(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Geschiedenis van het veemgerigt en van het latere duitsche rijks-kamergerigt ..."

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 




HARVAR D LAW LI BR AR Y 



Received 0£g 19 1927 



GESCHIEDENIS 



VAN HET 



VEEMGERIGï 



EN VAN HET LATERE 



DUITSCHE RTJKS-KAMERGERIGT, 

IN HUNNE BETREKKING TOT NEDERLAND. 



^' GESCHIEDENIS «^ 



VAN HET 



VEEMGERIGT 



+ 



EN VAN HET LATERE 



DUIT8CHE RIJKS-KAMERGERIGT, 

III HDHNE BETREKKM TOT KEDEBLAND. 



M^ R. W. TADAMA 



KANTOHSEGTBR TE ZDTPHEX. 



Te leiden, 

Bu E. J. BRILL. 

1857. 



I V t. 

c: ■ q 



1 






rjËC 1^^ ^'^ 



BOEKDRUKKERIJ VAN DE WED. LA LAU. 



BEANTWOORDING 



DER 



PRIJSVRAAG: 

Geschiedenis van het f^eemgerigl en van het latere 
Duiische Byhs-kamef^gerigt , in hunne betrekking 
tot JVederland , 



W. B. W. T AD AHA 9 

Kantonregter te Zutphen; 

W£LK£ OP DE ALGEMEENE VERGADERING VAN DE MAATSCHAPPIJ 

DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE, DEN 19 JUNIJ 1856, 

MET GOUD BEKROOND IS. 



INLEIDING. 



Trust me, each state must have iU policies: 
Kingdoms have edicts, cities have their charters; 
Even the wild outlaw, in his furest-walk, 
Keeps yet some touch of civil discipline. 
For not since Adam wore his verdant apron , 
Hath man with man in social union dwelt , 
But laws were made to draw that union closer. 
Wal TBR ScoTT, Ivankoe. 



Geen€ wetenschap heeft aan de verspreiding eener 
tneer verlichte denkwijze, welke het gevolg was van 
de groote staatsomwenteling in het laatst der IS** eeuw, 
meer te danken gehad, dan de geschied kande. Ter^ 
wijl vroeger de archieven der steden, corpora tien en 
bijzondere personen angstvallig voor den onderzoeker 
gesloten werden, heeft die bekrompenheid plaats ge* 
maakt voor eene algemeene welwillendheid jegens hen, 
die zich hebben voorgesteld de daden of instellingen van 
het voorgeslacht op te helderen. De grendels, waar 
achter zoovele schatten verborgen lagen, worden weg* 
geschoven en het oog van den weetgierigen navorscher 
doorzoekt thans onbelemmerd zelfs die bescheiden , die 
men te voren niet beter meende te kunnen bewaren, 
dan door ze aan ongedierte of vochtigheid prijs te ge- 
ven. Ja! men gaat verder en enkele besturen door 
eene lofwaardige zucht voor de eer van het voorgeslacht 

DL. X. 1 



aangespoord, beijveren zich zelfs den inhoud hunner 
archieven door den druk gemeen te maken. Heeft de 
geschiedkunde zooveel aan de algemeene verspreiding 
der verlichting te danken, zoo rust ook vrederkee- 
rig op hare beoefenaars de taak, om die verlichting 
naar hun beste vermogen te bevorderen, de fakkel van 
het onderzoek ook in de duisterste schuilhoeken te 
brengen , en alles wetenswaardigs , wat daar mogt ge* 
vonden worden, zorgvuldig op te zoeken en van het 
stof der eeuwen gezuiverd, aan hunne tijdgenooten aan 
te bieden. 

In een van de duisterste schuilhoeken verborg zich, 
eene halve eeuw geleden, de instelling van het Veem- 
gerigt. Raadselachtig in oorsprong, wezen, vorm en 
invloed, was het Veemgerigt een van die onderwerpen, 
waarvan bijna niemand een klaar en helder denk* 
beeld bad. 

Des te aantrekkelijker echter was dit onderwerp voor 
dichters en romanschrijvers, wier scheppende verbeel- 
dingskracht zoo gemakkelijk partg konde trekken van 
al dat geheimzinnige en verborgene. Tallooze roman- 
schrijvers hebben dan ook <lit onderwerp met meer of 
mindere bekwaamheid behandeld en daardoor, sedert 
het romanlezen zoozeer is toegenomen, niet weinig 
bijgedragen tot verdikking van de duisternis, waarmede 
het Veemgerigt was bedekt. 

Door den invloed der romans voornamelijk vormde 
zich langzamerhand onder het zoogenaamde beschaafde 
publiek de meening, dat de Yeemgerigten tot de ijsse* 
lijkste verschijnselen der middeleeuwen behoorden. 

Men stelde zich gemaskerde regters voor, die in.on- 
deraardsche gewelven bij toortslicht te regt zaten, voor 



welken de aaogeklaagdeti > door onbekende handen aan« 
gegrepen en door diepe trechters nedergelaten , plotse*^ 
ling werden gebragt; ongehoorde pijnigingen dwongen 
die ODgelukkigen tot de bekentenis Tan denkbeeldige 
misdaden y welke dan weder door eene wreedaardige 
doodstraf n>oe$ten geboet worden. Zonderling genoeg 
ging die meening no ook tot het volk o^er en men 
wijst in Duitschland den reiziger in de boawtallen van 
oude kasteelen >), de plaats aan, waar de Yeemrigters 
t^ten en men «oude het hem seer ten kwade duiden , 
wanneer hij die verhalen, zoo als se verdienen^ met 
een medelijdend schouder ophalen beantwoordde* Hoe 
kan twijfel nog mogelijk zijn, segt men; zie daar het 
Èurgverliesej waarin de slagtofFers gestort werden, zie 
daar de foltertaigen, die tot hunne pijniging werden 
aangewend? en nu moge men vrij bewijzen^ dat het 
burgverliess diende als werktuig tan de dwingelandij 
tan vorsten en edelen, dat de pijnbank door de geloofs- 
onderzoekers , de geestelijke regters, door de regter^ 
over tooverij werd gebezigd en niet door de Veemrig* 
ters, n^en wint daarbij niets, dan dat de eenvoudigeïi 
zich ergeren over zulk een hardnekkig ongeloof. 

€öf HS heeft in zijnen Göi% von Berlickingen de Veem* 
regters ten tooneele gevoerd ; maar met den scherpen blik 
tan het genie zag hij in, welk eene onuitwischbare 
schande het voor het Duitsche volk zoude zijn, wanneer 
het had geduld dat eene handvol booswichten, onder 
den schijn tan regt, de gruwelijkste misdaden bedreef» 
Bij hem zijn de Yeemregters dus onwrikbaar gestrenge » 
^zervaste, maar regtvaardige regters, die de misdaad 



^) Bg V. t« Bentheim, in het Oüdc Slot te Baden en*. 

1^ 



ook ia de hoogste standen der maatschappij weten te 
straffen. Bij zulk eene juiste opvatting van de alge- 
meene strekking ran het Yeemgerigt, zal men het hem 
niet ten kwade duiden, zoo hij in de bijzonderheden 
heeft gedwaald, zoo hij een Trijstoel plaatst in Fran- 
kenland, zoo hij vrouwen door het Veemgerigt laat 
TerTolgen, en wat dies meer zij. 

De talentvolle schrijver, die onder den Pseudonym 
van Veit Weber is bekend (eigenlijk G. Ph. L. L. 
WaCHTER), heeft de klip der OTcrdrijving niet kunnen 
vermijden en met gloeijende verwen een ijzingwekkend 
tafereel van de Yeemgerigten geschilderd, waarbij de 
rigters eene vereeniging van de snoodste misdadigers 
vormen. Nog wilder gaat het toe in een in mijne jeugd 
veel gelezen roman, KunovonKyburgy waarin de veem- 
schepenen tot straf voor hunne gruweldaden eindelijk 
gezamenlijk over de kling worden gejaagd ; eene zeer 
vernuftige uitvinding om het verdwijnen der veemgerig- 
ten te verklaren! 

Wanneer de Duitschers hunne geschiedenis zoo mis* 
handelden, behoeft men zich dan te verwonderen, dat 
Ëngelsche en Fransche schrijvers zich de wonderlijk- 
ste voorstellingen van die geheime regtspleging hebben 
gemaakt? Slechts weinige jaren geleden vermaakte zich 
een Fransch schrijver E. Gonzales in een verhaal les 
Francs juges genaamd , met alle de ijsselijkheden van 
Veit Weber in een ander kleed aan het publiek op te 
disschen en men moet hem nogthans prijzen om zijne 
gematigdheid. 

De nieuwere Fransche romantiek biedt zulk een keur 
van gruwelen aan, dat het hem zeer weinig moeite 
zoude hebben gekost, om eene bloemlezing van de 



meest uitgezochte eaveldaden op rekening van de vrij- 
schepenen te stellen , die nu toch eenmaal de publieke 
opinie tegen zich hebben. 

Maar ook zij, die zich als taak hadden Toorgesteld, 
den aard der Yeemgerigten meer opzettelijk te onder* 
zoeken, de geschiedschrijvers, staatslieden en regtsge- 
leerden, hebben aanvankelijk slechts bijgedragen tot 
de verwarring van begrippen. Men kan hen in drie 
tijdvakken verdeden. In het eerste tgdvak is het een 
rondtasten in het duister; wordt er iets ontdekt dat 
naderhand blijkt waar te zijn geweest, het is meer 
aan het toeval, dan aan diepe en grondige studie te 
danken. Aan gewaagde en stoute stellingen is geen 
gebrek, maar daar zij zelden op zuivere kennis van 
den waren toestand berusten, worden zij even gemak- 
kelijk wederlegd, als geopperd. Allen op te noemen, 
die eenige zinsneden aan de Yeemgerigten hebben 
toegewijd, zoude moeijelijk zijn, daar het inlasschen 
van een hoofdstuk over de Yeemgerigten voor iederen 
schrijver over Duitschland^s staatsregt of geschiedenis 
bijna yerpligtend was. Onder de voornaamste kan 
men tellen, Mjlrquard Freher, die in 1610 een 
werkje over dit onderwerp schreef, dat in 1762 door 
GosBEL op nieuw werd uitgegeven >), Johanjü Phiup 
Bait 9 de pace ttnperti publicaf Ulm^ 1698, en Chris- 



1) De gebeele titel van het als compilatie zeer yerdienstelijke werk 
is : Marquabdi Freheri de secretia judidis olim in Westphaïia aliisque 
Germaniae part£bu8 untatis, postea aboKtis cammentanolus , cui accedii 
JoHAKnid DE Fbanctobdia cotOra Feymeros tractatus et H. C. ds 
Senckenberq collectanea manuscripta, Ed, et proef, de scriptorib, 
hor, judidontm nee non de vita acriptisque Frsheri adjecit Joh. Henr. 
Bayid Goebbl, Ratisbonae 1762. 



6 



TIANUS TflOMASiuSy de vtta origine^ naiura^ pro^ 
gressu ei interitu judiciorum ff^esiphalicomm ^ Btüae 
1711. Tegen dezen laatsten trad Humann Adolf 
MEI5DEBB op, met £ijne: düseriaiio de judiciis cente" 
nartis et ceniumviralibus stve criminalibus et civili^ 
bus veterum Germanorum^ imprimie Franoorum et 
Saxonum^ vuigo von den Centgerichten der alten 
Teutschenf ubt de vera origine t natura et progressu 
Judiciorum eccultorum fVestphalicorum disquiritur^ 
ex scrtptoribuef legtbus, moribus et dacumenits vetusiia 
eruta, Lemgoviae 1715; maar ofschoon hij als West- 
phalinger een groot Toorregt boven zgne voorgangers 
had (Frshek was een Paltzer, Datt uit Zwaben, Tho- 
1IA8IUS uit Leipzig), gelakte het hem evenmin de zaak 
op te helderen» Van andere denkbeelden gingen uit 
G. G, G. LoDTHANN in zijne prolusw aeademica de 
origine judiciorum vemicorunif HelmstadiiVl^l en de 
scherpzinnige JusTUS Möser in zijne Oenabrückiache 
Geschtchte 1768 en Patriotische Pkantasien 1775 — - 
17869 maar, hoewel zij inderdaad eenige niet geheel 
onjuiste stellingen opperden, zoo troffen zij toch ook 
het doelwit niet. Onder de schrijyers over dit onder-< 
werp kunnen nog worden opgenoemd H. A. Koch, 
Anmerkungen von den ff^estphdliscken GericAten, 
auch den vormaligen Landgerichten 1751, G. G* r. 
FreiesIiEBEN in het derde deel yan de coUectio aliquot 
selectorum spedminum societaiis liberarum artium 
LipsiensiSf C. F. Sattler von den /reien Gerichten^ 
so ehemals in denen WurttembergiscAen Zanden üblich 
gewesen und denen daraus entstandenen f^ogtruggC'- 
richten 1757 en Gerstlacher, jibhandlung von den 
mancherlei Arten der peinlicAen GericAtsbarkeit in 



fVirtemherg 1760. Ëiodelijk moet ook Karl Hutter» 
Baz Vemgerickt des MiiietallerSf Zeipzig 1793, een 
werkje waarin hg veel wetens waardigs orer de literataur 
der Yeemgerigten mededeelt, ten gevolge zijner be- 
schouwingen tot dit tijdvak gebragt worden. Zeer 
verdienstelijk maakten zich de verzamelaars van oade 
oorkonden, H.C. de Sbh ckenberg , corpus juris Gtr^ 
ntanicif S. F. Hahn, coUeciio monumeniorum en G. Mask 
€0Y, fioiiiia juris ei judicior. Brunsw, Z»ite&. door 
het opsporen en bewaren van onde geregtsboeken en 
formulieren van het Yeemgerigt; hunne kritiek echter 
is niet boven de algemeene zienswijze van hunnen tgd. 

Een tweede tijdvak breekt met het laatst der acht- 
tiende eeuw aan. De goede rigting is gevonden , men 
steunt meer op oorkonden dan op h3fpothesen9 maar 
geheel ontbreken deze toch niet en , zoo men niet ge- 
heel meer in het duister rondzwerft, de naaste en juiste 
weg om het geheim te ontdekken is nog niet ingeslagen. 
Tot dit tijdperk behooren de werken van Ye5. KiiroLiv- 
«ER JUünstersche Beitragen 1787 — 1792, van C. Ph. 
KoPP Ueber die verfassung der heimlichen Gerichte 
in fVestphaleUy Göttingen 1794 en yan Th. Berck 
Geschichte der ff^estphdlischenFehmgerichte^ Bremen 
1815. Deze werken en vooral de beide eersten bevat- 
ten veel belangrijks. 

Eindelijk hebben ElGHHORif in zijne Deutsche Steuits^ 
und BecAtsgesckicAte 1822 ^) en Paul Wigand Bas 
Femgericht fVestphalens ^ Hamm 1825, een nieuw tijd- 



^) In de vyfile nitgaTe van dit hoogst gewigtig werk, Göttingen 
1844 (en reeds vroeger in de yierde) is Eichhorn tegen Wioand 
opgetreden. 



Tak doen aanbreken. Beide schreven geheel onafhan- 
kelijk Tan elkander en het is dus geenszins beTreem- 
dend zoo zij niet in alles oTereenstemmen. Het werk 
Tan Wigand 9 dat zich geheel aan het onderwerp wijdt 
en met groote geleerdheid en scherpzinnigheid geschre- 
Ten is, kan als de meest zekere gids door de doolhoven 
dier oude regtspleging beschouwd worden, al Talt het 
niet te ontkennen, dat de stijl te Terheven is voor 
een onderwerp waar het alleen op onderzoek aankomt» 
en daardoor niet altijd eTcn gemakkelijk te begrij- 
pen is. 

Na hem hebben Telen zich met dit onderwerp bezig 
gehouden en een schat Tan oorkonden aan het licht 
gebragt die Wigand nog onbekend waren; in het alge- 
meen hebben die ontdekkingen slechts gestrekt om 
zijne zienswijze te bevestigen. Onder hen kan men 
noemen LuD. Tross Sammlung merktvürdiger Urkun^ 
denfür die Geschiehte des Femgertchts^ ffamm 1826, 
F. Phil. Usener Die Frei^ und hetmlicAen Gerichte 
fVestphalerCs, Frankf, a. M, 1832. M. Frh. t. Frbi- 
BERG Der F'ehmgerichtspro%ess Caspars des Tonnn-- 
gers (in Sammlung Hisior. Schriften und Urkunden^ 
1827). Berüh. Thiersch Die Fervemung des Her%ogs 
Heinrich des Reichen von Baiemy Essen 1835 en de- 
zelfde Der ffauptstuhl des FFestphaL Femgerichts 
auf dem Künigshofe vor Dortmund. Dortmund 1838 i). 
Joh. Voigt die fFestphal. Femgerichte in Beziehung 
auf Preussen, Rönigsberg 1836, C. Trümmer Fortrage 



1) Deze zeer vruchtbare schrijver heeft de zaak nog eens opzette- 
lijk behandeld: Die VemUnde bei Dortmund 1849 en in het voorbij 
gaan nog in zijne Geschiehte der Freireichsstadt Dortmund 1854. 



9 



über Toriurt Hexenvet^folgungeny f^ehmgerichie u. s.w. 
ffamburg 1844. Ook Fr. Wilh. Ungbr heeft zicl% 
in zijn werk Die jiltdetUscheGerichtsverfassufigyGöt" 
tingen 1842 met dit onderwerp bezig gehouden. 

Onder de belangrijkste werken ?an lateren tijd be- 
hoort ongetwijfeld dat ?an C. G. TON W&chtir Bei-- 
trage zur Deutschen Gesckiehtey in9 besondere %ur 
Gesckichte des Deutschen Strafreehts ^ Tubingen 1845, 
die in yele opzigten Wigands voetspoor volgende , 
nogthans in eenige belangrijke punten van hem afwijkt. 
Wigand is op de Yeemgerigten , de hoofdstudie ran 
geheel zijn leven, herhaaldelijk teruggekomen in het 
Archiv für Geschichte und jélterthumskunde West" 
fhalens in de Denkwürdigkeiten gesammelt aus dem 
Archiv des Reichskammergerichtsy %u Wet%lar^Leip%ig 
1854 en in At fFetzlarsche Beitragen ^ waarin hij vooral 
VON WaCHTKR wederlegt. 

In ons vaderland heeft bovenal i) de Heer J. JDirks 
in zijne dissertatio de Judiciis vemids^ Amstehdami 
1835 het ijs gebroken, en de oorspronkelijke stukken 
in Nthofts Bijdragen medegedeeld door de Ueeren 
L. A. J. W. Baron Sloet {Zutphen voor het veemge^ 
rigt, deel II), Is. An. Nthoff {Hen regtshandel voor 
het veemgerigty deel IV) en H. O. Feith {Groningen 
veroordeeld door het veemgerigt te Wunnenberg in 
1456, deel IX) hebben de stellingen, door Wigand in 
Suitschland en Dirks in Nederland verkondigd, na- 
drukkelijk gestaafd. Met dat al is een juist denkbeeld 
van den aard der Yeemgerigten nog geenszins algemeen 



1) De denkbeelden van vroegere Nederlandfiche geschiedschrijvers 
in het tweede Hoofdstuk» 



10 



doorgedroi^en en het vooroordeel van yroegere dagen 
moet nog dikwijls bestreden worden. 

Daarbij komt dat de betrekking ran Nederland tot 
het Veemgerigt nog grootendeels in het dnister schuilt. 
Men kan het das slechts toejnichen, wanneer de Maat- 
schappij der Nederlandscbe Letterkunde te Leiden ge- 
tracht heeft door het aitschrijren der onderwerpelij ke 
prijsvraag de betrekking ran Nederland tot het Teem- 
gerigt en het latere RIjks-Kamergerigt, dat zulken groe- 
ten invloed heeft uitgeoefend op het gezag der Yeem- 
gerigten^ op te helderen. De beantwoording is mij te 
belangrijk voorgekomen om ze niet met moed op mij te 
nemen 9 al ontveins ik het mij geenszins ^ dat ik niet 
alle de bronnen die ik gewenscht had bij een te bren- 
gen heb magtig kunnen worden en dat , zoo ik mij heb 
kunnen verheugen in de welwillendheid, waarmede ve- 
len mij bouwstoiSen hebben verschaft tot dit werk, ik 
bij enkelen niet die medewerking heb gevonden , welke 
ik billijkerwijze had mogen verwachten. Hoe het zij , 
ik vertrouw ook zóó, veel, dat nog niet bekend is, te 
kunnen mededeelen. 

Om de redenen hier bovenvermeld acht ik het geens- 
zins onnoodig eene korte geschiedenis van de Yeemge- 
rigten in het algemeen vooraf te doen gaan , doch daar 
het aanmatigend zoude kunnen schijnen en voorzeker 
noodeloos zoude zijn, na de werken van Wigano en 
DiRKS de zaak nog eenmaal geheel uit een te zetten, 
zal ik mij bepalen tot een overzigt der stellingen die 
als zeker kannen worden aangenomen en die geenszins 
met overtollige aanhalingen trachten te staven. Alleen 
dan zal ik van dien regel moeten afwijken, wanneer om- 
trent de eene of andere stelling verschil tusschen de 



11 



Toornaamste schrijvers bestaat, maar ook dan zal ik 
trachten de resultaten yan vroeger onderzoek zoo kort 
en duidelijk mogelijk mede te deelen. 

In het tweede gedeelte wenschte ik de betrekking van 
Nederland tot het Yeemgerigt en het Rijkskamergerigt 
te beschrijven en eindelijk in een derde stuk, door 
tot nog toe onuitgegevene oorkonden de verschillende 
regtsgedingen, waarvan ik melding zal moeten maken ^ 
op te helderen en mijne gezegden door bewijzen te 
staven. 



HOOFDSTUK I. 



OVEaZIGT Vilir de GESGHIEDEITIS VAlf HET VEEMGERIGT 
EN RlJKSK/iHERGERIGT IN HET ALGEHEEIf. 



§1- 

Oorsprong van het f^eemgerigt. 

Het was eene algemeen geldende meening in de mid- 
deleeuwen, dat Earel de Groote de Teemgerigten 
had ingesteld. De Trijgraven en vrijschepenen zelve 
waren daarvan doordrongen. Hier en daar mogt een 
twijfelaar vragen, waar dan toch die wet was, waarbij 
Karel die gerigten had ingesteld >)' ^^ groote meer-^ 
derheid achtte zulk een onderzoek overbodig. Keizer 
SiGiSMUND verklaarde het uitdrukkelijk, de Generale 
Kapittels der vrijschepenen beschouwden het als eene 
zaak, die van zelve sprak, en de geleerden waren niet 
verlegen om er een reden voor te vinden. 

Nadat Karel de Groote y zeiden zij, de Saksen had 
overwonnen en het Christendom bij hen had ingevoerd, 
bleven echter nog velen der overwonnenen hardnekkig 
het Heidendom in het geheim aankleven. Om na te be- 



1) Zie de woorden van zulk een twijfelaar bg Dirks, pag. 15. 



13 



letten, dat die geheime tegenstand zich uitbreidde, 
stelde hij veemschepenen aan^ die in last hadden de 
misdriJTen tegen het Christendom begaan in het geheim 
te onderzoeken en streng en spoedig te strafTen >). Het 
behoeft Ihans geen betoog meer, dat die meening 
onhoudbaar is; Egiuhard, Karsls levensbescfariJTer, 
en de oierige tijdgenooten zwijgen daarvan en eerst 
in de latere middeleeuwen, toen Earel de Groote 
als het ware een mythisch persoon is geworden en alle 
instellingen, welker herkomst onbekend is, van hem 
worden afgeleid, vindt men yan die stelling gewag ge* 
maakt s). Intusschen is het niet minder waar dat 
eene volkssage, hoe zij dan ook in latere dagen opge* 
smukt en als het ware vermomd zij , toch gewoonlijk 
op eene werkelijke gebeurtenis steunt. Zoo is het ook 
met deze sage. Inderdaad kan Karel de Groote als 
de oorspronkelijke schepper van deze gerigten worden 
beschouwd, wanneer men maar niet aanneemt, dat zij 
in dien vorm, waarin wij ze in de veertiende en vijf- 
tiende eeuw aanschouwen, door hem zijn ingesteld. 
Of liever, om de juiste uitdrukking te kiezen »nit de 
vrijgerigten door Kabel ingesteld, ontstonden in de 
dertiende of veertiende eeuw de Veemgerigten , zoo als 
wij ze uit de oorkonden leeren kennen." Het laat 



^) Deze meening waren onder anderen toegedaan Chttrabüs in 
Chronic, Sax, blijkens Hutter , S. 18. Frehbr, von Senckekbero, 
Mbihders, blijkens Goebel. 

*) Op dien grond betwijfelden Oryphiander de Weichbildis Saxo- 
Tucis, Biener de jure Gertnanico, beiden bij Hutter, S. 20 u. 27, 
Thomasiüs en H. A. Eocb volgens Goebel, S. 15 u. 31, de instel- 
ling der Veemgerigten door Karel den Grooten; maar wat zij in de 
plaats daarvan geven, z^n nog willekeuriger hypothesen dan in de 
onde volkssage worden aangetroffen. 



14 



feich alsoo begrijpen dat het yergeefsche moeite zonde 
fcgn naar eene eigenlijke stichtingsbrief , wet of capU 
tularinm te zoeken ^ dat nooit heeft kannen bestaan i)« 

Toen KiBKL de Saksen onderwierp > Tond hij hen 
reeds yerdeeld in drie standen; edelen en vryen, bei« 
den met genoegzaam gelijke regten en kooriffen en 
lijfeigenen^ 'm meer of minder drukkende banden van 
slavernij gekneld* Hij liet aan de Saksen hanne wet- 
ten en vergenoegde zich het land in goowen af te 
deelen y welke xerdeeling evenwel grootendeels de aU 
oode rerdeeling in landen en dingspillen volgde. 

Aan het hoofd van iedere gouw stelde hij een Graaf) 
een Keizerlijk ambtenaar ^ belast met het burgerlijk ^ 
regterlijk en krijgsgezag. Als regterlijk ambtenaar was 
hij verpligt drie malen in het jaar de vergadering der 
edelen en vrijen in zijne gouw voor te zitten, waar 
alle regtzaken behandeld werden. Dit was \kti placi-- 
turn of malluntf welk laatste woord oorspronkelijk 
voor de vergaderplaats wordt gebruikt , het ongeboden 
ding {geding volgens onze tegenwoordige spreek wgzoi 
welke ik zal blyven volgen); het heette ongeboden de- 
wijl het op vaste tijdstippen in het jaar wederkwam 
en niemand daartoe behoefde opgeroepen te worden. 
De Graaf zat voor en leidde de beraadslagingen, maar 
het oordeel vonden de omstanders, de verzamelde 



1) MEiKDEtbS geloofde (volgens Go&bHIl, op. 1. pag. 21) die stich-» 
tingsbrief gevonden te hebben in het bernchte stuk van 789^ waarbij 
Kabel den Graaf TBüTTiuinr tot hoofd van de gerigten in West* 
phalen aanstelt. B^ naauwkeuriget onderzoek in lateren tijd is ge' 
bleken dat de oorkonde (die bovendien niet eonde bewijzen wat zij 
bewijzen moest) volkomen onecht was. Ebhard, RegesUt Historiaê 
Westfaliae, I, pag. 74. Thibrsch, cUe VemUnde, S. 25. 



15 



edelen en trijen. Zij velden akoo het ronnis^ dat de 
Graaf uitsprak. Maar al spoedig groeide het aantal 
zaken 9 dat in de Tergadering heslist moest worden ^ 
zoodanig aan, dat men genoodzaakt was ze roor eea 
groot gedeelte naar eeoen door den Graaf nader te 
bepalen dag te Terwgzen. 

Men noemde dit het geboden geding ^ omdat de 
Graaf den dag deed aanzeggen >). Dewijl bet echter 
niet te tergen was dat de geheele trije boTolking die 
regtsdagen zonde bijwonen^ benoemde de Keizer eenige 
personen als voortdurende regters. Zij moesten ten 
minsten ten getale van zeven bij de gedingen tegen-» 
woordig zgn, en werden schepenen genoemd. Daarom 
werden echter de overige edelen en vrgen niet van 
het geboden geding uitgesloten. Zij vormden den zoo- 
genaamden Umsictnd en hunn« toestemming werd ver- 
eischt om aan bet vonnis der schepenen kracht te 
geven 2). Op zijne beurt moest nu ook de Graaf in 
zijne veelvuldige bezigheden eenigzins te gemoet ge- 
komen worden. De Keizer vergunde hem dus zich in 
het geboden geding door plaatsvervangers of vicegraven 
te doen vervangen. 

Dewijl de Graaf nu uit den aard der zaak meestal 
uit den stand der edelen werd gekozen en z^ne plaats- 
.vervangers uit dien der vrijen , noemde men de laatsten 
vrijgraven en de schepenen Trijschepenen. Dit geboden 
geding was derhalve het vrtjgerigi ^ waaruit onmerk- 
baar het P^eemgerigt ontstond. 

Boven de Graven stond oorspronkelijk deMissusRegius, 

*) WlQAND, S. 70. 

^) Micuss, Esprit y migine et progrèa des instUuticns judtdairts 
Tom. I. pag. 400. 



16 



de Zendgraaf, een aanzienlijk mati uit wereldlijken of 
geestelijken stand, die op *s Keizers last de gouwen 
rondreisde , de klagten tegen Graven of Bisschoppen , 
wegens misbruik tan magt of regtsweigering aanhoorde 
en aan den Keizer bragt of wel in een eigen Placitum 
verhielp i). Zoo waren de grondwetten van het Karo* 
lingische Rijk, den groeten heerscher waardig, maar 
die zeer spoedig, toen zwakke telgen den troon van den 
strengen handhaver des regts bekleedden , ineen stortten. 
De overwinning van Kabel had een nieuwen stand 
onder de Saksen ingevoerd: de geestelijkheid, Trotsch 
en heerschzochtig, wilden de middeleen wsche geeste* 
lijken naauwelijks als staatsburgers beschouwd worden 
en onderwierpen zij zich noode aan de staatswetten. 
Daar was eene ijzeren vuist als die van Kabel noodig, 
om hen in toom te houden. Maar na zijnen dood 
wisten zij van de vroomheid zijner zwakke opvolgers 
maar al te zeer misbruik te maken. Hun voornaamste 
streven was naar immuniteiten y dat is naar Keizerlijke 
voorregtsbrieven 9 waarbij zij zelven, hunne bezittingen 
en onderhoorigen van het regtsgebied der Graven be- 
vrijd werden. Deze immuniteiten braken het eerst de 
aloude gouwverdeeling. Midden in de gouwen, s(dms 
over verscheidene gouwen verdeeld, lagen de onmete- 
lijke bezittingen der Bisschoppen, Kerken en Kloosters. 



*) Van dit Flacitnm van den Zendgraaf lelden Lodtmakk en MÖses 
den oorsprong der Yeemgerigten af. Het is echter niet in den nataur- 
lijjken gang van de pienscheiyke instellingen , dat uit iets ongewoons , 
iets zeldzaams, gelQk dit placitam buiten twijfel was, eene gewone, 
herhaaldelijk wederkeerende , vorm ontstaat. Dat de buitengewone 
regtsdag, welke de Zendgraaf hield, aanleiding heeft gegeven tot 
het honden van de Generale Kapittels der Veemgei-igten is geenszins 
onwaarschijnlijk. 



17 



Over dezen hadden de Graven na geen gezag meer. 
De Voogd (de Advocatns)^ een door den geestelijken 
gezaghebber gekozen ambtenaar, voerde de manschap- 
pen aan, welke de Bisschop of Abt tot den heerban 
moest leveren en bekleedde het voorzitterschap in de 
vergadering, waarin hunne verschillen beslist werden. 
De Graven en Edelen, naijverig op dit Toorregt, streef-* 
den er naar om ook voor zich en hunne onderhoorigen 
dergelijke immuniteiten meester te worden en het werd 
hun gemakkelijk, vooral door het verval van den heer^ 
ban. De onophoudelijke oorlogen toch, die met Noor- 
mannen, Slaven, Hongaren en Saracenen moesten wor- 
den gevoerd, maakten het moeijelijk, om steeds alle 
weerbare mannen op de been te houden; eene kleinere 
maar meer geoefende schaar konde die taak beter ver- 
vullen. Zoo verkregen de aloude gevolgschappen, de 
vrijwillige verbindingen tusschen aanvoerder en krijgs- 
knecht, om voor een deel van den buit zijne afzonder- 
lijke banier in den krijg te volgen; nieuwe kracht. 
Het leenstelsel ontwikkelde zich en overdekte welhaast 
geheel het Frankische rijk. Aan de magtige en ge- 
trouwe edelen, die, aan het hoofd hunner leenman- 
nen , dikwijls groote diensten aan het Rijk hadden 
bewezen, was moeijelijk te weigeren, wat aan de 
geestelijken was vergund; zoo kwam een nieuwe stand 
op met nieuwe instellingen, die een gesloten geheel 
uitmaakten: de leenmannen vormden nu zelve het leen- 
getuigt of de leenkamer ^ waarin de leenheer of zijn 
stadhouder voorzat en onttrokken zich onbemerkt aan 
de regtspraak van den Graaf, die bij de ontbinding 
van de Karolingische staatsinstellingen van zijnen kant 
er meer naar streefde, om zijne waardigheid en de 
DL. X. 2 



18 

daaraan verknochte soldijgoederen erfelijk te maken in 
zijn geslacht y dan om het Keizerlijk gezag te helpen 
handhaven. Door den nood gedrongen, gingen de 
meeste vrgen tot den stand der leen- of dienstmannen 
over en offerden hunne aloude vrijheid, die hen voor 
geene onderdrukking vrijwaarde, voor de magtige be- 
scherming yan den een of anderen Torst of Heer op : 
zij die daartoe niet konden besluiten, trokken zich 
terug binnen de muren der welversterkte steden, waar 
door eigen gekozen schepenen regt werd gesproken en 
handhaafden als stedelingen met het zwaard eene vrij- 
heid, die zij als landbouwers hadden moeten opgeven. 
liet overschot der vrijen, dat noch de bescherming 
van eenen Leenheer, noch het deelgenootschap aan de 
stedelijke vrijheid had kunnen verwerven, daalde tot 
den stand der Ao/*- en eigenkoorigen af. 

De eerste instelling van Kakel, die in den drang 
der tijden bezweek, was die der Zendgraven. In 
hunne plaats kwamen al zeer spoedig de hertogen. 
Reeds Kabel de Grooie had zich genoodzaakt ge- 
zien aan den Saksischen Graaf ëgbebt het krijgsbe- 
wind tusschen Byn en Wezer tijdelijk op te dragen. 
De invallen der Noormannen dwongen de opvol- 
gende Keizers om of uit de aloude geslachten waaruit 
de Germaansche stammen hunne Hertogen verkozen, 
of uit andere getrouwen eene keus te doen en over 
de verschillende Duitsche volken Hertogen aan te stel- 
len, aanvankelijk slechts als krijgsbevelhebbers. Wel- 
dra echter werden zij tusschenpersonen tusschen den 
Keizer en de Graven en lieten aan den eersten slechts 
weinig gezag over. Voor zoover de Graven dus niet 
zelve de landshoogheid verwierven, werden zij amb- 



19 



tenaren Tan den Hertog, niet van den Keizer. Had 
niet na den val der Karolingen eene reeks yan krach- 
tige heerschersy een Koevraad I, Hkndrik I, Otto 
de Grooie enz. den Keizerlijken troon beklommen, het 
geheele rijk had zich in zoo teel stammen als Hertog- 
dommen moeten scheuren. 

Wij hebben den val Tan het Karolingische stelsel 
in het algemeen beschouwd en daarbij bepaaldelgk 
gewezen op het verdwijnen Tan den stand der Trijen. 
Met de Trijen Terd wijnen de Keizerlijke gerigten, de 
Placita der Graven. Leengerigt en schepensbanken 
nemen hanne plaats in en zoo op Tcle plaatsen het 
Gogerigt nog blijft bestaan ^ het is dezelfde naam, 
maar niet meer dezelfde zaak. 

De Gouw of Gograaf nu Landsheer geworden, 
houdt het gerigt met zijne mannen, maar niet meer 
in 's Keizers naam, dikwijls laat hij het ook door een 
ondergeschikten regter waarnemen, die dan eershahe 
den naam van Gograaf voert. De oorspronkelijke 
Gonwgraaf, de Summus Comes, wordt Landgraaf, 
krijgsbevelhebber en Vorst en Tan zijne Troegere be- 
trekking als ambtenaar blijft niets meer OTcrig. Zoo 
ging het overal in het Frankische Rijk. De regtsin- 
stellingen mogten elders, in Frankenland, Beijeren, 
Zwaben, niet geheel gelijk zijn geweest aan die in 
Saksen, de ontaarding houdt overal gelijken tred. 
Overal gaat de stand der vrijen en het gerigt over de 
vrijen Terloren en de Keizerlijke ambtenaar wordt 
Landsheer. Zoo ging het ook in een groot deel Tan 
Saksen. Alleen in Friesland, zoomede in Westphalen 
en een deel Tan Engeren bleef eene schaduw van de 
Troegere instellingen bestaan. Waarom Friesland moet 

2* 



20 



worden uitgezonderd, wanneer men Tan de algemeene 
Terbastering der Karolingische instellingen spreekt ^ 
hoop ik in het Tweede 'Hoofdstuk aan te toonen: thans 
houdt ons slechts de regtstoestand van het boren ver- 
melde gedeelte van Saksen bezig; en dan dringt zich 
als Tan zelve de vraag op, van waar dit zonderling 
verschijnsel? Drie redenen kan men daarvoor hoofd- 
zakelijk aanvoeren: 1^ Het vasthoudende, hardnekkig 
aan het oude hangende volkskarakter der Westphalen. 
Hunne onverzettelijkheid , hunne zucht voor aloude 
gewoonten en zeden, hunne afkeer van iedere verbe- 
tering zelfs, is bijkans tot een spreekwoord geworden. 
Nergens zal men zich een duidelijker denkbeeld van 
de levenswijze der aloude Germanen kunnen vormen, 
dan op de afgelegene boeren erven in Westphalen. 
Daar moet men Tacitus lezen, wil men hem volkomen 
begrijpen. Intusschen was dit volkskarakter ook aan de 
Oostphalen als Saksen eigen en deze omstandigheid 
is dus op zich zelve ongenoegzaam om de uitzondering 
te verklaren; maar daar komt bij: 2^ de schaarschheid 
van steden, vooral van aanzienlijke steden, in het 
eigenlijke Westphalen; terwijl Opper-Duitschland zich 
verheugt in een tal van vrije Bij ks-steden, terwijl in 
het land der Oostphalen steden als Hamburg, Lubeck, 
Maagdenburg, Halberstadt, Brunswijk, zich ontwikke- 
len, treft men in het uitgestrekte Westphalen slechts 
Munster, Osnabruck, Paderborn en Soest aan. De 
mogelijkheid om burger eener aanzienlijke stad te wor- 
den was dus voor den vrijman in Westphalen geringer 
dan elders, hij was meer tot zich zelven beperkt 
en moest een ander middel van bescherming zoeken. 
3^. Eindelijk, en aan deze omstandigheid moet men 



21 



Teel gewigt hechten, was de yal vao UsNoaiK de Leeow 
in 1180 en de daarop geTolgde splitsing Tan het 'Her- 
togdom Saksen eene ware omwenteling Toor Wesi- 
phalen i). Wel verkreeg Graaf Bernhird van As- 
kaniën den titel van Hertog Tan Saksen, maar zijn 
gezag strekte zich slechts OTer Oostphalen en een deel 
van Engeren uit. OTer het OTcrige gedeelte Tan Sak- 
sen Terkreeg de Aartsbisschop Tan Keulen, die een 
der bedriJTigste Tijanden van Hendrik dz Leeüw was 
geweest, het Hertogelijk gezag, de bloedban en de 
magt om TrijgraTen aan te stellen. De wereldlijke 
Torsten, die dergelijke magt Tan den Keizer Tcrkregen 
hadden, smolten ze met hunne landshoogheid ineen. 
Maar de Aartsbisschop lan Keulen bcTond zich in 
moeilijken toestand; als geestelijke konde hij den. bloed- 
ban niet uitoefenen, die hem als Hertog toekwam; 
het was alzoo zijn belang het Keizerlijke gezag te laten 
bestaan en als plaatsTervanger diens Keizers de regten 
uit te oefenen , die hij anders als geestelijk Torst niet 
zoude hebben kunnen handhaTcn. Het Toorbeeld Tan 
hun geestelijk opperhoofd Tolgden de Bisschoppen Tan 
Munster en Osnabruck ^). De kleinere wereldlijke 
Torsten, wier bezittingen in Westphalen lagen, oor- 
deelden het raadzaam , hetzij uit schroom Toor de mag* 
tige geestelijke Torsten, hetzij uit een zekeren eerbied 
TOor het bestaande, ook in hun gebied de Trijgraaf- 
schappen in wezen te laten: maar CTcn als alle ambten 



^) Ook EiCHHOBN, III, § 422, geeft toe dat eene politieke om> 
■wenteling? moet hebben medegewerkt tot het veranderen van den 
aard der vrij«:erigten in Westphalen. 

2) Over het Bisdom Paderborn was de Aartsbisschop van Keulen 
krachtens de Keizerlijke benoeming Hertog. 



en regten in den tijd Tan het leenstelsel in bijzonder 
eigendom overgingen, had dit ook plaats met de vry- 
graafschappen of tfrysioelen i). De geestelgl^e en 
wereldlijke vorsten en heeren werden derhalve stoel* 
heeren genoemd; dat is, zg ontvingen van den Keizer 
het regt in ken om een vr^graaf aan te stellen en te 
deelen in de opbrengsten van het gerigt. Boven hen 
allen stond de Aartsbisschop van Keulen, die als op- 
zigter en stadhouder der vrijatoelen werd beschouwd 
en op dit regt niet weinig naijverig was ^). Door deze 
botsing van tegenstrgdige belangen bleven de vrijstoelen 
in Westphalen bestaan, terwijl zij elders verdwenen. 
Tot nu toe blijkt het, dat Yeemgerigten en Vrij'- 
stoelen woorden van dezelfde beteekenis zijn, en zoude 
men KiirnLiifGER^s gevoelen kunnen omhelzen, die de 
eersten regtstreeks van de laatsten laat afstammen, 
maar dan is men genoodzaakt eene gebeurtenis over 
het hoofd te zien, die aan de geheele zaak eene nieuwe 
rigting heeft gegeven, het schepenetiverbond namelijk. 
Dat er een dusdanig verbond heeft bestaan, is ontegen* 
zeggelijk, al kan men ook geene oorkonde aantoonen, 
waar zulks uitdrukkelijk wordt gezegd. Toen name- 
lijk in Duitschland het vuistregt zulk eene ongekende 
hoogte bereikte, toen na den val der Hohenstauffen 
de Keizerlijke magt geheel in minachting geraakte, werd 
het voor iedereen dringend noodzakelijk voor het be« 



1) Zoo heetten z'g naar den stoel of de verhevene zitplaats die 
de Vrijgraaf in het gerigt innam. 

2) Toen de Keizer ook aan den Bisscliop van Minden het regt 
gaf om vrijgraven aan te stellen, vond hij zich op aandrang van 
den Aartsbisschop van Keulen verpligt, dit voorregt weder in te 
trekken. Wiqand, S. 194. 



23 



hottd zijner regten te zorgen. Wat was natuarlijker, 
dan dat zulks \oornamelijk door onderlinge verbind- 
tenissen om elkander wederkeerig te ondersteunen , 
geschiedde? Het was juist niet moeijelijk om een 
Tonnis te f erkrijgen tegen hem , die eens anders regten 
schond of de rust der maatschappij Terstoorde, maar 
de zwarigheid lag in de uitvoering. De edelman, in 
zijn onneembaar kasteel verborgen, spotte met alle 
vonnissen, die hem tot teruggave van het onwettig 
genomen goed veroordeelden; waar was de waaghals, 
die ze durfde uitvoeren? Even zoo kon de burger 
eener vermogende stad gerust een vonnis afwachten, 
dat niet door de verkozene stedelijke schepenen was 
geveld; want de gezamenlijke burgerij zoude dit als 
eene schending der privilegiën beschouwd en den ge- 
rigtsbode de uitvoering met geweld hebben belet. Maai 
voor de vrijen of vryschepenen (want die woorden 
zijn, toen het getal der vrijen zoo zeer was ingekrom- 
pen, van dezelfde beteekenis) in Westphalen bestond 
die waarborg niet. Het lag dus voor de hand dat zij 
zich naauwer aan een sloten en elkander beloofden te 
ondersteunen, vooral bij de uitvoering der vonnissen, 
door vrijgraven uitgesproken. Ten einde nu overal 
van die medewerking verzekerd te zijn, werden ge- 
heime herkenningsteekenen uitgevonden, die deels be- 
kend zijn geworden, deels met de vrijschepenen zelve 
zijn ondergegaan. Tot de eerste soort behooren de 
woorden Stock ^ Steiriy Gras, Grein, het leggen van 
de regterhand op de linkerschouder van een anderen 
vrijschepen enz. Hij die door dergelijke herkennings- 
teekenen werd opgevorderd om hulp te bieden, mogt 
niet weigeren die te verleenen , op straffe des doods. 



24 



Het is dit verbond, die geheime leekenen, die aaolei* 
ding hebben gegeven tot al den romantischen onzin 
die over de Veemgerigten is geschreven. Inderdaad 
was het eerst daardoor dat de magt der Veemgerigten 
zoo verbazend toenam , daardoor verkregen zij eerst 
beteekenis in de geschiedenis der middeleeuwen i). 

^) EiCHHOBN t. a. p. III. S. 422 en von WUchter S. 168 loochenen 
het bestaan van een dergelijk verbond, hoofdzakelijk omdat er geene 
sporen bestaan van eene oorkonde, waarin dit verbond zonde zijn be- 
schreven en omdat men ook in andere gelijktijdige en latere stukken 
daarvan geen melding vindt gemaakt. Intnsschen schijnen mij deze 
lonter negatieve gronden geenszins afdoende. Het komt er slechts op 
aan wat men onder verbond wil verstaan. Wanneer men daaronder 
begrijpt eene plegtige verbindtenis van alle vrijen in Westphalen, tot 
het te keer gaan van alle misdrijven en tot krachtige handhaving des 
regts, dan voorzeker is het zonderling dat de oorkonde van dit ver- 
bond nergens te vinden zonde zijn en dan zoude men uit het niet 
bestaan van het bewijs der overeenkomst, tot het niet bestaan der 
overeenkomst zelve kunen besluiten. Maar zoo kan ik de bedoeling 
van WiOAND niet opvatten. Ik stel mij de zaak aldus voor. Van 
lieverlede is tusschen de vrijschepenen van nabijgelegene vrijstoeleu 
de mondelinge afspraak gemaakt, om elkander bij het uitvoeren van 
de vonnissen te ondersteunen. Die overeenkomst, dat verbond, heeft 
zich al meer en meer uitgebreid door het onderlinge verkeer op de 
dagen der Generale Kapittels als anderzins, tot dat het ten laatsten 
alle vrijschepenen in Westphalen bevatte. Langzamerhand werden 
herkenningsteekenen noodig , naarmate meer vrijschepenen tot die over- 
eenkomst waren toegeti-eden. Zoo wist iedereen dat er een verbond 
bestond en het was niet noodig dat schriftelijk nog eens te verzeke- 
ren; immers het was hoogst eenvoudig; het doel, wederzijdsche hulp 
bij het uitvoeren der strafvonnissen; het middel, de geheime herken- 
ningsteekenen. 

Neemt men een dusdanig verbond niet aan, dan stuit men op de 
zwarigheid, hoe men de uitbreiding van magt, die de oude vrijgerig- 
ten in de veertiende eeuw verkregen, zal verklaren? Eichhorn en 
VON WacnTEB laten alles zich van zelve ontwikkelen en geven alzoo 
toe , dat niet voor elke wijziging in de bevoegdheid en wijze van regts- 
pleging der aloude vi'ijgerigten eene oorkonde kan worden aangewe- 
zen; waarom, indien dit waar is, het bestaan ontkend van de ééne 
schakel, zonder welke geen zamenhang meer te vinden is? 



25 



Waarschijnlijk is het Terbond op het laatst der 13*^* 
of in het begin der 14"^* eeuw gesloten. Gedurende 
twee eeuwen heeft het zijne buitengewone kracht uit- 
geoefend; ?an dien tijd af vindt men de vrijgerigien 
meest f^eemgertgien genoemd , ofschoon tnsschen beiden 
geen daadwerkelijk onderscheid bestaat. Over den 
naam F'eem zijn alleen bladzijden Tolgeschreren ; het 
is echter onnoodig alle soms belagcheiijke gissingen 
hier te herhalen. liet gevoelen van Jacob GniMUy dat 
WiGiNO heeft overgenomen , dat ^eem vonnis en wel 
voornamelijk strafvonnis , straf en overdragtelijk dood^ 
^/ro^ beteekent, is wel het waarschijnlijkste i). Even- 
min is ook de strijd over het woord roode aarde, ge- 
lijk Westphalen in de taal der Yeemgerigten wordt 
genoemd, beslist. Het komt mij het natuurlijkste voor, 
dien naam van de kleur der rotsen op sommige plaat- 
sen in Westphalen b. v. in den omtrek van Arolsen 
af te leiden ^). De roode aarde is dan slechts eene 

') EiCHHORN kan zich met die zienswijze niet vereenigen , maar geeft 
er niets yoor in de plaats. De uitlegging van Thibbsch Vervemung 
U.8.W. S. 142, volgens welke Veem wyt of in het latijn vmm, de 
wilgen strik die tot het voltrekken der doodstraf diende t zoude be- 
teekenen, is evenzeer in strijd met de Dnitsche taal als de vroegere 
van fama. Oude Duitsche instellingen laten zich niet uit het latijn 
verklaren. Gbimm vond in een oud Dnitsch gedicht over de geschie* 
denis van Suzanna de volgende plaats. Suzakna zegt: 
Mir is bezzer herde vele 
dat ich mich der schande scheme 
und lide ane schuit de Veme. 

De verklaring is zoo duidelijk en de plaats zoo afdoende, dat 
daar eigenlijk niets is tegen in te brengen. — Dat Veem ook (behalve 
deze beteekenis) die van verbond, vereeniging heeft, gelijk Bilberdijk 
wil, kan zijn, en voor zoo ver men die verkiezen mogt, ware het 
beroemde verbond in eens bewezen! 

^) liet naast bij die meening komt die van Wioaitd, die ook roo- 
de aaide eenvoudig door regtspleging in de opeo lacht, in tegen- 



26 



emphatische benaming voor Westphalen. Toen ik voor 
eenige jaren de hooge bergen aanschouwde op wier 
helder roode zijden de zonnestralen flikkerden, viel 
het mij in, hoe gezocht het is bg roode aarde aan 
allerlei geheimzinnige toespelingen , op het wapenschild 
des HertogSy op de onderwerping der Saksen aan Eaml 
de Grooie^ op den bloedban enz. te willen denken , 
terwijl de beteekenis zoo daidelgk voor ons ligt. 

Bevoegdheid en werkkring der Feemgerigten. 

Wanneer men de inrigting van het Veemgerigt goed 
wil leeren kennen , dan behoort men in de eerste plaats 
zich af te vragen, over welke personen ^ over welke 
%aken^ over welke gewesten^ strekte zich de bevoegd- 
heid van het Veemgerigt uit? Eerst wanneer deze 
vragen beantwoord zijn, kan de wijze van regtspleging 
voor de Teemgerigten onderzocht worden. 

Uit het betoog in de vorige § gevoerd, dat Veem- 
gerigt en Vrijgertgt oorspronkelijk woorden van de- 
zelfde beteekenis zijn, blijkt genoegzaani dat slechts 
vrijen voor de Veemgerigten teregt konden staan. Dit 
vloeide uit den aard der zaak voort. Het beginsel dat 



stelling van die in besloten vertrekken, verklaart, maar de aarde 
is in het algemeen niet rood en het byyoegeiyk naamwoord is dus 
elders dan in Westphalen ongepast. 

De enkele plaats door Wioand in de Welzlarscht Beitrage III, 
S. 18, tegen dit gevoelen (dat ook door Bbbck was omhelsd) aan- 
gevoerd, bewyst als uitzondering niets tegen den regel, dat elders 
geene roode aarde gevonden wordt Von WacHTEB, S. 179 gelooft 
ook dat de uitlegging van Berck de waarschijnlijkste is. 



27 



men slechts te regl konde staan ?oor zijne pares curiaef 
Kijne evenknieën f zijne siandgenooien (om dit woord 
te bezigen) 9 lag daarbij ten grondslag. Immers ook 
slechts vrijen konden lot Trijschepenen worden aange-> 
nomen. Intusscfaen tinden wij onder de rrijschepenen 
ook enkele Torsten en Tele Edelen ^ terwijl het geen 
twijfel lijdt, of ook deze voor de vrijstoelen konden 
worden aangeklaagd i). Verre van dien was juist der« 
zelver werkzaamheid in die rigting de grootste, en menig 
geweldenaar, die in zijne rotsvesting gerust lederen 
anderen vijand konde tarten, sidderde voor de Veem- 
gerigten. De oorzaak is dan ook zeer natuurlijk. Ede- 
len en vrijen vormden ondtgds te zamen het volk; te 
zamen verschenen zij in hetzelfde placitum, zij be- 
hoorden alzoo tot denzelfden stand en konden aan 
geene verschillende gerigten onderworpen zijn. Iets 
anders was het met de lijfeigenen, Hofhoorigen, keur- 
meedigen enz. Zij behoorden in den Hof van hunnen 

>) Zonderling genoeg beweert de geleerde EichhornIII. §421, dat 
de regtspleging der Veemgerigten zich niet over de Vorsten uitstrekte, 
omdat zij voor een gerigt Tan Vorsten behoorden getrokken te worden. 
Maar hij ziet over het hoofd, dat de landshoogheid eerst later werd 
verworven en geen inbreuk konde maken op de aloude bevoegdheid 
der Vrijgerigten. Ook werd daaraan door de Vrijgerigten nooit ge- 
twijfeld. VoN WacHTEs heeft zalks s. 199 dnidelijk betoogd. Bij 
KoFP s. 190 vindt men eene menigte personen van vorstel^ken stand 
opgenoemd, die voor de Veemgerigten teregt stonden en nimmer in- 
competentie beweerden. Het regtsboek van het Veemgerigt bij Tboss, 
8. 40 vermeldt dan ook dnidelijk, dat de Vrijgraaf bevoegd is over 
de Vorsten regt te spreken , wannneer men vruchteloos regt tegen hen 
bij den Keizer had gezocht. Eindelijk zegt Keizer Sioismukd in het 
merkwaardige regtsgeding van Hertog Hbndbik van Beijsrek bij 
TniEESCH Vervemung n. s. w. S. 1 1 met ronde woorden : • Nu wist 
ir wol, das kein kurfurst, furst, herre noch niemant ander fur solich 
heimlich gerichte mag gefreict sein.** Sterker bewijs is niet te 
leveren. 



28 



heer; hadden zij ieU misdreTen, huns gelijken spraken 
over hen regt onder voorzitting Tan den heer of zijnen 
Hofrigter, Meijer, of Rentmeester. Tot het yolk be- 
hoorden zij niet, zij hadden geene stem in staatszaken. 
Ook was de Heer yerantwoordeltjk voor hun gedrag. 
Werd de Trede of orde der maatschappij door hen 
Terstoord» het nel gemakkelijk hen bij hunnen Heer 
aan te klagen, die dan verpligt was hen te strafiTen. 
Weigerde hij zulks, dan werd hij de schuldige; in 
geen geTal had de maatschappij iets met zijne Hof- 
hoorigen te maken. Trouwen stonden Toor zoo Ter 
wij weten, nimmer voor de Veemgerigten teregt. Zij 
hadden in het oude placitom geene stem gehad, maar 
stonden onder het momberschap Tan haren ?ader, echt- 
genoot of broeder; de momber stond derhalTe Toor 
haar in. ËTcnzeer waren geestelijken uitgesloten van 
de deelneming aan en Teilig voor de uitspraak van het 
Yeemgerigt. Zij hadden zich zoo Troegtijdig aan het 
aloude Gravengerigl onttrokken, dat zij niet meer als 
gelijken, als integrerende bestanddeelen van het Tolk 
werden beschouwd. Daar zijn enkele voorbeelden dat 
ook geestelijken onder de Trijschepenen waren, doch 
deze zijn hoogst zeldzaam '). Uit het werk Tan Voigt 

') DiRKS, pag. 83, noemt op het gezag van Berck, Diederik 
Abt van Corvey, onder de Vrijachepenen : in de uitspraak van den 
vrijstoel te Norderna, Bijlage III. vindt men He»drik Graaf van 
Nassau, Domproost te Mentz en Proost te Bonn als zoodanig: dat de 
Bisschop van Utrecht, gelijk Bbvxus Hist Da», p. 112 zegt: door 
den Keizer onder de Yrijgraven zonde z\}n opgenomen , berust op een 
misverstand. Aan den Bisschop werd de magt verleend om een vrij« 
stoel op te rigten. De Keizer maakte hem dus tot Stoelheer, niet tot 
Vrijgraaf. Bij Ddmbab Kerk. en wereldL Deo, blz. 572 vindt men het 
bedoelde stuk. Vergel. ook hierna Hoofdst. II. § 2. Vele aanzienlijken 
omhelsden eerst dan den geestelijken stand, wanneer zij in het bezit 



29 



ziet men hoe nadrukkelgk de floogmeester van de 
Dnilsche orde ia Pruissen zich tegen de aanklagten bij 
het Veemgerigt Terdedigde, en hoe hem dit, het is 
waar niet zonder Teel moeite en zware kosten, gelukte. 
£n toch was de zaak twijfelachtig, want de Doilsche 
ridders behoorden tot die tweeslachtige wezens, de 
geestelijke ridders, en konden in zekeren zin als we- 
reldlijken worden beschouwd. Daarbij was de Aarts- 
bisschop Tan Keulen der orde Tijandig en liet de 
TrijgraTcn den Trijen tengel. De bedenking dat des- 
niettegenstaande de orde eigenlijk eene geestelijke rid* 
derorde was, bewoog eindelijk de Trijschepenen en 
TrijgraTcn om toe te geren en de Iloogmeester wist 
Tan die uitspraak zóó wel gebruik te maken dat hij 
Tan licTerlede alle zijne onderdanen, die toch geene 
geestelijken waren, Tan den inrloed der Veemgerigten 
bcTrijdde. 

Ook op Joden en Heidenen waren de Veemgerigten 
niet Tan toepassing. De maatschappij in de middel- 
eeuwen was eene Christelijke. Niet*Christenen waren, 
derhalve slechts geduld, zij waren buiten de wetten 
en, zoo zij regten hadden, dan waren het slechts de 
zulken, die uitdrukkelijk Toor hen waren geschrcTen. 
Bij UsENSR Tindt men wel is waar Terscheidene dag- 
Taardingen Tan Frankforter Joden, doch de gCTolg- 
trekking die hij daaruit maakt (S. 35) dat de vrijstoelen 
niet naar dezelfde regelen ten opzigte der bcToegdheid 
handelden, is geheel Talsch. De oude gerigtsboekeiv 



Tan een bisdom , eene proostdij of eene andere geesteiyke waardigheid 
geraakten. In hunne jeugd waren zij somwijlen vrijschepenen gewor- 
den. Zóó konden er uitzonderingen op den zoo even vermelden regel 
ontstaan. 



30 



en reformatien van het Yeemgerigt sluiten de Joden 
uitdrakkelgk uit i) en sijn er enkele Trijgrayen ge* 
'weest die zich aan die reformatien niet stoorden, zoo 
bewijst dat alleen énti de tijd yan yeryal reeds was 
aangebroken en dat er misbruiken waren ingesloopen. 
Regt logisch bant daarom in 1480 de Vrijgraaf Ditmar 
MüLLifKR te Corbacfa, den Jood Isaak tan Gsngeit, 
nit de gemeenschap der Joden te Frankfort, Friedberg, 
Windecken, Mnnzenberg, enz. Hij konde de Chris- 
tenen niet beletten met Isaak te verkeeren, dit zag de 
Trggraaf in, want Jood en Christen hadden geen gelijk 
regt, en het bannen van een Jood uit de gemeenschap 
der Christenen was klare onzin; dat hij derhalve zich 
de geheele zaak niet had behooren aan te trekken, was 
den vrijgraaf niet ingevallen. Ware er een Hof van 
Cassatie voor de Veemgerigten geweest (gelijk de vrij- 
stoel te Dortmund, door sommigen, hoewel ten onregte 
wordt genoemd), het vonnis ware vernietigd geworden, 
maar juist de dwaling van dezen regter bewijst het, dat 
Joden niet behoorden teregt te staan voor de vrijstoelen. 
Tot beantwoording yan de vraag , over welke zaken 
de Yeemgerigten regt spraken? behoort men onder* 
scheid te maken, tusschen de verschillende tijdperken. 
Aanvankelijk werden yoor de gerigten, zoowel in het 
geboden als ongeboden geding, evenzeer burgerlijke 
zaken als strafzaken behandeld, zoo als zulks de Ger- 
maansche zeden en gewoonten medebragten. Alle ge- 
schillen hadden toen nog betrekking op alle standge- 
nooten. Men vindt dan ook talrijke bewijzen yan 
overdragten van vast goed, van schuldvorderingen enz. 



1) Zie een dergelijk yoorschrifi; bij Gosbel S. 175 en 179. 



31 



die voor de Vrijgerigten werden behandeld. In lateren 
tyd echter veranderde die r^tspleging van aard. Vele 
vrije en allodiale goederen waren leenen geworden en 
alzoo aan de regtspraak der Vrijgerigten onttrokken. 
Vele vry willige handelingen tusschen de oude vrijen en 
de leen- en dienstniannen konden moeilijk elders dan 
voor het gerigt Tan den landsheer worden afgehandeld , 
omdat leenmannen en dienstmannen alleen aan dit 
gerigt gezag toekenden. Maar, en dit is in onze oogen 
de gewigtigste reden, waarom de Veemgerigten lang- 
zamerhand de regtspraak in burgerlijke zaken verloren, 
daar bestond geene behoefte aan dergelijke regtspraak. 
De overdragt ran eenig goed, de verschrijving (consti- 
tutie) van de eene of andere rente, en soortgelijke 
overeenkomsten meer, konden gemakkelijk door het 
eene of andere gerigt gestaafd worden, daar lag de 
zwarigheid niet; maar om een magtigen overtreder der 
wetten te doen straffen, om geroofd goed terug te 
erlangen, daartoe waren de gewone gerigten onmagtig. 
Zoo gebeurde het dat de Veemschepenen van lieverlede 
zelve overtuigd werden dat burgerlijke zaken niet voor 
hunnen regterstoel behoorden. Toen Koning Ruprbcht 
in 1408 aan de verzamelde Vrijgraven de Traag deed, 
of iemand wegens vaste goederen of geldschulden Toor 
de Veemgerigten konde morden gedagvaard, gayen 
zg een ontkennend antwoord. Geheel overeenkomstig 
met dit beginsel werden daarom in 1458 twee Vrij« 
graven, die iemand wegens eene geldzaak voor het 
Veemgerigt hadden getrokken, door een uitspraak van 
den vrijstoel in de vest Rekelinghusen tot vergoeding 
der gemaakte kosten veroordeeld en, toen zij niet ver- 
schenen, door het Generaal Kapittel te Arnsberg van 



32 



hunne waardigheid ontzet. Voorzitter bij die gelegenheid 
was de Yrijgraaf HuGO tan Oosterwij ck, een man die 
later meer zal voorkomen <). Zoo werd het Veemgerigt 
alleen strafgerigt en wel alleen Toor zware misdaden. 
Over het aantal en de soort dier misdaden heeft wel eens 
verschil tusschen de geleerden bestaan. Waarschijnlijk 
behoorden daartoe de volgende twaalf. 1. Afval van het 
geloof y 2. heiligschennis, 3. verraad, 4. diefstal, 5. mis- 
handeling van kraamvrouwen, 6. vrouwenkracht, 7. mein- 
eed, 8. moord, 9. valschheid, 10. grafschennis, 11. roof 
aan armen en kranken gepleegd, 12. wederspannigheid >), 
Tot deze laatste soort werd de misdaad gerekend welke 
de Veemgerigten zich meer bepaald aantrokken, name- 
lijk regtsweigering. De Veemgerigten ais oude Keizer- 
lijke gerigten beschouwden zich als verre verheven 
boven alle andere gerigten; zij namen dus in de eerste 
plaats klagten van hen aan, die beweerden dat zij bij 
eenig ander gerigt geen regt hadden kunnen verkrijgen. 
Dan werd niet de tegenpartij, maar de onregtvaardige 
regter voor het Veemgerigt gedagvaard. Het kwam er 
alzoo niet op aan, of de klagt oorspronkelijk eene 
ischuldvordering had betroffen, want niet daarover werd 
bij het Veemgerigt geklaagd, maar wel dat de regter 
partijdig was te werk gegaan. Zoo werd de burgerlijke 
zaak van zelve strafzaak en veemwroegig. Deze aan- 
klagt wegens regtsweigering was het geduchtste wapen 
in de hand der Veemgerigten om ook de magtigste ge- 
weldenaren te doen beven; maar gelijk iedere nuttige 



*) Deze bijzonderheden zijn ontleend aan Wioakd's Arch. für Ge- 
schichte und AlterthumsJcunde Westphalen's IV. Bd. 2. S®» heft. 

') EiCHHORN III. § 421. die een Arnsberger (?) gewijsde, bij Sencken- 
BERG overgenomen , tot bewijs aanhaalt. 



33 



instelling door overdrijving schadelijk kan worden, gaf 
zij ook aanleidii^ tot groote misbruiken. 

Immers, en hiermede kan men in de derde plaats 
de Traag beantwoorden, over welke gewesten het 
Yeemgerigt zijne magt uitstrekte, kon iedere Graaf en 
iedere Yrijgraaf aanvankelijk slechts regtspreken in de 
Gouw of het gedeelte derzelve, waarover hg was ge- 
steld. Maar toen de Vrijgraven zich een hooger gezag 
begonnen aantematigen en zich als hoogste Keizerlijke 
rigters te beschouwen, maakten zij geene zwarigheid 
om ook personen buiten hun vrijgraafschap voor hunne 
vrijstoelen te dagvaarden; zij deden dit niet alleen door 
geheel Westphalen, maar ook in alle overige gedeelten 
van Duitschland. Dat deze laatste handelwijze een be« 
paald misbruik was, aarzel ik niet te verklaren. Over 
hunne bevoegdheid in Westphalen bestaat meer twijfel. 
De Hertogelijke waardigheid aan den Aartsbisschop van 
Keulen daar verleend en zijne betrekking van oppersten 
stedehouder der vrijstoelen, konden tot regtvaardiging 
van dien maatregel worden aangevoerd. Welke echter 
de grenzen yan het oude Westphalen waren , was 
moeilijk na te gaan. Zooveel is zeker dat buiten 
Westphalen en dat deel van Engeren aan deze zijde 
van de Wezer dat onder het Bisdom Paderborn was 
begrepen, geene vrijstoelen gevonden werden. Alles 
wat of de romanschrijvers of de Tolksoverleveringen 
verhalen yan vrijstoelen in Frankenland, Zwaben, 
(Baden) enz. berust op dwaling, misverstand of opzet- 
telijke verkorting der waarheid. Als noordelijke grens 
yan de vrijstoelen mogen wij de grenslijn beschouwen 
die de Friezen van de Saksen scheidt, zoo echter, dat 
noch in het neder-Graafschap Hoija, noch in Delmen- 
lih. X. 3 



34 



horsl Trijstoelen werden gerondeii i). De oostelijke 
greDsscheiding is de Wezer. Ten «liden en znidoosten 
moet men de lijn die de Franken (en dos ook de Hessen) 
Tan de Saksen scheidt, als grens der Trijstoelen be- 
schoQwen ^). Welke de grenzen ten westen waren zal 
in het yolgeode hoofdstuk onderzocht worden. De hoofd- 
zetel der Yeemgerigten was Dortmund. De vrijstoel 
aldaar onder den aiooden lindeboom boiten de stad was 
de beroemdste ?an geheel Westphalen* Hij werd de 
spiegel^ ook wel de JfConinklijke hamer ^ geheten en werd 
als den oodsten in geheel Westphalen beschouwd. Daar, 
meende men, had Earsl de Grooie eenmaal den Graaf 
Trvttmanit als stedehouder van alle vrijsloelen in West- 
phalen aangesteld. In dien vrijstoel had Keizer SiGiSMUKD 
zich als Yrijschepen doen aannemen. Daar werden 
veelal de Generale Kapittels of yergaderingen der Vrij* 
graven gehouden , welke over de strijdvragen, die zich 
omtrent de bevoegdheid van hetVeemgerigty of de wijze 
van regtspleging hadden opgedaan , uitspraak deden. De 
raad der stad Dortmund was voor de helft stoelheer van 
dien vrijstoel, (de andere helft behoorde den Keizer- 
lijken Graaf te Dortmund), en daarom zoowel, als om- 
dat de meeste schepenen van Dortmund ook Vrijschepe- 
nen waren en aan hen, die geroepen waren om dagelijks 
het overoude stadregt uit te leggen, de kennis van alle 



1) VoN Ledbbub in het Archiv. Jur Gesch. ü. 8. w. I Th. 1 Heft. 

^) Daannede strijdt niet dat ook in een gedeelte van Hessen te 
Grebenstein, Zierenberg, bij Helmershausen vrijstoelen worden aan- 
getroffen. Kopp die zulks S. 111 vermeldt, deelt tevens mede dat 
die plaatsen lagen » op Sngersche of Westphaalsche aarde.^ Zij be- 
hoorden in vroegeren tijd tot den pagus Hessi-Saxonicus , waarran de 
naam alleen reeds aanduidt dat hij oorspronkelijk tot Saksen behoorde 
en eerst later in de magt der Hessen kwam. 



35 



oade regten werd toegeschreven , nam men in moeije- 
lijke geyallen dikwijls toeflugt tot den rsad dier stad , 
die zich ook steeds bereidwillig betoonde om zijne halp 
te verleeuen. Men ziet dat het moeilijk is den Trijstoel 
Tan Dortmund tot een soort yan oppergeregtshof over 
de yrijstoeleo te maken , al kan men niet ontkennen 
dat di^ yrijstoel in grootere achting stond. In latere 
tijden werden de Generale Kapittels meestal te Arnsberg 
gehouden, dat daarom den Toorrang aan Dortmand be- 
streed. Het lijdt echter geen twijfel of het gezag van 
den yrijstoel te Dortmand was yan veel oodere dag» 
teekening. 

S3. 

Het regtsgeding voor de F'e^mgerigien, 

Grooter onregt heeft men de Vrijschepenen niet kun* 
nen doen , dan door hen te beschuldigen, dat zij in kei'» 
ders en onderaardsche gewelven, in het midden vanden 
nacht vergaderden en dat de regters aan de aangeklaagd 
den onbekend waren. Hunne vergaderplaatsen waren 
overal in de open lucht b. v. te Dortmund onder des 
Konings linde, in de vest Rekeiinghusen , inheteikenholt 
bij den Luttikenhove , te Ëlderinghusen onder den 
hagendoorn enz.; het waren de aloude maalplaatsen , 
waar het heymaal werd gehouden; die plaatsen waren 
algemeen bekend en het zoude dwaasheid zijn geweest, 
die voor het volk te willen verbergen. Evenzoo waren 
de namen der Vrijgraven en Vrijschepenen geenszins 
verborgen : integendeel bij de uitspraken van het Veem* 
gerigt worden meestal eene menigte Vrijgraven en Vrij» 

3*^ 



36 



acbepenen, die het oordeel hadden geweien, met name 
genoemd en, ten alle oTervloede, hingen zg hunne legela 
aan het Tonnis. Ook spraken de Veerarigters nimmer 
regt dan bij klimmende zon. 

Welke de aanleiding is geweest tot die beschnl* 
diging Tan geheimzinnige regtspleging , is echter ge* 
makkelijk op te sporen. Vooreerst de naam zelf tan 
heimelyk en verboden gerigt. Heimelijk beteekent in 
het onde Nederdaitsch echter geenszins Terborgen, maar 
geeft eer iets bijzonders, iets Tertroawds, te kennen >)• 
Gesloten was het gerigt zonder eenigen twijfel, in zoo- 
Ter slechts de Veemschepenen werden toegelaten^ maai 
geenszins geheim. Het onderscheid is gemakkelijk waar 
te nemen, wanneer men slechts aan deze maatschappij 
en zooTcle andere gezelschappen en genootschappen in 
ons Taderland denkt, waar ook alleen de leden worden 
toegelaten en die toch geenszins tot de geheime genoot- 
schappen, zoo als b. T. eene societé des drotis de fAomme 
enz. , behooren. F'erboden gerigt is eigenlgk hetzelfde 
als geboden gerigt, waarTan de beteekenis hierboTen is 
opgegCTcn; het is alleen onkunde, die het door jndi- 
ciam Tetitam heeft doen Tertalen. — In de tweede 
plaats kan men niet ontkennen dat er zekere geheimen 
bg het Veemgerigt waren , b. t. de herkenningsteeke- 
nen, sommige formulieren en gebraiken, waarTan de 
beteekenis Toor alle onwetenden , dat is Toor hen , die 
niet in het Terbond der Veemschepenen waren opgeno- 
men, zorgTuIdig geheim werd gehouden, zóó zelfs dat 
het op doodstraf Terboden was die te openbaren. Ein- 
delijk bleef het ook geheim, aan wien de Toltrekking 



1) WlOAHD, S. 801. 



37 



Van het doodTOnnis was opgedra|[en. Terwijl er dus 
inderdaad geheimen bestonden , terwijl het woord hei* 
nielijk gerigt tot eene verkeerde uitlegging als hel ware 
uitlokte, is het niet bevreemdend dat de onkundige 
menigte nu ook de regters zelven ia een geheimzinnig 
daglicht heeft beschouwd. 

Evenmin als de regters onbekend of gemaskerd wa» 
ren , evenmin maakten sij gebruik van de pijnbank. Het 
is reeds hier te voren gezegd, de pijnbank is eene uit« 
vinding van de geestelijke regters en de geleerde Bo* 
meinsehe juristen i). Zg behoort niet te huis in het 
Crermaansche regt. Om dit te bewijzen zal het genoeg 
sijn den loop van het regtsgeding voor het Veemgerigt 
soo kort mogelijk na te gaan. De aanklagt' konde niet 
geschieden dan door een Veemschepen, Daaruit volgt 
nu niet dat de Veemschepenen verpligt waren de mis* 
daden, die er soms in de nabijheid hunner woonplaats 
gepleegd waren, op te sporen; integendeel, bijdeVeem- 
gerigten gold de overoude Germaansche regtsregel, 
>»waar geen klager is, is ook geen regter.^ De ver- 
pligting van denVrijschepen, om de veemwroegige mis- 
daden, die ter zijner kennis waren gekomen, voor het 
Veemgerigt te brengen, behoort in dien zin te worden 
uitgelegd dat het den Vrijschepen niet geoorloofd was 
de grieven van hem, die zich verongelijkt meende, te 
verzwijgen, maar dat hij gehouden was die ter kennis 
van het gerigt te brengen en alzoo zelf als klager op te 
treden. Het denkbeeld van een verbond om elkander 



') Bij dit ongnnstig oordeel oyer den invloed van het Romemsche 
regt, wel te verstaan van het strafregi, sta ik niet alleen. Behalve 
op v«]e anderen, kan ik mij beroepen op den Heer vam dkm Bbroh, 
VerhandeUng over de oude wijze van straf oordeling , blz. 104 en 120^ 



38 



te helpen in bet opsporen van alle misdaden en als het 
ware de plaats der strafiende Voorzienigheid in te ne- 
men, moge belangwekkend en romantisch zijn, het 
konde in de zeer ernstige maar zeer positieve hoofden 
der Westphaalsche Vrijschepenen niet opkomen; het 
was hun genoeg den klager , wanneer hij zich opdeed, 
aan z^n goed regt te helpen i). 

In de behandeling der zaak werd onderscheid gemaakt 
tnsschen wetenden of leden ran het yerbond en niet* 
wetenden. Werd een wetende aangeklaagd, dan riep 
de Vrijgraaf door den Yroonbode (Froknboté) de Vrij- 
schepenen bijera en legde hun de Traag Toor , of de 
zaak veemwroegig was? Bij een toestemmend ant- 
woord ontving de aangeklaagde eene dagvaarding, om 
op een bepaalden dag voor den vrijstoel te verschijnen. 
De termijn tasschen de schriftelijke dagvaarding en 
den dag der verschijning was zes weken en drie dagen, 
zoodat de aangeklaagde tijd orer had om zich op zijne 
verdediging voor te bereiden, of het geschil met den 
aanklager in der minne te vereGTenen. De dagvaarding 
behelsde het onderwerp van het geschil, den naam des 
aanklagers, des Vrijgraven die zich de zaak had aange- 
trokken en der plaats waar het gerigt zoude gehouden 
worden. Zij werd doot twee Vrijschepenen overgebragt. 
Aan den aangeklaagden werden echter nog twee even 
lange termijnen vergund, als de eerste termijü was ge- 
weest ; de tweede dagvaarding werd dan door vier Vrij- 
schepenen, de derde door ze& Vrijschepenen en een Vrij- 
graaf overgebragt. Eerst wanneer ook de aangeklaagde 



1) Men zie het aloude gerigtsboek bij Tboss S. 35. Het formulier 
alleen sluit ieder denkbeeld van een inquifiitoriaal geding uit. 



39 



bij de derde dagfaardiog niet Terscheeiiy werd hy ali 
wederspannig beschouwd. YerscfaeeQ hij echter io het 
geding 9 dan yro^ de Yrijgraaf, die op eene kleine 
hoogte was gezeten en voor wien het zwaard , het 
kruis en de strop lagen, aan den Yroonbode, of het 
de plaats en de tijd was om de bank te spannen ? 
Ifa Terscheidene andere Tragen, nam de aanklager of 
«ijn voorspraak (want beide partijen konden zich van 
een voorspraak of advocaat bedienen, zoo als beiden 
ook door een procurator of gemagtigden in het geding 
konden verschgnen) het woord en bragt zijne aanklagt 
voor. De geheele manier van procederen was dan 
hoogst kort en eenvoudig. De aangeklaagde bezwoer 
sijne onschuld. De aanklager kon hem dan met twee 
eedsbelpers {c^nsacramentales), dus drie eeden , orertui- 
gen. Hiertegen kon weder de aangeklaagde zes eeds- 
helpers stellen , en de klager wederom dertien. Einde* 
lijk konde de aangeklaagde zich met twintig eedshelpers 
van de aanklagt geheel reinigen en tegen dit bewijs- 
middel van één en twintig eeden werd geene verdere 
Tervolging toegelaten. De Yrijschepenen velden dan 
het vonnis en spraken hem vrij. Werd hij overtuigd, 
dan spraken zij den ban over hem uit en vervreemden 
hem; maar ook zelfs aan dezen vreesselijken ban konde 
hij zich onttrekken, door aan den aanklager voldoening 
te geven, een bewijs te meer dat bij het Yeemgerigt 
geen inquisitoriaal proces plaats had en dat de Yrijgra* 
ven volstrekt niet ambtshalve de misdaden vervolgden* 
Wij hebben hierboven (bladz. 36) opgemerkt dat het 
gerigt geheim was, in dien zin namelijk, dat alleen 
wetenden daar werden toegelaten. Niettemin was het 
oude ongeboden gerigt, het ecAie ding^ nimmer uit* 



40 



drukkelijk afgeschaft en ook bet oade geboden gerigty 
waarbij wel is waar slechts zefen Schepenen behoefden ^ 
maar alle yrijen honden verschijnen , bestond nog, al 
werd het zeldzaam bijeen geroepen. Yoor dit open- 
bare gerigt hadden eigenlijk alle onwetenden moeten 
gedagvaard worden, maar langzamerhand sloop het 
misbraik in, dat ook over dezen in de » heimelijke be- 
slotene acht'* werd geoordeeld. Intus^chen mogten zij 
daar niet verschijnen en het kwam er das weinig op 
aan of eeo aangeklaagde werkelijk schaldig was of niet ; 
hij verscheen niet en moest das veroordeeld worden. 
Uit het eene misbruik sproot het andere voort , men 
dagvaardde den onwetenden niet, maar verveemde hem 
in de heimelijke acht en zoo was hij dikwijls reeds 
reddeloos verloren , vóór dat hij konde vermoeden dat 
hij vervolgd zoude worden. Dat die handelingen mis- 
bruiken waren, nemen wij met von WëCHTBB, S. 166» 
Yolledig aan. Hij bewijst daar ter plaats, dat geens* 
zints alle Veemgerigten in dit misbruik waren yervallen, 
dBt in 1410 alle burgers van Frankfort, wetenden en 
onwetenden, voor het openbare geregt te Norderna 
werden gedagvaard en dat Hertog Hendrik tav Bsui- 
RBN, die in 1424 nog niet wetend was, voor een vrij* 
stoel verscheen en daar werd vrggesproken. Eindelijk 
maakte de Amsberger reformatie van 1437 i), waarbij 
uitdrukkelijk werd bepaald, dat de onwetenden voor 
het openbare gerigt moesten worden gedagvaard, aan 
dit misbruik, waar het nog roogt bestaan, een einde. 
Dit openbare gerigt en de wijze waarop daar regt werd 
gesproken behooren onder de moeijelijkste vraagstukken 



1) Den tekst dier reformatie vindt men bij Tboss, S. 22. 



41 



io de geschiedenis der Veemgerigten. Het naast bg dé 
waarheid zal wel de zienswijze van ton WëCHTSR^ S. 231 
en Yolgenden, komen. De onwetende werd even als de 
wetende schriftelijk gedagvaard tegen denzelfden ter- 
mijn Tan zes weken en drie dagen, maar hij werd 
slechts eenmaal gedagvaard ; Terscheen hij , dan konde 
hij met twee eedshelpers zijne onschnld bezweren; tegen 
dezen stelde de aanklager zeTen eeden en gelakte het 
al den aangeklaagden veertien eeden tot bewijs Tan 
zijne onschuld bij te brengen, dan werd hij door een 
en twintig eeden OTcrtaigd. Hier is dus eene Tcrhou- 
ding in het nadeel Tan den aangeklaagden ; immers de 
eerste trap, de zuiveringseed , die den aangeklaagden 
Yrgsöhepen geheel alleen vrijstond, ontbreekt hier en 
de aanklager kon het laatst zijn bewijs Toorbrengen, 
terwijl in de heimelyke acht aan den aangeklaagden 
Yrijschepen het laatste woord werd gegund. Dat daar- 
om aan den onwetenden toch het regt van Tcrdediging 
niet werd ontnomen, blijkt genoegzaam. Maar ook 
andere Tcrdedigingsmiddelen stonden hem ten dienste; 
hij kon zich immers door een procurator, die Veem- 
schepen was doen Tertegenwoordigen en dan Terdween 
elke nadeelige verhouding. Wel betwgfelt TON Wüchtbr 
op grond van de tegenstr^dige lezingen in de oude ge- 
rigtsboeken, of de procurator ook den eed konde af- 
leggen voor en namens den aangeklaagde, maar in de 
Bijlage X vindt men een treflend bewijs, dat zulks 
inderdaad geoorloofd was. Het kwam er dus voor den 
onwetenden slechts op aan , een Yeemschepen te vin- 
den , die Tan zijne onschuld overtuigd was en den moed 
had , die in het geding te verdedigen. 

Nog andere middelen konden de onwetenden daaren- 



42 



botéo aanwenden. Zij verdedigden zich, of met het 
onatrafbare hunner handeling, of door middel van 
schriftelijke bewijzen, waaruit hunne onschuld Toort- 
* vloeide, of zij boden den aanklager genoegdoening aan, 
en de Yr^schepenen , »die erenfeste trouwe, opregte 
mannen/* waren niet zoo onredelyk om tegen alle die 
bewijzen aan den klager tot den eed toe te laten. Dat 
bewijzen de talrijke vrijspraken, die ik zal mededeelen 
en waardoor het gemis aan oorkonden omtrent de regts» 
pleging bij aanwezigheid der aangeklaagden, een gemis 
waarover Yosr Wüchtsr t. a. p. klaagt, eenigzins zal 
worden verholpen. 

Sene zaak was daarenboven bg de Arnsberger refor- 
matie gewonnen. De dagvaarding van den onwetenden 
was gebiedend voorgeschreven en zonder behoorlijke 
dagvaarding kon er geen vonnis over hem geveld wor- 
den. Het overbrengen van die dagvaarding, was voor 
de Yrijschepenen alles behalre gemakkelgk. £en voor- 
beeld moge genoeg zijn. De Munstersche edelman 
EvsaT VAH Djipsnbbosk , door vier Yrijschepenen in 
het jaar 1441 voor den vrijstoel te Heiden gedagvaard, 
nam met behulp van zgn broeder Gxrrit de Yrijsche- 
penen gevangen, mishandelde hen en deed twee van 
hen ophangen. Daarop werden de misdadigers nog- 
maals voor den vrgstoel gedagvaard en, toen zij niet 
verschenen , met het hoogste regt verveemd. De Yry- 
graaf BsREHD de Dukxr schrgft daarom aan de Magistraat 
der stad Boekholt en gelast alle echte Yr^schepenen 
om Gbrrit VAir Diepehbroik (die de schuldigste schijnt 
geweest te zijn) en zijne knechten, wanneer men ze 
meester konde worden , aan den eersten boom den bes- 
ten op te hangen. YYelke de uitslag der zaak geweest 



43 



isy blijkt niet» maar, als men bet aantal Vrijschepeneo 
in het Manstersche in aanmerking neemt , dan wordt 
het 2eer waarschijnlijk, dat de overmoedige edelman 
sijn leren ergens aan een boomtak heeft geëindigd >). 
Het gevaar van soortgelgke bejegening bewoog dan dik- 
wijls de Yrijschepenen om de dagvaarding des nachts 
aan de poort van eene stad of van een kasteel te nage- 
len, waar men ze dan des morgens vond. Een voor- 
beeld van eene dergelijke dagvaarding van den onrnsti- 
gen ridder HiRüiir VAir MiLLiNCKRODT, die self Vr^- 
sehepen was, vindt men bij Thibrsch 2). Daar werd 
de dagvaarding in de grendel van de poort van het 
kasteel Wetter gestoken en werden drie spanen hout 
nit de poort gesneden. 

Wanneer de aangeklaagde niet verscheen, was de 
wijze van regtspleging de volgende, hetz^ de aange- 
klaagde Vnjschepen was of niet. De Yrijgraaf vroeg 
aan de vergaderde Yeemschepenen of de zaak veem- 
wroegig was. Werd dit bevestigend beantwoord, dan 
vroeg de Yrggraaf hen, die met het overbrengen der 
dagvaardingen waren belast geweest, of die dagvaardin- 
gen in den wettigen vorm hadden plaats gehad ? Bleek 
nu bij onderzoek, dat dit het geval was geweest en 
bleef de aangeklaagde, na nogmaals uitgeroepen te zijn, 
afwezend, dan vroeg de aanklager, dat het vol gerigt 
over den aangeklaagden mogt worden voltrokken. De 
Yrijgraaf deed den aanklager nederknielen , de beide 
voorste vingers van de regterhand op het zwaard leggen 



') Men vindt het verhaal bij Kixsert, Bdtrdge zu eitiem Miinateri- 
achen ürkundmbuche I Theil 2 Abtheilung n"*. xxyiii; Wig and S. 252. 
*) Gesch. der Stadt Dortmund. 



44 



en nam hem in die houding een zeer plegUgen eed af, 
hoofdzakelijk inhoudende dat zijne aanklagt regtfaardig 
was geweest; zgne medezweerders legden nu met de- 
selfde fonnaliteiten den eed af , houdende dat de eed 
door den aanklager gedaan deugdelijk en waar was. 
Daarop yolgde de Teryeeming, de Yrijgraaf sprak den 
ban uit orer den aangeklaagden, zijn naém werd in 
het bloedboek opgeteekend en de uitvoering yan het 
yonnis aan eenige Yrijschepenen opgedragen. Wie deze 
laatste waren bleef geheim, daartoe werd dan, wan- 
neer de zaak in het openbare geding behandeld was, 
de zitting in eene heimdyke beslotene tic&t yeranderd ; 
maar ieder Trgschepen, wie hij ook ware, was yer- 
pligt hen te helpen , wanneer zij hem den brief yan 
den Yrijgraaf vertoonden, of ook wanneer slechts drie 
Yrgschepenen zwoeren dat de aangeklaagde wettig yer- 
yeemd was. Waren drie Yrijschepenen bij elkander; 
dan mogten zij den veryeemden aanvatten, hem aan 
den naasten boom ophangen en een mes in den boom 
steken ten teeken dat hier geene bijzondere wraakoefe- 
ning badplaats gehad, maar dat de onverbiddelijke regt- 
vaardigheid van het Yeemgerigt haar slagtoffer had 
getroffen. 

Op gelijke wijze werd gehandeld wanneer drie Yrg- 
schepenen een misdadiger op heeter daad betrapten. 
Op heeter daad {handhafte That) werd een misdadiger 
betrapt, wanneer er aanwezig waren a. hebende hand^ 
dat is wanneer de hand nog opgeheven was , die de 
misdaad had volbragt i), 6. blickender sehetn, wan- 



1) Sommige lezen irliabende hand** en dan beteekent dit dat de 
hand van den misdadiger bet wapen nog vasthield waarmede de mi»* 
daad was gepleegd. 



46 



neer er een zoodanig teéken werd gefonden, traamil 
ontegenzeggelijk bleek, dat de misdaad bedreyen was^ 
b. y. het bloedige zwaard fan den moordenaar, c. gich" 
ttger mundf wanneer de misdadiger zelf bekende, of 
er zich op beroemde, de misdaad bedreven te hebben. 
Hij werd dan zonder yerdere vorm van proces opge- 
hangen 1). * 

Op deze strenge en vreesselijke wijze handhaafde het 
Yeemgerigt in die donkere dagen van verwarring en 
geweid de veiligheid van leven, eer en bezittingen. 
Groot was de vrees welke het inboezemde. De mag- 
tigste geweldenaar was niet zeker achter de hooge wal- 
len van zijn bergslot, want wie konde hem verzekeren, 
of de uitvoerders van den bloedban , de geduchte Veem- 
schepenen, niet onder zijne trouwste dienaren waren? 
Haar evenredig aan die vrees was ook de haat welke 
het Yeemgerigt zich van alle zijden op den hals haalde 
en die het eindelijk deed vallen. 

F'erval der Feemgerigien. Het BykshamergerigL 

Toor hem die de geschiedenis van het einde der 15* 
en het begin der 16^ eeuw aandachtig doorleest, wordt 
bet duidelijk dat het geene willekeurige verdeeling is, 
wanneer de geschiedschrijvers met het jaar 1500 of 



^) Men verlieze niet uit het oog dat bij de ontaarding van de regts- 
plegiog in Dnitschland, andere gerigten nog veel roekeloozer te werk 
gingen dan de Yeemgerigten , wanneer iemand op heeter daad betrapt 
werd, of betrapt heette te zijn. De bewijzen bij Unosb, DU dU' 
deut$(^ GerichtgverfoBamg, S. 215 £P. 



46 



eenige jaren Troeger of later een nieuw tgdperk begin- 
nen en de geschiedenis der middeleenwen gesloten Tor- 
klaren. Een nieawe tijd breekt aan, zeden en ge** 
woonte Teranderen en de wetten moeten wel volgen. 
Wat tegenstand biedt aan den magtigen geest des tijds 
moet bezwijken; zelfs de Godsdienst, het Terheyenste 
wat de mensch op aarde kent, moet buiden Toor die 
reusachtige ontwikkeling yan den geest, die door de 
yernieuwde beoefening der oude letterkunde en de uit- 
yinding der boekdrukkunst is in het leren geroepen. 
Alles wat yerouderd is, versleten vormen, begrippen 
die geen reden van bestaan meer hebben , worden doOr 
de Hervormers op zijde gezet en in plaats van de eeuwen- 
heugende overlevering , verheffen zij den Bijbel op den 
troon. Is het wonder zoo ook de Veemgerigten , met 
hnnne herinneringen aan Kabsl den Groaten en hunne 
voor het nieuwe geslacht hoe langer zoo onbegrgpelij- 
ker regtspleging, beginnen te wankelen? zij zijn niet 
meer in overeenstemming met hunnen tijd en moeien 
wel vervallen. 

Men vergunne mij deze algemeene stelling in de 
bijzonderheden te staven. 

Eene der voornaamste redenen van den invloed der 
Veemgerigten was de algemeene onveiligheid geweest , 
waardoor het onmogelijk was geworden een vonnis ter 
uitvoering te leggen , of regt tegen eene magtige tegen- 
partij te verkrijgen. Toen nu Keizer Majihiliaan den 
7 Augustus 1495 niet alleen den eeuwigen landvrede 
te Worms afkondigde , maar ook het geluk had , dat 
de vorsten des Rijks dien eerbiedigden, begon er een 
andere toestand van zaken geboren te worden. Men 
was het vuistregt hartelijk moede en zoo deden groote 



47 



en kleine Torsten alles wat in han Termogen was, om 
den terugkeer tot de vroegere rampzalige dagen te vter- 
hoeden. Wederkeerig groeide nu ook de magt der 
vorsten aan , zij waren beter dan te Toren in staat pm 
orde en regt in hun gebied te handhaten ; de vonnissen 
door hunne gerigten geveld bleven niet langer onuitge- 
voerd en zoo werd de noodzakelijkheid om zich wegens 
regtsweigering tot het Yeemgerigt te wenden , hoe lan- 
ger zoo minder. 

In de vorige $ is gesproken van de haat tegen het 
Yeemgerigt. Het waren echter niet alleen de bewon- 
deraars van het vnistregt , de vrgbuiters en roevers die 
de Yeemgerigten haatten , men vindt dien afkeer vooral 
bij de geleerde Juristen van dien tijd. Ingenomen met 
de schoone en logische voorschriften van het Romein- 
sche burgerlijke regt, waren hun de oude en bijkans 
onverstaanbare Duitsche wetten tegen de borst ; zij kon- 
den het niet geduldig aanzien dat eenvoudige en onbe- 
schaafde menschen naar den Saksenspiegel » naar oude 
oordeelen en gewijsden , die gedeeltelijk slechts door 
mondelinge overlevering bewaard werden , regt spraken. 
Zij verweten (en niet geheel ten onregte) aan de Y«em- 
schepenen hunne strenge straffen. De doodstraf toch, 
of de daarmede gelijkstaande ban was de eenige straf, 
welke de Yeemschepenen toepasten. Bij andere gerig- 
ten , zeiden zij , konde men met afbouwen van de 
hand) het afsnijden van het oor, of het brandmerken 
in het aangezigt vrijkomen: de Yeemgerigten echter 
spraken vrij , o^ zij veroordeelden ter dood ; daar was 
dus geene verhouding meer tusschen misdaad en straf. 
Het is hier de strijd tusschen het Germaansche regts- 
beginsel dat slechts een genootschap kent en den genoot 



48 



die eea anderen beeft Terongelijkt ^ Terpligt tot her* 
stelling Tan het kwaad , of bg weigering onherroepelijk 
uit het genootschap verdrijft, en het Romeinsche denk- 
beeld yan eenen staat , die voor aller regten waakt en 
die door de overtreding der wetten wordt gehoond. 
Zulke uiteenloopende begrippen waren moeijelijk te ver- 
eenigen en de Vrij schepen had evenzeer regt om zich 
te beklagen over de wreedheid van den doctor juris, 
die verminkingen beval, bij het Germaansche regt onbe- 
kend , als deze wederkeerig om den ban door den Vrij- 
schepen tegen alle misdaden zonder onderscheid uitge- 
sproken, als iets onmenschelijks te beschouwen i); Het 
Germaansche beginsel, dat tegen den geest des tijds 
streed, moest echter onderdoen en bij de ordonnantie 
van het Rijks-Eamergerigt, waarbij aan de assessoren 
den eed werd opgelegd dat zij regt zouden spreken 
»nach des Reichs und gemeinen Rechten'^ werd slechts 
bevestigd wat reeds sinds geruimen tijd als ontwgfelbaar 
was aangenomen, dat namelijk het Romeinsche regt 
tot de Keizerlijke regten behoorde en dat het evenzeer 
als het gewoonte-regt behoorde te worden nageleefd 2). 
Niet minder was het Yeemgerigt in haat geraakt bij 
de Geestelijkheid. Had deze aanvankelijk niet ongaarne 
gezien, dat de overmoed van den adel door de Vrij- 
schepenen werd te keer gegaan^ al spoedig had een 
instinktmatige afkeer die gevoelens van welwillendheid 



1) Andere klagten over de verachting van voorvaderlijke gebniiken , 
over het begunstigen van geleerde juristen ten nadeele van de in- 
heemsche Schepenen; over het langdradige regtsgeding volgens de 
beginselen van het Romeinsche regt zie men bij Eichhobn, Deutsche 
Staats- utid Rechtsgeschichte in. § 444. 

)) EiCHHOBN 1. 1. § 440—442. 



49 



vervangen. Dat bij de voltrekking van het doodvonnis 
geen tijd aan den veroordeelden werd gelaten om zich 
ter dood voor te bereiden, dat men de geheime leuzen 
en herkenningsteekenen zelfs voor een biechtvader moest 
verzwijgen , dat de Yrijschepenen het Eanonieke regt 
niet kenden en niet toepasten , dit waren grawelen in 
de oogen der geestelijkheid. Maar de voornaamste reden 
van verontwaardiging was dat de Yrijschepenen, steu- 
nende op de heiligheid hunner gewaande instelling door 
Kar£L den Grooien en Paus Leo, zich om de verdere 
Pauselijke bullen , wanneer zij iets tegenstrijdigs met 
die instelling behelsden, volstrekt niet bekommerden. 
Niemand klaagde dus harder over de onmenschelijkheid 
der Yrijschepenen, dan de geestelijkheid >). 

Yoorts valt het ook niet tegen te spreken, dat lang* 
zamerhand misbruiken in het Yeemgerigt waren inge- 
slopen, die veel bijdroegen, om de achting voor die 
eerwaardige instelling te ondermijnen. Hoe meer zich 
de adel en de burgers der steden aan de vergaderingen 
der Yrijschepenen onttrokken, hoe meer de herinnering 
aan de werkelijke beteekenis der instelling bij de over- 
blijvenden, meest onkundige landlieden, verloren ging. 
Yandaar allengs dwaze uitspraken; inmenging van de 
stoelheeren in de eigenlijke regtszaken, terwijl hun 
slechts de benoeming der Yrijgraven toekwam; on- 
uitvoerbare zaken aan den aangeklaagden opgelegd ^) 



1) Men leze het werkje Tan Johannes de F&ancfobdia Kapellaan 
van den Faltzgraaf, bij Goebbl S. 113. 

^) B. y. dat een aangeklaagde zoude hebben te bewijzen dat hem 
de dagvaarding niet op den bepaalden dag was ter hand gesteld. 
WiOAKD, DenkwürdigJceiien gescmmelt aus dem Archiv des Reickskam- 
mergerichts zu Wetzlar, S. 118. 

DL. X. 4 



50 



en dergelijke fouten meer. Sommige Vrggrayen , stoot 
op hunnen invloed, toonden een ontzettenden over- 
iDoed» gelijk de vermetele Yrijgraaf Maitgold te Freien^ 
kagen, die de Duitsche orde in massa voor zijn vrijstoel 
had gedagvaard en zich beroemde, dat hij den Keizer 
zelf zoude dagvaarden, van welke denkwijze hij een 
bewijs gaf door een keizerlijken bode in hechtenis te 
nemen. De billijkheid gebiedt echter te vermeiden, 
dat die Yrijgraaf deswegen door een gewijsde (waar* 
schgnlijk van het Generaal Kapittel te Arnsberg) des 
doods schuldig werd verklaard *). Nog verder ging de 
Yrygraaf die in 1470 Keizer Frederik III en zijn Kan- 
selier Bisschop Ulrich van Passau voor den vrijstoel 
te Wunnenberg dagvaardde. Inderdaad is dit een voor* 
beeld van de hoogste overmoed en dwaasheid tevens en 
be?reemdend is het dat YYigand, die anders met zulk 
een juisten blik het geheele wezen der Yeemgerigten 
heeft doorzien , deze handelwijze heeft trachten te ver- 
goelijken 2). Het is misschien het eenige geval waarin 
ik van de meening van dien groeten geleerde zoude 
durven verschiUen. Dat de keizerlijke regter, gelijk de 
Yrijgraaf zich noemt, den Keizer zelven, van wiens 
(wel is waar middelijke) aanstelling hij zijne geheele 
magt ontleende, voor zich konde roepen, komt mij als 
eene volslagen verwarring van regtsbegrippen voor. Maar 
ook de reformatiën zelven 3) waarbij deYrijgraven met 



^) XJSBKEB, die Frei und Jleimliche Gerichte, S. 161. 

2) I>as Femgericht WestphaïerCs , S. 520. In zijn antwoord aan 
VON WacHTBR, Wetzhrsche Beitrage, III. S. 30, komt hg meer van 
die meening terng. 

5) Vergel. b. V. het protocol van het Generaal Kapittel te Arns- 
berg van 1490, bij Wigand, S. 262. 



BI 



loffelijken ijver de inrigtingen van bet Veemgerigt tracht- 
ten te zuiveren 9 toonen aan^ hoe groote misbraiken 
ten gevolge van den strijd der onde en nieawe denk- 
beelden bij het Veemgerigt waren ingeslopen. 

Bij deze inwendige oorzaken (indien men ze zoo noe* 
men mag) van bet verval der Yeemgerigten , komen na 
nog ttitwertdige. In de eerste plaats, de invoering van 
een algemeen slrafregt en algemeene strafvordering door 
de ConstiltUio Caroltna in 1532. Reeds in 1507 had 
men de proef van zalk een algemeen Wetboek, door 
den Yrijbeer ton Schwarzenbirg opgesteld, in het 
klein genomen. De bisschop van Bamberg had het in 
zigne staten ingevoerd (ConsHitUio Bambergensis) en 
toen dit over het algemeen gunstige gevolgen had , werd 
bet eenigzins gewijzigd in 1521 aan den Rijksdag aan- 
geboden en eindelijk in 1532 als Rijkswet vastgesteld. 
De geheele strafvordering werd daardoor gewijzigd, in 
plaats van het aanklagts-proces het onderzoeks-proces 
ingevoerd, geheim onderzoek, pijnbank, Romeinsch straf- 
regt vastgesteld en zoo doende werd het aloude Ger-* 
maansche regtsgeding, dat nog bij de Yeemgerigten 
gold, de bodem ingeslagen i). Maar de voornaamste 
van deze uitwendige oorzaken is de oprigting van het 
Rijkskamergerigt. De zaak is van te veel belang, (mi 
niet opzettelijk onderzocht te worden. 

Boven alle gerigten stond de Keizer. Yan hem ont- 
leenden allen hnn gezag, flij was het immers geweest 
die oudtijds de Graven bad benoemd en over hen Zend- 
graven had gesteld. Het denkbeeld om zich van de 



ï) Meijsr, Esprit etc, Tom. V. pag. 228. Eichhobn, m. § 422. 

4* 



52 



uitspraak Tan een keizerlgken regter op den Keize 
zelten te beroepen lag voor de hand. 

Daar echter dit hooger beroep zich al spoedig zeer 
Termenigvuldigde , zoo werden alle dergelijke zaken » 
wanneer zij Tan weinig belang waren, door den Keizer 
aan den Paltzgraaf (Comes Palatti) opgedragen. De 
grootere zaken behield de Keizer zich Toor, doch hij 
won bij de uitspraak den raad zijner flovelingen Tan 
geestelijken of wereldlijken stand en ran zijne opzette* 
lijk Tcrkozene raadsheeren in. Zoo ontstond het Kei* 
zerlijke Hofgerigt, waaraan Keizer Frsderik II in 1235 
eenen Tasten Torm gaf i). Doch daarmede waren de 
gebreken y welke dit gerigt aankleefden , niet Tcrholpen. 
Velen Tan die flofrigters, die han geheele IcTcn onder 
de wapenen hadden doorgebragt, wisten Tan het eigen- 
lijke regt maar weinig af; daarbij waren allen als raads- 
heeren des Keizers met staatszaken en andere bezighe- 
den oTcrladen, terwijl eindelijk, wanneer de Keizer van 
Tcrblijf Terwisselde of Duitschland doorreisde, zijn hof- 
gerigt hem Tolgde. flet werd zoo doende ten uitersten 
moeilijk om hooger beroep bij het flofgerigt of Kamer- 
gerigt (gelijk men het ook wel noemde) in te dienen, 
daar men dikwijls niet wist waar het zich boTond en ook 
de afdoening Tan zaken werd door het gestadig reizen zeer 
Tcrtraagd. Toen de groote leenmannen daarenboTcn de 
laudshoogheid hadden TcrworTcn , kwamen zij er slechts 
noode toe, om zich aan de uitspraak Tan een geregts- 
bof , geheel afhankelijk Tan den Keizer te onderwer- 
pen en Tcrkozen licTcr de beslissing Tan hunne geschil- 
len aan scheidslieden (Atistrdger) op te dragen. Deze 



^) Senckbnbero, de Judicio cameraU^ pag. 18, 57 seqq. 



53 



viijzeyr^LnTegispT^hkJusiragalgertcAie genoemd, waar* 
door de magt der Keizers geheel scheeo te zullen ver- 
vallen i), noopte deze laatsten om eindelijk aan de 
klagten der Stenden over de misbraiken van het Hof- 
gerigt gehoor te geven en zoo werd Keizer Frederik III 
bewogen aan dien toestand een einde te maken. In 
1441 werd een Uofgerigt en een Kamergerigt, van el- 
kander onafhankelijk 9 opgerigt, maar de grenzenlooze 
verwarring, waarin geheel Duitschland was geraakt, 
belette de geregelde werking van beiden. Het Kamer- 
gerigt hield na eens eenige zittingen , dan weder werd 
alle werkzaamheid geschorst. 

In het jaar 1471 werd eene geheele nieuwe ordon- 
nantie op de wijze van procederen vastgesteld, doch 
ook deze konde, zoo lang het gerigt zwervend bleef, de 
veelvuldige grieven niet verhelpen. 

Eindelijk bragt Keizer Maximiliaait den 7 Augustus 
1495 op den Rijksdag te Worms te gelijk met den 
eeuwigen landvredè, een Toortdurend Rijkskamergerigt 
tot stand. Frankfort werd aanvankelijk tot zetel van 
dit gerigt bestemd. Ook nu bleef het gerigt niet voort- 
durend daar, het verhuisde achtereenvolgens naar Worms, 
Neurenberg, Regensburg, naarSpiers waar het bleef tot 
1689 en eindelijk naar Wetzlar, waar het tot aan de 
. ontbinding van het Duitsche Rijk is gebleven. 

Aanvankelijk werd het geregtshof zamengesteld uit 
een Kamerrigler of President, die yan vorstelijken of 
grafelijken stand moest zijn en zestien Assessoren, acht 
uit den ridderstand en even zooveel uit den geleerden- 



ij Mbueb» Esprit, origine et^ogrès des InstiU JtuL, Tom. V. 
pag. 154. ^ 



54 



stand ; later kwamen er nog twee Presidenten (wij zou- 
den hen Vice-Presidenten noemen) bij i). Weldra bleek 
het eyenwel dat dit getal te gering was en dat om 
eene wenschelijke afdoening yan zaken te verkrijgen, 
meer Assessoren behoorden benoemd te worden. Haar 
de Rijksstenden , die de yoordragt of benoeming d.er 
Assessoren hadden, waren ook yerpligt ze te bezoldigen 
en die gelden konden niet dan met de uiterste moeite 
bijeen gebragt worden. Deze traagheid en karigheid 
waren de oorzaak yan yeel kwaads, de regtsgedingen 
bleven slepende; daar het werk zich opstapelde, moes- 
ten er middelen gevonden worden om niet onder den 
last te bezwijken; van daar eene hoogst omslagtige 
en langdradige wijze van procederen en, wat het 
ergste van alles was, de slecht bezoldigde reg- 
ters waren geenszins ongevoelig voor geschenken der 
partijen a). 

Herhaaldelijk vatte men het voornemen op om het 
getal der Assessoren te vermeerderen tot op vijftig, vier 
en twintig door de Katholieke , even zooveel door de 
Evangelische Rijksstenden en twee door den Keizer te 
benoemen ^) , maar de zoo e?en vermelde hinderpalen 
deden deze plannen in rook verdwijnen. Eindelijk 
werd in 1782 na vele onderhandelingen het getal der 
Assessoren op vier en twintig gebragt «) en sedert dien 
tijd tot de opheffing van het geregtshof zelve is dit getal 
niet vermeerderd. 



*) EiCHHOBN, Deutsche Staats- und Rechisgeschichte, Hl. § 409. 
2) Putter, Eist Entwickehmg u. s, w,, IIL S. 135. 
^) RoTTECK und Wklckeb, StaaUkxiam, voce ReichsgerickU. 
^) FüTTBR, EisU Enitoickelung u,8,w,. Hl. S. 155. 



55 



Volgens het oorspronkelijk plan zonde het Rijks- 
kamergerigt alle geschillen tusschen de stenden des 
Rgks beslissen» maar al zeer spoedig wisten de magti- 
ger Torsten zich daaraan te onttrekken , hetzij door 
priyilegiën <2e non evoeando tan de Keizers te Terwer- 
Ten, hetzij door de Austr&gal-gerigten i)« Het Rijks- 
kamergerigt bleef echter hoogste geregtshof yoor alle 
de Rgksonmiddelbaren , of Grayen en Heeren Tan min* 
der magty Toor de Trije Rijkssteden en eindelijk Toor 
allen die over regtsweigering hadden te klagen. Daarbij 
hadden ook niet alle Torsten een eigen geregtshof op- 
gerigt en Toor de onderdanen dier Torsten bleef alzoo 
de mogelijkheid bestaan, om zich in het laatste ressort 
tot de regters te Wetzlar te wenden 2). De ordonnan- 
tie of »Eammergerichtsordnung/' Tolgens welke het 
hof regt moest spreken, was in 1495 ontworpen en 
werd gedurende de regering Tan Keizer Karel Y her- 
haaldelijk gewijzigd. Het laatste ontwerp Tan herzie- 
ning, in 1613 opgemaakt, is echter ten gOTolge Tan de 
loome en langzame wijze Tan raadplegen Tan den Rijks- 
dag nooit ingCToerd geworden. 

Met de oprigting Tan het Rijkskamergerigt ging ech« 
ter, gelijk hierboTcn met een enkel woord is aange- 
merkt, de afschaffing Tan het keizerlijke Hofgerigt niet 
gepaard 3), Integendeel daar bestaan redenen genoeg 
om te Termoeden , dat de oprigting Tan een geregtshof, 
welks leden niet meer door hen werden benoemd , aan 



ï) Meijer, Esprit, origine etc, Tom. V. pag. 186. 
^) In sommige gevallen was er ook van de Anstrïlgal-gerigten 
beroep by het B\jkskamergerigt Eichhorn» 1. L S. 122. 
^) Bewijzen daarvoor bij Sehckekbebq, de Judido cameraü , pag. 34. 



56 



de Keizers niet welgerallig is geweest en dat zij , om 
althans eenigen inyloed io regtszaken te kannen uitoefe- 
nen , het Hofgerigt hebb<sn behoodep of liever hervormd 
tot Rijkshofraad, die te Weeneii gevestigd werd >). 

Deze Rijkshofraad, uit achttien raden, waaronder steeds 
zes Protestanten, bestaande, matigde zich langzamerhand 
eene gelijke regtsmagt aan met het Rijkskamergerigt en 
nog daarenboven eene uitsluitende regtsmagt in alle 
zaken, die leenen en privilegiën betro£Fen. De Rijks* 
hofraad, die steeds door de stenden werd bestreden, 
maar door den Keizer verdedigd , bleef even lang stand 
houden als het Duitsche Rijk en ging met hetzelve te 
niet. Over partijdigheid van dien raad in godsdienst- 
zaken werd niet geklaagd, (de stemmen der zes Evan- 
gelische raden wogen toch in zulke zaken die van de 
twaalf Katholieken op), wel daarentegen over den tragen 
gang van zaken, en over partijdigheid wanneer het de 
belangen der Oostenrijksche erflanden gold 2). 

Reeds vóór de oprigting van het Rijkskamergerigt 
had men zich meermalen van uitspraken van het Yeem- 
gerigt op den Keizer en het keizerlijke Hofgerigt be- 
roepen. Meermalen was dit laatste tusschen beiden 
getreden en had het de uitspraken der Yrijgraven ver- 
nietigd, of hun verboden om met de eene of andere 
zaak voort te gaan >). Maar die tusschenkomst was 
tydelijk en voorbijgaande en schrikte de Yrijgraven niet 



^} Een oogenblik waren Hofiraad en Rijkskamergerigt zamenge- 
smolten, hoezeer die toestand slechts kort duurde. Senckjsnbbro , 
1. 1. pag. 39. 

2) Putter, m. S. 215—218. 

') Een voorbeeld bij Wioand Denkwürdigheiten S. 106. Een ander 
in het tweede Hoofdstuk hierna. 



57 



af om io eene andere zaak dezelfde pogingen weder aan 
te wenden. En wat nu het edict van Keizer Freoe« 
HIK III van het jaar 1442 betrof, dat aan de Yrggra- 
Ten de regtspraak over zaken yerbood, waarin de ge- 
wone regter niet geweigerd had regt te spreken , hieraan 
stoorden zich de Teemschepenen niet; de Keizer , zeiden 
zijy behoorde niet onder de wetenden; hij kon het 
priyilegie door KiBBL den Grooien gegeven niet wet- 
tiglijk herroepen. Een geheel anderen keer nam de 
zaak echter, nu er een Toortdarend Rijkskamergerigt 
bestond, dat door de stenden des Rijks voor een ge- 
deelte was benoemd, omtrent welks gezag als opperste 
gerigtshof geen twijfel konde zijn en welks leden niet 
met andere werkzaamheden overladen, hunnen gehee- 
len tijd aan de regtspraak konden wijden. Yan toen 
af begon een strijd op leven en dood tegen de Veem- 
gerigten, waarin zij weldra bezweken. Het Rijkska- 
mergerigt nam alle appellen tegen de vonnissen der 
Teemgerigten met gretigheid aan; dikwijls trad zelfs 
de Rijksfiscaal als aanklager tegen den een of anderen 
Vrijgraaf op. Zoo werd KuNO tan Einenberg, Heer 
yan Landskron, in 1512 voor het Rijkskamergerigt 
gedagvaard, om dat hij Schoot en Schepenen van Ko- 
ningsfeld voor een vrijstoel had doen dagvaarden; zoo 
werd in hetzelfde jaar, behalve de aanklager bij een 
anderen vrijstoel, ook de Yrijgraaf zelf, Gerharo 
SiRUCKELMANir, die den vrijstoel te Arennberg en 
Henode i) bekleedde, gedagvaard; zoo werden in 1524 



1) Zoo worden de namen gespeld bij Wigand, DenkumrSgkeiten 
S. 105. Volgens de lijst bij Usbner is Gbrhabd Strückelmann 
echter Vry graaf te Arnsberg en zal die vrijstoel dus bedoeld zijn. 
Henode is misschien verwant met einöde. 



58 



behahe de oorspronkelijke aanklagers en de Yrijgraaf 
te Hedebach, ook nog de stoelheeren tan dien Yrij- 
graaf in een langdurig en kostbaar proces Toor het 
Rijkskamergerigt gewikkeld. Vele ?an die regtsgedin- 
gen bleven door de langwijlige Tormen tan procederen 
en het eindeloos geschrijf bij het Rijkskamergerigt aan 
den spijker hangen, en bij de ontbinding ?an dit op- 
perste geregtshofy was nog het eindvonnis in velen van 
die zaken niet geveld, maar toch bereikte het Rijkska* 
mergerigt zijn doel; het matte de Yeemschepenen af 
en benam hun allengskens den last om zich de klagten 
der werkelijk of denkbeeldig verongelijkten aan te 
trekken. In het eerst yiel die inmenging de Yeem- 
schepenen zeer hard; zij konden zich met geen moge* 
lijkheid voorstellen, hoe zij, de geachte en gevreesde 
handhavers der geregtigheid , na zoo zeer de achting 
des volks hadden verloren en hoe men straffeloos ook 
hen konde vervolgen. Een merkwaardig voorbeeld 
van hunnen tegenstand is het volgende: Jobxtx tak 
Yalbrecht, Yrijgraaf te Ludenscheid, had de stad 
Wetzlar in 1497 voor zijnen Yrijstoel gedagvaard; de 
stad beriep zich op het Rijkskamergerigt. Oogenblik- 
keiijk werd een geregtsbode afgezonden, die den Yrij- 
graaf op zijne beurt dagyaarde. Maar in YYestphalen 
aangekomen, was de bode zijn leven geen oogenblik 
zeker. Yerscheidene Yrij schepenen, daaronder zelfs 
de zoon des Yrijgraafs, vielen hem aan en wilden 
hem om het leven brengen, en alleen de krachtige 
tusschenkomst van den ouden Yrijgraaf redde hem. 
Daarop verklaarde Yalbrecht het mandaat van het 
Rykskamergerigt nietig en krachteloos, en dagvaardde 
de stad YYetzlar op nieuw. Het hielp hem echter 



59 



altemaal niets; hij moest Toor het Rijkskamergerigt 
tegen de stad yoort procederen en ofschoon een in- 
terlocutoir arrest de stad Wetzlar in de noodasakelijk- 
heid bragt om het geding te laten rusten, zoo was 
toch ook het geding ?oor den Yrijstoel de bodem 
ingeslagen <). 

Hoe wakker de Yrijgraven en Trijschepenen dan ook 
streden Yoor de oude regten, zij moesten onderdoen 
en het Teld aan de regtsgeleerden van beroep over- 
laten. Intusschen wane men niet, dat het Veemgerigt 
ooit opzettelijk is afgeschaft. Die naar het keizerlijk 
edict tot afschaffing der Vrijstoelen zoekt, zal even 
zoo vruchteloos zoeken als hij, die naar het diploma 
van Kar£L den Grooten zoekt. Integendeel de Veem* 
gerigten bleven bestaan, maar de Vorsten onttrokken 
hun langzamerhand alle regtspraak in strafzaken 2). 

Zij werden policipgerigten , waar de vrije landbouwers 
van zekere streken naar de aloude vormen regt bleven 
spreken. Voor den vrijstoel onder de linde te Dort* 
mund werden in latere jaren de navolgende overtreders 
gebragt. Die van het veld van zijnen buurman iets 
had afgegraven of afgebouwd, die bier tapte of brouw- 
de, dat niet te Dortmund was veraccijnsd, die een 
kerkhof of grafplaats had geschonden, die gestolen goed 
had verborgen, die op het Dortmnndsche gebied had 
gejaagd, die des Zondags gedurende de predikatie bran- 
dewijn had geschonken, die zonder toestemming van 
den Raad een hut of een bakhuis had gebouwd waar 



1) Archio Jur Gesch. u. «. w» I. Band 2 Heft. 

2) Aan de stad Coesfeld werd in 1621 verboden zaken die lijf en 
eer betroffen voor den yrijstoel te Flamersen te brengen. Het protest 
der stad baatte haar niets. Niesbbt, 1. 1. I Band, 2 Abtheilting. 



60 



er te voren geen was, die zijn koren op een molen 
bniten het graafschap had laten malen , eindelijk die 
bij bmiloften of doopmalen de voorschriften ?an den 
stedelgken raad had overtreden. Nog in het jaar 1803 
werd daar een dergelijk gerigt gehouden. Ook elders 
in Westphalen bleven de vrgstoelen als policiegerigten 
bestaan ; in de 19* eenw is nog op den Pothof te As- 
tinghausen eene zitting van het Yeemgerigt gebonden i ). 
Toen WlGAND zijn beroemd werk nitgaf, leefden te 
Gemen, nabij onze grenzen ^ nog vele Yrijschepenen 
onder de landlieden , die de aloude herkenningsteeke- 
nen en formulieren verstonden en die heilig bewaarden. 
Noch minnelijke toespraak noch bedreiging hebben hen 
ooit kunnen bewegen die aan oningewijden mede te 
deelen. De innerlijke beteekenis van die vormen zul- 
len ook zij wel niet meer gekend hebben. De laatste 
Yrijgraaf te Dortmund , Zacharias Löbb£CKE , stierf in 
1827 > bijkans honderd jaren oud en heeft het geheim 
met zich in het graf genomen >). 

Wil men de waarheid huldigen en zich niet door het 
vooroordeel van onkundigen, die elkander hebben afge- 
schreven 9 laten mede slepen , dan moet men wel met 
WiGAND erkennen , dat de Veemgerigten tot de grootste 
en eerwaardigste verschijnselen der middeleeuwen be- 
hooren. Niemand ergere zich aan de onloochenbare mis- 
bruiken, die hunne geschiedenis ontsieren. Kan men 
zich niet met grond beroemen dat in ons vaderland , meer 
dan elders in onze dagen , door kundige en onomkoop- 
bare regters wordt regt gesproken, en zoude het toch 



1) Arehiv, II Band, 2 Heft. 

2j Thübbsch, Gesch. der Freireichstadi Dortmund, I Th. S. 66 en 71. 



61 



niet mogelijk zijn enkele ondoordachte uitspraken aan 
te wijzen ? zoude het niet tot de mogelijkheden behoo- 
ren dat (bij zeer zeldzame uitzonderingen voorzeker) iets 
menschelijks had plaats gehad in het rellen van een 
Tonnis ? Maar zouden wij hem niet met regt als een 
dwaashoofd beschouwen , die op grond yan die uitzon- 
deringen eene blaam wilde werpen op onze achtbare 
regterlijke magt? Vergelijk nu de beschaving, de ken- 
nis y de zeden der middeleeuwen met de onze , en ver- 
wonder u dan 9 dat niet alle Vrijgraven geweten heb- 
ben wat regt was , of dat enkelen ter bevrediging van 
hunne baatzucht , of wraakzucht, een onregtvaardig 
vonnis hebben geveld! Neen! laat ons in stede van de 
Yrijschepenen te veroordeelen , veeleer hulde doen aan 
hun verheven doel om het eenige ware beginsel, de 
gelijkheid van allen voor de wet en de veiligheid van 
personen en goederen, te handhaven en hen beklagen, 
dat zij in eene eeuw leefden, waarin dat doel niet be- 
reikt kon worden , wanneer het zich niet onder geheim- 
zinnige vormen verborg. 



HOOFDSTUK U. 



HET VEEM6ERIOT EIT HET RIJKSKAMERGERIGT 15 HCNirB 
BETREKKmO TOT KBDEaLA.K». 



SI- 

Active betrekking; Frij stoelen ^ Frij graven en 
Frijschepenen in Nederland, 

De geschiedenis van het Veemgerigt is door de Ne- 
derlandsche geschiedschrijvers yan oudere dagteekening 
even onvolledig behandeld, als door de Doitschers; 
slechts "weinigen hebben daarvan als in het voorbijgaan 
gewag gemaakt. Op den voorgrond staat Jacobus Rs- 
Tius in zijne Daventria illttstrata. Volgens hem is 
Kabel de Groote de stichter van die instelling en was 
zijn hoofddoel daarbij om de Saksen, die weder tot het 
Heidendom terugkeerden, door de vrees voor eene ver-» 
schrikkelijke straf van afvalligheid terug te houden. Hij 
schildert de Yeemschepenen met de zwartste kleuren. 
Volgens het algemeen gevoelen, zegt hij i), plagten zij 
dikwijls een beklaagden eerst op te hangen en vervol- 
gens te onderzoeken of hij schuldig of onschuldig was; 



>) Dav. illuetr. pag. 14. 



63 



was hij schaidig, des te beter; was hij onschuldig, dan 
konden zij volstaan met het lijk af te nemen en eerlijk 
te doen begraren. Vemen is bij hem vedemen, omdat 
de Yeemschepenen Yoornamelijk waren ingesteld , tot 
beteugeling der Teden of Teeten. Zgn yoetspoor Yolgt 
Antonius Matthaeits de Nobüüate Lib. lY. Cap. i. en 
de Jure Gladii Cap. XXX. Hij houdt het daar ?oor, 
dat het Yeemgerigt aanvankelijk een goed en wijs gertgt 
is geweest (van daar zoude veem hetzelfde beteekenen 
als witte of wys)^ maar allengs ontaard *). Later 2) 
omhelsde hij meer het denkbeeld van Revius; »d*at zij 
gehaat waren, zegt hij, was geenszins te verwonderen; 
zij dagvaarden toch geheele steden. Hunne regtsmagt 
was eene ware dwingelandij. Yooral was het een groot 
misbruik , dat zij zich niet aan de privilegiën der steden 
stoorden. Paus Pius II heeft door zijne bulle van het 
jaar 1464 aan dit misbruik een einde gemaakt.'' Niet 
Teel regtvaardiger of juister is het oordeel van dea 
geleerden Gerhard DuMBiR. Ofschoon hij eene me* 
nigte oorspronkelijke stukken over het Yeemgerigt on- 
der de oogen had gehad, was het vooroordeel tegen 
die gerigten zóó sterk bij hem, dat hij, van de vrijstoe- 
len te Deventer en te Coevorden gewag makende, de 
volgende zonderlinge aanteekening ter neder schreef ^): 
»door zommige zeer qualyk vermengt met die gruw- 
zaeme Westfaelsche of Yeemgerichten, waervan in der 
daet echter in verschelde opzichten merkelyk verschil- 
den." Hij verkoos du& liever een geheel willekeurig 



1) De NobiUtate. 

2) De Jure Gladii. 

5) Kerkelijk en wereldlijk Deventer, bl«. 572. 



64 



onderscheid aan te nemen , dan toe te geven dat er in 
zijne vaderstad Deyenter eenmaal gedacht was aan de 
oprigting Tan een gerigt, dat hem £oo afschawelijk 
voorkwam. Yan Hattum >) volgt Dumbab geheel na, 
doch hij kan onmogelijk gelooven dat het ?erhaal van 
Revius over de schandelijke wijze van regtspleging der 
Veemschepenen met de waarheid overeenkomstig sij. 
Racbb 2) eindelijk» schoon hij niet tot zekerheid komt 
en op het voetspoor ran MöSEB in de Mtsst Dominici 
den oorsprong der Yeemgerigten ziet, laat het vooroor- 
deel tegen de Yeemgerigten reeds geheel varen; zij zijn 
in zijne oogen keizerlijke gerigten, die, omdat zij alleen 
van den Keizer afhankelijk waren, den naam van Vrij- 
stoelen hebben aangenomen, even als znlks in de vrije 
Rijkssteden geschiedde. Het woord veem wordt bij hem 
reeds als straf verklaard. Rlijkens van Hasselt, JTro- 
nyk van Arnhem^ blz. 309, had Gannegistsb eenmaal 
het plan opgevat om iets over het Yeemgerigt, bijzonder 
zoo ver het Gelderland betrof, bijeen te brengen; het is 
mij echter onbekend of dit plan volvoerd is. Retrea- 
renswaardig is het dat het voornemen van van Spaen 
om de geschiedenis der Yeemgerigten te beschrijven ^) 
nooit is ten uitvoer gebragt. Zijne uitstekende scherp- 
zinnigheid en zijne verstandige twijfelzucht maakten 
hem daartoe boven allen geschikt «). 

Rij de algemeene geschiedschrijvers des vaderlands 



^) Geschiedenis van Zwolle, I Deel, blz. 392. 

2) Overijsselsche Gedenkstukken, II. blz. 37. 

5) Proeven van Historie- en Oudheidkunde, blz. vi. 

*) Wil men zien hoe scheef en eenzijdig de Yeemgerigten door 
een regtsgeleerden beoordeeld worden, men sla op Trotz, Theses 
juris pubKci ad leges FoedercUi Beigii fundamentaks , pag. 87 seqq. 



moet men geene ophelderingen over de Veemgerigten 
zoeken. Noch Wa genaar noch Bilderdijk 1} hebben dit 
onderwerp hunner achting waardig gekeurd. Men kan 
hun echter evenmin als aan de meesten hunner tijdge- 
nooten of voorgangers dit stilzwijgen ten kwade duiden. 
2ij schreven toch hoofdzakelijk de geschiedenis der pro- 
vinciën Holland en Zeeland en juist in die provinciën 
is het Veemgerigt nimmer gevestigd geweest en heeft 
het slechts zeer weinig invloed uitgeoefend. 

Immers, gelijk hierboven is aangemerkt, alleen in 
Saksen, en meer bijzonder in Westphalen, worden Vrij- 
sloelen aangetroffen en het blijft nu alleen de yraag, 
hoever Westphalen zich uitbreidde en welke deszelfs 
grenzen ten westen waren? Het werk van den Heer 
VAN DEN Bergh, Handboek der 31 iddel- Neder landsche 
GeograpAieyheeii die grenzen scherp afgebakend, en wat 
te voren nog betwistbaar was, zeker gemaakt. Alleen 
ten opzigle van de Veluwe, Eemland en Nardincland, 
de gouwen waarin Friezen en Saksen elkander ontmoe- 
ten , blijft nog eenige twijfel over en heeft die schrijver 
welligt gedwaald, door die tot Frankische gouwen te 
maken, zoodat daar ter plaatse de Franken de Saksen 
en Fiiezen van één zouden hebben gescheiden. Waar- 
schijnlijker is het dat deze gouwen oorspronkelijk Sak- 
sisch waren, maar sterk met Friesche bestanddeelen 
vermengd. Ontegenzeggelijk Saksisch zijn echter Over- 



^) Ofschoon hij anders den aard der Veemgerigten juist schijnt te 
hebben begrepen , blijkens zijne opmerking in de Gesl, der Naamwoor- 
den, waar bij o. a. zegt: i»de "Westfaalsche Veemgerichten , eigenlijk 
Associatien, op Keizerlijk gezag recht oefenende, van de Landsheer- 
lijke gerichtstoelen onafhankelijk en waarover onknnde en vooroordeel 
zoo veel duisters verspreid hebben." 

DL. X. 5 



66 



ijssel, het latere Graafschap Zatphen en Brenthe i) 
met een gedeelte Tan de tegenwoordige ProWncie Gro- 
ningen y het latere Gooregt en de stad. Maar moe- 
ten de inwoners yan dat gedeelte onzes raderlands 
tot de Saksen worden gerekend , dan zijn zij ook 
buiten eenige tegenspraak Westphalen. Het is toch 
ongerijmd hen of tot de Engeren, of tot de Oostphalen, 
of tot de Overalbingische Saksen te brengen en andere 
stammen der Saksen zijn niet bekend. Het land door 
hen bewoond is derhalve roode aarde en daar zullen 
Trijstoelen moeten gevonden worden, terwijl men in de 
overige gedeelten onzes vaderlands yergeefs daar naar 
zoeken zal 2). 

Dat het Veemgerigt in den vorm, dien het vooral in de 
14" en 15* eeuv^- aannam, niet in Friesland konde door- 
dringen, lag in den aard der zaak. Daar waren, gelijk 
hier boven is gezegd, de instellingen van Karel den 
Grooten evenmin verloren gegaan, als in Westphalen; 
daar bestonden de vrijgerigten nog in denzelfden vorm. 
Maar was in Westphalen de magt der vorsten en edelen 
zoodanig toegenomen , dat de uitspraken der vrijgerigten 
niet dan door het geheime verbond der Yeemschepenen 
konden worden ten uitvoer gelegd, in Friesland was 
de toestand van zaken anders. Daar was het leenstelsel 
nooit doorgedrongen, daar hadden de edelen zich niet 



*) Maokin , Gesch overzigt enz. , I. blz. 63 , tracht wel te betoogen 
dat de Drenthenaren eigenlijk Friezen zijn. Het betoog gaat echter 
niet op. 3S"och in taal, noch in zeden, noch in instellingen, zijn de 
Drenthenaren aan de Friezen gelijk. Tot steun van dit gevoelen 
beroep ik mij op van Dookninck De Frisiae terminis, pag. 74 et 
passim. 

2j Bij Kopp § 59—65, vindt men dit reeds op overtuigende gron- 
den betoogd. 



67 



tan de vrijen afgezonderd , daar hadden de geestelijken 
geene immaniteiten kunnen verkrijgen. Voor allen be- 
stond hetzelfde placitum. Met den dood van Egbert II 
vanBrunswijk was ook het gevaar geweken , dat^ gelijk 
elders in Duitschland, het grafelijk bewind in lands- 
hoogheid zonde ontaarden. De Graven van Nordheim 
waren evenmin als de Bisschoppen van Utrecht in staat 
om zich als opvolgers der Brunswijksche Graven te doen 
gelden. Zoo had dan het volk zijne aloude regten be* 
waard; waartoe zoude het nu nog noodig zijn geweest 
een geheim verbond aan te gaan, tot handhaving van 
regten , die men openbaar konde uitoefenen > ) ? 
In die gedeelten van het oude Friesland , die daarvan 



^) De geleerde uitgevers der oude Friesche wetten (TVierdsma en 
Brantsma) betwijfelen (I. blz. 8) of niet het » Fimeltingh** daar ver- 
meld, onder de Veemgcr^en moet worden gerangschikt. Die twijfel 
is zeer gegrond, mits men slechts in het oog honde, dat van Karo- 
lingische Veemgerigten sprake is. Het ' Bodtingh**'* daar ter plaatse, 
waarin de Graaf voorzit en regt spreekt, wordt door Unoer, Die 
Altdeutsche Gerichtsver/assung , s. 100, voor het oude mallum, het pla- 
citum generale gehouden. De spraakverwarring, waarin men vervalt, 
wanneer men het ongeboden geding door Bodtingh verklaart, tracht; hij 
uit den weg te ruimen , door aan te nemen , dat Bodtingh niets anders 
bctoekent, dan een wettig gerigt. Beuckbr Andreae in zijne Bisser- 
tatio de origine juris mumcipalis Frisid , pag. 388, helt er meer toe over 
om dit Bodtingh, dat slechts om de vier jaren gehouden werd, door 
het placitum van den Zendgraaf te verklaren en die verklaring komt 
ons aannemelijker voor. Maar hoe het zij, » Fimeltingh'** is buiten 
tegenspraak het geboden gerigt, waar men hen »die men in het Bod- 
tingh niet konde beregten , ten einde toe beregten zal." Met de uit- 
gevers hier boven vermeld, houde ik het dus daarvoor, dat Fimeltingh 
en Veemgerigt woorden van dezelfde beteekenis zijn, maar in de 
dertiende eeuw verkreeg het laatste eene geheel andere gedaante, 
het eerste bleef den aiouden vorm bewaren. De afleiding van Jimel 
van het IJslandsche Jimur, dat vehx, celcr, zoude beteekenen, kan 
ik echter onmogelijk toegeven. 

5' 



68 



reeds Toor lang waren afgescheurd, hadden de Bisschop* 
pen van Utrecht en de Graven van Holland te veel 
gezag verkregen , dan dat er aan de handhaving der 
keizerlijke gerigten nog te denken viel. Daarenboven 
hadden daar, even als in bet Frankische gedeelte van 
ons vaderland , de meeste vrijen bet platte land verlaten 
en zich naar de talrijke en bloeijende steden begeven, 
waar men , steunende op het voorregt van eigen regt- 
spraak, door den landsheer verleend, de aloude keizer- 
lijke gerigten gemakkelijk konde ontberen. Dat in Hol- 
land, Zeeland, Utrecht derhalve, evenmin als in Noord- 
Braband of Limburg vrijstoelen konden voorkomen, wordt 
algemeen toegegeven en ik heb die meening bevestigd 
gevonden door de nasporingen in die provinciën gedaan. 
Geen enkel stuk, dat tot het Yeemgerigt betrekking 
had , is daar gevonden , behalve dat wat onder Bijlage II 
wordt medegedeeld. Hoogst opmerkelijk is derhalve 
de plaats bij Alkemabe en VAX der Schelling >) , 
waar, in de oude costumen ran Voorne, gelezen wordt: 
»Mach een witteloes worden, om dat hij enen anderen 
geloeft heeft bij trouwen, eeren ende zekerheden, voir- 
wairden, die hij hem niet en hout, ende wert dair ver- 
Teemt , ende gehangen an den eersten boem , dair een 
veemscepen synre machtich worden mach, na dat hij 
verveemt is ende die veemscepen moet dat doen van 
rechtswegen der vemen."' Dat men op grond van die 
plaats geen Veemgerigt, geen vrijstoel in het land van 
Toorne mag aannemen, behoeft naauwelijks betoog. 
Maar hoe komt dan de vermelding van het Yeemgerigt 
in de costumen van Yoorne te pas ? Het is ons even 



i) Beschrijving van de stad BrielU en den lande van Voome, L blz. 287. 



69 



zoo gegaan als den Heer Noordewier i) , de zaak blijft 
ons duister : eene gissing willen wij echter wagen. Vol- 
gens Aleemade zijn die costumen omstreeks het jaar 
1400Terzameld. Wij gelooven dat zij eenige jaren later 
moeten zijn opgesteld. Immers daarin wordt melding 
gemaakt Tan Jan tan Beijeren, als Heer Tan Yoorne 
en wordt eene bevestiging van de priyilegiën yan den 
Briel aangetrofien van het jaar 1400^ terwijl het teeken 
Tan (enz.) achter het jaartal gevoegd aanwijst , dat het 
juiste jaar niet is opgegeven. Volgens de noot moet 
die bevestiging op het jaar 1418 worden gesteld. In 
dat jaar nam echter Jan tan Beijeren reeds den titel 
Tan Graaf Tan Holland aan, dien hij in het stuk niet 
draagt. Het zal dus een paar jaren Troeger moeten zijn 
zamengesteld. Veel vroeger kan het ook niet zijn, 
want blijkens een anderen bevestigingsbrief der privile- 
giën van 14 Januarij 1404 ^)y in hetzelfde werk van 
Alkemade, IP deel, blz. 51 te vinden, aanvaardde Jan 
TAN Beijeren eerst toen de regering als Heer over de 
heerlijkheid van Voorne. Dat hij die als toekomstig 
opvolger reeds sedert 1393 voerde , wordt niet betwist, 
doch blijkens den brief van Hertog Albrecht van 1401 
t. a. p. blz. 50 oefende deze nog inderdaad het gezag 
uit. Dus zijn de costumen tusschen 1404 en 1418 te 
zamengesteld. Wij stellen dat 1416 het eigenlijke jaar 
is. Toen was Keizer Sigishund hier te lande en trachtte 
Graaf Wiuem VI te vergeefs van hem de verzekering 
te Terkrijgen, dat zijne dochter Jakoba na zijnen dood 



') Nederduitsche Regtsoudheden , blz. 381. 

') De sterfdag van Hertog Albrecht is onzeker, waarsdiynlijk in 
December 1403. Verg. Arend, II Deel, H St. blz. 323. 



70 



met zijne landen zoude worden beleend. Welligt was 
Jiir VAN Beijeren niet geheel onschuldig aan die wei- 
gering, welligt poogde hg yan den Keizer reeds toen, 
bij het eventueel overlijden yan zijnen broeder, de be- 
leening yoor zich te yerweryen. Eenen man als Jan 
YAN Beueren 9 die den bijnaam yan de Croddelooze bij 
zijne tijdgenooten yoerde, die zich in het bloed der 
Luikenaars baadde, nadat hij het woord hun gegeyen 
had verbroken , die zijne jeugdige nicht yerraadde en 
beroofde, doet men wel geen onregt, wanneer men 
hem yan eene trouwloosheid te meer yerdenkt. En dan 
is dat gewag maken yan het Veemgeiigt eene beleefd- 
heid voor den Keizer. Hier beneden zal aangetoond 
worden, hoe zeer de Keizers uit het Luxemburgsche huis 
ijverden yoor de Yeemgerigten: Sigisuunb was zelf Vrij- 
schepen geworden. Wanneer dus Jan tan Beijeren 
aan het Veemgerigt toestaat ook in zgne heerlijkheid 
regtsdwang uit te oefenen, dan kan men zulks als eene 
tegemoetkoming aan 's Keizers yerlangen, als eene vlegerij 
beschouwen. Men zegge niet: hoe zoude de Duitsche 
Keizer iets gewaar zijn geworden van de costumen van 
het land yan Yoorne? Sigismvnd was hier te lande 
ener bestonden voorzeker middelen genoeg om. aan 
dien Yorst iets onder de oogen te brengen, wat men 
wenschte dat hij mogt opmerken. Het ophangen aan 
den eersten boom strookte daarenboven wonder wel 
met den aard yan den beul i) der Luikenaren. W|j 
geven intusschen deze gissing voor niets meer dan 
hetgeen zij is. 



)) Die twijfelen mogt of ik Jan van Beijëren ook onregt heb ge- 
daan leze b. V. Dewez, Eistoire particuliere, II. pag. 65 et 66. 



71 



Wanneer men nu onderzoekt of de oude oorkonden 
de stelling 9 dat alleen in een gedeelte ran Gelderland 
(de Graafschap Zutphen), Overijssel en Drenthe Trij- 
stoelen kunnen worden aangetrofiTen, genoegzaam beves- 
tigen , dan treft men het allereerst in het Zutphensche 
eenen vrijstoel aan, omtrent welks bestaan nooit een 
twijfel heeft geheerscht, dien te Bredevoort. »So hat 
der Hertzog voN Gellern ainen Stuell ynd nit meren , 
der leitt am Breitenfurt*' zegt een oud gewijsde bij 
Senckevberg. Deze Trijstoel is zeer oud en herkomstig 
Tan de Heeren van LooN. In een verdrag yan 1152 
zegt Bisschop Fredebik van Munster, dat er een slot 
gebouwd was in 't dorp Lon, tot verdediging van 't sticht 
Munster, dat na den dood van Bisschop Wernerus, 
Godeschalk (tan Loon) had beweerd daarmede beleend 
te zijn, maar dat hij hem gedwongen had te bekennen, 
dit slot onregtvaardig aan zich gebragt te hebben ; on- 
der voorwaarde dat Godeschalk burgvoogd, castellantis 
zou blijven en het regtsgebied , {regtmen populare) over 
de zes kerspels Lon, Winelhereswic, Aladnon, Verns- 
Bcvelde, Selebem, Hengelo, dat Godeschalk zich be« 
roemde tot zijn Graafschap te behooren, zou hij als 
andere vrijgraven, comües vulgetres , namens den Bis- 
schop bedienen. Dit verdrag is zeer zonderling en te 
regt zegt tan Spaen *) dat het alle kenmerken van 
overheersching draagt. Godeschalk, iemand die tot 
den hoogen adel behoorde, Aomo nobtlts, komt daar 
voor als Vrijgraaf. Bezwaarlijk zal men een tweede 
voorbeeld daarvan vinden. In Gelderland kent men 
nog de Greven Indomick en de Greven van Ubbergen, 



J) Van Spaen, Inleiding, I. blz. 394 en 395. 



72 



die niettegenstaande dien titel nooit onder den hoogen 
adel zijn gerangschikt. Van Spaebt zegt^) dat, wanneer 
die Heerlijkheden in Westphalen lagen, men aan Vrij- 
graven zoude moeten denken, en oppert yerder orer 
dien titel eenige beschouwingen , waaromtrent ik mi} 
geen oordeel aanmatig. Heeft Westphalen zich zó6 
ver uitgestrekt? dit is moeilijk denkbaar. Maar zijn 
ook niet in Frankenland, vóór dat de leenen erfe- 
lijk waren, vice-grayen, comües minores geweest en 
hebben soms in dien hoek yan het Frankische rijk 
een paar yice-graven dien titel erfelijk weten te ver- 
krijgen? Hoe het zij, dat die Heeren geene nobiles 
waren, behoeft geen betoog, en de verhouding van 
de Heeren van Looic als stoelheeren en vrijgraven te 
gelijk, is geheel eenig. Dat die verhouding is blijven 
bestaan, leid ik af uit een stuk in het Archief van 
Bethlehem van 8 Januarij 1292, waarbij Herman yaüt 
Loon benevens zijne vrouw Gertrudis en zijne zoo* 
nen Hebmands en Wicboldus de gift van zekere goe* 
deren te Versevelde, door wijlen zijnen vader Herman 
gedaan, ten behoeve van de kerk te Bethlehem be- 
vestigt en verklaart dien afstand, ofschoon geschied te 
Winterwick in het gerigt, qw)d vrigeregte diciiur ^ 
evenzeer van waarde te zullen houden , als of die ge- 
schied ware ter plaatse waar de goederen gelegen 
zijn. Onder de getuigen worden opgenoemd Bernardüs 
BE Getmmenb en Theodbricus dictus de Somerhus, sca-^ 
bint seu veymnote ^ maar geen vrijgraaf. Compareerde 
Herman van Loon dus voor zich zelven ? zal men vra- 
gen en de zaak is zeker zeldzaam , doch ik weet daac 



1) InUuUng, III. blz. 423. 



73 



geene andere oplossing Tan te geven i). Het stuk is 
daarenboven ook merkwaardig omdat het, gelijk hier- 
boven is gezegd , ten volle bewijst dat de Yeemgerigten 
aanvankelijk ook de regtspleging in burgerlijke zaken 
hadden. Reeds de vader van Herman tan Loon had 
omtrent Bredevoort schikkingen met den Gelderschen 
Graaf Oiio getroffen. Deze Herman bevestigde die in 
1255 en behield Bredevoort als leen van Graaf Otto 2). 
Na zijn kinderloos afsterven ontstond er tusschen Rei- 
NALD II 3 toen Ruwaard van Gelderland , en Lodbwijk 
Bisschop van Munster een bloedige oorlog over het bezit 
van Bredevoort ^), Bij het vredesverdrag tusschen 
Gelre en Munster in 1326 behield Reinald het slot 
Bredevoort met toebehomen in eigendom en de gerig- 
ten Winterswijk, Aalten en Dinsperlo met het vrij- 
graafschap in pandschap van het sticht Munster, het- 
welk die pandschap ten allen tijde zonde mogen aflos- 
sen. Die aflossing heeft nimmer plaats gehad en zóó 
zijn de Geldersche Hertogen onbetwist stoelheeren ge- 
bleven van den vrijstoel te Bredevoort en hebben zij 
daar Yrijgraven aangesteld. Dat daar veemwroegige 
zaken behandeld werden zoude op zich zelve waar- 
schijnlijk zijn; het blijkt daarenboven echter uit de 



1) Op het gezag van Kikdlikoeb beweert Eichhobk, III. S. 179 
dat de stoelheer ook zelf regt konde spreken en dat in zolk geval 
de Vrijgraaf niet tegenwoordig behoefde te zijn. Die bewering is 
voor het Karolingische tijdvak , wanneer men zich onder den Stoelheer 
den keizer! gken Graaf voorstelt, zeer juist. Sedert de invoering van 
het leenstelsel is zij echter aan vele bedenkingen onderworpen en 
moet voor het minst als uitzondering worden beschouwd. 

2) Bondam, III. n^. 46 en 89. 

^) Het verhaal van dien oorlog is te vinden bij van Spabn, Hiê- 
torie, I. blz. 396 en v. 



74 



volgende post yoorkomende in de rekening van den 
stedeiyken Overrentmeester te Zutphen over 1449: »Des 
saaterdachs nae Laarentii Ubnrick Nienhuts ende Wil- 
UK Lerinck (twee Schepenen) to Bredevoerde vp dach 
Andriss Tserin Ghsrttssosic ende onser borgher.'* 
Deze Andries Yserset wasi gelijk hierna zal blijken, in 
een geding yoor het Veemgerigt gewikkeld. Ook io 
1466 werd daar gerigt gehouden, de Yeemschepenen uit 
Zutphen en Doesborgh werden wegens den oorlog onder 
geleide van ruiters naar den vrijstoel gebragt i). Welke 
zaak daar behandeld werd blijkt niet: evenzeer wordt de 
naam van den Vrijgraaf niet genoemd. Ook in 1470 wordt 
de naam van den Yrijgraaf verzwegen ^). Van elders blijkt 
dat Jak Conick in 1463 en 1467 die waardigheid bekleed- 
de , hij was dus stellig de Yr^gr^af van 1466; die van 1470 
was Berend de Duker, blijkens Bijlage XI; hunne voor- 
gangers en opvolgers zijn ook, met eenige gapingen wel 
is waar, bekend. In 1380 bekleedde Arent tak Emmerik 
die waardigheid '), in 1436 komt Johak tak ëssek als 
Yrijgraaf voor ^) en ik aarzel geen oogenblik om Stetsk 
TAK DER LoE, in 1450 overste en hoogste regter des 
Hertogs van Gelre «) als Yrijgraaf te Bredevoort te be- 



*) #Item doe onse vrende reden met den van Doesborch to Brede- 
voert mit xxx peerden in die vrybanck, gegeven enz." Bekening 
van Zutphen over 1466. 

^) «Item onss heren vrygreve van Gelre hefit hier gesant enen 
hoden op den Dinxdach na Ocnli, de hebben solde yor ayn loen vii 
witpenningen de onse stad betaelde/^ Rekening vanZntphen over 1470. 

^) 'Enen bode die tot Bredevoert ghelopen was ann Arbni yak 
£rM£BTG den vrijgreve alse ran den peerde daer hi onse stad voer 
ansprac." Rekening van Woltes Bqrben Cameraar der stad Deven- 
ter over 1380. 

*) NUHOST, Gedenhoaardigheden , IV. n". 156. 

5) Zie Bijlage V. 



75 



schoawen. Tot dos Terre over de voorgangers van den 
Yrijgraaf van 1470; thans ga ik over tot zijne opvolgers. 
Blijkens eene oorkonde in het LancU- und Dom-JfrcAiv 
te Munster berustende , van Dingsdag na Meidag 1481 
geeft LiHBBRT Reinier Yrijgraaf der vrijstoelen te Al- 
dendorpe, in der Aldenfort, te Smijtterfelde ^ en ter 
Walfurt in de heerschap van Gemen het gewone rever- 
saal aan den Aartsbisschop van Keulen af , dat hij goed 
regt zal spreken » geene onwetenden Toor den vrijstoel 
zal trekken 9 dan op de wijze bij de reformatiën bepaald 
enz. enz. Hij was derhalve toen (zoo als zal worden 
aangetoond) Yrijgraaf te Bredevoort. In 1487 treft men 
op. nieuw als zoodanig aaki de bekende Berend ds Duker, 
die in alle Yeemgerigtszaken eene hoofdrol speelt i). In 
dat jaar had hij Yolher yin Heiden Stoelheer van den 
naburigen grooten vrijstoel te Heiden en Berend Ben* 
irsRy diens Yr^graaf, voor zich gedagvaard. Zij beklaag- 
den zich bij den Aartsbisschop van Keulen, die partijen 
naar den kapittelsdag te Arnsberg verwees 2). Toen 
was de vrijstoel te Altenforde echter reeds door een 
anderen Yrijgraaf bezet, te weten door Werner tan 
den Sunderhu£s ^) , die later meer zal yoorkomen. 



1) Bebend DB DuKSR komt reeds in 1430 als Yrijgraaf voor, bij 
TmsBSCH, Vervemung ti. s, w. S. 101. Hij is dus ten minsten 61 
jaren Vrijgraaf geweest. Bezwaarlijk kan men aan twee personen Tan 
dien naam denkea; De stoute geest, dien wij in zijne brieven aan 
Keizer Sioismumd vinden, straalt in alle zijne oyerige handelingen 
door. 

2) Bijlage I. 

^) Webneb van den Sundebhues Vrijgraaf te Altenfonle end Jiand- 
wemlck neemt Mette hnisvronw van Johan ten Lobhüts onder 
Gesscher als een vrij dienstwijf aan en geeft haar de regten van alle 
bankvrijen, 1487 feria qninta post Dominica ocnli. Lands- und Dom- 
Archiv zu Munster, 



76 



Otn tot Bereitd de Dokbr terug te keeren, in 1489 
Eat hy Toor in een regtsgeding dat de stad Zutphen als 
aanlegster Toor den vrijstoel yoerde en waarvan in het 
vervolg zal worden melding gemaakt. Hij heet Yrij- 
graaf van den Heer van Gemen en in 1491^ toen hij op 
aanklagte van Faederik tan Bronckhorst Heer van 
Borculo Gert Udehabt burger te BoekhoU wegens ge- 
pleegde gewelddadigheden voor zijnen vrijstoel dagvaard- 
de, geeft hij zich den zelfden titel i). De schijnbare 
tegenstrijdigheid, die uit dien titel ontstaat, is gemakke- 
lijk op te lossen, wanneer men bedenkt dat Hertog 
Willem tan Gelre in 1388 de heerlijkheid Bredevoort 
aan den Heer van Gemen had verpand; wel is waar 
had hij zich het vrijgraafschap en derhalve de aanstel- 
ling van den Vrijgraaf voorbehouden en toen in 1479 
Katharina tan Gelre en de Staten van Gelderland 
aan den Bisschop van Munster het regt schonken om 
de pandschap af te lossen , zonderden ook zij het vrij- 
graafschap daarvan uit, maar sinds dat laatste jaar was 
de staatkundige toestand geheel veranderd. Maxihi- 
LIAAN TAN OOSTENRIJK was in Gelderland als Hertog 
erkend en zijn getrouwe aanhanger, Hendrik Heer 
van Gemen, was door hem tot landdrost van Zutphen 
en tot plaatsvervanger van den stadhouder van Gelder- 
land aangesteld. De vereeniging van beide betrekkin^ 
gen van pandheer en vertegenwoordiger van den Lands- 
heer in één persoon gaf dus aan Berend de Ditker 
ten volle regt om zich Vrijgraaf Tan den Heer van Gemen 
te noemen 2). 



^) NiESEST , Beitrage zu einem Münsterischen Urkundenbuche , I Theil , 
2 Abtbeilnng. 
^) NiJHorr, Gedenkwaardigkeden , III. n''. 138 en V. n^. 109. 



77 



Maar waar was de plaats, waar de Vrijschepenen bij- 
een kwamen? Niet in het kasteel Bredevoort, dal 
zoude men reeds met trij wat zekerheid kunnen ant* 
woorden , wanneer men bedacht dat die vergaderingen 
meestal in de open lucht plaats hadden. Het verbond 
yan 1479 bepaalt de plaats nog nader , »beholtlick der 
landtschap vurscr. der Tryenbanck in der Walfaert/^ 
De Zutphensche rekening van 1489 spreekt Tan deo 
Trienstoil to Walfoort en later van »S]ehege voir den 
vrienstoir' waarbij klaarblijkelijk dezelfde plaats wordt 
bedoeld. In het stuk van 1491 bij Niesert noemt 
deVrijgraaf den vrijstoel te Slehege in het kerspel Win- 
terswijck ambt Bredevoort. Kennelijk wijst de eerste 
benaming de aloude havezathe het Walfort of Walvoort 
aan. Slehege is onder Bredevoort zoo ver ik weet 
niet te vinden , maar slaat men Kiliaan op, dan vindt 
men voor slee en sleedorn prunus süvestris en in die 
beteekenis van wilde pruimenboom wordt dit woord 
ook nog door het landvolk van Gelderland en Overijssel 
gebruikt. Slehege is derhalve niets anders dan de hegge 
of het boschje van wilde pruimenboomen op het Walfort. 
Daar, op een oude maal-plaats vergaderden de Veem* 
schepenen, daar werden nieuwe Veemschepenen ge- 
maakt, daar werden de vonnissen der Veemschepenen 
gewezen. Vraagt men verder of die Vrijgraaf en die 
Veemschepenen geen gerigtsboeken , geen geschreven 
vonnissen, geene aanteekeningen hadden? zoo is het 
antwoord: voorzeker zijn er verzamelingen van formulie- 
ren, van reformatiën, aanteekeningen en dergelijke ge- 
weest (vonnissen zoude men niet aantreffen, want die 
werden in originali aan den klager ter hand gesteld) , 
maar zoo lang het niet is uitgemaakt, waar het eigen- 



78 



lijke Archief der heerlijkheid Brederoort is gebleren i)^ 
is het eene onmogelijkheid meer van den vrijstoel op 
het Walfort mede te deelen, dan hier is gedaan. 

Bestaat er dan geen de minste twijfel aan den Trij« 
stoel te of lieyer onder Bredevoort, een andere vrijstoel 
is twijfelachtiger, te weten die van Coeyorden. Bij 
DuMBAR 2) treft men den brief van 1357 aan, waarbij 
Keizer Kakel IY aan Retnold III van Goevorden het 
regt geeft, om in de landen Goevorden en Drenthe een 
vrijstoel op te rigten. Die brief berust nog in criginali 
in het stedelijk Archief van Deventer, maar of aan de 
zaak gevolg is gegeven, is zeer moeilijk te beslissen. 
Over het geheel komt zij eenigzins vreemd voor en mag 
men zich afvragen: welk belang had de Heer van Goe« 
vorden bij het oprigten van een vrijstoel ? 

De geschiedenis van Drenthe heldert dit punt gedeel- 
telijk op. Bisschop Jan tah Arkel had zich , toen hij 
het bewind over het deerlijk verwaarloosde Bisdom 
Utrecht op zich nam, genoodzaakt gezien aanzienlijke 
streken lands te verpanden , ten einde zijne verwarde 
geldmiddelen eenigzins te herstellen. Onder die ver- 
pande goederen behoorde de heerlijkheid Goevorden, 
die hij aan zijnen Prefect of Burggraaf, Reinold tan 
Goevorden in pandschap gaf. De latere Bisschoppen 
van Utrecht beschouwden de heerlijkheid Goevorden 
als door die verpanding van het Sticht afgescheiden 3). 
Reeds in 1347 noemt Reinold zich Heer van Goevor-* 
den. Had hij derhalve vroeger als plaatsvervanger vaa 



1) In het archief te Munster zyn zoo ver ik weet slechts enkel© 
stakken van het archief van Bredevoort. 

2) Kerkelijk en wereldlijk Deventer, blz. 574. 
5) Magkin, II St. 1* gedeelte, blz. 46. 



?9 



den Graaf*Bisschop in de plaoita Toorgezeleu, zoo 
was hij na, althans tijdelijk, zelf Graaf geworden , 
hetzij OTer geheel Drenthe , hetzij OTer een gedeelte ; 
zijn regter konde derhalve de landsvergaderingen hou- 
den en het vonnis, door de gemeente, of de vier en 
twintig Etten gevonden, uitspreken. Maar die gewig- 
tige verandering heeft voorzeker niet zonder tegenstand 
plaats gegrepen. Vele edelen en vrijen, vroeger Rei- 
NOLDS gelijken, zullen ongaarne zijn oppergezag hebben 
erkend. Het kan zijn dat hij , om dezen tot zwijgen te 
brengen, het nuttig heeft geacht om van den Keizer het 
voorregt te verwerven om Vrijgraven, dat is Keizerlijke 
regters, aan te stellen. Door die daad scheen de Keizer 
de regten van den nieuwen landsheer als het ware te 
erkennen en te bevestigen. Daarenboven was die vrij- 
stoel uitnemend geschikt om hen tot gehoorzaamheid 
en handhaving van den landvrede te dwingen, die voor 
een Heer van Coevorden hetzelfde ontzag niet betoon- 
den , dat zij voor een Bisschop van Utrecht hadden be- 
toond. Of RfiiicoLD zich met den naam van stoelheer 
en het keizerlijke privilegie heeft te vreden gesteld, dan 
of hij werkelijk een vrijstoel heeft opgerigt, is niet met 
zekerheid te zeggen. Het eerste is waarschijnlijker, 
maar heeft hij werkelijk een vrijstoel opgerigt, dan is 
die zeker in 1395, bij de onderwerping van Coevorden 
aan den Bisschop van Utrecht, te niet gegaan. 

Wat echter den Keizer bewoog om die gunst aan 
Reinold tan GoETORDEic te schenken, verdient wel een 
nader onderzoek. De Luiemburgsche Keizers, met hoe 
veel grond men ook een afkeurend oordeel moge vellen 
over hun persoonlijk karakter en hunne baatzuchtige 
en kleingeestige staatkunde , hebben jegens Duitschland 



80 

eenige verdiensten gehad , welke men hun niet kan 
ontzeggen. Op den voorgrond staat de ijver voor het 
handhaven van den landvrede. Karel IY, hoe geld- 
zuchtig en bekrompen ook, trachtie dat doel zooveel 
mogelijk te bereiken *); de woestaard Wenceslaus, 
TÓór dat hij zich geheel en ai aan overdaad en zwei- 
gerij had overgegeven ; de losbandige en trouwelooze 
SiGiSKUND, zij allen deden wat in hun vermogen was, 
om veiligheid en rust te bevorderen en zoo zij dat doel 
niet geheel en al konden bereiken, dan vergete men 
niet, hoe weinig magt aan den Duitschen Keizer was 
overgebleven. Tot bereiking van dit doel begunstigden 
zij het Veemgerigt, dat in Westphalen zoo krachtig tot 
handhaving der orde werkte en trachtten het ook elders 
in te voeren. Dat die plant op vreemden bodem, waar 
niet dezelfde bestanddeelen als in Westphalen waren, 
niet konde gedijen, zagen zij voorbij; maar dat zij der- 
gelijke Trijstoelen in Overijssel en Drenthe, te voren 
gedeelten ran het oude Westphalen , wilden oprigten , 
-was allezins met eene gezonde staatkunde overeenkom- 
stig. Intusschen de yestiging van die nieuwe vrijstoelen 
stuitte op eene andere zwarigheid. De vrijstoelen wa- 
ren, gelijk hierboven is aangetoond, op overoude ge- 
rigtsplaatsen gevestigd ; door langdurige gewoonte stond 
het vast welke vrijen tot lederen stoel behoorden, wan- 
neer de vergaderingen plaats hadden enz.; het scheppen 
van een nieuwen vrijstoel was dus eene handeling, die 
geenszins met de gewoonten der edelen en vrijen in de 
nabijheid strookte, met weerzin moesten zij die » nieu- 
wigheid'" aanschouwen en hunne openbare of geheime 



1) Vergelijk onder anderen Erhard, GeschichU Münsterê, S. 178. 



81 



tegenwerking moest die nieawe instelling al spoedig 
doen kwijnen en te niet gaan. 

Toen das Keizer Earel IV in het jaar 1361 aan Bis*^ 
schop Jan van Arkel bij open brief de magt gaf om 
in Salland en Twente (het Friesche gedeelte van Over- 
ijssel blijft natuurlijk buiten aanmerking) vrijstoelen op 
te rigten, Vrijgraven en Yrijschepenen aan te stellen, 
met dezelfde kracht, als of hij ze zelf had aangesteld ^)> 
is die uitbreiding van 's Bisschops magt den landzaten van 
Overijssel voorzeker geenszins aangenaam geweest. De 
Bisschop heeft waarschijnlijk zich voorgesteld, om door 
dit middel de onrustige en krijgszuchtige edelen , tegen 
welke hij vele en bloedige oorlogen moest voeren, te 
spoediger te bedwingen. Volgens Racer 2) zoude echter 
de Bisschop dit doel niet hebben bereikt , en zoude juist 
het bekend worden van het privilegie door den Bisschop 
verkregen , aanleiding hebben gegeven tot nieuwe veeten 
en onlusten. Het is zeer goed denkbaar dat inderdaad 
de uitkomst niet aan het doel heeft beantwoord. Wat 
den Bisschop doelmatig scheen tot handhaving van de orde, 
moest aan de edellieden, die niet geheel ten onregte met 
de orde van den Bisschop het denkbeeld van onderdruk- 
king verbonden , alles behalve goed toeschijnen. Daar* 
entegen moesten de maatregelen van den Bisschop aan de 
stedelingen, die daardoor gebaat werden, zeer behagen. 
Men kwam echter onder de zwakke regering van den 
opvolger van Bisschop Jan van Arkel, den rampspoe- 
digen Jan van Vernènbürg, tot geene verdere maat- 
regelen; maar toen Floris van Wevelinkhoven , een 



') Men zie het privilegie bij Bcmbar t. a. p. bl. 572. 
2) Overijsselsche Gedenkstukken, V Deel. 
DL. X. 6 



82 

der krachtigste regenten die den Utrechtschen bisschops* 
zetel bekleed hebben , het bewind in handen kreeg, 
werden er meer stappen tot de inToering Tan het Veem- 
gerigt gedaan. Floris was Bisschop yan Manster ge* 
weest; hij was toegetreden tot den landrrede Tan 1371, 
waarbij aan de Veemschepenen door den Keizer uit- 
drukkelijk de zorg was opgedragen om dien landTrede 
te bewaren en te handhaTen; hij had gezien hoe krach- 
tig het Veemgerigt werkte; en het is dus geen wonder 
zoo hij het in zijn Bisdom Utrecht ook wilde iuToe- 
ren i). Aan zijne tusschenkomst zal het dus toe te 
schriJTen zijn, dat de stad DeTenter op haar Terzoek 
Tan Koning Wenceslaus op St. Lucasdag (18 October) 
1386 het regt Terkreeg, om een yrijstoel op te rigten, 
een priWlegie, dat op elfduizend-maagdendag (21 Octo- 
ber) gCTolgd werd door een keizerlijke aanstelling, 
waarbij Hendrik ter Bruggeit, uit een aanzienlijk 
DcTentersch geslacht gesproten, tot Vrijgraaf Tan den 
nieuw op te rigten stoel werd benoemd 2). Maar, moge 
de Bisschop groeten iuTloed op dat Terzoek gehad heb- 
ben, het ging toch Tan den magistraat te DeTenter uit, 
en des te meer Terwondering moet het baren, wanneer 
men niet alleen Deventer weigerachtig ziet om dien 
Trijstoel tot stand te brengen, maar zelfs in 1394 ziet 
bepalen dat geen Veemschepenen Toortaan leden Tan 
den Raad zouden zijn en dat zij, die reeds Yeemsche- 



') In de oude vertaling van Beka bij Matthaküs, Anahcta III. 
blz. 278, wordt van hem gezegd: «Hg was die vroedste van der 
eren te kaven ende van der veembanc die doe in Dnitsche lant vrasT 
*»juris vemici scientissimus'*'* zegt Matthaeüs. De uitgave van Bughi> 
Lies heeft deze plaats niet. 

2) DuMBAR, t. a. p. blz. 577. 



83 



penen waren, uit den Raad zonden gezet worden >)• 
Misschien is deze verandering van denkwijze toe te 
schrijven aan eene afwisseling van personen in den 
Raad ; misschien staat ook de zaak in verband met het 
geschil tasseben Deventer aan de eene en Zwolle en 
Kampen aan de andere zijde over de plaats , waar de 
groote Klaring zoude gehouden worden. Wenceslaus 
bevestigde op denzelfden dag, waarop hij aan Deventer 
den vrjjstoel schonk, die stad in het bezit van de Kla- 
ring, maar Kampen en Zwolle gaven eerst in 1392 toe. 
Was men soms voornemens den vrijstoel in werking 
te doen treden, wanneer onverhoopt de onderwerping 
der beide andere steden niet gevolgd ware en achtte 
Deventer het soms onraadzaam, nu het doel eenmaal 
bereikt was, de gevaarlijke proef te nemen? Welke 
de reden ook zij, zeker is het dat de vrijstoel niet werd 
opgerigt en dat Deventer wegens dit verzuim , dat eene 
bespotting van de keizerlijke Majesteit konde schijnen, 
voor het keizerlijke Hofgerigt werd gedagvaard. 

Den 25 Junij 1397 bragt een keizerlijke bode de 
dagvaarding tegen St. Margaretendag naastvolgende. De 
Raad vergenoegde zich met protesteeren en zond zeke- 
ren meester Bernarous Gobelini naar Praag, om te 
bewerken, dat de dagvaarding mogt worden ingetrok- 
ken. De poging mislukte evenwel, want in het volgende 
jaar werd een nieuwe dagvaarding even als de vorige 
ten verzoeke van Diederik Kraen, ^s Konings schen- 
ker, aan den Raad der stad Deventer ter hand gesteld. 
Deze zond toen twee afgevaardigden, Arnold upper 



1) MooNEN, Ckronijke van Deventer, blz. 35. Reviüs, Daventria 
illustrata, pag. 89. 



84 



H££ST en Hendrik ter Bruggen (den benoemden Yr^'-» 
graaf) om zich op de priTÜegiën der stad te beroepen 
en nog meer drangredenen in het midden te brengen. 
Tan welken aard die drangredenen waren wordt niet 
gemeld, maar uit de geheele toedragt der zaak zoude 
het geenszins te verwonderen zijn indien zij zeer zwaar- 
wigtig werden bevonden*). Men kan zich toch moeilijk 
Toorstellen dat Wenceslaus zijne aanspraken, die in- 
derdaad zeer gegrond waren , anders dan tegen belang- 
rijke opofferingen van de zijde van Deventer heeft laten 
Taren. Immers bij den brief waarin hij yerklaart geene 
aanspraken meer op Deventer te hebben, worden drie 
punten van beschuldiging opgenoemd. In de eerste 
plaats had Deventer, ofschoon het van Wenceslaüs het 
zwaard ten teeken van hoog en laag regtsgebied had 
ontvangen, hem niet geholpen, toen hij gevangen was 
geweest ; vervolgens had Deventer een vrijbank aange-^ 
nomen van den Koning en had daar niet mede voort- 
gevaren; eindelijk had het bepaald dat Veemschepenen 



1) Tot staving yan dit vermoeden strekke de volgende post in de 
rekening van den Cameraar Frederik van der Eeze over 1398 "hij 
onse scepenen gehiet Huberte vak der Braeck, die bij van onser 
stad weghen betaelt heeft heren Johan van Kenswijlrb ende heren 
Hbrmak yam Patteren van des Eeijsers zaken, daer sie onse stad 
des Keijsers brief af verworven hebben , daer die zaken mede concor- 
diert sin, die die Keijser np onse stadt meijnde te segghen hebben 
XVII*^ XL gul II pi. III br." Ook de bevestiging van de groote 
klaring of het privilegie van een vrijstoel had geld gekost. «Item 
heren Emond tan Andelstorp die hem onse stad schuldich was 
van den zaken , daet Aerkt upper Heest ende Hekr. tbr Brüg»- 
ohek, van onse stad weghen omme an den Keijser hadden gheweest 
die hem onse stadt tot Nymeghen sonde VIIc XCI Ghelr. galden ma- 
ken XVnic XCVIII « Vm ss." Rekening van den Cameraar Hbk- 
PRiK TBR Bruoghek ovor 1387. 



85 



niet in den Raad roogten gekozen worden. Van deze 
beschuldigingen wordt de stad Deventer bij koninklijk 
bevelschrift van 13 Dec. 1398 ontheren, op grond dat 
'sEoniogs vorderingen geene gewoonte in Deventer wa- 
ren geweest en de dagvaarding op de registers van het 
Hofgerigt geschrapt. Zoo het overijlde verzoek om een 
vrijstoel Deventer derhalve al opofferingen heeft ge- 
kost, de stad is volkomen geslaagd in hare poging om 
die fout te herstellen. 

Zoo zijn wij eindelijk gekomen aan den laatsten vrij- 
stoel die hier te lande heeft bestaan, dien te Goor. 
Bisschop Frederik van BLAfTKEiVHEiM, gebruik makende 
van de magt door Keizer Karel IV aan zgne voorgan- 
gers, de Bisschoppen van Utrecht, verleend, verklaar- 
de op den twintigsten Maart 1421 dat hij tot bevesti- 
ging van den vrede en beteugeling van de boosdoeners, 
die hoe langer zoo stouter werden, te Goor op de plaats 
waar vroeger het bisschoppelijk kasteel had gestaan, 
een vrijstoel wilde oprigten en, opdat het regt daar be- 
hoorlijk werd gehandhaafd, benoemde hij zeventien 
personen in den brief met namen genoemd, tot vrij- 
schepenen en stelde Herman van Ansem, schildknaap, 
tot Vrijgraaf aldaar aan. Keizer Sigismund bekrachtigde 
op verzoek van den Bisschop die benoeming van een 
Vrijgraaf op den 17 November van hetzelfde jaar >). 
Dit is alles wat van dien vrijstoel bekend is; of de zaak 
daarom haar beslag heeft gekregen en of de Vrijgraaf 
werkelijk zijne betrekking heeft aanvaard, is onbekend, 
maar als men bedenkt dat er geene sporen van de wer- 
king van het Veemgerigt daar ter plaatse zijn overge- 



DcTMBAR, Analecta, II, pag. 283 seqq. 



86 



bleten y geToelt men zich genoopt , ook aan het voort- 
durend bestaan Tan dezen Trijstoel te twijfelen. 

Zoo blijft het derhalve onbewezen, dat er immer 
meer yrijstoelen dan die bij Bredevoort, in ons vader- 
land in ToUe werking zijn geweest en mogen wg met 
Tolle regt het Yeemgerigt als eene in Nederland vreemd- 
soortige instelling beschouwen, die hier nimmer tas- 
ten bodem heeft kunnen verwerven. Uit de stukken 
betreffende den vrijstoel te Deventer mag men zelfs 
opmaken, dat er een zekere afkeer tegen de Veem- 
schepenen hier te lande bestond , getuige het voorschrift 
om hen niet tot het lidmaatschap van den Raad toe te 
laten. Een soortgelijk besluit als te Deventer, werd 
te Zutphen genomen. Blijkens een boek in het Archief 
van die stad , het Vale boek genaamd , waarin vele keu- 
ren en uitspraken van Schepenen zijn opgenomen en 
dat volgens het opschrift in het jaar 1400 uit het oude 
boek werd overgeschreven , gold daar de volgende bepa- 
ling: »Dat gheen vemescepen tot Zutphen gheen sche- 
»pen wesen sal, noch gheen raet wesen sal, dat is 
>»geslaten ende dair is een ordel avergegaeo ende aver- 
»ghewiset ende dat is bescreven in Stades boec ende 
»dair is ein ordel aver geghaen ende dat et stantach- 
»tich wesen zal.'' 

»Ende wanneer ennych man scepen off raet gekaeren 
»is ende synen eed gedaen heft, soe sal he van stont, 
» wanneer he ierst in de camer kompt, by den solven 
»ede seggen, weer he oeck vemscepen sy. Ende were 
»he denn vemscepen, soe sal he dat jaer lanck sonder 
»gichten off richten blyven sitten ende soe sal men des 
»naesten tokomenden iaers oen sitten laeten ende enen 
» anderen in syne stede kiesen, want dyt oeck met 



87 



»eDeii ordel gesloeten is. £nde want zedelick ende 
»gewoenlic is dat men anderen heren ende jonckeren 
»geswaerne in onsen raet nyet en plecht te kiesen, soe 
»is myt enen ordel geslaeten dat men dat voert alsoe 
» holden sal ende dat gyn soepen noch raet deer heren 
3!>noch jonkeren kledynghe draegen en s^V 

Hen zoude welligt op het denkbeeld komen, dat 
deze verordening op het voetspoor van het Deventersche 
faadsbosluit van 1394 is ingevoerd , maar ten onregte. 
Immers het oude boek » waaruit dit boek is overgeschre* 
ven^^ bestaat nog, al is het dan ook slechts in enkele 
onzamenhangende pergamenten bladen; volgens het 
schrift zal het welligt een vijftig jaren ouder zijn dan het 
Tale boek en in die bladen komt de eerste zinsnede der 
keur letterlijk weder voor. De tweede is er waarschijn-* 
lijk later bijgevoegd , toen men ondervond dat het niet 
zoo gemakkelijk was gewaar te worden, wie Veemsche- 
pen was en wie niet. Langen tijd hadden toch de 
steden, die, van uitgebreide voorregten voorzien en 
bloeiende door handel en nijverheid, geen veemgerigt 
noodig hadden, om aan hunne burgers veiligheid te 
verschaffen, den invloed der Veemschepenen trachten te 
beperken en dat oogmerk door uitsluiting en als het 
ware schandvlekking der Veemschepenen te bereiken. 

Maar de tijd naderde , waarin dit middel niet meer 
zoude baten. De krachtige wijze waarop het Veemge- 
rigt zich deed gelden, bewoog meer en meer edelen 
en onedelen, om door toetreding tot het schepenen* 
verbond zich dien magligen steun te verwerven. Zoo 
vindt men dan in het midden der vijftiende eeuw overal 
in ons vaderland Veemschepenen, en daar onder man- 
nen tot de aanzienlijkste geslachten behoorende. In 



88 



den brief van Fr£D£Rik yan Blankskhbih van 1421 
komen onder anderen als Veemschepenen Toor: Johabt 
Burggraaf van Montfoort, Willem vaut Montfoort 
zijn broeder en Willem van Montfoort van Sweten. 
In 1460 is Hendrik Heer tot Wisch Landdrost der 
Graafschap Zutphen Veemschepen en geeft in die hoe- 
danigheid eene verklaring af: blijkens de vrijspraak van 
de stad Zutphen in de zaak tegen Herrort Rezen i)^ 
zijn Bitter en Johan van Raesveld, van het magtige 
geslacht van dien naam, ook in die hoedanigheid bij 
het regtsgeding. Ook Willem II Heer van den Berg 
schijnt Veemschepen te zijn geweest. Hetzelfde kan 
men zeggen van OTToHeer van Bronkhorst en Borculo, 
en van Dirk van Keppel ; en wilden wij deze lijst ver- 
meerderen met de namen van alle Veemschepenen van 
adelijken of burgerlijken stand , die in de stukken over 
het Veemgerigt voorkomen, wij zouden niet weten 
waar te eindigen ^). Het ging dus niet aan om de 
Veemschepenen te weren, en men kwam zoo op een 
ander middel , dat meer beloofde. 

Hadden leden uit den hoogen adel, hadden vorsten 
zelfs, het niet beneden zich geacht in het verbond der 
Veemschepenen te treden , zoo konde voor de Schepe- 
nen der vrije steden eene dergelijke toetreding wel niets 
vernederends bevatten; zoo dacht de Magistraat der 
stad Arnhem en dien tengevolge werden de Schepenen 
WijNAND VAN Aller, Gijsrrecht van der Hoeven, 
Jan van den Wall, Maas van Mekeren, Peter die 



^) NiJHOFP, Bijdragen y II. bl. 145. 

2) Daarentegen behooren de Vrijgi-aven met enkele uitzonderingen 
allen tot den stand der yrijen. 



89 



ScHRUYER en Jan yah Aggelsn in het jaar 1455 te 
Bredevoort tot Veemschepenen gemaakt >). De stad 
Zntphen, ofschoon ettelijke van hare Schepenen tot de 
Veemschepenen behoorden, achtte het genoeg, wanneer 
een der stadsboden officieel lid was Tan het verbond; 
zoo was in 1450 de bode Willem van Veenhüisev 
Yeemschepen en in het jaar 14b9 liet men een anderen 
bode te Bredevoort Veemschepen worden ^) ; zoo had 
men ten minsten ook verdedigers bij de vrij stoelen en 
werd men niet onverwachts overvallen. Het schijnt 
dat die maatregel aan het doel beantwoordde. 

Toen op het laatst der vijftiende eeuw de vrees voor 
de Yeemgerigten allengs verdween, nam ook, gelijk be- 
grijpelijk is, het getal der Veemschepenen zeer af; in 
de zestiende eeuw zijn mij geen Veemschepenen in Ne- 
derland meer voorgekomen. 

S 2. 

Passieve betrekking, Bemoeijingen van de Veem^ 

geriglen met de regtspleging in Nedei^land, 

Evocati'èn in Gelderland^ Overijssel ^ 

Drenthe en Groningen. 

Met een enkel woord is hierboven aangemerkt, dat 
de Vrijgraven zich niet vergenoegden met regt te spre- 
ken over de inwoners van dat gedeelte van den gouw, 



1) « Item Sonnendages belaken Pinxter die Bnrgermeysters mit den 
scepenen gescenct Ekgelbert Meijginc, soe als hy hier gescreven 
was te comen om onss scepenen te vueren aen den vrijenstoell , dair 
gy vryscepenen solden warden 't gelaech van XVIII manne ad VI kr. 
ende na IlIIqr. ende IIII koken" Rekening van Arnhem over 1455. 

'J «'Dair to heft men verdain mit ten ghonen dat Gebbit onser stat 
diener vryscepen wart enz.'' Rekening van Zntphen over 1489. 



90 



waarover zij aanTankelijk gesteld waren, maar dal zij 
door geheel Westphalea eo ook meermalen daar boiten 
hun regtsgebied uitbreidden. De geschiedenis van het 
Veemgerigt in ons Taderland levert daarvan een Ireftend 
bewijs. In dat gedeelte wat bij gevolgtrekking tot 
Westphalen kan worden gebragt, vinden wij talrijke 
voorbeelden van dagvaardingen, zoowel van enkele 
personen, als van geheele steden, voor verschillende 
vrijstoelen ; wij zien de steden door vrees voor de magt 
der Veemgerigten bevangen, allerlei wegen inslaan, om 
zich aan de gevaarlijke gevolgen van een veroordeelend 
vonnis te onttrekken en bij Keizer, Paus en Landvorst 
om beurten toevlugt zoeken. In het overig gedeelte 
van ons vaderland wordt hunne werking slechts als bij 
uitzondering waargenomen. Vreemd genoeg zijn het 
juist de vroegste tijden, waarin wij sporen van hunne 
werking in Holland of Utrecht waarnemen , terwijl zij 
buiten aanraking met die Provinciën blijven in dien 
tijd toen de Geldersche en Overijsselscbe steden voor 
hen sidderden. 

Tot die, wel is waar zeer flaauwe sporen, zoude men 
de geschiedenis of liever de sage van Folp£RT tan 
Arkel, Heer van Haastrecht kunnen brengen, die vol- 
gens het verhaal bij GouthO£V£N •) door den duivel 
werd weggehaald tot straf voor zijne veelvuldige euvel* 
daden, zoo dat slechts drie droppelen bloeds te vinden 
waren op de plaats, waar hij gestaan had. Het kan 
zijn dat een doodvonnis van het Veemgerigt hem heeft 



^) I. blz. 133. Zie ook Slicht bnhorst , Geldersche Geschiedenissen, 
blz. 196. Beider bron is waarschijnlijk de Anonymus de vita et 
rebus gestis Dominorum de Arckel bij MAirnAEUs, AnaUcta, Tom.y, 
pag. 203—240. 



91 



getroffen en dat onbekendheid met de wijze van uitToe- 
ring dier vonnissen, aan iets bovennatuurlijks heeft 
doen denken; doeh de stof is beter geschikt voor 
het dichterlijk genie van eenen Staring of eenen yan 
Lbnrep» dan voor het koele onderzoek yan den ge- 
schied vorscher. Wij zullen dus die sage laten voor het 
geen zij is. 

£en duidelijker bewijs van inmenging ran het Veem- 
gerigt treft men in het Archief der tij f Kapittelen te 
Utrecht aan, doch het bewijst dan ook niet meer dan 
die inmenging zelve. In het leenregister der Abdij van 
St. Paulus te Utrecht yan 1420 — 1485 yindt men een 
geding opgeteekend^ dat in het jaar 1365 tusschen twee 
thinspligtigen van den Abt werd gevoerd over het bezit 
yan zeker thinsgoed , ter Zijlhorst genaamd , onder £mi« 
claer. De thinsgenooten die het ronnis zouden vellen 
konden (iets zeldzaams in de regtspleging van die dagen) 
het niet eens worden. De oordeelwijzer, steunende op 
de meerderheid der thinsgenooten, wees het goed aan 
den eischer toe. Hiertegen verhief zich de minderheid 
(die naar ons oppervlakkig oordeel het regt werkelijk 
aan hare zijde had; men kan echter daarover moeilijk 
iets met zekerheid zeggen, zoodra alle omstandigheden 
niet bekend zijn) en beriep zich op den Bisschop. De 
Abt schijnt 9 hoewel hij toegaf dat het hooger beroep 
geldig was , zich aan het geyoelen der meerderheid 
te hebben aangesloten en nu dagvaardde de verweerder 
den Abt zoo wel als den oordeelwijzer yoor het Veem- 
gerigt, waarschijnlijk uithoofde van regtsweigering. 
Daarop volgde eene verveeming, die volgens eene aan« 
teekening bij yerstek zoude zijn uitgesproken. De na- 
dere omstandigheden van die verveeming blijven echter 



92 



geheel in het duister, daar hel vonnis zelf niet is 
wedergevonden »}. 

Zoo weinig beleekenend de werking der Yeemgerig- 
ten in Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Noord- 
Braband en Limburg is, zoo Teelomyattend is zij ia 
Gelderland en Overijssel. Vangen wij onze beschouwing 
met Gelderland aan, dan verdringt daar het eene veeoi- 
proces het andere, allen echter binnen het tijdvak van 
1423 tot 1500 of daaromtrent. De oorzaak waarom 
slechts in dat tijdperk regtsgedingen voor het Veemge- 
rigt worden aangetroffen, is niet rer te zoeken, De 
Hertogen uit het huis van Gulik deden hun gezag krach- 
tig gelden, zij handhaafden de voorregten aan hunne 
steden verleend, zij wisten orde en wet te doen eer- 
biedigen en aan de uitspraken hunner regters behoor- 
lijke uitvoering te verschaffen. De strijdlustige ridders 
werden door hen in bedwang gehouden, of zij yer- 
schaften hun de gelegenheid om buiten 's lands roem 
en buit te behalen; binnenlandsche strooptogten belet- 
ten zij met krachtige hand; toen was er dus geene 
plaats voor het Veemgerigt. Maar toen de zwakke 
Arnold tan ëgmond den Hertogszetel beklom , in nut- 
telooze oorlogen, zonder klem gevoerd, het bloed en 
het vermogen zijner onderdanen verkwistte en zich één 
voor één de teugels van het gezag liet ontwringen, toen 
ontstond er al spoedig eene grenzenlooze verwarring in 
Gelderland. Een ieder deed wat regt was in zijne 
oogen, veiligheid van personen en goederen hield op, 
om de uitspraken der regters bekommerde zich niemand 
meer, onophoudelijke veeten teisterden het land, en 



^) Men zie de geheele zaak in Bijlage II. 



93 



slechts binnen de muren der steden was nog zekerheide 
Maar ook deze, overmoedig geworden door rijkdom en 
toenemende bevolking, kantten zich tegen den Hertog 
en wilden naauwelijks van gehoorzaamheid weten. Het 
was niet te verwonderen dat in die dagen menig ver- 
drukte omzag naar het Veemgerigt, als zijne laatste 
. loevlugt, maar evenmin dat menig woelgeest gretig die 
gelegenheid aangreep , om zijne vijanden te kwellen 
en te overweldigen. Toen in lateren tijd de Bourgon- 
dische vorsten in Gelderland , nu eens in het geheel 
niet, dan bij tusschenpoozen zeer schaarsch werden 
geëerbiedigd , toen burgeroorlog bij de overige rampen 
des lands was gekomen ^ bleef de tusschenkomst van 
het Veemgerigt noodzakelijk en begrijpelijk. Eerst bij 
Karel tan Egsiond's streng en geweldig bestuur neemt 
die noodzakelijkheid af en de inyloed der Yeemgerig- 
ten, in het algemeen reeds gefnuikt door het Rijks- 
kamergerigt, houdt ook van lieverlede in Gelderland op. 
De eerste persoon die Toor het Veemgerigt werd ge- 
dagvaard, was Hertog Arnold zelf. Zijne beambten 
hadden twee schepen met stokvisch geladen, toebehoo- 
rende zekeren Herman tan der Hai.len, burger te 
Keulen, die behoorlijk te Zutphen tol betaald hadden, 
te Lobith aangehouden en zich dezelve gewelddadig toe- 
geëigend. De verongelijkte eigenaar riep de hulp van 
het Veemgerigt in en op 22 Jauuarij 1436 dagvaardde 
Hendrik tan Valrrecht Vrijgraaf van Ludenscheid en 
te Hohen-Limburg (aan de Lenne in het Graafschap 
Mark) den Hertog om zich wegens die daad yoor zijn 
vrijstoel te verantwoorden. Ook de steden Nymegen 
en Arnhem en verschillende ambtenaren van den Hertog 
werden gedagvaard. Maar reeds den 12 Maart daar- 



94 



aanvolgende trok de Vrijgraaf zijne dagvaardhig in en 
droeg aan JoHAN yan Essen Yrijgraaf te Bredeyoort op, 
om den gedaagden hun regt weder te geyen, als of zy 
nimmer gedagvaard waren geweest i). Zag de Yrijgraaf 
geen kans om zijn vonnis ten uitvoer te leggen tegea 
een magtigen Torst, ol was de klager, al ware het ook 
aanvankelijk slechts met schoone woorden, te vreden 
gesteld ? Beide beweegredenen hebben voorzeker za- 
mengewerkt, maar dat de laatste vooral van grooten 
invloed is geweest, blijkt uit eene memorie in het 
stedelijk Archief te Zutphen, waarin gezegd wordt, dat 
Bannerheeren , Bidderschap en Steden meermalen aan 
VAN DER Hallen beloofd hadden hem schadevergoeding 
te zullen geven , dat die beloften niet vervuld waren 
en dat tan der Hallen daarom den Hertog en de 
Landschap voor de keizerlijke Majesteit had gedagvaard 
en met oordeel en sententie verwonnen had in acht en 
over acht. Toen waren vele goederen der Gelderschen 
te Keulen en elders aangehouden, zoodat die van Zut- 
phen te rade waren geworden voor hun aandeel 500 
Bijnsche guldens aan den klager uit te keeren , om van 
zijne vervolging bevrijd te blijven 2). Dat ook de overige 
steden des lands tot schadeloosstelling van den beroof- 
den koopman hadden moeten bijdragen, is duidelijk af 
te leiden uit de memorie van grieven door de burgers 
van Nijmegen in 1458 aan den Hertog ingeleverd. Ook 



') NiJHOPP, Gedenkwaardtgheden , IV. n°. 154 en 156. 

^1 » Gegeven Herman van der Hall want hy dye Gelresschen yer- 
wonnen had mit des Keysers acht om der naeme wil onss heeren 
v«n Gelre aen dat Tolhuess baven geleyde, daer onse stat mit hem 
Tan geslicht is II* rinssche gulden maket Y^ ^."^ Kekening van Zut- 
phen over 1453. 



95 



zij hadden voor die zaak 500 Rijnsche guldens moeten 
betalen >). Zoo had dan toch de dagvaarding voor het 
Veemgerigt den klager gebaat en was zij , zoo al niet 
de oorzaak y althans de aanleiding dat het onregt her- 
steld werd. 

Evenmin als de Hertog, durfde een zijner magtigste 
edelen , Willem Heer van den Berg en van Bijland , 
bijgenaamd de Jiyke, de uitspraken van het Veemge- 
rigt verachten. Hij werd in het jaar 1438 op klagte 
van de Munstersche edellieden Diederik en Hetdenruk 
YAif Oer, voor den vrijstoel te Norderna gedagvaard. 
Welk het onderwerp der dagvaarding was, blijft onze- 
ker, maar onder de medegedagvaarde Bergsche edel- 
lieden zijn Rutger yan de Padeyoort, toenmaals 
Landdrost van Bergh en Johasc Raffeitberch Rigter te 
Gendringen. Het is dus mogelijk dat het eene klagte 
over regtsweigering betrof, maar, hoe het zij, Willem 
de f^reedzame (want zoo wordt hij ook genoemd) wachtte 
geen vonnis af, maar wist zijne tegenpartij te vreden te 
stellen , die op de voor de gedaagden meest eervolle 
wijze van zijne vordering afzag 2). — Vorsten en edel- 
lieden in Gelderland waren voor de vrijstoelen getrok- 
ken , de beurt zoude nu weldra aan de steden komen. 
Bekend is het belangrijke regtsgeding door Herbokt 
Rezev tegen de stad Zutphen gevoerd ^) en het zonde 
volstrekt noodeloos zijn de uitspraak Yan het Veemge- 
rigt nog eens onder de Bijlagen op te nemen, nadat 
dezelve door den Heer Sloet is uitgegeven en opge- 



') Pont ANUS, pag. 510 — 514. 
2) Bijlage in. 

') Zutphen voor het Veemgerigt , medegedeeld door Mr. L. A. J. W. 
Baron Slokt, in Nuiioffs Bijdragen, IL hlz. 133. 



96 



helderd. Volledigheidshahe en voor hen , aan' welken 
dit stuk niet bekend mogt zijn, wordt hier aangetee- 
kend, dat Herbort Rezen den 25 September 1449 door 
Hendrik van Werdinchüsen, Vrijgraaf te Velgesle vóór 
de stad Schwerte, alle burgers en inwoners van Zutphen 
boven de 12 jaren oud voor diens vrijstoel had doen 
dagvaarden, om zich te verantwoorden tegen de aan-* 
klagt, dat eenige personen die hem zijne goederen 
hadden ontroofd, zich in hunne stad ophielden, dat 
zij derhalve openbare straatroovers beschermden, en dat 
hij niettegenstaande alle aangewende moeite geen regt 
yan hen had kunnen verkrijgen. De stad Zutphen 
achtte deze aanklagt niet gering, integendeel zij deed 
het onmogelijke om den klager te overtuigen van het 
onregtmatige zijner handelingen; zij bood aan de zaak 
door de Schepenen van Zwolle en Deventer als scheids- 
lieden te doen beslechten , maar Herbort Rezen wilde 
zich daaraan niet onderwerpen; zij verschafte zich verkla- 
ringen van den Heer van fironckhorst en Borculo, zoo 
mede van drie Vrijschepenen , dat zij bereid was zich 
tegen den aanklager in regten te verantwoorden; zij 
verkreeg de voorspraak des Hertogs van Gelre met de 
belofte, dat hij zelf zorg zoude dragen voor eene bil- 
lijke uitspraak — alles te vergeefs. Toen zond zij hare 
procuratoren op den bepaalden regtsdag den 1 Maart 
1450 en toonde daar hare onschuld aan door voldoende 
bewijzen. Eene volledige herstelling in eer en regt, 
gelijk dat bij de Veemgerigten gebruikelijk schijnt te 
zijn geweest, volgde echter niet, zoodat de stad Zut- 
phen nu zelve optrad voor Hügo van Oosterwijck Vrij- 
graaf van den Aartsbisschop van Keulen in de veste van 
Rekelinghusen en op den 16 April 1450 een vonnis 



97 



onder Konings ban verkreeg, waarbij zij van de aan- 
klagt Tan Hbrbort Rezen plegtig werd vrijgesproken. 
HüGO VAN OosTERWiJCK, een man van grooten invloed, 
bekend en geacht in verre landen >), stond in naauwe 
betrekking tot de stad Zutphen. Hij was, zoo als hij 
in de rekeningen genoemd wordt, haar Vrijgraaf , dat is 
te zeggen, hij stond haar bij met raad en daad in alle 
zaken, die het Veemgerigt betroiTen. Als zoodanig 
trok hij het gewone loon van den Vrijgraaf, zes Rijn- 
sche guldens. Vóór hem had Hendrik van Assen die 
betrekking bekleed 2) en van 1448 af tot 1478 toe komt 
HuGO VAN OosTERWiJCK in de rekeningen van Zutphen 
voor ^). Hij deed wat hij konde om den slag te kee- 
ren, die Zutphen dreigde te treJB^en en de stedelijke 
rentmeester, die hem op bevel der Schepenen nog eene 
bijzondere vereering ter hand stelde, had volkomen regt 
toen hij er bijvoegde »want hij die voer wal verdient 
had/' Zijne brieven aan de stad Zutphen toonen aan, 
hoezeer hij de misbruiken van het Veemgerigt trachtte 
tegen te gaan en hoe hij die stad trachtte te vrijwaren 
tegen de onwaardige knevelarij van zijnen ambtgenoot, 
Hendrik van Weeroinchusen. Dat belette echter niet 
dat dit geding de stad Zutphen op groote sommen gelds 



*) VoiOT, die Westphalischen Femgerichte u. s, w. S. 19. 

2) * Des mandages na Mertini gegeven Henric van Assbn den vrie- 
greve voer syn loen VI enckel rinssche gulden."' Rekening van Zut- 
phen over 1445. 

') *De8 Donredages na St, Marten ghegeven van bewel der schepe- 
nen HuGHEN VAN Oesteevtijck den vryghreven VI rinsche gulden." 
Rekening van Zutphen over 1448 en vervolgens. Ook in de rekenin- 
gen van Arnhem komt hij als Vrijgraaf dier stad voor. Nijhofp's 
Bijdragen, IV. blz. 268. 

DL. X. 7 



98 



te staan kwam '). Een regtsgeding voor het Veem- 
gerigt was ook uit een geldelijk oogpunt zeer te 
duchten. 

De gemakkelijke wijze om zich door middel Tan het 
Yeemgerigt regt of wraak te Terschafien, bewoog ook 
menigen Gelderschman om tot die regters zijne toeylugt 
te nemen. Onder dezen rekenen wij den Arnhemschen 
Muntmeester Stephan Scherff, die in het jaar 1442 
den raad der stad Frankfort Toor den Yrijgraaf te Lu- 
denscheid dagvaardde , omdat die hem van muntverval- 
sching had beticht 2). Voorts Arnold tan Uoefel, op 
wiens verzoek Steven tan der Loe, de Yrijgraaf van 
den Stoel op het Walfort, den Dantziger koopman 
Johan von Gochen wegens eene handelsschuld in 1451 
voor zgn vrijstoel dagvaardde 3), doch waarschijnlgk ten 
gevolge van de tusschenkomst van den Grootmeester der 
Duitsche orde, de zaak liet varen , en eindelijk Heer 
EvERT TAN WiLPy die in het jaar 1450, nadat hij 
JoHAN TAN RossEM, Heer JoHAN TAN Btland en ver- 
scheidene andere Betuwsche edelen, te vergeefs voor 
den Scholtus binnen en buiten Zutphen had gedagvaard, 
tot het nakomen van een verdrag van leisting; hen aan- 
klaagde bij gezegden Steven tan der Loe en den Yrij- 
graaf van den Graaf van Bentheim , om hen door het 
Yeemgerigt te doen veroordeelen. De brief van den 
Scholtus is merkwaardig, omdat daarin een kennelijk 
streven doorstraalt, om de geregtelijke terminologie van 



*) Zoo als uit de Bijlage IV blijkt, waar de tot nog toe onbekende 
stukken ran dit geding en de uittreksels uit de stedelijke rekening 
bijeen zijn gevoegd. 

2) ÜSKNKR, S. 29. 

^j V016T, S. 122, 



99 



het Yeemgerigt na te bootsen >). Klaarblijkelijk was 
men in Gelderland zeer bekend met de wijze van regts- 
pleging roor het Yeemgerigt. 

Uet jaar 1450 was voor Gelderland vruchtbaar in 
Veemgerigtszaken. Behalve het regtsgeding tegen Her* 
BORT R£Z£N was nog de Zatphensche Schepen ëyert 
AssE in een regtsgeding voor den vrijstoel te Hohen- 
Limburg gewikkeld, waarom hij aan den stadsbode 
Willem tan Veenhuseit volmagt gaf om zijne zaak te 
verdedigen en des noods in hooger beroep te komen 2), 
terwijl in hel volgende jaar vier raadsleden van diezelfde 
stad, JoHAN Krevnck, Gerrit Ulrix, Henrik Eaelsack 
en Willem Leriicck voor dienzelfden vrijstoel gedag- 
vaard waren. De namen van den Yrijgraaf Arent Gleijn- 
SMIT , die in het vorige jaar voor Zutphen was opgetre- 
den en van Hendrik van Weerdinchusen, die in dit 
geding voorkomen ^ doen vermoeden dat het met het 
vorige geding in verband stond en dat men wraak wilde 
nemen over de tusschenkomst van HuGO van Ooster* 
WUCK. Het onderwerp van het geding is echter onbe- 
kend. Het geding werd van den vrijstoel van Limburg 
eerst naar Coesfeld en vervolgens weder naar Yelgiste 
verlegd en kostte der stad Zutphen wederom aanzien- 
lijke sommen. In deze zaak beproefde Zutphen de 
kracht van het geestelijk gerigt, een wapen dat tegen 
sommige Yrijgraven zeer afdoende was, maar hier geen 
indruk schijnt te hebben gemaakt s). De vrijspraak 
moest weder bij het Yeemgerigt zelve verkregen wor- 



1) Zie Bijlago V. 

2) Bijlage VI. 
5) Bijlage VII. 



100 



den. Enkele aanteekeningen in de rekening ^an 1450 
toonen aan, dat ook de stad Lochem in een geding 
\Tas gewikkeld , waarvan echter niets meer kan worde» 
medegedeeld y dan die daadzaak zehe i). 

Van meer gewigt is een geding tusseben Betner ter 
Brieck Arntszoon, naar bet scbijnt een Zutpbensch 
burger, tegen Andries Yseren Gerritszooit, lid van den 
raad aldaar met eenige anderen. Welligt gold het eene 
burgerlijke zaak; bet yalt echter moeilijk zulks te be« 
vestigen of te ontkennen, maar hoogst merkwaardig is 
de loop die het geding nam. Reeds in 1449 was de 
dagvaarding geschied, een gerigtsdag te Bredevoort was 
vruchteloos afgeloopen en nu volgde de verveeming, die 
in Februarij 1451 reeds had plaats gegrepen, want 
toen liet de aanklager bet vonnis geregtelijk lezen en 
bevestigen. Zulk een indruk maakte dit geduchte von- 
nis op de Schepenen van Zutphen, dat zij Andries 
Yseren, als onwaardig om het gestoelte der eer te be- 
kieeden, van zijne betrekking ontzetten, of liever bem 
dwongen zijn ambt niet meer waar te nemen , want 
blijkens de rekening is geen ander in zijne plaats be- 
noemd. Yseren klaagde hij het keizerlijke Hofgerigt, 
dat den 28 September aan Burgemeesteren, Schepenen 
en Raden gelastte om hem weder onder het getal der 
Raadsleden op te nemen, met bedreiging, dat zij bij 
niet nakoming van dit bevel voor het Hofgerigt gedag- 
vaard waren tegen den eersten gerigtsdag. Het bleef 



') «Gheryt to Winkel to Dorsten van wegen der van Lochem a» 
HüGHEN VAN Oestebcwijck, onsen vrygreven, dat die van Lochem 
gheloent solden hebben I "Ö? II ^. Wolter Momhe mit enen briuc 
te Lochem om Johan van Neerde hier toe comen^ doe die vrygreve^ 
hier was enz.'* Bekening van Zatphen over 1450. 



101 



daarbij niet; op deQ 30 November 1451 werden ook 
de aanlegger tèr Braeck en de Yrijgraaf Hendrik Hop- 
PENBROUWER >) Toor het keizerlijk Hofgerigt geroepen. 
De eerste stelde een Procurator om zich te verdedigen 
en voorzeker heeft toen het geding daar een aanvang 
genomen. Het geding voor het Yeemgerigt nam echter 
mogelijk een zeer ernstig einde , welligt werd de ver- 
veemde door de geheimzinnige uitvoerders van het von- 
nis verrast en ter dood gebragt ; immers hij komt in de 
rekening over 1453 als overleden voor. Deze aanwij- 
zing zoude op zich zelve niet genoeg zijn om tot dit 
besluit te komen, maar zij wordt versterkt dooreene 
aanteekening in dezelfde rekening luidende: »Des maen- 
dages na Ëgidii JoHiN HuERiriNCK, Heürick Kaelsack, 
Alpher Schtmmelpenninck tot Aernem voer gerichte 
op dach der vrenden ende maghen Andries Yserexs 
Gerttssoens, den Got genadich sj, om to verhey malen 
Betnt ter Brieck Arentssoen ende weren vyt twe 
dagen met VII peerden." Heimaal nu heeft in de la- 
tere middeleeuwen bijna altijd bij uitsluiting de betee- 
kenis van lijfstrafielijk gerigt , en wij zien hier als het 
ware den man , wiens handelingen aanleiding gaven tot 
het vreeselijk vonnis der verveeming, als moordenaar 
bij ^s Hertogen gerigt aanklagen. Uit de geheele zaak 
kan men zien dat zij ernstig gemeend is geweest en 
ernstig opgenomen en zij steekt daardoor af tegen die 
van Herbobt Rezex, waarbij het ten laatsten den Yrij- 
graaf slechts te doen was om de stad Zutphen eenig 



*) Vrijgraaf van een onbekenden vrijstoel; te Bredevoort was, ge- 
lijk wij gezien hebben, toen een ander; Hoppembrouwer heette 
eigenlijk van Wisschel. Kronfjk van het Historisch Genootschap, VII. 
blz. 89. 



102 



geld af te persen. Het is dus in dubbele mate te be- 
treuren dat niet meer stukken oyer dit 'geding tot ons 
zijn gekomen >). 

In de zoo even, in de noot, aangehaalde Kronijk Tan het 
Historisch Genootschap wordt de beknopte inhoud mede- 
gedeeld yan drie stukken, insgelijks tot het Veemgerigt 
betrekking hebbende. Het eerste is van 14D5feriaquarta 
post Pnrificationem beatae Yirginis Mariae en bevat eene 
vrijspraak van Wijnand vin Arnheh door Johan Frte- 
MAN, Vrijgraaf in de Frije Erumme Graefschap en den 
stoel te Wickede, van de aanklagt door Johan Bogge 
voor den vrijstoel te Brunynchusen tegen hem inge- 
bragt. Uit het tweede stuk, Dingsdag na Quasimodo 
1455, blijkt dat die Johan Bogge slechts procurator 
v^as van den ridder Johan van der Loe en dat beiden 
vrederkeerig van wegen Wijnano van Arnhem voor den 
vrijstoel te Boekholt waren gedagvaard; Dirk Wiltunck 
Vrijgraaf van dien vrijstoel verklaart daarbij, dat alle 
vervolging tegen de aangeklaagden heeft opgehouden. 
In het derde stuk legt een der Procurators van Wijnand 
TAN Arnhem, te weten de Vrijgraaf Hendrik van Wis- 
SCHEL genaamd Hopfenrrouwer , zijne dienst als Pro- 
curator neder. De van der Loe^s behooren tot een 
geslacht, in de Lijmers en het Graafschap Bergh zeer ge« 
goed. Welligt ontleenen zij hunnen naam aan het kasteel 
Loe, niet ver vanZeddam. Bij Nijhoff, GedenkwAY. 
n^ 360 komt Johan van der Loe als Raad des Herto- 
gen van Gleef voor. Het geslacht van Arnhem is be- 
kend genoeg en bezat onder anderen de Heerlijkheid 
Rosande op de Veluwe. Wijnand van Arnhem was 



j; Bijlage VIII. 



103 



een der trouwste aanhangers yan Adolf van ëgmono 
en een der inyloedrijkste personen in Gelderland. Waar- 
over tusschen beide edellieden is getwist, kunnen wij 
zelfs niet gissen , daar wij geene inzage van die stukken 
hebben gehad , maar de loop van het regtsgeding zelf 
is , daar het blijkbaar door eene dading is geëindigd , 
minder belangrijk voor de geschiedenis van het Veem* 
gerigt. 

Naauwkeuriger zijn wij onderrigt omtrent de redenen 
waarom Hendrik Heer van fVisch Landdrost van Zut- 
phen in 1458 de stad Doesborgh voor het heimelijk 
gerigt had gedagvaard, en die feiten, zoo wel als de 
wijze, waarop de zaak werd bijgelegd, leveren het 
sprekendste bewijs voor de verwarring, waarin alle 
zaken in Gelderland waren geraakt. De plaatsbeklee* 
der des Hertogs ondervindt tegenstand in de uitoe« 
fening van zijn ambt en nu roept hij de hulp van 
den Hertog niet in, om zijn gezag te handhaven en 
zich te doen gehoorzamen, maar hij neemt zijne toe- 
vlugt tot het Veemgerigt; de onderdanen van den Her* 
tog zoeken hulp bij hunnen vorst en nu bewerkt de 
Hertog, in stede van zijn ambtenaar te gelasten, die 
vreemde wijze yan regtsvordering te doen ophouden, 
dat Hendrik van Wisch en de burgers van Doesborgh 
eene overeenkomst treffen, waarbij de eerste belooft 
van het geding voor het Veemgerigt af te zullen zien , 
en zich aan da uitspraak van den Magistraat van Zut« 
phen te zullen onderwerpen. Het is bijkans onmogelijk 
zich zwakker te gedragen, dan Hertog Arnoi^d in deze 
zaak deed. £n toch was het voornamelijk tot handha- 
ving van het gezag des Hertogs, dat de Heer van Wisch 
het geding had aangevangen I Hij beschuldigde die van 



104 



Doesborgh^ dat zij op den yrijen stroom, de Oude 
IJssel, een watermolen hadden gebouwd zonder ^sHer* 
togen toestemming, dat zij een aangeklaagden des nachts 
uit de gevangenis van den regter te Doesborgh hadden 
gehaald en hem laten ontsnappen, dat zij des nachts 
gewapenderhand in het kerspel iran Hummelo waren 
gevallen , op gewelddadige wijze huiszoeking hadden ge- 
daan, den gerigtsbode met getogen messen overal ge- 
zocht hadden, zonder hem echter te kunnen vinden, 
dat de Magistraat van Doesborgh had geweigerd de 
schuldigen te straffen, eindelijk dat zij een slagboom 
in het kerspel van Drempt moedwillig hadden verbro- 
ken. Om alle die redenen beschuldigde de Heer van 
Wisch Burgemeesteren, Schepenen en Baden van Does- 
borgh dat zij tegen hunne eer en hunnen eed gehandeld 
hadden en onwaardig waren langer het schepenambt te 
bekleeden; zij hadden dit toch alles gedaan »in frevel 
tegen geboerlike macht deer hoeger heerlichet"' *). Die 
van Doesborgh bleven den Landdrost echter geen ant- 
woordig schuldig: de oude IJssel, zeiden zij, was geen 
vrije maar een bedwongen stroom »besluset ende be- 
moeit tot tien off twelff steden toe," daar geen tollen, 
geen lijnpaden, geen veeren op waren, zoo ver de 
Graafschap ging; aan hen was het privilegie geschon- 
ken dat zij hunne stad met muren en grachten mogten 
versterken en daartoe hadden zij van overoude tijden 
eene sluis in den ouden IJssel gehad, deze hadden zij 
afgebroken en door eene nieuwe sluis met een molen 
vervangen , waardoor zij niets meenden gedaan te heb- 



') Waarschijnlijk had de Landdrost hen derhalve wegens regtswei- 
gering bij het Veemgerigt aangeklaagd. 



105 



hen tegen de hooge heerlijkheid; wat het loslaten Tan 
den gevangenen betrof, zij waren daartoe gemagtigd 
geworden door een bevelschrift van den Hertog zelven; 
dat sommige burgers van Doesborgh, verstoord over het 
gewelddadig opligten van een hanner bloedverwanten, in 
Uummelo bij sommige verdachte personen huiszoeking 
hadden gedaan, ontkenden Burgemeesteren, Schepenen 
en Raden ?an Doesborgh niet, maar wel, dat de Land- 
drost die personen voor de schepensbank had vervolgd , 
of dat zij , Schepenen en Raden , geweigerd hadden 
daarop regt te spreken; de slagboom te Drempt einde- 
lijk was door de stad Doesborgh bekostigd en het stond 
aan die stad dezelve weder te doen wegnemen, zoodra 
zij bemerkte dat zij daar bij meer nadeel dan voordeel 
had »). Wie van beide partijen het regt aan zijne zijde 
had valt moeilijk uit te maken , maar als een bewijs 
voor het algemeen gebruik om eigen regting te stellen 
in plaats van den weg van regten, zijn de feiten zoo 
wel merkwaardig, als het middel door den Landdrost 
aangegrepen, om zijn gezag te handhaven, zeker eenig 
is. Het regtsgeding voor het Veemgerigt had echter, 
blijkens het compromis hierboven vermeld, geene ver* 
dere gevolgen. 

Wij trefifen thans in de jaren 1459 en 1460 op 



1) Zie Bijlage IX. De aanspraak en de verdediging, beide berus- 
tende in het stedelijk Archief te Zatphen zijn, als te wydloopig en 
voor de zaak van het Veemgerigt van geen belang, niet in de 
bijlagen opgenomen. Op dezelfde zaak heeft nog betrekking de vol- 
gende post in de rekening van Zutphen over 1459. «rDes maen- 
dages na Pauli conversio Alphbrt Schimmelpbnninck to Aernem 
op dach der van Doesborch voor onsen Heer van Gelre , die daer 
toe dnen hadden, om der sake wil soe die geladen weren in die 
vrybanck.'" 



106 



nieuw een volledig regisgeding voor het Veemgerigt 
aan, even als in de zaak ran Uerbort Rezen. Even 
als in die zaak is het ook weder een enkel man die ten 
gevolge eener buitengewone twistzacht geheele steden 
in onrust brengt en haar groote opofferingen en allerlei 
lastige bemoeijingen veroorzaakt; deVrijgraven en Veem- 
schepenen echter, die in de zaak van Herbort Rezen 
eene vrij dubbelzinnige houding hadden aangenomen, 
komen in die van Johan tan Ruwenhave in een beter 
licht voor. Deze persoon woonachtig te Arnhem, schijnt 
een twistziek en onrustig man te zijn geweest. In 1451 
Yoerde hij voor de schepensbank te Arnhem een proces 
tegen zekere vrouw, Griete Gertt Mass soens wijf, 
over de vraag, of een weduwnaar het peetekind zijner 
overledene vrouw ten huwelijk mogt nemen, ook al 
bestond er tusschen hen geene bloedverwantschap i). 
In 1459 had hij een ander regtsgeding tegen Gusbert 
TAN Wagensvelt aldaar, dat slechts erve en goed 
en geen lijf en eer betrof en derhalve niet onder de 
veemwroegige zaken behoorde. De Schepenen te Arn- 
hem haalden het oordeel te hoefde te Zutphen, dat is, 
zij wonnen het gevoelen der Schepenen van Zutphen 
in, hoe zij in die zaak moesten vonnissen. Zutphen, 
naar welks overoude stadsregten de meeste stedelijke 
keuren in de Veluwe en de Graafschap verwezen , 
was daartoe de aangewezen plaats. 

Aan JoflAN VAN Ruwenhave werd overeenkomstig 
het gevoelen der Zutphensche Schepenen zijn eisch ont- 
zegd. Hiermede was de de eischer echer geenszins te 
vreden. Hij klaagde bij Herman tan den Borne Vrij- 



1) Van Hasselt, Arréemche oudheden, I Deel, blz. 57. 



107 



graaf der Frien Krummen Graefschap i), die daarop den 
rigter, den Magistraat en Tele andere aanzienlijke inge- 
zetenen Tan Arnhem tegen 8 November 1459 voor zijn 
vrijstoel te Wickede dagvaardde. Terzelfder tijd wer- 
den door denzelfden Vrijgraaf en tegen 13 November 
de Schepenen van Zutphen gedagvaard; zij toch had- 
den volgens de klagte van tan RuwENHiVE een onregt- 
yaardig en partijdig vonnis geveld in de zaak tusschen 
hem en Gijsbert tan Wagensvelt en hem daarmede 
zijn regt en goed afhandig gemaakt. De beide steden 
sloegen deze zware beschuldiging geenszins in den wind, 
maar begrepen dat zij verpligt waren zich daartegen te 
verdedigen. De Schepenen van Arnhem stelden bor- 
gen, dat zij aan het gerigt zouden voldoen, waarop de 
gerigtsdag tot 14 December werd uitgesteld en verlegd 
naar Wesel; daar verschenen de gemagtigden van Arn- 
hem, maar de aanklager bleef uit, waarop de aange- 
klaagden werden vrijgesproken. Hiermede niet te vre- 
den, dagvaardden nu de Schepenen van Arnhem (zoo 
als hierboven is aangemerkt, meestal vrijschepenen) op 
hunne beurt Johan van Ruwenhave voor den vrijstoel 
van Roekholt. Ook hier verscheen de aanklager niet 
en nu werd hij bij vonnis van 7 Januarij 1460 eerloos, 
meineedig en onwaardig verklaard, om over iemand 
klagten in te leveren en veroordeeld om de gemaakte 
kosten aan de aangeklaagden te vergoeden ^) Het 
schijnt echter dat dit vonnis slechts betrekking had op 



*) De beteekenis van dit woord is duister. Meer vrijstoelen voer- 
den dien titel. Voiot, S. 63. Eindlinges leidt ze van den bisschops- 
staf af. 

2) Men vindt het regtsgeding tegen Arnhem uitvoerig beschreven 
door den Heer Nijhoff in diens Bijdragen IV® Deel,bladz. 261. 



108 



toekomende zaken en dat de klagt tegen de stad Zat- 
phen, die reeds bij het Veemgerigt hangende was, daar 
stilzwijgend van werd uitgezonderd. Immers Johait 
VIN RuwENHAYE durfdc niettegenstaande dit vonnis las- 
ter Toor een vrijstoel yerschijnen^ De Schepenen yan 
Zutphen sloegen aanvankelijk een anderen weg in dan 
die van Arnhem. Zij verwierven van den Heer tan 
DEN Berg aanbevelingsbrieven aan de Schepenen van 
Dortmund en trachtten hen te bewegen om tusschen 
beide te komen. De Magistraat van Dortmund trachtte >) 
door middel der Stoelheeren Johan tan Ruwenhate te 
bevtegen om zijne aanklagt in te trekken, maar te ver- 
geefs. Waarschijnlijk had hij begrepen, dat de Sche« 
penen van Arnhem eigenlijk met de zaak niet te maken 
hadden, daar zij slechts het vonnis hadden uitgespro* 
ken, dat te Zutphen was opgemaakt en had hij daarom 
de aanklagt tegen de eersten laten varen, maar om des 
te hardnekkiger in zijne aanklagt tegen Zutphen te vol- 
harden. De Magistraat van Dortmund raadde derhalve 
dien van Zutphen het geding door een vonnis van den 
vrijstoel te doen uitmaken en bood zijne beste dien* 
sten daartoe aan. Dien ten gevolge werd de behande- 
ling der aanklagt uitgesteld tot 28 April 1460; men 
moet bij dat lang uitstel in het oog houden dat, ge- 
lijk HuGO VAN OosTERWTCK schrijft, in besloten tijd, 
dat is in de vasten, geene zaken voor het Veemgerigt 
werden behandeld. Op den bepaalden dag verscheen 
voor den vrijstoel te Wickede Johan van Ruwenhave 
en vroeg den Vrijgraaf om de aangeklaagden op te 
roepen. Voor dezen trad als gemagtigde op Johan 



*) Blijkens hunne missive in Bijlage X te vinden. 



109 



BuECK, burger Ie Zulphen en Vrijschepen, blijken» 
eene vólmagt die door de Yrijschepenen Toor echt ver- 
klaard werd. De aanklager herhaalde zijne klagten en 
verklaarde op de vraag van den Vrijgraaf daarbij Ie 
vrillen blijven. Johan Bueck vertoonde nu eene ver- 
klaring van den Heer van fVisch en van twee andere 
Yrijschepenen, dat de Schepenen van Zutphen volko- 
men onschuldig vaaren, maar de Veemschepenen wezen 
voor regt dat^ nademaal die verklaring niet in een ge- 
rigt was opgemaakt, hoewel dan ook door echte Yrij- 
schepenen, zij die moesten laten in hare waarde en 
onwaarde, maar dat de procurator verpligt was op an- 
dere wijze de onschuld der Schepenen van Zutphen 
aan te toonen. Johan Bueck bood nu den gewonen 
zuiveringseed aan, ten bewijze dat de Schepenen van 
Zutphen geen onregtvaardig en partijdig oordeel had- 
den geveld, maar volgens stadsregten en gewoonten 
regt hadden gesproken. Op het oogenblik echter, dat 
hij dien eed zoude afleggen, verklaarde JoHAfr van 
RuwENHAVE, dat hij hem, ter eere Gods, der sloel- 
heeren en van den raad van Dortmund, dien eed kwijt 
schold. Waarschijnlijk begreep hij dat de procurator 
meer medezweerders dan hij in het geding had ge- 
bragt, dat zijne zaak dus toch verloren was en dat, 
nademaal hij reeds eenmaal eerloos was verklaard, hij 
den vrijstoel niet levend zoude verlaten, zoo hij over- 
tuigd werd eene valsche aanklagt gedaan te hebben. 
Hij koos dus van twee kwaden het minste en trok 
zijne aanklagt in. Dat de Yrijgraaf de aangeklaagden 
nu volkomen vrijsprak, behoeft naauwelijks vermelding. 
Merkwaardig zijn de oude strenge vormen, die in deze 
zaak bewaard werden. De vraag hoe iemand voor bet 



110 



Vcemgerigt kon verschijnen en vrijgesproken konde wor- 
den, wanneer hij inderdaad het regt aan zijne zgde 
had , wordt in dit geding volkomen beantwoord. 

Misschien is de aanklagt Tan Johaic tan R uwen hate, 
die twee steden van Gelderland in zulke groote moeilijk* 
heden bragt, de aanleiding voor den Hertog van Gelre 
geweest om bij open brief van 16 December 1461 >) 
het aannemen van brieven van den stoel van Rome, 
van den Keizer of van het Yeemgerigt te verbieden. 
Maar hoe vertoornd Hertog Arnold ook was over het 
bedrog en de afpersingen, die ten gevolge van die 
brieven tegen zijne onderdanen werden aangewend, 
men was in Gelderland niet gewoon zijne bevelen te 
gehoorzamen en zoo bleef alles bij het oude. 

YoUedigheidshalve en om de tijdrekenkundige orde 
niet te stooren, moeten nog twee evocatiën van de ste- 
den Gelder en Groenlo, welke tusschen 1460 en 1465 
plaats hadden vermeld worden, ofschoon het overigens 
onbekend is, op wiens aanklagte en uit welken hoofde 
die plaats hadden. De stedelijke rekeningen van Zut* 
phen en Gelder bewaren alleen daarvan eenige geheo-* 
genis. Zij luiden als volgt: »Des saterdages na Pon- 
ciani Aelbert Likfferinck mit 1 brieue to Groll, die 
van Borcken gekomen was van den yrygreven, om 
der sake wil aantreffende dien van Groll/* ^) Voorts 
in de rekening van 1465 komt de volgende post voor 
die op 17 Januarij 1466 moet geplaatst worden. »0p 
den Donredach auent Sti Anthonii Aelbert Lieffe- 
RIKCE mit 1 brief an dat Capittel van Monster ende 



ï) NiJHOïT, Gedenkwaardtghed^n , IV, n°. 368. 
2) Rekening der stad Zutphen over 1459. 



111 



an die stal van Monster, mede an die stat van Coess-^ 
velde, omdat die van Groll geladen worden van die van 
Goesvelt an den vrienstoell/^ Het is zeer waarschijn* 
lijk dat eene verklaring van twee Vrijschepenen in 
1470 voor den Regter van Groenio afgelegd, over de 
redenen welke hen bewogen hadden, eene dagvaarding 
aan de burgers van Coesfeld niet over te brengen, (om- 
dat de Vrijgraaf Berend de DüKER daar namelijk reeds 
voor had gezorgd) met dezelfde zaak in verband staat 
en dat de stad Groenio, na te Coesfeld gedagvaard 
en waarschijnlijk vrijgesproken te zijn, op hare beurt 
eischeres was geworden en Coesfeld voor den vrijstoel 
op het Walfort had geroepen J). 

Yan denzelfden aard is eene post in de stadsrekening 
van Gelder over 1461 — 1462 van den volgenden inhoud. 

»Item doe Burgermeisters, Scepen endeBaetendedie 
gansse gemeynte onder Lymborck ^) mylten stillen ge- 
richt geroepen waren, dat van ons Drossart wegen 
herquam, die Drosset voor em selven ende weder van 
wegen der stat den frygreve eyn antwort gescreven, 
die Thies onser stadt bay, den frygreve bracht. 

Item doe Jan van der Elzen die gansse stat tot 
Ëingerlo roytten stillen gericht geroepen had, ons He- 
ren genaden an den Bysschop van Monster dair omb 
gescreuen die stat te lieve". 

Ook in het Overkwartier, welks inwoners ontegenzeg- 
gelijk tot den Frankischen stam behoorden, maar dat in 
latere dagen even als geheel Gelderland tot Weslpha- 
len werd gerekend , hadden derhalve evocatiëo plaats. 



») Bijlage XI. 

2) Versta Limburg aan de Lenne in WcRstfalcn. 



112 

Zijn de boTenstaande aanteekeningen slechts in zoo 
ver Tan eenig belang, oofidat zij het bestaan Tan e^o- 
catiënjn Gelderland staven, de volgende heeft tot eene 
meer gewigtige zaak betrekking: 

»fies Wonsdages nae Quasimodo Herman yan Zuest 
mit 1 brief an onss heren genaden om der sake wil- 
len van den heymeliken rechte van den van Does- 
borch ende lach II dage XTIII % Gegeuen den boede, 
de IIu£6HE YAN Oesterwtck onse vrygreTC heer gfae- 
sant had Y stufer van gheheyt der stad, om der saken 
vryl van Doesborch maket Xll % III d/' Zij komt voor 
in de rekening van Zutphen over 1467 en slaat bui- 
ten eenigen twijfel op de regtsvordering die Johan van 
ËGMOND^ toenmaals in oorlog met zijn neef, Hertog 
Adolf, voor den vrijstoel te Nonne Hederick had aan- 
gevangen tegen Johan Momme yan Kell Landdrost 
van Zutphen en eenige fioesborgsche burgers, door 
welke hij in een gevecht op 12 Junij 1466 gevangen 
was genomen. Hij was toen ontsnapt, maar vervolgens 
schriftelijk aangemaand geworden om zich weder in 
hechtenis te begeven: zijn antwoord was eene dagvaar- 
ding voor het Feemgerigt, die de aangeklaagden veel 
zorg veroorzaakte. De pogingen van den Landdrost om 
zich eerst voor den vrijstoel op het Walfort en voorts 
voor dien te Assenburg te verdedigen mislukten; hij 
moest den ^gewonen loop van het regtsgeding volgen; 
eerst bij het vredesverdrag van 9 December 1468 werd 
de dagvaarding ingetrokken <}. 

Ieder geding voor het Veemgerigt heeft iets merk- 
waardigs, hetzij om de personen daarin betrokken, hetzij 



1) NiJHOFF, GedenkwaarcUgheden , IV. n". 467. 



113 



om de vreemde wijze waarop het gevoerd werd, ja zelfs 
dan is het niet van belang ontbloot, wanneer daaruit 
slechts eene bevestiging is af te leiden van de ge^raike- 
lijke wijze van regtspleging bij het Yeemgerigt gevolgd. 
Dit laatste is het vooral waardoor het gediog, door 
BosLOF HoNDENBERCH tusschen de jaren 1484^1489 
aanvankelijk tegen de stad Zutphen en vervolgens te- 
gen twee Schepenen dier stad gevoerd, opmerkelijkis i). 
Roelof Hondenberch was een Overijsselaar, hij bezat 
de havezate Sinkgraven bij Denekamp, zijn vader of 
hij zelve had tegen Zutphen oorlog gevoerd 2)^ hij ver- 
genoegde zich thans met regtsgedingen die stad te 
kwellen. Blijkens het notarieel protest, dat de geheele 
geschiedenis van het geding inhoudt, had hij in 1484 
aan den Magistraat van Zutphen geschreven, dat hij met 
JoHAN Heer van fVisch een geschil had over eene som 
van 60 goudguldens, herkomstig van eene tiend in 
Harfsen, met verzoek hem daarmede te helpen. De 
Magistraat antwoordde, dat de Heer van Wisch zijne 
eigene heerlijkheid had , en dat de stad geenerlei magt 
over hem bezat. Spoedig daarop ontving de Magistraat 
eene dagvaarding van Werner yan den SüiVDERHUES 
Yrijgraaf te Bertmerinck, in het kerspel van Darfeld in 
het Bisdom Munster gelegen, om zich deswege te ver- 
antwoorden. De Magistraat klaagde over die handel- 



M Bijlage XH. 

') -»Des Donredages na Martini Evert Asse ende Andries van 
Yerüüeden to Nymegen an onss heren Gen. om der sake wil , want 
Herman van Kepphl ende Hündenbero mit een hoep rutere voer 
Groll geweest hedden mitten Twentykerss ende Monsterschen enz. 
Des Dinxdages na Johannes Baptiste Jan Hudemaker mit 1 brief 
an HüNDENBERa op geene siet Oeldenzel , om der sake wil van Lub- 
BERTS kinderen VAN Herwen''\ Rekening van Zutphen over 1465. 

DL. X. 8 



114 



\Tijze aan den Bisschop ran Utrecht en de steden fan 
OTcrijssel eo door hunne bemoeijingen werd er eene 
zamen^omst te Yollenhove beraamd. Namens Zutphen 
yerschenen daar de schepenen Godart BARfriR en 
Arknd Huurninck, die met Hondenberch overeen 
kwamen 9 dat de stad aan den Heer van Wisch zonde 
schrijven tot nakoming zijner yerpiigtingen, en baatte 
dit schrijven niets, dan zonde men Hondenberch vrij- 
geleide geven en hem toestaan den weg van regten in 
te slaan, onder belofte van hem goed onvertogen regt 
te laten wedervaren. Wederkeerig zoude Honden- 
berch de dagvaarding voor het Yeemgerigt intrekken. 
Ëenigen tijd daarna zond Hondenberch een zijner 
onderhoorigen met een^ brief aan den Magistraat der 
stad Zutphen, houdende verzoek om hem behulpzaam 
te zijn in de vervolging der regtszaak. De schepenen 
vroegen den dienaar naar zijne volmagt, die hij niet 
konde vertoonen; men raadde hem daarom naar zijn 
meester terug te keeren en eerst die volmagt te halen. 
Naar het schijnt beschouwde Hondenberch zulks als 
eene uitvlugt om zich van de zaak af te maken, 
want er volgde eene nieuwe dagvaarding voor denzelf- 
den vrijstoel, maar ditmaal alleen tegen Barner en 
HuuRNiNCK. Deze en met hen de geheele Magistraat, 
na vruchteloos de hulp der stad Coesfeld ingeroe- 
pen te hebben, wisten door tusschenkomst van den 
Landdrost, Hendrik Heer van Gemen, te bewerken, 
dat er een nieuwe onderhandeling aan den Rijen >) 



ï) De Rijen; zoo werd een weerd tusschen Deventer en Zutphen 
genoemd, waar de conferentien tusschen de Magistraten der beide 
steden plaats hadden. 



115 



tusschen ZatpheD en Derenter werd geopend. £en ka* 
nonnik, twee Teemschepenen en een schepen van Zut« 
phen kwamen daar qiet Hondenberch overeen, dat 
hem volkomen regt zoude geschieden en hij de zaak 
voor het Veemgerigt zoude laten rusten. Maar weder- 
om verbrak Hondenberch zijn woord, wederom schreef 
de Vrijgraaf Werner van den Sundbrhües, dat de 
procurator des aanklagers een oordeel verkregen had 
tegen de beide schepenen, waarin zij tot eene schade- 
loosstelling van 500 Rijnsche guldens waren veroor- 
deeld. Voldeden zij daaraan niet binnen veertien dagen, 
zoo zoude de verveeming volgen. Nu verloren eindelijk de 
beide gedaagden het geduld. De dagvaarding van den 
Vrijgraaf was hun in het geheel niet ter hand gekomen, 
tweemaal had Hondenberch zijne beloften verbroken , 
zij hadden met de zaak zelve niets uit te staan, daar- 
enboven was de zaak voorzeker niet veemvroegig, zij 
appelleerden dus den 26 Junij 1488 plegtig voor een 
Notaris en getuigen (deze laatsten veemschepenen) en 
beriepen zich op den Keizer, op het Rijkskamergerigt, 
op den Aartsbisschop van Keulen en op het Generaal 
kapittel te Arnsberg. Alleen de laatste instantie echter 
schijnen Huurninck en Barner te hebben vervolgd, 
want uit de rekening over 1489 blijkt dat de Notaris 
(zijnde de Stads-secretaris Andries van Haeften) als 
gemagtigde der beide aangeklaagden naar Arnsberg ge- 
zonden , de zaak daar tegen Hondenberch , zijn 
Procurator en den Vrijgraaf Werner van den Sün- 
DERHUES had gewonnen. Hierbij lieten de schepenen 
van Zutphen het niet berusten. Hondenberch was 
een edelman, die op eene havezathe woonde en de 
kosten betalen konde. Zij Tolgden dus den raad hun 

8* 



116 



in Troeger dagen door HuGO tan Oosterwijck gege* 
Tcn. Wal het Veemgerigt had bedorTen, kon het 
Veemgerigt ook weder goed nikken. Op hunne beurt 
werden zij eischers, en klaagden Hondenberch en 
zijn procurator Toor den yrijstoel op het Walfort 
aan. Hier Terwieryen zij een Tonnis> waarbij de vroe- 
gere eischers tot vergoeding der gemaakte kosten wer- 
den veroordeeld en met deze duchtige les voor allen , 
die het Veemgerigt zouden willen inroepen in zaken, 
waarin het niet bevoegd was, nam dit geding een einde. 
De zaak van Hondekberch was voor Zutphen de 
laatste, waarin de stad zich aan de uitspraak der Veem- 
schepenen stoorde. Twee zaken door denzelfden Yrij- 
graaf Werner tan den Sunderhdes tegen twee Zut- 
phensche burgers in 1487 begonnen, schijnen blijkens 
de dagvaardingen (de eenige stukken die daaryan aan- 
wezig zijn) ook geldzaken te hebben betroffen en niet 
verder te zijn doorgezet >). Nog berusten in het Archief 
dier stad een brief van den Vrijgraaf in de veste van 
Rekelinghuizen van het jaar 1492, betreffende de klagt 
van zekeren Werner Marzeijls, burger te Dorsten, 
die beweerde dat eenige burgers van Zutphen hem ge- 
welddadig zijn goed hadden ontroofd ; een dergelijke 
van het jaar 1508, waarbij de Vrijgraaf van den Graaf 
van Benihem aan den Magistraat van Zutphen schrijft 
over de deeling eener erfenis en waaruit men ver- 
neemt, dat de aangeklaagden, herhaaldelijk voor den 
vrijstoel te Weteringen gedagvaard , eenvoudig waren 
weggebleven , en eindelijk een brief van den Vrijgraaf 
te Wattenscheid van het jaar 1524, ook gewelddadighe- 



ï) Bijlagen XIII en XIV. 



117 



den betrefTende, die door Zatphensche burgers zonden 
zijn gepleegd <). Het is mij noch uit de rekeningen, 
noch uit andere stukken gebleken, dat de Magistraat 
zich aan die zaken eenigzins heeft laten gelegen liggen. 
Waarschijnlijk zijn de brieven onbeantwoord gebleven. 
Niet geheel en al is dit het geval geweest met zekeren 
HiLGER TAN HosEif, die zich kellenaar te Gaster noemde 
en in het jaar 1500 ook klaagde over het wegnemen van 
goederen hem toebehoorende. Men moet bedenken dat 
de oorlog tusschen KiREL yan Egmond ter eenre en 
Maximiliaan en Philips tan Oostenrijk ter andere zijde 
toen cp het hevigst woedde en dat door de bezetting 
van Zutphen zeer goed plundertogten kunnen zijn uit- 
gevoerd, waaraan de burgerij volkomen onschuldig was. 
HiLGER YAN HosBN vcrvolgde de stad Zutphen deswege 
voor het geestelijke gerigt, zoowel als voor het Veemgerigt. 

Het schijnt dat de Magistraat het van belang rekende 
om zich voor de geestelijke regters te verdedigen 2); 
van eene verdediging voor een vrij stoel vind ik geene 
sporen. De stad is dus meer dan waarschijnlijk ver- 
veemd geworden, maar de aanklager rekende het van 
gewigt dit vonnis in het jaar 1505 nog door eene Kei- 
zerlijke uitspraak te doen bekrachtigen. 

Dien brief liet Hilger yan Hosen drukken en overal 
aanplakken , maar met welk gevolg is onbekend. Waar- 



1) Bijlagen XV, X VIT en XVIII. Uit den bijkans onverstaanbaren 
brief van den Vrij graaf te Weteringen blijkt duidelijk de waarheid 
van het hierboven gezegde , dat de Veemgerigten achteruit gingen in 
kennis en beschaving. 

3] «Als men den Cappellaen sande na Colne om die stat te ver- 
weren ant geestelicke recht tegen Hilger van Hdessen enz." Reke- 
ning van Zutphen over 1500. Zie voorts Bijlage XVI. 



118 



schijnlijk hebben de bargers Tan Zatphen^ die in dat 
zelfde jaar de geduchte heirlegers van den Keizer en den 
Koning yan Kastilië trotseerden, zich?oIstrekt niet bekom- 
merd om de magtelooze uitspraken Tan een yeemgerigt. 
Immers gelijk hierboTen is aangetoond , het Teemge- 
rigt had toen zijne Toornaamste kracht Terloren; de 
steden die Troeger Toor de VrijgraTen sidderden, be- 
gonnen in te zien dat de uitvoering der Tonnissen hoe 
langer hoe moeilijker werd, sinds hare magt, te gelijk 
met die der Landsheeren zoo zeer was toegenomen >); 
Tan de grootste Trees ging men over tot de diepste 
minachting. Us£N£R Tond in het Archief te Frankfort 
een brief Tan een Trijgraaf die men zich niet eens had 
Tcrwaardigd te openenen, mag dit al niet geschied zijn 
met de bricTen, welke van het jaar 1492 af in het Ar- 
chief te Zutphen worden aangetrofFen, Teel meer eer- 
bied heeft men Toorzeker niet aan de schrijvers betoond. 

Was de oogst Tan Yeemgerigtszaken in Gelderland 
rijkelijk, niet minder belangrijks IcTcrt Overijssel over 
dit onderwerp op, mear terwijl de Geldersche stukken 
grootendeels onbekend zijn, treft men de dagTaardin- 
gen en Tonnissen der VrijgraTen en Veemschepenen, 
Toor zoo Teel zij Overijssel betrefifen, bijna allen in de 
werken Tan B£TIUs,Dumbar,RaC£R en tan Hattum aan. 



1) Dat deze regel als algemeen geldend kan worden aangenomen, 
geloof ik te kunnen verzekeren, al schijnt het dat sonmiige kleine 
steden zich niet zoo krachtig voelden. Daaronder breng ik de stad 
Gelder, in welker rekening over 1510 — 1511 de volgende post voor- 
komt, t Item geschenckt den Drost ind rentmeyster \ gelaich dat si 
willich waren te ryden om die ladingh van den vrienstoell af to 
kallen by den bisschop van Cellen". 



119 



Zij kaonen dus korter behandeld worden en in de 
meeste gevallen zal ik met eene eenvoudige verwijzing 
naar die werken kunnen volstaan. 

Yolgt men de tijdrekenkundige orde, even als zulks 
Toor Gelderland is gedaan, dan treft met het allereerst 
in de stedelijke rekeningen van Deventer eenige posten 
aan, waarbij van Vrijgraven en Vrijschepenen wordt 
gewag gemaakt, zonder dat blijkt waarover eigenlijk is 
gehandeld. Zoo vindt men in de rekening van den Ga- 
meraar Uenric Arentssoon over 1370 »HErjNiKEN Mes- 
SELGIER, die tot Almelo was ghelopen, an Hetnikeit 
den vrygreven"' en in die van Haoeman tan Heten 
over 1372, dat eenige schepenen met Henrik den Yrij- 
graaf zaten te spreken over de zaken der stad. fie re- 
kening van den Gameraar Steven Momme yan Keken 
over 1433 bevat de volgende bijzonderheden over eene 
evocatie. »Lambsrt die gelopen was to Harwike (Er* 
witte) an den vrigreven myd enen brieve; inholdende, 
dat onse borgeren, die he hadde voir hem myd den 
heymeliken gerichte geladen , rechts hliven wolden on- 
zen heren*\ 

» Item des Donred. na St. Mart. avond Lahbert die 
gelopen was an Johan Voet ende voirt an den greven 
van Bentheim^ myd der antworde op die ansprake, die 
men op onzen borgeren gedaen hadde, voir dat heyme- 
like gerichte". 

» Zeijden en Gotsghalk gereden naar den greven van 
Benttem om onser burgeren willen, die in die Vriebanck 
gheladen weren". 

De poging aanvankelijk aangewend om zich de zaak 
van den hals te schuiven, door een aanbod om zich 
aan de uitspraak van den Bisschop van Utrecht te on- 



120 



derwerpen, schijot dus mislukt te zijn, zoo dat yan 
toen af aan het streven yan den Magistraat slechts was, 
om het regtsgeding naar het naburige Steinfurt te ver- 
leggen. Wij maken dit op uit de rekening van den 
Gameraar Johan tan Ockenbrokck over het zelfde 
jaar^), welke rekening overigens geen meer licht geeft 

»Gh£ERT Bret, die gelopen was an den vrigreven 
toe Ërwete myd onzes heren breef van onser borgeren 
wegen , die voir den heymeliken rechte gedaget weren^\ 

»Lai[bert Messelghieb, die myd onses heren brief 
oick gelopen was an den vrigreven to Erwete van onser 
borgeren wegen begerende onzen borgeren dage te leg- 
gen in een vrybanck in die heerschap van Stenvorden/' 

De zaak van Seune ëssching, waarmede wij ons 
thans zullen bezig houden , is meer bekend in haar on- 
derwerp en eindelijken afloop. 

Deze persoon, een Zwollenaar van geboorte, had in 
het jaar 1446 regt gezocht bij een vrijstoel tegen den 
Bisschop Van Utrecht en de drie steden van Overijssel. 
Blijkens den zoenbrief had hij een veroordeelend von- 
nis verworven, terwijl de drie steden hem wederkeerig 
(gelijk meer geschiedde) voor een anderen vrijstoel 
hadden vervolgd. Maar, zegt van Hattum 2), de steden 
hadden hem weder eenigzins tot gehoorzaamheid ge- 
bragt, zoodat hij niet vreemd was om vernietiging te 
verwerven van hetgeen hij bij de vrijstoelen had ver- 
kregen. De zaak werd derhalve aan scheidslieden on- 



1) Daar waren te Deventer twee Cameraar8,die de rekening hielden. 
Men kan das niet volstaan met het jaar aan te halen, maar moet 
daar den naam van den Cameraar bijvoegen. 

3J Geschiedenis der stad Zwolle, I, blz. 395—398. 



121 



derworpen, yolgens wier uitspraak Tan het jaar 1450 
de Torderingen voor het Veemgerigt over en weder 
zonden worden ingetrokken, de Bisschop aan Seijnk 
EssCHiNG 600 Rijnsche guldens zoude betalen en nog 
andere voorwaarden zoude vervullen , die verre van na- 
deelig voor den eischer waren. Mag men op die uitspraak 
zich verlaten , dan was de vordering van den eischer 
geenszins ongegrond en heeft de vervolging voor het Veem- 
gerigt zoo veel te weeg gebragt dat men die voldeed. 
Wij verkeeren dus hier nog, hoe ta» Hattum zulks 
ook tracht te verbloemen , in den tijd van ontzag voor 
de veemschepenen. 

Niet tegenstaande het moedige opschrift bij yan Hat- 
TOtf <): »Zwolle wordt aangeklaagd om een verbond 
tegen de vrijstoelen. De stad kreunt er zich niet aan*\ 
dat op eene gebeurtenis van het jaar 1458 slaat, meen 
ik het daarvoor te moeten houden dat men zich toen 
wel degelijk aan die aanklagt stoorde. De Zaak was de 
volgende: Reeds bij den land brief van Bisschop Jax 
YAN Yernenbvrg waren bepalingen gemaakt, waarbij 
den ingezetenen van Overijssel verboden werd elkander 
voor het heimelijk gerigt te trekken ^), maar waarschijn- 
lijk was het verbod slecht nageleefd. Toen derhalve 
Dayid yan BouR60NDI£ aan Overijssel tot Bisschop werd 
opgedrongen , achtte men het raadzaam hem niet alleen 
vroegere Privilegiën te doen bevestigen, maar ook die 



1) Geschiedenis der stad Zwolle, I, blz. 419. 

^) Nimant sal gerichte söken buten Landes in ein ander gerichte, 
dat en weer dat men bewysenn mochte dat wy ofile vnse amtlnjde 
hem rechtes weygerden. M. Winhofp, Landrecht van Auerissel, IV» 
Deel Art. 1. 



122 



uit te breiden, en van zijne zijde was hij niet onwillig 
om zich zijne nienwe onderdanen genegen te naaken. 
Bij zijnen landbrief op St. Lacasdag of 18 October 
1457 nit Zwolle gedagteekend i) verklaarde Bisschop 
Datid y dat hij met ridderschap en steden , op den 
Spoolderberg vergaderd , was overeengekomen: »dat 
gheen ondersate onses Ghestichtes van Utrecht an dese 
syde der Ysselen off nyemant van oerre weghen mit 
gbenen uulheemschen rechte Gheistlic off werlic den 
anderen antalen off vervolghen sal, by eenre penen van 
vier hondert Yrankryksche schilden, halff tot onser be- 
hoeff ende halff tot behoeff des ghenen die van den an- 
deren alsoe vervolghet worde. £nde off daer yemant 
boven dede, ende die ghene, die alsdan soe vervolghet 
ende angetaelt worde ende daer by schade ende kost 
dede off lede, dat sal men verhalen an guede des 
gheens, die dat dede, ende hedde hy gheen gued , soe 
sal men dat verhalen an syn lijff, te verstane , dat men 
hem dair in venckenisse leggen soll syn leven lang met 
em waeter ende broet te gheven, ter tyt toe ende alsoe 
lange dat hy dat affghedaen ende ghebetert hedde. 
Ende worde yemant betichtighet dattet van synre we« 
ghen toe queme die mit uatheymschen rechte anghe- 
sproken worde die beruchtichede mach hem mit synen 
eede, rades, dades ende alles toedoens onschuldich 
seggen'\ Toen het gerucht van dezen landbrief, tot 
Westphalen was doorgedrongen, kwamen die bepalin- 
gen voorzeker aan vele Vrijschepenen bedenkelijk voor. 
HuGO YAN OosTERWiJCK, bij wieu men geklaagd had, 



>) Te vinden bij Duubab, Kerkelijk en wereldlijk Dev* II. biz. 

160, WiNHOIT 1.1. 



123 

schreef zelf aan Zwolle, ofschoon hij, en dit doet het 
onafhankelijk karakter van den nierkwaardi<Ten man 
nog meer uitkomen, ook Vrijgraaf was van Zwolle zoo* 
wel als Tan Zutphen en Arnhem, en als zoodanig een 
jaarlijksch inkomen van vijf Rijnsche guldens had. Vrij- 
graven en Vrijschepenen hadden hem berigt, zeide hij, 
dat de stad Zwolle een verbond had gemaakt tegen het 
heimelijk gerigt; daar Zwolle eene Hanzestad was, be- 
taamde haar dit niet. Hij waarschuwde de stad deze 
fout nog binnen veertien dagen goed te maken , anders 
moest hij gerigt over haar houden. Zwolle antwoordde 
(en vatten wij dit antwoord goed, dan Jigt daarin geen 
zweem van minachting, wel van schroom voor de Veem- 
geriglen) dat zij hem bedankte voor het berigt en hem 
verzocht voort te willen varen met het behartigen van 
hare belangen; overigens meende zij zich niet over 
die beschuldiging te moeien verontrusten, omdat het 
verbond niet streed met het heimelijk gerigt (?), maar 
ook betrof dat verbond niet alleen de stad Zwolle, maar 
in de eerste plaats den Bisschop, de Ridderschap en de 
Sleden van Overijssel. Deze laatste reden heeft buiten 
twijfel een eind aan alle verdere bemoeijmgen gemaakt 
en ook den Vrijgraaf overtuigd. Was er iets misdreven 
tegen het Veemgerigt, dan was zulks geschied door den 
persoon die in den landbrief zich had verbonden 
geene dagvaardingen van het Veemgerigt in zijne staten 
toe te laten en die persoon was de Bisschop van utrecht, 
een geeslelijke, over wien het Veemgerigt geen magt 
had! — Voorzeker was de verhouding van Overijssel 
onder het bestuur van een geestelijk Vorst tegenover de 
vrijstoelen gunstiger, dan die van Gelderland, waareen 
wereldlijk Vorst gebied voerde. Het lag verder ook 



124 



in den aard der zaak dat men zich daar vooral met de 
wapenen der geestelijkheid tegen de eTocatiën ver- 
dedigde. Zoo verklaarde de Yrijschepen Frederik yan 
DEN KuTEVBERG *) in 1459 dat hij niet voor den vrij* 
stoel te Glandorp, waar hij gedagvaard was, kon ver- 
schijnen en beloofde hij den aanklager hem in de zaak 
genoegdoening te verschaflen voor den Bisschop van 
Utrecht ^). Zoo had de stad Deventer het noodig ge- 
keurd de reformatie van Keizer Frederik van 1442 
door den Kardinaal tan Cdsa, den pausselijken legaat, 
in 1451 te doen vidimeeren en bekrachtigen ; ofschoon 
zulk een vidlmus blijkbaar geen meerdere kracht aan 
dit stak zelve bijzette , kon het welligt op zwakke ge- 
moederen werken. 

Op verzoek der steden Kampen, Zwolle en Gronin- 
gen strekte vervolgens Paas Fius II die bevestiging ook 
tot haar uit bij zijne bulle van 1463 en gelastte hij den 
Bisschop van Utrecht, den Proost van Oldenzaal en den 
Deken van Xanlen met kracht de hand te willen hou- 
den, dat de bulle werd nageleefd en de overtreders 
voor het geestelijk gerigt werden gedagvaard 3). 

Deze voorschriften, waarbij men trouwens ook de 
overige steden en het platte land uit het oog had ver- 



ij Dit oud adelijk geslacht bezat het kasteel Rutenberg bij Dalfsen. 
Ooerijss. Almanak voor 1846, blz. 138. 

^) KiHDLiNOBR, Münsterische Bdtrage, in. n°. 203. 

5) DuMBAR, Kerk, en wereldL Deo. I, 579 — 582, Het privilegie 
werd niet voor niets verkregen. «Item voer een privilegium dat 
van den stoel van Romen gekomen is tegen die gene, die onse en 
der steden Campen, Zwolle ende Groningen burgeren laeden voerden 
vryenstoel dat koste lic golden Rjns galden, belopt tot onsen del L 
Ryns gulden/* Bekening van Deventer over 1463. Cameraar Joban 
Mabqüart. 



125 



loren, konden de stad Ootmarsum niet baten, toen zij 
zich in het jaar 1462 op de klagt yan Johannss db 
Hetersche gedagvaard zag Yuor Johan Hakenberch , 
Yrijgraaf te Mijerstat in den Zuderlande. Zij moest haar 
toevlagt nemen tot twee Vrijschepenen Tonus Pulabn 
en Werner yan Scharpenhusen , die in hunnen brief 
Tan St. Remigiasdag 1462 aan den Yrijgraaf verklaar- 
den , dat , ofschoon hij op onbehoorlijke wijze alle in« 
gezetenen der stad Ootmarsum boven de 14 jaren had 
gedagvaard, zij borg bleven dat de Richter, Burgemee- 
ster, Schepenen en Raad dier stad den aanklager be- 
hoorlijk regt zouden laten wedervaren en handelen, 
zoo als zij van wegen eer en regt verpligt waren te 
doen. Van zulke borgtogten hebben wij onder anderen 
ook in de zaak van Herbort Rezen een voorbeeld aan- 
getroffen. Zij werkten dikwijls veel uit, hoewel er ook 
voorbeelden bestaan, dat de Vrijgraven en Vrijschepenen 
zich daarom niet bekommerden. Tonus Pulaen en 
Werner van Scharpenhusen lieten zich denzelfden dag 
door den stedelijken Magistraat voor alle schade, die zij 
daarbij mogten lijden, waarborgen. Verdere stukken 
deze zaak betreffende worden in het archief te Ootmar- 
sum niet gevonden '). 

Ook de verdere kleine steden van Overijssel , als 01- 
denzaal, Enschede enz., bewaren, zoo ver bekend is 
(ingevolge opzettelijk onderzoek daarnaar gedaan) geene 
gedenkstukken van den invloed der Veemgerigten hier 
te lande. 

In hetzelfde jaar 1463, waarin de Paus had gelast. 



1) Zie de beide stukken in den OverijsseUchen Almanak voor oudheid 
en letteren voor 1843, bladz. 112. 



126 



dat men het Veemgeiigt zooveel mogelijk zoade te keer 
gaan, iverden de beide Kampensche Burgemeesters Ru* 
DOLF Witte en Frederik tan üterwijck , benevens 
een aanzienlijk burger dier stad Roderik Luninck, ook 
Kenneken geheten, ten verzoeke van zekeren Bernard 
Hase door Jan Gonick Yrijgraaf van den Hertog van 
Gelre liberae sedis Wolmariensis in Sleden >) voor zijn 
Vrijstoel gedagvaard. De aanklager beweerde, dat zij 
hem met geweld hadden aangevallen, wat hij voor geen 
drie honderd oude schilden had willen lijden; met an- 
dere woorden, dat hij zijne schade op die som begrootte. 
Ofschoon Kampen even als de overige groote steden 
van Overijssel het privilegie de non evocando bezat, 
durfde zij het echter daarop niet te laten aankomen, 
maar schreef aan den Bisschop, hem verzoekende tus- 
senben beiden te komen en voor de aangeklaagden bij 
den Yrijgraaf borg te blijven, terwijl de stad hem we- 
derkeerig alle schade die hij daarbij zoude lijden, waar- 
borgde. Ook verzocht zij dat de Bisschop, Wessel Pe- 
PERLAGE, zijn rigter te Ommen, wilde verzoeken om de 
aangeklaagden voor den Vrijstoel te yerdedigen. De Bis- 
schop met de zaak verlegen, riep Ridderschap en Ste- 
den van Overijssel op den Spoolderberg bijeen, stelde 



') Zoo schrijft Revius, jDaw, illustr, pag. 112 en zijn deftig Latijn 
is zeer geschikt om de zaak duister te maken. Wat een vrijstoel te 
Wolmar beteekent, is niet te begrijpen, en Sleden, dat door denzelf- 
den schrijver, pag. 113 gevarieerd wordt in Stechem en Stege, ia 
evenmin te vinden. Maar zeker schuilt onder dat Latijn de naam 
van den vrijstoel Slehege op het Walfort. De Kronijk van Tb Boecop, 
die door Revids is gebruikt , zegt het uitdrukkelijk , (Bijlage XIX) , 
en wij behoeven dus niet meer met Kopp , s. 1 1 1 , aan Sledenhorst 
in het land van Kleef te denken. De zaak is thans niet meef 
twijfelachtig. 



127 



hun de zaak Toor en verkreeg daar ligtelijk een besluit, 
zoo als hij wensehte, i?i aarbij werd uitgemaakt, dat der- 
gelijke evocatiën op zware strafièn verboden waren en 
dat de staten elkander vrijwaarden voor al het nadeel , 
dat uit het afwijzen van de regtspraak des Vrijgraafs 
mogt voortvloeijen. Hierdoor geruggesteand , schreef de 
Bisschop een krachtigen brief aan den Vrijgraaf en ver- 
bood hem zijne onderdanen verder te kwellen , terwijl 
hij hem gelastte oogenblikkelijk de gemaakte kosten te 
voldoen. Johan Conick stoorde zich volstrekt niet aan 
'sBisschops schrijven, maar ging met de zaak voort. 
Die van Kampen durfden het niet tot het uiterste te 
laten komen , maar zij bewogen den Bisschop dat hij 
aan Bgrnard Hase en den Vrijgraaf belooven zoude, 
dat hij, Bisschop , partijen voor zich zou doen verschijnen , 
regt zoude spreken, zoo als behoorde en zorgen zoude 
dat partijen de uitspraak nakwamen. Waarschijnlijk is 
ten gevolge van die uitspraak de aanklager op de eene 
of andere wijze tevreden gesteld en is de zaak daarme- 
de afgeloopen. Met Roelof Hondenberch, dien wij 
hier te voren hebben ontmoet, had Kampen in hetzelfde 
jaar een geding dat ook door toegeven schijnt te zijn 
uit den weg geruimd »). 

Krachtiger verdedigden zich de Burgemeesters en vele 
aanzienlijke inwoners van Deventer, toen zij in 1464 
ten verzoeke van zekeren Hendrik van Alten door den 



*) vitem des inaiiendach''8 nae St. Elisab.dach Gosek gegaen to 
onsen heren 'to Wijck van anscriven der van Campen, also er burge- 
ren geladen weren an den vryenstoele van Roz^off Hokdenbesobs 
wegen. Item Kdyper gegaen ten Singraven an Hondenberch die 
ladunge vors. anden Vrygreven aff te doen." Kekening van Deven- 
ter over 1463. Cameraar Johan Marqtjart. 



128 



zelfden Yrijgraaf, Johan Hakenbebch , dien wij reeds 
tegen Ootmarsum zagen procederen , voor zijn Vrijstoel 
gedagvaard werden. Maar ook in deze zaak zien wij de 
Pausselijke bulle niet inroepen , maar even als in zoo- 
veel andere zaken het Yeemgerigt zelve gebruiken , om 
de onregtvaardige evocatie krachteloos te maken. Nadat 
de Bisschop van Utrecht aan den Vrijgraaf geschreven 
had en hem borg was gebleven , dat de Magistraat van 
Deventer bereid was den aanklager die voldoening te 
geven, welke hij in regten zoude kunnen vorderen , had 
hij zich, vermits de Vrijgraaf die belofte niet achtte, 
tot den Aartsbisschop van Keulen , als stadhouder der 
vrijstoelen en Hertog van Westphalen , gewend. Hij 
verwierf een bevelschrift van dezen van 7 Februarij 
1465 waarbij Berend de Duker en drie andere Vrij* 
graven werden gelast den Vrijgraaf Johan Haeenberch 
en den aanklager voor hunnen Vrijstoel te dagen en 
uitspraak te doen, zoo als bevonden zoude worden te 
behooren. Dien ten gevolge kwam in den vrijstoel te 
Steveren in het kerspel Nottuln Bisdom Munster eene 
achtbare vergadering van Vrijschepenen bijeen. Onder 
hen zien wij met verbazing den Bisschop van Munster 
zelven en vier Domheeren, voorts de Keppel's, Mor- 
rien's, yander Horsten, kortom de meeste edellieden 
van het Munstersche en den Burgemeester der stad Mun- 
ster. Daar verscheen de procurator van Deventer, maar 
de aangeklaagden niet. Daar werd uitgemaakt dat de 
oorspronkelijke dagvaarding niet was uitgevaardigd ten 
gevolge van een oordeel in een Vrijgerigt onder Konings 
ban gewezen , dat Hendrik tan Alten toen hij burger 
van Deventer werd, gezworen had nimmer iets te zul- 
len doen tegen die stad, hare schepenen, of inwoners. 



129 



en dus zijn eed had yerbroken, dat de dagvaarding te 
Deventer ; in den tuin van zekere vrouw was gevonden^ 
dat ook onwetenden waren gedagvaard en dat eindelijk 
die van Deventer zich bereid hadden getoond , om Hen- 
drik TAN Alten regt te doen geworden. Daarom en 
wegens het wegblijven der aangeklaagden werd de 
oorspronkelijke dagvaarding nietig en krachteloos ver- 
klaard, de schepenen en ingezetenen van Deventer vrij- 
gesproken en JoHAN Hakenberch i), Hendrik tan Al- 
ten en diens Procurator in alle de kosten veroordeeld >). 
Hoeveel moeite het kostte de vrijgraven te overtuigen 
dat zij niet bevoegd waren ingezetenen van Overijssel , 
gelijk zij van ouds gewoon waren, voor hunne vrijstoe- 
len te trekken, blijkt uit de omstandigheid, dat de- 
zelfde Jan Goninck, die Kampen had gedagvaard, in 
het jaar 1467 ten verzoeke Tan Wolter tan Keppel 
Tan Yerwolde, twee Zwolsche burgers, Etert Stickb 
en Wtchert Poppe Toor zijn vrijstoel dagvaardde. De 
zaak hing zamen met de hooggaande twisten tusschen 



1) Bij UsENER, 8. 295 komt Johan Hakekbbbch als Vrijgraaf te 
Nenstadt in het Zaderland van 1442 tot 1484 en alzoo over een tijd 
van 42 jaren voor. Zonderling! indien hij dezelfde is, die (blijkens 
WiöAND, Wetzlarsche Beitrdge^ III. 1. s. 29), in het jaar 1458 door 
het Generaal kapittel te Arnsberg van zijne waardigheid werd ontzet, 
wegens misbruik van magt. Zoude het kapittel , dit geachte en gevreesde 
ligchaam, reeds zoo weinig magt meer hebben bezeten? Trouwens 
de Vrijgraaf Wynbkb Faskemdael , die te gelijk met hem werd af- 
gezet, komt in 1461 nog als Vrijgraaf voor. Het schijnt mij voorshands 
beter b\j Hakskbebch aan een gelijknamigen zoon te denken (de 
betrekking van Vrijgraaf bleef toch dikwijls in hetzelfde geslacht: in 
1525 was een Willbsi Hakbnbsbch Vrijgraaf te Neustadt, Wetzlarsche 
Beitrage, I. s. 5), en het daarvoor te houden, dat Fas&bndabl, als 
Vrijgraaf te Bocknm afgezet, later als zoodanig te Turkheim is aangesteld. 

') Men vindt het merkwaardig vonnis bij Dumbab, Kerk, en wereld' 
lijk Deventer, I, blz. 578 en volgende. 

OL. X. 9 



130 



WoLTKR VAN Keppel en zijn zwager Wolf van Itter« 
scM, dien hij gewapenderhand had gehangen genomen 
en op zijn slot Verwolde gebragt. Door tusschenkomst 
van den Hertog van Gelre genoodzaakt , zijn geïangene 
weder te ontslaan, had hij hem doen zweren om op 
de eerste aanmaning in de gevanorenis terug te keeren. 
De ingezetenen van Zwolle , wier medeburger van It- 
TERSOM was, vonden er een uitweg op: zij namen zel- 
yen van Ittersum gevangen en hielden hem in eene 
zeer zachte gevangenis opgesloten , zoodat hij in de on- 
mogelijkheid was om zijn woord te houden. Deze uit- 
vinding zal de beide bovenvermelde Zwolsche burgers 
de dagvaarding voor het Yeemgerigt hebben op den 
hals gehaald. De Bisschop kwam echter tusschen bei- 
den en schreef aan den Vrijgraaf »dat de burgers 
verkozen hadden voor hem als Vrijgraaf dezer landen 
hun geschil te laten beslissen'^; zoo meldt van Hattüm, 
die er bijvoegt dat de stad Zwolle den Bisschop waar- 
borgde voor alle schade, die hij bij deze zaak konde 
lijden. Welke de uitslag van dien brief is geweest 
wordt nergens vermeld"). 

JoHAN GoNiNCK, die toch reeds eenmaal ondervon- 
den had, dat die van Overijssel aanspraak maak- 
ten op vrijstelling van de regtspraak van het Yeem- 
gerigt, was moeijelijk te overtuigen geweest; maar 
zeldzamer mag het heeten, dat een der Yrijgraven die 
het vonnis tegen Johan Hakenberch hadden geveld, te 
weten Helmich Luntnck, Yrijgraaf in het Graafschap 
Tekenenborch (Tecklenburg) , ten verzoeke van zeke- 
ren Johan Droegespot, in 1472 alle burgers van 



1) T. Hattüm, Gesch. der stad Zwolle, II, blz. 15. 



131 



Deventer voor zijnen vrijstoel dagvaardde. Zoo hard* 
nekkig waren de Westphalen aan hunne oude wijze 
van regtspleging gehecht en zoo weinig konden zij 
begrijpen, dat de oude vormen hadden uitgediend. 
Tegen dezen Vrijgraaf riep Deventer het geestelijk ge- 
rigt in. De Bisschop droeg de zaak aan zijnen Officiaal 
op, die na den Vrijgraaf en den aanklager herhaaldelijk 
maar vruchteloos voor zijne regtbank te hebben gedag- 
vaard , hen op plegtige wijze in den kerkdijken ban deed 
en gelastte, dat die voor de hoofdkerk te Osnabruck zoude 
worden afgekondigd. Zeer waarschijnlijk heeft dit mid- 
del geholpen , want de Vrijgraven en Vrijschepenen , meest 
onderdanen van geestelijke vorsten, hadden alles behalve 
een vrijen geest in zaken de Godsdienst betreffende '). 
Het blijkt van elders dat de excommunicatie hun geens- 
zins onverschillig was, en dat zij alle moeite aanwend- 
den om daarvan ontslagen te worden 2). 

Berend Palle, mede eender Vrijgraven die in 1465 Ha* 
KENBERCH veroordeeld hadden, was door het gebeurde 
niet afgeschrikt om in 1481 ten verzoeke van Frederik 
VAN Keppel de Overijsselsche edelen Johan en Heriian 
VAN BucKHORST en Jacob Schaep voorzijn vrijstoel teLaer 
in het Bentheimsche ^ te dagvaarden. De aangeklaag- 
den beweerden onbehoorlijk gedagvaard te zijn en boden 
aan, de zaak aan de beslissing van hunnen landsheer, 
den Bisschop van Utrecht, over te laten. De beide 
vrijschepenen Derck Noeroinck en ëgbert Eock be- 



') Zie de zaak bij Dumbae Kerk, en wer, Dev. I blz. 585. 

^) Hekdrik Bisschop yan Manster verbiedt op Dingsdag na St. 
Manijnsdag 1476 Hcoo tan Oosterwijck om regt te spreken over 
Gerd yan Morrisn, op grond dat de aanklager Biedbrik van der 
Horst in den ban was. Archief te Manster. 

9* 



132 



rigtten zulks aan dea Vrijgraaf en bleven borg Toor de 
aangeklaagden , zoodat in deze zaak volgens den gewo^ 
nen loop van veemgerigtszaken werd gehandeld «). 

Nog heb ik evocatiën van het Veemgerigt in Overijssel 
aangetroffen in de jaren 1487 en 1489. In het eerste 
jaar had Heer Dirk van der Horst den magistraat ran 
Deventer voor den vrijstoel te Dorsten doen dagvaarden ; 
de volgende post in de Kameraars rekening van Deven- 
ter van Goenraad ten Düune over dat jaar is echter 
het eenige wat ik omtrent die zaak gevonden heb. 

»Item des Saterdages nae Adriaen is hijr geweest een 
vryscepen van Oldenzell, die myt onser scrifll genck 
aan die stad Dorsten , soe her Dirce tan der Horst, 
Ffrederik Wtnkens ende onse raetsvrienden gedaget 
hadde in den vryenstoell, hem yrst geg. 1 R. gl. ende 
nae VIII st. facit 1 8 I st". 

De andere zaak wordt ook alleen door de rekening 
van den Kameraar van Deventer Willem van Averengh 
over 1489 opgehelderd. Rutger van der Horst was 
hier eischer en de zaak hing dus bijna zeker met de 
andere zamen. De Yrijgraaf was Johan Knutst, dezelfde 
die ons in 1492 in een brief aan Zutphen voorkomt 2) , 
en die Vrijgraaf was in de vest van Reckelinghuizen ; 
Dorsten ligt in de nabijheid. Bij Fahne GescA. der Köl'- 
nischen , Julichschen und Bergischen Gcschleckter ^) , 
treft men niet minder dan zeven geslachten van der 
Horst aan. De hierbedoelden behooren vermoedelijk 
tot die familie, die in de vest van Reckelinghuizen 



') Racer, Overijssehche gedenkstukken , II. blz. 201, 
«) Bijlage XV. 
5) Th. I. s. 174. 



133 



woonde; over de zaak zelve rerspreidt de aanteekeniDg; 
geen licht, maar wel dat het geestelijke regt, waarschijn- 
lijk niet zonder yrucht, werd ingeroepen. Ziet hier den 
letterlijken inhoud: 

Item Albert Rütter ende Goesen die Heiden tér 
Steern geselschap gedaen, soe sy oir geloevesbrieye Toir 
die stad sanden an den vrygrcTen Johan Knutst. 

Item den Doemdeken Tan Uytrecht gesant op der 
citacie ene inhibicie des ffrygreven Johan Enijtst, 
Toir scry?e, geit ende segell VI 8. 

Item Egbert Goesens gegaen tot Oldenzell an Beernt 
Reüsingh om hyr te koemen ende die citacie ende in* 
hibicie Tors. myt onsen geloojGFsbrieven aan den rry- 
greven Johan Enütst yors. to brengen ende lach dair 
II daegen, geg. XIIII witten fac. XI bathen III pi. 

Item Herman Bidder gegaen tot Uytrecht an onsen 
heren myt der bullen van den heymeliken Bichte om 
synen gnaden die sien te laten, om die cilalie ende in- 
hibicie te vercrygen, geg, XVI bulk. III pi. 

Item gereden tot Uytrecht an onsen 

heren om des heymeükengerichtes willen Johan Knutst 
vrygreyen en der saeken Botgers tan der Horst om 
ons myt synre gna4en scrifft to rechten to rerbieden, 
rerdaen XVIII «. 

Item meister Steyen gereden tot Uytrecht om eyne 
nye citacie te werven op dat heymelyke recht tegen 
Johan Knutst vrygreyen ende Botger tan der Horst 
ende synen procuratoer, verdaen XIIII S II butk'\ 

De laatste CTocatie in Overijssel wordt in het jaar 
1506 aangetroffen. De (ongedrukte) Kronyk van Te 
BoECOP bevat een brief van dat jaar van den ons be- 
kenden en naar het schijnt tamelijk voorbarigen Vrij- 



134 



graaf Werner tan den Sunderhues, waarin hij aan 
den Raad der stad Kampen berigt, dat hij zekeren Jan 
HSERKINK Yoor zijn Trijstoel had gedagvaard en dien 
Raad verzocht zijne goede diensten aan te wenden, dat 
de gedaagde op een volgenden gerigtsdag mogt versohij* 
nen. De raad van Kampen antwoordde kort af en op 
minachtenden toon, dat een persoon van dien naam te 
Kampen niet bekend was, maar dat, zoo hij burger 
der stad ware, hij niet verpligt zoude zijn voor den 
vrijstoel te verschijnen. Had iemand iets van een bur- 
ger van Kampen te vorderen, dan moest hij dien bur- 
ger aanspreken voor de schepenbank aldaar, of voor 
den Bisschop van Utrecht. Men bemerkt dat alle ach* 
ting voor hel Veemgerigt verloren was en dat van den 
invloed van dit gerigt na het bovenvermelde tijdstip naau* 
welijks sprake kan zijn , al staat ook het materiëele feit vast 
dat er nog zóó laat eene evocatie heeft plaats gehad <). 

Daar blijft nu nog over de evocatiën van het Veem- 
gerigt in de Provinciën Groningen en Drenthe te on- 
derzoeken. Beide provinciën kunnen te regt bijeen 
gevoegd worden, want dat gedeelte van de Provincie 
Groningen, dat tot Saksen en derhalve tot Westphalen 
behoorde , was slechts een afgesplitst deel van Drenthe *). 
Dat gedeelte is de stad Groningen en die landstreek, 
die van ouds Drentberwolde, later het Gooregt, heette. 
Dat gedeelte behoorde niet tot Friesland, daar werd 
de Friesche taal nooit gesproken; wetten, wijze van 



1) Bijlage XIX. 

^) DiEST LoRGiON, Geschiedkundige beschrijving der stad Groningen, 
Indeel, bladz. 21 en 22 en de daar aangehaalde schrijvers. 



135 



regtspleging , zeden en gewoonten , droegen het ken* 
merk Tan een saksischen oorsprong. Wij kunnen ver- 
moeden dat ook daar «yocatiën van het Veemgerigt heb- 
ben plaats gehad en dat Termoeden wordt bevestigd door 
een merkwaardig stuk door den Heer Feith medege* 
deeld i). Men raag aannemen dat dit stuk , nog van zoo 
versche dagteekening , genoegzaam bekend is en dat het 
dus overbodig zal zijn alles, wat daaromtrent door den 
Heer Feith is gezegd , te herhalen. Volledigheidshalre 
zij hier dus slechts opgemerkt, dat zekere Dirk TAN Heu- 
KSLOM, die zich door de handelwijze van de Regering 
te Groningen in zijne regten gekrenkt achtte, de stad 
dagvaardde roor den vrijstoel te Wunnenberg, en in 
het jaar 1456 een vonnis verwierf, waarbij alle ingeze- 
tenen dier stad van het mannelijk geslacht , boven de 
twaalf en onder de zeventig jaren, werden verveemd. 
De stad Groningen kwam daarvan in hooger beroep bij 
het Keizerlijk Kamergerigt, hetwelk den 27 Augustus 
1465 het vonnis vernietigde, omdat de zaak niet bij 
het Veemgerigt behoorde en omdat de keizerlijke re- 
formatiën niet waren in het oog gehouden. Uit de 
medegedeelde stukken blijkt, dat de zaak hiermede geen 
einde nam , maar dat Dirk tan Heukelom de stad Gro- 
ningen gedurende bijna veertig jaren voor allerlei reg- 
ters en regtbanken trok en op die wijze zijne tegenpartij 
tot een vergelijk dwong, waarbij hij wel is waar alle 
vonnissen en uitspraken, die hij van het Veemgerigt 
bezat, in tegenwoordigheid van twee vrijschepenen aan 
die van Groningen moest uitleveren, maar daarentegen 
eene som van 1555 gulden, nagenoeg hetzelfde wat hij 



1) In NiJHOFP's Bijdragen, IX* deel, blz. 164. 



136 



bij den aanyang van het proces had gevorderd , ontving. 
Uit alles blijkt dat de Magistraat van Groningen aan- 
vankelijk den eischer onregtvaardig had behandeld, en 
meer bij viijze van geweld dan volgens wetten en ge- 
woonten was te werk gegaan, maar dat deze handel- 
wijze den laatsten dan ook zoodanig had verbitterd, 
dat hij alle middelen als geoorloofd beschouwde om de 
stad te benadeelen. In de latere stukken over deze 
zaak wordt van het vonnis van het Yeemgerigt geen 
melding gemaakt. Wij gelooven met den Heer Feith, 
dat dit vonnis als krachteloos werd beschouwd l^ om 
de bulle van Paus Pius II, waarbij Groningen ontheven 
was van de regtspraak van het Yeemgerigt; 2^ en dit 
wel voornamelijk, om het vonnis van het Keizerlijk 
Kamergerigt, waarbij de uitspraak der yrijschepenen werd 
vernietigd • ). De derde reden door den Heer Feith in 
het midden gebragt, dat namelijk Groningen buiten de 
roode aarde lag, kunnen wij om redenen hierboven 
vermeld niet toegeven. 

Uit het eigenlijke Drenthe kunnen wij ge^ne evoca- 
tien mededeelen, zonder daarom te willen beweren, 
dat het Yeemgerigt daar zijn invloed niet zoude hebben 
uitgeoefend. YYij gelooven dat men het tegendeel ge- 
rust mag aannemen, maar zijn buiten staat om daarvoor 
eenig bewijs bij te brengen; misschien worden ook in het 
Drentsche archief dergelijke stukken niet aangetroffen , 
althans in het bovenvermelde werk van den Heer Magnin 
vindt men daarvan niets. Hoe het zij , onze pogingen om 



*) Deze beide redenen worden ook door Wigand in den Anzeiger 
Jur Kunde der deutschen Vorzeit, over 1854, S. 292, als de waren 
beschouwd. 



137 



van daar inlichtingen te bekomen zijn met geen gunstigen 
uitslag bekroond en Drenthe blijft dus voor als nog in 
de geschiedenis ran het veemgerigt eene terra incognita. 

Vatten wij nu alles te zamen, wat hierboven in bij- 
zonderheden is betoogd , dan zien wij een voortdurend 
streven bij edelen en steden in de Nederlanden om zich 
aan de evocatiën van de Yeemschepenen te onttrekken. 
Trouwens dat behoeft geene verwondering te verwek- 
ken , wanneer men bedenkt, dat in de Nederlanden 
meer dan elders door onafhankelijke regters werd regt- 
gesproken en dat de burgers der talrijke en vermogende 
steden niet naar Westphalen behoefden te gaan, om 
goed en onpartijdig regt te erlangen. 

Maar toch moet men het Wigand i) toegeven, dat 
geen gerigten met meer schijn van regt de misdaden 
evoceeren konden, dan juist de Yeemgerigten. Van 
daar tweederlei wijze van denken over hunne inmen* 
ging in de regtspleging hier te lande: eerbied en vrees 
waar men of bewust was van eigene schuld , of hoog opzag 
tegen de overoude plegtige vormen, waarin zich de 
Veemschepenen hulden: stoutheid en minachting, waar 
men op zijn goed regt bouwde, of had leeren inzien, 
dat de bedreiging yan straf zekerder was dan de vol- 
trekking van het vonnis. De eerste zienswijze was in 
vroegere tijden de heerschende, toen de Veemschepenen 
alleen die zware misdaden voor hunne vrijstoelen trok- 
ken , die hl] de gewone gerigten ongestraft bleven ; de 
laatste nam de overhand, toen de Veemschepenen zich 
ook mei burgerlijke, niet veemwroegige zaken begonnen 



1) Das Femgericht, S. 336. 



138 



te bemoeijen , zich naast de gewone gerigten plaatsten 
en zoo doende hoe langer zoo meer haat verwekten i). 
Die stukken , die wij hebben medegedeeld , behoo* 
ren meest tot dit laatste tijdvak; en, wilde mbn nu 
alleen oordeelen naar sommige staaltjes ran kwel- 
zucht en afpersing, die daarin voorkomen , dan kan 
het oordeel over hunne bemoeijingen in Nederland niet 
gunstig zijn. De onpartijdigheid gebiedt echter dat men 
wei in het oog houde, dat, ofschoon de erocatiën der 
Yeemgerigten nergens minder noodzakelijk waren dan 
in de Nederlandsche gewesten , zij toch ook daar in yele 
gevallen krachtig hebben medegewerkt om aan de on- 
derdrukten Toldoening of regtvaardig regt te Terscha£Fen. 

§3. 

Gezag en werking van hei Rijkskamergerigt 
in Nederland. 

Ons Yaderland behoorde tot het Duitsche Rijk en was 
aan de wetten ran dat Rijk onderworpen. Ziedaareene 
stelling, die thans wel geene tegenspraak meer zal ont- 
moeten. Derhalye stond het ook den ingezetenen van 
deze gewesten vrij zich te beroepen op de bron van 
alle regt, op den Keizer en zijn Hofgerigt. »Non in- 
terclusus umquam fuit Belgis ultimus ad Imperium re- 
cursus'^ zegt Kluit ^). Het zoude dan ook niet moeijelijk 
vallen om Toorbeelden aan te halen, dat Nederlanders 
zich yan die vrijheid bediend hebben en naar het Kei- 



1) Vergelijk Erhabd, Geschichte Munsters, S. 258. 
*) Primae Uneae CoUegn Diphm. Histor, PoUt, pag. 63. Vergelijk 
ook Trotz Theses Juris Publici, pag. 64 et 65. 



139 



Eerlijk Hofgerigt hebben geappelleerd , of zelven Toor 
dat gerigt hebben te regt gestaan. Behalve die, welke 
in de vorige § zijn aangehaald, kan men wijzen op de 
dagvaairding der stad Ëlburg voor het Keizerlijk Hof* 
gerigt in 1418 >), op de dagvaarding van Hertog Ar- 
90LD en alle de Gelderschen welke hem aanhingen in 
1431 2), op den Rijksban in 1417 over Groningen uitge- 
sproken 3), op de dagvaarding van Frank tan Borselen 
als Heer van Voorne en de stad Brielle voor hetzelfde 
gerigt in 1457 4), en zeer ligt vraren hier eenige voor- 
beelden meer op te sommen. Maar daarmede wordt 
de vraag niet beantwoord welke de invloed van het 
latere Bijkskamergerigt geweest zij ? Wanneer men 
derhalve alleen het oog vestigt op deze laatste instel- 
ling, zoo wordt het blijkbaar dat zij slechts gedurende 
eene tijdruimte van ongeveer drie en vijftig jaren eeni- 
gen invloed in de I^ederlandsche gewesten kan hebben 
gehad. Immers in 1495 is het Bijkskamergerigt be- 
paaldelijk geregeld en in 1548 heeft Keizer Karel V 
bij het verdrag van Augsburg weten te bewerken , dat 
de Nederlanden grootendeels aan het gezag van het 
Bijkskamergerigt werden onttrokken. Tusschen die beide 
jaren zal men dus de bewijzen voor den invloed van 
het Bijkskamergerigt moeten zoeken. Ik ontveins het 
niet dat de oogst zeer gering is geweest, maar heb mij 
daardoor niet teleurgesteld gevonden. Immers bij eenig 
ernstig nadenken moest het wel in het oog vallen, dat 
ook in die jaren het gezag en de werking van dat opperste 



') NiJHOFF, Bijdragen I. blz. 266. 

2) NiJHOFF, Gedenkwaardigk, IV. blz. XLI. 

5) Arend Gesch. des Vaderlands, II. 2. bladz. 576, 

*) VAN Wijn Nalezingen op Wagenaar, I. blz. 209. 



140 



geregtshof in de Nederlanden niet groot kunnen zijn ge- 
feest. Dat tijdvak wordt toch grootendeels ingenomen 
door den Gelderschen successie-oorlog, waarin langzamer- 
hand y uit allerlei oorzaken , alle Nederlandsche Proyin- 
ciën betrokken werden ^ tot dat de algemeene uitput- 
ting de eene vóór, de andere na, yoor de magt yan 
Karel y deed bezwijken. Onder het gedraisch der 
wapenen plegen de wetten te zwijgen, en hoeveel te 
meer moest dit gebeuren, waar de eene partij , de Gel- 
derschen, die Karel tan Egmond aanhingen, en de 
Utrechtenaren, Overijsselschen, Drenthers, Friezen en 
Groningers, die dezelfde partij volgden, dit geregtshof 
ais geheel afhankelijk van hunne wederpartij , den Kei- 
zer, beschouwde en zich derhalve aan deszelfs uitspra- 
ken niet wilde onderwerpen. Karel tan Eghond zelf, 
yoor het Rijkskamergerigt tweemaal gedagvaard, zoowel 
door den Keizer, als door de na te noemen weduwe van 
Peter tan Hehert, protesteerde den 3 October 1496 
plegtig yoor Hendrik tan Os Deken van S^ Walburg te 
Arnhem en twee notarissen, dat hij wegens de onvei- 
ligheid der wegen onmogelijk yoor het gerigt konde ver- 
schijnen, dat hij ook in Frankfort, eene stad onmiddelijk 
aan den Keizer, zijn verklaarden vijand , die hem en 
de zijnen te vuur en te zwaard vervolgde, onderhoorig, 
niet zonder gevaar konde komen en beriep zich ten 
slotte op den Pausi). 

Of hij daarop bij verstek is veroordeeld, is mij niet 
gebleken; maar gesteld, een dergelijk vonnis ware ge- 
veld , wie zoude het ten uitvoer hebben gelegd ? Keizer 
Maximiliaan, wien het meest daaraan gelegen was den 



») Bijlage XX. 



141 



onrustigeD Hertog tot onderwerping te dwingen , is nooit 
zoo Ter gekomen ; en toen zijn zoon Philips een oogen- 
blik het lot yan Kabel in zijne handen had, liet hij 
de schoone kans zich ontglippen. Hoe zoude een 
Tonnis Tan het Rijkskamergerigt hem bevreesd hebben 
gemaakt, die Maximiliaan's landsknechten, versterkt 
door Eleefsche halp en door de geheele magt van Hol- 
land, Braband en Vlaanderen niet vreesde? De Rijks- 
ban, tegen Earel tan Egmond uitgesproken, deed 
hem eyenmin bezwijken , als het geweld der wapenen 
zulks vermogt. 

Door denzelfden geest bezield eerbiedigden ook zijne 
onderdanen de uitspraken van het Rijkskamergericht 
niet of ter naauwernood. Een treffend voorbeeld geeft 
de beschikking van Maximiliaan op het verzoek van 
JoHANKA , weduwe van Peter vaut Hemert van 10 Fe- 
bruarij 1497 aan de hand^). Gerard tan Weerden- 
berg en zijne helpers hadden den 14 April 1493 van 
wege Karel yaft Eghond het slot Poederoijen overTaK 
len, Peter tan Hehert en zijn zoon en hunne dienaren 
gevangen genomen , sommigen van hen om hals gebragt en 
alle goederen, kleinobden , huisraad, levende have en 
vee, zelfs het te veld staande koren en de schuldbrie- 
ven en eigendomsbewijzen geroofd; en alle pogingen 
bij den Hertog aangewend, om het geroofde terug te 
erlangen, waren vergeefs geweest. Daarom gelastte 
Maximiliaan aan eenige commissarissen om alle perso- 
nen , die door Johanna zouden worden opgenoemd te 
dagvaarden, aanklagt en getuigen tehooren en het pro- 
cesverbaal bezegeld en gesloten aan het Rijkskamerge* 



1) Bij Wig AND, Weizlarsche Beitrage, B. II. S. 292—301. 



142 



rigt op Ie zenden. Dat het Rijkskamergerigt zich de 
zaak zal hebben aangetrokken is hoogstwaarschijnlijk, 
doch dat die Ycryolging iets heeft uitgewerkt, Talt te 
betwijfelen, want Peter tan Hehert moest na zijn 
ontslag uit 's Hertogen gCTangenis het land ruimen en 
zijne goederen werden verbeurd verklaard. Ook zijn 
zoon Maarten moest Poederoijen blijven missen , want 
Karel schonk het aan Johan tan Rosseh , die Maar« 
TEN TAN Hemert's zttster ten huwelijk had, en in dat 
huis zijn slot en heerlijkheid gebleven i). 

Met meer waarschijnlijkheid zoude men kunnen be-> 
weren, dat het Rijkskamergerigt in die gewesten welke 
aan 's Keizers zoon en kleinzoon gehoorzaamden, Bra* 
band met Limburg, Vlaanderen, Holland en Zeeland 
gezag heeft gehad , en voorzeker men zal daar den eer* 
bied voor dit hoogste Geregtshof niet zoo geheel uit 
het oog hebben verloren , als in Gelderland. Maar aan 
den anderen kant was het belang van den Hertog van 
Brabandy of van den Graaf van Holland en Zeeland, 
niet altijd in overeenstemming met dat van den Duit- 
schen Keizer. De vorsten van het Bourgondische huis 
hadden hun groot doel, om van de verschillende Ne- 
derlandsche gewesten één Rijk, zooTeel mogelijk onaf- 
hankelijk van Duitschland, te maken, nooit uit het oog 
verloren en die staatkunde werd met volharding door 
de \orsten uit het huis van Oostenrijk voortgezet. 
Daartoe had de oprigting van den groeten Raad te 
Mechelen, als opperste geregtshof voor de Nederlan- 
den, moeten strekken en die instelling, bij den dood 
van Karel den Sloufe vervallen, was door Philips 



^) YAiï Sfasn Inleiding tot de historie van Gelderland, III. blz. 282. 



143 



den Schoonen in het jaar 1503 op nieuw in het leren 
geroepen > ). 

Op dien Raad hadden de Heeren der Nederlanden 
een invloed , dien zij op het Rijkskamergerigt, welks 
leden door de Terschillende steden des Rijks werden 
benoemd, nimmermeer konden hopen uit te oefenen. 
Naar dien Raad trachtten zij alle zaken , die in hooger 
beroep in de Nederlanden behandeld werden, heen te 
trekken en het konde hun dus geenszins aangenaam 
zijn 9 wanneer de ingezetenen hunne toevlugt tot het 
Rijkskamergerigt namen. In die zienswijze vonden zij 
bijval bij de ingezetenen; want ofschoon de Raad Tan 
Mechelen alles behalve populair was in Holland en 
Zeeland 2), het denkbeeld om voor een Rijksgerigt te 
regt te staan , lachte de ingezetenen van die gewesten 
nog minder toe. Men hield het immers , hoezeer ge- 
heel ten onregte, daarvoor, dat Holland en Zeeland 
niets gemeens met het Keizerrijk hadden , dat de Gra- 
ven nimmer eenig verlij van URoomscheRijk hadden ge- 
nomen, dat zij nooit iets tot de Rijkslasten hadden bijge- 
dragen, immers niet bij menschen geheugenis en dat 
zij nooit onder \ Kamergerigt te Spiers hadden be- 
hoord ^j ; ja! men duidde het den Keizer euvel, niet 
dat hij bij het verdrag van Augsburg de Nederlanden 
Tan het Duitsche Rijk had afgescheurd , maar dat hij 
niet verder was gegaan en nog eene schaduw van Ter- 



') Wagen AAR, IV. blz. 822. De eigenlijke dagteekening van Philip'*s 
beslnit is blijkens Miraeus Opp, Dipl IL pag. 1044, de 22 Januarij 1503. 
Vergelijk ook , over de toestemming van Keizer Fbedebik III tot het 
oprigten van den grooten Baad, Meijer Esprit etc. Tom. IV. pag. 201. 

2) Vergel. o. a. van Hees van Bbrkel, Beschouwingen over Ge- 
schiedenis en Staatsregt, blz. 185. 

5) Waoenaar, V, blz. 321. 



144 

eeniging had bewaard. Bij zulk eene denkwijze zoude 
het vreemd zijn, wanneer of door den Landsheer, of 
door de onderdanen het Rijkskamergerigt ware inge- 
roepen. Enkele uitzonderingen mogen er bestaan heb- 
ben, deregel was dat aan het Rijkskamergerigt geener- 
lei invloed werd toegekend i). 

Des te grooter was echter de verlegenheid , wanneer 
zich eene zoodanige uitzondering voordeed, en zich de 
een of andere ambteloos burger niet aan die stilzwijgende 
overeenkomst wilde houden. De Markgraaf van Baden , 
's Keizers Stadhouder van Luxemburg , voerde een ge- 
ding met den Graaf van Neuenaar over de heerlijkheid 
Rodenmachern; hij had zich beroepen op het Rijkska- 
mergerigt en weigerde, niettegenstaande alle aanmanin- 
gen van de Landvoogdes Margarstha, zijn hooger be- 
roep weder in te trekken. Door zijn voorbeeld aange- 
moedigd, had zekere Jax tan Eestelt, burger van 
Maastricht, in het jaar 1526 zich van een vonnis van 
schepenen dier stad op het Rijkskamergerigt beroepen 
en eene uitspraak in zijn voordeel verkregen. De Land- 
voogdes had geen beter middel weten te vinden , dan 
TAN Eesteit te doen vatten en naar Vilvoorden te doen 
brengen, en trachtte hem door het aanjagen van vrees 
te dwingen van zijne vervolging af te zien, terwijl men 
te gelijkertijd zijne bloedverwanten trachtte te bewegen 



1) In dien zin zal men dan ook de aitdrakking van Meijer Esprit , 
eic, Tom. Y pag. 161 «qae Maximilibk ne soumit k cette conr (la 
Chambre Impériale) ni les Fays-Bas ni Ja Bourgogne'*'* moeten ver- 
staan. Uitdrakkelyk werden de Nederlanden niet aan de regtsmagt van 
het Rijkskamergerigt onttrokken; dan toch wai'e het geheele verdrag 
van Augsburg overbodig geweest, maar men hield het stilzwygend 
daar voor, dat dit 's Keizers wensch en bedoeling was geweest. 



145 



hunnen invloed bij hem te gebruiken >). Inlusschen ging 
het Rijkskamergerigt Toort en sprak over de stad Maastricht 
den Rijksban uit, zoodat de ingezetenen yan de stad ten 
hoogsten bekommerd werden, dat zij zelve of hunne goe- 
deren zouden worden aangehouden. De Keizer zond dus 
in het jaar 1531 den bekwamen Sceppebus (Gornelis. de 
Schepper) naar Spiers om het Rijkskamergerigt te bewe- 
gen den ban weder in te trekken ; deze beriep zich op de 
voorregten van Maastricht en op de Gouden bulle des 
Keizers en wist met zooveel beleid en stoutheid te werk te 
gaan, dat hij verkreeg »une chose iamais veuene ouye"' 
deplegtige vernietiging en intrekking van den Rijksban, 
waarmede tevens Braband en Limburg vrij werden ver- 
klaard yan de regtspraak van het Rijkskamergerigt 2). 

Dat deze handelwijze groot opzien in Duilschland 
verwekte, behoeft geenszins verwondering te baren; de 
stenden des Rijks toonden zich daarover ten hoogsten 
misnoegd, maar het bleef bij schrijven. Eene andere 
zaak, ook Maastricht betreffende, werd in 1534 op 
niet zeer edele wijze gesmoord, door aan de Assessoren 
hunne achterstallige bezoldiging uit Ie betalen en te 
gelijk uitstel der zaak te verlangen'). Maar toen in 
1542 op nieuw een geschil ontstond tusschen de erfge- 
namen van zekeren Denis Yrbntz te Maastricht, en de 
onderliggende partij zich op het Rijkskamergerigt beriep, 



*) LA17Z, Correspondenz des Kcusers Earl V, l*»* Band 8, 202. 

^) Om de moeilijkheden waarmede Scepperus te worstelen had en zijne 
bekwaamheid in het overwinnen derzelven juist te knnnen beoordeelen , 
moet men zijn brief aan den Keizer lezen bij Lanz, 1.1. s. 460 — 468. 

') Lakz , Correspondenz, II. s. 103. Nog treft men in "Wigand's Wetz- 
larsche Beitrage, I. s. 35 , eene dagvaarding in hooger beroep van eene uit- 
spraak des vrijstoels te Dortmund aan. De stad Maastricht trad daarbij 
als eischeresse op voor het Rijkskamergerigt. 

DL. X. 10 



146 



durfde men denzelfden weg niet meer inslaan. Aan Yi- 
GLius YAN Atta en WiLRiCK J7cer van Crahenge^ die 
door Koningin Mabia tan Hongarije, toenmaals Land- 
Toogdes der Nederlanden , naar den Rijksdag werden af- 
gezonden, om de regten des Keizers tegen den Hertog Tan 
Kleef te verdedigen, werd in last gegeven, om aan de 
Stenden alle stukken betreffende deze zaak mede te deelen, 
hun aan te toonen, dat dergelijk hooger beroep yan 
uitspraken der schepenen Tan Maastricht nooit was toe- 
gelaten, hen Toorts te wijzen op de allezins onbillijke han- 
delingen der eischers, die goederen Tan Maastrichtsche 
burgers, Tan Teel hoogere waarde dan hunne geheele Tor- 
dering, in beslag hadden genomen, en hun eindelijk aan 
te bieden om de uitspraak der zaak aan scheidslieden , 
door den Keizer en den Bisschop Tan Luik gekozen, OTcr 
te laten. Het schijnt dat dit aanbod in Terzoenenden 
geest de Stenden heeft bewogen Tan Tcrdere bemoei* 
jingen af te zien; om de in beslag genomen goederen 
te doen ontslaan, had men wederom de hulp Tan dea 
ToortTarenden Scepperus ingeroepen, die ook thans we- 
derom snel en Toorspoedig in zijne zending slaagde*}. 
Doch dergelijke botsingen maakten de eindregeling 
Tan de jurisdictie zoowel Toor Duitschland als Toor de 
Nederlandsche bezittingen des Keizers tot eene behoef- 
te , die zich hoe langer zoo dringender deed gcToelen. 

Wij komen thans tot die gewesten, welke in den 
aauTang Tan den Gelderschen successie-oorlog onzijdig 
blcTcn , schoon zij naderhand yan licTcrlede daarin 
werden medegesleept. Onder die gewesten behoort in 



') Lanz, Siaaispapiere , s. 829 — 334. 



147 



de eerste plaats het Bisdom Ulrechty de Proiiincie yan 
dien naam, Overijssel en Drenthe bevattende. Hier kan 
Toorzeker de invloed yan het Bijkskamergerigt yeel groo* 
ter zijn geweest. Het was toch met eene gezonde staat- 
kunde overeenkomstig, dat de Bisschop van Utrecht 
bij het Rijk een steun zocht, zoowel tegen den magtigen 
nabuur, die lille Nederlandsche gewesten langzaam maar 
zeker dreigde te verzwelgen, als tegen den Gelderschen 
partijganger, die met zwaard en brandfakkel voor de 
poorten stond. £n dat de Bisschop zich ook aan dat Rijks* 
gezag niet wilde onttrekken, kan door oorkonden be- 
wezen worden. Het blijkt dat de Bisschop van Utrecht 
in het jaar 1507 onder anderen op eene bijdrage van 
61 gulden werd aangeslagen tot onderhoud van het 
Bijkskamergerigt 1). De oprigting van het Rijkskamer* 
gerigt en den Landsvrede werd op last des Bisschops pleg- 
tig medegedeeld aan zijne steden 2). Intusschen reeds in 
1 528 zag zich Bisschop Hsndrik van Beijeren genoodzaakt 
het wereldlijk gezag over Utrecht, Overijssel en Drenthe 
aan KiREL V aftestaan , en wat dus hier te voren van 
Holland en Zeeland is gezegd, kan van dat tijdstip af ook 
op deze provinciën worden toegepast. Vóór dien afstand 
zal het Bijkskamergerigt er enkele malen zijn ingeroe- 
pen en B1LDERDIJ& verzekert dat Holland door Utrecht 
in 1526 te Spiers was gedagvaard, maar geweigerd had 



1) Mkerman, De soïutione vinculi quod olim f uit inter S, R. imperi- 
um et Foederati Belgii respublicas , p^. 53. 

') Item Herman onse bade gegaen to Campen ende to Zwolle mit 
scriften onses heren ende myt copien der nyer insettinge der schat- 
tingen den Boemschen Konynck te betalen. Rek. van W. Averenqh, 
Cameraar van Deventer over 1495. Vergelijk ook Kronijkvan het His- 
torisch Genootschap, II. blz. 109. 

10* 



148 



daar te Terschijnen >)• Waarschijnlijk bedoelt hij de 
Tolgende plaats uit het register vanAERT tan der Goes , 
folio 24 (15 Mei 1526). 

» Item zy hebben gedaen rapport Tan der oppositie 
Tan den Proeurear-Generaal roerende dat die Tan den 
Baedt bij die Tan Utrecht in cas d'appel gedachTaert 
zijn Toor dat Gamergerigte Tan den Keyser in Daytslant 
ende seggen dat U Lant nyet geraden en dnnct hem te 
adjoignerenomcost tescawen, want de Keyser alsGrave 
Tan Hollant de sake wel afdoen sal indien 't hem belieft'\ 

In Overijssel schijnt men zich niet geheel , zelfs na het 
Terdrag Tan Aagsburg, te hebben kunnen losmaken Tan 
het denkbeeld, dat men toch in sommige gOTallen zijne toe- 
y lugt tot het Rijkskamergerigt konde nemen. Immers WlN- 
HOFF zegt in zijn Landrecht van jduerisseUIY^deél, nadat 
hij heeft Tcrklaard hoe men zich alleen in geyal Tan regts- 
weigering tot een Teemgerigt konde wenden: » Doch sol- 
de idt ordenlikest syn Tnde bequemst an Eeyserlike Maie- 
staet Tnde des Rykes kamer**. Maar dat men meermalen 
in het bisdom Utrecht tocTlugt heeft gezocht bij het hoog- 
ste geregtshof des Rijks, mag men met regt betwijfelen en 
men zal het Ridderschap en eigenerfden van Drenthe gaar- 
ne toegcTen wat zij in hunne memorie van 1584 zeggen: 

» Dan dat in den 23 Art. gesecht wordt Tan der Bisscho- 
pen senten tien aen den Camergerichte desz Ricx ermaelsz 
solde geappelleert geweest zijn, boven dat het ongeloefflick 
ende onwaerachtich is, hebben die heeren rescribenten 
die Gronieken qualick doergelesen, want d*institulie Tan 
*t Gamergericht in comitiis Wormatiae habitis sub Maxi- 
MILIANO in den jaere 1495 den 7 Augusti ingewilliget [is] , 



1) Vd«deel, bladz. 152. 



149 



ende sullen die Ueeren rescribenten hoer leTenlanck niet 
bewysen, dat sedert die tyt Tan den institutie vaneene- 
gen Drentschen saicken , noch by tyden van Bisschop 
Frederick van Baden (doen het Gamergericht geinstitu- 
eert is) noch PH^ van Bourgonigen, noch Henrick van 
Beyeren, leste furst des landes, noch by tyden Ilertoch 
Carls van Ghelder het Gamergericht eenege kennisse ge- 
pretendeert heeHl over Drenthe. Ende genoemen sulcx ge- 
schiet viaere, des neen ende nimmermeer, solde dese alle- 
gatie tenderen tegens d'expresse verdrach van hoyckloff'. 
memo'' Key. Gairle in den jaere XV«XLV1II mit des hil- 
ligen Rycx standen ingevi'illiget ende ten beyden zyden tot 
desen daege tho onwederropelick ende vredelick onder- 
holden sonder distinctie van eenege saicken crimineel offte 
civil '). 

Mogten ook al de Drenthsche staten stout genoeg 
hebben gesproken , toen zij beweerden dat het Kamer- 
gerigt nimmer eenige jurisdictie in Drenthe heeft gehad, 
reeds de omstandigheid dat zij die stelling op den voor- 
grond durfden zetten, bewijst dat die jurisdictie ten 
uitersten zeldzaam is geweest en dat niemand zich daar- 
van iets herinnerde. 

Het meest deed zich de invloed van het Rijkskamer- 



*) Debath oflfte wederbericht by die van der ridderschap Eygenarflf- 
den ende gemeenen ingesetenen der landtschap Drenthe , supplianten , 
op den bericht van den Heeren Cantzler ende Baeden van Overijssell , 
in uwe Ma^. secreten Raede overgegeven tegens drie verscheyden Reg« 
ten ende daerby gevouchden stukken van voorg. supplianten by uwe 
Mat. respective geappostilleert den 18 Julii, 7 December 1584 ende 
den 3d«n Aprilis 1585 (hoewel van de twe, tho weten den 18 Julii 
ende den 3^^^ Aprilis allene in de Deductie mentie gemaeckt is) mit 
aller onderdanicheyt uwe Ma^ geexhibeert. Medegedeeld door den 
Heer S. G(ratama), Drenthsche Volksalmanak voor 1843, blz. 104. 



150 



gerigt gevoelen in de Proyinciën Friesland en Groningen. 
Tot dien tijd toe hadden de Friezen hunne vrijheid steeds 
Mreten te handhaven en zich beroemd alleen onder den Kei* 
zer te staan; zij konden dus , wilden zij zich gelgk blijven , 
het hoogste keizerlijk Geregtshof niet voorbij gaan. Ook 
de stad Groningen, die zich hoe langer zoo meer los- 
maakte yan de gehoorzaamheid aan den Bisschop van 
Utrecht en zich als vrije Rijksstad gedroeg, bevond zich 
in denzelfden toestand. Men wane echter niet, dat het 
Friezen en Groningers zoo begeerlijk voorkwam buiten 
's lands teregt te staan ; integendeel men kan gerust aanne- 
men , dat zg cTenzeer als de overige Nederlanders aan het 
privilegie de non evocando gehecht waren , maar hunne 
staatkundige toestand gebood hun meerdere behoed- 
zaamheid. Daarbij gaf de onophoudelijke burgerkrijg 
die in Friesland woedde, maar al te veel aanleiding aan 
de partijen , om zich op den Keizer te beroepen. Een 
dergelijk beroep lokte het Keizerlijk mandaat van 5 Julij 
1493 uit'), waarbij aan de stad Groningen op zware 
straffen werd verboden zich eenig gezag over de Friezen 
aan te matigen. Meer bepaaldelijk werd door de scheids- 
lieden, aan welke in het jaar 1500 de uitspraak over 
de verschillen tusschen de stad Groningen en Hertog 
Albrecht van Saksen was opgedragen, het Bijkskamer- 
gerigt als de bevoegde magt aangewezen, om de ge- 
schillen tusschen beiden te onderzoeken en het punt 
van schadeloosstelling te regelen. Welke de uitspraak 
van het Bijkskamergerigt geweest zij, blijkt niet, maar 
wel dat de uitspraak toch niet zoude geëerbiedigd zijn 



*) ScHWARZEKBBRO , Chorterboek van Friesland, I blz. 758. W. van 
Thabor IVe boek, blz. 204. 



151 



geworden, want reeds in het volgende jaar verbraken 
de Groningers het verdrag en hervatte^n den krijg tegen 
Edzard van Oostfriesland , die hun echter eene zware 
nederlaag toebragt, en bij het verdrag van 1501 werd 
nu het Rijkskamergerigt uitgesloten en aan den Bisschop 
Tan Utrecht de uitspraak over de hangende oneenighe-* 
den opgedragen. 

Over het algemeen beschouwden de Groningers het 
hoogste Geregtshof des Rijks als partijdig , en toen in 
1505 de Rijksban over hen was uitgesproken, wezen zij 
den voorslag van den Bisschop yan Utrecht om zich 
aan dit gerigt te onderwerpen , van de hand i). Hoe 
de stad Groningen, niet ten gevolge eener regterlijke 
uitspraak, maar door het geweld der wapenen in de 
handen van Graaf ëdzard viel, hoeEARBL van Egmond 
hem die stad wist te ontwringen en hoe zijne dwingelandij 
haar ten laatsten dwong hare toevlugt tot Keizer Karel 
V te nemen, vind men bij de geschiedschrijvers ver- 
meld. Het behoort verder niet tot ons onderwerp. 

In het eigenlijke Friesland had men de Rijkswetten 
in naam steeds gevolgd en het was daar niets vreemds, 
dat, toen Maximiliaan in 1498 Hertog Albrecht van 
Saksen tot Ërfpotestaat benoemde, hij zich het regt, 
om de appellen in burgerlijke zaken aan hem of aan 
het Rijkskamergerigt gedaan, aan te nemen, uitdruk- 
kelijk voorbehield 2). Hertog Georg bragt echter in 
dien toestand van zaken eene aanmerkelijke verande- 
ring, door zijne ordonnantie van 1504, waarbij deregt- 
«praak van het Hof van Friesland werd geregeld. lm- 



^ Arbkd, Algem, Gesch. des Vad. Il, 3 st bladz. 50, vv, 
') Chartei'b, v, Fritsl 1.1. bl. 787. 



152 



mers, ofschoon daarbij de regtspraak van het Rijkska- 
inergerigt niet uitdrakkelijk werd uitgesloten of kon 
uitgesloten worden, zoo schijnt het nogthans dat de ge- 
legenheid oin binnen Friesland zelve in hooger beroep 
te kunnen kooien van vonnissen, waarmede men zich 
bezwaard achtte, den Friezen zoo zeer heeft behaagd, 
dat zij van dien tijd af het hooger beroep aan het Rijks- 
kamergerigt achterwege hebben gelaten. Ik leid dit af 
zoowel uit het verdrag van 1 Julij 1515, waarbij Karel 
Prins van Spanje als Heer werd aangenomen en zich 
verbond » dat de Vriesche onderdaenen buyten huer 
Yriesche landen paelen in cryeghen ende ande szwa- 
richeeden nyet geeyschet zullen worden^^ als uit de ar- 
tikelen door de Friezen aan de Commissarissen van Kei- 
zer Karel T in 1524 overgelegd, nadat hij Friesland 
op Karel van Egmond had veroverd. Men leest in die 
laatste artikelen en het werd bij de plegtige bevestiging 
der overeenkomst door den Keizer vastgesteld »dat geen e 
appellaliën in civile saecken wuyt onsen voerscreuen 
lande geadmilteert zullen worden , enz'\ Klaarblijkelijk 
doelt dit punt op het Rijkskamergerigt, dat daarmede 
werd buiten gesloten >). Hoe het zij, noch in Fries- 
land , noch in Groningen heeft men naar het Rijkska- 
mergerigt geappelleerd , ten minsten noch het Gharter- 
boek van Friesland , noch het Register van het Archief 
van Groningen, onlangs door den Heer Feith uitge- 
geven, bewaren daarvan eenige sporen 3). 



1) Ckarterboek v, Frieal, II, bl. 32, 88 en 151 en Schotanus, 
bl. 574. 

^) Men kan toch de brieven van condemnatie namens den Keizer 
verleend, in de zaak tnsschen Magdalena van Tautenbubq weduwe 
van Onno tan ëwsscm en het geslacht van Ewssdm en voorkomende 



153 



Zoo was de stand Tan zaken in de Nederlanden tot op 
het beroemde verdrag Tan Augsbarg. Van beide kanten 
gevoelde men dat de regtstoestand onzeker Tras , Tan beide 
kanten Trilde men daaraan een einde maken: maar de Tve- 
derzijdsche eischen Tvaren te groot. Daarom mislukte de 
hierboven vermelde zending Tan ViGLius en Grahbngk 
in 1542 9 toen zij in last hadden, Tvanneer Tan den kant 
der Rijksslenden werd aangedrongen op de betaling der 
achterstallige rijkslasten voor Utrecht en Overijssel en 
van die van den Bourgondischen kreits, te verklaren, 
dat door de Koningin-landvoogdes bij de Staten van 
beide Provinciën op de betaling van han aanslag was 
aangedrongen en dat het geld betaald en het contin- 
gent na het eindigen van den oorlog met Kleef zonde 
worden opgezonden , maar voorts het bestaan , althans 
het wettig bestaan, van een Bourgondischen Kreits te* 
gen te spreken. Wanneer echter de stenden des Rijks 
zich wilden verbinden om de Nederlanden te helpen 
beschermen , zoo zoude de landvoogdes wel kun- 
nen toestaan, dat die staten bondgenooten des Rijks 
werden en in de lasten des Rijks droegen zooveel als 
één Keurvorst, maar zonder prejudicie van de privile- 
giën der onderdanen en zonder dat de onderdanen der- 
zelve voor het Rijkskamergerigt zouden worden ge- 
trokken. Indien de Stenden Utrecht en Overijssel (zoo 
als Tan ouds geschied was) onder den Westphaalschen 
kreits wilden blijven trekken, moesten de afgezanten 



in het IId« deel van dat register, bladz. 12, w. moeilijk tot het Rijks- 
kamergerigt brengen , omdat de Regentes Mabia in de zaak gemengd 
is, die toch met het bestnur van het Duiteche Rijk niets te maken 
had. Daarom zonde ik liever denken aan een arrest van den Grooten 
Raad te Mechelen. 



154 



trachten het daarheen te leiden , dat die bij hei nieuw 
te sluiten rerdrag onder den Bourgondischen kreits wer- 
den begrepen ; drongen eindelijk de Stenden eentoudig 
op het betalen der Rijkslasten aan zonder meer, dan 
moesten de gezanten verklaren dat zij geene instructie 
hadden >). 

Dit laatste geschiedde en de onderhandelingen wer- 
den afgebroken. Toen dus in 1544 de Stenden van 
den WestphaaJschen kreits te Keulen yergaderden, gaf 
de Koningin aan Uector tanHoxwier, die daarin ha- 
ren naam voor Utrecht en Orerijssel Terscheen , in last* 
zich zoo lijdelijk mogelijk te gedragen , geene bijdrage 
in geld te beloven , maar alles ad referendum te nemen 
en zelfs het reces niet mede te teekenen 2). De Keizer 
had toen den Hertog ran Kleef tot onderwerping gedwon- 
gen en konde dus een hoogeren toon aannemen dan in 
1542 3 maar hem ontbrak nog veel om volkomen mees- 
ter in Duitschland te zijn. Toen echter na den slag 
bij Mühlberg en de ontbinding van het Schmalkaldische 
Tcrbond zijne magt zoo aanmerkelijk was toegenomen , 
besloot hij daarran dadelijk gebruik te maken om de 
Nederlanden van het Duilsche rijk los te maken. Het 
gevoelen Tan Meerma^t ^) omtrent het doel dat zich de 
Keizer daarbij voorstelde te bereiken, namelijk mede- 
werking van het Duitsche Rijk tot bescherming der Ne- 
derlanden tegen Frankrijk en onafhankelijkheid , althans 
voor het grootste gedeelte, van die Nederlanden van 
het Duitsche Rijk, schijnt veilig omhelsd te kunnen 
worden. Welligt kwam daar nog een geheim doel hij; 



') Lakz, Slaatspapiere , s. 325 — 329. 

^) Lakz, op. 1. 8. 385. 

3) De Solutione vincuU , etc. pag. 73. 



155 



de Keizer was loch wel genoodzaakt aan de Protestan- 
ten in Duilsehland zekere regten toe te staan: werden 
nu de Nederlanden losgemaakt ran het Daitsche Rijk, 
zoo behoefde men de talrijke Protestanten hier te lande 
die Toorregten niet te gunnen , Tooral niet het regt om 
zich op het Rijkskamergerigt te beroepen, wanneer men 
in het belang van de handhaving der Roomsche Gods- 
dienst, het een of andere privilegie mogt schenden. Tot 
bereiking dan van die erkende of geheimeplannen werd 
YlGLiusden 28 Augustus 1547 naadden Rijksdag te Augs« 
burg afgevaardigd >). De Stenden beweerden daar dat 
Maximiliaan in den tijd den Bourgondischen kreits had 
opgerigt en dat de aanslag van dezelve in de Rijksma- 
trikelen was opgenomen, dat Philips van Bourgondie 
op sommige rijksdagen was verschenen, dat van wege 
het huis van Bourgondie personen in het Rijkskamer- 
gerigt waren benoemd en ook in de contributiën was 
gedragen, terwijl Gelderland en Utrecht bepaaldelijk 
onder den Westphaalschen kreits behoorden , en gaven 
diensvolgens den wensch te kennen, dat de Nederlan- 
den bij het Rijk mogten blijven. Namens den Keizer 
werd beweerd, dat men niet zoude kunnen bewijzen 
dat de Bourgondische kreits immer contributiën had be- 
taald of aan de wetten des Rijks onderworpen was ge- 
weest, dat Hertog Philips van Bourgondie wel is waar 
op sommige rijksdagen was geweest, maar alleen als 
nabuur en om te beraadslagen over gemeenschappelijke 
verdediging tegen de Turken, dat wel is waar Gelder- 
land en Utrecht onder het Rijk behoorden, doch dat 
de ingezetenen van die gewesten beweerden nimmer 



') Men zie zijne instructie bij Lakz, Staatspapiere , s. 420, 



156 



eenige schatting betaald te hebben en ook nooit aan de 
jurisdictie yan het Rijk onderworpen te zijn geweest. Des 
niettemin was de Keizer bereid , wanneer alle de Neder- 
landen in ëén kreits begrepen werden en hunne privile- 
giën en exemtiën geëerbiedigd werden, een verdrag te 
sluiten, waarbij hij zich tot het betalen van schatting ver- 
bond >)• Met eenige opofferingen van wederzijde kw^am 
hel verdrag tot stand. De Keizer verbond zich voor de 
Nederlanden tot betaling eener som in de rijkscontribu* 
tien gelijk staande met die, welke door twee keurvor- 
sten werd betaald en bij oorlog tegen de Turken zooveel 
als drie keurvorsten. Aan de jurisdictie van het Rijks* 
kamergerigt bleven zij geheel onttrokken , behalve in het 
geval, dat zij die contributie niet voldeden. De Rgks- 
wetten zouden op de Nederlanden niet van toepassing 
zgn, met uitzondering van den Landvrede. Weder- 
keerig zoude het Duitsche Rijk gehouden zijn ze te 
beschermen en aan 's Keizers opvolgers stem en zitting 
op de rijksdagen toe te staan. De benoeming van 2 
Assessoren in het Kamergerigt bleef aan den Keizer en 
zijne opvolgers. 

Uet behoeft naauwelijks betoog dat dit verdrag ge- 
heel in het voordeel van de Nederlanden en in het 
nadeel van het Duitsche Rijk was. Toch vond het hier 
te lande slechts weinig bijval. Hoe men in Uolland daar- 
over oordeelde, hebben wij hierboven gezien. 



') Men zie de beweringen van partijen bij von Bucholtz , Geschichte 
der Regierung Fe&dinands I, VI^^i^ band, S. 292. Zij zijn ook sum- 
mier opgenomen in het Tractaat zelf, te vinden bij Dumokt, Corps 
Dipïomatique , Tom. IV. Part. II. p. 340. Een belangrgk stuk over 
de onderhandelingen en een concept-tractaat , niet geheel overeen* 
komende met dat wat later gesloten is, vindt men in de Papiers 
ctéiat du Cardinal de Granvelle , Tom. III. pag. 319. 



157 



Het kostte Viglius, die met zooveel moeite de Duit- 
sche rijkstenden tot het verdrag had overgehaald, geene 
mindere zorgen om nu ook de Staten van Holland te 
bewegen om het verdrag te bekrachtigen >). In Fries- 
land vi'ilde men niet toetreden . dan tegen de verzeke- 
kering dat de Keizer het aandeel van Friesland in de 
schatting uit zijne gewone inkomsten zoude betalen en 
dat de Friezen nimmer verpligt zouden zijn buiten hun 
gewest te trekken^}. Ook in Gelderland was de ver- 
klaring, dal de Keizer niet van oordeel was dat dit ge- 
west eene naauwere betrekking op het Duitsche Rijk 
had, dan de overige Nederlanden, noodig, vóór dat 
de Staten het verdrag bekrachtigden 3). 

Het verdrag is aanvankelijk door beide partijen ge- 
trouw nageleefd. De niet zeer belangrijke bijdrage in 
de schatting is betaald en de Assessoren van het 
Rijkskamergerigt, tot welker benoeming de Keizer en 
later Koning Philips geregtigd waren, zijn benoemd 
geworden. Zij waren allen Friezen , Johann£S tan Dok- 
KUM, Aggaeus Albada, Johanres Roorda en Gtpri- 



') Van der Does , de Vinculo quod olim inter Dioecesin Trajecti' 
nam et regnum Francicum ac deinceps imperium Romano-Germanum inter- 
cessit, pag. 63. 

^) ScHWABZENBERa, Chürterhoek y III. blz. 154. 

3) PoNTAKUS, EisU Gelr., lib. XIII, pag. 854, 855. Bij deze 
gelegenheid bekrachtigde de Keizer de privilegiën van Kymegen en 
beperkte het regt van hooger beroep van de vonnissen der schepenen 
van Nijmegen op die van Aken , door vast te stellen , dat de schepe- 
nen van Aken moesten wijzen volgens de statuten van Nijmegen en 
dat de vonnissen tegen die stataten gewezen krachteloos zouden zijn. 
Dit appel , herkomstig van eene onde Hofvaart (of te Hooföe vaart) , 
dat overigens in geen het minste verband met het Bijkskamergerigt 
stond, bleef nog bestaan tot 1749. Ygl. In db Bbtouw, Annales No- 
viomagi, pag. 169 et 288. 



158 



AH DS Stapert Wommslids. Het is niet te denken dat 
dit moet worden toegeschreven aan den naauweren band , 
die oudtijds tusschen het Duitsche Rijk en Friesland 
bestond; meer waarschijnlijk zal men de begunstiging 
der Friezen boven andere Nederlanders aan den invloed 
Tan YiGLiDS moeten toeschrijven , die de belangen zijner 
landgenooten nooit uit het oog verloor. 

Aggaeus Albada was een zeer verdienstelijk man, 
een schrander regtsgeleerde en bekwaam staatsman. 
In 1559 werd hij, die toen raadsheer in het hof yan 
Friesland was, tot Assessor van het Rijkskamergerigt te 
Spiers benoemd, welke betrekking hij tot 1570 bleef be- 
kleeden; toen werd hij terzake zijner godsdienstige begrip- 
pen verpligt die neder te leggen ' ). Van zijnen opvolger 
RoORDA valt minder te zeggen, indien hij ten minsten de* 
zelfde is, over wien Albada zich alles behalve vleijend 
uitlaat. Zoo hij waarheid sprak , dan behoorde Roorda 
tot die personen, wier stemmen in hetcollegie, waartoe 
zij behooren, geteld, maar niet gewogen worden. Hij is 
voorzeker de Johannes RHODA,bij Meerman^) vermeld. 
GrPRiANus Stapert, Wommelids bijgenaamd naar de 
plaats zijner geboorte Wommels; was en als Latijnsch 
dichter en als regtsgeleerde vermaard en bekleedde de 
betrekkingen van Hoogleeraar te Mentz en Assessor van 
het Rijkskamergerigt te Spiers tot aan zijnen dood '). 
Behalve hen kan men nog twee Friezen opnoemen, die 
de practijk voor het Rijkskamergerigt hebben uitgeoe- 
fend, te weten Regnerus Sextinus en Aggaeus Al- 



*) Zie zijne levensschets in de Vrije Fries, V* deel, blz. 313. 

') 1. 1. pag. 86. 

»j Kok, Vaderlandsch Woordenboek, deel XXXIH. 



159 



BiDA de jonge. Allen echter was een man voorgegaan , 
wiens naam wij meermalen Termeld hebben , de beroemde 
YiGLius TAN Atta zelf. Hij werd den 25 Julij 1535 
als Assessor Yoor den fiourgondischen kreits in het Rijks- 
kamergerigt geïnstalleerd en bragt drie jaren te Spiers 
door, waar hij om zijne bekwaamheden ten hoogsten 
geacht was 9 en men kan gerust Terzekeren dat hij een 
sieraad Tan dat collegie was. Hij zelf was hoogelijk 
met die betrekking ingenomen en slechts ongaarne 
scheidde hij Tan Spiers. De wanbetaling zijner bezol- 
diging en de GodsdiensttTristen, die toen Duitschland 
verscheurden 9 deden hem tegen het einde van 1537 die 
betrekking vaarwel zeggen en een beroep als Hoogleer- 
aar der regtsgeleerdheid aan de nieuw opgerigte Hooge- 
school te Ingolstadt aannemen i). 

Hoezeer dus de Nederlanders niet vreemd bleTcn aan 
het Rijkskamergerigt, ook daarin heeft men het ver- 
drag nageleefd , dat dit geregtshof niet heeft gepoogd 
eenige regtsspraak in de Nederlanden uit te oefenen , 
terwijl Tan dezen kant zorgTuldig is gewaakt dat er 
niets geschiedde, waaruit eene erkentenis van de juris- 
dictie van dit hof kon worden afgeleid. Een Toorbeeld 
daarvan vindt men in het Register van Aart van der 
GoES, onder dagteekening van 6 Julij 1549. »Die van 
Amsterdam den Advocaat en die van Dordrecht te ken- 
nen gegeven hebbende , hoe dat zij brieven van hujs 
hadden ontfangen , inhoudende dat die Tan den Raede 
Tan Hollandt hen geschrcTen hadden dat alzoo die Tan 



') Zie zijn brief aan Ksmpo tan Martena in Hoijnck tan Pa- 
pbndrecht's Analecta Tom. II pars I pag. 250. Vergelijk ook dien 
aelfden schrijver Tom. I pars I pag. 15, 127 seqq. 



160 



Meydenburgh Maagdenburg) bij Camerik (bij het Ca* 
mergericht) in 's Eeysers ban geleydt waren ende dat 
de Keyserijcke Majesteyt belast ende geordonneert hadde^ 
dat niemandt op drie mylen na de Toorz. stadt hem 
sonde Tinden op poene van te vervallen in de voorsz. 
ban j ende op verbeurte van hare goederen y hare poor- 
ters daervan souden waerschouwen ende hetselve te 
kennen geven ende sulcks copie van den voorsz. ban 
gesonden hadden ende alsoo U selve doende ende de 
voorz. copie accepterende, soude schynen te agnosceren 
de jurisdictie van Gamerick, hetwelk was contrarie de 
confederatie defensive by die van Duytslandt ende dese 
Nederlanden gemaeckt wat daeromme in desen te doen 
stondt; soo is eyndeiyck by den Advocaat ende die 
van Dordrecht geresolveert , dat hierin niet te doen en 
was buyten onthiet van de Staten ende daeromme soude 
ter naester Daghvaert U selve de Staten voorhouden"'. 

Met regt mag het vreemd genoemd worden , dat , terwijl 
ons van dagvaardingen voor het Rijkskamergerigt, inden 
tijd toen het ontegenzeggelijk als opperste gerigtshof ook 
voor de Nederlanden gold , slechts flaauwe sporen zijn 
voorgekomen^ nog regtsvervolgingen van dien aard worden 
aangetroffen , nadat die werking door het verdrag van 
Augsburg was opgeheven. Wij bedoelen de dagvaar- 
dingen door den Fiscaal in het jaar 1561 , tegen de 
stad Nijmegen y Willem Heer van Batenburg en Stein, 
en Willem Graaf van den Berg (behalve nog andere 
Duitsche Heeren en steden) gedaan, wegens overtreding 
der muntverordeningen van 1559; zoomede gelijke dag- 
vaardingen in 1563 tegen beide genoemde Heeren en 
de stad Nijmegen, benevens de steden Zutphen, Deven* 
ter, Kampen en Zwolle, wegens het te ligt munten 



161 



Tan Keizerlijke munt. Nijmegen won over die zaak het 
advies Tan Tier Hoogleeraren te LeoTen (waaronder 
Elbebtcs Lsonircs) in , en één der punten in de con- 
sultatie op den Toorgrond geplaatst is dan ook, dat de 
stad niet Terpligt was Toor het Rijkskamergerigt te Ter- 
schijnen. De Advokaat door Nijmegen gekozen , bragt 
die exceptie in het midden ; of zij is aangenomen bigft 
twijfelachtig, doch meer waarschijnlijk werd zij Ter- 
worpen 9 althans de processen blcTen Toortduren tot in 
1567 9 toen Nijmegen , om redenen Treerod aan de questie 
Tan bcToegdheidy zich onderwierp, opheffing Tcrzocht 
Tan de TerTolgingen te Spiers ingesteld en als muntlid 
Tan de Nederrijnsche en Westphaalsche kreitsen werd 
aangenomen i). 

Ook DeTcnter, Kampen en Zwolle gaTen het regts- 
geding op en onderwierpen zich, waarschijnlijk CTcn als 
Nijmegen daartoe bewogen door het belang Tan haren 
handel op Duitschland 3). Zntphen had aauTankelijk 
het Toornemen om toI te houden en zich Tan de ei- 
ceptie te bedienen en had daarbij Kanselier en Raden 
Tan Gelderland op hare zijde '). Yermids echter die 
stad in de laatste tijden niet had gemunt, heeft de Fis- 
caal ongetwijfeld zijnen eisch tegen haar laten Taren. 
Willem Graaf fan den Berg treffen wij 1578 aan als 
muntlid Tan den Westphaalschen kreits , althans hij zendt 



ï) Zie over de zaak Gutot, Verklaring van het verschijnsel enz. in 
Nijhoff''s Bijdragen, IV. blz. 294, en oyer de consultatie yan dbb 
Chijs, De munten der voormalige Meeren en Steden van Gelderland, 
bladz. 888. 

^j Zie ten opzigte van die steden het stak van den Heer Cost Jor- 
DENS in de Overijsselsche almanak yoor 1854. 

S) V. D. Chijs, t. a. p. bladz. 95. 
DL. X. 11 



162 



zijne afgevaardigden naar Keulen, om daar met de Sten- 
den van dien kreits over zijn (voorgeweod) muntregt te 
Dieren te onderhandelen i). Das had hij zich vooraf 
aan de vordering van het Bijkskamergerigt onderwor- 
pen. Van den Heer van Batenburg is ons* niets geble- 
ken. Vragen wij nu, waarom, handhaafden gezegde 
Heeren en steden niet beter hunne onafhankelijkheid ? 
waarom gaven zij eene exceptie , welker juistheid moei- 
lijk konde worden tegengesproken, zoo spoedig op? 
dan is het antwoord drieledig: in de eerste plaats 
speelde het handelsbelang hierin eene voorname rol; 
in de tweede plaats gevoelden zij, dat zij op de onder- 
steuning van hunne regering niet rekenen konden. Groot 
was het nadeel, in het oog vallend het misbruik, van 
het slaan van Duitsche munt van minder gehalte ea Ko- 
ning Pfliups moest wel den bijval van alle weldenken- 
den inoogsten, toen hij bij het scherpe placaat van 2 
Mei 1560, te Brussel uitgegeven, het aannemen yan 
dergelijke munten onder verwijzing naar de vervolging 
voor het Bijkskamergerigt begonnen verbood 2). Einde- 
lijk hadden de gezanten van den Bourgondischen kreits 
op last des Konings op den Bijksdag van 1559 verklaard 
dat, indien er eene algemeene muntverordening werd 
aangenomen en het te ligte geld werd geweerd , de Ne- 
derlanden zich daarbij zouden voegen. Men konde dus 
twijfelen of de Koning de regtspraak van het Kamer- 
gerigt niet stilzwijgend , althans voor dit geval, had toege- 
laten 3). Zoo werkten de bevelen en verbind tenissen der 



1) Archief yan het huis Berg. 

2) V. D. Chij3, De munten der voormalig Graven en Hertogen van 
Gelderland, bladz. 219. 

3) Meerman, op 1. pag. 85. 



163 



der regering en de belangen der inwoners yan alle de 
Nederlanden te zamen, tot fnuiking der onwaardige in- 
dustrie van het te ligt munten en verhinderden eene 
krachtdadige verdediging tegen eene yervolging, die naar 
onze zienswijze geheel onwettig was in den vorm. 

De Nederlanders hadden het met genoegen gezien , 
dat de band, welke hen aan het Rijk verbond ^ werd 
losgemaakt, maar zij zagen voorbij , dat na ook de eenige 
teugel Terbroken was, welke hunne torsten nog weer- 
hield om zich al^ onbeperkte heerschers te beschouwen. 
Philips II, die in Duitschland niets meer te beyelen 
had, trachtte zoo mogelijk elke herinnering aan de vroegere 
vereeniging te verdringen. Van hunnen kant zouden de 
Staten der Nederlandscbe gewesten, toen zij onder de 
dwingelandij van Spanje zuchtten, gaarne op den inge- 
slagen weg teruggekeerd zijn; zij deden daartoe zelfs 
de eerste slappen >) , en had het Duitsche Rijk toen moed 
en veerkracht genoeg gehad , om de Nederlanden tegen 
onderdrukking en geweld te beschermen, nooit zonden 
die gewesten van Doitschland zijn afgescheurd. Maar op 
het beslissende oogenblik verleende Duitschland geene 
hulp en vervreemde alzoo voor altijd de afgevallen Pro« 
vinciën van het Rijk. De latere krach telooze aanspraken 



^) Daartoe kan men onder anderen brengen het denkbeeld dat in 
1565 bij sommige ingezetenen yan Antwerpen opkwam , om den Ko- 
ning voor het Kijkskamergerigt te di^vaarden. De aansporing daartoe 
aan de hoeken der straten aangeplakt had geen verder gevolg. Maar 
in 1568 riep de Prins van Oranje de hulp van het Rijk openlijk in; 
hetzelfde deden in 1570 de uitgeweken Nederlanders ; bij de vrede- 
handeling van Kenlen in 1579 (waar trouwens de gewezen Assessor 
van het Kijkskamergerigt Agöabus Albada onderhandelaar was) werd 
het verzoek om hulp herhaald: alles vruchteloos. Kldit, Over 't af- 
zweren van Philips, blz. 124. Meerman, op 1. pag. 81 seqq. 

11* 



164 



der Keizers werden door de Tereenigde gewesten met bet 
Tolste regt yan de hand gewezen en de Republiek bleef ge<» 
heel zelfstandig, zonder eenige inmenging yan het Rijks- 
gezag. 

Een goTOIg van deze algeheele scheiding was, dat de 
Nederlanders zoo wel verstoken bieren yan de yoor- 
deelen als bevrijd Tan de nadeelen , aan de regtsspraak 
yan het Rijkskamergerigt verbonden. Dat die instelling 
in zekeren zin onmisbaar was, als hoogste geregtshof 
over bijna onafhankelijke rijksstanden , dat zij in yele 
opzigten nuttig werkte >) is niet tegen te spreken, maar 
aan den anderen kant is het waar, dat zij door de omslag- 
tige en kostbare wijze yan regtsvordering, welke bij 
haar was ingevoerd , een schrik werd voor hen die ge- 
noodzaakt waren yan een yonnis in hooger beroep te 
komen en naar Wetzlar te reizen. Een eenvormig regt, 
eene algemeene wetgeving yoor allen , gelijkheid yoor 
de wet, zelfs eenvormigheid van regtspleging yermogt 
ook het Rijkskamergerigt niet in Duitschland in te yoe- 
ren, en wanneer men op het ook in dat opzigt zoo yer« 
snipperde Rijk het oog yestigt, gevoelt men zich min- 
ner onaangenaam aangedaan, door den verwarden regts- 
toestand in onze Republiek. Eene naauwere aansluiting 
aan Duitschland zoude dat kwaad niet verholpen, maar 
veeleer verergerd hebben. 

Eerst onze eeuw heeft ons eene algemeene wetgeying 
geschonken en bij de yele rampen , die de Fransche 



I) Zij werkte b. y. de afschuwelijke heksen-processen met kracht 
tegen. Wioakd, Denlcwürdighdten , S. 297 en Wetzlarsche BeitrSge, 
III. S. 73. Zij handhaafde de r^en der burgers en boeren, die in 
de 17de eeuw vooral hoe langer zoo meer door de Vorsten miskend 
werden. Denkw, S. 181. 



165 



overheerscfaing over Nederland heeft gebragt, mogen 
wij, zonder onregtvaardig te zijn, niet vergeten dat zij 
ons eenheid Tan regtsbedeeling heeft gegeven. In het 
Tolle genot van die onschatbare vreldaad , kunnen wij 
met levendige maar medelijdende belangstelling terng zien 
op die tijden, toen men het regt, dat op vaderland- 
schen bodem werd geweigerd, moest gaan zoeken bij 
het Veemgerigt , of het Rijkskamergerigt. 



BIJLAGEN. 



N 



BIJLAGE I. 

(blz. 75). 

Herman Aartsbisschop van Keulen schrijft dat hij den 

Vrijgraaf te Walfort heeft terhoden met zeker 

regtsgeding voort te gaan. 1487. 

Hermannus Dei gracia Archiepiscopus Coloniensis, Princeps 
eleclor, Westvalie et Angariae dux. 

Wir laissen wissen uch unse lieue besunderen Yolmer 
van Heiden Stoiiheren, Bernt Renner friegreuen derfriergra- 
schaft van Heiden lm Stift von Monster gelegen , als ir vns 
vurbracht hait wie Bernt Ducker friegreue des Stoiis zer 
Walfart uf dage Bernt Huiwincks volmechtigen procuratores 
viirgenomen vnd vnbillicherwijse beswert soUe hauen, davan 
ir an vns, as slathelder vnd furweser der frien heymelichen 
gerycht zu Westualen vnd an das nest zukomenden capit- 
tel zu Arnsberch appelliert vnd vns angeroiffen hauen, dar- 
umb eynen rychtlichen Capittels dach zu legen, die sachen 
zu rechtfertigen als sich in frienstuls recht geburen soll, in- 
halt des instrumentz der appeliacien dat wir overseen vnd 
aangenomen han. Also legen wir uch in den sachen eynen 
rychtlichen Capittelsdag an vnseren frienstuel zu Arns- 
berch in den Bumgarten uf mayndach na dem sondage 

cantate nestkompt zu rechter gerychtzyt wir als 

dan egenanten Bernt Ducker verschreuen ouch 

dem friegreuen obg nyt wyder zu procedieren oder 

zu richten sachen verboden 

hain dan wir die sachen vnd ham obge- 



170 



dachlen capillei verhoren , luieren vnd rechlferligen laissea 
willen , as sich dat na der Koniglichen Reformacien vnd na 
fuer gerycht recht billich geburen sal! vnd wurde eynicher 
vnder uch parlhien hie iune vngehoirsam , so sall doch dat 
Capillei synen vortganck hauen vnd der gehorsamer parlhien 
furderlich recht wederfaren vnd gehulffen werden. Vrkunde 
vosers siegels heruff gedruckt Datain Puppelslorff uff son- 
dagh Reminiscere anno LXXX seplimo. 

Oorspronkelijke brief op papier waarop het zegel is gedrukt 
geweest, thans afgevallen, in het Lands- en Dom Archief te 
Manster. 



BUIiJLGK II. 

(blz. 68, 92). 

Een oordeel over thijnsgoederen der Abdij van 
St. Paulus te Utrecht. 1365. 

Een dyngelael van der Abdien heerlicke Hoefgoede ende 
Tynsgoede, 

Dit is de dyngtale de geuallen is voer den Abt sinle Pou- 
wels T'Ulrecht ende voer syne lynsgeuoitea lusschen Ghys- 
breciit van Lodensleyne op Ie een syde ende Symon Jacob 
Hillenssoen op te ander syde , circiler annos M. CGG Ixv. 

In den yrslen dat Ghysebrecht voerseit anespraeck dat 
goet ter Zylhorst mit aile synen toebehoren, eggen ende eyn- 
den bodem ende boert, alsoe alst gelegen is, endeseyde dat 
dat voerg. goet syn heerlicke tynsgoel ware, ende hem aen- 
besloruen ware van syns vaders dolt, ende des een heer ende 
een hoff ende een rechter is, die Abt van sinte Pouwels, 
ende seyde reden wairomme dat syns oudevaders was, ende 
syn oudevader synen vader eruede , ende syn vader heeftet 
hem geeruet endehy dal naist lyff is van syns vaders dode, 
ende dat wyll hy toebrengen mit alle den rechte dat recht 



171 



is dattet syn is, ende hem aenbesloruen is, aise voirsz. is, 
ende seyde mede, mach hy dat toebrengen, alse hy verme- 
en heeft dat hy in den voerseyden goede bliuen seell, ten 
wair sake dat Symon voerseyt toebrengen mochte dats Ghys- 
brecbt voersz. ofte syne voervaders woerloes geworden wae- 
ren myt sulke beloge, dat Ghysbrecht voerseil mit rechle 
niet wederseggen en mochle. Ende woude Symon voerseit 
dair yet weder seggen dit en wair recht, des begeerde Ghys- 
brecht eens oerdels. 

Daer aentwoerd Symon voerseyt op aldus endeseyl; dat dat 
goet ter Zylhorst mit alie synen toebehoeren alsoe alst gele- 
gen is endet Ghysebrecht Reynaers soen anespreeck, dat is 
Symons syn heerlicke tynsgoet ende is des in besit ende in 
rechter weer, ende is hem aneghecomen van synnen vader 
in rechter erfnisse, die des lange in besit, ende in rechler 
weer was eer hy slirf, ende Symon heeftet ingbeseten nae 
syns vaders doot vierlien jaer lang, ende daerenboven on- 
becront*) van Ghysebrecht off van synen vader off vanymant', 
ende Ghysebrecht heeft myt hem gegaen tot eenre kerke 
ende in ene gerichte ghewoent ende in eenre stede, ende 
Ghysebrecht heeft alloes ryc ghenoch ende onverheerl ghe- 
west van Symon off van synen vader ende nye recht en be- 
gheert eer desetyt. Voert heeft Symon dit overghcnomde goet 
vertynst, verlyent, verdyckt, verdammet ende verwaeret van 
allen onghelden ende heeft synen heer den Abd van sinle 
Pouwels , dair hyt off hout , dair al affgedaen , dat hy hem 
daer all aff schuldich is te doene , dit wyll hy voer bewisen 
myt kunsscap ende mitler waerheit ende nae wyl hy dit 
voerghenoemde goet behouden alse een wel gheboeren synte 
Marlyns dienstman sculdich is te houden ane syns heren des 
Abds kant*), dair hyt off hout myt alle den rechle dal recht 



^) Orbecront, dat is ongestoord. Kronen, kreunen, is klagen, bij 
Kiliaan conqueri. 

3) Waarscliynlijk hant, rergelijk bladz. 174 reg. 6 v. b. 



172 



is ende myl al sulke rechte daltet Ghysebrecht myt recht 
niet wederzeggeD en mach ende Symon seyl^ bewyst hyt 
voer ende hout hyt nae, alse hy hem vermeten heeft , dat 
hy dan myt rechte in synen goede bliuen zeel, ende hem 
die woerde nyet scaden noch deren en mogen , de Ghyse- 
brecht Reynaers soen geseyt heeft ende des begheert hy eens 
oerdels ende Ghysebrecht seyt; macht Symon houde alse hy 
hem vermeten heeft, des wyl Ghysebrecht volgen. Des oerdels is 
Herman van Raueswade|ghevraghet, hoe Symon syn goet houden 
zeel daer Ghysebrecht myt rechte niet wederseggen en mach? 

Dit is dat oerdel dat Herman van Rauenswade verrekent 
heeft. 

Aldus verrekent Herman van Rauenswade dat oerdel dat 
hem ghevraghet is; dat Symon Jacob Hillens soenssone, dal 
goet ter Zylhorst also alst gelegen is behouden zeel myt 
openen brieven off myt lenenden oerconden dair Ghysebrecht 
Reynaers soen niet weder zeggen en mach myt rechte. 

Doe begheerde Ghysebrecht voerseyt te weten , watbeloech 
hem Symon voersz. vermate, doe toende Symon voerseyt 
enen bryefif sprekende van woerde Ie woerden alse hyer na 
bescreven staet. 

Wy Johan van Oen by der ghenade Gods Abd van Sinle 
Pouwel t' Utrecht maken cont allen luden myt desen apenen 
brieve, dat voer ons ende onse tynsghonoilen hyer nae be- 
noemt quam Symon Jacob Hillens soens soene van Ammers- 
forde ende verlyede dair ende makende myt onser bant alse 
oerdel ende rechtwysende myt synnen vryen moetwille Hilde- 
waert ende Byatrix synen tween susleren , twe hondert pont pay- 
ments alse bynnen Ammersforde in den budel ghynge ende 
gaue is, wt synre alingher haluer hoeuete Emminclaer alsoe 
alse die ghelegen is myt alle horen toebehoringhe ende alse 
Symon voerghenoemt van ons holdet alse ons hoff-ghoet 
ende tyndsghoet ende Jacob syn vader voerghenoemt van ons 
ende onsen voervaders plach te holden: ende Lambrechl Hey- 
nen soen van Ammersforde onifenc lot deser selver tyt van 



173 



ODser bant myt Willam Symonszoen voerghenoemt dese 
Yoerghenoemde twehondert pont alse tot behoeff Hyldewaert 
ende Beatrix voei^henoemt , myt al suiker voerwaerden, dat 
Symon voernoemt sell geuen alle jair synen Iween voerge* 
noemden zusteren also lange alse dese tweehondert pont on- 
betaelt syn twyntich pont alsulx payments alse voirschreven 
is the hantgelt, behoudelick oec Symons moeder voerghe- 
noemt hoire lyflocht wies payments alse voerscr. is deser 
voerseyder halver houe ende behoudelic ons ons goedshuyss 
ende onsen Abdien ons rechts. Ilyer ane ende ouer waren 
twe tynsghenoeten alse Alert Goei, Claes de Walle, Peter- 
man ende Johan Henrix sone. In oirconde ende vestenisse 
alle deser voerseyder dinghe , soe hebben wy Johan van Oen , 
Abd voerghenoemt, onsen zegell aen desen brieff ghedaen. 
Ghegheven int jair ons Heren Dusent driehondert drie ende 
tsestich des manendaghes nae sinte Symoens ende Judendach 
Iwyer Apostel. 

Ooe vraegbede Ghysbrecht off hy anders eynick betoech 
hadde, dan dien brieff? doe segede Symon dat hyt voert 
houden woude, myt goeden levenden tynsghenoten, alse 
recht wyst, ende alse hy schuldich waerte doen, endeseyde; 
helde hyt alse hy hem vermeten hadde naeder dingtale 
ende nae voerordel , dat hy dan mit rechte in den goede 
bliuen zoude. 

Doe vraghede Ghisebrecht off hy anders enich betoen 
hadde? doe zeyde by neen. 

Doe andwoerde Herman Maselant van Ghisebrechts wegen 
van Lodensteyn , alse dat die brieff ende dat beloen de Symon 
voerseyt ghetoent heeft, Ghysebrecht aen synen heerlicken 
tynsgoede te Zylhorst niet scaden en mach ende seghet 
reden wairomme; want die brieff niet en hout dat Ghyse- 
brecht of syne voervaders dat goet ye weerloes gheworden 
syn voer synen here noch in den hoff aldair dat voerseyde 
ghoet inlynst, off narghent tol gheenre stede, dairs Ghise- 
brecht off syn voervaders mit rechte werloes werden moch- 



174 



len; Voert segiiel Herman Gbysebrechts voersprake dat Sy- 
mon voerseyt Gbysebrecbts heerlicke tyosgoet ▼oergbenoemt 
in allen schine alst Gbysebrecbt ane bestorven is van synen 
vader niet onthouden en mach myt tynsgenoiten, diet om 
Symons wylle doen wouden , Symon en salt bouden myt 
syns beren bant » des een boff is , ende myt tynsgenolen alse 
recht is, ofte myt apenen brieven die de here voerseyt be- 
segelt heeft, dair die beer in bekeent dat Ghysebrecht ofte 
syne voervaders arghent weerloes gheworden waren mitlen 
rechte, want men nae den ghewoenten, coustume ende rechte 
van des bysscops lande van Utrecht van ghenen tynsgoede 
rechten noch kennen , noch niet des weerloes werden en 
mach bullen des heren bant, all dairt off tynst, ende wou- 
de Symon hyer yet wederseggen dit en waer recht na der 
dynglale die voerghedinct is, des begheerde Ghyzebrecht 
oerdels. 

Doe seyde Symon ; hyelde hyt totten voerseyden brieve myt 
levenden tynsgenoten alse recht is, in denselven holftindsen, 
alse hy hem vermeten heeft ende voer oerdeel gewyst is 
nae den dyngtale , dat hy dan myt rechte in synen heerlicken 
tynsgoede bliuen zeel, des hy in besit ende in weren is, 
alsoe alst hem van synen ouderen aen ghecoemen is, ende 
hem die woerde die Ghysebrecht Reynaerssone geseit heeil 
aen synen heerlicke tynsgoede niet scaden noch deren en 
mogen , ende hy oec ghene huipe meer en behoeft van den 
Abd, noch van den hove, ende wonde dair ymant weder 
aegghen dat en waer recht , des begbeerd hy oerdel. 

Des oerdels wart gheuraghel Egberl Botker ende die naems 
syne stede; ende op synen wldragbenden dach quam Egberi 
Bolker int gerechte , ende b^herden beyde partyen aen dea 
Abt, dat by Egbert Botker des oerdels vermaende, doe ver- 
maende die Abd Egbert des oerdels ende beyde partyen be- 
gherden rume reykenynghe > off hoere enich te nae ghinghe , 
iiat by dair myt rechte weder seggeo mocbte. Boe ghiock 
KgberI Botker wl mitlen tynsghenoeten ende bereyt hem lange 



175 



lyd , ende quam weder in ende voerseyde by woude een oer- 
deel reken , ende seyde by badden om ghevraecbt ^ die ene 
seyde bem eens, die ander seyde hem anders, enliemeerre 
helfle van den tynsgbenoiten die dair by bem waren , zeyde 
bem eens, enle ander helfle zeyde bem anders, maer by 
waer alsoe beraeden , dat by dal oirdel vlen woude , diet te 
nae gbinge die beriept , ende aldair verrekende Egbert Botker 
dat oirdel aldus. 

Ein oirdell ofte Sentencie. 

Nota. Dat Symon Jacob Hillen soenssoen syn goet niet 
bouden en mach mit dien open brieve die de Abt bezegelt 
heeft, noch milten tynsgenoeten diet om synen wille doen 
willen, maer by salt houden milten boif en de bere van 
den goede ende milten tynsghenoeten, diet om rechlswille 
doen willen ende anders niet. 

Doe gbinck Lambert Heynen sone , die de dingtale voerde 
van Symons weghen mit Herman van den Cappel synen voer* 
spraeke ende myt synnen vrienden wt ende bereyt hem , 
ende quaem weder int gerechte ende aldair quaem Herman 
van den Cappel int recht ende mit oerdel in Gbysebrecbt 
Dewekyns soens worden ende seyde van Gysbert Dewekyns 
soens wegben , dat oirdel dat Egbert Botker verrekent heeft , 
dat dat een onrecht oerdel ware ende dat beryepe Gbyse- 
brecbt Dewekyns sone , ende woude een rechter oerdel wisen, 
ende dair soe liet by rechtevoert sonder verlrec een cedel 
lesen dair by syn beroep mede dade , sprekende van woerde 
tol woerde alse byer nabescreven is. 

Een beroep tegens den voersz, oerdelL 

Nota. Dit oerdel dat Egbert Botker verrekent heeft, dat 
is een onrecht oerdel. Ende ick Gbysebrecbt Dewekyns sone 
voirsz. wyl een rechter oerdel wisen ende ie deyl dit voer- 



176 



reéht, na dien dat Ghysebrecht Reynars sonedat goei te Zyl- 
horst dat in Emminclaer hoert myl allen synen toebehoren, 
aengesproken heeft, ende hy geseit heeft, by wat reden 
dattet syn ware, ende Symon Jacob Rillen soens soen des 
ghoeils in besit ende in were is, ende verandwoert heeft, 
alse voer syn heerlicke tynsgoet, diet aengecomen is Tan 
rechter erfnisse, gheerft van synen vader ende lange tyd 
dair in gheselen heeft nae syns vaders dool , ende heeft 
hem vermeten dat voirghenoemde ghoeit te behouden, mit 
alle dien rechte, dat recht is, ende een wel geboren sinte 
Hartyns diensiman schuldich is te houden, daer Ghysebrecht 
Keynaers soene mit rechte nyet weder seggen en mach, dat 
Symon dan myt rechte in synen goede bliuen zei; ende 
des heeft hem Ghysebrecht voirsz belyet , macht Symon hou- 
den, alse hy hem vermeten heeft na den dinglale, dat Sy- 
mon voirsz dan myt rechte in synen goede bliuen zei, ende 
dair is een oe'rdel off gewyst tusschen hore twyer tale, dattet 
Symon houden zei myt apen brieven off myt levenden oer- 
conden , daer Ghysebrecht mit rechte niet weder seggen en 
mach: ende want Symon enen goeden opene briel! heeft, 
die de Abd van sinle Pauwels bezegelt heeft, sprekende 
van den goede, dair die dingelael off is, ende zeyt, hout 
byt daer toe myt seven tynsgenoelen off myt meer , dat 
onberufte lude syn , dat hy ghene huipe meer en behoift 
van den Abd noch van den hove , ende hy myt rechte 
in synen heerlicken tynsgoede blieuen zei. Ende dit 
deyle ie Ghysebrecht Dewekyns sone voirsz. voer recht, 
ende byde des myn wedde ende begheer des hoefs ende 
daghes. 

Doe seyde Ghysebrecht Reynaers sone, dat oerdel dat Eg- 
bert Botker daer verrekent hadde, dat wair een recht oer- 
del ende hy volstonde des , ende boet des syn wedde , ende 
begheerde des hoefs ende daghes; en te Abdt ontfenc hore 
beyder wedde ende daghede se voer mynnen here den bys- 
scop van Utrecht. 



177 



Actum circiler annos MGCC. LXV. ui apparet iuxla prin- 
cipalem ceduiam. 

Nota. Item Symon Jacob Hillens sn. verweere beclaech- 
den den Abt eude Egbert Botker , diet oirdel wysden , voir 
den vryen stoele ende werf dair condempnaci op , dair is een 
sentenci of, sub magno sigillo imperiali, forte percontuma- 
ciam, ende die sentenci ligt hyr in quadam capsa. 

Uit een Leenregister der Abdy van St. Panlos te TJtrecht van 
1420 — 1485 in het Provinciaal Archief aldaar. 



BijiijLCE m. 

(blz. 95). 

Uitspraak van den vrijstoel teNordemain zakeDiederik 

en Heidenryk van Oyr tegen Willem Heer van 

den Berg. 1438. 

Ich Henrich Gristians, frygreve der fryer graifschaff ter 
Nordérna , doen kunt allen fryengreven und fryenscheffen dat 
hude dato des briefs vur mich komen ind erschenen synt 
zer Nordérna an den fryenstoel, bynnen der burch dairseiffs 
gelegen, da ich den fryenstoel zo rechter gericht zytdages 
becleydet hadde, als sichvandes heymelicken gerichtz wegen 
van recht geburde, der edel juncker Herman soen zo Ren- 
nenberg ind Bernd die Duyker frygreve zo Heyden , volmech- 
tige procuratore des edeln junckeren Wilhelms heren ten 
Berge etc. ind synregeseltscbaff, die ich vur mich van wegen 
Heydenrichs ind Diederichs van Oyre zer Nordérna an den 
fryenstoel geheisschen hatte; ind warden aldair des vurss. 

DL. X. 12 



178 



myns junckeren van den Berge ind synre geseltschaff lesten 
plichtdagh als der huide syn soelde iod ouch was ind baden 
dat ich yn Diederich Levekinck frygreven zo Ërwiete vur 
eynen Tursprecher erlennen wolde, des ich yn gunde. Do fraigde 
inioh Dederich Levenkinck frygreve vuit. ind waA mir mii 
rechte ein ordel ave, offichdenvurss. mynen jonokeren ind 
syne geseltschaff, die mii yme geladen ind gebetsschen waren , 
init namen Gerart ind Willem van der Kornhorst gebruder, 
Rutger van der Padevorde, Clais Tengenagell ind Johan Raf* 
fenbarc ') verbolt heete zum ersten mii zwen, znm anderen 
mii vieren und zum derden mailen mit sechs echter rechten 
fryenschelfen ind mir selfs geheisschen bedde als id sich van 
rechte geburde, darup beschede ich yn jaa. Doo fraigde 
Diederich Levenkinck frygreve vurss. van wegen myns junc- 
keren van Rennenberg ind Bernd des Duykers procuratoren 
vurss. of ymans an dem gerechte were der mynen junckeren 
van den Berge ind syne geiseUschaff vorss. mit rechte an- 
sprechen ind andadingen woeld? Also sloende vur myr an 
dem gehegeden gerichte , als eyn volmechtich procurator Die- 
derichs van Oyr, Heydenrich van Oyr ind en woelde 
mynen junckeren ind die ghene die geladen waren noch 
nymans mit rechte noch gerichte ansprecben noch andadin- 
gen ^ sunder he gaff sulcke anspraiche clage ind vorderonge 
als he haele van wegen Diederichs van Oyr des volmech- 
tiger procurator he was ind syns selffs na lude der ladebrieve 
an mynen junckeren ind syne geselschaff vorss. mit fryea 
guden willen vur mir in myne bant mit eyne *) 



*) AUe de opgenoemd* xQn Berglohe edelen. Be Korenliorst ligt 
Qsder Ketterden, de Padevoortbl) Zeddam, het geeladit Tengnagell is 
ook uit het graafischap Berg afkomstig en Johan Baffenberch stamde 
door bastaardij uit het onde hnis van den Berg af. 

^) Het woord Ss bijkans onleesbaar; ik las hultsin duidde , éat echter 
geeti ein geeft. Zonde het ook knnnen aSjn handerede, bij Kiliaen: 
Pax per sdagistratmn indicta, pax siye fides ccNttuninia deztris pacta? 



179 



lip, die icfa ouch also van yme upnam iod ealfenge ind 
den procuratoren myns junckeren van den Berge ind synre 
gesëlschair weder avergaff ia Heydenrlclis vorss. entge- 
genwordicheiU Ia do fraigde mich Dederich Levekynck 
vurss. off icb ouch Heydenrichs vurss. procuratorium gesien 
hette , dair inne Bied^ich van Oyr yn volmechtichder 
vurss. clage gemachl lielte? des ich yme bekanlte. Vort bat 
Dederich Levenkynck eyns rechten urdels under Konings 
banne, synt demniaile anspraicke ind dage in vurss. mais- 
sen avergegerea weren verixiits eynen vohnechtigen {U'ocq- 
ratoc Heydenricb van Oyr , of ymans die sache van wegen 
Diederichs ind Heydenricha van Oyr wederujmemen moege, 
of wat darup recht sy ? 
Dat urdel sLalte icii an Gerart den Seyner frygreve myns 

gnedigen ^) van Coelne ind Arosberge , dér do uys- 

ginge ind berede sich roit anderen fryen greven ind fryen 
scheffen ind wyste vur recht: synt demrtiaile dat ichdatvol- 
machügo procuratorium gesien bette ind die claige ind an- 
spraicke avergeven we^en overmitz den procurator vurss., dat 
Dymans die anspraiche van Diederichs in Heydenrichs van 
oer vurss. wegen vortmer vorderen soeide an mynen juncke- 
ren vaa den Berge ind den ghenen vttrss. die mit yme ge- 
Jaden waren. Voert bat Diederich Levenkynck eyns rechten 
urdeis under Konings banne; synt demmaiie dat der deger 
ind procurator die anspraiche ind clage mit willen quyt ind 
nysgelassen bette , off den ymans die anspraiche ind clage 
weder annemen oder vorderen moege, ind off myn juncker 
van dem Berge ind syae gesdscbaff des gerichts mit der 
elage quit syn sullen ? Dat urdel slalte ich an Joris Seyck 
frygreve zu Ruden, der uysgienge ind sich mit frygreven 
ind fryenscheffen berede ind wyste vur recht: nadem der kto- . 
ger ind procurator vurss. die anspraiche ind klaige mit wil- 



1) Hat onleesbare woord is buiten twijfel »heren^\ 

12^ 



180 



as vurss. is avergeven lietle , dal alsdan myo juncker van 
dem Berge in die ghene die mil yroe geladen weren des 
gerichts mit der klage quyl, los ind ledich syn sullen. 
Do fraigde Dederich Levenkinek eyns rechten urdels of sich 
myn juncker van den Berge ind die ghene die mit yme ge- 
laden weren nu yet weder in yre recht ind freden moechten 
laissen setzen vur wat frygreven ind fryenstoele yn dat alre 
bequemlichste were, off wat da recht umb were ? Do erlen- 
ste ich Bernde dem Duyker frygreve Turss. ind erlenne ime 
avermitz dezen brieff den vurss. mynen junckeren van dem 
Berge ind syne geselschalf vurss. in yren freden ind recht 
zu setzen, vur welcken fryenstoele yn dan gelegen were, as 
recht is. Ind want alle sachen ind punten gegangen hant 
gelich vurss. is, dair vil guder manne, frygreven ind fryenschef- 
fen eyn deil met name herna geschreven by gewest sint , so ban 
ich Henrich Cristians frygreve vurss. myn ingeseigel an dezen 
brieff gehangen ind myne urkunde hirvan entfangen. Ind 
want wirGerart de Seynerzo Arnsberg, Henrich Vischmeis- 
terzum£versberg, Joris Seyck zu Ruden, Diederich Leven- 
kinek zu Ërwiete ind Heyneman Muysonge zu Soest frygre- 
ven , ind wir Henrich greve zu Nassawe Doemprost zu Maintz 
ind Proest zu Bonne, Jorgen van Seyne greve zu Wyt- 
gensteyne, Henken ind Hunolt van Haixléide- gebrueder, 
Johan van Scheydongen, Evert Quaide, BertoUvan Pletlen- 
brecht, Henrich van Galen , Rutger van Freiss , Herman Munt, 
Johan Schungel , Dederich van Melre , Boelken van Bobenheym, 
Johan van Sprieck ind Gerart van Wildongen, alle fryen- 
scheifen, her an ind oever geweist syn, so ban wir fry- 
greve vurss. ind wir Henrich greve zu Nassawe Doem- 
praest zu Maintz etc, Hunolt van Haixléide, Johan van 
Scheydongen, Henrich van Galen, Rutger van Freiss ind 
Bertolt van Pletlenbrecht vurss. igliger zu getzuchniss der 
wairheit alre sachen vurss., want sich die ergangen hant 
hant als vurss. is , syn segel an dezen brieff gehangen. 
Gegeven in den jaren unss Heren dusent vier hundert 



181 



iml acht iod dressich des neisten donrestages na senl £11- 
sabei dage. 

Aan den brief hebben oorspronkelijk twaalf zegelen gehangen , 
waarvan echter die van Heinrich van Nassawe en Johan van 
Scheydongen zijn afgevallen. De overige zijn nog gaaf. 

dit het Grafelijk Bergsche archief te ^s Heerenberg. 



BIJIiAQE IT. 

(blz. 98). 

Onuitgegeven stukken betreffende liet geding voor liet 

Yeemgerigt tusschen Herbord Rezen en de stad 

Zutphen. 1449—1450. 

a. Wy Matheus van Graesdorp, Henrick van Dyepeabroeck 
ende Derick van Keppel Henrickszoen , alle echte rechte 
vrye scepenen des heilligen Rycks , laten weeten v Henrike 
van Werdinckhuezen , vrygreven te Velgiste. Soe als gy heb- 
ben doen vorbieden van ciaege wegen Herbort Rezen ^ Ge- 
ryt Oelrix, Jacob Schymmelpennynck , Andries Kreynck, 
Johan Kreynck, Henrick Nyenhues, Henrick Koelsack, Ge- 
lys Iseren, Geryt Iseren, Albert Koernmarckt, Coert ten 
Hoene, Johan van Kerpen , Werner ToJner , LoeffKeye, Mer* 
ten van Sassen , Herbort Kisten maeker , Henrick Hegenynck , 
Ëuert Scholdeman ende Bernt van Kraenenburch nae inholt 
eens uwes verbaedebreiffs van v gesant, soe gelaeuen vjy 
Matheus , Henrick ende Derick vorss. avermits desen aepenen 
besegelden brieve, v vrygreven vorss. in gueden trowen by 
onsen ede, wy den Konnynge ende den heilligen Ryke ge- 
daen hebben, dat dusse vorss. personen ende alle de ghenne 
de in den vorbaede vorss. gescreven ende begrepen syn ende 



182 



schuldichsyn der vorbaedioge te volghen dat de deme gericble 
ende clegher doen sulen bynnen geboerliken tyden ende vp 
gelyken gelegenen geboerliken steden , wes sie Tan eerre eren 
ende rechtswegen plichlich ende schuldich syn te doene , indien 
dat eme de geboerlike slede bynnen geboerliker tyt gescreven 
ende betekent werde, viertien daege te voeren alssick indeme 
rechte geboert. Vnd syn daer vmme van v vrygreven vorss. be- 
gerende , dat gy hyr en baeuen auer deze vorss. persoenen nae 
inhalt deser schrifit ghien gerichle en doen vorder , want gy 
wal wetten sick alsoe nyet en geboert. Vnde des to tuige der 
waerheit alre vorss. punten hebben wy Matheus van Graes- 
dorp, Henrick van Diepenbroeck en Derick van Keppele 
Henrickszoen vorss. onse segele an desen breiff gehangen. 

Gegeven in den jaer ons heren duesent vierhondert negen 
ende viertich vp sunte Mertens dach in den wynter. 

Oorspronkelijke pergamenten brief waaraan het eerste en derde 
zegel nog hangen. 

b. Otto here lo Bronckhorst ende to Borkeloe laten v 
weiten enz. (gelykluidend aan den vorigen brief). Ock soe 
wilt welen dat gy Henrick vrygreve vurss. de wettende ende 
onwettende gelyck vorboidt bebbet, vnde ock wal baeuen 
IwelfT jaeren is ende beneden t zesUch jaeren gy ock des- 
geliken verhoedt hebt , dat sick doch alsoe nyet en geboert 
als gy selffs wal weet nae recht ende ingesat der hemeliker 
acht. Ende ock soe hebbe gy Henrick vorss. erbere guede 
schillbuerlige knecht gewraeckt » de vor dese vorss. persoene 
gelaeft bedden, dat doch sick ock alsoe nyet en geboerden. 
Alle deze vorss. punt gelaeuen wy Otto here tot Bronckhorst 
vorss. v te vullen scheyn van desen persoenen vorss. sonder 
ennych argelist vnde syn daer vmme van v begberende dat 
gy baeuen dit verhol over deze voirs. persoenen ghien ge- 
richt vorder en doet , ende doel gy daer en baeuen , soe weet 
ghy wal wes daer to behoerde te doen. Oorkonde der waer- 
heit soe hebben wy Otto here to Bronckhorst vorss. onsen 



183 



^gel an desen hreiti gehaogeo. Gegeuen in den jaer ons hem 
Duesent vierhondert ende vyflich vp donredacli na $unle 
Agnelendach virginis. 

Oorspr. perg. brief, waaraan het zegel hangt. 

c. Gude vrundi! Oase stat van Zutphen beeft ons te ken- 
nen gegeven, woe gy deels boerre burgers onsen onderdanen 
rail namen Gerit Vlrich, Jacob Schymraelpenninck , Andries 
Kreynck ende meer anderen waell tot XVI toe, voer v in 
den gericbte toe Telleste verboedea hebt van clagen wege 
Herbert Resen , dairin dieselve onsse burgers verkort solden 
werden soe wy verslain ende syn oerboedich der saken eren 
en de reqhlz voir ende onsen Rade Ie blyven in ne- 
men ende in geuen des die vurg, Berbert tot boen te seggen 
hebben mocht; dat ons ende maliiqb genoech ende auerboe- 
den dunckt, dair bauen wy nyet en meynen geboirlich te 
wesen onse ondersaten vurss. alzo te kroeden ^) wairomme wy 
van v begeren vrienllich den selven onsen burgeren der la- 
dingen ende nioyenissen te verlaten ende dat gericht ter- 
stont dair von aff te stellen ons te lieue. Heeft Herbort vurss. 
yet toe hoen te seggen, soe syn wy mechlich dat sy hem voor 
ons ende onse Rade dair em doen soelen dat sich van reden 
ende bescbeytz wegen geboeren sall dat men oich moegelicb 
van boen alsoe nemen soele na den verbode vurss. Ende ons 
des guede vriendt ommer nyet te willen weygern als wy v 
des genzlich toebelruwen. £nde waerloe sich onze ondersa- 
ten verlaten ende sich na richten soelen, begeren wy uwe 
eyntlicke beschreven antword biden bode brenger des brieffs. 
Gegeven te Arnhem op sinteAgneten dage virg. anno L^ 
De Hertoge van Gelra — An Ilenrick van Werdinckhuezen. 

Op de keerzijde van de gelijktijdige copie, op papier, stond: 
Copie so ons heren gnaden gescreven hebben. 

1) Kroeden, is hinderen. Vergel yk van Hasselt, op Kiliaen, in 
voce Krot, 



184 



d. Hiue frynllike grote lo voren. Eirsam besunder guden 
fryade! So Y leyuede my hebben gheschreven, dat ich myt 
jnwen frynden solde teyn') an den frygenstoel to Yelys, so 
wolde ich dat gerne gedaen hebben vmroe juwer leyuede 
wyllen; so hebben wy Colschen dar vyl viande, wantmyns 
heren ghenaden heuet dal lante van der Marke gherouet 
und gebranl, so dat ich dar nyt teyn en daer^), want ich 
nyt vnghestrauet dar en kunde komen. Ock alz dey sedelen 
ghemaket synt van beyden syde, wylle gy den dagh holden, 
dat moghe gy doen off gy wylt j v?olden sey op deme daghe 
nenaen ere ind rycht, so mocht gy den dagh holden, so 
worde dat gerychte mede verlenghet bit na pascheu , wante 
dat queme in besloten tyd. Ock guden frynde , alz gy dan 

denken vorder ghelouen lo done den breyff senden 

an gerychle myt denselven .... boden ind wyle sey den ghe- 
louen dan nyt nemen, soe sollen sey den breyff gulike weder 
nemen van den greven, so bebbe gy voldaen ind by den 
gelovesbreyff sol Ie gy vn schryven enen sende breyff an den 
frygreven, des ich v ene copie vorrame en hebbe op v ver 

ysl sake dat sey dit allel affslaen , so yst my raet , dat 

gy fryschepen worden ind so sol Ie gy hebben veyr frygreven 
off vyve, ind teyn in iwe slole te Bredevoyrt, ind holden 
dar enen rychllicken dagh myt rytterschap ind frygensche- 
pen, den gy ghebidden kunnen; ind solte gy v vt deme 
gherychle te Velys teyn myt ordel ind rychle alz sich dat 
gheboyrt, want ich wyl v den orden vtsetten ind vragen 
dey v darto deynen sollen, so dat v leyuede des gherycbls 
fry synt ind laten sey dan rychten ind schryven wat sey wil- 
len. Ind gy solt dan den cleger .... her des stoels ind dey 
staet van Swerte wedervmme anlangen vmme des vnghe- 
rychles wyllen, dat sey op v ghedaen hebt, off gy wylt, 
want gy anders nyl ten ende myt en komen en kunt , alz 



1) Teyn, trekken. 

2) Daer, durf mag. 



185 



gy wal vynden^ wanteen ys to done voime en schenen , dat 
gy gerne juwes geldes wat hedden. Ilir moghe gy des bes- 
ten ynne ramen ind yst sake dal ich v bir vorder ynne 
deynen sol, dat mogte gy tny schryven. Ynse bere Got 
spaer v lancklyvich ind gesunt. Geven vnder mynen segeie 

op sunt Fabianus dagh anno L^ 

Hugo van Osterwicb frygreve etc. (Opschrift) An den ersam 
wyse vorsichtige Burgermeister schepenen ind raet der staet 
Sulveyn, myne bysunder gude frynde. 

e. Mine frynllike grote to voren. Ersam bisunder gude 
frunde! Ich beger v (o wellen dat ich v sende eyn ordel- 
breyff, so y my gheschreven bedden ind aiz gy myl vuen 
frynden ouerkoraen weyrn. So beuet dey breyff vastte geit 
gekostet, mer dan ich v schryven daer, alz gy wal seynde 
weyrden , wante dey lude synt vnschemei in susliken saken. 
Item VI wyttepennyghe noch van den eyrste breue to sege- 
len; veyrwerff ghesant an Bitter van Rasvelde, dat hey nyt 
to huesen was. Kern XYIII witp. do ich den grenen ind 
dey rytterschap verschreff to Durslen. Item VI r gulde ge- 
scheoket hemelike mynre stoelheren eyn , dat myn dar nyt 
ingedragen en worde, want dey van Galen wolden dargerno 
wat ingedregen hebben , do was ich so starck van luden , 
dal ich dar nyt ingedregen en wolde hebben ind ich hadde 
dat ock bekallet myl mynen junckeren van Gemen: deysegede 
my, behouede ich synre , hey wolde my bystendich wesen, want 
seymeyne myt vns (luer) susliken saken to schaffen synt, dat 
drege my groet j so yst der vergunners vil in der werlde*). 
Item den fryvronen XII witp. an den gerychte. Item den 
verspreken enen postolatus gulden. Item 1 postolatus gulden 
den vrygen geschenket, dey to den stolen horet. Item el- 
lyker frygreuen II r gulden geschenket und twey nacht ghe- 



1) De zin is waarschijnlijk : Want zij meenen dat zij zulke zaken met 
ons (ons lieden) wel kunnen uitvoeren ^ dat ergert mij zeer; daar zijn veel 
afgunstige menseken in de wereld. 



186 



quiUi Yt der lierbergbe ind n deo wyobos niyl vejr perdeo 
lil r galden Hem do wy quemeo vao deo firygenslole i^en 
den aneot, do nuMtie ich gelden ror den net van Dorslen 
ind myt en sa(en in den wynhoes II r gulden. Hem in 
myoen hues badde ich sillende wal luschen seesüch ind 
seuentick mans dey verdeden III r golden off mer. Hem 
do ich den breyff Tmme sande (o besegelne 1 postolalus gul- 
den. Hem den schryver 111 r gulden ind hey mosle affan 
den gerycbte wesen den ordel schryven, ind ene copie des 
bezegelde breres den frygreven Henrick van Werdenbusen, 
den dey frygreven enne ghesaiit hebben vnder eren segele. 
Item y ivitpen. eyn boden to Swerle an deo greven. Hem 
$0 roennych orde! so mennygen olden lornesschen off er ghe- 
wyert (?) *) lo orkonde. Gude fryndel so hebbe my juwepro- 
curatores gesacbt, sey wyllen ook gheschenket hebben, dat 
slelle ich an v , want ich hebbe togheseget , ich wylt v schryven ; 
ind den ordelbreyfl moghe gy wal laten horen wellende ind 
vnwettende wen gy wylt. Ind ich weyr wal van v begerende, 
dat gy my dat geit auer senden myt juwer boden eyn ind geuet 
mynen boden syn bodeion , ind wes gy vorder van my bege- 
rende synt dat mogte gy my schryven, ind ich hope dat v dit 

herlich v gerychtet hebben als sich dat alz gy ok wal 

seynde weyrt» Bitter en badde dar nemande dan hey alene; 
want hey segede my, sey moslen wesen op den Laerbroke, 
wanle sey bedden ene wederboden ind ich badde noch twey 
grenen verschreven , den solde ich perdegesant hebbe; do leyt 
ich dat guel wesen. Hir mogen gy des besten inne ramen ind 
geboydet over my. Vnze Her Got spaer v lankliuich ind ghesunt , 
ind gy moghen dyt selves rekenen by eyn. Gheuen vnder mynen 
segele vp den nesten donredagh na deme sonnendaghe miseri- 
cordia Domini anno domini L^ llugo van Oslerwich frygreve. 
(Opschrilt) Aan der Ersam wise vorsichtige Burgemeister sche- 
pen ind raet der stal Sutveyn myne bisunder gude frynde. 



*) Q^er ghewtftrt (/) t of derzelYcr waarde? 



187 



f. Ersam bisunder gude frynde! So gy roy gbeschreven 
hebl van Herbert Rezen juwe wederparl, ind my eine copie 
ghesant hebben eyns breues van Henrick frygreven van 
Werdenhusen , ind v meynynghe ys dat v eyn procuratores 
in dat ghericht to Veyllies leyn solde» so verwonder roy des 
dat gy so ghesinnet syn dal gy ennyghe antwerde gbeuen 
deme greven off sloeihern myl worden off royl scliryfflen, 
wante dey greue en ys so cone *) nyt dat hey eyn vnghe- 
rycht op v do , wante ich hebbe eme nu ghesant ene copie 
des ordelbreves vnder segele der frygreven dey dat gherycht 
iny t roy saten ind enen beslotenen breyff dar by , alz sich 
dat gheborde, vnd weyr dey greue so kone dat hy ennych 
gherychie op v dede off doende worde , dat en kan v neerne 
an ghehinderen, wante dat weyr eyn vngherycbte ind wes 
men v hirvan schryvet, dar en solte gy geyn antwerde op- 
geven royt scbryflle off inyl worden: dan vervolgél Herbert 
Aeyzen myl richte vrome v cost ind schaden ind vmme des 
vngherychtes wyllen dat hey op v ghedaen heuet. Weyrt sake 
dat gy vernemraen dat dey greve ennych gherychte op v 
dede , so solte gy voyrt anlanghen myt den hémelyken ghe* 
rycbre dey twey broder van der Reke ind dey stael van 
Swerte, so sotten sey v wal bydden ind soken, so en dorve 
gy er nyt bidden ind ich meyne gy kunnen dat wal bekos- 
ten so wol alz Herbert v wederpart ; ind ich wolde dat geyn 
schryfit ghesant en bedden nu der tyd an den greven , wante 
sey moghen denken dat dey greven ind ich der gbeschreven 
hebben , dar en sy v nyt kundich van. Lieve frynde wes ich 
V hir ynne ghedeynen kan dat ghebeydet to my. Ynse here 
Got spaer v lankliuich ind gesunt. Gheuen vnder mynre se- 
gele op den roanendagh na meydaghe anno domini V Hugo 
v. Osterwich frygreve. 

Opschrift als in letter d. 



^) Cone, stout, koen. 



188 



</. Ersam bisunder gude frynde! So gy my gheschreven 
hebben vm Herbert Rezen ju wen wederpart, wogyemegerne 
vervolgen wolden myt deme heimelyken rychte vmme des 
vnrycbles wyllen , dat hey an v ersamheyt gedaen heuet vnde 
gy gernewysten wat dat kosten solde. Waerop ich v begern 
lo wetten, want Herborl vorgen. eyn fryscbepen ys , so mote 
gy eme laten verboden ten eyrsten myt tweyn fryscbepen 
juwelyker mylen II Scholsche *) wytpen. yliker Iryschepen , 
ten andermale myt veyr fryscbepen ock ellyker mylen II 
scholsche wytpen. , ten derden male myt sees fryscbepen ind 
myt enen frygreven juwelyker myle enen r. gulden, dat ys 
der schepen halff ind dey ander helffte des frygreven , so man- 
nyghemyle so mannych ghelt; ind veyr werff dey gherychte 
to holden des sich dar van geboyrt ind dal leste gherychte 
dat wyl wal kosten ane dat vorg. steet X r. gulden off mer 
vmme tughes wyllen dat men dar to behouet , des ich v so 
klerlyken nyt schryven en magh wo dat togeyt , dan dey fry- 
scbepen ys. Ind gy moghen v hir vorder inne bevraghen myt 
den ghenen dey der saken verstendich synt , ind gy moghen 
dar enen frygreven ind stoelherrn dar to krygen vp dat neysi 
dey gy meynen dey vgheleghen ind bequeme dar to sy, der 
wyl ich V gerne ynne deynen na mynre maght , ind voyrt 
alz ich V ghedeynt hadde myt dey ordel breven wat dat ghe- 
kostet hadde, dar ich v van gheschreven hebbe dey reken- 
schappe, dar van bedanke ich my guder belallynghe ind 
ghebeydet to my. Ynse here Got sy myt v ind spaer v 
lanckliuich ind ghesunt. Gheuen vnder mynen segel op 
sunte Philippus ind Jacobusdagh anno L^. Hugo van Os- 
lerwyck frygreve. 

Opschrift als in letter d. 

De vier boyenstaande brieven berasten In het Archief te Zutphen. 

Des sondages najaerssdage ghegeuen. Arent Gleynsmitden 
vrygreven die hier doe was om dal hy ryden solde toe 



') Scholsche f waarschijnlijk Swolsche. 



189 



Swyerle op onzen dach teghen Herbert Rosen III enckel 
rinss. gulden ende Gheryt to Winckel een peert ghehuert om 
dat hy mit hem reet toe Emmeryck II dagen , des dages IIII 
Vleemss. ende Gherde medeghegeven 1 golden aernemsschen 
gulden, dat hy deu/greven daermedevter harbarghe quytede 
ende voer hem hier ghegolden IIII quarten wyns in den wyn* 
huse die quarle IIII vis ende hy badde verleert in der har- 
barghe XXXIX K». maket to samen XII ^ XII ss. 

Des manendages daer nae quam hier Hughe van Oester- 
wyck onser stat vrygreve rolt enen knechte, soe als onse 
stat hem gheschreven hadde om der sake wylle mit hem to 
beraden tusschen onser stat ende flerbert Rosen, ende was 
hier III dagen; verteert in der herberghe XGK». ende voer 
hem ghegolden vp den wiinboze V quarten wiins die quart 
IIII K'«. Ende hem ghegeven to drynckgelde ende toe reet- 
geide IIII enkele rinss. gulden , dat hy onze dagen scrfde 
boeiden teghen Herbert Rosen ofift ons des noets weer, ende 
van Reynken den Veer een kerre ghehuert, daer hy mede 
toe Aernem quam , hem daervoer ghegeven XYI krumsterten. 
maket te samen XVI f^ X ss. 

Item ghegeven Arent Cleynsmit den vrygreven van beveel 
der schepenen II rinssche gulden dat hy onse slat verdeyn- 
ghen solde teghen Uarbert Rosen. maket V f^. 

Bekening der Stad Zotphen over 1449. 

Des vrydages nalnvocauit Jacob Schymmelpenninck, Ghe- 
ryt Ylrix ende Joban Huernynck ende Andries Kreyngk gbebe- 
den meyster Henric Secretarius toe Wesel toe daghe tegen 
Herbert Rosen ende hadden mede XIII peerde, ende mit 
orengaslen, die sievp oren dach ghebeden hadden, als Bytter 
ende Johan van Raessvelde , Tengneghel ende Gheryt van der 
der Koernhorst, die hem die Joncker van den Berghe mede 
dede, daer Hughe onse vrygreeve mede was ende III gude 
mannen mit hem van Dorsten mit meer volc guder mannen 



190 

die ODSS die van Wesel daer by geschicket badden ende 
Yierea r/i V dagen verteert ende verschenckel mit ter pre- 
sencien h XIII « XIII ss VI d. 

Op den selvea dach (Dinxdages na Palmen) quam hier 
Henrick van Weerdinchusen siin ssoen aen Andries Krejng 
roit bryven, die by den schepenen leel lesen, daer die sche- 
penen beylen Joban Kreyng den rentnieisler den bode mede 
gbeuen XX enckel Rinssche golden ende IIII poslulaets gul- 
den der siin vader II solde hebben ende die vrygreve II , 
ende den boden oeck ghegeuen I postulaets gulden, ende 
Henrick Klepel, die mede toech milten bode, hem mede ghe- 
daen III postulaets gulden ende XXXYI witpenninge. Item 
80 is Klepel weder ghecamen op den saterdach na Paesschen 
ende die dinghe niet vullencamen en sint, daer hy om ghesant 
was, soe hefft by roy weder gbebracht XVI Rinsscbe gulden 
ende III poslulaets gulden met XXIII lewen ende hy leet 
den vrygreven. ende sinen sloelberen IIII Ainscbe gulden 
van den XX voerss. summa biervan achter ghebleven maket 
XXI « I ss VIII d. 

Des vrydages na Hisericordia Domini Hughen van Oester- 
wyck onse vrygreve sonde hier II besegelde brive volzeghelt 
als van der sake tusscben Herbert Aose ende der Stat daer 
hy onss een zendebrieiT by sande inhoeldende wat die bryve 
voerss. gbecost hadden an den rydderen ende knechten ende 
die vrygreven die daer aver gheweest badden ende an den 
Procuratoer ende bodeloen ende den vrygreven ghegevendie 
daer auer gbestaen hadden, beloept sich vp XXXIII rinssche 
gulden ende IIII postulatos gulden ende den boden ghege- 
ven I postulates gulden ende tyenden halven lewen voer hem 
betaelt in der herbergen maket LXXXVIII % III ss. X d. 

Rekening der Stad Zntphen over 1450. 



191 

BUIiAGE W. 

(bla. 74, 99). 

Alphert Schitnmelpennynckf SchoUus binnen en builen 

Zutphen verklaart, ten verzoeke van Heer Evert van 

Wilp , ridder , dat Johan van Rossem c. s» eerloos 

waren verklaard, en dat de overste rigters van 

den Hertog van Gelre en den Graaf van 

Bentliem daarbij waren geroepen om die 

uitspraak aan de veemschepenen mede te 

deelen, 1450. 

Ik Alphert Schimmelpennynck , van wege des hoegeboren 
dorluchtigen fursten myns gnedigen lieuen beren hertogen 
van Gelre ende van Gulich ende Greven van Zutphen Schoite 
te Zutphen bynnen ende bueten , doen kont apenbaerlik tue- 
gende overmits dezen aepenen brieve ; dat vp dach datum 
deses breifs vor my ende vor gerichtslueden hyr nae bescr. 
in enen apenbaeren geheechden sittenden gerichte gekommen 
is de erbare ende frome her Evert van Wilpe ritter mit 
synen gewonnenen voerspreke de hem mit oerdel ende mit 
rechte gegeven ^raert. Ende vormaenden roy Schuiten vorss. 
daer alle soedaener claegen ende rechtsforderingen als hie, 
des vp desen dach XlIIIdaege weren, gedaen ende gefordert 
hadde an Johanne van Rossem, heren Johan van Bilant rit- 
ter, Goessen vanLyenden, Goessen van Braekolt , Jordenvan 
Wye , Johan van Rossem , heren Johansz. Otte van Asperen 
van Yueren, Aernt Pyeck heren tot Asperen, Goessen van 
Rossem bastert, Aernt Copertsz. , Goessen van Rossem Zan* 
dersz., ende Geryt van der Steghe nae wtwysen dezes 
vorrhaenbreifs hyrnae van vroerde te vloerde heser, daer 
eiker van hem ene ontfangen heft ende luedl aldus: 

Ende her Evert vorss. vraechden my Schulte vorss. nv in 
desen gerichte overmits seyne vorspreke off ick alle den 



192 



vorss. persoenen nae inholt des vorss. breifs de vormaenin- 
gen ende wele alsoe gedaen hedde als de yormaenbrief de 
daer gelesen waert dat inne heelt ? Soe dat ick daer vmme 
vor my dede kommen int gerichte Geryt van Hamynkel , 
enen gezwoeren boden der Stat Zutphen , de daer aepenbaer 
bi synen ede gichtden ^) dat hie den vorss. persoenen eiken 
vor syn hoeft der vermaene breve enen gebracht hedde on- 
der roynen segele ende segele der vorss. richtslueden, wtge- 
sacht heren Johan van Bylant den hie an synre woenstede 
nyt en vant, soe dat hie den breiff synre echter huesfrouen 
to ore hant brachte, ende Otte van Yueren van Asperen, 
den hie den breiff in syn hues ende wonstede brachte ; ende 
want dan de vorss. gezwaeren baede alsoe gichten dat hie 
de vermaenbrieve vorss. elk van hem alsoe gebracht ende 
gepresentiert hedde den sie billichs gevolgt solden hebn, 
ende her Evert vorss. daer tegenwerdich stont ende wacht- 
den ende waerden ; soe vraechden ick den vorss. heren Evert , 
off hem ock nae inholt mynre vermaenbrieve vorss. betae- 
linge geschiet off vurwerde ende leistinge geholden weren 
alst billiken geboert hadde , daer hie vp antwerden , dat hem 
des een off ghien geschiet noch geholden en weer des hie 
sich zweerlik beclaechden. Ock soe vraechden ick Andries 
Iseren Gerytszoen , als den wert der herbergen de hem bete- 
kent was , off ennych van den voerbenoemden personen , off 
iemant van oerre wegen , in syn hues gekommen weer de leis- 
tinge off vurwerde geholden hedde : de my daer vp antwer- 
den, dalhie daer nymant vornaemen noch gesien en hedde. £nde 
want ick Schulte vorss. den vorss. personen de vormaeninge 
alsoe gedaen hadde ende na gicbt des boeden , claegen heren 



*) Gichten, is die handeling van den bode, roedendrager of peinder, 
wanneer hij op Eijnen eed verklaart wat hij in zijne ambtsbetrekking 
heeft verrigt Hij relateert dan even als heden de deurwaarder of 
veldwachter doet. In het Archief te Zutphen bevinden zich nog 
vele zoogenaamde Gichteboeken. Bij KiUaen, gUchten, Fris. Sicamb. 
fateriy confiteri, agnoscere. 



193 



£verts , ende kennisse des werds , lot mynre vormaeningen 
noch nymant gekommen en was , soe vraechden her Ëvert 
vorss. avermiU synen voerspreke eens gerechten oerdels, 
want alle vorss. zaeken alsoe richllike vor mj geschiet 
ende gegaen weren , off ick dan ock schuldich weer hem des 
schyn ende brieve te geven daer medde hie die beschynygen 
mochte in anderen gerichten, off hem des noet weer; welk 
ordel beslaedt waert an Gelys Iseren, de syn beraet nam ende 
wysden vor recht: want dit richllike vor my geschiet weer , 
soe weer ick schuldich beren £verde des een schyn te geven 
soe wanneer hie des an my gesunne. Ende want dat ordel 
nyet wedderspraken en wert, soe toech Heer Evert des ter 
oerkonde ant gerichte ende gerichlslude; ende eyschede van 
stont an in den soluen gerichte Steven van der Loe, als enen 
oversten ende hoechsten richter des hoegebaeren dorluchtigen 
fursten y myns lieven genedigen heren , des hertogen van Gelre , 
te richten over lyff ende eer ende Arnt van der Dernhorst , als 
enen ouersten ende hoechsten richter des edelen hoemechtigen 
Joncker Everwyns , Greven tot Bentem , ock Ie richten auer lyff 
ende eer ende begeerden dat sy medde seyn ende boeren wolden 
wu de vorss. personen laueloss , segelloss , eerloss , truwloss ende 
zekerloss geworden weren , want sy nyet geholden en bedden 
dat ghoent dat sy bi oerre eren ende sekerheit in gerechten 
eelstat gesekert ende gelaeft bedden nae wtwysen der brieve 
de hie daer van bedde; ende dat de vorss. richters daer voirt 
to doen ende dat brengen wolden, des sie schuldich weren te 
doen ende da^ sie dat schuldich weren te brengen van oerre 
ede ende ampls wegen. Des de vorss. Richters oeck oer oer- 
konde ende tuchnisse begheerden an den echten rechten vryen 
scepenen , de in den solven gerichte tegenwerdich stonden , dat 
mit hem te sien ende te hoeren ende des getuych te geven 
tot steden daer des noet geboren mocht. Daer dit geschie- 
den weren mit my auer ende an als gericbtslude Zelle Kep- 
pelman ende Andries Iseren ende meer lude genoech. 
In oerkonde des heb ick Alphert Schimmelpennynck Schulto 
DL. X. 13 



194 



vorss. myn segel an desen brieve doen hangen ende vmmc 
der meere vestenisse willen hebben wy Zelle Keppelman 
ende Andries Iseren als gerichlslude vorss. onse segele medde 
an desen brieve gehangen. Gegeven in den jaer ons heren 
dusent vierhondert ende vyflich vp donredach nae Dominica 
Exaudi. 

Minute op papier, waarin ligt de oorspronkelijke wete van 
den Scholtus op Donredach na Dominica Cantate, op papier, 
waarop drie zegelen zijn gedrukt geweest. 



BULAGE ¥1. 

(blz. 99). 

Evert Asse raadsvriend van Zutphen geeft volmagt aan 

Willem van Veenhuizen om voor den vrijstoel te 

Lymborch zijne xaak te verdedigen, 1450. 

Wy Burgermestere Scepene ende Rael der Slat van Zut- 
phen doen kont aepenbaerlik tuegende auermits desen aepe- 
nen brieve, dat vor ons ende vor echte vryscepene des heil- 
lige Byks, hyr nae bescreve, gekomen is Evert Asse onse 
lieue medderailsgeselle ende heft vor ons richtlike in der 
beste wysen ende maele des rechten he solde, konde ende 
mochte, lot synen gerechten procuratoer ende bevelsmanne 
gesel, gemachticht ende gemaeckt, setlet, machtiget ende 
maeckt vermits desen aepenen breve Willem van Yeenhue- 
zen onser Slat gezwaernen baeden , toner dezes breifs , van 
synen wegen ende in syncn naemen te vorschynen vor allen 
stoelheren, vrygreven ende vryenscheppenen des heilligen 
Aoemschen Bycks ende vor allen vryenstoelen ende vryen 
benken , ende sonderlinge vor den stoelheren , vrygreven ende 
vryenschepenen des vryenstoels lot Lymborch , Evert vorss. 
soe hie daer vor daeget was, syns lyffs eren ende guets al- 



195 



daer te vorantwerden ende bynnen of buien breiffs vor Evert 
vorss. geloeuen te doen ten eren ende te rechte, daege te holden 
nae vryesloelsrechte, ook vor Evert vorss. ede Ie doen ende Ie 
nemen ende voirt gemeynlicken als een gerecht volmechtich 
procuratoer Everls vorss allet te doen ende te laeten wat 
Evert vorss. selfs doen solde , kunde endemochte, offhiesolfs 
legenwerdich ende vor oegen weer ; ock mit volre macht deses 
voert enen off meer anderen gueden mannen ende procura- 
toren te mechtigen, ende sonderlinge mit volre macht, off zaeke 
weer dat es Evert vorss. noit weer te appelleren an den Roem- 
schen Konnynck off synen steddeholder , alsoe ducke ende 
vaeke als des noet weer ende de appellacien te vervolgen 
ende ander luede , sie weren wie dat sie weren , van Everts 
wegen te doen laeden ende an te spreken vor allen ge* 
richten geistlik ende wertlik, daer Everde vorss. des tedoene 
weer. Ock soe laefden Evert vorss. vor ons vast ende slede 
Ie holden allet wes Willem vorss. off de ghoen den hie des 
voirt gemechlichl hedde, hyr inne doende offlaetende wurde 
sonder alle argelist. Hyr weren mit ons aeuer ende an echte 
vrye scepenen des hellligen Rycks, mit naemen Andries 
Kreynck, Henrick Houeken ende Ernst Koytenbrower ende 
meer iuede genoech. In oerkonde des hebben wy onser Stat 
secreet onder an desen breiff doen hangen. Ende wy Andries 
Kreynck , Henricus Houeken ende Ernst Koytenbrower , echte 
rechte vrye scepenen des heilligen Rycks , want desen mech- 
tich breif alsus vor onsmedde gegaen is, soe hebben wydes 
te vorder veslnisseonsesegclemedde an desen breiff gehangen. 
Gegeven in den jaer onses heren duesent vierhondert ende 
vyflich op maendach na sunte Remeysdach. 

Op pergament met vier mthangende zegelen, waarvan dat van 
Andries Kreynck thans afgevallen. 



13' 



196 



BUriiAC;!! ¥11. 

(blz. 99.) 

Uittreksels uit eene rekening der Stad Zutphen, betreffende 

een overigens onbekend regtsgeding voor het Veem- 

gerigt. 1450. 

Des dinxdages na Lucie Yirginis meyster Henric onse se- 
cretarius lo Deventer aen den Officiael , om een citacy to ma- 
ken, daer onse statArent Gleynsmyt mede cytiren wolde voer 
dat ghyeslelicke recht , want hy onse schepenen als Johan 
Kreynck enz gheladen had aen dye vrybanck. verteert to 
samen I ^ IIII ss. 

Item Henric Koelsack to Deventer tot tween malen an 
den greven van Bentem om onss sinen vryen stoell to ape- 
nen. verteert IIII^ YII ss. 

Des vrydaghes nae Grucis exaltacio Zeelman Keppelman , 
Willem Lerinck ende meyster Henrick onse secretarius lo 
Deventer, om des brives willen den sie gheworuen hadden 
van den legaet rurende van der Veem , woe men dey berych- 
ten solde, verteert mitter presencien III ^ III ss. 

Des daghes na nieujaerssdages ghescenct meyster Gosen 
Marquart den onse stat hier gheschreeven had mit hem to 
beradeneals van der Veem een ghelach van YII quarter, die 
quarte YI lew maket I « XYI ss YIII d. 

Des sondages na Ascensio domini YYillem van Yeenhusen 
mit 1 brief to Hoghe Limbergh an den vrygreven die Johan 
Kreyng, Gheryt Ylrix, Henric Kaelsack ende YVillem Lerinck 
een waerninghe ghedaen hadde , III $ XYI ss III d. 

Des donredaghes na Laurencii Gheryt to Winckel to De- 
venter om des greven van Bentem sinen vrygreven daer lo 
wachten inde hy wachtede daer twe daghen , YIII ss YI d. 

Dye selue Johan (Hudemaker) vp onzer liuer vrouwen 



197 



dacb Assumpcio mit 1 brief lo Deventer an onzen heren van 
Vlrecht rurende van der Veenn , IIII ss IIII d. 

Des maendages nae Pinxteren Wyllem van Yeenliusen ende 
Gheryt lo Winckel lo Hoghe Limbergh an den vryenstoell 
ende to Zwyerle om sake wylle so ghedaghel weren Johan 
Kreyngh, Gheryt Vlrix, flenrik Kaelsack, Wyllem Lerinck, 
daer onse boden voerss. gude mannen op oeren dach behueiT- 
dendie saken to verkallen, dal cosle to samen milten bade- 
loen XXX « VIII ss VI d. 

Item ghegoiden voer den Pasloer van Zyborch in sinre 
berberghe tot Herman Bernerss huess die hier was so als 
Johan Kreyng elc gheladen weren als van der Veem , II ^ 
VIII SS. VI d. 

Des maendages na Petri ad Vincula Ghert lo Winckel mit 
briven to Westhaven ende to Limborch an dye vrygreven 
ende an dye gude mannen, om sake ^il so Johan Kreyng 
etc dye daer gheladen weren ende koste dye reise XXXIII 
^ XI SS. 

Item gegeven Herman Berner , als van des mansswegen den 
die van Batenborch hier gheschicket had , als van der Veem 
dat hy verteert had in der lierberghe I iè XIII ss. 

Op den selven dach (sondages na onse aQaet) doe quam 
hier die greve , den die van Batenborch heer gheschicket had , 
die ghereden was an joncker Gheryt van Cleve , dye by sich 
schreeff dye vrygreven , die Johan Kreyng elc. ghedaghet 
hadden an die vrybanck , om dye te onderwysene dat sie dat 
affstalden, ende die reyse kosle LXV « V ss. 

Des maendages na onser vrouwen Naliuitas Herman van 
Koessveldt was mit briven an dye slat van Koessvelt ende 
an die Procuratoren die daer weren van wegen Johan Kreyng 
etc. den daer oen dach van eren ghelecht was als van der 
Veem, dat van oerre wegen daer verwaert wert, hem mede 
ghedaen XIII Postulaets gulden , maket XXII « XVIII ss. 

Ghegeven Her Egbert Vssen van beveel der schepenen 
doe hy to Romen toech IIII enckel Rinssche gulden als 



198 



om to verwaren die sake an den Paewes , als van der bullen 
rurende van der Veem, maect IX €? XVIII ss. 

Item doe Johan Kreyog elc. ghesant hadden den graeven 
van Koessvelt mei Ghert Toriïken an die vrybanck toe Yyi- 
ghesle, hem mede gedaen toe teerghelde IllI Poslulaets 
Rinssche gulden ende X vlemsschen. Doe wert den selven 
vyren voergen. dach ghelecht to Koesvell van den vrygreven 
van Vylghesle gheheyten Denric van Weerdinchuzen. Makel 
X « IX SS VI d. 

Item doe dese vier voerss. oren dach to Goesvelde leten 
hoelden , daer ander vrygreven by quemen ende die raet van 
Koessvelt ende onser vrende procuratores , hem doe naghe- 
sant den weert van Goessvelt VIII rinss guldens , die sie 
schuldich weren ghebleven in der herbergen , makel XIX '^ 
XVII ss III d. 

Item doe die dach weder van Koesvelt ghelacht wert an 
die vrybanck to Vilghyeste , daer die absolucie gherichllick 
ghewonnen wert voer onzen vrenden voerss. daer voel vrygre- 
ven endde schillber mannen by weren, daer Gheryt Torflken 
mede ghesant was , dat cosle to samen met Gheryt Torffitens 
teringe ende bodeloen XXII postulalus gulden en I rinssche 
gulden nae inhoelt der cedelen die Gheryt Torflken mede- 
bracht van den Procuratoer , den Pasloer van Zybargen , makel 
XLI « IV ss IX d. 

Item den vrygreven Henric van Weerdinchuzen XVI Rins- 
sche gulden voer die absolucie , makel XXXIX f^ XII ss VI d. 

Item den Pastoer van Zybargen ende anderen greven die 
dese sake bearbeyt hebbem hem to liefnissen ^) ghescenct an 
ghelde ende an cleynoden IX rinssche gulden ende \III pos- 
tulalus gulden, makel XXXVI « VII ss YII d. 

Bekening der Stad Zutphen over 1451. 



1) Lic/uis, geschenk, vereering 



199 



BIJL» A GE TIU. 

(blz. 102.) 

Stukken betreflende een regtsgeding voor het Veemgerigt 

tusschen Reyner ter Braeck Arniszoon en Andries 

Yseren GerrUszoon en consorten, allen burgers 

te Zutphen. 1449—1451. 

a. lek Herman van Kukelsson, in der lylGhogreve vnd 
richter in den veste van Harstehusen , doe kundich allen for- 
slen , heren , edelinghen , riltern ind knechten , allen fryen- 
greven, erbarn steden ind amplluden, ind allen echten rechten 
fryenschepenen , die dessen brieffmoghen horen lesen, dat op 
dach data desses breves voir my, dair ick sat in enen ghe- 
hegheden gherichte myd Johanne Wulfferde to der tyt bor- 
ghermeisler to Goesfelde ind Fredericke Rauene koirnoeten 
ind bysitters des gherichts , gecomen is Reyner ter Braick 
Arndssonne vnd heuet aldair voir ons gbeoghet , ghetoghet 
ind lesen laten enen apenen beseghelden gherichtsbrieff inhol- 
dende van woirden to wroirden so hir na bescreven steyt 
Judende aldus: 

Ick Arnd van der Derenhorst , in der tyd frygreve desRo- 
meschen rykes ind des edelen myns lieven ghenedigben 
junchern juncker Everwyns greven to Benlhem ind heren 
to Steynvorde ind des fryensloels to Weteringhen , doe kun* 
dich allen fursten , heren , riltern und knechten , allen fryen- 
greven ind fryen echten schepenen, erbaren sleden ind ampl- 
luden, die dessen brieff moghen zeen of horen lesen , dat ik 
op dach datum desses breves myd Johanne van Wullen, 
Bernde den Duker, Wylleme Boerdewyke frygreven den 
fryenstoel to Weteringhen des Edelen myns lieven juncheren 
vorss myd ordele ind myt rechte ghecledetind beseten hadde 
to richten auer lyff ind ere, dair voir ons quam Reyner ter 



200 



Braick Arnlssonne royi wali beseghelden richtlikeD schinen , die 
aldair voir ons gbetogbet ind ghelesen woirden , dairmede he 
bewisede dat Andrees Ysern Gherylssone, Reyner ter Braick 
Johanssone, Johanvan Hollbusen, Lamberle Mues, Byquyne 
van der Yoerst , Gheryd Tibben ind Jobaa Smyt Ludekeossone , 
dat se royt ordel ind myt rechte verfemet ind ali oirre eren ind 
oirs rechtes verwunnen ind veruoerl sind na des hilghen Ro- 
meschen rykes achte rechte. Alsodalwy ind alle rechte echte 
fryschepen ind alle frygreven eme schuldich sind to helpene 
ind bystant to done to synen ghewunnen saken ind rechten , 
dat dessen verwunnenen, veruemeden, verfoerden, ecbtlosen, 
recbtlosen ind eerlosen loden oir recht geschee na inholde 
synre breve, die ^y dair seghen ind boerden lesen, ind dat 
desse breve aldus voir ons in ghericht gheoghet, ghetoghet, 
ind ghelesen sind ; des wylle wy frygreven to rechte staea 
oir dair jemand teghen segghen wolde. Hyr synd myd ons 
in gherichle by an ind over ghewesen erbair scbillburdighe 
mans myd namen Joban Voet, Johan van Senden, Wolter 
van Honster, Herman ind Herman Stryc, Goep van Ghoe- 
delinchem, Bembert van Lasterhusen, Antbonys Pulsien, 
Gerd ind Albert van Scheven, £rpp van Rene, Florekea 
Raven, Herman van Peyse, Thelmanus Merckx, Wessel 
Peperlake ind vele meer vryschepenbairmanss; des to tugbe 
der wairheid so heb ick Arnd frygreve vorss in eyn tuech 
des ghericht minen seghel an dessen briefT ghehangen vnd 
want wy Johan van Wullen, Bernd die Duker ind Wylleni 
Boerderwyck frygreven vorser, dat gherichte mede beselen 
ind die breve mede gheseen ind gehoert hebn, des wy staen 
willen, sobebbe wylo meerrer tughe onse seghele mede an 
dessen brieiTgbehangen.Dalum anno domini MCCCC quinqua- 
gesimo primo feria quarta post Yaientini. Vnd want wy Her- 
man van Kukelsson ghogreve ind richter, Johan Wuliferdes 
ind Frederick Raven koernolen des gherichts aldusdanen 
briefT so voiscr. sleyt in enen ghehegheden gherechte gheseen 
ind ghehoert hebn , dair oeck myd ons by an ind over sind 



201 



ghcwesen ersarne fryschepeabair mans, Gbodeke Merschroan , 
Gherd Eremer , Goessen Koenynck ind meer gude mans so 
hebbe wy in eyn tuech des gherichts onse seghele an dessen 
brieff gbehangen. Datum anno Domini MCCGC quinquagesimo 
primo feria sexla post Yalenlini Martiris. 

Op pergament, voorzien van drie uithangende zegelen in 
groen was. 

6. Wy Frederick von Gaets genaede Roemsche Konynck , 
lo allen lyde merer des Rycks , hertog lo Oeslerick, loSteyr, 
lo Kernten unde Crain, Greve to Tiroll etc. 

Doen Burgemester unde Raede der Stat Zutpben to wee- 
ten dat onse procurator fiscalis uns voerbrachtbeft, wy gy wt 
schriven ende bescbuldegynge etliker, de sich noemen vry- 
greven, Andries Iseren Gerytsz. uwen medderaitsgesellen als 
ondoegich ende unwerdich van uwen geselschap ende ampte 
wtgescreven ende ontsat hebben, wo wal he sich verhoeden 
hebbe dal he sich solker bescbuldeginge rechlichlik wolde 
verantwerden unde daer van renigen. Daer to gy oen doch 
nyet hebben laeten willen komen; deme selven Andriese to 
smaeheit , onrechlen unde nyet kleyne verseronge synre eren 
unde geluedes: beft daer umme up u claecht ende rechts 
weder u begeert. Daer umme soe gebieden wy u , dat gy 
noch in den naesten sees wecken ende dreen dagen , nae den 
dach unde u dese breif geantwert wert, den vorgenoempten An- 
dries Iseren wedder insethen ende weddergeven geheliken syner 
eren ende ampts als he gewesen is, eer gy oen daer als voer 
staet ontsat hebben. Ende menen gy dat he solke bescbuldeginge 
hebbe uwe medderaitsgeselle nyet syn en sulle, daer umme 
soelaet oen tot rechlliker antwort kommen ende brengh dat 
ten ende dorch recht, want dede gy des nyet in deervoerge- 
satten tyt, soe eyschen unde laeden wy u , nu alsdan ende 
dan als nu dat gy up ten dreensestichsten dach den naesten 
nae wlganck deer voergenoemden sess wecken ende dryer daege 



202 



der solven daege wy u XXI vor den ierslen, XXI vor den 
anderen ende XXI vor den derden ende lesten richlsdach 
peremplorie sellen unde besebeden , ende ofT de solve dacb 
nyet een gerichtdach syn en wurde, upten naesten gericbt- 
dach daer nae, voer ons eder deme den wy dal in onser 
stede bevelen, waer wy dan ten maele in deme Ryke syne 
weerde, vor onsen Roninckliken kamergericht , avermits uwe 
volraechtige anwalt ende procuraloer erschynen , unserne 
procurator fiscaele syner voergemelden claege ten rechten lo 
anlwerden, went gy ersschynen alsdan alsoe off nyel , nyet 
de myn wirl hyr inne vollenfaeren ende gescheyn dat recht 
is, daer nae wetet u te richten. Gegeven to Weyn up ten 
XXYIII daege des maends September nae Cristi geboert 
vierteenhundert ende in den een en vyflichsten jaer ende 
onses rycks in den twelflen jaer. 
Ad mandatum Domini Regis Michaêl de PfuUendorp. 

Oorspronkeiyke brief, op papier, in het Archief te Zatphen. 

c. Wir Friderich von Gotes gnaden Komischer Konig , zu 
allenlzeilen merer des Keicks, Hertzog zu Osterieh, ze Steir, 
ze Kernden vnd ze Krain, Gravezu Tirol etc. Embielenvn- 
sern vnd des Reichs lieben getrewn Rurgermeisler vnd Rate 
der Stalt Sutphen vnser gnad vnd alles gut. Lieben getrewn! 
£s wirdet ew hiemit geantwert ein vnser Kuniclich ladung- 
brieff an Reyner Terbraeke Arntsone vnd Heinrichen Hop- 
penbrouwer, der sich nennetfreygreff, lautende, Emphellen 
wir ew von Romischer Koniclicher macht mil disen brieve 
ernstlich gepielende, daz ir dieselb ladung durch ewren ge- 
svvoren Stalbolen dem vorgenanten Reyner vnd Heinrichen 
von vnsern wegen antwortet oder verkundet vnd denselben 
boten bei seinem £yde aigentlich verhort auf welchen tag 
WO vnd wie er in dieselb ladung geantwort oder verkundet 
hab, vnd vns solichs vnder ewer slatt insegel zu schrei- 
bet vns in dem rechte darnach wissen zu richten. Das ist 



203 



vnser ernsle maynung vod bit vns auch dar an em gul ge- 
vallen. 

Gebea zu Gretz an sant Andreslag nach Krist gepurt 
viertzehen hundert vnd in ainem vnd funfllzigisten vnd vn- 
sers Reichs in zwoifïten jare. Ad mandatum Domini Regis 
Vdalricus Wallzli. 



Oorspronkelijke open brief, op papier, waarop achter een zegel 
is gedrukt. 



d. Ich Renhart van Braeck Arnolls sone kunt in kraft 
diss brieves , so als ich van den allerdurluchligslen iurslen vnd 
heren heren Fryderichen Romschen Konig , vnser allergnedig- 
sten heren, als von clag wegen Andres Iseren van Zutphen 

sine Kongliche gnaden oder Koniglichen gnaden com- 

missarien mich zu id anlworlen geheischen vnd geladen byn 
nach vsswisung der Konigliche ladung mir vberantworlet ; 
wanne ich nu mich selbs personlich in desen ziden vnbe- 
quemlich verantworlen mag danno so gebe ich mynen ganlze 
folkomenen gwalt vnd macht in kraft diss briefs Conrade 

fiiliung gênant Schullhen procurator des Konglichen 

haues vnd furter iglichen vnd iglichen andern dem oder 
denselber Conrade Billung diss myn macht gebet vnd sub- 
stituirt , so er auch zu subliluiren , ander zu setzen , zu 
reyde rullen macht haben soli zu synen willen vnd gefallen : 
vnd was der gênant Conrade Billung oder syn substituten 
gegen den vorgenanlen Andries Iseren oder iren iglichen zu 
iren clag von] meynen wege antworlen oder sie beclagen, 
auch ladung vIT sie nemen, das alles ist myn bevelhe vnd 
gantzer wylle vnd soll mich auch bynden in allermass als 
ich dass vor unseren aller genedigsten heren Romsche Konig 
siner Konglichen gnaden commlssarien vnd gerichten selbe 
in eigener person gegenwertig veranlwert claget handelt 

oder ladung nome vnd will das anog also vol- 

furen fesle vnd stede hallen zu greyn vnd in 



204 

allen rechten zn orkunden een stel zu ferf ugen 

hab ich myn insegel an desen brieff gehangen vnd zu me- 
rer gezugniss gebeden 

Gelijktijdige minute uit de vijftiende eeuw, met veel door- 
halingen. 



BIJIiüCiE IX. 

(blz. 105.) 

Verdrag lusschen Heer Hendrik Heer tot fVisch en de 
Stad Doesborgh over hunne wederzijdsche vorderin- 
gen , waaronder ook eene vordering door den 
Heer van Wisch bij het heimelijk gerigt 
aangebragt. 1458. 

Op huden datum desser cedulen is verdedingt avermils 
den boghebaeren doirluchtigen Ffursl Hertoge van Gel re ende 
van Gulich ende Greve van Zulphen , mynen gen. alrelieff- 
slen heren , ende deels synre gnaden Reden , lusschen heren 
üenrich heren to Wysch Drosset des lantz van Zutphen aen 
die eyne ende der Stat Doesborch an die ander syde van 
all sulken twisten sy the hanlz mit malkanderen hebn. Te 
weten dat here Henrich here to Wysch ter stont in myns 
gcnedigen heren handen loss^ ledich, quyt, gescholden heSl 
Henrich Rouer Burger tot Doesborch, denhy gevangen hadde, 
ende myns heren genaden schelden denselven synre genaden 
burger so voirt quyt van der gevencknisse ende anders niet , 
voirt sall tesser tyt alTgestaelt syn die anlanginge des stil- 
len ofif heymelicken gerichtz , dairmede here Heinrich vurss. 
die slat off burgeren von Doesborch angelangt mach hebben 
off ain doin langen , ende alsulcken gericht als hy vytter stat 
van Doesborch tesser (yt gelacht hefft , sal hy nv van stont 



weder dair bynen leggen beheltlich doch myDea genedigen 
heren syner herlicheit ende rechte dair ain onverechlerl , 
onverkurt ende onvermynret Ie syn ende Ie blyven sonder 
argelist. Yoirl is clairlich mede bededingt van alsulcker an- 
spraken ende lichten ^) here Henrich here to Wysch am den 
van Doesborch meyntte hebn, dat hy dairvmme off die stat 
van Zutphen den Burger meisleren Scepenen ende Raet der 
selver slat van Doesborch bynnen desen naislen halven jare, 
wanner hem des genuegt , vierlien dage te vorens schrydlich 
verkondigen ende eynen nementlicken dach leykenen moge^ 
op welken dach die hem also benoempt wurdt sy als dan 
tot Zutphen komen soilen voir der Stat gericht aldair, ten 
rechte te antworden ende then rechten voirt te stain van 
hore stat burgheren ende hoir selffs wegen , op al sulcken 
anspraken hy als dan am sy off oerer enigen leggen sal wor- 
den , tho lyden ende to doen , des die scepenen van Zutphen 
alsdan voir recht dairop nae anspraicken ende antworden 
wysen , dair beide parthyen voirss. lerstont die slat ende sce- 
penen van Zutphen vmme bidden soilen dit also ain te wil- 
len nemen ^ ende en wolden sy des oick niet ain nemen off 
dal sy dat sonder eynde van sich wysende wurden , so solde 
here Henrich here to Wysch voirss. weder opt nye mogen 
vorderen syne anspraicken ende lichten, gelyck hy voir mit 
recht doin moichte. Yoirt is clairlich mede bededingt dat 
die slat van Doesborch alsdan off thynden desen voirss hal- 
ven jaere desgelyken heren Henrich heren tot Wysch eynen 
nementlicken dach schryflelich beteykenen ende kundigen 
mogen voir mynen genedigen heren hertogen van Gelre 
vorss. Ie komen op ten selven beleickenden dach , oick te 
antworden of ainspraken of toeseggen die van Doesborgh 
weder op hem meynen te hebben , in maten sy lot Zulphen 
doen soillen ^ ende hier mede sollen sy alsdan genslich van 
den saicken gescheiden syn ende blyven, beheltlick doch 



>) Ticht, crimen et accusatio. KiUoên, 



206 



myDea gen. heren synre herlicheit ende rechlen in alie pun- 
ten ende all sonder argelisl. Ëode vrant dan dit allet gelyck 
vurss. sleet avermilz mynen gen. Heren by wille ende weten 
beide der parthyen in bywesen deels myns gen. heren reden , 
als nementlich des edelen myns lieuen jonckeren van £g- 
monde, heren Johans van Arendaile here tot Well ende tot 
Reide, heren Jacobs van Hackvoirt, rilters, Dericks van 
Oist, Derichs van der Horst ende Arnolds van Goer auersle 

Rentmeisters gededingt is Dess Cedulen drie alleyns 

der myn gen. here ellick partye eyn hebn geteykent in den 
jair ons heren Dusenl vierhondert acht ende vyftich des 
donredages na sente Luciendage, virginis. 

Gelijktijdig a&chrift op papier. 



BIJfliAGJBl X. 

(blz. 108.) 

Stukken betreffende het regtsgedifig voor het vcemgerigt 

tusschen Johan van Rutcenhave en de stad Zutphetu 

1459—1460. 

a. Wettel Wilhelm lerinck, Alphert Schemelpenning, 
Alphert Tyseren, Heinrich Tyseren, Heinrich Gerbartz son, 
Evert Das, Andres Greinck, Heinrich Creinck, Kolsack und 
vort Scheffen, Rait, und gantelichen die bysillers des Raitz 
der Stat Zutphen, guden frund; dat ich vp hude datum des 
brielTs besetten hebe stat und stull , den frienstull to Wic- 
kede mit vrdell vnd recht, lo richten in des hiligen Richs 
offenbaren friengerichte over lyff vnd ere, na frienstuls recht, 
dar vur my gekomen is de erber Johan van Ruwenhove, 
eyn echte rechte friescheffe des hiligen Richs vnd heffl my 



207 



swerlichen over yw geclagl, dat sich hoch treifend is an 
ywer ere vnd gelympff , darumb dat gy tegen syn recht , brieve , 
vnd sigell vnrechle partysche vrdell tuschen im vnd Gysbert 
van Wagensvelde gegeven vnd gesproichen sollen heven, dar 
mit gy in syn richt vnd gude affhendig gemacket sollen 
haben, des hem to grollen verdret, kost vnd verderffnisse ge- 
komen syn soll, mit villmer worden der clag, die erkant is 
mit vrdell vnd recht geburlichen an einen frienstuU to rich- 
ten vnd dat ich yw darumb vpnemen , heischen vnd richtliche 
plichtdag an den ergenanten frienstule lo Wykede legen 
vnd setzen soll, as recht is des friengerichtz. Uir vmb gu- 
den frunden! so doin ich as my mit recht affgewannen is, 
vnd verkundigen uch den Kichtdag mit dissein brieff vnd 
boden des hiligen Richs friengerichtz vnd gebieden uch van 
keiserlichen koningkiichen gewalt vnd macht der frienstuU 
vnd van wegen myns uit crafïl dis brieffs, dat gy komen 
vnd syent mit ywes selver lyffen to Wickede an dem erge- 
nanten fVienstuU lo rechter riclitzyt dagen des nesten dins- 
tagh na sint Martyns dagh Episcopi soh irst kumpt na datum 
dis brieffs, vnd veranlworden ywer lyff vnd ere na dem 
offenbaren friengerichte to y weren hochesten rechten legen 
den ergenanten cleger ais recht is. Dette gy des nicht, 
queme dan de vorgenante cleger ofïl syn vulmechlige pro- 
curator y oiï die den hem die sachen vnd clege vpgetragen 
hefil , vnd begerten van my gerichlz legen yw , so muste 
ich , oift eyn ander friegreve in myner stelle , de asdan 
den offt eynen anderen frienstuU mit willen des gerichtz 
besillen wurde, richten over ywe lyff vnd ere als recht 
were, dat yw sware vallen vnd komen mocht. Dar na 
wellen yw lo richten vnd dat swar gericht to verhoeden. 
Ynder myne insigel van gerichtz wegen. Gegeven an nes- 
ten dinstag na unser lieve frowen dagh natiuitalis anno do- 
mini MCCGCL nono. 

Herman van den Bom frigreve in der frienkrummen gra- 
veschappe lo Wickede. 



208 



(Opschiifl) Aq Wilhelm Lerinck, Alphert Schimmelpen- 
ning, Alphert Tyseren, Beinrich Tyseren, Beinrich GerharU 
SoD, Evert Das, Anders Creinck, Beinrich Greinck, Kol- 
sack, vod vort all scheppen vnd gantzen rait der slat lo 
Zutphen, weltliche manspersone, die nicht friescheppen en 
synt der Grien beimlichen gerichlen, allen myne guden frunden. 

Oorspronkelijke brief op papier , waarop een zegel is gedmkt 
geweest. 

b. Eersamen und bisunder guden vrunde! Als ghy uns 
gescreven hebt, vronlliken begerende de erberen stoilheren 
vieder Johan van Ruwenhoven to underwysen, dat se em 
selfs unkost und arbeit und juw unrechten und moyenisse 
verlaten, und off des nicht syn en mochte, dat wy imdan 
urn sulke ungheborlicheit und unrechte beschriven willen, 
soe uns dat na gelegen is, daer ghy uns dan underwysinge 
der saken und procuraloria in geborliken formen to senden 
willen, gelyk de selve jvwe breeff vurder ynneheldt, heb wy 
goilliken verslaen. Und begeren juw dar up to weten, soe 
wes wy juwer erberheit io willen doen mochten, dat wy dat 
mit guden willen gerne doin, und hebn jw to leve darurab 
gesproken mit den stoilheren in den besten wy kunden und 
mochten, de dan vort gesproken hebn mit Johanne van 
Ruwenhoven dem kleger umb sulke verbodinge an jw ge- 
schein ave to stellen, des se nicht an eme gehelen en kun- 
den, dat he dat mit willen doin wolde, soe heb wy uns 
doch darup bedacht» dat id nutter were dat juwe ersamheit 
dat mit rechte heyle verantwerd , dat men Johanne vurss. dar 
toe dringen solde ave to stellen, want he anders wol an den 
stoilheren sokeu mochte de eme ouch gerichte deden, dar 
met en weren ghy dan der sake nicht wol entledighet: und 
is darumb unse meyninge und gude raid, dat ghy iwene 
vulmechtich hyr tot uns schicken wolden mit eyne procura- 
torium dat van werde sy, und ouch mit eynen schyne, dar 



209 



ghy ynne ghewairt hebn vur den edeln heren vau Wisch 
und anderen twen off dren erberen fryscheepenen , dal ghy 
up juwen tyd geborlich recht gewyset hebn in der saken na 
juwer stad rechte und gewoenle und unpartyelich. Asdan 
hopen und getruwe wy denghenen den ghy hyr alsoe schic- 
kende werden , inredich und behulplich to syn dat iw de 
loss und quyt dedingen solde van deme gerichte, sulks jw 
altyt deynt off iw dergelyken mer geschege; und wen ghy 
hyr alsoe tot uns schickende werden, den wilt uns schicken 
drey off veir dage vur den gerichtliken dage , dar yne will 
wy dan gern dat beste doin. Unse here God sy mit iw altyt 
tot uns gebeden. Gegeven des satersdags na sunte Benedic- 
lus dage under unsen secret anno LX, Proconsuies et Consu- 
les Tremonienses. 

(Opschrift) den Ersamen Burgemesleren , scheffen und raide 
der stat Sutphen, unsen besunderen guden vronden. 

c. Wy Heinrich here to Wische Ritter und Droste 'slan- 
des van Zulphen, Johan van Holthuesen end Geryt van Os- 
senbroeck echte rechte vryscheppene des heilligen Romschen 
richs , doen kunt allen luden ende sunderlinge v Herman van 
den Borne vrygreve der vryenkrummen grafschaffl tot Wic- 
kede ende tugen aepenllick ende vestlick op vnsen eet , wy 
dam hilligen Ryke gedan hebben. Alsoe gy van clagen we- 
gene Johans van Ruwenhaeven hebben doen eyschen ende 
verbaeden de ersamen Henrick Kolsack, Evert Asse, Willem 
Leringk, Henrick Kreynck ende Alphert Schymmelpenningh 
ende vort alle scheppen ende gemeyne Raed der Stadt van 
Sulphen an den vryenstol to Wickede vorg. vme saken wil- 
len , dat sey tegen Johans vorss. recht breue ende ingesegele 
onrechte parthyesche oirdele gegeven ende gesproken sollen 
hebben tusschen Johan vorg. ende Gysbert van Wagensfelt, 
dar mede se Johan vorss. syn recht ende gut affhendick ge- 
maket sullen hebben, want gy vrygreve vurss. dan deels 
vnge op ten verbotsbreyff gesat hebben de byn* 

DL. X. 14 



210 



nen Zutphen nit en woDen vnd aldar ne scheppea off raet 
gewest en hebben off ock noch en syn , ende deels deer oei- 
den de de wysinge lusschen Johan ende Gysbert vorss. vortydes 
gedan hebben, gestorven ende affliuich gewurden syn, ende 
deels jongen weder angekommen syn , dey dey wisinge nicht 
gedaen hebben, soe geven wie iw mil onderscheede to ken- 
nen , dat vor vns vryscheppen vurg. gekomen syn de Ersame 
Evert van der Vorst, Deryck van Dry nen, Andreis Yseren, 
Uenrich Kolsack, Andreis Yseren Toniszoon , Rense Kreynck , 
Evert van dem Walle, Willem Leringh, Evert Asse, Her- 
man Beroer, Henrick Kreyngh, Alphert Schymmelpenningh , 
Johan van der Capellen ende Werner Tolner, als de gboene 
de in den raede van Zutphen noch leven ende eynige wi- 
singhe lusschen den parthyen voiss. gedaen hebben^ ende 
sachten vor ons by oeren waren worden als gude manne 
ende zworen vort mit opgerichleden lyfïlikeu vingeren ge- 
stafeden eede lifïlick vor hiiligen als recht is, dat hem Jo- 
han vurss. sulke clage onwarheet ende beticht mit onrechte 
aeverdencketendeaeversecht ende se der aelingh onschuldich 
syn , want se op oer ede geboirlick ende onparlylick recht 
gewyst hebben tusschen Johan ende Gysbert vorss. na rechte 
ende gewonte der Stad van Zutphen. Vort syn vor uns geko- 
men de ersame Johan Kreynck Alphertszon ende Evert 
Scboldeman , als die ghon de na in den Raed komen syn vnde 
tusschen den parthyen vorss. geyne wysinge gedan en hebben, 
vnd sachten vor vns op eeren eet, den sey lyfflich dar to 
deden, dat sy de vurss. wisinge in der sladsboek geseyn vnd 
gehort hebben dat dey recht vnd geboirlich syn, vnd solde 
men sulke oirdele noch huden des dages wysen, se wolde 
sey ock also helpen wysen, als se vorlyds gewyst syn ^ sun- 
der all argelyst. Vnd want dese sake dan erve vnd gut an- 
drefft vnd bericht is der stede dar se mit yn rechte gehort 
ende sus Ireffiich bestediget is, als gy vrigreve vurss. nv ge- 
hort hebben , so wete gy wol dal iw in der sake nit en ge- 
hort te richten vnd geue v dyt in den besten to kennen op- 



21t 



dat gy uwen eeden vnd v selves nit to kort en doen vwes 
selves ]ast lo verhoeden. Orkunde des vnd all vorss. sake 
heb wy Heinrich here lo Wysche Rilter, Johan van Holt- 
huesen vnd Geryt van Ossenbroeck vryscheffen des hilligen 
Komschen ricks vurss. alle vnze segele an dissen brieff 
gehangen. 

Gegeven in den jarn vnss heren Dusent CCCC vnd sestich 
op den mandach na den hilgen Paschedage. 

Gelöktijdig afschrift of concept op papier, waarop op de keer«- 
zijde staat: Breve ende absolucien daer inne onse stat qwyt 
gewyst is van laedingen des hemeliken rechts. 

d. Ick Herman van dem Borne, eyn gewert richter vnd 
gebulder frygreve des Hilgen Riches vnd der fryenkrummen 
graveschopp, do kunt vnd beluge myt dussen oppenen breyve 
vor allen furslen, hern, greven, vryen, edelen, Rittern, knechten, 
steden , amplluden, richteren, reden vnd vort allen ersamen 
fryenscheffen des hilligen Ricks : dat ick op huden datum 
dys breyffs besael stat vnd stol den iryenstoll lo Wickede in 
enen fryen gehegeden gerichte gespannender banck , myt or^- 
dell vnd recht lo richten over lyff vnd ere na des oppen- 
baren f ryengerich les rechte^ den myt my besael vndbecledde 
dey Ersame Johan van Hulschede frygreve der fryengrave- 
schopp to Dortmunde vnd to firakell. Dar vur vns gekomen 
is dey ersame Johan van den Ruwenhoven, eyn echt recht 
fryscheffen des hilligen Richs, vermitz synen gewunnen vur- 
sprechen na des gerlchles recht vnd offende vnd liet seyn 
vnd horen lesen eyn ware copye sulks ladebreyves inhaldende 
wu ich Herman vrygreve vorgen. van syner clage van ge- 
richles vnd myns araples wegen vorschreven vorbot vnd ge- 
laden hebbe Wilhelm Lerynck, Alphert Schymraelpennynck, 
Alphert Tysern, Henrich Tysern , HenrichGerharls son, Evert 
Das, Andries Creynck, Henrich Greynck, Kolsack vnd vort 
scheppen vnd ganse rait genslich der Stat Sutfen vnd on 
enen ricbllichen pUchtdach op hude datum dys breyffs gesat 

14* 



212 



hebbe or lyff vnd ere to verantworn na inhalde des vorbotz 
breyffs on gesant: vnd der Yorgen. Johan dager vragede my 
dorch synen gewunnen vorspreken , of! ick em der vorbodinge 
bekentlich were , dar ich op antwerde yaich wer em derbe- 
kentlich. Dar op bat my dey vorgen. cleger Johan van den 
B uwenhoven dor synen gewunnen vorspreken, dal ich dey 
vorgen. vorclageden van Sulfen ineyschen wolde , off sey dar 
acht wem oder eymanl van orer wegen vulmechtich or lyff 
vnd ere to vorantwerden. Dat ich also dede vnd hebbe dey 
vorgen. vorclageden ingeischet na frrenstolls rechte. Also 
quam daer vor vns in gerichte die ersame Johan fiueck borger 
to Sulfen, eyn echt recht fryscheffen des hilligen Richs, vnd baet 
my vmb enen vurspreken, des ich eme vangerichls wegen gun- 
de. Dorch den selven synen gewunnen vurspreken brachte hey 
in gerichte eyn procuratorium van den wolgeborn heren hern 
Hinrich hern lo Wysch Rilier vnd Drosten 'slands van Sulphen, 
echt recht fryscheppen des hilligen Romschen richs als eyn 
richter vnd Johan van Hoillhusen vnd van Gerhart van Os- 
senbroek beyde echte rechte fryscheppen als gerichles lude 
versegeil, in welcken procuratorio die ersamen £verl van 
de Vorst, Derick van Drynen, Andres Ysern, Oeynrich KoeU 
sack, Andres Ysern Thomeszon, Ren^se Kreynck, Ëvert van 
dem Walle, Wilhem Lerynck, Evert Asse, Herman Berner, 
Heinrich Kreynck, Alphert Schy melpennynck , Johan van der 
Capellen, "Werner Toller, Johan Kreynck Alpherszon vnd 
ËverL Scboldeman alse Borgermester , scheppen vnd Raet der 
slat Van Sulfen vulmechligh gemaket bedden den vorgen. 
Johan Bueck , sey lo Wickede an den fryenslole or lyff vnd 
ere lo voranlwerden tegen den vorgen. Johan van den Ru- 
wenhoven op syn ansprake, clage vnd bylicht begreppen in 
dene vorgerorden vorbotzbreyve derselven vorgen. vnd alle 
dergene van Sutphen dey der clage to doin hebben vnd dat 
selve procuratorium wart in gerichte gelesen oppenborlik vnd 
vorhorl. Dar op vragede Johan Bueck durch synen gewun- 
nen vurspreken eyns rechten ordels. Na dem dat procurato- 



213 



rium ledegans wereanschryin, segel, pergamen, nicht radirt 
noch cancellirl vnd gerichllicken gegeven were vnd ok in- 
holde , wat Johan Buck in der sake dede vnd leyte tegen Jo- 
han van den Ruwenhoven vorgen. , dat hey des so mechtich 
were off sie all personlich dar selves an dem fryenslule 
weren, na inhalde desselven procuralorii myt meer worden 
begreppen. Dat ordell salie ich Herman frygreve vorg. an 
enen erberen echten rechten fryenscheppen des hilligen Riehs 
die dat an sich nam als recht is , vnd na anwysinge des umb- 
slandes myt gemeyner volge wysede dar op vor recht. Na dem 
male dat procuratorium were ledegans an segelen , pergaraene 
schryfide, vngeradirt, vngecancellirt vnd gerichllicken gegeve 
were , vnd inhaldende wes Johan Bueck vorg. dede vnd leyle 
in der sake legen den vorg. Johan van den Ruwenhoven , dat 
hey des so mechtigh were off dey vorclageden vnd vorbodden 
van Sutfen vorg. hir in gerichte selves personllchen wern, in- 
hald des procuralorii myt mer worden begreppen^ darumb 
wer dat vorg. procuratorium van vuiler macht vnd van werde 
na fryenstols rechte. Darentegen vragede Johan van den Ru- 
wenhoven vermitz synen gewunnen vorsprecken eyns rechten 
ordells^ synt dem mail Johan Bueck procurator der vorg. 
vorclageden van Sutphen vulmechtich gemaket were vnd die 
clage vnd sake na inhalde des vorbotzbreyffs an sich geno- 
men bedde vnd stonde also in der selven beswering vnd tast 
inhalde des procuralorii vnd na gyfflen des procuralorii wel- 
len wer geworden , off hey dan dar gut genoch lo sy , dey 
clage legen eme lo vorantwerden; wat dar recht vmb sy. Dat 
ordell sat ich Herman frygreve vorg. an enen erbaren ech- 
ten rechten fryenscheffen des hilligen Richs , dey dar op 
wysle myt gemeyner volge vur recht. Na dem male Johan 
Bueck procurator vorgen. nicht vorschreuen noch vorbodt 
were myt namen vnd tonamen na des fryengerichts vnd fryen- 
stols rechle vnd vor eyn vulmechligen procurator logelalen 
were wu vorgerorl is. en solle eme dal nicht hinderlicb syn 
vnd moge wol dey vulboUen vorclageden van Sutfen vorg. 



214 



Yorantwerden legen den vorgnanten cleger als des oppenba- 
ren fryengericbles recht is. Vnd als dat ordell also geresen 
▼nd gewyst was vragede dey vorg. cleger dorch synen vor- 
sprecken eyns rechten ordells, na dem dat hey vorg. procu- 
rator Johan Bueck so gut als syn clage nicht en kente noch 
meynde to syn, off hey dan in dem rechten icht geloven don 
solle dey so gut sy alse syne clage, ofil hey wes op eme wunne 
dar an hey sich des sekerlike bekomen mochte , wes dar recht 
vmb sy. Dar is op gewyst myt gemeyner volge vor recht. 
Na dem Johan Bueck stae vor enen vulmechtigen in ge- 
richte als dat to gelalen vnd beorkundet is na des fry- 
enstols rechte, so solle dey cleger syn ansprake vnd dage 
begreppen in dem vorbotzbreyve oppenen: wunne hey 
dan wes tegen den procurator der beclageden van Sul- 
phen vorg. , so en solle dey selve procurator des gerich- 
tes nicht rumen, hey en heb eme vmb sullich gewunnen 
recht gedaen wes hey schuldich worde vnd wes hey eme 
in gerichte nicht vornoigen kunde, dat mochle hey dan 
suken vnd manen van den vorclageden van Sutphen. Dar 
op oppende dey clager vorg, syn clage vnd ansprake; so 
wu dey vorclageden van Sutfen vorg. tegen syn recht , breyff, 
vnd ingesigell vnrechle partyesche ordele lusschen em vnd 
Gyselberte van Wagensvelde gegeven vnd gesprocken heb- 
ben, dar myLseycm syn recht vnd gude affhendich gemaket 
bedden , des hey to vorderfïlichen kosten vnd schaden komen 
sy , mer dan vmb vyffdvsent gulden. Darop vragede ich Her- 
man frygreve vorg. den cleger off syn wort so were ? Darop 
bereyt hey sich myt synen vrunden eyns, twye vnd torn 
derden male , spraek hey ya ! syn wort wer also vnd wolde 
by der clage vnd ansprake blyven. Darop antwerde Johan 
Bueck procurator vorg. vermitz synen vorsprecken; also dat 
alle dey vorclageden vnd vorbodden van Sutphen vorg. der 
clage vnd anspraken vorg. weren genslichen vnd allenck vn- 
schuldich, vnd leyt darop enen entschuldinges breyff den ynno 
sey scmentlichen vor dem wolgeborn hern flern Hinrich hem 



215 



to Wysch gesworn hebben lyfflicken ten hilligen , datseyder 
dage vnd ansprake vorg. vnschuldich wem seyn inhaldedes 
selven breyffs vnd vragede darop eyns rechten ordells, off 
dey entschutdinge vor den vorgenanten wolgeborn heren vnd 
Rilter vnd fryscheffen des hilligen Richs icht genoich sy vnd 
dey vorg. breyff na synen inhalde van vuiler macht , wal dar 
recht vmb sey ? Dar wert op myt gemeyner volge gewyst 
vur recht ^ na dem dey breyff nicht gerichtlichen gegeven 
were vnd dey breyff doch dey wolgeborn her to Wysch ril- 
ter vnd erber fryscheffen des hilligen Richs besegelt bedden » 
so leylen sey den breyff in synen wesen vnd wyseden des 
nicht van werde noch van uawerde, mer solde dey ent- 
schuldinge der beclageden van Sutphen vorg. van werde syn , 
gehorde dem vorg. procurator dar vorder to to done, dat 
solde hey don wye eme myt rechte dar to gewyst worde na 
fryenslols recht. Also vragede dey vorg. Johan fiueck pro- 
curator vermitz synen vorsprecken eyns rechten ordells; na 
dem dey breyff vorg. dar ynne dey vorclageden sich ent* 
schuldiget hebben wu vorg. is, nicht van werde noch van 
vn werde gewyst were vnd eme dan ordell vnd recht gegeven 
hedde vulraechtich to syn , off hey dan icht dey vorclageden 
van Sutphen vorg. intscbuldigen moge myt synre ede wat 
dar recht vmb sy? Dar wart op gewyst myt gemeyner volge j 
na dem dey vorg. breyff, dar ynne dey verclageden vorg. sich 
entschuldiget hebben als vorg. is , nicht van werde noch van 
vnwerde gewyst were vnd eme dan ordell vnd recht gegeven 
hedde vulmechtich to syne, so solle hey in dem rechten dey 
vorg. vorclagten van Sulfen myt syner vorderen hant vnd 
synre ede entschuldigen. Dar na vragede der selve Johan 
Bueck procurator vermitz synen vorsprecken eyns rechten or- 
dells ; so hey dan van wegen der vorclageden van Sulfen vorg. 
dey enlschuldinge don solle , als eme to gewyst is , wer hey dey 
allene off myt volgeren dey sementlichen vorclageden vorg. 
offl enen itlichen bysunder enUcbuldigen solle , wat dar rechte 
vnb sy ? Dar vp wart gewyst in vorg. mate dat hey dey 



216 



vorclagiea allen entschuldigen solle myt syner vorderen hant 
Tnd myt synre ede vnd en wolde eme dey cleger micht ver- 
laten, 80 solle hey eynen itlichen vorclageden bysunder ent- 
schuldigen myt synre ede , als recht , dat sey geyn partyesch 
vnd vnrecht ordell gewyst hebn , sunder dat sey hebben ge- 
ivyst na ers stades rechte vnd gewonheit : it en wer sake dat 
hey so nicht gelodet were sulcke entschuldinge in vorg. mate 
to done, so wart myt ordel vnd rechte gewyst vnd erkant dat 
hey dey entschuldinge don mochte. Vnd als sich die vorg. 
procurator dar to beredde to done als eme togewist was , so 
hevet der vorg. cleger Johan van den Ruwenhoven Gode to 
eren den stolheren vnd den erbern hern van Dorlmundedem 
vorg. procurator der eede sementlichen verlaten. Dar op 
vragede Johan Bueck procurator vorg. vormitz synen ge- 
wunnen vursprecken eyns rechten ordells; na dem male 
dey vorg. cleger Johan van den Ruwenhoven eme der ede 
als vorg. is verlatten heuet , off dat icht so bundich , krefflich 
vnd mechtlch syn vnd blyven solle im rechten, gelich als 
hey dey vorg. ede gedan bedde? Dar is op gewyst myt ge- 
meyner volge; so dey cleger vorg. myt synen vryen willen 
eme der eede verlaten heuet vnd hey sich dar to beret liedde 
vnd dat don mochle, so sydatin dem rechten so bundich, 
krefflich vnd van so vuiler macht vnd werde , gelich off hey 
dey ede der entschuldinge vorg. gedaen bedde. Vnd als dat 
ordell also geresen vnd gewyst was, vragede dey selve procu- 
rator durch synen vursprecken ens rechten ordels^ sint dem 
male dey beclageden van Sutphen myt rechten ordclen ent- 
schuldiget syn als recht is, wu vorgerort is, off sey dan ichi 
der clage , ansprake vnd ticht der vnrechlen partyeschen or- 
dell vorg. vnd ok van aller last vnd beswerynge dys vryen- 
gerichtes icht genslichen vndallinck vry, quit , ledich vnd lois 
syn vnd blyven sollen op allen steden, wat dar recht vmb 
sy? Dar wart op gewyst myt gemeyner volge vur recht; na 
dem dey beclageden van Sutphen vorg. myt rechten ordeln 
der clege, anspraken vnd ticht vorg. enlschuldigel weren vnd 



217 



sya na des fryenslols rechte so sollen sey vnd alle or nako- 
melingen der clage, ansprake, licht, dervnrechtenparlyeschen 
ordell vorg. ok beswering, iasl vnd bekroding dys vryenge- 
richtes genslichen vndoldeger fry, quit, ledich vnd lois syn 
vnd blyven op allen steden na fryenslols rechle, vnd worden 
sey dar vmb ymermer angelangel vor eynigen fryenstoü, ge- 
richt , oder anders , dar en syn sey van der vorg. sake wegen 
in den rechten nicht op schuldich lo antweren, so dys ene 

klerlike gerichtede sake is vnd eweliken blyven sall 

richlet by swaren penen dar lo geboren. Hyr vmb op macht 
dusservorg. punle, so absoluirevnd quitire ich Herman fry- 
greve vorg. dey vorg. sementliche vorclaglen van Sulphen vnd 
enen idliken bysunder vnd alle dey van Sulfen vorss. dey 
der clage lo done hebben, in craffl dysbreyffs van gerichles 
wegen vnd myns amplz, fry, quit, ledich vnd lois van der 
vorg. clage , ansprake vnd van aller last , vorbodinge vnd be- 
swerynge dys fryengerichles , so dat sey dar van vry, quit, 
ledich vnd lois gelalen syn vnd blyven sollen vnd allet sunder 
argelist vnd geferde. Alle dvsse vorg. ordele, artikel, slucke vnd 
punle vnd absoluiringe vnd quityryng syne togelalen , beor- 
kundetvnd besat myt der erbern rilterschapp, hern, dinck- 
plichligen vnd ander guder manne vnd myt dem ganzeu vm- 
stande des vorg. gericht , dar ordell vnd recht over gewyst is 
als des vryengerichtes recht is , op geyner stede lo wedder ach- 
ten by der swarsten wedde *) des hilligen Romeschen Riches 
f ryengerichlen als dar to gehort. Hir waren mede by , over vnd 
an gerichte dey erbern vromen vesten vnd ersamen Evert 
vnd üinrich van Wickede gebroder slulheren, Diderich van 
den Vytinchoue gnanl Nortkerk. Her Crisloffer flenxtenberch. 
Her Albert Cleppinck , nye vnd aelde Burgermeister to Dorl- 
munde, Diderich Norney, Evert dey Hane, Diderich van Ap. 
pelderbeke gênant Monnick, Herman Hackenberch frygreve 



1) De zwaarste wedde is hier gelijk te stellen met de zwaarste straf, 
en derhalve de doodstraf. 



218 



der fryengravescbopp lo Volmeslen , Herman vaa Weyrdinc- 
husen frygreve der fryeQgraveschofil Hamme Vnna vnd Ca- 
men, Johan Ovelacker to Appolderbecke, Johan Rodenberch» 
Heister Telman bussenmeister, Johan Limynck, Cort Natke, 
Lambert Loer, Henrich Dors^lelman, Renoll Wammel, Tho- 
mas yan Ynckel dey jonge, Joban van fireckel velde» Johan 
Ronlhert, Uinrich van Balve, Hinrich Rineharl, Johan Pop- 
pinck, Kersligen Rubort, Hinrich van Langenschede, Cla- 
wes Polgeyler, vnd vilmer echter rephter fryscheff genoich 
geachtel op hundert. Ynde des to getuchnisse der warheit 
aller vorg. punle heb ich Herman van dem Bom frygreve 
vorg. mynen ingesegell van gerichles vnd myns amptz wegen 
an dussen breyff gehangen. Vort enkenne ich Joban van Hul- 
schede frygreve der fryengraveschofft to Dortmunde vnd to 
Brakel bysitler dys vorgenanten gerichts vnd wy £vert vnd 
Hinrich van Wickedegebroder, Cristoffer Henxteberch , Albert 
Cleppinck vnd Herman Hakenberch frygreve alle vorg. dal wy 
hir myt by over vnd an gerichte gewest synt, geseyn vnd 
gehort hebben dat sich alle vorg. punte vnd arlickel so er- 
gangen hebben wu vorgerort is , vnd des to merer tuchnisse 
der warheit hebn wy vnse ingesegele myt guder witschoff 
myt an dussen breyif gehangen. Datum des nesten manda- 
ges na dem sondage misericordia Domini Anno Domini 
M**CCCC"LX"o. 

Oorspronkelijke pergamenten brief, waaraan thans alleen de 
zegels van Hinrich van Wickede en Herman Hakenberch han- 
gen, de overige afgebroken. 

e. Item so Jan Bueck van onsser stad wegen gesant was 
to Dorlmonde an den vryenstoel, dar onse stad geladen was 
van Jan ten Ruewenhave van Aernem om des ordel wille 
die hier van den van Aernem gehaelt worden , die onse stad 
gewiest had, dar onser stad dat recht van den vryenstoel 
van togewesen wart na vytwisingen dier besegelder brieve, 
die dar van sint, dat onser slat gekost hefit van teringen Jan 



219 



Bveckx eode Hermans van Zuest den iiie mede had enüe van 
lieffnissen gegeven dar des noet was , den stoelheren , den vri- 
greven, den vorspraken , den schrivers , ende vort dar den des 
geboerde na den rechle na inhoelt eenre cedelen dar van , 
dat sick to samen beloept tseslichschenhalven golden rins- 
schen gulden ; noch Herman van Zuest vor sin arbeit ende 
dat peerd dat hie gereden had Y ^ ende want men dese 
guldene voiss. wisselen moste tot enckelen goldenen gulden 
toe , sint die gerékent vor LX kr. maket I^LX! ^ XVI ss. 

Bekeniog der Stad Zntphen over 1460. 



(blz. UI.) 

Verklaring van twee vrijschepenen omtrent eene dagvaarding 

van eenige ingezetenen van Coesfeld ten verzoeke der 

Stad Groenlo gedaan. 1470. 

lek Albert van Suderhuess richter nv Ier tyd toe Gronllo 
van beuele des hogebaeren dorluchtigen forsten vnde heren, 
heren Adolphs herlougen van Gelre vnde van Gulich, vnde 
Greuen van Zulphen myns genedigen lieuen heren , bekenne 
vnde tuge in desen apenen breue vur allen lueden, dat vor 
my m eynen gehegeden gerichte dar ick stede vnde stoelt 
myt ordelen vnde myt rechte vnde myt den schepenen hyr 
na beschreuen beselen vnde gecledet hadde, gekomen synd 
Wyllem Weddinck vnde Ludeken Haernynck vryen myns 
genedigen lieuen heren vorss. de myd oeren guden vrien 
willen sachten vnde bekanden ende vort myt oeren vleisli- 
ken vpgerichten vyngeren gestaueder eede lyfüiken auer den 
hilgen hebt geswaeren ; dat se gewest weren an Bernt den 
Duker, vrygreven myns genedigen lieuen heren hertougen 



220 



van Gelre, vnde bedden van on gheeisscbet die laedcbreuen 
des vryenstoells ens deells borgere vl Goisfelde anlreffende 
vmb de to Goisfelde to brengen van wegen der stad Gronlio 
vnde dat de vrygreue vorss. den Iween vryen vorss. doe 
geantwort bedde , be bedde de ladebreuen all nae Goisfelt 
gesant myt tween anderen syr. vrien na vrienstoelz recbte ; 
ende dat doe dese twee vryen vorss. als Willem vnde Lu- 
deken den vrygreuen Bernde den Duker vorss. weder geant- 
wort bedden , des weren se wall to vreden , woet so bestelt 
were dat de van Gronlio dar yn mede bewaert weren vnde 
vnuersomelich bleuen , ende dat de vrygreue vorss. den tween 
vryen vorss. doe weder antworde ende sacbte: bedden de 
van Gronlio des enigen bynder off scbaeden an lyue , eer off 
an guede, dar wolde se de vrygreue vorss. van onlbauen 
vnde scbadelois balden , al soldet om dusent gulden kosten. 
Dyt geschacb alsamen bynnen Borken in Joban Spangertz 
bues , dar by weren Herman ton Oerde vrygreuen des edelen 
heren Henrik beren tot Gemen, Henrick Tusbues, vnde de 
wert selues Joban Spangert, de dyt roede geseen vnde ge- 
boirt bedden, dar an de twee vryen als Willem vnde Lu- 
deken dat beoerkundet bedden, als se mede in oeren eyd 
namen vnde dyt allet sunder argelist. In oerkunl der war- 
beit beb ick Alberl van Suderbues, ricbter vurss., myn se- 
gell van gerichtes wegen an dessen brieff gebangen , ende 
want wy Henrick Humynck vnde Henrick van Baer, scepe- 
nen to Gronlio byr mede by an vnde auer geseten hebben alse 
cornoten vnde gerichtes luede, soe hebben wy vnser slat 
segell mede an dessen brieff gehangen. Datum anno domini 
M^CCCCLXX® in crastino beatl Andree apostoli. 

Oorspronkelijke pergamenten brief, in het archief der stad 
Groenlo, waaraan thans alleen het zegel der stad Groenlo hangt» 
het andere is afgeyallen. 



221 



BiJLACïi: xn. 

(blz. 113.J 

Stukken betreffende het regtsgeding voor het veemgerigt 

tusschen Roelof Hondenberch en de Stad Zutphen 

benevens de schepenen Godart Barner en Arend 

Huurninck. 1484—1489. 

a. Wetet gudea vrunden , borger vnd inwoner semetlyken 
tho Zutphen, dat ick vp huden dach dato desses breves be- 
seten vnd becledet hadde stad vnd stoel den vryenstoel to 
Bartmarynck, belegen yn dem stichte van Monster in dem 
kerspel van Darvelde, myd ordel vnd rechte gespannender 
banck , tho richten aver lyff vnd eer als sich dat na insalen 
Keysers vnd Konnynck Karlen mylder gedacht in dein open- 
baren vryen gerichte vnd na vryenstoels recht geboert; dair 
vor my erschenen vnd gekomen ys de veste vnd slrenghe Ro- 
loif Hundenberch , eyn echt recht vryscheppen des hylgen 
Rykes , vnd hefft roy hoech angeropen vnd seer swerlyken 
clage over iw geclaget andrepende jw , juwen lyve, eer vnd 
gelymp , wo dat gy em vorvnlhoelden vnd nemen enen ten* 
den *) in vnentsachler veyden rayd enen alingen vnrecht , wel- 
ker lende belegen in der burschap tho Herffsem , dem gy em 
also gewelllyken genamen vnd vorenlhoelden hebben wol 
vyff vnd twyntich jaer tot juwen wyllen vnd lo synen we- 
derwyllen ; welker vorss. tende eyn mangued vnd syn behul* 
de vnd beleende gued ys, dat gy so ver vntholden hebben 
als vorss. steyt , allet vn verwart juwer eer, dat gy doen al 
weder God: eer vnd recht, welke claege aldaer vor my vry- 
greve myd ordel vnd rechte aver iw lyif, eer vnd gelymp 
vemwroghe erkant vnd geffunden wart vnd geborlyken vor 
den vryen stolen tho richten. Dair vp so hefft my der opge- 



^) Tenden, tienden. 



222 



roelte cleger durch synen gewunnen vorspreken myd ordel 
vod rechte aff gewuonen dat ych iw daer van seroentlickea 
moste vpnemen vnd in dat vrye apenbaer gerichte eysscbea 
vorschen vod verboden laten alsz sich dat na vryenstoel 
recht geboert. Hyr van so doe ich als my myd ordell vnd 
recht affgewunnen waert vod gebeyd iw by Rykes rechte ia 
crafft dusses breves vnd boden vnd by macht der vryen 
stole, dat Gy des nicht en lalen noch versumen, Gy ea 
komen sementlyken vnd synt myd juwes selves Jyve per- 
soenlyken in geboerlyker waet myd enen rechten tal vaa 
luden, nementliken vp den neyslen manendach na vnser 
lyver vrowendage der hemelvaert schyrst na dato dusses 
breves an vnd vor den opgemellen vryen stoel tho Bart- 
marynck, vnd verand werden alzdan aldaer iw lyff, eer 
vnd gelymp , tot juwen hogesten vnde leste richtedage in 
den apenbaeren vryen gerichte tegen den vorss. cleger, olT 
wer alz dan der clage myd ordel vnd richt lo done mach 
heben, vor myoderenen anderen vrygreven, de alz dan den 
vorss. vryenstoel myd ordel vnd rechte besitten mach wer- 
den. Werdt sake ych off eyn ander vrygreve alz dan vor- 
der aver iw lyff, eer vnd gelymp, richten vnd dan to gesyn- 
nen des clegers de leste swaer smeliken senlencyen over 
iw lyf vnd eer vnd gelymp geven vnd gescheyn laten, dat 
my leyt. Hyr mogen gy wal in den besten na weten tho 
richten vnd des swarn gerichls to verboden. Gegeven vnder 
mynen ingesigel vp den neysten dynxtdach na vnses heren 
Hemelvaert in dem jaer vns heren Dusent veyerhundert vnd 
veyer vnd Achtenlich. Wernervandem Sunderhues, vrygreve 
des hylgen Romesschen Rykes , des erbern gcstrengen Zwyt- 
lers *) van Raesvelde vnd des erbern vnd vesten fleyndeorick 
Valken Marschallick, enz. (Opschrift) Dem Johan Krybbe, 
Hynrick Kaelsack, Mester Bernd Holthues, Hynrick Kreynck, 



^) Zoo staat in den brief; van elders weet men dat hg Bitter van 
Raesyeld heette. 



223 



Johan Kreynck, Wyllem Werner, Deyrck ten Walle , üeyrck 
van der Kapellen , Godert Ysern vnd Scollman vnd voert alle 
borger vnd inwonrer, scheppen vnd Raet, al degene die Iho Zul- 
phen woenaffiich synl, vto dal em vnse heer God den namen myt 
oren Ihonamen gegeven hefft, mynen guden vrunden gescreven. 

b. Ersame vorsichlighe bisunders gude frunde! Als gy 
vnss nu hebben doen schriven berorende Wernber van dem 
Sunderhuss gênant Sloelebecker, vrygreven, vnsen ingesetten , 
den tho vnderwisen dat sodane veruoich an iw gedaen , heer- 
komende van der sake tusschen Roleif Uondenberch vnde 
dem edelen Junckheren Johann Heren to Wysch moge wor- 
den aflfgeslall, myt vorder vnd lengeren inholde juwes briffs 
den wy den vorgenanlen vrygreven hebben Iherkennen ge- 
geven : de vnss dar vp hefft geanlwert , dat hy sy eyn gecle- 
det deyner vnses genedigen leven heren van Monster vnde 
dat de sake tusschen beyder parlhien sy vpgenommen vnde 
gehandelt vor den vryenstole des erbaeren Benrick Yalcken , 
olden marschalkes vnses gnedighen leven heren, vnde so en 
moghe he der sake nicht affslellen bulhen consent vnde vn- 
worl dess wedderparlies vnde des stoilheren. Alsdan de selve 
sake vor vnsen vryenstole nicht gehandelt en is, vnde Wern- 
ber van der Sunderhuss vorgenompt vnse vrygreve nicht en 
is, so en sy wy syner nicht mechlich vnde wess wy juwen 
Ersamheiden vorder lo leve vnde to willen myt bescheide 
doen mochten, sollegy vnss alle lyt gutwillich inne vynden: 
kenl God , de juwe ersamheide sparen gesunl lo langen lyden. 
Gescreven vnder vnses slades secret ingesegele vp Gudens- 
tach na dem hilligen pinxterdaghe anno LXXX septimo Bor- 
ghermestéren vnde Rade der slat Coesfelde. 

(Opschrifl) Den ersamen vnde vorsichtigen Borghermesleren 
schepenen vnde Raedt der stad Zulphenn vnsen besunderss 
guden frunden sementlick gescreven. 

Oorspronkelijke missive op papier; even als de vorige, in het 
archief der stad Zutphen. 



224 



e. Wy Johanoes Luveldyock scholaster der kercken, 
Derick van Raesfelde, Wessel vaDErmell, des heiligea Rick^ 
Tryscepeoen, ind Wilhem Tseren scepea der slat Zalphen 
bekennen avennits desen apenen bezegelden brieff , dat wy als 
geordinyerde ind geschickle vrunde des edelen Tennoegenden 
heren Henrick heren tot Ghemen ind to Wevelkauen, teser 
iyt Stalbolder der lande van Gelre, Droissait der Greefischap 
van Zutphen , ind der Eirberer underscheidener Burgemeis- 
leren scepenen ind Rait der Stat Zutphen synt gereden ge- 
west tegen Roloff Hondenberch an der Ryen tusschen Zutphen 
ind Deventer , dair die edell Here vurss. Roloff vurss. to 
daige verschreven had , der saicken ind vervolchs halven die 
selve Roloff aver Amt Huyrnynck ind Gairt Berner, mede 
raitzheren der vurss. stat, an den vryenstoell bestaen ind 
tot vervolgynge gestalt had , wulcken dach by onss ther stede 
vurss. gehailden wart op den satersdach neest dem sonnen- 
dach letare Jherusalem anno LXXXVIIL Ist dat aldair nae 
bescheidinge des daigs Roloff vurss. aver Arnt ind Gairt 
vurss. als burger ind inwoener der vurss. stat syn anspraick 
ge....nt heeffl die onder anderen ludende was; woe die 
Edeli Jonchere Johan Here tot Wyssch , ingeseten der Greyf- 
schap ind der stat Zutphen were , die om etzlicken scholts 
wegen to doen were, dair aver he gerichte ind rechte ver- 
socht hed, die bon geweigert weren onder vorder woirden 
int lange sluytende, die vurss. Arnt ind Gairt hem dairomb 
in die schoU gehalden solden syn op to leggen ind te betae* 
len. Dal wulcke by Arnt ind Gairt vurss. veranlwordl wart 
der schoil ind claechlen ommers nyet to schaffen en hebn 
Ind en solde sick oick in der wairheit na den Richtboeck 
der vurss. slat alsoe nyet bevynden, dat bon off synen pro- 
curaloir rechls eder gerichte geweigert zy, gemerckt dal die 
sick syn procuratoir benoemde , syne anspraeck gedain had 
in syn procuratorium nyet bybrengen en konde , sick aldair 
voir onss ind des vurss. Roloffs vrunden gebieden lot eeren 
ind rechten voir den edelen heren stalbolder ind drossait 



225 



\urss., off voir oeren temelicken richter to lanlrechte oder 
statrechle, lot koer des vurss. Roloffs niit voirderen heriic- 
kenverbaden. Sair onder liepen alsoe verre, dat wy benoem- 
de geschickte frunde dorch medehulpe ind onderwysynge 
Roloffii vrunde, then selven daige mit sick gebracht, Roiofi 
Yurss. dair toe onderwyst hebben dat hee die behoiriicke 
Terbiedinge angenomen heeifl, mit onderscheide dat men hem 
ofte syne volmechtigen procuraloer tot synen gesynnen byn- 
nen Zutphen ind doir die Greeffschap mitten heren ind der 
vurss. stat veligen ind geleiden ind hon onvertaigen recht 
aver des vurss. JonckerJohansguet, rede off onrede, bynnen 
Zutphen gelegen, wederfaeren laten solde, dat Roloff vurss. 
alsoe annam , ind dairop die vorderinge over Arnt ind Gadert 
vurss. , die hon doch nyet schuldich en weren , affstellen solde 
ind wolde. Dairop men doe van den vurss. daige lyflicken 
ind mynlicken schiet, dat wy Johannes , Derick, 1/Vessell ind 
Wilhem vurss. aldus vort an onsen heren ind Raitzfrunden 
gebracht hebn, daurloe men sick alre onleden ind vorderinge 
aff to syn verlaten heefR. Ind want wy dan ind alle guede 
luede eyn gerecht getuych der wairheit schuldich zyn to 
geven, hebn wy Johannes, Derick, Wessell ind Wilhem mit on- 
ser ganzer wetenheit onsen segell an desen brieff doen hangen, 
dencken ind willen dese getuychenisse ouck to stain als wy 
mit recht schuldich zyn. Gegeven in den jair onss heren 
Puesent vierhondert acht ende tachtentich op den manendach 
nae den sonnendach Quasi modo geniti. 

Op pergament; de vier zegels die er hebben aangehangen zijn 
thans afgebroken. 

d. In Nomine Domini Amen! Anno a natiuitate ejusdem 
Hillesimo quadringentesimo octuagesimo octauo, Indictione 
sexta, mensis Juniidie vicesima 'sexta, hora vesperorum vel 
quasi, Pontificalus sanctissimi in Christo patris et domini 
noslri Domini Innocentii diuina prouidentia Pape Octavi , an- 
no ejus quarlo , in mei notarii pubiici auctoritale imperlali 
Dl. X. 15 



226 



creati subscripli et lesüum infrascriplorum ad hoc yocatorum 
specialiler et rogatorum presencia persooaliler cooslituti bo- 
norabiles yiri Arnoldus Huyrnynck et Godefridus Beroer , con- 
sules insignis opidi Zutphaniensis habentes ac tenentes in 
suis manibus quandam pappiri cedulam notam seu formam 
prouocationis y appellacioDis, aposlillorum petiüonis el alia in 
se continenten!, quam ibidem in medium exhibuerunt et legi 
fecerunt animo et intentione appellandi, prouocandi, prolestandi 
apostillosque pelendi et accipiendi , prouti in eadem contiae- 
tur , cujus tenor sequitur et est talis. 

Voir y Notaris ind getuygen bie jegenwoirdich staende 
seggen wy Arnt Huyrnynck ind GoderlBerner, in synne ind 
roeynongeto appellieren, to beropen, apostelen testimoniaien 
to begeren ind tontfangen, to protestieren ind anders to 
doinde alls hirna beschreven volght; dat indalsoRoloffHon- 
denberch voir ind Johan van Langen, als syn procuratoir, 
nae, voir op ten eirssamen ind eerbaren Burgeroeistieren sce- 
penen ind rail der stat Zutpben, ind nae op ons mittenhey- 
melicken rechten ind achten op ons gefurdert iod verfolght 
hebben ind noch dagelix furderen ind verfolgen. In den yr- 
sten so hefil Roloff Hondenberch an den Burgmeisteren sce- 
penen ind rait vurss. anno LXXXIIIl geschreven, dat die 
edeli vermoigende Joncker , Johan here to Wyssche , bon 
schuldich syn solde tsestich golden Rynsche gulden, die 
Roloff aver negenlhien jair gehadt sold hebben , twelck die 
edell ind vermoigende joncker Gysbert, here to Bronckhorst 
ind to Borckloe, to Borckloe dedingden, heirkomende van 
enen leenthienden to Herffzen gelegen in der Greeffschap van 
Zutphen , van weicken leenthienden Joncker Johan vurss. 
Roloff vurss. enen man setten, die dat van synre wegen 
ontfangen solde, dairop die rait van Zutphen Roloff weder- 
omb ther antwoirt schreeff, Joncker Johan bed syn selfiz 
heirlicbeil, zy en bedden gebott noch verbott aver hon ind 
wolden gerne na oire machten il beste dair inne doin. Dair« 
op hefll Roloff Hondenberch beslain to furderen voir den 



227 



heymelickea veemrechlen ind achte des vryensloilss lo Bert- 
meriQck, gelegen in den kerspel van Dervelde in den ge- 
sliohta van Hunsier ind voir Werner van dem Sunderhuess 
vrygreten des vurss. sloilss , als hy sicb vermitt ^) op burger- 
ineisteren » scepenea ind rait van Zuiphen ind oere burgeren 
des zy sich beclaichden an ouss heren genaden van Yitrecht 
syoen lantheren , ind den eirssamen sleden Pevenler , ZwoU 
ind Campen, schryvende an elck bisonder, wo ongeboerllck 
als men hyr vit mercken mach, dat RoloQ Hondenberch mil- 
ten Burgermeisleren scepenen ind Rait ind oeren burgeren 
van Zutphen vurss. boven recht ind reden voirneme, dess 
zy volr onss heren gnaden van Yilrecht ind der vurss. sleden 
gerne tber geboirlicken vitdracht wolden laten komen, ind 
wereo zy hon in ennyger manieren wess plichtich off to 
doin, des zy doch vit reden vurgeroert nyet en vermoiden, 
wolden zy tot erkentnisse onss heren gnaden van Yitrecht, 
des ondarsait hy doch is, ind tot erkentnisse der vurss. 
stede aliyd gerne doin, ind begeerden dat men Roloff vurss. 
also onderwysen ind bescheiden wolde, dat hy sulx van 
bon luyden nemen ind die vreemde rechten ind rechtforde- 
rongen op bon afstellen wolde, mit mere ind furder reden, 
alss oir missiven dairaff vitgesant begrepen. Op welcke 
schriffte ind verbiedonge eyn dachfairt verraempt wart to 
Yolleaboe A® LXXXIIII in tegenwoirdicheit onss heren gna- 
den van Yitrecht ind synre gnaden frunden ind frunden der 
vurss. slede, tusschen Roloff ind Burgermeisleren, scepenen 
ind Rait vurss., dair wy alss Railzfrunde der stat Zuiphen op 
ten dachfairt geschickt wurden, dair sluytende twe notulen 
viteynanderen gesneden , bededinght wurden , dat Roloff ind 
wy elck mit onsselffs hant onderteyckenden ind vermuch- 
len, dat die slat van Zuiphen bynnen tween maenden dair 



^) VermitU Zoo als hij zich laat noemen, zich vermeet te zijn. De 
appellanten laten in het midden of hij wel regt heeft zich vrij graaf 
te noemen. 

15^ 



228 



nae joncher Johan here lo Wyssche onderwysen solJ, so 
yeer zy koode, dat hy Roloff Hondonberch veraoigea sold 
yan sulcken leengude, alss hy hem schuldich muchtwesen, 
mit sulckea onderscheiden weret saicke, dat die stat joncher 
Jan vurss. nyet onderwysen en konde , se sold men Roloff 
Hondenberch vurss. off synen procuratoir mit geleide ind 
veilicheit besorgen wanner hy dat van der stat gesynnende 
were , dat hy mit recht spreken roucht , off bezate doin mit 
recht bynnen der stat vryheit van Zutphen; ind men sold 
hem guet onuertagen recht laten erfaeren, dess solden alle 
saicken tusschen der stat van Zutphen ind Hondenberch 
vurss. als van den heymelicken rechten ind anders berusten 
thent op vastelavont. Bese benotulonge geschach anno 
LXXXIIII to YoUenhoe op ten vyfften dach in Augusto. Hirop 
befft Roloff Hondenberch vurss. dairnae geschreven ind be- 
geert ander slat Zutphen vurss. dat zy synen diener brenger 
sbrieffs, behulpelick wesen wolden Joncher Johan heren to 
Wyssch to manen ind to verfolgen mit recht na den notu- 
len vurss. dat wold hy gerne verdienen: so hebben Burger- 
meisteren, schepenen ind Rait vurss. denselven diener voir 
sich in der railkemeren doin komen ind hon gevraicht , off 
hy der scholt op Joncher Johan heren to Wyssch oick 
mechtich were ind des syne mechtichzbrieve by sich bed, 
dair hy op antworden, hy en hed eghoen mechtichzbrieffs. 
Do sachten zy hem hy solde die schuit qwellicken gemanen 
konnen, wair hon sulx nyet gemechliget en were, dair die 
diener do weder op sacht, so wold hy wederomb tot Hon- 
denberch reysen ind laten hon die saicke mechtigen ind ko- 
men dan wederomb, omb die scholt to manen. So hefïl 
Hondenberch dit eyn tyt lanck dair by gelaten ind nyeman^ 
en is weder gekomen, die van der Slat Zulphen recht off be- 
hulp gesinne off begeert heffl. Dairna befft Werner van dem 
Sunderhuyss vrygreeff vurss., als hy sich vermilh, ons eyn 
beslaten missive gesanl, sprekende op eynre cifacien, die hy 
ons dair befoeren gesant sold hebben, dat ons onkondicb 



229 



noch ons oick nyel then handen gekomen is, mede vermoi- 
gende dat wy ons noch bynnen vyrlhlen dagen van den vurss. 
cleger ind synen procuraloir scheiden solden, indien des 
nyet en geschege, so beteyckende hy ons den richtdach voir 
den vryenstolll vurss. op ten manendach post Fahiani et Se- 
bastiani ind dese briefif anno LXXXVII op ten manendach 
post Martini, dair die eirbair Rait van Zutphen wederop 
schreeff an Werner vurss., die sich vermitt eyn vrygreve 
des vryen stoills to Bertmerinck to wesen , dat wy den vurss. 
Hondenberch in noch buten sigell ind brieve nyet schuldich 
off plichlich en weren, hon en were oick van den vrygre- 
ven noch Roloff vurss. eghoen cilacye gekomen, ind hed 
Hondenberch wess to doen off to seggen op Joncher Johan 
here to Wyssch , mucht hy off syn procuratoir komen byn- 
nen der stat vryheit van Zutphen ind dairomb mit recht op 
Joncher Johan vurss. spreken, dairmen hon off synen procu- 
ratoir to vryeden ind veilichden , ind meynden Hondenberch 
ennige ticht^ schuit off saicke op onsthebben, alls wynyet 
en vermoiden ind men oick vit desen verloip woli mereken 
mach, der ticht ind schuld hebben wy ons verbaiden, oir- 
kond twyer veemschepen , to willen verblyven by onsen alre- 
gnedichsten heren Roemsschen Konnynck, vnsen lanlheren, 
off' by synre gnaden Stalholder off Drossaidt in der tyt , hon 
to doin mit frunlschappen off mit recht wess wy hon nae 
statrecht, lantrecht, off leenrecht, plichtich off schuldich 
weren to doin in geven ind nemen , in nemen ind geven , 
ind begeerden dairomb van den vrygreven vurss., dat hy 
over ons suicken gericht ind sentencie nyet gaen en Hele. 
Baven dat hebben die vurss. cleger ind syn procuratoir noch 
in den gerichte procedyret. So hebben noch die eirbair 
Raet van Zutphen dairomb geschreven an den edelen ver- 
moigenden heren Henrick, heren to Ghemen, etc. ind hon 
in slat onss. gen. 1. heren Roemsschen Konnynck , dess on- 
dersaile zy doch syn , angeropen als eyn stathelder ind dros- 
sert slantz van Gelre ind van Zulphen ind sich van onser 



2S0 



wegen verbaidea aller saicken anspraick ind gebreken , Uon- 
denberch op ons meynt te hebben , voir synen lieffden> as 
stalhelder ind drossardl vurss.» mit recht off fruntschappen 
to verani worden alingh ind all*) vit to dragen; ind mede to 
kennen gegeven it verloip hyr van ind wo wy ons dairop 
altyt verboden hebben oirkond vryscepenen ind hebben dair- 
omb diensUicken synre liefilen gebeden, dat hy, als eyn 
drossart in affwesen onssen Alregenedigsten heren R. £. 
sulcke ongewoentlicke gebalde ind gerichte affstellen wolde 
ind laten zy by oeren alden rechten, richten, ind gewoenlen 
dairroen zy by to laten gelaifft ind versigelt hefffc. liirop 
hefft die edell onse lieve here vurss. durch Frederik Holslen 
an den vryen stoill to Bertmerinck enen apenen besigelden 
geloiffzbrieff gesant tusschen Hondenberch ind synen procu- 
ratoir ind ons, dair vit doe eyn dachbirt verraempt wart 
tusschen Zutphen ind Deventer anger Ryen anno LXXXVIII 
op ten saterdach post letare Jhernsalem; sodie gebreken dan 
dair weder op 't nye opgedain ind verhoirt syn, wart dair 
eyn affgescheit gemaickt als men reden ind wederreden ge- 
hoirt had, dat men Hondenberch vurss. off synen procura- 
toir tot synen gesynnen bynnen Zutphen ind doir die gre^- 
schap mitten heren ind der vurss. slat veiligen ind geleiden 
ind guet onvertagen recht wederfaeren sold laten , dat Roloff 
Bondenberch vurss. annam, dess sold hy ind syn procura- 
toir alle rechlforderonge op ons luyden gedain, want wy 
hon nyet sculdich en weren , afstellen : dairop men do liefflich 
ind minnentlicken van den dage gescheiden is. Dairenboven 
hefft noch Werner van den Sunderhuess, die sich vrygreve 
vermitt, weder an den eirbaeren Rait van Zutphen geschreven , 
WO Jan van Langen, Hondenberchz procuratoir, milten veem- 
rechlen op vns gelurdert ind verwonnen hefft in vyffliondert 
golden R. G. ind weret saicke wy in vyerlhien dagen na 
datum dis brieffs van den vurss. cleger off syn procurator nyet 



*) Alingh ind all, geheel en al. 



231 



ea scheiden, so muist by die smelicke senleaden der veme 
aver ons gaeo lalen, welcke brieif gegain is annoLlXXYIII 
op tea saterdach neist na den octaven Gorporis Ghrisü, in doe 
die XIIII dagen omme gekomen syn , is ons die brieff ysi 
ten handen gekomen , als men allet klairlicken int vitdragen 
woü bewysen kan , des doch noch egheen thien dage geleden 
syn dat deze brieff den eirhaeren Rait van Zutphen ind ons 
then handen gekomen is, want dan die yrste citacie ind 
laidbriefif, dair des vurss. vrygreven nabriefe op sprekende 
syn , den Ëirbaeren Rait van Zutphen noch ons nyet voirge- 
komen en is, noch gekregen en hebben, ind wants wy ha- 
ven alsulcke verbiedonge als die eirbair Rait van Zutphen 
ind wy ons, oirkond Frederix von Bronckhorst ind Johans 
van Gryet vryscepenen des hilgen Ryckes , voir vnsen gene- 
dichsten beren R. K. synre gnadan stathelder oü drossaidt, 
voir ons heren gnaden van Yitrecht, onsen ind synen iant- 
heren, oeren twyer gnaden dagelixsche richter, glyck vurss. 
is , verbaden hebben rechtz ind reden to plegen , dat hy allet 
versmait ind verachtet hefft ind doch na constitucien , refor- 
macien ind ordinanlien des hilgen Ryckes heymélicken rech* 
len nyet doin en mach, ind want hy viter benotulonge op 
ter dachfairt to Ynllenhoe geschiet vitgetreden ind ons dair 
en haven noch mitten veemrechten des hilgen Rycks ver- 
folcht ind in rechtforderonge^gehalden heiïl, ind want hy 
noch dair nae baven den tractait ind aiSgescheit synre ind 
onser frunde anger Ryen tusschen Zutphen ind Deventer 
vergadert» ons molestyert, verfolght, ind grote taxacien van 
pennongen mitten vurss. veemrecht gecondemnyert hefit , na 
Inde des vurss. vrygreven briefis, weicken brieff noch die 
anderen dair befoeren ons nye ten banden gekomen en syn , 
als it sich ommer van rechte geboirde, ind want wy doch 
sunderlingh den vurss. Hondenberch in noch buten briefen 
ofi' gelaifilen groit noch kleyn, voir noch nae, schuldich 
geweist en hebben, ofi" noch en syn, als men allet vit desen 
verloipind process doch woll vernemen ind mareken mach, 



232 



iod oick want dit eghoen saicken en syn, dairomb hy off 
yemant anders, na vermogen der reformacien des hilgen 
Rycks, ons milten heymelicken rechten anleggen ind verfol- 
gen mach , angesien dan , dal wy Arnt ind Gadart vorss. dan 
dairmede boven Got, recht ind reden onrecklicken beszweert , 
verechtert, ind verkortert werden, ind na luyde des eerge- 
nanlen vrygreven brieffs mitsulcken ongotiicken, onreckelic- 
ken ind oneerlicken Roloff Hondenberchz voirnemen ind syns 
procurators wali furder beszweert solden moigen werden , 
ind so dan die appellacien tot reroedien ind behulp des 
ghoenen, die mil onrecht grauyret ind besweert wurdt, in 
den rechten togelaten ind gefonden is, beheltlicken ons in 
onversumelicken macbteloisicheit ind onweirdicheit der vurss. 
ladongen ind beszwerongen, ind allet dat dair vilt spruyten 
ind komen mach , beheltlicken ons , wes wy legen den vnrss. 
vrygreven, cleger, ind procnratoir, hebben ind krygen moi- 
gen na des hilgen Ryckes rechte ind reformatien to vurderen 
ind in penen to verfolgen, offte zy dese onse appellacie nyet 
als recht is deferieren ind by den vurss. beszwcryngen sich 
nyet geboirlick hebben en wolden ons onversumelicken : so 
appellieren wy Arnt Huyrnynck^ ind Godert Berner vurss. 
sementlicken ind elck bisonder van den voirgenoemden ver- 
metenen vrygreven , Werner van dera Simderhuess van den 
vryen sloill ind vryen gerichte vurss. ind ander vrygreven , 
die sich na machte des vryenstoilss onderwinden mogen, 
tegen Roloff Hondenberch ind Jan van Langen , synen pro- 
curatoir ind tegen alle die ghoene, die sich meynen deser 
saicken mil recht to doinde thebben , ind van allen ladongen 
ind ytzlicken beswerongen ind wes dair vilkomen ind spruy- 
ten mach heymelick off apenbair, van allen comminacien 
ind dreygongen mil behoirlicker scheldonge, beropynge ind 
proteslacien voir V nolario ind tuygen legen woirdichslaende, 
nadien wy noch nyemanl van onser wegen van wairachtige 
ontfruchtonge voir den vryenstoill ind vurss. vrygreven nyet 
en hebben dorven appellieren, dairomb appellieren ind be« 



233 



ropen wy Arni ind Gadert vurss. sementlicken ind elck bi^ 
sonder, avermitz desen schrififlen an deo alredurluchtichslen 
fursten onsen alregnedichsten heren , beren Ffrederick tegen- 
woirdigen Roenisschen Keyser , t allen tyden mehrer des Rycks , 
ind an dat hilge Roemssche Ryck ind an synre Keyserlicken 
iDaiestalisCamergericbt, HofTgericht , ind an synen Keyserlic- 
ken gnaden ind des liillgen Ryks vulmechligen hir to depu- 
lyerden Commissarien ind stathelder, rail namen den £ir- 
weirdichslen boicbbaerenslen fursten ind heren, Hermann 
Ërtzbisschop to Coine etc, ind capittel to Arntzbercb ind an 
alle die sementlicken ind elck bisonder, dair wy der vurss. 
injurien ind onrechtz na recht ind gewoente des hilgen Ryc- 
kes an appellieren inj ons verweren moigen, ind bidden 
eynwerff, anderwerff, dardewerff, anstaende, anstaendelicken 
ind alre aenstaendelixt, apostelen getuychlicken na eysschon- 
ge der appellacien , so dat van rechte geboirt, off hyr yemant 
is die ons die geven mach ind will, ind setten onse lyff, 
ere , geruchte ind guet ind alle die onse , die ons in deser 
appellacien willen adherieren onder beschermonge , vryheit 
ind behoedynge des alredurluchtichsten fursten, onsen alre- 
gnedichsten heren Roemsschen Keysers ind des hilgen Rycks, 
init protestacien deser tegenwoirdiger appellacien to vermeh- 
ren ind toverminren, intimeren, insinnuyren, verkondingen 
ind verfolgen ^ so ons van rechte geboeren sal , op steden ind 
tyden ons beqweme ind noit wesen sullen, ind begeren van 
V notario hyr van eyn instrument of mehre, so ons dess 
van noiden wesen ind werden sall. 

Qua quidem pappiri cedula prelecta, exhibitaetproducta, 
idem Arnoldus Uuyrnynck etGodfridusBernerappellauerunt, 
pronocauerunt , apostillosque sibi primo 2» et 3^ instanter, 
instantius et instantissime dari pecierunt coniunclim el diui- 
sim , si quis esset qui eos dare possel et velit aliasque di- 
xerunt et protestati fuerunt prout el quemadmodum in ea- 
dem cedula plenius continebatur , super quibus omnibus et 
singulis premissis prelibali Arnoldus et Godfridus appelian- 



234 



tes pecierunt sibi fieri a me oolario publico infrascriplo 
vnum vel plura publicum seu publica iostrumentum seu ia- 
slrumenta. Acta fuerunt hec in Zutphaaia in domo consula- 
tus sub anno, Indicüone, mense, die, horaetpontificatuqui- 
bus supra , presentibus ibidem Swedero de Weemell et Ffre- 
derico de Brouchorst armigeris tamquam scabiais juris vetiti et 
testibus fide dignis ad premissa vocatis specialiler et rogalis. 
£t ego Andreas de Haifilen Clericus Traiectensis Diocesis, pu- 
blicus Imperiali auctorilate Notarius , quia prediclis protesla- 
tioniy provocationi, appellacioni, aposlillorum peticioni et sub- 
missioni omnibus aliis et singulis premissis, dum sic vt pre- 
mittilur fierent et agerentur, vna cum preaominalis testibus 
et scabinis juris vetiti presens inlerfui, eaque sic fieri vidi et 
audiui, ideo boe presens publicum instrumentum manu altera 
fideliter scriptum me interim aliis occupato negoliis exinde 
confeci , subscripsi , publicaui et in hanc publicam formam 
red^i , signoque et nomine atque agnomine meis solilis et 
consuetis signaui , rogalus et requisitus in fidem et testimo- 
nium omnium et singulorum premissorum. Gollacionata 
et diligenter auscultata est presens copia per me Andream 
de Haifften publicum sacra Imperiali auctoritate notarium , 
et concordat cum suo vero originali de verbo ad verbum 
quod manu mea propria proteslor. Andreas de Haifilea No- 
tarius suprascriptus. 

Authentieke copie, op papier. 

e. 'sFrydaiges op meydach Andriesvnsen secretarius mit 
eynen statdiener gesant to Arnszborch , omb die saick van 
Hondenborch voir it heymelicke recht , dair hy die saick tegen 
Hondenborch ind Jan van Langen , synen procuraloir , gewun- 
nen heefit ind tegen Warner van dem Zonderhuyss vrygreve; 
verdain mit Iwe perde thent to Dorlmonde ind to Dortmonde 
gelegen II daige, dair die stat van Dorlmonde had doin ko- 
men den burgermeisler van Boickom mit II perden, die dair 
doch eyn reise gewest was eir Andries dair qwam, dat An- 



235 



dries allet betaild heefft ind voirt van fiortmonde mil Y per- 
de gereden, dair Fflrederick van Balven mede was ind der stat 
Secretarius van Dortmonde tbent Arnssborch , ind dair gelegen 
von den manendach tbent op len vrydach , also dat wy alto- 
samen bynnen dese X daige verdain hebben X golden R. gul- 
den ind XYII stuver. Item to Arnssborch in den wynbuyse 
so voir ind na geschenckt den statholder myns gnedigen 
heren van Colne ind den anderen stoilberen III golden R. 
gulden ind VI stuver. Item voir die kost van den capitelsdaige 
gegeven X Dauldis guldens ind eynen postulaites gulden ind 
den lantschryver gegeven voir den ordelsbrieff III Dauitz 
gulden ind den vrigreve van Arnssberge gegeven als Andries 
syn procuratoir int gericht bracht I golden R. G. ind van 
VII ordelen to oirkonde VII se. Denselven gegeven voirt 
gericht ind synen sigel III Dauilz gulden ind eynen postu- 
latis gulden, den anderen IIII segelen ilck I golden gulden 
ind dat ander van den siegelongen wart der stat van Zut- 
phen ind Dortmonde geschenckt. Item den burgermeister 
van Boickom , den die van Dortmonde verschreven hedden, 
gegeven I golden R. gulden ind meister Goitszschalck , der 
stat van Dortmonde secretarius plach to wesen , gegeven I 
golden Andries gulden, beloipt mitten presencien tsamen 
XGIII ^ XIII SS. IIII d. 

Saterdaiges post Uargarete gesant Andries onsen secreta- 
rium an mynen heren van Ghemen ind an den vrygreven 
ind vrienstoill to Walfoirt; vilgeweist mit I kaeren indlbai- 
de ind den foirman II dagen, verdain ain kost XII stuver. 
Item an haver ind raiwfoider VI se. Item an wyn voir 
den vrygreve ind Johannes myns heren schryver gegolden 
VI quarten is XVII st. Item den vrygreven gedain I pos- 
tulatus gulden den boten (vrien) mede to loenen , die an 
Hondenberch, an Johan van Langen ind Lambert Rouer ge- 
sant, noch den stoilgenoiten ind vryenscepenen , die den stoile 
holpen kleden, gegeven IX stuver, item it forderloin kosten 
sdaiges I 9 , beloipt mittin presencien VI € XI ss. VIII d. 



236 



's HaDcndaiges post Slefani syn Arnl Uueroynck, Henrick 
Berck ind Andriess van Haefflen hyr vitgereden mil Gerrit 
to Kemp ind Roloff Scholle lo Slehege voir den vryensloill 
beruereode Hondenbcrg ind Jaa van Langen , vitgewesl mil 
y perde 111 daige , den vrygreve Bernt Duycker van II ge- 
ricblen gegeven III golden guldens ind so men an Honden- 
berg ind an Jan van Langen geschreven ind bon den gericht- 
dach gewilticbt had , als men die kosten ind scaiden bewae- 
ren ind milten rechten bestedigen solde, to badeloin gege- 
ven XX vl». 

Item den Iwe vryscepenen, die mit Andries die kosten ind 
scaiden beswoeren, elcken gegeven V vK Item den voir- 
spraick myns jonckeren van Bronckhorst gegeven X fl«. Item 
Derick die Hazze die die ordell weze gegeven III st. Item 
voir ein huyt Francynss dair die vrygreve den ordelsbreiff 
op schreeff gegeven 111 vi». Lairto heeöl men verdain mil- 
ten ghonen dat Gerrit onser stat diener vryscepen wart , dat 
sick milten presentien beloipt IX g. gulden YII se. maickt 
XXIII « X d. 

Rekening der stad Zntphen over 1489. 



BMIiAGE XIII. 

(blz. 116). 

Hendrik Berck burger te Zutphen op aankkgt van 

Hermanus Busschof voor den vrijstoel te Bert- 

merinck gedagvaard. 1487. 

Wellet Henrick Berck , wonende Iho Sutphen , dat ick Wer- 
ner van den Sunderhuess , van Keyserlicker macht vnde ghe- 
wolt vrygreve, vphudedagh datum desses breffs den vryen- 
sloll lo Berlmerinck belegen in den stichte van Monster vnd 
in den kerspele to Darvelde myl willen des stolheren myt 



237 



ordele vnd rechte becledet vnde ghespannender banck beset* 
len hebe, lo richten aver lyff, eer vnde ghelimp in den vrygen 
apenbaeren gerichte vnde vrygenstols rechte, dar vor my 
ghekomen vnde erschennen is de ersame Henrick Ghernynck , 
eyn echt recht vrygschepen vnde eyn vulmechtich cleger 
vnde procurator des erbaren vnd vesten Hermannen Bus- 
schoir, vnde clagede dorch sinen ghewunnenen vorspraken 
seer swarlicke dage juwen lyffe, eer vnde ghelympe sere 
hoe andrepende*) soe wo dat gy Herraanus vurss. ghelofïlic- 
ken by juwer eer vnde truwe als eyn guet man ghelouet 
vnde gheseckert hebben ^ seventich gulden correnten tho be- 
lalen, welker hoger lofïte vnde seckerheit by juwer truwe 
gy em erloss, truweloss, vnde laveloess gbe worden synt 
leghen Got , eer vnde recht , welker vorgen, clage over juw 
vemwroge erkandt, gheffonde vnde myl rechten ordele ghewiset 
is vnde gheborlicken vor den vryenslolen tho richten. Dar 
vp hefit my de vorgen. cleger vnde procurator myl ordele 
vnde rechte aff ghewunnen, dal ick Juw dar vmme vp 

haven eyssche verboden mot laten in dat vryge 

apenbaere gerichte , als sich gehort na vryenstols recht. Soe 
doe ick juw cysschen vnde verboden in crafil desses brelTs 
vnde boden vnde ghebeyde juw van myns vrigreven ampts 
vnde macht der vryenstole, dat gy des nicht en laten 
noch versumen, gy komen selven personlicken vor den 
vryenstoU to Bertmerinck in dat vryge apenbaeren gerichte 
vp den mandach nest na sunte Ffabianis vnde Sebastians 
dagh nest komende nae datum des brefifs tho rechter rich- 
telyt daghes vnde verantworden als dan dar juwe lyfT, eer 
vnde ghelymp tegen den vorss. clager vnde cJage, ofile de 
alsdan der clage myl rechte Idone sall hebben , vor my oder 
enen anderen vrygreven , de alsdan den vorgen. vryenstol 
myl ordele vnde rechte besitlende sall werden, dar wettet 
jw wisliken in den besten na to richten. Gescreven vnder 



1) Andrepende, rakende, betreffende. 



238 



mynea segei vp len mandach nesl na sunle Merlensdagti 
des hilgen bisscops io dem jare voss heren dusenl veirtiun- 
derl sevea vnde achtealich. Werner vaa dem Sunderbuss 
vaa keyserlicker macht vnd ghewall vrygreve. 
(Opschrift) An Hinrick Bercke Iho Zulphen kome desse breff. 

Oorspronkelijke brief op papier. 



BUIiA«lS XI¥. 

(blz. 116.) 

Hendrik Lepper burger te Zutphen op aanklagt van 

Herman Greve voor den vrijstoel te Bertmerinck 

gedagvaard. 1487. 

Wetlel Hiarick Lepper , wonnafilich Iho Zutphen , soe aU 
ick juw in uergbangen tydea laden vnd verbodet hebe laten 
vermits myn besegeldea breve van clage wege Herman 
Greve gênant Hotwelkar vor den vrienstol tho Bertmerinck 
belegen to Oarvelt, vnd juw de richldagh dorch sunderlix 
bede willen ghefierst vnd verhalden wart, darickjuwenersa* 
men Rade ok vmme gescreven badde jw to vnderwisen, dat 
gy van dem gericht vnd cleger bynnen ener benompten tyd 
scheiden solde, vp dat dar ghyne verder swarheit van qwe- 
me, dar gy juwen rade vp gheantwert bedden dat gy der 
sake ene gude absolucien bedden dat gy dar van absolvert 
vnd qwytert syn vnd menden dar nicht van t^ halden : soe 
legge vnd tekene jk jw enen stefflicken richledagh in craIR 
dis breffs vnd gebeyde juw van myns vrigreven ampt vnd 
machte der vrienstole dat gy komen personlicken vor den 
vrienslol tho Bertmerinck» belegen in den kerspel van Dar- 
velde, vp ten mandagb nest na sunle Ffabianvnd Sebastian- 
dagh nest komende to rechter richtetyd dages vnd verant* 
worden jw noch teghen den cleger vnd sine clage als ick juw 
de vorlydes in myn verbolbref ghewylliget hebe, konne gy 



239 



jw daamytjuwer valschen absoiucien legen em qwilen, dar 
sal iw guQslick reclit tlio wederffaren. Gy komen oder nicht 
dat gericht sal sinen geborliken vortganck hebben , dar wet- 
let iw na lo richten. Gescreven vnder rayn segel vp ma- 
nendagh na sunte Herienssdaghe Anno LXXXVIP. 

Warner van den Sunderhuss van Keyserlicher macht vnd 
gewalt vrigreve. (Opschrift) An Binrick Lepper Iho Zul* 
phen kome desse breff. 

Oorspronkelijke brief op papier « waarop een zegel is gedrukt 
geweest. 



(blz. 117 en 132). 

Brief van den vrijgraaf Johan Knuyst aan de 

Magistraat van Zutphen over de klagt van 

Werner Marzeijls. 1492. 

Erberen, wysen, vorsichtigen, bysunderen gude vrunde! 
Werner Marzeylz burger to Dursten, bewyser dyss breffs, in 
mynen vryen banne vnd vryengraveschopp gesetten vnd 
wonafltich , vnd yss eyn echt recht vryschefiëa des hilgen 
Bycks heyfft my berichtet , wo dat hie eyn deell syns gude$ 
dat eme verretlichen entweldiget vnd entfrompt ys an ytze- 
liche uwe ingesetten burgere gefonden heb. Als dan alle 
fryscheffen des hilgen Rycks gefryet ind vorder preveleyrt 
synt van Hilgen Pawes Leo vnd Keyser Karolus to behoyfif 
oere huldynghe, waer sey oer guet, dat oir myt solcker oiT 
eyniger snoder ondaet entfremdet vndentfonden ys, betrappen 
vnd ankomen, dat dan weder na sich nemen moegen sonder 
orleff der heren oiAe amptlude offle eyniges gerichtz, des 
bidden ich uwen leyffden van des hilgen Rycks fryen gerich- 
tes vnd rayns ampts wegen vnd sy vrumllichen van jw be- 



240 



gerende dem fryen gerichte to synen gerichlicheyt belmlplich 
vod byslendich to syne vnd den vurss. Werner syn scheppen- 
baer recht ind iryheyt to gebruken laten vnd uwe burger 
to vnderwysene vnd dar to holden vnd vermogen , dat hie 
eme syn guet volgen laelen hutten synen schaden ind uwe 
leylTden byr so guelwillich vnd guetlichen ynne bewysen als 
ghy wal wetten sich billiche geburt. Onse lieve heer Got 
sy myt jw. Geschreven vnder mynen eigen vp ten nesten 
Bonredach na sunte Pauwelsdage conversionis Anno Domini 
XGII jair. Johan Knuyst frygreve in der veste van Recke- 
linchuyssen. (Opschrift) Den Erberen, wysen, vorsichligen 
Burgemeisteren , Scheppenen vnd Raet der stadt Zutphen 
myne bysunderen gude vrunden. 

Oorspronkeiyke missiTe op papier. 



(blz. 117.) 

Stukken betreffende het verschil tusschen Hilger van 
Hosen en de stad Zutphen. 1500—1505. 

a. Eyrsame leue heren! Yt schryfifl ind antwort,yr myr 
nu gesaent haet int lest, de melt dat yr bloede seyt van 
raetzfrunde to Weysel to senden , dat ych Sutphen off to 
Deventer koeme, ych reysen doech degelychs daer etc. Also 
weist gude frunde! dat ych nie dan an drey jaeren nyet to 
Deventer gewest en byn, ind myn ouch noch neyt gelegen 
en is dair to reyssen. Neist de mender ych sal noch doen *) 
ych bys her gedaen haen ind sal koemen lo Ëmryck vp 
sent Deyonysius dach neymlych vp sent Vyctoers avend ent- 
gaen den aevent ind vp sent Vyctoers dach neist vttreyden , 



^) Hier sch\jnt het woord aU uitgelaten te zijn. 



241 



ind rechlzptegen vur dem raede van Emrych off vur aisus 
fromen luden, geistlich off werentlych. Weiset die ... . dal ych 
geloe rede en baeff, ych wyl goetlichen afQaessen ind wyl vp 
dat goet Y^lzeyen ind vp alle coesl ind schaeden , ind wyl 
vch de breiff , ych vp vch haeff , van den fryen rechten , ass 
yr as dan wael seyn wert, oevergeven^ des selven gelychen 
begeren ych ouch van vch , ind deys begeren ych vor schryffl- 
lyche antwoert ind wyll yr myr nyet langer verslrecken noch 
entlegen, want ych vch nyet mer dar vmb scriven wyl ind 
alsus ouch nyet langer en wyl laessen slaen. Gescreven to 
Gaester, vnder myn seggel vp donnersdach nae sent Matheus 
dach anno anno XV^ Hilger van Qoesen , Kelner to Gaester. 
(Opschrift) Den eyrsamen ind weysen Burgemeisteren, Scheffen 
ind raet der stat Sutphen , mynen besunderen guden frnnden. 

b. Wyr Maximilian , von Gotz gnaden Romischer Kuing , 
zo allen tzyden merer des Rychs, zu Hungeren , Dalmacien , 
Croacien etc. Kuning, Ërtzhertzoch zu Osterrich, Hertzoch 
zu Burgunde, zu Brabant, und Pfaltzgrave etc. Bekennen 
offentlich mit desem brieff und thun kunt allermengchlich 
das unss unser und des Reichs iieber gelrewer Hilger van 
Hosen furbracht hat, wie er gegen Burgermaister, Scheffen, 
Rat und gemain zu Sutphen vor den Scheffen des Fryen 
Stuls zu Westfalen erstanden und erlangt habe, wo er die 
gemelten von Sutphen ir leib oder guler an komen , das er 
de aufhalten, verkumernn und zu synen handen nemen 
muge, laut der vrteilbrieff deshalben aussgangen, vnd vns 
dar auff demutiglich gebeden das wir im deselben vrleil vnd 
brieff zu confirmiren vnd zu besletten gnedicklich gerueh- 
ten. Des haben wir, angesehen seyn zimlich vleissig bete 
vnd dar vmb mit wolbedachtem mut, guten rat vnd rech- 
ter wissen, denselben Hilger von Hosen, soich obgemelt 
vrteil vnd erlangte recht gnedigckliche confirmiert vnd be* 
stetten, confirmiren ind besstetten ime de auch he mit, 
wissentlich in crafft diss brieffs, was wir im dar an be- 
DL. X. 16 



242 



stellen sollen oder mugen. Und gebeilen dar auff allea 
Gurfursten, Fursten, Geistlichen vnd Welllichen, Prelalen, 
Graven, Fryen Herren, Ritleren, Knechlen, Haubliewlen, 
Yylzlbumben, Yoglen, Phlegeren , Yorweseren , AmpUewten, 
Schullheyssen, Burgermeysleren , Richtern, Ralen, Burgern- 
gemaynden vnd sunsl allen anderen vnseren vnd des Reichs 
vnderlhanen vnd gelrewen, yn was wyrden stals oder we- 
sen de seynen'), ernnsllych vnd wellen das sy den berur- 
ten Hylger von Hosen soldier vrleil vnd erlanglen rech- 
ten gerublich gebrauchgen, geniessen, vnd dye gemelten 
von Sulphen, wo er de allenlhalben in den Heyllygen Rei- 
che unsern vnd Ewren Erblichen Furslenlhumben auff was- 
ser vnd lande betrett^ angreiffen, verkummern und zu sey- 
nen handen nemen vnd eynntziehen vnd gentzlich do by 
beliben lasset, vnd In bervber nit dringet, bekumert noch 
besweret, noch des yemands andern ze tun gestaltet in 
kayn weys, als leib Inen sey unser vnd des Reichs swer 
vngnaed tzu vermeyden. Myt vrkundt des brieffs besiglt 
mit unser Kuninglichen anhangenden insigel. Geben tzu 
Gollen am sechs vndtzwaintzigisten lag des Moneds Junii 
nach Ghrisli gepurde Funfiflzehenhundert , vnd im Funfflen 
vnsér Reichs, des Roemschen im tzwainlzigisten vnd des 
Hungrisscben im sechslzehenden jair. 

Gedrukt op papier, waarop het volgende, insgelijks gedrukte 
stuk, was opgeplakt: 

Ich Hilger van Hosen, Kellener Izu Gaster, bidden vnd 
roiffen an oetmodelichen alle Kurfursten, Fursten, Heren, 
Fryen, Graven, Riller, vnd Edelmans vnd ouch Sleden, 
dal sy die van Sulphen wyllen vnderwysen, dat sy mir 
willen vprichlen mynen verwonnen schaden, vp dat myr 
niet van noeden sy vorder brieff van Keyserlychen rechten 
vp sy up Izo slaen, de wat scharper lueden sullen vnd 



') "Waarschijnlijk heteekent deze volzin: in weïïce waardigheid of 
stand zij ook zijn. 



243 



eren ger bes vermaent werden [ ........ de scheffen 

uod Railhberen bynnen Sutpheo eyde gedaen haven gelich 
ass in anderen Steden, also syn sy der eren ind des eydes 
byde an royr vergessen, want sy royr dal royn bynnen 
Sutphen weder Got £yr ind Recht inthalden ind dat tho 
beweissen]. 

[] Dit laatste is geschreven. 



(blz. 117), 

Brief van den Vrijgraaf Wilhelmus Graes aan den 

Magistraat van Zutphen over de klagl van 

Hendnk Lot. 1508 ^). 

Ersamen vorsichtigen besunderts guden frundes! As juw 
inwonner Johan Voervechters bynnen Sutphen verstorven, 
by my ghewest Hinrick Lot, borgher l'Oldenzel, bewante 
ind toghedaene mynen gnedigen leuen Junckeren van Bent- 
bero, in gheledenen lyden vor den Trigenstoel lo Welterin- 
gen richtliken gekomen myt anclaghe syner echten husfroa- 
wen Hadewich, echte rechte dochter Johan Yoervechters , 
to synen nalaten gude mede beêruel sien, ghelyck oren 
broder ende suster , na saté der hilghen kercken berechtiget 

ores andels des erfgudes ors seligen vaders vorss Hinrick 

Hadewich vorss. binnen Sutphen in dem erffhues sittende 
funden Lubbert Yoervechter, oren broder, Bernde Molner, 
ore susterman, ende desse erffgude begherende vteringe 
ores andels ores faderliken gudes na erffhusesrechte, heb- 
ben se overmiddest etzlihen flrunden beiden laten XII Rinsse 



1) De Vrijgraaf heeft het hulpwerkwoord hdhen en de betrekke- 
lijke Toornaamwoorden meestal weggelaten, waardoor het dikwijls 
moeilök wordt den zin te vatten. 

16* 



244 



gulden , onder forweringe schichlinge ofT delinge ores selegfaen 
faders nalaten guden vnbilkerwys inyt vervolghen, druewor- 
den*), faer synes liaes, tostekende ind tohou wende; des rechte» 
inchl verwachten dorsten ind Hinrich bynnen Deventer des 
gheliken he oren wech schuwen moet, to den synen myt 
fruntschap noch rechten nyt an der vthdracht komen kaa, 
die edele wolgheboren myn gnedige leue juncker van Bent- 
hem an juw Ersamheiden vor angeschreven , de vorbenomp- 
ten to vnderwisen Hinrick syner huesfrouwen na dem red- 
den ghenocbsam ghescheen mochte. Allent vngheachtz dan 
oren andel ores faderliken erffes bilke myt rechte aff wiseo, 
also myt ghewalt em so to nemende ind entholdende 
tegen Got, eer ende recht na verstande der wisen vnbilker 
wys enlholden. Dorch groter noet Hinrick sulke vnrechl 
enlholden in ghewalt ind druwynghe to houwen to slaeoe : 
Hinrick eyn echt recht frygschepen is vor enen frigenstolejuw 
Lubbert ind Bernde na frigenstols rechte overmitz ener ci- 
talien an juw ghesant juw richtedag van wess eyn Binxe- 
dach na visilacionis Marie in dem jar XY^VI vor den richt- 
dage schriffle van dem Erbar Rade van Sutphen an my 
ghesant, ich den in gheriehte gbetonet, overluedt int ghe- 
richte iesen laten , Hinrich vorss. myt rechie na vermeldynge 
ind iude siner clage ind inholdende juwer citatien vnhinder- 
lick to syne. Darup ....') overmids sinen uitspraken for*^ 
der rechtes pleghen solde aver juw na frigenstols reete doea, 
des ick frigreven juw avermids bedde der gude mannen ind 
frigscheppen veriegget ind ghelachl eyn anderen diniedacb 
lia Paschen anno XV^'YII , upn sulfilen dinxedach na Paschen 
gy den gheriehte iad clegher vnhorsam gheworden, faebbeQ 
gude mans Ghert van Scheven , Evert van Hewen , Roloif van 
den Bussche ind anderen frigscheppen ind ick friggreven 
mit den ghemenen vmmestande ghebeden Hinrick Lot, noch 



^) Drueworden , zijn dreigementen. 

^) Het tütgevallen woord is waarschijnlijk ick. 



245 



anstien lalen *) in aller malea dat nv gfaekomen is so lange 
ick juw beyden ende wette sende vp juwe cilacie ind gy 
suslers ind broder synt ju wen richtedach VI weeken II [ 
daghe to foeren weten laten , avermitz myn besegelde vvetle 
dyt juw partien in allen gude ghedaen in menynge juw vn- 
der des in fruntschappen ghescheden gy myt juwen vnwiU 

len in der bedranget syt ind to Oldensel myt pesle- 

lencien gheplagct ind Hinrick langer dan eyn halff jair in 
dodes noden gheleghen, nu lo my ghekomen , begherende for- 
der rechts der sake, om des gheweigert, irsten juwen ersa- 
men lefflen vtt rade myns gnedegen Junckeren frunden en^ 
del ter kennen geven; in gude menynge, juwe lefflen juwe in- 
settenen Lubberte ind Bernde vorss. so to vermogen noch 
na aller bewantniisse sick in fruntscappe scheden, Hinrick 
siner husfrouwen na dem redden genochsam doen by den 
frunden^ grote vncost, schade, forder last des gherichts hyr 
vthrisende, verhot mochte bliven overmylzjuwer lefflen vn- 
derwisinge Als verslreckinge , verlenginge juwer lefileu schriif- 
ten in den partten to gude ghescheet, kondeickjuwËrsam- 
heiden lande insettenen, juwe borgher, wess forder to willen 
doen gutwillick innefynden ind begher fruntliken juwer gu- 
der vnderwisinge juwer insettenen vorss. , gutlike bescreven 
antwert , Hinrick etzliken anderen synen frunden kundich 
doen mach , desshalven van my siner saken vnversumelick 
inoghe bliven hyr sbesten inne to doen, ind alles gudes ver- 
i^ee ick my an juw ersamen leffiten. Hyr mede G ode bevolen 
in guder walfairt to langen tyden. Gbescreveu' in die visi- 
lacionis Marie anno XV« ind achte. 

Wilhelmus Graes, von Keiserliker ghewalt friggreven. 

(Opschrift) Den ersamen Borghemesleren ind Baet 

der Stat Zutphen mynen bezundern leven heren vnd frunden. 

Oorspronkelijke brief op papier. 



') Anstien, zal moeten beteekenen : berusten. 



246 

BUrLAOB X¥ni. 

(blz. 117). 

Brief van éUtn vrijgraaf Johan Bremer aan den Magis- 
traat van Zutphen over de klagt van Johan 
Eisken. 1524. 

Ersamen iad vorsichligen bysanderen gudea trunden ! Ich 
Johan Bremer, vrygreve des hilgen ryks ind Keyserlichen 
Trygraefschafl ind vryenstols tho Watlenscbede , geven juwer 
werdicheit goetlichen to weten , dat ich hude data deyss 
breyffs der Keyserlichen vryenstoeil lo Wattenscheide myi 
ordeil ind myt rechte bekledet ind besellen hadde, gespan- 
nender bank to rychten over glymp ind ere na saté des gro- 
ten Konings Keyser Karle mylder gedacht ind als des ge- 
richls recht is , dar vor my in gerichte komen ind erschenen 
is die bescheidene Johan Eiskenn, eyn vryscheffen des hilgen 
ryks, indheyfft overmytz synen gegunten vorspreke in ghe- 
richt gebracht ind seir swerlichen over vcb geklaget, glymp 
ind ere seir swerhchen andreiffende ind berorende is ^ aldar 
vmb, soe dat eyn ty t vorieden is , dat gy myt juwen tosten, 
deren em op des hilgen ryks vryen stralen eyn deiil van 
heryngen ind keisen aff entferdiget ind genamen hebben, dat 
in juwer slael vmb geslaegen ind dem solven Johanne ent» 
weldet ind aflhendich gemaket buten enyger bande vee , rede 
noch recht, tegen Got^ ere ind recht, myt vele wyder inbalt 
syner claghe : welker dage vorgen. hie myt anderen seir swer- 
lichen myt mannichfoldigen verfolch an jw werden leifiten 
verfolget ind versecht heb ind allet nicht en heb mogen hel- 
pen. Soe dat em die kenliiche noit dar to drynghe den 
Keyser ind syn boegeslle vrygerichle an to roipen ind heuet 
sich vorder onderstaen etzlicher ander ordeil des vryenstole 
gerichts onderstaen lo ghebruken , dat ych dytmaell in allen 
guden ind juwer liefilen ter eren enthalden heb, ind is hyr 
vmb myne gude meninge , synt die dynghe aisoe , dat gy jw 



247 



als dan bynnen eyner manl tyl myl dem cleger van dusser 
Yorgen. dager scheden ind verdragen, op dat nicht van noden 
sy , geschege des nicht ind die cleger varder verfolch dede , 
mocht ich em als dan dorch eidtz halven geyns rechten wei- 
geren , dar als dan wider koest , last ind onwille verrysen 
mochle, geven juwer werde leiften dyt in allen guden ter 
kennen , jw na weten to richten. Onder mynen segell des 
dynsdages na onser lieve vrouwen daghe visilationis Anno 
XYo ind XXIIII. Johan Bremer, van Keyserlicher gewalt vry* 
greve des hilgen ryks vnd vryenstoels tzo Wattenschede. 

(Opschrift) Denn werdigenn vromen ind vorsichligen Bor- 
germeisleren , scheiffen ind raet ind semliche gemeyoheit 
der staet Sotfelde, besunderen guden vronde. Daar op zijde 
stond : Dese bryf is in die Spiltaelsporte gesteicken ende an 
handen des Burgemeislers Arnt Slyndewaters gedaen anno 
XXIIII ipso Petri ad Yincula. 

Oorspronkelijke brief op papier. 



BIJfliJLCïE XIX. 

(blz. 126, 134). 

Üitirekiel uit de Kronijk van Te Boecep, 

Daer ys eeyn ghewest ghehetten Berrent Hasse, hefll Jo- 
han Goenick, vrygrave des fforslen van Gelre, des vryea 
sloels to Wailvart ende toe Sleem over RoleffWytle ende mes- 
ter Henderick van Wtterwick , beyde borghemesteren der 
Stadt Campen, ende Roerick Kennecken borgheren alldaer 
gheclaghet hoe dat sy hem swarelick overffallen, und hem 
dat synne offghenoemen badden , dat wellicke hy nyet wolde 
gheleden hebben om 3000 olde schulden, myt meir derghe- 
licke worden, dus hefft desse Dierick Gonnick vrygreve 
voirss. Roeleff Wytte, M Henderick van Wtterwick ende Roe- 



248 



riek Cunneken voir den vryea stoel toe Sleehgea laten silie- 
ren. Wellecke sye schepen ende raedt by supplicalie toe 
kennen gheven , vnd van hoir beghert dal sye doch an bys- 
cop Dawid van Borgondien , byscop van Witert wolden scri- 
ven dat all sullicke silalie des vryen grawen mochte off 
ghedaen worden soe sye nyet gherieven voir den vrygrave 
toe rechte ghestaen^ ende myt dat h«nmelicke rechte toe 

donne hadden ghehat und dat vwyt autorileyt soe oik 

eenen vryen stoell, wellicke sye den voirs. byscop scrifle- 
lick woe volgbet toe kennen gaven. 
Ghenedighe 1. heire ! Roleff Wytte, M Henderick van Wtterwick 
onsse rades lywe mytgbesellen end& Roerick Kenniken onsse 
borgher hebben ons toe kennen gheven, woe hem nw toe 
hande ghecoemen synt eenen brieff holdende van worde tol 
worde als nae inhoU dye coepie hyer in ghelachu Want 
ghenedeghe lywe herre , desse sake toe compt als blyket van 
handelynghe weghen. Ende dye sellewe onsse borgheren 
vnd vrenden sych erbyden dye saken toe blyven op ghelicke 
ende ghewoentelicken sleden, daer voer dat nae eirre ende 
rechtes weghen myt rechte schuldich synnen toe donne nae 
Ycrmoeghc stoels rechtes, soe begherre wy oetmoedelicken 
Uwe Ghenade daer op eeyn open schin wyllen doen maken 

ende senden ons by dessen onssen boeden myt 

ü. g. wylhanghende seghell. Ende scriven an den vrygra- 

we inden besten als dat ghelywet und u 

ghenaeden daer guede voir wyllen wessen ende schadeloos 
wyllen holden. Ende daer op sende wy U g. onsse schade- 
lues brelT hyer by ghebonden an, ende U g. mede doen 
screven an Wessel Peperlaghen U g. Schulte van Ommen 
van U g. weghen, want hy des rechtes wytticbys, op onssen 
costen dye sake toe beryden ende onsse borgheren toe ver- 
anlworden als dal ghebort, wellicke wy alle weghen ghe- 
renen all onderdanelick verschulden, kenne God, dye U g. 
langhe in salighen regemente ghesont moet spaeren. Gho- 
screven int jar 1463 in Proffesto Mertini. 



249 



Dyt naebescreven ys dye schadeloos breff dye de Sladt 
van Gampea byscop David by desse voerss. myssiwe over- 
sande. 

Dea Erwerdigbe in Godt vaderende herren, heer David van 
Borgondien, byscop loe WUerit, onssen g. ly wen herren, doen 
wy borghemesteren , schepen ende raedt der Stadl dampen 
kont myt kennisse der waerheyt, dat wy daervoir gheloevet 
hebben ende wyllen daer guedt voir wessen, soe onsse g. h. 
voerss. voor ons ende onsse borgheren myt naeme voer Roe- 
leff Wille, M. Henderick van Wllerwyck ende RuerickKen- 
Deken gheloevet hefft, soe syegheladen synt van Johan Goe- 
nighen vrygrave toe Wol var ende toe Sleeghen voor synnen 
vryenstoeill toe Sleheghen van weghen Bernnl Hasse Hende- 
ricks soen, soe loewe wy onsse ghenedighen herren schade- 
loos ende quyt toe holden, ende loe doen ende laten wes 
sye myt ende rechtes weghen schuldich synen toe donne 
nae witwyssinghe breven dye syn ghenaden dair op gheghe- 
ven synt sonder arghelist. Gheven onder onsse secret se- 
ghell des saturdaghes nae Misericordia domini an^ 1463. 

Soe dye inghesetten dus myt den vrygraven van t landt 
van Overysseü worden beswart leghen haere 'prevelegien, 
vryheyden und olde ghewonten, hadde dye byscop van Wttert 
ridderscap und steden op Spolderberrich verscreven , und all 
daer ghesloolten dat sye sullicke sitatie ende wuytropinghe 
van rechten van hoiren behoirellcken ende ordinairis richter 
van eenen vremde wuytlandesschen gherechte solden worden 
gheladen nyet langher wolden lydendan selLiwe kyren ^) , heb- 
ben dair boeven by grollen pennen verhoeden dat ghen vry- 
grawe sulxs loe doene onderstaen solde loe donne, wellicke 
broke sye mylten anderen van vrygrawe wolden vorderen. 

Op dat scriven van dye stadt van Gampen vnd wuyt 
crachte van dyt statut oiï overghefle van den byscop van 
Wttert sampt ridderscap und steden, hefil dye byscop van 



ï) Kyren , voor keeren. 



250 



Wltert aa Johan Goenick vrygrawe des vryen stoels loe 
Walvaert eade ioeghescreven , woe volligheU 

Lywe vreot, oosse stadt van Gampen heffl ons toe kennen 
ghegeven ende gheclaghet dat haer roede rades ghesellen en- 
de borgeren Roleff Wylle, M. Henderick van Wtterwick, 
Aorick Kenneken ende eenne ghehelten Sielle Bertoll dye sye 
nyet en kennen , van Jan dye Koenick» vrygrawe onsses lywen 
neven herloghe van Gelre des vryen stoell toe Waelwaert 
ende te Slehen, ghesitirt synt voir den vryen stoell toe 
Slehegen vwyt clachte Bernnl dye Hasse Hendericks alste 
sonne, rorende woe sye u seir swarelick overvallen ende U 
dat uwe affghenoemen hebben myt ghewalt ende ü vordt 
overghesacfai-^)^ hebben u gaende an u lyff ende guedl , des dye 
vrygrawe alsoe u macht nyet gheleden en wolde hebben 
om 3000 olde schilden etc. contrarie die overdrachten by 
ons, onsse ridderscappen, knechten ende die steden van Hol- 
lant voerlyden overdraghen op Spolderberrich , van ons be- 
gherende hem sulcx nae der voers. overdracht aff toe wil- 
len doen. £nde want wy dan sulx boeven dye voerss. over- 
drachten van U, soe dye sake vanUheircompt» nyet enden- 
ken toe lyden , soe ghebyde ende bewellen wy u myt 
ganssen eirenste ende mennighe ende by dye penne in dye 
voirss, overdracht ghebort» dat ghi terstont den voirss. onssen 
ondersaten dye moyeoisse van den hemmelicken rechten 
voirss. aff doen , vermoeghende ende betalende dye penne ende 
cost daer in ghi verffallen synt nae dye voirss. overdracht. 
Gheschet dat nyet, soe denke ende wylle wy myt onssen lan- 
den , dat all soe op U verfifolligben , als nae dye voirss. over- 
dracht behoiren sall, begheren hyer aff U bescreven antwordt 
by dessen onssen boeden, ons daer nae toe richten. Goede 
bevollen. Ghescreven op Avent Gaterinae Virginis an^ 1463. 

Dyt nyet teghenstaende ys dye vrygrave Jan Gonick voir- 
screven myt synner selve wuyt kesserlicker macht eeuen- 



^) OvergescuMf dat is beschuldigd. 



251 



well voerdt ghefaren, soe heflft dye byscop vaa Wltert soe 
vort inyt den vryeDgrave und Berent Hasse ghebandell/dat sye 
daer in bewyilighet hebben, dat sye den selieven Roleff Wylte , 
M. Henderick van WUerwick ende Roeriken Kennicken voir den 
byscop van Wltert anspreken solden und belovede den sel* 
leven dat hy oirgoedt, corl, onvertoeghen recht wolde laten 
ervaren und dat dye voirss. persoen nae solden comen wat 
by den byscop voirbenomt v^rorde voir recht ercant, nae 
solden comen ende voir hem toe rechte solde siaen, waer 
van hy hoir seghell und breven gaff, und het sellewe by groette 
pennen nae toe comen belovede , wair van dye stadt van Cam. 
pen den byscop van Wtlert voirss. weder belofifden schadeloes 
toe holden nae lut der sellever breven , woe voliighet. 

Wy borghemesteren , schepenen ende raedt der stadt Cam- 
pen maken cundich allen luden. AIsoo dye Ërwerdighe Va- 
der in Godt, HeerDavid van Borgondien, byscop van Wtlert , 
onsse g, h., gheloevet hefd an Johan Goenick, vrygrave des 
vryen stoels toe Wolvar ende toe Sleghem, ende anderen dye 
dat andraghet, voir Roleff Witte, M. Benderick van WUer- 
wick onsse mede rades ghesellen ende borgheren , dye voir 
den vryen stoelt ter Slegen gheladen ende ghesettirt synnen^ 
dat onsse borgheren voirss. voir syn G. als hoiren rechten 
landesheire den clager den gherechte voirss. ende eenen 
yghelicken dye den gherechte toe donne mach hebben, doen 
wyllen, des sye van eeren rechten weghen scildich synnen 
toe donne, ende anders nae wytwyssinghe ons 6. heiren 
breff dair op an den voirss. vrygraven ghesant myl syn 
wuythatighende seghell beseghelt; soe en wart nyet eirre- 
licke dat onsse g. h. voirss. eenighe schade off cost, hyn» 
der offte last dair by hebben solde , soe hebbe wy onsse 
g. h. voirss. gheloevet, ende loeven voir ons, onsse naecoe- 
melynghen myt dessen onssen breve, dat dye vurss. Roleff, 
M. Henderick und Roederick volcoemelick holden, voltrech- 
ken ende volcoemen nae coemen sullen, dat inholden van 
onsse g. h. breff voirss. ende dat dair off roeren mach. £n- 



252 



de wirt sake dat dat nyet en gheschide ende onsse g. h. 
voirss. off synne ondersaten eenighe cost, last, hynder, off 
schade daer off creghen, den ghelowe wy voir ons ende 
onsse naecoemelinghen voirss. onssen g. h. voirss. syn nae- 
coemelinghen, byscoepen toeWttert, ende synnen ondersaten 
gutelick ende virall optoericbten, ende toe betailen den les- 
ten pennick inytten irsten, tot syns selliwes segghen, son- 
der arghelist. Des ter oirconde hebbe wy onsse sladl se- 
ghell an dessen breff doen hanghen int jair ons heiren 1463 
den 27 dach Novembris. 

Dye steden Deventer, Gampen^ Swolle und Gronighen , 
hebben alle weghen und myddellen ghesocht, woe sye best 
van dyen vrye graven der vryen stoellen und des hemmelix 
gherechte mochten worden gheffriet , soe sye dye preveleghen 
hadden, dat men nymant vwyt hoire steden und vryheyden 
voir eeyn ander gherichte mochte beroepen und dat seilewe 
dat sye wessen , daer van mochten we nyet appelh'rren , wair 

van sye in goeder possessie warren. Soe 

hebben dye voirs. steden Deventer, Gampen, Swolle, Groe- 
nighen, an den pauesschen legaet Nicoelaes de Gussa ghe- 
ffallen, (dye doe ter tyt hyer in den lande was) hem by 
supplicatie toe kennen gheven, wqe sye leghen hoire rech- 
ten , preveleghen , olde wel heer ghebrochte ghewonten, van 
den vrygraven myt vwytropinghe horre borgheren voir hoire 
vryeslollen ende hemmellick recht worden beswart, dat hy 
dat vwyt passelicken macht wolde off doen und cassirren , 
und soe sulx nyet en gheschaghe, soe wairt gheschapen, 
dat sye van alle hoire preveleghen, vryheyden, tot horrer 
eewygher verderffenisse solden berofft worden; dye carde- 
naal heff hoir selleve off toe wyllen doen belovet und dair 
boven van dye passes dair op syn passelicke consent, bullen 
ende breven daervan toe wyllen leveren, woe hy heff 
gedaen, waer van dye coepie volleget van den paues Pius 
ghegeven. 

Pyus byscop. knecht der knechten Godes, den erverdyghen 



253 



broeder byscop van Wtlerl ende onsse ly wen kynderen , dye 
prost lot soole Plechhellem toe Oidenzeell ende den deken 
van sonte Yichtoer toe Santen int bysdoem Wttert und Cel- 
len, der kerricken salichheyt ende apostolice benedictie. Hw- 
den synnen ons breven van worde tot worde woe volleghet 
overghelevert. Pyus byscop, knecht der knechten Goedes, 
dye ly we kynderen bwrgbemesteren, borghemesteren in der tyt, 
schepen, raedt ende burgheren der steden Deventer, Caropen, 
Swolle ende Groenighen, sleden des bysdoems van Wttert, 
salichheyt ende apostolisghe benedictie ; byscops Goedes vica- 
rins op ter eerden omme dye salichheyt aller ghelovighen und 
dye apostolissche schickenghe brenghet ons in overfSoedighe 
ghedachten dye ick daer omme tot meninghe der volcoe- 
menheyt ondervynde ghecoemen toe synne, dye aposlellen 
waeren oik ghewontelick den trurichken stirrickheyt mede 
toedellen; soe ys ons lest van uwent weghen eeyn supplica- 
tie ghetoent, woe onsse lywe soen in Christo Ffrederick, 
Roms kesser , all tyt vermerrer des rickes , begherde ende 
verclarede synnen onderdanen insonderheyt den van Duslant 
dat hy tot roste und vrede volde versyen, ende by rade 
ende consent der Goerfforslen und andere herren des Roms- 
schen rike hadde gheslatuyrt und gheordinert, dat men ny- 
mant tot den hemmelicken off verhoeden ghericke solde 
vwyt gheroepen worden dat alleene in saken tot den selle- 
wen gherichte behorych und anhavich synnen, und den 
ghenen dye voir horren behorelicken rech teren nyet toe 
rechte staen wolden ; ende soe off ymant voir sullicken ghe- 
rechte vwytgheroepen worde als dan des selleven behorre- 
licke ende ordinarius richter den vrigrave van der vrye 
stoell toe kennen gheff by sekere articulen scrifHelick , dat 
dye selleve dye voer den vryen stoell gheroepen warre, dal 
dye selleve syn gherechte onderworpen warren ende voir hen 
toe rechte staen wolde, dat als dan dye sitatie off evocatie 
off vwytroepinghe toe nyette und van onwerden, vnd soe 
soU dye sake voir synnen hehorrelicken richter ende nyet 



254 



voir den vrygrave synnen vryen stoell off verhoeden gherichle 
ghedeterniinirt ende ghendicht worden. Und soe veer ymant 
teghen dye ordinatie offle slalut onderstonde toe doen , alle 
processen daer op gheholden , sententien gbewessen, eiecutien 
daer op gheffallen ende ghefïoUiget, sullen alle crachteloes 
ende van ghinner werden wessen , und anders doet sall dair 
an breken , soe dye breven dair van inholden. Und vordt 
volghende heff onsse lywe soen Micolaes van sente Peter in 
den ban, priester ende cardenaell doe ter tyt van den stoell 
van Roeme dair in den landen ghesanl , hebbende voir ons 
ende van den voirbenoemden stoell spesiaelle breven , vwyt 
der sellever machtgheven inholdende, woe dat het verhoeden 
gherichte onssen lywen kynderen hurghemesteren , schepen 
ende raedt der steden Deventer des hysdoems Wttert tot 
horrer instantie gheconffirmirt ende dair op executores ghe- 
depulirt soe dye breven dair op van den cardenaell ghema- 
ket voicoemelick mede brenghen , wair omme dye her Car- 
denaell ons oetmoedelick ghebeden dat sellewe van hem 
bynnen Deventer gheschet ys toe willen approhieren ende 
becrec^tighen. Ende het selleve den van Gampen, Swolle 
ende Gronighen, steden des sellewe hysdoems toe wyllen 
«xtendiren und vermeren , met dye gudertierenheyt des stoels 
van Roemen veroetmoedighen mochten erholden, dair omroe 
wy dat inholdl der voerss. breven teghenwordelick ghenoch- 
samelick und vwytdrochkelicke gheholden und synnen tot 
sulliken heder ghenighet ende approhieren dye breven van 
den herre cardenaell, soe wolle dye stadt van Deventer an- 
gaet myt allen und yderen articulen in den selliven breff 
begrepen tegen sulliken verhoeden gerichte overcoemen und 
conffirmiren vwyt apostolissche macht und dat vaderlicke 
hecrachtighen myt dessen teghenwordighen wordighen {sic) 
breflF. Ende vwyt dye selliwe macht extendiren und verme- 
ren ende verffollen dye den steden Gampen, Swolle ende 
Groenighen voirss. alle ende ydere ghebreke dye dair by 
avenluer van ymans tusschen coemen mochte int selliwe, 



265 



oik in dye selliwe declaratie, dat dye voirbenomde kesser 
Ffrederick van dat hemmelicke verhoede gherichle ghesloe* 
ten ende gheordeniert hefït, und synnen ghement dat men 
selliwe alsoe actervolghen ende naecoemen sali, als dat 
durich den legaet dye voirss. Gardenaell gheconffirmyrt is, 
op dat dyl in toecoemde tyden den persoenen in den 
voirss. steden onbrekelick gheholden sall worden, soe wylle 
ende ghebyde wy dat dye coepie off transsompt van dessen 
teghenwordighen breff n)yt dat seghell van eenen byscop off 
eens anders prelales seghel becrechtighel off myt dye handt 
van een openbaer gbemennen secretarius onderscreven , sal 
men vollecoemen gheloewe; soe well bynnen als bulten 
landes gheloewe worden gheven off dye oirrigenale breven dair 
van ghetoent ende ghiexibirt waeren, nyet teghenstaende 
van eenighe ordinanlien van passen offle hoire leghaten , 
noch kesserlicke stadt- und landt rechten myt alle anderre, 
sye synnen dan soedanich woe sye wessen moeghen, daer 
omme sall ghen myssche gheoreleff wessen desse onsse pro- 
batie und toelatynghe van alle vwytstellinghe na der sup- 
plianten wyllo dye gheboeden offte constitutie toe breken off 
soe stolt sye sulx toe donne, by dye onghenade Goedes alle- 
roachtich ende der hylligher apostoelen ende dye onsse sall 
hy wetten gheffallen toe syen. Gheven int jair 1463, den 
27 dach Decembris. Soe wy dan beghereo dat desse breff 
myt synnen inholt tot rechten effecte ghebrocht mach wor- 
den , soe bevelle wy uwe discretie durich desse aposlolissche 
breven, dat ghi soe vake ghi twe off eene van den uwen 
durrich desse off anderre breven dye wylle der romssche 
commissie van dye borghemesteren in der tyt, schepen und 
raedt ende inwonders toe kennen wordt ghegheven , wannert 
hem gheraden dachte toe puppliciren tot hoiren hulp ende 
defferentie (deffentie?) dat ghi hem daer op bystaen ende 
nyet en lyden dat dye sellewe leghen voirss. worden behyn- 
dert off ghemoelestirt; oik nyet loe myn ghi allen ende eeyn 
yder van u, van wat dignileyt, slaedl, graet off conditie 



256 



ghi synl» soe vake ghi vaa dea vorbenomdea burgbemeste* 
ren in der lyt, scbepen ende raedt der inwonneren der 
Yoirs. steden worden versocbt, soe vake und dicke ala dat 
gbelegben mach syen op (en bestenden dach als syet van 
den vry(grave) daer toe coemen gheroepen synt, dat ghi 
dan inyt vwy troepen dye spotlelicke perlie doen cileeren, 
woeir toe wy u volcomen macht gheven und verlennen, und 
oik soet noedich warre dye werrelicke handt dair toe an 
toe roepen, nyet teghenstaende dat Boeniffacius dye 8. sel- 
ligher ghedachte ons voirwaders verbot dat eenen yder sich 
wachten sall dat ymans bulten syn stadt offbysdoem, ten 
warre in sekeren saken dye vwyt ghenoemen synnen ende 
nyet wyder dan tot een dach resse ter rechte gheroepen 
sullen worden, off dat nyet daghelix van den voirss. stoelt 
ghedeputirden hutten dye stadt off bysdoem warren ghesit- 
tirt woir tegens sye solden procederen, het warre een off 
meer hoire saken toe vervolghen , naemene dye van twe da- 
ghen int gheneraell consilium off anderren apostolisscbe 
commissien, dyertoe contrarie, sye synnen dan woe sye oik 
wessen moeghen, off anderre communiteyten offle delinghe 
van den voirs. sloell hoir toeghelateo, dat sye moeghen 
verbyden^ vwytstellen, vwytroepen bulten off op anderen 
stichten, plassen, omme toe rechte toe coemen, dat sye 
nyet en doen myt horren gheallegirden breven , soe sye dat 
nye volcoemelick vwyt druchken van wordt tot wordt , van 
der mynschen memorrie afferyrende leghen dye herrelick- 
heyden der ghistelicken appellatien nae toelaten conpensiren. 
Ghegheven toe Tybirine (Tyburne) int jair ons herren 1463 
den 27 dach Decembris. 

Als dye steden dessen breff hadden onlffanghen hebben 
sich dye 3 sleden Deventer, Campen ende Swolle sich myt- 
ten anderren verbonden myt seggelien und breven leghen 
dye auloriteyt van den vrygraven, woe men vwytten nae- 
volghenden breff mach vernemen. 

Wy borghemesteren , schepen ende raedt der sleden l>e- 



257 



venter, Campen ende Swolle, bekennen in dessen ape- 
nen breve dal wy ons myt guden voirbedacblen rippen 
rade samelicke verbonden hebben ten eewyghen daghe, oiï 
het sake werre dat eenich van onsse 3 steden off eenich 
van onssen borgheren off inwonders gbeladen worde myt- 
ten hemmelicken rechten, dat wy 3 steden dat dan ver- 
ffolgben sullen an onssen ghenedighen heren van Wttert, 
syn G. dat dan alsoe vordt toe bevelien dal suix nae in- 
holt der nyer refformatie des hemmelickes gherichle aif- 
ghestalt ende ofighedaen worde. Mochle dan des niet 
ghescheen, soe sullen wy steden voirss. alsdan sulxs toe 
ghelicke mecanderen helpen vwyldraghen ende wederstaen 
nae inhalt der bullen ons van onssen hillighen wader 
den paues dair op ghegeven, ende wes dat costet sulle wy 
sleden voerss. ghelicke belallen, sonder arghelist. Actum 
anno 1463. 

Noch soe hefit een vrygrave dye sych screif Wernke 
van den Sonderhuys, van kesserhcker ghewalt vrygrave, int 
jair 156 {sic) (1506) onderstaen eenighe vwyt Campen 
toe silirren und dede dye wette daer van dye stadt van 
Campen, wellicke breff ick wyll hyer verhallen op dat 
men syen mach woe hoir mannire van scriven und pro- 
cederen was. 

Wellen ersamen voersichlighen guden vrenden, dat ick 
scrive und dat ick verbodinghe hebbe nae vrye sloels rechte 
an Jan Herrenberrick ghenant van Jahuys myt rechte ghe- 
ffordert hebbe, als nae vrye stols rechle als sich ghebort; 
dair is ghecoemen dye erber und vesló Goedelien van Nien- 
steyn {sic) und heiït seir swnrelicken over om gheclaghet, 
myt synnen ghewonnen voirspraken, und spraek an und se- 
gede om dat hy sich solde gheffriet hebben in segellen und 
breven dye hy snodelick und valsselick ghecreghen hefil nae 
vwytwyssynghe syns wellens breffes, den ick vrygrave vwyl- 
ghesant hebbe , dair dye claghe mede begrepen stet , soe 'en 
hefil hy den dach nyet gheholden nae vwytwyssinghe des 
DL. X. 17 



258 



wellebreves, soe is hy in dal gherichte gheysschel, soe 
ilicke und soe wake als sich dat ghebert nae vry slols rechle. 
Doe leyl vurghenoempde Goedelien van Munster (sic) eeyns 
reclile ordels, oiTle hy nyet en quame by sittende gherichle 
offle een de one vernoelsynnende *) worden , Goedelien voirss. , 
dal kleghelicke guedt op om myt rechte ghewonnen hebbe 
nyet nae 100 olde schilde, dal ordell worde bestaet myt 
name an Jan Tuenle, een eechle vryschepen, dyesich beret 
myt dye ommeslandt, und quara und brachle in und wis- 
sede voir recht nae dyen dat hy dat gherichte over sich 
gaen leyt und sich nyet vernoelsynnende en lyet, soe werre 
hy verffallen mytlen 100 olde schilden, und den stoell hor- 
ren syn pennighen braeke. Vordt vraghede my dye selleve 
voorsprake eens rechten ordels ofF hy des ghewonnen ghe- 
rechlichheyls in eeniger wederlalle coemen solde , daer op 
wordt ghewessen ofïle ick om des nich werre schuldich een 
schin toe gheven ende name dair ofi myn wyn, dat ordell 
worde bestaet an eenen vryschepen dye dair op wysse, wair 
des werre ick hem schuldich toe gheven een schin und war- 
ret hem schuldich toe besegellen myt myn bysitlers und 
den standlghenoeden mede in dat schin toe setlen, oik 
mede toe besegellen des ick well ghewisse, vraghede; nae 
dye tyt quam Goeydelien van Mosier {sic) op len vryen 
stoell in dat gherechle myl synnen ghewonhen sententie und 
claghede over Jan Heerkynck ghenant vanNahuys (sic), wye 
dat hy onghehorsom den gherichle werre, dal ick hem solde 
trechken vwyllen openbaer gherichle in dat hemmelicke ghe- 
richle, und dye dye sware smelicke senlenlie over hem wys- 



1) Vemoetsynnende , dat is : zoo er niemand kwam die hem veront- 
schuldigde , en wettige redenen deed gelden , waarom hij niet was ver- 
schenen. Volgens het stadregt van Zutphen van 1742, wordt een 
gedaagde die eerst op den tweeden of derden termijn verschijnt in 
de kosten der vorige termijnen veroordeeld » ten ware sake dat hy sig 
dede vernoodtsinnigen , te weten dat hy door lyfsnoodt, watersnoodt 
ofte Hecrcngebodt verhindert ware geweest". Stadregt, Titel 8 art. 6. 



259 



sen lalen, dal Jan voerss. swair wolde wallen, soe hebbe 
ich dye bysellers und ommestanders ghebeden Goedelien 
van Munster off toe bydden, dat hy dat lyden wolde, dat 
ick dat an U. £• dat irsten verschreven mochten soe lateick 
nw U wetlen, dat ghi den voirss. Jan onderwyssen wyllen, 
nadenmaell hy in uwe lande besetten is, dat hem dye swar- 
re scbendeiicke sentie ghen noet en sye, wener ghi all toe 
malle ghinne vryeschepen en synt, dat ich u dan dye hem- 
melick scriven en mach, soe hefil my dye ommeslandt ghe- 
beden dat toe lydenne des nechsten gherichtedages nae onsse 
lyve ffrouwe daghe assomlionis neyest coemende, soe is 
myn raedt ersarae voirsichlighe gude vrenden by hem toe 
voeghen und myt vrenscap van hem toe scheden dat ick in 
alle in dat guede toe erkennen gheve, daer moghe ghi myl- 
ten besten op verdacht syn, toe verhoeden onwylle und 
twist dair vwyt ryssen mach und wolde over my toe ghe- 
bydenne. Godt sye myt ü. Datum an^ domini 1506, des 
manendages nae onsse lyve ffrouwen daghe visilationis. 

Desse breff hefft dye raedt van Campen anden voirbenom- 
den vrygrave beantwordt, woe hyer nae voUighet. 

Erber bysonder gude vrenl, uwen breflF waermede ghi ons 
toe kennen ghevet woe dye erbare und wysse Goedelien van 
Monster eenen ghenant Jan Heerkynck van den Naehuys voer 
den vryen stoell all daer myt rechte anghesproken , ende, 
wanthy sytlende gherechte nyet en quam, verwonnen solde 
hebben, alsoe dat dye sellive Goedelien, Jan vorss. in dat 
hemmelicke gherichte ghetoeghen solde hebben etc. begherren- 
de wy den voirss. Jan Heirkinck onderwyssen wolden, hy 
all dair quame und hem verantworde, opdat dye smelicke 
sententie over hem nyet ghewessen en worde etc. ghelicke 
dye breff dal breder vermeldende is, hebben wyontffanghen 
und redelicken verstaen. Ende voeghen dairop toe antwordt 
toe wetten dat wy nymande in onssen ghebyde en wynden 
dye Jan Heerkynk van den Ahuys ghenant is, ende all 
waert oik dye sellive Jan Heerkenk van der Ahuys onsse 

17* 



260 



borgher off inwonder warre, ende solde nyel ghehoiden we9« 
sen all dair voir den vryen stoel buien landes toe coroparir- 
ren, want hadde ymans wes op onsse borgheren ofile in- 
wonners te segghen, mosle men dye voir ons, dair sye toe 
rechte behorren , anspreken , off voir onssen ghenedigen herre 
van Wttert, dair men oik sullick recht behort toe verfful- 
lighen, twellicke wy u in den besten toe kuennen gheven. 
Ghescreven onder onsse sygnet op ten 15 dach in Julio 
anno 1506. 



BIJfLJLCïE JOL. 

(blz. 140). 

Hertog Karel van Egmond voor het Rijkskamergerigt te 

Frankfort gedagvaard zijnde , protesteert voor Hendrik 

van 0s8f Deken van St. Walburg te Arnhem en 

twee notarissen , van de onmogelijkheid om daar 

te verschijnen. 1490. 

In nomine Domini Amen. Yniuersis et singulis presentes 
literas siue presens publicnm instrumentum visuris seii legi 
audituris Henricus de Oss, decanus ecclesie collegiate Sancte 
Walburgis opidi Arnhemensis Trajectensis diocesis, notum 
facimus quod anno a natiuitate ejusdem Domini millesimo 
quadringentesimononagesimosexto, Indiclione quartadecima » 
die vero Lunae , tertia mensis Octobris , hora decima ante me- 
ridiem vel circiter , pontificatus Sanctissimi in Gbrislo palris 
et domini nostri domini Alexandri diuina prouidencia pape 
Sexti anno quinto, consliluti personaliler coram nobis Hen- 
rico decano et notariis infrascriptis Illustrissimus et genero- 
sissimus princeps et dominus Karolos Gelrie et Julie dux 
comesque Znlphanie etc. pro se suisque subditis et litis con- 
sortibus ac adherentibus in causa infrascripta et adhesuris, 
opidis et opidanis, vasallis, celerisque quibuscunque quos 



261 



inriascriplum langit negoUum seu quomodolibel langere po- 
terit in fulurum, ac nobiles et validi viri Wilhelmus de 
Aesswyn magister curie, Karsilius de Scharpenzeell judex 
temporalis opidi Arnhemensis predicti , Arnoldus van der 
Lawyck officialisseu amptmannusBatavieSuperioris, consili- 
arii ejusdem illustrissimi principis domini Karoli ducis, ha- 
bentes ibidem et in medium producentes quandam protcs- 
tationis ac prouocalionis et appellalionis papiri cedulam teno- 
ris infrascripti, per vive vocis oraculura predicti Wilhelmi de 
Aesswyn magistri curie dixerunt et asseruerunt se proteslari , 
prouocare et appellare veile et de facto proteslabantur et pro- 
testati sunt, prouocarunt et appellarunt apostolosque sibidari 
respectiue petierunt aliosque et alia fecerunt, prout hec omnia 
et singula ac alia in eadem protestationis et appellalionis 
cedula lalius sunt expressa, cujus tenor sequitur et est talis. 
Animo et Intentlone proteslandi, prouocandi et ap- 
pellandi apostolosque petendi et recipiendi ac alia infrascripta 
iaciendi cilra tamen injuriam cujuscumque et salua sem- 
per omni honorificentia et obedientia Sacro Romano Imperio 
Serenissimo domino Regi Romanorum debilis de quibus pro- 
testamur expresse IVos Carolus dei gratia Gelrie el Julie dux 
comesque Zutphanie tam proprio quam lilis consortium et 
subdilorum nostrorum omniumque nobis adherentium seu 
adhesurorum nominibus conjunctim et divisim contra quan- 
dam Johannam assertam conjugem Petri de Heemert ac 
Lambertum de Buren armigerum in ducatu noslro Gelrensi 
incolas , nee non nobiles venerabiles et circumspeclos viros 
dominos regalis Camerarii judicii in opido Franckfordensi 
Maguntinensis diocesis judices residentes aliosque sua in 
infrascriptis interesse putantes ducimus in hiis scriptis et pro-> 
testando proponimus quod licet notorium, proehdolor! facli 
sit non solum in ducatu Gelrie, sed eliam in multis illi vi- 
cinis et circumjacentibus principatibus atque dominiis Sere- 
nissimum et iuvictissimum principem et dominum nostrum 
dominum Maximiiianum Romanorum regem hoslilia queque 



262 



et bellumcruentissimum alque crudele contra nos, ducalum 
Doslrum Gclrie et incolas illius gessisse hactenus et exer- 
cuisse ac gerere et exercere et duobus dimidio annis vel 
circiier jam effluxis, congregralo copioso tam peditum quam 
equilum exercitu, opida noslra Ruremunde et Nouimagense 
ducalus nostri Gelrie vi armata obsedisse ac insidiis et vi 
capere et oppugnare ac occupare per se ipsum temptasse et 
deiode, cum ab hiis oppugnationibus Dei miseratione acpo- 
tentia nostra et subditorum nostrorum non minus legitima 
quam necessaria ac forti resistentia et defensione esset re- 
pulsus, per nonnullos suos quos ad hoc deputauit capitaneos 
ac eorum satellites et complices copioso armaio exercitu to- 
tam pene Gelriam hostiiiter invasisse et despoliasse ac ferro 
et igne foede et crudeliter lacerasse atque vaslasse et que- 
cunque attingere poteral loca tam prophana quam ecclesias- 
tica invasisse , occupasse, spoliasse et incendisse, cede , spoliis 
et incendiis, non sexui non elati non conditioni parcendo 
omnia complesse, aliqua etiam notabilia loca munita ducatus 
Gelrie violenter occupasse et aliquamdiu detinuisse iisque 
adeo ut nos tandem coacti confuerimus, nisi extremum nostri 
ac totius Gelrie ducatus excidium pali veliemus, jusle et ne- 
cessarie defensionis auxilium arripere. Itaque cum nos Dei 
benignitale et nostrorum auxilio exercitum et capitaneos 
dicti Regis a Onibus nostri ducalus Gelrie repulissemus et 
loca per eos occupata non sine grauissimis laboribus, impen- 
sis, incommodis et vuineribus et mortibus nostrorum pene 
omnia recuperassemus, ipse lamen dominusRex per nonnul- 
los alios viros factiosos et eorum complices sibi faventes et 
assistentes loca quedam ad ducalum nostrum Gelrie praefa- 
tum et ad nos legitime spectanlia violenter occupata detinuit 
et detinet de presenli et ex eisdem nonnulla loca eliam sacra 
et inler ea monaslerium quoddam ordinis Premonstratensis 
in ducatu Gelrie silum hoslililer invadere el exspoliare, cedes 
et incendia commillere non cessavit neque hodie cessat, 
ymmo biis occupalis locis in ducatu Gelrie non contentus 



263 



ex suo comitalu Hollandie ad partes ducalus Gelrie preser- 
iim ad Yeluam hiis nouissimis diebus salellites quosdam et 
scelcrum miaislros ia magno et nolabili numero transmisit, 
qui itidem rapinas et ecclesiarum et monasterii et aliorum 
locorum Gelrie incendia et concremaliones ac spolia ac alia 
hostilia exercuerunt , ducatum nostrum Gelrie el nos ac sub- 
ditos nostros hostili animo et capitali odio prosequendo et 
muUipliciter dampnificando .* videns tandem idem serenissimus 
dominus Rex se ducatum Gelrie hujusmodi suis invasioni- 
bus et depraedationibus et aliis supranarratis occupare et 
nos ipso ducatu sic spoliare non posse, non cessans tarnen 
a via facti et armorum violentia et hostili perseculione ac 
cedibus, iacendiiset spoliis, suggestionibus tandem lioslium 
et aemnlorum nostrorum ut verisimiliter creditur instigatus 
conlra nos quasdam literas suas afïïgi fecil, per quas nos ad 
judices Gamere regie Franckfordie residenles super ducatu 
Gelrie et illius possessione citari jussisse et roandasse dici- 
tur, a quibus quidem literis citatoriis et gravaminibus nobis 
tune illalis appellationem inlerposuimus legilimam praemissa 
protestatione non minus legitima quam nobis necessaria, prout 
in literis ac documentis publicis desuper confeclis plenius 
conlinetur. £t licet premissis attentis debuerit oranis con- 
tra nos ac ducatum et subditos nostros via facti cessare , 
nee nos vel subditi nostri ad dictos judices et ad predictum 
opidum Franckfordiense nee nobis nee illis tulum , presertim 
in prima instantia ad cujusvis priuati inslantiam de jure ci- 
tari vel evocari potuerimus vel debuerimus, nichilominus 
premissis non attentis et nobis adhuc infra terminum pro- 
secutionis dicle appellationis prime existentibus, incerto 
rumore ad nos, nondum decem diebus edluxis pervenit» 
qualiler prediclus serenissimus dominus Rex nos ac alios 
nostros nominatos subditos ad instantiam praefatorum Jo- 
hanne de Hemert ac Lamberti de Buren respective, qui prae- 
missorum omnium et singulorum non erant ignari et regie 
majestali contra nos et nostros adherentes nosque et nostros 



264 



capilali odio prosequunlur, ad judices camere sue regie, non 
espresso etiain loco ad quern cilari jussit el mandauit ac 
cilasse dicilur per quasdam literas ut dicitur suas» que 
anno vno et amplius jam elapso confecte videntur quadra- 
gesimo quinto die post affixiooem lilerarum hujusmodi in 
porlis opidi Clivensi nos vna cum ooslris ibidem nominatis 
subditis per nos vel procuratorem nostrum coram judicibus 
Gameralis judicii comparere debeamus, ipsis Johanne et Lam- 
berto respective super suis pretensis contra nos el subditos nos- 
tros querelis legilime responsuri. £l cum supra enarrala vera 
ac DOtoria sint ac notorium existit quod opidum Franck- 
fordense, in quo judices camerae regalis pro nunc residere di- 
cunlur, a Gelria ultra septem dielas^) distel el predicto domino 
regi Romanorum immediate subjectum et populosum ac 
rounitum existit, ac nobis Karoio duci ac nostris litisconsor- 
tibus ac nobis in hoc pro nostri juris defensione aduocatis 
consiliariis et procuratoribus ac nunciis in hujusmodi causa 
necessariis ad ipsum opidum Franckfordense lutus non pa- 
teal accessus, nee nos aut nostri in praemissis necessarii et 
lites consortes sine euidenli corporum et bonorum nostro- 
rum periculo ad ipsum opidum Franckfordense ad defenden- 
dam causam hujusmodi accedere possimus vel audeamus, ad 
quod eliam non nisi per terras et dominia potentum princi- 
pum , comitum et Baronum qui nos et nostros lilis consortes 
et subditos hostili animo prosequunlur et quorum aliqui 
etiam düBdati hostes et inimici nostri existunt nobis pateal 
accessus el in qua eliam nos secure morari, conversari et 
causam antedictam defensare non possumus nee audemus 
durante adhuc boslili et capitali perseculione et violenta in* 
vasione et devaslationc domini regis et suorum contra nos 
et ducalum nostrum ac subditos nostros et litis consortes , 
ut supra narratum est, sitque juris diuini naluralis et po* 
siliui indubilalum documenlum idque ratio naluralis protes* 



') Dietas beteekent hier dagreizen. 



265 



telur et manifeslel, quod neino tenealur se in manus hos- 
tium et inimicorura suorum reponere et in eorum locis 
praecipue munitis et populosis in judicio comparere aut ju- 
dicium illic subire, cum locus judicii partibus hinc inde et 
suis omnibus ad judicium prosequendum necessariis tutus et 
liber ac securus esse debeat et citatio , processus actus et 
sententia quelibel in tali loco non tuto et ad quem quis secure et 
absque periculo corporis vel bonorum accedere non possit 
contra partem etiam legitime cilatam per quemcumque ju- 
dicem etiamsi si supremam potestatem haberet, facta et 
babila sint ipso jure nuUa et citatio etiam alias legitime 
facta cilatum ad comparendum in tali loco non tuto de jure 
non artat nee ligat, sed polest ad talem locum non tutum 
et ad quem sibi liber et absque periculo non patet accessus 
et qui in dominio aduersarii potentis et hostis situatus exi- 
stil impune non comparere, nee debeat processus aut sen- 
tentia in tali loco contra eum per quoslibet quamvis polle- 
ant dignitate vel auctoritate etiamsi illa suprema inter secu- 
lares existat forsitan habitos et latam de jure aliquatenus 
formidare tamquam ipso jure nullos inanes et irritos et nul- 
lum juris elTectum producentes aut producere quoquomodo 
valentes. Idcirco nos Carolus dux tam proprio quam litis 
consortium nostrorum et aliorum quos presens tangit ne- 
golium nominibus coram vobis , venerabile domino Henrico 
de Oss , decano ecclesie collegiate sancte Walburgis opidi 
Arnhemensis, tamquam publica et egregia persona ac vobis 
notariis publicis bic astantibus palam et publice protestamur 
de non tuto ac libero accessu ad dictum opidum Franckfor- 
dense , quod dicte regie majestati ut praefertur immediate sub- 
jectum , populosum el munitum existit et in quo illi conuer- 
santur et verisimiliter conuersaturi sunt potentes, qui nos et 
litis consortes ac subditos nostros, capitali odio et hostili 
animo prosequuntur et etiam de non tuto, non libero, non 
securo transitu per terras et dominia principum et aliorum 
polentum, qui in medio itineris a Gelria in Franckfordiam 



266 



commoranlur et siluata sunt et quorum etiam nonnulli nos- 
tri et ducatus nostri ac litis consortium et subditorum illius 
hostes el ioimici sunt^ et insuper protestamur de notoria 
iniquitate ac euidenti ac non minus notoriis nuliitatibus 
citationum ante dictarum ac omnium et singulorum proces- 
suum et actuum ac decretorum et sententiarum quarumlibet 
in hujusmodi causa contra nos et noslros ad instantiam die- 
torum Johanne et Lamberli per predectos judices cameralis 
et regalis judicii durante adhuc hostiiitate et via facti ac 
guerra ex parte regie majestatis et suorum satellitum et ad- 
herentium contra nos et litis consortes ac subdilos nostros 
crudeliter atlemptata et continuata quomodolibet forsilam 
in futurum fiendorum, gerendorum , promulgandorum et fe- 
rendorum propter locum non tutum et accessum ad illum 
non liberum neque securum , quodque etiam si prefati Jo- 
hanna et Lambertus contra subditos nostros aliquam legiti- 
mam actionem se habere praetendant, quodtamen non credi- 
tur, illam in ducatu Gelrie et coram judicibus inibi compe- 
tentibusde jure prosequi poterant et debebant, nee debebant 
nos ac litis consortes ac subditos nostros contra juris dispo- 
sitionem in prima presertim inslantia ad quodcunque aliud 
extraneum judicium presertim dictorum judicum regalium 
trahere; protestanles etiam de dampnis et interesse ac injuriis 
nobis , litis consortibus ac ducatu nostro Gelrie via facti jam 
illatis vel alias forsan in futurum inferendis quodque hujus- 
modi notorias iniquitates ac nullitates omnium supra enarra- 
torum processuum, actuum judicalium, decretorum et sen- 
tentiarum forsitan in diclo opido per predictos judices ca- 
mere regiae contra nos, litis consortes ac subditos et adhe- 
rentes forsitan babendorum, ac injurias, dampna el inter- 
esse hujusmodi coram judicibus compelentibus et prout de 
jure fuerit faciendum loco et tempore oportunis quam pri- 
mum poterimus judicialiler experiri et prosequi inlendi- 
mus; preterea licet in citationibus, actibus et processibus 
judicialibus euidenter nullis et nullilatis vitio notorie subia- 



267 



cenlibus de jure non sit appellare necesse , cum moie sua 
ruat vis ralionis expers el ipsa nullitas executionem non 
merealur, quod nomen quoque suum protestatur^ quia ta- 
rnen habundans caulhela et euidenlior expressio nocere non 
solent, idcirco nosKarolus Gelrie et JuIieduxZulphanieque 
comes pro el euro noslris subditis et litis consorlibus et adhae- 
rentibus ad omnem et habundantem caulhelam et omnem juris 
effeclum nobis et eisdem et cause nostremagis ulilem apredictis 
citationibus et literarum afSxione cum omnibus inde hactenus 
secutis et a quibuscumque grauaminibus nobis per praemissa 
iilatis communicatis et forsilan inferendis et abhujusmodi came- 
rali judicio et judicibus etiam in hac causa incompetentibus 
et nobis et noslris litis consorlibus et adherentibus predictis 
ex legitimis causis non immerito suspectis ad prefalum se- 
renissimum dominum regem Romanorum de hujusmodi 
causa ut verisimililer credlmus sinislre et minus plene in- 
formatum et propterea in quoiibet loco nobis ac litis consor- 
libus ac subditis nostris securo et tulo quando et quociens 
ipsum dominum regem in illo rendere vel morari conligerit 
et nos et litis consortes subditi et adherentes ad illum com- 
mode accedere poterimus plenius et melius in hac causa 
informandum et in evenlum denegatae nobis et litis consor- 
libus subditis 6t adherenlibus in tali loco tulo et securo 
audienlie quam tamen non speramus denegari ad Sanctis- 
simum in Ghrislo patrem el dominum nostrum dominum Alex- 
andrum diuina prouidentia papam Séxtum ac sanctam sedem 
aposlolicam tamquam omnium oppressarum el injuriam patien- 
tium singulare praecipuum ac legitimum refugium ac cunc« 
lorum Ghrisli fidelium supcriorem et dominum vel ejusdem 
sanclissimi domini nostri el sedis apostolice ad nationem Ale- 
raannicam legatum missum vel millendum et alium quemlibet 
judicem competentem in hiis scriptis proclamamus et appel- 
lamus apostolosque a vobis domino Henricopredicloac notariis 
publicis literas solitas testimoniales nobis dari el concedi peti- 
mus primo secundo el tertio, instanter instanlius et inslantissi- 



268 



me, subjicienles nos ac ducalum nostrum subdilosque lilis con- 
sortes et adherentes noslros proteclioni et defeo 

in loco nobis et nostris tuto et securo ac coromodo acces- 
sibili residentes et commoraotes ac sanctissimi domini nos- 
tri pape vel ejusdem legati, prout et quatenus de jure pos- 
sumus et debemus protestanles quoque de protestatioue et 
appellatione hujusmodi prout de jure fuerit faciendum .... 
quovis loco et tempore oportunum. Coasequeuter vero ut 
aduersariis omnis cavillandi via precludalur et vt notorie om- 
nibus Illuslrissimis et Reuerendissimis principibus inclitae 
nationis Alemannicae et aliarum nalionum ad quas forle 

presens protestalio et appellalio pervenerit constet 

nos Garolum Gelrie et Julie ducem comitemque Zutplianie 
justum el competens judicium non formidare nee sublerfu- 
gere in hiis causis, sed summopere cupere ut causa inter 
nos , lilis consortes et adherentes et prefatos aduersarios nos- 
tros, quatenus coram judicibus competenlibus terminelur et 
juslicia ministretur, offerimus nos litis consortes et adherentes 
noslros cum omni caulione juris in hiis debita et necessaria 
paratos jurisdiclioni cujuslibet et seu quorumlibet judicum 
compelentium inclite nationis Germane deputatorum vel de- 
pulandorum, quicumque sint illi non suspecti, ac illius seu 
illorum judicio stare et coram eis judicium juxta juris ordi- 
nem subire et judicato parere ac jus et justiciam nobis et 
litis consortibus et adherenlibus dici et promulgari petimus 
et requirimus, proleslantes quod si forle regia Majestas 
viam facti et hoslililalem ac guerram contra nos et subditos 
noslros litis consorles el adherentes continuauerit et illam 
non deposuerit, prius el ante omnia antequam hujusmodi 
causa audialur ac prefali judices Camerae contra nos et 
lilis consorles in hiis causis preserlim in diclo opido ad 
aliquem aclum processerint , quod nobis Karolo duci, lilis 
consortibus et adherenlibus neccssarium erit adjusle, neces- 
sarie et oporlune defensionis auxilium recurrere ac noslri el 



269 



ducalus noslri lilis consorlium iocolarum quorumlibet ac 
adherentium saluti et indempnitali in quanlum cum Deo et 
honore poterimus prouidere et hostium noslrorum insidiis et 
violentiis ac cooalibus omnibus viis et modis possibilibus 
resistere quod jure optimo facere posse et debere merilo judi- 
cabimus, cum defensio juris naturalis exislatetneminidebeat 
denegari ad quam quisque in tali casu recurrere el illa vti 
potest saluo jure addendi, minuendi» mutandi, corrigendi etc : 

ttnaqnldem praeinserta proleslationis et appellationis 
cedula coram omnibus et singulis supra diclis per discrelum 
virum magistrum Wilhelmum Kornick de Wichen vn m ex 
nolariis infrascriptis prelecla prefatus Illustrissimus princeps 
dominus Karolus dux vna cum omnibus et singulis supra 
nominatis respective nominibus prefatis ac nomine ut asse- 
ruerunt validi viri Oltonis de Ërkell domini temporalis in 

Hoeklum dicle appeliationi adherentis ac litis con- 

sortibus omnibus et adherenlibus et adhesuris primo, se- 
cundo, tertio, instanler, inslantius et inslanlissime sibi aposto- 
los per nos Henricum decanum prediclum ac nolarios infra- 
scriplos dari et concedi petierunt, ynde nos Henricusdecanus 
antedictus vua cum notariis infrascriptis predicto IHustrissi- 
mo principi vna cum sibi adjunctis prenarratis suis curiali- 
bus consiliariis ac lilis consortibus, adherenlibus et adhesu- 
ris, prouocantibus el appellanlibus teslimoniales aposlolos 
dedimus et assignavimus prout damus el assignamus per 
presentes. 

In qaoram omnium et singulorum iSdem et testimonium 
premissorum , has literas siue presens publicum instrumen- 
tum per nolarios infrascriplos subscribi et publicar nostrique 
sigilli quo ad hec fungimur jussimus et fecimus appensione 
communiri. Acta sunt hec in curia prefati Illustrissimi 
principis domini Garoli ducis in opido Arnhem sita, sub 
anno, Indictione, die, mense, hora et ponlificalu quibus supra, 
presenlibus ibidem honorabilibus et discretis viris et domi- 
nis Sandero de Huysslinck et magislro Johanne Sluier Ca- 



270 



nonicis supradicle ecclesie Sancto Walburgis Dec nonKarolo 
de Hedebant el Wilhelmo de Dornick laicis armigeris Her- 
manno de Crancnfels ac Lodewico van der £lst opidanis 
Nouimagensibus et Arnhernensibus aliisque quam pluribus 
ieslibus ad premissa vocatis specialiter alque rogatis. 

£t ego Wilhelmus Komiek de Wichen Clericus Golonien* 
sis publicus sacra Imperiali aucloritato ac ordinaria admis- 
sioDe venerabilis Curie Coioniensis approbatus notarius quia 
premissis protestationibus, prouocalionibus et appellalionis in- 
terposilioni apostolorumque petitioni et dationi , omnibusque 
aliis et singulis dum sic ut premillitur agerentur et fierent 
corani prenominato venerabili domino decano vna cum do- 
tario infrascripto ac testibus supra noroinalis presens inler- 
fui eaque omnia el singula sic fieri vidi el audivi alque 
feci, ideoque hoc presens publicum instrumentum manu 
mea propria scriplum exinde confeci , subscripsi , publicavi et 
in hanc publicam formam redegi signoque et nomine meis 
solilis et consuelis vna cum supradicli domini decani sigilli 
appensione ac infrascripti notarii parinde ^) signi sui apposilione 
et manus sue subscriptione signavi in fidem et lesliroonium 
omnium et singulorum premissorum requisilus specialiter al- 
que rogalus. 

£t ego Johannes de Rosis, Clericus Trajeclensis, publicus 
sacra Imperiali auctoritale Notarius, quia premissis protesta- 
tioni , prouocalioni et appellalionis inlerposiliuni apostolorum 
petitioni et dalioni , omnibusque aliis et singulis dum sic vt 
praemillilur fierent el agerentur coram praenominalo vene- 
rabili domino Decano supra scripto ac testibus praenominatis 
presens inlerfui eaque omnia el singula sic fieri vidi et au- 
divi, idcirco hoc presens publicum instrumentum manu al- 
terius , me interim legitimis praepedilo negociis , scriplum 



*) Gelrice pro perinde. 



271 



exinde confeci , subscripsi , publicavi el in hanc publicam for* 
mam redegi signoque et nomine roeis solilis el consuetis 
vna cum supradicto Domini decani sigilli appensione ac su- 
prascripli notarii parinde signi sui apposilione et manussue 
subscriptione signavi, in fidem et testimonium et singulorum 
praemissorum requisitus specialiter atque rogalus. 

Oorspronkelijke op pergament geschreven notarieele acte, waar- 
aan het zegel van den Deken in rood was hangt. In het Fro- 
yinciaal Archief te Arnhem. 



AANHANGSEL. 

Onder het afdrukken is mij nog onder de oogen ge« 
komen eene verhandeling door den geleerden G. Uoheter 
in 1856 in de Koninklijke Academie van Wetenschappen 
te Berlijn gehouden Ueber die informatio ex Speculo 
Saxonum. Hij deelt daarin een handschrift Tan een on- 
bekenden schrijver mede, die als verdediger van den 
Saksenspiegel optreedt en te velde trekt tegen de vele 
misbruiken, waardoor het oude Saksische regt verkort 
en bedorven vierd. Deze schrijver wijdt een afzonder- 
lijk hoofdstuk aan de Veemgerigten en verwijt aan de 
Trijgraven hunne talrijke afwijkingen van den Saksen- 
spiegel. Onder anderen bestrijdt hij het misbruik om 
de onwetenden ongedagvaard en onverhoord te veroor- 
deelen, de aanmatiging van den Vrijgraaf om over den 
Keizer regt te kunnen spreken »die oerer aller oeverste 
isy dar hei die gnade ind macht van hedde^ dat hei ein 
richter is", het dagvaarden van geheele steden, terwijl 
toch ieder man met name behoorde te worden gedag- 



272 



vaard en nog yerschillende andere punten meer. Som- 
migen zijner yerwijten zgn inderdaad zeer gegrond, al 
is het niet tegen te spreken , dat hij op andere plaatsen te 
zeer aan de letter yan den Saksenspiegel hecht en daar- 
uit ook gezochte beschuldigingen ontleent. Met de aan- 
yallers die op het Romeinsche of Kanonieke regt steu- 
nen heeft hij niets gemeen; integendeel, hij hangt aan 
de aloude Duitsche gebruiken, hij is blijkens zijne taal 
een Westphalinger en koestert eerbied voor de instel- 
ling der Teemgerigten zelve. Maar hij schijnt geschre- 
yen te hebben in den tijd toen oyeral misbruiken bij 
de Teemgerigten waren ingeslopen, na 1416: want hij 
spreekt van de »Prager ketters", en welligt vóór 1437, 
toen men door middel der Arnsberger Reformatie eene 
poging had gedaan om die misbruiken af te schaffen, ten 
minsten hij zwijgt van die reformatie. 

Merkwaardig blijft altijd zijn klaar en practisch ver- 
stand dat hem bewaarde voor de fout, waarin Johan- 
Nss D£ Faancfoadia en andere vijanden van het Teem- 
gerigt vervielen , om namelijk tegelijk met het onkruid 
ook de vruchtdragende halmen uit te trekken. 

Het werk van Fahns Die Graf schaft und freie 
Reichsstadt Dortmund levert voor de geschiedenis van 
het Veemgerigt weinig beteekenends op. 



DBUKFEULEnr. 

BI. 126, r. 3, Fredekik V. Utehwijck /. Hendebick v. Wtterwick. 

» 126, » 6, CONICK » COKINCK. 

» 127, » 10, » » » 



DE VOORMALIGE DRUKKERIJ OP HET 
RAADHUIS DER STAD LEYDEN. 

Ao. 1577—1610, 



MEDEGEDEELD IN DE MAANDEUJKSCHE VERGADERING TAN DE 
MAATSCHAPPIJ DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE 



VAN BEN S»» APRIL 1857, 



J"«. W. I. C. RAMMELMAN ELSEVIER. 



DL. X. 18 



De onthalling van het standbeeld ran LouAens Jans2* 
Koster en de tentoonstelling der oude drukwerken in 
het afgeloopen jaar te Haarlem, hebben mij aanleiding 
gegeven tot eene mededeeling over de Drukkerij op 
het Raadhuis der Stad Leyden, voor zoo verre zulks 
uit het archief dier Stad is op te maken. 

Bij de behandeling tan dit onderwerp 2al men mis-^ 
schien de vraag doen , wanneer en door wien de eerste 
drukkerij te Leyden is opgerigt? Voorloopig moet ik 
hierop antwoorden: dat een onderzoek in de oude do* 
cumenten der stad, geene gelukkige uitkomst heeft op-^ 
geleverd* De Vroedschaps-Resolutiën van A° 1449 tot 
A** 1500, alsmede de Thesauriers rekeningen over ge- 
meld tijdvak, bewaren daarover een volkomen stilzwij- 
gen. Alleen vind ik dat op den 13 Nov. 1478 alhier 
als poorter is ingeschreven Glaes Jaüsz. tan Edam, 
boekverkooper, wiens zoon Simon alslandmeter in 1545 
de opmetingen van gansch Rijnland heeft gedaan, 
waarvan de terbalen in de archieven van Rijnland en 
die der stad Leyden nog voorhanden zijn. 

18* 



276 



Onder de leden der Toormalige schutterij, yermeld in 
een Register, genaamd: het Siedeboek, komen yan 
A"" 1450 tot A? 1494 yele personen yoor met den titel 
yan preniers ^ en ofschoon men in de eerste tijden 
der boekdrnkkunst niet schreef boekdrukker, maar wel 
boekprenteTj is er echter meer grond om te yermoe- 
den dat de hier bedoelde personen prenters yan lakens 
of manufacturen zullen zijn geweest. 

Hoewel nu in het archief niet teel meer te yinden 
is o?er de eerste boekdrukkerijen hier ter stede, weet 
men echter dat HuGO Jansz. op den 25 Hei 1498, aan 
de Vischcappelle wonende, gedrukt heeft eene Oefenin^ 
ghe van den Zeven ons Heeren J.C. >) met plaatjes, 
in 12® en dat Jah SsyERSEH in 1517 de zoogenaamde 
Divisie Cronijk gedrukt heeft *). 

Na deze korte uitweiding, ga ik OTer tot de Druk- 
kerij op het Raadhuis der stad Leyden. 

Deze drukkerij, den IS*"*" Noy. 1577 door de Rege- 
ring yan Leyden opgerigt en onder haar onmiddelijk 
toezigt werkzaam, heeft haar ontstaan aan de yolgende 
bgzonderheid te danken. 

Volgens het Charter yan Philips yAN Rourgondie, ^an 
Junij 1461, mogtgeen Schout, Rurgermeester of Sche- 
pen yan Leyden, eenige draperie-neering doen^ maar 
werd hun slechts toegestaan, het houden yan t;erti;e^'en; 
doch Tier jaren later, namelijk op den 8 No?. 1465 
had hij die yan den Gerechte ook verboden, verweryen 
te bezitten. 



1) Prof. VAN DER Chijs tc Leyden bezit daarvan een exemplaar. 

2) De Leidsche drukken der 15*^« eeuw vermeldt ons medelid 
HoLTEOP, Catal Ubr, 5. XV, in Bibl, Sag. asservat, p. 201—206. 



277 



Dit laatste Charter was intusschen onbekend geble- 
ven of in vergetelheid geraakt, doch bij het opreclderen 
van de stads privilegiën in 1577 kwam dat stak te voor- 
schijn, en bevond men dat de Oud-Burgerraeester 
Glaas WiLLEiisz. Warmont, nog eene verwery in 
werking had. 

Volgens het eerste Charter kon die Burgermeester de 
verwery behouden, maar volgens het laatste of tweede 
Charter, dat hij niet gekend had, moest hij zich daar- 
van ontdoen. 

Na vele beraadslagingen over dit voorval, besloot de 
Vroedschap op den 17 Aug. 1577 dit laatste Charter 
voor nul en geener waarde te verklaren, als zijnde zeer 
nadeelig voor de stad, doordien bg het handhaven van 
gemeld Privilegie, vele personen in eens zonder brood 
zouden zijn. 

In dezen toestand begrepen de Regeringsleden, dat 
zij bij de vervulling hunner betrekking toch bekend 
moesten zijn met de voorhanden zijnde Privilegiën, 
waaraan niet voldaan kon worden, dan door die te 
laten drukken en aan de leden te doen ronddeelen. 

Op den 15 Nov. 1577 besloot dus de Vroedschap 
eene pers met de noodige letters te koopen ; de voor- 
naamste Charters te doen afschrijven , om vervolgens 
op het Stadhuis te worden gedrukt, ten getale van 
100 exemplaren, waarvan elk lid één exemplaar 
zoude ontvangen, doch dat, na zijnen dood of zijne 
aftreding weder aan de Stad moest vervallen, ten 
einde aan den nieuw verkozenen te worden uitge- 
reikt. 

Het besluit tot oprigting dier drukkerij is van den 
volgenden inhoud: 



278 



15 Nov. 1577. Den welcken (namelijk de Vroedschap) by 
monde van Jan van Hout, Secretaris der voorsz. stede aen- 
gedient en voorgehouden is, hoe dal by Burgermcestren en 
Gerechte zeeckeren tyl geleden guet gevonden en zulcx hem 
van Hout te laste gelegt was ten behouve deser stede te 
doen coopen een preni persse mit zyn behouflen efi daerlue 
zoo veel letteren, dat men daermede de privilegiën deser 
stede op zeeckere bequaeme plaetse in t raethuys zouden 
mogen drucken, tot de menichte tue van hondert exempla* 
ren, daervan men eick van de Burgermeestren, Gerechte, 
Yruetschappe en veertigen in der tyt , ten eynde zy durende 
haren eedt van privilegiën voor te staen, mochten weten 
waernaer hem te gedragen, één exemplaer zouden leveren, 
en tzelve t zyner overlyën of verlrecken weder afhalen* 
Ende hoe wel tzelve werck zeer oorbaerlick en profytelyk 
zoude wezen , dat zulx nochtans tol noch toe mits de menich- 
fuldicheyt van de affaire deser stede ongedaen was gebleven 
en zulcx milten eersten diende te zyn benaerslicht, te meer 
zoe de Burgermeestren en Schepen , laetst in t secreet ') by 



1) Na den val van den St. Fieterstoren in 1519 (alwaar die oude 
stukken bewaard waren) zijn die Charters terag gevonden en op het 
Stadhuis bewaard geworden, en wel In het tegenwoordige lokaal van 
den stedelij ken ontvanger Henkes, toen genaamd het Secreet, terwijl 
het volgende vertrek den naam droeg van het binnenste van het Se* 
creet. Die bewaarplaats heet nu In de wandeling, de Eel, 

Omtrent het terug vinden dier Charters leest men in de Thes. Re^ 
hening van 1512, het volgende: 

»0p ten xvijen dach van Novembri a^ xv® en xij, zoe wrochten 
die volders op sinte Fieterskerckhof om die poeyn ende stien vanden 
gevallen thoem wech te dragen ende bevonden die Privilegiën van de 
stede, die in den thoern gestaen hadden, die gebrocht worden ten 
huyse van Willem van Coulster Soout, aldair die gerechte vergadert 
waeren, als by den gerechte en andren die de Privilegiën brochten, 
verdroricken worden xxv cannen rynswyn, den sto^ van vij guit. 
facit ij ^ xviij se. iüj d. 



279 



deser slede Charlen slucken en papieren geweest zynde, 
badden bevonden, dzel?e tzy deur de reumatycheyt van de 
plaetse, de dampicheyt ofT dovicheyt uyt tgestadich sluylen 
van tzelve secreet veroorzaect zynde, of van de zalpeter die 
deur de wulfselen scheen Ie trecken (dat men meende te 
comen deur de bracheyt van de steen daer de wulfselen van 
scheenen gemaect te zyn) in peryckel waren van te vergaen, 
alsoe men veele van dien vont, die zoe ruych waren wyt- 
geslagen als of die in kalck hadden gelegen , in der vugen 
dat zy niet en hadden connen laeten, tzelve de voors. van 
de grote vruetscbappe aen te dienen en heurlieder guet- 
duncken af Ie vragen wat zy in dese zaecke zoe wel tot de 
bewaernisse van de voors. stads brieven, stucken, privile^ 
gien, octroyen, charten en papieren als nopende tcopenvaa 
de persse letteren en het drucken van de voors. privilegiën 
zouden hebben te doen, Soedal hierop, nacr lange beraet- 
slaginge gestemmet en besloten es, dat d'zelve stucken mit- 
ten alder eersten by de Burgemeeslren , twee schepenen, 
pensionaris en secretaris of 't merendeel van hem , mitte 
bequaemste wegen en middelen, die zy eenichsins te Rade 
zullen vinden, zullen vfetden gereynicht^ gezuyverly gedroocht 
en zulcx voor vorder bederfnisse bewaert, en dat zy tzelve 



" Op ten selven dach worde van der stede weghen geschoneken den 
volres omdat zy die Privilegiën gevonden hadden, twie vaten biers 
van XV stüvers eick vat , ende hebben die Bargerms. noch geschonken 
Wouter Dircxz.. van Leeuwen ende Ysbrant Zrjverts , mit eenige an- 
dren die principalicken toesich gedaen hebben om die in goede be- 
waernisse te houden, iij (^ hollanta beloopt tsamen v J^,^ 

»0p ten zxij«i^ dach in Decembri xv<^ en xüj betaelt die vrouwe 
van Alkemaede van eene kist, die de Burgermr. tegen haer gecoft 
hebben , all ome beslagen mit yser ome der stede privilegiën dairinne 
te sluyten, die somme van xvi cC-" 

m Op ten selven dach gegeven twie draghers die de voirs. kiste mitten 
privilegiën gedragen hebben vnyten huyse van heer Willem van Al- 
kemade Secret, van Leyden, tot op ter Stedehuys xij se.''' 



280 



duende, de voors. privilegiën , oclroyen en stucken rypelicken 
doerlesen en initten anderen beraetslagen zullen, deweicke 
oorbaer zullen zyn Ie werden gedrucki en tot kennisse ge- 
brachl » en dat zulxs gedaen zynde d'zelve in vuge voorzeyt 
gedruckt, onder Burgermeestren, Gerechte, Veertigen en 
Vruetschappe verdeelt en thare sterfdacb of vertrecke hem 
weder onlhaelt zullen werden, en dat men zulcx de persse 
en letteren ten eynde als vooren zal coopen^ stellen en te 
werck brengen. 

Ziedaar dan het besluit, genomen ter oprigting dier 
Stads drukkerij , met het bepaalde doel om ^r de Char- 
ters van Leyden mede te drukken >). Het mag als een 
grootsch denkbeeld der Regering beschouwd worden, 
om te midden van den oorlog en de beroeringen dier 
tijden tot het drukken van Charters te besluiten. 

Omstandigheden van verschillenden aard, hebben 
echter belet, om dadelijk tot het drukken dier Char- 
ters over te gaan, want die moesten eerst worden afge- 
schreven en gesorteerd , dat geene gemakkelyke taak was. 

Eerst 25 jaren na het genomene besluit, zijn eenige 
dier Charters op het Stadhuis gedrukt , in het bekende 
det* Stadt Leyden Dienstbouc A« 1602 in 4o, waarvan 
zich een exemplaar, met aanteekeningen van J. J. Orlebs, 
neef van van Hout, in de bibliotheek onzer Maat- 
schappij bevindt (Cat. I. 94.). 

Gedurende dat tijdvak van 25 jaren, heeft die druk- 
kerij niet ledig gestaan, maar zijn daar verscheidene 
stukken gedrukt, waarvan men zich een denkbeeld kan 
vormen uit een eigenhandig rekwest van den Secretaris 
Jan van Hout, aan de Regering van Leyden omstreeks 

1) In de Thea, Rek, van 1578, bl. 414, wordt gezegd: «om de 
Privilegiën dezer stede ^secretelyck te drucken*^. 



281 



Ao 1597 ingediend, en waaruit men te?ens verscheidene 
bijzonderheden dier drakkerij leert kennen. 

Het bedoelde rekwest, is eene reclame Tan voorge- 
schotene penningen betreffende die drukkerij en ande- 
re diensten door den Secretaris Jan tan Hout aan de 
Stad bewezen, omdat de toenmalige Thesaurier Stmon 
Fransz. van Mkrwen, van hem eene som van ƒ 1200 
eischte, ten behoeve der Stad. Het gevolg daarvan 
was dat de stad aan Jan tan Hout die som schonk, 
en hem de drukkerij in eigendom gaf, behalve de pers, 
zoodat sedert dat tijdstip Jan tan Hout als drukker 
beschouwd kan worden , gebruik makende yan het regt 
om op de stukken te plaatsen: Gedrukt op het Bcuid' 
huis der Stad Leyden. 

Dat is ook de reden waarom aldaar eenige boeken 
gedrukt zijn, die, als op eene Regerings-drukkerij , al- 
thans daar niet behoorden te worden gedrukt. 

Het is ook waarschijnlijk dat Jan tan Hout die 
drukkerij zal hebben gebruikt om zijne eigene dicht* 
stukken en andere zaken te drukken, waarvan er ver- 
scheidene nog ongedrukt op het stads Archief aanwezig 
zijn. Men moet daarbij opmerken dat Jan tan HooT een 
groot liefhebber der dichtkunst was, zich ook in zijn 
testament >) beklaagt daaraan vele uren te hebben ver- 
spild, hopende dat hem zulks namaals zal worden ver- 
geven. Voor het overige had hij zijne poëzy vermaakt 
aan zijnen vriend Pieter Bertius, later Regent van 
het Staten-CoUegie te Leyden. 



>) Het eigenhandig testament is thans in bezit van ons medelid M^ 
Kneppelhout tan Sterkenbuso. Over het levm en karakter van vak 
Hout, bijzonder ingevolge van deszelfs testament, las, den 23 November 
1829, in onze Maandel. Yergad. , wijlen ons medelid Jacobus Eokiko. 



282 



Het bedoelde Rekwest bevat omtreot de drakkerij 
het Tolgende: 

»Ten eerstea alsoo die van de Groole Yroetschappe op ten 
XV«n Novembris XV«LXXVIÏ, geresolveeri zyn de privilegiën , 
die door de salpeter ende vochlicheyt bevonden waren uyt 
te slaen, ende in vrese van bederfenisse te zyn, zoude ver* 
mogen drogen, deursieUy deurlesen ende die by de Burger- 
meestren , ij schepenen , pensionaris , secretaris als daerloe 
gecomnniUeert, oorbaer zouden werden bevonden tot kennisse 
gebragt te werden, zouden vervatten in één bouc ende ie^ 
zelve doen drueken tot hondert exemplaren loe, tot cosle 
ende laste deser slede, daerby eic van de Bui^ermeestren, 
Gerechle , Yeertighen ende Yroetschappe één exemplaer gele- 
vert t zynen overlyden weder afgehaelt zouden werden. Ende 
dat dienvolgens tot laste van hem suppliant geleyt was om 
een persse ende gescreven letter te doen copen ende die op 
t Raedhuys te doen stellen om me tot het drueken van de 
voors. privilegiën gebruyct Ie werden, zoe heeft hy suppliant 
alle tzelve getrouwelicken ende opt spoedichstebenaerstichl, 
ende eerst een persse gecoll hebbende, heeft hy deur lïenrtc 
van den Keere de jonge, lettergieter lot Gent, doen gieten 
de mediaefi gescreven letter^ xniis^ders de Bourgeois , welcke 
persse ende ielteren hy suppliant op hei Raedhuys alhier 
ter pketse daertoe gedestineert ^) (namelicken over schepenen 



^) De plaats waar die drukkerij gestaan heeft, was aan rxs Mie- 
B» Beschr. van Leyden, II Deel blz. 368 onbekend, maar hij maakt 
daarby de juiste aanmerking dat de zoogenaamde Pers niet afkomstig 
is van de drakkerij, maar wel van de plaats alwaar de lakens ge- 
perst of geprent werden. Ten bewijze zij hier «it de Thes. Rek. ver- 
meld: »Ao. 1568. Op ten vij Nov. betaelt Geebtrutt Mjlthtsd'. voor 
de boncxkens van de schamele kinderen die xy met haer assistentie 
sondaedn en sheyligen daechs op de groote paertsse deser stede leeren^ 
de is yi c^.*^ In 1572 wordt zulks genoemd, ter school op het raad- 
huis. Die boekjes waren : leerstellingen van het oude CathoUjk geloof. 



283 



mme?*) doen brengen, slellen ende gaende maecken beefl, 
ter saecke van t welck hy suppliant volgens copye bierby 
gevoucbt , verschoten heeft eene somroe van cxcvi gl. xiiij st. 
Zyn hem dezelve by ordonnantie van Burgermeestren van 
dato den V« Noverabris LXXVIII beUelt. 

Hiddeler tyt heeft hy suppliant mit behulp van zynclerc- 
ken alle de voors. privilegiën ende stucken hem onder an- 
dere tot dien eynde ooc in handen gegeven ende vertroat 
(om t vorder vergaen voor te comen) schoongemaect y gerey- 
nicht ende met behulp van warme doucken gedroocht, 
daernaer dezelve ordenllicken ende opt vervolch van de tyt 
gebracht ende dienvolgende in verscheyden laden geleyt, 
twelc gedaen zynde, heeft hy suppliant die van den gerechte 
in der tyt geadverteert dat die vaerdich waren, omme byde 
geene, daertoe volgende de voorgaende resolutie van de grote 
Yroetschappe gecommitteert, deursien, deurlesen ende by 
hem geoordeelt ende verclaert te werden, dewelcke men in 
een bouc zou vervallen; raaer alsoo de voorn, van de Ge« 
rechte goet vonden dat men alle t geene by hare voorsaten, 
regenten in der tyt in deser stede secreet camer gebragt 
ende in bewaringe geleyt was , al te male zoude overscryven 
en registreren^ om daernaer ende dezelve by de voornoemde 
gecommilteerden jegens de originele geconfereert ende gecol- 
lationeert zynde], gesamenlelicken te werden gedelibereert 
ende geresolveert wat privilegiën ende oclroyen volgende de 
voorgaende resolulie van de Grote Yroetschappe zouden wer- 
den gedrukt, so badde by suppliant dienvolgende alle de 
voors. privilegiën , oclroyen , chartres , papieren ende slucken 
doen registreren ende overscryven, eerst door Mr. Pieter 
Bailly') dewelke de twee eerste boucken heeft gescreven. 



^) Hij was de vader van den Leydschen Schilder David Baillt, 
en niet alleen schoonschrijver maar ook schermmeester , hebbende met 
Prof. LuDOLP VAN Ceülen een contract gemaakt om hier gezamen- 



284 



ende naderhandi deur andere zyaer clercken, gelyc blycken 
mach by dezelve boucken in groot of Lombaerds formaet 
alhier jegenwoordich ende aen de handt zynde geteek : 
A.B.C., ende groot, A, v«LXviij bladren 
B, v«xvij 
ende G, (twelc niet volscreven en is ende 
daerinne alle des stads brieven tot dees tyt toe zyn geregi- 
slreert) ij«xi bl. Ter oorsaecke van twelc hy suppliant be- 
halve zyn geleverde stoffen ende gedane moeyten aen clercken* 
loon betaelt heeft over de vyflich ponden vlaenns. 

Ende alsoe hy suppliant bevont dat de voors. mediaen ge- 
screven letter om zo groten werc , als de privilegiën daermede 
te drucken, veel te cleyn ende te scherp was, zo heefl hy 
suppliant in of omtrent tjaer LXXX (1580) doen gieten de 
text gescreven , ende ter zaecke van dien uytgeleyt te coste 
gehadt cxxxv gl. xiiy st. 

Verder heeft hy suppliant in den jare LXXX1I(]582) uyt 
den boedel van Willem Sylvius de Ascendonica gecofl, ende 
ter zaecke van dien betaelt omtrent v gl. xiiij st.; heeft hy 
suppliant in den zelven jare LXXXII doen gieten de gescre- 
ven capitalen ende daervoor betaelt vi gl. xv st. 

Van gelycken heeft hy suppliant doen afgieten de groie 
capitalen ende ter zaecke van dien te cost gehadt xij gi. 

Nu esset dat mille voors. text gescreven van deser stede 



lijk aan de Stadeoten les in het schermen te geven; doch Baillt 
kreeg onaangenaamheden met vak Geulen, vertrok naar Amster- 
dam, waar hij :tich als Schermmeester vestigde onder de Osjessluis, 
Hij hertrouwde aldaar met Jufr. de Wit nit Leeuwarden, waardoor 
hewezen wordt dat er te Leeuwarden eene familie de Wrr gewoond 
heeft, waarvan zekeren Kapitein Jacob db Wit tusschen 1600 en 
1603 in Vriesland soldaten voor den Koning van Zweden had ge- 
worven. 



285 



wegen gedruct zyn niet alleenlickea de keuren lol welstand 
van de neringen, daermede Godl almachlich deser slede van 
den jare LXXVII (1577) aen zo mildelicken heeft gesegent 
mille bycompsle van de Vlamingen, volgende t verdrach Iwelc 
op ten X» January van den jare LXXVII mit Franchois van 
Pradelis ende Dirc Bartten ^) lieurluyder gesanlen gemaect 
v^as, om dewelcke Ie bouwen ende slichten hy suppliant 
zonder beroemen, deser slede al veel meerder diensten gedaen 
heefl, als mynheeren wel welen of erkennen, gelyc mynhee- 
ren zullen connensien uyt eene certificatie hierby gevoucbt, 
maer zyn mitle voors. text gescreven ooc gedruct de Bur- 
ger lycke keuren van den jare LXXXIII (1583) ende van ge- 
lycken de keuren van de neeringen die naderhandt gevolcht 
zyn, mitsgaders ooc de keuren ende ordonnantien van alle 
andere neeringen, gildefh, ambachten, voorwaerden van stads 
excbysen ende diergelycke menichfuldige zaecken. 

Ende zo de voors. neeringen dagelix deur den zegen Gods 
meer en meer wiesschen, toenamen ende vermenicbfuldich- 
den , zo heefl hy suppliant tot meerder dienst van de stadt 
in den jare LXXXVI (1586) doen gieten de Augustyn ge- 
screven letter, ende ter zaecke van dien betaelt Lxxxiiij gl. 
xvij st. X pen. 

Ten laetsten heeft hy ooc in den jare XCIII (1593) doen 
gieten de Augustijn Nederduytsche letter , ende ter zaecke van 



') Het contract, hier vermeld, heb ik niet gevonden; maar het 
blijkt uit de Vroedschaps-resolutiën , dat die Vlamingers werkelijk uit 
België en Engeland zijn overgekomen; doch eenigen tijd na hunne 
overkomst hadden hunne meesters wel genoegzame grondstoffen voor- 
handen, maar geen werk of debiet, zoodat zij besloten hadden deze 
stad te verlaten en zich te Haarlem te vestigen. Om dit te voorko- 
men gaf de stad hun eene zekere somme gelds, om daarvoor eenige 
goederen te bewerken , ten einde later bij betere débouchés voor den- 
zelfden prijs te worden overgenomen. 



286 



dien beUell Lxxiij gl. iiij st., mitsgaders de Augustijn Ro^ 
meyn , ende ter zaecke van dien betaell viij gl. i st. viy pen. 

In vougen dat hy suppliant ter zaecke van de voors. let- 
teren , behalve t maecken van vyf paer cassen , t paer geno- 
men op XXXV st. uyt zyn eygen beurse heeft betaeit eene 
somroe van iij'xxxv gl., zonder van alle de voors. verschot- 
ten ende uytgeleyde somme oyt eene penniuc restitutie Ie 
hebben gehadt, hoewel dese stede daervan den dienst ende 
t gebruyc gehadt heeft mit zo groten voordeel van de stadt, 
twetc daeruyt claerlicken is te colligeren, dat, indien men 
alle tselve (zonder behulp van den druc te gebruycken) tot 
cost ende last van deser stede hadde doen scryven , niemant 
en can ontkennen of tzoude de stadt tienmalea zoo veel ge* 
cost hebben als het gecost heeft. 

Ende alsoe hiertegens by eenige mach werden voorgewor'^ 
pen dat hy suppliant mit tdrucken groot profijl gedaen zonde 
hebben , zullen UwerE. gelieven te doerlesen den slaet hierby 
gevoucht, uyt dewelcke myn Heeren claerlicken zullen con- 
nen vinden dat hy suppliant ter zaecke van dien geene te 
minsten cleyne profyten heeft gedaen, maer zynen arbeyt 
van de prouven te lesen , correctien ie doen , ende Iwerc te 
stuyren ende beteyden (daerloe hy toonder niet gehouden 
noch verplicht en is) om niet ende de stadt ten besten heeft 
gedaen. 

Alle iwelc naer behooren overwegende zo versoucl by 
suppliant: 

Ten eersten behoorlicke vergenouginge van de diensten by 
hem en zyne clercken ten opsigle van de voors. privilegiën 
deser stede gedaen , by hem suppliant begroot op cl gl. 
mitsgaders van t scryven van de voors. iij boucken ter somme 
van iij«L gl. 

Ten tweeden dat hem suppliant zynre voors. verschoten pen- 
ningen worden gerembourseert ende goed gedaen ter somma 



287 



van iij<:xxxv gl. ofle indien mynHeeren verstaen dal hy sup- 
pliant int copen van de voors. lelteren zyn commissie mocht 
hebben geêxcedeerd , of dat mynHeeren meenen de voors. 
letteren of eenige van dien lot hel drucken van de privilegiën 
(daertoe de suppliant hem onder redelicke belooninge te 
vreden is ie laten gebruycken) niet van noode te hebben, 
hy suppliant is Ie vreden , om in geene onderlinge moeylen 
Ie geraecken (Iwelc hy geensins en begeert) de letteren naer 
hem te nemen en elders zyn profyt daermede te doen. 

Ten laetsten versouct hy suppliant dat hem een behoorlic 
contentement mach werden gegeven^ van Igene hem loecomt 
voor de belooninge van alle de depeschen ter secretarie gedaen 
tusschen de jaren 1582 en 1599 van allerley brieven , acten, 
copien, verbalen, staten, reeckeningen, billetten, voorwaer- 
den, huyrceduUen ende generalicken van alle voorgevallen 
zaecken, den groten bagynhof antreffende en van de registra- 
tie van dien enz. 



Toen nu in 1594 of 1595 de Charters, door Pieter 
Baillt (in het bovengemeld rekwest genoemd) waren 
afgeschreven besloot de Vroedschap op den 11 Maart 
1595, om den Burgermeester Frans Dutc be Jode, 
RoMBODT HoGERBEETs en Jan VAN HouT Ie committe- 
ren, ten einde al die Charters Ie collationeren, en wel 
alle dagen van i tot 6 uren na den middag, opdat die 
Heeren hunne dagelijkscbe bezigheden niet zouden ver* 
waarloozen. 

De meeste keuren en gildenbrieven in het rekwest 
vermeld en op het Raadhuis gedrukt, zijn nog voorhan- 
den. Zij kannen met andere drukwerken dier drukkerij 
bij elkander geplaatst worden , opdat men zoo doende 
één geheel daarvan verkrijge. 



288 



Ten opzigte dier drukkerij zijn mij geene andere bij-< 
zonderheden voorgekomen, dan dat Jan tan Hout in 
zijn testament nog daarvan melding maakt, waarbij hij 
het voornemen had om de helft dier drukkerij aan den 
onder-Secretaris Aelbrecht Garbrantz over te doen, 
ten einde alsdan gezamenlijk daarvan de Toordeelen te 
trekken. 

Het is mij echter niet gebleken dat Jan tan Hout 
een compagnon in zijne drukkerij gehad heeft; maar 
wel dat hij op den 12 Dec. 1609 overleed, en zijne 
erfgenamen!) zich op den 26 Aug. 1610 tot de Regering 
Tan Leyden hebben gewend, of die ook genegen ware 
de letters der Drukkerg over te nemen; waarvan het 
gevolg was, dat de Leydsche Regering aan die erfgena- 
men eene som Tan ƒ500 uitbetaalde wegens eenige door 
Jan tan Hout geschrevene boeken, met bepaling dat 
de erfgenamen, de letters naar zich konden nemen, om 
» elders hun profijt te doen'\ 

Hierdoor nam die drukkerij een einde , na een bestaan 
van ruim 32 jaren. 



Onder de werken aldaar Tcrmoedelijk gedrukt, be- 
hoort eene vertaling in het Nederduitsch door Jan tan 
Hout in rijm gemaakt, van het Latijnsche werkje van 



1) Jan tak Hout was gehuwd met Elisabeth tan Wiaxa, nit 
Luik, en had uit dat huwel\jk een'' zoon, Bartholomeüs , zonder 
kinderen overleden, alsmede drie dochters waarvan Mabia gehuwd 
was met Petrus Paauw, Prof. in de Medicijnen te Leyden. 



289 



den geleerden Schot Georgids Buchananos genaamd 
Franciscanus et fratresfraterrimi » ) , waarin die geleer- 
de eene naauwkeurige beschrijying geeft Tan de orde 
der graauwe broeders of minnebroeders. Jan van Hout 
draagt die vertaling op aan den door zijne Sermoenen zoo 
beroemden Broer Cornelis Hebreet Adriaenszoon tan 
Dordrecht, minoebroeder te Brugge, met oogmerk om 
aan te toonen dat die Broer CoRNELls eigenmagtig, 
nieuwe regelen of pligten aan de minnebroeders had 
opgelegd, die anders wel door den naauwkeurigen Bu- 
CHANANUS zonden zijn vermeld, onder anderen: yyde 
waerdige discipline iuchtingen of de billensckouwing 
van allet^ley schoon e en jonge vrouwspersonen^'*. 

Dit werkje van Jan van Hout, heeft in der tijd eene 
sterke kritiek moeten ondergaan, zoodat hij zich daar- 
over heeft verantwoord: »in het gezelschap en de ver- 
»gadering der genen, die zich in de nieuwe Universiteit 
»der Stad Leyden oefende [oefenende] zijn in de La- 
»tijnsche of Nederduytsche poëzien, en allen anderen 
» liefhebbers der Nederlandsche sprake". 

Het HS. dier verantwoording is nog voorhanden. 

In 1591 is daar ook gedrukt: Het accoord dat in 
1550 en 1553 gemaakt is tusschen de Schoutenen Am- 
bachts bewaerders van Aelsmeer, Leymuydenen andere 
dorpen , en de stad Leyden uit den naem van den Con- 
venten ten eenre zijde —en deDijkgraef en Hoogheem- 
raeden ter andere zijde, daer willige condemnatie van 
den Hove van Holland is op gevolgt. 

Nog is op het Raadhuis gedrukt A" 1599 in 4»: Corte 



1) Hand. 1857, blz. 50. 

DL, X. 19 



290 



onderrichlinge dienende tot het maken van de Redactie 
van de jaercustingen tot gereede penningen, om dien* 
volgende te eysschen en ontvangen den 40*'*° penning 
op alle verkochte of vervreemde onroerende goederen , 
volgens het Placaet der Staten van den 22 Dec. 1598. 

Dit exemplaar mede op het stadhuis bewaard, is nog 
al merkwaardig omdat Jan van Hout, Stmoit Frans 
VAN Merwen en Luoolf van Geulen, door de Staten 
van Holland belast waren geworden, ten einde de Re- 
ductie tot den 40»*"* penning op eenen generalen voet 
te brengen en in gansch Holland in te voeren. Jan van 
Hout had daarbij ook de hulp ingeroepen van Mathts 
MiNTENS, fransch schoolmeester en Jan Pietersz. Doü, 
gezworen wijnroeijer, alle te Leyden woonachtig. 

Het exemplaar is mei wit papier doorschoten en be- 
vat vele rekenkundige voorstellen over dat onderwerp, 
door Jan van Hout opgelost, alsmede de reductien 
der verschillende maten tot de Leydsche maat. Als 
eene merkwaardige bijzonderheid van dit boek, zal ik 
hier eindigen met te vermelden dat tan Hout aldaar 
voorstelt om het Trooisch getvïgi, volgens het tiental- 
lig stelsel ie berekenen, omdat hij zulks gemakkelijker 
vindt. Dat hij de zaak goed begreep blijkt uit de tafels 
die hij daarbij voegt; trouwens hij had eenen goeden 
leermeester kunnen hebben aan Simon Stevin, die van 
1580 tot 1590 alhier bij den Rector der Lalijnsche 
school NicoL. Stochius heeft gewoond , en in dien tijd 
zijn tientallig stelsel bekend heeft gemaakt. 

Ten slotte zij hier nog bij gevoegd, dat van der Schel- 
ling in zijn JIoll. Tiendregt Deel I. bl. 291 , van deze 
drukkerij melding maakt, alsmede Pars, Katwijksche 



291 



Oudheden bl. 17, die daar opgeeft dat de vonnissen y 
gewezen tegen Jaques Valmar^ Cosmo de Pescaren- 
gl/s, enz. 20 Oct. 1587 op het Raadhuis zijn gedrukt, 
alsmede eene ff^aarscAuwtng , tegen het boek: ^ef- 
antwoording van Jacob ValmaVy !• Dec. 1587. 



ÜAHCHRIFT. 



Wanneer de Thes. Rekeningen van Leyden worden 
geraadpleegd, van de jaren 1577 tot 1601 (ontbrekende 
die Tan 1602 tot 1610) i), dan vindt men aldaar onder 
het artikel yyJllerhande uitgaven''^ de onkosten vermeld 
van de op die drukkerij ten behoeve der stad gedrukte 
stukken. 

Onder de eerste stukken met die pers gedrukt, maakt 
de rekening van a^ 1578 melding van de volgende post: 

»Noch belaelt aan Jan van Hout enz. tot het drucken van 
de Gharlen jegens d'aenstaende marct, dewelcke den 1 Cc- 
tobris toecomende werden gehouden, tot tien honderd toe in 
getalle, te weten: voor twee riemen papiers drie ponden zes 
schellingen, voor zetten ende drucken drie ponden, voor 
^i corrigeeren dertig schelUngen, facit vij ^C xvi si." 

Men ziet dus dat bij bovengemelde post , de onkos- 
ten van het papier, het drukken en het corrigeren ieder 
afzonderlijk zijn berekend, hetgeen echter niet altijd 
het geval was , zoo als b. v. 



1) Men kan zulks aanvallen uit de Ordormancieboeken , beginnende 
met den jare 1588 (zijnde mandaten van betalingen). 



292 



A«. 15S6. Noch aea Jan vaa Hout belaelt vierenderUch 
stuvers uyt zaecke van de oncosten bij hem uytgeleyt van 
L exemplaren te hebben doen zetten , corrigeren ende drucken^ 
nopende dat in H incomen van den Grave van Leycesler *), 
niemandt staende zoude mogen blijven, tusschen 't begin 
van de Wittepoort tot den uylcant van de Valbrugge gelegen 
voor de stadsherberge in dato x'ij feb. 1586, xxxii'y st. 

A«. 1592. Noch aen Jan van Hout uyt zaecke dat dezelve 
doen zetten ende drucken heefl de ordonnantie op te bouc- 
vercoopers *) ende allomme binnen deser stede dezelve aen- 
geplact, 't papier ende andere oncosten daartoe dienende , 
daerinne begrepen, dato xxix April 1592. facit xxx st. 

A<>. 1592. Noch aen Jan van Hout enz. uyt zaecke dat 
dezelve doen zetten ende drucken heefl een menichte van 
zeeckere billetlen , inhoudende dat Schout ende acht Schepe- 
nen gekeurt hebben dat van nu voortaen de vuylnispuUen 
zullen comen tot prouffijt van de armen, 't papier ende an- 
dere oncosten daerinne begrepen enz. xxxvi st. 

Onder de laatste stukken die op het Raadhuis ge- 
drukt schijnen te zijn, behoort eene ordonnantie op het 
» Openen van de Poorfen om de V^roevrouwerC^ vol- 
gens eene resolutie van den 15 Januari] 1609, en 
vfaarvan nog een exemplaar voorhanden is. 

Op het titelblad der meeste stukken van eenigen om- 
vang, staat het wapen van Leyden en daaronder: Ten 
bevele van die van de Gerechte, Gedruckt opt Raed" 
huys aldaer, zoo als b. v. op de Sitc/Uinge van de 



^) Men vindt over die inkomst vele bijzonderheden in gemelde re- 
kening. Er is nog eene lijst met de namen van het gevolg van Let- 
CESTKR voorhanden. 

2j Een boekdrukkcrsgild was er toen nog niet; dat is eerst in 1636 
opgerigt. 



293 



drie beursen {jibraham^ Isaac en Jacob) in de facul- 
teyt der Theologyen bij Burgermeestren ende Begeer^ 
der$ der stad Leyden opgerigt a^ 1591. 

Doch de slichtingsbrief van twee beursen in bet Gol- 
legie der Theologie te Leyden door Jhr. Pieter yan 
DuYELANT E^c VAN RooiiT, Ruward en Bailluw van 
Putte y volgens diens testament van den 5 Junij 1599, 
is zonder vermelding Tan plaats en jaartal, ongetwijfeld 
op het Raadhuis gedrukt, en alleen keribaar aan de- 
zelfde lettersoorl waarmede de stichtingsbrief van drie 
beursen door de stad Leyden in 1591 is gedrukt. 

Op de Drukkerij van het Raadhuis zijn ook lerschei* 
dene los- en lijfrentebrieven, alsmede koopbrieven op 
perkement gedrukt Van die drukkerij zijn nog bewaard 
de afdrukken van al de lettersoorten , zoo als Jan van 
UocT die aan de Regering in 1597 bij zijn rekwest 
had overgelegd. 




4 




>xoür.a>y 



^ ■■