 1838 een nieuw blijspel van zijn 
hand, ditmaal in één bedrijf, verschijnen onder den titel: 
Hieronimus Jamaar. in den hoofdpersoon werden de Neder- 
landers belachelijk gemaakt, voor wie «haast u langzaam" het 
toppunt aller wijsheid was; een beetje overdreven voor onzen 
smaak, maar met gezonde vroolijkheid en losse luim; ook hier 



365 

vinden wij den aardigen natuurlijken dialoog, die reeds na 
het eerste tooneel toont, dat hier iets beters werd gegeven dan 
het gewone. Ongelukkig was de komische ader van Van den 
Bergh niet rijk genoeg om zoo te blijven voortstroomen: een 
derde blijspel. De Nichten, in 1840 voltooid, in 1841 uitge- 
geven , staat vrij wat lager dan de twee eerste. Tegenover de 
neven uit het eerste stuk vinden wij hier een drietal nichten, 
inwonend bij een rijken oom en begeerd door een drietal 
vrijers. De schrale stof is door den dichter uitgerekt over vijf 
bedrijven, welke reeds daardoor langdradig en vervelend worden. 
Bovendien is de karakteristiek van minder allooi dan in De 
Neven: de nichten Martha en Amaranthe, de eene vroom de 
andere sentimenteel, zijn beide caricaturen; caricaturen ook de 
luitenant, de ambtenaar en de dichter, die de rol van vrijer 
spelen; alleen de jongste nicht en haar beminde Wilman zijn 
dragelijk. De dialoog van dit, in proza geschreven, stuk is 
ook nu verdienstelijk; ook zijn er wel aardige tooneelen in als 
I, 2 en lil, 1; maar die achtereenvolgens opdagende minnaars 
waren eentonig, de geest naderde soms te zeer dien van de 
klucht, het geheel lag op lager peil dan De Neven, boeide en 
vermaakte minder. Geen wonder dat het stuk viel, zooals de 
dichter zelf erkent in zijn Gesprek over de Nichten (1842). 
Publieks ergernis over „het aanranden van de kieschheid en 
de goede zeden" komt ons nu even komisch voor als hun 
aanstoot aan het woord „broekzak", aan des auteurs „je", „jij" 
en „jouw" die immers slechts in de spreektaal voorkwamen; 
ook is het wel mogelijk, dat het Nederlandsch chauvinisme 
zich door dit blijspel gekwetst voelde; doch vermoedelijk zou 
men dat alles wel geslikt hebben, indien het stuk met meer 
talent geschreven ware. 

Een goed staaltje van chauvinisme in het toenmalig blijspel 
levert ons A. van WkUAkY.ü'iMenriPicardofdeNederlandsche 



366 

Zanger te Parijs (1846), een soort van gedramatizeerde histo- 
rische anecdote over een Nederlandsch zanger die een Fransche 
markiezin trouwt; het publiek zal genoten hebben bij eene 
passage als: 

Ik ken uw Nederland, heel 's menschdoms achting waard; 
Een Nederlander is te goed, te braaf van aard 
Tot zoo iets enz. 

Doch behalve dat chauvinisme heeft het stuk niets opmer- 
kenswaardigs. Een ander zoogenaamd blijspel van Van Halmael 
De Dwaling van den Dag moet eer een zedespel heeten. Het 
eenige komische stuk uit dezen tijd, - behalve Van den 
Bergh's werk - dat eenige aandacht verdient, is Oberon of 
alles komt teregt {IS47). De schrijver die zich «een Oberoniaan" 
noemt, heeft in dit „geheel oorspronkelijk berijmd blij-treurspel" 
een rhapsodie van dwaasheden samengeflansl met behulp van 
groote belezenheid en een vlugge pen; eenigszins verwant met 
de dramatische parodieën uit Braga, heeft het zekere studen- 
tikoze verve, die aan Klikspaan doet denken. 

Over de schouwburgen van dezen tijd kunnen wij kort zijn. 
In Amsterdam begonnen sinds 1843 de «Salons des Variétés" 
te verrijzen, waar men onder het genot van zijn pijp en zijn 
glaasje zich liet bezighouden en het gaan naar den Schouwburg 
verleerde. In Leiden werden de Nederlandsche voorstellingen 
door het deftig publiek doorgaans slecht bezocht; maar als een 
Fransch opera-gezelschap een voorstelling had aangekondigd,, 
liepen «amphitheater en loges vol van opgedrilde dames" en 
moesten de heeren dikwijls een toevlucht in den bak zoeken,, 
«daar op betere rangen alle zitplaatsen reeds eene week te 
voren besproken waren". Die feiten geven den toestand eenigs- 



367 

zins aan; uit beide blijkt de minachting voor het Nederlandsch 
tooneel, die, al was zij ook vroeger zichtbaar, misschien nooit 
zoo sterk is geweest als in dezen tijd. 

Wat wij van de tooneelspelers hooren , past wel bij deze 
dalende lijn. Het schreeuwen was, naar het schijnt, nog steeds 
in zwang; Potgieter spreekt in zijn novelle 7 Is maar een 
pennelikker over ,;het gebouw op het Leydsche plein met acteurs 
die om eene longtering wedijveren , zoo schreeuwen zij". Mogen 
wij Kneppelhout in zijn hoofdstuk Schouwburg {Stud. Leven) 
gelooven, dan was het met uitspraak en voordracht over het 
algemeen jammerlijk gesteld: „Hier plat Rotterdamsch, daar 
plat Haagsch, ginds plat Amsterdamsch. Dan weder werktuig- 
lijke gebreken: eene dikke tong, een korte adem, eene heesche,. 
onbuigzame, houten keel, een broddelbek, waarin de letter- 
grejDen onverstaanbaar in elkander vloeien, eene punch-, eene 
jeneverstem, eene stem, noch door studie geleid, noch door 
vlijtige oefening gekneed; nergens eene stem, die, liefelijk 
gebogen, aangenaam klinkt; alles op een zeker vast deuntje, 
even belachlijk als zelfbehaaglijk en aanmatigend opgedreund, 
voor geen halven cent natuur, taalfouten, waarvoor een school- 
jongen op de billen zou krijgen, bij het mud, en de verzen, 
zoo zij er zich aan bezondigen, naar willekeur verkort en ver- 
lengd , wemelen van hiaten en verkeerde klemtonen." Wij weten , 
dat Klikspaan sterk overdrijft; doch indien ook maar de helft 
van hetgeen hij schrijft, waarheid bevat, dan is het al erg genoeg. 

Mevrouw Naret- Koning hield den roem der vroegere 
Nederlandsche tooneelspeelkunst nog op, maar zij was reeds 
in hare nadagen; in 1847 stierf zij. Mevrouw Kamphuyzen 
wordt in Thijm's Spectator geprezen om hare voortreffelijke 
vervulling der rol van de koningin in Hamlet; Mejuffrouw 
van Ollefen als Ophelia en „om eene schier onnavolgbare 
zeggingsgave" in de rol van Fredegonde (Lady Macbeth) \n. 



368 

Macbeth. De Spectator woemi het spel van Mevrouw Stoopendaal 
«al te gevoelig" en laakt haar „gedurig snikken, geaffekteerde 
uitspraak en grove taalfouten". Die fouten zullen wel vooral 
hare ernstige rollen ontsierd hebben; Klikspaan ten minste 
erkent, dat zij „ongemeen zwak" was, wanneer zij „figuren uit 
de hoogere standen" voorstelde of een rol in een treurspel 
vervulde; hij huldigt haar echter in hare rollen van huismoeder. 
De Spectator prijst Mejuffrouw Sablairolles met voorbehoud; 
haar „gekunsteld hijgen" en wat hij hare „boezembranding" 
noemt, behagen hem weinig; maar onder Klikspaan's handen 
wordt zij: „een kort potjerol en dik schuddegatje, dat op een 
winkeldochterstoon adellijke dames nabootst". Even onbarm- 
hartig zijn Klikspaan's karakteristieken van Mejuffrouw Hoedt: 

„een uitgemergeld knekelhuis met een aamborstig gegiegaag 

en een ondraaglijk deuntje"; van juffrouw Vink: ver in het 
„met onbeschaamde oogen de heeren in den bak toelonken"; 
van de „vette Wicart met hare geberstene borrelstem". 

De tooneelspelers uit den goeden tijd van Snoek, Majofski 
en Jelgerhuis verdwenen langzamerhand van de planken: 
ROMBACH was in 1833 overleden; de talentvolle Van Hanswyck, 
door Klikspaan geprezen om zijn „gemakkelijkheid van spreek- 
toon en gebaar met waarheid en eenvoud, bij eene meesterlijk 
volgehoudene grappigheid", had een kroeg moeten opzetten; 
Stoopendaal, „een uitstekend kunstenaar" volgens Klikspaan, 
en RosENVELDT overleden vóór 1848. Anton Peters met zijn 
„aangenaam uiterlijk en goede manieren", zijn „wonderschoone 
stem en uitnemende wijze van zeggen", die in den Hamlet van 
Ducis lauweren won, deed de groote kunst van Snoek nog 
eens herleven; maar hij bleef alleen. Van Ollefen en Roobol 
hadden toentertijd eenigen naam, maar waren toch geen kun- 
stenaars van beteekenis; Van Ollefen „brrrulde"; Roobol 
,/brrrouwde"; „zijn geweld in den Gysbrecht was om van te 



369 

gruwen", zei De Spectator; hij maakte van Gysbrecht ,;een 
door een helschen geest bezetene, een razende Roland". 
Veltman kwam pas kijken en moest zich nog ontwikkelen. 

Zoo was er dan in de tooneelwereld van 1840 -'50 stof 
genoeg tot critiek, en aan critiek ontbrak het dan ook niet. 
Maar met louter critiek komt men niet verder. Dat te hebben 
beseft en uitgesproken, was een verdienste van Kneppelhout. 
In hetzelfde hoofdstuk uit zijn Studentenleven, waarin hij zoo 
meedoogenlooze critiek oefende op sommige tooneelspelers en 
speelsters, lezen wij ook: „Maar, aan den anderen kant, wie 
trekt zich het vaderlandsche tooneel aan, wie poogt het op te 
heffen, wie steekt het de hand toe, wie zoekt onze tooneelisten 
uit hunne verachteloozing te redden, wie toont hun den weg, 
wie wijst hun de fouten , wie wekt bij hen den lang uitge- 
doofden moed weder op, wiens invloed lokt de beschaafdere 
standen weder naar den Hollandschen schouwburg, wiens pen, 
wiens tong doet den afgekeerden , den verstompten kunstzin 
bij volk en schouwspeler opwaken? Men klaagt wel en heft 
schouders en oogen naar boven, maar, als naar gewoonte, zit 
men al zeurende bij de pakken neder. Wie steekt handen uit 
de mouw, wie? Verleent de hooge regeering bescherming en 
aanmoediging?" 

Op al die vragen zou het tweede geslacht antwoord geven <'^). 



5. Poëtiek en Critiek. Ontwikkeling der 
Literatuurgeschiedenis. 

I. 

Op de nieuwe wegen, ook hier door de lö*^® eeuw inge- 
slagen (VI, 553), ging men na 1813 voort. Het oude, waar- 
tegen gestreden was door Van Alphen en De Perponcher, 

KALFF, Letterkunde, \'\\. 24 



370 

Bellamy en zijne vrienden, door Van der Palm, Kinker,. 
Feith en Bilderdijk, was niet voorgoed dood: Kroon's 
Rijmwoordenboek werd opgevolgd door dat van Witsen Geys- 
BEEK (1829); Van Limburg Brouwer schreef nog in zijne 
Verhandeling over het nationaal tooneel (p. 117): „men is 
tegenwoordig zeer gehecht aan het ongelukkig denkbeeld van 
natuurlijkheid in de poëzij en in de declamatie." De voor- 
naamste redenaar van dien tijd. Abraham des Amorie van 
der Hoeven, moet dan wel een man naar Brouwers hart 
zijn geweest! Maar over het algemeen handhaaft zich de ruimer 
en vrijer opvatting van kunst, van literaire kunst in het bij- 
zonder, die men in de 18*^6 eeuw veroverd had; de belang- 
stelling bleef wakker in de vroeger gestelde vragen aangaande 
den oorsprong, het wezen, de werking der literaire kunst en 
de onderscheiden vormen waarin zij zich uit. Wat tusschen 
1813 en 1840, meerendeels door mannen van het oudere ge- 
slacht, in dit veld van wetenschap geleverd werd, is ongelijk 
van waarde: sommige verhandelingen of geschriften voegen 
weinig of niets toe aan hetgeen vóór 1813 was gevonden; 
enkele andere daarentegen vermeerderen het reeds verworvene. 
Weinig nieuws brachten R. P. van de Kasteele's Rede- 
voering over de Verwantschap tusschen den Dichter en den 
Schilder (1818), Des Amorie van der Hoeven's Redevoering 
over de geestdrift van den Kunstenaar (1829), een goed ge- 
schreven maar oppervlakkig stuk, waarin geen poging tot ver- 
klaring is aangewend. Aan de vroeger verwekte beweging ten 
gunste der andere blij- en kluchtspelen , zien wij het tijdschrift 
De Tooneelkijker (II, 374 -'5) deelnemen. J. A. Vernée's 
Onderzoek naar de vereischten van den waren volksdichter (1835) 
kan weinig of niets hebben bijgedragen tot een beter inzicht 
in het wezen der volkspoëzie. Belangrijk daarentegen, en nog 
de lezing waard, zijn de voorredes, waarmede Kinker de drie 



371 

deelen zijner Gedichten (1819) voorzag, evenals zijn geschrift 
Iets over het Schoone (1826). Belangrijk zijn ook een paar 
verhandelingen van H.H. Klyn : in Eenige vlugtige bedenkingen 
over het Genie en Over de betrekking tusschen de Wijsbegeerte 
en de Schoone Kunsten — een onderwerp ook door Kinker 
gaarne behandeld — is veel goeds; juist aesthetisch inzicht en 
smaak waardeeren wij in het opstel : Hoedanig en door welke 
middelen werkt de kunst op onze gewaarwordingen? (1837). 

De ruimer en vrijer opvatting van letterkundige critiek, die 
de 18'i^ eeuw had gebracht, bleef nawerken. Terecht wordt in 
het Algemeen Overzigt van den Tooneelki/ker {\8\b) afgekeurd, 
dat sommige critici in hun beoordeeling van Kotzebue's 
tooneelwerk de persoonlijkheid van den auteur mengden; op 
de vraag: „Beneemt het iets aan de waarde van een goede 
schilderij of teekening, dat de Schilder of Teekenaar van dezelve 
een slecht mensch is?" wordt terecht geantwoord: „Foei! dat 
is ellendige beuzelpraat." Ruimte van opvatting zien wij ook 
bij Kinker, waar hij in de Voorrede van deel III zijner Gedichten 
vraagt: wat doet het er toe of een verhalend dichtstuk, voor- 
treffelijk om vinding, inkleeding en bewerking, de aaneen- 
schakeling en het verband der deelen , „aan de wetten van 
Aristüteles al of niet voldoe?" en daarop laat volgen: „Zal 
men 't, wanneer het dien toets niet kan doorstaan, den rang 
van heldendicht weigeren? Welnu, het is dan iets anders." 

Dat de literaire critiek zich ontwikkelde, zien wij uit een 
geschrift van A. Th. Beausar, onder den titel De Ilias van 
Homerus tot model voor den Redenaar in 1828 uitgegeven; 
inderdaad vinden wij hier een viertal, voor dien tijd verdien- 
stelijke, proeven van dichter- waardeering en dichter-karakte- 
ristiek; Homerus' eenvoud, verhevenheid en naïeveteit, ook 

de onderscheiden schoonheden zijner poëzie worden hier in 

24* 



372 

het licht gesteld door een criticus, wien Pope, Mendelssohn, 
BiLDERDijK, Schiller e. a. den weg hebben gewezen; dat de 
auteur, onder Limburg Brouwer's invloed , de Latijnsche 
goden- en heldennamen vervangt door de Grieksche, getuigt 
opnieuw van den wassenden invloed der Grieksche literatuur. 

Evenals vroeger vinden wij ook nu uitingen van gekrenkte 
ijdelheid, van felheid tusschen auteurs en critici of tusschen 
critici onderling. Van dien aard is een „blijspel met zang" van 
C. V. D. Vijver De To o neel- Kritiek of de Recensenten ontmas- 
kerd (1815); van beter allooi dan dit stukje is het „blyspel in 
een bedrijf' De Tooneelkykers of de Ijveraars voor goeden smaak, 
waarin wij een redactie-vergadering van De Tooneelkijker bij- 
wonen. Soms verlaagt de critiek zich tot grove personaliteiten; 
nergens misschien zoozeer als in Eene Kisinigheid rakende den 
nieuwen dichtbundel van Mr. S. I. Wiselius door Nico/aas 
Momus Jr. (1834): een vereerder van Wiselius doet hier een 
feilen aanval o\) Yntema; o. a. hooren wij van „het scharige 
vilmes van den Heer Yntema"; „de vuilaardige brekebeen, 
uit wiens pen zulk een ten deele dom , ten deele Jezuitsch 
broddelschrift gevloeid is!"; „trekken, welke men eerder van 
eenen vereerer van Iscarioth dan van Menno's volgelingen 
zoude verwachten". Even schamper, fel en grof als deze 
Kleinigheid was het Nieskruid voor den HeerJ. L. Nierstrasz Jr. 
(1827), maar in critische waarde staat het er ver boven. Het 
stuk tegen den onbeteekenenden , eenigszins wecken, leerling 
van Feith is naar onzen smaak veel te lang: het telt niet 
minder dan 88 bladzijden; het is ook te ordeloos en toont te 
weinig kunst in opzet en bewerking; maar de letterkundige 
critiek zelve, die hier geoefend wordt, mag voor dien tijd 
goed heeten. 

De Dordtsche advocaat Mr. P. S. Schull had medelijden 
met den ongelukkigen Nierstrasz: waarom dezen „geëxecu- 



373 

teerd"? vroeg hij; waarom Warxsixck en \'a.\ Logche.m, 
die men voor mindere Goden houdt, eene laatste waarschuwing 
gezonden ? Niet echter om voor Nierstrasz in het krijt te 
treden, nam hij de pen op; maar om in zijn Proeve over de 
Beoordeeling van de voortbrengselen van den menschelijken 
geest vooral over litteraire critiek te handelen. \'an veel belang 
is die Proeve niet, maar op zich zelve een bewijs te meer van 
de wassende belangstelling in dezen, evenals een verhandeling 
in het Hollandscli Magazyn van het jaar 1832 Over het ligt- 
V aardig, ongunstig en driftig oordeelen en bedillcn, vooral in 
zaken van kunst en over groote vernuften. 

Houdt men het oog gevestigd slechts op deze geschriften, 
dan zou men geneigd zijn te besluiten, dat de ontwikkeling 
der letterkundige critiek tusschen 1813 en 1840 gering is 
geweest. Zoo oordeelend, zou men echter voorbijzien, dat dit 
tijdvak in Geel een criticus te zien geeft, die in hoogheid van 
standpunt en ruimte van blik, in scherpte, fijnheid en kunst- 
vaardigheid Van Effen, Macquet en Lublink de Jonge 
ver achter zich laat en slechts door enkele latere Nederlandsche 
critici is geëvenaard. 

De literaire biografie had in Styl's Leven van Jan Punt{nS\) 
een hoogte bereikt, waartoe De Vries met zijn Jeremias de 
Decker (1807), Scheltema met zijn Anna en Maria Tessel- 
schade (1808), Loosjes met zijn werk over Le Fraxcq van 
Berkhey (1813) zich niet konden verheffen. Ook de literaire 
biografieën der volgende jaren: Clarisse's Van Alphen (1^33) , 
LuLOFs' Staring {\M2)) , Llmburg Brouwer's Wiselius {\QAb) , 
van meer of minder belang voor de kennis onzer literatuur- 
geschiedenis, kunnen als kunstwerk niet nevens Styl's werk 
geplaatst worden. 

Literaire critiek en biografie leveren een voornaam deel der 



374 

stof, waaruit de literatuurgeschiedenis moet worden opgebouwd. 
Wij hebben in een vorig deel van dit verhaal (V, 354 -'60) 
de eerste kiemen van literatuurgeschiedenis te onzent waarge- 
genomen en beschreven. Sedert dien was er in dezen stilstand 
van groei geweest. Alleen Paquot had in zijne verdienstelijke 
Mémoires poiir servir d l'tiistoire littéraire des XVII Provinces 
des Pays-Bas etc. (1765-70) nieuwe bouwstof geleverd, doch 
in denzelfden trant als de oudere werken van Sweertius en 
Foppens. Dat die bouwstof voorloopig onverwerkt en de 
literatuurgeschiedenis rusten bleef, is wel verklaarbaar. In de 
tweede helft der 18<ie eeuw verscheen op het veld der gansche 
letterkunde zooveel nieuws en werd de letterkundige horizon 
zoozeer verruimd, dat er tijd noodig was om al dat nieuwe te 
verwerken en het oude op nieuwe wijs te leeren beschouwen. 
Ook was de literatuurgeschiedenis in haar ontwikkeling afhan- 
kelijk van dezelfde oorzaken, die zich in de ontwikkeling der 
gansche historiografie doen gelden. Eerst toen de moderne 
historische wetenschap in het veld was gekomen en de 
kunstgeschiedenis in het werk van Winckelmann, een voor- 
beeld gegeven had aan de literatuurgeschiedenis, kon ook 
deze verder komen op haar baan. In Italië liet de Jezuïet 
TiRABOSCHi een monumentaal werk na in zijne Storia delta 
letteratiira italiana (1772 -'82); in Engeland maakte Thomas 
Warton in zijne History of English Poetry (1774-78) een 
aanvang met de wetenschappelijke literatuur-geschiedschrijving. 
Te onzent komt men eerst veel later tot het schrijven van 
werken, die naast deze en andere van dien aard gesteld mogen 
worden. Wegbereidende verhandelingen waren die van Feith 
Over het Heldendicht {\7S\) , een dergelijke van De Perponcher 
in de voorrede van z\]x\ Joseph of de Broederhaat (1815), die 
over het puntdicht van Witsen Geysbeek (1834) en andere 
dergelijke verhandelingen; daar immers kreeg men overzichten 



375 

te zien van een deel der literatuur-geschiedenis. Ockerse en 
Antoinette Kleyn blijken zich bewust, dat zij „door de 
beknopte geschiedenis (van Bellamv's) poëtische wording en 
ontwikkeling eene zekere bijdrage leveren tot de geschiedenis 
der vaderlandsche Dichtkunst zelve". Van der Palm is de 
eerste te onzent, die beseft „dat het woord Letterkunde een 
zeer onbepaald denkbeeld uitdrukt" en die een zwakke poging 
doet tot afgrenzing van het begrip, door dat woord aange- 
duid (1828). 

Ondertusschen hadden sommigen reeds beproefd een werk 
te leveren, dat eenigszins lijkt op hetgeen wij een geschiedenis 
der Nederlandsche letterkunde noemen. Een der eersten was 
Bilderdijks vriend, Jeroxlmo de Vries. In zijn Antwoord 
op de vraag: welke zijn de vorderingen , welke is de verachtering 
der Nederduitsche dichtkunde , gedurende de achttiende eeuw, 
in vergelijking van vroegere tijdperken (1804) behandelde hij - 
het kenschetst de toenmalige waardeering van proza en poëzie — 
slechts de dichtkunst; maar hij deed dat op verdienstelijke wijze 
en toonde in de behandeling zijner stof niet alleen ruimte van 
blik, maar ook een ontwikkeld gevoel voor poëzie en een 
geoefenden smaak. Veel grootscher taak stelde J. F. Willems 
zich, toen hij zijn Verhandeling over de Nederduytsche Tael- 
en Letterkunde (1819-1824) samenstelde. Eenerzijds is het een 
hooge verdienste van Wille.ms, een poging te hebben aange- 
wend om de ontwikkeling van taal en literatuur in hun samenhang 
te beschrijven; anderzijds moesten zijne krachten bij de ver- 
vulling eener zoo zware taak noodwendig te kort schieten en 
is zijn werk door den voortgang der wetenschap veel verder 
ten achteren geraakt dan dat van De Vries. Een opmerkelijk 
geschrift was De Clercq's vroeger genoemde Verhandeling 
over den invloed der vreemde letterkunde op de onze (1821 -'24): 
opmerkelijk als antwoord op de door het Kon. Ned. Instituut 



376 

gestelde vraag, die hier voor het eerst - hoe gebrekkig dan 
ook — behandeld werd; opmerkehjk ook, omdat zij eigenhjk 
een geschiedenis der Nederlandsche letterkunde bevat, waarin 
telkens het oog gericht wordt op de buitenlandsche literatuur. 
Een vlot geschreven, aardig boekje, verdienstelijk voor dien 
tijd, gaf Van 's Gravenweert in zijn Essai sur IHistoire de 
la Littératiire Neerlandaise (1830). 

Wij noemen hier lang niet alles: wij zouden nog kunnen 
spreken over dergelijke werken of werkjes van Van Kampen, 
SiEGENBEEK, VisscHER, Lauts; over Bowring's Sketch of 
the langiiage and literature of Holland {\d>2^); Van Cappelle's 
Bijdragen, Collot d'Escury's Holland' s roem in kunsten en 
wetenschappen (1824 -'44), Witsen Geysbeek's Biographisch, 
anthologisch , kritisch Woordenboek der Nederlandsche Dichters 
(1821 -'27). Niet hier echter is het de plaats over al deze 
werken uitvoerig te handelen; en dat te meer, omdat zij slechts 
historische beteekenis hebben; alle immers zijn in de schaduw 
gesteld door het werk, dat de tijdgenooten en jongere tijdge- 
nooten van Potgieter en Bakhuizen, van Beets, Kneppelhout 
en Toussaint op dit veld van wetenschap hebben geleverd. 



II. 



De letterkundige critiek dier jongeren begint zich te doen 
hooren ongeveer terzelfder tijd , waarop hun eerste gedichten 
en prozastukken verschenen; min of meer aarzelend in De 
Vriend des Vaderlands , beslister in De Gids en De Spectator, 
wier critiek overeenkomst naast verschil toont. Er is, behalve 
in deze tijdschriften, toentertijd ook ander critisch werk gele- 
verd, dat in een Geschiedenis der letterkundige critiek vermeld 
zou moeten worden. Zoo treffen ons in het Voorbericht van 
De Kardinaal, Hertog van Richelicu (1834) een opmerking 



377 

over het veld winnen der Aesthetica en de uitroep: »\Vat 
beteekent eene beoordeeling die alleen te kennen geeft, dat 
het beoordeelde den beoordeelaar niet of al gevallig is geweest!" 
Niet zonder beteekenis ook is in Van Abcouw's Man naar 
de Wereld (1834) de ironische Opdracht aan het Publiek, 
waarin de auteur den spot drijft met publieks onbestendigheid, 
partijdigheid, onzelfstandigheid en verdere ongunstige eigen- 
schappen. Van dien aard zou meer te noemen zijn , doch wij 
moeten ons beperken tot een blik op de drie genoemde 
tijdschriften. 

Bladerend in de jaargangen van De Vriend des Vaderlands , 
die De Gids voorafgaan, bemerken wij al spoedig dat de 
Redacteurs de Romantiek zijn toegedaan: ;,de Romantische 
Muze" lezen wij in een beoordeeling van Van der Hoop's 
Willem Teil (1833), „is geene dochter der willekeur, maar der 
bevalligheid en van het gevoel." Echter hebben zij zich daarom 
niet van de klassieken afgewend: „de grondtrekken van haar 
wezen moeten met die van hare oudere zuster overeenkomen"; 
in het klassicisme zien zij zelfs een voorbehoed- of genees- 
middel tegen de uitspattingen der Romantiek: „in eene eeuw, 
waarin de zucht tot oorspronkelijkheid en zelfontwikkeling zoo 
zeer veld wint, waarin de romantiek ieder aanmoedigt om de 

monsters zijner fantasie als in een beestenperk los te 

laten, waarin de ongetwijfeld voortreffelijke Shakespeare al 
te uitsluitend de afgod des geslachts schijnt te moeten worden , 
kunnen klassieke herinneringen niet dan heilzaam zijn" (Naar 
aanleiding van Bilderdijk's Muis- en Kikvorsch-Krijg 1833). 
GOETHE heeft hun blik verruimd; van hem nemen zij met 
instemming dit „innig waar woord" over: „Ein jedes Kunst- 
werk, wenn es gut ist, wird moralische Folgen haben , aber 
moralische Zwecke von dem Künstler fordern, heisst ihm sein 
Handwerk verderben" (aO 1834). Zoo konden zij er toe komen , 



378 

•den „talentvollen" Victor Hugo te verdedigen tegen Sloet 
TOT Oldhuis, die dezen in zijn Poëzij een «pseudo romantiker" 
had genoemd (IX, 623 vlgg. c. 1835). Hier en daar stelt De 
Vriend des Vaderlands zich tegenover andere critische tijd- 
schriften: zekere Aletophilus polemizeert tegen de Vader- 
landsche Letteroefeningen (Vill, 265. 1834); in 1836 spreken 
-de Redacteurs van „zes, zeven coteriën, die tegen elkander in 
het harnas staan, en bij wier mishandeling de roem onzer 
grootste mannen lijdt"; van „de vuile animositeiten, oneerlijk- 
heden, hatelijkheden en vuile toespelingen, die onze Recen- 
serende Tijdschriften schier op iedere bladzijde bevlekken" 
{X, 389). In hun kritiek der werken van ouderen en jongeren 
toonen zij wel eenige zelfstandigheid, maar zij hebben wat al 
te veel ontzag voor de publieke opinie; hun smaak staat na- 
tuurlijk onder den invloed van toen heerschende opvattingen. 
Sommige werken der ouderen keuren zij onvoorwaardelijk af: 
Van Halmael's Peter de Groote, dat „een koud, middelmatig 
treurspel" wordt genoemd; Siffle's Filips van Egniond wordt 
geducht onder handen genomen (Vil, 451). In Withuys' 
Gedichten echter erkennen zij „diep gevoel, waarachtig genie, 
kracht van verbeeldmg" enz., al spreken zij ook openhartig 
hun bezwaren uit: op het werk van H. H. Klyn maken zij 
wel aanmerkingen, zacht van vorm, maar zij erkennen toch, 
dat de jongere auteurs „op een hagchelijker weg" zijn dan hij 
en wenschen, dat hij hun „met bezadigdheid blijve voorgaan". 
Borger's Dichterlijke Nalatenschap beoordeelen achten zij zelfs 
onnoodig, „want de meeste stukken zijn door de goedkeuring 
des publieks voorlang geijkt". Dat leek toch niet veel op leiding 
van het publiek! 

Met het werk der jongeren zijn zij over het algemeen inge- 
nomen; echter niet onvoorwaardelijk. Zoo vinden zij in Van 
der Hoop's Slot van IJsselmonde goede poëzie naast berijmd 



379 

proza; diezelfde auteur wordt geprezen om het bevallige en 
schitterende in zijn Willem Teil, maar krijgt tevens harde 
waarheden te hooren. Van Lennep's Pleegzoon wordt onder- 
worpen aan een degelijke en uitvoerige critiek (VII, 584), zooals 
wij ons herinneren, het werk van Drost en zijne vrienden: 
de Fransche historische roman wordt tegenover den Duitschen 
gesteld, en aangewezen dat Van Lennep „de deugden en 
gebreken van de eerste soort" heeft, o. a. veel actie, levendig- 
heid, belangrijkheid, een bont tooneel van gevoel en avon- 
tuurlijkheid; des auteurs „rijke vindingskracht", de kleur en 
het effect van zijn werk worden geprezen, maar afgekeurd zijn 
neiging tot het burleske en zijn ondiepe, weinig oorspronke- 
lijke karakteristiek. Potgieter's Het Noorden moest hen door 
zijne stof wel aantrekken; immers ook in De Vriend des 
Vaderlands vindt men dien afkeer van het ontzenuwend Zuiden , 
dien wij vroeger in Potgieter en Beets aanwezen (VllI, 63. 
1834); toch schijnt hun lof ons karig, waar zij slechts „iets 
oorspronkelijks in zijne wijze van schrijven" erkennen. Een en 
al bewondering, verrukking soms, zijn zij over het werk van 
Beets, over zijn José (VIll, 905 en IX, 1); zijn Maskerade 
{IX, 361) en zijn Kuser (IX, 921). Hier stellen zij zich ook 
tegenover de minder ontwikkelde lezers, die niet zoo op de 
hoogte zijn als zij zelf: wie „naauwelijks met de groote voor- 
beelden der Duitschers en Engelschen bekend zijn, zullen er 
weinig voldoening in vinden; zij zullen de uitdrukking van 
poëtisch vuur en mannelijke kracht, het breidelloos voorthollen 
der Muze van een excentrisch genie noemen". Een dergelijke 
houding nemen zij aan in de beoordeeling van Beets' 
Masquerade: „een welmeenend Vaderlander" zal dat stuk 
„een laf, ongerijmd prul" noemen; doch daarom moet men 
hem nog niet in zijn gezicht uitlachen; immers die man kent 
Cats en Luiken van buiten, maar van de Engelsche literatuur 



380 

alleen Bunyan; zijn veroordeelend vonnis komt dan ook niet 
voort uit „Antiromantismus of afkeer van den Hnmoristischen 
stijl, hij is maar wat achterlijk". 

Tot de bovenvermelde beoordeeling van De Pleegzoon had 
Potgieter slechts het zijne bijgedragen; maar ook als zelf- 
standig criticus werkte hij aan De Vriend des Vaderlands mede. 
Uit eenige beoordeelingen in dat tijdschrift, in De Muzen en 
De Gids kunnen wij hem als criticus leeren kennen. Zijn op- 
vatting en vervulling van de taak der critiek hangen natuurlijk 
nauw samen met zijn opvatting van het wezen der literatuur 
zelve. Daarom wijzen wij hier al dadelijk op deze omschrijving 
van poëzie in zijn opstel over Loots: «Poëzij waar- 
achtige poëzij is levendige, onwillekeurige, hartstogtelijke uit- 
stortmg des gemoeds"; een omschrijving, waarin wij het aandeel 
der verbeelding missen. Daarnaast op deze kenschetsende plaats 
uit zijn studie over Guy de Vlaming (1837): „wat kwaad steekt 
er in, dat wij aan karakterstudie en zielkennis winnen, wat wij 
in bevalligheid verliezen?" Aanvankelijk wordt Potgieter's 
houding als literair kunstenaar tegenover het leven ten deele 
beheerscht door zijn gematigd-orthodox geloof. „Christelijke 
kunst" is het ideaal, waarop hij wijst in zijn studie over Fre- 
derike Bremer (1842); „onze beeldende kunsten, onze nuiziek, 
onze poëzij klagen ons om strijd aan ; overal schemert nog het 
heidendom door". Van dat standpunt veroordeelt hij de roman- 
tische „idealisering van booswichten en boeven"; Byron als 
„het vernuft, dat van de duistere hoogte van Cliilde Harold 
tot de vieze laagte van Donjiian afdaalde"; mist hij in Goethe 
den „ootmoed die van Socrates tot Christus brengt". Hij 
laakt het onnatuurlijke van sommige deelen der Neven (1838); 
maar de natuurlijkheid van het realisme wordt hem licht te 
kras: De Leidsche Peuëraar van Beets vindt hij „afzigtelijk"^ 



381 

{Kop. des dag. Levens 1841). Opbouw van het volkskarakter 
moest, volgens Potgieter, de taak der literatuur zijn - op- 
bouw van de literatuur de taak der critiek. Vandaar, dat hij met 
instemming Goethe's woord aanhaalt: „geene on\ruchtbaarder 
kritiek dan de kritiek van het slechte"; die opvatting strookte 
bovendien geheel met zijn eigen humanen aard. Ook Geel's 
critiek, die hij hoog stelde en meermalen met instemming en 
bewondering vermeldt {Krif. Stad. \, 246, 350), moet invloed 
op de zijne geoefend hebben. De omgang met Drost en 
Bakhuizen van den Brink mag zeker niet vergeten worden 
onder de krachten, die hebben medegewerkt tot Potgieter's 
vorming als criticus. 

Zoo hooren wij hem dan in zijne s{\id\Q Jacob van tieemskerck 

(184Q) de taak der critiek aldus samenvatten: „kritiek 

waarbij de kunst winnen kan". Acht jaar vroeger had hij den 
hoofdpersoon in zijn novellistische schets /4/^f/f zijn eigen ideaal 
van critiek tegenover de heerschende doen stellen in deze pas- 
sage: »lk stelde mij eene opscherpende, ontwikkelende critiek 
voor - het volslagen contrast der onze, die geen hooger denk- 
beeld van eene geschiedenis onzer letterkunde en onzer poëzij 
heeft, dan eene bloemlezing van die stukken, welke zij het 
fraaist vindt." Tegenover die heerschende critiek stelde hij zich 
ook, toen hij in een studie over Andersen (1840) protesteerde 
tegen een kleingeestige opmerking der Vaderl. Letteroefeningen 
over auteurs, die reis-schetsen uitgeven; toen hij in het fraaie 
stuk over Huygens Cluys-Werck (1842) zich met kracht kantte 
tegen de ;, ondegelijke, onverstandige, onware beschouwing van 
den pligt der kritiek", die steeds de persoonlijkheid van den 
auteur in de beoordeeling van diens werk mengt. 

Niet schrijvend dan na grondig onderzoek, haalt Potgieter 
doorgaans veel aan, telkens met een kort inleidend woord of 
een uiteenzetting van de redenen die hem bewegen tot loven 



382 

of laken. Zijn verlangen om optebouwen doet hem meermalen — 
evenals reeds in de beoordeeling van Galama - zijn eigen 
opvatting tegenover die des Schrijvers plaatsen, zijn sterke sub- 
jectiviteit brengt hem niet zelden tot polemiek met den auteur, 
zijn romantisch zich-laten-gaan tot uitweidingen. Tengevolge 
van dat alles krijgen zijne beoordeelingen soms een bedenkelijken 
omvang: wij vinden er, die 50, 80, ja meer dan 100 bladzijden 
tellen. Aanvankelijk staat hij onder den invloed van den heer- 
schenden smaak: in 1835 noemt hij Tollens' Gevallen Meisje 
„een heerlijk meesterstukje" {Schoone Kunsten); hij bewondert 
in LooTS allerlei klinkklank; nog in 1849 zijn Tollens, 
BoGAERS en Meyer „meesters" voor hem; de Overwintering 
op Nova-Zembla doet hem huiveren - „voor eene natuur die 
geen moeder meer heeten mag" - en bewonderen; hij haalt 
„de schoone verzen ' aan met het - nu maar al te bekende - 
slot: „Hier houdt de spreker stil: hij snikt; hij kan niet meer". 
Anderzijds ziet hij wel, dat Feitm en Bilderdijk „niet geheel 
vrij te pleiten zijn" van het zwak om „meer gevoelens van 
eenen dichter dan gedichten zelve" te geven; dat Helmers 
beter burger dan dichter en zijn leiding voor Loots „meer 
dan eenig andere gevaarlijk" is geweest; hij was de eerste, die 
Staring in zijn volle waarde heeft erkend en door zijne studie 
van 1837 -'8 aan anderen doen kennen. 

Beter echter dan in zijn oordeel over de ouderen komt 
Potgieter's critiek uit in zijn houding tegenover de jongeren. 
In de literatuur zijner tijdgenooten het echte van het onechte 
en het wezenlijke van het bijkomstige scheiden, voorgevoelen 
wat zal blijven leven , hetzij langer of korter tijd , is het moei- 
lijkste deel van de letterkundige critiek; is tevens de toetssteen, 
die ons het allooi dier critiek doet kennen. Toetst men Potgieter's 
critiek aan dezen eisch, dan doorstaat zij de proef wel. Ja, hij heeft 
Beets' Byroniaansche poëzie mede bewonderd en Hasebroek 



383 

als dichter hooger lof gegeven dan de meeste bevoegden nu 
zullen doen. Maar al deert het hem Ten Kate aan het hoofd 
der „Don Quixotische navolgers van Bilderdijk" te zien ^ 
hij spreekt niettemin van „den begaafden Ten Kate" {HolL 
Polit. Poëzy 1848); ondanks velerlei aanmerkingen op de Camera 
Obscura heeft hij de groote waarde en de levenskracht van dat 
boek erkend; den schrijver van De Pastorie van Mastland 
gehuldigd; Klikspaan's werk bewonderd; in Toussaint's 
Graaf van Devonshire de „veelbelovende bloesems" gezien van 
een talent, dat nog „heerlijke vruchten" beloofde. Onder den 
invloed van zijn tijd, schaart hij zich in 1S3S onderde „opregte 
vereerders der veelzijdige talenten van den heer Van Lennep"; 
hij roemt hem zelfs als „onzen bevalligen legendendichter"; 
maar die populariteit maakt hem niet blind voor hetgeen Van 
Lennep ontbrak; hij voorzag toen reeds, dat deze populariteit 
niet duurzaam zou zijn. In 1845 schrijft hij zelfs in een brief 
aan Bakhuizen, dat Van Lennep's laatste verhalen „onleesbaar 
slecht" zijn. De groote opgang, dien Ter Haar's Sint Paiilus- 
Rots maakte, weerhoudt hem niet van een scherp maar billijk 
oordeel , dat door het nageslacht grootendeels is aanvaard. 

Erkend dient, dat deze criticus meer dan eens overvroeg; 
zijne beoordeelingen en critische studiën lezend, wordt men 
wel eens aan Huet's woord „eeuwige bediller" herinnerd; niet 
zelden is hij zwaar op de hand; doch overal leverde hij degelijke, 
eerlijke, leerzame critiek, die achting afdwong en leiding gaf, 
van welker vonnis — vooral waar het tijdgenooten gold - 
het latere geslacht maar zelden in hooger beroep gekomen is. 

Potgieters critiek toont eenige overeenkomst met die van 
zijn vriend en medestander Bakhuizen yan den Brink, doch 
meer verschil. Naar aanleiding van Potgieters beschouwingen 
in de schets Albert schreef Van den Brink eenige „brieven. 



384 

aan Albert" onder den titel Personeel en Profaan {De Gids 1841), 
die ons zijn opvatting van critiek doen kennen. Wij vinden 
hier ten eerste - en daar is overeenkomst met Potgieter - 
een geestige verdediging van het recht der persoonlijkheid in 
critiek en polemiek, een verweer tegen de beschuldiging van 
betweterij , een getuigenis van het streven der Gidsredactie naar 
het betere in kunst en wetenschap, een aanwijzing van het 
persoonlijk element in de geschiedenis der literatuur, een pleidooi 
voor het vrije woord. Evenmin als Potgieter kon Van den 
Brink zich vergenoegen met de ondergeschikte rol van literair 
verslaggever, die een auteur nagaat op diens wegen, met hem 
instemmend of hem weerleggend , lovend of lakend - zooals 
de ouderwetsche critiek placht te doen. Evenals zijn mede- 
redacteur brengt hij doorgaans eigen opvattingen en denkbeelden 
te berde of neemt hij den auteur de pen uit de hand om hem 
te toonen, hoe hij het werk gedaan zou hebben. Duidelijk 
hebben wij dat reeds gezien in het schitterend stuk over 
Hemsterhuis in De Muzen, vanzelf gegroeid uit de aankon- 
diging eener lofrede op dien wijsgeer. Een ander staaltje dier 
eigenaardigheid van Bakhuizen als criticus levert ons het 
mooie stuk over De Verzoeking van den H. Antonius: het 
bevat voortreffelijke bladzijden ter toelichting van Sluyter's 
gravure; doch meer plaats is gewijd aan een door den schrijver 
ontworpen historisch-romantisch beeld uit het leven van David 
Teniers, in verband met diens schilderij van bovengenoemden 
heilige. Evenals Potgieter heeft Van den Brink er pleizier 
in, zich soms voortedoen als een oud man; getuige hetgeen 
hij onder den schuilnaam Bonifacius over ons toenmalig 
tooneel schreef. 

Maar al hielden zij in menig opzicht denzelfden koers, 
het waren vogels van diverse pluimage. Potgieter was een 
kunstenaar met wetenschappelijke, vooral literair-historische, 



385 

neigingen ; Bakhuizen een geleerde met kunstenaarsbloed. Zij 
hadden gemeen wat kunst en wetenschap gemeen hebben: 
belangelooze toewijding aan het onderzoek en de uitbeelding 
van het leven in verleden en heden; maar in Potgieter over- 
woog de fantazie, in Van den Brink het onderzoek. Potgieter 
verwijlde liefst bij het individueel-menschelijke in den onuit- 
puttelijken rijkdom zijner samenstellingen en verbindingen; 
Van den Brink's geest werd aangetrokken vooral door het 
algemeen-menschelijke en de oorzaken der dingen. Voor den 
dichter was de schoonheid, voor den wijsgeerigen historicus 
de waarheid het hoogste. Een orthodox-godsdienstige opvoeding 
had geen van beiden weerhouden , zich later bij de vrijzinnigen 
aantesluiten ; maar de verstandelijk aangelegde Van den Brink 
schijnt, na zijn wilde Leidsche jaren, van zijn vroeger geloof 
slechts of vooral het zedelijk element te hebben behouden; 
Potgieter, met zijn sterker behoefte aan godsdienstig leven, 
heeft zich nooit geheel los kunnen maken van het geloof zijner 
jongelingsjaren. Zoo moesten zij wel een verschillende houding 
aannemen tegenover de beginselen en de school van Bilderdijk: 
de forsche, strijdlustige Van den Brink zet zich schrap tegen 
beide; de zachter gestemde Potgieter kan niet vergeten, wat 
Bilderdijk voor onze literatuur gedaan had, wat Da Costa 
voor haar deed. Van den Brink's scherpe recensie van Ten 
Kate's Zangen des Tijds, al is zij ongeteekend, draagt zijn 
merk; een uitdrukking als „kinderachtig geschreeuw tegen den 
tijd" zou niet licht aan Potgieter's pen zijn ontsnapt. Over 
het algemeen is Van den Brink beslister in zijn oordeel , 
krasser in zijn uitspraken dan zijn vriend; een beoordeeling 
als die van De Vries' Warenar zou Potgieter, ook al had 
hij de daartoe noodige kennis bezeten, nooit hebben geschreven. 
Zuiver literaire critiek, zooals Potgieter ze gaf, heeft Van 

den Brink slechts een enkelen keer geleverd; en dan nog op 
kalf F, Letterkunde, VII. 25 



386 

een veld, grenzend aan dat zijner voornaamste werkzaamheid: 
de historie. Wij hebben het oog op zijn scherpe, doch overal 
waardige, voortreffelijke critiek van De Roos van Dekama: 
hoe goed zijn hier de vereischten ter bereiking van het ideaal 
des historischen romans omschreven; hoe rechtvaardig en juist 
is de waardeering van Van Lennep's talent als verteller, de 
aanwijzing van wat hem ontbrak; hoe treft de criticus de roos met 
zijn opmerking over de figuur van den Hollandschen ambtman 
Claes Gerritsz. Hooger nog staat zijn beoordeeling van 
Geel's Onderzoek en Phantasie, een stuk dat Bakhuizen 
toont als geestvervv^ant van Geel in diens ruimen blik, groote 
opvatting, leukheid en Socratische manier. Op uitnemende wijze 
is hier het suggestief karakter van Geel's werk gevat en in 
het licht gesteld; Geel's beschouwing van klassiek en romantiek 
aangevuld; hem een hulde gebracht, die te hooger waarde 
heeft, daar de jongere den oudere wel op een zwakke stee in 
zijn werk durft wijzen. 

Een meesterstuk van literair-historisch onderzoek en fantazie 
eindelijk gaf Van den Brink in zijn beroemd opstel Vondel 
met roskam en rommelpot. Beschikkend over een zeldzamen 
rijkdom van algemeene en bijzondere kennis, heeft de 27-jarige 
hier een tafereel van in de literatuur weerspiegeld historisch 
leven ontworpen met een breedheid van opvatting, uitgewerkt 
met een stoutheid en vernuft, die bij ons nog niet gezien waren. 
Bevallig, fijn, afgewerkt - die eigenschappen kenmerken Van 
DEN Brink's opstellen zoo min als zijn persoonlijkheid ze 
toonde; maar forsch en breed en stout als geen ander dergelijk 
Nederlandsch werk; geen stukken van Van Dyck maar van 
Frans Hals. 

Een eigen plaats onder de poëtiek en critiek der jongeren 
wordt ingenomen door De Spectator van Tooneel , Concerten 



387 

en Tentoonstellingen, die door Alberdingk THijAi en een paar 
zijner geloofsgenooten van 1S43 tot 1847 werd uitgegeven. De 
bedoeling der redacteurs was aanvankelijk, zich te beperken 
tot het tooneel, omdat zij dachten dat De Gids wel voor de 
literatuur zou zorgen. Spoedig echter hebben zij de wenschelijk- 
heid ingezien, ook hier hun beginselen te verbreiden en te 
handhaven. Zoo vinden wij hier dan tal van mededeelingen en 
uitingen over het toenmalig drama en tooneel, over het repertoire 
van den Stads-Schouwburg en dat der bijtooneelen, over hel 
algemeen gebrek aan smaak, „het reeds zoo dikwijls belachen 
mosschengeschetter van dezelve, dezelve," de tooneelspelers en 
de tooneeispeelkunst van toen, de buitenlandsche dramatiek enz.; 
daarnaast vinden wij critiek dei" overige literatuur. 

De Spectator miste in het letterkundig leven van dien tijd 
een » onpartijdige, vrijmoedige tooneelcritiek". \Vat het Handels- 
blad van dien aard gaf: »in een klein hoekje een paar woorden", 
kon hun niet voldoen; zelfs staken zij er den draak mede; zoo 
gaven zij een bloemlezing van critische termen, die in het 
Handelsblad als loopers dienst deden en een stel «raadgevingen 
voor jeugdige critici" in den geest van dat dagblad. Ook elders 
zien wij hen zich kanten tegen het bestaande: zij beseffen 
„waartoe de genootschappelijke aanbidding van de vorige eeuw 
door heel Europa geleid heeft"; zij zijn niet van zins zich te 
onthouden van critiek „dewijl men elkander kent, dewijl men 
met elkander bevriend is"; in een paar aardige schetsjes, ge- 
titeld Kunstkenners, die ons aan Klikspaan doen denken ;. 
wordt een aanhanger van het oude tegenover een voorstander 
van het nieuwe gesteld (II, 140; \', 145). 

In menig opzicht trekken de Spectator-rédacteurs één lijn 

met de overige jongeren: telkens wordt met instemming gewag 

gemaakt van De Gids; achten zij Potgieter's Met Noorden 

ook „raar", zijn Pennelikker lezen zij voor de derde maal; 

25* 



388 

omgekeerd schrijft Potgieter in 1845 aan Vax den Brink: 
„Als er gelegenheid was, zond ik u de Spectator eens; daar 
is Roomsch-Catholijk talent in, maar toch talent!" Zij vinden de 
Camera Obscura „allemachtig natuurlijk"; Ten Kx'^'e's Ahasveriis 
„fameus mooi"; Klikspaan en Braga hebben hunne sympathie; 
in Braga's geest is een passage uit een Japansche onomatopoi- 
oumenische epopee, blijkbaar tegen Van Lennep's Hoe loopt 
de Dasse door het hol van Neander gericht; zij bewonderen 
Byron in een Fransche vertaling. 

Echter, indien zij aan den kant der jongeren staan , zij hebben 
er hun eigen plaats. Dat blijkt, waar zij tegenover Potgieter 
niet alleen het nationaal gevoel, maar ook het algemeen-men- 
schelijke in den mensch als domein der fraaie letteren wenschen; 
meer nog waar Potgieter in zijn Rijks-Museum de kunst der 
Oudheid en die van het Zuiden wil verlaten voor natuur, vader- 
land, vrijheid, „het hoogste, waarvoor ons harte blaakt, uit- 
gezonderd het goddelijke, waarvan wij geene afbeeldsels dulden". 
Daar zien wij de kloof, die De Spectator scheidde van De Qids. 
Potgieter had geschreven: „den zoon van het zuiden eene 
kunst, die zijne eeredienst schoort, die zijne zinnen in prikkels 
van godsdienstig gevoel verkeert, ontvankelijk als het volwassen 
kind levenslang voor de eerste blijft". Die voorstelling kon een 
goed R. Katholiek niet behagen. In allen gevalle zullen wij aan 
het R. Katholicisme van De Spectator moeten toeschrijven, dat 
hij zich zooveel sterker getrokken voelde tot de middeleeuwen 
dan De Gids, er zooveel meer in zag dan Van Lennep, Beets 
en andere jongeren. Voor de Spectator-rédacteurs vertegen- 
woordigen de middeleeuwen „behalven de geschiedenis, be- 
halven den blik in het filozofische der tijds-ontwikkeling, in 
de charakters van personen en zaken, in het pittoreske dier 
eeuwen - vierhonderd jaren langer bestaan voor (onze) taal, 
vierhonderd jaren monumentaal volksleven, kunst en literatuur"; 



389 

bovendien zagen zij er voor „den dichter, den kunstenaar een 
reeks van belangrijke voorwerpen te meer" in. 

Met Ten Kate in de aanteekeningen op Hollands Muze 
keeren zij zich tegen den invloed dier buitenlandsche dichters, 
door wie zij hun Christendom bedreigd achten: tegen Schiller, 
die in de plaats van „den eenigen en oneindigen God" een 
„Idee-God, een onding" stelde; tegen Goethe, die „geen 
innige overtuiging, geen stellig beginsel" had; tegen Heine 
met zijn vuil cynisme; de werken der nieuwere Engelsche 
poëzie lAvaaruit u het gemor en de lastertaal der hel tegen- 
schreeuwen"; La.martlxe, wiens poëzie haar wortel niet had 
in een kinderlijk gelooven. Uit hun Roomsch-Katholicisme 
vloeide mede hun voorstelling der Romantiek voort; immers 
zij verklaren haar als „geboren uit een gevoel van weemoed 
en verlatenheid, nadat men eerst zooveel goeds en schoons 
(in het geloof nl.) baldadig had vernield". Bij hun Bilderdijksch 
convervatisme paste eerbied voor het klassieke; in een stuk 
over Klassiek en Romantiek (\T, 133) van het jaar 1847 vinden 
wij de tegenstelling tusschen beide uiteengezet, al blijft deze 
behandeling der vraag ver beneden die van Geel. Hunne 
klassieke neigingen maken begrijpelijk, dat zij niet alleen 
BiLDERDijKS treurspelen „hoogelijk waardeeren", maar zelfs die 
van Jan de Marre, Vax Walré, Van Wlnter en „zijne 
begaafde gade"; dat Wiselius' Dood van Karet voor hen 
Schiller's Don Cartos evenaart; dat Macbetli in hun oog 
„wemelt van onnoemelijke gebreken". Het kan niet bevreemden, 
dat zij weinig ingenomenheid toonen met het realisme of natu- 
ralisme der Romantiek: de manier «om de Natuur tot dadelijk 
model te nemen, en dan haar bot gekopieerd evenbeeld een 
kunststuk te noemen". Zij hebben „niets tegen natuur op het 
tooneel"; maar dan moet het geen natuur zijn „die men zoo 
uit het dagelijksch leven, uit de kazerne, uit de keuken, uit 



390 



de receptiezaal, van Leidsche plein of Buitencingeis met zich 
brengt" doch eene „die men deeUjen voor deeltjen uit de 
waereld opvangt, zuivert, polijst, samenstelt en tot kunst ver- 
vormt". Dat was idealisme tegenover realisme 9). 



6. Literatuur en tooneel in vlaamsch-belgië. 

HET eerste geslacht TOT 1848. 

In het voorgaande deel dezer Geschiedenis (V^l, 504-5) 
hebben wij een eerste openbaring van oplevend zelfgevoel bij 
het Vlaamsche volk aangewezen. Maar na Verloo's Verhan- 
deling op d' onacht der moederlyke tael (1788), eenzaam uit- 
schietend, snel gedoofd, vlammetje, wordt het weer nacht over 
Vlaanderen : voor de zooveelste maal doen deze ongelukkige 
landen dienst als slagveld van Europa. Het vuur dat zich even 
vertoond had , bleef echter gloeien onder de asch ; de vrede 
en de vijftienjarige vereeniging met Noord-Nederland deden 
het opnieuw ontvlammen. Het Nederlandsch wordt tot eere 
gebracht door Willem I, die aan elk der drie Belgische hooge- 
scholen een leerstoel voor het onderwijs in die taal stichtte. 
ScHRAXT, vroeger pastoor te Bovenkarspel (N. H.), werkte te 
Gent en vormde er o. a. Blommaert en Prudens van Duyse; 
VisscHER te Leuven, waar hij C. P. Serrure onder zijn leer- 
lingen telde; Kinker wist te Luik zelfs een paar Walen: Pierre 
Lebrocquv en Jottrand voor de zaak van het Nederlandsch 
te winnen. Onafhankelijk van hen, vormde de Brabander Jan 
Frans Willems (1793-1846) zich in stilte tot een degelijk 
kenner en vurig voorstander der Nederlandsche taal en letter- 
kunde. Tegenover de Noordnederlandsche geleerden en de van 
buiten aangebrachte cultuur, vertegenwoordigt de auto-didact 



391 

WILLEMS in dezen tijd de herleving der in het Vlaamsche volk 
zelf sluimerende kracht en aandrift tot hooger ontwikkeling; 
een tegenstelling, die wij ook in de geschiedenis der Vlaamsche 
letterkunde zullen opmerken. 

Voorloopig had die letterkunde weinig te beteekenen. Hoe 
ware dat mogelijk geweest in een land waar de volkstaal , door 
langdurige minachting en verwaarloozing, terneêrlag als weleer 
het gras en de vrucht der Vlaamsche velden, vertrapt en ver- 
treden onder de paardenhoeven van vreemde legerscharen? 
Hier en daar echter begint iets optekomen en zich opterichten. 
Wij hebben het oog op de, in zuivere doch conventioneele 
taal geschreven, verzen der athenaeum-leeraren d'Hulster 
(geb. 1784) en Cracco (geb. 1791); op den burgemeester van 
Kaprijk in Oost-Vlaanderen J. F. de Hoon (geb. 1787), die 
later de schoonvader van den Vlaamschgezinden hoogleeraar 
Heremans zou worden, en eenige hoog-romantische gedichten 
in zuivere taal schreef; wij hebben het oog vooral op Willems, 
dien wij omstreeks 1810 als klerk op het kantoor van een 
notaris te Antwerpen aantreffen. Lid van een taal- en dicht- 
lievend genootschap, door een Hollander te Antwerpen gesticht, 
treedt hij op in ouderwetsche rederijkers-wedstrijden, schrijft 
tooneelstukken en verzen; tot adjunct-archivaris van Antwerpen 
benoemd, breidt hij den kring zijner kennis en zijner kennissen 
uit; hij gaat een Jaarboekje uitgeven, knoopt betrekkingen aan 
met Noordnederlandsche letterkundigen als J'\ de Vries, 
Immerzeel, Bilderdijk, Messchert, Wiselius, Tollens. 
In 1819 eindelijk maakt hij een aanvang met de uitgave zijner 
Verhandeling over de Nederduyfsche iael- en letterkunde, waar- 
van wij vroeger reeds spraken; tegelijk met die Verhandeling 
verscheen zijn gedicht Aen de Belgen, dat de Vlamingen aan- 
spoorde „tot houw en trouw verknocht blijven aan eigen taal 
en landaard". 



392 

Hoe goed R. Katholiek ook, Willems keurde in zijn Ver- 
handeling te veel af in de zestiend'eeuwsche onderdrukkers der 
Nederlandsche vrijheid, toonde te veel waardeering voor Marnix 
en andere anti-Roomsche auteurs, te veel sympathie voor Noord- 
Nederland, dan dat hij geen aanstoot zou hebben gegeven aan 
de Belgische geestelijkheid. Een Mechelsch priester, zekere 
BuELENS, stelde zich dan ook tegen hem te weer. Maar 
Willems liet zich daardoor niet afschrikken; hij ging voort 
op den ingeslagen weg; in 1824 zond hij het tweede stuk 
zijner Verhandeling in het licht. Langzamerhand begon hier 
en daar op den Vlaamschen akker een zaadje optekomen : 
Rens werd in 1827 bekroond in een dichterlijken wedstrijd; 
Prudens van Duyse gaf in 1831 zijn eersten bundel gedichten 
uit; ook een dichteres, Mevrouw Van Ackere- Doolaeghe, 
had omstreeks 1829 -'30 een paar Vlaamsche gedichten ge- 
schreven. Dan komen de opstand en de strijd tegen Noord- 
Nederland dit jong gewas stuiten in zijn eersten groei. 

De vijandelijke verhouding tusschen Noord en Zuid open- 
baarde zich natuurlijk ook in de letterkunde. Wij hebben reeds 
gezien, dat de Noordnederlandsche oorlogspoëzie uit letter- 
kundig oogpunt over het algemeen weinig beteekende; met 
de Zuidnederlandsche stond het niet veel beter. Eenige aan- 
dacht verdienen de vVIaemsche Liedekens op den tyd", die 
onder den titel De diille Griete in 1839 te Gent het licht 
zagen, doch blijkbaar uit de voorafgaande jaren dagteekenen; 
zij verdienen dat op zich zelve en ook omdat hier een leerling 
van Kinker: Pierre Lebrocquy aan het woord is. Aan durf 
ontbrak het dezen dichter niet: de Walen en de priesters, die 
gezamenlijk den opstand van 1830 hadden bewerkt, moeten 
hier menige veer laten; wij hooren klachten over de achteruit- 
zetting van het Hollandsch, den achteruitgang der nijverheid; 



•393 

De Potter en andere leiders van den opstand worden ver- 
wenscht. Echte volksliedjes, ook door het dialect waarin zij 
zijn geschreven , vertoonen zij op meer dan een plaats iets van 
den volkshumor, ook van de ruwheid, die vele onzer oudere 
historische liederen kenmerken; Pierlala, typische Vlaamsche 
figuur, nakomeling dier uzotten", die zoo onbevreesd de waar- 
heid spraken en voor den Vlaamschen volksaard waakten, 
duikt hier weer op uit zijn kist. 

Echter, gevoelens als die van Lebrocquy waren onder het 
Belgische volk schaarsch; de meerderheid des volks en de 
Regeering waren aanvankelijk vijandig gezind tegenover het 
Nederlandsch en zijne voorstanders; Willems ondervond het, 
die van Antwerpen - waar hij ontvanger was geworden - 
verplaatst werd naar het afgelegen Eekloo; Prudens van 
DuYSE achtte het geraden uittewijken naar het Noorden. Lang- 
zamerhand gaan de voorstanders van het Nederlandsch inzien , 
dat het gevaar van verfransching nu eerst recht dreigt; voor- 
loopig beroofd van den steun, dien het Noorden hun bood, 
moeten zij gaan vertrouwen op eigen kracht; eerst nu neemt 
de „Vlaamsche Beweging" een aanvang. 

Had Lebrocquy Pierlala doen verrijzen, Willems grijpt 
als bij instinct naar den ouden Reinaert: in 1834 zond hij een 
nieuwe bewerking van dat oud-nationaal gedenkstuk in het 
licht met een voorrede, die „een rechtstreeksche aanklacht" 
was „tegen het stelsel der Regeering om land en volk te ver- 
franschen". In datzelfde jaar zetten Blommaert en Serrure 
het Vlaamsch tijdschrift Nederduitsche Letteroefeningen op touw 
en laat Maria Doolaeghe (1803 -'84) haar geestdriftigen 
oproep Aen de Belgische Dichters weerklinken. In 1836 worden 
te Brussel, Leuven, Gent, Antwerpen maatschappijen opgericht, 
die brandpunten van Vlaamsche letteren en wetenschap zullen 
worden; het genootschap der „Vlaamsche Bibliophilen' te Gent 



394 

l)egint belangrijke werken der Oudvlaamsche literatuur in her- 
drukken te verbreiden. 

Van nu af, dus tegelijk met den opbloei der literatuur in 
Noord-Nederland, begint de Vlaamsche letterkunde zich ge- 
stadig te ontwikkelen.. Wij onderscheiden er in hoofdzaak twee 
groepen. De eene - met Gent tot hoofdkwartier, Leuven en 
Brussel als bijkampen - bevat meerendeels gestudeerde auteurs, 
in wier vorming zich de invloed der klassieken naast dien der 
romantieken vertoont en die in vrij nauwe betrekking staan 
tot de Noordnederlandsche cultuur en literatuur; tot die groep 
behooren Prudens van Duyse, Ledeganck, Rens, Nolet 
DE Brauwere en Blieck; voorts wetenschappelijke letterkun- 
digen als WILLEMS, Blommaert, Snellaert, Serrure. De 
andere groep - met Antwerpen als centrum - telt vooral 
auteurs, die, buiten den invloed der klassieken staande, zich 
aansluiten bij de romantiek en op wie de Noordnederlandsche 
beschaving en letterkunde geringer invloed oefenen dan op de 
auteurs der eerste groep; tot haar behooren Theodoor van 
Ryswyck, Conscience, De Laet en de, iets jongere, Sleeckx 
en Van Kerckhoven. 



I. 



Prudens van Duyse (1804- 185Q). Ledeganck (1805-1847). 
Rens (1805-1874). Blieck (1805-1880). Nolet de Br.w- 
were (1815-1888). 

Gent was en bleef vooreerst een brandpunt der Vlaamsche 
Beweging. Willems, weer in genade aangenomen, was er in 
183^ ontvanger der registratie geworden; voortaan wijdde hij 
al zijn kracht aan het wetenschappelijk onderzoek van het 
volksverleden, aan den strijd voor de rechten der moedertaal; 



395 

met bewonderenswaardiger! ijver en talent geeft hij belangrijke 
historische, taal- en letterkundige gedenkstukken uit, verzamelt 
oude liederen, onderhoudt betrekkingen met Noordnederland- 
sche en andere buitenlandsche geleerden, waakt voor de rechten 
der moedertaal. Naast en met hem werken C. P. Serrure 
(1805-72) als professor der geschiedenis aan de Gentsche 
hoogeschool, Blommaert (1809-71), dokter Snellaert 
(1806-72), die een tijdlang te Utrecht had gestudeerd, en 
anderen. Prudens van Duyse, Ledeganck, Snellaert, 
NoLET DE Brauwere hebben te Gent gestudeerd, de drie 
eersten zijn er ook gepromoveerd; Van Duyse en Snellaert 
bleven er wonen; Rens was er school-opziener. Te Gent was 
de zetel der Vlaamsche Bibliophilen, der maatschappij De Taal 
is gansch het Volk. Zoo was het dan niet vreemd, dat de 
Dendermondenaar Prudens van Duyse, toen hij in 1836 
zich als leeraar aan het athenaeum te Gent vestigde, nieuwe 
kracht en opgewektheid putte uit den omgang met Vlaamsche 
geestverwanten. 

Reeds vóór dien tijd had hij zich doen kennen als een 
overtuigd Vlaamschgezinde, die met groot gemak verzen schreef. 
Dat was gebleken uit De Wanorde en Omwenteling op den 
Vlaemschen Zangberg (1830) , een omvangrijk didactisch-satirisch 
gedicht, dat in Bilderdijkiaansche alexandrijnen een overzicht 
gaf der Vlaamsche poëzie en opwekte tot aansluiting bij de 
Noordnederlandsche letterkunde. In het volgend jaar, tijdens 
zijn ballingschap, gaf hij bij Immerzeel te 's-Gravenhage een 
bundel Gedichten uit, waardoor men hem van een andere zijde 
leert kennen: wij vinden daar een aantal uitermate romantische 
«berijmde verhalen", en romances waarin de sentimentaliteit 
zich krachtig doet gevoelen; in een Lofdicht op de Neder- 
landsche Taal zien wij den invloed, op hem geoefend door 



396 

Helmers, dien hij reeds in bovengenoemd leerdicht gepre- 
zen had. 

De toekomst scheen Van Duyse toen «omneveld en ont- 
moedigend"; hij vreesde, dat „voor een onberekenbaren tijd 
de verdere beoefening, althans de verdere verspreiding der 
vaderlandsche letteren in Zuid-Nederland de bodem ingeslagen" 
was. Terug in zijn vaderstad , schept hij nieuwen moed. Hij 
gaat voort met het bewerken van legenden en sagen , romancen 
en verhalen, ontleend aan de vroegste geschiedenis van 
België, in hoog-romantischen trant, blijk gevend vooral van 
van een buitengewone vaardigheid in het aanwenden van allerlei 
metra en rhythmen. Een deel dier verhalen is te vinden in de 
drie deelen Vaderlandsche Poëzy , welke in 1840 te Gent uit- 
kwamen; andere in Het Klaverblad, een bundel, die in 1848 
verscheen, maar welks meeste stukken «reeds vóór den jare 
1843 geschreven" waren. Die verhalende poëzie was niet louter 
uit romantisch welbehagen in het verleden ontstaan; zij mikte 
hooger: de letterkunde moest, naar Van Duyse's meening, 
evenals de zedeleer, zich „de maetschappelijke zelfontwikkeling 
van vrije wezens" voorstellen en „bekrompene denkbeelden 
bestrijden"; in de poëzie zag hij een „onverjaerbaer volksbe- 
schavingsmiddel". Niet alleen Vlamingen, ook menschen wil 
hij blijkbaar helpen vormen. Echter blijft hij warm belang 
stellen in de Vlaamsche Beweging; dat getuigen vaderlandsche 
of chauvinistische stukken als De Vlaemsche Boer, de Neder- 
duitsche Tael, Waterloo , Verbroedering met Duitschland en 
tal van andere, die hier niet zijn opgenomen. 

Vele dier stukken zijn echte gelegenheidsdichten; gebeurde er 
iets, dat de Vlaamsche Beweging raakte: een overwinning', een 
nederlaag, een onrecht, een teleurstelling - Van Duyse stond 
klaar om , uit eigen beweging of op verzoek van anderen , het 
feit te bezingen. Hij was daartoe in staat door een virtuositeit. 



397 

welke aan die van Bilderdijk doet denken en waarin hij Ten 
Kate evenaart. Zijn talent was vooral dat van den improvizator. 
In die virtuositeit school gevaar: hij werd licht breedsprakig, 
vreesde geen stoplap, naderde of overschreed meer dan eens 
de grenzen van het alledaagsche. Toch is er in romancen als 
De Non en de Beeldstormers , Hei Kruis van Maestrichi , Sint 
Augustyn en liet Kindeken, Sinte Catharina van Sienen, De 
Eeuwige Jager te Mynendael vrijwat goeds en kunst van ver- 
tellen. In den Voorzang van Het Klaverblad zijn hier en daar 
mooie of goede brokken; zoo b.v. de passage aanvangend: 
„Wat zijt ge, heilig lofgezang"; doch daar en elders ligt hel 
goede verscholen tusschen het minderwaardige. 

Eenigszins anders is het gelegen met Ledeganck, zoon van 
een onderwijzer te Eekloo, die het door onvermoeiden arbeid 
tot vrederechter te Zomergem bracht en stierf als schoolopziener 
te Gent. Zijne eerste stukken bevatten slechts rijmelarij in een 
conventioneele taal, die hij van de Noordnederlandsche dichters 
had geleerd; nadat hij zich ontwikkeld had onder den invloed 
van Schiller, Byron en Lamartine, bleef hij toch in vele 
opzichten die hij was. Een zijner meest bekende stukken Het 
Graf mijner moeder is in die conventioneele taal geschreven; 
dat Ledeganck, trouwe en dankbare zoon, zielsbedroefd is 
geweest, lijdt geen twijfel; maar uit die droefheid is geen 
schoone poëzie geboren. Evenzoo is het met een ander bekend 
gedicht: De Boekweit, ondanks al de romantische afwisseling 
van maat; het gansche stuk loopt uit op een boekweiten- 
pannekoek. Zijn verhalende poëzie, waaronder veel vertaalds, 
{De hut in 't woud, De weduwe en de wees. Het burgslot van 
Zomergem e. a.) bevat vooral romantische akeligheden in den 
trant van Van der Hoop; in De Zinnelooze en De Laster 
vinden wij andere griezeligheden, maar geen poëzie. 



398 

Ledeganck's roem berust vooral op zijne trilogie: De drie 
Zustersteden. Samen vormen die drie gedichten op de drie 
voornaamste Vlaamsche steden: Gent, Brugge, Antwerpen 
inderdaad een geheel, dat getuigt van eenig talent; echter zijn 
de deelen dezer trilogie onderling zeer ongelijk in waarde. In 
den aanvang van Gent trilt iets; doch de aandoening zinkt 
spoedig en uit zich dan in Helmeriaansche loftuitingen. Brugge 
wekte het sterkst den weemoed over verloren grootheid, een 
gevoel dat aanvankelijk een factor van beteekenis was in de 
Vlaamsche Beweging; weemoed in het algemeen was bovendien 
de stemming die het best strookte met Ledeganck's temperament; 
vandaar dat dit middenstuk der trilogie het bestgeslaagde mag 
heeten. Antwerpen , nog een stad van beteekenis en dat zijn vorige 
grootheid ging herkrijgen, kon den weemoed des dichters niet 
wekken; vandaar dat dit stuk het minste der drie geworden is. 

Anders oordeelden des dichters tijdgenooten over deze trilogie: 
zij waren er opgetogen over; bij zijn komst te Antwerpen 
werd hem eens een ware hulde gebracht. Dat was begrijpelijk: 
zulke verzen waren sinds lang niet in Vlaanderen gehoord; 
die verzen gaven weer, wat de Vlamingen liefhadden en haatten, 
wat zij geloofden en hoopten; terecht heeft Max Rooses deze 
trits .;het dichterlijk Evangelie der Vlaamsche Beweging" ge- 
noemd ; ook nu nog zal een X'laming dit stuk met ander hart 
en oog genieten dan een Noordnederlander. Voor ons blijft 
Ledeganck een dichter van eenigen aanleg,- die bij langer 
leven — zijn beste werk was zijn laatste — misschien hooger 
gestegen zou zijn en die verder vooral van beteekenis is om 
hetgeen hij gedaan heeft ter versterking en verbreiding van de 
Vlaamsche Beweging. 

Verscheidene van Ledeganck's gedichten zijn opgedragen 
aan Vlaamsche geestverwanten; daartoe behooren Willems en 



399 

Maria van Ackere- Doolaeghe; ook Rens en Blieck, tot 
wie hij het lijkdicht op zijn vader richtte. 

De Gedichten van den eerstgenoemde, in 1839 te Gent 
uitgegeven, hebben weinig belangrijks: stukken als De Geest- 
verschijning en De Bruid zijn ,;0p de leest van Gleim's 
Liebchen itnd der Geist en Uhland's Des Goldschmieds 
Töchterlein geschoeid"; zijn Dichterlijke Verhalen doen, even 
als die van Ledeganck, aan Van der Hoop denken; een 
vrij groot gedicht in coupletten: De Belgen beminnaers van 
kunsten en wetenschappen aan den invloed van Helmers' 
Hollandsche Natie. 

Frans Joseph Blieck, geboortig van Wervik, notaris van 
zijn ,;Stiel" en vriend van Prudens van Duyse, schreef ver- 
scheidene hoog-romantische balladen ais b.v. De Heilige Dympna, 
het verhaal van „een britsche sceptervoerder", die met zijn 
dochter wil trouwen en haar ten slotte vermoordt. De beste- 
stukken in zijne Mengelpoëzy (1839- '50) zijn die, waarin hij 
zich kant tegen de revolutionnaire stroomingen van het jaar 
1848: Voortgang] Aan Heremans (die hem beticht had van 
»dweepery" en een stilstaander als weleer Bilderdijk genoemd); 
Aen de Eeuw, Iets over het misbruik der vrye drukpers. In 
deze stukken is hier en daar kracht en gang, soms ook niet 
onverdienstelijke ironie; zoo b.v. waar wij in Voortgang lezen: 

Hier bloost het appelken dat moeder Eva nam: 
Plukt, knabbelt en wordt goón ! Hier op dees wilden stam 
Wast vrijheid: grypt maar toe! hoe gulziger genieting, 
Hoe uitgebreider tak. 

De wereldburgery ontwast heur kinderbroek 

En groeit gelyk de boom *) die als een kermiskoek *) het com- 

Zyn vrucht aen alleman naer nooddruft zal bedeelen. mumsme. 



400 

De band met Noord-Nederland, duidelijk te zien bij Van 
DuYSE, Snellaert en Willems, wordt verpersoonlijkt door 
NoLET DE Brauwere VAN STEELAND, Rotterdammer van 
geboorte, doch reeds op zijn tiende jaar ter school gezonden 
naar België. Hij studeerde te Gent , later te Leuven waar hij 
vriendschap sloot met Prof. David , een voorstander der Vlaam- 
sche Beweging; voorts leefde hij uitsluitend voor de literatuur 
te Brussel, waar hij zich in 1844 neerzette en een ijverig lid 
toonde van het Tael- en Letterkundig Genootschap. Van Duyse, 
Snellaert en Blieck behoorden tot zijn vrienden. Aanvan- 
kelijk vergiste Nolet zich in zijn aanleg: hij verwerkte de 
geschiedenis van Ruth tot een verhaal in vers en rijm onder 
den titel Naomi (1840) en vervaardigde een groot episch gedicht, 
dat hij Ambiorix (1841) noemde; in beide zien wij invloed en 
navolging van Bilderdijk en Helmers, maar geen poëzie. 
Beter slaagde hij in het gemoedelijk-boertige; zijn luimige 
verzen en spotdichtjes zijn hier en daar niet onaardig, maar 
doen hem toch niet kennen als een auteur van beteekenis. Ten 
opzichte der nieuwere begrippen toont hij zich een middenman, 
zooals blijkt uit zijn gedicht Vooruitgang; doch een, die diepen 
eerbied en warme sympathie gevoelde voor den Paus. 



II. 



Th. van Rijswijck (1811 -'49). Conscience (1812 -'83). 
Sleeckx (1818-1900). Van Kerckhoven (1818- '57). 

Aanvankelijk had Gent, niet het minst door den grooten 
invloed van Willems, de leiding der Vlaamsche Beweging; 
maar spoedig werd ook Antwerpen een brandpunt van Vlaamsch- 
gezindheid. In de Schelde-stad , waar schilders en dichters 
vanouds m de Kamer der Violieren plachten samentekomen, 



401 

zag men wederom beoefenaars dier beide kunsten samen- 
gaan bij het scheppen eener nieuwe Vlaamsche kunst. In de 
herberg „Het Zwart Paerdeken" kon men ze van tijd tot 
tijd bijeenvinden: jonge schilders met golvende mantels en 
breedgerande flambards als Wappers, Leys, De Braeke- 
LEER; jonge letterkundigen, ten deele door Willems tijdens 
zijn verblijf te Antwerpen gevormd, als Verspreel wen, 
Mertens, De Wolf, Jan de Laet, Theodoor van 
Ryswyck, Hendrik Conscience. Vooral op die twee laatsten 
moeten wij onze aandacht vestigen. 



VAN RYSWYCK. 

Evenals Wille.ms en Ledeganck, maar anders dan Van 

DuvsE. Blieck, Nolet de Brauwere, Serrure, Snellaert, 

Blommaert en anderen, die tot de Gentsche groep behooren, 

kwamen Van Ryswyck en Conscience voort uit de kleine 

burgerij. Van Ryswyck's vader was hulp-onderwijzer, later 

verver: zijn oudste zoon, Theodoor, zocht aanvankelijk den 

kost te verdienen als leerling bij een beeldhouwer, toen bij 

een decoratie-schilder; hij was ondermeester, toen de opstand 

uitbrak en een vrijwilliger van hem maakte. Geen held: zoodra 

hij er achter was gekomen, dat de Hollanders bij Leuven met 

kogels schoten, kreeg hij „kiekenvleesch" op het lijf, ging aan 

den haal en liep door tot Mechelen. Eerbied kan hij zijn 

kameraden bezwaarlijk hebben ingeboezemd, maar allen hielden 

van den vroolijken grappenmaker, die de verzen uit de mouw 

schudde. Geen wonder, dat »den Door" met zijn Uilespiegels- 

facie, van soldaat klerk in de Lommerd geworden, een welkome 

gast was in „Het Zwart Paerdeken". Van zijne 700 francs kon 
KALFF, Letterkunde, Vli. 26 



402 

hij, hoe sober dan ook, althans bestaan; nu gevestigd, gaat 
hij zich als dichter ontwikkelen. 

Aan den invloed der Noordnederlandsche literatuur ontsnapte 
dit Antvverpsch volkskind niet geheel: op wacht tegen de Hol- 
landers, draagt hij een Helmers in zijn ransel; voor Tollens 
heeft hij een warme vereering. .Waar wat hij in XoordneJer- 
landschen trant maakt: romantische verhalen als De oude 
schipper, De weênvraak, Twee Broeders zijn even onbeteekenend 
als het „berijmd verhaal" van langer adem, dat hij Eppenstein 
noemde. Niet daar lag zijn kracht. Dat hijzelf dit ook wel 
besefte, zien wij o. a. in De Wonderworp , waar hij op de 
volgende wijze den spot drijft met de conventioneele dichterlaal : 

Vrouw Ursul's lekke levensbool 

Bereikte tachtig jaren, 
En dobberde aan den mond der Styx 

Om hellewaerts te varen. 

Dit is in 't Neêrduilsch: zij lag krank 
Ter dood toe op haar bedde; 

En riep: „haal mij een priester hier. 
Dat ik mijn zieltje redde!" 

Eenvoud en natuurlijkheid behoorden tot den grond van 
zijn wezen; die eigenschappen zullen hem hebben aangetrokken 
in Tollens, die ook in Béranger van wien hij een paar 
stukjes vertaalde. Evenals Béranger, is hij vooral een politiek 
hekeldichter die zich gaarne uitspreekt in het lied. Stelde Tollens 
zich in Afscheid voor als een speelman met zijn vedel, Van 
Ryswyck teekende zijn eigen beeld in Het Liedje van den 
Liereman. Pal staan in den strijd tegen onrecht en misdrijf, 
het volk „de waarheid te vermelden, waar t zich bedroog", 



403 

hel aansporen «tot vreugde, onderlinge eenstemmigheid en 
vaderlandsHefde" — dat was, wat hij beoogde met zijn /^o//Y/>^^ 
Refereinen en zijn Volksliedjes. Leuzen als «Vlaanderen den 
Leeuw", „Schild en Vriend" klinken er helder op. De Klepper- 
man, De Pelgrim, De Polka, De Franskiljons met hun luimig 
refrein zijn geheel in den trant der oude volksliederen. Naast 
deze politieke poëzie vindt men onder Van Ryswyck's werk 
ook Godgewijde Zangen; maar reeds onder het schrijven wordt 
hij ze moe en fluistert: „Dieu merci, me voila tiré // Pour 
jamais du Dies irae." 

Als volksliederdichter genoot „den Door" een groote popu- 
lariteit; „wanneer men te Antwerpen voor het venster van een 
uitgever las: „Vandaag om .... uren zal hier een lied van 

T. V. R. over verschijnen", stonden de burgers tegen 

het gestelde uur op rij, om het vers te bekomen, en zóó 
werden soms al de afdruksels op staanden voet verkocht." Die 
populariteit was ten volle verdiend: Van Ryswvck leed en 
streed, treurde en jubelde met het volk; wat de Vlamingen 
voelden, wist hij eenvoudig en treffend te uiten, doorgaans 
met die echte luim die de harten des volks wint. Zijn groote 
vaardigheid in het schrijven van verzen heeft hem, evenals 
Van Duyse, niet zelden verleid tot breedsprakigheid; doch 
meer dan eens wordt men getroffen door een eigenaardig 
rhythme, door een gang en een „verve" die niet alledaagsch 
zijn; zoo b.v. in den aanvang van Diogenes: 

Er was voorheen een groote stad 

('k Weet thans haar naam niet meer) 

Waar Diogeen een bleekers vat 

Voor woning had 

Waarin hij soms te schuilen zat 

Bij regenachtig weer. 

26* 



404 
in deze verzen uit zijne Godgewijde Zangen: 

Sla uwe oogen 

Uit den hoogen 

Diep bewogen 
Op ons machteloosheid neer; 

Ja, verwijt ons 

En kastijd ons; 

Maar en leid ons 
In verzoeking niet, o Heer! 

Dat alles maakt begrijpelijk, dat Van Ryswvck zoo populair 
was, vooral te Antwerpen, maar ook elders in het Vlaamsche 
land; dat hij het bij den tragen gang der Vlaamsche Beweging 
zoo lang gebleven is; dat verscheidene zijner politieke liederen 
nog heden niet zijn vergeten bij de Vlammgen, voor wie zij 
een wapen in hun strijd zijn. 



CONSCIENCE. 

Zijn Franschen naam kreeg Conscience van zijn vader, 
inwoner van Besancon en oud-marinesoldaat van Napoleon ; 
zijn Vlaanisch hart dankte hij aan zijn moeder; zijn eerste 
ontwikkeling aan Antwerpen .en de natuur. Als jongen geniet 
de kleine Hendrik in den poesjenellen-kelder Doctor Faustiis, 
Oiirson en Valentijn, Qenoveva; voor zijn „speelgeld" koopt 
hij Fortiinatus beurse, Aymons kinderen , Rcinaert en Malegys; 
die volksboeken hielpen den aanstaanden volksschrijver vormen. 
In de kluis op ,,den Groenen Hoek" waar hij met zijn ouders 
woonde, ontwaakte het gevoel voor de natuur in hem; in den 
omgang met een daar woonachtig gewezen geestelijke wordt 



405 

dat gevoel door natuurkennis verdiept, door godsdienstige 
natuurbeschouwing veredeld. Evenals Van Ryswvck neemt hij 
in 1830 de wapens op; de Kempen doorkruisend, werd zijn 
liefde tot de natuur sterker, leerde hij het landvolk kennen dat 
hij later als auteur zou schetsen , ook de vrouwenliefde in de 
idylle met een Kempensch boerenmeisje, dat hem, ziek en 
uitgeput in de woning van haar ouders aangekomen , eenige 
dagen verpleegt. 

In de ziel van den jongen vrijwilliger begon de stem der 
poëzie zich nu en dan te doen hooren; zijn kameraden hadden, 
naar het schijnt, pleizier in zijn Fransche spotversjes; op aan- 
dringen van zijn vriend Jax de Laet of van Van Ryswvck, 
had hij , te Dendermonde in garnizoen , beproefd Nederlandsche 
verzen te maken. Maar de poëzie in maat en rijm was zijn zaak 
niet; zijn weg als auteur zou hij eerst vinden, nadat hij, in 
1S36 van den dienst ontslagen, in den kring van „Het Zwart 
Paerdeken" was opgenomen. Om toegelaten te worden, moest 
hij, als ieder ander, een proefstuk leveren. De beeldenstorm 
van het jaar 1566 te Antwerpen scheen hem een geschikte stof; 
hij zette dus een verhaal op touw; echter - zóó weinig was 
de volkstaal in tel - in het Fransch. Eerst toen hij langs dien 
weg niet vooruit kon komen, beproefde hij het in zijn moeder- 
taal. Zoo ontstond zijn eerste roman Het Wonderjaer (1837). 

De jonge schilders uit „Het Zwart Paerdeken" waren er 
opgetogen over en teekenden er samen illustraties voor; ook 
Conscience's vriend De Laet was vol bewondering. Wie dit 
gebrekkig geschreven, melodramatisch werk nu leest, heeft 
moeite die opgetogenheid en bewondering te begrijpen; doch 
men moet niet voorbijzien , dat hier voor het eerst iets geleverd 
werd dat op een Vlaamschen roman geleek. Het scheen wel, 
dat dit eerste geschrift een verstopte ader in des schrijvers ziel 



406 

had geopend: terwijl Het Wonderjaer werd gedrukt, ging hij 
opnieuw aan het weri<; in hetzelfde jaar verscheen een bundel 
proza en poëzie onder den titel Phantazy. Over die poëzie doet 
men best te zwijgen; in twee der hier voorkomende wild- 
romantische proza-verhalen is opmerkelijk, dat het nationaal 
element er zich duidelijk vertoont: in De Lange Nagel een 
jong Vlaamsch edelman, die een aanslag op Alva's leven doet; 
in Godsgenade de volksmythologische, Antwerpsche figuur van 
„de lange Wapper". Opmerkelijker nog dan deze twee figuren 
is een passage uit het Voorwoord , waaruit blijkt, dat Conscihnce 
zich gaandeweg zijn roeping bewust wordt; hij spreekt schande 
van de aterlmgen die hunne moedertaal verzaken; hij gaat 
beseffen, dat er iets wakker geworden is in zijn volk; met 
Helmeriaansche geestdrift schrijft hij: „Wy teutonen , wy kin- 
deren van het noorden , wy hebben den steen van het graf 
onzer Ouders opgetild; het gewyde gebeente, de heilige naem 
en krachtige tael er uitgehaeld, en als een' standaert boven de 
volken opgestegen. Duizenden onzer broederen hebben dit 
zegeryke teeken erkend en met liefde ontvangen." 

Ondanks die geestdrift besefte hij echter wel - en het publiek 
maakte het hem duidelijk - dat de letterkundige waarde van 
zijn laatsten bundel gering was; dat hij beter en krachtiger werk 
moest leveren, om „de heilige naem en krachtige tael" van het 
voorgeslacht weder tot eere te brengen. Zoo rijpte dan in hem 
het voornemen om met een groot vaderlandsch werk een 
beslissenden slag te slaan. Een meesterlijken greep deed hij: 
den Slag der Gulden Sporen; welke stof immers was beter 
geschikt ter opwekking van een volk, dat het gevoel van eigen- 
waarde verloren had, welks nationaliteit bijna verstikt werd 
door de Fransche cultuur? Met zijn vriend De Laet deed hij 
een reisje door West- Vlaanderen , om het tooneel van zijn 
verhaal goed te leeren kennen en toog toen aan den arbeid; 



407 

binnen een jaar was het nieuwe werk, dat De Leeuw van 
Vlaenderen heette, voltooid (1838). 

Een zoo grootsche nationale stof, met zoo dwepende bewon- 
dering verheerlijkt, moest op de Vlamingen van 1838 en latere 
jaren wel diepen mdruk maken. Tot dien indruk droeg de stof 
zeker evenveel bij als de wijze waarop de auteur haar bewerkt 
heeft: Conscience verhoogde de werking der stof door aan 
zijne helden Breydel en De Coninck, Robbrecht de Bethune 
(de Leeuw van Vlaanderen) iets bijna bovenmenschelijks te 
geven, door alles met forsche lijnen en in schelle kleuren af te 
beelden. Wat ons nu overdreven en gezwollen schijnt, was juist 
geschikt om indruk te maken op naïeve lezers met een weinig 
ontwikkelden smaak; zóó als de jonge Conscience in den 
poesjenellen-kelder zijn Vier Ayinonskinderen , zóó genoot het 
Vlaamsche volk zijn Leeuw van Vlaenderen. 

Een historische roman is dit werk eigenlijk niet; eer een 
breed opgezet, hoogromantisch geschiedkundig tafreel van de 
gebeurtenissen die aanleiding tot den Sporenslag gaven en van 
dien slag zelf. Om er recht van te genieten , moet men Vlaming 
zijn. Maar ook wij kunnen hier den zin voor het grootsche 
waardeeren: den gloed, al wordt hij door walm verduisterd; 
de kracht, al overspant zij zich telkens; den gelukkigen opzet, 
die ons al dadelijk den aarts-Vlaming Jan Breydel tegenover 
de Franschen toont; het indrukwekkend slot met de komst van 
den, min of meer symbolieken, gulden ridder in den slag. 

Nu had Conscience zijn weg gevonden. „Den sluimerenden 
leeslust onder de burgers opwekken door treffende en belangrijke 
tooneelen en de vaderlandsliefde aanvuren door het verhaal der 
groote daden des voorgeslachts" - die overtuiging, door hem 
uitgesproken in de Voorrede van Eenige Bladzyden uit het 
Boek der Natuer (1846), moet na de verschijning van De Leeuw 
van Vlaenderen al krachtiger in hem zijn geworden. Inderdaad, 



408 

goede lectuur had het Vlaamsche volk noodig. Dat blijkt wel^ 
wanneer men een blik slaat op de volkslectuur — de eenige 
van dien aard - die tusschen 1830 en 1837 in Zuid-Nederland 
van de pers kwam: herderlijke geschriften om de schapen te 
waarschuwen tegen de vrijmetselaars en ze in het rechte spoor 
te houden bij de verkiezingen ; een Handboeksken van de vroed- 
vrouwen en vroedmeesters ; Leven van onze eerste ouders Adam 
en Eva, alsook dat van hunnen zoon Abel. Zoo gaat Consciexce 
zich dan nu inspannen , zijn volk optevoeden door middel van 
goede proza-werken. Hoe zeer dat verlangen hem overheerschte, 
blijkt uit hetgeen er met zijn Wonderjaer gebeurde: toen hem 
bleek, dat de geestelijkheid bezwaar maakte de lezing van dat 
boek aan de gemeente toetestaan, gaf hij er een Roomsch- 
gekleurde omwerking van (1841); hij gaf daarmede een deel 
zijner overtuiging prijs, doch won er mee, dat zijn boek nu 
onder het volk kwam. Met datzelfde doel voor oogen onderwierp 
hij zijn Leeuw van Vlaenderen aan de geestelijke censuur. 

Wat hij in de tien jaren, die op laatstgenoemd werk volgden, 
schreef, was wel geschikt, Vlaamsche lezers te boeien en te 
ontwikkelen in de door hem gewenschte richting. Graaf Hugo 
van Cracnhove (1844) ligt in de lijn, aangegeven door de 
romantische novellen uit Phantazy; het is een wonderverhaal 
uit de middeleeuwen , waarin wij kennis maken met een jongen 
ridder-schaapherder, die „een aangenaam en roosvervig gelaet" 
heeft, „fonkelende blauwe oogen, fijne haren welker kleur aen 
een mengsel van goud en zilver deden denken"; met een ouden 
ridder die voor weerwolf doorgaat en in een krocht op de 
heide woont; met een geheimzinnigen waarzegger, die van tijd 
tot tijd met fonkelende oogen achter een struik zit enz.; ook 
hier hooren wij vele „dreunende schreeuwen", veel huilen en 
loeien van menschen. In andere werken van dezen tijd sloeg 
CoNSCiENCE een nieuwen weg in: van het Vlaamsch verleden 



409 

keerde hij zich tot het Vlaamsch heden. Zoo gaf hij in Siska 
van Roosemael (1844) een schets uit het leven der kleine burgerij, 
in sterk aangezette kleuren, met deze duideüjk uitgesproken 
strekking aan het slot: «van het Fransche zedenbederf bevrijd 
ons, o Heer!" In Lambrecht Hensmans (1847) zien wij een 
braaf burgerman, te onrechte verdacht, in de gevangenis zetten; 
zijn gezin blijft in droefheid achter; maar alles komt terecht: 
de vrek, die den onschuldige in de gevangenis bracht, komt 
tot inkeer, benoemt den braven Hensmans tot erfgenaam; het 
verhaal sluit met een huwelijk. Geen dier twee novellen staat 
als letterkundig werk hoog. Anders is het met: Hoe men schilder 
wordt (1843) en Rikke-Tikke-Tak (1845). Laatstgenoemd verhaal 
is rijkelijk romantisch en sentimenteel, maar toont toch goede 
hoedanigheden; zuiverder en gezonder van gevoel is het eerst- 
genoemde; waarheid en juistheid vallen te waardeeren zoowel 
in de teekening van het gezin, waartoe Fransken (de jonge 
schilder) behoort, als in den dialoog. 

Hier was Conscience in zijn element: die menschen, met 
wie hij zich verwant voelde, kon hij weergeven in hun zijn en 
doen en spreken. Jammer slechts, dat hij zich op dien weg 
maar half vertrouwde: de romantisch-aangelegde kunstenaar 
durfde de werkelijkheid maar ten deele aan; de opvoeder liet 
vermoedelijk veel ter zijde, dat hem niet oorbaar scheen voor 
zijn lezers. In de novelle Siska van Roosemael wil een vader, 
schoenmaker van zijn ambacht, zijn Franschgezinde zoon en 
dochter weerhouden van een speelreisje naar Brussel; zij raken 
met hem aan 't vechten en verschaffen zich een doortocht. 
Conscience waagt zich niet aan de beschrijving van die vecht- 
partij en heeft daar zijn reden voor, zooals blijkt uit deze 
zinsnede: „Hier volgde nu een tooneel van onnoemelijke boos- 
heid, welks beschrijving ons walgt". Waar zulke gemoedsbezwaren 
hem niet belemmerden in zijn uitbeelding der werkelijkheid, 



410 

kon hij voortreffelijk werk leveren. Dat getuigt het kleine ver- 
haal De Geest uit den bundel Avondstonden (1846). 

Dit verhaal van den soldaat, die niet bang te maken was - 
een ook elders in de sprookjes-literatuur voorkomende stof — 
had CoNSCiENCE, naar hij ons zegt, afgeluisterd van een viertal 
leergasten. Opmerkelijk is nu zijn weifelende houding tegenover 
dit brokje volkspoëzie: hij acht zich tegenover zijn publiek 
verplicht er een beetje op neêrtezien , maar kan zich toch niet 
onttrekken aan de bekoring die ervan uitgaat. Zooveel mogen 
wij opmaken uit de toelichting, waarin hij van zijn „leergasten'' 
zegt: „hunne wijze van verhalen was niet van de fraaiste, doch 
een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene loos- 
heid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter 
gaf." Doch wanneer hij zijn schroom eenmaal overwonnen heeft 
en aan het vertellen gaat, doet hij het zóó, dat de Grimm's 
het hem niet verbeterd zouden hebben: zóó voortreffelijk geeft 
hij den volkstoon en trant weer, zóó echt is de volkshumor, 
zóó kleurig de woorden en zegswijzen, zóó raak de epitheta. 
Waarom - vraagt men zich af - moest zulk een kleinood 
eenig blijven in Conscience's werk? Welk een rijkdom van 
dergelijke volkspoëzie had hij niet kunnen nalaten, indien hij 
in die rijke mijn vaker had durven afdalen, om er het edel 
metaal uit op te diepen, dat hij toch zag glinsteren! Maar een 
verhaaltje als dit was v'oor hem slechts een verpoozing; zulk 
werk achtte hij - en zeker terecht - niet het meest geschikt 
ter ontwikkeling van het Vlaamsche volk dier dagen. 

Iets dergelijks kunnen wij opmerken in zijne verhouding tot 
de natuur. Dat hij het Vlaamsche land in zijn eigenaardig karakter 
en eigen schoonheid kende, liefhad, bewonderde, blijkt telkens. 
In zijne verhalen heeft hij die kennis, liefde en bewondering 
hier en daar geuit; getuigen het sombere boschtafreel , dat dienst 
doet als ouverture van tiiigo van Craeniwve, de fraaie heide- 



411 

schetsen in dien roman en in Rikke-Tikke-Tak , het wintertafreel 
in den aanvang van De Gierigaard , de schets van de einde- 
loosheid der Kempen in De arme Edelman. Maar niet zulke 
schetsjes achtte Conscience voldoende tot het vervullen van 
zijn plicht tegenover het Vlaamsche volk; daarvoor was meer 
noodig. Hij hoopte zijn volk nader tot de natuur te brengen 
door een groot werk, dat hij Wonderspiegel der Natuur wilde 
noemen. Slechts een deel ervan kwam tot stand, dat hij in 1846 
uitgaf onder den titel Eenige Bladzyden uit het Boek der Natuer. 
Wat de eigenlijke titel reeds doet vermoeden — men denke aan de 
vele middeleeuwsche leerdichten, die 5/7/>^i^/ heeten - wordt 
door het boek zelf bevestigd; wij vinden hier geen letterkundig 
kunstwerk; doch een, met warmte en kennis, m zuivere taal en 
onderhoudend geschreven, boek, dat uitnemend geschikt was 
voor Conscience's doel: kennis der natuur verbreiden onder 
het Vlaamsche volk en hun leeren „echt Nederduitsche bena- 
mingen te bezigen in de plaats der onverstaanbare Fransche 
bastaardv\'Oorden." Dat laatste - voegt hij erbij was „misschien 
wel mijn bijzonder en hoofdzakelijk doel." 

Zoo zien wij Conscience ook hier zijne gaven in dienst 
stellen dier zedelijke en geestelijke ontwikkeling van zijn volk, 
waaraan hij zich ook later zou blijven wijden. 



DE LAET. VLEESCHOUWER. SLEECKX EN 
VAN KERCKHOVEN. 

Behalve Van Ryswvck en Conscience waren er te Ant- 
werpen verscheidene andere Vlaamschgezinde letterkundigen; 
wij kunnen er hier echter slechts enkele noemen en kort 
behandelen. Over Conscience's vriend Jan de Laet (1815- '89) 
spraken wij reeds even. Hij had in de medicijnen gestudeerd 



412 

en was eenigen tijd chirurgijn , doch wendde zich later tot de 
journalistiek. Evenals Conscience beproefde hij zijne krachten 
als auteur eerst in het Fransch, daarna in de moedertaal. Hij 
schreef verzen, berijmde verhalen, romantische proza-vertellingen; 
doch slechts een enkel dorpsverhaal Het Lot schijnt letterkundige 
waarde te bezitten. Vrij spoedig neemt dan de journalistiek hem 
in beslag: in 1844 sticht hij met Sleeckx en Van de Velde 
het eerste Vlaamsch dagblad, dat onder den titel Vlaemsch 
België te Brussel uitkwam. 

journalist was ook Lodewijk Vleeschouwer (1810- '65), 
die in 1842 een uitermate zwakke vertaling van Goethe's /y7«5/ 
leverde; opmerkelijk is die vertaling echter op zich zelve, ten 
eerste als blijk dat men ook in Vlaanderen Goethe gaat 
bewonderen, ten tweede als poging om de jonge Vlaamsche 
schrijvers «van den overgrooten lust tot de nabootsing der 
Franschen" te genezen. 

Meer letterkundig talent dan dit tweetal bezat Domien Sleeckx, 
zoon van een Antwerpsch ambachtsman , die door de hulp van 
een geletterd priester het Athenaeum kon bezoeken; daar maakte 
hij kennis met zijn tijdgenoot, later zijn vriend, V^an Kerck- 
HOVEN. Van studeeren kon voor den onbemiddelden Sleeckx 
geen sprake zijn ; zoo zien wij hem dan een betrekking als 
onderwijzer aan een lagere school aanvaarden , terwijl Van 
Kerckhoven naar Bologna trok om er eenige jaren te blijven 
studeeren. Op school hadden de beide vrienden ijverig de 
Fransche klassieken en romantieken gelezen; doch ook bij hen 
zien wij de moedertaal hare rechten tegenover het Fransch 
handhaven. Als kind had Sleeckx liedjes van buiten geleerd 
uit LiviNUS VAN DER Minnen's Eerlykcn Pliikvogel (1669); 
zijn moeder had hem Antwerpsche volkslegenden verteld; 
Noordnederlandsche auteurs leerde hij door de Van Ryswyck's 



413 

kennen. Toen Van Kerckhoven te Antwerpen was terugge- 
keerd, hernieuwde hij de vriendschap met zijn vroegeren 
schoolkameraad ; beiden oefenden zich met ijver in het Fransch 
schrijven. Dan hooren zij van den opgang, dien Conscience's 
Wonderjaer maakt; de kring van „Het Zwart Paerdeken" trekt 
ook hen aan , weldra worden zij onder die ouderen opgenomen 
en gaan zij als V'laamsche schrijvers hun krachten beproeven. 

Een van Sleeckx' lievelingsboeken uit een door Willems ge- 
stichte boekerij : een vertaling van Cervantes' Novelas Ejemplares 
kan hem hebben opgewekt, zijn sluimerende vertellersgaven aan- 
tewenden tot het maken van dergelijk werk in het Vlaamsch. Voor 
de stof had zijne moeder gezorgd. Zoo gaf hij dan in 1843 een 
veertiental volksverhalen en legenden in het licht onder den 
eenigszins zonderlingen titel : Kronyken der Straten van Ant- 
werpen; zwaar-romantisch werk, dat aan Conscience's novellen 
uit Phantazy doet denken. In het volgend jaar legde het nieuwe 
dagblad Vlaemsch België beslag op zijn werkkracht; toch vond 
hij nog tijd nieuwe verhalen, ook eenige tooneelstukken samen 
te stellen. Die verhalen vereenigde hij in 1848 tot een bundel 
Volksverhalen, ontleend aan het Vlaamsch volksleven en 
geschreven in romantisch-sentimenteelen trant; hier en daar valt 
er toch een aardige dialoog of goede beschrijving te waardeeren. 

Van Kerckhoven was in 1840 begonnen het tijdschrift De 
Noordstar uittegeven, dat hij vulde met eigen proza en poëzie 
en beoordeelingen van anderer geschriften; zoo scherp als zijne 
critieken, zoo onbeteekenend is, volgens het oordeel van ken- 
ners, zijn eigen werk. Zijn historisch verhaal van Fabricius en 
de lange Margriet is verwant met Conscience's Wonderjaer; 
onder zijn best geslaagde verhalen worden genoemd : Een 
Schaking in Venetiën en de Koopmansklerk. In 1847 nam hij, 
gesteund o. a. door Sleeckx , de leiding van een nieuw tijd- 
schrift De Vlaemsche Rederyker op zich. Ook nu hield hij zijn 



414 

ouden trant: voortbrengend met koortsigen ijver, bits en vaak 
onbillijk het werk van anderen beoordeelend. Opmerkelijk is 
onder zijn talrijke geschriften een roman in brieven, Ziel en 
Lichaetn (1848): sentimenteel en spiritistisch van aard, vol 
bespiegelingen over het geestelijk en godsdienstig leven en over 
de betrekkingen van den mensch tot het bovenzinnelijke. 



Het Drama. 

Drama en tooneel bleven onder het Viaamsch-sprekend deel 
des volks aanvankelijk bij het oude: Fransche melodrama's 
lokten volle zalen, Kotzebue heerschte, de oude rederijkers- 
wedstrijden werden voortgezet. Na 1840 begint er echter ver- 
andering te komen: Kotzebue begint op den achtergrond te 
raken, tegenover de Fransche gaat men oorspronkelijk-Vlaamsche 
stukken stellen, uit de rijen der rederijkers treden enkele tooneel- 
schrijvers naar voren. 

Onder dezen komt de eerste plaats toe aan den, te Kaprijk 
in Oost-Vlaanderen geboren, dokterszoon Hippoliet Jax van 
Peene (1811 1864). Als knaap reeds hield Van Peene zich 
bezig met „het verveerdigen en het spelen van wonderlijke en 
nooit gehoorde historiën voor marionetten of poesjenellen"; 
als student bespeelde hij de fluit in een liefhebberij-gezelschap, 
dat vertooningen gaf in een herberg buiten Gent; hij schrijft 
een vaudeville - natuurlijk in het Fransch - en treedt op in 
vrouwerollen. Na zijn vestiging als dokter te Gent, houdt hij 
zich een tijd lang ver van het tooneel; maar dan komt de oude 
liefde weer boven in een gesprek met Prudens van Duyse: 
in 1841 verwerkt hij een bekende anecdote tot het blijspelletje 



415 

Keizer Karel en de Berchemsche boer. Opmerkelijk is dit stukje 
vooral als het eerste moderne Vlaamsche tooneelstuk dat, na 
zoo langdurige afhankelijkheid en verwaarloozing, uitzicht gaf 
op de mogelijkheid een nationaal drama en tooneel te herkrijgen. 
Het leven van een boerengezin is er, hier en daar niet onaardig, 
geschetst; onder den invloed van Kotzebue is het Van Peene 
gehikt, een natuurlijkheid van taal en dialoog te bereiken, die 
men er sinds lang niet had gehoord. Hooger toch dan deze 
eersteling stonden zijn Siska van Roosemael (1844) en Wit en 
Zwart (1845); in het eerstgenoemde vmdt men Conscience's 
verhaal op zelfstandige wijze gedramatizeerd. 

Minder gelukkig was Van Peene met zijn ernstige drama's; 
stukken als Het Likteeken (1844), De Gek van 's Gravenliage 
(1846) en Brigitta of de twee Vondelingen (1847) waren echte 
draken met tirades als deze aan het slot van Met Likteeken: 

„Arthur [in de luvigste wanhoop): Myn vader! gy myn 
vader! .... Ik ben dan vadermoordenaar ook! .... Bloed- 
schender en vadermoorder! .... Doemnis! .... doemnis!! 
ach! ik sterf!" {De gordyn daelt spoediglyk). Met dat al was 
in Van Peene's werk, l^oe gebrekkig ook m menig opzicht, 
een begin gemaakt met het scheppen eener nationale tooneel- 
letterkunde. 

Overigens was hij in dezen niet de eenige. Voor de Vlaamsche 
tooneélmaatschapi3ijen van Antwerpen schreef Sleeck.x een 
viertal stukken {Karllna of het Weesmeisje 1839 e. a.), waarvan 
sommige nog vóór Van Peene's eerste stuk verschenen en die 
in 1841 gezamenlijk werden uitgegeven. Van Sleeckx' overig 
tooneelwerk vermeld ik nog slechts het blijspel in één bedrijf: 
De Keizer en de sclioenlappers (1848); een met vlugge hand 
gedramatizeerde anecdote, die een aardig volksstukje mag 
worden genoemd. Naast Sleeckx noemen wij den Antwerpenaar 
Emmanuel Rosseels, die o. a. in Alfried en Karlina (1842) 



416 

een echt melodrama gaf, met pogingen tot KoTZEBUE-aansche 
losheid van dialoog; die, geholpen door V'an Kerckhoven 
het historisch melodrama Richilde (1846) in proza en vijf 
bedrijven samenstelde, dat zich onderscheidt vooral door zijn 
Vlaamsch-gezinde strekking. 

Niet de verschijning van dat melodrama maakte 1846 tot een 
belangrijk jaar in de Vlaamsche Beweging; doch een twist 
onder de VHaamschgezinden , de eerste van vele volgende die 
de jonge beweging in haar voortgang zouden belemmeren. 
Onder den invloed" van een Vlaamschgezind Duitscher uit 
Brussel, Dr. Wolf, was het Antwerpsch genootschap „De 
Toekomst" vervormd tot een geheim verbond met romantisch- 
gekleurd, vrijmetselaars-achtig ceremonieel (1845). Het genoot- 
schap zou nu bestaan uit een eersten graad „Het Heilig Ver- 
bond' en een tweeden »De Toekomst"; er zouden vier „meester- 
schappen" zijn: het Rubens-kamp te .ontwerpen, het Artevelde- 
kamp te Gent, het Breydel-kamp te Brugge, het Agneessens- 
kamp te Brussel; de voorzitter zou „heermeester" worden 
genoemd; de vergaderingen „wachten"; de jaartelling ving aan 
met den Sporenslag; de voorzitter zou de vergaderingen openen 
met de sacramenteele woorden „Met God beginnen wij; Vlaan- 
deren den Leeuw!" en al de broeders zouden antwoorden: 
„Vlaanderen den Leeuw!" Ondanks al dit romantisch gedoe 
werd het reeds in het volgend jaar honmieles in het Rubens- 
kamp; Van Kerckhoven, die weigerde zich naar de overigen 
te voegen, werd gebannen. Prikkelbaar en wraakzuchtig, zette 
hij m zijn schimpblaadje De Schrobber den strijd tegen zijn 
vroegere vrienden voort, vooral tegen Conscience. De schei- 
ding tusschen liberalen en clericalen eenerzijds, Vlaamschgezinden 
en Franskiljons anderzijds zou ook in den vervolge telkens 
aanleiding geven tot oneenigheid en strijd. 



417 

Daartegenover mag als een gunstig verschijnsel worden 
aangemerkt, dat de verbroken betrekkingen tusschen Noord en 
Zuid langzamerhand werden hersteld. De vijandschap van het 
jaar 1830 begon te verflauwen, al bleef er aan weerszijden 
eenige gevoeligheid over; aan literatuur en wetenschap gelukte 
het, een brug te slaan waarlangs men weer tot elkander kon 
komen. Het voornaamste Noordnederlandsch tijdschrift der 
jongeren: De Gids toonde aanvankelijk wel sympathie voor de 
Ylaamsche Beweging; geen wonder bij de vriendschappelijke 
betrekkingen tusschen Potgieter en Willems. Echter kon 
De Gids het oog niet sluiten voor de zwakheid der jonge 
Vlaamsche literatuur, zooals blijkt uit een stukje in den eersten 
jaargang onder den titel Licht- en Schaduwzijde der tegenwoor- 
dige Vlaamsche Letterkunde. Potgieter en de zijnen zagen 
niet in , dat de Vlaamsche letterkunde van dien tijd in de eerste 
plaats een strijdmiddel was en moest zijn: middel om een 
grootendeels prijsgegeven nationaliteit te heroveren. Anderen 
gaven blijk van ruimer blik: in 1847 toonde de geniale Gerrit 
DE Clercq in een Gids-artikel te beseffen, dat bij de Vlaamsche 
Beweging ook onze nationaliteit betrokken is, en na hem werden 
steeds meer Nederlanders van dat besef doordrongen. Gingen 
de Vlamingen weer behoefte voelen aan den ruggesteun van 
het Noorden — te onzent waren omstreeks 1848 vele kunste- 
naars en wetenschappelijke mannen bereid dien steun te geven. 
Zoo kon het Snellaert en zijne medestanders Prudens van 
DuYSE, Serrure, Blommaert gelukken in 1849 te Gent een 
Taal- en Letterkundig Congres tot stand te brengen , het eerste 
van een lange reeks die nog steeds wordt voortgezet if). 



KALFF, Letterkunde, VII. 27 



AANTEEKENINGEN. 

Het talrijk materiaal, bijeengebracht door Prof. J. ten Brink in 
zijne Geschiedenis der N oord-N ederl. Letteren in de XIX^ eeuw 
(2de druk bezorgd door Taco H. de Beer, Rotterdam, D. Bolle z. j.), 
vooral in de bibliografische opgaven achter de onderscheiden biogra- 
fieën ontslaat mij van de verplichting al die titels en namen hier 
opnieuw te boeken. Ik zal het daar genoemde dus slechts aanvullen, 
voorzoover mij noodig schijnt. 

In de letterkundige lijdschriften van omstreeks 1828 af zijn honderde 
artikelen of studiën geschreven over auteurs of literaire werken van 
dezen tijd. Het spreekt vanzelf, dat ik er niet aan zou denken, die 
alle hier te vermelden , ook al waren zij mij alle bekend. Daarvoor 
zouden wij eerst in het bezit moeten zijn van een Repertorium voor 
de geschiedenis onzer gansche literatuur, gelijk de Heer L. D. Petit 
er een voor de middeleeuwsche samenstelde. (Wij hebben zoo'n werk 
hoog noodig). Daarom zal ik slechts van tijd tot tijd naar zulke 
artikelen verwijzen en erken in 't algemeen, dat ik veel te danken heb 
aan het critische werk van Hu et, Potgieter en Beets, om slechts 
eenige voorname critici te noemen. 

1) Voor het schrijven dezer Inleiding maakte ik gebruik hoofdzakelijk 
van Bi.ok's Gesch. des Ned. Volks deel VIII; het verzamelwerk Eene 
Halve Eeuw (1848-1898); Thorbecke's Historische Schetsen; 
P. Frédéricq's Thorbecke vóór 1830; Colenbrander's artikelen in 
De Gids van Nov.-Dec. !906; De Vooys' over Potgieter en het 
Liberalisme in De Beweging van Oct. 1905 en Maart 1906; Nuyens' 
Gesch. V. h. Ned. Volk van 1815 tot op onze dagen; De Betrekkingen 
tusschen Nederland en Zuid-Afrika door Dr. N. Mansvelt (Utrecht 
1902); De Clercq's uiting in zijn Dagboek II, 299-300. Voorts 
Oosterzee's Uit mijn Levensboek; Reitsma's Geschiedenis van de 
Hervorming; Levensschets van G. W. Vreede {Lt\de:n , E. J. Brill 1883); 
Brie/wiss. van Bakh. v. d. Brink (ed. Mr. S. .Muller Fz.) en Nalezing; 
G. J. Vos Az. Groen van Prinsterer en zijn Tijd; over den indruk 
van Het Huis Lauernesse op rechtzinnige protestanten: De Gids Sept. 



419 

1906; over de Gids-Redactie en Van Vloten; Levensbode I, 147-8; 
II, 9-10. 

2) Onder Tollens' Laatste Gedichten zijn hier ook diegene behan- 
deld, welke voorkomen in het Tweede Deel, dat in 1853 het licht zag. 

Over de staaltjes van liefdadigheids-poëzie uit dezen tijd noemen 
wij nog: het oorspr. geschiedk. drama Albrecht van Beyeren door 
A. RuYSCH in 1841 uitgegeven „ten voordeele der Werkinrigting voor 
behoeftige arbeidslieden te Vlissingen" en Proza en Poëzy . . . uitge- 
geven ten voordeele der bewoners van Twenthe. Verzameld door 
Boüdewijn {]. v. D. Vliet) ao 1845. 

Schimmel's mededeeling over het dalen van Tollens' populariteit 
in zijne Draniat. Werken (Amst. 1885) I, 235. 

Over H. J. Koenen vgl. Levensbericht door Hasebroek in de 
Levensberichten v. d. M. d. Ned. Lett. 1875. J. van Harderwijk 
1790-1858: Gedichten (1835), Dichtbloemen (1858). K. L. Kluppell 
1792-1852 Ernst en Luim (1841), Mengel-Poëzy (1850). J. L. NlER- 
STRASZ JR. (1796-1828). Gedichten (1827). A. P. van Groningen 
(1798-1861) Onuitgegeven en Verspreide Gedichten (1855); Levens- 
bericht door W. Moll in die van Letterkunde 1864. A. Beeloo 
(1798-1878) Gedichten (1835). A. F. SifflÉ (1801-1872). Gedichten 
(1825). S. J. E. Rau (1801-1887) Zangen eens Levens (1826-1861), 
Dicht- en Zedekundige Studiën (1865). A. HiRSCHiG Cz. (1802-1871). 
Bloemen en Vruchten (1851), Fabelen en Satiren door Skirtopodes 
(1857), Reisbeelden, Droomen enz. (1858), Objective en Subjective 
Poëzy (1860). E. M. Calisch (1806-1880) Gedichten (1839). 
C. W. van der Pot (geb. 1813). Proza en Poëzie (1878; stukjes van 
1837- '77), Kruimeltjes, Sneeuwvlokjes. H. R. de Breuk (1814 -'62) 
Gedichten (1851). J. de Liefde (1814-1869) De Diligence of de Reis 
naar de Stad der Erfenis (1845), allegorische voorstelling van de reis 
naar den hemel. 

Er is natuurlijk veel meer van dezen aard (meer namen en titels) 
te noemen; ik noem ook hier slechts, wat ik zelf gezien heb. 

Over WiTHUYS vgl. Gedichten (1833), Gedenkboek van 1830-1831. 
(Niet in den handel, 1856), Verholen, Romancen en Vertellingen 
(1863), Levensberichten „Letterkunde" 1865. Het Servetje . . . door 
Conviva (G. Keller) 1878; Open Brief aan Conviva (door J. Knep- 
PFLHOUT) in De Gids 1878 (IV). Mr. A. Bogaers' Gezamenlijke 
Dichtwerken werden in 1871 uitgegeven door N. Beets. Mr. J. G. 

27* 



420 

Gleichman schreef Het Leven van Mr. A. Bogaers. (Niet in den 
handel 1875). Gedichten van Mr. Abraham Boxman (1823), Dichterlijke 
Nalatenschap (ed. Ten Kate, 1862). S. J. v. D. Bergh: Een Dicht- 
bundel voor mijn Vaderland (1848), de titels der vertaalde werken in 
Biogr. Wdb. van Frederiks en Van den Branden; Levensberichten 
„Letterkunde" 1869; Open Brief aan Conviva, zie boven. Gedichten 
van W.J. van Zeggelen (Leiden. Noothoven van Goor). Levensberichten 
„Letterkunde" 1879 (van IsiNG). 

3) Voor Drost verwijs ik naar de, in den tekst genoemde, voor- 
rede der Schetsen en Verhalen; het Leven van B. v. d. Brink door 
Potgieter; een artikel van J. Koopmans in Dé Beweging {Fehr. 1907). 
Hermingard van de Eikenterpen werd door Verwey grooteii deels 
herdrukt in De Beweging (Oct. 1907 -Jan. 1908); in zijn boek over 
Potgieter wijdde Verwey een hoofdstuk aan Drost. De Pestilentie 
te Katwijk werd opnieuw uitgegeven door VERWEN' en De Vooys 
(Amst. 1906. G. Schreuders). Vgl. voorts De Vriend des Vaderlands 
1833 en 1834. 

De romantische spelling Aernout is van Potgieter afkomstig; 
Drost's ouders schrijven den naam van hun zoon: Aarnout; zie 
E. J. Potgieter. Persoonl. Herinneringen van Nicolaas Beets (Haarlem. 
De Erven F. Bohn 1892) p. 61. 

Voor Heije vgl. o. a. Levensbericht van Dr. J. P. Hcije door 
J. E. VAN Renesse (Groningen J. B. Wolters 1909); Vriend des 
Vad enz. Voor B. v. D. Brink: Leven etc. door E. J. Potgieter 
(Haarlem H. D. Tjeenk Willink (1885); Briefwisseling van B. v. d. 
Brink uitgegeven door Mr. S. Muller Fz. (Haarlem. Erven Bohn 1906) 
en Nalezing (van denz.) 1907. De Gids 1878 IV; De Beweging 
Febr. 1907; Vosmaer's Vlugmaren I, 72 vlgg. ; Studiën en Schetsen 
('s-Grav. Nijhoff (1863-77). 

De door Ten Brink gegeven literatuur over Potgieter moet worden 
aangevuld met de biografieën geleverd door J. H. Groenewegen 
(Haarlem. Tj. Willink 1894) en door A. Verwey (Haarlem. Tj. Willink 
1903); de bovengenoemde Pers. Herinneringen van Beets ; de Biblio- 
grafie der werken van Potgieter (1890); Brieven aan B. Huet 3 dln. 
(1901); Studiën en Schetsen 3 dln (1897). Toen de Gids werd opgericht. . . . 
door A. Verwey (Amst. 1897); Qu.\ck's Studiën en Schetsen. De 
PoTGiETER-herdenking van 1908 bracht nog: artikelen over hem in 
De Gids (Juni 1908); Verwey's Het Testament van Potgieter en 
Droom en Tucht (1908): De Beweging {Aug. 1910); De Raaf's Uit 
Potgieter' s Jongelingsjaren in De Nieuwe Gids (Mei -Juni 1910). 



421 

Groenewegen deelt mede (p. 1) dat de geslachtsnaam Potgieter 
reeds in de middeleeuwen te Deventer voorkomt. Echter ook te Zwolle 
komt die naam in de middeleeuwen voor: onder de Zwolsche burgers, 
die in de twisten tusschcn de Regeering en de Gilden uit de stad 
gebannen worden (1417- '18) vindt men ook een Willem Potgieter 
(Van Hattum, Gesch. der Stad Zwolle I, 19). Steven Potgieter 
werd omstreeks 1560 levenslang uit de stad gebannen als aanhanger 
der nieuwe leer (a. w. III, 3). Ook de familie Van Ulsen behoorde 
waarschijnlijk tot de oude Zwollenaars: in het Leidsche Album Studio- 
sorum vindt men aO 1601 Herniannus ab Ulsen. Zwollaniis 20. 

4) Onder de literatuur over J. van Lennep noem ik hier nog: 
Met Leven van Mr. Jacob van Lennep doorjhr. Dr. M. F. van Lennep 
(Amst. 1910. 2de druk). De gedichten van V. L. hier aangehaald naar 
de uitgaaf in zijne Poëtische Werken ('s-Gravenhage 1872). Over de 
Acad. Idyllen vgl. Dr. A. J. LuvT. KUkspaans Studentenschetsen 
(Leiden. A. W. Sijthoff 1910) p. 15-16). Over zijne betrekking tot de 
Bilderdijkianen De Clercq's Dagboek I, 195; II, 65-7. Over de 
betrekking tot Achilles o. a. de Levensschets door A. J. de Bull 
achter de uitgaaf der Romant. Werken ('s-Grav. en Leiden 1878, XIII). 
Het oordeel van Potgieter over Van Lennep's verhalen in Bricf- 
wiss. van B. v. d. Brink, Nalezing p. 364. 

Over Van der Hoop behalve de uitgaven zijner werken' 
(Cat. V. d. Maatsch. der. Ned. Lett.) een artikel van J. KOOPMANS 
in De Beweging van Oct. -Nov. 1906; de Gedachtenisrede van zijn 
vriend G. D. Meijer en de Open Brief aan Conviva in De Gids 
van 1878 IV. Over het tijdschrift Apollo vgl. Potgieter in Leven 
van B. V. d. Brink p. 19. Van Meijer zag, behalve de beide hier 
genoemde berijmde verhalen, na zijn dood nog een bundel Gedichten 
(1861) het licht. 

Dat ik niet te veel heb gezegd aangaande de onzuiverheid en 
slordigheid van Toussaint's taal, zal ieder zelf kunnen zien, die een 
onderzoek instelt ; in Het Huis Lauernesse vinden wij b.v. : zich 
verbloemen; moeizaam; daarstellen; zij riekte een onrechtzinnige; de 
frissche blos miste aan de wangen ; elders : men zegt haar gehuwd 
aan den prins P. {Ediv. Glenh.); ik gebruikte medelijden met uw jeugd 
(G. van Dev.); wij ontbreken zeven fakkelhouders; hij verbad zich de 
eer {K- de Stoute); Begin altijd, mijnheer {Vert. aan de Kaptafel); 
„neerduikte" voor „neerdook" {Leyc. in Ned.); zoo min IJolande's 
gelaat zich afwisselde door blosjes , zoo min etc. ; hij verbeet zich de 
lippen; een man vijf jaar ouder, waar is het kwaad?; zich de hand 



422 

reiken; den raad van een rechtsgeleerde innemen enz. enz. Ik noem 
hier slechts eenige staaltjes. 

Ook in dit hoofdstuk heb ik mij moeten beperken. Hier moge met 
€en enkel woord gewag worden gemaakt van W. R. Veder's Berijmde 
Verhalen (Dordrecht 1858) in den trant van Van der Hoop en Van 
Lennep. Hoog-romantisch werk vindt men in Allerlei (1838) van 
E. T. VAN Beusekom; vooral de losbol op p. 165 is typisch. 

A. D. VAN Buren Schele schreef een vracht historische romans 
{Magdalena Moons a^ 1835 e. a.); in 1837 verscheen Grootheid en 
Val der Heeren van Arkel. Een oorspronkelijk geschiedkundig-romantisch 
tafreel uit het begin der XV<i eeuw, waarin historie en roman ongeveer 
evenveel plaats innemen, doch niet tot eenheid verwerkt zijn. Vgl. 
voorts over den roman tusschen 1830- '40 Kruseman's BouwstoJ'fen I, 
1, 74, 213 vlgg. 

5) Vgl. Levensberichten van de Maatsch. der Ned. Lett. 1896 -'97 
(over Hasebroek). Dichtwerken van Nicolaas Beets (1830-1873. 
Amsterdam. W. H. Kirberger 1878. Nicolaas Beets door P. D. Ch.\n- 
TEPIE DE la Sauss.we (Haarlem. Erven Bohn 1904; kort daarna een 
2de druk); Dr. Nicolaas Beets door Dr. JOH. Dyserinck (Haarlem. 
Erven Bohn 1903); Herinneringen aan Nic. Beets (door denz.). 
R. J. Fuik. Den Haag 1904. Geschriften van J. Kneppelhout (Leiden. 
A. W. Sythoff 1860) en / Kneppelhout. Styl. Kunst (Amst. 1855). 
Klikspaans Studentenschetsen door Dr. A. J. LuvT (A. W. Sythoff's 
Uitgevers-Maatschappij , Leiden 1910). 

6) De Schetsen uit de Pastorij te Mastland hier geciteerd naar den 
Ssten druk (Schoonhoven 1884); Stud. Typen en Stud. Leven naar 
den 3en druk (Leiden A. W. Sythoff z. j.); Waarheid en Droomen 
naar den 7en druk (Leiden 1886); Camera Obscura naar den 9den 
druk (Haarlem 1874). De opmerkingen over de taal {dezelve enz.) 
gelden natuurlijk de eerste drukken; in die eerste drukken zijn later 
door de auteurs onderscheidene wijzigingen of veranderingen gebracht; 
een overzicht dier veranderingen in de Camera Obscura gaf Dr. JOHS. 
Dyserinck in: Hildebrands Camera Obscura (Middelburg 1882); 
iets over de veranderingen en wijzigingen in Kneppelhout's werk 
in Dr. LuvT's Proefschrift p. 148-150. Over de medewerkers van 
Klikspaan en hun, niet zeer belangrijk, deel aan zijn werk vgl. 
Dvserinck's Het Studentenleven in de Literatuur (Amsterdam 1908) 
en LuYT a. w. p. 52 — '3. Onder de talrijke literatuur noem ik hier 
slechts Huet's fraaie karakteristiek der Camera (tegenover Max Have- 
laar gesteld) in Litt. Fant. en Krit. 11, 203-4; elders stelt HUET 



423 

haar tegenover De Pastorie van Mastland] overigens verdienen Huet's 
stukken over deze vier auteurs onze volle aandacht; voorts wijs ik op 
het stuk van Van Deyssel over de C. O. in De XXe Eeuw Juni 
1903 en van J. Acket over De Past. v. M. in De Gids Febr. 1908. 
Huet's uiting tot Kneppelhout in zijne Brieven I, 105. 

Opmerking verdient misschien , in verband met het boek van Van 
Koetsveld, het Engelsche geschrift The Care of Souls by John 
Watson (1896), in het Nederlandsch vertaald onder den titel Z/V/szo/g- 
en Herderlijk Ambt (1897); tegenover het, door zijn didactische 
strekking tweeslachtig, werk van Koetsveld mag het Engelsche werk 
gesteld worden als een echte handleiding (de Eng., schrijver is hier 
beter bekend onder zijn schuilnaam Jan Maclareh). 

In den tekst van mijn verhaal heb ik mij tot het noodigste beperkt; 
hier volgen nog eenige mededeelingen , opmerkingen en aanvullingen. 
Den naam Camera Obscura vindt men reeds in Rousseau's Confes- 
sions: „Je vais travailler pour ainsi dire dans la Chambre Obscure; 
il n'y faut point d'autre art que de suivre exactement les traits que 
je vois marqués" (aangehaald in S. Beuve's Caus. du Lundi \\\ , 81); 
in De Quincey's Confessions of an English Opium-eater {dS^ 1822) 
ed. The World's Classics, p. 149: „Such thoughts, and visions 
without number corresponding to them, were moving across the 
camera obscura of niy fermenting fancy"; in De Clercq's Dagboek 
I, 80: „de donkere vooruitzichten van lieden die altijd duidelijk in 
de Chambre Obscure der wereld willen inzien" (aO 1814). 

Wat verwante motieven betreft — waarbij men natuurlijk nog niet 
dadelijk aan overneming behoeft te denken - wijs ik er op, dat men 
in De Quincey's Reminiscences of the Lake Poets (aO 1834) ed. 
Everym. Library p. 9, den inhoud der zakken van een driejarig (sic) 
kind opgesomd vindt; te verg. met Hildebrand's yo«^^«s: „in dees 
broek voert hij met zich enz." In Wash. Irving's Sketch Bock 
(aO 1818) Tauchnitz.-ed. vindt men in The Stage Coach dergelijke 
motieven als in De Aankomst [Fam. Stastok) en den ongetrouwden 
ouden vrijer „wit of the family", die vrij wat op Wagestert lijkt 
in Christmas Eve. Onnoodig te zeggen, dat er veel verschil naast de 
overeenkomst is. 

Vlerk's Reisontmoetingen beleefde zoowaar nog een herdruk 
Arnhem -Nijmegen. Gebrs. E. & M. Cohen z. j. 

Gezwegen heb ik ook over de sentimenteele , maar niet zonder talent 
geschreven, romans van Hasebroek's zuster: Te Laat (1838) en Elize 
(1839); zie over haar B. Huet's Eant. en Krit. Deel X; gezwegen ook 



424 

over het geschrift van Beets' zuster, Mevr. Bohn, (Serena) Onze 
Buurt (3de druk. Erven Bohn Haarlem 1882), dat van minder betee- 
I<enis is dan de beide werken van Mej. Hasebroek. 

In mijn parallel heb ik het proza dezer vier werken slechts van 
eenige zijden beschouwd. Voor het wetenschappelijk onderzoek van 
ons proza valt echter nog zooveel te doen , dat ik hier slechts een 
begin kon maken. 

') Over Ter Haar behalve het door Ten Brink a. w. medegedeelde 
nog te verg. Beets' Levensbericht van B. ter Haar in de Levensber. 
van de Maatsch. der Ned. Lett. 1881. Zijne Gedichten in de uitgaaf 
van 1878 (D. A. Thieme. 's-Gravenhage). Over Winkler Prins: vgl. 
het, door DyserincK samengesteld, Levensbericht (M. der Ned. Lett. 
1908 -'9 en Feestavonden van den Studentenkring N. E. K. (Amst. 
1895). Ten Kate: Levensbericht M. der Ned. Lett. 1890; De Dicht- 
werken van J. J. L. ten Kate (Leiden. Sythoff 1862); Braga in de 
nieuwe uitgaaf van Winkler Prins (Deventer 1883); over sommige 
onjuiste opgaven in die uitgaaf vgl. Dyserinck's Levensbericht van 
Winkler Prins p. 187. Knepfelhout's uiting over Ten Kate in 
zijn bundel Politiek. Kritiek (Leiden 1855) p. 99. 

Over Engelen's gedicht Staatshervormen het uitvoerig artikel van 
Potgieter {Krit. Studiën II, 88). De Ontzwaveling v. d. H. Ontzwa- 
velaar schijnt van Dr. A. Hirschig te zijn; het Nieskruid van 
G. T. M(OHRMANN) een medewerker van Braga. Hecker schreef een 
Levensbericht van Goeverneur (M. der Ned. Lett. 1889). Verspreide 
stukken van G. o. a. in De Vriend des Vaderlands X, 276, 437. 
De Keesiade (spotdicht tegen zekeren Groningschen professor) werd 
in 1878 door Wolters te Groningen uitgegeven. Vgl. voorts Gezamen- 
lijke Gedichten en Rijmen vanJ.J. A. Goeverneur; Groningen. Wolters 
1874. De Dichtwerken van Dr. R. Bennink Janssonius (.'Xmst. 1872). 
Levensbericht in de Levensberichten v. d. M. der Ned. Lett. 1873; 
Potgieter over B. J.' Lentebladen -. De Gids 1844, 535. Verstrooi- 
lingen. Poëzie van A. L. Lesturgeon (Deventer 1844) en Bloemlezing 
uit de Gedichten van A. L. Lesturgeon door W. Hecker en J. J. A. 
Goeverneur Gron. 1879. 

Van der Hoeven's Proza en Poëzy werd na zijn dood door zijn 
vader uitgegeven (2e druk 1857). Over Alb. Thijm behalve Ten Brink's 
Geschiedenis der Noord-Ned. Letteren 11, 117 vigg. ; de werken over 
hem van zijn zoon K. J. L. Alb. Thijm onder den schuilnaam .\. J. 
(Amst. 1893), zijn broeder Paul (Gent 1891) en zijne dochter Catha- 
RlNA:/ A. Alberdingk Thijm in zijne Brieven (.'\mst. 1896(. 



425 

S) De titels der hier behandelde tooneelstukken volledig in den 
Catalogus Tooneel van de Maatsch. der Ned. Lett. Over het tooneel 
voorts te vergelijken het verzamelwerk Eene Halve Eeuw 1848-1898 
Nederland enz. . . . onder redactie van Dr. P. H. RiTTER (Amst. 
1898) II, hoofdstuk XIII. Het Tooneel . . . door J. H. RössiNG. 

Een levensbericht van Helvetius van den Bergh in de Levens- 
berichten van de Maatschappij der Ned. Lett. 1873. Een bundel Proza 
en Poëzy van zijn hand verscheen in 1858 bij A. C. Kruseman te 
Haarlem. 

9) De titels der hier behandelde werken zijn zooveel mogelijk in 
den tekst van ons verhaal opgenomen; enkele verwijzingen volgen 
hier: de meeningen van Ockerse en A Kleyn zijn te vinden in 
Gedenkzuil op het Graf van Jacobus Bellaniy (1822); de uiting van 
Van der Palm over het begrip „letterkunde'' in zijne Orator. Werken 
IV, 90, de verhandeling over het puntdicht in Puntdichten, door 
P. G. Witsen Geysbeek 2de druk (1834). Onder den titel Tweeërlei 
Letterkundige Kritiek gaf wijlen Dr. H. J. Polak in De Gids (1891) 
een breed opgezette studie over Huet, Potgieter, Multatuli, 
waarin ook een en ander over Potgieter's critiek voorkomt; beter 
voet bij stuk houdt Dr. C. G. N. DE VooYS in een stuk over 
Potgieter en Busken Huet als critici {De Beweging juli 1907); dat 
B. V. D. Brink, niet Potgieter de schrijver is der recensie van 
Ten Kate's Zangen des Tijds in De Gids van 1841 , blijkt uit Pot- 
gieter's Brieven aan Cd. B. Huet, I, 174 vlgg. ; in een verdienstelijk 
stuk, getiteld Van Lessing tot Vosmaer (De Gids Maart- April 1911) 
heeft Dr. J. Prinsen J.L.z. getracht een deel van de ontwikkeling der 
West-Europeesche poëtiek en critiek te schetsen. Er is over dat laatste 
onderwerp in het buitenland zooveel geschreven, dat ik er niet aan 
kan denken , hier het voornaamste te noemen ; belangstellenden verwijs 
ik naar Saintsbury's vroeger door mij genoemd werk om mede te 
beginnen. Voor de geschiedenis der literaire begrippen te onzent valt 
nog heel veel te doen. Ik moest hier kiezen en gaf slechts iets van 
het voornaamste. Wie zich aangetrokken gevoelt tot dit onderwerp, 
zal nog vrij wat vinden in de werken van geleerde genootschappen 
als de „Holl. Maatsch. van F. Kunsten en Wetenschappen"; ik wijs 
b.v. op de verhandelingen Over het ware denkbeeld van dichterlijke 
oorspronkelykheid door Sieuwertsz van Reesema IV, 1819), Over 
het ideaal ... in het gebied der kunsten en in hoeverre men zich naar 
hetzelve moet rigten door J. A. Bakker (kunstschilder te Rotterdam) 
(Vil, 1825), Over de beschrijvende Poëzy door Baillet (VIII, 1830), 



426 

Over de blijvende waarde van letterkundige voortbrengselen door 
D. T. HUET (IX, 1834); voorts op tijdschriften als Vaderlandsche 
Letteroefeningen , De Recensent ook der Recensenten e. d. Uit De Gids 
is natuurlijk veel meer te halen dan ik hier geef. Ook in dit opzicht 
wil deze Geschiedenis tevens opwekken tot verder onderzoek. 

^^) Voor de geschiedenis der Vlaamsche Beweging verwijs ik in 
hoofdzaak naar de belangrijke Schets eener Geschiedenis der Vlaamsche 
Beweging door Paul Frédéricq (Uitgaven v. h. Victor de Hoon- 
fonds no. 2-3) en mijn aankondiging van dat werk in De Gids 1910, 
no. 7; er zijn echter tal van kleinere geschriften over die Beweging 
(van HoFFMANN voN Fallersleben , Van Rees e. a.), te veel om 
ze hier te vermelden; voorts naar RooSES' Levensschets vanj. F. Wil- 
lenis (1874), Brieven (1874) en Keur uit de Dicht- en Prozawerken 
(1873) van WiLLEMS. 

Groote verplichtingen heb ik aan Geschiedenis der Vlaamsche 
Letterkunde door Th. Coopman en Dr. L. Scharpé (Antwerpen. De 
Nederl. Boekhandel 1910); de titels der in mijn verhaal besproken 
werken vindt men daar alle volledig vermeld; reden waarom ik het 
onnoodig acht ze nog eens op te sommen. Onder de, door mij 
geraadpleegde, werken noem ik voorts nog: J. Stecher's Histoire 
de la Littérature Neérlandaise en Belgique (1886); Vlaamsch België 
sedert 1830 (Uitg. Victor de Hoon-fonds no. 4); AlA.x RoosES' 
Schetsenboeken (1877, '82, '86); POL DE Mont's Hendrik Conscience 
{Gent 1883); Levensschets van Domien Sleeckx . . . door Paul Fre'de'ricq 
O 903); Het Proza in de Vlaamsche Letterkunde door Dr. Maurils 
Sabbe (1909); een artikel over Conscience door Schi.wmel in De 
Gids 1856 (II, 771-829). 

In afwijking van den, ook hier door mij gevolgden, regel: slechts 
die werken te behandelen , welke ik zelf onder de oogen heb gehad , 
heb ik in dit hoofdstuk enkele malen moeten afgaan op het oordeel 
van anderen. De oorzaak daarvan is , dat de bibliotheek van de 
«Maatsch. der Ned. Letterk.", waarop ik mij in de eerste plaats moet 
verlaten, van de moderne Vlaamsche letterkunde slechts weinig bezit. 



II. 1848 1870. 

HET EERSTE GESLACHT EN HET TWEEDE GESLACHT. 

Het geslacht, welks vertegenwoordigers in de literatuur wij 
lot 1840 hebben gevolgd op de door hen betreden wegen, 
blijft ook in dit volgend tijdvak werkzaam. De liberalen, nu 
meerderheid in de Tweede Kamer, krijgen gelegenheid hun 
wenschen en verlangens tot werkelijkheid te maken. De materiëele 
welvaart neemt onder hun bestuur toe; handel, nijverheid, 
landbouw gaan vooruit; maar het toenemend aantal fabrieken 
en fabrieks-arbeiders gaan weer nieuwe vragen stellen aan hen , 
die het een plicht achten der hoogere standen, voor zooveel 
mogelijk, een menschwaardig bestaan te verschaffen aan hun 
misdeelde landgenooten. 

Die rustige ontwikkeling werd slechts een paar maal bedreigd ; 
eens door cholera, eens door runderpest. Tweemaal, in 1866 
en 1870, werden de Nederlandsche burgerijen uit haar behagelijk 
leven van nijvere bijen opgeschrikt door oorlogsgeruchten; het 
nationaal plichtsbesef uitte zich in de vorming van weerbaar- 
heidskorpsen, zanddumtjes die ras verstoven; toen sluimerde 
het weer zachtkens in. 

Getrouwe zonen dier Verlichting, die hen had voortgebracht, 
ijverden de liberalen voor het verbreiden van kennis; de wet 
van 1857 op het Lager Onderwijs, die van 1863 op het 
Middelbaar Onderwijs getuigden het. De vurige letteren: «Kennis 
is macht" verblindden hunne oogen zóó, dat zij die andere: 
„Karakter is kracht" niet zagen. De geest werd verzorgd, het 
lichaam verwaarloosd. De gymnastiek begon zich pas te ver- 



428 

toonen; hoe noodig openluchtspel is voor een goede opvoeding, 
werd schaars beseft. Thorbecke zag het belang der gymnastiek 
en haar samenhang met de volksweerbaarheid in, maar hij stond 
nagenoeg alleen. 

Het modernisme begon uit de studeerkamers onder het volk 
te komen; Scholten's onderwijs en geschriften wonnen vele 
predikanten, Huet's Brieven over den Bijbel vele ontwikkelde 
leeken voor de nieuwe richting. Het modernisme, voor velen 
een bezielende kracht, wekte in anderer gemoed een pijnlijken 
twijfel; half of slecht begrepen maakte het - al dan niet 
geholpen door de natuurwetenschap - menigen oppervlakkige 
tot een Jan Rap. Sommige leiders der modernen: Pierson, 
HuET, De Veer traden uit de Hervormde Kerk, waarbinnen 
zij meenden niet langer te mogen blijven. 

Tegen dezen wassenden invloed van liberalisme en modernisme 
stelden behoudsmannen en reactionnairen zich schrap. De 
Roomsch-Katholieken , door het herstel der bisschoppelijke 
hiërarchie - Thorbecke's werk - opnieuw georganizeerd, gaan 
zich voorbereiden tot den oorlog tegen de vrijzinnige denk- 
beelden van liberalen en modernen. Dozy besloot in 1869 een 
rectorale redevoering met een waarschuwing tegen den invloed 
van Roomsche priesters en rechtzinnige predikanten. De Anti- 
revolutionnaire partij, sinds 1848 onder Groen's leiding 
gegroeid in omvang en kracht, trad openlijk op tegen de ont- 
worpen schoolwet van 1857 en ging zich, na de aanneming 
dier wet, rechtstreeks tot het volk wenden. Die wet bracht 
verdeeldheid in hare gelederen: Groen en zijn aanhangers 
hielden vol, dat de Staat zich door die wet tegen het Christendom 
had verklaard; de gematigden waartoe, behalve minister Van 
DER Brugghen, vader der wet, ook Beets en Hasebroek 
behoorden, bleven voorstanders der gemengde school, omdat 
zij de volkseenheid boven geloofsverschil stelden. 



429 

Zóó vruchtbaar was in den aanvang der 19<^® eeuw de akker 
der Nederlandsche volkskracht, dat reeds na 1850 een tweede 
talentvol geslacht naast het eerste opkomt; ditmaal niet, gelijk 
doorgaans, als zoons naast vaders, doch als jongere broeders 
naast oudere. Dat tweede geslacht zet ten deele het werk van 
het eerste voort, ten deele slaat het nieuwe wegen in: in de 
wetenschap komen Verwijs en Ten Brink naast De Vries en 
JoNCKBLOET te Staan , Fruin en Van Vloten naast Bakhuizen 
en Groen; Kern zet Hamaker's werk op eigen wijze voort; 
naast de ster van Scholten rijst die van Kuenen; Moll 
krijgt volgelingen in Wybrands en Acquoy; Tiele ontgint 
een nieuw veld. In de schilderkunst zien wij Bles en Bakker 
KoRFF als historie-schilders naast Bosboom en Rochussen 
optreden, al worden zij aangetrokken door een anderen tijd 
dan de gouden eeuw; Roelofs en Weissenbruch volgen met 
hun echt-Hollandsche landschappen het spoor, door Bieders 
gebaand; Bisschop, Fries van geboorte, geeft het „eigenste" 
wat hij weet: Hindelooper binnenhuizen; Mesdag wordt onze 
groote zeeschilder; Israëls verdiept zijn kunst van schitterende 
romantiek tot aangrijpend realisme. 

Ook in de literatuur volgt na dat krachtige eerste geslacht, 
dat wij vóór 1848 in zijn opgang hebben aanschouwd, een 
tweede welks voorname vertegenwoordigers slechts een tien- of 
vijftiental jaren jonger zijn dan die van het eerste. Naast 
Amsterdam vormt Den Haag zich tot een nieuw literair brand- 
punt; naast De Gids als leidend liberaal tijdschrift komt De 
Nederlandsche Spectator. Bakhuizen van den Brink, Amster- 
dammer die Hagenaar, Gidsiaan die Spectator-man wordt, 
schijnt den overgang van Amsterdam op Den Haag te verper- 
soonlijken. Bij enkele dezer jongeren handhaaft zich de 
sentimentaliteit. Ondei; den invloed van het werk der ouderen 
openbaart zich in velen hunner de ons bekende wcopiëerlust 



430 

des dagelij kschen levens". De literaire behoudsmannen hand- 
haven de vroeger door hen verdedigde beginselen, al komen 
zij niet tot het stichten van een eigen tijdschrift; hun publiek 
vinden zij in die breede scharen van gematigden , die de groote 
meerderheid van het Nederlandsche volk uitmaakten. 

Behalve den invloed, die uitging vooral van Potgieter, 
Bakhuizen van den Brink, Van Lennep, Toussaint, Beets, 
Kneppelhout, wordt invloed op het werk van het tweede geslacht 
geoefend door de buitenlandsche letterkunde. Naar het schijnt, is 
tusschen 1850 en 1860 de mvloed der Engelsche literatuur het sterkst, 
terwijl tusschen 1860 en 1870 Engelsche en Duitsche invloeden 
elkander evenaren en de invloed der Fransche literatuur stijgt. 

Wij hebben 1870 als tijdgrens aangenomen voor dit tweede 
vak van den nieuwen tijd. Dan immers zijn verscheidene ouderen 
sinds langer of korter tijd van het tooneel verdwenen : Tollens, 
Spandaw, Da Costa, Withuys, Bogaers, S. J. van den 
Bergh, Limburg Brouwer Sr.; van het eerste geslacht zijn - 
gezwegen van wie reeds vóór 1848 stierven - sommigen die 
in 1848 nog leefden, heengegaan: Bakhuizen van den Brink, 
J. VAN Lennep, Meyer, Oltmans, Van der Linden (De 
Schoolmeester); de grootste van allen: Potgieter staat dan 
aan het eind van zijn letterkundige baan. Onder de mannen 
van het tweede geslacht zijn er vrij wat, die vóór 1870 hun 
voornaamste werk hebben geleverd: Lindo en Mulder, 
Cremer en Keller, Limburg Brouwer Jr., Multatuli; of 
wier weg een beslissende wending heeft genomen, zooals bij 
Busken Huet het geval is; een der besten, de vroeg gestorven 
De Génestet, behoort in 1870 niet meer tot de levenden. 
Bovendien zien wij omstreeks 1870 een nieuw geslacht ten 
tooneele komen , dat ten deele het werk der beide eerste 
geslachten voortzet, anderdeels den weg bereidt voor jongeren 
die na 1880 onze letterkunde op nieuwe banen zullen voeren.- 



431 



TOLLENS (t 1856). SPANDAW (t 1855). S. J. VAN DEN 
BERGH (t 1868). DA COSTA (f 1860). 

Evenals vóór 1848 bleef Tollens de scharen zijner lezers 
opwekken tot weldoen en dankbaarheid aan Go4, zooals 
gedichten met die titels in een bundel van 1853 getuigen; een 
enkelen keer daalt hij dieper af in het leven dan doorgaans en 
mijmert over het geluk dergenen die nooit gepijnigd worden 
door kwellende vragen aangaande het hoe en waarom der 
dingen {Mijmering). Niet het minst moet hem de twijfel aan de 
waarde van zijn dichterschap gekweld hebben. In het gedicht 
De Muze, waarmede hij den bundel van 1853 besloot, heerscht 
een gedrukte stemming; levendig beseft hij, hoe diep zijne 
poëzie beneden „de aandrift van (z)ijn zielsgevoel" gebleven is. 
Dat besef alleen zou nog geen voldoend bewijs zijn van kwel- 
lenden twijfel; Tollens heeft dat besef met andere poëten 
gemeen; in zekeren zin pleit het zelfs voor hem. Zwaarder 
moet wegen , dat hij in de Opdracht van dezen bundel aan 
zijn vriend Bogaers mededeelt: .,de overtuiging, dat het vele 
middelmatige het weinige goede benadeelt en onderdrukt, komt 
bij herhaling in mij op". Die schatting zijner poëzie immers is 
geheel door het nageslacht aanvaard. Overigens is het alleszins 
begrijpelijk, dat hij ondanks die overtuiging voortging met 
verzen maken in zijn ouden trant en die verzen bleef uitgeven. 
Van vele zijden vroeg men hem erom , onder de vragers waren 
kenners als Bogaers; Koning Willem lil noodigde hem per- 
soonlijk uit, een gedicht te maken op den dood van Willem II 
en Hel.mers' Mollandsche Natie woorttezetten - bijna schreef ik: 
aantebreien - tot op den slag bij Waterloo; op zijn TO^ten jaardag 
werd een marmeren borstbeeld van hem in Museum Boymans 
geplaatst en het commandeurs-kruis van den Nederlandschen 
Leeuw hem door een der ministers in persoon aangeboden;. 



432 

de opbrengst van sommige stukken en stukjes, door hem ten 
bate der armen gedicht, bedroeg duizende guldens; zijn Over- 
wintering op Nova-Zembla was vertaald in het Engelsch, Fransch, 
Duitsch, Friesch en Hebreeuwsch - hoe krachtig moet het 
literair geweten getuigd hebben in een auteur, die bij zulk een 
populariteit nog twijfelde aan zich zelven. 

Toen Tollens drie jaar na het uitgeven van zijn laatsten 
bundel stierf, was het alsof er een lid uit ieders familie was 
gestorven, een volksvriend en weldoener des volks heengegaan. 
Een ToLLENS-avond werd op touw gezet; Haagsche rederijkers 
droegen er stukken van den poëet voor en kroonden zijn borst- 
beeld met een gouden lauwerkrans onder driewerf herhaald 
bazuingeschal. Bij zijn begrafenis was de vaderlandsche letter- 
kunde vertegenwoordigd slechts door Withuys, Van den Bergh, 
Bennink Janssonius en Van Zeggelen, doch niemand minder 
dan Bakhuizen van den Brink hield in 1860 een toespraak bij 
de onthulling van het monument op Tollens' graf; niet alleen 
Ten Kate, ook Beets en De Génestet behoorden tot zijne 
bewonderaars. Een standbeeld werd voor den betreurden doode 
opgericht, een eer tot dusver slechts aan Cats bewezen; een 
Tollens- Fonds - het eerste van dien aard - bijeengebracht 
tot het ondersteunen der behoeftige betrekkingen van overleden 
auteurs. Aanvankelijk bleef dat vuur van bewonderende liefde 
gloeien ; maar toen begon het te verdooven. Beets , Ten Kate , 
De Génestet en anderen gaan Tollens verdringen; meer en 
meer keeren de hooger ontwikkelden zich van hem af, hij zakt 
af naar de minst ontwikkelde klassen van lezers - wat is er 
nu nog van hem over dan zijn naam , zijn standbeeld , zijn 
krachteloos volkslied, en een paar kleine stukken die getuigen 
van zijn dichterlijken aanleg? In de geschiedenis onzer letter- 
kunde zal hij een auteur van beteekenis blijven, omdat hij 
vijftig jaar lang »de lust en de liefde der nederlandsche natie 



433 

is geweest", omdat zóó populaire poëzie deugdelijk materiaal 
levert ter karakterizeering van dien tijd. Maar ons heeft hij 
weinig of niets meer te zeggen , zoomin als de eertijds beminde 
Feith, zoomin als de nog hooger bewonderde Cats, al over- 
treft deze Tollens en Feith als dichter. 

Een jaar vóór Tollens was zijn oudere tijdgenoot Spandaw 
gestorven. Ook hij had niets nieuws meer te geven: in 1850, 
bij de mwijding van het nieuwe Academie-gebouw had hij zich 
nog eens aangegord tegen «de sluwe apostlen, die de duisternis 
ons zond"; niet de ridders van den domper, zooals men mis- 
schien zou vermoeden, maar wcommunisten, socialen, dema- 
gogen", die het op vernieling en verwoesting van de maatschappij 
hadden aangelegd. Evenals Tollens besefte ook hij, dat de 
jongeren de ouderen hadden verdrongen; maar, krachtiger en 
openhartiger dan de week-gemoedelijke Heer van Ottoburg, 
gaf hij zijn ergernis daarover lucht in ironie: zijn oogen zijn 
te zwak geworden om „de jeugdige adelaren" in hun verheven 
vlucht te volgen, zooals hij het in zijn gedicht Declamatie 
uitdrukt. 

Wie echter van plan was het veld te ruimen voor de jongeren, 
niet „Sampje" - zooals Braga den braven Samuel Johannes 
van den Bergh had betiteld: in 1856 gaf hij een bundel Nieuwe 
Gedichten uit en liet dien in 1859, 1863 en 1868 door nog 
drie andere volgen {Fantazy en Leven, Heden en Verleden, 
Uit mijn Zomer). Geen der talrijke verzen uit die bundels 
plaatst Van den Bergh in een ander licht dan waarin zijn 
eerste verzen hem ons toonden. Ook hier doet hij zich kennen 
als een braaf, gemoedelijk, vroom man, met liefde voor de 
natuur, de geschiedenis en den roem van zijn volk, met belang- 
stelling in het toenmalig volksleven — slechts geen kunstenaar. 

Wij vinden hier romances en huiselijke stukjes in den trant 
kalff, Letterkunde, VII. 28 



434 

van Tollens, natuurpoëzie hem ontlokt door de schoonheid 
van Gelderland, Zangen des Tijds uit de jaren 1850- 1857 
meerendeels in conventioneele taal; ook bijbelsche stukken, 
zooals Rebecca, evenals Da Costa's Hagar voor een uitgever 
gemaakt. Het opmerkelijkst zijn nog een aantal schetsjes uit het 
visschersleven {Schuitjensdag , In de Bokkinghang , In de Kerk, 
Op het Snijveld, In het Klaphuis enz.). Het visschersleven is 
hier goed waargenomen en aardig weergegeven in gemoedelijk 
huiselijke, vaardig-berijmde gedichten; doch wie ze vergelijkt 
met ISRAËLS' ongeveer gelijktijdige beelden uit het visschers- 
leven, ziet maar al te duidelijk, hoe ver ook hier onze poëzie 
achter onze schilderkunst blijft. 



DA COSTA. (Slot). 

De vloed van poëzie, die omstreeks 1839 plotseling in Da 
Costa's ziel was komen opzetten, daalde eerst langzamerhand. 
Op het vijftal groote gedichten, vóór 1848 ontstaan, liet hij 
van 1850-1853 nog een zesde: De Chaos en het Licht en 
tal van grootere en kleinere gedichten volgen. De inhoud van 
eerstgenoemd werk verschilt weinig van dien der vorige: ook 
hier laat de dichter het oog gaan over de beschaafde wereld en 
ontdekt overal teekenen van „sloping", van verval en naderend 
verderf; ook hier predikt hij: „Hereeniging met God!" Slechts 
is hier afwisseling gebracht in den ietwat eentonigen optocht 
van alexandrijnen, door „drie onderscheidene stemmen, die 
geen van allen de verwachting van den Dichter zelven uit- 
drukken" te doen hooren als inleiding tot de ontwikkeling 
zijner eigen overtuiging. Behalve dit groote gedicht vinden wij 
kleinere, die eveneens uitingen des dichters over het toen- 
malig staatkundig en maatschappelijk leven behelzen: Rouw en 



435 

Trouw (1849), een klacht over den dood van Willem II, dien 
Da Costa en De Clercq met zoo blijde verwachting begroet 
hadden; een treurdicht bij het sterven van den jongen Prins 
van Oranje (1850); De Hulk van Staat (1851), een zelfstan- 
dige nationalizeering van Horatius' «O navis, referent"; Voor 
Ierland, eindigend met de vaste verwachting, dat het „groote 
Babel" zal vallen. 

Naast die politieke poëzie vinden wij geestelijke; naast, niet 
tegenover: bij Da Costa als bij Bilderdijk immers bestaat 
tusschen die beide een innig verband. In de, door Kruseman 
op touw gezette, reeks van «Bijbelsche Vrouwen" liet hij op 
tiagar zijn Elisabeth (1851) volgen; doch deze stof heeft den 
Semiet die haar behandelde, blijkbaar lang niet zóó ontroerd 
als Hagar het had gedaan. Uit zijn bijbellezing komt een groot 
gedicht over David voort; Ezechiël die „zonde en afval van 
rondom" zag, boetprofeet met wien hij zich verwant voelt, 
ontlokt hem een nieuw gedicht; in Ecce Homo verdiept hij zich 
in Christus' lijden en de wederkomst des Heeren. 

Nog altijd stelt hij belang in vreemde literatuur van ouden en 
nieuwen tijd, al blijft hij op zijn hoede tegen alles daarin wat 
strijdig is met zijne beginselen ; wij vinden in dezen tijd een paar 
vertaalde fragmenten der Ilias; in Tasso's Qerusalemme treft 
hem de beschrijving der kruisvaarders bij hun eersten aanblik 
van Jeruzalem; hij vertaalt Luther's beroemd lied, Milton's 
sonnet Op den moord der Waldenzen. Belangrijk is de kristelijke 
omwerking van Goethe's K^nnst dii das Land, die hij onderden 
titel Heimwee (1855) in het licht gaf; daar spreekt hetzelfde innig 
en diep geloof, dat hem in 1856 aan Groen van Prinsterer 
over ViCTOR Hugos Contemplations deed schrijven: „Aan von- 
ken en vlammen van genie, en allerlei diepe blikken ontbreekt 
het in den merkwaardigen bundel van den balling (helaas! ook 

nog in het ééne noodige nog zoo zeer vreemdeling) niet!" 

28* 



436 

Niet om schoonheid te scheppen werd dit alles geschreven. 
Meer en meer werd Da Costa doordrongen van de over- 
tuiging, door hem aldus samengevat „dat, waar ook anders de 
spreuk moge gelden: „de kunst alleen om de kunst!" op het 
terrein van poëzy, my aangewezen, de Dichter zich de bij ten 
voorbeeld mag stellen, die haar zeshoek van was niet bouwt 
om de schoone regelmatige figuur zelve, maar om de eetbare 
honig, die het hare bestemming is daarin neder te leggen." 
Waar Da Costa in zijn poëzie van dezen tijd de schoonheid 
bereikt, geschiedt het ondanks hem zelven. Zoo vinden wij 
dan hier en daar mooie verzen of goede passages, zooals in 
den aanvang van Bidden, het slot van het gedicht Bij den 
dood van het jongste kind van onze vrienden Gregory Pierson- 
Oyens, Heimwee, Luthers Psalmlied; doch daartegenover veel 
van mindere waarde en niet weinig rhetoriek of berijmd proza. 

Leggen wij het dichtwerk uit Da Costa's eerste periode, 
die besloten wordt door de uitgaaf zijner Poczy (1821 — '22) 
naast dat uit deze tweede periode en uit zijne laatste jaren, 
dan treft ons, hoe zeer het aantal gelegenheidsgedichten (in 
den engeren zin des woords) is toegenomen. De verklaring 
van dat verschijnsel ligt voor de hand : aanvankelijk beweegt 
de jonge dichter zich in engen kring; leeft hij vooral voor 
geloof, wetenschap en kunst, is hij vervuld van de groote 
denkbeelden waaraan hij zijn leven hoopt te wijden - later, 
in de maatschappij opgetreden, breidt hij den kring zijner 
vrienden en kennissen uit; het algemeen-menschelijke en het 
maatschappelijke doen zich sterker in hem gelden. Zoo vinden 
wij dan, vooral na 1S48, tal van gedichten tot familie-leden 
en geestverwanten gericht, die ons een blik geven op de kringen 
waarin hij zich bewoog: behalve verzen aan zijne „egade", zijn 
zoon Abraham, zijne dochter Francisca, op den dood zijner 



437 

dochter Hanna, andere die gericht zijn tot leden der families 
Capadose, De Clercq, Gildemeester, Pierson-Oyens, Luden, 
Van Hogendorp, Van Heemstra, Constant Rebecque, d'Ablaing 
van Giessenburg, Hooft van Vreeland, De Bordes; tot den 
zendeling Dr. Karl Gutzlaff en den predikant Mounier. 

Voor de kennis van Da Cüsta's levensomstandigheden , voor 
de kennis van dien tijd in het algemeen zijn de meeste dezer 
gedichten van meer belang dan voor de geschiedenis onzer 
literatuur. Zij getuigen, dat de beginselen van Da Costa en 
de zijnen veld hadden gewonnen ook onder de aanzienlijken 
in den lande; dat warme vriendschap, op geloofsgemeenschap 
berustend , hem met velen hunner verbond. Door lezingen 
verbreidde hij zijne beginselen nog steeds in ruimer kring; 
Kneppelhout mocht Da Costa's welsprekendheid later ken- 
schetsen als „geidealizeerd lawaai"' - velen, en daaronder hoog- 
ontwikkelden en begaafden, genoten eiken Vrijdag-avond van 
die geniale improvizatiën en dat dichterlijk proza met zijn 
verrassende wendingen , die het barokke wel eens naderden. 
Als bestuurder en voorganger van het Seminarium der vrije 
Schotsche kerk trachtte hij den invloed zijner beginselen duur- 
zamer te maken. „Anti-revolutionair" wilde hij zijn richting na 
1848 liever niet genoemd hebben; in een brief aan Groen 
van 1854 lezen wij: » Christel ij k- H istorisch ! want dus, meen ik, 
dat ook gij onze richting in de bewegingen van den tijd en 
van het land, liever ziet gekarakteriseerd, dan door de gewone 
betiteling van anti-revolutionair". Doch, indien het getal zijner 
geestverwanten was aangegroeid, veel talrijker bleven degenen 
die zich afkeerden van »den Joodschen Jonkheer, den gepassio- 
neerden Oosterling, den politieken Don Quixote". In 1844 had 
hij er een bewijs van gekregen, toen Curatoren van het 
Athenaeum Illustre, onder den invloed van D. J. van Lennep 
en M. C. VAN Hall, hem benoemd wenschten tot buitengewoon 



438 

hoogleeraar in Latijn en Grieksch; doch het College van B. en W. 
geene voordracht, daartoe strekkende, bij den Raad indiende. 
Opnieuw openbaarde zich de vijandige gezindheid tegen hem 
in 1855, toen men bij de instelling der Kon. Academie van 
Wetenschappen hem, die toch lid was geweest van het Kon. 
Ned. Instituut, voorbijging; hem alleen, met Thorbecke, die 
zijn liberalisme tegenover de Roomschen in 1853 moest boeten. 
Zoo trof het ostracisme der conservatieve meerderheid van ons 
volk, die zich gelden deed zelfs in de sfeer der wetenschap, 
twee der eerste mannen op wie wij toen roemen mochten. De 
arbeid zal Da Costa afleiding en troost hebben gegeven. 
Sedert 1854 was hij bezig aan een onderneming, waarin liefde 
voor wetenschap en kunst zich paarden aan den plicht der 
piëteit: een uitgaaf der Dichtwerken van Bilderdijk, gevolgd 
door een studie over De Mensch en de Dichter Willem Bilderdijk; 
een werk, waartoe de uitgever A. C. Kruseman hem had 
aangezocht. Te midden van de vele bezigheden, door die 
geweldige taak geëischt, moet het hem een voldoening zijn 
geweest, dat in 1856 de honderdste verjaring van Bilderdijk's 
geboortedag te Amsterdam feestelijk werd herdacht: Da Costa 
sprak de feestrede uit; 's avonds droegen rederijkers in Odéon 
gedichten van Bilderdijk voor; een cantate van Schimmel 
Bilderdijks Eere met muziek van Heinze werd ten gehoore 
gebracht — wel waren de tijden veranderd. Heeft dat feest 
Da Costa's moed nog eens doen opvlammen; dat langdurig 
vertoeven in de sfeer van Bilderdijk's poëzie en leven den 
vloed van poëzie in hem weer doen zwellen? Iets van dien 
aard moet men u'el aannemen , om het ontstaan te verklaren 
van Da Costa's zwanezang: De Slag bij Nieuwpoort. 

De Haarlemsche boekhandelaar Van Brederode vroeg Da 
Costa eenige verzen bij een lithographie die den slag bij 



439 

Nieuwpoort voorstelde. Da Costa beloofde wat Van Brederode 
hem vroeg en zette zich aan den arbeid; „maar zie, nauwelijks 
had hij zich afgevraagd hoe het onderwerp aan te grijpen - 
of het onderwerp greep hem aan". Ook hier zweeft de dichter 
weer met breeden wiekslag door het ruim der tijden; dat 
getuigen het forsch tafreel der Hervorming aan den ingang 
van het gedicht, het fraaie portret van Prins Willem den Eerste, 
de voorstelling van al die Oranjes, optrekkend ten strijd als 
leeuwen ten buit. Met talent worden dan de krijgstochten 
van Maurits en Willem Lodewijk en de door hen geschapen 
nieuwe krijgskunst geschetst, ook de legers zelf ons voor oogen 
gebracht. Met kunst van karakteristiek is de moeilijkheid over- 
wonnen, waarvoor het opsommen der legeraanvoerders den 
dichter plaatste; met kunst de wending genomen die ons naar 
het bidvertrek van Filips Willem en het hof te Brussel voert. 
Dan terugkeerend naar Nieuwpoorts velden , schildert de dichter 
ons den slag in zijn verloop, om eindelijk - meesterlijke 
greep - de schimmen van Prins Willem en Marnix op de 
duinen te doen verschijnen, terwijl het in den aanvang even 
gehoord Wilhelmus uit de verte aansuist; om het geheel te 
bekronen met dat door Christelijken ootmoed gedragen slotvers: 
wMaar de Overwinnaar, in het stof gebogen, bidt". 

Een enkelen keer hooren wij hier den Oosterling in „ons, 
zonen van Euphraat-, Jordaan-, of Ebro-boorden"; telkens den 
Christen, niet het minst duidelijk m het op treffende wijs 
verkristelijkt klassiek woord: »Hy zag, Hy kwam. God over- 
won!"; overal den Hervormden Nederlander onder den indruk 
van de grootsche volkshistorie. Den invloed der klassieke kunst 
op zijn vorming speuren wij o. a. in het Virgiliaansch : „Gy 
zult Graaf Maurits zijn!"; dien van Vondel in een vers als: 
„thans vrij met éénen dood van heel eens levens smart"; dien 
van BiLDERDijK o. a. in die pittige, vloeiende alexandrijnen 



440 

over de krijgskundige oefeningen van Maurits en Willem 
Lodewijk - maar overal blijft hij Da Costa, die zich hier 
nog eens voor het laatst toont in zijn eigenaardig wezen, in 
zijn kracht en de volheid zijner schitterende gaven. 

Geen wonder, dat dit dichtstuk, voorgedragen op den 
14 Januari 1859, een zijner gewone Vrijdagen, tevens zijn 
51sten jaardag, diepen indruk maakte op allen die het hoorden; 
een indruk opnieuw gewekt, toen de dichter het daarna te 
Rotterdam en 's-Gravenhage voordroeg. Het was de laatste maal, 
dat men de kleine beweeglijke gestalte v^an den Joodschen 
Jonkheer met zijn levendig gebarenspel in het openbaar zag 
optreden. Het scheppen van zijn laatste groote werk had hem 
blijkbaar veel inspanning gekost: in een album-versje van 
October 1859 noemt hij zich „nog vermoeid van Nieuwpoorts 
slag". Nog een paar kleine gedichten ontvloeien zijn pen: de 
voltooiing der uitgaaf van Bilderdijk's werken viert hij met 
een karakteristieke navolging van het Lied von der Qlocke; met 
enkele diepgevoelde verzen biedt hij zijne vrouw een exemplaar 
dier uitgave aan; Bilderdijk en Hanna Belmonte gelden de 
laatste tonen dezer Sions-harp - dan zwijgt zij voor immer. 
In het laatst van 1859 werd Da Costa aangetast door een 
borstziekte, waaraan hij den 285*^^" April 1860 is bezweken „op 
den avond van den Oud-Joodschen sabbat, bij het naderen 
van den Christelijken rustdag". Wel mocht het orgel bij zijn 
uitvaart, evenals vroeger bij die van Bilderdiik, den psalm 
van ,/t hijgend hert der jacht ontkomen" doen hooren. 

Bilderdijk - telkens vinden wij, over Da Costa sprekend, 
dien naam onder onze pen. Geen wonder: hoeveel had Da Costa 
niet aan Bilderdijk te danken. Wat zou er van hem geworden 
zijn, indien zijn geest niet van jongsaf door Bilderdijk ware 
gevormd en verrijkt, niet ware ontwikkeld in een richting, hem 



441 

reeds door vader Da Costa aangewezen als de beste; indien 
hij niet, onder Bilderdijk's invloed overgegaan tot het Protes- 
tantsch geloof, in nauwer betrekking tot het voornaamste deel van 
het Nederlandsche volk ware gekomen; indien Bilderdijk hem 
niet door zijn voorbeeld de vrijheid van den dichter had getoond, 
niet aan het Oostersch temperament en talent van zijn leerling de 
gelegenheid verschaft had om zich vrijelijk te ontplooien; indien 
Bilderdijk's versmuziek hem met had ingewijd in de schoon- 
heid, de kracht en den rijkdom van het Nederlandsche woord. 
Maar al had Da Costa veel te danken aan dien leermeester, 
opvoeder en wegbereider, hij is reeds spoedig zich zelf ge- 
worden en het altijd gebleven. Da Costa had niet de ge- 
weldige kracht van Bilderdijk; niet hij had jaren lang alleen 
kunnen staan en den strijd volhouden tegen allen; zijner was 
niet de intellectueele kracht, waarmede Bilderdijk de weten- 
schap zijns tijds omvatte; doch ook niet de hoogmoed die 
daarmede gepaard ging, noch de bitterheid des harten en de 
grimmigheid, die zich uitten in spot, hoon, smaad en ver- 
wenschingen. Tegenover Bilderdijk's wrevel en wrok stellen 
wij Da Costa's teederheid; ook op hem was toepasselijk, wat 
hij zelf van Prins Willem 1 getuigde: «die moed zoo hoog, dat 
hart zoo week en sterk te gader." Scherp steekt Da Costa's 
reinheid van gemoed af tegen Bilderdijk's vleeschelijkheid, 
zich wringend in de banden van het Calvinisme; hij was een 
ridder zonder vrees als zijn meester, doch deze geen ridder 
zonder blaam als zijn leerling. Beiden mochten tot elkander 
zeggen, wat Da Costa tot zijn vriend Capadose had gezegd: 
wNoch voor u, noch voor my is deze aarde gemaakt;" maar 
in Bilderdijk's wereldverachting mengde zich vrij wat pose en 
grootdoenerij , die van Da Costa was oprecht en eenvoudig. 
Da Costa was een edelman ; Bilderdijk gaf er zich voor uit. 
Tegen Bilderdijk zag men op; Da Costa had men lief. 



442 

BiLDERDijK werd aangetrokken door het grootsche, Da Costa 
door het verhevene; de een vertaalt Sophocles, de ander 
Aeschylus. In vruchtbaarheid en rijkdom was Da Costa de 
mindere; hij bezat ook niet de bewonderenswaardige techniek, 
waardoor Bilderdijk met de taal kon doen wat hij wilde; 
doch, dieper en inniger van gevoel, ontroert hij ons vaker dan 
zijn meester het vermag. Onder den invloed der bekoring van 
zijn persoonlijken omgang, heeft Hasebroek Da Costa den 
meerdere van Bilderdijk genoemd, Potgieter hem boven 
Bilderdijk en Vondel gesteld. Afgezien van het feit, dat men 
bij de vergelijking van dichters onderling verder komt met 
karakterizeerende ontleding dan met louter waardebepaling, 
gelooven wij, dat èn Hasebroek èn Potgieter Da Costa 
hier hebben overschat; doch hoe men daarover denken moge, 
zeker schijnt ons, dat Isaac da Costa tot de weinige groote 
Nederlandsche dichters behoort, die de tweede helft der IQ'ie 
eeuw heeft aan te wijzen i). 



POTGIETER EN BUSKEN HUET. 

Ook na 184S zien wij Potgieter steeds bezig om, door 
middel van De Gids, mede te werken tot den opbouw van 
ons volk. Als vroeger tracht hij helpers te vinden bij het ver- 
vullen dier taak: Gerrit de Clercq, in wien hij een waardig 
plaatsvervanger van Bakhuizen meende te hebben gevonden , 
verliet De Gids in 1849; Dr. Riehm, evenals De Clercq 
indertijd een medewerker van Klikspaan, nam met Miquel 
de leege plaats in; Mr. Simon Vissering, volbloed-liberaal en 
in zijn jonge jaren geliefd gast van het Amsterdamsch studenten- 
gezelschap N. E. K-, trad na zijn benoeming tot hoogleeraar 
te Leiden uit de Redactie (1851); dat verlies werd vergoed door 



443 

de komst van den jongen Schimmel, koopman-dichter als 
Potgieter zelf. Onder de overige redacteurs na 1S4S noemen 
wij nog ZiMMERMAN, die Potgieter's trouwe schildknaap zou 
worden; Limburg Brouwer, zoon van den Groningschen 
professor; en den Amsterdamschen koopman P. N. Muller. 
Veth, Heemskerk Bz. en Schneevoogt bleven vooreerst deel 
der Redactie uitmaken. 

Van dien kring was Potgieter, na als voor, het middelpunt 
van waar bezielende kracht uitging; die mannen ontving hij graag 
te zijnen huize tot het houden eener redactie-vergadering, be- 
sloten door een weelderig souper, waarvoor tante Van Ulsen 
zorg droeg. \'an samenwerking, in den engeren zin des woords, 
gelijk wij vroeger bij de gemeenschappelijke recensie van De 
Pleegzoon zagen , is slechts een enkelen keer sprake geweest , 
namelijk in het omvangrijk proza-stuk Salmagundi; doch al 
hielpen Riehm, Schneevoogt, Veth en Heemskerk een 
handje, verreweg het meeste werd door Potgieter geleverd. 
Wij bemerken dat al spoedig, waar Potgieter's geliefde tegen- 
stelling van heden en verleden om het heden te prikkelen tot 
evenaring van het verleden , ook hier telkens voor den dag komt. 
Trouwens ook in andere werken van zijn hand uit dezen tijd , 
proza en poëzie, zien wij hem vervuld van die tegenstelling; 
zoo b.v. in een aankondiging van De Nederlandsche Volks- 
Almanak voor 1854 en in eene van Ter Gouw's Wandelingen 
door Amsterdam (1S60). Wat hem bij zijn beschouwing van 
het heden in tegenstelling met een, door hem geïdealizeerd , 
verleden bedroeft en verontrust, is vooral het „kank'rend pau- 
perisme", waarvan hij gewaagt in Hollandsche Politieke Poëzij 
(1848). Wat hem hindert en ergert in den feilen pennestrijd 
tusschen Roomsch en Onroomsch tijdens en na het jaar 1853, 
is, dat hier „uren, jaren levens worden verkwist, bij wier beter 
gebruik tegelijk de grootheid en het geluk van ons volk had 



444 

kunnen winnen" [Ned. Volks-Almanak voor 1854). Wanneer hij 
in zijn gedicht Aan Twenthe (1861) hulde brengt aan het 
„krachtig heden" van dat lang verwaarloosd gewest, aan Van 
Rechteren en Thorbecke bovenal, dan is zijn slotwoord toch 
een pleidooi voor een menschwaardig bestaan der fabrieks- 
arbeiders. Vervuld van warm medegevoel voor de misdeelden 
onder ons volk, wenscht hij „het lot des volks .... door de 
kunst in beeld gebragt" te zien {Holl. Pol. Poëzij); een wensch, 
dien wij in Salmagundi terugvinden onder den vorm dezer 
klacht: „Maar diep door te dringen in de ellende van het volk, 
dat is beneden onze schrijvers, beneden onze dichters vooral". 
Zelf gaf hij in dezen een voorbeeld ter navolging, nergens 
misschien op treffender wijze dan in zijn schoon gedicht Haesje 
Claesdochter op 7 Prinsenhof (1855); daar hooren wij de klacht 
over het verschil tusschen verleden en heden naast het verwijt 
aan het heden „traag van handen, slap van kniên"; doch in de 
opwekking zelve tot vernieuwen en voorwaarts gaan als ondertoon 
de mismoedigheid „half vertwijflend in 't verwachten". Die niis- 
moedigheid gaat hare vale vleugelen boven Potgieter's hoofd 
ontplooien; „Waar is van weêrgeboorte schijn?" vraagt hij in 
Het nieuwe Tolhuis der stad Amsterdam (1859); in een studie 
over Amsterdam in 1860 maakt hij gewag van „eene sombere 
schare, de stoet van teleurgestelde verwachtingen, die toen 
(Amsterdam's) geest voorbijging". Wat de dichter hier aan de 
hoofdstad toeschreef, was inderdaad zijn eigen teleurgestelde 
verwachting van het liberalisme; kennis zag hij genoeg om zich 
heen; talenten - „onze tijd vloeit er van over"; maar wat hij 
tevergeefs zocht, was „de ontwikkeling van een degelijk karakter". 
Emigratie, liefst naar onze koloniën, schijnt hem iets voor de 
toekomst te beloven (Landverhuizing naar de Vereenigde Staten 
ao 1855). 

Uitzwermen naar den vreemde, wat hij voor zijn volk 



445 

wenschelijk achtte, wordt ook hemzelven sterker behoefte, naar- 
mate hij onder zijn eigen volk minder bevrediging vindt. Van 
«dichterHjke droomen" over de volkstoekomst sprekend, erkent 
hij zelf: »Och ja, we hebben die bijwijle .... we hebben die 
het levendigst als wij in gedachte het langst met de edelste 
vernuften onzer dagen mogten verkeeren" {Amsterdam in 1860). 
Zoo zien wij hem in deze jaren zich oprichten aan Florence 
NiGHTiNGALE {Sancta Philomcnd), aan Schiller, Washington 
{Mount Vernon). Altijd een beminnaar van literaire schoonheid 
waar hij haar vond, gaat hij nu meer belang stellen in de 
geschiedenis der wereldliteratuur: hij leest Gervinus, Ginguene, 
JULIAN ScHMiDT, Sainte Beuve; midden in een critiek over 
Schimmel's Dramatische Poëzy vinden wij een omvangrijk brok 
tooneelgeschiedenis. Een verschijnsel van anderen aard is, dat 
het wetenschappelijk proza het bellettristische gaat verdringen: 
na 1848 geen novellen en schetsen uit het volksleven meer. Wat 
wij aan proza uit dezen tijd vinden , zijn öf stukken als Salma- 
gundi en Een dag te Kleef, in den trant van het vroegere 
{Albert), hoewel het novellistisch element er veel minder sterk 
is, öf studiën van literair-historischen aard. 

Salmagundi*) is een typisch voortbrengsel der romantiek in *) haringsia. 
zijn kwalijk bedwongen lust tot uitweiden , die overal stof vindt 
tot kleine verhandelingen; in zijn gemis aan eenheid waarop de 
titel reeds voorbereidt; typisch Potgieteriaansch ook in die 
voortdurend citeerende personages, waaronder „de man, wiens 
veelzijdige lectuur en verwonderlijk geheugen hem zelden voor 
eene citatie in den steek lieten" niemand anders dan Potgieter 
zelf kan zijn; in die hoofsche wendingen en „captationes bene- 
volentiae", dat stadig jacht maken op geestigheid, waardoor ook 
de gesprekken in den kring der Gids-redactie zich moeten 
hebben gekenmerkt. „Een bijna onbegrijpelijke rhapsodie" .... 
die vooral moest aantoonen dat de auteur te huis was „in omni 



446 

scibili" - dat oordeel van een toenmalig anonymus is zeker te 
hard, maar er is vrij wat waars in. Hooger dan dit en dergelijk 
werk staat Een Prospectus (1850), dat een fraaie karakteristiek, 
van Vondel bevat en de studiën over Béranger (1858)^ 
Crabbe (1858 -'59) en Tegnèr (1862). Met liefde en belang- 
stelling heeft Potgieter zich in het leven en het werk dier 
auteurs verdiept, al boezemt Crabbe hem mmder sympathie in 
dan de beide overigen. Aan de uiting zijner liefdevolle belang- 
stelling gunt hij den vrijen teugel: de stukken over Tegnèr 
(231 bladzijden) en die over Crabbe (300 bladzijden) moeten 
eer boeken dan studiën heeten; die over Béranger met hare 
178 bladzijden zou, indien zij voltooid ware, vermoedelijk een 
dergelijken omvang hebben gekregen. In die stukken , rijk van 
inhoud en boeiend van vorm, verlevendigd door menige fijne 
opmerking, is Potgieter deels verslaggever deels criticus; ook 
hier komt hij niet zelden met zijn eigen afwijkende gevoelens 
en meeningen te zeer op den voorgrond; dat blijkt vooral, 
waar Crabbe's realisme en Ai.bertine Kehrer's piëtisme 
{Piëtistische Poëzy, 1853) hem beletten, de kunst dier beide 
auteurs onbevooroordeeld te beschouwen. Crabbe's kunst, te 
kort schietend in het «teweegbrengen van genoegelijke, verhef- 
fende gewaarwordingen" - voor Potgieter «eerste eisch aller 
hoogere kunst" - de kunst der jonggestorven Albertine 
Kehrer, die geen «open oog voor den toestand van ons volk" 
had en hare «subjectieve gemoedsaandoeningen niet objectief 
idealizeerde" - zooals Potgieter zelf placht te doen - strookten 
niet met zijne theorie en praktijk der literaire kunst; dat ver- 
hindert hem, hunne kunst louter of in de eerste plaats als 
literair werk te beschouwen. Van zuiverder allooi is zijn op- 
bouwende critiek in de beschouwing over Schimmel's Drama- 
tische Poëzy (1850) en over een paar romans van H. de 
Veer (1861). 



447 

Kon in het eerste tijdvak van Potgieter's ontwikkeling zijn 
proza tegen zijne poëzie opwegen, nu overtreft de laatste de 
eerste in kunstwaarde verreweg. 

Evenals in de zangen des tijds met hun tegenstelHng van 
verleden en heden , waarvan wij boven gewaagden , is de stem- 
ming in vele andere gedichten van dezen tijd somber. Het lot 
van maatschappelijk misdeelden en bedroefden van hart vervult 
den dichter met deernis; het jagertje ,;Stram van leden en 
graauw van haar", het weesje ten grave gedragen door weezen 
win Aemstels kleuren" hebben zijn liefdevolle belangstelling; 
Moederrouw geeft een beeld van de smart eener moeder over 
het verlies van haar eerstgeborene; ook een paar vertaalde 
stukken van Millevoye en Arnauld staan aan den schaduw- 
kant des levens. De figuur van Willem lil, waarvan hij in 
Het Rijks- Museum zulk een fraaie schets had ontworpen, dringt 
zich op nieuw voor zijn geestesoog, waar hij in hel Haagsche 
Bosch een gevangen hert ziet. Uit die schaduwen treedt hij in 
het licht met zijn bewondering voor de Nederlandsche dichters 
uit Een Halve-Eeuws Wake, voor Da Costa wien hij een 
lijkdicht wijdt, voor Schiller dien hij op zijn eeuwfeest huldigt. 
In het omvangrijk gedicht Jacoba, waarin heugenissen van 
minne zijn samengeweven met welbehagen in een geïdealizeerd 
soldatenleven, ontvlucht de Amsterdamsche makelaar de vaak 
grauwe werkelijkheid van zijn bedrijf en van de Nederlandsche 
maatschappij dier dagen. 

Wat ons in deze poëzie treft, is in de eerste plaats dat samen- 
gaan van teederheid en kracht, waarin Potgieter Da Costa 
evenaart; welk een zachtheid en innigheid van liefde is er in 
't Was maar een weesje; op hoe aangrijpende wijze weet deze 
ongehuwde kinderlooze de smart eener moeder uittebeelden; 
anderzijds welk een kracht van plastiek in Eene Halve-Eeuws 
Wake; welk een rijkdom van kennis, door intellectueele kracht 



448 

beheerscht, door kunst van groepeering tot een fraai geheel 
gevormd in Isaac Da Costa, een der fraaiste dichter-portretten 
die er bestaan. Vergeleken bij Potgieter's poëzie uit zijn 
eersten lijd, toonen deze gedichten duidelijk, hoeveel rijper en 
sterker de kunstenaar geworden is. Ja, de maat en de bouw 
van zijn Afscheid van Zweden keeren hier eenige malen terug; 
doch daarnaast vinden wij tal van nieuwe maten en vormen. 
Hoe mooi zijn in Een Halve-Eeuws Wake om de kern van 
terzinen in lil de vier andere deelen symmetrisch of harmonisch 
samengevoegd; hoe fraai van bewerking de tegenstelling der 
beide stukken Aan d' Ingang en Aan d' Uitgang van het Haagsche 
Bosch; het afwisselend spel van minne en soldatenleven in 
Jacoba; de symmetrische bouw van Moant Vernon en die 
ondergaande zon bij Washington's sterfbed. 

Van een dichter die zich zoo hooge eischen stelde, die met 
zooveel ernst en geluk streefde naar het verdiepen van zijn 
wezen, de verfijning van zijn smaak, de ontwikkeling zijner 
dichterlijke vermogens, mocht men met recht nog veel ver- 
wachten. 

De eischen , door Potgieter aan eigen en anderer werk 
gesteld, werden eer hooger dan lager, sedert hij in nauwe 
betrekking was gekomen tot den man , wiens leven en werk 
van nu af eng met het zijne verbonden werd: Conrad 
Busken Huet. 

Toen Huet in 1862 lid werd der Gids-redactie, was hij reeds 
een auteur van naam. Den hoofdman der redactie kende hij 
nog niet lang, maar er was spoedig vriendschap tusschen hen 
ontstaan. Er bestond vrij wat verschil tusschen den Nederlander 
van ouder tot ouder en den afstammeling van réfugiés die 
hun Fransch bloed zuiver hadden gehouden, tusschen den 
54-jarigen koopman en den 36-jarigen predikant, den auto- 



449 

■didact en den academisch-gevormde; doch er was veel over- 
eenkomst tusschen beider streven en zij vulden elkander in 
menig opzicht aan. Anders dan Potgieter had Huet een 
onbezorgde jeugd in Den Haag en gelukkige jongelingsjaren 
te Leiden genoten; hartstochtelijk zwemmer, schaatsenrijder, 
biljarter, levenslustig, geestig, met een tikje „légèreté d'esprit", 
zich niet bekommerend om »men" en „wat de menschen er 
van zouden zeggen", werd hij spoedig een getapt student die 
veel vrienden had - en daaronder die Vosmaer, Kuenen, 
De Bruvn Kops heetten - het was geen wonder, dat hij lid 
der Almanak-redactie en ab-actis collegii werd. In de Leidsche 
Rederijkerskamer maakte hij kennis met Kneppelhout; in het 
studentengezelschap „Litteris Sacrum" met den toenmaligen prae- 
ceptor van het Leidsch gymnasium Matthias de Vries; aan 
Geel werd hij voorgesteld. 

Waalsch predikant waren zijne voorvaderen geweest, Waalsch 
predikant zou ook hij worden. Scholten was de geliefde en 
vereerde leermeester, die zijn geest had gevormd en hem in 
de moderne theologie ingewijd; na het afleggen van zijn 
candidaats-examen trok hij in den nazomer van 1848 naar 
Zwitserland, om er te Lausanne en Genêve zijne studiën 
voorttezetten en in de naburige dorpen zich te oefenen in het 
preeken. Niet zoo licht werd uit den getapten Leidschen student 
een degelijk leeraar en herder. Op zijn schrijftafel betwisten 
Rabelais en Molière, Béranger en Lamartine de noodige 
ruimte aan Nieuw Testament en Hebreeuwsche grammatica, 
aan boeken over dogmatiek en Vinet's Etudes Evangéliqiies; 
hij kent de verzen van De Musset beter dan het Nieuwe 
Testament. Zijn scepticisme wordt gevoed door zijn theologische 
studiën; zelf schrijft hij aan Pasteur l'Ange: „aujourd'hui je 
me crois pénétré d'une vérité et demain je me plais a la ren- 

verser, a la taxer de préjugé, de convention humaine ou 
KALFF, Letterkunde, VII. 29 



450 

sociale;" hij heeft zeven preeken gemaakt, die hij voor zijn 
geweten kan verantwoorden, doch zou zijn rechterhand geven 
om Namoiina geschreven te hebben. Hij voeU zich weinig 
geschikt voor het predik-ambt; doch wil die loopbaan niet 
opgeven, omdat hij zich niet sterk genoeg gevoelt om, zonder 
het Christendom , alleen zijn weg te gaan. 

Aan die twijfelingen komt voorloopig een eind : in den zomer 
van 1849 terug in het vaderland, legt hij kort daarna zijn 
proponents-examen af, is eenigen tijd hulp-prediker te Utrecht 
en wordt in December 1851 beroepen als Waalsch predikant 
te Haarlem, een ambt dat hij tien jaar lang zou blijven be- 
kleeden. Aanvankelijk vervult hij zijne plichten met volle over- 
tuiging. Blijkbaar heeft er een omkeer in hem plaats gehad : 
in een brief van 1853 aan zijn vriend, later zijn zwager. 
Van Deventer, heerschen hooge ernst en een sterk verant- 
woordelijkheidsgevoel; hij voelt zich nog ,;te veel theologant en 
te weinig Christen"; doch hoe ernstig streefde naar het goede 
die in dienzelfden brief schreef: „Och mijn beste, beste, beste 
Jules, laat ons toch inkeercn tot ons zelven, en wcenen en 
gelooven!" en een eind verder: »Maar ootmoedig zijn, en ons 
vroeger leven veroordeelen , en den verloren tijd betreuren, 
en God om vergiffenis vragen, en de onschuld van Jezus 
Christus, den Regtvaardige , door het geloof tot de onze maken, 
zie, dat kunnen wij allen." Het is begrijpelijk, dat de jonge 
predikant met zijn ernst, het letterkundig talent dat aan zijne 
preeken ten goede kwam, met zijn welluidende krachtige stem 
opgang maakte vooral bij de deftige of voorname Haarlemsche 
families waaruit een deel zijner gemeente bestond. De hoffelijk- 
heid en eenvoud van zijn gansche optreden droeg bij tot zijn 
succes. Wel schudden ouderen het hoofd over zekere „allures 
mondaines" in het toilet en de genoegens van den jongen man, 
over zijn ondeugende aardigheden en theologische stoutigheden, 



451 

maar over het algemeen was hij in de deftige Waalsche ge- 
meente een beminde en hooggeschatte persoonliji<heid. 

Op dien zandweg zou zijn karretje niet blijven. 

De strijd in zijn gemoed tusschen theologie en letteren was 
wel tijdelijk beslist ten gunste van de eerste, doch niet voorgoed 
geëindigd; het lid van het dispuut-gezelschap «Litteris Sacrum", 
van de Leidsche Almanak-redactie begon zich weer in hem te 
doen gelden. Met Mr. J. T. Buvs, volbloed-Thorbeckiaan, en 
Dr. S. A. Naber, conrector van het Haarlemsch gymnasium, 
met wien hij indertijd bij meester Rogge in Den Haag op de 
schoolbanken had gezeten, richtte hij een „Debating-club" op, 
die een nieuw brandpunt van geestelijk leven werd vooral voor 
de jongere Haarlemmers. IJverig lid dier „club", werd hij even- 
eens ijverig medewerker aan het vrijzinnig Zondagsblad , door 
den uitgever Kruseman opgericht, dat een half staatkundig half 
letterkundig karakter droeg. De literaire neigingen, die zich in 
zijn medewerking aan dat weekblad openbaarden, had hij 
trouwens nooit geheel verloochend. In 1854 had hij onder den 
schuilnaam Thrasybulus *) een bundeltje Groen en Rijp uit- *) Grieksch 
gegeven, dat eenige stukjes uit zijn studententijd (1847 -'49) en i^oen-raad. 
een reeks, getiteld „De Groote Menschen" (1850 -'53) bevatte; 
stukjes waarin de invloed van Hildebrand en Klikspaan 
zichtbaar is. In een volgenden bundel, getiteld Overdrukjes 
(1858), trad hij op onder zijn eigen naam en met de vermelding 
van zijn ambt „predikant bij de Walsche gemeente te Haarlem"; 
een stap welks gevolgen hij „voor zijne rekening en verant- 
woording" nam. Inderdaad waagde hij hier iets, wat andere 
predikanten met literaire neigingen (Hildebrand, Jonathan, 
Vlerk) hadden nagelaten, uit vrees dat de beoefening van 
andere dan stichtelijke literatuur de waardigheid van hun ambt 
zou schaden. 

In sommige dezer stukjes {Tweederlei Uitgang, Langs het 

29* 



452 

Kerkhof, Dokter George, Gitje) is wel talent van zien en weer- 
geven; het is Thrasybulus, maar gerijpt en predikant geworden. 
Hier en daar is vernuft en geest; doch wat ons vooral treft, 
is zachtheid en vroomheid van gemoed, zich openbarend o. a. 
in dien vrijgezel „die lederen dag aan tenminste één zijner 
medemenschen een dienst zou willen bewijzen" en die een paar 
oude vrijsters op zóó beminnelijke wijze voorthelpt. Wat ons 
treft, is voorts het strenge zedelijkheidsgevoel van dien knappen 
jongen Haagschen ambtenaar in zijn verhouding tot een mooi 
dienstmeisje; de pathetische uitroep: „O mijn vaderland, wan- 
neer zullen uwe kinderen" .... en wat daar meer volgt over 
de drankzucht. Hoe hooren wij den predikant in de lofspraak 
op „goed gereformeerd" en de uitweiding over „den onge- 
loovigen discipel eener eeuw die zich verveelt". 

Echter, die predikant was een modern predikant; de Haar- 
lemsche gemeente ervoer het voor en na; nooit zóó duidelijk 
als in die Brieven over den Bijbel, die tusschen 1857 en '58 
het licht zagen. In een reeks van weigeschreven epistels, ge- 
wisseld tusschen zekere Machteld en haar verloofde Reinout - 
minder gelukkige vorm voor deze stof - gaf Huet hier een 
„populair overzigt van de vruchten der Bijbelsche critiek ge- 
durende de laatste vijftig jaren" om daarmede de kloof te dempen 
die langzamerhand ontstaan was tusschen de modern opgeleide 
predikanten en de conservatief gebleven gemeenten. Ondanks 
den ernst, waarmede de nieuwe richting hier was gekenschetst , 
werden deze Brieven door de rechtzinnigcn veroordeeld als 
goddeloos; verscheiden boekverkoopers weigerden exemplaren 
in hun winkel te hebben of zonden ze terug; zoowel de schrijver 
als de uitgever (Kruseman) hadden er heel wat om te verduren ; 
zeker dacht Koenen ook aan dit werk, toen hij in een brief 
aan Groen „een zeer treurig tafereel" ophing van „den ver- 
derfclijken en uitgebreiden invloed van Opzoomer, Busken 



453 

HuET en Pierson". Huet voelde zich miskend; in een brief 
aan Mejuffrouw Anne van der Tholl, Machteld van dezen 
Reinout, hooren wij reeds spreken van „démission" en „retraite" 
(1857). Wel kwam er gaandeweg meer waardeering van zijn 
streven, maar in 1858 kenschetst hij zich toch als ,;de booze 
man die met de gansche wereld overhoop ligt". Gebukt ging 
hij onder die ervaringen juist niet; hij was nog altijd de man, 
die maling had aan „men" en „wat de menschen er van zouden 
zeggen". Het middelaarswerk, op het veld der theologie be- 
gonnen, beviel hem goed; hij gmg het uitbreiden ook over 
het veld der literatuur. 

Een der vroegste stukken , waaruit wij hem als letterkundig 
criticus leeren kennen, is een aankondiging van Vosmaer's 
Studie over het Schoone van het jaar 1857. Gelukkig kan men 
dat debuut niet noemen: de criticus maakt gegronde opmer- 
kingen over des auteurs Nederlandsch , maar het geheel zijner 
critiek is oppervlakkig en ietwat kleingeestig; het stelt ook geen 
gelijkwaardige overtuiging tegenover die van Vos.maer. Echter 
trekt het stukje onze aandacht, doordat wij er Huet reeds den 
trant zien volgen dien hij later menigmaal gevolgd heeft: een 
samenvatting van den inhoud, eenige opmerkingen over détails, 
besloten door een eind-oordeel. In de overige critische studiën 
van dezen tijd (over geschriften van Oosterzee, Beets, 
Hoekstra, Kneppelhout, Pierson, Da Costa) zien wij 
vooral den criticus die, tegenover de bestaande literaire critiek, 
tracht zich een eigen opvatting te vormen van het wezen en 
de taak der literaire critiek. Tegenover de „zoutelooze aankon- 
digingscritiek van onze meeste tijdschriften" wil hij ..die betere 
en edeler" critiek stellen, die het opneemt voor het onbekend 
of miskend meesterstuk en „een gevierd broddelwerk desnoods 
ontkleedt tot op het bloote lijf" (a^ 1859). De roeping der 
critiek - lezen wij elders - „is niet, knoopen door te hakken 



454 

of onherroepelijke vonnissen te vellen, maar voor te lichten, 
te leiden, den smaak des publieks te zuiveren" (1858); de 
literaire critiek van Beets wordt in menig opzicht geroemd, 
doch gelaakt als „te uitsluitend aesthetisch en te spaarzaam 
wijsgeerig", ook omdat zij „niet helpt doordringen in de diepten 
des nationalen levens"; met Hoekstra is hij van oordeel „dat 
de kunstenaar die zich in zijn arbeid de zoogenaamd zedelijke 
strekking ten doel stelt, verraad pleegt aan de kunst en schade 
doet aan de zedelijkheid" (1859). 

Hoe goed blijkt Huet zich hier bewust van „de verleiding" 
voor den criticus „om met eigen vernuft of geleerdheid te 
pronken, in plaats van óf hulde te doen aan het talent der 
anderen óf het lezend publiek wijzer en beter te maken" (1858). 

Huets belangstelling gold vooral het heden, maar - ten 
deele reeds onder Potgieter's invloed - richt hij zijn blik 
ook gaarne op het verieden, om door kenschetsing of ver- 
gelijking de ontwikkeling zijner tijdgenooten te bevorderen. Met 
dat doel voor oogen, ook door eigen belangstelling gedreven, 
hield hij in den winter van 1860 op '61 een reeks voordrachten 
over de Nederlandsche Letterkunde onder de Bataafsche Repu- 
bliek. r3ie voordrachten behooren mede tot zijn beste werk; 
hij kent dien tijd zoo goed, zijne gaven van groepeering en 
voorstelling komen hem hier zoo zeer te stade, dat hij er in 
geslaagd is, ons een levendige, treffende schildering van het 
leven en de literatuur dier dagen te geven; de behandeling 
heeft hier en daar iets tweeslachtigs door een novellistisch 
element (vooral in Daags na hei feest), dat aan Thym's 
historisch-letterkundige novellen doet denken; anderzijds heeft 
de aanschouwelijkheid der voorstelling daardoor gewonnen. 
Huets algemeene stemming ten opzichte van het letterkundig 
verleden toont ons een betuiging als deze: „Doch er is ook een 
soort van nederzien op onze "vaderlandsche letteren , waaraan 



455 

gij mij nooit medeplichtig zult hooren worden. Zeker, de onze 
is minder schoon en minder rijk dan de fransche, dan de 
engelsche, dan de duitsche vooral; doch wij hebben een letter- 
kunde, ja een letterkundigen schat." Hoe scherp de criticus hier 
en daar, o. a. in het stuk over Bilderdijk, eerst verschenen 
in De Nederlandsche Spectator (1860), ook optrad, hij meende 
zich toch te hebben onthouden van „alle denigreerende on- 
waardige kritiek". Ook treft ons hier en daar zekere schroom, 
zooals in deze uiting: «Groot is hier de verlegenheid der 
welopgevoede kritiek" (Bilderdijk). 

Deze opvatting van de critiek als leidsvrouw en opvoedster, 
die piëteit jegens het literair verleden des volks, die eerbied 
voor de eischen der welvoegelijkheid strookten geheel met de 
overige persoonlijkheid van den criticus, die immers als predi- 
kant nog steeds voorganger, ten deele ook voorbeeld eener 
gemeente moest zijn. Zeker hielden die opvatting en die ge- 
voelens verband ook met den invloed op Huet geoefend door 
den Zwitserschen theoloog en letterkundige Alexandre Vinet: 
in de studie over Bilderdijk betuigt hij immers zijne „hooge 
ingenomenheid en ongeveinsde eerbied voor de persoonlijkheid 

en de geschriften van den man aan wiens invloed op 

onze eigen vorming wij ons leven lang met dankbaarheid hopen 
te blijven denken"; er is slechts één ding in Vinet, dat hij 
nog meer bewondert dan diens scherpzinnigheid: „den adem 
uit hooger sfeer, den christelijken zielenadel, den reinen en 
verheven smaak die ons uit zijne werken tegenstroomt." Aan 
Vinet's invloed ook zullen wij moeten denken, wanneer wij 
Huet zich in 1861 zien scharen onder degenen, „die in naam 
der goede zeden bedenkelijk het hoofd schudden over de 
rigting der moderne letterkunde in Frankrijk." 

Dat was de man, van wiens Overdnikjes Potgieter in 1859 
een gunstige beoordeeling in De Gids had geschreven, dien 



456 

hij niet lang daarna ontmoet had ten huize van hun weder- 
zijdschen vriend , den letterkundig ontwikkelden Amsterdamschen 
koopman Burdet, en die weldra zijn intrede zou doen in 
de Gids-redactie. 

Wat HuETS vrienden sinds lang hadden zien aankomen, 
gebeurde: in Januari 1862 nam hij afscheid van zijn Waalsche 
gemeente; bij zoo groot verschil in zake geloof en godsdienst 
tusschen hem en haar kon hij, als eerlijk man, niet langer haar 
voorganger blijven. De predikant werd journalist. Enschedé, 
lid der Waalsche gemeente, wist hem te winnen voor de redactie 
der Oprechte Haarlemsche Courant; voortaan zou het zijn taak 
zijn uit de buitenlandsche couranten een overzicht samen te 
stellen van het staatkundig nieuws uit den vreemde. Als moest 
ook nu het bloed kruipen waar het niet gaan kon, zette hij 
zijn voormalig werk nog eenigen tijd voort, en hield voor een 
schare van getrouwen toespraken in de Haarlemsche Concertzaal. 
In hetzelfde jaar, waarin hij zijn ambt als predikant neerlegde, 
werd hij door Potgieter's toedoen uitgenoodigd zitting te 
nemen in de redactie van De Gids. 

Wat Potgieter van Huet verwachtte, was in de eerste 
plaats: heilzame opbouwende critiek. Reeds in een zijner voor- 
drachten over de Nederiandsche letterkunde onder de Bataafsche 
republiek had hij gezegd: „in plaats van genezen zijn wij in 

menig opzicht slechts weder ingestort Reactie is geen 

herstel. Apathische orde geen minder groot euvel dan wanorde. 
Lustelooze vrijheid een nieuwe vorm van slavernij. Laat ons 
dan arbeiden en waken, opdat wij de vrijheid behouden en 
de kracht herwinnen." Wie zóó dacht, moest een bondgenoot 
naar Potgieter's hart zijn. In de tweede plaats zal Potgieter 
van Huet's komst versterking gehoopt hebben van dat zuiver- 
literair element in zijn tijdschrift, dat hij bij de koersverandering 



457 

van 1845 slechts noode op den achtergrond had zien geraken. 
En ten slotte hoopte de ongehuwde, met zijn hart vol toe- 
wijding en zijn sterke behoefte aan vriendschap, in Huet te 
herwinnen wat hij in Bakhuizen van den Brink verloren had. 
Zoo werd dan aan den nieuwen redacteur een afzonderlijke 
plaats ingeruimd waar hij, onder het opschrift Kroniek en 
Kritiek, gericht zou houden over de literatuur van den dag, 
en voorts over verleden, heden en toekomst van ons volk 
zeggen wat hij op het hart had. 

' Zoowel voor Potgieter als voor Huet is hun onderlinge 
vriendschap die met den tijd hechter werd, een kostelijk ding 
geweest. Wat Potgieter aantrok, doordat hij het zelf slechts 
in geringe mate bezat: licht, sprankelend vernuft en bevallige 
geest, dat vond hij bij Huet, wiens omgang op hem werkte 
als een opwekkende prikkelende zeebries. Zijnerzijds heeft Huet 
later getuigd: „vijftien jaren lang is Potgieter een der zonne- 
stralen van mijn leven geweest"; hij leerde veel van den achttien 
jaar oudere, die hem vooruit was in menschen- en boeken- 
kennis; hij en de zijnen kregen Potgieter lief en gaven hem 
in liefde en vereering terug wat zij konden, 's Zondags deden 
de HuETS met hun eenig kind in gezelschap van Potgieter 
en zijn zuster tochtjes naar Zeist of Maarsbergen; met Pot- 
gieter's goedvinden bezorgde Huet een bloemlezing uit zijn 
vriend's proza, die in 1864 het licht zag. Vooral sedert 1864 
onderhielden zij een levendige briefwisseling, die beider geest 
opwekte en prikkelde. 

Echter, Potgieter moge veel hebben genoten van den 
omgang met zijn nieuwen vriend - hij, 54-jarige, bleef die 
hij was; „nooit ben ik er in geslaagd", getuigde Huet later in 
zijn Persoonlijke Herinneringen „invloed op zijne denkwijze uit 
te oefenen". Wat in Potgieters overtuigingen zich wijzigde, 
geschiedde langs den weg van natuurlijken groei, van binnen 



458 

uit, zij het onder den invloed van of in overeenstemming met 
de geestelijke stroomingen van dien tijd. Het modernisme mocht 
zijne godsdienstige overtuigingen verruimen en verdiepen, theo- 
logische polemiek hem afkeerig maken van dominé's - het 
wezenlijke van het Christendom »te goed voor de aarde" be- 
vredigde nog zijn behoeften; een predikant-dichter als De 
GÉNESTET, die zoo warm kon debatteeren met de krasse, 
ouderwets-orthodoxe tante Van Ulsen, was hem lief. Hij 
begrijpt niet, hoe Van Limburg Brouwer lust kan hebben, 
als lid der Tweede Kamer «in het gareel van den Thor te 
draven" - maar hij blijft een liberaal idealist. In Een Ander 
Visioen (1863), in Heugenis van Wolf hezen (1863) hooren wij 
hem als vroeger aandringen op goed onderwijs, op gelegenheid 
tot ontwikkeling van lichaam, geest en gemoed ook voor de 
armsten. De mismoedigheid blijft hem in haar greep houden, 
waar hij in Heugenis van Wolfhezen, „de laauw- de lafheid 
moê van 't heden", bijna zou bidden om „verdrukking" als 
waardoor het voorgeslacht gelouterd en gestaald werd , of langs 
dien weg de gehoopte volksherleving komen mocht. De liefde 
tot zijn land en zijn volk blijven even sterk in hem, nog altijd 
verdiept hij zich gaarne in de glorie van het volksverleden; 
getuigen mogen het die fraaie verzen over de vaderlandsche 
vlag in den aanhef van Bronbeek, die vaderlandsche landschappen 
in Heugenis van Wolfhezen en Heugenis van Renswoude (1863), 
die schildering van het volksverleden in Een Haarlemsch hofje 
(1864). Doch wanneer men in 1863 feest viert ter eere van 
eene, vóór 50 jaar met vreemde hulp herkregen , onafhankelijk- 
heid, dan vraagt hij hooger uiting van volksvreugd dan „lichtzee 
bont van kleuren" en „statig toastenbrengen" : krachtig uitslaan 
der wieken, „open zin voor 't leven" die onze onafhankelijkheid 
moge voldingen. 

De behoefte aan verkeer met het buitenland, die zich open- 



459 

baarde in de jaarlijksche vliegreisjes met zijn zuster, zien wij 
ook in gedichten als Shakespearé s Geboortedag (ISbA) ; ditmaal 
geen dichterkarakteristiek , die zooveel zwaarder zou zijn geweest 
dan die van Da Costa, maar een verheerlijking van den 
blijvenden invloed des dichters; als Eene Revue in het Bois de 
Boulogne (1864), dat ons Napoleon 111 met zijn gemalin en 
zijn zoon voor oogen brengt. 

Ook nu overtreft zijne poëzie zijn proza in schoonheid en 
beteekenis. Nog eens beproeft hij een verhaal te schrijven in 
den trant zijner vroegere; Een Novelle? (1864) geeft ons een 
vrijage te zien tusschen een mooi meisje uit lageren stand en 
een jeugdigen landjonker: motieven uit Het Weeuwtje uit het 
Hof van Holland, gemengd met andere door den dichter 
misschien ontleend aan het naar Whittier vertaald Aafje en 
als nieuw motief: de opvoeding van het landmeisje om haar 
geschikt te maken voor het leven in een hoogeren stand; het 
geheel in den vorm van een gesprek tusschen een paar bekoor- 
lijke jonge vrouwen. Doch ondanks alle inspanning slaagde de 
auteur maar ten halve; niet zonder reden zeide hij bij de her- 
lezing van het stuk in De Gids bij zich zelven: „mis, a refaire!" 
Een fraaie schets van Anthonie van Dyck in Engeland 
vinden wij in Wenschen en Droomen (1864). Bijzonder mooi 
is de karakteristiek van Hawthorne in Onder weg in den Regen 
(1864); werkelijkheid en verbeelding: een reisje naar Den Haag 
en een droomgesprek met Hawthorne, zijn hier vervlochten 
met een kunst die sterker zal treffen, naarmate men meer ver- 
trouwd is met de epische kunst van dezen Amerikaanschen 
romancier, die, als misschien geen ander, de werkelijkheid 
weet te verheffen en te vergeestelijken door de gestadige aan- 
raking met de ons omringende mysteriën van leven, wereld en 
natuur. De lust tot literatuurgeschiedenis vervult Potgieter nog 
steeds; Jonckbloet's Geschiedenis der Midden-N ederlandsche 



460 

Dichtkunst doet hem verlangen naar een volledige geschiedenis 
onzer letterkunde; van Huet hoopte hij er eene te krijgen; hij 
droomt van een geïllustreerd boek, dat ons volk in het buiten- 
land beter zal doen kennen. Aan de critiek der literatuur van 
den dag onttrekt hij zich niet: beoordeelingen van geschriften 
van Jan TEN Brink, Meijer, Cremer, Keller, Tiele, Elliot 
Boswel e. a. kunnen dat getuigen; doch minder dan ooit toonde 
hij zich hier een „blauwen beul". Wanneer Huet zich verbaast 
over „de goelijke kritiek" van zijn vriend, heeft Potgieter 
daartegen niet veel meer in te brengen dan: „ik word dik, 
beweert men; en dat geeft iets goêlijks"; een volgenden keer 
hooren wij hem erkennen: „gij hebt gelijk, ik word overbeleefd" 
en later, dat hij „menige gekheid voorbijgezien" heeft in oude 
kennissen ais Withuys en Ter Haar. Huet's kritiek doet hem 
gevoelen, dat hij oud wordt; daarom acht hij beter, dat „jeugdiger 
talent // Thans zoo zwaar een taak zich wijde". 

Wie m gebreke bleef. De Gids zijn naam van „blauwe beul" 
te doen verdienen, niet Huet. 

Aan kwaadaardigheid, grofheid, vinnigheid had het de literaire 
critiek te onzent tot dusver niet ontbroken; ook niet aan dege- 
lijkheid en uitvoerigheid; doch over het algemeen stond zij ver, 
ver ten achter bij wat er in het buitenland geleverd was. Geel 
en Bakhuizen van den Brink waren critische geesten van 
den eersten rang, doch beiden hadden zich slechts van tijd tot 
tijd met de literaire kunst hunner tijdgenooten bezig gehouden. 
Potgieter had de literaire critiek hier gevestigd en in menig 
opzicht een voortreffelijk voorbeeld gegeven, doch zijn subjec- 
tivisme deed schade aan zijn onbevangenheid; de zachtheid 
van zijn gemoed deed hem doorgaans schromen voor scherpte, 
ook waar scherpte noodig was. In Huet kwam een man van 
veelzijdige letterkundige ontwikkeling, met scherpen blik en 



461 

geoefenden smaak, met een sterk verlangen om het literaire 
peil onzer letterkunde te verhocgen in het veld. Onbekommerd 
over wat men er van zeggen zou, toog hij aan het werk en 
gaf zijn oordeel, doorgaans met een vormelijkheid, die noch 
vlijmend sarcasme noch vernietigende ironie uitsloot. Het waren 
niet alleen onbeduidende rijmelaars als Bronsveld, maar geachte 
auteurs als Withuys, Bogaers, Ter Haar, beminden des 
publieks als Van Zeggelen en S. J. van den Bergh, die een 
vonnis hoorden, dat door het nageslacht bevestigd is. De juist- 
heid van Huet's blik deed hem toen reeds zien, dat Van 
Lennep's letterkundige werkzaamheid „voornamelijk bestemd 
was om door te dringen tot de lager liggende formatiën onzer 
samenleving". Niet alleen tegen de auteurs keerde deze critiek 
zich, maar ook tegen het publiek, dat welmeenende rijmers of 
gelijkvloersche Nuts-lezers aanmoedigde; het publiek, dat hij 
„moeijelijker te voldoen", noemde „naarmate de toon van een 
stuk beschaafder of de daarin voorkomende scherts fijner en 
geestiger" was. 

Indien wij Huet's critiek uit deze jaren 1862 -'65 verder 
willen kenschetsen , dan hebben wij in de eerste plaats te wijzen 
op zijn afkeer van realisme, als behoorende tot den grond zijner 
literaire overtuigingen. Die afkeer doet hem onbillijk worden 
tegenover Van Koetsveld als uitbeelder der werkelijkheid; dat 
verkeeren in „de onderste lagen der samenleving" behaagt den 
criticus weinig; de achterbuurt? goed - mits geïdealizeerd. 
Schetst Van Koetsveld - en lang niet kwaad - in een paar 
trekken het lijk van een drenkeling, dan noemt Huet dat 
omtrekje „wansmaak", het behoort tot de „ruwheden" waarop 
hij niet gesteld is. Richten wij het oog op de velden waarover 
zijne critiek zich uitstrekt, dan zien wij dat de buitenlandsche 
letterkunde er door Uhland, George Eliot, GeorgeSand, 
OcTAVE Feuillet, Murger, Thackeray e. a. vertegenwoordigd 



462 

is naast de vaderlandsche; dat in die vaderlandsche — gezwegen 
van de auteurs onder de Bataafsche Republiek - enkele ouderen 
naast meer nieuvveren behandeld zijn. Voorts is deze critiek 
ongelijk aan zich zelve: er zijn enkele stukken, die beter niet 
herdrukt waren; verscheidene andere, handig ineengezet, voor 
een niet gering deel bestaand uit welgekozen aanhalingen — 
waar het een buitenlander geldt, voortreffelijk vertaald - onder- 
houdend geschreven, niet diep: goede journalistiek; meer dan 
eens treffen ons onjuiste voorstellingen of gewaagde beweringen 
zonder schijn van bewijs; doch deze worden verre overtroffen 
door het vele juiste en treffend nieuwe, door frischheid van 
opmerking, puntigheid van voorstelling, schoonheid van karak- 
teristiek - alles in Nedcrlandsch zoo echt, zoo levendig, pittig 
en geestig als in dezen tijd zelden wordt aangetroffen. 

ViNET, in 1860 met zooveel dankbare bewondering herdacht, 
raakt bij Huet op den achtergrond, al blijft hij hem hoogachten; 
daarentegen komt Sainte-Beuve sinds 1863 op den voorgrond. 
Wie het opstel, in dat jaar door Huet aan dien voortreffelijken 
criticus gewijd, leest; opmerkt, wat hij in den Franschman prijst, 
wat hij in hem verdedigt - moet telkens aan Huet zelven 
denken. Later, in 1871, neemt hij het zelfs in tegenstelling 
met PiERsoN op vóór Sainte-Beuve en Taixe tegen Vinet. 
Van Vinet, den geloovigen idealist met zijn edele aspiraties en 
zijn vertrouwen in de menschheid, naar Sainte-Beuve, den 
scepticus met zijn veelomvattende belangstelling, zijn alles ov^er- 
heerschende waarheidsliefde en onbevreesde vrijmoedigheid - 
daarmede is in menig opzicht de richting aangegeven, waarin 
Huet zich zal ontwikkelen. In de drie jaren tusschen 1862 en 
'65 zien wij hem weifelen tusschen den ouden en den nieuwen 
koers en een aan Vinet verwant idealisme naast, soms tegen- 
over een aan Sainte-Beuve herinnerend scepticisme, gepaard 
met onvervaarde waarheidsliefde. Predikant was hij niet meer,. 



463 

maar de prediker bleef zijne toespraken in de Haarlemsche 
Concertzaal houden tot in Mei 1864; uit die Toespraken, uit 
Verspreide Polemische Fragmenten, in 1S64 uitgegeven, en 
eenige later in Nederlandsche Bellettrie of Litterarische Fanta- 
siën en Kritieken opgenomen stukken van dezen tijd, kunnen 
wij gewaar worden wat in hem omgaat. 

De ware godsdienst wordt „een verheven mysticisme" ge- 
noemd; „hoe frisscher en verhevener onze idealen zijn" lezen 
wij in Abrahams Offerhande , „des te reiner blijft ons gemoed"; 
„niet straffeloos kan God worden weggenomen uit ons hart 
of uit de wereld"; het ongeloof wordt merkwaardig goed ge- 
kenschetst, doch het is hem nog „een benaauwde droom". 
wGevoel en verbeelding" - zoo heet het in Verspr. Pol. Fragm. - 
„zijn als door banden des bloeds vermaagschapt aan den reli- 
gieusen geest". De Ruyter - niet Rembrandt - is voor Hlet 
in 1862 „de nationale type bij uitnemendheid: in hem, den 
grooten admiraal, beminnen wij met regtmatig zelfgevoel al 
hetgeen er goeds en edels in onzen landaard is"; in datzelfde 
stukje spreekt hij van ..al het eigenaardig voortreffelijke van dat 
karakter (van ons volk) , al het uitnemende waartoe het in staat 
is." Van de Franschen daarentegen schrijft hij in Verspr. Pol. 
Fragm.: „En deze natie heeft helaas te allen tijde, tot schade 
harer ziel, den vorm zooveel hooger gesteld dan de degelijk- 
heid, zij heeft zoo duur geboet voor haar onvoorwaardelijk 
offeren op de altaren van den goeden smaak en van alle gra- 
tiën." In een paar stukjes over De Géxestet {De Oénestet's 
Uitvaart 1862) treft ons, behalve de schoone karakteristiek, 
een weldadig aandoende warmte; hier - zeldzaam feit in Huet's 
geschriften — beven er tranen in zijn stem. 

Maar van hoe onzekeren klank is daarentegen een uiting als 

deze: „Zij ruischen vergif, indien men wil*), de breedgetakte ') de cur- 

siveenng. 
Mémoires da Diable en Mystères de Paris, de weelderig uit- van mij. 



464 

gegroeide Monte-Christo's en Jidf-Errants" (1862). De Musset 
blijft nog altijd een lievelingsdichter van hem, al gaat Heine 
dezen den voorrang betwisten; Heine, naar wien de student 
Huet heimelijk de hand uitstrekte als naar de verboden vrucht, 
nu ondanks zijne «frivoliteit" bewonderd en gehuldigd {Hebr. 
Twijfelzucht). Tegenover de hoopvolle uiting over onze volks- 
toekomst hierboven aangehaald, staat de vrees, dat de Neder- 
landsche natie, gevoed met de «bedenkelijke zielespijs" haar 
voorgezet door de Hervormde Kerk, moet eindigen met „'m 
het verstandelijke een beuzelachtig, in het zedelijke een besluite- 
loos en onveerkrachtig volk te worden" {Onrust in: Toespr.). 
In Een Oad-testamentisch Karakter vinden wij reeds dezelfde 
geringschatting van ons volk, die later zoo luid zal spreken in 
Het Land van Rembrand. Echter, hier ziet Huet nog „sommige 
onmiskenbare levensteekenen". In een stuk over Helvetius 
VAN DEN Bergh (a" 1864) erkent hij ruiterlijk: „ik voor mij 
wanhoop niet aan de toekomst. Indien wij slechts voortgaan 
op den weg die in de laatste 25 jaren door de besten onzer 
ingeslagen is, zullen wij er eindelijk wel komen"; doch in het- 
zelfde jaar Potgieter's Proza aankondigend : „Gelijk Professor 
Vissering aan de doorgraving van Noord-Holland gelooft, 
gelooft de Heer Potgieter aan de mogelijkheid van jan Salie's 
wedergeboorte; een geloof, waarmede ik, indien men zoo iets 
durft zeggen, te meer op heb, naarmate het mij ongelooviger 
laat"; volgens Huet immers was „Onkruid vergaat niet" de 
eenige stroowisch waaraan Potgieter zich hier kon vasthouden. 
Zulk weifelen kon bij een man als Huet niet lang duren; hij 
moest links of rechts. Met het oog op zijn ontwikkelingsgang 
als predikant, geëindigd in een botsing met zijn omgeving en 
een afscheid van zijn gemeente, was te verwachten dat het den 
Gids-redacteur niet anders zou gaan. Die verwachting werd 
werkelijkheid in den aanvang van het jaar 1865. In het 



465 

Januari-nommer van De Gids verschenen twee stukken van 

zijn hand: in het eene werd het, aan de Koningin opgedragen , 

jaarboekje Aurora onderworpen aan een felle critiek, uitgebracht 

door de Koningin en hare hofdames; in het andere, getiteld 

De Tweede Kamer en de Staatsbegrooting , onderteekend door 

;,een abonné op het Bijblad", op minachtenden toon gesproken 

■over Thorbecke's redevoeringen, aan de liberalen afkeer van 

de volkssouvereiniteit en van de democratie verweten, van 

Nederland gezegd, dat het „feitelijk sedert 1848 eene demo- 

kratische republiek was met een vorst uit het Huis van Oranje 

tot erfelijken voorzitter". 

Aan het eerste stuk ergerden zich velen onder het lezend 

publiek; aan het laatste vooral de liberalen in den lande, niet 

iiet minst de liberale redacteurs van De Gids, o. a. Blvs en 

■QuACK, buiten wier medeweten het stuk geplaatst was. leder, 

•die iets tegen Huet had deed zijn stem hooren in het koor 

van verontwaardigden ; dat onder hen niet weinig schrijvers 

Avaren, mogen wij wel aannemen; „ik had" - schreef Hiet 

aan Mevrouw Bosboom-Toussaint - „van de vaderlandsche 

beunhazen in proza en poëzie, de bloei van wier nering tijdelijk 

door mij verstoord is, sedert lang iets verdiend." In de on- 

•eenigheid, vooral tengevolge van het laatste stuk tusschen de 

leden der Redactie ontstaan, koos Potgieter, met wiens mede- 

•weten en goedvinden de stukken waren geplaatst, Huet's zijde. 

Aan den eisch, in het vervolg niet weer over politiek te 

schrijven, wilde Huet zich niet onderwerpen; zoo nam hij 

•dan zijn afscheid van De Gids. Potgieter bleef ook nu aan 

_zijn zijde; het aanbod, hem door de overige redacteuren gedaan, 

dat zij zich zouden terugtrekken en hem de leiding van het 

lijdschrift laten, beschouwde hij te onrechte als niet ernstig 

■gemeend. Voor hem, toch al niet hoopvol gestemd omtrent 

«de toekomst van ons volk, die van Huet's invloed nog veel 
KALFF, Letterkunde, VIL 30 



466 

verwachtte, ging met dezen de redacteur heen, die het best 
den juisten koers wist. Geplaatst voor de keus tusschen Huet 
en de overige redacteurs, volgde hij den scheidende, aan 
wien warme vriendschap en bewondering hem verbonden. 
Het besef zijner mede-verantwoordelijkheid en de ridderlijkheid 
van zijn nobel hart duldden niet, dat hij zijn wapenbroeder 
alleen liet trekken; zoo nam dan ook hij afscheid van het tijd- 
schrift, dat hij meer dan iemand anders het zijne mocht noemen. 

V'oor Huet, nog pas drie jaar lid der Redactie, was de 
scheiding van De Gids vooral het verlies eener eigen tribune 
van waar hij kon spreken; voor Potgieter, den stichter van 
het tijdschrift waaraan hij meer dan een kwart eeuw zijn beste 
krachten had gewijd, een offer. Klagen doet hij ook nu niet; 
slechts een enkelen keer hooren wij in zijne brieven een uiting 
') Potgieter als deze: ,;ik moge naar de kritiek een afgedankte guerilla zijn *). 

bedoelde * 

suerrUlero ^^"^ "'^ zoekt hij zijn troost bij reizen en werken. In Mei 1865 
noodigde hij Huet uit hem te vergezellen naar Florence, waar 
het zesde eeuwfeest van Dante met buitengewonen luister door 
het onlangs vereenigd en herboren Italië zou gevierd worden. 
Meer en meer sluit hij zich bij de Huets aan. Sorghvliet, het 
kleine huis tegenover de Kleverlaan te Bloemendaal, waar Huet 
met zijne vrouw en hun eenig kind nu woonde, zag telkens 
den kleinen stevigen kaalhoofdigen Potgieter met zijne forsch- 
gebouwde burgerlijk-uitziende zuster Sophie te voet of in een 
rijtuig de Huets afhalen voor een wandeling, om dan te blijven 
eten of hen met zich te nemen en voor dien dag hun gastheer 
te zijn. Voor Huet was en bleef hij een trouw vriend; voor 
„Mevrouw Huet" - tot „Anne" kwam het nooit - de galante 
hoffelijkheid zelve; den kleinen Gideon bedierf hij met vrien- 
delijkheden en geschenken, zooals alleen een oud vrijer dat kan. 
Wel had hij dien vriendschappelijken omgang noodig. Vaa 



467 

zijn oude vrienden en de liberalen die hem doctrinairen waren 
geworden trok hij zich terug, al bleef hij met Zimmerman, 
QuACK, Alberdingk Thijm en anderen op goeden voet. De 
dood van Bakhuizen van den Brink in Juli 1865 trof hem 
diep, al zagen en schreven zij elkander maar zelden meer. 
\'an vereenigingen maakte hij zich los; voor het lidmaatschap 
van de Maatschappij der Ned. Letterkunde bedankte hij: de 
lofredenen op de gestorven leden werden hem te kras. Meer 
en meer wordt zijn gezellige ruime kamer in het huis op de 
Leliegracht met haar schat van boeken zijn toevluchtsoord; 
daar zat hij te werken aan een groot gedicht over het Dante- 
feest, aan een uitgaaf der verspreide geschriften van Bakhuizen 
of zijn hart uittestorten in brieven aan Huet. Talrijker werden 
die brieven, nadat Huet in 1868 naar Indië was vertrokken 
om er de leiding van een dagblad op zich te nemen. Nu doet 
de eenzaamheid zich eerst recht gevoelen; kwalen van den 
ouderdom drukken hem neer; in het laatst van het jaar 186Q 
schrijft hij aan Huet over «sombere buijen , welke met gebrek 
aan beweging plegen op te komen , eerst langzaam en maar 
van verre, dan digtbij en zwaar te dragen". „Democraat tot in 
(z)ijn nieren", blijft hij belangstellen in al wat er omgaat; doch 
er is weinig wat hem bevredigt; Multatuli kan hem niet 
voldoen; over De Gids moppert hij; vruchteloos ziet hij uit 
naar „een kern van jongelui", vereischt „om duurzaamheid van 
nieuw leven te waarborgen" (1869). Gelukkig voor hem en 
onze letterkunde, dat hij de poëzie had tot zijn vertroosting. 

In een sombere bui als waarvan boven sprake was, dichtte 
hij het fraaie Vroege Marseillaansche Narcissen; uit weemoedig 
herdenken van den genotvollen omgang met de Huets werd 
het gedicht Op Sorghvliet geboren , waarin de eenzaam achter- 
geblevene met zooveel fijnheid, kieschen smaak en kracht van 

verbeelding dat brok leven en het Hollandsch duinlandschap 

30* 



468 

voor onze oogen brengt. Als vroeger objectiveert hij in poëzie 
wat hem vervult; vermoedelijk is zijn vertaling van Jean 
Ingelow's Gescheiden ontstaan uit zijne droefheid over de 
scheiding van De Gids; zeker zou hij de vertolking van een 
fragment van Mohr's treurspel Francesco dei Pazzi , dat over 
vriendschap handelt, niet ondernomen hebben, indien die 
scheiding hem niet op het verlies van vroegere vrienden te 
staan gekomen ware. Troost put hij vooral uit de bewerking 
zijner hcugenissen van het DANTE-feest, die in 1868 voltooid 
onder den titel Florence met een deel zijner overige poëzie 
werd uitgegeven. 

Het DANTE-feest moest wel een diepen indruk op Potgieter 
maken: hier immers werd door een herboren volk, eerst nu 
één geworden, hulde gebracht aan zijn grootsten dichter, eersten 
profeet dier eenheid ; hier zag hij een schitterend voorbeeld 
van dien invloed der poëzie op het leven, dien mvloed van 
het verleden op liet heden, die tot zijne liefste idealen behoorden. 
Niet dadelijk was hij in staat de menigvuldige indrukken van 
dat feest te verwerken; eerst moest hij zich weer eens dompelen 
in den diepen stroom van Dante's poëzie en de bergen litera- 
tuur bestijgen , in den loop der eeuwen langs dien stroom 
opgetast. Eerst toen hij dien geweldigen arbeid verricht had, 
kon hij aan het werk gaan. Zoo vinden wij hier dan, na eene 
inleiding over Hooft's reis naar Italië en over het hedendaagsch 
Italië, het gansche leven van Dante uitgebeeld als in laag- 
relief: zijn knapenleven en liefde voor Beatrice; zijn opleiding 
te Bologna, deelneming aan het openbaar leven en den slag 
bij Campaldino, zijn ballingschap, het rondzwerven aan ver- 
scheidene hoven, eindelijk de wording der Commedia en daar- 
mede de schepping van het Italiaansch. Inferno, Pnrgatorio en 
Paradiso worden ons door tal van ingevlochten, voortreffelijk ver- 
taalde, stukken voor oogen gebracht; weinig uit den Inferno — 



469 

dat deel strookte niet met Potgieter's stemming en bedoeling - 
veel uit het Piirgatorio . o. a. het gesprek me* Cato van Utica, 
de prachtige aankomst der met schimmen beladen boot, de 
ontmoeting met Sordello en de verrukkelijk schoone weeklacht 
over het „Serva Italia, di dolore ostello". Daarna leidt de dichter 
ons aan Daxte's sterfbed, zien wij Dante geëerd door het 
nageslacht, voorgegaan door dichters en schrijvers als Boc- 
CACCio, Petrarca, Alfieri, Manzoni, Ugo Foscolo, Silvio 
Pellico. De figuren van Ariosto en Tasso , de beide grootste 
'dichters na Dante, de liefde en de vrouwentypen in Dante's 
werk worden dan geschetst en het gedicht besloten met Daxte's 
zegen: „in schoonheid zal het heilige overwinnen", tevens 
Potgieter's geloofsbelijdenis als dichter. 

Hier en daar is de stof den auteur blijkbaar te machtig 
geweest en wordt zijn gedicht duister; niet de duisterheid van 
Dante, veroorzaakt vooral door onze onbekendheid met de 
stof van zijn werk, maar duisterheid voortkomend uit gemis 
aan heerschappij over de stof en de taal, ook uit de moei- 
lijkheid van den zelf-gekozen vorm. De keus der terzine was 
op zich zelf een hulde aan Daxte, die dezen vorm der Itali- 
aansche volkspoëzie adelde en met zijn eigen stempel merkte. 
Echter, Potgieter bleef ook hier zich zelf: zijne terzinen zijn 
van hem. Behalve het verschil in rijmschikking en de afwisse- 
ling van staand en slepend rijm, die in het Itahaansch niet 
voorkomt, doorbreekt Potgieter - anders dan Dante - zijne 
terzinen telkens. Anders ook dan Dante, wiens terzinen door- 
gaans elk een geheel vormen, doet Potgieter den zin gedurig 
van de eene in de andere terzine overspringen; daardoor vindt 
men in Florence meermalen lange reeksen van terzinen afge- 
wisseld door korte reeksen of op zich zelf staande coupletten, 
terwijl de Commedia doorgaans haar zelfden rustigen gang 
houdt. Dat verschil tusschen de strenge regelmaat van den 



470 

Italiaan en de vrijheid van afwisseling bij den Nederlander, 
een verschil tusschen klassiek en romantiek, ziet men ook in 
den ganschen bouw der beide gedichten: hier een streng- 
symmetrisch samenstel van drie hoofddeelen, elk verdeeld in 
elf maal drie canto's, met een lOO^te ^^in het slot om het getal 
vol te maken , triomf der drie-eenheid over forsch beteugelde 
kunst - daar een twintigtal zangen , wier gansch ongelijke om- 
vang samenhangt met de in vrijheid weidende individualiteit 
des dichters. Zich zelf als Nederlander blijft Potgieter ook, 
waar hij in den aanvang Hooft op zijn reis naar Italië ver- 
gezelt; waar hij later, naar aanleiding van Dante's huldiging, 
de vraag stelt hoe ons volk zijn groote dooden eert; waar hij, 
na de hulde aan Ariosto en Tasso gebracht, de vaderlandsche 
driekleur hijscht en den roem onzer gouden eeuw breed uit 
laat golven. 

Wie Florence tegenover de Commedia plaatst, om het in 
wezen en vorm beter te doen kennen , doet het tevens uitkomen 
in zijn minderheid tegenover dat meesterstuk der wereldlitera- 
tuur; doch is er wel één dichtwerk van den nieuweren tijd, dat 
in rijkdom van inhoud, diepte van gedachte en gevoel, grootsch- 
heid van opvatting, kracht van verbeelding en uitbeelding, 
schoonheid van bouw en bewerking de Commedia evenaart? 
Met tal van andere voortreffelijke dichtwerken der nieuwere 
tijden lager staand dan Dante's meesterwerk, is Potgieter's 
Florence een kleinood onzer letterkunde; populair zal het 
nimmer worden; doch wie het wil bestudeeren om het te leeren 
genieten , zal die twintig zangen voorbij zijn geestes-oog zien 
gaan als een historischen optocht, stout ontworpen, schoon 
gegroepeerd , afwisselend van vormen , verscheiden van kleuren , 
statig trekkend langs de buigende lijnen eener Amsterdamsche 
gracht met haar pittoresk-schoone verschieten van huizen wit 
en rood en grijs, half verborgen achter wemelend boomengroen. 



471 

Hoe pijnlijk voor Potgieter het scheiden van De Gids 
geweest moge zijn, hij kon er in berusten, omdat hij geloofde, 
dat de taak der letterkundige critiek voortaan beter vervuld 
kon worden door Huet dan door hem. Huet zelf wenschte 
niets liever dan voortgaan op den ingeslagen weg. Berouw over 
zijn stoutigheden had hij allerminst: „De Gids" - schreef 
hij aan Mevr. Bosboom-Toussaint - „is altijd een agressief, 
een met de beste bedoelingen wegbereidend tijdschrift geweest; 
negatief en afbrekend ja, maar afbrekend om licht en lucht te 
maken." In dienzelfden brief sprak hij zijn geloof aan een 
mogelijke wedergeboorte van Nederland uit; die wedergeboorte 
wilde hij op zijn wijze' helpen voorbereiden. Van de theologie 
nam hij afscheid met zijn Ongevraagd Advies (186ö) in den 
strijd tusschen Pierson en Réville; voortaan wenscht hij zich 
,;hoe langer hoe uitsluitender met litteratuur bezig te houden". 
Hij dacht er over een nieuw tijdschrift op te richten; doch 
Potgieter wilde wel medewerker geen mede-redacteur worden ; 
zoo ging hij zijn critisch werk dan op eigen verantwoordelijk- 
heid voortzetten. 

Uit dezen tijd dagteekenen zijn voortreffelijk stuk over Poot 
(1865), een zijner beste dichter-karakteristieken; het suggestieve 
stuk over Multatuli (1867) met de fraaie parallel tusschen 
Camera Obsciira en Max Havelaar, al wordt daar te onrechte 
van HiLDEBRAXDS „tijgergenoegen" in het samenstellen van 
zijn werk gesproken; ook zijn critieken van Van Lennep's 
Klciasje Zevenster (1866) en Ten Kate's Schepping (1867). 
Vooral de eerstgenoemde , onder den titel Ernst of Kortswijl 
afzonderlijk uitgekomen, is van voortreffelijke hoedanigheid: 
hoe raak is zij en hoe uitnemend goed geschreven ; hier is de 
lichte zwaai, waarmede het vaantje in den nek van den stier 
wordt geplant, de lansprik die slechts de opperhuid doorboort, 
maar ook de doodsteek van den matador. Na zooveel vader- 



472 

landsche novellisten en romanciers de les gelezen en in een 
hoek gezet te hebben, achtte Huet het wenschelijtc eens te 
toonen, hoe het dan wèi moest zijn; met die bedoeling schreef 
hij zijn roman Lidexvyde, die in 1868 het Hcht zag. 

De zinnelijke hartstocht van een verloofd jonkman voor een 
verleidelijk-schoone getrouwde vrouw, eindigend met een zelf- 
moord hem opgelegd door den bedrogen echtgenoot, is de 
stof door Huet, in navolging van Feuillet en Dumas, ver- 
werkt. Wat hij vooral miste in den vaderlandschen roman: 
«het gevaarlijk vuur van den hartstogt", dat zou hij in zijn 
werk brengen. Ten deele is hij daarin geslaagd, doch eerst 
toen hij het eind van zijn verhaal naderde. Er zijn ongetwijfeld 
goede dingen in de ongemeene figuur van Lidewyde met hare 
exotische schoonheid tegenover het echt-nederlandsche meisje 
Emma, de verloofde van André Kortenaer; ook in de beschrij- 
vingskunst en hier en daar in den dialoog - doch er is weinig 
handeling in het verhaal en de intrige onwaarschijnlijk; de 
overige personages zijn schaduwachtig, de taal - ook de 
omgangstaal - stijf of onnatuurlijk; er wordt geredeneerd tot 
in het oneindige; sommige personages als dokter Ruardi en 
de journalist Lefebvre zijn te vaak spreekbuizen van den 
auteur. Vergeleken met de toenmalige Nederlandsche romans - 
de historische uitgezonderd - mag Lidewyde verdienstelijk werk 
heeten; naast de werken van buitenlandsche meesters als Balzac,. 
George Eliot, Thackeray - hoe verschillend ook onder- 
ling - komt het altezeer uit in zijn zwakheid : bloedeloos 
tegenover bloedwarm , beredeneerd tegenover spontaan , be- 
schouwing tegenover plastiek, een les in de romankunst tegen- 
over lust tot levens-uitbeelding. 

Op een groot deel van het ontwikkeld publiek maakte het 
boek gansch andere indrukken: ergernis en verontwaardiging 
vooral over de wijze waarop de auteur door dokter Ruardi 



473 

het Nederlandsche volk aan de kaak deed stellen, over de- 
naaktheid van sommige erotische tooneelen. Persoonlijke ge- 
krenktheid verscherpte de uitingen dier ergernis nog. Sam Jan 
VAN DEN Bergh, indertijd door Huet gekarakterizeerd als 
r.een uit de nachtschuit gekomen Tollens", wreekte zich ia 
dit puntdicht: 

Waar ooit de Duivel kwam, liet hij iets stinkends achter, 
De lucht verpestend met zijn haat en hoovaardij: 
Hij die zich zelf vergoodde als feilloos Pinduswachter 
Van Neêrland , trok naar de Oost en liet ons - Lidewij. 

Het feit uit Huets leven, in dien laatsten regel vermeld,, 
eischt dat wij er even bij stilstaan. In Mei 1868 was hij met 
vrouw en kind naar Indië vertrokken, met een opdracht van 
den conservatieven Minister van Koloniën Hasselman „tot 
breideling van de uitspattingen der drukpers", tegen vrijen over- 
tocht voor zich en zijn gezin. De liberalen hebben hem dat 
als een lage daad aangerekend: „hij had zich verkocht" heette 
het. Potgieter wilde, durfde het niet gelooven. Huet's eigen 
uiting tegenover zijn zwager Van Deventer: ik zie niet in 
„waarom ik gehouden zou zijn, eene onafgebroken reeks van 
bewonderenswaardige daden te verrigten" toont, dat zijn ge- 
weten hem niet geheel vrij sprak. Anderzijds mag men niet 
vergeten, dat Huet van het toenmalig liberalisme weinig of 
niets meer verwachtte en dat hij, door de liberalen zelf in 
den ban gedaan, zich tegenover hen niet gebonden behoefde te 
gevoelen. Overigens was het in zijn omstandigheden alleszins 
begrijpelijk, dat hij begeerde Nederland te verlaten: reeds in 
1861 had hij moeite gedaan om als predikant in Ned.-lndië 
benoemd te worden; zijn Ongevraagd Advies en zijn werk- 
zaamheid als Gids-redacteur hadden velen uit de toongevende 



474 

l<ringen , waarin hij tot dusver verkeerde, tegen hem in het 
harnas gejaagd; zijn taak aan de Oprechte Haarlemmer, een 
kleurloos verslag van hel buitenlandsch nieuws, ging hem 
tegenstaan; hij verlangde naar verandering van werk en tooneel, 
ruimer horizon, meer vrijheid van beweging - zoo ging hij 
dan heen , al was het niet zonder zorg voor de toekomst. 

Aanvankelijk had hij het niet gemakkelijk: hij werd op wgrie- 
vende wijze dagelijks aangevallen" door een hem vijandige pers; 
het verwondert ons niet in een brief aan zijn vrouw uit dezen 
tijd te lezen: „er is niets in mij dat juicht." Langzamerhand 
echter gaat hij zich in Indië thuis voelen, er het goede op- 
merken en genieten. Zijn stemming jegens het Xederlandsche 
volk wordt er niet beter op. Tegenover de hoopvolle uitzichten 
van Quack's intreê-rede te Utrecht stelt hij, dat er onder de 
jongeren in Holland zeer weinigen zijn die iets voor de toe- 
komst beloven; in de week- en maandbladen nergens een 
nieuwe handteekening aan den voet van iets uitstekends; de 
Ned. Spectator voorwendsel „van een slechts bij uitzondering 
geestige spotprent", De Gids „elke maand duffer". Het Fransche 
volk daarentegen rijst in zijn schatting; in een studie over 
Lamartine heet het „een groot en edel volk" (1869). Sainte 
Beuve's invloed op hem wordt blijkbaar al sterker: „voor 

velen onzer", schrijft hij in 1870, „is hij een apostel, 

een jMentor, een herder geweest." 

Jaloersch op zijn vrijheid , geneigd steeds vrijuit zijn meening 
te zeggen - eigenschappen welke hem in dien Mentor troffen - 
wordt ook Hu et meer en meer. Voorloopig bleek daarvan 
nog niet veel; hij had de handen te vol. Wat ons onder zijn 
letterkundig werk van dit paar jaren vooral treft, zijn een paar 
artikelen over Jan Pietersz. Koen en over Willem Usselincx, 
omdat eruit blijkt, dat zijn verblijf in Indië hem de oogen 
opent voor het belang der koloniale en handels-geschiedenis. 



475 

Overigens was hij in afwachting van de dingen die komen 
zouden. Vast stond bij hem , zooals hij het aan zijn zwager 
Van Deventer schreef (a" 1869): 1'' dat van die vrijzinnig- 
heid waarvan hij vroeger alles verwachtte, niets anders is over- 
gebleven als een katechismus, dien de lieden elkander nabaauwen, 
en 2^5 dat het vernietigen van het prestige van dien katechismus 
volstrekt noodzakelijk is, zullen wij allen te zamen eene schrede 
verder komen. Op dat doel wil hij afgaan zonder aanzien des 
persoons. In zijn werk vóór 1868 treft ons telkens iets zijde- 
lingsch, een geven en nemen dat onoprecht, een zich zelf 
tegenspreken dat onzeker schijnt, een wijze van cntizeeren die 
iets geniepigs heeft - het al voortkomend uit wat hij zelf 
noemt «den pijnlijken toestand van iemand die gaarne ronduit 
zijne meening zegt, en nogtans, wanneer hij het in zijne keus 
lieeft, liefst niet personeel is." 

Maar in Indië zien wij die vrees voor het „personeele" 
afnemen; in bovenvermelden brief aan Van Deventer lezen 
wij ook: „De verguizing zelve, waarvan ik het voorwerp 
ben geweest, heeft mij vrijheid gegeven om ten aanzien van 
voormalige schijnvrienden geenerlei consideratie te gebruiken 
en hen op mijne beurt, doch met mijne wapenen te bestrijden." 
„Geenerlei consideratie" - dat klinkt als: „geen kwartier!" 
Op die woorden liet de briefschrijver volgen: „Dat is de 
negatieve zijde mijner kracht. Moet het oogenblik om haar 
naar hare positieve zijde te ontplooijen nog komen, het zal, 
indien ik het leven houd, niet lang uitblijven." In hoeverre 
deze voorspelling waarheid is geworden, zal blijken uit het 
vervolg van dit verhaal -). 



476 



DE MANNEN VAN „DE NEDERLANDSCHE SPECTATOR'. 

Omstreeks 1S60 hadden liberalisme en modernisme onder 
de Nederlandsche burgerijen zooveel veld gewonnen, dat naast 
de Gids ruimte bleek voor een tweede orgaan dier staatkundige 
en godsdienstige gevoelens. Anders dan de Gids ontstond de 
Nederlandsche Spectator uit de samensmelting van een drietal 
andere tijdschriften. De kern was de Nederlandsche Spectator. 
Weekblad van den ouden Heer Smits, sedert 1858 uitgegeven 
door LiXDO: een spectatoriaal geschrift met een sterk humoris- 
tisch en novellistisch element en leelijke politieke spotprenten; 
LiNDO en zijn zwager, M.artinus Nijhoff die tot dusver 
de Kunst- en Letterbode had uitgegeven , wisten eenige voor- 
name redacteurs van dat wetenschappelijk tijdschrift: B.\khuizex 
VAN DEN Brink, De Witte v.\n Citters en Ca.mpbell, voor 
de Ned. Spectator te winnen; de novellisten Cremer, Keller 
en Isi.XG, die vroeger in de Tijdstroom schreven, voegden zich 
bij hen - zoo kon in 1860 het nieuwe tijdschrift in zee gaan 
met LiNDO als redacteur en als wvaste medewerkers*', behalve 
de bovengenoemden, o. a. Lixdo's vriend Lodewijk Mulder, 

VOSMAER, BUSKEX HUET, J. TlDE.MAN , ROBIDÉ VAX DER Aa , 

Snellen van Vollexhovex. Het nieuwe weekblad behield 
eenigermate het karakter, dat Lixdo's Ned. Spectator gedragen 
had , maar het steeg aanmerkelijk in wetenschappelijke beteeke- 
nis, in ernst en kracht, terwijl de platen - onder Vos.maer's 
invloed - iets minder slecht werden. Lixdo, die van 1860--'65 
nog in Breda woonde en eerst daarna in Den Haag kwam , 
was meer eere- dan hoofdredacteur; de ware leider en toon- 
gever was eerst Bakhuizex van den Brink en na diens 
dood (1865) V'os.MAER. 

Een uitvoerige beginselverklaring gaf de nieuwe Redactie niet; 
blijkens een kort Wat wij willen streefden zij er vooral naar 



477 

„het schoone verband tusschen Wetenschap, Kunst en Schoone 
Letteren te bewaren". Samengesteld uit verschillende elementen , 
scheen de Redactie wel geschikt dat streven tot werkelijkheid 
te maken: Bakhuizen van den Brink was op dat oogenblik 
-de schitterendste vertegenwoordiger der historische wetenschap, 
De Witte van Citters en Tideman konden eenigermate voor 
de literatuurgeschiedenis zorgen, Huet bovendien voor de 
literaire critiek, C^a.vipbell voor de bibliografie; Mulder en 
IsiNG, Cre.mek en Keller vertegenwoordigden met Lindo de 
Schoone Letteren, de beide eerstgenoemden waren tevens niet 
vreemd aan historische studie; Vosmaer's domein was de kunst 
in haar vollen omvang, de muziek misschien uitgezonderd, 
hij was daarbij dichter en prozaschrijver en had aanleg voor 
wetenschappelijke studie. Er was heel wat verschil tusschen deze 
redacteurs: men denke slechts aan den forschen luidruchtigen 
genialen Bakhuizen, „dit ijzeren varken", zooals Kneppelhout 
hem noemde, „raauw, bar en kras in den overtreffenden trap" 
tegenover den fijnen, stillen, talentvollen Vosmaer met zijn 
zachte stem en hoofsche vormen. Anderzijds kwamen zij overeen 
in deze voorname opzichten: zij waren overtuigde liberalen en 
kinderen der Verlichting; hun letterkundig werk stond ten deele 
onder den invloed der ouderen, die tusschen 1S30 en '40 onze 
literatuur op nieuwe banen geleid hadden. 

Van Bakhuizen \an den Brink en Huet behoeven wij 
niet te betoogen, dat zij aan de zijde van liberalen en modernen 
stonden; Vosmaer zegt van Li.mburg Brouwer Jr., een der 
latere redacteurs van de Ned. Spectator: „Brouwer, vrijdenker 
op het gebied van godsdienst en wijsbegeerte, was in het 
staatkundige eerst een liberaal uit de school van Thorbecke, 
later in eigen richting;" in hoofdzaak mag deze karakteristiek 
ook Vos.maer zelven gelden; zoowel hij als Brouwer be- 
hoorden tot de orde der vrijmetselaars; Nijhoff, de uitgever 



478 

van het blad, was een vurig liberaal en mede-stichter van 
Het Vaderland. Op menige plaats in de geschriften van deze 
Spectator-club, niet minder in hunne spotprenten, gaven zij 
blijk van hunne nieeningen en gevoelens in het godsdienstige 
en staatkundige. Vosmaer's Vogels van diverse pluimage (1, 
34 -'5) getuigen van zijn geringe sympathie voor de Kalvinisten 
en zijn afkeer van onverdraagzaamheid; Lodewijk Mulder keert 
zich in Een badinetje, een speer en een parapliiie tegen »de 
partij van den domper"; in de Brieven en Uitboezemingen van 
hem en Lindo vinden wij uitvallen tegen of Ijchten spot over 
„positief-christelijke domperridders"; de zachtzinnige Cre.mer 
wordt heftig, wanneer hij in de levensschets van zijn beminden 
leermeester, den landschapsschilder Hendriks over onverdraag- 
zaamheid komt te spreken ; in zijn Zes Schetsen in een lijst 
ontmoeten wij een Roomsch jonkman, die een mooi arm meisje 
verleidt met een braaf Roomsch meisje als tegenhanger, een 
hebzuchtigen ..uitverkorene Gods" en een braven „fijnen" 
schoenlapper, een liberalen huichelaar en een braven liberaal - 
alles tot toelichting van het bijbelwoord „aan hunne vruchten 
zult gij ze kennen" en ter bevordering van verdraagzaamheid; 
Ising's Verhalen en Schetsen stellen brave, flinke liberalen 
tegenover huichelende Groenianen of anti-revolutionairen - 
wat niet juist strekken kon ter bevordering van verdraag- 
zaamheid. 

De letterkundige invloed der ouderen openbaart zich vooral 
in den ook bij deze jongeren aanwezigen .,kopiëerlust des 
dagelijkschen levens". Mulder's Een Buitenpartijtje is een al 
te zichtbare navolging van het roeitochtje uit De familie Sta- 
stok; Oom Stastok wordt aangehaald in Een badinetje enz.. 
Neef Nurks in Soldatenzang; Lindo's werk en Vosmaer's 
Bladen uit een Levensboek, doen op meer dan een plaats 
denken aan Camera Obscura en Waarheid en Droomen; het mag 



479 

de vraag heeten of Keller zijn Zomer in het Noorden (lööü) 
en Zomer in het Zuiden (1863) wel zou hebben geschreven, 
indien Potgieter hem met met Het Noorden ware voorgegaan. 
Wij moesten ons in deze mededeelingen van algemeenen 
aard beperken; doch een en ander over de geschiedenis en het 
karakter van De Nederlandsche Spectator diende vooraftegaan , 
eer wij ons konden wenden tot een afzonderlijke beschouwing 
van de voornaamsten dezer groep. 



LINDO (1819-77) EN MULDER (1822-1907). 

Toen Mark Prager Li.xdo, geboren te Londen en op zijn 
IQde jaar in Nederland gekomen, in 1853 als leeraar in de 
moderne talen en letteren aan de Militaire Academie te Breda 
optrad, vond hij daar Lodewijk Mulder als officier-instructeur 
en sloot weldra vriendschap met hem. Gelijkheid van omstan- 
digheden paarde zich hier aan gelijkheid van letterkundige 
neigingen: Mulder had, vooral in het leger, algemeenen 
opgang gemaakt met zijne Stokvisch-orders (1850), een parodie 
der toenmalige leger-administratie; Lindo had zich sedert 1851 
onder den schuilnaam „de Oude Heer Smits" als schrijver in 
de Arnhemsche Courant doen kennen. Ook later, toen Mulder 
in 1859 verplaatst was naar Den Haag, waarheen Lindo hem 
in 1865 volgde als Inspecteur van het Lager Onderwijs — een 
betrekking door Mulder te Utrecht vervuld van 1868—72 - 
is die vriendschap blijven bestaan. Aan geen van beiden was 
de wetenschap vreemd: Lindo was in 1853 te Utrecht bevor- 
derd tot doctor hon. causa op een uitgave van den Macbeth; 
Mulder gaf \vt\. Journael van Anthonis Duyck uit (1862-'66); 
maar letterkundige neigingen overheerschten toch in beiden. 

Een eerste vrucht hunner vriendschap en letterkundige samen- 



480 

werking was het bundeltje Afdrukken van Indrukken (1854), 
•dat in den smaak viel van het groote publiek en ons de 
schrijvers doet kennen, hoewel nog niet volledig. Beiden waren 
bovenal humoristische copiëerders van het dagelijksch leven. 
LiN'DO wordt door zijn vriend „humorist in de zuiverste 
beteekenis van het woord" genoemd ; terecht voert Mulder tot 
staving dier bewering aan, dat Lindo - volgens zijn eigen 
verzekering - „bij het schrijven van zijn eersten regel bijna 
nooit wist wat hij in den tweeden zou doen volgen". In zijn 
lust tot humoristische levens-uitbeelding stond hij mede onder 
den invloed van Thackerav, van wien hij verscheidene werken 
vertaalde, al is Thackerav's bitterheid Lixdo vreemd. Ook 
La.mb, wiens werk hij kende, zal hem vermoedelijk hebben 
opgewekt tot het schrijven dier talrijke schetsen uit het dage- 
lijksch leven, zooals wij ze uit Camera Obscura , Waarheid en 
Droomen en Pastorie van Mastland hebben leeren kennen. Bij 
die humoristische levensbeschouwing paste het masker van een 
oud man, waarvan Lixdo zich gaarne bediende; de zooge- 
naamde ,,Oude Heer Smits" toch was in werkelijkheid - 
zooals Busken Huet hem schetste - „een heertje, klein van 
gestalte, tenger van ligchaamsbouw, met zwarten knevel, zwarte 
sluike haren, groote donkere oogen en een Engelsch accent; 
gekleed naar den laatsten smaak, met in zijn voorkomen iets 
van een Spanjaard of een Italiaan". 

Slechts moeten de namen Thackerav, La.mb, Hildebra.nd 
ons niet doen vergeten, dat wij hier met werk van veel minder 
gehalte te doen hebben. In Brieven en Uitboezemingen van den 
Ouden Heer Smits (1851 -'52) en Afdrukken van Indrukken, 
Avorden ons tal van menschen of typen en dingen voor oogen 
gebracht: aristocraten, ploerten, parvenu's, dienstboden, oude 
vrijsters; recensies, muziek, de schoonmaak, sneltreinen, dooi; 
in de rubriek Familie van ons, typen van moeders, vaders, 



481 

kinderen, broers, zusters, ooms en tantes; in het roman-achtig 
werk Uittreksels uit het Dagboek van Janus Snor o. a. de 
geschiedenis van een klarinettist die een lot uit de loterij trekt, 
€en karikatuur van een kapper, een sentimenteel stukje over 
een dansmeester, mijmeringen bij het weerzien van het oude 
huis, komische stijlproeven , een parodie van een opera - 
alles even goedmoedig-humoristisch of flauw. Hier en daar 
vindt men wel eens een aardige opmerking of goeden zet, 
zooals in de met Lente-Mijmering betitelde satire op de 
schoonmaak; een niet onaardige parodie van een historischen 
roman a la MChlbach - doch dat weinige verdrinkt in een 
zee van middelmatigheid , weegt niet op tegen het zwaar- 
overdrevene en tot karikatuur gemaakte, zooals wij dat van 
de romantiek gewend zijn. 

Met Mulder's werk is het evenzoo. In zijn Stokvisch-orders 
kunnen wij geen smaak meer vinden; wij zien alleen dat het 
„een dolzinnige charge" is, zooals de auteur zelf het stukje 
later (1883) noemde. Afbeelding van en goedigen spot met het 
klein-burgerhjke der eigen omgeving vinden wij ook in Een 
buitenpartijtje en Een badinetje , een parapluie en een speer; 
doch evenals bij Lindo slechts zelden iets dat treft. Sterker 
dan bij Lindo, den inkomeling, komt bij Mulder, geboren 
en getogen Hollander, het nationale element uit, dat zich o. a. 
in laatstgenoemd stukje tegen den toenemenden invloed van 
het buitenland keert. Op zijn best ziet men Mulder misschien 
in zijn vlotgeschreven reisschetsen ; daar streeft hij niet naar 
humoristische lauweren , maar vertelt en beschrijft onderhoudend 
en aardig, al verheft hij zich dan niet boven het peil van de 
goede correspondenten onzer hedendaagsche groote dagbladen. 

Beiden hebben de verhaalkunst in proza beoefend: Lindo, 

vertaler van Thackeray, Bulwer's Caxton's, Kingsley, be- 

-woog zich met zijn beide romans Clementine (1858) en Le 
KALFF, Letterkunde, VII. 31 



482 

Saltimbanque (geschreven vóór 1870) in het leven der toen- 
malige maatschappij; Mulder, uitgever van Duyck's Journael 
en samensteller van leerboeken over vaderlandsche en alge- 
meene geschiedenis, schreef den historischen roman Jan Faessert 
(1856) en een paar historische novellen. In LiXDO's romans 
vinden wij dezelfde onwaarschijnlijkheid en neiging tot charge 
en karikatuur als in zijn kleinere stukken; de talrijke brieven 
kenmerken den auteur als een achteraankomer; Thackeray's 
Newcomes wordt in Clemenüne hoog geroemd; doch er is 
weinig of niets van Thackeray's talent in zijn bewonderaar. 
Mulder's roman staat in zijn soort hooger dan die van 
LiNDO: degelijkheid en ernst paren zich hier aan handigheid 
van ineenzetten, talent van voorstellen en een lossen stijl; een 
diepen indruk zullen weinigen van dit boek krijgen, maar het 
heeft ongetwijfeld verdiensten. 

De „Oude Heer Smits" en zijn vriend zijn een paar bemin- 
nelijke menschen geweest, brave burgers, goede echtgenooten , 
trouwe vrienden, aardige praters; vlugge schrijvers, die zich 
slechts behoefden te laten gaan om hun tijdgenooten aangenaam 
bezig te houden, ook niet zonder eenigen humor en vernuft; 
doch — afgezien van Mulder's blijspelen waarover wij later 
spreken - niet vervuld van het sterk verlangen om iets uit- 
stekends te leveren, dat Potgieter beheerschte; niet aangedaan 
door den hartstocht voor het schoone, die zoowel Potgieter 
als HuET bezielde. Die hartstocht voor het schoone, over het 
algemeen schaarsch onder de Spectator-mannen, kenmerkte één 
hunner in hooee mate: 



48; 



VOSMAER (1826-1888). 

Dat VosMAER Bakhuizen van den Brink als leider en 
toongever in de Spectator- Club opvolgde, had hij te danken 
vooral aan de universaliteit, die hem in hooger mate nog dan 
Bakhuizen eigen was. In beider wezen kwamen eenerzijds de 
stralen van Verlichtingen Romantiek, anderzijds van Klassicisme 
en Romantiek samen; beiden waren gevormd in de school der 
Ouden, maar stelden levendig belang in de modernen; beiden 
hadden wetenschap en kunst lief, maar bij Bakhuizen over- 
woog de eerste, bij Vosmaer de laatste; in rijkdom en diepte 
van kennis overtrof Bakhuizen Vosmaer, doch deze hem als 
voortbrengend kunstenaar en in volledigheid van ontwikkeling; 
de middeleeuwen, die voor den oudere weinig aantrekkelijks 
hadden, boden den zestien jaar jongere een nieuw veld van 
aesthetisch en algemeen-menschelijk onderzoek. 

In het deftig huis van zijn vader, directeur der Lands- 
Drukkerij te 's-Gravenhage, kenner der klassieken, liefhebber 
van fraaie incunabelen en prenten, belangstellend in godsdienst- 
geschiedenis en wijsbegeerte, was in den jongen Carel Vos- 
maer reeds vroeg een veelzijdige belangstelling ontstaan; de 
kennismaking met Strauss' Leben Jesu dreef hem reeds toen 
m vrijzinnig-godsdienstige richting. In den student, die van 
1844- '50 de Leidsche Hoogeschool bezocht, bleef de liefde 
voor de klassieken, hem ingeboezemd door zijn vader en den 
uitstekenden rector Bax, even sterk, al dankte hij meer aan 
eigen studie dan aan de colleges der hoogleeraren; naast de 
klassieken kwamen nu echter de modernen - Goethe en 
Heine, De Musset en Barbier, Byron en Dickens - een 
plaats vragen. Lid van het dispuut „Belgicis Litteris Sacrum" 

begon hij de middeleeuwen te leeren kennen vooral uit de 

31* 



484 

Middelnederlandsche auteurs, die juist in zijn studententijd 
uitgegeven werden. Geen wonder dat Vosmaer, evenals zijn 
studiegenoot Busken Huet, werd verkozen tot Almanak- 
redacteur, een ambt waarvoor zijn leekenkunst hem dubbel 
geschikt maakte. 

Dat leven van onbezorgde toewijding aan wetenschap en kunst 
trad een nieuwe faze in, nadat de jonge man, nu Meester in 
de Rechten en gehuwd, in 1853 benoemd was tot griffier bij 
het kantongerecht te Oud-Beijerland. In 1856 keerde hij als 
substituut-griffier bij het Provinciaal Gerechtshof naar Den Haag 
terug en werd tien jaar later substituut-griffier bij den Hoogen 
Raad; een betrekking die hij in 1873 vaarwel zeide om zich 
geheel aan de wetenschap en kunst te kunnen wijden. 

De Leidsche student had zich reeds als auteur doen kennen 
door eenige schetsen in den Almanak: een visioen van de 
Ridderzaal op het Binnenhof bij maanlicht, waarin de voor- 
naamste graven uit het HoUandsche, Henegouwsche en Beiersche 
huis optreden; een droom onder den indruk van Melis Stoke's 
Rijmkroniek; Schetsen uit het tiaagschc Bosch, die invloed van 
HiLDEBRAND schijncu te verraden. Terug in Den Haag, getuigde 
hij van zijn belangstelling in de geschiedenis der vaderlandsche 
kunst door een beoordeeling van Westrheene's boek over 
Jan Steen in de Konst- en Letterbode (1856), van zijn lust 
tot levens-inbeelding door een opstel in Nederland getiteld 
Vonken uit den Haard (1856); uit de behoefte aan meer 
vastheid van overtuiging in zaken van kunst en schoonheid 
ontstond zijn Studie over het Schoone en de Kunst, die in 
hetzelfde jaar 1856 het licht zag. Langzamerhand als auteur en 
als lid van „Oefening kweekt Kennis" meer bekend geworden, 
richtte hij in 1857 met Ising, Cremer, Keller en anderen 
De Tijdstroom op, waarin hij een beoordeeling van Hofdijk's 
geïllustreerde Geschiedenis des Vaderlands schreef. 



485 

Aldus voorbereid, was Vosmaer wel de man om invloed te 
oefenen in de nieuw opgerichte Nederlandsche Spectator. Toen 
dan ook Gerard Keller, als „Flanor" op gezette tijden 
kroniekschrijver van het tijdschrift, in 1864 naar Arnhem was 
vertrokken, volgde Vosmaer hem op; doch - anders dan 
Keller - nam en behield hij zijn plaats aan de spits van 
het troepje. In De Ned. Spectator en, van 1855 af, in tijd- 
schriften als Nederland, Almanak voor het Schoone en Goede, 
Aurora publiceerde hij een aantal bijdragen in proza en poëzie, 
waarvan vele later vereenigd werden tot den bundel Vogels 
van diverse pluimage (1872-75). Het is vooral uit die stukken 
en eehige andere van dezen tijd uit den bundel Gedichten 
(1887), dat wij hem in zijn wezen en ontwikkeling tot onge- 
veer 1870 leeren kennen. 

Wat Vosmaer's persoonlijkheid en letterkundig werk een 
eigen karakter geeft, is bovenal: naar harmonie strevende veel- 
zijdigheid; als worstelaar om het „veelheid in éénheid" der 
antieken wordt hij te onzent slechts door Allard Pierson 
geëvenaard. 

Wanneer wij zijn proza en poëzie lezen, worden wij niet 
zeiden getroffen door iets overwegend-verstandelijks; daartegen- 
over echter vmden wij uitingen als: „het staat zoo dom , gevoel 
te hebben, en het is alleronfatsoenlijkst het te toonen;" vinden 
wij in gedichten als Madonnadienst, »lk dwaalde door stille 
straten", „O, hoe is op eenmaal het leven zoo goed", ontstaan 
onder den invloed van Helne, het gevoelige, soms zelfs iets 
gevoelerigs. Voor Vosmaer kwam het er op aan, verstand en 
gevoel te vereenigen , zooals hij het in zijn allegorisch verhaal 
Van twee Koningskinderen (1859) in beeld gebracht heeft. Een 
dergelijk streven zien wij in zijn houding tegenover natuur en 
cultuur. Onder de auteurs van dien tijd zijn slechts zeer 



486 

weinigen, die de schoonheid van het Geldersch landschap zoo 
goed hebben gezien, gevoeld en beschreven als hij in zijn 
Wandelingen door de Wereld (1858). Maar daarom is er voor 
hem nog geen strijd tusschen natuur en cultuur; hij heeft de 
wereld van natuur en zinnen lief, doch hij wenscht „dat 
stoffelijke bestaan (te) veredelen en zoo homogeen mogelijk (te) 
maken aan den geest waaraan het gebonden is"; hij wil „eene 
evenredige ontwikkeling van alle vermogens .... zoeken in 
den omgang met de landschappelijke natuur om ons heen." 
Hij is te zeer Nederlander, om niet getroffen te worden door 
het verschil tusschen Noorden en Zuiden: in zijn novelle 
Mona (1860) noemt een Italiaansch meisje Duitschland een 
„land van koude en nevel, van sombere levensvormen"; doch 
later ondervindt zij „den invloed van het gestrenger, ernstiger 
leven van het Noorden". 

Vurig bewonderaar der Oudheid toont Vos.maer zich in 
menig proza- stuk en gedicht; in De Qrieksche Miise worden 
„de waag en de breidel" gehuldigd, door die Muze waar- 
schuwend opgeheven, telkens wanneer „westersche geest- en 
gemoedskracht .... het gevoel , de gedachte den vormgrens 
laat overstroomen"; in Geëiste Bladen vinden wij een novel- 
listisch stukje dat aan Limburg Brouwer den vader doet 
denken. Daartegenover echter zien wij telkens de romantiek, 
hetzij in wat zij aan de middeleeuwen ontleende, hetzij in wat 
latere auteurs nieuws voortbrachten. In den aanvang van Een 
oude strijd wordt een deel der middeleeuwsche kunst oprecht 
bewonderd; iets verder vinden wij de romantische zucht tot 
tegenstelling gesymbolizeerd in den lijkstoet die door de straten 
trekt, gelijk Victor Hugo ons dien in zijn Nótre Dame de 
Paris had doen opmerken. In Bladen uit een Levensboek her- 
kent men op menige plaats den geest van Sterne; aan Heine, 
aan Lessing vooral, aan Goethe en zijn Faiistz\\n in datzelfde 



487 

stuk voortreffelijke bladzijden gewijd. Ook in den strijd tusschen 
romantiek en klassiek zocht Vosmaer naar datgene dat ver- 
€enigt en verzoent: «waarom" - vraagt hij - zouden wij geen 
nieuwe en oude vormen kunnen vereenigen, mits er harmo- 
nie zij ?" 

Zijn bewondering voor het uitheemsche maakte hem niet 
ongevoelig voor het inheemsche: anders dan de nooit geheel 
Nederlander geworden Franschman Huet, heeft deze afstam- 
meling uit een oud Hollandsch geslacht Bilderdijk in zijn 
verbazende veelzijdigheid gewaardeerd, in zijne genialiteit 
bewonderd, zooals onder de toenmalige liberalen niemand. Hij 
haat niet het fatsoen , maar de „fatsoenlijkheid" als „moordenaar 
van vrijheid, van oorsj3ronkelijkheid, van natuurlijkheid. Durf 
eens waar zijn, als hij er bij is!" Echter beperkt Vosmaer de 
waarheid daarom niet tot de gewone of gemeene werkelijkheid ; 
in Twee Koningskinderen (1857) lezen wij: „Daarna kwamen 
er, die hun dikken, vetten buik en hun dikke, vette wangen 
bevoelende, uitriepen: Kijk, dat eerst is werkelijkheid, maar 
wat men niet tasten kan , bestaat niet. En alle menschen vonden 
het ook zoo." Moest men hem tot een groep van kunstenaars 
brengen, dan zou men hem eer idealist dan realist noemen; 
de heidebewoners, die hij in zijn Wandelingen door de Wereld 
schetst, waren zeker eer in de Eclogac dan op de Nederlandsche 
heide te vinden. 

Vosmaer's hart was verdeeld tusschen wetenschap en kunst, 
doch ook hier streefde hij naar vereeniging en harmonie. Die 
wetenschap was hem het liefst, die zich bezig houdt met het 
wezen en de ontwikkeling der kunst; een geleerde, die onver- 
schillig is voor kunst, gelijk hij er een toont in Twee Konings- 
kinderen, is zijn man niet; aan een deel van zijn eigen kunst 
ligt wetenschap ten grondslag. Reeds vroeg was hij begonnen 



488 

met wetenschappelijke studiën over kunst en hij bleef die 
voortzetten; behalve de bovengenoemde schreef hij voor De 
Gids o. a. een beoordeeling van Van Vloten's Aesthetica 
(1866), voor De Kunstkronijk een Bijdrage tot de geschiedenis 
der Midden-eeuwsche kunst (1857), andere stukken in Fransche 
en Nederlandsche tijdschriften, gewijd aan kunstgeschiedenis. 
Rembrandt's genie en romantische persoonlijkheid hadden reeds 
vóór 1859 zijn aandacht getrokken: in de historische novelle 
Eene Preek in 1629 komt de jonge schilder even ten tooneele; 
in de fraaie schets Een Pelgrimstocht naar de Weddesteeg 
(1860) wordt hem een eerste hulde gebracht, drie jaar later 
gevolgd door het ui het Fransch geschreven boek Rembrandt 
Harmens van Rijn. Ses préciirseurs et ses années d'apprentisage, 
dat voor dien tijd voortreffelijk mag heeten. 

Hier was de wetenschap aan het woord; doch aan dat weten- 
schappelijk werk waren de vrije schets en het historisch-letter- 
kundig tafreel voorafgegaan. Ook elders in Vosmaer's proza 
en poëzie zien wij weienschap en kunst zoo naast elkander of 
in onderling verband. Gaarne houdt hij zich bezig met den 
diepen zin eener mythe of sage als in Caradrius, Tarqiiinias 
Superbus, Niet ongedeerd (jakobs worsteling met den engel). 
In gedichten als De Grieksche Muse, Neerlands Maagd, 
Werelddroom (ontstaan uit een gesprek met Van Limburg 
Brouwer Jr.) vinden wij beschouwingen van cultuur-historischen 
inhoud: wezen, ontwikkeling en invloed der Grieksche kunst, 
de ontwikkeling van het Nederlandsche volk en zijn rol in de 
wereldgeschiedenis, de ontwikkeling der menschheid. Maar hij 
voelt zich aangetrokken ook door beschouwing van het innerlijk 
leven, door de verhouding van den mensch tot de natuur, 
door mijmeringen over het eigen verleden, zooals in Bladen 
uit een Levensboek, Wandelingen door de Wereld, Twee 
Kunstenaars. Hier en elders laat de auteur zich gaan met de 



489 

vrijheid van den romanticus, die wij ook in zijn voorkeur 
voor het vrije rijmlooze vers opmerken. Echter weet hij zich 
te beheerschen waar hij het noodig acht, hetzij waar hij een 
brok volksverleden levendig en kleurig afbeeldt, zooals in 
Eene preek in 1629; hetzij waar hij verdienstelijke of fraaie 
plastiek geeft, gelijk in Zondagmorgen aan het strand, Tar- 
quinius Superbus, Nacht, Niet ongedeerd. Zijn mijmeringen 
over het eigen verleden en het leven in het algemeen doen, 
naar hun inhoud, denken aan Hasebroek's Waarheid en 
Droomen; doch -Vos.maer's proza heeft een distinctie, welke 
Hasebroek ontbreekt en onder de Nederlandsche auteurs van 
dien tijd alleen bij Pierson en Huet gevonden wordt. 

Doorgaans is zijn bellettristisch werk beschouwend of beel- 
dend; van tijd tot tijd echter tracht hij door zijn kunst recht- 
streeks invloed te oefenen op het leven van zijn tijd. In 
Halverwege dreef hij den spot met de vrijzinnigen, die de 
consequentie hunner gevoelens niet aandurfden; toen Alber- 
DiNGK Thijai in een Claegh- endc Vraegli-liedt (1860) een 
aanval deed op de wetenschap der liberalen en de theologie 
der modernen, diende Vosmaer den aanvaller van bescheid 
in een geestig en scherp Suverlic Liedeken „houdende eene 
versuchtinghe der bedroefde siele over de moderne libertyns- 
heyt"; van denzelfden geest getuigde De Tamboer der Voorhoede, 
dat als „Nieuwjaarslied" in De Nederl. Spectator van 1870 
verscheen. Toen Vos.maer dat stukje schreef, stond hij in zijn 
44ste jaar- nog lang zou hij zijne landgenooten blijven opwekken 
om te streven naar die „levenskunst", die hij in zijne Ouden 
zoo bewonderde en strijden voor die zelfstandigheid van geest, 
waarzonder hij die levenskunst onbestaanbaar achtte. 



490 



CREMER (1827- '80) EN KELLER (1829 -'99). 

Er bestaat eenige reden, deze twee Spectator-mannen sanien- 
tevoegen: zij waren vrienden, hoewel niet zoo innig als Lindo 
€n Mulder; zij toonen eenige verwantschap als schrijvers 
van novellen en romans; in 1858 hebben zij dan ook samen 
een viertal novellen uitgegeven met een gemeenschappelijk voor- 
bericht; beiden waren populair, maar Cremer in veel hooger 
mate dan Keller dien hij tevens als kunstenaar overtrof. 

Eerst langzamerhand vond Cre.mer als letterkundige zijn 
weg; evenals Breero vroeger weifelt hij lang tusschen schilder- 
kunst en letterkunde; toen hij als schrijver reeds populair 
was, bleef hij nog vasthouden aan de schilderkunst. In het 
veld der literatuur slaat hij eerst een verkeerden weg in: hij 
waande aanleg te hebben voor den historischen roman ; doch 
De Lelie van ' s-Gravenhage (1851), zijn „allereerste letter- 
arbeid" toonde spoedig dat hij zich had vergist. Lang behoefde 
hij echter niet meer te zoeken. Zijn historische roman was 
gedagteekend „Huize Den Oldenhoff te Driel bij Arnhem", 
het buitengoed zijner ouders. De jonge man, die totnogtoe daar 
en in de omstreken van Arnhem het landschap had bestudeerd , 
ging nu de landbewoners in hun handel en wandel bestudeeren. 
Vooral aan de daaruit voortgekomen verhalen en schetsen : 
Betuwsche Novellen (1852 -'55) en Overbetiiwsche Novellen 
(1856 -'66), dankt Cremer zijn roem en zijn recht op een 
eigen plaats in onze letterkunde. Geheel nieuw was dat genre 
noch te onzent noch elders. Breero, Vondel, Hlivgens, 
Van der Venne hadden realistische of idealistische schetsen 
of omtrekjes van het boerenleven gemaakt; Betje Wolff, 
Halbertsma, Beets, Van Koetsveld en Conscience waren 
hen gevolgd; sommigen hunner hadden zich daarbij van het 
dialect bediend, om hun personages scherper te doen uitkomen. 



491 

BuRNS en Scott, Reuter, Groth, Auerbach hadden in 
proza of poëzie de boeren van hun land geschilderd of ge- 
schetst; allen hadden getoond de waarde van het dialect voor 
dit soort van werk te beseffen. 

Of Cremer iets te danken heeft gehad aan een of meer 
dezer voorgangers, weten wij niet; in allen gevalle is hij de 
eerste Nederlandsche schrijver, die de dorpsnovelle tot een 
genre heeft verheven; het landvolk van een bepaalde streek 
uiterlijk en innerlijk, in zijn taal en zijn omgeving heeft waar- 
genomen met een liefdevolle aandacht als niemand vóór hem ; 
hen uitgebeeld in hun gelooven , denken , gevoelen , handelen en 
spreken zóó dat zijne tijdgenooten , ook de hoog ontwikkelden, 
er verrukt van waren en dat het nageslacht hem nog in menig 
opzicht kan bewonderen. 

Wat hebben onze ouders, Cremers oudere tijdgenooten, 
die novellen bewonderd en lief gehad! Ze lezen of hooren 
lezen was reeds een genot: die boeiende of spannende verhalen 
van stevige, welgedane boeren met hun flinke, heldere weder- 
helften, hun krachtige zoons en „snuuperige dernjes", wier 
deugd en braafheid zoo scherp uitkwam tegen de figuren van 
rijke, hoogmoedige boeren, nijdigaards of slechtaards, die een 
verradersrol spelen. Het zoetvloeiend Betuwsch pakte in; reeds 
de namen der verhalen deden dat: Wiege-Mie , Deine-meii , 
Kriekende Kriekske , Paimeveerke, Bniiir Joapik, Oan 7 kleine 
Revierke. Dan al dat idyllisch leven in de mooi-vruchtbare 
Betuwe, dat veldwerk 's zomers, die gezwollen of stormachtige 
stroomen s winters; die gulle Geldersche vroolijkheid, die 
zielenadel tegenover zwarte boosheid. Hier trof, ontroerde, 
verteederde, schokte de auteur zijn lezers, daar deed hij hen 
glimlachen of schateren; steeds hield hij hen geboeid. En nu 
eerst die verhalen door Cremer zelven te hooren voordragen ! 



492 

Of eigenlijk: hij droeg ze niet voor; hij speelde ze. Geboren 
voor het tooneel - is hij niet eens in „Oefening kweekt Kennis" 
voor den plotseling verhinderden Jan van Beers opgetreden, 
zonder dat het publiek het bemerkte? - wist hij met zijn 
buigzame stem aan allen en alles leven bij te zetten. Terecht 
zeide Beets, in navolging van Vondels bijschrift op Anslo: 

Wie Cremer leest, kent slechts zijn twintigst deel; 
Alleen wie Cremer hoort, kent hem geheel. 

Inderdaad, al is dat „twintigst deel" te krap berekend, het 
tegenwoordig geslacht, dat deze novellen slechts uit een paar 
bundeltjes kent, en er eenige van achter elkander leest, krijgt 
andere indrukken dan onze ouders. Hen treft het eentonige 
van die liefdesgeschiedenissen: al die boerinnetjes met onwaar- 
schijnlijk^ blanke voetjes, „eugskes as zunnetjes", „wengskes as 
klaprozen" en „kuultjes ien de wang", op wie sterke brave 
boerenzoons verliefd zijn; die belaagd worden door valsche 
medeminnaars of mede-minnaressen, en elkander steeds krijgen 
na een tijd van droefheid en verdriet; altijd diezelfde typen 
van rijke, hoogmoedige boeren wier trots gebroken, van 
jaloersche boeren wier ijverzucht gestraft wordt, van gierige 
boeren die zich bekeeren, oude vijanden die zich verzoenen; 
huichelaars die hun eenig kind verliezen, na tevergeefs gepoogd 
te hebben een mooi jong meisje te verleiden. Die verdeeling 
der menschen in goeden en slechten kan hen niet meer bevre- 
digen; de karakteristiek is hun doorgaans niet diep, de taal 
niet natuurlijk genoeg; zij protesteeren tegen dat gestadig 
beloonen der deugd en straffen der ondeugd, als in strijd met 
waarheid en werkelijkheid; de auteur is hun over het algemeen 
te zoetelijk: zij stemmen in met Huet, die van Cremer's 
„banketbakkersgaven" sprak. 



493 

Echter, ook hier heeft men zich te wachten voor napraten 
van dezen of van andere critici en te streven naar zelfstandig- 
heid van oordeel, onbekommerd over het verwijt van „niet op 
de hoogte" te zijn. Menigeen die Cremer's novellen in haar 
geheel heeft gelezen en zijne indrukken onderzocht en over- 
wogen, zal het vergaan als Bakhuizen van den Brink, die 
op een Spectator-avond, nadat allerlei op- en aanmerkingen 
over Cremer gemaakt waren, met de novelle Oan 't kleine 
Revierke in de hand, zachtjes zeide: ,.Toch zou ik nog wel 
een paar dagen van mijn leven willen geven, om die bladzijde 
geschreven te hebben." Inderdaad, men is, meenen wij, 
onbillijk, indien men niet naast het zwakke in deze novellen 
het vele verdienstelijke, goede of mooie daarin erkent: ver- 
dienste van waarneming en uitbeelding, aardige of mooie 
tooneelen, rake zetten, geestige trekken. Cremer's vroolijkheid 
is aanstekelijk, al erkent men dat hij de lijnen hier en daar te 
zwaar maakt; een tooneel als de rit van boer Balders in 
Pauweveerke met den dood van zijn «Wimpke" raakt aan het 
melodrama en grijpt toch aan ; de auteur verveelt ons wel eens 
met zijn moralizeeren , maar hij schiep toch ook die kleine, 
voortreffelijk vertelde, anecdote Jan, Pier en Kloas zonder 
lievigheid, overdrijving of moraal. 

De aanmerkingen, door sommigen toentertijd op Cremer's 
kunst gemaakt, golden ook zijn aanwending van het dialect. 
Hij bediende zich van het dialect - zooals hij zelf ons mede- 
deelt - in den dialoog, en ook „waar hij in den beschrij venden 
toon de gedachten en gewaarwordingen (zijner personages) 
schetste" of waar hij ..in het verhalen eene uitdrukking in dien 
tongval meer karakteristiek oordeelde". Men kan met den 
auteur verschillen over de toepassing van zijn beginsel, niet 
den ernst ontkennen waarmede deze kunstenaar zich rekenschap 
gaf van zijn taak. Het tegenwoordig geslacht zal - o. i. 



494 

terecht - de dialectische taal dezer boeren en boerinnen vaak 
weinig in overeenstemming achten niet de werkelijkheid; voor 
Cremer, die zijne lezers waarschuwt niet te schrikken, als 
zijne boeren „zich wat al te plomp uitdrukken", was er al 
realisme genoeg in hun taal; een grooter en onafhankelijker 
kunstenaar zou zich aan de gevoeligheid van het publiek niet 
gestoord hebben; doch Cremer's schroom in dezen geeft nog 
geen recht hem den naam van kunstenaar te weigeren. 

Ook toen hoorde Cremer wel eens het verwijt, dat hij ,.er 
een Betuwsch op eigen hand van maakte". Wij willen aan- 
nemen, dat er waarheid steekt in dat verwijt; doch mogen 
niet vergeten, dat hij met zijn Betuwsch den indruk maakte 
dien hij wilde geven en dien hij nóg zal maken op allen die 
het Betuwsch (of de Betuwsche dialecten) niet voortreffelijk 
kennen. Menigeen dweept nu met Gezeli.e en Streuvels, 
zonder te vermoeden, dat ook zij een Westvlaamsch „op eigen 
hand" hebben. In allen gevalle zien wij CrEiMER ook hier zijne 
stof met kunst bewerken. Die kunst is door haar eenvoud en 
helderheid verwant aan de volkskunst; geen wonder dat zij 
populair werd. Echter was zij, gelijk veel individualistische 
kunst, het voortbrengsel van veel arbeid; wij weten door 
IsiNG, dat Cremer - evenals Théophile Gautier - vóór zijn 
papier zat als een schilder vóór zijn ezel: verbeterend, wijzi- 
gend, schrappend, weer aanbrengend, reepen papier over 
reepen papier plakkend, met nieuwe regels, andere zinbuigin- 
gen, andere woorden tevreden als hij ééne bladzijde 

op een dag schreef. Aan die zorg voorden vorm zijner stukken 
was zijn zorg voor de voordracht geëvenredigd ; aan meer dan 
een zijner novellen kan men zien, dat zij met het oog op de 
voordracht geschreven zijn. 

Zoo kan het ons dan niet verwonderen, dat Cremer's 
Betuwsche en Overbetuwsche Novellen toen zulk een diepen 



495 

indruk maakten vooral op toehoorders; dat de gehoorzalen te 
klein bleken wanneer hij optrad; dat men er zich verdrong om 
een plaatsje, al was het maar achter des sprekers rug. 

Naast deze novellen in dialect staan een paar dozijn andere 
uit ongeveer denzelfden tijd (1853 - 71) in gewoon Nederlandsch. 
Hier hooren wij de geschiedenis van een braven ambtenaar 
der posterijen en weldoener van een armen maar braven kantoor- 
knecht {Kees Springer); van een gebochelden kandidaat-notaris 
op een dorp, verliefd op een renteniersdochter die hij niet 
krijgt {De Vriend van den Huize); van een rijken jongeling 
die de mooie dochter van een koomenij-baas achtervolgt, maar 
uitglijdt, een been breekt en sterft {Een Zoogmoeder); van een 
armoedig reizend tooneelgezelschap {Achter de Schermen); van 
een armen muziekmeester die met een dikke weduwe trouwt 
en zijn pasgeboren zoontje onder den invloed der muziek 
tracht te brengen door vlak aan zijn oor te gaan vioolspelen 
{Anne Samiiel); van een armen dansmeester die de schulden 
van zijn vader aanzuivert ter wille van zijn moeder en zijn 
beeldschoone zuster {Een dansles op Meydervoort) ; meerendeels 
overdreven, sentimenteel-pathetisch werk, waarin waarheid, 
eenvoud en natuur doorgaans ver te zoeken zijn, met karika- 
turen voor typen, berekend op een wei nig-geoef enden smaak, 
al vindt men hier en daar een aardige opmerking. In verschei- 
dene dezer stukken, b.v. in De Vriend van den Huize, is een 
sterk moralizeerend element; Een Winternacht: tegenstelling 
tusschen een rijk en een arm vroom gezin , humoristisch-aan- 
doenlijk en met de uitgesproken bedoeling tot weldadigheid 
optewekken, doet denken aan Lindo's philanthropische stukjes; 
De Victorine wordt besloten met den wensch naar afschaffing 
der doodstraf in naam van het „reine Evangelie der liefde". 
Zooals men uit dit karakterizeerend overzicht reeds vermoeden 



496 

kan, staat deze reeks van novellen lager dan de vorige; het 
Betuwsch maakte het beste in Cremer wakker en trok het 
eruit - in het algemeen-Nederlandsch schrijvend , bracht hij 
werk van veel minder gehalte voort. Reeds in de Betuwsche 
en Overbetuwsche novellen valt dat verschil te bespeuren: 
zoodra hij Nederlandsch gaat schrijven, wordt hij deftig, onna- 
tuurlijk, opgeschroefd; dan spreekt hij van „echtvriend", 
wStervenssponde", „in het graf dalen", een boom heet dan „het 
sieraad der vruchtbare weiden", wij lezen dan van een duiveltje 
„dat zich een troon vest op de puinhoopen van liefde en 
eendracht". Ook in de tweede reeks van novellen komt dat 
verschil uit; het duidelijkst misschien, wanneer wij in Wat ik 
hoorde en zag in de spoorwagen de welgeslaagde teekening 
van den jongen boer en zijn grootmoeder vergelijken met die 
van het overig reisgezelschap of in Kees Springer het gesprek 
der dienstmeisjes met de rest dier schets. Tot voordragen 
waren ook deze novellen wel geschikt; een stuk als K^es 
Springer in de Kerk misschien meer dan andere; doch ook 
met deze kon de voordrager nog eer inleggen. 

Anders stond het, toen Cremer zijn eerzucht ging uit- 
strekken tot het schrijven van romans. Hier was het publiek, 
zooals SiMOx Gorter zeide, „buiten het bereik van Cremer's 
stem." Hoe zou hij nu slagen ? Een eerste poging op dit ge- 
bied: Daniël Si/s (1856) gaf geen recht veel te hopen; doch 
misschien zou blijken dat de auteur zich ontwikkeld had, toen 
hij m 1S67 optrad met een roman in drie deelen, getiteld 
Anna Rooze, twee jaar later gevolgd door Dokter Helmond 
en zijn vrouw. Geen van beide was in staat zulk een verwach- 
ting te bevredigen: de bouw dezer romans, de karakteristiek, 
de stijl zijn middelmatig, zwak of slecht; te vergeefs tracht de 
auteur door bonte veelheid van gebeurtenissen, een kaleidos- 
cüop van toestanden en personen, in Anna Rooze ook nog 



497 

door veelheid van dialecten en allerlei kromtaai , de innerlijke 
leegheid van zijn verhaal aantevullen. Al te duidelijk - en 
voor den gevoeligen, verwenden auteur al te pijnlijk - bleek 
dat in den roman zijn kracht niet lag. 

De pleidooien in Anna Rooze tegen de praeventieve hechtenis 
en voor een „ideaal-kermis" die de gewone kermis-viering 
moest vervangen, getuigen voor GkEiMER's belangstelling in 
maatschappelijke vraagstukken ; doch kunnen een roman als 
dezen natuurlijk niet redden. 

„ik zou meenen", lezen wij in Anna Rooze, „dat de Kunst 
alles mag leeren wat goed is, zooveel zij maar wil, mits — 
dat haar werk in waarheid een kunstwerk blijve"; later (1874) 
beperkte Cremer de algemeenheid dier stelling door deze uit- 
spraak: „wanneer wij de Kunst maar in eere houden, dan zal 
zij ons óók mogen dienen, waar we. het goede willen bevor- 
deren op maatschappelijk gebied." Eigenlijk was hij - het 
blijkt uit de moralizeerende strekking van de meeste zijner 
novellen - altijd van die overtuiging geweest; doch zij zal 
vermoedelijk in kracht en bewustheid hebben gewonnen , sinds 
hij in 1857 Loenen aan de Vecht als woonplaats voor Den 
Haag had verwisseld en, in het hart van Holland wonend, 
beter kijk gekregen op de nooden en misstanden der maat- 
schappij. Zoo vinden wij dan in de novelle Wouter Linge (1860) 
een rechtstreeksch pleidooi voor de Maatschappij van Weldadig- 
heid, in het stukje Op den zolder een bijdrage tot de waters- 
nood-literatuur van het midden der \^^^ eeuw; zijn voornaamste 
werk op dit veld echter was Fabriekskinderen (1863), schetsen 
uit het leven der fabriekskinderen te Leiden, tot het schrijven 
waarvan de heer De Vries Robbé hem had opgewekt. 

Indien ergens, dan blijken hier zoowel de samenhang tus- 

schen maatschappij en letterkunde als het verschil tusschen de 
KALFF, Letterkunde, VII. 32 



498 

romantiek en de aan haar voorafgaande literatuur. Welk een 
ander beeld vertoont het kind, in den spiegel der literatuur 
gezien, vóór de romantiek dan m en na de romantiek: vroeger 
kinderen in zorgelooze vreugd of met den aureool der zaligen 
om het kleine hoofd; ook wel realistische omtrekjes van kinder- 
lijke ruwheid of bandeloosheid, maar altijd met zekere levens- 
kracht en levensblijheid - nu gansche scharen kinderen in 
zonloos bestaan, tot verdoovenden , neerdrukkenden arbeid ge- 
doemd door de hooggeroemde vorderingen der nijverheid. 
Aan het eind dezer schetsen, die in benadering der werkelijk- 
heid misschien eer te weinig dan te veel gaven, richt de auteur 
zich tot de in hun wetenschap verzonken geleerden en tot de 
wetgevers om verbetering te brengen in deze toestanden, wijst 
hij op het voorbeeld van Engeland ter navolging. Zijn roep 
om hulp moge ons nu wat opgeschroefd klinken, zijn pathos 
hier en daar wat hol, zijn taal zich wat opgesmukt voordoen - 
er trilt hier toch een warm medelijden met deze kleine slacht- 
offers, een sterke verontwaardiging over deze gruwelijke toe- 
standen, waarvoor wij Cremer dankbaar moeten zijn. In zijn, 
met bedwongen verontwaardiging opgestelden, krachtig doch 
bescheiden geschreven Brief aan den Minister van Binnen- 
landsche Zaken, in Een Woord aan rni/ne Landgenooten {\S70) , 
naar aanleiding van het votum door een Commissie van 
Onderzoek in dezen uitgebracht, behandelde Cremer dit onder- 
werp nog eens. In 1876 kreeg ons volk eindelijk van een 
nieuwe Regeering een wet «ter regeling van den kinderarbeid 
in de fabrieken." Die wet moge onvolkomen zijn, als eerste 
poging tot het scheppen van betere toestanden in dezen be- 
hoort zij op prijs gesteld te worden. Zeker heeft het woord 
van den zoo algemeen geliefden en geachten Cremer veel 
gedaan om de publieke meening in dezen gunstig te stemmen; 
en nu moge men terecht zeggen, dat Fabriekskinderen meer 



499 

den mensch dan den auteur Cremer tot eer strekt; dat dit 
geschrift geen zuivere literatuur is en als kunstwerk niet hoog 
staat — de geschiedschrijver der letterkunde behoort het met 
eere te vermelden als een voorbeeld van rechtstreekschen 
invloed der kunst op het leven, 

Gerard Keller heeft eenigen tijd naar een hem passenden 
werkkring gezocht, eer hij in 1850 werd aangesteld als steno- 
graaf bij de twee Kamers onzer Staten-Generaal; doch als 
letterkundige vond hij, anders dan Cremer, dadelijk het genre 
waarvoor zijn aanleg hem het meest geschikt maakte: de 
novelle. Nadat hij zich geoefend had als vertaler, begon hij 
voor eenige tijdschriften: De Tijdstroom, Het Leeskabinet, 
Europa) kleine verhalen te schrijven. Met één daarvan, getiteld 
De Neteldoekjes (1854) vestigde hij zijn naam. De fatsoenlijke 
armoede, het kaaltjes-en-knapjes in een Haagsch ambtenaars- 
gezin werd hier geschetst met luchtige pen en niet zonder 
talent, dat zich o.a. vertoont in den natuurlijken dialoog. Die 
Haagsche ambtenaarswereld was het rechte veld van waar- 
neming voor Keller, wel niet geboren maar toch getogen 
Hagenaar en zoon van een ontvanger der registratie die het 
niet breed had. De bureaucratische kleingeestigheid dier ambte- 
naarswereld is door hem op niet on vermakelijke wijze geper- 
sifleerd in De geschiedenis van een dubbeltje (1861). 

Sedert zijn eerste novelle Kamers in den Goudschen Almanak 
van het jaar 1849 verschenen was, bleef Keller aan het werk 
en in vruchtbaarheid evenaarde hij zijn vriend Cremer. Verre- 
weg de meeste zijner novellen zijn schetsen uit het leven van 
den middenstand waartoe ook de auteur zelf behoorde. Wij 
lezen er van erfenissen die ten deel vallen aan menschen wie 
zij niet toekomen of die den erfgenaam op een verkeerd pad 

brengen; van oesters op Oudejaarsavond en de verschillende 

32* 



500 

binnenhuizen waar zij verorberd worden; van een komediant 
die kantoorbediende wordt; van een paar zusters waarvan de 
een een kind krijgt dat de ander voor het hare aanneemt, 
mitsgaders van ƒ 25.000 opgespaard door de eene zuster - 
als stovenzetster ! - in den omslag van een bijbel verborgen 
en als zoodanig bruidschat van het onechte kind, dat nog een 
luitenant der infanterie verovert. De liberale sympathieën van 
den auteur komen voor den dag in Een Legaat, waar een 
brave gematigde vrijzinnige dominee wordt gesteld tegenover 
een orthodoxen collega, die - natuurlijk ~ een huichelaar is. 
Het moralizeerend element, zoo krachtig in Cremer's werk, 
ontbreekt ook bij Keller niet; wij vinden het b.v. in Een 
Bakersprookje: een verhaal van een armen ambtenaar, onte- 
vreden over de geboorte van weer een kind, doch tot het 
besef gebracht dat hij het goed heeft in vergelijking van 
een vriend wiens eenige zoon een doordraaier is; aan het 
slot van De Neteldoekjes valt de auteur zelfs min of meer in 
den preektoon: „maar dit toch meenen wij duidelijk te hebben 
doen uitkomen, dat het geluk ondenkbaar is waar het huiselijk 

leven ontbreekt Och, mogt ieder het meer beseffen 

dat al die opofferingen voor en al dat jagen naar een 

schijn, niet de ware levensrigting is." Dit sausje van gemoede- 
lijken levensernst maakte Keller's colombijntjes nog smakelijker 
voor lezers die niet kieschkeurig waren. Verreweg de meeste 
zijner novellen zijn gemakkelijk en vloeiend geschreven; diepte 
van gevoel zoekt men er vergeefs; slechts in het min of meer 
duister stukje Over de Heining schijnt iets diepers te liggen; 
nergens is iets dat aangrijpt of pakt; zelden iets dat zich ver- 
heft boven de middelmaat. 

Boven het peil , door Keller in zijn opgang met. De Netel- 
doekjes bereikt, verhief hij zich later niet. Cremer's Wiege-Mie 
daarentegen is een zijner zwakke stukken; meer dan een der 



501 

latere Betiiwsche of Overbetuwsche Novellen staat hooger dan 
deze eersteling. De oorzaak van dit verschil lag voor een deel 
in het feit dat Keller minder talent had dan zijn vriend; voor 
een ander deel vermoedelijk in zijn verhouding tot den uitgever 
Thieme. Thieme was de man, die Keller aan het werk hield: 
met het oog vooral op Keller en Cremer ondernam hij de 
Guldens-Editie (1857), waarin oorspronkelijke novellen en 
romans voor een gulden het deel zouden worden uitgegeven 
en waarvan Keller een dozijn deelen vulde; Thieme ook zond 
Keller naar het Noorden en het Zuiden, om van die reizen 
boeken voor hem te maken. Een dergelijke invloed van een 
uitgever behoeft niet ongunstig te zijn voor het werk van een 
auteur: ook Het Huis Lauernesse , Hagar en De Slag bij 
Nieuwpoort zijn op verzoek van uitgevers gemaakt; doch 
Keller's geest was niet rijk genoeg, zijn talent niet sterk 
genoeg, om onder zulke omstandigheden iets goeds voort- 
tebrengen. 

Zoo raakte hij dan, na zijn benoeming tot redacteur der 
Arnhemsche Courant (1864), als auteur op den achtergrond, 
terwijl Cremer triomfen bleef vieren als voordrager en - zij 
het in mindere mate - als auteur 5). 



VAN LENNEP. (Slot). DE SCHOOLMEESTER (G. VAN DE 
LINDE JANSZOON 1808-1858). 

Wij hebben hierboven gezien, hoe Van Lennep zich reeds 
vóór 1848 had opgericht uit de gedruktheid, die hem van zijn 
«najaar" en zijn fleste kracht" deed spreken; hoe het hem ging 
als in het liedje: ,/k Herleef, zei Pierlala, sa, sa!" Ook na 
1848 blijft hij in' zijn gewone wezen: afwisseling van druk 
maatschappelijk en letterkundig werk, mengeling van ernst en 



502 

luim of boert. Van 1853 -'56 was hij lid der Tweede Kamer. 
Wanneer hij die deftigheid kon kietelen met de strootjes zijner 
dwaasheid, liet hij het niet; doch men doet hem onrecht door 
de bewering dat hij er slechts grappen maakte. Groote maat- 
schappeHjke of nationale werken als de eerste Duinwaterleiding 
en de doorgraving van Holland-op-zijn-smalst vonden in hem 
een krachtig voorstander. Getrouw aan zijn liefde voor het 
tooneel, wist hij Willem III voor de verbetering van het tooneel 
te winnen; de Koning benoemde hem met Schimmel, De 
BuLL e. a. tot een Commissie van Onderzoek. Als vroeger 
komen tal van menschen zijn hulp vragen en helpt hij waar 
hij kan. Zijn populariteit nam toe, al stelde hij haar bloot aan 
zware schokken. In 1851 zien wij hem als gast op Het Loo; 
hij whist er met de koningin, die hij amuzeert met zijn ver- 
halen; met den kroonprins, toen school liggend op Noorthey, 
is hij in briefwisseling. Dat hij aardigheden maakte en liet 
drukken op de geschiedenis des vaderlands, ontstemde of ergerde 
menigeen; Heye kantte zich in een naamloos stuk tegen Van 
Lennep's herkiezing tot lid der Tweede Kamer (1859). Zulke 
pijlen uit het duister kwetsten hem wel, maar deden hem zijn 
goed humeur toch niet verliezen. Ook over andere onaange- 
naamheden des levens zet hij zich heen met een grap; zoo 
b.v. na een zwaar geldelijk verlies: „'t zal op bezuinigen aan- 
komen, wij hebben de kat al weggedaan." Maar wie zulke 
grappen kan maken, moet geestkracht hebben. 

Zijn letterkundig en wetenschappelijk werk uit de laatste 
twintig jaren zijns levens toont dezelfde afwisseling of menge- 
ling van ernst en luim of boert. 

Ernst was er in zijn historischen roman EUzabeth Musch 
(1850); doch toen zijn Klaasje Zevenster {X'èbb) uitkwam, vroeg 
Busken Huet met recht: Ernst of kortswijl? Aan Van Lennep's 



503 

bedoeling met Elizabeth Miisch: „den lezer nader bekend te 
maken met de personen en toestanden uit een der merkwaar- 
digste tijdvakken onzer Geschiedenis" voldoet het werk wel; 
doch reeds uit deze verklaring blijkt, dat de roman is ontstaan 
niet zoozeer uit warme deelneming in het leven van dien tijd 
als uit verlangen om kennis te verbreiden. Een vindingrijk en 
handig auteur toont Van Lennep zich ook hier, maar als 
geheel staat deze roman beneden zijn beste werk uit vroeger 
tijd; de bontheid van afwisseling stelt ons niet schadeloos voor 
de slapheid en wijdloopigheid, en hoe weinig is er terecht- 
gekomen van de figuur van Jan de Witt. 

De tegenstelling tusschen Klaasje Zevenster en Elizabeth 
Musch als beeld uit het het heden en beeld uit het verleden 
zou slechts ten deele juist mogen heeten. Het is waar, dat 
eerstgenoemde roman speelt in den tijd van den auteur; des- 
niettemin is dit verhaal der avonturen eener vondelinge in zijn 
wezen achttiend'eeuwsch; ook door zijn talrijke brieven en 
ingevlochten verhalen doet het denken aan de romans van 
RiCHARDsoN, Fielding, Wolff en Deken, welke Van Lennep 
blijkens sommige toespelingen voor den geest stonden. Dit 
achttiend'eeuwsch genre was door hem gemodernizeerd en 
geïndividualizeerd, doch op weinig gelukkige wijze. Wat Huet 
bracht tot het stellen zijner vraag, was niet, dat hier met de 
waarschijnlijkheid dikwijls een loopje wordt genomen; doch 
dat de auteur, sterk in het besef zijner populariteit, hier een 
bouwsel had neergezet van welks licht- en dichtheid hij be- 
zwaarlijk onbewust kan zijn geweest. Van Lennep sprekend 
over de wijze, waarop de „courtisane" Mie Lammertz haar 
ambacht drijft, doet denken aan onze oude kluchtspeldichters: 
ook voor hem is zonde dwaasheid, stof tot lachen. Waar hij 
ernst wil geven, zooals wanneer de predikant Bol aan het 
woord is (1, 181, 238; 11, 292), maakt hij den indruk van 



504 

iemand die zich moet ,;goed houden". Karikatuur voor werke- 
lijkheid krijgen wij ook elders; zijne beschrijvingen van manne- 
lijke schoonheid (Van Eylar, Galjart 1, 13, 34) doen denken 
aan poppen uit den kapperswinkel. Poppen - inderdaad, wel 
mocht HuET spreken van een «marionetten-spel". Aan den 
poppen kast-vertoon er of aan Van Lennep's vriend der jeugd, 
den Luikerwaal Laurens met de „tooferlantaar", moeten wij wel 
denken, wanneer wij hem de keukenmeid der Van Zirik's 
hooren beschrijven (111, 5) of sommige der gasten op een 
diner bij die familie aangezeten (111, S^ hoofdst.); wanneer wij 
hem zich hooren vermeien in plat-Amsterdamsch , het gebroken 
Nederlandsch van een Waal of het spreken van een dame die 
geen r kan zeggen - om dan plotseling van achter de schermen 
te komen als verdediger der ouderwetsche vormelijkheid met 
opmerkingen over jonge meisjes die niet behoorlijk kunnen 
nijgen of over rooken in gezelschap; als schrijver van AUe- 
daagsche bokken in het gesprek (1, 220 vlgg.). 

Eer een zwak boek dan „een schandelijk boek" - zooals de 
Asmodée het noemde - heeft Klaasje Zevenster aan zijn auteur 
meer kwaad gedaan dan vergoed kon worden door de / 5000 
honorarium, die hij voor den eigendom ervan ontving. 

Van de poëzie scheen hij omstreeks 1850 afscheid te willen 
nemen, of zooals hij het op zijn Van Lennepsch zeide: 
»/Ik . . . . geef er mooi de b . . . . van". Doch die betuiging 
verhinderde hem niet in volgende jaren telkens nieuwe gedichten 
te schrijven en uittegeven. De ernst is er niet afwezig, al vin- 
den wij dien vooral in vertalingen, o. a. eene middelmatige 
van Tennyson's heerlijke elegie op Wellington's dood. Maar 
de boert, de platte boert zelfs, overheerscht. In De Trojaansche 
Oorlog („juffrouw Heleen" e. d.) is Focquenbroch weer 
opgestaan; en dat in 1852! Herkiiles by Troje (1856) maakt 



505 

den indruk, alsof de auteur ernstig heeft gepoogd iets in den 
trant van Schiller te leveren, doch het niet kon harden. 
Recht in zijn element voelt Van Lennep zich als hij bezig is 
aan Jaap de Reuzendooder , waarmee men op een boeren-Nut 
vermoedelijk nog wel succes zal hebben. 

Op dramatisch gebied leverde hij tal van gelegenheids-stukken; 
het beste daarvan is zeker Een Dichter aan de Bank van 
Leening (1867) door hem geschreven voor het Vondel-feest en 
dat opnieuw blijk geeft van zijn handigheid en technische 
vaardigheid. 

Dat gelegenheids-stuk herinnert ons de uitgaaf van Vondels 
werken, gevlochten in een breedvoerig verhaal van Vondels 
leven, waarmede hij m 1855 begonnen was en die hij niet 
geheel voltooid heeft gezien: een reuzenwerk, de eerste weten- 
schappelijke uitgaaf van onzen grootsten dichter, nog niet door 
een betere vervangen. Behalve dat werk leverde hij in dezen 
tijd nog menig ander van populair-wetenschappelijken aard: De 
voornaamste Gescliiedenissen van Noord-Nederland (1845 -'9); 
Merkwaardige Kasteelen in Nederland (1852) in samenwerkmg 
met Hofdijk; Zeemans-Woordenboek (1856); De Geschiedenis 
des Vaderlands (1856); Leven van Mr. C. en Mr. D. J. van 
Lennep (1861 -'2); in samenwerking met J. ter Gouw: De 
Uithangteekens (1867) en Het Boek der Opschriften (1868 -'9), 
navolging eener Engelsche History of Sign-Boards. Die werk- 
man kon heel wat uit den weg zetten ! Maar van tijd tot tijd 
moest hij er ook hier een grap doorheen gooien. Wanneer het 
chauvinisme van zoo menig voorganger of tijdgenoot onder de 
beoefenaars der vaderlandsche geschiedenis hem te machtig 
wordt, geeft hij zijn hart lucht in de komische Tafereelen uit 
de Geschiedenis des Vaderlands (1854), die menig eerzaam 
Nederlander in het harnas joegen en den „Groothandelaar in 
't komieke" een strafdicht van Hecker bezorgden over zijne 



506 

„kermisgrappen". Het schrijven der Vermakelijke Spraakkunst 
(1865), navolging eener Engelsche Comic Qrammar (1852) 
moet aantrekkelijk zijn geweest voor den auteur van Een 
Staatsexamen in 1851 , die de soliede wijsheid van Jan Blokkert 
belachelijk had gemaakt door de dwaasheden van Pietje Vlug. 

Zoo bleef Van Lennep zich dan gelijk tot het laatst. Populair 
was hij geworden al dadelijk met zijn Nederlandsche Legenden 
en hij is het veertig jaar lang gebleven. In populariteit even- 
aarde hij Tollens; doch deze werd door het publiek vereerd 
als een vader - Vax Lennep was Publiek's bedorven kind. 
Aanvankelijk was elk nieuw werk van zijn hand voor zijn 
tijdgenooten een gebeurtenis; hoe de jongeren hem vereerden, 
blijkt o. a. uit De Génestet's jubellied Morgen is mijn dichter 
jarig van het jaar 1846. Toen hij als schrijver van historische 
verhalen gevaarlijke mededingers kreeg, wist hij nieuwe bron- 
nen van populariteit voor zich te openen in den V^ondel- 
cultus, in populair-wetenschappelijken arbeid, in den roman 
uit het hedendaagsch leven. 

Reeds om die populariteit moet hij voor den geschiedschrijver 
der letterkunde een belangrijke figuur worden geacht; hij is 
het bovendien door het min of meer raadselachtig samenstel 
van zijn wezen als letterkundige en als schakel tusschen het 
oude en het nieuwe. Populair werd hij, doordat hij met iets 
nieuws kwam en het, naar Nederlandschen smaak bewerkt, 
ingang deed vinden. Onder den sterken invloed van Walter 
ScoTT gelukte het hem , wiens liefde tot het nationaal verleden 
bovendien door zijn vader was opgewekt, hier en daar iets 
goeds te leveren; doch voor de middeleeuwen voelde hij 
weinig, al wist hij er veel van; een blik in zijn binnenste 
geeft ons die brief aan Ten Brink, waar hij van het Middel- 
nederlandsch zegt: „Het is een mooie ontdekking! Maar ik 



507 

lees liever Fransch.'' Voor de 17'^^ eeuw voelt hij, als de meeste 
Nederlandsche romantieken, meer; maar de IS'^e eeuw is zijn 
eeuw; daardoor is Ferdinand Hiiyck zijn beste werk geworden. 
Die eeuw, den tijd van zijn grootvader op Het Manpad, ten 
deele ook van zijn vader, kende hij als geen andere; hij deelde 
hare liefde tot het Fransch, haar eerbied voor de klassieken. 
Zijn liefde voor het Fransch is begrijpelijk: het tintelend- 
vroolijke, luchtig-geestige behoorde tot de kern van zijn eigen 
wezen. Niet zoo gemakkelijk te verklaren is zijn eerbied voor 
de klassieken; dorst naar schoonheid, behoefte aan het ver- 
hevene, geduldig streven naar het volmaakte, beheerschte 
kracht en meesterschap in zelfbeperking - eigenschappen die 
wij in de antieken bewonderen, missen wij juist in Van Lennep; 
doch misschien trokken de Ouden hem aan , doordat zij bezaten 
wat hem ontbrak. 

Niet klassiek maar romantiek was hij in zijn tot bandeloos- 
heid neigende vrijheidszucht. In dat opzicht was hij tevens 
een echt Nederlander. Hij wil zich laten gaan, bovenal - echt 
Nederlander ook daar - in zijn lust tot scherts en boert, 
onbedwingbaar voor wie zóó vol zat van anecdoten, kwink- 
slagen, woordspelingen, luimige zetten, dwaasheden en grollen. 
Met het oog op dien lust tot dwaasheid mocht een zijner 
broers van hem getuigen: »hij hleei Jongen tot het laatste van 
zijn leven". Echter, die vroolijkheid had iets goedhartigs en 
joligs; zijn scherts kwetste niet. Door zijn natuurlijkheid en onge- 
geneerdheid verdreef hij de stijve deftigheid, waar hij kwam; 
met iedereen op zijn gemak, wist hij toch zekeren afstand 
tusschen zich en anderen te bewaren. Geen wonder, dat het 
publiek niet boos op hem kon worden of lang blijven, dat 
ieder oog en oor was, zoodra zich die rijzige gestalte, dat 
hoofd met de grijze lokken, de spotzieke oogen en den geesti- 
^en mond vertoonden; dat allen hem kenden en liefhadden, 



508 

van het Koninklijk Huis af tot den Rotterdamschen kruier toe, 
die verontwaardigd tegen een buffet-juffrouw zeide: „Wat, 
ken-je onzen Van Lennep niet?" 

Wij kunnen die bekoring zijner persoonlijkheid niet meer 
ondergaan; ons is slechts zijn werk gebleven, en dat werk 
bevestigt — meer dan dat van eenig ander Nederlandsch auteur 
dier dagen - de waarheid van het dichterwoord: „Was glanzt, 
ist für den Augenblick geboren." Slechts hier en daar, in 
Ferdinand Huyck, in enkele novellen, in een geestige schets 
als die van de vrienden zijner jeugd: La Haye, Beekman en 
Laurens den Luikerwaal {Mijmeringen in en over Amsterdam) 
zien wij dien glans nog; het overige is voor ons dof geworden; 
doch de geschiedenis onzer letterkunde moet Van Lennep's 
naam in eere houden als dien van een der populairste Neder- 
landsche letterkundigen uit het 2^^ en S'^e kwart der IQ^e eeuw. 



G. VAN DE LINDE JANSZOON (DE SCHOOLMEESTER). 

In Van Lennep, Rijks-Advocaat, lid der Tweede Kamer, 
lid der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, werd de 
dwaasheid gekortwiekt en ingeperkt; het wekt onze verwonde- 
ring dat zij zich nog zoo wist te roeren - in zijn academie- 
vriend Van de Linde kon zij vrijelijk de wieken uitslaan. 
Het was den gesjeesden student aanvankelijk meegeloopen: 
zijn Londensche kostschool wist hij, getrouwd met een be- 
schaafde Francaise, tot bloei te brengen en vijftien jaar in 
stand te houden. Maar er stak geen financier in dezen epicurist, 
die gaarne uitging en in Engeland vertoevende Hollanders 
gastvrij onthaalde: bij zijn dood bleef zijn weduwe in behoef- 
tige omstandigheden achter. Om haar te helpen stelde Van 
Lennep uit zijn vriend's letterkundige nalatenschap een bun- 



509 

deltje samen, dat in 1859 onder den titel Gedichten van den 
Schoolmeester het licht zag, en dat onze aandacht ten volle 
verdient. 

De lust om zich te vermeien in vroolijke dwaasheid en 
gewilden onzin, met kunst tot den hoogst mogelijken graad 
gebracht en samengedrongen , was reeds in den student Van 
DE Linde aanwezig. In den Leidschen Sludenten-Almanak van 
het jaar 1830 vinden wij eene Proeve van Dichterlijke Vlagt. 
Fragment van een uitgebreider dichtstuk, getiteld Apollo , die 
reeds een en ander van zijn eigenaardig talent te zien geeft. 
Gelijk anderen vóór hem, parodieert Van de Linde epische 
en in het algemeen verheven poëzie in een liefdesgeschiedenis, 
die een loopje neemt nu eens met Bilderdijk's Ondergang 
der Eerste Waereld, dan met Feith's Thirza; in dit verhaal 
vinden wij echter ook gewilden onzin, voortgebracht door 
samenvoeging van elkander tegensprekende dingen; alles niet 
zonder kunst, maar te zwaar van lijn en schel van kleur. 
In latere jaren begaf de lust tot dit soort van poëzie den auteur 
niet; vermoedelijk werd die zelfs versterkt door de kennismaking 
met Barham's Ingoldsby Legends (1837 -'47). Zoo vinden wij 
in den Almanak Holland vdXi 1851 een Proeve eener Natuurlijke 
Historie voor de jeugd, eenvoudig verteld door een Schoolmeester; 
in dien van het volgend jaar Een viertal proeven van Rhyt- 
mische of zoogenaamde Middel-N ederlandsche Poëzy (Barend 
de Schutter, De Morgenstond, De Hond, De Haan); in 1853, 
'54 en '57 weer nieuwe stukken van zijn hand. Het waren deze 
gedichten die Van Lennep met verscheidene onuitgegevene tot 
één bundel vereenigde; ras populair geworden, hebben zij na 
meer dan een halve eeuw weinig van hun populariteit verloren. 
Geheel nieuw was deze soort van poëzie te onzent niet. Ver- 
scheidene neigingen van den Nederlandschen geest, die zich 
vroeger in de nationale letterkunde geopenbaard hadden, vinden 



510 

wij hier vereenigd: de neiging tot parodie waarvan reeds de 
Reinaert getuigt; liet pleizier in het vertellen van onwaarschijn- 
lijke of onmogelijke dingen en in de verkeerde wereld, zooals 
het in de oude leugenliederen voorkomt; den lust tot onschul- 
dige, niet zelden dartele of ruwe en platte grappen, gelijk wij 
ze uit Uilenspiegel en dergelijke „cluchtboecken" kennen; het 
letterlijk verstaan van figuurlijke uitdrukkingen, het behagen in 
het onsamenhangende, het van den hak op den tak springen, 
dat wij ons herinneren uit de rhapsodieën die onze voorouders: 
wvan den os op den ezel" noemden; gewilden onzin van de 
soort die vertegenwoordigd wordt door stukken als Dit es de 
frenesie; den trek tot het burleske, dien wij hebben aangewezen 
in FocQUENBROCH en zijns gelijken. Doch Van de Linde 
heeft bij dat bestaande niet weinig nieuws van het zijne ge- 
voegd: spotbeelden der Nederlandsche samenleving, zooals zij 
zich vertoonden in den hollen of bollen spiegel dien hij haar 
voorhield; al de kronkel- en slingergangen, de luchtsprongen 
en kapriolen, de onverwachte wendingen , potsierlijke standen 
en houdingen, waarin zijn vlindervlugge, vindingrijke geest zich 
vermeide; hij heeft dat nationale met dit individueele vermengd, 
het verfijnd om er de komische kracht van te verhoogen, het 
niet zelden tot humor verdiept, het bewerkt met een meester- 
schap over zijn moedertaal en over maat en rijm, die wij bij 
geen zijner voorgangers aantreffen. 

De verwantschap dezer poëzie met de min of meer gelijk- 
soortige uit vroegeren tijd vertoont zich op menige plaats. 
Wanneer de Schoolmeester een knecht laat zeggen: „Mijnheer, 
het rijtuig is met koetsier en paarden voor de deur" of in 
De Mop en de K^es spreekt van een kees met 

Zijn hiel door zijn ééne mouw 
En zijn elleboog door zijn andre pantoffel 



511 

dan is hij in de „verkeerde wereld". Dat Münchhausen's avon- 
turen hem voor den geest staan, blijkt uit een tooneelaanwijzing 
als deze {Altijd in de contraminé) : „De koetsier keert naar 
huis met het achterste gedeelte van het rijtuig, terwijl Mijnheer 
met het voorste gedeelte voortrijdt". Een overgang als die uit 
de rhapsodieën „van den os op den ezel" vinden wij in den 
aanvang van De Schipbreuk: 

De storm, moet je weten, begint doorgaans met een stilte. 
En ik had in mijn jeugd een kleinzoon, die in April te 
Buiksloot moest wezen 

Evenals anderen vóór hem parodieert hij de opgeschroefde 
dichtertaal in het algemeen en enkele poëten in het bijzonder 
(Helmers, Tollens, Van Alphen). Zijn Kort Begrip der 
Romeinsche Historie is de weerga van Van Lennep's Tafereelen 
uit de Geschiedenis des Vaderlands; in Eerste Brief van Mina 
richt hij zich trouwens rechtstreeks tot den „dichter met (zijn) 
grijze hairen // dichter met (zijn) jeugdig bloed". 

Belangrijker echter dan wat hij met anderen gemeen heeft, 
is het eigene in hem. Het wezen van des Schoolmeesters werk 
is humor, oppervlakkig doorgaans, doch luchtig, frisch, glin- 
sterend met den glans van het onverwachte; een enkelen keer 
treffend door onvermoede diepte. Tegenstelling is zijn lust; 
tegenstelling van werkelijkheid en verbeelding, hoe schriller 
hoe liever; tegenstelling door de overdracht van mensch op 
dier en van dier op mensch, van ernst en luim, van gezond 
verstand en onzin. Hij vermeit zich in de samenvoeging der 
meest ongelijksoortige dingen, het bijeenbrengen van het verst 
uiteeniiggende; in toevoegsels die wegnemen; in het met 
nadruk verzekeren van dingen die vanzelf spreken en het 
beroep op autoriteiten waar dat allerminst noodig is; hij neemt 



512 

een loopje met Nederlandsche typen of instellingen van vóór 
1834 en van na dien tijd: de trekschuit, de Amsterdamsche 
koopman, de schutterij; hij drijft den spot met redeneering en 
motiveering, met zich zelven niet het minst. Onder die hooge 
spotklanken door hoort men van tijd tot tijd het dieper geluid 
van den weemoed ; wij weten , dat ook deze comicus aanvallen 
van zwaarmoedigheid had te doorstaan ; in enkele zijner gedichten 
{De Profiindis, Het Dak, Aan de Poëzy) is louter de ernst 
aan het woord; in andere als Voorheen en Thands, De Boter- 
ham en de Goudzoeker) trilt de scherts door den weemoed heen. 
Van de Linde had in dit soort van poëzie nimmer zooveel 
kunnen bereiken, indien hij zijn moedertaal niet zoo voortref- 
felijk had gekend en zich zoo van hare vermogens en middelen 
weten te bedienen. Onze taal, niet het minst de familiare 
omgangstaal met haar ongegeneerde, boertige, pittige of geestige 
uitdrukkingen en wendingen heeft geen geheimen voor hem ; 
iets wat in zijn omstandigheden verwonderlijk mocht heeten. Hij 
heeft het wezenlijke van dat deel der taal zoo goed gevoeld, 
begrepen en in zijn werk opgenomen, dat zijne gedichten mede 
daardoor nog niet verouderd zijn. Bestaande woorden en uit- 
drukkingen - hoe alledaagscher, hoe liever -- en woorden 
met een witte das om gebruikt hij waar men ze allerminst ver- 
wacht; hij doet zijn voordeel met vreemde woorden, al of 
niet gewijzigd, en bastaardwoorden, met nieuwe woorden in 
den geest onzer taal gemaakt, met meervoudsvormen als „pas- 
sagier^//" en „oestrf/z", superlatieven als „'t hemelhoogs/^ gras", 
met zonderlinge vocatieven en imperfecta; door een enkele 
hoofdletter, zooals in De Visch („Snoek") zwenkt hij als een 
zwaluw in andere richting. De werking van al die kunstige 
dwaasheid wordt nog verhoogd door soms kostelijke woord- 
spelingen, epitheta, beelden en vergelijkingen, door reeksen 
van monorimes en komische rijmen ; die dwaasheid, soms reeds 



513 

aanvangend bij het motto en doordringend tot in de tooneel- 
aanwijzingen en verklarende aanteekeningen , ontplooit zich niet 
zelden aan het slot der stukken nog eens met volle kracht en 
voldoet zoo aan Vondels eisch van het wvolstaen" in een 
kunstwerk. 

Van kunst mogen wij hier spreken; inderdaad Van de Linde 
is in zijn genre een virtuoos geweest en deze kunst door arbeid 
verkregen. Dat blijkt ons ook uit Van Lennep's mededeeling 
„dat van bijna ieder gedicht vijf of zes verschillende bewerkin- 
gen bestonden , om niet te spreken van een onnoemelijk getal 
stroken en snippers papier, waarop dezelfde regel (of regels) 
vijf of meermalen voorkwam, telkens gewijzigd". V^ermoedelijk 
heeft hij voor die kunst een en ander te danken gehad aan het 
werk van den Engelschen dichter Barham dien wij hierboven 
noemden, in diens Ingoldsby Legends, die in Engeland bekend 
werden juist in den eersten tijd na Van de Linde's vestiging 
aldaar, is vrij wat overeenkomst met de Gedichten van den 
Schoolmeester. Echter mag men niet over het hoofd zien, dat 
Van de Linde's eerste proeve van deze soort reeds dagteekent 
uit zijn Leidschen tijd, toen hij Barham niet kende. Overigens 
is er ook vrij wat verschil tusschen den Engelschman en den 
Hollander; de eerste houdt zich vooral aan het verhalend 
genre, terwijl de laatste verscheidene genres beoefent. Barham's 
ernstige stukken staan hooger dan die van \'An de Linde; in 
enkele komische stukken als The Execiition en Netley Abbey 
bereikt hij een hoogte, waartoe de Schoolmeester nergens stijgt. 
Daarentegen is de dwaasheid voor den Engelschman slechts 
een hulpmiddel, voor den Nederlander het voorname doel van 
zijn streven; in vindingrijkheid, vernuft en „virtus comica" 
laat hij Barham ver achter zich. Lang niet alles in de Gedichten 

van den Schoolmeester staat op één hoogte: Proeve van Dich- 
KALFF, Letterkunde, VII. 33 



d14 

terlijke Waarnemingen, Morgenstond, Avondstond, Terugkomst 
van den Zomer staan heel wat lager dan De Schipbreuk, De 
Boterham en de Goudzoeker , Barend de Schutter, Romeinsche 
Historie en Natuurlijke Historie; doch die laatste en andere 
hier niet genoemde zijn dan ook in hun soort voortreffelijk. 
Wie het orgaan voor zulke literatuur mist, doet beter ze onge- 
lezen te laten. Wie ze genieten kan, zal erkennen dat er een 
virtuoos stak in dezen kostschoolhouder, die vijf eeuwen 
vroeger waarschijnlijk als vagant de wereld zou hebben door- 
gezworven of als nar de menschen vermaakt door zijn dwaas- 
heden, snedige zetten en rake opmerkingen; die nu, door de 
maatschappij hokvast gemaakt, het doorzichtig nat zijner gedis- 
tilleerde dwaasheid in vele kleuren en fijn geslepen kolven te 
zien gaf, en naast Van Lennep zijn eigen plaats in onze 
literatuur moge handhaven ■*). 



GESCHIEDENIS EN LANDSCHAP. 

HOFDIJK (Vervolg). SLOET TOT OLDHUIS. (180S-'84). 

Kennemerland in zijn dichterlijk verleden en hedendaagsch 
natuurschoon vervulde nog altijd Hofdijks hart. Sinds hij in 
1851 , door Van Lennep's toedoen, leeraar in de Nederlandsche 
taal- en letterkunde aan het Amsterdamsch gymnasium was 
geworden en zich met zijne Helene in de hoofdstad gevestigd 
had, zal zijn liefde tot dat natuurschoon door de ontbering nog 
wel sterker zijn geworden; de wetenschappelijke studie waartoe 
zijn nieuw ambt hem bracht, zijn kennis van het verleden hebben 
uitgebreid en verdiept. De dood zijner jonge vrouw reeds in 
1853 mocht zijn werklust voor eenigen tijd knakken - de tijd en 
een tweede huwelijk gaven hem de kracht zich weer opterichten 
en een aantal werken voorttebrengen , die in hun mengeling 



515 

van kunst en wetenschap aan die uit Van Lennep's laatste 
periode doen denken. 

Kennemerland - dat was ook de titel van een bundel hoog- 
romantische verhalende gedichten, door den auteur „balladen" 
genoemd, die in 1850 het licht zag. Die „balladen", welke ons 
geen nieuwen trek in Hofdijks persoonlijkheid te zien geven, 
zijn te beschouwen als het besluit van zijn eerste ontwikkelings- 
periode. Van nu af wordt zijn blik ruimer, zijn belangstelling 
veelzijdiger; van nu af ook gaat, onder den invloed van het 
openbaar leven in de hoofdstad, het heden een deel zijner 
belangstelling eischen. Uit de middeleeuwen wendt hij den blik 
rugwaarts naar het nevelig steenen tijdperk en voorwaarts naar 
de 16**^ eeuw. Blijft Kennemerland ook zijn eerste liefde, hij 
krijgt nu oog ook voor Drenthe, Gelderland, Brabant; de 
15de eeuw maakt den geus in hem wakker en doet hem het 
harnas aanschieten voor heilige nationale traditiën. 

De kennismaking met de Drentsche hunnebedden brengt hem 

tot het dichten van het omvangrijk episch gedicht Aëddon (1852), 

dat naar inhoud en toon sterk Ossiaansch is, al verraadt het 

tevens den invloed van Helmers en D. J. van Lennep. Zijne 

sympathieën voor den onafhankelijkheids-oorlog der \t^^ eeuw 

zien wij o. a. in het lyrisch-dramatisch tafreel Heiligerlee; zijn 

politieke overtuigingen in gedichten als De Vinger der Historie, 

met recht toegewijd aan de nagedachtenis van zijn vriend 

S. J. VAN DEN Bergh, CU andere stukken, waarin hij opkomt 

„Voor vrijheid van belijdenisse // In Huis en Staat, in School 

en Kerk." In deze zelfde jaren stelt hij populair-wetenschappelijke 

werken samen als: Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde 

(1853 -'56) , Het Nederlandsche volk, geschetst In de verschillende 

tijdperken zijner ontwikkeling (1856), Historische Landschappen 

(1856), Ons Voorgeslacht in zijn dagelyksch leven geschilderd 

(1858 --'64), De Kloosterorden in Nederland {\?>t2-'bA). Door 

33* 



516 

Ons Voorgeslacht, werk van een belezen dichter, niet van een 
wetenschappelijk man , heeft Hofdijk ongetwijfeld de belang- 
stelling in ons volksverleden in breede kringen gewekt of 
verhoogd; door zijn Historische Landschappen - proza met 
verzen doormengd - op een voor dien tijd boeiende en ver- 
dienstelijke wijze volvoerd, wat D. J. van Lennep wenschte, 
toen hij in zijn bekende redevoering wees op »het belangrijke 
van Hollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding." 
Sommige dier Historische Landschappen kunnen dienst doen 
als achtergrond van Aëddon; beide zijn schilderingen van een 
verleden, door de dichtende verbeelding gefatsoeneerd naar 
Ossiaanschen trant. Het grootste deel dezer literaire en een 
deel dezer populair- wetenschappelijke werken, met name der 
Historische Landschappen, bevestigen wat Hofdijk in een 
zijner kleinere gedichten van zich zelven getuigde: 

Ik zon my in de poëzy, 
den klank, de kleur, de kracht. 

De grootheid en den heldenmoed 
van 't middeleeuwsch geslacht. 

Duidelijk zien wij dat ook in Heiligerlee: hij heeft dien slag 
bijgewoond, genoten van die pracht en kleur; dien schittrenden 
stoet waarboven pluimbossen wuiven, die Aremberg omgeeft; 
die lichtstralen sidderend op goud en verguldsel; hij heeft het 
gewapper der vaandels gehoord, het tartend geluid van de 
trom en de sjilpende fluit. 

Doch kunst, die onzen smaak nog bevredigt, is hier schaarsch; 
HoFDijKS kunst doet ons te vaak denken aan de voordracht 
der toenmalige rederijkers: bulderstem, rollende r's, molen- 
wiekende armen, gefronste wenkbrauwen, dreigende oogen. 
Het beste in zijn werk achten wij de natuurbeschrijving, die 



517 

toont dat de landschapsschilder in hem nog leefde en werkte, 
al had hij het penseel terzijde gelegd. 

In hoeveel opzichten Bartholomeüs Willem Anne Elisa 
baron Sloet tot Oldhuis ook verschild moge hebben van 
den Alkmaarschen burgerzoon Willem Jacobsz. Hofdijk - 
zijn liefde tot voorvaderlijke sagen en legenden, zijn liefdevolle 
bewondering voor het vaderlandsch landschap had hij met hem 
gemeen. Voor Sloet was de Veluwe wat Kennemerland voor 
Hofdijk werd. Hofdijk moest nog geboren worden, toen de 
kleine Bartholomeüs en zijn twee jaar oudere broer Ludolf, 
op stille zomeravonden bloemen plukkend, langs de eenzame 
paadjes tusschen de Voorster korenvelden dwaalden. De liefde 
tot de natuur, in de jongens opgewekt door hun moeder die 
hen de verscheidenheid in vorm en kleur der bloemen deed 
opmerken, werd versterkt en door kennis gestevigd door lum 
onderwijzer Beuzenkamp, een leerling van Uilkens en 
Martinet. Opgevoed en onderwezen werden zij mede door 
Ds. Feltman, den waardigen predikant die later een rustplaats 
zou vinden aan den voet eener oude linde op het Voorster 
kerkhof, het geliefde „honk" in de spelen van de kleine jonkers 
en hun kameraden. 

Beiden gingen in de rechten studeeren te Utrecht, waar de 
werken van Hemsterhuis op de ontwikkeling van Bartholo- 
meüs een sterken invloed oefenden; tijdens den tiendaagschen 
veldtocht droegen zij de wapenen en dienden, na hunne 
promotie, het land in tal van gewichtige of hooge betrek- 
kingen. In beide broeders ging liefde tot de wetenschap samen 
met lust tot de praktijk des levens; maar Ludolfs aan- 
leg en neiging riepen hem tot de wetenschap alleen - in 
Bartholomeüs woonde bovendien de geest der poëzie. Reeds 
in zijn studententijd schreef hij verzen; ook toen hij later, te 



518 

Zwolle gevestigd, door allerlei ambtswerk en wetenschappelijk 
werk in beslag werd genomen , trachtte hij door het schrijven 
van verzen zijn behoefte aan poëzie te bevredigen. Zoo ont- 
stonden tal van lyrische gedichten, door den auteur van tijd 
tot tijd in een bundel vereenigd , doch door zijn bescheidenheid 
niet in den handel gebracht. Mede daaraan zal men moeten 
toeschrijven, dat zijn naam als dichter minder bekend is 
geworden dan die van menig ander zijner tijdgenooten , dien 
hij in talent evenaarde of overtrof. 

Evenals Hofdijk bewerkte Sloet sagen of legenden, zij het 
dan ook aan Gelderlands geschiedenis ontleend; doch anders 
■dan deze, vertelde hij zijn verhalen op kunstelooze wijze. Niet 
hier toont Sloet zich in de volheid van zijn talent; wie hem 
in zijn kracht wil zien, moet gaan tot zijn natuurpoëzie, die 
trouwens het grootste deel der door hem uitgegeven bundels 
beslaat. Er is onder het geslacht, waartoe hij behoort, geen 
auteur die de natuur en het natuurleven zoo scherp heeft 
waargenomen; die de boomen, planten en bloemen, de dieren, 
de kleine vogels vooral, in hun eigenaardig karakter zóó kent 
en zóó getrouw uitbeeldt. Sloet was te weinig artist, te zeer 
poëet - indien men voor een oogenblik die tegenstelling mag 
maken - om, steeds zich beheerschend , naar het volmaakte 
te streven; bedeeld met een levendig gevoel, sterke spontaneïteit 
€n heerschappij over de taal, schrijft hij gemakkelijk verzen, 
doch schijnt afkeerig van dat zoeken, wikken en wegen 
dat doorgaans noodig is om het voortreffelijke voorttebrengen. 
Nergens bemerken wij, dat de poëzie hem hooge ernst is; dat 
hij door de studie van anderer werk en door eigen oefening 
zijn kunst tracht te volmaken; zij bleef hem bovenal ontspan- 
ning of uitstorting van het volle gemoed. Daardoor is er onder 
zijn talrijke gedichten vrij wat middelmatigs; doch ook veel 
dat een natuurlijke nederige schoonheid bezit, een schoonheid 



519 

als die van het niadeliet'je, van frisch fijn sterrenmos, van een 
voor 't eerst bloeienden hazelaar. Van dien aard zijn stukken 
als Op eene beek bij Elbiirg, Onder den Sterrenhemel, Eene 
Mijmering, In de esch , Onder het Hooijen; een karakteristiek 
als Spindik (de koolmees); een gevoelig s>\\\k]Q: ^\s Stille Paadjes. 
Het is waar, dat meer dan een van deze en andere stukken 
slechts gedeeltelijk schoon zijn; een stuk 2\'s, Elske in de Wiven- 
Belter, zoo bevallig in den aanvang, zakt in het vervolg van 
het stuk; doch hoe mooi zijn De Maneschijn in 't Bosch, In 
den Boomgaard, De Luchtspiegeling; hoe uitmuntend van 
juiste waarneming en sobere beelding De paarden in 't land. 
In Het Dennenboschje en andere gedichten doet Sloet ons 
wel eens aan Staring denken; hij is niet zulk een kunstenaar, 
niet zoo geestig en kernachtig, doch minder gewild, meer 
spontaan en - als natuurdichter - rijker. 

Soms vertoont zijn natuurpoëzie iets mystieks (Gevoel), dat 
ons treft in iemand grootgebracht met Uilkens en Martinet, 
zonen der Verlichting; doch meer dan mystiek is zijne poëzie 
Christelijk, zooals Zondagmorgen op het land en De Meiregen 
ons duidelijker dan andere stukken doen gevoelen. Er is slechts 
één Nederlandsch dichter van dezen tijd, wiens natuurpoëzie 
die van Sloet tot Oldhuis overtreft: Gezelle, eveneens 
lang onopgemerkt gebleven. Het werk onzer groote landschaps- 
schilders was noodig, om de oogen te openen eerst der critici , 
toen van het groote publiek voor de schoonheid van Gezelle's 
poëzie; aan Sloet tot Oldhuis, al is hij de mindere van 
Gezelle, worde niet langer de eer onthouden die hem 
toekomt 5). 



520 

DE HISTORISCHE ROMAN. 

BOSBOOM -TOUSSAINT (Vervolg). SCHIMMEL (1823-1906). 

Het werk van Mejuffrouw Toussaint beweegt zich na 1848 
in hoofdzaak langs dezelfde banen en draagt hetzelfde karakter 
als het werk uit haar eerste ontwikkelingsperiode. Haar Protes- 
tantsch geloof blijft haar een voorname bron van bezieling; 
werd dat misschien in nog hooger mate na haar huwelijk (1851) 
met Jan Bosboom, den schilder van zeventiend'eeuwsche 
Protestantsche kerken. In hare romans De Vrouwen uit het 
Leycestersche tijdvak (1850) en Gideon Florensz. (1855) vinden 
wij een voortzetting van Leycester in Nederland, ten deele ook 
van Het Huis Lauernesse. Het grootsche verschijnsel der Her- 
vorming blijft haar geest en gemoed bezighouden, wij zien 
dat o. a. in de figuren van Graaf Pepoli en zijn vriend, den 
beeldhouwer Minganti, vrijzinnige katholieken die den bijbel 
lezen en van ketterij verdacht worden. Echter staat zij anders 
tegenover het R. Katholicisme dan toen zij Het Huis Lauernesse 
schreef. Reeds Media-Noche (1852) toont dat in de passage 
over de beteekenis van „het zinnelijke teeken" voor het opvoeren 
van het vroom geloovig gemoed tot het onzienlijke, over de 
R. K. heiligen-vereering en «de verbasterde Roomsche kerk", 
(p. 230-7). In 1856 verklaart zij zelfs in het Voorbericht van 
hare Historisclie Novellen, dat zij zich „sinds lang innerlijk 
bewogen voelde door de aanmatigingen en ingrepen eener 
partij, die (zij) kende uit de geschiedenis in al de gevaarlijk- 
heid harer machinatiën, combinatiën en meneën". Hoe anders 
vertoont paus Sixtus V zich in De Engelschcn te Rome (1839) 
dan in Graaf Pepoli (1860); welk een verschil tusschen het 
pleidooi voor de R. Katholieken aan het slot van Het Huis 
Lauernesse en deze uiting aan het slot van Graaf Pepoli: „Wij 



521 

vreezen, dat de zich noemende Petrus-kerk te veel op steen en 
op goud is gebouwd, te veel de schraging behoeft van stoffe- 
lijke kracht, om te kunnen blijven bestaan zonder deze", en 
wat daar verder volgt. 

Naast dezen strijd tegen het R. Katholicisme zien wij in 
haar werk andere godsdienstige stroomingen. In de tegenstelling 
tusschen Gideon Florensz en zijn pleegvader, den humanist 
EIbertus Leoninus heeft zij „de innerlijke vijandschap" uitge- 
beeld „van den wijsgeer tegen het stellig Christelijk beginsel." 
Het opkomend modernisme vond in haar een besliste tegen- 
standster {De Terugkeer van Golgotha 1861); doch liever dan 
het een plaats geven in eenig verhalend werk, belichaamde zij 
haar eigen ideaal van Christelijke liefde, ootmoed, vroomheid, 
reinheid, vergevensgezindheid , zachtmoedigheid en liefderijke 
toewijding aan anderen, in dien „Delftschen Wonderdokter", die 
de hoofdpersoon is van haar laatsten roman uit dit tijdvak (1870). 
Zelf van Hugenootschen bloede, gaf zij een omtrekje eener 
geloofsgenoot van vroeger tijd in de novelle Het adres van de 
kantwerkster (1851) en teekende in den roman Een Leidsch 
Student in 1593 (1858) met blijkbaar welgevallen het portret 
van den Hugenootschen predikant, die daar als gouverneur 
van den student zulk een voorname rol vervult. 

Over het algemeen blijkt uit deze romans en novellen de 
overtuiging, aldus samengevat in Meester Jehan GuUlermin 
(1848), dat ,;de kunst kan geheiligd worden, waar zij gebruikt 
wordt ter eere Gods en tot heil der menschheid". En zoo kan 
het ons niet verwonderen Groen van Prinsterer in een 
brief aan Da Costa over haar te hooren spreken als .,onze 
begaafde landgenoote, die de uitnemendheid der volkshistorie 
aan de verlevendiging van het Evangelische volksgeloof dienst- 
baar gemaakt heeft." 

De \t)^^ eeuw blijft ook nu de tijd, waarin zij zich het liefst 



522 

beweegt, dien zij het best kent; doch in meer dan een roman 
(Honselaarsdijk , Media-Noclie , Delftsclie Wonderdokter) en tal 
van novellen worden wij nu verplaatst naar „die prachtige 
zeventiende eeuw", zooals het in den eerstgenoemden roman 
lieet. In haar eigen tijd had de schrijfster zich vroeger slechts 
terloops bewogen in een paar kleine novellen; nu vinden wij 
dien eigen tijd, behalve in de novelle Oude Kennissen (1857), 
in den roman Don Abbondio (1849) en in het breed opgezet 
tafereel Frits Millioen en zijne vrienden (1869). 

Uit dit overzicht kan tevens zijn gebleken, hoe rijk de ver- 
beelding dezer schrijfster is. Welk een verscheidenheid van 
gebeurtenissen , toestanden en karakters bracht zij haar lezers 
voor oogen: allerlei historisch gebeuren (de Nijmeegsche vrede- 
handel, de tijd van Leicester, Maurits en Oldenbarnevelt, Maria 
de Medicis, de verrassing van Hoey); tafreelen uit het leven 
van een Alkmaarschen weesjongen die admiraal werd, van 
burgemeester Van Beuningen, van den schilder Willem van 
Aelst en de schilderes Maria van Oosterwyck, van Pym, Went- 
worth en tal van andere min of meer bekende of beroemde 
personages. In verscheidene dezer verhalen beslaan het huiselijk 
en het maatschappelijk, het zedelijk en het geestelijk leven ten 
minste zooveel plaats als de staatkundige gebeurtenissen. Overal 
toont de schrijfster in haar uitbeelding van historisch leven 
dien ernst en die degelijkheid, die Potgieter en zijn geest- 
verwanten in Van Lennep misten en in haar hoog stelden. 
Niet overal echter is zij erin geslaagd, de historische stof zóó 
te verwerkeiV, dat het algemeen-menschelijke op den voorgrond 
komt, de historie slechts als achtergrond dienst doet. Heeft 
men in novellen als De Baron van Hemert (1856) en De 
Haarlemsche Arria (1856) een brok populair vertelde geschie- 
denis voor zich of een werk van verbeelding? In meer dan 



523 

■een van hare romans treft ons iets onverwerkts en komt het 
historisch onderzoek de illuzie der kunst verstoren; zoo lezen 
wij in De Vrouwen v. h. Leyc. tijdvak: „Hooren wij Bor over 
hetgeen er met hen voorviel" gevolgd door een citaat uit dien 
:geschiedschrijver; in Honselaarsdijk brengt hoofdstuk VII een 
reeks „ophelderingen voor den Lezer", historische feiten en 
beschouwingen, die hij zelf met den roman moet zien te ver- 
binden tot een geheel; ook in De Verrassing van Hoey \'md&x\ 
wij dergelijke dingen. 

Naar waarheid streeft Mevrouw Bosboom evenals Mejuffrouw 
ToussAiNT gedaan had; in M ed ia- Noche \ezen wij: „wij stellen 
u daarom ook Lavinia niet voor als een model van volmaakte 
oprechtheid, zoomin als van volmaakte deugd. Wij stellen u 
haar voor zooals zij is." Echter trekken haar opvatting van de 
taak der kunst en haar vrouwelijke kieschheid hier menige 
grens, die zij niet durft of wil overschrijden; niet zelden tot 
schade van haar werk uit aesthetisch oogpunt. „Het lust ons 
niet" - schrijft zij in De Vrouwen uit het Leyc. tijdvak (11, 
105) - „ons raad vermogen in te spannen, om u de kunst- 
grepen aanschouwelijk te maken, waardoor zulk eene vrouw 
op nieuw hare heerschappij vestigde over zulk een man." De 
uitbeelding dier vrouwelijke kunstgrepen stuit haar blijkbaar 
tegen de borst; doch voor hare lezers ware zij belangwekkend 
geweest; nu blijft deze betrekking tusschen hare personen in 
de grondverf staan. Van het Leidsch studentenleven in 1593 
krijgen wij in den roman van dien naam ongeveer niets te zien, 
al had Dr. Schotel die haar ditmaal tot schrijven opwekte, 
er haar heel wat van kunnen vertellen. De studenten op het 
feestje in den molen zijn beste brave jongens, maar al te weinig 
in overeenstemming met de studenten van toen. „Niemand 
•verwacht van mij studenten-typen", zegt de schrijfster in den 
aanvang van het boek. Neen , maar de kunstenares die naar 



524 

waarheid streefde, deed der waarheid hier toch altezeer te kort. 
Wij begrijpen, dat zij zich in De Delftsche Wonderdokter „r\\ti 
zonder aarzeling" te midden van een troepje drinkende sol- 
deniers begeeft en schrijft: „wij moeten luisteren, al is het ook 
van verre." Hier overwon de kunstenares de vrouw; doch het 
tegenovergestelde had plaats, toen zij er aan toevoegde: „hunne 
ruwe uitingen van pret, hunne vloeken, hunne verwenschingen.... 
verlangen wij op te vangen noch weer te geven, al is zulk 
realisme ook nog zoo in de mode." Immers, het was hier niet 
de vraag: alles of niets; Schiller's Wallenstein en Goethe's 
Egmond, menig tafereel van Scütt hadden dat voorlang getoond. 
Dat waarheid voor menigeen heden iets anders beteekent 
dan voor de meeste romantieken der \^^^ eeuw, zien wij ook, 
indien wij letten op de taal' die Mevrouw Bosboom's perso- 
nages doorgaans spreken. Haar idealistische voorstelling der 
16'ie en 17de eeuw brengt er haar - evenals Potgieter en 
anderen - toe, hare personen zich te laten uitdrukken met 
een hoogheid die ons wel eens aan stelten doet denken. 
Trouwens, ook de voorstelling van een negentiend'eeuwsch 
jong meisje, dat zegt: „zoo is dan mijne levensvreugde voor 
altijd verstoord, de hoop mijner toekomst voor altijd daarheen, 
mijne rust voor altijd verloren"! {Don Abbondiö); deze woor- 
den van den zoon eener uitdraagster: „ik mag op geen ambacht 
gaan, anders ware ik leerling bij een verver" geworden {Frits 
Millioen), strooken niet met wat wij „waarheid" noemen. 

Wat wij hierboven zeiden over Mevrouw Bosboom's ver- 
houding tot de Geschiedenis en haar wijze van bewerking der 
historische stof, blijkt ook, indien wij het oog richten op het 
episch karakter van hare werken. Dat karakter is het zuiverst 
en haar werk het best, waar zij zich door de Historie het 
minst gebonden of belemmerd voelt. 



525 

In Honselaarsdijk (1849), De Vrouwen uit het Leycestersche 
tijdvak (1850), Mcdia-Noche (1852), Qideon Florensz. (1855) 
drukt de historische stof haar neer; vrijer voelt zij zich en 
levert beter werk in Een Lcidsch Student (1858) en vooral in 
Verrassing van Hoey (1866); het hoogst stijgt zij, waar haar 
verbeelding het minst aan banden werd gelegd : in Graaf 
Pepoli (1860) en De Delftsche Wonderdokter (1870). In over- 
eenstemming met dien stand van zaken is, dat Frits MilUoen 
en zijne vrienden (1869), louter verbeeldingswerk, in zijn soort 
hooger staat dan de zes eerstgenoemde historische romans. 

De hier aangenomen rangschikking is niet zóó volstrekt of 
ook in die eerstgenoemde werken erkennen wij verdienstelijke 
of mooie dingen: de kuiperijen en etiquette-vraagstukken onder 
de dames-ambassadrices, de beschrijving der feesten, de karakte- 
ristiek van donna Lavinia en vooral van den Chevalier Hippo- 
lyte de Saint-Savornin {Media-Noche); het verhaal dat Mevrouw 
Van Hemert doet van de wijze, waarop zij het lijk van haar 
onthoofden man verzorgd heeft {De Vrouwen uit /iet Leyc. 
tijdvak); de figuur van Gideon Florensz. in den roman van 
dien naam. Maar de zwakheden der schrijfster doen zich hier 
meer gevoelen: het gemis aan eenheid (vooral in De Vrouwen 
uit liet Leyc. tijdvak) ; het lang-uitspinnen van onbeteekenende 
dingen {Honselaarsdijk en Media-Noche); het gemis aan voort- 
gang en ontwikkeling, het waas van zoetelijke sentimentaliteit 
in de liefde van den jongen Fioris van Pallant voor een 
burgerdochter {Een Leidsch Student). 

Op haar best zien wij Mevrouw Bosboom in de drie boven- 
genoemde werken ; misschien is Graaf Pepoli haar meesterstuk. 
Hoe gaat sobere kracht van handeling hier gepaard met diepte 
en fijnheid van karakteristiek. Het uiterlijk is niet vergeten: 
de Italiaansche pracht en praal straalt en schittert ook hier, 
doch slechts als decoratief; de hoofdpersonen: Pepoli, zijn 



526 

verloofde Violante Morosini en zijn vriend de beeldhouwer 
Minganti inebben al onze aandacht. Wel geeft de schrijfster ook 
hier blijk van haar zwak: wijdloopigheid, maar des ondanks 
weet zij ons telkens weer te boeien. De karakterontwikkeling 
van den hoofdpersoon onder den invloed van Minganti is 
voortreffelijk geschilderd; niet minder zijn verhouding tot V'io- 
lante. Fraai is de tegenstelling tusschen Minganti's platonische 
liefde voor Violante en hare echt vrouwelijke liefde voor hem; 
vooral die vrouwenliefde is uitnemend mooi van voorstelling. 
Het beslissend onderhoud tusschen Pepoli en Violante met de 
daartusschen liggende verlovingsplechtigheid (hoofdstukken VI, 
Vil en VIII) behoort met den dialoog tusschen Marchesa San- 
tini en Kardinaal Cesis (IX) zeker tot het beste wat wij in de 
romanliteratuur van dien tijd bezitten. 

Ook De Delftsche Wonderdokter is in menig opzicht een goede 
roman. Heeft de schrijfster hier al wat moeite, eer zij op gang 
komt, eenmaal in haar verhaal geeft zij veel moois te zien : het 
aantrekkelijk, met liefde en kunst ontworpen, beeld van den hoofd- 
persoon; de bijzonder fraai geschetste bekeering van den edelman 
Juliaan door Graswinckel's toedoen; de tegenstelling tusschen 
Juliaan en zijn bastaard broed er De Ghiselles; de liefelijke gestalte 
van Mabelia Graswinckel; het portret van Schout Meerman. 

Over het karakter en de waarde \'an Frits Mill'wen en zijne 
Vrienden, een levensbeeld van dien tijd, dat de romans van 
LiNDO, Cremer, Keller, alsmede Klaasje Zevenster, achter 
zich laat en met Lidewyde ten minste op één lijn mag staan, 
ware meer te zeggen ; doch wij moeten ons beperken. 

Stellen wij Mevrouw Bosboom's werk uit de jaren 1848-70 
tegenover dat uit haar eerste ontwikkelings-periode, dan treft 
ons dat zij zich in menig opzicht gelijk gebleven is; ook nu 
zien wij in die werken kracht en zwakheid duidelijk tegenover 



527 

elkander en die werken zelve onderling zeer ongelijk in kunst- 
waarde. Over het goede of voortreffelijke in dat werk spraken 
wij reeds; daartegenover moet men wijzen op menige zwakheid 
die hare werken gemeen hebben: omslachtigheid of wijdloopig- 
heid; de eindelooze dialogen, hoeveel vernuft ook niet zelden 
daaraan besteed is; het onderbreken van het epische door hel 
lyrische, telkens waar de schrijfster zelve tusschen hare perso- 
nages zich mengt; de nog altijd weinig of onvoldoend verzorgde 
taal. Wij mogen betreuren, dat zij zich in al deze dingen geen 
hooger eischen stelde, doch moeten haar dankbaar blijven voor 
het vele goede of voortreffelijke dat zij ons gaf. Met Pepoli en 
Delftsche Wonderdokter was zij gestegen boven de hoogten , 
vroeger bereikt met Lauernesse en Mejonkvroiiw de Mau/éon; 
in Don Abbondio II , maar veel meer in Frits AUllioen had 
zij blijk gegeven van haar talent ook in het uitbeelden van 
hedendaagsch leven -- er bestond alle reden nog veel te ver- 
wachten van de 58-jarige wier kracht onverflauwd was. 



S C H I Al .M E L. 

Schimmel's beteekenis ligt in hetgeen hij gedaan heeft voor 
drama en tooneel en voor den historischen roman. Den tooneel- 
schrijver moeten wij later in verband met de overigen behan- 
delen; hier is het ons vooral te doen om den schrijver van 
historische romans. Toen hij in 1855 zijn eersteling op dit veld 
De eerste dag eens nieuwen Levens uitgaf, waren de voornaamste 
werken van Van Lennep en Oltmans en vrij wat van Tous- 
saint's romans reeds verschenen ; De Pleegzoon was toen reeds 
22, Het Slot Loevestein 21 jaar oud. Die feiten maken Schimmel 
nog niet tot een navolger, wel tot een volger. Echter, al heeft 
hij voorgangers gehad, wier invloed op den leesgrage ons- 
onbekend gebleven is, zijn werk draagt een eigen stempel. 



528 

Niet dadelijk vindt hij in het veld der literatuur zijn weg. 
De zoon van den 's-Gravelandschen burgemeester en notaris 
toont al vroeg liefde voor letterkunde. Helmers vooral wordt 
door hem en zijn vrienden genoten; de bron van Schimmel's 
vurige bewondering voor onze zeventiende eeuw, waaruit zoo 
menig letterkundig werk zou voortvloeien, is, meer dan door 
eenig ander werk, door De Hollandsche Natie geopend. Zijn 
vader was afkeerig van letterkunde; slechts voor drama en 
tooneel maakte hij een uitzondering; de geestdrift, waarmee hij 
in den familiekring ophaalde van Snoek, Wattier en Ro.mbach 
ging op zijn zoon over en zou later de scheppingsdrift van 
dezen gaande maken. Liefst had die zoon gestudeerd ; doch 
daar was geen denken aan. Zoo kwam hij dan op het notaris- 
kantoor van zijn vader en werkte daar van 1836 -'42. Na den 
dood des vaders trok het gezin naar Amsterdam, waar 
Hendrik Jan eerst op het Agentschap der Nederlandsche 
Bank, later op het kantoor der Ned. Handelmaatschappij werk- 
zaam was. 

Één verpoozing had hij onder dat, jaren lang volgehouden, 
inspannend dagwerk: de Zaterdagavond-vertooningen in den 
Schouwburg; één verkwikking: het letterkundig werk in de 
weinige uren die hem van den avond en den nacht restten. De 
melodrama's van het Leidsche Plein boeiden en verrukten hem , 
deden in hem den lust ontstaan zelf tooneelstukken te schrijven , 
leerden hem „how not to do it". Na een paar mislukte pogin- 
gen wordt een drama van hem Twee Tiidors (1846) aangenomen 
en gespeeld. Een Xwttdt Joan Wouters (1847), aan Van Lennep 
opgedragen, verschaft hem de kennismaking met en vriende- 
lijke voorlichtmg van dezen. Langzamerhand wordt hij in de 
letterkundige wereld bekend; hij sluit vriendschap o. a. met 
den, vroeger door ons genoemden, letterkundige Dr. H. Riehm. 
Zijn tooneelwerk trekt Potgieter's aandacht, die er in De 



529 

Oids van 1850 een uitvoerige studie aan wijdde en den jongen 
auteur in het volgend jaar onder de Redactie van zijn tijdschrift 
deed opnemen. Aan zijn verblijf in dien kring, dat tot 1867 
duurde, dankte Schimmel — naar hij zelf ons mededeelt - 
zijn „zelfbewustzijn als kunstenaar en als mensch"; de orthodox- 
opgevoede, die in het gedicht 's Menschen Geest {\M%) neiging 
tot mystiek toont, werd er een aanhanger en belijder van 
liberalisme en modernisme. 

Minder voorspoedig was hij in zijn maatschappelijke loop- 
baan: eerst in 1863 kwam hij door zijn benoeming tot Directeur 
der Amsterdamsche Crediet-Vereeniging tot onafhankelijkheid. 
Maar zij voor wie hij zoo lang en trouw had gezorgd, zijn 
moeder en zijne zusters, ontvielen hem kort daarna. In 1865 
braken beter dagen voor hem aan: zijn huwelijk met Anna 
Maria Kalff stelde hem in staat zich een eigen huiselijk leven 
te scheppen. Uit deze jaren dagteekenen de beide groote 
historische romans Mary Hollis (1860) en Mylady Carlisle 
(1861 -'63), die zijn naam als romanschrijver vestigden. 

Eerst langzamerhand bereikte hij de hoogte waarop hij met 
die romans staat; wij moeten een paar punten en wendingen 
van dien ontwikkelingsweg aanwijzen. 

Bezaten wij een chronologische rangschikking van Schimmel's 
werk, dan zouden wij dien weg in zijn loop beter kunnen 
volgen; nu mogen wij slechts vermoeden, dat hij ongeveer 
terzelfder tijd begonnen is met lyrische en dramatische poëzie. 
Dat lyrische of lyrisch-epische werk, later vereenigd in Ver- 
spreide Gedichten (1852) en Nieuwe Gedichten (1857), toont 
ons den jongen auteur onder den invloed van ouderen. Ver- 
halend-schilderende gedichten als Hagar (1847), Margaretha 
van Henegouwen (1849), Beatrix (1850), Saulus-Paulus (1853) 

in hoog-romantischen geest en trant, in afwisselend metrum, 
KALFF, Letterkunde, VII. 34 



530 

behooren tot de wberijmde verhalen" die wij vroeger hebben 
leeren kennen bij Van Lennep, Van der Hoop, Meijer, 
Hofdijk, Ter Haar en anderen. Duidelijk zichtbaar is de 
invloed der ouderen, waar wij Schimmel's schildering van den 
krankzinnigen graaf Willem V {Margaretha van Henegouwen) 
vergelijken met die van Van Lennep {Eduard van Gelre, 
A^^ Zang); opmerkelijk en Schimmel in zijn aanleg voor het 
dramatische kenschetsend, is, dat Van Lennep den graaf toont 
die krankzinnig is, Schimmel den graaf die krankzinnig wordt. 

Naar het schijnt, heeft Schimmel, evenals Scott en Van 
Lennep, eerst na het berijmd verhaal het proza- verhaal beoefend. 
Misschien moeten wij hier ook aan Potgieter's invloed den- 
ken; in allen gevalle vertoonen novellen als: Een deugniet 
(M. A. de Ruyter) , Een voetval (de samenzwering van Stouten- 
burg CS. tegen Prins Maurits), Een bijzonder Onderhoud 
(Cornelis Evertsen tegenover Willem 111), Een alledaagsch 
geval, deels aan het verleden, deels aan het heden ontleend, 
eenige overeenkomst met de historische en andere novellen 
van Potgieter; in Een verwelkte knop (een mooi dorpsmeisje 
te Amsterdam verleid) vinden wij hetzelfde motief als in 
Potgieter's Blauwbes behandeld. In den dialoog dezer ver- 
halen is vrij wat deftigheid en hoofschheid, daarnaast echter 
verhaaltalent en beschrijvingskunst. Dat de auteur naar waarheid 
streefde, blijkt ons, waar wij hem in Alledaagsch geval hooven 
zeggen: „indien wij een oogenblik de verdichting onze penne 
hadden geleend, en wij het gevoel van rechtvaardigheid, dat 
in eiken boezem sluimert, hadden gehoor gegeven. Maar in de 
werkelijkheid gaat het meest anders". 

Na zoo zijn krachten beproefd te hebben, waagt hij zich aan 
grooter werk in De eerste dag eens nieuwen Levens en Een 
Haagsche Joffer (1856), terecht „historische schets" genoemd. 
De titelrol in dat laatste werk wordt vervuld door een geslepen 



531 

doch brave Haagsche burgerjuffrouvv, die aan het hof te 
Brussel als onderhandelaarster een spel van fijn tegen fijn 
speelt met den almachtigen kardinaal De la Cüeva, raadgever 
van de Aarts-hertogin Isabella. Het is echt romantisch werk: 
de menschen worden er telkens vaalbleek of gloeiend rood, 
hebben blauwe lippen trillend onder het bobbelen van het 
schuim, klappertanden van toorn; de beeldspraak is onmatig; 
zoo heet het van iemand die zich gekwetst voelt: «het was of 
een ijsberg plotseling veranderde in een vulkaan"; de toon der 
gesprekken schijnt ons opgeschroefd. Door eenheid numt het 
werk niet uit; er is echter verdienstelijk detailwerk. De dialoog 
is niet zelden goed; Schimmel houdt van kaatsen en den bal 
verwachten, van strijd en schermutselen met woord en weer- 
woord; het is niet vreemd, dat zijn personages zoo dikwijls 
„scherp" of «stekelig" tegen elkander zijn , „bijtend", „sarcastisch" 
of zelfs „snerpend sarcastisch": niet voor niets heette hij zelf 
reeds op school „scherp Heintje". 

In Mary Hollis (I, 110) wordt een wedstrijd in het boog- 
schieten verhaald en beschreven, die waarschijnlijk een navolging 
is van een dergelijk tooneel uit Scott's Ivanhoe; Rebecca, 
vluchtend voor den Tempelier, uit dienzelfden roman schijnt het 
voorbeeld van Mary Hollis waar zij eveneens door een sprong 
uit een venster aan haar belager wil ontkomen (II, 147); Mary, 
geschaakt op een tocht naar Londen waar zij genade wil vragen 
voor haar vader (I, 174), hermnert levendig aan Jeanie Deans 
uit 77?^ Heart of Midlothian onder dergelijke omstandigheden. 
Reeds deze gevallen bewijzen, dat Walter Scott's werk eenigen 
invloed moet hebben geoefend op dat van Schimmel. Desniet- 
temin is deze Nederlandsche romancier in hooge mate zelfstandig 
gebleven. De kennismaking met Scott zal hem vermoedelijk 

vooral hebben opgewekt tot het ontwerpen van historische 

34* 



532 

tafreelen op grooter schaal dan waarop hij tot dusver gewerkt 
had. Zulke tafreelen bieden ons de beide romans Ma/y Hollis 
en Mylady Carlisle. 

Mary Hollis is een mooi puriteinsch meisje van lageren stand , 
die eerst den jonker van het kasteel bekoort, daarna, geroofd 
door den wellustigen hertog van Buckingham , aan het hof van 
Karel II komt, dien vorst voor korten tijd bekeert en ten slotte 
met den jonker trouwt. Op dat raam heeft de auteur een breed 
doek gespannen en daarop een schildering ontworpen van het 
leven in Engeland onder Karel 11, vooral van het hofleven. 
Wat Schimmel in de stof van Mylady Carlisle aantrok, was 
de wstrijd voor waarheid en vrijheid" tusschen Karel 1 van 
Engeland en zijn volk, die met de overwinning van het volk 
eindigt; de zegepraal der Puriteinen waarvoor deze hervormde 
Nederlander een begrijpelijke sympathie gevoelde. Beide zijn vol 
romantisch gewoel en spannende tooneelen; in Mary Hollis: 
hof-intrigues en kuiperijen tusschen Karels beide minnaressen 
Mylady de Castlemaine en Louize de Quérouailles; het gansche 
losbandig leven aan het Engelsche hof, zoo scherp afstekend 
tegen het rustig landleven der familie Digby op Hallam-Castle; 
het duel bij maanlicht op een sneeuwveld tusschen Buckingham 
en jonker Digby, beiden in hun maskerade-pak; de ver- 
schijning van Mary Hollis, marmerbleek en in zwart gewaad, 
op een orgie van den koning met zijn gezellen en gezellinnen - 
in Mylady Carlisle: eerst Wentworth op den voorgrond, zijn 
nederlaag, proces en terechtstelling; dan Pym en Hampden; 
later Cromwell en de zijnen; voorts een samenzwering met de 
daarbij behoorende intrigues; pogingen om een gevangene uit 
den Tower te bevrijden; het beleg van een kasteel; de be- 
schrijving van hoffeesten; een geheimzinnige Italiaan die, in 
allerlei vermommingen, de gansche handeling beheerscht; de 
trotsche Mylady Carlisle tegenover de zwakke Jane Howard en 



533 

de verwaarloosde Nel uit den Tovver die tot een schoone 
jonkvrouw opgroeit. Schijnen de kleuren ons meer dan eens 
te schel, de lijnen te zwaar, de taal hoogdravend - daar- 
tegenover staat, dat verscheidene tooneelen en schilderingen 
van wezenlijk talent getuigen: de wolvenjacht en de gansche 
figuur van Willem III in Mary Mo/lis; de schildering van den 
Tower in Mylady Carlisle; Straffords laatste oogenblikken ; 
Pym tegenover Karel I; de koning in het Huis der Gemeenten; 
de bestorming van Petworth Castle. 

In deze en andere tooneelen, ook in den bouw zijner ver- 
halen en het krachtig slot-effect van sommige hoofdstukken 
kwamen de ervaring en de oefening van den tooneelschrijver 
den romancier ten goede. SchimjMEL moge voor zijn bewust- 
wording als mensch en als kunstenaar veel aan Potgieter en 
diens kring te danken hebben gehad — in zijn houding tegen- 
over het historisch verleden bleef hij zich zelf. Anders dan 
Potgieter verdiept hij zich in het verleden om dat verleden 
zelf in zijn kracht, schoonheid en grootschheid ; slechts een 
enkelen keer vinden wij, en dan nog terloops, het Nederland 
der 17de eeuw tegenover dat der IQ^e eeuw gesteld {M. Hollis 
I, 189). 

Evenals Mevrouw Bosboom-Toussaint maakt hij diepgaande 
en omvangrijke studie der historische stof die hij wil be- 
handelen , weet hij ze met zijn verbeelding te bezielen , wenscht 
hij in zijn werk den triomf van het zedelijk-hoogere over het 
zedelijk-lagere te toonen. In de verwerking der stof schijnt hij 
hooger te staan dan zij; in Schimmel's romans zal men zelden 
of nooit dat onverwerkte vinden, dat wij in sommige van 
Mevrouw Bosboom's romans hebben aangewezen. De levendige 
deelneming in de gebeurtenissen die hij beschrijft en in de 
handelingen zijner personages doet ook hem wel eens van 
achter de coulissen te voorschijn komen en het woord richten 



534 

tot de schepselen zijner verbeelding {M. Hollis lil, 179, 372; 
Myl. Carlisle I, 55, 264; III, 167; IV, 35, 220); nooit zoo 
uit zijn rol van verteller vallen als wij het bij Mevr. Bosboom 
zien. Schimmel's taal is doorgaans vrij van de talrijke „vreemde 
smetten" en zonden tegen de logica, zijn beeldspraak van de 
onjuistheid en onzuiverheid, die Mevr. Bosboom's werk ont- 
sieren; doch in zielkundige diepte is hij de mindere, in de 
voorstelling van hartstocht, van zinnelijken hartstocht vooral, 
moge deze kunstenaar zijn zuster in de kunst overtreffen - als 
schilderes van het gemoedsleven in het algemeen is zij zijn 
meerdere. Mary Hollis en Mylady Carlisle kunnen opwegen 
tegen De Delftsche Wonderdokter; maar de hoogte van som- 
mige deelen van Mejonkvrouw de Maule'on en van Graaf Pepoli 
kan Schimmel nu nog niet bereiken. 

Met die voorstelling strookt, dat Schimmel waar een grootsch 
verleden hem niet draagt en hij het wezen van zijn eigen 
tijd wil uitbeelden, beneden Mevrouw Bosboom blijft. Het 
gezin van Baas van Ommeren kwam uit in hetzelfde jaar als 
Frits Millioen en zijne vrienden; doch, al acht men Huet's 
vonnis: dat deze roman voor den roem des auteurs bijna 
even goed ongeschreven had kunnen blijven, te hard - zeker 
staat dit werk van Schimmel in verhaaltalent, karakteristiek 
en beschrijvingskunst heel wat lager dan dat van Mevrouw 
Bosboom 6). 



DE ORTHODOXIE IN DE LITERATUUR. 

VAN KOETSVELD, BEETS EN HASEBROEK, TEN KATE EN 
TER HAAR, ALBERDINGK THIJAl (Vervolg). 

Wat was er geworden van de groep letterkundigen, die 
wij hiervoor onder het hoofd „Reactie en Romantiek" hebben 
samengevat en die in een deel van hun werk de beginselen 



535 

van BiLDERDijK en Da Costa - zij het gewijzigd en ge- 
matigd — voorstonden ? 

In hun godsdienstige overtuigingen verschilden zij ondeding 
niet weinig. De R. K. Alberdingk Thijm stond alleen; tegen- 
over hem de overtuigde Protestant Ter Haar, de steller van 
het adres tijdens de April-beweging den Koning aangeboden; 
Beets en Hasebroek, ethisch-irenischen uit den kring van 
het Réveil, stonden niet ver van Ten Kate, wiens orthodoxie 
,.meer mystisch gedoezeld, dan dogmatisch omlijnd" was; Van 
Koetsveld, ook geen leerstellig man, zocht het vooral in de 
praktijk des levens. 

Bilderdijk's invloed nam af. Thijm alleen hield nog stand 
bij de wTeisterbantsche krijgsbanier" ; in zijn gedicht Het Voor- 
geborchte (1853) licht BiLDERDijK Charlemagne en tal van 
vorsten uit later tijd in omtrent den huldigen toestand van het 
Nederlandsche volk. Echter, zoowel voor Thij.m als voor Beets 
gaat de glans van Vondels ster dien van Bilderdijk verdooven. 
Anderzijds wordt Bilderdijk verdrongen door Da Costa, 
wiens bekorende persoonlijkheid op verscheidene dezer mannen 
haar invloed doet gevoelen. Hasebroek gaf Da Costa's 
werken uit; in De Stoom (1849) tracht Ten Kate een Da 
Costiaanschen zang des tijds te geven; wist men niet, wie zijn 
Watergeuzen (1860) had gedicht, dan zou men het voor werk 
van Da Costa houden. Tegen het door Da Costa gevloekt 
wBabel onzer dagen" verheft Ten Kate zijn stem in Parijs 
(1848); Thijm gewaagt in Ouderlijk Huis (1851) van de 
„Parijzer ontuchtspest" ; Beets zingt in 1871 een triomflied 
over den brand van „'t Hemeltergend wuft Parijs". .Allen 
kanten zij zich, elk op zijn wijs, tegen het nieuwe waarvan zij 
gevaar duchten voor geloof of wetenschap, voor staat, maat- 
schappij of huisgezin. Het felst zijn hierin Ter Haar en Thijm: 
in Het Voorgeborchte protesteert de laatste met kracht tegen 



536 

het materialisme, dat God loochent en zedeloosheid aanpreekt; 
Ter Haar is in zijn verzen Aan Ernest Renan (1866) kalmer 
dan vroeger tegenover Strauss; maar in het Communisme onzer 
dagen (1850) zien wij hem rillen en gruwen als toen; de gedachte 
aan Proudhon's „eigendom is roof", aan de afschaffing van 
het huwelijk „onwrikbaar hoekgesteente der maatschappij" maakt 
den zachtzinnigen predikant zoo woest, dat hij uitroept: »Ik 
zou als 't everzwijn mij met mijn slagtand weren!" Kalmer, 
doch niet minder beslist in hun afkeer van het gevaarlijke 
nieuwe zijn Beets en Hasebroek. In Een afscheidsbezoek in 
1871 noemt de laatste zich een „Jasper ouderwetsch", hij toont 
zich weinig ingenomen met het heden, met „den hartstocht 
der werkelijkheid" en met de emancipatie der vrouw; hij is 
van oordeel dat de poëzie achteruitgaat en maakt zich ongerust 
over de bijbelcritiek — het al min of meer sopperig, maar 
goedig. Beets trok in Weerhaan-Wijsheid (1852) met ironie 
en spot te velde tegen aardschgezindheid en materialisme, in 
Groote Ontdekking (1866) tegen causaliteit en determinisme; 
Darwin's „natural selection" noemt hij „met woorden spelen" 
{Natuurkeiis 1870); de emancipatie der vrouw, waarvan hij 
zich in een lezing (1870) een bezadigd tegenstander had 
getoond, trachtte hij in een puntdicht van iets later tijd {Ont- 
wikkeling der vrouw) met een paar grapjes ter zijde te schuiven. 
In overeenstemming met dien algemeenen geest hunner 
werken zijn de talrijke preeken en stichtelijke geschriften dezer 
auteurs en is ook wat een onderzoek van elks verdere werk- 
zaamheid ons leert; een onderzoek, dat vooral het karakter en 
de aesthetische beteekenis hunner werken zal gelden. 



537 

VAN KOETSVELD. 

De »kopiëerlust des dagelijkschen levens", die sommige leden 
dezer groep in den opgang huns levens had vervuld , was ver- 
flauwd. Klikspaan was een groot heer met Maecenatische 
neigingen geworden, die op den Hemelschen Berg te Ooster- 
beek woonde en als letterkundige weinig meer van zich deed 
hooren. In zijn reisschetsen Mijne Zondagen in het Vereenigd 
Koninkrijk (1860) zijn goede of aardige bladzijden, maar niets 
dat zijn Studententypen en Studentenleven ook maar uit de 
verte evenaart. Beets «kon zijn instrument beter gebruiken"; 
Hasebroek dacht er evenzoo over; Van Koetsveld alleen 
hield het vroegere spoor. 

Sinds 1849 predikant in Den Haag, later hofprediker, ver- 
vulde hij zijn ambt op voortreffelijke wijs. Te midden van 
talrijke ambtsplichten en allerlei Christelijk-sociaal werk, vond 
hij nog tijd om dozijnen Godsdienstige en Zedelijke Novellen 
te schrijven, die gedeeltelijk tusschen 1847 en 1853 het licht 
zagen en vóór 1892 viermaal herdrukt werden; later gevolgd 
door nieuwe bundels, zooals Fantasie en Waarheid (1863) en 
Ideaal en Werkelijkheid (1868). In sommige opzichten doen 
deze novellen en schetsen aan De Pastorie van Mastland 
denken; in andere verschillen zij daarvan. De Haagsche leeraar 
heeft heel wat meer van het leven , vooral van de verdorven- 
heid des levens, gezien dan de dorpspredikant; doch des 
auteurs neiging tot preeken en moralizeeren is er slechts sterker 
door geworden. Wat hij zelf ons mededeelt m het Voorbericht 
van zijn 1^" bundel: »lk heb telkens eene godsdienstige of 
zedelijke waarheid, eene verhevene of nuttige gedachte ingekleed", 
geldt ook de overige bundels. Terecht mocht hij in het Voorbericht 
van den 2«° bundel zeggen: „het leven in de volheid van het 
woord, verdorven en verloren door de zonde, maar hersteld 



538 

en herwonnen door het evangelie - dat was en is mijne studie". 

Het talent, waarvan De Pastorie te Mastland getuigt, is ook 
hier nog aanwezig; in Asschen Kaatje, Juffrouw Nanny en de 
Kppekken, Schijn Bedriegt, Ware Armen, Krom Jantje zijn 
vrij wat goede bladzijden aantewijzen. Zijn belangstelling in het 
dagelijksch leven is nog even wakker; vertoefde hij niet - lang 
vóór onze hedendaagsche naturalisten - eenigen tijd opzettelijk 
onder polderjongens, om dat leven te leeren kennen? Zijn 
oog is nog even scherp, zijn talent van uitbeelding misschien 
nog even groot; doch de auteur gunt zich blijkbaar den tijd 
niet, om zich in zijn stof te verdiepen met de liefde, noodig 
om goed werk voorttebrengen. Hij zelf was er zich wel van 
bewust, dat hij weinig leverde «dat genoegzaam is afgewerkt" 
en schreef dat toe aan den „rusteloozen maalstroom van bezig- 
heden" die hem telkens weer medesleepte. 

Gemis aan tijd kan zeker eenigen invloed m dezen hebben 
geoefend; meer echter, dat de levens-uitbeelding slechts middel, 
geen doel, was voor dezen predikant-auteur die het verhaal en 
de beschrijving gedurig onderbreekt door een stichtelijke op- 
merking of beschouwing en door de preek. De smaak van 
sommigen onder het publiek, die hem soms {De Zonde en 
het Godsbestuur) eene vin hun oog al te getrouwe voorstefling 
der daadzaken .... euvel afnamen" zal er ook wel toe hebben 
bijgedragen. Van Koetsveld in zijn lofwaardig streven naar 
waarheid in de kunst te belemmeren. 



BEETS EN HASEBROEK. 

In liefde rijk, in zegen rijk, in hopen 
Nog rijker, steunende op zijn God, 
Roemt hij op aard zijn zalig lot 

En ziet den hemel open. 



539 

Die stemming van den jare 1853, door Beets in zijn gedicht 
In den herfst aldus samengevat, zou voortaan in zijn levens- 
beschouwing blijven heerschen. Over zijn aardsche loopbaan 
had hij inderdaad niet te klagen, l'it het nederig Heemstede 
was hij in 1854 als predikant beroepen naar het deftig Utrecht; 
zijn roem als prediker en zijn populariteit als schrijver ver- 
breidden zich in steeds wijder kringen; aan eerbewijzen ont- 
brak het hem niet: in 1843 reeds was de Nederlandsche Leeuw 
hem ten deel gevallen, in 1862 de Leopolds-orde, in 1859 had 
de Kon. Akademie hem onder hare leden opgenomen, in 1865 
de Utrechtsche Universiteit hem het doctoraat in de letteren 
„honoris causa" verleend. Het verdriet ging zijn deur niet 
voorbij: behalve zijn geliefde vrouw die hem in 1856 ontviel, 
had hij het verlies van kinderen te betreuren; doch in 1859 
bracht een zuster zijner overleden vrouw de vreugd en het 
geluk weer in zijn huis en talrijk gezin. Dat geluk en een 
groote werkkracht stelden hem in staat levendig deeltenemen 
aan het wetenschappelijk, kerkelijk en maatschappelijk leven 
zijner dagen. Partijman was hij niet en wilde hij niet zijn: hij 
telde vrienden zoowel onder de anti-revolutionnairen als onder 
de liberalen ; doch handhaafde tusschen die uitersten zijn stand- 
punt van gemoedelijk- en gematigd-orthodox, die het puntdicht 
Zwijgen (1853) besloot met: „ook zwijgen is somtijds een 
spreken en een doen" en een tiental jaren later een causerie 
hield over Doen door laten. Die gematigdheid en zelfbeheer- 
schmg verhinderden hem niet krachtig optekomen voor het 
behoud der gemengde school, ook tegenover oude vrienden. 
Onder zijn vele ambtsplichten door stelt hij tal van stichtelijke 
geschriften en aankondigingen van theologische werken samen, 
oefent taalpolitie uit, is een geliefd spreker op Congressen, 
houdt letterkundige voordrachten, geeft Staring's gedichten in 
het licht met een voortreffelijke voorrede. 



540 

Als prozaschrijver was Hildebrand opgevolgd door den 
auteur van Stichtelijke Uren (1848 -'51), door den letterkun- 
digen criticus en den redenaar of spreker. Over Beets als 
criticus en spreker handelen wij straks; hier zij de aandacht 
gevestigd op Stichtelijke Uren: een huis- en leesboek in vier 
kloeke deelen van omstreeks 1900 bladzijden, bestaande uit 
korte stukken van stichtelijken aard, voor een deel ontleend 
aan Duitsche auteurs als Stier en Lange doch zelfstandig 
bewerkt, in eenvoudig helder zuiver Nederlandsch , dat zich 
niet zelden verheft, doorgaans blijkgeeft van degelijke mensch en- 
kennis en fijne gemoedsontleding; dat bovenal oprechte vroom- 
heid ademt en duizenden bij duizenden gesticht en gesterkt 
heeft in den geest van het Réveil. 

Van meer beteekenis voor onze literatuur echter is, wat hij 
in deze jaren aan poëzie voortbracht en gaandeweg samenvatte 
in vier bundels: Korenbloemen {\^b3) , Nieuwe Gedichten {\857) , 
Verstrooide Gedichten (1863) en Madelieven (1869). Van den 
eersten getuigde hij later, dat hij „eerst in dezen, van het 
begin tot het einde geheel (zich)zelf" was en er zich zelven in 
zag; doch er is geen wezenlijk verschil tusschen dezen en de 
volgende bundels en zoo mogen wij ze dus samenvatten voor 
onze voorstelling van Beets als dichter in dezen tijd. 

De bijbelsche en stichtelijke poëzie is hier talrijk doch weinig 
karakteristiek; minder talrijk doch meer kenschetsend de ge- 
dichten welke hun oorsprong vonden in des dichters gevoelens 
voor zijn land en zijn volk. Van zijn vaderlandsliefde getuigen 
stukken als Aan Nederland (1855) en enkele andere, meeren- 
deels naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen geschreven. 
Voor Beets bestaat er geen beter land en volk dan het zijne: 

Dankt allen God en weest verblijd. 
Omdat gij Nederlanders zijt! 



541 

riep hij in Februari 1861 tot zijn medeburgers: de Nederlanders 
immers vormden „een groot gezin", weelde spotte er niet met 
gebrek, weduwen en weezen hadden er niet te vreezen: 
«/broedermin heelde er alle wonden". Doet dit oppervlakkig 
optimisme aan Van der Palm denken, \\ti jubelfeest van den 
slag van Waterloo (1865) was Tollens nagezongen. De man, 
wien het hier op aarde zoo goed ging en die er zich van 
verzekerd hield, dat hij het hiernamaals nog beter zou krijgen, 
wenschte die tevreden stemming ook elders te zien. Valt er 
eigenlijk nog wel iets te vvenschen voor het Nederlandsche 
volk? vroeg hij in Wat wil men toch? (1867). Ja, er schenen 
nog ontevredenen te zijn , die waanden dat er iets te verbeteren 
viel; maar dat was slechts: „Bedilzucht die met buskruit speelt // 
Om haar verstand te luchten". Wie zóó dacht, kon natuurlijk 
niets gevoelen voor een tegenstelling van verleden en heden 
in Potgieter's geest, zooals hij het — blijkbaar met het oog 
op dezen - uitsprak in Uw tijd (1869). Minder dan vroeger 
verdiept hij zich in de eigenaardige schoonheid van het Neder- 
landsch landschap. Een reeks indrukken van den morgen wordt 
nu besloten met: „Maar tot Arbeid is de mensch ontwaakt" 
{Morgenstond 1852). Er is nog fraaie natuurpoëzie in Over- 
gangen (1852), In den herfst (1853), Kwikstaart (1855), Haarlem 
(1855), Nevens de bijenkorf (1856); doch deze bron vloeit al 
schaarscher en droogt kort daarna geheel op. 

Groote gedichten zooals vroeger brengt Beets in dezen tijd 
nog maar zelden voort; De Taal (1854) , Johanna Gray (1858) 
en eenige gelegenheidsgedichten hebben vrij wat omvang; doch 
overigens levert hij slechts kleinere stukken bij honderden. Al 
die poëzie is onderling zeer ongelijk in waarde. In hem was 
de sterke aandrift tot poëzie met andere eigenschappen en ver- 
mogens die den waren dichter kenmerken; waar die aandrift 
in zijn volle kracht hem aangrijpt, kan hij een volschoon 



542 

gedicht schrijven als Zangdrift (1849); zoo mooie stukken als: 
Najaarslied (1849), Herfst (1850), Overgangen (1852), Elsje 
(1855). Is de dichterlijke bezieling minder sterk, dan brengt 
zij toch gevoelige verzen voort zooals Wanneer de kinderen 
groot zijn (1858); andere die lief of aardig mogen heeten, 
gelijk Haarlem en Heiloo (1855) of deeien van gedichten, die 
van vernuft en smaak getuigen; men denke aan de wijze waarop 
het Wilhelmus gevlochten is in het gedicht op Heiligerlee; 
pittige stukken vol gezonde levenservaring en levenswijsheid 
zooals De Deuvik en de Kompasnaald (1848), Ontdekkingen 
(1852), Man van den Dag (1869) en tal van aardige of geestige 
puntdichten, die toonen dat hij niet vergeefs in de leer is 
geweest bij Huygens en Staring. 

Zulke stukken verhoogden den roem en de populariteit van 
wie reeds zoo populair en beroemd was. Hij wordt de feest- 
poëet bij uitnemendheid, die zich doet hooren bij Het 
Oranjefeest te Utreeht in 1863, bij hai Jubelfeest van den Slag 
van Waterloo in 1865, bij het Heiligerlee-feest in 1868 voor 
tal van aanzienlijken, voor den Prins van Oranje en Prins 
Hendrik als vertegenwoordigers des Konings; »op verlangen 
van Prins Frederik" schrijft hij ter gelegenheid der onthulling 
van het Nationaal Gedenkteeken voor 1813 eene Feest-Cantate 
(1869), waar het gansche hof en het Corps Diplomatique naar 
luisterden. 

Om in de blijde weelde van zulk een populariteit niet te 
smelten, moet men ook als kunstenaar dat „vast gemoed" 
hebben, waarvan Vondel gezongen heeft. Beets had het niet 
in voldoende mate. Waarvoor vroeg - en verkreeg - hij al 
niet de aandacht van het publiek? Voor den verjaardag zijner 
vrouw, een badkuur van dezelfde, hun koperen bruiloft, de 
bruiloft van zijn jongste zuster, al zijn kinderen die achter- 
eenvolgens ten tooneele komen, het kind eener schoonzuster 



543 

dat »voor de moederlijke speen" een «koude flesch" drukt, 
het „zoete zuivere zog" waarvan een zijner eigen kinderen 
geniet en of dat kind nu nog niet gespeend wordt — waarlijk, 
de Nederlanders moesten wel tot de overtuiging komen, dat 
zij „één groot gezin" vormden en hadden reden zich te ver- 
heugen, dat hiermede de grens der ordentelijke belangrijkheid 
van het kinderleven was bereikt. Wat deze poëzie veroordeelt, 
is vooral haar geringe dichterlijke beteekenis, al staat niet alles 
zoo laag als: «Zeven en een is acht" en wat daar meer volgt. 
Naast deze huisbakkenheid staat de breedsprakigheid van andere 
stukken, zooals Bij een beeltenis (1850), waarin toch ook mooie 
coupletten voorkomen en Madeliefje (1862) met zijn zinledig slot 
(Wat is de „wedermin" van een madeliefje?); de platheid of 
smakeloosheid in stukken als Eva („bij 't splijten van uw 
zwangren schoot"), het begin van den gelukwensch aan Van 
OosTERZEE (1866), het slot van Op 't Ziekbed (1852), het 
complimentje aan den Koning in Jnbelfeest van den Slag van 
Waterloo] de alledaagschheid of rijmelarij daar en in andere 
stukken. 

Het is ons niet gebleken, dat zelfs de ontwikkelde lezers 
onderscheid maakten tusschen zulke verzen en de goede of 
mooie poëzie. Beets zelf zal wel anders hebben geoordeeld, 
al verleidde zijn populariteit hem tot de uitgave van minder- 
waardig werk; in allen gevalle bleek uit zijne letterkundige 
verhandelingen en opstellen, dat zijn critische gaven niet ger ing 
waren; ja, dat hij met Potgieter en Huet tot de beste critici 
van dien tijd behoort. 

Uit een paar dozijn grootere en een aantal kleinere opstellen 
van dezen tijd , die voor verreweg het grootste deel over letter- 
kunde en dichters handelen, voor een gering deel over de 
moedertaal en algemeen-menschelijke onderwerpen kunnen wij 



544 

hem als criticus leeren kennen. De eerste reeks dier opstellen 
(Het Populaire, Willem van Haren's Friso, Vondel, Poot, 
Bilderdijk) werd in 1856 uitgegeven onder den titel Ver- 
poozingen op letterkundig gebied. Daarop volgden tusschen 
1859 en 1869 een viertal deeltjes Verscheidenheden meest op 
letterkundig gebied, waarin wij opstellen aantreffen o. a. over 
Tollens, Dichterlijke Vrijheid, Gesprek over de Moedertaal, 
De Paradijsgeschiedenis en de Ned. dichters, Doen door Laten, 
Kinderboeken, Walter Scott, Jacob van Lennep, Het 
Reizen, de beteekenis der ongeletterden voor de letterkunde. 

In het opstel La critique est aise'e et l'art est difficile (1866) 
heeft Beets de vereischten voor een goed kunstrechter samen- 
gevat; ziet men af van den eisch der wijsgeerigheid , dan zal 
zijn eigen critiek vrij wel aan de daar gestelde eischen voldoen. 
In belezenheid en breedheid van blik deed hij onder voor 
Potgieter; doch hij overtrof dezen in die onbevangenheid en 
plooibaarheid van geest, welke noodig zijn om zich in anderer 
werk te kunnen verdiepen. Hij had niet den scherpen blik 
noch het schitterend vernuft, noch den bekorenden stijl van 
HuET; doch van de gebreken in een criticus, in bovengenoemd 
stuk opgesomd, was Beets vrij - van Huet kan dat slechts 
ten deele gelden; daarbij had Beets, zelf dichter, fijner gevoel 
en oor voor poëzie dan Huet. 

Letten wij op de grondslagen zijner critiek: zijn algemeene 
voorstellingen en overtuigingen aangaande de kunst van het 
woord, hare middelen en haar praktijk, dan treffen ons de 
juistheid en het helder inzicht van den criticus; hetzij men het 
met hem eens is of niet, het is altijd de moeite waard naar 
hem te luisteren. Hoe goed of voortreffelijk heeft hij over het 
populaire gehandeld; hoe treffend is wat hij zegt over het 
wezen der poëzie, de taal als verklanking der innerlijke poëzie, 
den aard van het rijm (Bilderdijk); over oorspronkelijkheid, 



545 

(Tollens) over de tegenstelling tusschen antiek en modern of 
klassiek en romantiek {Doen door Laten) , het verschil tusschen 
de Fransche en de Hoilandsche versificatie (Friso). Er is hier 
en daar zekere kleinheid, zooals in dat herhaald „Hoogwel- 
geboren" in het Gesprek over de moedertaal en de houding 
tegenover Yictor Hugo in La critiqiie est aisée et tart est 
difficile, ook wel eens breedsprakigheid; doch daartegenover 
de leukheid, de gemoedelijke humor of de geest die toonen 
dat HiLDEBRAND niet geheel in Beets gestorven was. 

De vraag naar den maatstaf door dezen criticus aangelegd, 
is niet zoo dadelijk te beantwoorden. Waar hij over Vondel 
en BiLDERDijK spreekt, toont hij zich een kenner en bewon- 
deraar van goede of mooie poëzie; in de opstellen over Poot 
en Staring zelfs een fijnproever. Hoe is het dan mogelijk, 
vraagt men zich af, dat diezelfde kenner en fijnproever in 
Tollens en Van Lennep allerlei bewondert, dat door geen 
criticus meer op één lijn gesteld wordt met het beste uit 
Vondel, Bilderdijk, Poot en Starlng; dat hij een „meester- 
stukje" ziet in Bogaers' Truitje, dat aldus eindigt: 

Dan volg ik dra het voorbeeld na 

Van zooveel wijze luidjes; 
Dan wordt mijn Truitjelief mijn ga 

En krijg ik kleine Truitjes. 

Voor een deel is deze ongelijkheid van maatstaf te verklaren 
uit het feit, dat een dichter over de poëzie van hem verwante 
tijdgenooten doorgaans zachter oordeelt dan over poëzie uit 
vroegeren tijd. Echter blijft anderzijds waar, dat Potgieter 
en Huet hier onbevangener waren, hooger eischen stelden, 
scherper zagen. 

Anders dan de critische studiën dezer twee waren die van 

Beets in de eerste plaats bestemd voor toehoorders. Die be- 
KALFF, Letterkunde, VII. 35 



546 

stemming verklaart o. a. de complimentjes aan het publiek hier 
en daar; minder gelukkige wendingen of zoutelooze aardig- 
heden als die aan het slot van het Gesprek met Vondel (1861);. 
ook den opzet van menig stuk dat, door zijn indeeling aan 
een preek herinnerend, door zijn uitwerking nu den lezer nog 
onderhoudt en boeit. Meer dan een dezer voorlezingen heeft 
den vorm van een samenspraak {Gesprek over de Moedertaal, 
Over Kinderboeken, Gesprek met Vondel, Ons Reizen). Hier 
toont Beets zich een leerling van Geel, die in de laatste 
voorlezing een paar maal genoemd wordt en wiens sobere 
natuurbeschrijving misschien invloed op de zijne heeft geoefend;, 
doch Geel zóó navolgen kon in dien tijd alleen Beets. 

De vriendschap tusschen Beets en Hasebroek werd gaande- 
weg hechter en sterker door innige geloofsgemeenschap, door 
samengedeelde vreugd en droefheid , door menigen strijd waarin 
zij elkander steunden. Voor ons kerkelijk en godsdienstig leven 
heeft die vriendschap waarschijnlijk beter vruchten voortgebracht 
dan voor onze literatuur, die haar niet veel meer dankt dan 
Beets' gelijkvloersch en breedsprakig stukje Onze Vriendschap. 
Minder begaafd, ook minder vruchtbaar dan Beets, volgde 
„Haas" - zooals Beets hem wel eens noemde — zijn vriend 
in het veld der literatuur met ongelijke schreden. Evenals deze 
bond hij van tijd tot tijd zijn oogst van poëzie tot schooven 
saam; zoo verscheen in 1859 een bundel met den aan Beets' 
poëzie ontleenden titel Winde- Kelken , vijf jaar later door 
Nieuwe Winde-Kalken gevolgd. Ook hier vinden wij een groot 
aantal kleinere gedichten van den meest verschillenden inhoud: 
bijbelsche en stichtelijke stoffen, staatkundige gebeurtenissen, 
lief en leed van vrienden, historische herinneringen, eigen 
leven, reisindrukken - alles vroom, gemoedelijk, zachtzinnig, 
gelijkvloersch, niet onwelluidend, nergens treffend of verheffend;. 



547 

luim of zelfs vroolijkheid is er schaarsch; blijmoedige opge- 
ruimdheid zingt er haar lied, dat — zooals de auteur zelf 
terecht opmerkt - „meer aan het getjilp van een onder het 
huisdak broedenden musch, dan aan het gezang van een in 
de hoogte over bosch en beemd luchtig daarheen zvvevenden 
leeuwerik of zwaluw" doet denken. 



TER HAAR EN TEN KATE. 

Het jaar 1854 dat Beets als predikant naar Utrecht bracht, 
zag er Ter Haar komen als hoogleeraar in de geschiedenis 
der Christelijke Kerk en de zedeleer. Ambtswerk, preeken en 
eigen studie die vooral de kerkgeschiedenis gold, beletten ook 
hem niet zich aan de poëzie te blijven wijden. Het verhalend 
gedicht, dat Beets had laten varen, vond bij Ter Haar een 
toevlucht. Grootendeels waren het verhalen in de lijn van zijn 
Joannes en Theagenes: Het dochterken van Jaïnis, Hanna, 
De dochter van Herodias, Thomas; doch evenals vroeger in 
De Sint Paulus-rots , gaf hij ook nu een enkel wereldlijk ver- 
haal als Eliza's vlucht (1854), dat grooten opgang maakte bij 
een publiek, dat onder den eersten vollen indruk was van 
Beecher Stowe's Negerhut (1852). Een greep uit het leven 
van dien tijd was ook zijn Abd-el-Kader (1849) , echt romantisch 
werk, dat door de toenmalige lezers - en nog meer door de 
hoorders — bewonderd werd. 

Zoowel hier als in Ter Haar's kleinere gedichten, b.v. zijn 

verzen Aan mijn oudsten zoon is wel eens een gevoelig couplet, 

iets eigens in den klank en val der verzen; doch het schaarsche 

goede staat doorgaans in de onmiddellijke nabijheid van het 

ondichterlijke, al ontbreekt het er niet aan die »cierlijke netheid" 

die Vondel prees in Anslo en De Decker. Opmerkelijk is 

35* 



548 

in dezen geleerden predikant, wiens zachtzinnig gelaat ietwat 
bakerachtig uitkomt boven de witte das en den hoogen boord, 
zekere naïeveteit, die hem b.v. doet schrijven: 

De Algoedheid zij geloofd ! Die hulp — zij is gekomen ! 
Niet mij, een ander wel, werd daar een gade ontnomen. 

Kenschetsend is ook zijn loflied op Mijn Winterpels: Ter 
Haar zit daar zoo warm in; regen, koude en hagel kan hij 
erin trotseeren; heeft hij die pels maar aan, dan kan een arme 
stumperd hem tot mededoogen wekken - maar eens zal de pels 
tot stof vergaan; ons daarentegen wacht een nieuw onsterflijk 
kleed „dat noch mot noch worm verteert". Het zou natuurlijk 
onbillijk zijn van Ter Haar een altruïsme te vragen, zooals 
eerst in later tijd ontwaakt is; misschien waren deze verzen ook 
wel geschikt om de harten van andere pelsdragers te treffen ; 
doch in allen gevalle geeft dit medelijden, hierbencden rond- 
wandelend in een pels en met de verzekerdheid van een 
„onsterflijk kleed" hierboven, ons een typisch staaltje van de 
toenmalige beschouwing der armoede. 

Middelburg, waar Hasebroek een paar jaar als predikant 
werkzaam was, werd in 1850 ook Ten Kate's standplaats. 
Van daar trok hij in 1860 naar Amsterdam, waar hij Hase- 
broek terugvond, die een „kunst- en hartsvriend" voor hem 
werd. Nog altijd stort hij stroomen van verzen uit; doch er is 
niet veel verschil van karakter tusschen zijn dichterlijk werk 
van dezen en dat van een vroegeren tijd. Strijd voert hij 
niet meer en de Braga-dichter is voorgoed in hem gestorven. 
Stichten, bij elke gelegenheid die zich daartoe maar eenigszins 
leende, is wat hij nu bovenal beoogt; hij is doorgaans ernstig, 
plechtig, zalvend, „dierbaar"; meer dan van andere predikant- 
dichters dier dagen geldt van hem: „er prediget immer und 



549 

ewig." Als hij een mooie Napolitaansche ziet, kan hij den wensch 
niet onderdrukken, dat toch «een straal van 't Evangelielicht" - 
van het orthodox-Hervormde natuurlijk - voor haar mocht 
schijnen; en hoeveel schooner zou Italië zijn, indien over Sint 
Pieter's koepeltop «de volle zon der Hoogste Waarheid" op- 
ging! (1856). Telkens gevoelt hij behoefte om den bijbeltekst 
te parafrazeeren , al won die er niet bij, al volgde hij ook hier 
niet zelden anderen. Hij dicht nog altijd Legenden en Fantaziën 
met het gemak, dat hem in staat stelde in verzen te impro- 
vizeeren; doch wij vinden ook nu de slapheid van verbeelding 
en zv/akke plastiek, de opgeschroefdheid, de conventioneele 
dichtertaal en het «er naast" zijn in de uitdrukking. Op zijn 
best toont hij zich in kleine stukjes als Een Liedeken van den 
Oievaar (1848) en Het Moedertjen (1860). 

Als vertaler bleef hij vruchtbaar; uit dezen tijd dagteekenen 
zijn bewerking van Schafer's Laienbrevier , dat echter vooraf 
«gekerstend" moest worden (1852); zijne vertalingen van Tasso's 
Gemsalemme Liberata (1852 -'55), Schiller's Maria Staart, 
Andersen's Sprookjes, La Fontaine's Fables (1868), van 
RuNEBERG, GoETHE, OssiAN. Wie dezc vertalingen slechts 
leest, zal er vrij wat goeds in vinden; wie ze vergelijkt met 
de origineelen, moeten erkennen dat zij al te vaak ver achter 
het oorspronkelijke blijven. 

Ten Kate's belangrijkst werk uit dezen tijd was het om- 
vangrijk gedicht De Schepping dat in 1866 het licht zag; dat 
dadelijk opgang maakte, zoodat er het volgend jaar een tweede, 
in 1869 een derde druk noodig was, terwijl het ook nog in 
1895 en 1900 werd herdrukt; dat vertaald is in het Duitsch, 
Engelsch en Zweedsch, en door Busken Huet terecht «de 
getrouwste uitdrukking van Ten Kate's talent" genoemd. 

Paraphrasen van den bijbel had Ten Kate ook vroeger 
gegeven; van Het Scheppingslied vinden wij er een in 1859; 



550 

doch wat deze nieuwe bewerking onderscheidt van alle vroegere 
is, dat hier de wetenschap dienstbaar is gemaakt aan het geloof : 
het scheppingsverhaal zooveel mogelijk in overeenstemming ge- 
bracht met en toegelicht door de uitkomsten der natuurweten- 
schap. De uitkomsten, wel te verstaan, die met des dichters 
geloof strookten; immers, terwijl hij in de aanteekeningen 
polemizeert tegen den „droom van Lamarck en De Maillet", 
heeft hij in zijn werk vooral Hugh Miller's Mosaïc Vision 
of Creation nagevolgd en weergegeven. In hoever Genesis 
overeenstemt met de moderne geologie, hebben wij hier niet 
te onderzoeken; ons is het vooral te doen om de bewerking 
zelve. De 46-jarige dichter stond, toen hij dit werk ondernam, 
in zijn volle kracht; zijn dichterlijke vermogens had hij door 
oorspronkelijke poëzie, navolgingen en vertalingen op velerlei 
wijs geoefend; in technische vaardigheid werd hij misschien 
door geen Nederlandsch dichter dier dagen geëvenaard. Uit 
de enkele vage omtrekken van het bijbelverhaal wilde hij één 
grootsch tafreel ontwerpen. Voor de stoutheid van dat onder- 
nemen moet men eerbied koesteren , ook al is men van oordeel 
dat vooral des dichters verbeelding hier te kort schoot. Waar 
hij slechts te beschrijven heeft, zooals in „de sneeuw", „de 
wolken" daar levert hij verdienstelijk, hier en daar zelfs mooi 
werk, al bereikt hij nergens de hoogte van zijn meester Bilder- 
DijK, in wiens Beurtrei de toon was aangeslagen dien de leerling 
had opgevangen. Al te vaak echter hooren wij hier den predi- 
kant, die de bijbelwoorden, soms in kapitaal-letters gedrukt, als 
teksten gebruikt om erover te preeken; die van hoog op laag 
valt, het bijbelwoord verwatert of van zijn verheven eenvoud 
berooft, ons uit de stemming brengt door zijn geleerdheid over 
de steenkool, zijn opmerkingen over de beteekenis van den 
stoom in het verkeer en over „Hellas' marmren goón", zijn 
mededeelingen over de geschiedenis van het Christendom "). 



551 



ALBERDINGK THIJM. 

Te midden eener overvvegend-Protestantsche maatschappij 
bleef Thijm zijn R.Katholieke individualiteit handhaven met 
een takt, een moed en een fierheid, die onze bewondering 
wekken. Hij vertoont zijn vlag aan het hof door in 1850 een 
bundel gedichten (vermoedelijk een bloemlezing van Neder- 
landsche poëzie) optedragen aan Koningin Sophie en in 1851 
een ander geschrift van zijn hand aan Prins Frederik. Het 
ambt van Consul-Generaal bij den Heiligen Stoel voor Neder- 
land, eerst door hem aangenomen, wijst hij later (1851) van 
de hand, omdat hij inziet, dat het hem verzwakken zal in zijn 
stelling van R.Katholiek, bevriend met de voorname Protes- 
tantsche letterkundigen en pers-mannen, die juist daardoor 
invloed kan oefenen. Wie hem in zijne beginselen aanvalt, 
vindt hem gereed tot verweer; zoo Groen van Prinsterer, 
die uit Thijm's woorden had afgeleid, dat een R. K. gouverne- 
ment het Protestantisme niet in zijn gebied kan dulden (Dec. 
1852). In 1853, het jaar der April-beweging heeft hij het hard 
te verantwoorden; van alle zijden wordt hij aangevallen en 
wegens zijn voorstelling der ló^e eeuw van „Spaanschgezind- 
heid" beschuldigd. Ook nu handhaaft hij zijn standpunt, en 
zijn overtuiging dat men goed R.Katholiek en tevens goed 
Nederlander kan zijn: in Januari 1853 richt hij een betuiging 
van trouw tot den Koning en in Maart van hetzelfde jaar 
draagt hij zijn werkje De la littérature Néerlandaise op aan 
Pio Nono; er op bedacht zijn vriendschappelijke betrekkingen 
met de Protestantsche letterkundigen aantehouden, verzoekt hij 
de zuster van zijn vriend Hasebroek of zij de opdracht zijner 
novelle Magdalena van Vaernewijck wil aanvaarden; doch de 
„murwe schrijfster van 71? Laaf' acht dat blijkbaar gewaagd 
en vindt een uitvlucht; onder Thiim's brieven van 1854 vinden 



552 

wij een dankbetuiging aan den Paus voor het Sint-Gregorius- 
kruis, voorafgegaan door een Opdracht aan Koningin Sophie; 
een brief over een miniatuur van Pius VIII gevolgd door een 
schrijven aan den Secretaris der Koningin, die hem een kost- 
baar horloge heeft vereerd. In later jaren zien wij hem steeds 
op de bres, om zijne R. K. beginselen te verdedigen: tegen 
Fruin, tegen Hofdijk, tegen den Burgemeester van Antwerpen; 
bij de nationale feestviering van 1863, bij de herdenking van 
den slag bij Heiligerlee. 

Zoo mocht hij dan in 1865 wel aan zijn dochter Gatharina 
schrijven: ,AVat wij zijn, zullen wij krachtig zijn: Katholieken; 
Nederlanders; fatsoenlijke lut." Het is echter te begrijpen, dat 
al die aanvallen en die strijd hem aangrepen en niet zelden 
terneerdrukten; ook in zijn eigen kring moet het kwetsbaar 
gemoed van dezen schoonheidsminnaar nog al eens iets te ver- 
duren hebben gehad; zijn ergernis over de smakelooze kerk- 
muziek en zang te Eindhoven (a^' 1859) zal wel niet de eenige 
van dien aard zijn geweest. Zoo kan het ons dan niet ver- 
wonderen, in zijn brieven hier en daar een stemming van 
diepe zwaarmoedigheid aantetreffen , van vurig verlangen om 
zijn omgeving te ontvluchten. Maar de zorg voor het dagelijksch 
brood - sinds 1869 had hij den handel in verduurzaamde 
levensmiddelen laten varen voor een uitgeverszaak — en meer 
nog zijn liefde tot wetenschap en kunst brachten hem telkens 
weer in de wereld terug. 

Als beminnaar en beoefenaar van kunst en wetenschap open- 
baart hij een veelzijdigheid, waarin hij slechts door Vosmaer 
geëvenaard wordt. De kunst in haar ganschen omvang boezemt 
hem belangstelling in, al stonden literatuur, kunstgeschiedenis 
en kunst-critiek bij hem op den voorgrond , al wortelen zijn 
beschouwing en zijn opvatting ook hier in zijn R. Katholicisme. 



553 

Om zijn Nederlandsche geloofsgenooten hun verleden beter te 
leeren kennen, geeft hij (1850 --'52) een bloemlezing van Neder- 
landsche gedichten der 12^6-17^6 eeuw uit, die een ander 
beeld onzer letterkunde vertoont dan de Protestantsche bloem- 
lezingen van dien en vroegeren tijd; in 1851 een viertal 
Karolingische Verhalen (Karel en Elegast, Vier Heemskinderen, 
Willem van Oranje, Floris en Blancefloer) , door hem gemo- 
dernizeerd, doch, met takt dien liefde gaf, zóó dat de geest 
der middeneeuwen er in behouden bleef; in 1852, samen met 
zijn beminden broeder Lambertus, een bundel Oude en 
nieuwere Kerstliederen. In 1852 zet hij met zijn vriend Van 
NouHUYS een Volksalmanak voor Nederlandsche Katholieken 
op touw, om langs dien weg de groote meerderheid der R. K. 
lezers te bereiken. Zijn geschiedkundig overzicht De la littéra- 
tiire Néerlandaise d ses différentes époques (1854) - al staat 
het natuurlijk niet op de hoogte der hedendaagsche weten- 
schap - blijft desniettemin een karakteristiek en belangrijk 
boekje, waarin voor het eerst de geschiedenis onzer literatuur 
voorgesteld is, zooals zij door een smaakvol en belezen 
R. Katholiek gezien werd. 

Behoefte aan een schans waarbinnen hij zijn medestrijders 
kon vereenigen, zijn vlag laten waaien, zijn stem doen hooren 
en uitvallen ondernemen, wanneer hem dat noodig of nuttig 
scheen, bracht hem tot de stichting van een eigen tijdschrift 
(1854) dat Dietsche Warande werd gedoopt. In een warande 
immers is leven - in een museum heerscht de dood; Dietsch, 
want ook Vlaamsch België wilde hij binnen den kring zijner 
beschouwing trekken; verleden en heden in onderling verband, 
het heden als voortzetting van het verleden - die opvattingen 
en beschouwingen wezen de velden aan waarop gewerkt zou 
worden; velden, scherper begrensd door de aanwijzing van: 
beeldende kunst, toonkunst, letteren, critiek, zeden, bibliografie. 



554 

Thijm zelf werd en bleef, behalve redacteur, de voornaamste 
medewerker; nu eens een historisch-Ietterkundige novelle schrij- 
vend, dan eens als Pauwels Foreestier in lossen trant en 
niet zonder humor koutend over onderwerpen van den dag of 
pleitend voor zijn idealen. 

in zijn R.Katholicisme lag zijn kracht; daaruit kwam o. a. 
zijn geleerd werk voort over kerkbouw De heilige linie (1858); 
doch zijn Roomschheid belette hem anderzijds recht te doen 
wedervaren aan verschijnselen of personages die buiten den 
kring van het R.Katholicisme staan. Over zijn beschouwing 
van Hervormings-literatuur en Renaissance kunnen wij hier 
zwijgen; doch ook Huygens en Cats kan hij niet waardeeren 
(Brief van 4 Sept. 1869) en wat zegt men van dit oordeel over 
Schiller: »een ongezonde, ongeloovige filosofaster, zonder 
humaniteit, zonder smaak, zonder warmte van hart!" In een 
zoo fanatieke bekrompenheid herinnert Thijm aan zijn meester 
Bilderdijk, die overigens in zijn gemoed langzamerhand door 
Vondel verdrongen werd. Met hart en ziel nam hij deel aan 
de Vondel-feesten van 1867 en zou ook later nog menig blijk 
zijner vereering van dien dichter geven, al gold die vereering 
vooral den Roomschen Vondel. 

Naarmate Thijm den mannelijken leeftijd naderde, verflauwde 
de aandrift tot eigen poëzie in hem; neigde hij meer tot het 
proza, met name tot de historisch-Ietterkundige novelle, die - 
samengesteld uit gegevens, door studie verkregen, door ver- 
beelding herschapen — aantrekkelijk moest zijn voor wie kunst 
en wetenschap zóó in zich vereenigde. Hij heeft nu en in later 
jaren, tot zijn dood toe, dozijnen kleine gedichten gemaakt, 
bij allerlei gelegenheden en gericht tot allerlei personen; doch 
de poëzie als volle uiting zijner persoonlijkheid houdt op te 
vloeien in de eerste jaren na 1848. 



555 

De bundel Het Voorgeborchte en andere Gedichten, die in 
1853 verscheen, mag daarom als een afscheid aan de periode 
zijner eerste ontwikkeling beschouwd worden; en dat te meer 
omdat 1853 tevens het jaar is, waarin zijn eerste historische 
novelle Geertruide van Oosten het licht zag. Het gedicht dat 
bovengenoemden bundel zijn titel gaf, was reeds in 1851 in 
den Muzen- Almanak verschenen, doch werd hier, van een 
voorrede voorzien, opnieuw uitgegeven. Het was - deelt de 
auteur ons mede - na zijn verschijning „met hevigheid aan- 
gerand", het had hem „grofheden in rijm en onrijm" bezorgd, 
die hij niet wil beantwoorden, die hij toeschrijft aan „overijling 
en zelf misleiding". Met een gematigdheid die hem eer aandoet, 
erkende Thijm volkomen te voelen „het onaangename dat er 
in gelegen moet zijn, onophoudelijk een beginsel te zien toe- 
passen, dat strijdt met de sints bijna drie eeuwen in Noord- 
Nederland luidst, ja schier alleen klinkende stellingen". Echter, 
hij verdedigt ook hier zijn standpunt: „Neen! wij zoeken niet 
in de Middeleeuwen alleen het schoone en groote; veel minder 
nog (de dwaasheid laat zich bezwaarlijk zonder glimlach neer- 
schrijven) willen wij de geschiedenis, de natuur geweld aandoen 
en de Middeleeuwen herinvoeren. Zij zijn voor ons een geliefd 
studieboek." 

Het gedicht dat zoozeer de Protestantsche ergernis had gaande 
gemaakt, gaf - in die jaren van spanning - inderdaad wel 
aanleiding daartoe. De dichter verhaalt ons van een visioen, 
waarin hij „het voorportaal van 't eindlot aller zielen" ziet en 
eenige geesten van vermaarde afgestorvenen die daar vertoeven : 
Charlemagne, de Oranje's, Marnix e. a. Die personages ver- 
tolken of gewagen van Thijm's beginselen, verlangens, klachten 
in Bilderdijkschen trant. Bilderdijk namelijk is hier den dichter 
een leidsman gelijk Virgilius voor Dante was geweest. Nadat 
Bilderdijk aan Charlemagne den hedendaagschen toestand 



556 

van het Nederlandsche volk heeft geschetst, komt een engel 
binnenzweven, die verkondigt dat alleen in terugkeer tot de 
R.Katholieke kerk hei! te vinden is. Zooals men ziet, is de 
inkleeding verre van oorspronkelijk; de verzen vloeien gemak- 
kelijk, al zijn ze zelden schoon;- de toon van het gedicht nadert 
niet zelden het alledaagsche. Slechts aan het slot verheffen de 
verzen zich en krijgen een Da Costiaanschen gloed; denzelfden 
gloed dien wij opmerken in de opdracht van het werk aan 
Da Costa, zijn „vriend en vijand tevens". 

Onder Thijm's overige poëzie van dezen tijd zijn aardige 
gelegenheidsgedichten; doch - zonderen wij Ouderlijk Huis 
uit — geen dat hooger vlucht neemt en hem als een dichter 
van eenige beteekenis doet kennen. 

Hooger in zijn soort staat het vijftiental historisch-Ietterkundige 
novellen van dezen tijd. Verreweg de meeste (b.v. Joannes 
Stalpaert van der Wiele, Maria Tesselschade Roemers, Het 
Begijnenklooster te Grave, Op het hof: een epizode uit het 
leven van Vondel) spelen in de lY^e eeuw; een paar ervan 
{Geertrui de van Oosten en Uit de Chronyke van den huize van 
Berkcle) zijn ontleend aan de middeleeuwen; een enkele slechts 
{Dirk Dircxen Bommer, epizode uit het „geus-worden" van 
Gorkum) aan die tweede helft der \t'^^ eeuw, waarvan THijiM 
zich doorgaans ver hield „om geen aanstoot te geven"; een 
drietal {h.\. Joan Nanning) aan de 18<^e eeuw die hem aantrok 
door haar hoofsche vormelijkheid. Zeker, hier kwam het publiek 
in een andere historische galerij dan het gewoonlijk te zien 
kreeg; hier was geen plaats voor tal van beroemde kunstenaars 
engeleerden, vorsten en staatslieden, zeehelden, krijgsoversten , 
ontdekkers, zeevaarders, uitvinders, die ons volk groot hebben 
gemaakt; immers, die waren niet Roomsch en de auteur wilde 
de aandacht zijner lezers vestigen vooral op Roomsche Neder- 
landers uit vroeger eeuwen. Afgezien van deze eenzijdigheid^ 



557 

moet erkend dat Thij.m's novellen zich kenmerken door om- 
vangrijke en grondige kennis van het verleden, dat zij met 
talent zijn ineengezet, aardig en onderhoudend verteld, dat er 
een handig gebruik is gemaakt van verzen en brieven uit dien 
tijd. Weliswaar is het zeventiend'eeuwsch-Nederlandsch der ver- 
dichte brieven en gesprekken vaak slechts modern Nederlandsch 
op ouderwetsche wijs gespeld ; doch over het geheel vinden 
wij hier verdienstelijke proeven in een genre, door Drost met 
zijn Meerhiiyzen en Potgieter met De eerste schilderij van 
Rembrandt van Rhijn voor onze literatuur ontgonnen *). 



HET MODERN' ISME IX DE LITERATUUR. 

DE GÉNESTET (1829-1S61). PIERSON (1831-1896). HAVER- 
SCHMIDT (1835-1894). DE VEER (1829-1890). 

Van de zes voorname vertegenwoordigers der orthodoxie in 
onze literatuur waren vijf predikant; niet vreemd bij een gods- 
dienstig en kerksch volk als de Nederlanders, bij een theologi- 
zeerend volk, als de Protestantsche Nederlanders altijd zijn 
geweest. Zoo is dan ook begrijpelijk, dat wij tegenover die vijf 
predikant-auteurs rechts er vier links vinden, al verlieten twee 
(PiERSON en De Ve