(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Groningana: Supplement op H. Molema's Woordenboek der Groningsche volkstaal"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



»« *VA»VUAH W4 



SUPPLEMENT 




A. A. UANDERHEYDEN, 

VHHintenl HHii de UiiiviTs!telt«lilbli..M)eek te AniHtcrdu 



»'••• l,iUI </» mi lyrlrnll 

K.i;m)TM,(,;,Mi.'k)»mi. Uu- \iJl.lkrl. I 



Tr Wmsfii iij.r .1. (', .M ic k k t. |H!I7 



r 




Suff 



;i^ 



r 




I • 



W12 



Su 



rr 



? 



GRONINGANA. 



il • - 



Gedrukt bij J. C. Mekel, Winsum. 



GRONINGANA. 



SUPPLEMENT 



OP 





DOOR 



A. A. GANDERHBYDBN, 

Assistent aan de UniTersiteitsbibliotheek te Amsterdam. 



Min Moderspraky voa kling%t du achötiy 
Wa büst du mi vertrut! 

K. Groth, Quickborn. 16e Aufl. Berl. 1891. 



WiNSUM. J. C. MEKEL. 1897. 



/ 

fr. - i ■ ;• 



In 1887 vei'scheen de laatste aflevering van H. MOLEMA^s 
Woordenboek der Oroningsche Volkstaal^ maar daarmede achtte de 
volijverige samensteller 'zijn taak^ die langzamerhand zijn let^enstaak 
was geworden^ niet afgedaan. Met het verzamelen van nieuwe bouw- 
stoffen bleef hij tot op heden bijna onafgebroken voortgaan, ') Zoo is 
thans een geheel nieuwe bewerking^ die het oorspronkelijke werk naar 
mijn schatting minstens viermaal in omvang zal overtreffen^ in hand- 
schrift gereedgekomen. 

In 1886 met den schrijver in briefwisseling getreden, waarop 
spoedig pe^'soonlijke kennismaking volgde, heb ik mij sedert bij voortdu- 
ring zoeken te beijveren, hem in het bijeenbrengen van bouwstoffen bij 
te staan. Zdf Groninger van geboorte, meen ik — ojschoon leek op 
taalkundig gebied — niet geheel zonder succes den arbeid van den heer 
MOLEMA te hebben gedeeld. Hoewel mijn werk slechts een geringe 
bijdrage tot het door hem gewrochte vormt, meen ik toch dat de open- 
baarmaking er van de bezitters van het oorspronkelijke werk zou kunnen 
gerieven. Het is geheel als Supplement daarop ingericht. De uitgave 
geschiedt met voorkennis van den hoogbejaarden schrijver ') van het 
Woordenboek, die mij meermalen te kennen gaf, dat vooreerst van een 
in H licht verschijnen van zijn werk, wegens de hooge kosten die 
daarmede, bij een onvermijdelijk zeer beperkt debiet, stellig gepaard 
zouden gaan, geen sprake zal kunnen zijn. Het werk is en blijft 
echter in goede handen en er bestaat niet de minste vrees , dat het voor 
de wetenschap zou kunnen verloren gaan. ^) 

Men gelieve in H oog te houden, dat mijn woordenlijst oorspron- 
kelijk geheel voor eigen gebruik werd aangelegd en daardoor in de 



') De heer Molema overleed — nadat dit voorbericht geschreven was — 
te Warfum op 27 Maart 1897. 

'^) De familie zal het waarschijnlijk aan de bibliotheek van de Maatschap- 
pij der N«derlandsche Letterkunde afstaan, 



VI 



bewerking kleine onregelmatigheden ^) vertoont^ die alleen door een om- 
slachtige herziening en gedeeltelijke omwerking hadden kunnen worden 
weggenomen ^ doch hij het gebruik weinig zuUen hinderen. 

Wat het behouden van „haUast^^ betreft — men zie hierover 
het Woordenboek aan Hslot van het Voorberidit — ben ik het volkomen 
met den schrijver eens. Sdireef men alleen voor taalkundigen dan zou 
misschien ved hébben kunnen wegblijven: nu echter^ evenals bij het 
Woordenboek y ook thans weer gebleken is dat zeer zéker met de belang- 
stelling van heken en dilettanten rekening moet worden géliouden^ nu 
zal ook datgene^ wat anders wellicht overbodig zou geweest zijn^ naar 
de ondervinding geleerd heeft de aantrekkelijkheid van het werk verhoo- 
geny en zal het onJieü^ dat zou kunnen worden aangeridit door wat 
onjuist of gewaagd mocht blijken , stellig niet al te groot zijn. 

Men neme dus mijn werk voor hetgeen het is: een zeer besdiei- 
den hulpmiddel, een „intermediair producV\ dat door de - doch naar 
ik vrees nog vèrafzijnde — uitgave van bovengenoemd handschrift over- 
bodig zal worden gemaaJct. 

Ten slotte mijn dank aan mijn geachten drukker-uitgever ^ 
voor zijn activiteit en de buitengetvone zorg aan de intgave besteed. 



') In de spelling bvb; — Ook zullen er wel woorden door mij zijn 
opgenomen, die, hoewel ik ze in Nederlandsche woordenboeken niet ?iantrof, 
toch Nederlandsch zijn of althans in de "spreektaal overal gebruikt worden. 

Met „ook bij v. D'\ „ook HD'\ enz., achter een Gróningsch woord, be- 
doel ik natuurlijk: het woord in zijn Nederlandsche spelling, de zegswijze in 
het Duitsch vertaald , enz, 



LIJST van enkele in het Woordenboek en hier 
aangehaalde bronnen. *) 



Adelan^ (J. C.)» Grammat.-krit. Wörterbuch der hoohdeutschen Mundart. 2e 
Aus^. Lpz. 1793—1801. 4 Bde. 

Bo (L. L. de), Westvlaamsch Idioticon. Brugjre 1873. (Heruitgegeven Gent 
1892.) 

Dale (J. H. v.)» Nieuw Woordenboek der Nederlandscbe Taal. 3e druk. 
's Gravenh. enz. 1884. — Hetzelfde, 4e dr., ond. d. titel: Groot Woor- 
denboek d. Ned. Taal. Ibid. 1896 en v.v. 

Doornkaat Koolman (J. ten), Wörterbuch der Ostfriesischen Sprache. Norden 
1879— '84. 3 Bde. 

Herroem (A. E. R.) [pseudon. van P. J. Harrebomée] , Bacchus in spreek- 
woordentaai. Gorinch. 1874. 

■ 

Hettema (Montanus de Haan), Idioticon Frisicuin. Leeuw. 1874. 

Kate (Lamb. ten), Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der 
Nederduitsche Sprake. Amsterd. 1723. 2 dln. 

Kero. Interpretatie regid. S. Benedicti (in: J. Sehilter, Thesaurus etc. — zie , 
onder.) 

Kilianus (C), Etvmologicum Teutonicae linguae eet. (hir. G. Hasselto. Traj. 
Bat. 1777. 

Laurman (M. T.), Proeve van kleine taalkundige bijdragen enz. Gron. 1822. 

Lennep (J. v.), Zeemans-woordenboek. Amsterd. 1856. 

[Mellema (E. L.)], Den Schat der Duytscher Tale enz., Rotterd. 1618 en 1630 
(ook ond. d. titel: Le grand Dictionaire Francois Flamen, etc.) 2 dln. 

l'Meyer (L.)], Nederlandtsche Woorden-Schat enz. Haerl. 1650. (12e druk. 
Dordr. 1805.) 

Muller (Joh. CadoTius), Meiuoriale linguae Frisicae. Leer 1875. 

Notker, Psalterium Davidicum (in : J. Sehilter, Thesaurus etc. — zie onder.) 

Onnekes (Joh.) i. h. Tijdschrift „Onze Volkstaal" Jrg. I-III. Culemb. 1882-'90. 

Outzen, (N.), GJossarium der Friesisch. Sprache etc. Kopenh. 1837. 



*) De ia den tekst voldoende daidelijjk aangehaalde titels z\jn hier niet vermeld. 



Vlll 



PabBAT (W. f.j ^pseudon. van H. Boamaa], De ^Iden kette. Gron. 1875. 

Pab (i.)* l^lcine opstellen enz. Haarl. 1862. 

Piearit (i^li.)* Korte l^eschnnnge %'an eeni^ Antiquiteiten enz. .Vmsterd. 1660. 
(2e dr. Gron. 1731.j 

RtéêïmgÏM (W. 6.) i. d. „Groninger Volks- Almanak" voor 1839 en 1840. 

Bltkikêtém (fi. t.), Altfriesisches Wörterbuch. GöU. 1840. 

# 

Hekelde tot de Weiehsel (Taa de)^ Nederduitsche dialecten , door J. A. Leopold 
en L. Leopold. Gron. 1876-'83. 3 dln. 

Hehilter (i.), Thesdnrus antiquitatnm Teutonicarum. Ulmae 1726-'28. 2 vol. 

Hekmertm (O. Tan der), Teuthonista. Levden 1804. 

Hehitze (i. P.), HoUteiniscbes Idiotikon. Hamburg 1800-1806. 4 Thle. 

HtireabuY (C. H.), Ostfriesisches Wörterbuch. Aurich 1857. 

HwaairmaB (J. Sonius) i. d. „Annales Academiae Groninganae** van 1824 25. 

Terwey v'''-).» Nederlandsche spraakkunst. 5e dr. Gron. 1884. 

TertMieh eines bremisch — niedersachsischen Wörterbuchs. Bremen 1767-'71. 
6 Bde. (Nieuwe uitg. 1869.) 

WMseDbergrh (E.), Taalk. bijdragen tot den Frieschen toni^val. Leeuwarden 
1802-1806. 2 dln. 

Weiland (P.), Nederduitsch Taalkundig Woordenboek. Amsterdam 1799-1811. 
11 dln. 

Weinhold (K.), Altnordisches Leben. Bjrlin 1856. 

Wenigr (Chr.), Handwörterbuch der deutschen Sprache. 7e Auti. Köln 1884. 

Wiarda (T. D.), Altfriesisches Wörterbuch. Aurich 1786. 

WiDsehooten (Wigrardas &), Seeman. Leiden 1681. 

Woeste (Pr.), Wörterbuch der Westfalischen Mundart. Norden 1882. 

Wolff (E.) geb. Bekker en A. Deken, Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart. 

Woordenboek der Nederl. Taal, door M. d3 Vrie? en L. A. ta Winkel, than^ 
ond. red. v. P. J. ('osijn en/., 's Grav. enx. 1864 en v.v. (Dl. I versch. 
compl. 1882.) 



Verder niet nader aangeduide werken van verschillende schrijvers, verschil- 
lende Land- en Stadrechten, verschillen Ie tiilkiin lige tij hoh rif ten, enz. 



L IJ S T van eenige drukfouten, enz. in het Woor- 
denboek. 



Het eerste getal duidt de Madzijde ain^ het tweede (romeinsclie) 
de kolom en het derde den regel. Aanwijzingen als: 4. 1. 3. 2. geven 
te hennen^ dat op die plaats de alphadetische volgorde verdroken is en 
op de aangeduide rvijze moet worden hevsteld. 

V. b. z=: van boven, v. o. iz: van onderen, 1. z=i lees. 



Bladzijde : 



I 



1 


I 


4 


V. 


0. 


: „zie ald." vervalt. 


2 


}) 


22 


V. 


0. 


: koehuis 1. koehuis of koestal. 


)) 


II 


12 


V. 


b. 


: 3. 1. 6. 2. 4. 5. 


3 


I 


18 


V. 


b. 


: „strupfen en" vervalt. 


)) 


11 


20 


V. 


b. 


: 2. 1. 


4 


1 




midd. 


: NederL 1. Nederd. 


)) 


>j 


9 


V. 


0. 


: vita 1. vitae. 


6 


>> 


6 


V. 


0. 


: Jes. 1. Jer. 


7 


» 


19 


V. 


b. 


: zijn bezien hebben 1. te bezien staan. 


8 


II 


18 


V. 


b. 


: 2. 1. 


12 


I 


11 


V. 


b. 


laanloopl. anloop. 


>j 


)) 


17 


V. 


b. 


: 2. 3. 1. 


13 


>> 


21 


V. 


0. 


: abeldoedas 1. oabeldoedas. 


)) 


II 


15 


V. 


b. 


: stije 1. stv. 


15 


») 


22 


V. 


b. 


: 2. 1. 


16 


I 


14 


V. 


b. 


: koten 1. kooten. 


>) 


II 


18 


V. 


0. 


: ^emak 1. gemak en bakwoagen 


20 


I 


9 


V. 


0. 


: batte 1. batten. 


22 


II 


13 


V. 


b. 


: gluipen 1. gloepen. 


27 


I 


4 


V. 


b. 


: 1980 1. 1880. 


» 


» 


10 


V. 


0. 


benepen 1. benopen. 


» 


II 


5 


V. 


b. 


: bestoppertje 1. verstoppertje. 


» 


)) 


6 


V. 


0. 


. 2. 


28 


I 


1 


V. 


b. 


: 1. 


>> 


?> 


7 


V. 


0. 


. luttek 1. luttik. 


29 


ïï 




bov. : 


3. 1. 2. 


)) 


ï> 


7 


V. 


0. 


null, nodle 1. noll , noddle. 


»i 


II 


22 


V. 


0.' 


buro 1. bure. 


30 


» 


14 


V. 


b. 


3. 1. 2. 


)} 


)) 


18 


V. 


b. 


seigen 1. seichen. 


31 


I 


15 


V. 


b.: 


beslagen 1. beslaan. 


ï> 


}} 


12 


V. 


0.; 


34 1. 84. 


33 


» 




ond.: 


tine 1. thin. 


39 


)> 


23 


V. 


0.: 


„birsea" vervalt. 



X 



39 11 



40 



)} 



>> 



1-08 
109 

ï> 
113 

>i 
116 

117 
127 
128 
129 



I 



I 



41 
43 II 
I 



»> 



)} 



9 
9 

22 
14 

7 
2 
2 
5 

7 
3 

„ ^^ 5 
64 I 18 
66: daklat 
67 II 21 
I 



44 
46 
49 

52 II 

56 I 

„ n 

58 I 

61 II 

63 I 
II 



6 
2 
II 17 



)) 



>> 
I 11 



68 
70 

)) 
72 

73 

76 

86 

89 

93 II 16 

95 „ 6 

„ 7 

„ U 

97 I 

99 II 20 



2 V. b.: Declamara 1. Dulcamare. 

4 V. 1). : „Vergel. z u i t h o 1 1." vervalt. 

'6 V. o.: en het Nederl. 1. het Nederl. 

20 V. o. : zooveel 1. zooveel als. 

midd. : Plermaul 1. Plarrmaul. 

„ : meerkoot 1. meerkoet. 

V. b. : 2. 1. 

V. o.: gekremde 1. gekromde, 

midd. : af missen 1. of missen. 

V. o.: 2. 1. 

V. b. : bulken I. bolken. 

V. b.: btfs 1. bos* 

V. o.: 8 1. 7. 

V. b.: vroeg 1. vroeg (4 uur.) 

V. o.: braien 1. brain. 

V. o.: kooiklamp 1. hooiklnmp. 

V. b.: Lat. iltis 1. HD. Iltis. 

V. b.: ledder 1. ladder. 

V. b. moet volgen: Zie ook bij n e n. 

enz. vervalt. 

V. o.: 2. 

V. b. : 1. 



>) 



>> 



)> 



19 



V. o. 

V. b. 
midd. 

V. b. 

midd. 

bov. 

V. o. 



moet volgen : Vgl. deel en d e 1 1 e n. 



)) 



>> 



v. 

V. 
V. 
V. 
V. 



I 8 
14 



>> 



104 
105 

107 II 19 
I 

„ 6 

II 11 

I 14 

II 15 

20 



b. 

b. 

b. 

b. 

b. 
midd. 
V. b. 
V. o. 
V. b. 
V. b. 
midd. 
V. b. 



}) 
I 



16 
3 
9 

12 



21 

133 II 12 

134 I 5 



137 



}) 



6 



V. 
V. 
V. 
V. 
V. 
V. 
V. 
V. 
V. 
V. 
V. 
V. 



b. 

o. 
o. 

b. 

b. 
o. 

b. 
b. 
b. 
b. 

o. 

b. 



nog. 



: en d e 1. 
debaucheur 1. debauchant. 
zwichten 1. zwichten , zwikken, 
cunnis 1. cunnus. 
doQ enz. vervalt. 
5. 1. 2. 3. 4. 
1. latifolia. 

1. angustifolia. 
turrl 1. twirl. 

swirreln 1. sirreln. 
ie 1. u. 

h e i 'e nog 1. h e i 'e 't 
jQlande 1. jQlende. 
Fase 1. Fase(r). 

feramen 1. femme, 
veste 1. voeste. 
blatterare 1. blaterare. 
lappen 1. d r a i e n. 
fièche 1. flèche. 
gieben 1. giebsen. 
„Zie : k o u t o n g'*. vervalt, 
is 1. ie. 

2. 1. 

winei 1. windei. 

„en samenhangende" enz. vervalt. 

korens 1. koorn. 

„Vergel. wereld." vervalt. 

gi-ashopper 1. grasshopper. 

„Vergel." enz. vervalt. 

b ek 1. b ek k e r t. 



XI 



137 


I 


15 


V. 0.: 


)) 


II 




bov. : 


142 


I 


12 


V. b.: 


149 




13 


V. b.: 


153 




8 


V. b.: 


154 




9 
3 


V. b.: 

midd. : 

V. 0. : 


156 






bov. : 


>> 




14 
19 


V. b.: 
V. b.: 


>> 


lï 


9 
5 


V. 0. : 
V. b. : 


157 


I 


16 


V. b. : 


>> 


II 


19 


onder: 
V. b.: 


158 


I 


12 


V. 0.: 


}) 


II 


15 


V. b.: 


159 


I 


10 


V. b.: 


161 


j> 




midd. : 


162 




15 

8 


V. 0.: 
V. 0.: 


163 


II 


21 


v. b.: 


165 


I 




midd. : 


168 


II 


3 


V. b.: 


169 




19 
22 


V. b. 
V. 0.: 


170 


*i 


16 


V. 0.: 


171 


ii 


8 


V. 0.: 


173 


I 


20 


V. 0.: 


j» 


II 


6 


V. b. 


178 


I 


10 


V. 0.: 


179 


II 




bov. : 


181 


I 


16 


V. b. 


182 


II 


6 


V. 0. : 


186 


I 


6 


V. 0.: 


191 


>» 


14 


V. 0. 


194 


II 


11 


V. 0.: 


197 


>> 


14 


V. 0.: 


198 


I 


9 


V. 0.: 


j> 


II 


16 


V. 0.: 


201 


I 


8 


V. b.: 


» 
206 




9 

21 
12 


V. b.: 
V. 0. : 
V. b. 


208 




21 


V. 0. : 




lï 


17 
17 


V. b. 
V. 0.: 


209 


}) 


26 


V. 0. 


211 


I 


11 


V. 0.: 


)) 


II 


15 


V. 0. : 


212 


I 


20 


V. b.: 


215 


II 


2 


V. 0.: 



z a n k 1. g i e c h ö m. 

bek 1. bekkert. 

uit 1. aan. 

iiithekkelen 1. Friesch uith. 

f enl f of. 

ch 1. ch of 8. 

haltjes I. heitjes. 

aan de 1. van den. 

2. 3. 1. 

10 1. 20. 

Ondfr. 1. Noord/r. 

't volgende art. 1. de volgende artt. 

Hoker 1. Höker. 

1 1. 2. 

Fr. 1. Dr. 

Dr. 1. Fr. 

„van waterstofgas" vervalt. 

MHD: 1. MHD. en HD. 

hamal 1. OHD. hamal =: hamel, enr. 

hockle 1. hoek. 

tirreltop 1. sirreltop. 

shoek 1. shock. 

yaup 1. yawl. 

ZfTeatel. 1. fTestel. 

4. 1. 2. 3. 

volgt: Ook bij V. Dole, 

wat af 1. wat een. 

hoaszokken 1. hooszokken. 

hollersnast 1. hallersnast. 

meester- 1. mester- 

volgt : Vgl. hoeswarm. 

Eintrift 1. [Einjtrift. 

indragen 1. indrogen. 

volgt : Zie e n o m. 

klant 1. klont. 

luttêk 1. luttik. 

volgt : Vgl. k a p p i e. 

uilevel 1. ulevel. 

gochora 1. gogum en guchel. 

kouter 1. keater. 

1. door een onnoozelen enz. 

k 1 u f t b i e r 1. k 1 u c h t b i e r. 

drinkeldoode 1. drinkeldobbe, 

puil 1. puilen. 

volgt : Vgl. k 1 ö n t e ft. 

kraak 1. kroak. 

volgt : Zie ook gilde. 

klied 1. kleed. 

volgt : en h o k s e 1 s. 

kluisteren 1. knitteren. 

y,HD. knötteln" vervalt. 

honden I. handen. 

t e b a k 1. t e e, 



XII 






221 






222 
223 



)> 



226 



»> 



238 



263 



)} 



266 



>» 



ii 



215 II 

216 „ 

217 I 

„ II 

218 I 



II 

I 

II 

i> 
I 

r> 
II 

I 

II 

227 I 

228 II 

229 „ 
231 I 
233 
237 



>» 



II 
1 
240 II 

243 „ 

ii ti 

244 I 

245 „ 
248 H 
250 I 
251 
260 
261 II 



>» 
»> 



I 



264 lï 



I 

267 II 

268 I 
269 
270 
271 



275 

,, H 

279 I 



II 

280 I 



1 V. o 

6 V. o 

11 V. b 
16 V. b 

3 V. b 
midd 

27 V. b 

16 V. o 

10 V. b 

14 V. o 

3 V. b 

8 V. b 
midd 

7 V. b 
midd 

18 v."b 

23 V. o 

12 V. o 

5 V. b 
bov 

2 V. b 

14 V. o 

13 V. b 
midd 

10 V. b 

9 V. o 
23 V. b 
18 V. o 

13 V. b 
16 V. b 
16 V. o 
20 V. o 

3 V. b 

6 V. o 

14 V. o 
12 V. o 
20 V. b 
25 V. o 

23 V. b 

7 V. o 
12 V. b 
14 V. o 
20 V. o 

24 V. o 



17 

4 

16 



V. o 

V. I) 

V. o 

8 V. b 

9 V. o 
7 V. b 

15 V. b 



volgt : Vgl. t e b a k. 
halsknoak 1. halsknook. 

gnindbalk 1. grondbalk. 
„nog in" vervalt, 
kond 1. kunte. 
confucio 1. confusio. 
volgt : Ygl. k o u k. 
langzinnig 1. lankzinnig. 
1. Carduus Benedictua. 
2 1. 

Ooordfr. 1. Noord/r. 

h o uil o es 1. kou hoes. 

1. Lippenschorf. 

groon 1. groan. 

crie 1. cry. 

krims 1. krimp s. 

drinkeldoode 1. drinkeldobbe. 

croise 1. cruse. 

testiculie 1. testiculi. 

couckgrass 1. couchgrass. 

zuidwestelijk 1. noordwestelijk. 

Grootegast, Oldekerk, 1. Grootegast , Zuidhorn, 01- 

dekerk. 

lanterlu 1. lanturlu. 

volgt: en bij r. IJale. 

1. glukurrhiza. 

boek 1. b u u k. 

1. effenpraten, zoolang enz. 

2. 3. 1. 

onderleggers 1. onderlegers. 

drinkeldoode 1. drinkeldobbe. 

losnaien 1. l<$snaien. 

jen 1. groe.tjen. 

Cambr. 1. Cimbr. 

klop 1. klap. 

Jes. 1. Jer. 

emmelt 1. emmet. 

Amese 1. Ameise. 

„zie ald." vervalt. 

„van mis" enz. vervalt. 

m o u d w i 1 1 i g 1. m o u d w i 1 1 e n s. 

f o m m el n 1. v. Dale. 

m u i e n 1. muite. 

-gouw 1. -gauw. 

hondje 1. hondje. 

])iefonius 1. bufonius. 

lïron. 1. Gr on. 

b o e r e w a r k e n 1. b o e r w a r k e n. 

n a r r i n g 1. 

z o i 1. zaai. 

futuare 1. futuere. 

2. 1. 

nifle 1. nifles. 



narrig. 



Xlll 





id. 






281 


II 


5 


V. 


b. 


284 


I 


18 


V. 


0. 


285 


)) 


6 


V. 


0. 


286 


j» 


13 


V. 


b. 


2.87 


ii 


15 


V. 


0. 




id. 






289 


)} 




ond. 


290 


)} 


12 


V. 


b. 


)» 


)) 


12 


V. 


0. 


292 


>) 


8 


V. 


b. 


>j 


)) 


10 


V. 


b. 


294 


j» 


10 


V. 


b. 


295 


)} 


5 


V. 


b. 


»> 


il 


15 


V. 


0. 


298 


>9 




midd. 


300 


I 


9 


V. 


b. 


301 


)) 


5 


V. 


b. 


>> 


>) 


6 


V. 


b. 


>> 


>> 


12 


V. 


b. 


»> 


>> 


13 


V. 


0. 


302 


>> 


7 


V. 


b. 


>> 


>> 


8 


V. 


b. 


)> 


II 


14 


V. 


b. 


304 


I 


16 


V. 


b. 


308 


II 


8 


V. 


0. 


312 


I 


19 


V. 


b. 


315 


II 


9 


V. 


0. 


317 


I 


20 


V. 


b. 


318 


)} 


20 


V. 


0. 


320 


)) 


22 


V. 


0. 


>> 


II 


2 


V. 


b. 


322 


)) 


2 


V. 


0. 


324 


I 


16 


V. 


b. 


325 


}) 


20 


V. 


b. 


)) 


»> 


21 


V. 


b. 


328 


}) 


16 


V. 


b. 


331 


>» 


14 


V. 


0. 


332 


}» 


23 


V. 


0. 


»> 


»> 


19 


V. 


0. 


333 


II 


10 


V. 


b. 


334 


I 


13 


V. 


b. 


)} 


II 


10 


V. 


b. 


335 


}) 


16 


V. 


b. 


336 


I 


14 


V. 


b. 


339. 


)> 


24 


V. 


0. 


)) 


>» 


17 


V. 


0. 


jj 


J» 


14 


V. 


0. 


>r 


II 


4 


V. 


0. 


340 


>> 


8 


V. 


0. 


342 


I 


11 


V. 


0. 


j> 


II 


13 


T. 


b. 


343 


I 


8 


V. 


0. 



„stelen** vervalt, 
kluft 1. klucht, 
volgt : en n u s t e n 2. 
„en: krós" vervalt. 

schudelketel 1. schuddelketel. 
NBran. 1. NBrab. 
oat 1. oat(s). 
ausharen 1. aushaaren. 
fracticat 1. fruticat. 
outrite 1. outride. 
volgt : Vgl. t i e d. 
„ : Vgl. tien. 
ofsehoi 1. ofsehol. 
ofblouen 1. ofblauen.' 
j a 1. j a? 

nuigen 1. nuigelkopke. 
provinciele 1. provinciale, 
emroamen 1. omroaraen. 
afgeval l. afval. 
omroak 1. omrö&k. 

bekommern 1. beslommer n. 
omtrent 1. omtrent, 
omtrent 1. omtrent, 
verzwindelen 1. verzwinden, 
geen 1. „niet" of „geen." 
Nederl. 1. Nederl. (veroud.) 
opkröllen 1. omkröllen. 
h a u s s i e n 1. h (» u s i e n. 
poltrig 1. paltrig. 
panlat enz. vervalt. 
Lat. enz. vervalt. 
Meer m rettig 1. Meerrettig. 
Middelk. 1. Middeln. 
peck 1. peg. 
pips 1. pip. 
pipita 1. pituita. 
ploagrbooms 1. ploagrboom. 
1. balken of hefboomen. 
pionten 1. plonzen, 
polstok 1. polsstok. 
1. pootscheling. 
Zie 1. Ook. 

*n pö tj e 1. 't pö tj e. 
pre 1. pré. 

neer te bieden 1. meer bieden, 
raaigras 1. raygras. 
rai 1. ivraie. 
volgt: Zie V. Dole. 
touwter 1. touter. 
JFestf. 1. Weatf. HB, 
panlat 1. dak] at en panlat. 
rören 1. röhren. 
reeden 1. redden. 



11 U ï, 0. 


volgt: èn ril l>ii c BaU 


I 22 V. 0. 


lat !. reeplal. 


„ 14 V. 0. 


Enff. to rop enz. vervalt 


Il: rlttBkftp 


. rSUtif. 


„ 6 ï. 0. 


volgt: en roei. 


„ 7 V. h. 


nisk 1. rush. 


i«l. 


RnsThe 1. Rusch. 


1 4 V. b. 


niilerwilf 1. mitersïalf. 


„ 31 V. b. 


sarat 1, aammt. 


„ 19 V. 0. 


scep l. phest. 


„ 17 V. 0. 


scaptmm I. sraphiimi. 


„ 2 V. 0. 


ratelen 1. ralelen. 


Il 15 ï. b. 


„sham"- vervalt. 



sfhoii 1. schanen. 
2. 1. 

hoofd 1. hoofd 7.it. 
wordt I. verstond , wordt. 
schelfachtige I. schelferachtige. 
sehuiven 1. schaven, 
schaimen 1. schtilnien. 
ffO. I. ffV, 



370 „ 


4 


V. b. 


Schnb 1. Schidze. 




„ 11 




raidd. 


1. schoren SB. schoren. 




373 I 


12 


V. b. 


of 1. op. 




374 „ 


15 




scutala 1. scntella. 




» .1 


6 


ï. 0. 


aanricht 1. aanrecht. 




375 ,. 


8 


V. b. 


sehil 1. schiltvuwr. 




376 „ 


2 


V. 0. 


■ San». 1. Sais. 




377 ,. 


4 


¥. b. 


niijiuereii I. — Lat. sinfclnre = 


veinzen 


378 .„ 


9 


T. b. 


het 1. heet. 






SI 


V. b. 


„Ovgiüa." 1. „Oterij». ena." 




379 ;; 


16 


y. b. 


gebruik 1. gebruik hadden, enz. 




„ n 


18 


V. b. 


WW. 1. van. 




380 I 


16 


V. b. 


Schlei 1. Sehleie. 






24 


V. 0. 


Pnimus 1. Pninus. 




381 lï 


25 


ï. 0. 


meesgreep 1. misgreep. 




382 „ 


4 


V. b. 


zout«D 1. gezouten. 




383 I 


23 




sloekschooven 1. sloeken. 




384 11 




midd! 


„Fmg. sleeve" ven-alt. 




385 I 


13 


V. b. 


smiechel 1. s m i e c h e 1 n. 




>. 


16 


V. b. 


smen 1. smew. 




386 ", 


14 


ond! 


vervalt. 

scheuvels 1. acheuvel. 




',', lï 


7 


V. b. 


volgt: Vgl. ook HU. schmiegen. 






22 


V. 0. 


veiligheid 1. vuiligheid. 




387 ï 


17 


V. 0. 


muisen 1. miiiiien. 




„ n 


18 


ï. 0. 


volgt: = HD. aehneidig. 




389 „ 


12 


V. o. 


ketsen 1. kitsen. 




392 I 


16 


V. 0. 


volgt: = sukkelen. 






2 


V, 0. 


ander 1. ander ite. 




393 lï 


19 


V. 0. 


of spandeeren. 





XV 



:395 


I 


13 


V. b. : 


398 


)) 


15 


V. b. 


>» 


»» 


11 


v. 0. : 


i» 


ii 


10 


V. 0. : 


399 


11 


13 


V. b. : 


400 


I 


13 


V. ó. : 


>ï 


II 


2 


V. b. ; 


401 


I 


3 


V. b. : 


>» 


j> 




ond. : 


402 


II 


13 


V. b. : 


405 


. stoantjes 1. 


j> 


II 


14 


V. 0. : 




id. 




406 


}) 


19 


V. b. : 


407 


I 


16 


V. 0. : 


)) 


j» 




onder : 


410 


II 


9 


V. b. : 


>» 


j> 


17 


V. b. : 


>» 


• >> 


20 


V. 0. : 


411 


}) 


4 


V. 0. : 


414 


j> 


11 


V. b. : 


»» 


>» 


7 


V. 0. : 




id. 




415 


)) 


13 


V. b. : 


j> 


3i 


17 


V. 0. : 


416 


I 


22 


V. 0. : 


417 


>> 


15 


V. b. : 


j> 


II 


19 


V. b. : 


420 


I 




ond. : 


425 


J» 


10 


V. b. : 


>» 


II 


17 


V. 0. : 


>» 


J> 


3 


V. 0. : 


>> 


»» 




onder 


427 


)) 


13 


V. b. : 


)) 


ê 


13 


V. 0. 


431 


I 


10 


V. 0. : 


ï> 


II 


7 


V. 0. : 


433 


I 


12 


V. 0. : 


436 


)) 


22 


V. 0. : 


}» 


II 


13 


V. b. : 


439 


I 


16 


V. b. : 


441 


» 


10 


V. b. : 


442 


»> 


21 


V. b. : 


»> 


II 


8 


V. 0. : 


444 


I 


6 


V. b. : 


448 


1> 


11 


V. 0. : 


>> 


II 


16 


V. b. : 


449 


I: 


verrekt 


450 


II 


10 


V. 0. : 


452 


I 


M 


V. 0. : 


}) 


>> 


9 


V. 0. : 


453 


II: 


Yiesehaft 



8 p i a t 1. spint, 
volgt ; :=z p r ö t e 1 n. 
sprUten 1. spmteii. 
s p r ü t 1. s p r u t. 
stamboonen 1. stangroné. 
geld 1. geld niet. 
steek 1. steken, 
stadfastly 1. steadfastly. 
1 1. 2. * 
ook Stauber. 
stoantjed. 
stoarigr 1. stoarégr. 
stoadig 1. stoadêg. 
„sture" vervalt, 
nust 1. nustèn. 
1. vroegere guldenstukken. 

1. strikbJQntjen. 
strikken 1. jstricken. 

2. 1. 

HJD. 1. HD. (gewest., veroud.) 

epil. 1. epilepsie. 

switch; 1. awitlie, 

excentriek 1. verouderd. 

tot de genomineerden behooren 1. qije voordracht 

opmaken. 

tandjen enz. vervalt. 

dadde 1. daddy. 

g o a r 1. heer. 

tekst 1 1. t e k s. 

keuchies (zz biggen). 

aftronen 1. aftroonen. 

deze zin vervalt. 

„over den strik" vervalt. 

volgt: Vgl. stik 1. 

bongelen 1. bungelen. 

moet volgen: (vgl. ask;e). 

deze zin vervalt. 

2. 3. 1. 

a u t u r e n 1 a n t u r e n. 
gebroeken 1. gebruiken, 
zemelaarster 1. femelaarster. 
hondjeballen 1. houdjebailen 
u 1. ie. 

3. 1. 2 

Japik 1. Japika. 

buten 1. buten. 

3. 1. 2. 

3 I. 2. 

hoort op bldz. 448 

2. 3. 1 

^n 1. zin. 

1. te kennen. 

hoort op bldz. 454. 



XVI 



454. II 19 V. o. 
„ 18 V. o. 



455 



456 
457 



>> 



j) 



»» 
I 



459 
461 

462 



16 V. b. 

10 V. b. 

midd. 

24 V. o. 

II 11 V. b. 

„ 16 V. b. 

I 3 V. o. 

„ 26 V. o. 

Il 16 V. b. 

I midd. 

„ 21 V. o. 

463 II 5 V. b. 

464 I 8 V. o. 
„ II 21 V. b. 

465 I 8 V. b. 
,. „ midd. 

4d7 „ 5 V. o. 

468 „ 4 V. b. 

469 II 24 V. o. 

470 „ 24 V. o. 
I 13 V. o. 

II 7 V. b. 

„ 3 V. b. 

3 V. b. 



472 



j> 



473 
474 
475 
477 



>> 



2. 1. 

gekiUt 1. geketst 

buikmaag I. boekpens. 

bruinsteenen 1. bruine steenen. 

vokvee I. fok vee 

fasel 1 Fasel zz broedsel , ras . 

licht 1. voelsel. 

4. l. 2. 3. 

botter 1. boter. 

2 3 1. 

2 1. 

frSms enz vervalt. 

2. 3. 4* 1. 

2. 1. 

of maïs. 

wagge 1 wag — waggelen, enz. 

Wams 1. Wamms 

wamsen 1. wammsen 

Witwer 1. Wittwer. 

meepzennest 1. weepzennest 

walzen 1. walzen 

godskoren 1. god ster wereld. 

wallen 1. walen 

2. 3. 4 1. 

2. 1. 3 5 4. 

laadband 1. laatband. 
I: wintergrras tot en met wipangrel hoort op bldz. 474 
„ 4 V. b. : Plccardt 1. Ficardt. 
II : woateremmers moet hooger staan. 
I 23 V. o. : Wulf 1. Wolf 

11 V. b. : 1 a t 1. r e e p 1 a t. 
7 V. o.: 2. 3 1. 

13 V. b. : Nederl. zuimen, enz. 

6 V. o. : d e i 1 d e i d e r 
25 V. b.: 2. 1. 

midd. izoowatl. zoówat. • 

16 V. o. : = het volgende 1. z=. zaltje. 

12 V. o.: enz. 1. onz. 
23 V. b. : stroken 1. strooken 

midd. : zeissen 1 zeisen 

493 I 10 V. b. : sword 1. sward 

494 II 7 V.. b. : Grijsk. 1. Grijpsk. 
495 
496 

497 „ 4 V. o. enz : 3. 5. 6. 1. 2. 4. 
498: ansteken enz. vervalt. 

II 11 V. b. : z i 1 1 e n l. a n. 
„ 14 V. o.: HD. 1. HD. (gewest.) 
I ond. : b e d o e V e n 1, b e d o v e n. 

„ 17 V. o. : bewald 1. bewalmd. 
503 II 9 v. b. -.stoantjen 1. stoantjed. 
,) „ 10 v. b. : s t o a n t j e s vervalt. 
12. V. o.: HD, I. MHl), 



)) 



478 
479 
482 
484 
486 
490 



» 



)} 



»» 



>j 



ii 



>) 



>> 



}) 



>} 



}} 



491 „ 

492 II 



I: aifen tot en met aigrenkloak vervallen 
„ 18 V. b.: 2 1. 



>} 



500 
501 



9} 



}> 



XVI l 



504 1 24 V. o. : b i k b e e r e 11 1. b i kb ere u. 
13- V. o.: 1. Van \H1). (ook Ned.}: Blei? 



„ „ 11 V. o. : z i 1^: 1. z i (• h. 



505 „ midd. : m ö 1 1 e u 1. m a r k t e. 
„ Il 14 V. b. : lu o e t e n l. in o u t e n. 

506 „ n V. b.: 2. 1. 

507 I 17 V. b. vervalt. 

509 „ 1*4 V. o.: 5. 1. 2. :i 4. 

510 II 14 V, b.: 2. 1. 

514 „ bov.: Theriacca 1. Theriaoa. 

i(l. : Germ. enz. hoort bij tle aanhaling uit Kil. op bl. 88, 

516 „ 12 V. b.: 2. 1. 

517 1 12 V. b.: 2. 3. 1. 

„ II 11 V. b. : enz. Vergel. l. onz. Kvenzoo ook wel: 

518 „ 16 v. o.: 2. 1. 
521 I 16 V. o.; zoo 1. zie. 

„ II 15 v. b.: goud enz. hoort bij 't volgende artikel. 

524 I 21 V. o.: 2. 1. 

526 II 10 V. o. volgt : Vgl. huns w a r m. 

527 I 22 V. o.: 5. 1. 2. 3. 4. 

528 II midd. : oukster 1. oakster. 
„ „ 5 V. o.: Zeeuwen 1. Zeeuwen. 

530 „ bov.: wief 1. w a r k. 

531 „ 27 V. o.: 3. 4. 5. 6. 1. 2. 
„ „ 10 V. o. : riet* 1. r i e v e. 

533 „ midd.: Üicker 1. Flitter. 

535 ond. en 536 bov.: 2. l. 

536 II 1 V. b. vervalt. 

„ „ 20 V. b.: toart 1. taart bij r. Dale. 

537 I 14 V. b.: k ri o n 1 i g 1. k r i e o n 1 i g. 
„ 20 V. o.: 2. 1. 

538 II 23 V. o.: 2. 1. 

„ „ 17 V. o.: gasten 1. gast. 

•„ „ 13 V. o.: Beefisch giere beet. 

539 „ 6 V. o. volgt: Vgl. linze bij r. Dale, 

540 I 14 v. b. vervalt. 

„ „ 16 V. o. : m o o r k e 1. d r i e m o o r k e n. 

541 „ 11 V. b.: 1. leelfebrieje. 

543 „ 8 V. b.: w i s s e 1. w i 8. 

„ II 11 V. o. : b i e r g r a s 1. b i e s g r a s. 

544 I 11 V. b.: nev. l. nw. 

„ II 18 T. b.: r i e f 1. r i e v e. 

„ „ 6 v. o.: Zie 1. Ook. 

545 „ 14 V. o.: 2. 1. 

546 I 26 V. b.: 2. 1. 

II bov.: nö 1. no en n a u. 

5 V. b. : d r i n k e 1 d o o'd e l. d r i n k e 1 d o b b e. 

547 I 8 V. b.: „Vergel." enz. vervalt. 
„ II 8 V. o.: ofbörzen 1. ofbórsen. 

id. : b ö r z e n 1. b o r s e n. 

549 I midd.: 1. onderstboven of op zij. 

., 11 19 V. o.: 2. l. 






Wlll 



JJ 



551 l 3 V. I).: 2. l. 

552 II 15 V. o.: tle 1. pour. 

553 I 20 V. b.: pusseln 1. pascheln. 

555 II: potYeiteéren 1. potrerteren en zoo ook „potvertering" euz. 

556 I 18 V. 1).: p r ö 1 1 e 1 s I. p r ö t e 1 s. 

557 II 18 V. o.: racimo 1. razimo. 

558 I 2 V. b. : k r o d d e 1. k r ö d d e (bl. 537.) 
„ II 16 V. b. : rilden 1. ruiden. 

559 „ 18 V. b.: runnen 1. runne. 
„ „ 2Ü V. b.: riiske 1. riishe. 

560 I 17 V. b.: waterlus l. waterlisch. 
„ „ 25 V. o.: scharmant 1. charmant. 

563 „ 21 V. b.: 2. 3. 1. 
„ II 19 V. o. : s c h e u V e 1 8 1. 8 e h e u v e 1. 

566 „ 20 V. o.: staerégr 1. stoaréfi:. 

567 I 2 V. b. vervalt. 
6 V. o. vervalt. 

II 23 v. b.: =: enz. 1. zz uiteren. 
„ „ 6 V. o.: weg 1. weggesneden. 
569 I 17 V. b.: 3. 4. 1. 2. 
„ „ 15 V. o. volgt: Zie tiedig (bl. 420.) 

571 „ 20 v. b.: krodde l. krödde (bl. 537.) 

572 „ 7 v. o.: wegkomt l. vandaankomt. 
„ II 11 v. o. : d r i n k e 1 d o o d e 1. d r i n k e l d o b b e. 

573 I 18 V. o.: zie 1. vgl. 

10 V. o. : dr i n k e 1 d o o d e 1. d r i n k e 1 d o b b e. 
6 V. o. en II bov. : 3. 2. 1. 

574 „ 19 V. o. vervalt. 

575 II 25 en 18 V. o.: f ren zen 1. frensen. 

578 I 16 V. o. vervalt. 

579 „ 14 V. b.: 1. wildeboadel. 
22 V. b. vervalt. 

2 V. o. en II 2 v. b.: 1. d r i n k e 1 d o b b e. . 

580 „ midd. : ald. 1. p. Bale. 
II 20 V. b. vervak. 

581 I bov. :viefschaft 1. viesrhaft. 

11 V. b. vervalt. 
13 V. b.: jQmeischeet is een afzond, art., waarop volgen moet: 

zie t ij m e 1 s e h e e t. 
4 V. o.: d e 1. de e. 
II 22 V. o.: 1. mand te nemen, enz. 

582 „ 10 V. b.: zoadsoam 1. zoadzoam. 

583 „ 9 V. b.: 3. 2. 1. 

Herhaaldelijk zijn in den tekst van het Woordenboek niet als zoodanig 
aangeduide — soms zelfs verhollandschte — Groningsche woorden en uitdruk- 
kingen gebruikt, bvb. „toehouden" voor t o u h o Hen (== zich bevinden), „zoo 
of zoo" voor zoo of zoo (zz bijna), enz. enz. Het scheen niet noodig die 
aan te wijzen, daar ze op hun plaats in het alphabet voorkomen. 






>> »> 

»J 5J 

1 

i8" 

)) )) 

)) )) 

j> >> 



Enkele in l^et Woordenboek en l^ier gebruikte 

afkortingen. 



aant. =z aanteekening(en). 

ald. =z aldaar. 

alliter. zz alliteratie. 

Altfr. L. R. :=. AltfrieHvtcheft lAtndrevht. 

Ang. (bij Kü^- zn Engehch. 

Armh. zz Armherg. 

AS. z=. Angelsaksinck. 

bet. zn beteekenis. 

BUd. =z Bilderdijk. 

1)1. of bldz. iz: bladzijde. 

Butjad. zn Butjadmgen. 

bv. z= bijvoorbeeld. 

bvnw. zz bijvoegelijk naamwoord. 

causat. :z: causatief. 

Celt. zz Keltisch. 

Cimbr. (bij ATeY.) zz KimbrUch. 

collect. zz collectief. 

correlat. zz corïelatief. 

Bath. Ph. zz P. I)athenu£ „Paalmeti.'^ 

JJithm. zz Bithmarschen. 

Br. zz BrenUch. 

Brib. zz Vriburg. 

Br. Landr. zz Brentsch Landrecht. 

Baiirsw. zz Bnnrswold. 

Elderst. zz Eiderfttedtisch . 

eld. zz elders. 

factit. zz factitief. 

Eland, (bij iTi/.) zz Vlaamsch. 

Era. zz Eramch. 

Ereist. iz Ereintadt. 

freq. zz frequentatief. 

i'Vw. (l)ij A7/.) zz Eriench. 

Gal. (bij Ai7.) zz Eramch. 

gem. zz gemeenzaam. 

Germ. (bij ATi/.) zz BuiUch. ^ 

gew.. zz gewestelijk. 

Golden Kette zz ^. r. Palm ar, enz. (zie : Bronnen.) 

öo^A. =: Gothisch. 

Gr. Wbk, zz Woordenb. der Ned. Taal (zie: Bronnen.) 

Grijpsk. zz GHjpskerk. 

Gijab. Jap. zz Qijabert Japiks. 

Harreb. zz P. /. Horrebomée'x ^^Spreektroordenboek.^^ 

Hl), zz Hoogduifftch . 



XX 



Hebr. :=i Hebreen HTHvh. 

llelgol. z=z Helgoland. 

HesH. zz HeviUch. 

Hfft. = /. H. Hoeufft. 

IIoll. (])ij KU.) zn NedertandHcti. 

Hoht. zr HoMeimch. 

Hoht. Idiot. •=. J. F. SchVze , enz. (zie : Bronnen.) 

Hoogel. rz Hoogelmtd. 

intens, zz intensief. 

iterat. zz iteratief. 

i. V. zz in voce. 

Jeverl. zz JererlandHvh . 

JntL zz Jutlanduch. 

Kil. zz KUianuft (zie : Bronnen.) 

klemt, zi klemtoon. 

Landr. zz Landrecht. 

Langeit). zz Langewold. 

Lat. zz IjttUju. 

Laurm. zz 3/. T. Jjaurinmt , e//e. (zie : Bronnen.) 

Lengef. zz Lengefeld. 

JApsl. zz Lipdand (hippe.) 

MHB. zz Middelhoogduitsch. 

Midd. Lat. zz Middel -liatijv. 

MNederd. zz Middelnederdnitsch. 

MNederL zz Middelnederlandftch. 

mv. zz meervond. 

iV^^//. zz Nederlandsch . 

Ned.'Bet. zz Nedej'-BetnwHch . 

Neder d'. zz Neder dnitHch. 

Neders. zz Nedernakmch. 

Nedern. Whk. zz Versvch , ^wr. (zie : Bronnen. 

nl. zz namelijk. 

Noordfr. zz Noordfriench . 

o. a. zz onder andere(nj. 

07)r. zz OnddrentHch . 

OFrank. zz Ondfr^tiikvich. 

OGerm. (bij A'e7.) zz OudduitHch. 

OHD. zz Oudhoogdnitsch. 

Old. = Oldambt. 

Old. Landr. zz Oldambtater iMndreckt. 

Omviel. zzL Ommelanden. 

Ommel. Landr. zz Om meiander Landrecht. 

onp. zz onpersoonlijk. 

OoHtfr. .iz: Oostfriench. 

Opperd. zz OpperduitHch . 

Oftnabr. zz Owabrilck. 

Oudfr. zz Oudfriench . 

Oudn. -zzL OudvoorHch . 

Oiida. zz Ovdsakaiitch . 

ondt. ^z oudtijds. 

Ooer-Bet. zi Over- Bet incarh 

parag. zz paraj^ogisch. 

p. m. zz plusminns. 



XXI 

proth. :=. prothetiseh. 

R. Bijenkorf z=. de ,,Bijefikorf' van FhU. v. Marnix (Ie uitg. 1569.) 

Recklingh. i=. Recklmghamen. 

rediipl. :=. reduplicatie. 

reflex. z= refl^exief. 

Sara Burgerh., zie E. Wolff, enz. (Bronnen.) 

Saterl. ■=. Saterlandsch. 

Sax. (bij Kü.) ■=: Saksisch. 

Sic. (bij Kil.) zz Sicamirisck. 

Siegerl. ■=: Siegerlandsch (Siegeti.) 

Sp. ii: ISpaatisch. 

Sprott. zz SproUau. 

sprw. zz spreekwoord. 

StadGr. =: Stad-Groningsck. 

Stad(s)fr. zz Stad(s)friesch. 

S. tot de W. (Van de) zz Van de Schelde tot de Weichsel^ enz. 

(zie: Bronnen.) 
Strel. •=. Strelitz. 

Stürnb. zz C. H. Stürenburg ^ enz. (zie: Bronnen.) 
Swaagm. zz /. S. Swaagrnan^ enz. (zie: Bronnen.) 
tautol. zz tautologie. 

Teuthon. iz: G. v. d. Schuereti, enz. (zie: Bronnen.) 
Thür. z=. Thüringsch. 
V. B. =: van Bale (zie : Bronnen.) 
Veenkol. zz Veenkoloniën. 
vet. (bij Kü.) =z verouderd, 
vgl. zz vergelijk. 

V. Hasselt i zie Kilianus (Bronnen.) 
vnw. iz: voornaamwoord. 
Vredew. z=, Vredewold. 
Wang. zz Wangeroog. 
Weü. zz P. Weiland, enz. (zie: Bronnen.) 
Wend. zz Wendisch. 
West f. zz JFestfaalsch. 

Westl. Idiot. zz L. L. de Bo^ enz. (zie: Bronnen.) 
Wkw. zz Westerkwartier. 
WW. zz Westerwolde. 
WW. = werkwoord. 
ZBev. zz Zuid' Beveland. 
zegsw. zz zegswijze, 
znw. =: zelfstandig naa\nwoord. 
z. o. =: zie ook. 
Zuidfr. =: Zuidfriesch. 
Zuidn. zz ZuidnederUindsch. 
Zw. zz Zweedsch. 



Enkele aanwijzingen bij het gebruik van 

MoLEMA's Woordenboek. 



Uitdrukkingen voor klap, klappen krQfeii, enz. zijn te vinden op bldz. 
13 I (vergel. 65 II onder en 238 I midden.) 

It. voor dronken, enz. op bldz. 80 I. 

It. voor de sehooi Yerzaimen op bldz. 326 II en 553 II onder. 

Namen van aardappeisoorten op bldz. 100 I. 

BasterdYloeken op bldz. 130 I. 

BQnamen van de bewoners van sommige plaatsen en streken op bldz. 
268 II en 543 I onder. 

Plaatsnamen op bldz. 85 I. 

Tergeiyklnfen op bldz. 165-167 en 527 I onder. 

Yerklelnwoorden op bldz. 135 II en 184 II (vergel. 183 II.) 

Brief van prof. Beekerlnf Tlnckers op bldz. 155. 



^ 




OORDENLTJST. 



Alles wat met een * is gemerkt slaat op liet Woordenboek. 

Verwijzingen naar zulke woorden hier zijn gespatieerd gedrukt. 

Bij woorden uit het Naschrift (bldz. 494 en verv.) van Molema is 
meestal de bladzijde vermeld: zoo niet dan blykt vanzelf dat men ze daar 
zoeken moet als men ze in het Woordenboek niet vindt. 

De oa klinkt ongeveer als de a in 'iEngehche water 9 de ao alsof hij 
een Nederlandsche klank was. — De ö als de ea in ^iFrausche peur: 
hij is kort als hij de volkomen o (soms ook de onvolkomen e) vervangt 
(zomer =: zomer, grondel ■=. grendel) en lang als hij de plaats van 
de onvolkomen o (of a) inneemt (zorg =: zorg, törf zz turf.) — De 
ö nog doffer dan de o in 't Nederl. stom : deze klank is zooveel mogelijk 
overal aangeduid waar dat noodig scheen. 



A 



*a (bladz. 494): het «j^ebruik van deze 
letter inplaats van e blijft in OveriJHel 
ook den zeer beschaafden vaak levens- 
lang? bij, maar de a klinkt daar nooit 
als flfl, gelijk in sommige streken van 
onze provincie. Omj^ekeerd wordt in 
Overijsel de a vaak tot eene eenigszins 
gerekte e, bvb. in tcérm zn ■ warm, 
enz. Nog valt op te merken, dat, 
terwijl men menigmaal staar k hoort 
voor: stark, en waarm voor: warm, 
enz., het omgekeerde plaats l.ecft bij 
start (s teert) zz staart, en M a r t e n 
(Meer ten) = Maarten. 

Ook het Buitsch heeft soms a in 
dezelfde woorden als het GroningHch, 
doch in andere gaat die letter in i 
over, of de e blijft, als in 'i Neder- 
landnch : 

Nederlandsch : 



Gro7iinysch: 
stark 
klap 
V a r f 
kaspel 
bark 
kars 

t r a c h t e r 
barg 



sterk 

klep 

verf 

kerspel 

berk 

kers 

trechter 

berg 



harst 
s t a r V e n 



Uuitüch : 
stark 
Kltfppe 
Fflrije 
Ki'rchspiel 
B/rke 
K/rsche 
Tr/chter 
Bé-rg 



herfst H^rbst 
sterven sté-rben 

^abbabbel, zie ook Mabbabbel. 

*abbeHJern , vergel. : a n n e m e n. 

*aber! of *oaber! iz: ^ondertasken! 
■=. ik weet wel beter! 'k geloof het 
nog niet ! — 't Eerste meestal vooraf- 
gegaan door j a (uitgesproken j a h) , 
't laatste door ja, moar, nou ja 
moar. Ook elders hoort men deze 
uitroepen, evenals de ook hier in de- 
zelfde beteekenis gebruikte zegswijze: 
ja, onder de bedrijven! 



aehtentwintigr, zie *klop. 

*achter, ook: achter de veeren, 
„achter de vodden" ook elders. Zie ook 
aehteranzitten. 

aehteranloopen , zie ^noaloopen. 

aehteranzitten, evenals „d'r ach- 
ter heer zitten," zie *heer, in de 
beteekenis van : onderzoeken, werk van 
iets maken. Zie bij r. Dcde: achter- 
heenzitten. Ook: d'r achter tou 
zitten. 

*achterbinde : denk bij de opgege- 
ven woorden aan het Hl). 

♦achterdocht, vgl.: omdenken. 

achterende, zie *binhoes en *dom 2. 

*achterlastigr: „achterlast" ook bij r. 
Dale. 

achterlegrgrers, zie damlegrgrers. 

*achtigr: vergel. „achtig" l,bij r. Dale. 

^achtkant: omtrent den „x\chtk.boer" 
vergelijke men den Gron. Studentenal- 
wanak, 1888, bladz. 8(). 

*afstraiver: het Hl), „strupfen" is 
gewestelijk. Zie het IFörterbnch van 
/. C. Adehing. 

^aiberbloum, zie ook *kiewietsblou- 
meu. 

*aid, zie ook *kettenaid. 

aid, zie *altied (bladz. 490), zoo ook 
haid voor h a i 1 1 i e d of „h ij 1 1 i e d" en 
aink voor aigentliek of ijgentliek. 

*alnlieks of *<jnlieks (bldz. 495 en 
581), ook aigrentliek of aiiidelk, vaak 
samengetrokken tot aiuk, flnk of enk. 

*ais, HH. aisch 1= leelijk, verschrik- 
kelijk, slecht. 

ak = as'k = als ik; ook Geld.; 
vergel. *da'k. 

♦akked^ern (bl. 495), vgl. het liieer 
algemeene „harmonieeren." 

*al = wel, ook in uitdrukkingen 



AL 



ANGOAN 



als: 't is al wat beter, 'tgijt al 
zoo «?ou(l van doaore, bvb. van 
zieken «gebezigd (de beteekenis op bldz. 
4 is eenigszins anders); 't i s al r o a r 
m 't is wel zonderling (meestal ongun- 
stig); het Nederl. heeft in de gemeen- 
zame spreektaal: al zoo lief zn wel zoo 
lief of liever. Vergel. *bedel en doa- 
^B. Met de zegsw. op bldz. 5, I bo- 
ven, komt ook overeen: ien alle 
stukken =i geheel aan stukken. 

al als voegwoord zn als: al goan 
'k n o a r hoes z=. als ik naar huis ga; 
in 't Xederl. komt hiermede eenigszins 
overeen de zeer bijzondere beteekenis 
van „al" =: zelfs indien; synoniem zijn 
*as en *of (zie de aanteek. op die 
woorden.) 

aiderdeefs, zie •allerdeefs. 

*allé. vergel. *aUa. 

alleer of aleer =: >Toeger of voor- 
heen, letterlijk zn weleer; de samen- 
'stelling aleeijoaren beteekent: in vroe- 
gere jaren , en is eigenlijk pleonastisch, 
in 't Xederi, nog overgebleven in: voor 
en aleer. 

alleryTifst« zie *alleijoaelk. 

*alliekeTeal : HD. gleichnel. 

*alseliooB (bl. 496), ook bij r. Dale. 

alsea, zie: dat ten. 

*als|r«Tal, zie ook: geval. 

als te voor: al te, zie *Tealste; bei- 
de ook elders. 

altieden ^n altijd; gevormd als *hyi- 
tieden. 

altmoal =: allemaal (al te maal), 
alles, allen. 

*alwaar! vergel. *awoar (ook de 
aanteek.) 

*an (blilz. 496) vgl, ^bakkeran; vgl. 
verder *om-an (bl. 297) en *om en 
an (bldz. 549), alsmede „aankunnen" 
bij r. Dole. Zie ook: an-toa en ♦rört. — 
Ooki= \XedérL „in", bvb. in: *kheb 
d 'r g ij n o a r i g h a i d (of zin) a n , 
doar hei' geliek an (en omgekeenl: 
in de proat hollen); zoo ook iu: 
zok tegenan zetten, XedeH. zich 
teareninzetten =z van zich zetten of 
zich er overheenzetten, vgl. *ofstellen 
(bl. 54S.^ Zie voorts: au wezen eu: 
op zitten, alsmede *anjroan i^ook de 
aanteek.) 



*anbeteren, meestal in de uitdruk- 
king : mooi a n b e t e r e n. Ook bij v. 
Dale: aanbeteren. 

anbóden, in de uitdrukking: 't wordt 
ijn nijt ijderdaganbóden; ver- 
gel. *toalan|ren. 

*anbren|ren, ook =: opleiden, af- 
richten, geschiktmaken , bvb. een jong 
dienstmeisje; ook Xederi, ^ vergel. op- 
brengen. 

*ander, ook in: van 't ijn in 't 
ander, Xederi.: van 't eene op 't 
andere. Zie ook: *Bander (ook de 
aanteek.) en : ij n. 

'andermans, ook bij r. D.; de eerst- 
genoemde zegswijze reeds bij SSkakspea- 
re (1596) en ook HD., alsmede bij v. 
D. sub „voet." 

'andersom is Nederlandsch. 

anderswat of answat voor: wat an- 
ders , in ironischen zin, bvb. das a n s- 
watas mooiweer! als het stortre- 
gent. 

'andoeken, vergel. : doeken. 

*an|ren, te vergelijken mei „eng" en 
„angst", bij v, Dale: ang z=. eng. 

'angreven (bldz. 9): ook bij v, Dale, 
onder „geven." 

angrlennen = beginnen te gloeien, 
Xederi.: aanglimmen of aangloeien; 
vgl. *irlen. 

'angroan, ook in: wat geit die 
an? (vgl. *ankomeB) = wat scheelt je? 
(ook Xederi.) Verder. =z overgaan van 
een bel: schel is nijt angoan. — 
Met de beteekenis van „ingaan" verge- 
lijke men 't Xed. woord: aanloopen. 
Ook beteekent het „gebeuren", „begin- 
nen", enz. in: 't k e n nog k r e k t an- 
goan zz er is nog juist tyd genoeg 
voor , m ö r 'n zei 't a n g o a n. Vergel. 
blilz. 515 I reg. 38 v. b. en het be- 
i::n van Hoof f s Xederlund^che Hiêtth- 
rifMy alwaar het aanvaarden of begin- 
nen beteekent. Meestal wordt het on- 
ovorgankelijk en gewoonlijk onpersoon- 
lijk gebruikt, vooral in de beteekenis- 
stMi: lH\srinnen, gebeuren, gelukken, 
doorgïwui, zijn beslag krijgen, gesloten 
worden (van een koop), tot uitvoering 
gorakou. Vergel. de overgankel. beteek. 
by Hoo/f en die van: een huwelijk 
enz. lumgaau. In de uitdnikkingen be- 



ANHOALEN 



ANZËTÏEN 



treffende 't beginnen van een kerk of 
van een school is het Nedérl. en komt 
bij V. Dole voor onder „kerk";. bij ver- 
korting zegt men „de kerk is aan", 
evenals schoul is in. 

^anhoalen, ook in: d'r is gijn an- 
hoalen an zz het Nederl. : er is geen 
aankomen aan. 

^anhollen, ook z= duren, i. d. be- 
teekenis van verloopen: 'tken nog 
wel 'n po ar uur an hollen eer 
dat 'r komt; Nederl. aanloopen. 
^anjuk, vergel. ^spoorstok. 
^ankalken: aankalken ook Nederl. 
*an kant, ook in: an kant moa- 
ken =: te bed brengen en zök an 
kant moaken zz te bed gaan. Zie 
ook: ber en vergelijk *zied 1 (bldz. 
485) en *aii zied g^oan (bl. 498), als- 
mede: kant. 

il^anker: duidelijk hoort men overal: 
beste en toch zal de bedoeling zijn: 
leste. 

ank'm of ank'n (vooral Wkw.), door 
snelle uitspraak, voor: ^ankoom. 

^ankomen (bldz. 10), vgl.: angoan, 
alsmede bij v. Dole-, aankomen zz aan- 
gi'ijpen, overvallen. 

^ankomen (bl. 497), o.a. bij Lindo: 
zij zouden mij zien komen! 
^ ankoom, vgl. ^toukoom. 
anliingrs, zie: langs. 
^anloaten: aanlaten ook Nederl. 
^anloopen 1, vgl. *tielen. 
^anloopen 2 i= Nederl. „oploopen"; 
vergel. opnemen. Verder voor het af- 
loopen van een uurwerk, vooral van 
een kettingklok, en dan meestal als 
deelwoord: klok is anloopen. 

^annemen in: 't nijt annemen, 
'thooger verzuiken, 't hoogerop- 
gooien zz in' appèl komen; vgl. 
♦abbeHjem en ^inlegrgren; „dat neem 
ik niet aan' ook elders en ook HD. 
*anpeertjen, vgl. *peertjen. 
*anred, vgl. *ygrenred (ook de aan- 
teek.) 

*anricht is verward met potrik: het 

laatste bestaat uit latwerk, 't eerste niet. 

anronpen, zie *anhoaIen: aanroepen 

is in (leze beteekenis ook Nederland'ich^ 

maar komt weinig voor. 

anryden, zie *aiired en *ryden. 



*ans ook in: wat zegs' tou ans? 
zz v^at zegt gij er van? denkt ge er 
ook niet zoo over?; dat is nijt ans 
zz dat moet men erkennen : in 't Ned. 
wel in de beteek. er is niets aan te doen. 
^nschaffer, vergelijk schaffen 
^anscheren, vergel. \ Nederl. gek- 
steken en vooral ook „gek" 2 bij v. Dale. 
^anslag: Nederl. aanslag =i begin, 
en vgl. „de handen aan 't werk slaan." 
Aanstellen (bid. 498), vergel. Aan- 
zetten 1, alsmede Ned. aanstellen, ook 
wat betreft bldz. 12. 

anstoken , . zie Adoenighaid , en van- 
daar: 't is of 'e anstoken is m 't is 
alsof hij bezeten is. 
answat, zie anderswat. 
antocht: op antocht iz: in aan- 
tocht. 

an-toa iz: tot, bvb. an acht uur 
tou op ber leg'n; soms ook alleen 
an: wie zeilen moar wachten an 
Moandeg, of ook: an Moandeg 
tou wachten; vergel. *toavend. 

antoakomen : 'k m a g d 'r n ij t a n 
toukomen zz ik mag er niet aan 
denken. 

anv^rgren zz van iemand vergen: 'k 
wil 'thöm nijt aan var gen. Vergel. 
het Nederl. afversjen. 

*anwaisel van anwaien, evenals 't 
Fransche woord „soufflet" van „soufRer" 
(zie /. S. Swaagman in de Annales Acad. 
(Jron. van 1824 25.) Zie ook bldz. 498, 
alsmede *labbabbel en *teut en vergel. 
^wai. 

*an wezen (bldz. 498), vergel. *an- 
arbaiden (bldz. 496) en 't Nederl. „er 
aan zijn" (zie „aan" bij v. Dale.) 

anwiezen (klemtoon op ie) zz naar 
iemand wijzen, en figuurlijk: men ken 
höm met gijn hand of vinger 
anwiezen zz hij is zeer kleinzeerig 
of lichtgeraakt. 

anzent of anzens i= aanstonds. 
*anzetten 1, vgl.*anstellen(bl. 498) en 
't Nederl. aanstellen, vergel. ook „aanzet- 
ten" en „toestellen" Ijij r. Dale; Geldersch: 
toestellen zz aanschaffen. 

Aanzetten 2, Nederl. ook: aanzetten 
en: opzetten. 

Aanzetten (bldz. 498) ook voor: aan- 
leggen van een kachel of een vuur, v. 



AN"Z\VEN(} 



BALKIIÜAS 



Bate «i^eeft het als weini»^ gebruikelijk 
op. — Bij r. D. ook: zich aanzetten 
1= licht aanbranden. 

*anzwengr ook: ^padschieter. 

anzi[|n: d'r te^^en anzijn =: er 
tegen opzien, is hier zeer algemeen in 
gebruik; v. Dale beschouwt deze zegs- 
wijze (sub „aanzien") als verouderd. 

appel-en-bol , appel-en-brood : zure 
appelen met wittebrood , suiker en kren- 
ten, in een schoteltje gestoofd. 

appelkoolkwint noemt men een uit 
den kwintappel of kolokwint bereide 
bittere stof, waarmede men wel eens 
de tepels bestrijkt, ten einde een zui- 
geling van de borst af te wennen; 
schertsend verbasterd tot *oapekool- 
kwint (zie aldaar.^ 

*arbaider: op groote boerderijen in 
Hunsego staan de inwonende knech- 
ten onder den uitwonenden a r b a i d e r. 

arbaidershöeske , zie ^arbaider. 

arbaidersmènsen , zie ^arbaider. 

^arbaidsmènsen : ook Geldersch. 

arbaidsTraü zz werkster, w^erk vrouw. 

^arbalsems, verbastering van *ybals. 

arkeneerwortel := alkanna-wortel (ra- 
dix alcannae), vooral gebruikt om wrijf- 



was te kleuren; (wisseling van r en /, 
vgl. *karmswortel.>) 

^arkenyi, zie Woordenh. der Ned. 
Taal i. v. arkeneel. 

^armoude; juister: tegen wil en dank, 
in welke beteek., voorafgegaan door 
„uit" of „van", het ook elders — vooral 
ironisch — voorkomt. 

*as, zooals het voorkomt bldz. 498, 
ook in : a s i s (of w a s) 't o o k m o a r 
'n half uur i= al zij, of ware, het 
ook slechts een half uur. Zoo ook in: 
as is 't ook nog zoo, as was 't 
ook ZOO; vergel. *of (ook de aanteek.), 
alsmede al. 

Vergelijkingen door a s uitgedrukt, vindt 
men bldz. 165-167 en bldz. 527. 

*aske : g ij n vinger enz. ook el- 
ders; zoo ook de eerstgen. zegsw. fig., 
in Z. Ned. o. a. van bedrogen meisjes. 

askegat, zie ^Leermens. 

askcTat, zie: vat. 

assen, zie: datten. 

^assmis, vgl. bij v. Dale: temet. 

^angrurken, ook bij v. Dale. 

*awoar, Engehch: aware; in Holland: 
hawaar ! z=: ziedaar ! , als men iemand 
een klap geeft; vergel.: hol do ar. 



B 



^babbelgrangrjes, vgl. *gruchel. 

^baggreln, vgl. ])ij v. Dale (4e druk) 
baggelen. 

bagrgrelputten , bagrgrelpetten, zie Spet- 
ten. 

baiden, zie ^tweibaiden. 

baitelaid: een nieuw soort van eg- 
ge , met beitelvormige tanden. Vergel. 
ook ^kettenaid. 

*bak, ^bakke: zie ook ^kastje. 

bakje i= etensschaaltje: ook elders. 

bal^egrooien, een jongensspel (o.a. in 
't Weüerkwart.); daarbij wordt een bak- 
steen op den kleinsten kant gezet en 
een kleinere steen er op gelegd, dien 
men er af moet zien te werpen, zon- 
der dat de baksteen (in dit geval bak 
genoemd) omvalt, 't Zal hetzelfde zijn 
als *boerbakjen. 



^bakkeran, algemeen Nederlandsch in 
het dagelij ksch leven. Laurillard (Bij- 
bel €71 Volkstaal, bldz. 34) denkt aan 
Farao's bakker, die gehangen werd. 

bakkerstieken , zie : kakkerlak. 

*baks, zie ook *pikkerg^. 

^bakstaf , vergel. *staf en *Terstren- 
?en. 

^baldern, Nederl. ook „balderen" voor 
„bulderen." 

*balk, zie ook ^balken; 't beteekent 
ook „vonder", vanwaar de naam Kuze- 
m e r 1) a 1 k , voor een gehucht bij Groo- 
tegast, waar een vonder over het Wold- 
diep ligt, — hiermede te vergelijken 
de beteekenis „zolder" (bladz. 499.) 

^balken, vergel. *Hjgren. 

^balkhoas, vgl. ^beunhoas, ook de 
aanteek. * 



BALLAST 



BE(ÏROOTEN 



^ballast, ook voor lastig, nutteloos 
tuig: wat legt'r weer 'n ballast 
op toafel, op. deel, op stroat. 
Vergel. ^omballiugr. 

*balstnrigr (bldz. 499) ook Neder- 
Imidsch. 

*band, zie ook *stad. 

bandrepel i= *bandrekeL 

^bangr; in 't Framch de zegwijzen: 
„il a peur d'avoir peur" en „il a peur 
d'avoir eu peur." 

*bank, vergel. *deur de bank (bldz. 
72 en 510.) 

*banket: in de vestingbouwkunde =i 
verhooging. 

^banzerdenr, vergel. *Toldenr. 

*barm ook =z berm van den weg, 
Fransch berme, HD. Berrae, Bram 
(vandaar verbramen =i: omzoomen, prse- 
texo.) 

barmkes of bermkes, een zeer klei- 
ne zangvogelsoort, die vooral einde 
Maart of begin April wordt gevangen. 
Bij V. ])ale „steenbarm." 

BarnTlair (reeds in de 16e eeuw als 
„Barnvledder" voorkomende) is de naam 
van een streek lands bij ter Apel. Niet 
lang geleden werd door dat terrein een 
kanaal gegraven naar de Duitsche gre^- 
zen en werd de naam Barnvlair meer 
in 't bijzonder overgedragen op een 
buurt, gevormd door een paar kleine 
huizen bij een sluis waardoor dat ka- 
naal stroomt. Vergelijk Barnegaten, 
een buurt aan 't Reitdiep bij Leens (bij 
't volk Barnigoaten of Barnjegat: 
misschien verbastering van „l)armgat" 
m dijkgat, evenals de Barnjeweg, 
een zeer oude dijlcweg bij Godlinze), - 
alsmede de buurtschappen Barndegat 
(Noord-Holland) en Barmcerd bij 01- 
dehove, en in Gelderland Barneveld 
met de ])uurt de Barn; te Amsterdam 
heeft men de „Barndesteeg" , waarbij 
men echter meer waarschijnlijk aan „bar- 
nen" i=r branden zal te denken hebben. 

barsie of barzie := *berzie (vergel. 
bldz. 501.) 

*barstend: ook in barstend(e) vol. 

*barTe, bij v. Dale: „berrie" en „bume." 

bassien, zie *bastje (bldz. 500.) 

bast, zie *schin (ook de aanteek.) 

*bat: hiervan Ba tj e burg of — 



borg (in geschrifte : Baatjeborg of Ba- 
tetdjorg), een buitenplaats nabij Winsum. 

batjekauel^*anwaisel (zie bldz. 498.) 

be- als voorvoegsel vóór een werk- 
woord geeft daaraan frequentatieve be- 
teekenis, bvb.: wat beloop je toch, 
wat beschrief je toch? m wat 
heb je toch voortdurend te loopen, te 
schrijven? 

bebrenkt, zie *breuk en ^pand. 

*bedel, vergel. II 1).-. der ganze Bet- 
tel =: de heele rommel. 

^bedeldeken, bij v. Dale^ bedelaars- 
deken. 

bedenksel en bedenkseltje, zie *op- 
bedenkseitje. 

*bedesd, vgl. *bekweem. 

*bedogren: „to dive" wordt regelmatig 
vervoegd. 

*bedongren (bldz. 500), zie ook *dong^. 

bedreugen =: *bedrog:en. 

*bedrongren: HD. liever „gedningt", 
hoewel „gedrange" of „gedrange" ook 
goed is. 

bedsplank voor berplank, doch 
misschien Friesch. 

bedyen (zie *bebruukt), is Neder- 
landsch. 

bed^nen, zie ^toupakken, doch „be- 
dienen" is in dezen zin ook Nederland^ch. 

*beer (b), vgl. jjeersteker bij v. Dale. 

beerbiet, zie *berebiet, ook de aan- 
teek. 
. *beet (bldz. 500), vergel. *bflt. 

beeten {HD. Im])iss), zie *bragr en 
vergel. 'tveroud. „inl)ijt" =z ontbijt. 

begrrafnis of begraftenis = begrafe- 
nis; vgl. *grenöcht. In 1687 werd uit- 
gevaardigd eene Ordonnantie op de 
„Begraif enis-kosten . " 

*beg:repen, verkort: doar heb 'k 
n ij t op ; ])eide vormen zijn echter zui- 
ver Nederland^ch. Vgl. *Yerzyn. 

*befBrriepen (])ldz. 500): de reflex, 
vorm is alom hier te lande in gebruik, 
doch o.a. door üU7i Lennep ten streng- 
ste afgekeurd. 

^begrrlpsoam, vgl. onbegrrlpsoam. 

*begrooten, Frie&ch: begroate. In 
Hunsego zegt men: wat kwam mie 
dat te begrooten; vgl. *belutjen, 
„begrooten", „Ijegrootelijk", ook elders , 
doch meestal van geld. 



BEGRIJMEN 



e 



BETREKKING 



*begrrflmen: Zuidnederl. beo^jmen, 
be^ij melen. 

behaWen, behalm ^=. behalve. 

^behang^ (bldz. 23), ook Nederl.; met 
bldz. 500 vgl. „behanpjen" bij r. I). 

behaspeln (bldz. 573 I ond. - als 
Nederl. ])esclioinvd) =: bedisselen, met 
het bijdenkbeeld: niet zonder moeite 
of twist. 

behongren, zie ^behangr. 

^behalpsoam : men lette op de geheel 
andere beteekenis van het Nederlaiidsche 
woord „behulpzaam" z^ hulpvaardig, 
gedienstig; zie ook ^redsoam, vooral 
in de aanteekening. 

*bei, zie ook *kostbei. 

*beien, iw. Drenthe „beezen", wat al- 
daar echter ook frambozen, aardbeziën 
enz. kan beteekenen, 't Ned. bei 
(Fransch baie) alleen in samenstellingen. 

beQoar, zie *opzetseL 

*beiker, Nederl. bijker. 

*bek, zie ook *bekkert. 

^bekennen, ook (als gewestelijk) bij 
V. Bale. 

bekje, zie *bekkieii en *doetje; 't 
komt ook bij v. D. voor. 

^beklaien, vergel. *woul. 

^beklinken, vgl. de Nederl. termen 
„beklinking" en „inklinking" zz vermin- 
dering in omvang van uitgegraven aarde. 

bel, zie *belle 1. 

belang: van belang nijt, voor: 
niet van belang, bvb. 't regent van. 
belang nijt, hij het van belang 
gijn koors meer. Het achteraan- 
plaatsen van de ontkenning komt meer 
voor: 'k heb noar mien zin gijn 
houd vonnen zz ik heb geen hoed 
naar mijn zin kunnen vinden. 

beleeren, zie *onbeleerd. 

belkriek, zie *bölken. 

*beloazerd: oudtijds heette de me- 
laatschheid „lazerij" en de daaraan lij- 
denden waren „belazerd" ; vgl. bij V. I). 
(4e druk): belazerd, belazeren. 

*belutjen, vergel. *begrooten. 

beHjven, zie *bHjven. 

^benoam, Geldersch: benoamens. 

*benoad, ook in: 'n ben oud luk 
bietje zz: een bedroefd klein beetje. 

*benul: „nal, nul, nuilla" zal OHD. 
zijn. Men spreekt in 't Nederl. van 



een ,, onbenul" =z een „onbenullig" 
persoon. 

bepreeken : hij het twei kerken 
te bepreeken zz moet beurtelings 
in twee kerken dienst doen; hij ken 
dij kerk nijt bepreeken zz zich 
er niet verstaanbaar maken. In 't Ne- 
derl. in beide beteek.: bespreken; 
vergel. 't Ned.: iemand niet beroepen 
kunnen. 

*ber, ook in: op ber moaken 
zz te bed brengen, synon. „an kant 
moaken", zie : a n kant. 

*berebiet: eene bekende uitspan- 
ningsplaats aan dé Utrechtsche zijde 
bij Amsterdam heet „de Be(e)rebijt" , 
vergel. ter Gouw' 8 Amüelodamiana, 

bermkes, zie barmkes. 

beronpen , zie ^abbelQern en vgl. : 
a n n e m e n. 

bersdeüren = de deuren eener bed- 
stede. 

bèrteek zz beddetijk. 

beschieten, zie ^besjaieheln. 

^beschikken, of ^schikken, ook zz 
geven :zö'j mie ook wat geld 
beschikken kennen? 

*beslabben, vgl. ^beslantern. 

*beslagr, soms ook in de beteekenis 
van beschot zz opbrengst; ook i. d. 
4en druk van v. Bale. 

^besloagren, vergel. ^belakken; „be- 
slaan" in deze beteek; ook bij v. !>., zie 
vooral 4e druk; vergel. ook versloan. 

bespöttern, zie spöttern. 

bessemstoal, zie *bessem. 

*best, zie ook *al en *te en vergel.: 
van. 

*besteden: Nederl.: ter aarde be- 
stellen. 

*bestek: „klein bestek" ook elders. 

*bestellen, zie ook ^gT^outenis; ook 
HB. 

*bestoan, zie ook *ja (2e kolom), 
vgl. ^menschdom. Bij v. Bale: zoo 
besta ik niet i= dat is mijn gewoonte 
niet. 

bes^n, zie *bezfln. 

*betrekken in 't Nederl. ook zz in 
moeilijkheid brengen; zie ook *begoan. 

*betrekkingf op iets, heet elders 
„zwak" op iets, waarvan o.a. 't samen- 
gestelde „familiezwak" hebben (minder 



BEUGEL 



BLIEFT 



gunstig „familieziek" zijn, bij v. Dole, 
die 't woord zwak in bovengenoemde 
beteekenis niet opgeeft.) De titel van 
een gedicht van Bogaers luidt: Koning 
Knuts familiezwak. Zwak voor betee- 
kent een ziekelijke belangstelling in 
iemand of iets. De beide eerstgenoem- 
de uitdrukkingen vertaalt men 't best 
door „gehecht" aan. Intusschen komt 
„betrekking" in deze beteekenis ook in 
't Nederlandsch voor. 

beag^el (eigenl. beugelnet) is een 
werktuig om slijk te scheppen: zie 
^laiken. 't Woord wordt ook elders 
gebruikt. 

*beuii, vergel. Nederl. (hoewel niet 
bij V. D.): op zijn achterste zolder ■=. 
geheel terneergeslagen. 

^beanhoas: het N^derlandsche woord 
had oorspronkelijk waarschijnlijk dezelf- 
de beteekenis. 

*beiiren, in de beteekenis van ont- 
vangen, hoewel Nederlandsch, behoort 
hier uitsluitend tot de volkstaal, vooral 
als er van vorderen sprake is: ken 'k 
nog nijt 'n gulden van joe 
beuren? =: heb ik nog niet een g. 
van u te vorderen? 

*beutel, vgl. *deupe5 *peukel en 
*prugrel, en het Nederl. (gemeenz.) 
„peuter." 

*beaze, vgl. *vauL 

bevertien, zie bokkebaai. 

♦bezetten, vgl. ^knöflfeln. 

bezing^en, zie *kerk. 

*bie 1, zie ook *bie' nander (bl. 
503.) 

biebel ( m bijbel) voor dik boek: 
wat 'n dikke biebel!; ook wel 
elders. 

♦bielang^s; officieel bQlangs: „goten 
en afwateringen bijlangs de huizen", 
vergel. : langs. 

♦biemoaken (Nederl, bijbrengen), als 
het omgekeerde van ^weg^moaken (bldz. 
577.) 

biendg^oaten, zie bindg^oaten. 

biehendeur = binnendeur. 

bie 'n kander, zie Hie' nander. 

bienoasten, zie Henoasten (bldz. 501.) 

*bieof, vgl. Nederl. „er bij af." 

bieschoapen, zie ♦beschoapen (bldz. 
501.) 



♦biestoan, Nederl. (hoewel niet bij 
V. 1).)\ er voorstaan; bij v. JDde (4e 
druk): 't staat er goed bij. 

bieter, zie *bieterke. 

*bietoa, eigenl. pleonastisch ; zie : 
t o u. 

bie wegr, zie: weg. 

biezejoagrer, zie *biesjoagrer. 

*bigrgren moaken, Nederl. kalveren; 
zie ook *an de gang^ en *kalYen. 

*bikberen, ook *bleeken en ^bl^kens. 

*bin = het UB, evenals *bist. 

bindgroaten =: vetergaten; bindgroa- 
tenletters nr holge werkte merkletters. 

♦binende, ook: *boYenende. 

♦binhoes, ook: ♦binende, *boven- 
ende. 

binnendeur, (klemt, op deur) ■=. 
te huis, in huis : denk'r om! tien 
uur 1) innen deur! z=l ge zorgt 
er voor, om tien uur te huis te zijn ! ; 
'kwil hömnijt weerbinnen- 
d e u r (zz over mijn drempel) heb- 
ben; vgl. boetendèür. 

*birzen, HB. Bürsche =: juicht, bür- 
schen m stroopen, Pürsch =: wildbaan, 
(ook wel, o.a. bij Uhland, Birsch, bir- 
schen.) ^^i Zwitsersche bise is Framch, 
HD. Biese. 

♦bittertje, zie ook *grlie8tern. 

*blad, vgl. *wicht (bldz. 578.) 

*blaisterg^, vgl. Eng. to bluster z= 
razen, tieren, waaien: a blusterous wind 
zz een harde, bolle wind. 

*blak: „stomp 1 o o p e n" betee- 
kent ook: geen uitgang hebben, dood- 
loopen, van straten of stegen. 

♦blaksem (euphemistisch), ook elders. 

♦blakstil, ook bij v. Dale. 

*blas: elders „bof", zie v, Dale (4e 
druk.) 

blast, zie *blas. 

blau, zie ♦blou. 

*bleu, ook bij v. Dale. 

*bliddergr: het hier vermelde blik- 
kergr zal afgeleid zijn van ♦blikkern; 
blikkerg weer is het, als de zon 
voortdurend bij afwisseling door de 
wolken breekt en verdwijnt. 

*blied; v. Dale heeft: blij, blijd, blijde. 

blieft voor: als 'tu blieft, bvb. me- 
neer blieft m als 't u blieft mijn- 
heer, en evenzoo : meneer blieft 



BLIKKOATER 



8 



BOONAKKER 



e V e 11 zitten 2: o a n m wees zoo 
i(oe(l even te i^aan zitten ; voorts in de 
zeer onvolledige zinnen : meester 
blieft ni i e n pen sputtert!; 
moe blieft 'n appel?! 

blikkerg. zie : b 1 i d d e r g. 

blikkoater, bliks(e)koater, bliksie- 
koater en blikstiekoater: bijvormen 
van *blits(e)koater. 

bliksie, zie ^gommes. 

^bliksloagrer, bij r. Dale (gewest.): 
blikslagers. 

*blinkje, vergel. *brink. 

blits (HD. Blitz), zie ^grommes. 

bloasbalk (ook elders in de volks- 
taal „blaasbalk"), zie *poester 1. 

*blok, Fra. tronc, III). Opferstock. 
Zie ook *legrgre. 

bloode Touten, zie *hozevötels. 

blooteu, zie *grroote. 

*bloots, HD. bloss. 

blaf, zie *blösein en *bek (bl. 501.) 

blflk, zie *blespeerd. 

boalTangrer, zie ^baalTangrer. 

*boantje, zie „baad je" bij v. Dale. 

boas, zie *Terwin. 

Hoazigr; elders heeft „bazig" de on- 
gunstige beteekenis van: heerschzuehtig. 

*bobbekop komt overeen met 't Ned. 
„bobberd"; niets maakt een Friesch 
boozer dan de qualificatie : V r ij z e 
bobbekop! 

*bod, hiervan 't Nederl. „bot vieren", 
zie bot (5) bij v. D.; vergelijk ook 
*iederbod (bl. 176 en 529.) 

*bödden, vergel.: t r o e s t. 

*bodenbesteder, — besteedster, ook 
in den 4en druk van v. Dale. 

*bodjes, ook: *driestjen en *oefke. 

bödpad, zie *böd. 

bodschap, zie ^bosschöp. 

bödschoed, zie *bödder. 

bodskip, zie *bosschöp. 

boeien, zie *boien. 

boek, zie *baak. 

boekboor, zie ^kezoan. 

boeke, zie *hoek 1. 

*boer wordt in 't enkelv. ook als col- 
lectief gebezigd: b i e (de) boer d ij- 
n e n , Nederl. „den boer opgaan." - 
Zie ook *dikke boer. 

boerenarbaider, zie *arbaider. 

boerenbeslagr, zie *beslagr. 



boereumensen , zie ^boermensen en 
vergelijk arbaidersmensen, evenals het 
Nederl.: burgermenschen. 

*boerenploats (bldz. 505), ook Geld. 

boerenTent, zie *Yent. 

*boerknecht, vergel. *heerboer. 

boetendèür of boetendèüre (bijw.) — 
buiten de deur, in de buitenlucht; vgl. 
binnendeur. 

boetenhen of boetenton : wie ken- 
nen d 'r n ij t b. =1: wij mogen 't niet 
nalaten, kunnen 't niet vermijden; te 
vergelijken met „onder h e n" (zie 
*hen) en bij r. Dale met : omheen (ger- 
manisme, beter 't gewestel. „er van 
tusschen.") 

boetensporigr, zie *boeten 1. 

*boezeroen, bij v. D. z=. korte ma- 
trozenkiel, ook door werklieden gedra- 
gen. 

*bof, ook bij V. Dale (4e druk.) 

boffen, zie *bödjes. 

*bokje, vergel. het HD.: auf den 
Hund. 

bokkeboai (of bokkeboer) en bever- 
tien : zeer sterke broekstoffen, de twee- 
de vorm misschien naar den HD. plaats- 
naam Bückeburg , „bevertien" (Eng. 
beaverteen) ook elders hier te lande. 

boksenbanden , zie ^toet. 

*böl: te Groningen ook stadsböl, 
als in 't Neders. en Holst., en zn *kas- 
pelböl in de provincie; „gebuerstier" 
bij /. Cats. 

böldern, zie *baldern. 

bölkalf, zie *böl. 

*bölken, bij v. Dale: bulken van het 
geld. 

bolos, zie *bol. 

bölzakje, zie *wolzakje. 

bomies, zie *bonkies; bomijs ook 
Nederl. 

*böngrel, zie ook *böngreln. 

*böngreln, zie „bungelen" bij v. Dale. 

*bonk; Nederl.: geen been in iets 
vinden of zien ; 't woord „bonk" ook 
bij V. Dale. 

bonkert, zie *bonkerfBr. 

^boomloopertje, Nederl.: boomkrui- 
pertje; bij r. Dale ook „loopertje." 

^beenakker, meer algeni. Nederl.: 
den berg op leiden; zie ook „boonak- 
ker'^ in den 4en druk van v. DaJe. 



BOONEN 



9 



BEOMNI 



*boonen, vergel. *proemeii. 

♦boontje, vergel. *boonakker. 

boorliut 1= boordlint. 

*boornstevol (bl. 506) zal zijn sa- 
mengetrokken uit: an de boordens 
t o u V o 1. 

borde (in: te bord e), zie *bret. 
Ook bij V. Dale. 

borzel, borzeln: zie Hossel, enz. 

*bos : 'nbos touw zn een be- 
paalde hoeveelheid touw, ter verkoop. 
In Holland spreekt men van „bundel", 
„streng" en „klos", welk laatste woord 
in dit geval kluwen beteekent. 

*boschöp (bldz. 52; zie ook *bos- 
schöp (bldz. 506) en omgekeerd; „o p 
'n b o s s c h ö p" of „op b o s s c h ö p" 
luidt ook wel om' bosschöp, vgl. 
ovenblik. 

*bossein, Friesch: bozem („boosem" 
in eene publicatie van 1792.) 

bossie m bosje; bie bossies zz 
bij troepjes : vooral schertsende van 
menschen gezegd. 

botrameten (werkw. & znw.) =: ont- < 
bijten enz. 

botten m beenen (bijvnw.): 'n b ö 1 1 'n 
knoop; in 't Nederl. alleen het 
zelfstnw. bot. 

*bott€r: ook Ziiid-Afrikaansch en Oud- 
Nederlandsch. 

*botterklitse , denkelijk =. *botter- 
TOgrel. 

botterrlekken : bottervlekken 
oppe hozen (JFkw.) =. gaten in de 
kousen, waardoor de huid zichtbaar is. 

boaten, zie *baiten 2. 

boven, zie *bovenhoes. 

*bovenhands en *onderhands, Nederl.: 
bijdehandsch en vandehandsch paard. 

bovenopstoan , zie neus. 

*bovenste; Ned. (gemeenz.): van de 
bovenste plank. 

brabbel, zie *bragrgrel. 

*braggrel, vgl. *brits. 

♦bralden: de aangehaalde zegswijze 
ook bij V. Dale. 

braidopkes = ^braiekkeltjes. 

♦brand, zie ook bldz. 507 I onder, 
enz.; met de beteek. op bldz. 55 te 
vergel. het HU. Brand =: kanker, ver- 
sterving. 

Brandje fmannennaam) zz (jerln-and, 



Hildebrand , IJsbrand , enz. 

brandkast = brandkas , brandassu- 
rantie. 

brandspieker (brandspijker), StadGr. 
voor knopspijker of taats; bij v. Dale: 
bandnagel. 

braskörf m sluitmand. 

bred (raeerv. brede n), zie '^bret 
(ook de aanteekening.) 

breden (meerv. v. bred), zie *bret. 

bredte, zie *höfte. 

breek, breke =: *briek; zie *jem 
(ook de aanteekening.) Vandaar mis- 
schien: brekebeen. 

brei mit boonen, zie ♦boerenjongres. 

♦brengren, vgl. *mörgren brengen 
(ook de aanteekening.) 

*bret, zie ook *schriefbret; b r e t 
1= plaat van ijzer of eenig ander me- 
taal. Ned. „boord" zz plank in een 
kast enz. Het woord is in al zijne 
beteekenissen ook Geldersch. 

♦brik: Eng. brick, Fran8ch\m({MQ ^ 
blokje, metselsteen; vergel. brik(steen) 
bij V. Dale. 

♦brikje; elders „kaartje." 

brille (vooral StadGr.) = bril; HD. 
Brille. Evenzoo : k a m m e , enz. 

♦brink heet ook het grootste plein 
te Deventer, zoo ook te Apeldoorn. 

♦broaden; hierbij ook 't Nederl. mak- 
kelijk en wennen , alsmede : ik heb 
staan wachten m gestaan te wachten. 
Vergelijk ook het weglaten v-an „be" 
in: hoeven, hooren, merken, en van 
„ver" in : meerderen, minderen, schrik- 
kelijk, wonderen. Zie verder ♦be (bldz. 
500) en ♦gre (bldz. 519.) 

♦broaf, als versterking, ook Nederl. 

broaken, zie ♦broak en ♦valg^en. 

♦broani (bl. 508): in geschrifte vindt 
men „brani", een Indisch militair 
woord? Zie „brani" in den 4 en druk 
V. van Dale. 

broene, zie ♦tugen (Nederl.: bruin- 
tje enz.) 

♦brokkel, HD. spröde (ook in twee 
beteekenissen.) 

brom, zie ♦snor. 

♦brommels ook := ♦bikberen. 

♦brommen, ook elders, gemeenzaam. 

bromni, zie ♦broani (bl. 508) en ook 
de aanteek. 



BROMSTER 



10 



DAIEN 



♦bromster : Nederl. hommel (in twee 
beteekenissen.) 

broodjes, zie *sinal. 

brösk, zie ^brokkel. 

braddeln = broddelen. 

braien, zie *schraieii. 

♦brallen: men denke aan „breven 
en bullen" zz: de officieele decreten 
van den paus. 

brfl, zie *brei. 

*brfld, zie ook *heer; „hoog en 
breed" elders = dubbel en dwars. 

brQdJe, zie *piek (ook de aantee- 
kening); 't kan de verkleinde vorm zijn 
van *bret, doch waarschijnlijker is het 
die van *brflten 2 (zie aldaar.) 

♦brfldste (bldz. 60 en 508), vergel. 
Nederl. : 't dikste eind komt achterna 
=z 't moeilijkste komt nog. 

^balten, bij v. Date: boeten =: op- 



stoken, vergel. het Fransche „boute- 
feu" =: het Ned. stokebrand. 

buizen, zie *raai (bldz. 557.) 

^baningr: Nieuw-HD. Bühne (bij- 
vorm van Bühne^ = steenen dam 
of pier. 

^bansel : „vis" of „visse" van 't Lat. 
Mustela vison. 

buur HZ *berbuar. 

Huusg^at: in de aangehaalde zegs- 
wijze hoort men voor dit woord ook 
^motgrat zz mouwgat, vgl.: g o a t e n. 

byi^ingTS, zie : b i e 1 a n g s. 

*bfln (bldz. 509), Nederl: bij het 
lijf; zie ook : ij n 2 en *Leermens. 

*bynen, ook: 't zakt mieien 
de schounen. 

*byssien (bl. 509) : deze zegswijze 
ook wel elders. 

*bflst, zie ook *bflsten. 



c 



centen, meestal uitgesproken zen- 
t e n , beteekent kleingeld, of een kleine 
som geld, in uitdrukkingen als: me- 
vrouhet mie nog gijn centen 
doan •=. nog geen geld gegeven tot 
het doen van boodschappen ; kopergeld 
wordt genoemd *lösse centen. 

chercher (zie o.a. ^moalsedel) zal, 



met verkeerde spelling, afgeleid zijn 
van het Fransche woord „charge" =i be- 
lasting: 't werd verder verbasterd tot 
♦sarries; zie vooral de aanteekening 
op dat woord. 

chit, ehitte, zie *g^it. 

Chat, zie ♦grit. 



D 



daar, zie ♦doare. 
dadde — *datte (bldz. 510.) 
*dagr : hierbij ook uitdrukkingen als: 
bie winterdag, enz. ; vergelijk 
*harst en „zomerdag" (bldz. 532 I ond.); 
bij V. D. ook iets dergelijks, doch alleen 
onder „winterdag", waar zelfs een bij- 
woord „winterdags" opgegeven wordt. 
Met m o a n d wordt op dezelfde wijze 
gehandeld in : 't i s J u n i m o a n d , 
enz., te vergelijken met het Nederl. „de 



Meimaand" en „een winterdag", waar- 
bij nog op te merken valt, dat hier 
niet, zooals in de bovengen. Gron. 
zegswijzen, de klemtoon op „maand" 
en „dag" valt: vergel. *Feberwoari. 
Zie pok *mörgren, ook de aanteek. 

*daien ook voor : dooien, waarschijn- 
lijk om het rijm, in de zegswijze : 't 
w a i t 'r of of 't d a i t 'r of, ont- 
leend aan de met rijp bedekte boomen 
en overdrachtelijk gebezigd voor : er 



DAK 



11 



DEUR 



zijn slechts twee wegen om tot dat 
doel te geraken, of ook: dit is geen 
blijvende toestand ; vergel. : kant. 

*dak : bij de hier opgegeven spreek- 
wijzen ook te vermelden : o p p è n s , 
op zien verdommenis; vergel. 
♦lappen (znw.) Voor „te veul dak 
op *t h o e s" ook wel : te veul 
pannen op 't d a k , bij v. Dale : 
er zijn ratten op het dak. Vgl. ook : 
weeren. 

♦dalles , waarschijnlijk joden-Biiitsch 
voor: gebrek, = Hebreeuwsch „da- 
loesch", 't woord komt althans in 't 
HB. als znw. voor. 

damlegrgrers: houten balken, langs 
een dam, om stevigheid te geven; men 
noemt ze ook aehterlegrgrers ; legger 
en ligger worden vaak verward , vgl. 
V, Dale, en aldaar ook: onderlegger 
en onderligger. 

dammen, zie ^koakhouen. 

danke ! ^=. ik dank u ! , Duitsche 
vorm, NederL: dank! 

danken, zie: *astertoa, *dood (bl. 
513) en ^koekoek. 

*darg 9 bij v. Dale : derrie ; witte 
d a r g , een blauwe , op klei gelijken- 
de , hoogst onvruchtbare grondsoort , 
welke zwavelijzer bevat en daardoor 
onaangenaam riekt, vol overblijfsels 
van riet en andere plantenvezels (1 i n- 
ten en p ij pen genaamd) ; voor 
♦woulg^rond totaal ongeschikt. Vergel. 
Nieuwe Gr on. Courant 3 Januari 1892. 

dartjert, zie *dardert. 

dat , als stopwoord in z ö 1 't dat? 
(uitgesproken : s ö 1 1 a t ?) = zou het ? 
dunkt u ? 

daiten, b. (bl. 510), Jn>«cA „datte"; 
't is blijkbaar een meervoudsvorm; even- 
zoo : 'kwijt nijt watten ze wil- 
len; vergel. de ook elders gebruike- 
lijke vormen : wie goanen, joe 
d o u n e n , enz.; zoo ook alsen , as- 
sen 1= als, in Holland ook wel : alse 
we 't hebbe; „datte ze" enz. ook te 
Amsterdam, eveneens „ofte." 

♦dautreden, vergel. ter Gouw, de 
Folksvermaken , bldz. 219-223. 

*decht, HD. Docht, waarschijnlijk 
verwant met „trekken" en het IID. zog, 
gezogen (vgl. NederL toog, getogen.) 



*deel ; „o V e r d e e 1" luidt in 't 
NederL: over den vloer. ÏTestfaahch: 
Diele zz voorhuis in een boerenwoning, 
HD. Hausflur; deel = dorsch vloer is 
nog heden Nederlandsch (HD. Flur.) 

*degrelpan: vgl. HD. Tiegel z= pan, 
smeltkroes, alsmede Miirgrel (ook bl. 
511.) 

dèh, zie *dèr, vooral de aanteeke- 



ning. 



*deider: „dieder" enz. ook elders 
in de spreektaal; zoo ook „diederlei" 
zz dergelijke. 

deie, zie *dis8e (bldz. 512.) 

*deimt ook bij v. Dale, 

deioaken, zie ^Joaken. 

♦dekgreld , zie ook ^dekken (bldz. 
69.) 

dekselkoaters = ^deksels ; vergel. 
deksel enz. bij v. Dale, en aldaar : 
duivekater, duvekater, deuvekater en 
deuvekatersch; verder *blitsekoater en 
drommelkater (niet bij v. D.) 

*del en *dellen, vergel. Eug. dell 
:=. dal, kuil, hol; bij v. D, : del, delle, 
delling (veroud.) ■=. laagte, dal, vallei; 
naast het bijvnw. „pokdalig" ook het 
znw. „pokdaal." 

*den 2: „dan en dan" ook NederL 

denk', voor „denk ik" of „denkelijk." 

denkerom! voor: juist! zie *pasop! 

*der en *er: elders 1= 't bezittelijke 
„haar" en ook voor den 3en en 4en 
naamv. van 't persoonlijke. 

*der (uitgespr. d'r) = er. 't Wordt 
vaak weggelaten ; zie bvb. bij *röt : 
zit röt an de appel. Zie ook 
*deider en vergel. het NederL „daar." 

*dèr (bldz. 510): de r door de 
snelle uitspraak meest onhoorbaar, voor- 
al in 't Wkw.y vandaar de schrijfwijze 
dèh. 

*Derk (bldz. 510) zz Dirk, Friesch-. 
Durk. 

*deukjes : vergel. 't NederL deuk. 

deup =: *deupe. 

*deupen, zie ^oetdeapen. 

deaphek of deaphok , zie *hok ; bij 
V. Dale: doophek, doophuis (oorspron- 
kelijk zz doopkapel.) 

*deur (bl. 510); deze versterking ook 
in 't Ned. in : doordroog , doorkoud , 
doorkundig enz.; vgl. dearhen. 



DEUR 



12 



DOAGEX 



dear, zie *oet (ook de aanteekenin- 
gen ; vergel. *deuren (ook de aanteek.) 
en zie ook ^deurgoan ; met : d a t 
g a i t 'r nog m i t deur (zie ])ij : 
g o a n) vergelijke men 't Nederl. (ge- 
meenz.): dat kan er nog mee door zz 
dat kan er nog door ; tien uur 
deur iz: tien uur gepasseerd , ook 
Geld., elders ook : 't is door kwartier. 

*deurbroeken , Hl), fortbrauchen. 

denrdenken, zie: o m d e n k e n. 

♦deuren ook elders. 

♦deurgroan, *deurwaid (bl.511), Ned.: 
door het hoofd gegaan. 

deurhen (klemtoon op beide lettergr. 
maar 't sterkst op de eerste), vgl. *oet 
en : deur; ook =i door en door , 
zeer : 'k b i n d e u r h e n k o 1 d ; 
deurdesloap hen wezen =: 
den slaap niet meer vatten kunnen , 
doordat men te lang is opge])leven of 
in den slaap is gestoord. 

deürleerd zz uitgeleerd , volleerd ; 
Ned. doorgeleerd, in dezelfde beteekenis. 

*dearrooker, zie bij v. Bale: oliebol, 
ook ironisch. 

Mearsehyten 9 Nederl.: er bij in- 
schieten. 

^deartjeschellen : een kattekwaad van 
denzelfden aard is glasketikken =: 
tikken tegen de vensterruiten, natuur- 
lijk bij voorkeur des avonds. 

*deurzetten, vergel. *anzetteii. 

deuTels, een eenigszins gesmoorde 
vloek, sterker dan „duvels": 't i s 'n 
d e u V e 1 s spul. De uitspraak van 
de „eu" zweemt naar „ui" en wijkt 
tevens af van die klank in 't ook elders 
bekende „deuvekater." Men hoort ook 
wel: doiiels, doivel. 

dicht haas , het tegenovergestelde 
van winkel; ])ij v. Bale: toehuis. 

^dichtsnappen , Nederl. snappen ; 
vergel. '''maskeflap. 

didde, zie ditte. 

^diedeldantjen ; voor ,,Friesch dan- 
diner" zal gelezen moeten worden : 
Transch dodiner (beter: dodeliner) i= 
Ned. dodijnen; „zich dandineeren" be- 
teekent: een dwaze houding aannemen. 

*dik 2: 'n dikke (:=z groote) 
d e u g e n a i t , ook van dieren, bij' v. 
Bale ook : een dikke dertig gulden ; 



vergel. ook *stark ; verder 'n dik 
vuur en Nederl. (gemeenz.): een dik- 
ke (=: forsfhe) stem. 

dikke neijoarskoaken = ^spekken- 
dikken. 

dikke woagren, zie ^boeren woagren. 

diknek, zie *dikke boer. 

diknchyter, zie *koren8pörk. 

^dikstoalzuite zal oorspronkelijk een 
appelnaam zijn. 

*ding: : 'n goud ding, 'n best 
ding = een goede zaak , een uitste- 
kende maatregel. 

*ding:eu ; zoo ook : wat proatje 
mie van dingen! 

dingen : d 'r om dingen (onper- 
soonlijk) — op 't punt staan , weinig 
schelen: in 't Woordenboek herhaaldelijk 
als Nederl. beschouwd , synon. met 
*bantjen enz. (Ned. spreektaal : er om 
houden of: 't is er om te doen.) 

dingfs voor *dingrery8 en ^dingres ; 
ook in het Btiitsch in de gemeenz. 
spreektaal hoort men „Dings" voor 
Din«" " 

^dingstig (bl. 511): Ned. (doch niet 
bij v. Bale) dingsig = droevig , aan- 
gedaan; bij V. B. dingstig[heid] zz 
oneenig[heid]; vergelijk ook *dins(t)i|r- 
heden (bldz. 76 en 511.) 

dis (meerv. dizzen), het Ned. disch, 
hier alleen voor tafeltjes van venters 
of kooplieden in 't klein, in de opene 
lucht. 

dis', verkorting van *disse, bvb. dis' 
kant = deze kant; vergel. diskeer 
en *distied. 

diskeer =z: ditmaal, deze keer. 

dispelz^er, zie *disodder. 

dissent , meervoud (zelfstandig ge- 
bruikt) van het aanwijzende *disse =: 
deze; vergel. *goun. 

ditte of didde, voor „dit"; zie *dat- 
te (bldz. 510.) 

*ditten en datten, bij v. Bale: hij 
heeft altijd een ditje of een datje iz: 
altijd iets aan te merken. 

djoak zie *joaken. 

*doag, zie ook *oetkieken. 

doagen , zie *gommes ; hierbij be- 
hoort ook g o (1 j c s (uit te spreken 
g o d 't j e s) doagen! Zie ook *al 
en vergel. „dag" bij v. Bale („wie 



DOALDER 



13 



DOUN 



heeft dit nu al zijn dagen gezien?") 
waarvoor men ook hoort levens- 
d o a g e n (ook elders) of al zien 
levend; bij r. Bale : al mijn leven 
iz: mijn geheele leven lang , te ver- 
gelijken met „nog nooit van mijn le- 
ven" en „heb je ooit van je leven !" 

*doalder , vgl. daaldersplaats bij v.^ 
D.; zie ook ^andob. 

doaligr, zie ^dolligr. 

*doaii, Ned.: gedaan krijgen zz af- 
gedankt worden. 

*doanjes, verkorting van *kedoan- 
sels. 

Moarantou: „tot daaraantoe" hoort 
men ook elders, in de beteekenis van: 
daarlaten , in 't midden laten , laten 
voor hetgeen het is. 

doaróm ! uitroep =: juist! dat meen- 
de of bedoelde ik. 

doaromtou, bijw. v. tijd of plaats = 
daaromtrent of daaromstreeks, zie *je- 
grend, Geld.: daaromheen. 

doarvan of doarvandoan (ook elders) 
=z wat dat betreft; doarvandoan 
ook zz daardoor , om die reden (vgl. 
„daan" bij v. B.); doarvan nijt 
(ook Overijs. en elders) m dat is geen 
beletsel of bezwaar, te vergelijken met: 
ofschoon (of: hoewel) 't is mooi weer , 
enz. 

doeht, ook voor *dochte. 

*döddern , vergel. *löddern. 

dödoor , een znw. v. *döddern ge- 
vormd, vgl. Haloorn. 

*doe: „dutsbroor" zz het Baitsche 
Dutzbruder. 

^doekemartens : zie /. H. Knoop , 
Appelen en Peeren, uitgave 1790, bldz. 
6 ; vermoedelijk naar Doeke [Duco] 
Martena. 

*doekeii voor: duiken. Hl), ducken 
zz duiken, bukken; vergel. ^andoeken 
en ^doeknekt. 

*doeknekt , vergel. : doeken. 

Moemelingr, zie ook *sleap. 

*doemkes, vergel. bldz. 302 II b. 

*doeii, HD. daun, dun; zie ook 
*pei. — Als werkw. zie *doaD , voor- 
al de aanteekening. 

doenemansgebed , zie *doen. 

^doenigrhaid : hierbij ook *bocht 
(bldz. 505). 



doivel, doivels; zie deuvels. 

*doktern 1, ook Ned. 

*döl, vergel. *grek. 

*dom 2: voor „kou" ook varken. 

*domdriest : Nederl. doldriest. 

*dommit , Noórd-Hoïl. opk „temet" 
(niet te verwaiTen met het Nederland- 
sche woord, vergelijk : a s s m i s.) 

^donzen , vergel. „gedons" bij van 
Bale. 

*dood 2 (bldz. 513): deze samen- 
stellingen zijn zuiver Nederlandsch ; v. 
Bale heeft o.a. doodeenvoudig , dood- 
eerlijk, dood familiaar, doodgoed. 

*dood doun , ook elders en tevens 
figuurlijk. 

*doodelk , vgl. doodelijk bij v. B. 

^doodgoad , vgl. doodgoed bij v. B., 
in beide bet. 

doodkomen := doodblijven : b i n 
vief menschen bie dood ko- 
men; vgl. ^ Nederl. (gemeenz.) : er 
kwamen vijf dooden. 

^doomnie (Ned. dominee) klinkt in 
't ^kw. vaak d o o m i e. 

*dop (bldz. 513), vgl. ♦hokje en 
* vief kop. 

♦doppen ook bij v: Bale. 

♦dorie : hiermede te vergelijken Jan- 
stramme bij V. B. In Buitschland is 
de uitroep „Donner und Doria" afkom- 
stig uit Schiller' 8 Fiesko. 

*dörp : hierbij IJ m t i 1 zz Enuma- 
til (in 't Westerkw.) en H o u k =i 
Martenshoek, alsmede O 1' o o f , N ij- 
'o o f , N o o d 'ö r n of - ö r m zz 
Oldehove, Niehove, Noordhorn. 

*doa : Gen. 143, 45 zal moeten zijn 
Gen. 1 : 5 enz. 

douen , zie ♦daueu. 

*doun: met „h ij zei t 'r wel t o u 
d o u n", te vergelijken : er het zwij- 
gen toe doen ; ergens „onder te 
doun" heb] jen, Nederl. mede te doen 
hebben, 't Woord „omdoen" oo\ Ned. 
Met „'t is t 'r te doun" enz. (bldz. 
514) komt overeen: den he'j' t'r 
te doun zz dan is goede raad duur. 
Met een als znw. gebruikte onbep.wijs 
achter' zich duidt het een beroep of 
bedrijf aan : z ij d u t 't n a i e n , en, 
in aankondigingen , verhollandscht : 
hier doet men het mangelen; 



DOUNDE 



14 



EDEL 



„doen" zn geven , ook Geldersch. 

*doande, zie ook *elk8; doende (z:: 
bezig) aan iets ook NederL 

d'r zie *der, vooral de aanteekening. 

♦draibastje, vgl. *bastje (bldz. 500.) 

*draien , vgl. lappen bij v, BaLe, en 
verder ook Aflikken en leveren. 

^drammen : jengelen bij v. D. komt 
overeen met het Zeeuwsche „jongelen." 

*drank ook n: spoeling; vgl. ♦scho- 
tel en *veal. 

*dreiblad , zie ook *tweiblad. 

dreitip i= driehoek, o.a. een werk- 
tuig om sneeuw op te ruimen. 

drek , zie *dreb. 

drekhoan , zie bldz. 362 II boven. 

*drekstoap : „stoep" heeft hier de 
(ook bij V. D, vermelde) beteekenis 
van „plaats waar schepen worden ge- 
laden"; elders o.a. stoepman z=z vuil- 
nisman. 

Drentherwolde , zie Goorecht. 

dreagr, zie ♦g^ust en *dreagre kroam- 
verziete. 

dreug^eldoak i= doek waarmede men 
iets afdroogt; vergel. ^drinkeldobbe. 

♦driemoorken heet ook *slok. 

*drift is ook de naam van korte 
steegjes te Groningen, die op 't water 
uitloopen of uitliepen. De naam schijnt 
er op te wijzen, dat het vroeger wa- 
tertjes waren. 

^drinkeldobbe ; hierbij ook dreagrel- 
douk. Vergel. ^vasteloavend en HD,: 
Ringelhaube, Werkeltag , Wünschel- 
ruthe , enz. 

^droagren (bldz. 515) is Nederlandsch. 

*droagrer, Nederl. bromvlieg. 

*droak : „draak" ook bij v. Dale. 

droetgrat, zie *jentigr. 



*drok == druk is hier zuiver ge- 
westelijk, hoewel volgens v. D. eigen- 
lijk „druk" de gewest, vorm zou zijn. 

*drong^ an , vergel. *böt. 

*droop (vooral bldz. 515): zie bij 
V. D. drop 1, en droop (4e druk.) 

drukker , zie ^drukken. 

*drap , zie ook *biet (bldz. 503.) 

♦duker , vgl. *davekoater. 

dukers , zie *verdukerd. 

duks zn deuk, elders „buts." 

*dunderkoppen: bij v. Dale „koppen" 
iz: donderwolken. 

*danderschoer : HD. Schauer zz 
vlaag, Eng. shower; „schoer" zz on- 
weersbui, in vele provinciën geweste- 
lijk, ook bij V. D. vermeld. 

*duroabel: elders „kostelijk" zz kost- 
baar, verkwistend. 

*dussel, ook =: dissel: een kromme 
bijl of houweel, met tamelijk langen 
steel. 

*dast , zie ook *daist. 

duur (in : dure t i e d), zie *troa- 
lies. 

Daarswold (ook een waterschap), zie 
*wold. 

♦duvekoater, vgl. dekselkoaters ; bij 
V. Dale komt „deuvekater" ook in twee 
beteekenissen voor. 

dwiirsdearnat, versterkend, evenals 
het meer algemeen gebruikelijke klcts- 
doornat. 

*dwelmen (denk aan : bedwelmen) , 
vgl. *dweren en *tymeln. 

dwiddeFn =: *dwirrrn , ook: dren- 
telen; vgl. *böddel. 

dQoak , zie *Joaken. 

*dtjpswal: ook de plaatsnaam Diep s- 
wal komt voor. 



E 



*e 1 : hierbij ook „D e r k ■=. Dirk. 
Als curiositeit valt te vermelden, dat 
ik den gelatiniseerden geslachtsnaam 
„Andreae" door een Groninger gespeld 
vond „Andriai"! 

*e 2 (bldz. 97 en 516), ook voor 
„de" of „den", vooral door samen- 



smelting met een voorzetsel , waarvan 
dan vaak de eindmedeklinker verzacht 
wordt : i e n n e zz in de(n), o p p e 
of o b b e zz op de(n), m e 1 1 e of 
m e d d e zz met de of met den. Zie 
verder *hö 2 (bldz. 528.) 

*edel, ook in: op zien edelst 



EENDVOGEL 



15 



ENGELSE 



m met veel ijver (ookinongunstigen zin.) 

*eendTOgrel [bldz. 516], vgl. *(jnd- 
TOgrel [bldz. 581] , eigenlijk : wilde 
eend ; zie „eendvogel" bij v. D, [4e 
druk.] 

eengraal , zie ^yng^oal. 

*eer(e) , hierbij de zegswijze: d o a r 
bin'k mit eeren of izrik ben 
blij, dat ik er van ontslagen ben [bvb. 
om aan een iiitnoodiging gevolg te 
geven], zonder dat het mij kwalijk kan 
genomen worden ; nou is 't mit 
eeren op, zegt de vrouw des 
huizes , blijde dat er geen kliekjes 
overblijven. 

eer of eerde =: aarde , IID. Er de. 
Vgl. ♦dood. 

♦eerbeien , Ned. ook : aardbei. 

♦eerdappel , ook: eerpel [zie samen- 
stellingen.] 

♦eerdappeldoUen , zooals het hier 
voorkomt, zou verklaard kunnen wor- 
den door : „d e 1 1 e n" maken, om de 
„s t e k e n" er uit te kunnen snijden. 
Het kan echter ook aardappelrooien 
beteekenen, zie bij ♦dollen. 

♦eerdappelj assen : jassen m schillen 
ook bij V, D. 

eerde , zie eer. 

♦eernsthaftigr : HD. ernsthaft. 

*eerst [bldz. 516]; zoo ook: eerst 
guie mörn!, met de beteekenis 
van „vooreerst", „voorloopig", waarin 
opgesloten ligt : we zien elkaar heden 
nog wel. 

eerstjen en OTereerstjen , schertsend 
voor: iets telkens uitstellen , ter wille 
van andere zaken, die men „eerst" 
meent te moeten afdoen ; zie over- 
eerstjen. 

eertappel , zie ♦eerdappel. 

eertmietje = aard- of kabouterman- 
netje; 't zou een verbastering van „he- 
remietje" kunnen zijn. 

♦eerwal, vgl. ♦wörke. 

elgrenaar (♦algrender, ♦flgrener) , zie 
♦beklemreeht. 

eigendom , zie ♦mefler. 

♦elende : het HD. Elend [klemt, op 
de eerste lettergr.] beteekent zoowel 
„buitenland" als , .ellende", iets derge- 
lijks met het bijvnw. elend; denk ook 
aa „3'.L3:i." 



elk, zie ♦grfln. 
♦elkSj zie ook *noa. 

elle [spreek uit : el e] verlos, een 
tikspel , vooral in de Stad Groningen. 

eller, zie ♦eldern. 

♦elstok, Nederl.: ellemaat. 

♦Eitje , is ook een jongensnaam. 
Het aangeduide onderscheid is niet 
kenmerkend, want bvb. ook „R e m k e" 
en R o m k e zijn o.a. in 't Westerkw. 
jongensnamen. Naast „Enne" vindt 
men ook E n n o [beide mannelijk] ; 
zoo ook „T e d o" en T e d e, H e r o 
en H e r e. Misschien zijn de vormen 
op e plaatselijk. Vgl. bldz. 516. 

♦elven , vgl. Ned.: met z'n achten , 
op slag van elven, enz. 

♦en [voegw.], vgl. ♦wacliten 2^ en ; 
V e u 1 ; zie ook : z o o w a t. 

♦en , als uitgang [bl. 517] , vgl. 
♦inir [bl. 529.] 

en ook achter de namen der dagen, 
als een bepaald deel van den dag moet 
worden aangewezen, en met verdubbe- 
ling van de g ; zoo bvb. Z u n d a g- 
gennacht voor : Zondagnacht. Ge- 
vormd als altieden, halftie- 
den, hijltieden, datten, [bl. 
510.] 

en [uitgespr. als 't voegw.], voor het 
lidw. „een", evenals elders „'n", 't 
Oostfriesch heeft „en" voor het telwoord. 

♦en of ♦end(e) , zie ook *kerel [bl. 
532] ; als uitroep ook elders. 

*end : hij wijt mitzientied 
g ij n end 1=2 hij weet met zijn tijd 
geen raad , hij verveelt zich , vergel. 

wegr. 

endbeslaat 1= einde, vooral bij voor- 
spelling, bvb. : dat zei 't endbe- 
sluut wel worden; de beteeke- 
nis van 't Nederl. woord „eindbesluit" 
is hier gewijzigd. 

*endè, zie ook' bldz. 198 I 21 v. 
o. ; met „in 't e n d e z e 1 1 e n" te 
vergel. Ned. (gemeenz.^ : 't heèle huis 
overeind zetten; „'t end is er van weg" 
bij V. D. aan 't slot van „omkomen" 
[1]; zie verder *en en *endje. 

*endje: wat wou zoo'n eindje mensch! 
ook Nederl, 

engreise pons of ponsmelk = warme 
melk met brandewijn, sago en suiker. 



KNKKL 



16 



FLITTER^: 



enkel z:! dun , schraal ; zie *enkelt. 

*enkelt, Ned. enkeld zr enkel, even- 
als „dubbeld." 

*enkt , van *t Lat. encaustum, even- 
als het DuitHche Dinte of Tinte van 
„tinetum"; zie If^atteuhach, Schriftweseii 
'uu Mlttelalter. 

♦enter, vj^l. *heakelstalje en *kal- 
Yerhok. 

*enter over twenter, vgl. ♦henter- 
detwenter. 

♦er, zie : der [a.] 

*es 2 , vgl. ♦pee. 

*e8k : e s k e n b 1 a d zal staan voor: 
esp en blad. 

essen = ♦essies. 

*essies , \^\. ♦stoanders. 

eten-deurmekander, zie: p o t e t e n. 

etens, als 3e naamval: noa etens, 
onder etens, veur etens iz: 
na den eten, enz.; vergel. ^grekkens. 



eter z=. gast , die blijft eten ; vgL 
♦koffiedrinker en het Ned. „slaper." 

*et|rra8 , vgl. ♦topgrras. 

♦eulie [bldz. 517]: „vergel. w i e n" 
enz. beteekent, dat die woorden, even- 
als de meeste stofnamen, hier gewoon- 
lijk onzijdig worden gebruikt ; in 't 
Westerkwartier zegt men enlje. 

*eavels , vgl. *Übal8. 

* even : *t i s m o a r e v e n z:z het 
behoeft slechts een oogenblik te duren, 
[vooral ter verontschuldiging, wanneer 
men iemand stoort] — iets dergelijks 
ook elders : 't is maar dat hij 't zien 
zal ZUL 't is maar de bedoeling enz. ; 
in : 't i s m o a r e v e n d a t 't r e- 
g e n t zz: de regen is het eenigste be- 
zwaar , de regen doet het hem, heeft 
men te denken aan het HD. eben :zz 
juist. Zie ook : t o u v a 11 e n. 

evenwel , zie zoowel. 



F 



») 



of 



WIJ 



zie 



fe of ve voor „we' 
wie. 

fennen , zie *smeerfennen. 

fermiiie voor : familie, zie ♦angren- 
zend en *noa; de e is meestal toonloos, 
ook hoort men femilie en f'milie. 

fersounlk , versoanlk of verzoanlk 
(Westerkw,) = fatsoenlijk. 

fertnten, zie *vertuten. 

festje, zie ♦vestje. 

flkr en flaar , zie *fièr. 

*fiegreliene, Duitsch: Violine ; in een 
humoristisch gedichtje komt voor: 

Einer blus die Vigeline 

Und der Andi-e strich das Hurn ! 

♦fieiainebieter of "^woatebieter is 
eigenlijk de „glazenmaker", ook „juf- 
fertje" geheeten. 

*Aeiiansies; MiddelnederL financie zz: 
list. 

fietrieonl ook wel voor ♦fieonl. 
fiks , zie *ferm. 

fioui [bldz. 518], zie ook *fieoul. 
*flaaien, vergel. Ned. flikflooien. 
flaisk zzz vleesch, Deemch: flesk; zie 
♦vHjs en vergelijk *ais [slot.] 



«flappen, zie ook ♦muskeflap. 

♦flausen : Ned. flousen. 

flauwen , zie *flaasen. 

♦fledder, bij v- Dole: vledder. 

*fleer, vgl. *anwaisel, 't komt ook bij 
V. l)ale voor; verder beteekent het: vlek 
of streep, door wrijving met een. vuil 
voorwerp of door een vocht ontstaan , 
vergel. *siier en grleer [van ♦grleeren] , 
V. Lale heeft het gewestelijke werkw. 
„fleren." 

fleskegroad, zie *pakJegroud. 

♦fliemstrieken , vgl. HD. Flaum = 
dons. 

♦flik ook ♦frik, zie aldaar. 

flikkern, zie *weerlieht. 

♦fiitseboogr : „Flitsch" moet zijn 
„Flitzbogen", 't woord Flitsch z=: pijl 
is verouderd ; in 't Wkw. en de Marne 
ook spanboog. 

♦flittern [bl. 518] : het 'HD. Flitter 
of Flinder is in de beteekenis van 
„vlinder" verouderd , thans beteekent 
het: klatergoud; vgl. verder het Engel- 
sche to flirt en to flit. Zie ook bldz. 
506 II b. 



FLODDER 



17 



GAT 



flodder, zie *flod. 

^flodderboksen, vgl. flodderbroek bij 
V. Dole. 

flodders of flötters =. spatten van 
modder, vuil of slijk ; 't eerste ook in 
Holland: bij v. Dale „flodder" = 
modder. 

flont =z oude lap. 

flontjederai =i prullekraam, vodden. 

*flop, zie ook ^sehie^e [bldz. 560], 
ook: flöppie, voor personen zn ploert. 

*flört, ook = 't Nederl.: bocht, bvb. 
in: flört van melk, enz. 

flötter, zie *flatter en flodders. 

floasies, zie ^flaasen (bldz. 518). 

*fodsendinchien : in Gelderland o.a. 
„'n vodsig dinkien", alsmede „fudse- 
goed", „fudsding." 

foeder . . . , zie *foeter . . . 

*foeter . . . misschien van 't Lat. 
futuere (Framch foutre) en dan te ver- 
gelijken met bldz. 279 I 9 v. o. en 
vooral met II 1 v. b. 

*foetern, vergel. v. Dale. 



*foIdergreerde, Fransch: voltigeur iz: 
een soldaat , die niet de vereischte 
lengte heeft. 

*forsie, verbasterd ^foatsie. 

*fötse, HD.: Fotz, Fotze. 

frarns , zie : w o a r a r n s. 

*fris , vergel. vris en *vrisse. 

Fritser, mannennaani: vergel. het 
Oitd-Nederlandsche Writsaard. 

*froaterhoe8 (bldz. 518): waarschijn- 
lijk werden oudtijds verkoopingen ge- 
houden in het voormalige Fraterhuis, 
d.w.z. in het huis van de Broeders des 
Gemeenen Levens (stichting v. Geert 
Groote in de 14e eeuw.) 

♦front, vergel. *swat (ook de aan- 
teek.) 

*futtt wordt meestal uitgesproken 
*fat, zie dat woord op bldz. 518; met 
het midden van 'tart. te vergel. „fut" 
(=z niets) bij v. Dale en zoo ook al- 
daar: 't is fut =: 't beduidt niets. 

*ffl: bij V. Dale fij =i foei. 



G 



gra,»zie groa. 

^grabbeln : het Evgelsche „to gib" 
beteekent eigenlijk miaauwen, vergel. 
to gabble, to gibber, to jabber, met 
de grondbeteèkenis babbelen ; het 
Framche „gaber" is verouderd, „gabe- 
ler" behoort hier niet bij. 

^gralgren (ook bij v. D.), vergel. 
^hulpzeeL 

^grallen zijn ook grootere wittebroo- 
den, van sierlijken vorm en zeer fijn 
deeg, in de midden het breedst en 
aan beide einden puntig uitloopende. 

''^gralligr. hier := schurftig; in het 
Nederlandsch is dit woord (het Fran- 
Hche: gale) verouderd. 

^gralstergr, Nederl. galsterig. 

^grammel: te Amsterdam = oud, 
bouwvallig; Zweedsch gammal, Deensch 
gammel =. oud. 

grangr, zie *an de grangr? waarbij ook 
behoort de zegswijze: as'k datdoun 
wol kon 'k wel an de 



gang 



blieven zz dan had ik wel dag- 
werk, 't zou een onbegonnen werk zijn. 

*g:anzegrat, ook studententerm , zie 
V. Dale. 

graons, zie ^groans. 

^grappen: „begapen" is ook Neder- 
landschy en verder heeft men „verga- 
pen" 3= den mond te ver openen, 
waarvan weer 't figuurlijke : zich ver- 
gapen. 

Garnt (mannennaam) i= Gerbrand ; 
men hoort ook wel Garm. 

grast en grarst, zie ^grast. 

^grasthaus, ook in de zegswijze : 
't is nog vroug ien 't gast- 
h u u s m 't is nog niet zoo laat als 'k 
meende ; hiervoor ook : 't i s nog 
vroug dag; mörn vrougdag! 
beteekent: we zullen morgen vroeg 
moeten opstaan. Deze drie spreekwij- 
zen komen ook elders voor. 

*grat: zie ook ^jong^es en ^hippen 
(bldz. 526); 't kan ook „cunnuB" be- 



GAU 



IS 



GEV0L(xEK(3) 



teekenen : vertjel. *kond en *neers. 
*g:aa (blclz. 519), deze zej^sw. ook 
bij V. JJale. 

g^ebedenis (bij o. Dale: gebiedenis), 
in de nitdrukking : groutenisen 
gebeden is. 

grebeard in: 't i s g e b e n r d ! zz 
*t is te laat ! het ongehik is geschied ; 
pas op, as 't V a 1 1 is 't g e b e ii r d ! 
*gebrekkelk ook i= gebochehl; bij 
V. Dak gebrekkig en gebrekkelijk :=: 
lichaamsgebreken heb])ende. 
gedaehten, zie *noa. 
gredwiddel, zie dwiddePn. 
f^eef, zie *greve en *grrofg:eef. 
greelgroa (Weüerhw.) = *greelgröiTel. 
greelgrrain , zie ^schietgeel. 
*greern; Vlaatmch: geern, geerne. 
Geert (mannennaam), evenals -'t vron- 
wel. (i e e r t j e ook Nederl., doch niet 
algemeen; elders „Geurt." Oudtijds 
was het een vrouwennaam , eigenlijk 
„Geerte" =: Geertrui(d)(a): men denke 
aan St.-Geertensminne en Geertemoei. 
Ver gel. : Gras. 

geflörtje, zie *grekutel. 
grejadas, zie: judassen. 
Ifejui :=: gejoel, zie *jui (bldz. 530.) 
*grek, vergel. *döl. 
^grekjoagren , vergel. *scheervogreln. 
't gekke, zie oddennelk. 
grekrakkel, zie ^krakkeln. 
^grekscheren , ^grekscherend, ook bij 
10. Dale. 

grekwetel, zie *kwetelderei. 
♦g^eld, zie ook *fln 2 en vgl. *tied 
(bldz. 569), alsmede ofloonen. 
*greldje, vergel. v. Dale. 
*grele wikken, vergel. wik, wikke, 
bij r. Dale. 

*g:eleverd zz: gefopt, bedrogen, ook 
elders. HD. : verloren und geliefert , 
bij V. D.: men kan hem verkoopen en 
leveren zz verraden en verkoopen zn 
foppen zonder dat hij 't bemerkt. 

*geliek, zie ook *'s grelieken en 
*slicht: het daar genoemde ook bij v. 
Dale onder „gelijk" 2. 

grelieke en *lieke (bldz. 589) voor: 
even, bvb. in: ge Hek e goud, hij 's 
a 1 1 i e d e n 1 i e k e v r u n d e 1 k , 
hierl)ij ook : 1 i e k as =: evenals, ge- 
lijk (voegw.), II D. gleiehwie. 



^gremak, ook bij r. Dale, met „ge- 
heim" vooraf. 

gemier (o.a. Vetfikol.) zn gezanik ; 
ook Frieschy enz. 

^grengrein, vergel. II D. gangeln. 

♦genoat: II D. Granate. 

greraide, grerei of gereide =: paar- 
dentuig en toebehooreu, staat vermoe- 
delijk met „gareel" in verband; hier- 
van geraidekast; vergel. ^haisboa. 

gereehtighaid, zie ^aiiieke. 

gereven zz geriefd, voorzien ; ook 
wel voor „reven", als deelwoord van 
*rieven. 

geribbeld =. geribd. 

geribte in 't fTkw. voor : geraamte, 
van het II D. Gerippe. 

*gerief beteek ent in 't Nederl. : ge- 
mak, dienst, gebruik. 

♦Germnisten : eene sekte in de Pe- 
kela, door zekeren Germs gesticht. 

gernoat, StadGroti. voor ^genoat , 
D. Dale geeft garnaat en gemast als 
volksuitspraak voor „garnaal." 

geroaden, zie *noa (ook Friesch.J 

Oerriet, zie: Gras. 

*gerust, in dezelfde beteekenis bij 
ü. Dale; men gebruikt ook „veilig" in 
denzelfden zin. 

gescliöteld en geseliatteld , zie *ge- 
scliödeid en vergel. *scliötel; bij van 
Dale: schotelen =: opdisschen. 

geselirip, zie *scliripsie. 

*gesjocliten hoort men ook elders 
in ons land , 't zal van Ilebreetiwachen 
oorsprong zijn. 

*gesprek: „besprek" ook bij v, Bale^ 
ook „gesprek" wordt elders in ge- 
meenzamen stijl gebruikt. 

*gest ook in : om g e s t en k e- 
n ij 1 w o a t e r (of : s n e i w o a t e r) 
1 o o p e n m rondloopen zonder iets 
uit te voeren. 

geteuver, 't zelfde als ^getiepei. 

Geaeliien (mannennaam) =i George, 

*geval : hierbij ook in a 1 g e v a 1 , 
in il 1 s g e V a 1 of in a 1 s t g e v a 1 
zz in allen gevalle , in elk geval ; 
(Nederl. soms ook: in alle gevalle.) 

*geven : de zegswijze „geven 
peer d" enz. is algemeen Nederland%ch^ 
vergel. *peerd. 

ge¥oigen(s> : dat wör van dei 



GEWAI 



19 



GOI 



.g e V o 1 g e n (s) — *t gevolg er vaii 
was 

♦grewai öf ^grewaide, HD. Einge- 
weide. 

greweld, zie *geweld doan. 

*grewikst te vergelijken methetiTT). 
woord gewichst z= geslepen, van : wich- 
sen zz polijsten; vergelijk ook *wikse 
enz. (vooral bldz. 578.) Ook bij van 
Dale. 

grewoarworden zz te weten komen, 
bvb. in de uitdr. 'k k o n 't m o a r 
nijt gewoarworden. 

grezegrd, voor *zegrd (bldz. 483 en 
581); 't wordt ook elders gebruikt. 

grezicht, zie ^oetkieken en ^tebak 
(bldz. 568.) 

*grezworen (bldz. 520), in het Ne- 
derlandsch, alleen in ongunstige be tee- 
kenis; toch hoort men wel eens: ge- 
zworen vrienden. 

gridder, zie *joar. 

*griebeln; Geldersch: giebeltje — 
grapje, spotternij. 

*g:iechöm, zie ook *zank; iets derge- 
lijks in 'tFriesch, waar Gichem „een 
denkbeeldig land" beduidt. 

• *grieren in : 't g i e r t ij n deur 
de keel, van heete of prikkelende 
dranken gezegd. 

*grieseln zou eigenlijk g ij s e l n 
moeten luiden : er is hier verwarring 
met het Nederl. „gijzelen", of men 
heeft getracht, op deze wijze verwar- 
ring te vermijden. 

*gilpen: bij v. Dale onder „gegilp." 

grissen, zie: zinnen. 

grladsmeer, vooral in 't Wederhc. 
gebruikelijk voor *g:limsmeer. 

*g:la8 =z glazen kom, in: visglas, 
groldvisglas; (ook NederL) In de be- 
teekenis op bldz. 520 ook elders, maar 
alleen in de aangehaalde uitdrukking. 

grlasgedien, glasgerdien (in geschrif- 
te, ook in offic. aanbestedingen v. d. 
Raad d. stad Groningen: glasgordijnen) 
1= gordijn voor een venster, venster- 
gordijn, ter onderscheiding van „over- 
gordijn"; V. Dale heeft „glasgordijn", 
maar in engeren zin. 

grlaske (Ommel.) — glaasje en: ruit- 
je, of venstertje, StadGr. gloassien. 

irlasketikken, zie : de u r t j e s c h e 1 1 e n . 



gleer, zie: fleer. 

grlennejBT (StadGron.) voor *^\^\\i 
"n g 1 e n n e g e s t e e r n, 

*g:loep, vergel. ook *g:lup. 

^grloadnei: bij v. D. ook „nagel- 
nieuw", „splinternieuw." 

*g:iiiffeln. vergel. ^kniezen. 

^grnistern, HD. knistern, knirschen. 

gnoavend, zie ^grounoavend (bladz. 
521) ; 't klinkt ook wel gnoavens; 
vergel. noavend. 



gnaat, zie: k n u u t. 
groa (in geschrifte ga) , 



o.a. in de 



benaming Noordhornerga, duidt 



laag 



met 



ondergrond van 



5J 



land aan 
veen en derrie. 

^groan, zie ook *gait; „ik gong 
enz. ook Zeeuwsch; zie ook: kriegen; 
dat g a i t 'r m i t , dat g a i t 'r 
nog mit deur zz daar komt men 
't verst mee , Nederl. het gaat met 
iemand of iets iz: 't blijkt aan het doel 
te beantwoorden ; dat zeg i k m 1 1 
= dat zeg ik met u. Ygl. : deur, 
alsmede „heengaan" bij ??. Dale. 

*goar, zie ook *heer en *te groar 
(ook de aan teek.) 

*g:oaten: „in de gaten" ook Nederl.^ 
,,i n de m o t'^' eigenlijk: in de mouw, 
zie mot (5) bij v. Dale. 

*göbbe: het ^ng. ,,gubl)er" is alleen 
gewestel. (Sussex.) 

*göbbe, *g:öbse: HD. Guss. 

grochom, zie *g:ogum. 

srodsblok, zie *blok. 

godsgriezelachtig , zie *g:riezelach- 
tig. 

godverdikke. zie *verdikke. 

godvergeemie , een vloek, samenge- 
trokken uit den ook elders bekenden 
uitroep : god vergeef' me (de zoude) ! 
hiervan weer het bijvnw. *vergreveii of 
vergeefmes (bldz. 573.) 

goedzoo ! (zelden , en alleen tegen 
gelijken of minderen, g o u d z o o) of: 
't is w è 1 ! =z ik zal er voor zorgen! 
Ook in de beteekenis van *bessoo , 
doch dan ook NederL 

*goezen, vergel. *roazen. 

*gogum, bij V. Dale: goochem, aan 
't Hehreemvsck ontleend. 

goi: uitroep, meest van verwonde- 
ring (ook Frlesch), denkelijk samen- 



(ioL 



'20 



(iRorp 



trekking van „godje", vgl. *g:odjes en 
*ochoi \l)l(lz. 547.) 
^oi, zie *groa]. 

golden bQnen, zie ^piepen 2. 
^groliat: vergel. (JroningHche Volksal- 
Hianaky 1840, bl. 156. 
groon, zie ^groaii. 

♦goor: „gaar" en „goor" in de hier 
genoemde beteekenissen ook bij van 
Date. 

Goorecht (Het) of Goregt, ook wel 
eens Drentherwolde genaamd : een 
voormalige heerlijkheid, de omstreken 
der stad Groningen (vooral ten /ZO.) 
beslaande. Yergel.: W e s t e r k w a r- 
t i e r. 

*l?8rti|?, in den zin van „vinnig", 
komt overeen met „gortig" en „gars- 
tigheid" bij r. Dale; de verklaring is 
aldaar echter onjuist, en dat is zelfs 
't geval in het groote H'oordenhoek der 
Ned. Taal .van Dr. M. de Vries enz.l 
De oorzaak is de blaasworm, d. w. z. 
de larve van den lintworm. 
groa , zie ^graa. 

*fgOüd (bldz. 521), AW. ;.nog wèl 
zoo mooi , enz. i= nog iets mooier , 
enz.; verder: dat g a i t n ij t g o n d! 
=r dat gaat niet op! gij handelt niet 
eerlijk! vergel. *gretrottd' en *vaii rech- 
ten; zie ook: spul. Met het slot 
van 't artikel te vergelijken : \ieze var- 
kens worden niet vet. 
groudzoo , zie groedzoo. 
*g:0Qii: IID. welche =i eenige. 
goanen, groant enz., zie ^groan. 
^goanoaTend (bl. 521): StadGron. 
^gruinoaTend. 

•^grraft ook = graf, HD. Gruft ; 
vergel. *greiiöcht en bearrafnis. Oud- 
tijds schreef men „'t gracht" z= 't graf, 
en „gracht-steden" zz grafplaatsen , 
o.a. in Amstelredams eer ende opco- 
men, bl. 264 en 235 v. d. uitg. van 
1639. 

*grrap ook in : h ij het de grap 
d 'r of =r schept er geen behagen 
meer in ; evenzoo : de grap is d'r 
of. 

*grras 2, vergel.: wassen; met de 
spreekwijze „te hooi en te gras" 
te vergelijken de in 't Nederl. in ge- 
heel andere beteekenis gebruikelijke 



bijwoordelijke uitdrukking .,te hooi en 
te gras" (ook wel: „bij h. en bij g.") 
zz: zelden. Zie ook *te grras. 

♦Gras (bldz. 521): vrouwelijk Gra- 
d o a (Gelderftch : Grade) of (t r a r- 
doa; voor 't meer algemeene „Gerrit" 
hoort men in 't Wkto. G e r r i e t. 
Ver gel. Geert. 

grrasbotter , zie ^stalbotter. 

graa&rften, grraa&rten = grauwe 
erwten. 

grrausteert, zie *korenspörk. 

grrib =z *g:ribbel, veelal met i e n 
inplaats van o p. 

♦grribbel, vergel. *taak. 

*g:riezeln, bij v. Dale: griezelen en 
griezelig. 

grriezeltje, zie *biet (bldz. 503.) 

♦gril, HD. grell. 

*grllkieker, bij v. Dale grilkijker. 

grroantje (HD. Gran, Ned. grein), 
zie *biet (bl. 503.) 

groas, zie ^grras. 

grroenland, in geschrifte voor ^gruin- 
land. 

g^roes =1 gruis , i e n g r o e s : tot 
gruis. 

grrofkes en grro^en, zie ^fientjes. 

*grröm , bij v. Dale ■=. ingewand , 
vuiligheid. 

grröndel of grrandel =r grendel; vgl. 
f ö r m , z ö 1 d e (z u 1 d e) , z ö 1 s 
(z u 1 s) , z ö s. 

^grondvergpoaderingr eigenl. zz ver- 
gadering van kiezers; in beide betee- 
kenissen ook bij ü. Dale. 

♦grroot ook =r duidelijk: 't s t e i t 'r 
groot genög zz gij ziet er voor- 
bij , gij kijkt niet goed toe. 

^grrootknecht; vergel. ♦Tent 1, HB, 
Grossknecht. 

*grroot8 (bldz. 522), bij r. D.: grootsch. 

grroa, zie ♦graa. 

grroael en grouwel, zie ♦grriezel en 
vergel. het HD. werkw. „granen" z= 
huiveren, en evenzoo het zelfstandnw. 
„Granen" zz huivering. 

*grroup, HD. Grube zz groeve. Het 
Eng. woord „groop" komt alleen ge- 
westelijk voor, evenals het door ten 
Doornkaat aangehaalde „grup": zie Th. 
WrlghVs Provincial Dictionary. Ten 
Doornk. geeft „groop" als Noordfriesck 



GROUPFAIL 



21 



HAMPEL 



op. Vergel. verder *grnip (bldz. 138 
en 522, ook de aanteek.) en zie ook 
*great. 

IToapfail, zie ^kezoan. 

*gTOutenis, hierbij ook: 'k zei 't 
woarnemen. 

grrain&rften , ^rain&rten = ^oene 
erwten. 

grrandel, zie grröndel. 

♦grrap (bl. 138 en 522), vgl. bij v, 
B.: grep, grop, grup, 

♦grrnwelwoater, Eng. ook: water- 
gruel. 

*grrflde : ook het plaatsje Groede, in 
Zeeland, zou hieraan zijn naam te dan- 
ken hebben. 

^grQiimank: in Diiitsche veenstreken 
verbasterd „Greinan", dat daar echter 
alleen de beste soort, nml. sponturf, 
beteekent. 

*gachel, vergel. ^keakeln en *bab- 
belgragies; bij v. ]).-. guichelen ziz goo- 
chelen, guichelspel =z bedrog. 



graindagr, zie ^goandagr (bldz. 521.) 

*grainoaTend (bldz. 522), vgl. ^groon- 
oavend (bl. 521.) 

gnnnen : 'k b i n *t h ö m wel gunt 
rz ik gun het hem gaarne. 

*g:aiit ; 't verdient vermelding , dat 
men „'t gunt" of „'t gundt" voor „het- 
gene" gebruikt vindt in het geschrift: 
Bewys van de vryheyt ende independen- 
tle der Vrye Oldampten^ (Rotterdam 
1640), bldz. 5, achterin, en verv.; zoo 
ook in andere geschriften uit dien tijd, 
over 't zelfde onderwerp, reeds in 1630; 
ook nog in staatsstukken plm. 1770. 

*g:ast, bij V. Jkde i=: niet drachtig, 
en fig. =: schraal. 

genster =: gister of gisteren; vergel. 
V r u n d =: vrind , d u s s e 1 b o o m 
=: dissel boom, gunders := ginder; 
in 't Ned. .• lus en lis. 

gruachel , gaaehelspal enz. , zie 
*^achel (ook de aanteek.) 



H 



*hagren,.bij v. IJale.-^ verouderd. 

hah ! uitroep van afkeer of tegenzin. 

haid, zie aid. 

*hail om 'tzail, vergel. *hei (bldz. 
525.) 

*hak: „op hak", elders „hak op". 
Zie verder ^hakken. 

^hakhoorntje 9 bij v. Bale, schoen- 
horen tj e of schoenaantrekker. 

^hakken, zie ook *koar (bldz. 213, 
tweemaal); voor : „an de hakken 
trekken" hoort men ook: de hak- 
ken optrekken; de spreekwijze 
„'t hetnijt veul om hakke n", 
evenals de daarmede analoge uitdruk- 
king „niet veel om 't lijf", is ontleend 
aan de gewoonte der bijen , om was 
tusschen de oksels der achterpooten , 
en stuifmeel tusschen de haren op het 
lichaam, naar de korven te dragen. 

^hakketakkery , vergel. bij v. Dale: 
harre warrerij en hassebasserij, in ande- 
re streken : hikketakkerij en his.sebis- 
serij.; vergel. ook de reduplicatie's : 



„h a 1 1 e r k w a 1 1 e r", „h e n t e r d e- 
t wen ter", „himphamp", „koes- 
k a s". „poespa s" en verder : fik- 
fakkerij, flikflooien, kiskassen, vieze- 
vazen, wissewasjes, enz. enz.; zie voor- 
al ^dikdakken. 

hakvat, zie ^hakbret. 

*half, als znw. voor „helft": hij 
wijt 'r 't halve nijt van, de 
halven lezen ze nijt, de hal- 
ven s t o a n d 'r nog, (Latijnsche 
constructie.) 

hiilftied, zie halvetied. 

*halfwieze; Engehch: half-wit. 

*hals, zie ook *koa en *verkomen. 

halsboge, zie *haIsboa; bij v. Dale 
(verouderd): „halsberg" zz pantserherad. 

halvetied, Westerkw. h&lftied = de 
helft (of eigenlijk : 't grootste deel) 
van den tijd : h ij 's h a 1 f t i e d z ij k; 
ook hoort men halftieden, evenals 
*höltieden. 

^hainpel^ Hl). Hampehuann = ma- 
rionet. 



HAMRIK 



22 



HEMMELN 



hamrik, zie ^hammerk. 

^hand , zie ook ♦stoan ; m i t h a n- 
den omkeer (l == geheel veran- 
derd, vooral van karakter, (ook Friesch): 
Nederl. „omgekeerd als een blad aan 
een boom." 

^handen, bij v. D. — gemakkelijk 
zijn in 't gebruik. 

handgrat, zie ^baasgat. 

handjen, zie *tandjen (bldz. 568.) 

^handomdrai , Nederl. : hand-om- 
draaien , ook in algemeener beteekenis. 

hanebolten , zie ^hoanebolten en 
^dathoamer. 

^hangelperen (bldz. 523): in 'iOost- 
friesck een langwerpige peersoort. 

hanschen, voor ^hansken , vergel. 
^holsehen. 

harbargren ^=: hardbakken (aardewerk), 
bvb. Keulsche potten ; om minder plat 
te schijnen spreekt men van herber- 
gen potten, en verbastert daar- 
door het woord nog meer , zonder aan 
zijn oorsprong te denken. 

hardegeertjes , zie *keeskes. 

^harden, vergel. het Hl), „harren" 
of „ausharren" (Ned. uitharden) zz 
wachten, dulden.^ 

^hardop, ook bij v. Dole. 

^hardschild, vgl. bij r. Dale ,,hard- 
schillig. 

harjasses = ^harrejasses. 

^harren, vergel. ^harden. 

harsens, zie *broagren; ook elders 
(zie V. Dale.) 

^harsenschrabben , vergel. *kop- 
schrabben. 

*harst, meestal onzijdig; zie *win- 
ter (bldz. 579.) 

harstflikkers =: het weerlichten aan 
de kim, des avonds in de herfst: een 
voorbode van koude. 

*hart: ., zijn hart ophalen" in \ Ned. 
z=L tot verzadigens genieten ; „v. z. h. 
geen moorkidl maken" is algemeen 
Nederl. ; 't hart knipt (zz knijpt, 
nijpt) ij n (of j o e) dicht zz 't is 
een deerniswaardige toestand; zie ook 
*van harten (bldz. 572, en ook de 
aanteekening); „gezond van harte" ook 
elders. 

hartens , zie : s c h u p p e n s. 

^hartstikkend dood, bij v. Dale =: 



hartstekendood ; ook elders hoort men 
„hartstikkedood", dat bij Vondel o.a. 
luidt: hartsteek dood =: morsdood. 

^haspel: het ook bij ten Doomkaat 
opgegevene Eng. „to himp" en „himple" 
zal gewestelijk zijn; het Oostfr. ,. stot- 
teraar" moet „stumper" zijn; v. Dale 
heeft : 't sluit als haspels in een zak. 

^haaen, zie ook ^snoetband. 

haTeelzaad, zie ^awQlen. 

*hebben , vgl. HD. sich gehaben zz: 
zich gedragen en het Ned.: onhebbelijk. 

♦heden (uitroep), bij v. Dale: heden 
mijn tijd! 

heden (znw.) in : op 't heden of 
op dit heden zz op dit oogenblik. 

heegr, zie: ♦dear de heegr hoalen en 
*hejfen 1. 

*heer 1 , zie ook*achteranzitten. 

*heer 2 : het Nederl. „heer" of 
„heir" zz leger of schare; 

*heerd : in Gelderland iz: heem, erf. 

heerdje, zie * heertje. 

♦heerhollen, vergel. *Yearhollen en 
het Duitsche herhalten zz toehouden , 
uitstaan, verdragen. 

heert, zie *heerd. 

hek zz het houten raam, dat op 
een doodkist en later tijdelijk op het 
graf wordt gezet ; vgl. ♦ophoogrsel (ook 
dé aanteek.^ en *dekken. 

hekje zz raamhorretje, ook: rekje; 
vergel. *hekke. 

*heksebiel, bij v. D.: er met de 
ruwe bijl inbouwen. 

held, zie *keesköst (bldz. 531) en 
vgl. *roemte , alsmede Nederl. : een 
held op de ruimte. 

♦helfte , meestal zonder lidwoord , 
en in de uitspraak verminkt tot helde, 
o.a. in 't StadGron. : helde meer. 

♦heilig , vergel. *Yerhellegren ; ook 
bij V. Dale. 

♦heilingr, ook bij v. Dale. 

♦helster (bldz. 525), vgl. *behei- 
steren. 

hem% zie *hebben (bldz. 524.) 

♦hemdrok, zie ook *enter. 

♦hemmeln; bij Büderdijk (Floris V): 

„Kom , 't hoofd omhoog , het 

voorhoofd opgehemeld 
En schuif de wolk ter zij , die voor 

uw oogen wemelt." 



HEN 



23 



HOP 



Hen, zie *Hinderk = Nederl. (ge- 
meenz.): Henk. 

*heii , ook in de uitdr. net zoo 
hen (of: net zoo weg), bvb.: hij 
zee tegen mie, net zoo hen... 
n: het zijn zijne eigene woorden. Zie 
verder *bie 't olie hen (bldz. 503), 
alsmede *heer (bldz. 524) en vergel. 
onderhen en : omtrent. 

heng:, hier voor elk scharnier, ook 
bvb. van een koffer. 

hengroan = te werk gaan : 'k b i n 
hengoan en heb'n piep. op- 
stoken (ook wel elders) ; vergel. 
^toagoan. 

henschrieven m aan iemand schrij- 
ven , bvb. : *k h e b ('m) henschre- 
V e n ; zoo ook : 'k h e b 't h ö m (of : 
h ö m 't) h e n s t u u r d , of alleen : 
'kheb henstuurd=:'k heb een 
boodschap gezonden ; 't zullen germa- 
nismen zijn, want in 't Nederlandsch 
zou de onovergankelijke vorm door 
„er" moeten worden voorafgegaan. 

herbergden, zie harbargren. 

^herdommen in : z e 1 s t 't wel 
h e r d o m m e n =z gij zult wel tot 
andere gedachten komen , als repliek 
op het : ik V e r d o m 't van den vo- 
rigen spreker. 

*herrie, ook elders in de spreek- 
taal. 

*hetsigr, bij v. Bal^: hitsig, hittig. 

*hetten ; de oorspronkelijke vorm 
van het w.w. is natuurlijk hettenen, 
vgl. ^tyken enz. 

*hea , hierbij de spreekwijze : a s 
hakt heu deur 'n ander (Om- 
melanden : as sloagen h e*u , zie 
^sloagren 2) ; is hooi in de Ommel. 
meer gebruikelijk dan heu? 

*heufkees =z* „hoofdkaas", „hoofd- 
vleesch", bij v. Dole, die tal van ge- 
westelijke namen voor deze lekkernij 
opgeeft. 

heafYlQs , zie * vinken. 

^heakerg, zie ook *heakers winkel- 
tje. 

^henn, vergel. *hoamel. 

henren, zie *omhenren en *roazen. 

hiel, zie hail. 

*hiemen , bij v. Dole (gewestelijk) : 
hijmen. 



hierllingrs , zie : langs. 

♦hierzoo enz., ook elders in de 
spreektaal. Ook hooït men wel den 
uitroep : och, hierzoo...., voor: 
och, hoe heet hij (of: het) nu ook 
weer, enz. 

*hies, vgl. hijs, hijze, bij v. JDale. 

^hikhakkerQ, vergel. ^kikkakken. 

hil, zie *houl. 

Hin of Hinne, zie ^Hinderk. 

*Hinderk: men hoort inplaats van 
„Hin", vooral in 't StadGron. , vaak 
Hinne; „H e n" komt overeen met 
het Nederl. (gemeenz.) „Henk." 

hinkespeiersrögrge (os sepiae), let- 
terlijk ,,inktspuwersrug" z=. het rugbeen 
van den inktvisch, dat vaak aan 't zee- 
strand te vinden is en o.a. door de 
ververs inplaats van puimsteen gebruikt 
wordt en waaraan ook vogels gaarne 
pikken; 't wordt ook „zeeschuim" ge- 
noemd: zie dat woerd (2e art.) bij v. 
Dale. 

Hinne , zie : H i n d e r k. 

^hippen : bij v. D. „hippen" of 
„hippelen" = huppelen. 

hirs, zie *heers. 

hitzig: (zie *bflst) -^ *hetsig:. 

hn, zie *n. 

hoag:en , zie ^agren. 

*hoalen, vergel. huil. 

hoalstok = *hoal (bldz. 526) en 
vgl. *moord (bl. 270.) 

^hoanebolten = *dathoamer. 

*hoar; lees op bldz. 159 I 11 v.o.: 
dat hom de hoaren hijt word- 
den zz dat hij boos werd; zie ook 
*'thoar (bl. 419.) 

*höbbelstttut: „stuut" zal hier „po- 
dex" beteekenen. (Nederl. „stuit" of 
„stuitbeen.") 

hodje (o.a. bldz. 279 II onder): zie 
♦hotje. 

*hoed , ook in : 'n h o e d o p p e 
t o n g = een beslagen tong. Zie ook 
*schurftig. Ook ziz schors, schil. 

*hoeske, zie ook ^kloekholt. 

*hof : 't is hier open hof, 
zegt men, wanneer de gordijnen afge- 
nomen of hoog opgetrokken zijn, of 
als men bij lamplioht de luiken niet 
gesloten heeft; „open hof" beteekende 
oudtijds : audiëntie ; vgl. *spei 2. 



HöFTIG 



24 



HOUKEN 



*höftig, vgl. ^oetdrnftlgr. 

^hok, zie ook ^hokken. 

hokkefotten , zie *omhokkefotten. 

*hok-op-riegr 9 vergel. *ricgren. 

^holbol, holboUigr: bij v. D. „hol- 
bollig" = kluchtig. 

^holderdebolder, vergel. HD. „hol- 
terpolter" =: hals over kop, van „pol- 
te rn" = stommelen , bulderen ; hier- 
mede is verwant: bolderwagen. *t Woord 
komt ook bij r. Dale voor: ^halterde- 
balter zal gewestel. de juiste spelling 
zijn. 

^holdoar!: MiddelNederl. „hou daer" 
(volstrekt geen ruwe uitdrukking) z=. 
ziedaar ; vergel. : a w o a r. 

^hollen : Ned. „het tegen iemand 
kunnen houden." 

holpen , zie halpen. 

*holschen, bij v. Dale: holsblok =. 
klomp. 

holt (HD. Holz) = hout; 't is 
doar huus an huus en holt 
a n holt = de huizen staan daar 
zeer dicht bij elkaar. 

*holten : „een houten Klaas" is al- 
gemeen Nederlandsch. 

hölTem, zie *hölfern. 

Hommes (van der) i= het ook elders 
gemeenzaam gebruikte „van der Hum- 
mes", maar hier dikwerf uitgebreid tot 
V. d. H. met de k e e z e k u t e n; zie 
^oomkööl. 

hömskool = *oomkööl. 

^hömstak (bldz. 527), vgl. *omstök 
(bldz. 549.) 

*hond, zie ook ^komdQern. 

^hondeklemai : oudtijds bekleedde 
onder de volksgeneesmiddelen een voor- 
name plaats de „hondenklamei", de 
witte excrementen van uitsluitend met 
beenderen gevoede honden, door de 
geleerden „album graecum" genaamd. 

^honderd: Nederl. „honderd tegen 
een." 

hondesloagrer = *hondsloa^er ; vgl. 
V. D. : hondenslager. 

*honger : men hoort ook dorst 
as 'n p e e r d en inplaats van „vast 
a s 'n hoe s" ook: vast as 'n m u u r 
(doch dit beide ook elders); verder 
behoort hier nog bij : k o 1 d a s 'n 
bot (visch.) 



hongrerlap, zie *BpltUkker, Nederl.: 
hongerlijder. 

^hoogrenbrQd (bl. 527), zie: brijd. 
hoogreropgrcoien of hoogrer verzaiken, 

zie : a n n e m e n. 

hooien, zie ^zwelen. 

hooi, zie *hole. 

hoop of hoope, zie *te hoope. 

*hoopeii, vergel. *dUl. 

hoop-en-al : 'tzelhoop-en-al 
wezen == 't zal te bezien staan, men 
mag van geluk spreken; eigenlijk : 't is 
alles wat men hopen kan en mag. Men 
hoort elders wel : 't is maar één gul- 
den, hoop en al ! =: de heele hoop 
(massa , rommel of boel) heeft maar 
één gulden opgebracht; hij verdient 
hoop en al (zz hoogstens) duizend 
gulden (ook Vlaanisch.) 

hoorn^es, zie ^elfHngren. 

hoos, zie ^hozen en ^zok (bl. 582) 
en vgl. *wieden. 

^horendoren-kroepoet (bldz. 528) : 
in het Westerkwartier luidt deze deun: 
koekoek, breiboek, steek 
dien alleviér horentjes oet, 
ans zei ik die dooden. 

hörnlegrer m huis met erf en tuin. 

hörnsehQf, zie *höm. 

hömtanden, zie '^höm. 

*hörre 2: Nederl. horde. 

hot of hotte, zie *hod. 

*hottern, HB: hadern. 

hou, zie ^banken. 

*hoa zz hoe, zie ook *hoa en wat 
(bldz. 528) en *hoa of wat (item), 
't laatste ook bij v. Dale; verder in de 
vragen : hou dat? of hou dat 
zoo?, hou dèn?=: hoozoo? (ge- 
meenz. hoe dat?) , h o u 's dat zoo? 
=: hoe komt dat, waar ligt dat aan? 
hou is 't? = wel? zoo? wel zoo?!, 
zoo ook : hou is 't, bin'j weer 
beter? :=. wel ! zijt ge hersteld ? 
hou i s 't nou?! zz: hoe nu ? (zijt 
ge ziek ? enz.) , hou word 't? :zz 
hoe staat de zaak ? wat is uw besluit? 

^hoadjeballen , vgl. bij v. Dale (4e 
druk) : hoedjebal. 

honen zz ^bauen. 

houk =z welk, evenals *houke sa- 
mentr. van hoazük(ke.) 

honken , zie ^banken. 



HOUKEND 



25 



HIJTKILLIG 



•honkend = «hakkend (bldz. 528.) 

«hoaks (bldz. 528), samentrekking 
van hoazöks. 

hoamennigr, zie «menni^. 

hoapkefet (Hoogel.) = *houpeIfet 
en aldaar ook schertsend voor: spin- 
neweb in een hoek. 

hoaVeal , in h o u v e u 1 (^g e 1 d) 
i s *t ? =. hoeveel ben ik schuldig ? , 
ygl. : wezen. 

houw, zie «hoa 2. 

hoazök 'hoe zulk) = welk, hoe, 
hoedanig : houzök weer was 't? 

hoazökkend en hoazöks = «hoake 
♦hoaks (bldz. 528.) 

hoazoon (hoe zoo een) = «hoa'n. 

hoze, zie «hozen (bldz. 528.) 

«hozeyötels: Nederl, ^doch niet bij 
van Dale) op kousenvoeten (zie bldz. 
528.) 

«hade, vergel. *atepot en het HB. 
hüten rz bewaren, behoeden of be- 
schermen. 

«hagen, vgl. «meagre en bij v. Dale 
„heug" = smaak of zin , bvb. in : 
tegen heug en meug. 

*hai; zie ook *hea. 

hail (beschaafder: hiel), zie «hoal. 

halpen of holpen = geholpen, ver- 
holpen. 

«hnlterdebalter , vergel. ♦holderde- 
bolder. 

hammelsken , zie ^vrensken. 

Hamst^rland , zie ♦Homsterland. 

♦happen, vergel. v. Dale. 

♦has: in Holland „trui'* of „truus." 

^haagrje, zie ♦hoek 3. 

♦haar = huwelijk , ook bij van 
Dale ; verder ook in de uitdrukkin- 
gen : hij het*t te huur, hij 
w o o n t 'r te huur :=. hij heeft 
dat huis gehuurd , heeft het in 
huur. 

♦haarschatter; *haarstaller, in ge- 
schrifte haurcerter, en als zoodanig 
in de Veenkol. eene , oorspronkelijk 
onderhandsche , altoosdurende en on- 
verhoogbare verhuring: vgl. Heres Did- 
denSy Academ. Proefschr. Gr on. 1893 
(vooral bldz. 95.) Zoo verkoopt nog 



de stad Groningen „het Recht van 
de Huurcerter op een Veenplaats." 
De officieele spelling zou aan eene 
verbastering van het woord „char- 
ter" kunnen doen denken : bovenge- 
noemde schrijver heeft zich aan eene 
verklaring van de afleiding of den 
oorsprong van het w:oord niet ge- 
waagd. 

♦haas, zie ook ♦hoes en holt. 

♦haaske, ook =i het kleine net- 
werkje in het borststuk van een hemd, 
elders „spinnetje" of (schertsend) „vlooi- 
enrekje" genaamd, dienende om het 
inscheuren te voorkomen, in *t Goo- 
recht hazentje. 

♦hfl: bij V. Dale komt „hei" in ge- 
heel andere beteekenis voor, nml. 
evenals „heh" een verlangen te ken- 
nen gevend , terwijl de- daardoor toe- 
vallig met de onze eensluidende zegs- 
wijze „'t is altijd hei of fij met hem" 
iets geheel anders beteekent , nml. : 
hij valt altijd in uitersten , 't is altijd 
hollen of stilstaan. Vergel. hiermede 
♦hal. 

♦hfll : hierbij ook h ij 1 n ij t m in 
't geheel niet , geheel niet (eld. wel : 
heel geen), HD. gar nicht, (vergelijk: 
nooit); hijl wel (zond. klemt. i= 
stellig) =1 „al m i e n bes t"; vergel. 
ook „heel" (2) bij v, D. 

♦hUlendal (bldz. 174 en 528), Ned.: 
heel en al, heelegaar, heelemaal; ook 
in: nijt allen .doarom, moar 
h ij 1 e n d a 1 , waarin het beteekent : 
evenwel, toch, ook zonder dat; „heel- 
endal" is goed Nederl., hoewel niet 
bij V. D. voorkomend. 

♦h<Jlkees zal gevormd zijn uit h ij 1 
■=. lomp en Kees. 

♦hQm : v. Dale geeft „heem" en 
„heim"; vergel. Heemstede & Haam- 
stede. 

♦h^jt : heet zz verzot , ook bij van 
Dale, 

♦hflten , HD. heissen = bevelen ; 
idem, bldz. 528 , zie ook ♦krai. 

♦hytkillig, vergel. ♦koeskiüen. 



IE 



26 



INZITTEN 



I 



*ie 1 : zie ook bij ^achterbinde en 
denk aan het Friesch, Brefdsch, DniUch 
en Vlaamsch. 

iechel, zie *iegrel. 

iedelheafdegr =: ijlhoofdig, bijvoorb. 
van zieken. 

iederen^n, zie ^elken^n. 

iedermoal (HD. j edesmal) zzz ♦ieder- 
bod. 

*iegrel en *stiek«fl , blijkbaar — 
egel. . 

♦iegrelzwien , eigenl. zz egel. 

ielt, zie *iel. 

*iem, vgl. Hl). Imme, Imker, en 
zie vooral „imker" bij v. Dale. 

*ieii, als verkleimiitgang : in het 
meervoud valt de n weg , bvb. d w b- 
b e 1 d i e n -^ d u b b e 1 d i e s. 

ies (Westerkwartier) , zie *fls en 
*rys ; elders* het toonlooze „es" en 
„'ns." 

iesder, zie *iezer. 

ieskrappen, zie ^krappen , bij van 
Dale „ijskrap" of „ijsspoor." 

*iesvool, vergel. *hiesYooI. 

iezer, zie sch^tiezer. 

^iezerkoakjes , vergel. ^kniepkoak- 
jes, ook de aanteekening. 

ik , krijgt in vele uitroepen den 
klemtoon : duvels was ik! „god, 
zeg ik!" 

♦in, zie ook *te, en vgl. ^inzitten, 
(ook de aanteek.); zie voorts ^angroan 
(ook de aanteek.) 

^inbakken , bij v. Dale bakken — 
hard vriezen, en „het zal dezen nacht 
een koek(je) bakken." 

*indrift, vergel. *drift. 

inflikken (bij v. D. zz zich indrin- 
gen), zie *flikkert. 

*ingr (bldz. 529), vgl. *eii (bldz. 
517); deze uitgang, hoewel in de 
meeste gevallen door e n vervangen , 
vervalt soms geheel, nml. in de woor- 
den op „-ening" en „-eling", bvb. „re- 
ken" en . t ij k e n (teekening), verder 



o.a. in kroakel zz krakeling, an de 
wandel (i= wandeling) wezen 
zn aan het wandelen zijn; vergel. om- 
gekeerd steigreringr. 

♦ingre , HD. Anger. 

ingoan , zie ^angroan. 

inhol , zie *boor. 

inins := tegelijkertijd, zonder op- 
houden, inQnen =z opeens, plotseling; 
bij r. J). wordt in beide beteekenissen 
opgegeven „ineens." 

inkspót zz inktpot. 

*inleg:greii , vergel. : a n n e m e n. 

inloeren zz inkijken , ingluren ; zie: 
loeren. 

inloopeii , zie insjonwen. 

inom , zie *enom ; 't beteekent ook : 
rqndom aan de binnenzijde , (ook 
scheidbaar.) 

*ins ; „i n s g ij'n", „i n s n ij t", 
enz. , vergd. elders (gemeenzaam) ik 
ken hem geen eens, enz. 

insjoawen iz: indragen van. zand, 
sneeuw, enz. aan de schoenzolen : d a t 
zand en modder ( Wkw. m ö t- 
ter) sjouwt zoo in: minder 
plat inloopen. De l)edrijv0nde (on- 
overgankelijke) vorm staat hier voor 
den lijdenden , wat met „indragen" 
in de spreektaal ook elders ge- 
schiedt: 

Mnsloagren, zie ook ^sioagren. 

insloeken, zie ^sloeken. 

^instippen , ook bij v. Dale. 

in 't aclitern z= ten achteren , vgl. 
*in 't vearen. 

intikken =i iemand inroepen door 
aan 't raam te tikken : ze hebben 
m i e i n t i k t. 

*in 't ronde ook zz „rond... .", 
bvb. in 't r o n d e dra i en z:i rond- 
draaien. 

inQnen, zie inins. 

*inzitten , vgl. *in , bij r. D. „er 
mee inzitten." 



JA 



27 



JUS 



j 



*ja: vergelijk het zwakkere *wis en 
het nog zwakkere *Tast. Verder valt 
op te merken, dat „j a w e 1" ook el- 
ders hier te lande in de beteekenis 
van: wel zeker! dat kun je begrijpen! 
't mocht wat! ik geloof er niets van! 
gebruikelijk is, terwijl meer l^epaald 
als gewestl. Groti. kan worden aange- 
merkt de uitroep weljah!, die echter 
alleen op zich zelf staand of aan 't be- 
^in van een zin wordt gebruikt: de l 
wordt bijna niet gehoord en de klem- 
toon valt. zeer sterk op de e; vergelijk 
ook noa ja en 't Nederl. : wel neen ! 

*jacht 1 , vergel. „jacht" en „jach- 
ten" bij V. JOale. 

*jak, HD. Jacke; zie ook *lappen 1. 

^Jakkern, ook bij v. Dole, evenals 
„jakken"; vergel. ook het Nederl. „af- 
jakkeren." 

*jank (synon. tjank) komt voor in 
het bij V. I). opgegevene woord „moes- 
janken" zz: verliefd rondsluipen om 
de woning van een meisje^ gevormd 
uit het verouderde woord „mose" zz: 
gevel of eigenl. goot en 't MiddelNe- 
dérl. „janken" =z: zuchten van begeer- 
te of verlangen. 

Jaske, Jasker, zie *tjaske. 

*jasses (^ifi). Jesses), vergel. *j<J8 
(bldz. 530.) 

♦jekker, bij v. Dale alleen manne- 
lijk; van dit woord is gevormd „pij- 
jakker" of „pijjekker." 

*jem: „breke" is het Groningsch 
b r i e k e. Zie breek. 

*jen , zie verder bij *g:roetjeii. 

*jeuken: IIJ). sich jucken =z zich 
krabben, zoo ook wegjucken (o.a. bij 
Goethe in Famt) zz door krabben ver- 
jagen. 

jidder, zie *joar. 

jikker, zie *jekker. 

Joagren zn rijden , in de meeste ge- 
vallen zonder versterking van het be- 
grip ; vergel. ^deaigacht en *omjoa- 
Ifen , bij v. B. .- een trekschuit jagen. 



Zie ook *jachs. 

*Joagrertje; zegsw. d a 's veur 't 
joagertje =: dat is een fooi voor 
de moeite. 

*joar, bij v, Dale: j adder (gewestel.) 

joarblad, zie *joar. 

*joe 2 : dezelfde eigenaardigheid in 
vele andere talen , zelfs in 't Griekach , 
Latijn en Hebreeuwsch. 

*joechee, HB. juchhei zz: hoezee. 

Jogrenom , zie ^benoam. 

jonchie iz: jongetje, vooral bij ern- 
stige vermaning. 

*jongr 1 , zie ook *joiigres ; „m i t 
jon g", bij V. Bale „met kind maken." 

*joiigeja, o.a. bij Lindo: jongen ja! 

jongejongre, zie ^jongjongr. 

*jong:es: bij v. B. „jongers" (ge- 
westel.) zr kinderen. 

Jongesgrod, zie ^Jongjongr. 

Jongesjongrs , zie ^jongrjongr. 

jongkerel, zie *)onkerel, ook de 
aan teek. • 

jonje (uitgespr. jaonje), o.a. in 
't Wkw. en meestal bij het aanspreken, 
voor: jongetje. 

*jonk, zie ook *joMgr, 1 en 2. 

*jonkerel is ook elders gebruikelijk 
bij militairen (als zij goed geluimd zijn) 
tegen hunne ondergeschikten. 

Jonkje zz jongetje, bij v. D. (sub 
„jong" 2) als gemeenz. vermeld. 

Joogrenaamd , zie ^benoam. 

Joü , zie *joe 1 ; Joaes zie *joe6s. 

^Jadassen; zoo ook (doch ook wel 
in minder gunstigen zin): grejudas; 
ver gel. bij v. Bale „judas" en „judas- 



sen 



>) 



juffer, uitsluitend voor ongehuwde 
dames, ook bij het aanspreken. Elders 
geheel verouderd. 

jaien zz: joelen, zie *jui (blz. 530.) 

*just ook 1= trouwens : ie b i n' 
vast nijt noa stad west? ik 
j u s t ook n' t. 

♦JUs 0)ldz. 530), vergel. *Ja8ses (HB, 
Jesses.) 



K 



28 



KATJELIEM 



K 



k : merkwaardig is 't gebruik van 
deze letter inplaats van d of t en om- 
gekeerd; vergel. als. voorbeelden de 
woorden '^bandrekel , ^blakstil , *bran- 
ekkel, alsmede op bldz. 158 „Hin- 
dert je*' z=. Hendrikje, verder *klak, 
*smelken, ^warteldagr, 't Nederl. „kuif" 
en 't Gron. *toef. Zoo is in 't Neder- 
landsck „scheurbuit" (Gron. ^scheurbot) 
verbasterd tot „scheurbuik", in 't Duitach 
„Stint" tot „Stinkfisch" (zz: grondel 
of grondeling.) 

kaap , zie *kobbe. 

kaarke , zie karke. 

kachel , veelal onzijdig : b i e 't k a- 
chel zitten. 

kainke, (Ommel.) =z kannetje. 

^kakkerlak : de echte kakkerlakken 
noemt men vrij algemeen bakkerstie- 
ken, ook elders: bakkerstorren. 

*kalf, zie ook *kalTen, bij v. D. : 
een kalf maken. 

*kallen , ook bij v. Dale. 

^kalven , vgl. *bigrgren moaken (bl. 
503) en : k a l f. 

^kalverhok, vgl. ^heukelstalje. 

kalvermoat , zie *moat. 

*kal¥ieneii , zie ook keYielen. 

kammeroaten , zie ^^ezworen. 

*kamp , vandaar De Kamp, een 
buitengoed tusschen Groningen en Ha- 
ren; vgl. kamp (2) bij v. D. (ook HD.J 

kamp voor „gelijk", bij wedstrijden 
enz. (ook bij v. D. , maar toch elders 
minder algemeen) en vandaar k a m p- 
r i t. 

*kampaiiJejoaren (bl. 531), ook elders. 

*kamp greven: bij v. Dale onder 
kamp (4.) 

'kander, zie mekander. 

kanjer (of kainjer?): eene pootige 
vrouw , manwijf. In 't algemeen alles 
wat groot in zijn soort is, ook van 
voorwerpen ; ook wel elders. 

kans , in : m ij s t e k a n s d a t 'r 
regen komt :i:i er l)estaat veel 



kans, 't is zoogoed als zeker, enz.; 
vergel. *Yast. 

*kant, zie ook *aii kant (ook de 
aanteek.): bij v. Dale „aan kant" of 
„aan den kant" = ter zijde, afgedaan, 
in orde. Als bijw. vertaalt men kant 
(vgl. *zuver) wellicht het zuiverst door 
„waarlijk", „werkelijk"; vergel. ook 
het spreekw. „kant en klaar." Naast 
„over ij n kant" staat : over 
alle kanten, in 't Nederl. wordt 
„van" gezegd inplaats v. o v e r en er 
achter gevoegd: beschouwd. Hierbij 
ook : 't mot ijn kant an!=:er 
moet een besluit genomen worden, 
een van twee, van tweeën een, kiezen 
of deelen ! ; vergel. *an (bldz. 496) 
alsmede : d a i e n. 

^kantkouk, ook bij v. Dale. 

kapleerzen , zie *steYel. 

^kappannen, Nederl. „vorstpannen", 
in het Duitsch : First- of Forstziegel. 

*kar, vgl. Ned. karig, HD. „karg." 

*karf, vgl. *spoan (bldz. 565.) 

karke, kaarke == kerk, zie *kerk. 

^karnspits: Lat. cornu zn hoorn. 

♦karreln , bij v. Dale : karreleri 
(Zuidn.J 

*kars: zou hierbij (met het oog op 
het OostfrieschJ, ook gedacht moeten 
worden aan den heiligen Christoph — 
gemakkelijk verward met Christiaan — , 
die, volgens de legende, buitengewoon 
sterk was? De zegswijze trouwens ook 
elders, o.a. reeds in 1792. 

*kast, bij V. Dale: kasje (spottend) 
=1 bultje. 

^kat, zie ook *brei. 

katachterrad — vluchtig, overhaast; 
ook wel : gulzig , bvb. iets katach- 
terrad opeten; vgl. *achterrad. 

katje, zie *loopen 1. 

katjeliem ^z het uit timmerhout 
vloeiende zeer kleverige hars; in 't 0/- 
da?nöt heet dit katjegold, volgens de 
Taal' e?i Letterbode, 1870, bldz. 122. 



KATJKWINST 



29 



KIEKEN 



*katjewinst, vgl. ook bij r. J).: 
eerste winst is korte winst. 

kau, zie kon; verkleinw. ^kauke. 

^kaueln, vgl. *dwelmeii. 

*kea: bij v. D. : „de huishouding 
van Keja" zr verwarde boel. 

kebabbel ^ *anwaisel (zie bl. 498.) 

kediet, zie *kerdiet. 

kedoes, zie ^kerdoes. 

kedytern (oorspronkelijk waarschijn- 
lijk k a d ij t e r n) ±z stukbreken of 
onklaarmaken ; misschien van „caduc." 

keep 9 zie *neerskarve. 

*keer, vergel. *te keer. 

kees, zie *keeze (bldz. 531.) 

*keesköst (bldz. 531), vgl. *hartig. 

*keet: in sommige streken van 
Buitschland Koth , Kothe , Köthe , 
Kathe; Engelsch: cottage. Van dit 
woord zou de geslachtsnaam ten Ca te 
of ten Kate gevormd zijn ; vergelijk 
♦keuterboer, ook de aanteekening. 

keezekaten, zie Hommes (v. d.) 

kekflchie, StadGr. voor "«"kekUltJe. 

*kel , vergel. de spreekwijze: ik werd 
er koud van. 

♦kelen: het HD, kallen wordt zeer 
zelden gebruikt, alleen Grmm's JFör- 
terbuch geeft het op; vergel. ook het 
Hl). Keiler zz geronnen melk. 

♦kemink, bij v. Dale; kalamink. 

kemsel of kimsel zz. schimmel; bij 
V. Dale: kim of kaam(sel). 

Kenau, zie *Goliat. 

♦kennen, bij v. Dale „aankunnen" 
zz: bestand zijn, enz. 

H Kenoal z= Stadskanaal: hij woont 
op 'tKenoal. 

kenQeren, zie ♦bochtkenQem. 

♦kenfllwoater (bldz. 532) zie: 
g e s t. 

♦kepot (bldz. 532) z= kapot, in al- 
le beteekenissen bij van Dale. 

kepotkomen of omkomen zi: beder- 
ven, van eetwaar; zie ^verkomen. 

kerdonseln, zie ♦hondjeballen. 

♦kerel, zie ook *hartig:. 

kerelaehtigr, zie *ke*rel en *man- 
nelk. 

♦kerk, zie ook *stad. 

kerkploats (klemt. o. d. 2e lettergr.) 
=z zitplaats in een kerk. 

kerkTolk zr kerkgangers en -gangsters. 



♦kernuut; bij v. Dale: kornuit (ge- 
westel.) =z: groenling, groene vink. 

kers, zie ^kleine knopkiek. 

♦kerwai, zie ook ♦koater. 

kerzoatsie, zie ♦kezoatsie. 

♦ket: 't Nederl. „uit den band" heeft 
ongunstige beteekenis; zie ook klen- 
sterboerken. 

♦ketoen : Nederl. katoen geven of 
van katoen geven ; dood ketoen 
beteekent letterlijk : onrijp katoen. 

♦kettenaid, vergel. ♦aid. 

♦ketflkertien : blijkens 't Oostfr. op 
bldz. 532 zal dit woord een verbaste- 
ring zijn van 't HD. : Eichkatzchen ; 
zie vooral „Eichhorn" bij Grimm. 

♦keukelder : ook de familienamen 
Keukeler en Dekeukelaere komen el- 
ders voor. 

♦keukeln, HD. gaukeln, Fr. jongler. 
Lat. joculari; bij Xil. „kokelen" (Sax., 
Fris.y Sicamb.y Holl.) en „guychelen", 
alsmede „kokeier" en „guycheler." 

♦keur, in op keur zz ter keuze , 
op zicht, ter bezichtiging, op beziens, 
ter inzage. De titel van het verhaal 
„Schoenen op keur'' verraadt de Gro- 
ningsche afkomst van den schrijver 
Koopmans van Boekeren; toch ook wel 
elders. 

♦keurboom : ook bij v. Dale. 

♦keuterboer, HD. nog Köther, Kö- 
thener en ook Kather ; bij v. Dale : 
kater of kenter i= kleine pachter; 
vergel. ♦keet en Nederl. „kot." 

kevelhille, zie ♦kerelhille. 

kevielen, zie ♦kalvienen; bij v. D.: 
kalvijn. 

keTèrt, zie komfèrt. 

♦Kezoan (geschreven: Corzaan of 
K e r z a a n) is de naam van eene ar- 
beidersfamilie , o. a. te Zuidhorn ; de 
spreekwijze zou dus aan een bepaald 
persoon haar oorsprong te danken kun- 
nen hebben. 

kiddeln z= kittelen; zie ♦kirreln. 

kiddel^es of kirreltjes zz poppetjes : 
kiddeljes t ij ken zz poppetjes 
teekenen ; 't staat natuurlijk voor : ke- 
reltjes. 

"^kiek, bij van Dale (gewestelijk) =: 
keek. 

"^kieken: „als een kat in een vreemd 



KIEKERT 



30 



KLITS 



pakhuis" ook Nederl. en in uitgebrei- 
der beteekenis. 

*kiekert, bij v. Dale.- in de kijkers. 

kielputsteenen (eigenlijk „keilput- 
steenen" van keil izi wig) xijn een 
soort van baksteenen , die voor 't met- 
selen van putten worden gebruikt en 

van boven gezien dezen vorm 1 1 

hebben; voor een dergelijk doel dient 
Teliingsteen | | , die natuurlijk haar 



D 



naam heeft van hare overeenkomst met 
*¥ellingrs of val gen (buitenste omtrek 
van een rad.) Beide soorten noemt 
men te zamen putsteenen. 

kiend, zie ^kallen. 

^kienspil , bij v. D. .• kienen , kien- 
spel. 

*kiep 1 , vergelijk ^oabram , HB. 
Kiepe, elders ook wel „kieps." 

*kiepekörf: kiepekorf (gewest.) ook 
elders. 

^kiepeltun zal „stortton" beteekenen; 
in Noord-Holland hoort men „kiepe- 
len" voor : tuimelen (HD. kippen 
[soms: kippeln] en Kippkarren z=. 
wipkar , stortkar.) 

*kiepig: (waarvoor ook tiepig); vgl. 
Nederl. kittig. 

♦kieve, Nederl. kijf. 

♦kif, ook Nederl., HD. Kiff. 

♦kimnoa te vergelijken met het Mid- 
del Nederlandsche „kemenade" of „kem- 
menade" =: slaapvertrek, afgeleid van 
't Latijmclie caminus , Frarisch ohemi- 
née, HD. Kamin. 

kimsel, zie kemsel. 

kind, zie *jong 1 ; „m i t kind" 
ook bij V. Dale sub „kind." 

kind van lioes, zie ♦schoon. 

♦kindelbier : vergel. bij ». D. „troos- 
telbier" en „troostelwijn", welke woor- 
den oudtijds begrafenismaal beteeken- 
den. 

♦kinder, zie ook ♦nQmand. 

kindermoat, zie ♦moat. 

♦kintje, bij v. Dale: kinnetje. 

kip, zie *kippe en vergel. kip (5) 
bij V. Dale; in 't HD. Kiepe ~ stroo- 
hoed. 



♦kippern: „kipperen" gewestel. zeer 
algemeen hier te lande. 

kirreltjes, zie kiddeltjes. 

♦kistmoaker, Nederl. kastenmaker. 

klad, zie *klak. 

klai , zie ♦klei. 

klaien, zie ♦eerdappelruden. 

♦klankgroaten , Nederl. galmgaten , 
bomgaten of bommelgaten. 

♦klaphingrst , bij v. D. „klophengst" 
zoowel gecastreerde h., als een h., die, 
doordat de testes binnen het lichaam 
gebleven zijn, daarvan niet beroofd 
kan worden ; vgl. ♦klop. 

klapmand = boodschapmand met 
twee kleppen. 

klatter , zie ♦kladder. 

klaveren, zie ♦kloavern en ♦yalgen. 

♦kleerseheuren : ook bij v. Dale. 

♦klekter , vgl. ♦schatbeurder. 

klensterboerken, zie ♦klenzeboerken 
(bl. 533 en 203) en vgl. de aanteek. 
hieronder. 

♦klenzebak : bij r. D. kiens z=. zeef, 
enz. 

♦klenzeboerken wordt in 't Westerkw. 
(waar men zegt : klensterboer- 
ken [zie bl. 533]) geheel anders ge- 
speeld, dan op bldz. 203 wordt aan- 
gegeven : één tikker begint , men geeft 
elkaar de hand, en langzamerhand 
vormt zich een k e t , toidat allen ge- 
vangen zijn. 

klets, zie ♦kletslullen. 

kletsdeurnJit, pleonastisch voor „klets- 
nat" of „doornat"; ook wel elders , 
vgl. dwkrsdeurnat. 

kletter: volgens v. Dale in Gron. m 
putter of distehdnk. 

♦klien : het HD. „Klün" bestaat 
niet. 

♦klikker : „k 1 i k k e r v e u r" ook 
figuurlijk voor: op 't punt, op 't nip- 
pertje (op 't 1 e s t e tikje, bij v. 
D. : op het tipje.) 

♦klikschulden, bij v. D.: kladschuld, 
kliekschuld. 

♦klink, ook in: 't oor [of 'toog] 
op de klink hebben zz scherp 
toeluisteren of -toezien. 

klippe , zie ♦holten. 

♦klits, vgl. „klits" bij v. ]). ook in 
twee beteekenissen. 



KLOAK 



31 



KOAUIEK 



♦kloar (bldz. 533): klare jenever 
(gewestel. klare) is altera. Nederlandsch. 

^kloarlichtdagr : het bijvnw. „klaar- 
licht" ook bij V. Dale. 

kloarloopen m goed afloopen, in 
orde komen; ook wel elders, het om- 
gekeerde van „misloopen." 

kloarroaken ^z het eens worden. 

*kloaYe: misschien verwant met het 
Fr. enclave en '{Lat. clavis, stellig 
met HB. Kloben — gaffel. 

*kloaTern , vergel. *?alg'eii. 

kloavers , zie : s c h u p p e n s. 

klöbke , zie *klöbbe. 

*kloet , vergel. ^klonten en *prop- 
pen ; zie ook *botjevoaren (bldz. 506.) 

^klokslag , ook Friesch ; oudtijds : 
bekendmaking namens de overheid , 
door *t luiden van een klok of bel, zie 
bvb. A. J. V. d. Aa, Aardrk. Wbk., 
dl. XI bl. 537 midd. 

kloksmeer : fooi, aan de dorpsjeugd 
uitgereikt , voor 't helpen luiden der 
klok. 

^klokstonl ook: het onderste deel 
van een soort van klok, welke men 
meestal in keukens aantreft, vergel. 
^stonlklok; met de beteekenis op bldz. 
206 en 534 komen overeen „klokke- 
galg" en „klokkestoel" bij v. Dale. 

klöndern , zie *klnndern. 

^klongel of ^klnngpel bij v. Dale ook 
:= vod; klungelen =: beuzelen. 

Kloonies (de) =z de Veenkoloniën, 
de rijkswerkinrichtingen of het koloni- 
aal werf depot te Harderwijk. 

kloosterstQuen =z zware baksteen en, 
waarvan oude gebouwen , bvb. vele 
kerken, zijn gebouwd ; de beteekenis 
komt overeen met die van ^poapkal- 
len ; Nederl. reuzenmoppen. 

*klöt , vgl. *doedel. 

kluft , zie *klucht. 

^klnngelbuultje , bij v. Dale : klin- 
gel buil. 

*knappert : Nederl. (gemeenz.) oude 
knapper =z oude knaap. 

knarre , zie ^knaggre. 

♦knarsen : Nederl. knarsen, knersen, 
HD. knirschen. 

knaster = *knappert: olie k nas- 
ter vooral voor een leerling die lang- 
zaam vordert en daardoor door de jon- 



geren wordt ingehaald en ten slotte 
achterblijft. 

knecht, zie *grootknecht en vergel. 
*Yent 1. 

knechten , uitsluitend voor: knechts, 
bvb. maiden en knechten z=. 
dienstpersoneel ; vergel. *boer. 

Knelske =: Cornelia; de mannen- 
naam eer K n e e 1 s dan K n e 1 s. 

*knief, HD. Kneif. 

♦kniepkoukjes (elders : knijpertjes) , 
vergel. *iezerkoukjes (bij v. Daleiyiev- 
koek.) 

knieptangr — nijptang; v. Dale geeft 
ook: knijptang. 

♦kniezen, vergel. *gnistern en *grnif- 
feln , alsmede het HD. knirschen- 

♦kniffeltoond , vergel. *schaihak. 

knil , zie *fuut. 

knipklei , zie Taalland. 

knipperke (op 't) =: op het nip- 
pertje, vergel. Nederlandsch knijpen en 
nijpen. 

*knirselbonk, Nederl. knars[e]been. 

knirsen (HD. knirschen), zie ♦knar- 
sen. 

♦knittern, *knitter8lag , ook bij van 
Dale. 

♦knoedel [bldz. 211 en 534]: ver- 
gelijk ook het Hoogduitsch Knauel of 
Knauel. 

knoestje , zie ♦bodden. 

♦knoffelg en ♦knoflfeln , bij v. Dale 
knuffelig en knuffelen. 

knooi =: knoei ; figuurl. voor knak 
of schok, door ziekte of verdriet ver- 
oorzaakt; ook wel iz: stoffelijk nadeel. 
Bij V. Dale in de beteek. van duw, 
mishandeling ; zie aldaar „knoei" , 
„knoeien." 

♦knooien: zök knooien =: zijne 
gezondheid benadeelen. 

knopkes , oorknopkes =: oorbelletjes, 
kleine oorhangers ; ook elders. 

knopkiek , zie ♦kleine [bldz. 533.] 

knoppen [vgl. ♦steltje], zie knopkes. 

*knal , zie ook ♦goeie; in beide be- 
teek, ook bij V. Dale. 

knop =: knooj) ; zie ♦anknappen. 

*knuut , ook uitgesproken gnnnt. 

koadiek , zie ^kaaiing : bij v. Dale 
„kadijk", en de Kadijk , een gedeelte 
van Amsterdam. 



KOAIMAN 



82 



KONTOEZIE 



Koaiman , zie ^maii 2. 
koamer [in geschrifte : woonkamer] • 
= woning, die hoofdzakelijk uit slechts 
écn vertrek bestaat; vaak ziet men in 
onze kranten den verkoop van een of 
meer „woonkamers" aangekondigd of 
vermeld. 

*koanefas: „kanefas" ook bij v. D. 
'koar , zie mekander. 
*koater,zie ook *8teflfen. 
koatsebal =: kaatsbal, Friesch kaet- 
sebal. 

köddeln , zie *körreln. 
*koegrel of kungel (HD. Kugel^, ook 
=: kogel in 't algemeen, de o e eenigs- 
zins slepend ; dit woord is met *schoet 
(sehuat) een der weinige voorbeelden 
van verandering der o of oo in o e of 
uu; „koegel" ook in 'i Nederl. der 
17e eeuw. 

koegrdn , schertsend voor : werpen , 
smijten ; bij v. Dale : kogelen en om- 
kogelen. 

koekert (Hoogeland) = guit, snaak, 
oolijkerd. 

*koekoek, zie ook: horendoren- 
kroepoet. Verder : bist bang 
veur koekoek? [voluit : bist 
bang dat koekoek die op 
handen schit?] als schertsende 
terechtwijzing tegen iemand die zijn 
handen in zijn zakken heeft of tegen 
eene vrouw die ze onder haar boeze- 
laar verbergt. 

koeljes , zie Meakjes. 
koerftier, zie *kerflr. 
*koesen [bldz. 535], HB. kuschen ; 
vgl. ^koesken en ^koetsen, bij v. Dale: 
zich koesen. 

*koeskillen , bij v. Dale : missen als 
kiespijn. 

^koetsen , vgl. *koeseii [bldz. 535] 
en *koesken ; , ook bij Kiliaan. 

koetspéerd, zie *driest [bldz. 514.] 
^koffie , vgl. ^stinkende boon [bldz. 
566.] 

köffiekroan : de koperen kraan of 
liever tuit, van een koffiepot afkom- 
stig , gebruikt om , aan een houten 
handvat bevestigd, met kniit te vullen 
en met een lont af te schieten : een 
zeer af te keuren speelgoed. 

koien, meerV. van *koa, ook kooien. 



*Koksioanen , vergel. : G e r m n i s- 
t e n. 

*koldzwien ; HD. ook wel: Kolsem, 
Kolschwein, Kolschwinn, Kielschwinne, 
[alleen 't laatste - Nederd. - bij ten 
IJoornk.] 

•kolle = •schithakken , bij v, Dale. 
koude. 

♦kolle pis [bldz. 535], bij v. Dale: 
koudepis; in 'i Framch [nml. in de 
spreektaal] „froide-pisse", het juiste 
woord is echter „chaudepisse." 
kom , zie *bok8em. 
kom-alle-dag , zie *ornoarie. 
*komdear [bldz. 535], ook naam voor 
den beheerder der stadsbezittingen te 
ter Apel; 't woord is. gevormd als 't 
HD. Komtur. 

komen , in : 't k o m t 'r t o u = 
't komt er op aan , 't kost moeite; d' r 
komt niks van te zijnmhet 
valt niet in 't oog ; d a 's 't m i n s t e 
w a t 'r komen k e n = dat is het 
minste [d. w. z. het ergste] wat iemand 
overkomen kan. 

komfórt , konfórt of kevórt [vooral 
Wkw.], verkleinw. konfot'ije — = 
enveloppe, couvert van een brief. 

«komkommertied, ook Nederl., voor- 
al ook voor de zomermaanden , die 
weinig stof voor de nieuwsbladen op- 
leveren. 

*kompakt, ook voor zieken- of 
begrafenisfonds. 

kompelment = compliment; behal- 
ve het algemeen gebruikelijke: „com- 
pliment van" enz. hoort men ook : 
de kompelment van enz., het- 
geen staan zal voor „het compliment" 
of „de complimenten"; elders intus- 
schen ook: vooral de komplement! 

♦kond , zie ook *lullebruier [bldz. 
540.] Ook als versterkend bijwoord 
in ongunstigen zin : kond dron- 
kend, kond vervelend; vgl. 
•kondsbietje [bldz. 536.] Bij v. Dale: 
kont. 

Könje [Westerkw.'] , ook wel uitge- 
sproken Kuinje, waarschijnlijk gevormd 
uit Cunera of Kunigunde. 

*konterbuutsie , vergel. *keduks. 
*kontoezie : Lat. contusio , Fransch 
contusion. 



KONTRAIN 



88 



KR KT 



^kontniin , bij vati Dal e : contrei , 
contreie. 

kODTÖrt, zie komfèrt. 

*kool, vgl. ^roapzoad. 

^koolroap, bij v. Dale: koolraap, 
koolrabi; zie ook ^rinkelknollen. 

^koolzoad: Framch colza, colzat. 

koop ,in: niks te koop heb- 
ben 1= verlegen of beschaamd zijn : 
bij *foek en *tak vermeld; verder: 
wa's doar te koop? z=. wat is 
daar te zien of te doen?, bij r. Dale 
wordt „het spaanderde er" verklaard 
door: er was iets te koop. Nog heeft 
men de uitdrukking a n koop ko- 
men iz: verkocht zullen worden , 
op bldz. 372 II b ten onrechte als 
Nederlandnch beschouwd. Zie ook : op. 

Koopke (TTkw.) =: Jacoba , Nederl. 
Koosje. 

koopmanswinkel f klemtoon op w i n- 
k e 1) := kruidenierswinkel , ter onrler- 
scheiding van winkel z=. werkplaats. 

^koopscheuTels , enz. , bij r. Dale : 
koopgoed = fabriekgoed (minder sterk 
dan wat besteld is.) 

koopslag, zie ^palmslagr. (bldz. 552.) 

koordstreepte of ^koorstreepte kou- 
sen = met verheven strepen gebreide, 
geribde, kousen. 

*kop 1, zie ook ^bedenken en *kop- 
stök; op bldz. 536 behoort ook: ko[) 
d 'r bie scheuren zz: volhoucleri. 
Verder komt kop zn „gezicht" voor 
in de uitdnikkingen : rood o tti k o p 
wezen = een kleur hebben, *n kop 
as vuur k r i e g e n zz een zeer ! 
sterke blo.s krijgen ; hiennede te ver- 
gelijken het pleonastiïf^'he : wat har 
cl 'r 'n gezicht i e n n e k o p, bvb. 
van toorn, angst ofschrik ^vgl. ♦feiii^>; 
'n k 1 a p a n kop geven zz een 
slag in 't trezicht ^even. 

•kop '1 , verireL o p de k o p o f 
(bldz. 550.J 

kop ook iz kom, bvb. in Af vuftyr- 
den b r a IJ d e w i f n f^ k '> p ; tt n ti *^- 

kop. CU'A. 

k'»r (o.u. in snUert'iuut^j zz *k'#rrr- 
wtsren. 

k'Tken 'A kerken '^iiitran*»it.; xtt^tr 
^•pkorkeD. 

*k'Tp#^joD*». elder- : zijd*-» hi-iiipj*^. 



♦korrel , vgl. ^koorn. 

Hörrewoagren ook : kor. 

*kört: kort en klein, bij r. fhtlr 
onder „klein.'* 

körtdikje^ zie ^doddel 2. 

*kürteiis, Nederl. kortelings. 

körtjakje, zie *kerdoeH en *MÖn- 
doagTK. Ken type nu't deu nnnui Kort- 
jakjc komt in vele oude klnchlHpclcn 
voor. 

*körtYoar: bij r. Dale „kort voer" 
figuurlijk voor: sterke drank. 

korven (deelw.) in: hij 's korven 
zz hij is gedropen ; zie *k(')rf. 

*koa, zie ook ^hollandse; de uit- 
spraak luidt juist zoo als 't Emjehrlir 
cow. 

koa of kan -z kooi, bij r. D. konw; 
zie ook *kauke. 

•konbalk, vgl. *hlld. 

kooien, zie kolen. 

•kook, vgl. *kool. 

konkoanNelw, zie ^koanNelM. 

•kouKter, bij naii DaU^ -, kniiMclicr . 
koscher. 

•krabben wordt dikuijls uitgespro- 
ken k ra ben en beteekcnt ,, knoeien' 
in de nitdrnkking wat I e g h t do a r 
toch ien (Innstern te krabeiiy, 
in 't Nederl. morrelen , vergel. '^inoe- 
zeln (bldz. 543.) 

•krabber, bij r. Dalf: voetHclirapper 

•krabMtroek, zie ook ^poapkul i. 

kraft -z karaf of kraf, vergel. ♦ire- 
noeht; ook wel elders. 

•krap 1, bij r, D. ^t kram ofboek- 
slot. 

•krap 2, II I). knapp . : mij:, nauwe- 
lijks; krap en krapjc'N bij r, Dale ... 
nauwelijks, YMimtr: 'Mumni. „krap aan'', 
„krapjen aan." 

•krapmondjiffdnoat^ bij r, D, „iiM^nd- 
jewiiaat" — : krap aan genoeg »pij*/ 

•krifban vertrel. den familienaam 
( 'reba**. 

•krfc^l 'znw.*; het Wit^r \Li'UtH*uuU' 
suijei'i'uff aN in *t OoHlfrifHch ook bij 
r. jMtle. 

•krekt. zi<' ttttk «H. 

•krr»er« tflK Kramer; %<'rjf''l. de 
UHtuett: ^ raiiKff, ( 'reuter , Kramer, K re- 
iner: kraiM^r'^* lafijii tafk S*'d*'rlmidiu'li, 

*krH* *«-r/rf'L ,,krat** i bij r, D. r- 



•ï» 



KREUKLIEDEN 



34 



LAK 



loshangend achterschot van een wagen, 
of' (gew. veroud.): voorbank op een 
hoerenwagen. 

kreaklieden = schade lijden, bena- 
deeld worden, (van zaken en personen 
gezegd, zoowel wat goederen als ge- 
zondheid , goeden naam , geluk enz. 
betreft.) 

*krens : vaak hoort men ook z o e r 
as k r i e t , vergel. *kryten. 

*kriegreii , ook in : z o 'k m e n e e r 
ook even kriegen kennen te 
spreken? te vergel. met het Nederl.: 
ik kon hem maar niet te spreken krij- 
gen. Verder in de uitdrukking d 'r 
wat om kriegen (bvb. bldz. 62 
I boven en 237 I 14a) = aangespro- 
ken worden , te lijden hebben , bvl). 
f' 1 e s c h k r i g t 'r w a t o m (klemt, 
op k r i g t) rz: er w ordt veel gedron- 
ken, svnon. d' r om lieden mot- 
t e n (met klemt, op 1 i e d e n) en 
vergel. *langrs. In denzelfden zin zegt 
men : 't g a i t over m i e n appels. 

kriegrerantjen, zie ^kriantjen. 

kriel, zie *schorremorrie, ook ])ij 
r. Date „kriel" 2. 

kriet, zie : k r e u s. 

kriewelg =: kriebelig, van schrift 
gezegd. 

*kriki vgl. *krebeiitigr. 

*krimphartigr, vgl. *armhartigr. 

*kriiiteii: krent en krentenbaard in 
<lezelfde beteekenis bij r. Dole. 

krintendelkoak = ^endelkoak met 
krenten. 

*krinterg', bij r. ])ale krenterig en 
krentenkakker. 

krintjebrei, zie *grrawelwoater. 

kripke, zie *faat. 

kroakels =: krakelingen. 



^kroan, Fransch : crane, cranemeut, 
cranerie; bij Fritz Reuter vindt men. 
„'n krahnscher junger Hingst" ; bij r. 
Dale alleen *t bijvnw. kranig. 

♦kroes l -. HJ). krans zz kroes (2) 
bij V. Dale. 

krombekken : een soort van slaboo- 
nen met sterk gekronule peul, ook bij 
V. J), 

♦kromjongr, vergel. ♦gongrsehop ; el- 
ders komt de familienaam Cromjongh 
voor. 

krommels of krömmels, zie kram- 
mels. 

♦kroos =: kroes (1) bij c. Dale. 

krabbe := krebbe, kribbe. 

kradeldoorns , zie ♦kradooms. 

kraisdoorn, zie ♦krudoorns, ook bij 
V. Dale. 

♦krale, vgl. ♦kraal; ook: kraleman 
en pieleman. 

krammels of krommels (soms krom- 
mels, zelden k r u m e 1 s) :=z krui- 
mels, zie ook ♦biet, bldz. 503 („geen 
kruimel" — niets, ook bij v. D.) 

♦kryt ; bij r. Dale: krijt ziz strijd- 
perk. 

♦kr^Teln, vgl. ♦kibbeln. 

♦kabbe, vgl. het HD. Kiibel. 

♦kandelen, HD. kimden, kündigen. 

kanst Tan koken, zie ♦op en zat. 

♦kassentyk, vgl. teek. 

katjen , zie ♦keateltjen. 

kaagrei, zie: k o e ge 1. 

♦kwel: HD. Wahl macht Qual. 

♦kwetein, vgl. ♦dwelmen. 

♦kwetsen : „kwets" is in 't Nederl. 
de naam van een langwerpige blauwe 
pruim (HD. Zwetsche.) 

kwoadens , zie ♦gpoadens. 



L 



1 vervangt dikwijls de r, en omge- 
keerd : zie onder R. 

♦labbabbel, zie ook ♦abbabbel. 

lachen, zie ♦inhollen. 

ladden (alleen meerv.) : een woeker- 
waterplant, ook in geschrifte zoo ge- 



speld; het uitroeien er van heet (ook 
officieel) ladden trekken. 

♦laiter of lui: bij r. Dale „luite" =: 
lange peer, fig. lang manspersoon (bei- 
de gewestel.) 

♦lak: bij v. D. n: gebrek, fout, misslag. 



LAKS 



35 



LEI 



Maks, bij u. Dale: lax z:z wijd, los, 
ongebonden. 

*lkih (bl. 538) bij r. Dale = zoo 
zoo, redelijk. 

*lamfer , bij r. J)ale : rouwfloers , 
rouwslnier. 

^lamlendig , vgl. *lamstroaL 

Lammert (mannennaani) =: Lani- 
bertus. 

Mand 9 ook zz weiland, met het 
lueerv. landen zr landerijen ; \^\. 
^landnoaber ën *sehoemer ; i e n 't 
1 d n d zzz op het land , ten platten 
lande, vergel. Mandjers. 

landbrood =: roggenbrood, in de 
provincie gebakken en in de stad Gro- 
ningen te koop; vooral uit plaatsen 
aangevoerd waar nog „zetting" bestaat 
(o.a. Muntendam) en door schippers 
zeer gewild; ook te Berlijn spreekt 
uien van Landbrot. 

landrol = *welterblok of *rolblok 
('t laatste ook Ned.J 

landsehippers (ook officieel, in raads- 
verslagen) m schi])pers uit de pro- 
vincie. 

Mangre jan (bldz. 538): ook elders, 
bvb. voor den Abdij-toren te Middel- 
burg. 

^langren en samenstellingen ook bij 
r. JJale. 

*Langewold: de genoemde gemeen- 
ten vormen W e s t e r d e e 1-L a n g e- 
w o 1 d ; O o s t e r d e e 1-L a n g e w o 1 d 
bestaat uit de ijemeente Zuidhorn met 
Oldekerk. 

*lan^s luidt in de Veenkol. laans, 
elders *lan8 en 1 a n g e r s. Vaak 
wordt het pleonastisch samengesteld 
met a n en b i e , bvb. a n 1 a n g s 
(zz langs iets) slieren, kellekte 
b i e d e h o e z e n lans (schrijftaal : 
byilingrs de huizen), vergel. ^bielangfs 
(bldz. 503) ook de aanteek. ; zoo ook 
hierllin^s in: h ij woont h i e r 1 a n g s 
=: eenige huizen (Grov. deuren) 
verder , aan dezen kant der straat. 
Met ,,v au langs" komt overeen het 
Xed.: hij kreeg er langs. Met bldz. 
538 te vergelijken : al zien geld 
gait'r langs i= wordt verspild. 

lankmoas , zie : m o u s. 

lankstoald zz met een langen steel. 



bvb. van een bezem: 'n 1 a n k s t o a 1- 
de b e s s 'm. 

*lap, vgl. Mappen (1 en 2) en 
*proppen (ook de aanteek.); hierbij ook: 
lap om leer (o.a. te Leek) zz leer 
om leer. 

Mapke: de zegsw. op bldz. 538 ook 
Nederl. 

Mappen (znw.) zie ook *dak en vgl. 
Map en Mappen (ww.) 

Mapzalyer: bij v. Dale zz kwakzal- 
ver (ook fig.) 

lat, zie *reeplat en vgl. daarmede 
„lat" bij r. D. 

Matse, HD. Latz. 

ledder (ook ktter, bvb. in 't Wkw.) 
zz ladder; z. o. ^banlklst. 

ledderboomsplanken , zie *post; bij 
r. D. beteekent „ladderboom" de zij- 
stukken van een ladder. 

Meden: „'t leden hebben" ook 
van voorwerpen, voor: gebroken, be- 
dorven of beschadigd zijn. 

leedanzegrgrer , zie: lei. 

Meeren , hierbij : h ij leert ton 
d o o m i e zz hij studeert voor predikant. 

leerzen, zie *ombollen ^bldz. 548.) 

legr, iiie Megrge, 

♦legrerachtigr (ook : legerlgr) betee- 
kent ook: spoedig topzwaar wordende, 
van graangewassen, die dan gezegd 
worden te legreren; zie Megrerkoren. 

*legrgre, vergel. *den, 

*leggren : ergens m e t 1 e g g e u zz 
zich (ongaarne) met iets bezighouden; 
d o a r ken 'k nou n ij t met leg- 
gen izz daartoe heb ik thans geen 
tijd of lust; bij r. Dale: hij ligt altijd 
te zaniken ; elders in de spreektaal : 
daar kan ik niet mee staan, of zitten. 

legrister: hetzelfde als *reg:ister. 

Mei 2, ook de aanzegging langs de 
huizen, vgl. Siraayman in de ,,JvnaleK 
Acad. OronT van 1824|25, in voce; 
h e i j' d e 1 e i kregen? zz is het 
bij u aangezegd ? , w i e h e b b 'n d e 

lei had van zz de dood 

van is bij ons aangezegd; in 

eene Ordonnantie van 1087 wordt 
melding gemaakt van „Lcc-oedullen" 



en van 



het 



aanzeggen 



van 



de „Le( 



ofte Overlijden." Volgens de verkla- 
ring van 't woord lei 2, op blz. 539, 



LEKKERS 



36 



LINTEN EN PIJPEN 



7011 (lus (Ie verwantschap t\isschen *lei- 
anzegrger en 't meer beschaafde leed- 
aauzegrgr^r, heide ^z aanspreker, bid- 
der, alleen schijnbaar zijn. 't Laatste 
woord zal eene verbasterinji: van 't voor- 
ü:aande zijn , doordat men , het ver- 
ouderde lei niet meer bejjrijpende , 
ajin „leed" (zz smart) ging denken. 
Bij r. Dal e „de leed aanzeggen" en 
„leedbrief =z rouwbrief ('beide ge- 
westelijk). Men denke ook aan: over- 
lijden, afgeleid van 't Middehiederlandach 
,, leden", dat voorbijgaan beteekent en 
noif voorkomt in : jjeleden en : ver- 
leden, 

lekkers, zie *oari|r (bldz. 546.) 

*lellebel , ook elders. 

*lepel, zie ook *lau^e lepel (bldz. 
538.) 

*lepels: bij r. J)ale „lepels" iir 
ooren van een haas. 

*leskhoes, vergel. Ntderl. „lesschen" 
en lil), jjlöschen" 1= blusschen. 

*leste: het spreek w. ook bij r. Dale, 
onder „lootje." 

lestsmiddagrs en lestsoaTends , zie 
*Iestdoags; evenzoo lestsmörns : de 
kltMutoon valt meestal op lest; vgl. 
ook *neis. 

leUjlholt , zie *letailholt. 

leuterkoar == *dreutelkoare. 

♦leaven ook in : 'k w i 1 ('t) w e 1 
1 e u ven 1= ik meen wel, en: 'k w i 1 
't n' t 1 e u V e n (uitsluitend (iron. en 
Vrïeach) zz ik zou 't niet denken, iro- 
nisch in : w i 'j 't w e l 1 e u V e n ! ? 
als repliek, voor: je hebt gelijk, ik 
vermoed (geloof) het ook ! 

leTen ^znw.), zie ^moaden. 

♦leven (ww.): anders, en beter, 
wordt de hier aangehaalde zegswijze 
verklaard als verbasterd uit : een Schot 
in Frankrijk (nml. in vroegere tijden 
van oorlog.) 

levend ^ leven (znw.); vgl. doagen. 

*levendigr 9 ook in : 'k h e b d 'r 
n ij t levendig om docht z=. 
het glad vergeten. 

levensdoagren , zie doagen. 

leveren =: doen : w e 1 het hom 
dat 1 e V e r d ? z= wie heeft dat ge- 
daan of uitgevoerd? (meestal in on- 
gunstigen zin) , dat zei' w e wel 



gauw leveren!, vergel. *jcleTerd 
(bldz. 11 S) en ook *draieD. 

♦lichten 1, als werkw. ook Nedtrl., 
ook de zegswijze. 

♦lichten 2 , zie ook *mit. 

♦lichter, zie ook ♦baier. 

♦lid ^ deksel ook bij r. Dale, 

♦lidmske. vgl. ♦holpiep. 

lieden ^ zie : k r i e g e n. 

lieden-mag'Sr^n ^= behagen scheppen 
in iets : 'k mag 't n ij t lieden =l 
ik nnd het leelijk, 't valt niet in mijn 
smaak ; in 't Xederl. de meer ])eperkte 
beteekenis van : houden of niet hou- 
den van iemand of iets. 

liederlek 1= lijdend, als een lijder; 
als versterkend bijwoord (zie ♦dik, 
bldz. 5 lij ook elders. 

♦lief, zie ook ♦liefbaiden en vgl. 
♦proppen (bl. 556.) Op bldz. 243 be- 
hoort ook : 't lief vol hebben, 
of : 't 1 i e f V o 1 a r m s e n b ij n e n 
hebben, — zeer ruwe uitdrukkin- 
gen voor: zwanger zijn. 

♦Hek , in : Hek as, zie gelieke. 

♦liekdoorn, II D. Hühnerauge. 

♦lieke, zie frelieke. 

♦Heken ,' ook in : 't 1 i e k t mie 
niks, of : 't 1 i e k t mie n ij t v e u 1 
=z 't komt mij bedenkelijk , ongunstig 
voor; vergel. : t o u. 

♦liekeveul, hierbij: 't is mie krek 
1 i e k e V e u 1 =: 't is me volmaakt on- 
verschillig , ook wel : krek Hek; 
vergel. ♦allieke, ♦Hek en ♦netteliek 
en het Hl), gleichviel. Nog in deze 
eeuw schreef men soms „even veel" 
voor : om 't even, zie o.a. ƒ/. F. Rehm, 
Regelen r. roorzigtigheid enz. Zutph. 
1804, bldz. 123. 

♦lier, vergel. WeHtvIaamsch Idioti- 
con; Jellingkans in Die Xiederl. Volkn- 
mundarten , houdt „lier" (Znid-HolL) 
voor „luier" of „luur", ook =: lap: 
het rijmpje te Meiirs wordt ook hier 
te lande gehoord, vooral in Zuid-Hol- 
land, waar het verder luidt: Abram 
wat doe je daar? Ik zoen de meid 
bij 't vier. 

♦ligrgren groan (bldz. 539) ook bij r. 
Dale in voce „liggen" en in 't HD. 
sich legen. 

linten en pQpen, zie: darg; een 



LIP 



37 



LUS 



algemeen gebruikelijke landbouwterm 
is „het lint (^z de vezels) van 
't vlas." 

*lip, vergel. *liepen, 

♦livrai, zie ook *Hjvenii (bldz. 539 
en 253.) 

*loaden in de zegswijze pan wil 
nijt load.en zz: niet lossen ; ook 
gezegd van een pen, die geen inkt 
geeft: misschien verbastering van laten 
=: loslaten. Met het deelw. te ver gel. 
de Nederl. uitdrukking „geladen {■=: 
gevulde, melkgevende) borsten." 

loaike of looike, zie ^lai, misschien 
oorspronkelijk la, lade of laatje, naar 
den vorm? 

^loanings, Nederl. onderlagen. 

loatigrhaid: ien de loatighaid 
wezen zzz in de laatte zijn ; vergel. 
nattens. 

*löddern, vgl. *dödderii. 

*löderensdeuske , vgl. *loddereiis- 
deuske (bl. 540); „lodderijn" en „lod- 
derijndoos" ook elders in geschrifte. 

*loeder: vergel. HD. Luder (gewes- 
telijk Loder.) 

*loek (en loeks) zie ook *loekeii. 

Loeks = Lukas; vgl. ^toesterloeks. 

*loenie, bij Kil. loenie of longie, 
Fransch longe. Eng. loin; Nederl. lum- 
me, lummer, (vgl. Lat. lumbi , Fra. 
lombes.) 

*loer 2 , vgl. ^goaten. 

*loereii , voor kijken , staren , in : 
w o a r 1 o e r j' zoo n o a ? zonder 
de gewone, ongunstige, beteekenis van: 
gluren; vgl. ^koekeloeren. 

loezeknipper, zie *laiter. 

lol, zie *lai 3. 

*lökst, dikwijls verstrekt 1 ö k s t 
bliksem! = dat lieg je, voor den 
duivel ! 

*lommerkeii, vgl. *Iiekoet. 

*lompen, vergel. ^plomp. 

*lonken, in deze beteekenis, ook bij 
r. Dale. 

loodje, voor ^koffieloodje. 

loodjes zie *leste (ook de aanteek.) 

looike of loaike (vergel. dat woord) 
:zz *lai. 

*loop , ook in : h ij het 't m o o i 
a n loop (aan den gang) =: zijne 
^,aken uaan goed, vgl. *gplee 1; zie 



ook *loopeii 1 (einde), pad en *zwang:, 

alsmede : worde. 

loopelgoaren , zie ^loopgroaren. 
*loopen 1, zie ook *baiitjen en *hei 

(bldz. 525) en vergel. *kaierii. Zie 
verder aatloopen. 

loophat, zie Moopstal. 

*loos, vgl. *wies, 

looske, zie *loos. 

*loots, misschien het HD.: „was 
los war." 

*18rk (bldz. 540): HD. Lurch. 

*lörkeii, Nederl. lurken. 

lorrie, een platte vrachtwagen, op 
spoorwegen vaak van een zeil voorzien, 
het Engelsche lowry. Ook elders. 

^lörtjen, Nederl. lurken. 

*lös, zie ook *dunsloaperg en vgl. 
*vast. 

*lösloopeii ook = *lösnaien; in de 
beteek. van : in orde komen , ook bij 
V. Dale; vergel. vastloopen. 

*lot, vgl. ])ij V. Dale: hij is van 
lorretje gepikt. 

♦lotten: in de 16e en 17e eeuw 
sprak men van een „lot veen", zijnde 
van bepaalde grootte, en waarvan het 
eigendomsbewijs „lot(t)cedidle" werd 
genoemd ; E^ig. lot =: deel , portie. 

lottereinsdeuske , zie *lodderens- 
deuske (bl. 540.) 

lotTeii, zie *lotteii en vergel. *Ten. 

^loud, Nederl. loet. 

loQ^sters enz. , zie *lou8r. 

loaten ,- zie *lotteii. 

*loawloene (bldz. 540): in Holland 
beteekent „iets louwloene doen", zich 
niet haasten, meestal met opzet, een 
zaak lijdelijk aanzien. 

^lachten, ook =z lichten, bijlichten; 
in 't Nederl. verouderd, doch nog over 
in 't woord ,. luchter." 

lufbeiders, zie *liefbuiden. 

lai, zie *laiter (ook de aanteek.) 

lul, zie *lot (bldz. 540.) 

^lallemansstip , volgens Lanrillard , 
in „Ojo uw stoel door uw land'\ van 
het dorpje Lollum bij Bolsward. 

lullen, zie Mullebruier (bl. 251 en 
540) en ^kletslullen. 

*luns: toesp.elig op luns ^ spie 
van een wiel. 

lus, zie *lös. 



LUST E RN 



38 



MALFoTZE 



*last€rn: elders .,'t weer luistert" 
=: er is veranderintj; op handen , als 
er zich l)vb. voorteekenen van dooi 
vertoonen; vergeel. Ned. „dat luistert 
nauw." Voor: 't heeft ji^edreijcd, hoort 
men elders : 't heeft er om ^^ezooht. 
De beteekenis „fluisteren" ook bij r. 
Dale. 

*lutje; vjj^l. bij r. J)ale («rewest.j 
„lutje" en „lutring", alsmede den 
plaatsnaam Lutjebroek in Noord-Hol- 
land. 

latje knecht en latje maid, /.ie 
*grroote en *g:rootknecht. 

latke, zie ^lattik. 

LutkenQehien , LakiiQehieii of Lat- 



Dyehfen = het Latkenieawstmafje 

te Cironingen. 

latH z= *lit8e, bij r. J). Z iiid neder- 
landHch. 

Mattik, verjrel. *jongr 2, zie ook: 
lutje. 

*lnatje ( verbasterinjr van lichtje !" 
vgl. Hl), leuchten, Leuchte): elders 
„vonkje leeft nog." 

Inziefelten (H^eHterhc.) =: lucifers. 

lyTemeneer (vergel. bkbs. 253) in : 
onze 1 ij V e m e n e e r =: Onze Lieve 
Heer ; door snelle uitspraak meest ; 
ons' 1 ij 'm' neer. 

*HJYerai , zie ook *livnii (bldz. 
589.) 



M 



*ma (bldz. 541), voor m o a ; zie 
*made. 

maanje of maii)e, zie *mainje, ook 

liefkoozingswoord tegen dieren. 

•maart, vergel. •mart. 

^machtspreuken , bij r. J). = kern- 
spreuken. 

*made , vergel. ook het HJ). Matte 
n: weide , dalweide , en verder bij v. 
1). „made" (gewest, veroud.) =z beemd, 
weide of grasland (waarv. „madeliefje") 
en „mat" =z te maaien weiland, ze- 
kere uitgestrektheid gronds; „Made" 
(bij 't volk : „de Mij") is een plaatsje 
in Noord-Brabant ; M a t s 1 o o t is de 
naam van een watertje, dat bij (tiijps- 
kerk in 't Hoendiep uitloopt , en te- 
vens van een beek, die in 't Leekster- 
meer vloeit en waarvan een gehucht, 
in de nabijheid, denzelfden naam heeft: 
als gemeen znw. komt m a t s l o o t 
o.a. voor bij Kremer, BeHvhrijr. d. Prov. 
ihon. Ile dr. 2e stukje bldz. 7s (190 
v. d. uitgaaf in ecu deel v. 1889), 
herhaaldelijk ook aldaar m e e d e 1 an- 
den, o.a. bhlz. m [of 178.] 

*maf ook KederL, evenals ., mallen" 
z^ dutten. 

^magf^en : in dezclf<le beteekenissen 



„mogen" bij o. ]).; zie ook wezen- 
magrgren. 

*maid: bij „Mis" enz. ook (sit ve- 
nia!) en doch gong 't 'r deur!; 
zie ook *grroote en vgl. ^koamermaid. 

*mainje (manje , maanje): eigenlijk 
„mantje'' := mannetje. 

^makkelk ook = aangenaam : 't i s 
'n bult m a k k e 1 k e r dat 't n ij t 
z o o k o 1 d i s , de vorm ',, makkelijk" 
ook Ned. ; zie ook *letten, 

*mal (versterkend bijw.), vergel. 
*dol en *grek; pleonastisch in: 't duurt 
nijt hijl mal bot lank, vgl. *bot, 

maldékens, in de StadGr. vooral 
een zeer gebruikelijke spotnaam voor: 
dwaas , gek , (ook voor iemand , die 
zich slechts tijdelijk dwaas aanstelt) , 
is een merkwaardig voorbeeld, hoe een 
woord ontstaan kan. Dekens toch is 
een familienaam en werkelijk werd er 
indertijd een persoon van dien naam 
mede bedoeld; vergel. *Albert, dat 
wel van denzelfden oorsprong zijn zal. 

malfótze , zie *fotse ; 't zal ontstaan 
zijn uit het Neder/, „matsvot" (zie r. 
J)ale) dat weer 't zelfde is als „honds- 
vot"; stellior is ..slordervos" van don- 
zelfden oorsprong. 



MALJAN 



89 



METOAL 



^maljan, in 't Weüerhw. ook: een 
platte vrachtwa<^en op twee wielen, 
Nederl. „mallejan" zn een wagen om 
zware lasten , o.a. boonien , te vervoe- 
ren. Zie cok *mal. 

^mallen, vergel. bij v. Bale: als 't 
op is , is 't koken gedaan. 

*man 1, zie ook ^toalsman (bldz. 
570 , en de aanteek.); de mindere 
ni a n izz Nederl. : de gemeene man. 

manje^ zie maanje. 

*mans, ook bij r. Dale. 

^mantels; va7i Dale heeft: mangel 
(gemeenz.) :=. amandel. 

manyern , menyern = manieren : 
op alle m e n ij e r n =: in elk ge- 
val, ook Triesch, vergel. Hl), allemal. 

♦maren, vgl. ^moaren. 

mark (onz.): StadGr. =z *mart =: 
markt of plein. 

*mark: II D. Mark rz merg; bij r. 
J).: mark =: merk. 

Marriepiepe (zie *piep),evenals de voor- 
malige Marriedwinger in den zuidwest- 
hoek der stad Groningen gelegen, en 
geheeten naar Jasper van Marwijck, 
omstreeks 1525 stadhouder van Gro- 
ningen voor hertog Karel van Gelre. 

mars! 4 een uitroep van verwonde- 
ring (ook Frieschjy ongeveer met de 
beteekenis van *toamoar!, ook hoort 
men in dezelfde beteekenis : Toorait ! 
(in dit geval nooit v e u r o e t.) 

Marten (mannennaam) ^ Maarten 
of Martinus; soms ook Meerten, bvb. 
in Sunte Meerten, vergel. *start 
en *steert =: staart. 

*mat, vgl. *made en het Efi(/. 
math zzz maaiing. 

matsloot, zie : m a d e. 

meedelanden, zie : m a d e. 

Meeden, zie *made. 

meederz^em, zie ^minderztJem. 

*meelderir: Nederl. „melig" in de- 
zelfde beteekenis. 

*meert: Lat. martes. 

Meerten, zie Marten. 

*meet, ook bij r. Dale. 

*meetjen, vgl. ^lappen 1. 

Mei, Meiden, zie ^rnade. 

meier, zie *meyer en *beklemrecht. 

mekander , menander , m'nander , 
(Ned. malkaar, malkander) ir *me- 



koar; vergel. *'nander; verkort ook: 
'kander, 'koar, evenals ander in 
plaats van 'n a n d e r. 

'^'nielasse (bldz. 5-^2): toespeling op 
't Nederl. woord melasse — suiker- 
stroop ? 

melkmollen, zie *bottermolle, 
*melkvaller (Omnel.) — melkvoart 
( ^hc.) 

melle, zie *mel; z o 1 1 e m e 1 1 e is 
in 't ^hc. een onkruid. 

♦meHjfke: HD. ook Massliebchen. 

""mengsel, ook bij v. D. , als oude 
maat, en wel: voor wijn, bier, olie 
zz 1.21 liter; voor brandewijn zr 
1.23 liter; voor melk i= 1.81 liter. 

^Menistenvermoaningr, bij r. D. (als 
verouderd) in dezelfde beteek. de 
woorden : vermaanhuis , vermaning , 
vermaner. 

^mennen-, bij r. D. als gewestel. 
vernield. 

♦mennevolten, eigenl. — met veel 
vouwen, dus hetzelfde als het Nederl. 
„boekpens" en „bladmaag." 

♦niennig, vergel. *rater-op-peerd. 

mensk, mensken m mensch, men- 
schen (vooral StadGron.) elders ook: 
mins, minzen. 

menskenselioa =: menschenschuw ; 
vergel. *scliouen en woarseliouen. 

men^ern, zie: man^ern. 

♦menflltjes, eigenl.: mooi-Neeltjes. 

Mereike, zie *Moarioa. 

*meroakel: elders ook „merakel" in 
dergelijke beteekenis. 

mes, zie ^mest. 

*mestern, iron. ook zz stukbreken, 
zie *doktern (1 en 3); vgl. meesteren 
bij r. Dale. 

met, in: met dat z=i omdat, door- 
dat of aangezien : met da (t) 'k z ij k 
was kon 'k n ij t komen. 

*met 1 , ook bij v. Dale. 

*met =: mede, is nog in het Nedl. 
„metgezel" overgebleven; 't HD. „mit" 
zoowel =: mede, als zz met; „mede- 
nemen" zz bedriegen, ook bij v. D. 

metel, zie *medel. 

metnemen, zie *met 2, vgl. ♦mit- 
nemen. 

metoal is hier niet metaal in 'tal- 
gem., maar brons. 



MEUBELSITS 



40 



M'KANDER 



^meabelsits, bij r. D.: sits. 
meagren, zie ^magrgren. 

meake, zie *muike. 

meziek, zie ^maziek (bldz. 54-4.) 

^Middagr vormt thans het oostelijke 
Westerkwartier. 

middeg:s , zie : o a v e n s. 

middeldear (klemt, op d e u r) zzi 
middendoor, doormidden, in twee stuk- 
ken: men denke aan het woord „mid- 
deleeuwen", dat not? bij sommigen 
,. middeneeuwen" luidt. 

middelholt is talhout, dat \\\i stuk- 
ken in tweeën gekloofde, tamelijk 
dunne , takken bestaat en waarvan dus 
de eene kant plat en de andere , met 
schors bedekte, rond is. 

*roiddelste : 't middelste is 
1) o a s over 1) a i d e enden, zegt 
men van een manziek meisje. — In 
Holland hebben o.a. de bakkers een 
„middelkneoht." 

*miegeii, hierbij nog het Lal. meje- 
re en het Grieksche '«///f'xw; l)ij mw 
Dale mijgen (gewestel.) 

^miegryinke , bij r. Dale.- zeikmier. 
Hl). Öeichameise, zie ook sQken en 
vergel. *flmerke; denkelijk ontstond 
deze benaming, doordat de reuk van 
het mierenzuur, dat deze diertjes af- 
scheiden, aan dien van urine herin- 
nert. 

*inier, vergel. bij r. Dale. mier (3) 
en miere. 

mieren, zie gremier. 

miers (JViu^cliotev) =z *kweer. 

*mieseln, zie *miezigr; bij /?. 1). 
(Znidn.) miezelen (Eng. to mizzle.) 

*mieter; dezelfde afleiding bij v. 
Dale, zie „mijt" 1. 

mieters, versterkend bijw. in: mie- 
ters mooi (gemeenz.) , verder: w i s 
e n m i e t e r s m wis en zeker. 

*mietje, in beide beteekenissen ook 
elders en waarschijnlijk een toespeling 
op de bekende Oud-Testamentische 
zonde, waarvan het de verkleinde uit- 
gang vormt. Ook = blinde in het 
kaartspel. 

*miezigr ook m *mieterg: (zie bldz. 
H7 II a); vgl. *mieseln, ook de aant. 

*miff2roln, bij i\ ]).i!e (Ziildn.) mig- 
gelen. 



*mik I : ook bij r. Dale. 
mikstoet, zie *mik. 

*min als bijvnw. (Ned. alleen bijw.) 
ook = weinig , bvb. 'k h e b 'r m o a r 
min o a r e g h a i d a n zn weinijjf 
lust in ; *n m i n b i e t j e 1= weinig; 
vergel. ook *onneazel ; d o a r ken 
(of m a g) *k m o a r m i n (i= slecht) 
over. 

*minne: „min" en ,, minne" als ge- 
westel. bij r. Dale. 

mins, zie mensk. 

mis (godsd. ple.chtigh.) in: 'tfiene 
van de mis weten willen zn 
't fijne van de zaak willen weten. Ook 
wel elders. 

*mi8 1 : l)ij r. Dale „mist" zn mest; 
oudtijds „mes." 

miseik, als versterkend bijw., met 
gunstige beteekenis, bvb. in miseik (e) 
mooi, evenals o a k e 1 k (e) mooi; 
vgl. *mal en *noar. 

miseroabei, versterkend bijw. (ook 
gunstig), zie *grat en vergel. *noar. 

^misklearig: HD. missfarben, miss- 
farbig :=i verkleurd of slecht geverfd; 
V. Dale heeft alleen de tweede be-' 
teekenis. 

*mis moal, NederL „verkeerd maal", 
met de beteekenis v. h. Oostfriesch. 

^mispunt algemeen Nederlandsch ,' 
van Dale geeft alleen de oorspronke- 
lijke beteekenis van : misstoot op 't 
biljart. 

*missen, synoniem: *oetmissen. 

*mit komt ook voor in de uitdruk- 
king : d a 's mooi m i t (klemt, op 
m i t) — dat is een mooi , toevallig 
voordeeltje, zie *mitnemen , dat ze g 
ik m i t z= dat zeg ik met u , dat 
stem ik u toe ; klok g a i t ni i t — 
de klok is gelijk. 
^ mitdoan = medegeven, vgl. *doan# 

^mitnemen, metnemen, zie ook 
*met 2. 

*mits als znw. (bldz. 543), ook bij 
r. Dale. 

"^mitwillig: — brooddronken , zie ; 
m o u d w i 1 1 e n s. 

m'kander of m'nander, in nacht m' 
n a n d e r , n o a v e n d m' k a n d e i' 
(nog korter : n o a m' n a n d e r), enz., 
staat voor : m i t m e k a n d e r (eveu^ 



MOAÜEN 



41 



MöRXS 



als ^naohtmitnkander); vergel. ^ander 
en *'nander en zie ook mekander en 
noaTend, alsmede *dag. 

^moaden (znw.) zie ook : m o a t e n. 

moaden (werkw.), zie ^moaren (blz. 
267 en 543) ook de aanteek. 



moagr, in 



m o a g b e g u n t mie 



op ijn zied te hangen, of: te 
slingeren =: ik begin eetlust te 
krijgen. 

*moag:er, zie ook *vet moager. 

^moaken, zie ook ^bermoaken en 
^toamoaken ; * in de beteekenis van 
verdienen, overhouden (bldz. 266 II) 
wordt er dikwijls een bepaalde som bij 
opgegeven : hij het van 'tjoar 
dreidoezend gulden moakt; 
*tkan ook afrekenen, vereffenen, be- 
teekenen : 'kzel *t wel met höm 
m o a k e n (eigenlijk : in orde maken), 
waarvoor ook : o e t de wee": m o a- 
ken. 

*moal , ook =: hoeveelheid uriae , 
in éénmaal geloosd, vandaar: *kjrt- 
moalig. — Zie ook *mis moal. 

^moalsedel, vergel.: s a r r i e s. 

moan : 't i s m o a n of m o a n- 
schienweer z= de maan schijnt : 
vergel. het Nederl. 't is volle maan enz. 

moand, zie: dag. 

moanekop zz maankop. 

iDoansehienweer: analoog met *zan- 
sehienweer. 

^moaren (bldz. 267 en 543) , zie 
ook *maren. 

moar kiek! een stopwoord =z maar 
ge begi'ijpt wel. 

*iiioat , zie ook *mainje ; verder als 
versterkende vergelijking, meestal in 
ongunstigen zin : h ij 's zoo ar m , 
slof, dronkend, a s t e m o a t , 
waarschijnlijk :=z in de ergste mate. 

*moaten (van 't Nederl. „made" = 
pootlooze larve in 't algemeen) zijn de 
gestaarte larven („vers a queue de 
rat") van den Erystalis tenax; het vol- 
komen insekt noemt men soms schiet- 
btl, met welken naam echter meer 
algemeen de „drekvlieg" (Scatop- 
haga stercoraria) wordt bedoeld ; 
dat hier verwarring heerscht blijkt uit 
de benaming ^schietiem voor „hom- 
mel", in de beteekenis van mannetjes- 



bij , en is zeer verklaarbaar uit de op- 
pervlakkige overeenkomst tusschen (fit 
diertje en de vlieg van Eryst. tenax. 

modder (Who. matter) heeft hier 
de algemeene ])eteek. van „aarde", 
in \ Nederl. de bijzondere van „slijk." 

moekegrek, zie *moeke. 

*moezeln (bl. 543), vgl.: krab])en. 

möffegr := muf, duf riekend , zi(> 
*döf. 

*moflfetoer, bij /'. Ihde: molfeiitoer. 

moi, zie *moeke en vergol. *polke. 

*mölferd, bij v. Bale voor porsoneii. 

^molken: HL. Molken :=. hui of 
wei. 

moUeboonen ook voor ^molbooneii. 

*mond, zie ook *mit en *twei mon- 
den; met bldz. 543 te vergelijken 
*hoaken (bldz. 526.) 

*mondharp: toespeling op 't muziek- 
instrument van dien naam , dat in 't 
HD. ook Maultrommel heet, welk 
woord tevens „schreeuwer" beteekent. 

^mondjen , Nederl. monden , Hl). 
munden. 

^mondjeproaten , Nederl. naar den 
mond praten. 

^monkeln, HD. munkeln. 

*monter, v. Bale heeft wel 't werkw. 
opmonteren. 

*mooi 1 , zie ook ^lekkertje. 

*mooi 2 (einde) bij v. Dale =z zich 
laten voorstaan op iets, 

mooibluiers , zie *elfriiig:eii (bldz. 
516.) 

mooie stukken ! =^ 't luoclit wat! je 
hebt het mis! 't lijkt er niet naar; 
vergel. *mooie doode! (bldz. 54.S.) 

moois, zie *oarig (l)ldz. r)4().) 

*moos: ook vernield bij LaKrillurd , 
Bijbel e» Folhta(d, bl. 12. 

*mörgen : ,, morgen aan den dag" 
ook elders. 

*mi>rgen brengen, ook Nederl., o.a. 
bij V. B. sub „wel" 4. 

mörken of murken = benuM-kt of 
gemerkt (in 't Nederl. in de s|)r('<'ktaal 
ook wel : gemor ken.) 

mörn = morgen, vgl. *smörns (bl. 
564) en Eng. morn of morning; de 
uitspraak *mörg:en (zie ook aldaar) 
hoort men zelden. 

mörns , zie : o a v e n s. 



MöERIES 



42 



NééRDUUTS 



♦mörries, vergel. *kriegr. 

*iiiö8 z=i moest, o.a. iu: zoo in ö s 't 
wezen =z dat zou 't geval kunnen 
zijn , 'tmöswezen,(lat...i=: 
't zou 't geval kunnen zijn , enz. 

most of mözze = gij moet, moet 
gij; zoo ook *wist enz., vergel. mot- 
ten. 

♦mosterd (bldz. 543) bij v. Dale: 
slapperdemallemosterd. 

*mot, ook bij v. Dale, in alle drie 
beteekenissen , dus zal *mötgr»t eigen- 
lijk mouwgat beteekenen; zie ook *krai. 

möt (iz: moet), zie motten. 

mOt, zie ^maiten. 

♦motsehap, bij v. Dale: blik. 

♦motstynen: in 't Wkw. ook 13 
ronde, steenharde kleiconglo meraten , 
op aardappelen gelijkende. 

*möttegras, ook *zwiene8rras. 

*motten, vgl. *mörtjen. 

motten en möt, evenals elders voor 
„moeten" en „moei"; vergel. most 
(eigenl. m o u t s t) en ^mös. 

mötter, zie modder. 

♦mond, zie ook *arm. 

*moudwillens : hierbij ook m o u d- 
willig of m i t w i 1 1 i g , in de be- 
perkte beteekenis van brooddronken, 



die ook 't Nederl. en 't HD, hebben. 

♦moas ook: lankmoas,^ evenals 't Gel- 
dersch (zie slot van 't artikel.) 

♦mouten: bij van Dale de zegsw. 
„moeten is dwang en huilen is kin- 
dergezang"; zie ook : wezen, alsme- 
de *bedoeren en vergel. met de daar 
opgegeven zegsw. het Ned. „'t kan me 
spijten." 

mözze, zie most en vergel. *8 (blz. 
559.) 

♦mai« zie ook ♦muide. 

♦muie, zie ook *mai. 

♦maien, bij r. D. moeien zz spijten. 

♦mnike, zie ook ♦mai. 

♦mailek, vgl. ♦spietelk. 

*muite 2, bij v. Dale (als verouderd): 
„in 'tgemoet" en ,,te moet." 

♦mul, ook bij v. Dale. 

mummeln (ook Nederl.), zie ♦kam- 
meln. 

murgrenvroo, zie ♦mörgrenTroa^. 

murken, zie mörken. 

♦muskeflap, vergel. ♦diehtsnappen. 

♦muurloes — ♦motstQn. 

mQst, zie ♦mynst. 

mQstied, m^nstied zz: meesttijds of 
meestentijds. 

♦m^zigr 9 vergel. : m i e z i g. 



N 



'n voor 



den naam van een dag : 



'n Z u n d a g iz: verleden of aanstaan- 
de Zondag; zal staan voor: den Zon- 
dag. Ook elders. Ook voor „hun" 
of „z'n": mit'n baiden zz met 
hun beiden; vgl. ♦nander. 

naehs , zie : o a v e n s. 

nacht, zie ♦huilen. 

♦naehtmitnkander (door snelle uit- 
spraak : nacht 'n ander), vergel. 
m'kander. 

naehtsoam, zie ♦naehtmitnkander. 

♦'nander, vgl. ♦ander; in de Unie 
van Utrecht komt voor: den anderen 
zz elkander; metten anderen, bv den 
anderen, van den anderen =z met, 
bij, van elkander. 



narnd (Wkw.) voor ♦narns. 

♦narns , zie ook ♦niks. 

♦narrig, vergel. ♦torrigr. 

nastjen, zie "^nasken. 

nat, zie ♦lank nat. 

natten of nattens als zelfetnw. zz 
vochtigheid ; 't luidt ook wel natte , 
vgl. ♦gaute en zuitte, alsmede 'i Ne- 
derl. grootte en bij v. D.: oute, zoo 
ook: in de la(at)te (omgek. vroegte) 
zijn. 

navvel (zelden n o a v e 1) zz navel; 
vergel. snavvel en: hij ladt, voor 
1 o a d t — laadt. 

nee, zie ♦ne. 

Néérduuts zz Nederlandsche taal , 
evenals voorheen algemeen (ook door' 



ISTEERS 



43 



NOAYEND 



taalkundigen) „Nederduitsch" werd ge- 
zegd voor „Nederlandsch"; *t begint te 
verouderen, doch hoort men bvb. nog 
wel de vraag : is *t Frans of Neer- 
duuts? waarvoor men meer algemeen 
het ook al minder juiste woord „Hol- 
landsch" hoort. 

*neers: Nederl. „met z'n ziel onder 
d' arm", van een leeglooper. 

negren, zie: t r e f f e n-f a i 1 e n. 
^negrenoogrtjen: volgens v. B. elders 
„ootje-bot" enz. geheeten. 
*negerrit, Eïig. negrohead. 
*nei ook =: benieuwd, verlangend 
of nieuwsgierig, bvb. 'k bin d'rnei 
n o a r , doch in deze beteekenis ook 
bij V. Date: nieuw naar, nieuw doen, 
nieuw van iets ophooren. 

*neis 1 : HB. „neulings" is ver- 
ouderd , thans luidt dat woord : neu- 
lich of neuerdings. 

neisdoags, zie ^neis 1. 
^neisgierigr (bldz. 545): de zegswijze 
is algemeen Nederl. , meestal met de 
toevoeging „van Enkhuizen", (bij vav 
Bate sub : Aagt.) 

net, o.a. in zoo's 'i moar net 
of k r e k t ! afgekort : zoo is 't moar 
(klemt, op is) = juist! dat is de 
waarheid ! ; zie ook *krek ; voorts ver- 
sterkend in de uitdrukking nèt zoo, 
{Ned. „toch zóó"), bvb. : 't s p i e t 
mie nèt zoo (zie o.a. bij *gram- 
mel), waarmede te vergelijken is: 't r e- 
gentnet wat 't ken := zoo hard 
als 't kan; vergelijk ook opan. 

*nettelbossie : in Holland heeft men 
den familienaam Netelenbos. 

neadjen , neatensehflten =: het spe- 
len met of op noten. 
neagren, zie ^nuigen. 
neas in: op neus t 'r b i e zn met 
den neus er op of er bij (ook: er 
bovenop), uit nieuwsgierigheid; in de- 
zelfde beteekenis ook : d 'r boven- 
opstoan n: er zeer dicht bij staan, 
versrel. *toonen en zie ook *neasken. 
neatensehyten , zie neadjen. 
♦niks, hierbij : da 's net niks, 
da 's net zooveul as niks, da 's 
'n ding van niks =: dat kost niet 
de minste moeite , 't is geen bezwaar, 
wat zou me dat zijn (of: wezen), vgl.: 



wezen en Hiegroan ; zie ook *an8 
(bldz. 498) en weerd, alsmede: He- 
ken, 't Woord vormt den overgang 
van 't HB. „niphts" tot 't Nederlandsch 
„niets." 

*noa: met „noa stoan" vergelijke 
men het Nederl. „ik sta u nader dan 
hem" (o.a. bij Multatuli) z= ik kan 
mij met uwe gevoelens beter vereeni- 
gen dan met de zijne; zie verder *te 
noa. Wat betreft het gebruik van 
noa voor „naar" (vergel. bldz. 545) 
valt op te merken, dat men omge- 
keerd inde 17e eeuw „naerder" schreef 
voor „nader" en nog heden „naarde- 
maal" en „nademaal" beide, zoo ook 
in de 18e eeuw „bijnaar" voor „bijna"; 
vergel. ook : ander, alsmede sre- 
roadeu. 

*noa 2 in 't Nederl. wel als bijwoord: 
ze zijn na familie. Dat zelfs in de 
schrijftaal wordt gesproken van „een 
na familielid" verdient afkeuring. 
*noad, zie ook *kant. 
noadenken, zie: o m d e n k e n. 
noadje, zie *kea, bij v. D.: zijn 
naadje naaien zz zijn gang gaan. 

noakomeu, voor: besturen, beharti- 
gen , bvb. 'k ken 't n ij t alles 
meer noakomen =. 't wordt me 
te druk , vergel. : opkomen. 
*noam, zie ook *kap 1. 
*noanemend zal wel letterlijk na- 
nemend [z=z aantrekkelijk] zijn, verge- 
lijk echter het Nederl. nauwnemend. 

noa'r en vea'r voor n o a j o a r en 
veurjoar, door snelle uitspraak , 
vooral ^tad-Groningsch. 

*noar, ook wel =: *noa [vgl. ook 
de aanteek.] 

*noast [bl. 545 II ond.j ook Gel- 
derach , enz. 

noaten z= naden, gevormd als 
*moaten. 

*noatsie [bldz. 546] : de natie zi: 
de Joden, overal algemeen. 

noataar, zie *te; da 's goud veur 
de noa tuur! =z dat doet het hart 
goed. 

^noavenant; elders ook wel [ook i.d. 
schrijftaal]: naar venant. 

noavend, samentrekking van gr'noa- 
Yend en dat weer voor ^gounoaTend 



?sö(mTKRX 



44 



OARIG 



(lat men 
hmuleii *!:cha(l; 



110<r 



)as 



liecft «gezien of in 
(l o a 1' w i j t je 
nooit [of 11 ij 1 n ij t] v a n m dat 
is niet te ze<i:gen, niet te «^elooven. 
noorders, zie *oosterd. 
*iiüster8, JIJ). Nüster, Nuster. 



[bldz. 521] : n o a V e n d ni' k a n d er | 
zz: g^oeden avond zamen! =: Framch 
[gemeenz.]: bonsoir, la compagnie! - 
vergelijk meander en ^tweibaiden. 

*nöcht€rn , zie : s p e i. 

noedel, zie ^knoedel. 

*nogr ton , ^tadiirou. nogriezentoa 
[nog eens toe] ; men hoort „nog toe", 
,,noggen toe" ook in Ifolland. 

*nood, zie per nood; in de aangeh. 
zegsw. ook wel : g i j n nood v a n. 

*noodsien; bij Stallaert, (lf(m. v. 
veroud. rechtüermeu enz. wordt ver- 
meld: „nootsin" zzi- „nootsaeck" = 
wettig beletsel, overmacht, en =z nood- 
zaak, behoefte, het laatste ook Middel- 
nederlandach. 

*nooit ook in: zoo h e i 't ja nog 
n 6 o i t z ij n ! z=. hoe is het mogelijk! 
[vooral als men iets niet kan vinden, 



nou Ja, uitroep van ongeloovigen 
twijfel, zie: ja en: a b e r. 

*nmjht ook := lust : 'k h e b er 
g ij n n u e h t a n. 

*nakkern, Hl), meckern zn blaten. 

namen, zie ^artikels. 

^nuHHeln [1 en 2], ook bij v. Dale. 

*nust: „*t n u s t krabbe n", aan 
de gewoonte van honden ontleend. 

*nustje, zie ook ^nast; de zun 
[of: m o a n] kropt i e n 'n n u s t j e 
zn is door wolken omringd [voorbode 
van regen.] 

nustj ederei z= nesterij. 

nfl, zie *nei. . 

^nQmand nflt [bldz. 546] vergel. 
♦niks [bldz. 280.] 

*nfl8, zie ook *neien [bldz. 545.] 

*nflt, zie ook *al. 

nytmeer [klemt, op meer] z= 
nauwelijks, met; n ij t m e e r d a t *r 
mie zag k w a m *r op mie of m 
niet zoodra zag hij mij, of hij kwam 
enz., zoo gauw zag hij me niet, of . . . . , 
hij zag me niet , of 



o 



o: de klank o of oo wordt in 't 6Vo- \ 
nivf/srh eu in de voorbeelden opgege- | 
ven onder *bleu (vergel. ook *dea), ! 
uitgezonderd is *koegrel zz: kogel; wat ' 
betreft de dolle o, inplaats van de 
korte, heldere o in \ NederL, vergel. 
men *bloudworst en *borrel, echter 
worden beide klanken in 't algemeen 
in de spreektaal meermalen verwisseld, 
bvb. „dof" voor „dof" en omgek. 
„kort" voor „kort"; de o (bldz. 285) 
vervangt ook wel de dotfe Nederland- 
Hche n, bvb. in könzen := kunsten, 
vergel. „t ö r f " = turf, enz. (bldz. 
285 onder.) 

♦oabeldoedas, ])ij r. Lennep: labber- 
doedas, 

♦oakelk of oakelke, ook versterkend 
bijw., met gunstige beteekenis: oakel- 



k e mooi, vgl. miselk en zie ook *mal. 

oakster zz ekster, Nederl. verouderd: 
aakster. 

*oaltrekkerei (bl. 546) , Nederl,: pa- 
liugtrekken. 

*oani , in: zök achter d' oam 
schrijwen =: door hard schreien 
den adem kwijtraken, ^bij v. BaU: in 
zijn adem schreeuwen.) 

♦oapekool, bij v. Bale: apenkool zz 
zotternij. 

♦oapekoolkwint zal men , misleid 
door overeenkomst in beteekenis en 
klank, hebben verbasterd uit appel- 
koolkwint, denkende aan *t voorgaande. 

*oard, zie *bÖ8sien (bldz. 509), ook 
van voorwerpen. 

*oarig: bij Klaus Groth (Plat-Duitsch 
dichter) „orri" z=. tamelijk. 



OARIGHAID 



é5 



OF 



oarighaid in: oet oarig^haid 
zz voor de aardigheid, is hier meer 
gewestel., hoewel „uit aardigheid" ook 
voorkomt bij v. D. 

♦oavens (blz. 547), voor „des avomls"; 
evenzoo (als in 'iHB.) zijn gevormd: 
middags, mörns,tnachs, win- 
ters enz.; vgl. *harst. 

♦oaventoren (bldz. 547), bij r. Bale: 
avonturen. 

*oaveiitaar : is nijt ve uloave n- 
tuur {■=. kans) op. 

obbe of oppe voor „op de" of „op 
den"; vergel.: e 2. 

oddennelk, zie *ordendelk; de ó 
wordt hier bijna een stomme e. Als 
zelfst.naamw.: in 't o d d e n n e 1 k e 
zz: met mate, gepast, met bescheiden- 
heid: vergel. hiermede ^oddennelkhaid; 
gewoonlijk laat men als tegenstelling 
en waarschuwing volgen : n ij t i e n 
't gekke! (dit ook elders.) 

* *oelgrevel moet zijn oelbred, althans 
in de beteekenis op bldz. 547. 

*oet: naast „deur alles hen" 
(klemt, gewoonl. op deur) ook: deur 
't g e m ij n e hen, enz. ; d 'r o e t 
en d 'r hen (of: d 'r n o a) = zon- 
der eind of voortdurend, („er uit en 
er na" ook wel elders.) Verder ook 
elders: de kachel is dooduit. Zie ook 
oetzied en oarighaid, alsmede ^oet 
hebben en *oet of om, 

oetbeageln, zie ^iaiken. 

oetbörgen =: uitleenen , en , even- 
als dat woord, pleonastisch ; vergel. de 
zegswijzen bij ^sehaldege plicht. 

oetbalen =z betalen, opdokken. 

*oetdoppeii, bij v. Bale: uitdoppen. 

♦oetdroftigr, vergel. het Nederl. luid- 
ruchtig en nooddniftig. 

*oetgoan, vgl. het FrayiHche „'s ctein- 
dre" zz sterven. 

*oetholleii (b): Nederl. uitsteken. 

oetjoagen, zie ^Jonkgroad. 

^oetkemmen van „kem", het ver- 
ouderde Nederl. woord voor: kam, dat 
men nog in sommige streken hoort; 
hier luidt het echter altijd kam, 
kaam of kam m e. Ook =: ont- 
kiemen , waarvoor ook oetkimmen , 
vergelijk het Nederl. „kenen." Bij v. 
Bale Wel het werkw. kemmen. 



oetkirreld, zie *kirreln. 
^oetlangen, vergelijk *doeinkes 2, 

alsmede bldz. 302 II b. 

*oetnaien, vergel. *oetfleterii. 

oetroppen = uithalen , bvb. vogel- 
nesten. 

oetsehyten, zie *krimpeii. 

*oetsj oppen izi uitspatten, naar l)ui- 
ten geperst worden: 'twoater sjopt 
mie tou schounen oet. 

*oetslag: „In Groningerland bestond 
tot op 't einde der vorige eeuw het 
gebruik, dat de schoolkinderen, wan- 
neer ze vacantie kregen, door een hoe- 
pel moesten springen, waarbij de mees- 
ter hun dan een slag op zeker lichaams- 
deel gaf, of de meester liet ze tus- 
schen zijn beenen doorloopen. Bij het 
einde der vacantie had het omgekeerde 
(inslag) plaats. Vacantie heet daarom 
in die streken nog altijd uitslag. - Uit- 
slag, inslag, Heele week speeldag." 
— OndertmjzerS'Scheiirkal. Vooruit, 13 

Febr. '96. 

♦oetsmieten: vergel. ^opsmieten. 

*oetsnieden ook zz afsnijden, zie 
*hals. In de eerste beteekenis zie 
„uitsnijden" bij v. Bale. 

''^oetsnuten : uitsnuiten in beide be- 
teekenissen bij v. Bale. 

*oetsptjken, vergel. *spoaken. 

oetstee, zie oetzied. 

*oetstek, bij v. Bale: uitstek. 

*oetsteken, zie ook *hakken. 

*oettrekken, Nederl: een post op 
een begrooting uittrekken. 

*oetTetern, bij van Bale: veteren, 
doorveteren. 

oetwezen, zie opkennen. 

oetzetten (meestal gescheiden , met 
den klemtoon op zetten) voor: plot- 
seling naar buiten komen, bvb. do ar 
k w a m 'r d e deur oetzetten ! 
vergel.: a n z e 1 1 e u 2. 

oetzied of oetstee , in : niks oet- 
zied zetten kennen — geen 
hulp kunnen aanbrengen , een stumper 
zijn (letter!.: niets van zijn plaats kun- 
nen brengen), de klemt, op de laatste 
lettergreep; vergel. *8troo, alsmede 
*beweren en *biezetten. 

*of (ook *a8) voor: misschien, ])vb. 
hij 's dood, of (as) je 't wijten, 



OF 



4« 



OL 



't is 'n V rundeik man, of (as) 
j*m kennen, eij?enl. : ik weet niet 
of je 't weet , hem kent , enz. (bij r. 
Dole iets dergelijks onder „of* 2 en 
3); in de beteekenis van „indien" voor- 
al StudGroti. : of kom 'k m o r n , 
hou loat zei *k den komen? 
zz: als ik morgen kom, enz.; vergelijk 
♦as (bldz. 498) ook de aanteekening. 

♦of ==: af, vergei. ♦dassel; ook = 
afgedragen, versleten, enz., Ned. „op." 

♦ofakkedQeni 9 Nederl. accordeeren. 

♦ofblaaen: in denzeifden figuurlijken 
zin worden ♦offarYen en ♦ofloat^n 
(bldz. 548) gebruikt, vgl. dat laatste , 
alsmede ♦looien. 

ofbloadem, zie ♦ofbladdem. 

ofdreagren zz opdrogen: de stroa- 
ten dreugen wat of, 'tdreugt wat 
o f zz 't wordt wat droger buiten. 

♦of en ton: de hier opgegeven be- 
teekenis, nml. „af en aan", is eigen- 
lijk in 't Nederlandsch de oorspronke- 
lijke , later ontstond de overdrachtelijke: 
nu en dan; zie „af bij v. Dole. 

ofgreTen iz: ten gevolge hebben, vgl. 
♦noorderstof (bldz. 546) en bij r. D.: 
afgeven iz: te kennen geven. 

♦ofhandigr ook in: de wind is 
of handig, d. w. z. niet in de ge- 
wenschte richting, bvb. om een klok 
te kunnen hooren; vergel. „aan-" en 
„aflandige" wind. 

ofhemmeln , zie ♦hemmeln. 

ófhoalen : toafel ofhoalen z=. 
afnemen (het eten pnz.) 

ofkennen in : h ij ken 't 'r best 
of zr hij woont er goed , hij kan 't 
er wel stellen, enz. 

ofkeTQern en ofkonvooien zz afsche- 
pen, wegzenden, verhinderen, weigeren; 
elders: „afkarveeren"; vergelijk bij v. 
Dole „caveeren" z= borg blijven, par- 
tij trekken, enz. 

ofklonnen, zie ♦klonn. 

ofkregren [afgekregen] : h e i j' h o a r 
o f k r e g e n =z is uw haar geknipt? 

♦ofk welen, HB. abqualen. 

oflaider (Nederl. afleider), zie ♦dan- 
derlalder. 

♦oflegrgren [b] ook bij r. Dale, s. v. 
„afleggen" bldz. 65 II a. 

♦ofloaten , zie ook : o f b 1 a u e n. 



ofloonen [ook DrenUch en Geldersck] 
— een dienstbode binnentijds de huur 
opzeggen: men geeft dan meestal zes 
weken [de z e s w é é k] extra; in boe- 
rendiensten spreekt men veelal van 
't geld geven; HD. ablohnen. 

♦of missen, zie ook ♦mosterd. 

ofmaiten, zie ♦muiten. 

ofnasken, zie ♦nasken. 

ofnemen voor: overnemen, bvb. het 
overdragen van een gebouw door den 
aannemer aan den lastgever. 

♦ofpanten, vgl. ♦ponden. 

ofrekken [klemt, op: rekken], zie: 
rekken, vgl. bij v. Dole „afreiken" 
voor: bereiken, waar het als Germa- 
nisme wordt afgekeurd; men heeft in 
't Gron. een reeks van werkwoorden 
met dezelfde eigenaardige grondbetee- 
kenis en klemtoon, vergel. ♦ofgronden; 
vele van deze werkw. hebben de on- 
der : tegen opgegeven beteekenis. 

ofstappen , in: vonten ofstap- 
p e n zz voeten vegen, vergel. ♦koate- 
kedans. 

ofsteker, zie steker. 

ofstaiten zz door te stuiten het 
evenwicht verliezen: pasop, da'j' 
n ij t van ledder ofstuiten; ook: 
h ij 's van 't p e e r d i e n 't d ij p 
stuit. 

♦oftakken: evenzoo omgekeerd op- 
takken zi opklimmen, verhoogen. 

♦oftoakeln zz achteruitgaan, ook bij 
r. Bale. 

♦of?allen zz tegenvallen, ook sub 
„afvallen" bij v. B., zie ook: t o u- 
vallen. 

♦ofvarYen bij v. D. sub ,, af verven"; 
figuurl. vgl. : o f b 1 a u e n. 

ofwinnen zz afhuren, vgl. ♦winnen. 

♦ofwinnen zz „afwinnen" bij van 
Dale [4e druk] en vergel. '^neQoars- 
loopen [slot.] 

♦ofzetsel, Nederl. afzetsel, aflegger. 

♦ofzetten in de eerste beteekenis ook 
Nederl. [zie r. D. afzetten.] 

♦ofziegen : Nederl. afzijgen , HD. 
abseigen, abseihen. 

♦ofzolten, bij r. D. afzouten. 

♦o ji? met Nederl. uitspraak ook 
elders. 

ol , zie ♦olie. 



OLD 



47 



ONGANS 



*old, zie ook *olii-koln. 

^Oldampt heeft in de volkstaal den 
klemtoon op de, laatste lettergreep , 
evenals 't Hoogeland, Wester- 
wol d e ; vgl.: Westerkwartier. 

*older : 

Eer brengt een arme vader 
Met vreugd zes kinderen groot,. 
Dan dat zes rijke kinderen 
Hem koestren in den nood. 

(N. Beets.) 

^oldkroaiDS, Nederl. kraams. 

*olds, Nederl. ouwelijk. 

olwief, stofnaam, zie *olwleYen. 

*om, als voorvoegsel, StadGron. vaak 
omme (bij v. Dole verouderd en dich- 
terlijk); zie voorts *om-bie, ook de 
aanteekening ; o m m i e zie : part; 
'k heb 'r n ij t .) m docht, hier 
uitsluitend voor „aan gedacht" en bij 
V. B. afgekeurd. Zie ook omnemen 
en ofenblilr. 

*om-aii , ver gel. *oin en an (bladz. 
549.) 

*oin-bie , ook wel o m b i e , zonder 
tusschengevoegd „en." 

*omboeren, ook bij v. Bale. 

^ombollen, bij v. Z>. .- zijn woord 
eten. 

^omdenken, ook wel: denrdenken, 
noadenken; vgl. ^achterdocht. 

*omdonn , zie ook *doun , ook de 
aanteekening. 

♦om en an (bldz. 549): alles om 
en an hangen zz al zijn geld voor 
opschik besteden; vergel. *om-an. 

"^omgang:, vergel. ^omslag:. 

*omg:eTen, zie ook *omboeren. 

^omgoan, zie ook omnemen. 

*omhann' en *om hans , bij v. B. .- 
omhanden, sub „om." 

omklökkern, zie ^klökkern. 

omköddeln, zie *omkörreIn. 

omkomen • zie kepotkomen ; a r n s 
ien omkomen = door overmaat 
met iets overstelpt worden, er mede 
verlegen worden, zoowel ten goede 
als ten kwade : elders spreekt men ge- 
meenzaam van „ergens in stikken." 

omme, zie: om. 

^ommeldoch, hiervoor elders het 
antwoord: om daarom. 

ommeiaat, zie ^oomelaat. 



omnemen z=. terugnemen : 'k h e b 't 
weer met om nomen := mede 
teruggenomen ; o m iz: „terug" is hier 
door de scheiding van „weerom" ont- 
staan ; zoo ook : 'k bin weer mit 
omgoan; hij har d'r nijt weer 
van om = hij had er niet van te- 
rug, kon niet wisselen. Vgl. ^omdoun. 

omof (Wkw.) zz 2iï {Gron. of): op- 
p e r i e g e omof (of : weg) en 
oppe kop omof. 

*om reden: bij v. Bale „om reden" 
en „om redenswil." 

omschöntjen, zie ^schöntjen. 

^omschot, Nederl. uitschot. 

*omstök, vergel. *fln 2, alsmede 
bldz. 549 en *hömstuk (bldz. 527.) 

*ömstoken, bij v. Bale onderstoken, 
ook wel : ondergestoken. 

^omsanst, HB. umsonst. 

omswienen, zie *omzwienen. 

omtoch, zie ^ommeldoch. 

^omtou, vergel. \ Nederl. omheen. 

*omtrent, vgl. *hen (volgens n. Ba- 
le van : heinde, hende, hend :z: hand.) 

^omvoamen, vergel. *ofvoamen, 

*omTodden van: ravotten? 

*om weg: ook Friesch. 

on , verbastering van o p , zie OYcn- 
blik. 

onbegripsoam: tegengestelde van *be- 
j^rlpsoam; vgl. onbegrijpelijk bij v. B. 

onbehnlpsoam, zie ^behnlpsoam, ook 
de aanteek. 

^onderdoanen zz beenen , ook bij 
V. Bale. 

onderhen zie *hen en bij r. Bale 
„omheen", dat een germanisme is. 

^onderhuren is Nederl. , evenals on- 
derkoopen. 

*onderliggrer , Ned. onderlegger. 

*ondertied (bl. 549) heeft meestal 
den klemtoon op t i e d ; 't is ook 
Friesch y vgl. Ned. „onderwijl", in ver- 
band ftiet „bij tijd en wijle." 

onderwal i= het onderste gedeelte 
van den wal eener diep gelegen sloot 
of gracht; bij v. Bale benedendeel v. 
e. wal in 't algemeen. 

o nee ? , zie *ja % 

^ongrans, bij v. B. „ongansch" = 
niet gezond, en, als znw., eene lever- 
ziekte der schapen. 



ONGEDOAX 



48 



OPENIJERN 



^ongredoan , Nederl. onj^edaan , ont- 
daan. 
ongredi^vonaren , zie ^onbedwongen. 

^on^el^ bij r. 1). =: «gesmolten vet. 

ooKeliek in : o n «: e 1 i e k wel z= 
niet onverschilliji: wie. 

onjiremak iz: ono:edierte, ook bij r. 1). 

oniiTctal, zie ^on. 

onjoaelk, zie ^allerjonelek. 

oumeajirelkhaid • in : 't is 'n d i n ": 
V a n o n ni e u g e 1 k h a i d , niet den 
klemt, op d i n j? , =: 't is onmoj^elijk; 
///>. ; ein l)in<^ der Unniöp:liohkeit. 

*onneiizel: onnoozel zz tj:erin<r ook 
hij r. Dal e. 

(onrecht in: d' o n r e c h t e kant, 
een «germanisme voor: achterkant. 

ons* voor: onze (enk. en meerv.), 
ook Frieüch, Nederl. alleen bij dichters, 

^ontloaten: ontlaten ook bij r. Dale. 

*outstoan: bij r. 1). ontstaan ook 
^:i missen , vrij zijn van; hiervan: ont- 
.*»tentenis. 

*outstrleden , Nederl. ontstrijden en 
opstrijden. 

^ontzitteu, ver<i:el. *baiern. 

*onvoejfè mal; lil). V.wïw^ z=. wan- 
orde. 

onweer (ïfl). l'nwetter^ zn onstuiniijj^ 
weer (in 't Neder/, veronderd); vjjjl. 
*zwoarweer. 

onxin, zie *biester. 

oogrenblik, zie oyenblik. 

*oo|irendynen , bij r. /).: ooj^endie- 
naar, -diender, -dienst. 

*oosrenkloar, ook bij r. J). 

*ooj(enschien , Jfl). in Anjjenschein 
.z: in oo<<enschonw. 

*'oogcnvet, „oo<2:" ook in die beteek. 
bij r. IJ. 

*ooffwaide, NJ). Angenweide. 

*ooi, ook bij /*. Dale. 

^oonik^V'^l ook hdniskool; voor Van- 
el e r-li II m m e s boort men ook,: V.- 
d.-h. met de k e e z e k u t e n. 

*ooren' (bl. 550), v<rl. *dron|f an. 

*ooriezer, ver<z:el. *-t hoar. 

oorknopkes, zie knopkes. 

*oort '^ , ook bij r. Dale. 

■-•oost, zie ook *oostan. 

oosters, zie *oosterd. 

oostiiraniirers i± pas nit O.-lndië te- 
ru<i:jj:e keerde personen. 



I 



♦op, zie ook *te en v^l. *êMig^ als- 
mede „vinjjer" bij r. Dale; 't heeft 
ook de beteekenis van „bij", „over": 
'k h e b d* r n ij t op n o a d o c h t 
of: op n o a V r o n j? d ; h ij 's d' r op 
te koop west, Nederl. er om te 
kooj) jreweest, d.w.z. is er geweest om 
het te koopen ; ook Drentsck, 

op- , voor werkwoorden, met eenigs- 
zins versterkende beteekenis, bvb. *op-, 
bargen (bij v. 1). ook : opbergen) , 
opbewoaren := het Hl), aufbewahren; 
verjrel. *opbedenken, 

opan , in : d o a r k e n j' net o p- 
a n ! zn dat kun je begrepen ! 't zal 
niet t^ebeuren ! ; 't k o m t mie d' r 
niks o p a n I iz: daarop ben ik niet 
gesteld. 

*opbargren, Nederl. (hoewel niet bij 
r. I)ale) ; ik wist me niet te bergen 
van lachen , pijn , enz. ; zie ook : *an 
zied goan (bbh. 498.) 

opbölken, zie *bölken. 

♦opbollen, bij v. J). „bollen" (3) 
en „opbollen." 

opdooi , opdoolen (o p d e u , o p- 
d e \i e n) iz: het ontdooien van den 
grond. 

♦opdrachtigr (bldz. 550): opdragen 
van kleeren =z bij 't gebruik opschui- 
ven, is een algemeen gebruikelijke 
naaisters- en kleermakersterm. 

♦opdralen, vgl. 't Nederl. „opdraai- 
en", dat ook „boeten" beteekent. 

opdrlft, zie ♦drift. 

open , zie : h o f . 

openboar: 'n openboare 1 e u- 
g e n =z een blijkbare, tastbare leugen: 
het HB. offenbar. 

♦op en del, zie op en neer. 

♦opendop, bij v. Dale (onder „op") 
als gewestelijk. 

op en neer (ook ♦op en del) = 
vertrouwelijk, dageljjks omgaande met 
iemand : op en n e e r m i t 'n a n- 
d e r w e z e 11 , open n e e r g o a n 
m i t ij ni and; vergel. ♦op en of en 
♦ygen. 

♦op en weg (bl. 550), ook ZuidNed., 
maar alleen in de beteekenis: alles 
is opgegeten en de tafel afgenomen. 

♦openyern, waarschijnlijker van het 
Nederl. „opineeren." 



OPHANGSTUKKEN 



49 



OSSEGANG 



ophangrstnkken , zie *sehink. 

"^ophebben, ook bij v. Bate. 

opbokken 9 zie ^bokken. 

♦opbollen (bldz. 551), vgl. HB.: 
da hort (ja) alles auf. 

♦opboogrsel: „opsetsel" in eene Ordon- 
nantie van 1687 (art. I b); in 't Ned, 
„roef of „roof V in beide beteekenis- 
sen; vergel. bek. 

opkennen, iron. in : 't k è n n ij t 
op!, bvb. wanneer iemand veel uit- 
gevraagd wordt, en omgekeerd, als 
Iemand tegenspoed ondervindt : h ij 
ken de pret wel op! (beide ook 
Nederl., doch 't eerste in ruimeren zin;) 
met het laatste is gelijkbeteekenend : 
hij 's veur zien plezijer oet! 
of: doar het'r nijt te veul an! 

opklounen, zie *klonn. 

♦opkoken ook bij v. Bale. 

♦opkomen, in: nou ken ik d' r 
veur opkomen z=. nu heb ik de 
zorg, de verantwoording, de schade, 
enz., vergel. noakomen. 

♦opkriégren (bldz. 310 en 551) ook 
elders; bij v, Bale: hij kan het niet 
op z= hij kan van zijne verbazing niet 
bekomen. 

♦opkrösen, Nederl. opkrassen; vgl. 
*krös en „op karren" bij v. Bale. 

♦oploaten: in denzelfden zin „opla- 
ten" en „opblijven" bij v. Bale. 

opmennen, zie ♦mennen. 

opmoakersbondel, zie ♦kea. 

opmaiten, zie ♦muiten. 

opnemen :=z kosten, vorderen, noo- 
dig hebben ; bvb. in: 'tnemtnog 
a 1 o p (vgl.: a n 1 o o p e n 2); zoo n e- 
m e n zure appels bij 't stoven veel 
suiker op; in dezelfde beteekenis : 
d'r gait drei el tou. 

^opnenker, vergel. ♦anwaisel. 

oppe, zie obbe. 

oppertear, (JFkw.) voor ^oproatenr, 
vergel. bldz. 551. 

oprakken, (JFkw.) voor ♦noarakken. 

opree, zie ♦drift. 

♦oprit, vergel. v. Bale. 

♦oproateur (vgl. bldz. 551^; zoo ook 
elders „operateur", en niet altijd on- 
gunstig. 

♦oprukken , Nederl. inrukken , uit- 
rukken. 



♦opsebeept, Nederl. opgescheept en 
opschepen. 

opsebrieven •=: schriftelijk opzeggen 
of afzeggen; bij v. D.: afschrijven. 

opscbutten =: opsluiten, vooral die- 
ren ; vgl. 't Nederl. schutten. 

♦opslag ook :=. de uit een sloot 
opgegravene en op den wal gestapelde 
aarde; zie ♦ossegrang: (bldz. 552.) 

♦opsmieten, vergel. ♦oetsmieten. 

♦opstait, vgl. ♦stee. 

♦opstoan, zie ook ♦opstait. 

optakken , zie : o f t a k k e n. 

♦optrappen: v. Bale noeimi , onder 
„stoep", het woord „optrapje." 

*optrekken, HD. erziehen, 

opviygren z=. opvliegen, in: je v lij- 
gen hier op van tocht, en zoo 
ook figuurlijk : 't vlocht hier op 
van muggen, vandrokte, enz.' 

opvrQzen -=. uitzetten of opgelicht 
worden door den vorst, waardoor bvb. 
hekken en deuren niet willen sluiten; 
ook het bevriezen van regen- of sneeuw- 
water op den bodem , bij o p d o o i , 
doordat de grond langer koud blijft 
dan de lucht. Eigenlijk dus navrie- 
zen, zooals zulks bij ijzelen plaats 
heeft. 

opweg: m oprijweg; vergel. ♦drift 
en bij v. B. „afweg", dat eigenlijk een 
germanisme is voor: zijweg. 

opzetten = opofferen , ten koste 
leggen , altijd door b i e gevolgd : h ij 
het al zien geld bie zien 
k i e n d e r opzet; bij v. Bale o.a. 
iz: wagen , op 't spel zetten. 

♦op zitten, ook bij van Bale onder 
„zitten"; hiervoor ook : dat z i t 'r 
altied an, of: an vast. 

♦ör: door ten Boornk. wordt bij „ur" 
nevens „Oor" ook vermeld ,^Ortsteift"; 
deze woorden komen niet bij Grimm 
voor, 't laatste echter bij /. C. Adelung. 

order z=. ♦odder. 

♦ornoarie: „ordinaris" in 't Nederl, 
der 17e eeuw =. gewoonlijk. 

örre, een schertsend woord tegen 
kinderen : örre,flaare, dron- 
ken Triene! 

*osseg:ang:, volgens sommigen oor- 
spronkelijk „hostiegang" z=: weg voor 
de geestelijkheid, ^ 



OU 



50 



PAPS 



*oa: vgl. J^^.how, cow, met ons 
hou, kou. 

ovenblik :=: oogenblik ; 't i s 'n 
ovenblik zoak (klemt, op z o a k) 
zz 't behoeft slechts een oogenblik te 
duren, 't is 't werk v.e.o.; zal eigenlijk 
zijn: oogenblikszaak; voor „op 't oogen- 
blik" hoort men wel eens on 't oven- 
blik of ook om 't ovenblik, 
evenals op 'npad of o'm pad 
voor „op pad" (pad was vroeger raan- 
nel. en ook hoort men wel eens: op 
de pad); vergel. ^abslaut. Omgekeerd 
spreekt men van o p ('n) b o s c h ö p 
voor 't Nederl. om eene boodschap. 

OTend zz oven. 

*OTer, zie ook *OYer-mag:sren en : 
k r i e g e n. 

OYeriil (bijw.) z=. door elkaar, in de 
war. 

OTerklhoalen = door elkaar halen. 

*OYerbeterii , ook ironisch , voor : 
vervallen van een plan enz. 

over dflp, zie *körteiis. 

overeers^en zz *meetjeii, en fig. 
iets uitstellen , ten einde iets anders 
„eerst" te doen; in dat geval spreekt 
men ook van eerstjen, zie ald. 

OTergreveii, voor *t Ned. „opgeven", 
in twee beteekenissen : bloud over- 
geven (vergel. *bloudspeleii) en: ik 
geef 't over zz ik geef bet op, ik 
geef het verloren; in de laatste betee- 
kenis echter ook bij v. D. 



*OYer-groaii =. behandelen, behee- 
ren, ook bij v. B. onder „gaan." 

overgroan , in: 'tgait over z=i 
ze komen niet meer , enz. en ook : 't 
zal niet gebeuren, ik verbied het; 't 
omgek. van : a n g o a n ; zoo ook : 
'tmoutmoar overgoan iz: we 
zullen 't maar niet doen , enz. 

over hals zz verloren, verbeurd; 
zie ^koa. 

overlan^en, zie ^anlanjiren. 

OYerloopersveers , zie ♦veerze. 

overnys =: op nieuw, elders ook 
wel : o ver nieuws =z vannieuws. 

*OTerstaar, ook bij v. Ddle onder 
„stuur." 

overtoakomen : d'r overtouko- 
m e n =z toevallig ter plaatse komen 
waar iets gebeurt, iemand betrappen, 
verrassen of overvallen, er op af ko- 
men; elders: er op inkomen. 

overtugreng: : in overtugeng 
zitten zz in gedachten verzonken 
zitten, voor zich heen staren. 

overwinnen, zie ^doezend (bl. 512), 
bij V. Bate ook voor : kinderen ver- 
wekken. 

overyn , in overijn oetkomen 
zz op 't zelfde neerkomen : men zegt 
echter in 't Nederl. ook : over één uit- 
komen. 

OTerzQn izz door de vingers zien ; 
van Bale beschouwt „overzien" in deze 
beteekenis als verouderd. 



p 



pad in o p *n pad, of: o 'm pad en 
bie 't pad zz an de loop =z op 
weg (bij V. Bale: op pad en op den 
loop) ; zoo ook i e n 't pad, voor : 
in den weg , maar oet de weeg 
voor: uit den weg; verder de zegswij- 
ze: ie kennen 't pad wel warm 
hollen! als iemand dikwijls heen en 
terug denzelfden weg aflegt. Bij van 
Bale: de baan warmhouden zz voort- 
durend op schaatsen zijn, ook figuurlijk 
zz voortdurend werken. Vgl. ovenblik. 



*pail: „geen peil op te trekken" 
ook elders. 

*pak, vergel. ^pakje, bij v. B.: van 
't zelfde laken een broek. 

pakjen, zie ^koopmantjen. 

^palmsla^ , bij v. B. alleen als ver- 
ouderd Znldnederl. vermeld. 

*paltrok , bij v. B. ook zz pelgrims- 
rok , pelgrimstabbaard. 

*panjevisch, vergel. *katjevi8. 

^pankoak, vergel. *rieten. 

paps, zie *g:örrel. 



PARLEVINKEN 



51 



PIETHOAN 



*parleYinkeii : nog tot ongeveer 1870 
werd te Amsterdam Vechtwater aange- 
voerd in schuiten- die evenals hunne 
schippers „parlevinkers" werden ge- 
noemd. 

parlnu, een in de stad Groningen 
en 'tWesterkw. veel gebruikt woord, 
is ontstaan uit p a r t e i 1 u u. 

*part (bldz. 552): om mien part, 
ook wel : om mie, luidt in het Ne- 
deHandsch : voor mijn part, 

*part; Zuid-Afrikaansch: partij keer 
z=. soms , en : partij 3z sommigen. 

^paskwil, ook bij v. B., eigenl. —. 
schotschrift, pamflet. 

*pa8 op (klemt, op o p) komt in 
deze beteekenis ook elders voor; hier- 
bij o.a. : pas op as'twoar is! 
n: gij hebt het mis! 

^passen, zie ook ^oppassen (bldz. 
551.) 

^pastelain: „pastelein" en „porse- 
lein" zijn ook elders voor „postelein" 
gebruikelyk, in de botanie is zelfs 
„pastelein" 't gewone woord. 

*peerd, vergel. *g:eTen (ook de aan- 
teek.) en *zit, alsmede: t o a 1 s m a n; 
voor de vergelijking op bldz. 166' I 
17 V. o. hoort men.ook wel: 'nkoors 
as'n peerd, evenals in 't Fransch : 
une fièvre de cheval. 

peerspal, zie *spil. 

peertjetoom (JFkw. p i d 't j e t o o m): 
speelgoed, door kinderen van pijpe- 
stelen en kastanjes vervaardigd; ge- 
vormd als : „g a t j e p a n", „h o a s- 
k e j o a g e n", t o e t j e 1 a m p. 

*peg:el, bij van Dale z=. maatknopje , 
merk , , ook HD. 

^pendam , Eng.: „pen" 1= hok, perk; 
„to pen" zz: opsluiten. 

^penningrzestien 9 „op de penning- 
zestien" ook elders. 

pens (spreek uit : pens), zie *lap- 
pen 1 (bij v. l). „op zijne pens.") 

^penterlendigr , vergel. *krik en 
*krebentigr. 

*perdoes: bij t?. D. „pardoes" en 
„perdoes", verbastering v. „par Dieu!"; 
in ^i HD. heeft men: pardauz , pardooz, 
parduz. 

perfester (vooral StadGron.) =. pro- 
fessor; vgl. pertoal. 



*perfletertje, bij v. D.: profijtertje. 

^permantegr: bij v. B. parmantig = 
deftig (Spaanach: par amen to üz tooi.) 

per nood = in geval van nood, 
desnoods. 

*persieske 9 natuurlijk van : precies. 

*per8tee kan ook verbasterd zijn uit 
„per se." 

pertoal of p'rtoal (vgl. *brfltoal , 
bldz. 508) n: brutaal : metathesis als 
in de woorden : perbijern, per- 
fiet, perzon, persieske, 
k e r d i e t. 

*petrolie, bij v. Bale ook: petrolie 
en peterolie. 

Spetten, Eng. peat m turf, veen. 

*petaar ook in: twei tegen ijn 
is g ij n p e t u u r ; vergel. *mooren. 

*peul, bij V. Bale: peluw, peul, 
peuluw; HB. Pfühl. 

*peuterii, in de eerste beteekenis 
ook bij V. Bale. 

^peazeln, bij v. B. i. d. eerste bet. 
en ook ■=: talmen, dralen. 

*piebeziedjen (gevormd als het synon. 
*kroepbeziedjen) is in Hunaego zeer 
algemeen ; in 't Wkw. spreekt men van 
^bekroepken; ver gel. *piepen 2. 

*piejekker, bij v. Bale: pij jakker. 

*plek ; de zegsw. 'n b r ij d j e enz. 
herinnert aan het oude bijgeloof, dat 
men iemands leven kon verkorten door 
een betooverd en met zijn naam ge- 
doopt houtje in 't vuur te werpen. 

*piel bij V. Bale :=z jonge eend. 

pieleman zn penis ; zie : k r u 1 e. 

*pielen: „pijlen" hiervoor ook elders. 

*plelter; vergel. het Nederl. pijler. 

^pienappel : waarschijnlijker door 
volksetymologie verbasterd uit (bouwk.) 
pijnakel , Fra. pinacle , Lat. pinnacu- 
lum =: top. 

*piene: Fransch peine 1= moeite. 

*piep (zooveel als : rookpijp) zie ook 
^smoken (deze zegsw. ook bij v. B.) 

*piepen 2: v. Bale geeft de woor- 
den „kiekeboe" en „piebeu." 

plepken, zie *piepen 1. 

plepkörf z=. pijpenmand. 

pieproai, zie ^piont. 

*pierekul, vergel. *wlri» (bl. 579.) 

piethoan , zie *piet; het woord heeft 
hoogstens in de drie noordeligke pro- 



PIET8KE 



52 



POOTSCHELING 



vinciën eene obscene beteekenis: te 
Deventer o.a. treft men den ei«j;ennaani 
Piethaan aan en niemand vindt dien 
vreemd. 

*pietske, zie ook *piedske. 

pieuwke := *pienwel. 

*plgr, bij V. D, (Zuidnederl.) : pej^:. 

pik , zie : pip en *plkkeduuster. 

^pikkedaaster , vergel. ^balkedans- 
ter ; „pikkedonker" ook elders. 

pikken =. mikken, en ook zz: kle- 
ven. 

*pikkerg:, s'^ie ook ^baks. 

pil, pllle z=z dikke boterham: 'n 
g u i e p i 1 1 e : bij r. i). alleen Zuid' 
nederlandHch, 

^pinken, volgens r. Bale van „pink" 
als vaartuig. 

^pintheaker, vergel. *heukergr enz. 

*ploiit , vergel. ÈB. Binse. 

*ploot (bl. 553), elders: piot, piot- 
ter, pioeter; bij r. Dale „piot" iz: 
scheldnaam voor „soldaat." 

*plp: HB. Phipps, Pipp, Pipps; 
„h ij het de pip (ook : pik) we g" 
beteekent ook: hij is smoorlijk verliefd, 
elders (min gunstig) : 't spek weg heb- 
ben. 

plalt , zie *recht. 

^planketten, vergel. "^stranketten. 

^plantelt , vergel. *pl€ntle. 

*plat, zie ook bldz. 107 I midden. 

^plattenbörgr (bldz. 554), elders, o.a. 
bij Arnhem, is Plattenburg de naam 
van een buitenplaats. 

plemuarsel, bij v. Dale „plamuur- 
sel"; onze ververs bereiden het uit 
runderbloed, krijtwit en gezoden olie, 
en wenden het vooral aan om een ef- 
fen oppervlak te verkrijgen: elders 
plamuurt men met loodwit, menie en 
olie, waardoor het hout tevens voor 
bederf wordt bewaard. 

*plentie, vergel. ^plantelt. 

^ploatSf zie ook *stee 1; bij r. Da- 
le: plaats zr buitengoed of \dlla (in 
deze beteekenis in Holland zeer alge- 
meen en ook =z erf); voor het Gron. 
p 1 o a t s z= boerderij , zegt men o.a. 
in Zuid-Holland ^^^i^^^' \ men vergelijke: 
hofstede en: ridderhofstad en 't UB. 
Statt en Statte; „boernplaats" ook Gel- 
der nek. 



*ploat8toof: juister, zooals bij v. D.y 
stoof met verlengd ondervlak. 

piöklioar of plnklioar : i e n n e p 1. 
gooien = ^kwoad-hoar-seheoren. 

plompen , zie *plomp. 

^plaksohnld, vergel. *klfksehiildeii 
(bij r. 1). kladschuhl.) 

*poapkallen: 't EngeUch „killow" 
is een delfstof; Nederl. reuzenmop- 
pen. , 

*poatoat«r, zie ook ^petoater en 
*poeIpetoater. 

pochai, zie ^poehai. 

poeke =: poesje, zie *moeke. 

♦poelpetoater: bij n. Dale: poelepe- 
taat en poelepetane. 

poeps = Westfaalsch, zie *poep. 

*poes, zie ook ^poesen en ♦poes- 
mooi. 

*poesen, vergel. *poe8tert. 

♦poespas, bij r. Dale :=. rommelzoo. 

♦poestert , zie *poesen : 't woord zal 
van ♦poesten afgeleid zijn, daar kin- 
deren zich vermaken met de zaadjes 
van den stengel te blazen. 

poetie: liefkoozend woord, vooral 
tegen kinderen ; Nederl. (gemeenz.) 
poetje ; misschien het HD. Putte nr 
gebeeldhouwd kind of engeltje , en dit 
weer van 't Ital. putto. 

♦pöffe (bldz. 554): 'n s i s en 'n 
p ö f iz: veel geschreeuw en weinig 
wol. 

♦poffen, bij v. Dale (gewestel): be- 
schuitbolders. 

♦poike (paaike), vergel. ♦moeke. 

pokdelliiir, zie ♦mottergr. 

♦pölstok, vergel. ♦koar. 

♦pomdammen , misschien : pommes 
d' Adam. 

pompier, zie ♦pampier. 

♦pönningr, vergel. ♦achterbinde. 

ponsmelk, zie eng'else pons. 

♦pönter , vergel. ♦teimen en ♦pön- 
ning. 

*Pontes-Filates: ook vermeld bij Iaiu- 
rillard, Bijbel en Volkstaal. 

♦poos , vergel. ♦toer 2 (ook de aan- 
teekening.) 

♦poot: bij V. Dale „jan-poot-an" zz: 
keukenpiet. 

♦pootschelinj? , in geschrifte : poot- 
schijfling. 



POPHOALSTER 



58 



PUNTJE 



^pophoalster, vergel. ^kinderhoalen. 

*pör (1); bij van Dale : puit =: 
kikker. 

*pörk, vergel. *börk. 
porre Yilder :=. stomp mes; vergel. 
*pör (1 en 2.) 

♦post, bij V. Dale =z deurstijl, van- 
daar: deurpost. 

pöt, zie *pötje; pöt is de bijnaam, 
dien 't jongste dochtertje in een boe- 
rengezin op 't Hoogeland, als zij tevens 
het jongste kind is, dikwijls behoudt 
tot zij geheel volwassen is: zij is dan 
nog altijd 't potje. 

*poteten , meer algeijieen in enge- 
ren zin gebruikelijk voor: groente en 
aardappelen , met of zonder vleesch , 
door elkaar gekookt, ook eten-deur- 
mekander (ook elders : eten-door-elkaar) 
genoemd en vooral winterkost, vergel. 
♦hutspot; zie ook *absört. 

♦potje : 't potje 't gat likken 
= zich een pas of nog niet lang ge- 
leden geboren kind door de baker 
laten zien: natuurlijk kost dat een fooi. 
potjespal, zie ♦bflgooi. 
potoetslikker , zie ♦laiter. 
potrik: een latwerk, meestal in de 
buitenlucht , waarop potten en pannen 
kunnen uitlekken en drogen, vergel. 
♦brederik. 

♦potschip , bij V. Dale : pottenschip , 
pottenschuit. • 

♦potschlpper : oudtijds had dit woord 
een geheel andere beteekenis. In 
1661 o.a. wordt gesproken van sche- 
pen „potten" of „pointen" geheeten , 
in 1675 van „potschipperen" en in 
1677 van „potman", „potschipperen", 
„pontschipperen." Zulk een „potman" 
heette ook „buitenman", omdat hij 
over zee kwam, in tegenstelling van 
den „binnenman", die alleen de ka- 
nalen bevoer; sedert 1784 echter was 
„potschipper" de algetieene naam voor 
eiken turf- en ook vuilnisschipper. De 
oorsprong van 't woord „pot" of „point" 
is ni€t bekend: beide vormen kunnen 
verbasteringen zijn van „pont", dat 
echter juist in 1661 nog niet voor- 
komt; vgl. ook 'tNed. „punter." Zie: 
Trip, De reiniging der Had Groningen, 
bl. 240 en verv. 



♦potTerteren bij v, Dale als znw. en 
vergel. aldaar „pot." 

poul =: peul ; zie ♦poel. 
prailen (StadGron.) ■=. elkaar krui- 
sen van brieven, eigenl. i= praaien. 
♦prak, ook meer algemeen voor groo- 
te massa: 'nprak snei; vgl. ♦prak- 
sel 2. 

praktiek in: praktiek is bie 
de mens! zn de mensch is vinding- 
rijk! (vgl.: practica est multiplex); 't 
komt overeen met bldz. 131 II: gijn 
loozer goud asmenschen. 

♦pran , ook m troep , zie ♦poazen; 
vergel. ♦körtYOur. 
prik, zie *botprik. 
♦prikje: bij v. Dale prik en prikje 
zz: nietigheid. 

♦prikken (bldz. 555), alleen gewes- 
telijk in de beteekenis van prikkelen 
of pijn doen (steken) van wonden , 
overigens Nederlandsch. 

prip m een puntig voorwerp, voor- 
al de punt van een t o p of priktol (bij 
V. Dale: prik); is zulk een punt van 
een els of priem gemaakt dan spreekt 
men van 'n elzen prip. 

♦proat: proat is niks (bldz. 
555) ook = men mag zeggen wat men 
wil; „praatjes vullen geen gaatjes" ook 
bij V. Dale; voor het Nederl.: „aan 
den praat houden" hier: in de proat 
hollen, vgl.: a n. Zie ook ♦dingen, 
ook de aanteek. 

proel, zie ♦proels en ♦proostigr. 
♦proemén, vgl. ♦boonen; zie ook ♦roegr. 
♦proemke(n) , vgl. ♦sloatje(n). 
♦promoters, vergel. ♦kroaters. 
♦proppen (bldz. 337 en 556), vgl. 
♦lap , (ü. Dale heeft : weer op de lap- 
pen komen i3 herstellen.) 
♦proppend: Nederl. propvol. 
proten, zie ♦proat. 
p'rplnu zz parapluie; ook hoort men 
het elders eveneens bekende „parrela- 
pluu." 

p'rtoal n: brutaal; zie pertoal. 
♦puil, vergel. ♦puut. 
pukkel, zie ♦pokkei. 
♦puien, bij v. Dale: pulken, men 
denke ook aan „pellen" en „peul." 
♦punter , Fransch : pupitre. 
pun^e 9 zie : puntjes. 



PUNTJES 



^4 



REUT 



^puntjes, ook enkelvoud: 'n punt- 
je an zoegen. 

pntsteenen, zie kielpatsteenen. 

potter 9 zie ^doenigrhald en vergel. 
V. Dale. 



patterdlstel : volgens van Dale in 
Qroningen een soort van distel. 

Pflter, zie ^pytsnöt. 

^pQtsnöt: „met den mond vol tan- 
den staan", ook bij v. Dale. 



R 



r: deze letter wordt l in ^aierdool, 
*bagrgr6len (zie dat woord), *flambo- 
zen en in *wel =: wie (van 't HB. : 
wer); omgekeerd verandert de ^ in r 
in 't woord arkeneerwortel (radix al- 
cannae) en 't zelfde heeft plaats in 
*karmswortel. Veraudering van r in 
d in *böddel en *odder en omgekeerd 
in *ber (zie aldaar.) Inlassching van 
r in *vernienig, sterdent (m student) 
en *Yerziete; met verdringing van de 
t in fersounlk of verzounelk m fat- 
soenlijk. Geheele weglating in *kees- 
köst z= kaaskorst; *koat :=. kaart; 
Töt (voor: *Tört) 1= voort, dadelijk. 

*raai, Engehch. rye-grass; zie ech- 
ter raygras bij v. Dale. 

^raapstelen : ook bij v. Dale. 

rabbelkoanes of rappelkoanis = de 
romp van een gebraden vogel , wan- 
neer die nagenoeg van 't vleesch is 
ontdaan. 

*rad {:=. wiel), zie ook *roadeii en 
♦jakkern. 

ragrgren = ♦rachen. 

raif (Fivelingo) z=l *rflTe. 

*raike , zie ook : z i e g e z o i e n. 

*rap (van schroeven), Nederl. „lam"; 
ook noemt men een noot rap als de 
beide helften van den dop niet vast 
aan elkaar sluiten en zij daardoor een 
rammelend geluid geeft; het woord kan 
van ^rappeln komen of een begrips- 
wijziging V. h. Ned, „rap" (zz vlot) 
zijn. 

*rap en roet: beide woorden betee- 
kenen „schurft", vgl. rap 2 bij v. D. 
en *raterzalf (vooral de aanteek.) 

rappelkoanis, zie rabbelkoanes. 

*recht, zie ook *docht. 

redgrerregrt : een heerlijk recht ; zie 



o.a. Kremer, Beachrijv. d. Prov. Gr on., 
Ile druk 2e stukje bldz. 25, en vooral 
het Register van het Archief van Gro- 
ningen door H. O. Feith. 

♦redkain, vergel. *rekenkam. 

*redsoam ; men leze : o n b e h u 1 p- 
s o a m zz: onredzaam, onbeholpen of 
onbehelpelijk ; een Nederlandach woord 
„redzaam" schijnt niet in gebruik ; 
vergelijk verder ♦behnlpsoam , vooral 
de aanteekening. 

reemter, reimter, zie: reventer. 

*reeuw ; bij v. Dale = allerlei huis- 
gereedschap (in Friesland.) 

regren zn regenen, zie *blad. 

refle = *rele (bldz. 557.) 

reimter , zie : reventer. 

Reitdiep, zie *ralt. 

roek, bij v. Dale = lengte, eind 
wegs, afstand. 

*reken 1: Eng. to rêckon; n ij t ro- 
kend worren ook = ni^t in tel 
zijn, vergel. *reken 2. 

*reken 2 ; hierbij ook: dat h e b 'k 
niks ien reken •=. daar geloof ik 
niets van, daaraan hecht ik geen 
waarde. 

*rekken , ook in reiken : d' r n ij t 
b i e (of : n ij t a n t o u) rekken 
kennen,, zoo wied nijt rek- 
ken kennen; zoo ook : 't n ij t 
ofrekken kennen (klemtoon op. 
rekken.) * 

*rekker: bij v. Dale „rek" -=. veer- 
kracht. 

remalen (rammeien) zz stooten: h o u- 
gen en remaien n: slaan en stoo- 
ten (van paarden.) 

remke, zie *roode remke. 

*rea, bij v. Dale rz mannetjeshond. 

*reat, vergel. *roffel en *rakje. 



REUTELN 



55 



RONDETERSPLOATS(E) 



*reateln, Nederl. reutelen en reve- 
len, vergel. *dwelmen. 

*reYenter (ook MHB.): te Gronin- 
gen meestal samengetrokken tot reem- 
ter of reimter; enkele zalen in 't 
kasteel Marienburg in Oost-Pruisen 
dragen den naam van „Remter." 

rezenyern (van 't Fransch „raison- 
ner"), zie *redeuflern. 

ribbeliniir, zie ^gruine ribbeliniir ; 
„ribbeling" ook bij v. Bale. 

ribbesehier zz *rlbschler, vergel. 
*Yoazel. 

*richtelbflr, vgl. ^kindelbier. 

*rid 2, vergel. *Toart. 

rief, zie ^rieve; Nederl. rijf, rijven, 
in beide beteekenissen. 

*rieg:e, vergel. *hok-op-riesr ; voor 
„rij" heeft men ook „regel"; Geld. „op 
rij" -=2 achtereen. 

*riek (bl.557): deze zegsw. ook elders. 

Rieks m Henderikus (nooit voor: 
Frederikus), is te vergelijken met „Dirk", 
van [Dijderikus. 

riesterken m *riestern, vergelijk 
ook *diksiiitteren. 

*riet, in geschrifte: rflt, rflte. 

♦rieven, vgl. HB. reiben en rief. 

*rigrgel: Nederl. richel =: lat, lijst. 

Kikkert Tmannennaam) zz Richard. 

*ritnal: zie „ritnaald" bij v. Bale. 

road , in: isgijn roadtoum 
goede raad is duur , enz. (letterlijk : 
er is geen raad „voor"), vergel. *le- 
vendig; „geen raad weten" wordt hier 
wederkeerig vervoegd, vooral in de 
beteekenis van: zich niet weten te 
bergen, bvb. 'k w ij t mie g ij n road! 
'kwijt mie gijn road van kop- 
zeer t e. Op bldz. 484 II midd. is 
deze vorm verkeerdelijk als Nederlandsch 
beschouwd. Merkwaardig is ter ver- 
gelijking de regel „daz er sin selbe 
rat ne weiz" uit het MHB. gedicht 
Eneity v. Heinr. v. Veldeke^ uit het jaar 
1189; intusschen komt „'k weet me 
geen raad" enz. ook elders in de spreek- 
taal , natuurlijk evenzeer met beperkte 
beteekenis, voor. Vergel. *begriepeii 
(bldz. 500), ook de aanteek. 

^roakeldobbe , vergel. *askedobbe. 

*roakeii, ook in: dat kenj' zoo 
krek nijt roaken z=. niet zoo 



precies berekenen; vgl. *dearsehyteii. 

roaken, als meerv. van *rak, zie 
dat woord. 

*roam en *roamen: bij v. B. „raam" 
•=: juiste richting, „ramen" =z mik- 
ken; vandaar ramen, raming zz schat- 
ten, schatting. 

roar , met ongunstige beteekenis , 
bvb. roar oetkomen zz leelijk 
afloopen , 'tliekt mie roar (zz 
bedenkelijk, verdacht) tou, 'tbegunt 
mie roar (zz slim) te verve- 
len; vergel. *döl en : a 1. 

♦roazen, zie ook *g:oezeii. 

*robbig, Nederl. hobbelig. 

*roef! (bl. 558), ook bij v. Bale. 

"*roegr: ruig := ruw, onbeschaafd, 
ook bij V. Bale. 

roegrewitten , zie *elfring:en. 

roegvrflz'en zz vriezen waardoor rijp 
ontstaat; elders: ruige vorst. 

roekholt zz een eigenaardig rieken- 
de houtsoort, voor de vervaardiging 
van rookpijpen gebruikt, (Weichsel- 
hout , Weichselroer.) 

*roem, *roemeii (en s t u k) ook bij 
V. Bale. 

*roep, bij v. Dole: rijp zz rups. 

roet, zie ront. 

*roet (*ruüt), vgl. *rap en roet (ook 
de aanteek.) 

roetens , zie : s c h u p p e n s. 

*roflfel, vergel. *reat en *rakje en 
zie ook : s t e u t. 

*rö|f grein , bij v. Bale : ruggelen. 

rollebol: een draaibord voor hazard- 
spel op dorpskermissen ; 't is niet het- 
zelfde als ^sjandoedelkan. 

*rolloag: : bij v. Bale rollaag ■=. rij 
steenen boven een muur. 

rolpetr^on, zie *kezoan. 

^romp, vergel. *malkopt. 
*römpeln, vgl. ^i). rumpeln iz schud- 
den , stommelen , en het Nederl. over- 
rompelen. 

ronde, zie *enom en *in H ronde, 
ook de aanteekening. 

ronde moat, zie *spint en rondvoL 

ronde tersploats(e) : nog in de eerste 
helft dezer eeuw had op sommige 
plaatsen in deze provincie de school- 
onderwijzer geen vaste woning, maar 
vertoefde beurtelings, bvb. 8 dagen , 



KONDOM 



5« 



SARRIE8 



bij (Ie ouders der verschillende leer- 
lingen; zulk een onderwijzer had dan 
een rondetersploats. 

*rondom 2: Wkw, rondsom, rönz^m. 

*rond stoan; elders, o.a. in Over- 
ijsel, hoort men: „als ik dat rond- 
kryg" •=. als mij dat gelukt ; ,/t loopt 
rond" == het sluit, het marcheert. 

rondvol iz: boordevol of opgehoopt vol. 

♦rongr : by v. 1), een der vier staande 
sporten v. e. wagenladder. 

*ronselii (bl. 559), bij p. D.: ronselen. 

*roodhoiid: „roode hond" is een over- 
al hier te lande bekende huidziekte, 
maar geen roodvonk, evenmin als 't 
Hl), Rothlauf. 

^roodsehonk, by r. Dale zz rister 
of duizendknoop. 

♦rooi : an (Ie rooi wezen in 
rinkelrooien. 

♦rook; vgl. Nederl. (hoewel niet bij 
V. Bale) ; onder den rook van de stad. 

♦rooken, vergel. ♦Hjgren. 

rookrlQs, zie *nosgrelholt (bl. 545.) 

♦roomslak, vergel. *botterklitse. 

*roop: Eng. rope. 

*roos, ook (evenals elders) voor het 
afschilferen der hoofdhuid , vandaar 



het euphemisme ^loopende roos. 

♦roppen ook = het plukken vun 
gevogelte voor de keuken. 

ros =. slaag, Nederl,: ros, zie 
Mappen 1. 

*rö8t, eigenl. iz: roest. 

Rotterdammer, vergel. *8lem. 

♦rouf, Eng. roof i= dak, bij v, 1). 
„roof of „roef = schuin deksel van 
een doodkist, bovendeel van een klomp. 

*roak, zie ook *niik. 

rout (ook: roet), zie *roak. 

ruder-op-peerd , raderspeer, mter- 
sporen: zie bldz. 559 II. 

♦rukje, vergel. *reat en *roffel; bq 
V. D. in een ruk (=: in een oogenblik.) 

*ninnen, Nederl. rennen. 

*niterzalf : bij v. B, ruit z= schurft, 
ruidig •=. schurftig; vgl.: rap en roet. 

♦momstroatsklokje : zoo heette ook 
de kleinste der ner klokken in den 
Martinitoren , gegoten in 1764. Zie 
Gron. Volksalmanak 1895, bldz. 181. 

ruut, zie *roet. 

*rflden, vergel. ♦anred en ♦y^enred. 

*rfls : naast „z e g ê s" ook z e g r' s,* 
bij V. B. (gewestel.): ereis. 

ryt, rflté, in geschrifte voor: *riet. 



s 



*8 wordt o.a. ingelascht in : als te, 
veuls te, tegenswoordeg, die 
echter alle drie ook elders voorkomen, 
zie verder bhlz. 408 II onder. Als 
meervoudsuitgang heeft men s waar 
het Nederlandsch „-en" heeft, bvb. 
arms, roams; vooral heeft dit 
plaats by woorden op „-m" en „-i"^" 
(deze laatste uitgang wordt dan en of 
valt geheel weg), terwyl bij de namen 
der letters het omgekeerde plaats heeft, 
zie bldz. 516 II onder; in *t Nederl. 
is „bladers" en „vensters" gewot^n, 
„bladereu" en „vensteren" zeer def- 
tig, terwyl bij andere woorden, als 
„lam", „kind", de uitgang „-eren" 
een menigte aanduidt ^collectief.) 

*8aelis, bij r. Bale: zachts. 



♦saks ook z= ^saehs. 

♦sangen: Fransch sanguin. 

♦santement, Fransch: sentiment. 

*sarries, verbastering van ehereher 
(aldaar wordt verkeerdelijk de aflei- 
ding van „charge" =z belasting, op- 
gegeven), welk laatstgenoemd woord 
reeds omstreeks 1650 voorkomt , o.a. 
in de „Ordonnantie op 't Ghemael", 
waarvan art, XV luidt: „By een yder 
Molen in Stadt ende Lande staende, 
sal een Huys by de Provincie ghetim- 
mert, ende een Cercher by de Heeren 
Gedeputeerden gestellet ende geeedight 
worden." Daarna volgt de „Instructie 
voor de Cerchers ofte Opsichters van 
de Meulens in Stadt ende Lande" en 
i verder de „Instructie voor de Cher- 



SARRLtóSKLEURl) 



57 



SCHIETIEM 



chers ofte Collecteurs op Delfzijl, Ter- 
munterzijl ende de Soutcamp ," van 
684, — alles te vinden in: Flaccaei 
enz. op de Generale Middelen enz.^ 
gedrukt te Gron. in 1661 en later. 
De spelling „cercher" is de oudste, 
daarnaast komt „chercher" het eerst 
voor in 1676. — De oorsprong van 
het woord zal in het Oud-Fransch moe- 
ten gezocht worden. In: Godefroy, 
Dictionnaire de^ V anc. langue frayigaUe, 
komt voor het woord „cercheor" (ook 
wel gespeld „sarchier": vandaar s a r- 
r i e s), met de latere vormen „cerchier", 
„cercheur", „chercheur" zz: controleur, 
inspecteur. Reeds in de 16e eeuw 
komt „chercheur" in die beteekenissen 
in 't Fransch niet meer voor: men 
denke er aan, dat de woorden „recher- 
che" en „rechercheur" ook thans in 
Frankrijk in veel uitgebreider en alge- 
meener beteekenis worden gebruikt dan 
bij ons. — Bij Stallaert , Glossarium va?i 
verouderde rechtstermen enz, komt voor: 
„Cerchers" nz tolkommiezen , tolbe- 
ambten: Place. v. Brabant 1623; — 
't was dus reeds vroeg in Zuid-Nederl. 
in gebruik en is waarschijnlijk door 
een van daar afkomstigen ambtenaar 
naar hier overgebracht. Merkwaardig 
is het, dat het woord buiten onze pro- 
vincie niet schijnt gebruikt te zijn , 
daar 't bvb. in Drentsche stukken niet 
voorkomt. — Met *saiTies vergelijke 
men voorts het Engelsche woord „sear- 
cher" (uitgesproken „sörtsjer") , dat 
ook visiteur van schepen kan beteeke- 
nen ; 't is duidelijk, dat dit woord met 
het Fransche „chercheur" taalkundig 
ten nauwste is verwant. 

sarrieskleard : s a r r i e s k 1 e u r d 
g o a r e n n: zeker donkerblauw ge- 
kleurd wolgaren: waarschijnlijk genoemd 
naar de kleur van sarge of serge (ze- 
kere gekeperde wollen stof.) 

*sas-, bij V. Dale: vuurgevend meng- 
sel. 

^schabrak: y,HB. Schabracke" zal 
alleen door overeenkomst in klank 
hiermede in verband gebracht zijn , 
waarschijnlijk is het woord een verbas- 
tering V. 't Nederl. „])arak" =: kavalje. 

sehaffer (Hoogeland) z=z begrafenis- 



dienaar, die, na een sterfgeval onder 
den gegoeden stand, voor alles zorgt, 
ook voor eten en drinken op den be- 
grafenisdag, en daartoe zelfs de tafel- 
gereedschappen in huur levert; bij v. 
Dale vindt men het woord „sehaffer" 
=1 huisbezorger; vergelijk ^aiisehaffer. 

schalden iz: scheiding, in den uit- 
roep : schaiden tusken baiden! 
zz: opgehouden met vechten! 

^schampeljoun, IID. Öchablon, Scha- 
blone; vgï. ^kezoan (bl. 532.) 

*scharre : wie k r i e g e n schar 
i e n hoes! schertsende aanmaning 
om binnenskamers zijn hoed af te zet- 
ten, vooral als 't een hooge hoed is! 

scharte, zie *schar. 

scheepopjoagrer = *scheepjoag'er. 

schelen : 't scheelt zooveul 
n ij t 1= 't gaat nogal, 't is voldoende. 

*schellevloe : volgens de legende zou 
deze uitroep zijn ontstaan, toen eene 
visch vrouw , bezig zijnde het woord 
„schellevis" uit te galmen , daarin werd 
gestoord door een student, die haar 
onverhoeds in den arm kneep , en 
daardoor haar deze meer geruchtma- 
kende en dus bruikbaarder roep ont- 
lokte ! 

*schelm, vergel. *kibbelder. 

schelmen, zie ^kibbeln. 

schep en schepke =: lepel of lepel- 
tje om te scheppen, zoo bvb. suker- 
schepke; Nederl. : schepper , schep- 
per tj e. 

*scheren, vergel. ^anscheren, alsme- 
de het Nederlandsche woord „geksche- 
ren" en „gek" (2) bij v. Dale, waar 
„den gek scheren" of „den gek ste- 
ken" zeer uitvoerig wordt verklaard ; 
zie ook *zuuder (bl. 583.) 

*sehermösseln , Ned. schermutselen. 

*scheuren ook -zn met geweld ruk- 
ken of trekken : muts van kop 
scheuren, 'n plant oet de 
grond scheur en. 

scheuvellooper =z schaatsenrijder , 
en overdrachtelijk iemand die niet te 
vertrouwen of niet eerlijk is. 

schietby , zie : m o a t e n. 

*schietg:eel , bij v. Dale: schijtgeel. 

*sehietlem , HD. Drohne , Nederl. 
darre; ook *brom8ter geheeten, dat de 

5 



8CH1ETJE 



58 



SCHULT 



beide beteekenissen van 't Nederl. hom- 
mel heeft, nml. mannetje van de «ge- 
wone bij en bijzondere soort van rui- 
ge bij. 

♦schletje (bldz. 560): „flop" wordt 
f 1 ö p p i e als men een persoon be- 
doelt en beteekent dan: ploert, mis- 
punt. 

*schiffeii, vgl. ^karreln, van Dale 
heeft: schiften. 

*schik : 'k heb niks g ij n schik 
zz: ik amuseer mij niet, vergel. „schik 
in 't leven" bij v. Dale; zie ook *om 
schik (bldz. 549.) 

schik ! zz: schik op ! op zij ! , verge- 
lijk *höin 3. 

^schikken, vergel. "^schik en zie ook: 
beschikken en *joe 1 ; de betee- 
kenissen op bl. 365, en 560 zijn beide 
Nederlatidsch. 

*schil ook collectief voor eene hoe- 
veelheid schillen , bvb. van aardappe- 
len, gebezigd. 

*schildern =i wachten ook bij v. I). 

♦schilligr van „schillen" (bij t. I). 
gewest. z=: verschillen)? 

*schin (bij Kil. en ook heden soms 
nog: schim), vgl. schin bij v. Dale; 
Grivim geeft als • Noordduitsch op : 
Schinn , meerv. Schinnen : in de ge- 
neesk. zijn dit geijkte termen. 

* schink: het Noordfr. „schonk" ook 
Nederlandsch. 

schipperkeu, zie ^schanzyern (bldz. 
559.) 

*schithakken, . bij v. I). „kakhielen." 

*schoa, zie ook *ja (aan 't slot.) 

^schoamel: HD. Schamel, Schemel; 
V. D, schemel iz: bankje. 

schoaparijes, zie darten. 

schoapmeiker, zie ^stoppelknecht. 

^schoaverdebonk , Nederl. schobber- 
debonk , schaverdebonk. 

*schödderg, Nederl. schabberig. 

*sehoedeln, elders: schuddelen. 

^schoefveardoeifa , vergel. *flelips- 
kwartes. 

^schoemkes (bldz. 561), bij v. 1). 
schuimpjes: met amandelen heeten ze 
„turons." 

schoer , zie *schoeren en : d u n- 
derschoer. 

*schoet zou komen van het Griek- 



Hche (TKöToq^ evenals schort van het 
Lat. scortum; 't woord is dus oorspron- 
kelijk „schoot", vergel. voorschoot en 
schootsvel ; zie ook : k o e g e 1. 

*8choflfel 9 bij v. Dale : soort van 
houweel der tuinlieden, wiedmes; vgl. 
*padschoffel. 

♦schoon 9 hierbij ook : h ij het 
schoon zien verstand :=. het 
ontbreekt hem niet aan verstand ; van 
Dale heeft: alles is scheon opgegeten. 
Vergelijk vooral ♦kant en *zuYer: alle 
drie zijn synoniem. 

*schoorwal; bij v. Dale: schoor =. 
aangespoeld land. 

*schop ■=. spade , ook bij v. Dale; 
vergel. ♦padschoffel. 

*schorremorrie , oorspronkelijk een 
Hebreeuwsch woord , dat „ossen en 
2zels" zou beteekenen (Laurillard, Bijbel 
en Volkstaal ])ldz. 2.) 

schotel := schuif in een kachelpijp 
enz., vergel. *scheatel. 

*schou 2 , Nederl. schouw , schuin 
(niet iDij v. Dale.) 

♦schonen, bij v. D. schouw :=. schuw. 

schoanen , zie : b ij n e n. 

*schonwiteit (bldz. 561) is een stu- 
dentenwoord , dat o.a. bij Klikspaan 
voorkomt. 

schreebord, zie *schrybred. 

schreeden, zie *schrflbred. 

schrippen (Wkw.) zz *schribben , 
Nederl. schrabben, schrappen. 

*schripsie, vergel. *]trnpsie. 

*schröl (zie ook bldz. 561): het ÜTD. 
Schrullen is gebruikelijker dan Schrol- 
len ; vergel. ook Ned. grol zn dwaas- 
heid, alsmede 'twerkw. schrollen zz: 
morren , pruilen. 

*schrömfelgr, vgl. HB. schrumpfen 
en schrumptig. 

schroven zz geschroefd. 

*schryven, MiddelNederl. schrowen, 
scrouwen. 

schnddelketel zz: ketel voor 't koken 
van schotelwater, zie *oaker. 

^schudden , ook in: ik kon mie 
d'r wel veur schudden z^ 
daarvoor voel ik een sterken afkeer. 

schalde = schiild of schulden : a 1- 
les is veur schuld e verkoft. 

schuit, zie *schal. 



SCHÜPPENS 



59 



SLENK 



^schnppens (of ^schoppens), evenzoo: 
hartens (= harten), kioaTers (==: kla- 
veren) en roetens (n: ruiten.) 

sehust, zie *schal. 

schat, voor „schiet**: 't schut mie 
iennebijnen :=(le schrik schiet 
mij in de beenen. 

^schutten, vgl. v. Dole. 

sehanrdeüren (JFkw. schuudeüren) 
in de zegswijze : hij het zien 
schuurdeuren lös (ook wel: h ij 
het op wichterverzijte west) 
z=. zijn broek is van voren niet toe- 
geknoopt. 

^schuurzak : „ienne schuurzak 
zitten" heeft ook de meer uitge- 
breide beteekenis van ziek of verlegen 
zijn; elders spreekt men van „in de 
lapmand zitten." 

schaat voor *schöet, doch minder 
algemeen. 

*8chfl8kerel: naar het //^2). (bl. 561.) 

sehyten i=: schieten met een geweer, 
pijl en boog , enz. ; . de uitspraak van 
de ij in dit woord ligt in het TTkw. 
tusschen ai en ui; vervoeging : i k 
schijt, doe schutst, hai 
schut, h ai schoot, hai het 
schoten; vergel. ook nentenschy- 
ten, alsmede *rymeii. 

schytiezer (of alleen: iezer) rr ge- 
weer; misschien is hier evenzeer een 
deel voor 't geheel genomen als bij 't 
HD. Flinte =z geweer, van Flint(e) 
zzL vuursteen. 

see, zie seebok. 

seebok of zeehok wordt wel eens 
gehoord als samentrekking van *sege- 
bok, verkort: see of zee. 

*seeg 9 vergelijk : s e g e b o k. 

seespeerdjes , zie *bloupeerdjes. 

*segre, vergel. ^sig-grel. 

*segrebok, vgl. bij v. Date: zeeg en 
zegebok. 

seker woar zn stellig, werkelijk, in 
ernst: 'k h e b 't n ij t d o a n , seker 
woar n ij t ! 

'^seknar: het Lat, „securus" is geen 
zelfstnw. maar een bijvoegl.nw. ; als 
zoodanig beteekende het oorspronkelijk 
„veilig", „onbezorgd", later ook „zorg- 
vuldig." 

sels^m (vooral Wkw.): 't is s els 'm! 



iz: 't is zonderling!; als bij w. in sels'm 
(z e 1 d z o a m) mooi: in 't Nederl. 
mag dit woord niet als bijw. gebruikt 
. worden , doch in het UB, heeft men : 
wie seltsam! Bij CaU „selsaem" z=l 
zonderling. 

♦seng-ern (bldz. 562): elders „zin- 
deren." 

sereenen of siereenen i= seringen. 

biezen =i sijsjes. 

*sigrnet, bij v. Bale =: handzegel , 
cachet. 

*sinkenearigr , vergel. het overal in 
de spreektaal gebruikelijke „sikkeneu- 
rig", eene verbastering van „chica- 



ne urig. 



j> 



*Sint, zie ook *sunt. 

*sirreltop, ook *tiddeltop en *tir- 

reltop (bldz. 570.), 

sitroonbok, zie *goel€l. 

*sitsewinkel: bij v. Dale „sitsenwin- 
kel", zonder nadere aanduiding ; vgl. 
ook ■ ^santepetiek. 

sjagrgel, zie *t(jm. 

^sjandoedel, elders: jandoedel. 

*sjas, vergel. Nederl. afjacht. 

*sjeu, bij V. Bale: „jeu" en „jus" 
zn vleeschnat; Lat, jus. 

*sjon^sjongr, zie ook *jong'jon^. 

*sjoppen, vergel. : o e t s j o p p e n. 

*8Joa, ook voor *sjör: op sjou, 
a n sjou = op weg, op pad. 

sjoueii =: herhaald loopen : wat 
sjou j'toch al oet en ien? 

*slag, zie ook *stöt, *palmslasr (bl. 
552) en *koop en slag: (bl. 219 en 
536); vergel. *op sla^. 

*slagg'e, vergel. Nederl. slakken =z 
ointels, Eng. slag. 

^slampampers, bij v. Bale zn bras- 
ser; soms ook: duivelstoejager ; elders 
liier te lande : arme lieden , die ])iu- 
nenkomende schepen in bootjes tege- 
moet varen, om hunne diensten bij 't 
lossen aan te bieden. 

*slei, *slai: HB. ook Schleihe, bij 
V, Bale: si ij. 

*sleifer, bij de Duitschers: Sclileif'(;r. 

*slem :=:^ het Kvgehche ,,slani", 
Fransch : vole. 

*slempen : vergel. Ned, slib])ou, JU). 
schliimmen , schlemmeu. 

^slenk, bij r. Bale: moddergat in 



SLKNTKKS 



60 



SNoRHKX 



een weg; kaïi het werkwoord „slenken" ] 
of „slinken" hiervan zijn afgeleid? \ 

slenters (ook bij va ft Dal e) , zie j 
*draiers. 

*sleup, verbasterd: sleuf, vergel. ; 
*doemelingr. 

sleutel =1 kraan van een koffiekan 
enz. 

sleuteltop, zie *hoeltop. 
*slicht, vergel. Hl).: schlicbt en 
schliehten, NedcrL: slecht, slechten, 
slichten ; „s licht en r e c b t", Ned. 
slecht en recht, HD. scblecbt nnd 
recht; vergel. *spint en sHchtvol. 

slichtvol = jnist tot den rand vol. I 
*sllep (bl. 5H2), bij r. Dale : slijp. 
*sller • vergel. : f 1 e e r. 
*slik : „'n slik o e t de pa n", 
Nederl.: een veeg nit de pan. 

*sliin, ook = moeilijk (in \ Ned, 
verouderd) : 'n s 1 i ni me s o m ; 
vergelijk *stoer. 

slingreren, zie *bautjen. 
^sloagren, zie ook *scharreiisloagen. 
*8loagerg:: bij c lale „slag" zn 
wagenspoor. 

sloaperai, zie woonderai. 
♦sloaperdieken : bij v. 1). „slaper", 
„slaperdijk" = binnendijk, nooddijk. 

*sloapers, bij r. D. (zeewoord): sla- 
pers iz: steunhonten. 

'^sloaploezin: deze zegswijze ook bij 
r. Dale. 

*slochtermantje , ook wel : woldjer, 
woltjer, woltjeder, zie aldaar. 

*siödderg, bij v. Dale: slodde, slod- 
der, slodderig, enz. 

sloeehle (ook Frleach) =z klein winst- 
je : 'n o a r e g s 1 o e e h i e. 

*sloe|?, ook m slap, sluik; vergel. 
*slok 1. 

*sloerig: Hl), schliirig, schlurig. 
*slöf L, vergel. *dof. 
*slof 3 , bij V. U.: slof = slordig, 
slordigheid , slordig mensch ; sloit'en 
=: nalatig zijn; slottïg =z slof, slor- 
dig, nalatig. 

*slok 1 , vergel. -^sloeg:. 
*slc)rreu (werkw.) : lil), schlarfen , 
schlürfen, Schlarhacke. 

slötten =: sloten, vgl. *ratteii. 
sluupsteerten ::^ druipstaarten. 
^smaiut, Eng. ook: sniee, smeath. 



^snial, E)ê(j. sniall ^z klein ; bij r. 
Dale: zoete broodjes. 

^smantje, JU). Schniant :zr room; 
vergel. *döfJBe. 

^smarten , bij r. 1). (nevens : smer- 
tenj zir schrijnen , ontvellen. 

smartlap zn rauwe, ontvelde plek 
van de huid (^smartTcl.) 

*smeer, ook m morsigheid, vooral 
van vetten aard : 't s c h o e t is stief 
V a n s UI eer; zie ook *op smeer en 
*vet. 

*smeertoetJe, in Holland: smeerpijp, 
ook in iig. beteekenis. 

smets, zie ^assmis (zie ook bldz. 
499), vgl. smis. 

smis (Oldambt) =z *smes: Zuidtie- 
derl. somtemets. 

smitten i=: smeden (znw.), vergel. 
♦ratten. 

smltterei (O mm el.) zn smederij. 
*smoegen, vergel. ^smoezen. 
*smoken • zie ook : piep. 
*smoorpan, ook bij v. Dale. 
smoorpannen . een soort v. dakpan- 
nen, vergel. ^bakpannen. 

^snaidi^: volkomen dezelfde betee- 
kenis heeft het HD. schneidig, dat 
alleen in de gemeenzame spreektaal , 
vooral door militairen, w^ordt gebruikt. 
^snappen, ook Nederl. (gemeenz.) 
*snar (bldz. 387 en 564), ook — 
nauwsluitend , eng. 

sneelingrs, zie ^duthoamer. 
*snei , Gelder 8ch snee. 
*snett : sneu n e ? z=z jammer , 
treurig, niet waar? 

^sni^gre, HD. Schneeke (waarvan 
„snek" z=i het kegelvormige, op een 
slakkenhuis gelijkend rad in oude hor- 
loges); 't Ned. slak ook „slek." 

*snik : bij v. D. ook „jager" izi ge- 
leider van een trekschuitpaard. 

*suoefdeuske , vergel. *löderens- 
(of lodderens-) deuske. 

^snoeven, bij v. Dale: snuiven en 
opsnuiven. 

*sn()k l)eteekent in Zuid' Nederland 
„ruk", dat de oorspronkelijke beteeke- 
nis van s n () k en „snik" zal zijn. 
*snoode, vergel. *snöt. 
*snorren, HD.: schnarreri, schuor- 
ren en schnurren. 



SNORREPIEPEN 



61 



SPUL 



*snorrepiepeii: bij v. D. snorrepijpe- 
rij ; Hl). Schnurpfeife, Schnurpfeiferei. 

snötvat, zie ^mQnen. 
'*snuastern, vgl. snuisteren bij v. J). 

snuat := snuitsel van een kaars of 
lamp. 

Soaroa : in 't Oldambt begint een 
meisjesdans met de woorden: Soaroa, 
Soaroa, pak achter an mien 
k o a r o a. Volgens sommigen is dit 
k o a r o a het Oudjyiesch ,,gare" =: op- 
perkleed, schoot van een vrouwenkleed; 
vandaar 't verouderde gerfkamer =z 
kleedkamer. Zie echter ^koaroa (bl. 
535.) 

soaterdoagrs (het Ned. „zaterdags" 
heeft dezelfde beteekenis), zie ^soaroas. 

soep, zie *woater en wind. 

soepen (bldz. 462 I 12 v.o.) = 
*zoepen. 

sökkeloa =z chocolade, vergel. sa- 
keloa. 

^sokkerai , bij v. Dale ook „suikerei" 
en ,,suikerij." 

sökkergroad, zie sakergrond. 

^sompen, Nederl. sompschuit =: plat- 
boomde schuit, afgeleid van somp := 
moeras, HD. Sumpf. 

*soor, bij V. Dale: zoor =: ruw , 
scherp , hard , droog. 

spanboog: (o.a. Tf^kw. en de Marve) 
=r *flitseboogr. 

^spanzQern, Nederl. spanseeren. 

sparteln, zie *ende. 

*spei (znw.): „n ö c h t e r n s p e i'' 
is bij 't volk een uitwendig genees- 
middel. 

^'spei (bijvnw.): men dcnke aan ,, be- 
spieden" {HD.: spahen), w^aarvan ook: 
spie =z bespieder, spion. 

*speien, evenals 't Nederl. „spugen" 
zoowel := „spuwen", als zz: „braken"; 
bij V. D. spijen. 

*spek: „g ij n spe k" enz. ook 
Flaamsch en bij v. D. onder „pater." 

^spekeloatsie : eigenlijk zeer klein 
St.-Niklaasgoed , uit meel , suiker en 
amandelen gebakken, elders: specu- 
laas, spikkelaas, HD. Speculation. 

*spier (bldz. 565), vgl. bij v. Dale 
„spi^r" 1. 

*spieren (znw.) is Nederlandwh^ hoe- 
wel niet bij v. l)aU. 



*spietelk, bij v. B. spijfig. 

*spillen ook ^z zaken, bsnoodigd- 
heden; bij v. Dale „spullen." 

spinne, zie *spin. 

*spinneTOtttjen, bij v. Dale: spinne- 
voeten. 

spittelkees, in \Oldamht =: dikke 
melk of room, in een vorm met aller- 
lei figuren , en gaatjes voor het uit- 
lekken van 't water, bereid ; aldus ge- 
naamd naar de puntige uitsteeksels 
van den blikken vorm. Elders ,, room- 
kaas." 

*splitrnter, bij r. Dale: splitsruiter. 

*spoak (bldz. 565), ook bij v. Dale. 

^spoaken, vergel. '^oetsp^ken. 

*spoan (bldz. 565), zie *karf. 

spoorslooden =: de grachten langs 
den spoorweg: men zal zelden of nooit 
van spoor graften spreken. 

spötteln, zie *spörreln. 

spötterbred of sputterbred , in ge- 
schrifte spatbord, zie "-'spöttem. 

*9>l»öiterxk^ EvgehcJt'. to sputter. 

spottershoeskes , zie *hoes. 

*spouken (bldz. 565): in het Ned. 
spreekt men van „vroeg spoken" z=l 
al te vroeg opstaan ; r. Dale heeft ook: 
's nachts door huis omspoken, wat dus 
met het Gron. overeenkomt. 

spoiilen, zie ^spullen. 

*spriet; HD. Sprit = wijngeest ; 
vergel. in dezelfde beteekenis: spiri- 
tus, Frayisch esprit, Eng. spirit. 

*spril in : s p r i 1 1 e kleuren; 
Nederl. schril (niet bij v. D. in deze 
beteek.) 

*sproa, zio ook *spr8tter. 

■*spraten, vergel. *bekliefelk. 

sprutter {JFkw.) ziz *sprötter. 

*spuien in beide beteekenissen bij 
V. Dale. 

^spailkoem : 't Ned. spoelkom , met 
gewijzigde beteekenis. 

*spait, zie ook *mfltgente. 

*spul (vergel. : spillen): spie- 
kers en z u k spul (waarvoor ook : 
spiekers en goud i;= spijkers 
en zulk goed) =: spijkers en dergelij- 
ke zaken , spinnen en zuk spul 
= allerlei ongedierte , d a 's s p u l ! 
= dat ziet er goed uit ! , 't i s best 
(e c h t) spul = eerste kwaliteit ; de 



SPUTTERBRED 



^2 



STIPPEN 



zejijswijze : "t is alsof 't spel spreekt = 
't is alsof 't zoo zijn moest (zoowel van 
een ^olukkijj: als van een ongelukkijr 
toeval ji:eze«j:(l) is ^'ed., ook srhrijftaal. 

sputterbred, zie spotterbred. 

*stadjers, vcr<i:el. *landjers; Hl). 
Stiidter =z stedelingfen), /'nV-W/stedsjes. 

stadsbol , zie : bol. 

*stadse: Frieach ste(lsk(e), Nederl. 
steedsch ; ook UelderHch, 

stadsrais, zie *stad. 

Htadstafel ^=. de buitenwijken der 
stud Groninjren; het woord is thans 
verouderd. Zie: Kremer ^ Beschrijv. d. 
Fror. (h-ov. 11e dr. I 91, 102. 

*staf, vergel. *bakstaf. 

*staigrerii , zie stei^erlngr. 

staiten, zie *stiiiten. 

stampend , in s t a ni p e n d vol of 
stampende v o 1 z=: stampvol; zie 
^stoppend. 

*stark : wie b i n' n i j t g e n ö g 
s t a r k 1= ons aantal is onvoldoende. 

*starm, vergelijk *doodwoar. 

*stee 1, JU). Statte, r. J)ale: stede; 
ook := plek of vlek in het algemeen; 
ver gel. *opstait. 

*steek 1: „geen steek" ook elders, 
V. Dah: hij weet er geen speld van. 

steekje f verbasterd : s t i k j e) zzz 
een klein vnurwerkje, aldns naar den 
driehoekigen voVm genoemd, met kruit 
gevnld en de drie punten van zwavel 
voorzien ; bij nitbreiding ook voor de 
kleinste soort van zwermers. 

steeksleutel = looper , slotop(en)- 
steker. 

*steerii 1, HD. Stern; zie ook *stie- 
kelsporen. 

*steert, zie ook *teerpot (bldz. 568) 
en vergel. *start. 

*Steffen, bij v. Dale: de kat klup- 
pelen. 

steigering: =z steiger ; 't luidt ook 
*staigern; vgl. ^missingr, *riggeiing, 
alsmede : ing. 

*stek 1 ; bij ?\ I)ale : afstikken zz: 
met een spade afsteken. 

*stek 3, zie ook *stam 2. 

*!sleken (werkw.) ook in : d e g e k 
d' r m i t steken, vergel. : s o h e- 
r e n en 't Nederl. gekscheren , gekste- 
kerij ; 't s t e k t h ö m n a u =i hij is 



veeleisrhend. Dit laatste ook bij v. 
Dale {\. v. pietlnt), doch niet de an- 
dere zegswijzen, in dit artikel genoemd, 
hoewel die ook elders voorkomen. 

steker, ofsteker zz stek, stekje. 

*stel, voor petroleumkooktoestel, bij 
V. Dale: petrolenmstel. 

^steimoaker , II D. Stellmacher. 

stempel = de zniger van een *knap- 
bns. 

*steut, ook z=z *stöt; vgl. *Rtoot, 
waarvoor van Dale: „stuit", „stuitje" 
heeft. 

*steaYern, bij r. D.: stniven , aan- 
stniven. 

*stief : „stief vol zitten" is 
letterlijk het HD. begrip „starren." 

*stiefbeag:el8 , vergel. ^stappen. 

*stiegr: „stijg" ook bij v. Dale, even- 
als „snees." 

*stiekem ook in stiekem allen 
=r moederziel alleen ; „s t i e k ö m" 
(in de beteek. zooals die ook voor- 
komt op bldz. 566) ook wel elders, 
zoo ook „stiekemer(t)" zzz lenkerd , 
stille verklikker. 

*stiel , vergel. *stttk (ook van brief- 
stijl gezegd.) 

*stieren: vgl. 'iHD. stier =: strak, 
stijf, en 't werkw. starren. 

stierlek : s t i e r 1 'k 't land heb- 
ben, vergel. *stier; zoo ook: stier- 
lek vervelend, zök stierlek 
vervelen. 

*stik 1 , vergel. steker en ^antnren. 

*stik 2 , vergel. : steek en 't Ned. 
„stikvol." 

stikje, zie *stik 1: bij v. Dale „een 
schotje voor schieten, een speldje bij 
steken", Gron, ook: 'n stokje veur 
steken; zie ook steekje. 

stikkedoor = stucadoor. 

*stil (bl. 404 en 566) ook Nederl." 
in : stil laten liggen. 

*stiIlïezoer, w^aarschijnlijk verbastering 
van „stille cansenr." 

*stinken (bldz. 586): men leze lie- 
ver „rieken" in plaats van „ruiken", 
hoewel men in 't Nederl. beide werkw. 
in twee beteek. mag gebruiken. 

^stinkholt, zie ook ^kraibessen. 

stink vis 9 zie ^groad. 

*stippen, bij x). D. = even indoopen. 



STOADÊG 



63 



SUKERMalSNECHIEN 



^stoadégr, Nederl.: gestadig, stadig, 
staag •=: aanhoudend, standvastig. 

*'stoa-in-de-wege , Nederl. : sta-in- 
den-weg. 

*stoal, bij V. Bale: staal (gewestel.) 
= stengel; Kil. stael zz: steel; vergel. 
*ploaster (^iKil. plaester") , alsmede 
bessemstoal. 

stoanen, zie ^stoantjed. 

^stoantjed, vergel. *loop. 

*stoapel, ook Nederl., in „stapel- 
gek" enz. 

*stoastie (staatsie), ook in : alle 
stoatsie was biezet z=: er 
heerschte veel pracht en praal. 

*stoeken, bij v. D. stuik =z stoot, 
stuiken (gewest.) zz: duwen. 

stoelmatters zz eene soort van aard- 
appelen. 

*stoer, vgl. : s 1 i m. 

*stoet, bij V. D. ook: stutte (^gew.) 
r= stoet, boterham. 

*stoethaspel, bij v. D. zz: onhandig 
mensch , met verwijzing naar „stoet." 

stoetsnieden , zie ^mikjesplissen. 

^stofnasten: stofnesten is een alge- 
meen gebruikelijk woord voor voor- 
werpen, waaraan of waartusschen zich 
gemakkelijk stof vasthecht. 

stok bie deur! zn op één voorwaar- 
de ! , zonder pardon ! ; ook w^el door 
d o a d e 1 k voorafgegegaan : 'k m o s 
*t geld veur Neijoar weerom- 
geven, doadelk stok bie 
deur! Hiervan het werkw. stok 
bie deur zetten z= iemand tot 
zijn plicht brengen, met straf dreigen; 
meestal schertsend. 

stokje, zie stikje. 

^stokkend, zie stukkend. 

*stokTarf: „stokverf" ook wel elders. 

*stokyis (bldz. 567), bij v. Dale-. 
elk wat van de stokvischvellen. 

stolten =z stollen en: gestold. 

stombuit, zie *allerjouelek. 

stommeln : doar komt'r an 
s t o m m e 1 n ! , vergel. *stommelach- 
tig. Nederl. aanstommelen. 

stommels , zie '^scheut. 

stommelsteert : in 't Oldambt eene 
benaming voor den Duivel. 

*stomp loopen , zie ook : blak. 

stool zz: stal, van: stelen, vergel. 



♦breken (bldz. 507.) 

*stoot, zie ook *stöt en vgl. *rukje 
en *steat; bij v. Dale stoot izz korte 
tijd. 

♦stoppen, vgl. *liollen en *kroppen. 

*störmstok , vergel. *zweerd. 

♦stoalklok , vergel. : k 1 o k s t o u 1. 

*strampel: IIB. strampfen (gemeenz. 
^trampeln), trampen en trampeln zz: 
trappelen , waarvan Trampelthier zz: 
dromedaris; het Fransch tamper betee- 
kent eigenlijk: stutten met een gaft'elvor- 
migen stok („tampe.") • 

*stranketten, vergel. ^planketten. 

*streek, zie ook *hardlooper. 

*streek 3 ; v. D. : een streepje aan- 
hebben, niet op de streepjes kunnen 
loopen. 

*streek 4, ook wel elders, waar- 
voor in dezelfde beteekenis ook : in 
die streek, in die buurt. 

streep , zie *streek 3 ; 'n s t r e e p 
k o u k := een lang , smal stuk koek , 
vergelijk ♦koukhouen. 

*streksoam , bij v. B.: strekzaam zz 
rekbaar, voordeelig. 

striepkoorn, zie *streepkoorn. 

*strullen ; bij v. Dafe (gewestel. , 
verouderd): stroel zn straal. 

*stuiten , zie ook ofstaiten en vgl. 
*koeItjen. 

*stak, zie ook *melden en *roem; 
„op stuk van zaken" is Nederlundsch , 
hoewel . v. Dale 't niet opgeeft : aldaar 
wel „een mooi stuk geld" en „van 
stukje tot beetje", alsmede „stuk of 
wat" (onder „of" 1); „'t scheelt 'n 
stuk" ook elders. 

stnkkend (Weüerhc.) =z ^stokkend, 
'teerste ook bij v. Dale; voor „stuk" 
of „aan ^in) stukken" hoort men: 'n 
stukken of 'n stukkend. 

*stuttern, Eng. to stutter. 

♦stuttie , elders „studdie". 

*staur ; o e t stuur: bij r. Bale 
overstuur, over stuur zz: ziek, verlegen. 

sukeloa of sakkeloa := chocolade. 

sukergroad, sakkergrond of sökker- 
goud := Si.-Niklaasgoed ; bij *8ander- 
kloasgroud wordt ten onrechte hét Ne- 
derlandsche woord „suikergoed" in die 
beteekenis gebruikt. 

sakerm^nnechien (StadGron.) of su- 



SUNDERKL0A8G0Ü1) 



64 



TEBAK 



kermimtje (Ovimel.) z=z fi<<\uirtje van 
St.-Niklaasjijoed. 

^sandcrkloasgroud, verjijel. ook su- 
ker^oud. 

*sünt, zie ook *Siiit; „S u ii t A n- 
11 e n" eiiz. ook bij v. 1). onder „loo- 
pen." 

Sunt-Joap-Talgen, zie *hal?e broak. 

*süs en zoo , ook bij t. D. onder 
„zus" (bijw. =r zoodanijj;) en aldaar 
ook : zus en zoo :=. tamelijk , zus of 
zoo = omtrent, bijna. 

swad =z *zwad. 

*swat, ook 1= *zwad; vgl. *froiit: 
men hoort ook wel swiet sloan, 
dit kan 't Fransche „suite" zijn of 't 
Frlesche „swiid" (zie *swiet, bl. 568.) 

*swerrenood: vgl. het //i>. Schwer- 



nöther :=z vlegel, onuitstaanbaar mensch, 
van Nöther :=. kweller. 

*8wiem8lagr (Oudfriesch : swimslek) : 
III). im 8rhwiemschlag liegen (zee- 
term) ^ voor den wind liggen, in 
katzwijm liggen. 

*swiet, zie ook: swat en vergel. 
^grloepend. 

sQken =i wateren, pissen: bij van 
Dale „zeiken" zn het HD. seichen en 
't MiddelNederl. seken; misschien is 
het verwant met „zijgen" (HB. seigen, 
seiheh) = filtreeren (waarv. ook: 'sij- 
pen , sijpelen , sijperen , HB. sickern ?); 
vergel. *besjaichelii en zie ook bij 
*miegen {Teuthon.), alsmede : m i e- 
g ij m k e. 



T 



*t vervangt dikwijls de tweede s , 
bij verdubbeling van deze letter, bvb. 
in *misten =: missen, frister := fris- 
scher, oppat^er rz oppasser. Ook 
wordt zij ingelascht na de 8, bvl). in 
*sterpent zi: serpent, stervet :zz ser- 
vet , stcrzant z=. sergeant , steldoat =: 
soldaat, Istrels zz: Israels: vergelijk 
*me8t HZ mes , alsmede de s vóór de 
t ingelascht in als te en v e u 1 s te. 
De inlassching in „is er" en „was er", 
bvb. w e 1 i s t' r ? J a n w^ a s t 'r, is 
slechts schijnbaar, zie *der. — Ach- 
tervoeging van de t na ch (of//) en ƒ, 
bvb. in *genöcht zz: genoeg, g^raft =z 
graf, kraft ziz kraf of karaf. Over 
de wisseling van t (of d) en k zie 
onder K. 

Zeer merkwaardig is 't gebruik van 
deze letter vóór den verkleinuitgang 
je , vooral in het Oldambt , bvb. in 
oogtje, visktje (ook : v i s t j e) , 
enz. Vergel. bldz. 183 II en 565 11. 
Uit het laatste blijkt, dat in 't Wkw, 
de t liefst vermeden wordt , zelfs dan, 
wanneer 't NederL woord tje heeft. 

*tabeljé [bl. 568],het Jraw^e//^; tablier. 

^tachentigr: in 't MlddelnederL „ach- 



tig" (evenals HB. achtzig en Eng. 
eighty) ; bij K'd. achtentich en t' acht- 
entich. Ook elders in de spreektaal. 

*taiterg of taiterg, bij v. Bale: 
tuitelig. 

*taks: bij v. Bale taks =i taak. 

*tamper, vgl. HB. Ampfer, Sauer- 
ampfer zz zuring. 

^tandkillen , vergel. *koeskillen. 

*te in „nijt te best" enz. is goed 
Nederl. , evenzoo hoort men ook elders 
het gemeenzame: 't is al tè (waarvoor 
schertsend: al tee), zie Vermakelijke 
Spraakkunst bldz. 140|4.1 ; 't a 1 1 o- 
zie is hen te moakenzz: om 
gemaakt te worden , zoo ook : h ij 's 
o e t te wandelen zz: hij is uit 
wandelen (letterlijk: om te wandelen); 
eveneens: zitten te koffiedrin- 
ken, te krantlezen zz zitten 
koffie te drinken , de krant te lezen ; 
elders hoort men wel : moet ik hier 
nu nog langer staan te wachten? en 
daarmede vergelijke men: ik heb hier 
al lang genoeg (ge)staan (te) wachten. 

*tebak: bij v. Bale „dat is andere 
tabak (dan knaster)" zz: dat is iets 
geheel anders , (eigenl. iets minders , 



TEEK 



65 



TIET 



want^ knaster is de beste soort.) 

teek, berteek =: beddetijk. 

*tegen bij een werkwoord, dat den 
klemtoon krijgt, versterkt de beteeke- 
nis : d' r tegen 1 o o p e n , a r b a i- 
d e n =z uit alle macht loopen enz. , 
vergel. het Nederl. er is geen werken 
tegen , daar kan ik niet tegen werken, 
enz.; zie ook ofrekken. 
• tegrenan : d o a r ken wie n ij t 
tegenan =: het niet tegen volhouden. 

tegenanzetten , zie : a n. 

tei^enanzyn r= tegen iets opzien , 
ook bij V, I). y doch als verouderd. 

tegenswoordigr =: tegenwoordig , 
vooral als bijw. in de beteekenis van: 
thans; ook als bvnw.: in de tegen s- 
woordege tied; 't komt ook el- 
ders voor. 

*te goar, vergel. *te hoope (ook de 
aanteek.), v. J).: te gaar, te gader. 

*te groar loopen, IFkw. tegroarschQ- 
ten: melk is tegoarschoten. 

*te hoope, bij v. JJ,: te hoop loo- 
pen zn samenscholen (alleen van per- 
sonen.) 

*teimen: Hl). Diemen komt alleen 
in Grimm's Wörterb. voor. 

te kinde zn kindsch: hij 's h ijlen- 
dal te kinde. 

*te kort doan, ook bij v. 1). onder 
„kort." 

*teks, zie ook *tekst 1. 

*telder, bij v. Dale: teljoor. 

♦telgen, bij v. Dale „telg" =z loot 
V. een boom (ook: afstammeling.) 

temint (Wkw.), eigenl. teminsent zz 
ten minste (Hmis., Fiv. ^temensen.) 

*tempel (bldz. 569): heeft men hier 
te denken aan het, vooral bij de Gron. 
studenten bekende, hazardspel Tempel- 
Mozes ? 

*te noa komen , in o])scenen zin , 
ook HD. 

terngrtasten op den vóorlaatsten bie- 
der zz: hem den koop toewijzen. 

teoTern i= *tiepeln. 

teayerstikken =z ^tiepelstikken. 

*thoes (bldz. 569), bij v. D.: 't zal 
hem nog wel te huis gebracht worden. 

^tiddeltop ook zz *tirreitop (bldz. 
423.) 

*tied (bldz, 569); Nederl., doch niet 



bij V. 1).: den tijd aan zich hebben; 
vergel. *an (bldz. 7), *&eld (slot) en 
♦tieden en zie ook *distied, alsmede 
*oet tied (Nederl. ; uit den tijd gaan.) 

tieden (=z tijding) voor: boodschap; 
'k heb 'm tieden henstuurt=: 
'k heb hem een boodschap gezonden. 

tiedkörtn, Nederl. tijdkorting. 

tiedpasseern =z tijdverdrijf. 

tiedzkt , zie : z a t. 

tieën =z: *tien 1. 

*tiegrers, vergel. *engrels. 

tiegrkon, zie *tiegr. 

*tiek: in de zegsw. dik a s 'n t i e k 
heeft men niet te denken aan een tor 
of kever, maar aan de „teek", „tek" 
of „tiek" der dierkundigen (Ixodes 
Ricinus), die tot de familie der mijten 
behoort en in 'tiTD. Zecke heet; bij 
Kil. luidt de definitie: Kicinus, ver- 
mis canes infestans, sanguine plenus, 
vulgo „teca"; dus, vrij vertaald, „een 
ongedierte, dat de honden kwelt en 
door het uitgezogen bloed opzwelt." 
In \HI), Tieke ■=. made, z. bl. 569. 

♦tielens, vergel. *loanings en HJ), 
Dielen =: planken. 

*tien 1 , bij v. Dale tijen en tiegen 
(waarvan : toog , getogen.) 

*tiene: Tiene komt ook in HD. 
woordenboeken voor, met de bijvoe- 
ging, dat het tot de volkstaal behoort. 

Hiepein: Roemer Vmcher (1547 — 
1620) noemt een gedeelte zijner ge- 
dichten „Tepelwercken" zz: knutselarij. 

tiepigr zz: ferm, bij de pinken; vgl. 
*kiepig. 

^tierelieren, bij v. D. zz: geluid van 
de leeuwerik, in het Fransch: „tire- 
lirer" en „turelure", 't laatste . zz deun 
(Ned. tureluur.) Vergelijk in Fr. Rüc- 
kert's gedicht Am der Jugendzeit, (1830): 

Was die Schwalbe sang, was die 

Schwalbe sang: 

„Als ich Abschied nahm, als ich 

Abschied nahm. 

Waren Kist'n und Kasten schwer; 

Als ich wieder kam, als ich wieder 

kam , 

War Alles leer." 

*tierentain, Nederl. tiretein, Fra. 
tiretaine. Eng. linsev-woolsev. 

tiet (StadCrrov.) '— *tit. ' 



TIK 



66 



TOONTJE 



tik, tikje, zie ^klikker (ook de 
aanteek.) 

♦til: bij V. B, til, tille z= ophaal- 
brug, valdeur. 

timp, zie *dreitimt en vgl. v. 1). 
„timpje" =: langwerpig, puntig broodje. 

♦tingeln, ook voor: slecht, vervelend 
pianospelen , enz. ; in 't Nederl. komt 
wel voor „getingel." Vgl. HB. klim- 
pern en Nederl. tjingelen , tjangelen , 
tinkelen, alsmede ♦klingeln. 

♦tingrnoagrels : men denke aan den 
Nederl, geslachtsnaam Tengnagel. 

*tip, Nederl.: op de teenen getrapt 
of getreden. 

tippel , zie 't volgende woord. 

tippeln =z trippelen, vlug loopen 
met korte pasjes, en daarvan: 't i s 'n 
huile tippel m een heele wan- 
deling, (ook elders.) 

*tippen ook =: mank gaan, doch 
in geringe mate ; vgl. *toeken 3. 

*tipsie (bldz. 570): Eng. tipsy. 

*tirreJ, vergel. *niddel. 

*tit, StadGr. tiet, HB. Zitz. 

tjanken =: haken, hunkeren, verlan- 
gen; vergel. *jank. 

^tjaaeln, vergel. *dwelmen. 

tjonten, zie *elfringren. 

*tjoop, vergel. *deape. 

tnegentig, zie *tachentigr (ook de 
aanteek.); zoo ook in Fransch Vlaati- 
deren : tzestig , tzeventig , tachtentig , 
tnegentig. 

töafel , zie ♦andermans , ook de aan- 
teekening. 

toainoa^el, zie ♦taainoagel; r. B. 
taaiaard zz gierigaard. 

toaitergr, zie *taitergr. 

♦toalsman : man op peerd zet- 
ten (bldz. 570) zz man en paard 
noemen. 

♦toavend, vergel. de E^tgehche vor- 
men sub : V a n n a c h t en ook Mid- 
del -Neder diiitsch : tavent , tavende , to 
avent , to avende. 

tob zz tobbe, waschtobbe: 't goud 
i s i e n t ö b zz: de wasch staat in 't 
water, vergel. *wasboalie. 

*tobbeln, bij v. B.\ omtobbelen i= 
omwentelen. 

*tocht: bij v. B. (gewest.) tpchtsloot 
zz afvoersloot; in eene Ordonnantie 



der Staten [van 1601] komen o.a. voor 
„tochten" en „toe (= bij-) tochten." 

*tod (bij r. B. z=i lomp, vod), eigenl. 
„dot" zz bos, bundel, prop; vergel. 
het HB. Zotte zz vlok wol of haar. 

*toef : Lat. tufa ; Tra. touffe , toupet ; 
Eng. tuft; HB. Zopf. 

toegelieks, toagelieks z= te gelijk. 

*toek 2, vergel. Nederl. tuk z= lis- 
tig, begeerig. * 

♦toeken 1 , vergel. Eng. to take =z 
nemen, grijpen, en vooral daarvan den 
verl. tijcl „took" (spreek uit: toek.) 

♦toeken 3 : HB, zucken ; vergelijk: 
tippen. 

toel (Niezijl, Vlsvliet): een salpete- 
rige veenlaag, veel op d a r g gelijken- 
de ; zie o.a. Kremer, BeschHjv. d. Prov. 
Gron.y Ile druk 2e stukje bladz. 60. 

♦toer 2 : in de Ordonnantie op de 
begrafeniskosten, van 1687, w^ordt be- 
volen, dat er in een uur drie „posen" 
zullen worden geluid ; men denke er 
aan , dat ook het Nederl. „poos" en 
„paus" of „pauze" beide zoowel een 
werkperiode als een rustperiode kun- 
nen beteekenen. 

♦toer 4, ook bij v. Bale. 

♦toerbeurt, ook bij v. Bale. 

toerke, zie ♦toer 1. 

♦toertje, bij v. B. toer zz tooisel 
van valsch haar; zie ook *toer 1. 

♦toest, zie ook ♦toeg; HB. Tost. 

toeswiet (ff Inschoten J zz dadelijk : 
het Fransche „tout de suite." 

♦toetert, in de tweede beteekenis 
meer algemeen: toetertje. 

toetjelamp zz ♦toetlamp. 

♦toeze. Eng. „to tose" is verouderd, 
thans „to tease." 

♦tongel: HB. Tungel, Tungelkleber. 

Tonnies (in geschrifte: Tonnis) zz 
Tennis, Antonius; ook Oostfr, en 
Westfaahchj waar zelfs de familienaam 
Tön(n)ies voorkomt: in de Rijnprovin- 
cie heeft men het plaatsje „Tönnis- 
stein", eigenlijk Antoniusstein. 

tooi zz kabel , Nederl. tui, bvb. ter 
stremming van de scheepvaart; verge- 
lijk ♦tooitouen. 

♦toom, ook bij v. Bale y zie ook 
♦over- toom. 

toontje, zie ♦nau en: tip. 



TOP 



67 



TrVTJKFTXlTEN 



*top (bl. 571, ook bij r. Da1e% Fra.: 
toiipie ; zie ook : toppen. 

♦topirras : wordt dit met het e t g r a s 
verhuurd, dan wordt er aangekondigd: 
„topgras en naweide"; bij r. Dale zijn 
topgras en nagras identisch. 

*toppen; ook: oppe top hollen 
(bij V. Dole: op de tui houden); vergel. 
♦top =: dobber en *teppeii. 

♦torenka: bij r. D. ka =1: kauw, de 
kleinste soort van kraai. 

törfTat, zie: vat. 

töm {NederL torn): zie *toer 4. 

*tou, ook in: 't liekt mie goud 
t o u =: 't komt mij goed voor, 't 1 i e k t 
mie niks tou =: 't komt mij be- 
denkelijk voor ; 't i 8 ij n m o o i tou 
(zie *(jn 1) =. 't is aanlokkelijk ; vgl.: 
1 i e k e n. — Ook beteekent het „bij'*: 
'k h e b d' r nog wat w o a t e r 
tou d o a n , en komt pleonastisch 
voor in b i e t o u ; vergel. 't Nederl. 
„op den koop toe", 't verouderde „toe- 
wijf =1 bijwijf, „toevoegsel", enz.; zie 
ook opnemen en achteranzitten. 

♦toa 3 : het zelfstnw. „toedeur" bij 
r. Bale, 

♦toaboien, bij v. Dale: zich toema- 
ken (gewestelijk.) 

toaflappen, zie ♦mnskeflap. 

toagelieks, zie toegelieks. 

♦tonhollen , HD. zuhalten =: in be- 
trekking staan tot, verboden omgang 
hebben met; Zuhalter z=: koppelaar. 

toa-ien •=: in (nnü. v. richting of l)e- 
weging) : 't w a i t 'r zoo t o u-i e n. 

*toakomen 9 zie ook antoakomen , 
komen en oyertoakomen. 

toolieken , zie : t o u. 

♦toomoar!: deze beteekeiiis ook 
elders. 

toatamtiyern, zie *tamtyern. 

♦tontast, vergel. ♦hand tast. 

♦tooTalIen; zeer veelvuldig hoort men: 
dat valt wat tou fomgek. dat 
valt wat of, waarvoor ook : dat 
V a tt even o f j en 't v a 1 1 mie 
niks tou (omgek. 't v a 1 1 mie 
niks of), alsmede 't v a 1 1 mie 
g e n o g m i t; de eerstgenoenule zeirsw. 
is voorspellend: 't zal medevallen , 't 
zal n tegenvallen; verder hoort men in 
't Nederl. ook: 't spijt me genoejr, enz. 



♦trallarechies, ook 1= gebaren van 
kleine kinderen , vooral met de handen. 

tredseK ten onrechte gel)ruikel\jk 
voor de zoogenaamde .JiagelsnoenMi" 
in een ei , daar *t blikbaar eigenlek 
hei kieuiblaasje of „hanetree*' betee- 
kent : 't zelfde onder „hanetred" lï\i 
r. Dale. 

♦treeft : bij r. Dale =. yzeren drie- 
voet. 

♦treffen-failen ; gewijzigd heet dit 
spel in het Jf'esferkirarfier: onder 
de negen o f b o v e n d e t w a a 1 f. 

♦trefferd, bij r. Da/e: tref. 

♦trekker, zie ook ♦sjoaerman. 

♦trettern, bij v. Dale: treiteren [-1////- 
tafitli schryft: traiteren], If'eHr/aa/uftrlt 
Idioficfw : treteu, tretten rz schimpen, 
tautologie: treteu cu grcten. 

triezelu :=: beven op de bccucu , 
onvast van gang zijn , en zoo ook 
triezel g. 

trillen, algemeen gebruikelijk voor 
„beven", welk woonl hier bijna niet 
wordt gehoord. 

♦troalies, zie ook ♦kamp en ♦kastje. 

♦troele: IID. Trulle ::= stijve boe- 
renmeid. 

♦troest, ook zzz klomp wormen als 
aas , daar die als 't ware een kwast 
(Neder!.: troetel) vormen; vergel. ♦bod- 
den en bij van Dale ,,j)eur" l^ tros 
wormen. Zie ook ♦poer (bidz. 554.) 

tronen, voor: vertrouwen, in 't I/D. 
tranen , bvb. ik t r o u de b o u d e 1 
nij t. 

tronen als zelfst.naamw. :=. huwelijk: 
i e n zien t r. in gedurende zijn hu- 
welijk; dit ook Nederl., evenals: voor, 
na, zijn trouwen. 

♦trubenoal, Fravurli : tribunal. 

tuitergr, zie: t a i t e r g. 

tukseln* frerjuentatief voor ♦tukken. 

♦tunderdeus: IID. Zunder — ton- 
der, zünden -.^ aansteken. 

♦tureluurs, r. /;.,• tureluur — luim, 
gril ; tureluursch z:^ dol , gek. 

tus, zie ♦tuten. 

tuut, zie ♦doetje en ♦tuten. 

♦tuut 1 : „I ij V e m e n e e r s t u u t- 
j e" jn OreriJH. koffiekukentje; bij raii 
Dale: onze-lieven-heers-beestje. 

♦tuutjefluiten, in JloÜavd: vlierfl uiten. 



TÜUTOOG 



68 



VANGGAT 



taatoogr: scheldnaam voor iemand , 
die bijziende is, of kleine, starende 
oogen heeft. 

*twei, zie ook *oiPYallen. 

*tweibaiden, vergel. noavend. 

*tweibakken: het Nederl. „beschuit" 
is de verbastering van 't Fransche „bis- 
cuit" zz tweemaal gebakken; v. Dale 
vermeldt het woord ,,tweebak" als ger- 
manisme. 

tweide : d a 's 'n t w e i d e , of ook 
'n tweide zin iz: dat verandert 
de zaak. 

tweider of tweldert =. de tweede 
in rang : tweider a n beurt; 
zie *eerstert (bldz. 516.) 

*tweidonkem: HB. Zwielicht, Eng. 
twilight, NederL halfdonker. 



I 



♦twei monden, bij v.Dal^-. met twee 
monden spreken. 

*twiefelder, vgl. „twijfelaar" bij v. 
JJale. 

*t(jken ook z=i teekening , zie : 



1 ng. 



tykens , tykentjes (teekens) z= korte 
draadjes wol , in verschillende kleuren, 
door jonge breistertjes gebruikt om aan 
te duiden hoever zij binnen een be- 
paalden tijd met haar werk zijn gevor- 
derd, of waar met meerderen of min- 
deren moet begonnen worden; er wordt 
dan 'n tijkentje ien sloagen: 
bij donker breiwerk neemt men ze 
licht, bij licht breiwerk donker. 

♦tjjm, waarschijnlijker van: thema. 



ü 



ai blijft in sommige woorden óf on- 
veranderd (meestal met verzachting van 
den volgenden medeklinker), óf wordt 
a i (meestal met verlenging van het 
woord door eene halfstomme e); 't eer- 
ste o.a. in 't Wkw., 't laatste in 't Stad- 
Gron. : fluid, fl uiden, spuid, 
duid en: flaide, spaide, dai- 
d e , voor : fluit , fluiten (mv. en ww.), 
spuit , duit. 

and (het II D. .,und", Nederlandsch 
uitgesproken), een enkele maal voor 
„en", zie ^kallen. 

*utepot, Vlaavtsch: hudepot; vergel. 
*hude. 



*aterdiek , Nederl. : buiteudijksch 
land. 

*ttar-tied , NederL (in deftigen stijl): 
uur noch tijd weten zn niet weten 
(wanneer iets geschieden zal), niet in 
de toekomst kunnen zien: 

„ wees naarstiglijk en 

wakende : 
Want gij weet uur noch tijd, wan- 
neer het kwaad is nakende." 
aatloopen : h ij 1 o p t 'r u u t rz 
hij munt uit. Bij v. Dale: uitloopen 
nz meer plaats innemen dan iets anders. 
*azes, EngeUch: us zr ons (persoonl. 
vnw. 3e en 4e naaiuv.) 



V 



Taalland, Toalland (herhaaldel. ge- 
noemd bij Kremer , Beschrijv. d. Frov. 
Groti., in den Hen druk o.a. bldz. 25) 
komt overeen met *roodoorn, knipklei 
(zie ald. bldz. 887, of 275 v. d. uitg. 
in twee deeltjes) staat gelijk met *knik. 



*vallen , zie ook : zied 2. 

*?an, in: da 's n ij t van 't beste, 
V a n 't mooiste, enz. =z dat is 
een onaangename zaak , een lastig , 
leelijk geval , ook elders. 

Tanggrat of *yourl9k is dat gedeelte 



VAN IIARTKN 



69 



VERDOMMKNIJKRX 



van een *groal, waardoor de schooven 
naar boven worden geworpen. 

♦van harten (bl. 572): 'tgait nijt 
van harten zn het gaat met tegen- 
zin ; ,,van harte" en „van harten*' bei- 
de Nederl.y hoewel niet bij v. Bede: 
't laatste o.a. in Gez. 26 vs. 5. 

*van nacht: vaak hoort men van- 
naehs, vanmörns, enz. en zoo ook van 
week, enz. ; Nederd. vunabend, etc, 
vergel. Eng. to-day :zz vandaag; to- 
night beteekende vroeger „van nacht," 
thans „van avond." Bij v. Dale „van 
avond" i. v. „van", en „vandaag" als 
bijw. 

*Yarf: ongeveer dezelfde beteekenis 
heeft het Nederl. „in de wol geverfd", 
dat hier (bl. 579) iets geheel anders 
beteekent; „in de verf verbrand" is 
ook Nederlandsch ; oorspronkelijk be- 
teekent het: bij het verven verkeerd 
behandeld, waardoor de stof haar 
sterkte heeft verloren. 

*vast ; in : h ij 's vast z ij k zr hij 
zal wel ziek zijn, ligt de beteekenis 
van vast tusschen die van „stellig" 
en van „denkelijk" of „waarschijnlijk"; 
vergel. *wis, ook de aanteek., alsmede: 
j a. Een dergelijke onbepaalde betee- 
kenis (hoewel v. Bate die niet opgeeft) 
kunnen in 't Nederlandach de woorden 
„zeker" en „stellig" aannemen , bvb. : 
hij is zeker ziek, je bent stellig te 
laat gekomen?; zoo bok het werkw. 
„moeten" in : hij moet zeer rijk zijn , 
enz. Zie ook : op zitten. 

Tastloopen, zie *veur'nkander ; vgl. 
*lösloopen (ook Nederl.) 

*vat ook = bak , bvb. in askevat, 
törfvat ; in de uitdnikking : o e t 't 
hoogste vat zingen m met volle 
kracht, met veel ijver zingen , zal men 
moeten denken aan „vak", door wis- 
seling van t en k, als in ^warteldagr, 
enz. (vergelijk *bovenste , aan 't slot , 
ook de aanteekening.) 

ve of fe voor „we" of „wij", zie 
wie. 

* veenbranden, vergel. de artikelen 
Veenbranden en Veendamp bij Winkler 
FrlnSy Geïllmtr. Encyclopaedie. 

veen wortel, zie *gele veen wortel en 
♦roode veenwortel. 



Teer, zie *g:est. 

*veer (bijw.) vgl. Nederl. „heinde 
en veer"; over veeren, zie verren. 

veeren zz spichtige heesters, bvb. 
iepern, elzen veeren, zooals 
die voor afscheiding dienen; bij v. J).: 
veer =z gezaagd hout. 

*Yegen : wie zeilen h ö m ve- 
gen! in de beteek. van *peeren (bl. 
552.), vgl. ook HD. fegen =z voort- 
vliegen. 

ve^ezak (zie bij *hakmak) zal zin- 
spelen op het plaatsje Vegesack bij 
Bremen, berucht als uitspanningsoord 
voor zeelieden , vanwaar de woordspe- 
ling: Vegesack fegt den Sack — te 
Vegesack raakt men zijn geld kwijt. 

veibesla^, zie ^beslagr. 

Tellingsteen, zie kielpatsteenen. 

*vellings: „vellingen" ook wel elders. 

*ven : V e n n e b r o e k , een land- 
goed bij Paterswolde; vergel. *boate. 

*vent 1 , vergel. *g'rootknecht. Op 
gi'oote boerderijen , althans op 't Hoo- 
geland, staat boven den schoapyent 
nog een darde ven t. 

^venthinderk , vergel. *kerelhille. 

venweegs, zie *venneweeg:s. 

*verandern : dat verandert! 
zz: daar wordt de zaak anders van ! 

verantwoorden := antwoord geven : 
ik V e r a n t w o o r d d e 't n ij t zz ik 
deed alsof ik 't niet hoorde. 

verbeeldiugr : 't is verbeelding 
of 't b i n V e r b e e 1 d e n s z= 't is 
zinsbedrog; wat'n verbeelding! 
zz hoe verwaand ! ; beide bij v. D. 

*verboasd : Nederduitsch „verbas't" 
z= Ontsteld. 

verbreukt, zie *breuk en ^pand. 

*verdeien zz weigeren iets te doen 
of stilzwijgend nalaten ; vergel. bij v. 
Bale de synoniemen : verdijen , ver- 
doemen , vertikken , verzeggen („ver- 
vloeken" hoort men in deze beteek. 
zelden.) 

verdek, zie *körrewoagren. 

verdoktern , zie *doktem 1 ; ook bij 
V. Bale. 

verdommen, zie *davel (bldz. 515); 
bij V. B. verdommen =z verdeien. 

verdommenis, zie: dak. 

^verdommenQern : in 17e-eeuwsche 



VERDOMMES 



70 



YEltöTAND 



kluchten komt voor „dommenateiir" 
=: doorbrenger. 

Terdommes iz: verdoemd: verdom- 
mese jonge!; op dezelfde wijze ge- 
vormd als vergeefknes en vooral in 
het TFesterkwartier gebruikt. 

♦verdompeld , ook elders. 

verdoamen, zie *Yerdeieii. 

Terentigr, zie *werentigr. 

*Yerfomfailen , bij v. Dale: verfom- 
faaien, verfomfooien =z kreuken. 

vergreefmes (bldz. 573), vergel. ver- 
dommes en godvergeemie. 

*vérgreefs , klinkt meestal : v e r- 
g e e s ; vergel. Nederl. „te geef." 

verg^ees, gewone uitspraak van ♦ver- 
geefs. 

vergeten , onpersoonlijk in : 't i s 
mie vergeten := ik ben 't verge- 
ten ; 't V e r g e t mie d o a d e 1 'k 
weer zz ik vergeet het dadelijk weer. 

♦vergeven, vergel. godvergeemie. 

*vergreld: HL. vergrellen zn ver- 
bitteren, sarren; grell =r fel. 

vergrflmen, zie *grflmen. 

♦verhakstukken : bij v. Dale (eigenl.) 
zz schoenen van nieuwe hakken voor- 
zien, figuurl. zz: verhandelen. 

* verhal , Nederl. : op zijn verhaal 
komen. 

*verhemelte, ook bij v. Dale, meer 
gewoon dan „gehemelte." 

verkakkelemienen (StadGro7i.) =: la- 
ten verloopen , verslor deren , verwaar- 
loozen eener winkelnering. 

verkloatern, zie *kloaters 2. 

*verknollen, bij v. Dale in geheel 
andere beteekenis, nml. =z verknoeien, 
bederven, in onmin geraken. 

verkof t, zie *verkoopen. 

verkold, zie *verkollen. 

verkonkelfoezen, zie *konkelfoezerei. 

verkuutj ebaten ; zie ♦kaatjebaten. 

♦verlangen , v. Dale : het verlangt 
mij zz ik ben nieuwsgierig ; ook 
HB. 

verleden, voor „geleden": 't is veer- 
tien doagen verleden. 

♦verlet, bij v. Dale =: verhindering, 
uitstel , en evenzoo : verletten , verlet- 
sel; men zou ook kunnen zeggen: ver- 
legen om. 

♦verloop en ook zz heengaan of ver- 



trekken, altijd door „het" voorafge- 
gaan : ze' w' 't es verloopen? 
willen we eens gaan?, goa j' 't nou 
al verloopen? gaat ge nu al 
heen ?; 't eten verloopen zz 
tot spijsvertering gaan loopen; — als 
bijvnw. ook bij r. Dale. 

verlozen, zie winnen. 

vermestem , zie ♦doktern 1 ; bij v. 
Dale: vermeesteren. 

♦vermeukt, bij v. D.: meuken zz 
weekmaken , alsmede : in de meuk 
staan zz in de week staan. 

verrek! of verrek non!, als uitroep 
van ongeloovige verbazing zz (och) 
kom ! , neen zeg ! ? , 't is toch niet 
waar ? ! 

♦verrekte (bldz. 573), vergel. ook 
♦vergeven (ibid.); de e achter het bijw. 
is zeer eigenaardig : beroerde, 
ieselke, oakelke kold. 

verren , in : over verren zz uit 
of in de verte , van verre ; vergelijk : 
veer. 

♦verrotting; in eene Ordonnantie op 
de begrafeniskosten, van 1687 (art. 
III, 14), wordt gesproken van : „eijgen 
ofte gehuijrde verrottinge", wederom 
een bewijs dat onze voorouders de din- 
gen bij hun naam noemden ! 

♦verraikeloozen (bl. 573), vgl. Ned. 
verroekelóozen en bij Vondel reucke- 
loos en verreuckeloosen. 

♦verschelen ook Ned. voor „verschil- 
len" en Gelder sch in beide beteeke- 
nissen. 

♦verslag ook zz bederf in graange- 
wassen, vooral door insecten te weeg 
gebracht: versloagen zz mislukt, ver- 
welkt, verdroogd. 

versloan zz verweiden, van vee, zie 
„beslaan" in den 4en druk v. van Da- 
le ^ alsmede ♦besloagen. 

versloeken, zie ♦sloeken. 

♦versmieten : bij v. D. versmijten zz 
wegsmijten. 

*versnappen: HD. sich verschnappen. 

verstand, voor: aandacht, oplettend- 
heid ; h ij k i k t 'r m i t a 1 1 e v e r- 
stand n o a. Ook : van 't v e r- 
stand wezens: van zijn verstand 
beroofd zijn , en evenzoo van 't v e r- 
stand komen en brengen. 



YERTREK 



71 



VINGERGREPEN 



*Tertrek: in eene Publicatie van 1805 
wordt melding gemaakt van de Ver- 
trekkamer in het Lands Huis binnen 
Groningen , hetgeen wachtkamer zal 
beteekenen. Vergelijk vertrek (1) en 
vertrekken (einde) bij v. Bale. 

*YerYatteii, opk bij v. Bale. 

vervelens iz: verveling : o e t ver- 
velens; vergel. *goudens. 

♦verwachten ook in : dat ver- 
wacht ik ook := dat denk , ge- 
loof , reken , vermoed ik ook. 

verward (Hunsego) =z slecht ge- 
luimd, ontevreden, verstoord. 

*verweeren, vgl. v. B.; weer is 
ook Nederl. , hoewel niet aldaar. 

verwierd en verwaaid (tautologie) : 
d'r verwierd en verwaid oet- 
z ij n , door ontsteltenis, gejaagdheid 
of buiten loopen bij stormachtig weer; 
V er w i e r d misschien 't HB. „ver- 
wirrt" z= verward; bij v. B. verwaaid 
■=z verwilderd. 

*verwigrgeln , vergel. *verreppen; bij 
V. D.: wiggelen =r wankelen, schudden. 

verwondem voor „benieuwen" (*nei- 
en), een verwarring die ook in 't UB. 
voorkomt (zie *verlangren) ; vergelijk 
*belasten ; men zegge dus niet : „het 
zal mij verwonderen, of . . . .", maar 
wel : „'t verwondert me, dat . , . ." 

*verzeggren, bij v. Bale: verklaren 
iets niet te willen doen. 

verzoanlk of fersonnlk (vooral in 't 
Westerkw.) zz: fatsoenlijk. 

verzniken (HB. versuchen =: be- 
proeven), zie : a n n e m e n. 

*verzfln, Nederl. „voorzien", hoewel 
niet bij 17. Bale, soms ook wel „ver- 
zien." 

*vet, vergel. *vat en *vet moagrer. 

veter, zie *ol bal. 

*vetje, ook bij v. Bale. 

*vet moager, elders in ons land 
meer algemeen: heet en koud. 

*veul ook in : w ij t ik v e u 1 ? 
(StadGr., klemt, op v e u 1) zz. weet ik 
het? hoe kan ik dat weten?! wat zal 
ik er van zeggen ? ; ook wel elders 
in de beteekenis van : meer dan ik u 
zeggen kan , teveel om te noemen , 
daar wil ik af wezen; bij v. Bale (4e 
druk) in dezelfde beteekenis: weet ik 



het al ! , weet ik alles ! (de beteekenis 
zal denkelijk zijn: 'k weet wel veel, 
maar niet alles) ; — „n ij t v e u 1" is 
eigenl. het Nederl. „niet veel zaaks", 
ook beteekent het: ongunstig, beden- 
kelijk (zie : Heken); eigenaardig is 
de uitdrukking : 't is veul en veul- 
s t e veul (of: slim, vgl. bl. 563), 
men vergelijke hiermede ^wachten 2; 
zie ook opkennen. 

*venl8te, Friesck: veulsten te. 

vea'r, zie noa'r. 

*vear: bij v. Bale „voor de deur" 
zz op straat, en evenzoo „voor de 
poort" zz buiten. 

venrbiene of vearbinde, zie *acli- 
terbinde. 

venrdoktern, zie *doktern 2 en 
*venrjöstern (bl. 574.) 

veuren , zie ^inhoalen. 

*vearliollen , vergel. ^heerhoUen en 
kop 1. 

vear mekoar zz *vear'nkander (klem- 
toon in beide woorden afwisselend) , 
ook Friesck; vergelijk ook ^vearhoUen 
en zie 't volgende woord. 

*veur'nkander ook in : h ij k e ^ 't 
nijt veur'nkander (of veur- 
mekoar) k r i e g e n zz hij kan zijne 
gedachten niet ordenen of uitdrukken, 
bvb. door dronkenschap, ziekte of ge- 
krenkte geestvermogens; zie boven. 

Elders (o.a. in Holland en Gelderl.) 
zegt men „in elkaar." 

venrpand, zie ^pand. 

venrvreien , zie *venrvreier; in Fries- 
land en ook elders spreekt men van : 
een meisje voor iemand „op vrij en." 

venrzömer, zie ^noazömer. 

*vief (v. Bale heeft „drie") : meest- 
al hoort men tien tellen, blijk- 
baar om door alliteratie (daar beide 
woorden met een t beginnen) het ef- 
fect te verhoogen ; de andere zegswijze 
üók bij ü. B, 

*viefkop , vergel. *liokje en *dop 
(bldz. 513.) 

viefunrlje, zie *elfunrye. 

viennen zz vinden. 

*vieven en veulen: „vijven en zes- 
sen" is algemeen Nederl. 
vil, zie *völ (bldz. 575.) 
vingergrepen: 't zelfde als *liandgrrepen. 



VlNGKRl.lNd 



72 



VROAdKN 



*?ingrerling, zie ook *sleup. 

Yingrers, zie *op (ook de aanteek.) 

♦vinnigr, Hl), tinnig. 

yisglas z=. glazen goudvischkom; ook 
elders. 

♦vlak loepen, vergel. *blak. 

vlees, zie *yHjs. 

Yleeswörst, zie *met 1. 

TÜegop, de verhollandsrhte bena- 
ming voor: *YHjgop; zie ^Yluugrop, ook 
de aanteekening. 

*Ylint : hierbij nog het driekkcJn' 
woord „plinthos" =1: steen , metsel- 
steen ; verder de zegsw. : h ij het 
V 1 i n t e n i e n n e kop, 't i s 'n 
vlintekop rr 't is een domoor ; 
bij V. 1). iets dergelijks onder „kei." 

vlintekop , zie : v 1 i n t. 

♦vlucht , zie ook *katjev]acht. 

*vlaag:op , Nederl : vliegende; geest. 

vlQgerg = *viygachtig. 

voak (zonder klemtoon) voor: ge- 
woonlijk , meestal , in den regel , bvb. 
Zundags gait'r voak oet stad; 
in 't Nederl. alleen „vaak" =: dikwijls. 

voalland, zie vaalland. 

voaren (znw.), zie *oam. 

*voaren (werkw.), vgl. *botjevoaren 
(bldz. 506.) 

♦voazel : Hl). Faselvieh = fok vee , 
mager vee; vgl. *faas (bl. 517.) 

vodlings, zie *hozevötels. 

*voel , vergel. : v n u 1 ; bij 't Geld. 
(bl. 575) ook: en voel oas van un 
keerl zz een schrandere bol. 

♦vogeltjes: „Vogeltjes, die zoo vroeg 
zingen, krijgt de poes", is de titel van 
een gedichtje van de Gétiestet. 

vol zn *volle« 

*volk, zie ook ♦onze volk [bl. 550] ; 
onder aigen volk [onder 'n 
kander] wezen zr zonder gezel- 
schap van vreemden, in den huiselij- 
ken kring [„en familie"] bijeen zijn ; 
vergel. ♦zals , ook de aanteekening ; 
volk!* als uitroep , vergel. va7i Dale. 
Vgl. *onsvolk [bl. 304.] 

♦von : naast b i n , win, enz. ook 
bien, wien, enz. ; vergelijk de 
aanteek. op *ie 1. 

vooruit ! zie mars ! 

voorwerk, zie ♦veurwark. 
vork, zie ♦lipken. 



♦vörl, bij V. Dale „verrei", „vieren- 
deel"; Nederl. ook „vierel", alsmede 
„viereljaar." 

vörrels, zie ♦rögrgrels. 

vöt =: ♦vort, zoowel in de beteek. 
V. „dadelijk" als v. „weg." 

votdoadelk = dadelijk, onmiddellijk: 
pleonastische versterking. 

vouern , zie ♦vourn. 

vouten, zie ♦proppen [bldz. 556] en 
♦bflnen, alsmede ♦andermans [ook de 
aanteekening.] 

♦voutenwisken , bij r. Dale : de voe- 
ten vegen. 

vrarns .. zie : w o a r a r n s. 

♦vrede: „in v r e d e s n o a m" wordt 
vaak verkort tot : in vrede, beide 
ook elders. 

Vredewold , zie : \V e s t e r k w a r- 
t i e r. 

vredingren, voorkomende in gedruk- 
te (ironingsche Raadsbesluiten betref- 
fende stadsbezittingen , zal eene ver- 
hoUandschte schrijfwijze voor v r i n- 
gen of wringen zijn ; 't is echter 
mogelijk, dat men hier te denken 
heeft aan het Hl). Friede =: omhei- 
ning; het materiaal er voor heet vre- 
dingfhont. In een aanbesteding van 
. gemeentewege wordt o.a. gesproken van 
„het plaatsen van erf bevredigingen", 
blijkbaar van het HD. befriedigen zz 
omheinen. 

♦vreiersvouten , HB. : auf Freiers 
Fiissen gehen. 

♦vreischieter : juist hetzelfde begrip 
als \ Framche pet-en-l'air. 

vretop en vretzak, zie ♦vreten; men 
denke aan \HL. fressen. 

vris , zie ♦van vrissen en vgl. ♦fris. 

♦vroagen [znw.] : vragen en vraag- 
boek ook bij v. Dale , en aldaar tevens: 
vraag =: catechisatie. 

♦vroagren [werkw.] in : bedankt 
veur 't vroagen, het antwoord 
dat een herstelde zieke geeft of laat 
geven op de vraag naar zijne of hare 
gezondheid, daarmede te kennen ge- 
vende, dat er niet meer behoeft ge- 
stuurd te worden: in Holland zou men 
„laten bedanken voor de attentie." 
Toch komt bovenstaande zegsw. ook 
elders voor. ^^ 

O 



VROATEN 



73 



WARKSOAM 



Troaten, zie *Treten. 

*?rong:elhais zz wrongelhuis bij v. 
Dole, en wrongel aldaar zzz gestremde 
melk. 

Troagdag , zie : g a s t h u u s. 

*Troügmelk, vergel. ^n^melk. 

yrljwat , in vrijwat krekt = 
vrywel (bijna) precies ; zoo ook v r ij- 
wat goud ^ tamelijk , nogal goed; 
in 't NederL alleen voor zelfst.naam- 
woorden en werkwoorden : er waren 



vrijwat menschen, 't heeft vrijwat ge- 
regend. 

vuiern, zie ^inhoalen. 

vuren =z dnwen, zie *anvai'en. 

*vual, vergel. *beuze. 

*vUern ; in 't Nederlandsch zou men 
zeggen : vierkant van zijn stoel op- 
springen. 

*vflff9 bij 77. 7). „veeg" zzz gevaar- 
lijk, slecht, bedorven, den dood nabij. 



w 



*wach, bij vaii Dole: waaksch en 
wachtsch; HD, wach = wakker. 

^wacholderbekn, II D. Wachholder- 
beeren. 

*wachten: ik ken 't nijt wach- 
ten ::= ik hél) geen tijd, ook Geldersch, 
en op bldz. 463 ten onrechte als A^^- 
derlandsch beschouwd ; h ij k e n 't 
best wachten =: 't is voor hem 
een kleine moeite of opoffering; men 
denke aan 't Hl), warten =: verzorgen, 
zorg dragen en 't NederL zich wachten 
=: zich hoeden (Zuidned. wachten =: 
bewaken.) In Holland is het onbekend. 
Vergel. ook „wachten" z= afwachten 
of ontvangen. 

wachthollen , woakhollen , in : wel 
zei mörn wachthollen? i= 
wie zal morgen 't eerst opstaan en zor- 
gen , dat de anderen gewekt worden ? 

*wai , vergel. : a n w a i s e 1. 

*waien , zie ook : d a i e n. 

*wak, ook bij v. Bale. 

walhooi, zie *venhooi. 

*walje, va7i Bale: bij het walletje 
langs. 

*wams, bij v. Dole: wammes. 

♦wande (bldz. 576), NederL „snij- 
ding", OverijH. „wieg" (= wig?). — „In 
het Noorden van ons land, met name 
in de stad Groningen, staan de huizen 
ieder afzonderlijk , daar er tusschen 
twee gebouwen gewoonlijk een gan- 
getje gevonden wordt, dat echter zoo 
nauw is, dat een persoon daar slechts 



met moeite door kan gaan. Men noemt 
die enge ruimte tusschen twee huizen 
den icand en op last van het stedelijk 
bestuur moet zulk oen wand op gezette 
tijden gereinigd worden. Gewoonlijk 
zijn het arme vrouwen , die zich voor 
het verrichten van dat werk aanmelden. 
Aan den straatkant is die wand in den 
regel afgesloten door houtwerk, waarin 
beneden een soort van deurtje." — 
Zie R. Koopmann van Boeker en , in de 
Klnder-Conrant , 1867-68, bldz. 179. 
Officieel schrijft men steeds „wande" 
en nooit „wand." Reeds in 1628 komt 
dit woord voor: oorspronkelijk schijnt 
het ,, afwatering tusschen de huizen" 
te beteekenen. Zie: Trip, De reini- 
ging der stad Groningen , bldz. 38. 

wandel = wandeling , zie : ing, 
ook wel elders. 

wandelen ; een woord , herhaaldelijk 
voorkomende in advertentiën betreffen- 
de verkoop of verhuring van aandee- 
len in ongescheiden grondbezit: wan- 
delende voor de wederhelft 

met = door twee eigenaren 

beurtelings gebruikt wordende. 

*want (bldz. 576), NederL: visschers- 
tuig in 't algemeen , en als zeeterm : 
alle touw^werk aan boord. 

wantroaegr, zie *noameten. 

*warf, vergel. ♦Ommelanden. 

warkgr^sten, zie *veurIoop. 

warksoam voor: werkelijk, bewer- 
kelijk. 

6 



WARMTE 



74 



-AVEGEN 



warmte , iu : de warmte hollen 
zz: warmblijven , en : d e warmte 
beloopen zr loopen om wann te 
worden of te blijven. 

waskeldook = waschdoek, schotel- 
doek, Geldernch: wasseldoek. 

wasketöb^ zie ^wasboalie. 

^wassen (bhlz. 577, I boven); hier 
behoort vooraf te gaan : h ij k e n 't 
gras heuren wassen nz hij is 
zeer eigenwijs; bij r. J)ale: het gras 
hooren groeien z=z waanwijs zijn ; vgl. 
♦gras en *^ies. 

wat zz iets, zie *wezen en wezen- 
magrgen. 

*wat 2, ook zz „hoeveel?" zie: 
w e z e n. 

watgroadi of watdingl, een stoplap 
voor: wat blieft?, wat zeidet ge? 

watten , zie : d a 1 1 e n. 

*watTeiir, *watTeurent, ook samen- 
getrokken tot *waffer Cbldz. 576), zijn 
gelijk aan het Xederlandjtch „wat voor?" 
en „wat voor een?" (Hl).-, was fiir 
ein ?j ; de zuiver Gronbigache vormen 
zijn : wekfeür , wekTeurnt. 

^wedeman: „onbestorven weduwnaar" 
ook bij r. 1). 

weefstel, zie *8tel. 

*weeg, zie ook pad. 

*weem, vgl. bij r. Dale: „wepel" 
:=. ledig, onbewoond; ,,wepél zijn" 
zz: weduwe of weduwnaar zijn, onge- 
trouwd zijn; 't woord wordt alleen nog 
in Zuidtiederland gehoord en begint te 
verouderen. 

*weer (bhk. 577): ook bij v. 1). 
onder „mooi" en „weder"; zie ook 
*Yerweereii. 

-weer , als uitgang van plaatsnamen, 
kan het oude woord „were" zijn, dat 
visch vijver of ook dijk of waterkeering 
beteekeut; zie li. K. Brmaeu , MonH- 
menia Groniwjmia , bldz. 70 en 245 , 
alwaar oorkonden uit de jaren 1285 , 
1300 en 1364 zijn afgedrukt; vgl. ook 
't woord: zeewering, alsmede „weer" 
(3j bij V. Dale. 

weerd : 't is niks w e e r d =z 
't is knoeierij , half werk , gekheid , er 
komt niets van terecht , 't is nuttelooze 
moeite ; 't i s 't n ij t w e e r d z3 't 
is de drukte, de moeite, het tijdver- 



lies, enz. niet waard. 

♦weere: „weer" en „weder" bij r. 
D. zz: ram, hamel of schaap. 

♦weeren : goud kan wegblijven 
zonder verzwakking v. d. beteekenis; 
ook bij uitbreiding : de omstandighe- 
den zijn gunstig; zoo bij f. Dale (4e 
druk) : het weert op zijn dak (gewestel.) 
= 't loopt hem mede , zie Mak. 

♦weerlich (bldz. 577j, bij r. Dak: 
loop naar de weerlicht ! en : als de 
weerlicht ! 

weerliehtslag = bliksemstraal. 

weer-om, zie omnemen. 

♦wegr, voor „vandaan": woar kom 
joe weg?, ook Friejsch; meestal wordt 
er geen zeer groote afstand door aan- 
geduid , gewoonlijk het huis of de 
naaste buurt; hoewel men wel eens 
hoort : woar komt'r weg? oet 
Holland, zal men in zoo'n geval 
eerder zeggen v a n d o a n ; zoo ook : 
h ij 's b 1 e s t a d w e g =z afkomstig 
uit de omstreken van Groningen; er- 
gens b i e w e g 1 o o p e n z= het in 
den steek, zonder toezicht laten, van 
iats afloopen; ook kan een werkwoord 
zijn verzwegen : woar hei' dat 
weg? :=! w e g k r e g e n , w e g- 
!i o a 1 d ; ook wel kan de samenstelling 
zuiver Kederlandsch geweest zijn : *n 
stuk vlais bie de hals weg 
— weggenomen, weggesneden (eigen- 
lijk „afgesneden"); verder komt weg 
voor in de eigenaardige uitdrukkingen: 
't het 'r veul van weg zn 't heeft 
er allen schijn van , hij het wat 
weg van zien v o a d e r zz hij 
aardt naar zijn vader, — welke echter 
ook wel elders in gemeenzamen stijl 
voorkomen, evenals: 't heeft veel van . . . 
Zie ook *op en weg [blz. 550] 
en *deur de weg en vgl. ook : hen. 

weg ^znw.) in: hij wijt mit zien 
i i e d g ij n weg zz hij weet met zyn 
tijd geen raad; men zegt in Holland 
wel : 'k weet er geen weg mede zz ik 
beu verlegen met die zaak, ik zie geen 
uitkomst , en ook wel : 'k weet geen weg 
:net mijn appels enz., vergelijk : end. 

♦wegen, hiervoor ook: weven. 

-wegen (in samenstellingen) zz ♦-we- 
3:ens; vergel. ♦Tealderwegr^n» 



WEGGOOIEN 



75 



WIE 



weggooien^ zie ^Tersmieten. 

*wegrkroepery e , zie ook *keut€l- 
doemke. 

*wegriiioaken (bldz. 577) wordt ook 
elders gebruikt; vergel.: biemoaken 
en bij v. Dole „wegzijn" =i bezwijmd 
zijn. 

wegTSchieten 9 zie ^verfomfailen. 

wegrsmieten , zie *Tersinieten; in de 
beteekenis van: verwerpen, wegcijfe- 
ren, zie bldz. 582 II midden. 

wekyeur. wekveurnt (letter! . „welk 
voor") zie : w a t v e u r. 

*wel 1 ; het Hl), wer , door wisse- 
ling van / en r; met bldz. 577 te 
vergelijken het Nederl. die en die, dan 
en dan. 

*wel 2 , zie ook *al en : groedzoo. 

welja (uitgespr. w e 1 j a h) , zie: j a. 

*weltern: bij v. Bale „welter" — 
(gewestel.) stuk, rol. 

♦welterusten , ook elders, gemeenz. 

wendweegr$9 zie *wend. 

*weneii, HD, Weide, Wiede; vgl. : 
W^ i e d e. 

"^wentelteéflen (bldz. 577), Nederl, 
wentelteefje. 

* wereld, zie ook .*jakkern. 

♦west, zie ook *bezfln. 

westerd, zie *oosterd. 

*Westerkwartier ; de drie andere 
kwartieren , buiten de Ommelan- 
den, waren : het Goorecht (Goregrht) 
of Drentherwolde , het *01dampt en 
Westerwolde; dit waren heerlijkheden, 
namens de Stad door Drosten bestuurd. 
Wat het Westerkwartier betreft, 
dit bestaat thans uit de navolgende 
aloude landschappen: Hum ster land 
ten Noorden , Middag ten Oosten , 
Oosterdeel- en W ester dee 1- 
Langewold ten Noord-Westen en 
Vredewold ten Zuid- Westen. 

westers, zie *oosterd. 

Westerwolde: een landschap in 't 
Zuid-Oosten der provincie Groningen ; 
vergelijk : W^ e s t e r k w a r t i e r en 
♦Noorwegen. 

weven hoort men wel voor: ♦wegren. 

♦wezen , ook in : wat m out 'r 
v e u r (of :van) wezen? z^ hoe- 
veel ben ik u schuldig?, waarmede te 
vergelijken : wat möt't kosten? 



zn hoeveel bedragen de kosten? wat 
is de prijs ?; wat zöl 't wezen! 
zz 't zou ook wat ! , 't heeft niets te 
beteekenen ! ; vergelijk : niks en hou- 
venl. 

wezen-daren : h ij d u u r t 'r w e 1 
wezen iz: hij is niet verlegen, durft 
zich laten gelden , waarvoor ook : we- 
zen-kennen; vergelijk bldz. .370 I b; 
op bl. 330 I onder beide als Nederl. 
beschouwd; elders: er zijn mogen (ook 
van zaken} := zich mogen vertoonen. 

wezen-maggren : 'k m a g d 'r n ij t 
wezen (ook : 'k m a g mie d 'r n ij t 
z ij n) in 't bevalt me er niets ; dat 
mag (of m o g) wel z o o w é z e n 
(verkort : dat mag wel zoo) zn 
dat kon of mocht wel anders of beter 
zijn , 't laat te wenschen over (vergel. 
*an en ♦zoowat), de zegsw. komt ook 
elders voor , doch zelden , zie bvb. Be 
Oude Heer Smits , Afdrukken van In- 
drukken^ Ie druk bldz. 106; 'k mag 
wat wezen as'k 'tdou '•=: ik 
doe 't in geen geval , 'k wou (zou) je 
nog liever! 

♦wicht: 't Nederl. woord ,, wicht" 
beteekent oorspronkelijk „wezen": van- 
daar bvb. „booswicht." 

wichterverzflte =: meisj es visite ; zie 
schaurdeüren. 

wid brood (vooral Wkw.) nz witte- 
brood; op dezelfde wijze zijn gevormd: 
„h on e ten" (bldz. 527), h on' hok 
(h o n' n o k) =: hondenhok , h o u d- 
deus, padstoul zz paddenstoel , 
„p e e r s t a 1" =: paardeustal, schuu- 
deür zz sch uurdeur, enz. 

wie := wij : de w in dit woord 
wordt in den regel verscherpt tot v 
of ƒ , wanneer/ het achter een werk- 
woord staat, vooral in het Stad-Gro- 
ningsch , en de i e wordt dan een toon- 
looze e : bvb. m o u t' v e , m o u t 'f e , 
m o u' V e of m o u' f e m moeten wij , 
zoo ook z e 1' V e , enz, voor : zullen 
wij ; zoo zal de Stad-Groninger , die 
het woord ♦roe gr te plat vindt, spreken 
van r u u f inplaats van „ruw", zoo ook 
n i e f voor „nieuw" en zelfs w o a r- 
s c h u f e n voor „waarschuwen"; voor- 
al bij 't voorlezen merkt men dit ver- 
schijnsel op, alsmede in de joodsche 



WIEBERIG 



76 



WOAPENS 



volkstaal. Merkwaardis: is het onige- 



r?. 



keerde in *t Ned. in de nog niet zoo 
zeer lang afgeschafte spelling „verw" 
en „verwen" voor „verf en „verven." 
In andere streken der provincie , bij- 
voorbeeld in 't JVesterhcartier, behoudt 
men de w, maar de t of l valt meest- 
al weg : m o u' we, ze' we, enz. 

wieberigr, zie *bainberigr. 

*Wiede: II J).: VViede =: dunne wil- 
gentwijg, Weide = wilgenboom; vgl. 
*wenen. 

*wiederwaidiy (bldz. 578) vormtéén 
tweede, geheel andere, beteekenis dan 
het op bldz. 473 opgegeven woord. 

*wiedwoagren of wiedewoa^en: rmi 
Da/e geeft de verbasterde vormen ,,wij- 
dewaag" en „wijgewaad." 

*wielewoalen , vergel. *woalen. 

wielü, zie *ielü. 

*wiem (bldz. 472 en 578): bij v. 
Ij. „wijme" (Znid^iederl.) = teenwilg. 

wien, zie *winde. 

wieubroa^e, als enkelv. van *wien- 
broagen, vindt men terug in Levitictts 
14 VS. y als „wijnbrauw" en bij Kil. 
als „wimp-brauwe", „wijn-brauwe", (met 
nog zes andere schrijfwijzen.) 

*wiepkes, vergel. *grriebeis. 

wier, zie: word e. 

*wies, vergel. : wassen; zeer op- 
merkelijk is het, dat ,,w i e s met" 
volkomen hetzelfde beteekent als het 
Nederlaiidsche (eveneens in gnnstigen 
zin gebruikte) : „gek met" of ,,mal 
met"; men zegt elders o.a. „hij is wijs 
met zijn huis" zz vraagt er meer voor, 
dan 't waard is. 

*wieze : „op z o o 'n w i e z e ! ?" 
komt overeen met het in het Neder- 
landsch in de spreektaal gebruikelijke: 
o i op die (zoo'n) manier ! ? 

wikken, zie *gele wikken. 

*wil := genoegen , ook bij v. Bale. 

♦wildschut, bij v. D. =z jager, ifZ). 
Wildschütz := strooper; vgl. *liaister. 

wiljewark (Oldambt) zrz *willewark. 

*willi§r, vergel. *böls. 

wiltje, zie ♦Iiandje en wiltje. 

*winde, Hl). Windel iz: luier, Win- 
delband =: zwachtel. 

windsel, zie ♦dayelsnaigroarn en *vo- 
gelwikken (bldz. 575.) 



*winkop, vergel. ^wassehop* 

*wlnnen, ook =z voorgaan van een 
klok , beteren van een zieke ; het te- 
genovergestelde TerlQzen ook in die 
twee beteekenissen. 

♦winter enz. onzijdig (zie bl. 579), 
vooral na „van" : van 't w i n t e r ; 
ook bijna overal elders in de spreektaal. 

winterperdiezen , winterrediezen , 
zie ♦harderooden. 

winters , zie : o a v e n s. 

wip ( fi^esterkw.) =z klap ; vergel. 
*anwaisel; Kvg. to whip z=: geeselen, 
slaan, zweepen. 

*wip in de beteekenis op bldz. 579 
ook bij V. Dale. 

*wips of *waps 9 IID. (gemeenz.) : 
wups. 

*wirm (bldz. 579), vergel. *pierekul; 
w u r m is ook Nederl. 

*wis, vergel.: ja en: vast, als- 
mede 't III). „wohl" in de beteekenis 
van: wellicht, immers, misschien, waar- 
schijnlijk; opmerkelijk is het, dat de 
stellige beteekenis van 't Nederland%che 
,,wis" of ,, gewis'* hier evenzeer is ver- 
zwakt als die van „zeker", „stellig" 
en van 't werkwoord „moeten" in : hij 
is zeker ziek , 't is stellig een broer 
van hem, hij moet zeer rijk zijn naar 
men zegt; verder heeft men den uit- 
roep : j a w i s ! := ja zeker ! stellig ! , 
vergel. * wisse. 

witkoren, zie ♦zoad. 

woagen, zie dikke woagren. 

*woagenledders : daar van sommige 
boerenwagens het achterstuk en de zij- 
stukken werkelijk op hekwerk gelijken 
is het zeer begrijpelijk, dat het woord 
later in uitgebreider zin is genomen ; 
evenzoo heeft v. Bale: ladder, zijlad- 
der, wagenladder en ladderwagen. 

woakhoUen, zie waehthoUen. 

*woalen, vergel. *weltern en het 
RI). walzen = wentelen. 

*woan, bij v. Bale: wan =i holte 
aan de oppervlakte van het hout, en 
vandaar: wanhout, wankantig hout •=. 
hout dat aan de oppervlakte niet gaaf is. 

*woapens ook in: stilstand van 
vv o a jt e n s , schertsend voor : nist , 
kalmte, weinig vertier na voorafgegane 
drukte. 



WOAR 



77 



WRIKKEN 



*woar 2: Oostfr. war. 

*woaranis , door snelle uitspraak 
frarns of Trams; vergelijk *TrachtIgr. 

*woarcHJl, 0verij8. (ook in geschrif- 
te): een huis en where nz een huis en 
erf;- bij R. K, Driessen, Motiiimenta 
Groningana, komt op bladz. 208 't 
woordje „were" voor in een stuk van 
1357, naar 't schijnt ook := erf; 
„weer" Nedèrl. ook nz omheining, tuin. 

*woareii, bij v. Dale: waren (weinig 
gebruikel.) := beschermen, HL.: wah- 
ren; het Eng. to ware is verouderd. 

woarnemen (StadGroti.) = *Yrei- 
moaken. 

woarschoaen ■==. waarschuwen ; vgl. 
menskenschoa ; „waarschouwen" ook 
elders. 

*woatebieter , Nederl.: puistenbijter. 

woaterböl, zie *bölschip. 

*wöl (werkw.), HD.: wollte. 

*wöl (bladz. 579 II onder), zie : 
var f. 

Wolden, zie Woldstreken. 

Woldjers, zie Woltjedei*s. 

Woidkant, zie Woldstreken. 

Woldstreken : hieronder wordt zoo- 
wel Daarswold verstaan als zuidelijk 
Westerwolde, alsmede ^Langewold en 
Vredewold; de laatstgenoemde streek 
noemt men in 't Wesierkwartier ook de 
Wolden, den Woldkant of de Wold- 
streek , (Kremer^ Beschr. vati Groningen^ 
Ile druk, 2e stukje bldz. 68, of bldz. 
180 van de uitgaaf van 1839 in één 
deel); vergel. ook *wold (bldz. 580.) 

*wolf ook = fijt (evenals in 't IID. 
bij Susan, doch niet bij Sicherer); ook 
zi: een ziekte der tanden. 

wollegras, zie *nioorke (bldz. 543) 
en vergel. v. Dale. 

Woltjeders, Woltjers of Woldjers 
=: de bewoners van Daarswold; ook 
benaming voor vee uit die streken, 
vergel. ^slochtermantje ; vergelijk ook 
*wold en *stadjers. 

wonder , in : 't is d o e z e n d won- 
der (eigenlijk: 't is duizendmaal een 
wonder) rz Nederl. (gemeenz.) : 't is 
wonder boven wonder , 't is meer ge- 
luk als wijsheid. 

♦wonen (h\i\.z, 580): deze uitdruk- 
king is Nederlandsch (men denke aan: 



ik weet het niet staan , ik zie het niet 
liggen), in dé spreektaal zegt men al- 
gemeen: 'kweet hem niet te wonen. 

woneral, zie woonderai. 

Wönsdagr = Woensdag , Friesch 
Woeinsd'g, Evg. Wednesday. 

woonderai : 't i s 'n mooie woon- 
derai of wonerai i=: een net 
huis ; zoo ook sloaperai = slaap- 
vertrek; vgl. *llgrgrerei (bldz. 539.) 

*woord , ook in: h ij het 't w o o r d 
= den naam , den roep (ook in gun- 
stigen zin); zie ook *bekend en ver- 
gelijk de Nederlandsche uitdrukkingen: 
„hij wil 't niet weten", „'t mag geen 
naam hebben" zz hij wil niet dat men 
er van spreekt, 't moet geheim gehou- 
den worden ; vergel. Br. R. A. Kolle- 
wijn: Bilderdijk, dl. II, bldz. 440! 
(HB. : keiner , der es Wort haben wird 
zz niemand, die het erkennen wil; er will 
es nicht Wort haben = hij wil het niet 
bekennen); „'t mag geen naam hebben" 
beteekent in 't algemeen meer : 't is 
niet noemenswaard ; op 't woord 
wezen zz Nederl. op de tong rijden; 
vergelijk (met bldz. 580) bij v. Dale-. 
zij weet haar woord wel te doen; zie 
ook *bös (bldz. 52 en 506.) 

wör (Ommelanden) zz *wair. 

*worde, TID. wurde; meer beschaafd: 
wier, van het Ned: „wierd", evenals 
de vorm *wair van „werd." De zegs- 
wijze op bldz. 580 beteekent: het werd 
hem wijsgemaakt , opdat hij 't overal 
zou vertellen. 

wörteltoenje (Westerkw.) zz wortel- 
tuintje, in de zegswijze: Jan Peit'r 
Oepkes ien 't wörteltoenje 
zz de onbekende , X , N.N. ; vermoe- 
delijk naar J. P. Oeps, in 1839 een 
zeer bekend Groningsch pikeur: zie 
Nieuwe Gron. Courant van 27 Augus- 
tus 1891. 

*wös zz wist: HD. wusste; en zz 
wies , groeide : HD. wuchs. 

wösk :=: waschte, wieseh: HD. wusch, 
vergel. *wasken. 

*woal: hierbij woulpand =: zoo- 
veel grond, als men in één dag *be- 
klalen kan. 

♦wrikken (bladz. 580) is Neder- 
landsch. 



WUPKOAR 



78 



ZAKKEN 



*wapkoar , Nederl, : tuimelkar, stort- 
kar; IIB, Wiippe. 

wQgrsehoamel 9 zie *sehoamel. 
*wykschild, vergel. ^sehillegr- 
♦wflt (bldz. 580): bijna in dezelfde 



beteekenis in 't Nederlanckch. 

♦wflten 9 zie ook : *'k wflt nflt .... 
enz. (bldz. 234 en 537); in 't Nederl. 
zegt men wel : hij weet niets van de 
koude, enz. 



IJ 



*fl klinkt meestal gerekt (als : a a i) 
in 't echte — zeer onwelluidende! — 
StadGroningsch y vooral in den mond 
van vrouwen, ook inde woorden: hij, 
z ij , b ij , m ij , w ij , zooals die voorko- 
men op bldz. 480 I reg. 26 en 27 ; 
in Huns. zie :=. zij. 

*flgreii : bij v. Bale „eigen" i= ge- 
wend. 

ygrenheden i= persoonlijke opvattin- 
gen of eigenaardigheden , bvb. : h ij 
het van dei ij genheden. 

*flgrenred, vergel. *aiired, bij van 
Dole: eigengereed := in huis ver- 
vaardigd. 

♦flkeiiiJe, vergel. *ketykertien. 

ymand = iemand. 

Qn z= eend, in samenstellingen, bvb. 
ijnbroa of ijnebroa, vergelijk 
*broa. 

*fln 2: van 'tijn ien 't ander 
z=L van .'t een op 't ander , onrustig , 
ongeregeld (ook wel elders) ; 't ij n 
noa 't ander (meestal met de woor- 
den : en zoo vooraf) =i overeenkom- 
stig, niet beter en niet minder, (meest- 
al in ongunstigen zin) — noa hier 
=: naar ; evenzoo (meestal gunstig) : 
en zoo 'tijn met 't ander; 



d' ij n v e u r d' ander duurde 
't n ij t d o u n (ook wel elders) z=. de 
een zoo min of evenmin als de ander 
(soms ook: zoowel als de ander ?); 't ij n e 
bijn nijt veur 't ander krie- 
gen kennen (elders : geen voet 
meer voor den anderen (ver)zetten kun- 
nen) := van zwakte enz. niet kunnen 
loopen, zie verder ^b^n^ii. Zie ook 
♦duvel (bldz. 515.) 

Qnboar =z eenloopend , eenig: 'n 
ijnboar heer = een ongetrouwd 
heer. 

Qnder, Qner: zie *gyner. 

*flndvogrel (bldz. 581), vergel. *eend- 
YOgrel (bladz. 516; ; eigenlijk: wilde' 
eend ; zie „eendvogel" bij v, D. (4e dr.) 

Qner, zie *grflner. 

*flnlgr: men denke aan het Neder- 
landsche „oneenig." 

^Qulghald, bij v. Bale: eenigheid 
rr eenzaamheid. 

*ynmoal, vergel. 'iHB.: „ein für 
alle Mal", wat overeenkomt met 't Ned,: 
ééns voor al, of: ééns voor altijd. 

Qnspan, zie *kret. 

Qnziedeg is een ei, dat den dooier 
niet middenin maar aan den kant 
heeft: 't is een teeken van ouderdom. 



z 



z, voor *8, zie bladz. 559 I onder. 

zakken , voor een examen , alleen in 
de prov. Groningen gebruikelijk en 
oorspronkelijk een studentenwoord ? 
Vergelijk het Nederl. „den zak geven" 



en „den zak krijgen" , alsmede in 
Zuldnederl. „zakken" =z wegzenden ; 
verder heeft men in 't Nederl. „iemand 
laten zakken" iz: zich niet meer met 
hem bemoeien; 't kan echter ook 't 



ZAKKOUK 



79 



ZIN 



HB, (lurchfallen {=. druipen) zijn. 
Zie *körf. 

zakkonk, zie ^klont. 

*zammelii: het HB. sammeln =z 
verzamelen. 

zandschupke, zie *drekschop. 

*zank; bij v. Bale: te zinke (of: te 
zenke) gaan zz te gronde gaan; vgl. 
*grieehöm. 

zark z=z zerk (bij v. Bale ook „zark"), 
in 't NederL alleen voorwerpsnaam , 
hier ook stofnaam: vandaar het stoffe- 
lyke bijv.naamw. zarken, bvb. 'n z ar- 
ken stoup. = een stoep van zerken 
gemaakt; in de meeste gevallen wordt 
er graniet of arduin (hardsteen) mede 
bedoeld , zoo bvb. 'n z arken hoes 
1= een huis, waarvan de voorgevel 
uit gehouwen steen bestaat. 

*zat 1 , ook in: tiedzat zz tijd 
in overvloed, („tijd zat" ook wel elders); 
in de beteekenissen : „genoeg", „in 
overvloed", „verzadigd" en „afkeering 
van" komt het woord ook bij v. Bale 
voor; vergelijk ook bladzijde 550 II 
onder. 

zee (zelfst.naamw.), zie see en *boo- 
neii. 

zeebok, samentrekking van ^segrebok. 

*zeel (bidz. 581), ook ■=. ijzeren 
hengsel van een emmer; bij v. Bale 
„zeel" =1 streng van hennep , draag- 
riem, touw. 

*zeen; bij v, Bale: zeen, zenen; de 
verwarring met „pees" ook in 't Ne- 
derlandsch. 

^zegnr^n? hierbij: wat ik joe zeg! 
(klemtoon op ik) =: ik sta voor de 
waarheid in, 't lijdt geen twijfel, (men 
hoort ook dat inplaats van wat), 
te vergelijken met het NederL: wat 
(of: als) ik u bidden mag; do ar 's 
niks gijn zeggen van =: daar- 
omtrent valt niets met zekerheid te 
voorspellen, er valt (vooraf) niets van 
te zeggen ; ik zeg joe niks! := 
gij begrijpt wat ik bedoel , 'k behoef 
u niets meer te vertellen, ook: 'k h e b 
joe niks meer te zeggen!; — 
wat zeg je d'r tegen? zz hoe 
noemt gij dat? 

zeldzoam, zie sels'm. 

zelf, zie *zelve (ook de aanteek.) 



*zelsehöp, vergelijk ^broaden (ook 
de aanteek.) 

*zelve; bij v. Bale: „selve" was oud- 
tijds de naam der salie, vandaar het 
zonderlinge spreekw. : zelf is het beste 
kruid. 

*zessen: volgens v, Bale werd deze 
zegswijze oorspronkelijk alleen van paar- 
den gebezigd en beteekende: met 
vier goede pooten en twee goede 
oogen; later werd de beteekenis zeer 
uitgebreid en algemeen , nml. : geheel 
aan het doel beantwoordende, nooit 
verlegen, enz. 

zeswéék, zie ofloonen. 

*zet (zelfst.nw.) , zie ook *zetteii 
(einde); bij v. B. in één zet zz plot- 
seling; zetje zi ruk. 

zea, zie ^zookwellen. 

zeufdissel, zie *mötdiesel. 

zeagedistel z= zeafdissel. 

zearpot zz zeurkous; gevormd als 
.jbrompot." 

zie (vooral Ilunsego) zz zij, enkel v. 
en (mann. & vr.) meerv. ; vgl. bl. 480 
l midd. 

*zied 1 , zie ook oetzied en vergel. 
*an zied groan (bl. 498.) 

*zied 2 ; hierbij ienne rechter 
(of linker) zied vallen, ien 
baide zieden vallen, gezegd 
van personen, die mank gaan, (op bl. 
476 I 12 V. b. ten onrechte als Ned, 
])eschouwd.) 

*ziegren: HB. ziehen, dat, evenals 
't NederL „trekken", ook „tochten" 
l^eteekent. 

*ziegrezoieii (bl. 582): Eng. to see- 
saw. 

*zien: deze vormen zijn algemeen 
gebruikelijk hier te lande en ook HB. 

^ziezoien (bl. 682): i^w^. to see-saw. 

*zin 1 (slot); elders: 's menschen 
zin (of : wil) is 's menschen leven ; ook 
gewoon HB.: Des Menschen Wille ist 
sein Himmelreich. Verder : 't k o m t 
mie ien 't zin of 't schut mie 
ien 't z i n iz 't schiet mij te bin- 
nen; 't i s (of: gait) mie nijt noar 
't z i n zz 't gaat niet naar mijn zin , 
niet zooals ik wensch ; ien (of: noar) 
m i e n zin zz naar mijn oordeel , 
volgens mijn smaak ; most nijt te- 



ZINNEN 



80 



ZTKKEN 



gen 't z i n (zz met te^enzui) eten; 
hou krigjst' ien 't zin?! =. hoe 
kunt ge zoo iets verzinnen ? ! ; — zie 
ook tweide. 

^zinnen (b), hiervoor ook gissen. 
Zie ook *ziii (bl. 582.) 

^zinnig: , vergel. ^aansch. 

♦zitten (bl. 582 I 4 v. o.) ook el- 
ders in gemeenz. stijl, o.a. bij Mitlta- 
tulL Zie ook *brommen (dat eohter 
ook elders voorkomt , terwijl zitten 
— aldaar — Nederlaudnch is); verge- 
lijk ook *8ehieten (bldz. 560) en zie 
ook ♦op zitten. 

zoadblok =i dorschblok voor kool- 
zaad, vgl. *iegrg:e. 

♦zoagren: bij v. Dole „zaag" :=. za- 
niker; het Trannche woord „seie" heeft 
ook beide beteekenissen. 

*zoezen in de beteekenis van suizen 
(bij u. J). ook: soezen) ook in de uit- 
drukking: 't regent dat 't z o e s t. 

zoiboi, zie *zoi. 

*zök, ook in zöksoort mens- 
ken 13 dergelijke lieden; vergelijk 
*soortegr. In Holland echter ook: zulk 
soort dingen. 

zöi (vergel. *wöl) = zou, Hl), sollte. 

*zolden ; 't EugeUche soll bestaat 
niet (hoewel ook bij te^i Doornk.), 't 
zal moeten zijn: soil := modderpoel 
(gewest, soal; AS sol, syl.) 

*zoit; vergelijk: 
Grieksch "aX^. 
Latijn sal. 
Frayisch sel. 
Hl). Salz zz zout. 

Sool, Söle, Sole, Sohle, Sulze, 
Sülze iz: pekel, loog. 
selchen zz zouten. 
Eng. salt. 
Nederl. zout, zult, zilt. 

zomer, zie * winter (bldz. 579) en 
vergel. *Tan nacht. 

zomer en zondag: , zie *wöl. 

zoo, zie ^zookwellen. 

zóó, in de uitroepen: zoo is 't!, 
zoo is 't m o a r ! , zoo is (z ó 6 's) 
't moar nét! zz juist! zoo denk ik 
er ook over. 

zooas (= zooals), in de zeer eigen- 
aardige beteekenis van : volgens af- 
spraak, bijvoorbeeld, namelijk, ge moet 



weten .... (of: . . . moet ge weten); bvb. 
hij zöl zooas gusterbie mie 
komen (of: komen wezen) =z 
volgens afspraak zou hij gisteren enz., 
hij zöl zooas guster op rais 
g o a n =. volgens zijn voornemen of 
naar men zegt zou hij gisteren op reis 
gaan (hiermede te vergelijken: „'t zeg- 
gen is", bldz. 483), hij 's zooas 
guster bie m i e w e s t zz hij is 
namelijk gisteren enz. of: ge moet 
weten dat hij gisteren enz., as we 
zooas mörn ies begonnen? 
zz indien wij bijvoorbeeld morgen eens 
begonnen? — 't Is een 'stopwoord van 
wankelende beteekenis en eenigszins 
te vergelijken met het ook elders ge- 
bruikelijke „zooveel als", bvb. in: hij 
is zooveel als opzichter in die fabriek, 
enz. Ook Friesch. 

zoo en zoo, zie *zu3 en zoo. 

zoogrerekend (Weüerkwart.) = *zoo- 
tereken. 

^zookwellen, bij v. Dale: heete zode. 

zóómennigrste , zie ^mennigrsten. 

zoonent, zoont (substan tivisch) zz 
zoo een ; vergel.. *hounent. 

*zóó of zóó, Nederl: zus of zoo. 

*zoowat, ook herhaald en daardoor 
versterkt in l)eteekenis : 't i s m o a r 
zoo wat en zoo wat zr 't is maar 
zoozoo; niet verdubbeld komt het in 
de beteekenis: „'k geef slechts noode 
mijn toestemming" ook elders voor. 

zoowel (ook Overijs. en elders^ of 
evenwel := intusschen, maar, slechts, 
eens : as ik zoowel dien voa- 
der was zö'k die wel anders 
1 e e r e n ! , a s 'k evenwel riek 
was gong 'kien stad wonen. 

zóó zoo, zie.*zü6 of zoo. 

*zadeln, bij v. D.-. zoetelen izi spijs 
of drank in een leger verkoopen (ge- 
westel. ook : op kermissen enz.) en 
vandaar : zoetelaar , zoetelaarster. 

znders, zie *oosterd. 

zaik, zie ^zöcht. 

zaitjes, zie ^hardop; ook zz lang- 
zaam, zoetjes, (vgl. bl. 583.^ 

zaitte — zoetheid : is 't goud 
van z u i 1 1 e? zz is de spijs of drank 
zoet genoeg?, vergel.: natten. 

zakken of zukkent, zie *zökken. 



• , 



ZÜKSOORÏ 



SI 



ZIJPKOP 



sukseort = zöksoort, zie: z o k. 

*ziilde, hierbij ook: 'k docht 't 
zuide wei = ik heb het wel g;e- 
dacht, wel verWacht. 

zalf = *ziils. 

*ziil8, vergel.: volk; — nou b i n v' 
endeling ^s onder ons zuls, 
kiender, want joen raouder 
was doch aigentliek moar 
a n t r a u d , zou eens een boer gezegd 
hebben, na de begrafenis zijner vrouw, 
die hij niet zeer betreurde! Zie ook 
*«reld en *tied (bldz. 569.) 

*zaltpoot, b^ V. Dale: zultepoot = 
ingelegde poot van een rund of varken. 

zand zz zonde, doch niet algemeen. 

*zaiiigr kieken (bldz. 583): bij van 
Dale =z boos of verbaasd zien. 

zaren, zie . *koanebro8den. 

zaarlingr (gok bij o. Bale) — zuring: 
hier alleen volksnaam. 

*zaver, ook in: zuver niks z= 
in 't geheel niets, volstrekt niets. 

*zazoi: Eng. see-saw. 

*zwad: bij v. Dale: „zwad", ,, zwa- 
de" =1 snede gras, hoeveelheid gras 
in een« afgemaaid, hoeveelheid gras 
of koren in een regel gelegd. 

zwak 9 zie: betrekking. 

*zwalfke (Hl). Schwall)e): bij van 
Dale „hij hangt aan de latten" — hij 
is op 't punt bankroet te gaan. 

*zwalk: Nederl. zwalni; kan 't Ned. 
„bezwalken" met het GroningHche „])e- 
z wal ken" verwant zijn? 

^zwarm, Nederl.: zwermer, eii zoo 
ook : zwermpot , zwermraket ; Hl). 
Schwarmer. 

zwat, zie *zwad; bij *ossegang (bl. 
552) beteekent het: een smalle strook 
gronds. 

*zwatbalk (bldz. 583): voor het Eng. 
,,swathbalk" leze men liever „swath- 



alleen gewes- 



bank", doch ook dit is 
telijk. 

*zweeptop, vergel. *8iiTeltop, ook 
de aanteekening. 

*zwelen, bij v. Dale: zwelen of zwee- 
len — het drooge hooi met de hark 
l)ijeenverzamelen; vermoedelijk afgeleid 
van zwad of zwade (zie : z w a d.) 

*zwet, vergel. *rid 2; in Holland 
de familienaam Zwetsloot. 

zwieu, zie ^zwienen 1 en *goad 
(bldz. 131 11.) 

zwieniegrel, zie ^iegelzwien. 

zwienjong, zie *grootkneeht. 

zwikzwak, zie Mappentoal. 

zwilk of zwilkje, als zelfst.naamw. : 
een stuk zwilk, bvb. over eéh tafel, 
elders ook „zeil" of „zeiltje" genaamd, 
met welke laatste benaming oorspron- 
kelijk alleen zeildoek, thans ook was- 
doek wordt bedoeld; bij v. Dale komt 
„zwilk" alleen als stofnaam , niet als 
voorwerpsuaam voor. 

zwoaden — «swoaden (bldz. 568.) 

*zwoarweer heeft den klemtoon op 
(Ie tweede lettergreep, ^danderweer 
op de eerste; op zee: zwaar weer — 
storm. Vgl. onweer. 

zwoel — verbrand, gebruind in 't 
gelaat. 

*zwoord, Hl). Sohwarte. 

zwoul, minder beschaafd voor zwoel, 
doch zelden, en ook zelden voor 't 
Nederl. „zwoel" — drukkend. 

*zfln, zie ook *hei (bldz. 525) en 
wezen-maggen en vergelijk: ze ma g- 
g e n h o m d' r n i j t z ij n = hij 
valt er niets in den smaak, ze mogen 
hem er niet; ,,'k zal eens zien" (of 
„kijken") komt in deze beteekenis ook 
overal elders vóór. 

z^pkop ^= zeepbak of zeeppot , 
vergelijk kop. 



? 



Aanvullingen en verbeteringen *) 



Bladzijde : 

XXI rjr. Il V. o.: //>«//. l. U^eUrL 

1 II S V. b. uHii te vullen niet : vooral als 't een misbruik enz. betreft. 

2 I bov.: j^ijt 1. gait. 

„ II 4 v. b.: in de 1. bvb. in de. 

4 I 18 v. b.: (zie aldaar) 1. (zie aanteek.) 

5 II 13 V. o.: d o a r heb 'k n ij t op l. d o a r h e b 'k 't n ij t o p. 
() „19 V. o.: spottern l. *sp()ttern. 

7 „14 V. o.: r, Date 1. r. Dale. 

11 ., midd.: Eng. l. Eng. 

12 I 2 V. o.: d e n t^e n a i t 1. d e u ff e n ij t. 

13 II 17 V. o. moet yolffen : Deze drie laatste echter meer alj^emeen Olie- 

hoof, Neiehoof, Noord hom. 
„ „ 10 V. o.: Nederl. 1. vergel. NederL 

14 I 7 V. o.: „Derk 1. „D e r k." 
16 II <) V. b.: de meeste 1. meer. 

id. : gewoonlijk 1. wel eens. 

24 „ 15 V. o.: hoozoo 1. hoezoo. 

26 I midd.: WeHterkwartler 1. vooral Stad-i froningach . 
31 II 9 V. b.: eer 1. WTcw. eer. 
35 I 21 V. o.: 1. (behalve Zuidhorn en Oldekerk) vormen^ enz. 

„ „ 19 V. o.: 1. gemeenten Zuidhorn en Oldekerk. 
40 „ midd. : het Grleksch uit te spreken „omiecho" (door een te klein tvpe 

voor de ch schijnt er te staan k.) 



57 



3 V. 1).: 684 1. 1684. 



58 II bov.: het (h'leksch ifit te spreken „skutos." 

64 „ 25 v. o.: 1. of toaitergr (meer beschaafd taiteix*i 

80 I 20 V. o.: het (irlekacJi uit te spreken „hals." 



*ais (bladz. 1): Hl), aisch (in 6^//- 
»rt//*s woordenboek opgegeven) komt 
zelden voor; bij (rruitm (IFörterbiich) : 
eisch. 

*bats 1, HD. „patsch!" en „patschen." 
batsen, zie "^bats 1 (ook de aanteek.) 
behalyen (bladz. 6) is ook Nederl. 
(o. a. bij /. /. L. ten Kat e: Dicht- 
werken, 1862, l bladz. 312.) 

♦besteden (bladz. 6) is een germa- 
nisme (IIB. bestatten.) 

bloaschild: volgens sommigen de 



(irroningsche volksnaam voor den Blau- 
wen Kiekend ief. 

*bo9sem (bladz. 9) , . zie bij v, Dale 
(4e druk): boezem := gedeelte van 
een schoorsteen dat zich in eene ka- 
mer bevindt. 

dansen, zie *op. 

datten (bladz. 11) lees ^datten , en 
wèl te onderscheiden van de gemeen- 
zaam algemeen gebnukelijke vragende 
en aanwijzende vormen: watte?, ditte!, 
(latte?, die ook in 't Gron, nooit een 



*) De aangehaalde bladzijden verwijzen naar het Supplement. 



83 



n krijgen. — Verder in Holland nog: 
„toene we", „toene ze" i= toen wij , 
toen zij. 

dearriygr^r (o. a. Veenkol.) =:■ iemand 
die zijn woord niet houdt. 

*dood (slot. van 't artikel) : .^Agrico- 
la.'' Dit is niet de bekende Rudolf 
Jffricola- (1443 — 1485), maar de her- 
vormer Johann Agricola (1 492-156 6), die 
een Duitsch spreekwoordenboek uitgaf. 

^davekoater (ook bladz. 14): „deux 
fois quatre" naarden vorm, nml. dien 
van een 8. 

*eer(e) [bladz. 15], elders : met 
fatsoen. 

irelegren : 'tismoarzoogele- 
gen.... z= 't is maar de kwestie . . . .; 
vgl. Gr, JTbh. dl. IV 1110, en aldaar 
vooral de aanhaling uit Bredero: 
Het staet nu soo gelegen : 
Of ick moet haest vergaeir. 
Of hv moet haest verstaen 
De smarte van mijn sinnen. 

gremier (bladz. 18): bij v. Dale (4e 
druk) =z geleuter, gezanik. 

*gremoak, vgl. ^moaken (ook bldz. 
41); te vergelijken (alleen wat den 
vorm betreft) met HD. Gemacht i=: 
maaksel. 

groarkomste (Oldambt) =z samen- 
komst, Friesch gearkomste. 

groedzoo! (bladz. 19): StadOron. (zel- 
den, enz.) 

*hemmeln (bladz. 22); juister: 

Kom, Woerden, schuif die wolk, die 
door uw oogen wemelt, 

Ter zijde ! 't hart verlicht ! het voor- 
hoofd opgehemeld ! 

^henzen; vgl. Vraqev r. d. Dog 
1897 (XII), bldz. 196.' 

*kars (bladz. 28) : in een boekje , 
omstreeks 1792 te Amsterdam versche- 
nen, komt voor „gij zijt een kaerel als 
kars!", waarmede schertsend (doch niet 
ironisch) iemands lof wordt verkondigd 
wegens 't geven van een goeden raad. 

*kattepal: vgl. „catapult" en „kat- 
tepul" (in 't artikel „katapult") in den 
4en druk van r. I)ale. 

*kel (ook bladz. 29): bij r. Dale 
(4e druk) als bijvnw. = kil, gewestel. 
zn verschriki, angstig. 

^kennen, zie ook kón fhierouder.) 



knooi (bladz. 31): vgl. ook 't Nederl. 
knauw. 

kön m kende, zie ^kennen; menig 
Groninger zal, Nederlandsch willende 
spreken, zeggen : „ik kan hem niet", 
inplaats van ikkenhömnijt, en 
maakt daardoor juist de fout die hij 
wilde vermijden ! , vergel. harbargren 
(bladz. 22.) Ook elders verwisselt men 
„kennen" en „kunnen", bvb. ik kan 
(of: kon) mijn les, enz. 
• koorsloagrerai =:i koordfabriek. 

*kwel (ook bladz. 34); bij v. Dale 
(4e druk): des eenen kwel doet d' an- 
der wel; die de keur heeft, heeft de 
kwel. 

*kwelder komt in de eerstgenoemde 
beteekenis in alle Nederlandsche woor- 
denboeken voor. 

^mank; vgl. Nederl. mankzaad en 
lil). Mangfutter i::: gemengd voeder. 

mieren (bladz. 40) : bij v. Dale (4e 
druk) zz: zaniken , leuteren. 

*mieter (ook bladz. 40), vgl. ♦mie- 
tert 2 ; bij V. Dale (4e druk) : om den 
mieter niet, op zijn mieter. 

mieters (bladz. 40); bij v. Dale («ie 
druk): mieters lastig. 

*mietert 2, vgl. *mleter (ook de 
aanteekening hierboven.) Daar de laatst- 
genoeuule woorden , evenals 't bij van 
Dale (4e druk) genoemde „mieteren" 
voor: smijten, enz., slechts in de aller- 
platste taal gebezigd worden, mag er 
aan een afleiding als bij *mietje (bladz. 
40) genoemd is gedacht worden. 

♦moaken (ook bldz. 41), vgl. *ge- 
mo||k. 

moan (bladz. 41); op „vergel." enz. 
moet nog volgen : er is weinig zon 
(= zonneschijn.) 

♦mouten : 't i s te mouten, ook 
meer algemeen =i 't is een verplich- 
ting. 

net (bladz. 43): in Gelderl. o. a. net \, 
o net ! = juist ! , o zoo ! 

*oethoaren: Nederl. verharen. 

*ooriezer (ook bladz. 48) : zie Gr. 
ff^hk. in voce „oorijzer" (1); de zuiver 
Nederl. benaming is : Friesche , Gro- 
ningsche, Noordhollandsche enz. „kap." 

overt<>ilkomen (bldz. 50). Fravnch 
survenir. Lat. supervenire. 



H4 



^prauimeii« vj^l. „pram" hij r. J}alf 
en (met de aanhaling \\\i Hooft) „praam" 
1 (:= beklemming, dnikkinfr) en ,,\n\\' 
men" (z= drukken) aldaar. 

*8eheet op 't oojr, bij r. J)ale weejr- 
scheet (wordt j^enoemd onder *anzwenir.) 

*snea (ook bladz. 60): ook elders. 

*8teerii 1 -. *t i s helder van 
8 t e e r n s, zegt men, als bij nieuwe 
maan de sterrenhemel bijzonder fraai is. 

stok bie dear! (bladz. 68 ; bij ran 
Date (4e druk) in voee .,deur": de 
stok staat achter de deur -=z hem of 
haar wacht thuis geen prettige ont- 
vangst. 

*tretterii (bladz. 67): vgl. Franrk 
(Etymol. Woorde^ib,) in voce „treiteren." 

*Terhoareii: Nederl. (veroud.; ver- 
haren = verschroeien; de overeenkom- 
stige uitwendige werking van grootc 



hitte en van ^rroote koude op het dier- 
lijke lichaam is bekend. 

*Terlanir8t: ))ij p. Dale = verlangen, 
begeerte. 

Toesten, zie *op« 

*wal8elHM>neii: „groote l>ooneD" ook 
elders, en ))ij r. Dale „tuinboon", 
„Koomsche boon"; ze l>ehooren tot het 
geslacht der Wikken. 

Qfrenheden (bl. 78) is een germanisme. 

zai. zaai ^ voor: het zaaien, cle zaai- 
tijd, (komt in Nederl. woordenboeken 
niet voor.) 

zakken (bladz. 78): in de studen- 
tentaal ook elders algemeen. 

zand 9 zie *op. 

*zleht 1 (Naschrift Molema , bladz. 
5Si>i: Xederl. in zicht zijn, in 't ge- 
zicht zijn =: zichtbaar z^n, naderen.