(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Glossarium van verouderde rechtstermen, kunstwoorden en andere uitdrukkingen uit Vlaamsche ..."

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 




f 




GLOSSARIUM 



VAN 



YEROUDERDE RECHTSTERMEN , KÜNSTWOORDEN 

EN ANDERE UITDRUKKINGEN 



UIT YLAAMSCHE, BBABANTSCHE EN LIMBUBGSCHE OOBEONUEN. 



I 



GL08SAEIÜM 



YAN 



VEROUDERDE REGHTSTERMEN. KÜNSTWOORDEN 

EN ANDERE UITDRUKKINGEN 

UIT VLAAMSCHE, BRABANTSCHE EN LIMBUR6SCHE OORKONDEN, 



DOOR 



KAREL STALLAERT, 



LID DEK KONINKLinLE YLAAMSCIIE ACADEMIE, 
OUI>-H006LEERAAR DER KEDERLAND8CHE TAAL AAN HET KONINKLIJK ATHENAEUH 
EN AAN DE KBIJ6Sk9lA)J9E SCHOOL, EN OUD-ASCHIYARIS VAN HET 
BESTUUli-'pÈR GODSHUIZEN TE BRUSSEL. 



Ol Vaderlandsche overleTering, gij , ark van het Fer- 
bond taaschen verleden en heden, gg houdt stand, 
zoolang aw eigen volk n niet minacht! 

MICKIEWICZ. 



Uitgegeven vanwege de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. 



EERSTE DEEL. 

A— HUWEN. 



LEIDEN. — E. J. BRILL. 

1890. 



VOORBERICHT. 



Het TOTsch^nen yan het eerste deel van het Glossarium geeft mg de ge- 
legenheid om yan dit werk eenigen uitleg te geyen oyer den inhoud en yorm, ja 
oyer den titel zelf, en ook om yoor zekere aangename yerplichtingen dank te be- 
kdgen. 

Hoe ook de titel yan het werk moge luiden, het aan den diep yaderlands- 

minnenden Poolschen dichter Migkiewigz ontleende opschrift alleen yerklaart genoeg 

mgne bedoeling, namelgk: in zekere mcUe, de personen onzer beschaafde standen, 

die nog hart hebben yoor de wetenschap en het Vlaamsch yaderland, te herinneren 

aan ons yerleden , en hun ons yoorgeslacht , in oyerleyering en taal , yan naderbg 

te leeren kennen; zoodat mgn werk, in oyereenstemming met de beoordeeling yan 

eenen onzer geleerde Becensenten, juister zou genoemd worden: Bgdrage tot 

^ een uitlegkundig woordenboek yan het huiselgk en maatschap- 

pelgk leyen onze yoorouders. En, het zg hier aangemerkt: mocht het 

eene bedroeyende waarheid zgn, dat Polen werkelgk yerloren is, wg meenen niet, 

dat het Poolsche yolk kan beticht worden, zgne taal en oyerleyeringen misacht te 

Z hebben, zooals het, eilaas! hg een groot getal der Vlamingen het geyal is. Was 

^ de ondergang yan Polen opera di volpe e leone (het werk yan yos en leeuw, yan 

list en geweld), die yan Vlaanderen zal het geyolg zgn der y rij willige en laakbare 

miskenning yan Vlaamschen landaard. 

Ik zegde: in zekere mcUe^ want naar eene, zelfs maar betrekkelijke yoUedigheid, 
had ik de yerwaandheid niet te streyen , derhalye ook niet naar eene streng metho- 
dische uiteenzetting; de yerzameling werd alleen bepaald door de mg in den loop 
Tan ygftig jaren yoorgekomen woorden en uitdrukkingen, welke 5f in de moderne 
Woordenboeken niet, 5f er met eene andere of gewgzigde beteekenis of yorm, 
geboekt werden, óf aan welke anderzgds een historisch feit, een handelsbelang, 
een bgzonder huishoudelgk gebruik, eene kostumiere wetsbepaling gehecht is. 

Niet zonder alle recht of reden kan mg, ik beken het gaarne, ten laste gelegd 
worden , dat mgne aanhalingen soms te uityoerig zgn ; yan deze opmerking zal in 
het yeryolg rekening gehouden worden; het dient eyenwel gezegd, dat ik daar- 
door dikwgls of de duurzaamheid yan een yerouderd of yerzuimd woord , of zgne 
yerspreiding oyer yerscheidene onzer oude landstreken heb willen kenmerken. 

Sommige aanhalingen zgn yrg wat lang yoor yele lezers, zg beslaan te yeel 
plaats yoor andere. Men gelieye echter te bedenken, dat ik in mgne te bearbeiden 
stof steeds de yoorkeur gegeyen heb aan die citaten, wier klaarheid mgne eigene 



verklaring het best staafden, en deze zelfs wel eens overbodig maakten; of ook 
wel, zooals het een ander mgner welmeenende Recensenten zeer jnist deed opmer- 
ken, „om het belangrgke der geheele plaats, die anders wel nimmer in druk zon 
verschgnen." 

En wie kan er zich redelgkerwgze over ergeren, dat ik nu en dan, de gele- 
genheid waarneem, om eenige historische bgzonderheid van ons vro^^re volks- 
leven te ontwikkelen, die men elders niet dan na lang zoeken zon ontdekken? 
Strookt dit niet met mgne aangenomene zinspreuk? 

Ik geef gereedel^k toe, dat m^ne definities hier en daar wel eens mank gaan, 
of onjoist zgn; ik beken ook, dat er nit een grammaticaal oogpnnt niet weinig 
te gispen valt, (en voor het typographische zal men toch mg alleen, dorf 
ik hopen , niet verantwoordelgk maken). * Tot mgne verschooning heb ik daartegen 
niets in te brengen dan : de duisternissen , welke het middeneeuwsch leven en streven 
nog omhullen, de niet te miskennen moeielgkheden aan de uitgave verbonden, en 
— den staat mgner gezondheid , die al te dikwgls weken en maanden mg verhindert 
te werken en mg dan zeer treurig stemt. 

Een laatste woord. Ik beschouw mgn boek , en verlang dat iedereen het zoo 
beschouwe, als eene Bijdrage van taal- en geschiedkundigen aard, een Vade- 
mecum, allen beoefenaren der wetenschap, inzonderheid allen Archivarissen, ter 
aanvulling of verbetering in den loop hunner opsporingen aangeboden , want tal van 
woorden schuilen nog in het duister, en wachten op het bgbrengen van plaatsen 
waar zg in een helder daglicht verschgnen. 

De rechtschapen en bescheiden geleerde, hg die het heiligdom der wetenschap 
binnentreedt met een zuiver oogmerk, — niet om er zgnen hoogmoed lucht te 
geven en anderen „schadenfroh" te kleineeren, — zal mgne bemoeiingen van 
eene halve eeuw in dank aanvaarden, er de zwakheden wel van door de vingers 
willen zien, en dulden dat ik, o&choon met minder, doch niet zonder eenige 
gegrondheid, met Auoustin Thierrt zegge: ^^Si^ comme je me plais d Ie croire^ 
Vintérêt de la science est compté au nombre dea grands interets nationaux^ f ai donné 
d man pays tout ce que lui donne Ie soldat mutHé sur Ie champ de hataiUe (Dix 
ans d'études hist. Préface). God geve, dat ik, naar den goedhartigen wensch van 
Prof. Db Vbies, mgn werk, zooniet in gezondheid en levenslust, ten minste 
moge voltooien, vóór mg de krachten verlaten! 

Er blgft mg te melden, dat het mg, in de vertolking der termen ontleend 
aan de kostumen van Aalst, Audenaarde, aan die van Limburg, aan die van Gent 
en aan die van Brugge, gegeven was gebruik te maken van de respectieve uitgaven 
der hoogachtbare Heeren rechtsgeleerden: Graaf Diedekik van Limbubo Stibum, Con- 
stant Gasieb en Louis Grahat , A. E. Gheldolf , A. Du Bois en L. De Hondt , en 
L. GiLLioiyrs van Seveben, voor wier hulpvaardigheid ik hier mgne diepgevoelde 
dankbaarheid uitdruk. 

Met niet minder dank zullen later, bg name, bedacht worden allen, die zich 
dienstvaardig en goedwillig j^ens mg getoond hebben. 

EvERBERG, 1 Mei 1890. E. STALLAERT. 



AAN 



MATTHIAS DE VRIES, 

DEN GRONDLEGGER VAN DE EENHEID DER NEDERLANDSCHE TAAL 

IN NOORD EN ZUID , 

DEN MAN, AAN WIENS VRIENDSCHAP OOK DE SCHRIJVER VAN DIT WERK 

ZOOVEEL IS VERPLICHT, 



IK VÜREERIKO EN HOOGACHTING OPGEDRAGEN 



DOOK 



K. F. STALLAERT. 



De opgave der bronnen, waaruit dit Glossarium is geput, zal voldoende zijn om er 
^en aard en de strekking van aan te wijzen. Die bronnen zijn: de handvesten, keuren, 
vei'gunningen , verordeningen , plakkaten , voorgeboden — der voi'sten en stedelijke overheden ; de 
keuren en breuken of statuten der steden en dorpen, de keuren, )»caei*ten'' of wetten dei- 
ambachtsgilden en rederijkers, de verbintenissen of contracten verleden voor schepenen, 
leenmannen , laten en notarissen ; de testamenten en inventarissen ; de rekeningen der domeinen, 
steden , kerken en gestichten ; de opgaven , beschrijvingen , denombrementen of rapporten der 
leengoederen; een aantal processen; de gewoonten, rechten en kostumen van fii-abant, Limburg 
en Vlaanderen; de verhandelingen over het Brabantsch en Ylaauisch recht, zoo burgerlijk on 
leenroerig als lij&traffelijk ; de toltarieven, de munten, maten en gewichten, enz. Ook is ge- 
bruik gemaakt van eenige kronijken, geschiedenissen, letterkundige werken, en zelfs, om den 
Limburgschen tongval, van eenige ascetische schriften. Uit deze opgave blijkt genoeg, dat het 
Glossaiium eene niet onbeduidende Zuidnederlandsche bijdrage vormt tot den algemeenen schat 
onzer taal, i^eeds zoo heerlijk opgeluisterd in de woordenboeken, bewerkt door de HH. De Vries, Te 
Winkel, Eelco Verwijs , Cosijn , Verdam en Kluy ver. Zonder eenige aanspraak , om deze taalkennei-s 
in bekwaamheid zelfs van verre op zijde te streven , moge het den bewerker evenwel geoorloofd 
zijn te hopen, dat de onvermoeide vlijt en volhaixling, door hem gedurende eene zeer lange 
reeks van jaren aan zijne nasponngen te koste gelegd, zijn arbeid bij zijne Noord- en Zuid- 
nederlandsche taalgenooten een welwillend en aanmoedigend onthaal zullen doen vinden. 

Om die gehoopte belangstelling op te wekken, wijst hij, uit het oogpunt der taalkunde, 
onder anderen, op de bijzondere zoi-g door hem gewijd aan het i^aadplegen van de oudste 
oorepronkelijke, meestendeels onuitgegevene bezegelde oorkonden, welke hij in Zuid-Nederland 
heeft mogen ontdekken, en waarvan hem de opsporing door den heer De Vries als zeer 
wenschelijk werd aangeduid: de echte gedenkstukken der eerste eeuw onzer letterkunde, welke 
noch door de school noch door de latera alschrijvers gewijzigd werden, en ons, ja doorgaans 
een stamelend , doch niettemin een leenijk letterschiifb aanbieden. Zijne ondei*zoekingen beperkten 
zich echter niet bij deze eerwaai*de schiifben der dertiende eeuw: die Nederlandsche woorden, 
rari nantes, welke zich in de meest verwijdeixie tijden niet gedwee in het vreemde kleed 
lieten hullen, die ons aan de hand van een vulgariter dictum of quod teutonice dicitui\ als 
onwillens werden overgebi*acht en zóó aan den ondergang ontkwamen, heeft hij in de 
Latijnsche oorkonden nagelezen. 

Uit het histoiisch oogpimt gaf de natuur zijner bij voorkeur geraadpleegde bi-onnen hem 
aanleiding, honderden bijzonderheden uit het zoo ingewikkelde leven onzer voorvaderen in de 
middeleeuwsche tijden op te helderen, welke den geest des lezers meer dan eene louter taal- 
kundige aanhaling treffen zullen. De aanwijzing, daarenboven, van den grond, waarop men ieder 



é 



Vlll 

voord, eiken vorm in zijnen oorsprong, bij zijn optreden in het geschreden voord, ontmoeteir^ 
zal, tusschen Roer en Schelde en de Noordzee, zal den oudheidkenner wellicht tot een 
richtsnoer verstrekken, om de afbakening der onderscheidene Germaansche volksstammen aan 
deze zijde van den Rijn nader te bepalen. 

Het spreekt vanzelf, dat eene verzameling, de gedenkstukken van zoovele eeuwen 
omvattende, den bewerker noodzaakte voor de hoofdwoorden eene bijzondere spelling te kiezen, 
welke noch geheel die der middeleeuwen, noch die der hedendaagsche taal wezen kon. Hij 
meende het best te doen zooveel mogelijk de keungste schrijfwijze der Brabantsche kanselarij 
onder Keizer Karel te volgen, met verwijzing naar de gekozen spelling der hoofdwoorden bij 
de meest afwijkende vormen. Eindelijk dient nog gezegd te worden, dat hij, om zijn werk 
niet noodeloos uitvoerig te maken , de reeds in het Woordenboek van Prof. Verdam aangehaalde 
citaten heeft weggelaten, en dat het Glossarium over 't algemeen de wooixien en uitdrukkingen > 
buitensluit, die in de nieuwere woordenboeken met dezelfde beteekenis worden aangetroffen. 



LIJST DER VOORNAAMSTE VERKORTINGEN VAN 

BRONNEN EN HULPMIDDELEN. 



ALGEMEEN. 

Acad. cTarchéoL Annales de Tacadémie d'archéologie de Belgique. Anvei^. 
AUet* Kerstb. Dit boec hoert allen Kerstenen minschen toe. Een ascetisch schrift, waarschijnlijk 
door een Karthuizermunnik van Zeelhem bij Diest, in den jare 4352 opgesteld. Perkam.hs. 
Alph. de Vlaminok, Ace. Notice hist. sur les Accises comna. de Termonde. 4873. 

» Str. De straten v. Denderm. Bd. III en IV van : De stad en de heerlijkheid 

van Denderm. 7 deelen. 
» Vgb. Voorgeboden der stad Denderm., achter De stedelijke ontvangers en 

grifOei's, 4868. 
» Zw. Cailulaire de l'abbaye de Zwijveke-lez-Terrnonde. 4869. 

Analectes dipL A. Wautera. Analectes de diplomatique. (Buil. Comm. d'histoire). 
Annotations. Ph. Van de Velde. Annotations, consultations et avis sur Ie droit coutumier, 
émanés des avocats les plus distingués au Gonseil en Flandre et au Grand Ck)n6eil de 
MaUnes, aux XVII» et XVin« siècles. Gand, 4852. 
Auden. meng. Lod. van Lerberghe en Joz. Ronsse. Audenaerdsche mengelingen. Audenaerde, 

4845. 5 bd. 
Belg, Afus. Belgisch Museum. 
Ber. tijden, Marcus van Vaemewijck. Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden en voorna- 

melijck in Gendt. Uitg. d. Ferd. Vanderhaeghen. Gent. 4872 — 4884. 5 bd. 
Charih. Beg, Brussel. Chai*terboek van het Begijnhof te Brussel. Rijksarchief. 
Chartb. v, s-Bosch. Cbarterboek der stad 's-Hertogenbosch. 
Collatie. A. G. B. Schayes. Dagboek der Gentsche collatie. Gent. 4842. 
Chron. v. Merchten. Oesbroeck. Gerijmde Kronijk en Costumen der vrijheid en meierij van 

Merchteo. 46<' eeuw. Hs. op papier, in mijn bezit. 
Deylinghe Diest. Dit is die carte van der Deylinghen der Heeren van Diest, na doot Heren 
Geraerts, Heere was van Dyeste. 24 Dec. 4337. In het Reg. cop, cart. f 50. Vidimus 
van hertog Jan , Nassau's archief in den Haag. 
De Pr. en Br. Frans de Potter en Jan Broeckaert. Geschiedenis van de gemeenten der provincie 

Oost- Vlaanderen. Gent. 4864. 
Doude Booth. Charterboek der stad Diest, genaamd d*Oude Rootboeck. 



Pranquinet, Kap. Kapittel van O. L. Vrouwe Kerk te Maastiicht. 

» St G. Klooster St.-Gerlach. 1877. 

» A7. Abdij Kloosterrade. 1809. 

Gailliard. Edw. Gailliard. Glossaire ilamand de Tinventaire des archives de Bruges de M. 

Gilüodts- van Severen. Bruges 1879—1882. 
Galesloot, Feiid. Les feudataires de Jean III, duc de Brabant. Brux. 1865. 
Gends Chartb. K. L. Diericx. Het Geuds charterboekje. Gend. 1821. 
Gheldolf, Gand. Histoire constitutionnelle et administi'ative de la ville de Gand. |)ar L. A. 

Wamkönig, trad. par A. E. Gheldolf. Brux. 1846. 
Godsh. Brtissel. Archief der burgerlijke godshuizen en der weldadigheid te Brussel. 
Grootdadigheyt. M'her Joost de Dambouder. Van de Grootdadigheyt [de Magnificentia] der 

breedtverinaei*de regeringhe van de stadt Brugge. Amst. 1684. 
Höhlbaum. Hansisches Urkundenbuch. Halle 1B79^ 
Hofid. tnerk. Hier beginnen hondert raerkinge of gei>einsinghe der Passien ons liefs Heren 

Jhesu Christi. Perk. hs. 
Luyster v. Brab. Den luyster en glorie van het hertogdom van Brabant. 

Martinez. Het i*echt domaniael van S. M. in desen hertochdomme van Brabant. Brussel. 1692. 
Messager. Messager des sciences historiques. Gand. 
Nap. de Pauw. Vgb. De Vonrgeboden der stad Gent in de XIV^ eeuw (VI. Bibliophilen, 

4c r. n®. 5.). 
Numism. Ypr. Alp. Vandenpeei-eboom. Essai de numisniatique Yproise. 
O. Liége. Recueil des ordonnances du pays de Liège, par Polain et H. Borinans. 
O. P. B. nxUr. Recueil des ordonnances des Pays-Bas autrichiens, par Gachaixi. 
Perneder. Andreas Perneder. Een tractaet van crimmele saken. Antw. 1566. 
Ch. Piot, Cavt. Cartulaire de Tabbaye de Saint-Trond. 2 bd. 

» Chron. Chroniques de Brabant et de Flandre. Brux. 1879. 

» Enquêtes — en Brabant, enz. 1334, 1363, 1389 (Buil. Ck)mra. d'Hist.). 
Plac. V. Brab. Plakkaten van Braband. 
PUic. V. VI. Plakkaten van Vlaanderen. 

Pract. civ. Mr. Phylips Wielant. Practijke civile. Thantwerpen. 1573. 
Pract. crim, Philips Wielant. Practijcke criminele. Uitg. d. Aug. Orts. 
Proc. ve}*b. Procès-verbaux de la Commission pour la publication des anciennes lois et coutumes 

de la Belgique. 
Heg. cop. cxirt. Kegistrum copiarum cartarum. Tweede Charterboek der stad Diest. Inv. 

no. 2. XlVe E. 
Rek. balj. Gent. Rekeningen der baljuwschap van (Jent. Rijksarchief. 
Rek. Gent. Rekeningen der stad Gent. Tijdvak v. Jacob v. Artevelde, 1336 — 1349, door Nap. 

de Pauw en Julius Vuylsteke. Gent. 1871 — 1885. 
Rek. XinotH!. Rekeningen der stad Ninove. Rijksarchief. 

Reken k. v. Brab. Registres de la chambi-e des comptes de Brabant. Rijksarchief. 
Bembry. Histoire dè la ville de Menin. Bniges. 1881. 4 bd. 
Sc ha f f ing. v. 1551. Taux des marchandises a Tentrée et a la sortie du pays, pour servir de 

base a la recette du droit d'un demi [Xiur cent, par des commissaires délégués, en présence 

du magistrat d'Anvei-s et des députés des nations étrangères, en 1551. Reg. Ch. de 

Comptes, n°. 139. fol. 183. Rijksarchief. 



X! 

Troubles relig. £d. de Coussemaker. Troubles religieux du XVIe siècle dans la Flandre maritime. 

Bruges. 1876. 4 bd. 
Vctd. Mus. Vaderlandsch Museum. 

V. d. Tav. Willem van der Taverijen, in leven i-aadsheer van het Hof van Bi-abant. Boec 
van der loopender practijken der Raedtcamei^n van Brabant. Hs. van 413 bladen zonder 
de tafel; de afschrijver voltrok het den 4 Febr. 1495, o. s. 
Y. d. Cl^js, Brah, Van der Chijs. De munten der voormalige heilogdommen van Braband en 

Limburg. Haarlem. 1851. 
9 Leenen. De munten der Leenen van de voormalige hertogdommen van Braband 

en Limburg. Haarlem. 1862. 
Jan V. Dizmude. Dits de Cronike en genealogie van den prinsen en graven van den Foi'eeste 
van Buc, dat heet Vlaenderlant , van 863 tot 1436; uitg. d. J. J. Lambin. Ypre. 1839. 
01. V. Dizmude. Merkvraerdige gebeuHenissen vooral in Vlaenderen en Brabant, van 1377 

tot 1443 . . . ; uitg. d. J. J. Lambin. Ypre. 1835. 
\aria Ypr, Alp. Vanden peereboom. Varia Yprensia. Bruges. 1884. 
Van IfOkeren. St. B. Ghronique de Tabbaye de St. Bavon a Gand. 

9 St.'P. Chartes et documents de Fabbaye de Saint-Pieri-e a Gand. 

Ypriana, Alp. Vandenpeereboom. Bruges, 1878 — 1883. 7 bd. 
Warnkönig. Flandrische Staats- und Rechtsgeschichte. 

KEUREN (K.) EN KEURBOEKEN (KB.). 

K. V. Assenede v. 1242. De Potter en Broeckaert, XVI, 38 (kopij). 

A'. V. Brugge v. 1281. Warnkoenig, IV, 257—271. Gout. de Bruges I. 240. — v. 1304. Ib. 

286—326. (oorspr.) — Deelmanskeure, omtr. 1305, Ib. 327—362. (kopij). 
A'. amm. Brussel v. 1292. Van Heelu, 541 (kopij). De gelijkluidende v. Antwerpen, bij Willeins, 

Mengelingen, 439 — 456. (oorspr.). 
» V. 1486. Rekenk. v. Brab. reg. 136, f^ 189. 

K. V. Dendermonde v. 1233. de Vlaminck, Inv. des archives, 91 (Lat. tekst en vertaling). 
K. V. Diest V. 1228. Reg. cop. cart. f° 1. Lat. tekst. De oude, ook aldaar voorkomende ver- 

taling, door mij gedrukt in het Verslag over het bestuuv der stad v. 1874. 
K. V. Laven v. 1306. Brab. Yeesten, L 734. 

K. meierij v. Loven v. 1312 In het Reg. cop. cart. v. Diest, f° 55 — 59. 
K. V. Mechelen v. 1301. David, Gesch. v. Mechelen, 451 (oorspr.). 
K. V. Paricke v. 1472. Gout. d'Alost, 668. Auden. meng. IV, 409 (kopij?). 
K. V. Quaetmechelen v. 1675. Groenkeuren (kopij). 
K. V. Rupelmonde 14«E. De Potter en Bi-oeckaert, XXVI, 62. Ann. C^ercle archéol. Pays de Waas, 

I, 183, 231, 323. V. 71. (Dr. v. Raemdonck). Ann. Acad. d'archéol. 1878. 544. 
K. V. Saffelare v. 1264. Giends charterb. 143. (oorspr.) 
K. V. s-Bosch v. 1330. Brab. Veesten, I. 781. (kopij). 

K. V. S. PeeterS'Leeuw v. 1284. Belg. Mus. VI, 293. Zeer gebrekkige kopij; door mij verbeterd. 
K. V. S. Truiden v. 1366. Piot. Cart. Saint-Trond. ü, 1—17; v. 1393, 120—128; v. 1417, 

202—215; v. 1419, 219—230. 16» E. (begin) 503—518; v. 1536, 542—571. 
K. V. ter Piete v. 1265. Van Lokeren, St.-Pierre. I. 338. Lat. en Dietsch. 
K. V. Thiencn v. 1303. Rijksarch. Trésorerie, Doos 2, stuk n° 98. 



XII 

K. V. Tongeren v. 27 Juli 1469. O. Liége, 635. 

K, V, Waalhem v. 1365. Ck)ut. du quartier de Bruxelles, II, 320. 

K. V. Zout'Leeuw v. 1307. Brab. Yeesten, I. 741. 

Kb, V, Antw, 14» E. Cout. de la ville d'Anvers, I, 2. Mertens en Torfe. Gesch. v. Antw. Il, 

447. Vlaamsche bibliophilen , 2« R. n^ 2. 
Kb. V. Audenaarde v. 1328 Cout. de la ville d'Audenarde, 2* d., 37. 
Kb. V. DiesL 15« E. Vlaamsche bibliophilen, 4« R. n** 4. 

Kb. V, Zoniënbosch v. 1460. Rekenk. v. Bi*aband , reg. 140 fol. 367. Rijksarchief. 
Kb. V. Turnhout v. 1550. Stadsarchief, reg. 1164. f*» 66 a 94. 
K. en br. v. Antw. 1545. Cout. de la ville d'Anvers. I. 136—152. 
K. en br. v. Deurne. 1612. Cout. du quartier d'Anvers, V. 292. 
K. en br. v. Moll. 1596—1631. id. Vil, 274. 

K. en br. v. Overijssche. 1570. Cout. du quartier de Bruxelles, II, 194. 
K. en br. v. Santfioven. 1570. Cout. du quartier d'Anvers, VI, 272. 

COSTUMEN. (C.) 

Onze Costumen hier alle afzonderlijk aan te teekenen, zou te veel plaats innemen en 
is ook, naar ons voorkomt, overbodig. Kortheidshalve meenen wij dus te mogen verwijzen naar 
de verschillende verzamelingen die er bestaan en genoegzaam bekend zijn, als, voor Brabant 
en Limburg, het Brabamhch recht .^ uitg. door Christijn, voor Vlaanderen het Vlaaynsch recht 
door Van den Hane, en, inzonderheid, de door de Belgische Commission pour la publication 
des anciennes lois et coutumes in het licht gegeven Coutumes des pays et comté de Flandre 
Coutumes des pays et duché de Brabant, Coutumes du Comté de Looz, Coutumes de la ville 
(ie Maastricht en Coutumes de la ville de Malines. 

LEENRECHT EN COSTUMEN VAN LEENHOVEN. 

Bozhoren. Van den leenrechten van Brabant. Rijksarchief. Leenhof, reg. n^. 72. Gix>otendeels 

medegedeeld door L. Galesloot: Inventaire das archives de la cour feodale de Brabant, I. 
Jus feud. Fl. vetus, ex codice MS. membranac^o bibliothecae Franequeranae. Onvolledig. 

Kon. bibl. 
Lvenr. v. VI. Philips Wielant. Tractaet van de leenrechten na den hove van Vlaenderen, 

Middelburg, 1664. Ook te Antw. 1557. 
Leenr. v. 1528. Leenrechten naer costume en ordenanchie slands v. Vlaenderen; en sonderlinghe 

van den Casteele te Ghendt. Antw. 1528. Vgl. met de Cout. du Bourg de Bruges. III, 205. 
C. leenh. Audenaarde. Coutumes de la ville d*Audenarde. Blz. 439. 
C. leenh. Brabant. (1570). Christijn, Consuetndines Bruxellenses. 1689. BI. 448. 
C. Burch V. Brugge. Coutumes du Bourg de Bruges, III. 205. Vgl. met: Leenrecht v. 1528. 
C. leenh. Land v. Mechelen. Cout. du Brabant. Quartier d'Anvers. VIL 528. 
C leenh. Rumpst. Cout. du Brabant. Quartier d'Anvers. Vï. 650. 
C. leenh. Santhov&n. Cout. du Brabant. Quartier d'Anvers. VI. 246. 
C. leenh. Valkenburg. 1570. Rijksarchief. Coutumes. Heg. III. — Annales de la Société arcbéol. 

de Maastricht. I. 269. 



XIII 



TOLLEN. 

1597. Plac. y, Braband, I. 410. 

Tol, te Antw. i305. Mertens en Torfs. Gesch. v. Antw. Engelsch Chailer. — Waterthol, 1550. 

Rekenk. v. Brab. reg. 139. 
Brab. tol. 1315 (Hansatol). Rekenk. v. Brab. reg. n^ 142 f° 129. — v. 1409. Ib. t*» 134. — 

V. 1567, Ib. r 117. v^ — V. 1615, n* 144 f° 142 v^ 
Tol te Brugge, 1252. Höhlbaum, Hansisch Urkundenbucb , Halle, 1879. I. Ook bij Macquet, 

Hist. de Damme, 210, volgens Lappenbei^ 
Tol te Brussel, 1541. Rekenk. v. Brab. reg. 131 P 112. 
Tol te Dendermande, v. 1199. Gheldolf (Wamkönig), Hist. de Gand, 245. Warnk. Fl. St. u. 

Rg. n. Urk. 28. 
Tol te mest, 1307. Oorspr. in Stadsarchief. 
Tol te Gent. 119:9. Hist. de Gand v. Gheldolf (Wamkönig), 233—245. Ook in Wamkönig, II. 

St. u. R. n. Urk. 19—27. 
Tol te Ijoven, 1377. Rekenk. v. Brab. reg. n' 131 f*> 64 v^. — der 15« E. Ib. f«» 110 v% 
Tol te Rhode, (Weggeld) 1511. Rekenk. v. Brab. reg. n^ 136 f*» 280. 
Tol te Rumpst. 1503. Rekenk. v. Brab. reg. 136, f** 155. 
Tol te St. Peetera. 1272. Van Lokeren, Saint-Pierre , 366. 
Tol te Valkenburg. 1535. Rekenk. v. Brab. reg. 138 f* 216. 
Tol V. Zeeland. (Gi-oote tol). 1623. Ib. reg. 136. 
Tol op de Zenne. 1436—1531. Ib. reg. 136 f«» 155. 

IKVENTARISSEN. 

Inv. V. 1377 van pastor Jan. J. F. Willems, Mengelingen, 357. 

9 » 1389 van Elisabeth dicta Sdlders, te Brussel. Schepenb. v. 9 Mei. 

» » 1391 Uten Resen. Schepenb. Bmssel, 16 Oct. 1391. 

9 9 1436 opte Borch te Loven. Acad. d'archéol., 1854 blz. 53.' 

» n 1439 Egidius diptus van den Broeke. Schepenb. Bmssel, 29 Juli. 

» » 1447 Johannes dictus de Riddere, clericus. Schepenb. Brussel, 5 Nov. 

» * » 1467 van den hafeliken goeden bevonden in der herbergen mijns heren van Nevers 

(te Brussel) (L. Galesloot, in de Buil. de la C!omm. d*histoire). 

» 9 1483 Meester Victoers Daneels, deken van sinte Plissis te Diest* (In mijn bezit) 

9 9 1489 genomen bij Mr. van der Hulst, te Diest. (In mijn bezit.) 



XIV 



OUDSTE, MEEST ONUITGEÖEVENE BEZEGELDE OORKONDEN, BRIEVEN, 
VAN LEENHOVEN , SCHEPENBANKEN EN LAATHOVEN. 

(De datums in oaden st^l. Verkortingen: R. A. B. Rijkaarchief te Brussel; R. A.6. Rykstrehief ie Gent; 

A.S. B. abd^ Sint-Baafs te Gent; A.S. P. abd^ Sint-Peeters te Gent.) 

Oork. V. 1230. Overeenkomst tusschen de abdij van Sint Peeters te Gent en hai*en schout. 

R. A. G. : A. S. P. n^ 505.. Diericx , Gends charterb. 33. Van Lokeren , 260. 
Het wordt , niet ten onrechte , in twijfel getrokken of het stuk oorspron- 
kelijk is. 
Mei 1249. Verkoop van 2| bunder lands. C. A. Serrure. Gesch. der Nederl. en Fransche 
letterk. in h. graafschap Vlaanderen. Gent 1855. blz. 88. 

25 Febr. 1252. Concordaat tusschen de abdij v. Sint-Baafs en haren Schout. R. A. G. Chartes 

case 20 n^ 3 n^ 119. 2^ partie. Diericx, Gends charterb. 3. Zeer gebrekkig ; 
door mij naar het oorspr. verbeterd. 
Mei » Zie Tol te Brugge. 
21 Juni 1257. Verkrijg eener ho&tede te »Bochoute'*. De Smet, Recueil d. chron. de 

Flandre, II, 914. 

26 Febr. 1259. Dijken te Saaflingen. Vad. Mus. III. 62. 

11 Juli 1267. Landschepenen v. Velseke. R. A. G. : A. S. P, Van Lokei*en, I 361. 

26 Aug. 1274. Verkoop van eenen meersch. Vad. Mus. III. 432* 

8 Febr. 1275. Scheidsrechterlijke uitspraak tusschen St, Baafs abdij en den heer van 

Gaver. R. A. G. Case 19 n° 3 Inv. Van Lokeren. n° 87. Diericx. Gends 
charterb. 14. 
25 Jan. 1277. Meierij der Schuren v. Oestburgh en v. Ruisschevliete. R. A. G: A. S. P. 

n*» 877. Vad. Mus. II. 356. Van Lokei-en, L 383. 
7 en 11 Juni » Tiende v. Ëodeghem. Godsh. te Brussel. Vad. Mus. II. 249 en 245. 
Juli » Regl. V. h. gasthuis te 's Bosch. Charterb. f« 27 v«. Kopij 15» E. 
30 Sept. 1278. Tiende v. Lisseweyge. R. A. G. : St, Bertijnsabdij n« 10 Vad, Mus. I. 288. 
31 Dec. » Vrouwenroof te Brugge. Cout. de Bruges L 228. Warnk. en Gheld. IV. 246. 
11 Nov. 1279. Tiende v. Lisseweghe. R. A.G.: St. Bertijnsabdij n^ 112. 
Oork. V. 1280. Klachten over de regeering. Oout. de Bruges, 1 , 232. Warnk. en Gheld. IV.*253. 
Mei » Tijkwévers te Sint Peeters bij (Jent. Van Lokeren , ï. 388. 
21 Jan. 9 Scheidsrechterlijke uitspraak. Vad. Mus. II. 365. 
Mei » Tijkwévers te Sint Peeters bij Gent. 
28 Sept. V Opkoopers, enz. Cout. de Bruges, I. 235. Warnk. en Gheld. IV. 251. 

j Tiende te Lisseweghe. R. A. G.: St«-Bertijnsabdij , n^ 115. 

27 Oct. » Regl. Parmentiers in St. Peetersdorp. R. A. G. : A. S. P. n» 894. Schijnt later 

geschreven geweest te zijn. Vad. Mus. II. 359. Van Lokeren, I. 390. 
9 Nov. » Tiende v. Lisseweghe. R. A. G. : St.-Bertijnsabdij , n® 120. 
18 Juli 1281. Rent te »Voerslare" R. A. G. : A. S« B. Niet geïnventariseerd. 
11—24 Oct. » Tiende te Watervliet. Vad. Mu.s. II. 360. 



12 Juh 
19 » 



XV 

Jan. 4283. Douairie te »Moscheroen." R. A. G. 

27 Juni » Rent te »Noorthout.*' R. A. G. 
21 Jan. 1284. >Lalant". Yad. Mus. I. 365. 

5 Jan. i285. Kwijibrief v. 500 « R. A. G. : A. S. B. Inv. Van Lokei-en. 
20 Jan. » Meierij der Schuren v. Ruisschevliete en v. Oestburch. Vai. Mus. II. 367. 
2i Mrt. 9 Test; Avezoete van der Amede. R. A. G. : Rijke Clarissen. 
12 Nov. » Schuldbrief v. Gi-aaf Floris v. Holland, v. 400 1& R.A.B,: Trésorerie de 

Brabant, Doos n^ i. 
10 Jan. 1286. Leening van leemnannwi. R. A. G. : A.S.B., Chartes, Casse 20 n^ 1 , n^. 9. 
31 Oct. » Verdrag tusschen Gelder en Kuik. Nijhoff, Gedenkw. I. 6. Van Heelu, 444. 
31 Jan. 1287. Roof van -wilgen tronken. R. A. G.: A. S. B. Niet geïnventariseerd. 
Mei 9 Cijnsuitgeving van 16 bunder moers te »Zevenberghe" R. A. G. 
1 Juli * Ruiling van erfgoederen, R. A. G.: Abdij v. Ninove. De Smet, Recueil d. 

Cron. de Flandre, II, 955. 
3 Dec. » Verkoop van landen en weiden te »Zeewerghem" R. A. G. : Rijke Clarissen. 

19 Aug. 1288. Tiende te »Viane". RA. G.: Rijke Clarissen. 

Oork. V. » Schenking van eenen Cijns van 20 Schell. Vad. Mus. Hl. 432. 

Febr. 1289. Overdracht van 3 bunder weide te Sempst. R. A. B. : Abdij ter Cameren, Weei*de. 
29 Aug. » Verkrijg van 20 schell. jaarl. rent te Caprijcke. R. A. G. : Abdij v. Gost-Eecloo. 
19 Juni » Rent van 10 <8 'sjaars te »Ardenbergh." R. A. G.: •A.S.B. 
15 Apr. 1290. Privil. te Herentals. Brab. Veesten, I, 676. 

Mei » Verkrijg van 10 dagwand lands te »Hasplai\" R. A. G. ; Abdij v. Nivore 
De Smet, Cron. de Flandre, II. 963. 
9 Bevestiging der vrijheden v. Diest. Reg. cop. cart. Vert. 14^ E. 
» Ban vorst te Grimbergen. R. A.B. : Trésorerie de Brab. Doos n® 1, bundel 6. 
» Twist tusschen Vlaanderen en Holland. R. A. G. : Trésorerie des comtes de 

Flandre, Charter n"* 646. 
f> Gitlb aan de abdij v. Oost-Eecloo R. A. G. : Abdij v. Oost-Eecloo. 
» Tiende v. Guldemersch. R. A. G. : Rijke Clarissen. 2 brieven. 

20 Mrt 1291. Verkoop eener hotstede. R. A. G.: Rijke Clarissen. 
» Schuldbekentenis. R. A. B.: Tré»rerie, charter N** 589. 
» Erfuitgeving. R A. B. : Abdij ter Cameren , bundel 60. Ëlewijt. 
* Schepenen v. Middelburg beloven pandslieden te leveren aan hertog Jan. 

R. A. B. : Charterb. v. Brab. B f ** 24 v**. K. Stallaeit. Gesch. v, hertog 
Jan I, 322. Bij Van Heelu, 539, vermeld, doch eondei* tekst. 

» Rentuitgeving. R. A. B. : Abdij tei* Cameren, n^ 113. Weerde. 

9 Schenking van een stuk land te Ardenbuix^h. R. A. G.: Abdij Zoetendaal. 

28 Aug. 1292. Rechten der abdij v. Vorst te Tasseniere. R. A.B.: Abdij v. Vorst n*» 10. 

Vidimus v. 20 juli 1445. Fransch en Dietsch. 

14 Nov. 9 Schenking van een gemet lands. Vad. Mus. V. 286. 

15 Nov. » Schenking van 9 gemeten lands. Vad. Mus. V. 287. 

Jan. 1293. Verkoop van een stuk land. R.A.B.: Abdij ter Cameren, n^ 113. Weerde. 
18 Jan. 9 Cijns te «Wesenbeke." R. A. B.: Sint Gudulakerk, Doos 1 n^' 59. 
15 Mrt. » Verkoop van een leen te »Saeitinghe." R. A. G.: Trésorerie, Charter n®715. 
24 Mrt. 9 Verkrijg van woning en land. R. A. B. : Abdij ter Cameren, bundel 62, Erps. 



17 


Juni 


24 


9 


1 


Aug. 


17 


» 


21 


Nov. 


20 


Mrt 


26 


Apr. 


3 


Juni 


22 


Juni 




Nov. 


19 Dec. 



XVI 

26 Mrt. 1293. Overdracht van landen. R. A. B. : Abdij ter Gameren, n® 113, Weerde. 
1 Juni » Verkrijg van 63 bunder lands te »Viane". R A. G.: Rijke Clarissen. 

4 Juni » Verkrijg van landen te »Viane". R. A. G. : Rijke Clarissen. 2 brieven. 

28 Juni » Verkrijg van landen. R. A. B. : Abdij ter Canieren, bundel 60, Elewijt. 

13 Sept. n Scheidsrechterlijke uitspraak tusschen den burggraaf v. Gent en Sint Baafs 

kerk. R.A.G.: A.S.B. 

8 Oct. » Schenking van 10 schell. jaarlijks. Vad. Mus. III. 433. 

Mrt. 1294. Verkrijg van land. R.A.B.: Abdij ter Cameren n° 113, Weerde. 
Mei » Verkoop van een huis te »Gheroustberge.** R. A. G. : Abdij v. Geeraardsbergen, 
Inv. d*Hoop, n*» 38. 

29 Oct. » Verkoop eener rente van 4 <®. Vad. Mus. II. 368. 

Mei 1295. Verkoop van schoofrecht te »Oultre" R. A. G. : Abdij v. Ninove. 
19 Juni y> Overeenkomst tusschen den abt v. Sint Bemards en den heer v. Runipst 

wegens »den eighendoem v. Puderse" (Puurs). R. A. B. : Abdij v. Sint 
Bernards, Doos n® 1. 

9 Dec. 1296. Schenking eener pai*tij land. Vad. Mus. V. 288. 

9 Febr. » A Schenking van omtr. 4 gemeten lands. Vad. Mus. II. 369. 

9 Febr. » B Schenking van omtr. 50 gemeten lands. Vad. Mus. V. 290. 

10 Febr. » Schenking aan het Begijnhof te Brussel. Grodsh. te Brussel. Vad. Mus. III. 64. 

Febr. » Verkoop van een huis te »Gheroustberge" R. A. G. : Abdij v. Geerai*dsbergen. 

Inv. d'Hoop, n° 41. 

24 Mrt. » Ruiling van land te »Dorensele*' R. A. G. : Abdij v. Doorseele. 

10 Mei » Schenking van een stuk lands. Vad. Mus. II. 369. 
31 Aug. » Verkrijg eener rent van 24 St. Vad. Mus. V. 289. 
18 Sept. » » »»»28»»»V. 290, 

21 Oct. » Rent van 25 schell. te »Dielbeke'\ R.A.B.: Cbarterb. Begijnhof, f* 215 v^ 

25 Nov. » Pachtuitgeving van 26r bunder land te Assche. R. A. B. : Trésorerie, Doos 1, 

bundel 6. 
19 Dec. » Schenking aan de abdij te Zoetendale, R. A. G. : Schep. v. d. Moere. 
23 Mrt. 1297. Overdracht van 7 lijnen lands te »Leffinge'\ R. A. B. : Abdij Rozendaal bij 

Waalhem, Doos n*» 1, bundel 1295—1306. 
Mrt. )) Schenking aan de abdij vBodelo.*' Vad. Mus. III. 435. 
2 Apr. » Pachtuitgeving. R. A. B. : Abdij ter Cameren, n**. 62, Erpse. 
29 » » Verkoop van huis en erf. R. A. G. : Abdij v. Geerardsbergen. Inv. d' Hoop, n® 42. 

Mei » RtdHng van land te » Lansrode.*' R. A. B. : Abdij ter Cameren , bundel 93. 
18 Juni » Erfiiitgeving van een bosch. R.A.B.: Abdij ter Cameren, bundel 106, Dworp. 

23 Juni y> Ruiling van land bij «Lansrode.'' R. A. B.: Abdij ter Cameren, bundel 93. 

24 Juni T> Verdrag tusschen Brabant en Grimbergen. R. A. B. : Trésorerie, bundel 13. 

27 Mrt. 1298. Manschap voor Zeeland »bewester Soeld." R. A. G. : Trésorerie. Gedrukt bij 

Kluit, Hist. Crit. II, 994. 

28 Mrt. » Eifuitgeving. R. A. B. : Abdij ter Cameren, n® 62, Erpse. 

8 Apr. 9 Schenking van een stuk land. R. A. G. : Abdij v. Doorseele. 

Mei » Rent te »Essele". R.A.B.: Sint Gudulakerk te Brussel. Vad. Mus. I, 101. 
10 Aug. )> Rekening van het gasthuis te Assche. R. A. B. : Trésorerie, bundel 18. 

10 Sept. 1298. Tiende van »Isendike.'' Vad. Mus. II. 370. 



i 



14 » 


25 B 


20 Nov. 


24 Dec. 



xvn 

4 Oct. 1298. Rent Tan 10 acbell. te ]>Mendonc.*' RA. 6.: Abdij v. Doorseele. 

I Nalatenschap van Volkert Masch. Yad. Mus. Y. 291 , 293, 2 brieven. 

9 Overeenkomst tusscben Brabant en Utrecht tegen Holland. Rijksarch. in den 

Haag: Arch. prov. Utrecht. 
» Erfuitgeving van 10 St. R. A. 6. : Abdij v. Doorseele. 

9 Verhuring van «hnsinghe en hovinghe*' te Wilsele bij Loven. R. A. B. : Abdij 
V. St. Giertrudis te Loven. Jacobs, Environs, 103. ; 

Mrt. 1299. Tiende te Oasterlee. R.A.B.: Abdij Rozendaal bij Waalhem, Doos n« 1, 

bundel 1295—1306. 
11 Juni » Verkrijg van een bunder land »int herscap van Asplar.'' R. A. G.: Abdij v. 

Ninove, Loetsch. De Smet, Recueil des chron. de Flandre, U. 979. 
5 Juli V Verkrijg van »tgoet van der Beverne te Zent Antelins." R. A. G. : Abdij v. 

Ninove, Bouchout. De Smet, RecueU des chron. de Flandra, II. 976. 
26 Juli 9 Cijns te Erpse. R. A. B. : Abdij ter Gameren, bundel n^ 62 , oud n^ 31 . 
6 Febr. 1300. Verkrijg van een stuk land in »Hasnederambacht.'' R. A. G. : Abdij v. 

Doorseele, 2 brieven. 
6 Oct. » Afstand van zekere tienden door den provisor en deken v. Zuid-beveland. 

R. A. G. : Abt van Sint Maiien te Middelburg en Sint Pauwels klooster 
te Utrecht. 
19 » » Verkrijg van een stuk land. R. A. G. : Abdij v. Doorseele. 
20 Nov. » Cijns te Rode. R. A. B. : Abdij ter Gameren , bundel 93. 
13 Mrt. 1301. Erfuitgeving. R. A. G. : Abdij v. Geerardsbergen , Inv. d'Hoop n? 47. 
18 Mei 9 Keur van het Tijk weversambacht te Sint Peeters bij Gent. R. A. G. : A. S. 

P. n«» 1022. 
11 Nov. 9 Schenking van 20 st. cijns. R. A. B. : Abdij Rozendaal bij Waalhem, Doos 

n^ 1, bundel 1295—1306. 

23 Apr. 1302. Graanpacht. R. A. G. : A. S.P. n^ 1024. 

24 Aug. » Rent van 40 schell. R. A. B. : Charterb. Begijnhof, f <> 255. 

,19 Mrt. 1305. Twee oorkonden, waarbij de Geslachten en de Ambachten te Brussel hunne 

geschillen resp. aan de scheidsrechterlijke beslissing van hertog Jan on- 
derwerpen. R. A. B. : Trésorerie, bundel 41. 
26 Mei 9 Erfcijns van 4 <S. Stadsarch. te Diest. Oudste Schepenbrief aldaar. 

Juni 9 Cijns van 100 Schell. te sLamminsvliete." R. A. G. : Abdij Baudeloo. 
18 Oct. » Erfuitgeving te »Gheroutsberghe,'' R. A. G. : Abdij v. Geerardsbergen, Inv. 

d'Hoop no 49. 
2 Juni 1306. Cijns van 40 sols te «Lamminsvliet." R. A. G. : Abdij Baudeloo. 
29 Mei 1307. Cijns van 50 schell. te sGheroustberge.** R. A. G. : Abdij Geerardsbergen, 

Inv. d'Hoop n<* 51. 
1 Juni 1308. Tiende van »BodeIo.** R. A. G. : Abdij Baudeloo, 
8 Apr. 1309. Erfuitgeving te vGheroustberghe."' R. A. G. : Abdij Geerardsbergen, Inv. d*Hoop. 

n» 52. 
10 Oct. » Rent van 20 schell. R. A. G. : Abdij Geerardsbergen, Inv. d*Hoop n^ 53. 
28 Aug. 1310. Verkoop van een leengoed. R. A. G. : Heer v. Liedekerk. 
18 Oct. 1318. Schenking gedaan voor de leenmannen des graven v. Vlaanderen. R.A. B. 



xvin 

Mei 1368. Schepenen der abdij te Vorst machtigen eene ki^anke en behoeftige vrouw, 

aan welke hare kinderen het onderhoud weigerden, voor alsnu een deel 

van haren huisraad te verkoopen, en, vervolgens, het stuk lands dat zij 

bezat. R. A. B. : Abdij v. Vorst , bundel n** 47 bis. 

2 apr. 1408. Kwijtbrief van een in eenen heertocht bedorven paai*d. R. A. B. : Trósorerie. 

Een aanzienlijk getal oorspronkelijke, bezegelde cijns- en erf brieven werden door den 

uitgever geraadpleegd, en van vele werd hier gebruik gemaakt onder aanduiding van Bank en 

datum, zonder het aangeven der bewaarplaatsen : iets dat ook zonder nut ware geweest, dewijl 

die brieven voortaan zoo goed als ontoegankelijk mogen beschouwd worden. 



A. 



AAHB, in. ▼. Aam^ fr. aimê. In de tegenwoor- 
dige beteekenia Oudst bekend gebruik der dubbele 
ToeaaL () Tan wijnne te ecrodene sal elc aame wynts, 
die di icroderen afdoen en kelderen., ghelden enen 
penuino , en elke aame wijnta , die si vutdoen . , sal 
ghelden tue penninghe. Tol ^ Diêsi, 24 juni 1807. 
Oorspr. Men leest ook aldaar: namaals (2), ghe- 
maaet, tsgodensdaaghs (8), tsondaaglis (2), anders 
daaghs (2), elcs dughs (2), staan (2); benevens: 
laed, Terstaene, staene, scaep, slaenenjaere. || Die 
lame smouta [sal ghelden] drie oude grote Seg. 
top, eari, II t^., 1328. — In het kb. van Diest, 
A. r. 41, wordt selfs het ww. met twee aa's ge- 
sehreven, alsmede de 8« pers. enk. d. tegenw. tyds: 
II Dat nieman meten en sal noch aamen. — So wie 
wgn aamt. — Wij meideden de Diestersche oor- 
koude Tan 24 juni 1307 , als de oudste dubbele 
Yoeaalspelling aanbiedend, omdat dese er, als het 
ware, stelselmatig gebruikt werd. Edoch, in eene 
occBpr. en bezegelde oork. d. d 21 nov. 1290» ra- 
kende de X<i« van y,GKildemersch*', bij Gent, en 
berustend in het R|jksiRrhief te Gent, leest men 
reeds: Ywain StuUart, bailliu ran Ghent en Tan 
den lande Tan Aalst. 

AHAIN. Zie AüBAiir. 

ABATEMENT, sn. o.» toot het gewone Bsbate- 
menfc. TboMe/esr/oonM^ , fr. reprétentaiion êeéniquê. 
Een bealuit Tan de regeering der stad Dieet, d. d. 
18 juni 164iO, schijnt te kennen te geTen dat 
,,Sebatement'' en ,^uite" synoniem waren , als 
klneht beteekenend, en tegenoTer stond het ernstige 
^p^ Tan Sinne**: || Alsoo questie en geschil was 
eomen te gerejsen tusschen die Tan de Leliecamere 
•Ulier, ten eenre*, en die Tan de Ghristnsooge- 
eaanere, ter andere xijden, OTor het Toorspelen te 
kersmisse eerstcomende , Toor het stadthuis deser 
stadt, is geresolTeert dat, sonder prejudicie Tan 
een ijeders recht, desen jaere die Tan de Christus- 
OQge dee saterdaeghs sullen spelen den „Wille- 
eom*', die Leliecamere sondaeghs'die ,,Cluijte*' oft 
y,Battement'\en 's maendaeghs het ,>Spel TanSinnen"; 
en die Christusooge dynsdaeghs Tan gelijcken een 
,^pel Tan Sinnen", en woensdaeghs die ^Gluijte"; 
•n Skterdaeghs die Tan de Leliecamere den ^dieu"; 
en dit alleen by proTisie. 

ABATEMENTER, sn. ro. ToonedtpeUr in de 
JBpelen Tan Sinne" en „Sottemidn", fr. aetemr doms 
les repréteniatianê feémiquêê (Monles, farces et 
■ottiea, dites ,^battements'*). || Oock zal men 
mede loten eenen tritsoorwaerdere , die gheenen 
Tramden hueren en maoh. Up dwelcke tritsoor den 
eongnck moet doen zijn eenen pot wyns, om d'abat- 
tomenters en presentspeelders te feestieren. Bdg, 
Mms Vil 258, KêrêamwUren v. Pamêl , 1556—1609. 

ABBET (Abdt, abt) , zn. m Abt, fr. abbé. || 
Sonder sabbeta orlof. 25 febr. 1252. Dat deghene die 
woenen binnen der Toghedien Tan ETerghem . . niet 
en siin sehuidech te commene te sabbeta gaughe- 
diaghe. 8 lebr. 1276. Tan dee abbets ende sooTents 
lialTen -^ Tan aabta én oonTonts halT«n, — Tan 



den Torseiden sabts mannen — Tor mjfns heren 
sabts man. 25 jan. 1*277. Die abbet. 11 uot. 
1279. Als Tan den contente efi Tan der calaen- 
gen, die N. N. hadden up den abbet en up die 
kerke Tan sinte Pieters Tan Ghent. — die here 
Willem . . , die macht hadde Tan tsabbets halTen 
Torseit , bi des abts letteren Torseit. — al te doene 
ghelyo den abbet. — bi den Torseiden letteren 
Tan den abbet. — die Tindere was Tan des Tor- 
seits abbets haWen. — die here Willem . . Tan 
tsabbets haWen. — in tsabbets stede. — den Tor- 
seiden abbet. 24 oct. 1281. — Den here Diedericke 
abdt Tan den Zoetendale. — wi, Jan, abdt Tan 
sente Pieters — abt Tan sente Pieters 20 jan. 1285. 
In sabbets stede. 18 sept. 1298. Een debaet tus- 
schen abbet Jhanne en 19. — dat dabt en con- 
Tent. — dat dabbet en couTente. — den abbet 
Tan sinte Pieters. — Jhaui abbet Tan sinte Pieter — 
1298. — 

ABDEBSSE (Abdesse, abdisse, abedessé, abt- 
desse), zn. t. Abdis , fr. ahbesse. jj Dat wi hebben 
Tercocht wel en wetteleke der abderssen en den 
coTente Tan sente Claren. — die Tan der abderssen 
en Tan scoTents alTcn. — de abdersse en tcoTent. 
19 aug. 1288. Dat io, K. , heesohende was., der 
abdesse en den conTente Tan sente Claren . . tiende 
Tan den Torseiden Guldemersch , dar de Tors. abdesse 
en tooTent haren oioester op ghesticht hebben. — de 
Tors. abdesse. 21 noT. 1290. De abdesse en dcoTent 
Tan sente Claren. — de TOrs. abdesse. 20mrt. 1291. 
Marie, abdesse Tan Torst. — dabdesse in den con- 
Tente, 28 aug 1292. — wi, suster Alise, gheseid 
abdesse 20 noT. 1298. Discort . . tusschen religieu- 
sen wiTen dabdisse efi couTent Tan Vorste. — de 
abdisse eiï tcouTent. — de goede der abdissen. 28 
aug. 1292 Miin Trouwe Ter Alit, die men heet 
abdisse Tan der Gameren. 2 apr. 1297. Abdisse. 
mrt. 1299. Dat de here Tan Yianen, miin oera, 
heeft Tercocht der abbedessen en den oouTente Tan 
sente Claren. 1 juni 1293. Ie, suster Adelisa, 
gheseit abedessé, en tcoTent Tan Dorencele. 19 oct. 
1300. Dat wi hebben Tercocht der abtdessen en 
couTente Tan sente Claren. — so wart de abtdosse 
en tcoTent gheeereft int Toers. ghoet. — hebben 
ghelooft der abt dessen . . — bi orloTe der abdessen. 
— en gheloTe der abdessen. — de Toers abtdesse. 
4 juni 1293. — In een dubbel dezer oork. staat 
OTeral ,^bdesse**. 

ABEDIE, zn. t. Abdij, fr. ahbavef Waarschijn- 
lijk eene schnjffout. || Dat wie, die corte lakenen 
maken sal, dat die niet maken moet enich teken 
an die lakene Tan enegher abedie oft gontree, 
sonder Tan der abedie of contree daer de wuUe 
ute comeq es, danof dat de lakene ghedrapierd 
sgn, up ene boete Tan 1 lib. par. en z\jn ambocht 
y jaer. K. lakeng. Tperen, 189. 

ABEL (Ablê), bn. 

1) Oês^iht, bekwaam t bevoegd, die de vereitchie 
kraifktem af hoedanigheden heeft ^ fr. propre, conve- 
nabUj fiti a Us quaUtéê rêgvises, || Dat men in 



ABÉ. 



ABO. 



de ited wm eiken wm de TDifig. tseetieh eentterai 
die OTcnnoegm ee^ Mtten iel enen esderen ffi^ 
den geeelle dAiztoe nuft en ebel sjnde Serwiems, 
Ux. 14, aeoft. 14 (1463) En ene Tem d^hene Tan 
de teeetieh ■entten, die. na baten woenen, hier 
in de eUd niei willen eomen metier woenet, men 
eel endere goede geeellen , die abel en nut enllen 
weeën, in huer etad eetten. Ib. Boudin, orer- 
meerkende, dat hij niet meer able en wee om 
die wapene te wcHgheoB, of om echter Ylaenderen 
te rijdnie en het land te goaTemerene. j. t. dix- 
Kupx, 40. 

2) Bevoegd^ gwwdkHgd^ weUdgk hAwoam^ fr 
9piê^ kabUê (en droit). \\ Want ie een pereoen 
•bel en beqoame ben oft ontlanckelijc om te ge- 
crijgene poeeeeiie en ■üeine. T. j>. tat., 36 t^ 
Ten aehtaten, dat tleen eawich ei en anecedere 
op doodete naente hoyr van den leenman, abele 
om saceederan Lêtmr, v. VL, 13 llide dien dat 
de Toin. jonekheer Jan ^ joui&ouwe Johanna, 
man en wijf, eoe jonck waeren Tan dagen, dat zij 
niet abel genoneh en waren om hen en heure gnede 
aelTe te regerene , lo waren hen . . . üij. momboeren 
geetelt. ^ -«rdb. U DieH, 1&« £ , Dat menniemant 
binnen deee atadt oü hare Trijheijdt Tan wettigen 
bedde en Tondt, die den weeaen in het Tierde Udt 
oft naerder beatont, die tot de momboirye Tan de 
▼oira. weeaen abel, nut en oirboujijck aoade i^ïn. 
C. V. Brna.^ Stai. v. 1657. 

ABELHEIT, m. t. Gttckikikeid , hdkmaamieuf, 
êrvarenJkeid, fr. eapa eii é, expirineê. || Wt den 
gpeden aanbrengen ons gedaen Tan der abelbeit en 
ezperiencien ona geminden Druwgna Socqnet. £e- 
Jfeeal:. x Brab., rag. 132, P 84 

▲BEBDAEN , an. m. Ahherdaamy fr. aNir«e êiMê, 
Oodate melding. Tol U Mmmpsi, 15c E. 

AbUT (Habijt), m. o. 1) KUedimq, in 't alge- 
meen, fr. vê tem e mt \\ *t Waa al mee a t jonckToIck; 
de manaperaoonen. Teel jongbe gheiellen, magher 
int abijt. üer. t^dem, 1, & 

8) KUMufer^onU-.ffêeMidyk kUed, fr. iabU reU- 
fêemx. li Als den boom daar Ona Heere met een 
apa de wartel ontdecte, en Ona Traowe begoot, 
i4> welcx tacken autaproten Teel heüghe en weer- 
d^he Dominicanen met haer abyten an, deer sQ 
[al. de geusen] al bonte craeijen af maeeten, omdat 
sij baten zwart en onder wit dnghen. Ber. ttjdem^ 
1, 164. Zolcke haerde Tele en hadden Tan der 
gbeeateliche^^t, al waa *tdat zij gfaeeatelio bieten, 
niet dan dan name en 'tabgt. 248. 

8) KBrlcgewaad, fr. vitemmU* tae&rdotam*. \\ Dat 
men np aUe dobbel fcoeton choor honden zal t'allen 
offiden Tan dan daghe; en dogbone, wiena thonr 
het wordt choor te houden, die zullen Tercleet 
wezen met zulcke eappen en abijten ala de hooeheyt 
Tan der tgt begbeeran zaL Koor Wimoexb., a. 7, 
16* E. Zie TOsncKXL. 

ABUT oft tabbajBBT, zn. m. Tabbaard^ fr. robe 
hmpue, iabar. || Sullen . . onae rentmeeater oft zgn 
atadhoodete de erflaeten eehnldichayn rechten jua- 
titie te doen met alaulcken abbijte oft tabbaerde 
Tan abulcken eoluere oft Terwe ala hen Tan oneen 
wegen ter aaeeken Tan hueren oiBcien jaerlicz ge- 
gueot en gegeTen lal worden. B ekmtk , e. Brmb.^ fcg. 
138, f. 121 (1532). Zie tabbajbt. 

ABILOEMEKT (Habilgement), zn. a A — Tan 
ooikm Oorlogttmg, fr. o§rè9^ wtaektmet ds gwmro. 
Zie La Cume: Sabillememi, 4^ || Aleo men zeide, 
zo waren int eaateel wel 300 personen of meer, lieden 
Tan atoffen, en wél gepfOTantaieft Tan leiftncht en 
ahilgMnanten Tan oik|^. oim t. Dixxuia, 178. 



ABITUEKRBK (Hiibitoeann\ bv. fbadaa, fr. 
babiOêr, wStw, rmêhr. La Cunie: BmbUuer. || Ghe- 
eoeht ... üij eorte lekenen, omme te habitneeme 
den bailUn, Ti| ac^ienen, den clere en den ont- 
fuighere. St.-Éek Ntmuoe^ 1397. Andere eoeten om te 
habitaerene en deedene den heere, de wet en 
haerlieder dieneien. 1461. Den heraalt Tan Bra* 
bant, die met sijnen Terderden henuiltrock ghe- 
abitneeit waa Maiibiat^ 14. D'eente trinmphante 
pereonagie, die op bet Toorste tanneel stont, waa 
uytennaten coatelijck gheabitueeit in de ghedaente 
Tan Juno. 19. Tele gheeatel&e apeflen' Tan jei- 
Tende lieden zeece rykelyke gheabitneert en 
adaienlike [prachtig]. Oh. T. i>]X]ann, 173. 

ABOLCH. ^ ABOLOB. 

ABOLOE, zn t Vtrbolgemknd, grmmtrkitp^ 
«prak, fr. eoiirê, reaMBÜaiaai, rwaeeaa, ofr. tra. }| 
Want ona onae mde Triende, acepene, raet en 
andere goede liede ghemeinleee Tan der atadt Tan 
Djeat enen ontateliken dienat bew)yrt en gbedaen 
hebben, om onae onghonate en abolghe, die wij te 
henweert drocghtm en ghekeett hadden, en oec 
om hen «mee lande te openen, die hen Toiighealoten 
waren Diegi, Bty, eop. earL , 14 noT. 1375. Ohmme dat 
hare genadige here en Trouwe hare abulgbe keeren 
talen Tan liaerre goede atat [endUt] Tan alle haren 
goeden lieden Tan Lorene, en hen alle aake ei 
meadaet TergeTen en quite ecelden tot op den daeh 
Tan heden, en die Triendelee nemen en ontfren 
in haerre hulden en genaden. C o mJ ktrêel, Pti* e. 
1381. Dat aij dan onae Tooia. toUon, pachten, 
chijnzen en renten, en ow alle Terrallen Toin. 
aoiien moigen aenTeeritei en inhouden, eonder 
oneen wedesMggene, abolch oft enigen ondaack 
daarom te hebbene in eniger maoierBn. Mooib,^ I*. 
62 T«. (1637). 

ABOBXIJF PEREEMENT, zn o. MUagdm- 
porkomeut^ fr. parebewÊim o i e rye , \\ Een Tie^ant 
lokerkin [koffertje] , . . daerin dat lach gheecrifte 
in fijn perkement, ter aTontueren abortyf ott onghe- 
boren perkament. Ber i^dm, I, 177. Aant. 2. 
Peigamenum abortiTum, perkament Tan een dood 
gebaren lam. Maigne d'Amia z^: ex peUe Titulina 
Tel hcBdiua ^eTicni'*. Kramen zegt ook : Tan bereide 
huiden Tan ^.doodgeboren'' lammeren of geiten. Men 
maakte er ook koetelijke peleen Tan; zy z^n be> 
grepen onder de heerlyke cgnzen in natuur. Zie 
OBiiOC, BsebUmiiortbêmtr, 379. 

ABOUT, zn. m. 1) Paal, minwie, ^raaa, bo- 
Umd i u Q^ fr bormej limiUf abouüêtami, ofr. abotd. || 
Stellende elck parcheel ofte partye bj goeden rer- 
daene, met apecificatie Tan aboutten en gfaetalen 
Tan boomen. C. o. Vemrue, JX, 6. Met goed Ter- 
claera Tan eanten en habouten, waer *tzelTe goedt 
gheataen en gheleghen ee. XXYIII, 2. Twee pry- 
aera ofte meer, dewelcke, gheöedt aynde, auUen de 
goedinghen ten aterfhujie beTonden pr^aen naer 
haer weerde , atellende moItc prjaie by gheachrifte, 
met pertinentegrootte, Ijaten, centen eü aboutten 
Tan d ei&ehtigheden , die aldaar moeten Teidaylt 
zyn. C 9. Poper.^ XI, 2. 

2) Omdorpamd, fr. Jbmdê d'hfpoêbbqme Maigne 
d^Amia. Abbotum, adboutamentum. |i Dat de Ter^ 
banden ende condemnatiMi ghepasseert . . tij in 
terme generale oft by Terelaene Tan apeciale aboat 
en Tpotheke. Plae. v VI, 10 febr. 153ft, I, 287. 
D^hene op wien de tootb. uyiwinninghe ghedaen 
ia . . , Termagh wederom te komen tot ajrne erf re an 
hjpotheke alaoo TUTtgewonnen en niet gedeova- 
teert.., rembouraerende efi betaelende de aehtei^ 
itellon Tan de rente tot den tjde Tan de wiapr 



ABO. 



ACH. 



wwoso^ éh gabmyck' bj dm klmvr fgèdMh tm don- 
■alTto ftbont «n hjpotheke. C. 9. RonMte , XY II , 2, 6. 

IBOÜTBMEMT, En o. Pand, fr. Ifaqë. || Dat 
ghaen poorter noch ander. man, die gheen upüettere 
of lakeropere ee , mach copen negheen laken noch 
halflaken t'Tpre ghemaect, of ontfanghón, over Booad, 
ia abootemente bin der steede yan Tpre, en die 
foort Tercopen bin der stede, np ene boete Tan 1. 
bb. ; of het en wmrv vaerwers of wallebrekers , dewelke 
vel lakenen moghen nemen van hare ealanten orer 
•rawL JT. laken^. TperêMf S06. Alle maniere Tan 
tboatemento , die drapiere overgheTen zullen den 
biMleliera of npaetters , Tan wat manieren Tan goede 
dat het sj , dat die «uilen moeten betaelt weeën te 
■Itidken daghe os de drapier betaelt aoude we- 
sn, 219. 

IBREIJE, sn. t. JTopptimatgier ^ tr. proxSnèfê. 
II Item, omme abrejen, die wijfs ofte mans wrjf 
OBtspoenen. C. e. Aat»i^ bis. 388 a. 4. 

ABKEIJSCHAP fAbroysrip), sn. t. K&ppêlarij, 
h.m9qmereifaq9. \\ Calle Édelinx en Matte Tan der 
Cbpellen, Tan abrojscepe, elcken 1 jaer. Auden. 
SM«.f , I, 54« 

AB8ENTEERKN, bw ]) Onfvrmmign , fr. dS- 
taHTBsr, «a/^wr.- H Wie gbearresteert goet transpor- 
teert, alieneert of abeenteert unter plaetse Tan den 
arreate O. v. Oemt, lY. 10. 

8> Hom a — . Sêi land verlaUn^ wefritêklcen , dê 
thêtAi m^men, fr qwifter U pmfM, prendre la fnifê. 
II Tan deeen Trede ee costume: heeft een persoon 
fiut ghedaen Tan dootslaghe ofte anden, en hem 
de prin^ipaele Tan den faite absent beert, data te 
Kgghene. dat hij wechtrect, soo dickent gheTalt, 
BHm haelt den Tmie an de naeste maghe Tan Ta- 
der en moeder Tan den principael. O o. Aaltij 464. 

ABSOLUTIE , sn. t. OntêloQ. onsehmldwrJclaring , 
w^9pr^tint9 1 f' aeqmttemeni , dMaraiion d'imnóeênce. 
Bij de Ferrière \^9<dmiion" in 't crimineele; hier 
ia 't ciTiele. |t De gedaeehde, dienende Tan «nt* 
woorde, is gehouden oork te nemen pertinente 
Sjnen Tan niet-ontfanckeiyckbeöt en absolutie; ten 
ware dat hij hadde eenighe deolinatoire exceptien. 
C. e. M-ekdén, têenh., Sfi^l, a. 13. 

ABUIS (Abnns, Abuys), sn. o. MUhrmk, fr. 
akv. II SeTene mannen ee een tuI hof; het moet 
weaen priemetijt eer men hof maken sal, en Toor 
de noene lidens moet thof gemaeot wesen; diet 
daarachter makede, het ware abuys Tan wetten. 
Lêemr. e. 1^28, 37. Daer psrtien commen bi ao- 
eorde toot de mannen , omme eeneghe kennessen 
of TerMnden te doene, al ware de sake niet wette- 
fie, of al warens de mannen niet Troed, men sal 
partien niet in wettelieke dachTaert trecken, al 
worden de mannen ghemaent, als in Tersten of 
diareghelicke; het ware abuns Tan wette; wsnt 
diste ten daghe niet en qname, Terlore syne sake, 
ik hofrlnchtieh. 1b., 60. 

ARUKE. sn. t. In a. liprgon. Op dên loerluF- 
§m, fr l^fv eaemfmaeadê, \\ Tsachtemoens , npden- 
■eWeo dachy bedreren die benden Tan beede die 
eapiteijnen te Gbendt eenen looeen alaerme in den 
Ham, Helen haer gheschut afghaen, laghen in 
abnockeo. Ber. tijde» ^ II, 272. 

ABU8ELIJCK, bijw. In den mond Tan een 
geleerd man kan dit woord hier niets anden be- 
teekenen dan drotf, hêdroefnndf fr. tritte. || Zy 
sehaerden efi bedórren daer outellicke boucken, 
Modat gheheel die strate orerdect was met ghe- 
pimlpn p a piere. Zoo ooo waren beede de groenpleij 
■sn Tan de twee panden Tan den eloostere, dwelok 

waa. JBsr. i^dem, 1, 118. 



A6UU8 YAlLEN, ow. VerÉókalkt, hêdre^em 
worden, fr. étre dupe, irompé. || XXI ellen eB 
een qnart toole , . . omme danof te makene bequame 
roxkins, omme Tan de halle te drsghene de lakenen 
gheeocht bij de coopUeden, geteekent met de let- 
teren A. B. O., updat de oooplieden deseWe te 
betere souden moghen kennen efi te min abuus 
Tallen. B«nBT, I, 316 (1565>. 

ACHEMANT, bn. Sisrl^, hê9alliff, fr. éhar- 
mant, éUtfini. || Ghi droecht den boet ooe Tan 
der rosé. Die scone Tras en achemant. pbast, ts. 68. 

ACHTE, telw. Acht, het hoofdgetal, is. hmU. f] 
Yan thiene ponden Tore de mudde rogs, en Tan 
aohte ponden Tore de itaudde gheenten, 11 juni 
1277. Bin achte daghen, 11 noT. 1279. Aehte linen 
lants^ 19 juni 1289. Binnen deta achte dagen, mei 
1294. Achte en dertech pont efi achte s. n. d. 
2f> nOT. 1296. Achte bedden, m^ co** en achte en 
neghentech. Hi quammer in aohte daghe te ute^ 
gaenden merte 10 aug. 1298. Dusénteoh tue hon- 
dert neghentech en achte. 4 oct. 1298. M CO achte 
en neghentech. 25 oct 1298. Daeentech tuehondert 
en achte en neghentech. 24 dec. 1298. — In alle 
de hier gemelde oorkonden leest men „achte"; slechts 
in de keure Tan ter Piete, 30 mrt 1265, staat „bin- 
nen acht dagen*'. — Ook met den meerroudsTorm : 
Il Dat die Torscr. acht raetsluden, gesworen Tan den 
ledigen, tegader comende, onder hem enen burge- 
meistere, bi der meester partyen Tsn hem achten 
raetslnden stemmen , noemen en kyesen mogen suelen. 
O. L>é<9€, 18 noT. 1404, Sint-Tmiden. En, als sn., 
Toor een „college** Tan acht personen, te Brussel: 
„de Achten'*, de aehi reehfers der lakengulde , fr. 
Üm hmif jwrêt de la draperie \ Christijn: judices 
psnnarii: || Die Tier ierste schepenen kiesen oft 
nomineren, corts nae den Toors. sint Jans daghe, 
Tier persoenen Tuijt beuren geslechten , om dat jaer 
te dienen als Achten Toor de gulde Tsn der drap- 
perie , dwelck een gericht appaert is; efi d'oTerdeken 
Tan derselrer gulden die wordt by tourten [beurten] 
gecorèn Tuytten TOon geslechten. O. e. JSruet.f 
1570, a 7. — Ib. 1607, A 40. 

AOHTELE (achtelinck), zn. AehUie ded (des 
halstera, graanmaat), fr. hnifième partie (du hal- 
ster, mesure de grains) || Sunur.a siliginis: cxl. 
halsters, cxxiy. firt., xxTsachtele. Cart 8i. Pierre, 
898 (1)^1). Summa totius siliginis, oum Yrilant: 
xzj. modii, preter iy achteling. Ib. (Aanteek. des 
uitgerers: Een achteling saets maakte 25 roeden; 
achteling, het 8«t« der mud.) 

AOHTEN, bw., Tersta er onder „bekrraam*'. 
Kiezen , benoemen, aangiellen, fr élirè, nommer. || 
Deweleke paysiers, alsi [als si] den last in hen 
ontfaen hebben, selen horen eedt doen wel en 
wetteleke te doene daer sy toe gheacht efi gheoo- 
ren sijn. Qe*ek. v. Antw., II, 681 (1357). Hier 
swere ick, daertoe iok geacht ben, dat is momboer 
te syne Tan A. B. etc, weeskinderen. O, v. lAer, 
XYTtT. 10. 

AOHTEN, OW., met het tz. op. Ziek hekomme' 
ren — hekreunen om f ft se soueier de, || Efi want 
dickmaels ghebeurt, dat de gearresteerde, niet ach- 
tende op 't arrest op hen gedaen, hen absenteren 
efi Tertrecken uyt dese stadt, en 'tselTO alsoo rioleren. 
C. V. BruK*. , Stijl , a. 5. 

AOHTENDE, bn. Het ranggetal. AehUte, ft. 
hmHème. \\ Int jaer ons Heren . . . up den achtenden 
dach binnen inganghede aprile. Schep. e. Dieet, 
1298. De achtende summe. Rek. v. Aniw. v. 1324 , 18. 
Des achtende daghes Tan meyé. Hof de» abte v. 
Tonsierloo ie JHest, 1877. Een achtende deel Tan 



4 



ACH. 



ACH. 



gheel den goede. C, o. OmU^ VonmU ▼. 1S99. I. 
665. — Hem aohtender. Mei kmm aekUn, fr. a 
mui huU, (I It. ghaven >ij Janne uten Hove, der 
stede seriant, N., N., en Mugline den Coninc, 
hem achtender, en y. coke, die mede waren, OTer 
hare pine en solaria, lij. Ib. Reik, v. Oeni, I, 281 

(1337). — Achtende en achtste. || En jeghe- 

lijc weert, die aamerooper van binnen Dyest heeft 
gaende met sinen gasten optie halle, daer een 
yreemt samerc^per medegheet, die sal den samer- 
coper Tan binnen Dyeste gheTen den echtenden d. 
[denier] van alsulken lamencoop als gheordineert 
es optie halle. K, lakenq. Diest^ a. 95. Dits van 
den echtenden relde . . Die minsohe sach op den 
echtenden yelde , die lach seer gruwelike hoghe . . 
AJtehans was die minsohe op den achtsten Telde. 
AUer KêTMtb. 50. 51. 

ACHTER, als Toorsetsel Tan plaats. 1) Na, fr. 
aprh. II Qaame dien daoh [nl. de Terraldag eener 
rente] achter zyne doot [»Z. des eigenaars], soe 
ware dloengoed alleene die rente sculdich, en dye 
aeldinghen des onghehoaden; eist dat doudste hoir 
deelen zal in tander goedt, zo es de rente schuit 
en deelsaem alsoft in ghelde achter hem [nL den 
eigenaar] Tonden ware. Leenr v. 1528, 15. Als een 
grondenare sterft, dleen dat achter hem blijft es 
ongebonden Tan sculden, updat er ander goed, 
erTe of cathejlen zgn, daer men de sculden mede 
betalen mach. 30. 

2) iM, binnem, fr. dans. || Daer husinghen achter 
de poort crano sün , wat men doen sal. O. e. Brwfgê , 
I, 346, a. 22 (omstr. 1805). 

8) Onder, Achter het recht. Omder het recht , 
in hewactrder hand, fr. soue eéqueetre. \\ Den kooper 
weygherende de kooppenninghen Tan den naderlingh 
te ontfangen, moeten deselre achf«r het recht wor- 
den geconsigneert C. o. Maaeiriehi, XLI, 10. 

Gewone uitdrukkingen , meestal met den 3«n naam- 
Tal. Achter dorpe gaen, door hei dorp heen, overal 
in het dorp. j| Newar ghinc hacter («te) dorpe en 
hiltre siin sceren mede. C e. And.^ II, blz. 27, 
(omstr. 1800). Achter huise gaen. Door hei 
AnM Aé0», op on af loopen, ook intoonen, fr. por- 
eourir la maieon en toui tonei — habiter en perma- 
nemoe, \\ KenlQcheyt by den wercke, dat continue- 
lyck byblijTende is, geiyo is Tan dengeenen die 
openbairiyc een conoubyne hout in huijs en in zgn 
bedde, en aen z\jn tafele, efi kijnder dairaf heeft 
achter hu\jse gaende. t. d. tat. 163 t^. Achter 
huise leech gaen. Ooor etraat loopen tonder 
te werheny lanterfanten i ft. eomrir les rnet tan* tra- 
vaiüer, haitre Ie pavé. || Insghelicz sal den meester 
ghehouden wesen *s werckedaechs die jongere oock 
te leeren, die achter huise leech gaen en die noch 
op geen ambacht en sgn. Oeech. v. Antw., IV, 596, 

knechtjeshuis (]6« E.). Achter camere gaen. 

Zijne {tlaapyka$ner doorloopen, fr. parcourir ea 
ohambre (è eoueher) || Diegeene , die snachts in zynen 
slaep met zweerden oft met messen [pieecht] achter 
camere te gaen steeken, kerTen, houwen en slaen, 
die is sculmch hem te Tersiene. y. D. tat. , 157 t^. 
Achter rugge Senden. Ter^igtenden, fr. ren- 
voyer. \\ Sn deselfde opinie \nl. der prelaten en 
edelen] den gedepateerden Tan den Tier bootste- 
den Tan Brabimt OTergegcTen en gelcTert in gescrifte , 
en trapport geoepent, den last Tan denseWen ierst 
underlinge , daemae Toer die twee opperste Staten , 
en namaels Toer de Mat. Tan der coninginne op den 
xTyen dach deser tegenwordigen maent Tan octobri , 
en ten seWen daige TOer de l£at. Tan den keysere . . 
gedaen, en n^et geaooepteert, maer by zynder Ma^. 



anderwerff aohier rogge geeonden geweesl synde, 
om by denzelTen gedeputeerden naurderen last te 
georygene, ten eynde dat zy hem metten Toers. 
twee opperste Staten zonden moegen conformeren. 
Bekenk, e. Brdb., reg. 189, f". 17 (1542). Achter 
rugge. Aehterhake, aehier den rug, heimel^, fr. 
en eaehette, eeerètement || Maer soo deee weroken 
achter rugge ofte buyten wete oft kennisse Tan de 
geïnteresseerde partye gemaeckt worden, sullen de- 
selTe moeten geweert en afgebroken worden. C. v. 
Loven ^ Servit. a. 102. Achter see. Oeer tee, \\ 
Latende Toorts tselTe schip driTen achter zee; 
twelcke oort daemaer sonck in den gront omtrent 
Blanckenberghe. Piot, Chron. 791. Achter Stede 
gaan. t) Ihor de etad heen, over etreuU gaan of 
loopen, ook kuUerJanten, fr. eowrw lee ruee, battre 
Ie pavé. li Ck>rts daema Toerden zine tAmiens of te 
Monstreul, in den handen Tan den coninc, Tan de- 
welke hy zeer blyde mochte zyn dat hy uut haren 
handen wjis, en ghinc daer, up zine trauwe, achter 
de steide. OL. t. dixmupb. 128. Omme t'hende Tan 
dien [acht daghen] te gaene continueren zyne stu- 
diën, sonder hier achter stede langher ledieh te 
gaene, up paine Tan proTisie. C. o. Brugge, II, 
209 (1569). 2) De etad bewonen, fr. habUer la mOe. 
II Den dach Tan der Toirseide scnlt was OTerleden 
wel xTg jaer; binnen al welcke tide Jan Motten 
t'Aelst achter stede ghegaen hadde soWant zynde, 
en en hadde nojt zinder aenghesproken ghesjn te 
wette, also hy dingde C. v. Aalst, 274 (1451). 
Achter straten, gaen. Over efraat, buUenehmU 
gaen, fr. eortir de la maieon, eortir. || Als een die 
besprongen en gequetst is lange te bedde gelegen 
heeft, en dat hy dan opstaet en gaet ter kereken 
oft achter straten , meenende genesen te zyne. Fraet. 
erim,, 104. 

2) Oetgaan, rondgaan, aalmoeten inzamelen. || 
Item, selen desen Toerseyde Tj bmederkens alle 
weeken , twee Tan den seesen , die men daertoe kiesen 
sal, achter straten gaen, een yegeUjok met eender 
malen, twee werTe de weeke, te wetene tsater- 
daechs en tsgoensdaechs. Oodeh. Bruee., H 945,f08T^., 

15«> E. Achter Vlaenderen rijden. Door 

Vlaanderen heen rijden, Vlaanderen doorloopen, fr, 
pa/reouirvr la Flandre. || Boudin, OTermeerkende 
dat hy niet meer able en was om de wapene te 
Tolghene, of om achter Vlaanderen te rydene en 
en het lant te gouTemerene, noch elke recht, wet 
en Tonnesse te streckene. j. y. dixstüdb, 40. 

AOHTEB, als Toorzetsel Tan tyd. || Achter de 
dood Tan Oheeraerde Tan den Waelle, haren man 
was. C. V Oent, I, 562. (1896). Dat nyemant 
Tortan achter der docke geloydt saTons opter 
straten gaen en sal. O. Liége, 27 juli 1469, a. 8, 
Tongeren. Omtrent acht daghen achter AUer Sinten 
daoh, so was ghemaect een pays in deser maniere. . 
OL. V. DiXMUDB, 58. En om dese redenen Tint 
men Tele goede hoeren, als sy, achter eenen doo- 
den, hoeren Tan eenighen geschille, si stellense 
alle wte tot den zl«n dach leden si, omme dat er nie- 
ment onrechtegelike in possessien commen en sonde. 
(Kantteekening: post obitnm defunoti). boxhorbv, 
a. 43. Kagenoeg eensluidend in de Leenrechten Tan 
1528, 4. Cüoempt die Terweerdere die [getuygen] 
sien zwoeren achter dat enqueste Toldaen is, men 
sal hem goTon den naemen efi toenaemen. t. d. 
TAV. tO. Achter dat iement zyn goet Tercocht 
heeft en de eomanscappe gesloten is, soe en heeft 
de Teroooper geen actie meer totten goede. 186 t^. 
Men houdt in Tele plaetzen Toire costume en ge- 
woente, achter dat een persoen sieok te bedde 



ACH. 



AGH. 



ktsl, dMriniie ïdj biyft tMek liggsnde tot in d«r 
doot, dat die persoen geen gifte, Tefcoapinget.op- 
dmohte, tnmspooit noch elieoacie Tan synen erre 
«D madi doen in prejadieien Tan zijnen erfgena- 
men, dat tui weerden «Ijn aal. Ib, 187. Ab men 
aehter noene dingen wille, so mneghen twee erf- 
aehtige mannen <rf meer thof Terkemien. Leenr. e. 
1628. 39. 

AGHTEB DIXN DAT, tw Nadai, fr. aprèsqw. 
II War dafc die maghe Tan diere Tiouwen niet ne 
dimten elaghen, ao aouden die bnrghmeatera , of 
die en [l die een] Tan hem twen , elaghen Tan den 
Tora. sticken, ter wet, binnen den jare en binnen 
den daghe achter dien dat die sticken ghoTallen 
waien C. e. Brwfne, I, 280 (1278). 

AGHTEB, TACHTEB, TEN ACHTEREN 
8IJN. 1) Je gébrdc€ tijn, ft. êtrê ên tUfaui. \\ Tan 
weleker antpimken deaeWe roeijer seere tachter 
WM, mita di^ hij geen getuigen en Tant, die hem 
te tnögen wiaten dat deaelTe geTangen hem ont- 
broken waa. T. D. TAY 116. 

2) Je vêr^ ij p Hjm, fr. ê(r€ «e fami^. jj Zo wie, 
in erlen wille, wondt doet an acepenen, oft an de- 
gfanene die in aheeren stede syn, die Terbuerdt 
lijn handt Item, maer ao waer, dat acepenen, of 
die in aheeren atede ea, achter ca, ne wordt daer 
oiec ghehoaden ala aoepene of in aheeren stede 
lijnde. C. v. Brwffffe, I, 826 (1304). 

8) Aekierlyik, tem aderen zijn mei befaien, fr. 
Ure mrikrè dame Ie poffememi d'mne deite \\ Dat wy 
senldich sün de aomme Tnn hondert ponden parisis , 
Tan denwelken wy hem \nl. den graTe Tan Ylaen* 
daten] achter siin de tootb. renten Tan dertien 
jaien. Aead, d:arMol., XIY, 148 (1362). 

4) Qddhehoefie ketben, fr. Ure en leeoim d^urpeni, 
II Ben aehip aeilt Tan Amsterdam, of Tan anderen 
steden, waer dat het ia; een schipper is ten agte- 
ren en Ter ko op t goed op den bodem, yvbwib , «. 4. 

6) TW gned kebbem , fr. avoir de hom. || En xoe wea 
by derre aiHrmeren by eede (Tuyt crachte desselfs 
seepenenbrtef, tachter te syne, dat moet de pro- 
prietaris of^ gebmyckere Tan den pande betalen 
«nde namptiaeren. C, v, Aniw.^ 1646, YI, 16. 
8oo waaneer ijmant eenich geit aen den schipper 
ten achteren is, en dat hij daertoe ander ghelt 
leght, en Tan den schipper obligatie nempt, die 
Terlieat sijne preferentie Tan alles. Ib. oomp , IV, 
Til) • 62. Als facteurs oft makelaers aen henne be- 
T^geTera, meesters oft committenten eenige somme 
ten achteren sijn, 't s\j ter saecken Tan Terschoten 
oft belaelde penningen , oft oock Tan hennen dienst, 
en Tsn deselTe henne meesters eenige goeden in 
henne handen oft macht hebben, worden Terstaen 
die met Toordeel oft preferentie, Toor alle andere 
sehnlthebbers oft crediteuren, tot henne Terseker- 
heijt te hebben. IV, x, 20. Soo Termagh den 
rentheffer desselfs huerlinghs goeden, naer Toor 
gaende sommatie, doen executeren, aljpanden en 
beaehriJTen tot de concurrentie Tan *t gene hy ten 
acht eren ia . C e. Brues., 1607, a. 96. 

ACHTEB6LUF. Zie achtsbblijtxv. 

ACHTERBLIJVEN, ow. 1) Niet ver»ehijmem 
voor Met gereeki^ fr. me pa» eimmparaUre en juttiee^ 
faire d^ami. \\ Waert dat de Tassal zjlnen heer 
gfaeeccnaeert hadde Tan eenen Tilainen atuoken, efi 
tprocea gelitiaeonteeteeit waer, en aoo Terre beleedt 
^jnde cUit hi achterwoert keerde en renancieerde 
Tan den pr o ce ea o , oft hyt soude mogen doen ? Secht: 
dal, blöft de Teseal aehter omdat hi s^n Toortatel 
niet geproeren en een , nochtans dat hi daerom rijn 
bsat gedaen heeft, so Teriiest hi syn leen aonder 



diAeolteQt. Leemt, e. Fl., 181. logevaUe degèuiihi- 
meerde ten gedesigneerden daeghe aohterbleTe efi 
niet en compareerde, soo sal hy teghen den naeaten 
daeghe tot sijnen coste worden besohreTcn. C v. 
Lier, Stijl, XI, 13. Bij alsoo de ghedaeghde com- 
pareert , begherende dach om daerop te kennen oft 
ontkennen, wordt hem daertoe simpeiycken dach 
gbeaccordeert : en aoe Terre hij die [ml, sQu obli* 
gatie, merk of handteeken] ten gheaccordeerden 
daghe bekent, olt achterbiyft, wordt gecondem- 
neert. C. v. Casierlee, II, 37. Ende oft hy [nl, de 
roeydrager] teenemael Tersuympde het dagement te 
te doen, oft dat hy tselTc soo spade dede, dat de 
gedaechde niet gehouden en waere te rechte te 
oommen en OTersulcx achterblere , soude , boren de 
schade oft achterdeel Tan partyen, Terbeuren. C 
V. Amtio. eomp., V, iT, 16. Maer soo den to^ 
weerdere is gedaecht, en toot recht nijet encompt, 
soo moet men hem tot drymael toe doen daegen, 
en Toor de twee eerste beteeckende daegen t'elcken 
doemen in de oosten door syn achterbiyTen geresen. 
V, X, 11. En oft iemandt aenghesproken werde 
ter cauae Tan injurien, oft ex deUetOy daertoe 
eenighe amende stonde, en achterblcTe in der ma- 
nieren Toors. \nl, een eerste, een tweede en een 
derde maal], wordt de aenlegghere ter derder regsen 
Tan syne feyten ghewesen ten thoone. (7. e. Dewrmey 
imipr., a 296. Indien iemandt hem presenteerde om 
te hebben eenige naerhede, en dat hy daemaer 
achterblcTe, den heere cal hem mogen beroepen 
ten eersten wetteiycken dage, om sinnen te toogen. 
C. V. CasMel, a 261. 

2) Zich mief aaMedem^ weigeren j fr. me poe ee pré' 
een f er, refit»er. jj Daer een man syn leen Teroooht 
heeft , en hem heraut , hi mach de naeate syn omme 
sinen gront te houdene, al hieseche sijn geheel 
broeder, of kint, der [/. die] naerhede. Want soudi 
hem onterTen bi noode, en hi niemend bade sinen 
nood te kennene, aoe ne soud se hem niement 
mueghen kennen, soe mocht se hem bHTen« Soude 
hy hem onterTen bi hoire, seide syn hoir dat 
uchterbleTe, men mochten niet bedwinghen hem 
tonterTene. Leenr. e. 1628, 10. 

.H) A — der klagen. Onderdoen , xijme taak ver- 
liezen, fr. emeeomtber, || Biyft de deghere der daghen 
achter, so sal hi ghelden. t. s. Kb, e. Dieet A, 88. 

Zie ACHTBBTBLLICH. 

4) Nief van hraekt tyn, geen etamd homden, fr. 
censer de smbsieier, »e poe étre valide. || Waire 
eenen coop geschiet by oonsente Tan den oooper 
en Teroooper, dairaf dat de IcTeringe, tradicie oft 
cessie wetteiyo waire gedaen, en den prys Tan den 
Torodope genoemt, al waert soe dat de Toixs. pen- 
ningen niet betaelt en wairen , nochtana en sal den 
coop dairom niet achterbiyren , hy en sal stadt 
houden, t. d. tav. 187 t*. 

6) Oeen plaate hebben, miei gebeuren, fr. me poe 
avoir lieu. jj So wannere dat were, dat eynich 
Tan den acht persoenen, die alsoe kieaen aoelen 
die twe OTerste raidtalude Toirscr., niet daerby en 
muohten off en wonden siin dien keur off electie 
helpen te doin, dairom en sall die keure niet achter- 
biyTen; die anderen, die aldair weaen aoelen, sy 
en(?) soelen dien keur en electie doen. O. lA^ge, 
10 juni 1417, a. 4, Simi-Truidam, Want de g^e- 
sworen Torster niemande en mach arresteren dan 
in presentie Tan twee schepenen , en dat diokwils , 
midts d'absentie der schepenen , d*arrestement soude 
moghen achterbiyTen. C. o. Overifeeche, Adm, e. 
fuet., 1. 

6JTachterblijven. Onbetaald Utfeem^ ft. ruter 



é 



e 



ACH. 



ACH. 



Al. H B«f, bi dieni dto ^oirüide heeBéehera, npdal 
B^ emieghe bcuU reoouTiervn wilden up tgoed Tan 
di>n Yoineiden weeeen , zij ghehoaden souden weaen 
kuere seult te Terifieme met l^tTeuden orconden, 
die, tachter en onTermolden bloTen zijn ten overli- 
dene vsn den roon. Jan. C. v. Aalst ^ 298 (1460). 

7) Ophouden te hettaan, onthouden worden^ fr 
Cêgser d'exixter^ te dittcudre. || Alsoe de conine, 
deken y geawoerne en gemeine gesellen van sint 
Joris gulde in de stad Tan Bruessel, den borge- 
meesteren en scepenen, riade, geswoemen en hon- 
derste mannen te kennen gegeven hebben, boe dat 
sj), oirer menich jaer, gebadt hebben twoelve erf- 
Bcutters, die jaerliox metten erfscutteren van den 
anderen tween gulden plagen bereet te sine in 
huer liemasch, als de stad iets te doene hadde, 
en die oeo plagen in den ommeganghe te gane, 
gracelic en taemelic, na huer menichte, en dat sy 
na geacapen wseren te moeten arhterbliven, mids 
dat dèselve erfscutteren in deselve > gulde alsnu 
maer sesse en waeren, en dat nieman daerinne 
comen en woude nut en orboerlic sljnde om in 
enigen verbonde te sine. Serwene, blz. 18, 22 
april 1479 

ACHTERBLTJVEN, zn. o. Bei niet vertehijnen 
voor het (fererht^ fr. noncomparution en jnntiee^ dS- 
Jaut. II In alle saeoken . die geenen spoet en heijs- 
sehen :en tot gehoude, tot hantvullinge oft provi- 
aien nijet én staen, sal men den verwerrdere drie 
mael dagen, en denselven tot elcken beteeckend<*n 
dage duemen in de costen door zijn achterbiijff 
geresen; en sal voort niettemin voor deerste achter- 
blijven versteken worden vsn wijckrechte oft decli- 
satorien. C. r. Snnthopen ^ impr , Sftjl, a. 13^. Over- 
jaerde vonnissen sal men ten iersten acltterblijven 
des gedaechde veroleiren executabel. C. 9* Liert 
5tt?l, irr. 10. 

ACHTERDEEL, zn. o. Nadeel, *ehade, fr. dom- 
maqe^ vrSiud^ce. \\ Njemant en mach eenich huijs 
oft edificie afbreken oft niymen in prejiidicinn oft 
aebterdc*ele van den rentmeesteren oft chijnsenaers 
renten daerop heffende. C. v Atffw., 1M5, nn, 78 
Die renten oft commeren verswicht, om yemant 
te beschadigen, oft daerdoere yemant achterdeel 
hebhen of liden soüde moeghen, wordt gecor- 
ligeert als een dieff. ii, 49. Waerdoor de par- 
tijen dickmael worden beschadight en van hen 
goed recht ghehouden, tot hennen groeten achter* 
deele, ongherieve en schade. C. v. Deume^ impr., 
proem Alle schippers en schiplieden sijn schuldich 
goede toesicht te nemen en sorge te dra^gen 
voor tschip en goet; en oft, door henne versuijme- 
nisse, onwetentheijt , gebreck oft toedoen, eenich 
peryckel, schade oft achterdeel daerinne geraeckte 
te commen, tselve souden sij moeten oprechten en 
betaelen. C v. Antw., cf*mp , XV. viij, 14. *t Hoff. ... 
willende voorkomen, dat *toppergesag en de hoog- 
heyt van Sijne Majt., den dienst van dese stad . 
'" mitsgsders de roste van alle de goede ingesetenen 
derselve niet en wrrde gekrenkt, tot achterdeel 
van het ftlgemeljn welvaeren. O. P.-B. A., 11 juni 
1717V 

ACHTERDEELTGH . bn. Nadeelig, fr prAjndi- 
eiable. || Al ist dat eene vrouwe staende den 
honwelijcke haere goeden vu^twint ter vierschaere , 
olt dat aij, naer haers mans doot. haer draegende 
als ereditrioe, sijn sterf huijs verlact, mach even- 
wel alsuleke properheden eii cleederen, in wesen 
■Qnde, bleven behouden, en is tselve haer niet 
aohterdeelich. C. v, Amtw., comp. I. 1. 94. 
^ AOHlBBDBlïCKEN (Achterdimoken), sn. o. 



AA\tmtdie«^t^ vtitdtinltmg, efriaosiiMi, fr. JDMpfmi, 

9%»piveion, préeomption. || floo wanneer de wedawe 
oft erffgenaemen syn en blyven int bezith van de 
goeden, en datter achterdencken is dat sy de goe- 
den bintien de sesse weken souden moghen orame- 
brengen oft versteken C. e. Antm, , oomp , V , iv , 
7. Alsdan soude men int pijnigen den g<«vaDgene 
oock particulier] ijck mogen vraegen op degene daer- 
van men groot vermoeiien en achterdencken sonde 
mogen hebben, dat sij mtsdadioh souden hebben 
geweest. Vil, iij, 29. Soo wanneer men diea 
van iemand eenig achterduncken olt presumptie 
hebben zal, soo sal men van hem dien aengaende 
mogen heesschen eü hem bedwingen tot het doen 
van sijn verklaers van eed. O. P.-B. A., 1 aog* 
1714 a 9. 

ACHTEREN, bw Benadeelen, naded toOrenpeu 
aan^ fr. préfndieier, nuire ou faire tori dk \\ Awei« 
rende dat s\j [nl. de rentmeesters] in allen saken 
tot beuren bewinde behoorende , . , en dat sij geld , 
goed, gifte, mede [l. miede] ,' noch egeenderhanden 
dienst taoch goetdoen nemen en sullen... oft.., 
[om] iemant van \l. in] s\jnen rechte te voirderen 
aft te achteren maptvvz, 8(1447>. Voorts sweira 
ick, op denselven eedt, dat tck geldt, goedt, gifte, 
meyde [miede] noch geenderbande goetdoen ne- 
men sal, bij mijn selven noch bij ijeroanden anders, 
om ijemanden in recht te voirderen oft achteren. 
C. t>. Loven , B*'d der XXI qetworenen (18« E V 

ACHTEROELANDE, sn. m. DUtijnlandaehier 
dat eene anders kefff, fïr. celmi qui oeoupe «» ekamp 
ftiiné derrière celui d'un aufre , celui qmi est enetavé || 
Ten ongst, denghonen willende zijn graen afvoeren 
deur ander lie^^en graen, daarover hij gewoone is 
te rijden naer zijn rechte coutergat, moét den- 
zei ven ten minsten vier en twintich hnereu te vooren 
versoucken eenen wech daerduere te pickene, op 
peijne, daer hij in gebrek bleve. dat den a^hteiw 
f^^anden sal vermoghen, ter minster schaede daer- 
duere te rijdene zonder misdoen. C, v. Aalsf , X, 27. 

ACHTERHALEN, bw (verl. dw. achterhaelt, 
geachterhaelt. achtergehaeld Vatten^ pakJeen, nampen, 
aanhouffen, fr sainr, atfraper, arrUer. \\ Soo wie 
arrestbrake committeert , oft gearresteert goet trans- 
porteert, alieneert ofte absenteert nyt de plaetse 
van den arreitte . . , is schuldich te redintegreren de 
handt van juntitie . en soo lange vangenisse te houden , 
indien hij achterhaelt wort. C. v. Oent, IV, 10. 
Ohestolen goet achterhaelt onder de handt van den 
ontvremder, oft oock van den Heere XT, 26. 

2) Betrappen, onideleken, fr atlraper^ arrifer, 
Omme de voors frauden en abusen te bet te mo- 
ghen pchuwen, en de overtreders van oase voors. 
ordonnancie te mogen kennene en achterhaelene. 
Plae. V VL, 8 mei 1515, a. A, I, 596 Van alle 
weicke eeden noticie en register ghehouden aal 
worden ter eeuwigher memorien, ende, om des te 
lichtelijcker te achterhalen en te becommen deghene 
die valschen eedt ghedaen snlleu hebben , en deselve 
voorts wel en CTemplaerlijcken te straven en pnnye- 
ren Pfac. v. Brah., 9 juli 1.^70, a 6, II. 372. De 
frahsche tekst h^eft: ponr „convainore** plus facile- 
ment. doch verkeerdelijk. 

H) Verransem, fr. surprendre. || Alsoo bevonden 
wordt in communicatoire saecken dat, op de venue 
en cour, promiscue eü sonder eenich onderscbeydl 
wordt gehappeert sppoinctement ad tres dies, of 
kortere termijnen, waerdoor seer dickwils gebeurt 
dat partije wordt achterhaelt en den tydt benomen 
om haer bequameiyekte infonHeren. O. v. Lovm, 
8t^, «.40. 



ACtt. 



ACH. 



4) Ima or dm rmi fir.' rwmmr». \\ Yflft s6oad«k die 
flMB aohtflriiAleiQ mich n* bneTMi op ghegheven. 
C. 9. Brmgg€, 1, 341 (1305). 

^) JBMete/d^mi, fir. oMtuer, W Dftt de vdin. 
mgik meeeter [th«oB; cliflnt] , die een eerbuir man 
it, Ten goeden ley^n, goeder namen en eerbairder 
eoofenaeien, en dainrore gehouden en geacht wort 
onder alle diegeene die hem kennen en daiionder 
hij Terkeeri, en noyt achterhaeit noch geappro- 
ebBerk [i. gereprocheert] en wart van ennigen qua- 
den foyte. T. D. tat. , 180 ▼<*. Op peine, daer sy 
ter eontrarien daden, geaohterhaelt te zijne t^ 
Triaheden, Ploe. e. Vl^ S mei 1615, a. 6, I, 596 

6) Bewijzmty fr. eonaiatêr, prouver, \\ In crimi- 
nele pvoceeaen... wert geproeedeert.. ordinairif^k , 
ab er elagende partie [is], die presenteert te proe- 
▼ene, ab m<in tstuck achterhalen mach ïnet proe- 
fene ordinaire . . Praet. erim, , c. 3. Men sal nie- 
mant leggen ter banck als er partie fartneê es, die 
peeenteert te proevene als dat men tfairt achter- 
halen mach bg preuTe ordinaire, o. 34. 

7) Ocree&ta^ ootriuufen, êehmldig of pUchfig 
MN, fir eimvaiMerê en juUiee, rtoonnaitre rede- 
om eoÊtpable. || Ghehaelt hine niet, id est^ si 

wmmifevia probtUiume «o» eonvicerit. Compo- 
werhum ^achterhalen'* eo settsm frequeniiwt 
J%9 fmd, fi. vei., o. 86. bis. 63 (c) 
En deee [aaaassijnen] mach elck dootslaen, als sij 
daeimff [ml van doodslag] schterhaelt lijn bij den juge 
Fraet, orim,, c. 8i. I>an moet men den mannen 
kealio maken of die poorte open zg en die val- 
bmggbe nedere; en als men dat weet, so wijst 
men [mL den niet Temohgnende <^ dagraardiug] 
aehtertiaelt van sinen eersten dingedaghe en sinen 
dsrden Toortheesch. — Dus blgft dat hof open tote 
moKgfaena, en dan heescht men noch voort, en es 
fai niet oommen, so wijst menne achterliaelt yan 
duadaneghea fajte. Leenr, v 1628, 24. Dat mi 
leeht donct datter dese persoon en deghene dye 
hem reehte yermeten willen ane dit leengoed, achter- 
haalt sgn en yerwonnen. 48. £n die partie die 
badiBghen ware en omme daoh niet ne bade, 
iof die andre partie, die den dach niet gheven ne 
wfld», en daerof achterhaeit ware bij scepenen, 
lal xün in boeten van zesse lib. C. e. JBrUf/qe^ I. 
aOl, 4 noy. 1304, a. 87. Eist dat lij achterhaeit zgn 
«o yerwonnen in de yoorseide [geestelgke] hoven, 
daoof willen sij ooc onfgaen metten priyilege yan 
deaer stede C. e Qent, I, 607, llaug. 1431. Qode- 
vaart yan den Hende beloofde , in handen van den 
sooutteeten van der atede yan Brugge, dat tallen 
tgden ab hQ ontboden wesen sal bi den yoors. 
Boontteeten bi hem te oommene, hg bij hem com- 
sen lal, np achterhaeit te wesene yan tghuend 
dak hem de sooatteete anzegghen zal willen; en 
mids deae belofie was de yoors. Ck>deyaert ont- 
aleghen. C. e. BrUftge, II, 173 <146i») Soe wie 
orimineolz yersetschapt oft faerbeioht, wel 
dat hij orimineulz is, die is te punie- 
yan deneelven criesme dseraff den orimineulx 
belast oft aebtergehaeit is. PraH, eriei^., c. 136. 
Bat men yan na voordan . . van raeuwe en onghe- 
wedde eehulden de betrocken verweerers zal oon- 
daoipnerm [in] de gheheeschte sommen bj} conti- 
noatien [/ by oontumacien], als zijdaeraffso ffisan- 
talie yerwonnen en achterhaeit zgn C. e. Brugge, 
II, 26 aag. 1607, a 11. Dat gheen goudsmeden., 
gbeen werek van oopere oHe latoene vergiilden 
nochte verailyeren en zullen , dan alleenlicken keroke- 
liekejuweelen, geemyden efi ghetuyghen van peerden 
«6 waghena . .^ op de peine van achterhaalt te ejne 



van valaobi^e. 'Plae. e. 'F3., 8 mot 1616,' a.* 1. I, 
696. Sn 000 verre anloz gheschiede [/U,. dnji -een 
yettewarier of ander eenige waar opkocht zonder 
dat deze op de markt geweest ware], en men het 
niet wel en .coste ghethooi^en , sal den meger mette 
schepenen denghenen daer merckelijoke suspitie [o{^ 
valt, mogen doen ezpurgeren onder eedt; en in 
ghevallo van weyghehnghe oft dilaye, aal ghe- 
houden worden voor achterhaalt. C. o. OeeriJHëokej 
QtMen keuren, a. 58. £nde dan heescht men [hem] 
noch voort; en es hi niet commen, so wgst menne 
achterhaeit van duadaneghen layte. Leeer. o. 1528, 
24. Scepenen voornoemt declareren, dat zy niet 
bevonden en hebben, by den voors. procesae, den 
voors Antone Caen soflSaanthelyck achterhaalt nog 
overwonnen zynde ghecoLtravenieert hebbende den 
mandemeute van der K. Ma. ghemaect en uut- 
gheleit op de heresie. Auden, meng. , III , 1 1 ( 1550>. 
Soo wie achterhaeit wordt e«nighe aerde vuter 
straeten ghedolveu ofte weohghuvoert t' hebbene, 
zal boeten zesse poitden parisis eü raparervn de 
schaede. C. v. AaUt, X, 16. Men mach niemant 
om misdaet condemneren ter doot, teusy dat hy 
achterhaeit en verwonnen sy van den sticke, by 
besoeck, blyoken en betoogh tegens hem gehouden, 
en bevondisn by syn eygen verlyden en verkennen, 
oft andersins den rechte genoech synde. C. o. 
Gent, XI, 11. 

8) Versteken f uit sluif en van sgn recht op een 
goed^ it. Jordore, \\ £n naer datter niement com- 
men en es, bode noch sinnebode, dat hg se alle 
achterhaeit heeft diere reclit ane heesschen mueghen, 
eü zijn leen ghesuvert en begheerens wet; naer 
der begheerte van partien seghter recht of, ie 
maens u. Baillu, maendgs mi, so segghio, bider 
trouwen, enz., dat mi recht dunot datter dese per- 
soon en deghene die hem rechts vermeten willen 
ane dit leengoed, achterhaeit zijn en yerwonnen 
up haren xiig nachten en xl.»t«n daghe, en dat hi 
den heesschere ten gronde en ten leene doet in 
possessien. stellen, behouden des heeren recht en 
elcz anders Leenr. v. 1628, f" F, ig, v®. 

ACHTERUAMER, zn o. Lees: achtbkhasx, 
mv. — HAMEir Lederen tuig, dat een paard adUer 
op de billen draagt, ackterlap^ staar friem^ fir. erovh 
pière. || Item, zo waren gecocht jeghnn Gillise de 
Quekere, vg goreele , v achterhamere, v dossieren , v 
bucriemen, van bassen, van panneele ten carine 
en V ribaudekine bonf, van al xx. Ub. g schel. 
Auden, meng.^ lY, 10. 

ACHTKKU EIT ^Tachterheid , Achterhede) zn. v. 
1) Achterstallen, fr. arrérage* || Door welck lange 
vertreoken en verbeijden die proprietarissen van 
hunne er /e hebben moeten scheijden, ugtdien hun 
niet mogelijck en is geweest die groote t achterhegt 
van de verloopen en verschenen lenten oft chgsen 
te vervallen. O, v, Diegt, O. 28 juni 1562, a. 6. 
Als een schuldenaer openbaerigck is ge£silleert óft 
gebroken , sijn alle sgne goeden, actiën en credieten 
terstont verplicht en. vervallen tot belioeve van sgne 
crediteuren, om daerop de betaeliuge van henne 
tachterhegt te verhaelen , soo verre die verschenen 
is. C. o. Antw. , eoffi^ , I V , xvj , 20. Verweckt dat 
deselve gearresteerde goeden sullen worden ghewe- 
sen verreijdit en verhaalt voor sijae t'schterheijdt. 
C. o Deume, impr , a. 53 Midta de voors t'ach- 
terheijt ghewarighende bg eede. Ib. £n worden die 
goeden ten vierden besetsele ghewesen verregckt 
voor des aenlegghers tachterheijdt. Ib. a. 100. 
Ten waere dat de crediteur alhier goeden wia^ 
sgaen debiteur toebehooi^nde, genouohaaem om 



ACH. 



ACH. 



synë tochterheijt dtteneti te TerhAelen. C. o. Aniw.^ 
1682, XXYII, 1. Van weloke procedure d*eTin- 
oent, 80O Yerre hij raerlioken pandt heeft metter 
miirnen, en de debiteur in stadt oft Tryfaeijt woon- 
aohtich is, wordt partje gehouden hem de wete 
te doen en den pandt te bieden, oft hy dien lossen 
en den eyincent zyn ghebreck en taohterheyt be- 
talen wilt. XXIX, 9. .Sonder dat den huerlingh 
oft besitter den pant magh ruymen in prejudicie 
Tan den pioprietaris Tan dien, dan midts beta- 
lende syne t'achterheyt, C. v. JBrust., 1607. a. 95. 

2) Nadeel y êchade, ft.préjmdice^ dommage. || Updat 
hyt niet en doet in prejudioien of in achterhede 
Tan den heere. 30 mrt. 126'>. a. f>0 

ACHTERHOEDE, sn. t. Zooals thans Ndhoede, 
fr. arrière- garde. Kil., Tet. fl. |) Waer men ooc 
Taert in orloghe, so hebben die heren Tan Grim- 
berghen dat ToreTechten en die achterhoede. 24 
juni 1297. 

AOHTEBHOÜWSLIJCK, zn o Nahmwü^k, 
alle hmwelifk volgend op het eerste y fr iout mariage 
ayrèê Ie premier. \\ [De langstleTende Tan gehuis- 
sohen] mach dese erTe alle Tercoopen en becom- 
meren, en al zyn armoede en synen noodt mede 
stoppen, indien dat daer egheen achter hou wel yck 
ghedaen en waere, 't sy Tan man oft Tan wyTe. 
C. o. 's Bosch, Priv. o, 13A6, a. 14. 

ACHTSRKEERBN, zn. o. Sonder achter- 

keeren. Op staanden voety ft. sans dêsempairer, 
II En dan soe selen die anderen metten goeden lie- 
den tegader gaen oTer een zyde, en hem wel bera- 
den te kiesen terstont , sonder achterkeeren , by den- 
selTen eet, die sy der gulden gedaen hebben, haer 
beste daerinne t« doen, als Tan den cosen die men 
hen daeroTer geTen sal. Sermens, Regl- t. 1412, a. 3. 

ACHTSRCLOCKS , zn. t. Avondklok, fr. eloehe 
de retraite. || Betaelt Janne den Pipere, Tan 
sinen dienste Tan lij maenden, dat hi up senter 
Claus torre lach en dachterolooke luidde, en tsmor- 
^ens de dachclooke, Tor de TÏande in de poort 
gheweest hadden, betaelt x s. gr. Dl tlamivce, 
Straten, III, 4 (1380). 

ACHTERCOOPER, zn. m. Ndkooper, fr. ac 
quéreur snbséqnent. || En ingCTalle Tan eTictie, soo 
en staet aen sulcke coopers en achtercoopers maer 
open d'actie Tan garand. C. o. DieMf, VZ., VIII, 18. 

ACHTERLATSNISSE , zn. t. NalaHng, versui 
ming, fr. omission, nigligence. \\ Die achterlate- 
nisse mynre ioghet en mynre onwetendheiten wilt, 
Here, niet ghedenken. Oetijdb. XV« E , 170 t<*. 
(De Terschillige teksten des bybels ze^en : Delicta 
juTentutis meae ; Statenb. : Gedenkt niet der souden 
myner jonghe jt , en de Sacy : Ne tous souTenez point 
des fiftutes de ma jeuuesse). 

ACHTERLIG CK ( Achtelinck) . zn. m Achtste 
gededte eener {gr<Man)maai , ft. hmitième portie d'mne 
mesure {de prain). jj 1 achterlingh rr 4 pinten G«ndts. 
C. V, Brmss., Maten. 

ACHT ERL BEN. Zie Lisi?. 

ACHTERLOOPEN , bw. Loopend achterhalen, 
isthalen^ fr. aiteindre, reioindre. jj Waert dat 
iement in CTelen moede nae eenen anderen liepe 
met eenen blooten zweerde oft messe, en siendedat 
by den TOorTluchtigen niet aohterloopen en consta, 
worpe nae hem dat zweert of mes. t. d. tat., 158. 

ACHTERMEERSCH, zn m. Meersch, beemd, 
die achter eenen anderen gelegen fs , dis besloten is , 
fr. pré sitnS derrière un autre, qui est enclavé, jj 
Op peyne, zoo Terre daerby eenighe schade toe- 
quame, tzj by zjne beesten in de Tooighersjnghen 
•n meenechen, ofte by de beesten Tan den Toor- 



meenoh in den achtermaenoh, Tan de schade op 
te rechten en te betaelen, ten zegghen Tan man- 
nen. C. V, Aud,, XIV, 18. 

ACHTERNAER, bgw. Achterna, later ^ nader- 
hand, daarna, fr. après, plus tard. jj Mids dat 
si [de Trouw] soItc geconsenteert heeft in CaTeure 
Tan den huwelicke en huer selfs kinde, sy en mach 
dat niet retracteren aehtemaer. Leenr. v. VL, 77. 
En nochtans si quam aehtemaer heesohen huer 
bylcTinge op seker leenen. 78. Aehtemaer zoude 
men in 't augweet gaen. CoUaiie, 5iS. Zy [»/. de 
Spaansche soldaten] werden oock aehtemaer zeer 
zoetende en beter kennisse an de lieden makende. 
Ber. tijden, III, 109. 

ACHTERRAET, zn. m. Buitengewone raad, ge 
vormd uit de gezworenen der am^ehtem of naties ^ 
de honderdmannen en de tiendemannen of w^k-^ 
meesters, die slechts in hoogst gewichtige omstan- 
digheden vergaderd en geraadpleegd werd, en te 
Brussel het derde, te Antwerpen het derde ook 
vierde lid van 't stadsbcétuur uitmaakte, fr. arriire- 
conseil. Zie hieroTer, Toor Brussel, Wauters et 
Henne, I 339, Toor Antwerpen, Mertens en Torfs, 
II 42, en byzonderiyk de C. t. Antw. t. 1682. 
ByToegsel. jj Weloke propositie en opinién de tootsz. 
gezworene communiceren den afgegaenen gesworenen, 
genomraeert ouders Tan hun ambacht, wesende 
den achterraedt, daartoe sy niet meer persoonen 
en mogen roepen dan sy geeworene en syn. O. e. 
Bruss., I<i07, a. 37. Alsser aohtterraet genomen en 
geconsenteert wordt, soo Tergadert d'eerste leth 
in beur ordinaris raedtcamer, en sluyten vidaer 
hear opinie. C. v. Antw., 1682, II, Bijvoegsd, 
V, 7. Soo wanneer dat het egeene sonderlinge 
gewichtige saken en zyn, daeromme dat acbterraet 
gegcTen wort, Tergaderen de hooftmannen Tan de 
poorterije met de oude scepenen en wyckmeesters 
op heure camere eü sluijten aldaar heure opinie, 
ais Toren, 10. In alle geTallen, tsy dat de saecken 
groot en seer gewichtioh zyn otte niet, daerinne 
acbterraet by burgemeesteren en scepenen gegcTen 
is, Tergadert altyts het derde leth in der naTol- 
gender manieren, enz. 11. 

ACHTERRECHTSWEER (mT. — swbbtb), zn. 
m. Achternee/, fr.cousin issu de gemunn. \\ Den broe- 
der Tan Taderiycke oft moederUjcke syde alleene 
bestaende, en excludeert niet, nocht en wert ge- 
prefereert Toor andere OTerledene Trienden en mae- 
ghen Tan andere syde in Toorderen graet bestaende, 
*t sy ooms, rechtswerts, achterrechtswerts, ofte 
andere , maer deelen met elckanderen naer qualiteyt 
Tan graede en hoire. C. v. Edingen, XX, 22. 

ACHTER8LACH, zn. m. Het water van boven, 
fr. Veau d* amant, tegenoTergesteld aan voorslaeh, 
het water van beneden, fr. Veau d'aval. || Dewelcke 
[geeworene erflaten der Tholcamer] , ingcTolge Tan 
de acten Tan permissie , met assistentie Tan hunnen 
gesworen waterschatter en molenalager, moeten ga- 
deslaan, examineren en afmeten, oft alsulcke ge- 
permitteerde molens worden gestelt op den precisen 
en gepermitteerden Tal. Soo jae, worden teeckenen 
gestelt aen den Toorslagh, achterslagh en in de 
beke; dewelcke men pegelen noemt, hastinïz, 
239 Eude die wateren alsoo sweliendo, soo haest 
aU die beginnen over te loopen aen de grondtarcke , 
soo moeten sy oock OTerloopen OTer de wusberderen. 
Alsdan is corresponderende den Toorslsgh met den 
achterslagh, den tsI der wateren egael, en de 
waterplaet wel en behoorlyck geleyt 242. De 
linie aonwysende de egaliteyt Tan de molenwercken, 
■00 Tan achter als Tan Toran, wanneer men de 



ACH. 



ACH. 



Ö 



witaroD i> spaimende, om te sian ofte den Toor- 
■L^li metten achtenlach op synen waterpas staet. 
266, WatermoUnM, 16. 

ACHT£R6PBAK£, zn. ▼. Kwaadtprekendheid, 
êckterklap, fr. m^uance. || Ie gheve mi sculdich 
in mine Y ainnen: in achtenprake, in achter- 
taelen. Vaderl Miu., II, 423. Eiliaen: Achter- 
tadêy koU, j. Achterklap. 

ACUTEBiSAISOEN , zn. o. Mei (na-seizoen) late 
eeuoem (tam de vischvam^ftt), fr iarrièresauon {de 
la pêche), tegenovergesteld aan het vroege saizoen, 
loopende van half maart tot Sint Janamis. || Dat 
deghene willende vissolien in *t achtersaisoeu van 
den jaere, te weten van sinte Jansmisse tot sinte 
Lqjcx daéghe, sal sijn ghehouden te hebben de 
Toomomde behooriicke maessclien. PUmc. v. VI. , 27 
jan. 1542, II, 7»4. 

ACUTEBST cHaeterst), bn. Laaitt, fr. demier, \\ 
Dit es die costume van der tolne van der Tliou- 
road-maerct. Van den eersten daglie van der maerct 
toiien dat die achterste toghedach geleden es. 
Lat« domee niHma die* payamenti transterit. Mei 
1252. Yoort , 80 wat poortre iof poortighe met den 
sehoatete en met tween scepenen gheboden wordt 
tainen huus, iof tsier achterster woenste, en niet 
en coomt tsinen gnebode, die wordt auhtervolght. 
K, V. JBrugge, 4 nor. 1304 § 7. Waerd ooc dat 
sake, dat die bezittere versate up te ghevene 
binnen deser tjt die vorseide brieven, en hy in 
dien Steen ghinghe, en hy binder maend naer 
d en daghe dat hy in den öteen gbinghe de vor- 
aeide bescrivinghe en brieven niet up en ghave, 
dat hy voetstaens naer dien achtersten daghe van 
diere maend in de donker camere gaen soude 
C. V. B^rngge, I, 3:^1, omstr. 1305. Boudiu Yserin^ 
Andake s sone, was de sesde en hacterste fores- 
tier van Tlaenderen, J. y. dixmüde, 1. &>onder 
die [goed e] te moghen verauzaden up syn iiii 
achterste jaren. JSazafeth^ 19 (1430) £nde Wouter 
de Yogaed, in de name van Martinekene svorseits 
Maertina Mulaerds achtersten kinde, dat hi h&dde 
bi KatheLne voorseit, of ander side. — bider re- 
dene dat beede vors. kindren enen vader en moeder 
badden. C r. Btw/ge^ I, 431. 

ACHTEKSTE CLOCKE. zn. v. Poortklok, fr. 
doche de retraite \\ Soe wien men vint gaende nae 
dachterste ciocke [«/. sonder licht], hi es om twintich 
BceUioge. Oe*ch, v. Atitw,, II, 638 (1401). Item, 
Gielijs, der stad wachtere, die alle nachte waect 
op eenen torre van Onser- Vrouwen kerke, en 
taavonda luyd dachterste ciocke, en smergliens de 
dacbciocke Belg. Mêu.,1, 249 (1342). A.— weere, 
A. — ^ersoare. Laatète euch o/ conclusie, laatst 
toorgaande vier schaar , fr. demière conclusion, der' 
uier plaid. || En [de advocaét en taelman] brochte 
np in brieve sine achterste weere in andworden 
van der weere die thoyr dede toeghen ter achter- 
ster vierscaren doe verleden. C v. Oent, Vonnis 
14 Juni 1314. A. — VTOme. Minste oogUing y ir. la 
moiudre, la plus petUe récolte. \\ Eest gheen volle 
leen, so sal men gheven no die achterste vrome noch 
die beate van £en [drien.'] vromen. Onder soeetj 
14«B. 

tACHTEBST, bijw. 1) Ten laaUte, eindelijk, 
ft. flmaiemrut . , || Dat die [controverse] tachterst, 
bi oonaente van den partien, bi vrouden mannen 
waa vriendelike gheset en ghestelt in deser manie- 
itn. Oendê ehariö., 33, en Cart. Saint Pierre, n^. 
605, bb. 260 (1230, vermoedelijk eene gelijktijdige 
vertaling). 

2) Laaf et f laaietledeu^ onlangs , fr. der nier ement. 



II Ontfsen, som van achterstellen van der eerfliker 
renten , eü som van renten die viel [ en] sente 
Bamesse achterstleden. Bek. v, Oent, I, 'Ó19{,VÓSS). 
Denstilven Symoene, ij vaten wiins, die mensende 
den coniuc van lugheland, up den tiit dat hi quam 
achterst ute Ingheiand te Ghend. 385. 

ACHTERSTE, zn., m. en vr. Langstlevende, fr. 
suroioant. \\ Eü storve dachterste van hem beeden 
vorseijt op eenghen van den payementendaghen 
vorseyt, of eer, en hy dien daghe en dien nacht 
niet overleefde naestvolglieude , so waren wij quite 
van dien termine en voert van allen desen lyirenten 
vomomt. Oends chartb., 39 U366). 

ACUTEltSTE (Echterste), in. o. (van schoenen). 
Rak, ir. talon. \\ Soe wie calveren-ocht pynken-ocht 
peerdenscoen maken wilt, die zoelen [zyu] twee 
duymbreet lanc, met palanen van selllter zolen, 
ocht twee vale echterste, ocht ghehouwen. Ad. e. 
Diest, B 172. 

ACHTERSTADE, zn. v. Achterstallige schuld, 
achterstand, fr. arrérages. || So io oook mach al- 
daer te heessohen en innen dies men mg van boe- 
ten, soo ter cause van achtérstaede en andersins, 
tot drie ponden parisis , ghehouden es. Mariakerke, 
31 (1571). 

ACHTERSTEDE, hetzelfde als achtebstade. 
II Item, so hebben wi onser voirs. stat eü inge- 
seten gewilkoirt en macht gegheven te hegsschen 
en in te jaghen alle alsulcke ombetailt geit als noch 
achterstede en ombetailt is van alsulcken schattin- 
gen als gesett siin geweest in derselver onser stat 
van Sentruden, sijndt den stride die gesoiede by 
Elch. O Liéye, 10 juni 1417, a. 20. 

ACHTERSTEDICH , bn. Achterstallig, verval- 
len , ir arrtêré, échu, || Van saken aangaande enighe 
huwelijxscher verwarden, testamenten, testatuer- 
schappen, erfpecliten, pachtlacden, achtorstedigen 
oft vervallen pachten . . . , suelen hon die van der 
stadt met allen niet onderwenden. O. Liége, 18 
mrt 1502, a. 1, Tongeren. Item, GK)ertsleeawe 
is Luijcx recht, en het is te wetene, na desen 
recht, een winnn die yemandt sgn landt op- 
seyde voor sinte Andriesmisse, moet die achterste- ^ 
dige pachten betaelen. C. gr. Loon, I, 85, a. 88, 
Vliermael. 

ACHTERSTEGEN, zn. mv. Achterstallen, fr. 
arrérages. || Alle verloepen en vervallen achterste- 
gen. — alle gevallen ende verloopen achterstegen. 
C. qr. Loon, 1, 189 (1610). 

ACHTERSTEEEN, bw. Achterhouden, niet ver- 
toonen, met verklaren of aangeven, verzwi^en; fr. 
teniir en arrière, ne pas exhtber, ne pas déciarer. 
il Dat niemen laken no stucken dat getekent is 
van den wardeerders vouden en mach, noch achter- 
steken, en hebbe tierst vor de gulde getoont ge- 
weest, op 1 boete van T s. p. K. lakeng. Brussel, 
a. 11 (1376). Dat der stat knapen, die der stat 
coren sculdech sijn te wachteren \l. wachtene], 
sweren selen ten heilegbn dat sg alle die coren, 
die sg vernemen, voirtbrenghen selen den cor- 
meesteren eü den pay meesteren , en negenen ach- 
tersteken. Acad. darchéol., 1856, 490 (1382). 

ACHTERST EL, zn. m. Achterstallen, achter- 
stand, veroallene rent, fr. arrérages, interets échus 
d*une fente. \\ Een rentier mach, voer 't gebreck 
van synder renten ende achtersterstelle , leveringhe 
nemen aen synen pandt. C. v. Aniw., 1545, VI, 16. 
De rentier mach oick doen bescriven denghenen 
die de panden bewoont, gehautplicht oft gedefruc- 
tueert beeft, binnen den tyde en jaerscharen dat 
den onbetaeiden achterstel vin des rentiers rente 

2 



{ 



iO 



ACH. 



ACH. 



Tenehenen efi gettUeii is. 40. Bn toeWe doende, 
i0 eA htytt de Toincreyen reathier daemae onge- 
hoaden efi ongelMt Tan nae dien dach eenich Ter- 
loop oft achterttel neer daenff te derven gevene. 
66. Boe wye eenighe rente afquiten wille, die 
moet, boven de capitale penningen ende tch- 
terstel, oick betaelen den constitutiebrieiF. 66. 

AGHT£BST£LLEN , bw AehteraamidUn (iem.), 
tem naar aehtêren stellen , hem in eene bepaalde rij 
aehierwisteUeny z^ne benrt tfoorbijffeutn ^ fr. dépat' 
eer Ie tour de qnelqnun. || Int bedingen van de 
■aken aal men d'oide houden alooo die in den 
boeck geechreven staen, sonder iemandt in die te 
prefereren ofte achter te stellen. C, v. Dieet , 0. 30 
oet. lf)07i a. 6. 

ACHTEBSTSLLIGH, bn. Achter etaUig , fr. a/r- 
riéré. || Seepenen wysen dat d' amptman den ren- 
tier, Toer *t gebreck van aynder aohterstelliger renten, 
ichnldich ia levering te doene. C. e. Antto.^ 1645, 
VI, 16. 

AOHTBBSTWABBYEH, bijw. Be Vries en 
Verdam Aehieretwerf, -werven. De laateie maaly 
de keer voor deeen^ fr. la demOre foie. \\ Dit es 
de rekeninghe Tan Pieter Coenen, bailliii van Ghend 
en van den Ghendschen, aidert men achtertst- 
waerven rekende. Bek, hatj, «. Oent^ 1864, lias 
n' 17t9. 

ACHTEBTALB. Zie achtesspsaks. 

ACHTEBTEBDEN, ow. Afzien van, fr. te dé- 
gieter de. || Maer waert dat hij [nl, de rassal, die 
synen leenheer in rechte beschuldigd hadde], de 
sake geheel zijnde, ofte emmers voor vonnisse, ach- 
tertoxde en appoincteerde , segghende dat hyt ge- 
dien hadde by quaden rade , . . . de heer behoorde 
hem in gracien t'ontfaene Leeur. v. VI. , 131. 

ACHTEBVELLICH, bn. A.— blijven. In eene 
reehiezaak tn ^t ongelijk gesteld uforden^ onderdoen, 
de waak verUeten , fr. euecomber dans «a proces , Ie 

ftrdre, || Bl^ die claghere der claghen achtervel- 
oh, soe eal hi ghelden v. s. Kb, v, Diest, A. r. 8. 

ACHTEBVELT, an. o. Veld, dat achter een 
attder gelegen ts, fr. ehamp siiué derrière un anlre. 
II Niemant en sai Toortaen door achtervelden, 
lioybemden en andere weijvelden eenigh vee mo- 
ghen stouwen, anders dan met gehemelde beesten 
oft gemnylbant. O. v. Santhoven, Keuren én breu- 
hen, a. 97. Zie ook achtïbvssbbch. 

ACHTEBVEBTBECKEN , ow. AchtM^uUtrék' 
hen, temgwijken, ir reculer, se retirer. Efi als zy 
{nl. de eidelen efi som poorters] by der poorte 
qaamen , waren die van Ghent incommen en worden 
acietende seere up de lieden, dewelke worden 
vliende en achtervertreckende. OL. r. sixmn», 2. 

ACHTEBVOLQEN, bw. (verL deelw. achter- 
voieht, geacktervolchi. 1) Naloopen, fr. powrsnivre. 
II Die eenen dief aehtervolget met dieften [Ist. 
geiykt. tekst — of oorspr. ? — qui fnrem insequitur 
pro fmrto\ 30 mrt. 1265, a. 30. 

2) Volgen op, fr. tnivre, || Dit vorseide buunre 
lands ebben wi ghegheven desen vorseiden Blocke 
te erveliken cense, om x sol. tsiaers, te gheldene 
te sente Bamesse; ende waer oeo dat sake, dat de 
ene scnlt dandre achtervolghede , so souden wi 
onse hande slaen an dit vorseide land, alse an 
onse erve \nl indien een termyn te betalen bleef 
qp den vervaldag van den volgenden termijn.] 20 
nov. 1298. 

8) Volgen, nakomen, onderhouden, fr. tuivre, oè- 
eerver (costumen, geboden, verordeningen, eene 
leering, denkwijze, enz.). || Ende verhaelden hem 
van woorde te woorde tselve zegghencip, alaoot in 



de vierschaere gheseyt was ende wel gheaehter- 
volcht. C. V. Brugge, I, 1 mei 127(S. Ghjr moet we- 
ten, dat in materie van leene men achtervolcht de 
coetujme locale, daer costume locale is; ende isser 
gheene, men achtervolcht de costuyme van den 
opperhove daer tleen Tan den heere resorteert. 
Leenr. v. VI. , 14. Ende als Tan den complicen, 
mepleghers , adherenten , hem ontfanghende ende in 
eenigher manieren den voors. Marten Luther favo- 
riserende, oft achtervolghonde zijne voors. doctrine. 
Flae. V. VI., 8 mei 1521 , 1, 99. Waeraff sijn diver- 
sche statuyten ende ordonnancien , andere tijden 
sepubliceert , die welcke zy [nl. de weesmeesters] 
in judicature ende andersaints achtervolghen. C. v. 
Antw., 1582, I, 6. Dat ick dese leste mdonnancie 
ende reformatie, naer mijn best vermogen efi we- 
tendhoijdt, in alle haire poincten ende articulen 
sal onderhouden ende achtervolgen. Ce. Lier^ Styl, 
XVII, 9. Dese tegenwoordige ordonnantie sullende 
voors. advocaten, procureurs ende de vorsters deser 
jurisdictien , elck in 't sijne , schuldich'sijn te swerene, 
t'onderhoudene ende t'achtervolgene. C. e. Santho- 
ven, Stijl, a. 345. Alle officieren, wethouderen ende 
andere in *t quartier van Antwerpen geseten, syn ten 
dienste, versuecke ende ordonnantie van de weth, 
beschrijffbaer ende gehouden de beschrijvinge te 
achtervolgen. C. v. Antw., comp., V, v, 5. 8oo en 
can oock, ter intentie van meergeseyden N. , niet 
wercken de leeringe van Papon, Itb. 10, tit. 4, 
arrest 11, met degonne van eenige fransche schry- 
vers, die hem daerin sauden hebben achtervolcht. 
Amnotations, 160. (Men treft wel eens het deel- 
woord aan met het voorvoegsel ge.) jj Is grootelijck 
van noode . . dat die ordinantie en articulen van 
der Blyder incompete onderhouden en geachter- 
volcht worden. Flae. v. Brab., 19 oct. 1520, I, 81. 

4) Vervolgen, voortzetten, voortvaren met, fr. 
poursuivre, continuer. || Zo wat dachten, dat men 
doet in ghebanre vierscaeren, die moet men ach- 
tervolgen van ghenachte te ghenachte. C. v. Aalst ^ 
502 (1436). Indien bij de decisie van den pro- 
cesse geseyt wort , dat de stoerdere hem t' onrechte 
gheopponeert heeft, zoe sal den amman met eyne 
kerckgheboden voirtsvaren ende die achtervolgen. 
Christyn : prodamationes suas ammamus prosequttur. 
Cast. V. Mechelen, XIII, 22. 

5) — (eenen grond). Zijn recht vervolgen op, fr. 
exercer des poursuites, puursuivre son droit sur, 
procéder sur. jj Ende ghevielt, dat dese laten niet 
en golden hinnen in [/ binnen] xiiij nachten haren 
tseins, so souden sy achtervolcht zyn van haren 
gronde, behouden adelingsrechte , en dan soude 
men desen uchtervolchden grond doen gebieden 
iij Sondagghebode in die kerke. Cart, SainUBierre , 
460 (13e E.). 

6) — (zijn beroep)- Voldoen aan het vonnis, aan 
de uitspraak (aan het gewijsde), fr. saiisfaire au 
prononcé, au Juffé, || Dat die beroepere moet seker 
doen te achtervolghene syn beroep, iof voetstaens 
ffaen in den Steen, toter wile dat hy daerof seker 
heeft ghedaen. C, v. Brugge, I, E. 4 nov. 1304. 
B $ 1. 

7) Achtervolcht worden van sljn be- 
roep. Van zijn beroep in het ongdijk gesteld 
worden, onderdoen, fr. succomber dans son appel, 
per dr e en appel. \\ Wordt die beroepere achtervol- 
ghet van sinen beroepe, hi sal verbueren ieghen 
den here zestich lib., ende iegen eiken seepenen, 
die beroepen sal sijn , tien pond . . Ende worden 
seepenen achtervolghet van den beroepe, dat sie 
ghepriveert sullen wesen van haren scependoeme, 



ACH. 



ACH. 



« 



flods noBBMnBeer daeniMr in wettoliehaden te 
oouMne no ghelooft te nne. C. v, Bmggê, I, K. 
4 BOT. 1304 B, % 1. 

8) OotrtviffeH^ fr. emieatiiere. || Die m1 sijn ach- 
tsmdghet bi renoeke Tan scepenen, dat lu heyet 
Imas gheaaselliert, hi es in boeten van bc lib. 
C. *• Brwfgt^ I, K, «. 1281, a. 4. Sn 80 wie die 
nl syn achterrolghet yan der rarde te brekene. 
a. 11. Jcjf iemene es achtervdghet bi scepenen, 
dat hi neemt andren tsyn bi cracbte, hi sal keren 
dat hie badde ghenoemen, en es in boeten ran 
lx lib. jegben den grave: en es bie acbterrolghet 
dat bie bevet gbedaen sulken roef met wapene, 
hi beret tlgf Terbuert. a. 15. 8o wie die sine bant 
doet an acepenen in evelen moet, iof bet ne si sinen 
laehame te yerweme, es biere of acfaterrolgbet bi 
den noialen besoeke ran den graye, bie wort in 
^paTen gbenaden. a 18. So wie die sal syn aohter- 
▼dlgbet van yalscber wareit te dragbene. a 26. Jof 
enicb soepene wort acbterrolgbet bi wette die yal- 
schelike [gbesijn?] beeft in sQn herscepdoemt?), hie 
bliyet in agraven ghenaden. a 27. (De geiyktydige 
Transche tekst segt oyeral a/at«r«, en La Cnme 
1^ ook: On dit encore aa Barreau: aifeint et 
comvatMcmf en Littré: Il est atteint et oonvaincn 
d'avoir yolé , il est reconnu coupable de yol ; welke 
beide aynonimieke woorden door Kramers nogtans 
yertaald worden door: aangeklaagd en overtuigd. 
Wel ia waar dat Littrë het w. t^tieint op sichselye 
yerklaart door: préoemu^ aceuséj yezdacbt en be- 
sehaldifid, aangeklaagd). 

ACHTEBV0L6ENDB , vz. VdIgemM, overeen^ 
kowutifl met^ fr Muivant, eonformémemt è, || Als 
der eedt alao gedain sgn sall, sall eenyglick in 
sgn ambacht, achtervolgende synen eedt, eenen 
gabemeerder desseWen ambachts kiesen. O. Liége^ 
11 dec. 1600, Haw99lt || Als die waardeerderen, 
achtervolgende buna eedts, sullen waerderen, en 
aal egbeen persoon denselven moegben belet doen. 
Leeriamomrg iê DteMi, 27 febr. 1M6, a. 19 Al is 't 
dat de vierschare , achtervolgende de princelicke 
ooDceaaie, onderhouden moet syn van veerthien 
dagen ten veerthien dagen ten mmsten , nochtans . . 
C. e. Oemtj I, a. 7. 8oo mach die voers. partije, 
die de gelofte gedaen is, komen voor den meyer 
en twee schepenen, en versnecken 'tvonnisse van 
bedwange, achtervolgende de gelofte die hem gedaen 
is. C 9. 8'chêm^ a 4. 

ACHTEBWAEBSTEBIGK, zn. v. Kraamlewaar' 
BteTy baker, fr jfordê d^OKCOuekh. || Als afj totten 
man phecommen waren om te weten bescheet, soo 
sprark hij: dat zyt vragben zouden de achterwaer- 
iterigghe van deser Oneer Yrauwe B*t. tijden ^ I, 
1^3. Jan van den Driessche ee ghecondempneert 
gheweeat by scepenen der stede van Audenaerde, 
aehtervolghende het edict van den zix januari l.'>81 , 
ala zyn kindt hebbende doen doopen by zyne 
achterwaersterigge , in de somme van 1. lib. par. 
en in de coaten. Actnm den 4 april 1681. Audem 
■a»^ , V. 144. 

ACHTEBWAEBT,(Achterwaerta. achterweerts, 
achterweert, ook wel eeme Afterwaert, byw. van 
plaats. Aekiêrwaarte , fr. en arrUre, 

1) A. — treden. Aektenói ffoan^ fr. aller en ar- 
riire, ee reHrer, || Die scepen wysen voer recht, dat 
die degher aflerwaert sullen treden, efi sullen boer 
swerde wttrecken, en comen weder aen dertwerf, 
n aen den werf]» met gewapender bant, efi sullen 
haer claghe en hoer wapen geroeft doen e& die- 
fhaBo die sy voer eculdicb bonden eenwerf, ander 
««f «B datde weri» alao ala Nobt ia, eik dMf«ii> 



teynden xeobt Ckmrfh. 'eBoeok, f» 61. lft« B. Ditie 
dat leste vonnisst Die scepen wyaen voer reobtt 
dat die clogber hoer dage en boer wapen geroeft 
gedaen hebben, geiyo alst vonnias gewyst beeft, 
en also dat ay wael afterwaert treden moghen, en 
ateken hoer sweert op, en oomen weder aen den 
werf, en spreken voert tot hoeren recht, alao ala 
recht is, en daerenteynden recht. Ib. 

2) A. — gaen. Vereterten in opklimmende Ujm^ 
fr. éehoir anx asoendanit, || Waere eenen kinde leen 
gecocht, al leefde vader ende moeder, ende dbedde 
geheel waere, storve tkint sonder oir, het en aoude 
vader oft moeder versterven, want ten mach niet 
achterweert gaen, want het moet voirweert gaen, 
ter naeater geboiiien diet van reobte souldioh ea 
te bebbene. boxhobbit, a 63. 

8) A.— houden. . Aekierkouden^ fr. reeéUr. \\ 
Dat by alle syne goeden, actiën efi crediten te 
voerschyne gebracht en overgegeven hadde tot be- 
hoeff syner crediteuren, sonder dat by yet daeraff 
hadde versteken, verdonckert, verborghen oft aob- 
terwaerta gehouden. C. e. Aniw,^ 1646, XY, 2. 

4) A.— houden. OiMfer nek honden, fr. ffordêr 
par devers *oi. || Want metter daet bevonden is, dat 
ondertusschen partyen hun bescheet , daarop sy bun 
zyn funderende, aÜeenHjck zyn dienende by oopye 
oft extract alhier, achterwaerta houdende d*on^- 
nele, opdat de rechteren niet ounsidereren oft be- 
mereken en souden de fauten efi gebreken in d'o» 
riginele stucken wezend. O. e. Lier, Siijl, YIII, 18. 

6) A. — keeren. Afzien ww, fr. se dhieter de^ 
renoneer è || Waer dat de vassal aynen beer gbeao- 
cttseert hadde van eenen vilainenstucke, en tprooes 
gelitisf'ontest^rt waer, en, so verre beleedt zynde, 
dat hi achtorwaert keerde en renunoieerde van den 
processe: oft byt soude mogen doen? Leenr. e. 
ri, 131. 

6> A.— Steken. Aokterkondem^ bedriegH^ onder 
ziek houden^ verzwijgen, fr. ne poe dMarer, iawe, 
recSler. || Oft iemandt van den pachteneren, oft 
heure dienaren, eenige keuren ore breuoken ach- 
terwaerta ataken oft ouderhielen, langer dan dry 
dagen lanck , sonder den rentmeester te condigen , die 
soude t elcken verbeuren . . . MABTiirrz, 294 (1&43). 

7) Afsterven. Vm eterven in opklimntendehjn^ 
fr. Sekoir anx aecendanie || Binnen die stadt ende 
vryheyt van Dieet sterffven alle erfTeiycke goeden 
oock achterwaerta, te weten, van bet kindt op vader 
oft moeder. O. v. Dieti, II. 10. Alle erffeiycke 
goeden binnen de cugpe van Dieet gelegen, aterven 
achterwaerta, te weten van den kinde op den vader 
en op de moeder, en niet vorder. YIII, 3. 

8) A.— terden Z^ woord herroepen, fr. eerS- 
traeter \\ Als een grondenaer syn leen vercocht 
beeft efi hem betrouwt [l. beronwet], bi mach 
achterweert terden en renunchieren van den cope 
totter erfvenisse. Leenr. v. VI, , 97. In verooopinge 
volnntarien van leen oft erven, daer geen kerek- 
gebodt gbedaen en is, mach de vercooper achter» 
waert terden en van den coop renuneieren. Fraei. 
eiv., 10« t , o. 16 a. 6. 

9) A.— verholen houden. In hei aMerete 
deel van zijn huis verborgen honden» tr tenW oaekê è 
Varrière de ea matton. || Wie, die houden zonde 
eneghen dichs [nl. scheerdisoh] verholen achterweert, 
dat ware up xx s. en de allame verhuert; maerelo 
scerier [scheerder] es sculdich thoudene sinen dicha 
voorwaarts ter strate, en anders niet, np de ▼oi^ 
seide boete K. lakenq. Y per en, 190. 

ACHTEBWABEN, bw. 1) BewOcmi, fr. mt- 
estflar. || Item, gaven ay yaa «nm ili^ptaii 



12 



ACH. 



ADE. 



ende zij ellen der [den heere] Muglin de Oonine , . 
ende den ganoen , die de Yridachmarct achterward, 
ende . . [daer sy ?] wardecose af badden te wintre. 
Bek. V, Oent (1S8B), 42 Hen tween die tghescutte 
en de bogen van der stad acbterwaren, eiken van 
hen TiTe en twinticb scellinge grote. Bdg. Mum , 
VII, 106, (1359). 

2) Onderhouden^ fr. ohêtrver, || Dit es die wet 
ende die kuere, die die grave, Wijt yan Ylaen- 
dron ende marcbia van Namur, wille dat se ei 
gbehonden ende gheachterwaert. C. v. Brugge ^ K. 
V. 1281, ftrooem. 

8) Tertorgen^ hetiieren, fr. adminUtrery rSqir, \\ 
Dese Toergheseide vj <^ Tla[emB] en dlant dat hier- 
voer gheseit es, zoe heeft ontfaen. alse sterveleec 
man , Boidgn Pascharis , poertre [van] Ghent, seleehs 
Qheests bouf Tan santé Jans, . ..alse een yan den 
prociireres , die deaen zelven eleghen Gheest hebben 
te achterwaern IR juli 1281. 

ACHTEBWATEB, zn. o. MóUnwaier van stroom- 
opwaarts^ fr. eau d'amont d'un moulin. \\ Yandaer 
sijn wij , commissarissen , gecommen . . opten moeien 
aldaer . . gelegen opte riviere oft beke geheeten 
de Yelpe, daer den reschbalck {l. rustbalk] (die 
steynen was) es bevonden te liggen hooge van sijn 
aebterwater twee voeten vier en eenen halven diiijm. 
Bekenk. v. Brah., reg. 110. f o. 2.S6 (1539). 

ACHTEBWESEN (Afterwpsen), zn. o. 1) Schade, 
nadeel, fr dommage^ prijudve. \\ Want en konste 
die aenlegger zijn sake nyet bewairheyden met 
brieve off mit behoirlicken getuge , . soe sal die 
wethouder alsdan denghenen die mitten lijve off 
«yn goede in der maten yoirs. arresteert weere, 
doen ontslaen costeloes en scadeloes ten coste des 
aenleggers, en dairtoe sal hij hem moeten opleg- 
gen zoevele als der wetten duncken sal behoirlijo 
wesen van den verletten ofte afterweson desghunen 
die., gehouden weer. Chartb, o. *s Bosch, R 101. 
Van der JSeninge, 

2) Goedvinden (hier inzonderheid de hoofdsom 
eener rente), fr. crêanoe (ici particulièrement Ie 
capital d'une rente). || Soo als men oock op den 
onderpandt niet meer en sonde winnen als een 
rente van binnen jaers , inghevalle daer een oft meer 
nae-renthiers op stonden , die oock t 'achter weeren , 
en soo verre die van hun achterwesen, te weten 
van de principale rente, niet en souden moghen 
voldaen wespn. C. e. Breda, a. 61. 

ACHTIENE, telw. Achttien, fr. dix-huU. \\ 
Achtieoe sols renten. 19 juni 1289. 

ACHT8TEBE, ranggetal. Achtste, fr. huitième, || 
Fieter Yan der Schelle was ghevanghen, eü was, 
hem achtstere, voer dat beelfroet voer de halle 
onthoeft up de maerct. j. r dixhtjde, 28ri. 

ADAMANT, zn. m. Ned. en fr. diamant. \\ 
Want den Heere sprack, in *t aude testament: . . . 
haer zonde es ghescreven met een ijseren griffie in 
eenen adamsnt. Ber. tijden, I, 99. 

ADDITIEK, zn. mv. Bijvoegsels, fr. addiiions. || 
Men verstaat er door in de practijk nieuwe schrif 
turen, die men overleevert naadat men gedient 
heeit van zyn schrifturen van re- en dupliek. Zij 
dienen tot wederlegginge van het gepozeerde bij 
syn parttje. bosy. 

ADEL (AEL), bn. Wettig geèoren^ echt, fr. légi- 
time f de légifime naissance, tegenovergesteld aan 
„bastaert". ji Hoe men bastaerden soenen sal. Het 
is te weten, waert een bastaert oft natuerljck doot- 
geslagen . ., soo soude der heer die soone trecken . . . 
Item, het ia questie oft een adel persoen doot 
gmlagen worde,, gheen wettige geboorte hebbende. 



C. gr. Loon, I, 69, a. 62. Hoe men adel soenen 
sal. Item , het is questie, oft een adel persoen doot 
geslagen worde, gheen wettighe geboerto hebbende, 
maér achterlaetende eenen wettigen vaeder en moe- 
der, oft wettige broeder, aen wien men dat soenen 
sal.^ a. 6.S. Bastaerden en hebben gheen recht 
van beschudde der goederen die hunne aele vrien- 
den hebben vercocht, en integhendeel en vemade- 
ren de aele niet tghene door du bastaerden is ghe- 
alieneert C o. Maastr., xij. 8. 

ADELBOBST, zn. m. Een jongeling wi den 
adelstand, jonker, fr cadet. Zie De Yries en Te 
Winkel || Die op sijnen roep niet en is, sal ver- 
beuren acht stuijvers voor die guldebroeders , adel- 
borsten en corporaelen, en vier stuijvers voor de 
rotsgesellen O. P-B A., IR juli 1707, Mechelen. 
Mijne heeren wethouderen ordonneren aen dehooft- 
lieden en regeerders van de vijff gilden dnser stadt 
gereet te maeken, ieder gilde, den nomber van 
sestigh wel gewapende mannen , soo van de gilde , 
waeronder begrepen de gevrijde offce jonghmans der- 
selve, en de contribuanten of hangers, als van de 
adelborsten van hunne wijeken, om te compareren 
met schoon opper- ende nedergeweir, en net en 
decent habijt, op de eerste ordre van mijne voors. 
heeren aen hun te geven, op de boete van 25 
gulden tot laste van iederen gildebroeder en adel- 
borst. Peoen, 1.S5 n731). Capiteyn Ixzx guldens, 
lientenant xl g., vendrich xxx g., twee sergeanten, 
elck XX g., vier corporaels, elck xij g, vier lance- 
passaden, xi g., vier adelborsten, elck xiij g., den 
clercq, wesende fourier, x g., chirurgien x g., drie 
trommelslaeghers, elck x g, xvj corseletten met 
spijssen, elck xi g., xij musquettiers. elck xi g., 
drie gougaers, elck viij g., xxxvij soldaten, elck 
viij g , xxij soldaten, elck vij g. Auden. meng., lY, 
73 (1?'78). 

ADKLTNCK. Zie aïldikck. 

ADELINCESCHAP ( Adelincscep), zn. o. Bedoelt 
men hier edeldom of ridderschap, fr. nohlesse, ehe- 
valerie? of leengoed, fr. des flfful || Keure van ade- 
lincscepe te bejagghenne [koopen]. Men verbiet, op 
de mesdaet van x Ib., dat niemen, die zyn ade- 
lincscep coept, ofte poertere jeghcn poertere, eene- 
ghen heere ghelt derof gheve; diet ghove en diet 
name, ware in de voorseide boete. En dat niemen 
van sinen chensgoede, dies hi in erve es, settinghe 
eheve eeneghen heere. op deselve mesdaet; en 
die se name ware, al diereghelike , in deselve mes- 
daet (En ware ofte sy hem derin gheobligeert 
adden wettelike). Q, v. And., 2e d., 64, Kh, v. 
1338. 

ADELTNCKSBECHT. Zie aeldikckshbcht. 

ADELMAN, zn. m. Een man uit den adel- 
stand, jonker, fr. cadet. || Sullen voorts de adel- 
mannen ofte ander van de compaignie, uuytghe- 
sonden omme de ronde te doene, ghehouden syn 
deselve behoorlick te doene in gheheele ronde deser 
stede, up de rampaerden en daer sentinellen ghe- 
stelt worden bbmbby , I, .^.')8 (lfi39).Zie adblbobst. 

ADEM, zn m. In éénenadem. Zooals heden. 
Zonder tusuchenpoozen , fr. tout d^un^ hafeine^ sans 
in/ervalle. || Maer worden die brieven by denselven 
persoon oft verlydere gepusseert op éénen dach, 
voer deselve oft andere scepenen (maer nyet gelycke- 
lyk en unico contextu gelesen en in éénen adem 
verleden), soe souden de leste gepasseerde brieven 
de oudste moeten vuytsteken. C. v. Antw., 1545, 
YI, 14. 

ADEBEK, zn. t., mv. van ,,aer'\ korenaar (oni- 
staen uit verwarring met „ader'', Hoedader), fr. 



ADE. 



ADV. 



13 



ifi, I) Weleke ordinaacie gemaict is ten Toirdeele 
TUI den haiJBftrmen. dat die daiienbinnen mogen 
gaêB opnpen en oerten die aderen Tan den cooren 
opt Telt feMeTen. t. d tay., 147. 

ADIËEREN. Zie aevoasn en ASNGBUPEy. 
Meijer: AHie^ren = an^a^n. 

AD1TTE. Zie AEiraBUPTvaB. 

ADJT78TEBEN, ow Afrekenen, afhetalen, fr 
iSeomvifer^ liqmüier. || Waerop onse resolutie ge- 
draeght: dat UL. sonder eenigen Toorderen uijtstel 
snllen bebhen t'adjnsteren xnet onsen rentmeester 
Boaton, OTer allen hetghene UL. t*sijnen comptoire 
ten achteren staen. 8t,-Areh, Diêsi, Brief v. 30 
mrt Ifift*, Be-fen. 

ADBESSEEBEK, ow. Oetultl^en, tfoed uitval- 
Zm, fr. rSu9Mir. La Gnme: Adrexter. || De wynen 
in Vranckerycke waeren Tan ghelycken wel tame- 
liek gheadresKeert ende goet Tan wyne. piot, 
Cinm. 558. Ons Tolrk hadde gbemyneert onder 
de stadt, waer tj bnsrmnt eiï tTier in staken, 
't weicke wel adresseerde. 659. Alzo zj aireede 
*t Tier gbesteken hadden in een huedeschip , . . die 
ses rmbbaawen namen de Tlacht naer haerlieder 
Tolek, die in de dnnen stonden, om te ziene hoe 
haeriieder exploict adresseren zonde. B69. Pe wynen 
m Vranckerycke waren zeer abnndant . . Be Ryn- 
ache wynen in de Bnitscbe landen waren oock zeer 
wel ffh^adresseert 73!. 

ADULTERTJN. zn. m Die in opernpel qefedd 
ie, fr. adfdtêrin, \\ Bastaerden ghewonnen in OTer* 
spele, die men heet adulterinot Leenr. v. F7., 58 , 
Hoe een adnlterijn snccederen sal . . Hi sterf sonder 
den aone , daer hi in twijfelde , bastaert oft adulte- 
rijn te doen pronnnrierene. 63. 

ADVENANT, zn o. Aandeel, fr. quote part. 
Zie La Game. || Indien twee persoenen oh meer, 
eren naer bestseude den Tercooper, naerhede Ter^ 
sochten Tan Terkochte erfre, sij sullen gelijckelijck 
ODtfangen zijn ter naerhede, oplegghende elck sijn 
adTenant Tan de penningen aen den coop cleTenoe. 
C V. Poper., TUI, a. 10 

ADVENTEN, ow. Ter Jkeilqe tafel naderen, 
fr eontmmniér. \\ Vort zullen z\j ad Tenten Ti Te 
tijden Tan den {are of tij : eerst. T<56r kerssTont, 
daema Tor Paessrhen, den derden Tor tSinxene, 
den Tierden tot Onser Vrauwendach half oughste, 
den Tifsten Tor Alreheijlegendach , en dander u, 
die oec eenegheefieginen bonden , date te Lichtmesse 
efi te 8acramentsdaghe. Auden. meny., II. 88, Be- 
fijnktif ie Pamtle. 

ADVERSARI8, zn. m. Tegenpartij^ fr partie 
odverMe. || Omdat het scient dat hi sinen adTersaris 
boeelike moTeren wille . . , den heere iij stuiTers 
en sinen adTersaris ij stuiTers. 30 mrt. 1265. a. 7. 
De la t tek ut bepfl": ndrerMarivm 

ADTEBT188EMENT, zn o Volgens Eramers: 
de TToegere naam der eerste schrifturen tot alge- 
Dieene inleiding eener rechtszsak; La Cnme zegde 
ook: AdnerHenemeni , la premrhre pièee pour Vin- 
etrweüon des juoee, lïaar onderTindirg , houden wg 
het echter met Boey, die zegt: „AdTertissementen 
sijn teaar»ehtmunnqen ^ onderruftivqen ; men Terstaat 
erdoor die schrifturen, dewell^e men inlecTert nsa 
'tToldingen, TÖ<5r de decisie Tan de zaak, waarin 
ttien de zaak in kwestie naarder adstrueert, en de 
middelen waarop men zig fundeert, en drarblj 
veederlegt het gesnatineerde Tan zijn partije". Zoo, 
of 100 omtrent Terklaart ook de Lat^.rière het woord: 
AieerHseement: Rn l'édit de Ohsrles VTII, de l'an 
14ttl, art 80. ^C'est nn motif de iait on de droit, 
qoe Ia partie brille par écrit sur un incident ou 



debat surrenu en la eause, ou aprèe lee ierUwreë 
principalea, premières et secondes additions: om 
qnand Ie diff^end e*t petit^ Dit laatste slaat goed 
op ons citaat uit de Coet- Tan SanthoTon Op het 
woord: Motif de droit, houdt de Lanrière zich 
aan de beteekenis Tanr laatste geschriften: ^^qne 
les parties baillent par écrit en conclwnon de cauêe, 
pour mouToir et aTcrtir Ie juge de leur bon droit, 
outre ce qu'elles ont ëcrit en la cause par écri- 
tures principales, additions premières et secondes, 
et par contredits ou soutènemens "11-^1^ die saecken , 
die men Terbalijck oft mondelings bedingt, onder 
die ij karolns gulden bcTonden worden nijet ge- 
legen te zijne in feijten, soe sullen die heeren 
defielTe terstont beslichten; oft, ingOTalIe Tsn swa- 
richeijt, den partijen bcTelen hen meijninge in 
beijder zijden te stellen bij adTertissement , en 
daeraff belasten te dienen binnen zekere oorte dagen. 
C. V Santh. , St\il (hs), a. 56 Dat Tan nu Toor- 
taen d' adTOcaeten en procureurs beur selTcn niet 
en sullen mogen appoincteren te schriJTcn bij adTer- 
tissement, op arbitrale correctie. O. Stijl in Brah,, 
13 apr. 1604. a 499. Dat oock die commissa- 
rissen Tsn der rollen *t nelTe oock niet en sullen 
moghen doen dsn in difficile en sware mat<erien, 
eü dewelcke sij op 't bedinghen Tan partijen niet 
gheTueghelijck en sullen moghen beslichten 500. 

ADVETJ (AdToy», zn o. Toeitemminq, fr. oon- 
sentement. La Cnme: Advou^ adveu. \\ Den man 
Termach te Tercoopen en belasten zyn huys in de 
stede staende, alwaert dat hy tzeWe an zyn hnys- 
TTSuwe behuwet hadde, aonder heur consent en 
adTcn. C. v. Aalst, XII, 2. 

ADVIES . zn o Gfheime heraadslaoiwf der reek- 
ters^ fr. avis, dMihfrê. \\ Naer het dienen Tan 
duplique ofte quadrupliqne, zal de sake Tallen in 
'tsdTys. C. V. And., Stijl kasnelrij, a. 27, I, «12. 
Het OTcrleg gedaen zynde, zullen partyen oook 
hebben gelycke dilayen om te dienen Tan contra- 
dictien, en daemaer Tsn solutien, sonder breeder 
BchryTcns, als daermede de sake oock Tallende in 
het sHTys a 28. 

ADVbCAET, zn. m. 1^ Advocaat; de oude Tert 
der Carta lihertatis t. Diest (1228) heeft T0or,i^TO- 
catum" voresprelr^re , fr avorot, oudt. parfi^, 
rftnrparlier Zie De Vries . Middeln Wdb en Nederl. 
Wdb. , en Verdam. || Een adTOcaet heet men een 
patroon der saken boxhoben, a. 8. Item, meester 
Leonsrde, der stat aTocset. Tan sier solarien, xz. 
PC grote. Talent xxTij Ib R^lr. v Antw.v 1324, '53. 
Niemandt en sal in dese atadt moghen exerceren 
d* officie Tan adTOcaet, hij en sij in eeniee nni- 
Tersiteijt ghepromoTeert, en in de rechten licen- 
tiaet ghecre^ert . en Tan goeden name , fame . nut 
en beqnaem , eü poorter deser stadt . en in handen 
Tsn den horehemeester den eedt daertoe staende 
ghedoen hebhe. C v. Antw., 1^82, S/ijL Advocaten, 
a 1. Kiemant en mseh sdTOcaet oft taelman wesen, 
hij en sij poorter deser stadt IK, cfmp., V,iij,l, 
Op de lakenhalle competeert den guldekens ende 
den ses outste adTocaten t'selTe recht ghelyok hierna 
gheseght wordt onder Titel Fan vonnissen in eiviU 
ftaecJcen gheiresên ende r4tn de executien. Behoude- 
lijck, dat in den dach Tsn beraede d'aenleggher ende 
Torweerder alle beijde gcTen thien groeten Bra- 
bants, daerTsn den guldeken oft waerdeijn, die 
maent, competeren de Tier groeten Brabants, ende 
de resterende Tj groeten den TOorschroTen adTO- 
caten. /*., 1^82, V, 13 

2) Verdediffer, fr. tli^/iwfeiir. |t Weicke bullen onse 
Toorseijde heglige Tader de paus, by den weer- 



14 



ADV. 



AEL. 



dighea mtettor HieroDymoB Alexaoder . . . . , oqb 
[nl. den Keizer] heeft doen presenteren, alt den 
waenchtighen oppersten en Bouyeragnen bescher- 
mer en principael behoeder Tan den heijlighen 
ghelooTe : advocaet en autsto sone van onser Moeder 
der heyiigher keroken. Flac. v, VL^ 8 mei 1521, 

I, 90 

ADYOCREREN, ow. PUiiem, fr plaid^, Meger: 
Avocm'011, Toorppreken || Een heijden, een Sara- 
zgn, een herettjc persoen, oft een jode, oh een 
andere ongelorige persoen, en mach niet postuleren 
oft advoceren tecren eenen kersten. ▼. D tay., 321. 

ADVOUEEREN (AdToeeren, adyojeeren), ons. 
en bedr ww. Cherfkeurmt, toei^femmen, fr. approu- 
«sr, c<m»€ntir, \\ En zullen de Toors. twee cleer- 
ken ghehouden zijn alle zaterdsghe toot scepenen 
en raden, die al de weke gheseten hebben, al 
de Toors vonneesen, appointementen en bevelen 
t' overleeene, omme die te sdvoeeme en onder 
te teeckenen. C v. Brugtfê, II, 23 (1454). || Zoe 
wanneer dat partijen alle compareeren, eest dan 
alsoe dat ennige richters., versueken dat renvoy 
▼an der saken, eü dat partijen, alsoe wel die 
geappelleerde als die geïntimeerde , advoneren dair 
te gaen, zoe sal bg d(*n hove dat renvoy gedaen 
woiddexL Y. D. TAV, .S87. Diei^cne, die naederschap 
▼ersoeckt. moet sulrkx commen verclaeren. en 
▼ersoecken voor drij schepenen, en daeraff bezegelde 
brieven al impetreren. ende daernaer, bij ordon- 
nantie van dezelve schepenen den coop [cooper] 
van de goeden, die hij aenboorden wilt, een wete 
doen doen bg eenen stedsbode tegens de naeste 
vierschare, om zoodanige aenboordinge te advoye- 
ven ofte impugneren, ende daerop hooren wgsen 
naer behooren. C. v Middelb, , XT , 2. En tghene 
bij de meeste voosen van de presenten . . in de- 
zelve rekeninge ghecasseert ofte wederleegt, en 
aengaende andere saecken van den lande geordon- 
neert ende geresol veert sal worden, sal deselve, 
■onder eenighe swaricheijt ofte teghenspreken van 
de absenten , . als wel ghedaen geadyoyeert ende 
gepresen moeten zgn. Flac. v. J9ra6., 8 aug. 1618, 

II, 244. 

2) Advoueeren hem te rechte. Zich voor 

hti recht hefrêkkelijk rerklaren^ fr. m dêrhtrêr juttir 
eiahU II Doende Yoorts, tot meerder bewaerenesse 
yan de kinderen, goeden sofflManten zeker, ten 
oontentemente van de opperyooghden en magben, 
en hem aldaer te rechte advoörende. Cv .^fk2., lyiij, 
a. 6. En dat oock de voomomde vooghden poor- 
ters zyn van Audenaerde, renderende binnen der 
yoomomde stede, haere vryhede ofte casselrje. ofte 
ton minsten dat zy hemlieden advodren t' Aude- 
naerde te rechte- 17. 

AECHT, telw. Acht, fr. kuit || Op poene van 
aecht Binschguldens. O ZA^ffê, 1 febr. 1447. a. 1, 
JSree, 

AEF (Aeff. Aye>, bijw. Af (Y^n\ fr. ds. \\ Weert 
oick 'ttake dat yemant wevelgaeren gebreicke, soe 
mach hy ander opelaen ende snydent aeff O. 
LiAfê, 1 jnni 1483 a 22, Ha$Melt Een laken ., 
daer' der ziegel aefgevnllen ware. 28. Getuychli^k 
garen . . « daer sullen sy moegen aeiF doen maeken . . 
laken, die men sal mogen weven, enz. 29. Soe 
sal men hon een Ut se aeffryten- 8;^. Denen 
■olde men een litse aoinryten 34. Dat sy allen 
jaer . aeff ende toe mogen doen poenten die honnen 
ambachten proiytolick weren. 44. 

AEF (Aye\ bn. Aaf»eh, verlverd, gnood, fr. 
fgrveri. \\ Ende doch [doe] dine minne alsoe ster- 
kelk» toeiieiiMn ei wasaen vu, opa, dat ee xnit eenre 



yieriger vlamine ofbame 9X dan loeat onaer zonden 

ende alle menichfoudige gebreken, en mit hoerre 
crachtiger betten verteer en yerswinde al onee graf- 
heit ende ave middele , die tegen ons syn aa oneer 
ewigher salicheyt. Hond, merk.^ 38 y^. 

AECKE, zn. v. Aak^ fr. acqne, aqme. Kil Asdfê, 
niÊecke^ eymba, \\ Schepen genoemt . aeckena.. 
Flae, e. Érab., 26 juni 1608. I 811. Alle schepen, 
aecken ende ponten. Ib , 2 mei 1622. I, 480. 

AECE8E, zn y. Byly fr. kdcke. || Die beafee 
aeckse, met eenen houten hamer, ende eenen yaof 
ren cliefbeytel. C. o. Aniw., 1582. XLI, 106. 

AEL (Aele, hale, aale, ale), zn. m. AcU, soori 
van paling^ fr. sortê d^anguiUê. De Yries, Wdb. d. 
Nederl. t. , leert ons het onderscheid kennen toa- 
schen yfial" en ^tP^liog"* genoegzaam iu oyereen- 
stemming met Marin, y^ Paaling || Men yerbiet, 
op de mesdaet yan xx. schel , dat niemen ghezouta» 
nen ael of palingghe ne vercoepe vome & ward»> 
rers hebben ghesien. Aud, meng., I, 814 (1838). 
Item , dat een yegelyck yrempt man , yan bugten dar 
stadt van Bruessel oft hnerer vrghegt geaeten , hem 
generende met groenen viaschen, met palingen, alen 
en andere te coopene en te yereoopene, yoirtan zlJn , 
drie vrije merctdagen, te wetene des goenadaega, 
vrgdaegs en saterdaegs vrij hebben sal , zgn goet vaa 
groenen visschen, van alen, van palingen en ande- 
ren in der stedt te yereoopene, op alsulcken ouden 
ongelt als men van ouden tyden hieraf gew o enlio 
heeft geweest te geyene, bij also oft dengenen yan 
hen ennich goet van gruenen visschen, yan alen, 
yan Dalingen oft anderen overbleye, op ennigen 
van den yoirs. merctdagen onveroocht, dat h|j die 
niet en sal mogen leggen in der zynen (Zenne?) oft 
op savoeren binnen der stadt oft in der yryheijt 
van Bruessel, op de yerbuerenisae van eenen ouden 
schilde ofte de weerde daeraf ; d'een Oerden deel 
den heere, d'andere der stedt en tderde den groen- 
visschers ambaehte te gevene, sonder yerlaet. K» e. 
Bruttdt 1486, a. 2. Dat nijemant en aal ale onder 
palinck, souten noch levende, d*een onder d'ander 
vercoopen; wie des ennich dade, waera om iij % 
en den yiach yerloeren. 24. Ende voer lüle yiveiw 
visschen, die yersmacht sQu. te wetene snoeken, 
karpers, palingen, ale en alle deijne viasche selen 
de yinders waarderen en setten daer zg aeuldioh 
zijn te stane. 26. Dat nyemandt en sal aale vei^ 
coopen dan oyer de beke, op iij 1^. en de ale yer- 
looren. 28. Dat niemen en vercoepe hale over pik 
line , up XX s par Voorg^toden , 8^1. Behouden dien 
dat s'u moghen in hare kisten oft acepe laten lig- 
ghen snouke, carpen, aele of paeldino, of andere 
grove vissche. 52. Soe wye ale yercoept, aal se ye]^ 
copen beneden steken: soe wie des niet en dade, 
souds gelden xx s , en sal se setten yerseeiden uuyt 
den palingen, en daerop steken enen wympel yan 
is ellen hoge. Kh. v, Diesf ^ B 193. Falino, ale« 
tonale. Tol ie Bumptt, 1508. 

AEL, zn. m Oier, mettgier, fr. pwrin, oau» 
den fmmiérn. Kramers heeft ,,Aalte'' als proy ; Van 
Dale : aal , aalt en ale. Zie De Vries en Te WinkeL 
II Dat hy [de Commissaris] den aelput, indien er 
eenig is, heeft geniijmt, en de aele acht yoeten 
diep gedolven. Indien geenen aelput en is, ne- 
maer eene kuijpe ofte quarteel, put ofte aeppe, al- 
waar de a«»1e loopt uijt den stel. Flao. o. Fi., 16 
jan 1772, XI, 1414. a. 27 4 29. 

AEL. Zie adbl. 

AELDINCK (Aeldino, aeldinger . mv. aeldingheo, 
aldinghen, aldinghers, aeldinghm, adolingen) za. m. 
J^fgmatm, fr. Airtiiar. Kil. Aeldin^, a/Ê&igêr^ hatir 



AÈL. 



AÈL. 



45 



Ütif, 11. Sttêreë, II Gberiele dat.., so willie dtt 
Byn g^MMt , . . dat io broehte in den elooster , . . 
tedeikMrde np mine gherechte ddinghen. 2t mrt. 
1285. Het gbeTelt , dat ap een leen erflijcke of lijfrente 
ilMt, efi den dach es oommen van den payeraente, 
de gropdenaze alervet, soe eist schuit; die schuit 
^ die aeldinghen gemeene srhuldieh, al staet 
■Ueeoe np leengoet beset, ?rant si deelen die Trome 
èie Tan den leene van sijnre dout gheyallen zijn. 
llaer qname dien dach achter zijne doot , soe ware 
dleengoed alleene die rente scholdich, ende dje 
aeldingben d«a onghehoaden. Leenr. v. 1528, B ir r'^. 
.. Int eaea dat, naer hnerlieder orerlyden, de 
koon «n aldinghen Tan hemlieden de Tomoemde 
ieateB behouden willen. bexbbt^IY, 641 (1584). 
San broeder olt een ander aeldinc mach wel 
Heen aenteerden en gheene schuit betalen . . — 
daehtentelien totten orerlydene Tan den Tassael 
■nilen da aeldinghers gemeene betalen. Leenr, y 
e. VI., 67. Als een leen oft rente opt leen hj 
jaamodt anders Teivocht is onbehoorlyck, soo mach 
alek aeldinek den eoop calengteren by naerhede, 
op dat b^ wille . . . £nde alsser geen aeldinck en 
eompt den coop calengieren, de heere mach, op 
dat hem ghelieft, seWe den coop behouden efi 
dacfaf da naeste zijn«..maercompt er aeldinck, die 
ia te prefereren toot den heere-. 100. Dat zy 
aoaden . . doen eommen de aeldinghers Tan den 
Toraeiden Oeetc rache coeplieden, die Termoert wa- 
ren, men zoude hemlieden restitueren haerlieder 
ghelt. J. T. DIXMITDB, 88. Bpreekw. AeldmC(k) 
•p eÊddime{k) en neemt geen naerhede. Praet. cto. , 
X, e zij 

ASLDINCKBBECHT, zn. o. Eeeht van naas- 
Hmg, ft. droii de retrcni. — £n gheTielt, dat dese 
Tonéide laten niet hen [I en] gholden, binnen 
ni xiiij . naebten , haren tseins efi die costen 
diare up ghedaen waren, so souden s\j achter- 
f<Dlcht sijn Tan haren gronde, behouden adeliogs- 
VBchte, efi dan (Mude men desen aohterrolch- 
den grond doen chebieden III sondachghebode 
fai dia kerke, te Kwesene OTer den comir.er den 
aMhighen en den naasten; en hen [en] quame 
niemene, diene loeste, so moeste men wijsen den 
haere te legghene te siere» tafelen, ghelic zynen 
nropr e n guede. Cari. Saint Pverre, 460, 18« E. 
Waert d^ sij [al. de laten] in ghebreke waren Tan 
eaneghen pointen die roerscreTen zijn, so mochte 
de TOfv. Jacop Tan Maelte ghenachten legghen met 
den Toomoempden laten, efi hemlieden haren gront 
danrer afwinnen . . , ende emmer behouden adehngs- 
feebte. Ib. 

ABLOBOKT, zn. m. SHjik, el^kgrond, fr.fftofie, 
fhmi Hmoueuaff || Om orde efi adTys te gcTen hoe 
men, ter meester Teraekerheijt en minsten coste, 
aoude moegen toedijcken d'utjtgeTloten oft Tuijtge 
dvaren aelegronden Tan de stadtTesten oft wallen, 
tuaehen de groote spnije en HoTersehe poerte, 
aisan dieper en zoo toI water als de diepte Tan de 
bo^JtenTesten. Vod. Mme., IT, 809 (1678). 

ASLHUI8, zn. o. Waarschijnlijk wel hei viê 
eekartkmie, im vieekmarkt. tr. marehi au poisson, \\ 
Bat die plaetse , daer ons oude Tleeschuys op stoent , 
onse broetcameren , onse broetbanc, onse broet- 
eerra, onse aelbuys, onse kelre daeronder. onse 
gbeme y n maret binnen Dyest, niet betTuimert en 
soUen \l. solen] worden, onder noch boren, ten 
^henen tjden. Batx , Draperie ^ 7 (1865). 

AETiLSM. Zie A2.n. 

ASLK Zie a£èm. 

ASLHAEJEUHABIHCK, zn. m. Mèmaarho' 



rinff^ fr. du harentf d^ Alkmaar, \\ Keure Tan fée- 
Tissehe. Hen ghebiet, op de mesdaet Tan xx sehei., 
dat niemen aelmaer-hanno no clicharino ne weeke, 
die handren harino weect. Men ghebiet, op deselTe 
mesdaet, dat niemen aelmaer-hannc no cope no 
Tercoepe, eire dan tusschen den cramen Tan enz. 
Kb. V. Auden., 1838. 

AELM£CHTICH. Zie almachtich. 

AELM.ISSK ^Aelmisse , aelmoese, aalmuse, ael- 
•musse, aelmoesse, aelmosse, aelmusche), zn. t. 
AtUmoee, fr. anmóne. Kil. Aelmoetee, aelmiste. || 
So wiseide hie hemlieden te hebbene dartich 
pont Tiaemscher peueghe Tan der Torseider kerken , 
in aiemoesenen. Il noT. 1297. Droegh op en gaf 
die Tort'ghenomde tueentuintegh sceliinghe erfsys 
in aalmuse en omme Gode Gherarde Greyten. Schep, 
Ijand V. Diettf 1805 Welken., erfzijs gaf efi bie- 
w ijsde efi maecte in aelmussenen. Schep. o. Dieei^ 
1811. In aelmuschen. ld , 1818. Gaf den gaathuse 
Toers , in pueren aelmissen, ais Toer s\}n ziele.. 
Brab, Mue.y I, 1*21 (1889j. Dat gheyn man Tan 
onser stat Tan Senttruden sterome noch geTolge 
geTen en sal, yn den arabachte dair hy fa werct, 
Tan eghejnen saken, die Tan quader famen were, 
off der aelmessen leefde. O. Liége^ 10 juni 1417. 
a. 3. Sint Truiden. Hieraf gheresenreert den reli- 
gieusen mendicanten, de gheTanghen efi Lazaruasen 
en melaetschen, dewelcke om aelmessen zullen mo- 
ghen bidden zo z\j ghewoonlick zijn. Ptae. v VI,, 
7 oct. 1581. I, 1»1. Indien sij [«/. de goTangenen] 
nyet mechtich genoch en sijn hearen cost te betae- 
lene , . . alsdan moet de officier die porteren en 
ingesetenen setten boTen der eerden op den ge- 
meyuen ^teen, ter aelmoesen. C. v, Aniw.f 1545, 
I, 18. (Deze gcTangenen lieten namelijk uit het 
Tenster of lichtgat Tan het Steen een korQe of 
eenig ander Toorwerp uit, om Tan de Toorb\jgan- 
gers eene aalmoes te bekomen.) Voor eene ael- 
moesse, — Toor eene almoesse, — eene aelmosse. 
BSMBBY, III, 408, 404, 40d, 17« E. 

AELMOESSEMEB, zn. m. 1; Oppertoetiênet 
der armen en loeexen ie Antwerpen , fr. nrria/ra- 
dant dee paunr^g et orpheltns è Anvara, ammónier. 
II D'aelmoesseniers Termoghen alle chijsen, renten 
efi onruerende goeden Tan de camere , Tan den hey- 
ligheu Geest- oft Godtshuysen, gasthuijsen, arme 
Tergaderingen efi diergel ijcke, die onder hen resor- 
teren , die hen duncken nutter Tercocht te sijn dan 
gehouden, nae huere discretie te Tercoopen, t'alie- 
neren efi te Teranderen. C. v. Antw,, 1582, xliij, 
96. (Het aalmoezenierschap werd te Antwerpen 
ingesteld in het jaar 1458. Keizer Karel schonk 
hun het bezittingsrecht in 't jaar 1525. De aalmoe- 
toniers bestonden uit Tier leden, jaarlijks herkies- 
baar Toor de helft; zy genoten Teel priTilegiên; en 
badden hunne kapel en hunne kamer in de hoofd- 
kerk. Oeuch. e. Antw,, II, 420. 

2) Deethebbende in armgiften ^ fr. qm partidpe è 
des aumónes^ ofr par^nnier. \\ By den gescreTen 
rechten en is nergens Tcrboden dat niement en sal 
wesen aelmoesenier efi partchonier, dats deel efi 
ghiften Tan aelmoesen hebbende in ennich diuc oft 
goet, hoewel dat, te Tele plaetzen, men dairaf 
hoadt costume contrarie, t. d. tat. , 112. 

AELPUT, zn. m. Oierput, — knil, fr. romsrie, 
rhervoir aux eatue des fumiere 2tW aXL. 

AELSCHIP, zn m. Aalkaar, fr anguüliire, 
II Tortane, wie dat hout botte in aelsCfepe, Tan 
me^e tot sente Bamesse, Terboert xx s. Kb, e. 
Antw,, a. 88. 

ABLSKÜBB, tn. m. (AaOcorf), aaOtaar^ f^. 



16 



AEL. 



AEN. 



oMffmlliire, || I/setende niettemin toe in de yoorseyde 
riviere van de iScheide, oft andere waeteren, daer- 
mede olt metter zee ghemeene» te viBSchen met 
eene keurde olt nette, dienende om lancz den 
lande cleijnen gheemaert te vanghen en de aels- 
kurven te spijsen ; dies sal men het gru , suick 
als daerin ghevangen wordt, moeten werpen uit 
water, sonder taelve te behouden olte moghen Ter- 
ooopen, ofte de voors. aelskurven daermede te 
Bpijzen. Plac, v. Vl,, öl juli 1027, a. b II, ÓÜ'i, 

AKLSTOCK (Haelstock), zn m. (i) || Areke van 
CoppenolLe, van o. haelstockun, v voeten lanc, 
xvj Bch. par. Auden. mejuf, III, 318 vlö26> Bohw 
van het ètctdkuiH. Arent de' Oock, van aelatocken 
vj Bch. 336 (1528). Anthuenis Voet, om wegghen 
en haeUtocken, zxiiij. sch. 370 U529>. "Wautre 
Scockfeve , van ixv haelstocken , xviij den. par. 396 
(153U). Item, betaelt Anthueuia Voet, van ael- 
Btocken den metsers ghelevert, xxiiij. sch., 415 
(1531). 

AELWABICHËIT, zn. v. Dartelheid, ir. piti^ 
lanoe. Zie De Vries, iiiddeln. Wdb. , en Verdam: 
Aelwexich, De Vries en Te Winkel: Aaluxiord^g' 
hetd. II Maer vele gh^nghen ooc denzelven omme- 
ghanck uut aelwaericneijt, ghaende som contrarie 
den stroom , om alle die schoon aenzichten van die 
jonghe dochters eiide meiskens te ziene, die haer 
gheeme aldaer vertoochden ende ghijnghen ver- 
meden, meer om ghezien te zyne, dan uut devotie. 
JBer, Ujden, I, 62. 

AEJN (Ane, an;. Inde oorspr. bezegelde oork. der 
13e eeuw steeds „ane", nooit „an'* of „aen'\) Voorz. 

1) £ij, vam, ir. de. || Ghevielt dut hie oir iof 
yrucht an die vrouwe ghekrege. 31 dec. 1278. 

2) Bij, op^ Offer y ir. sur. || Die wapenen sijn 
verboert , eü alle die wapenen die hi ane hem heelt. 
JL. V. Waalhem, 1365, a. 45. 

3) Daarbij^ daardoor, fr. par suite de oela || 
W\j [wie] den anderen een let brickt sonder laem 
daeraen te blijven , die sal der partyen beteren met 
aenen wech sint Jacops in Oaiissien. K, v, 8uU' 
Truiden, 1366, a. 7. 

4} Door, met^ fr. par. || Zoohebwi... ighewelcs 
recht van ons besocht en doen besoeken arenstlake 
ane de man en ane de scepenen van den voreghe- 
■eiden dorpe van Puderse. 1\^ juni 1295. iln hierop 
hebben wy doen proeven wittelake die waerheyt an 
onse man en an andere wittige liede geuoech, 
dien wel te gelovene is. JBrab. Y., 17 mrt. 1297. 

5) Met, bij middel van, fr. par^ au moyen de. 
Aen der OlOCken. || Alsoe dat nyemant onss be- 
richten en konde , nocht neri^hens te glieenre plaetse 
N. , nocht syn gherven vynden en konden, nocht 
oec die guede nyemant en hantplichde , soe hebben 
wy, meyer ende scepenen, die claecht alsoe ghe- 
onndicht aen der doeken, alsoe dat behoirt, nae 
hercomen onser banck. Cart. Saint Trond, I, 310, 
16 mei 1454. 

6) O/», fr. sur. || Als hj [nl. de bisschop van 
Doornik] waende ghaen om de ordene te celebre- 
rene, het was ontrent den achten an [de] clocke 
Toer noens, het rees sulc een br^nt up in Onser 
Vrouwen prochie, dat.. J. ▼. Dixhudb, 284. Dat 
BY commen zouden na maeltyt, ten tween an de 
clocke, ter maerct. 329. 

AëN (Aene , ane , Limb. Oen), vz. Zonder, fr. sans^ 
hd. ohne. In deze bet. is het w. eigen aan het 
Limburgsch dialekt, en neemt te Maastricht den 
Torm „oen" aan. || Van metse of swert te treckene 
oen jagen. Dee metse of sweert trect op den an- 
deren oen jaghen , de sal beteren mit ejnen weghe 



tErdenborch. C. v. Maastr., 8iai. 3 Bept. 1380. a. 16. 
De den anderen sloeghe mit eynre gestercder handt, 
oen leet te breken. — Ook reeds vervangen door 
sonder. || De den anderen slueghe mit eynre ge- 
sterkder hant , sonder leet te breken , . . de sal der 
partie beteren mit eynen weghe te Bochimadou. 17. 
Wie der here, oen die meintere en gesworeu, nie- 
niaune vaste glieleide geven en mach. JNa der vri- 
heit der stat van Luitken,, . so en mach der here 
niemanne volcomen vaste gheleide geven oen 
wille, weten en consent der meistere, guBWoreu en 
raet. 125. Alsdan zal men eenen anderen deken 
kiesen en setten in des gepriveerts ambacht , dat 
jaer duerende, aene argelist. O. Lièjfe, 1 juni 
1433, Hasselt. Dat sullen die dekenen verwaeren 
aen argelist. — ende die goede menschen , dies dat 
laken were, kuenen ten lieyligen weren [1. sweren], 
aen argelist, dat dat laken gelyck was. 16. 
Sonder piurtie daerin te hebben, aen argelist. 37. 
li^n deerdel der dekenen, aen argelist. 44. 

A£^ ende AF. Byw. Meen en *üeer, gaan enheê- 
ren f ir. aller et retour. || Begerende dairom dat die 
stat hem, mitten ghenen die mit hem comen sou- 
den, een goet vrij geley geven woude aen en afT 
te comen , om mitten scepenen te spreken . . . Dat 
hy hem mitten g henen die mit hem comen souden 
een goet vrij ge^ey gegeven had aen en aff te comen. 
Chartb. v. 's Bosch, 110 v^ 15e £. 

AEJNfiEDKN, bw. 1) Aenbidden, fr. ad4frêr. || 
Deze minschen, die op desen neghenden veldio 
wonende sijn, dat sijn ghewarige aenbedere, die 
den Vader anebeden in den gheeste en in waer- 
heit. Aller Kerstb,, 59. O goedertieren heere, ont- 
fanc my, ie die on werdich ben voer dyn aenaichte 
aen te beden en te loven dinen heiligen name. 
Oebedb. 15« £. 7. O heere Ihu xpe, io aanbede 
di, 18. Ife aenbede dat overste van dinen hovede, 
dat mit die scarpe prekelinge der doornen croon6 
doorstekeii was Hond. merk., 43. Comet, laet ons 
Hem anebeden [Venite, adorepyis]. Getijdb. 15« £. 
Fs. 94. 

2) Vereeren y fr. vénérer. || 'tSinte Servaes kercke 
aeubeedt men den sluetel, die sente Pieter d 'apostel 
gaf sente Servase. Belg. Mus., III, 409, 15« E, 

A£MBËD£B£, zn..m. Aanbidder, fr. adoraiemr. 

Zie ABKBBDBN. 

A£JMB£(>IN, zn. o Eerste begin, anuvang, fr. 
origine. || Van aenbeghinne ende voer dewerltbin 
ie ghescapen. Oedjdb. 1^« £., 33. £ocl. 24. 

A£^BKLT. Zie aekbilt. 

A£N h£STAEIJ£JN ( Aenbestaden) , bw. Aam^ 
besteden y fr. mettre en adjudieation. \\ Dat den 
boeck, geseth zijnde, denselven publioquelijck , 
naer voorgaende kerckgheboth , sal moeten aenbe- 
staeyt worden, ten minsten coste, om denaelven te 
collecteren Plao. v. Brab., 31 aug. 1664, a. 8. 
IV, 311. 

A£^B£ST£D£N, bw. (kinderen). Bij iemand 
voor den kost o/ in leerlingschap plaatsen ^ ir. plaeer 
(des enfants) en noumture ou en apprentissage. \\ 
Van gelijcken, en hebben sulcke brieven geen plaetse 
tegens . . , noch tegens cost oft leerlinge van kinders 
ijmant anders aenbesteet. Cost. v. Antw., eomp., 
IV , xvij , 13. 

A£IJB1DD£N, bw. Bidden, vertoehen, fr. prier, 
demandtr. \\ £n hebbe voirt aengebeden en bidde 
mynen lieven genedighen here , heeren N. J!^. . . en 
N. 1^. dat sy , om die meere i^meerre] sekerheit alve 
punten voirscreven, hoer segelen met den mynen 
aen dese letteren willen doen hangen. Cart. Saint- 
Trond, II, 96 (1880V 



AEN. 



AEN. 



17 



AXHBUTEN, bw. AvmaOm, aoÊskuim, fr. 
tUtqmtr, \\ Domaer [de soldston] oommende ter 
pleetae, Yondeii de landslieden al bereet, d eene te 
peelde, d'andre te Toet, mét bnsMH en gheweer, 
wune hemlieden te deifenderen; zodat de soldaten 
niet en doraten anbijten. Piot, Ckrtm, 857. 

AKÜBOO&Dfi^. bw. £eMad0ren, naattê», fr. 
fwêtmirm. Zie Ue Vries, Mndl. Wdb., en De Yries 
sn Te Winkel, Wdb. d. KederL taal. || AUe on- 
menijiGke goeden, bij partije yercooht synde, mo- 
gen geeenboort ofte T«.rnadert worden binnen zesse 
weken foor inlanteche penoonen, en binnen een 
JMT Yoor TuijtUntsche persoonen , naer dat die giehte 
«ft leTeringe gedaen is. C. e. Mtddelb. , XI , 1. 

AEABOUKDEB, sn. m. Diê kêt redU wm 
— ilieiy iesAt &• rUrmfant, Ib. , XI, 4. 

ASÜfiOOKDUia, zn.irr. B—adênng, naoêting, 
fr. relrcMl. || Yaa aenbeofdinge en naerderinge. Cott. 
9, Mèddêib. , c. XI. £n soo yerre den cooper in ghe- 
knke bleve deae presentatie van aenboordinghe oft 
aaestinghe te doene, blyft den proprietaris ofte 
debitear op zijn geheel. CotLv. B. Omzoom. XY , 9. 
Yan Oalengiennghe ende naederschap. 

AENBOU&T, sn. m. Bloedverwant, die reekt 
wmm mrm a dmrim g kee/if fr. parmU qui a droU a» 
rt Ê rm a . \\ Wat poortere me syn arre rerooopt, 
tinnen zL dagen nadien dat hy die ghifte ghevet, 
moghent sine aenboerden hebben, om dat seWe 
c^mU, dat die arve Tercocht is. Waren die aen- 
boerden boy ten lande, binnen zl. dagen nadat sg 
int lant oomen, mogen sij die arre lossen, en die 
T agcq p e i e sal sweren syne aenboerden, hoe diere 
dat tLnt is reroocht. Ka die xl dagen, ne hebben 
Ae aenboerden gheen talen aen £e arre. Heret 
dis oopere die penninghe Tergenden, men sal se 
■heoi weüergheven mit alsulcker Tronen \l Tromen] 
ab ee e pene reden dinct. K, v, Muideib. v. 1268, a. 
bêm — Bloeders kint en zusters kint en nare [naer- 
deire], die syn aenboerden. Zie JNoordewier, blz. 
Ml, 262. 

AJBNBOOKT, en. o. BeeJU wm üemadêring , fr. 
érmi dm retrmU. \\ In Yossemeer suilen de heeren 
h e bben aenboirt, totter heeriyckheyt beboeff, aen 
alle hagsen en gronden -Tan erren, Toer allen an- 
donn. ^OOBDSWUB, 262. 

AJUiBOOKTICH , bn. Th^omêtêd door hloêd- 
mrwmmiaemap. ir. qiÊÜ rtmeni dm ehêf dé parnié, || 
I>at degene die partie en deel soude willen hebben 
m de coopstat [^ in den ooopscat, nl, Tan een Ter- 
koefat leen], hem habele gemaect en gefondeert 
kadde ab hojr, naer adTenant dat hem anbortich 
vare, en [hyj in deeelTe penningen BOude willen 
ett mainteneren gereeht zynde. Leear. v, VL, 168. 

AEJNBBKJNaüLN , bedr. en o. ww. ^een leen). Aam- 
JMMB, «srA^^, fr. dédairêr, reisvtr. || De leenen 
fttn Dieet, die yemant syn aengedeylt Toor sche- 
penen dereelTe stadt , olt elders Toor wethauderen 
Taa steden oft doipen, tussehen broeders, susters 
eft anders, moeten aengebvacht en gedeclareert 
[Hs. Chr. : aengebracht en gereleToert] worden Toor 
stadthonder én leenschepenen Tan Diest, om recht 
leiel in de^lTO te orygen, alsoo dit recht door 
aaleke sefaeydingen en deyUngen alleen nyet en 
beeomen worden. C. e. Dtest, YZ., XYilI, 4. 

AülfBKk^NiiEN (Aenbriiigeni, zn.o. 1) Bericht, 

U fr* rmppart, \\ Wt den goeden aanbrengen 

n Tan der abelheit en eiperiencien ons 

Dmwyna fiucquet. Rekenk. «. Brab. , reg. 

ii2^.84 (Ibbt). — Doen te weten, dat om tgoede 

•enbrii^ien ona gedaen Tan den persoen Tan Hen- 

i4Rk fan Dam, wy hebben denselTen gegcTen 



en gegonnen de coneieigerie en bewaeren Tai^ *t 
Broothuys. ib. reg. 18», t^. 1(»4 (Ibb^). 

2) Vertoog, fr. remontranoe, \\ Weerom, aenge- 
sien dat hojrre [hun] Toorscr. aenbrengen moeghe- 
liec en redeiic siin. O. Liége, 10 juni 1417, 2« al. 
SMt- Truiden, 

AENBKENGEH, zn. m. Aangever, aanbrenger, 
ir. déMHoiaiewr, || Den aenbrenger, accusateur ofte 
denunciateur , in proces gekomen synde , en Termach 
niet te appointeren met de wederpartye sonder 
consent Tan den beere. C. o. Oent, XI', 19. — 
Den aenbrenger, denunciateur oft accusateur. Ib. 
a. 20. 

AENBBENGINGE (Tan laten), zn. t. Benoe- 
minff, fr. nomination, déeiffnatum. || De Eerw. hee- 
ren Tan den capittele -Tan 8t. Lambrechtskerke 
binnen Lliyck hebben onder Halen eenen heerlyc- 
ken cbyshoiF, . . met oyck het recht Tan d'aen- 
brenginge Tan laten, waeraff de boren onder de 
heeren syn sorterende. Maas, II, 14. (1669). 

AENDE, zn. JSend, fr. canard. \\ Yan dat Jan 
de Mangbelure ghecalengiert was dat hy soude 
hebben helpen slaen de Tors. aenden. Mek, balj. v. 
Gent, nr 1724, tfi. 1872. 

AENDEELEN (Aendeylen), bw. Toebedeelen, fr. 
aseiffiior en partage. || Wanneer tusscben kinderen 
oft erffgenaemen, die gemeijn lyiftoohtrenten ge- 
deylt zyn, en deselTe bcTailen ten deele andere 
kinderen oft erflghenaemen dan degene tot wiens 
lyTe de rente staet, sulck lijf en heeft daer geen 
recht meer aen, maar Tolght dengenen dien datse 
aengedeylt zyn. C. v. lAer, XY, 56. 

AbN- of AFDEELEM (eene loye). Erkennen 
of ontkennen (eene dagTasrding), fr. reeonnattre <m 
dénier (une signification). || Van gedeylde loye aff- 
offt aen te draegen. Daer een loye gedeylt woerdt, 
en die wederparthye copie Tersoeckt, die oopie 
hebbende, dat alsdan die parthye ofit aenlegger 
Tersoeckt het loye nS-afSt aengedeylt te woerden, 
en dat den Terweerder twee oSt drye genachten 
laet Terstrycken sonder sulcz te doen: is den aen- 
setter alsdan wel gefondeert, so Terre hy het loye 
selÜB doet. C yr. Loon, 1, 164. 

AENDIENEMDE, tz. {Dienende tot), rakende, 
betrefende, fr. eoneemant. || Dits twelcke dat ic^ 
Boeger PlouTier, bewys doe aendienende de naelde 
dewelcke slaen zal up den torre Kembst, 1Y, 662. 
(1466). — Betaelt N. N., zaghers, wonende te 
Werricke, ter causen Tan dat zy hebben gezaecbt 
aandienende den üij . cleenen torrekins, die staen 
staen zullen boTen op tmetselwerc Tan den torre, 
xi^ . lib. xix. SC. par. Ib. 668. 

AENDIENIJNGE, zn. t. Waartehmwinff , aan- 
tegsfing, fr. avertiëeement. \\ Op conditie nochtans, 
dat de Toors. heere en Trouwe , cooperen en .ont- 
fangeren, gehouden sullen wesen de TOors. wateren 
uytte Toors. putten-ontlangers soo aff te leijden 
lancx de Toors. bugsen, en de TOors. buysen, rae- 
men als andensints, op de ierste aendieninge soo 
te onderhouden, dat Tercooperen, nu noch ten 
eeuwigen daegén, daerdoor geene schaede en com- 
men te leyden, tsy door het oTerloopen Tan de 
wateren in den Toors. hennen kelder, oft anders- 
sints, en tot dyen daartoe gehouden sullen wesen 
t*hennen ooste te doen maecken eenen kraeuput. 
Schep. V. Brwfê., 26 apr. 1687. 

AEN DOEM. bw. 1) Bijvoegen, fr. ajouter. || 
Naerdat alle de fey ten Toorgelesen syn , en d ant- 
woorde daerop gegoTen is, mitsgaders de conclusie 
oook Tooigelesen synde, soo worden andermael alle 
deseWe feyten en antwoorden aen den gerangene 

8 



18 



AEN. 



AEN. 



badnjldplgck ▼ o ot ggdn igwi , en, door den lecretani 
genmecht siiiide oh hy daerbg wilt penieteren, 
i|eU afdoen oft aendoen , aoo u den gerangene schul- 
dich aiin antwoofden te teeckene met sïjnen naem 
en toenaem, oft met een maroq , aoo hij niet achrij- 
Ten en can. C. e. Dietf, yz., XIV, 13. 

2) JBekUedém, owet&r., fr. tmêtw (fig.). || Dine priea- 
tere moten worden aenghedaen mit gherechticheit. 
Getgdb. !&• B, 49, pa. 131, 9. Staienb. pa. 132: 
Dat nwe prieatera bekleet worden met gerechticheyt. 
de Bacj: Qoe Yoa prètrea aoimt lerètoB de jnatioe. 
Lat. MMfaa a fer. — i>ie gave der goddienaticheit daer 
wi mede an moghen doen die ontfermicheit Goda. 
Hamd. merk., ItO, 

8) TWoMs^Mi, fr. aiUibëêr. || Want het eenregole 
in recht i», dat men den eenen, om dea anders 
wille, geen boece en qnade oondieie ' toemegen 
noch aendoen en lal. t. d. Tay., 128 t®. 

4) Bereidem, toebereiden, fr. ttppréier. \\ Telken 
male ala men aendoet, aelen aijn ai drie ten aen- 
doen ende ten brejdena [l, bereydene]. K. lakeng. 
JBnwf., 1376, a. 1. — Tan den aendoenevB. Dat 
engheen gerejder niemana laken aendoen en aal, 
en waer ajn selfa; en waer hi iemana andera laken 
amidade, hi waere op 1 boete van 1 mottoen. 
Ib. 11. 

A£MDO£N£B (Aendoenie), zn. m. Lakenberei- 
der, fr. appréteur de drap. || ^endoenrea'* ver- 
meld onder de ambachten Tan Brnaael in eenen 
achepenenbrief d. d. 19 mrt. 1305. — Van den 
aendoenrea. K. lakeng. Brmes,, 1365, a. 1 , en a 
6. — Aendoeniea, yerwera, voldera, woTere ende 
andere arbeyderen. JSekemk. v, Brab, , reg. 136 f*. 208, 
Lakeng. (1503). . 

A£NDKACHT (Aendragt), zn. ▼. 1) Aangaaf, 
mamg^f fr. dMaraiUm. || Yerclaerende den admo- 
diatonr . . , , en dat iemant in ons dorp en gebueren- 
dorpen komende in geene personele oft reéle lasten 
en ia yerobli^eert Toor en aleer datter ontrent 
St. Jan-Baptiatendach een generale aendracht is 
geatelt. Sehep. v. Waemvde, 1701. Dat s\j [nl. de 
achippera] daenran [nl. Tan de bieren hunner oon- 
aomptie] geen Terklaera oft aendracht en moeten 
doen aen de accysenaers oft gecommitteerde Tan 
het bier-oomptoir. St'Areh. v. Dient, Tak 19(1721). 
— Welcke aendngten alsoo geschied zynde . . O. 
P.-B. A., 80 juni 1729, lY, 266 en 267, alwaar 
het w. afwiaaelt met „OTerdragten'*, en met de ww. 
^yorerdragen" en ^Terbrengen". 

2) Bdaêtimg, üseUmldiging jh. charge , aceuêoium. 
II Begghende [iU. de aenlegghere] . . hoe dat h\j be- 
sheert deae getoijgben, omme s^jn waerheijdt te 
léydene, gheMt, en deaelTO by den ghesworene 
clerok Terhoort te worden opt ghene dat hy aen 
hem gedraghet, alleeniyck aldaer deselTo aendrach- 
ten gemeyneiyok Terbaiyck Terhalende; en die 
aelTO aendracht Terbaiyck doende, mach daerinne 
brenghen alle materien oock dienende ... C. v. 
'êBaeck, Car. 1539, a. 3. — Sonderdat eenighe 
Tan de Toorss. partyen gheoorloft sal wesen eenighe 
interrpgatorien ofte aendrachten, omme ghetuyflcen 
daarop Terhoort te woiden, te mogen oTcrgcTen, 
maer sullen alleeniyck mogen OTeigeTen billetten, 
daerinne alleeniyck deaignerende de articulen ofte 
olausulen Tan de articulen daerop sy de ghetuygen 
begeeren ghehoort te hebben. C. e. '« Bogek , Ütijl , 
a. 11. — De costumen Tan MoU spreken Tan „op- 
drachten** en interrogatoriën. 

AENDRAGEN, bw. 1) Aa^geee», fr. démmoer, 
II Soo wanneer een crediteur Treest te Terliesen 
ayne deuohdeiycke schalt, deur de Tlucht ofte 



Tan aynen debiteiir, ofte om eeni^ie an- 
dere merckeiycke reden, mach 'taelTe die Tan der 
wet aendragen. C. e. Fcper., zzüij, 1. 

2) Hem iet aendragen. Hamdd drifnm m, 

fr. trafiquer de. \\ £n deee Torseide ingheseténe lie- 
den, die met deaen lakenenhem gheneren willen, die 
en selen hen engheen Treemde lakene aendragben 
die den lieden Tan baten Dyeat toehoren, op die 
Toen. pene. K. lakemg. te Dieet, reg. 7862 f*. 8 w*. 

3) Óem iet aendragen. Ziek aamtreidcem , tot 
nek aoaea, nek toeageuem, fr. t' ap prc p riery faire 
eiem, revemdiqaer. || Dwelck al te Terstaen ia inge- 
Talle den ooopman oft eigenaar hem 't schip oft goet 
noch sonde willen aendraegen, sonder taelTO te Ter- 
laeten oft daerTan te Tertijden. C. o. AjUw. , eomp. , 
IX, TÜj, 108. — Eenen procureur en mach geene 
aaecke hem in rechte onderwinden, . . . tenag dat 
hy daartoe hebbe behooriijcke procuratie Tan partye 
aelTer die de saecke aengaet, oft Tan den genen 
die Tan bloetswegen hem die . . . sonde willen aen- 
dragen. Ib. y , iij, 21. — Jegens *t branden Tan welcke 
keersse sal den debiteur ende dengene 't ai^e- 
wonnen goedt hem aendraghende, mitagadera de 
crediteurs die men weet, geinthimeerd worden ten 
peraoone , of t'haerlieder domicilie. C. v. Demderm,, 
V, 5. Item, soo wanneer de Toorseijde re6le pto- 
oedure wordt ghedaen tot eenighe goeden abeente 
persoonen toebehoorende , en daeraf egheen gebruyo- 
aeren, oft iemant die hem dea ia aandragende, 
en wende boTonden binnen deser stadt oft byrange. 
C. V. Lier, Stxjl, 11,7.— ^ Alle goedena daenf £n 
proprietaria ombekent is, oft die hem niemant aen 
en draeght, oft daeraf men niet en wete wien dat 
zy toebehooren. C. e. Oketl, XV, 2. — Dat min 
nyet geweten en heeft wyen denselTen pandt waa 
toebehoorende oft hem aendragende. C 9. Moegetr., 
Twrbet, dépoê. Steelkems (1571). 

AENDKAGËN, zn. o. Beriekt, fr. rappoH. \\ 
Dat niemant Tan de Toorseide neerynghe geen on- 
behoorlyck oft Talsch werck en maecke, op peine 
Tan te Tcrbeuren eene boete Tan . . ., die op tandra- 
gen en rapport Tan deseWe deken en sorghers by 
tmsgistraet deser stede sal geweeen worden. Bxx- 
BBY, 1,406 (1686). 

AÈNDKAOER, zn. m. Aanbrenger y fr. d/naneio' 
temr. || De boete Tan t'sestich ponden pariais, een 
derde t^onsen profijte, een derde ten profijte Tan 
den aendrager. O. P.-B. A., lY , 269 (1729). 

AbNDBONCK, zn. m. Berste dronk y fr. pre- 
mier eoupy — traii. \\ Ingebeurde geregteiyke boe- 
ten, genomen panden, plagt men terstond Troiyk 
te Terdrinken, waarby den Toorzittenden regter de 
aandronk, zooals *t heette, toekwam. NooBDSWiia, 
413—^. 

A£N£RY£N, bw. In 't bent stdUn, h. en eair 
simery êoieir, mettre en poeeestion. jj Dat by 
den rechte, dairmede die doode den leTende pos- 
sessie geeft eii aenerft, zoe wye dat gericht naiate, 
bairbiykenste en wettich oyr is Tan iemende, dat 
hem toebehoirt die successie en Tersterffenisse tan 
der seigneurie enz. t. j>. Tat. 355. 

AKNUAKN, bedr. en o. ww. 1) Beginnen y ir. 
commenoer. || tWelke leen en meyrie Toerseyt, 
met tgheunt datter toe behort, hare so Terdonkert 
ware dat soe [zy] niet en wiste waer dats af- ot 
aneghinghe en watter schuldich ware toe te be- 
hoeme. Oenda ehartb.y 84 (1371). — Die Tisscherie 
in die Neete, Tandair die lake aengheet, ala men 
Tan Grobbendonck oomt, die om dat Toixa. eeosel 
ter Nuwermoeleu geheyten gheet. If. D. du Tróne 
(1433). — Eyn jair lanck, op den data Tan deaen 



AEN. 



AEN. 



' 19 



sngunde. O. Uége, 27 jiüi 1469. 
TmqëMm, — Als reelle delmquuiten , om een 
fltoek, te leggen sijn op de banck, zoe begint de 
ioge eerst aen te gane aen den gheenen daeraff 
hem donekt dat bij best de waerhegtaf trecken sal. 
Pfae< erim. , o. 8^. — Dat den eersten proeffdach 
aengaet ils men die interrogatorie exhibeert. Cgr. 
Loom, I, 136. — Om de waerhejt te weten moet 
eb. mach men den gerangene de circumstancien wel 
ai^Taegen int generael; als', indien het een moort 
il, in wat maniere die is gedaen oft aengegaen. 
C. 9. Aniw., eomp.f Vil, iij, 17. 

2) In óUmH treden^ fr. entrer ên foneüom. || Bïi 
■11e dese ambachtlieden soelen aengaen alle jaeren 
Ie Sijnte Denijsmesse. Baym. , Draperie^ 16 (1336). 

3) ToefteAoorm , fr. appartenir. \\ Waert dat de 
seeroorers oft vijanden de geladen coopmanscbap- 
pen» dt wel de cabels, oft ander gewant Tan den 
sehepe in *t geheel oft in deel naemen, deseWe 
ooopmansohappen en toegewanten van den sehepe 
en ooffnmen in geene avarie, om die te brengen 
ten laate vant gene niet genomen en is, maer 
n)n ten laste van degene die deselve aengaen. 
C. e. AMiw„ eomp.j Iv, viij, 98. — Niettemin, 
soo verre den reeder, coopman oft sijnen lasthebber 
selver opt schip waere, alsdan en sonde den schip- 
per vdor oft naer de acht daegen sonder s\jnen 
wille egeene oompositie mogen doen, dan vant 
gene hem selver aengaet. Ib. 105. — Dwelok oock 
plaatae heeft, alwaert dat de polioi'e oft brieff van 
de versekeringe waere inhoudende de clausule : 
,,toebeboorende eenen alsulcken", oft wie die soude 
mogen aengaen oft toebehooren. Tb. lY, xj, 6S. — 
Waert dat iemandt qnaeme in iemandts goet, bij 
daeghe [naehte .^] oft bij ontyden , om eehighe vruch- 
ten te i^ucken oft wech te draeghen, die verbeurt 
eenen onden schilt, d'een helft daeraff den heere, 
en d'ander helft diet goet aengaet. C. v, d, KieU, 

m, 14. 

4) Beekimt toebehooren of toekomen^ fr. appar- 
Ueir dê dnM om eompéier. || Als diverse goeden 
tsamen veroocht worden met éénder coopmanschappe, 
daeraf eenigfae calengierbaer zijn en eenighe niet, 
toe mach nochtans deghene die de calengieringhe 
aengaet de gheheele coopmanschap vemaerderen en 
eslengieren. C. e. Zier, X, 18 — Welcken meyer 
ghewqon is te hebben eenen stadhouder oft lieute- 
Dant, die in s^ne absentie ofte sieckte al doen 
mach dat het dBcie van de meyerye aengaet oft 
competeert. C. v. Loven ,1,2. — De scouthet van 
der stadt en van den bijvange van Lyre ^ is ge- 
woonlijck te hebben eenen stadthouder , . . die in 
abeentie oft sieckte van den scouthet al doen mach 
dat der oiBcien van den scouthetampte aengaet 
oft competeert. C. o. Lier, I, 9. 

ft) KUven om, fr. se rattaeherè, étre attaehSè \\ 
Alle oreonscepen sullen s weren up scepenenhuus in 
vierscaren np jemenen van lx. ponden van der 
eore, ofte daer meer angaet. • C. e. Oent, I, 449 
(1297). 

6) Aetneangen^ heqimnen, fr. oommeneer. || Was 
gbmeolveert te volghen dezelve oude resolutie, 
in conformitejt van dewelcke dezelve* ghecommit- 
teerde ter treeorie ghelast waren desen wintere te 
doene de provisie van de materiaelen daertoe van 
Doode , en ten nutcomen *t zelve werk aen te gaene , 
ssUa ooek de fondamenten te legghen desen aen- 
■taenden wgntere. Tpriana, I, 251 (1618). ~ Als 
lukk rapport tot scepenenwart van diveersohe ving- 
overgebrocht was, zaghen mijn heeren sche- 
wel boe cranok dat sy ghespannen waren , 



en waren zeer perplecx , nauwelic wetende wat sy 
anghaen zouden. Ber, tijden, I, 69. 

7) AantHMorden^ fr. prendre potêeseionde. Kil. Adire, 
agqredi. \\ Eest saecke dat man en wyflf malcan- 
deren willen maeoken beur hujs daer sy inne 
woonen, met dien datter toebehoirt, tot elcx Ujve, 
dat moeghen zy doen als zy gaen, staen en ter 
kercken mogen gaen . . , en wien thuys biyft , die 
en sal tselve nyet mogen onderslaen noch verooo- 
pen; en waert saecke dat byt dede, soo souden 
de er^enamen haer gedeel aengaen efi haeren wille 
daermede doen. C. e. Antw,^ Chddeboeék, a. 10. — 
Al eest zoe dat, om aen te grypen die erfenisse 
en successie iemende gelaten, hetzy by testamente 
oft sonder testament, het genooh is dat men dat 
doe metter hertt«n en gedachten, nochtans soe 
behoven dair andere dingen toe: Eerst, dat die- 
geene die dat aengaen wille zy een vry man, en 
geen serf oft eygen knecht. ▼. D. Tav., 45 v^. 

8) InunUigen^ aannemen, fr. aeeepteTj eomeeniir d. 
II En ghi moet weten, dat de heer, nieu leen 
wtgevende, stellen mach sulke en also vele lasten 
en oondicien op tleen alst hem gelieft, behoudens 
dat de vassael die ontfiaen en aengaen wille . . 
LeeM'. V. VI., 29. 

9) Betrefen, raken, aangaan, fr. «mcs m er, regar- 
der, toneher. \\ Dan es de baeliu.. souldioh . . te 
daghene denghenen . . dien de sake anegaen. 80 
mrt. 1265 (Lat. tekst: tan<reré). 

10) lem., — elkander a— . Bestaan, ver- 

maagschapt zijn (met), fr. Stre parent de, \\ Dat elok 
laet van de casselrje van Ipre magh naerhede van 
lande hebben binnen deselve casselrye, dat verkocht 
sal wesen afsittende van de voornoemde casselrje; 
wel verstaende dat den kooper niet aen en gaet 
den verkooper van sibbe. C. v, Tperen, Saele,c. 82. 

AENOAENDE, tegenw. deelw. Comen ten 
a. — . Ten aangang komen, fr. swrnenw. Ten waert 
nochtans dat de vassalheer bespronghen waer, en 
dat de cleene vassal, zyn leenhouder, ter aven- 
tueren quame ten aengaende, hg soude moeten 
helpen, dies versocht zynde, al waert ooc dat zyn 
leen niet en stonde ten dienste van zynen heer te 
bescbuddene. Leent. e. VI,, 118. 

AENOANCK, zn. m. Aanwd, ft, atiaqne» || 
Oploop is eenen overdadingen aenganc met gram- 
men moede gedaen op eenen anderen. ▼. D. Tat., 60. 

AENOEDEELTE, zn.o. Ded, aandeel, fr. part, 
portion, quote part, || Dat oick . . . den eenen broe- 
der aen den anderen . . syn aengedeylte en kentz- 
portie mach verwerven. C. v, Valkenb,, leenhof, 
a. 15 (1570). — Sooverre eenige medegelderen ineene 
rente ofte chejns, uvt diversche gronden gaende, 
hun begeeren van schaede te verhoeden, mits be- 
taelende hun aengedeelte, moeten voor en eer de 
schaede gebeure, onder weth, daer 't behoort, stel- 
len soo veel als hun aengedeelte daeraf gedraegt. 
C. V. Loven, V. 8. 

AENOEDRACHT, zn. BeséhuUügimj , fr. oeew- 
sation. \\ Om den langhen trejn van den processen 
te schouwen, soo wanneer de zaecke int gesorifte 
is belejdt, dat men van nu voertane die getuygen 
niet meer en zal examineeren op eenighe aenge- 
drachten oft interrogatorien , gelyclc men geploegen 
heeft C. V. Tnrnh,, Stijl, a. 88. Zie ook ASir- 

DBACHT. 

AENOEHUISDE (B5DE gblakdb), zn. mv. De 
eigenaars der helende of aanliggende hnixen en Urn' 
den, de belending, fr. les propriétaires des maisons 
et terres eontiguës o% voisimes, les tenants et abo»-' 
tissanis. || Dat men sulck afgewonnen huys ofte erfve 



20 • 



AEN. 



AEN. 



daeratcran ea mei é» keenberringe ▼«ifcoopan al, 
■peetilenmda óê^ Tan dMn. miJÊ^pdm den iMi 
en oommeren ten Inndtboeeke daeiide en deemjt 
pmaó/b\ ooek wien teelre toebehoott, weer 't ge- 
iteen ofte geleden 07. met den aiigehnjiden en 
gelende, C. e. QetUt IX» 4* 

AENOELANDE, m m^. Aa m Ugg m Êd m , Mem^ 
dendem, h. tfouiuê. KiL jU»^ielamdiek. \\ Men 
onderhoudt ooek in vele dorpen elle yelden te le- 
ghen t*eoen Mede, te weten d*een met winteneei 
en diender met ■omerrmehten, en het derde ter 
hneke» omdet, deor de yofschejden meden, de 
•oghelénde gheene aeheede en looden lyden. C. «. 
Aalst, X, 21, Zie ook hei voorgaande woofd, waar 
.^aan*' wel mede op ,^lande** slaan saL 

AENGEN4EMT, yerL deelw. van h^ niet ge- 
bmikelt|ke Aamtamêm. Omtoamd, h. démommé. )| I>ai 
dia poorter wel Tormaeh sijnen aone te emancipe- 
ren.,, midte hem gerende lilTor en goni; en de 
▼ader hem die alaoo gegeren hebbende, ia en blijft 
denaelven sijnen aengeoaemden aone ghefimanci- 
peert, C o, HerêmtaU, IX, 89. 

AENOENOMELIJCKHEIT, zn. ▼. VaorUefds, 
fr. prédUediom. || Alle dese mirsehen die hebben 
h[are] oeiFeninghe, werke en wise beseten met 
haers selia eyghensoape met aneghenomeleecheit, 
en en laten hen nyeman d[aer] ute wiaen. Aüer 
kêrtih,, 40. Zie ABVOBVOMBirHiiT. 

AENOENOMENHEIT, zn. t. roorie^MomM- 
Md, voorliefde, fr. prAlUêeiiom , préf^enee. |) Oheeft 
Hijt hen [nl. Qod], si latent echter goei sijn, en 
staen in allen dinghen sonder aneghenomenheit; si 
▼erreren hen meer -tot tsoete dan tot tsnere. Aüer 
kerstb., 68. Zie AXvasvoMBLiJCKHBiT. 

AENGRT.jp, zn. m. MUdadigê ondernewtimg , fir. 
oHêntai. tl Die selve portere setten wi weder en 
▼eralinghen tot alsulker eren, staet en Triheiden 
aUi [ais si] Tore den aaogrepe der excessen en 
misdaet Toerscr. te ghebruycken plaghen. O. lAége, 
17 mei 18tf4, I, 862. 5ta^ TVmijmi. 

AENQRUPEN, bedr. en o. ww. {leU) mitdor 
diglijk ondémemtn, fr. atiemUr, \\ Want wi eenen 
clerc hebben, die Jan Ommeloep heet, die ons 

S bedient heeft, en diepeleeo aneghrepen heeft in 
en besneke en der zagasien bi behetene Tan ons; 
waart dattene yemene ocaeneren [ocseneerde]. Tee- 
den , ofte enich onghelgk doen woude , dat wi hem 
des ontheffen selen Enquête Brab. , 1386 , blz. 22. — 
Dat sy \nl. bnrgemeisteren ende raet] Jegen onse 
gerichten, heerlicheden ofte rechte niet aengripen 
en suelen. O. lAêge, 18 noT. 1404, a. 10. Ant- 
Truiden, 

2) Beveokie», ir, combaüre. || Si hebben hare 
natuere vele meer aneghegrepen en strangeleker 
gheoeffent dan die eerste Aller Kerelh,, Zh, — Sie 
selen oeo meer ewichs loens hebben dan die, want 
si hare nataere vele coenliker hebben aengbegro- 
pen. Ib., 88. — Het sQn minschen die hare natuere 
Bterkeliko anegrepen en oeffenden hen dach en 
nacht. 40. 

8) Aanvaarden, in hezU nemen, fr. prendre poe- 
geition de, || Al eest' zoe dat , om aen te grgpen die 
erffenisse ende successie iemende gelaten . . het 
genoch is dat men dat doe metter hertten en ge- 
dachten. V. D. Tav., 45 v». — Dan soude hg mo- 
gen repudieren eü besgden stellen oft Tertyun dat 
testament en aengrgpen die successie ab intestato, 
data als naiste er^naem, sonder testament; en 
waert dat hy der successien by testamente wetende 
verieege en repudieerde , hy en soude daemae niet 
meer ontiangen worden om de successie by test»* 



. en aeaDgrQpaB. Ib. 48i» — -> 
dai hy die goede en ani cuesiu 
of aengogieepen heeft aimpelge 
Ib. 4é T*. Zie ook amwqamm. 

AENORIJPEB, sn. m. Boover, fr. eptiimUmr. 
I) Noeh saldi) weten dat, nae recht, deoe spotia» 
toers en aen grijp e r s Tan anderen hiden goeden niei 
alleen aehnldieh en zijn ciTÜge bedwongen te mat^ 
den toi resütuiien t. d. Tat., 97. 

AENORUPING, zn. t. 1> Veryr^p, taftredb, 
fr. aüemtai, mUemie. \\ Dwalc andere gdïiioke ele|fno 
beerlicheiden hebben [nl. de machi], Tan erTen eft 
ontetren in *t landt Tan Breda, Tan gelijeke oon?- 
dieien wesende, niei doen en mogen, ten is met 
openbaiien aboijae en bnbehoiriyeken aengrljpingan 
Tan der heerlicbeiii en jnsdeien hoera geteelrten 
leenheeien. t. d. Tat., 292. 

2) Aamvaairdimii ^ t» healnemèng^ b.adiiiom, priee 
de poeeeeseion. || Weleke scholden [nL des OTeileda- 
nen] alle gesmolten en Toijtgewist souden wordden 
indijen hij hem simpelljc er^pjenaem bg adieien on 
aengrypinge des steifhnijs hi^de gefnndeert aooder 
inTentarijs te hebben gemaiet. t. d. Tat., 46 t*. 
— Al eest dat *t Toiraer. statuyt niet en oan direo> 
telijc geslaen opte goede gele^n bagten den teiri- 
torie, nochtans die aenTcerdinge en aengrijpinge 
derseWer goeden, soe sg seggen, die Tolgi der 
Toirs. makingen hg eender dnegdelgeker cooe^ 
quencien. Ib., 238. 

AENHALEN. bw. 1) Amirekken, aankikkm, 
verlokken, aankfalen, ft. atiwer, êSdmee, enbo r n er » 
II Wie jongere [nl, minderjarigen] b^roeke toi 
spele , oft aenhiele in stOTon ^ bordeelen, djen 
soude men corrigeren naer gelegentheyt der saeo- 
ken. C. V. Lier, XYIII, 82. 

2) Bmii of prifs maken, fr. eapimrer. \\ 800 waa- 
neer de goeden bg Tyanden sgn aengehaeli , en dat 
die aireede syn gebrocht onder eenighe admindi- 
teyt oft andere justitie , alsdan en mach den schip- 
per daervan geene compositie maecken aooder don 
coopman daeraff de wete te doen en Tan hem an^ 
woorde te hebben. C. e. Amtw., eomp,, TV, tüJ, 110. 

AENHALER (Aenhaelder), sn.m. Br^- ofhm^ 
maker, fr. oap*^emr eapiwremt, || Als by compoaüie 
oft met Tonnisse is geeeght dat den coopman aen 
den aenhaelder, nemer oft inbrenger Tant goei de 
schipTracht soude betaelen, hem tgoei laionde toI- 
gen, geiyck gebeuren soude mogen ab een aoh^, 
onder 'tdecxel Tan Tyantsohappe genomen ia. C o. 
AntiD,^ eomp TV , Tiij, 118. — Maer als den aenhael- 
der oft nemer Tan den schepe den schipper Tan 
syne Tracht heeft betaeli, geiyck somtyts gebenri, 
en is den schipper nyet gerecht om eenigen loon 
Tan den coopman te heysschen. Ib. 114. 

AENHALING, zn. t. -Met prijt o f Mi maken, 
fr. eapiwre. || Maer als de aengehoude goeden min 
worden Teroocht dan de weeïge derselTor en be- 
droech ter plaetse en tyde vnn de laedinge, soe 
moet de mindere weerde by de Tereekeraers goei 
gedaen worden, sonder dat de Tcrsekerde, om 
alsulcke aenhaelinge oft Terooopinge, de goederen 
mach abandonneren ott Terlaeten. C v. AmUo,^ eomip,, 
IV, irj, 144. 

AENHANGEN, bedr. en o. ww. 1) B^, 
ioevoetfen , fr. ajouUr, \\ Want men geen aenhanok 
maeclEen en mach naedat eenige cleyn banok die 
saecke bracht hebben Toor hon hoeft ; maer toiten 
ópsetten mach men Terbeteren ende aanhangen 
TOOT die banok daer die saecke bedingt is, ende 
niet Toorder. O. er. Lom, I, 77. Zie JMfKMMcm» 

%) Aanlejffgen (Penningen), fr. appUqner (das de- 



AEN. 



A-EN. 



2i 




•MTü). 1) Als 66a T«nt6 nS^U^ót wovdt dMV 
itmódt wjfSL tocht6 üum h66ft, so6 mach suloken 
loe hta — 6 t Bifii penningen lenyeerden midts deeelve 
vedcrom sekeriyck aenhangende ter mItot nsfeaeren. 
C. 9. TkimÊem , IX , 10. 

8) JmmkêÊWtm^ fr. gaUadkmr |) Na Di «enhenc 
mine nele. GH^db. 16« B., 24. Ps. 62. Adhmni 
mmma am» |kw< <e. Stotenb. 68: Mijne siele kleeft 
n aeh l e tnen. De Seoy , 62 : Mon Ame eet atlachée 
i vone ■nxTTe. 

▲ENHANGENDE, tegenw. deelw. Bijgaaudë^ 
Ir. i mm i . \\ Hiemp, ende met meer ander anhan- 
greinde redenen, waren de notable gheheeten yei^ 
treek [al. werd ban geboden zicb in bnnne ver- 
tnkknner te bege re n], en ghedelibereertbebbende, 
kaer adrya en reeolncie te ecepenenwaérta oyer te 
willen bi^gben. iX«r. È^dÊm, I, 41. 

AENHAKCK, sn. m. Ainüumgêrê^ fr. partuoHg. 
It Beet dat ^mant . . eontrarie doet . . , dieghene tal 
yan mnre eren . . emmermeer yerderlt werden . . » 
«ade een [tevena] met dine yerdejliaee nfjten 
b ije d e u i yan Lndie, . met hoeren aenbangen .. eoUen 
▼eriagt iffn ende altemael yerdreyen. O. lAéjgt, 18 
1404, a. 10. êKmt-TVmideH. 

AEHBANCK rdee yonnis). Ninnoê tiêèk na «m 
•a êêrtttm aamUg, fr, addiiumf notnéilêt eon- 
è la êmUê tfftm JMt/emmU e» premt^« 
fl Daarna, der yoencr. Liebreeht... gaff 
fe rbêi ei ïn ge noch over, hetwellicb aifgeweeen 
(, ae ngee ien dat die eaeeke in onsen banden 
want men geen aenhanck maeoken en mach 
eenige elejn banek die eaeoke bracht heb- 
ben yeor hem hooft. C. pr, Xoea, I, 77. Hoe dat, 
aaar geweeen yonnie , den . eohepenen , die gewesen 
hebben, geene kenniese toe en steet te nemen over 
den aenlwnfik dea yonnie. . . Yan den aenhanck 
aaar g ea e ee u yonnie en hebben die hoeren eche- 
penen yan Haeeelt nyet aangenomen, dan, hebben 
dia parthjen a fge weee n . 119 (1618). 

AENHAUT. Zie HAirotrT. 

AENBEBBEK, b^r. en a ww. 1) B^ tith 
hMtm^ hij aéh éroif^m, fr. porimr nur tci. || Soe 
wai i^ieeeUen yan der galden ontboden eelen zyn 
te Bke, of ter morghenepraken , met der Galden 
knape, ende deer niet en queme met den eleede, 
op [oij dat hij geen ewert ane en heeft, die sal 
fer bu e r a n 1 pbeke. Sênmts, 24, O. 1426 a. 10. 

2) Koifm^ 9waar eoUaa, fr. coéier, Urê «» sa- 
mifm, It Hetwelck den graye Aemaat hy sijn lief 
\wL aïjne bmid] terstond consenteerde [ai in Italid 
\m blieven], hoewel dat hem yele anhebben soude 
dat fViehoooe, eoete Ylaenderiant" te deeryen. Bt* 
Ug e. Qèmi, 16. 

AENRECHTTNOE, sn. y. OekêehtMeid, fr. a//a- 
eUsMBf. II En beghere dattu mi boden gheveste 
ye r toe ai nghe yan 2re scadelike aenhechtinghe die 
Da in my bekenneete. CM^, 1A« £. 146 y^'. 

AENHEFFEN, bw. Beffiwnem, aanvan^êm, fr. 
mmmêmetr. KiL indperê. \\ Heft ane te scriyenne, 
want dee en was der kerstenheit nie soe noot 
in C jaien dat mense waemde; want si leeft 
eoiehlike in deeer tyt. Daéromme heft ane te scri- 
yenne, da minsche.. Tc ghebiede di, bi der hei- 
l eg her Driyoldiebeit, dattn niet langhor en beids. 
EA heft te hans ane opdesen dach AlUr Kerstb. 65. 

AENHOOREN, ow. ToeUkoorfm, fr. npparftmir. 
II Eb als de heer t*enegen goeden doet daighen, 
soe moet die heere met twee soepene, ten min- 
sten, ntten in de kercke te Laken en yerbeyden 
tettsr tyt dat de doek gelaydt es yan der 
Sn e» qnane dieghene die tgoet anehoorde 



daerenbinnen niet. C Srfkêêren v, Laktm^ a. 8. — 
Na tweemaal het woord ,^toebehoiren*' gebraikt te 
hebben, eindigt onse oorkonde met ,,aenehoiren.*' 
il Uutgesceiden oic allen den cleedren, keensen 
ende andere geyallen yan clerken die sabdiaken 
sijn . . , die ons , deken yoirgenoempt , yan ouder 
coetamen . . alleene selen bliyen ende aenehoiren. 
B^. Jf««., II, 170 (1326). 

AENHOOREN, bw. Ten aenhoorene van 

al der wereld: Zoodat alleman h&t hoort ^ fr. 
d» mcmi^e è ob gno tont U monde Ventende. || Ende 
wordt de daecho(Bdulle daeraff aldaer in de yier- 
scharen drie male openbaerlicken geleeen, ten 
aenhoorene yan al der werelt. C. e. Antw., 1546, 
VI, 18. 

AENHOORLIJCK, bn. Oa^eaMJte/t^ (in rechte) 
fr. reeeoaiUe (en droit). || B. willende de saecke 
inyolghen ten petitoire, wordt bij A gesustineert , 
dat B daerinne niet aenhoorelijck en is Annoitttionê, 
62. — Soodat de hauderigghe in haere soostenae . . 
niet aenhooreiyck en is. 201. 

AËNHOUDBN, bw Ink&nden, bevatten (meten), 
fr. eontenir (meêurer). || Drie sille . . in drie stao- 
ken gelegen, daeraf dat deen stuok hoadende es 
yi.rdalya sille, .. dat ander stncke senhoudende 
een sille . . , en tderde stuck aanhouden [-de] on- 
derhalf sille. Sekep. kof te Hnlen^ 1424 Op. een 
gelege gelegen in die parochie yan Balen te 
Bijsbeighe . . . , aanhoudende onder half sille, luttel 
min oft meer. Item ... op Bojkens block , aen- 
houdende dertdalff zille . . . Item , ... op Rijwaeia 
hore . , senhoudende yijff sillen . . . Item , op eenen 
beem]^. . aanhoudende een aille. Sekep. e. MoU , 
1441. Op en aen Peltmans hujs, met enen kemp- 
hoye, alsoe dat ghestaen es metten hoyen en 
allen sljnder toebehoerten , die plaatse aanhoudende 
omtrint ij sille; — reghenote... Item, achter 
die oorenmolen, oock een stuck beemps, senhou- 
dende omtrint 1 boenre. Sekep. v. Lumpmsn, 1457. 
Aen en op een stuck beemps, geheyten dat Crey- 
enbroeck. gelegen te Laeren, aanhoudende omtrint 
derdehalff boender. Noch sen eenen beempt ge- 
legen t*Emeldelair, achter dat yenne...; noi^ 
aen eenen hoif geheyten den Herentalshoff, aan- 
houdende omtrint onderhalff sille. Sekep. e. Zmm" 
eiM, Bmten, 29 noy. 1460. 

AEKKEEREN, bw. 1) Aamtoenden, in ket werk 
s/W2ea, Uiteden, fr. aaployer, meitre en cdnvre. 
Kil. eonferre, applieare. \\ Anmirckende den groeten 
ende getruwen dienst , . die deeelye onse onder- 
saiten gedain ende beweuen, ende oiok daeby die 
groote nersticheyt, kuste ende arbeit zy samentlick 
ende eyndrechtlick gedain ende angekiert hebben 
totter yestinchen oneer stat. O. Liége, 11 deo. 1500, 
protmn. Haêeelt. 

2) Hem a. — . Stoumên op, titik beroepen op, 
fr. ê*appmjfer eur, invooner. || Item, sal die stat 
yan Loyene gheloyen oat si hare des Raeds yan 
Cortenberge niet aenkeren noch onderwinden en 
sal , yore ane der ty t dat dat poent ysn den charter 
yan Cortenberge yerclaert si. Contkereel, 92(1861). 

AENKLEEF, 2n.m. Zooals thsns. Aankoorigke- 
den , fr. cireonêtanees et dépendance». || Om d*onderyra- 
ginge wel te doen, is den schouteth oft onder- 
schout gehouden de schepenen oyer te leyeran 
hehooriycke intendit , inhoudende cort yerhael yan de 
feiten daarmede hy den geyangene wilt belasten, 
met de circumstantien oft omstanden ende aenole- 
yen van d^en. C. e. Antw,, eomp.^ VII, iij, 8. 

AENKLEYEN, ow. 1) Betrefen^ raken, ooê^ 
gaan, it. oonoemer, tomcker, ngarder. || liaer [nL 



I 



22 



AÈN. 



AEN. 



de gadeimteerden Tan de Keure] droughen trtio 
an hemlieden» en meendent pleinelio uter oamere 
te hebben, mits dat preyilegie an claye Bdg. 
ATm., II, 298 (1407). Bij goede specificatie, met 
allen brieven, munimenten , boecken en alle andere 
schrifteiycke besoheeden de voon. goeden aenkle- 
vende. Item, dat men den yoors. OTermomboirs aal 
amigneren een tamelijcke kamer, om heure verga- 
deringe te houden, en in deeelve kamer te doen 
maken stercke, wel sluitende Bchappraijen , om 
daerin te sluijten d'inyentariasen, de gesloten reke- 
ningen en alle andere stuoken en munimenten den 
weesen aenklevende. C. e. Lonen ^ Weesk, a. 82. 
Kaer de publicatie daeraf gedain, syn d'ingi^setene 
der Yoors. stad en harer yrijbeijd, en oock d^afge- 
zetene, voor sooreel die [OTdonnantien] henlieder 
aenkleven, schuldig deseWe t*onderhouden ... Cv. 
Bruês. , 1607 , a. 89. Bn daerin [nL in dien inven- 
taris] beschreTen te sijn alle yoorgeroerde partyen, 
die hij oft sij weten den weesen oft andere persoonen 
boven geroert oft beuren goeden aen te kleven oft 
competeren. C. v. Loven, Weesk. a. 82. Eü als de 
ooopere den naercoopere zijne naerhede kent, so 
moet hj den copere al scadelos quiten van al dat 
den ooopere ancleven mach. Leenr. v, 1528, 18. 

2) Verbonden zijn aan, fx. se raitacher è || 
En daer vrsghen scepenen , ter maninghen van den 
meyere, allen den parsonen voor hemlieden com- 
mende, van allen zaken daer sheeren recht an 
eleeft. C. v. AaUt, Orig., n'. xxviij. Tn saken cri- 
minele, daer lyfvelicke ofte lichamelijcke punitie 
an deeft, ofte oock honorabel amende. <7. v. Gent, 
XI, 10. Zoodatter hem eeneghe eere of scade ane- 
olave. Leenr. v. 1528, 51. — Af en aenoleven. || 
En syn de schepenen gehouden allent gene de ge- 
vangene verclaert, bekent oft niet bekent, met 
t*gene daer aff en aen is clevende, soowel tot ont- 
lastinge als belastinge, in geschrift» te doen stellen. 
O. V, Antw., eomp., YII, iij, 21. 

AENKLEVING. zn. v. 1) Aanplakking, fr 
afflehage. {) Met affixie ende aenklevinghe van bil- 
letten aen de kerokedeuren. C, v. Antw., oomp., 
V, xvij, 62. 

2) Samenkanfl , aainhooriqkeden , fr. dipendance». 
II Ghy sult weten, dat die pacten , die dair gecleet 
zyn met aenvalle en aenclevinge van contracte, 
geheeten yfiohereneia oontraetu» ,'' gelijc zijn als 
ooop, verooop en dyergeiycke. y. d. Tay., 250. Zie 
ook ABirxLBitr. 

AENCLIEVEN, zn. mv. JEnkeU, enklauwen, 
fr. ehevUlee (du pied), || Anclieven, fr. kemUes. 
MicmLAVT. 

AENCOMEN, ow. 1) Bijkomen, naderen, h.venir 
auprèe, approeker. \\ En die cramen solen die sce- 
penen . . . met rade en hnlpe onser rintmeesters, . . 
indien dat hiere [hi er] bi-en aencomen , wilt , als 
hi daertoe versoekt [2. versocht] wert, ordenere[n] 
en lere[n] te stane. Batv. I>rnper\e, 7 (1365). Als 
de lichters aencoramen en tschip verloren gaet, 
Boo en syn de geberchde goeden niet gehouden te 
dragen de schade vant verloren schip oft goet. C. v. 
Antw., eomp., IV, viij, 128. 

2) In haèH' of gthruikfredinff van een goed, eene 
paohi, een ambt, een ambacht, fr. entree en posMea- 
eion OU oeeupation d'un hien, d*un hail, d'un office, 
éPmn métier. \\ En overmits de voor», twee dorpen .. . 
teghen onsen ghenadighen heere den coninck syn 
beleent op lossinghe aen mgn heer Francois Hinc> 
kaert, en dienvolghende, om de voors. andere 
rechten en costuymen te onderhouden en die te 
laeten gheiyck hy die ghevonden heeft in syn aen- 



komen. <7. e. Bergh, a. 6. Bat gbéene nieuwe 
pachters en vermpghen te labeuren voor het ingaen 
van heurlieder pacht, en d'aude a^aende pachten 
vermoghen te labeuren en te saeyen totten lesten 
dach van haerlinder pachte; dies vermaeh de pro- 
prietaris ofte [den] ancommenden paohtere t*anveer- 
den de ghesayde vruchten A t'labeur, midts be- 
taelende zaet en dricht. C. v. And., IX, 16. Dat 
den schouteth de schepenen, die daerover hebben 
gestaen, sal maenen (op den eedt die sy in *taen- 
komen van henne schependom gesworen hebben) 
ten eynde dat* sy overleggen alsulcken verleyt als 
sy onder hebben. C. v. Antut., eomp.. Vil, iv, 20. 
Om te komen tot de proeve [van het chirurgyns 
en barbiers-ambacht] , sal den aenkomenden meester 
gehouden zyn te betaelen aen de vier dekens hunnen 
wyn. Ó. P.-B. A., 18 oct. 1728. a. 4. 

8) Toevaüen, iemands eigendom worden door erfe* 
nis of koopt fr. éekeoir, devenir la propriété de qq, 
paft smeeesnon on par aehat. \\ Dat gheen recht van 
incommelincscepe nes ancommén noch verschenen 
den voors. heere van Jeumond bi der doot van 
Jans wive vorseid. O. e. And., Il, 85 (1864). 
Als een man huwct, en hem binnen dien huwe- 
leke een leengoed versterft, eist dat een wyf daema 
draghet een kint, ende dat kint, tzyns vaders doot, 
es syn oudste hoir. so sal die wedewe hebben 
bilevinghe ane dat leengoed, updat niemand bile- 
vinghe daerane ne helt doent haren man anequam. 
Lemr. v. 1528, 81. Dat egheen onberueriycke 
goeden by generale oft particuliere successien. Tent- 
steriften, testamenten, ordinantie. ghiften , of by 
intestate aencomen, suocederen, vervallen noch devol- 
veren en sullen aen eenige doosteren, oollegien, 
capittelen oft andere dooder handt. JPlae. v. Brab., 
I, 82 (1520). So wien een leengoed «noomt, hy 
moet manseip doen binnen den xl. daghe. Leenr. 
V. 1528, 4. -— Es een wijf drachtich, zy salse 
houden [nl, de byieving] up datter niemand bile- 
vinghe an en hilt als haren man dleen anequam. 
.^9. Soo verre, naer date van den eersten inven- 
taris , den weesen eenige andere goeden aenquaemen. 
C. V. Loven, Weesk., a. 58. In dier vuepjhen suo- 
cederen de goeden oock eest dat die den lancstle- 
vende aencomen in 't tweede houweiyck. XY, 86. 

4) Aengeoomen goeden, toevaüuf verkre- 

oene goederen, langs andere wegen dan door erfenis 
in rechte linie, fr. Hens adventices of. adveniifs. 
II Daemae worden geprefereert : de vrouwen aen- 
gsende beuren dotalen ende parafemalen goeden 
by hen aen hen mans te houwelicke gebrocht, oft 
staende'den houwelicke aengecomen oft verstorven. 
C V. Antw., 1545, IV, 15. 

AENCOMER, zn. m. Aankomende, i« hmnr tre- 
dende pachter, fr. fermier enfrant \\ Als een pachter 
affscheedende van den pachte, daerop laet meer 
besaethede danhy ghehauden es, zal den meester 
oft« ancommer moghen ontstaen midts hem beta- 
lende dricht en zaet, zonder meer. C. v. Aud,^ I, 
ix, 82. 

AENC0H8T, zn. v. Verkr^, inbeMredinq, 
fr aequisition, entree en posseasion || Dat sy [it2.de 
taellieden en de gheswoore clercquen] insgeiycx in 
hemlieden passeringen sullen opstellen eiï speoi- 
flquelijck declareren de precijse tytels van aenkomste 
van de goederen die by de comparanten worden 
vergift, belast oft veralieneert. C, e. Brugge, U, 
16 sept. 1724. 

AENLACHINOE, zn. v. Toelaehimg, fr. dss 
sourires. || Al eest zoe dat elcken mensche quaiye 
vuegt in zjjnen huweiyoken state hem te misdragen. 



AEN. 



AEN. 



23 



noehtwi» soe U dit gebreck in den rechter boyenal 
te miflpriJBeoQ en te leohteren, om dieswüle dat, 
mits ameekingen , aenlachingen « gunsten en mynnen 
iBü wgven en ooncubijnen al te lichtelijc dat recht 
Terkeert mach wordden in onrechte. Y. - P. Tat. , 
876 ?•. 

A£NLJL£M. Zie allamx. 

A£MliKOIl, sn. m. MerêtMmgen, (r. dês répet- 
refioss. l)Don Toors. cheynsenaer oft rentier, twijfe- 
lende dat hij met den aengewesen pandt oft panden 
niet en «yode toekomen, oft in 't geheel connen ver- 
halen synen cheyns oft rente, met den achterstel, 
ODOosteny repaiatien en aenleggen by hem daeraen 
gedaen. C. v Bruss., 1607, a. 104. Uhriatyn: r^po- 
rwtiomitmt. Die molen alrenaest der slnysen gheldet 
den heyleghen gheest ij mudde rox, sonder aen- 
kgghen. It., aen Aleyten molen heeft die here 
[▼. Dieet] de tweedeel ane; ende die heyleghe 
gbeeet heeft dat derdel in dat derdendeel, metten 
aenlegghene. Cijmsb. 16^ E. ie Diêst. 

A1:;nLEGKR» zn. m., tegenovergesteld aan^Ver- 
werder*' ia het Limburgsche taaieigen; Zie C. ^r. 
Xe0»y poMstmj aanUjfgw^ enehery ir dema»dêur. 

A£N1.J*;GU£N , bedr. en o. ww. 1> Zooals thans. 
Aami^mdên, Umd aandoen , fr. abordér. || Als den 
■chipper, int vervolch van syne reyse, voor en aleer 
hy taijsder rechter onüadinge is gecomen , tot eenige 
andere vuijtweeohsche plaetse oft have compt aen 
ie leggen, en aldaer eenige goeden wilt oft moet 
lonen, innemen oft herlaeden. (7. e. Antw., eomp., 
IT, TÜj, lö7. Ende oft geviele dat den schipper, 
aen eenige vnytweecheohe plaetse aenleggende al- 
daar alle de coopmanschappen loste sonder die 
wederoomie te laeden. 168. 

2) Ondernemen^ beginnen ie maken, maken, fr. 
eainprendre, eommeneer , faire, j| It^, steet tot 
last en besorgh van de voors. rentmeesteren alle 
de werken en reparatien van de stadt aen te leggen , 
te voiideren en te beneerstigen. O. v. Brues.^ 1607, 
a. 28. Christen: facere. En oft- noodelyck ware 
gedurende den tjdt yan de voors. procedure aen 
de belejdde goeden eenige werken oft reparatiön 
aen te leggen of te doen, om die te houden staende 
eii van water en windt te weren. 101. Sijnt ooop- 
Eeden oft pelgrims, die moeten oock verclaeren 
henne gel^gentheyt oft qualiteyt en bovendyen den 
tgt biimen denwelcken sg de reijse sullen aenleg- 
gen efi volbrengen. C e. Aniw, , comp. , IV, xj , 
820. Tot dien oock de goeden wel en oirboirlyck 
regeren, de haysen en hoven onderhouden van de 
nootelycke reparatie, maer geen nieuwe werck 
mogen aanleggen oft doen maeoken, sonder consent 
van de overmomboiren. C e. Xoom, Weeek., a. 60. 

8) (Oeld) uUuiien, op inireei zetten, fr, plaoer, 
mppüqmar (de Tazgent). JBöL Applieare. || Indien 
d'erfinan en tochtenaer de voors. sekerheyt niet en 
koneten oft niet en wilden voldoen, sullen sulcke 
afgelegde penningen by beuren beyden consente 
aengelegt worden aen erfrenten ofte erfpachten, op 
goede en enlBsante panden. C. v. Loven, V, 21. 
Den momboiren en is egheenen tyt gestelt om der 
weeskinderen penningen aen te moeten leggene; 
maer als men goede panden vindt, dan moet men 
de penningen aenleggen aen renten oft onruerende 
goeden. C. v, Amito,, 1546, X, 11. 

4) OpUffffeUf te last Uggen, fr. impoeeTy metire 
è la ekarpe, \\ Wenceslaus . . en Johanne . . doen 
eoDt , . . dal, want overmids sekeren saken en brueken 
die.wi oneer goeder stat van Lovene aneleggende 
waran en aaeaeggende, twist en berueringhe opge- 
•taen ware toaacen ana en onser voers. gMder etat 



van Loven, daeraf onse goede liede van derselver stat 
ons comen syn ter genaaen. Coutkereel, Peis e. ld6U 

5) Bijbrengen, aandoen , verschaffen, fr. donner, 
procmrer, || Want wij onse stat van den Bosch, 
' die een vest en een slot onss lants op dat eynde 

is, en die ons en onsen lande gemeynlic groet orboir 
en macht aenleget. Br<ib. Y, , 782 (1330). 

6) (£enen eisoh) nitdrukken, fr. formuler (une 
demande). || En eer de aenlegger zal wordden 
gewesen volcomen van zynen eysch , . zal z^nen 
eysch moeten verificeren soe hij dien in zijnder 
conduysie aengheleet hadde. C. v. Twmh., Stijl, a. 23. 

7) ^l<Iaderscbap) inttellen, fr. intenter (Ie retrait). 
II Zynde daemaer gebeurt, dat den voorsz. Anthoen 
ie Yeau en syne huysvrouwe, midts den naeder- 
Bohappe by Joos van (Jallenbergh, als naeate be- 
staende bloetverwant van Jenneken Keckhove, syne 
moeder, aen- eü bygeleght tot de voorsz. goederend, 
hebben opgedragen, geretrocedeert en getranspor-. 
teert ... tot behoef van den voors. Joos van Cal- 
lenbergh... MABTnntz, 71 (1688;. 

8> Te laste leggen, aantijgen, fr. imputer, aecu- 
ser de. Kil. Aenlegghe, vetus, Aütio, aecusaiio, 
II Ware oic dat sake dat yemant andren opseide 
en aenleide dat hi desgeens goets ouderhadde oft 
bescudde, die geruumt ware, en hi dat wettelec 
bethoenen mach, toe willen wij dat hijs plege. 
Brab. T.,l, 778 (1328, Brussel), Om twiet die hi 
hemlieden anl^ghende was. C o. And., II, 101 
(1391). Yan Yae, U Gillis Lauwers etc., gheca- 
lengiert van dat zij holpen draghen een huus, en 
zg lietent- vallen, en daer wart ghequitst een Jan, 
{• Pieter Huughs, onder thuus, sodat hy van der 
quetsinghen staeif. En de bailliu leide hemlieden 
an . dat zijt al willens ghedaen souden hebben , ute 
dien dat eenighe liede daden den bailliu te ver- 
stane; ende de man ontsculdegese oelve eer hjjj 
staerf, en partijen en olaeghden niet, en de bailliu 
hadder negheene proeve toe, en souden quite hebben 
ghegaen bij wette. Pays ghemaect om xvj Ib. Bek. 
bal), ie Gent, ht 1720 (1364—66). Item, sal Diere 
PÜsais enen redeliken dach hebben voir ons te 
comen om t' aanhoren die tichten die wy hem aen- 
leggen selen; daerop dat hy sijn verAntwerden doen 
mach; en so wes hy op onse tichten en aenleggen 
verantwerden oan, dat ons redelic dunot wesen, 
dat sal hem stade doen; en des hy niet verant- 
werden kan, dat sal hy ons beteren. Bootb., f9. 21 
(1414). Jan van den Dyko en Joeris Moeriton, die- 
naren eü wettelicke vanghers . . . waren doe, te 
huerlieder oodmoedighen beden en supplicatien , 
in gracien en submissien ghenomen en ontfanghen 
van dat hemlieden en elcken van hemlieden by- 
sonder en uppe hem zelven b|j denzelven burch- 
meester van den courpse en scoutlieeten met hem 
ghevoucht, gheheescht en annegheleyt was. C. v, 
Bmgge, II, 173 (1491). En soe verre de verweer- 
der tot dien dach noch nijet. en compareert zal 
wordden verreyckt en verheelt vant gene des de 
aenlegger hom aenleggende was en voer beset hadde. 
Cosi, o. Tumh., 8t^, a. 21. 

9) (Eenen eed) opleggen , fr. imposer (Ie serment). 
II Legghen zy ooo elo anderen eeneghe ooetbodin- 
ghen of deelinghen van eeden, dienende ter ma- 
terie , die doet men der partie, dien men se anleght , 
nemen of gheven, al ter discretie van den juge 
en naer de dispositie van der dino. ö. v, Aalst, 
I, óH, a. 17. 

AENLOTEN, bw. Bij het lot toededen, fr. as- 
signer par voie de tirage au sort, po^tager par 
la voie du sort, || Als eenige partyen voor de weth 



24 



AEN. 



AEN. 



Mnige goedaen loten «rillen, e& onder die goeden 
eenige liofsteden mét de huysen daerop. staende 
en hmme toebehoorten zijn , daeraf de partijen niet 
orereen en kunnen komen yoor hoeveel dat men, 
die goederen in de lotinge setten sonde, eii sij 
daerom begeiren deseWe goederen geschat te wor- 
den, 800 sullen de wethouderen eenige uyt hun 
deputeren, die, met persoonen hun des Terstaende, 
die goederen bij hunnen eedt eü op hun beste 
sullen schatten, en de weth overbrengen wat sij 
jaeriyokx en erffelyck weert sijn, en dan sal men 
deseive naer advenant de taxatie aenlooten. O. v. 
Laven, 8ero„ X, 95. Art. 90 der Coet. v. Brussel, 
Statuut yan 1657, is omtrent eensluidend en ein- 
digt met dezelfde woorden; Christijn vertaalt: sorti 
eammUteniur, 

AENNAMË, bn. Aan^eneuuHf fr. agriahU. \\' 
TjO^ si den Vader mltten Sone tegader en mitten 
beilighen Geest, en ons moet die Sone seynden 
inname gare des heilighen Gheests. Otttjdb., 
15* K., 101. 

AENNEMEN , bw. 1) Bonnen , aanMkirde» {eene 
rsM, eenê bedeüoarty de vlMokt)^ fr. comfneneer («m 
Wf^offe, tffi pèlerinaffe), prendre la fiüte, Eü. A en- 
ne qa en de re y se. Sttseipere iter, \\ In den ier- 
sten, soe sal die misdadeghe sculdech wesen ene 
bedevaert te doene tot sinte Jacobs in Coropostel- 
len, en sal dien wech aennemen en bestaen te 
doene binnen xxx daghen nadien dat hem dat ghe- 
boden wordt. OarU Saint Trond, 17 mei Vói^S, 
a. 1. Een schipper, al hadde hij de reijse aenge- 
nomen, en dat hy oock in noode van gölde waere, 
en mach daeromme tschip, s^ne reeden toebehoo- 
rende, niet vercoopen noch vertieren. C e. Antw., 
eomp. , IV , TÜj , 48. Soo wanneer den schipper 
bij sijne reeders aifgestelt ofte verlaeten wort, cft 
dat hy andersints, door eenige wettighe oorsaecke, 
•ieckte oft ongeval, syne aengenomene regse niet 
en can Tolbrengen. 182. Meenende tsanderdaghs te 
treckene naer Doomicke, 'twelok ulieden door de 
toeoompete van paerdevolck en voetvolck, com- 
mende van Byssele, belet wierdt, zoodat ghylieden 
by deselve ghedwonghen wierdt de vlucht anne te 
nemene. Trouble* , I V , 161 . Zulcx dat ghylieden ghe- 
dwonghen waert , elc zoo hy best mochte , de vlucht 
anne te nemen , dewelcke ghy , met diversche andere, 
ghenomen hebt tot op den torre te Waterlos. 166. 

2) Op-- oft aeD nemen (schepen), in beëlag 
Msfnefi, fr. prendre en réqnutition (des navires). || Alle 
•sseuranoien oft versekeringen worden versteen be- 
gonben te eyn van den daege en ure aff dal de 
goeden oft coopmanschappen gedaen syn op de 
■chepen ... en duert soo lange tot dat de goeden 
in de bestemde havene gecommen eü aldaer op 
lant ontladen en gelost syn; ten waere dat den 
prince die ter plaetse van de laedinge (oft ontiae- 
ainge) op- oft aengenomen hadde. C. o. Antw,, 
isomp.f IV, xj, 156. 

9) Zooals thans. Aanvaarden ^ betU nemen ecm, fr. 
aeeepêer, prendre poeeession de. || Dat de voorseide 
joufrauwe KatheUne gheen recht en heeft, noch 
schuldich es te hebbene, overmids dat zoe den 
vorseiden ' muelenbereh aennam en aenvaerde , eiï 
daerop dede maken , te beuren coeten , de vorseide 
muelne O. e. AaUt, Fmhw, 19 sept. 1409. 

4) (Eenen last) op eieh nemen ^ fr. aeeepter, 
-prendre emr eoi (une charge). || Denwelcken [per- 
sonen] wy verzoucken en ordonneren, dat zy, om 
Gods wille en uut warachteghe charitate den last 
daeraf annemen en aenveerden [nl. van het arm- 
bestuur]. Plac. e. VLy 1, 759, 7 oct 1Ö81. 



5) (Een reglement) goeéOcemreu, btknÊMi^em, fo- 
reetigen, fr. approuver, adapter^ oemfi^mer (un rè> 
glement). || Ben ondergesehreven reielaert den 
inhoudt van denselven reglemente seer goed en 
noodtsaeckeiyck te hebben gevonden, en datten 
selven in der vuegen en manieren hierboven gestelft 
by myne heeren soude mugen aengenomen worden. 
C. e. Loven ^ Stijl der guldekenen (1684). 

6) (Eene oppositie) toelaten, fr. admettre. || Dat 
aleer by die voors. heeren van de dekanye sal 
worden aengenomen eenige oppositie, deseive [par- 
tyen] hine inde in persoon , ter gestelder ure , sulleB 
hebben te compareren voor die heeren president en 
commissarissen van den rolle. Ib. a. 1. 

7) (Leerjongens) ontfamgen^ opnemen, fr. admet' 
ire (des apprentis). || Dat alle leericinderen seul- 
dich sullen syn, binnen reerthien dagen naedat sQ 
van hunnen meesters ontfiangen ende aengenomen 
zyn geweest, te gevene den tintmeesters een pont 
was. Kramersambaeht te Dieet, 21 mei 1864» ft. 6. 

8) Zteh veroorloven, ondernemen, onderëtaam, bê" 
etaan, tich ondennndeH, fr. ee permetire, eiifr»- 
prendre, attenter. \\ Voirt seggen wy, van dm 
weiden , die liggen te Webbekem , . . ; Toirt seggen 
wy , dat al dat van desen voirg. gemeinen weiden 
gegeven is [nl. gevonnist is] overmids den eoouthet 
van Dyest en den scepenen van Dyest, sal seker 
en gestedich bliven. Dit dairtoe geseeght: Eest dat, 
by gevalle, die portere van Dyest yet hebben aen- 
genomen of geattenteert , dat selve soelen sy den- 
genen verstoren dien die scade is gedaen, naé 
estimatie Troeder lude. Doude SooÜoeok, f^. 8 
(1280), vertal. 14e E. Voirt en «J niemant van dm 
▼oirs. regimente ocht officie hem voirder mQgen 
aennemen of onderwinden dan boren besereven 
is eü verclaert. Conthereel, 1 sept. 1860. Twee 
raetsluyden . . . , die sullen by onse soepenen wyaen 
naer die statuten, daer die daet af is 1414, sonder 
iet meer aen te nemen oft daer boven te ga«&. 
O, JAige, 17 aug. 1417, a. 1. Herek, 

9) Hem eener saak a--. Ziek aamtrMcem, 
f. bemoeien, z, inlaten met, fr. $e mUer de, «*mi- 
miêoer dans une affaire. \\ Waxe dat mogheleee, 
dat een minsohe alre minschen sinne ei Temiilt 
hadde, die ye op ertrike quamen och ommenneer 
selen comen , die en mochten doch , eyghenxe eraoht 
[propnie vtribut]^ niet begripen dat alderminete dat 
ghi ghesien hebt. Daeromme en nemee u niet an», 
want het ware over alle minschelike sinne en Te^ 
stannisse. Aller kerstb., 6S. Dat nyeman van den 
Toirs goeden luden van Diest, die hem deegesehüs 
eenichsins aengenomen hebben . . . , by eenigen van 
zynen [nl. 's heeren] vrienden oft van synen ob- 
derseten . . . opgelopen , gequetst , gevreeet noch 
mishandelt en werde. Doude Sootb., f^. 20 t*., 90 
dec. 1414, a. 7. 

AENNEMEB, zn. m. 1) (van een werk). Onder- 
nemer, fr. entrepreneur. || Wel Terstaende, dat, eoo 
yerre den huerlingh oft proprietaris , uyt wiens 
huyse het Toors. mest eü vuyligheydt sal gekomen 
wesen , *t selve aen iemandt hadde verkocht oft 
aanbesteedt, om binnen den voors. tydt weghge- 
Toert te worden, sonder dat 'tselye gedaen wierde, 
soo sal dien syn actie van indemniteyt tegena den 
voors. kooper oft aannemer yan het wegh te voeren 
mogen intenteren. O. e. Loven, Serv., a. 72. 

2) (Sener wandaad). Bewerker, verrichter, bedr^ 
ver, fr. qmi a eommit, atUeur (d'un mé£ut): |) Coa- 
sidererende dat de zake was zoo crimyneel en aeroh, 
dat zo [zy] nyet en was vezgheTel^; men pvope- 
deerde np hemlieden zonder 't hebbene de iFOor- 



AEN. 



AEN. 



25 



■tf lu gf W M bMllins en oflicien, by «zanMn en lieha- 
BMlgkw exaoatiefn, en waren gheheeten 19. en N. , 
die noeh liebben twee gheiallwn, ghemeertst eQ waren 
iQ Tieie aennemen Tan den qoaden gheweercken. 
CbOefif, 125. 

iJSNNEMINQEN, m. vr., mr. Ondémmaingm^ 
immièUmfêmf fr. eii^«pruM, ootof. |] Wilt Toirta 
aodi bQ andere [brieren], egst moghelio, uwen 
beele doiBn Tan ona te aTerteeren Tan der gelegent- 
bsyt [ligging] der TÏjanden en hunnen aennemin- 
^MD. JBrief «o» s^raaf P. éU Noitttm aam de siad 
JHêtt, d. d. 24 mei 1543. 

▲EMMOëMEN, bw. Benoemem, hepdUm, mi- 
ênÊÜkwmj fir. déti^mer, dUermiMer^ e^primer. \\ Ten 
dflvdany aoe wort den grontcbyns geunponeert en 
OMSrtelt: aomwyien, in teecken van subjectien en 
ootedanicheiden; bg wyien, in teecken Tan ont- 
fitopnder Tiyheit, gel^o een kercke geTen soude 
oneen heiligen YadeTy den paaws, peper, caneel 
oft dgefgeiycke in chijnse , om dairmede ei^empt te 
ign Tan der anbjectien des bisschope, en om te 
i^n noder middelt onder den pauws; en somwy- 
len in teecken Tan aengenoemder prótezien, idie 
nnrblene diewyie luttel proffijt» innebrengt. y. d. 
TAT., 192 T*. IngoTalle de Tooie. partye, in mate- 
rie Tan guarande gedaeght 8\jnde, binnen behoor- 
lyeken tyde compareert, en begeert eenen anderen 
Toorta tot goarande geeommeert te worden , soo aal 
h^ daertoe oock geachnitteert worden, aennoemende 
^ guarandt. C. v. Lier, Stijl, Y, 8. Dewelcke 
lifthteljjck OTerwonnen weeende, absqtiê uUa tor- 
tare, aal prompteiyck weten te aennoemen alle 
de pefaoooen die de menaohen oft beesten betoo- 
Tert hebben. MêÊM^er, 1871, 6. Soo wanneer de 
neeke meer en is interrupt . . , soo sal partije , 
b^gheerende Toorts te yaren, die moghen doen 
pnaenleeren, doende te boecke stellen en aennoe- 
men de lekte substantidle retroacte daerinne ghe- 
houden. C e. Z4er, X, 5. Dat iemandt wel mach heer 
en pg üyrie ta ris worden met eene generale .renunciatie , 
Tettgdinghe oft Terkoopinghe Tan eenighe gronden 
fan erren, aonder deseWe gronden in specie te 
Bflinineren oft aen te noemene. Ib, TVrfte, v. Ibb9, 
Us. 700. Is gehouden ... te compareren en Ter- 
sueeken met rechte beeet te hebbene sgne panden 
oft gronden, Toer sulcken somme als hy aennoempt. 
C. e. SótiffHr,, Tmrhê o. 1571, bis. 466. Insge- 
mex sal de aenlegger hebben Tisie efl copie Tan den 
documenten, instrumenten oft andere munimenten 
die de Terweerder in lynder defensien sal aen- 
BoeoBen en funderen. C e. Tmruk.y Stifl, a. 85. — 
In aulek^ gevalle loTert de megere, ten wysen 
schepenen, den heysscher de aenghenoempde 
f m et d en toebehoorten, als tsyne. C. e. 

, vn, 5. 

A£NNOP£K, bw. Bakmt, betreffen, aangaan^ 
fr. esaofTMT, regarder^ iimeher è, \\ Midsdat de 
toiseide qaestie annopte der heerlichede Tan onzen 
Toineiden gheduohten heere. C. v. Aalei, hls. 504 
(1486). Dit thenden Tan dien de baiUiu of meyere, 
abo Tevie alst annopt den erre, sal doen een 
Tierde kereghebod. bis 294 (1474). Om de groote 
nenidite Tan den poyntan, en dat die, en speciale 
d*esn meer den d^andere, grootelic annopen der 
welraert, prsrylegie en rechten Tan den Toorschre- 
Ten steden. OoOoHê, 89. 

AENNOPEMDE, toots., tegenw. deelw. Tan abv- 
vonr. Sakmdê, voor wtd hkrefty fr. ooncsrfMNi^ , 
fÊÊÊd d. II Zoo Terre datter eenen brief quam an 
Biyn heer Tan Bonrgoingen, die zeer rudelic spiac 
te mjns heeren waert, een ghedeel aennopende dat 



hy mynen heere wilde hebben te oampe. cl. Tw 
PiXMVBB , 1 14. Aennopende de processen communi- 
catoire, sullen de secretarissen hebben en ont&n- 
gen Toor haer recht ... Ce. lAer^ Stijl, XYI, 20. 

A£NPA£BT, m. o. Aand^iel, fr. jnote-pcurt. KiL 
Aenpaert^ j. aendeeL j| IngheTalle iemant, 
actie hebbende Tan calene^eringhe , ware present 
daer de Terooopingbe gheschiede en den lyfcQop Tor^ 
teert werde, en dat hy doorginck sonder syn aen- 
paert te betalen , en . alsoo yan den lyfcoop mede 
ghenote, in sulcken gcTslle is hy syne actie Tan 
calengleringhe verliesende, mits hy daerdore den 
coop is lauderende*- O. e. Deume, teipr., a. 168. 

AENRËCHT (Aenricht), zn. m. en o. Aamreeht- 
bank , 'tafel , redUbank (aanreekt)y fr . drestoir , buf- 
fet Mans portee. Kil. Aenrechte, aenreoht- 
tafel. Zie Nederl. Wdb. |] In den aenricht, tus-' 
schen de cokene en sale. Invent, e. 1467. De Hero*s 
doeck, en de rassche SÜTanen Dienden seer wel 
Tan coppen en van schalen, Die sy Teur ons by 
d*aenrioht ginghen halen. Opdat men soo med lust 
sou meughen drinken Den nectar suet, die men 
neerstigh sagh schinken Gbmimedem, die t'schoon 
aenricht bewaarde. Olffmpiados, 86. 

A£NBEES£N, bw. (aenreesde, aenreest) Ajan- 
oallen^ aanranden, fr. ^taqnerf aesaillir. Kil. vet. 
fland. Apprekendere , imvadere onm impetu. |] Men 
zeyde dat tusschen Mechelen en Andtweerpen, die 
(sKies eenen priester anreest hadden, hem Tia- 
ghende oft hy dwoort Godts ghepreect hadde? Hy 
zeyde: Ja ie. Zy zeyden: Ghy liecht, neemt, 
hauter dat Toren! en souden hem alzoo dUjf vul 
wonden ghegheven hebben. Ser. t^den, I, 45. En 
terstont anivesden zy eenen Gk)dt an tcruyse, die 
Toor de keercke stout, en worpen hem af en sloughen 
in sticken. 106. Her Lambrecht, een audt reli- 
gieus ten Preedicheeren en een shoet predicant, 
wanende Tan tusschen ghaen in me foele in haer 
couTent, was yaa sommighe anreest eü ghezeyt:. 
Boept Vive Ie gnee , dwelck hy niet segghen en 
wilde, al hadden zg hem doot ghesleghen. 128. 
Men weerpt den wslyisch . . lieyer een tonne oft 
ander yat, dan dat zy die schepen anreesen zou- 
den, om mede te spelen en haer kueren te be- 
drijyen. 194. 

AENRICHT. Zie abkbscht. 

AENBICHTEN, bw. 1) AanUgsf^^, beeteden, 
fr. appUquer, emplojfer. |] Betaelt zij carolus gul- 
denen, omme die te ansichtene [{. anrichtene] ende 
te gheyene in de kercke yan Binte Woubourghen 
[Walburgis] deser stede, ter hulpen yan de koeten 
omme twyen yan drie clocken. Auden. tneng.^ II, 
28 (1558). 

2) UUiriekteny verriekten (la kwaden tin), fr, faire, 
efietmer. Kil. Aenrechten iets quaeds. || 
Wel Terstaênde, dat rijlieden, onder het decxsel yan 
te genieten dese onse gratie, niet en sullen moghen 
yet aenrichten ofte doen tgene eenichsins soude 
mcghen strecken tegen onsen dienst. Plae, v. Brab, , 
I, 812 (1608). 

AENBICHTEB, zn.m. Aanl;^ger,eieehêr ^fr. de- 
tnandemr, || Den anrichter, tot fundament synder 
intentie, sich yermeet dat den Terwerder een deel 
syps pandts is hsJdende [houdende]. C. gr. Loon, 
I, 229 (1614). 

AENBICHTINGE , zn. y. Qereokielijke ten uit- 
voorlegging ^aanhouding of inbeelagnemt^ , fr. exê- 
euHon, || Welcken yonnisse stellen die ingebieders 
[deurwaarders] ter behooreiycke executie aen den 
persoon Tan den debiteur, geloyer, gelder, proprie- 
taris, bruyckgr, leste herbrenger ofte erfgenamen 

4 



I 



26 



AEN. 



AEN: 



danélfr, reipectiTe, tb voor [aJs yoren] geeondem- 
neert en benmnut wennde, ofte aen sijn goei, 
ÓÊBtmBD. nchtende; en welcke gerichte geschiet sijndeiy 
sgn sij fchnldich efi wovden gedwongen met aen- 
richtinge aen hunnen lijre en goeden , binnen eenen 
aekeren tijt hnn geordimneeii, tvonnlMe te verdoen, 
ofte aleer [I. alhiier] op de gevangenpoort te comen, 
ofte te^;«ii het ronniHe en executie dagh en recht 
te rersoeeken roor schontet en schepenen deser 
•tad. C. e. 'sBogdk, XXI, 10. 

AENBOEPEN, bw. t) Soepêm, toeroepen (om 
halp)| fr, appêler (an aeoouiB). .|| Oft scholtus, 
geewoorene, wt hun stadhalder, aenriepe eenigen 
DOiger om hnlpe fo hebben om eenen man Tan 
biimen oft van buiten te Tangen , ep het niet en 
deede, aal broeeken, t*allen maele als hij yer- 
aoeht woofde, eenen Binachen gulden. O. Liége, 
1 febr. 1447, a. 18. Bree. 

2) Vertoornen^ fr. remonirer, expoier. |] Johan 
▼on Hejnsberght .... doen kunt. . Alaoo onse geminde 
ondenaeten onaer atadt van Bree ona dicwUe elc- 
geiycke (?) getoont en aengeroepen hebben , wie die 
aeWe onae stadt . . van porten , muyren en vesten 
seer swaeek en unverwaert ia. Ib., proaem, 

8) OereekUUjk venoeken^ fr. requérir, \\ Te Ylieiv 
mael in eender hootvaert^ comen: Soe wje een 
badde doen oommeren seeker koren te velde staende, 
en die dat koren gesaejd hadde, hadde dat inge- 
▼nart en en hadde naer den commer niet gevraigt, 
en die partge was dat clagende eii den heer aen- 
roepende; en der heer cla^de met die partye. C 
gr. Loomy 1, 84. 8oo verre die partije haer wyge- 
rich Oaeckt te voldoen of sich tegen die executie 
opponeert, soo sal den deurwerder aenroepen den 
naesten officier des lants, die' welcke gehalden aal 
siJn die deurwerders met gewapender ^ndt t'aasis- 
teren. 80 (1607). 

AENROEBBN, bw. Aaaffoa»^ raken, hetrefen, 
fr. UmAer, ooneemer» \\ Om sakèn wille die onsen 
landen aanmeren. O. Lifge, 11 juni a. 6. SinU 
Truiden, 

AENROEBENDE, voorz., tegenw. deelw. Aan- 
gaande f rakende, fr. touehani, eoneernani, || Om 
saken aenruerende, die stat oft den lande. O. JAêge^ 
17 mei 1898, a. 4. Sint-Trmden. 

AENBOBBICH, bn. Aangrenzend , nactttgéUgen , 
fr. hmUrophe, \\ Oft gebuerde dat, casuëlijcken oft 
by gevalle, eenige beesten van die aenroerige dor- 
pen overleyden en gongen weijden op die gemeijne 
vroente deses dorps, oft iemants erven, in den 
winter, als het broeck gemeyn gaet. K, v. Qnaet- 
meehden. 48. 

AENBUEBEN. Zie abhboxbxit. 

AEN8AEL, zn.m. *Opperhoff heerenhvii, fr. ma- 
noir prineipal, || Dat alle relieven van stockleenen 
en aensaelen moeten worden gedaen (innen vier- 
tich daeghen naer doit van den afflivighen; soe 
nyet, den heer stadhouder heeft autoriteyt, met 
cfrie genachtinghen , van xiiij daeghen tot xiiij 
daeghen, daerop te procederen; en ingévalle s\j 
alsdan nyet en obedieren, ses wekens daemaer, 
wordt de heer stadthouder, van wegen Haere Hoog- 
heyden, int voirs. leen en aensael geïmiteert. O. 
Leenh, e. lAmbwrg e. 1570, Jnterpr., a. 17. Dat 
wir alhier houden en observeren: dat die leenen 
gelijckeiyck gedeelt wordden, gereserveert dat den 
oudsten den' aensael voervuyt heeft, te weten huys, 
hoff en graven [grachten]; daermede noch een roe 
dambs [dams] broedt, om die wieren [rond de 
vyvers] van t'huys; boeven dien eenen groete 
moTghen platze voer eenen coelhoiP. 80. Maer en 



moeghen de huTsinghe, gebouwet wesende op den 
aensael , metten kolboff en garden [boomgaard] , ach- 
tervolgen de preéminentie en gerechticbeyt van den 
leendiagere, nyet partageren. 41. Welckcn leendrse- 
gher de gerechticheyt en prefiminentie heeft, soe 
wanneer eenighe goederen veroocht werden, die 
onder sgnen aensael resorteran, dat hij. deselve 
tallen tijdt mach inloesen en trecken, mit alsnlcke 
penningen en gelijcke somme gelts als zij vercocht 
zyn geweest. 42. 

AEN8AKEN, bw. Veroorzaken, fr oeecmoa- 
ner. \\ Wouter van Anoout ghelovede, alse saac- 
woude [iiZ. oorspronkelijke , ook bijzonderste schnlde- 
naer], (Jilise, dien riembeslaghere , oommerloos en 
scadeloos te houdene van alrande mudenesse [moeie- 
nis] en van alrande scaden die jman anders home 
Gijjse anesaken mochte, alse van den veertien seel- 
linghen erfsys, die CKlise voreghenomt Wouteren 
voreghenomt pleecht te geldene. Sekep. e. JHut» 
9 dec. 1808. 

AËN8AT, zn. m. hdeidimg (eener 'rechtszaak), 
gedingwpemng y vmAA, vorm wm ocerlegging, van 
indiening van stokken, fr. inirodnetion (de procé- 
dure), forme de prodmeium de piioei. \\ Want die 
bnrgemeesteren voere, in bonnen aenisat en aen- 
sprake, geruert ende aengesocht hebben mynen 
heere die beecke te haldene [houden] en doin te 
vegene opten alden gront eü pegel. Oart. Saint- Trond, 
15 jan, 1499. Want wy bevinden die oonde [dag- 
vaarding] geschyet te syen op eenen sondach, het- 
wellick by die Terweerders ^calengeert is, als die 
selvige, naer den lantrecht, van onweerden te syn, 
is, te manissen ons scholtenen, gewesen: den aen- 
sat der proceduren te deser tyt aff. C. gr. Loon, I, 
111 (1545). Daerom behoort men die testamenten nyet 
te Bcheyden, eiï sonder aff te wysen [af tewycken]? 
van den aensatt voers. 153. Zie akksstten. 

AENSATEN, zn. mv. Waarschijnlijk te lezen 
„afsaten"'. Zie dat w. ; in alle geval , schynt van dit 
laatste w. niet te verschillen in beteekenis: Oosr- 
sprongen, fr. êaiÜieM. || Die een ghedeckt ghelint 
wil setten tusschen zyns en zyns ghebueren erve, 
is schuldigh 'tselve soo verre van zynen \l, zgns] 
ghebueren erve te setten als den oesdrup eü aen- 
saeten behoeven; want niemant oesdrup ofte anc- 
kershoofden noch aensaeten hebben noch setten en 
mach buyten syn erve , sonder consent van syn ghe- 
bueren. C. V. 'sBogf^, IX, 9. 

AEN8ATTEN. Zie ABKBitTTEN. 

AENSCHEIDEN, bw. Toededen, fr. a$e%g- 
ner en partage, || Zoo verre de partyen van hunne 
lotingen onderling niet eens en waren ,- zullen de- 
voon. loters , na ... , alzulken different helpen be- 
slichten, een iegeiyok van hen aenscheydende zoo- 
veel als hem gerechtelyok toekomt. (7. e. Sruss,, 
Stat, 1657. a. 7. 

AENSCHIJN (aenscheen), zn. o. 1) Aangezieki, 
gelaai, fr. vieage, face. \\ Soe wie met verdecten 
ocht vermaecten anschenen steet . . , zaels ghelden. 
XX. s. Kb, V, Dieet, B. 115. De Boomsche civile 
rechten detesteren de diffiguratie van den aensichte , 
want 't aenschyn gemaect is naer 't aenschyn Gods. 
JPract, crim., c. 112. (Ebne kantteekening op het 
keurboek van Antwerpen, tegenover a. 16, dkt de 
lasteraars straft met zeven jaren ballingschap, op 
straf van den neus te verliezen, wraakt ook deze 
barbaarsche verminking, meer echter uit een gods- 
dienstig gevoel, evenals Wielant, dan uit mensche* 
lykheid: Fadet enim hominis, staat er, ad gmagi- 
nem cdestiê pdcritndinis faeta èst, et ideo non 
debd deturpari,) 



AEN. 



AEN. 



27 



8) Met blijokenden (blickenden, blino- 

kenden) aenschijn, mei onbedekten eumgexwht^ 
fr. è, tisoffB déctmvtrt. \\ Alle de getayghen, die de 
beore oft paiüe (int criem, oft partie in materie 
▼an cnirrede oft diergelycke saken criminelle) teghen 
eenigen geyaogenen produceren willen, alle die ge- 
tnj^ban moeten in persoone compareren, met blyc- 
k^nden a^nBchyn in der gebannender yierecharen. 
C. 9, Amêw., 1545, I, 8. In persoone, met blio- 
kende aenaobijn in der gebannen vierschare. Ib. 
1582, XV, 23. In persoone met blinckenden aen- 
■ebijne. Ib., eomp.,\ll, iy, 80. 

3) Orerdiachtelijk. Aanseh^, fr. f om (fig.). |i 
Onder tdecaele van theligh ETangelie te prekene, 
ao aerbeyt en laboreert hij [«{. Luther] te trou- 
bleran • , en int bende te mesachtene en onteerene 
dia echoonheijt van den aenachijne van onser moe- 
d^ der heligher kercken. Plae, v, VI. , 8 • mei 
1521, I, 93. 

4) Aensohjjn doen. Bmmjzen, heioonen^ doen 
Wjktm^ fir. prtmoer^ domnêr deë preuoet de. || fiiyn 
floede lieden eü ghetrauwe rrienden [«/. der stad 
mnt], ghy weet alle dat ie [hertog Philips] van joncx 
en kmtsbeene hier in dese mjme goede stede ghe- 
Toedt en npghehauden ben gheweest, om *tweloke 
ie deee myne stede, hu allen hebbe en boude in 
meerder jonsten, minnen en yrientacepen dan 
eeneghe van mynen anderen steden; dVelcke ie 
oock dickent wel anschTu gedaen hebbe, want van 
dese myner stede weghen en was an my noynt 
▼enoeht en ghebeden, io en heb *taltyU gheeme 
en lieflic en met goeder herten ghedaen. CoUaüêy 1 
(1446). 

AENSCHOUW (AsKSCHOüwnres), zn. o. 1) Ge- 
reekielijke eehowoimg^ hexiektiging ^ ir. vieUe, intpee- 
Üom* il Voor de keniüase yan een prysie van acker- 
schade ofte ander, bailliu en schepenen, .xl. scheL 
par., Yoor een aensohouw, iij pond par. C. e. 
Amd., n, 437, 11 mrt. 1619 Over hunne [td. 
Tan de boden der Keure] interventie in de aen- 
sebouwen van doode lichamen sullen sy profiteren.. 
O. P.-B. A., 6 juli 1735, a. 6. Qeni. Als iemant 
gedachvairt is in materie reale, dat*B in materien 
aengaende bodem oft grondt, oft proprieteyt van 
ennigen erven, dairaf die verweerdere mach een 
delay oft vuytset van sien en aenscouwingen oft 
thoen van der plaetzen te hebben gedaen by sien 
van oogen. Y. D. tay., 12. v^. 

2) Aensohouw nemen. Acht sloom op, in 

oom mertriiuf neme n y fr. eoneid^refj avoir égord d, || 
Onbeaette rente is deelsaem, sonder aenschouw ie 
nemen hoe oft van wat zyde die gekomen is. C. v. 
€hmi^ JÜtV , 28. Om te weten oft men vant verlies 
of perijckel tijdinge heeft gehadt, oft in den staet 
is geweest om te hebben, . . . moet men aenschouw 
nemen , ten aensiene van . • ., en ten aensiene tan . . . 
C V. JtMtw., coflMp., IV, zi, 19. Yermagh oock 
elck in en op syn eygen grondt te timmeren en 
metsen snlckx als t'hem gelieft, niet tegenstaende 
en sonder aenschauw te nemen op eenige vensters 
ofte luchten van ander, die daerby verdonckert 
mogfaten weeën. O. v, Br%qge, XXII, 3. Dat sulcx 
damp gefondeert ia, sonder voerder aenschauw te 
nemen op d'andere redenen hier ghededuceert. An- 
neioüane, 72 (omtr. 1684). 

3) Slok in sijn aenschouwe. JBXk voor wat 

iem aaogoai, fr. ekaenn en ee qm Ie eoneemef Ie 
re^mrde. \] Bevelende daeromme, by deee tegen- 
woQfdige letteren, men onsen sohouteth van Meche- 
lan, oommonemeesters, schepenen en raed aldaer, 
en ten alle andere onse justicieren, officieren, onse 



óndersaten, tegenwoordigh en toecomende, [ende] 
himne stathauderen , [elc] van hun in s^jn aen- 
schouwe en soo veel hem tselve aengaen sal. Xmit- 
hoogf 16 (1416). üpdat sy [«2. bailliu en soepenen] 
in de prochien van huerlieder roede, 'elc m zyn 
ansoau , zouden advanchieren ghereet een half jaer 
impost. BEUBBY, I, 210 (1576). 

AENSCHRIJYEN, bw. Voor de hr^ediemt 
insekrijvenf fr. ineoriref en/rÓUr. \\ Oproeping aen 
vrijwilligen (1537). Dat soo wie . . . dienen wilt 
in wapenen te voete, dat hij oomme te Haerle- 
beke , . . . men sal hem dair ansciy ven , monsteren 
en gheven soldee van XY daghene up rekeninghe. 
Attden, meng., I, 34. Ten dien frne ontbieden 
ül. , dat ghy van stonden an anscryft en enrolleert 
alle de busschieters die ghy hebt onder ulieden 
district. Ib. II, 240 (1558). Wel verstaande, dat 
indien ons beliefde eenich oorloghsvolok te doen 
onthouden en annemen, ten slaghe van den trom- 
melynghe ofte andemins, dat een yeghelick hem 
sal moghen doen anschriJYen onder suUske oapi- 
teijnen als daartoe . . gheordonneert sullen weeën. 
Ploe. e. FZ., 27 nov. 1541, I, 21. 

ABN8ECH, sn. m. JBeeekiUdiguig ^ fr. oeeuta» 
Hon. II AU denselven bailliu eenighe quaetdoen- 
ders ghevanghen sal hebben, wert gehouden 
deselve binnen derden dage daemaer te presenteren 
voor justitie, om op d'iiSbrmatie t*haerlieder laste 
ghehouden, en den aensegh van den bailliu ghe- 
hoort en gheéxamineert te syn. C. v. Pmr., XXYI, 3. 
En soo verre d'iniurie, aensegh one aohterolap 
Bwaer en schandaleus waere , ofte ooe orgm smaeck* 
ende, en dat deselve aengheseyt waere d^offioieren, 
wetten ofte publgcke persoonen van staete ofte 
digniteyt. XXVII, 7. 

AENSEDEL. zn. m. Wbonêi, kms, fr. Jkobiia- 
Hon, maiton. Grimm: Ansiedel, n., hobUoHo, 
domieiUmm. 8ch5nes wort, segt hg, das wir £ahren 
lassen, doch noch die ableitungen davon behaltend. 
II Jaoop Bogaerts van Laren heeft gheoant dat hg 
wettelick veroooht heeft twee Rgnssch gulden , . . 
en daervore te pande ghesat sinen aenseedel te 
Laren. 8ekep, ie iMmpmen^ SwUen, land e. Loon, 
(1461). 

AENSEGOEN, bw. 1) Aankondigen, melden, 
berichten f fr. annonoer, faire saeoir. \\ Allen dVelok 
alsoo punctudlijck vooigegaen sijnde, en naer dgen 
den drossaert , burgemeesters en scepenen van Dieet 
geseten sijn in hunne vierschaere, soo brenght den 
meyer van Caggevinne eü sisteert den gevangene 
op deselve vierschaere, aenaeggende aldaer aen den 
drossaert, borgemeesters en scepenen van Dieet, 
in substantie: „Heeren, over desen gevangene en 
sijn proces aen ons toegesonden, is tot mQnder 
maenisse een vonnis geraemt door scepenen vmn 
Caggevinne . ." C. e. Dieei, VZ. XIY, 36. 

2) A — iem. (eenen weg of pdgrimagie), Bern 
hekend maken, aankondigen met vonnie, dai k^ 
daartoe veroordeeld ie, fr. annoneer d qq. quü est 
eondamnS d ttfi pHerinage. || Zo wien peelgrimagien 
ghewijst oft angheseyt sijn te gane, die sullen 
porren te sulcken termine als hem daertoe ghestelt 
es, oft het en ware dat eeneghe peelgrimaigen 
ghewijst waren te gane in baten van denghonen, 
die ghelt gheven moeten. C, o. Aalst, Ortg, zlvj. 
a. 10. 

3) Eenen iet — . Aant^en, a a nwrijven, verwij- 
fen, opleggen, te laste leggen, fr. imputer, Elil. vn- 
putftre. II Ter oausen van sekeren onredelieken ont- 
fanghen, die sy hem anseyden ghedaen en ghehadt 

I hebbende in 't ambacht van der weverien , contrarie 



28 



AEN. 



AEN. 



den haaden rechten ran denaelren ambachte; in 
weloke handelinghe deseWe heeeeohen . . . ooo aen- 
gawyt was dat zy onbeboorlicke en ongheoorloofde 
▼erghaderynghe gnemaect hadden» by daghe en by 
naonte, om beroerte te makene hier in stede, 
't weloke was crysme haren lyye aengaende . . . Gbl- 
laiiêf tos (1451). Tan cautie ontfanghen by de Tier 
leden , Tan zekere persoone , sub pmna eommeti , Tan 
dat men hem anzegghen wilde. C v. Brugge, II, 
172. Ck>deTaert Tan den Hende beloofde in den 
handen Tan den sooateeten . . dat tallen tyden als 
hy ontboden wesen zal bi den Toors. sconteetten by 
hem te commene , hy by hem oommen sal , np 
achterhaelt te weeene Tan tghnend dat hem de 
TOon. Bcouteette anzegghen zal willen. 178. En 

§hi Bult Terstaen dat groote^injurie is soo wanneer 
ie Tassael sinen heer aensêcht, in eTclen moede» 
eenighe schandaleuse saken , gheiyok als te seggene : 
„Ghi zijt een Tcrradere, een woeckenaer , eenmoor- 
denaer of diergelijoke". Ltenr, v. VI. ^ 129. Dickent 
es die Terweerere worden heeascher, bidat hi den 
anderen aenseide dat hQre Talschelike ane looch. 
Lemw, o* 1528, 21. Soo wie eenen anderen eenighe 
leelijcke en in&me injurie aenseght..., wert ghe- 
condemneert in de boete Tan ses ponden parisis. 
C. V. Poper.^ XXYII, 5. Zie ook abvbxch. 

4) Eenen iet — . jffeloera, toetêggm^y ft,promei- 
ir€, II 8oe wat knape, die sinen meester wero ,ane 
seide en hem dat niet en hilde , die sonde dat sinen 
meester beteren na goetdunoken der dekenen. Droog' 
seieerdêTM ie D'uêti 1415 a. XTij. Item, zoe wan- 
neer een cnape comet wercken in eens meesters 
huys, en zynen meester toeseyt en geloeft te 
werckene, dat hy.dan in egheens anders meesters 
Huys on zall mogen wercken, hy en hebbe yerst 
den yersten meestere dueghdelyck Toldaen; oft, zoo 
wat cnape eenigen meestere werck aenseQ t , e& den* 
selTen meestere dat nyet en helt, zall dat zynen 
meestere beteren nae goetdnnckenen der dekenen. 
Ib. 1545, a. 12. 

AEN8ETTEN, bw. 1) Eenen zegel op een brief 
waarschijnlijk niet erop drakken, maar Ajomhtm' 
geHj zooals in het eerste lid Tan den zin; fr. ap' 
pendre. . . . || Soe hebben wjj [tU. de biBsohop Tan 
Luik] onse groete ziegelen desen . . letteren . . doen 
anhanghen, biddende dat Eerwerdich Tan Ludiek 
[fd. het kapittel] en dat oouTent . . . dat sy den- 
seWen bricTen . . hen zieghelen daeraen setten willen* 
a o. aimi-Truiden, $ 21. 

2) Ovèrltggem (in recht), fir. prodmre dêê dooit' 
monts (en justice). || Hoe en in wat manieren men 
testamenten behoort TOert te brengen en te appro- 
beren. Alle testamenten beheert men, naer den 
Loenschen lantrecht, gansch en geheel ongeechey- 
den en ongedeylt , met synen datum , daoh en ure 
desseliTs, onderteyckent met den notaris, aen te 
setten, naer forme Tan recht. C. gr. Loom, I, 158, 
(omtr. 1550). Hoe men aensetten en procTcn [sal] 
houwelycze Toorwaerden en testamenten. Yemant 
die prooTen wilt testamenten oft honwelyze Toor- 
waerden, die sal die aensettende syn Toor dat ge- 
richt; en men sal dan wTsen, dat der heer Ter- 
leenen sal eenen bode Tan den gericht, der welcken 
bode den openen dach Tan xt. dagen doen sal 
den naesten geërffman, daerop men prooTen wilt 
alsulcke houwelyxe TOorwaerden oft testament.. 
60, a. 42. 

8) Een geding — • Aanleggen, inspannen, h, 
inienier mn proeh, || Zoe eest eenloye en een moeye- 
lyck recht , dat scouteten en scepenen noch egheen 
Tonnis gheTen Tan erTen, noch Tan scout, daeraff 



gedinghe en proces Toer hen aengesat en geümtea^ 
teert es. K. v. Bmi-Trmden, 1866. 
_ 4) Absoluut. AoÊtUggen, eiêeken, imep amne n 
(een geding), fr. inienier (on prooès), demander , agw. 
1 1 Alsmede orek , oft , boTen die gestatueerde raohten 
Tan extraordinarisse TergMderinghe ofte uytcomate, 
door UEd. Eerentf. heeron, te Terolaeren: eeoe 
partye, extraordinentie aensettende olt bedaegt synde, 
sonde gehalden syn te betaelen de oosten Tan 
maeltyd, Terteeringen in bier, oft hoe bet aonde 
moegen i^ C gr. Loom, I, 576. 

AEN8ETTER, zn. m. Aankgger^éUeker^ fr. dmnam- 
dmtr. II Daer een loye gedeylt woeidt, en die we- 
derparthyé copie Tersoeckt, die oopie hebbende, 
dat alsdan die parthye oift aenlMger Teraoekt bet 
loye aff- oft aengederlt te woerden, en dat dan 
Terweerder twee oflt drye genaohten laet Terstryoken 
sonder sulcz te doen: is den aensetter alsdan wd 
gafundeert, so Terre hy het loye selfb doe^? (7. gr. 
Loom, yin, 82. Comende op den XT«a daoh, en 
dat hoechste Tan den dage nl leden syn, als der 
aensetter syn getuygen presenteert, men sal wysen 
den partijen enz. Ib., TI, 42. Oft hy op die aelTe 
deerden mael niet Tort en queme, aal den aensetter 
dan moghen syn loye doen en Torts op ham Tolgen 
nae der stadt recht. O. LUge, 18 mrt. 1502, a. 8. 
Tongeren. 

AEK8ETTEBSSE, zn. V. JBieekeres, fr. dêmatt- 
dereêêe. \\ In der saecken Baeten Gouwerts, aen- 
setterase, ter eendere, en Thys Pelsers, ter andere, 
is geweaen enz. C, gr. Loon, VIII, 86 (1546). 

AEN8ICHT, zn. o. Voorlcomên, fr. aipeel. \\ In 
Hem en was ghiene ghedaente noch sohoenheit, en 
wi saghen Hem, en in Hem en was ghien aen- 
sicht, e9 wie begheerden Hem enen Temnaeden 
en eenen alreuTerworpensten der mannen, een man 
der rouwen en die siecheden weet. €Miidh. 15« E. 
Pauie-ghei, , 56 t*. JBne propkeOe, 

A— bieden. Troêseeren, fr. hraver, \\ So wie 
een messe uytter soheyden treokt, in gelaten Tan 
strijde, of met steenen, stocken oft wat geweer 
dat sy, den anderen oploop dede, met slaen, ste- 
ken, oft in gelate Tan slaen, Teohten en d'aaziBieht 
bieden, sullen breucken. . O. LUge. , 18 mrt. 1502 , 
a. 8. To^geren, 

Afleveren. Set hoofd Ueden, fr. faire We. 
II Daer wart hy [iiZ. de graaf Tan Vlaanderen] 
tsynen rade dat hy ansichte den Inghelsohen lera- 
ren wilde, en ontboot OTer daoh en orer nacht 
sine Trienden in Vrankerike sinen nood, en bad 
der steide Tan Tpre omme hnlpe efi troost. Ol. t. 
DiXMUDX, 25. 

AENSIEL, zn. m. Waarschyniyk eene samen- 
trekking Tan ansiedel , aenaedel (Zie dit laatste w.), 
woonst, woning, hier: de bijzonderste wonii^ Tan 
een leenheer, fr. manoir primeipal. \\ Dat men Tort- 
aen allen gespleten en belasde heergewerleenen, 
die by helder derselTcr lenen werden Torcooht, sal 
der helder oft proprietaris Tan den ansiel oft prin- 
oipael leenen [{. leen] bennen jaers mogen lossen. 
C. gr. Loon, Leenr., 14 mrt. 1548, a. 7. 

AEN8IEN (Anesien), bw. onreg. (saek, gebied. 
wys enk. sieh aen). 1) Zien, fr. voir, \\ Allen den- 
ghenen die dese jegewordige lettere aensien soalen, 
groete. K. v, Diest, 1228, Tert 14« E. Lat tekst: 
inspieere. Allen denghenen die dese tegenwoordige 
letteren suelen aensien. Cart, Saini-Trond, 18 nor. 
1404. Allen denghenen die dese letteren sulien aen- 
sien oft hoeren lesen. Sekep, v, Sini'TVmden ie 
Diesi, 29 apr. 1458. 

2) Aansohomoen, ét.rtgarder. || Die lioTO soaepkane, 



AEN. 



AEN. 



29 




dti i^n dift wtvorooome khideie XpL, die gh«me 
wddan loadBn, date die gheme dat woort Oode 
horen ■ouden; die syn Troeeh opgbesteen, en B)ja 
Angmghen in den werden lichiune Ons Heren 
Urn ][^, en hebben die met gfaeerteliken oeffe- 
BÏnghen §1 doerreven; want dat gaen dat ai te diere 
wa$len gaen, dat ea haer Tlitegbe aenaien, efi 
haase eraehteghe eS gheatadaghe c«ffeninghe in dat 
inete leren Ona Heren Ihn Zpi. AUêrkerttb, 9t«, O 
goedertjaven Heere, aioh aen mQne bedmeottieit 
en dan lanwe myna herten. Oèbedh. 16« B. 85. 

3) gerifi%aw , mi octgêmëükomo iMaia», fr. itupeo- 
ter, iea awag r . || Welck ooMTal [doodtralle oft yer- 
diiaokinge} nochtans gaaebiet sQnde, die wethoa- 
dann . . tn de teganwoordioheit van onsen oiBeier, 
a l d a ar Itadve] aoaden aensien oft yiaiteren, en 
aladan Yerelaeren oft Toor ongeyal gebonden souden 
s^ oft niet C. e. IHêti, O. 16 mei 1609. 

4) FaorxMfiy fr. nrMr. || Bfi omme dat men 
daehta efi aneaanb dat Umt in ompajse en in orlo- 
^le i^ieataen beeft, aoe dnoht men dat niet goet 
aoeh ocborleee en waere faraobte men dbeaoeo rore 
tgbemene lant, oobte dat men soe yele toIcs yW' 
gadavda alae aneeiende [als te Miesiene] es dat daer 
▼aigaderen sonde. JBnq. Brab, 1884, 18. 

d) if eejsniB , a mm êm a ê, mU aammerkiwg wa»^ ft, 
ee, eomMérmÊJ, || Dat wi, aneaien den'meneeb- 
Toódaüekan dienst efi onst, die onse lieve stat Tan 
ons en onsen vorderen meneobwerren 
Brté. Y., I. 779 (1828). Dat wi, een- 
den meniobvoldigen dienst en jonste , die onse 
seepen en en porteren van onse stat van Antwerpen 
OM gliedaen hebben. 886 (1849). 

6) Ten aénsieiie en wel wetene van 

(een iader). Optm se. Uooi^ opeiAaaHijky omdêr 
itditn oq^, b, mÊ tm ti am 9U de Umi U moniê, 
II Alle fauÓien efi Tolmaeote weroken, die ten aen- 
aiene en wel wetene van eenen anderen (nochtans 
op ftjam selfr gront) sonder t^genseggen Tolmaeot 
ign, , . . moeten bÜTen steende. O. e. AsUw. 1645, 

yUl^ 18. 

7) Sonder aensien van. Zondtr u leium of 

eoM iê ^veaa op, fr. mm« eaoir égaird a, \\ Ben man 
mach alle sQns selfs goeden, haeffeiycke en erffe- 
Vjfdkm, boedanieb die ^n,... welverooopen, sonder 
aensien van sinen wive, en oiok tegben beoren 
daaek efi wille. (7. v. AsUw,^ 1645, 1, 18. Ingevalle 
gmaat van de boetsg e a el len ter contrarien dede, 
efi tscbip variiete sonder oorloff oft aensien van 
dan sehipper, die staet tot atraf ten goetdunoken 
iui de weih. Ih. comp., lY, viQ, 186. 

AEN- ENDE BU8UN. AaüwtMig, iegêmooordig 
sifb, fr. Ure p/rétêmi e, auiHtr d. jj DVelck alsoo 
gadeen agnde, soo meent den sobontetb den bofge- 
', oft een van de schepenen; dewelcke, 
synde, wyst: dat desen persoon sgn 
efi vemienwen sal tboonen mét schepenen, 
d^ [die er] mede aen- en bijgeweest sgn, en, 
daerente'ónde recht. Dat aQ seggen sollen de ge- 
rapte waerheQt vant gene dea sQ gehoort efi gesien 
bsbban, daarmede sg blJ- efi aen hebben geweest 
efi dat bon kennelfjck is. Ib. YII, iv, 19. 

AEN8LACH, sn. m. 1) h A amêm mm ng, fr.aiaate- 
WÊmd, II Yoofts sollen [de boterdragers bimien Bmgge] 
ontfangen voor de boter ter scbaele in te ste^n 
ofte aenalagb, een groote voor elke cnype. JPZoc. 
e. Fi, XI, 1SS6 (1696). 

2) Jatêdagmtmhgt fr. jomm. || Nochte en snllen 
da vooTBeyde baillina ofte officiers, door den pech- 
tv ofte i^Mn commia aensoobt ayóde , tot bat doen 
van aUe oalaignen efi aenslagben . . , niet mcghen 




nemen eenioh aytstel ofte doen eenieb refioa. Ib. 
786, a. 80 (1687). Op pene dat deselve [hoorns] 
beesten sullen gehouden worden voor besmet te 
weaen, en als dnsdaenige aenstonts met bnnne 
hntjden in d*aerde gedolft [gedolven] worden, seven 
voeten diep, ter plaatse daer den aanslag sal ge- 
schiet stjn. Ib. 1870, a. 1. (1769). 

8) Stokslag, hij opbod, fr. pat MAhattaüom, a 
Vênean. jj Bebondeiyck nochtans, dat alsnlcke ver- 
ooopin|^e behoort te geschieden: te weten, van de 
erfhaeffeiyoke goeden openbaeriyck met den aen- 
slacb, en de onbemerUJoke gooden, naardien de- 
selve dry Bondagen achter den anderen völghende, 
ter beboorlijcke plaatsen beboormcken sjn geveyit, 
openbaerlijok ten höosbsten efi schoonsten voor 
eenen jegheiyck. C. e. *« Boêeh, Twüj, 8. 

4) AmêvoI, fr. oHaqtie, || Vp Sinte Lauwereins 
dach.. Zo wiert bg der armeije van den oonino 
Philips a&besmeten de armeye van den oonino 
van Yranckerycke, danof den grave van Hegmont 
den eersten aenslaoh dede; sodat hem, met^Mlers 
de andere heeren van auwaerta [herwaarts] over 
de eere bleven es. Piot, Ckrom,, 807. Hoorende 
dat ons volok van oorlogbe van allen qnartiaren 
waren veraaemende, hebben andre resolutie ghe- 
nomen, vreesende den aenslach. 826. 

6) JBtffin (bouwk.), fr. ooaisMeoiMMa^. || Yierkant 
rabat springende uyt den muer eenen ofte onder- 
balven duym, en vier duymen dick van bnyten, 
en in aenalagb, als andere gemeyne rabatten, au 
men meten een en eenen halven voet voor eenen 
voet lenffhde, efi van vyf en een half en ses dny- 
men dick, dobbeL Plae. e. Brab., 16 jan. 1706. 
Y, 678. 

AENSLAEN, bw. (sloêdk). 1) Laken. Sèi aam 
heê raam êUum of ê p ^t erem, fr. aüaekor om oUmtr 
(Ie drap) è la rome, \\ Yoert, tallen lekenen 
moeten syn IIII hanalagbera en niet min; en alou- 
gben de II ofte de dne an sonder den vierden, 
80 verbeurde elo Y scbeL Bfi de raemheere ofte de 
drapier ofte haerlieder boden moghen halen den- 
gbenen die diaken hebben gbebolpen anslaen , tallen 
tiden dat sy de laken l^Dcden [bereiden] willen 
ofte doen breeden. Amdtm, mmig., 1, 826 , omstr. 1329. 
Yort, wat langbere lekene [dim] scaerlakene lingde 
ten rame comt , moet j elle lanc staen op de ramen. 
Weert corter stonde, verborde zz Ib. ; wtghenomen 
alse ment versght oobte anderwarven anealaen 
(ne), soe maget passeren met zlviQ ellen; en staet 
oortere, bet verborde zz Ib; en daet [dede bet] die 
aenslaen, die aenslaghere [es], soe verborde bi de 
boete; efi daet die pOTtre, soe verborde bi se selve. 
Lakêng. U MaekêUm, 1881, a. 124. Ib. a. 128. 
Yort, wat lekene ten ramen comt, dat men aen- 
slaet, en met quader hoeden tebroken weit, efi 
dat gesdet biden aenslaghere en die ramen onder 
handen hebben... Yort, sone salmen gheen oorte 
lekene aenslaen op langbe 'rame; wie dat dede, 
weder bi meester of cnape ware, die meester ver- 
borde z Ib. en een jaer sün ambacht, efi dat laken 
ware verbort en z Ib; wtghenomen oorte breede 
lekene, die nu in banden sün, die de deekene 
besien hebben efi beaegbelt^siin met twee seghelen, 
efi die ghevarwede met drien ; en die ael men moe- 
ffben aenslaen ane litnffbe ramen efi veregghen elsoe 
hmghe else duren. Ib. 1838, a. 2. Zo wat lekene 
jof wat weroke, dat men aendt in eene meesterie 
an te slane, dat men det vonden sal in deaelve 
meesterie efi opreeden in sine nterste vonde. JF. 
lakêi^Me ie Brt^go, Soiêrers, bla. 66, a 1. Dat 
geen raemscheerer laken anslaen en sal , noch eenioh 



( 



30 



AEN. 



AEN. 



Brogohs wero dat soUd en bmgghe an heift, het 
moet enen nacht an de ramen staen en de deken 
yan den xamen en cina ▼inden moetent bezien eer 
ment ofdoet. Ib. ab 3. Dat men alle manieren 
▼an lakenen, gheene ballinghe slants eynde, wel 
mach analaen en ofdoen en opreeden ten prof^fte 
▼an den personen diese toebehoren. Ib. 66. a. 6. 
BmgBche oesaepte lakenen zal elo echeerer an mo- 
ghen slaen, maer niet ofdoen, eer dat zij bezien 
z^n van den deken van der ramen en van zine 
▼inders. Ib. a. 7. 

2) Ajom k ec h Um^ aeuükamgen^ aattpUikkên, (eene 
dagvaarding, eene genaohtinge, een edict), fr. aüachery 
afficker^ (nne aeeignation, nn édit). || Dat in deser 
leencamer een genaohtinghe aengeslagen en ▼oor- 
gestelt wordt ▼oor den ztadthouder oft, in sgne 
absentie, ▼oor zijn Babstituyt» oft aen den borchrinck 
aen dat slot yan Hartogenrade, in tegenwoordighegt 
▼au twee mannen ▼an leen» gelijk eenen kommer 
in der bankrecht gemaeckt, en ▼olgens [▼ervolgens] 
▼an ziiij daechs tot ziiij dagen bis [tot] sees weken 
dry dagen» sonder onderlaet oft ophooren ▼er^olcht; 
en eeene heilige dagen sollen daeraen ▼erachte- 
ringhe oft letsel doen; den leenbode oft, in zyne 
absentie, een van den mannen van leen» wordt ▼an 
den staathouder bevolen telcker reyse die ▼oors. 
genaohtinghe voor de gewoonlijcke ▼acatio t'insi- 
nneren. Leenhof «. *« Hsrtogenrcide , a. 1. Maer 
soe wanneer der possesseur deseWe leenen ▼er- 
treckt oft dilayeert t* ontfangen naerdyen deseWe 
daraff ▼ermaent is geweest» mach denstadthoudere» 
▼an officie wegen» op sulcke leen een genachtinge 
aenslaen en geen ontset permitteeren oft toelaeten. 
Ib. a. 21. Soe wie die openbare edict<en, geboden 
en mandamenten, die aengheelaghen worden, met 
OTelen moede in stacken schuerde oft wechdoet, 
die wordt gheoorrigeert met pena faUi. Pibhidsb, 
III. o. 25. 

3) Jamiouden (iem.)» fr. €ÊrrHer (qq.) || Oft, by 
oorsaecke van alsulcke twist oft gehecht ijmant van 
lebenden lijve ter doot werde gebrocht, oft dat 
anderssins daertoe . . . Igffstraffe sonde staen » soo 
sonde den misdadighen bij den schipper aenge- 
sla^gen en bewaerd moeten worden. C. e. Antw » 
eamp.t TV, ▼üj, 204. In welcken gevalle sonde 
men den sohouteth moghen toelaeten hem ^an den 
persoon des beclaechde, tsynen huyse oft elders, 
te ▼ersekeren , . . , om » f contrarie ondersoeck ge- 
sien» aengaende t' rangen oft aenslaen ▼an den 
beclaechde voorts gedaen te worden naer behooren. 
Vn, ü, 11. 

4) AanwiUe», fr. aüaqmer, || ALk) wy hebben 
onthouden en doen annemen in onsen dienste di^er- 
sche benden van ruteren en knechten, denwelcken 
dickwyle ▼an noode es te trecken van d^een land 
in d'ander, omme hemlieden te ▼ergaderen en onse 
▼ijanden anslaghen en wederstaene. Plac. e. F2., 

I juni 1644, I, 734. 

6) Ziek (iet) toeSiffenen, fr. s^appropier (qq chose). 

II En wes densel^en cheynsenaer of rentheffer 
Sbldus daeraen geleijd [besteed] zal hebben, dat zal 
hem den proprietaris , of dengenen die den beleijden 
pand voor date ▼an d'adjudicatie zal willen aen- 
▼eerden» moeten opleggen en betalen» met den 
▼oors. achterstel en kosten» ▼oor en aleer hij dien 
zal mogen, aenslaen oft 'tzijne maken. C. e. Jffnw., 
1607» a. 101. Christijn vertaalt dezen laatsten zin 
aldus: priuaquam eumden [fundum] sibi attribuet. 

6) In hedag nemen ^ verbeurd maken ^ fr. eaUirj 
metire airrU ««r, etmflMqner. || Soo ▼anghelycken 
yemant, eenighe executie ontgonnen hebbende by 



pandynghe» ofte by afwinnynghe, en hem beduch- 
tende niet toe te schieten» ▼ermoghen vX ghedue- 
rende dezeWe executie andere goedpighen ▼an 
den debiteur te doen uulaon en saisieren. (7. o. 
And. , I. mbr. YII , 16. Dat men niet eerst en ▼ooral 
en sal aenslaen de peerden oft andere meubelen 
daermede de gecondemneerde hem meest ia gena» 
rende. C. leekkof e. VMenb., Stifi,, 1631, a. 66. 
Als den amman oft roeydrager egeene gereede 
goeden genoech en ▼int op den pant.» om partije 
schuit en achterstel mette oncosten te oonnen vd- 
doen».. alsdan ▼ermach hg oft synen roeydrager 
den pant aen te slaen en te ▼eiüoopén» en den 
cooper daerinne te goeyden en vestigen. O. v. Anko,, 
eomp., y, ▼y» 18. Dyes en mach men de deyne 
oopere munte » als oortkens» negenmannekens» halve 
grooten oft diergelijcke » niet voorder verstcecken 
[in betaling geven] dan tot pasgelt» t'elcker regse 
voor vyff oft ses stnyvers» en niet meer; en oft 
ymant die voorder aanbode» en is men die niet 
gehouden te ontfangen, maer mach die a en slaen 
en verbeurt maecken ten behoede ▼an den armen. 
Ib. IV, !▼, 4. 

7) Beginnen, fr. eommeneer. Ziet wellicht op 
het maken of slaan ▼an een kruis. || Ooo een 
priester, die zyn misse anghesleghen hadde voor 
den name Jhesus autaer» quam zulck een vreese 
over» dat hy ghereeschap maecte om van zijnen 
autaer te loopen. JBer. tijden ^ I» 265. 

8) Te laste vallen, fr. tomber è charge. \\ Oh 
ymant bede oft dede bidden om quytsoheldinge 
oft om wtsatte [uitstel], so sal metten selven so 
groote broecke als onser vuersor. stat ▼an desen 
▼oer hoer gedeilte getallen syn sall» oic in gelycker 
manieren en so ▼iell . . aenslaen en toevallen. O. 
Li^, 11 deo. 1600» a. 10. MatseU, 

9) (Eene boete), voor het doorgaans gebmike- 
lyke: bekeeren^ verdeden^ bes temme n y fr. pvrtager, 
appliquer. || Dieghene, die hem sleet of quetst» 
[sidl] verbueren twelff Binsgulden» an te slaan een 
derdel ons, een derdel onser stat» en dat derde 
derdeel der partyen. O. lAêge, 11 deo. 1600, a. 
29. An te slaen halff ons en halff onser stat 
Ib. a. 34. 

10) (Eenen pacht). In pacht nemen, paeèien, fr. 
prendre è ferme , affermer, \\ By aldien men bevonde 
dat sy \nl. alle hoeren en vrouwen . . ▼an parochién , 
heeriykheden enz.] denseWen pacht [der pomtinghen] 
aensloeghen door een gheeupposeert persoon, ordon- 
neren dat sy, bo^en de ▼oorseyde nulliteyt ▼an 
pachte, zullen ghestraft worden met deportement» 
bannissement , ofte andersins. Plac. v, VI., 80 
juU 1672, a. 34. III» 369. 

AENSLAEN» zn. o., Inhealagneming , fr. saisie, 
confieeatian. \\ Tot weloke betaelinge, indien al- 
sulcke behulpers» ▼erswijgers oft bedriegers niat 
suffisant oft genoechsaem en worden betonden, soo 
souden sy » indyen het weireUjcke persooneri waeren, 
gestraft worden met geesselinge, en de geesteiycke 
met aenslaen [variante: met ae n slaeninghe] Tan 
hunne tijdelijcke goeden. C. v. Anitt., eomp., lY» 
xvj» 64. 

AENSLAQEBE » zn. m. De hamdeoerkman geiast 
met het laken aan het raam te «laan, fr. Vonvrier 
ehetrgé d'attacher Ie drap a la rome. Zie AXVELAX». 

AENSLANINGE. Zie ashblabh. 

AENSNIJDEN» bw. Aangaan,, betreffen raken, 
fr. coneemer, regarder. jj Mer niet te myn, in 
anderen saken» die ons en die ▼orscre^e stat aen- 
snyden» sullen gemeinlio en te gader die vors. bur- 
gemeister en raet tegader comen mitten scepenen, 



AEN. 



AEN. 



31 



om te timctieme en te ontkimiinerexi van dim 
aken. U. lAÜge^ 18 noy. 1404 , a. 4. Sint Truiden, 

A£M80£CK, zn. m. OereekiëUjke eurnmaniMff^ 
tforapmff, fr. êommaHoH ^ imviiaiion judiofoire. \\ Oh 
de mededeelhebbeie , oft ijmant y«n hnn, twee 
maeiiden naer alaalcken aenaoeck offc sommatie -hun 
deel in de oosten niet op en brachten en betael- 
den. . . C n. Amiw. , comp. , lY , xix , 30. Al ist dat 
de sohnlt tot hantmllinge staet, boo wanneer daer 
Bochtanu aommstie oft aenaoeck tot ontlastinge 
ii. Ib. lY, xiv, 18. Zie ook AZirsoBcnN. 

AEN80fËCK£N, bw. {êoekte, aen^Mochi, oen- 
aodU). 1) Venoeken^ zoeken , fr. demander, chef- 
eker d. || Yort, wat weerde of aamecoepere binnen 
Heebelni wiaaelde ochte barenteerde, ochte ane- 
aoehte te barenteren yan der lieden greyne om 
lakene.. K. lakeng, MeA., ISdS, a. 48. 

2) Verzoeken^ bidden^ fr. prier, soUieUer. || Indien 
hij den eenen en den anderen Tan de omstaenders 
heeft aengesocbt [om toot hem borg te blijven]. 
Gofl. o. BeremÉalt, II, 16. 

3) OeFeckiel^ aftragen^ vertoeken, fr. demander 
par eommt MÜ on , reqnérir. \\ ALb eenich schip mette 
goeden genomen is, mach den éoopman den schip- 
per doen aensoecken oft hij mede begeert te ver^ 
staen tot loeainge oft rantsonneren ; en indijen de 
■ommatie oft aensoeck is gedaen aen den persoon, 
aoo 18 den schipper gehouden binnen xziiy uren 
<^ntlijck te Tercleiren sijne meeninge; oft, ind\jen 
die gedaen is tsijnen huijse, moet die doen binnen 
zxüö uren naer de tweede sommatie. C. e. Aniw, , 
eoeig». , IV , riij , 115. Voorts meer , bevelen wy gene- 
taiifcken allen denghenen die in eede syn . . . die 
justicie bij te staene en assisteren, des aensocht zynde. 
O. CrMt. e. 1670, 'a. 44. 

4) Amneprécen in recht, fr. aeüonner, || Boven 
alle diea is het oock impertinent en manifeste 
sbsnrditeyt te besluiten dat men, naer den laps 
van 10, 20 en meerdere jaeren, als men den 
eertijfiant maer eerst saude oommen te aensoecken, 
alsdan saude moeten gaen examineren en de preuve 
beleeden nopende de gestaethede van de borgh- 
togfate ten tyde hy hem borghe heeft gestelt. Anno- 
Miame, 161. (Het geldt hier iemand die de ,vBnffi- 
nnthcde" van eenen borg ,^eoertificeerd" had). 

Zie ASKDBACHT. 

A£N80£CKEN (anzueken), zn. o. Vorderinff, 
ciseè, fr. rêqwieition. \\ Bat wij eenen edelen, onzen 
getrouwen lieven man , Gerairde , heere van Djest , . . 
seepene , geswoime , en alle die poirteren van Djest , 
van allen aensuekene, van allen aensprekene, van 
allen calangen en van allen mesdaden die tschepene , 
geswoime en dpoirteren van Djest voirgenoempt . . . 
gedaen mochten hebben iegen ons, ooht in broka 
souden z^n iegen ons van sheeren wegen , . . scel- 
den deirlike quita en laten altemaile vrij. Domde 
BoMoeek, P 49, 24 juni 1307. 

A£NSO£CKINQ£, zn. vr., Gèreehtdijke aan- 
'wmmmg, fr. tornmaüoin. \\ Vangeiycken, als de 
aaecke is gestelt om op ijmant anders te hebben 
snn guarand oft waerschap, oft ook om geïndemneert 
on schadeloos gehouden te worden , soo soude oock 
ganomen en verleent mogen worden eenen dach 
van Bommetie oft aensoekinge van acht off vgfftien 
dagen. C e. Antw.f eomp,, Y, x, 28. 

AEN8PRAKE (aenspraecke), zn. vr. 1) Oereehr, 
idgke eisek, fr. aetion, detndnde jmdieiairey condu- 
non. II Sn hj sal die goede voirtaen erfeUc en 
ewelic behouden, hanteren en besitten voer sine 
propre erve en goet, en in rusteliker en vredeliker 
.^ dftiraf bliven, niet wederstaende eenig 



terhande calengie , hijnder, stoot' oft aensprake die 
hem dairtegen van yemane gedaen of geworpen mach 
worden. C. e. Bruês., Stat, e. 20 jan. 1417. Dan, 
middelertijt , totdat, bij kennen oft ontJcennen, in 
de saecke geoontesteert sy, soo mach d'aenvra- 

§ere altijt sijne aenspraecke oft conclusie veran- 
eren. C, leenh. v, Mech., I, 14. Dat hij gehouden 
wordt voor bekennende de fegten in d*aenspraecke 
oft conclusie begrepen. Ib.' 17. De procureurs en 
mogen hun niet moyen mettet maecken van eenigen 
heiJBch oft conclusie , . . maer moeten alle aen- 
spraecken en conclusien doen en laten maken en 
teeckenen by de advocaeten. C. v, Antw,, comp,, 
Y, iy, 16. Ën ofter eenige aenspraecke oft con- 
clusie bevonden wort anders gemaeokt oft ge* 
teeokent te syn, soude enz. Ib. 17. Die syne par- 
tye heeft doen daegen, is gehouden, ten daege 
dienende, syne conclusie in aeüa te stellen, SCt 
wel over te ffeven synen heysch oft aenspraecke, 
onderteeckent Dy eenen advocaet. Y, x, 1. D*aen- 
spraecke moet inhouden claer verhael en openinge 
van de gelegentheyt van de gelieele saecke, en tot- 
dyen den heysch oft conclusie daertoe staende. 
Ib. 2. Oft d 'advocaet oft procureur versuymelyck 
waere geweest alsulcke clausule in de conclusie oft 
aenspraecke te stellen, soude t'elcke reyse verbeu- 
ren , . . en soude des evenwel de conclusie oft 
aenspraecke in rechte niet ontfangen, maer ter- 
stond verworpen werden. Ib. 3. Mach oock den 
schouteth syne aenspraecke en conclusie deyien, 
ende, dat doende, tegens den gevangene conclu- 
deren, tsy tot verbeurte van den lyve oft tot 
civile boete, oft anderssints. Ib. YI, iv, 16. Die- 
nen van — , overdienen syne aensprake. 
Zijnen eisek inbrengen, fr. foumir ses ooncUuione. 
II Partyen verborcht hebbende, soo hunnen persoon 
als goederen, is den arrestant oft aenlegghere ghe- 
houden van aenspraeke te dienen ten eersten 
ffhenechtdaghe naer het verborgen; en ghedient 
hebbende van èenspraecke . . . C. o. MóU, Stijl, 
a. 14. Indien de verweerdere , andermael ghesom- 
meert zynde, compareerde eü versocht copye van 
de overghediende aenspraecke. Ib. 15. Aensprake 
en verantwoorden. JSiseh en tegenspraak, — 
011 antwoord — en verdediging., fr. demande et UHe- 
oonteêtaüon, || Als een aensprake en verantworden 
vergadert is [nl, reconventie]. Item, soe wanneer 
twee partyen tegeneen in *t verantworden comen, 
soe is den heer verschenen vy schillingen, en 
die betaelen die veilige partyen. C, gr. Loon, I, 
n' YI, a. 9. 

2) Tioht en aensprake doen. Be$ehuldigen 

en aanklagen, fr. accueer et actionner; of enkel een 
van beiden. || Allen den poerteren van der stadt, 
synde aengetast en gevanghen, (soeWel by den 
Bchoutet als by den amptman oft partie, int criem 
oft int civile) dien ghevanghenen moet de heere 
oft partie ticht en aensprake doen binnen den der- 
den daghe nae syne apprehensie. C, v. Antw., 1545, 

I, 2. 

AENSPREKËN, bw. 1) Gereoktelyk aankla^ 
gen, fr. <totionner, || Wien men anesprake van mes- 
dade , . . hi sal heme onsculdeghen. K. v. Antw. v. 
1292. Ten derden male sal hi sueeren, dat hi 
onsculdeg es van den stucken daer menne af hevet 
aneghesproken. Ib. Dat mi [myn] broder Jaooppe . . 
en niemen el toebehoort danespreken, tbedingben 
ende tmanen van alrehande stucken. 19 juni 1295. 
Maer als de gevangenen, by zynen eyghenen oon- 
sente, den heere oft partie heeft onverlet geset 
voer scepenen van der stadt tot op eenen an&ren 



32 



AEN. 



AEN. 



uikeacen geleganen dach , ,. . in dien gevalle en 
loopt den heere oft partie gheenen tyt, oft en derff 
men den geTangenen nyet eer aanspreken dan tot 
■oloken di^he büm hy den heere oft partie heeft 
onverlet geirtelt en daoh gegont. C. v. Amiw. , 1546 , 
1, 8. &e wanneer de heere oriminelick, oft 
partie (om oimede, oft andere dyergelyeke actiën) 

Ïemande ter Tiancharen heeft aengeeprokan. Ib. 4. 
>*een poortere en maoh den andere hayten der 
stadt en vriheyt nyet aenspreken, commeren of te 
rechte betreoken in peraonele en mixte saken. 
Ib. IX, 88.. Eenen poortere (by den oi&cier van 
liyè oft lede oft andeneins aangesproken synda) soe 
▼arre baroaden wordt d»t hy t^onrechte is aen^ 
sproken en beticht geweest, dien moet da oiBcier 
syna oosten en schaden gelden en betaelen. Ib., 
66. Wie ter Toors. yierschare ten land1|^enechte 
yemanden wilt aenspreken oft baklaeghen, doet 
mnen heysch. den secretaris ter rolle stellen. C. 
V. SerentaU, ü/ 10. Wie [l, By] alsoo de aen- 
ghesprokena ende beklaeghde, ten eersten ge- 
neohtdaeghe daemaast Tolghende, in rechte ter 
Tierscharen niet en komt in persoone. Ib. 12. Dat 
ii, soo wanneer een ingheseten poorter der stadt 
tan Lyere b^geirt te oonyenieren oft aan te spre- 
ken een byvancxman , schuldich is hetseWe te doen 
tan genechte. C. e. Lier, Stijl, YIII, 8. Dat 
•da ingesetenen Tan den byrange, van kenran en 
breucken, accysen en andwe, worden aenghespro- 
ken en geconyeniert ten ordinarissen rolle. Ib. 4. 
Twee afgesetenen onder eene banke en jurisdictie 
rassorteerende, en mogen malkanderen binnen deie 
stad en hare Tryhegd niet arresteren, bekommeren, 
noch Toor de wethouderen te rechte betrekken toot 
rouwe actiën of schulden , maer sQn schuldig elkander 
aan te spreken Toor hunnen competantan richter 
(7. o. Bnu»., 1607, a^ 85. chbistuv: in jui oo- 
ear». Om te weten oft «den coopman den Toor- 
■ohrsTen tyt Tan Teerthien daegan begeert te ge- 
nieten oft nyet, soo moet den schipper, naer Sbd. 
besproken en gewoonlgokan tgt en .daegen, den 
coopman tot dyen egnde by proteste dDen aen- 
spreken. C, e. Antw., oomp., lY, TÜi, 25. Soo 
wanneer in gemeyne huysen oft andere timmengien 
noodeiyck raparatien Tandoen syn, bg gefareok Tan 
weloke . . . . , alsdan* mach een Tan de deelhebbers 
de andere rechtelijok aenspreken . oft sommeren, 
om mede dan cost ta doen, om alsulcke timmer»- 
gien in wesen te houden. Ib., lY, ix, 29. Tyden 
oft aenspreken Sesekmldiffêm, fr.-aeoutêr, j| 
Soa wanneer yamant hem berindt geïn&meert te 
syne Tan eenifhen daliote oft mesusa, die mach 
comen Toir schoutet, buxgermeastaren en scepe- 
nan . . . . , en presenteren hem in synan eyghenen 
persoone aldaer te rechte, teghan den heere, tegen 
partie^ an tegen alle de^hene die hem ter saecken 
Tmn dien delicte eenigssins souden willen tyden oft 
aenspreken. O. v. AsUw., 1545, I, 5. 

2) Gk>ederen aenspreken. Z^ reehi, esr- 

«o^mi op, fir. eaeremr dsê pamrnntei nr, exéomier. 
II Tan lesten , indien den oraditeur niet toe en komt , 
mag aanspreken de gedoTolTeerde goeden Tan den 
debiteur in MtMdinm. C. e. BmtB., 1607, a. 111. 
OHBiBTUir: exonUfê. Inagaiycx Termag den cre- 
diteur, Toor actiën personeel en diTisibel, aanspre- 
ken an executeren de goeden Tan deseWe er%ena- 
men. Ib. a. 112, Dat alckariyck rentier oft ohyns- 
hear synen principaelen pandt moet proeren aleer 
hy de toepanden olt onderpanden mach aenspreken. 
C e. Samihoiwn, hs., lY, 12. Soo mocht die koop- 
man dat schip binnen jaer en dag aenspreken en 



syn geld daeraen soeken. Ybbwu , Zmrmèi, a. 4. 

8) lèm. TersmadeUJck aenspreksn. Bm 

grofhdmêigm, I mtM mp ên , Jümên, fir. Mmttsr. || Soo 
wie eanigen officier, ymandan Tan de wat, tr0- 
soriers, oft andere in stads dienst wesande, oft 
oock adTOcaten Tarsmadaiyck aenspraacke oft op- 
loop dede ten aansien Tan hunnen dienst, yer- 
baurt sastich gulden. O. v. AmUd», eomp», YI, %, 48. 
AENSTAEN, ow. 1) Op kamden s^, nakende 
gijn, fr. M préunier, m prfparat, || iUs da aanaa 
te Gode |^ en beqname getyda aanstaat, znllan 
die stierlieden gebonden wesen hare anekem te 
lichten. Pioc. e. VU, 1664, a. 8. IX, 898, 

2) Aan ia htmri vjm, bedreig e^, eraan flaos- 
tem, het g emeene loi ondergaan, fr. aaow won Umr, 
Ure menaeé, eMr Ie eort eommmn. || Als nu 't bra- 
ken en afweerpen dar beelden en cyraigen der 
keroken beghonde ghemeen te werden, soo heeft 
ooc Hermentiars, een Walsche stadt, den graTe 
Tan Egmont toebehoorende , anghestaen. 3er, t^den, 
I. 85. Die Tan tclooster Tan den Augustynan, daar 
recht jeghenorer staande, liende &lk cy d'eerste 
daemaer souden sijn die anstaen souden, hilden 
haer clooster en kancke al Taste ghasloten. Ib., 108. 
Die schilderien an muaren en in glaeereinsters en 
waren niet Try, sy Verden uutghescrapt, bysonder 
die ooghen en die aensichten; . . ooc die a&luiftsela, 
paneelen, Trouwensittenen, poortalan, dooaalan, 
tmoeete al anstaen, niet alleen jn dece, maar in 
al ander keeicken en doosters. Ib., 110. Dia 
stomme a%hoden, die Baalsche hoarie,... moes- 
ten anstaen. 184. Ooc moeste anstaen een Maxia- 
beelde, soo groot als dlcTen, . . dat welcke sy tbooft 
a%heslaghen hebben, en ttindeken gheheel ghe- 
weert. 161. Al dander weerck, tafelen an tafe- 
reelen, epitaphien en chieraigen, tmoesta al an- 
staen en ten gronde ghaan. 164. Daar waren np 
Sente Pieters hondert an xxt huysen, die alle 
moesten aenstaen. III, 99. 

8) Afstaen, fr. oSder. || Yoirt willen wy , dafcae 
gheiyck silTer en platen ontfiMn eTan Tale, ten 
waere ochts de muntmeestere hadde te doen; aó 
dier [die er] dan OTer hadde ontfiMn,soude aen- 
staen [L aTestaen] , alst hem deen hiate Tan den 
tween ghecorenen knapen. Ten waare alsoe, dat 
de meester me Terladen waere Tan sÜTer. Plae, e. 
Brab,, I, 247 (1291). Mnnimeeelert e. Bre^Mmd. 

A£NSTA£N, sn. o. 1) ernêtis, drit^gend nar- 
toek, fr. insianeet, lat. inetare, \\ Dat wy, om dia 
bede en om anstaen Tan onser lieTar [onsen lieren 
en getrouwen poirteren Tan onser Uerer stadt Tan 
Leeuwe. Brab, T., 7 mei 1807. I, 741. 

3) Aanepraak, ft. prétenüon. Was gewyst: dat 
da TOors. Trouwe Florentyne hebben sonde haur 
byicTinghe op tgeheel leen, sonder eanich aanstaan 
ta hebben op da tootb. rente. Leenr, v, Ph, 86, 
nota. 

AENSTAENDE, Toors. Aat^aande, fr. qmant d. 
II Aenstaende het £Mtsoen [Tan een ,,beeldehuusa-' 
ken*' of nis], sal wesen gheiyck of in den opgaan- 
den patroon is geteeckent Bbicbbt, II, 828. 

A£MST£L, sn.m. (Instel), gediagtimtMmg , fr. 
introdneüon d'inetanee. || En behoort men ter roUe 
nogh ter Tierschare sulken aenstel [nL Tan corpora] 
te admitteeren. C. e. Dieet, VZ,, IX, ByT. a. 8. 

Zie ABITBTILLXH. 

A£N8TËLL£N, bw. 1) (Een geding, een 
actie, eene exceptie). InetHlen, inepannen, fr. «i- 
tamer, introdmre, intenter (iw procèe etc.). || Want 
all ist soo, dat de laethen Tan Tongerlo by puare 
usurpatie gecomen syn in possessie Tan de generale 



AEN. 



AEN. 



33 



penooeele prooednre over penoonen Troonende in 
tniijwn, dewelcke chijnsroerigh zijn onder dijen 
lAetboff, en dat de exceptien declinatoir, daerover 
•engestelt voor soepenen Tan Diest, oock al worden 
■mgenoomen. Ib. ^t^., VIII, 1. De personele en 
mixte actiën worden aengestelt op schepenen-rollen 
oft bi) proces oommunicatoir; de reéle worden aen- 
gestelt ter clachtboeck behoirende aen den scauteth 
Tan Biest. Ib. , IX, 1. De criminele rolle raeckt 
mrimtario den droesaert Tan Diest, over saecken die 
hij nomime offieii moet aenstellen toot schepenen. 
Ib., 5. De rolle Tan borgermeesters , op dewelcke 
aengestelt worden alle actiën concemerende stadts- 
aeeijsen, hnijsbneren, bodeloon en andere dijerge- 
l^ke. Ib., 7. Geen gulden, geen ambachten, geen 
confirerien nogh egeen andere corpora, kercken, 
eapellen, gasthuijeen nogh weeshuys en mogen, 
actiTe oit passiTe , eenige processen aenstellen . . . 
Ib., Sijty a. 7. A.— naderschap, recht van 
maatfimg insUUen, fr. inienUr (Ie retrait). || Gelyck 
hem [den cooper] oock toebehoiren alle pachten en 
Temdlen die Terschenen s'^jn Toor het aenstellen 
Tan 't naderschap, Ib. XII, 23. Soo wanneereenige 
bajten-partyen komen Toor het consistorie gedaegt 
te worden, sal {êie) ook selTer, in cas Tan oppositie , 
moeten compareren, oft wel tot het aenstellen Tan 
deee oppositie moeten senden procureur. C. o. Xo- 
os», O. giddékenen, 3 juni 1684, a. 9. Ter discretie 
Tan de dienende beeren, diewelcke, by faute Tan 
de Toon. consignatie, die aengestelde appellatie 
sollen mogen Terklaren desert. 17. Wat belanght 
eenige processen, dewelcke TOor desen souden mo- 
ghen wesen aengestelt. Ib., BegL procur.y 31 dec. 
1735, a. 18. Doordien eenige saecken indifferente- 
Ijek eonden konnen worden aengestelt Toor het Toors. 
oonsistorie. 39. 

2) InwtêUem , oprichten (een corpus), fr. instituer , 
érigtr (tm corps). || Soo ist dat wij, tot Terlich- 
tin^ie en onderstandt Tan het besonder order of 
oorpoB der apotekers , in Toortijden , als ten hoogh- 
sten TOor bet ghemljnbest nootsaeckelyck . . , bin- 
nen deeer stadt expresselijck aengestelt en opghe- 
ricbi. Aead. oTarchéol, 1862, 262 (1729). 

3) A. — Bljn W0rck, het echikken^ regelen 
MKir, fr. rèffler^ eonformer (won traTail k), |] Landen 
geeepareert met opgesette kanten, waertegens ordi- 
naris oomt een gebult, natte oft drooge grachten, 
den landtmeter sal hem laeten informeren Tan 
partijen wie soodaenige grachten ofte kanten toe- 
bebooren, eü syn werck daemaer aenstellen. Plac. 
9. Brab., 16 jan. 1705. V, 566. 

AEN8TELLER (Aenstelder) , zn. m,Aanlegger^ 
WÊther ^ fr. actewTy demandeur, || Bg soo Terre zy 
[nL gilden, genootschappen, gemeenten] zulcx 
daersonder comen te doen [nl. een geding instellen 
sooder machtiging] en het proces te Terliesen, soe 
nxwten solcke aenstelders fiomtn^ ^o^io de schaede 
en intresten dragen, die daerugt souden coomen 
te resnlteeren. C. o. Dieit, VZ., Bijv,, IX, 7. 

AEN8TEMMEN, bw. Bepaün, vaststellen, be- 
stemmen, fr. fis«r ^ designer. |] Soo wanneer de 
bmjteiifOfficierB, metten eersten brief beschreTen 
sfinde, niet geboorsaem en s\)n, noch oock ten 
aengestemden daege TOor recht alhier niet en 
commen.. C. e. Antw., eomp., V, TJ, 26. 

AJSNSTEKTEN, ow. AanhesUirven , fr. êchoir 
pat smeeestum. Kil. Ohvenire tnorie alieujus. || Ver- 
«•«•ij^^^f*^ «rfgoet, of het storTC hem ane 
in mm ^"[^*|M*oel. Seeeden van Lovene^ 16* E. 
a. 6. Ben wyff, die heur misdraecht en inet ander 
ooüTexaeert en in OTerspele leeft, die Tet^ 



beurt heur innegebrooht eü aengestonren goet soe 
langhe sij leeft, tot beurs mans behoeC C v, 
Antw.,-'!^^, XI, 21. Als man en wyff eenighe 
onruerende goeden oft erTen aen malcanderen te 
huwelycke brenghen, oft binnen den huwelycke 
aensterTen . . 58. (Het correspondeerend art. der 
compilata, II, tit. I, a. 126, heeft in het Hs. der 
Commo^ des lois: „aengestorTen'', en in dat der 
Kon. bibl. „Terstorven"). 

AENSTOOT, zn. m. Aanval, aanranding, fr. 
attaque. . . . || Dat wij, OTermids den menichToldigen 
goeden eü getrouwen dienst, dien onsen Torderen 
efi ons onse scepenen eü onse goede liede gemeynlic 
Tan onser stad Tan Lewe gedaen hebben te meni- 
ghen stonden , . . . eü omdat sij sitten en wonen 
op den kant Tan onsen lande en menigen aenstoot 
gehadt hebben om onsen wille , meer dan Tele andere 
Tan onse steden. Brab. F., 6 juni 1342. I, 832. 
In den eersten, dat elck der Toors. LX ghesellen 
wel eü Terweirlyc gereet moet wesen int harnas, 
eü wel Tersien Tan boghen, alsoot behoort en Tan 
noode is , [als] dieghene die altyt Toer {}) wesen 
moet ter nootwerre [nootweire] eü ten scherpsten 
aenstoot, daert te doene es, in feyten Tan oor- 
loghen eü dierghelycke. Krnisboog, 18 (1432) 
BoTendien hadden [zij] diTerssche aenstoten Tan 
die Tan der Vere, Piot, Chron., 469. 

2) Aanval y aandrang, drukking, gevoeld, fr. choc, 
violence, presHon, |] Cracht is eenen aenstoot Tan 
zwaren lastigen dingen, dyor men niet Toirbygaen 
noch quyt zijn en mach. v. D. Tat. 93. — Is men 
ghenootsaeckt gheweest te hooghen eü Tersien den 
Hertoghen-d ijck , . . . die Tan alle memorien Tan 
menschen was gheweest eenen droeghen oft binnen- 
landtschen dijck, die Tan de Schelde oft zeewater 
gheenen aenstoot oft gheweldt en was lijdende. Plae, 
V. Brab., 20 oct. 1609. II, 269. 

AENSTOKM, zn. ro. Bestorming, bespringing, 
fr assaut. \\ Daer trac deez joncheer Willem [Tan 
Holland] met eenen stouten heer up, dat hij s^jn 
stat ontsetten wilde Tan den groeten anstorme sijnre 
Taanden. Belg. Mus., lY, 205. 

AENS WEEREN, bw. Bij eede toeë^enen, fr. 
attribuer sous serment. \\ Een Trouw, sijnde onge- 
huwet, mach heur kint gbcTen sulcken Tader alst 
heur belieft, en is bij beuren eedt gelooft te zwe- 
rene w\je de Tader Tan den kinde is; soe Terre 
nochtans de man (die b\j tkint aensweeren wilt) 
bekent , . . dat hij met heur te doene gehadt heeft. 
C. V. Antw., 1545, XIII, 75. — De oostumen Tan 
Lier, XVII, 6, en Moll, 134, zgn eensluidend 
met die Tan Antwerpen. 

AENTALEN, bw. (Geaentaelt). Aanspreken in 
rechten, fr. actionner. \\ En sal niemant naer dien 
tijt, al worde hy oock gheaentaelt, daeraf schuldich 
zijn te antwoorden Tan sulcken goeden oft Tan 
sulcken erfTe ... Cv. 's Bosch, PriT. 1355, a. 26. 

AENTANGEEREN, bw. Baken, aangaan, fr. 
toucher, concerner. \\ Want dese Toirg. pointen 
eü onrechten sinen leengoeden aentangeren. Diest, 
reg. cop. cart. f» 12 (1307); de Latijnsche tekst zegt : 
cum dicta injuria feodum suum tangant. Alle pen- 
nincboeten, die lijf ochte let niet ane en tangeren. 
K. V. Waalhem, 1365, a. 63. — Die Tier man , alsoe 
gecoren Tan elcken ambacht, en sullen in der stat 
Tuers. egheen oflScie halden dat jaer Tuers. der 
draperyen aentangerende. O. Liéjge, 1 juni 1433, 
proëm., RasséU. 

AENTAST (Van personen en hunne goeden). 
Aanhouding , beslaglegging , fr. e^préhension , arres- 
I tation, saisie. Vebdam 4). || Die Toirs. N . .. heeft 

5 



AEN 



AEN. 



Dflni gspjni 6D ge? oifdcft • > . t& oobmd op nigii 
haeriiebeyt en onder möne justicie, aldur h$ hem 
geroiidert beeft te doene aenUei tu penoneii, 
arreeten en andere exptoieten Tan joeticien. Y. D. 
Tay. 3& w*. Als een tifficier verKxrbt wordt eenen 
Tremden mm ah zijn goet, present xijnde, en den 
ofieier aldaer ghethoont, t' arresteren oft aen te 
toten, en 'txeTre weygerde te doen, niettegen- 
staende dat men hem presenteerde te gfaeren sijnen 
beboorlicken salaiis, oft dal hij, nae den aentast, 
den man cit goet liet gaen oft Tersteken, eonder 
den crediteor met snfficienten borghe oft panden 
wettelick te Tersien en te bewaeien, moet selve 
Terantwoorden, oft betaelen de schuit daeiroor 
d aire s tem ent oft aentast ghedaen is. C. e. Aniw., 
1682, XXVII, 31. Willende en ordinerende dat . . ., 
niet alleen die Toirs. gbeestelijcke en weerlijcke 
persoonen, diewelcke hen souden willen Yoorderen 
op ie bueren en exigeren die tootb. nieuwe en 
eztraordinarise thienden, met oock die yoorB.gbees- 
teiycke rechteren, dewelcke daeiaf souden willen 
kennisse nemen, worden bedwonghen realijcken en 
met feyte, bij aentaste en handtneminghe yan 
haeren temporelen goeden. Plae. e. Brab.^ I, 93 
(1620). Maer willen en ordineren, dat die Toirs. 
aentasten en handtneminghen stadt houden. Ib. 94. 

2) Recht van aanhouding en inbeslagneming , fr. 
droU d'arrêlf d^arreetation et de eaieie. \\ Oyermits 
dijen dat ie, die boude en hebbende ben in sul- 
cker plaetzen alle justicie, hooghe, middele eü 
neder, sonder dat daer iemant anders ennigen aen- 
tast, arrest, oft ennige heerlijcheit heeft oft sculdich 
is te hebbene dan icke. Y. d. Tay. P, 35. Ende 
als Yan den aantast , daerom oeck groote stoete endt 
twist aldaer geweest was, tusschen roynen yoorscr. 
genedigen heere ende denselYen Yan der stadt 
Tongoren, sullen den aantast hebben endt moegen 
doen, so weele aen Yrempde luden als aan burgeren 
ende ingesetenen. O. JA^e, 18 mrt. 1602, a. 7. 
Tongeren, 

AENTASTEN (Antasten), bw. 1) Van per- 
sonen en goederen. Aanhouden^ ia hechtenis 
nemen, — in beslag nemen j fir. arrÜer^ — saisir. 
II Oft hy egein liecht en bedde openbaire dragende, 
den sall men antasten ind leyden in gevencknisse. 
O. lAége, 27 juli 1469, a. 3. Tongeren, Ind 
off hy des njet doen en wUt, so sall hij aengetast 
ind den heren in geYenckenisse geleyert werden. 
Ib. 4. Alsoe dat, soubalde [zoodra] die Yan der 
stadt eenigen Yreemden man angetast en gegrepen 
ocht geYangen hebben, sullen sy terstond densel- 
Yen, in alsulcken staat sij hem aangetast hebben, 
ionder Yertoech . orerleYoren. . . Ib. , 18 mrt. 1602 , 
a. 7. Tongeren, Dat sy den yoomomden overtre- 
deren . . . arresteren , antasten en vanghen. Plae, e. 
VI, f 19 mrt. 1539. I, 363. Ordonnerende en 
beYelende allen onsen rechteren, officieren.., dat 
sylieden aentasten eü apprehenderen alle leegh- 
giuighers, Yagabonden enz. Plac, v, VI. ^ 18 noY. 
1642. I, 23. GheYende oorlof en consent onse 
Yoors. ondersaeten, Bowel ter oorloghe als ooc coop- 
manaohepen-wyse Yarende, te moghen aentasten en 
angripen alle deghene die sy bevinden sullen 
nserende en doende teghens dese ordonnancie. Ib., 
29 jan. 1549, a. 28. I, 372. Dat sy den Yoor- 
nomden OYertrederen, waer sy die vinden zullen, . . 
Yoordan arresteren, antasten en vanghen. Ib. 19 
mrt. 1639. I, 363. Alle den poerteren van der 
stadt, synde aangetast en gevanghen.., int criem 
oft int oivile, O, e. AMw., 1646, I, 2. Een 
poortere mach alle misdadighe aentasten eü van- 



ghen. Ib. IX, 50. Als eenen oAóer, dimiafr ofte 
Yonter Ysnochi wordt jemondt . ., ofte sjn goei . • 
^arresteren ofte aen te tasten. C. e. Lemem, UI, S. 

2) In de volgende sanhalingnn beeft hei woiord 
reep. de beleekenis van: aam het l^ eaiUem, en van 
aanspreken van rechtswege. |) Titins beeft, in dit ge- 
vecht, sich verweetende en in fniie synde, sieh 
eerst aengetast vindende van Gajus in syn eyghen 
huys, Gajum.. swaerlyck geqnetsL C. gr. Loon^ 
I, 673, 16 oei. 170a Titius woordt hierover van 
den officier aengetasL Ib. 

3) Zwh v er g r ij pen aam^ fr. attaqmery attenter è, 
II Of dieghene. die smael ghericbten ghehouden 
hebben in Brabant, yet vorder aenghetasi hebben 
onse heerlicheit dan sij sculdich wairai te doien . . 
De fr. tekst zegt: se ceaulx qui oni tena baases 
justices en Brabant ont ahert plus avant notie aeig- 
neurie qu*ils n'esUnent tenus k fróre. JSmq, Brah, 
1389. La Cttbvs, Aherdre: attaqmer, 

4) In hezit nemen^ wegheden^ fr. prendire posses- 
sion de, emporter. || Oorlof aen den heers ie vra- 
ghen om den dooden [den door ongeval gedooden] 
aen te tasten. Landeh, eu Msghem y. 1406, a. 5. 

Zie ASHYAVGSK. 

AENTASTEN, sn. m. Aamhondimg, fr. aeretta- 
tion. II Ind off hy, in den versoeck van vrede te 
geven, off in den aentasten yemant... quetsste. 
O. Xt^e, 27 juli 1469, a. 4. Tongeren, 

AENTASTINGE, zn. v. Aanhouding en in he- 
slagneming, fr. arrestation en saisie, || Blijft [de 
verweerdere] des niettemin onvermindert in alle 
sijne exceptien, soowel tegens het dagement, ar- 
rest oft aentastinge, als tegens de incompetentie 
van den rechter. C. v, Antw., eomp., IV, xiij, 32. 
De voors. officiers vermogen . . alle arresten en aen- 
tastingen van persoonen eü goeden te doen. Ib. V, 
viy, 15. Oft d'officiers, sonder alsulck ondersoeck 
en versekerheijt, eenige aentastinge oft i^prehenaie 
hebben gedaen. Ib. 18. Zie abhtast. 

AENTAXEEREN, ow. Toestaan, toekennen, 
beunlligen, fr. allouer. || Dat ik mij tevreden en 
content houden sal met alsulcken loon ende salaris 
als my by dese leste ordonnantien by de heeren 
aengetaxeert soude mogen worden. C. v. Lier, Stifl, 
XVII, 6. 

AENTUDEN (Anthyen), bw. 1) Aantggen, 
te laste leggen, fr. imputer, || Off yemant buten oft 
bennen geoocht bedde dat deze vuers. verhoeden 
woUe neit en ware, eü hem yemant dat aentyden 
wolde. O. Liége, 1 juni 1433, a. 32. Hassvlt, 
Willende hem daeraff ter behoorlicker puigien stel 
len tegens den heere ^ partye en eenen yegelioken. 
die hem ter saken van dien yet soude willen heys- 
schen oft anthyen. Aead, d'arehM. 1874, blz. 
126 (1560). 

AENTUDEN (Aentien), zn. o. Het aantijgen, 
de aantijging, fr. imputation, aecusation, \\ Ende 
soo wat poorter voor zyn aentien en delict borghe 
ghestellen kan eü oocIe verborchbaer is, en mach 
men niet vanghen. C, v. Boeoom, Y, 6. 

AENTIEN. Zie ashtudsk. 

AENTKEFFEN, bw. Uitoefenen, fr. exereer, 
II Item, geven wy den geswooren voors. voloomen 
macht, dat sy by onsen soholtus die broeokers 
[de overtreders] sullen mogen vangen oft bannen, 
en alle heerlyckheyt dar, in den gemeynen profijt 
eü regiment der stndt, aentreffen. O. lAége, 1 febr. 
1447, a. 23. Bree, 

AENT&EFFENDE , voorz. Betreffende , rakende , 
aangaande, fr. conoernant, touehant, || Ter oorsae- 
ken dat die twee provinciën verschyde . syn, niet 



AEN. 



AEN. 



35 



flemyim hebbende aentreffende die jnriBdictie Tan 
Wa» wetto1^\e horen oft buicken. C. gr. Loon, 
I, «9 (1614). 

AENTRECK (Yan goederen), zn. m. Aanvaar- 
dhff, fr. aceepiaiion (de biens). |] Den soon O be- 
dvdi hmr ran B zyno moeder, by aentreck Tan 
goede, namentlyck der sucoessien op zTne moeder 
geraUen by het orerlyden Tan hacro ouaers. Annot. 
85. Dat O, met den aentreck gedaen t* hebben 
Tan de soeoeeBien op syne moeder B, geduerende 
hmrelyek met deaseUB man A Tenrallen, hoir be- 
d^hen ia Tan deseWe syne moeder, en als dusda- 
nig leaponaabel Toor alle de schulden die synen 
Taieder, êiants ihoro^ gecontracteert heeft, naement- 
lyck in ca> O aentreck heeft gedaen Tan deseWe 
BOOceMien sonder precedent inoommen Tan gedeele. 
Ih. 98. 

AEMTBECKËN (Antiecken), bw. Zich toe- 
ëigmÊen, toi adk nemen ^ fr. s't^tproprier ^ prendre 
üeere $oi, \\ Zo waer dat eeneghe huysen , poorten , 
moeren buaten loode en te griefre staen, dat deel- 
mannen de proprietarissen Tan zulcke parcbeelen, 
ofte den rentier, die hem deselTe parcheelen an- 
trecken wil, TOor hemlieden ontbieden zullen. C. 
e. Brugge, II, 285 (1525 a. 26). Dat, als deel- 
mannen ommegaen zullen en zy eenegho parcheelen 
Tynden te grieve steende, dat zy terstont, by een 
Tan hoeren deroquen den proprietarisse , rentier oft 
andere, die zulke parcheelen hem zal willen an- 
treeken, ghebot zullen doen geren enz. Ib. 294, 
a. 46. Dat de steden, landen, casselryen, am- 
bachten, prochien en andere, bQ pure usurpatie en 
■onder behoorlijcke titels ran toekomste , zijn jouis- 
■erende ran de Majesteijts domaniale rechten ran 
Iflsoe etc. , midtsgaders dat sy . . . aentrecken direr- 
sebe meertchen , landen , relden en driesschen ; . . . 
dat aij oock aentrecken de rechten ran rrije bargen 
etc.; dat eenige ran deselre usurperen de rerraUen 
beete hoofden en catheylen. Plae. e. VI., 28 
mei 1704. YI, 939. Alle de roomomde partijen 
op t* leen steende, meuble efi deelsaem zijnde, 
rennach den leenhaudere te haudene eü hem anne 
te treckene op prys en ten zegghen Tan mannen 
hemlieden dies rerstaende. C. v. And., XXII, 14. 

2) Aantrekken (ran kleederen), fr. revéiir , couvrir 
de (rètemente) ; ook flguuriyk. || Die Here heret ghe- 
r^niert en heret aenghetoghen die schoonheit; die 
Here heret aenghetoghen die macht en heret sich 
omgheifhort. OH^. 15* E., 22 r®. ps. 92. Staien^ 
hyM 98: De Heere regeert, hy is met hoogheyt 
faekleet , de Heere is bekleet met sterkte. Deeorem 
tMdedme est, induiue eet fortitudine. Sine riande 
sal ie confusie aentrecken. 49 r*., ps. 181. Statenb. 
182: Ik aal zijne rijenden bekleeden met schaemte. 
I wi mie oe ef me indmem etmfkeione, 

AENTRECKINOE, zn. r. Aanwerving, fr. re- 
a'utemanf, raeolement || Die rnyt es met aentrec- 
kingen ran rolcke, om ennige stadt oft sloote te 
g e eiijg e u tegen den heere óSt gemeijn welrairt. 

T. D. Tat. 79 T«. 

AENT VOGEL , zn. m. JSend^ eendvogel, fr. canard. 
II Yan dat Pieter, Pieter Oliriers sone, ghecalen- 
giert was, dat hij ghesleghen soude hebben xj 
aentrqgfaele. Rdc. Salf. Gent, n' 1724, a^ 1S72. 

AENVAERDEN (AeuTeerden), bw. 1) (Eene 
reis , eenen tocht of wech). Beginnen , ondernemen , 
aoÊneamgem , fr. eommeneer, entreprendre, jj Indien 
de stierman, niet bedreren z\jnde, de nieuwe reijse 
niet amsemen en wilt, so zal den schipper hem 
ghehooden xijn te laten rolghen de helftscheede 
Tan sgnder horen , ingheralle de nieuwe reyse an- 



ghereerd wordt int gunstwaerts raren. Blae. e. 
VL, 19 juli 1651, a. 14. I. 388. 

2) lem. — , aamtatten, aanrttnden, aanvdUen^ 
fr. assaillir, aitaquer. \\ Kest sake, dat dese in 
sijnre e^gender woningon werdt aenTerdt, hem rer- 
werende den ondadigen eü alle sine medeplichteren 
die dair syn, dootsleet. Brah. F. 11 jan. 1229. 
«* Bosch. Gherielt, dat N. N. hadden doen wachten 
Wouteren den Bas, N. en andere, dewelcke sQ 
aenrerden gewapender hant. Aead. d'archéol. 1856, 
159, 14e E. Loven. Dat N. N., ballinghen ran Lo- 
rene, quanten ridende tusschen Woluwe en Brue- 
sele, en aonreerden dair een rrouwe ranLoTone, . . 
en dwonghense dairtoo, jeghen hoeren danc en 
wille, dat sij met hen gaon moeste. Ib. 161. 

3) Yan goederen gezegd. Iets — , in bezit 
nemen, in beslag nemen, aanslaan, ziéh toeSigenen^ 
fr. confUquer, saisir, s^approprier. || Ind syn goet 
sal der here anrerden, als rerburt. O. Liége, 27 
juli 1469, a. 4. Tongeren. Als den waterlaet oir- 
spronck neempt ruijten stroome public, die geen 
Bcepe en draigt bij hem soItcu noch b\j commixtien 
en toeralle ran andoren wateren, als ruyt eender 
fonteinen oft putte, soe wort sulcken waterlaet 
gecregen bij occupatien en aeuTeordingen , gelijc 
andere dingen geoccupeert wordden die niements 
en sijn; en wije dat dan ierst occupeert en aen- 
Teert, die gaot roor alle d*andero. y. d. Tat. 52. 
l^ijcttegenstaende dat het [goet] gecocht mach sQn 
op eene rrij merct , oft Tan eenen oudencleercoopere , 
oft dat tselre bij den officier ran sheeren weghen 
ware aenreerdt. C. v. Antto. 1545, II, 46. Marten 
Cuypers, haeren oom, heeft haer erfgoederen aen- 
gOTeert, ontrent twintich jaeren, en is, sent dien 
tyt, in rretsamighe possessie .derselTer geweest en 
gebleven. C. gr. Loon I, 289 (1616). 

4) (Het meesterschap ran een ambacht), aan- 
vangen, beginnen, fr. passer, devenir maitre^ gagner 
la maltrise. \\ So wije.., die sal ijerst moeten 
wesen poirter deser stat eer hij die meesterie aen 
sal moegen rerden en hanteren als meester. Droogs, 
V. ^8 Bosch, a. 1, 16e E. 

5) (De poorterij) verkrijgen, bekomen, fr. óbtenir, 
(la boargeoisie). || Soo wie Tan uu voortaen sal wil- 
len aenveerden de poorterye van eenighe ran de 
roors. twee steden, sal schuldich zyn danof te 
lichten acte. C. v. Aalst, lY, 5. 

6) lem. — Aanhouden, fr. arrêter. ]] Dies soo 
souden de crediteuren hem moeghen selre aonreer- 
den en gheranghen houden . . ; en soe rerre de 
crediteuren hem alsoe nyet aenveerden oft houden 
en wilden, dat hij alsdan soude sijn en bliren ont- 
slaghen Tan der hechten. C. v. Antw.'l64.b, XY,2. 

7) Nemen ^ ontvreemden, fr. prendre, dérober. \\ Die 
hehacht goet anverde, dat mitten rechtere es be- 
hacht, hi ees om III pont. K. j, Bruss. r. 1292. 

8) Terugnemen , vemaderen , fr. reprendre, retraire. 
I) Elck proprietaris ofte roeester, Torhuert hebbende 
syn goet, huysen ofte erfro, en boTindende tselTe 
by den pachter in deelo oft geheele Toortrerhuert 
te zyn, is de naeste om syn goet scItc t*aenTeerden 
en tselre roort te rerpachten, oft anders Brnen 
wille daermede te doen. C. v. Oent, XYl, 2. 
Soo sal de mede-proprietaris tselTC deel mogen 
aenTeerden ende calengieren. Ib. a. 7. 

9) A. — met wille, metgeioeld, onrecht of bed/rog 
wegnemen, fr. envahir, usurper. \\ Qhy zult weten 
dat , proprelijc te spreken , merende goede wordden 
gerogft, en onruerende goede wordden géïnradeert, 
dat is, met wille aengereert. r. D. Tat., 91 r^. 

AENYAERDINGE, zn. r. Inheeitnemiug, be- 



36 



AEN. 



AEN. 



wteestmimffy fr. oMMpaHos. Zie AXinrAXSDBV, in 
denzelfden sin. 

AENYAL (Tan zant), zn. m. Aanêlibling, fr. 
allumon. || Voert geye ie hem die yischerie en 
worp op der Masen binnen der heerlicheyt van 
Alem, en oio dien weirt en ainval yan zandt, die 
aengeyallen of geworpen is een luttel boren die 
Mairwche sluse , met allen anderen aenworpen en 
zanden , die aengeworpen sijn , off aenyallen zoelen. 
Carl. 8avnt-Trond, II, 131 (1374). 

ABNVALIiËN, OW. ToevaUen, ten deeU val- 
len, fr. échoir. || Ende dairtoe aall hij daermede 
Terboeren, also deck aU hij dat dede, eynen Biin- 
schen gulden, ona halff aenyallende en hdff oneer 
stat. O. lAéife, 10 juni 1417, a. 8. Sitit'Trmdên. 

AENVALLEB (Aenyalder), zn. m. JUb, keper, 
fr. eolive, ehevrun{f) j| tConcept der stadswaag te 
Antwerpen : . . . Den scheersoldere [dakwerk]. Item, 
cc aenyalders, lanck elek yiij [yoet] iz duym yier^ 
cant. Item, noch cc aenyalders, lanck elck xij yoet 
iy duym yiercant Bekenk. v. Brah., reg. 139 f* 78 
y« (1647). 

AEN VANGEN, bw. 1) Weghalen , fr. empar- 
ter. II Waert saeke dat eenigh mensche sijn lyf 
yerloor met ongeval , . . . soo mochten kommen die 
yrienden en bidden oorlof aen den heere den doe- 
den lichaem aen te yangen en ter aerden te be- 
steden. (Kantteekening): Oorlof aen den heere te 
yraghen om den dooden aen te tasten. Landeh. v. 
Meghem, y. 1408, a. f>. 

2) Beginnen, ft. commencer. Aenyaende men- 
sche. De beginneling in hei aecelische leeen, fr. Ie 
debutant dans la me a»célique. \\ Dese yraghe doel 
die aenyaende minsohc , en oec doent die yoert- 
gaende; en oec doent dicke die yolcommene in deu 
beghinne des aenyaens en oec des yoertgaens in der 
yolcommenheit. Aller Kersib. 87. Zieook BEeiKHiK 

AENVANCK (Anevanc, aenyanc), znw. m. Zie 
IXe Vbiss, Middeln. Wdb., ook Vebdam, Het in- 
bezitnemen, [nl. onrechtvaardiger icijie, bij diefsiaï]: 
is een Hollandsche term Bij de door hen geleyerdi' 
aanhalingen yoegen wij nog deze uit de Bek. d. 
graf. I, 279, 281, 325: || Mathijs Ck)le, yan 1 on- 
rechten aneyanc. Hei'man die Jonghe, yan 1 onrecb 
ten aneyanc. Die seWe yan 1 aneyanc yan 1 merrie. — 
Ook als eene vervolging in rechte, eene aanspraak, 
bij Fbuin, o. K. o. Bott. a. 59, citaat welk wij 
hier, ter nadere yerklaring des woords, in zijn 
geheel meenen te moeten oyerbrengen. || So wie een 
aenyanc doet teghens yemande [nl. hem in 'tgerecht 
betrekt , eene rechtsyordering tegen hem instelt , ja 
„aanyangt"], off yemant ontwaert [betwist] enighe 
zake, die bi hem yermet yoor den rechter en yoir 
Bcepenen, die dairoff in den onrecht beyallet, yer- 
buert 1 pond (1408—1414). Men zie ook bij Bobt, 
en zijne auteurs: aabtanck, by aanyanck iet aan* 
yaarden. 

AEN VATTEN, bw. (een proces). Aanvangen, 
fr. entamer. \\ Dat er zoo luttel processen ten koste 
yan de stadt sullen aengeyat worden , 't zij in aen- 
leggers oft yerweirders qualiteijt , als 't mogelyck 
sal wesen. Begl, Loven, 1 april 1662, a. 98. 

AEN VECHTEN, bw. Bevechten, aanvallen, be 
strijden, fr. aitaquer, combattre, faire la guerre a. 
II Mittien die den yrede haten, was ie yreedsam: 
wanneer ie hem toesprac, soe aenyochten sie mi 
toe yergheefs. Qetijdb. 15» B. 81 yO. Ps. 119: im- 
pugnahant me gratis. Siatenb. 120, zij zijn aen 
d'oorloghe. DB Sact : ils m'attaquaient sans sujet. — 
Ie bid u, heilich yader Iheronemus, dat ghy m^ 
wylt sijn enen onderstant en een leyder des wechs 



in deaen dile dor tmoen, mmdêi ie, ovanDÜa uwer 
buiden en beaoemMia, behodet moei wearden yaa 
allen beooeiingbe des Tianfta, nacht en daoh, die 
mQ altoos aenyechtende aljn. Oébedk. 15s E., 109. 

AENVEBBEUBEN, bw. (eene boete) Verbêm- 
re», fir. forfairtj emeomnt (nne amende). || Aetn- 
gaende yan de beesten te schutten, soo obMarercii 
w^j: soo wat beesten men bevindt in die spray ten 
Tan de bosschen onder die drg jaeien out 8J|nde, 
ende die daerinne gebaelt worden, dat die aen- 
verbeuren eenen keur yan drij caiolas guldens. 
(7. eau Biekem, a. 18. 

AENVOEGEN. bw. (bontwerk). Aammmtoegmt^ 
aambreage», fr.joimdre, oêsembler, ojfuter, \\ Twe 
notabile peraone, die wazanderen solen ind be- 
sorgen dat dat bontwerck yan tydigen ind reynen 
yellen gemaict worde, behoiriik en waell aenge- 
yoegt ind geneit. O. Lsêge, 27 juli 1469, a. 28. 
Tongeren» 

AENVBAOEB, zn. m. Aanleggert eisdkêr, fr. 
dêmandeur. || Soo mach d'aenyraghere altyt syne 
aenspmeeke ofit conclusie yeranderen. C. Ltemk. eu 
Meeh., 1, 14, Hê, De uitg. y. Chbibtijh heeft: 
d*aenleggherB. 

AENWA8, zn. m. Aanslibbing, ooMl^Uiy, fr. 
alluvioM. II Dat den aenwass [aümmo] coemt met 
eender druist en lïnpetuoeiteyt yan opwatere, en 
met openbairder aenwassingen, olt aai die ge- 
goede aen de riyiere met ennigen weeren oft in- 
strumenten die riyiere daden yeranderen in aan- 
wassen yan eryen, soe en soode dijen aenwaaa den- 
geenen niet blgyen aen wyens erre dat geoomen 
eü aengewassen waire. y. d. Tay. 106. 

AENWASSEN , ow. st. 1) Tem dêeU mUem door 
aoMslibbing, fr. êchoir par cdXnviom, \\ Dat die aen- 
wassende eryen, comende en groyende aen den 
canten yan den riyieren, bg aenwoorpe yan den 
stroome, geheeten in Latyne aUuvio, niet altyt 
den heere toe en behoiren, noch oic altyt dengee- 
nen dyen de erye toebehoirt aen de riyiere gele- 
gen. V. D. Tav. 106. 

2) Overkomen, toenemen, b^omen, fr. emrvnir, 
accroUre, s'ajomter è. || Interest is geheeten ach- 
terdeel comende yugt aenwaseender schaden, oft 
afgaende waesdom yan *tgeene dat men laet te ge- 
yen oft te doen, dat men behoirt te doen of te 
geyen. y. d. Tay., 406. Dair is een ander in- 
terest, dat geheeten wordt interesse comM«M«, dafa 
te seggen een gemeyn interest en die estimacie yan 
enniger gemeynder scaden, oft waesdom, die aan- 
wassende oft afgaende is. Ib., y^. 

3) (Gerechteiyk). Mede toevallen, mede toewassem, 
ten goede ten voordede komen, fr. accroUre, êchoir, 
revenir, profiter, bénéfieier è, || Begularyslyc , alle 
de yruchten yan den hyiicxgoede, hoe groot dat 
die zyn, zyn sculdich den man aen te wassen. 
Ib., 248 y». 

AENWASSINQE. Zie abnwas. 

AEN WEDDE, zn. Jaarwedds , jaargdd , ft. pen- 
sion. II Dat . . eenen sone deylt teghen twee doch- 
teren . . . , en mach de yoors. sonen oft snateren 
bewysen, oft hem belieft, gront en bodem, en oft 
hy wilde, soo mach hy syn susters laeten heffen 
aenwedde in logghe oft in gelde op ^e de goeden, 
die yader of moeder achtergelaten hebben. C. v. 
Lier, Tnrbe, 1559. De zonen mogen henre sna- 
teren wt den erfgoederen eü chynsgoederen , geco- 
men yan der rechter linien, yuytpanden, 'téy met 
gereede penningen, oft met aenwedden oft renten 
te bewysene. O. v, Sanlh,^ Hs., XI, 85. 

AENWENDBN, bn.zw. roonvenden, üch bedU- 



AEN. 



AER. 



97 



MS tÊM, ir, prétêxier, priimdrê, mtUrê §m moamê, 
II Opdit detelTe [duppouHe] Mn een iegeiyok be- 
kend v^9 en dat niemand aen en wende redenen 
van onwetentbeyt, wQ ordonneron enz. Kanaelary- 
fegewöse; in biet fr. doorgaani: afin que nul ne 
priiêstê emuêë dTiguaranct, O. P.-B. A., 16 febr. 
1726. 

AENWEBP (Aenworp), sn. m. Aampotiing^ aan- 
Mèmg^ ir, o/ZaeMM. Zie Dx Ybus, Yxbdam, en 
Bs YxiM en Tb Wiubxl. Zie ook Bobt , en aldaer 
faoogaropv ^, AajstWab. || Bominatie oft heereoapie 
over die din^n wordt en ia Teroregen . . bij alla- 
TÖen, data te aaggen by aenworp yan der see oft 
riTiare. t. p. Tat. , 19. Qfker oock eenighe nieuwe 
aenwerpen ghewaaeen syn; oft datter landt nieuwe- 
lyoB gbadyokt ea. Flae. v. Brab,, 28 aug. 1660. 
ni, 346. Ala leen oft erlre betert, by aenwas oft 
aaowarp Tan water..., aoo wort, ran geUjckeni 
▼aimeeraert, naer advenant, 'trecht van byiennge 
daarop gaande. O. e. Qeni, xxt, 19. tak dbv 
Haxb : utugfirwUmê in feudo «af alio fundo par aUu- 
■ ie awi Myelar. — Indien den proprietaris het leen 
▼afmeaidarde by induatrie oft met ayne pennyn- 
glian, daaiomme en aal de byievere niet meer 
proActaran, maar wel indien het leen beterde by 
aonwaaaen ofte anwarpen van watere. C. a. Aud,, 
zzij, 83. 

AJSNWEBYEN (worf , worren), bw. at. [a/. aan 
lich wenren). A/ksmem, ir, prendref mdmoer, \\ Ghe- 
▼ialt dat N. N. hadden dioen wachten Wouteren 
dan Baa,.. denwelken ay ankerden gewapender- 
bant, en Wouteren den Baa aine aakerheit an- 
worran. Acad. d*arekéol,, 1866, bla. 169, 14e E. 
Xtfeaa. Zooala Schatbs het seer wel zegt: zynen 
Tiffliri ef af namen, lm prirmU ton tcmf'Conduii. 

AENWU8EN (Anewyaen, annewyaen), bw. at. 
B^ rtÊklmiijkê uiispraak totwifxatf toekennen, fr. 
^djuger püir eenienee. \\ Dat my dat wordde int 
geheel toegewgat en aengeweeaen, en dairtoe dat 
by wordde geduampt en geconderopneert in de 
coaten, v. d. Tat. 84. — Dwelo oft hy dat ont- 
kmman wonde, ie preaentere dengdeiyc te thoenen 
an by te brengen, den rechte genoch zynde, om te 
▼arreycken en te hebben aengeweeaen myn ge* 
heyacbte concluaie. Ib. 36 y^, Comt hi, ao moet 
hein da ooopere naerhede kennen oft ontkennen; 
kant hy ae hem, lo moet hi den coop hebben; 
onta^gbt hy ae hem, ao moeten ay dingen; can 
by ae doen ataen met hulpen Tan mannen of met 
OQTOOnden, heta recht dat men ae hem anewyae. 
LêÊmr, V. 1628, 67. — In ciTÏle zaecken, de 
iogan en moghen den heeachere niet meer anne- 
wyaen dan zynen haeach, fijnen en concluaien en 
bahalaen. C e. Aud., YII, 2. Maer daer gheene 
eoaten aheheeacht en zgn, daer en ea den juge 
niet gbeliaoden eoaten anne te wyaen. Ib. , 8. — Soo 
aal bet Toora. namptiaaement onder de Toora. cautie 
oft boichtocbt worden gheadjudioeert en aenghe- 
weaan, aoo Terra d'aenlegghere Tan aynder intentien 
anfficianteiyck doet biycken. C. v. Mollf a. 42. — Yan 
Tonniaaan gegOTen in reële aaken, waerby eenich 
gpat oft panden worden aengeweaen, 'tzy by pro- 
Tiaia oft dü&nitiTe, aullen deaelTO, naardien die 
aijn gegaan in kraehte Tan gewyade, dateiyck en 
raCAyok ge6zeeuteert worden, en den triumphant 
gaatalt in poaaeaaie Tin 'taelTC goet. C. Leenh, v, 
Valkenb., 8t^^ a. 62. — Alle de boeten hiervooren 
ndeelaieert aullen aengeweaen worden, mita dat 
de delinquanten aijn OTerwonnen door twee geloof- 
waaidigegatuygen. O. P.-B. A., 6 oct. 1706, a. 149. — 
D'aaaapraacke moet innehoudan . . met bgTueginge 



Tan clauanle aalutaire Tan raobt efi jnatitle te doen , 
oft aooTole min oft meer aen te wyaen ala men 
aonde Tinden te behooren. O, v, Aniw., eomp.^ 
Y,x, 2. 

AENWIJSINQE, zn. t. Beekterlifke toewijeimg, 
fr. aè^udieation judieiaire. \\ De TOora. prooedura 
Tan beleydinge en dnert maer één jaar; in der 
Toegen dat binnen denaeWen tyt dezeWe procedure , 
hetzy tot aenwyainge en oTictie , oft tot Terreycken 
en Terthieren moet TolToert weaen. C, v, Bruee,^ 
1607, a. 108. Chbisttk: ad adjudioalumem out 
evietionem. 

AENWINNEN, bw. at. Eiei^ken in reeki, fr. 
rédamer en fusHee. || tYonniaae Tan den bethoonen, 
die men doet na dooder handt : Die x gulden , die 
ie Janne aenwynne, die hy my achnldich aoude 
ayn, die waa hg my achuldich te dier tgd dat hy 
quam Tan Utc ter doot, en daer ben io noch af 
in ghebreke. Zoe moet my God helpen enz. Fbaa. 
V. Meeh.^ 9. — 'tYonniaae op bethoenen te doene 
Tan Tluohtege lieden: De maniere hieraf aal men 
houden in alder ghoTueghen alaoe hiereTore ghe- 
acreTen ataet, Tutghenomen dat dleate Tonniaae 
aldua gaat: Die z gulden, die ie Janne aenwynne, 
die hy mg achuldich aoude zyn, die waa hy my 
achuldich te dier tyt dat hg ruymde, en noch ea. 
Soe moet my God helpen en de heylegen. Ib. 11. 
tYonniaae opten eed, om ontachnlt te doene Toir 
den Terweerdere : Die x gulden , die my Claea aan- 
wint, die ie hem achuldich aoude zyn, dier ben 
ie onachuldich. Zoe moet mg God helpen en de 
hey leghen. Ib. 16. Ala d'aenleggere tot zynder 
eed geweaen wordt om zyn achult te grooten: Die 
X gulden, die ie aenwynne, die hy mg achuldich 
aoude zyn, die ea hy my achuldich. Alaoe moet 
roy God enz. Ib. 17. 

AENWORP. Zie abnwbbp. 

AER, zn. m. 1) (metalen, koperen) arend , ir, 
aigle (en mëtal, en cuiTre). || Denaelven Begner 
Yan Thienen , die inagelica geleTert heeft en weicken 
men achuldich ia, Toor iiy figuren, te wetene: y 
TOgelen en g beeaten Tan metale , eerat eenen Togel- 
heyn [een Treemde, uitlandeche Togel], eenen aer, 
eenen Iout en eenen eenhoren. Aead. d^arehici,, 
1864, blz. 326. Baiüet dé la cour è BruxeHee 
(1609—1615). 

2) Ala grenapaal tuaachen Limburg en Aken. || 
Ten tweeden, zoe hadden die Tan Aken op die 
brugge Tan Moreanet, gelegen bgnnen den palen 
Tan den lande Tan Lymbourg, in eenen dorpe ge- 
heeten Moreanet, zekeren koperen aer doen opalaen , 
in teycken dat dieaeWe bruf{ge die pale ende limite 
Tan der stadt Tan Aken ayn aoude, in Terachtinge 
Tan ona heeren akeyaera , ala hertoge tot Lymboroh , 
en afnemen Tan Z. K. H. palen dea Toira. lanta 
Tan Lymborch. Bekenk. a. Brab., reg. 138, f^. 299 
(1530). — Yan den aren op de brugge Tan Morea- 
net. Ib. 

3) Koor-tai^Uêsenaar , onder den Torm Tan eenen 
arend met opengealagen Tleugela, om een zangboek 
te dragen; hg Terbeeldt den oTangeliat Joannea; 
fr. luirin torn la ferme d'un aigle. || In den eeraten 
den aer Termaect in den choor, die gebroken waa 
in den brant , lig ac. x den. ij ing. db Bubbubb, Toe- 
tiand, 24. 

AERKEN, zn. o. Adelaarken, ir, peHte aigle. 
II Item, noch ij croeaen met aerkenaTOeten. Jno. v, 
1489. 

AERBEIDELIJCK. Zie abbbidblijck. 

AERBEIDEN. Zie abbbidbv. 

AERBEIT. Zie abbbit. 



38 



AER. 



AER. 



AEBCHEIT. Zie abcbiht. 

AERDE (Eerde), sn. ▼. 1) AI0 «tof, fr. 
II NieiDAn en zal die stnte beoommeren noch be- 
alaen met honte, met steenen, met eerden, ocht 
desghelijiE. Kb. v. DUH, B. 118. — Swarte aerde. 
tl Eerden zweert, j tonne — üij [mijten]. Water- 
tol 1560. — Aeide. Swarte aerde, de tonne j 
grooten. Zêeuwêdkem tol, 1 jnli 1623. — Be Lijsten 
▼Ml d e rechten t. 14 jan. 1683, Piae. v, Brab, 
ym, 216, 319, Termelden nog: Boode aerde, 
Aerde oft loada om gelaesen en seep te maecken, 
Yolaerde en andere inlandteche, Vremde aerde 
comende van Spaingnien, Indien en andere uyt- 
landtache plaetaen. 

2) Als uitgestrektheid. Ter eerden ge- 

presen, fr. ettimé par têrre. \\ Yermach eenhau- 
dere ofte hauderigghe yan eenen geoochten huose 
en eerfVe te loseene tvierdendeel Tan den cathejlen 
Tan denzelTen hnusen, ten pryse yan den erfschee- 
ders, ter eerden gepreeen. O. o. Amd.^ I, 380, 3. 

3) Veld^ fr. diMmp. || Waert dat iemants gansen 
ginghen in iemants ooren, bempden oft aerde, 
Tan half meerte tot Bamis, dat die sal yerbearen 
eloke reijse twelf stuijrers. C. e. Dewnte, a. 417, 
impr. — Op een hoeye, met hnijsinghe, hoye, 
lande, heyde, aerden, wejden, groesen, beemden, 

fmmdo et ommhtu pertinenciiê, DE BvBBniK , van der 
Weijden, 28 (1537). 

4) €fr<mdffebied, fr. terriicire, pay», || En dat 
oock bejde die heeren yan Ghimberghen , soo t^sa- 
men als elck in*t besondere, onder hunne segelen 
remissen yerleenen en acoorderen . . , soo yan de 
delicten yan hunne particuliere inghesetenen , als 
oock yan de afghesetene, messionierde lieden wesende, 
en andere die op hunne aerde eenighe dootslaghen 
oft andere delicten, punitie corporeel meriterende, 
syn commiterende. C. e. Qrimb.^ a. 18. — Suelen 
onck die Ijoensche schepenen ter Loenscher erden 
honne genachten halden. Cott. pr. Loon^ I, bis. 9. 
a. 11 (1548). — Alle de officieren yanjusticie en yan 
policie der steden, dorpen en andere plaetsen in 
alle d'uijtgestrektheijd der proyincien yan Haere 
Majestejt in de Nederlanden, gelijk ook in de yrije 
Aerden , ofte die Toor dusdaenige worden gehouden. 
Pïae, e. VI., XII, bla. 1603, a. 1 (1779). — Daer 
liggen yeel plaetsen in Brabant, dië niet en sijn 
yan Brabantsche aerde off nature : de dorpen yan 
Doem , Beyecom , Hoe^aerden , Chaumont , en andere 
boyen de stadt yan Thienen, sijn gelegen in Bra- 
bant, en nogthans soo sijn deseWe yan Luijxer 
nature; het dorp yan Webbecum en Assent, bij 
de stadt yan l^iest, is gelegen in Brabant, en 
betaelt aldaer de beeden en subsidien en andere 
publjjcke lasten , eyen en gelyck alle andere dorpen 
yan Brabant, en nogthans, soo is hetselye dorp 
yan Bijcxer nature en niet yan Brabantscher nature. 
E comira: het dorp yan Toelen, bij Borghloon, is 
geleeen in den lande yan Loon off yan Luijck , en 
nogthans soo is hetselye dorp yan Braliantsche 
nature; en meer diergelijcke exempelen sijn daer 
te yinden in deese landen; en daerom soo en is 
het niet yiempt off extrayagant de sustenue, die 
men desen [in desen] maekt oyer de nature yan 
't landt yan Diest, want de heeren yan Diest 
hebben altijd gesustineert gehadt dat zg niet en 
waren yan Brabantsche aerde, al waren sij in 
't nieuwe Brabant gelegen , en dat het landt haer 
behoirde als een eygen allodiale heerschappie , 
alhoewel het met andere steeden en plaetsen de 
pubiycke lasten droegh yan Brabant, tak Zitspble, 
Ckran. v. Dieet, in hs. P. 188 § 10. — Dat hij 



daerbij alleenel^k Heeft willen bew j lsen . . dat het 
geene aerde en was yan Brabant. Ib., f* 881. 

AERDEN (Eerden), bw. sw. (het laken), be- 
werkem met tdrere aarden hr^taarde, om het, na het 
voUem of «oflbm, te omieettem, fr. Zé tramnUier ome 
certaine terre, erofommemse om erétaeSe, aprbe Ie 
foMlape, pomr Ie d^aUear. Zie EiL y* Volders 
aerde, yolaerde. Zie ook Stait. Bobmahb, 
Olotê. dm miétier dee drapUre. y* Embrojer. || 80e 
wie meer dan een strijpt, ocht een siden laken 
sdaechs maect en yan rous (?) eert, data te yer- 
stane een te eerdene, een te wassebene en een te 
yollene, sal ghelden iij s. , maer hi sal eerden alsoe 
dicke als hi wilt yore der noene en na der noenen. 
K, m)oiwerk. Dieet, 1383, a. 2. f* 35. Dat aUe dxa- 
periers, ofte die lakene ofte sticken maken sullen, 
so wanneer als haerlieden lakene of sticken yan 
den ghetouwe gheyallen sijn, rij die sullen moeten 
bringhen, eer se eenich yoldere eerdt oft nedt, 
t'eenen sekeren stede, daer dit toeoomende jueaf de 
bloc ghestelt sal werden, db Ylamikck Aeneee, 
15 (1414). — Als de yolder eenich laken gefiidt 
heeift, ende dat yoort geeonden heeft om te nop- 
pen, soe sullen alsdan de nopperssen, eer sij dav- 
aen yet doen oft wercken , schuldieh sijn dat laken 
oyer een recke te halen eü dat wel besien oft dairin 
eenich gebreck is yan qualijc geweyen off qualgo 
ge^rdt te wesen. Eü en yinden sij daerin gheen 
yan dien gebreken, soe sullen sijt aenyeerden, en 
dat wel en trouwelic noppen eïi myeren alsoet 
beheert. K. laikeng. te Meeh., juni 1468, a. 6. 

AERDEN, bw. zw. Beoorden, ter aarde hettet- 
len, hegraven, fr. imkmmer. || Die kerssen, die te 
dien lyke hoerden (suelen) staen bi dlijck ter Minre- 
broedere yorgh., tot dat ment eerdt. Kb. o. Dieet ^ 
A. 45. 

AERDEN, bn. (Erdin). Van aarde, fr. de terre. 
II Erdine potten, erdine stoepen. TVil te Brrngge, 
1269. 

AERD*HOUW, En. m. Hakhdmt, (houw ter 
aarde), fr. boie taiüit. \\ De fruytboomen steende 
op *tleen yolgen den leene yan der knje neder- 
waerts: en yan der knye opwaerts, sijn deelsaan 
als catheylick goedt ; maer den leenhouder mach die 
behouden ter prysie yan mannen, te nemen oft 
estimeren in fassèelen; soo oock yan gelijcken yol- 
gen alle den aerdliau ofte scheuten onder de drij 
jaren oudt sijnde. C. Leenh. v. Kortrijk, YI, 21. 

AERDICH, bn m. Kmnetiff, fr. cmriemx, artietiqme, 
II Betaelt Gillis Spierinc, schildere, yan dat hQ 
gheweest es te Leuyene, te Mechelen en te Brus- 
sele, omme te yindene eenen middele yan eene- 
ghen aerdeghen w^sere en orloge, dienende ten 
nyeuwen scepenen huuse, mits 00c duuttrecken 
[uitteekenen] en schilderen yan den wijsere yan 
Leuyene. Amd. meng. m, 424 (1531). 

AERDERECHT, zn. o. BeoardingereM , fr. droU 
d4 pomr Ie drap mortmaire, droit d'inhemation , de 
tépmltmre. || Yoor f recht, d'welcke men noemt 
t'pellerecht [dood- of lijklakenrecht, yWiw dm poêUf], 
oft aerderecht, roerende die yoors. kercklijcken , en 
salmen daeryoren die kerkmeesters yan sinte Rom- 
bouts kercke niet meer betalen dan twalef carolus 
gulden. Plae. v. Brab. UI, 119 (1529). 

AERDE VAST , mnervast, nagelvast, wor- 

telvast, bn. Deze woorden hoeyen geen yerkla- 
ring; fr. tenant è terre ^ è mmr, d, ecoii, por Za 
racine, Zooals yan den Hane, Coet. v, Oeni, YI, 
14 , zegt: ^€B rei imharent amt aêhoremt, et, poro^ 
phrcui vernaeuld : qm<B terra and éUivo anmesa emd, 
€Bdifieata, pUmtaia et toto, \\ Van seyené en twin- 



AER. 



AER. 



39 



tieh gb«iMte iMids , en Tan al den husinghen diere 
apitMn, mei al dattie haertvaBt en naghelTMt an 
ea. 19 dec. 1291. Als vement afwinninghe hebben 
vilde Tan eeneghe oatnelen itaende up een erye, 
ertvaafc en naghelTaefc. C. e. Atid. 2(i« d., april 
1447. Al dat aerdtyast, nageWaat en wortelTast is 
in een huya ofte erye, Tolght deneelTen huyee ofte 
erfre. C v. G^emt, YI, 14. Alle meubelen in ofte 
aen d'erre gemetst, aerdevaat oft nagelvast zijnde. 
C. e. Xow», lYy 22. Nagelvast, eerdevast ofte 
mnerrast. Ib. V, 14. Aerdvaat en nagelvast. C. o. 
Brmêë, , 1607 u. 107. Al dat wortelvaste eft naghel- 
vast op tleen is. Leemr. v. VL , 32. 

AKHDëVAST £NB£ BUIJCKVAST. Werké- 
l^kë tm wtumlijkë woomplaais hebbende, fr. a^ani 
éamieUe de fooi \\ Eist dat hi to deser stede voert- 
oGmt, en daemaer wuent jaer en dach erdvast en 
bunevast, met zinen wive en kinderen, eü emmer 
met vnlcommer hebbinghe. C. e. Oemt, I, 11 aug. 
1431, bis. 608. 

A£BDEW£CH (Ertwegh), sn. m. Aardew^, fr. 
ehêÊÊÊm de ierre. || l)e dimidio bonnario piati jacene 
in pioohia de Hobbeke, juxta viam que vocatur 
erho^JL Abdij VrouÊpenperk ^ doos I, nr. 22, a. 
1294. 

AÊBGEN, AERGINGE. Zie abgsk, abqivqu. 

AEBCKE. Zie abcks. 

AËRM, zn. Zie asm. 

A£KM| bn. Zie abm. 

AEBMAENT (Arenmaent), zn. v. Oogttmaand, it. 
oeéL Breddtche aUman, v. 1664. In de naamiyst 
van Karel den gzoote: Aran-maiuxty Lbist 217. 

AERM0E8ENE (Aermuesene), zn. v. Aalmoes ^ 
fr. a m m S ne . || Zette in de hant en gaf op., ter 
aarmaesene van de „Hjmden en van den Scoen'' 
[eene liefdadige stichting, in O. L. kapel te Diest]. 
Sekep. V. Dieet y 1341. Het w. komt driemaal voor 
in desen zelfden brief. Zie abiiMOSB. 

AERNE, AERN, zn. m. Arend ^ adelaar ^ fr. 
miffle. II Gïodt gruet u, guedertieren Maria, een 
UÜMickeiide dageraet, een moigeneterre, een snelle 
aem; wanttu in dat beginne djnre bloyender ioecht 
gevlogen heves totten vaderliken herte. Mond. merk, 
UZ. 100. — Die bmdegom sende van den hemel 
dan aeme, die die vrolike dinghe kundighen sou- 
de. Ib. 143. By den thione der moghentheit Godes 
mittensaligen gheesten bjstaen [Lat. adetani'] vier 
ooderaoeijden diren. Dat eerste dier beeft ene forme 
des aernes, dat ander, eens leewee, en menschen 
en oaaen formen hebben die twee anderen. Ib. 168. 
Johannas is by den aeme beteykent, diemit tween 
vloghelen der dubbelder mynnen opvlieghet in dat 
alieclaeiste licht des godliken wesens. Ib. 168 v^ 

AERK8T. Zie bbkbt. 

AEB8ATER. Zie absatbb. 

AEBSEItEN (Eraselen), ow. zw. Ter^keeren, 
eèmekiemf fr. rekmrmer^fmr, &il. Aerselen, aer^ 
selinghen, erselen. Retragredi, || Be vassal 
liet ainen heere in de bataelie in sulcker noot, 
als: belpi hy niet, hy moet er bl\)ven, en helpt 
h\jea» hi moeter selve bleven; te wetene wat hy 
doen aal? — Ware de vassael in de bataelie soe 
geqoetst ofte afghestelt van peerden en ghebloot 
van wapenen, ais dat hi zynen heer niet helpen 
Doeh secoureren en mochte sonder fraude , hi soude 
net eezen moghen eraaelen ofte vUen. Tb. 127. 
Seecht dat de vassal in sulck stuc eruelen mach 
Biet eeren. Leenr. v, VI. 126. 

AERT (Aerd, Art, Sxde) zn. m. 1) Gemeente- 
«tidtj "heide y -èoeeh, -goed, fr. péUmrt^fes commune ^ 



namx. Wordt ook Pasturagie, Vroente en WUdert 
genaamd. || Dat onse lieve liede en onse late, die 
ten hertganghe [gehucht] van Herlaer toebehoren, 
welc Herlaer gheleghen es binnen der voghedien 
van onsen doipe van Heysta, hebben ieghen ons 
ghecregben en ghecocht, en wel tonsen wille, alle 
den art en alle die wildert, die men vroente heet, 
die binnen dezen selven hertganghe van Herlaer 
gheleghen es , beide metten houte eü metten hout- 
waase die daer nu op steet, ocht namaels opwassen 
mach, en met allen dien datter tue behoort, so in 
hoghen, soe in nederen, soe in natten, soe in 
droeghen, omme hondert 'til payments . . , dat si 
van deser selver vroenten en ardie alsoe vele were- 
copen [f. vercopen] mogben, daer si dese selve 
hondert % aen wedememen , die si ons vergouden. — 
Met welken vorseiden twintech scellinghe Lovens 
erfleke chiens, soe es dese selven aerd en vroente 
haer gherechte ghemein ard en haer ghemeine 
vroente, eïi haer gherecbt ghemeyn erde.. Belg, 
Mue. II, 416. Brief van Floris Berthaut (1311). 
Dat niemandt, soe wie hij zij, op den aert binnen 
den lande van bugten Diest egeen nijdige peerden 
noch seerige schapen houden sal , op eenen keur van 
eencn reale, te wetene daer men die niet gewoon- 
lyck en is te hondene. Archief o. Dieet. Proces met 
Gaggeviune: Extract uyt den ceurboeck oft Coetume 
o. Oaggevinne (1433). Dat hy . . . henne schapen 
gehuet en gedreven [heeft], soo opt Schaffensche 
vroente als in die broecken hierontrent (wel ver- 
staende als den tyt van de broecken was openge- 
gaen) te weten , int Moleste'broeck tot op die Craen- 
rijck, int Diesterbroeck, Peelsbroeck, als oyck op 
die Tichelrye, snachts mette schapen gesUepen, 
met die geheele cudden, gelyck die voers. syne 
meesters hadden, sonder met eenech zeecker getal, 
oft tot zeecker getal gehouden te syn, en den aert 
gebruyckt sonder yemans wederseggen, noch em- 
mermeer gehoort heeft dat yemaudt daertegen eenige 
molestatie in contrarie oft beletsel deser soude ge- 
daen hebben. Ib. Verklaring 17 april 1640. — Dat 
den aert oft de pasturagie van het Diesterschbroeck, 
Fels- en Stryrodebroeck , alle gelegen onder Cagge- 
vinne, buytenlande van Diest, is gemyn eü van 
oudte altydt is gemyn geweest tusschen de inge- 
setene der *stadt Diest en de ingesetene van het 
voors. Caggevinne. Ib. Notarieel beeoheedt^ 1766. 
Alsoo van allen ouden tijden en over memorie van 
menschen d'ingesetenen en ondersaeten, respeotive 
der stadt van Diest eü van Caggevinne , hebben met 
hunne beesten gebruyct en beweydt gehadt, zoo 
voer als naer, die ghemeyne weyden en broecken 
van Diesters Moelstede, Feels, Stryrode, waerinne 
sommige, ommegaende met schapen, weeren exce- 
derende, daerop doende groote cudden scheepen, 
meer als 't behoort, dwelckzy lieden nochtans pre- 
tendeerden te moghen doen, niettegenstaende den 
aert daermede worde verlaeden en tzelve was ten 
aohterdeeló van degene die daerinne alleenlijck 
beesten weydende waeren Ib. JExiract uit teker 
audt papier, efi. 1768. Joris Meermans, out tus- 
schen den 60 eü 60 jaeren, soe hy segt, vercleert 
en affirmeert hem wel kennelyck te syne, dat over 
30 jaeren of daerontreynt, die laomaeren, die opten 
Rhetischen Aert, van den halve raede(?) tot over 
die Nete te Berausele {eic) gelanmiert worden, 
hebben vertlüent geweest van dengheenen die de 
thiende van Gheele in pachtinge hadden. Acad. 
d'arehéok, 1867, blz. 66, 30 juni 1667. — Wjü 
hebben ontfangen die supplioatie van die pastoir 
van sinte Amants-keroke binnen der vryheyt van 



40 



AER. 



AER. 



Ofaeel^ an die oanooincVeii tbii 
ogjek tot Oeele, ümeboiideiide hoe dst, al eeat soo 
dat deefdendeel Yin der giooter tluende over die 
gbelieele proehie Tsn Obeeie en Bethj ten halven 
nide en onder Deeieheie op den Geelechen aert 
heeft toebehoort. Ib. blz. 67. 2 joni 1559. It iat 
gheordineert, dat den heijdtkffor aal ingaen den 
eerrten woenadagh Tan den meij en niet eer, en 
dneren tot Bamia en niet langhor, om eenen ieghe- 
lijcken te haaien alle Teerthien daghen een Toeder 
beyden opten aert. Ib. , K. t. 1596, a. 82. — Dat 
eenen iegbelyken aal mogon bagnrden oft maacben 
alaen opten gbemeynen aert. Tb. 84. It,, en aal 
niemaot haelen oft brengen van bajtena dorpa 
eenigbe achapen, om die te honden, oft de selre 
en anllen worden gheriaiteert Tan de gheaworen 
kenrmeeaten , eer by de adTe aal moghen bren* 
ghen op 't ghemejnen aert onder de ghemejne 
achapen. C, v. MoU, Kemren, 1631, a. 40. It. soo 
wie eenigbe schapen heeft binnen der Topghdije, 
die befaemt waerom datae leerigh ofte mjdigh 
weeren, snllen die gheaworen keormeeaters die 
tenrtont Tiaiteren; en eoo Torre de keurmeesteri 
tentont daeraf egheen kenniate en konnen dnghen, 
aoo tal de proprietaria die alleen honden op sjn 
erre, ghebro/CKende alleen den aert oft Troente 
om daarover te stonwen tot aijn erTe. Ib. 44. a. 
79. It. soo wie den aert niet en wilt helpen onder^ 
honden, oft de atraeten niet en wilt helpen mae- 
eken, oft helpen MTelen op de gbemeyne dijeken, 
dat die den aert, noch oock gheen eeckelen en 
fullen moghen ghenieten oft ghebraijken. Ib. a. 79. 
Hiemant en aal ruyge oft wormachtige peerden oft 
aehaepen op den gemeQnen aerdt oft atraeten mo* 
gen bonden, dan eenider opt sijn. K, e. Quaei' 
meehêlêu, 14 (1675). 

8) Bêfioegdê of bebimwdê gronde houtdand^ vdd^ 
akkêf^ h, terre labawnMe ou araUe, ehamp. Db 
Vans, Middelned. Wdb., ook Ybbdam. 1) |i Na- 
Tdghende dlant ghetekent met letteren, omme te 
bekennen eiken aert bi hem Tan den lande dat 
ele winne bont . . , thien bnnder lants ; eü deaen 
aert tal hi met rogghe besayt Uten te sinen afgaan. 
Item, loe tal hi twee poete setten daer hi enen 
boeme aTedoet Tan denaelTen aerde, Chdih, te 
Brutidf reg. S, Sint'Fieterg. Navolgende dhê- 
tuêekf 1865. Obbmiael (Sint-Gielis). — Comende 
metter ander cfjden aen den anderen aert, die men 
heet de OTente hooTe. — Metter ander ayden aen 
den anderen aert, daer een hage toaschen beijde 
ataet, die men heet DingeTal. — Tegen 'taelTe 
naoTolghende halff bunder lanta, dat in den ande- 
ren aert g«legen is. Ib. reg. H. 290 f°. 71 & t*'. 
(Anderlecht, 1540). DriJ bunder eü een halff win- 
nenta lants, geiyck die gelegen z\jn in eenen lan- 
gen stueke, maer in twee aerden . . .; den eenen 
aert: Tan denselTon lande te laetene met roggen- 
stoppelen, eü den anderen aert te laetene met 
eTenen stoppelen ten e^nde van den nabeeeroTen 
term/ne. Ib. R 166 (VÜToorden, 1548). Op 'tseWe 
Telt, alluttel nederwaarts..., en metter ander eg- 
den lancx tegens de hage aldaer staende, aen den 
anderen aert, die men heet den Bruyssegem- 
berch .... aen de stmte gaende t* Ossele deure , 
eü dit Btuck hout het aertgat. Ib. reg. B 220, f^. 
808 (BruBseghem , omstr. 1550). Aen den Bieweoh . . . 
daer denseWen Dieweoh duergaet, teVueren weerts, 
eü des [die] oompt orer deeeseyde Tan den Die- 
wege in den anderen aert, je daohwant, aen de 
goMen A. Ib. reg. H. 290 P. 262 ( Weaenbeke 16« S.). 

8) Xsai, «sr/i U^êm esae rivier af emttm woêer- 



loop, MMT flm goederen Moei of oerwoopi, ft. ^aoi, 
Hem de déhargmememf, \\ Bat al dw e er c en steen . . . 
gfarteTert sijn moet ten aetue , bmnan aebaopabooid , 
bimmi der stede Tan Aodanaerde. Amdeit. wieng. 
II, 30 (1510). — Vanhier kre^ het w. ook de 
beteekanis Tan «orH, fr. wuÊreké. ^Aerde*' iet aine 
Uogs eines Flnasee erfaatene Erde. 8o sagt man 
noch „Korenaerda'* tér Gatreidemartt lings eines 
Wasaers. Wamktaig, Flamdr. Si. m. JL-g^Mekie, 
II, 2, blx. 104. — CooBVABBT. Otot Denre. GKI- 
lis de Halbergfaiere , zij. s. op sijn huis en erre ao 
de Ilenrebmgghe. Cijmtèodc e. 1306. Db Ylamctck, 
Dendermomde, IT, 157, aant . . 2: Latgneche brie- 
Ten, zegt dese sehriJTer, noemen hem Oomaidnm, 
foram bladonun: Item, snpra domnm cum fimdo 
Johannis Andree , sitam in foro bladonun. Ib. , aant. 
3. Zegelbrief y. 1367. — Later eing de ben aming 
Aeri toot marki orer op elders dan aan het water 
gelegene markten. || Den zjn april 1556 ordonneer- 
den de Heeren [ui, de magistraat] Tan Ohendt eenen 
Aert in de Halle, eenen dach ter weke. Selg. Mus. 
Yin, 414 (1556). Als ten ^ hueren den broere 
Tan den Bgcken ghastbunse afi^nam T«n den olep- 
hnuse, om met egnen lepele te scheppen nnt eloken 
sack, die ten aerde stont, eenen schep, die ontrent 
een alf moykin hauden moehte. — Daemaer begon- 
stet haer die jnstieie te moyen, die up den aert 
stont. Ber. tijden I, 94. Wy , als stapelheeren , 
lieten schepenen de wete, hoe dat er een schip 
met nieuwen rogghe in de Oborenleye lach, dat 
welcke doen arresteren waa en ten aerde doen 
stellen. Ib. 191. Gheen beeryiegghers , mans noch 
Trauwen, en wilden ten aerde staen. 192. Den 
aert Toomoemt creech eene goede TerTuUinghe , 
mits seker graen, dat Tan sonmiigbe solders ten 
aarde gheetelt was. 193. Ooc sindert de foele up 
den CSorenaert te Ghendt . . , was noch achter- 
bleTen den lepele int Bycke gasthuus, te weten 
dat zy daarmede niet en schiepen uut elcken cack , 
up den aert, eenen schep. 240. Zie Db Vbibb, 
Ybbdah, 4). In het Tolgende citaat zal het w. 
ook wel ktiaigeld^ fr. droU de T'^f^ beteekenan: 
II Den pagt Tan de Aerden ofte Bloutgelden be- 
staet in zes groote Tan elck hondert dobbel hout, 
*t zy fasseel , mudsaerd ofte hoornen , gelost ofte 
gelaeden op de riTiere de Leye. PUto, v. F7. X, 
447, a. 21 (1772). 

4) Marktdag f fr. four de marehé. jj Daer en 
was nieuwers gheen appaxeneie Tan eanighe beroerte 
ter causen Tan den ooome, maer was eenen paaj- 
selicken aert. Ber. tijden I, 191. 

5) Van goederen. Aard^ natuur^ fr. noAire, ei- 
pèee, II Aengaende andere waeren en ooopmanschap- 
pen, die Tan alsulcken aert oft natuere niet en 
syn [nl, niet Tatbaar Toor bederf], daeraff en is 
niet Tan noode besonder Termaen oft Terclaer te 
te doen. C, v. Antto. , eomp, , lY , zj , 48. 

6) Yerpersooniykt. Natuur, fr. Nature. || Heur 
borstkens wit nyn . . Oft sy syn oock terecht . . By 
boUekens Tan oudt yroir geleken, waeiop den 
aerdt op elck heeft comen Teughen Een crieoz- 
ken roodt. v. d. Noot, Olymp, 70. Want boTon 
aert en konste syn sy {fd. Olympia's leden) soo 
wel ghemaeckt, Deur der hemelen jonsta. ld. PoH. 
weretcen , o6. 

7) Eener rechtszaak. Wexm.gesehapenkeid, fr. 
eetenee f earaet^ey ntUure. \\ 'tYerse3mden Tan de 
saecke Toor d^ commissarissen en Terandert dan 
aert oft natuere derselTor niet. C. e. AmIw., ooHtp., 
Y, 1. 76. 

8) Geslaekt, afhomeif geboorte , fr. naisemmee^ 



AER. 



AER. 



41 



4i Aoii f^foa ^OEfimftn eo&a knape, die 
vaii ndden Mcde oomen es. K. v, Bnu$. , iMM. 
ULt 9- Jmmt X^VÈ. Dj» XNH nddt» ivde oomen 

j BfWiMwi 4in mUflii Mrooken «looh doen joaoken 
>iMregbim ««rt., «Qgien, oooal; -^looh materie, olt 
.wt^hn fpeoken .in cqqIwimii Ytn deeen dinghen. 
.^fldfii. mêmg., lY, 186 (1485). 

10) 4#^> .sp- O)* 4Afe4rioiN0 90^ dm eUeih der 

^fl^Hfg#iy<ni>' ,«4M0«»t fjc^cfiUmewnformëmus êoiêmu; 

^I^M0p.«Oo^ d9,oi«3odiriejiicigejnondl)eweBking, imi- 

AKdilBUv «P bnpUogging! Xiree deiden ,Tan den 

jrond wqv^ ;inei winter- en lentekoom Amaaid , 

l«ffwyi<a«i devde bia#k ügft of U»Ter.en««ardap- 

pelen geofk. Em. db Latxlbtb, Dis {aird6oiiiaiwiM< 

ÏP di JMmrlamiUii, bis. x¥. iSmdaiyk 4«i» Uimyn 

m^ énÊ jmnm. \\ Seyden da venreerderen te tboo- 

4Nlii» • • dftt dop «reoh » daoro^rer *y aenleggerenqne- 

■ikww^w f <«lt7te WM don diyfwegh geweeet f«n 

die VHP Soheorbook , door ,den «Gattonpoel, naer . . . , 

^ .TQiQite vmr HjMnmheyde, elwaor de landen 

jpriaKden ^efaopdoi in hnn ««rde en behooriyoke 

bti^ IfABTnnz, 227 (IGOS). Oft den toehte- 

jujir oft toqbtenisriieo naar deeelTo dry jaren «tier- 

.T«nf aoo aoade den plo^b ayn lecbt behoaden en 

t^ïn hfWfjingh .^ijae «erden ende saiioenen moeten 

ganiat^i <7. v. iBnug,., t. i607,^. 121. GHBiramr 

vTCftaall: eg i j nm^gti ê Uvrd «e iempotv iuo deberwt 

4apdf«9> JS^ Ie PMdmnBUmr dêmroU iomfr ds iês iërret 

a^.#ai0Nw. -r> Aanga wid<^ de,]and«n eode viinninge 

moei dan hiMrlingb gmieton .de dry aerden Stt 

Ib. 1^7. JPradiis jnuHeijt .tiMUfÊm f09hnu9 
mtêinr M ftmeimr. il^ otmiwimr 

.pmifr fifoU «miéêB, Ajji ,s\ine T#vtalingan 
k. AV ^#«»^ GHBinvuEr «ich .klaarblökelük , 

tolkt; leaRaiqar.^ riohtiger J^omt hy ona TOOr ala 
Aj m art 1:^7 bet w. .door ,,trieniiiimi" «n ^^ia 
é/Kié^' OT^wet). j^balTo in .winnende Umden, 
9mn9i de ,^u4ae oamt axpivaert tan «naasten dan 
ita a kmm t p dan tyda oft jaew, aoo wanneer de landen 
laaUtn agn ,0^ tbabepran te .ayn ,in aalaken aerde , 
tUda . en .aaiaoane g4yak . dan bnerlinok ofte aQnen 
i|aidaetmaar «die jaenveoflde. iC. 9. Zoos», XI, 2. 
W(m|t/daeidoor lan beyde.agdan gaoontinneert . . . 
te weten Tan • hHTCÓngOli etc ;.en van winnende lan- 
gdon» om die.in bauien saiapene tethouden^op niet 
:te danatoraaen, en opdat den huerlinck nooh den 
.Tsrlinafder daamf gaan ,prejodicie nooh scbaede 
«fpi^gal^ewe^oor idry , jaeren naar. de .voors. expiratie , 
^ >ifala>i tot .dat. da landen wedar.ayn in anlokan 
laaade, ttfda .an laiaoape ,geiy«k die syn yerlMiart 
4awaa|t.^.va.42. 

U) IHdeBCkbate^keniaba^^MiMndeuitdiiikkinmn 

^tan,««rda">en t!aayeV, .iralke aan»aiyk in doiOr- 

LéWli»^— nikenda lift «p^pidan der .jehapantTooi^ 

Jtomapi y .an in . de ^jal>cbe .«f Smasobe. aorkondon 

nitgadcskt ;W0tdan.4p»g da . baniMwiiyn : 4 la^wme 

iMmf lUierL T^ae, floagroae. Zia,]«A.Qw«E, 2% 

dè|<a4«9»^ t JwriMiMa. Il fiat niemaat .an aal 

illW i f\ pp i t|e iUméh^ ;<fta Ja«^an paaturaaen «Mu^ge 
rffbty p -ifi^ tdü* jgBmnjaiaiai, 4mkken, .weydan, 
il m üwK f nd« laMbn, .spma^boasoban aft^uaiar- 
... •; r^l|«iida)fak «^ dagw^* ibabbande ^- 
Müar, :te Wan ifxmr.aen iabeor^van 
P> Jto i ia P Wi .atanja<wie",>aȟ?n magen >>ondan 
•a^itaap^, daaaovdar .bagsapan dia tian .dan 
iP^MH^; aade, iagaiwüle .lan -maardar labear, naer 
ipoioctia» aoadar aaehtuna ,d«iaWe .j^Mapan tte 
JaiAaa 'iaayNMs«iU»p ia«nige> w«f den ,»bi9ac- 



ken, braecUiggende landen, oft andere plaatsen, 
die sy salTor niet ^en onltiyeren. O. P.-B. tuUr. , 81 
dao. 1728. Dat alle deghone houdende dry bnn- 
daran t'saye, wesende neghen bonder labenrs goet, 
■vermoghen aullen te houden een vyftioh schaepen; 
en deghone min labeurs houdende, dat deselye 
gheene sohaepen en lullen yermogen .te houden en 
dryvan binnen denaelTen sohepenidomme. Plae. v. 
VL, Aeitm v, d, 24 febr. 16(12. III, 423. Land 
oa» AaiUt. Mat evengemelde plakkaten stemt orer- 
ean datgene Tan den 20 apr. 1782, a. 1: Quieon- 
qne dSfnudmmra . . 9Êfi homniern „por sotsoa", y ea- 
^amgwA U$ ftmiis, êt y aura ^fecünemeiiU vingi et 
mm Aomners 4e 4enre arabUf pourra iemr un ir^m' 
pea% de héiee è Unne pag moindre que de eoittcmie 
ei poe esteêdaed Ie eenty sane y comprendre lei 
agnetUÊm, lO. JA^^ :III« série, I, 640. 

Aë&TAGKëR (Artacker), an. m. BomóUuid, fr. 
terre mrahie. || .Toor welke er&ente hy tot oodar- 
pand set v bunden land artaokera, gelegen in drie 
Btucken. aint Gerlaeh, 73 (1380). Dat dis Toira. 
lanta is in eynan wathen yearteen bonre 4tftacker 
laata. Ib. 87 (1380). 

▲EBTBOOM, sn. m. Hei onderate ^edeeUe ooa 
een hoometam, itr, portie infSrieture da troue d'^un 
aebre. || Alle welcke amenden wy Terataen dat ver- 
dobbelt sullen worden, soo wanneer miahmyokin- 
ghen sullen gheachiaden by nachte ofte .naer .den 
soonanondeigBni^k; ala van gheiyeken oook op ghe- 
'boden hayiighdagban , oft metter saeghe, oft over 
aanan aeitboom aft plantsoen ghelaeten in eenen 
houw. Plae, o. Brab,, III, 207 (1662). 

A:EjasrDACU, an. m. Marktdag, fr. jour de 
■maröké. || Dat nu, in den ougst weaende, als die 
vrachten te velde seer abundant stonden, toooren 
wel y seheliyngen grooten up densack upapranok, 
in twee aertdaghen ty ts , telcker reijae x\j .grooten. 
Ber. tijden f I, IdS. «Hadden .zy moghen ihebben 
redelicken ooop ooorens, oft emmer, al wast diere, 
dattet aoo onredelic in y aertdaghen y.sohelL groo- 
ten up den zaok niet upghespronghen en hadde. 
189. lUp dan xxiy aupisty, vrindach an aert- 
daoh wasande. 190. Mita dat de stede niet maoh- 
'tich en waa alie. aertdaghen (die drij waerfVen de 
weke oomman) aulox te continueren. -'192. 'Zoe 
rmoeatesyt {nL de atad] ten naesten aavtdaghe, dat 
.was amaendaaohs daarnaar , weder laten ghaen up 
/denvoatidat^denaoopmantavoran veroocht hadde. 
:Ib. .wy ■ hebbent .eenen aertdach goeden ooop 
doen ayn . . . , an zal moghelio up .ander aertdaghen 
.noeh maar /dieian. Ib. Wy, atapelhaeren , had- 
dan eenanvaadalioken voet ghaatelt upt oooxvn den 
.voornoemden «aertdach. 1&. Dat was wel pp 
dien daah sear ghoet, maar niet up de naervol- 
ghande : aertdaghen. Ib. Haddan ayt zoo neder 
niet ghaatalt, zoo en sont up .ander aertdaghen 
èMOQ booghe.niat up te sprynghen ghehadt hebban. 
Ib. :t0lMirnclite Jun dit rumoer was .tersitont up 
de y isohmaarot , 1 Gooramaerot , ■ en int volle jnn der 
istadt daar laah men tvolck loopen als hoofdelooee 
.hanen, .an principalio die lieden van buten, die 
«doe tvala in da^atadt waran, mits dattet. den prin- 
.aJ!iialan.aavtdaeh;.van der weke was, dats den vrin- 
«daah. tn, <S7. 

AEQTGKAT, sn. o., ook covtbboat, LoaoAT, 
BGHOOB&ATJ iLimb. oiBttAT. JEs» weg midmtelifh 
Uetemid*i9ft de Moadige verriekünffen op een bouwland , 
.>. aAaana :ds déetaege on de enUnre, || Een kauter- 
gat aft.aardtgat: 12 voeten. C. «. Bru9$., Wegen 
' 4M68). /Kaaaardtgat ; .12 voeten. C..^. Loon,l, IIS 
<(V197).i£c^an[gat, daar .wagens en eygen^dooigaen : 

6 



42 



AER. 



AFB. 



12 TO0t, Ib. Lomseke lamirfdkteH ^ 76. Vsn mie- 
miy beksn, waterioopeo en wetomi jmnngbe , Tan 
sertgMteii en etnteo « hejden , gemejnteD en Troen- 
ten üme te aleen. Mabtomz, 2 (1436). Yan «ert- 
gaton, ilzaeten ete. 4 (1447). Vsn aertgaten en 
fltmten, 77. 

A£BTG£LT, m. o. 1) Kaat- of ktnerngdd, fr. 
dreU dB qmn om dtfori. \\ Het aer^neldt, wesende 
5 ctayren op ieder icliip te Tieehte Toercüide, 
oommende aen den aart, soo laedende ala onilae- 
dende. O. P.-J7. amir. I, 622 (17<M) Korir^. 
Le dvott de qnais oa de port dit aerigeU^ étant 
ciiiq patua de ehaqoe bAtean menant cfaaige au 
port OQ qnals, tant chaigeaat qne déehaigeant. Plae. 
e. F/. lY, 446 (1764). 

2) Markigdi^ fr. droU de mareké. \\ Borendien 
hebben bj ooc [aZ. de abdij t. 8int-Beitm] in 
deaelTe haeriieder stede en jnriadictie diTencbe 
achoone xeebten en rryheden , aU yan hallerech- 
ten, atalrechten, aeidghelt, racbt yan der maete, 
etc C. V. Popêr, I, 7. 

AKBTHOUWEN, sn. my. Soort yan fruit of 
ymcht yoorkomend in de spijskaart yan een banket , 
in bet jaar 1661 te Bnusel, onder de rabriek: 
^mit, als yoer de yierde scbotele", toascben: 
„Boenen en Oappers gestoeft''. Aead, Satrékêol. 
1666, 110. Zonden bet artisjokken zijn? 

AEBTLANT (Artlant), zn. o. Bomwland, ft. 
Urr9 otrahU, \\ Pen bof te Nudorp, groot myt hu- 
singben ind myt allen syn arüanden , bosch , bendt 
[k bemdt, my. yan bamt] , driesschen, weyden. 
Khotionradê, 264 (1403). 

A£BTMAT£, sn. y. Havermaat te Gent, fr. 
mienttê è aooUte d Gand. 1 = 3,677 décal. Oi- 
tojfem AuBBBT. — Aerd — of boóille koolmaete: 
1 = 2^3 décaL 

AEBTC08T. Zie habbtcost. 

AEBYACHTICH. Zie bbtachtich. 

AEBYE. Zie bbtb. 

AEBVELICIC Zie bbtelick. 

AEBWETE. Zie bbwetb. 

AESSACK (Asac, aeyssack, baaac, haesac), 
in. m. 4^'9 knofHf reiuak, bindel, üueh. fr. he- 
aaoe, kaaro'iae, vtdise, bomrte ^ ammomiire. Kil. Aes- 
sacky knapsaek. || In die caxnere boyen die 
stoye [badstoof]. In den iersten, in een soeypken 
[scbapraai] in die ookene syn yanden... koken- 
scotelkensy in wel^he syn dese pennighe en in 
eenen swerten aeyssack en in een tessche. Inv, v, 
1489. Hy [Karel de (3k)ede] hadde altoes gbe- 
phort eenen basac omme te gheyene den aermen 
ueden die tote hem quamen. j. t. Dixküpb , 44. Doe 
qnam de goede deyote graye Earele; hy quam 
^eene baeryoet gaende , snuchtens in Sente bonaes- 
keerke, np den eersten yriendach yan denyastene, 
met synen langhen keerele sin bloete yoeten be- 
deckendei en an zinen hals hanghende sinen rieme 
met synen asao ynl oleene selyeren penninghen , 
die hy plach om Gode te gheyene. Ib. 62. 

2) Spraekw. Steek dit in uwen aeaok, d. i. 

onihomd dU loel, fr. metiêx ceci om poekêy retemez hien 
oeeL II .Want simpelijoken te proeyen, dat hij dat 
dinok beseten hadde eenen zekeren tyd yoir zQne 
[tE^jno] en dat hy die yrachten dairaf opgehayen 
hadde, dat en waire niet genoeh geproen; en dit 
wilt in uwen asaok steeken. T. D. Tat. 49 y®. 

AE88EM , Met èónen aessem. In éénom ademi , 
fr. tornt d^mme koMmêy $anê dUompaitor* || Als eenige 
renten worden geoonstitueert bg ezfuytgeyinge , 
lotinge of andersins, bg nieuwe oonstitatie, met 
eenen aeaem, tot beho^ yan yerscheyden persoo- 



nen. C e. "Brmn. 1607, a. 178. CsBnmnr: 



AET ENDE D&ANCK. 1) jtfsa om 
toti, fr. momrrUmre. \\ Alle saecken spmytende oft 
toeeomende yan ate oft yan dianeke. C. e. Lier, 
1,28. Hs. (Be gedrukte Oost. heeft: yan kostende 
dianck). — Gnderbondt yan ate, draack, kleeden 
en genoden yan haeriieder kinderen. C. o. Oemt, 
xxij, 6. 

'2) In imn. aet e^ dninck aijn. Bij iemi, im 

dem koet eifm, fr. étre è pmim et è poi e&es qq. || 
Als een persoon, hebbende onbejaerde kinderen in 
sijnen aet ende dianck, geboren gedurende sijnder 
poorterye, hem ontpoorteri. C, «. €femt, Y, 3. 
Zijn yadere, in wiens aet en dianck bij waa. Ib., 
I, 668. 

AET8CHABE (Aetscare), zn. y. JSetÊoaar, fr. 
eomeeüUee. Kil. Aetschaere. EdmUa, ree edmUe, 
II Dat men [i. met] ghenen ooopman enech make- 
laar gaen moet, hg en zij gheswoten makelare, 
of broodate yan den wert, in zijn huns wonende, 
no eneghe eoopmansoepe doen, zonder yan paer- 
den of yan aetscaren, noch met yemene toeagn. 
K. lakemg. Iperem, 213. 

AFACKEKEN (een Umd), bw. Lamd afmemom 
al ploegend of ddoend^ fr. enleeer de lm torre aitee 
la ^uarrme om la béeke. || Wie een anders landt 
afdrijft ofte afrckert oyer de rechte scheedeyoore, 
oft oyer jemandts geecheede gers afmaeit. (7. v. 
Aalêif X, 16. Gheyaceert om te yerantwoeiden, 
dat ons lant ons a%eackert wert. JKsoi. Bothemt, 
71 (1674). Zie bbhtbn ende STBiBBir. 

AFBERNEN, bw. Afbranden, fr. ineendwr. 
Kil. Afbranden, afbarnen. || Die eenen ande- 
ren dreight af te hemen , om geit oft goet yan hem 
te hebben, oft anderssins, yuijt quaden wille, oft 
die moortbrandt sticht, deae is senldioh capitamc 
geponieert te wordden. T. D. Tat. 71. 

AF BIEDEN, bw. Afroepen, afkondigen, fr. jw- 
hlier, orier, prodamer. \\ Hoe dat men ghene 
andere afl^botten anders doen sal als naer lant- 
recht. AP. 1608, is den schepenen yan Bnmpmen 
geleert: dat sy nu yoertaen gheen sewalt en sullen 
afbyeden, op 7 schillingen, 14 sch. , oft 21 seh.; 
dan, als iemant sollieks behoe£[t, sal man sullick 
doen naer den lantrecht en nyet met beyelen. C. 
gr. Loon, I, 117 (1608). Zie APChBBOT. 

AFBL ADEREN, bw. De vmekten oom een lamd 
opzamelen, oniwomen, fr. reemeillir lee fmitê d'mn 
ekamp. \\ Soo waer dus den susteren eryen be- 
wijst zijn te houden haer pantpenninghen [bruids- 
penningen] Bonder deselye gronden te hebben ge- 
deylt, en die yoorsz. pantpenninghen in yremde 
handen worden yerkocht, soo is te yermoedene dat 
die coopere altgdt ghehouden soude zijn yan de 
ghehaye bladinghe rokeninghe te moeten doen; en 
is waer, dat allen tghene dat bij den yremden 
afghebladert sonde zijn, sonder bstaelinghe, sijn 
yan de prinoipael pantpenninghen. O. e. Bkode, a. 4. 

AFBLIJVEN, OW. 1) W^jeen, niet meer ver- 
scAt^sa, fr. ne pbu eompataUre, \\ Ingeyalle 
ijmant yan de boetsgesellen ter contnrien dede, 
en tsohip yerliete sonder oorloff oft aensien yan 
den schipper, die staet tot straff ten goetduncken 
yan de weth, en tot dijen yerbeurt sijn huera ten 
proffijte yan den schipper, denwelcken oock eenen 
anderen in de plaatse yan den a£|;ebleyene tsfjnen 
ooete mach hueren. O. e. AnUo. , eomp. , lY , yiij , 186. 

2) A. — van kinde. Verloet worden, ftorea, fr. 
étre déUvrée, enfamier. || Het was een man en syn 
wittich wijf, en yeraiegen een erye; daema saen 



AFB. 



AFD. 



43 



gmek die nmn tui live ter doot, en die yrouwe 
Ueef dngen een kint; en alae sixe afbleven wm, 
■o smgen [ginok] ■$ daenui laen Tan lire ter doot ; 
doe quamen die mage. eto. C v. UeeUf 133. 

AFBOTTfiM, bw. Afwimne» met wdêehe iser- 
li a jw , fir. gwfner ofoee ée9 dég fripéê. \\ Soe wie 
•peelt met ▼alachen terelingen ... is te punieren 
ue Taloeh en dieff , . . en moet wederkeeren *tgelt 
dat hij daermfee gewonnen oft a%ebot heeft. Pr act, 
oTMi, e. 188, bU. 166. Zie bottbb en bottsbij. 

AFSaAKDËN (lem.). bw. Jmmandg kmis in 
Iramd tièken, fr. mêiire U feu è la mawo» de qud- 
fm'mm. || Die jemande dreyoht af te branden oft 
trier int hnge te stekene . . . Terbeort sjln lijff en 
goet. C. e. AiÊUo.f 1546, II, 31. Hy en sjn wjff 
hadden geeeet: tgeene dat gy my doet en mis- 
daen hebt, aal gerroiken worden, oft ick sal n 
affbtanden. C ^. Loom, II, 83. Die iemanden 
dxeyght af te branden oft den brandt int hn^s te 
■tekoi, aal aen den lijre oft anderasints gestraft 
wovden. C. e. J?e.ZooM, VIII, 5. 

AFBRANT, sn. m. Verwoeeiing door den brandy 
hêi af hr mm dem j brandy fr. ineendie. \\ Na den Toora. 
afbiant . . («I. 80 hniien waren afgebrand). Oron. e. 
MÊtektea, 1565, Str. 169. 

AFBREKEN, ow. 1) LotbrOcen, tich los 
, h. se déiacher, \\ Alle deghene die de \l, wier] 
infect sijn Tan deee sieckte \nU 't rood 



meUaoen] solleB hun honden en Terokens ghebon- 
den moeten honden, oft wechdoen, op de pene 
▼an 80 st., ten waer deselve by ongheluck oft- 
g^welt afbraken, sonder wete van den meester. 
C. e. MeU, Keuren, a. 141. 

2) Onttrekken^ niet meer nUbetdlen^ it. retirer, 
empprimer, || Den pipers ons genedigen here Tan 
Booxgonien, die* Tan ouden tijde sgn gewoonlgc 
g e wee st, altoes te Keimnisse, ij grjjpen te hebben 
tot baren coeck; en want sQ binnen corten t|jde 
daevomme niet geoomen en sijn , OTormids sy selden 
int lant te dien tyden geweest hebben, soe es hen 
dat a%ebioken. Brab. Mme,, II, 127 (1450). Zie 

AFBBOECKEN, bw. JEen broek of beemd af- 
poUm^ fr. diUÊniier tm fr4, \\ Alsolke partye boom- 
gaert meersch, in de grootte en lengde eoo tselve 
ghfwtaon en ghelegen is, mette fruytboomen en 
andere in den schutteraboTe der Toors. stede, op 
Sint Gillis, genaempt y,den ouden Handboghe", in 
manieren en grootte alsoo taeWe partyoken aJPge* 
brooht (ne) en gebemt ligt. Ds YiiAicurcK, Straten, 
lY, 381 (1624X 

AFDAGEN, bw, 1) Dageaarden ter tmeerimg 
ef etttlaefing nam een met renten of dienstbaarkeden 
beewmmrd voet goed^ fr. aeeigner en pmrge on dégrb- 
vêmênt dee dkargee ou êemUndei qmi phent eur mn 
Hem-foude. |) Yan affdaeginge ende sugTeringe Tan 
o nni ietende goederen. Alle degene, die eenige huy- 
aen ofte onruerende goederen, oft renten, ter Trij- 
daeeha merekt, Tuyt craehte Tan leTeringe gecocht 
hebben, willende hen Tersekeren tegens alle quel- 
lingan, rechten, actiën en becommeringen, die 
naermaels te Toorsohgn souden mogen oommen , ofte 
die (fmant, als e^gemMr oft andeiasints daerop 
aonde moghen oft hem Termeten te hebben, die 
mach deaelTe gecochte hnijsen, panden en rechten 
ter Tjeracharen behoorelijck doen affdaegen en suy- 
Teno, Toijtstekende de renten, ohgnsen en comme- 
ren, die hem Toijtgesteken sQn. C. o. Amiw,, eomp., 
m, z, 1. SerTitnyten Tan priTaten oft priTaet* 
reymiogben, waterloopen, bomeputten én dierghe- 
lyeke, en warden metter doeken ter Tieracharen 



nyet afgedaecht. O, v. Aniw., 1545, YI, 87. 
Weeskinderen, mindere Tan jaeren wesende, geea- 
telioke peraoonen, en diergelyoke geamortuBMrde 
chynsen oft renten, die en maoh men nyet afdaghen 
metter doeken, maer die bliTcn staande op beur 
geheel, nyettegenstaende dat de propriet ans Tan 
den huyse oft panden Toloomen is in syn daghinghe, 
aonder dat, in respecte Tan beuren renten oft 
chynsen, den pandt wordt gepuxgeert oft gelibe- 
reert. Ib. 29. 

2) Afweten, bmieneluiten^ fr. débomter , forelore. 
II Benen crediteur ofte grondtheer, willende by 
gebreke Tan betaelinge Tan renten . . . procederen 
op sijne panden, moet scItc, oft iemandt Tan sgnen 
t* wegen , met twee schepenen deser stadt en eenen 
dieneer ofte Torster, indien de panden liggen bin- 
nen de stadt oft huere Trijheyt, gaen tot sgnen 
pande, en aldaer Terklaeren sijne gebreken, Ter- 
soeckende daeraf betaelinge ; ten dien eynde aldaer 
Toortsroepende alle dieghene recht oft actie in ofte 
totten pandt hebbende, die hy Tan meyninge is 
af te dagen oft Tan hun recht te seduderen. (7. e. 
£000», TV, 1. 

AFDAGINGE. sn. t. De^eaardinff ter smwtm^ 
van loeten op goederen, fr. aseignaüon en pmtge 
de ckarges affèetamt des biene-fonde. || Yan de af- 
daginghe ofte purge ciTÜe Tan erfgoeden. In den 
eersten, is te weten: dat de TOors. afdaginge niet 
alleeniyck gheschiet soo wanneer men eenighe 
panden, wt craehte Tan leTcringhe met wthangen 
Tan den blecke [aangeplakt bericht] Tcrcocht heeft, . .. 
maer oock, soo wanneer, wt craehte Tan andere 
Tonnissen , oft andenins wter handt , eenighe huysen, 
erTen oft renten binnen der stadt oft Trijheijdt Tan 
Antwerpen ghelegen, Teicocht oft wt anderen wet- 
tigen titd Tercreghen syn. Want soo Terre de cooper 
die wilt purgeren Tan alle commeren, chysen en 
belastingen, die hy beducht dat daerop souden moghen 
te TOOTBchyn oomen, oft die yemandt daartoe oft 
aen namaels sonde moghen willen oft pretenderen 
te hebben, mach, taynder geliefte, totte sdTC sgne 
huysen oft panden op fjaershedinge en Toogtge- 
dinge metter doeken doen daghen, en steken wt 
alle oommeren, chynsen renten enjbelastinghen die 
hem wtghesteken syn geweest. O. e. Aniw., 1588, 
XXXY, 1. 

AFDALEN (Tan goederen), ow. Voorikomen, 
versterven, fr. provenir, é^oir par eueeeseian, || A 
heeft twee sonen, waerran den eenen is baataert 
en den anderen is wettich; den bastaert trauwt efi 
crijcht wettige kinderen; dese kinderen hebben 
geen recht tbd naderschap, noch oock Tan sucoee- 
sie in de goederen die door den wettiffhen sone 
Tan A Tercocht lyn oft naer syne dooot offt imto' 
staio afdaelen. O. o. Dieet, VZ. XII, 80. 

AFDALINGE (Tan water), en. t. Uitwatering, 
fr. écoklement, déekarge de Veau. || Noch suldy 
weten, dat men Tyndt een andere maniere Tan 
serTituten Tan watero, die geheeten is afdalinge 
oft nederTal en nederganc Tan watere . . . ; . . dat 
by der natuerlijcker gelegentheyt en situacien Tan 
de plaetsen die nederste erTc dienen moet der OTorste 
in *t ontfangen Tan den hemel watere. t. d. Tat., 
62 T». 

AFDAN8EN, ow. Van boven naar beneden ko- 
men, ingebroken en afgeworpen \ worden ^ fr. d^grin' 
goier, Ure brisé et jetè è bas. Alleen in scherts. 
II Die dene beeldekins, die in de chieraige Tan 
de paercxkins stonden , moesten oock afdansaen [al. 
Tan de oksaal]. Ber. tijden, I, 161. 

AFDEELEN (Afdeyien), bw. 1) 



AFI>. 



AF». 



delgen, ür. rMamer parioffê, || JhJb, in' dien flha* 
▼fltltv, dj(y kindeMir huttftièit oadém moghén mey- 
leir dfl ytaehejaaoheA di« helft Tuk die evffgoeden' 
des ^oon. tfliJYighen. C. v. Zm^Xmuid, IH, I. 

2) TaedeêUn, fr. ifoMiMr, anignêr mt parUtgé, 
II Synde oooBaete, soo aal men hem de hare ludf 
afdeljlen, te weten, de hellioht^, behoadd^k dot 
die ooflsaete sal moghen behouden, op oalatie, di» 
helft, dié hem «%edeijlt is, te sQ^en WptL €, e. 
Bkode, A. 7. 

Sy Afnemen , ft. enUver, \\ Bal gheen untModere 
[uitvoerder] meer dan ééne mande ooht twee ^te 
tteoteen en sal rore xj nre . . Efi abe wie dat meer 
toghe van den Toeni. goede, dttt ment hem afdiileB 
maoh tot ij manden. Kêurh. t. Diêrtf B*. 197. 

AFDEËLINGE, tn. t. DmüM^, fr. p^rtagê. R 
Bat den langhatleVende alle de haye behoat, eü 
datter gheen afdeiJUnghe en Talt. Cé t. MMe, 
7Wft«, Us. 166. 

AFDINGEN, bw. 1) Oeréehid^h mi kei bêtU 
giootê»^' mêt üim un , fr. évineêr.' || Maoh ax$tie tsb 
nyenwicheid Toirtgestelt woréea bij denBeenen die 
men ennige erfflijcheit oft poeseane faytelfje afdingt 
en neempt, alsoe yerre als hff dat clngt binlien 
jttirs naedat die force geschiet is ; en ee desé m»- 
n!ere rtn actiën geheeten in LÉtijtto '^io <yft i)»<^- 
dktum undê si. v. d. Tav. 97. 

2) A.-- de rolle. UHputiêm, fr. Spwiser. W Is 
oook ran ooden tijden, en alnooh wort gheebÏMr- 
Toert, dat op alsnlcken reohtdagh naer den Toors. 
Yooghdagh, naer het afdinge» TOn der rollen, we* 
sende naer den twaelf uren, een keirsse wordt 
ghebrandt. C. e. AfoU, a. 11. 

AFDOEN, bw. (dode, gêdernn). 

I. Fm periomen, 

(lem. van eene bediening).- AftteUên, aftêtte»f fr. 
dêpoBêry deëüiuer. || Die eire score gave dan den- 
ghenen, die hiir ghenoempt sÉin, hi hadde Ter* 
bert XX se; en diese eischede^ xx se; nogtan mo* 
tene die here afdoen Tan sinen dienste. K, o. Ani», 
1392, S8« it. En dese [ondermeyere en Torstre] 
moghe wi nogtan «re doen^ «Ise wi willen; en 
alse wise aTe hebben ghedaény die si dan seWe 
kisen» dis sele wi hen gheres.- Ibv 64« it. Bat 
mQn here en mijn Tioawe nu t^ tgt den raet Tan 
der stat Tan Ix>Tene afdoen en denseWen Wede:^ 
setten tot 6ente Jansmesse. Ckméhereèl, 9S (1371). 

n. Van sioffelifke taken, 

1) (Xen laken Tan de raam). Afnemen, fr. cM^ 
iaeker. \] Item, eo mach ftien een laiken ofiloen 
en het Toordt slaen an eene andere rime, sonder 
in hnns te draghene, bi den betoghe too twee 
Txnders of Tan twee ghebuelrs. Ei der lakenp, te 
Bmgget bla. 68. 

2) (Ymohten). Inoogitent imnmèUni ft* réoeUer, 
II Aks een tocbter oft toohtersse aflifTig wordt naer 
del de Trachten Tan de goeden, die hrj oft sij in 
tooht besit, getijdig zijnde, afgedaen oft- geTelt siJB. 
O. ü. Loven, XIII, 9. 

8) (Yan wagens of karren). Afloseent l&eeen, 
fr. dMarger, || Van wynne [wine, w|fn] te scro- 
dene sal elo aome wQnts, die die scroderen afdoen 
en kelderen, gbelden enen pennino. Töl ie IHesi, 
1807. Soe wie wine ocht Treemde bier brenght 
Tan bnten, te lande ooht te watre, die eh aaels 
met afdoen Tan waghenen nooh Tan karren, noeh 
uten soepe, noeh oec laten afdoen, noch nutdoen, 
euij met orloTO der assisere ei panchijsere. Ende 
iee wgt hnlpe afdoen . . , elo soads ghelden« x. <S 
Kb. o. Dieet, B 70. 

4) (Hnisen). Afbreken, fr. démólèr^ || StM wie 



dait geqnetst wonAe' tsb , . • ochte tmv hoMS , 
mev se op- oohle aleade, dtttt men tfemle Imt 
wairheifr cbdt gfaose iede' OHvenéenlüw*,. dier s wIum 
ongheseaedt sijn Tan den> heve^ K, e. WmKkm»f 
1866, ai 64. Yan rookho^jsen [el. huüeb mei liMd- 
stede], als men die Terooopt elbe aldoet, soo beheoit^ 
de Toors. heerl\johede den Xm peiminek. Over- 
meire^ 89 (I646), Stellende sine TarokansooleMhtév 
np ^e erre, t toeten Tan sfOirMiae Glaios err», 
of Teerder, . . die weerende eii ildoeiide biueii 
xl degfaen of eer [nh die er aich Ümóef beteniden]. 

0. e. Aaiei, 266. 

6) ^(MiMMM, aan eieutken smhm, fr. wetrwere, 
brieer, |f Yier of T^f jaer kier te tootcq b eg h eeg' 
den die Tan Tpre an mynen gednefaten heere dal 
men de draperien fan den dorpen, op drie nQen 
der stede Tan Tpre, ofdoen wilde^ also sj ytm 
oode tyden ghepreriligieert waeren . . Bherof *saader- 
daeehs tYpre groot «emoer qnam efi frcHio neè 
idlen an roere, en spedalike onder de weretfa ei 
de Tullers , sodat Kf 's anderdbechs niet te wevke 
gaen wilden TÓ<$r de ghewanden efi de oettOieB in 
de doorpen te nieaten ghedÉen waren . . Enda 
hadden seer gheme daerwaert gfaetrooken.. emnia 
met allen de TOors. gheCaawen an stksx te siaoa. 

01. y. Dixmitdb 119 (Graaf Lodewijk Taii Oney laid , 
inderdaad , om de Yarelingen en hnnnen hanM te 
begunstigen, in oetober 1822, Terboden lakeae te 
woTen binnen de drie m^len T«n de stad). 

6) (Boomen). VHkappen, esilsa, fr. eèaUre, tl 
Soo meet dengenen, die de boomen geaet heefi, 
die afdoen en mijmen. C. e. Zoem, sSnrii, a. 84. 

m. Van aüerUi onetqff'eUfke taken. 

1) (Sen arrest, gerandkenisse, beslag), mpkeffim, 
liêkienf temei doen, doen opèonden, fr. Iss laair, 
meiire è néani, fAre eeeeer. \\ Saeekea tob ler^ 
ringe, aentsaünffen oft arresten Tan personen, lot* 
dat d*arrest onder cautie oft seker is afl^iedaen. 
O. e. AnU0. eomp. Y, j, 86. Ter t)it toe dat tselta 
arrest minneiyck ofte reoktemok aflj;edaen sQ Th. 
iXf 18. Bat den arrestant het arrest kostélooe eB 
schadeloos sal hebben af te doen ende repnerea. 
O. e. Srues,, 8i^, a. 24. Worde enem eftser 
porter Tan Lorene, of sijn goet gheraea of ghenw- 
teert hierettbuuien , in ooooisoene Tan ense seeui » 
dat men dat geTankemsse of die airest af iai deea 
efi ledeghen efi dMiTreren, ware dat wi of iMiea 
oer dal gherinkenease of dien aneat niét af eft 
daden. Btab, T., 1 , 784 , a. 28 (1806). 

2) Ban efi cesse. || Bat die Tan Antweipen af 
souden doen de twee nieuwe prorisien [in den 
Baad Tan Brabant Terkrsgen tegen de oAeieft des 
bisscbops Tan Xameryk], metter ezeentiea op de 
TOors. officiers ofte beore goederen ghedasn, eil dat 
insgheiyck afghedaen soodea weiSen efi gea l B^^ 
Teert de Toors. ban en oesie# Piae, e. Braè, 1, 
16 (1490). 

8) Een beletiel. )| Bier niettegenslaeade, eoo 
hadden die Tan den magislfael in den doen TOQ^> 
leden jaere swariaheyt willen maken, efi be l elt e a, 
dat die Toors^ erfllaten en sapplianten idet en toa> 
den gecosen worden; daerteghen s^, enppiiaiitea, 
hun aen ons hadden beklaeght, ten eyUM die Tan 
den Toors. magistraet diergelfjoke beletselen souden 
afdoen. Habtifsz, 24 (l8l8). 

4) Ben dagemeat. || Indien h^ oft sf^ des in 
gebreke ware f soodat men op de goeéen piutcdeaide 
met dagenienten, en hj} on sQ desélTe niet af en 
deden eö betaalde, mat kost efi kommef , Té6r den 
tweeden dagemsaÉe, maoh d'efinHm seba dM de 
preoedore sehntttm <?. o; Xeeva^ JEIII, & 



AFDl 



AFD. 



45 






^ Oew«ld. II IM ■!{,. teD Tertaeke des roinew, 

M» oi* pifiMHO Yno. Alen y of bciem' sokovfB' 

[giiwih— nlitigile], ksft «es dan Toeraer. veer, 

r*«ll» [MBMlibbingeD] i^ forohe,^ 

«ft cnA «filo«iL OiM^. 6tf.-lVtMH<, n, 7S 

i^ Praeeduyen of r»ohiaTOord«ri]igem. |i 
Bft i w te fc de «Aoiaren es «e«peai«n haajibBn. 
(■•» de ti> e>« it ge «on d « B ) cee— ron en «ff en t« 
fl||«l« doen aUe praeedneNB die men op- «b teghen 
eeasB peo rt e i ipsn Antwerpen «ft op i^n goeden 
eft «Bfghan iMeftgedeen oft doen doen. O, v. Asthom^ 
IMfr, n, 10. ]£mk del de [yuiJteofarij^llnrieTen 
i^o y «oe p ie e te n d^officien en wethoode- 
if «HHyMMn die eemmenf «ile leebtveofdenoge 
CBB peorter on ^ne goraen oegouK ter» 
~ \j éh die roort» eoetelooe en 8cfafr> 
«ff, dool en Ie niel doen en dees doen. 
CL ev Amèm,, comp,y Y, tj, 17. 

7> Voor weer den. |) Alle Torwarden, die Toer 
(tofOTCB} waeen, «ön deel en «Iji^hedarB en Ie 
■Mfte wwden. 11 rani 1M9. 

8) Sen beTel, eene kenr, een revbod. 

Af^gtr, I) HieilegeBB heef! den waehi- 
Memond een coutrsne otdre beeonen Ten 
ImiIuuIi nm Beffeien, «b gonrenienr T«n 
;; doch deeelTo k«n in reehl a%ed«en wov- 
C. e. 1)i9tA, rz., I, 14. Dsl eoepanen en 
y e e ir emn mogen «etlett heer coren, en, neer 
der «tedi, die keuen hoogen, nedeien, 
~fr«6. r., I, 742 (1307) Zm^—Uemm, 
enderen s(fn werek Terlrieden will, meel 
deen doen mei eenen bode oft dieneer van de 
^f mH fooigeende conienl Ten eenen der beoien 
i; weick Terboth blijft stodl grijpen 
let del *toelTe met den reehte oft melter minnen 
gedaen ie. C. e. Lmm^ Stnii. XIII , 98. 

9) Senen Trede. JSmdigfem, fr. terminer. f| Sn 
dst eee bogen Ifjdl gedneiende als eij in Trede 

i^, en toMal eii wetteUek denselven 
a%edMn oft qnifte geeohonden hebben. C. v. 
., f646, m, 6. 

10) Gom m er en seoni, lasten. Ukddffeny 
êfêtm, ^ h m yt mn, e/lpeen», afbêiaimy amortiêetrt» , 
tts Mmdrtf mmórÜr, aeqwktUr^ rMimur. \\ Dat 
ense seentlieil, onse soepenen en ghecworenen bor- 
sedie^Mven . • el soeyele meken , eelten en ordi- 
MMB moeien onder hen efi «1 eorele innemen mo- 
^Ha eft «BfeliMn «Ise del sy deermede dien voer- 

coonner en die Toersejde scoat afleggfaen 
eft aldoen. Oorh, htrtoffJam^ SSsepl. 1B66, 
\. e. 'sBomA, f. 4. In snleker Tuegfaen, dat 
▼«1 man oft wijf, die de onruerende 
goeden ofl er?en toebehooren , oft ben erigeiiae 
gnrtaen midts dragende d*een helft Tan den 
Tei€oefat«n leobten, en d'andere moeten d^een 
m den Toon. belastingen afdoen, oft daer- 
eompeneeren tol sijnen conteu temente. O* e. 
, 1M5, yn, 14. ld. XI, 57. Sn dese heb- 
ben oee dee wereltken eommen meer afghedaen 
den dese ottdeiste. AUer Kertib. 87. 

lOKs) Bonden. Uiiwisseken, fr. effimr, jjAllet 
dkt ie ye misdede in der l^t mijns lérens,., dattu 
dü geedetlieilieken Teij^beren e& afdoen wils. 0e- 
Wk., 15e S., ». 

11) De hanlb A/kiamd êotm «e«, fr. r s iie w cer d. 

|\ Wsanier dal de prüs Tan der Toreghenomder thien- 

^ Tc H ae n es, eik Ihe gaslhoe Tan eente Jane 

■■* henn Woelnen Tolgcmden heft da paiemeate, 

tt bierfeie ghsnomet sün, soe sal min her Won- 



hsift 



tere sine* hani sidoe» Te» der eersgenondse tliisnr 
den. 11 juni 1877. Toditersse ^ sal besittan 
fortnsBe en heerlijoheyi xl daghen lanck nae taus 
mans doot, en niet eer rugmen die fortrease, neeh 
bant afdoen Tan der heerlicheyt. Boxhobbv, a. 4. 

12) Senen toL Afttkaffim^ fr. Mppnewr (nn 
tonlien). }| Dat wij den enrechten loU, die men 
Tan onsen poorteren Tan den Bosch genomen heeft 
te Woadrigem, aff sullen doen, alsoe dal onse 
poorteren daer Toortaen Teren suUen mogen tt^ 
en loss op haeren reehten tolL Hertogin Jeanna 
16 juni 1384. Ckarth, v. '$ Boëch, 

13) Zaken. Ook: ontcommeren, fr. êxpêdmt, 
\\ Gkduerende welid^e Tergaderinge sq («2. de wetten) 
sullen sehuldieh syn af te doen lüle de affüxen 
de preehie en perticuliere raekende, sonderte mo- 
gen aoheeden, tenzg dat deselTO sijn gefixpedieerl. 
Fla9, V. F2.^ 30 juli 1578, a. 10. Hl, 355w 

14) Sen weriÉ, eene taak. FolNnfJbAe», eol- 
emdbi, fr. oeJIensr, Urmhur, \\ Alle knapen, eenioh 
werek begonst hebbende te werokene, sollen tsriTe 
souldieh lyn ^rst en Toeral af te werekene en 
af te deene , eer deselTO knapen eldevs suUen mo- 
gen geen wercken , op de pene Tan T^ff ponden 
wees, oft XX si. daervore, tot behoef Tan den oalace 
Tan Sinie Vijre. Le^werkerê ie Diest, 11 mei 1540, 
a. 16. 

15) Sen onrecht. Weder AsrffoUsa, sf^ed «m- 
IrsM, fr. r^j pere r , redreseer. \\ Soe wye Tan den 
[omseteren} enighen poirtere onieoht eft gewant 
dede aen s^n guede, dat die poirler mei rMht en 
sonder claghe beseten hsdde, die sooutheil met 
allen dien Tan der stal, arme en ^ke, sel daev 
Taren efi dat onrecht beriohten en dal aTsdoen, 
en dat sonder ons en der onser bolf^enscappe. 
Okarth. V. 'sBoeeh, 12 jen. 1380, a. 8. 

16) Brsaterie. De peueting verzorgen , fr.eoigmer 
ia cwre, || So wie binnen Antwerpen gheseten es en 
Tan yeroene ghequetst wordt, die sal aelTe sine 
ereaterie afdoen en sinen meester seWe loenen Tan 
dies hi aen hem Tordient heeft. Kh, v. Awbe., a. 104. 

17) Sen mandement. Afkondigemy fr. jpm- 
hlier, II t Antwerpen en moegen egheen mande menten 
oft publieatien met pUcaetbrieTen ter paren afge» 
daen worden, dan in Duitache [«I. Dietsche, 
Tlaamsche of Nederlandsche] tale gesoreren. (7. e. 
AiOw., 1545, IX, 51. 

18) Sene dwaling. ITifroeis», fr. e e l i f y e r. 
II Waeromme w\j , . . wiUende e x ii r peren en afdoen 
snleken eü gheiycken ennieien [el. de kelterQ]. 
Flat. e. F 2., 6 apr. 1513. I, 216. 

1) Hem afdoen der werelt. Ziek €um den 
omgemg der wereld onttrekken, fr. ee r e êirer dm 
monde. \\ Si selen een ghetroowen Ie Gode hebben, 
si hebben hen der werelt afghedaen AUer KereA. 84. 

2) Hem afdoen eener eake. Afetmnd doem^ 
ofitien van, fr. $e déporier <29. || Bi weloke tseertren 
clserlie biyd, dat de tots. huosse, in den Hoey- 
aert, desen sterf huusse toebehoerende , leen sQn, 
horende ten Oasteele te Ohend; en reet en adT^s 
derup ghehedt bi soepenen Tan der Kuere, hem 
deser aaken afdaden, en termineren en wijsen dat 
enz. C. 9. Oenf, I, 583 (1411). 

AFDOENINOE (eener reohleriyoke interdielie), 
inirelMng, wederro^ngt fr. révoeaiion, || Te meer, 
dat andersints notoir was, quod te generaU eomee^ 
eione eemper eampiaiur pertona loqmenüe; d*welok 
des te meer alhier, onder correotie, behoorde 
plaetse te hebben; lerwjlen dal andessiate, br de 
aldoeninge Tan de Toors. interdiotie , den snppU«»t 
en die Tan Byne M19*. booft-tholoamefe sonden wer- 



46 



AFD. 



AFD. 



0011 gostooton njt eoii6 inuDomorialc powesie. Mas- 
Tnrsz, 76 (1688). Zie atbosv. 

AFDRACHT (Afdngh, afdnght), sn. m. Borff- 
tookUMUng^ horgtoéhi , ft, fidéjuëtum. Zie AV- 

DBAGBH. 

AFDRAGEN, bw. 1) Afnemen, afhaken, h. 
prendrej éUoroeher. || So wie van den voon. gesellen 
afdneoht Tan (sie) bogen, pijlen, oft oock ander 
geieeticbap, om te Bcliietene, aonder consent oft 
wete Tan dengenen diet toebehoort, die aal yet' 
benren . . . Mandècog te Dietif 1631 , a. 30. 

2) Waarborgen, cmüaeten vam, vergoeden, vry 
kouden van, fr. déeharger, honifier, garamiir, \\ Dat 
den borengemelden G^le Yerbraeckel, principalen 
geobligeerden , insoWent ia commen te overlyden, 
en Pieter Yerbraeckel, deaBelis borge, inagelyka in- 
flolyent ia bedegen, nytwyaena het relaee Tan den 
deurwaerder Suys; waerdoor de obligatie Tan Toor- 
noemden afdraght ende garrandt geTallen is op den 
Toormelden jonker Gomelis WaUders, ghecertifi' 
ceert hebbende de anfFiBanthede Tan Toomoemden 
principaelen en boighe; en al ia 't dat hy, Comelia 
Walkiers, ingeTolge Tan deeelTe obligatie, aen hem 
suppliant «im effeetu wel hadde behooren af te 
dneghen de noch geroerde condemnatie ten pro- 
iyte Tan etc . . . Oorsaek den suppliant genoodaaekt 
wort hem te keeren tot het Hof, biddende taeWe 
belieTen gedient te wesen te oondemneeren densel- 
Ten Comelis Walkiers aen den suppliant ooateloos 
en Bchaedeloofl af t« dmghen de condemnatie hier- 
boTen gementionneert etc. *t Hof, al gesien, oon- 
demneert den Terweerder den heescher ooateloos 
en schadeloos af te draeghen de condemnatie ende 
betreck dies questie etc. . . want de borghe hadde 
als principaal beloft [belooft] afdragh en garrand 
Tan alle aenspraecken dewelcke ten laste Tan sieur 
Tan den Berghe conden gedaen worden . . . Annoich 
tioHê, 164-162. (Het geldt hier eene „borghe Tan 
boighe'' , affirmaior fidepmêtortM , eertifloaieur de eaU' 
Hen). Certiflant Tan borghe moet de solTenthede 
maer hauden ten tyde Tan de certificatie, zegt de 
Oasua poeitus. Soo hadde hij door syne requeste 
doen concluderen ten fine den reformant gecondem- 
neert saode worden hem de Tooraeyde aenspraecke 
af te draeghen costeloos en schadeloos, en in de 
oosten Tan den betrecke ter tauxatie. Ib. 299. Had- 
den . . den reformant gecondemneert, als letten 
Tcrhooger Tan den huyse ten processe Tcrmelt, 
den gheïntimeerden costeloos en schaedeloos af te 
draegen en indemneren Tan het Terhoogsel by hem 
gheïntimeerden daer te Tooren gedaen en in de 
coaten Tan den processe. Ib. 301. Den Terweerder 
aen den heescher aen te wysen en hauden staen 
behoorlyeke myminge, dienstigh Toor de partye 
landt ten processe Termeldt, en, bij faute Tan 
dien, den heeacher af te draeghen de aenspraecke 
ofte interdictie aldaer oock Termelt, ofte wel etc. 
Ib. 198. Dat de sententie a qua, daerbij den refor- 
mant ghecondemneert was den gheïntimeerden 
costeloos en schaedeloos af te draeghen syn Ter- 
hoogsel, onder correctie, niet en conde bestaen. 
oOo. 

3) Schade, Torlies, kosten Vergoeden^ fr. 
honifier, \\ Oft ijmant tseWe niet en hadde gedaen 
[nl, de laeten te kennen gegcTen waar een onroerend 
goed mede bezwaard i8],datdenselTenontfangerofte 
hayer, eii hemlieden borgen, zullen moeten afdra- 
gen alle onkosten Tan ezecutien, die tot laste Tan 
de prochie aouden komen te geschieden bQ gebreke 
Tan tydelrjcke [nl, intijds gedane] betaelinge ge- 
beurende door hunne Torsuijmenisse ofte negligen- 



tie. Ftae. v. VI, 80 juli 1672, a. 24. III, 866. 
tWare dat hy Tan de Terbintenissen wetanaehap 
hadde gedaen, sonde gehouden sijn paityedeachade 
aff te draegen en den pant datelyck daeralF te any- 
Teren. O, o. Antw. eomp,, III, ij, 16. Maer indien 
dat men naermaels boTondt deselTe rente onquijt- 
baer te sijn, oft meerder gequeten te moeten 
wordden dan tegena den penninck sesthiene, oft 
Trij te sijn Tan alle honderste, twintiehste, ryfftb 
oft diergeiycke penningen, die alnoch onbeiaélt 
souden sijn, t'selTe ia den Teroooper gehouden den 
cooper aff te draegan, ten goeddnncken Tan de 
weth. Ib. a. 20. Soo ist, dat de weth en raedt, 
in consideratie . . . , andermaal hebben geroaolTeert, 
aen de brouwers-leTeraera te presteren bet goènuidt 
hun toegeseijt op 8 meert 1711, by resolutie, en 
dat alsoo de procedure hun sal afgedraegen warden 
Tan wegens deee stadt, soo orer principaal als 
costen, en dat dese stadt sal oock tot haer nemen 
den interest Tan penningen gelicht tot betaelinge 
der amenden eü coaten tot Antwerpen gereaen, in 
gcTalle het Tonniase in materie Tan reformatie sonde 
geoonfirmeert worden. Dieet, proeee Bromoere § 
Stad, Beeol, 28 Sept. 1718. Ende wes ay [nL 
momboirs] sonder den Toors. consente [Tan de op- 
permomboirB] attenteren, sullen si) de weesen 
tseWe t* hunnen koste afdraghen, en daerran niek 
moghen in rekeninghe brengen. O. v. MaU, Weetik. 
a. 21. Dat oock den Teroooper Tan eenighe huysen 
oft gronden Tan enren den cooper sal ghehouden 
sijn uit te steken oft de renten daerop uijtgaende 
sijn quijtbaer oft niet, en tot wat pi^ae £e a^n 
losbaer, oft anderssina ghehouden wesen dat den 
cooper af te draghen [nl, de schade, die hij door 
dit TerzwQgen zou kunnen lijden] , oft daeraff te 
hebben sijn ghemoet. C, o. Demme, impr. a. 194. 

4) Eene dagT aard ing. Ontkennen, loochenen, 
h. nier. || Yan gedeylde loye aff oft aen te 
draegen. Wie iemanden wont, sleet oft miadoet, 
dien misdaan wort deelt den anderen een loy, dat 
hij Bulcx aen hem misdaan heeft, dien tydt en 
ter dier plaetsen; en worde den £iioteur op dry 
Terscheydene ghenachtendagen metten bode geoan- 
dicht het loy af oft aen te dragen, en hy het 
weygert, sal Tan der misdaet Terhaelt syn gelyok 
oft genouch Tertuycht ware. C. gr. Loon, I 164). 
Hem iets afdragen, hei verloochenen, miei 
voor het tijne erkemnen , fr. déeavouer , ne poe re- 
eonnaitre comme tien. \\ Eest dat zij [nl, die quade 
en OTcrdadige beesten] ennige scade doen met aiüoker 
OTerdaet, &t die heere, wQen die beesten sijn, 
gehouden sal zijn te beteren die scade bij den beioa- 
ten gedaen, alsoe Terre hij die beesten aen hem 
droege en aeuTeerde; en wairt dat hy hem d^er 
afdrMge en desaTOueerde , . . . die beesten sonde co- 
men in handen Tan den heere. y. d. Tat. 89. 

6) Iet aan den dag hrengen, openbaren, fr. revSler. 
II Oft ymant Tan den ndde, dt eenieh Tan ouaen 
oft onser stat dieneren, eyt hemelix in den raet 
gesloiten en, op den eedt bcToOen nyet aff te 
draigen noch te openbaren, affdroich en openbaerde 
eirt gewt [gOuit] were. O. Li4ge, 11 dec. 1600, a. 
39. Sattdt. 

6) Een Terbod. Doen ophouden, ixtrMeen, fr. 
a$muler, reürer (une défense). {) Dit synde, den 
cooper presenteert requeste tot laste Tan N. [den 
Terkooper eener partij omsloten land] en Terthoont 
dat hy geen ander myminge en waa kennende als 
door de Termelde twee landen; en gelyokerwyi 
hem interdictie gedaen was, neemt hy oonolusien 
dat synen Tercooper gecondemneert sal worden hem 



AFD. 



AFD. 



47 



■m te wjw&a behoorelyeke roymioge om Byn landt 
te ooanen gebruyoken, ofte hem afdmeghen de 
Toonnelde inteidiotie; ten weeie hy lieyer hadde 
te doen leetitatie Tan de ooopeomme etc. Ann(h 
imüomê^ 197. Sullende de Toors. gegoeyde gehouden 
axja hMfmede af te draegen alle de pretentien die 
t^, hflituj orer reéle, mixte ofte personele lasten, 
tai laate tbu dito Adriany B\jn Tindende. O. P.-B. 
r., 28 nurt. 1731. IV, 861. 
AFDRAGEND (Van woorden, liedekens). BOeê- 
\j krmUtgudf êimoM^^ ergerlijk , fr, ojfeusamt , 
r, êeamdaleÊix, \\ Andries seegt: dat Wouter 
hem, in snleker steden en plaetsen Tan sgnen live 
heeft gestooten oft geslagen; oft dat hy Tan hem 
snloke afdragende, scame^joke en oneerlgoke woor- 
den gesproken heeft, weloke injorie etc. t. d. Tat. 
85. £n lieten haer meeroken, an Tele andere 
aldnghende woorden, hoe wraeck- ende bloet- 
^liefieh een herte dat ly ooc hadden. Ser, tijden , 
l7 10. Deer wart uutgheroupen dat die Spaengiolen 
niei meer de lieden Tan Ghendt en souden heeten 
Lnftberanos, oft meer ander afdraghende woorden 
g^ieren. Ib. III, 111. 8oo yerbiedt men temaeoken, 
amghen, printen, Tercoopen, oft in 't openbaere 
te brengen eenige schampere, afdraghende oft injn- 
fiense liadekens, balladen, refereynen, pasquillen, 
gfaesehriffcen , figueren oft schilderyen , daerdore d'een 
oft d*andere religie, oft oock yemandt in 'tparti- 
eolier en generael soude worden gediffikmeert en 
gesefaandalieeert. Piae, e. Brab, 12 juni 1679. I, 
57. Interdieeren en Terbieden by deeen wel scher- 
pelyek aen alle . . . Toortaene d'eene teghen den 
anderen op te worpen oft te moreren eenighe dis- 
pntaoien oft debatten ter saecken Tan de religie, . . . 



noch ter saecken Tan dyen eenighe ii^urieuse oft 
afdmnghimdfl woorden oft wercken te ghebruycken. 
Ib. 13 juli 1609, bis. 62. En soo wie hem Tex^ 
Toordert.. de Toomoemde bediende te injurieren 
ofte indecente en afdiae^ende woorden naer te 
sfufchen , te lasteren ofte missegghen ter causen Tan 
hemlieden ofllcie en lonctie , . . sal Torbeuren. JtsM- 
BBT, I, 4{1 (1694). Aen alle practisynen, soo wel 
als aeo partye, wordt, Tan 't Hofs wege, seer 
serieoselyck Terboden in hemlieden schrifturen te 
gebrayoken injnrieose, afdraegende oft indecente 
taimeynen. O. P.-B. atUr., 1 apr. 1702, a. 16. 1, 192. 
AFDRAGEB, sn. m. Af voerder , êpmer eener 
feoif ir. ^argomiÜe. || Item, alle streckgoten, sinck- 
goten en andere goten, die den schaliedeoker leydt 
Pegt]. Item, Toor eenen ordinairen afdraeger, twee 
Toeten... O. P.-B. amir. 16 jan. 1705, a. 18, 14, 
aekaiUdakem. I, 613. 

AFDBUF, sn. m. A.— doen. Lamdbomo 
êrywÊm hmilen x^me gemeemie, fr, etUiwer de§ ierree 
hare d» em eomwimme (tegenoTorgesteld aan Binnen- 
érijf). II Want eenighe de Toors. [proehie-] lasten 
^jn Tindende op den geheelen en generalen bodem 
Tan de prochie, soowel tot laste Tan de binnen- 
bedriJTers als [op] deghene afdryf syn doende . . 
PIme. «. Fl. 82 mei 1628. III , 396. Acte deolara- 
toir . . aengaende den afdrijf die d' insetene Tan 
den lande Tan Aelst doen op de proohien daer sg 
niet woonaehtigh en sijn,.. inhoudende: hoedat 
sglieden Terstaen datter daghelQckx processen wor- 
den gihevasciteert tusschen d' insetenen Tan desen 
knde, u^t redene dat deghene afdrijf doende 
op andere naeriigghende prochien, daer syiieden 
luei en woonen, Terstaen af te treoken een Tierde 
van de settinghen ommeghestelt tot betaelinghe 
nn de taoxen by de Terthoonders uytghesonoen 
ofer heorheder quote in ayden, redempüto en 



diergheiycke . . . Ib., 16 juli 1662. m, 400. 
Waermede souden gheweert worden de firauden 
die souden ghebeuren soo wanneer dat eenighe 
persoonen hserlleden huysen ghestelt hebben op 
de uytterste paelen Tan eenighe prochie, om alsoo 
hun labeur te doen op eene andere prochie, om 
soo te ghenieten d* exemptie Tan 't Toorseyde Tierde. 
Ib. 401. Item, 12 jan. 1601, 11 oct. 1662, 5 juni 
1671, 23 mei 1663, 6 apr. 1680, en het Fr. plak- 
kaat Tan 11 jan. 1682 segt: paroeque ceux qui 
défruotuent les bois et prairies, labourent ou 
font labourer des torree dans un antre lieu et 
proTince qu'en leur demeure. 

AFDBUVËN, OW. 1) Met dezelfde betee- 
keuis als „afdryf doen". || Dat nochtans, in con- ^ 
trarie Tan dien, sekere Ghyselbrecht van Tugt»* 
ghem, Lucas de Maerschalck en eenighe andere 
landtslieden , woonaehtigh in de prochie Tan Kalcken, 
Laeme en daerontrent, wesende lande Tan Den- 
dermonde , Terscheyden landen binnen de prochie 
Tan Destelberghe oultiTerende en afdryTonde, hun 
teghen het Toom. r^lement komende opposeren. 
Plao. e. VL, 5 juni 1671. UI, 410. Zie afdbui? 

SOSH. 

2) Door de eehape» latem onthlootemy afgraunt 
af weiden, fr. dipomUer (par les moutons) en 
brouiant. || £n alsoo men Terstaet het plat landt 
dickwils bedoTTen en a£^;edreTen wordt by de 
Trempde scheepers, commende Tan andere quar- 
tieren, die somwylen in een dorp syn biyTonde 
met groeten nombere Tan scheepen den tijdt Tan 
acht, thien en meer daegen, aiSVoeyende [afgra- 
sende] dickwils een geheele prochie. C. v. AtUet, 
690 (1627). (Door paarden). Midsgaders Tan de 
meerschen by tcrijgsTolok afgedroTen. Bbmbbt II, 
374 (1660). 

3) OereckUlijk mtwitmen, fr. évimeer. || Als eeni- 
ghe partijen int partaige begrepen, den ghepartai- 
gierden afghedroTon en gheëTinceert zynde, by 
proces, zoo zullen dander kinders hem danof 
instant en Terghelt moeten doen naer elcx quote, 
zoo Terre zy TOor sententie te garante gheroepen 
syn gheweest, oft emmers de gheintereeseerde doe 
blycken, dat de ghefiTinceerde partge behoorlick 
gheëTinceert is. C, e. Aud., I, XXT, 8. A f dry- 
Ten met uitwinninghe. II DoTOorseydeamman, 
met Tier scepenen, was dan ghehouden te gane met 
den Tersouker op alsulc caUielic goet, omme dat 
metten seWen gronde Tan erTen met afwinninghe 
af te driTen te wetto, by drien ghenachten, Tan 
Tiertien nachten te Tiertien nachten , e& eenen daoh 
Tan gratiën. Jb. 2<ie d. april 1477. 

AFDRIJVEN. Zie apacubsk. 

AFDRIJy£R, zn. m. Die Uutd bebouwt bmien 
e^ne gemeente, fr. celui qui euUioe det terree hare 
de ea commune. || Oock dat teele diTersche pio- 
chien daerinne tauxeren op ghelgcke maniere alle 
logieringhen Tan soldaten, en andere houden die 
tot laste Tan heurlieden insetenen; door alle weloke 
Terscheyden en ongheiycke tauxatien dagheiycx 
groote gheschillen en difTerenten zyn rysende tus- 
schen de Wetten en insetenen Tan de respeotieTe 
prochien, causeerende dat Teele Tan de insetene 
Tan eenighe proohien gaen woonen op de naeste 
prochien, om henlieden te subloTeren, diokmaels 
maar eene dweerssche straete ofte wat bet Tan 
hunne Toorgaende wooninghen uyt de passagie 
ligghende, houdende niet te min labeur en be- 
dryTonde hunne landen als Tan te Tooren, om 
alsoo te bedyden afdryTers in de TOors. prochie 
daer sy eerst woonden, en maer te betalen een 



i 



«6 



AED. 



AFG. 



ilwde oft Tierde in de kosten van desebre .fMroohie; 
•ader irennangelen, ▼erhueren oft leenen elokande- 
«en iranne Imden, omme op dat pretext deseWe 
lUmden, .die eij ghebmycken op andere reepeotiTe 
<eü inaestligghende proehien, te ghebrujcken als afdr^- 
▼ers, <eü ialsoo te ontgaen de volle eü ordinaire 
proehiekMten. Flac, v. VI. 22 mei 162«. III, 
HA?. (Zie aldaar ook de volgende oorkonden en 
aoten van >hetselfde tijdfltip). Oft gliebeurde, dat 
«enighe inghesetenen oft aidrijyera quamen te fail- 
leren. J?lae. V. Brab, 31 aug. 1614, «. 14. XV, ail. 
Den djroflsaert en regeerders sullen sorge draegen,;dat 
alle penen, restanten Tan boeten eü settingen, soo 
"van afd^Ters als Ton ingeseten, binnen den tijt 
lan Tier maenden stillen worden gheïnt. Ib. 312 , 
a. 18. £nde stillen oock egeene iüfdrgTers buijten 
inmne piochie Termogen te<dr\)Ten ofte doen drtJTen, 
pasttmren ofte beweyden, 'tzy met ooyen , peerden , 
sohaepen , dan in hun eijgen prochie , daer sij buijck- 
^rast zijn wonende. Ib. 314, a. 38. Hij [nZ. de ont- 
tTanger] moet gaen ofte senden, eenen keer OTer ieder 
^heele omsteUinge , tot de afdryTers , om betalinghe 
.ffee HBSgen, latende aldaer een memorie-billet Tan 
sijnen naem, O. P. — B, autr. 6 oct. 1706, a. 61. 
Boodat de afdriJTers moeten geflxecnteert worden 
'in hinme effecten ende goederen door de ezploic- 
'teurs Tan de plaetee daer de omstellinge is gebeurt, 
•en niet door eenigen anderen officier, selfs niet door 
•dengonen Tan hunne residentie. Ib. a. 54. Zie ook 

«AVDBUV DOBK en ATDSIJTSK. 

AFDRINGINGë, en. t. AfperBing, de daad mm 
af ie dnngem^ fr. extorsion. \\ D'exceptien Tan 
Talscheijt, Treese, afdringinge, nnlUteijt, relieTe- 
«ment.eü diexgelijeke, en worden tegens claere obli- 
gatien in materie Tan hantTulUnge niet toegelaten 
noch ontfangen. C. v, Aniw., comp., lY, xIt, 7. 

AFDKUMMËN, bw. Afdrimgen^ fr. éloigner em 
pousumt Kil. Drummen, drommen, premere. 
.11 Met .dat den hanohman hem stelde om hem af 
te weerpen, soo reesser een oleen ghedrum Tan 
Toloke, als Toortghedrumt sijnde Tan ontrent de 
ihnysan , als die Torbaest waren Tan een oleen ghe- 
•mchte dat achter haer was, duer eenighe die Tan 
•een hanck ^pranghen, afghédrumt zynde. Ber. tij- 
dm, III , 147. 

AFDWA£N, bw. {gedwage»^ imper. dvoaef), 
Uitwiêêehê», fr. effbcer. In een beksachtigingsfor- 
I muiier Tan een Tidimus: || Dat wij open letteren 
.der stad Tan Arscot hebben ghesien en ghehonden 
en ghelesen, niet dorestreken, niet a^hed weegen, 
niet afghestert. ^9/. Oertrudu abdij ie Jjoveftj 20 
mrt. 1360. Doos 2. Heilige GUxls moeder, dwaef 
af onse souden. Qêi^dh, l&e £., 20. 

AF£LIJ£N, zn. mT. Een woord der boBff kimde , 
dat ons duister is. || Int jaer ons Heven aiMecxzxT , 
zzrij daghen in december , Terdinct dy kappe Tan 
«onser .Vrouwen coer,... opten seWen steke Tan 
«aint-Kiaes coer, mit sin afdeyen en Tinsteren,>en 
teen kappe opten irendelsteenjom xl peters. Sath., 
.AMl^lSb/iMM,.I,.31 (1485). 

AF£R0OT..Zie afobbot. 

AFBBWëBVËN, bw. F^rwsTMii'tMm, afkwh 
^pÊm,>h» raekeiêffMoqnérir dê.^TBid^êrwerbem. || Dat 
idie werlioke broeder aen een «ft .meer Tan sijnen 
t weeder e n mit soaters eyn of haer kindtsgedeijUe 
<^ aenpaert affherwecft. O. leemhöf Vaikênb,, 1570, 
aa. .17. 

AEËTTËN, bw. LaUn .ofgntm^ fr. ioifwr 
Jbr<mt9r. >Kïi . Étten , pateere , en A f e t e n [a f e t- 
iien?] dmmê cer e . || Aleoo dra nuyor Tan>de Snvt- 
iifihwiw '.liem T e wooBiert bQ .jMchte ^affite etien 



de «weöe Tsn het fConianeeheKp. M^^mrek^, *#^,,— , 
Bssol.'èfiêeken, 1«30, nr. 35. 

AFFUN, an. m, Bloedtwrwtmt , ir. pmmi ^mt 
Ie ëung. \\ Ghy puit weten, idat, «nae .de gemegne 
opinie Tan doctoren , een «ffijn en jnaegh madh ge- 
tuijge sijn Toir zijnen ftffijn; als: oen mtm asnr 
zijnen neTe, en eens oems kynt iroir afpM ocidb 
kijnt, ende dyeigeiyeke, alsoe iiene dat die «Ajn 
gele'yt word in ciTilen saken. T. 2>. IIat. 835. 

AFFILËË&ËK , bw. SemmmiigmK, «fr. .êtifUr. 
)| Dat alle inrentarissen en staten Tan g^ej^en, 
.den OTermomboiren te leTeren, aullen woKien ge- 
bonden in ordre, gelyck die orerbeaoht srorden, 
in eenen boeok apart . . ., ,oft T'tmlTtn gtaffllt nit aon 
twee goede bequaeme liaohen — £n ikit>alleH)ii0e- 
sloten rekeningen . . stillen insgelycs «by .qrdie . . 
geaffileert wenden. Q, e. Zoooa, Weêék., a. jl9. 

AFFOLËËBËN, bw. Kmeiem, hüiisHi, .am- 
wimkên. La Cnme Affomlery 3^. faiir€ mme /Mp- 
iuêum, meuririr f bUêeer f eêtripier. Maigne.d'^ 
Affolare, l«deie, et quidam ita, ut aUovyus 
bra debüitentor, inertia sint aut mntiln ] nitfnyier , 
UëÊ90r de §Êtamière è nepomtow famatê jMr/flüf- 
«MN^ gtiérirs ol. affbtêr (A. 1231). <Om wille ^«mi 
den Lat. tekst, die ons Toorkomtalsde'iNMBBpirQo- 
keryke, .ofschoon er de Dieteche gelyktydig mm 
moge gezegd worden, herhalen iwy hier het TÖlgsnde 
reeds door Db Ybibs en VBBDAXgebosJde oitaat, 
uit het Oêitdê Ckarib. 149, en ^Can Lokeien, -Oatri, 
St, PMf'fV, 338 (AM264, a.13); f| aoewie.y«iM«e 
affolert, es echuldech den heere Y pont en den 
gheaffolerden mensche V pont. Waie^e^ffolenmbe 
buuten maeten groet, dat zonde hi betemidaQ 
gequetsten, bi rade Tan ecepenen. Q^i «liqiMin 
affolaTerit, debet domino Y lib. et homini^afiilafco 
Y lib. Si autem iUa affolatio. enonnis fnen^, 
dabit loMo per consilium scabinoram. 

AFFOLËËBINGË , zn. .t. £weimmg, 
wermmkiiig. Zie afvolbbbbh. 

AFFOKAGë, zn. J^ffi Aeerl^ rmAi itpcèmsjm- 
'koop wm voiyn en bier. \\ BoTendien hebbra^.«oek 
[«^. de abt en kloosterlingen Tan 8t. Botintis ,e&8t. 
Omaar] in deselTe haerlieder stede en jurisdictie . . 
recht Tan den ghewichte, ciaimage ende iAffimge 
op wynen en bieren in de hrrlmrgbnn ghpskÉtfi 
O. o. Poper., I, 7. D'affimirage <otte gnito«ep 4e 
biwen, besta^Ade in eenen etuTor .Tan . idertlênne 
klein bier ghebrauwen bj de baaiKwen. C. Bmék 
■e. Brugge^ 1, 307. Zie LA OUSHB. 

AFFKOëIëN. Zie afdbutbh. 

AFFBONTËËBëN , bw. Orofbde^igeii.dmmmi, 
fr. intidier, offèneer. La Ctime: A fi r mio r i^ f JMm 
per au „/WmOf ottiragerj inf ariër. || .DeQ'kiiii«- 
Trede wordt gedecemeert , by bozgemeesten ten 
scepenen, tegens die dewelckeeeb ander iiquó^bun 
oft afironteien, met woorden oft imet wercjken, 
sonder bloet storten. C. v,.Dieei, YZ. 'XYI, 8.i0et 
:Hs. Christiaens zegt: iajariêerem oft.^fÊaemna, 

AFOAËN, onz. en bedr. ww. 

:1) Afïrade», een amhi of hedimnag aêdorl^ggm, 
fr. sor^tr ,d'empioi e» do fameium,,\\ lËnde op.4en 
.solre blief y .mtidde rogs, ende doe h^s [jii.(de 
bestierder] aighinc, doe gaf hi Itj .st., ooder lin 
(êie) cliedcien en.in gheride .ghelde. <— Dit eatde 
scout die dese miestere iaakede*bi sineii:tide««n 
thus souldeeh bUef jdoe h^s a%hiBO. 10 aug. 1206. 
Dewelcke orermomboors d'eeae ^Toor d'eewte » rejlae 
aal dienen twee jaeren eü diender ml i nffgnaft naadiit 
d'eerste jaer omme is. C. v. Samiè* , -Woeek, a.J. 

2),A^ — vancgoedd. 4^iepia,. ar i w i i a i j g n sa (lan 
ilorUun)» iu wervdgêtjokm , fr^d Mm or^ ^dmimaorje 



AFG. 



AFG. 



40 



f m rim ê, iomèmr en dSeadencê, \\ Een toohtenaer oft 
toebtanse «llgaende tbd goeden, oft sgnde suapeot, 
del ^ de goeden niet wel en behoariyck en souden 
^broigeken, mogben bij den eygeneer met rechte 
ghedw<mgh«n wenden te stellen suiBaante caatie. 
C. e. 8emik. 78. Losflinghe oft beseth, niet bespro- 
èken, «n ie men niet gefondeert te Tiseghen soo 
hogfae den' debiteur niet af en geet Ten goede. Am' 
moiaUotu, lOS. — Alesn. Verval^ vermmdêfiiig van 
ftrfmm, £r. d iÊ Hi nmium de forimme, dSeademce, j| Ten 
wve, uut redene Ten epparente inBokentie hj afgaen 
van goede, quaden ofte lobren regimente, VzeWe 
[al. boig te stellen] hj den jnge gbeordonneert 
wielde. C. e. Amden,, r. IV, a. 26. Soo wanneer 
een penocm insolvent bediet by afgaen ran goede 
«D btticqneronte doet. Ib. GsA. vrim YII, 13. Ten 
waer om rsden Tan apparente msoffisanthede , bj 
•Igaen Tan goeden, oft quaden en soberen regi- 
mente. C. v. QetU, lY, 16. 

8) (Van gesondbeid, jaren). Afkêmtm^ vênwaikem, 
fr. déeUmêTy dmimmer, s*affaibUr. Kil. Afgaende 
man. Vir defeetm êeHêetuiiSf êxaetcs tMtaüs^ d^- 
faeima aemio. || Valetudinaire getu^genisse wort ge- 
lejt, soo wanneer men in proces is, oft van mey- 
ninge is daerinne terstond te treden, en dat de 
getnögen, die Tan de saecke weten te Terolaeren, 
agn ai%aende peraoonen, twaere Tan sieckte oft 
oodenlom, oft oat die staen op hun Tertreck in 
•enige lanckdnerige oft sofgelgcke reyse, om hem 
daennede te behelpen soo wanneer ten thoon ge- 
wesen sal sgn. C e. Antw.^ eomp., V, zj, 21. 

4) (Van leef^jd). Verdw^em, vtnUe^êm, ver- 
jioMi, £r. s*évamomir. || Mine daghe s^n aighegaen 
ale ene ecadnwe. Vod. Mus., II. 448. Ps. 101. 
Deleceront siont fumus diee meL StaUnb, 102. M^ne 
dagen ayn Tssgaen als rook. db Sact, Mes jours 
se soot éTanouis comme de la fumée. 

6) JSenoykên, fr. gueeomber, \\ Van enen parde, 
dal Sjmoen Parise aighino in der stede bederre 
[in stada dienst] up den weoh te Parns. Sek. Qmt , 
1887, Ua. 214. Van eenen paerde, dat Janne Tan 
Sleenbeke afghino, daer hg reet in der stede or- 
bore, 1 <B. Ib. 1888, 836. 

6) Korten, afgerekend werden, fr. Ur» d4eompié. 
\\ Obemarel men gheen Tier proeiTdaghen en heeft 
naer der landtiecht, is den heere Tan Duras ge- 
leert: dat die daegen , die sj saeten sonder exhi- 
beren daerinne sj hun ter processe gedingt hebben , 
aen hen proeffdagen affgaen sullen. C. ^. Loon^ 
1,188. 

7) lèm. Bijn vermet. Ontgiaan, ontvallen 

ipjm eieek), fr. êekapper , eneeomher (se $a demande), 

II Sen generale regie ee in allffi[i hoTen . en hofrechte , 

soe wie ten Termete ghewyst wert, blijft hem zgn 

Tennel bi, hi wint sijn ghedinghe; gaet hem sgn 

Tcnnet af, eo winnet d'ander sonder Termet. Leenr. 

e. 1628, 6. 8o wien sgn Termet biblgft es sohuldioh 

i^jne aake te winnene; en so wien zgn Termet of- 

gaet, moei sine sake Terliesen. Ib. 48. — Bgle- 

Tinge. II Die sijns leens te buten gaet, eneenwyf 

beeft, hi moet haer gheren eenen anderen Topght, 

opdal hg . dero sg , en bi oonsente Tan den man 

oasr si hare biloTinghe of sal gaen; en si moet 

sweeran nemmermeer biloTinghe daerane te heee- 

sefaene. Ib. 69. 

8) Afetamd doen, ofnen vam getm^enie^ heeehnl- 
dyüy, goederen, oontraeten, poorter^, procee enz., 
fr. renoneer è, ee dêeieter de. \\ Ende ie, Ma- 
loie , Trouwe Tan Viane , . . . ben utegane nter Tore- 
f^teeeider tienden en ijshegaen bi wette en met 
Toeehde. 19 ang. 1288. Mei denwelken oerponden 



ghehoert , Hoste Toemoemt met sinen Toegfat aJ^^ing 
Tan meer oeroontscepen te doen hoeme. Qende 
Ckarib. 21 (1361). — Dan mach de bailliu afgaen 
Tan helpen, en doen den meyer scepenen manen 
Tan rechte. C. e. AaUi, 494. a. 6. (1436). V^^airt 
dat iement eenen anderen hadde geaccuaeert Tan 
eenigen criesme publgcque oft priTaet, en hg dairaf 
desisteerde en des afginck , oft achterbloTe , en geci- 
teert zynde niet en queme Toir recht zgn accusacie 
achterrolgen , die richter soude. etc. y. d. Tat. 
113 T^. ^Naedien den calengierder sgne calengieringhe 
wort bekent oftaenghewesen, moet dan deseWe be- 
houden en den coop Toldoen, sonder daemaer sgne 
calengieringhe af te mogben gaen oft renunchieren. 
C V. Deume^ Impr. a. 170. Ten waere den ap- 
pellant afginck ende daeraf renuneieerde. C. o. 
Xier, Sttjl, XI. 3. Wanneer man en wyfT (Toer 
beur huwelycke) gemaect en gepasseert hebben 
eenich contract Tan huweliker Toorwaerden, daerop 
tseWe hen huwelycke toegegaen en geconsummeert 
es, alsdan. moeten sy ten beyde syden hen daemaer 
Tuegen en reguleren, sonder naemaels dat contract 
af te moeghen gane en in der stadt recht te willen 
stane. C e. Antw. 1545. XI, 2. — Bij ghebreke 
Tan dien mogben [zg] alsulcke contracten, obliga- 
tien oft acten afgaen en renunchieren. C, v. Deurne^ 
Impr. a. 520. Soo wanneer de saecke Tan /^inigni^ 
in jndieio ordinario ten achterdeele Tan den cuen- 
gierder oft stoorder is gewesen, oft dat hg Terclaert 
heeft die aff te gaen en te Terlaeten. C. v. Antw., 
eomp. V , iz , 76. Al hadde hij aldaer Tan de pri- 
Tilegie Tan pQorterge Tertegen en tselTC airge- 
gaen. Ib. V, Tj, 11. Soo wanneer de proTOcant 
sgne appellatie afTgaet en blgft bg den eersten 
Tonnisse. Ib. 14. Alle impetranten Tan bricTen 
Tan cessie slJn gehouden die te presenteren in 
rechte . . metten staet Tan henne goeden . . , en 
deselTc henne goeden aff te gaen en te Terlaeten 
tot behooTe Tan henne crediteuren. Ib. IV, xTg, 
17. Van't Tejjaeren en affgaen oft desisteren Tan 
den processe. Een aenleggere mach, oock naer 
de litisoontestatie , worden ontfangen om Tan de 
instantie . • te desisteeren , . . sonder met eenen zgne 
actie oft gerechtichegt to derTen affgaen oft die te 
Terlaten, mits enz. Ib. V, xg, 8. 

9) (Bekentenissen). Herroepen, termgtrékken^ fr. 
r^traeier {dee eonfeseione om aveux). || De Toors. 
belijdenisse en bekentenissen Tan den ghoTanghene 
alsoo opgheteeckent wesende, wort <Üen ghcTan- 
ghene dan ghelegt ugtter hechten, onghebonden 
en bugten aUe bsmden Tan gsere, onder den blau- 
wen hemel, alweer hem sgne belgdenisfle en be- 
kentenisse wort Toorghelesen; dewelcke, soo hy 
daerby blgft persisterende en bekent toot sche- 
penen, wordt die dan ghehouden Toor eene ghe- 
noechsame wettighe bekentenisse , . . . ; maer die 
bekentenissen aldaer wederomme afgaende, en syn 
[hem] dan niet schadeiyck, noch en konnen hem 
die niet condempneren. C. v. Denrne, Impr. a. 16. 
Itom, soo wes ghcTangbene syne bekentenissen in 
torture ghedaen afigaet en daemaer ontkent , sal men 
denselTen andermael oft derdemael mogen tortu- 
reren. C. o. Berg-op-Zoom, VII, 4. 

10) Af- en aengaen op iem. van een 

gesohilf het laten heslueen door een eeheideman 
en nek naar dezee uitepraak gedragen , fr. laitMer 
déeider un liiige par wn arhitre et ee conformer è 
§a déeieion. || Dat zy niet ne meenden dat nieuwicheit 
by hemlieden gesostineert was; nietmin, waert so 
dat sT nieuwecheit ghedaen hadden, daerof wilden 
zy of en aengaen ten zegghene Tan onsen ghe- 

7 



50 



AFG. 



AFG. 



dnöhten hette efl die tui Broggbe en die ran d^ 
Vryen. ot. t. DiZKrDS, 139. 

AIb deelwoord: Afgaende ambtenaer, uU- 

tredende ^ uitvallende , fr. eoriant de fonetUm, \\ Die 
twe auwe «effgaende borgenneiBterB sullen geewoe- 
xen blijven. O. lAéffe, 11 deo. 1500, a. 1. MaeteU, 
Ordonnerende wel expreseelijck , dat men in *t Ter- 
nieuwen van deselye wetten geene teeringe en zal 
mogen doen; nemaer zal aen elck Tan de afgaende 
en aenkomende schepenen, b!j forme Tan w\jngelt, 
gegeTen worden eenen halTen pataoon. Plete. e. VI. 

80 juli 1672, a. 9. III, 356. — kinderen, dM 

iromoeny of die getrouwd et;», fr. qui se nutriënt 
om qui eoni mariée. \\ N. en N. , hauwelijxe per- 
soenen, hebben te saemen gemaeckt hen testament, 
waermede sy disponeren over henne goederen tot 
behoeft van henne kinderen; en onder andere, 
maecken aen henne dochter Styn een huys, hoff, 
met syne toebehoerte, waeronder was een stuck 
erTe, die ej te saemen gekocht hadden, indien 
hetselTe niet beschudt \nl, benaderd] en woordt, 
mits goTende aen de affgaende kinderen ieder duy- 
tent guldens. C gr. Loon, I, 889. 

AFQAENDE paohters. Zie abvcouxk. 

A. — schulden, lothare^ fr. deltee rédimibles, ra- 
eketables. || Zo wanneer eenich huns, meulene, erve 
ofte landt , ghestaen ofte gheleghen binnen der stede , 
Toortan Tercocht, Terlandt, Termanghelt, ghegheTen 
of anderssins opghedreghen of Terandert zal wor- 
den, of belast met eenighe renten, loopende en 
afgaende schulden, serTituten reële of personele, 
of wat andere lasten en tot wat tytle dat zij , de 
clercken Tan der Tierschaere zulcke Tercoopjn- 
ghen . . , worden ghebouden etc. C. v. Brugge ^ II, 
428. 

A. — waar, vergankelijk, bederf dijk y fr. denr'ée 
périeêoSU^ eorrupiihle (fongible). \\ En indien 't ghear- 
resteert goedt is afgaende oft bederffelijcke ware , oft 
andersinte eenen teirenden pandt , so mogen de wet- 
houderen, ten Tersoecke Tan partye, ordonneren 
dat deêelTe goeden bij proTisie ten hooghsten Ter- 
dieren sullen worden Tercocht. C. v. Brues. , 1607 , 
A. 78. Ohbistuv : ree eorrupHoni óbnoxia. Quod atati 
eedÜ nee diuHus eervari poteetj zegt Kil. Tan 
den wyn. 

AFGANCK, zn. m. 1) JSen trap^ neven» eene 
hrug, leidende naar een water, fr. deeeente ou e»" 
oaUer, è cóti d'un poni^ eonduisani è Veau. || Het 
stellen Tan afgangen ofte trappen in deseWe [brug- 
gen], en maken Tan drinckwaters. Mabtütsz, 66. 

2) Sleet f elijting, fr. ueer. || Onder de Terseke- 
ringe Tan wagens en karren oft peerden, en is 
be^pen noch en oompt ten laste Tan de Terseke- 
zaers den natuerlljcken sleet [oft] affganck, sieckte 
oft doot Tan deselTO wagens, carren oft peeiden. 
C e. AnUe., eomp,, lY, xj, 314. 

8) Dootelijcken afganck. Overlifden, af- 

eterven, dood, fr. dêéèe. \\ Want die burchmeesteren 
schepenen en raedt der Toirs. stadt Aken, zindert 
zekeren tyt herweerts, ons geadTerteert hebben 
tin den dootel^eken afganck w|}len Johan Stem- 
peb, in z^nen* leTene bestedere der Toirs. stadt 
Aken Tan den goederen den boergeren toebehoi- 
rende binnen onser tootb. stadt Tan Antwerpen 
residerende. Bekenk. v, Brah^, reg. 139, f®. 210 
(1553). 

AFOEBIEDEN. Zie atbixdxk. 

AFOEBOREN, bn. tegenoTergesteld aan ,4n- 
geboren"*, gloren huüen de etad, fr. nê hars de la 
villey forain. || Dat eenen ingesetenen afgeboime, 
man ofte ttouw, voor hon inkoomgelt, zu moeten 



betaelen twee ende serentig guldens. Item, dat 
dusdaenige afgeboime man en ingesetene, ingOTalle 
hg getrouwt is met een iiigeboime Trouw. n<q)ende 
sijn inkoomgelt aal gestaen'met de somme Tan 
86 guldens. O. P.-B. autr., 80 juni 1728, a. 5. 
T\amkout. 

AFGEBOT (ATTOBBODT, A^ÏOBBOBT, ABBBB- 

both), zn. o. Qereekf^ijke aannuming, ook^oonde'*, 
fr. gomnuUion, eommandemeni. || Hoe datmenghene 
affgebotten anders doen sal als naer den landreoht. 
C. gr. Loon, I, 117. Beoes 14 (1508). Hoe dat 
men affgebotten doen sal om die panden naer den 
geleytenis [beslaglegging] te ruymen, naer den 
lan<&eeht. Als iemandt gelejtenis heeft Tan eenige 
goederen, en tot die possessie en gebruyeke nyeC 
comen en can, so wyst men, dat men den helder 
des pandts een conde doen sal het pandt te ruy- 
men , op Tij schillingen ; en oft hj ■ des niet en 
dede, en Toorder claecht quame, so wyst men 
den helder en gebruyoker des pandts te panden 
Toor T^ sch., en noch eens te gebyeden te my- 
men, op Tij sch. Ib. 121 (1508). Daemae, als die 
immissie gedaen, oft den aenleggere riseche en 
waes Terieent is, wordt den leenbode Tan den stadt* 
houder boTolen die gewoenlijcke al^boden drfj 
daghen nae den anderen op heteelTe getfTinceert 
goet, en op geene andere plaatse te doen. C. leew^ 
kof van ^$ Hertogenrade, 1575, a. 7. BeselTe goeden 
Tan Terlopene renten (daerop Terhypotiseert zgnde) 
t^cTinceeren, fseWe wordt gedaen mit genaehtinge 
en respeotlTe met een afferboth. Ib., hUerpr. a. 8. 
Als naer geleytenisse, eii by schepeneuTonnis iemant 
affgeboeden wordt en niet en ruympt binnen den 
behoerlycken tyt, soo Talt hy den scholtns in seTen 
schellingen; en die moeten hem a%epandt wor- 
den eer dat tweede affgebodt geoóndicht is, anders 
sy syn den scholtus Terlooren. O. lASge, 26 juli 
1624, a. 10. Ini^lyoken halt men Tan den twee- 
den en derden affgebodt. Ib. 11. Den knaep sal 
hebben, voor elck sffgebodt, dat hy sal doen aen 
partyen buijten de stadt, twee stuyTen Brabants; 
en oock soo Teel TOor elck bevel, dat hg sal doen 
aen die contraTenteurs. Ib. 20 sept. 1766, a. 62. 
ixmgeren, 

AFGEDWAGEN. Zie avdwabk. 

AFGELT, zn. o. VÜtredinggdd , wat hy be- 
talen moet, die uit éene gilde treedt, fr. liroil de 
Mortie {d'une gilde). || By soo Terre iemant der 
camergasten £e oamer wilde verlaeten, sulcken 
sal gehalden syn alle camerlasten te helpen betae- 
len , mede oock syn ooItc [«2. Teigasting of drinkgelag] 
en a^ld. O. LÜ^, 20 Mei 1686, a. 16. Stad Loon, 

AFGESATTEN, TerL deelw. Tan Afsetten 
(Limb.) afgezet j fr. degütui, \\ Die sal gepriTeert 
en afgesatten worden Tan alsulcken ambacht, als 
een meyneediger en versworen. O. lAége^ 17 ang. 
1417, a. 3. Rerk. 

AFGE8ETENE , ATflBTBKB , zn. m. JHewoometek- 
tig ie huUen een eiker reehtegebied , aldaar niet ge^ 
kuieveet noch UMonaéhüg ie , fr. purain^ afforem^fer' 
eomne domieHiée kor» de eertaime juridietion, non^ 
domteUiéey non-réeidant. || Dat deaelTe tianagrosaeuf s 
diokwüs kenrbioeders zyn Tan Tueme-ambacht, 
Berg-ambacht, ofte andere snpposten, afreteaen 
Tan den officieren daerby sy aengetast zyn. PldtB. 
e. VI, 19 mrt 1589. I, 852. D'amptman oft synen 
lieutenant, nooh oyok die aeigeanten, en mo^hen 
niemanden Tan buyten en afigesetene deser stadt 
Toer eiTÜe saecken Tanghen in een poirten huQs, 
dan ten byzyne Tan twee schepenen. C. v, Bruee, 
1570. a. 16. Als eenen buytenman oft afl|[eaet«Ae 



AFG. 



AFH. 



51 



bnuMQ Piert gg arro e t u a i l wordt om penoneeld 
■eliiüt OoMi. V. DUsi, YZ. XI, 1. Benen afl^ 
Mtane ofi penooQ Tsn bayten, die binnen Dieet 
ge eiwüt e ert wordt om eenige penoneele schulden. 
Ib. {Kom. BibL) YI, 1. Alle d^aÜEetene van de pio- 
fincie T«n Ylaenderen worden gehouden Toor Tut- 
lentBcbe. (In de inhoudstafel yerzendt men Ten het 
w. ^beenten" naar ^^seten/' C. v. Aalst, zij, 
17. Twee alghesetenen , onder eene bancke en juris- 
dictie reeorterende , en moghen malckander bmnen 
deae stadt en hare vryheydt niet arresteren, be- 
koomiaren noch TOor de tootb. wethouderen te 
rechten betrecken toot rauwe actiën oft schulden, 
maer syn schnldich elckanderen aen te spreken 
TOOT hunnen competenten rechter. (7. o. Brute. 
1607 a. 85. Chsibtuit: exiranei. 

AFGE8ETENTHEIT, xn. ▼. Sti wet-wonem op 
dé piaatê t^mt amètêuMt; fr. nom^Uidemoê, ibfc^ 
m£U, Il Oft, bnyten de rechten van yergaederinghe 
oft ojtOGnute . . , aen den soholtus oft secretaris , 
alQseaetenen Tan den dorpe oft plaetse der yer^ 
gaederingfae Tan justitie, eenighe vacatien compe- 
teren om hunne ai^gesetentheijt . . (7. ^. Loa», I, 
576 (1700). Sn oft sioh niet, soo soholtus en 
sooetaris, niettegenstaende hunne a^esetentheyt 
▼an die plaetse bunder officie, en souden oonten- 
teren met de gestatueeide rechten. Ib. 676. 

AF0E8TEKRT. Zie afdwabk. 

AFORONDICH, bn Ma pvMen, m^i hoogim e» 
Uegttm, omêffem^ hobhtUg, fr. infyal, rude, raho- 
tma, II DoTMide welcke tjden . . de Toomoemde her- 
straete zoo quaet, arch en algrondich bedegen es, 
dat aen man, te peerde wesende, njet en kan 
aldaer gfaeensins passeren. Bsmbbt, II, 114 — 116 
(1542). 

AFORONT, sn. m. en onz. Afynmd^ fr. Mime, 
II Dat a%rQnt imopet dat afgront. Abyssus invocat 
abjanui. ps. 42. GWt^. 16« E. 180. In den 
Statenb. is het w. mannelijk: De afgront roept tot 
den a%rQnt. 

AFOUN8T, ni.T. In afgunsten. TennadBdytx, 
Ml ^^mdiee, \\ Want dan de exceptie Tan prescriptie 
is een exceptie geïntroduceerd om Tan den gedmge 
een eijnde te maken , en . . . dat de prescriptien in 
den rechten toegelaten wordden, niet alleen in 
gonsteo en £aTeure Tan den possidenten en besit- 
teren, mair oic in a^ipmsten Tan den negligenten 
en dengheenen die, binnen den tyden by rechte 
oft bij eoetomen dairtoe geetatueert en innegestelt, 
heor actie oft recht . . . niet en znecken noch en 
achterTolgen . . t. s. Tay. 328. 

AFHALEN, bw. (In de schilderkunst). Waar- 
schijnlgk: VeraUrken^ doen mikomen, ophalen ^ fr. 
ftrtifier^ faire reseortir, rafiraiMr, aviver, (Eene 
seer doiitére lezing). Eerst en alTOoren moet de- 
ssIto Jaqnemaert Terghuiden de tabemacle met 
Oneer LieTer Yronwen tot up de creste, al Tan 
fynen gaade Terghult, en Toort de oresten en de 
]ooT«ren, die daemp staen , ooc al Tan fynen gaude ; 
dies moet hj, boTen, tcruus maken Tan fynen gaude 
gerbroneert. Item, alle de cleene paerken al Tan 
fynen gaude ghebruneert en gbestoffeert , al tghuend 
datter Tan witten behoort afghehaelt, den grond 
gsnd. Yoort den grond achter de cleene paerken, 
die in (emne lopen, gulden laken en de taber- 
nade al Tergult al Tan fjnen gaude; en TOort 
drie groote paerken al Tesghult en Toort afghehaelt 
im tghaotf^zy np cauesen(?) ofte up taTorechte, 
ott £ert behoort, den grond gaud. Item, deer- 
dergke en de roosen al Teighult Tan ghelnruneer> 
den gaude; en deerderycke gbestoffeert Tan gaude 



en Tan groene; en de ooorberderen achter Ter- 
seWert en de snede Terghult, pylarea, bessellen (?) 
en datter es Terghult met ghebruneerden gaude» 
in alzo Terre ulst moghelio es en makelic Tan 
gaude. — Item, de twee nederste Toyen, bliTende 
den grond al Tan azure, en de snede Tan den 
Tojen, beede donderste Toyen Tan fynen saude 
ghebruneert , en noch de molueren boTen Tan fynen 
gaude, en dupperste Toye de derde Tan fynen 
gaude, en alle andre personaigen, borduren en alle 
andre saken a%hehaelt, altoos den grond gaud TOor 
onser Yrouwen te Bossut, en Tan alle andre snede 
naTolghende ghelyc up die monstre. — Item, in 
deerste duere zal men maken, daer onse Heere was 
onder de leeraren in den temple, en daemaer den 
Pallemsondagh ; Toort, OTer dander zyde, in de duere 
den Paesohdagh, in dander duere den Synxendagh, 
en bnnten de dueren de Tier leeraers. De bordueren 
Tan den dueren binnen Tan ghebruiieerden gaude, 
en de dueren Tan goeden olyeTerrewe. Auden, meng. , 
Y, 179. Yoort, angaende de personnaigen Tan den 
paercken, ten eersten, in de gheesselinghe Phila- 
tonis, Tergult Tan ghebruneeiden gaude, en het 
aTerecht oec, en dat Tan asure a%hehaelt gi^ut, 
deurschynende met eenen asurin boort met Gricx 
ghescrifte, en de andere personnaigen oock Ter- 
gult Tan ghebruneerden gaude, en de gheeseleers 
de wambaysen en causen al Tan ghebruneerden 
gaude, de causen ghescakiert, afghehaelt metdiTor- 
sehe cneusten. Yoort int paero Tan cruusdraghen, 
den God al Tergaut Tan ghebruneerden gaude, 
met een schoon borduere sjghehaelt gaudt denr- 
sohynende. Ib. I, 300. Van de hoofdiaféU i» de 
Kerke ie Nókere (1627). 

AFHANCK, zn. Zijdebeuk, fr. nef laterale. || 
Deweloke begraoTen sullen wesen in den beuck 
oft aff hangen deser kerck. Beekien der hegraefenMeen 
te Asieke, A». 1633. 

AFHEIMINGE, zn. t. Thans afkeimng, fr. 
elóture. || Wel Terstaende nochtans, zoe wanneer 
partije hem Tan palinge, afhijminge, Tan lichte, 
Tan waterloope oft diergelljcke oompt gerichteiyck 
beclagen. C v. Tkienen, Hs., I, 4. 

AFHENDICH, bn. Afhandioh (maken). Ste- 
len^ fr. dérober, vUer. jj Die yemants anders binnen, 
hoenderen, gansen, eynden, duyTen en diergelycke 
geruchelte afhendich maecte, Terbenrt etc. O. o. 
Antw. 1645, II, 24. Zoe wye eenich goet boTindt 
(dat hem afhendich gemaect en gestolen is) en hy 
tseWe goet syne can gemaken , . . dien persoon moet 
dat goet weder Tolg«i. Ib. 46. . . . Behoudelyck dat 
hy ierst ten hegligen sal affirmeren tseWe goet 
hem gestolen te syne ofte tegens synen danok aff- 
hendich gemaect. C. v. Santk.^ Hs. II, 18. 

Hem afhendich maken. Zidk te toek maken^ 

ziek gekml kouden ^ de vlmckt nemen^ fr. m tenUr 
oaekéf i'absenter, prendrê la fkite. || Off eynche 
weren, die . . . misdaen ind gebroeckt hedden, ind 
sich absenteirden indaffhendich machden. O. LxSge, 
27 juli 1469, a. 43. Tongeren. Ist dat der mesde- 
dich hem affhendioh maict. Ib. 11 deo. 1500, a. 
29. MaeteU. 

AFHENDICHEIT, zn. t. Afwetigkeid, fr. absence. 
Il Yercleerende Toirts, dat indien yemant, tot onser 
jurisdictie beboerende, misdedo, en onse officieren 
denselTen niet en hadden geoorrigeert , mits synder 
aff hendicheit , dat alleene onse officieren denselTen 
Terdeylen [Tonnissen] zullen. Sekenk. v. Brab,fTeg. 
137, f». 105 (1516). 

AFHILLEN, bw. Afkouweu, fr. tranehety eou" 
per. il De officier crimineel miste leer loerdelyok 



52 



AFH. 



AFC. 



aen den penoon tui K. , eerst Blaende in de sohon- 
deren, daemaer int hooft; den hak wierd nooh 
afghehilt. Piot, Chron, 656. 

AFHOF, 2n. o. Ten ophoye en tenafhoye 
comen, ten hoogen en ten lagen gedinge, fr. amx 
pïaids supérieur et inférieur, \\ En es by canae yan 
dien [leene] sculdech, ten yermaenene yan mijnen 
Toers. heere oft sgnen stedehoudere , te commen 
tsynen gbedinghe, ten ophoye en ten aïhoye. Oende 
Charib. 118 (1402). 

AFHOOOEN, bw. Meer lieden^ fr. swrenehS- 
rir. II Welcke hoochselen sollen moeten betaelt 
worden nair kersmisse; en die affgehoocht sullen 
worden, sullen tselye recht yan deaer yoirwaerde 
genieten. Acad, d'archSol. 1857» 77 (1578). 

AFHOUDEN, bw. (afkidd, af hiel, afgekou^ 
den en afgehouwen). Af houtoen , afkappen , fr. con- 
per, abatire. \\ Die eens anderp eyoken heesters oft 
opgaende boomen yan herten houte afhielde oft 
dede aff houden, yerbeurt sijn lijff en goet. C. o. 
Aniw.^ 1545., II, 25. Die yemants anders weeck- 
hout, boomen, poten, yorlen, andere diergelycke' 
affhielde oft affhouden dede, yerbeurt. . Ib. 26. Die 
eens anders eycken heesters oft opgaende boomen 
yan herten houte aff hiele oft dede aSThouwen , yer- 
beurt yier dobbel breucke, en moet deseyenwel 
partge sijne schaede yier dobbel oprechten, naer 
yerergerioge yant goet , en niet alleen yan de weerde 
yan de affgehouwen boomen. Ib. eomp. TI, 1, 83. 
Oft ijmant sulcke boomen moetwillioh hadde affge- 
houden. Ib. 34. Soo wie eenighe haghen afhiele 
oft snede. C. v. Deume, impr. a. 400. Soo wie 
iemants yruchtboomen , doornen oft eenigher- 
hande hout metten wortel uytstake oft afhiele. Ib. 
a. 404. Alle de yruchten, yan wat nature die syn, 
soo graen als sohaerhoot, en alderleye opgaende 
hout, weeck en herdt, die den oooper hem yer- 
yoordert naer den handtslaoh, yoor ae goedenisse 
oft erfifenisse, af te houden en te defructueren, sijn 
sohuldich te yolgen den calengierder. C. v. Santh. 
impr., a. 177. 

AFBOUWEN, bw. Zie aphovdsv. || Elo mach 

boeme planten yoer zijn huus en die zelye 

tronken en afbouwen. Lat. tekst: et truneare et 
amputare eatdem [arhorei]. K, v, SqffÜlaere, 1264, 

a. 58. 

AFJONSTE, zn. y. Vijandtcht^, ft. hottiUté. Dit 
es dordenanoie, zegghen en terminacie yan minen 
hoeren yan den Bade, up en yan den heesschen, 
aenspraken , ghescillen , twisten en aQonsten die N., 
of een zide, en N. of andere, deen den andren 
gheheesoht en aenghesproken hebben en dies be- 
croninghe ghedaen. C. o. Aaltt, Vowniê 19 Sept. 

1409. 

AFCAET8EN, bw. Wederleggen, fr. rSftOêr. \\ 
Zulcke blauwe arffumenten zyn ghoet om afcaet- 
sen. Ber. tijden j Ui, 262. 

AFKAPPEN, bw. Afhakken, af houwen, fr. 
aèattre. || Oft aen Lenart Aerts, ... op pretext der 
afigecabde boomen tot optimmeringhe des huys,... 
oan geweigerd woorden . . , en mt Lenart Aerts 
soude moeten die affgecabde boomen laeten oom- 
penseren oft yergoeden. O. gr. Loon, l, 560 (1699). 

AFKEER, zn. m. Afkeering, afwering, fr. 
empéchement. \\ Terclarende daerenboyen, tot meerder 
afilceer yan dien [nl. smokkelarg], dat alle de con- 
trayenteurs gel^cke recherche yan conflscatien onder- 
worpen sullen biyyen twee jaeren daemaer. Plae. 
V. JBrah., I, 826 (1632). 

AFKEEKEN» onz* en bw. Ook onscheidbaar ge- 
bruikt in de ascetische taal. 1) Afgaam wm, a^oigfk«n 



van , fr. t'éeartêr. || lerstwerf hebben aij gheloeft en 
gheloyen hunnen here , den hertoghe yorseid , dat 8|| 
in allen zaecken, niet uutffeecheiden , ghetrawelie 
bi alle sine réchte bliyen selen , en dat belpen ster- 
eken met alle hunne macht, en daer nemmermeer 
afkeeren, om engeenrehande noet, in negheenre 
manieren. Brab. F., I, 841 (1848). 

2) Afkeerig maken, verwijderen, afwenden, fr. 
détoumer, éloigner, || Ende alsoo nooh in yele oorten 
en quartieren de landen onghebonwt en yoghelwey 
ligghen, weeende yele en yerscheyden luydena%he- 
keert en yeryrempt yan de lantbouwinghe. Plae. 
V. Brab., 14 noy. 1588. I, 877. Bekier ons, Qod, 
onse heylgheyer, ende af kier dinen toeme yan 
ons. OeHjdb. 15» E. 75 y«. Averte iram tuam 
a ncibit. 

Als deelwoord: verkeerd, afgeweken, afgedwaald, 
godddooe, fr. pervere, impie. \\ O heer, God,.. 
syn [mI. des Zoons] onnosel saohtmodighe , oetmoe- 
dighe, ghepijnde, heiUghe leyen offer ie U, hem^- 
Bche yi^er, yoer mijn onpuer ioncheit, yoer mgn 
a^hekeerde synlike opwassen. Qebedb, 15« E., 66. 
Hierom en sullen die yan Gk>de a%hekiert sQn 
niet weder opstaen int gherichte, noch die aonder 
in den raet der rechtyeerdigher ; want die Here 
heyet bekant den wech der rechtyeerdigher; en 
der a%hekierder wech sal yergaen. Iter impio r m m 
peribit. Qetijdb, 15* B. 102. Ps. 1. StoMb. De 
wegh der godtloosen. 

AFKERVEN, bw. Afeehnjven (b^ middd vam 
kerven op een stok) van eene rekenmg, ir, dSekoT' 
ger un eomptê (au mogen éPenlaUles twr un bdion), 
II Alsoo men, onlancx geleden, heeft beyonden, 
dat bij eenighe yan de brouwers, in 'tafkeryen en 
uijtyueren yan 'tgheyrijt bier, zijn gheconunitteeirt 
gheweest merckeiycke groote bedrogen en £auten: 
om daertegens te yersiene, soo is geordonneert, dat 
egeen brouwere yoortaen hem en sal yeryoorderen 
eenich gheyryt bier af te kerffren noch te doen 
afkerffyen, tenzg dat t*selye eerst en yooral uyt- 
gheleet zy op de strate of op den yloer , op de pene . . , 
en dat oock de gheeworen kerrelieden, gheoommit- 
teert of alnoch te committeren tot het yueren yan 
t'gheyrydt bier, schuldioh en ghehouden sullen 
zyn t*selye yoortaen te brenghen yoor t'kerffhois, 
om aldaer geyisiteert te worden of de yaten be- 
hooriyck yol zgn; met oock of is conform het dT- 
kerffyen gheiyck men useert in 'tafschryyen yan 
den wyne, en consideratie nemende, dat de kerre- 
luijden by dese ordonnantie worden beswaert yan 
'ta^hekerft bier te moeten bringhen yoor *tkerff- 
huys, soo sullen sy enz. JPlae. v. Brab., 8 noy. 
1596. n, 79. 

AFCNOOPEN, bw. Afknotien, afem^dsn, fr. 
eouper ei enlever, \\ Noch yermach den yoomomden 
hoochbailliu alle jaere, binnen den tyt dat de 
yruchten te yelde staen, de herweghen te doen 
beghaene, en deghene die te naer ghelabeurt ofte 
besayt zjjn af te cnoopen en te weeren t*zijnen 
proffijcte, ten waere dat de yoomomde weghen 
haerlieder tamelicke wijdde, breedde en paasaige 
hadden. C. o. Aud. III, 11. 

AFGOMENDE (Ofcomende), tegenw. deelw. yan 
Afcomen. Afetammelingen, fr. deêoendanie. || Yan 
eiker name die sal staen in den erfbrief yan desen 
yorseiden lande , so sal m^n ghelden yan der name , 
te cope, te wissele ende ter yersteryenessen , iig. 
d., si ende hare ofcomende, ende nuner. 26 febr. 
1259. Dese rente, die ute deeen lande gaet, die 
moet quiten der [de heer] B. en sin afcomende, 
ofte so wie so (#to) lant houdende es ouer [na] den 



AFC. 



AFL. 



53 



hmn [heer] Henriol^e, soe dast [data] der [de 
heer] Henrio negene scade en hebbe, no sin af- 
eomende. t mei 1294. 

AFCOHTER (ATComnB). Afêtamnuilinff, fr. dê»- 
mmdamt. \\ Kindtskinderen , ofte ander haerlieder af- 
oommers in rechte linie, succederen den grootheer, 
gr o ui f rou we, en andere yan hoogeren ^ade, soo 
rerre dat 'er geen naerder en zijn, daeraf bij des- 
oenderen, noch lerende. C, e. &eni, XXYI, 9. 
Kinftaldnderen, ofte ander henrlieden (yan vader 
eó moeder) afoomers, Bnocederen in rechte linie 
den grootheer , gro otvrou we en anderen yan hoo- 
gheren graet, hij representatie. C. e. SdingeUf 
XX, 10. 

AFC0M8T, zn. y. OwrkomH^ fr. arrivie, vuiie. 
II Alaoe dat die yronwe Margriete , eertahertoginne , . . 
tot haer laetate afoomprt in desen onsen Neder- 
landen. . . Bèktnk. e. Brab., reg. 1S6. P. 285 (1611). 

AFCOOP, zn. In de tegenwoordige beteekenis, 
fr. rmektfi. jj Eeiat, ten pointe, alse yan der 
qnitaoeldinghe die Lieyen Lippens, in den name 
Tan Mergrieten yan der Brucghen sinen wiye, 
Liabetten BlanVaerta, ghedaen heeft yan der yer- 
■terften yan Janne yan der Braeghen, haren 
yader was, bi ynerme yan afkoepe. C. e. &ent, I, 
670, VomwU v. 1S99, a. 1.2. — Afcoop maken 

▼an eene straf, ziek er vr^ of ton vam koopmt^ 
fr. m radketer éTuns peine. || Alle ballingk , wordt hij 
geyangen eer hij yoldaen, oft tgerooede yan den 
heere en yan der stadt gecregen heeft, die wordt 
ge0xecnteert yan liye oft leden, eii en mach met 
egfaeenen gelde daer afcoop aff maken. C, e. Antw. 
1545, I, 41. 
AFCOOPEN, bw. A— kwellinRen, tUh 

sr vrif «e» Jroopen, fr. raéhefêr, || In dier yoegen 
dat de yorseijde oompositien moofen occasie gegeyen 
hebben, niet alleenlijken tot misdaed en delicten, 
maer ook somtijden tot concussien, soo die simpele 
en bef i e esd e Inijden (hoewel sij innocent en onnoo- 
sel waren) poogden af te koopen die yexatien en 
qnellingen .... — Andere onbeyreesde e%. onbe- 
sehaemde delinqnanten misdeden en misbmijkten 
te stoatelijker, denkende dat al 'tselfde met gelde 
a%ekogt en geredimeert sonde mogen worden son- 
der lijfstraf. O. erim. «. 1570. a. 18. 

AFCOPPELEN, bw. Afênyde», opvangen ^ fr. 
amper, imUreepter. || Wel wetende, dat binnen 
Greyelinghe gheen peerdeyolck en lach om hemlie- 
den den wech af te coppelen. Piot , Chron , 814. 
2Sgne Altese sont straok yolck yan oorloghe dau- 
waerts, so om de yictnaille af te coppelen, als om de 
andre plaetsen yan 8t. Gheertmdenl]«rghe, Boosen- 
dale, Steenbeighe en andere te yerzekeren. Ib. 711. 
Ende alzo dit yolck int lant liep hanwaert en 
danwaert, om den roof yan de beesten en andre 
goet, wierden somwils afghecoppelt yan ons ayan- 
tmien. Ib. 727. 

AFKWTJTEN, ATQTJmnr (bij naasting). Afkoo- 
ptm^ wiikoopên^.h. raeheter (par reiraii). || Item, 
tossehen snater en braeder en es geen naerscap 
deen den anderen af te qniten. C. o. ÜedSf oudste ^ 
a. 127. Waer dat sake, dat een man huerde 
een tanre jegen eenen anderen eü hij het dan bin- 
nen zijnen terropte oochte, soe waer die hneringe 
ynijte; en worde hem zijn erye afqnijt [afgeqnijt?] 
yan naerscape, diegene . die 'd*erye ontqnijt, sonde 
behooden al dat hij op d'erye yonde dat den erye 
toebehoirde meiten rechte. Ib. 

AFLAET, zn. m. Vtiepromg^ uUitek^ fr. êoUlie, 

ff Kijevnsnt en mach bayten synen mnere , tot eens 

anders arrewaert, eenighen ensidrap, noten, orer- 



Bprongen, hoofden noch diergeljcke aflaten maken 
oft stellen , noch oick jet nythangen oft ynytsteken 
yoordere dan synen easidrup oft erre bnyten den 
mner hom toe en behoort. C. Antw. 1545. Vm, 86. 

AFLAET. 1) Vergigyniê, Jtw^têéhMlng (van 
tonden) fr. pardon, rémitiion (dee p4ehh). || O 
snete hert Ihu Xpi, io yermane Di dijnre barm- 
hertioheit en begheer aflaet en yerghiffenisse yan 
allen mijnen sunden. Oebedb. 15« E. 60. 

2) Bedevaartplaatê ; voUe en algemeene Jnv^ 
eehelding van tonden, fr. lieude pèierinaget jubiU. \\ 
Soe en doet men ooc [geen represaillien] jegens 
ambassadeurs, noch jegens dengheenen die gediach- 
yaert zijn ter ooroonscip te commene, oft trecken 
in yrije marckten, oft in groote afflaten en pardoe- 
nen, sonder firanlde. Pro/et, erUn. c. 98. 

AFLANCXINGE, zn. y. Zijdekanten, fr. eÓiéê 
latSramx? Xil Lanoke. IUa.f || Daemaer ghe- 
repareert drie altaren met tafelen, aflanckynghe 
en inghelposten met inghelen daemp steende, en 
gordijnen. TVoubles mar. I, 887. 

AFLATEN, ow. 1) Ophouden, uiteeheiden, fr. 
flnir, oester, || Noch moet dezeWe ölandes maken 
de beelden , die boyen in't werck comen znllen ; te 
weten , waer Joes yan Mechelen aillaet, daer moet 
Glandes beginnen [beiden waren nl. beeldhouwers]. 
Tongerloo, 20 (15.86).^ 

2) (Yan eene beschuldiging). Afiien van, laten 
varen, tonder vervolg laten, fr. renonoer è, d^ 
eister de, ahandonner. \\ Wairt dat een gehuwet 
man z\|n wijf accuseerde, hij mach altijt, alst hem 
gelieft, desisteren en aflaten yan der acousacien. 
T. n. Tav. 114. 

AFLATINGE, zn. y. Vergif eme, vergeving, 
fr. pardon , rémission. \\ Dattu . . m j reyn biechte 
en ghewarighe penitentie, en yolcomen beteringhe, 
met rechten rauwe en willige aflatinge der sunden 
yerleen [s]. Oebedb. 16* E. 8. 

AFLEGH, zn. m. Afstand, overtoHng, fr. oet' 
sion. II Ende aengaende de gronden yan erfre daerop 
gheene huysen en staen, zal den byleyere yer- 
moghen te yerzoucken aflech fhebben yan zynen 
deele, omme alleene te ghebmyckene ofte te yer- 
pachtene. t*zynen beliefte. C. o. Aud. XXÜ. 8. 

AFLEERÊN, bw. (Ben yonnis). Wijtigen^ 
fr. rSformer. \\ Noch is geordineert, als men 
eynich gericht yet afleert, dat contrarie is den 
lantrocht, dat sy des nyet meer en sullen doen, 
op die pene yan eynen wech tot sinte j'aoops. C, gr. 
Loon, I, 19 a. Hl (1548). 

AFLEGGEN, hw. A/brehen, fr. démolir. \\ Be- 
taelt N. N., yan dat zy den torre afleyden toter 
steenplate. Bsmbbt, IY, 549 (1454). Betaalt N., 
yan dat hy afleyde, tbeelfroot ende die docken- 
stellinghe, zolderbalken , metsellerye, alzoo neder 
alst nu es. Ib. Item hebben de yoirs. supplianten 
int jaer yoerleden moeten afleggen eenen groeten 
luighen muer buyten der grooten spuijen , ende den- 
selyen met terras ende Mechelschen caick weder^ 
omme opmaken. St-aréh. Diest, Bdasfingen, 1588. 

2) (Eene gemeente, eene gilde). Afschaffen, fr. 
supprimer. || Ende bij dijne selyen dagen word- 
den in Brabant alle die gemeenten af^eleet» Piot, 
Chron. 18 (Zie hieroyer Hist. de Brux. I. 84). 
A. 1810, doen wordt d'ordene yan den Tem- 
peliers afgeleet yan den pauws Clement den Y. 
Ib. (^krielt in toecomende tiden , dat de ycers. gulde 
afgeleet worde en te nyeute ghinghe. Sermeme, 
22 (1422). 

8) (Iemands wettig aandeel in een goed). Afstaan , 
laien volgen, fr. etdür, dêüerer. jj Als een gronde- 



54 



Aïl.. 



AFL. 



safe fterft en heeft twee «men, of drie; den oad- 
tten xone oomt dat leen; dander Bone mach oom- 
men heesschen syn derde in dat leen, en dat 
moet hy honden yan zynen hxoeder; maer eo ne 
maoh hi nemmeer goeda deelen, noch erve noch 
eatheyle, van diere doot; en dat derde aal doutse 
oflegghen den joncsten hroeder en ten minsten 
grieve van den groeten leene. Leenr. o. 1528, 27. 
Zoo wanneer yement hegfaift is yaa den der- 
den duergaende, d^hoirs en syn niet hedwinghe- 
liok den heghiften af te legghen yan elcke partye 
een derde en de partyen te splytene, al eist datse 
commodieuBelick souden moghen ghedeelt werden; 
maer ghestaen midts den heghiften reoompense 
doende yan de werden yan dien met ander goet 
ofte ghelde. C. v, Audên, XX, 9. Zoo verre den 
verderder hem niet en wilt laeten contenteren over 
t'derde van de leenen mette weerde van den derde , 
den leenhaudere vermach hem af te legghene van 
elck leen t*derde in specie, oft anders in leenen 
tot de weerde van dien. Ih.- XXT , 3. 

4) (Yeiordeningen). TemUidoen, aftckaff'm^ fr. m^f- 
irê ^ néaut, supprimêr, ammuler. || En willen 
dat die raet van onse stat van Lovene, wanneer 
dat hi wilt , . . alle dese poenten . . of een deel daeraf 
verwandelen mqghe en ander maken, of al afleg- 
ghen, en hqghen en nedessn. Brab, F., I, 198 
(1806). Love*. 

6) (Eenen vrede). Temietdoe», fr. amnnlër, ea»- 
êtir. II Die oirvrede ghegheven in der manieren 
voors. blijft altljt van weerden, totdat partijen, in 
presentie van twee scepenen, denselven afflegghen. 
C. e. Zier, IT, 17. Totdat partijen, in presentie 
van eenen van de horgemeesteren oft twee sche- 
penen, denselven vrede casseren ofte a0Aggen O. 
e. Zoom, II, 9. Benselven vrede alsoo ghegheven 
hiyft goet en van weerden, totdat partijen gheaocor- 
deert zQn, en voor den schouteth, s^nen stadhou- 
ders oft vorster, in sijne absentie, en twee leen- 
mannen, gheconsenteert sullen hebben den vrede 
af te legghen. O. e. Semihovan^ a. 188. 

6) (Eenen opstand). Denvpen, it, Ho^er, faire 
eêsêer, || Item hebben wi hen gegeven en geven: 
waert dat eneoh ambachte mesgrepe jegen onse 
stat vorghenoemt, of sette hen daerjegen, in cren- 
kenissen der stat, soe willen wi en gebieden onsen 
meier van Loven dat hi dat staphands wederstae 
en aflegge. JSrab, F., I, 732 (1306). Loven. 

7) (Geschil, twist, proces). BijUggem, heeUckteny 
sUohien, verefftsnen^ fr. aeeommoder, terminer, 
frider, || Omme ave te legghene dien twist, en 
omrae pais en vrede onderlinghe te hebben. 
19 jnni 1295. Al ghevielt, dat enxgh gheselle 
twist, debat oft disoort hadde deen jeghen den 
anderen, dat hem dies niemand onderwinden en 
sal dat ten beste te sprekene . . . , mer sullen dat 
bringhen bij dekene en ghesworene, om dat af te 
legghene. Sermems^ 5, C^i. e. 1412 $ 6. Al het- 
het^ne vors. zal geobserveert worden in saken, 
die ter rolle ordinaerlick vervolgt worden en zijn 
van importantien , oook die sommierlick niet en 
konnen a^le^t en geslicht worden. C. e. Auden, 
8i^ d, Koêt. I, 51 (1619). Alle incidenten occu- 
reiende in formele processen, zullen oock ter rolle, 
ofte by schepenen, sommierlick a%eleyt worden, 
ofte gevocgt worden ten principale van de sake. 
Ib. II, 6. Om alle saken tussohen die partijen 
aff te leggen en te beslichten. CharA. a. 'êBoeeh^ 
f>. 107 v«.. Baad e. BrtA.^ 21 febr. 1454. Dat 
m^n genedige heere van CJharolois der voirs. stat 
van dan Bossche hadde doen soriven dat «yne ba- 



gerte waa dat die voirs. gesoille tondion hen aff- 
geleyt worden bij minnen. Ib., F. 108 v^ De 
jugen doen altijts groote neerstichede te appoino- 
terene en aff té leggene de processen die voer 
hemlieden hangen in materie van injurie, apeda- 
lijck als zy niet dan verbalen s^n. Praet, erim,, 

0. 138. 

8) A.— eenen dag. Bdegpea^ fiébiedem^ mtroê- 
pen, it,ordonnert vmUier, || Indien de opghewonnen 
goeden syn exfgoeden , worden dÏMraf d^ soadaeeh- 
sohe prodamatien ghedaen achtereen, ter puyen 
af, ofte op de dorpen ter kercken uyt, en daeran- 
teynde, op eenen sondach daemaest volghende, 
soo wordt daeraf eenen coopdach a%heleecht teghena 
eenen sekeren gheleghen dach; en dien ooopdaoh 
wordt ghehoadoi ten selven daeghe. C. v. Breda^ 
a. 46. 

AFLEQQINOE, zn. v. Loeeing, afkoop ^ ft. 
rédemptum^ raekai, C. v. Loee», XIY, 17. 

AFLEIDEN, bw. (Toon, getuigen, oontschap). 
Bijbremgmi, laiem verkooren^ doem vereeh^men toar 
den rechiett om ie oerkale» wU zy vam de taak 
weie», fr. produire de$ iSmoi»e^ les faire eomp»- 
ratire en ftuiiee. Kil. Leyden de ghetuygen. U 
Soo wanneer partyen, oft een van beyden, ten 
thoone geadmitteert sullen wesen^ soo sullen sQ 
t'samen, oft elck van hun in *tbesunder, schuld 
dich en gehouden wesen densalven hunnen thoon 
oft thoonen af te leyden binnen dry ierste naeat- 
comende genecht- df roldaeghen. C e. Jjier, 
St^lf IX, 1. DesgheHjokz ni men voortaan in 
'tafleyden van ghetugghen aldaer sohuldiffh weaen 
partye oft synen procureur te doen dagnen, om 
de ghetugghen te commen sien produceren en 
sweeren, C. v. Anfw, , 1^82 , Y, 10. (De CompUaiae^ 

1, V, 12, hebben ,^eyden" on y^ejóen*). Dat 
men van nu voirtaen den thoon , die men doen sal 
in saecken van palingen, erffsceydingen , meerin- 
gen, sal verhooren en affleyden in 'taensien van 
der plaatsen daer die twist om is. C. e. Sanikooeu , 
O. 19 apr. 1558, a. 72. Soo wanneer ijemandt s^n 
getuggen buijten slandts soude moeten affleyden, 
oft zyn feyten gewarigen met getuijgen buyten 
slants gereyst synde, soo sal men de dagen van 
thoone meerderen en minderen. Ib., 8tyl, a. 149. — 
C. V. Aniw., oof»j»., Y, z, 14, 54. — O. e. Demme, 
Impr,, a. 308. — Landi'-ok. e. Megkem,, 1546, a. 4. 

AFLEIDINQE, sn. v. Afleedinge des 
zins. Afioijhinff vcm de namen, Mm kei gegomd 
vertiamd, doUng^ fr. déoiaüon dee eens, de la eaimê 
raiêon^ dberraüom. || Want *t ea een groote wreet- 
heyt voor die dooden niet te willen bidden, die 
in die onsaoheUke pyne dee vagheviers sgn; en 
noch egst een meeraer vertwyffelinghe voor hem 
zelven naer zgn doot niet te willen ghebeden heb- 
ben, ofte *t es een groote afleedynghe des zins. Ber. 
tijden, III, 307. 

AFLEREN. Zie atpollisbsn. 

AFLESEN, bw. Afbreken, ook afkeoÊon, fr. 
démolir, — en entever. || Dat men nimmermeer 
zeker en zal wesen up tzelve werok, tenzy tselve 
a^helesen zy gheheelick en van den gronde nieuwe 
ghemaect, up den voet en met de materialen die 
zy [aZ. de gezworenen] daertoe suggereerden; hoe- 
wel zy nochtans wel eenige hope hadden van 
'tselve werok te houden staene, anesende alleene- 
liok de vauseren en pilaeren, maer dat het noch- 
tans verre tsekerste was tzelve werok gheheel ei te 
lesen. Tpriama, I, 360 (1622). Yoor 't ontdeo- 
ken en aflezen van schaillien up den dake van 
deae comptoiren, en deselve weder te deoketi eó 



AFL. 



AFN. 



55 



1^0011, tsynder rysqne synde alle de Behaülien die 
breken eoud«n. Ib. 864 (1622). Be Petyt Moine 
[jmM flMM«, het mannikje] was gequartileert, 
niel je^iensteende dal hj priester waa; maer al- 
Tona WO laa men of aine cnme. Cl. y. Djxmudb , 136. 
AFLUF (▲m.niT), sn. o. 1) Dood, otferl^dom, 
tt. flMrf, iéeis. \\ Indien dat eeneghe Tan dé tootb. 
^Moocfaie eerflilw laarenten naer daflyf Tan den 
eenten oreriedene gheloet wierden. C e. Amd., Cah, 

8) DoododbmU een poorter» , van iêdem oenmr maa^ 
mèópp^t fir. droii morimtdre de homrgeoiêy de mem- 
krm d^wm eoeUU. || Waert ao dat yement siin aflüf 
ooopan wilde binnen sinen leyenden live, ao aal 
hj ooe gheven xij a. par. JBelg, Mue. IT, 420 
(148S). Rederijker» te Sas»eU. Wanneer eenid^ 
penoQB, in't aelTe gulde weeende, aflyrich werdt, 
ni gheren toot aQn aflgl . . A^dem. meng. I, 114 
(1618). G!oa/«iieriM«r«. Ter doot es ele poortere en 
poorterMe aenldich, Tan afllTe, xüij s. parisia; 
daemf de elete ran der stede heeft, Tan der doot 
ts teekenene, de ij s. paritis. C. e. Aakt, JSuitei^ 
poorter» y a. 7, bis. 414. 

8) MeerUjk redkiy eUManr hj ^ toverijen der 
dienetbare Heden, tt. droU teignenrial exiffiUe em 
dééèe dee gen» de eondition eervUe, \\ De fure quod 
aflief «osolar eie^mU [jÊerm] wif den, tolvant, Cart. 
St-TVond., I, n; 10 (1056). It. n». 14 (1060). 

AFLUYICH (AnnriCH), bn. 1) Afiyyich 
maken, dooden, om kei leven brengen, tt. tner. \\ 
Om t*i^pprahendeten 1) . . , die men Terstaen hadde 
aldaer gerlucht te xyne up 'tgewydde, naerdat 
hy , «p Uiyeooninghenafont, afliTieh ghemaect hadde 
esoen Spaeaaehen soldaat ghestaen hebbende np 
tjik aenünelle. Sbmbbt, I, 264 (1608). 

8) A.— worden, sterven, overlijden, ft. mourir, 
Oodtöda seer gebruikelijke bewoording; komt nog 
ala vefooderd foor by SLbaübbb. || Als yader en 
noedaPSy somen en doehteien hebbende, aflynch 
waden. C 'eland» v, Meeheten, leenhof, III, 8. 

AFLIJTICBEIT, zn. ▼. Dood, tt. mort. |j Alle 
de goeden dee afflirighen, die denselven afliyigen 
ten dage yan synder afliyiehet met yolle rechte 
alaoeh yraeven toebehoorende. C. e. Aniw,, 1646, 
XIII , 18. D*efffgenamen hebben keuse , oft sy 
taterflraya e^ [de] goeden willen aenyeeiden gelyck 
dail waa ten dagfae yan der afliyicheit des d«xlen, 
OB • • • Id. , a. 89. 

AFLOOPKN, o. w. Afloopende payemen- 
ten. BetéUngen, die op bepaalde termijnen moeten 
gentMeden^ fr. p mgeme n t» éehdonné», \\ De renten 
daarop [al. op huisen] beset bebben nature yan 
atfvaidiicheyt , natghedaen lytrenten en afloopende 
payemanten, deweleke (al syn die gerealiseert) 
bakenl i^ mobiliaire. O. e. Qent, VI, 19. 

AFLUICK, sn. m. AfelmUing tu»»éken hei 
hoor em den krmiebemk in de M. K. kerken, fr. eló- 
imre dm ektemr dame Ie» égUee» C. J2. || Eenighe yan 
hamlieden biaeoken, in de kerke, eenighe onteren 
an aflnyeken yan dien, die gheheele bleyen weeren 
ter eerate biaaoke. TroeMs» mar»^ III, 98. Zie 

aYCÜICKBB eo AVLVIOKSBL. 

AFLUICKEN, (oniumr). bw. Af»Unien, fr. 
e^arer. |) Wie, die seerier [dioogscheerder] es 
en ffaewanden bond in lyn huns, om dxapieren, 
moet enen wynkel of doen Inken in den yoonrloer, 
npgMnde toten solder of toten oyerst yan den 
bnns, mida dat gheen aolder boyen ne sy, daarin 
dat hy «oen aeeidiach honden cal en dat den soar- 
«nboehta toebehoort Oorporaiione 190 (1380> 

AFI#UICK£Ny m. o. AfeUnOag, fr. elóimre. 



\\ An Caerle de Groook, te weten sj so. par. yer» 
teert in het maecken yan het concept yan grootte 
eü langhde yan den haute om het afluacken yan 
de drie chooren. Rbmbbt, IV, 682 (1690). Zie 

▲PLÜICK en AFLVICK8BL. 

AFLUICKttEL, en. o. AfelmHng, fr. el^tnre. || 
Aen Mr. Otmaer yan Ommen, ter causen dat hy 
gheleyert en ghemaect heeft beede de aflnucxelen 
yan den hoogen choor, mitsgaders de gestoelten en 
lessenaers, yy« iiy» xyiy Ib. par. Bbmbbt, IV, 
688 (1696). Zie atlviok en aplüiokbv. 

AFMALEN, bw. (Het molenwater). Ferbrmken 
door hei malen , fr. abeorber en monlani. \\ En soo 
wanneer dat d* water oleer [oleen] is , sal de yoors^ 
molder d' water in den yoors. yyyer mogen laten 
nyt- en innegaen, behoudeiyck dat dieselye molder 
d' water onder den yoors. pegel niet afinalen en sal. 
Mabtihbz, 244 (1456). Eenen pegel,... daemaer 
de melders yan derselyen molen hun seWen moaen 
richten om d* water desselfr ygyers ed der beken 
aldaer loopende hooger noch neder te mogen af- 
malen, anders dan denselyen pegel bewyst. Ib. 
246 (1467). 

AFNEEMSCHOTELE , sn. y. Sehotd of bord, 
om de epijten op te dienen en van te^el te nemen, 
fr. flaieam è eervir et è de»»ervir O. v, Anim, 
1682, XIjI, 100. 

AFNEIGEN, ow., met het yoors. in. Afie^ken 
van, tieh afwenden van , fr. »e détoumer de, e'éear^ 
ter de. || Die afioeyghen in *t yerbont, die saltu, 
Here, brenghen mittiendie boesheit doen. €M^db, 
16« £., 86. Fs. 124. Dedinanie» in obligaiioneB. 
Statenb. 126. Die haer neygen tot hare kromme 
wegen. Db 8act. Cemcs ^ »e déUmmemi dan» de» 
voie» tortne». 

AFNEMEN, bw. 1) Wegnemen, temeidoen, ver- 
lichten, fr. effaeer, aUêger, || Oft by statute waire 
geordineert: soe wye iemcöide quetste in d*aen- 
sicht. dat hy yerbueren zoude c pont, en wy 
ieméhde quetste in der straten, die soude yerbueren 
dobbel broecke; en soe wat faicte by naohte ge- 
yiele, daeraf souden alle die broeokai dobbe- 
lerens en het dan gebnerde, dat iement eenen 
anderen in syn aensioht quetste by nachte en opter 
straten, soe is die yraeet oft die fi^teur alle die 
penen gedobbeleert betuen sal, oft dat hy alleene 
sal gestaan matter pnncipaelder sommen yan o pont 
te betalen.' Daerop suldy weten yoir een antwoude: 
dat hy alle die penen en broeoken betaelen sal 
nae de forme yan den statuten, die te onderhouden 
ayn alsoe die spreken, en d'een misdaet en sal 
d*«nder niet afeemen. T. D. Tat. 61. Andere 
sepgen en argueren dat dair schynen te wesen y 
misdaden, d'eene yan den steeken, d*andere by 
radene yan der plaeteen dair 't&yt mede geacgra- 
yeert en beswairt wort, en s^gÉsn alsoe dat cPeen 
d'andere niet en yerlioht noch af en neempt. Ib. 62. 

2) In rekening brengen, afoorderen, afeieehen, h. 
porier en compte, rMamer, esriger, || 8oo yerre bor- 
gemeester en schepenen beyinden, dat de schrifineren 
grooter gemaeckt syn dan en behoort, en dat alsoo 
.partye te yele a%enomen is, fselye moeten d*adyo- 
eaten, fhnnder oidonnantie, wederkeeren. O. v. Antw. 
üomp» V , iy , 6. 

8) Jaaea, invorderen, fr, reoomorer. || D' o y e r u w m » 
boirs sullen . . . , om deselye [momboirs] daartoe te 
yermanen en bedwingen , en tot dien o^ de penen 
daartoe steende te doen afnemen. C. e. Loven, 
Weeek. 24. Alles op de penen, boeten en oorrec- 
tien daerinne begrepen, dM wy willen hen by den 
yoo». .onsan aehoutefc, «fi andere dien taelye aan- 



56 



AFN. 



AFR. 



gaen sal, mogen B%enomen en aen hen Terhaelt 
te wordene. C. v. Santhooen^ Stijl ^ in fine, 

4) VBreffenem^ vergoeden ^ ir. égeUer, campenser. 
II Wairt Boe, dat men niet en wiste wyens heeste 
den oploop hadde gedaen [nl. de mijne of de uwe] 
geen van beijden en soude den anderen beteren; 
want geiycke misdaden wordden onderlinghe eyen- 
geiyc afgenomen* Y. d. Tay. 88 y^. 

6) Mei verbeurd verklaren y de inbeslagneming, 
fr. oonfiêcatum^ taieie. || l«ioch isser een ander wet, 
ghenaemt: Deken en gheswoorene van den cooren- 
huyse. Die doen onderhouden en ter executie 
legghen de placcaten yan den prince ende de ordon- 
nantien politique hg heere en weth ghemaect en 
ghestatueert opt faict yan den ooophandel yan den 
graene, b\) het confisquieren en atnemen yan de 
graenen die yercocht zyn in contrarien yan de 
Yoors. placcaten en ordonnantien. C, v. AaUi, 

m, 3. 

AFN£MEN, ku. o. Ferminderit^ , tekoridoen, 
fr. anwimdriesement, || Dat N. [een misdadige] 
ontoomen en wechgeloopen is tot bnyten minder 
heerlicheijt en jurisdictien, ter grooter scaemten 
en afiiemen yan m\jnder 'jurisdictien. y. d. Tay. 
86 y^ Behoudelgck dien, dat dit accoordt, oyer- 
drach en tractaet sal s\jn eü bl\jyen sonder eenighe 
prejudicie, afnemen oft achteideel yan der oom- 
municatien die men namaels op die deucht oft 
ondeucht yan de yoors. preyilegie . . sal moghen 
houden. £lae. v. Brab., 18 jan: 1490. I, 14. Dat 
nochtan alsulcke statuten, niet en syn in afioemen 
onser jurisdictien oft der kerckenyriheit. C. v. St. 
Tmiden, 14« £, § 18. Dat onse yassallen en mannen 
yan leenen, die pretenderen bedr\jty jurisdictie, 
specificatie en andere heerlycheden te hebben . . , 
deselye bu\jten de limiten yan dien extenderen . . , 
alleene in usurpatie, yerminderinghe en affnemin- 
ghe yan onse heeriycheden* JPlae. v. Brab,, 18 noy. 
1446. I. 269. 

AFPAND£N, bw. Qerecktd^ uUminnêm, pan- 
den of verkoopen, onteigenen, ir. éuincer, exéaUer, 
II De renthener yermagh de haeffoiycke goeden 
op synen grondt wesende yoor syne t'achterheydt 
t'executeren en af te panden. C. o. Brusêel, 1607. 
a. 98. Chbistuit: excutere, Yoor lyftoohtrenten 
magh men executeren en afpanden de haefielycke 
goeden yan den debiteur . . , sonder te moghen 
eyinceren de panden oft er^^oeden daerop de lyf- 
renten beset zyn. Ib. 110. CumsTiJir: nee evinoi 
'poêewnt Weloken naeryolgende moet den dienaer, 
naer syn beste, den pandt [nl, den tot onderpand 
gegeyen grond] neerstelyok oyersien, oft daereenige 
meubelen op waren; en indien jae, soo yerre cUe 
toebehooren den proprietaris oft huerlinck yan den 
pandt, en anderssints niet, en deselye weerdt zyn 
de kosten yan dien dage oft gange, met d'onkosten 
yan yerkoope, moet die afpanden, scheydende ten 
dien dage al te samen daermede yandaer. £n soo 
wanneer den klager de afgepande meubelen wilt 
executeren, moet den dienaer die yoor schepenen 
yerthoonen, en yoorts anderssints daerinne proce- 
deren gelyck etc. C, v. Loven ^ lY, 2. Permit- 
terende mits desen aen die yan het yoorsyt apothe- 
kers ambacht die huysen yan docters, barbiers, 
ohimrsyns, droguisten, speciers.., met interyentie 
yan schepenen te yisiteren , en aldaer af te panden 
alle de yerboden instrumenten en waeren, die sy 
sullen aldaer hebben geyonden. Aead, d^arcAéol,^ 
1862, blz. 265, 1729—82, a. 14. Bruatd. 

AFPAMDI^GE, zn. y. Gereekiel^ verkoo- 
fMtg^ fr. veiUe jwdnicywre. \\ Insgeljcx oyok die 



schepenen-brieyen yan yerletten renten, geyonnist 
synde by a^pandinghe yan des men op doi grondt 
yindt. C. o. Bnued, 1570. a. 46. Item, hebben 
deselye borghemeesteren, schapenen en nuidt noch 
kennisse en judicature yan saien rakende . . , exe- 
cutien yan Yonnissen en gheyonniste schepene-brie- 
yen, efi yan afpandingen, üie by dé dienaeren der 
stadt ghedaen worden. Ib. 1607. a. 43. CHBiSTUir: 
de vendiiionibtu mobiUum que fiemi per mimiêirae 
ovaU<U%s, Soo wanneer de ghecondemneerde o/tL 
yerobiigeerde zyn persoonen yan groote qualiteit, 
wordt d*executie, uyt ciyiliteyt, ghedaen by den 
amptman oft synen lieutenant, soo by apprehenaie 
yan den persoon, als by afpandinghe en yerkoo- 
pinghe yan de goeden desselfs ghecondemneerde 
oft yerobiigeerde. Ib. a. 90. Chkistijxt: tam m 
apprehenewne perêona qnam vemdidwn/e Umarwm, 
De dienaren, aleer sy eenige executie oft a^pan- 
dinge mogen doen, zyn gehouden de ghecondem- 
neerde partye eerst en yooral te sommeren yoor 
*t yoldoen yan de yonnissen oft oondemnatien. Ib. 
a. 92. ChbibtuK: antequam exeetUwnem ami vendi- 
ttanem facere poêsint, fiy afpandinge en yerooo- 
pinge yan de meubele goeden. Ib. &. Chbibtuit: 
vendendo mobiUa, 

AJ<'P£L»£M, bw. (gemeen). Afroeeen, ranêelem, 
fr. roeier. \\ Dat desen N. daerop geantwoordt 
heeft: lek moet N. gaen wat a^lsen, hy heeft 
myn suster den arm oyezgeslaogen. 8t,'Ar^. te 
Dieet y JProoee Drossaard i Jughtmans, 1776. 

AFPElbSiMGE, zn. y. Thans afperei^g, fr. 
exioreiou. || Dat wi hen in hoeren persoenen oft 
goeden, met beeden, assisen oft met dreighingen 
oft met anderen a^rsyngen en bedwange . . . nyet 
bedwyngen en soelen. lAt. tekst: per aliae extor^ 
eione*. Jkmde Booib. 10 y^ 17 juni 1290. 

AFPULEN, bw. (Kanten). Afpalen, mei tta- 
ketten bezetten ^ fr paliiS€tder, || Het oprechten yan 
de mueren en al'pylen Yan de Senne-canten en 
maelbeken, alsoo wel als t^gen de yeeten. Mab- 
TIKIZ, 66. 

Ai«'QUIJT£N, bw. (Eene rent, lasten). Thans 
af kwijten , yeroud., e^floeeeny afkoopen, ir.raekeier, 
remUmrser. \\ Boe wye eenighe rente afquiten wille, 
die moet , boYen de capitale penningen en achterstel , 
oick betaelen den oonstitutie-bri^. C, v. Antw., 
1645, Yi, 66. Worden eenighe renten a%equeten, 
daeraff moeghen sy [nl. de momboren] de penningen 
wel ontlangen. Ib. X, 14. Soe yerre die commeren, 
renten oft ohynsen staende den huwelycke worden 
atgequeten oft gelost. Ib. XI, 68, en paeeim. 

Ai«'RAP£N, bw. Afsnijden, fr. eimper. || Trek- 
kende uut een deyn mesken, was hem den rou- 
per [nl. de keel] afrapende. Piot, Ckron. 838. 

A1*'H££D£M , bw. ^Eenen muur). Ben kalk der 
voegen afsekrappen, fr. roeier, enlever la okamx des 
fotnis, II Dit Yoomomde werck [ni. een muurwerk] 
den aennemere wert ghehouden yan buuten zuyer- 
licken af te reedene en te pinchéelene. Sbxbst, 
II, 337. 

AF&OEPEN, bw. (Een bankroetier). Afkondi- 
gen, fr. prodamer. || lïiemant en mach een afl^ 
roepen banokeroetier in syn huys ont&ngen. C. e. 
Antw. comp.y lY, xyj, 62. 

Ai«'BIJT£N (Aefiryten), bw. Afsekenrem, fr. 
déehirer, enlever en dêekirami. \\ Weert [ware 
het] dat eynich mensche wit Uen coohte, en 
hem mate gebreike [gebrake], oft dat yemant 
anders laken maiokde die mate gebreicke, na der 
yerwen, denen solde men een JUtse aeÜ^^tan eA 
die zegel aefidoen, en yeroopende Yoer dat sy syn. 



AFR. 



AFS. 



57 



0. Xi^. 1 juni 14118, ». 84. Sai9êlL B^airmêtên, 
Mmk tran hefc w. Eeldan mui bniten Limburg. 

AFHUIMINGE, snw. r. (van eenen puid). 
Aftimad, fir. «Mowmmmii^. |) Dst hel gericht, toi 
▼«Koeek Tan partliien, aal geleit geyen,... Énde 
diBTMie ail men diymael affirajminge wjam., op 
Tg feiUinget enda, ist noet, altemael daeinroer pen- 
dan, ende dan het groei gebpt doen. O. yr. Xoo», 

1, 14 (1648, a. ^). 

AFÖAET, RL m. Door Ds Tbixb en, na hem, 
door Ybbdam, TerUaard als: Latwerk met hd- 
Imd howemvlaki in het Fr. Moulmr«, ehapiUam avee 
mrfaeÊ êt^ênemre laefw i ^ ; in onze Coet. toegepaet 
op eenen o v er ëpro iÊ g ^ uMaai, .mttiék, fir. moUUb^ 
nrofmêmn , boren op eenen eteenen maar, eenen 
nonten wuid of beaohot , êêae komU of kroomlijtt, 
Zm ook Kil. Afsaet ,afhanck, orertpronck, 
OToratock. Afhanok aen den timmer. || Die 
een gedaet gheli)nt wil setten tusBohen sQn efi 
agna gheboeien erfre, ia a^uldioh *taelfe aoe venre 
?an sQna gheboeien erfre te setten, als den oesy- 
drap en d'a&aten beboefen, alaoe nyemant oeey- 
drap ott anokerehoefden nooh afgaten [l, afsaten] 
hebben oft aetten en mach bnjten syn erfre, aon- 
der eonaenl Tan zijnen geboeie. O. o. JtfeeA., XIV, 
11. (De Lat. Tert. heeft Terkeeideiyk mUet). Ook 
C 9. Lur, XUl. 9. Die een ghedeckt ghelint wilt 
•eClen, moet bei aoo Terre rteUen Tan syn ghe- 
bnevBD erre als den oaiedrap en afnten behoeyen. 
C. o. JSamik,, Imp, 148. lïiemani en mach buyten 
agnen moer, tot eens anders errewaerts, eenigen 
ojaidrup, noten, orersprongen, noch dierghéiyke 
afaattm maeeken oft stellen, noch oock yet wthan- 
^len aft wtsteken Toosder dan sgne oysidrup oft 
erve bayten den muer hem toe en behoort. O. e» 
Aaim.. 1682, LXII, 44. 

AF8AG£N, b. w. (het hoofd). Afwagtn, fr. «otsr. 
II Wie Tvoawen of ioneTioawen Tereiachte, men 
aai hem den hals aÜMgen mit eenre planoken. IT. 
*. Brmsê.f 1892. 8o wie Tioawe oft jonfroawen 
veMnehte, aal men sinen hals alaagen met eenre 
pfamoken. K, v. Waaikêmt 1866, a. 21. 

AFttCH££D£N,o. w. A.-— Tan eene daohte. 

Lmiem ear«s, afioêm mM, fr. remmeer èj es détUtêr 
ds. II Al wilde den dager syn klachte laten Taren, 
nyi wofete Tallen, ofte (&Mraf aoheeden , soo Termaoh 
den baillia danof Twnrolch te doen, soo Terre als 
t oOeie aengaei. C. e. Oml, XI. 18. 

Air»CH£iD£N, zn. o. 1) Afloop, emde (Tan de 
huur), b, ewpwaium (de bail). || Behoodelyok dat 
hy, in 'tafiofaeyden Tan syne hoer, deselTO erre 
wederom stelle in solcken goeden staet ende weaen 
ala die waa doen hy daeraen qoam. C e. Xoiwi, 
XL 8. Oock mits dat hy deaelTe [erve] in 't aüscey- 
den aielle in solcken staet als zy toot syn inoomen 
is geweest. C. e. Jhett^ TZ. XIII, 14. Voor soo Tole 
het oeconeerde, dat, by caa fortoit, op de landen 
Tan eenige paohthoeren ofte aytpachten ten af- 
eebeiden geen jonge klaTers berooden en wierden. 
a e. Amd., 8« d., 12 aag. 1767, a. 10. 

2) Uit eena bediening. || Waeri en ghoTialt 
ao, dat eeneghe deelen % den Toochden ghemaect 
en ghepaaaeert noch niet ten boacke oommen en 
waaran ten haren alacheedene. Ib., 80 sept. 1606, 

m. ia 

AF8CH££T, m. o. 1) Otm, ^rmtêtOimèmg , 
ftuilf fr. UtÊÊiiU^ horné, \\ Gtechten staande int 
gfaesóheei Tan erfren syn te handen over gh^ 
meene • . . ; en daer d'een syde leen waere ofte 
oude hofrtéde, daer de stopselB, grachten, aisohee^ 
den SOO' lang» gestaan hebben als datt*er gheen 



memorie en is ter contrarien. C v. ^«d., XIY, 19 

Zie dBBOHXBT. 

2) Dmfmg sa «dbstdii^, fr. dteisio» et pairtage. 
II Dat de langhstleTende, als hebbende de hoade- 
nesse Tan syne minderjarighe kinderen, blyft ghe- 
meene met deselTe kinderen , sonder eenigh Toorder 
a£Mheedt ofte Terdeel te maken. O. e. Brugge ^ L 
619, 27 ang. 1688. Aengaende de contracten Tan 
afscheet oft aytkoop Tan weesen, wy TorUa- 
ren: . . . dat den staet Tan goederen, inTentaris en 
taiatien der meubelen, dienende tot het maken 
Tan het afsoheed tassohen de langstloTende en de 
mindeijarige kinderen, sollen wetteiyck gemaeckt en 
gepasseert w<»den, ten overstaan van schoatet, 
schepenen en secretaris. O. P.-B. amir, 81 ooi. 1716, 
XV. 1. Wy Terbieden aen de Toorseyde schoatet, 
schepenen en Becretaris, tot eenig wetteiyck idT- 
scheed oft nytkopp Tan weesen te procederen toot 
en aleer den staet Tan goederen, soo meubelen als 
immeubelen, by hun behoorlyck zal wesen getfza- 
mineert en gepasseert. Ib., 2. Om den Toorseyden 
staet, inTentaris en taxatie Tan weesen-goederen 
te maken en passeren, mitsgaders het afiMsfaeed oft 
uytkoop te maken, zal den schoutet genieten enz., 
en den secretaris, voor het passeren Tan staet, enz. 
' Ib. 8. DenselTCn, Toor *t enrdgistreren Tan de Toors. 
akte Tan afiKheed, ses st. Ib., 6. 

8) Owr m nkomêt, tekikkii^^ fr. MMMMa#ïofi,a00ord. 
II BehalTens nochtans dat . . . men hemlieden toe- 
laet, by Torme Tan prorisie,.. dat zy zallen mo- 
gon- houden huerlieden predicatie en Tergaderinghe 
aUeenlyck in eene prochie ghenaempt Wormhoudt . . ., 
dat al conforme *t afscheet en accoort gbemaeckt 
tnsschen moTioawe d'hertoghinne Tan Farma, gou- 
Temante generale, en den £delen gheconfedereerde , 
in daten xzTtn in oogst lestleden« TtoMu mar,, 
in, 199. 

4) SUftrekm w g, fr. dSeimpU dêftmüf. \\ Yerteeid 
ten huyse Tan M. Machiel Tan Oozyen . . . , om te 
maeoken een liquide rekening en amcheyt nopens 
tmaken Tan der guide tafereel , steende opten autaer 
in de cappelle, . . . t. g. ziz sts. Ktmtlboog, 82. 

AF8CUIJSTBN, onz.Trw. (Tan het water). Zynsa 
Y^ehmst'\ tijnmi afloop Asè6s», fr. ê'SoomUr^ anow 
aom déeomlemomt. || Boo wanneer eenige gote li|^ 
gende is tussohen twee partyen erve, dmelTe op 
d'een oft d'ander zyde quaedt ^ynde , dat het water 
niet af en sohote , hlyTonde hier en daer kruypen. 
O. V, Loom f Soro.j 81. 

AF8CU0UW£N (OfschuTen), b. w. Onderton 
kon, bogiekiigon, fr. otst^, iiupocior, {j BIn es 
sculdich den wech noordt oTer 't water en grachten 
Toorseyt alzo groq^ en alzo breedt dat men mach 
souffisantelic geen omme de soepen te treckene, 
en dien selven wech of te sohuTen ten scepen- 
domme Tan Brogghe. C o. Bmggo^ I, 204. 1 mei 
1276. Zie DB YxiXB, Wdb. d. Kederl. taal. 

AF8CBiiAN8EN, o. w. Afopoodên, naar hono- 
don loopon, fr. doooondro d la kdto, \\ Anno 1676, 
den 17«B february , weeren beede de benden Tan 
don Bemardin de Mendosa, Bpaynsehe peerden, 
tyUok in roere; de borghm quamen te weere 
met honne wapenen , soransten met waghenen de 
maerot oL And, mong., III, 118. 

AF8CHU££N, b. w. (metselwerk). Afod^ap- 
pon, fr. rédor, \\ Den werokman sal geobligeert 
zyn te loot en eene zyde goedt te weroken, toI 
werpen, alachneren en met den txaweele de lagen 
af te siaryken« Pfas. v, 3rab., 16 jan. 1706, V, 
667. Opjfoondo mmoron. Zie AYBTBUKBir. 
AF8£GG£N, b. w. 1) (lem. Tan een ambt). 

8 



58 



AFS. 



AFS. 



Afzeitêm^ tmiÉgtUn, ft. tUmetire, dmütm^r, \\ Die 
sail gepriyeirt en a^eseit werden Tan airalcken 
«nbachte [ambt], als eyn meynedigen renworen, 
en van allen andeien ambachten. Cart Saini- 
Trwui^ 10 juni 1417, a. 8. II, 204. (In de O. 
Yaa bet Luikerland , waar dit ohaiter gedrakt werd 
naar een Cart. Tan Herck, staat: die sal gepriveert 
en etfifuaiieii werden van alsuloken ambacht, als 
een meyneediger en yersworen. 

2) Hem eens ambts — a., tijn omuiag uem&n^ 

ïïijm amU neder Uggen^ ft, donner »a démUeiomf êê 
dimeHre. || Onlans hiemae screeff N., amptman 
tot Bayestêyn, aen der stat Toirs., hoe dat hj ver- 
nomen bad, dat die stat twe briere gesoreren had 
aen den sooatbet van Herpen en synen stedehou- 
der, en dat die soouthet doen by der bant njet 
en was, en dat Amt Glaessoen, die stedehouder 
te wesen plaob, hem des a^eseegt had. CharÉb, v, 
'êBoeek, K 110 t«. 16« B. 

AFSSfr, zn. m. l) UUspronff, ft, profeeimre, 
êoülie, H ^^0 ®®>^ ghedeckt ghelinte wilt «etten 
tussehen sffn en syns ghefaueren erre, is schuldigh 
[dat] te stellen, dat den osiedrap en d'afsetten 
buTten irne erre niet en komen* C. o. HèreHtkaU^ 
XI, 9. 25ie atsaxt. 

2) Mijliiee» of'paal, ft. pierre omberaemilHttire. 
II Voor de afsetten oft rechtstaende steylen, rier 
TOeten O. P.-B. amtr, 16 jan. 1706. Plae, e. Srab., 
y, 578. Hoe dat men sal meten alderhaode steen- 
weghen Tan oasseyen, a. 7. 

AFBETEN, dw. t. Afsitten. Ifiet w de $tad 
of haar reehUgebied wonende, ft. ne réaidamt poe 
dame la vUle on sa fnridieüon. || De kennissen, con- 
tracten en Terbanden, mitsgaders sententte luy- 
dende op de Toomoemde foraine, en oock afsetene 
poorters, ofte geen goet binnen de stede en pan- 
oinge Tan diere heblwnde , worden gefizecuteert by 
requisitoire aen de officiers Tan de plaetse daer't 
behoort. O, e. ^eni^ 1. 19. (In het Tolgraid art. staat 
^seien tegenorergéetrid aan inwoonende). \\ Geen 
gedyde, niet meer afseten dan inwoonende, en 
Teimogen eenen poorter ofte inwoonende te doen 
Tangen, besetten ofte arresteren bininn der stede 
«i schependom , om rauwe , onbewettichde en on- 
gepriTiligierde schulden, ten ware in *tcas Tan 
afwooninge, latitatie, absentatie en Tlucht. Ib., lY, 18. 
£n Tan den Hane stipt aan op het w. afwoo- 
niage: Okie domieümm fovene ecHra ierrUo r i mm 
Oamdenee^ non siamdeê eivitaiie primUigüe, Zie AT- 



AF8ËTTEN. 1) Aooijnsen. Afeéhaffèn^ opikef» 
f en, fr. oteNr, abroger. \\ Item, aoo oorloTen wy 
efi willeooeren onsen schautet, soepenen, en Tier on 
Tyf goede knapen TOon., te ordonneren en te set» 
ten aoeysen opt bniot , wyn en op andere waeren , en 
die af te setten en te hoogen ró nederen alsoo dio- 
maels als hun des noot efi onser Toors. stadt oirbaer 
duneken sal. O. LUffe, 10 sept. 1414, a.8. MeueeU. 

S) Aam eene etof gkme geeen, fr. domner dm 
kttire, II Que'toote la tapisserie quy se ferad'otes- 
«naTaat, sy aTaot que Ie maistre a quT elle estlny 
TouiUe Ikire donner lustre (que Ton dict en thioys 
r^tfiieHem*\ Flae. v. FC, 16 mei 1544, a.49. 1.617. 

AF8ETTEB, in. m. Slraairoover y eiraaiethen^ 
der, ft. dUromeeemr ^ eolemr de prande ekemime. \\ 
Want men beTint den meesten deel Tan de cree- 
mers, sohoenliippers, keteleers, kuipers en diergfae»* 
lyoke, die anoers niet en doen dan achter iMide 
zeQsen , afiMtters , straetsehenders , dioTon e& quaeU 
doenden te weseoe. Plae. o. Brah., 84 mrt. 1562. 
Hf 442. Yaa alle kenneiyoke ongevaUeii, en Tan 



dootslaegen geschiet in onnooselheden oft Tuyt noot' 
weire, is eenijgeiyck ongelast Tan den heere efi 
partje , mitsgaders oock Tan dootslaegen gesehiet 
aen moortbranders, braotsobatters on a&etters, 
wederspannich sijnde int Tangen. C, e. AMiw,, eomp^ 
▼I, üj, 86. 

AFttlJN, o. w. 1) Laien. nalaien y t^laien non, 
ft. eeener^ ne pae eon^nner a fbire, || Weert sake, 
dat ich eynige discoert of moenis [moeienis] under 
hen [tussehen de schepenen syne oollega*s] makede , 
en ich dairop Tan myns licTen heren Torgenoemt of 
sQns scouteiden wegen Tersocht wurde des af te 
sün en dat te laten in saken, die ich met recht 
Tur mynen here Turgenoemt of synen Trienden met 
mynen gesellen nyet Terantwoirden konde, en des 
nyet afbyn )ioeh laten en woude. Oari, Saimt-Trondy 
28 oct. 1879. 

2) Bmien dienti èt^een, ft, retier here de fono» 
Hen. II Een boigemeestere en mach niet langer 
dienen, als borypw neos tw » , *ls een jaer oontinoe- 
lycke; en eenen schepene twee jaeren continue- 
lycke; sulcx dat se bet derde jaer niet geoontinueezt 
en mogen werden; maer alse een jaer geTaeeert 
oft af geweest hebben, mogen wederomme gecoren 
worden Toor schepenen on borgemeestere. C. «. 
Midddb., I, 7. Zie wbpblbh. 
. 8) Afgetety onitet n>, fr. Ure deeOM, \\ Wan- 
neer ons liede ghetonen connen, dat hen onse rig- 
tere breken thregt, ogte niet en doen dat wi bni 
gh0gheTen hebben, soe selen si afiiyn, en nimber- 
meer rigtere werden daema. K, o. Anim., 1292, a. 
68. En wanneer onse liede ons wetteleec ghetonen 
connen , dat onse meyere ogte Torstre iet jegben 
dese Torghes^de pointe doen , soe selen si aTe aün, 
en nimbermeer nog meyer nog Torstre werden. Ib. , 
a. 64. 

4) Ifiei gebeuren, niet eijn, fr. ne pae Urê, ne 
piu avoi/r Uen, in den TeeltQds in oorkonden toot- 
komenden wenacht Dat afs^n moetl Lat» Qnod 
abeU/ II Wy ordineren Toerts, dat eest dat die 
Toerseide scepen^n teghen 4>nse heerlicheit oft jüxis- 
diotie onser, oft yemants Tan ons ghcTÜt , dat afiiyn 
moet! eenyghe sententie oft Tonnis uutspreeken. 
O. V. 8t. Truiden, a. 15. 

AF8IJPEN , o. w. Afdruipen, fig. toot vilsMft- 
gaan, heengaan, verwijderen, fr. «0 diepereer, ee 
eéptnrer, e'éloigner. \\ Int bende aja die capiteijnen 
Tertrocken, en tTolc es 00c a%heiepen. .Bsr. ^ 
den, I, 282. 

AF8ITTENDE, dw. t. afritten. Zie atsitbv 
en ATeBBSTSH. || Syn de mannen duttende onder 
eenen anderen heere, soe sal men de daghinghe 
wysen te doene ten gronde, en te wetene te latene 
ten naesten boys. Leenr. e. 1528, 54. Mids dat 
d'offioiers Tan der plecke . . dickwüs absent en af- 
sittende syn, oft qualick georyghelick. P/oe. e. VL, 
11 jan. 1548. I, 687. Soo wanneer eenige afrit- 
tende oft Tremde persoonen, geen poorters oft 
keurbroeders synde, coopen eenige landen oft huT- 
sen steende binnen de TOomoemde stede ende 
lande... C. e. Veume, XXX. 8. 

AF8LACH, m. m. AfÜag, openbaar verioepaan 
den laagetbiedende, ineonderhetd van vieeh, ft. vemte 
pnUique au rabaie, portie, de peieeon. || Maniere 
Tan den Tisch te loren in de Tischmyne oft al^ 
slagh Tan Brussel. C. v. Srueeèl, Maten. [Toor] 
alle schulden , snruytende Tuyt eenige Tan de stadts 
particulen oft oomynen, als Tan aeeyse, impost, 
vendue, afslaeh Tan de Tischmaikt en alle andere 
diergelycke, Tennogen die tresoiiers Tan de stadt 
tegens die paohten oft eoUacteon by Baanisre 



AFS. 



AFS. 



50 



ftlHWiihtge piOMderen. O. v. Jl^ddèlb, XVlil, 1. 
Akoo men dftegelyokz berindt, dat de iMjtenn 
9St taéan noflociaateiL in Tisoh in den pabliekea 
■fcUg ' meftanneren toodaenlg benouwen, dat wey* 
oig denelTe kooplieden den Tisoh, die yeriioogi 
moei wofden, komen beeigtigen. PUmo, v, VL 10 
deo. 1767, a. 51. XI, d4H). 

Senignne dniefeer komt bet woord toot in bet ootr. 
Y. d. 4 jnni 1477 (GmoO, waarbij de bertogin 
Mam de eted BruMel meohtigt tot het graTon 
eener TMrt. Het art. 6 luidt aldaar: || Dat de 
■tad hieraf aal moegen maken eenen afslaeh, alaoe 
diepe en alaoe w^t als 't buer oirboer aai dmMsken, 
en ter plaetaaen dair *thner aal gelieren» en daiJ^ 
toe nemen der gueder lieden emre, efi dat betalen 
in dar manieren Tore Tercleirt. Het Tooi^gaande art. 
bepaalde: || Dat de atad, totter Toiraeyden graTen 
en waterlegen, en dea daartoe beboiren b^, aal 
moegen nemen der goeder lieden erre, eggene en 
leene, betalende dairroer, in gereeden penningen 
4lfte in erfrenten ter qu^tinge, de weerde dauaf 
nee lantcoep eü gemeijne eatlmaoie, ena. Zeggen 
wQ nog dat, in hét ootrooi t. d. 7 nor. 15S1, net 
w. i^s3aek ▼erraogen ia door dat Tan opêlaeh. De 
uitgever van daae oorkonden vertaalt beide artikela 
aldua: Ita viUê pomra ét mm r d oe fo9»i «« VU 
£wm f r vfim dtmr êt d^uM largtiÊr amêii gramdn 
9«*eB« la ./««lira ti^tla, €t mm muirwt» q^iX lat 
ptmirm, êt ftftmèf^ d ea^ i;^, lu hérUageM én 
ftoaiMf .^mu, «• 2m payani de la mam^e imdiqmêi 
tA-émmm» Dooh de breedte en de wydt« weiden 
aaeda be apr oken art. 8t ^^Dat meü.. aal mogben 
aaaken en graven een grave oft waterleye, alioe 
wijt en diepe ala *t behoeven aal", en het „nemen van 
der goeder lieden erve, art. ft". Zou men hier wel 
mogen denken aan ees heêUk of oniwêrpy ft. dems ? 

APSLiAEN (Afalain, afalayn). b. w. 1) (Het 
hooéd, een lid). Afkomwêm^ fr. etmptt^ iramokêr, \\ 
Bo wie anderen let a£daet, alankk aki hj verlie- 
aen. K. e. 8aff. 1S46, a. 12. Lat. ampulamrU. 
Boa wie eenen anderen een let aCalait, aal diea 
gal^ verlieaen. K. v. ier Pisfé 1265, a. 70. Heeft 
ny onae ghemoede ofte ona baillina niet binnen 
den naaeten derden daghe, ende hgs gbevaen wert, 
Bwn maeh hem met rechte de hant afiilaen. O. o. 
Qmd, I. Qr, ekmriêr ó. 1297, a. 88. Wie ao jeinene 
wont met cnive, wert hiie wetteltke af verwonnen 
bi vonneaae van acepenen, ende te rechte oommen 
aa, men aal hem thoeft afalaen up de Hoeftbmoghe. 
Ib. a 89. Boe wie vingher ochte tee afaloegbe, . . . 
hi waira op dat aelve let af te alane. JT. e. Waal- 
1866, a. 87. 

2) <Ben l^ger). filaoa, etralaaa, op de elaoU 

i/aaa fr. Üfnite^ metite en fküe. || Daer waa 
gavoebten , en van akeyaera voloke veramoerden 
bet dan neghen dnuaent mannen, en wel twaelf 
dnnaent waier den keyaere a%ealeghen. Jav t. 
DlZMUDB, 12. 

8) Onreine att^en. |{ Dat nyemant vortan en aaU 
werpen noch keren onreynieheit in die Jekere, 
noch in geynre manieren dairynne weytmoea 
[weedaeeh] werpen noch afalam. O. JAéj^, 27 juli 
1489, a. 10. Toff^araa. 

4) AfboHem, korten, aftrekke», in mHÊdenaff 
Ireógfem^ fr. rabaiire, défalquer, dédwire. || Bn ware 
dat aake, dat wi, of onaer enich, acieden van den 
pava van Ylaendren, buten ainen wille, iof dat 
wi troeken in Zeelaat, jof dat wi hem niet«ne 
bolpeii, alao alsthür voraereven ea, ao aonde de 
grava van Ylaenderan denghenen, die van hem 
aoode, mile deel alaa hem ghebuian londe 



Tan den voraeiden cbelde, afiilaen en mindren van 
den aehtandertioh hondert pondeA en viobtef^ben 
vocaeit. 1 ang. 1290. Soe wie . . boven tverbot van 
aynen capiteyn, buyten ordinancien diende, dat de 
atad dien aQu aoadye van Tin daf^en alslaen aal. 
Sermene, 12, Ord. 1412, $ 24. Item, aal dat meel 
moeten weder gelevert worden in de waif^, éax 
molchter afiJsealagben. O. LU^^ 27 juli 1469, a. 18. 

5) Qoederen. Loeten y onUaden, £r. dSekMrger, 
traaahorder. \\ Dat alle deghene die met hueren 
acepen efi goeden te Brueaael waert willen oomen, 
of van Brueaael vmrby Antwerpen varen aelen, 
dat moegen doen, betalende f Antwerpen boeren 
gerechten tol, aoe verre aij dien aculdioh aQu, 
aonder huere goede aldaar te moeten a&laen oft te 
verbodemene. GoaoJ, 7 nov. 1581, a. 16. 

6) Zyn water. Zijn waier loeten, wateren, fr. 
Ideker Taoa. || Dat nlemandt der gebroede» aal 
aich preaumeren te komen in de oamer oft ver* 
gaederinge aonder syne handen te waaaohen ró&t 
't eeten oft drinken, oft ook ala hij buyten aijn 
waeter ia alriaen geweeat, oft anderainta. O. Id^, 
29 dec. 1727, a. 21, Xaawa. 

7) In reohten. (Bioeptien, nieuwigheden). Ver^ 
werpen, fr. refeier. || Midta allen denweloken, con« 
duderende, oontendeerde daeromme den heera 
getficipieerde ten eynde dat, afalaenda de ezoep* 
tie, den exoepient aoude worden geaondemneert 
ten principaelen t'antwoorden. Mabtinbc, 88 (1659). 
Boo wanneer in der duplHcken eenighe nieuwe 
feyten oft beacheet wordt bljgebrooht, aoo aullen 
de rechteren , int maken van Hen vonniaae , d^aelva 
nieuwiohedfrn afrlaen. O. v, Sanikaeen, Stijl , a. 198. 
De verweerdera [mach], aonder achterdeel vanatjne 
exceptie, worden gedoempt tot handtvulUnge, oft 
wel om cautie te stellen van 't gewyode te voldoen, 
indyen hem deaelve exceptie werde affgealaegen. 
O. V. Antw. eontp. IV, xiv, 18. 

8) (Ben deffiralt). Tenêeidoen, opkeffen, fr. rabattre, 
anmUer. \\ Wairt aake dat, dea anderen daiga 
daima , die procureur behoiriyok nootaake bethoende , 
dat hy niet en hadde dair oonnen geweeaen, dat 
bof aoude hem dairaf releveren en aluaen oft rebafr* 
teren dat deffault r. d. Tat. 14 v*. 

AFSLAGER, m. m. (van den viioh). Aflroeper, 
fr. ortaar paMtc. || Ordonnerende tot dien dat da 
mgne van de viaoh gheecbieden aal in goede, ver- 
ataenbare tale, en in guldena en atuyvera, op pene 
van hondert guldenen tot laate van de afalagheia, 
telcker reyae ay contrarie aullen ghedaen hebben. 
Flae. V. Brdb, 22 deo. 1658 a. 8. IV, 295. 

AF8LANIN0E, in. v. Verwerping, afw^th^, 
fr. refei. || (]kiyck den voornoemden raede, te meer 
reyaen, by afalaninge van aulcke frivole verauecken 
dat hadde verataen. Mabtütis, 85. 

AFSLUIT8ËL, an. v. Afélmimff, fr. d6tmre. 
II Oook proufde men af te doene die albaateren 
beeldekina die atonden ant afrluutael van Onaer 
Yrauwen capelle. Ber. i^den, I, 92. 't Wart ai in 
aticken ghecloven, gheatoelte, aiegen, doeaael, af- 
aluutael. Ib. 114. 't Aude efi tnieuwe afaluutael 
voor den choor en bleven niet ongbeachent.' 126. 
Die motalen colonnen van aeker afaluutaelen pooch- 
den ay te breken. 182. Toor deae capelle etaet een 
ateerck afaluutaele van ateene, efi die dueren van 
haute, waerinne veel motalen colommekina waren. 
142. Daer bleef nog gheheel en ooghebroken den 
motalen tuun * oft aaloutael dat voor taaoraVnenta» 
huua atont buten den choor. 147. 'Onder den doo» 
aael siet men noob twee autaren Innnen tafrlnutpeL — - 
De dueren van den afaluutaele onder dan doeaael 



60 



AFS. 



AFS. 



hebben hier ptaiiMlen rerloreii . . , en int aiUuutsel 
▼ooor den doomel sffn ooo sommighe ponneelen ghe- 
qnetst. 169. Aen Gornelis de Crocq en Jan Tan 
Ypere, ter oanaen dat lylieden ghemaect hebben 
de drie afrluutselen Tan de drie ohooren binnen 
de keroke deser stede, ze xziz. Ib. ii^. se. par. 
RiMBBT, lY, 682 (1694). IPrans Tan de Yelde, 
orer 'tmaeken ende lereren Tan 'tafalntaele Tan de 
oapelle ende lambriaBement . . . I, 176 (1624). Zie 

AFLiriXSSIi. 

AF8MEEREN b. w. 8miUm, (erts), fr. ftmdn 
(dn minérai). t| Men sal oook in geen anderen 
hntten dat ers moegen smelten noch aismeren dan 
in den hutten totten Toers. beroh geordineert; eii 
sal die sohyohtmeester of meester Tan eleken 
weroke [kd, sohichtmeister, oprichter der mijnen] 
te allen smelten selTe jegenwoirdioh rijn , en regarde 
hebben dat alle ene wél en eoet [zoo het] be- 
hoort gesmolten eïï dat loot daerTan bewaert wóidde. 
Bêhenh, v. Brab, reg. 140, f*. 2 (1666). Looimijnêm 
e. BUSbtir^ €mtr, Akm, 

AFSHIJTBN, b. w. \) Om htt leoem hrmigem, 
fr. imêr. \\ JhiertiMft hebt n ghcTonden ten hnnse 
Tan N., met N. N. en anderef, deweloke aldaer 
Terghadert waieren, omme met andere te conclu- 
deren bij wat beqnaemste middele men sonde 
moghen afinnijten diTersche heeren en edelmannen, 
die men Tarwaohtede ter bruutloft Tan mijnheere 
Tan Byoourt, t'Ypre. Tt&Mêê mesr., lY, 226. 

2) A. — een leger. SUum, vertlaan^ op de 
vheki dr^vêm^ fr. dé/lairê , mettre en fmiê. \\ Eenmder* 
stont dat de Inghelsohen deseWe stadt Tan Gales 
wonnen, so hadden Ér) alghesmeten de 'arme je Tan 
den coninc PhÜips Tan Yranokeryoke , dewelcke 
qnam om deseWe stadt ontsedt te doene. Piot, 
Ckrom. 810. 

AFSNIJDEN, b. w. 1) Het hoofd. De hedend. be- 
teekenis , eigentl. aftoffen , fr. oouper , irameker, eeier, 
II Soe wie bij orachte een wijf heeft besmet [nl. 
geschoffeerd, Terkraoht] men sal hem dat hoeft 
afsniden met eenre planeken. JÜ. e. Denderm. 12S8 
(Yert.). Lat.! ei eoUwm debet abeidi, So wie so be- 
dreghen wert tot scepenen dat hij ontspaent heift 
eeneghe joncTronwe , oaertoe dat [hi] soe ontscaket, 
mach menne gecrighen, men sal hem de nuese 
aftniden. O, v. €fenif I, Or. ehariet t. 1297. a, 61. 

2) QM. of goed. Lieüg afnemen, onifkieden^ 
(bemneew^den), fr. JU&mtery d^rober tidrciiement \\ 
Zoe wye eenighen dieif of diefegge berindt metten 
goede oft gelae, dat hy hem gest<den, afgesneden 
oft ontdnigen heeft. C. e. Ant», 1646, I, 28. 

8) Vermimderen^ fr. diminmer. \\ Geljo een heere, 
oft Tader, dat peetdimm gundt oft toelaet , alioe 
maob hg dat opseggen, afimyden eü te nyeutte 
dooi. T. D. Tat. 286. 

4) (Yan personen). Afeeheiden^ fr. eéparer, || 
Alsoo daer gheene oorsaecke noch redene en is 
alsoo langhe dat ej affgheaneden blrren Tan oum 
oprechte onderdaenichejt, hen [nl de gerebel- 
leerde proTincitti] toe te laeten eenighe Tracht 
Tan de Tooia. trai&jck en koophandel. Pl*w, o. Brab, 
29 jnli 1626, priSm, I, 816. Diegeene, die hem 
scheydt en afmJJdt Tan der eencbachtioheit der 
heiliger kercken, dat ia, der heyiiger kerstenheit. 
Y. D. Tat. 74. Orieemen «aa hereeien. Item, noch 
snldy weten, dat een dinok wel beseten en gepos- 
Bo ss ee rt wort Tan Teele personen onTerschegden 
en OQTerdeelt, loedat niemant Tan hen sün paert 
en <yn deel op hem selTen Tan den anderen afge- 
sneden oft a^espleten oft Tersoheiden beuttende 
is. T. D. Tat. 86. 



6) In de rechten en bestuursaken. Verwer p e n i 
afMaffén, benemen, ontnemen, fr. refeter, reêrmm- 
0ftsr, dier, enlever. || Ingeiycx, die dingen die 
dair ayn Tan den Térlingen efi sleypingen des 
gerichte, als syn appellacien, ezceptien etc, die 
mach een richter oic wel a&nyden, en bet dan 
ennige andere achterlaten, t. p. Tat. 861 t*. Om 
absoluteiyck af te snyden alsulcke abusen. O. LUge , 
22 juni 1682, a. 1. RoêêèU, Waermede die [2. den] 
rescribenten , by expresse interdiotie by de princen 
predecesseuren, toot den toecomenden tyt straifor 
dan oynt teTorena was benomen en afgesneden 
alle fikonlteyt en jurisdictie Tan te goeden ofte ont- 
goeden. Mabtivxz, 79 (1688). 

AFSPELEN, b. w. Hem a.— van de 

wacht. Zieh door bei «finnen in hei tpti onttrek- 
ken aan de utaekt; fr. s'qffkwiekir de la garde en 
gagna$d aa feu. || Wordende wel erp re a aoi yck 
Terboden, soo aen de dekens als corporaelen Tan 
de wachten, iemanden Tan him rot te laeten oom- 
poseren, uytkoopen ofte afspelen. O. P.-B. amtr, 16 
juU 1707, a. 83. Meebelen, 

AFSPLIJTEN, b. w. Spi^M, afeekeidem, fr. 
éeUeser, dimeer, eépairer, Ken aeer gebmikeiyk w. 
in het leenstel. || Nemaer syn al& deselTe be- 
strecken en extendentien Tercocht by mher Coi^ 
nelis Tan der Bycken en syne naeroommers, en 
Tan de Toors. heerelichede a%Bspleten en gheflsdi»- 
seert. C e. Brmgge, I, 416, aamt, (1867). Zie ook 

AFSNIJDSN 4). 

AFSPBAEGK, zn. t. Tetfenepraak , fr. r^pli- 
qne. ,,Afrpraak'* toot „Tegenspraak", leest men 
by TAK Ghoos, Beeéhir, o. Breda, in de B^^agm, 
bla. 470 (HoxüTïT, Proeee v. Bredaaeeh iaaieigem, 
Ophdderingem), 

AF8PREKEN, b. w. 1) (eene schuld). Qoed- 
epretcen , oorg mxfoem voor , verwaaroorQen , ir. repom^ 
dre poar, garmnür, || Boighe, betaelt hebbende de 
schuit die hj a^^esjiroken heeft, heeft syn regrea 
jeghens den principaelen. AmtataHane, 164. 

2) Bdoeen, fr. promettre. || Soo wanneer iemandt 
gecouTinoeert wierde . . , Tan ten eynde TOors. , [al. 
om iemands stem te bekomen in de Torkiesing der 
burgemeesters] te hebben gehouden ofte doen hon- 
den eenige Tergaederingen, eenigh gelagh a%»* 
sproken <m betaelt te hebben. Bs^l. 17 deo. 16^, 
a. A. Jjoven» 

AFSTAERTEN (Afsteerten), b. w. Yan bese- 
gelde (met uithangnide segels bekrachtigde) oor- 
konden, welke later by arachrift geridimeerd of 
Toor echt Terklaard werden, boTesti^e men, onder 
anderen, dat zy nog Tan hunne legels Toorsien 
en dus niet afgestaart waren, fr. ^iis lar eeeonsf 
n'éiaieni poe eiUevSe. || Open letteren., niet dore» 
streken, niet a%hedwaegnen, niet afgfaestert. Zie 

APDWASF. 

AFSTAKETTEN, b. w. Beplanten, fr. plamter. 
Onder Tcle andere Tcroierde straten, soo was die 
langhe Bidderstrate sier triumphanteiyck Teroiert; 
beyde syden waren met pUastera afgheetaket, die 
met diTersche coleuren Tan lakenen ende flouwee- 
len behanghen warsn. HotrwASBT, MattMae 16. 

AFSTA YEN, b. w. (den eed). Set afkemen eon 
den eed, Tindt men in een byToegsel achter den 
GKldenbrief der wynkoopers Tan Breda, Tan 1681. 
Het is eigeniyk het woordeiyk afiiemen Tan den 
eed , Tolgens een Toorgecegd formulier , „het staTen 
oft*TeurstaTen Tan den eed** by Sjliaan. Ygl. mQne 
ProoTa T*. BoekstaTen. (Hosxttpt, Proset , QpM- 
deringen), fr. dSflrer Ie eenaent. Zie btatbv. 

AFSTEKEN, b. w. 1) (lem. Tan eeiM hoogte. 



APS. 



Aï«. 



ei 



Afttmütm^ fr. jNMif«0r de haml en bas. Kil. Detra 
dere. tl ^^ ghedaen xijnde, heeft hem den hano- 
maa titiop orer *t hooft ghedaen, en hem wer- 
den noch ghoede Tennanijoghen uigheronpen, en 
hij riep np Qodt, naer ooetame, yenrachtende alle 
ooghenUieken afgheeteken te zijn. Ber. iifdem, III, 
66. Sn xijn liele hevelende in de handen Oodts, 
wait afghflsfeeken en ghehangen. Ih. 145. Daemaer 
den haneman . . stack hem af , en hinc hy den 
anderen. 146. Es Tan den hanchman ter leeren 
Qpgfaaleet an de halve potente . . . , en es a^he- 
afeakan en Tenruroht gheworden. 804. Wart alsoo 
ooe np de leere gheleet . . . , en wart doe afghe- 
eteken efi nefPena meester Willem yoomoemt ghe- 

***"g***" Ih. 

S) (Aarde). Afsm^dêm, aftpiHe», afyravem, fr.m- 
Iswr la iêrrê 9» hédkanif eouper. |j Committeren 
hj daten Jan Hoitwaert, een yan de lathen, en 
mllia Wagemana, greffier der yoors. tholoamere, 
om te eonünneren het afsteken, schalmen en doen 
mijmen yan de yoors. riyier yan de Sinne. Mab- 
nxEXf il2 (1612). Dat niemant eenige bergen ofte 
henyeü en aal. yennogen af te steeken , op de boete 
yan 48 gnld.,... in geyalle by den mejer ende 
de yporsejde twee schepenen wort géoordeelt dat 
hat bergen ofte heayels syn, die men beyint afge- 
itaakan te weeën. O. P.-B. amtr, 80 jnli 1717, a. 7. 

5) (Ben land). Afpaie», aftêêkêmm, tMommijzen, fr. 
trmeÊr, imdêquer Ut home». \\ Geen poorter en yer- 
maeh niemandt ferl^ren ocfte oock transporteren 
eenige landen yan [«te] dan alsyoren yoor schepe- 
nen yan Middelbnreh, en moet tselye landt aWoren 
a%eeleeken en onderteeckent werden bij poorter- 
Behotelerek, alyoren schepenen tselye warant oft 
tnoaportbrieyen yan lande yermogen te zegelen. 
C. «. ümUsO. yni, % Zie Wdb, d. Ndl iaal, I, 
1M6, 1547. 

4) (Iemand yan een ambt). AftêUêm, aftieilemy 
fie. dëgUtmêr. \\ Gheyiel ooe oyer lange tjjden . . . 
dat sij [al. de regeerden yan Bragge] bienen [ban- 
den] miten lanoe ... tot zee persoenen , notable 
liede yan der stede, yan tansemente \l. tassemente], 
daerof dat yele lieden zeiden dat qnaet ghedaen 
was 9 en dat sj dit daden meer yan duchte dat sj 
hem ofeteiken mochten yan hare regimente, danne 
om eenighe yerdiente. Ol. t. Dizmuds 24. 

6) (De wolle met kalk?) || Dat niemen moet stel- 
len te yenten bin der. stede yan Ypre, noch doen 
reden yaehte wnlle met calcke ofghMteken Corpor, 
IM. Dat gheen poortere walle hebben moet bin der 
stede yoorseit noch der bnten , die met calke ofghe- 
steken es. Ib. Bn ghemelt [gheyieltj, dat men [tie] 
ten bfoodhnse . . . eneghe znlke wulle yonden worde, 
die m^ ealke of zoode zQn ghesteken. . Ib. 

AFSTEKEN, zn. onz. AfhaUng, weghaling, 
Uraotimg^ fr. dêpomnemmiy éUprSdaüom. \\ Ende 
tnnoighena yertreckende deden [aZ. de soldaten] 
een inbijt en drooghen noch een deel spi)se met 
hemlieden [al. yan de kloostergoeden], daer die 
paebtera qnalic in teyreden waren, zegghende, al 
woooden ai} up oloosterghoedrjnghen, die r^jck en 
maehtich waven, te weten die doosters oft reli- 
gienaen, diese toebehoorden, daerom en waren die 
psehtera . . somtijts niet zeer rijcke , en moesten 
(boyen dat zij znlok aftteken hadden) haerlier pachten 
ts Tnllen betalen. Ber, tydem, I 269. 

AFSTEL, zn. m. BdtUtHy Undër, fr. •mpiehê- 

msmtt lA H mdê. \\ Ware oeo dat sake, dat jemen 

afstcile dade broeder Willeme, of die na hem dat 

voneide lant houdende sollen wesen, en datter 

bsmledèn of qname coat oft scade, so wiUic , Willem 



yorseit, dat broeder Willem, of die na sine doet 
dat lant ebben zullen, slaen hare hant aen tae 
bnenre lands , die ie , Willem yan - den water- 
ganghe ebbe yoor min haas, bi der molen. 6 febr. 
1800. Ware oec dat sake, dat iemen ofistelle dade 
zaster Anesen, of die na hare doet dat yorseide 
lant houdende zullen wesen, en datter hemleden 
of qname cost oft scade, soo wiUio, Alise,.. dat 
zuster Anese, of die na hare doet dat lant ebben 
zullen, slaen hare hant an tue baenre lands, lig- 
gende in Cattengayer, die siin min eghine erye, 
toter wilen dat si wel siin ghequijt yan diere scaden. Ib. 

AFSTELLEN, b. w. 1) (Benen arm). AfxeUem, 
fr. amputer, \\ Datter by de meesters ciruigienen 
anders geen remedie yonden en wiert dan dt^ men 
denzelyen haerme moeste afstellen. Piot, Cirom. 418. 

2) (lem. uit eenen dienst). OmimtteH, <mislaeM, 
afdanken f fr. eongédier, desiitmêr. || Soo wanneer 
den schipper bij sgne reeders affgestelt olte yer- 
laten wort, oft dat hij anderssints door eenighe 
wettighe oorsnecke, sieckte oft ongeyal sijne aen- 
genomen reijse niet en can yolbrengen , en datter 
alsoo ijmant anders in sijne plaetse wort gestelt . . 

0. e. Amiw. oomp. IT, yiij, 182. 

8) JBen einde eteUen aam, doen ophouden, fr. meitre 
fin d, /Snre eeeeer, || Om af te stellene en te yer- 
hnedene alle sloten [l. stoo'en], gescülen en inoonye- 
nienten. Flac. e. Brah. 18 noy. 1446. I, 260. 

4) (Van het benoodigde). ^erooosa, fr. prioer, || 
Ware de yassael in de bataelle soe gequest ofte 
afghestelt yan peerden en ghebloot yan wapenen, 
als dat hi zijnen heer niet helpen noch secoureren 
en mochte, zonder fraude, hi sonde met eeren 
moghen ersselen oft ylien. Leenr. v. VI., 127. 

AFSTOOT, zn. m. (Tan wol, dierenhaar, enz.). 
Afval, afêtooéinff, korte kamvetele van de gekamde 
wol, enz., fr. pei^nureê^ rebui cm reetee de la Iomm 
peignée. Zie Wdh. d. Ndl. taal. \\ Ahrehande laken, 
dat men maect yan yerseechder [yerboden] wollen, 
dats te yerstane: tobwoUe, noppelinghe, ylocken, 
ocht yan afstote metten caerdekine ghecaert , sal mer 
hemen en ghelden xl s. 8t.-aroh. Dieet, BegL y. 
1888. a. 47. Dat nyemant werken en sal moghen 
yan ooehare, noch yan gheithare, noch yan aff- 
stote yan eenighen raude beesten. Ambaehien te 
Bruetel, Begl. 1461. a. 15. bchillbb en lübbi. 
Naehtrag. Afstót: Item en sall men nyet werken 
affstot, noch flock, noch sohrodelingh , noch plock, 
noch schuddelingh. Yan den wuUen ampte to We- 
sel. (Btwa wolle die auf dem streichbaume abge- 
stossen ist). 

AFSTOOTEN, bw. (Het leven). Sterven , fr. 
aioarir. || Deee Diederio, dese graye, Dese stiet 
süns leyens aye Als men elf hmidert screef En 
lyij. Gelbb, Ckron. de BolL 29. 

AFSTOPPEN, bw. Vereperren, af endden (den 
loop yan een water), fr. harrer^ infereepter (Ie coors 
d*une eau). || Dat gheen poorter yan Tpre moeste 
Tan Bamesse yoordan onder den proost wonen. Dat 
gheen poorter daer drinken moeste of wyn doen 
halen. . Dst men haerlieder water ofstoppen zoude. 

01. t. Dixmude, 98. 

AF8TEIJKEN, b. w. 1) (Bene strook yan een 
een laken). Afenijden , afteikenren ? fr. eonper^ dêM" 
rer? \\ Wie ene gheheel laken half yerooept, sal 
den coman doen afstriken twee reepe op tleste 
inde, op ene pene yan xz s. 8t.-afth, v. Dieet ^ 
Begl, V. 18aS, a. 47. 

2) (Metselwerk). Afeckrappen, door etrijken weg^ 
nemen, fr. eeiever en réclani, \\ Den warckman sal 
geobligeert sQn te loot en eane zyde goedt te wer- 



68 



AFS. 



AFV. 



oken, Tol werpen, afsohaeren efi met de|i (mweele 
de lagen af te Btrijken. Plae. o. Brah.f 16 jan. 
1706, V. 567 Opgaende mueren. Zie AFBOHTJBBir. 

AF8WEËBËN, bw. 1) (Byiering). JBr afftaud 
van doen onder eode^ fr. renoneer par terment (h un 
osufruit. I) Eb ooc aldaer costuy^me, dat de hon- 
derige niet en maoh gepiiveert syn Tan huerer hj~ 
levinge» tensi dat ei deaeWe bylevinge behoarlQc 
dEzweere. Lêenr. o. VI., 157. Een houderige, om 
yan der bylevinge gepriveert te wordene, moet die 
behoorl\jo afzweeren. Ib. 159. 

2) lem. kei wijne doen verliMen door eenen <ini2- 
teken) eed^ fr. priver qq, de son hien par «m (famx) 
termeni. || Ende oft hij [nl. de meineedige] metten 
■elven eedt eenen anderen ayn geldt oft coet hadde 
affgeeworen, aoude t'eeWe moeten wederkeeren, en 

SartQe s^ne Toordere echaede afdragen, ten goet- 
imcken yan de heeren. C o. Aniw.,comp, TI. ij, 27. 

AFTER, Ts. en bgw. Limborgeche, Noord-Bra- 
bandsche en Hollandsohe vorm van Achter ^ fr. cbrv 
riire, || Dat gheen euster gaen en sal, noch aen- 
nemen(?) en ral, noch spacieren after atraten noch 
Bteghen Juli 1277. a. 8. 

tAFTERSrjN. Zie tACHTXBBiJir. ü Een loip 
vairt yan eeniger coepetede , een icipheere is t*after 
en yerooept guet op den bodem. Wagxfaab , Zee-^ 
reeki e. Amei,, a. 6. 

AFTERDEEL, sn. o. Iet nadeêUgê, tehade, fr. 
quelque ehoee de dUawMniagemx ^ du préfudioe. || Soe 
wie teghen denghenen daer h|j af gewroecht [aan- 
geklaagd] is, of enich ander, dreQginghe of ander 
afterdeel met quaethcit dede. Juli 1277, a. 23. 

AFTEREEN VOLGEND , byw. Aehf^eenvolgene^ 
achter Mander, fr. eueeeseiffemeni. || Soe wat broe- 
der en fuster met yersmaetheit ofte met onwer- 
den, ofte met wederapennicheit ainen prioer ofte 
flinen proyisoer onghehoersaem ware . ., sal hebben 
een oorrexie yan yeertich daghen aftereenvol* 
ghende. Ib. 

AFTËRLATEN, bw. Achterlaten y nalaten, ver- 
mimen, fr. omettre, négliger, \\ Na recht, herbren- 
gen efl nsagye des yoirs. hoefs, gheen poent yan 
•rechte aftergelaten. Mof te Wdheenm, % noy. 1381. 
Hierin gesoiede allen punten en artioulen yan 
recht, niet aftergelaten noch yergeten, die na 
oostume ons hoefs daerin sculdioh waren te gesoien. 
Meer o, Eottelaer^ 29 mei 1398. In eenen schepenbr. 
y. Botselaer, d. d. 8 sept. 1410 staat: negheen 
poent yan rechte achtergelaten. — Nym oec daerwt 
yan den duerbaraten gebacken oruden, wilta oec 
gesalvet wesen mitter zalyen der zueticheyt, laat 
niet after in te gaen totten wonden ons liefs Heren. 
Bond. merk. 20. 

AFTERST, by. nw. Naar achter .gOe^en, ach' 
terete, fr. de derrie, eitnê par derrière. || Dat si 
beset en ghegheyen hebben, omme Qode en yoer 
hare zielen, hare afterste huis, dat staet in de 
Nustrate t' Antwerpen. Willskb. Mist, ondh, 154 
(1809). 

AFTERSTELLE , sn m. Achter gtaUen , fr. arré- 
ragee, || Die schulde en afterstelle derselyer goede 
te yerkrighen. Cart, Saint- Trond, 17 mei 1393. 

AFTERSU8TERKINT, zn.o. Zie Yxbdam onder 
Achter en After. Bij zijne citaten nog te yoegen 
deze : || Gheen poirter meer 'te gheyen te maechgelde 
yan dootslaghe dan dat afbersosterkint y so. Kb. e. 
Bott. , a. 85. 

AFTERWAERT. Zie achtbbwaebt. 

AFTIEN, bw. (deelw. afgetieeht). Aftrekkon, 
afnemon^ fr. dédmre, \\ Dat sj, scepenen en 
raidty en andere onse goede liede . . , in elo moe- 



lene bynnen Djreete een wage met sekeran ga- 



wiohte soelen doin stellen ende hangen.., 
moleneren yan dier selen maelen alle dat coren dal 
in die moeien, 'dair sj moleneren in sjn, coml 
te malen, ont£Mn soelen metten gewichte, eB 
dmeel , dat dairsf comt oft oomen sal , weder leyeren 
metten seWen gewichte en al soe swair, afgenomen 
ocht a%etiecht dachtiende deel , metten selyen g^ia» 
wichte dat sj, moleneren, behouden soelen yoir 
onsen molenreoht te molchtere en niet mee. Dtmde 
Eooth., 8 aug 1369, P. 45. 

AFTRECKEN, bw. 1) Afbreken, fr. démoUr. 
I) Wat naer het yoors. wettigh [wetteiyk] ghebodt.. 
ghemaeokt ware, moet wederom a^hetioeken en 
te niete ghedaen worden. C. v. MerentaU, XI, 14. 
Van palen , enz. — In de yolgende aanhaling kan, 
natuurlgk, slechts yan eene ^yermindering" dT m^ 
dunning de reden wezen. || Twee pilaeren staende 
teghen den tooten yan de hoofikercke yan der 
yoimomde stede, in de westsyde; dese twee pilae- 
ren moeten yan binnen a%etrocken worden, te 
weten tot boyen in de fondamente, soo dat noodioh 
is, en dat wel yerbonden met 18 laeghe yan ateen 
ofte acht duymen dicke, yolghens de modella. 
BXHBBT , lY , 600 (1662). 

2) Afnemen, roooen, fr. epoUer. || Die wittige 
hugsfrouw yan den dooden en mach niet geoonye- 
nieert noch aangesproken wordden yan den erfge- 
namen huers mans yan deser misdaet yan afge* 
trockender erfflijcheyt (ewpilaie hereditaiie). T. D. 
Tat., '89 y«. 

3) Afdoen, afechaffbn, fr. retraneher, abeUr, || 
Soepenen ne mogen yan dien [articnlen] niet mii^ 
deren, no toedoen, no alfcrecken. K, e. ter JPiete, 
1265, a. 68. 

4) (Eenen yQyer). Aftappen, tt.eayfner, () Eenen 
tochtenaer, seWe houdende eenige yyyers sonder 
yerhuerea, magh die niet aftrecken, noch yisschen 
dan op ghewoonel joken tydt en saisoen. C. e. Bmeee^ 
1607, a. 258. Ghbibtuv yertaalt ,,pueari" || Ben 
toehter oft tochtersse en mach die yyyera niet 
aftrecken ende yisschen dan ten gewooolycken tyde. 
C o. Lneen, XIII, 11. 

AFTRUIFELEN, bw. AftmggeLen, aftroggelen, 
op eene Uetige w^ze afkoopen, fr. aeheier d^mne ma- 
nière eubtüe. || Die hunne waeren en beatiaelen tot 
hoogeren prijs op de pnbliecke merckten binnen 
die yryheijdt yan Meerhoudt souden konnen yer- 
coopen als [dan dat] die yan hun worden a%e- 
truijffelt door de botercramers en andere in hunne 
huysen. O. P-B amtr., 8 noy. 1710. Meerhont . 

AFVAERT, zn. y. Opvaert eïl af^aert. Vrif 

gebruik (yan een land), fr. Ubre usage (d*ane terre)} 
oyereenkomstig met „bergen ei dalen*\ || Yort ea 
te wetene, dat wQ den yorseiden Fietren en Lis- 
betten, sinen wiye, en haren hoere [hoixa] yer- 
kenden, yoer de wet yorseit, opyaert en afraerd 
an al den yorseiden pant , alsoe langhe alse sQ wel 
golden de yorseide rente. Zwijeeke^ 130 (1337). 
Yort, 80 heeft de yorseide her Jan Michiels, met 
yoghde, yerkent den yorseiden Janne yan Zuiyeke 
en joncfrouw Lijsbetten, sinen wive, upyaert en 
afyaert, bei^hen en dalen, vromen en ontyromen, 
also langhe als men hem wel yei^ghelt doet yan 
deeen yorseiden renten. Ib. 175 (1378). 

2) Zeker reohi van overgang in een leengoed, 
en die otergOÊtg tdf, fr. certaiu dreit de mutoHon 
en molière de flef, et eetie muitstion méme. || In da 
heerlicheyt yan Ziehen, bnyten, aen der stadt, 
zyn geleghen sekere goeden, beempden. en landt, 
cUe men te leen helt yan de heerliohejt yan Ziehen, 



AFV; 



AFW. 



83 



«D ^B gehceisn. maiialeeiMn oH leenan Tan Obele , 

«n syn Tan inderen mitaere en maniere Yan ont- 

fuighe, «n wpï acholdich opyaert en afiVaert, te 

wetena: aoe wanneer dat men dje ontfianckt nae 

dooda hant, too pleeght men den heere daerran 

ta gBTOi, voer ayn recht, tyïï echeUingen Loeyene 

fan opyikevt; en soe wanneer dat men dye reat' 

eoopfc oft«TiKandert, loo pleegt men den heere 

daairaff te geren, Toer rrn recht, ryf£ scbell. Loe- 

y«oa Tan affraert, efi vyff achellinghen yanopraert; 

en Toert den camerlinek, stadtholder, greffier en 

mÊsanaik bonne rechten. Chrom. v. JHett, Dêd. o. 

1613, ZUsUm, a. 10. 

AFVALLEN, a w. Fig. Verlaten, nek ver- 
wHfierem «■•, fr. ehamdomter, \\ De minsche apnc: 
Hebben deaa minaeben enighe yreeae? Die ant- 
warda ipno : 8i en yr oe e e n noph en hebben yeghe- 
yier noeb yiant, noch doot, noch leyen, hen es 
aila t ia c a a ai^yalien, londer dat hen dnnct dat 
a den bealde Xpi niet na en Tolghen. Aller Kersib. 68. 

AFVALLEN, m. o. (Van water). Val, fr.ckéte. 
II Om te wetane oft den yoors. stroom en riyiere [ml. 
de Demar] ayn mymen en afyallen behoirljck hadde. 
Mekemk. 9. Brah., ny. 140, f> 237. 26 juni 1689. 

AFVAREN, xn. o. Opvaren en afvaren. 

'il Verbieden eiken npyarens en ofyarens aadert 
dan ten prooAte en oorboore yan denselyen C61- 
aerde. O. Bwrek o. Bnigpe, l, 833, Introd., sab 
A*. 1468. Zie ▲rrxxxT. 

AF- ENDE AENVAREN. ÜU- em itÊvarêH, fr. 
wmii r de el mrrU)er ü, || Dat in eloke stadt oft 
uiTeDe yan onsen, landen , daer suloke schepen ter 
newaarta af- ende aenyaren, gedepnteert sullen 
worden twee oAksÉers. ^lae» v, VL , 19 jnni 1661 > 
a. 8. I, 380. 

AFVARENOELT, sn. o. migamgsgéld (uit een 
aaialarhap), fr. dreü de eortie (d*une société)^ jj 
Oft bj geyalle ymanden yan de camergesellen gé* 
liefde af te gaen, sal t*selye moegen doen, mits 
gayende iwelf stuyyers Brabants . . ; dan, een yrouw , 
neer d'affljyicbeit haers mans, en is tot geen af- 
yaercogelt [afvarenagelt] g^honden. O. iXige, 16 
oei. 1668, a. 19. Tamgerloo. 

AFVELLENy bw. AfiÊtmen, foeg^nemem mi eenem 
hoep of ttapelf fr. retWer étmn mimeeam, d^tme 
pSU. Il 8o wie laken afyelde yan sinen pijle je^en 
sneghen ooman, hi en waera daartoe yermaent yan 
den CQBDaa , ofte yan den samencopere , hi yerbuerde 
enen aoilt oot yan eiken lakene. -K, lakenff, ie 
Brmeeel, 1866, a. 22. 

AFVEBBOT, sn. o. Afkattdigimg, fr. »«&«. 
ea^Mi. II Daartoe dan den leenboede wordt belast 
ftsrslondt, drye dagen naer den anderen, afleer- 
bedan te doen om den grondt te mjmen. O. e. 
rallaeft , IssiOo/, 1612, a. 16. 

AFVERKOOPEN, bw. Uiiieerhoopen, fr. vemdre 
êeuL tl Hj en sal f eirat dat alt yleysch . . mit allen 
[ftaeneïnaal] ewech gedain hebben , off all te mael 
a^cveoeh» hebben. O. Xt^ , 27 jnU 1467 , a. 17. 



AFVEBNEN, bw. Mei ffeweU afkemen, oa^ 
rukkem, fr. mdewer de faree, raeir. \\ En al diea> 
g^yeke , om 't bescud yan mynen aermen lande 
sn ondetaaten yan Namen, hebbe ie ooc moeten 
annemen orloghe, als ghy alle weet, jeghen die 
yan Lodicke, die my wel waanden (omdat ie in 
Vrankeryeke yele te doen hadde) myn yooraohreyen 
knft yan Samen, dat oommen es huuten boeseme 
yan Vlaendnen, afyemen en afwinnen. Colheie, 3. 
AFVEKTRECKEN, o. w. Qaam mi (een yer^ 
knud gped) fr. jortir de (d'nn bien lon^). || N« 



is *t gebeurt, dat, op half meert lestleden, eenen 
huerman is uyt een winninghe yertrocken.., dia 
landen alles beaaeyt steende deur den afvertrocken 
wenne [pachter]. O, gr. Loom, I, 412 (16i8). 

AFVLUCUTICH, bn. Voorivlmehtig (eoldaai), 
fr. déeertemr. || Die een heyr oft armeye yerlaten 
hadde met eyelen moede, oft afyluchtioh geworden 
ware... Pbbkxdbb, III, c. 87 (1666). 

AF VONT, sn. m. Vont ende afVont ne- 
men. In sake yan belastingen. Siaai of inveniarie 
maken yan de in wesen E\jnde waren (vomi), en yan 
de gesletene {af vont); faire inttentaire. \\ Aengaende 
de wynen , die de yoorss. wyntayemien oft andere, 
hen met wynen generende, sullen innelegghen, slg- 
ten, penneweerden oft uyttappen, daeraff sullen 
sy ghehooden syn den yoorss. impost aen de col- 
leotenrs oft pachten te betaelen, naer adyenant 
yan defl slete, die men, by den yont oft af vont 
daeraff te nemen, beyinden sal hem te competeren. 
Blae. e. F2., 3 jan. 1601. I£, 93. St-arek. e. 
Dieet, Ord, e. 28 noy. 1714. {Bvhtidee), 

AFWA8SCHEN (Schoonteenen). OUod, effen 
maken, fr. ragréer, igaliêer. \\ Behalyea dat den 
meester schulddgh sal sijn alle schouwen yan binnen 
te besetten efi af te wasschen. Plao, o. Brah. 16 
jan. 1706. a. 14* Die sehouwpypen comeifde buyten 
het dack, sal men meten hoogde, broede endickte; 
nochtans dat deselye yan binnen beset en ai^waa- 
Bchen sullen worden. Ib. 17. 

AFWEEREN, bw. Wegnemen, afbreken, fr. 
enlever, démoUr. || Zulkedane muelne ofte huusin- 
she en s^jn niet sculdich afghewert tsine, maar 
daerup te bliyene. O. e. AaUi, 216 (1409). 

AF WEIDEN, bw. Niet het gns afeten, soodat 
er niet meer te grasen blijft, maar weiden, graten 
op eene weide, fr. pdtmrer ewr wte prairie. || Dat 
die broecken door de beesten yan de ingeaetene 
deser stadt Diest en door die beesten yan de inge* 
setene yan Oaggeyinne yan oudts geiyokeiyck efi 
in 't gemegn syn afgewe^dt en gepastureert. JProeee 
Dieet $ Caggeoinne, akt y. 28 oct 1766. 

AFWELDIOEN, bw. Omtneldigen, fr. eideeer 
de foree. )| Dat het yoors. peerdt hem is affgewel- 
dicht geweest ten tijde yan de yoors. veeme en cowri 
aengeruert. Froeee Diest % Vam Aê, 1662. Vold, a. 6. 

AFWEKeKEN. Verl. deelw. APaswEEKT UiU 
geput door den arbeid, fr. n^pa/rletra'oaü. || Aengo- 
merckt de nombreuse qu'antiteyt yan afgewerokte 
meesters, weduwen en kinderen, die yan deselye 
armbussen kwaemen te subsisteren. O. P-B. amtr» 
13 sept. 1728. Baseemenfierê. 

AFWERPEN (Afwerpen), bw. 1) (Van yruoh- 
ten of gewassen). Opbrengen, voortbrengen, opleee» 
ren, fr. prodmre, rapport er. j) Dat één bunder yan 
Bulcken nerden houte, en besundere bueckenhout 
op onse yoirs. woudt, meer houts affworpt dan 
twee of drye bunderen weeck houdts weeende yan 
gelijcken ouderdom. Bekenk. e. Brab,, reg. 139« 
P. 116. 6 mei 1648. 

2) Verwerpen f afkenren, fr. refeter, rebuter, || 
Zoo wat drooohscherdere en lakenmakere E\)ne Uk 
kenen, yan der moeien eomende, efi alnoch te 
dunAe synde, doet ruwen, en die selye lekenen 
bg dekenen, ter peertse eomende, afgeworpen 
werdden om te yerstekene en ingeyolt te worddena 
met ruwen. Begl. droagêek. Dieet, 1646. a. 10. 

3) Af endden, opvangen^ fr. conper, intereepler» 
Kil.: Afwerpen de brieyen. Interoipere Utte- 
rat. I) Onder den zzyj^ derselye maait january 
wiert by de rebellen yan Vliasinghe afi Axoelé 
a^heworpan toonyoy tareckende yan Ohend naer 



64 



AFW. 



AFW. 



Bragghe, metgadem diyenche ooomaoBchap ghe- 
laden in de schepen by watere. Piot, Ckron, 783. 

4) Befooven, afzetten , ir, dkro%9êer, \\ Ander 
seijden dattet oooplieden yan Hilanen waren, die 
yeel oostelie ghoet afbroohten, en in tlandt yan 
den graye yan Hoome berooft en a^heworpen 
waren. Ber, tijde» ^ lil, 289. 

6) (Een huisy eene sterkte). Nederwerpen^ afbre- 
ifcm», fir. d^molir, détruire. || Trock yandaer yoor 
aekere sterckte ligghende in Boulonnais, houdende 
yoor de S^ Ligne , om deeelye af te woipen. Piot , 
OhroH, 734. 

AFWUKEN, sn. o. Mei wegloope» (uit eenen 
dienst), fr. détertian. || Soo yerre door 'tafw\jcken 
en yerlaeten yan de schiplieden oft boetsgesellen 
eenige merckelgcke scbaede quame aen lijff, schip 
oft goet f is den affgebleyen gehouden 't selye dobbel 
t» Stèren. O. v, Antw.^ comp., IV , yiii, tS6. 

AFWUS, zn. o. AfWijsinge, y. A— doen. 
Verzenden naar een ander persoon of andere goede- 
ren, tot verhaal eener gekuldvordering , ook: aamo^ 
zing wm erfgenaam doen^ is. renvoger, faire renvoi 
è mne anire perzonne on è d^autrez bienz pour récu- 
pérer za oréanee; aussi: faire dézignaiion d'kêritier. 
II Sonder dat deselye gebruyekers, ten boecke be- 
kent staehde, eenigh afwjs zullen yermoghen te 
doen oft afschryyinghe yan lande, tensj dat sj 
ten yoorsx. registre ofte pointinghrolle kenbaer ma- 
ken hemlieden proprietaris ofte successeur. Plae. v. 
n., 30 jnü lö72, a. 18. Ill, 3&3. Of den hoir 
in sulcken gevalle niet en soude gefondeert syn 
afwys te doen op de leste oyerledene oft haere 
hoirs. Annot., 76. Bat den hoir. yan A. hem ge- 
habiliteert hebbende t'synen sterfhuyse met het 
doen yan inoommen- yan gedeele en 't stellen yan 
seker, in 't gesagh yan crediteuren niet yoorder 
toesprekeljck en is oyer de personele en gemeene 
oommeren en schulden yan 'tsterfhuys als tot 'er 
helft f en dat denselyen hoir , ten regarde yan deselye 
crediteuren, nopende de wederhelft yermagh afwys 
te doen op den hoir yan den langhsleyenden. Ib. 17. 
Al ten sy betoogh yan afwysinghe . by acte dat er 
hoir is, seker en incommen yan gedeele ghedaen 
hebbende yan yersterfte. 78. De crediteuren objeo- 
teren daerjeghens dat het ongehoort u eenen cre- 
diteur te wiUen yerzenden ofte afwys tloen op den 
hauder. 85. Daer diyerssche persoonen ezpres- 
selick in zóUdum wettelick yerobligiert zyn, yoor 
eene rente ofte ander schuit , t* zy als borgnen t' zy 
als principale, en weder den crediteur kennelyck 
was, ten tyde yan den contracte, wie principael 
debiteur was, weer niet, een yan hemlieden es 
executeeriick yoor de gheheele schuit mi zóUdmm^ 
efi en yermoghen [de schuldenaers] gheene afwi- 
■inghe te doene op haerlieder mede-yerobligierde. 
C, V, Auden., Til, 17. Toor de schulden yan wee- 
sen efi yan ghehuwede yrauwen, wettelick en eze- 
entoir zynde, en zyn niet alleene executeeriick de 
goedinghen, meuble en inmeuble, yan de weesen 
en ghehuwede yrauwen, maer oock de* persoonen 
en goet, meuble en iinmeuble, yan de yoochden 
yan weesen en yan de mans yan ghehuwede yrau- 
wen; dies moghen de voorseyde yoochden tfwy- 
singhe doen op de goedinghen yan de weesen. 
Ib. 19. Denghonen die hem yoor eenen anderen 
borghe gheconstitueert heeft, is toesprekelyck als 
principael, ten waere dat hy afwysinghe dede op 
souffisante goedinghen yan den principaelen , ghe- 
leghen binnen den lande yan Aelst. O. v. Aalet^ 
XY, 1. De schultheesschers yan *t sterfhuys yer- 
mogen toe te spreken den langstleyende , man 



cite wyf, yoor de géheele schuit, sonder distaoctie 
wie deselye gemaeckt heeft, 't sy den man ofte 
wyf, koopyrauwe zynde, en ia daeryoran oondem- 
neerlick; al tensy betoogh yan afwysinghe, by 
acte dat er hoir ia, seker en inkomen yan gedeele 
gedami hebbende yan de yersterfte. O. e. €hnif 
XXV , 44. Van den Hane : néei dimzianem prebei 
ewhibitione aetorwn, kozredem rafr eera^i^M adiézee 
defuncH eonjmfiz hotreditaiem* Afwysinghe, die hou- 
der oft houderigge, ofte oick hoirs, de schultheee- 
sohers doen, en profiteeH niet br oe der dan naer 
adyenant dat degone, op wien suloke afwysinghe 
gedaen is, hem in 't sterf huys hoir gequalifioeert 
neeft. Ib. 46. Van den Hane: Aela dimzionem 
probamtia non projleimnt zmperztiH amt kezredi adner^ 
enz eredUorez katredUarioz , nizi pro perOane hare- 
diz iiz kabUiiaü), Houder oft houderigge toege- 
sproken wesende om doodtschulden yan gilden, 
gebuerten (Van den Hane: eonfiraiemiteiiii^ mst 
vieiniiz) ofte dieigelycke, daerin 'tsteiflrays yan 
den oyerleden gehouden is, en geene afwyainge 
wetende te doen op eenioh hoir {neméme adhme de- 
/mneti harede exiztente), ia daerin oondemneeriyck 
soo yerre als de bate yan 't sterfhuys den oommer 
te boyen gaet, maer anders niet. ib. 51. Opdat 
in toekomende de juste qnantiteyt yan goederen,* 
die geyonden sal zyn uyt de yoors. oyerdragten 
niet en worde yerdonkert, soo en sullen degene, 
op de setboecken bekent steende , niet mogen doen 
eenigen afwys ofte afsehryyinge . . , tenzy eni. O. 
P.-B. atUr.y 30 juni 1729, a. 8. 

AFWIJ8EN , bw. < Getuigen). Wraken, fr. réeneer^ 
reproeher. \\ Ingheyalle partye oft procureur oom- 
pareert, allegerende reprochen teghens eenighe yan 
de ghetuyghen, soo yerfe den schepenen dunckt 
dat d'alle^ien yan der exceptien zyn notoir en 
retoyantf sullen. . die ghereprocheerde peraoonen 
afwysen. C e. lfo22, a. 38. 

AFWIJISINGE. Zie afwijb. 

AFWINNELUCK, hiï. Dat mag onteigend^ 
afgenomen, afgewonnen worden, fir. ^ pezit Ure 
évinoé, retiré, \ \ Leen is afwinnelijo om deerste fiauHe , 
die de yassal den leenheer doet contrarie sinen eede; 
en oheynalandt yoor ghebreke yan betalinghe yan 
der rente. Leenr. v. VI,, 16. 

AF WINNEN, bw. Meer in gebruik is uit- 
winnen. In gerechtelijke taal, iemand bij txmme 
mt het bezit van een goed etooten^ mm. m t zzim nen , 
fir. évineer, dépozzéder juridiqnemeni, || Alle calhey- 
len, holen (?) en noten wint men of binnen dnan 
xüij nachten. Leenr. v, 1528, 7. Die bleontumaoiea 
een leen ofwint, die moet selye sine wettelicke 
ooeten betalen. Ib. In anderen wijsen, woide hi 
yermaent sinen heere ten dienste te oommene en 
te hoye , dat soude hi moeten doen , of men sonde 
hem met daghinghen sinen grond ofwinnen. 8. De 
bailüu mach seggen: Ie yraghe u, in kennessen 
yan den mannen , oft ghi eenich leen hout yan 
desen heere ? Seyden si : Neen ie , en si leen hil., 
den , hi soudt hem ofwinnen oyer yerloochend leeft. 
86. Het en ware dat hi, by oonsente yan den 
boudsten hoore, zijnen grondt yerbonden hadde of 
te winnene. 61. 

2) A — die hant. lem. tot verliez van de hand 
doen veroordeelen , ir, faire eondamner è perdre ia 
main. || Her Goedyert yan Os, riddere. Gerit Voe, 
etc. tuyghen . . dat dien man , die her Jan yan den 
Plasse die handt aff dede wynnen, dat die hant 
af waert gewonnen tot Nysterle yoir die keroke; 
dat here Jan yoirs. , «Is schout yan den Bossche, 
yan shertoigfaen weghen dairmede dagheden en 



AFW. 



AIS. 



65 



Nèhian mit den Tonniase, orermidta aenbrenghen 
goeder Inde Tan Nistrele, die op die pelen ghe- 
nten weeren, diA die dootaleoh ghevyel bjmien 
iheitoighen pelen. Ckairib. e. 'iJSoichy i9, 141 t«. 
Oomds T. 1S66. a. 15. 

AFWIMNER (Aferinder), zn. m. üUwimner, of 
ÜÊ êêmê mUwmmimff te reekie vervoi^, fr. Mmgantj 
cm etlmi qm p o mrgmi ' mne érieüom «e justiee, || En 
ie den efwinder oock gehcmden *t inhouden yen den 
keroknep ven synder Terooopinge . . geteeokent by 
eenige Ten de Mcroteriiten te doen stellen en de 
deuren Ten de Tier principele jnrochiekeroken, en 
en degene deer *t selTe jeeiegen u. O. e. €feni, iX, 
6. — C. e. Demdêrm., Y, 2» 6. 

AFWINNINQE, in.T. Meer in gebruik ïb Uit- 
winninge. Chrêckieiylke tmtmgmnmg^ ft, êmcHom. 
Zie ATWiinnir. || Deerby stellende en beteeoke- 
nende den degh det men ter Tiersohere de efvrin- 
singe doen leL C, o. Omti, IX. 2. Yait dbv Haks 
eommentegrt bet woord eldus: vimdieaiio teu evieüo 
a WÊOtm dtbUoriêj H êie UibmM eomttat kypotkeeae 
êwietio: p r immm aetu FAimnroB, id egt pi^noraüo- 
mM, dmmdë oei» XTdXin>OM, id est, appropriaii4h 
wiê, H pottremum adm wtbdoh nr hakdbv, id 
êêif mtmmi erediêoriê mpposiHa. — En ces d'éTic- 
tkm dit o/MiNMi^. ifoe. o. VI. 7 eug. 1764. e. 85. 
Tm, 477. 

AFWOONEin), tegenw. deelw. Tan abwoobbv. 
Niet JJÊWimêMd, fr. mm^éaidamif /breie. || Poorters 
en inwoonende syn gehouden , Velokanders Tersoecke, 
oireondachap te dragen Toor de wetten derselTe 
itede, eonder salaris; meer niet d'efwoonende , 
wieae salarie getanxeert wort ter discretie. O, v. 
BmU^ I. 81. Wort den Toor-arresterende geprefe- 
feert toot endere, gereeerreert afwoonende; en soo 
Terre den debiteur geen andere goet suiBsant en 
bedde, en dat afwoonende commen eer dat bet 
eneet gesorteert en gedeoreteert zy. Ib. lY. 9. Yav 
PBH iU iTB: /breem. Zie abbbtbb en apgbbbtbv. 

AFWOOMINQë, zn. t. Womimg JmiUn era téker 
retkt^ffêtiêd, fr. hahUaêUm hors de eeriaine Jwri^ 
éieêiamf wom-risidênee , foraméiU, \\ Zonder te be- 
telene tghnene dat zy \fd, diToersohe poorters en 
poort eesen] jeerlyox schuldioh zyn der stede ter 
eaoae Tan huerlieder ofwuenynghe en non-rezidencie. 
C. e. Brmgge^ 15 sept. 1548. II, 875. Finalick heb- 
ben de Toomoemde soepenen meer andere reehten 
en peOminantien in materie Ten justitie en juri- 
dietie , als . . . oonsentbrieren Tan afwonynghen buyten 
Ylaenderen te oonsenterene. C. e. Awi* , Cah. prim. 
L a. 81. 

AOEEBEN (Agieren), ow. Vervoiffe» te reekte^ 
fr. 9omr9mtre ra jmtiee, \\ Wat personen ontfen- 
ckelyo zyn, oft niet ontfrnokelyc om in recht te 
mpgen egeren oft heysch te doene. T. d. Tay., 
16 T*. Hetuermoke obligacie alleene is machteloos 
om te egeren en heysoh te maken. Ib. 80 t*. De 
urtyen egierende ofte TOrweerende. O. e. Qemt^ 

I» 8. 

AGENT, zn. m.; ook agbvtb ?abtis. JKM^er, 
fr. ifswaerfiwr, actemr» \\ Det men Tan des agents 
oft bssetters prooeduere en TorTolch soude doen 
een Toergedegen ter prochiekeroken daeronder de 
be eet te penden gelegen z^n. C e. Hoogstr.^ Twrbe 
Bteelkene, blz. 486. — In ellen dien gcTallen soe 
iSTTelt de heere, ofte pertie egente, Tan synder 
fBBtendeerder actiën. O. e. Awt»,^ 1545. I, 4. 

AGRAFEN, bw. VaHhdkem, fr. agnxfer. \\ Be- 
Mfc in tasse Janne den Wiohtere, zeikere repa- 
aüe Tan der bant te doene een der EEeeren zerken 
(sL der door bet Tolk, in 1808, Termoorde sohe- 



P^^^fl^]) ligghende in St ICartins kerke, [te] we 
tene: de lettoenen lysten, die stappens uuteghe- 
Tsllen zouden hebben, ute doene en deselTe weder 
in te pekene en te agrapene, en die Terloren waren 
'nieuwe te makene en in te stellene, xüij Ib. üij s. 
Tpriama, I, 160, Siadmrek. t. 1445. 

AQUWET, zn. o. (?) ||Item, 't grote Scor, hou- 
dende zziij ghemeete, met den aguwette, of daer- 
omtrent. Marg, e. F(., 7 (1878). 

AI. Wijn van Ai}, fr. vin d'A%. || Elck stuok 
wijns d*A4) iz gulden. Plae. v. Brab., 8 noT. 1596, 
II. 76. 

AYEB, zn. m. Meter , fr. eierarrar. || Yerolae- 
ren Tan 'de grootte Tan de Diestersohe wisse, ge- 
daen by Peeter Coymants, gesworen ayer Tan de 
mate Tan den wiehoudt der stadt Diest. St.-airéh. 
1684, Vak 18. 

AYEEREN, bw. 1) In rechte — Bijnen 

daoh. Houden, vervolgen y fr. (Aserver (son jour, 
son terme). |{ Dat als een zake eens inneghestelt 
wort en partyen ghelitiscontesteert , ofte dat de 
Terweerdere daoh ghenouch zal hebben omme tant- 
woordene ofte prooederene up den heesch ofte pro* 
oederene up oen heesch ofte Terzoucke Tan den 
heesohere, dat elc ghehouden zal worden zynen 
daeh te ayerene salo als zy nemen, ofte als deel- 
mannen ordonneren zullen. O. e. Brngge, II. 881 
(1585). 

8) Voorderen, voortMpen, hetorgen (zaken), ook 
iem. verzorgen y oppassen y fr. soigner, avanoery exp4- 
dier, et soigner nnepersonne. || [Werkzaamheden Tan 
den greffier ciTÜ]. De depeschen Tan al tghone pas- 
seert in camere Tan schepenen aijeren en rappor- 
teren Tan processen dienende ter camere. [Van 
den greffier criminel]. De zaecken en examinatie 
Tan de ghoTanghene ayeren en rapporteren Tan de 
processen dienende ter Tierschaere. Ib. 471 (1598).. 
N. N. . . gOTraeoht: Oft hy hem oatholyokelie ghe- 
dregen heeft tot zynen OTorlyden toe, mits dat zy 
[nl. eenige geestelgke personen] degheene zyn ghe- 
weest [die] denzelTon Gheleyn in de ToorscreTen 
yanghenesse en tot zynen OTerlydene meest ghe- 
ayert , begaen en bestaen hebbende. TroMes mar, , 
I, 187. .^deer hy hendelinghe ghestorTen es, goet 
catholyck, zo hy Tan denghuenen hem beweert en 
gheeyert hebbende Tenteen heeft. Ib. 150. Det zou 
[zij, Buster A. A., religieuse] wylent Gheleyn 
Priem, heeft eens gheweest Tisiteeren in de Tan- 
ghenesse Tan Belle, deer hy ghcTanghen lach, en 
gheTallen uut zeker Teinstere, ghebn^Len hebbende 
zyn been, . . presenterende hem te bewaerene en 
ayerene. 158. 

8) BUfveny verwijlen ie, niet weggaan, fr. demen^ 
rer, rester dans, ne pas quitter, || Yoort, omme 
dies wille dat diTerscne persoonen hemlieden Ter- 
Toorderen deghelyez heurlieder pertien te doen 
dachTaerdene. en betreokene , . . . . en zoIto niet en 
compereren, daerby dat party e Terlet en interest 
lyt, by dat hy zyn affi&iren laten efi abandonneren 
moet en ayeren tsoepenhuus tot dat schepenen ghe- 
sceeden en pertien al berecht zyn. O, v, Brngge, 
Rsgh 81 aug. 1538, II. 866. 

AYH IEREN, ow. Boepem, fr. appeler, || Andere, 
die deersff ghedyncken hebben, Terhalen, contrarie 
Tan de Oonycke Tan Hollant, want hy [nk Maxi- 
miliaan] Toxdoelde een de Berohpoorte, deer hy 
ghcen Trienden en bedde, meenende een het cee- 
teel te syn, ayhierende om inghelaeten' te worden. 
And. meng, I, 467 (1484). 

▲ISEHENT, (Aysement, esement), zn. o. 
1) Qepastheidy naar hel best past, fr. eonvenanee. 

9 



66 



AYK. 



AGK. 



Dttt hi [«1. een ittHi] met tireeA xntfimën , of met 
meer, treoke ten gronde •n make daoh eenen per- 
iOon> hem efi allen deaghenen diere raofate ane 
heeeachen, of hem rechte an Termeten wiUen, bin- 
nen ziiij nachten, sheeren ayiemente Tan dien 
daghe. Jut femd. Fl. vehu, ULs. 9. Begheeren an de 
mannen, dat eg, met twee mannen of met meer, 
treoken ten grondoi efi malmi daoh.. Tan dien 
daghe in Tiertien nachte, taheeren moete en ayse- 
menta. Xemr. o. 1628, 5^ 

2) Otriêfl^kkM^ fr. awanMf, «mmodUéê. || Dat 
hj an syn huua oommen was bj trtle Tan koope 
sedaen jeghen Baeeto Tan d«n Boasche, . < met am- 
ken ajaementan, Tryheden en alao dat ghestaen en 
gheleghen waa. C. 9. AmU , 2d« d., 26 febr. 1602 , 887. 

8) Vertrek, ff^keim gemak , fr. Uema éPaiêameê, || 
Alfloo diTereche oleyne hujsingen binnen deae atadt 
worden getimmert, die ton meerderen deel Tor- 
hoert worden aen soldaten Tan deaen gamisoene, 
en meeat alle onToorsien ayn Taaasementon, *twelck 
oauaeert dat de inwoondera doraelTor op de stxaten 
en andere pabljoke plaetaaen haar misoh ajn ma- 
kende ... — Asementen oft Beofeten< •— Aisemen- 
ten. Sê.'oreh, BergenM-Zocm, Jfesol., 1626—1684. 
Bn hendelinghe, alao nj, gèende om syn gheTonch 
te doene, up seker aysement neff»ns syne camere 
ataende.. TroMes wtar.^ I, 146. 

ATKEN OFT VUKEN. an. o. KMme a of Heme 
«• II Indergelycke sollen deaelTe segheUÏera de 
prente Tan der Tarrewe metter %A. en de prente met- 
ter Y [spreek uit mff] mededraghen, omme daeir- 
mede te prentene de lakenen die ter Tarrewe ghe- 
wyst ayn; toot welok loodt de seghelaers .hebben 
avülen tj deniers par.t wel TorstMnde, da>t men 
gheen Uenen ter Tarrewen wTsen en aal die te 
recke te oleene oft te ghorseme boTondon syn; het- 
weloke ayken ofte Tunn de aeghelaers ooc ghehoa- 
den syn te prentene aeü *t controlloe^>lo(^t , tot 
meerdere Tersekerthede. Bbkbbt, I, 808 (1614). 

AYLA8EN. Zie alax». 

AY8IERSN, OW. JSm^s*, uUrmim, £r. as repo- 
aar, preitdre dm repoe. La Oume, Aieer. || sAnde- 
ran aaeohs trooken sy dor Hanes, en alao toot de 
steide Tan Ferronen, daar eenighen Tan onaen 
Ylaminghen qnamen om hen tayderene. Ol» y. 
Dmiüps, 66. 

AY8IJN, an. m. Jjt^^ fr. vimmgre. \\ Een Tat 
wiina, . < . aysiins. Td ie Btmgge, 1262. Lat. tekst: 

fNM 9MM , • . • tÊCetté 

AT8UER (Ayaore), an. o. Xmmt, fr. mmr, || 
Franoe de Wiehtere, Tan atoffm ten seWen werke 
aeleTert [«2. ter schoonmaking Tan Onaer Yrauwen- 
Mtüd aan de Halle], te wetene y» üyn nQ bladen 
fin dobbele gondt, te r Ib. üy s. 'thondert, sg 
onsen aysore. Tpritmm, I, 86. Stadêrek, 1482. 

ACKAEB (Acare, aekafe, akaer). an. t. P€imk, 
kêUUram, fr. Hmbale, || Item, Willem Oroenkene 
nun Aroéasele, [die] np de aekaren apeelt, ter 
▼oraeide £MBte onthouden weaende, ghegheTen iy 
ae. iiy gr. Aperem^ 7. lUk. o. 1881. 

ACKAEB8PELEB, an. m. Famkemdager^ fr. 
üsr. II Item, ter feeate Tan onser Dedicatie, 



ter grooten kerke, op Bint Jana Deoollatie Toraeit, 
ea te wetene , dat Tele menestreels waren i trompers , 
akaer-speelders , pipers, np Uraten, up harpen ape- 
lende etc. Ib. RA, e. 1896. 

AKELEI. Zie acolix. 

AKEN TE QRANEN, AKENQBANA. Ahei^.fi. 
AixlarCkapéUêi Agmegranmm, \\ Gegeren te Aken 
te Oamen in den leeateiyken hof, . • . deon de 
keyaar waa in Akangiana en aat in syn fcestatyok 



hof in synro tlersoharen. BmcKOBmr, Ke^m^^éke 
SMittm, próim» 

AKER (Aecker), m. m. JKstols» wmêwtmwm, 
foaiêrvai ,' tr, msov en emvre. j| Van dat V. bedie- 
ghen waa.. Tan dieften, ala dat hy eenen man 
gheatolen soude hebben eenen aker. Bék. hélj. e. 
QmU^ n\ 1721 (1867). Eenen coperen not, eenen 
grooten ketel, eenen aeoker, een tritsoemeken. C. 
e. Sêreniale, XII, 16. Dat hy, depoaant, ala ooa- 
ter, waa haaiende waetere in eenen aedbere, om 
hetselTe waetere te wydene in der kevoke, want 
het sondaeh waa. Miikêo/rék. JProoas Um, Mabert 
U Someêê, 1612. 

AKET, zn. SUmme «fraXPMi, UeÜge wmdem, èe- 
êriegligike bwutgrepem, fr. mrtifieee* || De prinoe 
weoh sinde, de som^he Tan den heeren, die toToran 
gheTanghen waren, sy wilden hem wreken en ay 
soohten behendegbe aketten up haar onderaatan. 
Jav tak Dixxuds, 200. Die Tan Brugghe, siende 
dnt OTerlaat Tan den jonghen prince, die altoaa 
lieTer waa buut Ylaenderen dan m Vlaenderen, en 
hy al WaeUche raedtaheeren hadde, die Ylaen- 
deren leet hadden en aketten soohten om Ylaen- 
dermi scale en serTyl te makene. Ib. 202. 

ACKENTi bn. Bekend, fr. eonnm. || Denghenen 
die dese letteren braohte, oehte ene oopie daeraf 
met tween ackenten seghelen beceghelt. Abdif 8t. 
Qmir, Loven, Yidimus 1860— 186(7. 

ACKER, sn. m. 1) Akker, Hmk homolamd, fr. 
ekamp, piiee de ierre labomrMe. \\ 8oo wie in 
iemants horen ^ ackeiB oft Telden gaet plooken, *tay 
rapen, peen, ooolen oft ander eertrraohten. C v. 
Dernne, Impr., e. 416. 

2) FiguurL Geumiên, fr. eoaMtseM. || Dat men 
ooc partyeUo Tan hemlieden s pr e e ot [nL Tan de 
Bfoomaohe priesters]; dwelo niesoant toe en behoort, 
maer lioTer in ayna aelfr aoker te ghane en ayn 
oncmut nut te wiene. Btr, tijdon,.!, 124. 

ACKEREN, bw. Floegon, hebomoen, fr. iakonrer, 
onUiver. || Gedurende het loTon by die tweede 
huys?nmw hebben gelabeurt, geêckert en geaaet 
Tersoheyde stucken eifen. O. gr. Loon, 1, 198. 
Aotnm 1610. 

ACKERLANT, sn. o. Bomwimid, fr. torre le&ee- 
mUe, mraUo, || De landen, bempden,weyen, TyTers 
ende andera goeden Terhueren met tameiycke ter- 
mynen , te weten paohthoTon ende aokerlanden met 
termynen Tan sesse oft negen jaevan, ende woon- 
huysen, bempden, weyden, TyTors.. Terhueren 
met termynen Tan dry oft aeaae jaeien, ten ware 
weyden c3ft bempden, die met aokerlanden met 
eene pachtinge tegeiyok worden Terfaoeit, want die 
suUen Tolghen de natuere Tan den landen. C. v. 
Xoesa, Weeek., a. 60. 

ACKERLOON, zn. m. Vorgoedia^ voor emaUd, 
fr. imdommU pomr eomoiUee, \\ En hadde der winne 
synen sset op *tlant geworpen, soe soude men den 
winne synen aekerloon oprichten. C. gr, Loon,!^ 68. 

ACKERMAN, an. m. Landbomwer, ptoeger, fr. 
otiUiieaienr, Im lê mren ré || Wel Terstaendie, dait onder 
deae defensie en Torbot niet begrepen en sullen » 
wesen de Terooopinghen oft transporten Tan ohe- 
lyd^en ghewae [m, granen], die men aoude mognen 
doen aen andere ackermans oft huyslieden , en die 
af te maejen. JPIao, e. Brak, 22 aug. 1686, e. 2. 
I, 864. Ib. 869, 876. Die ackerman mach opten 
heerwech synen pleegh wel koeren om ^yn Toiran 
te ordineren» sonder misdoen oft te broekene. T. 
B. Tat. 107. 

ACKERSCHADE, sn. t. .& hrioddvoroonamkU 
êokndo^ Ijjeonderl^ door het oee, fr« 



ACK. 



AL. 



67 



éfètêttmn. hk OüBVB , DüPiV et 
Labovlati: i^yrw^' \\ Zo winu beesten worden 
^levMi^MSi eolMMde doende, m1 boeten z aoell. per. 
ofcr de boete, en eobut \j Bcell.; .en Tan ecKsr- 
■fllmde maglk elo Teoghen np teyne en bringhen 
t|^biwwit ten beere weert. O. e. Btmggêf 1, 819. 
. . . Dnvt bfieren Tan OTOoetie . . bier naméaie geen 
liaefee en sollen hebben ten opaien Tan de boeten 
«■de nuebrnyoken beloopen door beeehadinge oift 
bederfreniaw gedaen ten platten lande Tan Aelrt 
fooneyt, gn^Tt aekeieofaaae. O, e. AaUt^ Uz. 714 

▲CKEB8IBCK, bn. Ook tildsuck, la&i- 
>VB. MdaaUók, ieproóê^ ft, lépmuB. || Daer wordt 
UKsh jaerlicka 1^ den baalliu en schepenen gecom- 
mitteeti eenen TOQght Tan de acknaieoken ofte 
lawTnaüin , dewdoke met lyne gesellen kenniaee, 
bereeht ende jndieature hecA in d'eente inntantie 
Tan alle qoaetien ende differenten rjiende tosaohen 
eenige Tan de laiamaaen. O. o. Oeui, U, 9. 

ACGUSENAER, sn. m. Oalmn^ étêr aeo^ê' 
fr. n eti M w ; dev droiië tfaeoisê, || D'aen- 
k, willende iemanden in reoht» betreoken, 
[nllen] acholdioh.. weeën., te betaelen aen.. 
dm eoontethy togt sjne beelaohboete, 3 st. Dat 
daenaf exempt aollen weeën., de rentmeester&n, 
aeejeenaefs en andere, paohtunge Tan deser etadt 
bebbeode. C. e. Xmt, Si^l, aalaria, a. 1 en 2. 

AGCOBD, en. o. T o Miem mim ^ ^ madUiffimp , fr. 
aaesw/iigai, miioriêüHim. || Neer ooment en aooord 
ntt aohe|paiien, ia den aemant oft bode gebonden 
geljek bUliet te laten aan de partye. C. e. 00»^, 1, 8. 

AGOLEIEN , bn. AkOaiênklmr, hiamwê ofpaarte 
kim m T j ir. eomltmr d$ VamcoUe. || Item, noch eenen 
aUipyeB tabbaert, met eenen Tooeen Toeder g^ 
voedert. Juo. 1489. 

A00U8TREEREN (Aocontreren), bw. Wapêmm, 
UÊtmêUm, mlmfffm, fr. oreMr, ^^pt ij ter. La CuBm, 
Aeonetrer: é^mper. Kil. (App.) Aecoutrëren. 
II Ten edTen tjoe qnaemen lekere offidersn Tan den 
oonynèk, Spa^gnaerden, omme te acooostreren en 
loe te nuton de schepen alhier ghearresteert. Piot, 
Oram. 481. Oproeping aen TrywiUigen. 1537.. 
Oheeloot en gheaceo n trser t , aboe Inboort, met 
pfcken oft handtbnssim Andên, mtng,, 1, 86. 

ACOUTEëBEN, bw. Ond^rhoarm, hetpiedêm, 
fr. ê'm fmm m', ê^m qwénr , ^pisr. Kil. (App.) A chan- 
teren ete. Aeonter, ea^p2ore<or. || OheghoTen N. 
9. eii H., die Tntghesondmi weeren omme te aoooa- 
omtrent DMidermonde en Aalst, en te Ter- 
eft die gamieoene Tan Aelst en IXandermonde 
op Teert te oommene te NienoTe weert, 
aüa de* wy daeraf geadTorteeit waren, eiken Tj s., 
bekwpt tsamen ztixj s. Bet. N. Tan tj rejsen dnt 
tf p. hj] noch bj naehte Tntghesonden heeft geweest 
omme te aooonterene naer tTolo Tan wapenen, Tan 
eiker wys e n tj s., bel. izzTJ s. St.'-fik. Nmoüe, 
148& 

ACOUTEBUE, en.T. A— houden. Ih mwJU- 
w&éki kmdm^ fr. fain U piet, \\ TJnjtgeren Tan 
wa ee h e n en Tan aoeonterge te hondcoL OegoTen 
Jeroen ]>ieerti en Diriok Oomans, die soeceeaiTe 
aeeoater||e hebben gebonden, en op Oakeboroh 
ge wa ee kt hebben, tsamen betaelt binnen desen 
|MM c. 1«8. IS St St.-rék. DUH, 1588. 

AGOUTBEMENT, an. o. La Oübvb. Aoonstr»- 
ment. Oêwnifmm eMifi, dtfft^ee Msere m hMê 
^ JMmrsj eW it «liM nrc^pr». Kbamiius legt nog: 

i w aies r ) sfaaMsÜMl. Ma, bier ter plaatae, ook 

vel frwM- «f ffmktimimm. {| Om te lemedieien 




tot der grooter onghengheltheyt €h orerdaed ran 
deederen en ander aeoontrementen , die de Taa- 
saaien, ondenaeten efi ander inwonende Tan omen 
landen doen maken en dragen tot haerlieder onTcr- 
dxaghelicke oosten. Flae. o. F2., 30 jan. 1645. 1, 784. 

AC0UTBËMENT-MEE8TEB, sn. m. (Toooeel- 
term). KoHmnwr^ diê gdoit wom mat d$ hemaarm» 
van de koêUuÊtm em de romrende Am» der Bederijikerê , 
fr. pripoêé è la gmde dee eoekmnee et dm rneïkUier 
dee BJkêtorieieHe, j| Den aecontrement-meeeter aal 
gebonden syn eorghe te dragen Toer alle de dee- 
deren ende andere ghenooteohappen [L ghereet- 
sobappen] totte spelen noodioh. Cfeidt. d, Aadm, red^ 
r^k. 7 (Beffl. 1480, a. 31). 

ACCBESCEEBEN, ow. Amwmeeem, tem 9oordeele 
komem, fr. acerotire. || Wel Terstaende dat d'een 
Tan de brleTTngbe Ter at e rf yende , aooresoeert den 
jongsten heudere oft handeiigghe totter hilf[t] Tan 
dan gheheelen inoommene. O. e. Amd. XXII, 3Ql 

ACCU80EN, sn. o. CMegenhmd, ometoÊtdighmd , 
fr. oeeasiom, oküometamee, || Het gberslt, omme 
mesdaet, omme paeys, of aen [omme.*] ander aeen- 
soen, dat hem een man Terbindt toot de mannen 
np syn hooft eene somme Tan ghelde te betalene. 
Leenr. e. 1588, 6a 

ACR8E (Axe). Zie axckbb. 

ACTEN en ACTITATEK. Bamddk^fem em aver^ 
kamdèlimgem, OSxuwÉ,); fr. aetee et agie eem m t e. 
llAiew d'AbitiB: AetUaim: aeHomêê eem agemdi for» 
«rato, tota hÜÊ eerieêi alle de dktem em etmkkem vmm 
eem qedimg, || In absentien Tan den amptman, maoh 
eenioh Tan den eoepenen, in der baneken, in der 
rollen (en elders daer 't Tan noode is), s^n oiBoie 
bewaren en bedienen, alaoi d'amptman selTO pre- 
sent weere; weleke aoten ende aotitaten alsoe, bQ 
den dieneeren en geswaren odUFdrageren (in stede 
Tan den sohonteth), oft by eenioh Tan den soepenen 
(in stede Tan den amptman) gedaan, syn eS luyTnn 
in snloken weerde en Talenre alsof die ter maniasen 
Tan den schontet oft amptman respeotiTe alsoe in 
persoene gedaen. weeren. O. e. Antm., 1545, I, 6. 
Alle weleke prooedneren, aoten en aotitaten, men 
gewooniyok ie, nae den onden hercomen. ., in de 
brieTen Tan OTictien te eztenderen ende in 't lange 
te deolarerene. O. e. JToo^tA*., TVwie, Stoops, 4M. 
Yoor deweloke [ml, de Syndioalen] pertyen . . g^ 
daecht worden. En worden henne aoten eil aoti- 
taten gehouden by eenen seoretaris oft grefller deser 
stadt. O, e. Aaimf. 1588, X, 8. || Sullen, Tanghe- 
Ijeken, aUe de aeten en aotitaten Tan prooednren 
flesohreren worden in de ferie by de handt Tan 
den greffier.. C. e. Brrngge, II, Stijl, a. 54. 

ACTUABIUS, sn. m. fioAf^Mf, fr. ^r^sr. || 
Het ambacht . . . betaelt Toor gagie : aen des ambaehts 
dekens, 8 guldens; aen dee ambaehts aotuarins, 7 

Sldens, en aen des ambaohta knaap, innebegrepen 
t draegben Tan dee ambaehts torse in etadts pro- 
cessie Tan ScherpenheuTel etc. g. 13. 10 jaerlyokz. 
^-eroA. IHêst, Brcmoeremmh, 18* E. mak 19. 

ACTUH, bn. Afyehomdigd, fr. fmUU. \\ Actum 
ter dooke, xt« in bqymaendt xto ziiy. Prsaent 
Philips Tan Eede en Jan Tan Hoto, soepenen. Omme 
oordens efi remedie te stellene in de groote ongbe- 
regheltede eto. So ee by den gbemeenen ooUege 
Tan scepenen Tan Brugghe gbestatneirt ende open- 
baerlieken ter Hallen gbecondicht metter doeken . . 
dat ens. O. e. Brmgge^ ü, 817 (1514). 

ALh bn. 1) Oeilefl, gmmeekt fr. tornt, «nfier. |) Als 
Tan den rechte, da* Jfaan Stom hadde Tan der 
helt Tan d der meyerie tu den Boaenn ftn Oest- 
bnxgfa . . Yan der ere hdt ran d der meyorien 



68 



AL. 



ALT. 



Toneit. 25 jan. 1278. Terdendeel Tan al der woes- 
tinen» Tan 'al. der wildermasen en Tan al den in- 
fllaghen. 19 juni 1295. Yan al desen Torwarden. 24 
dec. 1298. Dat ai Toer ons en met ona al deae Toer- 
seide dinghe yerTollen en Toldoen. 26 oct 1298. 
Alfloe ala men tsout sgoenadaegha Terooept,salment 
Tercopen alle die weke. Eb, e. Diest, B. 96. Alle 
man even naer. Zegswijze in gebruik in de 
Teilingen: den maettbiedende , fr. om plms offirtmt, \\ 
Waer 't dat eenighe opgaende abeelen op er betocht 
goet Btaende, natter weeren affgebonden dan laten 
■taende, boo sollen die Teroocht worden openbaer- 
Ijck,.. aUe man eTen naer, die meest daerroor 
biedt C. e. Xmt, XIY, 6. 

2) JBSnn^, ho^gmtaaimd^ ir, qitdgiÊe, tmoiÊm, \\ Yort, 
80 bebben de Toregbeseide abdersse en tcoTent de 
tiende Torengbenoemt ont&en Tan ons in wette- 
leken erre, sonder eneghen sterfeleken man in te 
settene en sonder allen dienst , omme een pont was 
siaers. 19 aug. 1288. 

AL f byw. Sed, ffeked, ffehetüijik, ten voHe, fr. 
emtibremeiU, pUtmemênt^ toui è faiL || En die Tey- 
licbeyt en tgbelejde bieraf aal ingaen op sunte 
BertbolomeosaTont en sal staen en doren tot op 
sunte GielisaTont daemaest Tolgende , en dien aTOnt 
al.. Ckartb, e. *«J9o<eA, P. 22, t«. 26 sept. 1408. 
Die ander jaermerct sal begbinnen en ingaen alle 
jair des anderen dagbes na sunte Bertbolomeosdach, 
en sal staen en doren dien daob al en twee dagbe 
daema naeetTolgende. Ib. f*. 28. Zo zy [«2. de 
koningin Ëlisabetb Tan Frankrijk] gbino alleene ter 
keerken, zonder cnape, zonder cameriere, al bloet 
[ganscb alleen]. Jav y. Ddcmitdi, 95. Alsoe dat 
wij, soepenen Toers., Tan onsen Toers. scootit ge- 
maent, wjsden den Toers. Henr. den Oem Tan der 
belicht des bonres e& TÜj roeden lants Toers. Tan 
den Toers. sinen noTe al Tol-en gbenoecb ghedaen 
^jnde. Sof té NonnemUlêm (1421). Naer coostome 
worden zolcke blaspbemateors [geset] in pillory 
en huerlieder tooge doorsteken met eenen ysere 
al gelovende. Prad, onm.f o. ^. j| En de toot- 
seide bullio en zyn wjff waren Tonden Tersmoort 
deronder [nL onder een ingestort hm»jL liggbende 
in baerlieder bedde, al moedemaeot. Cl. y. Dix- 
miDi, 96. II SoDunigbe dienaers Tan den booch- 
baliu gbezonden, ziende tTolck al bereet- en zoo 
greetiob om te breken. J9sr. t^fdmf I, 107. 

AL, Toorz. Lamffê, fr. par, Ie Umg de, \\ Oft 
fTOors. water sobuldigb was te loopen al de straeten 
ofte niet, en oft men al die Toors. stiaete plaobt 
te Taeren in Toorgaende tyden. Mabtivxk, 280 
(1608). 

AL, sn. o. Al^ aUes, geked, fr. ioesl, \\ Yoort, 
al dat in den waghen ea, ea souldich 1 d. Lat. 
Pretereay ioiwm ^fliod im emru üomümeimr. Tol ie 
JBmffSfo, 1252. Dese somme Tan al es acbtender- 
tioh bondert pont en Tiobtiob pont Tlaemsobe. 1 
aug. 1290. Hoewel den crediteur optie beeft dlioirs 
m eo Udmm Toor al anne te spreken. C. e. Aud. 
XYI, 9. Met eenen bricTc ^beeeghelt metter stadt 
zeghde , dewelke oosten aal m al üy s. par. Di Yl. 
Vooreébodem^ 42. 

IflSet allen (Met alle). TVsmmaiZ, fr. totale' 
ment || Mids denwelken [goede lieden Tan der 
stede Tan Bruggbe, Tan den lande Tan den Yryen 
en andre Tan sinen «2. dea graTen] gbemeene 
lande, doe bi hem wesende] de stede Tan Tpre en 
de goede lieden gbemeenlike beaoeremt waren en 
Torboed U. beaoermt en Terboet] bi hem Tan met 
alle ghedeatmeert to wesene; dies hem God loTcn 
moete. Tpriama, YU, 471 (1880). Yan der aiegen 



Tan der oamere, die met allen ghflfuseert éfi 
sleten zjn, die m^nheeren Tan der wet gbeordon- 
neert bebben nieuwe te doen maekene. Ypriama, II, 
181. St.'Tde, 1418. Daerof groot vemoer quam en 
tTolo met allen an roere . . En badden zeer gbeme 
daerwaert gbetrooken . . omme met allen de toot* 
seide gbetauwen an stiox te slane. Oi», y. Dixxüdb , 
119. OTermeerct de Treese en onsekerheyt daar ie 
in sta Tan orlogben OTer alle syden, dat ie met 
allen buut en t'aobter ben Tan scatte, dat io ffbeai 
macht en hebbe wederstant te doene. OoUaeie, 5. 
lïoob so en saU hj gbeenrehande Terseh TloTsoh 
ter banck bringben ... hy en sall feirst dat alt 
Tlejsob . . mit ^en eweob gedain bebben off allte- 
mael affrerkocht hebben. O. LiéfgOf 27 juli 1469, 
a. 17. Tonfftren. 

Met aUen niet. VóUtrèkt niet, fr. abgciUiatemt 
pas, YiBDAK, I, 819 b. || Alsof tTolck up haar 
badde willen loopen , oft inbreken , dwelek nochtans 
gheen apparencie met allen en gbafl Ber. iifde»^ 
III, 147. Zie ook achtxbbtxpich. 

Van al tal. Tam aUeë, tonder wUxondering, Ybb- 
DAM 821. 9). II Mits dren soe gaf hy den anderen 
een quitanoie sprekende Tan al tal tot dyen daige 
toe, en soe generael als hy moohte. Y. P. Tay., 
258. T^. Dat alle Terbinde en bezeghelten die 
ghemaect zyn in contrarien de prcTeleffen en ttj- 
beiden, eist Tan steiden, oastelrien ctf neringhe, 
zyt bi willen, constrainte of andersins, Tan al tal 
zjxy quite en te nieuten, en Tan gbene werde. 

Ypriana, YII, 460 (1379) Zo had hy.., en 

000 meide so bad hy de ooninginne tsinen 'aoooide 
Tan al tal by daghe en by naehte. Ol. y. Deucudb, 
29. Nu so waren alle die princhen, die hem [ftL 
den prins Tan Burgondid] contrarie waren, Ter- 
gadert commen binnen Farys, en worden meester 
Tan al tal, en regierden den coninc en myn heere 
Tan (Syane also zy wilden. Ib. 78. In gbelyken, lo 
zeide men dat se myn heere niet up wilde nemen, 
het ne ware dat zy Tan al tal in synen ghenaden 
blyTen wilden. Ib. 180. 

AL EI8T (Al, al es dat, al is *t). Mkoewd, of- 
tehoonj fr. hien qnêj quoiqtie. || Zo wie up yemene 
knif trect, al en quetstene hi niet daermede, lal 
ffboTen den heere Teertech schelen. Lat. tekst: Ueet 
ipêwm non laedat. K, e. SaffHaro, 1264, a. 10. So 
wat dat een mensche ondernem hcTct in zyn bewelt 
en in sine Toudic [l. Toochdie], dat stom ea bi 
nature, al eist dat bet misdoet of yemene qnets, 
daerof en sal die mensche niet staen te rechte. K. 
V, ter JPiete, 1265, a. 51. De Lat tekst zegt: si 
aUqmem vél dUqwid loterii, 8o wie die eerst twyst 
beroert en die eenen andren metter Tustslaet, of bi 
den hare trecket, al es dat hi hem weert . ., die eerste 
mesdoere sal deit allene moeten betren. Ib. 65. 

AL TE, Tersterkeod by woord Tan een TeelTuldig 
gebruik hij WestTlaamsohe sehrIJTers. Zeer, h.irèi, 
fort, II De husselen [horzelen], TÜegen en bien 
deden hem al te groote pine. Jak y. DixictTDB, 
59. Al te scone, 10, 184. Al te seere, 2, 8, 40. 
Al te wel, 1. Twelke al te noot wonder was. Ol. 
Y. DixicüPB, 62, 75. Diederyc Tan ISsaten was 
in alle steden Tan Ylaenderen al te [h]eerelyc ont- 
&nghen, 67. Al te rykelike, 70. Al te scone, 57. 
Al te TTiscb Tolc, 61. Al te Trome een toIo, 85. 
Al te Troom een ridder, 76. Men treft het woord 
CTenwel ook in Braband en in Limburg aan:- 1| 
Want het is alten eedden dinc prescriptie. Y. D. 
Tay., 40 T^. Yoele eü menigheiieyde al te grote 
sobaeden, quaet en Terdriet. O. I44si$, 10 juni 
1417 , Simi-Drmden. Akoo in j^AOer J^reteimèoee": 



ALT. 



ALA. 



09 



Al te wonflflilike, 5. Al te rejne, eorioh, oet- 
moedieh lefen, 16. Al te oiano, 19. Al te sere 
toraïeh, SO. Al te ongbemeeten, 80. Al te gniwe- 
like, 2S. Al te vele, §6» ens. 

AL TE VEEL MEER, b^w. Zmr vêd mêtr, 
oi m m di g «mt, fr. imflmmêmi pUu, \\ Die eenen 
mderen met optette ongenedicblyo quetit... dftt 
bj nemmermeer . . ledegsne {ganseb tui leden] man 
«n ije, die misdoet al te veel meer dan die eenen 
mcBiebe wondt en qnetat met heeten bloede. T. d. 
Tat. 148. 

AL OF EEN DEEL. €hJkêd of s^dêdtdijk, fr. 
m imd om om porüê. || Sn ware oeo dat sake, dat 
wi, at ooaer eniob, weder gbeoregben onae goet, 
dal wi bebben in Zeelant, al of een deel..l 1 
sug. 1290. 

AL OF SOM. Qêkodl/ijk of iom éMê, fr. Umt 
Ml jNiffif. II Als eenen grondenaie sinen gmnt en 
lesB Terirint in acbnlden of anderen latte , of ynnet 
eenen lekeren termyn, en ontiaen [2. ontfaet] de 
renten en lerennwen , al of som , al [2. alao] gbe- 
reedt ala de grondenare sterft, . . bi blere gebonden 
in de Terbondene sonlt. Ltmr. e. 1628, 80. Dat 
Tan na Toortan nyemandt, wie bj zy, bnoxen, 
Bèhneren, stallen ofte wnensten.. en sal mogen 
olbreken noeb af doen breken, al of som. Item, dat 
dagbnene die bnerlieder bnnsen bebben laten Ter- 
▼allen ofte gbedaen afbreken , binnen den termyn 
vao Tyf jaren benrewaert, al of som , sy die wede]^ 
ODme npmaken, repareren ende in znloke state 
stellen als die waeren. O. e. l^ni^^s, I, 214. K. e. 
1562, ft. 5, 6... Als de prinoe oft jnge gemandt 
in graHe ontfiMi, men Terstaet dat by hem beboort 
gratie te doenne in al oft in som. Praei. ertm., o. 
62. Dat wy nommenneer , . . om gbeerebande oki- 
socBi dat gberallen maob , . . ne znUen begberen 
noeb beesoben de Tors. renten en acbterstellen 
qnite te bebbene of verlaten, Tan al noob Tan som. 
Agmi, tTtÊfekM. XIY, 149. OkUMe, 1852. 

ALAEM (Allaem, alem, aellemme, alm, aelm, 
anlaem, aDam). 1) AUêrkamde ffêfêêdgdkap, fr. ta- 
jli — uaf f, mêtênëUêê, omUU ea gêmêfralj enpimê, || 
Een ingewten poorter, wegens instrumenten, alem 
oft gereetsoap Tan synen ambachte en neeringen 
(daar bff eostomeliok mede is geweest te werckene 
en syn broot te winnene) ter Tridaeobsmeret by 
deo ofleier Terooebt synde, maob deselTe lossen. 
C 9, Aniw. 1646, lY, 84. Alamen, instramenten 
en oonstige werelwn alle ambaebten dienende, als 
prenten, mndtenaers, eto. B^këorek. Proost mer- 
staisrs § omodêm (1646). 

• 2) In brandgerallen. || So wie die bedre- 
gben worde datti anders allaem dan tsine, dat ten 
naade eomen ware, an bem droDgbe,bi yerbnerde 
zz eebeL, en bi moeste dat allaem wederkeeren. 
Amiom, meaff., I, 820 (1888). 

8) Kenkengereedschap. || Den soiplieden 
sfi wagheneren, die Toerden de springale en de 
grote bogben, en tenten en pawelUone ter Slnns, 
^d^r a r e n senre, efi TitaUe en ooken allam , dat naer 
■oepen Toer en bi bem blaf SL^ék» oimi^ 1887, 
1,228. 

4) Lakenbandel. [De reebters Tan de Laken- 

balle] bebben ooek kennisse Tan . . . , en Tan de 

instrumenten oft alem tot bet maecken, Terwen efi 

beteQden Tan de laeokenen dienende, als getouwen, 

oaerden, drooebsebeerderssobeiren, den discb oft 

bttotwerek fih instmmenten Tan de laeckenenraemen, 

de bmare Tan deselTO instramenten, en dQergeiyeke. 

O. e. Aaim. OMsp., I, t. 8. 

6) Landbonwgereedeebap. || En bi enne 



Tant dar engbien ooren; efi daelleme dat biere 
Tant, dateer noob, sonder enen brónketel, dien 
oocbte ber Yngbrecbt, . . en iiy <S Tan sinen aelleme 
en Tan qnicke. — Ende bi Tant er oeo in x coy, 
en tnie ledegbe render, t coy yerbnrt en t in bus; 
efi al daelleme datter in was, dats er noob in. 10 
aug. 1298. 

6) Molenaars- of brouwersgereedsobap. 
II Alle wintmölens, watennolens, rosmolens en smoui- 
molens, soo Terre die draden; bronweryen, als 
ketels, cuTpen en andere aleme derselTor syn en 
worden gebonden en geaobt, onder der Tierscbaren 
reobt Tan Bantboren, baeffdeylioh. O. o. SamÜL 
Hs. XI, 86. 

7) Smidsgereedscbap. || Yan den fjsere en 
staele. Ende es te wetene, dist te deser assisen 
toehoeren dallam Tan al dat der smessen toeboert, 
baenbelt, blaesbalgbe, bamers eö anders. Db Yl., 
Am. 27 (1486). 

8) Timmertuig. Item, den soiplieden die de 
TitaUe, en wapine, en der temmerlieide allam Toer- 
den en weder broebten te Ghent, 8 ^ 6 s. 8 d. 
8t,-Tèk. Qeni, 1887, I, 240. 

9) YerTersgereedsobap. || Yoort gbelorede 
Amond Tan Buile Toregbenomt, dat alle sine an- 
laeme, wie dat mense nomen magb, die bi in dat 
Toregbenomde balTe gbedeelte [nl. Tan een buis] 
brenghen sal, dat die onderpand syn soelen Tan 
dien Toreghenomden sise wale te gheldene. Seiep. e. 
Diêtij 1806. Opdracht Tan een buys en erTO , metten 
almen Tan derTorweryenenjuweelen [«2. oatbeelen] 
dairinne wesende. A.'orck, Ber^fom^op'Zoom, rog. 
n\ 926 (1441). 

10) YisBoherstnig. || Men Terbiet, op de 
meedaet Tan IH lib., dat niement ne Tissohe in 
de Schelde, die ter Tribeden beboort, Tan int begin 
Tan maerte tote buutghane Tan meye, met gbeenen 
allame, omme blieke mede te Tane, tussohen der 
kerken ens. Audm. msa^., I, 816 (1888). 

11) Yoldersgereedsohap. || Met allen den 
alame dat ter Tolderien toeboert. Bnuê, godêh, rog, 
B 681 fo. 18 (1898). Yan reparacie gedaen aen de 
aelmen Tan den nijeuwen Tolders geoomen Tan 
Mecbelen, Tan ngeuwe oommen en anderen ge- 
reedsoapen daertoe dienende, betaelt t Ib. xs. lUk, 
V. Borqem-op'Zoom, 1489—1490. 

12) Doelen Tan eenen molen. || De beio- 
moelne es Tan allen leden al niewe Termaeot, nte- 
ghedaen twaterwiel, dat meer ghegaen beeft, 
en daerof siin de almen alle goet ; en de lopers es. 
xiQ dumen dioke, eü den ligghere ix dumen, en 
den steenreep es niewer toe goed. Bxkbbt, II, 
40 (1861). 

18) Beste alaem. Sotto metAéUiuk, fr. moOlomr 
motAlo OU oaid. || Den beere Talt te rechte, Tan der 
doot oft Tan den Terooopene , dat beste peert oft 
ooye, dat by gbekiesen oan, sonder in den mont te 
besiene, oft beste alam, dat bynnen den bnyse es, 
of zUy st. goets gelts. Boxhobiv, 10. 

ALAE8 (Aylssen), tw. JBUaat, Maatl fr. hélat\ 
Zie YxBDAM. II Aylasen, is dat waer, soo gbeTèt 
my wondere. Dat beur Trienden dit bouweiyok 
bebben gbedaen. Hoüwabbt, MaUkiat, 166. 

ALARM- OFT LOOPPLAETS. Alarmpoti, fr. 
potio éPalarme, \\ Daertoe oock considerabel is, dat 
de stadt is gestelt in TyfF deelen, daerTan eleke 
gulde, in tyd Tan noot, weet syn alarm- oft kx^ 
plaetsen , die Teerticb persoenen soo wel niet en 
tonnen bewaren, noob suloke uytsendingen doen, 
als wel een compagnie Tan sestiob persoonen. 
Ermtbooff^ 98 (1616). 



70 



ALB. 



ALD, 



ALBBDALLE ENOEEN. VÓUMH ^«m, fr: 
aftto l iwMi rf aMNM. II En droech op alle d*t goet 
dat hi hadde ligghende te Scelle eto., in de lumde 
N. N., en en behielt er hem selven noch sine 
naoomelinghen albedalle in di erfleecheyt engheen 
recht. 80^. «. Nièl, 1816. Abdij- Bozendaal, J)oo9 U 

ALBEEL, En. m. Abed, fr. peuplier Uane, || 
In de prochie Tan Bmynogem , opten Braysaegem- 
heroh . . . , lancx henen de hage Tao dOsaelvelt , 
en de goeden ressorterende onder *t hoff yan Broij^ 
segem, geheeten ,4iot hoff ten albeele", horen, ter 
heratraetewaerts. Brmsê, godêh,, B 220» f> 808 t<». 
{Bruti^hmm^ omtr. 1A60). Die goeden sorterende 
in *t hof te Bmysseghem, dat te heeten plaoh 
't hof ten aheel. Ih H. 290 f^ 158 t<». (omtr. 1648). 
De heide yormen ,»alheel" en „aheel'^ achgnen dus 
te Munen hestaan te hehhen. 

ALBEQUEL. Zie albbbguxl. 

ALBEREITS, hijw. Alreeds, fr. dfjik, \\ Dat, daer 
geen kinderen en sijn, geen deyolutie en yalt, jae 
selfr al waren des laïaghstlevende goederen alhe- 
reydts op de kinderen gedeyolveert geweest. C «. 
Breda, Sttce. a. 2, tMani, 

ALBERQUEL, zn. m. Soori vam opgemUd ptmt- 
emrhemd, ir, hamberi, êorte de pourpoini rembimrré, 
II Porpoincx, daer alhergnel in ghestect [gestikt] 
es. Audem, menif, I, 189 (1838). 

ALBEBTIJN, sn. m. Oomdtn mmnt, fr. moinmjs 
d^ar, II Den dohhelen Alhertin yan herwaarts OTer, 
weghende 8 engelsohen 11 aes en >/4, tot 5 guld. 
8 st. Den enckelen Alhertin, weghende 1 eng. 29 
aes, tot 64 st. Blae. e. Brab. 18 mrt., 1688. IL 
688. 

ALBOOM, sn. m. Kil. Alh-hoom, alher^ 
hoorn, ^srsi. eaw, j. aheelhoom. PopuUu o&k 
Orimm, WA., Alhe, alher. Dewijl dit woord, 
als loeuê dieiue, aanleiding gegeyen heeft tot eene 
yerkeerde yerklaring , nl. tot cUe yan „al" of „alles 
hoorn", fr. tomi a^e, hehhen wy gemeend, door 
een aantal aanhalingen te moeten heWysen, dat er 
slechts een enkel hoorn door hedoeld werd; men 
is er nog meer yan oyertuigd , als men weet dat de 
hoornen oadtyds tot scheidingsteekens der eigen* 
dommen dienden. Zie Gbimic, Demieeke AliêT" 
iküm e r, 644, Ghransh&ume; hy meldt echter niet 
dan hoomen yan hard hout. Man wihlte eiehen, 
hmekem, ümnen, || Te Schareheke hy den alhoom'e. 
BruêM.sfodek. H 1296 , f«. 146 (1289). Apud Ohhnixel- 
lam, citra yiyarinm snhter alhoom. Ih. H 270. 
St-Gielis, Sekep. e. Bruêeel, 1298. Snper Boesoh- 
dal, in yioo yersus Jetterheka, sex jomalia terre 
jaoentia prope alhome; juxta yionm yersus Scaren- 
heka , . snper Himherechtsgat. Oorh. e. St. Omdula- 
kerk te Brussel (1299). Dat Amoat yan Holde- 
berghe hadde yiere soellinghe tsens op enen hof 
erfleke, die ghelsghen es hi den alhome te Bode 
Ahd^ e. ter Camerem, Sehep. e. Mkode en Alsem- 
lerff, 20 noy. 1800. Een dachwant efi xix roeden 
lands gheleghen tussohen Sayenterloe en den alboem 
te Melthroec. Ckarterh. d, Beg^nk. U Brussel, t^, 166 
y^. (1809). Ad quoddam dimidium honarium terre, 
pamm plus Tel minus , situm extra portam heate 
Chidile Bruzell., inferins arhorem dictam alhoem, 
ab ista parte ^usdem. Schfep. e. Brused, 1825, 
Bruss, podsh,, Ö 118. Supra locum dictum fiteen- 
poele, inter Soarenheke et arhorem dictum alhoem. 
Juxta arhorem diotum alhoem de Scarenheke Ih. 
B 208, f«. 99 y^. (1827). Dimidium honarium et 
dimidium jomale terre arahilis, pamm plus yel 
minus, sit. ad locum dictum ,^e den groeten 
alhoem'*, desuper Btertheke, prope terram Johannis 



dicti Oapperts, al> utraque parte. Ibw H. ISOl, f*b 

64 y«. (1880). In het IColenstnetken aohfesr den 
alhoom. Ih. H 1296, f^ 128 (1888) St^JeM^em 
Noode, Omme yo yoete alhomen berderen toten sol- 
dere. Bek, d, Dommmem te Zoms, 1404/5. Yan 
xiy Ih. yiy seheL paym. achter den alhoom, in da 
Molenstrate, hujten de oude poorte yan 8t«r Qoe. 
delen. Bruss. godsh., H 1296, f^ 110 (1407). Daer 
den wech oomende van den O verdorp, gaande ten al- 
hoeme waert duer gaet. Ih. B 219 f^ UI ( Wam bee h 
1469). By den alhoome, tusschen die Gheerstwte 
ende . . Sterieek, Ih. B 220 f*. 184 (1542). Op 't velt 
aan den alboem, boven tdosp, metter irafla aen 
die gruenbranwe. Ih. H. 290, f». 281 ( Itimi ee k , 16» 
£.). Tusschen den alboem en SteinhoolEeaele. Ih. H. 
811, fo. 19y«.(ireM0^A«ni, 16« E.). Bi den okin«i 
alhome aen de heerstrale. Ib. H. 811 , 21 v^. (Nas- 
seghem), Frope alboem iuzta Bselwech. Ib. B 210, 
f «. 48 (Sehaarbesky Op 't kerckbofvelt hy den al- 
boeme, tussohen de Gneerstrate . . Ib. B 219 f^41 
(Sterhedty. Ten alhome. Ib. B 1461 f<>. 17 v«. (FO- 
voordem). In de prochie van Wesenheke, efi hier- 
inne staet enen waterpoel, efi heet ten alboeme , opt 
Ophemervelt ocht op 'tPeiovelt. Ib. B 219 f^ 42. 
ALBOOlfEBVELT. Aheehdd, fr. dktmp dt$ 
pewplisr hkme, \\ Gielijs Goeie, renlaneester des 
hertogen van Brabant efi van Lymboroh.., doen 
oond , . , dat wy . . vutgeven tot enen erfcheinse den 
godshuyse van der Ziekerlieden in Bruessele, dai 

Sselen moegen ewelic en erffelio houwen, setten en 
, uiten alomme op de strate dweers gaende dove 
hare goede op 't Alboomervelt , in de prochie van 
Wemmele gelegen, op beide syden van der starap 
ten, tusscen £n alboem voirs. op deên inde, ei 
Jans goet van der Eist, op dender inde. Bruee, 
Sfodsh, Ib. 12, f». 146 y«. Wemmd, 1427. Op Hol- 
lant, aen den ooutere geh. d'Alboememlt. Op 
't Alboemervelt, aen 't vfuveken. Aen Morenheke, 
op 'tAlboemervelt, onder de heyde. Ib. B. 219 ^. 
126. Wemmei, 1469. 

ALDENTALVEN (Yan aldentalven, alden-t- 
halven). Vam oaderdomsweoe , fr. d titre d^dge,\\ 
Wêeat eenen. dootslach gesciet binnen der stadt 
v^heyt, efi der dode liet eenen wettigen soen 
achter, die onder ayn dagen weere, soe sal een 
naasten maech van den dode, van d«r sweriayden, 
ende van aldentalven, den dootslach suenen en lae- 
ten suenen. Item. Men sal den doden suenen aen 
die naeste maech van der swertsiden en van alden» 
talven. £. e. 8i. TVmdse, 1686. 

ALDEB, sn. m. Limburgsohe vorm voor Ouder, 
vader of moeder, fr. pareni, pbre, atèret mv. alder, 
alders, alderen. || Ind oft kynder weren, die in d»> 
sen punten broeckden, sullen die alderen derselyer 
Imidere in die broecke gehalden syn, also langhe 
als BV nyet en syn gemanoipeirt ind uyten broede 
van bonnen alders. O. lA^, 27 juli 1469, a. 5. 
Tangere». Doen't die kenders in honder alder 
broet synde, soe sullent die alders betalen. C. gr. 
Loom, 14 mrt. 1548, I, 7. Des anderen bvoedeie, 
die van den alderen geestelick geordineeri ia. C. 
e. VaXkemb,, leenhof, 1570, a. 16. Yan suce e a si e 
der floederen, dieweUicke over houwelick gegeven 
woerden . . dat men diesel ve , naer doot dat ald^ 
ren, in gemeyne deylinge sal inbrengen: op wy. 
[wie] die goederen devdveren by die alders aoh- 
teigdaeten naer doodt van hun kindt? (7. gr» Loom, 
I, 166. 

ALDEBDOM, m. m. Ondardom^ fr. dgo^ hd. 
alterthum. || C. o. VMmih,, Uenkqf, 1612, a. 15. 

ALDEB, in samfinstellingnn ■ Zie ^ T TTr*"^! 



ALD. 



ALO. 



74 



ALDB YADSS iAiéu T»dar , aUlen Toder, ali- 
iÊÓm\ is. m. Graolwrffr, fr. ^amd-pèn. || Item» 
MB pt t iDOD babbsDde wettige gebuerten, en die 
■■tiigi gebonto es waere tot baeien dage niet 
«Nnaat maar én dooda meer hebbende alt yader 
«ft noadar aft oook broeder, quaestie ei: aen wian 
men eoénan eoada ? Die antworde is: aen den alder 
tate oft moeder «n niel aen den broeder, ja al- 
da Tadar en eoneenteerde dat aadars. C, gr. Loom^ 
L 71. Ó. LUg9^ M juni 1682. a. 34. BouêU. 

ALDIEWIlJs, bym. Mmrmtdt al dm f^, fir. 
tenÊi U Umjfê. II Eii al die wile dat n op 
boig)ia waien \nL lekere beelden] lobenen ei 
wondeikike eoona en oneprekeiyok bliokende 
dat aa deia mioaeha oonite oome anagheeian. AUtr 
MknA. 19. 

ALDIKCK. Zie axldhtck. 

▲LDO&lfi (AJdnera), bQw. Vmrvoipmu, im êimde 
«Dt; fir. dê ittUê, jmêftCam bomt, \\ Be taelman eal 
a i i ggh en tol den aanten man: hi bidt n egn boigbe 
ie ane. IMe eal negghen; ie en quammer hier nyet 
QBiaa; en tot den anderen aleo, en also aldoere, 
aft daana tot den bietaaden. Ltemr, e. 1628, 41. 

AJLDUS AL6, tw. ZooaU, fr. aia<f gae. || Aldus 
ahat luar g as ci eT en staet. 25 febr. 1262. 

▲LDU8DAMICH (AldoetaDech , aldostenioh , en 
dMdeniah), bn. Dmtdmiq^ fr. parml || Bfi aldns- 
iBDSgba wyf [mL gfaameene w^ en kemstre] , die 
anaa ombi qoalie toespfake aft oploep dade met 
qoadan worden, Terbeorde vi Ib. Kb, e. Amiw, 19. 

ALDUHOETENaCH, bn. Dmadamfi, fr. parml, 
II liaer waal wi, late voemhen., gfaeinen properen 
■^mI an hébben, des wi in sddusghetenegber 
latai gefanikan. Maf Is WMeemm, 1885. Weerom 
ait l»L da buigen] rer^allende in de misdaet t«d 
gpünfnetstiwr beerUker moghentheit, si Tan aUen en 
yai^iolikaB horen eeaen, laehten, Trihaiden, Terfaa- 
veüeeB, prinlegien, groeien, ordiaanoien, statne- 
ton efi ghewoeaTf eheiden f in en om aldostenighe 
hugimian misdaat, onwerdigha, met reehte |^e- 
proaft [1. ghepriTeert] werden. Denwelken wi,met 
ghmeilagbiOf vaderliker begherten, mededochende, 
aeafehwerf van dnsdenighen misdaden goedeitieli- 
ksr[en] wederroepen hebben. O. Xi^pe» 17 mei 1898. 

AU>U6 VELE, byw. Zeoessl, tt.amiatU. || Pat 
blft [«^ Peter, Torweerder] denselTen Andrisse 
[ a n ii l ii Mgjiir] oplegga «ü Tefgelde die seade efi inte- 
oa ij dairoBune geleden beeft, die hj exti- 
aldns Teale gedrogende. T. D. Tat. 101. 

ALE (Haale), sn. JXt w. hebban wQ dechts 

i YlaaadarMhe oork. aangetroffen. MeHgitr^ fr. 
Zie Pb Ybub, en ook Vxbdam, MiddOm. 
Wdè» I aia n^g P> Bo , Wêtt9l. wdb,. en Sxxlijlbbt 
Tmgmi 9. Karêriik, \\ Men aal oook toot de naar- 
vatta iraa dnyremea, preraet efi van goor oAe 
omooaaaida gameagalt met tetto en haele, die men 
ga breyo kt ïa alegto landen . . » brleggen een Tierde 
Taa da weerde. O. e. Amdtm, 2s. d., 12 aog. 1767i a. 
18. Wordt Tennist by Taeriiaokx, M^. m se» 



AIjB (AaHa), sn. t. Pit w. kwam ons slechts 
by T. ]>. TaY., en moet aldaar de beteekenis 
babbea Taa carirsl, Miy, fr. ow«ls, road; loo 
asemt hy tpoh , in synen «Boom Tan der maeseap**, 
p4 180 T^.' de o*tfae waarin de to^ppen der maag- 
sebap gaschrsTen staan. || Ten iy«n male, soe su- 
dg mOTokea opte aelle staenda In de middeweert 
Tan den Toino. boome, want d'ande^ aeUe hoeren 
oitapnno daimiyt aamen, «fi dairomtie wort daei^ 
laaa aeoel dal aansioht t 



Tan eenén melisobey én. 
8Qan noigdg haeten Aadtfiea^ oft anders, aoo gy 



dat imaginaeren wilt, efi die aelleh die Tandaar 
in der rechter linien opwaarts gaen, dat heetsn 
die ascendenten, en die Tandair in der rechter 
linien nederwairts gaen, syn geheeten die descen- 
denten; efi die in den aellen staen gaande ter 
syde Tuyt, zyn geheeten die collaterale. — Die stip- 
kena, die in den aellen boren de namen staen, 
beteekenen dat geesteiyok recht, . . efi die stipkens, 
die in den aelloi onder de namen staen, beteeke- 
nen dat weeriyc recht. 

AUSGIN, bn. Leee ol tigem^ nL «i^ea, «rfdific^ 
fr. aUodM^ prcpn. \\ Pat cam Tor ons, in gha- 
baaner Tierscara Tan den Siesseelschen, m'. Niclais 
Tan BierTliet, efi claghede wettelike omme ene 
craobt, die hem ghedaen was an sgn aleghine 
goet , bi namen an wlghe [wnlghe] tronken , staande . . 
81 jan. 1287. Van dat hie, Sjmon Torseit, eracht 
adde ghedaen an meeetar Niolais Torseit aleghine 
goet. Ib. 

ALEINDEB (Al eender), bn. Ttenemaal ge- 
l^c9ormiff, cvêreinkomëtiff ^ fr. en Umi êêmU M ê^ 
eomfémnê, \\ In welker alleynder getaygenitsen 
wy, elect efi abt ToerscroTe , . . wy oec, scouteten, 
scepenen, . . . wy oec, deken . ., . efi wy , oonTont 
TorsereTo, onsen siegel, in getoygenisse der Traer- 
heit..., desen letteren hebben aangehangen. O. 
lASgê,!^ noT. 1404. at^Trmdm. 

ALEM. Zie alaxx. 

ALENPE, sn. t. JSUmds, fr. aiwdrs, eaUtmUé. 
II Also Tele qnaets deden de Inghelsehe in Potan. . . , 
de steden destrqerende, trolc rorende, Tanghende 
de lyke, dootslaende de ghemate, de dorpen Ter- 
bemende, nonnen efi Trouwen Tororachtende , en 
solke alende en was binnen . mans ghedinokene 
gheeien of ghehoert. Jav y. PixmTDi, 104. 

ALENTLLKE. Zie alhtcxlickbv. 

ALF, sn. m. Koor- ofmiskemd, fr. ambe, || Item, 
aanen alf matter amioten. Jao. t. 1488. 

ALGADEB, byw. AU^gadêr, aUegaar, fr. éotu 
€»êêmblê. II Wanneer yemant eenighen pandt belaat 
oft beswaert Toer scepenen met Terscheyden arfii^ 
lycken- of lyftochtranten . . . aen diTersohe peisoo- 
nen, soo Terre de brieren teenenmale br eenan 
secretaris (opton steenden Toet Toer deselTe sca- 
panen) gelesen, gepasseert efi bekent worden, die 
en darTen deen den anderen nyet uytstokan, maer 
syn algader Tan eender ouderdom ande dato. O» •• 
Auiw. 1545, Yl, 14. Ib. 80. 

ALGALLIA, sn. Ointtj ssas wUaekü^, tiêrh 
ea «osirMybads mUUf ooa ds eïseIJkai, fr. wotMê^ 
néti t m ee ,9mcim8m»9^ d*aas forU odsar ds wa as, 
êéarétéê par lm ekMite. Kraaners, Littré; Spaansoh 
algalim, || Pia hem wilt doen Torsekeren op Tygen . . . ., 
amber, mnscns, algallia, corael C. e. A^ïwé eomp. 
lY, ig, 41. 

ALGEHEEL , byw. Yenterking van ptkêd, gmmtek, 
fr. imU mÊÜêr. || Op dat dair maer een leen en aa, 
eoe aalt dontse bruedar algeheel haffen, so Terre 
het Tan den stoeke comt. O. o. 8anik,f Uuihof^ a. 22. 

ALGELUCK, byw. Ins^yA», ecensoo, fr. dê 
mime. II Bfi algheiyc suldi seggen Tsn leene, dat 
de Tassael gheeft synen broedere dt anderen synan 
oudsten hoyre. Xemr. e. Vl. 109. Bnda soo Torre, 
naer dato Tan den eerston inTontaris, den weesen 
eenige anderen roeden anqnaemen , oft oock by den 
momboir beTonden worden eenige goeden, daeiaf 
hy Tan te Toron niet en wisto, sal algelyoke wor- 
den geroegd tot den tootb. eersten inrantluris. 0« •• 
Lovem. Weeék. a. 58. 

ALÖELIJCKELUCK, b)}w. AUmÈvnaêromder- 
ê ok m d f gemMykjh» iomg soms aas yü oa, ^ff'^mimi. 



i 



72 



ALL. 



ALL 



II Dat alle momboin, cniateun en administratenxB 
▼aa weeaen, aoo by tostamente, oodioUle, derweth, 
den OTermomboixen , als andeninta gemaeokt, sol- 
len alle gelyckeljok, tentont naer 't aenTeeiden 
Tan den Toon. harón lasten , en yoor en eer eenige 
merokelyoke administratie te doene, moeten doen 
den behoorlycken eedt Toor den orermomboiren 
C. e. Lovem, Weetk, a. 56. 

AL en QËLIJCKE (Al en gheUck»), b\jw. Al 
m gekêéUxjk, ft. mUÜèrememi, \\ I)at Jan*.. Tan der 
Borgh Tan Asplar , . . . wel en wettelike ■ Terkint 
heft Tor ons , dat dit Torseide goet Tan der BeTeme 
al en ghelioke ee wettech erTe des Torseits abts 
en oonTents Tan NiniTe. 6 jnli 1299. 

ALLE £NDE lEQELDCKE, bn. AUe hoege- 
naamdéy ft. iomM . . qnêlcanquei. \\ Soo wanneer jemant 
TOOTTlaohtich oft idflyTich gheworden is, als Toore, 
800 is die sooathet, terstont naer d'ierste beset 
oft Toorghedaghen hj yemanden ghedaen, sculdichp 
des Tenocht sjnde, te aenTeerden alle en yege- 
lyoke de goeden Tan den huysen, haTen, erren, 
eifrenten, waren en oomensohappen, hoedanioh die 
tyn, binnen der Tors. stadt At beuren byrangbe 
gelegen ende beTonden wordende. C. o. X^sr , XII , 4. 

aLqONT» bn. Versterking Tan goni. Uewes- 
telyk. Chkêel, g<m»eh, ft. Éout, emiisr, || Daer so 
liep gont Tolo seere ter mueren Tan Parys, daer 
sy xaghen algont bere oommen. Ol. y. Dixmuds , 58. 

ALüEEL, b|jw. Mgekêêl, gêkêeUijk, ft. emüère' 
mêiU. II O wonderlino dinek, Du [Maria] biste 
alheel in den wonden Christi. SantL merk,, 84 t^. 

ALIET8, sn. m. (.Duister). j| Gost op stadthuys 
met onsen heere hertoghe Philips en synen raede: 
y Ub. oruyts, g gelten Grenata, üj gelten Male- 
Tesye, t gelten Rmsoh, iif) gelten Beanen, \j gelten 
lantwijn; om broot, Tisoh, om aliets. L. GiJesloot, 
Si.-rek. V. Brusêel, bis. 18 (1427). 

ALINCK (Alinge), bn. Qekeel, s^atuek, fr. ioui, 
êKÜer. II 8oe wye, getrect Tan Gode, in den- 
seWen huyse . . hem geTen [begeTen] ssl, dat die 
te hans niet tot ghehoersaemheit su werden ont- 
fsen , tensy dat hy ten yersten een alinghe jair , 
als een noTioi, onder die bmederen en susteren 
werde gheproeft. Juli 1277, a. 1. Dat die alinge 
heerlicheyt Tan Harpen, mit allen hoeren toe- 
behoerten, is eyghendom ons liefs heeren Tan 
Brabant. Charib. e. 'êBoêek, f>. 188 t». Conde o. 
1865, a. 1. Waer dat sake, dat yemant Tan buten 
[een] alinge laken ontwee snede en daerTan stuoke 
maiokde. O. Xi^, 1 juni 1488, a. 81. MaaêeU. 
Item, soe eest eeordineert, dat men, Tan nu Toert, 
dry daghe in die weke, als die weke alinoh es.. 
Ib. ft. 87. Den hof Tan Wailem, mgt sinen gans- 
sen alingen tuebehueren» mit huysingen, hoMtat, 
weyden, beybden [beemden], bruecken en mit allen 
synen aekerlande. iS^. Oêrkuk^ 181 (1455). Bly- 
Tende oock altyt daerin eü in allen TOonoreTen 
poenten en artioulen myns Gfenadiohs] H[eeren] 
heere (L hoere) hoQgheyt, heerlyckheyt en juris- 
dictie, geestelyek en weerlyck, in haere Toloomen 
alkkger machten. O. L^ffe, 18 mrt 1502, a. 47. 
TVn^stmi. 

ALINCK, bn. In alingen StoeL JBêdde ffekta, 
fr. €m ptem nfgêdemaina^^üomgtMU Umaina^ ,.\\ 
Bytart Tan Prenthagen, in der tsyt sittende in 
synen alingen staelle mit Baetsen Tan den Bosch, 
synre wittiger hny sTronwe , . . . den gantien alingen 
hoff lu Prnithagen in den lande Tan Yalkenboroh. 
». Gêrlaek, 144 (1474). 

ALINCK 8U8TEB. Sigêm muiêr, mtUt wm 
eeBffi hêdd»f fr. Humt gtrwmme. \\ TitiaisgeBtorren, 



Uetende een half snater, en laetende ettelyeke kin- 
deren Tan haere alinge susteren haer foestaende «r 
uUoqme latere. Die half snster pretendeert te wesen 
naeste erfgenaam . . Die kinder Tan die alinck sna- 
ter pretenderen dat sy, als repieéentetende hunne 
moder, gewtsest die alinge suster, behooren geprefè- 
reert te worden.. C. gr. Loom, I, 255 (16;i8>. 

ALINCK (Allinok, aling, allinoküke, alingleke, 
allinteleken), byw. OeheM^t gêhêd sa td, gm^ 
tchd^f t een e m aal , fr. entièrêiHeni y UdaUmmU. j| 
Dies tuistes en dire saken selen wy gheloeTen 
allingleke end altemale heren Jhanne, here Tan 
Kuyc, dat wQ dat houden solen witteleke en 
wale. 25 oot 1298. Noch, daer uutgaende, Tan 
denselTen goede ta mael nyet met hem en sal 
draghen, mer die goede alinghe den Toers. huyse 
en den armen aldaar sullen bÜTcn. Juli 1277 , a. 1. 
Dat [wir], . . altemail eindrechtich worden ind alent- 
liohen Tersuynt. Cairt. SL-Tromdy 18 apr. 1869. 
Nochtans willen wy... dat dese litteren bÜTen 
sullen in Toloomene macht, alsof sy weren alinglic 
Tolsegelt. Ib. 24 mrt. 1874. Dat wir, ind manlich 
Tan ons , des Torscreren ons lisTen heren ind Tadars 
lesten testaments ind syns aataersten willen ind 
begheerten Tors. alentlich gcTolgioh syn. Ib. 7 aug. 
1376. Want die ToerscreTe here die abt ham... 
%lenclike hebben Terbonden en geloeft in goeden 
trouwen, in eetsoat [l, eetstat], Tast en stedioh te 
hauden ... Ib. 25 mei 1897. [Die bossohen] blcTen 
ongehantplicht en aling ligghen als gemeynte, son- 
der baete of Trooht te dragen. Fbavq., ÉapU., 
187 (1420). Ie doe Tertiohnisse Tan mi selTen; Ie 
wil alinge an Di bliTcn. Hond. mark. 47 t^. Yan 
welken ^rueringen, disoort, wangost [wangonst] en 
hatien beide de partien Tors. allintelekan in oob 
blcTen syn. Oomikermit 97 (1862). Want dat Toers. 
onse lant Tan Montenaken met synen toebehoerten 
Tan den Toers. onsen graefroappen [nU f. Loon] 
alinck en altemael gesoeyden sal wesen en blyven, 
by den reden als Toers. is . . . Daeiomme dat aelTe 
onse lant Tan Montenaken met synen toebehoorten 
biiUken Tan den Toersc. onsen grae&cappen allinck 
en altemael besoeyden sal wesen eouwelick. Jiamiê- 
nakemj Doe. 1415. 

ALiNCKttCHiP, sn. o. Bij aelyneoepe. In 

koeéUmigkêid of b^ Hiel wm mrfgtnaam, fr. è ülrv 
tPkêriHer. || Zonder dat daaraan yemand commen 
mach by aelynsoepe [eor. alingschepe] ofte Tcr- 
naeiderynghe. C. e. Andm. Vertooek a. 6. I, 432. 

ALCALDE, zn. m. Eigeniyk een stadareohter 
in Spanje, sp. alealde, fr. alendê. Ben uit Spaige 
OTcrgebracht ambtenaar aan het hof der Bpaansohe 
landTOQgden, die, in burgeriyke en lyfrtrafiUyke 
saken het bcTel Toerde orer de lagere bedienden 
Tan het hof. Hy sat te recht met twee bysitters 
en twee algnasils of seijanten. Zie Hsvn et 
Wavtbbb, Mitt. d$ JBrux. II. 498. || Beroerende 
de Txemde soldaten, sal men die ordmantie, ge- 
maakt by synder Toors. K. IL, den naestleeten Tan 
martio 1548, TÓÖr Paesscheo, toaschen den alealde 
Tan sijnen hoTe en die wethoudeca Tan Brassele, 
onderhouden en obserTeren . . . Bn sullen die infor> 
matien t'samentiyken gehouden en t^procea gein- 
strueert worden by dai TOors. alealde, prorooat, 
auditeur of anderen persoon daartoe gecommitteeit. 
O. erim. 1570. a. 69. 

ALCKEBMALCK. Zie bkoksbicalcx. 

ALLAM. Zie alamk. 

ALLEENDELUCK (AlleendeUeken), byw. AU 
Uml^, fr. nniemênL || Mita alleendelick betaelettde 
*t recht als bocgher. Bbicbbt, I, 468 (1682). Op 



ALL. 



ALL. 



73 




payae da* denlTe oUigitien niet en cnllen lig- 
in «sBeatiB^ nenoMr nüleii «UeeDdeliekeii 
i^min^am. eene oiuple eft BMokte ken&tiBse, 
«■Dm* te Tenffjghene aetie penonele. JPiae, «. VI. 
10 febr. 1&86. 1, 287. 

ALLIUKNK (Allene, elleyn), by v. ^2{mii , aOmii- 
ij^, fr. jnil, amUmeai, || Dat daeraf fcepenen 
i, dat es aixmteteii aUene, tote üj aohel. 26 
1262. IMe eexeto meedoere lal deit [2. dit] 
aUene moeten betfea. 80 mrt. 1266 1 a. 66. Dat 
Men engeeniehande aoade aai doen . . . dor dat lant 
van iBLayk, orer die Maie, in dee greren lant yan 
€Mflan, eónder allene nne [i, tinae] etat ton Oiaye 
utge eat, Yah Hxblu, 81 oot. 1886. Om aaken wille 
Maderiingen alleyn hojnen ambaeht aengaende, en 
niet OBi ejnigen anderen aaken wille. O. LUjff^y 10 
imi 1417, a. 2. Sê.-Trwidêm. Ind hieiaiff sall all^ 
dat gerycht Tan Tongeren oognicie hebben ind 
ordelra. Ib. 27 jnli 1469, a. 4. Dat dese actie 
te rmm oft raiiwarfiflalioaig niet alleene gegeyen en 
wort tagen deageenen die dat dinok nataeriyo en 
ÓTilijc teamen poMeeeeert en gebmyct. y. D. Tat. 48. 

Al.JJ££N£L»iJCK8 ( A -lyez), bijw. AUeeiUiJk, fr. 
asaleawal. || Zonder oqjt fhebben moeten doen 
■ekeooJnge aan eenige orerbeyd, nemaer alleenelycx 
onderb^^e tnaMben d'offioianten en sappoeten der- 
aelTe neeringe. Bdcbbt, I, 469 (1796). 

AÏJiiCKNB, byw. 1) {Al mm), imoetêdtUUg, om 
laf ew», Httifde, «ommmm, is* la wèêmê eko$e, tmu 
difltfMMtfteai, iomi eommê, || In raloken lieden [nl. 
moordenaars] wort den wille en dat werek alleens 
geaebt, t. b. Tat; 69. Andere seggen dat dia slager 
sealdieh ia van der doot te wordden geponieert » want 
bot alleana is weder een doodslaat, oft dat die sake 
[eoraaak] geeft van der doot. Indien hj boven 
daan^yet mesdede, lal ghepogniert syn alleens of 
by yaide ^eghevai badde. O. v. Brmgge, 16 sept. 
1686^ U, 291. 

2) Q is fyÜra snw v , eoa dbasej^Usa inkomij ft,, 00a- 




4ê la 



. II Bnde sljn bieraf gemaect 




oadolen. daar ele yan dan leden eene af beeft, 
Indenda alleena, yan worde te worde, ghecoUaciert 
deen metten andren. Belg. Mm. 1, 98 (UOü). 

8) Of fd^vormi^ ^o^i fr* mmformémêni. \\ De 
^nTe liodawye voer te Biemen met vyf en tacben- 
tieli fiddera, alle alleens gheoleet. Jav t. Dix- 
MUDB, 211. 
ALUSOAEBDEB, bgw. i^üiyadsr, fr. toas sa- 
II ICair wairt dat s^ all^gairder badden 
éa opset gemaict bad&n den yoirso. 
sb te doene, . . . sQ souden ontwgfeiye all»> 
aairdar scnldicb ^fa geponieert te wordden, t. d. 
Tat. 62 v*. Kair eeat soe, dat zn allegairder doen 
eenderiiande ooaMnaeape en teflbns, soe is ele 
daarin gebonden van zijnen aendeele. Ib. 211. Het 
is de gabmikeiyke vorm van onsen auteurs by 
sehfOft oaki yergaerderen. 

AJLLKUS (Alleye, aleye), sn. y. 1) Overdekte, 

gÊtiotrde gmtg, i egem dë „coafrefoai^'*, turn den 

kmUmhMni eoa de frmókiê» eemr tereterkimg, waett- 

\Kiʧe me» remdom dem ar sü iyèoa» ^laan Iroa. Zie 

La Cuemm, Allee, eerridor, en termee de fhrtifi- 

ftaHons . . jj Jan Temmaiman was door de wet ver- 

oeHeeld geweest, om een deel yan de alleyen van 

der poert rincmner te doen pa(veenie; men liet bem 

vffykoapan mits 12 Ib. gr. SiadDemderm., II. AStorit- 

», VII, 42.Arir. 1409. Oosten gbedaen an eenen 

. . , dewelke mi ghewelft es met eene scoene 

.., an eene gOMto alleye gbewelft. Ib. 44. 

Bek* 1806w Gesten gbedaen an ^yeren yan der 

aUayen van nir poort ryncnraeren tosscben Bt. 




Jorystonra en der wintmolen up dAokeryèlt. Ib. 
46, Bek. 1408. JNoob uatgbeven en te eoste ^e^ 
daen an deSteenpoorte, die in delaetsledenjaer, . . 
gbefondeert was en van den gronde met den watore 
begbonst up te metsene, met tween soboonen tor- 
ren, en wart dat jaer upgbemetst toeter nedente 
alleye; dewelke poorte ... nu binnen desen jaere 
van der nedente alleye voort upgbemetst es. Ib. 
64, Bek. 1894. 

8) Het w. waid ook toegepast op de kum eoa 
«M0 booff' cf bmeekieienplaaêef fr. aUée d*uH tir è 
Vare tm è VtÊrqmebme, || Doen men screef 1444, 
was een groot soietspel te Brussel yan yeigulden 
juwelen. En daer was gbemaect een aleye, waarop 
men scoet, daeiop men wassen sach menegherande 
vroobten) en laveren met visschen, en fontegns 
met wine springen uuyt eender jancvrouwe borsten. 
Piot, GSIroa. 68. Ook door Sohatxs uitgegeyen, 
Aoad, d'a/rekM, 1860, 127. En was gbeeooten up 
seavoten met twee aleyen yerdect met groenen 
lakene.. Ol. t. Dmnn>i, 170. Men consenteert 
eii legbt toe denzeWen gbesellen eü der gulden, 
de aUeye yan der Bynpoorten, metten huseken 
daerondere, en eenen mierssele daennne steende, 
omme huerlieder poer ofte buscrunt daerinne te 
stampene. A^idê», meng., I, 118 (1618). 

8) In het volg. eitaat sobijnt het w. „idleie** toe- 
g^iast geweest . te zyn aan de gaandery langsheen 
den vooigeyel yan bet stadhuis. || Den ertsbiseehop 
van Borwmien (.'), minderbroeder, die off de merct 
te twee stonden piadickte. en op die alleye misse 
dede. L. Galsbloot, 8i.-TA. Brmed e. 1457, blz. 17. 

ALLELEËN8, byw. 1) Metedfde, al heUdfde, 
eem em keMfde, enneeraoMJUg , op detelfde mjtey fr. 
de la mime matiière, fout comme, indiffireni. \\ 
Bnde is, naer reohte, difibrenoie tuasohen appel- 
laoie en provooatie, . . maer in de practfjcke eest 
alleleens. Prooi. eie. 9« tyt , o. 16 , a. 2. Yan name 
te name valt bedroch, gelQo als verboden is in een 
stadt geen borgemeestere te zyne, efl dat bèm 
iament doet kiesen, niet tot borgemeestere maer 
tot yoirsoepen, want dat is allrieens, en ia alleene 
een veranderinghe van den name. y. d. Tat. 22 v®. 
Bnde alleleens es treobt, weder zy zelye iemende 
dooden, oft zy sake [oonaak] geven der doot. Ib. 
69 t*. Na den geesteiyeken rechten . . , aoe eest 
alleleena, weeder dat gesaereert dino genomen zy 
op geaacreerdan i^aetzen^ oft en ia. 77. Bnnige 
seggen, dat aeiio in faokm éh aetio [de'] praeeeripHe 
fterèie alleleens zyn, en dair deen gegeven wort, 
dat dair d'ander gef^eyen wort.) 276 v^. Weder de 
yeroooper dat gebreo en letsel geweeten heeft oft 
niet g[eweeten, dat coemt alleleena om dese actie 
te intenteren. 281. Bnnige doctoren aeggen dat het 
alleleena ia, weder men den gront wyae metten 
oege, oft dat men dien metter apraken wyae. 818. 
AU die lieden, ammende gbedaen hebbende, weder 
uut der vanghenease gherochten efr suf^lieenlèii om 
baer ghoede efi niet suspecte bouoken wederomme 
te hebben, zoo en oondan zy die somtyts niet ghe- 
cryghenj oft als zy yói$r justicie storven en de 
yhenden daarom suppleerden, zoe Toeren zy alle^ 
leens. Ber. iijdem, I, 117. Hebt u of ghy droeff 
waart, en doet aen vouweleederen , alleleens oft ghy 
waert een vrouwe die lange beschreyden hadde 
eenen doodan. Latyn : nê eie qmaei muUer pimnmo 
te mp ort Imgemé Omgamg, 68 (1694). Ben vrouwe 
van Thencab 

2) AU^gaéeTf alimmne n i aUen, fr.. fom emeüMe, 
iemot II Daer getuygen aUëleena die woorden Van 
I buerder keDuiaaen en getuiJgtiAÉiaeil ttkytsprekön , 

10 



74 



ALL. 



ALL. 



reoht oft z)) die tMUBi«n godicht ende ovwdn^jBitk 
luuid«& die alaoe te leggen, dair is presunipcie 
T«n suboniAoien tegen die getóygen. t. d. Tay. tt89. 

ALLËM£T8. Zie altbmbtb. 

▲LLËNDICH, biL XlUndufh. De allendige 
moeder Godi, O, lu V. vam VII wêeSm, te. 
N, D. d0ê iêpi douUurs, la Vierffê êouë la eroia, 
II Hebben Terdinct die kerckmeeeten van Sint Snl- 
pitins thogen Aert Dreyer, een beelde van d' Allen- 
dige moeder Qode, om xüy gripen x et. 8t.'8uL- 
«uw, I, 61, aant. 8. Bêk, 1444. 

ALL£MDICH£IT (Ellendiobeit), m. ▼. MUmiê, 
fr. mw^e. II Alioo de landen Tan berweerte overe , die 
lectleden neghen oft tbien jaeren , door d* inUnt- 
■obe oorlogbe, hooveerdigbe en rigoareuee rege- 
rinffbe, moetwüliobeyt, rooringbe en andere onghe- 
regbeltheden yan den Spaengnaerden en bannen 
acDierenten, gbevallen s^n in groote miaerie en 
allendicbejt. Flao. e. JBrab. 8 nor. 1676. I. 686. 

ALLëNEEN vAllene), byw. (al in een). Kudde- 
gewiiêt gtêchaa^df fr. gnmpé m Utimpêam, \\ Die 
weydeverkene leet staen op enegbe etrate binnen 
Dieete, b\) en dryf se allene Toert, saels ghelden 
T s. kh, o. Di$ê%t B. a. 140. Die weydeverkene 
laet staen op een strate binnen Dyst, bi en dryf se 
alleneen Toert, saels gbelden. t. s. Ib. rubr. 46 a. 1. 

ALLËNfiiKENS, voor alUi^êkeiu; byw. Vóór en 
na, op9olgendli§k^ fr. emeeeêeinememi, \\ Den prys 
en weerde Tan de goeden en moet niet gestelt oft 
genomen worden naer dat die op dach, oft allens- 
kens stuoxgewyse ingebroobt syn. O. o. Antw, oomp, 
IV, Ij, 6. 

ALL£BAËNBI£ND£ (Alreonsiende), bn. Aller- 
aamtienl^t, fr. ^rèff-«/fa«^,tUiM<rt«sfeM(speotatis' 
simus ?) II Aendenkende die baecbteende oontumatie 
des alredoirlnobstiffen ptmeeu ende alreonsienden 
heren des roemschen conincbs. Cari, 8i,'Tromd^ 
6 oct. 1484. II. 846. 

ALL£&££H8T (Talréïrst), by w. 1) Ter alder^ 
iersten. Serei em vóór al^ vooreerHj fr, avatU Umie 
ekoêef premièremeiU, \\ Zoe wy [wie] tot enigen 
ambacbt. dienst oft officie tot enigen toecomenden 
tyden lai geooren werden, die sal ter alder iersten, 
ier by dat ambacbt aenneempt, ten beyiigben 
aweeren. Kb. e. <S<.-7Vim/m, 1866. a. 84. tAlre 
irat rekende ber Yngbreebt. 10 aug. 1298. 

8) Metten aldereersten. Tem epoedigête^ h. 
mu flme tói, || BeTelende TOorts tegen den Toor^ 
seyden criminelen persoon metten aLdereersten te 
procederen, naTolgende d'orden die biema gesteld 
aal worden, by korte dagen en ondevscbeyd Tan 
tyde. O. oriai. 1670. a. 80. 

ALLB£Q£PÜ£B8T, bn. AüenmverH, fr. tree- 
jwr. il O, alreghepaerate siele, beilighe jonofronwe 
en maertalene, Cbriatoa bruyt, gloriose, suyer 
magbet Barbaia. Qebedi. 16« B. 186. 

ALL£&aAND£ (Abebande, alreande,alfande), 
eoortgetaL AUerlei^ fr. <o«<f eorte om eepèee de. || 
Yan tolnen en ?an metene, aünt alrebande mat«n, 
?an eiker mate, 1 d. Lat. tekat: ei «JieerM eimt 
memtme. Cleedeien of oraud, jof alreande goed. 
Tol U Srt^^ 1868. Met alrande wapinen. K, eoa 
iet Pieie 1866, a. 76. AJzeande oome. Lat omuem 
e^em, Ib. a. 88. Abrebande gbeeoutte. £. e. Amiw, 
1898. Alderbande naeut. Ê. «. Brmeed, 1898. 
Terdendeel Tan alrebande miadade en Tan aire- 
bande boete en Tan alrebande rechte en foifeite. 
19 jnni 1896. Ombe abrebande toiate en ombe 
abrebande donkemeaae te TerolaanM en te beeoee- 
dene. 84 juni 1897. Van den loUe Tan onyoon, 
THiloekieelk Tan alrande ooete. Yan dorrarde Tan al- 



rande goede. Tol ie Dieti, 1 807. Alrebande g^ieaeatte. 
K, mem. e. Xoesa, 1812 a. 10. Yan ahaode wilden 
Tleeacbe. Kh, e. Dteel^ A mbr. 86. Alrande oomen- 
soap. Ib. r. 88. Yan alrebande amaeb» oopingben. 
Ib. r. -89. Alrebande oomescap. Ib. B 94. 

AUiEBHANTS, byw. Te alrehanB sijden. 

De zin aon Toreisohen: wumt alle amdere t^tUm, fr. 
de tome lee amiree eóiéê, (?) || Dertbeen roeden 
lants, boTende in den boff Tan Coelhem, liggende 
te straten, int Telt gebcTten dat Gmysoonter, rege- 
noet die arme Tan den hejlegen grsTe Bintraj&n 
en Jannes gerTon Tan Heyeselt, en Daengel Tan 
Nyssem te lürehans sgden. Item. acht roeden lants, 
borende in myns beeren boff Tan Lnjdick, oick 
gbelegen te straten, int Telt geheyten dat Poet- 
oouter, regenoet Art Cuypere en dat gaathnja Tan 
Tan Sintrujden, en Gbeert Ghyaen Tan Aelst, te 
airehans syden. Sekep. d, abie e. 8i. Tr. ie ZKaii, 
29 apr. 1468. 

ALL£iiH£IUQ£NDACH (Abreheleghen dacb, 
alrebei}igben dacb), zn. m. jUUerheUigem^ fr. Tomé- 
eaiMi. || Sondagbes Toer alre belegben dacb. 27 
oct. 1280. Tttsdien sente Baefr dacb en Alrebei- 
leghen dacb damaest Febr. 1296. 

ALL£JU1£IL£Q£B M£88£, en. MlerhMge»- 
dag^ fr. la Tomeeaiiei, \\ Dese tarwe es bi sculdecb 
alnbelegermesse. 1 mei 1249. 

ALL£BCKUI88£NA VONT, an. Dag vóór Krmu- 
verheffing^ 18 8ept., fr. la veOUdeVEteaUatum de la 
Sie. Oroix, || up aller cmsenaTont in Pietmaent. 
Jan t. DiXMUDi, 881. 

ALL£KL£ID£, soortgetal, bedonren Tan aUer- 
Isi, fr. ioute -eorie de, || AUerleyde garen. Tlipit- 
tiere te Dieet, 11 mei 1640; en Add. 2 ang. 1647. 

ALB£LICHTBA£BST , byw. Zeer liekivU , UdU- 
geoendf fr. irèe^nmineux. Kil. Licbtbaer, tom- 
leniua. || Dat es daeromme si hebben ont&én Tan 
Gh>de, die alderliobtberste genade, en Terkeren dat 
licht in enen Talseben onrechte wiie. Aüer keretb. 62. 

ALL£BMAQ£LIJCK (Aldermaghelic, alreman- 
leec, — mallic, — mallec), onbep. Tnw. legel^, 
iedereen^ alleman [— ^s^t^?], fr. ekaenm, ||Beboade- 
leec den Toergh. hejlegbeeat en aldermagbeliken 
sinen rechte. Sekep, o. Dieoi, 1829. Alremallec 
binnen Dyst mach sine ghoode Tan gbewechte, die 
bi Tnttapt, met sinen gbewichte wegben. Alnónal- 
lec Eal sine goede, dtö boen oomen te soepe, te 
sinen besten Tntdoen. Tol ie Dieet, 1807; — Alnman- 
leec sal mogben staen te snede op de Toergb. twee 
daghen, also lange en also oort als bi wilt. Batm. 
D^Mrie, 19 (1846). Alremallic sal seuldieb aijn 
hem dairmede te contenteren. C. e. Meuteir, IVtv. 
1418. a. 17. . 

ALLBBMALLIJCK. Zie AL£BBMAon.ucK« 

ALLBBMANLIJCK. Zie allibiiaobluck. 

ALL£BNA£8T, byw. Naaei vam allen (in Ter- 
wantschap), fr. Ie plua proeke (en parentë). || Maar 
moeten totte TOorschroTe momboirdye gbeooeen 
worden de allemaeate Tan bloedsweghen de weesen 
beataende. C e. Demme, loÊpir. a. 496. 

ALL£BNA£8T (Alnnaest, aldeneeat), byw. 1) 
Tem maaeien 6v, fr. m pp r oa m aiiwem ken i , \\ Yan allen 
meedaden die gedaen woerden met nachte, ton- 
tijde, buyten weeche oft Terbovgentlijck , Tan den- 
weloken dat men die waeriieyt nyt olaeriijok ge- 
Tinden en can, daarmede aal men Toertraren ter 
goeder wya, aldemeeat den rechten en der gemeen- 
der bmen. K, e. fifai^-TVwMisa, 1866. a. 29. Oft 
anigbe aonderlingbe aaecke geriele, die in deeae 
statuten nyt g ea cr e re n en ea, mom sullen die rich- 
ten ende TonniageTen Tan deaan statutan die bete- 



ALL. 



ALL. 



75 



nof^ moghon aetten ende ordiiieeren zoe sy 
MgroMtÊ^ lunmen, naa belanck deenre [dierre] 
meribot, ende nae dese Btataten ende steet der 
penoenen. Ib. a. 88. 

8> ^Hgmaart, fr. lo«l procAotMMiéii^. || Aoht 
da^ui na leoJke Maitixu daghe in den winter, die 
nu ahwiMel toeoomende ee. 12 nor. 1286. 

ALLER0RBERLUGK8T (Alieoborieezst), bijw. 
Jiftrmmfiigti , aüervoordMUgtt^ fr. Ie pUu ttoania- 
pmu. II 8o hebbe wi hoen ghewilleooert en ghe- 
eonsenteeft, met goeder delibexscien , en met onser 
fxiende nede, diient goet, ledeleec en orberleec 
doehte, dat si, soepenen en raet, ordonneren, 
ntten, maken en nemen moghen en eelen ghelt 
te boetm beeten, binnen onse stad, daert hoen 
orberleac en profiteleeo dnnoken tal , eit aene eene 
aanae ochte mee te hoghene, ocht in wat andre 
maaieren dat hoen albecórberleezst dunoken aal. — 
Ona atad te Testene met poerten, met graven ooht in 
aadien manieren dat hoen alreorberleezat dunoken 
aaL Oori. % febr. 1860. JBêff, eop. eart. R 18 V>. 

ALLER8CHADBLUCK8T (Alderscadeleeohst), 

fan. Zooals thana, ft. lê pUu mntiblê, || Dat worden 

die aldencadeleechate minaohen die in der ker- 

itenhflst aijn. Aümr Zerttb. 61. 

ALLER8INTENDACH , sn. m. AUêrheOifftn, 

fr. Tomtw^mi. Oh, T. Dixii. 61. Allersinten- 

avond. De dag vóór AUerheXUgem^ h, la eeUle de 
ia TVwfffftff Ib. 

ALLERTIEBEN (Alderthieren). Soortgetal. AU 
Urhamde, aUerM^ fr. de iomie sorte ou eepSce. (j Dat 
onaen poorteren Tan Mechelen allertieren goet bin- 
nen al onaen landen, eeat te watre oft te lande, 
eopen oft Teroopen mogen . . Oork. 20 aug. 1866. 
Meekelem, S*. Oost. hls. 20. Tan alderthieren grae- 
aen, sade oft mele. Bekemh. e. Br<A. reg, 188 f'. 
169, 8 T«. 

ALLERWERCK EERST, bijw. VMr dOêt, fr. 
aaaaf Umie dkote. || Gemerot dat hy geapolieert 
hadde i p> we e a t Tan den Toin. litigieuae goeden , . . 
loe belMirden hem die gereatitaeert te worden, ja, 
alderweick eerst en hangende den prooesse. ÉRst. 
gea. JSvdr. em meded. YI. 1888 , bk. 444 (1609). 

ALLES, sn. In alles. /• 'f geheel ^ al ie tarnen, 
fr. em teai, || De proourenrs en mogen in alles 
aifn sessendertich in getalle. C. e. Aniw. 

., y , üj , 18. — Van alles tot aUes, ieene- 

, fr. eompüiememt, jj Soo wanneer den coop- 
tot abandonnement oft Terlatinghe oompt, aoo 
en Tevmach hij deselTe niet te aoheijden, om de 
pnif^i** en geiTe te behouden en de bedorren te 
Teriacten . . . ; maer willende de Terlaetinge doen, 
moei die Tan alles tot alles doen. Ib. lY, zj, 226. 
AliLESHEELS. Nieta— . Andere nieie^ ho^e- 
nammd amdere met, fr. rien d^aeire, ahtóluineni rien. 
II Ala Tso nienwe maren te aohryfren, sult ons 
daaof handen OTer ghetfzcoseert , ghemeerct dat men 
hier niet alleaeels en hoort nog en siet, anders 
dan dat eergfaisteran . . . den prinohe Tan Oraignen 
hier iameqnam. Anden. meng. Il, 186. 

AIiLESYORENS bijw. Ahorene, fr. anparavani. 
II tf Hof, 't gene ToonKshrsTen is aengemerokt, en 
d a aro p allesTorens gehadt het adTjs Tan 't officie 
iiseael Tan Brabant. O. P.-J. amir., 16 mei 1716. 
ALLET, m. Ai, atteë, aUe dingen, fr. Umt^ 
iemteê dhosst. || Dat ghi die partien . . TOer u ont- 
biedt.., en haer evoenen en olagen, reden en 
bethoen, en allet, dat ej daer bybrengen willen, 
whoevt. Garf. St^TVünd, 28 juni 1878. Allet son- 
te Hgelist. O. LU^, 10 juni 1417. a. 16. Dat 
oie ajamaat anders jemende ennige schoore opt tfelt 



en gere dan dengeenen die , nae den lantsohartere » 
die sonldich sgn te hebben, allet opte pene Tan 
iy. ponden zwertte. T. D. Tat. 147. wyen dat 
jnrisdiotie gegOTen is, dijen Torstaet men allet dea 
daeraen oleeft Terleent te zijn. Ib. 161 t^. Noch 
suldij weten, alsoe geringe aU iement een leen ge- 
oocht heeft, die bailliw, oft stadthoudere , terstont 
nair der goedingen boTelen sal, dat hij binnen zl 
daigen sijn rapport dairaff doe. 209. AÜet gehoirt , 
het wairt geeejt by den keyser [«2. bg den rech- 
ter] dat de goede man wel ontfanokelijc was om 
te heysschen rekeninge Tan anderen saken. 268 t^. 
Dat Bj maecken goeden getrouwen staet en iuTen- 
taris Tan allet dMrinne die Toors. weesen souden 
moghen gericht sijn. O. e. Loven, Weeék, a. 62. 

ALLETTEL (Alluttel), bgw. JBen weinig , fr. mn 
pen. Item, alluttel nederwaerts Tan desen lande, 
ter stadt geheeten in *t WolTendal . . Bmts, godk. , 
H 290, f». 168 (BruêHghem, 1640). Op 't scItc 
Telt, alluttel nederwaerts.. Ib. B 220, R 808, V. 
(omtr. 1660). 

ALLETIJT, bijw. AlHjd, fr. Umjonrê. || Al hier 
[l, haer? «2. der Toormalige pausen] doen was op- 
gerecht te Gkxie, met gansen ghemuede, en TOnden 
alletijt in den wille {i%e\ eer si teghen GKxie enen 
oghenblio wouden hebben ghedaen. Aüer Kerefb. 14. 

ALLET008. Zie altoos. 

ALLEWEGE (AUenwege), bijw. 1) AUijd, 69 
aüe gelegenheden, ten aUen tijde, fr. Umjowrê, en 
toui tempt. || Wi , die alleweghe begherezide sjn . . 
onsen goeden lieden Toirghenoemt te raden ende 
te helpene Tan dien dat bon noetelic moohte stu. 
Oork. 20 febr. 1828. Beg. eop, eert, f. 10, t«. En 
oonstu dese dinghe dier hier Tore gesor. sijn niet 
alleweghe CTcn wale ghedoen alst wel billeo es . . , 
du en saels daeromme niet aflaten. AUer Keretb, 
106. Dat ie dit ToirscrcTe quytecelden eweiyo Tast 
en stede sal handen, sonder eynich wederseggen, 
eü mj allenwege bedanken en beloTcn Tan den 
ToirscreTen abt en oonTcnt. Oart, St^-Trond., 80 
mrt. 1880. Heer, gheeft mi alleweghen meer en 
meer in di te gheloTon. Qebedb, 16« E. 60. Toe 
me tm semper magie eredere, 

2) Aanhoudend, dringend, fr. imstamment, \\ En 
eert hiertoe quam , so was ons liefs heren raet, en 
oic dier goeden raet Tan der stad Brossele, sieder 
Half Tasten hieraf te Tele dachTarden te LoTen, 
hen allewege biddende en Tersueokende, dat sr met 
eendrechticheiden en met bescheide hen wonde la- 
ten helpen bj rade. Aead. d'archioL, 1866, 174, 
14e E. 

ALLIET (Allyet). sn. Bondgenoot, fr. alUé, \\ 
II En daer so wart een raet gheordineert Tan Berrj , 
Orlyens en Ermenjac en Tan hare allyetten, dat 
ZJ mjn heere Tan Bourgoingen gheTanghen souden 
hebben. Ol. t. Dixmusi. 

ALLINGLERE. Zie alivckluck. 

ALLINCK. Zie aldick. 

ALLINTELEKEN. Zie albvtluok. 

ALLOENEN (Allommen, allonnen), zn. m. Zekere 
etcf, waarvan men teüen maakt, fr. étofe a voilee, 
II En om dezeWe neerynghe en Tisscherie te doene 
ter zee , es Tan noode thebbene aUoenen , om huér- 
lieder zejlen daeraf te maken, en gaemen om huer 
netten te brejden, welke alloenen en gaeme de 
Bretoenen Tan allen anden tyden herwaertaoTcre 
ghebroght hebben, Tsn goeder stoffe en lijnghe, te 
wetene de alloenen Tan zlix en ten minsten zlTiy 
ellen langh. Plae. v. VI., 9 aug. 1681. I, 846. Een 
pack alloenen , die gemejnlick ix of z ellen houden , 
eloke rolle Tan 1 eUe, Tj gr. Watertol v. 1697. 



76 



ALL. 



ALP. 



Aloaiiiie& ujt BiefcAigMA, m& tak van o«fcraift 
SOO IK, y MhelL Zedtmdêcke iel 9, lUaX 

ALOT (AII07), sxL o. ir«<l«{{^ Mi2fo, fr. 
aloif 9aUwr ttUriiuèqtiê* || Ende dat, jegea» en in 
▼exnchtingha Tan dMelve [edicten], eommige hen 
■00 yerre ▼eiglieton, dat aj daegelyckx preeentaren 
efi Terkoopen weroken, 000 van goodt als yan ail- 
Ter, yan minder alloy oft inwendighe deucht alet 
behoort... Plae, e. Brab,, 20 oot leOS,!, 601, Pr. 

ALLOIR (Allojrr). sn. m. OMkU gomg cf gtitrii y 
doorgang of gamg Umqêkêen cf tmuohem kamêrt, fr. 
corAdoff nier eigenlek ds htmtn doêr dior gomgemy 
fr. U pUmokor. I^ Oome, AUoir: ptumi^ë, goto- 
riê, corridor. \\ Steegen, allojre, lolden te leggen. 
Bakê»afeh.y proou Sohr^ttw, % T im mwl, , 1636. 

Zie ook ALLIIB. 

ALLOY. Zie AXOT. 

ALLONNEN. Zie alXiOIKBV. 

ALLUTTEL. Zie allittsl. 

ALM, ALME. Zie alasm. 

ALM, zn. T. Heeft hier dezelfde beteekeniBale: 
Jlpêy oJp, M» iokoprad aan een watêrmokn, fr. 
Olie, Zie alfi. || item, de beiomoelne ee Tan 
allen leden al niewe Termaect, uteghedaen 't water- 
wiel, dat meer ghegaen heift, en daerof etin de 
ahnen alle goet. &XM bbt , II , 40. 

ALMAORO VAN MAS8ER0N? ||De 100 Ib. yj 
et. in, Tj at. Tajt. Tel v. 1697. 

ALMECHTICH, byw. Mmaehüg, fr. Umi pme- 
scmi, II O du, heüighe yader, almeehtich ewioh 
Qod. Oebedb. 16< E. 1. 

ALMECHTIQE (Almeeohtige), sn. m. VoUtiach- 
Hgde^ siAeidereehier , fr. arbUre. \\ Alsoe dat te 
lesten dese Toirs. partien Toir ons gestaan, in ons, 
als in leggeren ocht in almeeohtigen, samen ge» 
loefden en toneer ordinancien Tan hqgen en Tan 
nederen sy (eio) geheellio ondergaTen. Oork. 80 mrt 
1280. Dondê rootb. 2 w^. ; de Lat tekst zegt : t» 
noê tamptam im arhiirmm eeu i» arbUraiorem eom- 
nromiierwU, 

ALMEE8T, byw. Voor hei meeeie gedeeUe , fr. 
la pU^ari, \\ *tWas almeest jonokTolck, de mans* 
persoenen Teel jonghe ghezellen. Ber. i^de», I, 6. 

ALNOCH, bQw. 7W mi ioe, ikane nog, fr. en- 
eore aajoard'km^ ftuqu'a ee jonr, || C^tuymen en 
Uiantien in der stadt Yalckenboroh boTonden on- 
derbonden te syn by oase Toorsaeten en alnooh. 
C. e. VaUcenb,, leenk^ 1612. 

ALOYËEREN, byw. Mengen, fr. oOisr. || Dat 
alle de goudsmeden . . . Tan nu Tortan tgoudt wer- 
oken suÜen op negbentien oaratten een quint, en 
•en quint ter remedie : en dat alc^eren met lelTere 
en met copere tbuerlieder discretie en goedd^- 
oken. Blao. e. VI, 1 mei 1616. I, 696. 

ALOM (Alomme), byw. 1) Bondom, van oUe e^- 
den, ringêwijte fr. Umi amioar, || Alsoe als wylui 
PMlippus Tan Bourgoi^je eto., hadde doen geloTon 
Toere eü in den name Tan wylen hertoge Kaerle 
synen sone, den gveTe Tan Cbarokxis, dwi heyligen 
Saoramente Tan miraolen in der keroken Tan sinter 
Goedelen te Bruessel, eene wassen keerase we- 
gende Tyf ponden, en alom deselye keersse, in der 
manieren Tan der wapenen Tan Portugal, aenge- 
becht Tyf gulden ryders. Bekenk. v, Brab., rug, 
186 f«. 125 T«. (1488). 

2) Ooerol, fr. parUmi, en Urne lienx, || Be juas 
maob ondenoeok doen Tan den gestolen goede 
alomme in de nlecken die hem suspeot s\jn. ProcC 
eriei. o. 118. Soo ist dat wy, desen aeageaien, u 
ontbieden en boTelen aeer emstelyck dat ghy 
alomme binnan den bewinde Tan uwer offioien, en 



f allen plaiitse« an 
nwan bewinde. • . Taa onsen t* mgtm gbeUadè aio. 
MAunnz, 191 (160»). Bal wy alomme biwian 
onse . keyserlioke [I. keyiarrieka] en orer al oneen 
anderen rycken en heerlichaden sanden wSÊma tw- 
leenen de steieke en weerüoka baad. FleM, •. VL 
8 mei 1621. L 91. Op pena dat daselTe ohKgatie.., 
alomme en altyta Bal griioaden woadeo toot toI- 
daan, doot en teniet gedaan. C e. Améw», ooatp, 

III, iy, 29. Alom ende om, alomme 

ende omme. Bene Tewtaikiny van bat eokala 
alom. I) Bat men, op de banmüe Tan onse stat 
Tan Lorene, alomme en omme binnen onsen gha- 
riobte enghaen bier brouwen en [aal] mogban. 
Brob. F. 17 sept. 1806. Als nu Tast Teel gebreeoks 
ia aan den stegnwedi, bmggan en straten, alom 
ande on binnen der stadt. O. lASge, 18 mri. 
1608. a. 46. Tongoren. 

ALOMMEOAEN8, bgw. AwiioHi.fr.loa^ aaibar. 
II Bos was dese stede [Audenarde] aknnm^gaene 
beleit zo nauwe datter niemant uut moohte, efi 
hare proTantee begonste aeere te dinnen. Ol. t. 
BiZMirDS. 8. 

ALLOMMEN. Zie ALLOsms. 

ALOMMETOMMK, bQw. Lange naez^don,h.de 
Ume oóiée. || Alsoe dat denelyer eaplen [eapeUen] 
Tan allen desen totb. ouden tsyse erffalee bliTsn 
sal aan de gheheel woningbe deeselfr Wouters, mat 
allen hoeren toebehoerten , aohter en tooib an 
alommatomme, geiyo sQ belegen es. ^ JPieiere 
kapU. ie Loven, B^Areh, Dooe 1 (1492). 

AL08E, sn. JQ^, fr. aUne. Oudste mddiag. || 
Elbot en aloee, de tonne Tiy gr. Tel ie Améw. 
1628 

AL OVER AL, bHw. Os0ral, aan aUe kmaien, 
fr. parioni, de Ume ooiU. \\ So dedy de poorte up 
en reet met drie bataelgen te hulpen den keeretinen, 
die doe hadden wel see duusent Saiasiaen Toisle- 
ghen, en twee ooningben gheTsoghen, en doe Tadit 
men al oTor al, wodalt wel twee hondeat duusent 
Sarrasinen quamen ten stryde. Jav t. Bixmmi, 
2. Men seide al orer al, dat bider Tremioheit Tan 
Bonden d Yserin de Sarssinen TerdioTen waaen. Ib. 4. 

ALPE (Alp), sn. T. Scbopibord aan kei wiet van 
een waiermolen, fr. anbe, planeke fiaée ^ 2a oïröon* 
fêrenee de la rome d^nn monlin è eaa. || Zaaobware 
totten Toirs. molen. N. K., Tan zaghene alpen, 
soutberdere en sterte dairtuwe [daartoe] , tottói 9. 
raderen Tan der moutmdene. Bek. d, dom. ie Loven. 
1408. Van houte te oortene tot Mutberdeien en 
sterten Tan alpen, broeken, storten te makena, 
en Tan den Toirs. alpen op te settena opte y botstt- 
raderen Tan der moutmoelan, en Tan oen oreisten 
butenrade Tan der Toiia. moeleae te makane, dat 

Shebroken was, arme en soiltboeii. Ib. Meeatar 
anne Tan Roteelaar, den Wmmarman, Tan alpen, 
sterten en bteekan te maakene en op beyda dia 
raedare te ■ettene Tan der moutmoelenen. Ib. 

ALPENRAT (Halpeniadt), sn. o. Bad van eenon 
loaiermolen , fr. rome de WMmUn d «as. \\ Een bal- 
penradt, het water Tan onder ontfanganda en 
aiaeyande. llABTma, 266. WaUrmolone. 
ALPHERI8, sn. m. Vaandeig, fr. 



porie^apeam, of alfter/ Sp. alléras. Een baarbij- 
\eiyk uit Spanje hier ingabraohte naam. Yolgens 
La Oume was agn graad, in het Fransohe kfsr 
(1611), tussohen luitenant en eerjant. In een aotnm 
Tan 1664, te Audenaaide, worden, als oAoieas 
Tan aan regimenit, aohtervolgans genoemd: da ko> 
lonel, de seqant-BMHOor [niat te Terwana» mal 
den hnidjgen ondagoffloiir diana naama], da kapa- 



ALP. 



ALS. 



77 



kim «ft dtt ii1|iImhï— mi, de sejjvitexu Jitad, éCmt- 
dUol. t856. bis. 4fi4. De baimming werd ook over- 
piÊtmÊm door oww gUdmi. || Don eoniiielL,overliooft- 
■Mk hf¥iftmaD , oad&keiM , diflooDde dekoiiB, alpherii 
OB MigtuBtfrn Tan den ouden edelen ornysboghe. 
JKM^iUt, 106. (1786). 

▲LFI8TBE, SB. KMÊorimÊod^ fr. jfrmm d$ 
mmmri, mèpitê; || Alpietre oft eeoane-MMt , de 100 Ib. 
13 p. Zttiamdatkt iel e. 1697. 

AIjBE» in nmeosleUin^n. Zie allbk. 

▲L8, alfle, alflO, lUlBOe, elleenstaande, of 
gofolgd van: alB, as, alse, alsoe. ZoodU^gel^ 
«ie, flBsr, fr« eoneie, otMi jut» etmfoirwUmmU d. 
H y«n penUker leke [van geldzaken], alat hier 
voieeift ee. 80 mri. 12Ö, a. 4. Die jemene doot- 
ilefcal aMt eeaen knive, die heeie ee iculdioh 
wiake daanf te doene da Tan oenen mordadegen 
movtelach tegen man. Ib. 86. Die den anderen 
dootelaei, ala Toraeit ee. 78. O goede Ihn [Jeeu], 
ala dai bot begheii die fontejnen der wateren, 
aboe beg^ieert myn ziel totier fontejnen der ewi- 
Aat lalieheit €Ubeib. 16« E. — Inde de Boboatet, 
Sen beeaen TOfmiaie gemaent bobbende, vraeoht 
die buig e uu eeeter (toot tronnisse) der partie: oft 
■y beuren pandt f^ouden hebben [Z. heeft] als recht 
*(te welene ter yieiechaien driemale gepreeenteert) 
ende geboden hebben [heeft] ale reoht» te wetene 
dar partie preeante, oit, in etede van den abienten 
oft doeden, aen den heere. (7. e. Aaiw. 1645. lY, 
8. 80e akjée der [de heer] Henrio lin bant ane 
lant en hut alee sin erre. 1 mei 1849. Alae tot- 
eeü ee^ 96 fefar. 1969. Alae men dinghe bautvoert, 
Tcrooebt ui onTorooeht. — Ale men wnlle hunt- 
TMori. Td U Brmsge, 1962. — Bn geralre [Tallen 
er] boeten, in die heft de abt alee Tan lulken 
liiwgiMm die behoren ten water^anghen en ten watery 
leien.. % febr. 1976. — Diee met en duet [doet] en 
daenf wort bedaeght en Terwonnen metter wae^ 
heity alee reeht ee, aaele riielden t b. SJb* e. DUêi, 
A. r. 36, en pauim. — AIm> boren ee bediet. JT. v. 
DmdÊtm. 1988. a. 9. <F«^.) — So wie die land 
ooepl liggende bin der Pieten, hi tal ons geren 
ako ab oat lant one sonldich es te geldene in jaer* 
liken cheiee. 80 aart. 1966* a. 66. — Dat dese 
ghüle aJao als Torsetl ee ewelike , sonder enioh weder- 
roepen. Taet bÜTe. 91 mrt 1286. — Si hebben 
elkertijcs recbt ondeneeden also alse hier es gescre- 
Ton. 96 Mr. 1909. — Newaer de sooatete en maoh 
deede niel stoTen also alse hi wiUe, newaer also 
alee eeepenen reoht dinot. -^ Also alse den mannen 
reefat doehte. Ib. — Dat wi onderranden der wareden 
Tan belkB rechte . . aleo alse ons de warede heeft 
8 fel». 1276.^ — Wille oeo man ogte 
eün kint doen nte siren plegth, hi magt wel 
meiten regte, aleo alse man ogte soepeae 
selen. JT. e. AiUw. 1299, [a. 81; de K. t. 
heeft; alsoe alse. — Alsoe alse de abdisse 
iTonl Toreeit seiden. 28 ang. 1292; de fr. 
tekst heeft: si oobmm. — Die Tan dootslage Terwon* 
aan werdt, aleo aUet reoht i», sal gepunieert worden 
Qf Tow l^f, let Toir let. K, e. DieMt, 1228 a. 6. 
{Vmi^ — £n es oee dat zake, dat wi, of enioh 
fan one, hadde gbepriset hogher sgn goot dant 
waerd ware, dat sonde men mindren bi minen her 
Wnlbrde, also ast hem goet zoude dinken. 1 aug. 
1990l — Ten lesten, aleo ast ehenneohde denghenen 
dia nietnant Tori i e s e n en wifie [»/• den bisschop], 
4ie p o rtae e n hebben bekent hair exoeese. (X Zt4^, 
» mei 1898. A. TVmfea. || Alsoe als men tsout 
igoeDBcleeghs Torooept, sal BMut Toreopen alle die 
vska. Kb. foa. Diê$l^ B. 96. 




ALS IS *T (Als eyfit). 2) ^ if /,atte«iMl,^feAdoe, 
fr. Uen oae, qumqmê, \\ Yan oiTÜe sententien, als 
weeren die naer. reehte nol en Tan onweerden, 
moet beiareok ghedaen zyn en moeten by den jnge 
<m2 ^Msm nul en abnsjf Torolaerst, ofte emmers 
ghereformeert werden. C, e. And, VII, 1. — £l&en 
Tormoghen gheene afwysynghe te doene op haerlieder 
medeTorobl^^erde, noch hemliedon te behelpen met 
t* beneficie Tan rechte Tan ezcnssie, ofte diTisie, 
als eyst dat zy danof niet gherenunciert en hebben. 
Ib. 17. Die eenich serrituyt heeft op eenich boys 
ofte orTO, die ghedeereteert werden, en es niet 
ghehanden, TÖör de Torooopinghe zyn serTituyt te 
calengieren en ie kennen te ghoTon; maer blyft 
t* zeWe hebbende , als eyst dat de renten en aader 
lasten den ooop excederen. Ib. 48. 

ALSE. 8) Om, Un timUy mH hei imaMy fr. 



pomTy afin dsy avêe VtmUnüom. \\ Neghene haohtinge 
mach de sooutete doen sonder soepenen ende sab- 
bets bode, jof bire wesen wille. Het ne ware Tan 
Tromden ende Tan Tlnchtegen , jof die tuist hadden 
gemaect; daer maoh de scoutete bant ane slaen 
sonder scepenen ende sabbets bode, ende die moet 
bi bringhen TorToets Tor scepenen ende sabbete bode, 
alse wet mede te doene. 26 febr. 1262. Die patiers, 
ribande ochte ghemeene w^fs ontfaet, alse bordeel 
te bondene. Kb» e. Aniw» a. 28. Die iemanne die 
Torerluchtecb ee Tan quaeden feiten, och die Tordeilt 
es, och die anderen leghen legghen, alse te Tor- 
slaene , herberghen , wetende haers (en daeraf wer- 
den Terwonnen metten rechte), saels ghelden xxx lib. 
Kb e. DieH, A. r. 70. Die yemanne jaecht daer hi 
tiegen in Treden leeght, ooht anexteneert, alse te 
slane ocht te quetseno, zaels ghelden x <|g. Ib. B. 16. 

ALS YAN (Alse Tan). 8) Wat aangaat, aam- 
gaande^ fr. pumi d, am ntfei de, || Alse Tan den 
diaeorde dat es tussehen den abt Tan sente BaTOs ea 
ziin conTent, an de ene zide, ende . . , alse Tan den 
heerscepe, dat zi lün houdende te ETorghem. 8 
febr. 1276. Alse Tan zulken dinghen die behoren 
ten waterganghen en ten waterlaten. Ib. Yaü den 
contente dat was tussehen N. ende N., als Tan 
den rechte dat Jhan Storm hadde Tan der helt 
Tan al der meyerie Tan den scueren Tan Oestbnrph 
ende Tan BuissebeTliete. 26 jan. 1277. B& dat hns 
OTcr steen beede Florens manne, alse Tan den 
lene, en sine late, alse Tan den erTO. 18 juni 1997. 
En bedageden hem zwaerlioke dat zy Toronreoht 
hebben- geweest alse Tan tdle t Antwerpen, alse 
Tan geleyde opte Scelt en Tan bokengelde in 
Eendracht, welck geleyde, tol en bokengelt legbet 
tussehen Yolsackers Hille en Bortbure, op onsen 
stroem. Brab T. 17 mrt. 1297. Wi doen u cont, 
dat alse Tan den tueste, dat was tussehen N. en 
N. Tol, V. 1807 ie Diest, Als Tan der taille enda 
zettinghe, die de Toerseyde Tan der easselrie heye- 
sohende waren , poorters en poorteghen Tan Bruoghe. 
Mame Bmgge ea Koririjk, 11 mei 1896. Als Tan 
N., poorter tot LoTen, en N., poort» Tan Ant- 
werpen, diewelcke OTergeheyscht zQn. C. Vk Anite, 
1689, AaaeMt, 1 mrt. 1444 a. 4. Als Tan lyfren- 
ten, en sal men Toortaen die niet min moghen 
koopen dan feenen lijfre, den penninck aebte; en 
ten ten twee lyfTen, den penninck thien. Cv, GM, 
XY, 11. Als Tan pandinge en prooeduren op het 
goet Tan banckeroeten en Tluchtige, men reguleert 
hem naerTolgende het mandement der Keyseriicke 
Majesteit op 't ftaot Tan deselTo banekeroeten. IK 
XVI 18* 

ALS ABNOAENDE. |[ En als aengaende de 
oondempnatien oft Toanissan prooederende uyt anp 



78 



ALS. 



ALS. 



dere aikan dan Tan pyne en arbeydt. C o. Loven ^ 
CaróUttê 1647, a. 8. In als aengaende die kneren 
en brnecken. Ib. a. 18. En ali aengaende de oosten 
Tan den maeltijden. 16. Als aengaende den huys- 
huzen en paohten, en hebben deselye egheene 
preferentie. O. o. XtV, XII, 21. 

ALS VAN DIEN. Wat dU aangooi, ft, quatU 
è 00. II Oio soe selen 2\j [«2. de procureurs] Toir 
't Toirscr. hof intenteren alle saken, die z|} bij 
redenen yan huer offioien sellen willen yeirolgen, 
en selen , als Tan dijen , aldair resorteren jurisdic- 
tie. Y. D. Tay. 80 T<^. Ende de schepenen bij den 
officier gemaent zijnde , soo Terclaeren de schepenen : 
dat sij hen refereren totten boecke. Bn terstondt 
daemae seeght de taelspreker tot den officier, 
Maent of hij Tolcomen is [nl. of hij alle de rechts- 
Yormen onderhonden heeft].' Ende de schepenen, 
gemaent zijnde, secrghen: Jae, als Tan dien. C. o. 
Antto. 1682, XXIX, 8. Ende den eedt olt eeden 
alsoo gedaen zijnde, soo Yersnect de taelspreker 
aen den officier: dat hij mane oft den persoon yoI- 
oomen is.' En alsdan maent d'officier den borghe- 
meester oft schepen, aen wien eerst ghemaent is, 
die alsdan antwoordt en seegt: Jae, als yan dien. 
Ib. a. 8. 

ALS, zn. o. Alles, fr. iout, || Yutghesteken en 
ghereserYeert in als de rysers. slaghauten en dier- 
ghelycke, die enz. Plae. v. VI., 10 jan. 1648. I, 
689. In dleste Terghaederen deselye mannen yan 
leene en scepenen als by een. O. v, AaUt, Tkirbe 
e. 1669. 

In als. In Hghed, aH ie zamen genomen, im aüe 
dingeny over Htdgemeen^ fr. en iouty Umt réuni, en 
Umlet ékoeee^ en génêral, || En es beseyen datter 
up de prochie zyn diyersche die in deser Youghen 
de nieuwe relligie yolghen , wel totten nombre yan 
xxY, en in als wel hondert, danof d*andere payse- 
lyck conyerseeren. TVoubles mar., TH, 97. Hem 
Toorts interdicerende meer herbei^he oft taTceroe 
te hanteren, en hem nu TOorts zoo tamelyck en eer- 
lyok in als te draghene. als dat oyer hem gheen 
clachte en yalle. Ib. 147. Es beyonden dat de onteren 
wederomrae gherepareert zyn , de beelden weder- 
omme upf^hestelt, en in als de keroke zo yerohiert 
en ghestoffeert yan al zulcx als dient tot toelebreren 
yan den dienste GKxls. 840. 

Yan als tals. Van aües in 'i algemeen, fr. dm 
toni -en gén^al, || Item, zoo es gheordonneert, dat 
men alle jaere, up den feestelioken dach yan der 
Visitatie, maken zal eenen nieuwen dekin en drie 
officieren, die tgheheel regiment yan der camere 
hebbe n zul len een jaer lanck, yan als tals. Beig. 
Mme,, Vn, 260 (1666). PameU. 

ALS, bijw. Jhen, alêy oiewanneer, fr. loreqne. || 
Als men wuUe huityoert. Tel te Bmgge^ 1262. Lat.: 
gnando. Als diegone die ghedacht es [{. sijn — 0»- 
iatie zegt ook het Latijn] comen Tor den oghen tharen 
daghe. 80 mrt. 1266, a. 2. Dat sy buten den lande 
waren als sy ghedaghet yraren , en paesim, Ib. a. 76. 
Als men screef Ons Heeren jaer. Ib. Als men soreef 
de jaer . . 26 oct. 1298. Alse men dinghe huut- 
Toert, yeroooht of onyercocht, so-ghelt men dat 
recht dat daertoe staet. Lat. tekst: eed qnando ree 
ee^Umimr,, Tol te Brngge, 1262. Alse men gebiet 
gedeel , daer es sculdech te weeene de scoutete . . . 
26 febr. 1262. Alse die thiende in de scure bracht 
es, soe sal the gasthus daer senden enen loyeleken 
derohere. . Ende alse dat coren ghewannet es , soe 
saelt her Wouter leyeren den gasthuse yan Sente 
Jans metter Bmselcher maten. 11 juni 1277. Voerts 
es tselye te yerstuie, alzo yement ghequetst wert 



I 



yaa mnelene. Lat. . . . erna eonOi^gai aUqmm laeii 
a moUndino. K, e. Soffétare, 1264. Wi békinnen 
onsen mannen, dat se yan ragte scnldeg nin te heb- 
bene haren cost, alse [als zij] in onsen dienste 
oomen. JT. e. Antw,, a. 1292, a. 47. K, v. Bnued: 
alsi. — Eenlic si allen lieden, dat alse die oon- 
troyerse tusschen Justaze, den meyere, int dorp te 
Sente Pieters te Ghent , en tusschen der kerken yan 
Sente Pieters , wart gekeert up dat recht , dat de TOer* 
seide meyere seide. Oends ekarterh. , 88 (1280, Tert.) 

ALS, met een t^genw. deelw. Deto^, omdat, 
aangeaen, fr. pmeque, vm que. \\ Ende daer sonen 
en dochteren zyn, gaen alle de sonen toot alle 
dochteren, elck naer synen ouderdom, al waven 
de sonen al jonger dan de dochteren; efi naer de 
sonen Tolgen de dochteren, elck naer hunnen ouder- 
dom, als gaende in elcke altydt d*oud8te toot. C, 
e. Loeen, XIV, 23. 

ALSDOEN, bijw. 1) Toen, alewanneer , fr. qmamd, 
loreqne. || Alsdoen al den edeldom ghe p as soor t was, 
800 is SJjn Doorluchticheyt geTolght. Houwaibt, 
Matthiae, 14. Alsdoen S. D. met sQnen trium- 
phanten staet nakende was het innecomen Tan de 
corte Bidderstrate, soo Terthoonde haer daer een 
antijoke poorte. Ib. 16. 

2) Alsdan, dan, fr. alors, ... || Sonder dat in* 
de macht Tan de goTueghde oft Tan eenige parti- 
culiere erflaeten geweeet was, oft alsdoen noeh 
was , . . . iet te laeten geschieden in prejuditie Tan 
het recht . . Mabtikiz , 27 (1644). 

ALSO DOOB, bgw. Zoo voorts, fr. omm de 
suite , II De taelman sal segghen tot den eersten 
man etc.: Hi bidt u sijn borghe te sine. Die sal 
seggen : Ie en quamer hier nyet orame. En tot den 
anderen also, en alzo duere, en danne tot den 
bistanders. Leemr, v, 1628, 41. 

ALS (Alse), Toegw. 1) Als, m hoedamghmd «mm, 
fr. comme, en qualUé de. \\ En dabt es sculdech 
daer te wesene alse here. — De scoutete moet mede- 
yaren alse scoutete. 26 febr. 1262. Dat hire sinen 
seghel ane dowe hanghen alse oyerhere. 7 juni 1277. 

2) Te weten, namélifk, fr. savoir, notOÊnment, || 
Talre irst rekende her Yngbrecht alse yan negfaen 
jaren seyen weken coyen. 10 aug. 298. 

8) Als, fr. que. || De meelachterde sal hebben 
selke beteringhe yan den mesdadre alse hem sce- 
penen selen wijsen. K. v. Denderm. 1288 a. 18 (Vert) 

ALSE SOE WABE DAT SAKE. Indien, fr. si. 
II Alse soe ware dat sake, dat deghene die dit guet 
hilde na joncfrouwen Mifo lijf, die yQ s. jaerlics 
nine goude 9 iebr. 1296. 

AL8ELCR. Zie albitlok. 

ALSEN (Alssen), zn. m. Alsem, fr. absintke. || 
Vrouwe [Maria], ie sye dyn hert, en altehant 
gheen herte, mar ie sye alssen, gal en mirre. 
Mond. merh. 88 y^. 

ALSEN, yerkorting yan als e^ hem, fr. lorsqu^üs 
Ie. II Alsen [nl. den „oomehuedere"] die yan den 
dorpe hebben gheooren. 19 iuni 1296. 

ALSGELIJCRS (Alsghelijcx, als ghelike), bQw. 
Eveneens, insgelijks, fr. de méme, pareHlemênt. || 
Zo es de ciVile boete dobbele , . . en alsgheiycx 
yan andere ciyile boeten. K. v. Brugge, 1804. Die 
oec anderen doet bannen, moet alsghelike de ooste 
ghelden. Belg. Mus. I, 62. 

ALSHEELS-, bQw. 1) In 'tqeheel, hoegenaamd, 
volstrekt, fr. fAsoUemmU. \\ Ander waren yan dier 
meenynghe : men zoude alsheels niet dgnghen nooh 
pleyten, maer alle zaken als broeders en snaters 
onderlijnghe modereren. Ber. t^den, I. 210. 

2) In 't geheel, alle te tonton, fr. en tornt, mi 



ALS. 



ALS. 



79 



MmL II Zoo datter alaheels np Sente Pieten ghe- 
teekenl w«xen gheeioffeerde bedden tot hondert en 
XZX ; dwelek tonde bednghen in weerden ve pont 
grootan. Ib. III, 61. Baer waren ooc Sptengiaerts 
b$y die ie helpen vanghen hadden, en dees wet- 
handen waren aleheels tien mannen. 282. Baer 
waren alaheele XL sticken gheschats. 289. Daer 
waran anghecommen in Zeelandt noch vier schepen 
mei Bpaeneohen erycbflTolcke, aleheels ziije. lY, 
214. Ihmr waren hiertoe alaheeLi xyij aohepen, die 
dneir &hendt paHweordoD, 216. 

ALS IN QJËLIJCK£ MAT£N ZOE. JBvmuenê, 
fr. de mêmê. \\ £n ale ingeliiekematen zoe aalt zgn 
meitan Trede, die geroepen sal werden toBBchen 
poarten. K. v. St.'Tmidmk^ 1866. a. 1. 

AL8 0£MO£CH. MH u gmio^y ft. ü tmffii. \\ 
Maar, naar den st^l -ande oostume, en es van óót 
Tiarwoadt enda tweewoudt [te betalen] niet geü- 
■ a uti , namaar ale ganouch de partie wederhebbe 
agn geatolen dinck. Praei, erim. c. 29. 

AI^DKKLS, byw. Sctgmuumdy wMréH^ fr, ah- 
mjlmmmi. || In de prochie Tan Wjldre ... en es 
aladeala niet ghepradict gheweiat yan der nieuwen 
laligta , nemaer abo gheprediot waa te Wormhondt , 

10 qoam er eenen hoop etc. TrtmbUê mar, III, 
98. Dat ay [nl, de OTerleTonden] aladan aittande 
in bate an oommeren Tan den aterfhuuae, die [af. 
da laaien] doQghen moeten totten derde Tan den 
goada Tan dan orarledenen; maer aladeela niet daer 
den aommera de bate Tan denaelTen goede exce- 
deert. C, e. AmdL, XXII, 42. Mair de teetamentaire 
achnldan en andere naer de doot, en ea hy [mL 
da cr%anaam] maer ghehaaden te betalen totten 
darde Tan den goede datter heuTort . . , eü aladeela 
niai daar de achnlt de bate excedeert. Ib. XXIII, 
7. Yan da Tonajda inneghebroohte andere ghiften 
sDÜan allaanliek prouiBoteren d*andere kinderen oft 
neTan ghaana ghiften aladeela oft gheene aoo groot 
gbahadt habbanda. XXIY, 10. 

AL8I, AX*8ix, Toor aU z^, fr. lorêq¥'ilê (<m Oleg). 

11 Yj. d. alai hawen en xi). d. alai aterTon. 15 febr. 
1S6S. Alaie haren paia hebben j^ghen den hertoghe, 
ao hebban aiene jeghen die haren Tan Grimberghen. 
24 jaa. 1297. 

AL8MOBOEN, b^jw. 'tAndtrdaoffêJr. I0 lende- 
Biaia. II Dengenen dia hem Terobligeert , compt 
mat ajn parteye, ofte zyna macht hebbende, Toor 
diy achepenen en Terleent denzeWen zeeckennffhe 
Tan alanfckan aomma ala hy aohnldich ia, dez^TO 
aamma alanungen ta gelden met eenige goedingen 
an onder Terbant Tan mien peraoone en alle ayne 
goedan. C, e. Mddelb, YIU, 21. 

AL8NU... AL8NU, bgw. Nu,,, dam, fr. iam- 
Ui.. . ittmiéi. II Alaoe dat de rentier, Toor tgebreck 
fan aijnan achteratelle , altijt mach loTeringhe ne- 
men, oll amptmana-brieTen seijnden op alle de 
pukdien galijekelick , oft eenighe Tan dien, nae 
lyndar balieften, eh aknn op den eenen en alann 
op dan anderen , aoet hem goet dnnakt. C, v. Antw, 
1646, YI9 61. 

AUSO (aiaoa), tw. Ook, fr. ameu || Bn alaoe met 
Torwmrdan, dat hi dat guet aoade honden in de 
baat ter gberra behoef £en de gheohte ghegheTen 
•a. 9 febr. 1296. 

AUSOy byw. 1) Zoo, aidmsiopdiew^êjfr.aineif 
ie eeUe witmière. || Sn alao aal hi dat lant Trielike 
Iwittan. E. v. ier Piete, 1266. a. 66. 

2) Zoo, cosnsoo, fr. si, ausei. || Efi die waghen, 
dian the gaathna daer aenden aal , sal alaoe loralec 
nn dat ehar [aheeren] Woutera thiende niet Ter- 
kdt en bÜTO. 11 jnni 1277. 



AL IS T BIJ AL800. Indien, fr. wi. \\ Al 
eest by alao dat wy a|jn Dooriuchticheyt, in dea 
Toorseyt ia, onna niet ghenoeoh ghedaen en hebben. 
HoüWABBT, MattAiat, 8. 

OF AL80. Op voorwaarde f fr. è la eondiiion, || 
Dat men wel geit deponeren en atollen [mach] 
onder eenen ooopman, op alaoe, dat den hoetatoel 
oft de principale penningen aityt geheel sollen 
bliJTen. V. D. Tav. 127 t». 

ALSOfiALDE ( Alsobaldt) ALS (Limb.), hd. also- 
hald. Zoodraf fr. dè« qne, aeutti&t qne. || Zoe wanneer 
en alzoe balde ala Tan dootaUghe, Tan leemden 
oft Tan enigen anderen atride ei^ onminne die 
daechta gedaen ea. K. v, Si.'Tmiden, 1866, a. 82. 
Maer alaoo baldt ala aulcke gevangen in de TOor- 
acrcTene scherpe examinatie iet sal hebben bekent 
oft beleden , en sullen de borgemeeatera . . hun dea 
niet Toordera onderwinden. O, LUgo^ 27 juni 1677, 
a. 6. Moiêeli. 

ALbO DICKE (Alaodick, — dicken, — dickent, 
—deck, alsdeoke). Zoo dikw^, xoo menigmaal, 
telkene als, fr. aam sotnent que f ehaque fo%e que. 
II Also dinken [ducken?] wys Teraocht worden. 30 
mrt. 1266, a. 18. Lat. quoiienêoumque, Alaa dicken 
ala hem hoeft. 24 mrt. 1296. Zoe wij [wie] een 
kearaa uutblaeat oft leat metter nacht in een geael- 
achap daar twist begonda, om qnaet te doen, hij 
zal ^den thien marck , alzoe decke ala hijt doet. — 
Weere dat enich foreyn, die Teraocht weere Try* 
heit te ontüangen, en die wederzede en nijt ont- 
faen en woude, en na deaen wedeiaeggen aulcken 
foreijn enich p<Hrtera helpe, der porter zoude gel- 
den X marck, alzoe decke ala hy dat dede< K, e. 
8i.'Trmden, 1866, a. 69, 70. Alaoe dicke en alao 
Tole alat hun genoecht. Oart, St.-jyond, 6 juni 
1874. Alao dicke ala dea te doene sal weaen. O. 
Liége, 17 mei 1893. 8t,-Truiden, a. 4 (In art. 8 
leeat men; alao dickwila). Hi sal eerden idaoe dicke 
als hi wilt Tor der noene. Lakemg. ie JHegi, reg. 786 
2® f^. 85. a. 2. Also deck en mennichwarff ala ay 
Teraoecht aoelen werden. Cart. St.-T\rond, 10 juni 
1417, a. 1. Die andere duet [doet] aaela gheldene 
alae dicke alae hijt duet, xx. a. Kb. v. Uieet A, 
rubr. 84. D|jt diere [dierre: duurder] Tercochte, 
alaoe dicke ala h^t dade, alaoe menaghe t. a. zaelre 
[zael hi] Terboren. Kb, v. Dieet, B y6. 

ALSO DICWILE ALS. Zoo dikwyU aU, zoo 
menigmaal aU, telkens «ds, fr. toutes les fois que, 
dkaque Jois pu. |j Alao diowile ala eenege ge- 
meene nutacepe iof eeneghe bedeire die der meen- 
tocht toehort, gcTalt. 80 mrt. 1266. a. 17. Lat: 
quotieseumque, 

ALSOQEDAEN , also oidakich, bnw. Zoodanig, 
dusdanig f fr. teL || Dat wi... gegoTon hebben 
onsen lieden Tan onaen lande alaoegedaen recht ala 
hierna Tolget en beacreTon ia. K, v. 8, JPieters- 
Leen», 1284. Fr. Alsegedaen alfle. ZuïMdamg 
ais, ft, t^ que. || Dat wi,... ghegheTen hebben 
onaen lieden Tan denaelTen acouüieitacape alaeghe- 
daen regth alae hüma Tdgt. K, v, Aniw. 1292. 
JPr. Dat men alrehanda aoheina, . . . Tteghenomen 
onaen acheinae, ghalden aal met alaoeghedanen 
paiemente alae ghemeinleec in borae gheet. K. e. TAta- 
nen, 1808, a. 8. Ij. a. erfeleken en ewelaken alao 
gedanicha paymenta alae Toere beacraTon ea . . xy 
d. alaegedenecha paymenta. Chartb. JBeg, Brussd, 
f>. 260 (1809). 

ALSO QELUCK (Alao gelike, alao ghelike), 
byw. Bvensoo, dssgdigiks, ft, de même, pareUiement. 
II Alao ghelicke Tan den eeden te atarene. Alao 
ghelike Tan zekerheden font&na. Alao gelike Tan 



80 



ALS. 



ALS. 



•llea goecb óaA men Tindt 25 üibr. 1262. Also 
fhelike, lo wie ghelt lerade up taken, die boide 
[belMorden] ten embaehte. Omdiitdeeeorduiantien, 
•leo ghelike alei in den brief beecreren iteen , znlleD 
biiren ▼«■! ende gheetede ghefaooden. 18 mei 1301. 

▲L80 QKRING£, byw. Zoodra, ir, mmttUói 
fm, II Bnde giifpt deee actie [nl. i» mtordietodêaqma 
fkma li atrcMda^ etadt aleoe geringe ale snlcken 
ninderiyc werc gemaict ia, en men die toecomende 
icade Tan den regenwateie beducht y. B. Tay., 
f*. 107 ▼*. Alsoe geringe ala men in den rechten 
berynden aal, dat het gerechte hoijr is Tan den 
teetateor, aoe aai dat kijnt geatelt wordden in poe- 
ieiaien van den ontmaicten goede. Ib. 118. AJeoe 
geringe ala iement een leen gecocht heeft, dat hem 
die bailliw of ftadhoudera tentont nair der goe- 
dingea bevelen aal, dat hy binnen xl daigen zyn 
rapport dairaf doe. 209. Ben aententie, die gege- 
yen wort oyennits yalichen Ketuggen (rft TalMhen 
inatmmenten, die ie nae reent nid, en geen sen- 
tencie geheeten alioe geringe ala Tan der Talscheit 
Tan den getuygen oft Tan den letteren oft inatru- 
menten clmiriyo den gerichte gebleken ii. 344. 

AL80 HOUDE ALS, — DAT, byw. 1) Zoodra, 
fr. amiêüót qynê, || Myn heere Tan Tlaendre quam 
deae mare: hy liet weten die Tan Brugge, die hem 
blidelike gnelieten, en seiden hem dat zy met hem 
nut wilden alio houde »ls theilighe Bloet inoom- 
men ware. Jak y. Dixmttdi, 11. Alao houde dat 
sj alle te bedde waren, so Tiel dat huus in, 
tmeeate deel Tan den huui. 96. Als sy alle gheaeit 
hadden, ao hadden sj orloft seer rudelike, en 
alao houde als ay uuten hoTe quamen ontrent den 
oaateele, ao quammer haestelike achter myn heere 
Tan Boubays en de bailliu. 107. 

2) AcÊiutondtt 9poedigt ft. Umi do ouiiê, promp* 
iêmmUi aynon, Tan „aaen", en niet, aooals de uit- 
MTer het hier Terklaart: vriomdel^k, wd^omoed. \\ 
I>oet waa aoe Terre oomen, Dat die tyt was geno- 
men Dat men den camp Techten sonde, Q,}2Bm 
die hertoffe alao houde Met ainen kemp te Ludiek- 
waert; Bnde die bissoop mede ter Taart Quam 
met sinen kempe saen. B^, Mmo. I, 29. Die graTe 
aeide aleoe hoiade: Yronw, en maect gheen rebel. 
838, Die abdiaae gisg sere misbaren, Ende si 
sende alsoe houde Beide om jonghe en oude. 333. 
Sfi die jonofroa gino alaoe houde Voer dbelde Tan 
Onae Yfonwe. 334. 

AL80 LAMQB AL8, alh lavos albb, bnw. 
ZooUh^ dU, fr. amêd Umptompê gme, || An de Vet- 
teme (.') ea soouteten recht iig sol., alse lange alae 
men neemt. 26 febr. 1252. Hi en sal niet moghen 
yersoenen alao lange als de heera leeft, K» v, ter 
Fwto, 30 mrt. 1265. a. 37. Ende me loudene ban- 
aan alae langhe alae schepenen goed doohte. C. e. 
Mn^fgo, 28 aept. 1280. i, 236. Also langhe ala. 
Ib. 237. Alae langhe alse die luatre, of die na 
hem oomen, wonen te Ghent. 21 mrt. 1285. 8o 
beloTe wi loialike en bi oneer trouwen te helpene 
den graTe Tan Ylaendren . . , in deaen tujst , also 
langhe alae hi ghednren lal, ieghens den totb. 
graTe Tan Hollanl. 1 aug. 1290. Ginge at weder 
tet dien man , soe hadde ai haar goet Terbnert alao 
lange ala ai leTede. K. v. Bruësel, 1292. Alae 
langhe alea leTede. JT. e. AiUw. 1292. 

AL 80 LIKF ALS 81 ONSE VRIENDSCHAP 
HEBBEN. Imdiom ^ omx» wiendêokap ep frjgÊ 
êêèti, fr. ei eoiit Umat è aoAnt e— 'lil, formule hier 
ea daar ToorkoBMnd in de Topslaiyke ootkonden. 
1^ Ontbiedsn en berelen allen oneen amboehtaladen 
ei raehtan . . dat ai . . . Bnde diee niet en laten» 



alao lief ala si onse Triensohap hebben. Omrim 
St.'Tnmd, 6 juni 1374, IL 66. 

ALSO MENIGE (Aboe nenep^). Zoo «sis, eoe 
mom^Oy fr. amtmmt do. j| Alaoe dicke ala hyt dade, 
aleoe meneghe t. s. saelie [nel hi] Terboren. JU. 
e. IHoitt B 95. 

ALS OCHT. Zie also ocht. 

ALSO OCHT (Aleo ogte, alse oohte, alsooht), 
Toegw. AUqf, fr. cohnm ei. || Wat dat hi ghalosf 
Tor Bcepene Tan onaen lande, dat wille wi dat hi 
gheleiste alse ogte hiit gheloeft hadde tot eoepene 
Tan Trier port. JT. e. AiUto»> 1292. Alao als of. ld. 
e. BrmoMoL En alsi poertre eyn, so sal men ae 
dairin keynen [erkennen] also ocht egt ghewue at 
hadden OTor hondert jair. JT. e. Waalkom, 1365, 
a. 7. De minsche sach dattie bereh al te gmwe- 
like ho^e waa, ala ocht hi ane den hemel ghi|ighe. 
Aüor Korsiö. 23. Laet n alaoe arm eü alsoe on- 
wetende als ocht ghy nye yet tob. Gode Twcreghen 
hadt. Ib. 70. 

ALSO SAEN, byw. Zookaasi, aoodra, h.muoUdt 
Me. II De geeworen oc^dragers agn schuldioh^ op 
beuren eedt, den schoateth en borgemeeateren te 
cundighen en aen te brengen allen meensen, ex- 
cessen en delicten . . . alsoo saen ala die tot beur- 
der kennissen geoomen aijn. (7. e. AmUp., 1545, 
I, 54. Een yegelyck die reoht Tan calangiarene 
heeft mach syn calengieringhe reohteliek doen, in- 
dient hem goetdunckt, alaoe saen ala dan eoop 
gesloten en den palmslach gegeTon is. Ib. Til, 34. 

ALSO SCHIERE ALS, byw. Zoodra, Èoohaaoi 
aU fr. OÊuntói qno, dèê quê. || Sn der beelden 
waa sere Tele; en alsoe aoiere alai hier neder qni^ 
men, soe worden ai alsoe ewert als een oole. Aüor 
Koroib. 12. 

ALSOSULCK, AL80 — albb bilck. byw. || In 
kermeedage ea scouteten recht tetene up tgasthnae 
met y. cnapen, ende niet meer; ende alse anlk, 
spise alse men andren cnapen gOTet. 25 febr. 1252. 
Newaer alse eulke sekerhede alae den abt genoeget, 
moet den seoutete genoegen. Ib. Sonder Tan der 
keure Tan den lande, dee bÜTe ai ap mire wrowen, 
dat so hem alao sulke keure ghcTC alat hare nni- 
telec es en den lande. JT. e. SaoftingoM, 1259. Dat 
wy dese Trihede en aleo sulke ome ale hieniaer 
Tolget hebben gheghoTen. JT. e. ier Pioto, 1966» 
Ende dien JjU. dorscher] sal her Wouter gheTen alaoe 
selken loen alse hi ghoTen sal süns selTce derohere 
dien hi met dien setten saL 11 juni 1277. Met 
alsoe selker Torewarden, dat dat gasthua ... aal 
ghcTcn mün heren Woutnm . . . drie hondert pont 
Bruselachter penninghe. Ib. Up aleo snlke meadaet 
alst ima gheecroTen staet. 27 ooi 1280. Om alae 
sulken tseens aleer hutegaet. Mei 1290. (Deae leltte 
oork. biedt ons ook den Torm y^alsele'* aan.) Ob 
den tseens, die Toere ghenoemt ea, iaeiiyca ver- 
gouden te sine in Palmesondaghe , akeloa paiineata 
alse ghinghe en gaTe sal syn. — Alae aelc grit alea 
in Brabant ginge es. 26 nor. 1296. A. — .Aisoe eelo 
geit alse get in Brabant. Ib. B. Met gemeindar 
BMmten, aiee sulke alae in bone geet. 8oktp, e. 
JBrpo, 26 juli 1299. Of te gbeldene met aiaoe asl- 
ken ghelde alse telken tide Tan ghelden in bone 

Ssn sal. Sekop, e. .SV]w, 15 mei 1241 (kopyi). Wmeahk 
t in deeen dingen al es geeciet, beide Toer en 
na, dat in alaoe seloken dinghen eenldieh es te 
ghesciene. Ckmrtorb. B^, U Brmood, f*, 184 t*. 
(1826, Merchten^. 

ALSO YAKINCK (Aleürarine, — Tacyne, Alae 
Taringe alae), Ixlpr. Zoodra, fr. maotUói qmo. \\ Alea 
ie alae aoepene Tointaen hebben dat «■• 



ALS. 



ALS. 



81 



noQwe ontnvrd as iof ontleed, m> sollen si diere 
Txtmwe gheren iw« Toghede. C. «. Brtigfft, I, 2S9 
(81 dM. 1S78). AIm yaringhe alie. 81 deo. 1285. 
WAxmc en OmiLD., lY 247. Aldoe Tertrockendie 
Tin Bnigghe, ende alfo Tsrine als men daer de 
mni« boorde, ao wart er groote roer onder trolc. 
Ol. t. PmvDB. 169. Int jaer 1884, 's nachts 
r66r Dertienayona , zo . was so groot wind dat de 
kerke van den Jaoopynen (t*xpre) ommewoey 
totlen choore, en Tiel de Torseide kerke alzo yaryno 
als de mailene gedaen was. Ib. 180. 

AL80 — AL8fi Y£L£ ALSE. bijw. Zooveel alt ^ 
•e SO0 jfrvot geiai die, fr. amtami que, en ameei gramd 
eeiftre qmê. || Lant heft de sooutete te leene Tan 
dan gotahnae alae Tele alse hi bi wette mach be- 
togen. 26 febr. 1252. En ware dat sake dat dese 
TOfseide liede niet ne qnamen. ter dikinghen Tan 
dan lande te done alse Tele alse weet [de wet] 
wiaede Tan den lande. 24 sept. 1259. Endê dedere 
aleoe Tele towe, in allen stacken, alse hi sonldech 
was te doone. 7 juni 1277. Yan alaoe Tele oorens 
alee hi loTert den gasthuse, soe sal the gasthus 
bebben stroe en kaf. 11 juni 1277. 

AUBO YERNE ALBE — albe txbbs alb, by w. 
Z oo m e i eie, ta xoo ver ale, fr. amtani ^, en 
imti qm. (( Dan es hi de oosten senldich , diet Ter^ 
üeel, alio Terne als de oosten wettelio sijn. Leemr» 
SU 1688, 44. Wat mesdaede dat daeraf Talt, alse 
Terve alee Tonnesse deilt , heffen die heren Tan Grim- 
beighen. . — Also Terne alse siet gheloeft hebben. 
84 inni 1297. Dat si ons Terclaren en besceeden 
aondsn also Tem alst hem [hun] cont ware. 19 
jvni 1896. 

AI.80 YOLLUGK (Also toUQü , — Tolliok), bQw. 
Zpodra, fr. aneeU&i qme, \\ Herte lief, io moet u 
ssgghen, alsoe Tt^fjo als io Tan den oerspronc sach , 
doen bervand ie in myne zielen alsoe onsprekelgo 
minne. AUor Kerefb, 59. De cypier moet den gOTan- 
genen alaoe ToUick als hy ontolegen es Tan crisme, 
laten gaen en ontslaen. Frael. erim, o. 17. 

ALm> WEL AL.8E, bQw. Zoowel ale, fr. oueH 
Imb qme, |) En willen, dat alaoe wel wj, alse die 
na ooe eomen selen. È. v. Meerbek, 1247 (kopij). 

ALSUIiCK, AIiSELCK (Alsulc, alselo), aanw. 
TBw. Zmikf dmedamg, adluiamff, fr. pareu, Uméme. j| 
flo wie anderen let aflaet [{. afolaet], alsulc sal hj 
Tatüesen. K. v, Saffdare 1264. a. 12. Lat. iale 
\membrmm] mmittei , Alselcs jpaiments alse ghinghe 
en gfaaTO aal sQn. Mei 1290. Deze zelfde oork. heeft 
ook i^alee eolk*'. || Dat wi den soepenen en die \l. den] 
porteraa Tan Herentals gemenelio hebben gegoTcn 
alaalcka Txiheit alse onse anderen staden Tan Bra- 
bant hebben. Brdb, Y, 15 apr. 1291. Met aLsel- 
ker munten alse ghinghe es in dUmt. 18 jan. 1298. 
Omma Tiftien sds siaers, Tan alselkere rnxmten 
alse gbiBge en gaTe sal sün. Mei 1294. En bescie- 
dent ona in alzielker manieren alse het hieronder 
staat b ee ei e Ten . . — Li alselker manieren alse elo 
man es ecnldeeh tontfime en te hondene syn lien. 
19 huii 1896. — y s. jaerlios loTonscer penninghe 
ihmkar mnnten alse ghinghe en ghoTO si in Bra- 
bant. 21 oet 1896. Dat Tan nu Tort alsnlge Ter- 
dnge, die aleo gemaeot snelen werden,., saelen 
gsbnAan werden. O. J^Jige, 18 noT. 1404. a. 5. 

AL6ULCK. Iemand alstdok (—en) heb- 
ben, heme^hem dai iemamd {iet doe), h/fawe en 
terie qme qndqu'wn {faeee eortaiae dkoee). Men 

Mgde ook iem. in dien hebben, i) Yoert ghe- 

losfdsn die Torgfa. AToele en Jan hare zone, Pe- 
tnen en LiMbMten, derselTar AToelen kinderen , 
dia noeb niet Teriaert en sljn, in desen dinghen 



te Terrane eii alsulc te hebbene alsi oomen te ha- 
ren wetteghen tijden, dat sy deze dinghen solen 
Taste en ghestadech honden, en solen daerop Ter- 
tgen met allen rechte. JSekep. v. Dieet , 18 dec. 1884. 
Ende Jan, onsen enegen wettegen zoene, die noch 
onder s^jne dage es, alsnlken te hebbene, als hy 
tot syne dage sal syn Qomen, oec die poente alle 
Toirs. en enyegelyc dairaf metten anderen poenten . . 
bezegelen sal en oonfirmeren. Doomde rootboeek, 
t9. 27. 24 dec. 1410. 
AL8ULCK. BQ pleonasme: Iemand alsulo 

en in dien hebben. Il Yoirt meer, soe ghe- 

loefden Goesw^n en Henric, gebraeders, wettich 
kindere Henriz Tan den Houte was [n/.^w^len], den 
Toirs. momberen [Tan den drie berderen des hey- 
lich Gheest in Onser Yrouwen capelle] hore snster 
en brueder te Terrane en alsulc en in dien te heb- 
bene dat sij bon genoegh doen solen Tan hoerre 
moedere TersterTenisse Toirsz. Sehep. e. J)ieet, 15 
juli 1404; doorsteek t. 20 apr. 1853. 

AL8ULCKGEDAEN , aanw. tuw. ZMdamig, 
fr. tel. II Dat wi,... omme minne die wi tonsen 
lieden dragen, gegCTon hebben onsen lieden Tan 
denselTen ammanscape alsulcgedaen recht alse hierna 
Tolget en bescreTen es. K. v. Brueeél, 1292. De 
Antwerpsche Keure heeft: alse ghedaen regth. 

ALSÜLLICH, aanw. tuw. AleuUe, etdk, fr. tel, 
pareU, eemblabU, || Want also is, dat Toele en 
grote deijl Tan den eirbairsten en wasten porteren 
Tan onser goeder stat Tan Sent-Truden ons ge- 
thoynt hebben,... dat, om alsullich OTerdrach 
[onTordrach?], oirloighs eö crüghs wille, die ge- 
weest hebben.. O. lAége, 10 juni 1417. St^-Trui- 
den, proam, Ende die sall men Toir alsuUigen 
man [eZ. meineedigen] kondigen en roepen aen den 
Piereen. Ib. a. 3. (Nog in het prooemium , alsmede in 
de art. 11 en 16, staat : alsulck). Om alsullich outoiw 
drach, oorlochs eü chrijchs wille, die geweest heb- 
ben tusschen ons ende . . Ib. 17 ang. 1417. Barok. 
Soe sal men alsulligen mensche metten halse hal- 
den. Ib. 1 juni 1488, a. 35. Dat sy, om alsuüige 
officie te halden off te krygen, neit gegeTen noch 
geloüft en hebben. Ib. 11 dec. 1500, a. 1. SaeeeU, 
(Doch , a. 22 : alsulcken misdedigen). Heeft een man 
Teelderlye kinderen, en hy Tan sinne is eenioh 
kint Tuyt syn testament te sluyten, alsullich man 
moet alsullich kint yet oleyns Tuyt syn erre lae- 
ten, oft hy moet in syn testament redenen alle- 
geren, waerom hy alsiulioh kint niet [niets] lae- 
tende is. C gr. Loon, I, 64. 

ALSU8, bijw. Alxoo, aldme, dormjee, fr. ainei, 
de oette maniire, || Omdat si hen alsus utegheTcn. 
Mier Kereib. 17. En duncken hemselTen alsoe 
wQs dat si nyemans raet noch hulpe en bedorTen. 
Alsus maect in hem [maken si in hem] een be- 
droehen IcTen, en daer dorrense in sterren. Ib. 85. 
Welo summe ghelts, metter cost Torgh., alsus Tan 
hen gheeet, gheordineort en ghemaect te hoeren 
beste.. JB07. oop, eart., f^. 18. 8 april 1367. Die 
alsus gebrekelio waren . . suelen redehc gestraft wer- 
den. O. Liége, 18 nOT. 1404, a. 10. 8t.- Truiden, IHe 
hem alsus Terantwerde, die sal quytsyn. Ib. a. 16. 

AL8U8DANICH, albüsdsvich, ALBVBTXincii, 
ftanw. Tnw. 2Soodaniff, dmedamg, dergtUjk, fr. tel, 
pareil, semhlable, \\ Van dengenen, cUe hen alsus- 
denige forche en ghewout aendoin. Snquéte Brab,, 
1 apr. 1889. fr. tekst: tde forche. En want wi, 
late TOrs. , hieraf bricTe te ghoTene Tcrsocht s\jn, 
en in alsustenegher zaken eghenen zieghel en ghe- 
bruyken, soe bidden wQ.. Hof te Zdéke, 1407. 
Omme hieraff ewighe memorie te Tynden wes Tan 

11 



82 



ALS. 



ALT. 



almiBdaneghe zaken tculdioh ia t« ghesobieneD met 
rechte. Cart. 8i.-JVomi, 16 mei 1454. 

ALSYORËN, bijw. Alvorens, voontUer, tt.ixoami 
dê, II Knde de renten, 'tij beaedt ofte onbeeedt, 
erfveUck ofte lyfVelick, zullen yeroocht worden by 
twee zondaesche kercgbeboden. te doene yan Tee]> 
thien daghen te Teerthien daghen , als Tooren , danof 
de yerooopynghe gbesohiedSn zal. C. o. Aud. YII, 54. 

ALT, bn.| verbogen aldb, Limburgeche Torm. 
Oud, fr. vieuw. \\ Dat wg xiiy scepenen derselyer 
•tadt BoUen doen Tergeren » . .. goede, alde en ghe- 
praefde. C. e. Si^-TVttideHf ^ 6. Oft eenich porter 
oft ingesete derselyer onser stadt hnysde oft here- 
berohde met opsat eenen uytgebannen , man oft 
wyf, jonck oft aldt. O. JAéjfe, 17 ang. 1417, a. 11. 
Btrek, 8ee alde souden. C. v. M^hem, a. 16 (1432). 
Na der alder uaagien. O. Liége, 1 juni 1433, Mctt- 
9eU, proofm. Ses alde thuynen, C yr. Loon, JSeoes 
1466, a. 8. I, 115. Also onse stat Hasselt yan 
alden tyden yoerleden geweist is eyn yredelick en 
lere nareehtige [handeldryyende] stat. O. Li^e, 
11 deo. 1500. procsm. Sollen sy enen boumeister 
kiesen by eynen alden. a. 4. Alde Ludoyicus 
Yleemsch. C. ^. Loon, I. 130 (1529). Soe yerre 
die contractanten alt syn achteen jaeren. C. e. 
VaUchg,, leenk,, 1570, a. 18. Voorts is te weten, 
dat dochterkens tot bonnen daghen oomen syn als 
sy alt syn derthien jaren en xl daghen ; en knecht- 
kens, aïB sy alt syn xy jaeren en xl daghen. O. 
^. Loon, I. Yi, 18. Yanalts, bgw. Vanoudê, fr. 
d'aneienne date. Yan alts onderhouden. Co. Valkbg., 
leenk, 1570, a. 17. So yerre als dat yan idts ge- 
woinlich is geweest. O. LUjge, 27 juli 1469, a. 9. 
JbiÊfferen. 

ALTARE, AüLTAXX, oütabx, otttabe, zn. 
OtOefj fr. oêM. || Altare. Tap^twevers ie Dieet, 
1540, a. 6. Outare. Ib. 4, 11, 16. Outaer, Ib. 9. 
Aultaer. Ib. add. 166a 

ALTEHANT, altbhaks, b^w. Terstond, aan- 
stonds, fr. tornt de euite. || Ende oyermits dese 
Torwairden, so selen si ons nu geyen altehant sesse 
hondert pont, ende te Sinte Bayenmisse, dat naest 
oomende ee, yier hondert ygftich pont, ende daema 
alle jaren te sinte Bayenmisse sesse hondert pont. 
Jirab. T, 15 apr. 1291. Sp wien so yan yemens doot 
ghedeel gheyalt, altehant na sine doot so mach hy 
gaen ter herfsteden. C v. Oent, Or, charter v. 
1297. a. 100. En alse dit kint comt op ertrike, 
soe yallet altehant in de erfsonde. AUer Kerstb. 12. 
Desen minsche quam dicke toe dat hi i^tehans 
waende steryen. Ib. 6. Die minsche sprac: Dyn 
wille ghewerde altehans. 23. Die antworde sprac: 
Poet op u oghen; en siet, altehans was die min- 
sche opten yyften yelde. 43. Welke off hi nQet en 
dade, en een spade yan eenen halyen jare absens 
were yandaer, dan altehans sal hi gepriyiert syn 
Tan synen scepenstoele. O. Li^, 18 noy. 1404. 
a. 9. 8t.' Truiden. 

ALTEMALE, altbmjlXL, byw. Chmsek, ^ekeeU 
1^, teenemaalf fr. entièrement, pieiaemeni. || Dat 
wy die yoers. goede lieden . . quytschelden daeraff 
deerlic en altemael. Oork. 13 noy. 1308, yoorDiest. 
De helft yan den erre . . . mach die lerende yrylio 
yeroopen en beoommeren en altemale sinen ^vnlle 
mede doen. Srab. F. 11 jan. 1330. 's JBosch, En 
sach [die minsche] dat een gruwelyc grau nette 
was oyer al de werelt altemale ghetoghen. AUer 
Kerstb. 23. Wanneer dat Qt)de tyt dunct, soenemt 
hi se u altemale. Ib. 70. Dan smoxghens soe mo- 
ghen si wel comen ten outare e& soeken dit lam* 
meken Xpm Ihm altemale tetene. 105. Daertoe sal 



hij die wederpartye yan den anderen geriohte ont- 
heffen, en altemael scadaloos houden. JT. e. 8f.' 

Truiden, 1366. a. 31. 2) Ygowelo over alte- 
male. JBen voor aüen en aUen voor éSnen, elk voor 
al, fr. solidairement , ehaeun pour toue. || N. N. 
hebben geloyet te' gelde iarlix . . , die yorgenomede 
aohte en dertech pont..., ember the kersayonde. 
Ende ygewelc oyer altemale. 25 noy. 1296. B. 

3) ïn a. oohte in den deele. Gtkedlyk of 

^edeelteiak, in het g^hed of ten deele. || In den 
deele ocht in altemaele. 20 febr. 1828. R^. oop. 
eart. f^. 12. In altemaele ocht in deele. 2 jani 
1335. Ib. 9. Yertien daerop ende renoncieren.. 
aüen yorwerden, rechten, brieyen, gracien, usagen 
en allen anderen preyilegien die wij daerjeghen heb- 
ben . . • dat ons . . jeghen die yoergh. yercleemeese 
ooKte poente in altemale ochte in den deele helpen 
ocht yoerderen mochten. 4 febr. 1341. Ib. 7. 

4) Met eene ontkenning. Niemand a. — Soe- 
genaamd niemand, fr. personne, nul. |) Yoirt hebben 
wy den yoirs. porteren yerleent, dat niemant alte- 
male, noch yreinde, noch gebuer, noch ridder, 
noch anders, wie hi is, engneen poorter yan den 
Bosch om enigher reden te camp sal mogen be- 
roepen. Brab. F. 11 jan. 1330. 

ALTEMET, altbhbts, axjiEUTA, byw. 8om^ 
tijde, soms, nu en dan, fr. quelquefoie, de iempe è 
amtre. || En zo laac zoo meer wies de macht yan 
den dalphin, en quam altemet neiderwaerts. Ol. t. 
DixxuDB, 123. Bin dezen tyd lach myn heere en 
mer ynuwe altooe in Bouigoingen, en gaf altemets 
zyn yolc orlof , en alle de sloten daer hy TOoren 
quam. Ib., 143. Maer leiden [nl. de Oostersohe 
sohepen] gróote Treese yan den stonne en ooo jeghen 
hare Tyanden, Holanders, Zeelanden en andre, 
zodat Tele scaden hadden; en Tan doe yoorwaerts 
so quamen sy altemet an ter Sluus. 163. Soe en 
doet men oook [nl. mag men niet yerkiachtan] 
yrouwekens, die hemlieden sonderlinge dragen \nL 
gedragen] in ooncubinage met eenen goeden gesdk, 
al waer 't ooc dat sy in seorete allemets yrinsoap 
een ander dede[n], want zy elcken niet geabandon- 
neert en zyn. J*raet. erim. c. 95. Dat hemlieden 
[nL soepenen] oirlxnrliker doohte.. dat hij [nL 
de cessionaris] alle zine goedinghen u^pdioaghe en 
habandonneerde in handen yan justitien, te syne 
scultheesschers behouf, en dat hy altemet eenen 
pennino wonne, dan dat hyt al yertheerde en zit- 
tende bleef in yanghenesse. C. v. Aalst, bis. 260 
(1483). Dat diyersohe officiers ons gheduehts heeren 
(also wel baillius, schouteetens, meren, ammans 
en andere officien Tan jnstioien), dagheUcxs terden 
in processe... aengaende de hoogheyt enjurisdietie, 
ezploicten, heerlyke Terrallen, zonder alToorsn 
daeraf t'adTerteren, makende heesch, andwoovde, 
replycke , dupiycke en altemets dienende Taa sohrif- 
toren. JPlae. v. VL 2 deo. 1511. I, 290. Bn ea 
niet besoTen datter eenige Tan der próchie ghewel- 
delyck de predicatien en nieuwe religie n^hen, 
ten waere alleenlyck eenen, die men altamets heeft 
nut zien gaen met eene spiete, niet wetende waer 
hy ghynck. TrosMes mar., IH. 98. 

2) Naar gdang, naar mate, fr, è ftnr et è m esur e 
^[ue. II Ende deghene die Tan den zzxiz wesen 
sullen, moeten zweren en elc Tan hemlieden son- 
derlinghe, altemet dat sy aneeommen en oommen 
sullen in die officie. O. v. €tent, I. 0r. eharter. e. 
1297. a. 152. Dit quam ten hoeme [ten ooren] 
Tan der (sie) wethouden, en altemet dat de we^ 
houden oft de officien quamen in den burcht, men 
slouch se doet. Jur t. Dizvüsi, 52. Bfi dan 



ALT. 



ALV. 



89 



{kgea de commi— iMaen te oatfikngeiii die gedaigde 
gilaÖp altemei datee oamen, en doen se wweBrea^ 
tl wasit in eheencien ▼» pevtijen. T^ D. Tav. 366 ▼*. 

3) Foor o» fM, ds OM AM dt» endor, ooMoroo^ 
^Mt, fr. — ooMjfw w M ni . II De conmo Tan Yranke- 
lyke, Ttthorande de grote aeede en soende die de 
FnDsoejMik hedden, det sy heer bertogheooepen, 
«eCnepea altemet Terknen. Ja» t. Dizxinn , 183. 
Endelye de Walen [mL FranBoheii] waren bedwon- 
gben te TUone en te heenebm, meer ay en mochten 
niet om de grote meniohte Tan poerden die alte- 
mei toe qnamen. Ib. S33. fèj qnamen met groeten 
eedden , de een hoep Toeten» de anderen hoep na, 
en altemei fj waven van den Ingheleohan Tenie- 
gben alftemet dat ay qnamen. Ib. 274. 

4) Omdêrhuêekemf h. mireimtpê, mr mt emir»' 
fimim. II En there van Gbent qnam altemet in, 
en taochen Taste ter maieet weert Ol. t. Dix- 
]nn>B, S. 

ALTENE6ADEB, bijw. Odkeel mal.ir.imd 
mütr. II Diederüo qnam na ainen Tader, ende 
beeat HoUaat altenegader. Boaton, Gelre, Okr. e. 
jaUiami, e. 81». 

ALTENEN, byw. Siêedê,aUijd,ir.i€tÊfowrs, co»- 
ifi— liief I) Alle jere te gfaeTone en te gheldene, 
teUun kerêeaTonde, beide gheli en den capayn, 
ende alte&n alme [alralo] ghelt als telken Kerea- 
awonde in boaaen lal gaen in Brabant. Charib. Btg. 
Brtuêd, f». 188 (1347). MBrckiem. L o. penninge 
erffeleker renten taaert en jaerlios te gherene en 
mieomelec te betalene telken kerssaTonde naest- 
eomende, altenen der daet [date] Tan deoer litte- 
MB .... Ende altenen alio solo gheli alae telken 
kanaasTonde in bofsen lal gaen. Ib. 189. 

ALTEBNEERENr bw. (s^ oondnaie). (Zt^aoe 
«MO») 4^kmÊMlm (lyfirtraffeiyk of buz«erli}k), fr. al- 
Urmmr att eoaefadoes (au eriminel ou au oiTÜ). || 
Beat dat mep ordinetraiyc procedeert, en dair 
paitye ia andere dan de proonreur general, men 
■aiet hem hejach int consistorie, concluderende 
tot eiTÜder lepacacien en betemiaaan, somw^le 
eerlücke alleene en somw^le eoriycke en ptoiyte- 
lyeke; en die proewenr general concludeert crimi- 
aalgek, en bg ^den alterneert hy zgn conclusie, 
en leegt die in tween, te wetene, bij alsoe dat 
soleke eonelusie eriminele niet sehuldich en waire 
gewQü te zgne, dat dan die iMsteur oft misdadige 
gadiisBipi en gecondemneert wordde, ten profijte 
vaa onsen genadigen heeie, de aomme ens.; ende 
al woude dM pioeurenr senéral sQn eonelusie niet 
■HmiMaiiit, nochtans soode hem 't Hof appointeren 
dat te doene, opdat die sake dairtoe gedSsponeert 
waivow T. D. Tat. 8. 

ALTOE, bQw. Lu^dijlk$ ^daarmèb^teny fr. em mUrê, 
ffaimmmi. \\ En slerrei deghene tsb der quetsinp 
^isn die nient [men hem] ghedaen heeft, so ml 
men denghenen bannen L jaer ute Ylaenderen, 
die tfidi dede doen of hiat doen en derbi stoet 
[stond] alteew O. e. €h»i, Or. Okmriêr, 1297. a. 65. 1. 
449. Oat dat broei es Terbnert jeghen den heere 
SB jcg;hen der wet, en es altoe in de boete Tan t 
s», dwk Tlucht ofte ontwee aniji. C e. Amdem^ 2e 
d. X. e. 1338. Vmm dm hmkêrê, 

ALTOOS (AHoes, alletoea, altoat), bQw. AU^, 
im mSêm tijde, im mUê mor h mmde gmaUm, fr. 
loBfoars, se iami / si es » dmu icmê hu cm» qtd »» 
9»mt pr hmtés . H Zo hebwi . . ighewelos recht be»* 
•odii en deen beseeken aienatlake ene de man en 
•ne de- soepenen Tan Puderse, die altoos tuist en 

tetrelnimn tusohen ons en onae Tordere hebben 
19 juni 1296. HeA ^kft N. ghoreoht 



wanmt te sine en altoos te Toldone. 24 dec. 1298. 
Omme de onstacheid en ghetfouwe dienste, die 
onse liede Tan onsen lande alletoes hebben ghedaeik 
onsen Torderen en ons, en die wi hopen dat la 
altoea Toertene doen solen. JSmqmêi», 14 oot. 1334. 
bis. 6. Beboudeleec aUetoos. Ib. 7. GeloTon wi . . 
alletoes sootoIo dertoe te doene. 11. Die stad Tan 
Dyst aal hebben alletoes twe derke. Bag. 8Mb» 
1393 — 1402, op den titel. — Alst was in den be- 
ghinne en nu ofi altoee en eweUke, sondor ejnde. 
Lat. s# mmnü »t »»mp»r. 0»i^, 14. Dat die pen* 
ningen op dusdaenigs maniere u jtgeatelt . . « altdit 
kunnen gerapeteert worden door den CMditenr. O, 
Sr. Lom, I, 683 (1700). 

ALT08T. Zie altoob. 

ALUIN (Aluyn, alluyn), sn.m., fr. dimm, \\ Ysn 
alune. Tol i» Brmgg», 1262. Lat. tekst: d» akh 
mrim», AUuTu. Tai i» Lovm, 1377. — j. bale oft 
querque alluyns Tan üije Ib. , Q. gio . tls. Toi op dê 
Z»mim»y 1436^1631. AUuyn, los oft gepaekt tft 
Taten oft tonnen Tan elck 100 Ib. ghewiohts, soa 
groeten. ZonNMcüo tol, 1623. 

ALUIT (Aluute, allute, alwt), bfjw. Tm wtt» 
mU, ^keMjk uU, fr. »maèr»mt»mi, || Bo wie up 
jemene sweert aluute trect. Lat. ffladkm tatmm. 
K. e. 8aff»lair»f 1264, a. 11. Wie oenen knape 
te werke neemt on met [niets] en onderspreet, sal 
hom die weke alwt woro loToren , on si mot skn»* 
pen wille. iKof^, IToilswsrib, reg. 786'. f*. 35 t*. 
Ooers e. 1333, 11* it. De daeh Tan dosen peehte 
te geldene Telt alle iaro op Sonte Bomeisdacb , «A 
tuaschen Bonte Boeioisdaoh eii korsdaoh onbegrepe n 
te sine, alle jare dese ghotoDst allute. 8oh»p, e. 
JBSrp», 4 oot. 1304. 

ALVE, an. t. JToor- of eiisAaaui, fr. mh», \\ De 
Tier inghelen boren de cappen, boten ghebrunoert 
gaudt, de aTorechton a%nehaelt. Yoort, onder' de 
alTon, wit met guldin blommen daorin ghosaért, 
de haren Toif^t met mat gaudt, de Tlengbolen 
ghostoffoert naer don heesch Tan den worcke. Aé- 
dom, mamg, I. 301. Tam de hoqfïafolo ie d» i»rok» 
U Kokor», 1527. 

AL VEN (80TTEN) ENDE GECKEN, oww. 
MtlaM, spo^toe, fr. róUUrj »o mo^fmer do. || Eeneü 
ghoeden tQt deer te Toren plooht mer al ander 
spel mede te spdon; want boren do Tooruoemde 
oere die men dese flguer [«I. Tan Sïnt-Authonis] aU' 
dede, soo plaoh mer mode te sotton en te ahren. 
B»r. Hfdm , I, 64. Ontrent doos tyt wart seor smel- 
tende, ala de snee toot theet sonnoschyn, den 
name Van de ghues, zoodat men mot haer wel 
alTon en ghockon moohte. Ib. Il, 261. 

ALVOLOENS, btjw. Qoooiffdijk, b^ftootg, fr. 
ooM^^waiBMe^, m oomoéquonee. || Yorbiedonde al^ 
Tolgena wel ezpressolyck aen die procnreon tbü 
partyen Hme imd» te centesteren in eenige peremp- 
toire procedure. O. v, Lovm, 8iyi, a. 14. Tersoec* 
kende alTolgens don TOorsohreTo Tortoondor, dat 
den Tooni. saedo . . gedient ware te Terklaeron hot 
Torstant Tan hetsolTe te wesen ens. O. P-B. ohA*. 
2 apr. 1735. 

ALVONDEBTIJT. Zie halvovdsbtijt. 

ALVOOBVOETS, bijw. Torttmd, ft,èVin»kMi. 
Kil. ee#i fland. hdli, ttoHmj » vottigio. jj Wie' Uih 
kene Torooopt op die Hallo, hi moet se al TorToete 
wt sinon pilen dben efi henen souden. JT. ItAemg, 
lfoo4., 1333. a. 60. Wie lekene Torcoopt op die 
Balie, moet se al Torroots doen henen dragheu tatt 
der Hallen, en hem Tolghon, ochte sinen bode. Ib. 
a. 58. 

ALVOBE, byw. Voor, fr; démud, pardooami. \\ 



84 



ALV. 



AMB. 



Pat min her Woutre ran Bodeghem, de riddra, 
qaam el Tore obeitoehen man, die heme daertowe 
gheleent waren, ende Tore aine man ende Bine 
foepenen. 7 juni 1277. 

ALYOREN, byw. Voaralmft fr. aifotU. \\ Soo 
wanneer den sohoateth begeert, alToren te oomen 
tot naarder bericht Tan de waerhefjt en Tan de 
gele^ntheijt Tant miadaet.., boo nempt hij con-^ 
olnsie preparatoir. O, o. Aniio, eomp. Yll » iy , 14.' 

AL WANT (Alwint, alwont), bQw. Toidai, tot 
dêf t^j fr. Juiqu'è 08 qnê, || Yremde luiden, die 
■triden, dat men die rangen en halden lal, alwant 
■y der partien, den here en der stat gebeteren. 
C. 9. MaoMtriM, 1880. XCIL^Dat men oocheynen 
Tremden man halden en rangen mI, dee eynen 
portere meedeit, alwant hi orer al ghebetert. Ib. 
XOIU. [Bn de andere galden , aan waa en gelacht 
▼oor *t H. Sacrament op 't ohoor] ; willich gelucht 
of kertaen ontfeyncht [aangeetoken] auUen werden, 
ala men Sanetus in dier -meaaen singt, en hemen 
■uilen alwont dat heylioh ■acrament genutst ia. 
St,'€hrlaokt 64 (1878, oor^pr). 8o moghen die 
▼urBcr. enne Inde, of hoen gherecht monbaer, va- 
ren an dat runor. onderpant, als rur ernen dob- 
belen ^ant, alwinttertijt dat die dobbel pacht 
betaelt ia, en dan maech de rorBcr. Amoit <n syn 
er&amen weder raren aen hoen lant rurscr. , wen- 
nnn en werven, ghelyo aa si ploghen, ontfhekalen- 
giert. Ib. 62 (1872). Derselve meededighe sal... 
ooch doen, der stat van Trioht teinre Irateringen, 
eynen weegh tOnser Vrouwe te Bochimadon, op 
<£e prne van . . abain te syn alwant derre tyt dat 
he roldaen heet. O. e. Maoêiriehi. 1880, X. En sal 
dartoe bliven in des heren jaeght , alwant derre tijt 
dat he gebetert heet. Ib. XXX. In art. XXXII 
wordt „want derre ty t'' gebruikt aonder yoora%egaan 
te sQn van „al''. 

ALWEOEN, byw. AUêrwegê, aUoot fr. itmfomrt, 
II Behelslioh [beheltlioh] all wegen en wtgesoheiden... 
onse en onser kircken juriadiotien. O. LiSgê^ 14 
dec. 1600. a. 10. Boêteli. 

ALWETTELIKE, b^w. Ganseh wHUlijh, fr. «ii 
Umi poini UjgtUêmeuL || Bn wy manne en soepene, 
ten versouoke en begherten van pavtien , ontfinghen 
de manninghe (tie) . . en kenden alle dese saken, 
vorwaerden en acoorden ghedaen en verkent wet- 
teHc en alwettelike. Qends Chairlh. 69 (1868). 

ALWIE, byw. Bbe^ op wtXko wijte^ fr. ooeimml, 
do qwMê mamilkro, || Dat en alwie men dese vors. 
ooeren waarderen, panden, richten en houden sal. 
Kh. D. Diegi^ A. r. 74. 

ALWIJLE (Alwyle , nu alwyle) , byw. ^« Ut 
Üjd^ tham^ ir, aeU^lêmomt, d prétottt, \\ Yort- 
meer, so wie onsen scoutit, meisteren, gesworen, 
guberneerder oft enigen van bon, die geweist syn, 
oft nu alwyle synde, oft hemamaels werden sul- 
len . . lasterlick oft scandeliok worde toeapriot. O. 
lA^go, 11 deo. 1500 a. 29. SeunHi. Soe wie onse 
sohoutet, borgemeesters , gesworens of gouverneurs, 
oft eenighe van hun, die gheweest zyn oft alwyle 
synde, om synes ampts wille., quetste, sal ver- 
beuren. . Ib. 27 juni 1677, a. 7. MatteU, Op haere 
oemen en moeyen van va^er en moeder aai., die 
alwyl bevonden worden in den leven te syn. C. 
gr. Loom, I, 882 (1661). 

AMALGIEREN. Zie aiol&zibbv. 

AMANDEL, zn. v., fr. awumde. \\ Van alune,... 
amandelen. Lat.: de oIkmmm, ... amufdaliê, etu. 
Tol U Bruggo^ 1262. Amanden. Een bale, d'een 
deur d'andere gerekent op y. Ib. groote vis. S^ktU- 
Hng V, 1551. I>» langhe sullen betalen van de 100 



Ib. twee ponden Artiuna; de oorte, de 100 Ib. 
se. Artoia. Tol v. 1697. Amandelen in vaten, pH* 
pen, balen, saoken oft tonnen, van elok 100 Ib. 
gewiehts. viij. gr. ZêotuMoke Ui e. 1628. 

AMANDIE. Zie AXXAini. 

AMARI8, sn. Kast, kas, fr. armoiro. Kil: Am- 
mare, ammaria, almaris, schapraede: Ar- 
marinm, oMNoriiMi, etc. || Amarisaen, aohapneyen. 
a e. J?rMMl, 8iai, 1667 a. 88. 

AMAUS, zn. m., verkeerdelyk wel eenaAXAjrex, 
Srtmdt ek üdëriÊiff , gohtaUUordê pUuU, fr. pl&qm$ 
émaiUée, Zie Ds Ybibb Mnl Wdb. v*. amavbs , 
AKJLüBE, en ook Ybbdax. || Baudry Butaaert, 
goudsmet, van ghemaect en ghelevert te hebbene 
eene selverinne soale, weghende ses onsen, met 
eenen amanse metter wapene van Sinte Jorisae en 
van der atede. Tpriama^ St.-rék, 1468, Y, 120 (1). 
Datmen, van nu voortaan, gheen gondt en sal 
mogen verweroken, ofte aireede gevrocht z^nde, 
mogen verooopen, oft te eoope st^en, noch oook 
(dan om in stucken te slaen) moghen verhandelen, 
overladen zynde met sauduren oft amanaen,... . 
en in holle weroken, draeokwercken of deyn wer- 
cken op amausen geladen, ter remedieil van een 
half caraet. P/oe. e. VL 18 apr. 1561. a. 8. I. 
808. In den somere, np feestelike dagen^ die vrou- 
wen droughen frox, dat men heet quenen, voren 
met amsEuse ofte met peerlyne cnoppen gheonopt 
toter eerden toe, en beneden ghevowt met ooat^ 
liker voederinghe. Jas y. Dixmüss, 264. 

AMBACHT (Ambocht,ampt), znw.ons. l).^aiél, 
bedumnff^ diêuêt, fr. offiee^ /oaeüea, «eroios. Zie 
Db Ybisb Middehi. Wdb., enookYsBDAV. || Yoort 
geven wy hen, dat de schepenen efi momboirBn 
van der voorgenoempder sta<u die ambachten mo- 
ghen setten en ontsetten, die ay tot haer [hier] 
gewooneiycke weeren te setten, van geeathuyaen, 
van gasthuysen, van deokhuysen, t^ andete am- 
bachten en momboiren, die sy hiervoormaelen heb- 
ben geset. Brab. T, 7 mei 1807. Wi, Baae, here 
van Liedekereke, van Breda en van Boeinlare, 
toroonden met deaen brieve: dat haer [heer] Boa- 
diin van Yersike, ridder, en Eervino van Beinia- 
wale, knape, jeghens ons gheoocht en veroreghen 
hebben alsulc ambocht en goet alze ane ona ver- 
storven ea van haren Janne van Sehondee, waer 
dat gheleghen es in ^onaen lande. 28 aug. 1810. 
Yoirt so geven wy onsen scepenen van den Bosch : 
80 wanneer dat gevelt dat men se wederwandrien 
of wederaetten sal, dat die aude soepenen, data 
die dautate dan sin , kieeen suelen die jnowe soe- 

Senen, en hem doen in den ambaohte dea soepen- 
oms. Ib. 11 jan. 1830. En ware dat sake dat hy 
des niet en dade, soe willen wy dat hy daimae 
nemmermeer soepene en sy te Brueasele , noch am- 
bacht en hebbe bynnen onser voirs. stadt van oneen 
wegen. 27 nov. 1885. In den iersten, omme die 
redene, dat elc man voortane, die ambacht houden 
sal in onse vors. stat, si van gesworeuMappen, van 
dekenien ocht van knaepscape, en dat daartoe be- 
heert, te poente sal moeten doen, soe consenteren 
wi hen en geven, dat soe wie, ocht soe wat per- 
sone vortane in enegen tiden enech goet gave, 
ocht geloeften dade van goet, oohte van gelde, in 
wat manieren dat ware, omme enech ambacht, 
dat der atat toebehoert , waert van gesworenaeape, 
van dekenien, van knaepscape, oohte van enigen 
anderen heerscape, waer dat ware, dat dieghene 
die dat goet gave ochte geldt gheloeft hadde, gave 
ocht name, nemmermeer daarna in enghenen am- 
baohte noch officien van der stat syn en aoude. Ib. 



AMB. 



AMB. 



85 



19 mi. 1841. Oft geboirde dat den Toin. poixüexB 
oft dienres mjam genedigen heeren eenich gewelt oft 
Mei gedaen worde omme hner exploitten wille in 
de Toim. heeriiehejt tbii Herpen, Uden en Beven- 
ikcyn, bj die «mptinden eldsir, dat die acouthet 
myna genedigen beeren in aijnre stat yan den BoBoh . . 
die irnrin. amptlude en seepenen in den roin. 
lande Tsn Herpen, Uden en Bayenstejn . . soude ont- 
•etten. Ckmrib. e. 'sJBoêch^ R 106. 21 febr. 1464. 
2Soe wy [wie] tot enigen ambacht, dienst oft officie 
■al go eoTB n worden, die aal ter alderiersten, ier hij 
dat ambacht aenneempt, ten heijlighen zweeren. 
K, 9. Af.-7Vflitdn», 1866. a. 84. Zoe en zullen die 
loepenen nijt ordelen noch wijaen orer die bnrge- 
meestera, gezworen, goavemeun oft raetelude, ran 
woirdeo dtt wereken gesciet om der stadt TrQ- 
heijt wïUe, oft om haer ambacht te regerene. Ib. 
^ 41. Dat die borger onser atat yan Sentruden . . . 
soelen mogben kjeeen onder hen, om dat regiment 
dar atat.. en der ampten deraelyer,.. twee meys- 
tere; en jegheljo ampt . . twee ghesworen en twee 
govemoere. O. lAigt^ 17 mei 1893, a. 1. ^.-TVwi- 
ètm. Dat aQ [al. onaen en onaer atat boden] die 
gnefaten, mnren en yxoenten der atat ematelic 
en wale hoeden, alet hoeren ambacht toebehoirt. 
Ib. 18 nor. 1404, a. 7. St.-Trmiden, In wellio aille 
beema dat . . . Jan der Kindere , als mombore der 
Laaarfen, waart gegoedten ghe^rft, die te hondene 
afi te besittene ewelctee ommermeere , hQ , Jan , en 
die na hem in denaelyen ambachte oomen aelen. 
Stkêp. Lamd e. Dieti, 1417/1896. Yoortgeloyenwi, 
dat engeen man, die yan engheenen getrouweden 
bedde eomen en ia, nemmermeer raed, noch droe- 
■Bte, noch richtere in Brabant ayn en aal, noch 
ambacht hebben yan oneen wegen. Sl^de inh. 18 
dec. 1406. Bêkenic. v, Stah, têg, 182, R 116. Jan 
SpgamaoB bekende metter hant, geloefde en be- 
lAjade den momboren yan der Lacaryen capellen 
birten Dyeate, yiye onde grote tomojae tajaera erf- 
taijs, en hen, den mombmn yoire. en die na hen 
in denaelyen ambachte comen aelen , die te betalene 
an yeigheldene, ter Lazaryen yoira. behoef, alle 
jaere eweleec en ommermeere. Sehsp. Zand o. 
DUêi, 20 ang. 1414. Ende dea torconden, hebbe 
ieh, broeder Bcyner, ala gaerdiaen yoiraa. [nl. dee 
do eet era yan den Hinderbmederen te Dyeet] den 
■■e gel mijne ambacha aen deeen brief gehangen. 
KÊrhmrdL U Dini (1469). 

Ambacht dragen. JBm mM £mImmm, — fte- 

UeedSfn, fr. exêreer wm offitB. || Zoe wij [wie] zijn 
hant doet in onyreden aen diegheene die dragen 
ambaohtein, oft aen bueren olerok, oft aen hneren 
g e a wo eren knechten , oft aen die gezwoeren en gou- 
yeraeon yan der yoerecreyen atadt, in oxhnijn yan 
hoeren ambachte oft yan dienate dea ambachtz , die 
aal gaen te Bnteemedoa. X, v. St.-TVmden v. 1866. 
a. M. 8o wie dat wederaeeght waerdeeracap of 
ambacht te dragene in orbeme der atad. K%. v. 
DieH, A. r. 57. Zie ook hulde dbaosk. 

2) MeeèiggMêd^ ft, fmridiction, rêttori, diêiriet. 
\\ Bne tiende, die die abt en tconyent yoraeit 
hadda ligghende bin den ambochte yan Oeatbuigh. 
25 jan. 1277. Wi willen , yonde men meer knapen 
ridende op deae ambagte dane hiir ee gheaeyt [nl, 
op de meierij yan Thienen, de baljnwachappen yan 
Oe l da n a k en en yan KQyel, de ammanie yan Bniaael 
en da aehooteterijen yan Antwerpen en yan *a Her- 
toge n boach], wie datter eneghe yonde, dat hi heme 
■ün peert neemen mogt. JT. o. Amiw, o. 1292. En 
hebben dairtoe in eiken ambacht geaet en geooren 
peraonen. Ajulto 1889. De fr. tekst zegt: 



e» eJkaseun office ^ waardoor moet yerataan worden 
in elk rechtagebied, naar het Offieinm: dUttieitu, 
JuriêdiefiOf bij Maioitb d'Abkib. |i Ontbiedende eii 
beyelende, dat gij oyeral binnen nwen ambachte 
ende bedrieye, t'allen ghewoonelijcken en behooiv 
lijcken tijde en plaetaen . . doet yan onaen weghen 
uijtroepen en ghebieden . . . JPlae, v, Brah, 8 jan. 
1447. I, 1. (Beyel dee hertoga gericht aan dén 
achout yan Antwerpen). — Soo willen wij , dat ghij 
in elcke atadt , yrijbeit en dorpe in uwen yoora. am- 
bachte en bedrijye die aelye ordonnantie en ghe- 
bodt doet aonder yertreck kondigben en uijtroepen. 
Ib. 8. Omme diyeraehe merckelijcke redenen . • . 
ontbieden wij u en beyelen, dat ghij alomme bin- 
nen nwen ambachte en bedrieye openbaerlijck yaa 
onaent weghen knndioht en nijtroept . . Ib. IV. 894. 
Bewl y. d. 14 ang. 1459, inagelijka aan den achout 
yan Antwerpen gericht. — Ten deaen tijde lieten die 
yan Sint-Winnocx-Berghe en Berghe-arobaobt uut- 
gaen, by haerlieder ordonnantie, midta hebbende 
octroy yan den hoye: ala dat men enz. Piot, Chrtm. 
707. Dat ghy , [droeaart ,] yan atonden aen . . . 
doet cundighen, yu3rtroepen en gebieden yan onaen 
wegen, oyeral binnen uwen ampte en bedrijye, in 
de ateden en plecken daer men gewoenlick ea ynyt- 
roepinge en publicatie te doene. Plao, 16 juni 1686 
(Dieet). 

8) Ambaehi , "kandwerhf werktwgêlifk hedrijf^ nmings 
dienttiarê hetrèkkinffj fr. mêtiêr, nSgoee; nrvieê, |) 
Yortane, wie dat hout botte in aelaoepe, yan meije 
tot aente Bameaae, yerboert zz a. Ènde yerlieat 
een jaer en enen dach aijn ambacht, en die botte. 
Kh, V. Antw. a. 88. Die quaden yeech ocht quaet 
yleeach ter marct bringt te coepene . . aaela ghelden 
y Ib. En aal een jaer aijna ambachte derren. ICh. 
9, Diêtt, A. r. 85. En een jaer aijna ambachte 
deryen. Ib. r. 87. En een jaer zijn ambacht ye]> 
lieaen. Ib. B. 55. Een ingeaeten poortere, wyena 
inatmmenten, alem oft gereetaeap yan aynen am- 
bachte eii neeringen (daer hj coatumelyck mede ia 
geweeat te werekene en ayn broot te winnene) ter 
yridaecha merot by den officier yercocht ayn, mach 
deaelye loeaen en de naeate ayn yoer den prya dat 
die yercocht ayn. O. e. Antw,. 1545. lY. 84. De 
achiplieden aijn gehouden den aohipper, hennen 
meeater, oyenl gedienatich te aijn int gene hun 
ampt en dienat aengaet. C, v. Antw, eomp. TV, yiij , 
162. Een die eeaaie gedaen heeft yerlieat tfyn poor- 
tene; maer ia hy in een ambacht, dat mach hy 
noch bliyen doende, om ayn broot te winnene. Ib. 
1545, XY, a. S. Ende ten derden eijat [heiacht] tam- 
bacht en de maniere dat die ghamiaoenen moeten 
die wachten handen, andera en waert niet weert 
dat zij crijchalieden waren. Sêr. tijden, III, 13. 

4) Stamhuiê, gulaeht^ fr. JamtUê, lignU. Ia» 

AMBACHTSTB XCKEK. 

5) Werkxaamhêden , bedieningen , diênttverrieMn* 
genj fr. attrtbuHonê , eernieesy trtmaux, || Item, die 
broederen yan den auateren, en die auateren yan 
den broederen, anllen gheaceyden hebben hoeren 
reyerencien [l, reftera], en een yeghelyo anderen 
ambachten. Juli 1277. a. 8 (kopg). 

6) Amhaehtegilde , fr. eorpt de méUer, \\ Dat ampt 
yan den lakemekeren. O. IXége, 17 mei 1898, a. 
18. St,'Tmiden, Dat yan nu yoirtaen ayn en aQu 
anllen in onaer atat yan Sentruden dertijen am- 
bachten, en niet meer. Ib. 18 noy. 1404, a. 1. 
81,-Trwden^ Dat buntwercker ampt. — Uyter kre- 
merampte. Ib. 27 juli 1469. a. 28. Ttmgeiren. 

AMBACHT£R(Ambochter), zn. m. 1) AKdfUnaat^ 
fr. officier en gMral, fonotionnairê. |) So ontbieden 



86 



AMB. 



AMB. 



wy ODsen drosBate van Brabant, allen onaen schoo- 
teiten» meijeren en rljohteren, daer deie brief aen- 
eomen sollen (aie\ die na onse rechteren en 
ambachteren sijn, of hijmamaelB B\)n selen. Cari. 
St.- TroHd., 1 apr. 1S75. tl. 78. Ambachteren, ür. tekst 
Qjffkitirt, Émquétê, 1889. Dat alle dieghene, die Tan 
onsen wegen ambachteren in der Toirs. stad Tsn 
Diest gesett hebben geweest , tvcun. geschille dne- 
xende, het sij oapitain, sooutheit* seepenen, ge- 
sworen , raet , rentmeesters , clerc , officiers en dieners, 
en alle andere, qayt, Txy en los selen sijn van allen 
stuoken, sonder des heren Tan Diest of yeman 
anders ondanck te hebben. Domdê Boatb. ^. ^ ▼*. 
20 deo. 1414. Ontbieden en bevelen alle onse am- 
bachteren, richters, dieneren, mannen van leen, 
mansmannen, borgemeesteren, schepenen, raidta- 
luyden , laten en andere wetbouderen van den sma- 
len heeren in onsen lande gheseten, en alle anderen 
die macht hebben om te manen (rft te wijsen, oft 
eenigfae andere yoirderinghe oft executie van recht 
te doene. P^. e. Brah, 17 juli 1528. I 265. 

2) AikbaeikUman t fr. homme de mUier. \\ Yoort, 
80 welke tyt dat een soepen steerft, dat soepenen 
ghemeenlike macht hebben enen andren te kiezene, 
bin darden daghe nadat hie begrayen sal syn; es 
hie ambochtre onder dambochters, es hi poortre 
onder die poorters. K, o. Brugge v, 1804 B. 

AMBACHTHOUDEK, zn. m. Ambaekisman, lid 
van ee» ambaehttgilde ^ h. komme ou ntppói de 
wUtier^ memhre d'un corps de métier. || En dit selen 
allen ambachthouders van der stat wel Terwaren 
en houden an eneg^geliken [eenyegeliken] van haren 
ambachte. Aead, d'arekéol 1856, blz. 501. Be<fL ie 
Loven ^ 1860 — 1388. Soo verre iedt sulokx geschiede 
ambachtsgewijse, en deselve, op d'eerste vermae- 
ninge van de commissarissen instantelyck niet op 
en hielen, sal ieder ambachthonder vervallen in 

SJjjcke pene. Beql. ie Loven, 17 dec. 1696 a. 17. 
at de weduwen [der barbiers], die sullen winkel 
houden , sullen verplicht sjjn , op den eed , te onder- 
bonden alle de artikelen van de ambachtsrolle, soo 
en geiyk die bi) de ambacbtshouders worden onder- 
houden. O. P.-B. anir. 29 nov. 1728. a. 15. Dat alle 
ambachthouders, in geene gulde wesende, sullen 
schuldig en gehouden wesen in alle processiedaegen 
te compareren met de andere ambochthouders. Ib. 
a. 22. En sal niemanden geadmiteert worden om 
te kiesen, tens}) die dry meenden v<$<5r St. Jans- 
misse van alle jaeren respective binnen Loven buyck- 
vast sal hebben gewoont, en dry oontinuële roaen- 
den geweest sQ ambachtshouder van den ambachte 
onder hetwelck ht| sal willen t-e kense komen. 
Begfl, ie Loven f Add. op dat v. d. 17 juli 1666, 
a. 17. 

AMBACHT8BEWAERDEB, zn. m. fr. Intpee- 
iewr des poldert. |) Ambagtsbewaardere , zijn regeer- 
ders van eenige polders; men geeft haar die naam 
als «U van schout en scheepenen van de dorpen 
iljn gesepareext, gelijk in Schieland: dezelven 
hebben het opzigt over de polders, en committee- 
ren uit haar drie molenmeesters , die het opzigt 
over de molens in de polders hebben; zij moeten 
ook sorgen, dat de omslag gexnaakt word, wat een 
yder tot onderhoud in de polder geeven moet. Daar 
%\jn ook fjcroosheemraaden", die het opzigt over 
de slooten hebben, en ,^likheemraden*\ die het 
opzicht over de wegen hebben. Te Bodegraven sijn 
ook ,yitraatheemraaden*\ die opzigt over de straten 
bobben. Boby. Zie over deze ambtenaren de belang- 
rUlw «nteekeningen van Ds Yxixb, Mnl, Wdh. v«. 
Ambacbtobewaerm, en ook Ybbdam. 



AHBACHTSBROEDBB, m. m. 
ambaekieffilde, fr. emppói Swn eorpe de mAier. \\ Dat 
geen ambaohtsbroederen bonne kinderen dat vol- 
ambacht sullen kunnen overgeven. O. lAége^ 1 deo. 
1707 , a. 4. Tongeren. Dat geen ambachtsbroeder sidi 
sal keten helpen met den ketel werken, roeren staa- 
ken [Z. stanken] oft stooken van iemand anden dia 
in den eydt des ambachts niet en is. Ib. a. 6. 

AMBACHTSOAST, zn. m. Zie AiCBACHTaxAV 
en AiCBACHTHOüDSB. (1 Om dan tot dien eynde kun 
behoorlijck te acquitteren, t*selve corpus aal sig)i 
vergaderen op het stadthu\js, . . . s* morgens goedta- 
tijdts, tot commoditeyt van onse gedeputeerde, 
met ieder een lysto van die ambachts^»ton ia 
'twelck sy presideren. O.Uége, 20 febr.1686, a^S. 
HaeeeU, 

AMBACHTSGEVOLCH, zn. o. Zie Db YsiBa 
Mvl. Wdh., en ook Ybbdax. || Ordineren, dat alle 
vassalen en leenmannen van de gheoonfisqueerde 
landen, heerlicheden en leenen, edele oft onedele, 
gbeestl^jcke oft weeriycke , houdende eenighe leenen 
van de voirs. landen, heeriicheden oft leengoedeik, 
als hooghe, middels oft leeghe justicie, amboehten, 
ambochtsghevolgh , vissoherijeur waranden, thiendea, 
landen, huysen oft renten, en elck van hen rea- 
pectiveiyck hen vinden, erscbQnen en oompaieran 
binnen ses weken. Plae, v. Brah. 28 lebr. 1569. 
I, 271. Op pene, wg deselve leengoeden, oft d^ 
ffhene die versweghen sullen sfjn, in <HMe banden 
doen stollen sullen, 't sij heermcheden, ambachten, 
ambachtsghevolgh , visscheryen, waranden. Ib. 272. 

AMBACHT8GEWIJ8Ë, b'uw. Door de gttamem 
Ujke leden van een ambaeiif fr. ecUeoHvement pmr 
ioue lee membres d^un eorpe de mUier. \\ Dat, soo 
haest deselve commissarissen sullen binnen s^n 
gekomen, ieder sal hebben to houden silentie, eii 
sich sedighiyck te dragen, soo ondereen als tegsa 
de voors. commissarissen, sonder in eeniger manie» 
ren to mogen getier maecken oft roepen, het waeie 
met woorden oft met wercken , t' elckers op de pene 
van 40 gis; en soo verre iedt sulckx gssohieda 
ambachtegewyee , en deselve op d' eerste vermae- 
ninge van -de commissarissen instenteiyck niet op 
en hielen, sal ieder ambachthonder vervallen in 
gelijcke pene. Be<fl, te Loven , 17 dec. 1696, a. 17. 

AMBACHTSMAN, zn. m. — libdbv, —lvt- 
DBK. 1) Ambtenaar f dienaar^ ir. officier ^ fonetiot^ 
naire. \\ Wi Jan, . . . doen cont allen Heiden, dat 
wi hebben ghegeven en geven voloomene maoht 
N. N., en alle den anderen, die gheweest hebben 
over dbesuec, dat gedaen heeft geweest op onae 
rechteren ende op onse ambachteliede. Brc^ T. 4 
mei 1884. En ule dese ambaohsliede bovenghe- 
noemt, date to verstane rintmeestere, ghnldekena, 
onapen en zegheleren solen a%aen alle jare in Sinto 
Dyonijsdaghe. Oork. 2 juni 1885, Bey. Ooj^ CarU 
f^. viij. Item, so soelen die voirs. scepenen en raet 
hebbcni die iiij bussen, dat es te wetene: vleee- 
houwer , wever , volre en droegscheren , met alselcker 
voegen dat mijnheer van Diest sal doen iaoomen 
met sijnen rijchter en met sijn ambaohtliden tgelt 
van den bussen, alsoe geiyc als si die voecgfaen. 
ambachten onder hen geset hebben. Batv., Drch- 
perie, 15 (1386). Item, so soelen si hebben üy 
rentmeesters, hoeren rijnten tontiane en inttagene 
[in te jagene] en uut te ghevene in hoerer stat 
orber; en die rijntmeesteren die soelen kieeen dia 
scepenen en den met van der stat van Diest, en 
soelen se doen eeden myns heeren rijchter, en die 
soelen der stat orberiyc dunet [L dienen]; en aUe 
dese ambachtUeden soelen aeng^en alle jaeren te 



AMB. 



AME. 



87 



mnte DenymnMM. Ib. Hebbe gelooft en geloere , 

m^eiL liweii hem Tunorove, tynen oooTent [l, oon* 

tsdQ end hoeren neekomelingen, nommermeretgegen 

ben, nog hoere eofacmteden, eoepenen of enyghe 

•ndne heeie embechtslnyde . . . mioh to setten of 

t» doen. Oart. S. Trond, 30 juli 1379. Van morde, 

djeften , loeff , moitbnuide . • . » dAeiyn sollen onse 

tnipUode Toirtrmren Tan onser heeriycheit wegen. 

O. LUgê^ 7 dec. 1411 e. 1. at.'JVmuUm. 

%) namdtPêtrkwm<m , fr. homwtê de métier y etrtiêan. 
II Voeh engheen loeppere, noch aeeerre, en mach 
aegfaeen laken nooh eleedere gheaeepen hogher te 
panden nooh te weta aetten dan die haere ghe- 
OBaagfat die ai daeiaf hebben souden. £nde <&er- 
orer [daarroor] mach men se ledeghen, waer dat 
si atopden. Kn desghelike yan aÜTere, en van 
aUan goede dat men ambachtslieden te werkene 
geeft. Xó. e. AmUw, a. 163. Yoorts Terbieden wg 
aUen aftiaanen, ambachtslieden en dorplieden palt* 
loeken noeht waembtdaen van zyde, nocht ook 
kooaaac gheboiit oft ^eboaffeert met syde. Plae. 
e. Fl. S7 mei 1516. f 69tf. Dat edelhede heeft in 
eampe groot Tooideel; want een rrj edelman ran 
baen [beiden] aiden aal niet ghewyst worden eenen 
elfen edelsn of amboehts of coopman, of keerle of 
baateert te Tsiaatwoordene. Zemr. o. 1628, 22. 

AMBACHTëBOLLË , sn. t. Mtmdffê$ie ofimriek' 
liys oarkotuiê wam aae tÊmbaekt, fr. ekarte dHiuiiith 
üoe ee règimMni d'mm méüêr. || Yertoonen met eer- 
biedinge die overdekens, dekens» oaderlingen en 
geoiejne sapposten Tan het ohirurgynsambaeht 
bamen de stad Loren, det sg hier Toormaels en 
soeh kcntalinge ayn genoodzaakt geweest, tot main- 
ticn Taa hunne ambachtsrolle , uyt te staen sware 
pneeaaan; om waeieen te remeditten, hebben de 
Tevthoonden de geaeyde rolle Tersooht Temieuwt 
ta worden. *tHof genegen wesende ter ootmoedige 
bede der supplianten, heeft de Toirs. rolle eö reg- 
lemenl gelaudeert O. P.-B. oe/r. 29 noT. 1723, 

▲MBACHTttTEECKfiN , m. o. OtêlaehUoapeH , 
fr. eraietrtet. )) Bn want %j [nL *tgealacht Tan de 
Bodingfaete] oee huer sepulture in deselTo capelle 
bagfepen hebben, gelyo dat blykt by den sarken 
daerinney en bi den geiaesrensteren daerinne staande 
sfi met huer wapenen Terwapent. Ende de Toora. 
■Mdsefa en steenhouwers selen moegen maken op 
dksn onlaer in der TOon. capelle een redelike autaer- 
tsMe, en die mogen Terwapenen oft met beuren 
ambaebtsteykene chieren. Mjibtbks en Tobt8. 
flbesAw o. Amim., lU, 628 (1476). 

AMBACHTWINNER, sn. m. AmbaekUmam, fr. 
Aaaiaw dB wêêiUr. \\ Dat gheen man, die in dam- 
beehl niet en ia, aal op de halle gaan, ende gheen 
goal mei den ambaohtwinre niet Tersien , ocht niet 
r ei eo p e n . K. lakmg. JSruately f>. 22, a. 8. 

AMBOCHT en samenstellingen of afleidingen. 



AMBOÜOEN. Zie HAXBOBexir. 
AMBTliAN. Zie ammax. 
AMBTMANNIE. Zie axxaihx. 
AME, zn. T. 1) AoMy fr. alai«. Vóekimaai^ inz. 
wi/mimami, fr. eMsera de eapaciié, paxtic. du Tin. 
KiL Ame, AmhBerp, j. 60 ghelten. || 1 ame w(jn 
(wordt genomen] op 48 gelten of 96 potten. 1 ame 
biaia houdt 60 ato<^mi of 100 quaerten. C, v. BnU' 
ssSy jHesae. 
2) JBm eel iai imfakkinffj fr. toiiea êervani Sm^ 
I. II Een arme tena nyeuwa, TÜj gr. Een dito 
^ T) gr. IFetertol, 1660. 
AMRL, BL. WaMBchgniyk decetfde soort Tan 



iturwê of wwt als bij Ds Ysixs , Mid. Wdb, en ook 
by Vbsdaü onder aksb bedoeld, fr. gorte de ftth- 
ment. \\ Corenassyns. Desen assyns sal men Ter- 
synsen : weyt, boecweyt , rogge , garste, haTer , spelte, 
arweyten, boonen, wieken, ameien, eoTon en onge- 
malen mout. O. det magieiraatê van ^tBoeek^ 22 
sept. 1441. 

AMELDONCK (Amendonok), zn. m. Zooals thans. 
ZetmeAy fr. amtdons het w. komt echter wel wat 
duister toot in het Tolgende citaat; || Den xiy 
aug. 1586, was te Ghendt op de Oooremerot gheenen 
rogghe; en op de taerweaacken saten de Tercoopers, 
en moest men haeren eysoh gcTen aleer sy haer 
sacken wilden ontbinden. Ten seWen daeghe wiert 
by trompette uytgetrompt ^^ameldonck'* te maeoken 
en cransiinghen [toch geen fijn gebak?] te backen. 
Belff. Muê. VIII, 419. a. 1685. Ameldonck oft styf- 
sel. Flae. v. Brab. 27 febr. 1603, a. 7. I, 301. 
Styffsel oft amendonck, ele 100 Ib. YI groot. TólU 
Antw. 1623. 

ABIELGIEREN, bedr. w. BrandêchOderen , kleu- 
ren op metaal tckUderen, fr. émtnller, || Gheerard 
Deskiens, goudsmet, Tan up 't zweert Tan der stede, 
daermede men justicie pleeoht te doene, t'emel- 
gieren de wapenen Tan minen gheduchten heere en 
Tan der stede Tan Tpre, biy s. Tprianaf II, 146. 
SUuUrek, 1471. 

AMEL008, zn. 1) Soort tan hwtdel koui, fr. 
sorte de Mie de boiSf de fagot, \\ Le droit dit 
Homi'oen^i consistant dans 14 patara de ohaque 
cent bottes de bois ^ brüler, dites „huit et huit"; 
item, dans le 16« denier de la Tente ou Taleur de 
tous les corps d'arbree, bois, sciés et non sciés, et 
lagots dits Amelooêen et VtoleH; it. dans 7 patara 
de chaque cent de fsgots dits Mmttaerden, Ptae, e. 
FZ., 22 apr. 1773, a. 26. X, 679. 

2) Een duister woord; gekoppeld zooals hier, is 
men geneigd te denken aan een bedorTen „haam"* 
(gareel). || Peerdenwerk en ameloosen. CkmeeUprivé, 
Uatee 31. (1570, 20« Tan wedemaend). 

AMEN, bedr. w. Beilem^ roeien, fr. jonger . || Yan 
den wynne thamene, aal elo Tat wijnts ghelden 
acht penninghe. Tol te IHeut^ 1307. Dat nietnan 
meten en sal noch aamen dan die ghesworen syn. 
8o wie met [mede, nl. honigwater], honech, zeem, 
weet, coren ocht wijn aamt, sonder deghene dierre 
toe ghesworen s^jn, wiet duet [doet] ocht duet doen, 
sals ghelden xl. s. JTè. e. Dieet ^ A. 41. 

AMEN DE, zn. t. Groene a— . Boet voor over- 
tredittg van vddkeuren^ fr. amemde pomr délUs eham^ 
pêtree. Zie kxübsk. || De meyer Tan NyTole sal 
hebben Toor elcke atpandinge t«ui beesten, die 
men heet groene amende, x^ st. Fr. tekst verde 
mmende, C. v. N^l, Stijl, a. 128. 

AMENDONCK. Zie ahxldovck. 

AMEB, zn. m. Kaai, loeplaaie aam een water ^ 
fr. Ueu de ehargement et de déehargement le kmg 
<r«e etmre d'eau. Kil. 'Amer, amerstadt, Ajcta 
(oerer). || Dat oock de magistraat deser stadt hadde 
opgerecht, buiten de Yissemtraetpoorte, eenen aemer, 
waertoe hen Tan noode was te hebben een deel 
Tan den bempde des ^oors. cloosters. St.-areh, Dieet, 
vak. 6. Overeemkomet met Mariendal , 1713. Het w. 
ia te Diest nog in gebruik. 

AMEBLINCK, zn. m. Soort van appelen , fr. 
eepèee de pommes. || Een erre metten hoTo, metten 
boomen daerinne staande, en bezunder met eenen 
appelboeme geheeten amerlinck, op die enre Toiia. 
steende; Tan welcken ameriinckboeme de Truohten 
en appelen dacr jaerlycx op waasende toebehoetea 
Ghoer StOTens. Medegedeeld door h. P. Cuypet» 



88 



AME. 



AMM. 



Tan Yelthoren, doch z<md«r bion; gewis uit Noord- 
Siftbuid. 

AMETONN£, zxl y. VtU inh. 1 aam^ fr. barü 
éPunê aune, || Sen ametoxme oaasie, honicb. Tol ie 
Antw. 1623. 

AM1£, zn. y. 1) Qeliefdê^ hemindê (in goeden 
sin), £r. emiB (en bonne part). || A<^. 1424, de her- 
toghe Monfroet van Glocestre quam met zinder 
amye, ttou Jaoobe, te Galeys. Jak y. Dixmvdb. 

2) BijtUj ir. oondihiM. || Wie dat t^n wijf Yer- 
balemond, ocht ander amie openbaerleke helde, 
sodat hi met hare huywaed houdt. — Ghehawet 
man, die openbaerleke amie houd boyensinen wiye. 
Kb. o. Antw,^ a. 181, 182. Dat gheen meester gheen 
amie houden en zal binnen sinen huae. K. Ükeng, 
U Brusêdj 1864. Wie [hoe] he beteren lal dee 
ejn amie bi ajn gecoght [wettig] wyf zet. O, e. 
Maattr. Stat. v. 1380, CYi. 

AMMAN (Amptman), zn. m. Zie by Dx Y bibb , 
Mml. Wdb.y de keurige YerUaring Tan dit woord. 
1) DB AiiMAK Hf BSABAKD. a) In Ad kwartier eo» 
JBrusseL De hoogste ambtenaar dee hertogen, wien 
de uitYoering der rechterlyke maoht en de bewa- 
ring Yan 'sYorsten gerechtigheden toeYortrouwd 
waren. Hxnbx et Waütxbb, Mitt. de JBrux., I. 
6, 27, bj); Ily 601. Deze ambtenaar droeg den 
naam Yan ,yBchoutet of schout" in de kwartieren Yan 
Antwerpen en Yan 'sHertogenboech, Yan „meier" te 
LoYen en teThienen, en Yan „baljuw" in Waalsch- 
Braband. Uy had tot zgnen dienst een zeker getal 
knapen, aexjanten of dienaars. || Is en wordt bin- 
nen de Yoorsz. stadt Yan Brussel, en OYer de Yiy- 
heyt derselYO gestelt bj den prince Yan den lande , 
ais hertogh Yan Brabant, eenen amptman, schilt- 
bortigh wesende, en daertoe eenen lieutenant, 
beyde geboren Brabanders en Yan wettigen bedde, 
dienende by commissie Yan den YOorsz. prince, 
ende hunnen eedt doende in handen Yan den can- 
oelier Yan Brabant, en oock Yan den borgemeester 
en wethouderen der Yoorghen. stad, en daerby 
Bweirende de Blyde inkomste, rechten en priYile- 
gien Yan den lande Yan Brabant en derseWe stadt 
t'onderhouden. C. v. JBruagel, 1607, I, 1. dOfficie 
Yan den YOorsz. amptman en synen lieutenant is: 
de hoogheyt en de heeriycheyt Yan den prince te 
bewaren, alle delicten eü forfaicten tot bunder 
kennisse comende met den rechte en Yonnisse der 
wethouderen der Yoors. stadt te doen corrigeren 
en straffen, de keuren en breucken binnen deeelYe 
stadt en haere Yryheyt Yallende tot behoef Yan den 
prince te Yoorderen en te innen, en eenen iege- 
^jcken recht en justitie te doen geschieden, des 
Yersocht ^ynde. Ib. a. 6. Den Yoors. ambtman heeft 
oock de macht en authoriteyt Yan te beschiyYen 
d*officien oft hooft-meyeryen Yan Merchten , Assche, 
Gappelle-op-den-Boech, Campenhout en Bode, en 
andere officieren daeronder reeorterende , in saken 
Yan extraordinarisse subsidien en andere diensten 
tot behoef Yan den prince en Yan den ghemeynen 
lande Yan Brabant. Ib. a. 6. 

b) In het kwartier van Antwerpen. Hier was de 
^myw^Ti een onderhoorige Yan den schout, en was 
dus niet meer de opperste ambtenaar des hertogs. 
II Den amptman der stadt Yan Antwerpen moet 
wesen Yan wettigen bedde, in Brabant geboren, en 
poorter derselYer stadt, en wort gestelt b\j ofte Yan 
wegen des hertochs Yan Braband, daerYan hy moet 
brengen des hertochs opene brioYen Yan commis- 
sie . . aen de weth alhier , en den eedt doen Yoor 
deeelYC weth. C. e. Antw, oom/»., I. iy, 1. Des ampt- 
mans officie is: te wesen mamider en Yolbrenger 



oft executeur Yan Yonniasen tsijnder mamssen ge» 
gCYcn; mitsgaeders oock om., reohtelgck bewaarder 
en sequester te sijn Yan *tgene onder recht moet 
commen; sonder nochtans eenige kennisse ott jndi* 
cature Yan saecken te mogen hebben. Ib. a^ 2. 
Zie hieroYer den titel: Van reehivoorderimge. De 
amman had onder zyn gebied den officier der 
„Lange roede", eenen klerk, eenen gezw o re n 
oudkleerkooper, en een zeker getal „cna\JYeni*'. 

2) DB AMMAK IV TLAAiTDBBBV. De ambtsYerrich- 
tingen des ammans waren hier nagenoeg deaelfde 
als die des ammans te Antwerpen. Zmals deze 
onderhoorig was aan den schout, was gene het aan 
den ba^uw. De Keure Yan ter Fiete, Yan 12My 
a. 1, noemt hem „preco" en beschrijft aldus de 
eerste zyner bemoeienissen: j| So wie Yan eenegher 
dinc beclach roeren wille, hi es sculdich dat be- 
clach en sine dinc te toghene den baeliu . . , efi 
dan és die baeliu sculdich selYe, oft met sinen 
bode, of met den scouteite, dai ee den a m m an f 
te dagene denghenen . . , dien de sake anegaen, 
up den eersten sondach, in de Yiersoarre . . . De 
Lat. tekst zegt: per mmtimm emim, vd per preeo» 
nem ewmnt id est amman. || Is Yoorts d*offloie Yan 
den ampman te bannen Yiersohaere Yan de stede, 
naerdien den poortbailiu gOYraech ghedaen aal hein 
ben aen burchmeesters en schepenen: oft tydt en 
ure is, dat hy Yiersohaere mach doen bannen... 
C. o. Venmet I. 82. DenzelYen -ampman Yan de 
stede moet oock ontfiuighen alle namptissementen, 
die men doet bin der stede, ter kennisse Yan twee 
schepenen.. Ib. 88. Gheen officier, meyer, amman, 
ofte die deelachtig es eenighe baten, en zal mo- 
ghen schepene wesen. C. o. Deeeeidank, 1612, a. 5« 
Boo wie syn landt Yercoopt, is sohulchoh aen den 
heere twee schellyngen parisis Yan den bnndere, 
en aen den amman, YOor 't doen Yan elok kerok- 
gebodt, dry groeten. Ib. a. 46. 

3) DB AKKAir TB BBüoeB. || Het ampt Yan den 
„aman" u : opdat hy (ter Hallen , op de behooielyeke 
plaetse) YOor twee schepenen, den greffier crimineel 
en den stadthouder des sohouwts (te weten na 
d'onderYrsginge : oft den klookslager, onder Yolko» 
men eedt, alle de behoorelycke klockslagen gedaan 
heeft), opdat denselYMi aman (zeggh'ick) pnbiyok»- 
lyok ter Hallen uytroepe alle de bcYeUen der 
prinohe en Yan 't magistraat: daerenboYen ooek 
alle de YOorschryYingen der ballingschappen, zoo in 
de hallen als op *t misdaedttooneei : hy roept oook 
uyt alle de Yooghdyeschappen, dewelcke Yeropen- 
baert moeten worden. De kennissen Yan welker 
uytroepingen den Yoors. greffier (in de tegenwoor- 
digheyt Yan twee schepenen en getuygen) optee<y 
kent en dezeWe na het magistraat OYerdraegt. — 
Den aman besorght oock (met den deken der mesoh* 
rapers) dat . de straten niet YerYult [belemmerd] 
noch YerYuylt en worden met eenige beletsels Yaa 
boomen, oft met andere oude materien Ysn Yer- 
Yallen muragien : dewelcke hy ter thraeorye OYer- 
draeght, en beneerstight de boeten, die daerorer 
gestelt zullen worden. Db Daxrottdvr, Chrootdadig' 
kegt, 621. 

4) BXPACHTICH AKVAV. Gelj}k de meeste open- 
bare ambten in de middeleeuwen, werd ook dat 
Yan amman te leen gegoYen, en kon dus erfoohfeig 
worden. || Leen, middelbaar ofte eenichsins edele, 
twelcke si heeten feudum medioeriier ten aUjnanimm 
nobHe , is 'tgene dat men ontfaet Yan de Yoorsohre- 
Yen deene Yassalen ; of 't is 't gene dat men ont&et 
Yan den graVe, met noch miiubre offioien, gelyek 
als te zyne er&ehtichmeyre, erfachtig amman, éb%- 



AMM. 



AND. 



89 



jOMTy tonviMr, dmi^pwaapdaw , mssngior en diiOfgo* 
^fcke. Jj&ÊMt, «. F'i., 18. 

6) ^sAmmftns. S^ptiach foor: ü^^ tew^.af M 
iw Hywiwij «ics ommojm, fir. to MawoN o» to pri- 
Ma iê Tmmm». II Zoo wie Tan nu foorfcui berooiden 
1^ werden in orenpel, lal gaen in 'tsanums, en 
deer vangeniMe hoeden te water en te bioode züij 
daghflo laao ghednzende, in eene pleeke alleen. 
Cbrpor., 89. O. t. 1611. De X. om ^ TiaU t. 
1866. a. 88 f heeit^ in plaataTan 't gebniikelijke aam- 
masfl, ,;feBOOiitetenhnus", ad énmmm prmxmiê. 

8) *sAinmAnsbrieTen, soo hiet men te Ant- 
werpen dê dagvaatdiaigem éiu oneiafw, fr. mssi^mo' 
fwmê de Fammtm. \\ Mits dat bigckende is yan de 
lente aü paehte roet BchepenenbrieiTen der itadt 
van A nt werpen, dat d^amptman, des yenocht wor- 
dende, den proprieteris, ghebraycker oft hant- 
pUchter Tan den pende adinldicn is met ampt- 
mansbrieTen inne te schriJTen tienen eompetenten 
doD^dege, en periye bedwinghen tot beCelinghe. 
C. e. AiUm», 1582. XXX, a. 1. Als een bn^tea- 
■aa, wooeiide int qnartier. t. Antwerpen, alhier 
gliaiiiiieUiiiit synde, boren arrest yeztreot, sonder 
inntiiasniifkfin daeraf ontslaeghen te syn, aft con- 
sent Tan m\inen heere den amptman oft Tan par- 
tje d ae ti oe te hebben, maoh bg ammaasbiieren 
■i^eorhmTm worden, om alhier te rechte te staen, 
SB bi| gebr eke van comparitie geooutumacieert wor- 
den. IK a. 81. 

AmiAMT TR (Ammandie, amptnumnie), sn. tt. 1) 
Mii neki^pêbitd mm den tumman im kei kwartier 
eae Mrmeeel^ fir. Ie reeeori de la fmridietio» de ram- 
aaae os foariier de BratMee, Zij was onderrerdeeld 
m acht hoofdmeiergen. Zie Hsmni et Wavtbss, 
in«i. de Bms.y II, 601. Zn Vlaanderen aien wij 
ook <y,amptmaanien" als onderrerdeelingen Tan een 
seehtsgefaied; alioo begreep de sted en Kastelleny 
van Yeome 48 dorpen, Terdeeld of gerangschikt in 
88 ampteannien. C. e. Fmms, I, 1. 

8) Met ambt dee avmaime te Vlaamderea^ fr. 
Veifftm é^atemam em Flamdrê. )| Item, es binnen der- 
selre stede een ander officie, ghenaempt de am> 
manie en chipiersoip ders^Ter etede; dewelcke 
officier en amman gheeostumeert es de scepenen ah 
«ethoodeis te maeneoe Tan den rechte, oeo mede, 
bf ghebode, tor hennessen Tan scepenen, alierande 
eoholdeueeie, hj partien en de schultheesscfaeffs 
Ttersochi wesenoe, te Tanghenen ende appiehen- 
desme, in Tanghenesae te leedene en hondene, en 
deselTe te rechte wetwaerto te bringhene, omme 
deemner op deselre recht ghedeen te werdene nsor 
d'ezigencie eü berindt Tan de adke. O. v. Audem^f 

CbrreeOam, a.8, Us. 344. 

AMMAHfiKN AP£N , zn. mT., fr. fuiete ee ssr- 
^sils de rammoÊL \\ Ammansknapen, seigeniea oft 
disnevsn. JUbemk. e. j5re6., 88 oot. 1689, leg. 

188 f*. 1. 

AMKAKSSCHAP , sn. o., fr. ammame. \\ Oasen 

lieden Tan denselTenemnuuisoifM. — AUeonseseoh- 

teren Tan den Toergenoemden arnmansoap. K. e. 

üresssl, 1298. Zie amkavib. 

AMH£LAKEK, sn. o. T^ellakeH, fr. map^. 

KsL Ammelaeoken, j. tefeUeeeken. Zie Jbs 

Ybixs, MhL IF^i&.enyBBDAKzA meiaken. \\Op 

die camere Toese^ boren dat hnjrs. 1%, y quiede 

awmelakemi Zse. 1489. 
AMM KïiAKKNPEBSSE , sn. t., fr« preeee èmap- 

fsf, edlemdre. || AmoMlsken oft earnettenpSBne. 

a e. Amteo. 1688, zij 100. 
AMMKR (Amer, Ammier, amber), sn. m. ^m&sr, 

4arMlefe, fr.oaiisw. H ^e Antw.iol t. 1305, in het 



latyn , heeft per tomna ambre. Mbbtrtb en Tobvb , 
G^neh. V. Antw. II, 648. Oudste melding. || Yan 
eloker tonnen ammen, die men heet „bemateen" 
Saneatolf 1409, f^. 186. Ameren of berresteenen. 
Een smael tonne Tan der grotto yan eene herincx 
tonne, drje gra. Watertol, 1660. Ammieren oft 
berresteen, elck casse 1 scell. ly gr. Sehatting v. 
1661. Ambre, gran oft swerto, d*once, Trr. Tol e. 
1697. Den be^en Paternoster, sonder denselTen 
Tan sÜTer to weaen, meter wel Tan corael, ambe- 
len, getten, oft andera. C, e. Asitw.t 1682. xlj. 108. 

AMMIEB. Zie amvbb. 

AMOMrriKBKOOT (Ammonitiebroodt) , sn. o. 
Legerbroed, amemniiiebrood , kommie^ood, fr. pam 
de munUioa, j| Wg Terbieden hen [hoofden, eoro- 
n^en, ete.] inagheHjeken to preeenteren in de 
monateringen en nytdeylinghe Tan het amonitiebroot 
eenighe uidere persoenen als hnnne oprechte en 
effiMtiTe soldaten. JPlae, v. JBrab. 81 oot 1688. a. 2. 
II, 884. (Oudste melding). An den heere hooch- 
baillin, aohepenen en greffier, taaemen acht bon- 
dert ponden parisia , in recompenae Tan hemlieden 
meenichTuldighe debroiren geoaen int ooopen yan 
ooome om tbacken Tan ammonitiebroodt toot de 
Franache gamiaoenen ten jaere 1648. Bbhbbt II, 
879. 

AMPEL, byw. J^rsMfoosr^, w^dloopig, h,ample' 
memt, eoMeid^rttbUment (en exteneum), '\\ Zoo breet 
en ampel quam dees siecto oft quale [el. der nieuwe 
religie] onder 'tghemeente (gheiyok eenen cancker 
sltijt Toorder orupende en inetonde), dat te Ghent, 
CDS. Ber. t^den, I, 86. Yerolaeren hun daeraen 
te confonneeren , omme de redenen dserby seer 
ampel gedednceert. Amaei. 100 (1784). 

AMPT. Zie axbaoht. 

AMPTMAN. Zie axxav. 

AMU6 (Amutse), sn. m. Koorpele, petemoMtd der 
do mk e e r e n, fr.oemesss.Kü. Amutse, j. almutae. 
II Dat alle degone, willende in deselye neeringe 
kommen, gehouden syn, yoor admisae yan dien, 
to doen de behoorelijcke preuye met het maecken 
yan eenen canomnckamns. O. P.-B. amir, 29 oct. 
1726, a. 8. Baateoerkere te Oeni, Alle deghene die 
yoortan entfsnghen werden en yan den Icwde [aan- 
wesigheidspenning] ghebruucken, sullen hemlieden 
stoffeeren binnen &n. e e t s t en drie meenden yan 
een amutse, en die draghen m den choor en daer^ 
bnuten der keioke, en alomme, waer tcolege in* 
oorden is gaende en met orersloppen ghecleet es, 
up pebks /ran ghepriyeeit to weeene yan den loode 
en yan eUen diensten yan der kercke. Bijkearek. 
Xoorrpgi. Wmocxberfemy 16« eeuw. 

AMUTflE. Zie axüB. 

AN. yoorz. Zie abb. 

ANCHIOVEN, sn. m. Anefoven^ fr. améoie. \\ 
Het tonneken yj at. Tel e. 1697. Oudato melding. 

ANDACU (Uandaoh), sn. m. De adUete dag na 
een kerkdiik feeet , de laateie dag der octaaf , octaaf- 
dag, fr. ia demier on kaitième four de Voetave. Zie 
Db Ysne MmL Wdb, en Vbbdah. || Op éefn an- 
daoh yan aento Marspa daghe in den winter. 
Miei. eed. 162 (1807). Die yoeren awoenadsgea naer 
«ndagjh Paacen iAaaenede. Oorpoi^. 19 (1329). Pre- 
aenttwynen. Ghepreaenteeert den xij«n in wede- 
meent, weaende handach yan den Saoramente, den 
ghildehroeden van den heleghen Saeramento, naer 
•ceateme^ drie cannen wyna yan xtij at. den stoop, 

fhehaelt in de Oroone. Bekeek, v. Brab. , reg. 84 , 098, 
>. ^ eo. BA. o. Jhamade, 1488-^9. Ghepre- 
esnteert den ryya» in wedÜBmaent, wesende den 
jttdadi Tan den flaorsmente , den ghildebroedera 

12 



90 



AND. 



AND. 



Tttn den heleghe MUSTAmente^ drie cannen wyia, 
d*een canne van xij at. en d*ander twee cannen 
Tan Y^j Bt. den atoop. Ib. reg. 34100. Bek. 
1490 — 91. Dexe twee laatste aanhalingen bewezen 
ten klaarste en sonder yerder tegenspraak dat de 
Andaoh de achtste dag na een ieest was. Immers: 
1^. In 1488 yiel Paschen op den 6«n april, de son- 
dagsletter was FB, de H. Sacramentsdag viel op 
den 6en juni, waarmede correspondeert de don- 
derdag 12e juni of 12« in wedemaent. 2^. In 1490, 
yiel Paschen op den ll^n ^pnl, de zondagsletter 
was C, de H. Saorainentsdag yiel op den don- 
derdag, lOon juni, dus was de andacb de don- 
derdag 17o juni. 

ANDER, ranggetal. Tweede , ft. deuxième.,. \\ 
Die ter irster waerheit niet en quame, hi hadde 
▼erbort xx so.; en quame hi niet ter ander waer- 
heit, die men dade Tan denselyen stucken, hi 
waers eght om xx se.; en quame hi niet ter derder 
waerheit ... K. v. Antw. 1292. It. Heinrioi de 
Wickere, die lach, hem andren [hij de tweede], 
in ser Braems casteel. St.-rék. QeiUj 226 (1337). 
Op den anderen dach Tan december. Óodsh. jBntM., 
reg. H. no. 266. Cijne vfi. 534, a. 1360. Up den 
anderen dach Tan september. C^ende Ckartb. 113 
(1397). Het ne ware dat [tgraen] boTen den ande- 
ren maendach , niet Teroocht sijnde , int coorenhuus 
blcTe staen,- dan soudt anderwaif den lepel Toor- 
seit moeten ghcTen. Ds Yl., Aec. 19 (1417). üp 
dat d'officier de Toirs. eerste leteren niet en obe- 
dieert, zo zend men hem eene andere en eene 
derde... O. v. Aalêt^ blz. 416, a. 10, onUr. 1457. 
Men Tindt yierderhande serTituten : ierstwerff .... 
Ten anderen male Tynt men serrituten oft e\jgen- 
heijd , die de erTe den persoon sculdich is . . . Ten 
i^en male... T. D. Tav., 50 t^. Yan dien daghe in 
xiiy nachten sal hi noch also doen en segghen: 
dits dander gebodt, en daemaer, OTer xiiy nacht, 
80 sal hi noch also doen, en segghen: dits tderde 
gebodt; wilder yement naerhede ane heesschen, hi 
comme te sgnre naerhede. Leent. t. 1528, 56. Oft 
gebeurde, dat deselTe Trouwe herhoude en sy by 
haren anderen man oock geen kindt en hadde, 
en haren anderen man oock aisoo yóóx haer storre, 
Boe sullen nochtans haers iersten mans patzimoniele 
goederen TOorschreTon comen totter Trouwen naeste 
er£Pgenaemen naer haer doot. C. v. Dieet ^ YIII, 4. 
Soo wanneer de stadt haere bu^tenpoorters be- 
schrijft op haer poortersrecht, en dat dié metten 
eersten brieff niet en oommen, . . . soo worden die 
metten anderen oft tweeden brieff wederom beschre- 
Ten. O. o, AnUo. eomp. Y, t, 2. Sulo wgf brinct 
kinder Toert In dander maent, als men hoert. 
Vr. ham. t. 741. 

AND£K, b^T. Tnw. JSSm amdefy iemand andere, 
fr. fu» amirej qmelqu'fiM d^amire, amirmi. Ybbdax, 
409. 2). II Wie andren logenstreent. K. e. AnUo., 
1292, a. 1. Die andren quetste, lo. a. 6. Die den 
anderen Termincte. Ib. Die op andren tiocke rer^ 
segde wapene. 12. Wie den anderen stake. 14; Ten 
anderen [«2. tweede art.J, ten tweede, fr. eeeou' 
dement. Te weten.dat een bastaert.. Ten ande- 
ren, dat 800 wanneer eenioh kenneiyok ongeTal 
gebeurde. C v. Dieet, priv. 15 mei 1509. 

2) Bij den anderen, t^^ader, U tomen, ver- 
gaderd, fx. eneemhU, aeeemUé. \\ In Tyfthien jaeren 
daer te Toren noyt schoonder hoop toIcx by den 
anderen en was gesien. Piot, Chran* 107. 

ANDEUDACH, zn. m. Tweede dag, fx. densième 
fonr. II Karele was acht iaer graTe en doet ghesle- 
ghen up den ander dacn in maerte anno Domini 



duust een hondert en zeren en twintich. Jajt.t. 
DiXMTiDS, 54 — 55. 

ANDERHALF , telwoord. JBen en kalf, fx. m 
et demi. || Dewelke Tgftien scaelghe [schellingen] 
soe [zij] heeft besettet en bewijst up ^i»«^<w»ii^if ghe- 
met lants . . 17 aug. 1290. 

ANDERLINCK, zn. m. Aahtemeef, neef in 
den 2«n graad , kind Tan een Tollen neef (^ eene ToUen 
nicht, tt. eomtin etme-germaim. \\ Dander [pomt], 
dat hi ware maech der partie, rechtsweere, of 
anderlino, sal niet gelooft zyn, of het en ware Tan 
maeohsibbe; die es men sculdich te piouTene metier 
zibbe. Leenr. t. 1528. Gt. ij r». a. 2. 

ANDËBS, byw. 1) Andere geeegd, met ander 
woorden, fx. €Êmirememt dit, en d^antree mote on 
termee. || Hoe een tochter oft tochterèse [*t] tocht- 
goet regeren sal Tan 'tholt, oft anders: welok holt 
men in trecht hilt toot haórt oft weeok holt. C. gr. 
Loon, I. 55, a. 86. 

2) Met „dan**, goTolgd door eenen afhankeiyken 
byzin: behidve, tentij, fx. eauf, ei ee n'eet qne. 
II Alle gehuwede persoonen, man enwyff, moeghen 
alle contracten vaUde passeren, en syn myt alle 
momborien , anders dan dat de man blyft momboir 
Tan synder huysTrouwen. C v. Antw. 1545, X. 9. 

Anders worden dan te passé, mOeer wor* 

den, eterven, fx. empirer, momrir. || Hy, deposant 
[chirurgyn], kennende d'oude ziekte Tan denzelTen 
Gheleyn, zeyde dat hy wel zoude dienen teraedere 

ghelaeten te zyne, zonder nochtans daeranne te 
urfren commene, OTermits hy ghoTanghen was, 
om dies gheen Terantworden te hebbene, indien 
'tanden met hem ghewierde dan te passé. TVow- 
hiee relig., I, 150. 

ANDERS 8UNDEB8 WAERE, byw. De be- 
teekenis is wel eiéere, fx. aiUearei „sonders" sohynt 
ter Torsterking Tan „anders" te dienen. || Soo Tem 
eenich porter waer die eenen anderen porter Tan 
lyf en goet aensprake, anders sunders waare dan 
in der Toors. baincke Tan Megem, die waer den 
heere op ses pondt. C. v. Megkem, Oork, t. 1357, 
a. 15. Anders waer. Ib. a. 18. Zie An>BBSW^SB. 

ANDEBSDAECHS, DES—, met sterke Terbui- 
ging Tan het byT. nw. || Als men Tersschen ae^ 
Tesch sandersdaeghs ter marot brenght, soe zal 
men daerbi zetten een banire op enen stee, twee 
ellen lanc. Kh. v. Dieet, A. r. 35. Als men Tor- 
Bchen zeeTesch des anderadaeghs ter merot brengt. 
Ib. £n OTer deghene die dies niet en ghelden msioh 
men des andersdaeghs daghen. Ib. 38. Die syn 
ghelaegh niet en ^taelt sandersdaeghs Toer der 
nonen. Ib. 52. 

ANDERSTONT, byw. Nadat, eoodra, fr. «ywit 
qne, atteeii^ aprèt qae. || Naer *sdeposants beste 
onthout, en midts di^ den deposant Tertroo ander- 
stont dat de presentatie [eener inschryTingslgst] 
Tan eenen yeghelyck by den predicant gheteeokent 
was , zo wierdt den deposant oorts daemaer . . ghe- 
TTamfat wat hy daertoe contribueren wilde. TVow- 
hUe réUg., I. 113. 

Eer a — . JSer, aleer, ahorene, fx. avani fm. 
II Dat zy InL de soldaten] . . binnen waeren en b»- 
gonsten te schieten eer anderstont zoe [zy] ye- 
mant ghewaere was. TrouNee reüg., HL 22b. 

ANDEBSWAE. Zie AinnBSWAiB. 

ANDERSW AER (Anderswair, anderswae, anden- 
woe), hijw.JSldere, fx. aüUemrei \\ Yoort mogen wi, 
here ran Euyo, mit unsen knapen 'en mit unsen 
Trinden wel Taren helpen en dinen dien hertoge 
Tan Brabant . . . anderswaer dar his te done hoTOt. 
Brab. T., 21 oct. 1286. N^kt^ CM. I 1. Die 



AND. 



ANÖ. 



91 



tedoif «hit wSjn die leemran, die alle dat jaer 

èon dl» \iode leron , hier en andenwaer met harer 

Imen én fsoedon lerene. JUêr Kerslmih. 89. Dat 

luemuxk egeen -wnlleweirck maecken en aal, noch 

doea naaéken, die in onse lande Tan Megem woon- 

aoblagh sQi^ % enderewaer dan binnen oneer atadt Tan 

Megem. C. v. Jtfi^ileai, Oorib. o. 1375 a. 18. Zoe 

«y hei ai}| men Offt Txoawef die eenen gebannen 

pnaoen nat der stadt van Sintmden in dereelyer 

ftadt oft Trijhmt binnen xQnen hoijw oft anden* 

woe onttult. K, v. 8t.-Truid0m, 1866, a. 86. Dat 

die meestere oneer stat van Sentraden tot allen 

tiden enelen moghen te wapen roepen, die ban- 

oloeke loden en hore banieren brengen op die 

meRi en anderewaer. O. 2a^, 17 mei 1898 a. 

18. St^'Trmdém. (De nitgerer liet dmkken ,^ndeni, 

waer*\ *twelk naAnnriyk eene deohte TertaJing ten 

gevolge had). Dat nyemant in den name off van 

aeneÏTer oneer stat wegen, eonder oom scouteten 

en der orenter raidteluden oirloff en consent en 

aal mengen slaen noch lajden die doek , noch banire 

dragen op die merot, noch oio anderswair in der^ 

selTer etat, om dat Tolek te bemerene. O. I^Sge^ 

17 ang. 1417 a. 5. Herek, Hadde de man anderswair 

goeie genoeh, aoe waire hy scnldieh te snpplieren die 

alimentctt en onderhondinge van Tnetaele [zijner 

▼nmw]. T. D. Tat. 248 ▼*. Yangen en setten ter^ 

■tont, eonder hem anderewaer'te laeten benaohten, 

in oneen gefenokniese. O, Li^, 11 dec. 1600 a. 22; 

ook e. 82. Ordineren , off jemant sich onderwonde . ., 

noeh oeck eniger anderen materie Tan golt en sil- 

Tv, die andenwae te dnm^hen dan op onee mnynte, 

OD aldaer te Terwercken. Ib. 18 juli lb%2, a 8. 

ANDEBSWAERVEN. Zie ahdibwxbt. 

ANDEB8WARFB. Zie AirosBwnv. 

ANDEBSWEEB, sn. m. Sloêdoerwani ie dên 
Sei grmadt mdtUntétf, kind van êêm voUêm nmf of 
eflM eofle ecdU, fr. oomtm iêëu dê ffermain, eouêim 
mmw-^ermam, JHax echter het w. ^eef * de beide 
betoekenieeen heeft Tan neem en ooime, komt het 
one TOOT dat .„andereweer** richtiger, [ja, niet eoo 
loiTer] door ,vi»hterkoiijn*' dan door „achtemeef " 
soa orergebracht worden. Ds Bo : Twee persoenen , 
wier respeeüere grootTaders of grootmoeders broeders 
of raetera sijn , noemt men Andersweirs. De ander- 
iweirB sgn de kinderen Tan rechtsweirs. || Deerste 
syn broeders ende snaters; die ij zijn de kinders 
Tsn dien , die men int Ylaemsoe heet „rechteweers**; 
die iif sijn de kinders die Tan rechtsweers coemt 
(jte), ghenaemt ,4mdersweers"; die iiy zijn de kin- 
dere, die Tan andersween oomen, ghenaemt ,^er- 
deeween**. Dx Bo (Th. Tan Herentals).^ Van soenen. 
Toert, enderswers znllen hebben. de twee deel Tan 
dattre blijft naer de maniere Tan den rechtzwers. 
Awieiu eiee^., I 342 (1824). Willem Tan Loo, men 
hih hem al Ylaenderen doere als graTO, want hy 
wae anderxweer Tan den graTe Kaerle, en in iJ 
Trankerike en was niemant naerder Tan sibben. 
Jaji. t. Dmnmi, 54. Alle andere, de coUaterale 
oftTanbesiden,zyn broeders, snsters, ooms, moeden 
oede oome , oode moetjen , rechsweers , anderzweers 
ende also Toort Leenr, e. VI, c. 18. Een gronde- 
nare beift een leen, dat hem comt Tan zioen Tader; 
hi heift eenen broeder Tan der moeder zide, en 
lyn n a e e tw maeoh es een anderzweer, of derdzweere 
Tan eradersside, en hi steerft sonder hoir, zyn 
leMl sal tooeommen zinen anderzweere of derd- 
zweere, diere naeet zy, wyf of man, en ontghaen 
den broeder. Want het en mach niet nten ghe- 

iiMfate gMn. Jui fmid. Fl. vetns, c. 82. Leettr, v. 

IW8 !•. b. j. T*. 



ANDEB8W0E. Zie aitpsbswaxb. 

ANDEBWAEBF. Zie aitdbbwsbv. 

ANDEBWAERFYEN. Zie akdbbwxbf. 

ANDERWARF. Zie avdbbwbbv. 

ANDERWEERF. Zie andebwbbf. 

ANDERWERF (Anderweerf, anderwaerf , ander- 
werf, anderswar£i, anderswaerTcn, anderwaerf Ten, 
anderwerren), byw. 7V» itDêeden ntdU^ fr. wne m- 
oondê foiê, powr I0 dêuxième foiê. || 80 wie dat 
ghestolen dmo coept. . . Die anderwerf gheetolen 
goed coopt. Lat. Qm teoundo remJhrHvam emerii. 
Es oec dat zake, dat hy derdewaerf ghestolen goet 
gheoocht heeft. K, e. Saffdare, 1264 a. 80. Zo wie 
Toor den baillio en scepenen Terde wederseide, 
sal ghcTcn den heere xl schell.; wederseide hine 
anderswarfs, zl schell.; derderwarf itj pt. D>. 60. 
Eneweerf, anderweerf, derde weerf. K, e. Aniw, 
1292 a. 67. (De Bruss. keure heeft, eenwerf, ander- 
werf eö derdewerf.) Wie stale beneden T^jf scel- 
linge weert, men soudene tekenen; Tonde men gete- 
kent, en anderwerf stael, hi hadde tlgf Terlwert. 
K. V. JBruës. 1292 a. 17; (de Antw. k. heeft: ander- 
weerf.) Ten Torzoocke Tan LicTin Lippens, wierdt 
anno 1399, by soepenen Tan beede de bancken 
ffhewyst de moedere anderwaerf te Tcrdeelene , om- 
dat claerUc bleeck by oorcondsoepe, dat zou [zij] frao- 
deleoselick Terdeel ghedaen hadde. O. e. Oent, 
wmnitf 12 ang. 1899, I 578. Besteedt dat die rich- 
tere aen die soepenen, hi saels ghelden iy Ib. En 
alsoe anderwerTon iij Ib. En derdewerren iij. Ib. Kh, 
e. Diêst, B 18. Zo eyst, dat wy, de zaeken tootb. 
OTerghemerckt , n ontbieden en bcTelen zeer ezpres- 
selicken bij desen, dat ghy anderwaerfren en Tan 
nieows doet publiceren, allomme daert behooren 
zal, tplaccaet etc. Plae, v, VI. 24 jan. 1546. I 702. 
Ben man ofte wyf anderwaerf en te meer stonden 
ghehowet gheweeet hebbende. C e. Aud. eah, prim, 
YI 88. 

2) Voortui, vroeger f fr. amparavani. || Dat den 
oostere eenen ondercostere, weerdich ter zeWer 
oiBcie, schuldicb werd te hebbene en kiesene, toI- 
ghende de oostomen anderwaerf daerop gbehau- 
den. Oends Chartb. 182. 1 dec. 1420. 

ANDRIESOULDEN of BOERGOENSCHE 
GULDEN, fr.Jlorin 8i. André, Gouden munt het 
eerst geslagen door Philips den Goede, in 1466, 
TOor Braband en Limburg. Zij droeg de afbeelding 
Tan den apostel Andreas met zQn kruis.' Yakdbb 
Ghijs, Heriogd, 1, 147. Zie Plae, v. Brab. Il, 524, 
588, 558, 574. 

ANE en zamengestelde. Zie aek. 

ANEBELT. Zie axkbilt. 

ANGEL, zn. m. Term in de bouwkunde. || 
Item, enen bant orome den groten slotsteen, met 
enen oog en enen angel met daken (.'), xrj bod- 
dragers. -Batic., 8, Sulpiee l, 8, (1454). 

ANGEL, zn. m. Zooals thans. Figuurlijk, fr. 
aigmlUm. \\ Alritu Terwonneste den angel des dodes 
so opdedeeto den gheloTighen die rike der heme- 
len. Oetijdb. XYe B. 21 t«. Te Deum, Tu devieto 
mortis aeuleo. 

ANGELOT, zn. m. fr. anqeloi, Eene fransche 
gouden munt door Lodewijk HC het eerst geslagen 
en aldus genaamd naar het beeld Tan den aarte- 
engel Michafil , die den draak Tcrslaat. Ook Tan de 
stiSl Thom bij Maastricht. Yait deb C^jb. Leenen 
198. Zie ook Yebdav. Er werden ook angelotten 
in Engeland geslagen. || Die oude anghelotten Tan 
Enghelant, gheslaghen T'^r den jare 1542, Tan 48 
in 't marck. Plae. v, Brab. 17 juli 1548, II 474. 
Zie ook aldaar de Oork. Tan 1611, blz. 524, en nog 






92 



AND. 



ANT. 



684. II Hebbende ooo Tefstaen dU meft do nieuwe 
goaden angeloten, geteeokent mei eender O^ in 
grooter quAntiteyt herwaeit&OTeie bringbt. Plaa. v. 
VI, 16 Sept. 1649. I. 621. D^angbelotten TUn En- 
ghelant met de O op *t icbip. Plao. o. BrA, 18 
mrt. 1683 n 684. It. 624, 669, 674. 

AKGEBEEL, sn. (Hangerael?) || Eenfe 8 stylen 
Toor anghereelen, lanok 18 Toeten, groot 10 en 11 
duymen. Audsn. meng*, IV, ^41 (Gkmdttien . . . 
waerby betteet sal worden . . . bet temmerwerek en 
metsewerck met bet reobten Ttn eene naelde oft 
peere op den torre Tan St-Wouborgben kercke 1619). 

ANGEBEELSTIJL (HMdgereelstyi?) |i Item, 8 
angbereelstijlen, lanok 24^/, voeten, groot 10 en 11 
daymen. Ib. 142. 

ANGEBINGE (Angberingbe), zn. ▼. Zdiwr Im»- 
wuuudiensif. waarran wq eigentlijk niet weten 
waarinbij bestond, fr.eoro^. Kil. Bngber, ingher. 
Angarioj servUuê eoaeta: eomfmUio imqma, êxaoiio. 
Zie MAian D*AxKi8. || De tallia uto ezactione 
et angaria, yalgariter dicta ênffkêrin^kê. Cari. 8. 
Tnmd., 8 jan. 1290 n*. 186. Super eo quod ipse 
dominuB de Dieet dicebat se qnasdam angariae seu 
aerriciam qaoddam, quod yulgariter dicitur engkê* 
ringhêf poese petere. Ib. n^ 186. (De nitgerer 
neemt den yader roor bet kind, waar hij op ^'■^i*' 
ria'' aanteekent: Da flamand tn^eriitgê, corvees). De 
angariamim preiêstaHo was ook in bet Bomeinscb 
reobt bekend; zie LxxicoK Schxllxbi, b\j wien 
bet ^missobien de yroondienst was, dien onderdanen 
aan de vorsten bewijzen, bij Toorb. voeren of vrach- 
ten ryden, om een boodschap loopen enz." 

ANIJL (Annil), zn. Anijif amii,indiffopUMUt fr* 
tmUf (Mir, indigo, || Annil oft indigo, oomende van 
Yenetien, Portugal en Levanten, de 100 Ib., in vj 
Ib., vwi X Ib. Annil van Barbaryen, de 100 Ib, 
f» iy ïb., tmyi iij Ib. ZtemoMckê tol^ 1628. 

ANIJS (Annys), zn. m. Anijs ^ ft, anis. || Een 
bale van omtrint iy» Ib. gt., op een Ib. groote. 8ok(U- 
Hnff V, 1661, fo. 183 v«. Yan 100 Ib. zx. so. Tol 
9, 1697. Annys in vaten, pijpen, saoken oft tonnen, 
van elck 100 Ib. gewiohts, viij gr. Zeewmsekê tol, 
1628. 

ANJUN (Eynbuen (««), eijayn, enguyn, einjuyn, 
enjuun), zn. m. 4tfuin, ft, des oiffmms, || Dftt egbeen 
vercooperen, hetzy van beesten.., van keese.., en 
van gruender pottagien, als cabujscolen, rapen, 
peteroelie , worfÉelen , eynbuen oft van anderen vic- 
tualiën enz. K, V, Brussel, v. 1486. Dat loeo, 
engvvn, noten en al sulke andere penneweerde'. 
Ds VL. Ace, 30 (1494). Loock, anjun, appelen, 

Seren, enz. Flae, e. VI, 29 jan. 1649. a. 1. I, 363. 
ipen, naveaux, radijsen, siüaden, eynjuyn, appe- 
len, peren, noten. Plao, e. Brak 6 nov. 1620. 1,93. 

ANJUNSABT (Ei^jnynsaet), zn. o. Tol op de 
Zenne, 1436—1631. 

ANCKEBGAT, zn. o. fr'. trou d'anore. || Stelle- 
gaten. Men sal meten voor den werokman, voor 
ieder stellegat, twee voeten, en elck anckergat, 
eenen voet, en ook, voor elck spreenwgat ofte mus- 
gat, oock eenen voet. Plao, v, Brah, 16 jan. 1706 
a. 67. 

ANCKEBGETAUW. Anker en uxU ertoe be- 
hoort f xisehgereedsehap ^ h, anere, aoee ce qui s*y 
rcUtache, engins de pSdke. || Dat niemandt hem en 
vervoordere in de voors. rivieren te viBsoben metten 
voors. anckerschepen . . . ; op de boete van . . . , en 
verbuerte van de schepen en anokergetauwen. Plao, 
V. VL, 31 juli 1627, a. 1. II, 381. 

ANCKEBHOOT, zn. onz. AnkerHoofd, fr. têie 
d'ancre, \\ Ben eyghelyck mach tymmeren eü met- 1 



sen opt duytersto Tan synder erven, efi soe nae 
eens anders erve alst hem belieft, maer moet als- 
dan op syn uyterste blyven, syn aaekerhoodt bin- 
nen synen muere houden en intreeken. O. e. AnêWkj 
1646, YIII, 14. Alsdan beeft en behoudt de ooo- 
pere van dien halven muer oock derve van den 
eusidrup, anokerhoofden, noten. Ib. a. 48. 

ANCKEBSCHIPy zn. o. Bootje ooorsien «o» eem 
anker, ft, barqme pomrvwo d^mne amote. Zie AiroKim*' 

ftBTAUW. 

ANLAME. Zie alaix. 

ANNICHILEEBEN (Anitcbeleien), bedr. ww. 
Teniet doen, fr. a m n ule r, \\ Tot deenre [I. dienre] 
tyt dat by der partyen genoeeh gedaen beeft en 
die inhibieie gheannicbileert. K, e. 8l.'Trmdon^ 
1366. a. 71. Haer wel es te wetene, dat wy, soe- 
penen voors., machtich blyven en almaobticb, al 
dese voois, ordonnantie en elo point zonderlingfae . . 
voort te meersene, te minderen ofte al tuutehe- 
leeme en te nieuten te doene. Aoad» dPetrékéol. 
1866, bis. 288. 11 juni 1600. 

ANNIL. Zie avul. 

ANNULEEBEN (de oyrs), bedr. w. Beroenon, 
fr. spoUor, II Oock mede soo is recht van oon- 
flscatien een recht aeer odieux, ghecorri g e e r t jwre 
noeissimo Anotentieorum in alle stueken, uytffsdaea 
in erimine lesae mofestaiis, Bnde die redene die is, 
want, confisquerende het goedt van den gheoon- 
demneerden, men annulleert de oyrs, en men 
neemt haere successie, hoewel dat sy niet misdaen 
en hebben. Leent, v. VL, e. 66. 

ANSIEL, bn. Bijtonderst, fr. prinelpaL || Dal 
men vortaen allen gespleten ende belasde heerge- 
werleei\en (sie), die by helder [houder] derselver 
lenen werden vercocht, sal der belder oft proprie- 
taris van den ansiel oft principael leenen binnen 
jaers mogen lossen. O, gr. Loon, I, bis. 8. M^. do 
1648, a. 7. 

ANTENEUS. Zie Aimiroofl. 

ANTENOOS (Antenois, anthenou, aotenens, 
antemeus), zn. Vuehjes eoM een jaar omd, fr. 
poiseons dun an. La CubvS: Antenois, que eet 
(fust om. s'Abst: Anten, van over een jaer, tja- 
rent. Antenois, van tjarent. Okoee mntenoiee. Een 
dinck over een jaer oudt. Dttfik et LABOVLATBt 
Anian , Fautre am U e , Van dermor, — Antennnses somt 
hestes d^antan, e, 4) «2., de fUie d*un om d^aage. 
AnieneoM», jeunes earpes d^un au. Gout. de Haimamt^ 
t.1. CHoesaire, || Item, ghecóeht IVt^ anthenoys, 
omme mede te spysene de veste van der stede toa- 
schen de Nederwijepoorte en de dooste r po o rt e , coete 
iij ib. Ninove, 8t.*rek, 1478. (Sen onzer taalkun- 
dige waaghalzen vertaalde het w.: poissone gromde 
ooMme la moui, xiesdkem een hand grooij. Als dat 
deselve verweerders de voirs. viveren gehouden soude 
wesen te latene ten eynde van der voirs. jairsobai- 
ren van tweelff jairen gelgck by, verweerdere, die 
aenveerde, te wetene wel en loffelyoken gewraoht 
en gespyst met anthenoisen, gruwen {Mers grau- 
wen] eü met bueren vorsselen. BijketÊfek. Leonh. 
V. Brah,, Patiueren $ Moens, 1634. Bnde is [een 
tocbtenaer] gehouden deselve [vyvers] « . . behoor^ 
lyck te spysen met antenois en grauw. O, o. Brmss. 
1607 , a. 268 ; juwUmhus pisdbms faoere, zegt Ohbib- 
Tuv. Belangende de vyvers en wallen, waerop 
men karpel queeckt, den afgaenden pachter sal den 
vollen kaerpel vermogen te visschen vödr Eecwvond 
dat synen pacht expireert, éh daerop moeten laelen 
het spyssel van gruy, bollaert eü antemeus, 't gone 
volgens de breide nootsaeokelybk is. O. o. Aud, 
2e D. 498. 26 sept. 1767 a. 27. 



ANT, 



ANC. 



M 



ANTOR (Enter), Toegw. hcL mOmi^. Of^, tf, 
fr. om hiem — , cm. \\ lo en bid Di niet omzonne of om 
nwna o€ om Bteórrsn; mar ie bid Di om die won- 
den. Wat maeht bedoden? Da biste van den won- 
den te gheren altoee yrao. Anter beneme mi myn 
aakaeiüe kfren, of want mi mijn berte. Htmd. mmrk. 
86. Oft hy wort g0turbeert in de po oeo e oi e, die 
bem Tan jement anden dan Tan den richter aen- 
eomen ia, en dan: (enter bQ wort getorbeert b\j 
Tiolenoien ezpokiTen, dftta bQ fbrtaen Tn^ter poe- 
■oarien gheitelt, — en dan ooempt men hem te baten 
erimiDelije en eiTÜi}o, .. oft bij der me^nfmrH, oft 
bij der oondioien fortiTe — oft hif wordt simpelüc 
ff Uir b e e rt bi) eto. t. d. Tat. 97 t*. Bnde om in 
eender sommen te weten dat ODdenobeyt Tan der 
pmiieian Tm den delicten en misdaden, aoe suldij 
weten» dat die misdadige ; enter hij is onder sijn 
jairen «d [L ofte] boTen sijn jabren; es hy onderzijn 
jairan en hy goet en quaet weet te Terstaen en 
ondeneeijden, dwelo in Latijn heet doU captut, soe 
wort hij gsponieert; mair die richter mach, mits 
den stels, cue pnnxoie Terlichten, es hij mesdadige. 
Ib. 169 T*. Bs die misdadige p iè êë eii bejairt, en 
ia Taa gesonden zijnnen : enter die orerdaet is oomen 
mijt gedriibereerder en Toirdaohtiger hertten eB 
meijningen, en in desen gcTalle: oft hy heeft al- 
leene gepegnst dat te doen, mair.. oft hij heeft 
dat gepeijnet te doene en . . , oft hy is totten wereke 
eomen en . . Ib. 

ANTERNEUS. Zie ahtevoob. 

ANTIECKSNIJDER, sn. m. BêèUên^dêr, fr. 
m t ipiwmv, || Aen Willem Tan der Borcht, antyoq- 
Bjder, heeft Philips Lemmeken bestoet te makene 
alle da ehimgie, die eomen aal aen het sacraments- 
hajm ... en alle Tereleeringe Tan onder tot boren. 
T^Bi^isrloo, %\ (15S6). *t Oheen dat Mag^iel tso 
Breda, aotyoqsnyder Tan Breda , gemaect heeft aen 
da windelgraet in die kercke te Thongerlo. In den 
esnte, xriy kinderhoykens (hoofdekens) met Tlogel- 
kens; noch Ty^* [riJTe?] ligghende kinderkens; twee 
st am i de kinderkens boren die denre; een ptera- 
MJc ga Bta ende boren die denxe. Ib. 88 (1548). 

ANTIKKRST (Antekeerst), sn.m. De tijtvan 
▲ntekeerat, M laaUU oordeel, kei eindêdorwê- 
rsU, fr. la «esvs ds VamUokrioit la fin dm momdê, 
\\ Bat Tan hem [graaf Bobieeht] zonden oommen 
alle die Tlaemsche princen toter tyt Tan Anti^eerst. 
Jav t. Dmnms, 81. 

ANTCLEEDERBN. Zie hahtclesdsbiv. 

ANTONNEN (Anthonnen), sn. (?) || Eentonneken 
anthwmep, op ij s. Bekaitmg v. 1561. f». 190. 

ANTWERDEN. Zie aktwoobdiv. 

ANTWOORDEN (Antwerden), o. w. 1) Imêtaan, 
ftsfy M^^sis» esor, fr. répoHdro de. || Worde meidaet 
[boet] oewiset an dien man , dat dabt den scontete 
aBtworais dies mans, jof sins deels ran der mes- 
daet. 86 fefar. 1362, a. 2. Dat hi sinen pant 
losaa . . , ofte neen , men sal hem nammeer autwor^ 
den Tan dien pande. Lat. rotpotutore, K, v. ter 
fieU^ 1266, a. 9. 

2) .^iUiDocM'dss op (eeue klaeki, — tJt re6hie)j ir. 
répémdre è («as plamte, ^- en jfuHoe), \\ Ben poir^ 
tfli» Tan Dyest, Tan den welken jeman hem be- 
elaeeht, die en is njet schnidich tantwerden bjn- 
Bsn drie genaehten. K. v. Dieet ^ 1228, a. 13. 
(yerL) La^|n: nmUo modo tenebUmr reepomdere soa- 
omreaiL — Eenmi proonrenr, die in eenige saeoke 
heeft geaatweort en geooniesteert, is gehouden in 
deselTe saecke totten egnde toe te biyTon dienen. 
O. e. Amim, eomp», Y, iij, 23. Seripto dient men 
tsff loUa op desa maniere: A dient aenspiaeek^ en 



oonolusie eer^to^ doende efi concluderende als ia 
deselTo, Teisoeckende antwoorde. Den ghedaeghd« 
daeraen Toldoende, laet stellen ter roUe h^ naer* 
Tolghendes Den gedaeghde dient Tan antwoor d e 
eeripto, doende en o6nclnderende als in deselTe, 
Tersoeokende repdique. O. v. Dieet, TZ. rx, 20. 
Den heesch gedient zynde, sal den Tcrweerdev 
schuldig syn daertegen te dienen Tan antwoorde. 
a e. Aud., 81^ {hmer\ 19 febr. 1619, a. 16. 

ANTWOORT (Andworde, antwoorde), zn. tt. 
Aeiwoord op eene aamklaéki of eeaen sissA^, fr. r^ 
wmee d asm pUnmie ou urne demaade, || tip den 
nesohe diere meester Nidais Torseit toe dede, eik 
upte andworde diere Sjmon TOrseit up andwcfde, 
31 jan. 1287. Efi TOorts aengaende sjnder ant- 
woorde en defensien gedaen te worden des behoo» 
ren sal. O, v. Dieet, Oork, v. 12 oct. 1499. a. 3. 

ANCXT (Anxt), sn. m. 1) KwelUiÊff, p^iO^ 
of anffetige toeetand , fr . t o m rm ê m t , eituaiion pênièlê 
OU fieine d^anxiiU, \\ Dairom te sien [Toorsien] 
was, dat dairom noch meir disoordie en grote quaet 
opstaan efi gesohien muchten , . . . ; om te Terhn»- 
dene alsulcke ancxte en sovge. O. lAêge, 10 juni 
1417, a. 2. 8t.'Trmdmi. 

2) Qenaar, fr. danser. j| Soo Torre jemant die 
breucke breke die Toor die breucken ghenoegh ghe- 
goet ware, oft Terbnigen ooste in den lande Tan 
Megem, die en sal men daerroor in die geranok»- 
nisse»niet lejden . . ; het en waer dat het Ijf aen» 
ginck; soo sal men hem houden alsoo lange tot 
ander tjt toe dan [dat] die schepenen en gheswo- 
ren donct, aae hueren besten, dat aen den an- 
deren lyf egbeen nojt [nood, goTsar] en is, die 
daer gewont en gequetst is; en welcken tjdt die 
schepenen en die ghesworen des dochte, op liaer 
beste, dat daer egheenen anzt en waere, soo sal 
die heer desen man wederom uyt die ghcTUicke* 
niase laten gaen. O, v. Megkem, a. 13. 

3) Oeeaar vam eekade, veramtwoord^kkeidj rieieo, 
fr. rieque. \\ Wellec assiBc si solen rerhueren bmv 
ghen en opheffen te hoeren besten ; ghelden se meer 
dan ghels es ooh scout, die si aculdich sün, han- 
dent; ghelden se min, dzaghen daeraf den anxt 
en staen op haere aTentore. Oork, 2 juni 1336. 
J2fl^. eop. eart. P. TÜj t«. Ook 20 febr. 1328. Ib. 
£•. crj T«. 

4) FrMi, fr. eraimte. |) Die heilighe anxt dea 
Heren bli.Tet ew^ike. GeHjdb, 16« B. Ps. 18. T^ 
mor Dommi. Bijb. e. Dortr, ds rreese des Hearen. 
Dat daerom noob meer discoort efi groot quaet op^ 
staen en geschieden mochte . . . ; en om te Terho* 
den alsulcken anxt en soige, sj.. O. LiSge, 17 
ang. 1417, prooema, Merd. Anxt en Treese en 
is anders niet dan een ontsich efi bcTinge des hert- 
ten, comende Tujt saken Tan tegenwoirdigen oft 
Tan toecomende perikel, t. s* Tav. 93. Tegen den* 
geenen die in eens anders gront getjmmert oft ge- 
metst heeft heymelje, ran anxte dat men h«B 
Terbieden soude. Ib. 

5) Verlietj eekade, fr. perU, préfudiee. || Welke 
pointe efi assisen Toers. die rentmeesters selen Ter- 
hueren mogen en opheffen ter stat behoef te horen 
beste; -ghelden se meer dan sghels es ocht scout ^ 
die si schnidich sün, houden; ghelden se min» 
draghen den ancxt daeraf en staen op hare aTei^ 
tnre, gheiyc den anderen assisen, die si T«n onsein 
Toerderen efi Tan ons hebben beseghelt. Oork» 
26 oct. 1336, Dieet, Ine. n^ 31. Soe waer dat man 
oec wiste openbaer, dat dese Toers. dekene efi 
ghesworene haren eet niet wael en hielden, dia 
sj ghesworen hebben »«om anext efi cm sorghe der 



94 



ANC. 



APO. 



gemeinre galden goet te Terhueden. Sermenit , Bei^, 
V. omtr. 1412, § 5. 

ANCXSTELIKE, bijw. Op eene mvestélijkê vfijte , 
fr. d'umê mamière eff\rayante. |) Ontrent de ses hne- 
ren sayonB, soo wart men up de stede stormende 
«noxstelike xeere; en dinghelsohen weerden hem 
seere. Ol. t. DixinrDX , 19. 

ANCXTENEEBËN, bedr. ww. Beai^Hiffen; ft. 
êffhtjfêr, mêiire dans Vonxiété, \\ Die yemanne 
jaecht daer hi tiegen in yreden leeght , ocnt enxte- 
neerty alse te slanie ooht te quetsene, nels ghelden 
X Ib. Kb. e. Diesif B 16. Die den anderen enxte- 
neert met scietene, saels ghelden xr st. K. lakeng. 
JHêsi, 188S, a. 131. 

ANCXTENEEBINGE, en. tt. BoarnggHgiMg, fr. 
aetion éCipomoanUr. j| Oft dat hy openbair doot 
yyaat is yan dengeenen daer hij tegen geproduceert 
wordt, mits openbairen dreijgementen oft anxtenerin- 
gen by hem yoortgestelt. t. d. Tat., 370 ▼*. 

ANCXTVOUDICHEIT, m. tt. Anggt, ft. on- 
goiêês. II lo aenbede die bangicheit en anxtroadioheit 
^ns alresnetsten herten , doen dyn lyden aenstaende 
was. Bond. ntêrk. 44 y^. 

ANCXTLICHEIT, m. yr. Ai^H, henamodheid^ 
tweUing^ fr. amwiéUy amgoitêê. || Ghif ons de Here 
yan hoerre \nl. der H. maagd] ^ehoechnisse yer- 
bliden, dat wi, oyermits hoerre goedertierenre be- 
den yan alie aenstaender anxtUcheit» yan den ewi- 
gen dode en yan allen qnalen moten werden ye1^ 
best. GMijdb. 16« E. 42 y«. 

APAI8IERERS, zn. my. Ook Paisanters, paisier^ 
resy paysiers, paismakers. Zie Paisixsb. Bewredi- 
S^rt, vndemaktrty hemiddelaart ^ fr. apaUêurtfpa- 
eifieaUurt, mSd/utieuirt. Andsn. mmig. II, 67. 

APEEBT (Appeert), bn. Onbnchaamd^ fr. tm- 
pndenij eff¥onté. La Crmirs: Apert. || Omdat sy 
soo beroerlio en oneerlic gheleen hadden . . . , en 
onder andere den snppier int sGhrayen Gasteel . . , 
een appeert man, die gheeme bg syn snoere was. 
BêT. i^dên, III, 252. 

APLAIN, sn. ons. Int aplaiüf opmAaarl^h^ 
fr. pMiquement. \\ *s Ghrayen nedkamer yan Ylaen- 
deren. Naer dien yersoackene, daden soepenen 
romen de camere. En weder inoommen synde, soe- 
penen wysden int aplain, met openen cameren, 
die yan Audenaerde tharen yermete, eerst te doen 
Indene in de oamere ons gednchts hoeren rade, 
dat sy ghenseert en in possessien waren , dat men 
te Hoerenbeke en eldre binnen den lande yan 
Aalst huerlieder brieyen yan yerbode gheobedieert 
hadde. Setg. Uns. II, 801 (1407). 

APOBTE (Apoert, aport, appoort), sn. Vr^wUUg 
geschenk y ójfirande aan geesiel^ gestichten, fr. 
don voUmtairCj qff¥ande è des Jbndations pieuses. 
II Obyentiones, que ynlgo dionntor apoert f et qne 
ibidem eyenirent in pecnnia, cera, lino, oyis et 
qnibnsonmqcie rebus aliis, per mambnmos dicte 
oapelle de Berbrao, cedent in utilitatem edificio- 
mm, luminariorum et aliarum neoessitatnm diote 
oapelle. Cart. 8t. Trond^ 22 noy. 1808.11. bis. 431. 
II Ontfimo yan den apoorte yan den graoien en 
pardoenen, die gheottroyerd sin bj den cardinalen 
tan Bome eto., en bi den bisscop yan Doomioke 
gheoonflrmeert, en dertoe ghegheyen xl daghen 
pardoens, ten outare yan Onser Yrauwen, sieh- 
tent kersmesse anno xlyiij, tot kerssayont xlix, 
xxij Ib. yiij se. par. Bsiiubt, I, 664. 8i.-rek. 
1468 — 69. Öntlaen yan apporten yan boter, ylas, 
woUe, gonden ringen, was, enz., Ixxiig Ib. j. se. 
iiy den. par. Ib. 666. £sü;. 1667 — 68. Ontfiuic yan 
i^yporten en giften to4 reparatie yan de keroke, 



yan ylas, graen, ene., yüjo xxxii\j Ib. TÜj so. yij 
den. par. Bek. 1689—90. 

APOSTAET, m. m. AfwUige, renegaat ^ fr. 
apostat. II Yan den appost«ten soldy weten dat 
apostasie* is te semn een onbillioke, geoke oye^ 
daet, en eenen ustant yan goeden yoiraemene. 
T. D. Tav. 76. 

AP0ATA8IE. Zie apobtast. 

APOSTEL, sn. m. fr. apótre. Het was een ood 
gebroik in de kerken, e» het bestaat nog hier en 
daar, dat men, op Witten donderdag, de yoeten 
yan twaalf arme ouderlingen wasohte , ten aanden- 
ken yan de yoetwassehing der apostels door Christus, 
en dat men hun brood en fijn gebak uitdeelde. 
II Betaalt Jan Oolpaerde, witten donderdMhe, yan 
orakelinghen omme die apostelen, en &ermede 
men sopte, iiij se. yj. d. par. Bbxbbt, IY, 644 
(1464). Betaalt witdondeidaghe, yan crakelmghe 
en yan bioode, daermede dat men sopte, en om 
de apostels te gheyene, ii^ so. par. Ib. 646 (1467). 
Betaelt an Jan Blomme, baoker, op den 19«b april 
1668, yan derthien witte broon, om te deelen aen 
de apostels op den witten donderdach. Ib. 646. (De 
nitgeyer toekent aan, dat de persoon, die Judas 
yerbeeldde, twee brooden bekwam, yanwaar hier 
het getal dertien.) 

APOSTELEN (Apostoli), sn. my. Mmroepsbrie- 
MM , fr. lettres d^appd. DüFnr et Laboulats Apos- 
tres, lettres qne U jnge dmquel ü est appeU baiUe 
è Vappdantf adressant an jnge par-deiani Ugnd 
eortira VappeL MAiavB d^Abhib: ApcsioUf Ds 
liAiTBièBB , Apostres. \\ Om dan yoirt te weten wat 
apostelen sgn, soe suldy weten dat apostelen syn 
eenderleye [eene soort yan] letteren yan oorter fat' 
men en weerden, weloke seriftuere noohtans niet 
en is yan der subetancien des geriohts, daeraen 
dat [waarby] men appelleert, instruerende yan den 
yoimemen des richters, en int corte begrypende 
die ciroumstanoien yan der geheelder s^en yaa 
appellaoien ; en syn geheeten apostden nae de Grieoxe 

rke, dair dat woordt yuyt gesproten is, en is 
9 yeele te seggen als ,,een oyeiseyndige totten 
oyersten"; en die «poetelen behoiien te begrijpen: 
wlje, yan wat richter, tegen wijen, wairaf en yaa 
wat saken men app^eert. Solen oio begrypen oft 
diegeene dair men af appelleert der appellaoien 
defereert oft nget, dats te yerstaen: oft hy die ap- 
pellacie toelaet en teyieden is dat die gedaen wort 
oft niet, en waiiomme dat die yoirser. geappelleerde 
dyer defereert oft niet. t. d. Tat. 891 y*. Ben 
appellatie wort deeert met ij manieren; swygende, 
by lapse en yersuympten en yerstrykinge yan den 
tyde yan yerheffene oft apostelen te yersuecken, en 
expresseiyo oft cmenbair, by renunoiaoien yan der 
appellacien. Ib. 849 y^. Yan alle yonnissen yan 
subalterne bancken appelleert men aen borghemees* 
teren en schepenen . . Sonder dat yan noode sy 
apostoloB oft brieyen yan oorioye yan den reohtar 
a qno daartoe te yerweryene. C. e. AsiÊw., 1682, 
Lxx. 1 , 3. Om d'appellatie te genieten en saeoken 
alhier tot kennisse te brengen , en is niet yan noode 
daertoe apoetolos oft brijen yan oorioye yan den 
rechter, daeryan geappelleert wort, te yerwerren. 
O. V. Antw. comp., Y, xy, 6. 

APOTHECABIS (Apróthecaris), sn. m. Apotke- 
kar, fr. apothicasre. \\ Die eenen anderen slaet, 
moet den cimrgyn betaelen, en oiok den medeoyn 
en appotheoaris. C. e. Antm. 1646, II, 82. 

APOTHEKE (Apteycke), sn. y. Fig. ft.pikarmaeie. 
II O ghebenedide, elorioee jonofronwe «fi maxtelap 
resse sancta Eatherma,... o, du, blo^jende roae 



APO. 



APP. 



% 



ÓM paxadis en lerende apteyoke. BéMb, 16« E., 
130. 

APPEELEK, APPXELKBVB. 1) Klokfeê vem dem 
Itkr af Hokkemap^Ly waarttm Met spd hit staan tUr 
wr tm kartr omdérdede» mtiê een demUfe vooraf 
gnaiy apd door Msicbxt den voorelog genaamd. 
Zie Ds Bo ▼« WeUer; fr. eloeheliee du earUlon 
ieni Ie jeu oMMMOf , par un peiU air, la eomnerie 
ie Vheure et de eee eMUvieione. || Ben olocghietere 
yen Mechelen, op rekeninghe Tan den ghietene en 
lereran fan den seefeien appeelen up 't beelfioot, 
boren *t gnendt dat hy weeh heeft , ye. xlQ Ib. 
DenielTen Mahieu, Taa dat hj betaeld heeft den 
èbegfaiaten np rekeninghe Tan den ghietene Tan 
dan appeelkina , i^c ü^zz uy Ib. Mahieu de Gboote , 
Tan dat hQ betaeld heeft Franooys Soncke Tan den 
eoope TSn ij ponden fijn jnghels tin om de appeel- 
ken Tan der stede, liig Ib. xQ b. Tpriana, I, 
67. Qiaderek. o. 1643/4. 

8) OfToep im f Un wedtirijdet appÜ^ waareckijnlijk 
door kk opeüèen vam een hoedje, fr. dSfi, provoea-' 
HoUf apparemm»Êni en arboratU mn ehapeau. Zie La 
CvBJn AppeL il Den 26 aagnsti, was met trompette 
gheboden, dat men op de straeten niet en moohte 
daaaen, gheen hoeden noch appeelen ophanghen. 
Beiff. Mue., Ylll, 426 (1687). 

3) Jippel^ appeUaüê, beroep op eene hoogere reehi» 
honk, fr. reoomre è mn juge eupérieur. |) Dwason 
appèl, xooala thans, ongegrond beroep f ir. f oletppeL 
Werd ook «gecke appel", ^toI appel'', ,,qnade" 
en ,yonwyBe a — " senaamd. )| Dat die wethouders 
Taa Breda wel hebben gewast, en den Toirscr B. 
qoaTjc geappelleert; hem dairomme oondempne- 
rende in dp oosten Tan der saken Tan appellaoien, 
die 'taxacie dairaf den Hoto gereserToert, en Toirt 
jn de amende Tan den dwasen appéL T. i>. Tat., 
882 T*. Btaende hnerlieder [« j. Tan twee subal- 
tcme banken] gewysde en aententien ten betrecke 
en reformatie Toor soepenen Tan Audenaerde , mette 
boete Tan iüj Ib. pansis orer tfriTol appel. C v. 
Jmd. eak. prim, 1 37. Yan .weieken Tonnisse geap- 
pelleert wart, en wart bjj den hoofde geseijt wel 
gewast en qnaiyc geappelleert, en die Xombaerd 
geecndempneert in die oosten en in die boete oft 
bmeeke Tan geeker appellaoien. t. s. Tat., 44. 
Dat eoo wamlee^ den geïnthimeerde suloken ghe- 
m^neeliftp Tan remedie Tan appellatie oft refonna- 
tie genietende ware, sonde insgêmckB mogen gecon- 
daimieert worden in d'amende Tan de quade ende 
onwjse appellatie oft reformatie, als de materie 
deerloe gedi^poneert ware. C. leenhof e. Brab. a. 
7. Letw temerae appeUationie, 

APPEL, EU. m. 1) J^oomereoiU, fr. p o mm e, || 
Yan eiken soepe appelen it penn. LnoTens. 7bl op 
de Zmme 1436/1681. Appelen en peren, geiyck 
de krieeken. 7U o. 1697. Appelen, Tan 100 tonnen 
12 gold. oft ponden, x^ Ib. Lieenien 1622. Appelen 
Tan deee landen betalen den 120«n penninok, d. i. 
Tan ^k pandt groeten twee groeten. Zeemeêihe Ud 

1628. Appelen van oraignen, oraufeappele, 

fr. pemmۤ d'orange, \ | Yan de hondert , twee appelen. 
Wmêeriol, 1660. Hiermede meenden zij apelen Tan 
Oni^pien, die sj Spaengiaerts noomden, omdat sfj 
mit Spaengien qnamen en daer ghegroeyt wuren. 
Mer. tydeuf II, 319. Appelen van grenaden, 

Oreeee/ayijisyt, fr. grenadee. || Het hondert x sta. 
m 9. 1697. 

2) JBol, priem f fr. boute. || Alle appels, achtkan- 
tig ofte rondt, in dieigelyoke thorans, die met 
sdaalien gedeckt sjn. Btae, e. Brab. 16 jan. 1706 
a. 10 fkèaUedakem, Yooar de groote ronde haeo- 



ken, Tyf Toeten, TOor de de appels te setten, Tyf 
Toeten. Ib. a. 16. Yoor eloken appel ofte priem 
op daokTensters te setten, Tier Toeten. Ib. a. 6. 
Tieheldaken. 

3) Coper- ofte looden appelen, een ge- 
wapen, ir. arme eeerÜe. || Is ongheoorloft te 
draghen bedecktelick eenigehaemerkens, ooper-ofte 
looden appelen, ofte andere oleyne wapenen. O. e, 
FinthM, LXYi, 36. 

APP£LLATI£. 3) Zie afp^. 

APP£LL££ED£R, zn. m. Opperwerkma» , fr. 
ehef des oueriere^ maÜre dee travaux. || Hubracht 
Fiedricx, metser Tan der stadt, aangenomen om 
te wesen opperwerckman oft appelleenier Tan der 
keroke. Jreh. Bergen-op-Zoomy Bek. v. 1627, Ai(r. 
Van loonen en wedden, 

APP£LMANa£R (Appelmenger), m. m. Eoo^ 
man in appelen, fr. marehamd de pommee. Kil. 
Mengher, j. mangher. || Waltherus Appelmen- 
ghere. Oodeh. te Bruee., B. n^. 210, 13« E. Zie 

HOÜTUir&HXSB. 

APP£LPOT£, sn. t. Jonge appeUboom, fr. ptm^ 
fo» de pommier. \\ Heeft die Toirs. appellant in feyte 
gestelt, dat, meer dan drje jairen geleden, de per- 
pote in questien hem toegegeren was op sekere 
andere ^pelpoten by hem gecocht. Bijkeardi., Leen» 
hof V. Brab. Be Dugve %De Qhenet, 1646. Oriefifeu 
a. Tfj. Zie PBSSPOTX en pots. 

APP£LB008T££, sn. m. || j* appehioestere, 
fr. «11^ gril a rotür dee pomee. Inv, o., 1467. a. 70. 

APP£L8T££L, sn. m., fr. queue de pomme, 
Spreekw. Huerlieder gedreechsel en achten wg 
niet meer dan eenen appelsteel. Beieg v. QmU, 13. 

APP£LWIJNy zn. m. Zooals' thans, fr. ddre. 
il Yan elcker amen appel- ende perenwyn. xQ st. 
Plae. e. Brab., II, 42. Impoeten e. 1670, a. 40. 
Oudste melding. 

APP£NDIGI£, sn. t. Aanhauging, fr. appew 
Stoa. jl JBekennen, onder de appendioien Tan onsen 
seglen... 8 febr. 1276. 

APP£TIJT, sn. m. BtgeerU, tin, wdgeoaOen, 
ir. dMr, gré, bon plaieir. \\ Hoe de kiesers Ter- 
dreeght [bedreegd] waren, by dat hy *tTolok hadde 
ghedaen Tergaren; hoe hy de oommissarissen badt 
te Brugghe te treckene, beloTende en sweerende 
dat al staet haude ; maer binnen twee hueren daer- 
naer was de kuere [de keus] t* syne appetyte ghe- 
daen. CoUaüey 67. Sommighe Tan hemlieden [ki^ga- 
lieden], oock Tenouckende die kermessen, bmy- 
loften, eerste messen en dienhelyoke feesten, wü- 
lende sldaer de tafelen TOor hemlieder ghedeokt te 
worden, ofte aldaer t* eten en drincken en ghe- 
dient te syne nae heuren appetyte. Blae. e. VL 
16 juni 1666. I 29. Dat het tot onser kennisse 
ghecomen is, dat Tele Tan onsen Tasallen en onder- 
saten willen interpreteren de Ttrars. ordonnantie nae 
hueren appetyte en Torstande. JPlae. e. Brak. 17 
juli 1623, I. 266. Ende aisoo denselTen [turf] sQn 
houdende op eenen hooghen en grooten prQs, nae 
haerlieder eyghen wille en apetyte. Bldo» e. Vk 
11 jan. 1648. I 689. 

APPLICA£T, zn. o. 1) Beehierl^ verelag, ir. 
appoimiemenL || AppUoaet TOor die borgemeeeter, 
sohepenen en raedt der stadt Tan Diest, suppli- 
anten, Tan de stnoken dienende tot bewys Tan 
hennen intendit, OTergegeTen aen den heers medt 
commissaris, gedeputewt om t* informeren OTer die 
feyten daermede geposeert. 8i,'Atek, Dieet, Oor- 
kgetaken, 1644—66. 

2) Sehrytei^pee toeetemutiug , fr. eo n e ent ement par 

U om apoiOUe. Zooreel als Appointemmit. \\ Ende 



96 



M^. 



ARB. 



foUen dB oYwmom-boiraii geen applioaet op^nquee- 
ten Toortaen mogen geyen tot verkoopinge van 
weezengoeden of andenine, don in de Teigade- 
ringe Tan de oyermomboireu. C. o. Brusêdf Stai, 
9, 1667, Mamborie, a. 47. 

APPOINT, ook APPOiNTiiairT. JBeêUësinffj fr. 
déntUm. {{ Derfeofaeyden oft peelden t*Antwezpen 
en moegen egfaeen Tonniseen oft appoineten ghoTen 
gronden oft erren aengaende . . , ten waeie by *oon» 
lente yan partien en als arbitrateaia. O. e. AmUd. 
1546. Tm, 24. 

APPOINTËEREN, ons. ww. 1) JBetokeideny he- 
dUtok, hê8lmf€Hf fr. déddêr, \\ Saecken die op 
de rolle ofte toot oommiesariuen echrifteiyok s^n 
bedinght, en daemaer geweaen bg visitatie van de 
Qommissarissen, en worden, in cas Tan piorocatien , 
nyet mondelinghe bedinght, dan^ wordt geappoin- 
teert dat de stucken sollen worden henien, om 
recht gedaen te worden naar behooren. C. v. Aniw, 
Omnp. y, xiT, 10. De jugen doen altijts groote 
neerstichede te appoincteren en afiteleggene de pn>- 
eessen die Toer hemlieden hangen in materie Tan 
injiuie, epeoialijck als xg niet dan Terbalen sijn. 
Frad. orim, c. 188. 

2) Verklarmif aang^ éoem^ fr. dédarer. \\ Alsoe 
WT u Toirtyts gesoreTen hebben, als dat de ghees^ 
teliohejt Tan hueren Teroregen goeden onder ons 
weeende, differeren eonde t' appointeran totter tyt 
toe xy Tan ons anders Tememen souden, en want 
wy , alhier wesende b j den coninck , Terstsien hebben 
en onderricht «yn dat alle die gheeetelibheyt in 
allen landen, onder wyen dieselTe geseten syn, 
van hoeren goeden geappointeert hebben, eü wy 
nyet anders doen en wülen dan soe die andere 
faesallen Tan Brabant doen en gedaen hebben, soe 
■nldj die gheestelicheyt, onder ons geseton, zeg- 
ghen, dat zy Tan gelycken behoiren te doene, en 
dat wy hemlieden aen die commissarissen gereoom- 
mandefBrt hebben. Brief e. yr. Mndrik van JTm- 
iau aan den maatraat te Dieet ^ 7 juni 1616. 
(Wg meenen dat deze brief betrekking heeft tot 
het plakkaat t. d. 18 mei 1616, eischende ,/2e 
iome gene dégliee, qmelx qtfUe eoyeni, une ampie 
déèUmsHan de lenre hiene temporele^) Plao, e. Vl^ 
I, 64. 

APPOINTËMENT (Apointement), zn. o. ackUk^ 
hing of reigeUngff mm'eenkameiy dauUng, fr. arrange" 
menij meoordf eompromie. j| Hoe den graTe Tan 
fig^nont een anpointement met de Gxies te Ohendt 
maecte. Up den Toomoemden daoh es een apoin- 
tement oft verbant ghemaeot by den graTe van 
Bgmont te Gbent, als dat de auditeurs van de 
mdieanten zonden paysiveUo up en nedergaen. 
JBer.i^den, I, 284. 

APP0INTÉ8, an. mv. Verminkie eoldaitn, itf 
die , derüek jaren gediend èeèbendef geirdtkeUjk ge- 
worden gijn , ir, eUdate Heeeée e« deoenne impotente 
aprèe irente a nnSee de eertiee, Littré. Appointë. 
8^. terme müM^re eignifiami «a eoldai qni a la 
kante page, on gni eoneonaU ia mWi qwoiqnê die^ 
peneé dn service. Zie La Cübiix. || V erscbeyde oude 
ende verminkte soldateU tot appoiotés uengenomen. 
19 dee. 1469. Oenecaal register of Index der Be- 
eolutien van de Staten van Holland en Vriesland, 
eedert l«d9— 1686. b aprU 1676. 

APPOOBEN (Appoersn), sn. mv. (?) || Men vex^ 
biet, <n> de mesdaet van L. lib., dat niemen die 
woent binnen vesten van Avdenarde en Tan Pa- 
mele, ne decke nieuwe temmeringhe anders dan 
met tichelen, of met loede, of met scaillien; huut- 
^hadaen poeitkiae sondar solie,. steenputten, dey- 



nen {eio), berderssohen, iwynoota, appoeren, grade, 
ffhevele en uutegespanne Tenstre; en alle deae 
nuutghenomene dinghen zyn gbeorlooft te deckene 
met houte. Anden, met^.f I. 821. Eb. t. 1888. Yan 
den deckene. 

APPBOXIMABLE, bn. Vatbaar voor naaeièt^, 
h.ponoani itre eaiengi on retraU. || Daer eg^een ker^ 
gheboden en zijn ghedaen gheweest TÖ6r de goe- 
denisse . . . soo bliJTen die Terkochte goeden ap* 

Sroximable ende te Temaerderen totter t^t toe 
e kerckgheboden alsoo ghedaen s^n oft ghedaen 
worden. C. v, Oaeterlee, 4. 

APPBOXIMANT, APPBOXiVATiini, sn. nu JSaae- 
tiiigeie^er, fr. retraganL )| Ben approx&mant oft 
calengierder. O, v, Caeierlee, 2, 8. Den calen- 
gierder oft approzimant. Ib« 6, etc (De meest ge- 
bruikelijke torm is „Kaerderlinck, naderlinok, calen- 
gierder" in Braband, „nalinck" in YlaandeinB). Ga* 
lengieringhe Tan deelsweghen ghebeurt als deapprozi- 
matour oft calengierder in, tot oft aen tVercoeht 
floet heeft paert, portie oft ghereohtigheyt in erf- 
domme. C V, Herentdie, YI, 6. De approzimateur 
oft calengierdexe. Ib. a. 11. De approximateor ia 
sohuldich, ton venoeoke van den oooper oft den 
denghenen dien tgoet ghecalengiert wordt.., to 
afiftnmeren dat hy de vemaerderinghe ghedaen heeft 
ende doet voor syns selfr ghebruyok. C. e. OaeterUet 
YIII, 6. 

APPBOXIMATIE, zn. vr. Naattmg, ir. rotrakL 
II Van Nadereehappon. Alle approximatien, ealen» 
gieringhen ende vemaerderschappen behooren alleen 
to rechte voor den rentmeestere ende schepenen. 
C. e. MerentaU, YI. 1. Alle approiximatien , *ve»- 
naderinghe ende calengieringhen is dryderhaade: 
eerst als van bloetsweghen, ten tweeden van deels- 
weghen , ten derden van besohaedtheyt van gront^ 
ende servitoytsweghen. Ib. a. 2. Yan aprooximatie 
en naerderscba]^. C. v. CttUerlee^ Tit. VIII. Ajh 
proximatie en vemaerderinghe. Ib. 12. 19. 

APSAEBDEN. Zie hapbazbdsit. 

APSONT, sn. Een plaatonaam.) )| 2 bunden to 
Bergheym naast ^tland van Scarwier, ,4^ ghsyn 
apsont. 8: Qerlaék, 69. (1870). Oonpr. in 'tLat^ 

ABAENGIEN, b^jv. nm. Oramjéktmirig , ir. emh 
lenr orange, || Yan II aiaengien lakenen geeo ob t 
ton scuttoren behoef, to hore paiueren, xzzüij in 
septemb. It. van II roeden aerauffien lekene, daenEf 
dat de voors. soutters d'eene hadden en onse heeren 
d'ander. Ermeboog, 8 (1880). 

ABBEIDELIJGK, bn. Zwaar, oermoeiend,. &. 
fatignant, |j Dat niemant op een%he der s<mda- 
ghen, hoogtyden... moghen doen eenighe slaeffie- 
lycke werdoen, door hem oft syne huj^gheoMen, 
iandtbouwinghe, oft arbeydelyoke eoopvraehten bo- 
steen te vueren. J?lae. v. Brab., I, 68* a. 1, £. d^ 
«n 20 dea 1683. a. 1. HL 164. 

ABBEIDELUCK, bQw. Op eene moeilijke wya, 
fr. difflcilemeni. \\ Sohurpto hem met eenea meaae 
den bunok open dattet aerbeytoUo en met enedan 
scheen durgaende. Ber. t^denj III, 168. 

ABBEIDEN (Arbeiten), bedr. ww. Werkon, 
fr. iraoaêUor, |{ Babbauwen, vabban wensen, vaga- 
bnnde en andere lediohgangen, soewèl mana ala 
vxouwen, nyet hebbende om op to levene en noek- 
tane wel gestolt van lichame, maer nyet willende 
arbeyten noch den goeden lieden om huere broot 
to winnen. Eorie daarna: maer nyet willende wes^ 
cken noch arbeyton. Bekenk. o. Brab. reg. 188 f*. 7, 
29 sept 1629. 

2) Zich afmaiien, fr. peiner. \\ lo hebbe gha- 
arbeidt in mQnre suohtiii^hen. Xa6era«i in gmtitm 



ARB. 



ARB. 



97 





Ik hiÊB, moede yam mQn raehteo. 
FtfA, Mmg. II, 4S». Ps. 7--6^. 

Mob é0 TOÓNKsr. rerweerdere: dat <U6 stiteB* 
en aetiiijgeeieBim der ro^ncr. getnijgen lijn 
», doBoker, twQfelaohüch en onseker, efl 
reieeegden ,■ Iweedfeohtich , efi in Ime- 
depoeieien TsoiUeieade , crbeydende, en pie- 
eeft een negeufe te estraeeren eft te 
p eel>efe n , niet verolaiiend» oft «eggende die redene 
oll Mke [ooneak] Tan hnerder geta\jgeniMen eü 
T. »• TATr S71 t*. Ten waeio del de 
waeie genoeh m Min /^««, efi syne goe- 
& peieoon evbe]fdd» te ktitatene eft ^evfcer- 
C. e. .^eto., 1546, iX, e. 19. 
4) P^ i ^m f foUêrm. ft. lórUifwr, mtMf9 è ta 
%m m H tn r i jy ii eeiu . H Orennids dat hj, [■ehouteCQ 
•il Byeat, bj ennige aine dieneieii hoilde doen 
m en Tuicen eenen 0heertken Bertjna, efi 
doen hendm eeTangen eenen aekaven langen 
liem iMit en TonniMe te willen doen 
, dbeygende dénBriran Gheevtken Ie arbey* 
eft te jffOBBu Pomdê foo O oêck, R 69, S mn, 
1448L 

JllWKfDRRS DEB YENDITIËfr, h.portmir^ 
eaaHerv db« a0B<f«^ Attbeehtigade te Geet , het ¥00V- 
leehi beaittende de in de Teiüngen terkoehie tooi^- 
aN n ya a ter baateauning te bienge n , JB^eareA. Dé' 
wÊmmfim de tTM. 

▲BBEIT, in. m. t) Wwrh, ft, irwoml, aiaé»> 
d^tMvre. II Fttvan arbeyl, daer egheen eoopman- 
aeheppe «ede en ia gemengt. O. e. Aaiitw, 1646, 
IV, 16; Le? - - - ^ 



^. 




die de aloffe eft maiteiialen 
fiB eealgen bonw hebben gedaen, weder daer 
iièeyi oi&er gemengeU ia ofi niet, mitagadeie de 
wetaküadan, iJa malaeie, tinunerlieden efi diergei- 
lljeke, worden gebonden te hebben apeoiale efi 
idere hrpolheke en pantiehappe een dtaA pent, 
de atoib, wenfk eft arbeQt een ki gedaan. /6. 

K IV, xg r 18. 

S> VMmrêtêi, ft. Ueer. || BQ den reehte nm 
dar aotiea Tai> retendjeadien , waeri dal die pfaM». 
«aM oft beaajeie he^Mohende waira atin aaet en 
■BiaiM airtM||t eft ploeehveeht t. s. Tat. 46. 

9y oÊttuttf J^t^y "'* P^^'^f tot^TtÈücÊé \\ Orennsta 
fine efi afbert, ^e ty [el. de dekenab efi gfa ea wo fc 
dar golde] hebben, om alie beat o n efi- aeeo» 
^ «e halene. &rm«ifo, 6 Mê^, e. 1419. f 98. 
fen eenigh düRnitiel Tonnia aal hooMn 
geefipelleert te worden, Hwekk ia riaende* op' jMae 
ei ai be /dt > C r. XeeM, JMkaeif, e. 14. 
4/ .^MMnaeeoe, oeMaMMa,- ^^ AMMne'a tf aij^Ma^ 
If Ale een' ttHi huweC efi hem binnen; dieü 
leragoed Teratoift;^ eial dal een wyf 
dNijhet eatf Un», efi^dat kiat, taQna Tadaai 
doel ea ^fn oodble hoir, ao aal die wedewa hebben 
Mo f in g^ aaM dat leeiigoed. Bfl die bUeTinge 
heeftae bi hofireohte orer haren aarbeit. Xeear. e. 

6> Moêêêtf fr. jfaJMr t|< lioegen daHPMn ttoelb> 

meeken afr teer ona 'iHomf aenbraighen o|> 

hnn arbaTt efi eoale» taa paüyeu; €L e. ImnIL 

ABBITBB, ASBiTmAVBV», an. m, BeUb wóor- 



met anlk ondaüpheid' ala nit de toI* 
Mde eanhalmgen biyken ml. |) 6^ aalt weten 
eet deee Toimer. enbmiaaien {uk eompMNDoia] bDr 
wyien gadnen wordden in* aaggam ,• al» in aabitera, 
^ aen^pflBn air itf aiWÉmtaua, efi eamw|len aki 



in niandeiyeke middirieefar g a hee l on earffle6i7M 
eompotüoreê, efi bywyien ala in arbiters arhUr^ 
ioTêgf en Triendel^eke nuddeleers tmmen; wast 
deur JB groot onderscheyt inne gelegen. Een arbiter 
ia, die yam partyen geaeil hebbende, genomen en 
geoQzen wort om te kennen en te ^ffinieren Tan 
bueren geaehüle by kenniaae rasn. aaken, dairinne 
aannemende te onderhouden de oerdene Tan pro- 
oederen , alaoft h^ emi jnge en richter dairaf waira, 
en deae arbüer wort in rechten geheelen een arhi' 
têt e omÊpr om ittarimê f efi Tan lyi^er aentenden en 
woii, nn den ouden rechten, niet genppelleert; 
Trant, nee raoht, zyn eentencie niet en houdt noch 
en byndt, müa dat hy geen propere, noch oio 
geen gedelegeerde jnriadietie en heeft, maer par^ 
l^fen gealaen aynder Tuytapmken en en dorren niet 
dairtegen doen, Tuyt Treesen Tan der peynen dair 
ay hem op Terbonden hebben (loo aegt Philip. 
Yioat: Arbiter wro alimt eti eomprownêsaritu , m 
fmm tcüiioêt kügaiorn, potna adftata, eow^prof 
mÜimU. Chtfugmodi arbiUt «r oompromiêêo Mimiuê 
jmiêm éefimimr , 1. 89. D. de judiê., H ex oomprfh 
eMtao addieêma: \, X, O, de reoepé. arbiir,), Mair 
wair die arbiter gecoren, en hy dat aanname om 
Tan den geecille Tan partijen syn Tuytaprake te 
doen nn recht, aoe soude hy geheeten ayn arbiier 
jwritf en aoode men wel Tan aynder aentenoien 
mogen appellefen; Trairt oeo aoe dat bedroch, oft 
Talaeheyt, ofl aigeliat quame in de eentencie Tan 
den arhiUet eompr o Ê »u êmr^$ , aoe aoode men mogen 
proponeren exeepHonem ioli tegen dengeenen die 
BMlter aenteneien< ageren woude. Ifyettemin, na 
den nyeuwen rechten, loe mach men wel dairaf 
appelleren r want arbitngien syn geredigeert ter 
geiyokemiaMn Tan den geriohteiycken Tonniaaen. — 
Een Arbitraleur is een peiaoon, die Tan partyen 
gecoren wort en deirin dat sy hen compromilteren , 
om te kennen Tan hoeren geachiUen en dairaf syn 
Tnytapaake te doen, Troegh en apade, op syne 
oonaoieneie en goetdoneken , aonder te dorren houden 
ennige oerdine judiciarys, en oic op een pene. En 
eeet dat ean arbitratear eene quade eentencie geeft, 
aoe woat die aake en aentenoie Teraonden totter 
audienoien nm den OTersten, oft Tan den riehter 
onünarga, die geheeten wort in den rechten fto- 
•«f vit, £n een Yriendeiyek middelaie ia,- die 
aonder Terbondt Tan enniger peynen tempteeri en 
eadeüeet oft hy de partyen Tan hueren geaciUe 
eoode, m synen raide en hueren eonaente oonnen 
Teriycken* Bn geeme plegen elcke partye leToiran 
te weten wat hy» hen al- oft aenaaggen aal eer hy 
ayn Tuytaprake doet; en Tuyt deeen moigdy in 
*l eortta Temlaen, dat arbiters eompcomiaaryse syn 
diegeene die geeooren wordden ala richten om te 
procederen in den saken subatanoiaal Tan den g»> 
aohillen by onderhondingen Tan der oerdenen Tan 
rechte, aoadar noehtana die Tuytapmke te dorren 
doen nie alrangheyt Ten rechte, want andeia aoode 
hy ayn ean orMêt' ;«rW/ mair Arbitrateurs syn 
diageene,. die geeeaen weaddett by den partyen, 
om de geaeUlea Tan den partyen te heibn en te 
leggen, Ie eomponere n efi diTideren, en te beslech- 
ten nae btter goeldunoken, efi niet ala richters, 
en aoadar te doiren onderhouden ennige ordene 
judidarya. r. d. Tay. 966. In kortere woorden 
kenmerkt WniiAXT de arbiten en de erbitrateurat 
tl Arbilera Tan rechte ayn degene die de partyen 
kieaen, om heer gheaohil ghetermineert te hebben 
met kennisse Tan zaken, nn rechte oft naoostuyme; 
en deae hebben een achyn fan juge», want ay 
owKnaerlie proeedeien en tf^iooee fonneren ghelyo 

18 



1 



96 



ARB. 



ARE. 



of iQ Jxigen waren. Arbitnteiin sQn Triendelieke 
middelaen, die partijen kiesen om vriendeliok rer- 
effent te syne, en haer gheachil ghetermineert te 
hebben na goetdnnoken en oonBcientie , zonder rigeur 
Tan rechte oft fotme yan processe: en deee en 
hebben gheen forme noch sohyn ran jogen. Praeti 
0io. c. Tiy , 8./4. D'eifrcheyders oft paelders t* Ant- 
werpen en moegen egheen Tonniaaen oft appoinoten 
gheren gronden oft erren aengaende, noch andere, 
ten waere by consente van partien ende als arbi- 
trateura. C, v, Antw., 1546, VUL 24. In de Ooai, 
V, Uer, Siifl, XTV, 20, aijn de benamingen arbi- 
ters en arbitratenrs Bjnoniem: |) Aengaende Tonnis- 
sen bij arbiters oft arbitratenrs ghegheTcn, en daeraf 
niet en is gedednceert, moet men ooncinsie nemen 
ten eynde dieselTe Tcrolaert worden executabel. 
Verg. T*. AiiincBTi&X: in mo«, tanquam in or&t- 
irtm «0» Ml (tr^raiorem, eompromisenmi, || Ten 
tractiete en OTcrghane Tan zekeren eerbaren nota- 
belen persoonen , te welene . . . . , aerbyters en orer- 
ghangers ghesonden by Jaoop Pieters . . en Adriaen 
Tan den Bossche, als perpetrante en mesdadeghe 
fiustenrs Tan den Toirs. faiete en doodslaghe. Amden, 
menff,, I 260 (1612). 

ABBITRAEL, byw. Bij mtipraak van goede 
mamun, fr. par senience d'arhitrei, || SooTerre 
deselTe ghoTanghen gheweest zrn om capitale de- 
licten wille; en sctorerre de deuoten zyn arbitraal 
oft ciTiL C. V, Bergen'Op'Zoom, VIlI 6. 

ARB0I8. Arhoutehë wijn, ft. dm mm d'Arhoi», 
Ftae. «. Brab, 11 dec. 1676, II. 66. 

AKCH, zn. o. Kwaad j Ued, UUel^ fr. mal, dom- 
mago. \\ Die richter, die dengeenen géii^nrieert oft 
geslagen heeft die Tan sQnder sentencien heeft 
geappelleert, oft die bcTolen heeft den appellant 
arch te doen. y. d. Tay. 72 V. Dat wy, om mene- 
gerande aroh, om menegerande mesTal, en om 
alrehande twist en ongeTid te Terhneden Tan den- 

8 henen die tot haer [tot hiertoe] om haren Trede 
es aTonts spade plagen te oomene. Brob. T. 1 
apr. 1801. 

2) ArgUttj fr. arüfloe, || In goeder manieren en 
om dbeate profy^ en orber der stat, sonder arch. 
O. lAégo, 17 mei 1898, a. 14. St,'Trmdom. 

ARCH, bnw. 1) Boo$, kwaadaardig, fr. mMkani. 
II Wert tsake, dat ymant den anderen in sinen 
nroperen huyse met argen ocsnne snchte. JT. o. 
iiêtif T. 1228, a. 9. {Fert), Lat. mala ooeanon». 
[tSelTe is] in dengeenen die met argen en qnaden 
Ürte die wapene <^ sweert geleend heeft, oft die 
leederen oft hameren, om ebt quaet te doen. y. 
D. Tay. 61 t«. 

2) SUehi, gemeen, van weinig waarde, fr. mav- 
cot#, eommtm, de peu de valemr. Oomp. arger: 
eleeiief, gemeener, van minder waarde, jj So wie 
ooeren Teroochte, ofte CTenne, ofte ander graen 
binnen schependomme, in sacke, dat aigher ware 
onder dan boTen, meer dan eenen pennino thalster, 
ware in meedade Tan zx s. Kb, v. Amden,, 1838, 
Van den grane. Ende dan sal men elo Tan den bes- 
ten manden loTon , Tan boren nederweerts afgaande, 
gelyo anderen Tisch; en die ierstwerf m y n seeght, die 
tal den harinck oft bocxhoren hebben en behouden, 
efi alsoe sal men Toert doen Tan den anderen manden 
en die arger zyn Bekenk. v. Brab., reg. 186 f>. 189. 
a. 1486, a. 40. Wel Terstaende dat inloke qnantiteyt 
Tan bussen, cruut en ghewserre wel grooteren beter, 
maer niet min nooht ergher wesen en sal moghen. 
JPtoe. 9. ri. 29 jan. 1549, a. 4. I, 864. Waart dat 
daer eenighe enre waere die niet wel deylbaer en 
waere, oft die by deylinghe soude arger worden. 



CX e. lAer , XV, 60. SaperL in de aegswyae Arohste 
nooh beste, nl. van gemiddelde waarde, fr.dewt^ 
genne valenr; gebrmikd/^ke formule in het beding der 
grondpachten in nainra, en der leenTerheiBngen. 
II Deese leene, die tot der cameren Tan Brabant 
hoeren, soe waert een toI leen [es], poe sheeft 
men een toI hergheweyde en den oamerlin^ s^n 
recht; en soe waert gheen Tol leen en ea, soe 
heeft die heere Tan dien leene een jaerschare, Tan 
drien die aerohste noch die beste. Boxhokbv, 
blz. 6, a. 2. 

ABCaEIT, zn. tt. Kwade tronw, ar^Ui, ba- 
dreg, ft.mamvaiee fhi, ariiflee, maliee,doL ||Omme 
Tolcomene reden te doene en die te Tolghene met 
doechden, alle aroheit achtergelaten, en sonder- 
linge omme de onsticheit en getroawe. dienste. 
Brab. T., 14 oot 1384. Die een dinok andere 
thoent Tan buiten dan het Tan binnen is, en dan 
dat Terooopt oft Termangelt toot alsoe goet Tan 
binnen alst boijten schy&t, bedriegende alsoe sijnen 
oooper, die committeert dese misdaet Tan steOiO' 
naime, en generaiyo 'tgheen dat in saken, die poer 
crimineel en capitael sgn, geheeten is dohu, dat's 
„archeyt oft beoroch", dat heet in ciTÜen saken etei^ 
Uonaiusf geiyc oft men u Teroochte spiauter toot 
sÜTer, en latoen Toir goodt t. d. Tay., 90. tSelTe 
is in dengeenen die met aroheyd en roet listei 
wetens en willens, bolpe doet om dat maUfioie te 
Toirderen. Ib. 61 y^, Wairt dat iement eenen dooi- 
alach hadde gedaan, niet Tu^t archeyden, c^ per 
doimm, mair by Torsaymten en negligenoien, dat 
is per enlpam vel negUgeneiam. Ib. 166 t*. Dia 
eenen man begheert te campe, moet eerst oaoseren 
Toor den prinoe Tan den lande de sake , en behoort 
te wesen Tan . . , of Tan so bedeoten dinchen Tan 
aroheden, dat men se niet ter kennesseobringhen 
mochte. Zeenr. t. 1628, 20. 

A&CHIEB (Hersier), zn. m. 1) Jtmiter van de 
^bandes of compagnies d'ordonnanoe'', 1471 door 
den Burgondischen hertog Karel den GK)ede info- 
richt, en die hun en de latere landTOQgden tot 
lyfwacht dienden. (GüiLLAinai, BteL de VorgatL 
miUi. eom» Ie» dmes de Bonrgogne, 180). || Heb- 
bende niettemin alsnlcka gnarde, als ghewooniycke 
syn gheweest te hebben de ToorgaandegonTemean, 
princen oft prinoessen Tan onsen bloede, te weten 
d'archiers , ingheboren Tan den lande. Flae. v, Brab^ 
18 sept. 1679, a. 16. L 607. De heer Tan Boora, 
oapitein Tan de Hersiers Tan syn Doorlachtioheyt. 
HoüWAXST, MaUkiae. 

2) Sehmtter eener gilde, fr. areher d'mne gUde om 
eermeni. || Dat dieghene, tsy Tan steden oft Try- 
heden, daert landtjuweel wesen sal, lullen mqgen 
bescryTon, zoeTerre hnn 'tbelieft, ons genadiohs 
heeren shertogen Tan Brabant schatten oftarchiera, 
selyok Tan anderen nilden Tan steden oft Tryhey- 
den; die welcke anSiiers enz. Bermenif 26 nor. 
1561, a. 4, bic. 25. 

ARENMAENT, zn. Tr. Angmehu, fr. aoéi. Br»> 
daaohe Almanac. KiL Arnmaendt. eam. — Leiat, 
Urkmndenlekre, 217, aran-manot (namen dar 
maanden ingoToerd door Karel den Grooie). 

ARËN8TLAKE. Zie xbfstilugk. 

ARENT, an. xn. Koor-taÊfgleeeenaar in den vorm 
eene arende, fr. hiirin en forme d'aigle. \\ Betaelt 
eenen man Tan Ypre, omme dat hy sohoerde en 
scoone maecte den letoenen arend, den chttidelare 
in den hoqghen choor, en 'twydwater Tat, zx so. 
parisis. Biicbbt, IY. 661, (1464). Zie abb 8). 

ABENTIJN, en. ons. Kleine orend {arendfe), 

k der lakoÊU ie 2ieenen, tt.peiii aigle, wkorgm 



ARE. 



ARM. 



99 




I) Ben niea pnnfte, omme de 
loode M^ie&Beny metten srent. Benen nieuwen 
m^kde au H pieni|e Tan *taventijn. Ib. I, 810 

ABEHWEBCK. Zie xuirvnzBOK. 

ABGBLI8T, zn. vr. ArgUtt, kwade tnm»^ fr. 
arüfleê^ mamvaiMB foL Dit wooid komt roor in de 
m eei t e y^brmnles" , waarby men in de onde oor^ 
iDonden betuigt, dkt men oprechteiyk handelt en 
alle inzicht Tan bedrog nitiimt. || Sonder eneger- 
faande aigeliai. Nuthovt, €Mb»,I, 6(1286). Allen 
anen liet aatgheecejden. Sermenê , 4 (1881). Omme 
cgheen afg^irt. E. o. St,-Trmdênj 1866. a. 86. 
^e bednegeniaBen, snbtilen Tonden en aighelüi- 
ien... njt^eeeeeht. O. lA^ffe, 17 mei 1898, a. 
17, Si.'T\nttdem. Alle aigeUet, portenen en Tri- 
heiden, qnade en listige Tonde en Terwen nytge- 
aloten en Tojtgeaeheiden. Sèkenk, v. Srab,, reg. 131, 
f*. 97 T*., 1411 , a. 6. Soo wanneer yemandt weer- 
aefaap oft guandt Tersneekt, aal hg, doende sijn 
Tenaeek, moeten noemen dengenen die hg oproe- 
pen wilt, sonder argelist oft oalnmnie te gebruy- 
ekene. O. e. Smtikaven, 8t^l, a. 824. Bonder 
fraude en axgelist. C e. Qmt, zx. 28. Sonder 
argelist en fidlaeie. Bru»9. podsh, H. 946, f>. 2 

(1607). 

ABGENTIEBSCHAP , sn. o. Volgens La Oübhx 
moei men door het wooid Argmnti&r (Tanwaar or- 
g&mimné) OTer het algemeen Terstaan een man die 
hei bestunr, de ontrimgst en nitgaaf, de behande- 
ling ^'Hi gelden heeft, stadsontTanger, wellicht ook 
een geldleaner, een lombard. || Hier snldy weten, 
dat in Teele goTallen die oondicie Tan den Trouwen 
wiJTuUff oft snoeder en aiger is dan Tan den man, 
ient, in arhUrio oft arbitragie , ens. . . Item , Tan 
der oflieien Tan aigentiencap. t. d. Tat., 818, t^ 

ABOEBEN, ons. en bedr. ww. Beeehadigd, 
dêMmr wordêm, fr. Ure midommagêj détériorê. \\ 
Niemand en mag he^eljkheden setten of maken 
100 naer syns gebaeren goeden, dat deezelfr syns 
geboofon goeden, muren, wanden, kelders <tfborren 
daaraf ergerden of hinder kregen. (7. o. Srutêd, 
8iat, T. 1657, a. 71. Item C. e. Lown, SerT. 61, 
Men Terbiet, op de mésdaet Tan x schel., dat 
ncigheaofande beesten moghen eomen binnen der 
Testoi T«n der poert, no op den barem Tan der 
Testen, dat de Teste daeraf aigheren mach. Kb, e. 
.^adL «. 1838. VeHm, 

2) BêÊèkadigém, fr. mdomniager. \\ Dat niemant.. 
en giaTO noch en argere de upsteUe \nl, de ge- 
meente-goederen] Tan der Toors. heerlicheyt. O, v. 



AmUi^ K. V. 



1472, a. 4. In den goiykty- 



digen franacben tekst: Qas nmU . . nejkeeke ne em- 
fin it watetekmê dTteèUê eiOs. 

ABOOEN. Zie Gabaoxf. 

AB0UUS (Afghnns), sn. SpiigvondigAeid ^ fr. ar- 
^irfiev. II Waertoe Zegher de Breede [procureur Tan 
die Tan Aalst] Terandwordde en seide, met meer 
wQsdan eo Teel arghuns: dat tstic in de camere 
eommen ware, en dat daer souldich ware Tcrant- 
woid te sine. J?s^. Jfa«., II, 298. 16« E. 

ABKA, sn. Soort eo» meiaal, koper, brons of 
memgul, fr. eepèee de m^al, emore, hronte ou mi' 
lamge. || Bat hj [K. gheelgietere] maken, loTeren 
•n npeëtten sal twee der Toirs. beelden oft figueren 
[al. metalen beelden oft figuren Tan de hertogen en 
kü p ii^ï imam jui Brabant], wel en loeffel jc gemaect , . . 
aae den hejseh Tan den weroken, Tan goeder 
itoftn geheeten arkaj en njet argere, ghelyo die 
itoffe Tan der aepoltoren myns heeren Tan BaTen- 
rti^n, ten Pkediosiearen in deee stadt. Aoad. d^ar^ 



ükM. 1864, bis. 826. BA, mm de JMImT eo» M 
hertogd^ hf U Bmseel, 1600—1516. Bestoet aen 
Claessen Ooopmans, geelgieter tóit Sichem, eena 
Tonte Tan goede drooge stoffe genaemt oroa, het 
pont ij st. üi oort.. TongerloOf 81. Kerhreken, v, 
168a 

ABCKE, sn. Tr. Kleine eUne, ook wel de wO- 
of êéhmifdewr der aUne, fr. petUe Mmse, auMêi vaiime. 
II Want als die Toirs. arken, sluysen of spojen g^ 
maict selen wesen, die op- en nedergesedt en ge- 
togen selen moeten werden ten geriere Tan den 
Boepluden. Bekeek, v. Brab,, rtg, 182, f. 76 t*. 
16« B. Dat men op die Toirs. riTiere oft watere 
sal moigen maken sporen, arcken oft sluysen. Ib. 
reg. 186 f*. 41 t^. Te Tisiteren demoelens, spujen, 
arcken en loopgaten daerop [ai. op de Demer] steende. 
Ib., reg. 140, P. 287 (1689). Dat sy [al. de mole- 
naars] op de Tier hooftyden [hoogtyden] hunne 
molens doen stille staen, en d'aroken oft wustgaten 
optrecken; t'selTC synde geordonneert , eensdeels 
propter retpeotwm divitmm, d*ander eensdeels {eio) 
omdat, door dien middel, de riTiere beuren nata- 
relycken cours was nemende en consequentelyck 
haer selTen beter suyTerende {eio) en ontlaste Tan 
TuyUcheden. MABTimz, 261. Ende aengaende de- 
gene die ghy bcTinden sult de stroomen en riTie- 
ren, beken, wateren, met arcken oft andersints 
gesteygt oft opgehouden te hebben boTen die ordi- 
narisse pegelen oft waterplaten, te Terbeuren. ..Ib. 
189 (1669). 

ABCKEBOUSEEBEN, ons. ww. Sehiêiêm mei 
mmrroereH of Imkeen, fr. arqnebmter, \\ In seker 
holle straten leghen noch Terooighen omtrent Tier 
Tondelen soldaten die , naerdien dat Syne Doorluch- 
ticheyt met synen princeiycken staet ende Toor- 
seyde heeren daer ontrent waren, hun terstont 
ontdeokten, harquebouserende en schermoesserende 
teghen den anderen. Hoüwaxht, Maükiaey 12. 

ABCfi^ET, sn. ons. Qewelfboog, fr. oro, areeo», 
wmtemre de vodie. || Item, hebben Terd^t die 
kerckmeesters aen Willem , die ghelaesmaker , in den 
Molenstene, ene pant Tan de grote Tonsteren Tan 
onder tot boren, metter metsenen en met STne 
arketten, en met eenen heelde Tan Sinte Barbelen. 
8i,-Stdpice, I. 66, 66 (1440). Item, noch een Tein- 
stere boTon de Tonte, . . . oock een haraas om de- 
selTC Toinstere met xt aroketten, hooghe ix TOeten 
en broedt tüj Toeten en half. Bekbbt, IV, 680 
(1677). Verloot in Onse Yrauwe choor een aioket 
boTonden in St-Jans oapelle. Ib. 681. 

ABCKETIKE, sn. Tr. Jiehi, fr. artkriie , gonüe, 
II Yan der [dier] tyt Toorwaert was de graTC Bob- 
brecht seere gepint Tan der arkelike [arketike], en 
altemet cranckere en siecker. Jak y. Dxzicitdb , 187. 

ABM , sn. m. 1) Lichaamsdeel , fr. hreu, || Scilt met 
den prime, dien men op den arm draëgt. K, e. 
Aniw., 1292. 

2) Zeearm, fr. brat de mer, || Hem [nk Bobrecht 
de Yriese] wart gheghoTen Sente Joorys aerme, 
denwelcke hy gaf ia AguUaHenei eetdesia [Tolgens 
de nota, aan de abdy t. Anchin, in Henegouw 
{Aquieeinetmn). Jav y. Dizicttde, 82. 
• ABM (Aerm), bnw. Behoeftig , nooddntfUg, fr. 
nSeeaeiteux, pennre. || Aerme en rike. K, v. Anho,, 
1292. Men mach obicieren en impugneren den ge- 
tuyge dat hy arm is , want armoede onder de lee^ 
lieden induceert presumpcie Tan corrupcien (I). En 
ghy sult weten dat in den rechten diegheene ann 
geheeten wort wyens goet gheen 1 [60] ^den weert 
en is. Y. D. Tay., 887 t«. 

ABMABIS, sn. Koet akhu gékeetm^ fr. m^ 



«00 



ABM. 



AlOt 



m&itê. KiL Armftrii, j. «mmaris, Armt uJÊ m. 
^ WeMedBu hem [al. het oorioghsfolek] oook . . te 
breken eenighe deamL, yensten* . . . koffen, arm»- 
liMen, huffstten, tafeli, ens. Plae. v. Br^. 1683, 
olt oot a. 9. n. 886. 

ARMEYE, m. Oudfr. armee. Vddioeki, ft. tm- 
pidMom dê gmKrte, \\ Ter liefde Tan de» goeden 
dionet, die wj ons gedaan hebben in menif^benuide 
ODse afmmii. EnAAoog^ 16 (1416). 

ABMELAP (AeviMlap), nu. m. ArmpUud, mrwt- 
«oAms, £r. hrmgêord, emoUière. || Tan eena brigon- 
dine, laUade, gorgeryn, mauwen Tan maelgeiTe, 
Tan oenen boghe, tcoese, aennek^.. JUkmk. e. 
JBrab. ny. 88848, 1476—76. &MMa# zri^. 

ABMGELT, zn. ons. De rechte betoekenie Tto 
hot woord ie niet goed te bepalen. || L*éolaiiar au 
Minne-wttter, présent et futor, tant on cetto qna- 
litë qn!en oelle de reoereiir du Mêep' et ArmgêU, 
anim, outre la demonre, ons.... Plac» 9. VU 18 
mrt 1766. a. 68. X, 489. 

ARMOEDE, sn. ons. 1) Zooels thans, fr. pam- 
mM, \\ Biet, dan spiset efi waidet faaer die sïele, 
waaneer si aensiet dat willioh annoede en dat later 
Uden OBS gfaetrons Heren Iha Xpi. AUer Kwrtik. 91. 

2) Vmrmrmimg , ettendê , fr. appm t n rUt m mm f , muèrw. 
II Bnde hy [ml. de prinoe] punieert tUohaame Tan 
Buloker stede, om huere reoelheöty met armoede, 
te wetene met grooten boeten efi pynen, tsyader 
discretie. Ffmêé. ertai., a. 68. 

ARMOESSE (Armnsse), sn. Aalmoêë, ft.amm^. 
II Want Heinne Bmne in sinen ieetsmante ghe- 
maect en gheghoTon hadde in axmnssenen en poer- 
laeo omme Gk)eds [Gods] wille. . Sehep, e. Diei^, 
29 mei 1396. 

AEM8CHELE, m. Jjrmplaai, armêehêm^ fir. 
IrmMB&rd. \\ Artoysienen . . . , dia ghe wapent weren 
met hehnetten en burstgheweeren, aermsohelen en 
beenplaten. J?«r. üsdm^ f, 291. Verdam ABXBCBin. 

ARM ASSERS (Hamassers)? sn. m. Lotêfirê, scheep- 
ioMëers, fr. dibmrdemra. Ambachtsgilde te Gknt, die 
het priTilagie had de koopwaren te laden, te kissen 
en te Torroere n ; ten ware de eigenaars het self 
doen wilden. M^emrek. DeeL v. 1784. 

ARNOLDUS. 81nt Amoldus, fr. emmi ArmomL 
Pairoom der' hr o mo er ë , fr. pairom de» hraeeeure. 

ARNOLDUSGULDEN. Geldereeke gomdem mtmmi 
M» 92 fa 'imarh (16 soh^), fr;. «nmnmns d'cr de 
la Omeldre de 9i aa mare. Flao. e. ^r«6. 17 juli 
1648, n. 476. 

ARNT. Zie abt. 

AROBBE, sn. JBm gewiekt vam 26 Brab. pomd, of 
ongeveer 11>/| kil., fr. poids d'emv. llVt ^- Snaansch 
Andbo. II Éen tonneken oonserre Tan 6&ï arob- 
be, op Tj st. Tiy den. Een arobbe Tan marmelade, 
Tj st. Tiy den. Sckatiimg v. 1661, f«. 190. 

ARRAS, sn. m. 1) SamdgMfgodepemmiug^ onder- 
pand, fr. arrkee , gage. \\ Generalyok, dat contract 
Tan anas, oft dair godspennino gegeTen wort, date 
dierste contract, y. p. Tat., f^ 17 t^ 

2) Salarie eam avooatem\ proemremrë ene., fr. ea- 
laire dee <99oeaie, p roamr emr e etc. || SahuisMn Tan 
de procureurs. In den iersten, toot consult en arras 
▼an alle laeoken bedraegende boTen de lOO gulden, 
t'elcken 12 st. C. e. Lier, 8HJI, zTiy, a. 1. Sala- 
rissen Tan de taelsprekers oft procureurs. In saeoken 
onder de 60 gulden, Toor arras 6 st. BoTon de 
60 g.,azTas 10 st. C. o. Demme, Impr. a. 648, 649. 
AU psrtyen eeniffo adTOcaten willen employeren, 
sullen Toor anas hebben dobbel. Ib. 663. 

ARRE, bn. Oramj toornig, fr. prriié, eomrromoé. 

In aneu w feUtn moode. fiooe^ardiglifk, fr. 



mM mmmt, || Boe Teiro jemaat waar, dia hiq»* 
eteeliiny dede in anten w feilen noeda, dia ve«o 
op tw^ pont. O. e. Megkem, O, v. 1867, a. 7. 

ARREBf ENTEN, sn. mT. Laatete reektakmdo 
limgem eemer taak, fr. errememte, dertmere adeê de 
procidmre. || Indien oook een Tan de litignten 
Éberft, srnen proeureur sal hetsalTe by mmpatmt 
sehnldigh syn te doen teeokenen ter rtdle oft r^ 
gistre; ^ binnen het jaar naar het teeokenen Tan 
den ep sy a rat^ , sal den langfastleTandan moetSA 
doem degliTaerden dlxnrs Tan den OTOtiedeneft, op 
het aannemen Tan d*arremanten Tan de saeeke, op 
pene dat d'instentie doodt ende geperimeeii au 
syn, ten waere dat sy uytlands wasren^ in weloken 
gOTal men hem reguleren sal naar de plaocaeteei 
geetatueeii op de pteseriptia. O. P.-B. atOr. 6 juli 
1708. a 200. 

« AREENT, sn. In Arrende hebben, t» paeki 

kekhem^ fr. awir è ferme, è haü. (| Dat orok hy 
aft vjrlen syn Tader fanderen tydsn hadden da 
prouüyten Tan der keroka in arrende gdiadt an 
gehooden. Bekeni. «. Brab., reg. 188, P. 213 (1686). 
ARREST, sn. m. Aamkomdimg mm perwmmi 
keehglegginf op goederem^ fr. arrafMiea de per- 
eommee/ eauie de hieme. In Brabent en aamaiyk in 
de stad Brussel , bestond echter de aanhouding Tan 
een persoon hierin : dat aen schuldeisdiert «ynen 
sohuldeaaar aldaar aantrafoid, ham liat anestesfen, 
d. i. hem goreohteiyk Torbod liet aana^ggen de stad 
te Torlaten aleer hy syne schuld betaald had, ai 
Toldoende boig gesteld om in reoht te Tevsohy» 
nen en te Toldoen aan het gewyede. || Da TootsiL 
stadt Tan Brussel is eene stadt Tan arrest [sieites 
amët%], ende TOimagh eenan crediteur, Tindmide 
binnen deselTo stadt en hare Tryheydt synan deÜ- 
teur, Tan wat qualiteyt, condioie oft steat hy sy, 

Seen poiiter Tan Brussel synde, noeh aldaev flxe 
omioüie houdende, br den amptman, synan liao- 
tenant, oft gesworon menaren der toocss. stadt, ta 
doen arresteren {eietere), om hem toot de wat deiw 
eelTor stadt te reoht te betaecken toot da ToMoe- 
ninge Tan syne schulden oft pretensien. O. v. BirMssl, 
1607 a; 70. D*arresten die gedaan worden op per- 
soonen en moeten niet geschieden in presentia thi 
poirtars oft andere ghetuYghen, maer, want dick- 
wils ghebauit dat de gheanresteevde Tioleran *t 
Tooras. anast, in pr^udime Tan hunne Cfoditeuraa, 
soo is den officier, doende 'tselre arrest, ghehon- 
den dan gheaireeteerden te doen gbaloTan onder 
eedt, dat hy hem niet en aal abseirteren noeh uyt 
dese stadt Tertrecken aondar consent das arreatants, 
oft totdat hy Toor syne pretensian sal hebben gh^ 
stelt solTente oautia, deser stadta rechte bedwangb> 
baer, oft andersints met den rechte daaiaf aal syn 
ontslaghen. Ib. 78. Yermagh oock eenan orediteur 
te doen arreateren da meubele goederen, inneoomen, 
TTuohten, beatialen, gronden Tan erfran, renten, 
achulden, actiën, credietan, brieTon, titelen efi 
munimenten Tan aynan debiteur, om daarop ayne 
achult en pretensien te moghen Terhalan. Ib. 71. 
2) In da Protocole [of formule] tot ba nnen da 
Tiersohaere, C. e. Brt^ge, II, 746 (n«. OLXXYIL 
Ordonnantie op het £ut Tan de praoticque en sfyl 
Tan procederen), komt het woord Arreat toot met 
da betaekenis Tan ,,stoks Tan het prooes", naar da 
Tortaling Tan den uitgoTor. Nadat da buigemeester 
den schout maahtig TerUaard heeft om de Tiaraehaar 
ta bannen: || Dan maant dan haara aohont de 
hoeren schepenen; en deselTe gamaent synda, foa- 
Bouckt den heer schout aen dni heer burgemeester 
ndat sal gelesan worden de arnsten.*' WMcop ditp 



ARR 



ART. 



101 



■wightt jfiSi gelesen de ancartoa.^ WaMnaer 
teaUVf door dm greffier gdesen synde, yenonokt 
éÊO, hMv Behoot «en den praaidewndon heere, dat 
de KSHton souden geleyt woideiL in syne handen. 
Waerop dito heere eeght: ,^ij deee ameten geleijt 
in m «deLa bnnden i& in 's heerene httuden, om 
die griort te wcndan YtAgna de &talen, ala naar 



ÈiéuB ook Teftaald door den nitgerer Tan den /»«. 
dw oreiiBei dg Bn^tê, in eena vakening derHalla, 
fBB 1680. lY, 168. Qaxlliaxd. 

4) JBnwl, ^^od^ fr. ordrv, eoatffMMidsaMiii. || Dat 
dengenen ofte degene eenig arreet oftfr Terbod, be- 
baorahfok gadoon door Bchootet, mejer-Torster oft 
aAeier , . • komt oft komen te breken ofte TiolMen, . 
aal Qifta soDen in deeelTO pene oft amende Terrallen 
sjB. O. P.-B. «rfr. SI oot. 1716. e. 25, a. 27. 

ABSEOTANT, ARRESTEERDERE, an. m. Be^ 
üm^wf§fÊr^ fr. ioiHfiaaf. Zie axbibt, èxbxbtwkbx», 
O. IL Bnuêd, 1607 a. 78. O, e. Jmim. 1645, lY a. 
6on poaaim. 

ABRE8TEEREM, bedr. ww. 1) Amtkotidm m 
gmmiÊgÊm «mmm (perêamêm); t» hêdagf mmmm (ffoedê- 
nm), fr. mréUr si faitê ffriêommier (deê ptrêom- 
•aa)/ aoMtr (dw 5mm). || So wie die poertre, ofte 
•jn goed aneataert buten aoependomme Tan Ghent , 
one np hem wiet [wyat: Tonnist], hj ea in de 
moadaat Tan lx pondisn. C. «. €hni^ I. €h. tiarUr 
au 1867 m. 88. Boe wye dat eenighen pereoon oft goet 
vfll doen at r e atei 'e n , die moet dat doen by den 
aehonlet, amptman, roediagere oft geaworan oolf- 
dwgfc i wa éir afeadt Tan Antwerpen, en nyemant 
anden. C. «. Amhf. 1645, lY, 1. Zoe wanneer 
Tenant eenen anderen peraoon TOere dTile aaken 
doet arreateren, die moet den gearreateeiden ter- 
alout, op den a t aenden Toet, doen dach beaebeyden 
(e romene Toer amptaun, bargenneeateien en soe- 
penan, om to aenhootene de redenen T«n den 
aiiuaiii efi hom daortegen te deffenderene. Ib. 2. 
De enUMitet, ampftman, roeydraghete , ooüsuageve» 
Boeh andere offieier oft dieneer en moegen eenen 
p oo rte ne eft ingeeetenen in peraoone, oft eyne goeden, 
nyet aneataren oft beoommeren nodi beaetten Toer 
eenighe aetien oft aeholden. Ib. e. 18. Die eenioh 
goet doet etreeteren, aladan moet de oAeier (het 
doende) den aneetant Tan denaelTen goede* 
oenen pandt. Ib. a. 5. 

2) FMed dat» gaaaiyjaa ee» d$ stad U wrlaiên, 
fr. /eire wigmiJUr défimse da qwitUr la tfOU. || Ala 
een bn^tenman, woonende int qnartier Tan Ant- 
w a ap en , alhier geaneateert ia, en boren aneste 
TOEteeokt eonder Tonniaaeiyok daemff ontalaegen te 
djn, oft oorloff Tan den amman oft Tan partije 
da aa to e te hebben, maeh bij ammanabrioTen inge- 
aahreran woeden, om alhier te reohte te ataen. 2b. 
fliayy y. tQ, 9. Zie ook iJKBXST. 

AISRBSTEMENT. Zie abxbst. 

ASRE8TBRAKE, an. tt. Ui^raak, httierwr- 
J ra K^ y, «B oa f ar w wad ïjy eoo te hesk^ ffênomêu 
faad, fr. rmpian d'arrüf hris d'arrH, || Soa wie 
aiieatbiake committeert, cft gheanraateert goet trana- 
porteaH, alianeert, ofte abeenteert nyt de plaetae 
Tan den arie e te . . ia aohnldigh. C7. e. Chni, tV. 10. 
8oo wie ane a t b i a e ke oommittert, ofte de geanrea- 
taide en beeiaeghde goedynohen tnmeportert zonder 
eonaant Tan den heere, Teroeurt de boete Tan taea- 
tieh pont p wi a ie. C. e. Aadm,, Til, 9. 

ARROOIEREN, bedr.ww. AamlkoMdem/ aammtté- 
km, fr. atrUmr, apprêkmdwg aeHimmr, || Mem 
neer Tin gbelyoluii te doene • . np 




gkebannen te syne irater ateide en eaaaebrie 
Berghen ten termyn Tan zee jaren, np snloke cibine 
ala den joge reedelyek dyncken aal daer hy f^eaiu 
rogiert wert. TrcaèieM mar., III, 150. XJppeineTan 
herbannen te syne anten lande en graefrcheipe Tan 
Ylaenderen snlcken tyt en up anl^e peine ab*den 
jnge redelyck dynoken zal, daer hy ghearrogieii 
wert. Ib. 152, 153, 169, 160, 162, 168. Up snloke 
peine criminele ab den jnge, daer hy aengheepro- 
ken wert, goetdynoken saL 154. Up peine Tan ghe- 
BchoTotteert en ghebennen te syne anten lande efi 
graefiBcheipe Tan Ylaenderen den termyn Tan thien 
jaren, np de galghe ofte natan lande, ter diaeretie 
Tan der wet daer hy ghoTanghen wort. 165. Tan 
de wet daer hy, gheranghen, aagheeproken weert. 170. 

ARSATER (Eraseteze , arzater, aermter), an. m. 
Ariê, ffêHeêgkeer, hêdmeetUr, fr. méd e e im , e hir ut 
pieu, II Dat twije oft Tier geaworene, metten er»- 
aetere, sollen gaen totten geqnetsden, om die qnet- 
soze te beaiene. R. v. 8t.'Trmdem, 1866, a. 8. Ala 
hietaff queetie ende twifel wilt [k Talt], aoe aal 
men eiaaatere daarop hoeren ten heyligoi. Ib. 79. 
En het en oaa niet ghenesen het en moet enen 
ghetroawen arzater hebben. Qebedb. 14« E. 2. Want 
die geaonde en ia den aermter niet noottzoftidi. 
Moad. merk. 60 t«. 

AR8ELMAENT. Zie bibbilxavt. 

AR8ENICE, zn. fr. artemie. \\ Van 100 Ib. ar^ 
aenio, ij gro. Zêemmokê ioiv. 1628. Oadste melding. 

ABT, zn. TT. 1) KumH, fr. art Paooltelt In 
der arten: FaadUU i» de trijê hontien, h. fa- 
adié det arts. || Dat wy tot Tole en diTeraohe stoi^ 
den hebben Torolaert gehadt, dat onae meyninghe 
niet en heeft [aheweeat], nooh en ia, dat die aap- 
posten Tan de facnlteyt in der arten Tan onae doch- 
tere der UniToraiteyt Tan LoTon aonden behooren 
oft mogen gebrnyokt hebben Tan aekere bolle Leo- 
nine. Plae. 9. Brab., 16 mrt. 1529. III, 55. 

2) Kmui (in kwaden zin). fWiuf^fwp, fr. artiflóê. 
Art nooh engien. kumiffreep eodt lui, fr. ar- 
Hfloe m ruw, Gebraikelijke formule in de oorkon- 
den, om zQne goede troaw en oprechtheid te be- 
Testigen. || Ende en aelen soeken, nooh anderen 
Tan onaenthalTC doen soeken, noch laeten soeken, 
art nooh engien, waerbi dat wi hen deae poente.. 
mochten breken ofte storen. K. v. Looên^ 1806, 
Oorroboratio. Brab. T. , I. 784. En en aelen aneken 
nooh doen aueken art noch engien, waerbi dat wi 
hen deee atacken breken mochten oohte daeije- 
ghen comen. Ib. 748 (1811). Art noch engheen 
engien. 775 (1827). Art nooh engien. 889 (1848). 
De K. V. Zoui'Lêêmo t. 7 Mei 1807. Ib. 741, 
heeft: Oonst noch list. 

ARTIFICIE, zn. Kmtst, fr. ari. A ^ drij- 
ven. JSnie hunti mio^ênen^ fr. aeerosr «e oH. 
La Ouioni: Artifioe, arif profenum d'nn ari, 
MlUTBii: Konsthandel, konst. || Een dochter mach 
oio comanscap haotieren, oft artifioie, hantwero en 
neeringe driJTen. r. D. Tay. 284 t^. 

ARTIFICIEEL, bn. Fuiutiff, mat Tnmtt ga- 
oiaakt^ fr. arfitlêmênt, faU avêo art. La Chmni: 
Artificiel, qui mi fait anee art. || Dat hy ghe- 
reysen waa te Ourtrike, omme aldaer te Tomemene 
naer zekere exquise eö artificiële amelaken en bane^ 
quetacTTietten. Reubby, I, 867 (1567). 

ARTIJCKE, zn. Tr. JïeU, wateamt, fr. gaaUey 
l. Arthrite. Ybbdak : Artike. Zie ook a&cxxtiokb. 
II Hy bedde een peert achter hem, dat men metter 
hanat leedde, omdat hy qnalic te Toete waa orerw 
mits dartycke. Bar. tijden^ I, 318. 

ARTILLERIE (Artelgerye). 1) Sekiatwapam, fr. 



1 



102 



ART. 



ASS. 



airm» de traÜ), || Ter artelgeryen [Z. Die artelgerje] 
ten* Tooneiden dienste behoerende, baI altoos steen 
ter ordonbancien Ten den soepenen en lentmees- 
teren Tan der stadt , ten tyde synde , en daer selen 
[si] toe doen sien en yerwaeren, alst [zoo als het] 
hen gelieyen aal. Sermemt, Megl. AfhaUUritrM ^ 1412, 
$ 21. blz. 12. 

2) In de algemeene beteekenis Tan vuwrwapemêt 
fr. armêi h ftm. \\ Artillerie, soowel gioote stnc- 
ken, als: hombaeiden, busolooten, als oock haeok- 
bossen en hantbnssen. Waiertol^ a. 1560. Artil- 
lerie, alrehande groote stncken, als bombaerden, 
hooftstncken , Berpentinen, basilisken, bnsclooten 
en dieighelyoke , nytgenomen haecken en hantbns- 
sen, Taiende uyt desen lande met onsen oonsente 
oft passeporte, maer anders niet. Zêêuuuehe tol t. 
1628. Ken inyentaris Tan het bel^geringsgeschut 
der sterke stad Diest in 1621, meldt het Tolgende 
oorlogstuig: || Haiokbussen [ook: haickenbuasen] ; 
yseren — oortte, lange. ld. inhoatgestelt,getekent 
met Borgoenaehen craee. ld. met eenen honten steel. 
Clootbuflsen : yseren. LootbussMi : yseren — lange. ld. 
dreyende, aohietende naer 'tyelt, daer men henen 
wilt. Slangen: yseren, metalen, half metalen sonder 
camer, die men Tan roir leet; half slanzkens. E^n 
half gekarde metalen slange. Steenbossen: groote, 
corte, lange. Een groote steenbusse om hagelscott 
mede te schieten. Bnssen omme te schieten hagel- 
geschnt en een oort yseren bnsken dito. (Op zeer 
weinige uitzonderingen na, hadden alle deze stuk- 
ken dbrie kamers. De inyentaris bevat daarenboven 
nog: II Soutvaten met cmyt en poeder, olooten, ton- 
nen Bolü^ters, een tonne solffers en een tonne 
haickenbussencruyt , eindelijk 5 lote clote dienende 
totter groote busiche). Met deze groote ,,bussohe" 
bedoelt men waarschijnlijk de „Holle Griet", „DuUe 
Griet" of „Dikke Griet*', welke op eene der stads- 
pleinen bewaard wordt, en lm 60 lengde op lm 92 
omtrek heeft. 

ABVE. Zie bbtb. 

ABWETE. Zie bbwbte. 

AS , voegw. Komt hier en daar voor als bedorven 
van ais. CM^Jp, tooals, fr comme^ ainsi quê. || Also 
ast hem goet zoude dinoken. 1 aug. 1290. Gelyok 
as Tursoreven is. Cari. Si-TVond, 13 apr. 1869; 
benevens als. Voirt was opten zelven tyt over- 
dragen, dat men goide lude setten soude, gelyc 
as men dede. Aead, tTarekéol. 1866, blz. 168. 14» E. 
(Dat) to denselven marokt eyn yegelgck, van wat 
staet die sQn, kommen moegen hoere kommenschap 
doen gelden, ooepen en vercoepen, na gelegentheit 
der merckten, as dat gewoenlick is. Cart. 8t'Tr<md, 
26 nov. 1480. 

AS, zn. vr. (van een rad) , fr. Mttm. Ter assen. 
JPor os, mtt foagtn cf koTj fr. twr eitieu, par wn- 
ittre. II Boo ist dat wy . . . in sureéa»ee doen hou- 
den . . . het voors. verbodt van de lantvracht , per- 
mitteren en laeten toe d»t een ieghelyck, van nu 
voorts aen, vryelyck alle ghepermitteerde waeren 
en ooopmansohappen te lande op de assohe (iié), 
in en uyt dese onse voors. landen, steden en plaet- 
sen van ofte nae de voornoemde gheünieerde pro- 
vintien en neutrale quartieren sal moghen vueren 
en brenghen, soowel als te water. Plae. v. Brab,, 
24 deo. 1682. I. 825. 

A8ACK. Zie AXflflAOK. 

A8BEYE (Asoye?), zn. Soort van zoeten wijn, 
fr. êorte de vin d&nx, || Item, malevesee, bastaert, 
xomenie, muaoadélle, asbeyen oft diergelycke zuete 
wynen , betalen , van den boot of pypen , 10 Vt gro. 
Wai er r ol^ 1550. Zie Qatlltabj); Azoyen, agpyen. 



ASCHWAGE, zn. vr. A$ehmaag^ eene hoevedkmi 
vam 165 pond, zooals de asoh gewoonlijk gewogen 
werd , fr. balanee on peeêe de eendree, de 165 Itsfisi. 
II Van der aaghwaghen ghelt men poatghelt. Tót 
U meet, V. 1807. 

A8DAN, bijw., bedorven van ededam, ir. edore. 
II En asdan die burgermeeeteren den vreemden 
inden poirtsoappe selen doen roepen van hoeren 
gezworen knapen op onser stathuys. O. e. Meme- 
trieht, Priv. 1418, a. 19. En oft hi asdan dien; 
onsen en onser stat viant, een of meer, niet aan- 
nemen en wonde. Ib. a. 85. Dat asdan die vurso. 
buxgermeisteren oflft raet . . . sioh van derselver 
vrempden Inden nyt voirder onderwinden . . . Dat 
hy asdan denen [statuten en privilegiën] nyt gao- 
deren en sal. O. Li^, 11 deo. 1500, a. 22, 40. 
Saeeelt, 

AS DAT, bedorven van ale dat en pleon. voor 
dat alleen, fr. qme. || Wart hi [sL de hertooh], 
syn goede raet en de raet van einder goeden ste- 
den op de voirs. pointen met synre stad van Loven 
gemeynlio eendrachtioh : as dat men die rekeninge 
sieder Peter Goutereels tyt verhoiren sonde. Aead, 
<rareiMbl.l856. bl. 167. 14« E. 

ASDUCKS, bijw. Zoo dXkw^ alt, «sfifams alt, 
fr. toafee lee fine que, \\ Wert saohe, d^ ymant 
onder ons ind in onsen lande gesessen, die ons ao- 
gehoirich were, of met die stad, die burgere ind 
onderseten van Aken sehedigde, so is onse wille 
ind consenteren derselver stMi, den burgeren ind 
onderseten van Aken, dat sy deroe lyve ind gude 
bynnen onsen lande of daiidoroh vort int wyeder 
oomende soüen mogen angi^en ind sohedigen as- 
ducks des noit gebuert. JB^ink, v. Sraè,^ feg. 182, 
f». 28 (1481). Priv, voor Akon, 

ASEURS. Zie dobbblasiüba. 

ASOTEN, bn. Soort vam toeten w^, fr. eorte 
de vin douap, \\ Van maleveseye.. bastaert ofte 
asoyen, romenie ... en alle andere soete wynen . . . 
Tol te Antw.f 1628. Zie Ybbdam, ook Gaillx- 
▲BD. Zie ook AGOTBF en asbbtbit. 

ASPECT, zn. ons. Vtttiekt, fr. vue. \\ Ten fine 
sy sekere veynster , aspect nemende op haere exfve, 
sauden stoppen en verhoogen tot seven voeten bo- 
ven de aerde. Annotaüone, 104. 

ASSAELGEE^BN (Assaelgieren). bw. AoÊtvedlon, 
heeprinffen, fr. aeeaiüfr, aUaqwer. || Die mans qnie 
sloege ochte assaelgeerde ... É.v. 8t.»Pietere»Leemo, 
1284. Soe wie . . heeft yemene gheassdgiert in sgn 
huus.. JT. o. Denderm,, 1238. a. 2. {Vert.) Lat. 
aeealierit. 

ASS AT, zn. vr. Kemr vam gond of stfiwr, proe^ 
gewiekt, fr. étatom. || Dat zy, soepenen en raet,... 
zetten zoelen , kiesen . en ordineren , van jaere te 
jaerre, waerdeerre [waerdeerders] (van den beoke- 
ren ooht van den bacambaohte) te waerderene met- 
ten waghen en metten ^ewiohte, op d*assay dat 
men hoen gheven zal. Oork. v. 1 dec. 1887. Dieet. 

A8SASSIJN, zn. m. Moordenaar, fr. tueaeein, 
II Assassijnen zQn ruyters zonder meesters, die de 
luijden doot slaen om ghelt; zoe [zg] stjn*t oook 
al hebben zij meesters. Praet. erim. c. 82. Wielant- 
schijnt hier te denken aan de moorddadige Ass»- 
niten, fr. Aeeaeeine, waarover zie La Omura. 

ASSAUT, zn. onz. Aanval, heepruiffin^ , fr. at- 
taqwe. \\ Soe wie, te waren, heeft yemene gheaaael- 
giert in sijn huus , . . en selen scepene mogen sien 
sien [syn] assaut oppenbaer [te] vresen. K. v. Hf»* 
derm. 1288. a. 2. Lat. tuemttmn eeee apparentent. 

ASSCHE (Asohe), aedk, fr. eendre. \\ Ben vat 
wiins, seems, aaohen... Lat. vete vmi^ ek 



ASS. 



ATT. 



103 



. . • Ble Tit wiinB, asaoheii , seems . . . Lat. 
«MM, emerwm, mMU. Tol U Br^yê^ 
ItXA. ijwehen Tan OosÜant, alle aoarten, de toxme 
TÜj cL TU, T. 1697. BonrgoenBohe assohe. Zie bbs- 

BXVCLAÜWX. 

A;i8Cli£lj£NW0£NSDACH (AaselswoenBdach), 
BD. m. .^jdUooffwtfcy, fr. «MrerMtt iIm emdrM. |) 
Oie en mI men grenen xmidt houden opto heilige 
•ondaigen Tan den geheelen jaire, noien oio opte 
iMÜige' daigen • . . , den yaatelaTont en den aesels- 
woenadaeh Toir dor noenen. y. d. Tay. 410 t*. 

A8SCHENF00T, m. poioseh,? fir. potoêtef \\ 
AaMbeupoot, een toxme*. Mansa-'tolt v. 1667. 

A88£N£M£NT. Zie AflBievAXSJrT. 

▲SSKNHOUTv zn. ons. B<mi om atêen tam U 
j, fir. baiê è eêtwmm, || Alle ploeohateerten- , 
I-, aehemelen- ende andere oirDorhoat. Kh> o. 
a. 48 (1460). 

AS8£KttI0£N, zn. Smtelvaari, fir. AMoemnom, 

In die Tigilie Tan AaaenBjone. K, e. Meerbek, 
▼. 1284 {Vêrt.). 

A88ENT, sn. ons. Toe st am mimff , fir. tuêtnümêmL 
II Sy dal sake, dat acepenen, by aswnte des ghe- 
Feehti dee heran, Tan ^)an] aetten in bxoode dF in 
wipe. X «. Dmderm. t. 1233, a. 24. Lat. pmr a«- 

A88£NT££B£N, bedr. ww. Toutaaa, ft. eoa- 
wfir II lijnen heere was gheaaeenteert tryfiite 
Ihebbeae aUe jare Tan allen rorenuwen Tan der 
■tede. Ol. y. Dixkxtdb 38. Aldus so Termeester- 
dot mjn heere alomme, en men deide al lynen 
wille, en hy Tenoohte te makene eene nieuwe 
munte en het was hem sheassentiert. Daema so Ter- 
Boehte hj eene subTentie OTer al ^tghemeene land, 
die greot was, en was hem gheassenteert. Ib. 88. 
Siaer oTenen ghediaghen was, dat men by den 
aonine txecken soude..; 'twelke myn heere assen- 
teerde. 84. Myn heere, dit Tentaende, assenteerde 
hem danin om dit te makene alsoo hemlieden 
oriKMrlio sonde dinken. 90. 

A8SIGNAII£NT (Assenement), zn. ons. Bev^ 
cïiy, omdêTpamdf fir. «uêiffmaiiom, kvpoikèqae. Zie 
IdL Oüsn AiÊèóêatêmi. || Boe wilde hi en begherde 
dal godshuus sonde ebben en heffen , elkes jaers , 
eeawelike durende, die Toers. sesse soelege parisis 
erfelike, in prepren men assenemente. 
132 (1340). jE>at elo die Tortan eenighe 
hneren sal , ten hende Tan den jare . . tot 
soepenen OTerfaringhen sal syn rolle Tan synen as- 
signamente Tan dier aasiM cQe hg sal ghehadt heb- 
bsn. Bk Yii. Aeoitm, 38, 15«£.£nt'BelTeghedaen, 
^|n de raotien ghehouden te gaene binnen Teer- 
tiefa daghim daemaer, metten ampman , gheassisteert 
nel twee enerbraeders, en doen beterden den grondt 
en aaaigDement. C e. Vêmniê, XLYII, 1. 
> A88U8BA£B (Aasisbaer), ba, Omdtrkêfri^ aam 
Haet^mmrmki^ fir. êmfH amx droüë d'aeÓMes. || Dat 
ékkerlye die eenieh goet, asaisbaer weeende, in 
d'oadeware eoopt, TeroDOpt of Terbarteert. Dl Yii. 
.issMss. 34, 15« B. 

A88U8£ (Assise, ezoys), sn. tt. StêdeUfbê ver' 
hrmka-hdmtümg f aee^, fir. aeeiêê. jj Dit es de bono 
dv ocdinanehen Tan den assysen der poort Tan 
DenraaMode. (1417).D> YL.^ie0Meff, 1. Boe wieeneghe 
wine ocht Treemde bier Terooopt in grossen, . .- en 
nelt niet ew^h laten Tueren.. hy en hebbe der 
iwisBHi m noichtjsere moet, ocht hy zal dassise 
€& den panehys selTer gheldsón Tan graasen. Kb, e. 
JÜÊti, B 71. Ezoya. Sêkêiae. o. Brab., rtg, 138 f». 
M. 10 dee. 1686. De poorters en poortereesen . . 

lyiL Qoek Tiy . . Tan poinetingen en setHngen , als 




contribuerende in de lasten en assysen derselTe 
stede. C, v. Gentt I* 10. Questien en processen 
rysende ter causen Tan de assysen. Ib. 17. Vav 
DKS Haits schrijft neTons dit woord: Chbdla^ en 
dan: De gabdUe^ veetigalibuê, teUmiie eê alêit im^ 
posiHonilms Traetakam kabeni Finniamme ete., en 
Terscheidene onzer oude oorkonden schynen deze 
Tertolking te wettigen: || Dat [wy] in derselTer 
stadt, noch üs eenyger plaatsen der Triheit, assyse 
oft gabellen genoemt (ne), op dy copen oft Terc<^ 
pen, by ons oft yemantonser, in eenygher manyeren 
Toertaen [sullenj ontfiuigen noch doen heyschen, 
sonder Toloomen macht, autoriteit, orloff en con- 
sent onser twee heren Toemoemt. C v. A^.-TVeidmi, 
$ 5. Vtm der aeeyeem. ^fft <y^et meenige jaeren, 
hemlieden Terleent . . . hebben, om te moeten op 
bringen, heffen en ontlangen zekere gabellen oft 
assysen en impositien. Rtiünk, e. Brab., reg, 139, 
f». 44, 22 noT. 1544. Aarêokot. Hoe dat wy haer 
Toersaten Terleendt en geoctroyeert hebben to mo* 
ghen opbringhen, heffen en ontlanghen zekere ga- 
bellen oft assysen en impositien, té weetene Tan 
elck duyst haUThoudts en speecken etc Ib. t 224, 
15 febr. 1553. 

A88UB£B, sn. m. OtUvamger der aeeijmwen, fir. 
peroepiemr dee aedeee. KiL Assysmeester, as- 
sysener. || Soe wie wine ocht Treemde bier brenght 
Tan buten, .. die en zaels niet afdoen., ensg met 
orlore der assisere. Kb, v. Dieet, B 70. Zie ook 
ABBun. II Egeen borgemeester, schepen..., wyn- 
oft bierassyser deeer stadt en mach pachten eenige 
Tan d'assysen deser stadt. C. e. Antw. 1582, lY 9. 

A8SIJȣYB1J, bn. Aoeijmevr^, ft. etempt d'ac- 
eieee,.\\ Dat onse gheduchte heere, myn ttouw Tan 
Dendcormonde en hare hoir assiscTry syn Tan haren 
drincwyn. Ds Yl., Aeoieee^ 41. 

A8ÖIJ88LACH (Assay-slaoh), zn. Proefimerk, fir. 
miarque de Vépremne. \\ Dat niemen Uken no stucken 
maken en sal, om hornetten (?) no om te Tarwen, 
en moet tierst an die rame geweest hebben en den 
assysslach hebben, om te waerdeeme oft goet eü 
gaTC es ... , dats te Terstane stucken die den egghe 
hebben. K, lakeng. Brmee. 1376, 'a. 1. 

A88UËK8. Zie ibbuébs. 

AST, zn. m. Droegoeem^ fr. iaaraiUe, Kil. Ast, 
est, metrima. |) Wie klaghen wille, dat zyns 
ghebneren schouwen, hoTone, asten oft andere 
plaetsen, daer men Tier stockt, sorghelyck zyn. (7. 
e. jBereuiaUj XI, 3. OTenen, fomeysen, asten efi 
diergelycke plaetsen, daer men Tier stookt en besi- 
gen moet. C e. 8t.'Wimnoegb. XY. 23. Dat de per- 
Boonen hun geneirende met hoppe te planten, me- 
nichmael eenige bladeren weeren afbreckende efi 
in poeder redigerende , om met het gemeld poeder 
de hoppebellen, op den ast geopend zynou», te 
bestro<^en. O. P.-B. autr. 1 sept. 1717. 

A8TRICrri£, zn. tt. Verpliehte dag wm rechte^ 
fir. jomr om ferme de droit obligatoire, \\ Te ordon- 
neren en statueren Tan dat niemande Tan de pro- 
cureurs alhier postulerende en soude in toeoomende 
meer ter rolle mogen gebruyken als dry ordinaire 
termynen, te weten dach, anderen dach en astric- 
tie, sonder meer. Mabtivxz, 357 (1689). 

ATTACH£N, zn. m. Yolgens de LAüBiÈBX,syn 
Atiaehesj AfPxety Afflehêê synoniemen; hy Terstaat 
mdom alle dagraaiding of exploit door eenen ge- 
rschtsdienaar gehecht aan eene huisdeur, eene 
kerk, eene gereohtszaal of andere openbare plaats. 
De beteekeniB Tan het woord in ons citaat heeft 
eenen onbepaalden , algemeenen zin, dien Tan piak* 
brief j fir. i^fleke. || Het TOom. recht T«n twee stuy- 



10* 



ATT. 



AXST. 



▼•M mI iMteeH worden toot hH eer ito bladt ▼■»,,«, 
liÊttÊf Tftn alW proelAiDAtien, jrabliefttien eii pu^ 
blioqne ftflaf ingen oft« ftffixicn tmh wctt^cka ▼«- 
•oopingMi, emmert genenüyck tui alle «miien ofte 
ftllAohen, 100 eo(ei^!efr« ela ntoeëêoirê, gcdmekt 
efte ifi geeohrifto, die binnen deeeWe stede enllen 
MdMtt worden. O. P.-B. auir. 18 ooi. 1702, a. »— 22. 
Men Tentaat eigenlgk door Brieren Tan aiiachê 
anlke die aan anderen gehecht syn, om deze door 
eenen anderen rechter ten uitToer te doen brengen. 
2Üe hierorer Bost en db Fikbi^bb. 

ArrEDiËfiREM, bedr. ww. VwnmUn^ h. êmm^êfj 
ecMter dê Vênnui» La Oame, Attedier: «fwitiyer. 
IJ OelTok de lupplianten 'teelTe alhier naerder lou- 
oen bewyien e& met meer andere peremptoire 
ledenen boTeetigen , 't en waere ty Treeeden de pro» 
Uiiteyt te teer tonde attedieren. C e. AaUéf 
8 apr. 1669, bis. 718. 

ATTENT , tn. In attent van ■iinre eren: 

mrlootf flr pirdu d'konmêwrf if^émê» || Dat nyemant 
en tall mogen tlaen noch lalden die olook, om dat 
Tolo te bwuerene, op die pene in attent te tün 
Taa tünre eren. O. Li^^ 10 juni 1417, a. 6. 
8t'Trmid9n. In de Oo$t v. Maoêtrioki , SUOmii e. 
II80| art. LVI leett ment || ,,Bnde do en tal men 
egheyne metdaet in mogen procTen warbi dat 
jremant darmit in a otm i lynre eren moghe comen"; 
wy maenen dat hier ook aiêtni cal moeten geleaen 
worden» 

ATTENT A£T, in. ona. h^rüpit^ in tta redUt- 
fèbiêdf fr. lUtmmpiai. attêtUait mpiéUmêni mr ««« 
iwiéieiion, S&ie de LAüBrkai. Men merke ook de 



bondige definitie Tan Qubloolv: Van attentaete. 
JD*al«tal«l» eW è dért detfiiiU aüênt^itéi au re«* 
jNtI dé mê Jn^ n^^éntWTt om d» la proMbUioa 
d!*iaaa99f Mfèt V^^ imiarj^k iVee. mrh, dt la 
eoNMU. iltt ieit. V, 257. || Geaien in den raede Tan 
St M. geordonneert in Brabandt, die requeete den 
hoTt gepratenteert, tenderende ten eTnde dat a«n 
de Tooit. tttppliaBten toude worden geaooordeert 
biieTeB van attentaat, uyt craohte Tan dewelèke 
aan de tooit* leeoribeaten toude worden geordon- 
donneert de prtlente beleyden «n piooeduie Toor 
hun begontt te oaateran, doodt efi teniet ta doen, 
met intevdiotie eaii Mabtütbs, 167 (1688). 

AUBAIN (AbainK bnw. MaUitif^ UmaiU»^, £r. 
aaèamy hanmL )) Soe wal man maaght of Trouwe 
taroMeht binnen der Tryheyt, en it dat elaecht 
Itwtant oll mellar nattter aonnantchyn, eü het 
woiide Ttriuyeht, tuloke man en tal nimmemear 
noghen oomen in der tiadt oft Tryheyt Taif Sin* 
tvttden^ mar die bimi tal eweiyok abain eyn, date 
I» woelen dar ttadi en Tryheyt beioeft ten «wighea 
èi^en» Mttgetien den tiaet der peIeoelle^, data 
I» weelt n , «ft een een wyff getciede Taa quaeder 
bemen, daaiQp eoiide menoTeieiannaagoeldttnoken 
dat mi) talar en eA det raelt. JT. e. SL^Thadtm t. 
IIM» a» 5. Wy [fKe] emmermeer walaoh [falech] 
gemygeoap draeohl, oft die dal Toertbrinet in men 
aakeny «A dal weder [wevde] gepraeft, d tr g ht a e 
die d«t gfluyeanap Toeranackl, en oeek die Taleebe 
gemyghe, mikn abain i^n en der tiadi TTfihegt 
beioeft ten ewigKan ilighen> wotri [woidl bet] 
faelaeebl e& gepraH» behouoen den aaderan i«eh- 
le[n] der tiadl. Ib. a. tt. Slyi^ Foi^^r^ die den 
aadeMtt Ier doel bringl. woiidl he gehalden en 
fbeTaa(M> de ml die abel dMmme Uden; en en 
it be mei geba l dan» eo ie ba taiwblt abain mitatr 
mIt» dael, éalt Ie met a on , éH ba btMnü ia 

eft «tte 4er Tfibeil ^aa d 
enjèilie {baai^] aarolfea mil 




en deaan nenma to wo harlvwel... C. a. 
Maaêtriea, Stat. e. 8 tepl. 1880, m. 2. Diagfaataa 
die beteringa tcholdieh tQn orermilt detatlalutea» 
en die daram abain gemact werden, die en tolea 
niet weder in der atal noch Triheit mingen oomen 
na den dat tg abain woixden ayn, alwast dene 
tyt dat ty gnoeoh gedaan tolen hebben, a. 66. Wie 
he terttoni abain ie, dee otot die maeren Tan dar 
ttat cl jmpl . . 6o wat portere de otot dia maarea 
Tan der atal elomme . . , dee tal abain a^ taratond 
ab dat gepmeft en ge r oepen it. 77. 

AUBAINITEIT (Aubaaiteit, obinifteil), sa. tt. 
Vrêemddin^tr§eki , fr. droii d^aahaioê, W M, hebba 
andere hooren i^ggfaen , dal die op Pamele alarft 
obiniteyt niet ichnldich en ia int laai Taa Adat; 
noohtant op Andenaerde ttarTan [-de], tonde te^Te 
moghen en moeteii betaelen. J9#. Cttrtn. e. Jm» 
dan, (1868). Dat den bailliu en andere -offieiert Taa 
den heere Tan Pamele inllen Termoghea oalaingne 
te legghene op Pamele, Toor de beate hoofden, 
aubaniteyten, oonfiicatien, goedinghen Tan baataei^ 
den en die ghoTondan sjn. C. e. Andmt L a^ 2. 

AUDEBE^ m. tt. Ondmrdom^ fr. ^ il Datatje- 
maat Tan nu Tort aeepen Tan der ttat ^eeorta ea 
mach werden, hi en nefaèe TiTO en twmtich jaae 
TerTult in der andere. O. lAégtt 18 noT. 1404, 
a. 9. iS^TVaidta. 

AUDIVITS, sn. Inéloedy h. i^fimêoet. \\ Maa 
meende Toor hem en wat gheen groete aaii^, ai 
en waa hy maar een boerman; mitt dat hy thota 
maeohtohappe hadde, die Teel andiTtta haddan, ala 
dootuar Heimee en dieigheiyeke» Bmr. t^dm», TL, MA. 

AU DUET, n. Auduut geren, ^lAotr ^ 
OM, ^tAee rio w Ma , fr. donnêr letale, tMtr/ lakaadM 
hu. II Dal . . in den midden Tan der eamara haa* 
gben tal eene belle, daweloka niemandt 
en tal dan dekin en offioiert, ... Sn die 
Ireoken alater gheeehü ee, ofte onbehooiiycka 
niere Tan ruute. Bn loo wie é 
woorden heeft,... ofte toe irie naar tdyaaii 
gheen aadnul en geeft, TarbeoiC Tj> dan. paa* M§, 
Muë., Vil, 268, Pamele, 16&8— 1808L 

AUEWET8 (Haaerwe7a),(?) aa. t| In da pMcUa 
Taa Siate Goedalen iBlaele . . , eii plael» luw 
maalt la aina booeh en aoewe^t Tan 
hoate. Qerfi*. ^att., B. a*. 219, f>. 61. 
daeiaan, onder de Orekelhaga, i^ daahwaaÉ laa4v 
daar Taïa haaerwtTa op tiael. Ia. H a*« 128, P, 
48, iktorp (1406). 

AUeWEET. Zie Awbbv. 

AU8EB018 (Anxenoie), sa. m. Wyn 
Aoteroyae, Wijn van Ammmrf^ fr. eia é. 
De lokalen hebbea allen „Tan ÉnaiaijtiL |i Op 
atuok I^maediea wya, Ie 
wynt Tan Aaenoyte, DetdeaaA ea 
guideae Biabaalt. JPIae. e. BtakSaor.liee, 11,76.- 





AUTAE& aa. m 

tere geen, «tr AeifMt ttfu 

mar. \\ De bnlla der Jabüea, 
dal mea atoeete 
bidile e& 

AUTRAieSN, 
TorHaard ab Mtfai^er^fAtdfa, fr. 
Oniraf e. W EméÊt^ 2*. jfefe, 
ahelgck die 

I, eü da 
aa Ie 





AUW. 



A^VE. 



105 



Jsn OD^iena, gfaebroeden, en capitoynen ysn de 
Glniet , Dadden gfaeeme sommighe aatreigen belet , 
ala bi)80iider in den w^nkelder; maer tghemeente 
iru baar al orer en bilden Tan baer gbebodéh 
mat Ib. 133. 

AUWAERT en DAUWAERT. Zie HAUWiXBt. 

AUT£RM£E8T£B8, sn. my. Jjede» eener rede- 

r^hamiêr qf gUde^ ffdati met de wrtorg^g oaa 

hti «Uaar hmmnêr hapêl^ ft. membreê d^uue chambre 

dt rMotiqmê on ffildêf thafrgéê du ëoin de Vamid 

de ïemr dkipelie. Zie moBiairT. || Znllen de roin. 

Antaenneeetere sculdich iQn *tghene den autaer 

eompeteert loffelyoken, ten ooete Tan der Caemere 

m den offere, t'onderhouden Tan reparatien en 

diergelycke. Betkor. ie Loven ^ 1554, a. 9. (Z|j 

m oae te n ook d^ leden oproepen ter bijwoning der 

li|kdienaten der afgeitonrenen). 

AÜWE, bn. mT. Oude, fr. amden». \\ Die 
iva anwe aef^aende borgenneisters. O. LUge^ 11 
dec 1500, a. 1. HoitéU. 

• AU WE (Hoawe), zn. Tr. Aar^ fr. ipi, \\ Nemen 
op den aerbeyt Tan den goeden pachten en land- 
lieden . eeneghe onder t'dexele ran te gaen ongetene 
en de haren [aren] opt relt ghebleyen te rapene 
en Tefgaderen; en andere stelen gheheele schooTen, 
•n bij nacbtm en ontgden afimidende de bauwen. 
Plae. e. VI, 30 juni 1546. I, 651. Het w. anwe 
ia hier thane nog in gebmik Toor de peul Tan het 
i|og niet afgeeneden koolzaad. 
AUWEELT. Zie awxxt. 
AUWEIT. Zie awsxt. 

AÜWEBS, TOOT het onbep. Toomw. iett geTolgd 
Tan een Toonetael. lewer», ergens , fr. quelque ehose. 
II Blijft in ulieden huuaen, zonder auwere mede te 
moyen. Piot, Ckron., 401. 
AUWET. Zie AwnT. 
AVE, met de zamenatellingen. Zie AP. 

AYENANT, zn. Dsvenant, in 'tsvenant, in 

ew m r e digkeid, naar verkomding, naar advenant, fr. 
è faoemami, propoffioneUemeni, || Boe ee te wetene, 
dat wj mochten Terreken al dien eost en al die 
■oade op TorMide pande, op eiken pant daTonant 
dat hire op heeft in renten. Ztoijvekef 104 (1324). 
Int eerrte, eo behoerd den Tors. kinde toe i\j lib. 
z a. gfo. tor. in ghereeden ghelde, date te wetene: 
in sgraTen ecilden OTer xxiiy gr., en in ecilden 
orer zzij gr., en in andren munten int aTenand. 
Seèep. e. Oeni^ 3 mrt 1362. yederl. mue, 1879, 
hls. 147. So wien dat de beste caTel ghebuert, dat 
hÜ den andren begroeten zal in 't aTenant Tan 
dar werdden Tan den gfaelde datter omme ghe- 
gfaeren waa. O. o. Qeni, I, 26 oot. 1396. 

AYENCKEL (ATinckel, aTincel), zn. m. || In 
denaalTen jare (1444) heU>en Terdinot die Toers. 
kerekmeeeters aen Jan Ojckena en Goewjn Marien 
dan avinckel, op dat bert [nl, den patroon] dat si 
damioe geaneden hebben , . . al Tolhonwen Tan goeden 
eoeriiken steen. Si. Snipieêj I, 42. Henrio Marien, 
CBlerert, aen dat crajswerc boren den H. Oheest: 
In den eersten Izzx Toeten boeghe . . , noch c Toete , 
item noch zl roeten arincel.., item noch kleyne 
boeghen xlüi Toeten, en den aTincel, den roet om 
▼ st. Item noch ij slotsteenen. Ib. 34, Bek. e. 1448. 
Hem noch aen tselre capelleken es er zxTy Toet 
•finoeL Noch g 1^83 i^) ▼^^ ^^"^ aTinoele. Ib. 
101, Bak. e. 1502. An denaelren Mr. Lauieins, 
Tige Ib. pariaia, Toor lereringhe Tan Ylaemschen 
ordiijn aTynkele, en andere cyraet dienende om 
het vpmaken van twee driecuiten. Tpriana, I, 
364 (IFsriMa cum de Malle^ 1621). PenzelTen de 
de kreriiiffhe ran Brabandache arin- 



ckels, staende up het driecante ter marct Tan 
*t TOOTB. huns Tan de oude conohiergerie. Ib. 370 
(1624). Canteele geTels ofte arenckels. O. P.-B. 
anUr. 16 jan. 1705, Meiedrge, a. 26. 

AVENNESSTEEN (Arennichsteen), sn. m. Deze 
steen komt dikwijls TOor in de rekeningen onzer 
steden en kerken. || Betaelt Pieter Waybac, ooc 
steenhauwere , Tan rrachte ran ATenniohsteenen 
te Boepene ghedaen'te Yallenohiene , iiy lib. üy 
sch. par. Betaelt Pieter Waybao, OTor Willem de 
Bonde, omme te betaelne b^j Toeten ATennesteen, 
midts der Treoht en anderseins, zzix Ib. TiQ soh. 
par. Anden. meng. III, blz. 328 en 345, Bek, e. 
1526 en 1528. Die drye priesterlicke stoelen Tan 
otdunn en Arennessteen. Ber. tijden j I, 148. Zijn 
epitapfaie . ., en was al nieuwe ghemaect Tan Arennee- 
steen, en rijokelic ghestoffeert en rerghult. Ib. 149. 

AVENTUEBLIJCK , bijw. Bygeval, toevallig, 
fr. d'aventnref aceidentdlemeni, par htttard, || Eest 
dat eenen dootelaoh aTentuerljo en casuaiyo geralt 
en ouTersien. Y. d. Tay. f^^. 60. Tan welcken Tonde 
en schatte diegeene, die dat gCTonden heeft, soe 
Terre hij dat arontueriyc, sonder daerop Tuijt te 
zijn, gevonden heeft, souldich is te geren den 
heere Tan den gronde. Ib. 127. 

AYENTURE (ATonture), zn. rr. 1) De beeehik- 
king van goed of kwaad geval, het lot, het gelnk, 
de fortnin, fr. la fortune, Ie sort. \\ Want men 
dageiycx siet, dat fortune en aTontnere ongestantioh 
is , eü dairomme , soe die officie en den staet meer- 
der is , soe die aronture en infintunie meer te ont- 
sien is; want soe een [a^. iemand] hooger ralt, soe 
hg hem gemeijnleo meer quetst; eü dairbij, soe 
meer staeto en hooghegden, zoe meer soigen Toire 
lijf, ziele en eere; en als dairinne Torwaentheit is, 
soe is gemeynlijc die quade aTonture gereeder en 
naarder den rerwaenden en Termetenden man s^n 
karre te lichten, oft Tugt sgnen geregde, eere en 
staet te stoeten dan oft hy niet rerwaent en waire. 
V. D. Tav 374 t«. 

2) Gk>ederen van aventure, toevallige {eoH- 

laterale) goederen, fr. biene d'ctventnre , Hene cillct- 
tiranXf advemttfê, adventicee, Dupin et Laboulaye: 
Biene adventife, advenüeee, hiene win» par tonte 
eÊotre voie qne la eneeeeaum directe. Ook goederen Tan 
,^Ter hals'' genaamd. || Staende teremarqueren, dat 
aen collaterale goederen, dwelck wg noemen goe- 
deren Tan aTcnture, de kinderen en moegen de 
Slaete Tan hunne ouders njet representeren, maer 
eselre Tallen op den naasten bewandt die op het 
grsff bcTonden wordt, oft op dengheenen dye kan 
doen blieken dat hy de naaste is Tuyte rechte 
linie. C v. iMnburg, Leenh. a. 55. 

AYENTUBEN, zn.mT. Toevallige itUcometenyfr. 
droUe om revenu» oaeuelë, \\ Oec behoeren toe den 
Torseiden leene tderdendeel ran allen den TerTallen 
ende aTonturen, forCsyten en Tan allen anderen 
rechten die gherallen moghen. Aead. d!arMoL, 
1860, blz. 107. DeetObergen (1371). 

Bij aventoref op — y-ter avontore. B^ 

geval, door een h^wnder toeval, toevallig, eoms, wA- 
Ueht, fr. par kaeard, par «a oae fortuU j parfoi». 
II Als jemens wyf , kind of noTe bi eenigher aran- 
ture wort ghewont ofte doet ghesl^ben. Lat.: ea$u 
fortuito. K, V. Saffdare, 1265, a. 5. Ende wg Toes- 
sien, dat, hg aronturen, namaels gerallen mochten 
\l. mochte], dat die Toers. meesters wederspennioh 
sgn mochten. K. e. 8i.-Tmiden e. 1366, a. 81. 
Ais de Tassal niet en weet de groote Tan sinen 
leene, ter arentueren dat de boeoken en papieren 
daeraf Terbrant sgn. Leenr. v. VI. 75. Eest dat 

14 



106 



AVE. 



AVE. 



de pfttient, liggende op de banok, altyte loochent 
en niet kennen en wilt, hj weder geleijt wordt 
[in de geTangeniase en daer gehouden] in de x, 
XX oft XXX dagen, oft meer oft min, ter discre- 
tie Tan den juge, op aTcntore oft binnen dfjen 
tyde eenige nieuwe inditien quamen. Pract, crim, 
o. 89. Als de ooroonden niet comen willen ter 
ayentneren op de persuasie yan den delinquant, 
oft uu^t vresen Tan {jemant, soe mach de juge 
dien oproepen als gecorrumpeert. Ib c. 47. Maer 
de ooustume en praoktijke is ter contrarie, ter 
ayenturen omdat dat recht te rigoruelx is. Ib. c. 
65. Nemaer z\j [nl, de medecijnen , apoticarisen . .] 
moeten wel xien wjjen dat zjt [yeigif] geyen oft 
▼erooopen, en dat wel onthouden oft Bcryyen, />p 
arenture oft er questie af quame. Ib. c 73. Doe 
die lude opstonden teghen ons, sie hadden ons bi 
arentueren al leyendich verslonden. Doe hore do- 
Tinghe [toorn] hem op ons toomden : doe hadde ons 
bi ayentueren dat water ingheslonden. Oetijdb. 15e E. 
t9. 85. Pb. 128/124. lAt.foriè,forêiiaii. Niet terug^ 
gegOTcn in den Stctien'JB. noch bij de Sacjf, Van 
nu Toortaen, als men getuygen leyden wüt, soo sal 
men de wederpartye daertoe daegen, om te comen 
sien de getuygen sweiren, op ayenture of sij de 
getuygen oft eenige van dien yerbonden (?) calen- 
gieren, wraken oft reprocheren wüde. C. e. Dieat, 
Stifiy a. 9. Zo eyst yan noode gheweest eenighe 
boucken te condemneren, daer die zommighe hem- 
lieden of moghen verwonderen by aventure. Maer, 
sal bevonden worden , dat zy gheen zaecke van ver- 
wonderen en zullen hebben. Plae, v, VI,, 9 mei 
1546. I, 148. 

2) Oivaar, perijkd, fr. damger^ risquê, pêril, 
II Quam al toe by den Hollanders eü Zeelanders, 
die BO staerc up de zee laghen dat d*Oosterlinghen 
noch de Spaengiaerden niet durfden bezonken tland 
yan Ylaendre, en laghen altoos so staerc voor tland 
dat niement dorste bezonken tZwin, het ne was 
met groote aventure. Ol. y. Dixmüds, 170. £n 
■o wie tschip eer verliete zonder den oorlof van 
den meester, wesende sulck 'schip in aventuere oft 
dangiere te verderfven ofte ghenomen te werden 
van den zeeroovers. Nae, v. VL, 19 juli 1551. 
L 386. Als de vassal bi fortuynen van oorlogen 
verliest zQne baguen, peerden en hamasch, hy en 
heeft ghene actie teghens zynen leenheere . . omme 
die weder te recouvrerene ; want alle fortnyn staet 
te zynen laste en aventuere. Leemr. o. VI., c. 12. 
Waer eenich vermot oft twist gheviele buten der 
•tat, en yement vuter stat daeromme trocke, dat 
hi dat doen sonde op s^jns soUb aventuere. Kb. e, 
Aniw., a. 195. Op (sgn, hare) aventure. Op 
(tijm, haar) gevaar* voor (tijnêj hare) tékmnmg en 
hotiem, fr.è sêa risquea êt pérü». )| Bn deghene die 
verleent [beleent met] es van den stocghelde van 
Ohend, essene [nl. den dief] sculdech te doen 
wachtene op sine aventure, alse lange alse hy in 
den stoc sal sitten. O. o. &ent, Ghr, Charter v. 
1297. a. 68. Wellec assise si solen verhueren mo- 
ffhen..: gheldense meer..; gheldense min, draghen 
daeraf den anxt en staen op haere aventure. Oork. , 
2 juni 1885, voor Diêëi, Beg. cop. eari, (9, viij v^. 
Al waert so dat eenighe tavemiers wijn binnen 
Denremonde cochten jeghen vremde coopliede, lig- 
ghende up waghene of in kelders, in schepe of 
eldere, en hemlieden dien gheliefde uut te voeme 
np hare aventure, omme eldere te tappene of in 
groots te vercoopene. Ace. Term, 8. a. 10. Waert 
dats gheviele , iai yemene ffhevanghen wirde . . , 
dien ghevanghenen es sonldich de meyere te hon- 



den up sine pl^ ende avontnre die eerste drie 
daghe. Acad. d'arMoL 1860, blz. 107, Destêiberoen 

(i37n. 

AVËBECHT, zn. Avereehisehe cifds, fr. emtere. 
il In denselven jare [1440) waren geleet voer sint 
Claes choer die' goutiire van de oude kerk; als men 
se te doene heet, daer sal men se vinden met den 
averecht opwert. 8i.'8ulpice, L 14. ICaer sal een 
iegelyck pachtenere syn pachtinge honden op syn 
aventure, winninge ende verlies. Mabtivbz, 294 
(1543). 

AV£B£CHT£N, bedr. w. (Laken.) Tolgens 
y IBS AH, laken eieren, nadai op hei droge lakm 
voort^ het haar tegen den draad of avereehie opge- 
horsteld is. Verg. Xtttpeb, Teehmol. 2, 444 vlg. 
fr. tondre Ie drap aprèe que Ie poil a éU broeeé è 
rebomre eur Ie drap eee, || Dat den 'raemscheerere 
voordan niet gheorloven en zal (eie) eeneghe Bruch- 
sche lekenen te haverechtene nat comende van den 
vnldre, maer wel drooghe, eer zy comen zullen Ie 
Crunynghe. K. lakeng. te Brugge ^ Vuilere ^ blz. 54. 
Voort, dat men de fine lekenen, die men daghe- 
licx draecht van svnlders te scheerers huuse, en 
de welke de scheerere by costomen nat pleicht te 
scheerene en te averechtene. voort an niet meer 
in taverechte scheeren en zal, hoewel de scheerre 
van den lakenen, die tzynent gebrocht zullen we- 
sen, loon hebben zal gheiyc of [hy] die, als 
vooren, gheaverecht hadde. VuUerM, Ib. 59. Dat 
negheen scerier no drapier vercope no zende enech 
laken of alflaken eneghen vreimden man no ande- 
ren, voor dat ghescoren, gheavrecht en ghea»ghelt 
es, up XX s. elc laken en elc alflaken. Hittttbvb, 
Corp, 190. Dat gheen mees^ scerre enech laken 
ttte zinen huns zenden moet te redenen [bereiden], 
het en zy te sceme en te averechtene, up ene 
boete van xx s. En de meester, die dat laken ont- 
fynge, yerbuerde diesghelike xx s. paritis. Ib. 191. 
Dat niemene, meester no cnape, eneghe lekene toe- 
legghen moet, hiene moet ze sceren en averech* 
ten, np ene boete van xx s. Ib. Dat men ghene 
lakene draghen moet ten recke ten zy dat ze ghe- 
auuerecht syn en ghepinst, of het en ware bi or- 
love van den omgares, up ene boete van xx s. 
parisis. Ib. Dat men ghene ghevarende [ghevaruwde] 
lakene moet draghen ter perohe of zyne zyn ghe- 
averecht van oUen pointe, up ene boete van xx s. 
parisis. Ib. 192. Dat 'gheen scerre moet eneghe 
lakenen verauverechten daer scerres lood niet an 
es, hyne moet te kennen gheven enen ommegare 
eer hy dat laken toeleghet. Ib. 

AYËBUISCHEN (Haeveruysschen), zn.mv.^aami 
van de kooHtaadplani totdat n; mtgeèloeid ie , anders 
ook Sloore geheeten (De Bo), fr. plante de navette 
OU eotea avant gu'eÜe ent eeeeS de JUurir, || D'af- 
gaende pachters en zullen het naeleste en leste 
jaer van hunnen pacht niet meer mogen planten 
met haevemysschen ofte koolzaedplanten, in de 
landen daertoe bequaem wesende, dan tot concur- 
rentie van een thiende deel van alle de saeyende 
landen gaende met hunne hofsteden. C, v, Auden. , 
12 aug. 1767. a. 22. 

AVETRONCK, zn. m. I» overrpel geteeld haet^ 
aard, fr. bdiard aduUerin, Kil. Aftronck, ave* 
tronck, vetut- fland, j. bastard, nothne epth 
rime. De costumiere wetgeving, zegt Dbtacqz, 
verdeelde de bastaarden in twee by zondere klassen: 
zy rangschikte aan den eenen kant de slechts een- 
voudige of natuuriyke, de epeMcinderen g van den 
anderen kant de bastaarden geboren uit eene ver» 
werpeiyke en door de buxger^jke wetten strafbare 



AVO. 



BAC. 



107 



▼— wmiging, welke men heti overwonnen haetaerden, 

aooels de in OTenpel geteelde kindereii, de aipond-' 

èromilum («ie), eerigds senaemd aoMret oi avomiree^ 

de Uoedaebendige kindeien en de heiligsohendende 

iMatettden {Ane. droU hOg,, I. 406). j| Al eyst zo 

dal, neer leehte, een ayentronck niet en mach 

bebben teatament, noohtans es capable om thebben 

gbiften toaaehen den loTonde. £n alxo, naer dien 

de Toomoemde Terweeren weeaen niet en conaten 

gfaehooden weaen nocbte gherekent toot aTentrono- 

ken of gbeboren ex daamaio eoiiu. C. v, Brugge, 

n, 410. 

AYOCATIE, sn. tt. Beroeping op eem kooger 
geriekt, fr. éeoeaiUm, || In caa van appell oft aTO- 
oatie ad jndieem emperiotem, C. gr. Loon, 1, 608 

(nos). 

AVOCEEREN (SToeéren), ona. ww. Voor eene 
hoogere r e ek ih an k trekken ^ fr. êvoqner, || In orimi- 
neale aaken oordeelen de schepenen [van Hasselt] 
aooder- leehargie. Dan, of, des niet te min, de 
gémenlpeside niet en souden kunnen aTOceren en 
appelleren, daerorer is tegenwoordig questie. De 
CoBawAJonc, Mén, kiei. ewr... la prot, de lAm- 
komrgj 218. Oft C ende D . . gerechticht oft gefun- 
deeii sjn om deae saecke . . te ayocezen ad jndieem 
e aperiore m , C. gr. Loon, I, 608 (1702). 

ATONT, sn. m. Hs (% vöér een kerkdijk f eeti , 
fr. la neiUe deerne JUe rdigienee, || Ord. omme den 
baülin Tan der keercke. Eerst es ghehanden alle 
fe ea tol icke daghen en avonden Tan dien, en ooc in 
alle de pr oce as ien, metter roede te gane en ten 
Magnificat, naer coetnme. Anden. meng, 1, 28. De 
Tj groete haTOnde , de dagen vóór de tee hoog- 
degen tf groole feeeidagen, fr. U» veiUee dee ei» 
gramdee /Hee. |) Teidendeel Tan den baoke, die Talt 
np de Tj groete haTonde. Van Lokibev, Ahb, 
8t,'Piêrre, n*. 622 (18e E.). Jaenavonty 
nieuwe ayent, uiemof aareavond, fr. la veUle dm 
de Van. || Hets ghekeort int jaer Ons Heren 
i^* op Niewe aTonde 81 deo. 1278. Slee 
jaia in jaanaTonde. Sekep, v. Dieet, 1806. 

AVONTLICHT, zn. onc. Poortklok, avondklok, 
fr. èUfdke de retraüe. || Opdat niemand, ten aen- 
sien Tan de hierrorene bestemde uer, eenige oor- 
zaak Tan ignorantie zonde konnen pretexteren, 
osdonneien wj, dat, door de kosten Tan elke 
paioehie, ter respeetiTe bestemde nren zal worden 
gelnjd eene klok gednerende den tjd Tan een half 
qnartier ners, .... die men, ten tytel Tan aTond- 
Hcht, alomme ten platten lande gewoon is te doen. 
liae, e. VI,, 21 jnU 1779. a. 6. X, 618. 

AVOKTSPEL, zn. onz. Danepartii, fr. portie de 
dmmee, (| Niemant en sal gheen aTontspelen houden. 
C. o. M6U, Kewren t. 1696, a. 10. 

AVONTUBE. Zie ayxnttbx. 

AVOT. Zie hatot. 



AWEET. Zie awxit. 

. AWEIT (Auweelt, aweyt, halweyt, hauweyt, 
augweet), zn. onz. || Waeht, naekiwaokt, fr. guei. 
Zie Yebdam Toor de meerdere schrijfwijzen en de 
etym. Tan het woord. Voegen wg er slechts by 
het Aguasearimn Tan Ducange , by Maione d^Abkiii 
towreUe devie d^o^ on fait Ie gnet [1353], om aan 
te stippen dat de melding Tan een Aweit te onzent 
opklimt tot het jaar 1336 (de Troegere rekeningen 
der stad Oent, indien er bestonden, zonden ona 
wellicht nog hooger opToeren). De oudste melding 
in de Qentsobe rek. tydens de ArteTelde*s is deze: 
II Item, ghaTen sy [nl. de ontrangers] TanxTÜj tor- 
tytaen, (uer men de presente <?) mede dede en bi 
aTonde orborde, en Tan andren kersen, die men 
nachts orborde up JBoepenen huns ten aweiten bin- 
nen desen jare , als de stede te doen adde ; blz. 93 (2). 
In de oudste rek. der stad Antwerpen (1324) komt 
geen „Aweit" TOor, alleenlgk een „Wachtere" jj 
Is den Toors. Bayhaerde \nl. Bogaarden] gheoonaen- 
teert te hondene en uaerene nu Toortaen de poineten 
en ordonnantien Tan haeren ambaohte [het was in 
den beginne eene Tereeniging Tan ziekeiyke we- 
Ters], Tan settynghen, Tan auweelte en Tan allen 
anderen, gheljcke dat hemlieden Toortyds Tan de 
wet gheconsenteert weeren. Aüod, d^archM. 1856, 
blz. 250 (1355). Andenaarde. A«. 1382. Gillis den 
Mol, Tan der clocken tsaTonds en tsm arg hens te 
ludene ten aweyte , die int belfroit hanot. Willbmb 
Chieh. opt., I, 154. — NaektpoUde, Dat niemen 
achter straten ne gha zonder licht nadat de docke 
X sal ghesleghen hebben , of en ware dat hy den 
halweyte toehoorde, de Ylakikck, Vgb. 38. Den 
xjen in maarte [xiT^] IxxxTij, bilt men te Brugghe 
teerste hauweyt, naer de maniere Tan G-hendt. tNachs 
daemaer dede men tweetste hauweyt zeer properlic 
Ende tanachts daemaer dede; men tderde hauweyt. 
Piot, Chron,, 261. sDiBendaechs den zxTÜj*» in 
octobre , tseWe jaer [xiTc] IxxzTÜj , bilt men weder 
teerste hauweyt in Brugghe, tswoensdachs daer- 
naer [*t] tweede, en sdonderdaechs daemaer tderde. 
Ib. (1488). Door ^teerste hauweyt^* moet Torstaan 
worden het eerste Tan *t jaar. Zie Gaillabd t*. 
eA.wet en zgne Tabie anail, t^. Ghiet. 

AWEIT8CHELLE, zn. Tr. Poortklok, fr. élodie 
de retraite, cloeke du guet. \\ Franchen de Pipere, 
die upt beelfroet waecte en peep [blaasde den 
horen?], en de aweytscelle lude. Check, qpz,l, 154. 

AWET. Zie aweit. 

AWINT, zn. m. WindetxUe, omoind, fr. eahne, 
manqne de vent. \\ Niemandt en Termach.. op 
zondaghen ofte andere heylighe daghen gheen am- 
bacht doen . . . ghereserreert de smeden , omme 
alleenlick peerden te beslsene , barbiers omme ade- 
ren te laeten, en meulenaers, alst langhe awyndt 
gheweest is. O. v. Veume, LXTE, 21 , 22. Zie db BO. 



B. 



BABBAERT, zn. Soort van hier te Dendermonde, 
fr. iorte de küre è TWmonde. jj Terkoop der Ter- 
sdullige bieren: Inbrouwen, keite, babbaert, gryp 
tf wit bier. Db VLAXiycx, Vgb., 65 (1555). 



B ACHTEN (Bacht), tz. Adkter, fr. derrik'e. 
II N. gaf een alf ghemet mersche, dat heet Bol, 
en het leghet bachter [bachten der] molen. Db P. en 
Br., n. Wondelgemf 49 (1280). Viere ghemeite lands, 



108 



BAC. 



BAE. 



drie en vichticb roeden min, ligghende baohten 
Hughee van der Warsooet 6 febr. 1301. Een stio 
lanOB liggende . . bnchten Jans Kaeds hofstede. 
Ds Pb. en Bb., IX. St-Martenê-LaiUkem, 41 (1894). 
Uutegheleit drie bandere ligghende baehten walle. 
Oendë eharib.^ 1 19 (1402). De behunsde stede, waeraf 
de Yom. Jan te hemwaert behondt de poerte, sinen 
perdstal, den loohtinc baohten schuere. De Pb. enBB., 
IX. Zeévergemy 4 (1422). Dat elc manhoot, knapen en 
knechten achter de processie gha bachten den heere 
en der wet. Ds VLAMnrcK, Vjgh, 40 (16e E.). 
Met eenen grooten balsane bocht hem, ran ser 
wapene. Ol. y. DixMims, 16. 

BACHTEB, byw. AekUr, fir. derrière, || Solp met., 
met een stierroeder bachteri 4 den. Lat. namt 
eum . . , etun remige retro pendenie. Mei 1262. 

BADELAEB. Zie basblabb. 

BADUIN. Zie bakpobv. 

BAEFMI88E. Zie bamibbs. 

BAEI, sn. Tr. Ter bseije varen. (?) || So- 

meghe Ylaminghen wilden yaren westwaert ter 
baeye, om lout, en de someghe wilden wesen te 
Kutsele [la Boehellé] om wyn . . Jak y. Dixhuds , 
94. De coeplieden Tan Ylaenderen waren met wyne 
gheladen ter baye, by BeeWoer, en sy bleyendaer., 
om sout te ooepene. Ib. 260. 

BAEICAMEB (Baeyoamer), sn. tt. Badkamer, 
fir. chamhre au bain, bain. || Van alrehande huy- 
singen van slaepcameren . . , garderobben, retrayten, 
storen, baeycameren, contore, windelsteyne ens. 
Acad, d^arekkl.y 1864, bis. 317. Het w. bevreemdt 
ons evenwel naast „stoven". 

BAEICUPE, sn. vr. Badkuip^ fir. haignoWe, \\ 
Unam cupam diotam baeycupe. Schep, v, Bruss.f 
5 nov. 1447. 

BAECKSETTEB, zn.m. SakenoppatMer , ir. tur- 
veiUani des baUeeei?), || Den spuymeester . . Den 
baeoksetter oft tonneman je guldens. O. Alb, v. 
AMiw,, Uyts., I, a. 167. 

BAELGIE (Baelge, baelgie, baUle, baeldye), 
sn. vr. 1) Slagboom t hek t padUoerk; ook eene met 
paai' of ijterwerk afgeperkte openbare plaatëj ft, 
barrière et paUesade,' ausei mne place jniblique e»- 
close par des palissades. \\ Gord van den Boscl^ 

rmerman, met sinen geselle, die genomen had- 
te maken, van harïen stoffen, de staketten 
metten baelgien, y voeten hooghe den oversten 
kuit en ijz voeten lanok . . Item , ij Ixtzen in de 
vorscreve baelgi van clzxxv voeten lano en vj voeten 
hoghe. Brab, Mus., 126. Steekspel te Lnceu in 
1460. Dat deselve dekens \nl. der goudsmeden] de 
voors. visitatie en onderzoec zullen doen in de 
steden van haerder residenoien . . , te minsten twee 
malen des jaers, in alle husen en wynckelen daer 
men maeckt, vercoopt oft te coope heeft eenige 
dingen hierboven verelaerti tsy dat die staen op 
baelgen, oft andere vrie oft onvrie plaetsen. Plae. 
V, VI. t IS april 1661. 1 , 806. Aen Marx Seys, tem- 
merman, omme dat hy vermaeot heeft de baillen 
staende voor de bancquen van de halle. Bshbbt, 
I, 846. Stadsrék. 1660—61. Alle die ghelandt sijn 
ontrent de voorn, dammen, sullen daerop staecken 
stellen ofte baillien maecken, ten fijne men daer- 
langhs niet rijden oft draven en kan. Ds P. en BB., 
XIY. Boekkouty 27 (1640). De bailde sal gesloten 
worden naer de completen, soo winter als somer. De 
bailde sal gehopent worden in den somer, gelyck 
oock de voorpoorte , voor dat de werckclocke luydt . . , 
gelyckerwye de bailde ten ses uren in den winter. 
Meesager, 1886, blz. 234. St.-Feeters abdü te 
Qtid, 18e E. 



2) (Van. de vierschaar). Balie ^ fir. barre, bait* 
reau. \\ Tan te makene de doren, veynsteren, de 
baeldye van der viersoaeren, den voeteoldere daer 
soepenen up zitten. SL-rek, Nimooe, 1498 — 99. Tan 
den yserwercke van der baeldyen an soepenen 
huys. Ib. 

BAELGIE, sn. vr. Voogdij^ beetiering, bewo' 
ring, fir. tuteUe, admiuistratiom^ garde ^ ofir. betU^ 
baÜliê, II De naeste ouer [l. oir] wter selver syde 
daer dleen of oomt, es schuldich te hebbene tvaille 
[l. baille] van den leene, als [de] grondenare es 
onder z'une jaren; maer hi moet borchtuoht doen 
den erfachtagen te bringhene te s^jnen jaren sonder 
bant van huwelike. Xsmr., v. 1628, 27. Van dan 
rechte van ballie en houdenisse vaa de kinderen. 
Yader ofte moeder lancklevende [l. lanckstlevende] 
hebben de houdenisse van de kynderen. Cv. Vemrue, 
Yin, 1. Daemaer, in sterf huusen van vader ofte 
moeder, hebbende de baillie dn houdenisse van 
heurlieder kinderen. Ib. XXY, 26. So wat jon* 
firouwe ofte wive, die es in baillien ofte in voeg- 
dien, diese ontsoaecte. . Kb. v. Audeu., 1838. Tan 
den ontscakene. — De hoornen die de weesen sullen 
aenghedeelt werden , . . . sullen grpyen ten proffijte 
van deselve weesen, eü niet van vader ofte moeder 
hebbende de baillie en administratie van haerlieder 
goedinghen. C. v. Poperiugem, ix, 34. 

BAELMONDEN. Zie baxkokdsv. 

BAENDEEIJ (Bandery), sn. vr. Baromê^ h. 
barounié. \\ Den heere en regeerders, mitsgaeders 
de groote gegoeyde der prochie en banderye van 
0.-L.-T.-Waver. O. P.'B. autr. 6 april 1729. 

BAENBAETS. Zie basbbotbb. 

BAENBOTSE (Baenraetae, baenraets, baenioidse, 
baenrothe, baenroidse, baenmtae, banraet), zn. m. 
Baauderkéer, fir. seigneur bamuereL || Want onee 
goede liede van onsen lande van Brabant: plaetse, 
baenrutse, ridderen, steden en vriheden, [ons] op 
desen tydt gedaen hebben enen dienst. ligster v. 
Bral. 187—138. 6 nov. 1362. In teghenwordicheit 
ons eersamen capitels, baMiroidsen, ridderen, der 
edelen, en andere der stat van Ludic. O. JU^go, 
17 mei 1893, prooem. St.-Trwdeu. A. || Die [nl. 
de pointe en gebreken] die al te grotelyo syn jegen 
den goeden pays, die onse lieve, genedige here en 
vrouwe van Èrabant, bi rade van sinen baenrothen, 
ridderen eü goeden steden, synre stat van Lorene 
verleent en besegelt hebben. Aead. d^arehM., 1866, 
166. 14« E. Menich edel prinoen, baenraetsen, 
rudders en sciltknapen. Jak vab Dizmitds, 78. 
Gwy, zin broedere,., wart te Maysore baenraets 
ghemaect in der Moeren lant Ib. 142. Doe guam 
Jan, de hertoghe van Borgoengen in Sent-Omaers, 
met eenen groten [hjeeroraohte van edele lieden, 
baenraetsen, rudders en sciltknapen. 290. Dit zyn 
de heeren dïie myn heere van Borgoingen te hulpe 
quamen: Alvooren, de coninc van Kavere, myn 
heere yan Brabant . . , en menich groote heere , 
baenraetsen met ruddren en cnapen. Ol. y. Dix- 
MUDS, 67. Daer irac de coninc met menighen 
grooten banraet. 72. Te gedencken, dat men ommer 
die baenrodsen en edele in der vierscharen doe 
sitten. C. v. Santhoven, Leenhof j Voirraet s. 1427, a. 1. 

B AENR0TS8TAM (Baenzoetsstam), zn. m. Stam 
van baanderheeren , ft.famiUe^ race de seigneur bau' 
neret. \\ D'ander zyn edele leenen, als zyn.. die 
men houdt van den hertogen, graven, marcgraven, 
lantgraven en dijergelijcke , hebbende hooge, mid- 
dele en leege justioie, oft ten minsten de middele 
en leege justicie, als zyn die baenroetatammen in 
den lande, die men van den piinoe houdende is, 



BAE. 



BAE. 



109 



«n dift lM«ton gvooto Twaalen. t. d. Tat.., 194 t*. 
BAERBEGAEN8EL. Zie bavbaoavm. 
BAERBECANINOE. Zie basbacakx. 
BA£RB£GAN8£L. Zie iiabbacaivx. 
BAERBL.UCKEND (Barblikent), bn. SaarH^ 
Mijk, b. apparemi. lienigmaal Toorkomend in de 
«itdnikking : hei bfterblijclEendste hoir. || En dat 
dia Tvone Lisebette Toineit en Beina», hare man, 
en diere Tvoae Lieebetten berblikenste oier, qnite 
soaden eedden die kerke. 20 jan. 1285. Dat men 
GiUiiM, fi. GKllia Tan Hertebeiighe , syn oudste en 
beerUykenite oyr, wettelike sonde verrogheden. 
18 oet. 1818. De Troedom cecht; OhriBtiaen van 
HnfMe , midte de priTÜegie yerdaent, dat hy mondt- 
aoendere zyn nd [ala?] dondate maerle baerblj- 
ekenet e hc yr Tan 'a Tadere halven. C. v, Oeni, I. 
Or. XXXin, a. 6 (1848). Daerin terreneJehan 
Bonen, haren sone en ondste en baerbUkenate 
hoir. RxMBBT, II, 44 (1866). 

BAEH8CHB. Zie basx. 

BAEB8CHEEBEEN (Baeracerbene, Barschei^ 
been), bQw. Mêi Hoote heenêm, fr. fambet muei, 
tl 8o wat werere, die baeracerbene gaet, op t in- 
geleche. K. lakeng. U VilmordM (1898). 6oe wat 
Tofare, die banoherbeen ginge, sonde Terboren enen 
nuwen gr. E. lakmuf. U Diett, 1419, a. 14. Dat 
niemend Tan den Toors. ambaohte, meester of 
enape, ter plaetee en comme baersscherbeene. Db 
Pb. en Bb., Aalti, III, 487. E. d, WóUewtverê, 1480, 

BAEBSCHULDICH (Baenonldieh), bn. Baa/r- 
Uijkdijky ketmti^, tckmldig of plieÜi^, fr. maui- 
fêgftmemi, moiowêmeni r^etabU ou eompahU \\ Dat 
men van fuiken [«2. Tilainen] faiten Toortmeer 
die partien, daerup dat mesdaen es en die de 
•eade hebben, niet ne sal moghen conetringeren 
no bedwingen loendino te makene jegen den baer- 
aeoldigfaen van den fiute. C e. Owi, I, 510, 
7 aept. 1820. Wi) [wie] een tsestsee vrouwe [Z. 
teeftae Tiouwe, d. i. bQzit] bij sgn wQf settet in 
aijn eelfii hnijs . . . , die sonde der stadt ygelfjck van 
hon eenen weeh te Bnteemedou doen . . En der 
haraooldige [2. baerschuldige] en sal gheenderhande 
hulde Tan der stadt mogen dragen hg en hebbe 
hem ierst ghepurgeert. E. e. St.'Tmtden^ 1866, 
a. 47. 8oo wanneer veele t*samen doende syn ge- 
weeet in nuode en yelde, eü mits den donker c^e 
aaden niet seker en is , wie de wonde heeft gege- 
▼en, eoo moeten die met haar allen eenen baar- 
aehnldigen man uytmaken, of mogen andere een 
Toor al aangeéproken worden. HuGO Gbotiub, /«- 
IfidMy, ni. B. 84. D. § 6. 

BAEB8EN, bw. Barmt, imr werM brengen ^ fr. 
emfamier. || 8o nam hy'Isabeelen, des grayen dooh- 
tere en fan Lntsenboreh , dewelke hem baersde 
drie noen. Jak y. Dixicitdx, 145. 

BAERTBECKEN, zn. o. Zê§pbekken,sekêerhée' 
ies, fr. haêiim è hawb^, \\ Dne platte peiTes, tres 
alie pelTee dicte hoêrUetkénê. Scèep. e. Brmëdj 9 
mei 1889. 

BAERTBERINOE. Zie BABTXXBnrex. 

BAERTECHGE. Zie BABTXCHeB. 

BAEBTEVENE'(BardeTen),- sn. t. Boort ecm 
Aeser, fr. Morte d'emrime, |) Yoert, soe heeft N. ge- 
loeft K. int roers, erre te honden Tan allen Toer- 
oommere, tot op den dach toe yan heeden, loa en 
T^, op eenen halster baerteTenen tsjaers, heeren- 
tags onder den Toers. hoff. Sekêp, Land e. Biêêi, 9 
febr. 1503. Anderen ontfanck Tan direrssche par- 
tTsn in erene, die men noempt y,bardeYen.*' JStek. 
d. dommmem U BUgi, 1616, f*. 60 t«. 

BAEBTM AKEBK , xn. m Baardêekm'dêr ^ te- 



Tois adêrlaier en hedmeuttr, fr. hafbier ^ en mime 
tempt ekirvrffien. || Godefridus Baertmakere. Bruse, 
godsh. reg. B 210, 18» E. Njeman enmaeh scoenen 
in der heeren lant, sonder den meyer. Bn die cos- 
tere sün recht. Die baertmakere sün recht. Die 
smet siin recht. En den pretere, diet tcoren 
huedt, siin recht E. d. meierij v. Loven ^ 1812 a, 
42. Behalve een maker Tan boerden , zag er Willems 
nog een paardenkleedmaker of zadelmaker in. Meng. 
447; Rabpsaxt, Analgse 344, aant. 8, ziet er 
eenen zwaardTeger, /oeritMMir in. || Gheen baertma- 
kere, oft latersse, noch besiecte lieden en selen 
mogen Tercken houden bynnen haeren huyse, noch 
zoeghe. E, v. Bruêêel, 1486, a. 4. Zie Vxbdam. 

BAERTPLATE, zn. t. Metaalpiaat , fr. plaque 
de mitaL '|| D*eerste ' Tan opwegen, alst werok 
gerrocht [geTraecht.'] is, moet sijn die alderierste 
syn baertplaten heeft Tuytgewaeyt [TuytgeTaecht?] 
ende soo TOorts daemaer ; en oft oock iemande weder- 
om keert Tuyt den comptoire bij eenich gebreck aen 
sgn werok, dat hij moet beteren, die en mach niet 
opwegen Toor dat die andere al sullen hebben 
opgewegen, op de pene Tan ses stuyTers. O. e. de 
munter» in Brabant, 1566, a. 86. 

BAERT8E (Baergie, barghe, berge), zn. t. 
Soort vtm vaartuig, ten dienete der etad Antwerpen ^ 
en wdlieht ook van andere iteden, fr. torte de 
barque è Vueage de la viHe d'jÉMvert , et apparemmeaU 
d'autres villes, || Item, nu omtrent Binte-BaTen- 
dach, doen onse gheduchte heere Tan Bourgondië 
hier quam, dat men der stat baergien dede Ter- 
sien daer si tecsel hebben mochte; daerane wroch- 
ten sceepmaekers, dat sij daeraf hadden, Tore haren 
arbeyt, iiij sch. iiy d. gr. Item, Tan zintelen, Tan 
sintelroeden en mossen daertoe ghebesicht, coste 
Q sch. Tj d. gr. Qeêch, v. Antw. II. 609, Bek. 1401. 
Dair ingeslaigen woirden tsheeren barghe Tan Buo- 
stel, en sjn stroe en m waer. Chartb. e. ^eBosek, 
f*. 140 T^. Conde v. 1865, a.-6. Dat Tjel tot eenre 
ander tijt, dat tot Ghonnc die Maae Tujghaen woude, 
dat Wynrio Tan Oyen, als schout tot Os, dat Ter- 
Tiel mit tshertoighen Inden, en dede Sohoenweders 
barghe ontwee houwen en deedse daer inslaen, efi 
ander ru waer, alsoe dat hytbehyelt. (Ben tweede 
kopy heeft telkens ^berge"). || Den sciplieden Tan 
den ij baergien, xij s. gr. Dx Pb. en Bb., YI, Ne^ 
vele, 124 (1880). 

BAEET8E, zn. t. (Baerdse, baerge). Bijl, fr. 
kaeke. Sol. Bardse, j. barde,byie. oe^., 
dolabraj ateia: bipennie, germ. barte. Qrimm., 
bar te, bipennie, tueia. Ten onrechte zegt hy dos 
dat het woord in de andere Germaansche talen 
niet bestaat: den Übrigen deutteken spraehen man- 
gdnd. \\ Binder maent juay, te wetenen den ix«B 
dach, tielTe jaer 1572, wiert gherecht metter baerge 
den hertooh Tan JNoordforck [Korfolk]. Piot, Ckrom, 
398. Een jonckman daoof den hertcighe Tan Noord- 
forq daer te Toren metter baerge tot Londen ghe- 
recht was. Ib. 498. Zie Ybbdah : Babdb. 

BAERT8E, zn. De beteekenis Tan het woord is 
ons hier duister geblcTen. || Item, negene gvoote 
balcken, lanck elck xzzTiy Toeten, en groot Tan 
steke ZTJ en xTiy duymen, mit hueren baertasen. 
JBeSmOr. v. Brab., reg. 189, P. 1B t«., 7 mei 1547. 
Ontwerp der stadswaag te Antwerpen. 

BAEBTSEHUIS, sn. o. TH mÊnerw g^ waaronder 
de stadebaergie gehorgen werd, fr. eonetruetion êome 
laqueUe on gardaU la barque de Ut viUe. || [Opdraehte 
eenre enre gelegen an de noortsyde Tan der hsTen] 
by ons liefs neer Tan Bergen baerdaehuys. Arek. Ber- 
gen op Zoom, reg, v. Opdragten^ n^ 160 1 8 jan. 1476. 



440 



BAE. 



BAC. 



BAËBYOET, bijw. Btnrevoetê, fr. pieds nu9. 
II Ter keerken gaende en drie waerf de weke bter- 
voet gaende. Jiv y. Dixmvdx, 95. 

BAëBWEDëB, sn. o. Siorm^ ft. iempéU. \\ Bees 
up zolck een storm en baerweder uutten Westen, 
zoodat zij [nZ. de schepen] al overseylden naer de 
wielinghen toe . . ; ende was onmoghelio dat men 
hemlieden hadde connen waerschuwen . . . OTermidts 
troomomde tempeest. Piot, Chron, 400. Figuur- 
lijk : De Fransojsen . . . schoten met haerlieder roers 
naer de borghers, in der manieren datter wel doot 
bleyen xri ofte xtü ; twelcke groote beroerte broohte 
onder trolck . . . Emmers dit baerweder aldus pas- 
serende, de dooden wierden begraven. Ib. 629. 

BAESSCHE. Zie babi. 

BAET. Zie bats. 

BAETSOECKINGE, zn. y. BaatmcM^ fr. avi- 
düé du gaim. \\ Hetwelck principalyck procedeerde 
uYtcKen dat de heeren Tan de dorpen hunne juris- 
dictie geeme extendeerdon ; den interest en baet- 
soeckinge Tan de schepenen en greffiers Tan de 
subalterne bancken was daer oock al oorsake Tan, 
en somwylen de ignorantie Tan de eene en Tan de 
andere. Mabtdqcz, 85 (1688). 

BAFFEN, OW. Blaffen, ir. aboyer. || Bnde sj 
[«Z. de edele jachthonden] en haffen noch en huylen 
niet Teel, maer sy iaghen en Tanghen Teel al stil- 
swygende. Maer die oneedel mystrode, die haffen 
Teel en Tanghen weynich. Oebedb. 14o E. 

BAFFUI8, zn. t. JEene soort van bijl, onder de 
verbode» wapen f gemeld, ir. eorie de haehe, men- 
üonmêe parmi let armee proUbéee. Vebdam haalt 
de K. ü. Bruaael t. 1292 aan, alwaar men leest 
bcfffde, èoat hem gewijzigd tot haffwte\ dezelfde 
K. voor Antwerpen heeft epafute, en Willems wil 
erTOor spatule gelezen hebben, gelyk in een Char- 
ter V. Arrae t. 1221: Tel ourtam spkatulamf de 
K. d. meier^ v. Loven t. 1312 » schrijft tpafkte; 
Tan eenen anderen ^ant leest men in de K, v. 
1292 V. Bruv^lt bij Yav dxb Tay..- baffhugaen, en 
twee Ord. v, k. LmJcerland , reep. t. 1394 en 1422, 
hebben ook epc^ê. Grimm bafese, tcutiim, Tan 
het ital. pavete, fr. pavoie (getoöhnlieh pafOSO ge^ 
ëckrieben, Toegt er hij hij), en Schmblleb-Fboh- 
XAKV hebben: Die Pafeeen, eine Art groeien 
Sehildet {1, 383). Yreemd is het, dat de Antwerp- 
sohe keure, de eenige oorspronkelijke, het zonder- 
linge epts/Site toont; en daar het hier aauTallende 
wapenen, en niet Terwerende geldt, kan ons het 
woord schild geen beter Toldoening gcTen dan bijl. 

BAOEN (Bagghen), zn., steeds in het mT. gebruikt. 
1) Bagaadje, krijgs- of ïegertuig, fr. bagage de 
guerre, ofr. baguet. La Cübne, Bague: Hardee, 
habite, bagage, \\ Als «de Tassal bi fortuynen Tan 
oorlogen Terlieet zyne baguen , peerden en hamasoh, 
hy en heeft ghene actie teghens zijnen l^enheere. 
Leenr, v. VI., 123. Ende [de hertoghe Philips t. 
Bouigoingen] reysde tsanderdaechs binnen der stede 
Tan Audenaerde, daer alle d'artillerie Tan den 
Ghentenaeren en huerlieden baghen inneghebrocht 
worden. Piot, Chron,, 207. 

2) Kleimoodiên , jwveeUn, over H aUgemeen, fr. 
baguee et joyaux, bijoux, objete préeieux en génértd. 
Kü. Bagghen efi iuweelen, cuiitfUa. La Cttbkx , 
Bague: Jogamx. De knaap Tan het tapijtwcTers- 
ambacht te Gent bekent onder z^jne bewaring te 
hebben: || ^kere juweelen en bagghen, als kylo, 
ampullen, pae8berde,'ez8ele [hecksels], bouc, orna- 
menten, candeleers en andre derzeWer neeringhe 
en capelle Tan diere anoloTende. Oentseh archief, 
Jaerregieter, Kemre v, 1518 — 1515. Alle manieren 



Tan baguen eü juweelen, hetzy Ttn goude ofte Ttn 
zeWere, ofte andere. Plae. v, VI,, 8 mei 1515, a^ 
5. I. 596. Dat, indien daerin niet gheringhe Toor- 
sien en worde, alle l^roduren, gauden en zÜTeran 
lakénen, tapijtserien, ketenen, ringhen en andere 
gheliicke baghen . . zullen TerTalscht en bedorTen.. 
worden. Plac. v. VI., 15 apr. 1551 , prooem. I, 802. 
Plae. V. Brab., 1, 496. Alsdat alle prelaten en OTer- 
hoofdeh, gheestelio en weerlick, moesten upbrin- 
ghen in anden Tan de magistraeten ofte oommia- 
sarissen daertoe ghecommitteert, alle haerlieder tós- 
seley, baeghen, ketenen, ringhen en andre juwelen. 
Piot, Chron. 547. Yerclaerden ooc, hoe dat up 
dees tyt, zeker couffers met ghelde en baghen 
betraept waren tbu de Spaengiaerts. Ber. t^dem, 
III, 91. Wort onder de haTe geoom|»ehendeert 
alderhande huysraet, koopmanschap, kleederen, 
goudt, sÜTer, gemunt en ongemunt, baggen, jn- 
weelen, obligatifo. C. v. Bruesel, 1607, a. S49. 
Christijn: moiKiZia. Yuijtgenomen allent gene men 
OTer cit aen sijn lijff is hebbende, oft doorgaens 
gewoon is te dragen, dVelck in geene aTarie oft 
Terdeijlinghe en compt, ten ware het ongewrocht 
gout en SÜTer, baggen, juweelen oft gesteenten 
waren. C» v, Antw. , eomp. , TV , Tiy , 148. Oft men 
costelijcken huijsraet, coopmanaohappen , gout, sil- 
Ter, baggen en juweelen wilde Terooopen. Ib. T, 
XTij, 62. 

3) Bing, fir. anneau. || Item, heeft die testar 
touresse noch ghemaeot en ghelegateett by deeen 
jouffirouwen Eatherinen Tan G-histellee, haerder 
wittighe sustere, haer bagghe metten dyamanten. 
Testament o. 1534. Aead, d'arMol,, 1856, blz.369. 
Vliegende erTC: Alle oorael, peerlen ofte gesteente, 
alle ringen ofte baggen Tan goudt, en aue sÜTer- 
werck. C. v. Loven, xn, 11. 

BAOGARDEN, ow. Tmf baggeren, mtbaggerem, 
fr. péchêr, de la tombe, jj Dat eenen iegh^joken 
binnen der Tooghdije Tan Moll alle iaer sal mogen 
bsggarden ses daghen lanck, oft onderhalTen daoh 
russchen slaen opten ghemeijnen aert, . . oft onder- 
halTen daoh torf steken en met \l, niet] baggarden. 

0. o. MóU, Keuren, a. 84. 
BAGOE. Zie baob. 

BACK (Bak), zn. m. Vroeger: dé voorste afdoe- 
ling in diligenees, fr. coupé, Ire plaee doms les 
düigences. \\ Prijs der Trachtkoetaen op de koeteen 
Tan LoTen op Brussel : Toor ieder twee beste plaatsen 
Toorwaerts in den bak, 28 st.; TOor ieder twee 
andere plaetsen, den rogge naer de poerden, 26 st.; 
Tan ieder plaetse in de „portelle" ^ si.; Tan ieder 
plaetse Toren in de „magazijn*', 16 st. O. magistr. 
V. Loven, 3 febr. 1735, a. 6. 

BACK (Bac), zn. o. Watermolenwerk. Kml ouder 
het rad eens watermolens, fr. bouldure, || De bso on- 
der dwaterwiel. Bimbbt. II, 40. 17 april 1S61. 

BACK, zn. Te baoke loopen, sprekende 
Tan Tarkens, uiei meer tuigen, fr. ne pms titer, 
II Item, jaerlicx VI steenen tIss, en moet [de 
pachter] alle jaren houden z^nen meestere twee 
Torkenen te baoke loopende, alse sQn meester hem 
sendt. De Pb. en Bb., V. Moortxele, 4 (1482). 

BACKERIGE (Backerheghe), zn. t. Bakkeri», 
fr. boulaugère. || Omme tbroot te weghene en to 
oorrigieren, de hackers en de baokerheriien Tan 
den broode dat sy berinden Tatich... jdLbicbbt, 

1. 860, 9 juni 1685. Voor de Tvonwelijke nit^gaogen 
ege, ige in West- VI., zie de bo. 

BACKHOUT, zn. o. Muisaard, fr, fagot. || Bao- 
hout oft mutsaert. Tol op de Zenne, 1436—1581. 
BACKIJSEB (Baoyser), in. o. IJueren bah- of 



BAC. 



BAL. 



111 



I, fr. po&ë SjHn. II Centenum ferri dioü 
ha^Mer^ daodecim denarios. Tol te Domme, 1252. 

BACKKE i EL , zn. m. BraadkeUl , fr. ehaudron 
è r&tkr. || Den besten ketel, zonder bmketel en 
bedeketel [l. becketel]. Kb. o. Antto,, b. 186. Een 
den besten ketel, sonder brouketel üft backetele. 
C o. Amiw, 1582. xLi, 100. User- en coperwerck: 
Een den besten ketel, sonder brauw- oft back- 
ketel. Ib» eouêp, , n, 1, 1 1. Een den besten ketel , son- 
der brouwketel oft backketeL C, e. Deumê^ a. 735. 

BACKKORF (Backcorf ), zn. m. Broodkorf, brood- 
■Mscf» fir. pamier è pain, || Eenen backcorf. C, e. 
A»^.^ 1582, XLi, 104. 

BACKROEDE, sohryffout. Zie dacksoede. 

BAK£, zn. m. 1) Levend varken (zonder onder- 
scheid Tan geslacht), ir. porc vivani (sans distinc- 
tion de sexe). De K. van Nienpoort t. 1163, ver^ 
meldt reeds de Latynsche benaming: i| De bacone, 
oMmm. — Yan den bake Tan Y so (sic) Bterlioges, 
obol. Tol te Bmssfe e. 1252; de Lat. tekst heeft: 
êe haeome 5 [/. t.] eolidorwm^ z, [Vg] d.; infra 
mUkü; eetpra \ d, — Baeo tite vleck(?), óbulum. 
Tol U Dammê v. 1252. De Brugsche tol bedoelt: 
Tan een Tarken waard zijnde 5 stuiTers, een halTen 
denier; onder die waarde — niets, en daarboTen — 
eenen heelen denier of obool ; de tolprüs te Damme 
bewgst, dat er een Tarken Tan dezelfde waarde 
gemeend wordt. En dat 5 stoiTers destyds de 
loopende pr\JB van een dooigaans ventbaar varken 
was, biykt, onder anderen, oit een charter des 
jaars 1231 {BM. Comm. d'kui,, XYI, 37, n^. 18), 
waarby de abdis en het gansche convent der kerk 
te Thom zich verbinden aan den hertog van Lim- 
burg , voor zgn advocaiia te betalen: [men zegt 
niet hoeveel?] porcoê, vaJeniet quinqne êUidoë^ [e/] 
tree poreeUoe de quUdecim denariis, — Ëindelgk 
moesten de pachters aan de abdisse [van If onnen- 
bosscbe] elk jaar' een bake leveren. De Pb. en Bb. 
XYL As*anêde,ll, 15« E. (Eenbakverken(?), zegt 
de uitgever). Zie baksswijit. 

8) Mam , Zuidn. kesp, fr. Jambon. ^?) || vii sol, cum vi 
den, f wêoneie prelibate, pro- pema, que thenUmice 
diaimr bake ensenda, ad opus pampemm domesti- 
eofwm dieU emrtis Vinee beghinarum, earitaiive dis- 
éribmendis. Godsh. ie Brussel, doos H 270', pakje 
VUmtorden (1307). 

BAKELARE (Bakelere, bckelair), zn. Bakelaar, 
Imsrierbes, fr. baie de Umrier, Kil. Bakelere. ||Een 
bale, geflstimeert op x. s. Sekattlng e. 1551. Yan 
elckan hondert pepers, gjnbeers, comjn, bekelair, 
weckelair, sedouaer, galigaen en diei^eiyoken , . . 
twee oude Loevens. Bekenk, e. Brab., reg. YI, 
f». 1S4. Wage ten Bossche, 1298—1498. 

BAKENEN, ow. Seinen, fr. Jaire des signaux. 
II Dat hj f de virachere], omme d'ander visschers 
te waerschuwene en te behoeden voor schaede, 
gbehauden sal wesen te bakene eü uut te stekene 
drje schaedevieren ofte schenevieren. Plac. v. VI, 
96 juli 1535. I, 349. Zy quamen oio daghelicx 
over tot Nieuwerhavene, stellende aldaer an de 
watersjde eenen mast om te bakenen, zo wanneer 
%j me«r volcx beheerden thaerlieder assistentie. 
nor, Chrm. 402. 

BAKESWUN (Bakezuin), zn o. Varken^ zwijn, 
fr. poire, Schynt een pleon. te wezen. || llem^ de 
éieta terra, de tritico xxx^ sol. et D ova^ et Tin 
sol,dei bakezuin. Cart, St,'Pierre, blz. 397 (1281). 
Be bakezuinen, Ib. 399. IL Tin sol, pro uno 
Uesuin. Cart, St^Bavon, blz. 413. 

BALCH , zn. m. .Buur , grootste breedte tan een 
U^mdje, fr. vemtre, la plus grande largeur d'une 



towreUe. \\ Behoudens, dat de balcken van buuten 
het opgaeu vau de rechte cappe moeten OTerttchieten 
op elcke zyde drie voeten, omme het maecken van 
den balch van de peere, naer het uutwj'sen van 
den patroon. Bsmbbt, II, 329 (omstr. 1610. Bouwen 
van een open klokketorentje). De kepers van den 
balch van de peere upperwaert erom getrooken. 
Th, 330 (nl. de peervormige sluiting. B.). 

BALCHFABT. Zie balvasbt. 

BALDE , by w. Also balde , so balde , xoodra, 
fr. aussitot que f dès que, Hd. vorm. i| Zoe wanneer 
én alzoe balde als van dootslaghe , van leemden . • , 
die claechte gedaen es. K, v, 8t, Truiden ^ 1366, 
a. 32. Soe balde als die misse niet gedaen en sal 
worden oft syn, dat die momboirs oft regeerders 
derselve capeUe reparatien en bauwinge, die aen- 
slaen sullen gelyck oft der capelle renten en erfve 
waer. Montenaken, I, 270 (1515). 

BALAIS (Baleys), zn. m. Ballos, bleekroode of 
roseroode robijn, fr. balais, rubis balais. (Kramers). 
II Dat niemand en sal moghen helpen met eenighe 
verwe, noch int «gaud stellen eenighe robinen, 
saphiren, baleysen, amerauden, amatisten, tour- 
coisen oft andere weecke steenen dan op haer 
rechte foele, en den diamant op zyn tinte, zoot 
behoort. Flac, v, VI., 13 apr. 1551 , a. 7. I, 804. 
Flac. V. Brab.y I, 496. 

BALE, zn. v. Baal, fr. bolle. || Seiendum est 
quod bala merecUurarum , que ad pondus venduniur, 
ccc librasj et aliorum , que non ad pondus venduntur, 
ococ libras^ et quintallum, c libras dehent tantum^ 
modo ponderare. Qesch, v. Antw. , Engelsch charter 
V. 1305, II, 546. Fapiers, een bale oft x riemen, 
iy gr, vl. JVatertol, 1550. 

BALFAEKT (Balchfaert), zn. m. Zie over dit op- 
merkeiyk woord Ybedam, en de aldsar aangehaalde 
geleerden, welke zich op deszelfs verklaripg toe- 
gelegd hebben, doch vooral de éénige afdoende 
van Ds Ybixb, zoo wat aangsat de beteekenis als 
wel de etymologie, in de Bulletins de VAoad, 
rogale de Belgique, 2m« série, t. xiv, n^. 7. De 
h. Ybbdam staalt de afschaffing van desen heeren- 
dienst door eenen vertaalden nederL tekst uit de 
K. V. Yeume, v. 1240, waamevens wy den oor- 
spronkeiyken meenen te mogen plaatsen: Preterea 
ffo«, Th,, et J. , comiüssa, predtcti, balfardum 
nostrum in terra ï^mensi perpetuo quiiavimus et 
^i^iMM damamus in futurum; hoe solummodo nobis 
retento : quod si forteridas novas foeere vdlemus t» 
terra Fumensi, vel veter es reparare, iüi nobisfodere 
teneniur qui prim balfardum solvere consueverunL 
Het woord balfaert biedt zich voor de eerste maal 
aan in eene Ylaamsche oorkonde d.d. „smanendages 
naer Beminiscere'' 1252, in het Oends CharÜ., 
blz. 10, a. 19^. II Yan eiker balfaert es sohauteren 
{sic) recht y schel. — Edoch, volgens de oor- 
spronkelijke^ door ons in het Byksarchief te Gent 
geraadpleegde oorkonde, moet er gelezen worden: 
„Yan eiker balchfart es scouteten recht y sol". Wy 
hebben hier dus de door Db Ybieb vermoede 
oudere vorm balguordy balgvard, als natuuriyke 
oveigang van ber^vrit (r=:l); Diercx, G^nds char- 
terboekje, blz. 10, drukte balfaert niet balchfart, 
wellicht naar eene verlorene chirographie van de 
door ons geraadpleegde, bezegelde oorkonde. Yeb- 
DAM herstelde het woord in synen oorspronkeiyken 
vorm. Met deze lezing stemt overeen het Chartb. 
n». 13 van Sinte Baafs, n^ 2 v. d. Inv., f>. 64 
en 107. Doch in het CartuL n^. 1 v. d. Inv. d. 
14« E., ciroa medium, staat duideiyk balfaert. || 
Wy quyten alle onsen lieden, wonende binnen 



112 



BAL. 



BAL. 



Vier ambftohten, den balfaêrij die tj (nw jserliez 
plachten te gheeren; danof wy hemlieden toot ons 
en onBe naeroommen teeaweghen dage quytsoelden. 
K. V, Atsenede v. t242. De Pb. en Bb., XYI, 66. (Vol- 
gene de kopij in het Gentsch WUte ftoeXr). || Voert 
sfoghets ha^aert en al datter toe behoort van 
[h] achtingen' en pandinghen eü boeten diere af 
ghewijst snllen werden. Ib., II. JËtergem, .41 
(1319). BoTen desen, zo behoort den burchgraef- 
scepe Tan Ghendt eene heerlicke rente van lii p' 
par. tsjaers, streckende in de prochie yan Bverghem , 
Sleinghen eü Wondelghem, geheeten Balfaeri. Ib. 56, 

BAIilU (Bailliu), zn. m. 1) De vertegmnooordiger 
van den graaf in Vlaanderen^ fr. 6atl2i. Zie Ybbdak; 
zie ook Akhak. 

2) De Oleine baiUia. De tehoui eener neder't 
ondeT'^ smalle of eUine hankj tegenovergetteld aan 
den baiUiu der opper- of beroepsbank ; fr. b€nlli d'un 
bane euhaUemet oppoié è celui de la oow eupé- 
rieure ou dn ehef de eens. \\ Als si dach hebben ten 
hoefde, hi moet oomen voer noene, en bidden den 
hoeftbailliu datti hem stede lee&e, hof te makene; 
en de hoeftbailliu moet voren hof gemaect hebben, 
en danne , als de cleene bailliu hol gemaect heeft , 
80 sal hi de manne manen , dat si recht raoord doen 
haren hoefde van dies si hem beleet hebben of 
beroepen. Leenrecht v. 1528, H iiij, r^. 2. 

8) bailliu van den Watere. Sen ambtenaar 
aangesteld tot het bewtiken van de heerlijke rechten 
op de waters, en dié er ook het rechisgébied over 
voerde y fr. un officier préposé è la garde des droUs 
seignenri^nx sur les eamx^ et qui en exergait aussi 
la furididion. Bit ambt schgnt overeen te stem- 
men met dat van den Watergraaf. || Denselven 
burchgraeve vermach in hetselve waetere en canten, 
efi b(2iem» alle sulcke jnsticien, boeten en emolu- 
menten als hg vermach op sQne heeriychede van 
Hensdene, en heeft daertoe een bailliu, gheheeten 
bailliu van den waetere . . ; en denselven bailliu 
van den waetere heeft macht in deselve waetere 
te vanghen , te arresterene eü te exploiterene . . 
Be Pb. en Bb., IY. Klugten, 11. (Z. d.) 

4) Boedrager of kerkwachter {mH eene hellebaard 
gewapend) j fr. porte^vergcj bedeau, suisse, || Be 
roedraghere ofte bailliu van der kercke wert ghe- 
bouden tallen ghetyden en andere diensten d'ewste 
en voor tbeghinnen in den ohoor te wesen, zonder 
vandaer te scheeden totten dienst ghedaen wert, 
en neerstelyck te bemerken oft jemant jeghens 
dese ordonnantie doet . . . ; eü waerder yemandt 
die overtreede eenich art jcle oft articlen daer gheen 
-peine gheëxpresseert es, dat de roedraghere dat te 
kennen gheve den prochiepapen , keromeeste|«n eü 
lOotmeester. Ohoor te Winocaé., a. 20, 16« E. £s 
toegheleit Joosse Gabbeken, als bailliu van der 
kereken, van der stede weghen, vut graoien, xl s. 
Bt.-rek, Mnovej 1489—90. 

BALIU8CHAP, zn. v. Bechtsgebied van den 
baUf uw f fr. baiüit^e, furidietion du batüi. |) ICaer 
geen poorter oft ingeseten, gevangen wesende, en 
mach beswaert worden bj jmande van civile 
saecken, dan vuyt erachte van de voorgaende bail- 
liuBchap. C, V. Middelb.f V, 4. 

BALCK, zn. Hangslot (van een reinak), fr. eadenas 
(d*une valise). Kil.' Balckband, subseus; flbula, 
||*Balcken oft sloten, van yser oft latoen, om 
asacken. Bijksareh, Proees Merseniers i Smeden, 
1546. 

B ALGKNOOT , zn. Baiknêuiy steen onder een balk, 
fr. eofheau^ nmx^ jambe sous pouirê. |) Item, sal 
men meten voor alle balcknoten, die men steken 



aal onder den balok, vier voeten. O. JP.-17. amtr,, 
16 jan. 1705. I, 65. 

BALCKBTEBN, zn. hl Zie balcxfoot. Kil. 
Baloksteen, not, notsteen, muHUms, Lbo 
DB BiTBBüBB, Toestand, 8, meldt dat de ver- 
maarde bouwmeester Pieter Appelmans sioh in den 
jare 1481 naar Brussel begaf om „balosteenen^' aan 
te koopen, en dat deze over het algemeen ge- 
trokken werden uit de steengroeven van Afflighem 
bij Aalst. 

BALLEN (de wolle). ZamêubMsn, — drukkan, 
inpakken, fr. eomprimer, embaUer. || Soe wie peel- 
woUe wilt maken te cope, die en salse vlieten nooh 
ballen, maer hi salse ghebroken ter raeiot brin- 
ghen, doergaens alleens [al eens] gheleet [gbeleit, 
gelegd?], en wael ghediroecht van eiken eleede. 
K, lakeng, ie Diest, 1338. Kiemen die wolle ver- 
coept en salse ballen noch wempelen . . . Bat ghene 
nopperse noch leserse wol wempelen noch ballen 
en sal, noch oec venx>pen en mach. JT. lakeng, ie 
Brussel, Stat* v. 1864, a. 1, 2. Vort, en mach 
niemen wolle ballen. Wie dat dade verborde Y Ib. van 
den stene. K, lakeng. Meehden, 1881—1888 , a. 18. 

BALLINCK. 1) Ballinok slants. Op zaken 
toegepast. Verboden^ fr. prohibé, || Bat men alle 
maniere van lakenen , gheene ballinghe slants zjnde, 
wel mach anslaen en ofdoen, en opreeden ten prof- 
lyte van den personen die se toebehoren, zonder 
eenighe boete te verbueme. K, lakeng. té Brugge ^ 
VuUers, blz. 66, a. 6. Item, zo wat vr^imde 
lakenen, gheen ballijng wezende, die in vreimder 
oooplieden handen zijn, dat se elo scheerer an 
mach slaen en ofdoen zonder an jement yet te ver- 
zonckene , behouden dies . . Ib. a. 5. Bat gheenen 
scheerer en [is] gheoorlooft te scheerene eenighe 
lakenen baliync zynde . . Ib., Seherers, a. 2. Alle 
manieren van breede fine lakenen gheen ballijnghen 
zynde. Ib., Vaerwers^ a. 1. Bat gheenen vaerwer 
^^ [^] gheoorlooft te vaerwene eenighe lakenen 
baliynff zvnde. Ib. a. 8. 

2) Baliinok 'SWaters. Uit het water gebannen, 
verboden (spr. v. vischnetten), fr. bamni des mni#, 
prohihê (filets de pêche). || Bat alle andere netten 
eü ghewanden, hoedanich die wesen sullen,... 
mitsgÏMlerB de sohutcnrven, verclaert sjn baUinok 
'swaters, en dat men daermede niet sal raoghén 
visschen. Blae. v. VI,, 24 apr. 1542. II, 791. Bat 
alle andere netten . . verclaert syn ballynx waters. 
Ib. 81 juli 1627. n, 881. 

BALLINCKBOECK, zn. m. BdlUsègboek, fr. 
registre auS bannis. \\ Bat, al staet een persoon in 
den ballincbonck , by alzo dat hy zyn landt heeft 
van den heere , en scepenen huerlieder consent doen, 
hy nochtans ghevryt es. C. o. €hnt^ maart 1857 , 
I, 541. Verdam: bakbobc. 

BALLINCK8CAP (Ballinsohap), zn. o. Gerede 
ielijke brieven van volmacht ter executie vau een 
vonnis, fr. exéeuioires. (f). || In civile saecken en 
mach geen poorter oft ingeseten geapprehendeert 
worden dan vuyt erachte van voorgaende. ballin- 
schap, twelck is ezecutoriael op gewysde saecken 
gedecreteert, ten waere in oas van fuge oft snspicie 
van dien. C. v. Middelh.j iv, 2. G^en sententie 
oondempnatoir, by borgemeesters en schepenen ge- 
wesen, zvn ezecutabel, tensy al voren daerop gede- 
oemeert bij ballinkschap ofte executoir; hetwelcke 
ballinkschap geöxpedieert wordt ter greffie, onder 
het signet van de stadt, zonder tselve eenichssints 
te wesen by den secretaris. Ib. xx, Pan vrwmiage 
éX executie, a. d. Het voors. ballinschap houdt 
■ommierlyck den naem van de gecondempneerde ^ 



BAL. 



BAN. 



113 




BÜdtepidatB iUb ■omme «fi ewife tui oondempnitie 
«& tot wiens pioffyto het bttllinflchap gedeceneert 
•i. A.. 1. I) Alvoor een ballinMhap partje gelerert 
wt, noei tMlre geregiitreert lyii in een van de 
twee liggende registen bernttende ten oomptoire, 
ImI een geneempt het ^Begister nm Loetochten**, 
ImI ander het ^yBegister Tan Seekeringe"; en in 
WÊü dwn, wort in hetielye balUngBohap 
de naem Tan hetaelre register efi 
folio. a. S. In het regiater Tan lostochten wor- 
geregiatveert alle executoriaelen oft ballinok- 
•eha^ipen geatreekt op alderley Tonniaien ofte len- 
tanben, t^ Tan obbgaüen, oontiaeten oft andere 
aetien, promi§caêj TnTtgesondert Tan Tonniaaen ge- 
strekt op sekeringe , cUe alleene geregistreert worden 
in het register Tan Zekeringen, a. 4. Benen bees- 
aebeie, geobtineert hebbende op syn parlye oon- 
denipnatie en ballinschap Tnjt eraohte ran obligatie 
ofl aeepenebrieren, indien de condeBopnatie streckt 
tok Toue betaelinge Tan de obligatie off acbepene- 
brieir, in der maniere dat , naer de Tolle betaelinge 
Tan de obligatie off sehepenebrief sonde geoaiseert 
weeën (me), soo wort de toqtb. obligatie oft acbe- 
penefarieff , terstont naer de sententie eondempnatoir, 
gelioaden ten eonptoire Tan de greAe ofte aeoretaris, 
m bewaemisM Tan seeretarisien , ^ Tnldinget en 
geeaaMerty en wert den heeatehere in de plaetMe 
TBn de Tooie. obligatie ofte brief gelerert net bal- 
lineksehap ofte ezeeatoriael , in der manieren tootb. 
g erag i a t reer t synde. a. 6. Zie ook YBOHnros. 

11) BêÊ^ifk TÊckiêffttiêd op kêi gemaal, ft. droU 
Êt ijfmmmmi tmt Ie momiwrê. || Hierinne Tersien , dat sy 
egheen eoren oft , ander graen daarop en aoelen 
moege n doen noch laten malen dat tot eeniger 
plaetaan in enigen ban gehoaden ware. Sêkmik, «. 
Brèk, leg. 1S6, f*. 194, i5« B. 

BALLISTEN , sn. ut. BeiUÊminff dêr gUdê eea 
htê Jtmatêafd sa d^ êékrnmkmnêi is Mêmmm (17«. B). 
fr. flMw dë la güUë dm fsm ds pwmm ê et d'êterimê è 
Mmim, Bbmbbt, I, 568. 

BALLOUTBB, sn. Soort wam pakkimg, baaly 
Ir. o&rU d^omAmUago, bMoi, |j GaneeM, in bidlon- 
tersy baelen ofte faxdeelen, Tan elck hondeit ellen 
Tj grooten. TW io Amim. 1 Jnli ISM. Ben bdloa- 
tertLen oanefiw, üij grooten. WaUrUA, 1650. Ben 
baUevterken eane^M Tan ig« Ixxx ellen, geèstimeert 
op ü)} Ub. grooten. 8éhmiiimg o. 1551. 

BALLUTCKE. Zie BAnuiCKB. 

BALLUCKB. Zie Bakluicxx. 

BALMONDfiM, bw. Bot^kmdigem, fr. dMériorer. 
ft Paerent^eynden moet men, binnen den naestrol- 
genden genechte, de lere r inge Tan den goeden 
nsnien, ter preeentien Tan den sohonthet eil Tan 
Tiir eehepenen, en wordt den beyiaoher ^tgoet ge- 
l e teit om *tsyne af te nemen, londer baelmonden. 
O. o. Ker, gn, 8. Zie ook YKHVALifoirDBir. 

BALBBT, an. SooH mam miêokmei^ gakmmi, toort 
mmm OÊgmm, ook neg IroeMMi geheeten, fr. aiêêmmge, 
2am Bjeamjebs. H ^^ moment en Tieaohe met aleijp- 
uotten, in epenbaïran en prinoeiyeken riTiemn, Tan 
Baaeisae tot LiriitBiflae, opte Torbearte Tan Üj 
pond, eA Tan den hamaaaehe oft geionwe, en alioe 
Tvirt m anderen tQden Tan den Jaire, mei anderen 
enfflnetten oft bplnetton, nae gelegentbe|ft Tan den 
tgoe eA Tan den riTieran. ▼. d, Tat. 147. Hoe 
dat Tele lieden hen footdeoen te Tieaehen met 
aldarhande netten, te wetene slypnetten, oft met- 
ten rioefce, balnetten, wayen, Tlnwen, epetweiiB, 
f liet ent kon, eorTon efi andeoe hamaaaen. Hoe, e. 
BM. 8 fdbr. 1514. III, 681. Dat memant hem 
TOfTOordeio te Tiaeohono . . andeva dm mat «iaeken, 



cnwe]en(?), Tlnwen, balnetten of omyBnetten.JP/a0. 
V. VL 24 apr. 1542. II, 791. 

BALSANE, sn. m. TFieipel, fr. hamderoU, Zie 
Ybsdax; en Gailliabd. || Aleer men Taoht, daer 
eaoh men Philips riden up een wit port, met eenen 
grooten balaane baoht hem Tan eer wapene. Ol. t. 
DlXlCÜDB, 15. 

BAMI8MERCKT, sn. t. SamUtfaanmarkt , fr. 

f&irê dé la SL-Bavom (1 oei.). || De Ti^heijt Tan 

de twee jaermeroten Tan Antwerpen, te weten de 

Sinxenmerckt en Bamismerokt, is elok Tan Tier 

weken. C e. Amtw, 1582, xlix, 1. 

BAMI8SCH0UT, sn. m. Hmrlijko e^mt betaal- 
haar den l«n oo#., fr. eemê seiffnemrial poj/ahle am Ier 
oei. II Bameeoohaat: Ben boender Bameaachout int 
lant Tan Goycke, geeftjaereeesthien deniers LoTens. 
Sehai der dbeyatMi, 42. Zie Noobdbwibb t<*. Ba- 

ICIBBOHOT, 97 T^. 

BAMI88E, SiHTB Bamibbb (Baefinisse, Bameaee). 
1) Simi Baafë {Bavo's) dag, fr. laflte de 8.Bavom, 
1 oet. Een der btjsondere Teiraldagen Tan renten 
en paohten. j| xzt s. jaerlios, te gheldene tsente 
Bamiasen. 21 oet. 1296. Saterdages na sinte Bi^ 
meaee. 4 oet. 1298. Om x sols tqaem, te gheldene 
te Bente Bameeae. 20 noT. 1298. 

2) Mmfet, mafaar, fr. oa^oora^. |{ D'a%aende 
paehters , om te zaeyen Tan maerte *t leste jaer Tan 
nonnen pacht, en snUen in hunne gepachte landen 
niet meer Totté mogen doen als ten adTonaote Tan 
Toertieh Toeren mee op een bunder , Gasaelrye maete, 
en om te meyen de harte Trachten Tan Baefmisae. 
O. o. Amdem, 2« d. Amtpl. 12 aug. 1767 , a. 17. 

BAMT (Bampt, baemt, mT. bampde, bamde), 
sn. m. (Limb.). Beem^di fr. pré, prairie, || Twee 
bnenre bamde. Sekep, m, Lmmumem^ 80 iuni 1879. 
OnderhalTO eille baems, . . gelegen op ghoMi Oer- 
eaet . . Byne eille baeme gelegen in die Stocbaemt. 
S' Oeestmt, ie XaatsM», 12 juni 1882. So wanne 
geroepen off boTolen wort yemande hon bampde 
oft boere [hof] te Tredene, ind dat bynnen Tyff- 
thien daghen, êal diegherie dee nyet doende broeoken 
eynen I^rnaohen gulden. K, e. Tomgerem, 27 juli 
1469, a. 26$ a. 5 en 80: bampde. (In een aehepen- 
brief der Tryheid Tan Lummen, d. d. 29 maart 
1481, komen beide Tormen: ^bampt" en „beempf* 
Toor). Daer ie, met proclamatie en brandende kere, 
Teroooht neweest eeker huye , hoef, landt en 
beinpt, onder Op-Itter. O. gr. Xooa, I, 261 (1628). 
Yijff royen hoen oft bampte tegen . . . OonTont Tan 
Yranwendael met eenen bampt.. Momtemakemf II. 
178 (1689). Banen bampt groet 5V« royen. Ib. 
174. Twelf royen bampe. Ib. 175. Op eenen bamp» 
geheijten den Weyerbamp. Ib. I, 811 (1741). 

BAN, en. m. 1) Afkmdigimg, hekemdmtaking eemer 
gereekteU^e kamdelimg, ft, pMicaOon ^ proetmmÊotiom 
d'mm aete jmidiqme, \\ Dat men die ohineguddaren, 
dat atockgoet ia, eal eyn gebueedom temael moghen 
ontfangen, bonre eyn Tuel oft wenioh, met dobbe- 
len clune, dobbel ban ende dobbel recht; dan, die 
sytTsllige goederen, comende Tan broeder, aueter, 
oem, muye, nero, niohte, ofte dyeigelyken, eal eyn 
yder eyn deel ontfangen beeundar , en betalen dobbel 
opooraelingen , en eynen ban en eyn recht eimpel. 
O. gr. Zoomt L 14 mrt 1548, a. 2 en 8. Wordt 
yeraoeelit, bij den eeholtns Tan Peer, booTeel dat 
ie eenen ban . . . ? Schepenen dee oppei]geriohte dee 
graeibehap Jjood. in Yliermael , reeolTeren by adTye: 
op d*eerete , dat oenen ban ie onderfaalTcn etuyTer. 
Ib. L 844, 22jan.l664.DatindesucoeaBieinrechte 
linie dia «dlgenaamen te eaemen Toletaen mite be- 
dobhal reeht Tan Eoliof, en oenen 

15 



114 



BAN. 



BAN. 



dobbelen ban; niaer in linie oollAtenel, dat ieder 
der erffgenaemen schuldioh is syn paert te rele- 
Teren, ende daeryoir te betaelen een recht van 
relief, Boo voorseydt is, en eenen ban. Ib. 345. 

2) Ban, ban ende vrede. üUroêpin^ van de 

^êreeMd^kê heMdêUng^ die voor meier if êokoui e» 
tehepenenj of voor leemnamnen heeft jlaaU gegrepet^ 
't zij van inbeziisteUing van eemg onroerend goed, 
H x^ vam leemverhejpng , 't tij van vrijmaJnmg vam 
loeten, die een goed huwaren ^ wm grenepaaUetting, 
van nader eehap , eohomoing vam wegen , — om den 
nieuioen eigenaar het vreedzame en wettige bezit te 
verzekeren; fr. prodamation de qudque oBuvre de 
loi pastee devant magenr on éamtète et éehemne^ on 
dewmt hommet de flef^ eoU d^adhéritamce, de relief, 
de pmrge ou radiation de ehairget^ de bomage^ de 
retraitf de vieite de ehemintj «— pour tuturer au 
nonvean prdpriétaire la paiiiile et legale pottettion, 

a) InbeziitteUing f fir. mite en pottettion, \\ Alsoe 
dat si in die belicht Toers. met menisse, Tonnisse, 
banne en allen rechte gegoidt wert.. Soedat hi in 
die tocht en erfVe met menisse, ronnisse, banne 
en allen der Toers. bank recht ghegoidt wert. Mof te 
Nonnemiden{\A^\). Dat die soholtus eal dieparthye 
in dat goet gichten met ban en yrede, als dat be- 
heert te geschyeden. C gr. Loon, I, 168 , n°. 100, 
16« E. £nde op alle condicien Toers., soe waert 
Beynere Toers. . . in dese plecke lants Toers. daer- 
inne ghegicht en ghegoit.. Tonnidlyken en teme- 
lyken, behoudeljke enen yeghelyken synen goeden 
rechte, hem ghedaen banne en yrede, en allen 
Tolcomen hoffrechten, nae costuyme shoe& roers. 
Sehep» V, üfwcurn, 17 oct. 1520. Diewelcke . . in 
dije Toirss. dr^e galden qoijtrenten, als in sgn pro- 
priel erffe en goet, Tan onsen meyer wetteiyck ge- 
gioht en geguet waerdt, ban en yrede hem gedaen, 
behalye een ygelgc recht Monienaken, I, 455 
(1587). In oirboer en tot behoeffye yan Yalentyn 
yan den Hoye, diewelcke daerinne werde gegicht 
en gegoeyt, met manisse des richters, yonnisse der 
schepenen, en alle anddre yolcomen hofirechten 
daertoe scholdich te geschiedene , egeen poinckt yan 
rechte in desen achtergelaeten, eenen yegelgcken 
sijnen goeden rechte; hem gedaen dgenyolgende 
banne en yrede, naer usaige der bancken rechte; 
waranderende los en • liber , sonder eenige lasten 
daerop yuyt te gaene; maer oft beyonden worde 
hiemaermaels cheyns daerop ynyt te gaene boren 
een stuyyer oft wel eenen bnspenninck, geloyen . .. 
Schep. V, Seckenvoirtj 10 dec. 1636. Ende achter- 
yolgens opdragen en yertQen Henrick Wellens,... 

* is Bobrecht yan den Beishe ter gichten komen 
met ban en yrede, behouden eenyder zyn goedt 
recht. Sekep, dorp en heerL Meldert^ 1 apr. 1664. 
Weleghe . . in dat yoeigenoemde lant . . wel en wet- 
telyck . . yan onzen schoutet gegicht eü gegoyt waert, 
ban, yrede en allen ons yoirs. hoichgeriohts yul- 
linghe gedaen en hem yerleent synde. Mowtenaken, 
I, 17. Welcken yolgende en naer den gedaenden 
relieye, is den yoors. s' Heusdens in het geseijt 
goet gegicht en gegoegt met ban en yrede , en allen 
solemniteijten s*hoffs yoors. Ib. 147 (1741). 

b) Vrijmaking va/n latten^ fr.pifr^s.|| Soe wie wilt 
leggen in purge, ban eii sayreringe eenige huysen 
oft erf^e, ter yersekerthede yan syn proprieteyt, 
moet oyergeyen in yierschare libel yan pargen. C e. 
Qent^ TUI, a. 1. (Yan den Hane gebraikt yoor 
de drie woorden het eenige Purg<stio ten Pmrga). 

c) Qrentpaalzetting \ fr. bomtige. || De yoorss. 
palen eii meersteenen behoorlfjck in d'aerde geatelt 
wesende, sallen de yoom. meerers deselye moeren, 



ter presentie Tan partyen, rechtoiyok bannen; in 
den Terstande dat, al waren daer meer als eenen 
meersteen gestelt op een Teldt, plaetse oft erfre, 
genoegh sal wesen eenen ban te doen yoor alle 
t'samen. C. v, Bruttel^ Stat. e. 1657 , a. 99. Chris- 
tyn yertaalt: nnmn proelama. Dese ban loidde 
aldas: || Wg, gesworen meerers deser stadt Bmssel, 
yan onser officie wegen, yerbieden eenen iege- 
lycken dese meersteenen, bg ons behoorleek en 
wettelgck gestelt, ten yersoeoke en met consent 
yan partyen, in eenigerhande manieren te yer- 
donckeren, te yersetten oft wegh te nemen, bij 
hem selyen oft iemant anders, op de pene yan 
daeroyer arbitralgok gestraft en geoomgeert te 
worden naer gelegentheijt yan de sake. Ib. 

d) Nadertdkap^ fr. retraii. || Sodat ee oommen 
yoer ons, balia en manne yors., mer Pieter Daman, 
raddre, en calengierde tyors. sooutheetdom wette- 
leke, ban, naerheden en boet daertoe te doene, 
alse nalinc, dat hij sonldich was te doene naer 
costame yan den hoye yan 8t.-Bae&. Db Pb. en 
Bb. II. üvergem^ 62 (1363). 

e) Sehomwing van wegen, enz,, fr. viiiie de ehe- 
mi$u , ete, || En by also dat de scauwinghe of den ban 
ter derder reyse niet yerteert [l, gebetort] en ware , 
Bo yermach de haillia datte te doen beteme en 
makene ten ooste yan der partie. Ib. III. Hentden, 17. 

3) Ban ende wederban (Krggsdienst). Foor- 

en iushterban^ fr. ban et arri^e-ban, || Alsoe, om 
de sekerheyt en beechermenisse yan onsen landen 
en ondersaten, en opdat wy te bat gedüent en ge- 
assisteert mogen werden in onse reysen yan wapenen 
en oorlogen . . , yan noode s|| wederom op te 
stellen en te doen condigen oyer al onse luidefl 
eii heerlifheden den ban en wederban, mitagaeders 
den dienst die de edele mannen yan leene en mans- 
mannen yan denselyen landen ons sonldich syn ter 
saecken yan haeren leenen, aohterleenen eü am- 
bachten [nl. ambtsbedieningen], by middele yan 
welcken bui eü wederban en dienst onse yoirsaten 
yele groote [h]eerlijcke saken en yoimemen bestaen 
en yolbracht hebben gehadt. Bekenk, v. Brab. rag. 
136, fo. 171 (1503). 

4) Des man-des ban. Wient onderdaan^ 
dient reehttgeèied. JSen gezegde eigen aam de ttad 
Maattrioht, waar de hertog vam Brabant en de Kt- 
tchqp van Lnik met éOcamder het grond- en reehtt' 
gebied deelden, fr. teille nationaUié — telle fmridietion. 
LoenHon propre è la ville de Maaetrieht, od Ie 
duc de Brabant et Ie prineeSvégne de lASge te pair» 
tagtzient Ie territoire et la jwridietion. || In^yal 
het [delict] beyonden wert criminel te syn, sallen 
deselyen enqnesten ghestelt worden in handen yan 
den „hooghsohoat** dee man des ban. C. v. Maattr., 
Becez o. 1665, iii, 15. Behoadelyok dat 'den delin- 
quant, na de apprehensie, sal gelaten worden in 
de macht en bcdwanck yan synen oompetenten 
richter; welcke competentie gheëzprimeert wort 
met dese worden: dee mam det ban. tii, 3. 

5) Beeht vam uitbammimg, fr. droit debamnittemeni. 
II Behoort tot desen leene . . den ban baten [der]selyer 
heerscepe, en yoort uten lande yan Vlaenderen, 
yan hondert jaeren en yan danen nederwaert. Di 
Pb. en Bb. III. Aalter, 22. 

6) Verbanning nit het lamdj fr. bttnnittemenL \\ 
Waert dat yement de contrarie dade, dat ware ap 
den ban yan x jaren, db Ylakikok, Vj^. 45. 
Behoort ten yorxL leene den ban yan Tgftich jaren 
en daenmder bayten heersohepe Tan Eecke, en 
Toort bayten [den] lande Tan Vlaenderen. Db Pb. 
en Bb. tSL JSmIw, 11 (1686). 



BAN. 



BAN. 



«5 



Te bsxuie aijn. Oebamtm, ver h a mn eiê s^n, fr. 

êtM hmmm. \\ WQ [wie] van sijn aelffa sohoat te 

biimie weere , oft die in onwet sitten, die en snllen 

[I. nU] egheén hulde [ambt] moghen dragen, hïj 

«n bebbe hem fierste gepoigeert van desen saeo- 

bsn. K. e. Si.-Trmdêm, 1366, a. 72. Dat gheyn 

man tbu onaer atat Tan Benttradan stemme nooh 

gsTolge geren en aai, yn den ambaehte dair hij in 

weie, Tan egheynen si^en, die van quader firanen 

wsie, off der aelmessen leefde, oiF die te banne 

wera, off oesaie gedaen hedde... Ende soe wie 

Tan dengenen die Tan qnader fiunen off te benne 

wope.. Ib. 10 jnni 1417, a. 8. 

Ban Tttll relegfUSden. T^dd^ verhamninff, 
fr. lammUëewÊmU têmporairê, d Urme^ nam perpêtiuel, 
II Boe wije dat ennige maten oft gewichten Talsoht , 
die wort insgeiycz gepunieert geiyo toüb. is; oio 
mogen »{ geponieert wordden metten ban Tan rele- 
gaeien, dats met benne die nijet euwioh en is. 
▼. D. Tat. 67. 

7) Kerkel^ke han, ft<Me2osit, fr. A eo mm MeaHom. 
tl Soe wie apoetiteerde '[/. apostateerde] en qname 
niet binnen Teertioh daghen weder, aal te ban 
werden ghedaen, en dat sal men cont doen den 
byeoop c? den aiehydiaken Tan der stat. Ckuik, e. 
'«JBoseA, joh 1277, a. 26. 

8) BeiuHmgij eee^et, fr. impói ^ aeeite, || lCae«tes«« 
9«09iw, qmoê aumi im mmiêtêrio AdvoeaH Sameti 
JBahlMty tflsf nddieti qnoê imiabUaiUmr, ab omm 
eomêueitÊdimê Ubertu egse voh: dabmittqué tinffuloê 
dêmmrioê xu imfuto Sameü MiekaëUt; ti d€ brot- 
ban dmertof xn ti ds bjrban denarioê zn. Wabv- 
K6na, FL 8i. e. I^. K. v. 8t.'Omamr t. 1127, 
e. 19. (Zoodat de Dietsohe taal aldaar ten minste 
BQg algemeen Terstaan werd in het begin der 
19* eenw). .8ij dat sake, dat soepenen, by assente 
dea i^Mreohts des heren, Tsn {L ban] setten in 
bioode of in w||ne, omme \l. ofte] in anderen 
eoemenarhupen. , omme beteringbe der powt . . K» 
e. Dêm d m' mondê e. 1288, a. 24. I4tt. tekst: n. . hammm 
pomamt im pamê esl «e vtae . . ierüa part farrfaeH^ 
fUÊ dt heKtmo iUo profMmst, dêbei dart ad opus müê. 

9) ÜSosIs, fr. amemde^ || Van den bannen Toneit 
sollen qnite s^n alle diia ghedaghet worden, np 
dal sy kenliehede mogen hebbra Tan scepenen, 
dttt ïïj baten den lande waren als sj ghedaghet 
waien. K. 9. ier JPiêie, 1265, a. 6. Die banne, 
beteringhen en die mesdaden Tan der monte. JT. e. 
JftneS^e e. 1281 , a. 19. Want die ghedaghede niet 
Toert en qnam , soe sal hi gelden den richter eenen 
ban Tan drie wiUinghen. Ckarth, e. ^sBowehf 12 
jan. 1829, a. 4, f*. 1. Waie dat sake, dat een 
«yuUiffernier naTonts wffn upblcTO [eZ. hoven on- 
Tvkocht OTorbleef], sodat hi gheere cnapente doen 
en adde, dat hi met hem selTen, met sijnen 
kindren en met siere meinsnieden siJn profijt en 
s|fn beste doen mach, gheiyc dat men Toortyts 
^ledaen heeft, sonder ban. Dx Pauw, ^6. 18 
(1888). 

10) Ban van ■ohepenen. Sdktpêmbamh, fr. 

laas d'Mêviêu. || loft enigghe partie wille apeleren 
TBB Talsehen Tonnesse, iof Tan Talschen recorde 
Tsa seepenen, si moeghent appeleren Tor den graTe, 
en die gnre salt doen jngieren bi banne Tan sce- 
penen, een iof ander, die hie sal kiesen int graef- 
soep Tin Tlaenderen. JT. e. Bmggo v. 1281 , a. 28. 
De Fr. tekst segt: Si It tmêmê Ut f era jngier par 
home dPeAUmmage ^ mm om plutieurt [tel on tel?] ke 
ü vDnra etUre em Ie eonié de Flandre, 

BANBOBCK. Zie billhtckboxcz. 

BAKOAM y m. m. Haai, die onderworpen it aan 



de geret^ié^ike u^omnoing, fr. digne toumite è 
rimtpeeiUM l^/aU. \\ Wort mits dese geordonneert 
een yeder zyne bandammen behoorel jck te maecken 
en onderbonden, metgaders de watergangen te 
mymen. Dx Pb. en Bb. XIII. Kaprijk, 75 (1641). 

YbBDAK: BAVDIJO. 

BANDEBOEDE (Bantroede, bintroede), sn.m. 
Buigbare roede, dienende inxonderheid om de 
ttroodaken te verbmden, om den walm op de daken 
te vettigen , fr. verge flexiUe, tervant partieuUbrement 
è fixer Ie ckamme tur un toit, || Banderoeden. Tol 
te Brugge , 1269. BoTen dese moet de pachter elox 
sjaers loTemen ijo halsters stroes, np de hnnsen 
te Terdeokene, en sal den decker doen dienen, den 
deoker lererende syn montoosten, theen en bande- 
roeden. Dx Pb. en Bb. X. Astene, 8 (1424). Dat 
niemant bantroeden noch deckteenen en snyde an 
ander lieder gront oft thnynen. Dx Pb. en Bb. 
XXin. Beveren, 74 (1626). Dat nyemant wissen, 
theen noch banderoeden ofte peertsen en lese [snyde], 
die gbewassen syn elders dan ap tsyne. C, e. Brugge, 
I, 221. K, V, 1562, a. 24. Dat oock sommighe hen 
TerTOorderen op onse Toors. bosschen . . te hoawen 
en te halen dysselen, langhwagenen, peertsen, 
Titsel- en baokroeden [l, daokx^eden], bessemstooken, 
taynstaeoken, wissen, bantroeden, plantsoen, enz. 
Flae» e. Brab. 6 mei 1560. II, 138. Ib. „bant- 
royen". In gheralle datter stroye en banderoeden 
ghebraecken, om de hnyaen te onderhouden en 
decken. C. o. Aaltt^ XIT, 22. Niemandt en Ter- 
maoh in de bosschen eenigbe plantsoenen te poe- 
len, te bauwen ofte snyden eenighe deokroeden, 
byndroeden, wissen, bessemstooken ofte bessemen. 
O, V, Veume, LXn, 6. Die men sal be'Tinden ofte 
aehterhaelen met bylen, haumessen.. te cappen oft 
gecapt thebben, in eenighe bosschen, canthaut oft 
troncken , tsy om banderoen wissen, boonpeertsen ofte 
andersins. Db Pb. en Bb. XIII. Kaprijk^ 69 (1641). 

BANDEBSIJDE (Banderside , banderzide), byw. 
1) Aan den anderen kant, fr. deVautrecótê. || Van 
N., paohtre Tan der Tisscerien, die der stede toe- 
behoord, en die beghint ter Soaepbrioghen te Gent, 
en streot tot in de Licht, banderside tSaffelaer, 
en alsoe weder banderside tote myns here Brise- 
tests goede te Wachtbeke, daer de Gentsche palen 
steken. 8t,'Bsken, Qent^ 1386, bis. 8. 

2) An de ene side, ~ banderside. Tns- 

schen twee Terdragsluitende partyen. A. aam den 
eenen kant^ — B, aam den anderen kamty fr. A. 
d^une part^ — B, d'amtre part, \\ Alse Tan den 
discorde, dat es tusschen den abt Tan sente BaTes 
en syn couTent [Z. conTent], an de ene side, en 
den here Tan GbTere en siin wiif , . . bander zide. 
8 febr. 1275. Van den discorde dat es tuschen onse 
kerke, aen deen zide, en Joee Tan Egherlo, ban- 
der zide. 1 juni 1808. 

BANDICH (Bendich), bn. (Wonde) Die verbonden 
it, of het moet worden, fr. (blessure) bamdée^ ou qm 
doU rétre, || Soo wie met Tuysten slaet, oft den 
anderen loohent (tié), oft anders met eenigh ^weer 
slaet, alsoo Terre als hy egeen bendige wonden en 
slaet , die is den heer op yyf schellinck. Landch, 
V. Meghem, e. 1357, a. 2. (De kantrubrieken zeg- 
gen: Brencke in cas Tan gheTecht, daer wonden 
gcTallen syn; Breucke Tan te Techten sonder 
wonden). Ontfangen Tan den langen Janne, molder 
tot Hintham, omdat hy gequest heeft Janne Ma- 
theeus een bendige wonde, Tiy Ib. Van denselTcn, 
omdat hy gequest heeft Doppen Mertens soon ene 
wonde niet bendich, iy Ib. Bekenk. ». Brab. 
n». 13005. Bek. W. mndkaertt, ondertohout van 



d 



146 



BAN. 



BAN. 



dem Boêck, 1467. Hoeveel dei aea den heer eohol- 
toe competeert toot boete oft «nende vka de ge* 
^yene eoafflett, aIb oock yoor die gepretendeerde 
géïnfligeerde wonde oft wonden dee hoofs tan H., 
weloke maer een wieckende oft bendighe wonde oen 
geweest syn. O. gr. Lwm^ I, 606 (170S). 

BANDOEN (Bandayn, bedayn, pBnda}m, p«nd- 
wen), sn. m. 1) Omderi^k ffettffy n. oMionUpoi^fMê, 
Na de roorwMurden te hebben bepaald i mits welke 
eenieder het bnrgerreoht Terkrygen kan, wordt 
geiegdi II Behondelic dies, dat hy sjns selfs man 
sj, buten bandoene Tan Tader of ran moeder. 
C, e. Qmdy Or. 11 aug. 1481, bk. 606. 

8) Verdrofff overMükomtt, beding ^ ft. eoMss^ioii, 
tHpuUUkm. Kil. {App.) Bandnyn, tüpiUaHo. || 
Van badoynen. Item. Weere een badnyn gemaeokt 
Toer Boouts [/. sconthet] en scepenen eiï dat daer 
soepenbrieyen alF weren, en dat die een pariie den 
badnQn overgeeft voer sooats efi soepenen, en dat 
scepenen die brieren ToersoreTen sagen yan den 
badnyn , soe soaden sy wijsen dat men der weder- 
partyen sonde daeh aetten yan xy dagen, hulèe te 
bewysen. K. v, ainé-Trmdêm, 16» B. — Piot, Cart. 
II , 606. Item. Weere een badnyn gemaeckt voer 
scepenen oft yoer getaegen, en dat geen brieye 
dawyan en weren,, en dat die een partge dijen 
baduijn oyergeye, soe moeste der badnyn geprueft 
syn er [eer] men der wederpartien daeh wysen 
sonde hulde te bewysen. Item. Qwe een eenen 
baduyn orer 't onrecht [{. tonrecht], die moeste den 
heer alsoe yeel geyen als hy yan synder wederpar- 
tijen flehadt sonde hebben oft hy ten [L den = 
dien , hem] te recht oyeigegeyen hadde. Item. Weere 
eenen daeh gesat gulde \L holde] te bewysen yan 
eenen baduyn, en en conde hys nyt gebringen dat 
hy synder wederpartyen genoch gedaen bedde, 
noch te yerantwexden met rechte, soe soude men 
hem wysen in die schout en in die baduyn aen 
den heere en aen syn wederpartye. Ib. 007. (Te 
deser laatste plaatse heeft het w. de beteekenis 
yan ^^boete'*). De calengierder komt in de plaetsd 
yan den cooper, en moet yoldoen dat de cooper 
schuldigh was te yoldoen, sonder eenighsins meer 
moghen belast te worden dan de cooper, bj eenighe 
yoorwaerde, conditie oft banduynen. C. v. Meehtüm, 
XI, 22. Christyn: paeüë ami ttipmlaiionihii. (Zoo 
moet ook verstaan worden het by Yetdam aange- 
haalde citaat uit de ,,Oude stadsrechten van Brus- 
sel", Bèlff. Mus, X, 101). 

8) Soei€y fr. amimtdê, Maigne d'Amis: Ban- 
dinum, ut bannum, mmleta peemtiana (1476). 
II Inêi^^ indmigemnu êiêdem [nl. aan de ambachten] 
qwod cotÊWHire poteruni ^[uaÜêt opmt ka hue r nU y 
oftffiM reprehêtuifmê H «mis bandunp vnmeem ah 
iptii iiaifiê»do, Brab. Ytêstêm, 29 juni 1287. Xo- 
vên. Ware och dat sake , dat jofnouwe Yde . . . eroenen 
oft olaghen moeste overmits hare ffulden wille [nl. 
een cyns van 1 gulden], dat joivrouwe Yde . . . 
maech overgheven enen pandwen van twe gulden 
op Wouter Ghesellen, oft op dighene di ghe-eeyrf- 
man syn van di voerseyde pande, half den gront- 
here en half onser ghenadagher vrouwen van Br^ 
bant. Mqf U Beetëm (1889). Op alsulcke peyne en 
boeten als van rechte daartoe behooren moehen, 
soo wie dairtsegen iedt dade;... beboudeliok ons 
dairin en onsen naercomelinghen , hertoghen in 
Brabant, dat alle alsulcken vandueynen [L ban- 
duynen] en broecken, die dairin vallen selen 
moeghen, ons toebehoiren selen, en aen onsen 
anmian van BrusMl, ter tydt wesende, voirtbvscht 
worden en overgegeven tot onsen behoef A. Wau- 



TlS8,jatvifWM,I, 81. C^*.e.29jan.ia9e<Diitiok 
van Amersoyen heeft geloéft te betalen Peter Ghn^ 
tan, op eenen peen oft banduyn va» vj Byn^guldan. 
Bskenk. v, BrJb.^ n\ 18004. BOt. e. W. BiÊÊdeaêrU^ 
omdertekomi e. d. Boêek, 1449. Yoftmeer, soe heeft 
der vors. meester Dyonys gelooft , op enen panduyn 
van hondert Bynsgnlden, die deyiinge vofs. ewe> 
lick vaat en stentich te handen. Btl^, d. Mé v» 
SL'Trmdm U Dieet, 29 apr. 1468. Banduyiien, 
boeten, broicken, for&yten. Btkêmk, v. Brab, n§, 
126 yo. en 188, f>.96v^, 16« B. — • N.N... hebben 
gelooft, ongesundert, Lodewycken Pynnook, alae 
meyer te Loeven, dat sy, binnen dry dagen na 
synre manissen, Ininghen efi bestellen enllen V<an- 
oken Oarbeel, ... in der vroenten , . . • efi dit op 
eenen banduyn van hondert nobele tot onsen gene* 
digen heeren behoef te betalen. PovXiLIT, J^ynaoefc, 
88. S^tpmreg. te Xows, 24 mrt. 1462. Het vras een 
gedinge tusschen lieden, die van haeran mdinga 
gingen, beyde van hogen en van naderen, m beo» 
ders [l: vonders, vinders], en wat dat sire wt 
seyden, dat syt souden houden, op die nke ver- 
loren , en op eenen banduyn sheeren behosf ; 
hierinbinnen qoam die rechter, en schoot den 
banduyn quyt dairt die partien toehoirde [toe 
hoirden]; deen Wet, dander sweegeh. Noehtans 
wyset xvcht: dat die benders moeten voirtgaen in 
hair besneke en geven iegéwelken na hair besoeke. 
r<mms V. Ueele, a. 8, bis. 129. Het waren sy 
twee, en dingden om eene somme van penningen, 
en soo lange, dat sys bleven sn seg^ers, efi op 
eenen banduyn van iy Ib.; doen geviel, dal die 
een quam toten meyer en bat hem dies, dat hy 
hem dade hebben eenen eyndeliken daeh; efi te 
genechte deedt die meyer, . en liet weten den 
anderen; doet quam ten genechte, doe en qoam 
hoerre egheen voort; doe meende de meyer den 
scepene van Steenheffle en sc^de: want sy niet 
voortcomen en vraeren, dat die banduyn waere 
gevallen, want sy beide waeren gedaeoht opten 
banduyn. Bn men gaf hen tUocle i £it die baodnyn 
gevallen waer, vrant sy beyde waeren gedaeoht 
op den bandnyn. Ib. a. 25, bis. 186, Zie BtLOKBH 
BnrxTBinv dach. 

BANDUIN. Zie baKdoxk. 

BANE, sn. v. Steékbatmy toemêoiplaaÉe^ fr. 
Uee. II Berst stapte vooren Jan de Brievere, item 
Artuer van Lichtervelde, dewelke in banen facoeht 
was gheleet van eenre jonovrauwe, ser luetete. 
Ol. y. Dizvupx , 102. Myn gheduchte heere [hadde] 
ghedaen ordineren een scone oryt np de maerot, 
eii quamen in bane na der noene, en ay reiden 
vyf glavien. . . Doe soeiden sy uuten bane by 
accorde. Ib., 167. 

BANBIS. (BATXiB?) sn. ZOcere etqf te» ffèhrmkw 
der êohipperM, fr. oeritnne étoffe è Vmeoffe des uuiHme» 
II Baneis. Ben rolle van vyftich ellmi, daiimff de 
schippers huere voirsohoeten (?) maken, y gro. 
Watertci 1650. Haneatol 1567. Baneys. 1\d v. 
ZeeUmd te Antw., 1628. Zie eAiüiiAiiDt batayb. 

BANGELUICKE. Zie bakluickb. 

BANGENOOT, sn. (Bankyeitoai), medelid ceasr 
gekepenbamlr , fr. oo B ijf me d'éekewmaife. || N.^ N., N., 
N., eii alle hare banghenoete, soepenen van Hon^ 
beke, maken cont: dat Jan de Pretere,., hefton^ 
faen , ter Kisten hoeft van den Wingarde , een half 
buenre lands ens. Sehep. e. Bruêed^ 7 jan. 1299. 

BANGIGHEIT, sn. v. Benmuwdheid^ fr. amméti. 
II O goede Ihu, in allen stride en beooringhen, In 
alre banycheit \l. bangycheit] efi benanwinghe, in 
allen arbeit en Uden, doet my die Qgfaen &ê her- 



BAN. 



BAN. 



117 



tan rt M^fiffl-gn Terteii totton binyerBn dyns heili- 
^gam eroecfn. Btbeib, 16« B. 46. 

BANQRUrr, tn. ▼. en a 1) Zeker heerVjik reeki 

op 4fc ftr o— U i l K«r, fir. drtM^ wi^MurMl Mr dlo^M 

IrMcw cfe èidr«: || Bc«nt, h«t «nbaoht houdt tmi 

dn ^tinee ▼au Onmge «n Naanu, heere deMr 

■(•dfe, Mtkier leeht op ieder broaweel bier, betwelek 

binnen deee eindt efi denelfe kujpen gebroowen 

woidt, gannemt het i«eht der bnogm yte , beteelende 

dnerfoor, ten behooTe noi den ▼oovb. prince, jaerlyokz 

6ft gnMene. Si.^arek, IHeei , Bromwereambaeki , 18« B. 

t^ Vêriqfbriefje <tm té ftroMOM, fr. eéiMê on 
n erni fa ée hreueer. |) Ben ighelijc die bront ooht 
nronwon nd binnen Dyeet, inl een beagrajt helen, 
epte pene -ren z ■., elaoe dieke nb hye niet en 
dede. A. e. Diêei, B. n. 79. 

BANIEBB, sn. ▼. 1) Vaamife , wimpei , ft»flaa m e, 
hmiÊderole. || Ale men Temcfaen leeyeeoh eander- 
dneghe ter meiet brengt, we iel men deerbi 2et> 
ten eene benire op enen stee, twee ellen lenc. Kè, 
•• JHêei, A. r. 86. So wie Teneoben leeTeich, 
oplen da^ dnl hi oompt , ▼erooept , die en enl onder 
diemeelTen veeeh noch op dieeelve bene, dner hi 
dien veeeh yereoohte, enghenen eeereeeh yan der 
bnninn Unr, in den etert ghecort] vereoepen, noch 
oee op dien degh enghenen andmn yeeeh den op 
dien deg^ eooen ee, op een pene yen zx b. Ib. r. 84. 

t) Uiièeu^gbord, fr. mueigue. || Ute dien det 
diy«n^ie peieoonen "binnen deser stede hemlieden 
deghd jex yeryooideren efi orer lenghen tydt yer- 
toordeft hebben de teeokenen efi bannieren yan 
hnerUeder hnneen te yeranderen, daerby dat de 
attaacien efi leghen yan den hvneyngen efi ooo de 
renten daemte gaende leer yerdonekcrt syn en noch 
m e e r worden snllen indiender niet inne yoonien 
en wére. C. e. Br^ge, II, 861. Dat al deghene 
die fliaare wine hebben, dat ai tap insteken efi 
tayvrne honden met onapen, en banieren ntesteken. 
ra Pavw, Vgb. 68 (1860). 

BAHIEBPABRT (Banierpeerdt), zn. o. Hei paard 
w&Êtnp ée haeierérager peeetem wae^ fr. Ie eheval 
fmi partaèi la hamtiire, || Diegene, die [de] baniere 
Toett yan der stadt, eal hebben twee' florjnen 
'sda^hs, efi men sal hem een banierpeerdt lenen 
der ^adt baniere op te yueme. Lmfeter e. Brah,, 
mat. e. 1889. a. 19. I. 107. 

BAMCK, an. y. Boowkonde. || Niemant en mach 
banéken maken in eenige stagien, kamers of sol- 
den, om sehietende Ueht door te scheppen orer 
eane aaders erye, maer moet den oppersten dorpel 
yan de yenster , daer hy licht wilt dom scheppen, leg^ 
fan caee den onderkant yan de stegie, en niet 
hopger. C. e. .Blrvffsl, BHai, v. 1667. a. 24. Ghris- 
ttttt: NmUtu poteet érigere iooeiaa im tabulatie . , 
Olaaenbanok. || Den yoora. Bemaeidt, üjo z 
Ib. syiQ soh. yi d. parisis, yoor leyéringhe ysn 
47tffk enekers, met yiere gUeeen banoken, .« we- 
gende laaemen.. Tpriam», I, 866. Le Iftemoerekt 
Bienwe yanseore, schepenen oapelle, cameren efi 
e wu p toir en an de oostsyde yan der halle , 1621. (Het 
ii int het yerhaal yan den sohryyer niet op te m^ 
ken wat men door dese banken te yerstaan hebbe). 

BANCK, sn. ▼. 1) Beekiegebied^ fr. baM, fwi- 
éieÜaa, Kil. Bnnoke yan recht, tribmualf sfo. 
4 /eHsiüsOie, forwm. || Twee afgheeetenen onder eene 
baneke efi jnnediotie reeortersnde , en moghen mal- 
kandsMn binnen dese stadt efi hare yryheydt niet 
maeteten, brtaommeren, nooh yoor de yoors. weU 
bouderen te reehte betrecken. C. e. Brtued^ 1607, 
1» 86. Ohristgn: Jhio eatrameif eidem etièêellia et 



S> BeeMbamk^ eekepeaUmh, dêmgUmk, mereékaair^ 
fr. home om oomr de jmêHoe, home d'Seheeimty tribtmal. 
It Ooetnmen der stadt yan Antwerpen sorteren ef- 
fect oyer alle de bancken yan den qnartiese y«n 
Antwerpen. C. e. Aniw, 1646. ix, 47. In criminele 
saecken , woirdden de geto^gen openbaeriyck in de 
baneke yerhoort. O. v. THenen, ni, 8. Indien 
eenige goeden, 'tsQ ejgenjoheynsgoedenoft renten, 
lestmael gegoedt yoor schepenen deser stadt, daer- 
naer yeroocht, ghegoedt efi gheèrft worden yoor 
de geriohten oft buicken daer Dadersohap is yal- 
lende. C. e. Brmeed^ 1607, a. 229. (Shristyn: 
eoroei jmdieibae. Vonnissen yaa de bancken deser 
stadt, noch oock yan de gerechten yan boyten, 
hier te hoofde behoorende, en mach men yoor de 
wethouderen derselyer bancken oft gerechten in 
egeene nieuwe kennisse brengen by wege yan nnl» 
titeijt; maer die hem daeraff wilt beolMgen, moet 
daeraff appeleren aen borgemeester efi sehepenen. 
O. V. AmIw, eomp, Y, «e, 1. 

Banok sterok genoeoh, het, vatgeae da 

ometamdigkedemy vereie^ie gMl eekepenen kebbende, 
fr. ajfant le nombre reguie d'éeheeiu, euivant lee 
eireonetaneee. || Dat sQ hetselye snllen komen be- 
kennen binnen den derden dagh , gerichteiyck banck 
sterok genoeg» te weten, ten minsten yier [sche- 
penen]. Montenaken,Af 191 (1664). 

8) Hooge banok (te Gent), ffamt haae de lm 
Kemre. || De hooge banck, die men noempt yan 
der Knere. D. e. Qeml^ i, 7Ve2. Schepenen yan 
de hooge banck hebben en behouden alleen 't be- 
recht efi kennisse yan saken criminele, efi yan 
klachten in materie y«n injnrien daer open wonde 
is, oft anderen weg yan £sict gebeurt is dan ii^nrie 
yerbale, danof de kennisse en judicatnre compe» 
teert schepenen yan Gedeele. Ib., a. 9. 

4) Nederbanok (te Gent). Bame imfkiemr dee 
Bareh4me. \\ De nederbancke, die men noempt yan 
Gedeele. C, v. Oent, i, TUel. Dat de yoors. sche- 
penen yan gedeele kennine hebben snllen yan 
sterf hujsen , yan suocessien yan weesen , yen gifken, 
yan yoorhdyen, yan administratie efi rekeninge 
yan yoognden, yan actiën yan i^jurien by woorden 
en soo wanneer dafer geen wonde wesen en sal, 
en yan ghelycke materien. Ib. , Oone, Oarei. , e. 16. 

6) Kleme banok. Lt^ere bank^ imdergeeekikt 
gereehtekoff fr. hane imfSriemr^ embaUeme. || Want 
men geen aenhanok maecken en mach naedat 
eenige deyn banck die saecke bracht hebben yoor 
hon hooft. C. gr. Loon, I , bis. 77 , n^. 76. NodOT- < 
banoke , ook neergerioht. Met deselfde betee- 
kenis, sooals de yolgende benaming yan ondor- 
banoke. || Onder de nederbanoken deser stadt en 
worden nQet begrepen die yant (s^eesteiyck hoff, 
die yan de Munte efi Tholcamer, noch oock het 
Leenhoff dee borohgrayen yan Antwerpen. C. e. 
Amiw, eomp. y, so, 1. Neffens bofgemeester en 
schepenen sgn tot Antwerpen de rechters yan de 
onderbancken : ais dye yan de Lakenhalle, yan den 
Peyse; yan de Weescamer, yan de Watermeulen- 
brngge, en die yan den Eiele, die in d'eerste in- 
stantie kennisse hebben yan saecken tot hemliedeS 
yonnisse rsepeotiye behoorende; maer daeryan appel- 
leert men aen borgemeesteren efi echepenen, als 
hooilden. C. v. Antw. eomp. i, ie, 10. Yan yon- 
nissen yan de onderbancken deser stadt, oft yan 
de neergerichten hier yan buijten tè hoofde behoo^ 
rende , en mach men niet reformeren , maer alleen- 
Igok aen boigemeester en schepenen proyoceren oft 
«ippelleren. Ib. y, aof, 8. 

6) Smalle banok* De recktbankenf weXke 



148 



BAN. 



BAN. 



detem naam toerdem^ ieh^en sleohii laa^ttnlren 
geweeH U tijn, fr. let eouTM de jutlice eonnuet sous 
ee mom paraisseHi n*avoir été que des hemee de 
tenaneiêTM, \\ De rechten Tan goedenissen» erffe- 
nisBen en reidisatien onder de amalle ofte laetbanok 

rinsgelyckx 4 guldens 12 titojren^ te rerdejlen 
Tolgt: aen den soboutet 16 st. ; schepenen Tan 
Heyst, feamen 12 st.; den nieyer der laetbancke, 
16 st.; .. den greffier der Toors. Isetbancke, 12 st. 
O. P.-J?. tmir, 31 oct. 1715, xiii, 16. 

7) Volle banok van wette. Volledige tche- 

penbank, fr, bane de hoi o« de fiuHce complet. 
Het getal Tan schepenen Tereischt, om eene Tolle 
bank uit te maken, was in '*t algemeen zeTen, 
namelijk Toor lyfstraffelyke zaken ; Toor geTrone bur- 
geriyke zaken Tras eene bank doorgaans sterk ge- 
noeg met Tier. || Men is gecostumeert en gebon- 
den de Tiersohare te onderhouden met een Tolle 
banok Tan wette, dat is, ten minsten, met seTen 
schepenen in opene camóren , bij maninge en ter 
presentie Tan den heere [baljuw] en den amman. 
O, V. Oent, I, 6. QiuUuor viri ^idem tribmud cou- 
êtUumiif eed non plenum; eamsoB pranioret, qnalee 
snni eapiiadeSf non niti eepiem-üirali judieio eape- 
dimUmir^ quod yplenum frïbinaV^ appeüari eoneuetfit. 
Vak dbn Haioe. Omme te prouTene de Torseide 
boeten en oallaingnen [nl. Tan wonden toe te bren- 
gen], doet men altoos waerhede, alst den bailliu 
gbeliefb, met üi soepenen of meer; men boort op 
elok stnck alcoTeel oorconden, die de meyer doet 
zwoeren, als de bailliu ghehoort wilt hebben; bij 
[nl. de bailliu] prouft zyne zake met n ooroonden, 
en dan zo Tutent Tier scepenen ten minsten, bj 
maninghen Tan den meyer; maer cleeft er lyf of 
ander [of ban an?], dat strect Tuten lande Tan 
AeUt, daer moet zyn de Tulle banck. C. v. Atdti, 
Ord, 27 apr. 1416, a. 7. Scepenen worden ghe- 
maent, en namens eene Terste, up hare Tolle bane. 
Ib. 600 (1436). Item, behooren te zynen leene 
een bailliu, xm mannen Tan leene, eene Tulle 
bane Tan Yii soepenen, hof en ghedinghe met 
mannen en scepenen. Db Pb. en Bb. v. Chn- 
irode, 18 (1454). (In de stad Mechelen treffen wjj 
echter eene ToUe banok aan Tan twaalf schepenen :) 
II Dat cle stat Tan Machelne sal hebben Tolle bane 
Tan scepenen, tote twalef scepenen, en die selen 
sijn tote haren Hto. K. e. Mechelen^ 13 dec. 1301. 
De twelfre scepenen der stadt Tan Mechelen, 
daeraff-de sesse z^n Tan der porterie, en sesse Tan 
den ambachten, zijn ordiniiris reohteren. C, v, 
Meekden^ i, 1. 
Banok sluiten , de hehandeling der reehtttaken 

SpMehorten^ fr. fermer Ie hane^ euspendre Vexpê- 
Uion dee eameee judidairet, || Als den schouteth 
ofc synen stadthouder eenighe actie oondemnatoir, 
oft Tan taxatie Tan kosten is gheloTert om executie 
te doene, en hj tselTe niet en doet noch en doet 
doen, soo mach degene die d^ezecutie Tersoeckt 
komen aen twee gbeswoome, begheerende, naer- 
Tolghende den rechten en priTÜegien Tan der stadt, 
de bancke gheslotene te hebbene. C. v. fferentals, 
91, 89. Indien iemandt de bancke t'onrechte doet 
sluyten, die Talt in de pene Tan Tijf realen. Jft , 40. 
Waert dat twee partien dinghen Tore den heere 
Tan den leene, en dat tHoff gesloten wordde in 
enigher manieren, en daemae quamen andere par- 
tien en Tersochten aen den heere, dat hy hen dat 
Hoff opende, om recht en Tonnisse te geschiene, 
ende die heere des niet en dade, soe mochten 
eenighe Tan den partien nemen Tiere mannen Tan 
leene, en die en moobtens hem niet wejgeren, oft 



sj waren onwettioh, en Tersoeken den haete, in 
kinlicheyt Tan den Tiere mannen, als op zyn ierste 
genechte, dat hy hem tHoff opendade, om hem 
recht en Tonnisse te geschiene, nae der mannwn 
rechte; en soe waert die heere niet en dade, soe 
soude hy nemen een notarys, in kinlicheyt der 
Tier mannen, en begheeren daeraff een instrument, 
dat byt Torsooht hadde de banck open te hebbene; 
sonder yet te mesbueren tegen den heere. Bpx- 
HOBBK, K^9. Stat., a. 17. 

8) F^nbank^ foÜerhaak, fr. iortmref qaeetiom , 
gihenne, gêne. Kil. Bancke, j. pynbancke, 
eqwdene, \\ De schouteth noch eenich anderen 
officier en mach nyemande pynen oft ter banck^n 
brenghen..., sonder wille, wete oft consent Tan 
den burgermeester en scepenen Tan der stadt Tan 
Antwerpen;... soe willeooren en aooorderen de 
wethouaeren den schontet oft officier alsdan, dat 
hy dien delinquante mach pinighen en brenghen 
ter scerper ezaminatien en ter banck leggen. C. e. 
Aniw, 1545, i, 12. Al eest dat eenich persoon 
gewesen ia ter banck oft torturen, ift., a. 18. Sul- 
lige man sal der heer mogen op een banck leggen, 
en doen prooTen met kalt en warm. C. gr. Loon^ 
I, blz. 77. 

BANCKEICKE, (.'), zn. t. JPijnbank, fr. tor- 
Imre, Zie bakck. 8) {| Dat de dxossaert niemandt 
en Termach te pijnen oft ter bancke te brenghene 
sonder Tonnisse Tan schepenen, ten waere..; in 
welcken gOTalle den drossaert Termach densèlTen 
gcTangene te pünigen en ter banckeyoke brenghene. 

0. vam den Kielen i, 9. 

BANCKET (Banquet), zn. o 1) Bamk^ toom- 
bcmk waar de hoopman tijn laken op miteialde, fr, 
bano anr leqnel Ie marehand étalafU seedrape, || Dat 
niemene engheen scaerlaken in sinen piel aetten en 
sal, dat es te Terstaene, dat hyt setten sal TOét 
hem op syn bankette, en elcs Tan eere [ééner] 
Tarwen, en nemmeer. JT. Idkeng. Bruttd, 1865, 
a. 31 bis. 

2) Maaltijd y fr. repae, diner, \\ An diTersohe 
persoenen de somme Tan IxxTiy Ib. x)x so. pw., 
OTer de loTeringhe by hemlieden respeotieTeliok 
ghedaen Tan Tisch, broodt, kyeokens, Tleesoh, 
wyn, en andersins, omme het banquet ghedaen 
naer dat Jan de BeTere gbeteeouteert was, be- 
grepen de terringhen ghedaen by pater Tioaria Tan 
Cortrick met syn medegheselle , den TOom. Jan 'de 
BeTere ghebieoht en Tertroost hebbende. Bskbbt, 

1, 260. Si.-Eek, 1618. (Sohepenmaaltyd ter gele- 
genheid Tan eenen „ghetfxeouteerde"*). 

3) Nagerecki mm smkergebakt fr. destert de em- 
creriee, || Gorts hiernaar ia alle die apyse, soowel 
Tisch als Tleesoh, Tan de tafelen opghenomen ghe- 
weest, en TOor Syn Doorluohticheyt [aartshertog 
Matthias] 'en generael Staten is gedient gheweeet 
een ryckeHjck triumphant bancket Tan alderley ocm- 
fituren, treseyen, marmeMladen, succaden en jenti- 
lessen Tan suycker ghewrocht . . In *tselTe banoket 
waren onder andere noch diTorache groote ma see 
panen, ooc Teroiert met gout en sÜTer eni. HoiJ- 
WAXBT, Maihias, 172, 173. 

B ANGKGESELLE , zn. m. Drinhgexa, getd bij 
een drinkgelag^ fr. eompagnom, eamarade de both 
teille. II Dat dat Terbot [nl. aan de burgen Tan 
te gaan zitten drinken te Bnrsoheid] Tan outs inne- 
gesedt en gehouden ware geweest, en jaerUox ten 
aencomen Tan elcken borgemeesteie, mit andemi 
geboden Temyeuwt wordt Toere die banokgeaellen, 
die dagelycx te wyn ghingen, dm Tele incon- 
Tenienten te Terhueden. Bekenk, e. Brab. reg. 188, 



BAN. 



BAN. 



149 



f*. M8. Vèrhatd o. d. 16 mrt. 1530. Banogheael- 
kn , die een spel Tsn ghenoachte maeckten , te wetene 
metten pelynok te treokene. Ds. Ps. en Bb. XIII, 
Ktmr^, 169 (1641). 

BAKCKCLS£T, sn. o. Kleed ioi hed^Hi^ der 
iitlmktm^ Utp^f fir. tapiê è commir les eiégeêf tapis. 
II Item , een bencdeet tux denselTen [nk tui syde], 
mei Trienen. Inv. 1436. . 

BANCIiOCKE, sn. t. Klok, waarmede de Imr- 
g9n werden bijeen iferoepen op de gewone vergader- 
piamit^ om ds afkondigingen der overheid te verne- 
men , e» ook om aldaar in de wapene U verschijnen; 
in éU laaUte geval noemt men te ook yy9tormklok'\ 
Beide beteekeniaten komen bg La CüBirs toot 
onder het TeiÊrenscbte Bandoehe: La eloche que 
f on eonmod pimr aeeemUer les habitane d'une eom- 
flp«M, en in de aanhaling uit Fioissart: „i^ flrent 
tomemander qn'on eonnaet la banelochey et qne eha- 
eav e^aUoit armer". Dan» ee dernier oas , on VapptUe 
ameei Ie toeein, la doche d'alarme, — Onder de heer- 
■chappij der Luikache biuchoppen waa de banklok 
in dat grondgebied ook het zinnebeeld der wereld- 
hg/km opperroaeht. Daarom werd ieder nieuwe abt 
dier abdij Tan Sint-Truiden, en ieder nieuwe bie- 
■ehop Tan Luik, aia heer der atad, na z\jnen 
pleehtigen eed Tan inhuldiging of getrouwheid 
aan het outer Tan den h. Trudo a%elegd te heb- 
ben, door de achepenen gebracht tot de klok: A 
«eoftima dêdmeiimr ad eampanam banalem, quam 

S9 pmUai im eignnm tempordUe dominii. Na die 
k driemaal geluid te hebben, begaTen zg zich 
naar het atadhuia, alwaar zy de hulde en den eed 
der bnrgera ontTingen. £xMPBimB8, Momlendken, 
II 66 en 264. Bit gebruik waa ook in Toege Toor 
bei Limbnigaeh graa&chap Niel , Tolgena de ,,Cleer- 
niaee** t. 27 juni 1669, Temieuwd den 28«n juni 
1661: II Dat deaelTe heer Tan Ngel dieaeWe heer- 
Igckheyd olt po eae aaie daerran ont£uigende, totter. 
elocke gelegd moet agn, aÜTer en golt aagen tegen 
der eonnen, en den eedt doen ala hennen eijgen 
grandheer en graTe Tan Nijel enz. Ib. I, 426. (De 
nitgeTer brengt laatatgemelde milddadigheid in Ter- 
baad met hetgeen Gregoriua Tnron. n, 33 , Terhaalt 
Tsa Gkma toen hg, Tan keizer Anaataaiua, het 
eonaolaatachap ontTing: ammm, argeniumqne, pree- 
eenüime popnke propria manu epargens, voluntate 
henignienma erpgavii, — Ook de graTen Tan Ylaau- 
deren Terkondigden hunne inbezittreding Tan het 
CFBa&chap door het luiden eener klok in Sint- 
^nakerk te Gent, na aldaar hunnen eed a^legd 
te hebben: JBt Ie serment fait, Ie eompte tire la 
timnehe deux on iroie coupé , ei par ce prend poe- 
eaeeiom de Flandret, Wabkxökig, I. Urk. blz. 6, 
nit de Anüqwitée de Flandree Tan den preaident 
Wielant. De banklok diende eindelijk nog ala 
„tiendeklok", om het rondhalen der Xe te kon- 
digen, en daarom moest zij zoo zwaar zgn, dat zg 
in den ganachen omtrek der X* kon gehoord wor- 
den. KsMPBVnBB, 1, 36. Deze aohriJTer handelt 
in een bgsonder hoofdatuk OTer eenige der sewoon- 
Igkete keoren en klokalagen der oude Trijheid Mon- 
tenaken, II. Uz. 266 a 291. jj Welcke acoutiten, 
orennjta dat ghelujt der banclocken ofte atorme , . . 
aollen doen publiceren en ghebieden, dat alaulcke ata- 
toten oft koeren., sullen werden ghehalden onghe- 
quetet. K, e. ^iii^ Truiden^ 1366. a. 39. Weert in on- 
TersieDden poenten , alaulke dat niet agn en moet ! en 
ileo haeatelike noetaake OTerquame, dat ona, oft 
«ne lant, of die atat aenauede' [2. aenanede: aan- 
ging] in eniger manieren, te weten of die stat Tan 
▼iiBden b^gaen worde, ott een portere Tan Tianden 



gOTangen gelijt worde , oft in andere poenten gelijke 
noetaake apronge, en onze acouteten, daeraf Tan 
den burgemeisteren en raet Toraocht die banue 
clooke te luden off te doen luden, om dat toIc 
te Tergaderen en in die wapenen te roepen omme 
te helpene, ao willen wg, dat die meeetere Tan 
Sentruden horen raet, die atat en die ghemejnte 
Tan Bentruden te aamen auelen moghen doen roe- 
pen, aonder die banolocke daeromme te alane oft 
te ludene. O, lAêge^ 17 mei 1393, a. 4. Dat die 
meeatere onaer atat Tan Sentruden tot allen tiden 
ala dea te doene aal weaen, om noetaaken wille,., 
auelen moshen te wapen roepen, die bandooke 
Inden en hore baniere brengen op die merct. Ib. 
a. 12. Dat die burgemeiateren en raet die meeste 
clocke, banneclocke, Trylio.. luyden doen, en toIc 
mitten wapenen tegader roepen. Piot, Cart, ISnoT, 
1404, a. 4. Alao ona Tan onaer heerlicheit wegen Tan 
alta toebehoert heeft onae banckloc i8io\ so en aal 
onae atat en gemeynten aich derre nommer onder- 
wynden noch onderkeren die te alaen buten onaen 
eü ona amptmana orlof en wille. C, v. Maaetriehij 
13noT. 1409, blz. 480. 

BANCKGOST£N, zn. mT. Oereehtekoeten,. fr. 
frats de justioe, jj Oft de banckooaten ter aeyde 
der beclaechde gereaen, niet en behooren oft moeten 
in finem liüs geauapendeert woorden, principaelyck 
in caa Tan appell oft aTocatie ad jmUcem superio- 
rem, C. gr. Loon, I, blz. 608 (1702). 

BANGKYAST, bn. Raepaaet, Analyse , n». 394, 
leert ona, dat de adTOcaten Terantwoordelijk waren 
voor hunne gezegden, indien hunne cliënten die 
afkeurden ; deze nakeuring moeat echter geuit worden 
eer de tegenpartg geaAtwoQrd had; na dit antwoord 
mocht zg niet meer gedaan worden. Vandaar, zegt 
hg, het gebruik, dat men de gezegden Tan den 
adTOcaat der tegenpartg te zgnen profijte aan- 
Taardt, dewijl die gezegden na deze aauTaarding 
onwederroepelijk zgn : dit hiet men in het Ylaamach 
bankvast, 

BANLOKË..Zie bavlüickb. 

BANLUICKE (Banloke,bangeluycke,banluycke, 
banluke. Ook üutloke). Straatsehouwii^ ^ omhei- 
ningsban of bevel of gebod , fir. inspection, visite des 
chemins, ban desdóiures. Benecke: Banzün, sepes 
baunOa^ bannum daudens. Haltaua: Bannsaun, 
sepes bannita^ quae territorium s. dioeoesiUf viooSj 
agros claudii ae munit. Niet bg Eiliaen noch bg 
Grimm. || Alae men de banloke ghaet, dan ea de 
mejere aculdeoh deroTer te zittene en mede te 
ghane met acepenen. Van Lokebbk, 8t, P. n^. 622 , 
Irtsvendericj a. 26, 13^ E. Alae de meyere omme- 
ghat de banloke , dan heeft hy zine proTende. a. 38. 
Alae de meijere oeo ommegaet den banlucke, ao 
heeft hi aine maeltgt, aonder wgn. Oork, v. 1230. 
Dit zyn de pointen daer niementafgheTrytenmach 
zyn, no dooater, no cleercke, no poortre, noch 
niement bi negheenen poaaeaaien: eerat Tan aheeren 
cheinae ; Tan watergange, Tan banloke, Tan pont- 
weghe, Tan heerweghe, Tan keercweghe, Tan man- 
paden, Tan ateerfcoepe, Tan coopcoope. C. v, Oent, 
I, blz. 674 (Einde 14» E.). Sal de pachter dit goedt 
bewaren alle jaren Tan banloken en waterganghen 
en Tan heckene, zonder zgna meeatera coat. Dx Pb. 
en Bb. VII. Scheldewindeke ^ 7 (1433). Behoort te 
zynen leene en heeracepe de wettelicheden te doene 
Tan banloken, waterganghen, atraten te rumene, 
heckene te hanghene en te alutene. Ib. Y. Oon- 
trode, 19 (1464). Yermach Toort de leenhoudeie 
met aynen bailliu te ghane de balloke en waeter- 
ganghe alomme binnen zynder Toirs. heerlichede* 



120 



BAN. 



BAN. 



Ib. lY. ChHMker, 15 (16« E.). I>e tuTiuchoawe 
▼an alle bangeluycken , beyminghe als andenins , aal 
inaghelijox ghesohieden op den eenten daoh m^, 
nae onde ghewoonte. O, v, Meyhem, Lamdiék. 1621 , 
a. 2. De qnohieren van schauwinge yan herbaenen, 
riyieren, beken, waerran de boeten sijn van 6 
Bohellingen grooten; maer de qnohieren ran Bchaa- 
winghe Tan andere straeten, balluyken, waterloo- 
pen, sijpen en diergelijcke , danof de boeten minder 
syn, soUen gestaen met eenen legel van 10 stuijyere. 
O. P'B. autr., 8 ang. 1703, a.36; It 27 juU 1724, 
a. 88; 15 dec. 1727, a. 34. 

BANMIJLE , zn. y. Ortmêbeni rondom mnB siadf 
waarover ziek haar reohtsgetned uUgPrekt, h, han- 
Ueuêf territoirê amtomr d'une viUe êur lequA uitend 
sa juridieium. Kil. Banmyle. || Dat de coetumen 
EuUen geredigeert worden, te wetene btj den offi- 
cieren en wethouderen yan allen den Bteden yan 
onsen yoorsejden landen, groote en oleene, en elc 
yan dien yoor de yoors. steden, baeren scependomme 
eil banmjlen. Plae, e. Vl. 1 oct. 1531. 1 752. 

BANMOLEN (Bandt-, bantmolen), sn. m. Dwang* 
molmi, molen ^ waar de onderkoorigen mnêr heerlifl^ 
keid verpUchi waren hmn graan ie laien meden , fx. 
mcmlin hanal^ mouUm o^ lee 9ubordonmét d'une eeig» 
neurie Üaient oUigée de faire momdre leur grain. 
KiL Ban molen. || Alaoe, onder andere partgen 
yan onse demeynen ons lante en hertochdoms yan 
Brabant, ons competerende en toebehoirende is 
eenen moeien gelegen binnen onser itadt yan 
Loeren, geheeten die Moutmoelen, wesende efi 
yan onta geweest hebbende eenen banmoelen, in 
denwelcken alle onse ondersaten yan onser yoin. 
atadt en yryheyt yan Loeyen schnldieh en gebon- 
den zyn hneren mont te doen malen. Bélink. v. 
Brab. rag. 188, f <^. 150, 10 mei 1589. (üit het yol- 
gende blijkt, dat men reeds in de 16« eenw in het 
woord han een imperfectum zsg yan hinden 1)}^,^ 
meester molder yan synen stue, woonende in 
den molen gcnoemt den Bandtmolen. Mabtivbz 
251. Van de hantmdlent, moulmioUn». — Alhoewel 
de bantmidens yan Syne Majeeteyt, in dese stadt 
eil hare ytyheyt gelegen , syn beleent . . 267 . . Om 
te pande te steUen efi beleenen onse bant-moat- 
muMons . . , den Siypmenlen , . . de Nienwermeulen . . , 
de dry wintmeulens . . en de Bosmeulen . . 269. 
Hoedat denselyen godshuyse [nl. yan Zeyenborre in 
Zoniënbosch by Bmseel] toebehoorde en oyer bon- 
deit jaren toebehoort hadde gehadt sekeren bandt- 
molen gelegen ten Broecke by Alsenberge, origin^yck 
ceprooedeert hebbende yan onse yoorsaeten, ab 
hertogen yan Brabandt . . . Welcken molen met 
synen toebehoorten en gerechtigheden yan allen 
onden tgden gestaen hadde en ware Uyven staen 
onder de jurisdictie yan onser tholoamere binnen 
deser onser stadt yan Brussele , en dat die suppli- 
anten efi hunne yoorsaeten altyts in rechtyooi^e- 
ringe, tegen diegene die onder den handt yan den- 
selyen molen geseten zyn, hen geyoordert hadden 
buyten te gaen mac^en, hadden, by dienaers yan 
«nse tholcamere oft andere . . , mant efi meel , buyten 
gemaelen zynde, doen a^panden by alle memorie 
yan mensehen . . Dat nochtans onlanex gebeurt en 
ier kennisse yan de supplianten gecomen ware, dat 
Tloris Bonrdam . . , onder den yoorsz. hmndi geseten, 
hem yoorderde buyten te gaen malen, onder de 
TOOchie yan Dobpe [I. Dworpe], ter plaeCee geh. 
Wauweringen . . . , en dat die supplianten . . K., 
diener yan den yoorsz. godtshnyse . . , hadden belast 
den yoorsz. Floris gaede te slaene. en hem af te 
panden efi nemen aknloken maut als dieaal?e 



Floris sonde doen malen , en innebreogen onder den 
yoorsz. handig met oock het peerdt, boren noeh 
eenen keur daertoe staende. 288. 

BANMOUTMOLEN. Zie BAincoLBV. 

BANNALITEIT, sn. y. VerpUMmid gebrmii 
9an heerlijke molene ^ oeene^ hronweryeny fr. meage 
óbUgé dé mouUme^ fammüe, hraeeeriee. || Dat die 
yoorsz. yan onse staidt yan Brusselle en hare paeh- 
ters sullen gebruyeken het recht yan bannalitayten 
ten respecte yan aUe soorten yan persoonan m 
ingesetenen derselyer stadt, en op hunne maoten. 
Mabtihsz 269 Van ds hamimoUne. 

BANNEN, bw. 1) Bekend maken, tfkondigem^ 
fr. ftuhlierf proelamer, ofr. hammr, 

2) Bannen de vierachara JPUehtigl^ «ar- 

klaren, dal hel geding open ie ; 't geding f de reehibaak^ 
de viertehaar veeHgen , naar de gebriUMjke vormen 
wetUiigik maken, fr. proólamar eUenmeUemoni lm vier^ 
eehare, la fixer, la rendre legale eeUm. lee forme e 
et avee lee eoUnmUSe memtüee, Dupin et Laboukje: 
Bannir. Déelarerlaeéanoedefmeiiêeoiteerte aoeelee 
eoiennitée dutage, KiL Bannen oft banden (nc) 
de yiersohare, irihmnal denmnHare, Qiimm.; Ban» 
nen, spannen, hegen>das Gericht, gebannete Baak. 
II Major, ex mandaio dieU prepoeUi, vd efue hal' 
hviy eeabinoe loei ponei im haneo.,,j major dèhei 
firmare plaeHa, qmod vmlgariter diêUmr „AomMS**. 
VAir LoKBBBir, 8t,P, nO.698 (1259). Als die gone 
die ghedaoht es (ste) syn comen Tor den oghen 
tharen daghe, so es men eerst scnldich de yiarseaNii 
te banne. K. e. ter Ptcto, 1266 a. 2. I^it. tekst: 
dehet viereearia inhaniri. Die scepenan WTsan yoar 
recht: een yegeiyc gedinge dat gheleeht is op 
huden, also ids recht is, dat ghy dat wael moffhet 
bannen, en dinghen yan ons heren en ynmven weghen 
yan Brabant, en doen enen yesheliken recht alM als 
recht is , en daerenteynden redt. OharA. e. *« Boepk, 
f9, 60 yf^. Ibe B. Ten daghe als de wattegha che- 
nachte dient, zyn soepenen metten meyeie scSiul- 
dioh te treckene ter heersteden, tylio en voor dar 
noenen, en aldaar te bannene wettolyeke yiair> 
schaere yan ghenachte yan gbodeele, op de ma- 
niere hiermaer bescreyen. C, v. AaUt, dIs, 880, 
a. 4 (15« E.). De schontet metten scepenen, moe- 
ten alle weken des yridaeehs eompanven in dx 
Borcht, in der hooghw yiersoharen ons genadiofas 
heeren, en bannen aldaar openbaerliok yiefaebann 
om eenen yegelycken, des begeerande, recht «n 
justitie gedsAu te wordene. C «. Amim. 1646, 1,1. 
Van de hooghe vierschare. — De toerschreyen vier- 
schare wort gehouden en telcken dage Tan rechte 
Sibannen als hooghe yierschaer dss heftoghs yaa 
rabant. Ib. 1582, xy , 1. Is men hier ghewoaniyck 
metten ondersohoutetii efi schepenan, fentnoester 
en meyer, de yiersohare dryteael ^sjaers te baa- 
nen . . , efi de yoors. drye daghen yan bansMi der 
yiersoharen worden ghenosmt yoqgfadaghen. O* v. 
MM, a. 9. 

3) Sene gichte bannen. || En wmt by dsn 

mey«r de opdraghende giofate oyerghegfaeyea den 
eooperi efi daemaer de yoors. gichte door den meyer 
ghebaofden [I. gebannen], efi by den rentmoeater 
beyrijt. O. o. MóU., a. 151. 

4) De keeraae bannen. De kaare en fetdu m, 
branden in openbare verkot^ringen. (De opbieder, op 
wiens bod de kaars uitging, bleef kooper, als hoost 
en laatst biedende), fr. tdlumer, bréler la ohandSle 
dang lee veniee ptMfmee. (L'enohérisaenr sur Voifre 
de qui la chanidelle s'ëteigvait restaK aeqaéraor, 
comme Ie plus haut et demier eneh^issaor). 
\\ Sen i«gel(|ck mach aijns sells goadt^ soa hatfre 



BAN. 



BAN. 



121 



als eiT© , Terkoopen , uytter handt ofte hy proclama- 

Üea en kerckgeboden , en oock keenae one keensen 

daeimf branden . . . , aonder daeraf de heeren oft 

hmuie ofRcieren . . , eenigen wyn , aalaria ofte loon 

te moeien geren: ten ware dat . . . ay hem geaaaia- 

teert hadden, aia ran de keenae te bannen ofte 

bnnden. C. v. Love» , ix , 15. De reapectieve meren 

en laeten der abdyen ran Ayerbode en Floren, in 

p o aa cBoi e synde, van over hondert jaeren, niet 

aUeenlyck Tan acheydingen en deylingen 'tontfan- 

gen urer goederen aorterende onder hunne laethoyen 

tot Pelt en daer alom, gichten en guedeniaaen te 

Terleenen en£., maer oyok de keeraae te outate- 

ken efk te bannen, in naeme bunder principalen. 

C. yr. Loom, I, blz. 548 (1699). 

6) Palen bannen. Dexe door eenê pUehtige ver- 
hlatimy bekraehtiffen , fr. eonfirmer Ie placement deg 
homes par urne prockuneUion eolennelU. || En opten 
gheaetten dach, aoe waert deae erfeiycheit ghe- 
peelt, met wille en conaente beyde deaer partyen, 
Tan boTen tot neder, en die palen worden gheban- 
nen met maneaae, met Tonneaae en met ona hofa 
rechte. Schep, des Lands v. Diestf 8 aept. 1416. 
Aenleggereoae haer juate mate gelerert conforme 
beur documenten; en het lant woert beveaticht met 
•teenen, welcke woerden gebannen naer onaerbanc- 
ken recht en uaantie. In hoeden gekerdt. Esmfs- 
vms, Montmidken , 11,862(1623). En dan worden 
er ateenen geplant, en die worden gebannen op 40 
dagen en 40 nachten , op calengie eü battatie. Ib. 100 
(1626). 

6) Verbannen^ verdrijven vit het landy fr. hannir, 
proscrire. Kil. Bannen, vetus. \\ Worde hiea [hi 
dea] darde warren bednghen, hie ware in miada- 
den Tan xx Ib. . . en me zoude ne bannen alae 
langhe alae achepenen goed dochte, tuaachen yj 
jaren en enen jare. (7. v. Brugge, I, 236. 28 aept. 
1280. Biegoene die hie [nl. de gewonde] noemen 
aal, aal ayn gedaghet bi roepe ghedaen ter marect 
bin den darden daghe . . £n ne coemt hie niet , 
men aalne bannen daernaer bin den darden daghe. 
K, V. Brugge, 25 mei 1281. a. 1. De atadt van 
Antwerpen (te wetene achoutet, burgemeeateren 
en acepenen ran der atadt) moegen bannen alle 
delinquenten y Tuyter atadt, marckgreefacape en 
qnartieren Tan Antwerpen. C. o. Aniw., 1545, i, 
a. 34« Die hem te meer atonden abaenteert en 
taynen Trede nyet en compt , . . die wordt gebannen 
op eene pelgrimagie taiut Peten te Boomen. Ib. 
III y 10. Dat men de gedeaazeide partijen, te we- 
ten, den man op aijn trouwe, eere en lantrecht, 
beveelen aal hant en Toetlichtinge te doen Tan 
Toeraa. gedemineerde panden, en die Trouwe te 
bcTelen op haer rechte hant en hondert jaeren 
uljten lande gebannen te aijne. Montenaken, I. 286 
(1574). (Het Terleden deelw. gebannen werd ge- 
bruikt Toor den ter ballingachap Terwezene door 
het wereldlijk gezag, en verwaten yoor hem, die 
door den kerkhui getroffen waa): || De yaaaal en 
ia niet gfaehouden te dienene, in wat dienate dat 
ai, ainen leenheer die gebannen ia yan den prinee 
oft yerwaten yan den paua, ma^ori excommunieatione, 
geduerende den tgt Tan banne en excommunicatie. 
Leettr. e. VI. 119. 

7) Dagen, dagvaarden voor 't gerecht, fr. eiier: 
afomrwer, asiigner en justice, Dupin et Laboulaye, 
jBoaittr. tl Sn compt diegene, die gedaegt ea te 
nnen daghe niet, [men] ia hem aculdich te banne 
met yonneaaen yan acepenen; maer ten naeaten 
daghe mach hi ainen ben loaaen met n atuiyen, 
•ó ataen yort in rechte. JC. e. ter Piete, 1265, a. 



3. Lat. tekat: debet inbanniri, en bannwn suum re- 
dimere. — Bic die ghedaghet wort, up dat hy niet 
en oomt te ainen daghe, ia men aculdich te banne 
bi acepenen. Ib. a. 7. 

8) Vloeken en eweren, fr. jmrer, bleuphémer. 
Eil: Yloecken en ach end en. Schiller u. Lüb- 
ken: Bannen. 8) Fluehen. Do wart Petrua aer 
yoryeret, unde beatunde aer atoltelik to bannen 
nnd to aweren, dat he Jheaum nicht bekent. || 
Dat oock nyemandt binnen der yoon. munten, opt 
werck oft oock anderaainta, en mach aweeren, 
yloecken, bannen, yuyl en oneerlyck apreecken, 
roepen oft chrijaachen, op de pene yan yier ata. 
C, der Munttrs te Brussel, a. 67. Soo wie op de 
wacht... yloeckt, aweert, bant of eenighe oneer- 
bare achandaleuae woorden apreeckt, die yerbeurt 
80 ata. O. op de wacht te Antw. 19 april 1623, a. 58. 
BANNERHËBR, zn. m. Baanderheer, fr. seigneur 
banneret. Bekenk. v. Brab. , reg. 137 f^ 275 (1527). 
Zie Baxkbotsb. 

BANNIGH (Bennich), bn. In den kerkban ge- 
daan, verwaten, fr. eaeommunié. \\ Of I^. eenich 
getughe hoort dat hem teghengeet, hetay een 
baatart, oft benneghe lude, of dea doeta mana 
maghe. . Chartb. v, *s Bosch, P. 53. Vonnis 15» £. 
Soude een man zijn onacout doen aeyende meer , . . 
die moeate hebben tot hem yj manaperaoenen , aen 
elcke hant iij, niet bannich, noch baatart, van 
goeder famen. K. v. St.'TVuiden, 1536. Piot, Oart. 
II, blz. 571. 

BANOVEN (BanhooTen), zn. Dwangoven, fr. 
f OUT banal. || Dat, aoe onae yoerraden yan oude 
tijde gehauden hebben, [dat] binnen der yr\jheijt 
yan Montenaken egheen banhooTen, noch banpaen- 
huijaen, noch banmoelen en hoert [te ayn] noch 
ayn en aouden. Moiitenaken , 1, 53. 

BANRIJS (Bantrija, bantreea?) zn. m. Bindrijs, 
fr. verges d'osier. || Dat hem niemant en yer- 
yoordere te haleri op ander lien gront . . beaaem- 
atocken, luyckerya; banreeaen en andere aorten 
▼an haudtl ofte yermaeckaola. Ds Pb. en Bb. XVI. 
Assenede, 64 (1635). 

BANSLOOT,zn. Sloot, die gerechtelijk geschouwd 
wordt, h.fossé, soumis è Vinspeetion legale. || Zoo 
wanneer men zal willen beateden eenighen dyok 
te makene, ofte aluuten eenighe alooten, tay dyck- 
aloot, hooghen oft nederen twiaaele(?) met de ban- 
alooten, tzelye zal geachieden op aondaghen. Ib. 
XXIII. Baxd, 10 (1587). 

BANSPLICHTICH , bn. Die het verbod des bans 
overtreden heeft, fr. celui qui a enfreint la défense 
du rjban*. \\ Dan aullen wQ, achepenen, te maniaae 
onaen meijeia, wyaen: Dat wij *t bauwen yoor 
jaergedinge, en dat men hem ban eü yrede doen 
aal, en dat er niemaüt mach gaen aonder oorloft; 
en o(t anden ijroand dede, dat hy banaplich- 
tigh en miadadich aal agn. Montenaken, I, 429 
(1569—1661). 

BAN8TEDE, bn. (.') || Den dyck yan 8t. Mer- 
tenapolder banatede en yaat opgeleverd met yon- 
niaae en met recht. Arch. Bergen-op'2ioom, Certi' 
flc.-br. van 1479—1485, 10 mrt. 1485, n». 208. 

BANSURE, zn. y. Verbanning, fr. bannissement. 
La (>dbke ,Baniaure: bannissement, 1 1 Die eenighe 
kercken ofte kerckhoven zal ontwyden , zoodat men 
dezeWe moet reconcilieren , zal , boven de yooneyde 
boete yan t' zeatich ponden pariaia, ghebannen 
werden don tijdt van eenen jaere wter atede en 
caaaelrije, ... en toe-dien [totdien] t'zynen coate te 
doen gheachieden de reconciliatie . . . ; en en dede 
hyt niet, aal ghedaen worden t*znnen coate..., en 

16 



422 



BAN. 



BAP. 



zyne bansaere verlanghet. C, v. Veume, lxti, 28. 
800 wanneer eenighe delinquanten by sententie 
ghebannen zyn, men is in costome deaeWe bansore 
te becondighen ter bretesque, terstondt naer 'tpro- 
nuncieren Tan der sententie, ofte executie yan 
diere. C, v. Foper, , xxTi , 6. Ter welcker oorzaeke 
ghy by mynen heere van de proostye gbesenten- 
sieert zydt gheweest met fostigatie en bansure 
buuten de stede van Bergen*8te . Winnoox en cas- 
selrie van diere. TraMe§ mar. lY, 217. Datgby.., 
niet jeghenstaende uwe Yoorgaende bansure , n Ter- 
Toordert hebt binnen den lande en graefscbepe van 
Ylaenderen te commen. 224. 

BANT, zn. m. 1) Bandj dienende om ieU U 
binden, fr. lien, ioui ee qui eert è lier» \\ Van bande , 
repen. Tol te Brugge, \2%^, 

in den bant. Ingepakt, fr. emballé. \\ Alle 
dieghene, die te Antwerpen met lakene in der 
merct trecken willen, selen haer lakene des goens- 
daghes metter sonnen in den bant bebben, en 
daema gheen derwaert senden, op ene pene Tan xx s. 
Tan enen ghebelen lakene , en op x s. Tan den halTon 
lakene. K, lakeng. Dieet, a. 10. Desgheiyos te 
Berghen, des dgsdaghes metter sonnen in den 
bant te sine, op die Toers. pene. (Het ambacht 
hsd eene hal te Antwerpen en eene t-e Bergen in 
Henegouw). 

Langs den bant, bijw. Gemeenlijk y- door- 
gaan$y in de wandeling^ fr. eommunément, vulgaire' 
ment. || Sententie van Gros Pierre. Omme dieiswille 
dat gy, Pieter Bogaert, sone Tan Lauweryns, by- 

Shenaemt P'. Lauwerynsens Pieter Simons, langs 
en bant Oros Pierre, ofte soo gy anderssints ayt 
ghenomt. Mijk9areh.f reg.: Crim. eenienlien, f*. 1, 
16 Jan. 1687. 

iMaer den bant (Van het graan). Nadat het 
graan opgebonden, in sloven gebonden ie, ft. aprèe 
que Ie grain a éfé mie en gerbes || Dat niemandt 
sigh sal presumeren te oosten [korenaren nalezen] 
naer den bandt, tussohen die mandels, achter den 
wagel , Toor sonne opganck, Tan elf uren tot twee naer 
den sonne onderganck. Monienaken, II, 266 (1742). 

2) Verband, verbinienie, fr. obligaÜony engage* 
ment, affedatvm. || Het ghoTalt, om mesdaet of 
pays, of andere oceoysoen, dat hem een man Ter- 
oint Tor de manne: in een somme Tan gelde te 
betaelne, of een pays te hondene, of een pere- 
grimage te doene, of een anderen niet te mesdoene, 
op sgn hoeft j so moet tHof wettelike gemaect sgn. 
Sn danne de bailliu sal hem Traghen of hl hem 
so Tcrbinden wille, en of hi wille dat de maonen 
op hem kennen? Hi sal segghen: ^a io*'. De 
bailliu aal segghen: „Ie consenteert, ab here*'. 
Hi sal Traghen der wederpartien of si den bant 
ontfangen wille.' Si sal seggen: ^a io". heen- 
recht V. 1528, H ij t^ De zaeckwande Tan Diest 
en heeft geen gemeynschap met het waerschap Tan 
LoTen ; want de zaeckwaude affecteert de goederen 
soo lange de rente staet, en en oonnen sulcke goe- 
deren niet Tercocht worden dan met zuloken iMtnt. 
C. V. Diest y Diecordantien , a. 6. Dairom eest, dat 
wy de Toiigeruerde en nabesoreTOn artiolen, poin- 
ten, ordinancien, pene, bande en bedwange gecon- 
senteert, gewillecoert, gegOTen en Terleent hebben. 
Bekenk. o. Brab., reg. 136, f». 62, 25 mei 1414. 
(Hoogerop staat:) penen, bande en ordinancien. — 
Dat sy, eeiste comparante, die panden, die de 
ooopers sullen ingeoocht hebban, ontlast en exi- 
meert Tan den bandt Tan hypotheke haerder rente. 
Kerkarch. te Dieet, Octrooi 12 oct. 1704 {Weexên 
Cremerê). 



BANTDOECK (Bandouck), in. Zwaektd^ ver- 
band, fr. bandage y compreue. \\ Alst alao ghcTalt, 
dat eeneghe partien of panonen in hueren twiat 
blende dUighen, bletsueren en fxotsneren ontfaen 
Tan hueren partien adTerse, zonder oepene oft 
apparante wonden, daeraf die blende slaghen, blet- 
sueren en frotsueren ghenesen zyn bi buidoucken, 
watere oft andersins. . C. e. Aalet^ blz. 482 (1479). 

BANTSIZE, zn. Waarschijnlijk bedorTon Tan 
JPaMckije, paen^^e. Aedjereekt op het bier, fr. 
impót ewr la bibrcé || Dat ghy den Toirs. Marehelia 
Tan nu Toortan paisiTelic en Tredelic laet en ghe- 
dooght te brouwene [hooger staat: in suiker wys 
als andre die daerTan Try zyn], mids betalende 
grondtghelt efi bandsize. Brief des heeren v. Dieet 
aan de etad, 10 juni 1510. 

BANTSTEEN, zn. Hoeketeen,bindetren, ft. pierre 
de refend, angulaire. || Als men bcTindt, dat 
eenigen muer, wandt oft ghcTel tusschen twee 
partyen erfTon staende, beyde de Toorss. partyen 
half en half toebehoort, soo sal elcke partye dien 
muer, wandt oft ghcTcl mogen gebruycken, en 
daerin legghen bandtsteenen, felieren oft platen 
tot op de helft. C. v Brussel, Stat. 1667, a. 84. 
Christijn Tcrtaalt: lapides vUteulares. 

BANYORST, zn. Beerlijk, aan H gemeen gebruik 
ontzegd woud, ft. forêt seigneuriale , interdUe è 
Vusage oommun. Haltaus Bannforst, saltue bamno 
pacie mmnitue et commumi usui interdietus (domini 
kabent eüvas interdieto munitas). Grimro: Bann- 
forst m. Bannwald, eilva incaedua. Maiohs 
d'Aknis : Bannum nemorie , quo eilvm usus prokêbe- 
tur. II Dat so wie den pacht Tan bauTorst houdt, 
hi essene sculdech te IcTeme Beineren, dien men 
heet Eggloi, den portre Tan Brusele, ochte sinen 
oire , binnen der Torgenoemder parochgien Tan (]hrem- 
beighen . . . , altoos elc sister in tueen penninghen 
na den besten roghge. 24 juni 1290. 

BAPTISEEREN, bw. 1) Aanduiden, beedkr^ 
ven, te kennen geve:i, ft. designer, déerire. || C^ 
'tgeene dat die Tan Nispen seegt, dat hij Tan der 

i'urisdictien in der heerlicheyt Tan Ipelaer, alsoe 
>reet als hy die baptizeert, in poesessien is geweest 
ten aensiene en wete Tan den heere Tan Breda. 
V. D. Tav. 293. 

2) Noemen, heeten, ft. appeler, quaUJUr (La 
Cüfivx). II Dat alle questien en geschillen spruy- 
tende ter zaken Tan deeer contribntien , hetzy Tan 
te hooghe gestelt te zyne, Tan Try te zyne, oft 
anderssins, hoe men dat soude moghen baptizeren, 
zonder eenige distinctie zullen worden gesleten, 
getermineert en beslioht bij der naester hoofdstadt 
Tan den seTcn hoofdsteden Tan Brabant. Bekenk. 

V. Brab., reg. 137, f°. 9 v^., 12 apr. 1515. Onder 
*t decksel Tan denwelcken een aenlegghere gheeft 
oTor een gheschrifte, dat baptiserende: Memorie 
oft replycque, oft andersints, soo hem dat belieft. 
C. V. > Bosch, Caroline, StijH, 1529, a. 14. Ten- 
sy dat de gbetughen . . , lieden Tan eeren, weerdich 
Tan ghelooTe, bekendt zyn den Toors. notarissen, 
en dat zy affirmeren dat de persoenen zulck zyn 
als sy hemlieden baptiseren en noemen. JPlae. v, 

VI. 4 oct. 1540. I, 773. Dat de Torster, doende 
daghement , sal in justitie Tan schepenen baptiseren 
de schuit, waerroor hy partyen daeght. C. v. Over- 
ijseehe, Adm. v. juet. a. 2. En OTorsulcx niet en 
ounnen imagineren met wat fundament desselfr de 
Bitters nacomelingen hen willen baptiseren maech- 
schap te wesen Tan hen comparanten. Brab, Mus. 
I, 120 (1640). 

3) Betiidm, ocni een opeakrifl voorden, fr. tul»- 



BAP. 



BAR. 



123 



ÈdtTy éügueier. \\ De eleroqaen van de Tienohiere, 
i66t hot indienen ran eenighe Bobrifturen , tollen 
Khnldigh wSja deeeWe behoorlyck te ootteren en 
bepkiaeEen, en TOorU alle requesten, heeechen en 
tnaeie psooeduien te onderteeckenen. C. e. Brug$9y 
n, 22 dec. 1761 , A. 20. 

BAPTI8TEH1E, m. o. Eiiuaal van het doojnd, 
fir. rtleel dm bapiémê. Maioks d^Asvib BapHsUriumf 
UkêT i» qmo riitu bmÜtmi ei araiUmet detcribuMiw^ 
h, fonmmlairf dêê nUs du hapiêmê. || Noch betaolt 
▼aa een nieow baptisterie ofte bouoxkin om thelich 
doepeel en andxe sacramenten te administreren, y 
•k Ds Pb. en Bk., XI. Zaffdarê, 89 (1584). 

BARAET, zn. 1) Bedrog^ fr. fraude ^ trompêrie, 
Kfl. (App.) Baraterije, /reet. La Cubvx Bara- 
terie: iramperiÊ. || Dat icker niet toe Terleet ne 
ben bi crachte, no bi Tvesen, jof bi boeeeden, jof 
bi eenighen barate. Toi ie Brugge, 1269. 

2) Éamoert geraae^ fr. hruU, iaipage^ oooariM. 
Boffel: Barate: hrwi. La Cüiurs, Barat: Ie moi 
Barai a eigtdfié: momeemeniy agUaiion, \\ Die metten 
medingbe gaen och riden, of metten beekenen 
ilaen, of ander baraet daer [B. 184, daormede] 
maken, elo op eene pene Tan y e. Kh, e. Dieêiy 
A. r. 61. 

8) Meüimg^ unêeeUngy h, éehange. || Dat eenige 
eooploden en andere hen vorderen Tuyt te geren 
m te beetaden hejmelio, bij baraten en wisselingen 
van hueten waeren en comensoapen, yele pennin- 
gen Tan gaade en Tan silyere by de voirs. ordon- 
nantie Terboden. BAenk, v, Brab, reg. 136, f®. 
176 (1604). Dat de maekelanrs niet en sollen con- 
tracteren moghen [noch] sloTten eenich contract 
■onder te hebben eenighen iMsonderen last Tan 
eenighe oooplieden [om] te Terooopen, [te] coopen, 
te gheTen oifte te nemen op wissele, olt te maecken 
Büêlm oootiacten oft baratten, oft die te maecken 
in heoren naeme, en, slojtende deeelTe contrac- 
ten, sollen ghehooden 8\)n te noemen denghenen 
daeraff sy last hebben, en daemaer te doen aggree- 
ren tselTO contract oft baretten, [ter] eerst toI- 
gbende borssen. ^lae. v. Brab» 16 nor. 1541. 
L 611. 
BARAT. Zie babast. 

BABBAC ANE (Baerbecansel , barbecaensele , bei^ 
becaensele, baerbecaninghe). sn. Bartiwering ^ bui" 
iemeerk, voorwerk, h. bórbaeame. Zie Ykbdak. 
KiL (App.) Barbacane, aniemurale, etc. Zie ook 
La Cvuib. tl Item, so es op de Teste, tosschen 
den cloos t e r mner -en de cloosterpoorte ghemaect een 
barbecaensele Tan eerden. Item, so es an de cloos- 
terpoorte ghemaect eenen opganc met booten trap- 
pen; dairtoe gheoocht een Tyftich scothoots. Niuove, 
Sk-irek, 1477. Betaelt ran drie langhen booten 
gheleift in deerde omme te Tastene tberbecaensele 
an de Nederwyc poorte, oosten xfj s. Ib. 1476. 
Dese drie eapitainen qoamen te Gassele met Tele 
weerclieden, metsenaers, temmerlieden, spitters, 
ddTon; sj wrochten an de Testen en fij maecten 
tbacrtecansel ieghen tghescot, eii sy hinghen langhe 
balken en boemen met coetden an Sfi berbeca- 
nin^ie, en binnen corten tyde was de stede Tan 
Anenls wel Torsien en stare ghenooch. Jak yav 
DixmrDX, 229. De Transoeysen, seere Torstoert 
en met groten gramscip ontsteken, dommen den 
boscfa Tan Oassel op, om Gassel te bestormene, 
en sj evopen met handen eii Toeten om in de Teste 
te sine, die draghe was, om te beclemmene de 
bssrbeoaainghe; en als de Fransoeysen an de 
bserbeeaninghe gheciopen en gheclommen waren, 
die Tin btnoen sneden de ooorden ontsticken, de 



bomen en de balken, die aen de baerbecaninghe 
metten coerden Tasthinghen, zy rolden in de Teste, 
en elcke balcke dede Tallen bet dan sestich of ze- 
Tentich Fransoeysen achterwaert omme; de som- 
meffhe Tielen de hersene in de kele, de sommeghe 
braken haer beenen ende haer aermen. Ib. 281. 

BARBECAEN8EL. Zie babbacavb. 

BABBECANINGE. Zie babbacake. 

BARBEBIE, sn. t. Het baardeekeren, ft. pro- 
feisioH de raeer la barbe, \\ Barbiers. FtiTÜegie: 
in 't exerceren de ohirorgie en barberie. B^kêareh. 
DMar. de 1784, OoHi. 

BABCH. Zie bebch. 

BABDAEOX (Bardaze), sn. t. Waarschijnlijk 
met deselfde beteekenis sJs het Tolgende babdb. 
Kil. en Ghrimm: aseia, bipeiêniê, en deze laatste, 
op het Boheemsche brada, beteekenend „den hart 
an der axt," Traagt zich af: was meint aber der 
hart an der ast.' || lement wordde geaccoseert, 
dat hy eenen anderen hadde geslagen met eenen 
grooten stocke, oft met eenen groeten breemesse 
oft bardazen. y. d. Tat. 168 y®. Dat niemen oter 
poort en trecke no en ga, by dsghe no by nachte, 
met glayien, piken, paffosen, bilen, baerdaexen, 
boghen no met ghescotte. Dx Pauw, Vgb, 152 
(1878). 

BARDE (Baerde), zn. y. Breede bijl, Hmmerbijl, 
etrydbijl, iweeen^demde bijl (?), fr. hache a large 
iranekeMtj — de ekarpentier, — de guerre, — è 
deux tranehante, beeaigue? Kü. Barde, Ghrimm, 
Bart e, yertalen het woord beiden door asciay 
bipennie^ iimmermambijl , iweetnijdende bijl, hetzij 
die in het bosch of in den oorlog gebroikt wordt, 
zoo zegt het Schellen Lexicon yan het laatste woord; 
Orimm stipt het aan als „den übrigen deotsohen. 
sprachen mangelnd". || En aldos staerf hy en wart 
onthooft met eere barde. Ol. y. Dizküde, 88. Moni- 
tie yan orloghe . . . zadels yan wapenen, chanffrainen, 
beerden yan staele oft yan ledere [ysere ?] , taergien 
ende rondeelen. ^lae. o. VI,, 9 oct. 1551. I, 720. 

BARDEEREN (Baerderen), bw. Yan paarden. 
Ze voorxien van ee» hamaty fr. barder, \\ Een ghe- 
lockige maèght . . hoodende metter hand een cora- 
gieos ghebserdeert peert, costeiyck met goot eft 
silyer yerciert. Hovwabbt, Matthias, 49. 

BARDESCH (Bordessche, borderssche, bor- 
dysch, bordisch), zn. m. en o. Kil. Bordessche, 
borddecks, borddeckse, fland. j. looye, pro' 
jeetum ligneum: umbraoulum; hy yoegt erby: & 
Bmxell. yeorberd, appendix tJbernaHa, d'Abst, 
1668, y^. Bordeckx, yerzendt ook naar Looye. 
Plantyn stelt echter het woord niet geiyk met 
Looye: Bordes, un esial è eeialer nu^rehandiie , 
etc., iabula, menea apifieum, vel mercium, Wy yon- 
den echter, niet meer dan Verdam, een yoorbeeld 
yan eene andere beteekenis dezes woords dan die 
yan luif, luifel, afdak, fr. auvent, en yan duiker, 
fr. noe; tenware men in het citaat oit de O. v. 
Oent „eene toonbank*' een „yeorberd** (Cv AnUo, 
1545, Yiii 62) zien wilde. 

1) Luifd (Kil. Looye). || Eü jeghen den regen 
Die de loden dféwils comt yerdooft qoellen, &a- 
dic elc mensche een bordessche op dooft stellen. 
Belg. Mus., II, 128, omtr. 1500. An Mare Seys, 
temmerman , omme dat hy yermaect heeft . . en 
daertoe gheordonneert de stellinghe onder 't bar- 
desch yan de halle, omme thelich Sacrament daerop 
te rostene. Rbvbby, I, 618. Si.Sek. 1560. Yedast 
Beet, oyer scaillen, bert en naghelen, omme de 
bardeschen yan den nieowen yleeschunse te dec- 
kene. Rbxbby, Ib., 847. St.'Bek. 1561. An Jan 



124 



BAR. 



BAR. 



▼an Harome, timmennMi, en N., omdat tj respec- 
tivelio gewrocht hebben an 'tbardesch Tan stede- 
huuse int opelaen Tan de houten omme de suelen 
[mZ. de brandemmen] yan stede daeran te hanghene. 
Ib., 284, Btik. 1662. || 26 juni 1597. Is verboden 
aen N., Tan ajne coffers, ledicanten, comptoiren 
oft andenints meer op de straete njt te Bettene, 
tot Terdruckinge Tan syae nabuereUi Toorders als 
^nen bordersaobe, op pene enz. Mabtivez, 177. 
Op claohten gedaen Dy N., en naer Tisitatie, is 
geordonneert aen N. syne lakenen niet Toorder 
uyt te Betten als synen borderssohe, op pene, ens., 
181. il 28 febr. 1692. Is oalengie gedaen OTer den 
bondersche [/. bordessche] Tan den huyae de Heyts, 
in de HeuTelstraete , die de princelycke maete Tan 
twee Toeten een half is excedorende, en heeft den 
proprietaris Terdaert denselyen te sullen redres- 
seren. Ib. Niemant en hoeft ter straeten ofte water- 
waert eenig recht Tan proprieteyt in den grondt 
Tan buyten synen muer, en by dien en Terroach 
niemant buyten denselyen muer iet te maecken, 
niet meer in prejuditie Tan syn gebuers, dan by 
haerlieder consent, gelyck bordesschen, steegers, 
OTersprongen , eenige huysekens ofte winckelkens, 
kleen ofte groot, oft oock eenige lieren, bancken 
ofte passetten, noch andersins. C. v. Auden, xiT, 
16. Niemandt en heeft tot strate eü Toordammen 
eenigh recht Tan proprieteyt in den grondt Tan 
buyten synen muer lot te maken tot iemandts 
prejuditie, niet meer borderschen, steegers, huy- 
sekens oft winckelkens, kleen ofte groote, nochte 
andersints. C. v. Nieupoorty xy, 8. Niemant en 
Termach buyten zynen ghoTele ter straeten ofte in 
do riTiere te wercken, *tzy bordischen, steeghers, 
OTerspronghen ofte andere, belettende de lucht eü 
*t ghesichte Tan de ghebueren en de Taert Tan de 
schepen, eü dieuTolghende is men Tan oudts ghe- 
costumeert alle bordisschen maer te maecken Tyf 
Toeten breet, metten eusieloop, te meten Tan den 
styl Tan de payen ter straeten waert, soo neder 
als men wilt, sonder ander lieden looht te benomen. 
C. V» Aaltt,iTj 19. Een bordysch Toor een huus, 
T Toeten breet, metten hozyloope, te metene Tan 
den stylen Tan der poyen ter straten waert, oü 
alzo hooghe als men wille , zonder andre lieder lucht 
te benemene. Ib. Ori^. xxxiii. Niemant en heeft 
ter straten ofte watere — waerts eenich recht Tan 
proprieteyt in den gront Tan buuten zynen muere,. 
en bydien en Termach nyemant buuten denselTen 
muere yet te makena t' Temandts prejudicie, niet 
meer bordesschen, steeghers, oyerspronghen , als 
eenighe huusekens ofte wynckelkens, cleen ofte 
groot , ofte ooc eenighe lieren , bancken of passetten 
noch anderssins. C. o. Oent^ xyiii, 29. 

2) Duiker, fr. noo, \\ Van staokytsen in de yeste 
te grayene en te zettene yor de bardessoho, als 
yan den torre naest der Steenpoorte tot den torre, 
die men heet Yakenborch. db Ylamikck, Stad, II, 
44. Si,-rek, 1380. 

BARDÉVËN. Zie BAEBTËYENE. 

BAREN, OW. 1) Zich verioonen, te voorschijn 
komen, vertoh^nenf fr. apparailre, te dédarer, pa- 
raitre, commeneer d poindre. || Int seWe jaer [1140], 
doen baerde oyck een groote rootheyt in den hemel. 
Piot, Chron., 4. In selke [nl. bij sommige meisjes] 
en siet ment niet baren yoer dat sy comon te xix 
jaren. Vromo, Heim. 98. Up een anderen dach des 
morghens, als den daoh baerde. Jan y. Dixuüdb. 

2) bw. Toonen, UUen hoorent fr. montrer , faire 
entend/re, \\ Die trompetten staken dat een lust was 
om hooren; en daemaer hebben die spelieden d'in- 



strumenten doen clinoken, en die muaiefaienen 
hebben oock haer oonste wederom ghebaert. Hov- 
WAEBT, Matthiaty 123. Naerdien dat deze fure 
\l, farce] Tras ghespeelt, soo hebben die musiciens 
en die spelieden baar conste weder ghebaert. Ib. 
172. 

BABEN, zn. o. Geelachi, h. géntratian. \\ Dit 
is dat baren derghoenre die den Heren sueken , die 
daer zueken dat aensichte Gods, den Jacob ane- 
bede. Qetijdh. 14e E., 18 y^'. Ps. 23—24. Lai. 
Hac est gemeratio. Slatenb, Dat is het geslachte. 

BARGE. Zie baxbtsb. 

BARINOE. Zie bebvivgx. 

BARH (Baerm, barem), zn. m. Ophooging mm 
aarde langt een water, rond eene ttad, iueeehen 
twee velden of weiden, fr. étévation de ierre Ie long 
d'une eau, auiour d^une ville, enire deux ehatnpt 
OU prSt. II Voert es schuldech de borchgraye te heb- 
bene de yisscherie, yan sborchgrayenbrigghe toeter 
Langerbrigghen , eü theerschep binnen den baermen 
yan der graecht, toete iy lib. 13 sept. 1293. Men 
yerbiet, op de mesdaet yan x schel., dat negheen- 
rande beesten moghen comen binnen der yeeten 
yan der poort, no op den barem yan der yesten, 
dat de yeste daeraf argheren mach. Kb, v. Auden» 
V. 1328. Van den vetten. De barmen yan der stede, 
binnen den ringmueren, behooren w^t te sine, bin 
denzelyen mueren , xx yoeten. C v, Aaltt , blz. 898. 
Statuut yan den binnenbarmen der stede . . : Dat 
yan doe yoortan niemen grayen noch delyen en 
zoude . . an de barmen yan der stede , also wel die 
doe nienwelinghe binnen mueren yan der stede 

Shemaect waeren, als an de oude tarmen, .. noch 
en yoeten yan den barmen te naer en comme 
in grayene of anders. Ib. , 394 (1455). Kueren, 
statuten en ordonnantien . . , daerby een yeghelick 
yerboden . . es op te delyen..., te brekene en 
duerstekene en bederyene de baeremen eü dijeken 
yan den grachten eü yan der zee. Flac, o. VL, 
29 noy. 1548. I, 65. Yermach ie ooc.. uatplaa- 
tinghe an de straete buuten den uutersten yan den 
grachten yan denzelyen leene, yan acht yoeten 
breede, metgaders yan gelycke broedde de beplan- 
tinghe yan eenen baormo dweers oyere yan den- 
zelyen leene , jeghens der hofstede yan den wech . . , 
omme die te ghebruuckene, wech eü passagie daer- 
oyer te moghen hebbeno eü nemene, eü beplanten. 
De Pb en Bb., III. Vinderhouie, 29 (1650). Een 
yerheffen tnsschen twee lieden erfre moet wyt 
zyn twee yoeten eü een half, en den barm twee 
yoeten eü een half, oompt taaemen yyf Toeten. C. v, 
Aalst, X, 10. De dammen. . dienende soo tot den 
yoetwegh als om het waeter binnen barme te 
handen. Dx Pb. en Bb., XIY. Boekhout, 21 {IMO), 
Dat alle de wateren in de yoofa. yaert moeten 
blyyen binnen haerlieder baermen, andersins dat 
de landen . . zouden oyeryloyen eü yenmooren. Ib. 
XIII. Lembeke, 11 (1650). 

BARNEN. Zie bbbnbk. 

BABTECHGE, zn. y. Fui van een stadhmUy 
waar de afkondigingen plaatt hebben, fr. bretiqme, 
II Daer bleef menich hant ofghesleghen an de bar- 
techghe hanghende. Ol. y. Dixküpb, 9. Daer zo 
was ghewyst: dat die yan Waestene, metgaders 
haren baiUiu, in ghebanner yierscare te Waestene 
oü ter barteclige wederroupen zouden den ban die 
zy up Roelande ghedaen hadden. — In ghelycken, zo 
moesten zyt wederroupen yan woorde te woorde ter 
bartechge uut, daert menich mensohe hoorde. 
Ib. 90. 

B ARTEEREN (Sorteren, barenteien), bw. Wie- 



BAR. 



BAS. 



125 



•pim, rstleii, Ir. êéhamger, || Dat negheen hackere 
mach Iwiteren jeghen aadren Tan stalle , dan galde- 
Inoeder jeghen guldebroeder, of die Tan buten 
jegben die Tan baten. Kh, v, Auden, v. 1S28. Van 
dn hadnrê. Wat weerde of Bamecoepere binnen 
Mecbelen wisselde ochte barenteerde, ocbte ane- 
loefate te berenteren Tan der lieden sreyne om 
lakene. E, Idkeng. Mêeh,^ 1888, a. 48. Omdat men 
in Ylaenderen niet Tele ghelti en badde, daerom 
hy [al. graaf Boudewijn, de jonge] ordineerde de 
eomanacepe in permntaeien en in borteren ofte in 
wiaaelen dat een dine om een ander dine: fruut 
om kiekene, twee binnen om een gans, twee gan- 
■en om een Teerken, eene wedere om drie lam- 
meren , drie of Tier calTeren om een coe , ofte drie 
ofte Tier swinen om eene koe. Jan y. Dixxübs, 9. 

BARTEERINGE (Baerteringhe), zn. t. Mm- 
ümq , fr. iekange, \\ Die cooproanscepe Tan den tor- 
oeden ghoTen om andere coopmanseepen in baer- 
teringhen, daertoe rust meerre tolne; die meeste 
toine es te nemene en die minste te latene Tan 
der barteringhen. Tól U Bniggêf mei 1252. Als 
TUL der meeden» Tan den alujno eü Tan den 
aaachen, die de Terwers bij den draperiers OTer- 
gbecheTen ward Tan soulde in baertheringbe of up 
werken, daeraf moet men assiae gboTen gbelije on 
gheooeht ware met gereeden ghelde. dx Vlahikck, 
AiBc.^ 18 (1494). Zie bibast, en tebbabtebbbit. 

BABE (Baessche, bassche, bairscbe), sn. 1) Voet' 
flair, fr. hatëy gmiattemeHtf Zie Yebdak. || De 
tabemacle Tan Onser Yranwen , staende boTen den 
hanltaertafle , dbeelde Tan Onser Yrauwen, de iiii 
isghelen die aen den anltaer staen up iiii pilaren, 
de iiii baincben , boTen daer de inghelen up staen. 
ra Pb. en Bb. X. jitper, 26 (1460). Item, duer 
het lysen Tan de stagie , moet aldaer oommen eenen 
adldere, soodat de basschen weroken sullen iu de 
baleken , duer dat de stagie maer alleenlyck xj Toeten 
«n es, en dat bindt onder en boTen, en soo onnoo- 
daljc daertoe scheesboulten ofte anckers t'employe- 
rene; oock duer dat ondere de basscben in de 
baleken gbeherelt [gbeheerent , inghebeorent] zullen 
sjn. Bxmbby, II, 886 (1619). (Er is spraak Tan 
het leggen Tan een plankenTloer tusschen bet eerste 
en tweede Terdiep Tan het achtkantig gedeelte Tan 
hei belfroot. De uitgeTer, wien het woord bassche 
of baeaeehe ook duister is, tracht het eenigszins 
op te klaren door het Tolgend citaat uit het:) || Be- 
spreek en Toorwaerde Tan de IcTeryngbe Tan den 
hoote, met den hantghedaet, al dienende tot het 
maecken Tan de cappe: de metselrie upghebroeht 
wesende, sal ghestelt weaen in de acht crempen 
{amffiêtf) Tan de metselrie, te weten in elcke crempe 
een, tot acht baeeschen, breet neghen duumen, en 
dieke lesae, Umek elok Teertien Toeten, duer dat 
de atagie hooghe wesen sal twaelf Toeten. 

BASE (Bame), sn. t. KouMy fr. bas {de ekaussé), 
KiL Base, nederkousse, fibiale, ealiga infe- 
rior, gal. hot, \\ Ontrent de tachtentich waghens, 
al gbeibden met Tolck en meroerye, ghebreyde baesen 
en andre co^maanschap. Piot, Ókrim, 611. 

BA8ELA£R (Bazehre, baseleer, baseier, base- 
rsel, Terklw. baselerkin), zn. m. Zie Ybbdam. De 
rechte benaming schijnt te wezen: hadelaer. Zie 
LaOnmeenBoquefort: badelaire, baudelaire. 
Het reg. n*. 182 der Bekenk. t. Brab. heeft, f». 
97: eepSe^ hamdaüamite ^ eomtel om dage. Langmee^ 
dcUmee, fr. eouieam lotig^ eomteau poig- nard. De 
fnasohe taalkundigen zien er een broeden, om* 
■ebogen sabel in, by Boquefort ^^kort*', h\\ La 
Oome ^n eena lang, dan eens kort". || Voert 



Terbiet men alle miserioorden en bazelere te dra- 
ghene. Kb. v. Audem. t. 1328 , blz. 42. Es ghetermi- 
neert , . . Tan messen met crommen jserinnen hilten 
en met lommeren Tan boselerkine [l. baselerkene], 
gheljo dat men nu nieuwelyc ghemaect heeft, dat 
dat maer de boete zal ziin Tan i Ib. parisis. Ib. 
46. Kantteek. t. 1857. Yan Gillis Tan Lembeke, 
Tan 1 wonde, die up hem leide Michiel Tan Sca- 
loen, met 1 baseleere, ontfaen xxxiiij s. Bek, bal- 
juwt V. Qenty n^. 1720 (1864V Waeren Torboden te 
draghene alle manieren Tan langhen messen, baseleers, 
langhe pasmesse of Praechsche messe. db Ylakivck 
Voorgi^. 48 (1422). Soo wie een lanck mes, base- 
reelen, pasmes oft diergel\jcke trect, Terbeurt iy 
oude schilden. K. en br. e. Sanikoveny 1658, a. 14. 
Boe wye een zweert cft bazelare , oft eenighe andere 
messen uyttrect in gramscepen up eenighen per- 
soon. SB Pb. en Bb. XX YI. Bnpdmonde^ blz. 67, 
a. 21 (1445). Yerloofde wapene.. Kinne dagghen(.'), 
baseleers, haeghemesse. Ib. II. Bvergem, 47. Boe 
wye baselers oft zwerden diaeght anders dan zjnen 
wech gaende. Ib. 89 (1510). 

BASEMENT, zn. o. Doorloopend voeUtmk , grond- 
m«ffr, fr. toubaseement. |) Alle gaelder]ren,dewolcke 
ffemaeckt zyn met syne bogen , 't zy Tierkantigh , 
t zy lanckworpigh , oft andersints , met pedestalen , 
baesementen , arohitraTen , friesen en oomissen , die 
sal men loyen Tan aen de comisse tot op het fon- 
dament. Phe, V. Brab. 16 jan. 1705. Y, 567. 

BASEBEEL. Zie Basblaeb. 

BASIEBE, zn. t. JVagenkleed, fr. béeke. Het 
w. „bachiere"' is thans nog in gebruik te ACeeneu 
(B). II Item, sullen de Toerlieden Toor sulcke en 
dierghelycke drooghe waeren, Toorsien wesen Tan 
eene goede basiere. Rbmbby, I, 489 (1680). 

BA8ILI8K, zn. Soori van vuurmondj fr. eorte 
de piéce d^artiüerie. La Cume Basilic, canon ds 
la pluë grande longuewr. Zie abtillbbib 2). 

BASSCHE. Zie babb. 

BA8SE, zn. Soort tan grofgeeehmi, fr. eepboe de 
canon. Kil Bas se, tormenti anei aul ferri mtao- 
rii genuê. || Dat elc schip Tan Teertigh Taten zal 
op moeten hebben ten minsten zes dobbele ofte 
ynckele bassen, zes haecken, zes of acht spiessen. 
£n een schip Tan Tyftigh tot tachtentigh Taeten 
twee dobbel bassen, zes ynckel bassen, enz. Plao. 
9. VI j 29 febr. 1549. I, 364, 365. It. 378. Daer 
stonden diTerssche stic metalen, sticken artillerye, 
dewelcke zeere gheschoten wierden; oock diTerssche 
alsoe slanghen, bessen, groote eü deene, in de 
gaten tsu de mueren. Piot, Ckron. 317. 

BAS8ECAMERE, zn. t. Beste kamer, fr. liewB 
d'aieance. La Cübbb t^ Ghambre, 16^ chambre 
batte. Il Dat men die leedere stellen zoude onder 
de basMcamere Tan der Tanghenesse. Jak y. Dix- 
HÜDB, 197. 

BASSPRIET, sn. m. Boegtpriet, fr. beauprl, 
II Zondt deselTo [mans] aen den Toomomden Dragon , 
dewelcke Tan stonden an die dede [h]anghen an de 
baspriet Tan de Tordroncke sohepe. Piot, Ckron, 
535. 

BASSEN, OW. {biet) Blaffen, fr. aboger. || Het u 
hierbi Twilt, dat mi Te Tsen behaget, Dair ie om 
liep, Bies en riep. En hebbe geiaget. BoüTOir, 
Wapenboeekf 3. Die oneedel mYstroyde [mistroden, 
hof honden] bassen Teel en Tangnen weynich. Chibedb. 
14* E. 

BAST, sn. 1) Boomtekort, fr. éeorce d'arbre. Kil. 
Bast, cortex; uitg. t. 1642 Bast des booms. 
II Yan baste. Tol te Brugge ^ 1269. Yan elcken 
hondert bast oft kemp, xz^ s. Tol op dé Zemne, 



126 



BAS. 



BAS. 



1436 — 1631. Bast, 1 hondert zijn obrge busselen oft 
bonden, 1 gr. yIs. Waiertol^ 1550. 

2) Koor£n va» Mckorty vom btut, fr. eordês d^é/ooT- 
eet; reeds vermeld in het lat\jn: y^eordcu de hoM^ 
in den Tol ie Domme ▼. 1252. 

8) Salestropf worgkoord, fr. kart. i| En om te 
yerclsiren yan der punioien corporeele, die men 
den dief aendoen mach, soe suldy weten, dat men, 
na deu gewoenten van desen landen, den famoeen 
en openbairen dief met eenen baste hangen sal. 
V. D. Tav. 80 t». 

BASTAEBDIE, sn. t. BaetaardiJ, mtweltige ge- 
meeutehap met eene vrouw ^ fr. bdiarditef eammeree 
ilUgUime anee une femme. \\ Al sterft een wyf bas- 
tarde , en si heeft kint in bastardien of fornicatien , 
haar leen oomt haren kinde. Leenr. v. 1528, F. ij r^. 

BA8TAEBDIE-MAN, sn. m. Bcutaard, fr. hd- 
tard. II Het es te wetene, dat bastaard die man 
es [l, dat die bastaerdie-man] ne es sculdioh ghelooft 
te zijne, noch Tan live, noch van erve. Ib. rgl. 
GiLLiODTB, Oour fiod. du hourg de Bruges, czx 
in de C du hourg de JSrugeSf itl, 271. 

BA8TAEBT (Bastart), zn, m. 1) Saetaard, na- 
tuurlijk — , oueM — , onwettig kind^ fr. hdtard^ 
enfant naturel, — iUégitime. || Be „kostumiere** wet- 
geving verdeelde de bastaarden in twee hoofdklas- 
sen, namelijk: de enkele of slechts natuurlijke, 
de spselkinderen f en degenen, die gewonnen waren 
in eene verwerpelijke en door de burgerlijke wet- 
ten strafbare paring, welke men heet overwonnen 
hattaerden, zooals de in overspel geteelde kinde- 
ren (aduUérine), yfavond-dronken'^^ l. avetroneken"], 
eertijds geheeten avoUree of avoutree; de in bloed- 
Bohande geteelde kinderen (ince9tueux\ en de met 
heiligschennis verwekte bastaarden (eacrilègeê). Db- 
FACX^. Ane. droii. hdg. T, 406. Zie Yebdak : Avx- 
TBOKCX en BA8TAXRT. || Michael, illegitimus filius, 
wlgaliter dictus haêtart quondam Michaelis dicti 
Leu. Godeh. te Srttsel, H. 1201 , n». 9 (1310). Dat 
natnrele succederen in leen van huerlieder moedere. 
Bastaerden, gheboren buyten bande ran huwelijke, 
die men heet naturaleSf ofte die ghewonnen zyn 
bj eenen lichten w^jve, openbaerlijck in tleven sit- 
tende, daeraf de vader onseker is, die men heet 
vulgo coneeptoe^ succederen in tleen van huerlieder 
moedere, en on z|jn gheen bastaerden van dier 
zijde. Bastaert, die by naervolghende houwelijck 
gelegittimeert is, succedeert in leene, also vry als 
oft hv ghetroudt gheboren gheweest i^adde. Leenr. 
V. Vl. 58. Man in voeghdien en bastaert, ne sal 
gheloeft wesen, no van live no van erven. Leenr. 
V. 1528i 48. Bdg. Mum. I, 47. Daer een bastaerd es 
ghelegitimeert, beede bi den gheestelicken rechte 
en weerlioken heere, daer es hi ghelooft als getrau- 
wet kint; maer hoe [l. hoewel] een bastaera njet 
anders ghelooft en es in de saken voors. hi mach 
wel leen houden. Ib. De heere aenveerdt alle de 
goeden aohtereelaten bj eenen simpelen bastaert 
stervende sonder wettige geboorte en testament te 
maken. C. v. Meehelen^ xviii, 2. Christijn ver- 
taalt: ex eoneubina et eoelile nati. — Simpele bas- 
taerden en hun wettige descendenten succederen in 
haerder moeder goeden. C. v. Antw. 1570, xxxyii, 
blz. 694. Bn succederen oock niet de bastaerden, 
natuerlQcke en ongetrouwde kinderen, *tzij in rechte 
oft ooUaterale linie. (7. v. Brueeel, 1606. Christijn: 
JUii iUegitimi et naiuralet. — Het is te weten , waert 
een bastaert oft natuerlyck doot geslagen , . . . soo 
sonde der heer die soene trecken. C gr. Loon, I, 
blz. 69, a. 62. 

Overwomi^n l;>B8taert. In overspel f bloed' 



ed^nde of heUigedkennis geteeld land, fr. ettfoÊtt 
aduUeriUf ineeatueux ou eaerUège. || Overwonnen 
zy'n, die gewonnen z^n in overspel, of uit twee 
die malkander in bloed of zwagerschap te nA be- 
stonden, dan dat sQ aan malkanderen zouden heb- 
ben mogen trouwen. Hügo ds Gboot, i, xg , 6. NaU 
ex prohibiio eoneMtu. — De heere aenveerdt alle 
goet toebehoorende eenen overwonnen bastaert ster- 
vende sonder wettigh oor van synen lyve gepro- 
creert, betaelende syn wettighe schulden, sonder 
dat siücken bastaert eenigh testament oft uytertten 
wille maken magh. C. v. Mechelen , XYiii, 1. Chris- 
tyn zegt: wi adulterio, out ex aUo l^gibue daen^ 
nato edUuproereati. — Overwonnen bastaerden in hu- 
welycken state vercregen, religieuse oft geordende 
persoenen kinderen, en succederen in der moeder 
goeden uyet. C. v. Antw» 1545, ziii, 74. Baataer- 
den in houwelijcken staet vercregen , en andere die 
men heet ,^verwonnen bastaerden", als sgn kinde- 
ren van priesters, religiensen en geordende perso(^ 
nen , daaronder begijnen - kinderen niet en sijn be- 
grepen, en erfiven in des moeders goet, noch op- 
waarts in de moederDjcke syde niet. C v. Anim, 
comp. II, iv, 23. 

2) Sene soort van toeten «09», fr. eorte de viu 
doux. La Gume, Bastard, 4^ Vin baetard. || Van 
alle Spaenssche gebrande en suete wijnen, ala ma- 
levesie, romenie en bastart, van d'ame. xxxvj at. 
Sekenk, v. Brab. reg. 189, f». 16 (1542). Item, 
maleveseo, bastaert, romenie, muscadelle, asbeyen 
oft diergelycke zuete wynen, betalen van den boot 
of pjpen, xVs S'* Watertol^ 1550. 

BASTAERT, bn. Oneeki, onwettig, fr. iUégUime. 
II Bastaarde kinderen, die bij naervolgende houwe- 
lijck gelegitimeert sijn, succederen in de leenen 
al soo vrge aloft sij getrouwt geboren geweest had- 
den; maer deghene die men heet naiurales oft 
vulgo ooneepiosy succederen daerinne nyet voordere 
dan voor soo vele die geoomen z^jn van hunne 
moedere, van welcke syde die egheen bastaarden 
en syn. C. leenhof van ifeehelen, ui, 22. 

BASTANT (Bestant), bn. Voldoende aam de ver- 
eisehien^ toereikend, in staat, gaaf, fr. suffleatU^ 
eatisfaisanf , en étai, «at». Kil. (App.) 8uffieiens, 
Yan het ital. baetare. || Van dyen zoo zeer vermaar- 
den ontooveraer, de cuyster [koster] van Weeter- 
loo, die alle de Kempen duer en in de omliggende 
steden soo befaempt is, dat dieselve hme alleen 
bastandt is om d'apprehensie te doen. Galbbloot, 
Baxiuê, 6 (1597). In ghevalle de allodiale en meuble 
goeden niet bastant en waren, zoo zaode aen het 
leen de eourtresse moghen verhaalt worden. C. 9, 
Aalst, XXII, 20. Daer de toerlyoke goeden niet 
en zyn bastant tot voldoeninge van de achi:Jt. Ib. xxiii, 
6. Sullen oock die roeesters 't selve proeffstuck 
komen visiteren en besien oft het goet en bestant 
is. Sekrijnwerkers te Diest, 1656, a. 18. Welcke 
middelen in verre niet bastant en souden weaen 
om alle deselve [personen] te kunnen onderhou- 
den. O. F.'B. autr., 18 juni 1727. Wür^k. Die 
niet bastandt en is dezelve boete te betaelen, wordt 
ghepunieert ter discretie van de wet. O. e. Vemme, 
xxxiiii, 2. Bakende don veraohen viaoh, sullen 
die [warandeerders] die warranderen in nombre 
voorseyt, en sal metten ghonen niet bestandt, ofte 
gheheel ghecorrumpeert, ghedaen worden zoo hier- 
voren gheseyt is. Kbmbby, I, 851 (1643). 

BASTEEBEN, bw. Overwinnen, fr. (M^s)«0m- 
ere. \\ Anno 1589, den 22 julii, was het schietspal 
van de Cleuveniers t*Antwerpen . . . Bü hebben het> 
selve spel, te wetene die van Ber^hen, weder opge- 



BAS. 



BAT. 



427 



hiBchen, anno 1560,.. alwaer die Tan Loven den 
boQ^bsten "pTjE schoten. Maer werdden die van 
Bnienele gebaateeri; alwaer groote twist omme 
vaa. Piot, Ckrom, 110. 

Bik8T£Lf, sn. Wêêde, h, pastd. |) Weet oft 
baateL Een Iwle van ontrent 200 Ib. tI gr. Tol ie 
Amim. 1688. Zie Wsxpk. 

BASTEN» BASTXFXK, bn. Va» hoêi of schors ver' 
wmardi^t fr. Jaii o» moyem de ekanvre ou d'éeorce. 
II Obegberen den leelmakere van Nederinghen, van 
•enen baatenen seele te vermakene dat ghebroken 
wae, dat men orborde als de poert te doen hadde, 
Tj gr. at.-rek, Nvsove^ 1389, P. 34. Bobbrechte 
dan Haxde, van eenen baaten zeelle totter Brabant- 
poorteii. Ib. 1491. Dat ooc njemant hem en sal 
▼oToocderen te vercoopene eenigbe basten lynen, 
tensj dal die hebben huerlieder behoorelicke Ijnghde 
van 14 Tarnen en niet min, op de verbeurte van 
zx grooten van elcken bundynck. O. P,-B, autr. 
6 mei 1664—3 joni 1722. GetU, 

BAT. Zie bxt. 

BAT, an. o. Eene kist ioi inpakken, fr. ««0 
aeitie d'omMlage, || 1 bat oft ij lusten bogen, ii^ 
gro. Tla. Waiertol, 1550. 

BATAELGIEBEN (Batelgieren), bw. ia slag- 
arêe ndkaren^ fr. ranger e» ordre de baiaille. || Hier- 
hnnt lees eene groote wapeninghe, en men luude 
eloeka en aoelle, en qoam de baüliu eÜ d'onder- 
baillin ter maeret, by den trooete Tan eenighe 
goede lieden, en daer ghebatelgiert zynde, worden 
■lOghMiat de weTerie en de Tullers. Ol. t. Dix- 
MUDX, 4. Al ghont bere stont ghebatelgiert , 73. 
Trae 's ander&ecba Toor Parys, daer hy deide 
balelgieren syn toIc. 78. 

BATE (Baet), zn. t. 1) Baat, voordeel, winst ^ 
ofèrengsif fr. profii, produit. || Het es geordineert 
in baten, pronte, rosten en eendrachtecheden Tan 
dar gbemeenre stede. C. v. G^eni , O. 5 juli 1358. 
Omme tgfaemeene poorfijt en baete Tan der poort. 
n Pb. en Br. Aalst, III, 459 (1391). Van de 
baten Tan den dauf hnnse sal Jan de heelt hebben, 
en de pachters dander heelt; dies sal de pachtere 
de duToal Toeden en coemen. ds Pb. en Bb. IX. 
JJtag&retk^ 8 (1410). Es besprec, dat Pieter Jans- 
aooe hebben sal aüi de bate Tan den duufhuse; 
diea moet Pieter betalen al de coste Tan den duuf- 
Iraae te hondene. Ib. IX. Sint^Martens-Laathem, 
4 (1422). Snllen min Toors. joncTr. en Tooght tduuf- 
baoa te ghereke doen maken, en de pachter zaelt 
Tooct bonden steende te ghereke Tan dake en 
weghen • . ; dies so sal hy hebben de bate Tan den 
doren. Ib. IX. Dearle, 9 (1450). Alsoo ter causen 
van deeelTe pve0minentien aireede syn gheïntenteert 
eenigbe p roce ss en, soo ist dat den TOom, heer mar- 
^nia deaelTe tatjnen proffijcte in schaede en baete 
ie boodende. Ib. X. Astene, 14 (1665). Noten de 
balen en profyten Tan eenen grond. C. o. Tperen, 
e. 173. 

Baten eH oommeren. Bisten en lasten, voor- 

dêti em nadeel, fr. proJUs ei ekarges, ad^ ei passif, 

èoai ei maU. || Item, ten pointe diier min Trouwe 

begheit te stane onTerlet in onTersienen baten en oom- 

mere. C. e. Geni 22 juni 1353, a. 19. Zoo Termo- 

g^ien de Toomomde hoirs den haodere oft hauderig- 

gbe te bedwingen ataet en inTentaris in de bate éa 

eoannere Tan de goedinghen Tan den sterf huuse 

erer te gboTen. O. o. Andên. xxi, 9. Nochtans en 

as gheen boir in syn Toordeel omme bate en deel 

ten sterf honse te neroene toot aldertyt hy souffi- 

■Btten leker ten sterfhnnse ghedaen he^ toot 

bito en oommere. zziii, 9. 



2) Om bate. Op interest, fr. è, intérét, |j Wie 
gheleendt heeft ghelt om baete. C. e. Aalst, Oogst- 
keur T. 1415, blz. 226. Dat nymant die in off l^ 
openbaere OTorspele sidt, off geit om bato leent, 
off ander woekerscap bedrijft, eynioh ampt Tan 
onsser noch Tan onsser stat wegen dragen noch 
besitten en sal. C, v, Maastr, JPriv, 11 mei 1428, 
a. 10. 

3) In bate van. Ter staving van, fr. è Vappwi 
de. II Zeiden dat . . . ; en presenteerden, in baten 
Tan dien, ons alnoch souffissantelic te doen infoor- 
meeme, dat Tan ouden tiden costume gheweest en 
gheüzeert es, O, v. Aalst, 20 mei 1443, blx. 578. 

BATELIJCK, bn. Batig, voordeelig, fr. aoaa- 
iagenx, Batelijoke BOhulden, aeltf', uitstaande 
schulden, fr. dettes actives, créanees, || Zal oock 
den Toorseyden wettelick man innen alle batelicke 
schulden en actiën, die Torvolghen by alle weghe 
Tan justitie, en bringhen ter baete Van de ghe- 
meene crediteuren. C. v. Vewrne, XXY, 6. Bate- 
lijok slot. Batig slot , fr. solde de compte en boni, 
II Dat denseWen ontfangher zal schuldigh zyn te 
innen en ontfanghen het baeteiyck slot TOor de 
prochie Tan den afgaenden ontfangher. JPlae. e. 
n. 30 juli 1627, a. 29. III, 358. Dat dhoirs Tan 
den OTerledenen conjoinct, doende incomen Tan 
gedeele, maer en beloTen den commer te gelden 
naer aendeel Tan hun gepresenteerde baetelyck recht 
Tan successie. Annotalions, 82. 

BATËLUCKHEIT (Batelichede), sn. t. Voor- 
doelen, fr. avantages. \\ Omme dien dienst Tan nu 
Toortan t'exercerene . . t'alzulken prouffite, batelic- 
heden en Tenralle alser Tan costumen en bi rechte 
toebehooren. dx VIiAMInck, Stad, IV, 207. 

BATELKIE. Zie battxbix. 

BATEMENT, sn. t. 1) Toonedvertoonimg , fr. 
représentation de thééUre. || Gheschoncken bij den 
heere eü der wet de jonghers Tan der schele, die 
ten Toorscr. dage zeker Tertooch deden en een ghe- 
nouchelick batement, iy lib. p. db Pb. en Bb. 
XIII. Kaprijk, 38 (1576). Met toepassing op eenen 
strooptocht, stuk, dramatisch stuk, fr. avec appli- 
eation è une excursion enpays ennemi, è, une ma- 
raude, pièce, dramei || Onder den xi«n derselTe 
maent Tan ougst, in den haTcntstont, syn getroo- 
ken uyt Oostende ontrent de Tyf hondert toIcxs 
Tan oorloghe,.. doende eenen tocht in Vueren-am- 
bacht, iJwaer zy eenen roof haalden Tan ontrent 
Tier hondert beesten, onder peerden, ossen, coyen 
en jonghe tooIs, metgaders diverssche lanslieden 
gheTanghen. En zoo getrocken metten roof naer 
tstranghe, doir de hsTene Tan Nieupoort, metten 
Tallende watre ghepasseert, en zonder stoot ofte 
slach toostende ghearriTeert. Ons peerde-ruyteren , 
die tot Nieupoort laghen, quamen uut naer den 
Tiant, maer was al te late, thatement was ghe- 
speelt, eer zy daer gheroohten. Piot, Chron, 766. 

2) Oevecht, fr. combat. La Cume. Battement: 
Coup, blessure» || Alzo dit batement langhe waa 
gheduerende, en Terliesende noch meer Tan haar- 
lieden Tolck, en dorsten hemlieden niet meer tot- 
tooghen. Piot, Chron, 841. 

BATIS8EMENT, zn. o. Men leze lieTor BaU- 
ment of Éshatement. Vermaak, verlustiging, fr. re- 
eréation, amusemeni. \\ Hoe dat nu, OTor groote 
en lange spatie Tan tyde, sy tot huerlieden Ter- 
maeckinge en exeroicie ofte hanteringe Tan den 
Toors. cruysbooge, hebben eene sekere pLaets en 
hof, daerin sylieden gewoon syn en gaen diokwils 
hun Termeyen en exerceren , . . en het wy so dat , 
em heurlieden bedryf , exercitie en batissement te 



128 



BAT. 



BED. 



aenschonwen , soowel poirton van de stede van 
Meolielen als andere gewoon zjn te comen. tak 
Mblckbbeke, Kruiêboog, 14. 

BATTATIË. Zie baknbn. 

BATTËEREN, bw. Afwijzen, toraken, hetwisfem, 
fr. réeuêer, contesier. || Des sal alsdan elck keyser 
offc ooninck, met zynen gedeputeerden aldaer in de 
loothayse wesende, verclaren hy huere manswaer- 
heyden en eeden, dat zy niet en weten dezelve 
sesse, Til, oft viii gedeputeerde manspersoonen en 
zyn nut en bequaemp , sonder eenige difTamie , om , 
achtervolgende desen chaorten int voorseide landt- 
juweel te moegen schietene ; en oft alsdan ter sel- 
ver lotinghen eenige van dyen persoonen nyet ge- 
batteert en wordden, met merckelycke redenen, 
dat alsdan men daernae deselve persoonen en sal 
moegen wederleggen oft batteren in eoniger manieren 
van eenige voirgaende zaken. A. Wauters, Ser- 
tnens, 26 apr. 1551 , a. 3, blz. 25. Den facteur des 
heeren landtcommandeur consenteert , behalven sijne 
mate van 67} roijen, gelegen in sijne steenen [nl, 
palen], en expenns petentis. Aenleggere battert 
[d. i. „betwist mondelings", zegt de uitgever]. Die 
boden attesteren, enz. Montenaken^ II, 362 (1623). 

BATT££RING£, zn. v. Bettoitting, fr. eontes- 
iaium. il So wat vremde man dee porter woirdt 
gemact , . . is dat sake dat yemant veede , twest of 
anders eynghe sake mit home ghoens [gaans] hedde, 
eir he porter woirdt, dee porter sal des vremden 
mans portscap debatteren , . . eü weirt dat der por- 
ter eynghen twest makede of beghonne bynnen den 
zl daghen mitten vremden manne , . . so en sal die 
batteringe don vremden man an die portscap niet 
letten. C. v. Mcuuir. Stat, v, 1380, a. xcv. 

BATTËMËNT. Zie abattemekt. 

BATTERIË (Batelrye, battelrie), zn.v. Keuken- 
gereedeehapj koperen en ijzeren potten en pannen, fr. 
\aiterie de cuieine, Ofr. Battelerie. || Torseel bate- 
rie , ii d. ; Ketel, ii d. Latijn : Torcellue batterie , ii d. 
qui affert, Kaeabue, ii d. Tol te Brugge^ Mei 1252. 
Alrande battelrie en tennewerc , dat men hierbinnen 
rerooept. de Vlamikck, Aec,y blz. 33, a. 189, 15« £. 
— len grauwen riep batterie van ketele . i\j gr. — 1 
riep van witte ketele iVt gT* '^<4^^ f- 1550. Een 
bale oft twee reepen, wegende zc Ub., gedstimeert 
op XX Ib., en den reep nae advendnt. Schatting v. 
1551. Beekenen oft batterie ghepact in vaten, 
manden oft balen, en oock onghebonden, loe oft 
ongepact, van elck pondt groote y groot. ZeeumeéKe 
tol o. 1623. Dat de oude cleercoopers en bedde- 
ooopers wel sullen moghen vercoopen en ter coope 
stellen voor huerlieder deure, en nerghens elders, 
ketelen, «potten, pannen, en alle andere maniere 
van batelrye ofte oudt jserwerck , . . sonder jet an 
de voorseyde batelerye ofte ketels en jserwerck te 
vermaeckene. Rembbt, I, 466 (1679). 

2) Benaming van het amhaehi der kopertlagere , 
fr, nom du métier des chaudronniere, || Ontfanghen 
van een octroy voor de dekens, geswoeme, ouder- 
mans, coopluyden eü gemeyne gesellen van de 
Batterye, geheeten Eetelaers, binnen der stadt van 
Antwerpen, in date 12 mey 1602. Bekenk, o. Brab, 
Ta9, 20797. Gompie du acel. 

3) IJzeramelterij ^ h, utine, || Dat onse onder- 
saten van Balen, van der CapeÜen eü vrihegt van 
Limbonrg huere bemhout sullen mogen halen oft 
doen halen op onse voirs. bosch en walt, in allen 
tyde van den jaere , van dooden en liggende houten, 
voire huere nootdorst, gebmycke en siyten binnen 
hueren huijse alleenlick; ugtgesoheijden die bm- 
weren, verweren, en dieghene die batterijen oft 



hameren houden, en andere negooiatie oft neriage 
doende , dairmede zy vele houts slijten eü verbesigen. 
Bekenk, v, Brab, reg. 188, t9. 249 v«., 16 deo. 
1533, a. 4. ^8 HJertogenwald. 

BAUWIJN, zn. m. Zou hier niet BAirwijir 
moeten gelezen worden? j| Het half pondt ouden 
groten, dat de stadt jaerlgcx goudt den schutters 
van der heijden, voir bonnen bauwijn en tot hulpe 
van honne cledinge. Areh, o. Breda, St.-rée, 1563—64, 
pak lij vo. (Guypers). 

BEARBEIDEN, bw. Eenê zekere werkzaamheid 
of moeite vereizehen, fr. exiger du iravailf despeiues. 
II [VanJ alle leengoede , die staen te servituden , als 
ontfangerschepe , crgtwaerderschepe , backerschepe , 
duerwaerderscepe, secreet message of bode, of ander 
ghelike die men bearbeiden of bepinen moet, dier 
niet sekers over en schiedt of groote rychede, ne 
mach niet eeneghe wedewe bi hofrechte bilevinge 
houden, omme dat daermede de here ware gequetst 
van sinen dienste. Leenrecht v. 1528. d iiy r^. a. 1. 

BEBANEN, bw. Zijnen weg nemen over, fr. 
avoir droit de pazzage eur. \\ Huysluyden, bebae- 
nende oft latende bebaenen eenige landen gelegen 
onder de poorterye, sullen tusschen dit en veerthien 
daeghen hebben op te doen en ruymen hunne 
wateringhen. Areh, Bergen'op'2Soom,*Bezol, n<*. SB, 
10 juli 1616. 

BEBRtEVEN, bw. Weiteipk in zehrifl ztelien, 
eene akte opztdlen van , fr. oonzigner par éerii, aeier, 
drezzer un acte de. \\ Ter causen van den opdracht 
van eenen mudde oorens erffelyo, gepaaseert en 
bebrieft voer scepenen van Heze. Chartb, v, 'z Bozehj 
f». 101 vo., 23 febr. 1430. Soe maecte hg pactie 
met zijnder zuster, dat hg huer geven soude G pont, 
met voirwairden dat sgen [zij hem] met vreeden 
laten soude; dit wert overdragen, geslooten, geati- 
puleert eü bebrieft. v. d. Tav. 252 v<*. Dat de 
eyghene goeden, soo in successie, naarderschappe 
als andersints, souden aenveerden eü nemen de 
nature van der plaetsen daer die lest ghegoeyt en 
bebrieft s\jn. C, v, Orimbergen, a. 12. 

BEDAGHTIGHEIT, zn. v. Bedaehttaamheid , 
overleg, fr. eireonzpeetion, mére réftesion. \\ Dat 
wy,... met onsen volcommenen wille eü bedach- 
ticheyt, omroe nutscap eü prouffyt van onsen lan- 
den, hebben geconsenteert eü gewillecoert... Aead, 
d'archêol, 1874, blz. 121 (1367). 

BEDAQEN, bw. Dagvaarden, dagen, fr. ajomr» 
ner, citer, azzigner en juztioe. || N. N. . verclaeren 
tegen alsnu te hebben doen bedaegen, U/laro/^orttf, 
bg timber, deur Jan Wagelmans, dienaer, Lam- 
brecht Thoen, opdat den voorss. gedaechde met 
ÜE. vonnisse sal worden geoompelleert om, eni. 
MontenakeUf II, 160 (1588). Seedt, op woensdag 
den 10 nov. 1627, Nioólaes Heeren, doen beda»- 
ghen te hebben N. N. , borghemeesters , soe N., 
ona geriohtboede tuicht, per cedzilam aen honne 
eü aen den Peroen gedaen te hebben, omme sien 
dieselve roet rechtsmiddelen te dwinghen tot enz. 
Ib. 165. N. N. segghen te hebben laeten bedaghen 
N., denwelcken is occuperende die strate der ge- 
meijnte loopende . . , comende beneffens oft aen die 
winninghe van bedaeohde, dieselve willende betim- 
meren eü daertoe in opere es. Ib., I, 140 (1648). 
Den momboir der armen heeft den voors. Gajnm * 
voor recht laeten bedaeghen. C. gr. Loon, I, bis. 
867 (1674). Ende zullen desniettemin deselve de- 
faillanten behoorÜjck bedaegt worden tot de te doene 
overdragt binnen andere viertien dagen. Welcken 
termyn van andere viertien dasen oventreken zynde 
zal ... , eü sullen deselve andermael bedaegt wor- 



BED. 



BED. 



129 




dm. Pfae. 9. BrA 80 jimi 1729, a. 2, 8. TI, 892. 

B£DANCK£LIJGKH£IT, sn. t. DmOt, erkm- 
fdykhÊJi, fr. rteomnmuatmcB, || Zonder dit decelTe 
■uppliaalt tsr cmim tui voonetde diensten, icaden 
•ó TwUeMy Tttn om ghehidt heeft noeh gheene 
wadden, inllaariieeii om bedenokeliehede. db Pm. 
AA Bb. XY. Wddêlhmrp, 60. 

BBDAMCKEN. Hem (en eieh) bedftnken.1) 
XÊtm MpoeiSy léetnenniy fMirgttnuign lye omt, «p. m 
Immt ^, Kr» «oüf^ail dê (met een gen.). Ghrimm: 
Bieb bedanken, gru^taë agmrw. \\ Dat wr hen 
daiaf alio mo^wlio en redelic lietoir en ooriehtmge 
mümÊL doin geeehien, dat tye hen billie bedanoken 
■elen. ¥r. tekat: 9»*ü «*ra 4ê9nmi par roMoa loêf. 
Piot, A9«K#» 1889. Als in die eonstitatie-brieTen 
niet iTftgednickt is die somme waennede die geldt- 
rante gdcocht is, dan, den lendtgelder oft sohnl- 
deaacr bekend daerroor ontfangen te hebben sekere 
BQBime, daerover der gelder betaelinge hj sieh 
bedflnekt, mndt ge?raeht enx. C. gr, Lotm, I, hls. 
169 (1629) [door den nitgerer Tertaald: qu9 U 
arfarisr se f^fku* d rwoinoiirl, 

8 UÜ mm gmdwehap trêüm^ fr. as tv^irsr iTmis 
toeiiU, Il Bat soo iemandt der gebioedera sieh wilde 
bsdanckwi , niet eerder sal geeehiaden tensj onder 
den eoninozn^gel, gerende yier galden Brabants, 
diepelyek de eompagnie bedanokende. O. Xs^^, 
19 dee. 1787, a. 81. Smdhoog tê Toi^êrm. 

BBDDB, sn. o. 1) JM, in de tegenw. bet Ten 
!, fr. M, ttlsfM. It Bedden. TM e. 1869 iê 

jwrfsiaari, Ueiuttrmo me dmAmi par^ 
jitm mmam tmtgiam , ss» eatsMiM 
I, s alfe r i/ tr ümm da : met coiynen ende pape- 
gafm. Sèkêf» e. JBrwtstl, 1416. 

8) Bedde van perokemente. Soori 9amtap^ 

ir. «srfs^ <^pis.(?)it Bn saggen eenige dat , als men 
dsaa eaauona [al. de wettaohtighe Osmese] jdaoh te 
honden in psesentie Tan den givfe, so was in de 
— 4Ai^u YÊjii den parokette gemaeet een bedde Tsn 
psnkamcntei en OMropeennaeetsweertyinteeoken 
van BOüTenniteTt. Limit. o. VI, 12. 

8) Xajer, wimierUfpêr, fHamiê «Mor dé ewssAsa 

mtm^ fr. yWwèrs, laiUm. \\ Zekere ordon- 

teghena denghenen, die hemlieden Terroor- 

te Tissohen langs de oosten en staoome van 

I, met cheynetten en aeewandt, daennede 

eleen Tiaeh, gm efi saet Tan dien, sla» 

deaslTa netten in leeghen watere huagha de 

Tloetmaerek, te sohepe oft te Toete, voorende efi 

daermeoe die bedden efi le^^ieis Tan 

eloenen Tissehen. PZoe. e. VU 19 mrt. 

, (...pjfln. I, 861. 

4) AU kmmérh dm wooapUaiêf fr. soaMM imdiee 

ém é&méiê, \\ Baer hy is te bedde gaenda efi op> 

alaanda. C. a. Gssail, a. 876. 

K\ "BmmJtiStoAtÊd .. kmÊÊBÊÜSÊuaÊMUÊÊÊêeMaiB t kêt hWÊOê 
1^ cfjTr fr« ^* mmriagt. Gtotrout bedde, saM 
larf, mttüg hwmét ^ , \\ In 'tontiben Tan montaoen 
wanlen die descendanten in laohte unie, ondtata 
naaafea niaaspsneonen Tan da awaartsyda Tan ga- 
^fwp*f* badaabeaCasnde, gspielerecvt, O. a. G^sal, in, 

lei Oelieei bedde, — hïöf bedde, jrnwii^ 

sa dbas^fSIs crams, fr. aiésMUi^, 

— Ut ^^ï0^i^^ n lastaysala Tanbraader 

ajaJiiAsart de baoeder oft aoster Tsn 

riMhealen bedda altffdt dan broeder oft snstar Tsn 

halTan bedde. C. e. Jfse4., XTi, 10. ChriatQn: 

•— nr mUmrm pmrmtm* Haewel 

ayn baoedaia, sostars, oft andere deseanden - 

Tan gahaaian oft halven badèe 



bestaande; en elck van dien deylf naef adTenant 
dat hy Tan bloetsweeen bestaende is, hetzj Tan 
heelen oft balTen bedde. C e. Aniw, 1645, xiii, 
88. Tenzy dat zulcke kinderen, Toor doTerlyden 
Tan huerlieder Taeder ofte moeder, tbedde gheheel 
synde, ghe^manoipeert en baer tzelfs ghemaect 
waeren. (7. e. Audên, oah, prim, ix, 20. Als een 
penoon, hebbende onbejaerde kinderen,., tbedde 

Sheel wesende hem ontpoortert. O. o. Óenty y, 3. 
edde gesoheurt. Bed gAroken^ gescheiden, 
ontbonden, fr. marie^ diteoue. La Oime*. liet 
brité, lid deffaii. j| Man eii wyf, ghesepareert en 
metten rechte ghediTortieert zynde, paerton efi 
deelen alsdan akoft bedde gesohenrt was. C. v, 
JBergen-op-Zoom, xiT, 20. Beddegeljjok, b'tfw. 
SirnikegetD^y fr. penr aonehe. Christen: par estoeSf 
in sOrpee, || Bnde eest datter alleen zgn oems en 
broeders oft zusters kinderen, als naiste erfgena- 
men Tan den doeden, soo sollen die oems en de 
rechte zweers geiyc geadmitteert wordden om te 
deelen ia iturpee, dats te seggen beddegelijo, en 
niet ia eapüa, dats hoofdegelyc. y. d. Tat. 832. 
Boo wat goedt dat Taxi der zyden comt, dat aal 
man bedc&geiyok deylen. O. e. Bmeeüy Stat, t. 
1440, a. 12. Boo waer ghebroederen oft gesnsteren 
syn Tan twee wettige ^ddenen oft Tan meer, dat 
degene die broeder oft snster is oft zyn Tan heelen 
bedde, sal oft sullen des broeders goedt, dat hy 
Teroregen heeft die Tan geheelen bedde is, deene 
hellicht Toomyt hebben, en dander hellicht zullen 
sy deylen beddegelyok. Ib. a. 18. Bedde bed8- 
geliiok, byw. Schynt in beteekenis niet te Ter* 
sehiOen Tan het Toorgaande bsddioelijck. || tUc- 
ele bedde bedagelike Tan der moeder erre te deilen, 
alle kinder die zQn getmwt. iBMikt van Ucele, 
a. 66. 

Een dageUjOkS bedde (Boete?). JSene ge* 
«poas, dé minete boete, fr. aas amende ordinaire, 
la plue Ugbre. \\ Yoorteieer, een dageigekse bedda 
sal sijn en wesen zz penningen payements. C e. 
Meghem, Lamdtek, a. 9. De kantrubriek heeft ook: 
ara daegbeliijew bedde, 

B£DD£G£KOOT (Bedgenoet), zn. Bektgenooi, 
gemaHin, fr. iponse, \\ Henrio, here, en Elsbeen 
Tan Hoeme, sHn beddeghenoet, Trouwe Tan Dyest, 
enz. Dieet, ooik. 8 ang. 1869 , Domde Bootb, P, 44 
T*. en de Oopia cart. f. 21, hebben „bedgenoet". 
In eene oork. t. 1 juli 1866, noemt Hendnk zQué 
TTonw „siin wiif\ en in eene t. 17 juni 1290, heet 
Amont haar ook ,^yn wijf*. 

BEDDBCLEBT, zn. Dsjfcsa, beddeeprei, eprei, 
fr. soarls-jNmifs. || Unam albèm Testem dictam 
beddêoleet. Schep, v, Bmeeel, 6 noT. 1447. 

B£Dt>£CO<)PEB, zn. Om<20 kleerkooper, fr. 
Jripier, || Dat de oudeeleerooopers en beddeoooperB 
wel soUen moghen Terooopen efi te coope stellen, 
TOor heurlieder denre en nerghens elders, ketelen, 
potten, pannen.., behoudens dat sy 'teelTe ghe- 
cocht hebben in Tendu6n ofte in lieden huysen 
onder andere huyseatheyl. Rsmbby, 1, 466. 

B£DDE8I£CK£, zn. Voortdurend bedlegerige, 
fr. greAeMre, |) Want <Ke toots. xm personen ge- 
eoatnmaert hebben . . ghemeynelyck omme te gaen 
ap de Tier hooghtyden, binnen der Tryheyt Tan 
Imssele, in aUen proehian en Tisiteren haere bedde- 
aiaefcan mat dobbelen sondaeghe-proTende. Smedere^ 
mnbmcht U Brneeel, b febr. 1362. Op 6. Merten- 
affont te gherena eleken armen, die in de Bmeder- 
sohap es, san walpot wyns, een broet en een 
sloek Tlaaaoh, ten minsten, en den beddesieoken 
dobbel Ib. 

17 



130 



BED. 



BED. 



BEDDËSTAT, zn. y. JB&dstede, ledikant ^ fr. 
ioM de Ut. \\ It. noch een bedde metter bedstat, 
van iy ellen, met eender blauwen sargien. ino. «. 
1489. 

BËDDETIJCK (Bedtüok), zn. Beddetijle^ fr. 
eoistü hUt. \\ Bedtiken. Tol té Br^^y t. 1269. 

BEDDETOL. zn. m. Tol op hst bedd^oed, fr. 
UmUeu êw Uê lUeriês, Een der 17 tolartikels ver- 
meld in eene oork. der maand juli 1541, toot 
BruBsel. SeJcenk. v. Srab,, reg. 188, P. 389 y^. en 

840. Zie TOLLXK TB BBÜSBXL. 

BEDE, zn. ▼. Verzoek aan mensehen^ it.demande^ 
prihre fenie aux hommee, 1) Oi/teninzameUng ^ fr. 
eoüeete. j| Bovendien deed men, den 3° meert 
(1464) eene bede of collecte in de 8t«d, by de be- 
middeldste inwoonerB, en deze bragt meer dan 20 Ib. 
Brabandsch op. di bübbuss. Toestand ^ 11. 

2) Ondersiandsgdd, tchattinfff belasting, door een 
vorst gevraagd of gesteld (meestal in het meerroud 
gebruikt), fr. substdey ootisaiionf imposUiony impót^ 
demandés ou imposés par tf» prinoe (génëralement 
•mployé au pluriel): aides et snbsides. Aanvankelijk 
waren de heden (preoaria) elechte een verzoek en 
eene vrg willige belasting, doch mettertgd gingen 
zy in vaste, jaariyksche lasten over. Kiliabit maakt 
<»p het woord beide eene treffende en stoute aan- 
merking, die wy hier meenen te mogen aanvoeren: 
Sxaeiiones principum , zegt hy , rogationes sive pe- 
Hiiones primo dicta: nam fiebant rcgato et oonsen- 
tiente populo in prdborwm principum subsidium: 
uumo, etiam acerbissima exetctiones vetus nomen 
reivMmis urgené enim principum preces: eogit rj- 
gando qui rogat potentior, 'Èst orare Ducum spe- 
cies violendi jubendi [violenter jubendi?]. St quasi 
Mtdato supplieat esse poiens {sic), || Dat wy bon, in 
hoeren personen oft goeden, met beden, assisen of 
met dreighinghen . • voerdane niet bedwinghen en zoe- 
len. Ueg. cop. cart. (9.11 v^., 17 juni 1290. Lat. tekst: 
per taUias. Dat, wanneer dat men beede sal scul- 
deoh syn te zettene, zo zuelen oomen teghadere 
onser beider onapen, metten mannen en metten 
Bcepenen die ziere toe zuelen neemen, en zuelen 
die beede zetten weseleke en wittelij^e . . Mare 
deghene die van mi, den abt. hare goet houden 
te liene, en mach men op enghene beede zetten 
van dien goede dat si houden te liene van mi. 19 
juni 1295. Dat wi, noch onse oer, noch onse naco- 
melinghe nemmermeer binnen onsen lande settingbe 
noch beede nemen en sellen, ensy omme ocsune 
van ridderscape , van huwelicke , oohte van ghevano- 
kenesse; en die beede sal men alsoo weseleo nemen 
dat niemant van onsen lieden daeimede ghequetst 
noch verladen en si. Landtckarter o. cSrtenberg, 
1812. 

Bede Stiohten. Instellen , fr. erier. || Desge- 
Ivcx, soe ennige doctoren seggen, wordden zy van 
deser misdaet [nl. de crimine legis JuUe de ambi- 
tu"] besculdicht, die bede stichten om ennige officie 
te hebbene. v. D. Tav. 72 v". 

BEDEBRIEF, zn. JPoortertMef, fr. letires 
constaiani la quaUU de bourgeois. \\ So en solen 
meistere en gesworen eynen portere, den sy niet 
wale alsollich en kennen dat he synen ambaohte 
gehoirsam sij , egheyne bedebrieve mitter stat aiegel 
besiegelt gheven, noch home anders egheyn ver- 
antwerden doen, dee porter en brenge mit home, 
voer die meistere en gesworen, die govemere van 
synen ambaohte, die home tughen dat he den go- 
vemeren en synen ambaohte gehoirsam sy. Cv, 
Maastr. 8tai. v. 1880 a. 116. (De rubriek zegt: 
portere brieve). 



BEDEDINQEN, bw. Bepalen, vastsiéUm, fr. 
fixer, II Dat nu cortelingo comen zyn te Becken- 
voert, N. N., ballinge van Lovene,.. en hadden 
dair gewacht en gelaeght de vleeschouweren ^ poi^ 
teren van Lovene, die sy opliepen ghewapender 
hant , en namen hen haer ghelt en poerde en voerden 
ze vandair tween wech ghevangen, als N. en N., 
die sy swaerlec pynden en rantsoenden op o en 
iiy peters . . , die nadden dieghene diese socnten en 
hen {sic) hoer rantsoen helpen bedeedinghen Aead. 
d^arohM, 1856, blz. 160, Analectes, Loven. 

BEDEELEN, bw. 1) Deelen, verdeed, ft. par- 
tager, || Alle meuble en catheylycke goedingen 
worden ooc bedeelt tu^schen den blyfvere ofte bly- 
▼eghe en haerlieder ghemeene kinderen, eh haer» 
lieder descendenten, half en half. C, v. Poper., 
IX, 7. 

2) Verdeden, fr. r^mrtlr. || Alle de vooieeyde 
boeten te bedoelen, te weten . . O. v, Veume , xxxi , 
18. Te bedoelen alle de voorseide boeten : een derde 
voor den officier, en tresterende derde voor den 
aermen. DB Pb. en Bb. XXII l. Beveren, 84 (1603). 
(Het derde derde de^ der boeten was doorgaans 
voor den aanbrenger.) 

BEDECKEN, bw. 1) Kelen, verbergen, verxw^ 
gen, fr. eadker, oeler. || Dat [hy] alle tguend dat hy 
hadde, winnen oft oonquesteren zonde, . . . bekeeien 
en employeren zoude ten oirbore en proffite van 
zinen voerseide souldenaeren [versta: schuldhees- 
schers], zonder dat te verswyghene oft te bedeo- 
kene. C. v, Aalst, blz. 260. Van eessione (15e S.). 
En oft een vrouwe ooc cessie dade, zal moeten 
draghen een mauwe van coluere, ghelio de voer* 
seide bonetten aen hueren rechter arme, sonder die 
te verstoppen ofk bedeckene. D>., 262 (1540). Yalso- 
heit is veranderinge en. immutacie van der waer- 
heit, en dairomme studeren de valsobers tgeene 
dat goet, gerechtich en wairachtioh is, te veran- 
deren , en onder schijn van deuchden, gereohticheyd 
en wairheyd ondueghdeiyc en valsoh te maken, en 
die ondueght en valscheyt te bedeeken oft te odee- 
den. V. D. Tav. 65 v«. 

2) (Een bod), eens anders bod verkoogen, een 
kooger bod doen, fr. couvrir Venekbre de quelqu*um, 
faire une offre supérieure. Bedeokte veroier- 
peimingeïl, ket beloop van kei koogste bod, fr. Ie 
wumiant de la pUu kauie enckère. || De calengier- 
der . . , moet oook goet doen alle verdierpenninghen, 
bedect oft ghevastioht sijnde, ter goeder trouwen 
gbestelt. C. v. Qkeel, xiv, 26. 

BEDECLOCKE, zn. v. Bidklok, ket geUn van 
*« morgens en van 's avonds , uHMorbij de È. K. ket 
angelusgebed bidden , fr. ciocke de la pribre, sommer 
rie du maiin et du soir, èLqueUe occasion les caiko- 
liques ridtent V angelus, \\ Vore die beedeelocke van 
der vroegmissen, oft nae de beedeelocke van den 
avonde. A. Wavtbbs, JSnmrons, II, 460. Vil- 
voorden. 

BEDECKTHEIT, zn. v. Qeveinsdheid, fr. die- 
sieÊulaaon. \\ Persoonen, die binnen der voora. 
stadt oft haerder vryheydt ghewoont hebben jaer 
en dagh comUnme, en dat bethoonen konnen met 
beuren ghebueren, sonder bedecktheydt, worden 
ghehouden voor inghesetenen. C. v. BereuUds^ iz, 12. 

BEDELAEBS-DAELDEBS , zn. mv., fr., letter- 
lek : ikeiers de mendiamts. Eene munt vermeld onder 
dUe van Thom. || Luiksche zoogenaamde Bedelaars- 
daalders, y. D. Chijb, Leenen, 205. 

BEDELF, zn. o. Óraven, uUgraieen, bsfgraekiii^f 
grackt, fr. ereueemenif fossé. \\ Streckende alzoo 
noort-ooatwaert uppe totten paele en bedelv* vaa 



BED. 



BED. 



131 



mynen bo«re Tan Bt. Pieten, noort ghekndt de 
kitye ymn daays de Smet, en alzo lancx denielren 
Melfre en gracht oommende tot up den weoh en 
■tnete. dx Pb. en Bb. X. Afwtm^ 16 (1660). £n 
jegheoa ander schaoBtraeten sal men d^een helft 
[der aaide] daeroppe werpen.., en die aliohton en 
effenen binnen twee maenden naer t* bedelf; en 
die gbedolfven werdt Tan Baefiniiae tot Licht" 
meaie, sal men effenen en slichten Toor TQjtganck 
meje daemaer. C e. Vewrne^ XLii, 14. 

BEDBLIEDEN, nu mT. BedêsckM^mi, bdat* 
Ht^ptidUiffen , fr. eonUihuahUt , emuB qui dovsewi oim- 
frUmÊT am p a itme ni de* mde» et mbsides. || Yutghe- 
nomen allen lieden die ons bede gulden (nc), en 
memiden lieden, die ons bedeliken djenet doen, 
iele qnite siin om xx e [in plaats van 30 pond], 
al en snchten si eghenen yrede. f. d. meierij ". 
LoYm, 1318. a. 78. Dat nyemant engheen soen- 
ghelt en ghelde noch en eyssche alse Tan onse 
bedelieden, die ons bedeUke dienst doen. Ib. a. 76. 

BEDELVEN, bw. Voortiem van graehUu, fr. 
pomnoir de foeaêe, \\ Hij moet de bosaohen honden 
Dedc^Ten en berreet Tan wator en grachten jeghen 
de beesten en andersins. db Pb. en Bb. X. JPelS' 
9tm, 11. 

BEDEK (Beeden), ow. 1) Sidden, een gAed 
doe» UU Ood, ft. prier, e'adresser è Dien, \\ Want 
men sal alletyt dat oeghe tot desen inwendeghen 
werken keeren, en daerwt werken al dat men 
werkt, hetoi lesen, beden, denoken, en, oft ghe- 
boert, oec wtwendich werc. Aller Keraib. 110. 

2) Mei heden heiaeien , bHaefitÊffen af eehaUingen 
eplégpenf fir. impoeer dee enbeidee. || Toert, dat wi, 
ooeh engheen heere, daer onse poertren Tan Ma- 
ehelne onder ghegoet sijn, binnen onsen lande 
beeden en moghen noch hem noch haer goet, omme 
engheenrande stueken; en daerof gheloTe wi se 
qnito te hondene, dat es te Terstane deghene die 
toCe hare [tot hiertoe] engheene beede ^egouden 
hebben, noch sonldich sjn te gheldene met den 
lechto. Brah, Teeeien^ 18 dec. 1801. Meekelen, 
8o heb wj hen geloeft.., hen, scepenen, raet en 
andere onse goede liede gemeynleec . . , nummermeer 
te eeattene noch te beedene Tan hoeren erffelycken 
coeden, dies sy ocht enich Tan hen onder ons 
nebben in onse lande bnten . . . Doude RoaAoeek 
f*. 40 T^., 12 sept. 1868. Dat wy, noch onse erren, 
de stedt Tan Meghem nimmermeer gheechatton noch 
beeden en snUen. (Terder staet: beden noch schatten). 
C. e. JKyAsm, Lmdiekarfer o. 1898. 

BEDENCKEN. Hem bedencken. Ziek in' 
beelden j meenen, tr, t^ienagimêr^ erm/re. \\ Dat sy 
hen dan bedachten, dat de Toors. goeden 'sjaers 
niet soo Teel nyt en brengen als hnnnen TOors. 
ef^paeht, renten of cheynsen gedragen. O, e. Brue- 
ed. Stat. T. 1667, a. 89. Ohristyn: e&iqneperenadent. 

BEDERF (BederTo), sn. a 1) Behoefte^ nood- 
tèkeUfkkeid, fr. teoiet, mSeeeeiUt. || Item, [gaTen 
doDtfangers] mieie joncfr., [doe] Jacopa wyf Tan 
Axtevelde, Toer in IngeLuit an onsen heere den 
eonbie Tan Trankerike eü Tan Tngelant, omme te 

Sskene omme daohterstelle dat hi der stede scnl- 
h es, en omme andre groote bedenre, thare 
theie, eer soe weder qnam .... Hütttkvb, OoT' 
pier. 88 (1848). De meester [Tan het schip] mach 
wel nemen winen jeghen den coopman, en Terooopen, 
onmie eeconrB te hebbene te siere bederTe. Seereekt 
, 23. Al so dicwile als eeneghe gemeene 



aataoepe iof eeneghe bedenre, die der meentooht 
ioebort, goTalt, dst sal men doen bi gemeenen 
tide Tan den heere, Tan deu scepenen en Tan den 



lieden Tan den dorpe. JT. v. ter Piete^ 1266 , a. 17. 
De Lat. tekst heeft eenTondig: negotium. 

2) Zaken, heroepebezigheden, belanffen^ fr. ojffaireSf 
intérüe. || So wie dat binnenportre wordt, moet 
wonen binnen Antwerpen . . Maer te drien tiden 
binnen den jare mach hi buten sijn, dat es te 
wetene a in den lenten, in den oeghst en in den 
herfst, en tolken xl daghe. In andren tiden mach 
hi oec syn baten Antwerpen omme sine bederre, 
en anders niet. Kb, e. Antw, a. 169. 

8) Dienet, fr. eemiee. || Waerd dat eenich Tan de 
ghezellen [nl, bootsgesellen] hem quetsto in zinen 
bederTe, bi fante Tan hulpen, sy zullen gehouden 
syn omme hem te ghenezen en te betome bi den 
meestore en de ghezellen Tan der tafele. SeereM 
9, Domme, 21. Het OTereenkomstig art. 206 Tan 
tit. TUI in de (7. eomp, v. Aniw, zegt: „int doen 
Tan arbeijt oft dienst Tan den schepe . 

4) (Bedarf). Nui, voordeel^ fr. profU, mtüiU. 
II Omme der meentucht bedarre. K, v. Bmgge e. 
1281 , a. 81 bis: Fr. tekst : poer Ie eommnn profit. 

BEDERFELlJCK (BederTeliok), bn. Aan bederf 
onderhevig f fr. corm^tible, eujei è $e gdter, è pi- 
rir, è ee dêtfriorer, \\ Indien 't [«2. het in beslag 
genomen goed] perissabel ofte bederTeliok waer, 
soo ordineert men *tselTe ten hoochsten Teroooht 
to worden. O, e. Qeni, iy, 1. Yan den Hane: ree 
tempore periiura. Maer soo wanneer alsulcke aen- 
gecommen beechadiohde goeden smiltbaere oft be- 
derffelijcke goeden sQn. O, v. AnUo. eomp, iv, 
xj, 190. Allerley bederffel'ifcke fruyten, alskriecken, 
kerssen, eertbesen, krakebesien, pruymen, moer- 
besien, comellen en persen. Blao. v, Brah. , I, 
69. Z. d. 

BEDERFENIS (BESSBYBinESBx , bsdsbfxkibsb), 
Fig. Bederf, fr. corrwption, \\ Kettorien . . . , om to 
doen oprljsen een nytnemende boose en stijnokende 
quaetheyt in bederTonessen Tan den kerstenen ghe- 
looTC. Plae. V, VI, 8 mei 1621, I, 98. 

2) VerUee, prijemakingy fr. perte, eaptwre. \\ Al 
isser tijdinge gecommen . . . dat het schip bij der 
hooger bant oft Tijanden gehouden, gerooft on ge- 
nomen is . . . En oft Tersesert schip oft goet ginck 
oft quaeme Tan oft naer eenige plaatsen buijton de 
TOorschreTc paelen gelegen, en dat de bederfenisse , 
berooTinge oft arrest buijton deselTC paelen waere 
geschiet. . . Cv. Antio. camp. iy, xj , 282. 

BEDERVEN, onz. en bedr. ww. 1) ovz. — 
Behoeven, noodig hébben, fr. avoir besoin de. KU. 
BederTon, vetue^ j. derTon, carerey egere, \\ Nu 
hoort . . Ende tzeedert hebben die ooninghen [Tan 
Frankrijk] gedaelt ende onwinnachtig geweest Tan 
kinderen, en oijck onlyrich op eertrycke. Ende 
men en weet wat God Toort wercken ssl; wat be- 
derTcn lantoheeren meer exempels en castoyements 
dan hier gescrcTen es. Piot, Ohron, 27. 

2) Vergaan f omkomen, tterven, fr. périr, mourir, 
II Also dat si niet Tan honghere bedenren en moeste, 
wantee haer kindere niet houden, noch Toeden en 
wouden. Sehep, der dbdie te Vorst, Mei 1868. Doe 
seide de graTe Karelet het is groet jammer, here 
proest, dat ghy zo Tcle goeto en so Tele corens 
hebt, en wel nalicx om niet, en ghylieden. laet 
Vlaenderen bederTon Tan honghere. Jak y. Dix- 
WDB, 46. Sloughen Tammaerto oem doet, ende 
Tammaerto dochtere, dewelke bermcht was, want 
zy was zoo duerghewont, dat de Trucht bedarf en 
starf corto na der moeder. 48. 

8) BXDB. — In den grond storten, arm maken, fr. 
mieier, \\ Dei oock, onder *tdecksel Tan dien, en 
ooc Tan leprose oft Terbrande en Teijaeghde per- 



132 



BED. 



BED. 



soonen yan de frontieren, oft bj der inundatie be- 
dorren. Plae. «. VI. 16 juni 1666. I, 29. 

4) Verderven^ verêfortHf mtmmIm, fr. dStrwitrê. 
Il Die de honten oft oyeren yan de fwanen, &i- 
santen, partiyseen oft diergeljcke aal rexetroyén..* 
Die in der voeghen voors. tal achieten eenen rer- 
gher oft synen horst bederren, tal Terbeuren. lo. 
31 aug. 1613, a. 76, 77. II, 408. 

BEDESETTEB, sn. m. SmmbU^ diê de heloê^ 
tingen omslaai en te ontvangt^ ft. répariUemr ei 
reeeoeur dee aidee et enbsidesy ateéemr. || Alle bede- 
setters geseten int qoartier Tan Antwerpen moeten 
rekeninghe doen, abt Tersocht wordt, in pretentie 
▼an den officier van der plaatsen en voer scepenen 
Tan Antwerpen. C. o. Awtw. 1646, ix, 49. 

BEDESGEWUSE (BeedtBchewyae), bijw. ia den 
vortn van het vertoeken en owuiaam der heden, ft. en 
laforme et dans Ie mode de r^partUion dee aidee. 
jl ïn sommige plaetsen gdTen die ondenaten gosa- 
menderhant hueren heere een somme Tan penninaen , 
en die setten en stellen sy ouderlingen op hem 
selven beedtsohewgse . . . — nae reoht, eoe en 
mach die heere dat niet heysschen bij bédwange, 
noch by arreste Tan rechte, mair mach dat wel 
begeeren beedtsgewijse en biddende, y. d. TAy. 
202 T°. En die ^)ede mannen , geawoerenen Tan der 
natiën, als representerende trierde leth der Toirs. 
stadt, hebben Terolaert Toer hun opinie: dal ïïj 
lüSsloegen die Toers. impoeitie, njet willende daer- 
inne consenteren; consenterende nyetmin die somme 
Tan 160,000 gulden beetssobewyse op dlant van 
Brabant opge^Tcn te wordene, naeTolghende der 
ouder costumen. Bekenk. v, Brah. |reg. 189 f". 11 
T«. (1642). 

BEDI (Bedie, bidi), TOegw. 1) Wmty ft. car. 
II Dat al tegader es tseghan de Trihede Tan der 
port Tan Audenarde en tseghen onsen here den 
graTe , . . . bedie de porters Van Audenarde ne 
staen niet ter Tanghenissen Tan den bailliu Tan 
Gherontsberghe , en hi ne maohae niet Taen. O. v. 
Auden. 2o d. bis. 29, ometr. 1300. 

2) GcTolgd Tan dat. Owtdatt dewigH, aamgenen, 
fir. pa/reeque^ putequet vn que. \\ Wi en hebbeói selT 
negenen segel , scepenen Tan Telseke , Tan onsen 
[h]oTede, bidi dat wit Tor hem bekenden, hebben 
si ons haren segel gelenet. Mei 1249. Beghert die 
meente, dat mester Niclais bus Tan Birrliet, en 
Tan al den lande dat hie sochte jeghen . • , dat hua 
en land en al dat er toebehort, si der meentucht, 
bedi dat oomen es Tan der meintuoht. C. e. Bmgge, 
I, 234 (1280). Dat Tele pine an die rente te Ter- 
dinghene lach elkes jars, bidi dat meuegberande 
scult sculdech was, en te Tele terminen te gbel* 
dene. 21 jan.' 1284. Bedi dat ie wel en waerleke 
onderyant, dat io negheene recht en hadde... in 
dese Torseide tienden. Mrt. 1297. Vaderk mme. III, 
436. Want bedie dat die Trouwe noch kindere hadde 
Tan hoeren Toirmanne . . , die soepene beTingens 
hoer hoet tüccle. Vonnie van Uede^ a. 26, bla. 136. 

BEDIEDEN. Zie bbduden. 

BEDIEN. Zie bbdijoxv. 

BEDIENEN, bw. 1) (Een mandement, brieTen) 
Doen aanzeggen, overhandigen, overgeven^ ft. eigwi^ 
fier^ remettre^ déHvrer; remiee, dMivramoe, jj Mits 
dat de caatellain Tan deser stede bracht hadde te 
Bruessel een mandement Tan den oonino, omme te 
doen bedienene up die Tan NiencTe, inhoadende 
dat IJ den Toors. ghcTanghenen weder souden ^e- 
crighen, np de Terbuerte Tan Utc, Tangoede*. Van 
der oopien Tan eenen mandamente, twelke de caa- 
tellain Tan deser stede up scepenen Tan NienoTe 



dede bedienen mat* eenen hniaaier te Bmaaiele, dal 
■▼ aoodan met hoeren ootfangere eonmen Tekenin* 
^ doen te Meohélen. Benen duerwaaidere nm den 
booghen rade, die yan Meohélen qnam scepenen 
anderwerf daohyaerden te Brooeeel ei& hemnedw 
adyerteran dat tj ghewyst waren in deerste def- 
fimlt. St.'Bek. Nimove, 1488. Zoo wanneer de yoot^ 
nomde officiers en wetboaden in fanlte Uiyen yan 
de Toomomde letteren yan faolslotinghe te obedi^ 
ren . . . ; en daemaer schepenen heimieden [ai. de 
schepenen yan buiten] contamaeeiende efi yente- 
kende yan alle ezoeptien en weeren, en uyimóe 
proufiot yan dien, naer V blyoken eerst daer ghe- 
nomen yan t* bedienen yan de yoomomde letteren. 
C, 9, Anden. I, i, 18. En sullen die yan da stede 
yan Audenaerde gheen letteren yan hofidntinghe 
mo^hen bedienen. Ib. a. 16. Sallaris yan den mee- 
sagier, toot t' bedienen yan eenen ontslaohbriaf, 
z^ s. par. Ib. 2« d. bis. 421 (1619). 

2) (Zyn leen). De fliehien vam t^ leen vermdlen, 
ft. aeèomplir lee devotre de eon flef. || Soo doei oQck 
[«2. yerbeurt ayn leen] die, geroepen oft gesom* 
meert weeende, weygert en yemnaedt yoor den 
heere oft synen stadhoudere te compareren, ofte te 
rechte gaen ter saecken den leenen raeckende, eft 
merekeljek om sjn leen te bedienen. O. ïeemhef e. 

jSKeOHnMM, T.. Z« 

8) (Zyn beroep). Hetopetèêpmtemreilaimnhnm^m^ 
ft. faire ineerire (son appel) am rÓte dee Meeiat» 
II Van sommen excederende twaalf oaiolna guldens 
eens, sal diegene die hem yindt beswaeri mogen 
appelleren yoor scepenen, efi in dien geyalle sal 
dezeontie geschorst worden; wel yerstaenda nooh* 
tana , dat hQ binnen y^fthien dagen z^n eippA daer 
sal doen bedienen. C. d. eiad Meeheten, AidiHe 
29 nor. 1641, a. 2. (Een oude prdktiayn yerUaarde 
het w. ,,bedienen" aldus: Niet alleen hebbende 
bescryfTbrieren ehelicht, efi die dekene efi geswo^ 
rena [at der li&engulde] doen leyeren, maer dal 
hy die saeoke yan aimellatien yoor soepenen, binnen 
de zy daegen, sal hebben ter roUe doen stellen» 
soo dat behoirt; en aldus wordt dit woort bedienen 
yerstaen, en ia alaoe diokmael by acepenen ye^ 
daert geweeal en ynytgesproken tuseohen partiea 
yoor recht.) 

4) (Bene ordonnantie). ITileosmi, ten mUvoet 
brengen , fr. «ai^e»^, meitre d eméemiion. i| Omdat 
er te min awarighe^ sonde yallen in 't bedienen 
deeer ordonnantie, is geordonneert efi orerdngen, 
dat elcken weesmeester uit der yoors* stadts g^ 
meyne goeden sal, m prorisie, uytgereyekt m 
betaalt worden des jaers twelf rinsgtudens eens, 
en den klerok ena. O. v. Laven, Wenk, a. 78. 

BBDIENLUCK MAN. B— Yan ▼ooohdie» 
b— e YOOOhtt ook Besetman. Een mem^ ge- 
eteld am hedde en mameekap te doen voor eroateMii 
memmerfafigen of onbekwamen , moi* geettm^pbê ge^ 
eUekten, en ook, b^ voknachi^ voor andere teenkmh 
dere { te ondereeheiden van den „tterflnmn** ^ n*'*^ 
püijk aiaa", fir. AeaiflM eervani, mn komme n em m é 
fomr flnre foi et hommuige, am «oai de J^mmm^ de 
mimawre on d^inoapablee, et dee étMieeemenie reüf 
§%em», oiasi gmoj patr proenraHonj pomr d^amêtee 
hommee de flef f è dietimgmer ^ Vhamme mamwef^ 
Zie BSSSTMAV. Dit naerrolgende es de grootte efi 
denombrement yan eenm leene, dait iok, Willem 
yan der Zype, als bediendelic man yan Tooobdien 
yan joncyranwe Margriete Heymandts, ^meester 
Liyinua, mynder hnysyrauwe, houdende ben in 
leene en manaoepe yan edelen en mogenden heere 
mer Maiimiliaen de Melun . . , faelya leenmy 



BED. 



BED 



133 



ÉtorfSQ \j éuï offriTdme tan Jtn Hennany ftmeeeter 
Lrrimui, m jnen swa^eve. ds Pb. en Bs. II. Bêuêdê»^ 
80 (16è9). Zo Teire dfttter leenen aohtergelaeten 
m bj den orerledenen, te steUene by een oapiüe 
ib eMlm Tan den rdiefVen, feftultejrtaeip e& be- 
dienelkike rooghden, ten Uwte Tan den andaten «me 
iUeen. O. «. Amiem, S« d., bis. Ü96 (léOO). Dit ea 
ds giootte -van twee leenen, die iok, Oharles ran 
InstSy poorter der etede Tan Ghendt, maohtiob hj 
praeiifaAio orer efi nytten naeme TanjonoheerPieter 
de l'BapiBoj , die proooratie heeft Tan mer Samael 
de rBapiooy, zynen broedere, heere Tan Chafliiad, 
ene ala bedyenriiek man in den naeme Tan den* 
silTeii mer Samnél de l'Espinoy . . , hondend e ben 
fai leene en maneebepe Tan ... ds Pb. en Bb. YIII. 
AéÊ^tm^ 9 (1619). 

BBDIEKSnOHBIT, m. t. GMetuH^kM, 
Mmwi^f halpv aa r di ffk M , fr. miprê$»emeni d teroir, 
è êêeomir. \\ De heerBn Tan den hoepitale Tertroo 
km [Terbaalden] Tan barer belegber bedingbe, ael- 
BMMoanen en Tan barer bedienstieheit , die zo den 
aorman dede. Jav ▼. DmcvDS 88. 

BBDUDEN (Bedieden). (Bediêie, hedêêek, hê- 
d^^ea), OW. 1) W&tdm^ ft. dnemr. KiL BedQden, 
atfaj, Jlftri, |) Dat . . «o, wie hy zj, die Tan baten 
iBOOmmen wüle é& *t portenoip Tan deaer itede met 
wuenaten Terorigben, nnte doe ronpen en pablieren 
tar plaetaen da» hy wnent, bi sinen proobipape, 
in da hooehmeesetyt, up eenen sondaob ter pojrea, 
dal by Tandaar Tertrecken wille, en binnen deeer 
■teda eommen wonen, omme poortere met waeneten 
«e bediedena. O. e. Geai, I, 606 (1481). Alle wedn- 
wen Tan TasMlan . . . hebben ... de helft in [de] 
pMofljte Taa den leene . . daerin de Tassael , hoer 
I , . . atÜMhticb waa , efi oook nohtent [hnn buwe^ 



Mck] erfrebtieb bedeghen ia. Zeear. e. Vt, 76. 
Wiliem Tan Nonnendie, dewelke Inghelant metten 
swaerda wan, efi hj bedide oonino Tan IngheUmt. 
Jam t. Dix iro D S, 11. Dat deghene begheerende 
int toomomde ambaoht Tan den tapifleeors te eommen 
efi TTj te badidene, tonden moeten, alTooren, taelTe 
ambacht dry» jaren gheleert hebben. Jf . e. Fl. 
•Q aapt. 1668. 1, ^96. Ken bedydt kenrbroeder ofte 
kenxaoaler Tan den Toon. ambachte met oeborte 
aldaar. C. e. ItoaaAMito, ni, 1, 8. Soe wie binnen 
da afeadt oomt met woonste en aldaer ontfangben 
'aA by den magietraet geadmitteert wort, ofte aldaer 
g a buiou ia, wort en bedijt Try poorter derselTe 
aladt. O. e» JWm^^mi, n, 2. Deghene op wie de 
dctde an laatste keateae nytgaet , Miydt waeraohtig 
kooper Tan den goede. <?. o. Denderm. y, 9. Ynyt^ 
0Ooki&^w, Torboixaatin^ie, ToroaTelinghe efi Ter- 
deel Tan goede gebeurt toMchen hoader ofte boa- 
darigglia «A d'hoire.., efi bedjdt elck erfiushtloh 
Taa syn bantdeel (jte) oft toeleeh. (7. o. Aahtj zx, 
86. ISigityff oft inaolTent bedeghen. O, v Antw. n, 
6. Bedeghen baaokeRMite. Sê.-rèk, Berffen-op-ZooMj 
1568. Badeach blent. Jajt t. DmirDS, 69. Inaol- 
Tont bedeghen. OL e. Aai», ^omp» IT, xt, 26. Tot 
inaalTantie be^hen. (X e. Deirmêt impr, a. 868. 
Badaaeh deek. Piot, GItm. 782. 

Bedtjdeil adijllS selft. MÊerdmj&rig wordemj 
fr. é &vmi r maf mr, mtrtir e» jcmüêtameB dé mt 
4tBé II Ten waere dat ly [nl, de kinderen] by 
ipaHe, huweliek, prie etem chap oft andere 
n . , haar aelik bedeuien waeren. O. e. Aalti , 
Znx, 19. Totdat sy t^aeilieder blada gheetelt 
Mn] ofta andetMina haerlieder lalf bedyden. Ib. 91. 
flaor laUk bad^^MO. C. e. AaUt, ZYii, 19. Haer 
iMder aalf badyden. Ib. a. 21. Sijna eelfs bedeghen. 
O. P^B. mit. 1 ang. 1714, a. 10. 



2) K&men, doordfinffen, fr. enir«r, pMirtr, || De 
Tcnrs. giften efi donaoien, geheeten „by radene 
oft na de doot*', lyn huydenadaigs geöooh in der 
gewoentan en praotyoken bedden, r. d. Tat. 240 t*. 

BEDUGBN. Zie bbdijdsv. 

BEDINGE, sn. t. 1) OAed M GM, h. fHit^ 
d Dieu. II Int eerste, dat si aal oomen te drian 
tiden tsdaeoha ter ebemeinre bedinghen, die men 
int huoa doet Toer leTende efi Toer dode, efi Toor 
alle aalighe sielen. Mbbtsitb en Tobsb, II, 688. 
S^hotierregL e. 1846. Om deilaohtioh te weeën in 
den weldaden, deroton bedinsen Tan de Toira. reli- 
gieneen, die nu sQn efi namaals weaen sullen inden 
Tora. godahuyae, en dat ai én hore naoomelinghe ta 
meer gehouden efi Terbonden sQn onaen Here Gkd 
in haren bedingen Toir ons te biddene met beroert» 
heiden Tan herten. Ib. OorJc, e. 1418. Hy [ml. 
Robrecht de Yrieae] Termaende haer [Bikilde], datae 
haer wilde Tonghen te Gode waert, met weldaden 
Tan bedinghen, Tan ruib&n efi Tan aehnoeaanen te 
ghoTen. Jav t. Dizhitds , 80. Tan gheliken reet 
hy [al. graaf Diederik] te aente Bettina, beaon* 
kende met bedinghen efi met aelmoeaenen de aepol- 
tuere Tan Boadin Apkin , synen reohtiweeia. Ib. 79. 
Doe Ghi mit nwen jongeren ghinot tot den bereh 
Tan OliTeten, daer Gi in uwer bedinge sweteda 
water en bluet. Sondêri merk. 92 t^. Veraohtende 
efi reproberende ooek [al. Luther] die goede obsei^ 
Tantien Tan den Tastenen efi Tan oneen Heere te 
biddene , tweloke die Heirlighe Keroke tot nooh toe 
onderhanden heeft, Tan oen TagboTiere en Tan dar 
messen, en bedljnghen die wQ doen toot da sielen 
der afliTighen. Blae. e. Fl. 8 mei 1621. I, 199. 
DiTiaeiende ofte oonfererende een^he saeken die 
eefiiffhaina het aimple efi ghemeene Tolok eoude 
moghen . . . diatraberen . . Tan der bedynghen efi 
auffingen OTer de doode. Ib. 17 juni 1626. I, 106. 

2) Ooimoediff terxoék^ lede, fr. kmmtié fri^^ 
dmiamdê. || Hieromme,.. gonatioh a^nde aynan 
reohtToerdighen bedinehen efi Teraneke, den Toora. 
peia metten brieren daarop gemaeet ^jnde, . . dat 
foTen wy en approberen. O. o. iSI.- TVaidaa, a. 29 
(1866). Philipa,.. graTO Tan Ylaenderen.. Doen 
te wetene dat, tor oetmoedeghe bedinghe Tan onaen 
wel gheminden in Gode de religienaen abdeaae en 
eouTont [I. eouTont] Tan den oloeatorTanderHiBghe 
by Axele. . ds Pb. en Bb. T. JTerelMe, 66 (1408% 

BEDINGEN, ons. en bw. 1) Yan peraonen. 
Oerêekièlijk aaikloffem, heêeèÊiidiyên , fir. oaMomMf, 
aocuêêr. || Dat mi, N. [abt Tan St. Bemarda],... 
efi niemen el, toebehoort danespreken» tbedinghen 
efi tmanen Tan alrehande atucken. 19 juni 1296. 
Dat atille gheachiedt oft met naohto, dat aal men 
atille prooTon met hen tween oft meer. Nemen ai 
op haren eet, dat diegheene aonldieh ea die ay 
bedinghen , alae Tan atuoken daer men die waerhait 
ane &ei, aoe eeat toI bedraoh. it. d. wmerij e. 
XoM», 1819, a. 68. [In den eeraton] heeft den 
meyer Tan Leeuw het Tangen oft [i. ende] span- 
nen, efi den goTangen, die to reoht Teiaoobt wort, 
to bedingen Tan dry tot dry dagen, in preaentie 
Tan den meyer Tan Thienen, oft aynen atadtbouder, 
efi en maoh den meyer Tan Thienen die niet b^ 
dinghen oft apreken [aenapiaken]. C e. Xmimm, 
lY, 1. Sohepenen zyn aohuldioh reohto to doena, 
efi den gheTangene to eondemnaran tot Terbavito 
Tan aynen lyTO, indien ay berinden ghenoeob 
daartoe ghethoont to sljne, oft anderaama.. to 
pnnieren , 'toy by ciTÜe boeto..., gheiyck ay by 
oen prooeaae berinden aollen to bMioom, alaoo 
den achouteth niemant quaiyok en oan badinghan. 



134 



BED. 



BED. 



O0 Stöd Mteêdm, i, •• Cfarótyn: tifmdem frafte- 
Uu mrüê imfmtiè tn Mêmimt m aeiumem tmam imsiUmerê 
poiêtif qni rtUhmê offUü Mweêrilaimr ad aeeuêomdmm, 
Jn de QitATe tui 1AS6 staal tograorer bet woord 
^bedingen geflchnren: ^^boiitet en om niet 
oiuUek bedngm (! ?)• |j Aenpende de tortme» wor- 
den elle knerelaen^ nxNMribnnden, kefckdieren, 
ens. (d*inlbniuiiie piecedente blrprende leeieei),.. 
ter leberper ezMninelie ^eetell, aytgbenomen de 
noorten en kndteelen^ die men daertoe openbeer> 
lyek bedingben moei. O. e. Srede, Mwme, reekiem^ 87. 

5) Ten faken en goederen. A<mHag§m em mt- 
tcigm tn rêekUf tr. d^irer H pomramvré en puiioB, 
tl Zo welke tHt dal een Iwitl bedingbel ee» die 

Sriie» die beuaghen es Tan den twiste, moet bid* 
n omme daeb bin den naeslen acbt daghen dal 
die twist bedingbel es. K, e. Brmgge e. 1304 , a. 87. 

3) X Jltêmx êUent toofdragtnt aanialemf eerAolea, 
fr. aHiotiUrf cHUgutr^ wpoëêr^ narrer. || Fejten 
bedingbl l^ Willemen Verheien, ab officier tot 
Oasterlee, aenleggere, tegen Lijsbeth Tan 2Seel£rs, 
gOTangene efi Terwerdesse [beschuldigd Tan tooTery], 
Mifkêaréh, ProcMSS», 10* B. Dal sy \nL d'adTO- 
eaten] in henre schriftnren by fejrten niet meer 
stellen en sollen dan sy mondelingbe bedinght en 
sollen hebben. Stijl dês Jtaadê wn BrabanU, a. 929. 
800 wanneer dat men boTindt, dat in den prooesse 
feyten sQn Terhaelt oft bedinght daerop partye haer 
naarder sonde behooren te Terclaeren... C v.Antw, 
eomp. y, w, 78. Als partye ten bestemden daege 
nQet en oompt, oft weQgert haer Terclaeren bij 
kmmen oft ontkennen., te doen, soo worden de 
fouten tot haeren laste bedinght gehouden Toor 
bekent. Ib. r, ts, 79. 

4) JEKfoAsfi, tr, reguérW. \\ Soo TOrre ab niemant 
daertegbens en compareert, om die scheydinge 
TOorsB. ta doen, oft aaerteffhens te sustineren, soo 
bedinght den hejssoher owt den sohouteth, Tan 
lUnder officie wegen,, staen moet in der onwilliger 
plaatse. C. e. BrAa^ a. 79. BoTinden de schepenen , 
aal die materie den IQto niet aen en gaet, soo 
wort dia ffheTaoghene, indien dat Tan synent we- 
ghen bedmght wordt, gherelaxeert onder cautie 
Tan Ie vacht te staen en tghewysde te Toldoen. Ib. 
MmAö» fMhUn^ 86. 

6) PUUmt hepUiUn, im rêokt behandelen, fr. 
piaider, déboHrt^ iraUer en fu9iio0.'\\ Dat men aUe 
ghenachten die Ier Tierscharen inffheset worden 
efi ghenomen, Ier Tieiscaren bedinghen eü einden 
sal. Efi alle ghenachten die ter straten oft ter 
Bcepenhuis ingheset oft ghenomen worden, bedinghen 
efi ein^l^n sal ter soepenhuis oft Ier straten ; w^;he- 
nomen erve efi eyghen, en dal naersoap heeft, dal 
sal Ier Tierscare comen. Kb, e. Anho, a. 191. Zo 
welke lilt dat een twist bedingbel es, die parüe, 
dia bedraghen ei Tan den twiste, moet oidden 
omme daoh bin den naasten acht daghen dat die 
twist bedingbel es. C e. J^rt^, I, 4 noT. 1804, 
a. 87. Efi dese y, Ie welen, ierst dal possessorie 
[al. int cas Tan nljeuwiche^den] en daima dal 
pelilorie [int cas Tan propnetayten], mogen wel 
bedingt efi beleydl wordden beyde Toir eenen 
riohlere, efi by danselTen beslicht. y. d. Tay. 88. 
Want in den geriohlen dicwyie oomen ennige adTO- 
oalen, die hen onderwjnden der goeder luyden 
woorden Ie Tueren, efi huer saken te bedingen, 
nochtans dal hem dal Terboden wort in den rech- 
ten . . . n>. 881. Omme dieswille dal eeneghe par- 
lien, efi by speciale de Terweerers, als ly teenen 
poorlenohen dynghedaghe betrocken lyn, iJle huer» 
uadan ordinaire dilayen namen up de aniwoorde, 



en als dsMlTa driajen al gliyssoiit ijn, ao doen 
sy hneriieden andwoorde be^nghen in de eonli- 
malie Tan der Ticfscbany aldaar dal tj lomtjU 
de schuil kennen, en Tenoocken Ihebbene lan^ie 
daigben Tan paiamenlen; en dal aoepenen ena. O. 
e. Bmggê^ VL, bla. 818, a. 6 (1527). [^ampiman] 
is alleen niaeht hebbende omme partijen biimen de 
stadt en Trybegl Ie daghen in saecken die ter 
manissen dee ampfcmans bedingt en ghewesen worden. 
C. e. Amim. 1682, lu, 7. Yorbintenissen Tan 
eenigbe onmeriycke goeden, renten of actiën retel 
TOor de voors. wethoudeien Tan der lakenhalle gbe- 
passeert, Tan te recht te staen en 'tghewysde to 
Toldoen..., ooncemezende saecken die TOor hen 
bedingt oft ghetzacteert worden , en syn Tan gheender 
weer&. C e. Amtw. 1682, y, 11. De quesüen, dif- 
ferenlen en gheschillen bedia^hende toller sonmien 
Tan twee kaïolns guldenen,... sullen Toordaene 
Terbaiyck, oock op de tootb. roUe beleydl en b^ 
dingt worden. C e. Santhove», isipr. Siijl, 46. 
Want men bevonden heeft hier Ie TOien grooto 
gebreken in de adTOcaten, taellieden en procoreun 
m *t bedinghen Tan der goeden luyden saecken, 
Tan d'een den anderen te injurierene, te kyvene 
eii malkanderen te irriterene.. D). a. 848.. Alle 
welcke Toorss. saken . . . eenen iegelijcken gheper- 
mitteerl is te bedingben en beleyden, by assistentie 
Tan procureur. C e. Bru9$elf 1606, a. 66. Chris- 
tynx Uogl dirigere modo proeuraiore^ Dat de civile 
saken . . . souden worden ontoommerl en bedinght 
TOor borgemeesteren, schepenen en raedt. Ib. a. 66. 
Christyn: traetentur ao deeidamtmr. In de heeren 
raedtkamer sollen worden bedinght alle saken.. 
Ib. SHjIl dor MaaearoUf , a. 62. "StX de procureurs 
de begonste saken sullen moghen bedingen op aUe 
werckende dagen . . a. 68. Binnen welcken lydl de 
procureurs niet en sullen moghen presentersn oft 
bedingen eenige oude oft nieuwe saken, nytge- 
nomen dal sy geduerende de Taoantien sullen mogen 
presenteren, ^dingen en ontcommeren de nieuwe 
saken Toovrallende in materien Tan., a. 64. Als 
ymani heeft Temadert eenige gronden Tan enren 
gelegen int quartier Tan Antwerpen, die by eenen 
poorter gecooht sgn, alsulcke Ternadexaer mach 
den poorter doen beschryven, op alsoo lief als hy 
syne Temadeiinge heeft, om TOor amman, boige- 
meester en schepenen syne redene Tan Temaderinge 
teenen sekere gelegenen daege te oommen bedingen. 
O. ü. Aniw, oomp, t, t, 7. D'aenspiaeoke moet 
innehouden.. ., met byTueginge Tsn clausule salu- 
taire Tan reoht en justitie te doen, oft soo Tole 
min oft meer aen te wysen als men Tnytten b^ 
dinghde Tan de saecke [een ander Hs. segt: Tuyt 
„tbeleide'* Tan de saecke], naer gelegenheyt Tan 
dyen soude Tinden te behooren. Ib. y, «, 2. AUe 
ixistantien Tan processen . . gaan teniet en oommen 
te smilten soo wonneer men de saecke heeft laaien 
Toqaeren,... ten waere dat in de saecke.. soo 
Torre waere geprocedeert oft bedixight, dalter geen 
termyn meer en Tiele to houden. lo. y, xy, 1. 

6) Onroerende panden nihnnnon^ gmreeèMgik toe- 
wijeon^ fr. éwnoer^ adjeiger jmdieia ireme n t dee gagee 
.taNRo6tli«rs. i| Indien de opghewonnen goeden sgn 
er%oeden, worden daeraf dry sondaeohscha pioda- 
malien ghedaen achtereen, Ier puyen af, ofte op 
de dorpen ter kercken uyt, en daerenteynde, op 
eenen sondach daemaeel Tolghende , soo worat daeraf 
eenen coopdaoh affgheleecht teghens eenen sekeren 
gheleghen dach; en dien coopt&Ksh wort ghehooden 
ton selven daeghe, en de heere wordt waiand als 
Tan bedinghde goeden. C. o. Breda^ a. 46. 



BED. 



BED. 



135 



Hem bedingen tot (eenen puid), dien ge^ 
fweUel^l: af)p€sndem en rijn makend &• étineer jndir 
«imremeni (une hypothèque) et la faire tiemne, \\ Go- 
mea es Ghristine Kempenen, . . en heeft ghegoyt 
den Heyligben Oeest Tan Onser Vrouwen Tan 
Dieet [in] enen Bynegulden erffelick » . . en daer- 
Tiwre te pande geeat haren beempt... En oft ay 
bon tot den panae bediiighen moeeten, aoe aonder 
dear Heyligbe Qheeet tuwe [toe] comen als Toere 
hon erre. iSd^p. e. Xmmmm, 28 aas. 1400. Met 
eoeligher Toerwoirden, oft Gheerde, oft den synen, 
hoens oeje ghebreke, dat ey te denen panden hon 
bedingfaen moghen als tot haren properen erre. 
ld. 16 mei 1&3. Oeck eest Toirwoercie, oft hon 
hona oeyna gebreke, eoe soaden sy hon daertoe 
bedinghói als Toer haer proper eire. Sof AemU 
«o» den Dyeke^ 22 jan« 1466. 

7) Bebwien, fir. oomnmamder. \\ Die heere en 
prinoe ee moghende in sgne camere heerlQke Tvede 
te bedinghene Tan allen twisten, diere xl Toeten 
de twisters of Tencheeden zijn. Zo wie dat Ter- 
bveiety dats moordaet. Sn dat bedingt men met 
mamiMi in hofrechte. Ltent, v. 1528, C. T^. 

BED&AGH, m. o. BED&ACHTE, sn. t. KlaeU, 
leeeknidi^ffj fr. plainie, aeeuëation. || En Tandesen 
bedzaoen hebben heer Willem Tan Wilre en Gk>eesen 
van den Quadebroggen hoere onsoout gedaen Toer 
die Tiy persone Tan den payse, alsoe dat daeraf 
V^7^ ge^st syn met den pays Tan den Toerscr. 
▼iy personen. Aead d^arehéol. 1856, blz. 157 (1881). 
Bttt also dat de Torseiden baillin enighsoi Tan 
den Toonioomden personen te hemwaert hoadt, 
dien sal hi doen wet en Tonnesse met scepenen . . 
Tan der mesdaet die hi te hemlieden waert zal 
legghen ate caose Tan der Torseide bedrachte; 
binnen den eenten Tiertien nachten naer dat zy 
sollen [zijn] utegheghoTen bedraghen. C. ü. Aalsif 
Us. 567 (1408, a. 4). Wart de bedrachte ghedaen 
in jaerkeore, zoo ne behoorter ^iieene olaghende 
partie. Ib. 452, a. 18, xt« E. lïoohtan was de 
bedrachte ghedaen Tan tween persoenen, die ooo 
in TangheiMsse zaten Tan sculden. Ib. a. 19. Int 
|aer xüg« lzxiu... tiocken scepenen te hoofde 
aan mine heren Tan den Bade, met dlTersohe be- 
diaebten Toor hemlieden ghedaen in den jaerkeur, 
np mamen en Tioawenparsonen , Tan diTerssche 
eoKoeasem. Ib. Uz. 454 a. 21. Aengaende der bedrachte 
Tan Jan den Taddere, bedieghen in den jaerkeur. 
IK 456 n, 22. Daer ontsoaec of Trouwencracht 
es, daar moet men prouTen thelpgheronp , en danne, 
dat bedrsgli also uutghegheTon , zo wysen scepe» 
aan . . Ib. 494 (1486 , a. 9). Het ghoTalt wel som- 
wglen, dat soepenen sulo bednoh Tooren comt in 
dól Toorseiden jaerkeur, dat zy niet Troet noch 
wys «n syn. Ib. 828, a. 11, xt« E. Mids der 
bedrachte TOor scepenen commen, dat men Tan nu 
Toort niet meer Tan huusghelde ghoTcn en zal Tan 
den lakenen die men te merctmi Toert-, dan Tan 
alken balTen lakene ii groete. db VLAMnrcK, Vjfh. 
45 (1417). Als daer yemend in bedreghen es, zo 
sal menne w^sen te daghene up eenen sondach in 
de ktfreke, oomie te hoome of yemend jeghen dat 
faedraeh yet segghen wille. Leenr, e. 1528 , blz. I. De 
elefoqaan Tan de examinatie sQn aouldioh elcx 
getuggen Teielaeren int besonder efi int lange te 
sehryTen, in snlcker Tuegen als de onderrraechde 
poBoooen hun bedraoh s^n doende, sonder te ses^- 
gen: depomU artieuhm fU jaeet, oft affirmeert oe 
g es u bfe gn leerde clausule; ch oook: depomii als de 
'raomende. C, v. AxUo, eosip. t, ij , 82. 

vol bedraoh. VoUedig hewije^ fr.fMne; 



Zie VsvDAV, 650. || Dat openbair gesciet sal men 
proeTen openbair, alse Tan hoeme en Tan siene, 
Tan twee ofte Tan meer, en dats toI bedrach. Dat 
stille gesciet bi nachte, dat sal men stille proeTen 
Tan hen tween ochte meer; nemen sy dat op hair 
eet, dat diegene is sculdich die sy bedragen, so 
eest Tol bedrach. K. o. Si.-JPieiers-LeeutD e. 1284. -^ 
Dat openbaer gheschiet, dat sal men proeTen 
openbaar, alse Tan zieoe en Tan hoeme, Tan hen 
tween oft meer, en dat es toI bedrach. JT. d, mei' 
erij V. Loven f 1312, a. 52. Die manne [aj. leen- 
mannen] gaTen ute: Dat Jan Herman,., was be- 
dreghen met Tullen bedraghe, bi horen segghene, 
bi ghenachte, up dbeste, dat hi mede was ten 
fiute, en hulp Termeneghen [oTermannen] Gillis 
Businghe. C. v. Anden. Se d. blz. 801 (1858). Int 
eente so ghcTielt, dat dontpluuc Tan der wette- 
liker waarheden uutgaf in deaer manieren : het ghe^ 
ute wettelike waerhede en tuI bedrach met twee 
lieden wel eens ludende, en met lieden ghenouch 
meer, bi hoome, bi ziene en bi hooren Tcrlyene 
dat een Jan Gillis Boudin . . en een Bace de Buede 
hebben gheaeuTerdt eene Lysbette If.., jeghens 
hann diuic en haren wüle met helpgheioupe. x» 
Pb. en Bb. II. Seergem, 49, 14« E. Also Teel 
alser bedreven z^n met tween personen, goede 
tuuchbare heden en weerdich Tan tnuwen, of met 
meer, geeft men uut met Tonnesse, ter maninffhe 
Tan den meyere, by namen 'en toenamen, becue- 
ghen te ToUen bedraghen Tan den £site daeraf zy 
ToUe bedraoh hebben. (7. e. AoMy blz. 494, a. 
6, 1486. 

BEDRACHTE. Zie bbdbach. 

BEDBAEGHTE, zn t. Bedrag, hdoop. fr. imo»- 
iant, II Zoo Terre nochtans t^seWe ghelaoh niet te 
zeere excessyf en zy in comparatie Tan de nature 
en bedraechte Tan den contracte. O. e. A.ud, xx, 8. 

BEDRAGEN,. bw. 1) Beechtddigen, hHiehien, fr. 
accueer ^ inadper. || Ward hies [hi des] bedraghen 
metter goede warede, me soudene bannen o jaer, 
Tan sinen hoTede. O. e. Brngge, I, 81 dec. 1278. 
En upten naesten dinghedach was die wareide Torseit 
wettelike Tortiheschet, en sToer wettelike waer te 
bedraghene én te segghene tusschen N. en N. En 
alse [als si] die wareme Torseit ghesuonn [h]adde, 
de [doe] ginghen sle Tit, en berieden hem, en camen 
weder in, en worden segghende en bedroeghen: dat 
Hanne Witte hieude rQs Tan den wlghe [wulghen] 
tronken die staen upten wech. . Vort, so bedroech dia 
wareide Torseit: dat Symon Tan den Hore nam meester 
Nidais rijs Torseit, en droech se wech binne sinen 
hoTe, en bilt se in hoTitnessen[houdenessen] jeghen 
meester Niclais wille en sQns ondanz. En na den 
bedraghe Tan der wareide Torseit, worden sche- 
penen Toneit wettelike ghenaemt [l, ghemaent] Tan 
Pi]aren wetteliken maenre, omme die bMten te besche- 
dene na den bedraghe dat die Torseide wareide 
bedra^hen [hjadde. 8ehep, v, Svaêeele, 81 jan. 1287. 
8o wie 80 recht soendinc ofte wettelic soendine 
breict, en daeraf wettelike wert bedraghen tot 
scepenen . • Die cnif trect omme ctcI mede te doene, 
wert hys bedreghen Tor scepenen met orecnsoepen, 
hT es in de mesdaet Tan lx ponden . . — Daarmede 
eist recht soendinc tuasoen den daghere en den 
andren, die Tan hem bedreghen was. O. v. C7m#, I. 
Qr, eharier v. 1297, a. 18, 88, 47. Zoe wQ [wie] 
een kens uutblaest oft lest [lescht] metter nacht 
in een geselscap, daer twist begonde, om quaet te 
doen , hn sal ghelden thien marck . . En gesoiede 
daer cracht , dootslach of ander mesdaet , daer ny mant 
en woerde af bedrsghen en Terwonnen nietten rechte» 



136 



BEa 



BED. 



•M mI mm dm^MDaoi dte de IwriM letde , lioiifl«ii 
T«nroBiMii« C« 9. A.-7Wfl<2m v, 1966, s. 6. Dat, 
•!• mrÜMi to Iwdsmi gharen» tM twgtdom tui 
émt DOtt#, dai npd«4 fo iH , dai sH in aenegha Iwiif- 
boetmi MfVfhMi sQn, OMi sQ Mgheenn t« glie- 
t/iêoê n«tt«r eondoDpiMlM ran s^ker botto «Is 
t«r pl«#tM loopt daor don twicfc gboraUen es, dat 
foeponMi dan wQaon do bodrogbono panooon te 
ghoetane joghen don hoere mot salekor boofto ale 
tor plaotao loopt daor don twiat of tetie gbebomt 
oa. a o. jiaiê*. bli. 664 (€), 16« B. In welckon 
fconr do Toin* Pietor bodiogbon waa, dat bQ een 
Bioa ghotroekon baddo in folbeden np V. Ib. Item , 
oA CM ghoaoouaoordo oft bedregbene in doielTe 
waorbedo worden t*haerliedor onachnlt gboroapon, 
bj intimaoio tor kerebe, efl ahoboert in jnatioie. O. 
9, Amdm, I. Lmihqfy a. 8. olz. 440. Bon poraoon 
tan bnjton, die oenen poertere alaot oft qnotot, 
indien bQ doe bodreohen wordt ofl orer bom claobte 
oompt, Torboart dubbelen bmook. O, o. Andw, 
1646, IX I 16* Xjnieb miadedifler, die ter juttieien 
biaobt ia» oft anderen bedraeont in sjn toatamente, 
oA daarop aterft, aal men denaelTon bedraegen aynde 
noffon aentaaten londer inqoeato, om denielron te 
fOODt te etollen. O, ft. Loon, 14 mrt. 1648. a. 46. 
Den aohoatotb» ondonclumtotb oft benne dienaera 
oft geaworon ooliTdraogera, noob andere offleieren 
en mogen geen poorter, die op de daet oft foQt 
niet borondon on wort, geenainta rangen noob aonr 
tiaton, al ware by bQ |)mando bedraagen, tonaQ 
oni. C. o. AnUo. comp, yii, Q» 4. Ib. 6. 

8) Ovêriuiffom oo» em miêdr^, pUehüff vêrhiarêm , 
fr. ooaeaiacra d^na dÜ/U , diohrer eowpMê. || 8o wie 
dst hom bolpe dat dat goot weoh qaamoy . . ofi bya 
bodvoghon worde tot loepenei opdat hjtwiate,.. 
non aoudonno bannen. JTh, o. Amdm, o. 1828. 
Fo» FNmmm. 8o wie die aoen jaegbt ol njnt te 
binno [innen] bi bedwanggbe, en cuea beoregben 
worde M waerheden ror aoepenen, hi ware in do 
meadaden ran t Ib. Ib. Vam Zoom, 8o wie eonigbo 
awaora booftaonden, aan oft in*t lyf gaende, lun- 
loorde... efi daeval bedraegben wierat mot wei- 
Üghe oüroondoi aal gaan in Tonniaae dea lyfa; wordt 
maraf iomandt aenaaaproken oft niet bedraegben, 
maeb hom , mot •(jn nandt aweirende , daeraf bo- 
[ont?] tobuldigbon. O. o. *«.BSaM4, JVie. 7Vta« a. 
10 (1866). wie. van buten, enen portere alaet 
netter Tujat,. mdien dat h^a bedragben wordt 
alet vooht ea, rorboort iU lib. Zh, e. Amim, a. 18. 
De raaaalbeeren ofi hoogbo joatieieran rannogban 
gholyoko doumondo waorbedo t'bauden, alck onder 
baitladar Junadiotlo, aft de bodragbon te doen 

Knieren naar HberiMl ran don laiote, rolsbende 
•rliedor audo vemogben, uaantieii eft dnom» 
biementett. (X o. ^«dio* in, 7. Up de boete van 
IX aooUiagbott takken ala ar daarmede beronden 
olla bodrag b o n wierden bj oer goeder waerbodei 
a t. MfoSfê^ II. f. e. d ii l iaaaiii, 16 aapl. 1686, 
n. 88. Up do booto nn Tiobtioh ponden par., alao 
diekenl ala men do ooatnrio berondo, oAojremoBde 
bodragbon wort by dor goeder waorbedo. Ib. 84. 

BJfiDiUQfiNI88K, an. o. (Bar waerbeit). Mmé^ 
ptfÊOiffÊ wor oa^winaaawp , ir. ^aMMaa •• t oofnmM 
n Tan dootilMfa, ran r ww w eu o r aobt en ran Trede 
Hoekon, •& tmi aUan aaa ok a u dio dan boegen 
foabta toebohoeren, naar bet badraeganiaaa der 
wntrbeyt, eoo aal don aoboatal die aebepenaA manen, 
o8 daoiofOi anlla« ay baar TWiniam w|faan. C^ «. 
JfaaiÉriiM 9 M. 1878 a. 8. Na bodraramiaaa dar 
wairMl. IK Oor*, o. 1408» bte. 478. Dainan m1 



Qoen flBot 

heit. Ib. 88 oet 1418, a. 26. 

BEDREOEN. Zie mAAonr. 

BEDBICHTEN, bw. Btbomoom, ImHtiim (hot 
land), fr. oaUivor (la torre). Zie Di Bo. |t Item, 
68 Jan Banina, de paefater, die tgoed nu boeit, np 
tfoed aenldicb te laikeno . . aebte bonre boeaei met 
roggbe en tbsen bonre met oreno, wel on loreUe 
bedricbt en gbewinne [I. gbowonnen], gfaolto den 
gbeboere, en voort eeaae bonie biako gbeeeiflUt. 
ra Pm. on Br. IX. 29maroik, 11. 

BEDBIECH, an. o. Bodroff, èodHt^or^^ fr. *«oi. 
porie, framdo. \\ Warar een naarder, de foreoo p e i o 
ware onterft, meer tbojr nyet, en daar en ware 
niemond gbemt, ofi ware oen recht bedrieeb. Xerar. «. 
1528, bis. H. Alle de quadeooatnmen,dioinir]aen> 
deren regnoerden, en te soera ghewortelt waran, 
ala mordado, ▼ermdorien, dieften, Tlooken, aweeren, 
bodrioob, dode hy [nl Bbilipe Ton Xlaaten] al ta 
niete. Jav y. Dizmnn, 78. 

BEDRIEOENI88E (Bodriedieniiae), an. r. Bo^ 
drog, hodruffor^f fr. ^roeijMrie, fromdo. |) Zonder 
eenech Tutnomen , aonder eenegbe oaTÜkeie en aondev 
one^e bedrieghoniflee. 19 juni 1886. 8o ronnaeiaren 
wQ en gaen u . . alre eioeptien Tan . . , ran bedrie» 
ghoneoMn Tan beooepe tot heelft of derbomL ra 
Pb. en Bb. II. Etorghom, 48 (1819). Bat die 
maeatere Tan Bentmidon horen raat, dia atat efi 
die ghomojnte Tan Sentruden te aamonaaolon magbon 
doen roepen, aonder die banoloeko daeromme ta 
alane oft te ludene, . . om aaken aenmereaide die 
atat, . . aonder bedriegheniaao oft aigheliat. O. Xi^^ 
17 mei 1898, a. 4. ainU-Vrmdom. Alle bedriago- 
niaaen, aubtilen Tonden efi argboliaten • , nyt^dio- 
aeeobt. a. 17. Bit ia, lioTo Yader, dat onaonldige 
Uuet daernTebodriochniaingeTondonenia. liomdwi 
mÏÊrk, 57. Willende., oio Torhueden die aboyaon, 
bedrieeheniaaon ofi onbelunriyeke ontorfimiraon. Ploa. 
«. Broh. 18 noT. 1446. I, 860. Allegerende die 
bedrieeboniaaen en ondooobden dor Toore. goodingen. 
Ib. 861. 

BEBEBIEB, sn. o. Aeeeler^, onder 
dbor Brébcmiooho mmèiomaatM gepUtgd^ 
oaa oorgtuüiÊgom op èier «n «eipn, en oair tor jdpgoo 
hmd oom kti oiorom oom htrwi^tom, fr. 
Nitee eoM oe «eai pmt doo /bofft'eaaoin 
om aMi|^ de r^gmio do iièro oi do ain, oi omóoi è 
Voooookom do lm oüêbrmOom doo neoee. jt Baaanlyna 
ayn wy oio geïnformeert , boe dat eenigo on don 
m eea t en deel Tan oneen endo der Toenec enaelre 
boeren offleieren ende andere.. •• diaaeïro onae 
ondereaten te bidden in groeten get a le , ala boraB, 
te drinken buere wynen ende bjer, dwele wj 
„bedebTur^', ben doende betalon Tierworf 
17 gedroncken ende aldaar Tortooit hebben. Bokomk. 
e. Ara6. rog. n«. 188, f». 188, 80 jan. 1608. Ba 
titel deaer oorkonde luidt aUkaa: }| „Yetbot Tan 
|Mtbruloohten eii bedebierenin Brabant ta hon> 
dono^ en da Inhondatalel: 
bedawTnen oft ghdthndaehten te bondenen* 

BBBEWUN. Zie 

BSBBIJF, an. OL 1) (In 'ti 

H Item, heeft don beer» aldaar.. ♦> en dry 
wajen jaerlToVe Tan elden ingheeelena, ta 
Tan de paehtera« met w egh en en paarden, 
da handtwerckara oft coeenelen, lot akn&Bkar bodryf 
ala den heer» gfaebaft. Oaiiiih, 1810» bla. 4. Be4 
ey [ei. de inwonm mn Kaar0k] 

in ekèe wnko,.. Iba 





.»« 







BED. 



BED. 



187 



mseivtdmghe alle degene , alooo wel ran onsen Toors. 
lande Tan Ylaenderen, sonderlinghe van de Yoon. 
iteden en plaetaen ontrent der yoors. plaetse yan 
Oaprijcke, als allerande andere sullen rooghen, 
▼an nu voortaen, Trijelijck en paysiTelijck gaen en 
•enden, frequenteren en conyerseren in onse yoors. 
stede yan Copr^cke , met haerlieder waeren en coop- 
mansehepen, en daer Torcoopen en eoopen en doen 
fittt yan eoopmanschepe; en andersints huere andere 
bedriyen en aifairen, in der manieren dat men gh»> 
eostumeert heefk te doene in de yoors. twee mercten. 
D* Pb. en Bb. xiii. Kaprijk, 34 (1409). 

2) LandbomOf verriéhiingen van den landbouw, ft. 
Offriemllnre, travaux de ód(ur$. || St que leediett 
monasUréê, elaieire* et coflèges {quant aux biene 
et terree quilz tiennent comme amoriie) ne Ue puye^ 
êemt eulxmémee culHtêr ne labourer, ne mettre 
emr ieellee terree ou prairiee hetfes pour en faire 
profteii 9ff auirement en faire bedrif, $ane coniri' 
buer, è eeste cauee^ è nos aydee comme Ie» aultres 
Uhomreure et gene layx. PI. v. VI. 20 febr. 1528. 
I. 748. 8oo wje eenen pachter, hebbende in 
huerinffhe eesighe winnende landen , op 't selye 
landt Taet commen labeuren en bedrijf doen naer 
't expireren van sijne hueringhe, sonder den pacht 
npgheeejt t*hebbene, den pachter zal t'zelye landt 
noch moghen en moeten ghebmjcken de dry naer- 
▼olghende jaeren. C v. Atdst, xiv, 4. Hoedat 
sjlieden [nl. df mindcr*wetten yan den lande yan 
Dendermonde] . . . yertoont hebben, datter diver^ 
sche processen tusschen hemlieden gherosen zijn, 
ter causen dat de affsetenen yan de eene prochie, 
bedrijf doende op de andere, souden moeten ghe> 
nieten een yierde part min in de onkosten yan de 
beden en ayden yan Sijne Majesteit. Plae. o. VI. 
S febr. 1661. III, 406. 

8) Ambtegebied, bewind, ir. reesort, dieiriei ad* 
mimetratif. || Dat ghj deae onse ordinantie.. ter- 
■tondt doet condighen en uytroepen oyeral onder 
uwen bedrijye. Plac. v. Brat. 22 sept. 1500. I , S9. 
(Oericht tot den amman yan Brussel). Authori- 
Mvende denzelyen officiers [nl. baillius] dezelye 
[qnaetdoenen] te moghen yeryolghen eü apprehen» 
derene, oock in eens anders bedr\jf , jurisdictie oit 
beerlicnede. Plae. v. VL 15 jnni 1556, a. 14. I, 
84. Is oock de schouteth des lants yan Byen sohul- 
dich de delinquenten by hem buyten der stadt eïi 
▼ryheyt yan Antwerpen eü onder zijn bedrijff ghe- 
▼anghen . . . binnen dese stadt te leyeren. C v. 
Aniw. 1582, ii, 7. Als d'officiera, buijten int 
quaitier yan Antwerpen geseten sijnde, eenige bal» 
lincen yan de stadt onder henne jurisdictie oft 
bedrijff onderhouden, en die terstont, ten sohryyen 
yan de stadt, niet leyeren... Ce. Aniw, ccenp* 
TI, ij, 7. Binnen den bedriye en bewinde yan den 
▼iere rentmeesters yan Brabant . . Bekenk. o. Brab. 
TCg. 185, R 123, 16e E. 

4) Reehtegebied , heerlijk rechfegebied , reehtemaéhi, 
reekieplegimg f reehisuUoefening ,' fir. juridiotion eeig' 
memriale^ pemnoir judieiavre, adminietrtUian , exer* 
eief de la fusHee. \\ Voert es sohnldeeh te wesene, 
de borcbmye, of dien hi zet, te allen ghedioghen 
flfi te allen sttcken dal de wetteleecheden toebe- 
hoert, eü te allen sticken eü te allen bedriye 
dat yalt tussehen den abt en den borehgraye 
in . de yq^edie , sonder hiet buten te stekene , 
up dat hire wesen wille. En al ware oec dat 
Me, datter de borehgraye niet en ware^ no 
sün aeria&t, daeromme ne sonde men niet latetf, 
die ware in zabbete stede, wet te doene, be- 
booden atwrchsgraycn rechte. 13 aept. 1298. Hen^ ' 



riek Colye..., item, xx^ st. y d. Br., xxyiQ cap- 
puy[nen] j. derdeel, j. mol[enyat] eyen, xxxy s. 
paym. en j. ingherdach [nl. leendienstdag] metten 
bedriye yan herscape aen menegherftnde pande 
omtrent Dunberge gelegen. Leenhof o. Brah. reg. 
YI, f°. 83 y^., denombrement y. 1440. Item, in de 
heerlicheyt yan Ziohenen hebbic xxQ manna yan 
leene, die yoUe leen yan my houden, en heergewede 
sculdich -sijn , dairaf de ix bedryf hebben yaa heer- 
licheyden, en moegen hebben omtrent yyftich man- 
nen, die yoirt leen yan hen houden, efi yele laten, 
dairaf ie tgetail niet en weet. Ib. f>. 209 y«. 214. 
Besunder dieghene die pretenderen en seggen be- 
drijff, jurisdictie en andere heerlicheyden te hebben, 
hetzy yan meyere, scouthet, soepenen, laten, en 
andere achterleenen ter saken yan hueren heer- 
licheyden en leen gehouden. B^enk, v. Brab, reg. 
188, J9. 43, 30 juni 1530. Plae. e. Brah. I, 269, 
270. Alle leenen bedrijf hebbende, oft jaerUjcks 
weerdigh wesende yyf ponden Brabandts, oft daer 
boyen, worden gehouden yoor een yoUe leen; en 
alle leenen geen bedryf hebbende, min weerdig 
wesende dan yyf ponden Brabandts, worden ghe- 
houden yoor gespleten leenen. O. v. Meckelen , Z , 9. 
Christynen : Feuda eub ee hdbentia cUiafeuda 'et vae^ 
eallo». Eantteekening op de woorden ,,bedryf heb- 
bende" : daer andere leenen aff gehouden «yn. — Dat 
hy yan ons, als heere yan Gaesbecque, tot eenen 
yollen leene houdende is die heerlicheyt yan Sinte- 
Laureys Berchem , ter zaken yan denwelcken [nh 
leene] hy aldaer heeft meyere efi seyen acepenen, 
diewelcke hebben dbedryffyanerffren enonterffyen, 
en andere leeghe juriadiotie op en aangaande den 
gronden yan erffyen onder die yotrs. heerlicheyt yan 
fierohem in erfsohynse resorterende; en wanneer 
die yoirs. gronden yan erffyen yerthiert oft met 
renten belast wordden , soe competeren hem daeraff 
die pontpenninglum, en oiok die rechten yandooder 
hant, en des daeraene depenteert. A. Wauterêj 
Snvirons, I, 117 (1586). In auooeaaie eollatMael 
oft yan besyden, de broedera yan den aflyyighen 
Buccederen in de leenen eyengheiyok, behondeiyck 
dat d oudste heeft d'exercitie en tbedryf yan de 
heeriyckheydt, en tot dien het hays met de yal- 
bmggen en gracht daer om liggende. O. leenkn^ o« 
Brab,, a. 28. Chriatyn zegt in het Latyn: quiod 
primogenMus habeat jwrie&etionem ad domtimifii 
pertineniem, en in het Fr.: Vexereice de la jufie' 
diction. Twee oft meer ghebroeders- oft ghesuatera 
kinderen succederen hunnen oom en moye ghe- 
lyckeiyck ia de leengoeden, met alle yruohten, 
baten en proffljten; behoudelijck dat, die gekomen 
ia yan den oudtaten broeder oft oudste snater, heeft 
de hanteringe en 'tbedryf yan de heeriyckheydt, 
en daartoe het huys met de yalbrugghen en gracht 
daer om ligghende. Ib. a. 29. Chriatyn: juriedwOonii 
exereiiium. Met de yoorsz. baenderye yan Gkesbeke 
aal men alnocli t'aamen yerkoopen de heerehjck- 
heydt yan Sint-Mertena-Lennicke, consiaterende in 
hooghe, middele eü leeghe jurisdictie, keuren, 
breucken, forfeyten, opkomminghen, yeryaUen en 
al datter aenkleyen magh, en allen bedryf yan 
rechten daertoe dienende. Oaesbeke, 1670, blz. 1S« 
De heereiyckheydt yan Oudenaken, oonaiaterende 
in . . , mitagaders allen bedryf yan rechten daertoe 
dienende. Ib. 41. De eerw. heeren yan den capitele 
yan 8tb- Lambrechtskercke binnen I'CUck hebben 
onder Halen eenen heeriycken chyahoff, hebbende 
bedryff yan jii jaerghedinghen jaerliox te hoi;ulene| 
eü de elocke tegb«n dan te moghen trecken, en 
yan meyer en schepenen te BteHene, die den aeghel 

18 



138 



BED. 



BED. 



▼Sfi dt ho r e n ImMwii éft éêmnedê Mg)i«l«n die 
T«riltiMd« (tie) rniten éh gpeóeo , €ot, Maam , Mabw, 
II, 14 (iM9). 

6) Vaderlijk gmoff^ ir, fmaamee paUmdU* || Jm 
Brom etiuinciperde Jscop sinen soim, dedene vte 
tln#n bfOod« 6(i sinen badrire; coDMnterende dat 
da TOTMida Jscop Toortoii tju uüh man weten zal 
aft sfn selia xaken doan , ponder [dat] daeran de 
Toraeide Jan fhom cenien recht hebben zaL O* v, 
SfMgaé, II, bU, 496 (1466). 

BEDBUVKN, bw. (land). 1) Bebouwen, gOrmken, 
ft, euUivêfj ewploiUr (ane terre). || Toort moet de 
pachter laten t^oet tainen aÜMheedene wel en lorelic 
bedreren efi beaaet, alio hyt Tant tainen aencom- 
mene. ds Pb. en Bb. IX. NtuarMf 12 (1460). 
Serritate te hebben orer iemenden, hem tot zekeren 
tUde int Jair dienat Tan waghen efi peerden te doen, 
oh «yn landt te bedryreif, oft te laijen, pft te 
maQen. r. d. Tat. 864 t*. Ala een tochteneere 
aeWe het betocht goet bedryft en gebraljckt. C v. 
Antw, 1646, xin, 68. Allen denghenen die ghe- 
woonlyek zHn thiende te betalen ter causen Tan 
hunne gronden Tan erTen efï landen en andeninta, 
oft hj hen in pachte bedreToA eft beseten. PUie. 
e. Bf'ab. 6 Juni 1664. I, 98. Die erfhellicht- 
wlnningen, achoof koren ofte iet in plaetae Tan dien 
•chuldich zyn , Tan landen , bempden offc anderainta, 
moeten deaelTc landen, bempden oft andere goeden 
wel en loffelUck labeuren, winnen, meaten en be- 
dr\|Ten. O. e. Loven ^ vi, 6. Soe Terre deaeWe 
toeden tor halfwinninghe uytghegeTen waren, oft 
DT den tochtenaer leiTe bedreTen, ghebouwt en 
gnewonnen worden. O, e. MeeheUn, xv, 6. Chria- 
t\)nent üui ipiê êuii operii êoi Jkndos eoluerit. Al 
waoren de landen Tan beede zyden bedreTen by 
•enen proprietaria ofte pachter. C. e. Veume, zlii, 
11. Indien de Tooras. oeleydde goeden waren lan- 
den, bempden, oft andere gronden Tan erTon, die 
men nooael(|ok moeatte oeffenan, labeuren en be- 
dreTen. O. V. Bruëtolt 1606, a. 101. Ohristijn: 
hoia q%iaê ouUum amt itrairum repnrunt, Fr. eul' 
Htm H labowre», 

9) JSTaaM, koojmami^ap draven, fr. faire irafie, 
oommeroe^ opSraiion de eommeree. 1 1 Alrehande oomeacap 
dimen Tan idyadaefflia noene totten naeaten goens- 
daghe daaTonta te Dyeat bedrijft, aal men betalen 
taeife goenidaeghs metter tonnen. Kb, e. Dieet, B. 04. 

8) Kerriehteui vervolgen (in gereohtasaken), fr. 
prwHqmeri v o ur e mivre (en matim de justice). || 
Ifiaat dat laie, dat een man late heeft, en en zUn 
t\| niet beaworen, aoe en diedet n\jet dat mer mede 
bedrQft. iXechi van UeeU, a. 118. Efi ghoTallet alao 
Terre, dat men denghenen bedriTen wille bi der 
wet toto in de drie [mael?] TjfUoh ponden, en 
daema TOort ute aire wet, ao moeten die Toeraeide 
lli goede liede, ofte de twee Tan hemlieden, haer 
Ncort doen Tor aeepenen Tan dien dat tot hemlie- 
den ghehandelt ea , efi dan aal mena Toert wet doen 
met acepenen, na de wet Tan dar poert. O, v. Cfeni, 
L Qr. aUHer e. 1997, a. 186. 

4) Verneigen im reMe (een erf), er kei weüeêyk 
beeii mm eieektn^ fr. jM«r««ter« (nn hfetage en iu- 
atice) em réeimmfr la aetieniew l^vilf. || waer dat 
lake, dal een man «\)n erre hadde bedreTen den 
eenen dach, den anderen efi den derden, en dan 
quame op den Tierden dach, alee oplen daoh Tan 
rechte, efi dan taheeren gebreke, [daerbyj en eoude 
die dach nUet bl\)Ten Terlet, htne aoade bliTea 
alaende in den rechte, daer hy te Toere in aloet, 
ala Tta recht te gcTene, efi toot waait gaan in der 
■aken. UMU mm Vttie^ k 117« 



6) Doorbrengen, fr. diemper..\\ Jhn Tan Ohent 
riepen alle g h e mé e uel ike dal %j en wejnalen den 
prinee niet een myte te gfaeren, om aprinoea jono- 
neyt mede te bednTene, in coatelike inatmmeiEten , 
in pipene, in daosene, in reyna met wyfr, met 
danaera, pipera, die by grote ghiften gaf en ryke 
maecte. Ja9 Yur Dumvds, 267. 

BEDRIJVER, zn. m. l) Beeiemrdmr, fr. admnme- 
iratemr. \\ Hebben denaelTcn Peteren [Tan der 
Eycken] geaedt, gemaiet en geordineert . . , oeTcrate 
richter en bedriTor Tan allen aaken den gerichte 
Tan oneen rentmeeetencape generaal Tan Brabant 
toebehoerende, ala Tan onsen Toiie. wonde Tan Zo- 
nyen, Tan Tvoenten, gemeynten, atraten, ateghen, 
riTieren, wateren, wateriaten, en den beieyden 
dairaf, Tan meringen en palingen, Tan Talachen 
munten en munteneren, wi Ixmibarden, jueden 
en woekeneren, en Tan allen anderen nken den 
Toira. gerichte Tan onaen rentmeeateracape genarael 
toebehoerende, beide buten onaen wonden en boa- 
achen, en daerbynnen, hem geTcndeTolcomen macht 
en annderlinghe berele alle aaken denaelTen gerichte 
aengaende Tan onaen wegen te hanteren, gedingen 
dairaf te houden, enen yegelyken OTormyts en met 
denghenen dient behoert recht , TOnniaae en beeoi^t 
daeraf te doen, onae broeken en fourfiuten dairaf 
te Toirderen, en by denghenen die in der tijt dbe- 
weyndt van onsen Toirs. ontfiange generael sal hebben, 
te doen ontfangen , om by hem ons dairaf reke- 
ninge en bewys te werden gedaen. Eekenk, o. Breh. 
reg. 182, f^. 122, 6 apr. 1448. 

2) VeldopnekUr , fr. inepeetenr, enqnêtemr cAoai- 
pêire, II Inquisitores aggemm, qui dicuntur bedri- 
tere, et computatores, qui dicuntur rekeneren, et 
custodem aggrorum, qui dicitur eeniter, pro excea- 
aibuB autem deliquenoium int Noirtlant , prout fnerint 
condempnati a predictis inqnisitoribns et computa- 
toribus sÏTe scabinis aggerum (dijkffr<nen). sJtenk. 
V. Brab. reg. 188, P. 81 y^. (1271). 

8) LemdlSmwer, fr. vtUHoatemr. \\ Wanneer eenige^ 
landtbouwera oft hocTenaera henne dÜTen oft slooten 
begheeren te graTcn ligghende tnaschen twee ghe- 
bueren bempden, weijden oft landen, aullen de 
naeste gheleghen bedr\jTerB schuldigh s'ijn mede te 
graTen. C. e. Dewme, impr. a. 484. Zo hebben zy 
geadTiseert te belaatene de beeaten en bedriJTeri 
Tan den Ooatbrouck, weaende eene ghemeane weeda, 
oompeterende de supplianten en de TOorn* ghameene 
insetene, en niemandt el, die daarop haerlieder 
beesten drlJTen en paatureren zonder oost. Dx Pb. 
en Bb. YI. Nemie, 4. Dat de Toomoemde onkoeten 
souden moghen ghepoinot eii gheetelt worden naer 
weerde en deught Tan lande op den generalen bodem 
Tan jeder proehie, aonder aenadumw te nemen 
weder de badrÖTera zijn afretenan Tan de prochian 
ofte niet. Ploe. e. VL 8 febr. 1661. Hl, 406. Al 
tghene dat gheoughst, ghatast, gfaemijtt en int 
aohuere ea ten daieghe Tan den OTeriydena (ofte 
professane in religioene) Tan dan donaeiar ofte don* 
aigiare, aa daelzaem . . En es dan pa<mt ghamaickt 
by dan tochtenaere alleene mal ^jndar dool ofte 
profea axtynet, tan waare dal de prop riet a ria daer- 
mne gheeonaenteeit hadde. Maar ala hy nial gfaa- 
cooaenteert en hadde, aal niet min dói b e dn fsr 
ffherecht syn om Teighalt te hebbena Tan Tette, 
drichte en saade, naa landiaeht. C. a. Kortrjjfe, 
xn, 87. 

BEDROCH, m. o. (mT. bêdrogem}, Zooala thaas, 
fr. tfrwaparis , /Vwwis. || By aekenn bedrogen, oo^ 
mptian, exadian, abuyaan, maadiepaa aït aai^igan- 
tian. MekmJt. e. Mrék rag« 196, P. 60 (1495). 



BED. 



BED. 



139 



Willende Temen opte finMiden en bedrogen die 
in oontnrien Tan dien [»2. „Tan den rechten onBer 
wagen"] Toirtghestelt xjn geweest, oft in toecomende 
tjden Bouden Toirtgestelt moegen worden. Ib. reg. 
137, P. 53 (1617). Omme aUe bedrogen, fanlten 
en gebreken te Terhuedene, diewelcke de goede 
lieden coaden mogen hebben en l^den by quaden 
wereke en handelinge.' Lepverkers'omb, ie Dieai. 
11 mei 1540, a. 26. Bat diTenche ingheseten.. 
hen geToordeit hebben . . . daerinne te conmiitteren 
menigheriei abnjBen en bedroghen. Plae» v, Brab. 
6 juni 1664. 1 , 98. Bat bij eenighe Tan de brouwers, 
in 't afkerren en uytTueren Tan 't gherrijt bier, 
z^n gecommitteert gbeweeBt merekelrjcke groote b^ 
drogen en faoten. Flae, o. Broh, 8 noT. 1596. Il, 79. 

B£DBOCH£LUCK, byw. Op hedriêgO^lcew^, 
ft. flraudmleÊuemêni. || Ware iement die eeggen oft 
allegeren woade, dat dieeelTe guedinge bedrochge- 
lije waire geschiet en tot sijnen aohterdeele. t. d. 
Tat. 206. 

B£DBOCH£NISS£, sn. t. Bedrog^ fr, trompê- 
rie, f tarnde. H Off jmant were, die met beleyte- 
nisee off bedrochemsse Tan ooppeleren of ooppe- 
lerssen, off b|j ander subtjlre manieren, ymants 
dochter off kent , onder syn dage Tan twelff jaeren 
wesende, ewech leydde. O. o. MoMir, JPriv. 11 
mei 1428, a. 6. Maer, by den toedoene en bedroe- 
geneese Tan den Fransoysen , . . den Toirs. Eaerle 
en zyne medepleghers en hilden daemae niet den 
Toirs. tiactaet Mêêêager, 1874, 14 (1498). 

B£DBO£V£N, bw. Hem bedrooTon. Zit^ 
isdrons», ft s'aiUifier. || Bat de abdine ent 
eonTent hen bedroefden en beclegheden, dat. . Fr. 
laksi: Kê li Megte et li eonvem» ee doUneeU ei 
eompUigmoiemi Jre. Ahdij vam Vorei, 28 aug. 1292. 

BEBBUCKBN, bw. 1) muderen, fr. taeommo- 
ier. II By aldien dengenen die s^n gerief gemaeokt 
heeft Tan kelder, borrepat, kelderkencken oft ander- 
sints t^gen oft ontrent den priTaetkeld«r Tan synen 
geboer, aldaer eerst gestaen hebbende , sy seWen 
bedrackt oft beschadight Tondt door denselTen pri- 
vaetkelder. C. e. Bruesd, 1606, Servii, a. 73. Chris- 
tgn: OppreMtum et danmo affeeium, It. Loven ^ a. 68. 

2) Verdrukken, ft. opprimer. || Besgeiyox sQn sg 
[al. de borgemeestersj overmomboirs Tan alle be- 
dmckte weduwen, sotten, simplo, innocente, stom- 
men. C. o. JHesi, YZ, Tii, 2. 

BEDBUCKBNISSE, sn. t. BenamwdMd, he- 
druktJkód, ft. anxUU, afflieUon. jj Want Tan ah« 
bedrackenisse hoTestu mi Terloest. Qet^. XT« E. 
108. Ps. 58—54. 

BEDUNCKEN, ow. Demkeny ft. semUer. \\ En 
ons en onse naoomelinge macht en mogen [l. Ter- 
mogen] alle eü yegelycke saecken hierin geschreven 
te moegen Terkeeren, en aff en toe te doen, ten 
allen tijden als het ons en onse naoomelinge be- 
dnnckt dat des noit gebeur [nood doet]. O. lAfye, 
1 &far. 1447, a. 25. i^rst. 

BEDWANCK: xn. o. 1) BêókiegOned, ft. jwri- 
dietum. \\ B'oTermomboirB en Tormogen geene mom* 
boiis ofte toesienders t'ordonneren, dan.weerlijcke 
oft leecke persoenen, steende ten bedwaufle der 
Tocn. stadt. C. o. Xosmi, Weeek. a. 81. Kaegschap. . . 
woonende onder bedwanck der stedt. Ib., a. 38. 
Om te laeten Toltrecken d'oTictie door het gericht 
Tan Biest, soo moet oock den schoutet, ten OTer- 
staen Tan scepenen, de sluijtinge doen over het 
beclaeght hoijs off gronde Tan erre gelegen onder 
ToDgerlo, omdat den met}er nogh den grondtheer 
des hoib Tan Tongerlo geen bedwanck en hebben 
ouder Biest. C. e. Dieet /WZ, xi, 6. Alle Tonnissen 



gegoTen bij de laethen Tan Tongerloo worden ge- 
exeouteert door den scauthet Tan Biest, alsoo den 
meijer Tan deselve banoke geen. bedwanck en heeft 
Tan executie noch Tan arrest. Ib., XT, 2. Een 
borghe Tan te rechte te staen en tgewyade te toI- 
doen, mach, sonder Toorgaende pandingen Tan den 
Terborgen [Terborgden] schuldenaer, Tuyt craohte 
Tant Tonnisse tegens denselTen schuldenaer ge- 
wesen, Terrolcht en gepant worden, al waert oock 
soo dat alsulcke borghe den crediteur roerende oft 
onroerende goederen wiste, den gedoempden schul- 
denaer toebehoorende, de jurisdictie [oft bedwanck — 
Toegt er een ander hs. bij] Tan den rechter, die 
tTonnisse geweeen heeft, onderworpen. O. o. Anfw., 
eomp. lY, xi|j, 38. Alle Torsters oft dienaers der 
Toors. jurisdiotien s^n sohuldich op het spoe- 
dichste, . . den sohouteth of synen stadhoudere 
t'adTerteren Tan de feyten, delicten en mesusen 
by den Ondersaten oft andere onder de jurisdictie 
en bedwanghe Tan den sohouteth-ampt Tan Sant- 
hoTen gheperpetreert oft gedaen, en besonder elok 
▼orster onder slJn bedryff. C. o. Santkovenjimpr. i, 17. 

2) BeekiedwiBHiff van aanhouding of -van mbeUaff' 
neminff, ft. ooniramie judieiaiire d^arreetaüon ou de 
eaieie. jj BenselTen tyt Tan betaelinghe overleden 
synde, soo mach die TOors. partge, die de gelofte 
gedaen is, komen Toor den meyer ein twee sohe* 
penen, . . en Tersuecken 'tTonnisse Tan bedwange, 
achtervolgende de gelofte, die hem gedaen is; en 
die schepenen, almlan Tan den meyer gemaent 
synde , gOTOn TOor een Tonnis : dat men d«a TOors. 
persoon sal bedwingen met syn HjTe oft goeden. 
O, 9. Siekem^ a. 4. 

3) Ouderlijk geeag , mannelijk vermogen , etaat vam 
onderwerping y fr. pmeeanoe de pdre et mire, oictf- 
eanoe. AMortfoZs, auiorUé, euféiion. jj Be kinaeren 
syn en blyven in de macht en bedwanck van haer^ 
lieder vader en moeder totdat sy ghecommen syn 
totter oude van xxv jaeren, ofte bj emancipatie, 
priesterschap, huwelick oft anderen state, daerbr 
men, naer rechte, zyn selfs bedyt, haerlieder sein 
gheworden. O. o. Auden. XTii, 1. Ondeijaerighe 
weesen en kinders, wesende onder het bedwanck 
Tan haerlieder anders. O. v. Aaltt^ xiz, 3. Toorts, 
dat de ouders, hebbende kinderen, deselve kin- , 
deren houden in sulc bedwanc en subjectie dat sy 
niet en zweeren, noch andere onreyne saeken up 
de straeten noch elders voort en stellen, dateenich- 
sins wesen sonde moghen in blasphemie van Gode 
van hemelrycke en cleenicheden Tan eenighe luden 
van eeren. Corporaiione , 93, 28 juni 1544. Een 
vrouwe, die huerselfe leen verooopt, bi w.etene efi 
consente van hueren man, en daertoe by hem ghe- 
auctoriseert, en mach naermaels, als hner man 
doot is, niet te retracteren den coop, noch haer 
behelpen lenefkio VeUeiani, noch allegieren be- 
dwanc, reverencie, noch vreese van hueren man. 
Leenr. v. VI. 99. 

4) Dwangmiddelen, fr. mogene coëreUife. \\ Yoir- 
seide deken en drie geswoirne . . selen moighen . . 
setten, ordineren eü maken alrehande ordinancien, 
statuten eü bedwanghe. K. lakeng^ te MertJiien. 
14 juni 1411. 

5) Bexit, of maèhi om over iete ie heeehikken, 
fr. poeeeeeion, ou pouvoir de diepoeer d^une eèoee. 
II Alsoo wy geïnformeert zyn, dat'er veele effecten, 
goederen, meubelen, peerden eü equipagien zyn 
binnen de stadt van Qhendt toebehoorende aen de 
officieren wesende in dienst en waepenen van den 
vyandt, wy ordonneren . . aen alle insetenen . . te 
declareren by geschrifte., alle de effecten, men- 



i 



140 



BED. 



BEE. 



beien, goe d eren, peerden en eqnipegien dewelcke 
•T heboen onder hun bedwanck en waerven sy 
kenniMe hebben. PI. e. VI 6 juU 1708. YII, 1722. 

BEDWANCKBAER, bn. Onderworpen aem dm 
têehiêdwang van zeker reektegéned {hedwinffbaar)j 
fr. MeumU è la eonirainte de eertaine Juridieiion, 
eoniraignMe, \\ SoWente cautie , deser stadts rechte 
bedwanghbeer. O, v, Brueêd^ 1606, a. 73. Ghria- 
tyn s eamüonem ooram magiUrtUm eonveniiUem, Inter- 
dicerende aen eeniegelyck , deeer etadts juridictie 
bedwanghbaer, eenige Tervmnekeniaae ott eteick- 
makinge Tan en toot weesen te doen. Ib. Stat, v. 
1657) A. 2. Ohrifltiin: unienique enhfecto furiedie^ 
iioni he^ng tÊirbie. Twee ingheaetenen teghens den 
anderen in 'tprocee zynde, en dat een Tan hen 
beyden geduerende den proooMe buyten de juris- 
dictie Tertreckt, ie ghehouden, des yersocht synde, 
te stellen cautie Toor de kosten Tan den prooesse; 
en een Terweerdere, Tan alhier te rechte te staen 
en 't ghewysde te Toldoen deser jurisdictie be- 
dwanckbaer. O, e. Deume^ impr, a. 120. 

BEDWANGKELUCK, bn. Synoniem Tan Be- 
dwanMaer, \\ Dat men alhier niet en aal ont- 
fanghen eenen afghesetenen als aenlegghere teghens 
eenen inghesetene, tensy hy alToren, deser hooft- 
bancke ^dwanckelyok , sufficiënte cautie ghestelt 
hebbe TOor de costen Tan den processe. C. v. Deume, 
impr.f a. 117. Gautie suffisante, onder den beschryTe 
deser stadt bedwanokeiyck. C e. Lofeen^ yii, 1. 

BEDWINGELUGK, bn. Synoniem Tan bx- 
DWAVOXBASB CU BEDWAKCXiLiJCK. || Niemantonis 
bedwingheiyo leen te Terheffene , hy en wille. Leenr, 
o. VL 73. En en es niemant bedwinghelio eenich 
httus te laten splytene of deelene. O. o. Qent, 
XTi, 4. Als een heymelicheyt staet soo by eens 
anders erfTe, kelder ofte hnys, en toI is, zoodat 
den ghebuer daerdeure hinder ofte stanok is lydende, 
soo IS den proprietaris Tan de hegmelycheyt be- 
dwinghelic deselTe te doen ruymen. C. e. Aalet, 
UC, 17. 

BEDWINGEN, bw. Dwingen , fr. eoiUraindre. 
II Als partie also ghebannen es, Tan wedersegghe 
of Tan ghebreke zyn bliTon [nl. haren Trede] OTor 
te bringhene, zo moghen noohtanne soepenen de 
naeste Triende en ma^hen Tan dien ballinc be- 
dwinghen efi constraingieren paix te makene jeghen 
de ghequetste partie. C, e. Aalst ^ bis. 462. Als 
een partye ter proeTC begeert gesadt te syn, soe 
wyst men hon daoh ter ierster genachten om syn 
oonde [«I. hare getuigen] te bringen oft te b^ 
dwingen. Item, lieeft hy ter genachten syn getuy- 
gen gereyt» men sal se hoeren; en syn sy bedwon- 
gen met geestelyok ofl weerlyoken rechter, men 
wyst hon tweede proefdaoh. £n dan ter genachten 
oomende, men en wyst hon gheen proefdach meer. 
Soo langh hy, Tan genachten ter genachten, stercker 
geboden brengt, men wyst altyt Toort dach om syn 
getuygen te brengen, oft noch steroker moet hy 
•teroker geboden brengen , oft te bedwingen. C ^r. 
XooM, I. bis. 43, a. 10. 

2) Verminderen, beperken, vertaehten (den in- 
houd eener keur of wet), ér. reetreindre, adoneir 
(la teneur d*une keure ou loi). || Hie mach se [nU 
dese keur] bekeren en bedwinghen en berechten 
omme der meentucht bedarTC. K. v. Brugge e. 
1281, a. 31 bis. Fr. tekst: ü pnieeent mueir et 
rettraindre et aUmeter pour Ie commiM proflt. 

BEBINDEN, bw. JEindigen, ir. terminer, 
II Omme... de goede ghemcTnte te helpen, dat 
sy Toordaen, ten koristen doenlyok wesex.de, moech- 
ten henne processen, gesohHlen eü differentien 



be-eynden, eö weten waemaer hen te reguleren. 
C. V. Benrne, ia^., prooem., blz. 148. 

BEEGKDAGH, zn. m. Leenmamedienet, bestaande 
in eenen dag arbeids, om de beken of graekUn té 
tniveren^ fr. service de tassal ou corvee, eoneietaei 
en un jour de travaü pour eurer les ndeseatu om 
fossés, II Beeckdagh, eenen daoh te greohten. 
Sekat der ckejfnsen, 35. 

BEELDEHUISEKEN, zn. o. Nis, fr. nieke. \\ 
Zal aen den middele [nl. Tan het belfiroot] een 
partie Tan dezelTO zyde de herde steenen [nl. arduin- 
steen] untghenomen worden om het maken Tan 
een beeldehuuseken , ontrent x Toeten hooghe, en 
breet naer den heesoh, wimt het beeldehuuseken 
moet wyt syn iy Toeten en hooghe ses Toeten 
sonder de ad de lompe en tomikeel. BiXHB&t, II, 
327, 328. 

BEELDEHAKEB (eigennaam). BeeldkomeeTy 
fr. setUpteur. Egidio dicto Beeldemakere. Bruss. 
godsk. afi. 1268. Egidio dicto Tmagumtori. Ib. a*. 
1271. 

BEELDEVEBWEB, zn. m. 1) Kleurder van 
prenten, fr. enlumineur. Lovenscke 8t,'Lucas gilde ^ 
lAggeren, blz. 2. (1460), en blz. 3. 

2) MeUbdverwer, fr. peintre de meublee. || Hen- 
rieke Joossone, beeldoTerwer, van der oontorie oft 
scryffcamer opten stadhuys ie Terwene, buyten en 
bynnen, betaelt ix. s. Bergen^- Zoom ^ St.-rek. 
1497-98. 

BEELGK. Zie bülck. 

BEEMT (Bemd, beerapt, bempt), sn. m. Deze 
benaming is eigen aan Braband en Limburg (zie 
BAHT), Toor kooiland, fr. terre dfoin, pré defash 
ekage. Kil. beemd, hemd, praium, praHim ex quo 
fcsnum percipitur. Te Diest heet hedendaags J^esaMi, 
hooiland, fr. pré è faucker ; Weide, ons hdd. weide, 
weiland, fr. pré è pdturer, en Broek, gemeente- wei- 
land, fr. pré de vaine pdture, fr. commuuaux. \\ Jur- 
nale prati quod dicitur Clene bemdeken, Ahdig SL 
Oeertr. te Loven, Doos 1. Oorkonde v. 1251. È^ike- 
archief. In loco qui dieitur de Breden beemt. Oodsh. 
V. Brussel, H 1653 f». 11 (1264). Item, sal hi 
behouden alle dié beemde te Diest , groote en oleyne, 
die grote Ganalake, die cleyne GaiiBlake, Hasaerti 
beemde, eü den beemt gheleghen in die Vetter- 
broec beemde. Item, heeft hy en sal behouden 
alle die beemde en eusele, die te Zelem ligghen.. 
Deeling v. Diest, 31 dec. 1337. In loeo dioto den 
Freeterbeempt. Oodsk. v. Brussel, H 1553, f>. 11 
(1417). Anderleckt. Oft sy nyet en wisten dat, 
zundert den tyt Tan een, twee oft drye jaeren, by 
hen, dagers, gearticuleert, de rysbalcken [rust- 
balken] Tan alle de Toirs. di^e moelens hierboren 
gespecifficeort, waeren gehoicht, en hooTele? en 
dat daerduere, en andere beletten by hen gealle- 
geert, zy zundert denselTen tyt alsoe syn OTorlast 
geweest Tan den watere in huere beempden, dat 
zy Tan den jaere x?c en xxxTy tprouffyt Tan huere 
geheele beempden eü broecken Terloren hadden, 
zonder die te mogen oft kunnen gemaeyen en ge- 
hoyen, als anderssins. Bekenk. v Brab. reg. 140 
R 242 tO. 17 mei. 1539. Dmer. In de gemeyn 
beempde Tan Laken. Oodsk. v. Brussel, H 290 f*. 
171 (1541). In SaTenterbempde. — In pratte de 
Zaventinis. IK B. 1461, 4 t«. 26 t«. (16* E.). 
In Grimberger bempde. Ib. 26. xixVs roeden 
beempts gelegen in de gemeyn beempden, lanex 
aen de voirs. ix dach want en XTJ roeden beempts, 
en dwelck men heet drie zwaeyen, data te seg- 
gene soeTele als een man maeyende metter zeyi^ 
sene te drye reyseu in den gemeynen beempi 



BEE. 



BEÊ. 



141 



■Idair Tenejcken mach; en si breet omtrint een 
loeye en lanek zixV) roeden. Ib. B. 220. f^. 
73 (1M7). ChrivAergen. In de Erpesche beempden. 
Ib. H 290 f». 234 (1546). Indien de beleydde 
goeden vaien landen, bempden, oft andere gronden 
^n erren. C. «. Brutgd, 1606, a. 101. 116. 121. 
Bogaerdén , bempdbn , weyden. 258. Chri«tijn : praia. 
Bemden, weyden. Ib. Stat, v. 1657. a. 91. Ten 
ware weyden oft bempden, die met ackerlanden met 
een paehÜDge tegelijck worden Terhuert. C. e. 
XooM, WêtsJe. a. 60. Die eenige bempden, lant, 
wei)den oA booechen heeft liggende van de etraete. 

0. e. Amtw, eomp, ui, y, 104. Wy boTelen aen 
de molden, de toots. pegels gesteld xynde, alle 
hmme ahiysen, aolioffen, spayen en wasberders te 
txeeken en deeelye te openen en open te houden 
totdat alle de opperwateren van boven sullen afge- 
Mckt en gerallen wesen, en dat alle die bempden 
en bioecken sullen droog liggen. O. F-JB, autr. 
8 apr. 1715. Demer, (In het procem. staat alleenlijk 
j^weyden*', als algemeene benaming). 

SEENHUIS, in. o. VleeMchhal, h, htmekerie, 
II Ordonnerende Toorts aen deselve beenhau weren , 
▼mn Bamisse af tot half maerte, teeWe beenhuys 
topesen en hon Tleesch daerin te Tercoopene. — 
Op de iondaeghen en heylighe daghen en sullen 
tbeenhnya niet openen. Bxvbbt, I, 357. 

BEEN, alg. telw. Snden, fr. tous deux. || Elo 
■eyde Tan hem been, hoe zy recht hadden aent 
graelsoip Tin Ylaenderen. Jav v. Dixmüdb, 189. 

BEEN, En. o. Zooals thans, fr. jambe. Op Sijne 
beene spreken. J« persoon versdk^nen, fr. 
eompoKToir en perêonne. || Item, eer m|jn Trouwe 
(«I. de weduwe Tan hertog Antonius t. Brabant] 
in den rechte spreeet, so sal sy borgen moeten 
■etien, die den heere genuegeu, of sy sal op hoere 
bene spreken. O. v. Santhoven , blz. 250, Voirraet, 
a. 5 (1427). 

BEENHABNA8CH , sn. m. Krijgeman ie^ voet 
voorde» van êckeenplaten , fr. homme de guerre 
poarvm de fambiifeê, || Voor de steide Tan Bourges, 
daer men rechtefoert sach uuter stede oommen te 
peerde wel tote Tier hondert glaTien . . , en noch 
een ander [ayantgude] uut eene posteme te Toet, 
daar wel waren drie hondert beenamasschen in , . ; 
in dewelke [batailge] wel doot bleiven Tier hondert 
beenamasschen. Cl. t. Bixmttdi, 73. 

BEEN8IJDE eü BANDEB8IJDE (beeen, be> 
ander). Wederx^, fr. de part et d'auire, de Vun 
ei de Famire eóté, \\ Te welken tide, dat twist 
gheTalt tuBSchen leeken lieden , en sy yerde hebben 
gfaegbeTen deen leec den anderen, dat alle de 
cleieke, die ter maechschap behoren Tan denghe- 
nen die den Terde gheghoTen hebben, been syde 
en bander syde, syn in dien Terde. C. v. Qeni, 

1, Gr, Charter v, 1297, a. 1. 

BEER, m. 1) Stormtmig^ ^ekere beschermma- 
efaiene of sohutdak bij belegeringen, waaimede 
belemaars gedekt waren, om niet Tan het Tijan- 
dslijk aohietgeweer getroffen te worden, b. t. by 
bei ondermanen." fichelleri Les. t<*. Vineut, Ofr. 
vigne, wtaehine de gnerre^ ioU de défense, maatelet, 
pem ne poe Ure atteint par le$ prqfeetilee deg 
meeUgétf p, ex, en minamt ou aapamt. Kil. Beer, 
eiaea.' ineirumentmm heüiemn. Zie er de beachrij- 
Ting Tan bij Piüacus, Les. Antiq, y^. Finea. || 
OraTe Ghye leegdem Toor Zierickzee met al te zwa- 
ren besete, sodat hy met magnelen, met beeren, 
met calten, met bliden daghelijcz anstormde son- 
der aflaten. Belg, Mue. lY, 204 (15« £). 

2) Meteelr^ in den vorm van eenen etdemg^ fr. 



ma^nnerie en dos d'dne, || Men zal aen Z. Exo. 
aondienen het groot interest dwelok de brouwers 
opte haTen sullen oommen te lyden by het leggen 
van den nyeuwen beer oft doedan tusschen de 
Oranje-punt en belyedere [nl, twee gord^nen of 
tusscnen-wallen]. Archief v, Bergen-op-Zoomy Beedl, 
1612«'20. n°. 33. Alsoo den dosdan aent molewater 
seer was gecrenct eü met steecpalen moet worden 
Tersien en anderaints Terhuet, om alle perceelen 
[1. periclen] Tan deurbreecken. Ib. 7 febr. 1617. 

B££B (Beir, her), zn. m. (mT. b — «), fr. i#r, 
hers. Titel Tan Tier groote baanderheeren Tan 
Ylaanderen, nameiyk de heeren Tan Famele by 
Audenaarde, £yne of Hegne en Heume, Boulers 
af Boulare bij Geerardsbeigen, en Oiaoing in 
Waalsch Vlaanderen. De heeren Tan TbsoIm in 
Brabant en Tan Auxy in het Arteziseh droegen 
ook den titel Tan „Beer'\ De geschiedschryTors syn 
het niet eens OTer deze waiudigheid. WainkÖnig 
I. 264/5, II, 278/9, erkent in hen de oudste en 
eerste barons Tan Vlaanderen , met Baepsaet, CEuvree» 
De costumen Tan Audenarde, 2d« deel. blz. 359 
(1583), zeggen Tan den heer Tan Famele: || In 
dewelke zyne stede, heerlichede en baronie Tan 
Famele en in alle de plecken daer huer die 
bestrecte, hy hadde alle justicie, hooghe, middele 
en nedere,* eü was, te dier cause, een Tan den 
Tiere beeren Tan Vlaendren; „dewelke Tier beeren 
waren eü zyn Tan meerdre di^iteit in heerlicheden 
on preëminencien dan de andre hooghe justioiers 
Tan onsen Toorseiden lande en graefsoepe Tan 
Vlaendren''. — A. Wauters , JEnvirons , III , 488, Lee 
Bere d'Yuche^ bestrydt deze beweering, ziet in de 
Beers slechts knlegenooten Tan de „ministeriales" 
of liooge officiers Tan het hof, resp. onzer hertogen 
en graTon, en, te oordeelen naar de geringe uitge- 
strektheid hunner domeinen, kent hun slechts den 
tweeden rang toe in de leenroerige maatsohappy. 
Wielant, Treusiaei van den leenrechten, gewaast 
Tan geen ,^eer8" en noemt Boulare alleeniyk ua 
eene Baniere resorterende aan het prinoeiyok hof 
Tan Aalst (blz. 11). Zoodat aan onze Beers niet 
toepasseiyk wezen zou de definitie Tan Maigne 
d*Amis, na Duoange, t^ Baro: AUi harones, gpal- 
lice Jtauts har ons , hauts hers, magnafes, qni et n€h 
talium prarogativa^ praediia ac possessianihms et 
va^eallorum ntanero aUos praeedlAant, Volgens den 
heer Fiot, in zyn schrift Les heers de Flandre, 
waren de Beers Tan Vlaanderen de paree of paire 
Tan dat land, geUjk de pairs Tan Vrankryk in het 
hunne; zy treden eerst op in het midden der 
XIII« eeuw, en sohynen eenige byzondere Toor- 
rechten in feodale zaken te hebben bezeten. Sedert 
de XVe eeuw werd de titel een louter eeretitel. 
Alle de Beers Tan Vlaanderen hielden hun leen 
Tan den graaf en niet Tan den koning Tan Frank- 
ryk. Buiten de door den heer Fiot Termelde open- 
bare akten, waarin zy Toorkomen, treft men ze nog 
gezamentlyk aan in eene oork. Tan den Sm. nug, 
1419, by De Vlaminck, Inv, d. arch. de Termomde. 
II De derde wet eü banck es genaemt de gezworne 
wethauders Tan de baronnie eü heerlichede Tan 
Famele, ^^ïnclaTcert binnen Audenaerde, die jaer* 
liz Temieut werdt by den beer eü heere Tan 
Famele. C o. Auden, oah, prim, a. 34. Item a. 36. 

BEËRFELIJCK, bn. Boerend, fr. moUUer. \\ 
Dat oock den meyssionierde-man, ofte Trouwe, 
bHJTende de langhstlcnrende , bebouwt [behoudt] de 
haTe, eü allen 'tghene TOor haeffeiyok oft be-erTe- 
lyck goet gherekent wordt. C, o. Qrimbergen, a. 4. 

BEÊBFENI88E, zn. t. übenisteUmg , fr. mise 



142 



BËE. 



BEE. 



Ml postesnon^ entainnemmi, \\ En ynijt cnohte 
ran suloke beërffenisBe en saisine treden en bleven 
d*erffgenaemen ... int besith oft possesaie van do 
goeden. Q. o. Aniw, comp, iii , xiy , 82. Item. a. 

84. Zie BBÊBYBN. 

BEEBIE (Beeirye), zn. y. Waardigheid van 
JSeer, fr. dignUi de Èer. \\ Hare Hooch. Seren., 
aU graren van Aelst, competeert... een hof van 
mannen , ,. , Toorsien ran yele direrasche Bcboone 
leenen, als daer sijn: de landen, beirrijen en baron- 
nfjen ran Bhode, G^yere, Sotteghem, Boelaere en 
Bohooriase. C. v, JLalst^ blz. 428. 

BEEBCLAUWE, en JSeerenklauw , £r. acanihe. 
II Yoord, dat gheenen blaeuyaerwere voordan in 
gheenre manieren gheorloyen en zoude [wezen] te 
yaerwene nooh te werkene met calke, maer wel 
met beerclaeuwe , of emmer ten minsten met Bour- 
ghoenachen of Sommaeyachen haaschen. K, laken^ 
ffüde ie Srvgj^e^ Vaerwert, blz. 102. a. 2. 

BEËBVEN, bw. 1) J^tem, door erfenis ter- 
krijgen^ fr. Mriierf ohtenir par Muccestion. \\ Vuyt- 
genomen baataerden gewonnen in oyerspel, ofb die 
gewonnen ayn yan maeaschap, die men noemt in- 
eeetuatif oft yan gheeatelycke peraoonen, Godt auy- 
yerheyt gelooft hebbende, geheeten nefarii, die 
deaelye leenen njet en moghen beêrfyen, noch yan 
yadera noch yan moedera ayde, en en moghen daer- 
mne ook nyet deylen , al waert oock , dat de yrienden 
daerinne conaenteerden. C. leenhof v. Mech, a. 65. 
Dat de qualiteyt yan hoir, dewelcke de yooraeyde 
N. aengenomen heeft, omme te beërfyen de goede- 
ren in Brabandt, achejnt te influeren in de auc- 
ceaaié yan Ylaemache goederen. Yur de Telde» 
Annot, 27 (1678). 

2) Inbezit tteïLen^ fr. eneadsiner, \\ Soo geringhe 
ala Ijmant afflijyich geworden ia, aoo worden ayne 
wettige erfgenaemen, beqoaem om te eryen, bg 
deaer atada rechten geaaiaeert oft beërft int beaith 
yan allen dea afflijyigen erffelijoke en haeffdeijlige 
goeden. C. ü. JMtw. comp. iii, xiy, 31. 

BEEST, zn. In *t algemeen ViervoeHg dier f fr. 
quadrwpMe, Yebdau, I. 681. || Yan allen beeaten. . 
. . Yan eloken oaaen oft yerre , yj ata. ; yan elcker 
ooe en yeerae, iiy ata.; yan elcken caWe, j at.; yan 
eloken yerckene, y ata.; yan elcken hamele, j at.; 
yan elcker ojen, Vs st.; yan elcken lamme en oex- 
kene, Vs rt*» — ^^^ elcken lamme oft huecxken, 
Vi Bt. Eekenh, ü. Brah, res. 139 f>. 10, 12 y^. en 
13 y®. 6 noy. 1642. BeetO beeste, fr. lameiUeure 
héie OU vaehe. \\ Soo wie aaten heeft binnen Laken, 
eü alater een aterft yan dien die zaten houden , zoe 
aal dieghene die de aaten heeft hebben de beate 
beeate die daer blyft, aonder eene, yuytgeacheyden 
peerden, daer en ea men niet aff aculdich met 
rechte. Ende en zyn daer egheen beesten, aoe 
mach hy nemen het dbeate aohoenheyt dat daer 
blyft, aonder een; en wairen zy zoe arm, dat zy 
beeaten noch achoenheden en hadden, aoe aouden 
zy geyen y at. borseahelta. Bi^earch. CoeL JBrfheeren 
ie Laken, a. 9. Gtehemelde beesten. Beesten, 
die gemnilband ct^, fr. héies qui soni muselées. 
II Niemant en aal yoortaen door achteryelden , boy- 
bemden en andere weyyelden eenigh yee moghen 
•touwen andera dan met gehemelde beeaten oft 

g^muylbant. K, en hr. v. Santhoveny 1 670. Geseelde 
eesten. Beesten voorzien van een halstert fr> 
lêtes pourvues d-wn lieon. \\ Die aynen wech heeft 
door eena andera erye, moet dien gebrugcken met 
setydich aaiaoen , ter minater achaede , met geaeelde 
beesten en met goeder hoeden. C. o. Diest, YZ. 
XIX, 29. Met goeden tooaichte te hebbene oyer 



aijne beeaten, om deaélye alleeneiyoken geaeelt 
daerdeur te leydene. C. v, den Zt€l, x,'l5. C, v, 
Denrne , impr. a. 273. Santhoven, a. 149. Horende 
beesten. Horenbeesten, fr. hétes ^ eomes. \\ En 
onder dandere yorderen.[»2. die capittulien proohi- 
alen en andere geeatelijcke peraonen] hen op te 
heiTen en te exigeren thiende yAn den houte, noy, 
oruyden, weyden, en yan allen yetten horende 
beeaten, acapen, lammerenwoUe , enz. O. 6 oei. 
1620. IJseren beesten. Bunderen, weüce weun- 
lijk deelmaken van eene pachthoeve ^ met deze, op 
schatting, verpacht worden en na het einde van ds 
pacht, even zoo goed moeten vertoond, zoo niet ver- 
rekend worden, fr. hesiiaux qui font portie inté- 
gr ante d'une ferme, qui sont Umés avee oeOs^ smr 
estimaOon, et qui, aprbs Vexpiration du baü, doi- 
vent eire reproduits è leur veieur, sinon eompensés. 
Zie Schmeller u. Frommann, I. c. 1214, die Immer- 
kue, ewige kue: eiseme Kuh, Maigne d*Amia: 
hesiiae ferri, hesies de f er, quae domino non per- 
eunt. La Cume y^ Beate, 10*^: Beatea de f er 
OU beatiaux de f er. Yie ook de Laurière y^. 
Chaptel. II Meerten yan den Wyere.. aeefdit:.. 
Seryaea de Goatere aeedt : dat . . ; ule weloke laten, 
int aenyeerden yan den yoira. pachtgoeden, hebben 
de beeaten op diezelye hoeye geyonden, ala peerden, 
coeyen, oaaen, acapen ende yerckenen, by zekere 
eatimatie aenyeerdt, om int afiacheyden deaelye 
beeaten zoe goet te latene ala die by hen aenyeerdt 
waeren, zoe zy die oic in huere affscheiden hebben 
•moeten laten, ende mita dien zyn dezelye geheiten 
geweest yseren heesten» Maer boe men dat geplogen 
heeft te doene yoere zynen tyt opte yoira. goeden, 
dat en weet hy nyet te yercleren. Seeght oio, dea 
geyraecht zynde: dat hy niet en weet te yercleren 
dat een gewoonte aldaer tot Myerle (meyery y. 
*a Hbosch) weaen aoude dat alaulcke beesten ge- 
acht aouden zyn yoere omberuerlycke goeden 
amaekende de nature yan den gronde. Hy heeft 
oic nyet geweeten dai andere hoeyen aldair ge- 
legen, oft oic eenige andere dair hy kenniaae af 
heeft, dyeigelycke yaeren beesten hebben, dan, 
heeft geaien binnen xx jaeren berwaerta, dat yiere 
hoeyen, te weten.., binnen der proohien yan 
Myerle yoira. gelegen, inagelycx oio de beesten 
dairop weaende den wynnen yan. denaelyen hoeyen 
gelaten en yutgegeyen hebben op achattinge. JB^fcf- 
arch., Leenh. v, Brab,, proces Van der JBgeken § 
Thjfs (1613), Informatie, a. 12. En tot dyen, dat 
de yoira. impetrant aeght: dat totten yoira. hoeyen 
aouden behoeren aekere beeaten, die op pryaerQe 
en eatimatie yoirtyden den laten yan denaelyen 
hoeyen zyn geleyert, diewelcke zy altyta eyen goet 
moeten leyeren, alaoe dat yseren heesten gheheeten 
wordden , geaffecteert en geapproprieert totten yoirs. 
leengoeden, in snlcker wya, dat men die Toere 
acatachulden oft peraonele actie nyet en aoude 
moghen yercoopen. Ib. 13. Segghen die yoira. ghe- 
daighde: dat, al mochte blyoken, dat die yoixs. 
beeaten op eatimacie geleyert zyn en yseren heesten 
ghenoempt wordden, zoe en yolght dairyuyt nyet 
dat die aouden annexeert oft approprieert zyn metten 
leensoeden oft andere onberuerlycke goeden, maer 
wordden yseren heesten alleenlyck ghenoempt om 
diea wille dat die den yerpachtere oft meeatere 
yan der hoeyen nyet af en ateryen, maer ataen ten 
laate en pericule yan den late, die die op p^ae- 
rye en eatimacie ontfanghen heeft, en ten eynde 
yan aynder yerpaohtingen zoeyele en goet moet 
wederom leyeren. Ib. 14. Aengaende die ghereede 
goeden, ala geit, achulden, beesten (daeroxüder oock 



BEK 



BEG. 



143 



begrepen syn deghene die men noemt yteren heetten^ 
te weten die [door?] eenighe laeten ofte pachten 
op hoeren oft winninghen onderghedaen worden en 
op ghelt s^ gheprieeert. C. o. *s Bosch, yiii, 11. 

uoode ofte swarte beesten, fr. hêies rou^M 

om iMMTM. II Dat niemandt, wie by sy, hem rer- 
▼oofdere te schieten, jaeghen, noch gaeren te spannen, 
oft andenins naer herten, hjnden, wilde zwynen, 
leyen [«{. wijQes ran wilde zwgnen] , coddaerden , 
reeden [reeen], oft andere roode oft swarte beesten, 
Tan wat specie die moghen syn. J?l. o. VL 81 aug. 
1613, a. 1. II , 894. (De eigenlek swarte beesten 
lifn de wilde zwgnen). Witte beesten, fr. hétet 
Uamekêt, || Item, Tan den witten beesten, als lam- 
meren en soapen. y. s. Tay. 186 t^'. 

Spreuk: Be beest spelen. Zich op ewe litak- 
ior» w^ gedragen , fr. <# eomporUr d*mne maniere 
hlémaèU. \\ Dsarentossohen befponnen de Yleesohou- 
wers Tan Brussel de beest te spelen teghen de 
baytanbeenhouwers. Lmytier van Brab. III, 84 
(1610). 

BEESTELUCKHEIT, zn. t. DierUjkkM, fr. 
mmimaiUié, naimrê animale, jj Want, Here, myn 
snnden en beestelicheit s^n boTon gheghaen oie 
redelieheit. (hèedb. 15« E. Ps. 37. Iniquitatee mea, 

BEESTENDBIJVËR, zn. m. Veehoeder^ fx.gar- 
demr de hétail, || Als eenighe YerckdriJYer, schaep- 
dr^Ter, gansendriJTer oft eenigen anderen beesten- 
dryrer oomen ter merekt. C. o. den Kiel, ut, 12. 

BEÊSTOGK (Bedestock), zn. Qeknchty lande- 
afdiMmg , wjk of Jcwariier voor het innen der bede- 
geiden ^ fr. hameaUf enbdivieion ierriioriale, qmariier 
om eeiiian pomr Ie reeouvremeni des axdes ei stdmde». 
II Dat alle de honden en Terckens, ghesloten oft 
ghebonden ghehonden sullen worden onder den 
gihehnehte oft beestock daeronder de sieckte is. 
O. e. Moü, Kemre e. 1596— 1681,' a. 124. 

BEETEN , OW. 1) Z^ne woning vestigen , fr. se fijcer, 
fi^er som domieile. Kil. Boeten, fland, hoü, des- 
eendere^ sidere, eonsidere, sedere, \\ Alle deghuene 
die oommen, Tut Brabant oft Tut Henegauwe, 
woonen in [t] kndt Tan Aelst, die zijn haefdeelich ; 
men beet se incommelinghen ; gheiyk die commen 
Tan orer de Soelde, indien zy boeten daer myn 
gfaednchte heere yenrolgh heeft Tanzyn morte- 
naine.. C. «. Aalst ^ blz. 645, 15« E. 

2) Fan een paard afstijgen , fr. deseendre de eheval. 
II So quam de hertoghe Tan Orlyens uut Sinte Denijs 
wel mét drie duust glarien . . , zy beeteden Tan 
haren perden te Toet eü battelgierden hem omme 
stryden, en ontwenden hare banieren, en als myn 
heere Tan Bonigoignen dat zach, hy was deerste 
die beetede Tan den perde . .; en de hertoghe Tan 
Orlyens en al zyn hoop saten weider up en trocken 
Binte Dengs waert. Ol. t. Dixmitde, 71. 

BEET8EL (Beetseel), zn. Sch^nt eene schrijffout 
te wesen. || Hen Terbiet, op de mesdaet Tan xx s., 
dat niemen negheenrande Tulhede, wasschel no 
beetseel, nooh me men sculdech ware te werpenne 
in heimelycheden ofte in stille cameren, ne werpe 
op de strate binnen poerten Tan Audenaerde en 
Tan Pamele. Kb. o. Amden, o. 1338. 

BEFAMEN, bw. Slechts in het deelw. bxpabht. 
Poor het algemeen germehi als sehmldig aangetoexen^ 
fr. désigné comme eonpaèie par la mmenr pnblique, 
II Dat geruchte of fame liepen op enigen borger 
of boigerase als dootslach gesoiet were, dat £m 
die bufg e rmeeste r o n en burgeren den be£semden 
tKstant Tangen en halden selen mogen. C. o. Maaetr,, 
IVte. 28 oei. 1413, a. 10. Ib. Oorh. v. 1409, bis. 
471, 472. Vraechden Toort of zy niet en wisten 



wie daerin [nl. in die moord] berucht en befaemt 
waeren. C. o. Aalst, I, blz. 500 (1436). Alle per- 
Boonen berucht, befrempt ofte bedreghen Taneenige 
quaede faiten ofte delicten. Ib. tii, 10. Men en 
mach tegena niemant procederen bQ inquisitie oft 
ondersoeck, dan in cas Tan swaere misdaden, die 
men sekerlijck weet dat geschiet z^jn, en dat 
degene, daerop men ondersoeck wilt doen, daerran 
belaempt en berucht zyn, sonder dat d*inquisitie 
wort toegelaeten tegens persoenen Tan goeden naeme 
en faeme en daertegens egeen gerucht oft Toor- 
gaende diffamatie en Talt. C. o. AsUw., comp., tii, 
j, 7. Ib. y, 6, en t, j, 7. 

BEGADëN, bw. 1) Misvormen, fr. défigtarer, 
diffbrmer. Kil. (Leelgck) begaeden, deiurpare; 
ook mishandelen y fr. maliraUer. || Hy [«Z. Willem 
Tsn Loo] boTal, dat men in de middel Tan der 
burcht eenen Tleesbanc bringhen sonde, en dat 
men daer Lambrecht Tan der Straten zoude af- 
bouwen zyn twee Toeten en zine twee handen; 
en driewaerf den lichame dedy slepen ontrent 
den Borcht; en dat ghedaen, doe was hy Tan den 
Borch ghesleept ter galghe en ghehsnehen. Bet dan 
zy drie hondert, die boTon Sente JOonaeskeerke 
waron, boTon den Steen en boTen den Iooto, sy 
saghen hoe Lambrecht begaet was. Jan y. Dix- 
HüDi , 56. Diegeene die eenen anderen met opsette 
ongenadichiyc quetst, en OTcrhoudt [oTorhouwt] 
zijn aensicht, bande en Toete, en begeert dijen te 
teekenen en te begaden, dat hy nummermeer ge- 
ëerdt oft ledegans man en zije , die misdoet al te 
Teel meer, dan die eenen mensche wondt en quetst 
met heeten bloede, met slagen Tan aTontueren. 
T. D. Tay. 148. Die xxjite maniere Tan criesme 
capitael is . . als iement een Trouwe , die kynt 
draigt, slaet oft alsoe begaet dat die Trucht huers 
lichaems d^inif Terderft. Ib. 79 t^. 

BEGAEN, bw. 1) In oogenschouw nemen, schou- 
wen, bezichtigen, fr. inspecterj visiier, \\ Beheert 
ten selTon heerscepe Tryhe TOghelerye en Tisscherye 
in de loopende beken en waterghangen, Yormeu- 
ghende te doen begaen alle de beken, waterghangen, 
schaulocken en balluecken al 'tTOorseide heerscip 
en schanteedom deure, en de straetbereydinghe. 
DS Pb. en Bb. IX. Naxareth, 31. Voort, dat de 
heere Tan den Abeele Termach te begane met zyne 
wet banloken eü waterganghen. Ib. V. Ghntrode, 
21. Vermach oock dezeWe bailliu jaerlicx, binnen 
tyde dat de Truchten te Telde staen, de heerweghen 
te doen beghane, eü deghuene die te naer ghela- 
beurt ofte bezaeyt zyn te cnoopene en af te weeme . • 
C. leenh, o. Anden., a. 13, (a. 10: de heerweghen 
en pontweghen te berydene en Tisenteeme). De 
Tutloken, metgaders de stopselen Tan de Telden, 
meerschen , weeden en boeschen , worden begaen by 
de praeters. C. o. Aalst, x, 17. De Tutloken en 
waterieden doet de bailliu begaen alle jaere. Ib. 27 
april 141 5 , a. 1 6. Voort zyn binnen den scependomme 
waterlaten, als die in tyden Tan jaeren ongherumdt 
zyn eü begaen metten Tutlokers, es de boete Y s. p. 
Ib. a. 19. Van desen uutloken en waterleeden te 
bogane . . — De bailliu mach wel metten meyere en 
iiii scepenen al dit selTO begaen. — De Dondereen 
dOortelbeke mach men ooc begaen, en als die niet 
gheruymt en zyn.. C. o. Aalst, Ortg, zxxi, 15« E. 
Dat Tan nu jaersdage Toortan de pachteren Tan 
den assisen, ofte die de assisen Tan der poort 
weghen beghaen sullen, gheloeft sullen weeën bg 
luuren ghescrc^n ... — Die die assise begaet. db 
Vlamibcx, Vgb., 42 (1417). Oic sal die richter 
den doeden besuecken, dair hy doot leegt, eü zQn 



BEG. 



BEG. 



wonden besien, . . en aal bij hem hebben besochte 
eii experte medecijns, dijen [die hem] begaen 
hebben, y. d. Tat. 177. 

2) Begaen en bestaen. Bezoeken , vrijen toe- 
gang hebben tot, fr. fctire vintej avoir libre aecèt 
èj en bij uitbreiding: verzorgen, oppcusen, par 
eztension.* soigner. Kil. Begaen, adiref obirey ciT' 
ettmire. || Behoudeiyc dijen dat hem [nl, de achal- 
denaar, die rolstrekt onrermogend is om te betalen] 
alsdan die crediteur oft aenlegger sal mogen aen- 
yeerden binnen sijnen huyse, opdat hij wille, eü 
Betten hem aldair drooge boYon der eerden en 
drooge onder dack , en geven hem water en broots en 
strooe genoech , en doen hem voirt alaoe veele ijsers 
aen tusschen knije en knoesel als hem dat gelieven 
sal, zonder zeer oft wee doen; nochtans alsoe, dat 
hem zjjn vrienden en magen altoos tusschen sonne- 
schgne begaen en bestaen sullen mogen. y. d. Tav. 
401. Zie ook atxbbkn 2). Dat die goede mannen van 
den voirgenoemden ambachte .van nu voirtaene hen 
scheerdesschen sullen moeten setten en stellen binnen 
den voorhuijse ter straten waert, tot suleken be- 
hoirlycken plaeteen als dat die ambachtscnape die 
wel begaen en bestaen mach, en daer men se 
hooren en . zien mach , omme te calengeren die- 
ghene die bij nachte scheren boven den tijt daertoe 
geordineert. Droogscheerders ie Dieet y regl. 1545, 
a. 19. Dat niemand binnen onzen landen van her- 
waerdsover eenighe dinghen den gaudsmeden ofte 
zelversmeden ambachte ofte nasringe aengaende en 
sal moghen wercken, ofte te dien bende eenen 
anderen plaetse ofte logijst verleenen , dan . . tot 
zulcker juaetsen en also, dat men den weerclieden 
op haer werck ghevoughelic begaen en bestaen 
mach, en dat %j tot dien zullen ghehauden zijn 
ter straten uut te steken een gajole ofte traillie, 
om die te beter eiï ghevoughelicker te moghen 
bekennen. Plae. o. FZ., 13 apr. 1551, a. 8. I, 804. 
An Jacques Naubroot, omme dat hy de persoenen 
van den voors. sterfhuusen [nl. pesthuizen] van 
buuten beghaen en bestaen heeft int halen van 
ware en substantie , die hemlieden noodtsakelic was , 
ten fine dat zy onder tvolck niet ghaen eii conver- 
seren en zouden. Beubbt, II, 181 (1562). N. N.., 
ffevraecht: Oft hj hem catholyckelic ghedregen 
heeft tot zynen overlyden toe, mits dat zy [nl, 
eenige geestelijke persoenen] deghcene zyn ghe- 
weest [die] denzelven Gheleyn in de voors. vanghe- 
nesse eü tot zynen overlydene meest geayert, 
begaen en bestaen hebbende. TVoublet mar,, I, 
187 (1592). 

WEDSBK. Hem begaen ende bestaen. Zich 
hehdpen , fr. te iirer d^ affaire. \\ Als een moeder, zus- 
ter oft nichte dingen wille voir die liberteijt oft 
vrijhe^t van hueren zone, broeder oft maegh, die 
hem zelvcn noch begaen noch bestaen en can. y. d. 
Tav. 819 v«. 

8) Bedrijven (eene mbdaad), fr. eommettre (un 
méhit). II Sal die cleger Aculdich sijn ten heyligen 
te zweren op die inqueste, dat hy nyemant en 
weet die de zaken begangen of gedaen hedde. O. 
V. Maasir.t Priv. 28 oct. 1418, a. 6. Weert, dat 
die daet binnen denen neesten darden daige met 
p. niet] cont gedaen, ontboeden en weerde noch 

§econdicht an onsen amptroan en scepenen, wie 
ien gedaen en beganghen hedde. Ib. Oork. v. 
1409, blz, 468. 

4) Besturen, bezorgen^ fr. administrerj gêrer, || 
8óo wie tot eenige momboirye geeosen en gestelt 
aal worden, die sal deselye moeten aenveerden en 
pnghen , . . het en ware dat hy sy-selven daerteghen 



verontschuldighde met eenighe wettige redenen:., 
dat hy boven de seventigh jaren oudt ia,., dat 
hy sieck is, soodat hij sijns selfs goeden niet en 
kan begaen noch besorgen. G. v. BrusM, Weeth,^ 
a. 20. Christijn admim^traire» • 

5) Een feest, een lijkdienst, eene maaltijd. Fm- 
ren, hemden, fr. oéUbrer (une fête, des funérailles), 
tenir (un banquet). Kil. celébrare. \\ Want toaaehen 
onse huusarme van sente Goedelen prochie en 
, onse capittele vorseit ghemaect siin eiï gheveeat (jné) 
euweleke vorwaerden , alse van der vorseider huus- 
arme groten gheesthuse ons te leenne alle jare, 
omme de feeste van den heilighen Saoramente en 
de maeltiit daer te begane. Oodsh. v. Brussel, H, 
1201, no. 124 (1362). De vorseide feeste [nl, van 
het h. Sacrament] daerin [in het groot Geesthuis] 
te begaene en te bestaene, vore en na, ghelijo als 
men ghewoenlec heeft gheweest tot hare [tot hier- 
toe]. Ib. lade B, 177 (1362). Bidde voer dat 
ghemene volc; setti voer die clercscap; sprec 
voer dat ynnighe wijflike kunne; alle mote sin 
vernemen dine hulpe die hoghe begaen dine ghe- 
huechnisse. Qetijdh. ZY* E., 21. quieumque cele- 
brant tuam sanetam commemoraiionem, Laet ons mit 
eendrachtighen dienste hoechlike begaen deae ho- 
ghe hoechtijt. [nl. Kersmis] Monderi merkinge, 
129 v^'. Mit vroelicheit laet ons begaen die gne- 
hoechnisse der alresalichster maghet Maria. Qetydb. 
15e B. fD, 50. De lancxstlevende mach oock in den 
sterf huyse blyven woonen... totdat de uytvaert, 
zevenste en dertichste zyn begaen en gecelebreert. 
C. V. Lier^ xv, 51. 

' 6) OnveruHiehts otMuvallen j overvallen, fr,aUaquêr, 
assaiUir è Vimproviste, \\ Weert in onversienden 
poenten , . . en also haestelike noetsake overquame 
dat ons oft ons lant, of die stat aensnede in eeni- 
ger manieren, te weten, of die stat van vianden 
Degaen wurde, oft een portere van vianden gevan- 
gen geiyt worde.. O, ÏAége, 18 nov. 1404, a. 4. 
SifU-Truiden, 

BEGANCKENISE (Begenckenisse), sn. v. Fte- 
ring^ hei vieren van een lijkdienst, en de Ujkdienst 
zelve, fr. céUbraiion de JunéraiUes ^ et lesJknSraU' 
les mime. Kil. exequiae. || Staet hoe men eenen 
princen begenckenisse doet. Bekenk, o. Brab,, reg. 
131, f^. 158 (15« £.). Derfgenamen van den dooden 
moeten altyt tot heuren laste en ooste alleene be- 
talen . . de costen van der beganckeniase, van der 
uytvaert eii mede van der maeltyt derselver, en 
voort oock de costen van de yiie eü dertichste en 
jaeigetyden. C, v. lAer^ xy, 52. 

BEGAVEN, bw. Begiftigen ^ toerusten met gees" 
télijke gaven, fr. doter de dons spiritueie. || Lael 
si begavet werden met dinen heilighen in die 
ewighe glorie. Oetijdb, 15« E. Aetema fae cum 
saneiis tuis in gloria numerari (7V Deum), 

BEGEEREN, bw. 1) (In rechte). Msehen, vor* 
deren, fr. requSrir (en justice). || Yoert zegghe wi: 
alse vremden man up vremden man, ofte man van 
binnen up vremden man, beghert [h]achtinghe int 
heorseheep van Eveighem, dat es de here van 
Gavere schuldech te berechtene. 8 febr. 1276. Soe 
verre die gevangene zijne voorgaende confessie 
revoceert, en begeert assistentie van procureur, soè 
wordt hy ordinarie te rechte gestelt. C. v, Brussdy 
1570, a. 13. Ten derden dage of genechte moet de 
evincent sgnen pandt wederomme brengen en pre- 
senteeren in der hoogher gebannender vierscharen , 
voer schoutet, burgermeesteren en acepenen, ed 
begheeren voirt recht. C, v, Antw. 1545. ly, 8. J>it 
leste vonnisse geweeen synde, moet de evinoent 



y 



BEG. 



BEG. 



145 



oomen woir den sohoutet, ter preseDtien vaxï sce- 
penen, eii Tenuecken gemaent te hebbene om 
xeoht,.. en begheeren zynen pandt te losaene. Ib. 
ft. 9. Puiije, die Trede heyst en begeert is achul- 
dich oock mde te geven en te houden. Ib. comp. 
Tii, ij, 7. 

2) Begeeren te oampe. UUdugen in twee- 

gtuM, fr. provoquer en dmeh || Die eenen man 
begbeeit te campe, moet eerst causeren Toor den 
prinoe Tan den lande de aake. Leenr, e. 1528 » c y t^. 

3) Aehnoeaeen. Bédelen , om aalmoezen vragen ^ 
fr. mêndiêTy demamdm' Vammóne. || Dat niemandt, 
betej mans oft Trauwen, hemlieden en rervoorde- 
ren Tan nu Toortan te bidden oft aélmoeasen te 
te begheren. Flae. o. VI., 7 oct. 1581. I, 757. De 

re menichte Tanaerme, eerlickearobaehtslieddn, 
de aelmoeaenen Tan den disch secretelic be- 
gheerden. Kembbt, II, 246. 

4) Een geselaohap. Verlangen er in te treden , 
er deel van f e maken ^ fr. disirer entrer dant 
mme eoeUU^ d'en faire portie, || Soo wie tghesel- 
■chap der tootb. schutterije begheert, die sal hem 
•eiiJTen oft doen BcriJTen op de schouwe [den schoor 
steen] der Toors. cameren, en daer gescreven big- 
Ten drije sondagen achtereen Terrolgende. Ende soo 
Terre hij binnen d^ drye sondagen TOors. niet 
wtgewischt en wort, soo sal men [l, men hem] op 
den derden sondach ont&en . . Hierinne Tersien , 
oft eenich geselle tTOors. geselschap begeerde en 
Tenochte te nemene op eenich Tan den Try cost- 
dagen, op de papegae^eeste , oft op ander dagen 
alst geselschap Tergaerdert sal zgn, dat men den- 
aelTen geselle . . alsdan sal mogen aennemen en in 
den eedt stellen, sonder op de schouwe te scry- 
Tsne. Sandboog te Dieet, Stat. v. 1531. a, 1. 

BEGEERINGE, sn. t. Zondige begeerte, harte- 
loeki, fr. déeir eoupatHe, paetion. || De minsche 
sprae: Och, wat bediedt dat, dat dese lieTe min* 
sehen niet Tort en gaen? De antworde sprac: Dat 
es dat hare die nature heimelijc soect en hare 
soalke begeringhe niet te gronde en heeft leeren 
bekinnen. AUer kerttb. 48. Zie Ysbdam, I. 698