(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Het groot natuur- en zedekundigh werelttoneel, of, Woordenboek van meer dan 1200 aeloude Egiptische, Grieksche en Romeinsche zinnebeelden of beeldenspraek ... : op nieu uit de oirsprongklyke schriften van Cezar Ripa, Zaratino Kastellini, Piërius Valerianus, Horus Apollo en andere ... getrokken in eene alphabetische ordre gebragt, met uitvoerige aenmerkingen en ophelderingen ... door een' ervaren taelen outheitkundigen, hebende voor het overige de uitmuntende dichter, Hubert Korneliszoon Poot dit werk ten opzichte van den text ... in klaer en zuiver Nederduitsch overgeschreven, en achte verscheide zinnebeelden dichtkundige toepassingen gestelt ; met fraeje kunstplaten versiert .."

wm 


V,, . 


p ij". •• . 








L^v:, 




Hk''-"'' 


^ 


Bé 


W- ' 




ï^.. 




F'^'-r,' 'lï>'- 




)^/^"-'' 




Bi^'^'T^^. 




■p^.' 




PP^v ■ ' ' 




V^^'^" ' 




% 



^v 



7J;-/ 



r.;tt ' rif , . 



'f: 




^y-^f^, 



l 






ü"'*^'-' 



1 J J» '. 



I 



'1 i^/- pi-feC-t-Ti-i 



1 iI^^pj^tJkJU 

Tl 






c-^f. . 





HET GROOT 

NATUUR- EN ZEDEKUNDIGH 

WERELTTONEEL 

WOORDÉNBO 

Van meer dan 1200 aeloude 

EGIPTISCHE, GRIEKSCHE en ROMEINSCHE 

ZINNEBEELDEN 

O F 

BEELDENSPRAEKj 

Met uitvoerige 
AEN MERKINGEN en OPHELDERINGEN, 

Zoo uit geu'yde als ongewyde Schryversjcn een volkomen Bladwyzer van 2aeken en Woorden verrykt. 

Door een' ervaren 

TAEL-EN OUTHEITKUNDIGEN: 

Met fraeije Kunftplaten verfiert. 

IN DRIE DE E L E N. 



UITLEGGING 

O F D E 

TYTELPRENT. 




\te hier V o l m a a k t h e i t , met haar pas/er af ge maait , 
Mst open boezem op een Zet ei hoog verheven i 

Daar ze ongenaakbaar in het oog der Kmi/len praalt^ 
Hoe Jlerk sj/ worden door den Leigeest aangedreven b 

VoLMAAKTHEiT Zit tchoogt cïï nïemant kan 'er by: 
Maar Wysheit daait omiaagy en toont de nieuwe b ia den 

Der oude BEELDESPRAAK vol ietteriekkerny y 
Die mt de Drukknnjl Jiert in deftiger gewaden. 

De Schilderkunst grypt toe: de Boukunst iac/jt, en fiaat 
Met zufïer Teekening en Beelthoukunst verwondert. 

De fchoone Poëzy, nu hiyder van ge ia at -^ 
Biyft van Voimaaktheits fpoor niet langer afgezonden. 

Nu beurt de Naerstigheit de vuige Traagheit op. 
Merk UUR, de Vinder van d uitbeeldingen der Zinnen y 

Brengt biervan tyding aan A p o l , op Pindus top , 
Die zich vervroolykt in den rei der Zanggodinnen, 

ARNOLD HOOGVLIET. 




Te DXLFT tjr liEINIER E OITET mdccxliii 



HET GROOT 

NATUUR- EN ZEDEKUNDIGH 

W E R E L T T O N E E L 



o F 



WOORDENBOEK 



Van meer dan 1200 aeloude 



EGIPTISCHE, GftlEKSCHE en ROMEINSCHE 

ZINNEBEELDEN 

BEELDENSPRAEK; 

Vervattende eene geleerde en leerzaeme 

UITBEELDING en BESCHRYVING 

Van alle Deugden , Otjdeiigden , Genegentheden , Bedryven , Hartstogten , 
Kunjlm, Leenngen en Zmnelykheden dur aeloude Volkeren: 

MITSGADERS 

Van de Hooftjioff'm y flemelhchten , Latitfcbappen , Rivieren en veek andere zaeken ; 
Op nieu uic de oirfprongklyke Schriften van 

CEZAR RIPA, ZARATINO KASTELLINI, 

FIËRIUS VALERIANÜS, HORUS APOLLO 

En andere doorluchtige Vernuften getrokken, in eene Alphabetifche Orde gebragt. 

Met uitvoerige 

itBN MERKINGEN en OPHELDERINGEN, 

Zoo uitgewyde als ongewyde Schryvers, en een volkomen Bladwyzer van Zacken en Woorden verrykt. 



Door een' ervaren 

TAEL- EN OUTHEITKUNDIGEN: 

Hebbende voor liet overige de uitmuntende Dichter 

HUBERT KORNELISZOON POOT 

Dit Werk ten opzichte van denText, eer het ter drukparsfe gebragt wierd, in klaer en zuiver Nedcrdijitfctk 
ovcrgefchreven, en achter verfcheide Zinnebeelden Dichtkundige Toepasfingen gefl.elt. 

Met fraeije Kunftplaten verfiert. 

EERSTE DEEL, 




TE DELFT 
Gedrukt byEEINIER BOITET, Stads Drukker, 1743. 



'^ 



^Pt 'Va, 



'•^. 



*-N^7i 



W'- 



i'^ 






'f. 



y fi 



'H' 



^ 



,^, 



A 3-' 



"■^ 



"-^ :£- :^ 



^> \' 



Ja.^^... ^3 



Den Vel XdelenHeere 
He ere van 

ITO O m.]D S C EL AlR-irOUlDB^ 

HOOC-HEEMRAED VAN DETST LANDE ETST 
GROOTEX^v^ATERSCHAPPE VAN 

ir©]eS.B]E^lT5 

PRESIDEISTT IlSTDE HO O GE VIERSCHARE VAN 

ET«fZ. I:^^IZ. 
; "SVbrd dit 

aoT l^ATUURj^lBli' ^KBEKUUBICH WJBK.1BI.TT01T1BEJL/ 
: OE VOORDE^BOEK VATST MEER DATST 1300 AEL OUDE 
ECIPTISCHE, GRIEKSCHE ETST ROMEIXSCHE 

^^JL anTcbare erkentenis voor veelelan^clxairigh genote gunfrlse vyzeii J 

en iDeleeltlieden, met alle eerbied enlioo^apting 

opo-edra^en en toe^eëi^ent doorzvii 

"WElfED^,^ zeer ffelioorzamen cLienaer 

REINIEB. BOITST o 



lüïülilill 



11! 



il au: 'i! 11 



^r, 



VOORREDEN 

VANDEN 

AENTEKENAER, 

Aengaende den Oirfp'Ofigk en Nnttigheit der 

BEELDENSPRAEK 

EN- 

ZINNEBEELDEN, 

Nevens een nodigh Voorbericht omtrent de behandeling van dit IVerk. 

^|*^^^^E Beeldenfpraek, eigentlykeen zeker foort van fchryfkunft, 
^fe^fli^ beftaendc niet in letteren, maer in gegraveerde afbeeltfels, 
r^%!?^'^ voornamentlyk van dieren, boomen, planten, kruiden en ook 

allerlei andere dingen , is van een zeer ouden oirfprongk. 

Sommige Schryvers halen ze af al van voor den zontvloet, 
wanneer de zonen van Seth, naer 't verhael van Jozefus(ö}, die gezegt (a) Aimq. 
worden allereerft den loop der ftarren te hebben ontdekt, verftaen hebben- J"'iLib.i. 
de, dat de werelt door water en ook door vuur zoude vergatn, twee zui-"^' *" 
len, deeene van tichelfteen, de andere van hartfteen hebben -opgerecht, 
op welke zy hunne verkregene kundigheit graveerden, opdat de zelve, 
indien de zuil van tichelfteen al vernielt wierde door een watervloet, ech- 
ter door de zuil van hartfteen voor de nakomelingen mogte worden be- 
waert. 

Nu zyn er, de welke meencn, dat die graveerfels in zulke afbeeeltfels 
van dieren enz. zouden hebben beftaen: in welke echter de Wysgeeren, 
Dichters en Gefchiedenisfchryvers gezien hebben, dat ook fpreuken van 
de Goddelyke leere verborgen waren. Maer gelyk wy dit onzeker ach- 
ten, alzoo is het bekent, dat die graveerkunft in gebruik is geweeft by de 
Egiptenaers, die van Tacitus (^) , Diodorus Sikulus (r}, Lukanus (^3 (i) Ann»i. 
en andere, voor de eerfte uitvinders daer van worden gehouden : wier ["^^'p ■ "• 
Prieftcrs deze graveerfels gebruikten om hunne meningen daer door uit te(<:) Hift. 
drukken, voor het uitvinden der letteren (f), die de Egiptenaers nader- J^|'pj^"Jj"-^j 
hant geleert hebben , of van hunne Koninginne Ills of van Merkurius Tris- Lib. iii. 
megiftus, den grootften Wysgeer, grootften Priefter, en grootften Ko-T,-^^^^^ 
ning der Egiptenaren; evenwel zoo, datde Priefters dieoude^r^ïi/W^y^/x,iocoi. 
die zy beiligh noemden, behielden, lerende derzclver uitlegging niet licht 
aen iemant anders , dan dic in hunnen Godsdienft plechrclyk was inge- 
wydt: en dereden daer van was, omdat zy niet wilden, dat de kennis der 
goddelyke zaken gemcin, en 't geheim der zelve aen 't ruwe volk bekent 
zoude zyn, en hunne Godsdienft door onheilige worden ontheiligt. Kle- 
mens de Alexandryner zegt 'er deze by zonderheden van (ƒ) : dat deEgip-f/i Strom." 
tenaersdriederleifchryfwyze gebruikt hebben: namentlyk, deêVi^oAjyfajcpjjoj^^''^' Y- 
dat is, brieffchyift ^ dat ze in 't fchry ven van brieven gebruikten; de '? f «riy.>; , 
dat is, heiligh oï Priejierfchrift ^ dat de Priefters in zaken van den Gods- 
dienft gebruikten j tn dQ ii^oyhv:^fKy, j dat is, heilighgravcerfchrift: wanneer 

* ze 



VOORREDEN. 

ze afbceltfcls van allerhande zaken, gelyk gezegt is, in plaets van letters 
gebruikten. En deze kunft was wederom twederleij te weten, JcufiaAoyiWj 
of eigendjk fprekende ^ en a-u/L*/3iAi)ct;', dat is, zinnebeeUifch , waer van wy ei- 
gentlyk nu fpreken. 

Om onzen Lezer een begrip van de zaek te doen hebben, zullen wy een 
of twee voorbeelden bybrengen. Een Dolfyn graveerende, gaven zy daer 
door fnelbeit te kennen y omdat de dolfyn met alleen alle andere vifl'chen, 
maer ook beeften en vogels in fnelheit verre overtreft : een anker was een 
teken van langkzaemheit , omdat een anker 't fchip ophoudt en ftil doet 
ftaen. Als men derhalven op een' penning van den Keizer Vefpazianus 
een' dolfyn vint geflingerc om een anker, zoo kan men, de betekenis van 
t^)Chii. idie tweeafbeeltfels by malkanderen voegende, met Erasmus (^g), en na 
Cent. I. hem Piërius Valerianus Qj') , daer zeer aerdigh uit maken het Griekfche 
(/f-lHicro-.fpfeekwoort o-ttèJSs /3f«Ss«r, haejl langkzaemlyk; het welk den Keizer Au- 
Lib. z7. gullus zoo behaegde (f) dat hy het nam tot een zinfpreuk: en Erasmusgiffc 
"•'gji'ijjjj uit den voornoemden penning, dat die zelfde zinfpreuk den Keizer Ves- 
Lib. lo. pazianus ook zeer zal behaegt hebben. De zelfde Erasmus getuigt ook (^k) , 
sueton' ^ '^^^ '^y ^^" uittrekfel van diergelyke Beeltfprakige tekens, het welk hy gift 
Auguft. te zyn uit den Griekfchen Chsremon, dien Suidas zegt dat over de Beel- 
*ll\'\'^' L ^c"^P''^^J^ heeft gefchreven, gezien heeft j waerin vooreerft was een ronde 
Cirkel y en dan een Anker ^ midden om 't welke een Dolfyn gekronkelt was: 
gevende de cirkel (gelyk het in dat uittrekfel werd uitgelegt} omdat hy 
noch begin noch einde heeft, te kennen de eeirs-ngheit. Zoo men nu ook 
de betekenis van dien Cirkel verftandiglyk by de twee andere voegt, zegt 
Erasmus, zullen ze te famen uitmaken, haejl altyt langkzaemlyk. Zeer wel 
uitgelegt! Anderszins zoude het onzes bedunkens niet vrecmt zyn, in- 
dien men dacht, dat die Cirkel niets anders gewcft zy, als het oog of de 
ring van 't anker, daer de kabel aen wordt vaftgehegt. Ondertuflchen 
fteunt evenwel de voornoemde uitlegging op een' goeden gront: alzo ook 
de Egiptenaers, naer 't zeggen van Horus Apollo, (dien andere Hora- 
pollo noemen , maer qualyk * -, zynde deeze Egiptifche Horus onder- 
fcheiden van den Griekfchen Taelkundigen Horapollo : waerom de eerft- 
genoemdeook den toenaem dracgt vanAiliacus, niet naer de rivier Nilus of 
den N y 1 , niaer naer een Egiptifche ftadt van dien zelven naem} de eeuwig- 
heit te kennen gaven, door een Baziliskus oï kroonjlang ^ wiens ftaert door 
't overige van zyn lyf bedekt was: gevolglyk maekte hy alzoo ook eencir- 
th Hiero ^^^ '• hoewel de gemelde Horus Apollo (/} een andere reden van deze 
Lib. I. Beeltfpraek bybrengt, namentlyk, omdat, daer 'er drie foorten van Han- 
gen zyn, dit foort alleen onfterflyk zoude zyn, en alle andere dieren door 
't aenblazen van zyn vergift dooden. Maer dit is genoeg gezegt om den 
Lezer te doen begrypen , wat de Beeldenfpraek allereerft in haren oir- 
fprongk by de Egiptenaers geweeft zy. Van de Egiptenaers is ze overge- 
gaen tot andere volkeren -f, als tot de Ethiopiers en Tartaren, en vandaer 
tot de Chinezen en die van Japan, en van de Chinezen zelf tot de Peru- 
vianen in 't zuidergedeelte van Amerika: gelyk ook by die van Mexiko^- 
in 't Noorder Amerika de beeldenfpraek in gebruik is geweeft , hebbende 
die geleert van de zelve Egiptenaren. Het zal den Lezer gemaklyk vallen 

van 
* Morhof Polyhifl. L. ir. cap. 2. §. i. e» f. Albtrtfts F^-hieins Bihlitth.Cr.Lih.I.e. 15, 

jf. 3,4,5-. />. 88f«89. 
■\ Morhof Polyhtfi. Lib. ir. caf. 2. §. 2. 
4- Idem Lib. I, cap. ƒ. §. zj. 



VOORREDEN. 

van zelfs te begrypcn, dat de eerfte beginfels van deze kunfl: zeer onbe- 
fchaeft en onvolmackt moeten geweeft zyn. Maer naderhant van tyt tot 
tyt meer en meer befchaeft wordende, en de Egiptifche Priefters , die bo- 
ven alle andere menfchen in de kennis van de geheimcniflen der natuure 
verre uitblonken , hunne wetenfchap aen dusdanige heilige graveerfelen 
betrouwende, is ze tot dien luifter gekomen, dar Pythagoras , Plato, 
Thales , en andere wyze Grieken , naer Egipte zyn gereift om van de 
Priefters uit die kunft in de geheimeniflen der Egiptifche Wysheit onder- 
wezen te worden: en omdat deze Priefters zoo geheim met hunne kennifle 
waren, heeft Pythagoras, naer 't verhael van Klemens den Alexandryner, . j^^.^^ 
(tn)y om toegang daertoe te verkrygen, zich laten befnyden. Men vintub. i. 
van hem nogh verfcheidene zinfpreuken , die haere uitlegging alleenlyk 
van de Egiptifche Beeldenfpraek moeten ontfangen. By vervolg van tyt, 
wanneer de Beeldenfpraek de verftandigen meer en meer begon te behagen, 
is zy verder opgefiert, en is de ftofte geworden van die leerzame werken, 
die men Zinnebeelden noemt , en alles wat van dicrgelyke natuur is. Al 
van outs af zyn 'er verfcheidene heerlyke verftanden geweeft , die de ver- 
borge betekenis van de Beeldenfpraek hebben naergefpeurt, en licht aen 
de zelve trachten toe te brengen, als Horus Apollo, Plutarchus, Athe- 
nafus, Klemens de Alexandryner, Porfyrius, en anderen j en onder de 
latere Schryvers die voortreflyke Pièrius Valerianus, die 't der moeite wel 
waerdigh heeft geacht, geheele vierentwintigh jaren, gelyk hy zelfs ge- 
tuigt («), aen 't onderzoek van de oude Beeldenfpraek te hefteden, met(»)Hierog. 
die uitwerkinge, dat hy de duiftere verborgentheden van de Beeldenfpraek '' ^^'^ 
met eenen onfterflyken roem in een helder daglicht geftelt heeft. Na hem 
2yn verfcheide anderen opgekomen } voornamentlyk die bekende Athana- 
üus Kircherus, Laurentius Pignorius, Michaël Meyerus en Nicolaus 
Caufinus. Zie Morhof Polyhift. Lib. IV. cap. 2. §. i. en J. Alberti EV 
bricii Biblioth. Grxc. Lib. I. cap. 13. §. 7. pag. 90. Dus verre van den 
oirfprongk der Beeldenfpraek hebbende gehandelt, zullen wy kortelyk 
van de nutbaerheit der zelve fpreken. 

De achting, die zoo veele uitmuntende Verftanden, zooeven genoemt, 
voor de Beeldenfpraek betoont hebben , is een vaft bewys , dat zy in de 
zelve een byzondere nuttigheit hebben befpeurt. En waerlyk, indien zul- 
ke werken de befte zyn, gelyk ze zyn zonder tegenfpraek, die te gelyk 
leerzaemen vermaeklyk zyn, zoo zal men bevinden, dat onder de goede 
werken, de Zinnebeeldifche de voortreiïelykfte zyn, en wederom onder 
de Zinnebeeldifche dit tegenwoordige Werk een der uitmuntenfte dat oic 
het licht gezien heeft, is. Hoe veel kennis van zaken is in het zelve nicc 
vervat ! Wat kunft, wat wetenfchap is 'er, die hier niet word aengeroerc 
en met haeren oirfprongk opgeheldert! en dat in twaelf hondert zinryke 
Verbeeldingen, met zoo een aengename verfcheidenheit van zaken, dat 
de aendacht van den Lezer door de verandering van ftofl'engeduurigh wort 
opgewekt en aengeprikkelt. De geleerden kunnen hier hun vermaek, de 
ongeleerden hun voordeel vinden. VVaer worden allerhande deugden be- 
minnenswaerdiger voorgeftelt? Waer in tegendeel de ondeugden affchu- 
welyker afgemaelt.' Men pryft, en met recht, een' Redenaer, Dichter, 
Gefchiedenisfchryver, Wysgeer, en alle andere Schryvers, die hun werk 
met uitmuntende lellen , even als met edele gefteentens opfieren. Men 
merkt die plactfen naerftigh aen, en tekent ze uit , om zich daer van altyt 

* 2 te 



VOORREDEN. 

te kunnen bedienen. Wat lof moeten wy dan dit tegenwoordigh Werk 
niet waerdig achten j zynde als een geheele wereltvol wetenfchappen, die 
een' overvloet van ziekrekkende lefl'en uitlevert! Want met wat een ver- 
mogende kracht wort onze plicht niet op ons hart gedrukt, wanneer rede- 
looze dieren, ja levenlooze dingen, en ftomme beelden zelfs , ons leeren, 
welke deugden wy moeten naerjagen, en welke ondeugden fchuwen ! De 
. 5 rjujj wyze Koning Salomon, ja de Wysheit zelve Chriftus, hebben de kracht 
<i. V. 6. van deze leerwyzc genoegfaem beveftigt, wanneer zy ons tot de mieren Qo) 
(ƒ) Mith. 2enden, om van dezelve naerftigheit, tor dcjlangen (p) om voorzigtig- 
(ylMarc. heit, tot dc duiven om opregtheit te leeren , en tot den vygeboom (^) om 
ij.v. 18, te leerenacht geven op de tekens der tyden, en wat dusdanige gelykenis- 
^'' fen meer zyn. Veel meer zoude 'er tot aenpryzing van dit werk kunnen 

gezegt worden, maer 't valt gemakkelyk (gelyk Kallimachus (r'') zeer aer- 
(r) Hymno digh zcgt} de zon te pryzcn, dewyl daertoe van alle kanten overvloet van 
Apoi.v.31 fj-Qjfe is, en de boeken worden te vergeefs geprezen, indien zy hun eigen 
lof niet mede brengen. 

Aldus den oirfprongk en nutbaerheit der Beeldenfpraek hebbende aen- 
ge wezen , gaen wy over tot de behandelinge, die wy ontrent dit tegen- 
woordigh Werk, zoo in den text, als in de aenmerkmgen hebben gehou- 
den, en zullen alzoo ook gelegenheit vinden om teftens reden te geven, 
waerom dit eerftc deel niet heeft kunnen in 't licht komen op dientyd, die 
door den Boekdrukker in de voorwaerde van infchryving belooft was. 
Wanneer wy allereerft de handt aen dit werk floegen, vergenoegden wy 
ons met aentckeningen te maken enkelyk over die vertalinge, die. Dirk 
Pieterfen Pers ons heeft gelevert van de Iraliaenfche Zinnebeelden van Ce- 
zare Ripa en anderen : ons te vreden houdende met die dingen op te helde- 
ren, die ons in deze vertaling voorquamen, en eenig licht fciienen van no- 
den te hebben j zonder dat wy eenig nadenken hadden , dat onze Pers in. 
deze overzetting zoo veel en zoo grove milllagen zoude hebben begaen als 
wy naderhant hebben ontdektj veel min, dat men die ook van de Italiaen- 
fche Schryvers, in dat werk voorkomende , met reden zoude kunnen ver- 
moeden. Weshalven 't ons, ten aenzien van den text der Zinnebeelden, 
genoeg fcheen te zyn , indien de Dichter Hubert Korneliszoon Poot de 
vertaling van Pers voor de rcft ordentlyk befchaefde en in goedt Neder- 
duitfch bragt. Welken arbeidt wy dan voor hem overlatende , met het 
fchryven van onze Aenmerkingen waren voortgegaen , tot dat wy die ten 
einde toe, zoo wy meenden, voltooit hebbende, nu geloofden niets meer 
te doen te hebben dan onzen arbeidt na te zien, en wat netter te polyflenj 
denkende dat wy die plaetfen,. die ons in den text wat geflooten hadden, 
zonder veel moeite of zwarigheit zoo zouden fchikken, en de misfte Hin- 
gen, die wy 'er in hadden ontmoet, zoo verbeteren, dat 'er de bovenge- 
noemde Dichter een behoorlyken zin in zoude vinden, en zoo in flaet 
zyn om alles in een goede, verftaenbaere en lierlyke tael voort te brengen: 
en op dien voet zyn ook die vier Zinnebeelden, die den liefhebberen tot 
een proef zyn geleverd by de voorwaerden van infchryving, in het licht 
gekomen. Maer wanneer men nu een begin zoude maken met het druk- 
ken van het werk zelfs, en wy nu de fchaef hadden in de hand gevat 
om alles zinnelyk te bewerken, ontdekten wyterflondt, dat 'er zoo vee- 
Ie en zulke grove miiHagen waren begaen, zoo door den Vertaler Pers, 
als door de Italianen zelve , dat wy , daer wy meenden reedts gedaen 

werk 



VOORREDEN. 

werk te hebben, wel haeft zagen dat wy naeuwlyx noch half af hadden, 
en genootzaekt waren om niet alleen de vertaling van Pers tegen 't Itali- 
aenfch naeukeurigh na te zien en zorgvuldig te verbeteren van die misfla- 
gen , daer hy zoo vol van was, dat wy naeulyks een Zinnebeelt van eenig 
belang vonden, of het krielde van fouten -, maer ook naeu gade te flaen op 
alles dat de Italiaenen zeiden j niets voor wacrheit aenncmcnde, of wy 
zogten alvorens de Schryvers na, die wy giften dat zy gebruikt hadden, 
en welke van zulke dingen handelden: daerin wy zoo neerlfig en onver- 
moeit hebben te werk gegaen, dat het ons zeer zelden gemifl is, of wy 
hebben ons oogmerk bereikt : hetwelke wy menen zoo klaer te zyn, dat 
een iegelyk Lezer, die onze Aenmerkingen flechts gelieft in te zien, het 
zelve terilont zal kunnen ontdekken j dewylwy overal de Schryvers aen- 
wyzen, uit welke wy getrokken hebben het gene wy ter neder (lellen. 

Dat tot zoodanig een zaek niet weinig tyts is vereifcht geworden, kan 
een iegelyk zien, en zal van niemant ontkent worden, die de billykheit 
plaets geeft; en is dit de oorzaek , waerom de Boekdrukker dit eerfte Deel 
zoo lang een tyd boven zyne beloften heeft moeten te rug houden : tcrwyl 
hy, opdat het Werk niet telkens mogt moeten worden afgebroken, zoo 
lange heeft moeten ftil llaen, tot dat de voorzeide zoo nootzaeklyke ver- 
beteringe ten einde toe was volbragt. Het welke nu gefchiedt en dus alle 
verhinderinge uit den wegh geruimt zynde, zoo zal hy den Lezer het 
tweede ftuk, daer reets met alle fpoet aen wordt gedrukt, binnen verloop 
van agt maenden na de uitgave van dit Deel, en dan eindelyk ook het der- 
de, (dereden, waerom het werk nu in drie ftukken zal uitkomen, zullen 
wy op 't einde van deze Voorreden melden} na verloop van wederom acht 
maenden, (zoo Godt wil) kunnen afleveren. Het ongenoegen, dat de 
Intekenaeren tot ons leetwezen over het zoo lang wachten na den bepael- 
den tydt der uitgaeve, zouden mogen hebben opgevat, twyfFelen wy niet 
of zal volkomen worden weggenomen en vergoedt door die verbeteringen, 
die ze in het zelve zullen vinden boven het geene hen de proeven hadden 
kunnen doen hopen. Waervan, opdat zy volkomentlyk mogen overtuigt 
zyn, verzoeken wy gedienftiglyk, dat zy de moeite gelieven te nemen, 
van tegen malkanderen te vergelyken het beek der Akademi^ zoo als wy 't 
in de proef bladen hebben uitgegeven, en zoo als het nu in dit eerfte Deel 
uitkomt j voornamentlyk bladz. <^en lo van de proef bladeren tegen bladz. 
51 , 52 fw 53 van dit Deelj bladz. 12 en 13 tegen bladz 55 f« 56; bladz. 14 
tegen bladz. 57 j en bladz. 16 tegen bladcz. 60. Dewyl 't nu zeker is, dat 
in alle Werken, die by infchryving in 't licht komen, niet de minft bear- 
beidde, maer in tegendeel de beft befchaefde ftukjes tot een proef worden 
vertoont , zoo kan men zich hieruit genoeg verzekeren, dat, daer 'er zoo 
veel verbeteringe heeft kunnen gemaekt w-orden aen een beek dat reets be- 
wrocht was tot een proef, men met reden moet denken, dat in decopie 
der overige beelden nog veel meer veranderinge zal gemaekt zyn boven 
deszclfs eerfte ontwerp. Ook betuigt my de Drukker, dat hy, om dit 
wachten der Intekenaren te vergoeden, tot de uitgaeve van dit Werk, om 
het te fierlyker te voorfchyn te doen komen, meer koften heeft aengewent, 
dan hy volgens de uitgegeve proeven verplicht waS; willende zulks een 
iegelyk die 't begeert, met klaere reden en blykcn aentonen. "Wy hebben 
200 even gezegt, dat wy veele misflagen, zoo in de vertaling van Pers, 
als by de Italiaenen zelfs hebben ontdekt. De waerheit hiervan zal den 

* * • Lezer 



VOOR REDER 

Lezer gcduuriglyk van zelfs voorkomen, wanneer wy, indien 'teenmis- 
flag is van eenig belang, de behoorlyke waerfchiiwing daarvan doen in 
onze Acntekeningen. Als by voorbeelt, in deDrz/^ofAenval, bladz.ij^y 
hebben wy aengewezen, hoc dat de Italiaen in dat beek niet alleenlyk 
twee fouten, hoewel van gering belang, overgenomen heeft uit Piërius, 
maer die ook met twee anderen, die erger zyn , vermeerdert : wacr by 'er 
Dirk Pieterfen Pers nog twee nieuwen heefc gevoegt, zynde de eene vry 
bot en grof. De Lezer gelieve die plaets zelf na te zien , daer wy die 
fouten met goede redenen aenwyzen; gelyk wy op veele andere plaetfen 
meer doen. Maer alzoo het laftigh zoude vallen, zoo den Lezer als ons 
zelven overal met het aentoonen van die misflagen op te houden, hebben 
wy 't dienftig geacht de meefte plaetfen flechts (lilzwygens te verbeteren, 
ten ware het nodig was, dat wy van onze veranderinge reden gaven. By 
voorbeelt, in het twede beelt der Benfping of Beflrraffing zegtPers, bladz. 
^a. J)e tong met het oog daer boven ^ is een volmaekt voorfchnft van' t [preken y 
gelyk Chilon en Diogenes, beide Filozefen, verhalen. IVant het betaemt een 
mayi eerjt li^el te over'-ji^egen , aleer hy 't zelve met de tong uitdrukt. Dit zal de 
Lezer zonder eenig gewag van gemaekte verbetermge in dit ons tegen- 
woordig werk, op blad. 155 dus verandert vinden, gelyk het wezen moet: 
De tong met het oog daer op is een beelt van het voor'zichtigfpreken: want de 
tong {gelyk de Filozoof Chilon, naer 't verhael van Diogenes Laértitis zeide) 
moet nietfneller zyn dan de gedachten: en 't betaemt ons enz, In 't beelt By- 
gelovighett by Pers, bladz. 61. zegt hy, dat^^ Romeinen , omdat 'er een uil 
was komen lopen in de kamer van 't CampidogUum , hitnjladt dat geheele jaer 
langh met offerhanden hadden ge zuivert enz. Dat is zeer belachelyk , ge- 
lyk men lichtlyk zien kan , zoo men de i95fte bladz. van dit Werk tegen 
die woorden vergelykt. En hoe opgepropt dat ganfche beelt is geweefl: 
van fouten, kunnen gemaklyk ontdekken, alle die deze twee beelden eens 
tegen malkander willen naleezen. In 't beelt Dankbaerheit by Pers bladz. 80 
wort gezegt, datdeojevaers hwnnejongen van eten verzorgen, tot dien tyd 
toe dat ze bequaem zyn om hun koft zelfs te zoeken: daer hy had moeten 
zeggen, dat dit de dankbaerheit van de jonge oyevaers is tegen hunne ou- 
deuy dat ze die, als ze door ouderdom ontbloot zyn van pennen, zoolang 
van eeten verzorgen, dat ze weer vederen. hebben, en zelfs kunnen vlie- 
gen: gelyk by ons is te zien bladz. 225. Op dezelve plaets zet hy 't op 
rekening van Plinius, dat die getuigt, dat de Egiptenaeren hunne fchep- 
tcrs verfierden meteen oyevaer enz. dat Plinius nergens zegt: dienende 
het getuigenifle van dien Schryver, het welke hy hadde moeren aenhalen, 
tot een geheel andere zaek: het geen de Lezer by ons bladz. 224. zeer 
lichtelyk zal zien. In het Denkbeelt, het welk hy zoo gebrabbelt heeft, 
dat 'er nog hooft nog ftaert aen te vinden is, weet hy bladz. 219 te fpre- 
ken van de brieven van Ficinus over de Platonifche Filofofie: hoedanige 
brieven 'er nooit in de wereld zyn geweefl:. Zie ons bladz. 231. In 't beelt 
Diere tyt, bladz. 92 vermengt hy den Joodfchen Hifl:orichryver Jozefns met 
Jakobs zoon Jozef, aen 't Hof van Farao. In 't beelt Tdele Eer bladz. 
107. wort hy ft:apel gek, en weet by Homerus te vinden een Godinne ^- 
trida, die de Heidenen nooit hebben gekent: Achilles roemt , zegt hy, dat 
hy twaelf Jleden met zyn fcheepsvloten heeft ingenomen , en elf te lande, en vee- 
le fchatt en en rykdommen weggevoert en alle deeze gefchenken de Godinne Atri- 
da vereert. Die Godin maekt hy van Agamemnon, den zoon van Atreus: 

dien 



VOOR REDER 

dien hy nochtans noemt in daü zelfde beekbla^z. i09.daerhydieplaetsvan 
Homeer herhaelt: byons ftaer 26^^5^.349. ^^^ ovcrwege nii vorder in 't 
beelt Einde deze woorden, by Pers bladz. 11^. des 'urinters '■jvanneer de zonne 
oftverjle van ons af-jijkt^ en ons de kortfte dagen maekt ^ als dangeven de hoo- 
rnen door de koude en rypgeen voed zei meer aen de blad er s, maer trekken devocb- 
tigheit m zich zelve ; vjaer over die zelve niet hebbende de levende vochtigheit ^ 
die haer in 't leven onderhield; alsdan --ji- ierpen zy uit de beminde ftam een licht 
groen mos^ 'unaermede zy klaerlyk te ver ji aen geven ^ dat ze op V einde van haer 
leven en van alle haere kracht berooft z-w- Wie heeft van zyn leven zulke 
zotheden gehoort? of, zoo hy ze gehoort heeft, verftaen.^ Vergel yk nu 
onze woorden bladz. 390, en gy zult de gekheit klaer o-Ttdckkcn, die 
trouwens dat geheele beek al weer klaer doorblinkt. Bladz. 441 in 't beek 
Glori der Forjien, maekt hy arme Jledelingen van arme dochters die hnzz'baer 
waren, by ons bladz. 5 10. In het beek Goetheit, by hem bladz. 1S5 , heeft 
hy van den Italiaenfchen SchryverRufcelli, wiens getuigeniflealdaerdoor 
Ripa is aengehaek, gemaekt een waterjlroom : omdat rnfcello in 't Itali- 
aenfcheen beekje oiiji;aterftr oomt je betekentj daer hy doch dien Schryver 
zelf erkent heeft over 't beek van 't Berou der Zonden, by hem bladz. 41 , 
by ons i20j en wel in dezelve zaek die hier voorkomt, namentlyk vanden 
Pellikaen en zyne jongen: welk getuigeniiïe wy in 't beek der Goetheit niet 
hebben herhaelt , omdat wy den Lezer aldaer op het beelt van 't Berou 
zelve , daer dat getuigenifle wort gemek, wyzen. In 't derde beek der 
Gulzigheity by hem bladz. 470, maekt hy van den vi(chpohpns oï veelvoet, 
een vos. Bladz. 209, in de Ihrjvelykfche Vereeniging zegt hy, dat Alcione 
geweeft is de vrouw van den blinden koning van 1 hracien : daer hy den 
naem van dien koning, die Ceyx was, belachlyk heeft ver taelt door ^/wf, 
alsof ze was cieco oiceco-, hetwelk in 't Italiaenfch blint is te zeggen. In 't 
eerfte beelt der Landtbonivery , by hem bladz. 279. heeft hy van viyn' 
gaertranken met de dnnven daeraen , gemaekt pompoenen en druiven. In 't 
beelt Lof, by hem bladz. 307 , herfchept hy de Tritons of Trompetters 
van Neptuin in drietonige Trompetters -, en ftek den tempel van Saturnus 
in plaets van de tyden van Saturnus ; niet onderfcheidende tempo tyt, en 
tempo, tempel. In 't eerfte beek der Maegdenftaet , by hem bladz. 223, 
maekt hy van Katullus in 't bruiloft sdicht van Manlius , twee Schry vers , na- 
mentlyk Katullus en Manlius. In 't eerft beelt der Maetneming, bladz. 3 1 3 
fpreckt hy van den Egiptifchen koning Sefoftris aldus : hy vi:as genaemt 
Sefoftris of Sefofis, een Arabier, afkomfiig van den eerjlen koning van Egipten. 
Hy hadde moeten zeggen: Sefoftris of Sefofis , een Arabier van afkotnfl, ko- 
ning van Egipten. De eerfte koning van Egipten was Menes, die geen A- 
rabier was: en hoe 't zoude zyn uit te rekenen, dat Sefoftris een Arabier 
af komftigh is van den Egiptifchen Menes , tuflchcn welke twee een-en- 
vyftig koningen en een tyd van 1400 jaren geweeft zyn, volgens de reke- ^ 
ning van Marsham*, is my geheel onbekent; voornamentlyk in zulke gro-chron. " 
te duifterniflen , als daer de Egiptifche Oudheden mede bezet zyn. In dat ^gyP'- 
eigenftebeclt, by hem bladz. 314, maekt hy ook van een man, Kajusju- " 
hus Hermes, twee byzondere perfonen, namentlyk Kajus Julius en Her- 
mes , behalven menigvuldige andere zotheden in dat zelve beelt begaen. 
Maer waer zouden wy eindigen, indien wy alle de miflagen van dien man 
wilden aentoonen? Derhalven zal ik 'er nog maer van twee fpreeken, die 
ik om redenen niet moet voorby gaen. Inde Befpiegeling , bladz. 501. 

* * 2 be- 



p. 11. 



VOORREDEN. 

befchryfd hy dat beek als houdende dt beide handen te [amen gevoegt: hebben- 
de op V hooft een open pdjfer^ en zich geUtejide om boven i-an een trap tegaen: 
daer hy haer hadde moeten afbeelden als haere lianden famcn gevoegd hou- 
dende op haer hooft, en in dezelve hebbende een open pafler, en fchynen- 
de naer boven op een trap te ftygcn. Zie ons bladz. 1 39 en de uitleggin- 
gevan die figuur ^/^i^;. 140. Ündertuflchen, terwyl om bovengemelde 
reden het werk ftil lag, en de plaetfnyder was voortgcgaen met zyne plaet- 
jes na de vertaling van Pers op te maken, is deze figuur zeer verkeerdelyk 
ook in dit werk ingebracht: gelyk ook gefchied is in de Befcheidenheit 
alwaerde Vrouw, die deeze deugt verheelt, een kameel op haere knien 
heeft, die voor haere voeten moeft liggen op zyn knien. Zeker een zoete 
vinding, en een lief fchootdiertje. Pers heeft de fchulr, die den Italiaen 
vertaelt hsid bladz. 41. op haere knien zal een kameel leggen , daer deze had- 
de gezegt , by haer zal zyn een kameel, liggende op de knien. De plaetfny- 
der door den Italiaen gebruikt, is ook zot genoeg geweeft, om dat te be- 
grypen van de knien van den kameel, en heeft alzoo onzen Pers, die meer 
na 't plaetjen heeft gekeken dan na de woorden, mifleidt. De zelve Itali- 
aenfche plaetfnyder heett de Lesbifcheryin die eigenfte figuur ook verheelt 
als een fchietloot: en dat heeft de plaetfnyder van Pers, entotmynleetwe- 
zenocjk de onze, gevolgt : daer hen echter de befchryving van die ry beter 
hadde kunnen leeren. De fout van den kameel op de fchoot der Vrou is 
zelf, ik weet niet by wat toeval, ook in de befchryving van dat beek in 
dit ons werk bladz. 122. hoewel dezelve in myne copie verandert was, 
behouden: mogelyk opdat het beek en defzelfs befchryving niet met mal- 
kander zouden ftryden. Derhalven 200 gelieve den befcheiden Lee- 
zer aldaer in plaets van op haeren fchoot een kameel te lezen, -voor haere voe- 
ten een kameel liggende op zyne knien: waer van de reden gemaklyk te zien is 
in onze aenmerking D. bladz. 124. Myne woonplacts te verre van Delft af 
zynde, dan dat my iets van die dingen, die men anders eerfi: dient te zien 
voor dat de bladen worden afgedrukt, heeft kunnen worden mcdegedeek, 
en ik alzo niet alleen de plaetjes voor derzelver indrukking niet hebbende 
kunnen examineren , maer ook genoodzaekt geweeft zynde den Boekdruk- 
ker eenen anderen te laten zoeken tot het nalezen der procfbladen , zoo is 
het my onmogelyk geweeft deze en diergelyke misflagen te verhoeden, 
(^ die echter zeer weinig en gering zyn} en de drukfouten te weeren, die 
hoewel niet veel, meeft in'tGriekfchen Latyn, zyn ingeflopen: waertegen 
ik tegenwordig niets anders doen kan dan den Befcheiden Lezer verzoe- 
ken, dat hy dezelve gunftiglyk verfchone, zullende die naderhant, 't werk 
geheel afgedrukt zynde, opeen regiftertje brengen. Dezelve behande- 
]mg, die wy gehouden hebben omtrent Pers, hebben wy ook waergeno- 
men omtrent den Italianen. Namentlyk daer 't nodig fcheen, hebben wy 
den Lezer van derzelver misflagen gewaerfchouwt: als by voorbeelt in 'c 
heelt Bevalligheit , by Pers bladz. 49. by ons bladz. 160, daer Zaratino 
een fout begaet ftellende het beek vanjuno in plaets van Helena , dat wy 
niet wel ftilfwygens konden veranderen: en inde Bevatting , by Pers bladz. 
221, by ons 183. daer Ripa uit een quaet verftant van de Latynfche over- 
zetting van Ariftoteles van een bezadigt en ingetogen man zeer belac hel yk 
aerde heeft gemaekt: het welk ons onmogelyk was te verbeteren zonder 
iets daer van te zeggen. Maer de misflagen, die enigfins konden worden 
verandert zonder dat wy 'er iets van fpraken, hebben wy maer ftilfwygens 

weg- 



VOORREDEN. 

weggenomen en 't goede in de plaets gezet. Zie hier alleenlyk twee voor- 
beelden. In 't vierde beek Gvlzigheit zegt hy, dat de vifch Scarus byna 
nooit boven de Kaep fan Troas komt : maerzooeen Kaep is 'er in de werelt 
nooit geweeft: derhalven hebben wy dat flilzwygens verandert uit Plini- 
us, boven Le£ium, een Kaep van't LandtfcbapTroas^ of' tLandt van Tro- 
jen, dat het zelfde is. Pers heeft 'er die woorden in zyn vertaling uitge- 
laten. In het eerfte beelt des Hwn-elyks, by Pers bladz. 207. zet Ripa op 
rekening van Piërius , dat het eerfte gebruik van den ring was geweeft ter 
gedachtenifte van eenig byzonder werk uit te voeren, en dat men ze eerft 
van flegte ftofFe maekte (ter gedachten ifle van dingen die al te fnoo waren, 
zegt onze helt Dirk Pieterfen} maer naderhant als de naerjltgheit (\veeUe en 
overdaet hadde hy moeten zeggen} en eerzucht aengroeide , ook van gout 
enz. En echter zegt Piërius dat geenszins : waerom wy die plaets, zon- 
der eenig gewag van die misflagen re maken, aldus hebben hcrfchreven: 
Het eerjle gebruik der ringen ftrekt e niet om ficraet daer van te ontkenen, neen; 
maer om met dezeive te zegelen het geene geloof zonde verdienen, en aldus tot 
verzekering van tron. Doch naderhant , iz'anneer de overdadigheit , vi-eelde ^ 
grootsheit en -pracht aen'X'ielJen, en men met zjne rykdommen nu pronkte, begon 
degoude rmg ook te dienen tot verfier ing, en wert tot meer Imjiers met edele Jiee- 
nen voorzien. Dit zy genoeg gezegt van de misflagen van Pers en de Ita- 
lianen. Waerover dat wy ons zoo breedt hebben uitgelaten , daertoe heb- 
ben wy ons verplicht geacht, eensdeels om rekenfchap van onze behande- 
ling in dit Werk gehouden, te geven j ten anderen, opdat een iegelyk 
zoude kunnen zien, hoe getrouwelyk de Schryvers van de Republyk der 
Geleerden, in de maenden July en Augufty 1723, bladz. 179, aengaende 
deze uitgave, hebben bericht, dat het Werk van Cefar Ripa by Reinier 
Boitet by infchryving wort gedrukt, even alsof men den ouden Ripa van 
Pers (want die is 't immers dien onze Nederlanders kennen} wederom her- 
drukte: hoewel die Schryvers zich daermede zullen meenen te kunnen ver- 
fchconen, dat zy den titel die voor de proef bladen is gedrukt geweeft, 'er 
geheel hebben bygevoegt. Maer hoe zeer deeze Ripa , behalven onze 
Aenmerkingen, die wy durven vertrouwen dat ten minften den lof zullen 
dragen van met naerftigheit te zyn gefchreven, is verfchillende van die 
van Pers, en zelfs de Italianen is overtreftende, kan elk opmaken, indien 
hy zich herinnert, dat wy hebben aengewezen, dat de Italianen nietalleen 
behouden hebben de misflagen van Piërius (want gelyk wy alle menfchen 
zyn, en aen menfchelyke dwalingen onderworpen, zoo heeft die geleerde 
man ook wel eens hier of daer misgetaft : het welke wy nooit op ons heb-- 
ben genomen ftilzwygens te veranderen, maer den Lezer altyt behoorlyk 
gewaerfchuwt, zoo die letterheid ons hier of daer al eens fcheen te miflen: 
het welk echter zeer zelden, en meeften tyd niet anders als in zaken van 
gering belang is gefchied} maer ook dezelve met grove en botte dwalingen 
vermeerdert i die dan Pers niet alleenlyk alle heeft behouden, maer met 
een groot getal nieuwe feilen vermenigvuldigt. Wat nu onze Aenmerkin- 
gen belangt, het oordeel daervan laten wy over aen de bevindinge vanden 
befcheiden Lezer, en zeggen 'er niets anders af, als dat wy in 't fchryven 
van dezelve alle mogelyke naerftigheit hebben aengewent, niets overflaen- 
de, dat ons eenig licht fcheen van noden te hebben, en zoo 'er iets was, 
het geene wy niet wiften, (wie weet ook alles r} het zelve liever edelmoe- 
dig bekennende, dan ftilzwygens overflaende, en onze onkunde ontvein- 

* * * zende 



VOORREDEN. 

zende. Welke gewoonte, gelyk wy altyt in anderen hebben misprezen, 
en daerom nooit zelfs willen volgen, alzoo hebben wy in tegendeel ver- 
oordeelt, en uit dien hoofde ook gefchuwt het doen van die geene, die 
zelden, en byna nooit, aenwyzen, uit welke Schry vers zy het hunne ge- 
haelt, en door wien zy gevordert hebben. Namentlyk, gelyk zy zich 
aen den eenen kant fchamen te zeggen, dat 'er iets is het welke zy niet weten, 
alzo is 'er aen den anderen kant een grootsheit en ydele roemzugt om te mo- 
gen fchynen dat ze alles uit hun eigen voorraedt hebben gehaelt : welke 
indien de plaetfen hadden genoemt, daer ze 't hunne uit hadden getrok- 
ken, zoo zoude het blyken, dat 'er byna niets van hun eigen werk by was. 
Een geleerd man echter valt het niet bezwaerlyk zulke kunftjes te ontdek- 
ken, en die houdt dan denzodanigen niet voor Schry vers, maer voor Uit- 
fchryvers en onbefchaemde letterdieven. Behalven nu dat dit geheel ftryt 
tegen den edelmoedigen inborft van een braef en rechtaerdig geleert man, 
zoo is het ook een oorzaek van vele misflagen : want terwyl de eerde van 
dat flagh van Uitfchry vers, de bronnen daer hy uit gefchept heeft, ver- 
bergt voor den tweeden j de tweede voor den derden ; de derde voor 
den vierden enz : en de een echter voor waerheidt aenneemt en ter neder 
ftelt al het geen hy by den anderen vindt, zo gebeurt het dikwyls, dat ook 
deze een menigte nieuwe misvattingen daer by voegende, omdat hy on- 
kundigh van zaken is, en lichtelyk een quaet begryp maekt van 't gene 'er 
van een' die even onkundigh is , niet al te duidelyk is uitgefchreven , 
'er werken in de wereldt komen , die vervult zyn met groove dwaelin- 
gen: gelyk ik niet alleenlyk met het voorbeeld van onzen Dirk Pieterfen 
hebbe aenge wezen, maer ook menigmacl met het grootfte ongenoegen be- 
vonden in die gene, die zich van zynen overgezetten Ripa hebben bedient: 
welk boek, daer 't zoo flecht is, dat wy niets diergelyks kennen j waerom 
wy ons ook dikwyls hebben verwondert, als wy 't zo gretig op verkopingen 
van boeken zagen afgaen,al veeltyts aen onze Nederlandtfche Uitfchry vers 
gedient heeft om wat moois, en dat eene oudtheit was, zoo zy meenden, 
daer de menfchen altyt zoo gaern van fpreken en mede pronken, voor den 
dagh te brengen j daer de Oudtheit veeltyts nooit van zulke oudtheden 
hadde gedroomt. AVy zullen nu geen voorbeelden in 't byzonder bybren- 
gen van grove mifflagen, op diergelyke wyze uit den vertaelden Ripa over- 
genomen : dewyl het doch in 't algemeen waer is, dat het zoo gaet met 
die gene, die op eens anders arbeidt te veel ruften, en uit dezelve, zon- 
der eige verzekeringe maer los overfchryven 't geen hen fchynt in hunnen 
kraem te dienen. Een gering ftaeltje, omdat het ook tot de Beeldenfpraek 
behoort, moeten wy den Lezer mededeelen. Zeker Nederlandfch Schry- 
ver brengt zesderhande penningen te voorfchyn, waerop de Fortuin ver- 
heelt ftaet; en op alle zes, zegthy, dat ze een dijjelboom in de eene hant 
heeft: hy meldt wel niet, wie van deze penningen gewagh maekt, maer 
wy zyn echter verzekert, dat hy 'er van gelezen heeft by Pièrius Valeria- 
nus Hterogl. Lib. XhV. cap. 24. Dogh hy fchynt niet te hebben begrepen, 
dat temo, aldaer voorkomende, in 't Latyn, (vooral by latere Schry vers} 
ook het roer van eenfchip betekent, 't Is vvaerfchynlyk, dat hy 't woorc 
Fortnna in den bladwyzer van Piërius gezogt hebbende , alleenlyk dat 
hooftftuk heeft gelezen, waerin van die penningen wort gefproken: want 
anders heeft Piërius, drie hooftftukken hooger, zelf gezegt wat hy door 
het woort temo daer ter plaetfe verftaet. Dirk Pieterfen, hoe dom anders, 

heeft 



VOORREDEN. 

heeft het op die penningen echter wel gevat , als hy bladz. 151 het Ita- 
Jiaenfche woordt timone , dat zy van het Latynfche temo hebben behou- 
den, vertaelt heeft doory?Z?('?/>iTö^r: hoewel zy ook die andere betekenifle 
van dijTelboom daer in bewaert hebben. Oudaen doet ons insgelyks klaer- 
lyk zien in zyne Roomfche Oudheden, bladz. 313 of 276, dat 'er een 
fcheepsroer op die penningen verheelt is. Want offchoon men op eenige 
der zelve vindt de woorden Fortune redi/ci^ dat is, aen de '■jvederkeerende 
Fortuin y (^Oudaen vertaelt het , -iz'ederh'engende Fortmn ; 't welk wy niet 
laken, hoewel 't woort reditx by goede Latynfche Schryvers in die beteke- 
nifle zeer zelden wort gevonden} zoo moet men echter geen dijfelboom, en 
daerdoor een wagen ^ verftaen, alsof de Fortuin (dat is , de Keizer, tot wiens 
eere zo een penning was geflagen , en met wien de Romeinen of aenmerkten, 
of zich door vleiery lieten voorftaen dat hun geluk was wedergekeert}juift 
met een wagen was wedergekomen , en niet met een fchip. De Room- 
fche heerfchappy was toen te verre uitgeftrekt , dan dat men om 's Keizers 
wederkomft van een landtreis in Italien of de nabuurige Provinciën, een 
penningh zoude laten flaen j dat waere belachlyk geweeft : maer dat ge- 
fchiedeom eenigen verren tocht over zecj waerom men ook op een penning 
van Vefpaflaen, voorkomende in Oudaens Roomfche Oudheden, blad- 
zyde 315 of 278, deze Fortuin ziet fl:aen met de handt geflagen aen een 
fcheepsfteven. Ook is het mis, dat die zelve Schryver, wiens naem wy 
uit befcheidenheit verzwygen , op een penningh van Domitiaen Fortnna 
Augiiftiy uitlegt, de Forttun van Angnftns. Onze Nederlanders kennen 
by den naem van Augufl:us genen anderen Vorft als dien, welke op Julius 
Cezar in de Roomfche Heerfchappy is gevolgt: maer de Latynen hebben 
dien eernaem, die eigentlyk betekent de Heerlyke, naderhant ook gegeven 
aen alle andere Keizers, en aldus moeten die woorden vertaelt worden met 
Oudaen, 's Keizers geluk: opdat niemantmeene, dat Domitianus een pen- 
ning heeft laten flaen ter eere van Auguftus, Cezars opvolger. Onder- 
tuflchen, wat die eerfl:gemelde penningen aengaet, zoo men op het getui- 
genis van dezen Schryver gerufl: wilde zyn, en het zelve voor waerheic 
aenncmen , en de een dit overfchreef van den anderen, zoo zoude men 
dus doende beginnen te gelooven, dat 'er in de oudtheit eenige penningen 
meer geweeft: zyn, dan ooit inderdaet is waer geweeft:, en dat de Fortuin 
daeropook is gezien geworden met een diflelboom> 't geen wy getoonc 
hebben zoo niet te zyn. Die Schryver hadde behooren te denken, dat de 
Latynen en Grieken, voornamentlyk de Dichters, dikwyls van de fchepen ,, , j^j^j^, 
fpreken met de zelve woorden als van de wagens en paerden. Zoo noemt opore. 
Varro (1} de ft:uurluiden e^«//o«w, dat is, paerdebereyders oï pikeurs: Owi-^^^^^^^' 
dius (2} en andere heeten hen auriga^ dat is, -voerlmden; en Homerus(3} j.v. i ty. 
geeft de fchepen den naem van aAöf /tttto» , dat is, zeepaerden: gelyk onsditl''^'^^''^ 
alles wordt geleert door den wakkeren Freinshemius in zyne Aenmerkin-(4)Lib. 11'. 
gen over Florus (^4}: waerby men kan voegen de Aentekeningen van Bur-"P- ^• 
chardus Knippingius over 't i85ft:e vers van het tweede boek der Her- '' 
fcheppingen van Ovidius, aiwaer die dichter het roer van een fchip noemt 
met den naem van toom: en indien iemant verder bericht dezen aengaen- 
de mogt begeeren , die zie ook de Schryvers na, die aldaer door den ge- 
noemden Knipping worden bygebragt. Dit dan zoo zynde , vermanen 
wy allen den zulken, die hunne fchriften met oudheden trachten op te fle- 
ren, dat ze eerfl: leeren oude Schryvers zelve behandelen, en dan van 

* * * 2 oud- 



VOORREDEN. 

oudheden fpreken, en die met goede bewyzen fterken : dan zullen ze lof 
behalen, en onze Nederlanders dienft doen. Vraegt my iemant , of ik de 
man ben , die dat hebbe verricht ? ik antwoorde daerop, dat ik het hcbbe 
trachten te doen, en altoos nooit iets voor eenige oudtheit hebbe zoeken 
te verkoopen, van welks deugtfaemheit ik niet genoegfaem was verzekert, 
en klaere blyken hadde mede te deelen -, gevende voorts den behoorlyken 
lof aen die geene, uit wiens fchriften ik het myne hadde getrokkenj heb- 
bende zelden, en nooit in zaken van gewicht (voor zoo verre ik weet) 
verzuimt den naem te melden van die geene, van wiens naerftigheit ik 
voordeel hebbe gehadt. Onder die genen die ik gebruikt hebbe, is my 
niemant van meer nut geweeft dan die brave en recht geleerde Piërius Va- 
lerianus: welke man gelyk te groot is dan dat ik hem na waerde kan pry- 
zen, alzo móet ik ook dit van hem zeggen, dat het my dikwyls heeft ge- 
moeit, als ik bevondt, dat hy onzen grooten Erasmus, een man , wiens 
uitmuntentheit vele van onze Nederlanders zelfs niet te recht kennen, en 
die te minder geroemtwort, omdat hy van zyn eige zaken geen ophef maekt 
(wel voorgedaen is anders half verkogt} maer overal de eenvoudighcit en 
nedrigheit bemint; zich leggende alleen op zaken, en geen ydele woorden 
zonder kracht, en te gelyk toonende, dat 'er weinige hebben geweten het 
gene hem onbekent was; dat hy zeg ik, dezen Erasmus dikwyls van woorc 
tot woort heeft uitgefchreven, zonder zynen naem eens te melden j hoe- 
wel hy op eenige weinige plaetfen met lof van hem gewaegt. Ik hebbe 
my verplicht geacht dat eeuwige fieraet van Rotterdam, ja van ons gehe- 
le Vaderlant, hier eenigfins weder te geven, het geen hem t' onrecht was 
ontnomen: hoewel ik gaern wil bekennen, dat Piërius, gelyk ik reets heb 
gezegt, een waerlyk geleert man is geweeft, wiens roem even groot zou- 
de geweeft zyn, al hadde hy overal getrouwelyk gemeldt, wacr hrasmus 
hem was te pas gekomen. Het werk van dezen Rotterdammer, daer wy 
hier voornamentlyk op doelen, is dat van de Oude Spreekwoorden : een 
Werk, waerin alleszins doorftralen 's Mans groote belezenheit en door- 
drhigend oordcel, dogh by veelen niet op zyn rechten prys gefchat, om- 
dat ze het gebruik en de waerde daer van niet kennen. 

Nu is 'er nogh alleenlyk overigh , dat wy reden geven , waerom het 
Werk nu in Drie Deelen zal worden in 't licht gebragt, daer 't eerft in 
twee was begrepen. Onze i\enmerkingen, om reden hier boven gemelt, 
nootzaeklyk zeer hebbende moeten aengroeien boven 't geen wy eerft had- 
den gefchreven, bevonden wy, dat, dewyl zoo wel groote als kleine Ex- 
emplaren van dit Werk gedrukt worden op fchryfpapier, indien wy allede 
byzondere Zinnebeelden , die op de order van 't A B C waren gefchikt voor 
'teerfteDeel, daer in bragten, 't zelve al te dik, voornamentlyk in 't groot 
papier, zoude worden, en 'er geene bequaeme evenmatigheit biyven tus- 
fchen het eerfte en tweede ftuk, dat maer een weinigh meer dan half zoo 
dik zoude wezen. Vorder hebbende aengemerkt, dat het met de ftofFe 
van het laetfte ftuk zoo is gelegen, dat ze als op zich zelve beftaet, enten 
minften in een geheel andere order is gefchikt als in 't eerfte deelj zynde 
deze Zinnebeelden niet op den rang van 't ABC gebragt, maer in byzon- 
dere afdeilingen van zaken onderfcheiden ; en dat daerom niet anders dan 
zeer wanvoeglyk een gedeelte van de Zinnebeelden van 't eerfte Deel 
voor het zelve zoude kunnen worden geplaetft, zoo zyn wy te rade ge- 
worden om het eerfte ftuk, waerover de Aenmerkingen mceft waren uitge- 

dydt. 



VOOR REDER 

dydt, alzoo wy in het laetfte den Lezer veeltyts hebben kunnen wyzert 
na 't gene reets over 't eerfte was gezegt, in twee Deelen te fcheiden , en 
wel zodanig, dat ze beide gen oegzaem van dezelve dikte zullen zyn, en 
in grootte ook byna niets verfchillen van het derde: Welk overlegh wy 
geenfins twyfelen of zal den intekenaren zeer wel bevallen. De ftofïe 
van het derde Deel zal voornamentlyk beftaen in deze Zinnebeelden : de 
Jlooftfiojfm ^ de dedeti des Aerdryks, de JFercltflreken, de fFmden, de vier 
Eewui'en, de Zonnejianden, de 'Jaergetyden^ de Maendendesjaers, de Uuren 
van den dagh en nacht , verfcheide koetfen of '■ji- agens der Goden , de Zang- 
godinnen ^ verfcheide Nirnfcn, Rievieren, Mon fiers, verfcheide foorten van 
's menfchen Leven , Trappen des ouder doms , verfcheide Gefteltbeden in den 
menfcb , de v) f Zinnen , verfcheide foorten van Liefde en andere hartstoch- 
ten, de allervoornaemfte Kimflen en JVetenfchafpen , veelerhande Fortuinen ^ 
verjcheide beelden der Dapper heit , Gerechtigheit en Eendracht , verfcheide 
Regeeringen, [Vetten, goede en qnade Geruchten, en wat diergelyke meer 
zyn: en eindelyk achter het zelve een naeuwkeurigh Regifter van zaken, 
in 't geheele werk voorkomende. 

Dit hadden wy den Lezer te berichten: welken, indien wy door onzen 
arbeid eenig voordeel of vermaek hebben kunnen toebrengen, zoo zullen 
wy ons oogmerk vülkomentlyk bereikt hebben. Vaer wel 




# # * « 



CO- 



C o P I E. 

PRIVILEGIE. 

DE STATEN VAN HOLLAND ENDE WESTVRIESLAND. Doen 
te weten. Alzoo Ons vertoont is by Reinier Boitet, Boekdrukker en Bockver- 
kooper, mitsgaders ingeboore Burger in de Stad Delft, hoe dat hySupplt.ze- 
dert eenigen tyd bezig was geweeft met het drukken van zeker Boek , genaemt Het Groot 
Natuur- en Zedekundig M^erelttoneel van aloude Egiptifcbe , Griekfche en Romeinfche Zin~ 
nebeelden of Beeldenfpraek^; vervattende een geleerde en leerz.arKe Befchryving van alle Deug- 
den^ Ondeugden, Genegent heden , Bedryven , Hartstogten , Kunften , Leeringen en Zinlykheden j 
mitsgaders van de Hooftjlojfen , Hemellichten , Lantfchappen, Rivieren en zeer veele andere z.a- 
ken j- op nieu door een ervaren Tael- en OutheitVundigen uit de oorfpronkljke Schriften van Cez.ar 
Ripit , Zarattino KaftelUni , Ptérius Valerianus^ Horus Apollo en andere doorluchtige l^ernuf- 
ten getrok^n ^ en ineene AlphabetifcheOrdegebragt. Alles door HubertKornelisz.oonPoot^ 
voor z.00 veel hent mogeljkji-as ^ in klaer JVederduitfch ge/lelt , en door den gedachten Out- 
heitkenncr met Aenmerl^ngen en Ophelderingen verrykt. Indriedeelen in Folio. A4et 'jookfi- 
pere Kunftplaten verfiert. Maer dewyl hy Suppliant zeer veel geld en moeite aen dit werk 
te koftc gelegt hadde , en voornemens was in 't kort een gedeelte daer van uit te geven : 
dog bcdugtwas, dat eenige baetzoekende menfchen mogten ondernemen het voorfz Boek 
onder een andere naem of titel, met of zonder platen , in andere formaten of taelen , in'c 
geheel of ten deele, hier te lande naerte drukken, te doen nadrukken, verhandelen en 
verkoopen tot zeer groote fchade van hem Supplt. zoo keerde hyziginalleonderdanigheit 
tot Ons, zeer ootmoedig verzoekende, dal Wy hem Supplt. goedgunftelyk geliefden te 
verkenen Brieven van Oftroi , om geduerende den tyd van vyftien eerftkomende jaren het 
voorn. Werk hier te Lande alleen te mogen drakken , doen drukken , verhandelen of ver- 
koopen, in zodanige talen of formaten , met en zonder platen, als hy Supplt. zoude komen 
goed te vinden. SOO IS'T, dat Wy de zaeke en 't verzoek voorfz overgemerkt hebben- 
de, ende genegen wezende ter bede van den Supplt. uit onze regte wetenfchap , fouveraine 
magt ende authoriteit , den zei ven Suppliant geconfenteert , geaccordeeit ende geoftroyeert 
hebben; confènteren, accorderen ende oftroyeren hem mits dezen, dat hy geduerende den 
tyd van vyftien eerft achtereenvolgende jaren, het voorfz Boek in diervoegen als zulks by 
den Suppliant is verzogt en hier voren uitgedrukt ftaet, binnen den voorfz onzen Lande 
alleen zal mogen drukken, doen drukken, uitgeven ende verkopen : verbiedende daerom 
allen ende een ygelyken het zelve Boek in 't geheel of ten deele te drukken , naer te drukken , 
tedocnnacrdrukken, te verhandelen of te verkoopen , ofte elders naergedrukt binnen den 
zelven onzen Lande te brengen, uitte geven ofte te verhandelen ende te verkopen , op ver- 
beurte van alle de naergedmkte, ingebragte, verhandelde ofte verkogte Exemplaren , ende 
een boete van drie du ifent guldens daerenboven te verbeuren; te appliceren een dcrdrpait 
voor den Oiïicier die de calange doen zal , een derdepart voor den Armen der plaetfc daer het 
cafus voorvallen zal, ende het reflerende derdepart voor den Suppliant. Ende dit teli^ens 
zoo menigmael als dezelve zullen werden agterhaelt: Alles in dien vcrftande, dat Wy den 
Suppliant met dezen onzen Oftroye alleen willende gratifïceren tot verhoedinge van zyne 
fchade door het nadrukken van het voorfz Boek, daerdooringeenen deele vcrftaen den in- 
houden van dien te authorifèren , ofre te advoueren ; veel min het zelve onder onze protcdrie 
ende befcherminge cenig meerder credit , aenzien ofte reputatie te geven : nemaer den Sup- 
pliant, in casdacrinne iets onbehoorlyks zoude influëren , alle het zelve tot zynenlafte zal 
gehouden wezen te verantwoorden : tot dien einde wel exprefTelyk begeerende , dat by al- 
dien hy dezen onzen 0£troye voor het zelve Boek zal willen flellen, daervan geen geab- 
brevicerde ofte gecontraheerde mentie zal mogen maken , nemaer gehouden wezen het zel- 
ve Oftroy in 't geheel ende zonder eenige omiflie daer voor te drukken ofte te doen drukken , 
ende dat hy gehouden zal zyn een Exemplaer van het voorfz Boek, gebonden ende wel 
geconditionecrt te brengen in de Bibliotheek van onze Univerfiteittot Leiden, ende daer 
van behoorlyk te doen blyken. Al les op poene van het efïcft van dien te verliezen ; ende ten 
einde den Suppliant dezen onzen Confènte ende Oftroye moge genieten als naer behooren, 
lafkn wy allen ende een ygelyken die 't aengaen mag , dat zy den Suppliant van den inhou- 
de van dezen doen laten ende gedoogen ruflclyk , vredelyk ende volkomentlyk genieten 
ende gebruiken, ceflèrende alle belet ter contrarie. Gcdaen in denHage, onder onzen 
grootcn Zegele hier aen doen hangen, op den elfden September in 't jaer onzes Heerenen- 
de Zaligmakers zeyentienhondert zes en twintig. '■'• IS. V. HOORNBEEK. 

Ter Ordonnantie van de Staten. 

M'ILLEM BVrS. 




A D 

HUBERTUM POTIUM, 

PO ETA M INGENIOSISSIMUM 

CASARIS a RIPA 

A L I o R U M Q_U E 

HIEROGLYPHICA 

Idiomate Belgico Stylo elegantiori 

E D E N T E M. 

Andite mine Helicona ^ Deae^ depromite gazas! 

^Itias de Cajtaïio fonte mmijirat eqtms. 
HUBERTI cultanty quamvts fit ruftica^ Mufam 

Landavit miris terra Batava modis. 
IlUtis & ntimeros dndttm Delphenjia tempe, 

Nobdibusque viris Haga ftiperba Jlttpet. 
At major jam furgit honos y nbi numine dextroy 

Caefareas acri mente recltijit opes. 
Diicit Apollineas ab Apollme faepe figuras, 

Carmine Pierio Piermmque canit. 
Cernere dat coram^ genuit quas aurea quondam 

Firtutes aetas, ferrea quasqtie parit. 
Hic probitaSy hic canafides in imagine fplendet : 

Etfcehs adverfa proelia fronte gerit. 
Atra venenatis mifcent aconita eolubris 

Livor, & ultrtces , Eurnenidtimqne chorus. 
Confcia mens re^i, piet as ut & ar dor honejli 

Fundit Amalthaeas ojficiofus opes. 
Illmc Snada movet vocis dulcedine peófus , 

Inde trmmphali fede Po'ejïs ovat. 
Prifca licet mtdtis fapientia fordeat j artes 

Ingenuas almo gignit alitqtie finti. 
Cetera quid referam ? Jlndtum compleBitnr omnt 

Pagina y quod fugiens lux ^ oriensque y videt. 
SubUmi feriat nunc Jidera vertice y quijic 

Demermt BatavoSy tempus in omney fuos. 

Cnmque aliis paticis y quos fecla tulerey poetiSj 

Illius in nojtro (let lyra clara polo. 

JOANNES VAN DAM. 

# * * * 2 OP 




OP HET 

GROOT NATUUR- en ZEDEKUNDIG 

WERELTTONEEL 

Van aloude Egiptische Grieksche en Romeinsche 

ZINNEBEELDEN, 

Op meu tilt CE SAR RIP A en andere Schry- 

vers verzamelt. 



Eminners van verheven' dingen, 

ó Dichters, die in fchildery, 

ó Schilders, die in Poëzy, 
't Vernuft voedt met befpiegehngen > 

En gy, die Teikenkunfl: hanteert. 

Of beelden uitbouwt en bootfeert. 
En poogt naar d'eigenfchap te fleren: 

ó Helden, door Godts vuur geblaakc. 
Die op uw doeken en papieren 

'tVerflant, de zinnen, beelden maakt j 
En die door hulfel, tooi, en teken. 
De aloude Beeldefpraak doet fpreken: 

Of gy, die door verhevenheit 
Van geeft, vol kunft- en taalfieradcn , 
Gedoft in. koor- of fchoolgewaden, 

't Vernuft by 't oor gevangen^ leidt} 
Een yders aandacht weet te kneden 
In al de vormen van uw reden. 

En deugt en ondeugt, luft en min 
En drift en hertstocht, hoe verwildert. 

Met woorden verven, ryk van zin. 
Naar 't leven fchetft en kunftigh fchilderti 

Terwyl een ftraal van Wysheit fpeelt 

In 't brein, en zulke kinders teelt. 

De Drukkunft, om uw geeft te nopen. 

Schuift hier, van Yver onderfteunt, 

Terwyl zy op de boek ftaaf leunt, 
De kunfttoneelgordynen open^ 

En zet, veel grootfcher dan ze plag. 

Voor u een waerelt in den dagh 

En 



Van zinbedufdende tafreelen. 

En heldre fpiegels voor 'c vernuft^ 
Van beelden, die de zinnen ftreelen. 

En, waar fomryts de aloutheit fiift, 
Vertoonen, wat men moght ontkenen 
Uit oude munt en marmorfteenen. 

Hier pronkt de Deugt met eerfieraat 
En hare dochters als godesfen. 
De Zedekunft met al heur lesfen 

Staat uitgebeelt in rein gewaat. 
De kunftcn pralen als vorftinnenj 
Hertstochten, lullen, driften, zinnen, 

Getyden, maanden, dagh en uurj 
De landen, fteden, zee, rivieren, 

HooftftofFen , werken der natuur, 
Chimeren, Hydraas, Monfterdieren, 

En alles waar de kunft op fpeelt 
Staat hier naar d' eigenfchap verbeelt. 

De Wysheit der Egiptenaren, 

Die Hartogh Mozes onderwees. 

Toen 't licht uit donkre raatfels rees 
En beeldefpraak der ofFerareni 

En toen het groot Natuurgewrocht 

In 't kerkgebaar werdt onderzocht: 
Die Wysheir, die de groote zonen 

Van 't wys Athenen, hoog van draf, 
Pythagorasfen en Solonen, 

En Flatoos nutte lesfen gaf. 
En heur geheim heeft voorgefchreven5 
Zit hier als op den troon verheven. 

De Fabelkennis , ryk van ftof, 
Die Rome eerbiedigh plag te groeten. 
Legt heur fieraden voor haar voeten. 

Gcleertheit houdt hier open hof, 
En difcht en fchaft voor grage monden 
Al wat 'er edel wordt gevonden. 

En opgefpoort door naarftigheit. 
De Dichtkunft ftrooit een mei van bloemen 

Wier lettergeur zich lieflyk fpreitj 
En, om het tevens al te noemen. 

Men vindt er Menfis, Rome, Atheen, 

Een waerelt in een bock by een. 

* * * # * Maar 



Maar wie zal nu den roem trompetten 

Van Ripa, wiens verheven geeft ^ijl 

Dit werk fchoeide op zoo hoog een leeft? 
Wie durft zyn eer en glory zetten 

Op ecne Nederduitfche fnaar. 

Een zangftof voor myn Lier te zwaar ? 
Itaalje, als een Vorftin gezeten, 

Geflert met torenkroon en ftaf, 
Kwyte eeuwigh het verplicht geweten. 

En ftichte een eerzuil op zyn graf. 
Met gloritytelen en namen 
Die 't Ridderlyk vernuft betamen. 

Maar, vraagt ge, o Taal- en Lantgenoot, 

Wien men den lauwer heb te wyen 

Voor deze letterlekkernyen ? 
Men fier den braven Dichter Poot, 

Die 't werk in 't nieu gewaat kan tooien 

Bevrydt van hartgeperfte plooien. 
En grootfch verheerlykt met zyn dicht. 

Doch fpaar voor dien geleerden Schryver,' 
Die zynen naam verbergt voor 't licht | 

Ook lauren uit een dankbren yvetj 
En fier zyn kruin, zoo dra de Faam 
De onftcrflykheit geeft aan zyn' naam. 

ARNOLD HOOGVLIET. 




OP 



OP HET 
GROOT NATUUR- en ZEDEKUNDIG 

WERELTTONEEL 

DER UITGELEZEN 

ZINNEBEELDEN 

O F 

BEELDENSPRAEK; 

VAN 

GESAR RIPA, ZARATINO KASTELLINI, 

PIÈRIUS VALERIANUS &c. 

|Oèten, lang beluft op fchoone Zinnebeelden, 

Als waert gy aen den Nyl met Beeldefpraek gevoet. 
Dit beeltryk Kunfttoneel vertoont u overvloet 
Van zaekverbeeldingen, die d' ouden mededeelden. 

Indien uw Poëzy de neigende ooren ftreelden. 

En het gereinigt hart, van Chriftus maegdefloeti 

Eer gy 't Natuurelyke , en Zedelyke zoet 
Uit dezen bloemhof zoogt, en in dit loofwerk fpeelden. 
Wie zal uw' zangluft niet in ruimer Dichters velt ! 

Verrukken door u lier ? nu 't cierlyk dichtloof zwelt. 
En dit verbloemde werk Natuur en Kun ft leert paeren. 

Volgt dan de vonden vry van Ripaes ryken geeft. 
Nu gy het taelcieraet van Poot in 't Neêrduitfch leeft. 
En 't heerlyk Raetzelwerk uit d' ourheit ziet verklaeren. 

P. SCHIM. 

***** j OP 





o P H E T 

GROOT NATUUR- en ZEDEKUNDIG 

WERELTTONEEL 

Van aeloude Egiptische, Grieksche en Romeinsche 

ZINNEBEELDëNj 

VAN 

CEZ4R RIPA, ZARATINO KASTELLINI, 

FÏÈRIVS VALERIANVS &c. 



E Wysheit der aloude Egiptenaren 

Was opgepronkt met een' verbloemden ftyl. 
En net verheelt in teek'nen op pilaren 

Aen d* oevers van den grysgelokten Nyl. 
Heur fchranderhcit zat fchuil in 't loof der beelden: 

Hcur fpraek was groots j haer merken waren ftomj 
En, wie den zin verftont waer op ze fpeelden 

Had toegang in haer heilig heiligdom. 
Wie zou 't geheim van hare kunft doorgronden. 

Dat met een floers van raetslen was bedekt. 
En in een wolk van fchaduwen gewonden, 

Waerdoor 't verftant gefpitft wert en gewekt ! 
Nu bootfte zy eens allerhande dieren. 

Dan maelde zy verfcheide menfche-leén, 
En menfchen, en graveerde 's hemels vieren 

En 't kruit des velts op een gewyden fteen. 
Zaegt ge oit een kint, een man met gryze hairen. 

Een waterpaert, een valk, en krokodil 
Byeen gevoegt op Memfis kerkpilaren. 

En vraegt ge wat dit zinbeelt zeggen wil? 
Niet anders dan : o Menfch, die wort geboren. 

En fterft, Godt haet een onbefchaemt geflachr. 
Wie oit de zon en zilvre maen zag gloren 

Zag d' eeuwigheit gefchildert in haer kracht. 
Een zwaluw in het neft met hare jonge, 

Schetfte af een man die aen zyn jeugdig krooft 
't Gelyke deel by erfnis, onbedwongen, 

Befpreekt en maekt tot ondcrftant en trooft. 
De luchtdauvv was een kenmerk der geleertheit. 

De Menfchetong een zinneprint der fpraek. 
De quakkel een vertooning der verkeertheit. 

De gier van een verhevc en edle zaek. 
De leeuw gaf moet en dapperheit te kennen. 

Gehoorzaemheit wierc van een lionc verheelt. 

Daer 



Daer d' arcnt met zyn fnelgewiekte pennen 

Op 't fyn verftant der vlugge wysheit fpeelt. . 
Der Scyten Vorft, die 't oorlog wou verkonden, 
Heeft, aen den Prins Darius, ploeg en muis. 
Een werppyl, vorfch, en vogel toegezonden. 
Trompetters van 't aenftaende krygsgedruis. 
Wat hael ik op van duizent fchrandre fpreuken 

Gefmeet in 't brein van 't uitgeleert vernuft. 
En lefl'en door geen eeuw of tyt te kreuken j 
Om 't volk, dat in doorluchte zaken fuft, 
In 't voorportael der waerheit te verblmden 

Met beeldenfpraek en raetzels ryk van zin. 
Wie zou dees fpil der wetenfchap ontwinden 
En wie ging 't koor der Merkge leerden in? 
De Priefterfchap bewaerde deze tekenen 
By nacht en dag met ongemene vlyt, 
En iemant mogt het voor een' zegen rekenen. 

Die luttel kunft naer veel verloop van tyt 
Wiert toegedient. Wat had de Grickfche wysheit, 

Acnzienlyk om heur ftatig aengezicht, 
Haer ryp vernuft en recht eerwaerde grysheit. 

Al werk, eer zy een vonkje van dat licht 
Der kunft befchoude in hare kerk vertrekken! 

Wat is ze vaek verzonden hier en daer 
Eer ze uit de fchors de waerheit konde ontdekken 

En 't oor kreeg der befnede Prieftcrfchaer! 
Wie durft verwaent en dwaes dees fchrandre vonden 

Dit loofwerk met veel vlyt en geeft bedacht. 
Omdat zyn geeft 't fieraet niet kan doorgronden, 

Verwyzen in een' eeuwig donkren nacht? 
De Zienders Godts de heilige Profeten 

Verfierden zelf met beeldenfpraek Godts blaên. 
De wysheit Godts, van niemant af te meten. 
Scheen mede om dees vernifte tael begaen: 
Zy zent ons fchool by mieren, duiven, slangen. 
En fcherpt ons in voorzichtigheit en vlyt, , 
En laet alfins een heilig loofwerk hangen 

Van letteren Godts vredekerk gewyt. 
Wie kan 't geheim der tilbre tente ontleden, 
Des tempels, en 't voorbeeldig kerkfieraet, 
Gebakert in een zwarm van plechtigheden 
Ten zy hy zich op Paulus brief verlaet ! 
Men zag een ftoet van reine priefters zwieren > 

Een ganfchen oogft van wierook rein en frifch, 
Een duivevlucht, een drift met offerdieren 
Aenbrengen op Godts zuivren offerdifch: 
Al merken en voorbeelden, die de dagen 

Affchaduwden van 't nieuwe heilverbont. 
Die enkel op den waren Kriftus zagen 

En zyne kerk op 's Heilants bloet gegront. 
En wiltgy 't beek van 't eeuwig Opperwezen, 

Vol majefteit, vol luifter, glans en vuur 
Befchouwen, van zyn kracht en wysheit lezen? 

****** Door- 



Doorloop het boek der kunftige Natiiurj 
Daer hoorü gy hoe de ftomme heemlen fprcken 

Van d' oppermacht waer mê heur meefter praelt. 
En hoe 't geftarnt met fyne goude ftreken . 

Zyn godtlykheit in bUnkent beeltwerk maelt. | 

Daer ziet gy in de planten, kruiden, bomen, 

Waer in hy werkt en met zyn' adem vloeit, ■ 

Een heldre vliet van zyn vermogen ftromen. ■ 

De menfch, vooral, in wien de rede gloeit, ï 

Is met een ftrael van 't eeuwig licht befchenen. 

Pronkt met een trek van 't ongefchapen fchoon. 
Ziet door een mift van duifterheden henen. 

En zet het beek der Godtheit klaer ten toon 
In zyne ziel, door 's Heren Geeft geheiligt. 

Die zich in Godt en zyn natuur vermeit, 
Zyn wil omhelft, voor 't fterven is beveiligt} 

En erfgenaem van zyne heerlykheit. 
Maer wat gebou, tot in den top voltogen, 

Met kunft en pracht van beeltwerk, groots en eêl 
Bemaelt, ryft daer zoglansryk voor myne ogen? 

Het is een groot en geeftig Kunfttoneel, 
Alwaer een reex van driften en bedryven. 

Van leringen en kunften, zinlykheen. 
En alles 't geen de wetenfchap helpt fty ven 

Vrymoedig komt op hoge brozen treên. 
Toneel waerop de Deugt, met goê manieren, 

In 't witgekleet, met gloeient gout gekroont. 
Gezeten inde lommer der laurieren, 

Haer hemelrol met majefteit vertoont. 
Waer d' Ondeugt, met affchuwelyke trekken, 

Melaets en mank, met flangen in het hair, 
Heur wangedrag en misftal koomt ontdekken. 

En indringt by de godtgewyde fchaer. 
Dit weits Toneel, zoo heerlyk en verheven. 

Met byfieraên behangen en verrykt, 
Haelt uit den fchat der outheit ziel en leven. 

Voorts heeft myn Poot, wiens kruin met lauwren prykt, 
Het allesfins befchaefder tael doen fp reken. 

En met zyn ftyl, zoo eêl en rein vereert. 
Het hier en daer met dichtfieraet befteken. 

Al bloemen in zyn harflens gefchakeert, 
Koomt Schilders, koomt doorluchte Kunftenaren, 

Kroont Ripaes werk met palmen, 't is het waertj 
Verfiert hen vry die dees gewyde blaren 

Verfierden, hebt gy noch wat loof gefpaert! 
En helpt hun geeft, tefyn om net te treffen. 
Met ftafy aen den hogen hemel heffen. 



HENDRIK SCHIM. 



NAMEN 



NAMEN der HEEREN 

Voor zoo veele die ons opgegeven zyn, en welke dit Werk met luinne 

Intekening hebben gelieven te begunftigen. 

JVB. De Namen -waer voor een * ftaet , t.yn groot papiere Exemplaren. 



Cornelis, Baron van Aylva, enz. enz. 
Capitein Pieter Adriaenlz. 
David Anbeck, Daviiiszoon. 
van Aken. 

* Chriftiaen BonncvaL 

* Mr. ReycrvandcrBurch, Rned en Sche- 
pen , mitsgaders Boekhouder van de üoll- 
indifchc Compagnie te Delft. enz. 

* Mr. Jan vander Burch. 

* Mr. Guiljelmus van Bleiswyk , Capitein 
van de Burgerye der Stad Delft. enz. 

* Hendrik Bofch. 3 gr. 12 i^. Exempl. 

* Wed. Boucquet. 

* Jan Buys Egbertszoon. 

* George Bruin. 

* Mr.JohanvanBuitenhem, RaedenBur- 
gemeelter der Stad VlilTinge, mitsgaders 
Bevvinthebbervan deOoilind. Comp.ter 
Kamer van Zeeland. 

* Jan Blomhert. 
Jan vanden Bofch. 

Leendert Bakker. 4 Exempl. 

Cornelis du Bois. 

Jan Bekker. 

Wed. Nicolaes Bos. 4 Exempl. 

Cornelis vanden Bogaerde, Pred. te Hoorn 

Willem Baert. 

Gysbert Burgmans. rt Exempl. 

Böll. 

Dionifius Boots. 

Markus Bavelaer. 

Hendrik Blank. 

Abrahamus Ludovicus Blankenburg , Pre- 
dikant te Midly. 

Gysbert Beut , Boekhouder van de Weft- 
indifche Comp. ter Kamere van de Maze. 

Mr. Gerard van Bcrkel , Boekhouder van de 
Finantic. enz. 

Jacob Broedelct. 

Thcodorus Brouwer, Proofl:, Raed en 
Oudburi'emeefter te Enkhuizen. 

Nicol.nes Bazyn. 

Joan van Braem. 1 Exempl. 

Frcdrik Boucquet. 

Jan Daniël Beman. ^Exempl. 

Lconard Beels , Pred. te Amllerdam. 

* Pictcr Cocl , 

* Melchior Leonard Charlois. 

* Jonn Couck. 

Mr. Jurianus vander Coft. 
Carolus Clock, Pred. te Berlikom. 
Melchior Leonard Charlois. 
Ds. Hubeitus Gerardus Chasfé. 
B.irtholomcus Cam vander Zwaen. 
Jan Colonius. 
Jacob de Cluver. 
Mr. Jan Hudde Dcdel. 
Jacob Duin. 

jf # )f 



Johan van Duren. x Exempl- 

Andries Dykhuizen. 3 Exempl. 

Hendrik van Damrae. 

Joan van Doesburg. 

Dirk vander Dusfcn. 

Albert Brandt , Secretaris. 

Hcrmanus Daeldor p , Priefter te Slooten. 

Ewout van Dieshoek. 

* Johan van Enft. 

* Willem Elzevier. 

* Hendrik van Eyl. igr. 6-ki-E.xempl. 
Jacobus vanden Ende. 

Ifaak Enfchedé. 
Michiel Elgersma. 

* Albert Fabritius. 

Cornehus de Feiffcr, A. L.M. & Philof. 
Doftor en Pred. te Schipluide. 

* Anthony Grill. 

* Frans Greenwood , Commys van 't Èd. 
Mog. Col. ter Admiraliteit te Dordrcgt. 

Johan Wilhem de Groulart, Heer van Su- 



refter, 



oud Prefident van s' Hertogenbos. 



Mr. Abraham van Gerwen , Burgermeeiler 

der Stad Leiden, enz. 
Cornelis de Graed. 
Jacob Gillis. 

* Pieter de Hont. igr.emkl- Exempl. 

* Jacob van Hardenbroek , Commendanc 
op Louvcftein. 

Wilhelmus Hogerwacit, Pred. op Batavia. 

Hubertus Hocvenaer, Pred. te Pynaker. 

Willem Heggers. 2 Exempl. 

Hendrik van Hoekke. 

Benjamin van Hees. Pred. te Burgt. 

Mr. Johan van Hoornbeek. 

Cornelis Hoorns. 

Daniel Hoorns. 

Gcrrit de Haen. 

Abraham Hazeu. 

Johannes 't Hooft. 

Anthony de Huibert , Heer van Kruinin= 

gen, Bailliu en Dykgraef van Muiden, 

Wecfp enz. enz. enz. 
Johan HuKcher. Pred. enz. 
Erneftus Hagen , Makelaer in den Haeg. 
Abraham Heems. 
Daniël Flovens. 
Hendrik Hovens. 
Willem Hugaerts. 
Pieter Hcnkel. 
Jan Hogcboom. 
Jan Janfz Hand. 
Conftantyn van Hoorn , Burgemeefter en 

Raed der flad Vliffinge, enz. 
Bartholomeus van Halen. 
Willem Jnnis. 
Jooft de Jong. 
Jacob Jetsmecrs. 

* * ^ i Abra- 



* Abraham Keifer , Veertig Raed, mitsga- 
dci-s Kapt. van de Burgery der ftad Delft. 

* Mr. Gafpar Rudolf van Kinfchot , Baillu 
en Dykgraef der Stad en Lande van Ou- 
dewater, mitsgaders Kapitein vande Bur- 
gery der ftad Delft. 

* Air. Lodewyk Knotter. 

* Jean Knobbc. 
Jan vandcr KI iot. 
Wynant Kruiskerk. 
Jacob Keizer. 

N. K. 

Antoni Kcnsler. 

Dirk Ketelaer. 

* Hendrik Lcopold. 

* Thcodorus Leen , Heer van Abcoude. 

* David Lccu, van Lennep. 

* Balthazar Lakeman. 7. gr. y hl. Exempl. 

* Filip Lozel. \ gr. ikl. Exempl. 
Johanncs Loopwyk. 

Samucl Luchtmans. 

Joh. Arnold Langcrak. 

Gerard Onder de Linden. 2 Exempl. 

Pietcr Langsdyk. 

Jacob Ledeboer. 

Matthys van Lee. 

* Jan Middelman, Secrets. te Maesland. 

* Jan Mcsfchaert. 

* TripdeMarez, Heer vande Koppel. 

* Abraham Moubach. 

* Ephar Mangclaer. 

Gerard van Midlum, Prcd. in s'Hertogcnbos 

Jacob Mackaey. 

Willem Mooiweer. 

Jan de Mcyr. 

Govert van Mater. 

Rombout Mindcls. 

* Dirk van Nooye. 

W. Nobeling, Fifcael, enz. enz. 

Karel Nicmacl. 

Gerard Nahuis, Kanunnik van 't Kapittel 

van Oud Munfter te Utrecht. 
N.N. N.N. N.N. N.N. 
Matthcus Noltus. 
A. N. 
G. Opten Noorth , Momber des Furften- 

doms Gelre en Graeffchaps Zutphen. 

* Johannis Ooftcrwyk. igr.zkl. E.xempl. 

* Jan Oudaen. 
Adrianus van Ovcrveld. 
Toftia (3ttcns. 

J. H. C. van Ooftbrock. 

Fredrik Ottcns. 5 Exempl. 

* Pietcr Pi-ls , Andriefz. 
Hendrik Poft. 

Erncft de la Porte. 

Gysbcrt van Paddcnburg. 

Jacobus Peregrinus, Pred. in s'Hage. 

Vrouwe Cecïlia Chai-lotte Paauw, Wed. 

Bouricius. 
Folkcrt Janfz vander Plaets. 
Andrics Pcrcs. 
Capitcin Simon Pilletier. 



Gillis de Paaynaer^ 5 Exempl. 

Cornelis vande Putte, Bewinthebber van 

de Weftindifche Comp. in Zeeland. 
A. Quevellerius. 

* Valerius Rover. 

* Mr. Joan Carel de Roo. 

* De Wed. Rubert. igr. xkj. Exempl. 

* Dirk Rank. zgr. 5 kl- Exempl. 
Adriacn Rotteveel. 

Gysbert van Rooye. 

Jan van Rhyn. 

Charles du Rietx. ' 

Leendert Pietcrlz van Ruiven. 

Den Hoog Ed. Heerc G. A. van Rhcde. 

Picter Rutgers. 

Ds. Tibcrius Reitsma. 

Ds. Paulus van Raveftcin. 

Juriaen Rooswinkel. 

* Johan van Steelant. 

* Simon van Steelant 

* Albernjs Seba. 
Dirk Schey. 
Picter Schim. 
Hendrik Schim. 
Jacob Schim. 
Adnacn Slegt. 
Samuel Schoonwald. 
Jacob Specx. 

Frans vander Schaf. 
Jan Spillebout. 
Gabriël Scholten. 
Pieter Straet. 
T. S. Syvvarda. 

* Nicolaes Topyn. 

Vincent Taerlink. 
Jofias Ticlrooy. 

* Daniël Vollevens, Secretaris te Maesfluis. 

* Paulus van Voorft. 

* Hcrmanus Uitwerf. zgr. 4 kj. Exempl. 

* Jacob Vollenhove, 

* - - - Agent Vos. 
Johan du Vivie. 

Balthus Philippus du Vignon, Secretai-js 

te Schipluy. 
Salomon Vlaardingerwoud. 
Petrus Vergeuft. 
Abraham Verduin. 
Hendrik Verwey. 
Vincent vander Vinne. 
Jacob Verheide. 
Jacob van Veen. 
Arent van Veen. 
Gidcon de Voogt. 

* Jufti". Maria Elizabeth de Wael , Vrou- 
we van Ankeveen. 

* Johan van 't Wedden. 

Abraham Cocnraed de Wcilcr, Kanunnik 
van 't Capiticl vanOudmunfterteUtrcgc 
Gcrardus \\'inters\vyk. % Exempl. 

Francois van Walbeek. 

Williams. 

Andrcas Zomerzee. 

ACHT- 



ACHTBAERHEIT. 



Pag. 1 




ACHTBAERHEIT. 




JNS tcgcmvoordigh voornemen is, om volgens de 
uitvindingen der aeloude wyzen , door het ver- 
tooncn van mannen, vrouwen, dieren, boomen, 
kruiden , fteenen , enz. de hoedanigheit en toe- 
flant van hemelfche , aerdtfche ja ook helfche zaeken , te o- 
pcnbaeren en in hacr wezen te doen zien. Dit hebben wy* 
voorts gedacht ordentlykfl: nacr den rang yan het A, B, C, 
te zullen kunnen volvoeren , daer Godt zynen zegen toe ge- 
ve, tot nut der wetcnfchappcn , en dienft des vaderlants. 
Wy beginnen dan met de achtbaerheit , en ftellen daervoor 
ecnen Jongeling, fchoon ch eerbaer van wezen. Zyne 
fchouders zyn meteen Iceuwehuit behangen, hi de rechte 
hant houdt hy een vierkant , op 't midden waervan het 
teken van Mcrkurius ilacr. In de flinke hant heeft hy een' 
amarantctak metditb)fchrift: Sic floret decoro decus, dat 

is, ALDUS bloeit DE EER DOOR DE ACHTBAERHEIT. Met hct 

zelve gewas is hv bekrand, en zyn I-clcet verfiert, dat tot de 
knien toe nederhangt. Aen den rechter voet ziet men eene 
broos, cothurnus gcnacmt, en aen den flinken een (ok.^ 

Wy vertoonen den Jongeling fchoon, omdat de fchoonheit een fieraet 
van 't mcnfchelyk leven is-, [A] waerby wy voorts de eerbaerheit voegen, 
dewyl die onfcheidbaer aen het achtbaere verknocht is . De achtbaerheit, 
gelyk ze door Cicero in zyne Onderlinge Plichten, (^i} geleerdelyk is[^' ^„''^■^' 
bcfchreven, wort in 't gemeen genomen voor al wat eerlyk en eerbaer is, z». 
/. Deel. A Zy 

[A] En daerom een voorrecht der mtmr genoemt van Plato by Laërtius, Lib. J^ 
f- 19. 



2 A C H T B A E R H E I T. 

Zy is tweederlei, want tot de algemcene behoort nogh ccne byzondere, 
die dan tot elk deel van 't eerlyke gevoegt wort. De eerfte plagt aldus 
bepaelt te worden : namentlyk zy is alles dat tot de uitmuntenthcit 
van een' menfch dient, in 't geene zyn natuur van andere dieren verfchilt. 
Het andere deel, dat tot de algemeene behoort, wort aldus onderfchei- 
den : Men merkt de achtbaerhcit aen als eene zaek die onze natuur ten 
hoogften betaemt , vooral, wanneer wy nevens de zelve matighcit, ze- 
digheit en een zekere edele en wel opgevoede inborft laten uitblinken, 
zulx dat zich de achtbaerheit in al ons doen vertoone, en zich menge in 
allen flagh van deugden. Want gelyk de lichaemlyke fchoonhcit de oo- 
gen behaegt , [B] omdat alle de leden met eene zekere bevalligheit fa- 
mengevoegt zyn, aldus behaelt ook de achtbaerheit haeren pr\s, en de 
toejuiching van eerlyke en verftandige luiden; want zy houdt in fprekcn 
en doen eenen eerlyken en betaemlyken welftant. Wat nut en eerlyk is 
volgt , wat ydel en onbillyk is vliedt zy. Zy draegt zorg dat haere 
woorden waerachtigh , haere daden vroom zyn. Dat is het kenteken 
der achtbaerheit in een groot en dapper gemoet, 't geen in alles onver- 
winbaer is. De gramfchap kan haer niet bewegen, om buiten de ko- 
ningklyke heirbaen der betaemlykheit te treden, en niets kan haer van de 
eerlykheit affcheiden. Om dan de achtbaerheit in een hoog en dapper ge- 
moet uit te beelden, hebben wy den Jongeling met eene leewehuit omhan- 
gen, dewyl men van outs dusdanigh een vel tot een teken van deugdelyke 
dapperheit en fterkte des gemoets liet ftrekken, en hun daermede vereer- 
de, die de grootmoedigheit bezaten. [C] Al wie dan manhaft en dapper 

be- 

[B] Zeer wei gepaft was daerom het antwoort, dat Ariftotelcs, nacr 't verhaelvan 

(i) Lib-V. den zoo even genoemden Laërtius, (i) gafaen iemant, die hem vracgde , hoe het komt, 

§• *° dat wy in 't gezelfchap van fchoone menfchen liever lang willen zyn , dan in dat van 

andere , zeggende , dat zulks een vi-aeg was van een blinden. En Publius S)tus zeit : 

Formofa facies mtita commendatio efi , dat is. Een fchoon aengez.igt is een fiomme aeti' 

Lib.v"". [^] Dus fchenkt ook Eneas by Virgilius (i) 

351 ^en Salitis een vel, den Leeu van 't lyf getrok^n 

In 't woefl Gettilifch woHt, en ruig van hair en lokj^n^ 
Met gulde klaemven aen , getouii't tot een pn)jjïer. 
namentlyk , omdat hy in den ftryt des loops de anderen (k)or zyne dapperheit haddc 
overwonnen : wacrin miflchien ook eenige betickking was op zyne fnelheit : nacrdicn ook 
(3)iï.neid.dc Iccu zccr fncl is. Alzoo begiftigt Afkanias , by den zelvcn Virgilius, (5) Nizus 
Lib. IX. met een degen , en 

^' ' ' Helt Jldnefiheus fchenkt hem een ruig leeusvel tot z.yn eer . 

{4) Dio". C)m die reden noemde Diogenes Cynikus (4) de leeuwchuit een kleet van dapper- 
Laërc.Lib. heit, zeggende tot icmant, die, omdat hy een leeuwehuit aen hadde , en daerop roem- 
VI. §.45 de: hofi op, het kleet van dapperheit befchaemt te maken. Voorts was niet alleen) yk een 
leeuwehuit de dragt der aeloudc Helden , maer zy gebmikten ook de huiden van ver- 
ftljïncid ^heide andere wilde heeften . Alzoo voorziet Maro (f) zyncn Accftes met een ^t-m»- 
■L.y.y.-^jt^ehuit, pelle Libjfiidis urfe; hoewel Lipfius, wien Vondel gevolgt is in zyne verta- 
ling , tracht te beweeren , dat ook hier een Leeuwehuit moet verihaen worden. Doch 
zie hem wederlcgt door Salmafius in Exercit. Plin. p. 2zi . a. alwaer ook wordaenge- 
wezcn , dat Tydcus en Polynices , ook twee dappere helden van den aelouden ty t , in de 
(«Ijtneid. ti^agedien \'oorkomen als aenhcbbcndc de eene de huit van een wilt zM/jn, en de andere 
Lui. VIII. jj(, ygj^ ecncn beer . By Virgilius (6) draegt de Koning Evander het vel vaneen /'^w- 

(7) Iliad. ^^^^^5 een ander Helt byApoUonius de huit van een' 5?iVr. Paris by Homems (7) allede 
L. III. lydapperfte onder de Grieken uitdagende is bcklcet met de huit van ccnen Luipaert . En 

(8) Lib.y.zoo Ichryft ook Diodorus Sikulus, (8) dat Bacchus gewoon was in den ftiyt de huiden 
c-ip- 1 van Luipaerden te gcbmikcn. 



s. 



A C H T B A E R H E I T. 3 

bevonden wort, wort ook gezegt de iichtbaerheit te volgen . In tegendeel 
cn';bceren zy de achtbaerheit, die een verwyft leven leiden, en onbeften- 
digh en laeg van gemoet zyn. Bacchus, die by Orfeus een beeltvanGod- 
lyk verftant ftrekt, draegt by Ariftofanes (*} eenleeuwehuitoverdefchou-c') in Ra 
dcrs . Herkules , de voorbarigfte en d.ipperlle der Argonauten , [D] was j"" ^'^^" ' 
'er altyt mede bekleet, gelyk ook de Griek fche Hopman Ajax. Wyders 
zegt men, dat ons lichaem onquetsbaer is, [E] daer het van deleeuwehuit 
bedekt wort. Hieruit kunnen wy befluiten, dat de menfch voor de quct- 
fuuren van lafter en fchande bevryt blyft, zoo lang hy zich eerlyk en naer 
bchooren draegt . Schande en haet volgt de fnoden . Ajax verworf lof 
en eer zoo lang hy zich wel queet, en hoorde zich niet lafteren, voor dat 
hy de leeuwehuit, dat is de dapperheit des gemoets verworp, gevende de 
zelve, tegens de behoorlykheit, ten prooi aen de wanhoop. Het leeus- 
vel ftellen wy ook hier tot een teken van welvoeglykheit , nacrdien een 
leeu in volmaekte gefteltheit des lichaems andere dieren overtreft , gelyk 
ook zyn gemoet, om zoo te fpreken, edeler is, en de behoorlykheit meer 
dan andere heeften in acht neemt. Want hy is mildt, grootmoedigh , tri- 
omfzugtigh, zachtmoedigh, [F] rechtvaerdigh , en liefdedragende [G] 

A 2 tot 

[D] Aldus Zyn genoemt die Griekfche Edelen , die onder Jazon met het aller- 
cerfte fchip , Argo genaemt, voeren naer 't lant Kolchis , om 't gulden vlies van 
dacr te halen . De zaek is bekent . De namen der Argonauten vint men opgetclt by 
Hjginus fah. 14. De leeuwehuit voorts, die Herkules droeg , was de huit van dien 
grooten Leeu , die hy zelf in 't wout by Nemea gedoot hadde . Hjgin . fab. 50 & 
Tz.etz.es ad Lycophr. v. 45'5'. 

[E] Vanwaer onze fchryver dit gehaelt heeft, beken ik niet te weten. Mis- 

fchien heeft hem in 't hooft gelegen, het geen de fabclfchryvers (i) verhalen van A- (|) Lyco- 
jax. Herkules, zeggenze, quam op een zekeren tyt in 't eilant Salamis tot Telamon,P "y*^^ 
zynenvrient; en zynde beleefdelyk van hem in huis ontfiingen, en oftèrhande doen-pifm i'j/ 
de aen zynen vader Jupiter, nam hy zyn leeuwevagt, in de vorige acnmcrking ge-Tzetzes, 
mclt , en fchonk ze aen Ajax , Telamons zoon , die by hem ilont , licm de zelve Pmdar. 
omliangende en Jupiter te gelyk biddende, dat hy geven wilde, dat het kint onquets-j^^*^' "'^* ^ 
baer mogte zyn. Jupiter verhoorde het gebet van Herkules, en Ajax konde niet 5^.°,QjJ"(^jg 
geen geweer (gelyk de leeu zelf ook onquetsbaer (2) was geweeil door cenigh ftael) Hiad. ^ 
aen zyn ganfchc lichacm gewont worden, behalve een zeker gedeelte, 't zy van zynv. sn. 
hals, zyde of borft, (want daerin verfchillen de fabclfchryvers) het welke met de leeu-(^)Tzctzes 
wcvagt juift niet bedekt geweeft was. Dacrom als Ovidius vcrhaelt, hoe Aj;ix zich °^"jjj"'^' 
ziivcn omhals bragt, zegt hy met nadrak: (3) Lib Xiil. 

Dixit, & in pectus, tune demum vulncra paffiim, v- 391 

O^d fjituit ferm , kthalem condidit cnf:m . 
Dat is, naer Vondels vertaling: 

Aldus floot Ajax 't pleit , en duwde 't zjivaert op 't lefi 

Door d' onverfaegde borfl in 't hart tot aen 't gevefi. 
\ V] Zie ons hierover op 't Zinncbeelt der Goedertierenheit. 

\ G] Hiervan vint men verlcheide exempels by de Schryvers . Keizer Maximi- 
liacn de tweede had eenen leeu, die niet alleen handelbaer en gehooiTsaem was als 
een hont, en nicmant quaet dede, maer ook den Keizer zoo lief hadde, dat hy na 
deszelfs doot naeulyks van het lyk kondc afgetrokken worden . Men zeide , dat 
hy opgebragt was met melklpys , Zonder eenigh vleelch, altoos geen racu vleclch . 
Zoo hadde ook Don Jan van Ooftenryk een tamgcmacktcn leeu , die den mcc- 
ftcn tyt als een trouwe wachter aen zyn zyde was. Kamerarius, (4) uit v/ien wy de- (4) opcr. 
ze twee ^'oorbeelden acntekencn, verhaek ook, dat hy te Heidelberg ten tyde van denSubcii'. 
Kcurvorft Otto Hendrik meer dan eens op het flot gezien heeft een zeer grooten leeu, Cent. i 
die den Hofnar van den Keurvorft zoo beminde, dat hy hem likkende en met zyn po-^*Pp.*^ 
ten omvattende even als liefkoosde. Ja Seneka fchryft, (y) dat hy te Rome in de Li[,_ji cJ^,"' 
Schouwburg eenen leeu gezien heeft, die een mcnlch, welke in 'tftrytpcrk gebrast 
wicrt om tegens wilde dieren te vechten, zynde kennende geworden, dcAx^^'l hy \oo/- 
maels zyn meeller was geweeft, hem bclchcrmde tegens den uenval der overige dieren. 



4 ACHTBAERHEIT. 

tot hen daer hy mede verkeert , naer 't zeggen van Ariftóteles. De 

gramfchap vervoert hem noit dan getergt, en dan toont hy zich nogh rede- 

lyk in 't ftraffen , [H] zacht handelende met hun die hem niet te veel 

niisdaen hebben. Maer die hem met pylen of fpiefengewont hebben , tracht 

hy hun bedryf te vergelden. Zyn aert is, niet te lyden dat ieniant over- 

lafi p-efchiede, maer tracht het te weren. Elianus verhaelt, dateenleeu, 

beer en bont, by malkander opgevoedt, te zamen lang vreedzaem leefden, 

(i) Hift. maer op zekeren tyt de beer in gramfchap den hont verfcheurde, dies de 

vin '^cap. leeu, dit als een rechtvaerdigh Koning qualyk nemende, den beer met de 

lö. doot ftrafte. Plinius zegt (i} dat de leeu een dankbaer dier is, [I] dat 

v/cl- 



[H] Men gemigt van den Iceu, dat hy, al is hy nogh zoo fel getergt van een 

menicn , zoo liy maer niet gequetft is , hem niet verfcheutt , noch eenigh ander Icet 

doLt, uls dat hy hem ter aerde werpt, heen en weer flingcrt, en hem alzoo verfchrikt 

(i) De Cl. hcbbjnde laet leggen, zonder hem verder te beledigen. Dat verhalen Seneka, (z) 

Lib.i.c.5.p]_inius, n) Soiinus (4): Dat getuigt ook onder de Poëten üvidius, alshy zegt (j): 

(3i Hift. 
Nat. Lib. 

^4) poly- Quo quifque en: major, magis eft placabilis ira:, 
hl ft. c. 30 £t: facilcs motus mens generola capit, 

Lib. 1 11/ Corpora magnanimo fatis eft profti-allè Leoni, 
il- V.v.19 Pugna fuum finem, quum jacet boftis, habet. 

Dat is, naer de vertaling van Daniël Havart: 

Een edel hart verlaet z.eer haeft z.yn grimrmrheit : 
Dat z.i>ekt niet om met wrok, "f wraek^gt z.ich te fcherpen . 
'T is voor den Leen genoeg een menfch ter neer te werden: 

De fi-rjt is uit , zoo ras de vj/ant neder Itit . 

(6) Thcb. £n zeer fraei Statius (6): 
Lib. vui. 

V. 114: 



Ut Ico Maflyli quum lux ftetit obvia ferri, 
Tune iras , tune aima citat .• fi decidat hoftis , 
Irc fupcr fatis eft , vicamque rclinquere vifto . 

Dati^': 

Gelyh^ee.i d.tppre Leen ^ z.00 lang het glanz^igh licht 
f-^ivi 't vjantlyk^genrer hem fchittert in 't gezigt , 
Zich z.elven wekt tot toorn , en moedigt tot geii/elt : 
Af.ier als de vyant leit ter aei^de neergevelt , 
Stapt over 't lichacm heen , en van z.yn gramfchap weer 
Bedacrt , hem 't leven fchenkt , te vreden met die eer . 

(7) Zinc- Hierom hebben fommige Schryvers van Zinnebeelden (7) de goedertierenheit verbcelc 
grcf. Emb. door eenen Leeu, doch ongequetft, en een menfch onder hem leggende, over wicn 
"i*- hy heen gact. Doch gequetft zynde is hy zoo gemakkei yk niet, maer wraekzuchtigh, 

(8) Pier. g^-iyi^ onze Schry ver ook aentckent . En daerom is een Leeu, gen-offen met cenigh 
j_['^"'j._,.^geweer, by dL- mcelrcn een Zinncbcelt van wraekzueht. (8) Hy kent met wonder* 

lyke geheugenillè en byzondcre opmerkinge den genen, die hem gewont heeft j en on- 
der een hoe groote menigte van mcnfchen hy ook ftaen mogte , vliegt de leeu hem 
echter alleen aen, de anderen niet moeiende, en zoo hy hem in zyn magt kan Icrygen, 
verfcheurt hy hem wredelyk . Zie hiervan een voorbcelt in het Zinnebeelt der Wraek^ 
z,ticht. 

[13 Dit zullen wy met voorbeelden aentoonen over 't Zinnebeelt der Dankbatrhtit, 



A C H T B A E R H E I T: 5 

weldaden gedenkt , wezende voorts goedertier en vergevende tegens 
een' die zich voor hem vernedert, waeruit de edele dapperheit van het hart 
dezes diers blykt. Zoo de leeu ook oit door de menigte der jagers (i) of , 
honden gcperft wort tot wykcn , hy doet het niet ras, nochte roor deHift.'^A-'' 
oogen desweimans, wetende dat hem dit tot oneer zoude ftrekken , cn"""-<^'44- 
voor den Koning [K] des wouts , gelyk men hem noemen magh , onbe- pji" Hift. 
taemlyk zyn. Hy aerzelt op een ftatige wyze, [L] en om zyne acht- ^'«. liU. 
baerheit te bewaren, begeeft hy zich midden in 't velt, alwaer hy zich pal ' ^■*^' ' 
zet tegens zyne belagers zoo lang tot hy eenige ftnüvellen ziet, in welke 
hy zich kan verfchuilen, niet uit vrees, maer om zich op nieu ten ftryt te 
bereiden. Op deze wys doet de leeu zich vrezen. In 't kort, hydraegt 
zich zoo achtbaer in zyn doen als een vorft of koning. Dit is dan 't geen 
de achtbaerhcit van de daet belangt. Nu zullen wy van de achtbaerheit 
in 't fpreken handelen. 

Het vierkant daer het teken van Merkurius op ftaet, beduit de betaem- 
lyke achtbaerheit en vafte ftanthaftigheit die men in 't fpreken wacrnemen 
moet. Om deze reden wert Merkurius Tetragoms of vierkant, [M] dat 
is vaft en wys genoemt . Want men moet door lofle onvoorziclitigheit in 
het fpreken de paelen der betacmlyke eerwaerdigheit niet te buiten gaen , 
nochte lichtvacrdigh zyn in het fchelden en lafteren van luiden wier daden 
men ten argilen duit, want dit is vermetel en ongebonden . Men behoort 
/. Deel. B ieder 

[K3 By Bodinus (i) vracgt Theotus, waerom men den \cq.\x een Koningh der die- ^i_]inT\iz- 
ren noemt, en hem wort geanrvvoort: niet daerom, om dat hy flcrkct of raflcr is , atro Nat. 
maer om de vcrheve kracht en uitmuntende groothcit van zyn gemoct : omdat hy Lib. Y» 
nochte iemant bclaegt, nochte iets \Teeil, en de zwalvks bccftcn vcrfchoont, enz. 

[L] Zoo doen ook dappere helden , zelfs in het vluchten hunne achtbaerheit bewa- 
rende. Antigonus de tweede, (3) de zoon van Demctrius, door de v)'andcn gcnoot- 
zackt wordende te rug te wyken, zeidc, dat hy niet vluchte, maer het voordeel, dat f') Erafin.' 
achter hem was, vei-volgde. AIzoo bewaerde ook Sokmtes (4) de achtbaerheit, wan- Ll^^yP'^'' 
neer de Athenienfers by Delium overwonnen zynde, en alle de vlucht nemende, hy (^) Dió<r. 
met een langzaemtn trct wcchging, dikwyls omziende, en gereet om zich te wreken, LaërcLib." 
indien hem iemant aentaflte. II- §• ij 

[M'] Waerom Merkurius genoemt wort de vierliante Merhurlus , daciTan geven 
niet alle de fchr\'^Trs dezelve reden. Sommige zegden, (5-) dat het is, omdat het vier- (5) Ceel. 
tal paft aen Merkurius. Andere , (6) omdat Merkurius vier zeer groote zaken heeft l^hod. 
uitgevonden, nuuicntlyk, de letters, de muzykkunfl; , de woiileUcunft en de landt- ^'J*^* ^J^^' 
meetkunde. Andere (7) fpreken 'er aldus van: omdat men z.egt (zeggen zy) dat Mer- ^ 1 • ^ . 
\Hritis de Godt is van de reden en van de waerheit , daerom maehte men zjyn heelt vier- [6"^ Schol. 
hoekigh en in de gedaente van een vafi vierkant , te kennen gevende , dat z-odanige figuur , Homcri 
tp wat h^.mt z.y ook^valt , altyt recht hlyft. Alz.00 is de reden en de waerheit zich zelve ^'^f^^- 
overal gchk^, en van een en de zelfde gedaente ; doch een leugen is veelvoudigh en 'v<:'»'-\ \l\ \ 
fcheiden. ' Suidas (8) geeft de zelve reden byna met de eigenfte woorden : Te Athene, AnftVph'. 
ZCithy, ftonden fl^eene beelden van Aferkurius in de portalen en in de tempels: omdat men (8) In 
zeit , dat Merkurius de Godt is van de reden e7i van de waerheit. Daerom maekten zy ooki^^l*"^- 
zyne beelden virrhoekigh en in de gedaente van een yvafi vierkant s niet duijler te kannen ge- 
vende, dat dusdanige figuur , op wat k^nt zy ook^magh vallen, vafi ft aet en recht is. Alzo 
is ook^ de reden en de waerheit zich zelven van alle kanten gelyk. S maer de leugen is ver- 
fcheiden en veelvoudigh , en zeer overeenkomfiigh met zich zelven. De laetftc reden is ze- 
kerlyk de befte, en daerom ook met recht door onzen (chryver gevolgt. In den zelven 
zin ipreckt Ariftotcles (o) van een vierkant man : K«< t*V r-Wag onm KciAM^a xxl -^rxvr-^ , , t i • 
Trair&T tuui}--u.'i ay w; ccyctSoT xXt\^otg v.a.i TiTfuytovoi a.\i\j ^^oyiv , (jjt 15^ en de ?'fZ'<j//f»Lib, I.c.io 
v^n de fortuin zal hy zeer wel, en ganfch verfiandelyk^dragen , als zynde recht vroom en 
vierkant zonder berifping : dat is , recht cn vaft ftacndc. Zie Pi'mus f^alerianus Hiero^l. 
Lib. XXXIX. c^j^. 



6 ACHTBAERHEIT. 

(i)DeOf.|^ een zekere eerbied if?heit toe te drao;en, naer Ciceroos les , fi") en 

cip. as. van elk wel te fprcken. Want quaetfprekent van iemant te zyn, is een 

teken van boosheit, [N] nytenoneerbaerheit. Aldus befchryft Homerus 

Therzites, als een bitter en licht vaerdigh mcnfch^ die alcyt klaer was om 

zynen Koning te lafteren . Ulifles in tegendeel, was ftil en bedachtfaem, 

(prekende niets dan 't geen door voorzichtige oprechtheit vierkant ftont, 

door welk doen hy de achtbaerheit van een kloek , deftigh en wys man be- 

(t) Dioo li't-''c . De tong moet met fmller zyn dan 'tgemoedt, [O] zegt Chilon : Q2') 

Lacrt. ub.want de woorden A'^ertoonen ieders hart. De Grieken noemden het fpre- 

i- §• 70 j^-j^j-j een kenteken des rnenfchen. [P] Want gelyk de dieren te ondcrfchci- 

den zyn aen hunnen acrt, zoo wort onze natuur en aert uit het fprekcn af- 

Oi c^P- genomen, volgens Epiktetus, die in zyn Hantboek (^3} zeit: Stel u eetC 

'*° '^" zekeren regel i:oor oyn te onderhouden^ zoo it' el voor u zelven, als ten atnzien 

fan hnn met li'ie gy verkeert; zie voorts toe datgygeene Jlechte reden voert ^ 

maer laet zegefchikt en eerbaer zyn, anders is 't beter gez'u:egen . Eer en on- 

derhou dan de achtbaerheit met redelyk te fp reken, en niemant te lafteren, 

maer veel eer anderen te pryzen. Het laeken van alles moet uw werk niet 

zyn ; lact dat over aen hen die over alle dingen het oordeel willen ftryken , 

en dus hunne onkunde toonen, en fchande behalen, gelyk vorft Megabi- 

zus, by Zeuxis [Qj voer, in het berifpen der beelden van dezen Schil- 

f+! -^''i"- der. (4} Aïyne leerjongens , zeide Zeuxis , verwonderden, zo» lang gy 

uh\\!c.i.^'''^'eegt , zich over n, als zynde een prins , met purper bekleet , maernubelachen 

zy 11 y omdat gy van een kunjifp'eekt die gy met verjiaet. Men moet ook de 

fchan- 

FN] Alzoo zegt Publius Sjtus : Lingua eft malilocjuax mentis indicium maU : dat is , 
Een ijuaetfprekende tong is een kenteken van een hoos hart . Namentlyk, quaetfprekende 
mcnlchen , geen deugt in zich vindende , waermede zy anderen kunnen overtrcftcn , 
nemen hunne toevlucnt tot de quaetfprekentheit, en zoeken anderen erger tedoenlchy- 
nen , dan zy zelfs zyn . De ondeugt haet de deugt , en wat zy met de daet niet kan 
beledigen, beledigt zy met de tong. Dit bekende die beruchte Zoilus , die zync quaet- 
fprekenheit heeft gctoont met te fchryven tegens de allervooitrcfFelykfte mannen , (5-) als 
Homems , Plato en anderen , van zich zelven : want gevraegt zynde , waerom hy van 
v' •^„^jj'elk quaet fprak, antwcorde hy, omdat ik wel quaet wiUende doen, niet bui. 

L. II. CIO [O] Hiermede komt geheel overeen de les van Tzokrates aen Demonikus: Al wat 
gy ivilt z.eggen , overleg dat eer/} in uwe gedachten : %vant velen loopt de tong de gedach- 
ten voorbj . Een zeer goede les, en die 't te wenlchcn was, dat van vckn wat meer 
in acht genomen wicrde . Een eerftc gedachte niet goet zynde , kan ^■crbete^t worden 
door een tweede : maer zoo gaet het niet met de v.'oordcn , die men fprcckt : Nefcit vox 
mijfa reverti , Zcit Horatius, (6) Nooit keert het eens gefproken woort. 

f<)DeArt. ^~\ Voeg'erby, en een fpiegcl van 't vei-ftaiit . Als een zeker ryk Heer (7) zvn zoon 
Poet. V. Zont tot Sokratcs, opdat die over deszelfs verlhint mogte oordeckn, en de mecftcr , die 
J9»^ den jongeling tot hem bragt, gczegthaddej de vader ^ oSohrates, z.ent z.jn z.oon , opdat gy 
a'' i^v"'^^f'» z.oudt z.ten, zoo zcide Sokrates tot den jongeling : fireek^dan, jongeling, opdat ik^ 
Lib°^lII.' '^ ^^^' ^^ kennen gevende, dat het vei-ftant van den mcnfch niet zoo zeer op het acn^e- 
cap. 7» zigt blinkt, als zich wel in de reden vertoont. Zeer wel zeide daerom Theofiuitus 
Erefius , (8) of gelyk Plutarchus (9) vcrhaelt, Simonides tot iemant die op een gaft- 
(8) Diog. ^.^^\ ^^r^QY 't -wel paft wat fpraekzaem te zyn) met zedigheit geduuriglyk zweeg: in- 
y"§"" o 'dien gy zot zyt, doet gy een wyzc zaek: doch zoo gy wys zyt, doet gy een zotte 
(9)Syinpof.daet, Namentlyk het is een zekere fooit van wysheit, zyne zotheit te bedekken door 
Lib. III. ililzwygen. Een dwaes z.elfs die z.wygt , z.al ook^wys geacht worden , en die zyne lippen 
Qusft. I. toejiuit, verftandigh, zeit de wyfte der Koningen, Sprexk^. 17. v. 2,8. 

[QJ Of by Apelles, gelyk Plutarchus wil de Adnl. & Amic. difer. Ondcrtuflchen 
komt nier zeer wel te pas het zeggen van Apelles , ne futor ultra crepidam , fchoenm*» 
ker, hou « hj uw leeji . Zie Erafm. Adag. Chil. I. Cent 6. Ad. 18. 



A C H T B A E R H E I T. 7 

fchandic^e fp reek manieren haten, en van ecrbacre zaeken handelen, 'rgeen 
inzonderhcit den lehoonen Jongehngen zeer wel paft. Want ten fchoo- 
nen lichaeme behoort de fchoonhcit des gemoets uit te ftralen : [ti] over- ^^^^^ 
zulx wanneer de Filozoof Diogenes eens eenen fchoonen jongeling zagh,i.ib vi. 
die zonder eenige eerbiedigheit fprak , zeidc hy tot hem : ('6} fchaemt g y v » *^- 
md ^ t'.it zoo fchoon een fchede "jan y voor i eenlooden mes te trekken? verilaen- 
cie by de fchede de fehoonheit des lichacms, en by het mes van dat Hechte 
metael, des jongelings onbefchofte en fnode manier van fpreken. 

De amarant dien ons beelt in de flinke hant heeft, is een bloem die altyt 
bloeit, [S] houdende haereo welftant door geduurige fehoonheit. Met 
dit gewas hebben de Grieken in Theflalië, het graf van Achilles, [T] die 
huneenigfle fieraetwas, bekranft: om te bctoonen dat 's Helts roem zou 
duuren, gelyk deze on verwelk baere bloem, die wel noit verdort, [V] 
maer echter in harde winters qualyk te krygen is > [ W] om welke reden 

E 2 men 

(i) Diog. 
[R] Dacrom was de les van den wyzcn Sokratcs , (^) dat de jongelingen zich ge- Lacrc. Lib, 
Aiuriglyk in ccn fpiegel zouden bckykcn, opdat, indien zy fchoon waren, ^'^7 ^■'^"'' a,u1c^^ ^ 
hunne ichoonheit wacrdiglyk zouden gcdi-acgcn j doch indien zy Iclyk waren, hunne ^j,j,l„^_ 
lelykhcit met de fehoonheit der deugt bedekken. Zie de acntekeningcn van den zeer pnmof 
geleerden Egidins Menagius over Laénius , Lib. II. §. 55. 

[S] Plinius zegt, (3) dat de amannt veeleer een air is dan een bloem, zyndevanccn j^,_jj_ 'yb. 
purpcrc koleur, en zonder reuk, groeiende in de maent Auguftus, en duurcnde tot in xxi. c 8 
den hci-fll : hebbende dit vei-wonderlyke in zich , dat ze gacrn woit afgeplukt , en 
weelderiger wederom opgroeit. 

[T] Dit is gewecft aen de Kaep Sigeum in 't Lant van Troje, volgens 't fchryvcn 
vaa Cicero, (4) Strabo, (f) en Plinius : (6) zoodat deze bckranfing van Achilles gi'^f ^J^j^'^otta 
niet in ThcfTahë zelfs gefchiede, maer aen de voornoemde Kaep; werwaaits de Thcs-^"^ ,o_ 
tiliers , nacr 't vcrhacl van Filoftratus, op de vermaening van 't orakel van Jupiter te (^) Li^. ij 
Dodonc jaerlylcs heen trokken om Achilles te offeren : en dewyl zy gewoon waren al- (6) HilK 
les wat tot het plechtigh \Trnchten van die oflcrhandc nodigh was, met zich te nemen Nat. L. V. 
uit hun eigen vaderlaot ThefTalië; namentlyk, twee tamme ftieren, een witte en een *^^f' ^°' 
zwarte ; hout gehakt van den berg Pelium ; water uit de rivier Spcrchius \ ook vuur 
en oftërmcel uit Thellalië: zoo hebben ze ook kranflèn van den amarant allereerft uitge- 
vonden, om tot die ofïèrhande mede te nemen: opdat, indien het fchip door tegen- 
wint, of op eenige andere wyze mogt worden opgehouden, zy niet zouden genoot- 
zackt zyn vcnvelkte en verflenfte kranffen voor Achilles op te hangen. 

fV] Dit drukt de naem van de bloem zelfs uit, zynde een Grieks woort , diMc^acMTir 
{amaramos) het welk onverwelkbaer betekent ; namentlyk , omdat zy noit zoo verdort , 
of zy wort, met water nat gcmaekt zyndc, wederom levcndigh, gelyk Plinius ge- 
tuigt. (7) Klcmens de Alexandriner (8) den Kriften vcrmacnende, dat hy zich niet la- f?) Hift. 
te bekninfcn, gelyk de dode beelden, voegt daer aerdigh by, dat 'er een fchoonc ama- N'^V ^''^• 
rantekrans is wechgelegt voor de genen, die godtvrugtiglyk en heiliglyk zal gelceft^'jj'p^j^ * 
hebben ; welke bloem, zeit hy, de acrde niet kan dragen, maer de hemel alleen Lib. 11. ^ 
voortbrengt; daer namentlyk het eeuwige leven is . Het geen wy hier zeggen ama-a^.t. 
rantekrans, kan ook, en miflchien gcvocglykcr vertaclt worden, mverïuell^are l^-afu: 
lioewcl wy niet afkeerigh zyn van te denlcen, dat Klemens gezinfpeelt heeft op de na- 
tuur van den rf7w<ïr^w . Dus zegt ook de Apoftcl Petrus , cap. i J. 4. Zoo z.Hlt gj Ae on- 
veni'elhljhe kroon of kratis der heerljkjoeit behalen. Het wooit onverivelkljke'i'i aZQX Ook. 
het zelve , als amarante . 

[W] Uit Plinius hebben wy zoo even aengetoont, dat de amarant bloïit tot inden 
herfft. Zoo hy niet langer bloeit, is hy al zoo weinigh te krygen inzagtc winters als 
in harde : en zal men zich zoo wel in de eene als in de andere hebben moeten behelpen 
met de gedroogde bloemen , die Plinius getuigt dat tot dat einde wierden afgeplukt en 
bewacrt. Of onze Schiyver eenigh authcur gchadt heeft, die zeit dat de ctmarant ook 
in zagte winters plagt te bloeien, of, zelfs altyt, gelyk hy zoo even gczeit heeft. Is 
•ns onbekcnt, en wy vinden 't nergens. 



S ACHTBAERHEÏT. 

men de oude drooge bloemen met water befprengtj waerdoor zy h.iere voo- 
L'.'b LV. i'ige kracht en fchoonheit weder vcrkrygen, zoodat men 'er kranien van 
c. is.ucmj^^gj^t;^ zelfs midden in den winter, gelyk Pièrius zeit. (i) Aldus kan 
Lï'b-'xxi. ook een man, die van de harde en woeile ongelukken dezer ongcftadigewe- 
cap. 8. relt overvallen wort, het bezwykcndc gemoedt verquikkcn met het water 
der achtbaerheit : dat is , zyn hart kan hem zeggen wat hy ui zulk een' 
voorval doen moet: en dan ftaet hy van nieus op in een levende. en fterke 
gcmoets gefbalte, als te vooren, en bereit zich eenen glorikrans in deze 
verwarde tyden. Dit doet hy alles door de achtbaerheit, die wy tot fie- 
raet den amarant toevoegen, nevens de letterrol daer Sic floret ó-c. op 
ftaet, te weten, omdat de eer door de achtbaerheit altyt zal bloeien gelyk 
de amarant . Namentlyk de menfch wort door de achtbaerheit fterk , en 
(ilLaért. draegt zich door haer altyt gefchikt, zich in voorfpoet niet verheffende, 
nochte in tegenfpoet het gemoet niet latende verflaeuwen . Want gelyk 
Kleobulus zegt: (z) d' aenlachende Fortuin behoort ons niet hovaerdtgh , noch 
'') riu:. de tegenjirydige ons kleinmoedigh te maken. En dus kunnen wy ons niet gedra- 
luraii. gen, ten zywy de achtbaerheit voor oogen houden, die den menfch flerk 
ikunib, en grootmoedigh maekt. Zoo zegt men Q} dat Scipio Afrikanus door de 
gunft der Fortuin noit opgeblazen wiert, als hy de overwinning had , 
nochte bezweek wanneer hem 't geluk den rug toekeerde . En 't is geen 
wonder dat deze dappere Romein, niet zoo zeer om zyne kracht, als wel 
om zyne goede manieren en achtbaerheit, in Lucianus Samenfpraeken, 
door den Rechter Minos, boven Alexander den grooten, en Hannibal ge- 
fleltwort, zyndedeleften veltheeren die zeer oploopende, hovaerdigh, 
f4lLib. i.toornigh, onllantvaftigh en niet al te eerlyk waren, [X] ontbeerende by 
cap. 10. gevolg de waere achtbaerheit, fchoon ze zich inderdaet dapper en groot- 
moedigh toonden . Hoor Cicero in zyne Onderlinge Plichten : (^4) Een 
grootmoedigh man y zeithy, ivort inzonderbeit aen t'-ji-ee dmgen gekent , --ji'aer- 
van 't eene beflaet in de verachting der uifs^endige zaeken, de'iüyl kenlyk is^ dat 
men niets moet hoog achten, of iji'enfchen of begeer en, dan dat eerlyk en betaemlyk 
is, en zich nochte door eenigh menfch , nochte door eenige drift des gemoets , 
nochte door de Fortuin laten over'weldigen . Befluit hier na uit, dat een op- 
recht man noit zal gaen buiten het fpoor der betaemlyke achtbaerheit, 
maer altyt het eerlyke by het achtbaere en betaemlyke voegen, zynde in 
alles gclykmoedigh, In voorfpoet fchuwt hy de hovaerdy, in tegenfpoet 

de 



[X] Van de oplopentheit , hovaerdy en toorni'glieit van Alexander vint men voor- 

,,bcc!dtn genoeg by de Schry vers, als by Juftinus, Kurtius, Valcrius M^Lximus, Pli> 

8 « i"» '^'''^^™^ '^^ andere. Van zyne onfiantvafligheit weet ik niet, af veel te zeggen valt: ten 

^é)Curt. ^v men onftant\^iftigheit wil noemen het bsroii, dat hy over zyne daden, in dronkcn- 

Lib. VII- Ichap en toorn gcfchiet betoonde , nugteren en bedaeit zynde. V^an zyne oneerlykheit 

c t- §■ 34 is mifichien ook niet heel veel te zeggen ; altoos ik weet niet dat hy oit van bedrogh is 

&piui:. 1" overtuigt : en Juftinus (j-) piyft zyne trouwe. Nochtans is z^n handel, gehouden 

, '."jjjfni. omtrcnt^ het ombrengen van Pimnenio en Filotas, (6) verdacht geweeft. Maer zyne 

Apoph.L.4 oorlogen zyn byna alle onrechtvaerdigh geweeft. Dat doril hem eens een zeerover vcr- 

(8) Liv. wyten: (7) welke gevangen zynde en voor den Koning g^bragt wordende, van hera 

Lib. XXI. g^yj-jegt wia-dc, op wat zaek hy fteunende de zee dorft ontruften. De rover antwoor- 

YV// ' i^'' kortelyk : omdat ik dat doe met een fcheepje , noemt men my een zeerover: en 

& Vai. ' '^^^'' g"^ ^^'^ zelve doet met een groote vloot, wort gy evenwel een Koning genoemt. 

Max. Lib. Alexander zich verwonderende over de onverfaegthcit dezes inans, Ichonk hem 't leven. 

IX. c. ?. Wat Hannibal belangt, gelyk hy van de overige fouten niet vry (8) is geweeft, alzoo 

cap. 5 & * vint ik echter niemant, die hem befchuldigt heeft van onfl^ntyalligheit. 



ACHTBAERHEIT. 9 

de kleinmocdighcit [Y], want het onmatigh gcdragh in dezen, is geen 
teken van achtbaerheit maer van lichtvaerdigheit. De achtbacrheit be- 
o-rypt in zich eerbaerheit, zachtnioedigheit, zedighcit en alles wat het 
t^emoedt in ruft houdt . Een eerlyk man kan zich niet te min wel matelyk 
verlloren, zonder fchande te behalen of zyne achtbaerheit te verliezen. 
Ariftoteles zeit, dat een 'ovys man met zonder ontfteltenis des gemoets is, maer 
nochtans matigheit gebruikt . Treurigheit en blylchap ; zyn toch den mcnfch 
eigen [Z] . Die door vrolykheit noch verdriet aengedaen wort, magh men 
met Auguftyn, in zyn boek van Gods Stadt, wel by een blok of fteen, 
niet by een menfch gelyken . Plinius fchryft in 't achtfte boek (i) zyner ^^'J ^^^^' 
brieA^n aen Paternus, daer hy het verlies zyner lyfeigenen betreurt, aldus : 
Ik 'Vi.-eet niet of [die ongevoehge luiden] --ui- el groot en 'xys zyn: altoos zyzyu 
geen menfchcn: ivant het treuren, eyi droefheit te gevoelen is menfchelyk, maer 
ook de zelve tegen te ftaen, en zich te laten troojlen; niet, geen troofi van doen 
te hebben . Zoo is 't dan den menfch eigen dat druk en vreugt in hem plaets 
hebben . Men moet in ftuurshcit Sokrates niet volgen, die noit eenigh te- 
/. Deel. C ken 

[Y] Volgens de les van Cicero Lib. I. cap. 26. Laet ons, zeït hy, in voorfpoet, en 
als het ons naer wenfch gaet , de hovaerdy , verachting en i;crmetelheit z.orgvsddigljk^fchu- 
wen: %1/ant z.ich gclyk^ in tegenfpoet , alz^oo ook^ in voor/poet, onmatighl^ te gedragen, is 
lichtviterdigh : en de gelyhmattgheit door 't geheele leven , is een voortrejfeljke z.aeki E'^ 
Horatius venïiaent Licinius aldus : (2) (1) Lib.li; 

1 Carm. 10. 

Rebus anguftis animoflis atque ^- ^'r 

Foitis appa]-c . Sapientcr idem 
Conti-ahes vcnto nimium fccundo 
Turgida vela . 

Het geene door onze Antonidcs aldus is naergevolgt : 

Vi^ees fier wanneer « rampen quellen j 
£» hind voorz-ichtigljk^als uwe zeilen zwellen, 
Jn voordetvinden van ^etfin. 
Somtyts een reef jen in . 

De grootc vooi-fpoet brengt de menfchcn meer van 't rechte fpoor af dan de tegen- 
fpoet: want tegenfpoet, zeit Kato by Gcllius (2), temt zich zelven , en leert, wat men^''^ ^°h' 
doen moet ; maer de voorfpoet pleeg den menfch door de blyfchap te dzvarshomen van 't yii' c 7 ' 
goet overleg en verfiant . Daerom is de raet van Scipio Afrikanus by Cicero (4) zeer (4) Offic! 
ti'cflèlyk: dat, gelyh^de paerden door menigvuldige gevechten in den oorlogh al te »;oftó^;V/) L.I.cii, 
geworden , plegen te worden overgegeven aen meeflers die ze mogen temmen , opdat ze 
TKahfcr mogen zyn als men ze wil gebrnil^n ^ alzoo ook^de menfchen , door voorfpoet tome- 
loos geworden , en te fiout op zich zelven flettnende , moeten gebragt u.'orden in de pikeur- 
baen van de reden en kennijfe , opdat ze de z^l^akheit der menfchelyke zaken en de veran- 
dcrlyl'heit des gel»l^s mogen leeren vcrflaen . . > j^ ^_; 

(Z) Dit komt wederom overeen met het zeggen van Cicero (5-) : Derhalven is dit micic. ci<p. 
eigen aen een ivelgefielt gemoet , dat het zich verblyde in voorfpoet, en bt droeve in r^-i}. 
geufrcet . M'aerom indien de droefheit des harten kan vallen in een wys man , gelyk^ ze 'er 
zekerljk^in kjn vallen, enz. En wat verder: ti^ant wat onderfcheit is 'er , indien de be- 
weging des gemoets wort wechgenomen , ih^zeg niet tuffchen een menfch en een beefl ; maer 
ttiffchcn een menfch en een flcen , of blok^, of iet anders van de zelve foort ? want men moet 
viet lui fleren naer hen, die een harde en even als y zere deugt juillen hebben, enz. Ik^wil, 
Zcit Seneka (6) een wys man niet uitleiden buiten 't getal der menfchen , nochte de droef- ^'^ ^' ' 
heit van hem wcchdoen , even als van een ongevoelige lotfe. En Archytas hy Stob.xus : (-ij'scrm.i 
(7) -'^''^ ^oet dan de geritoetsbezfegingen niet wechnemen ; want dat is onnuttitrh .- maer 
men moet ze richten naer 't gene de achtbaerheit en middelmaet in acht neemt . Zie Lip- 
fius in xManuducT:. ad Filof'Stoicam L-ib. III. Diflat. 7. 



10 



A C H T B A E R H E I T. 



ken van drocfheit of blyfchap toonde [A] ^ hebbende dit geleert van A- 
naxagoras [B] en Ariilofanes, die noit lachten. Macr aldus gaet men 
de paelen der behoorlykheit te buiten, en verdient men al zoo wel gclaf- 
tert te worden als zy, die noit treuren of vrolyk zyn. Want al wat bui- 
ten den regel gaet is lafterlyk, gelyk de geftadige lach van Demokritus en 
(i)Seiiec. 't geduurigh Ichreien (i) van Heraklitus [C] . De achtbacrhcit houdt 
/i,i„"c"?5 den middelwegh, en zegt ons wat billyk, eerlyk en bctaemlyk zy. En 
hoe kan ons qualyk voegen, dat wy in de gemeene en byzondere zaeken 
van ouders , vrienden en maegen belang nemen, en daeruit blyfchap of 
droef heit fcheppen, naer 't geen hun wedervacrt? Wy moeten hun ons 
gemoet toonen , met gelukwenfchen ofmedelydenj maeraltyt, gelyk gc- 
zeit is, de togten van ons gemoet zoo matigen en beftieren, dat de acht- 
baerheit bewacrt blyve. In deze manier van dapperheit des gemoets, ziet 
men de braven dan altyt bloeien gelyk den amarant . Tot hier toe hebben 
wy van de achtbaerheit in doen en fp reken gehandelt, nu zullen wy gacn 

melden,, 

[A] Cicero de Ojfic. Lib. t. cap. ±6. Scncka de Tra Lib. II. cap. 6. & F-p'fi- 104. 
en Plinius Hifi. Nat. Lib. Vil. cap. 19. getuigen allccnlyk van hem, dat liyakyt even- 
eens vangelact was j op den eencn tyt niet vrolykcr of droeviger, dan op den anderen. 
Doch ftuurs was hy geenszins , gelyk hier te onrecht gezeit wort : macr veeleer van een 
vrolykachtigh wezen j gelyk Cicero getuigt Tufc. Quefi. Lib. III. cap. 15-. Hic efi enim 
ille vhUus femper idem , cjtiem dicitur Xamhippe pradicare folita in Viro fiuo fuijfe Socrate , 
eodem femper fe vidijfe exeuntem illum domo & revertentem . Nee -ver o ea frons erat , cju£ 
M. Crajfi illius veteris , quem fentel ait in emni vita rifijfe Lucilius : fed trancjuUU & fe- 
rena. Sic enim accepimus: dat is, Want dit is dat altyt a'eens gefielde gelaet , het tvelke 
Xamhippe gez.egt wort geroemt te hebben dat in haer man Sokr^tes was : zeggende , dat zj 
hem altyt met een en het zelve gelaet had zien uit het huis gaen en wederom t' huis karnen. 
Doch dat was zoo een gelaet niet, als die oude A/arkjis Krafius hadde , van 7i'ien Luci- 
lius zeit , dat hy eenmael zyn geheele leven lang heeft gclacht , maer het was zagt en vro- 
ü'ft^^i, ^'^' want zoo wort 'er van hem gefchreven . Ehanus (2) getuigt ook, dat hy altjt 
y^ ]. ' ■ vrolyk van geeft was, en alle drocfheit wift te overhcerfchen . Echter zyn 'er nu of 
dan eenige tekens van gi-amlchap in zyn wezen gemerkt , doch gering en die hy loflyk 
bedwong. Zie Senec. de Ira lib. III. cap. ^'i^- & Plutarch. de non irafcendo. 



[B] Wiens leerling hy geweeft is, naer 't zeggen van fommigen, gelyk Laëitius 

(3) Lib.Il.acntekent (3). iElianus zeit (4) , dat hy zoo afkeerigh is geweeft van 't lachen, dat 
§.19 men zelfs noit een grimlachje van hem gezien heeft. Macr dat Arifiofines zoo vreemt 

(4) Var. yan 't lachen zoude geweeft zyn, is by ons ten eenemacl ongehoort. Miflc 
Hift.Lib. j^ fcliryver Arifioxemts , van wien iÉlianus (5) insgelyks getuigt, dat hy e 
(r\ TK^j afkeer heeft jiehad van 't lachen. 



een crooten 



(6)Sat. 10. [C] Juvcnalis fcherft met beide aerdigh (6) 

V. ig 



Dat is : 



Jamne igimr laudas , quod de fapientibus altcf 
Ridebat, quoties de limine moverat unum 
Protuleratque pedem , flebat contrarius aker ? 
Sed ficilis rigidi cuivis cenfun cachinni : 
Mirandum eft, unde ille oculis flifiècerit humor. 

Wel pryfi gy datl nu niet , dat van twte Myzen een 

Tot lachen zich begaf, zoo dik^vyls hy een been 

Zette uit het huis , en dat weer d' ander daerentegeri 

Gedurighlyk^bedrotft tot fchreien was genegen ? 

JDogh elkeen k^n 't gedragh eens anders licht als zot 

TJitkryten , dryvende met al zyn doen den fpot . 

Maer 't is verwond' rens waert n-eii>is , vanwaer toch d'oo^efi 

Zoo ein genoegzaem vocht fieets hebben opgezoogen. 



A C H T B A E il H E I T. ii 

melden, hoc dezelve in 't gaen en verkeeren met andere luiden moet onder- 
houden worden. ' Om 't welke vooraf eenigszins aen te duiden, hebben 
\vy onzen Jongeling een broos en een fok aen de voeten getogen. Want 
fchoon Herkulcs, by Ariftofanes (i), Bacchus belacht, omdat hy een „is ^J^^-^ ^' 
knots en leeusvel, met broozen aen de beenen droeg, als dingen die nietje, i. v. 8 
al te wel fmienpaften, firekkende de leeuwehuit een zinnebeelt derdap- 
perheit, en de broozen naer zyne meening een teken van verwyftheit [D] ; 
waerom hy dan Bacchus vraegt, '■ji-at doen de broozen by de knots? Ik moet 
lachen r.ls ik de leetrji-ehmt over zme fchoone kleders zie . f Fat magh hem over- 
gaen? 1 Fat doen de broozen by de knots f Maer de Cothnrnus of laers paft 
Bacchus zeer wel, dien men niet voor zacht of weekhartigh [E] behoort 
te achten : want deze laerzcn of broozen werden van de Helden gedra-» 
gen, naer Izidorus zeggen (^2}, dat wy hierna wat breder zullen uitbrei- 
den . Hieruit komt het [F] dat men ze in het vertoonen van trcurfpelen [l'^ L^bf*' 
plagt te gebruiken, daer groote perfonaedjen ,als Helden en Koningen enz. 19- cap. 
tevoorfchyn komen . Om deze reden ook, hebben de poëten geacht dat ze" ^' 
den Helden voegden. Plutarchus verhaelt in zyn Gaftmael, dat de broo- 
zen van de Hebreeufche priefters gedragen wierden. T^en eerjlen^ zeit hy^ 
toont de Hoogepnejier dit, komende op de feejidagen met eenen myter in getreden, 
hebbende een jong hartevel , dat met gout bezet is , aengetrokken , en dragende 
voorts eenen rok, die tot de enkels toe hangt, en ook broozen. Daer hangen 
veele bellen aen 't kleet, die m 't wandelen gelmt geven , gelyk by ons. Door 
de gelykheit dezer kledinge, wil Plutarchus, alsook Tacitus [GJ, hoe- 
wel beide ten hoogften mifleidt, bewyzen, dat de Hoogepriefter ook een 
priefter van Bacchus was, omdat deze kleeding in die tyden van de Hel- 
: den en priefters, met groote achtbaerheit gedragen wiert. Bacchus dan, 
die by de poëten gehouden wert voor het beek van eenen godlyken geeft, 
en een voorzitter in 't gezelfchap der Zanggodinnen [H] , dien men ook 
den allereerften triomf [I] toefchreef , mogt veiligh de knots, leeuwe- 
huit, en Heldifche laerzen dragen . Met de zelve wert hy ook in de dich- 

C 2 tert 

[D] Namcntlyk, omdat de broozen niet allecnlyk van helden gedragen wierden , 
frclyk onze ichry\cr terftont zal acntoricn, macr ook' van vrouwen: gclvk zal blykcn ' 
yit de plaets, dic wy een wcinigh hierna zuUcn bybrcngen uit Juvcnalis . 

[E] Als welke gewecft is een der allergrootfte helden der oude tyden, hebbende ge- 
heel Indic ondcrgebragt , en Egipte , Svrie , Frygie en 't gehsclc ooften met zyn 
ovenvinncnt heir dooitrokken . Zie Ovid. Met. Lib. IV. v. 20. 8c F.tfior. Lib. ÏII. 
v. 46)-. Tacit. Hifl. Lib. V. cap. 5". en Natalu Comes Lib. V. cap. 13. p. 481 en 481. 
Valer. Max. Lib. III. cap. 6. ex 6. 

[F] Liever uit een andere oorzack, kort hierria te melden in de Acnmerldng T. 

[G] Tacitns zelfs is van dat gevoelen niet, maer zegt, dat fbmmigcn zulks gemeent 
hebben: ook niet om die reden, die hier uit Plutaixhus worden bygebragtj nxaer, 
7eit hy , omdat der z.elver Priefters op een fluit [peelden en op trommels floegen , en met 
feil ipch'anft ti-ierden , en omdat 'er een gouden wjnfioi^in der z.elver tempel is gevonden . 
Hy volgt echter dit gevoelen niet, maer fprcekt het tegen. Z,ie hem, tJift. Lib. V. 
cap. 5. 

[H] Omdat nnmentlyk Bacchus de zelve Godt is als Apollo, gelyk Makrobius aen- 
toont, Satimu Lib. I. cap. 18. Waerom de berg Parnafliis niet allcenlyk heiligh 
was aen Apollo, maer ook aen Bacchus, aen wien om het ander jaa-, gelyk de zelve 
Malvrobius acntckent, offcrhande op dien berg gedaen wert< 

_ [I] Gelyk ook den allereerften koningklvkcn Tulbant. Diohyf. de ptu orbis.v.^t^- 
& Demfteri Paraltp. ad C. 29. Lib. 10. ^Ani Rnm. Rofmi. 



12 ACHTBAERHEIT. 

fi)Georg. ten en aeloude bcelthouwery A^ertocnt. Virgyl nodigt (i) dezen godc 
iib. II. j-j^j j-Qf j^j^ wynoogft, en zegt dat hy zyne broozen zal uittrekken, en 
^" ^" de naekte beenen in den moft doopen . Over welk zeggen Probus aen- 
merkt, dat de Cothnrnen zeker flach van kersjes waren, by de jagers in ge- 
bruik , die met de zelve hunne beenen dekten en veriterktcn , Vv^aervan 
men de gedaente in. de beelden van Bacchus en Diana zien kan . Wy bren- 
gen de woorden van Maro en zynen ouden uitlegger Probus hier niet by, 
ten opzigt alsof Bacchus niet met broozen afgcmaelt wiert, macr om te 
doen verftaen, dat de cothnrnns een foort van laerzen was, en rontom de 
beenen floot, tot hovende kuiten toe. Want veele Schryvers, van on- 
zen tyt, meenen, dat de cothnrnns , die van de Helden, Prinlen en andere 
Grootcn, in de treurfpelen gedragen wert, hoog was, gelyk de hooge pa- 
tynen [L], naer 't gebruik van Kome, Spanje, Venetië, Napels, of an- 
dere plaetfen, inzonderheit van Italië, gelyk C. Stefanus zeit, daer hy 
melt dat Virgilius de zelve den bynaem van purper [M] gegeven heeft . 
Maer dat ze hoog zouden zyn, daerin mift deze Schryver. Virgilius 
fpreekt ook van purpere broozen , en niet van purper rode kuiten [N] : 
en dat dit waer zy , blykt daer hy van een kamiozyne cotJjtrnms [O] 
(i)Eci. 7 fpj-eekt (2} jwezende een verfdie Diana en alle vrouwen aengenaem is [P], 
^'^^' en 

[K] Met deze woorden : 

Huc Pater o Lenase veni : nudutaquc mufto 
Tinge novo mecum direptis criua cothumis . 

Dat is , naer Vondels vertaling : 

O vader Liber , koom nu heru-aert , rjk. "^^^ lover . 
Trek^ hier uw brooz.en uit , en verf en ba met my 
Het bloote been in mofi en nieuwe lekh^erny. 

\\S\ Van deze zal een weinigh hierna geiprokcn worden in aenmcrking Y. 
(,)^udd. [M] In deze vaerzen (3) : 

Lib. I. ^. . . .. 

T. 540. Vu^irubiis Tynis mos eft geftare pharctram, 



Dat is : 



Purpureoque alte Hiras vincire cothurno . 

T)e maegt van Tyrus jaegt met kokers , dits naer buiten , 
En bint de purfre broos hoog op tot om de kuiten . 



[N Namcntlyk Stefimus fchynt gcmccnt te hebben , dat 'er in de zoo even acngc- 
haeldc woorden van VirgiHus is een woordii'ijfeling , by de Rcdcnkundigcn bekent met 
den naem van Hypallage , en dat dacrdoor het woort purpre moft afgenomen worden van 
broos , en gcvocgt by kuiten, en 't woort hoog by broos -^ in welk laetfte onze fehry\"er 
hem zoo aenftonts ook zal tcgcnfprcken . 

[O] De woorden van Vi:-giHus zyn deeze : 



Dat is : 



Levi de marmore tora 
Pimiceo ftabis lüi-as evinfta cothurno. 

Dan zaI ik^u een heelt van gladden marmerfleen 
Oprechten levens groote , en doen aen ieder been 
Een karmoz.yne broos, gebonden om de kuiten^ 

(4) Diog. [P] Omdat het root een koleur is van fchacmte en ccrbaerheit, die de vrouwen cu 
Lacrt. Lib. macgden , als Diana was, wonder wel voegt . Diogenes (4) , of gelyk anderen zeggen , 
Msf'b*-^ Thcofralhis Erefius (y), noemde de rode koleur een kpleur der deugt : als hy een jon- 
Serra° i^öig^^ling ziende, die uit fchaemte root werd, tegen den zelyenzeide; hek met, myn 
z.oon , dat is de kolettr der deuqt . 



A C H T B y\ E R H E I T. ï^ 

en nier Turntbus zeggen, zeer v/el pail in de treurfpclcn [Qj. Zulx dat 
de cotirmns niet hoog onder de veeren [K.] is, gelyk btefanus het 
woort qualyk verRaer, maer hoog tot over de kuiten. Dit iaetfte heeft 
ook Turnebus wel waergenomen, daer hy aenmerkt dat de Jagtgodin Dia- 
na met een beknopt klcet gaet, dat tot omtrent de Knien reikt. Waercm 
als Virgyl gezeit had (iJ), dat Venus haer kleet boven de 1-nien had inge- (i)iEneid; 
flag;cn, hield Eneas haer voor Diana, en vraegde of ze niet Febus zaltcr ^' ^" ''' 
was (2}. Omdat wyders haer kleet wat hoog hing, had ze hoogc broo- (1) Lib. L 
zenacn, opdat men haere bloote beenen niet zien zou [S]. Zie daer dan'" ^^*' 
een fchets dier laerzen, zoo hoog dat men de naekte beenen daermede dek- 
ken kon, hoewel Scaliger en anderen hier omtrent van een ander gevoelen 
zyn: daer nochtans de zelve, by Virgilius tyt, in de fchou-en renfpelen 
dikwyls gebruikt zynde, hem zekerlyk wel bekent waren. "Waren ook 
deze laerzen onder de voeten hoog geweeft [T] , zy zouden Diana en de 
jagers gehindert hebben, in het vervolgen van 't wilt, op fteilten, heuvels 
/. Veel. D en 

[Q_^ Omdat het karmoz.)/» en purper zyn hcerlvke en kofliclvkc koleuren : en in de 
Trcuripckn v.'ordcn vcitoont V^orikn en Koningen, die blinken van alles wat koltc- 
Ivk en hecrlyk is. 

[R"] Het tegendeel zal tcrftont blyken in de aenmcrking T. 

[SI Ook , opdat ze hacre beenen acn doornen en andere michte in 't velt niet mog- 
te beledigen : waertcgen ze de jaojers wel voornamentlvk dienden : gclyk de zeer ge- 
leerde Ezcchiël Spanheim uit Galcnus acntekcnt in zyne noit genoeg gepreze aenmcr- 
kinffen over Kallimachus (5). 

[T] Onze fchryver doet hier veel moeite, om te bewvzcn , dat de cothnrm alleen- '5 ) Hyirtj 
lyk hoog z\'n geWeeft om de beenen , en ook niet onder de Aoeten : en voor zoo verre '" '*'"* 
de jagers belangt, is het waer, en gaet de reden door, die hy hier geeft, namentlyk, j'^^, ' 
dat zy de jagers anders zouden gehindert hebben . Macr wat aengaet andere Cothurnt, 
en voornamentlyk die men in de Treurfpelcn gebruikte, daerin heeft hy groot onge- 
lyk. Wy zullen cei-ft aentoonen, dat 'er ook cothurni gewccft zvn, die onder de voe- 
ten hoog waren, en dacrna, waerom ze zoo moften zyn in de T^reurfpclen. Juvena- 
lis in zyn zesde fchimpdicht, waerin hy zich al te onbaiTnhaitigli toont tegen de vro«- 
welyke fèxe, fprekende van de pronk en hovaerdv der Roomlche joffers, zeit, dat ze 
om lang te fchvnen, tu'ee liften hebben, namentlyk, dat ze het hair in verfchcide 
fyen bokkcis boven malkandercn leggen , en zeer hoogc fchoenen acntrekken : en dit 
Iaetfte verw) t hy haer aldus : vs. 50). 

Brcviorque videtur 
Virgine Pygmxa, nuUis adjuta cothurnis. 
Et levis ciecta conflirgit ad ofcula plantii . 
Dat is : 

Zj fchynt nogh korter du erg dan een Pjgmeefche macgt^ 
Ten z.y z.e zJch door hulp van brooz.en onderfehraegt . 
En Z.00 z.e kyjfen moet, z.y redt z.ich wonder aerdigh. 
Zich op haer toonen vlug oplichtende en z.cer vaerdigh. 

Zeker indien ze nvogh korter was dan een der Pigmccn, waer\-an Juvcnalis (4) zelfs g"-''*' at. ij. 
tuigt dat ze met hooger z.yn dan een voet, zoo moft Zy al veel rj'en kmllcn op haer voor- (5)Ovid. 
hooft boven malkandcren weten te ftapclen, en zeer hoge fchoenen acntrekken, eer ze Art. Am, 
zoo lang kondcfchynen als Andromachc ('t geen Ju venaüs evenwel zeit dat ze hier door tc^'b. II. v.' 
weeg brengt) dewyl Andromachc zeer lang was volgens 't geuiigcnis der Poëten (5)-uh'm. 
Van zulke vrouwen getuigt Scaliger (6), dat zyn Vader aerdigh gezegt hadde: dat de,., ^^y^' 
mannen haer op het bed macr half genoten: omdat zy de andere helft uittrokken met(É) De Pj- 

. haere fchoenen. Maer ook Plinius (7), fchrvvende aen zyn vrient Romanus, en hem et. 1. 13. 

. de gclcgenheit meldende van twee lanthuizen'die hy hadde, waciTnn liet eene op een'^J ^'j^- 

rots, ^ ' 



H 



A C H T B A E R lï E I T- 



en klippige plaetfen. Waervan de Schryver breet en wydloopigh han- 
delt, toonende klaerlyk het onderfcheit der broozen en fokken [V] aen. 

Om nu te komen tot de betekenis van ons beek: het draegtaen 't rechter 
been een ftatige broosj 'twelk beduit, dat een magtigh, edel en ryk man 
zyne achtbaerheit moet bewaren met een deftigh kleet , dat zynen ftaet 
paft. Aen 't flinker been is een flechte fok, om aen te wyzen, dat een man 
van kleine magt en middelen, nedrigh moet gaen, niet als een prins of edel- 
man, maer dat ieder aengaende zyn klederen ook moet acht nemen op 't 
geene zyncn ftaet en jaren voegt, altyt vliedende 't geen de maet te buiten 
gaet, zoo wel belangende de flordigheit, als het overdadigh verfieren 
[W] des hchaems. Kato van Utika ging in 't eerft den ftaet van een 
Koomfch raetsheer te buiten, vermits hy zyn hoog ampt als vergetende, te 
flordigh by zyne vrienden quam, bloots voets en met een enkel kleet, dat 
wel flecht met een koort toegegordt was, naer 't verhael van Sabellikus. 

Pe- 

rots, en 't andere op de vlakte lag, voegt 'er aerdigh by : itaojHe Ulam Tragoediam, 

hanc appelUre Comoediam foleo i Ulam, quad quafi cothurnis ; hanc , quod qua/l foccitlis 

fujlinetur ■■ dat is , daerom pleeg ik^ het eene lanthuis Treurfpel , het andere , Blyfpcl te 

noemen : het eerfie , omdat het even als op brooz.en ,■ en 't laetfic , omdat het even als op 

fokl<en jlaet . Het blykt dan genoeg , dat de brooz.en in de Trcurfpelen ook hoog ouder 

[i) Oyid. den voet waren: hoedanigh ze ook moften wezen, opdat de acteurs de laagte der aelou- 

Amor.Lib. ^j^^. Helden en Koningen te beter mogtcn kunnen veitooncn : want die worden van de 

II. El. 4. pQgj.£jj (j) verdicht veel langer geweeft te zyn, dan de menlchcn van latere tyden. 

(1) Juven. 

Sat. 15. Nam genus hoc vivo jam decrefccbat Homero : 

^'ifc' "'T Terra malos homines nunc educat atque pufiUos. (i) 



vid.ürang 



Dat is : 



M'ant dit gejlacht begon reets by Homerus leven 
Te krimpen , niet meer in z,yu ouden ftaet gebleven . 
De ii/erelt brengt nn booz.e en kleine menfchen voort. 

Het is dan klaer, dat de broozen, in de Treurfpelen gebruikt, ook hoog zyn gcweefi: 
onder den voet , verfchillende daerin van de broozen der jagers , die zoo niet konden 
zyn , omdat zy daerdoor in hunne Ihelheit zouden zyn verhindert geweeft j maer beide 
quamen ze daer in overeen , dat ze hoog om de beenen kwamen tot over de kuiten , 
V n E ^5^ wordende van achter toegereegen met een riem. En daer de gemeene fchoenen 
tymól & maer paften elk tot cencn voet , zonder te kunnen worden omgetrokken , (4) gelvk nu, 
Inft. Orat. ZOO paften de broozen tot beide de voeten : waerom aen Theramenes by de Grieken de 
Lib. IV. toenaem van cothtimus oi broos wiert gegeven, omdat hy zich in de Regeering wift te 
c II. §. 7. ft;l-iil<^l^en naer beide de piutycn, houdende het dan met deerne, dan met de andere. Zie 
^y„"'^^^"'£?vi/»z. Chil. I. Cent. i. Ad. p^. & in Append . Voorts wcrt de broos zoo wel ge- 
& Plm.N. draden van vrouwen als van miuinen; gelyk uit het vorige genoeg gebleken is. 
H. Lib. II. [V] Spcci waren een Hach van Ichoencn , of liever muilen , vlak en laeg, die de 
P- 7 vrouwen te Rome gebruikten , en wel meeft in huis : hchtekoijcn quamen 'er ook 
mede op ftract: voor mannen was het fchande die te dragen. By de Giucken integen- 
deel di-oegen de mannen Soeci, zelfs op ftract. En dacrvan was het, dat in de Bly- 
fpelen te Rome ook Socci gebraikt wierden : nademael de mcefte Blyfpelen der Romei- 
nen uit die der Grieken waren overgezet of daer van ontleent. 

[W] 't Is beide quaet : en daerom is de les van Hieronymus (j) zeer goet ; Fefles 

(5) Epift. pullas Aciue devita ac candidas : ornatus & [ordes pari modo fugienda funt , cjuia alte- 

ad Nepot. ^^^^ deltciis , alterttm gloria redolct. Dat is : Vliet z.00 %i'el de z/ivarte klederen als de 

Ti'itte : pronkt en flordigheit moet men opgelyke wyz.e fchuwen , omdat het eene ruikt naer wel- 

^(,^ f^^-£)g.lufi en't andere naer roemz.uchtigheit. En van Izokrates (6): z.yt omtrent uwe kleding net , 

mon. maer niet pronkachtigh : Want d^ netheit geeft een deftigheit ; doch de pronkachtigheit heeft 

(7) L^. l.iti z.ich een overdadigheit. En van Cicero (j) : in veftitu, ficm in plerifque rebus me- 

^ • diocritas optima eft: dat is, in de kledinge is, gelyk^in de meefie andere zaken, de mid- 

delmaet beft. Zie de aentekcningen der geleerden o^'cr die plaets. 



ca 



A C H T B A E R H E I 'T. ij* 

Pediiniis cli Plurarchus zeggen , dat hy op de markt ging wandelen in 
eenboerengewaedt, en ook dus wel, zonder ecnighopperklect [X] in den 
rechterftoei zat. De veltheer Sylla wert ook berifpt, naerdien hy met 
weinigh achtbacrheit door Napels wandelde , met eenen mantel en op pa- 
tynen [Y]. Tot het andere uiterfte vervielen Kaligula, NeroenHelio- 
gabalus. Deze keizers quamen te voorfchyn met bonte (i) en geblocm- .j, jy^_,,j^ 
de klederen, paflende beter een dartele hoer, dan een doorluchtigh kei-Cai. ^i. & 
zer; en de twee lactilen (2) droegen nimmer een zelve kleet meer dan [/"^'i'""*- 
eenmael . Pompejus de groote flaet ook by Cicero en Attikus voor dartel c. ^5. & ts 
enydel te boek, omdat hy lange witte koufebanden (3} droeg [Z], en |^^^^'^"""- 
een bcmaelt [A] kleet (4}, dat zoo eenen opperveltheer weinigh betaem- (3) Ad At- 

D 2 dei"=-L'b-"' 

' i-p. i 

U) Ad Ar- 

[X] Valcrius Maximus (f) zegt, zonder kamizool met ccn oppei-kleet alleen. yJ-/. tic Lib. i. 
atttem Cato Pretor, M. Scauri , c&terorumcjHe reorum judicia }mlla indut us tunica , /^^ x'i'u'tti 
tafttummodo prxtexta (imiElus egit : dat is, VllWKeer Afarkus Kato cpperfchout was, ^■'fff''c.6.ex6 
hy 't (Tericht over Aiarkus Scanrus en anders aengekjaegden nvaergenomen z.onder eenigh 
i^mtz.ool aen te hebben , hebbende alleenlyk^ den Raedshecrs-rok^ aengefchoten. 

[Y"| Nacr 't vcrhael vxn Valcrius Maximus Lib. III. c. 6. ex. 7,. De zelve dragt 
woit Publius Scipio, die Hannibal overwonnen heeft, door vcrfcheide Raetshecrcn 
te Rome ook tot groote fchande tocgcrckent, by Livius Lib. XXIX. c. 19. (6) ^g. „jj ^ 
Dcszclfs Broeder Lucius Scipio, de overwinnaer van Koning Antiochus, is om de zcl- yal. Max. 
ve zaek ook gclackt, als men zien kan uit Cicer. pro Rabir. c II. en Val Max. L. L. Lib. III. 
ex. 5. gclyk ook die beruchte Madvus Antonius, by -Appi.inus Civil Lib. V. & Cicer.^-^- « * 
Thil. 2, f. 30. en Plutarh. in Am. Cicero (7) vcrontfchuldigt die dracht eenigszins ^l^^° 
in Sylla en in Lucius Scipio, en Valerius Maximus (8) ook in Publius Scipio.- macr^g) l.'l. 
de zelve Cicero bcfchuldigt ze fcherpclyk in Antonius (9) , in Klodius (10), en in V^er- (9) rlul.i, 
res(ii). Zie A.GelUus L. XIII. c. ii. Wm nu óc patynen belangt, dezelvewai-eneenc- 5°- 
zeker flach van muilen, bedekkende allccnlyk onder het platte van den vT)et, en boven 11°' ?^ 
met riemen wordende vail: gebonden. By de Romeinen werden ze gedragen alleen- g^*^" ^j 
lyk van de vrouwen: doch niet van de mannen, ten zy met ichande. Een mantel en (iijiuVcr. 
patynen te gclyk , was de dragt der Grieken : maer de Romeinen liadden in de plaets Lib. v. 
van den 7Kantel een toga oï langen rol^, en in de plaets van de />rtif;;;f« droegen zcfchoenen.'^- 55- 
De patynen noemden ze in 't Latyn folcx , en met een Grieks woort crepida : en ze wa- 
ren wacrfchynelyk de zelve als de Gallicic , of altoos niet veel daei"van verlchillende. Zie 
üell. L. L.' 

[Z] De oude Romeinen droegen geen koufcn , en gevolglyk ook geen koufeban- 
den: doch, indien hen iets fcheelde, bewonden ze hunne bcenen met linten of zwag- 
fels. Pompejus nu haddc op dezen tyt een zweer aen zyn eene been : waerom hyook 
ccn zwaat'.l om hetzelve had gcdacn: welke hy, zyn been genezen zynde , ook weder- 
om heeft afgclcgt. Het kon hem derhalvcn niet ten quadc geduit worden , dat hy een 
zwagtcl om zyn been droeg, maer men deed zulks, orndat de zelve juift witwas. Waer- 
uit dan ook zync tegcnpartyders gelegcnheit namen om hem te laftercn, en te befehul- 
'digen, dat hy zich tot Koning zogt op te werpen , zeggende, óvX het even veel ivas , 
of men den koningkiyk^n tulbant aen het been , dan of men ze om het hoeft droeg ( 12) . Want ( ' 1) Vil- 
de tulbant was niets anders dan een witte doek of zwactcl , om het hooft ce wonden. Zie^*'"'' ■' 
den uitmuntenden Pauhts Alanutins in Comment. ad Cicer. Lib. II. ad Attic, Ep. 5. en 
vooral de aenmerkingcn van den doorgeleerden Ifattf^ Kafitib. over Snet. Aug. e. 28. 
[ A] Gclyk het evenvoorgaende te onrecht is verftaen van de koufebanden, in plaets 
van windels of zwagtels, alzoo wort hier ook door de toga piüa, verkeerdclyk verftaen 
een bemaelt kleet., in plaets van een geborduurt kleet , zynde een kleet, dat niet gedi-.i- 
gen wiert dan door een veltheer , tenvyl hy in triomf door Rome reedt. Aen groote 
mannen, welkers oorlogsdaden zeer heerlyk waren, wert fomtjts door den Ract en 't 
volk van Rome wel als tot een erkentenis tocgeftaen dien triomfrok en verdere 
n-iomflïcrlêls aen te trekken, waiïneer ze de publike fjielen' aenfchouwden : gelyk 
zulks tocgeftaen was aen Pompejus. Zie wederom Maspttius Comm. ad Cic. Lib. II. ad 
At tic. Ep. 18. Cicero rekent ook het dragen \an dit kleet aen Pompejus niet toe als 
daitelheit en ydelheit, maer hy befchuldigt hem, dat hy zich met die ydele eere verge- 
noegende , zich niet veel met den welftant van 't gemeenc beft- bemoeide. 



(i) DcHa- 



(i),Lacrt 
Lib. VI. 



ló A C H T B A E R H E i T. 

de ; waeroni 'er ook mede gefpot wort van Cicero, die P. Klodius meêbe- 
iiiipa\ci>.fcJiiiTipt (i), omdat hy, tegens de raetshcerlyke achtbaerheit, roodekou- 
cap. II {rn [B] droeg, 't geen men echter in een jongkman wel verdragen zou, 
naerdicn het den jongehngen geoorloft is, fchoone, hooge en fraeie ver- 
wcn te dragen . Evenwel moeten zy ook de palen der zedigheit niet over- 
treden, met zich te palieren en op te fmukken, gelyk de lichte vrouwen 
[C], neen: zy moeten gedenken dat ze van een veel edeler natuur zyn . 
Diogcnes, ziende eencn jongeling te zeer genegen tot verwyfde optojing, 
vraegde (2} ofhy zich niet fchaemde , door zotte opfmtikkery, kijker te ivillcn 
iz'orden dan hem de natuur gemaekt had. Gelyk nu deze ydelheit der klee- 
dinge llrafbaer is in jongelingen, veltoverften en prinfen, zoo verdient ze 
vooral misprezen en niet geleden te worden in filozoofcn en geleerden, die 

niet 

[W\ Rode z.witchtels, o^ linten óm de Reenen, liad hy moeten zeggen, om de reden 
200 even gemclt. Voorts befchuldigt Cicero hier niet zoo zeer de kouleur als wel het 
dragen van die zwachtels tegen de gewoonte der Romeinen, ten zy in onpaflclykheit ; 
gelyk gczcit is . 
, , j. [Cj Phxdra, een vroUw zelfs, zeit by Ovidius (3): 

Phxd.V. 

7f. Sint procul a nobis juvenes ut fcemina comtii 

Fine coli modico forma virilis amat . 
Dat is: 

Dat jongelingen , die zich als ten vroHti/ palleeren i 

( Zy z.yn by my veracht ) zich verre van my Veeren ', 
De fchoonheit van een man moet matigh zyn gejtert . 

Zie Cicero in 't 18 hooftftuk van 't eerfte boek zyner Plichten, en 't gene de Ge- 
leerden daer over hebben aengemerkt. Vele maken' zich door onmatigh oppronken de 
vrouwen gelyk : of overtrefièn ze. Diogenes verweet dit eens acrdigh aen een jongeling , 
die heel net gepallecrt tot hem komende, en hem naer een zekere zaek vragende, totaut- 
wooit kreeg, dat hy hem niet eerder zoude antwoorden, voor dat hy deszelfi kleetvan 
malkander gefchoven hebbende , zoude hebben gezien , of hy man of vrouw was (4) • 
(4) Diog. Zie daer een aerdigh gedicht op de zulke ; 

Lacrt. Lib. 

^^■^"**^' Cincinnatulus illc, cui undulati 

Propexique humeros gravant capilli , 

Qui terfa cute blsefulaque voce, 

Qui pxtis oculis, gmduque molli. 

Et piétis fimulat labris puellam , 

Heri, Pofthume, nuptias pai-abat: 

Quum nequifllmus omnium facerdos, 

Urbanus tamen 8c facetiis Hercle, 

Utra fponfus crat , rogare ccepit. 
Het welk aldus door iemant vertaelt is : 

Hoor Pofihttmus , 'l^ moet u wat klugtigs gaeH verhalen , 
Die gefrizeerde bol ^ iviens z^i'akk^ fchouderblaên 
Het glad-gekemde hair en krullen overlaèn , 
Die door een blinkent vel en lifpent tatualen , 
Die door geil oog-gelonk_en tribb'len langs dejlraet. 
En door gefchildert fchoon een oprecht meisje laets 
Die zelve nam korts voor een zoete meit te trouwen : 
Maer de gejlepen Paep zagh ze allebei voor vrouwen 
Of teere meisjes aen , en zei zoo flegtjes heen , 
^egt, dochters^ wie is dorh de Bruigom van u tween. 



I 



ACHTBAERHEIT. 17 

niet geklcet gaen gelyk hunne wysheit wel zou betiiemcn . De zotte pracht 
dan verwerpende, moet men zich ook wachten voorde flordigheit van Dio- 
o-enes Cinikus en Epaminondas, morfige filozoofen , die altyt een zelve 
kleet droegen [D]. Voeg hier Sokrates by, die bloots voets ging (i),Ui Xe- 
met een linnen kleet [E] ot'zak omwonden, wacrin hydikwylsopde(iract'jJ?J_|^'^ 
ofin (loepen en mcilhoopcn fliep, met weinigh eer of achtbaerheit. MenLih. i. 
moet wyders de achtbaerheit niet alleen in het kleden onderhouden , maer 
ook in de bewegingen, dienende daertoe zeer wel de vertoonde broos, om 
de deftighcit uit te drukken, een' afkeer hebbende van hun die eene al te 
groote en gemaekte llatighcit over zich hebben, die 't hooft in den wint 
fteken, dan uitgeftrekt, dan ingetrokken, of het zelve zoo onbeweeglyk 
houden, alsof het op een pael ftontj waerdoor men dan zonder achtbaer- 
heit heen gaet, en elk tot lachen verv/ekt. Ook moet de fok niet alleen 
een beek zyn van den gang der flechte en geringe luiden, als knechts en 
arbeiders, maer die behooren de fok en broozen al meé te gelyk te dragen, 
dat is hunne ftatigheit te regelen naer den gemeenen gang van bezadigde 
perfoonen . Horatius byt met zync fchimptandcn (2} eenen Tigellius Sar- j^) sit, 3 / 
dus , die geen maet in zynen tredt ramen kon [F] : dan ging hy eens voet Lib. i.v. 
voor voet, als een priefter van Juno [G] , dan rende hy zoo fnel of de '° 
vyanden hem op de hielen waren. 

De vrouwen voegt zeer wel een ftatige gang (H} en langfame tredt, om 

meer achtbaerheit te vertconen . Hierom hebben zy meer reden om paty- 

I. Veel. E nen 

[P'] Ej->aminondas dect zulks niet uit morfigheit, maer uit armoede, omdat hy geen 
gek h:\dde , om ccn tweede te kopen : waerom hy , als zyn kleet naer den voller wiert 
gezonden om gewaffchen te worden (want de ouden droegen meeft witte klederen) zoo 
lang bleef te huis zitten , totdat hy 't weder kreeg. Zie «y^liaK. Kar. Hifi. Ltb. V. c 5". 

[Ej Somtyts evenwel trok hy een fraei kleet," en Ichoenen aen, gclvk Dioge- 
res Laërtius (3) aentekcnt uit Plato (4). Diogenes Cinikus verwyt hem zelfs by E-(jj tib.ir; 
lianus (^), dat hy al te net was op zyn huisje, ruftbedde, en fchoenen: waerlchyne- §.18 
lyk te om-echt. Want hy was ann volgens 't getuigenis van den zelven Elianus" (6j U) I'I'Kvj 
ai Scneca f-; : hoewel Demenius Falereus by Plutarchus (8^ zullcs ontleent. Couvivu 

[F] Men moet zich tuachten, zeit Cicero (c)), dat wy nocbte een venvyfde tracgheit (j) Var. 
in oriz.en gang gel>ru:kc}: ., zoodat iij de beelden gelj/h^zyn die in plechtige fiaetjien wor-^^^- Lib. 
den omgedragen j nochte al te groote fnelheit aenwenden als jvy haefi hebben. Meer dier- '^""P*'* 
gelyke leflcn uit oude Schiy vei's , omtrent den gang, vint men in de acntekeningen j*,|j^^^ 
der Geleerden over deze placts van Cicero : daer ze kunnen worden nagezien . n. cap. 44 

[G] Niet alleen de Pricftcrs van Juno, maer ook van andere Goden en Godinnen, '''' ^P'^- 
gingen met een zeer langfamen en ftatigcn tret, als ze ccn omdragt deden , om aen- ]^^', . ■ 
zien en cerbict te verwekken . Maer ook Juno zelf woit boven andere een zeer ftatieu- (Hde. 
zen en deftigen tredt toegefchreven, als de Koningin der Goden: waen'anhetfpreekwoort {9) De 
by de Grieken H'^xTsv /SaSi'^siv, op zyn fttnoos treden^ dat is, langfiem en ftatieus. Zie OlEc. Lib. 
Ilambinus en ToiTcntius over deze nlaets van Horatius . ^' *^^P' ^^' 

/lo) Art. 

[H"] Hoor de les, die Nazo aen de vryfters geeft (10) : Am. Lib.' 

IlLr. 198 
Eft 6c in inceffii pars non temnenda decoris , 

Allicit ignotos ille, fugatque ^'iros. 
Hec movet arte latus , tunicÜque fluentibus am^as 

Excipit ; extenibs fertque fupa-ba pedes . 
Dia , velut conjux Umbri rubiamda mand , 
Ambulat, ingentes varica fertque gi-adus. 
Scd fit, ut in multis, modus hic quoque; niüicus alter 
Motus j in inceflii mollior alter ent , 

Dut 



i8 ACHTBAERHEIT. 

■ nen of hooge muilen te dragen, opdat ze niet te fnel gaen zouden : maer 
den mannen paft manlyk te gaen , en met grooter treden dan de vrouwen . 
M. TuUius, ziende j naer 't verhael van Petrarcha, zyne dochter Tullia, 
tegens de vroulyke achtbaerheit, al te ras gaen, en zynen zwager Pizo in 
tegendeel, tegens de mannelyk welvoegzaemheit, telangfaem, zeide, om 
hen beide te berifpen, in Pizoos byzyn, tot zyne dochter: Ga toch als een 
man. Willende te kennen geven, dat zy zachter behoorde te gaen, en 
Pizo fneller. 

Boven dit alles paflen de broos en fok zeer wel tot den welftant van een 
poèetfch fierfel : want de dichters hebben door geene andere dingen onder- 
fcheit van hunne poëzy gemaekt, dan door de broozen en fokken. De 
broozen werden, gelyk gezeit i«, tot de treurfpelen van Koningen, Prin- 
fen en andere groote perfonaedjen gebruikt, hoewel 'er dikwyls knechts, 
meefters, dienaersen flaven onder liepen. De vrolyke kamerfpelers ge- 
noegden zich met de fok, dewyl hunne dichtftof op flechte en geringe 
menfchen uitquam^ en naerdien zy met een laegen ftyl van gemeene dingen 
fpraken wert hun de fok, ten teken van een flechte fpreekmanier , toege- 
leit. Maer als het treurfpel van koningenen vorllen handelde, ftrektede 
broos een merk van hoog, volmaekt en deftigh fpreken. Zulx dat de broos 
en fok, zoo veel de kleding en 't fpreken belangt, dubbel voor een' po- 
ëetfchen welftant, en een kort begrip van alle fchoonheit in de dicktkunft 
kunnen gehouden worden ^ want de brave poëten onderhielden hunne ver- 
fiering, in wat zaek het ook wezen mogt. Ariftoteles berifpt, in zyne 
dichtkunft, Ulifles over het te zeer fchreien en kermen op de klip Scilla, 
want dat ftont hem als een wys en voorzichtigh manjuift zoo heel fraei niet. 
M. T. Cicero laekt (i) in Homerus [I], dat hy den goden menfchelyke 
Defr^Lfb- euvelen, als gekyf, gramfchap, twift, nydt en oneerbaere genegentheden 
II. c.fis. toefchryftj waerover hy trouwens van Empedokles en Xenofanes (i) ook 
Laèn.'ifb.isgelaftert: en 't is geen wonder, dat de Filozoof Heraklitus (3} geoor- 
IX. %. 18 deelt heeft, dat men Homerus behoorde uit de fchouplaetfen en van de to- 
LaëJÏ.'u'b. neelen te jagen , na hem eerft een goet deel vuiftllagen vereert te hebben [K], 
IX. s*. I alles 

Dat is : 

De ging behoort oo\ tot de fchoonheit van een vrouw , 

En is een deel daer van : der onbekende mannen 

Gedachten zal de gang of lol^n of verbannen . 

De een' draeit zich naer de k^nfl , en fchept in 't ruime kleet^ 

Als met een flattrend' zeil , den -wint op , en z.y treet 

Hovaerdigh en ver%vaent op 't voorfie van haer' teenen. 

Een and' re flapt te wyt , en fchryt met haer e beenen 

Te ver van een , gelyk^ een Vmbrifche boerin . 

Doch hierin zy ook^maet geraemt , zoo -wel als in 

Veele andre dingen meer. Het tribblen is lichtvaerdigh , 

Het fchryden boers. 

\y\ En ook in alle andere Poëten, de Nat. Deor. Lib. I. c. 16. 
(4) Diog. [K] Pythagoras oordeelde ook (4) , dat Homerus ftraf verdient hadde door zyne 
Laert. Lib. Poëzy. Hy maekte het volk wys, dat hy naer de onderaertfche geweftcn nedergedacit 
^ ' ^ ^'zynde, aldacr onder andere dingen hadde gezien, datHeziodus met ketens aen een kope- 
ren pilaer was vaft gemaekt, en op de tanden knerfte, en dat Homerus aen een boom 
hing en van een menigte flangen omringt was tot ftrafiè van 't gene zy van de Goden 
hadden verdicht . Meer andere , die Homerus Poëzy mifprezen hebben , worden op- 
getelt door den zeer vennaerdcn fo. Alb. Eabritim Bihüoth. Cvac. Ltb. II. eap. 7. §. 10. 
f. ^66 & Seqq. 



A C H T B A E R H E I T. ig 

alles alleen omdat hy de achtbaerheit niet had waergenomen [L] , daer hy 
anders een wonder is in vcrftanc en welfprckentheit. Myns oordeels heeft 
Sofokles de achtbaerheit ook niet genoeg betracht, in het treurfpel van A- 
jax, alwaerhy Teucer, den zoon van eene flavin, en baftertbroeder van 
AjaXjinvoerten met Menelaiislaetkyven^i^jZonder een igh ontzaghof vrees, (i) v.io^s 
of de mienfte eerbiedigheit voor dien Koning te toonen^ En fchoon het 
waer is , dat ^ Icnelaüs ei ndelyk zeide Qi^dat hetfchandelyk "ji^as met zulken ?e ( i) v . 1 1 17 
kyve?z, dk men met ge'X'elt kon temmen en ^t onderbrengen, hy ziüverde zich 
hierdoor nochtans van den fmaet niet dien hem de fcheldende Teucer aen- 
deed. Hier befpeurt men geen achtbaerheit, zelfs aen dezyde van Mene- 
laüs, want die gewaerdigt zich in eene lange kyvaedje te komen m^t Teu- 
cer een flecht foldaet en fchutter, en die, naer Homerus en Sofokles zeg- 
gen, ganfch geen magt had. Door Teucer ziet men de achtbaerheit ge- 
heel verfiiieten, naerdien hem de onbefchaemtheit vervoert om met dus 
eenen koning te twiften en in opgeblazenheit te kyven. Te meer doolt 
Sofokles [M] omtrent de achtbaerheit, als hy Teucer voor Agamemnon 
laet pochen (3} van zyne quanfuis edele geboorte , den Vorft verwyten-{3lY.ii«^ 

E 2 de 

[L] Hoe de achtbaerheit in de Dichtkunft wort waergenomen , leert ons Cicero (4) : (4) De 
T)an , x.egt men , ( dit zyn zyne woorden ) dat de Po'éten de achtbaerheit wel in acht ne- Offic. LibJ 
meti , wanneer dat gene^ het welk^een iegelyk^perfoon voegt t wort gedaen engezegt: ge-'^'^^" ■ 
lyk als, indien Eak^fs of Minos z.eiden, LATEN ZT MT HATEN, ALS ZT 
MT MAER VREZEN, of, IK DE VADER STREKKE MTNE 
KIND EREN ZELF TOT EEN GRAF s z.00 z.oude de achtbaerheit verzuimt 
z.yn : omdat men van Eaktts en Minos z.eit , dat ze rechtvaerdigh zyn geweefi . Maer 
uvanneer Atrens het zelfde zeit , dan kjappen de aenfchouwers in de handen : want de 
ivoor den voegen den perfoon . En met hoe veel opmerkinge een Poëet moa aengedaen 
Zyn omtrenFdeze achtbaerheit, toont Horatius wytlopigh aen in zyne dichtliunft: dasf 
hy onder andere dingen ook zeit (5) . (jj y. „i 

Si dicentis crunt fortimis abfona dióta 
Romani tollent equites peditelque cachinnum ^ 
Intererit multum, davufne loquatur, an herusj 
Maturulne fênex, an adhuc florente juventa 
Fervidus ; an matrona potens , an fêdula nutrix ; 
Mercatorne vagus , cultorne virentis agelli ; 
Colchus, an Aflyriusj Thebis nutritus, an Argis. 

Het welk A. Pels op latere tyden aldus toepafl (6) : /g. ^ 

Maekt dan een Dichter , dat zyn fpeeler anders fpreeht , 
Dan zftlk^een , in wiens fiaetj en k,lederen hy fleekt i 
't Ruim , galeryen , bal^, en hnisjens zftllenfchat'ren 
Van lachen , om ztdk^ mal^ en btiitenfpoorigh fnat'ren . 
Veel zal het fchelen , of een meefler fpreekt, of^echti 
Of ook^ een fiaetigh man , die weet , het geen hy zegt , 
Of dartel jong' ling i een vorfiin, of minnemoeder i 
Een fnedigh koopman, of onnozel fchapenhoeder i 
EenSpanjer, of een Pool ^ een Fransman, of een Dee»} 

[M] De reden, die de Schryver hier bybrengt, waerom hy oordeelt, dat Sofoldes 
óe achtbaerheit in het treufpcl van Ajax niet wel heeft waergenomen , komen my niet 
krachtigh genoeg voor, om in zyn gevoelen over tegaen: oorddendc iu tegendeel, dat 

Sofb» 



20 ACHTBAERHEIT. 

(i)v.'ijsde dat hy van eenen godloozen (1} vader en echtfchendige moeder is 
voortgekomen -, voegende dacr nogh dreigementen en andere onheufchc ma- 
nieren van doen by -, het welk indien Agamcmnon naer de achtbaerheit had 
gewaerdeert, hy had hem met reden mogen doen ophangen. 

Gelyk nu een verftandigh Poëet de perfonaedjen van zyne fpelen of dich- 
ten behoorlyke manieren zoekt toe te paffen , die niet buiten de achtbaer- 
heit gaen, zoo behoort ook ieder msnfch wel in acht te nemen, wathy fchul- 
dlgh is te doen, om in zyne handeUngen van den lafter bevryt teblyA^en, 
dien zulke dichters niet ontgacn kunnen, welke perfoonen tot voorbeelden 

van 

Sofoklcs de achtbaerheit, zoo als ze in een goetPoëetvcreifchtwoit, zeer wel heeft gade 
gcflagen. Wy zullen de reden , tegen Sofokles bygebracht , trachten te wederleggen , en 'u 
ons voor ccn eere rekenen, indien wy zoo een trenelyk Poëet van den opgeleiden niisllagh 
kunnen bcvrydcn . Om zyn zeggen te bcwyzen llelt onze fchry ver Teuccr in fiitfoen zeer 
verre beneden Menclaüs , hem noemende een Hecht Ibldaet , enfchutter, cenballaeit, den 
zoon van een llavm , en klein van vermogen , Maer indien hy de zaek wel hadde 
overwogen , zoude hy gezien hebben , hoe qualyk hy redeneert . 't Is waer Teuccr 
was ccn ballaert, maer echter cenKcnings zoon : en onze fchi-yver hadde behooren te 
weetcn , dat de balbicits of natuurlykc zoonen (gelyk men nu fpreekt) in die tyden 
niet minder wierden gcaclit, dan wettige en echte, volgens de aentckeningen van Di- 
(1) lliacl dymns en Euftathius over Homcrus (z). Daer by komt, dat zyn moeder Hdïonc, 
Lib. VIII. hocAvel eeneflavin, echta' niet min doorluchtigh was als zyn vader : zynde de dochter 
V. 284 van den Trojaenfchen Koning Laomedon, en de zufter vanPriamus, 'door Herkules in 
de cailre verovering van Troje gevangen , en aen Telamon , Teucers vader , gefchon- 
(5)Didym. ken (3) tot een belooning voor zyne dapperheit en dicnftcn, in die beleegering be- 
ibid. & toont: zoo dat zy wel een flavin was door 't recht des oorlogs, maer niet vangcboor- 
Ovid^Met. iQ_ Voorts was Teucer niet alleen geen flecht Ibldaet, maer een man van acnzicn en 
^|^_' ^' een dapper helt, zeer ervaren in het fchieten met den boog, wetende echter in tyts ge- 
(4) lliad. legenheit ook wel om te fpringen met ichilt en fpies C4), en hebbende moets genoeg 
lib. XV. om Heftor zelf aen te taften, gelyk Homenis hem befcliryft (5-) , by wien hem Aga- 
T. 478. & memnon zelf aenfpreekt met de nam van ForJ} der volgeren (6) ; als gebiedende zoowel 
r Ml A °^^^' ■^y"^ Salammiers, hoewel onder zyn ouder broeder Ajax , zoo lang deze leefde, 
Lib. vii'l. ^Is Menelaus over zyne Spartanen: zoo dat de perfoon van Teucer juiftniette gering 
V. x66 & was voor Menelaus om "er zich mede gelyk te ftellen. Voeg daer by, dathetongclyk 
Seqq. & acu Menelaus zyde was, een geheel onredelykc zaek aen Teuccr gebiedende, d^ie hy 
• ■^^; wel wift, dat van niemant kondc worden voor goet eekeuit : waerom hy ook al wat 
sèqq! omzichtiger omtrent Teuccr in deze zaek moft te werk gacn , dan in andere gelegen- 
(c) liiad. heden. Wat de macht van Teucer aengaet, Ajax was met twaelf fchepen (7) geko- 
lib. 8.V. men voor Troje, hoedanigh een getal ook Ulyflcs (8J hadde, en die moften nu na 
fVu- A ^^ '^^°^ ^'^^ ^^^^ ^-icn onder Teucer: welke ik niet weet dat van Homerus of Sofo- 
Lib i\' ■'^^^^ ergens uitdrukkelyk gezcgt wort ganfch geen macht gehad te hebben; hoewel twaelf 
,557. " ' fchepen niet veel waren onder duizent : doch dit doet niet zeer tot de zaek. Wat nu 
(8) iliad. aengaet het gedrach van Teucer zoo omtrent Menelaus als Agamcmnon, daerin heeft 
Lib. 2. vc Sofokles onzes bedunkens den phcht van een goet Dichter ook zeer wel m acht genomen. 
Teucer, bedroeft over de doot van zyn broeder Ajax, die zich zelfs uit fpyt en wanhoop 
had om hals gebracht, fchrccf by zich zelfs de oorzaek daer\'an voornamentlyk toe aen 
Agamcmnon en Menelaus. Terwyl hy by 't dode lyk ftaet en klaegt, komt Mene- 
laus en vcrbict hem met een groote bittcrheit dat lyk te begraven , willende dat het ten 
proi voor de vogelen zoude worden weggeworpen . Teucer raekt daerover met hem 
in hardcj woorden, en blyft Menelaus niet fchuldigh . Deze weggegaen zynde, komt 
Agamcmnon tcrftont, en fpreekt noch raim zoo bits als Menelaus gedaan hadde: \vaer 
over Teucer, wiens bloct nocli aen 't zieden was, en niet buiten reden, op nieuw in 
sramfchap geraekt zynde, Agamcmnon niet een hair zachter bejegent, als hy Menelaus 
bejegent hadde . Of nu Solokles een vergramden helt , en die zoo mcrkelyk veronge- 
lykt wert, invoerende, hem wel heeft op het toneel gebragt ^ oordeele de Lezer uit 
de volgende les van Horatius in zyne Dichtkunft (9) , 



616. 



vers. loS 



Triftia 



A C H T B A E R H E I T. it 

van onze bedryven invoeren, die de bctaemlykezcdcn en eer en achtbaer- 
heit ontbeeren. 

Trülia moeftum 
Vultiim verba decent, iratiim plena minararn. 

Dat is, naer de vertaling van A. Pels: ^ 

Een treurig ■weez.en pafi een droeve wys van [preken ; 
Keel dreigementen , die verbolgen z.ich wil wreeken. 

En wat verder : 

Aut fartiam Icquere, aut fibi convenicntia finge, '. 
Scriptor . honoratum fi forte rcponis Achillcm ; 
Impiger, iracundus, incxorabilis , acer, 
Jura neget fibi aata , nihil non airogct anxiis. 

Het welk door den zelven A. Pels , dus is overgezet : 

Daer by is 't nodigh , dat een JPichter volge , 't geen 
Aen ieder is bekent van Helden , in gefchichten 
Befaemt , en alles dat hy daer wil by verdichten , 
He/ overeenflemm' met de zeden van z.yn Helt . 
M'anneer ge op mu tooneel den Korfi Achilles flelt'^ 
Verheelt hem dapper, onverbidlyk^ fi^<^fi 'verbolgen i 
Hy weigre wetten , recht en redenen te volgen , 
En laete, al 't geen hem raekt^ affiniten op z.yn kling^. 

ACHTBAERHEIT. 

Wie is zy die tnyn ziel 'urybuit 
Door daden i fpraek en gaeri. 
En dit rykfchoutoneel ontjlmt , 

Tiaer zoo veel beeldenjlaen ? 
Is V iemant die ons hart verleidt 

Door danken en ge jok ? 
O neen; 't is d' edele Jchtbaerheit , 

Gekent aen broos en fok. 
Haer iji-ezen eifcht ons zonder tael 

Ontzagh en eer biedt af. 
Maek nimmer Jlaet op eer enprael 

Of volg haer' heldedraf. 
Macr volg ook haer e leiding hier 

Zoogy de kunftcn eert: 
Zy voert ons m met hoogen Z'wier 

Terfchool die '■^ysheit leert. 

H. K. POOT. 
ƒ. Deel F ACH- 



22 



ACHTERKLAP. 




ACHTERKLAP. 

Dit beclt verfchilt in zwier en hoedanigheit oneindigh 
van het voorgaende. Gy ziet ccne zittende Vrou, 
die onder 't openen van haeren mont, eene dubbele tong [A] 
toont, niet ongelyk die derflangen. Over haer hooft houdt 
zy een zwart laken [B], waervan zy een gedeelte met de 
flinke hant uitrekt, zulx dat het eene fchaduw op haer aen- 
gezicht maekt. Haer gewaet is wyders roeftverwigh , en op 
veele plaetfen gefcheurt. Onder haere voeten legt een trom- 
pet of bazuin [C] , en haer rechte hant houdt eenen pon- 
jcrt gereet, om elk te quetfen. 

De 



(i) ZieE- 
rafm. Chil. 
3 . Cent. I • 
Ad. II. 
(i) Ecclef. 
c. 18. V. 14. 
(3) Ibid.v. 
ij, 16,17. 



(4) Satur- 
nal. Lib. I. 
S. 



cap. 



[A] Namentlyk , een dubbele tong is een zinnebcelt van een dubbel hait en van 
valfcheit, vooral eigen acn de achterklappers. Zoo zeiden de Grieken, Jitasü? avJ^ar, 
en de Latyncn biltngues homines, dat is, dubbele of tweetongige menfchen , in placts van 
valfchartige (i). En Paulus beveelt, i Tim. 5. vs. 8. den Diakenen, ecrhaer tez.yn, 
niet ni'eetongigh. Zoo Ipreekt ook Sirach van een tu^eetongigh menfch (2), en een 
dubbele tonge (5). 

[B] De zwarte kleur betekent in de beeldcnfpraek boosheit , gelyk de witte , vroom- 
heit. Zie 't geen wy hiervan zee;gen over 't zinnebcelt \-an de Gerechtigheit. 

[C] Tot een teken , dat de achterklappcr genegen is den lof en roem van anderen te 
bcnadeelen en met de voeten te trappen. Want de bazuin is in de beeldenipraek een 
teken van een wytbcrocmde vennaeithcit. Daerom hadden de Romeinen , volc;cns de 
aentekening van Makrobius (4) , op den tempel \-an Saturnus Tritons geil elt , Üazcnde 
op bazuinen, dogh hebbende de ftacrtcn veroorgen. Met welke beeldenfpraek zv te 
kennen gaven, dat de gcfchiedenis der zaken van de tyden van Saturnus af bekent, 
berucht en als met de bazuin uitgeblazen was ; daer de dingen , voor de tyden van Sa- 
turnus ven-icht, onzeker en onbekent waren, en even als in een duiftercn nacht bedekt 



lagen 



het welk door de verborgene ftaeiten der Tritons verheelt weit. Hieruit 



heeft de beroemde Alciatus een aerdigh zinnebcelt verzonnen om den onftei-flyken roem 
der geleertheit te kennen te geven , Itellende een Triton , die op zyn zeehoórn als op 

een 



ACHTERFLAP. 



23. 



ij De lafterzieke achterklap is, naer de bepaling van den heiligen Tho- 
mas *, eene geheime quaetfprekenthcit, regens den goeden naem en eer '♦iQiien:. 
van andere luiden. 



een bazuin blaeft, en een Hang , die hacr ftacrt in den bek hebbende, een kring 
rondom hem maekt, waeronder hy deze vaerzen voegt: 

ft 

Neptuni tubicen (cujus pars ultima cctum 

^quoreum, facies indicat eflc Dciim) 
Serpentis medio Triton comprcnditiir orbe, 

Qui caudam infeito mordicus ore tenet. 
Fama viros animo infigncs, prxclaraquc gefta 

Profêquitur, toto mandat £c orbe Icgi. 



Dat is: 



Nepmins trompetter * (die met 't onderlyf een vii 
Vertoont , maer voorts een Godt in d' and're deelen is) 
Staet midden in een kring van eene fang hegreepen , 
Die 't uiterfi' van haer ftaert hotft in haer bek^benepen. 
Dit geeft te kennen, dat de gloriryke faem 
Der braven roem verbreit , en wil dat hunne naem. 
Verkregen door verfiant of daden, werd' geprezen^ 
En door den ganfchen kring des wereltkloots gelez.en. 



* Triton. 




F 2 



ACH- 



24 



ACHTERKLAP. 







ACHTERKLAP. 



E Ene zeer lelyke Vrou , zittende in de geftalte gelyk wy 
gezeit hebben. Haer kleet is overal met flangetongen 
bezet ; en in plaets van eene keten , heeft ze een tou om den 
hals , aen 't welke onder een roskam hangt. In de rechte 
hant houdt ze een meS:, in de flinke eene muis, die men om 
haere grootte gemaklyk zien kan. 

Men fchildert haer lelyk [A], dewyl de achterklap eene fnode en ver- 
foeilyke zonde is , zoo ten opzicht van zich zelve , als omdat ze altyc 
vaerdigh is , tot fchade en verderf des naeften . Niet minder is 't haetlyk 
en lelyk, dat men de ooren leene , en geloof geeve aen de bedrieglyke tael 
en valfche treken der achterklappers, die, naer Bernardus zeggen [B], 
dcH dm-vel op de tong dragen. 

Zy wort zittende vertoont, omdat de leedigheit veel eene oorzaek tot 
achterklappen is. Men zeide van outs : fFie zacht zit, bedenkt quaet. De 
open mont, en de flangetongen [C] op 't kleet, duiden de vacrdigheit 
aen van den achterklapper om elk te laftcren : w ordende gezinfpeelt op de 

woorden 

[A] Lclykhcit is in de bccldcnfprack een teken van ondcugt. Zie onze aentckcnin-" 
gen over de Schilderkunft by de letters B en C. 

[B]] In deze woorden : Detra^or & Ubens nHditor, Htercjue Diabolum portat in liti' 
gtta i dat IS : Een achterhlapper , en die de nchterklijp garrn hoort , drjTen beide den Dui- 
vel op de tong. 

[C] Met recht ftrekkcn de llangetongen een zinntbcek \^n de fehadelykheit der 

. achterklap j die gelyk als voor den vergiftigen beet der llangen en adders , altoos ^"an die 

looit die nien afpides noemt, naer 't fchryven van Elianus(i), of geheel geen gencezin- 

A m L l'S^' °^^"'-'^' ^"^'IJ'-'" gevonden wort: alzoo is ook de wonde, door 't vergift der achter- 

"klap ontfangen, niet licht genedlyk- altoos zoo niet, of daer blyft een lelyk litteken 

over. Hierom placht Mcdius, een van de pluimilrykei-s van x'\lexander de Groote, 

anderen aen te moedigen, dat ze niet zotiden befcliroomt zyn om wie 't ook wezen 

mogt van -allerlei fnode misJryvcn te betichten, grondende zyne fchclmfche les op deze 

reden: dat, al genccft de betichtte de wonde noch zoo wel, het litteken evenwel over- 

blyfc 



ACHTERKLAP. 25 

woorden yan David, die in eenen zyner harpzangen *, aengaende zulke , p^ ^^^^ 
foort van luiden zcit: zyfcherpen hunne tonaals mijlmge; heet addey vergift v. 4. 
is onder hunne lippen. Bernardus zegt, in zyne Predikactficn, dat de tong 
des liifiere-rJen achterklappers een adder gelyk is, wiens adem ons befmet ; ja een 
heer indgh gejioemt '■ji'orden, die in eene reisfomtyts'uo'eldriedootflekengeeft [D]. 
Door het kleet, dat op het aengezicht cene duifterc fchaduw maekr, 
wort des achterklappers aert te kennen gegeven j namentljik zynen lufb om 
in 't verborgen elk te lafteren. Zyne natuur is, ieders deugdelyke daden 
te verdonk eren en te verdrukken , het zy door quaetfpreken, het zy door 
't verzwygen van goede werken. Terentius geeft iets diergelyks te ken- 
nen, als hy zegt: -f. t Phorm. 

Nihil efl:, Antipho, ^a. 4. 

Qiiin male narrando pollit depravarier. 

Tu id quod boni eft, excerpis: decis, quodmalieft. 

Dat is : 

j, Daer is niets, Antifo, of het kan doorat qt/alyk te verhalenverdraeit 

li'ordcn. Het gene goet is, laet gy 'er nit : en gy zegt het gene 
qiiaet is. 

Het gewaet datop veele plaetfen gefcheurt, en van eenc roeflige kleur 
is , bc duit dat de lafterzucht veel fchuilt in veracht! yke en flechtc men- 
fchen, die, om hunnen dienft, van edelen of andere heeren, of enkelyk 
door gunft der Fortuin verheven, en daerdoor hovaerdigh en opgeblazen 
v/orden, zich zclven niet kennende. De roefivcrf duit zulker luiden 
ilechte zeden en fchandige gewoonte [E] aen. Want gelyk de roeft het 
yzer en andere metaelen eet en verteert, zoo befmet en fchent, ja verteert 
/. Veel. G de 

[T)] De woorden van Bcrmrdus 7,yn cigentlyk : Numc^uid mn vipera efl limua dc' 
truc tor is ferocijfma? Pl.we nimirum , cju.t t.-.ra lethaliter ivf.c:.:: flutu itno. Nuiiejuid non 
lancea eft lingua ifta ? Prof eet o acutijfma , ^ua tres fenetrat iüu urn. Dat is , Is de totif 
des Jchterkl'^-fpers niet een z^eer felle adder? Ge^lfij]elJk^ja : als vell-ie z.00 dodelyl^^hefmet 
met eenen adem. Is die tong geen ff eer? Ja z.ekerljk^ een z.eer fcherpe /peer , die 'er met 
eenen fteek^ drie doorgrieft. 

[E] De boozc raniur van zulke luiden bcfchryftThcganus van Tricr, in 't leven van * Cap. 10 
Ludovikus Pius, * zeer wel op deze wyze: Na dat (zegt hy) de z.odanige (mcnlchen 
van eeringe gcbooitc) tot hogen ftaet zjn gekomen , z.yn z.e nooit zoo zagtmoedi/r , als te 
•voren , of z.00 handelbaer , dat ze niet terftont beginnen te n/orden oplopende , ttt/ifigieriq- , 
QVAETSPREEKENDE, kpppig , anderen verongelykende , en alle , die onder hen zyn 
dreigende. En door dusdanige dingen zoel'ea zy van de menfchen gevreeft en geprezen te 
worden ., enz- Byna op de zelve wyze fpreekt 'er Klaudianus van : (i) (1) In Eu- 

trop. Lib. 

Afpcrius nihil eft humili, quum Hirgit in altum. I. v. 181. 

Cuncta fcrit, dum cunóta timet : defevit in omncs , 
Ut fe poflè putenr. nee bcllua tctrior ulla eft, 
Quam lèivi rabics in libcra terga furentis. 



Dat is: 



Niets is 'er dat zoo fteel:^ , dan die uit lagen Jlaet 
Tot hoogte komt. Tertijl hy alles vree/l , als ^ ftaet , 
Beftryt hy alles : hy begint op elk^te woeden y 
En handelt met gewelt , opdat men mag bevroeden , 

Hoe ver zyn magt zich flre\it. Daer is geen feller beeft .^ 
Dan een verwoede ftaef, die trots en onbevreeft 
Voor wraek^ zyn wrev'len moedt betoont op vrye ruggen. • 



26 A C II T E II K L A P. 

de lafteraer [F] den goeden naem en heldere faem zyns nacften. 

De koort om haeren hals , en de roskam die daervan nedcrhangt, toont 
het onderfcheit der menfchen aen. Die van outs eene goude of zilvere ke- 
ten droeg, en daeraen een' ronden bol of een hart, ging of voor een edel 
[G] of voor een waerachtigh en oprecht man [H] door. Den lafteraer in 
tegendeel , verfieren wy met een tou en roskam [I] om te ftrekken tot een 
teken van een gering, eerloos, kwaetfprekent en fchendzuchtigh menfch. 
Zy houdt in de rechte hant een mes, alsof ze iemant wilde vermoorden, 
het geen wil zeggen, dat de lafteraer een dootflager is [K] -, en bezietmen 
den achterklap wel, zyne verkeertheit wil de ziel beroven van de hoedanig- 
heit daer zy door leeft. Hoor hierop David in zyn L VII harpliedt : Detm- 
den der menfchen , zeithy, zyn hunne iz' apen s, enhmmetongecnfcherpziz'aert. 
* Capt. By de muis, in haere flinke hant te zien, gelykt Plautus * de lafteraers 
Aft. r. fc. |-j^-| en achterklappers j want gelyk dat ondier elx fpys en andere dingen 
'' knaegt, zoo knagen, verftooren en benadcelen [M] de lafterzieke achter- 
klappers de eer en al het fchoone dat ze in iemant kunnen vinden. 

[F] Om die reden noemen de Latyncn de achterklap en quaetfprekentheit fomtyts 
(i)Lib W.™^ *^'^" vatm van rocd zelfs; als Maitialis : (i) 

Epier.éi.' Nimiaque Êeruginc captus 

Allatras nomen quod tibi cunque datur. 
Dat is: En deerelyk^vervoert door vuile lalicrz.ucht 

Ontz.ict g H niet den naem van ieder aen te bajfcn. 
Zoo ook Horatius, Lib. I. Sat. 4. v. 10 1. 

[G] Vrygeborenc kinderen droegen een gouden of zilveren bolletje ; de kinderen 
van vrygcmackte ilaven een lederen. Dit bolletje h.üdc de gcdaentc van een hait. Piërius 

(ijHiero'T. Valcrianus (i) vcrhaelt, dat het in zyncn tyt de gev.-oonte was, dat, indien iemant een 
Lib. X Li. goude lialskcten wilde dragen , en echter geen adelyke of andere waerdigheit bezat, die tot 
cip- 5- deze dracht was gcrechtigt, de zelve genootzaekt was een ledere \'ctcr daeraen te binden. 
[H] Namentlyk, dat hart hing aen een ketentje van den hals af tot op deborft, en 
gaf te kennen , dat hy zyn hart niet verborg , macr h t zelve als in een opcne boi-ft ver- 
toonde , iprekende het gene hy meinde , zonder leugen of bedrog. Zie Piërius Lib. 
XXXIV. cap. I. 6c Lib. XLI. cap. 4. 

[I] Gclyk het gout en zilver , een koftelyk mclael , hier een teken is van edele ge- 
boorte en acnzien; alzoo is het tou, eene flechte ftoffe , een teken van -geringe af komll 
en ftaet. En gclyk het hait op de borft hangende, oudtyts ftrckte tot een zinnebeelt 
van Vv^acrheit en oprechtheit ; alzoo verheelt de roskam de quactaerdigheit en fchcrphcit 
van de laiterzugt, die zelfs de allerbraefile hekelt en fcherplyk roskamt. Waerom ook 
in de oude becldenfpraek de quaetfprekentheit verheelt wort door een z^aeg , g°lyk de 
200 cvcngenocmdc Piërius uit Placidcs aentekent, Hierogl. Lab. LXII. cap. 78. Sirach 
brenat het woort roslcam ook over tot heftioicbekvvinG-ccnbeftraflinEfe. Eccl. c. ^o.v.j. 
'•*' ■ [K~j OtiinUiliiinus {'^)%c^7£.QV \jc\: Maledicus non dijt at a rr.elefico niji occajtone ; 

dat is : Een ^naetfpreker verfchtlt niet van een cjuaetdoendcr , anders als door de ge legen t- 
heit. Want indien de lafteraer zoo wel de magt en gclcgcnheit had om quact te doen , 
als om quaet te fpreken , hy zoude zekerlyk met de datt verrichten , het geene hy met 
woorden doet. Met recht dan is de lafteraer hier met een ponjert of mes gewapent, en 
heeft daerom Thearidas, als hy een zwaert wettende op een ftypfteen, gevraegt wierde 
of het fcherp was ? zeer wel geantwoort : fcherper als achterklap. 

[L"] Plautus fpreekt eigentlyk van Panlikkcrs der Grooten. Doch deze zyn door- 
gaens ook oorblazers en achterklappers. 

[M] De muis was daerom by de ouden een dier van een quaet voorteken , en zoo zy 

iets knaegde, daer men in zaken van belang dienft- van moeft hebben, dat beduide ni,.rs 

(4) De Di- goets. Zoo verhaelt Cicero (4) , dat wanneer voor den Marfifchcnoorlogh de muizen te 

vin. L. 11- Lanuvium de fchilden hadden geknaea, men daeruit een zeer quade voorfpelling gemaelit 

cap. 17. i-,-^Jj3(,. het welk hy echter belpot. Kato befpotte deze zotheit ook geeftig : want van ecu 

zeker man, wiens veltfchoenen van de muizen geknacgt waren, gevraegt wordende, wat 

dit wondeiteken hem voorfpqlde , antwoordc hy , dat het geen wondeitekcn ^^\^s , dat de 

muizen gaten in de fchoencn hadden gevreten , maer dat het wat wonders zoude geweeft zvn 

indien de muizen waren gevreten van de fchocnen. A E L- 



A E L M o E S. 



27 




A E L M O E S. 



DE aelmoes vertoont zich in haer beelt als ecne fchoone 
Vrou, in een lang en deftigh gewaedt, dekkende het 
aengezicbt met eenen fluier. Zy verbergt beide de handen 
onder haer kleet , reikende haere fchenkaedjen uit aen twee 
kinderen, die nevens haere zyde flaen. Op haer hooft heeft 
ze een ontfteke lantaren, omwonden met eenen olyf krans, 
die van vruchten en bladers wel voorzien is. 

De aelmoes is een uitwerkfel van liefde en barmhartiglieit, door welke 
men de armen tebaet komt in 't herbergen, fpyzen, kleeden, bezoeken, 
verlüflen en begraven . 

Dat ze het aengezicht dekt met eenen fluierj wil zeggen, dat de liefde- 
gaven in 't verborgen moeten gegeven worden , zonder den ontfanger aen 
te zien [A], of eer te zoeken, door mildadigheit in'topenbaer quanfuis 
te oefenen. En dat ze de handen onder haer klcet verbergt, komt uit op 
'tgeene in Matth. Evangeli kap. VI ftaet: Lact irji' Jlinke hant met 'm' et en 
•wat u-w rechte doet. Ook wort 'er geboden : Doet n-s:e aelmoefcn in '/ verbor- 
gen^ en ui^' Vader die het ziet zal, enz. 

Door de ontfleeke lantaren wort verheelt, dat, gclyk men een licht ont- 
fteekr, zonder vermindering [B] van 'tgeene, wacraen hctgefchiet, al- 

G 2 dus 

[A] Namentlyk, men moet niet zien op den perfoon, dien men iets geeft , macr op 
deszelfs gedrag en noot. Want Eleemofjnn milius malis negatnr ejnam conceditur ^ 

dat is: den booz.m wort de aelmoes nmtiger geweigen dan gegeven, gclyk Aufniftinus , _ .„ 
zegt fi). En die de aelmoes ontfimgen, moeten deze les van den zclveii Out\'ader (x) J^ ^" ' 
ook wel in acht nemen : Eleemofjna ad necejfitatem , iwii adpigritiamaccipiend.t ; dat is: (i)Dc O- 
de aebnoes moet men ontfangen tot nooddruft, niet tot Iniheit. pcrc Mo- 

[B] Ovid Art. Am. Lib. III. v. 95. nach.«p, 

Qi-iis vctct appolito lumen de lumine fumi ? 
Quisve cavo vallas in mare fèrvet aquas ? 

Dat is : li'ie zott beletten , dat het eene licht aen 't ander 

Ontfiokcn werde f of %pie , ten z.j een z.ot , bewuert 
Hctwatcrindez.ee, z.00 ryhltjk^daer vergnert ? Ouic^uid 



M- 



28 A E L M o E S. 

dus ooi.: Iict aclmncs geven niemant verarmt:, want dat gedoogt Godt niet, 
die den oprechten weldoener der nooddruftigen met hondertvouaige winft 
vergelt [C]. 
/ 1 iT 1 Deolyf;.ransvcrbeeltdebarmhartigheit[D],dicdenmenfchtotweldad-'[;- 
V. lo. heit beweegt, als hy den noodt der armen ziet. Dacrom gelykt David (i) 
de gulhartige weldoeners by eenen groenen , ofvnichtbaeren olyfboom in'thais 
des Heeren. En Hezichius zegt, dat Mozes 'm zyn Prieflerboe;c door iiit- 
gejtorten oli de aehioejèu verftaet. Nu gaen wy, volgens den letterrang, 
over tot de 

{i]Serm. ^Hic(jnid pattferibtis dederimus , ipfum integre pojjldebimns , zegt Auguflinus fi) , d:it 
deDivi:. is : al ivat wj aen de armen z.tillen hebben gegeven , het x.elve z^ullen tij gehcelljh^ bs- 
TJtten. 

[_C] Foecttndus efl ager ptttiperum : cito reddit donuntihfts fruEinm , zegt dc zelve Au- 
Dom 'giiltinus (g) i dut is: de al^l^er der armen is vrucht b aer , en geeft die gene ^ die hen iets 
fchenken , haeftelyk^ vruchten weder. En geen geringe vruchten : want die aelmoss 
doet , vergadert zjch z.elven een goeden wechgelegden fchat tegen den dag des noots ; de- 
wyl de aelmoes van de doot verlofi , en in de duifiernijfe niet lact l^omen, enz. Tob. 4. 
V. 10. En 't is beter aehnoes te doeUy dan gou dt tot eenen fchat te vergaderen: ivant ael- 
moes verlofh van de doot , en z.uivert alle z.onde af. Kap. 12. v. 9. Zic ook Sirach Ec- 
clef 3, V. 31 , 32. Hoe eene zware zonde het in tegendeel is, den nooddruftigen niet 
(4) InPf. te helpen, geeft Ambroziiis krachtig te kennen (4), zeggende: Hoc efl occidere homi- 
"^* nem, vita fua ei fubfidia denegare. Cavs ne inter loculos tuos includas falntem inopum'. 

dat is, een menfch onderfiant des levens te 'weigeren , is hem dcoden. M'acht u , dat gy 
het leven der behoeftigen in uwe koffers niet op/luit. 
(<) Hie- C^] Zeer fniei is de acnmerking van Picrius Valerianus (t) over de beeldenipraek 
roil. Lib. van den olyfboom en den olie, die wy niet kunnen nalaten den lezer mede te declcn. 
LIII. c.6. De ohfbocm , zegt hy, betekent op verfcheidenc plactfcn in de Jchrift een vroom man , die 
voornamently\ in vruchten van barmhartigheit overvloedig is : van tuelken gcz.egt tfort , 
Plalm 5-2. Dat hy is een vmchtbare olyfboom in het huis des Heeren. In tegendeel 
beduit eene wilde olyf, een ondeugent of afgodifch menfch : gelyh^by Paulus flaet (6), 
(6) Rom. ^.^^.y indien gy afgehouwen zyt uit den olyfboom, die van natuure wilt v/as. Daer- 
. \ ,' ^' en boven dat de Heer e beveelt (7) , dat de lampen in de tent e der getuigcniffe van den a- 
14. V. I. "^o^^f tot den morgen branden, z-ul^s wil zeggen , dat het werk, der barmhartigheit altjt- 
ciiz. duurende is. IVant Salomon z.egt (S) : laet op uwen hoofde geen olie ontbreken. De- 

(8) Pred. ^^di/c nu moet voor 't aengezjcht des Heeren ontflol^n -worden , omd.it de aelmoes in 't ver- 
9*^ boigen mnet gefchieden, en aen God alleen bekent z.yn , opdat de Jlinke handt niet wete , 

wat de rechte gedaen heeft. Dat hy wil, dat de kandelaer ganfch z.uiver z.al zyn, zulks 
%uyfl aen , dat dit zoo een godvruchtig werk,van alle vuiligheit van reem en geveinjlheit 
moet zyn gezuivert , enz. 




AEN. 



AENNEMING van KINDEREN, 



29 




AENNEMING van KINDEREN^ 



Die zich als eene acnzienlyke Vrou vertoont, houdende 
in de flinke hant den vogel Fulika oï Offifraga > en de 
rechte hant op den hals van eenen jongeling. 

De kintsaenneming is naer fommiger gevoelen een ifettelyke handel , jïrek- 
kende tot troofi der kinderloozen ^ 'X'aerm zy de natuur even als navolgen. Maer 
dewyl de kintsaenneming ook wel in gebruik was by luiden dieeigekinders 
hadden [A] , kunnen wy ze enkelyk aldus bepalen: Deverzooning fielt van 
outs als 'ui'ettelyk eens anders kint in onzen eigendom , alsof het van natuure het 
onze -ji'aere. Aldus nam M. Emilius Lepidus [B] , by 't leven van zyn' ei- 



/. T>eel. 



H 



gea 



[Al Dit was juift niet ordinaer, en, zoo lang de vrye ftact van de Roomfche 
Heerlchappy geftaen heeft , zeer zelden gebeurt. Wat de Verzooiiing van Nero door 
Klaudius by 't leven van Britannikus belangt, Suetonius getuigt, (i) dat hy daer eva- 
niet tveinigh naejpraek^heeft gehad. Dat ook de keizer Tiberius, hoewel hy een eigen 
zoon had, echter daer by nogh heeft aengenomen Germanikus, zulks deet hy niet uit 
eige beweeginge , maer genootz.aekt door Auguftus : geh k Suetonius (2) wel uitdmk- 
kelvk mclt. De Rechtsgeleerde Ülpianus geeft in bedenking, of men iemant, die 
reets een of meer Kinders heeft, wel mngh toeftaen, om 'er nogh andere by aen te 
nemen. Zyne woorde zyn aldus: (5) Prxierea videndtim efi , ati non debeatpcrmittiei ^ 
cjui vel Hnum habebit vel plttres Liberos , adoptare alium : r.e i'.Ht illornm , qnos juji'ts nttp- 
tiis procreuvit , deminuiitnr fpes , cjttam umtsquisque liberorum obfajuso paret Jlbi : aut cjui 
adoptdtus fnit , mwus perc'tptat , quam dignnm ent eum confetjvi. dut is : Daercnboven 
moet men toez.ien , of men die gene , die een of meer kinderen heeft wel moet toelaten 
noch eenen anderen aen te nemen : op dat of de hope der geener , die hy in een wettig h»we~ 
Ij!:^ ge: eelt heeft, niet vermindert worde, welke hoop een tegel jk^dtr kinderen z.ich door zy- 
ne gehoorzjiemheit moet Z-oeken te verkrygen : of die geene , die aengenomen is , niet minder 
bekome , als het redelyk^ is dat hy kryge. Daerom geboot ook onder andere de wet der 
acnncminge : dat alleenlyk die geene de verzoonmg mogte doen, die door de natuur 
nu niet meer konde verkiygen, het geene hy door de vcrzooning zogt; en nu niet meer 
in flact zynde om kinderen te teelen, hetzelve, toen hy nogh konde , bezocht hadde : ge- 
lyk Cicero leert /i?-» Domo cap. 15 £c 14. hoewel hierop juill altyt zoo nacu niet ge- 
zien wieit, en om bequame reden wel wat infchikking in dcezen gebruikt. 

[B] Dceze was de Vader van den bekenden Lepidus, die met IVIarkus Antonius en 
Kajus Oktaviiinus dat beruchte driemanfchap oprichte, wacrdoor zy zich meellcrs mack- 
ten van de vryheit der Roomichc Republyk. 



(i) Chüd. 
cap. 39. 

(1) Tib. 
cap .} 

(?) Di^cft. 
Lib. I.T. 
7. $. 17- 



30 AENNEMING VAN KINDEREN. 

gen zoon, Emilius Paulus door adoptie aen, die daerna zich Paiilus Emi- 

lius Lcpidus liet noemen. Keizer Klaudius liet eencn wettelyken zoon, 

te weten Britannikiis na, in eene bloeiende en friflche jeugt, naer Dions 

(i) Neten zeggen, doch, nacr 'tfchryven van Suetonius (i), de vallende zie!; te on- 

"p- 3 j- derhevigh , wien echter volgens 't recht der natuur de regeering toequam -, 

enhy liet na, eenzoonby aenneming, welke was Nero, die dan volgens de 

burgerlyke reden, deel aen 't Ryk had. Nerowyders, om 't zelve in vei- 

ligheit alleen tebezitten, liet door eene vergiftbereitfter, Lokullagenaemr, 

Britannikus een papje kooken: het welk, als hy 'er van gegeten had, hem 

de genoemde quaei zoo rafch en fel op den hals zondt [C] , dat hy 'er het 

leven by inbrokte. De Romeinen fchreven de adoptie meer magts toe dan 

haer natuurlyk eigen wasj zulx dat de aengenomen zyn natuurlyk bloet- 

verwantfchap verliet, en gerekent wiert bloetvrientlchap te maeken met 

de kinderen zynes aennemers. Tenzelven dage als Klaudius, Nero ten 

zoon aennam, maekte hy hem, met aen hem zyne dochter te geven, ook 

, zynfchoonzoon, gelykDion (2} verhaelt -, doch de Keizer deed eerft zyne 

p. 627". dochter Klaudia in 't geflacht der Oktaviën [D] aennemen, opdat het niet 

fchynen 

[C] Suetonius zegt juift niet duidelyk , dat Britannikus de vallende ziekte gehad 
(?) Ncr. heeft, maer dat Nero zullcs voorgaf. Hy verhaelt de zaek alzoo. (3^ H^t ceiite ver- 
cap. 33. gifr, dat Britannikus in kreeg, werkte langzaem, en maekte hem allecnlyk roerly- 

vigh. Nero liet daerop Lokufta halen , en deed hacr in zyne tegenwoordighcit het ilcvk- 
fte en fnelfte vergift, dat zy konde, zoo lang koken en herkokcn, tot dat 'er een jong 
biggetje, daer hy 't aen probeerde, terftont van borii:. Daerop liet hy 'tin zyn eetzacl 
brengen, en ftelde orde, dat men 't Britannil^us, wanneer die met hem aen tafel zat, 
zoude ingeven: en als deeze, zooras als hy 't vergift geproeft hadde, ter aerde was 
ncergeftoit, heeft Nero by de gaften valfchelyk voorgegeven, dat Britannikus volgens 
zyne gewoonte de vallende ziekte hadde gekregen {Comitiali Aiorho ex cohfnetudi/ie cor- 
reptum apnd convivas f we>«r/V«r) en hem des anderen daegs onder 't vallen van eenzwaren 
ftoitregen met weinigh ftaetfie fchielyk doen begraven. Uit dit verhael van Suetonius 
blykt niet alleen, dat Britannücus geen vallende ziekte heeft gekregen, toen hy 't vergift 
in 't lyf hadde , gelyk onze fchiyver te kennen geeft j maer ook fchynt men 'er uit te 
moeten afnemen , dat hy die quael noit gehad heeft (waervan het tegendeel door on- 
zen fchryver even te vooren geftelt is) maer dat zulks , gelyk Suetonius zegt , een en- 
kel voorgeven was van Nero: om zyn gruwzaeni Ichclnmuk , waer'tmogclyk, te ver- 
bergen. En byaldien men de Ziiek zoo opvat, zal 'er geen ftrydigheit zyn tuflchen 't 
verhael van Dio en Suetonius: welke 'er zeker zoude zyn, indien de eene verhaalde, 
dat Britannikus een frifch jongeling was, en de ander, dat hy de vallende ziekte had. 
Vooits is aenmerkelyk , 't geen Zonaras verhaelt : dat Nero het doodc lighaem van 
Britannikus hadde doen beib-yken meteen foortvan kalk, ^//'/«w gcnaemt ("die gebmik- 

(4) Cicer. j^j^ 2,e ook om zich wit (4) te blanketten) op dat de blaeuwheit , door 't vergift ver- 
Vlirkp é"^^'-'^'-' "^'-'- ^°^'^'^ gezien worden, en hem alzoo terbcgraveniilè laten uitdragen : doch 

' dat 'er een fchielyke regen vallende dcczc ^jpftts had a^efpoelt, en de gruweldaet voor 
een icgelyks oogen ontdekt. 

[D] Klaudius hadde drie dochters by drie byzondere Vrouwen , namentlyk , Klau- 
dia, Antonia en Oktavia, hoewel de eerfte van deeze drie eigentlyk geen dochter was 
van Klaudius zelfs ; maer van eene zyner viygemaekten , op Klaudius (5) rekening . 

( 5) Suetou. ii{qy- fchynen deeze Klaudia en Oktavia , die de Gemalin van Nero is geworden , en 
^" ■ de volle zufter van Britannikus was , niet genoeg onderfcheiden , maer de eene met de 

andere te onrecht vermengt . Voorts verfcnillen Dio en Suetonius daer in , dat de eer- 
fte Neroos huwelyk en aenneming op een en den zelven dagh ftelt , daer de laefte de 
aennemingh laet gaen voor 't huwelyk, zeggende (6), dat Nero al in V elfde jaer zjjns 

(6) Ner. euderdoms (andere \y:yNZQXfa.v;\\ twaelfde oï dertiende : zie Torrent. over deze plaets 
c- ?• van Suetonius en Lipfius over Tacitus Annal. L. li. C. af) door Klaudius is aenge- 

(7) Annal. „gyy^ffi jQ( il(s z.elfs Zoon: en eerft naderham getrouwt met Oktavia. Tacitus komt ook 
«p. s8. overeen met Suetonius, fchryvende (7}, dat Nero 16 jaren out zynde in huwelyk 

getredefl 



AENNEMING VAN KINDEREN. 31 

fchynen zou, broeder en zufter door huwlyk aencen te verbinden. De 
Roomfchc Burgermee lier Korneliiis Spinrhcr zocht zynen zoon in de ver- 
gadering der Overpriefters [E] van hun Heidendom te Jitbbcn; maer ver- 
mits Syllaes zoon Faiiflus ook van 't geflacht der Korneiiën [F] , en een 
lidt dezer famenkomft was, en dewyl de wet niet toeliet dat 'er twee van 
een zelve Huis in deze vergadering mogten zitten, zoo deed hy zyneu 
zoon aennemen in 't geflacht van Manlius Torquatus : En aldus volgde 
men de woorden der wet wel, maer liaere kracht wert dus doende met de 
daet ontzenuwt. 

De Adoptie of Kintsaenneming geeft men de gedaente eener ftatigc Vrou- 
we; want volgens de natuur, die men hierin wil naerbootfcn, kan e.njüngcr 
niemant dus aennemen [G] die ouder is dan hy zelf. Euripidcs belachc 'm 

H 2 zyn 

getreden is metOktavia, zynde al tevoren (i) door Klaudius tot zoon ar ngenomcn. , ^ _, 
Maer Suctonius Ichynt zich zelven tegen te fprckcn , en het huwciyk van Nero cc ftel- Ami^!?*' 
len voor dcszelfs verzoening , zeggende in 'c leven van Klaudius {ï) : e gcneris Nero-a'^. 15. 
nem adoptarit : dat is , uit z.yne fcho/)nz.oonen heeft hy Nero aeiigenomen tot z.yn Zoon.{^)^-'l- 
Doch men kan die ftrydigheit wechnemen, zoo men zegt, dat Suctonius hem hier 
den fchoonzoon van Klaudius noemt uit aenmerking niet van een tegcnwoordigh, maer 
van het toekomende huv/elyk met Oktavia, acn welke hy al lang te voren was ver- 
looft gcwccft. T^icTacit. Annnl. L. ix. c. 5 er 9, Óndeitullchen dat twee per- 
lonen, die door aenneming Broeder en Zufter waren geworden, m geen huwelyk 
mogten treden, zoo lang die aeiineming ftant greep, zulks was wel uitdrukkelyk 
verboden door de wetten : waerom 'er in zulk geval eenc eniiindpdtio van een van bei- 
de, dat is, gerechtelyke vryftelling van ondei" 's vaders magt heen, noodigh was. 
Zie Digeft. L. 25. T. 2. §. 17. en Juftinian. Inilir. Lib. i. T. 10. §. 1. 

[E] Deze woorden voegt hy 'er by , opdat nijniant , onkundigh in de zaleen der 
Romeinen , verkecrdelyk verftaen magh , dat een Romein bcgeerigh was geweeft om 
zyn zoon te brengen in het Oveipriefterfchap der Joden , en zich te vergeeflch quclle 
met de reden daer van na te fpeuren . De oorzaek nu waerom Kornelius Spinther zy- 
nen Zoon in deeze Vergadering zocht te hebben , was de groote magt der Ovei"prie- 
fteren, als welke het bcwint hadden over alles dat den Dienll der Goden raektc. Daer- 
om heeft ook Auguftus , wanneer hy de Roomiche Hecrlchappy al genoegzaem alleen 
bezat , echter het openvallende ampt van Hooft der Overpriefters niet laten vooiby- 
gaen. Zie Kazaubonus over Suctonius Aug. c. 31 .' Jnlius Cezar (g) en andere heb- , , 
ben zelfs vele moeite gedaen , en groote kuipeiyen in 't werk geftelt om dat prieftcr- qj.,- '^?' 
ampt te bekomen. 

[F] Namentlyk Kornelins was by de Romeinen geen voornaem, gelyk by ons, 
maer de ftamnaem van eene der oudfte en voortreffelykfte gcilachten te Rome : waer 
uit vcrfchcide zeer aenzicnlyke Takken zvn gefprooten : als die da Sctpioos , dcv Len- 
tu/i, iicr Cethegi, der Su/laes , der Cinnaes^ en meer andere. 

[G]] Want na de natuur kan de zoon niet ouder zyn dan de vader. Daerom ver- 
boodcn ook de Roomiche wetten dusdanige kintsaennemingen wel duidelyk . //(/?/- 
ri.'.iii . Lib . I . Tit . II. § . 4 . Aiinorem natu majorem hon pojje adoptare , placet A~ 
doptio entm ndturam imitMur: dr pro rmoHjIro efi^ ut ?niijor Jit f.lius cjitam pater . dat is.: 
yiy beveelen , dat een jonger niemant z.al ktmnen verz.oonen die ouder is dan hy . M'ant 
de kjntsaenne'/Kin^ volgt de natuur-^ en 't is monflreus ^ dat de z.oon onder z.oude zyn 
dan de rader . En opdat de natuur doch iii allen deele zoo verre mogt worden naer- 
gebootft, als doenlyk was, zoo vint men door die zelve wetten ook dit (4) bevoolen : (■♦' J"ftin. 
Debet itacjue is ^ ^ui Jibt filium per adoptioiiem aut adroffationem facit , plena pubertate , id 
eji , decem OT och annis prAcedere ^ dat is: Derhalven moet die geene ^ die tJicU eenen 
z^oon door aenncminge verkrygt^ eene volkomene manbaerheit ^ dat is , aehtien jaren ouder 
z.yn, dan die hy aenmemt . Hierom befchuldigt Cicero (5") zoo heftig, en als zccr^ jpj-^ 
ongcregclt, de daet van zynen vyant P. Klodius, die zich tot zoon hadde laten aenne-dom.cap. 
men van eenen Fontejus, een man, die met alleenlyk noch geen twintigh jaren out 13 ^"^ i-t- 
was, maer ook zoo veel jonger dan Klodius, dat deeze wegens zyne jaren dcszelfs \'a- 
der wei haddc iiunncn zyn . En dat de Roomiche wetten bepaelden , dat de aenne- 



32 AENNEMING van KINDEREN. 

zyn Menalippe [H] hun, die om hunne kinderloosheit quanfiiis te boeten, 
vreemden in kinrfchap aennemen, zeggende dar zulk een zich we! gek ach- 
ten magh, die by gebrek van eige kinderen, vreemde in zyn huishaeltj 
want zy die kinderlcos wacren, behoorden hierin lydzaem te zyn, en gee- 
ne Goden te befchuldigen . Hierentegen gevoelt Demokritus echter, dat 
een vermogend man wel een zoon van eenigh vrient magh aennemen , naer- 
dien men door dusdanigh eene vrye verk iezing , een eerly k kint kan bekomen, 
daermen in tegendeel zyne eigene, 'tzygoet'tzyquaet[I], behouden moet. 
(i1 De Re- Hieromtrent zeit Pctrarcha in zyne Samenfpraeken (^i} , iie acnnermng is 
Fortün/'^' ^^'^ dienjimdcgt van de natuur, deze is edeler, maer die voorzichtiger , deze 
Lib. I. '■jverkt buiten des teelers raedt op "'t goet geluk aen, die gaet met een vafl oordeel 
u)*jïto desaennemers. De Keizer Severus roemde (2), dat hy twee Antoninen, 
Spartiaii. te Weten Antoninus Ballianus en Antoninus Geta, zoonen van eige teeling 
inSevero naliet, en dics celukkiger was dan Antoninus Pius, die ook twee Antoni- 
& c. 19. & nen, zyne zoonen by aennemmg, had nagelaten, te weten Verus Antoni- 
"'^"^"^•^nus en Markus Antoninus i maer de vaderlyke liefde en hoop verblindden 
en bedrogen hem, want na zyn doot was Ballianus, genaemt Karakalla 
(3) Spart. [K], een zeer bloetdorftigh menfch, blykende(3}inhetdoodenvanzynen 
1". & 111 broeder Geta, en veeier Raetsheeren niet alleen, maer ook in het voorne- 

Caracal.& Hien 

in Gc:ac.6 

mcr ten minften achtien jaren ouder moeft zyn dan die aengcnomen wlcrt , is des te 
aenmcrkclykcr, omdat het huwelyk volgens die zelve wetten al geoorloft was met de 
veertien jaren . Zie FinniHS ad Inftitut . Lib . i . T. 1 1 . § , 4 Juftinianiis wil ook , 
dat die e;ecne, die door eenigh gcnecslyk gebrek onbcquaem zyn rot de tcelingh, kin- 
deren zullen moogen aennemen ; doch de gefnedenc , welkers natuur tot dat werk 
noit kan bequaem worden , geenzins . Injiitm . Lib . i . T. 1 1 . § . c) . Zoo zeer 
fchawden zy in de Acnneminge al 't geen tegen de natuur ftrydigh was . 

[H] Of liever Afelanippe : gelyk den zeer geleerde Thomas Munkcrus aentoont in 
zyne aentekeningen over Hyginus Fab, 186. en over Anteniniis Liberalis Fab . 8. 
Dit Treurfpel van Euripides is met veele andere van den zelven Dichter door de afgunfl: 
der tydcn verloren gegaen , en alleenlyk eenige brokken uit het zelve door andere fchry- 
vers bewacit. Dat ftuk, daer onze fchryver dit uit gehaelt heeft, vint men hy Stobtus . 
Serm. 74. luidende aldus : 

'il. yd^ 9-?(3( hiSu(Ti fjin (püvcii tïkvoi , 

'Ou 'X^yï 'y>l»Ki7(r3'oii Trfot t'o 9'i7ov , oIaa' ïxVm 

. Aurof yd^ 6vS^ü oiSi Tfia; iyinro. 

[I] Hier ftaet wederom aen den anderen kant tegen, dat, indien men in de keur der 

Acnncming gcmifl: heeft, zulks geen plaets voor verontlchuldiging overlaet , gelyk 

de teelina doet. Nihil habes in eonjugem ; nihil, in fortunam cjHod retorcjueas , Zegt 

. . j-j (a) Pctrarcha : gy kl^nt de fchult nochte op uwe huisvrouti^ , mchte op de fortuin leggen , 

Rem. Utr. 

Fort.Libl- [_K3 Of ook KarakaÜHs. Zie Kazaubonus over iy£litts Spartianus in Caracal . c. i. 

Dial. 71 X)e naem van Karakallus heeft hy gekregen van een zekere fooit van kleedercn, die hy 
't volk van Rome haddc gefchonlien , neerhangende tot op de voeten : waerom die 
klederen ook ^ntoniniana. genoemt wierden , naer 't verhael van Spartianns in Caracallo 
c. 9 . Zie dacrover ook de aentekeningen van Kaz.af{bemt en SalmaftHs . 



AENNEMING van KINDEREN. 33 

men dat hy had cm Getaes [L] Moeder, ter oorzaekc van het beweenen 
haeres zoons, om hals (i} te brengen} doch haere fchoonheit veranderde (i) Sparr, 
zyn opzet (2} en deed hem haer, hoewel ze zyne ftiefmoederwas, zonder l^^^^^'^^-^^ 
de gedachtenis zyns vaders te achten, ter vrouwe, nemen. Geta v/as ook c^zc.c.10 
in zvn leven wreed, onkuilch en gulzigh van zeden, volgende de manieren 
zyns broeders na. Van hun zeit Dion (;} : Severns zoons Bajfduus euGcta, (3) Lib. 
'vanPlaiitianuSy even als -van een tuchttneejier mitjlagen zynde , begonnen alles ''-^'^''•''^^• 
■ naer hun'u.'elgevallentedoe7i, devrowjuen oneerlykte handelen, fchandjongcns 
te hebben, met onrecht geit te 'verzamelen, zich met fchermers en'-ji-agenaers te 
vergezellen, en elkanders fnode ft appen na tegaen. Daer van daen is het dat 
Spartianus, bewoogen is geweeil te zeggen (4}, dat fchier geen eengroot j^, j^^ 5^^^ 
man goede [M] en nutte kinders , die hem gelyk waeren , heeft na gelaten -, c io.&: n. 
en dat het beter waere geweeft dat veele grooten kinderloos waeren gellor- 
ven. En dit zeit hy niet alleen ten aenziendernatuurlyke vaders, m.aer ook 
van hun die door aeneming van kinderen quanfliis vaders worden, gelyk 
Auguftus dicTiberius, en Trajanusdie Adrianus op dezewys naliet. Maer 
met meer recht zou hy dit na Tiberius, van Klaudius gczegt hebben, die 
Nero ten zoon acnnam, beide door Adoptie Keizers geworden, en fchicr 
even boos van daden j ten wier aenzien Adrianus zeer goet was, zynde een 
kloekmocdigh en dapper krygshelt die veele overwinningen behaelde. De 
verzoening, die Auguftus omtrent Tiberius pleegde, was als gedwongen", 
zoo door 't overlyden der zynen [N] , als door het laftigh vallen vxa zya 
/. Deel. I wyf 

[L] Juila: zyn ei ge Moeder was genaemt ^^to<j: hoewel Dio en Herodianus fgc- 
lyk Knzaubonus aentckent over Spartianus in Sev. c. g .) de moeder zoo wel van Bai- 
fianus, als van Geta, fuUunozmzn: van welken müHagh Spaitianus ons den oorfprongk 
miiTchien ontdekt, als hy zegt (f j : Vxorem tnuc habuit Alarciam: de ijha tiHtiit in 
hijiari.i vitdt privats. : dat )s , Hy had die Af,trci.t tot eene Httisvroit : van welke hy in 
de hifiorie van z.yn particulier leven gezjwegen heeft . Naderhant evenwel als hv Keizer 
was, heeft hy hacr betldcn ter eerc doen oprechten. Ondcituflchen hoe Julia zelfs 
acn hacr llicfeoon aenleiding heeft gegeven om met haer een bloctfchandigh huwclyk 
aen te gaen, lees by den mcerj^cmelden Spartianus in 't leven van Karakjllus cap . 10. 

f M] Spartianus telt een geheelc reeks voorname mannen , zoo door daden als door 
geleertheit , op , die of geheel geene , of booze kinderen hebben nagelaten , of ten min- 
uen, die geen dicnft aen den ilaet hebben gedaen : als Romulus, Numa Pompilius , 
Kamiilus, Scipio de Katoos, Homerus, Demolthenes , Virgihus, Kriipus, Teren- 
tius, Plautus, Cxfar, Cicero, Auguftus enz. Deze laetfte was by uitftek ongeluldiigh 
in zvnc kinderen , zoo dat hy dikv/iis al zuchtende placht uit te roepen met een vers van^^, j^^j^ 
Honicms (6) : 3 . v. 40 

AiS'' o<:|)sXoy ttytt^ii t' i^xivoLi , a,y!>m; r' «TarsAêVS^*». 

Dat is: Och of ik^ongetrout ware gebleven ^ of kinderloos gefiorven! (7) ^7) Suec. 

Aug. c. 6j 
Veele andere dicrgelyke exempels van groote mannen , die in hunne kinderen ten ee- 
nemael ongeluklugli zyn geweeft , doen zich in menigte op in de oude Hiftorien , zoo 
dat het onnodigh is zulks verder met bewyzen te fterkcn. 

[N] Namentlyk , Kajus en Lucius , zonen van zyne dochter Julia , in huwelyk ge- 
wonnen by Markus Viplanius Agrippa . Deze zyne neven hadde hy aengenomcn tot 
zyne zonen, en hadde groote venvachf.ng van de zelve: doch zy fton'en beide binnen 
den ryt van tv/intigh maenden, Kajus in Lycie, en Lucius te Marfailje, niet zonder 
vermoeden van vergeeven te zyn door beftel van Livia om haer eigen zoon Tibcnus te 
begunftigen : gelyk deze dan ook na de doot van Kajus en Lucius te gelvk met der- 
zclver Broeder Agrippa Pofthumus , door Auguftus verzoont wert : doch de verzo- 
ning van Agrippa vernietigde hy naderhant wederom, om deszelfs quaden inborft. 
Zie Sueton. Aug . cap .64 & 6^ . en Tacitus Annal . L . i . c . 2 . Wat voorts 
Auguftus tot de aenneminge van Tiberius bewogen heeft , wiens quadc zeden hv ken- 
de, 



34 AENNEMING van KINDEREN. 

wyf Livia, die moeder was van Tiberius, wiens quade zeden Auguilus wel , 
kende, eer hy hem tot zoonaennam. Eenigen willen dat Neroos wrede 
manieren in 't begin zoo niet bekent waeren, zulks dat hy in zyne jongkheit ; 
proeven gaf van een goede inborft, en zich zeer oefende in de vrye kunilen. : 
Hy geliet zich mededoogend en zachtzinnigh , en wanneer hy eens een i 
(i)Sucton.dootvonnis van eenen verweezenen zou onderfchryven (i), hoorde men i 
Ner. c. 10 ^^^^ ^| zichtende zeggen : och of tk lezen nochfchrjven kofi : en hoe zeer hy : 
dit in 't hart meende, getuigt zyn meefter Seneka, in zyn eerfte Boek van 
de [O] Goedertierenheit : of fchoon men heeft bevonden, dat hy , na de 
vyf eerfte jaren zyner regering, geheel onbarmhartigh wiert. De Keizer 
Trajanus zeide, aengaende deze vyf Jaren, dat niemant beter dan Nero had 
geheerfcht. Dit zoo zynde, zoude een iegelyk zyn bedrogen geworden, en ; 
daer zoude niemant geweeft zyn, die hem niet zcergaern zoude hebben aen- i 
genomen : doch Klaudius had buiten dat noit vrees [P] voor bedrog : 
waeromhy hem ook aennam op het begeeren en ter liefde van Agrippina. En 
fchoon het nodigh is, dat men eerft eenige mudden zouts, gelyk men zeit, 
met iemant gegeten moet hebben eer men hem recht kent, naerdienhetalzoo 
moeilyk valt een' ander als zich zelven te kennen, echter is gebleken, dat 
de Keizers doorgaens in het aennemen eene goede verkiezing gedaen hebben. 
Dit ziet men aen Julius Cezar in 't verzoonen van Auguftus, in Nervaes 
aenneming van Trajanus, en weder Trajanus adoptie aen Adrianus^ hoe- 
(z)inScv. v^el Spartianus deze lefte verkiezing niet zeer (^2} pryft. De verzooning 
rfs^irt was goet tufTchen Adrianus en Lucius Cejonius Commodus Verus , die 
in iEiio fchoon van wezen (3^, en vol koningklyke ftatigheit , mitsgaders verftan- 
THbid^' digh,geleert en zeer welfprekend was^ maer ook zwak van lichaem('4}, 
cap. 4. waerom 

de , daer van zyn de gevoelens verfchillende . Behalven de pogingen van Livia en 't 
verlies van Kajus en Lucius , ichryven Ibmmige de oorzaek daer van toe aen cene 
groote eerzuchtigheit van Auguftus, trachtende zyne geheugenifle door zoo eenquadcn 
(5) Tiber. jjpyQJggj. ^^ aengcnamer te maken. Maer Suetonius (5-) die gevoelens verwerpende, 
cap. 11. j^£(.j^]-^ (Jat Auguftus, een zeer wys en voorzichtigh Voiil, de deugden en ondeugden 
van Tiberius wel overwogen hebbende, heeft geoordeclt, dat zyne deugden zwaerder 
waren . Dat evenwel Livia en 't gebrek van beter ^'erwantc^ , daer toe veel geholpen 
hebben, is geenszins te twyfelen; te meer, omdat het begin van Auguftus Teftament 
Tb c^f," aldus luide (6): Nademael de ongunftige Fortuin my myne z.oonen Kajus en Lucius ont- 
rukt heeft , is myn wil , dat Tiberius C£Z.ar erfgenaem z.al z.jn van twee derde varten 
mjner goederen . 

\Xy\ Aen Nero zelfs in 't eerfte of t^vede jaer zyner hcerlchappy gefchreven . On- 
der anderen vint men 'er deze woorden cap . i . Dit z.oude bezjiuaerlyk^ hebben kunnen 
gefchieden , indien die goetaerdigheit u niet natuurlyk^was^ maer allcenlj\voor een tyt 
aen^enomen : want niemant kan een momaengez.icht lang draden . Geveinsde dingen kccren 
ras weder tot haere natuur : maer daer waerheit in is , en die {om z.o te [freken^ uit een 
vaften gront of groeien , worden door den tyt z.elfs grooter en heeter enz, . En wederom 
cap. 12. Niemant z.al Aitguftus durven vergelyken by uwe z.agtmoedigheit , al ftclt hy 
desz.elfs meer als rypen ouderdom tegen de jaren van uwe jongelingjchap. Laet hy bedaert 
en goedertieren geweeft zjyn : namentlyk^dat was , na dat hy de z.ce by Aktium met Ro- 
memfch bloet had geverft , enz. /^ noeme geen -ware goedertierenheit , het geene eene ver- 
moeide wreetheit is : maer dat is een ware goedertierenheit , o Nero , die gy betoont , die 
niet uit berouw van wreetheit heeft begonnen , enz. 

(7) Ann. [P] Als welke was onbcdachtzaem , wonder kort van geheugen, en gelyk Tacitus 
Lib XII. van hem zegt (7), cui non judicium, non odium erat , nift ir.dita & jujfa ; dat is, die 
cap. 3 geen oordeel had, noch haet droegh, ten zv ze hem wierden ingegeeven en belaft. Zie ook 
Sueton. Claud. c, 38. & 39. item Neron. c. 33. 



AENNEMING van KINDEREN. 35 

I waerom Adrianus dikwyls zeide[Qj : De goden zullen ons dezen Jlecbts op de 

'' "icerelt vertoonen [R] , maer met lang laten blyven . En na het overlyden des 
zclvcn, zeide hy op eene klaeglykc wys (i): [Vy hében op eenen kra-nken (') Spart. 
wiiprgcfteunt! en zjn de dertigh mulioeneji [S^ guldens qnyt, die 'n-y aen ^fvolk dp. i^' 
endefoldaten, nopende de ver zoomng , van Kommodus , hebben gefchonken. Nogh 
drie andere aenneemingen, die hier volgen , door den zelven Adrianus ge- 
daen, zyn ook voor goet te erkennen, namentlyk die befleet zyn aen Mar- 
kus Antoninus Pius, en Markus Aurelius , twee zeer pryielyke [f] Keizers, 
en V^erus, een zoon van den voorgenoemden Ccjonius, die met Markus Au- 
rehus (2), zynen broeder door aenneminge, op een en zelven wagen ge- jj^'J^ifo" 

; triomfeert heeft. Men zoude meer gelukkige aennemingen [V] hier by -c-o c. j. 
kunnen voegen, maer dewyl die in Antoninus Pius en Markus Aurelius bell ^„'^hn'"' 
uitblinken, zullen wy het hierby laten, en tot de uitlegging der beeltenis cap. iz. 
overgaen . 

De Fulika, boven genoemt, wort door fommigen als donker en roetachtigh 

|':van kleur befchreven -, anderen zeggen dat hy witachtigh , anderen dat 

I z hy 

[QJ N^ '^^^ hy ^'^" Adiianus tot zoon was aengenomen , wcrt hy genoemt Lucius 
CejomusKommodusVems JEÏms. Csfar. Spanian. in Adrian c. 23, &in7ElitVcr.c. 2. 
& 6. Zoo men ondeituflchen des zelfi leven by Spartianus leeft, zal men, niet tcgcn- 
ftaende de goede hoedanigheden, die hier van han vcrhaclt worden, bevinden, dat 'er 
jiiift zoo veel reden niet zyn om deze vcrzooning goet te noemen. Zie voornamtnthk 
het tweede, derde, vierde en vyfde Hooftftuk van z\'n leven by Spaitianus. 
[R] Dit IS een vers genomen uit Vii-gilius, yEne'id. 6. v. 870. 
Ofiendent terris httnc tantum fata , ne^ue ultra 
EJfe finent. 

Het wort dacr gezcgt van Marcellus, den zoon vanOktavia, zuftcrvan Auguftus; een 
jongeling van zeer groote verwachting , maer vroeg gcftorven. Dit neemt Adrianus 
hier over op Cejonius Kommodus. 

[S] Quater milUes fefiertiüm , ftact 'er by Spartianus ; het welk zoo een groote fbm- 
me geldts uitmaekt. Zie Gronov. de Pecunia Fet. pag. 406. Het volle van Rome had 
'er een vierde pait van gekregen , de krygflieden de o^'crige drie. 

[T] Spartianus noemt hen twee Godheden van de Rcp:ihlyh^^ in Scvero c. ii. 
I ' [V] Hoe vooraichtigh de aennemingen ook mogen gcichicden, nochtans zyn ze Iiach^ 
lyk. Laet ons het oordeel van Petrarcha (3) daer over hooren , die 'er dit van zegt '■ 1 \ -n 
De Zoonaenneming , een bequaeme hulp der natuure ^ uitgezonden door 't burTerlyk^recht ,-^^ai. Vu. 
is 't zeker dat aen veelen nuttigh ^ en ook aen veelen verderf elyk^ geweefl is. Nervalon. Lib. 
heeft een goeden z.oon aengenomen: maer fnmmige fchryvers hebben geoordeelt ., dat Traja-^-^''-^- 79 
nns in zjjne aenneminge is bedrogen geiveefi . Mant dat Augufius in 't aennemen van z.yn 
dochters z.oon Agrippa mijleit geweefi is , z.ulks getuight de vernietinge van die aennemin- 
ge , daer ras op gevolgt : doch in Tiberius aenneminge , of opvolginge in de Hecrfchappy , 
z.ie ik^ dat hy niet bedrogen is getveeft , maer door de z.eden der zjyne byna aedwongen . 
Maer Micipfa is ten eene mael een ongcluk^tgh aennemer geueefi- , die niet eenen z.oon , 
maer eenen dodelyken drael^ * in z.yn paleis en over zyne [^natuur/ykel z.onen gebrast ^, l 
heeft: dewel^ alhoewel hy flervende vermaent z.00 te leven, dat hy niet maah fchynen ^ 
betere z.onen te hebben aengenomen dan geteelt j nochtans gebeurt het dikji'ils , dat 'er be- 
tere aengenomen , dan geteelt -worden : en dat is geen wonder , dewyl de aenneminire door 
ondervinding en overlegh ivort gejlerkt , doch de teeltng door geen van beide . Adaer 
dthtvjls worden 'er in tegendeel met alleen ergere , maer ool^ de allerboofie z.clfs acnireno- 
men . Mant de mcnfch is een donkere en bcdriegelyke waer. 
Dus zegt de zelve Peü-archa zeer wel : 

Pri\-ignos 5c adoptatos licct cflè probatos : 
Elt tam hic multo tutius , ut caixas . 



Dat is; 



Al zyn fliefz.onen , en zonen by aenneminge foet , nochtans is het veel vei- 
iiger, dat men ze niet heeft . 



3Ö 



AENNEMING van KINDEREN. 



hy do zelve vogel is die Erodius genoemt wort; en welke men natuurlyke 
eigenfchappen toefchryft, die de andere heeft. Heeft echter de Fulikaj 
(!) Lib.xinaer Phnius (i) zeggen, eenkroefe kuif op 'thooft, ^nisd^ Erodins dis 
"P- 57- vogel, die van den gemeenen man W^ wort genoemt, gelyk Bartholomeus" 
Anglikiis wil, zoo kunnen 't de zelve vogels niet zyn, want de valk heeft 
geenekroefekuif opdenkop: en nogh zoo veel te minder, indien de /////;è^ 
een watervogel is, onthoudende zich, gelyk Ariiloteles en andere fchry ven 
omtrent de zee en zeer ruime ( W} meeren. Naer Albertus Magnus zeg- 
gen, is dcfnlikaj een zwarte watervogel, die luft in onweer heeft, in 't 
welke hy fpeelt en zwemt door de zee, zyne geboorteplaets niet verlaten- 
de. Zyn neft wyders is altyt wel van voorraedt verzien, en hy zoo milt 
dat hy daer uit andere vogels mededeelt. 

Belangende nu de offifraga , die is een foort van [X] arenden, ook as- 

graeu 

[W] De vcrwarrir^ en vermenging van deze vogelen komt voort uit verfcheide 
oorzaken. De cerfte is, dat veele roofvogelen benoemt worden met een algemeenen 
naem , die een ganfch geflacht (om zoo te Iprekcn) van vogelen uitdrukt , als die van 
Arevden , Kalken , Sperwers , Haviken , Gieren , zoo groote als kl< ine , daer ze doch in 
hunne byzondcre foorten vcrfcheiden zyn : men zie Ariftoteles , Pünius , Albeitus Ma- 
gnus en Olaus Magnus. Omdat nu meer als eenciboit van vogelen vallen onder een 
en het zelve gcflacnt, zoo gebeurt het, dat de fchry vers zich ibmtyts vergiilln, enden 
ecncn nacm fchry ven voor den anderen. De twede'oorzaek is, dat die gene, die uit het 
Grieks iets overbrengen in 't Latyn, dikwils een naem niet overbrengen inzyneeigent- 
lykc en naeufle , maer in een ruimer en algemene betekeniffe, gelyk Turntbus zeer 
{ijAdverf. welacnracrkt (2) overdeFuUka, zeggende, Erodius a Cicerone Fuliea, a MAroneMer- 
L. XXV. gus vertitur: dat is, de Erodius wort van Cicer» vertaelt daor Fulika, en van Firgiltus 
c. f j . door Mergus , een duiker. En wederom (2) : De vogel , die door Aratus -wort genoemt 
^' ' • Erodius , wort door Virgilius vertaelt Mergus , duiker ; en door Cicero Fulika. En dat 
is geen wonder , nademael de Fultka volgens Albeitus Magnus is uit het geflachte der 
{4I Lib. Mergi of ^«/^o^f/i : en Ariftoteles (4) noemt haer by den duikeUer, zeggende: de 
Vlli.c.3. witte meeuw, en de Fulika, en de duikelaer leven by de zee. De vogel dan, diebyde 
Grieken heeft scheten Erodius, heeft Cicero in een nacuwe betekeniffi; vertaelt door de 
Fulika, doch Virgilius is met een ruimer uitdrukkingc te vreden geweefl, noemende 
hem een duiker ; daer 'er doch veelerlei foorten van du'kvogels zyn. De derde reden 
is, omdat eenige van deze vogelen, die begrepen worden onder een en hetzelve geflagt, 
menigmael van eenerlei natuur zyn, en een zekere overeenlcomfl van verf en maek- 
fèl met malkanderen hebben: waerdoor het dan gebeurt, dat de fchryvers de eene ne- 
men voor de andere : en zoo is het miflchicn ook met de Fulikj. In Italië is eene vo- 
gel, hedendaegs aldaer bekent onder den naem vznFolikji zynde een watervogel , zwart 
van verwe, doch een weinigje trekkende naer den afchgraeuwen : hy heeft een zwarte 
nebbe j poten eveneens gelyk een endvcgel met velletjes tuilchen de teenen , eenzvvarten 
kop, doch zonder kuif of ïii-oefè vederen. 

[X] Plinius en Ariftoteles tellen zes fborten van Arenden op, doch flellen de Oflï- 

fraga niet onder de zelve. De laetftgenoemde zegt (5) , dat de OJfifraga grooter is dan 

vi'iP^' ^^" Arent, doch niet van de zesde fooit, asrèf yniViay, o^ rechten Arent genoemt, als 

(6) ' ib 'iX °^ ^^ andere maei- byfooiten waren : welke zefde fooit volgens Ariftoteles (6) grooter 

(.^^.l 1 . *s dan alle andere Arenden en ook dan de OJfifraga : die van de Griekfche fehry^'ers en 

van Matthiolus genoemt wort <P'»ii en 4>>;'>i = welk woort by Homerus door fommigen 

wort overgezet een Arent, wordende aldaer te kennen gegeven de gezwintheit, met 

welke Minerva wegging, na dat ze hare reden voleindt hadde : 

(7) Odyf. (7) "^f af* ^^(inVao- «TTi/Bij yh«,MÜTtn A'S^iJnj, 

Lib. III. 4^>)V>) ïtSoiAÏvtj 

T. 371 Dat is: 

De graeuoogige Minerva aldus gefproken hebbende , is weggegaen^ 
gelyk^een <P>jv>i Arent. 
Dogh de meeflc vertalen 't hier ook OJfifraga. Onze geleerde Tacimannen van den By- 
bel maken van de OJfifraga een Duitfch woort, en noemen hem Beenbreker, in hunne 
kanttekeningen over Levitic. i. 15. 



IX. 

cc 



Il AENNEMING van KINDEREN. 37 

i 

' Igraeu, befchre ven door Matthiolus over Dioskorides. De Kardinaal Petrus 
1 JDaniianus (i) zeit, dat de Ftdika van de Grieken genoemt is^i^V», en hy (ijüb ii. 
; ifchryft haer de zelve natuur toe, die door Plinius (2) en Ariftoteles (3} Sub x 
' .worden gegeven acndtOJ/ifraga: die^wanneerdearentzynejongenverjaegt^cap. ; " 
dezelve, als uit moeder! yke liefde aenneemt, en met haer eige natuurlyke'^*^''^'-^ 
jongen barmhartiglyk opvoedt, even als tot mede-erfgenamen. Om deze Hef- Lii>'. vt 
■ dadige natuur ftrekicen de meergenoemde vogels zeer bequame zinnebeelden '^^f- ^' 
der AENNEMING VAN KINDEREN, die by de Romeinen 
zeer in zwang was , gelyk ook het opvoeden van iemants kinderen, die, 
hoewel buiten voogdyfchap en Adoptie, echter gehouden werden als eigc 
kinders, aen welke men dan voorts de gefiachtnamen van het huis des op- 
voeders gaf, gelyk vele opfchriften by Sm.etius [Y] bewyzen. Ja het ging 
i zoo verre, dat ze ook de voedfterkinders tot erven, [Z] aenllelden. Hier- 
om houdt ons beek de rechte hant aen den hals van eenen aengenomen Jon- 
geling, zynde het omhelzen een teken van liefde en toegenegentheit. 

De aengenomen nam, volgens Dions zeggen (4), de namen des aenne- ^^^ ^-^ 
mers aen, doch behieldt eenen zyner voorgaende [A] namen, maer iet ver- xlvi. " 
I- -l^cel. K ^ andert. 

[Y] Onder andere dat aenmerkelyke aen Aurelia Rufinn. 

AUR. RUFINiE. 
ALUMNI. PI ENT! SS. 
E. T. INCOMPARABILI. 
QUiE. VIXIT. ANN. XXVII. 
M. X. D. II. 

FIDE. COGNITA. 
ME MOR. O BS E QU II. EIUS. 
AURELIA. SOTERIA. 
PIETATIS. PLENA. P. 

fZ] Dit blykt uit een ander out opfchrift. 

MARIAI. roL 
MARIUS. I'RIM 

MARIA. MA 
XIMINA. AL. 
UMNI. ILT. HER. P. 

[A] Opdat dit des te beter verilaen worde , zullen wy v/at breder van de gcftcltheit der 
namen by de Romeinen Ipreken, te meer, dcwyl een Nedcrduitich werk, gclyk dit, 
dikwyls Lezers vint , in oude zaken onbcdrevcn. De cerftc Romeinen droegen , vol- 
gens 't vcrlr.cl van fommigcn (f), maer eenen nacm, als Romulus, Rcmus enz. gclyk (J) Vide 
ook de oude Grieken, als Sokratcs, Plato, Alcibiades, Demollhcnes enz. Maer na^S°"'''^ 
dat Romulus met de Sabinen onder Tatius een verbont acngegaen , en hen in Rome j^^m/c i 
ontfangen hadde , zegt men , dat zy zyn overeengekomen , dat de Romeinen de namen 
der Sabinen, en in tegendeel de Sabinen de namen der Romeinen zouden gebruiken tot 
voornamen : en dus diende de voornaem om de peribonen van een gellacht, de llam- 
naem om de byzondere gedachten van malkanderen te ondcrfcheiden. Niet lang daerna 
hebben veelc voorname gefiachten, na dat ze zeer vermenigvuldigt wierden, nogh een 
derden naem, om de byzondere takken van eenen en zelven (lam te onderkennen, aenge- 
nomen. En zoo is het, dat de mecftc doorluchtige mamitn drie namen licbbcn ge- 
voert, eenen voornaem, als Publius, Lucius, Tibcrius, Markus, Kajus, Kneus, Ti- 
tusenz.j eenen ftamnaem , altyt eindigende op ?>/.( of op;///, als Kornelius, Klaudius, 
Fabius, Pompcjus, en diergelyke ; en eindclyk eenen taknaeni , die noit o\t ius oi jhs 
eindigde, alsScipio, Lentulus, Nero, Marcellus enz. Veele hebben dacrenboven nogh 
wel een bynaem achter de vooraeide namen gcvoegt, dienende, of om wyduitgcbreide 
takken van ccn zelven ftam wederom als in kleiner takken te verdeelen, als zyn de by- 
naraen Azina, N;izika, Scapula, enz. dacr de Scipioos door ondcrfcheiden werden, of 

ook 



38 AENNEMING van KINDEREN. 

andert. Aldus wcrt Kajus Oktavius, die naderhant den bynacm heeft ge- 
kregen A^an Auguilus , na dat hy was aengenomen door Kajus Julius Cezar, 
Kajus Julius Cezar Oktavianns geheten : gelyk ook Tiberius Klaudius 
Nero, nadat hy door Auguftus, in zoonfchap ontfangcn was, den naem 
droeg van Tiberius Julius Cezar Klaudianus. Hiervan zyn overvloedige 
blyken te vinden in de hiftorien. 

ook wel acn by zondere perfboncn alleen om deze of gene reden gegeven, zonder dat ze 
tot dcszclfs nazaten overging; als voornamentlyk waren de eernamen Afrikanus, Mace- 
donikus, Numidikus, Magnus, Pius, enz. Maer de meefte, gelyk wy gezegt heb- 
ben, droegen drie namen ^ hoewel ook verfcheide van de voortrcffelykftc Stammen in 
geenc byzondcre takken zyn verdeelt geweeft, en daerom gcenc taknamen hebben ge- 
voelt ; daer die in tegendeel by veele middelmatige , en zelfs geringe gdlachten zyn in 
gebniik geweeft. Aldus dan was het van outs af met de namen der Romeinen gelegen: 
doch onder de latere Keizers is die oude geftelthcit zoo verandert en verfchikt , dat men 
daer van niet wel een nette bepaling kan geven. OndcrtuiTchcn moeten de min erva- 
rene weten, dat juill niet altyt by de ichryvcrs alle de namen worden uitgedrukt, daer 
iemandt mede gcnoemt is , wordende 'er fbmtyds twee of maer een gcftelt. Zoo is de 
derde Keizer Tiberius Klaudius Nero het meen: bekent alleen by zyn voornacm Tibe- 
rms -^ de vyfde Tiberius Klaudius Druzus, by zyn ftamnaem A7»i«i^/»i ; de zevende Ser- 
vius Sülpicius Galba, en achtftc Markus Salvius Otho, by hunne taknamen GalbA en 
Otloo. Zoo vindt men Kato doorgaens genoemt zonder zyn ftamnaem Porcins , en an- 
dere oneindige meer. Wanneer nu iemant door aenneming in een andermans geilacht 
overging, zoo werdt achter de namen zyns Aennemers, die hy overnam, opdat men 
echter zien zou uit wat llam hy eigentlyk gefproten was , geplaetftzyn oude ftamnaem, 
doch zoo , dat deszclfs laetfte gedeelte ius of jus , wicrdt verandeit in ianus of ja- 
nus. Dienvolgens werdt Kajus Ohtavius , gelyk onze Ichryver hier wel aenmerkt, 
m d-Al hj diOor Kajus f ulius Cezar vei-zoont was, gcnoemt Kajus Jnlhts Cez.ar Okta- 
vianus : en Tiberius Klaudius Nero door Oktavianus , die door deze aenneming 
nu Kajus julius Cez^ar heette , gelyk gezegt is , (want Auguftus is een ecrnaem , hem 
door den Racd gegeven , Sueton. Aug. 7.) verzoont wordende moeft heeten Tibe- 
rius 'julius Cez.ar, met byvoeginge van zyn ouden ftamnaem nacr de gewoonewyze ver- 
andert , Klaudianus : en zoo Tiberius wederom een zoon had aengenomen , die zou 
ook al den ftamnaem van fulius en den taknaem van Cez.ar hebben moeten draegen , 
hegtende allecnlyk zyn ouden ftamnaem daer achter aen, met de gezegde veranderinge. 
üf voorts de aengenomcne den voornacm des aennemers ook overnam , dan of hy zyne 
eigene behielt, is enigszins twyfclachtigh , hoewel ik geloof, dat het op beide wyzen ge- 
fchiedc. Altoos Titus Pomfonius Attikus door zyn Oom Quintus Cecilius by tcftament 
tot zoon aengenomen zynde (want zoo konde de aennemin.'; ook gefchiedcn) wort \'an 
/ . 4j Cicero (i) naderhant genoemt ^^JKtóJ (niet Titus) Cm//WPow/>o«i«?««x. Dochdatzulks 
Attic. Lib. altyt niet heeft kunnen gefchieden, kan men daeruit zelft afnemen, dat, wannea- 'er 
III. Ep. twee of meer zonen te gelyk door iemant wierden aengenomen, dezelve, indien ze ook 
*°- den voornacm des aennemers hadden overgenomen , niet van malkanderen zouden hebben 

kunnen worden onderfcheiden. Altoos Kajus ripfanius Agrippa , en Lucius Vipfanius 
ylgrippa, door Augulhis ot Kajus Julius Cezar Oktavianus, te gc'yk verzoont zynde, 
hebben hunne vorige voornaemcn vaq Kajus en Lucius (a) bcht aden. Naderhant is 
A^^ J'J^'J" het ook wel gebeurt, dat de aengenomcne nochtc zyn eigen vooi.iaem behielt, riochte 
' , ' 'dien des aennemers overnam. Dus was Nero, dat onmenfchclyk mcnfch, voor dat hy 
van Klaudius was aengenomen, gcheeten Lucius Domitius Ahenobarbus : maer na zvne 
aenneming heeft hy noch den voornacm vzn Lucius behouden, nochte dien van T/'i^fr/»;-, 
wellce de voornacm was van Klaudius , aengenomen : maer is gcnoemt Nero Klaudius 
Druz.us s want Nero, dat outtyts eigentlyk een taknaem van 't geflacht der Klaudien was , 
is naderhant ook als een voornacm gebruikt , gelyk in 't geheel die oude gefteltheit der 
namen van tyt tot tyt meer en meer heeft beginnen verandert en verwart te worden , 
gelyk wy reeds hebben aengeroeit. En zulks niet alleen in de zoonen by aenneming , 
maer ook in de natuurlyke kinderen. Doch alzoo deze aentekening reeds zoo verre is 
uitgedyt, zullen wy hier van affcheiden, en het overige, aengaende die veranderingen, 
Iparen tot een nader gelegenhcit . 

A E N- 



w 



AENNEMING van KINDEREN. 




AENNEMING van KINDEREN. 

TWee Beelden, bekket met lange [A] tabberden, en 
die de rechte handen famen voegen, vertoonende de 
c^ndraot, in welke twee geflachten zich als tot een maken, 
i:oniende de aengenomen zoon in 't geilacht van zynen aen- 
remer. Van Keizer Adrianus heeft. men een zilveren ge- 
denkpenning [B], ziende op de aenneming van Trajanus, 
met dit opfchrifc : imp. c^s. traian. hadrian. opt. 

P. F. AVG. GERM. DAG. P A R T H I C. Dl VI T R A I A N. AVG. 

p. M. TR. p. cos. PP. Adoptio. 

Deze omfchryving word ook gevonden opeen' anderen penning, dieeen 
ftaend beek vertoont, met opgeheve handen, nevens het woortP/é'/^j [C] > 
dat is , Liefde , omdat namentlyk de verzooning een werk van Liefde is. 
Adrianus gedenkt dan in dezen penning de weldaet der aenneminge, hem 
door de godtvruchtige Liefde van Trajanus te beurt gevallen. 

De gezeide famenvoegingder handen geeft hier eendragt te kennen, en de 
Eendragt, gelyk ook de Liefde, is een zinnebeelt der aenneminge. Zieons 
zeggen bekrachtigt op eenen penning van Paukis Emihus Lcpidus, welke 
verzoont was door den vader van Markus Lepidus; die met Oktavianus 
en Antonius het beruchte Dricmanfchap oprechte. Op het ruggeftukvan 
welke gedcnkmunt een gchult hooft der eendragt te zien is, waervan Ful- 
vius Urzinus deze volgende uitlegging maekt : Ons is dikivyls gebleken ^ 
dat men, om de aenneming te betekenen , op de oude penningen de eendragt engoet- 
aerdigheit gejtelt heeft. Nu is Ennlius Patdus tot zoon aengenomen gexz-'eefl 

K 2 door 



[A] De gewoone dragr der Romeinen. 

[B] Zie (^udacns Roomfche Oudheden, pag. 45*9. of 407. alwacr ook van de plech- 
tighcit der Aenneminge wort gehandelt. 

[C] P/fMJ betekent eigentlyk alle fchuldigc liefde, als liefde tegens Godt, tegens 
ouders , tegens kinden , tegens vrienden , o^xrhcit , vaderlant enz. 



40 AENNEMING van KINDEREN. 

door den vader van Markus Lepidus, een der Driemannen y en is in plaets van 
Emiliiis Paulusgenoemt , Patdus Emdius Lepidus [DJ. 

[jy~\ Door deze aenneming ging Emilius Paulus niet over van den eenen geflachtftam 
in den anderen , maer alkenlyk in een anderen tak ; en alzoo veranderde hy met van ftam- 
naem. Opdat het echter blyken mogt , dat hy van den tak der Lepidi niet was door zy- 
ne gcbooite , fchynt hy , om zulks te kennen te geven , zyn ouden taknaem gcbragt te 
hebben voor zynen ftamnaem , dien gebruikende in plaets van een voornacm : hoewel in 
latere tyden de taknamen zelfs buiten diergelyke gevallen dilcwyls zyn verandert in voor- 
namen j gelyk te voren al is acngeroert. 

AENNEMING van KINDEREN. 

T/f/ At zaï of kan ik van dees beelden zingen , ' 

Die op ' t Romeinfch dit fchoon toneel bejiaen! 
Zy zyn alhier toch enkle vreemdelingen. 

Schoon Ripa ons hen fchetji op zyne blaên. 
Eer evenwel hen met een groet van vrintfchap. 

Te Rome golt d' aenneming tot het kmtfchap. 

H. K. POOT. 



AENROEPING. 

VErbeelt u deze in de gedaente eener Vrouwe, gekleet 
in 't root, boven uit wiens hooft eene viervlam op- 
gaet, en uit wiens mont men ook dusdanigh eene vlam ziet 

voortkomen. 

Dcwyl nu de aenroeping uit groote begeerte totdeGodtlykehulpfpruit, 
en een roepend verlangen magh heten, zoo vertoont men hatrnietonbillyk 
met de twee genoemde vierv lammen i de reden hiervan is, omdat eene wae- 
re en nuttige aenroeping niet alleen in de ftem beftaet , maer ook en wel j 
meeft in een rechte meening [A] des geeftes. Die dan dus met hart en 
mont redelyke en heilzame dingen van Godt begeert, zal ze gewis van zy- ; 
ne goedertierenheit ontfangen. I 

[A] Omdat namentlyk de geeft gelooft wort zyne woonplaets te hebben in 't hooft. Ci- 
cero Tufc. Quiïft. Lib. I. c. 29. Stc nfetnemhommis , ciuamvis eam fionvidfas , M Deum 
non vides ^ tarnen ut Deum agnofci) ex operibus ejus , pc ex memoriA rerum , & inventio-» , 
ne , & celeritate mstus , omnifjue pnlcritHdine virtHtis vim divinam mernis agmfcita. It^ ] 
^uo igitur loc 9 efi ? credo eijuidem in capite : dat is , alz.00 , hoewel men den geejl des tnen^^ 
fchen niet z.iet , gelyk^men Godt niet K.iet , moet men nochtans, geljk^tnen Godt kent uit ^ynó. ' 
ti/erken, z.00 eok^nit de gehengenijfe der zaken, en uit de vindinge, en de fnelheit der be- 
tveginge , en alle de fchoonheit der deugt, de goddelyke kracht des gteftes erkennen. In WA^ 
flaetfe is hy derhalven f wat my aengaet , Ongeloof in hooft. Hoewel hy van anderen in 
't midden van de borft geplaetlt wort. Zie Lucret. Lib. III. v. 141. Omdat nu de [ 
raetflagen door den geeft , en alzoo in 't hooft gcformeert worden , zoo fchil derden de ou- 
den , wanneer ze wilden te kennen geven , dat de ractllagLU en gedachten moeftcn ver- 
borgen zyn, Pluto, hebbende het hooft met een helmLt bedekt, en Prozei-^iina fchaken- | 
de. Dat voorts hier aen de Aenroeping een reot kloet wort gegeven, is, omdat de ko- ' 
leur des viers roet is , en de aenroeping moet vieri^h zyn. 



AERDBEVING. 



41 




AERDBEVING. 

Ti ,i[En vertoont de aerdbeving in de geftalte eens Mans, 
JlV JL ^^^^ opgeVlaze wangen, en een wonder wreet gezigt 
dat lelyk draeit. Hy fchynt met groot gewelt uit een hol of 
j fpleet der aerde te ryzen , dragende op 't hooft lange en wil- 
de lokken. Rontom hem ziet men het aerdrvk vaneen s 



ge- 



borften en opgeworpen, de boomen omgerukt en in üukken 
gebroken , en de wortels boven gekec-t. 

De aerdbeving is een trilling [AJ , die de aerde overkomt door de 
I. Deel. L dampen 

[A] Volgens Lukrctius (i), die de oorzaken der aerdbeving in 't brcds befchryfc(i)Lib-VI 
en onder anderen ook dit zegt, vs. 588 : 

Qüod nifi prorumpit, tarnen iriipems ipfè animai. 
Et fera vis venti , per crebra foramina terras 
Difpeititur , ut hon-or ; êc incutit inde tremorem : 
Frigus uti, noftros penitus quum venit in artus, 
Concutit, invitos cogcns ti-emere atque moveri. 

Afaer z.00 die felle wint en voortgedreve dampen. 
Geen tiittogt vindende^ bejioten blyven^ dan 
Verfpreiden t.y zjch door de dichte gaten van 
Het aertryk^, even als een trilling^ en verwegen 
Daerop een fchudding : als wanneer een kon komt treilen 
Door al de leden heen, en tegens ti^il en dank^ 
Ons dwingt te beven en te fchi^dden. 



Dat is: 



42 



AERDBEVING. 



dampen [B] , die in haer ingewant beklemt, hier of daer uitkom ft [C] 
zoekende, de zelve fchiidden , tot dat ze eindelyk zich met gcwelt eenen ! 
wegh openen, door welken zy dan met een fchrikkelyke fchudding uitber- 
ften, met een duidelyke openfplyting [D] der aerde. 

[B] Uit de aerdc zelfs opgekomen , of winden , van buiten fchielyk in de holtens 
der acrde ingedrongen. Lucret. Lib. VI. v. Jjó. 

[C] Ovid. Met. Lib. XV. v. 199. 

Vis fera ventorum, caccis inclula cavernis, 
Exipirare aliqua cupiens , luftataque frufti"a 
Liberiore frui coelo, quum carcere lima 
Nulla foret toto , nee pervia flatibus eflèt , 
Extentam tumefecit humum : ceu fpiritus oris 
Tendere veficam folet, aut direpta bicorni 
Terga capro. 

Dat is naer Vondels vertaling: ** ^ 

De florrem-winden eens vervaerlyk, aen het hollen , 

't Luit yflykj, '» d.en buik^ der aerde , dicht geflopt , 

Vergeeffch om ope lucht fel worftlende , en verkoopt , 

En nergens eene [pleet vernemende onder 't reppen , 

Om vryen adem en een opening te fcheppen , 

Den gront opfpanden tot een hogen krommen bult : 

Gelyk^men met den mont een blaes met wint vervult ^ 

Of eenigh boxvel. 

[D] Lukretius, ibid. 

Exagitata foras emmpitur, & fimul altam 

Diffindens terram magnum concinnat hiatum. 
Dat is : 

De wint naer buiten 

Gedreven met veel kracht, berfi uit , en fcheurt met wreet 

Gewelt den vaflen gront , en maekt een groot e fpleet. 

Zie de yflykheit der aerdbeving ook befchrevcn by Silius Iialicus Punic. Lib. V. v. 61 1 
£c fèqq. en SHnnaz.arius de Part. Virg. Lib. I. v. 381. 




af: 



A F G o D E R Y. 



43 




AFGODERY. 



E? Ene blinde Vrou, die met een wierookvat in haerehant, 
j brandende daerin reukwerk, voor eenen koperen ftier 
nederknielt. 

De afgodery is [A] een dienft dien men aen fchepfelen bewyft, fchoon 
men den zelven alleen Gode fchuldigh is. 

Het knielen betekent [B] hier godtsdienftigheit, als door welke wy in 
nedrighcit, en ootmoet, onze nietigheit, ten aenzien der Godtheit, be- 
kennen, die onbegryplyk groot en almagtigh is, en door zich zelve be- 
ftaet. Voor haer alleen moeten de gebeden uitgeftort worden, gelyk wy 
verder over het beelt van 't Gebedt zullen verklaren. 

Door het welriekend [C] wierookvat geeft men te kennen, dat de op- 
rechte en vierige gebeden, gelyk een aengenaeme reuk voor Godt opfty- 
gen ; in navolging van 't welke zich dan hier de blinde [D] afgodery 
jammcrlyk vergift en te buiten gaet. 

L 2 De 

\_A~\ Volgens de bepaling van Thomas x. i. q. 94. art. Idololatria efi cultus Deo debi- 
tus , creatum exhibitus. Godt Zelve zegt by Efaias 42. v. 8. Ik,ben de Heer ^ dMtsmyn 
naem : en myne eer z.iil il^geenen anderen geven , nochte mynen lof den gefnedenen beelden. 

[B] Namcntlyk het knielen is een teken van verncderinge , en ondei-wcrpingc acn 
een hoger magt : en daerom wort het ook in de Heilige Schrift gebruikt voor gods- 
dienftighcit bcwyzen : als i Kon. 19. V. 18. Ook^ heb il^m Ifra'el doen overbljven z.even 
duiz.ent , alle i^iien , die z.ich niet gebogen hebben voor Baal. En Ephef. 7^. v. 14. /^ 
buige myne knien tot den Vader onz.es Heer en "^ez-us Krifius. P£ 72. v. 9. wort knielen ook 
genoemt het flof lekj^n , voor z.ich vernederen. 

[C~\ Hien'an zal ook breder gcfprokcn worden over 't Gebedt. 

[Dl Te weten de blinthcit der oogen wort zinnebceldifch ovcrgebragt tot de blinr- 
heit des harten , en is alzoo een teken van onwetenhcit ; van welke de afgodery een 
uitwerking is. 



44 A F G O D E R Y. 

De metaelen Itier verheelt de gcfchape dingen , het zy ze door de na- 
tuur of door de kunft voortgehragt zyn. Want aen de zelve bewyft de 
bUnde onzinnigheit des volks dikwils den eerbiedt die Gode alleen toe- 
komt. 



APGODERY. 



J^Oe buigt zich j met verd'waelt gebaer j ' 

D' Afgodery 'voor V bUnt Altaer .' 

Hoe zwaeit ze wierookvieren ^ 
Wierjiank den waeren Godt verveelt, 
"Iterwyl men zyne glori JleeJt y 

Enfchenkt aenjlomme dieren: 
Zoo doolt men zeker al te ijvydt. 
Dees godtvergete dolheit fmyt 

De wet uit Mozes handen. 
Ontzinde menfchen, laet tt raèn: 
Gy Jiookt de helfche vlammen aen 

Met hedoos ojferbranden. 

H. K. Poot. 




A K A- 



A K A D E M I. 



45 




A K A D E M I. 



MEn beek haer uit als een doorluchtige Joffer, deftigh 
en achtbaer van gelaet , en in de befte kracht van 
haer leven. Zy draegt een goude kroon op haer hooft, en 
bekleet zich met een gewaet van verfcheide kleuren. In de 
rechte hant houdt ze een vyl , om welke men deze woorden 

leeft : DETRAHIT ATQUE POLIT ; dat is : ZY NEFMT AF EN PO- 

lYST. In haere flinke hant ziet men eenen krans, gevloch- 
ten van laurier, veil en mirt, waeraen wyders tweegranaet- 
appels hangen. Haer zetel is verfiert met loof en vruchten 
van cederen, cipreilen, eiken en oly ven: en llaet in 't mid- 
elen van een boomr) ken tuin eener hoeve , daer ze haer meefte 
verblyf heeft , en in de acngenaeme lommer der groeiende 
boomen zit , met veele boeken voor haere voeten. Vervol- 
gens ziet men by haer eenen aep, die op een aerdige manier 
met een boek fpeelt. 

Haer aenzienlyk en ruftigh wezen geeft te kennen, dat ze by eenfchran- 
der en gcficpen oordeel een A^olmaekte kennis van fraeie dingen voegt: wel- 
ke kennis in den beften tyt des levens heerlykft uitblinkt, dewyl die de 
jeugdelyke wuftheit, nochte de logheit des ouderdoms onderhevigh is. 

Dat ze met gout gekroont is , leert ons, hoe een Akademift, die uitne- 
. mende blyken des verftants in 't licht brengen wil, en onderrtcunen met 
vernuftige vonden (die in het hooft, alwaer volgens Plato in zyn boek, 
Timëus genoemt, het verftandige deel van onze ziel is, als in ecnfchatka- 
mer zyn opgefloten} dezelve moet zuiveren en polyften, gclyk men met het 
gout handelt, ten einde ze op alle toetfen mogen proef houden. 

Door de verfcheide verwen van haeren tabbert worden de verfcheide we- 

tenfchappcn uitgebeelt, die in een Akadcmi verhandelt en geleert woi-djn. 

/. Deel. M De 



. 4^ A K A D E M L 

Devyl, dichetyzer en anderemetalen wel vermindert, mier ook gladt 
en glanzigh maekt, en van den roeft zuivert, geeft te ' enncn, dut de wer- 
ken des vernufts voltoit worden, door overzien, polyllen, verbeteren en 
uitnemen van 't geen in hun overtolligh is [A] : zoodat een Akademift 
die zyne werken gaernc tot volmaektheit zoude brengen, genootzaekt is, 

die 

[A] De rcdenrykc Qiiintilinrn (i) noemt de verbetering het nmbaerfle deel derletter- 
(i) In tit t. gf^gjjjfiggf, . Emendatio , pars Jltidiorttm longe utilijjima. Dit bcftacr, narr zyn ZCf^Pcn, in 
Lib. X. ^^"^ werk te vermeerderen , te befnoeien en te veranderen : tcrwyl acn het vermeerderen 
c. 4. Vide en befnoeien niet veel moeite , maer acn het veranderen dubbele arbeit vaft is. Om dit 
&G j.Vof. naer den eifch uit te voeren, wil hy, dat men het gcfchreven voor een wyl acn rene 
^elmia^. ^yJe legge, om het zelve daerna met een va-fch oog te overzien en de feilen des te be- 
v'riVarw. ^' ^^^' ^^ ontdekken. Van welk gevoelen ook de Vcnuziner is in zyne Dichtkunfl: (2) 
Tom. i! daer hy zich aldus lact hooren : 
p. 14!!. 

de ar e"""^" Nonumque premanir in annum, 

P"^'^- ^'* Membranis intus pofitis : delere licebit ° 

3S8. . . 

Quod non edideris, nelcit vox mifia reverti. 

't Welk door Andries Pels aldus vertaelt is ; 

£n laet het dan mgh na, de negen jaer eerfi druk^n. 
Vl^at niet in 't licht is , kunt ge altyt , indien 't behoort , 
Verandren. Nimmer keert het eens gcjproken woort. 

- , Alen ziet, hoe de hoenders, zegt onze Vondel (^), den kop in de lucht fiekcnde^ met 

]^t.nlc[tii„a f^'^^k.^'^ ^^fr>'*^k.d''f"ke», en de gez.onde fchapen hei gras herkaeuwen. Hierom^ gact hy 
ter Ncd. voort : geef uwe dichren niet in uwen eerflen yver aen den dagh. Laet ze een goede wyl 
Dicht- onder u rufien : ga 'er dan eens en anderwerf ^ ja zevemverf, met verfche zinnen over : 
kiinlle. want ons oordeel is, naer de ge fieltenis der herffenen , ge/yk^de lucht , fomtps helder, fom- 

tyts betrok^n. 
(4)ZieMa- Donatus getuigt van Maro (4) , dat hy 's morgens vroeg vele vaerzen dichtende en 
do°^ v^"' ^^^ ^^^ gchcelcn dagh overvylende en likkende, gclyk de beerin haer jong, meenigte 
del voor ^^" regels op een klein getal (zulks 'er veeltyts van hondcit maer vier of zes vaerzen 
2yn Ter- overfchoten , die niet ecnigszins verandert waren) en tot zulk een volkomenheit brngt, 
taclde dat al de fchouburg hem hierop toejuichte, met hantgeklap en vrolyken galm, en de 
Eneade. zclve eerbiedigheit, die de Racdt en het volk van Rome den Keizer toedroegen. 

Wondcrlyk gevalt my hierom het zeggen van zeker Franfch fchryver, dat de vlek- 
ken en kladden, in de fchriftcn der geleerde luiden , pkuftertjcs zyn (Mouches icg^s^n 
de Francoilèn en onze \'erfianfchte Hollanders) op de wangen der Zanggodinnen, die 
de vlekken van haer aenfchyn bedekken , om hare fchoonheit bet op te hemelen. 

Maer deze verbetering moet niet te verre gacn, en de maa hieromtrent placts heb- 

f ben. Daer is 'er, zegt de bovengemelde Quintiliaen (f), die tot alle hunne fchriften ^ 

als gebrek/jk^wederkeeren j en alsof de eerfte invallen noit goet waren , de tweede altyt 

beter ac'hten ; ii^aerdoor ze dikjijls den artfen gelyk^worden , die niet alleen het bedorven^ 

maer ook^het gezonde vleefeh daerby uitfnyden. 

(6) Erafmi By de Latyrien is een bekent fpreekwoort : Manum de tabula (6) ,• wy zouden zeg- 
adigia in g^^j . jjanden van de fihildery ; 't welk op Apelles zeggen fchynt te flaen, die vol ver- 
tJ""a" ^ wondering opgetogen van zeker uitmuntent kunlHluk, door den vooitreflykcn Ichilder 

(7) Plin. Protogcnes afgemaelt , zich in deze woorden uitliet (7) : Protogenes was hem in alles 
Hift. Nat, gelyk of overtrof hem : doch hy zelve overwon Protogenes in een ding : namentlyk dat 
Lib. Protogenes de hant niet van de fchildery kon trekken , dat is , noit ophouden van nu 
XXXV. ^jj.^ ^^^ J.JJ. j.g veranderen, waerdoor hy dan veeltyts nieuwe feilen beging in fteê van 
^^^' ' ' de oude te verbeteren. Want daer is een zekere trap van volmaekth( it , dien men niet 

kan overfchi-ydcn zonder het werk te vci-flappcn en te ontzenuwen. 



A K A D E M I. 



47 



die ter toetfe te Hellen aen het oordeel van luiden die der zaeke kundigh 
zyn [B]. Dus deed Nazo volgens zyn eige woorden ; 

M 2 Sci- 

[B] Niet alleen aen het oordeel van bcquame luiden, macrookvan ': gemeen, wil de 
vader der Latynfche welfprekentheit (i), dat men zyne werken toetfe,'' gclyk de fchil- ('' Cicero 
ders en poëten gewoon xyn, om lut geen met reden bcriipt is, te verbeteren, en zoo^'^^*'^* 
wel by zich zclven als met behulp van anderen te onderzoeken welke feilen zich dacr ' ' '^"*'' 
in opdoen. En zeker met reden : want verfcheide oordeelen fchicten verfcheide (irden 
uit en z.ien de dingen van alle k.'^nten door en weder door , ter^vyl een eenigh oordeel maer 
een eeninen flrael uitfchiet , en arm bj den rj\dom van velen is (2). (il VonJcl 

Hierom had Appelles voor een gewoonte zyne kunftilukken ten toon te ftellen, om mdcOpdr. 
ieders gevoelen over de zelve te hoorcn. Van Malhcrbj den Prins der Franfchc dich-'-'^")""^- 
teren en den beroemden tooneeldichtcr Molière vint men te bock gdlagen , hoe zy^j°^^ ' 
hunne vaerzen toctften aen het oordeel zelfs hunner ditnftmacgden. Maer deze exem- 
pels zyn wat zonderling , voegt 'er de vcrmaerde Defpr^aux by f^j, die ons dit bcftclt, [jj Dans fa 
en op zynen racdt aen al de werelt niet aen te pryzcn ter navolginge. Beter en veiliger,!. Reflex. 
raedt gcpleegt met kunilbeminners , die zelfs mecfters in de kunft zyn Ari(larchen Cntique 
keurmeefiers, als \^ondel zegt (4), die uitmofifterenalwatmisflaet: want (5?f /iï//r/Vrwo?-/|"'^':"''|' 
den dichter niet van den gemeenen hoof gefchofiken ^ maer van zulken , die met kenniffe <"« Aenl. ter 
zekerheit de kroon uitreiken en het fnaterbeki:en der aek, (leren van z.wanenz.ang ouderfihei- Dichtk. 
den. Aldus was die vorft en vader der Ncderlantfchc dichteren zelft gewoon (^) de (5) Vondels 
vruchten van zyn vernuft aen mannen van gclccithcit te toonen, en zich van hun oor- "•P-77 
deel te dienen. Vaugelas , de wyfte der Franfchc fchry veren , naer Dcfprcaux oor- 
deel (6) , bcleedt , dat hy het geen fraeift in zyne Schriften was , aen deze nutb-acre gewoon- (éi Defpi. 
te verfchuldigt was. Dezen voet hielden ook in de voorgaende eeu f om nu den door- als boven, 
luchtighften Fcrdinand van Furftenburg BuTchop van Alunllcr en Padcrborn en den (7' ^^'*^ 
beroemden dichter Natalis Rondininus (7) nitt op te hulcn) dcovertrcHyke Jezu'tcnSi-J^^^^'^j^'^" 
dronius Hoflchius en Jakobus Walhus , waervan men blyk vint in de fchoone Ele-rumpocm'. 
gie (8), door den laetftcn aen den eei-ften liicrover gefchrcven. Zoo waren hun ookpag. 185. 
onder deaeloude poëten voorgegaen Propeitius , Flakkus en anderen, diezich niet lchacm-(8U- Wal- 
den hunne dichtwerken ten toetfe van Nazoos en TibuUus geflepen oordcel te brengen,''' ^' ^• 
waciTan de zelve Wallius gewaegt in 't gemelde dicht. (9)'^DeArc. 

Men moet vooral met oordeel ook letten , bv wat keurmeefter wy raedt zoeken. Dit poët. v. 
moet een man zvn niet alleen begaeft met kenniflè, maer ook openhartigh, die zyn ge- 43 4- ViJe 
voelen rontborltigh en onbewimpelt uit . Deze les geeft ons Horatius in zyne dicht- '^ Longm, 
kunft (9) : ■ ^^?' '^^'^^ 

■^ cap. I. VS. 

Reges dicuntur multis urgere culullis, '*'^' 

Et torqucre mero, quem perfpexiilè laborcnt, 

An fit amicitia dignus. Si carmina condes, 

Nunquam te fallant animi fub vulpe latentes. 

Quintilio fi quid recitares, corrige, fbdes. 

Hoc, (ajebat,) & hoc melius te poflè negares. 

Bis, terque expertum fiuftra : delerc jubebat, 

Et male tomatos incudi rcddcre verfus . 

Si defcndere delicirum, quam vertere, malles; 

Nulium ultra verbum , aut operam fumebat inanem , 

Qiiin fine rivali teque 6c tua Iblus amares. 

Vir bonus , 8c pmdens verfus reprehcndet inertes : 

Culpabit duros : incomtis allinet atrum 

Transverfb calamo fignum : ambitiola recidet 

Omamenta : parum claris luccm dare coget : 

Arguct ambigue diftum : mutanda notabit : 

Fiet Ariftarchus: nee dieet, Cur ego amicum 

Ofïèndam in nugis ? hx nugas feria ducent 

In mala, derifum femel, excepuimque finiJlre. 

't Welk 



48 A K A D E M I. 



(i) Ljb. I. ^1} Scilicet incipiam lima mordacius uti, 

Epill. j. * _..--.--.- 

ex Pont. 

^*- »• Dat is : 



Epi't- J- Et fub Judicium Singula verba vocem. 

ex Pont. 



*i& 2^^/ »« een'fcherper vyl gebruiken tot ntyn werken , 
En zelfs op 't mmjie woort met ernji en aendagt merken. 

[^'I^j^-^' En Qitintilianus geeft deze les (2) : opus poliat Imia^ dat is^ de Vylpólyftê 
het werk. 

En 



(3) A. Pels 't Welk door Andrics Pels (5) aldus op later tyden is toegepaft : 

in Horat. 

D;«h:k. p. De grooten^ om het hart van iemam door te z.ien 

*'* En af te meten ^ of hy hnnne gunfi verdien , 

Omhalen hem , doen hem met groote glaz.en toeven 
En ft ellen door den wyn zyn hooft op lojfe fchroeven. 
Gjf ock^, als ge op uiv ïi/f rj^ eens anders oordeel vergt ^ 
Let, of z.jn lammrentong een vójfenhart verbergt. 
Of recht rontuit fpreekt i of hy vrient is of verleier. 
Indien gy een gedicht vertoont aen Dokter Meier y 
Die z.al ti z.eggen, daer, verbeter dit en dat. 
Geeft gy tot antwoort , 'k^ heb al veel papiers bekladt , 
En twee- driemael verz.ogt , of il^het kon vermaken i 
J^aer na vergeeffche vlyt myn arbeit moeten flahen. 
fl'el, zegt hy, k^nt gy V niet verand'ren , fchrab het uit i 
Offmeê het , en herfmeê 't z.oo lang , tot dat het Jlnit. 
Ji^aer, z.oo ge liever , dan verbetren , uw gebreken 
Vl'ilt voorfiaen , zal hy niet een enk^l "woort meer [preken , 
JSfoch ydel ti'erk^ doen ; maer hy gunt u met mi' pop 
Alleen te fpelen naer uw zin, en fchiet u op. 

Mie wys is en den plicht eens wyzen wil betrachten. 
Zal al, wat kunfiloos is, bejlrajfen en verachten: 
Denvaerzen, die hy hardt, onlterelyk^of grof , 
Of al te zeer gefmuks , of dubbelzinnigh , of 
Te duifier vindt, zal hy een fchrab , een t eiken geve» ^ 
En heel vrymoediglyk berifpen durven ; even 
Als 't Kunfigenootfchap , door de zinfpret^k^ en de prent 
Van NIHIL ARDVVM FOLENTIBVS be^tm. 
Die zeggen noit , zou ik^ een vrient om beuzlen fleuren ? 
Voorzeker i ernfligh <fuaet fpruit fieets uit zulke leuren. 
Als hy , dit anders was geacht by tiyze liên , 
ISfu om zyn vaerzen voor een gek^zvordt aengezien.- 

. , Welke les onze Agrippyner (4) ook bevefligt met deze woorden, die deze lange aentekc- 
Ac leid ^^è '^•'^l^^n bcfluiten: Joken uwe ooren naer eenen vleier, die elk^naer den mont /preekt , 
tecDichtk.gy bedriegt niemant dan u zelven. Haet ge den openhartigen befiraffer , die gene gebreken 
verfchoont , zoo blyft ge daer in fieken. Zulke eigenzinnigen , of eer kj^ankzinnigen , zyn 
niet te raden , randen menijrmael in hunne razende kportfe al raeskallende de geneesmeeftert 
aen , en leeren , wie men fchuti/en moet. Zy wtllen hun ontflelt en misfielt ïverk vangee- 
ne fixe lezetters aengetafl nochte gehandelt hebben , en fchnkken voor de moeiljkheit enpyne 
vanhetmisftelde been te verft ellen , en in het rechte lit te voegen, zónder eens te bedenken, 
dat de Goden de hefie dinge voor ztveet en arbeit verkoopen. Zy liefkoz.en hun wanfchep- 
fels , gelyk_een aep zyne jongen. Em omzichtigh en leerzjiem geeft bemint Apolloos zonne- 
fchyn, dte alle vezeltjes en fiofjes ontdekt. 



A K A D E M I. 49 

En met reden toont Flakkus in zyne Dichtkunft (i) zyn ongenoegen, ^^'s ,,> ^^ . 
hv ziet, dat de Latynen minder vlyt aenwenden om hunne kunftwerken te 
vylen en befchaven [C] dan de Grieken. 

Nee virtute foret clarif-ve potentiiis armis, 
Qiiam lingua, Latium, fi non offenderet unvim- 
Qiiemque poëtamm limx labor, &: mora. vos, ó 
Pompilius fanguis, carmen reprehendite, quod non 
Multadies, & multa litura coercuit , atque 
Perfeftum decies non caftigavit ad ungiiem. 

Het welk Andries Pels, met eenige verandering vertalende , op onze Ne- 
derlanders aldus toepaft: 

De Nederdi'Jtfche tael ii-ert haeji zoo hooggedcht. 

Als onze kooptnanfchap y en dzo'ver gebragt ^ 

Wen '■ji'] ons macr de moeite en arheit van V verfchaven 

Getroofteti ■-^■ilden , en ons •u.'erk met uit en gaven 

Met zulk een' driftigbcit. Gydan, ó brave Stam, 

GEEL VINK E JV, edel bloet van ' t mag tig b Amjlei 'dam , 

Alaektjlaet, noch achting van gedichten, opgejiagen 

In vi-emigh miren, en voltoit in 'u:einigh dagen. 

Elk 'üi'oort zy menigmael verbetert, en verfchrapt, 

Ferfmeet, verandert, en 't onnoodige mtgekrabt. 

Petrarcha (ï) bekent dat gebrek ook van zich zelven ontrent zyne ge- [%\ Soncrto 
dichten. Dus zegt men van een onvoltoit werk , dat het nogh de vyl van '*• 
, nocde heeft. By den Romein is het woort Innam addere, onder de vyl 
brencen, bekent*. Wy gaen voort in de bcfchryving der beeltenis. * r.raim. 

LDeel. N DeS^".'; 

Ad. J8. 

[C~l Dc reden dat de mceftc hunne werken niet beter bcichavcn en polvften, is, 
omdat die ovci-zicn en vcrbctcrc n ma r wcrks in heeft , dan het fèlirvven zclft. En 
dacrom had Nffio in zyne baüingichap gcenen luft om zich des te verpyncn, gclyk hy 
in den zoo even te voren aengehaelden brief (3) door deze vaerzen te kennen geeft: /.i ^jj, j 

Nee tarnen emendo : labor hic quam fcribere major, on p. 

Menfque pati diiiiim fuftinet xgni nihil. 

Dat is . 

'K verbeter nogtans niet : deze arbeit is veel meer 
Dan 'tfchryven zelf: mjn geefl is dof en veel te teer 
Om entgh laftigh weri^te ksfnr.en ondernemen. 

Op de zelve wyze lact hy zich in eencn anderen brief aldus hooren: (x) 

^^^ f4)Lib. III 

Ssepe piget (quid enim dubitem tibi ven fiteri ?) Ep- P»"":- 

Osm'gere, Sc longi fciTe laboris onus. 



IX. VS. 1 9. 



Dat is ; 



't Verdriet my menigmael^ {want waerom zou \ontveinzen 
t Geen ivaer is?) andermael 't gefchreven t' overpeinzen. 
Of op te fleren , en d.it al te zti-are pal^ 
Te dragen van een wer!^ zoo vol van ongemak^ 



50 A K A D E M I. 

De krans , dien zy in haere flinke hant heeft, is lamengevlochten vaa 
mirt, veilen laurier, omdat deze drie planten de verfchcide Iborten van 
poëzy, die in een geleerde Akademi bloeien, te kennen geven. Aldus \ 
dient de mirt, Venus geliefde boom [D] , om een honigzoet Minnedichter I 
tekroonen, want dit gewas verbeelt aengenaemheit en verniack, volgens j 

't zeggen | 

ri)Lib. Y. [D] Dus zingt Maro in de Encadc (i) : ' 

Sic fatus, velat materna tempora myrto. 
Dat is , nacr Vondels veitaling : 

Zo9 fprak^hy *, en bevlocht z.yn hooft met mirtehlaên ^ 
E"^is. Zyn moeder toegewydt. 

De reden , wacrom de mirt aen Venus toegewydt zy , wort op verfchcide wyzen van 
(i) Phur- de geleerden uitgckgt. Daer zyn 'er (x) die willen, omdat deze plant magtigh is liefde 
11"^^^ te verwekken. Scrvius zegt (3), omdat deze boom ligt breekt, gelyk ook de liefde 
(j)AdVir- onftantvaftigh is: of omdat hy eenen lieflyken reuk van zich geeft, en Venus fchcpt ge- 
gil. Ecl. 7. neugte in welriekende geuren en zalven : ot omdat Venus , toen zy uit de zee te voor- 
61 & jï. fchyn quam, zich in de mirten verfchool, opdat zy niet naekt zou gezien worden. 
ricid.Lib. Qm^j. \■^^_^^^x. Ovidius (4) ook het oog op, wanneer hy de vrouwen, het Feeft van Venus 
{4)'Faftor. vierende, aldus aenlpreekt: 

V. jjj/ Vos quoque fub viridi myito jubet illa lavari : 

Caulïique, cur jubcat (difcite) ceita fubeft. 
Littore ficcabat rorantes nuda capillos. 

Videmnt fatyri turba protci va Dcam. 
Senfit, & appofita texit fua corpora myito. 

Tuta fuit fiifto : vofque refcrrcjubet. 

Dat is , nacr de veitaling van A. Hoogvliet : 

Zy tvil ook. dat ge u zult in mirtefchaduw baden. 

En hier is reden voor. Hoort ivaerom zy 't gehiet : 

Zy Tverdt van 't -weeligh rot der fdters eens befpiet , 

Daer z.y , ganfch naekt , aen 't flrant , de natbedaude haeren 

Opdroogde ^ en dehje z.ich met verfche mirteblaeren , 

Toen z.y 't verraet vernam. Daerom is 't ook, uw plicht. 

f O Lib. I. Omdat nu de miit geheiligt was aen Venus , verzicrt Tibullus heel acrdigh (5-), dat de 
El. j.v.^T gcelkn der minnaers, door een ontydige doot weggerukt, in de Elizeefche velden mir- 
(6) itneid- tckranfièn op het hooft dragen : ja V irgilius zegt [6) , dat ze zich daer in een geheel 
Lib. VI. i mirteboich onthouden, en hunne oude liefde nogh bewaren. Dat is ftantvaltigh' 

VS, 44^* ^ ö 

Nee procul hinc partem fufi monftrannir in omnem 

Lugentes campi : fic illos nomine dicunt. 

Hic quos durus amor crud^li tr.be percdit, 

Secreti celant callcs, & myrthea circum 

Sylva tcgit. Cui-cC non ipfa m moite relinquunt. 

Dat is, naer Vondels vertaling : 

Niet wyt van hier wort hem ■\ getoont dat luidt gez.Hcht 

Der treurende landou , {z.o wort die k^^mp geheeten) 

Die overal doorgaens z.ich uitjhekt ongemeeten. 

Hier houden zich rondom , langs afgefcheide paên , 

Beplant met mirtebofch , die in een teering Jlaen , 

Door 't bitter fynigen van haere ga te derven. 

d^Ontrufle minnezorgh hangt haer nogh aen, na 't flervcn. 



A K A D E M I. 51 

't zeggen van Piërius Valerianus (i), eigenfchappenderMingodinne: van (i'Kicrog: 
wie i\ikandcr (2} zeit, dat ze een' mirtekrans op 't hooft hadt gezet, toen ^'^- ^• 
haerde prys derlchoonheit, boven Jiino en Pallas, van Paris wert toege- (i) in a- 
kent. Zoo aengenaem was haer deeze plant. En men zegt, dat Pclops,'^"'?''^^' 
een wagenftrydt met yEnomaus, den vader van Hippodaniiahoudende, op 
! voorwaerde, dat hy overwinnende, Hippodamia zoude ten luiwelyk heb- 
ben, doch overwonnen wordende, fterven-, de overwinning behaelt heeft 
door de hulp van Venus, die hem zoo gunftigh was, omdat hy haer ter ee- 
re een beek had gemackt van groene mirt. Ook zingt Maro: (3} yii.v. 61. 

Populus Alcid.T gratillima, vitis laccho, 

Formof^e myrtus veneri , fua laurea Phoebo. 

Dat is, naer Vondels A^ertaling: 
j De populier behaegt Alcides bo've7t al ^ 

De '-ji']7i[tok Bacchiis ^ en de mirt aen Ventis dal y 
; De laii's:er f ebt/s. 

! Daer Ovidius het Aprilfeeft met zang zal inwyden, en Venus, wiens 
maent April was, om haer hulp daertoe aenroept, raekt zy zyne flapen 
■ met een' mirt aen , opdat zyne Feeftzangen, haer ter eere, zwieriger mog- 
ten klinken; als hy zegt: (4} ^ ^^^ 

Venimus ad quartum , quo tu celeberrinia , menfem. i ib. iV. 

Et vatem &: menfem fcis , Venus, efletuos, '■'^- '3- 

Mota Cytheriaca leviter mea tempora Myrro 
Contigit: Sc, coeptum perfice, dixit, opus. 
't Geen dus door A. Hoogvliet vertaelt is: 

Het IS de vierde maent 'oi.-aervan ik zinden moet, 
In "vi'elke, o J-^enus'. gygedient 'oi'ordt in wji' koor en: 
Ook -ji-eet ge dat de maent en ik n toebehoor en. 
Vohoer ii-ji' in'erk , zei die g cnadig e g odin , 
Dat gy begonnen hebt ; envlyde, zacht van zin, 
Den Cythereefchen mirt my vriendlyk op de hairen. 
Wat den lauwer en het veil [E] belangt, daermede werden alle Poëten 

N 2 zonder 

[E] Dit wns aen Bacchuï tocgcwydt, wacrom Ibmmige willen, dat de poëten met 
dit loof bekroont wierden, omdat 7.v doorgaens het cdtl dmivenllip beminnen, 't welk 
in matigheit gebruikt, het vernuft fchcrpt en opwakk^rt, gclvk Plato ZlUs niet ont- 
kent. Anderen geven 'er deze reden van : omdat de poccen , alsof zy aen Bacchus toe- 
gehciligt waren, eveneens gelyk de wynpapinnen ook lazen : of omdat het vei^ ^Ityt / , , j y^j.. 
groent, gelyk de vaerzen de eeuvvigheit verdienen, naer 't zeggen van Senaus ff). o-ii. EcI- 7. 

Daer zyn 'er ook (6), die beweren, dat Bacchus en Apollo een zelve godt, endepoë-v,. zj. 
ten hiorom in zyne hoede zyn. Zie onze aentek. over de Achtbaerheit , pag. 11. (c; Alcaml- 

Ook ila vt ons hier niet te verzwygen , hoc onder de ouden een lofl) ke gewoonte ^ / p ' 
was, hunne bockvinrekken te lieren met beelteniflên van geleerde luiden, en die met -,^6.' 
eeuwigh groenend veil te belcranflên waervan men blyk vindt byPei-fius in de voorrede 
zyner fchirapdichten : 

Heliconiadafquc, pallidamquc Pirenen 
Illis remitto , quorum imagines lambunt 
Hedene Icquaccs. 
Dat is : Ik_ laet den rei van Helikon , 

Als ook^Pirenes l^aere bron 
Aen hen , Ti^ier beelden 't veil verjtert , 
Dat kliwfffend om de hoofden zjiviert. 
Over welke plaets de doorgeleerde aentekeningen van den wytberoemden Kazaubonus 
yei'dienen ingezien te worden. 



52 A K A D E M I. 

zonder onderfcheit bekranft. Horatius die een Lierdichter (^i) was, bz 
Carm. 1. ' rocmt zich op een krans van veil, in deze woorden: 



VS. 19- 



Me dodarum ederx prxmia frontium 
Dis mifcent fuperis. 

't Welk Antonides aldus verduifcht : 

Het veil, van teêre maegdehanden 
Gevlochten voor 't gelet tert volk, 
Mengt mjnen groot en naem met tytels voor de goden. 

(i)Lib.iii En elders eifcht die zelve dichter den lauwer, ze^eende f 2) ; 

Carm. 30. J öb K ^ 



VS. IS. 



Et mihi Delphicd 
Laurocinge volens, Melpomene, comam. 
Dat is : 

Melpomene , ver fier 
Goetgnnjiigh nu myn hair met Delfifchen laurier. 

(OLib.iv Alzo acht hy ("3} ook Pindarus, insgelyks een Lierdichter , waerdigh 
Carm. i. p^f ^^^^ lau-j-'er van Apollo begiftigt te i^'orden. Echter paft het veil in 't 
byzonder den Elegidichteren [F], gelyk Meruia aentekent over 't zesde 
Treurdicht van Ovidius in 't eerfte boek, daer hy zegt; 

Si quis habes noftris fimiles in imagine vultus, 
Dememcis hederaSj Bacchica ferta^ comis. 

Ifta decent icetos felicia ligna poëtas : 
Temporibus non eft apta corona meis. 

Dat is: 

Gy, vi'ie gy zyt , ovrient, die eene beeltenis 

Hebt van my , neem het veil, aen Bacchus toegeheiligt , 

Daer af: deiayl die krans een vrolyk teken is 

Van Dichters, die ^t geluk voor ongeval beveiligt. 

Dat fier fel f aji niet aen denfiaet, daer ik in leef. 

En Propertius, ook een Elegidichter, verzoekt van Bacchus een krans 
(4}Lib.ivV'inveil, zeggende: (4} 

Ennius hirfu fa cingat fua di.£ta corona, 
Mi folia ex hedera porrige , Bacche, tua. 
Dat is: 

Laet Ennius zyn hooft met ruwe en harde blacdcn 
Onirmgen; fchenkgy my , o Bacchus , uit genade 
Uw veil tot eenen krans. 

Onder- 
op] Elcgia is eigcntlyk een Treurdicht, en diende allereerfl; tot droevige zaken; be- 
ftacndc dun uit een zesiiiatigh, dan uit ccn vyfmatigh vers, by ^•cr\viIléling. Doch 
nadcrhant heeft men die fooit van verzen gebruikt tot ;i]lerhande' Uoftc , zelfs rot de al- 
Ici-vrolykftc, als minnedichten en diergelykc; en evenwel den ^'origcn n-icmywciElegia 
behoudea De voornacmfte der Elegidichteren by de Romeinen zyn gcweeft Tibul- 
lus, Propcrtius en Ovidius.^ 



A K A D E M I. 53 

Ondertuflchenishet veil, myns oordecis, voornamentlyk eigen aen de 
Dirhirambilche Poëten [G] , aldus gennemt van de Lofzangen die zy ge- 
woon waren op te zingen ter eere van 

Ven li'yngodt Baccbus , die zyn hairen 
Bekranjïmetveilen'wyngaertbldren. Ci} Fait, C'b! 

VI. V. 483. 

Als aen wlen het veil heiligh was volgens de getuigenis van Ovidius, Faft. 
Lib. III. VS. 767. 

Hedera gratifUma Baccho. 
Hoc quoque cur ita ilt, dicere nulla mora eft. 
Nyliades Nymphx, puerum qua^rente noverca, 
Hanc frondem cunis appofuere novis. 

Het welk door Hoogvliet dus vertaelt is : 

De veükrans, dien men draegt , 
Bedmtj dat kringklend ved den izyigodt meejl behaegt. 
Men hoeft geen mtjiel om de reden na tefporen. 
Toenjliefmoêr Juno hem ging zoeken lang te -voren y 
Wert hy inzyne wieg bedekt met veil en gras ^ 
Door' Nifaes Nimfjes^ die hy aenbevolen was. 

Dus kan men ook zeggen, dat de lauwer, boven andere Poëten, den 

Heldendichteren paft, die bezigh zyn met het befchryven der helthaftige 

daden van vorften en krygsoverften, welke ook van outs, na'tbehaelenvan 

ƒ. Deel. O eene 

[G] Dus worden zy naer de lofzangen geheten, die zy ter eere van Bacchus zongen, 
Dithiraml^i gcnoemt: welken naem deze lofzangen ontleenden van Bacchus zelfs, die 
Dtthirambiis wcrt genocmt nacr een Gricx wooit , dat ni^eedeurtgh betekent : omdat 
hy, gclyk Ibmmige menen, in een fpelonk Zoude opgevoedt zyn, die twee deuren 
haddc, of omdat hy de deuren der gcbooitc twccmacl is doorgegaen, zyndc geborai 
ccrtl uit zyn moeder Semcle en daerna uit Jupyns dyc. De wyt\-ermaerde Danicl Hcins 
in zynen Lofzang, dezen godt ter eere gezongen, de namen optellende, v/acnncde hy 
aengerocpen wordt , laet zich in 't einde aldus hoorcn : 

O Dithirambtis q^root , geboren uit hu> moeder, ' 

En uit tnu vader mede , o liefelyks "^'oeder 

Van bljfchap en van vreugt , Vrou , Aian , Godt eiide Stier ^ 

Kan ^l'ater opgebroght , geboren uit het vier. 

Pomponius Mela (2) meent, dat deze fibel hacr oirfprongk daer van daen zou hebben, [%] Lib. Ili 
omdat Bacchus eerft geboren zyndc te Nyfa, de grootile iladt in India, daerna wasop-'- 7- 
gevocdt in eene fpelonk van den berg Meros , aen Jupiter geheiligt. Omdat nu Aieros 
in 't Griex een dye betekent , zoude dit gclegentheit gegeven hebben om te verdichten , 
dat Bacchus ten tvvedcn male vv^as geboren uit de dyc van Jupiter. De voortrcftèlyke 
Gerhardus Joanncs Voffius (3), een groot lieraet voor ons Vaderlant, brengt eenen ( , ] in Ety- 
andercn oirfprongk by van de fabel. Namentlyk, naer de Hebreeufche fprcekmanier mol. in 
worden alle menfchen, behalven Adam alken, en onzen Zaligmaker, den tv\-eeden A-^'''^"'-^'"' 
dam, gczegt gekomen te zyn uit de dye of lendenen des vaders. Dit hebben ze nu, "^' 
zegt die grootc man , in 't byzonder aen Bacchus tocgcfchreven , omdat Noach , daer de 
Heidenen hunnen Bacchus van maken , ccnmael geboren is naer de gemeene w}'Ze , en 
cenraacl even als herboren uit de wateren , die de gehecle werelt hadden overftclpt en 
het ganfche mcnfchelyke geflacht hebben verdelgt, behalven die acht , die in de arkc 
waren. Anderen hebben ncgh al andere reden van die benaming \'an Dithirambus , ge- 
Zogt, die men kan zien by Torrentius overHoratius, Lib. IV. Carm. 2. vs. lo. 



54 A KADE M 1. 

eeneoverwinninge, bekroont werden met dit glcriryk loof, dat zelfs den 
blixcm wedcrftaet [H]. Hierom ftelde ook Apollo in 't eerllc boek van 
Nazoos herfchepping, dezen boom rot een eertcken van zeeghafcige hel- 
dendaden [I] j en kroont zicli zelven ook met lauwertakken, als vader der 
poëten, wien hy zyne gaven inftort, door welke zy dan eencn hoogen en 
aengenamen zwier in hunne werken doen befpeuren. Tot befluic van het 
gezeide, melt Senuccius van Florence, dat hy zynen vrient Pctrarcha, 
met de drie genoemde gloriplanten heeft bekranll gezien. 

De granaetappels verbeelden de onderlinge eenigheit, die de Akade- 

miften aen eikanderen als gebonden moet houden. Want naer Piëriuszeg- 

(ijHicros;. gen (i), betekenen dusdanige appels een vereenigt gezelfchap van ver- 

Lib. Liv.fcheide menfchen, en een maetfchappy van veele volkeren, die doormin- 

^^^i,j.^' zaemheit en goet verftant elkander onderfteunen en helpen, en alzoo den 

een den anderen behouden [K]. En hierom waren zy weleer Juno toege- 

wydt, 

[H] Hiervan zullen wy fprekcn over 't Zinnebeek van de Dichtkunfl:. 

(i)Mci:am C^] De vernuftige Dichter fpreekt 'er dus van : (2) 
1. 555. 

Complcxufque fuis ramos, ut mcmbra, lacertis, 

Olcula dat ligno : rcfugit tarnen ofcula lignura. 

Cui deus , At conjux quoniam mea non potcs cflè, 

Arbor eris certe, dixit, mea. Semper habcbunt 

Te coma, tecitharx, te noftrae, laurc, pharêti-a:. 

Tu ducibus Latiis aderis , cum Ixa triumphum 

Vox canet ; Sc longje vifent Capitolia pompa:. 

't Welle onze Agrippiner in deze Ncdcrduitfche vaerzen heeft ovcrgegoten : 

De tak^n , in de plaets der leden , met z.yne armen 
Omhelz.ende , begint hy minz,aem zjch i ontfermen , 
Het hout te kujfen , en het hout ontz.egt dien k»s. 
De godt , hierom bedroeft , beantwoort dit aldus : 
Dewyl ik^ h niet , als een echtgenoot , magh dekj^n , 
Zoo z^ult ge , o lanwerboom , myn eigen boom verfire]^n. 
\yi'il met (tti/ loof myn hair, fylkoker, boog en lier 
Verfier en , en gy zjtlt 's ry\s -ueltheer trots en fier 
Bekranfen in triomf e , en 't hooft van Stats gebopnven , 
Het Kapitool z.al m zyn fiaetfi h aenfchoiiiven. 

Hoe Apollo den krygshelden en poëten bcTooft heeft met den lauwer te befchcnkcn , 
(?) De- oMvout ook de Prins der Franfche Hckeldichtercn in ücze vacrzen : (5) 

(prcaux au 

quatneme Aiix flus favans auteurs^ comme aitx plus grands gnerriers , 

r i ' ^ Afollon ne promct ^Hun nom O" des lauriers. 



Poctique. •^'"^ 



is; 



yipol belooft den geefligflen poëet , 

Gelyk^den krygshelt , voor zyn zjivttt 

En arbeit geenen andren loon , 
Dan eenen nasm en eene lauwerkroon. 

[K] Waerom de granaetappels , te iamen gevoegtmetdcnmirt, dit betekenen , dient 
kortcl)'k uitgelcgt. Die de natuur van vcrfchcide hoornen hebben onderzogt, zeggen 
ons , dat de miite- en granaetappelboomen tot malkanderen een wondcrlyken trek en ge- 
negentheit hebben, en daerom willen ze, dat men de milten digt by de granactappel- 

booiiico 



A K A D £ M I. 



.">.•) 



Nvydt, die den toenacm droeg van C02sSEIl.VATis.IX : gelyk te zien is 
op een ouden gedenkpenning van Mammea , daer JCJNCJ CONSEiv- 
VATivïX [L] op ftaet. En omdat nien deze godin het beftier toe- 
fchreef over de Koningkryken, zoo wert zy afgcbeek met een' granaetap- 
pel in de eene hantj betekenende die de eenigheit en behoudenis van lan- 
den en vol' en. 

Dewyl de oefeningen der Akademiften vccltyts zittende gefchiedden, 
hebben wy de Akademi zelve ook in die gellalte veïtoont. Waer wat hae- 
ren lloel belangt, daerop ziet men ceder- cipres- en eiketakken gefneden, 
omdat deze boomen , by Piënus (i) onbederflyk geacht, zinnebeelden der^i) Hiero- 
eett-iZ'igheit zjn. Welke duurzaemh'eit de Akademiii zich voornamelyk tengi-L''^ l. 
doel behoort voor te ftellen, om (is 't mogelyk} niets in 't licht te brengen "jj^" lii. 
dcLn'f geen den ceder, dat is, deecuwigiieiC, \z.'aerd/gh zy: aengezien rii-c lo. & 



nius (2} ons verzekert, dat alles wat met ccderoli is beftrekcn , voor het j" Vj'^Ij^' ^' 
knagen van motten en wormen t'eenemacl bevryt is: gelyk hy van NumaN^T. Lib 
Pompihus Schriften zeit(3}, die, nadat ze vyfiiondert vyfendertigh ja-f,^»]^^ 
ren met hem begraven waren geweeft , op den berg Janikulum van Kneus Nat. 1.1b. 
Terentius gevonden zyn, terwyl hy zyn lant omlpitte. Waer van daen'^'-' '^' '^ 
dan by de Latynen iemant gezegt wort tejpreken dingen die den ceder 'i^aer- 
digh Z)n, wanneer hy dingen gefproken of geichreven heeft, d\c in eeuwi- 
ge geheugnis dienen gehouden te worden. In welken zin Perfius deze 
fpreekwys gebruikt heeft (4} : waermede overeen!:omt de uitdrukking van (-^^ ^^^- '• 
Horatius , als hy fpreekt (5) van vaerzen , die nji'aerdigh zyti met ceder- i"^) ah. 
y^j> bejlreken y en in cipejfenhout beiz'aert te -Ji^orden [},\\ Want ook de^'°'-''^-^^- 

O 2 cipres^'" 

boomen plante, om ze des te vrugtbaerdct te maken. Ja ze zeggen, dat de onderlinge 
gcnegcntheit dezer boomen zoo verre gaet, dat zy, zelfs al wat verre van malkandereii 
llaende, de woitels den eenen naer den anderen toel'chicten en door malkanderen ftren- 
gelen , en dat daerom derzelvcr onderlinge inentmg wonder vrugtbaere hoornen maekt. 
Zoo dan iemanr, zegt Pierius Valerianus (6), een vrugtbaere vnentlchap op de manier, ^j Hiero- 
der Egiptcnaeren wil af beelden, die zal bcquaraelyk een miitelcians maken met graPiact- ^^l. Lib. 
appelen veiiicrt. Want het maekfel van den krans zelf zal de vriencfchap tekennenge-ï-iV.c.3wr, 
ven, waermede iemant onderling verbonden is; en de appds zullen de viueht en 't voor- 
deel, uit de vricntfchap voortkomende, verbeelden. , >j:j{-j.-j„ 

[L"l Hiervan wordt ook blyk gevonden in deRoonifcheopichriftcn vanGrutenjs(7)xxv.2. 4' 
en by Boirtlut in zync Outheden (8). Ook voert zy den naem van JLJNO SOSPlTA(s; Antu]. 
of liever SISPITA, 't welk ook BEHOUDSTER is, op de o.ide penningen, gelyk Tom. 4. 
de geleerde Heer Joachim Oudaen in zyne Roomfehe Mogcntheit ^9) , heeft aengctoont.^' "'S j.^'l^'j,.! 
Zie ook Spanheim de Pixellant. Numilm. p. 83. iche^Mo''- 

[M] Wat dezen woorden aengaet, Horatius f 10) fprekende vain mcnfchen, die zichpig. 190" 
gezet hebben op het aenbaggcren van rykuommen, vraegt wyders of men denkt, datö'^) ^^^^ 
zulkcn magtigh zyn vacrzen te diehten, die waerdigh zyn met cederiap beftreken, cnï'"'-'^"-^ï° 
in ciprellenhout bewaert te worden, dat is, die onlterHyk zullen zyn. 

At, luec animos xrugo, & cura peculi 

Cum lêmel imbucrit , fperamus carmina fingi 

Poflb linenda cedro (11) & levi fervanda cupreflb? *"' ^'"^?'^ 

^ P. Niiiim 

Dat is naer de veitaelintï van Andrics Pels .- Commeat. 

'-' ad hunc 

Maer meent men , als die roefi en z.org van geit te winnen C l" "b ' J 

Eens ingevreten , en duorkankert heeft de z-innen , Perfii fat. 

Dat iemant mooglyk^in z.yn dichten meenigh jaer ^' ^' ^^' 

En een na z.yne doot z.oti leven ? ver van daer. 

]"< • 



^6 A K A D E M I. 

cipres , fchoon hy door de Poëten doodelyk [N] en d roef gcnaemt zy, 
wort echter zoo wel als de ceder voor een eeuwige duurziiemheit genomen , 

gelyk 

De reden, waeromdie kracht der onfterflykheit of ccuwigheitaen den ceder weit toe - 
cefchrevcn ontvout ons Vitruvius II. cj. Vtt den ceder l^mt een oli, 7Kct ivelh^n andere 
din(re/i bcfireken z.jnde , (^ely/^^ ook^ de boeken , niet ivorden befchadigt van de mat of ii orm. 
Hicrorn dienden zich de ouden van dit lap tot het biiHcmen der dooden, gelvk onsPli- 
( 1 ) Hifl;. nius Iceit ( i ) , die ook aentckcnt (2) , dat zy om de duurzaemheit van het cederhout ook de 
Na:. Lib. betklen hunner goden ciaervan maekten. En niet anders is het ooic gelegen met den 
XXIV- cipres- en olyf boom : de cjpres , ceder en oljf voelen geen iform , nocbte vergaendooroti- 
T\\Ia ^^'f^ora (5). En om deze reden maekten de Athcners, naer 't vcrhael vun Thucydi- 
LiS. 'xill. des (4) kiften van ciprefienhout, wacrin begraven werden de beenderen der genen, die 
cap. 5. in den oorlogh voor 't vadcrlant fti-ydende waren gefncuvelt. Om geen andere ooi-zaek 
(j) IbiJ. qqI^ .^y^s h^t; cipreflenhout de ftofte van de beeklen der goden. Phnius (j) verhaelt, 
Lib. XVI- j,jj. ,^j. jj^ 2ynen tyt een ciprellenbeelt van Jupiter nogh in wezen was , het welk in 'c 
(VHat. zeshondeit cenenleftigfte jaer na 't bouwen van Rome op het kafteel gcwydt was. 
Lib. n. Dat moet dan toen omtrent twee hondert jaren out geweeft zyn. Men zie Thcophraft. 

(5) Hift. x,/^. ƒ// en Dioskprides Lib. I. cap. 89. als ook de AdagtA van Erafmus Chil. 4. Cent. 
Nat. Lib, jyj^^^ j)ot vorder Horadus fprcekt vanvaerzen, waerdigh in cipreflenhout bc- 

(6) Cxliu° waert te worden, zulks zegt hy of met opzicht daerop, dat de klederen die in ciprcflen 
Rhcdigin. kiftjes bcwacrt worden, vry zyn voor de motten, of hy heeft mogclyk het oog op het 
Lib XXV. {Tcvoclen van Plato (6) , welke wilde dat men 'sLands wetten, en de plechtigheden van 
"P'^J, den Goüsdienft, en wat van diergelyke natuur is, zoude fnydcn op tafels vanciprcflln- 
Nac Lib. hout, omdat hy het zelve duurzamer achte dan koper, dat anders de gewoonlykc ftofrè 
i6.*c.4o'. was, daer men de wetten in graveerde. En wat de duurzaemheit van den ceder aen- 
(«JHicrog. gact, Plinius (7) verhaelt, dat 'er te Utika, een ftadt in Afrika, in den tempel van A- 
Lib. L. pQÜQ balken waren van cederhout, die 1188 jaren hadden geduurt, zoo als ze met den 
rrTHh eerften oirfprongk van de ftadt gelegt waren. Piërius Valerianus (8) is van gedachten, 
Lib. m." dat hierom ook de Ark des Verbonds van cederhout gcmackt was. 

El. 13. [NJ Aldus wordt die boom by Nazo (9) en Virg'ilius (lo) Fer,-i/is genoemt, byden 

^^- ^'- . laetften ook atra, zwart, en by Flakkus {11) f mebris cupreffus , dat is, Ijk^oïroncipres, 
L^bl VL'"ook tnvifi (IX), haetfykofgehaet: 



V. lló. 



l'i\] Epod Linquenda tellus, & domus & placens 

5. is. Uxor : neque haiaim, quas colis, arbomm 
Lib il^o"l' Te praïtcr invifas cuprellbs , 

1 4. V . 1 1 . Ulla brevem dominiun fcquetur. 

't Welk door Jeremias de Dekker aldus is vertolkt ; 

Gv moet, gy moet u eens bereiden 
Van aerdc , en huis en hof te fcheiden , 
Ja van utve ega fris van leen 
En van die lommermilde meien , 
Die gj hier viert ^ en z.al 'er geen 
Zyns heeren trenrigh lyk^geleien 
En hem de laetfie fch.idaw fpreien 
Behalven 't droef ciprcffegroen. 

By Ovidius Ipreekt ook Apollo dezen boom, waerin zyn lieveling veranderde, met 
(,3) Meta- '^^^'^ woorden aen (13) : 

Lib'^x' ' Lugebere nobis 

V. 141. Lugebifque alios, aderilque dolentibus. 

Die daor onzen Agrippiner aldus vertaek zyn : 

Gy zjtlt in droeven fchyn 

By ons en anderen een merk van rottwe zyn. 

Welke 



A K A D E Al I. 



57 



gelyk wy zoo even zeiden. Insgclyks is ook de Eik een zinnebeelt van 
duurzaemheir, en ook, volgens den zelven Piërius, van dapperheit en 
bracfiieit. Zcodat deze boom hier ook zeer wel voegt: temeer, omdat 
in de Kapitolynfche fpelen, door keizer Dcmitiaen ingeftcit, de gene, 
die zich m de zelve dapper en braef gequeten hadden , met eike kran- 
fen tot een onfterfelyke gedachtenis, zyn befchonlen geweeft: als To- 
neelfpeelders , Muzi' anten en Poëten [O]. Waerop Juvenalis oogt, 
wanneer hy zegt : An Capitolmam deberet Pollio qtiercum fperare , ó' fidibus 
pronnttere ; dat is : Of Pollio "uvel een Kapitoljnfchen eik mogt hoopen voor zyn 
luit. En Martialis , in deze woorden : 

O cui Tarpejas licuit contingere quercus! 
Dat is: 

Ogji aen wien ^t geluk heeft gnnfligh toegeflaen 
Den Kapttoolfchen eik. 

Men zie hierover in 't brede Jozef Scaligcr Aufon. heB. Lib. I. cap. lo. 

Bovenal komt de olyf hier te pas, omdat hy altyt groen \s^ en een beelt 
van gcduurigheit flrekt. 't Welk Plutarchus zegt in zyn gailmaelCi) : Z)^ (i)i-ib.iii. 
<?/)ƒ, laurier en cipres bljven door hunne "cettigheit en hettc altyt groen, gelyk^^^ '^' 
7nede het "ceü. Deze plant wort dan, zoo om haeren duur, als omdat ze 
Pallas, de godin der wysheit , is toegewydt, by het beelt der Akadcmi 
geltelt. Laet ons door den olyf Minerva zelve verflaen, die uit het hooft 
van Jupiter geboren, van den Akademift geduurigh dient geviert en aen- 
gebedcn. Want zonder haere gaven, die in wakkerheit, fchranderheit 
/. Deel. P en 

Welke uitdrukkingen licht byzctten aen de gewoonte der Romeinen , die ccnen ci- 
prestak voor de fttrf huizen fklden, tot een teken cat 'er een lyk in dat huis was, op^ij-,, ^. 
dat niet cenigh Pricfter onkundigh dacrin tredende, bcfmet wia-de, gdyk de geleerde neid Lib. 
Scn'ius (z) en Plinius (5) daervan zeggen. Maei- d't gtichicdde alleen voor de huizen UI- ▼ «^4 
van vermoo;endc luiden nncr de eeuiigenis van LuLmus : (4) \}) ^'"^• 

Et non plebcjos ludlus tcftata cuprcfius : < ipV*^ rV 

Dat is: En de cipres, die voor de huiz.en gefielt z.ynde , een teken ir, dat 'ff geen gering ^ 
perfion is overleden . 

Hoe ook te Athene deze gewoonte in zwang ging , leert ons de zelve Scrvius. 
Feftus geeft 'er deze reden van: omdat dez.e boom uitgei.ikt zynde, niet weder opwafi , 
gfljk, van de dooden ook^ niets meer te hopeft is : om u^elke oürz.iie\t^de cipres ook in Plnteos 
hoede word geacht te z.yn . Doch ibmmigcn ontkennen dit : en dacr worden zo vele ver- 
fchillcndc redenen van gegeven, dat men niet weet , welke men kiezen moet. Ziedaer- 
oyer den doorgeleerden Antwcrpfchcn BiflchopTorrentius inzync doorwrochte aenmer- 
kingen over Horatius Lib . II. Carm . 14. v. iS». M F !! 

Daer zyn 'er (5-), die willen, dat de cipres voor doodelvk gehouden wierdt, omdat Mifcc"]/"^' 
Noachsark, van ciprefl'enhout gemaekt, in dien verfchnkkelykcn watervlort, als eensacr. Lib. 
graf gellrekt had van het ganfchc menfchclyk geilacht en alle dieren, die dacrin gcbor-IV. y. j. 
gen waren. Welke waerachtige of ten minfte waerfchynlykc reden zy meenen dat door j''"''^* 
het bygcloof der Heidenen aen de nakomelingen is overgelevert. A^ncTvol 

[O3 Die in deze fpclcn door hunne gedichten den prys boven anderen verdienende, '-p ^09. 
door den Voi-ft zelfs met cencn eikekrans bekroont werden. Joicf Scaliger wil (6), dat 
hieruit in later tyden de gewoonte óev gelauwerde Poëten is voortgevloeit, die van outsl^L^"'^""" 
ook zelfs van de Duitfchc Kcizercn gckroont, en om dit ceitckcn, door de dapperheit t'^l I°c'io 
huns TCrnufts verdient, in zonderlinge achtingc by hunne lanrgcnotcn en de Italjancnubi plura. 
gehouden werden. 



58 A K A D E M I. 



en een gezont oordeel beftaen , kan niemant een goct Akadcmift zyn. 
Waerom indien iemant van deze noodwendige gaven berooft is, van dien | 
(i) Hor».r. zegt men, dathy alles doet of fpreekt Craffa Minerva (i) , onbcfchaeft 
Lib. 11. en ruw [P] : of ook ijivita Mmerva^ dat is, in ■u.'eefjail van Mmcrva, ofte- 
cI'kco' d'^ S,cns de neiging van zyne natuur : in welken zin Horatius en Cicero deze 
Amice. 5. woorden gebruiken. Men fchryve nochte fpreke dan veel, indien ons 
verftant ontbreekt: nochte men doe, gelyk fommige fnaken, die voor A- 
kademift of Poëet willende fpelen, braven fchry veren en poëten hier en 
daer wat ontrooven , en hunne elendige werk en daermede trachten te ver- 
fieren, doch het is buiten Pallas gunft, en derhalve, hoe meer gezeit, hoe 
meer zotheit getoont. Neen, die.de onfterflyke glori der wysheit bemint 
en begeert, moet van Pallas bemint zyn, en haeren oH bcgeeren, of de 
moeite is ydel. Door blokken en waken, 't geen door den oli verheelt 
wort, zalmen Minerves gunft winnen, niet door gafteryen en dartclheden. 
Onder de oefenaers der wetenfchappen behoort dit woort te gelden, Plus 
olei quam vini [Q.] , meer oli dan "ji'yn, 't geen hier als in 't voorbygaen ge- 
zeit zy. Oletim & o^eram perdere [ü] paft op hun die alle hunne moeite 

aenwen- 

[V~\ Eigent] yk, met een groven draet, cr^Jfn filo , gclyk Cicero (i) elders fpreekt, ; 
niil Lib ^' ontlenende de Ipreekwys van de weef- en fpinkunll , gclyk de Latynfche Schryvcrs 
iX.Ep. l^ veeltyts doen. Minerva was niet alleen de Godin der Wysheit, maer ook de Uitvinr- 
ller van de Wcefkunft , en 't Wolfpinnen. Nu worden de namen van Goden en 
Godinnen door een oncigentlyke fpreekwys , in de Rederykkunll: Metonjmin caufa 
effcientis genoemt, geftck voor de zals;en zelfs, wacrvan zy Goden zyn, of diezy heb- 
ben uitgevonden . Alzoo word Mars dikwyls genomen voor den Oorlogh , Bacchits 
'^'ll r' voor den V\yn , Vnlkanus voor 't vuur , enz. en zoo word dan cmffa Minerva hier 
Ruil Lib- geeftigh gebruikt voor onbelchaeft en lomp , en zoo zegt men in tt^cnilcó ftibtiltjftma 
I.in Pri-f. Minerva (5), van 't gene, dat zeer net befchacft, en 2\s, fyn gefpomen is, gclyk Hora- 
(4) Lib. II. tius fpreekt (4), tenut deduHa po'emata filo. Het ander Latynfch fpreekwooit, wacr- 
Epift. I. xncdo. iemant gezegc wort iets te doen invita Minerva^ wort door Cicero (5-) zelfs ver- 
U)^De'of-klaeit met de woorden adverf.nite & repugnante natura, tegcns de neiging en zonder 
fic.Lib.1. hulp van zyne natuur. De placts van Hontius, daer onze Schry ver hier op ziet, is 
cap. 31. deze: (6) 

(6) De art. Tu nihil invita dices faciefve Minerva. 

Poet. 

VS. 38?. j)^,- jj^ nacr de vertaling van A. Pels : 

Doch , gy , dicht niets z.o gy Natuur niet hebt te voordeel. 

[Q__] Dit ziet op de woorden, waermcdc Demoilhcncs eens iemant, die hem vracg- 
de , door wat middel hy zoo een groot Redcnaer was geworden ? tot antwoort gaf, 

(7) r.rufon^oor meer oli te gebruiken dan -wyn (7) j te kennen gevende dat hy zyne letteroeffènin- 

Lib. IV. gen zelfs in den nacht voortzettende, veel oli verbrandde. Dit antwooit was des te 

cap. 31. fVat^icr omdat van Demoilhcncs oczem wonlt (8) uat hy o;cduurende zyn «lehelc leven 
81 Plurar. . ' j 1 i r.. v / .' ö J ö 

Symp.L.b."oit wyn gedronken heeft. 

II. Quïft. [R.] Dat is eigcntlyk oli en moeite verliez.en , zyndc by dc Latynen een bekent 

11. fpreekwooit, 't welk niet anders dan vcrgcefiche onkolt n en vmchtcloozen of verloren 

(9) Epipli-arbcit betekent. De oirfprongk van het zelve is ni^t zeker. Jakobus Nikolaus Locnzis 

' "^ ■ meent C9J, dat het genomen zy uit de keuken :alwacr de kok de fpyze bedervende gezegt 

(lü'jAd- weit, oli en moeite verfpilt te hebben^ omdat de ouden byna alle hunne Ipyzen met oli 

verf. Lib. gerect maekten. Kafpar Barthius (10) brengt het tot h.t waken en blokken by nacht, 

xxti.cap. als nien laet opzittende, 't ongeluk heeft van niets uit te rechten, en alzoo te vergeefs 

V'\ Chil ^^^^^ verbnint , en zonder vrucht arbeidt : van welke gedachten Erafmus ook niet 

I Cent.iv' "^'i'^cmt is (11) : hoewel hy 't liever toepafh op de olizalvcn, daer zich de worftelaers me- 

Adag. 62.de beftrcken, als zy in 't ftrydtperk zouden treden. Het gevoelen van Barthius heeft 

hier meeil: plaets. ündertuflchcn brengt ons dit fpreckwoort een aerdigh geval te bin- 

i^^^:^ Loco nen van den Keizer Auguftus met een raeve, door Erafmus (12) aengetekent uit Malcro- 

kudato. bius 



A K A D E M I. 



59 



acnwenden in dingen, wncroit ze noch met ccr noch met voordeel kunnen 
eeraken. En daerom bclacht Hicrcnimus ook hen, die zich onderftacn 
perfooncnteleeren, wier onbequaem verftant de wetenfchappennoit vatten 
kan, en zegt, dat ziilx oh ai kojien fciloren is, en de os in den balfcmgezon- 
den. Maer weder ter zake. De wetenfchappcn, die door arbeit en vlyt 
verkregen worden, beelt men door den olyfuit, wiens onrype vruchten 
bitter en wrang zyn, maer ryp geworden, bevint men ze aengenaem en Uef- 
lyk van fmaek. Dusmagh men ook debeginfels der kennis bitter en icherp 
noemen, ten aenzien van de moeite die men aenwenden moet, om daerinte 
vorderen 5 maer de wctcnfchappen verkregen hebbende, bevint men die, 
als rype vruchten, met overgroot genoegen, zoet en aengenaem. 

Wy plaetfen de Akademi in 't midden van een boomryken tuin en fcha- 
duwachtige hoeve, ter gedachten ifle, dat zy haeren aenvang nam in eenen 
luflhof van een zeker Atheenfch edelmam, gcnaemt Akademus. Hier ver- 
gaderde de godlyke Plato met zyne leerlmgen, om van de wetenfchappcn 
te redeneren, gelyk D. Laërtius in Platoos leven verhaelt. Karolus Ste- 
fanus zegt dat deze luflhoeve duizent fchreden van Athene af lagh, waer- 
uitblykt, dat de Akademi haeren aenvang en oirfprongk buiten op 't lant 
heeft gehadt : gelyk ze haeren naem ontleent heeft van den zoo even ge- 
noemden edelman Akademus. Hier dient dan geweten , dat de fekten der 
Filozofen van dien tyt (i} hunne namen hebben gekregen op driederlei fijDiog. 
wyze, namentlyk,of naer hunne gewoonten, ofnaer zekere plaetfen, of naer p'^'^"|;j,"' 
de eige naemen van perfoonen. Dus werden de naervolgers van Anthifte- §. , 7. sc 
nes Cynikus, naer hunne fchandelyke gewoonten , de hontfche genoemt, ^'"^P''^'"' 
het zy omdat ze zich niet ontzagen elk een aen te baflen, en een ygelyks^a prsdic. 
leven en daden, als met hondetanden te knagen en te verfcheuren, het zy Anftotci. 
omdat ze zich niet fchaemdcn hunne minncluften in 't openbaer te plegen, f^i 1^,1,. vi 
gely'' Laërtius (2) A'an Krates en Hipparchia, de zufter van Metro'- les, §. 97- 
getuigt: De vn^er (Hipparchia) zc^t hy , koos ttrjiont , en hebbende zjn ge- 
iz-aet aengenomen, ging zy met haeren man 01; er al, ai i-er mengde zich met hem 
'uleefchelyk in '/ openbaer. De naervolgers in tegendeel van Ariftotcles , heb- 
ben hunnen naem gekregen van een eerbaere gewoonte die zy hadden, zynde 
Peripatetici of wnndehcrs [S] genoemt, omdat ze al wandelende redeneer- 
den. Voorts hebben de Filozofen hunne naemen ontleent of van de Heden 
daer de inftellers van hunne fekte v.'oonden of c'cbooren waren: als de Eli- 
enzilche, Megareefchc en Cirenifche [T] : of van byzondere plaetfen, als 

P 2 de 

bius f^), dat den lezer miflchicn niet onacngcmcm zal zyn te horen. De Keizer haJdc , ^, Sj.,,^,,, 
tcnigc vogels, die hem, toen hy na de overwinning op Antonius bchaek by Aktium, Lib. il. 
weder te Rome quam, met cenen hogen titel wiftcn te groeten, daer ze op afgerecht cap. 4. 
waren , van derzelver eigenaers voor veel geks gekocht. Een m-me fchoenmakcr werdt 
daerdoor aengelokt om ook ccii vogel den Keizer zoo te leeren groeten. Dat gelukte 
in 't eerft niet heel wel, zoo dat de ichocnmaker dikwyls uit ongedult tot de rave zeide , 
moeite en kaften verloren. Eindehk evenwel leerde de ravc de woorden , daer zy mede 
groeten moil. De Keizer eens voorby komende , fprak zy die : maer deze antwoorde 
daerop; ikhebbe zulke groeters genoeg te huis. De rave, die ook de andere woorden, 
^vacl•mcdc zy haeren mcelter zoo dikwyls over haer hadde horen klagen , onthouden 
liaJde, antwoorde den Keizer juill met de zelve : moeite en kofien\verloren. Dit geviel 
Augurtus zoo wel, dat hy dezen vogel dierder kocht, dan eenige andere voorheenc. 

[S] Want ■Tti^iTfoiTüv ( peripntein ) is wandelen te zeggen. 

[^T] ELIS was een Lantfchap van Peloponnczus, met een Stadt v.iii den zelvcn 
naem, het vaderlant van den Filozoof Phxdo, den ftichter x<\x\ de Eliendfche ftktj, 

een 



(5o A K A D E M I. 

y de Stoyken, die eeril Zenoiflen genoemt waren: welke hunnen naem ont- 
fangcn hebben van hunne leerplaets te Athene, alwaer Zeno een zeker por- 
rael tot zyne oefenplaets hadde verkoren, uit welken hoofde zyne leerlin- 
gen Stoyken genoemt werden, ncLcrSioa^ dat is, een portael. Vervolgens 
onderfcheidde men de Filozofen met den naem van Sokratifche, Epikuri- 
fchc en andere, naer de naemen van de ftichters dezer fekten. En naerdien 
de Akademi haeren naem, gelyk gezeit is , aen den Atheenfchen Heer A- 
kademus fchuldigh is, en dat de Platonifehe Filozofen op deze placts da- 
(i)LiS. II. gelyks byeen quamen met oogwit, gelyk Flakkus ontvout (i), om 

In yl kademus bofch de iji'aerheit f onderzoeken y 
En V onderfcheit van recht en onrecht uit de boeken ^ 

zoo zyn de hooge Schooien, tot dezen tyt toe, onder den naem van Aka- 
demien bekent gebleven. Maer om de bcfchryving onzerbeeltenifletevol- 
toien, dient aengemerkt, dat de ftapel boeken, ontrent haere voeten ver- 
toont, den Akademift ten hoogftendienftigh is, naerdien hy, om tot ken- 
nis van vele zaeken te komen , zynen tyt moet hefteden in het lezen en her- 
lezen van geleerde fchriften. 

By de Akademi ziet men een' aep [V] tuffchen de boeken zitten, om- 
dat dit dier by de Egiptenaers voor een beek van de kunften gehouden, en 
om die reden aen Merkurius, den eerften vinder van letteren en weten- 
fchappen toegeheiligt wiert, naer 't zeggen van Piërius (2). Wie dan 
(2) Lib.viden prys der geleertheit , als een braef Al'adcmift , wenfcht te ftryken, 
'^•'P- ^- moer zich geduurigh bezig houden met zaeken die op geleerde Akademien 
verhandelt worden. 

ccn zeer grootcn vricnt van Plato. MEGARE, ook ccn ftadt vanPeloponnczus, niet 
{•,)Cicero vcrrc van Korinthc, was de gcbooitcftaJt van den Filozoof Euklidcs , den ftichtcr iX) 
Quid. A-van de Megareefehe fckte. Hy is een ander, en vry wat ouder, dan die vermaerde 
cad. Lib. wiskundige Euklidcs, wiens boeken overal zoo bekent zyn. C/^£A'£' cindclyk , ccn 
/ iV^^' ftadt van 't lantichap Gircnaica in Afrika, heeft den naem gegeven aen de Ciretiijche 
de Orat. fckte, gcftichc door Ariftippus (4), aldaer geboren. Zyn gevoelen verfchilde niet veel 
Lib. UI. van dat van Epikurus. Phsedo, Euklidcs en Ariftippus zyn alle drie leerlingen gcwecft 
cip. 13. van Sokratcs. Zie Diogcncs Lacitius Lib. II. §. 65". & lOj". 8c 106. En onzen wytbe- 
rocmden Gcrhardus Jcanncs Voflius de Philofoph. feclis, cap. 9. 10. 8c 11. 

fV] Van dat ftach , dat men Cinoccfakn noemt , zynde grooter dan een gemecnc 
aep , en wel gel y ken Je naer een meerkat ; van welke wy te Rome een out beek van 
Egiptifch marmer gezien hebben , betekenende by de Egiptenaers beide de Equinofticn 
ot Nachteveningen , en zy ftelden gcmeenlyk dcszc'fs b.vlt op hunne uurglazen, die wa- 
ter uitzypten , in placts dat door de onze zant loopt , tot onderfcheidinge der uuren, 
omdat deze aep t^ri tyde der nachteveningen, twacltma.:^! des daegs en twaelfmael des 
nachts, net alle uur eens, met zoo een heldere ftcm fchrecut als hy kan. Alzo mcx:t 
ook een Akademiit afmeten en tellen de uuren des dags en des nachts, en ccn goct ge- 
deelte dacrvan tvftedcn tot eerbacre letteroeffeningen , op dat hy van dagh tot dagh een 
wclluidcnden klank \'an zyne ftemme magh kunnen laten hooren op de Akademi. De 
aep kan daerenboven hier ook dienen tot een fchets der nacrvolgingei nademael dit dier 
zeer dikwyls nacrvolgt de gcbaerden en daden van den menfch, zelfs tot zoo ven-e, dat 
het, naer 't verhael van Elianus Amm. Lib. I. cap. 10. met een pen ktters nacrmaekt, 
gelyk als de Egiptenaers dacrvan de ondervinding hebben genomen met de voorzeide 
Cinoccfakn voor te zetten, papier, pen en inkt: en de menfch is al van kintsbeen af 
door ingecving der natuur geneigt tot naci-volginge , gelyk Ariftotelcs acnmerkt. Uit 
welke nacrvolgingc het fchynt dat de Dichtkunk hacr oirlprongk heeft gehad , zyndc 
de ainbrofia en 't zoete manna der Akademien, die gehal gericht Z)'n om naer te' vol- 
gen 



A K A D E M I. 6i 

gen en te vcrtooncn der menfchcn gewoontens, daden en hartstochten met een figuiir- 
lyke wcUprckcntlicit , verkregen te gelyk met de allercerfte onderwyzingtn , door 
middel van de naervolginge ; cenzaek die opallcAkademientenhoogftenvereifchtwoit. 

A K A D E M I. 



J-JOe byjler zou de '■ji'erelt dooien ^ 

Als in eerC onverlichten nacht , 
Indien 't gelei der hooge Schooien 

Haermet op rechte li^egen bragti 
Het zonnelicht der Schookeleertheit 
Ver dry ft den nevel der verkeertheit. 

T)oor citer klanken bout Amfton^ 

Van 'woefte fteenen poort en vejl: 
De zee is zedigh by Arion ; 

En Orfeusjlilt het tygersneji, 
In V midden van der 'm'oiiden naerheit. 
Zie in de School dees fabehujaerheit. 

Maer laet ons ook die Helden pryzen, 

Met diepen eer biedt en ontzagh. 
Laet ons de wysheit eer bewyzen , 

Die voor hunn' tyt in V dntfter lagh. 
Menpryze voort de letter braven 
Die op datfpoor kloekmoedigh draven. 

7 Ontbreekt ons aengeen Sokratejfcn 
Noch Plat 00 s, ryk van geeft, en deugt. ■ 

JVy hebben Ariftotelejfen 
Die Ie Jjen geven aen dejeugt 

Kn luifter aen de wereltftreeken 

Daer zy de let ter toorts ontfteken. 

De Godtgeleerthcit ziet men pralen y 
En adem fcheppen y ruimenbreet. 
Gehult met gou de zonneftraleny 

Enfterelyk infneeugekleet. 
Ook leert de kennis van de Rechten 
Alle ongelyken heufch beftechten. 
I Deel Q^ Hier 



62 



A K A D E M I. 

Hter fchjnt Hippokrates herboren ; 

Daer hoort men Zenoos bejie reen. 
Geen Hemelloop loopt hier verloren , 

Noch andre Kunjlen^ neen, o neen: 
Hifiorikennis , Kunjl enTaelen, 
V Schuilt al m d' Akademizalen. 

O Schooien^ laet dan alles Z'wichten 
Voor wwe ivysheity elkj>ekent. 

De iverelt heeft twee aengezichten , 
Het oude is van ons afgewent , 

Het nieuwe ziet uit heldere oogen^ 

Met minder fchaduwen betogen. 



H. K. Poot. 



De Akademi dan aldus vertoont hebbende, komen wy tot de GEE- 
STELYKE 



I 




A M P T- 



AMPTVERKOOPING. 



Ö3 




AxMPTVERKOOPING: 



EN beelden haer uit in de geftalte een er vrouwe, die met 
een zwart gewaet bedekt is, maer zulx dat men de ar- 
men en beenen bloot ziet, die lelyk melaers zyn. In haere 
flinke hant houdt ze een kleenen tempel, daer men eene wit- 
te duif met uitgefpreide vleugelen , en omringt van ftralen, 
gelyk men den H. Geeft plagt te vertooncn , op ziet. Met 
de rechte hant heft ze eene beurs opj vry wathoogerdande 
genoemde duif, en op de beurs leeft men: Intuitu pretii, 
door aeni-ien des loons. 

Naer de bepaeling der godtge leerden (^i} is de Sïmoni of koophandel van l') ^ho 
geeftlyke gaven , een voorbedacht opzet en fnode wil om heilige dingen,, 
met het aenkleven der zelve, door acnkoop re bc': omen, of ook die te ver- ^■^ 
koopen. Aldus ontleent de Simoni haeren naeni van Simon Magus [A] , 
die in 't Nieuwe Vcrbondt deeerfte vinder dier vuile fchelmery geweeftis, 
willende van den Apoflel Petrus de gaven van den H. Geeft om geit koo- 
pen, om ze op zulk een wys aen anderen te kunnen overdoen. Zyn zeg- 
gen was, nevens 't acnbicdcn van geit: Geef ook nr; deze rn^gt , dat zoo'u.'ien 
ik de handen oplegge , hy den Heiligen Geeji ontfange, gelyk door u gefchicdt. 
Maer wat was Petrus antwoort? U'ji' geit zy ?net n ten verderve , omdat gy 
gemeent hebt, dat Godtsgave door geit verkregen --jvort. Hand. Vlll. vs 19, 

Q, 2 " Ons 



i. 2. 4. 

00. art. 



20. 



[A] De tocnaem van Magus wort dezen Simon gegeven om hem te onderfcheiden 
van Simon Petrus. Wat nu het wooit Aiagus belangt , liet zelve betekende eigentlyk 
by de Perzen oudtyds niets anders, dan het geene by andere volkeren genaemt wierdt 
een F'ilozoof, Wyzc, of Priefter: waerom het door onze geleerde bybeltolkcn Matth. 
2. I. vertack v\'ort door Wjz,e. Deze Magi dan waren mannen van verlhint, die zich 
bczigh hielden ontrent het doorzoeken van Goddelyke zaken, en de geheimen der na- 
tuur: zoo dat de naem van Magus niet allccnlyk niet fchandLlyk, maer acnzienlyk was. 
Zie Bmthius over Klaudianus, pr.g. 5-90. De Heer van Til over Mattheus, kap, a. 

VS. I. 



64 A M P T V E R K O O P I N G. 

Ons beeltis geheel mét een zwart géwaet bedcTd',' verbeeldende de ge- 
veinftheit, onder welke de Smom haere liftige treken en verfoeilyke gie- 
rio-heit, als onder een dekmantel verbergt: waerom ze door de Godgeleer- 
den ook bemanteUe Stmoni wort genoemt. Voorts bediiit het zch'e zwart 
klcet, behalve 't gezeide, ook de ontbeering van Godts gcnadelicht [B], 
daer ze van ontbloot zyn, die diisdanigh een' geeftlyken koophandel wil- 
len dr wen: zoo dat deze vuile koopluiden, terwyl ze hunnen fnoden han- 
del be'def'telyk, en even als buiten 't licht en in den duiftcr pleegen, en 
Gods gaven om geit koopen of verkoopen, hunne zielen in de donkcrfte 
verderfenis nederftorten. Waerom dan ook Gregorius den Ban zoo wel 
over de köopers als verkoopers heeft uitgcfproken [C]. 

Men ziet de melaetfche armen en beenen bloot , om aen te toonen hoe 
vuil het bedryf der Simonie is. Aldus wcrt Gehazi melaetfch met alle zync 
nakomelingen, omdat hy tegens zyns liieeren Elizaes zin van den Syriër 
{il 1 Kon. js^aaman twee talenten (i} gevordert en ontfangen had j den welken Eliza, 
zender fchenkaedjen te willen aennemen, had verloft van de melaetfcheit: 
voor welke hemelfcheweldaet Gehazi, Naattian in ftilte achterna volgen- 
de, in't afwezen van den Profeet, uit vuile gierigheit geit eikhte, en dus 
de gceftlyke gaven op eenen fnoden prys Helde. Hierom worden dan ook 
de koophandelaers van heilige dingen Smoniaci en Gehaziten [D] genoemt. 

Wy 

VS. I. leidt het woort af van Mog, den eerften inflrcllcr van de voorzeidc orde der Ma- 

gi , de welke anderszins Zoroafier , dat is , Starbefclwuwer , woit bygcnaant. Doch de 

( 1 In E- vermaerde Gerhardus Joannes Voflïus meent (a), d-M het zynoirfprongkfchuldighisacn 

tymol. in een Hebrceufch woort, het we\k peinzende en l^ezigh in de kenniffe der z.aken ^ betekent. 

magus. De naem van Magus is evenwel niet altyt zoo cerwaerdigh gebleven; maer ten hoog- 

ften verfoeilyk geworden , nadat veele der Magi hunne oude pryrel)'ke kunft hadden 

beginnen te veranderen in bcdricgeryen , en voor te gev-n, dat ze toekomende dingen 

konden voorzeggen, daeitoe gebmikende alkrhande millcidingcn , beguichelingcn en 

betoveringen der oogen ; van welk flagh deze Simon was: waerom dan Alagtts ook 

wort overgezet een Toveraer: g.'lyk Hand. VIII. vs. 9. Zie Beza over Matth. II. vs. i. 

Dat ondertulTchen deze booswicht den zclvcn naem heeft gedragen , als de Apoilel Petras, 

mede Simon gcnacmt, zulks heeft den Dichter Johanncs Owenus gelegenheit gegeven 

om dit acrdigh puntdicht te verzinnen, met zinfpeling op de Simoni: 



Dat is : 



An Petrus Rom^ fuerit , fub judice lis eft : 
Simoncm Roma: ncmo fuillè negat. 

Of Petrus is geweeft te Rome , zjtïks is ftcrk^ 
Betn/ijl , en dat gefchil heeft z.elfs nu mg geen endt. 
Dat Simon is gc%veefl te Rome (o z.eldz.aem tverkj ) 
Is ZM een zekere zdel^, dut nicmant die ontkent. 

Altoos zyne navolgers zyn 'er gewceft, en zyn 'er nogh zoo in oven'locdt, dat de 
Simoni daer , indien ergens , zeer in zwang gact. Doch hoc aerdigh en hoe waerachtigh 
dit ook van Owenus gezegt zy, is het hem nochtans (naer 't verhael v^n Ant. Wood 
in zyne Hiftorie en Oudheden van Oxfoit Lib. IX. p. 143) zeer qualyk bekomen, en 
heeft hem verftokcn van een zeer aenzienlyke erfcniflè, die hy van een rykcn oom had 
te wachten gehad, van wien hy alleen om het fchryven van dit puntdicht weit onterft. 
Doch dat is 't ongeluk der Poëten, die zelden ryk zyn, en zich zelven door hunne 
fciiranderhcit dikwils fchaden. Doch dit in 't voorbygaen. 

[B] Omdat namentlyk de nacht en de duiilernis zwart, de dagh en 't licht u'it en 
^/<«Kfe^ genaemt worden. De zaek is te bekent, dan dat 'er bewys toe nodigh zy. 

j^C] De woorden luiden aldus : -Anathema danti s anathema accipienti hac eft Simo- 
niaca hs.refis ; dat is : Deze kfttery van Simoni is een vloeh^voor die gecuc die g^eft, en 
een vloek^ voor die geene die ontfangt. 

[D3 In diervocgen namentlyk , dat Smoniaci cigentlyk zyn de koopcrs van geeftclykc 
dingen, in naervoTginge van Simon Magus ; en Gehaziten de verkoopers , splyk Gehazi. 



A M P T V E R K o o P I N G. 



6S 



Wy laten ons beek een tempeltje dacr een duif op zit, in de hant hou- 
den, om aen te duiden dat de H. Kerk befliert en geregeert wort door den 
H. Geeft, van wien alle geeftlyke goederen afdaelen, gelyk Jakobus (Ois'.f^f'^" 
zcit. Maer om de uitwerkinge der Simonie klaer te A'ertocnen, ziet gy 
boven de duifeene geltbeurs gemaelt, het welk Simon Magus handel vcr- 
bcelt, die de geeftlyke gaven van Petrus wilde koopen. Dit boos en baet- 
zuchtigh opzet wort liier vertoont en door de fpreuk Intintu pretn klaerlyk 



uitgedrukt. 




AMPTVERKOOPING. [Geefleijke) 

EFne jonge VilTcherin, melaetfch van banden , in welker 
rcchrc zy cenegoudchengelrocdc houdt, die vry lang en 
dik is, hnngcnde aen de zelve gulde en zilvere angels; in de 
flinke heeft ze eene witte (lang, die men Ccrajle noemt, en 
op wiens hooft vier kleene horentjcs gezien worden. Om- 
trejit haer :eiz,gen eenige gevange viikhen : als een Zeevorjch, 
cene Sfjuat'ma, een Rho?nbus en eene Raja. 

Wat deze gceftclyke koopmanfchap is, en van wien zy haercn naem ont- 
leent, hebben wy m de befchryving van het voorgaende beek gemelt. 

Dat nu dcSimoni famenhangt van twee ten uiterften booze gebreken blykc 

aen Simon Magus haeren vinder, in wiens hart eerzucht [A] en gierigheit 

om de hoogfte placts ftrcden. Zyne geeftlyke hovaerdigheit ziet men in 

zynea wil om in het bedryvénvan wonderen met de Apoftelen te mogen ge- 

ƒ. Deel. R lyk 



[A] Deze gacn doorgaens met mal k anderen gepacrt, en de cerftc is de vocdller van 
de laaftc, nacr 't zeggen van Klaudiaiius de Laud. Stilic. (2) (t) Lib.ll. 

. VS. Ilt. 

Ac 



66 AMPTVERKOOPING. 

lyk ftaen. Zyne vervloekte gierigheit het zich befpeuren in het voorne- 
men dat hy had, om met hemelfche gaven helfche wmft te doen. Dusda- 
nigh foort van menfchen, of laet ik monfters zeggen, ontbreekt 'er noch 
niet; dewyl men ziet hoe veelen door vcrbintenillen, beloften en gefchen- 
ken naer heihge kerkampten ftaen -, niet om door het eerlyk bekleden der 
zelve Godts glori te bevorderen j maer enkelyk om hunne holle gierigheit 
met den roof der heilige dingen te kunnen voldoen, zynde om dit voorne- 
men zulk en in rang van deugt te ftellen nevens Simon Magus. Doch de- 
zer luiden boos opzet wort dikwyls door Godts voorzienigheit bchindert 
engcftuit, zulx het flechts een opzet moet blyveuj daerGehazi, in het 
andere beek genoemt, tot het verkopen der hemelfche gaven, door Godts 
gehengenis, kon overgaen, en dus in zyn foort boven velen uitmunt, maer 
ook rechtvaerdige ftraf behaelde. 

Het beek vertoont eene^^^mw, dewyl de koopluiden van geeftelyke 
gaven zich met wonderlyke grepen behelpen, en meteen viflcherlyk be- 
drogh, om zoo te fpreken, op voordeden en kerkelyke anipten uit zyn, 
maer niet om zielen te vangen, [B] dat echter hun plicht van Godts wege 
zyn zou, waertoe ze dan ook als heilzame viflchers in Petrus fchip moften 
zyn. Vergiftigh is de viffchery der Simonie, en haer doen Melaets, magh 
men zeggen, en wy zouden het bedryf en de ftraf van Gehazi hierop weder 
bybrengen , indien wy het voorhene niet gedaen hadden. Men zie het ge- 
val in 't 2 Boek der Koningen Kap 5. De melaetsheit nochtans paften wy 
zoo wel op de koopers als verkoopers der geeftlyke dingen, want ze befmet 
de zielen hier aen beide zyden, gelyk ze ook de Hchamen zulkerfchuldigen 

door 

Ac primam Icelerura matrem, quïe fèmper habendo 
Plus fiticns, patulis rimanir faucibus aurum, 
Trudis avandam , cujus foedillima nutrix 
Ambitio, quEE vcftibulis foribuique potcntum 
Excubat & pretüs commercia pofcit honorum 6cc. 

Dat is: 

Gy treet met nwen voet de gierigheit , de moeder 

Der gruivlen^ die hoe meer z.y heeft, hoezee ooi^vent/oeder 

Met haer e of en keel naer geit dorfi z.onder maet. 

H'ier voed/} er de eerz.ucht is, die altyt vroegh en Liet 

De ii/agt houdt aen de deur der magtigen , en d' ampen 

f-^erkoopt enz.. 

Gelyk de eerzucht hier genoemt wort een voedftcr der gierigheit, 200 magh men ze 

, met recht ook noemen een moedereer rovcryen. Fraci is het zeggen vnn ÏLyfias (i): 

Rutil Lup. ^^ w»/foj largitionem abfiinentia teftimonium ne credideris: multo enim confidentius hocge- 

Lib. II. w-f hominum furatcr : nam c^ho magis ejfet ad fumtum ambitionis , andacius facit rapniam , 

ut hine ipji ambitioni copia fuppedttari pojfit ; dat is: geloof niet , dat het rykJyk^U'echfchen- 

k^en van geit aen veele menfchen, een getuigenis is van eerlyklmt ; want dit ftugh van 

lieden fteelt veel onbefchroomder ; want opdat z.e te meer mogen hebben om de onko/hn van 

hunne eerz.Hgt te linnen goetmaken , rooven z.e des te fiouter : opdat !U daerdoor in Jlaet 

mogen z.yn om hunne eerz.ugt te l:unnen uitvoeren. 

[B] Hy ziet op het geene onze Hcilant zeide tcgens Petrus, toen hy hem tot het A- 
poftelfchap verkoor by Matth. 4. 18. Ende fefus wandelende aen de zee van Galilea, 
z.,ag twee broeders , namentljk^, Stmon , gez.egt Petrus , ende yindreas z.ynen broeder, het 
net in de z.ee werpende: (want z.jf waren vijfchers) ende hy z.eide tot hen, volgt my «<«, 
en ;J(_ z.al u viffchers der menfchen maken. Hierop zinfpeclt hy dan Ook , wanneer hy 
zegt het fchip van Petrus., veiitaende daerdoor de Kak. 



A M P T V E R K o o P ï N G. 67 

door wroegende pynen martelt en afmat. Lact de rechtfaerdige ferdoemems 
•uan Simon Mogus gevreefi iz-orden, die zelfs den gever van alk volbett nu end e 
te kcopcn, zeit [Cj Kafliodorus (i). De Melaetjche handen verbeeid.^n hier 
byuitlkk de onrtniheit der zelve, om dat zenit gierigheit alken naer gout ['j^ Yx^' 
en zilver grypen, en niet gewaflchen zyn in de beeken der opivchthcit. c^p. 15. 

Zie hoe Bileam Godrs wraek vreelde; want fchoon hem Üauik de Ko- 
ning der Moabyten door gout en zilver tot het vloeken van Ifiacl zochtcm 
te kopen, hy zegende het des te meer, en antwoordeaen de gezanten en Ba- 
lak zelve : Wanneer Balak my z)n hms vol zilver en gout gaeve ^ zoo vermogt 
ikechter niet het bevel des Heer en m)ns God' s te overtreden Qi). Duldanigc woor- ( t) Num. 
den magh men hun ook toevoegen, dir de or middt I van Simoni Kerl elyke ^^i^- ^s-. 
ampten en waerdighedcn zoeken. Dit mogen alleen met iz:aerheit vi'infienys, i^^. ^' 
heeten, die door 't Godlyk oordeel niet gfjirap vsor den ^ zeic [D] Kaïriodoor 
(3). De oprechte godtsdienftigen m.oeten van d^Simom eenen afkeer heb- (-ilocol. 
btn als van de melaetsheit zelve. De abt Stefanus van Cifteaux [E], om- 
gaende [F] door de dorpen, bcrilpte zynen leekcbroeder, om dit hy een 
gioot deel broots van een Simonifch prieiler acngencmien had -, ja hy 
Wilde het niet in 't klocfter gebragt hebben, maerdeed het omdeden on- 
der de dorplujdcn. Ook hoorde men den abt al zuchtende [G] zeg- 
gen : IVaerorn hebt g y dit oni fangen ? fVifig y nut dat die Triejier door Simoni 
is aengejlelt? Al ''s: at hy van de kerk heeft ont fangen , is enkel melaetsheit en 
roof. Het zy verre, dat wy zjne zonde zonden ecten. 

Laet ons nu het vifchtuig onzer vifTcherefTe eens gaen befchouwen. De 
viflchcrs gebruiken een dun riet, waeraen een fyne draet of hair vaft is, 
want grof vifchgereetfchap zou de viflchen vervacrt maeken, die van na- 
tuur achterdochtigh zvn, en naer Plutarchus (±) zecrs:en, zelfs voor de f'^' De So. 

• . . v r^ CC ' lercia Aiii* 

fchaduw van 't riet fchrikkcnj maer onze vifchter ziet men op vangft toe- malmm. 
leggen met ce^nt: hengelroede van gout , die hoe ze dikker is, hoedevifch, 
die hier belaegt wordt, gereeder te vangen is. My komt te binnen dat Ho- 
meer (5} Merkurius, den godt der winllenen koopmanfchap, eene guldejb. 
[H] roede ter hant Itelt, met welke hy de oogen van die hy wilde, keft 
doen (lapen of wakker zyn. Zoo doet de Simoni mede, die eene looze 
voedfter van winft, en voorwaer geen plomp koopwyf is: door een en de 

K 2 zelve 

[C]) Met deze woorden : Ttmeatttr Simonis jujia damij.ïtio, cju'i emendKm crcdidit to- 
nus l.irgitatis auBorem. 

[Ty\ lUnd tantum vere pojfumus lucrum dicere , cjuod covftat diviua jndicia noK pttn'tre. 

[E] Een dorp in Bourgonjc met een klooftcr, van welk dorp een zekere orde van 
monnikken hneren naem heeft ontleent. 

[F] Namtntlyk om aelmoefèn van levensonderhout te vergaderen; want hy was van 
de orde der Bedelmonnikken. 

[G]] Naer 't verhael van S. Antoninus Chron. tit. if. cap. 18. §. i. Abbus higemuit, 
& ait , cfuare accepifit ? nefciebas , (fuod presbyter ille SimoruMe ordmattts efi ? QutcqHtd 
accepit de Ecclefia , lepra, ejl & rapiita. Abjït , ut peccatum üUks commed.Amsts. 

[H3 Homerus woorden zyn deze : 

EiAtlo Je f«/3Sav , T^ r' oivS^tiv ofA^Ax]* &i>:yu , 
Inv l^iTob ^i^ïfo'ii' i')^ci>v TtiTtlo K^«"uV ' h^yit^a\Tyti, 



Odyf. 

V. 



Dat is : 



AferkuHr nam in z.yn' ham de roê ^ waer meê hy fireelty 

En door een z.agten Jlaep toejlnit een ieders oogen, 

Dien 't hem behaegt s en zi/eer door 't eigenfle vermogen 

Ontjlnit : Hiermede vloog hy fpoedigh naer beneên. Ho- 



* 68 A M P T V E R K O O P i N G. 

zelve goude roede de oogen toefluitende , om aldus onwaerdigen tot kerk- 
ïyke ampten te doen doorgacn -, en ze ook openende, opdat dicgccnemog- 
tcn worden aengenomenj voor welke de zelve als in eenen diepen flaep be- 
graven [I] wierden gehouden, en die men daerom niet zien wilde. Met 
den gouden angel te i-ijfchen [K], was het fpreekwoort van Auguftus, die 
dit echter maer pafte op zacken van weinigh aengelegentheit en voordeel, 
om welke met eenen gouden angel te leggen loopen malen, niet alleen ovcr- 
tolligh, maer ook gevaerlyk isj omdat de vifch dezelve zoude kunnen af- 
bytcn, gelyk in 't byzonder de zeevcs [L] dikwyls doet. De J/wow/ in tegen- 
deel vifcht zeker, met goude en zilvere [M] angelen: zelfs al gebeurthet, 
dat de vis daer mede heen gaet: over welke viflchery haer trouwens Dan- 
•(i) Canto te (i}, inzynehel, wel degelyk over den hekel haelt. De oude Romei- 
'^' nen wiften al, wat gout en zilver, in het bejagen van hooge ampten vcr- 

magh, en hebben ook diergelyke amptkoopingen en kuiperyen, alswelke 
tot nadeel en ondergang van den Stact moften ftrekken, op verfcheidene 

tyden 

Homerus fchryft dan dacr deze roede de kracht wel toe, die hier vermeit wort: maer 

hy noemt ze ^een goude roede. In 't tiende Bock evenwel van de Odyllèa geeft hyMer- 

kurius den nacm van "X^va-óffoiTri! ' A^yii<p<)m{ , dat is : Merkyrius die een goude roede 

(i) Lib. '^- gfi^-^ftii^t. En Horatius (x) maekt deze roede ook van gout, en zegt, dar hy 'crdegee- 

y^^j^' " ftcn der verftoi^vene menlchen mede naer de ondcraerdlchc gcweften brengt. V'irgihus 

(3) jïneid. breide hacr kracht noch verder uit, en fpreckt 'er uldus van (3) : 

l-ilj- IV. 

Ts. 141. Turn virgam capit : hac animas ille evocat Orco 

Pallcntcs , alias fub triftia Taitai-a mittlt : 

Dat fomnos , adimitquc , 6c lumina morte refignaC. 

Dat is, nacr Vondels veitaling : 

Hjf neemt hier na de roe, die zielen ka,n beroeren , 
De bleeke fchimmen aelfs verdaegt uit Plutoos ftoel. 
En ar.dre zjelen naer den droeven j^tmtyterpoel 
Door haere magt veri.ent. De jlaep komt ingejlopen , 
En vlttcht voor haer: z.j/ luikt des dooden oogen open. 

De gedacnte van deze roede befchryfc Makrobius Satiirn. Lib. I. cap. iq. En Hyginus 
zegt A'lron. Lib. II. cap. 7. dat de zslve hem van Apollo was vereert, 'aen wien hy de 
Lier, door hem. uitgevonden, hadde geichonktn. 

[Ij Namcnth'k , zoo lang als zy niv-t wiften hun gebruik van die goude roede te 
maktn. 

[K j Sucton. Aug. C. 2 ". PncUtim ^uidem aut bellum fufcipiendH^ omr.ino nes^abat , 
niji <juiim major emoiumemi fpes cjtiam damni rnetus oficr.dcretur. Nam mmma commoda 
mr. Tuinimo feBantes diferiwtne , Jlnüles ajebat ejfe aitrco humo pifcanttbut : cujus ahrupti 
dartin " - . — . 

moe, 

d 

zcide hy d.it gelyk.'::' /.ren uen de z.ulke , die met een go:iden angel vtfchten ^ wteni fchade , 

inditn z.e afgebeten wierd, door geene vangfi konde worden vergoedt. 

't Geen Auguftus misprees in een angel, voerde Nero echter uit met een geheel net, 

{4) Ncr. c.'^'e volgens 't verhael van den zelven Suetonius (4) vifchte met een net van gouddract, 

jo. dat met pvirpcre koorden uit het water wierdt gehaelt. 

ï-r(7*i'b ^^-^ Eliunus (j) fchryft, dat de zcevos al zoo loos is als de landvos j en dnt ze het 

j]'[ ■ ' 'acs, dat aen den angel zit, wel verdacht houdende, 'er evenwel wegens gu.lzighcitiiict 
af blyft, maer den angel verre inflokt en het touw terftont afgcbeten'"hLbbaide , eer de 
viftcher kan ophalen, wederom wegzvvemt: zoo dat het wel gebeurt, dat ze twee of 
drie angels afbyt, eer ze gevangen wort. Zie ook Plinius Hitl. Lib. IX. c. 15. 

[M] Zonder ecnigh aes, dat wondcrlyk fchynt, daer de viflchen anders geen angel 
zonder aes zullen inllokkcn : doch de angel is h'ier het aes zelve. 




A M P T V E R K o o r I N G. 69 

tyden, tot meer als tienmael [N] toe, door openbaere wetten verboden, 
onder welke mede was de 'VJCt 'van Acilnts \0\ aengacfide de Amptkmpery y 
of tegens het amptbejaghdoor giften of kuiperyen j volgens welke al wie 
aen zulke misdaden fchuldigh wert bevonden, dien kende menonwaerdigh 
tot Stactsampten te komen, en indien hy m den Racdt v/as, wert hy daer 
uitgezet, en men befloeg hem in eene geltboete daerenboven. Cicero was 
vorder (i} oorzaek dat zulkcn cene tienjarige ballingfchap moften onder- 'O '^io'»- 
gaen. Men bewees ook byzondere eer aen hun die dit flach van volk qua- xxxvn- 
mcnaenklagen: gelyk dan Kajus Karbo om het befchuldigen van Markus 
Kotta tot Burgemieefter, daer hy nogh maer Tribunus plebis [P] was, 
verheven wert. Pompejus fchoonvader Qiiintus Scipio wert op dusdanigh 
eenwyzeaengeklaegt; en CXKoponius zelfs veroordeelt (2} in de llraf van (ii Pün- 
Amtkuipery , omdat hy de Hem tot Magiftraet door een vat wyns van ie- l^'xxxv' 
mant had meenen te koopen. Om deze reden waeren ook de gaftmaelen ver- cap. 1 1. 
boden die men tot dat einde aenrechte, gelyk Plutarchus (3} en anderen {-^^^'" ^^' 
verhalen. Hieromtrent fchryft Polibius (^4), dat de Karthagers door o-(4)Lib.vr. 
penbaere gefchenlen tot het Magiftraetsampt quamen^ niaer dat de Ro- 
meinen zulx aen den hals ftraften. 

De Cerajle gaet, naer Pauzanias verhael, 200 wat fcheefachtigh , net 
gelyk de kreeften, het welk op 't bedrvf der Simoni gepaft v>'ort, die ook 
wel miflelyke [Q.] flappen mael t om haeren wenfch te bereiken. Het 
genoemde dier is dat, waervan Genef XLIX [R] gezeit wort, hoe hetA,„nL)'. 
mienfchen en beeften heimelyk aenvalt en grotelyx beledigt. Eliaenzeit(^5} "p. 57- 
dat deze {lang wit is , en twee hoorens op haeren kop heeft; hoewel Pli- y,,j'<..ij 
nius (6) 'er vier [S] weet te tellen. Nikander zegt (7} dat eenige van (yliwThc-' 

ƒ. Veel. S dit"*^"^- 

[N] De verfchcide wetten, tegen de AmtkuipcrvcntcRomcgemackt, en de flrancn 
daer op ceftek, zie opgctelt by Rofinus Anriq. Rom. Lib. Vlil. cap. 2.0. Lees ook 
Plutarchfis in Gat. Minor, en Dio. Kaffius Lib. XXXVI. XXXIX. XLI. LIV. en 
elders : ook het gecnc Alexander ab Alexandro heeft opgetekent in zyne / ')ies Ger.idts , 
Lib. III. cap. 17. 

[03 Deze zelve wet wordt ook geracmt de wet van Calpurnius ; omdat ze in 't 
684 jacr na 't bouwen van Rome was gem.ackc door de Biirgcrmccfters Maniiis .-!€■- 
it!4s Glabrio, en Gajus CalpurnsHs Pilo. Zie Dio Lib. XXXVI. en Rofinus, als bo- 
ven. Of volgens de chronologie, w^lke Sigonius van de Roomlche Borgcmctftercn ge- 
maekt heeft, zoude deze wet gegeven moeten zyn in het 683 Jaei' na Romcns opbou. 

[P] Of Voorftander des Volks, gelyk men 'tgcmcenlyk veitaelt, of Wvkmeeftcr, 
of Gcmeenfman , gelyk andere liever willen. Wn de bedieninge en magt van deze . 
belangt, zie wederom bv Rofinus Antiq. Rom. Lib.\'II. cap. 13. en by andere (chry- 
vers der Roomfehe Oudheden. Ondeitiillchen was dit een grootc bcvordenng, waer 
door deze Kavbo verfchcide trappen, die men anders plagt te betreden eer men lot het 
Burgermecfterfchap konde komen , overfprong. Altoos Burgermeefter te v.'oreien , eer 
men Pnetor, (Schout) was gcweeft, was geheel wat zeldzaems. 

[QJ KaMTiaf Sfc'wjf, een fcheeve loop, word met een Griekfch {]->rcekwoort gczcgt 
van die gecne, die gevcinll zyn en toeleggen op bedrogh. En in tegen .^ecl rr,^ ópbiv 
lie(.lii,iiv ó JÖ!' , dat is , den rechten weg gaen , zcide m.en van die geene , welkers handel en 
wandel eerlyk en oprecht was. Zie Erafiu. Chil. a. Gent. 7. ad. 5-4. en Chil. 3. 
Cent. f. ad. 16. 

I^Rl Alwaer zoo ftaet vers 1 7. Dan z.al een (lang z.yn aen den Wegh , en een adder- 
Jlang Nevens het padt, hytende des pacrts vcrfenen^ dat z.yn Ryder achterover valle. 

1^53 Zo men de woorden van Plinius wel gaede llact , zal men bemerken , dat hy te 
kennen geeft, dat evenwel niet alle de Cerallen vier hoorntjes hebben. Want hy zegt: 
Ceraftis corpore eminere cormctda fepe cjitadrigemina-^ dAt <^f Cfnt/^fwdikwyls vierhoornt- 
jes uit het lyffieeken : dcrhalven is dat niet altyt zoo. Izidoor zegt, dat deze hoornen 
op den kop der ceraden zyn gelyk de i-amshoornen : en dat ze hunnen naem naer die hoor- 
nen 



70 A jVI P T V E R K O O P 1 N G. 

dit addcrcngebroetfel twee, eenige vier horens dragen > en van vier, wort 
iDc i ru- ^^^^ beveftigt door Izidoor (i} en Barthol. Anglikus. Dit voorgefchrevch 
tis Aimii. hoorndier dan, is zoo loos, dat het zich in het zant verbergt, dacr het al- 
Lib. >^ii. igQn jj; horens laet uitkyken, de zelve bewegende, om de vogeltjes te lok- 
ken en vangen, dieze vooreen deel wormen aenzien, en door dit bedrogh 
lelyk in lyden raken. Dit paft immers op de Simonifchemenfchen, die, 
om tot hoogen ftaet te kunnen komen, hunne wreetheit onder verlokkende 
beloften en fchenkaedjen verbergen, en tot hun wit geraekt, hunne ei<^e 
vrienden nochte iemant ontzien te mishandelen [T] en onderdrukken. 

Men kan ook door de Cer^Jie de oude Slang verftaen, die, alsaertsvyan- 
din vanhetmenfchlykgeflacht, zelfs door de iS/^^öw/, de Simonifchemen- 
fchen, die zich door tytlyke en aertfche dingen laten verlokken, opflokt 
en in het bederf voert. Hierom üek Dante de geeftlyke ampthandelaers 
in zyne Hel, met den kop om laeg in eenen put, daer de beenen boven 
uitfteken, op wier plat geen klein vier brantj eene ftraf , zeit Landinus, 
die hen paft. Want Godt heeft den menfch met het aengezicht om hooo- 
gefchapen [V] , opdat hy zynen Schepper , door het befchouwen der he- 

melfche 

nen dragen, alzo "-k*' (keras) in 't Griekfch een hoorn betekent. C^ra/fw worden ook 
de herten genoemt, als ze volkomen groot zyn, en der zclver hoornen alle hunne tak- 
ken hebben. Zie Salmaf! Exercitat. Plinean. pag. 15-8. 

[T] De reden is wel te bevroeden. Namentlyk, die geene, die dusdanige menfchcn 
bevordert hebben, oordeelen, dat de bevorderde zoo veel aen hun verpligt is, dat zy 
byna in alles hunnen zin moeten hebben. Terwyl zy dan hem de hoornen , dat is zyn 
11) Piënus '^^S"-; (want hoornen zyn ook een teken van magt en waerdigheit) (2) ontydigh wil- 
Hicrot;!. ^^J^ binden, en hem onvoorzigtiglyk wat te veel regecren en naer hun hant llelTen, als 
Lib. VII. die wel zouden willen hebben, dat de bevorderde maer regeerde in ichyn, en zyinder 
c. i8&;i9.dact; zoo geven zy hem dikwyls gelegenheit om zyne wreetheit het allerecrft aen hen 
te oefenen: dacr in tegendeel die geene, die door eerlyke middelen tot hogen llaet is be- 
vordert, zulke voorwerpen niet ontmoet; maer meer, gelyk ook redelyk is, naer zyn 
... eigen goeddunken en oordeel alles beftieit en regeert, dat tot zyne bediening behoort. 
Lib. " v™' t^3 Frad zyn ten dezen opzichte de vaerzen van Ovidius (5) : 

'*■ Pronaque quum fpeftent animalia csetera terram, 

Os homini fublimè dedit, ccelumque tueri 
Juflït, & creólos ad fidera tollere vultus. 

Dat is , naer Vondels vertaling : 

« Pj. Dewyl een ieder dier naer d' aerde z.ict in 't fjkj 

Schepper. Bootz.eerde hy * den menfch met aengezicht en oogen 

Recht opwaert , om 't geflarnt te aenfchouwen , en bewoogeu 
Zich z.elf te fpiegelen in fiarrelichte hof. 

(4) Metro En noch fraeier Boëthius (4). 

V.Lib.V. ^^ 

Unica gens hominum celfum levat altius cacumen, 
Atque levis reéto ftat corporc, dcfpicitque terras. 
Hitc (nifi terrenus male defipis) admonet figura, 
Qiii refto coelum vultu petis , cxlcrisque frontem , 
In fublime feras animum quoque, nee gravata pefliim 
Inferior lldat mens corpore celllus levato. 

Dat is naer de vertaling van den Heere Gargon : 

En geen dieren^ dan de menfihen, Jlaen hun aenz.igt hemelwaert ^ 
Dat hen leer en moet te wenfchen iets , dat hooger is als de aerd . 
Wilt gy , menfch l het wit dan treffen van uw hoven-dier gefialt , 
Poog Hw z.ielen te verheffen, daer men boven 't dicrlyk^bralt. 



A M P T V E R K o o P ï N G. 



71 



melfche dingen zon leefen kennen en eerenj daer ondcrtuffchcn de Srmonï 
door gierigheit geduurigh naer gout en zilver , zaken onder de aerde be- 
dolven, blyf: Zien, en 't gezicht al zoo vanden Hemel afwendende, ójiw 
plicht van den befchouwenden menfch verkeert^ en ondergcdompclt van 
aerdfchc dingen den Hemel de voeten toekeert. Ter dezer oorzack llelt 
de gemelde Poëet de Simoniaenen het onderfte boven in de hel -, of hy wil 
miflchien door het boven uitfteken der beenen, den val van den inileller 
dezer Sekte, ik meene Simon Magus, verftaen hebben ; die om iet wonders 
te toonen, i\\ de lucht (zal ik dan me maer zeggen} [W] opvloog j maer 
door Petrus tegenwoordigheit, die des vliegers boosheitbeftrafte, deerlyk 
op de aerde nederftortte en byna den hals brak, die echter nogh heel bleef, 
maer den goeden man waren de beide beenen in ftukkcn , waerna hy einde- 
lyk de kramp kreeg, en ter zielen voer. 

De vijfchin die by ons beek leggen, zyn even liftigh als de Cercfle. Pli- 
nius zeit (i) dat de zeevorfch eerft het water freweldigh beroert, waerna 
zy dan de horentjes pas boven het drabbige uitfteekt, en de viflchen aen-c^l. _^i,' 
lokt. Als dit gelukt, fpringt ze toe en vat de zelve. De andere vijfchen 
[X], by de beeltenis vertoont, behelpen zich ook met bedrogh. Ik geef 
ze ten beften aen onze jonge viflcherin, en bereide my tor verder 



[W] Zoo hebben fbmmigc Ichryvers verhaelt. Sulpicius Scverus zegt (2) , dat hy 
ondci-fchraegt is gcwceft van twee duivelen: en Arnobius zegt , dat hy met een vicrigen 
wagen in de lucht opvoer. Doch andere houden ditvooi-ecn vcrdichtzel. Niceforus Weet 
dacrenboven te zeggen, dat hy juift omtrent het Kapitolium te Rome ncerftortte : zoo 
net heeft men zelft de plaets van zyn val aengcwezen. Zie Grotius over i Theflal. 2. 
VS. 8. en 9. en Hornius over Sulpicius Severus Sacr. Hill. Lib. II. pag. 369 & 570. 

[X] V^an alle dezcvillchcn zullen wy hier niets zeggen, dan alleenlyk het geene 'er 
Plinius van melt (3), Nee minor foUrtU ratitt , <fu£ in man pifc.urix vocatnr. Etninentia 
fub oculis cornicuLi tnrbato lime exferit , ajfultantes fifciculos attrahens , donec tam prope 
accedant ut ajfiliat. Simili modo pjuatina , & rhorttbus abdhipmnas exertas movemfpecie 
'vermiculortim : itemcjue ijUA vocatur raja : dat is. En niet minder is de doortraptheit van 
de vorfch , dte men tn de z.ee Ftjfcherfche noemt. De hoorn/jes , die kier van onder de 
00" en uit komen, fieekt z.e boven 't/Ijl^, dat z.e geroert heeft, de toeschietende vtfjes tot 
zich Zoekende , tot dat z.e z.00 na by haer komen , dat z.y z.e befprtngt. Op gelyke 'wyz.e 
doen de Stjuatina en de r hombus, die zich z.elven verborgen hebbende, haere vinnen buiten 
uitfleken en beweegen ge/jk^a/s wormtjes: en z.00 doet ook^de vis dien men raja noemt. De 
Raja meent men dat de Roeh is j de Rombus de Tarbot ; en de Squatina noemen fóm- 
mige een Zcc-egel. Doch deze dingen zyn niet zeer zeker. 



(i) Sicra: 
Hift.i-.ll. 



f5) Hi(h 
Nit. Lib. 
IX c. 41. 




S 2 



ARBEIT, 



72 



A R B E I T. 



(i)-iïncid. 
Lib.VI. 
TS. 30S. 




[i)Lib.II 
El. 7.V. i 



A R B E I T, (slovery) 

Dien wy venoonen in de hoedanigheit van eene in 't 
groen gekleedde Jongkvrou , die in haere hant een open 
boek houdt, alsof ze las. Ter zyde van haerftaet een jonge os. 
Cicero [A] noemt den arbeit of flovery eene 'verrichting of des gemoets of 
des lichaems ; doende eenigh ziioaer iji-erk: en men geeft ze een groen gewaet, 
om de hoop uit te beelden, die haer dekt en [Bj onderhout. 

Men 

\_K] Tufcul Quaefl. Lib. ü. cap. 15" Labor efl fttnElis quedam vel animi vel corpori: 
gravioris eperis & muneris. 

[B] De groene kleur is cenzinnebeclt van al dat fris enwelgcdaen is, ja van 't leven 
zelfs : welke zinnebeeldifchc betekenis ontleent is van boomen en gcwailcn, die zoo 
lang ze groen zyn, leven; maer ftcrvende, verdorren. Virgilius hierom willende te 
kennen geven, dat de Ouderdom vanCharon noch frifch en fterk, en even als verre van 
de doet afwas, noemt ze groen {\): 

Jam fcnior: iêd cruda Deo viridisquc fcncaus. 
Door Vondel aldus vertaelt : 

T)ees Godheit is ftok»ut , doch fpjkerhart en fterk^ 
Dat Vondel y?ifri^ vertaelt, is cigcntlyk ^ra^M . Sommige Geneesheeren zyn van gevoe- 
len, dat di.z groene kleur haer oirfprongk heeft uit eene geduurigcv.'armte: het weïkc in- 
dien wacr is , zoo wort ze zeker zeer gcvoeglyk voor een zinncbcelt van kracht en le- 
ven genomen , dcwyl het leven in wai'mtc beftact. Zie Cafmova Hierogh & Emhl. 
Aied. 2. ^. En dcwyl in alle ongemak en tegenfpoct 'er geen krachtiger vocdfcl voor 't 
leven is dat de hope (die ook zelfs een groen kleed wort tocgcfchreven , 't zy om dat, 
wanneer de kruiden groen worden men hope begint telchcppen van voordcel uit de zelve j 
gelyk in 't zinncbeelt van de hope zal gezegt worden) zoo wort dezelve hier niet qiialyk 
onder 't zinncbcelt van 't gi'ocneklect by den Arbeit gevoegt: Spes pritr^tii foLitium fit la' 
boris, zegt Hieronimus in Ep'tfl. dat is, de hoope van heloninge ^i'ort een trooj} des arbeits . 

En Tibullus (^) : 

Finirent multi letho mala : credula vitam 
Spes fovet, Sc mclius cras fore, fempcr ait. 



Dat 



Eene eigewil'ge doot z.o;i veele een eind' van z.orgen 
F'erJlrekJ^n bjaldien de Ugt gelovig hoop 
Niet voede 't leven , en Jleets , zeidc dat I-et morgen 
Celiiljijger z.ou gaen met een ge^ienfchter loop. 



A R B E I T. "^ 73 

Men maelt h.ier jeugdigh, omdat de jong!,heir bcquamer istocdcaar- 
beitdan de ouderdom. Ovidius zingt hierom in 7yne Minnckunll (^i_), (i)iib. ii. 
ten bev/yze dat de jeugt moeite en arbc;t getrocft zyn moet : ^*' *^^' 

Laet tr^-e jeugt den arbeU diagai ; 
ƒ/>■ valt ti z-a-aer -voor d' oude dagen [C]. 

Hetleezenin 't boek bete' ent den arbeit des gemoets, het wel! e be- 
grypt voornamentlyk door middel van de oogen [D], zynde de gemakke- 
lyl fte wegh voor 't verfbant, om te komen tot de wetenfchappenenwysheit, 
in allerlei zaeken , gelyk men voorts door den jongen os, den arbeit des 
h'chaems verftaen moet, gelyk Xazo te kennen geeft (z) wanneer hy de'^-'Mctam. 
jonge oflen arbatdragaide of arbeitzaem noemt [E] : Men kan ook den tj^,.^^' 

rCl Dum zh-fs anr.'njtte finunt , tolerj.te labores : 

7-"w veniet tidcito curva Jenecia pede . 
\Tf\ Polcmon noemde de oogcn de deur des ^emoets: welke naem niet alleenlrk aen 
hun kan gegeven worden, omdat men door de zclve.de geftcldheit des gemo.ts, als 
blvdfchap, droef heit enz. ontdekt (waerom lomniige het oog een waeraehnge bode des 
harren h.bben genoom t) en even als door een dv;ur in de gemoederen intreedt : macr 
ook wel dacrom , ome'at door de oogen alle kcnr.is van zaken in de gemoederen wort 
ingelaten meer en zekerder dan door de o-, ren, wordende de tiingen, die ra..n dcor het 
gezicht bcgrj-pt, doorgaens eerder en klacrder verftaen, dan die men bevat door het ge- 
hoor . Dus was ook het oordeel van Horatius, die dacrom zegt (5) : fjl Arr. 
Stgnius irritant animos dcmilla per aurcm , I'°=^t- fs* 
Quam qua: ilmt oculis fubjecta iidcubus, '*°' 
Dat is : 

V CerKoet v,ort door het geen het oor Ijoort , niet zoo li/t 
Be%foo^e)3 , dan door 't feen men voor het troHzv aezJcht 
Stelt fhtekt en bloot. 
En Plaums r4) noemt heel gceftigh de handen van een hoerewaerdin geoogt , als (4) Afinar. 
welke allecnlvk è&t gcene als zeker geloofden dat ze zagen, en zich niet betrouden op ^^- ^- *'^- 
het gecnc zv ilechrs hoorden, dat is, met onzekere Ixloften. ^'^^' *°" 

[È] xMatam. Lib. XV. vers 128.^ 

Numenquc fuprcmum 
Csede Itthoriferi credunt gauderc fnvenci. 
Dat is , naer \'^ondcls vertaling : 

Af en dry ft , het Godmdom in 's Hemels hooien troon 
V.'ort door het jl^ckten van lalldmgend vee fn dieren 
Gedient. 
Ei^cndvk , van een arbeitdrAgenden Jongen os. Hct is Ixkcnt, dat men in oude 
t}den, gcivk ook nogh hedendaegs geiehict in verleheide geweften, de oliln g^biuikt 
heeft tot den hintlxiu en ander zwaer werk : als zynde tacie en ilerke dieren : gtl) k 
'er Ovidius van z-gt: (f) (o Er 

Cmis ut in duris (Sc quid bovc firmius) arvis Pont. Lib. 

Fortia tarnxjioim corpora fi-angat opus. '• Ep- s- 

Dat is : 

Aien x^iet , hoe dat de fiier {en 'u-at is toch z.00 firrl^ 
En ruei als rttndren?) door het drnkj^nd i^l^ru/erk^ 
Ge^-er.l>t nart. 
\^^annea' de Egiptenaers op een beeldlprakige wyze zwaer werk wilden te kennen 
g-r-cn, Ichiidcrdcn zy den kop en de hoomrn van een ftier, doch wanneer zy den kop 
en Je hoort ns van een koe Ichildcrden, gaven zy v.Taek te kennen, gelvk Horus Apol- 
lo (6) vcrhaelt, of, gelyk Piërius V'akrianus zegt (7) , verlcgentheit en bcnaeutheit. , 
Het onderfcheit nu tairchcn ftier- en koehoorncn , kende men dacr acn, dat de ecrfte '''!u°;.^'' 
grootcr tn kronkchger zvn; daer die van een koe klcinder zvn, en een rechter ombui- 1.1b. ai. 
ging hebben, byna gelyk zig de nieuwe maen vertoont. Sqmmige, dien dat onder- cap. n. 
icheic niet klaer genoeg fchcen, hebben, wanneer zy aibeit en werk wilden te kennen 
geven, fchuppcn, eggai en ander boaen gercedlchap acn de hoornen gebonden : doch 
Piëriu"; (S) keuit dat niet voor gevoeglvk. '*^ ^'^' ^• 

/. Deel. ' T ARBEIT 



74 A R B E I T. 

AREEIT (S LOVER y) 

% 'TErbeelden door een flerk Vrouwmenfch , dat met een 
V ezelsliuit bekleet is, dragende tot een fierlyk hulfel, 
den czelskop, als een nieuwe foort van iiuiven of kuiven , op 

de hairen. 

Elk weet dat de ezel tot flovery en dragen [A] van laften geboren is ; en 
daerom komt hy, onzes oordeels, hier zeer wel te pas. Maer om het hul- 
fel zyn' vollen tooi te geven , magh men 'er nogh twee kraenevleiigels aen- 
hechten , en men zou het beek ook twee pooten van den zelven vogel kunnen 
in de hant geven : want het is een out gevoelen , dat , als men de zenuwen der 
wieken of der pooten van eenen kraen by zich draegt, ons dan alle arbeit 
licht zal vallen, en niet verdrietigh zyn. Zie Piërius in 't XVII. Boek, 
kap. 33. 

I^A] F'oor eenen ez.el behoort voeder en ten JloJ^ en lafr s voor eenen htiislariecht fpys > en 

(i) I.cc\z^.tuchting en werl^, 7.cgt Jcfus Sirach (i). Ja de ezel is zoo tot arbeit en tiende geboren, 

v j'&l' ^'^^ ^y" '^"''- '^ "'' ^y" '^°°^ S^^" ™^ heeft, wordende met verfcheide gaten docr- 

nü Adac" ^°^'"^ °™ ^^^ ^'^'^^" ^^ dienen. By Fasdrus (z) maken de Priefters van Cj bele van het 

93. 0611:° J vel van hunnen ezel, die van arbeit en flagen geftor\'en was , een trommel ; en ga-racgc 

(i) Lib. zyndc waerom zy zulks deden, geven zy tot antwoort, h uiteinde, dat hy na z.yr.e dooi: 

Fab, x^onde gerufi z.jn , maer ziet nu hy doot is , krygt hy nieuwe flagen op z^yne htiit. Om het 

ongelukkige lot van dit dier, dat tot arbeiden en 't dragen van laften eeuwiglyk fchvnt 

VCToordeelt te zyn, hebben ibmmige, wanneer ze op een beeltfprakige wyze een llaef- 

fchcn arbeit wilden te kennen geven, ook een ezel gelchildcrt met zyn fcheenzadels. 

IHierocr.J^ deze betekenis is volgens de aenmerldng van Piënus (3), uit Aitemon ovcrgcgacn 

Lib. x[i°'^^^^ tot de droomcn j zoodat, wanneer iemant droomde, dat hy een ezelskop of ezcls- 

cap." IX. &ooren hadde, de Droomverklaerders zulks uitleiden, dat aen zoo een menfch rampen 

Lib.xxxnien flaverny vooripelt wierden. 

cap. 17. 




<* 



A R G- 



ARGLISTIGHEIT. 



7^ 





ARGLISTIGHEIT, 

Jt zinnebeelt verfchynt als eene Vrou , wiens kleet een 
voflevel is : daerenboven is ze zelf zeer root van aen- 
gezigt , en draegt eenen aep in den arm. 

De bédriegelyke loosheic wort door Thomas Aquinas ("i} eenfnoodbe- (O^-s. 
dry f genocmt , waermede zy zich behelpen , die door onbetamelyke mid- ^; ^^•^'^^ 
delen hunne begeerte trachten te verkrygen. Omdat nu de vos voor het 
loosde dier gehouden wort , gelyk dit Ezopus Fabelen öok doorgaens doen 
blyken , zoo hebben wy deze beeltenis met de huit [Aj van dit hftjgh beeft 

om- 

[A] De loosheit van den vos is berucht j en wy kunnen hem dacrvan overtuigen 
met het geen hy van zich zelf bekent by Plutarchus (2), alwaer als de luipaerc hem 
in vergelykingc van zich zelven veracht, omdat hy een huit had, die door zoo ve- 
le fraeje kleuren verflcrt was j zoo antwoort de vos, dat hy die verfcheidenheit van 
kleuren in zyn' hart had, die de luipaert had op zyn' rug. In onze moedertael is het 
gemeen een arglilligh en doortrapt menfch den naem van z'os te geven j en de zelfde 
fpreekwyzc is by de Grieken en Latynen ook gebruikelyk geweeft. Zoo noemt 
onze Zaligmaker Luc. XIII. vs. 32. Herodes een' Fos. En Horatius les is (3): 
Nunquam te fallant animi fub vulpc latentes. 

Dat is, nacr A. Pels vertaling: 

Let , of zyn laffi're tong een vojfenhart •verbergt. 
De zoo even genoemde Plutarchus (4) verhaelt, datLyzander bcrifpt wordende, dat 
hy zyne meclte dacden door bedrog en argliiligheit uitvoerde, had geantwoort: 
AI5 de Iceuwehuit niet wilde helpen, dan moell men 'er 't volFevel aannaejen, dat is, 
als openbaer gewelt niets vcrmogt, moed men zich begeven tot loosheit. Aerdigh is 
ook het zeggen van Karbo wegens Sylla,by den zelfden Plutarchus (f), dat namentlyk 
Sylla. met cen^ "vos en met een' Iccit oorloogde , die belde in zyn hart woonden j maar dat hy door 
dcH vos het hart jl ivicrdt aenge prikkelt ; te kennen gevende, dat Sylla wel openbare dap- 
perheit in den oorlogh gebruikte, macr zich echter veel liever bediende van lagen en 
krygsliftcn. Pindarus (6) voegt deze twee dieren ook by malkander, doch beide in 
een goeden zin, vergcly kende een dapper man, in moedt by een brieflthcnden leeu, 
doch in overlegh en bcleit,by een' vos. By Klaudianus (7) wordt niet onaerdigh vcr- 
fiert, dat de zielen der arglilli"e mcnfchen door een vonnis van een' der drie onder- 
aerdfchc Rechters Rhadamanthus veroordeelt waren om te varen invoffcn. By de La- 
tynen vint men zeer vele fpreekwyzen, van de argliftigheit van den vos ontleent j 
die men kan nazien by Erafmus, Juniusen andere Schry vers van Ipreckwoorden, Doch 

/. Deel. T 2 wy 



(2) In 
Sept. Sa- 
pient. 
Conv. c. 

24. 



(3) De 

Arte 

Poet, 



V. 



(4)InLy- 
fandro 
cap. II. 



('5) In 
Sylla cap, 

54- 



(6) lu 
'Ifthm. 
Od. 4. 

(7)I'i 
RiiHn. 
I.ib. II. 
V. 484. 



,6 



ARGLISTIGHEIT. 



omhangen-, en voegen 'er voorts eenen aep by ^ dcvvyl Ariflorclesinzyne 
Dierboeken, den zei ven ook een zeer doortrapt [Bj dier jiuemt. 

De roode kleur wort van den genoemden Filuzouf in z/a Boek van 
de Gelaetbejchoiiwtng , kap. 6. voor een teken van ioosheir gt nomen ; en de 
reden hiervan i5[C], omdat de opZiedu g van-het bloetjinut. zei g' duu- 
righ nieuwe gedrochten teelt : want het bloet werkt in den menkhopde 
zelve wys als het vit-r inde wcrelt, 't geen gelladigh in bewtgw.g zynde, 
alle verteerbaere ftofFendie het genackt, doorknacgi en vernietigt. 

wy kunnen niet voorbygaen aen te tekenen, dat de woorden van Salomon, Hoogl, 
II VS if. Vangt gyUsden om de vojfcn^ de kleine vojfen^ die de ivyngaerden 'verderven ^ 
(i'lHie- ivant onze wyngaerden hebben jonge druif kens^ door Piërius (i) zoo worden Ojigcvar, 
xni ca-> ^^^ ^y ^°°^ ^'^ voflen verltaet inoode gedachten en een verkeerden zin, die door den 
15. ' ' boozen geefl: worden ingegeven. Dat nu de Bruidegom (want die fpreekt daer by 
Salomon) gebiet de /è/fz/j? voflen te vangen, meent hy, dat zeggen wil, dat men de 
booze gedachten moet overwinnen in haeren cerllen opkomlt, eer ze grooter en 
fterker worden, en zoo licht niet kunnen worden wcderüaen. Onze gelet rdc Kant- 
tckcnaers verllaen door. "vojfen looze en booze lecringcn en Leeracrs, die de kerk be- 
derven: welke dan door Wyngacrden verftacn wort. Hoe men 't ook begiypt,dc 
zinfpeling is op de argliitigheit van den Vos. 

[Bj Dat de Aep een doortrapt dier is, daerover zal zich nien/ant verwonderen, 
die den Dichter Nazo macr geloof geeh, dat de Apen gclprotcn zyn uit een zeer 

(2) In doortrapt en loos volk, Cerkoopen genaemr, die, nacr Suidas (i) getuigenis, geen 
K^fjtüi- swarigheit maekrcn van Jupitcr zclt te willen bedriegen. Lact ons Ovidius zelf 
TTïf. hoeren , die 'er aldus van fpreekt ( 3) : 

(3) Me- Quippe Deüm genitor fraudem 6c pcrjuria quondam £cc, 
x,v'y_ ' Dat is j naer Vondels vertaling: 

51- PFant Godt Jupjn voorheen verbittert en geheten 

Op Cekropi afkomjie^ een meineedigh heil ous zaet^ 
Vdl jchalkheit en hedrogb , veranderde geiaet 
En vorm des volks in/tm en apen^ loos op treken^ 
Die teffens menjcben en geen menjcben meer geleken. 
In 't voorbygaen moeten wy acnmerken, dat Vondel hier een' misflagh begaet, 
wanneer hy Cercopum heeft vertaelt, Cekrops afkomji^o{\ gelyk 'er op den kant Itact, 
Cekrops dochters : alzoo Cekrops de eerllc koning van Athene, noch zyne nakomelingen 
niets gemeens hebben gehad met dezeCer;èoo/ic«,eertyts inwoondersvan een eilantjc, 
gelegen op de kuft van Italië in de bogt van Kampanië, Pithekule genacmt. Daer- 
enboven, behalven dat, indien de dochters van Cekrops hier gemcent wierden, 'cr 
dan zoude moeten ik^enCecropidum,meiCercopum,en zelts ook niet Cf«'opa;«j zoo ont- 
dekt zich het ondcrfcheit dezer wooiden ook nogh ir de uiifpruek, alzoo de tweede 
-lettergreep in Cccropismoti kort worden uitgefproken, daer ze lang is mCercopes, zyn- 
de in 't cerfle woort by de Grieken een korte O, en in 't laetlte een w o( lange O. 
Eindelyk,dat hier niet gcfproken wort van de dochtersvan Cekrops, kan ook daer uit 
blyken,dat Ovidius eigentlyk zegt, dat jupirer de mannen verandert heeft [viros muta- 
vit) hoewel'er geen reden zyn,waerom men zoude geloven, dat de Dichter heeit wil- 
len verfieren, dat in die algcmeene verandcringe van deze natie , de vrouwen minder 
zouden verandert zyn dan de mannen. Het blykt dan , dat Vondel hier gedut heeft : 
het geen hem in zyne vertalingen wat al te veel gebeurt. Anders kan de belte wel eens 
f ^Art *^^" foutje begaen, gelyk Horatius (4) erkent dat hy zulks fomcyts ontdekt heett in 
Puëc. V. Homerus zelfs In de werken, die cigenvinding engeene overzettingen zyn, is Von- 
35?- del groot, en wy Ichatten hem daerin zoo hoog alsiemant: maer in 't vertaelen heeft 

hy ondernomen, het geen boven zyne kragr was. Voorts is Cerkoopen een verfierde 
naem,nlzoo KefK«o4' (kerkoops) gejlacrt betekent: zoo dat het fchynt, dat dit volk in 
die foort van apen wort verdicht verandert te zyn, die wy meerkatten ^tn de Grieken 
m^xMTri'^tinci (Kerkoopitheekoi) dat hge/laerte apen, noemen. Die verder bericht van 
deze Cerkoopen begeert, zie Junius Cent. 7. Ad 38. Nu weder tot onze taek. 
[Cj Dit is onverftaenbaer, of heeft ten minften geen flot. 

ARMOEDE 



ARMOEDE. 



77 




ARMOEDE. 

EEne Vrou, opgefchlkt gelyk de beedelende heidinnen. 
Zy buigt hacren hals alsof ze een aelmocs begeerde, 
hebbende wyders op haer hoofc een zeker vogeltje, bekent 
met den naem van quikftaert. 

Men maelt de armoede als eene heidenfchc beedelfter, omdat men ter we- 
relt geen elendigerflach van menfchenvint, dan dit lantloopend gefpuis, 
het welk noch goet , noch edeldom, noch acngenaemheitj noch eenigc 
hoop heeft tot de gelukzaligheit van een burgerly - leven. 

Wat den gezeiden vogel belangt} Valeriaen (i} verhaelt, dat de Egip- 
tenaers de uiterfte armoede door den zelven afgebeelt hebben; zynde dit 
vogeltje in zich zelve geheel krachteloos en zwak ; ja zulx dat het geen Lib.xx°vi 
neft kan toeftellen, en door deze armoede en onmagt genoodzaekt is zyne "P- 57- 
ciers in nellen van andere vogelen te leggen [A]. 

[A] Het geen hier van de zwakhcit van dezen vogel gczcgt wort, vint men ookby 
Elianusfa), die hem K(yx.A35-(kinklos) noem:, en 'er aldus van fprcekt : De Kinkjos is een {i\ De A- 
-voirel, die z.ti'ak^is van achteren, en dien men daerom ^egt , dat van z.ich z.elve geen tiefl nmiaLLib. 
\ian maken , maer z.nie eieren legt in de nefien van andere vogelen ; ivaerom de ioeren in ^■'^" '^' * 
hunne fpreekjt^oorden arme lieden noemen met de naem van Ktnklen. Diergelyk fpreck- 
woort vint men ook aengehaclt, by Siiidas (5) uit Mcnander: 7r>'>;oVs^(^ !cij,xav, dat il) i» 
is, armer dan een Kinkjos. Andere hebben hem den naem gegeven van ^nT-jTTuyif (Seiib- ''-'}^-'-^ 
pygis) welke naem in betekenis overeen komt met het Latynfche motacilla , ge\'cnde 
de geduurigc beweging van den fiaert dezes vogels te kennen : die daerom niet ongc- 
voeglyk vertaclt wort ^mk^/faert. Evenwel dient de Lezer Iiier op verdacht te zyn , 
dat deze cjutl^flaert niet is de zelve vogel , die in onze Nederlanden onder dien 
naem bekerit is , wordende van fbmmigc ook ak^rmannetje of bomvmeeflertje gc- 
nocmt, en veeltyts in de binnentuinen gezien. Want dit vogeltje maekt zyn eigen 
neft, en broeit doorgaens op vyf kleine eiertjes, ten dele wit, ten dele blaeuwachtigh, 
gelyk zyn vederen zyn. Doch die quikfhieit, die zyn ciers legt in het nell van een 
anderen vogel, is naer 't getuigenis van Suidas een zecvogcltje: en by gevolg van den 
hier bekenden quikftacrt vcrlchiUende. 



/. -Deel. 



ARMOEDE. 



ARMOEDE. 




r 



ARMOEDE. 

K zal , om grooter medelyden te verwekken , de armoede 
nogh meer vertoonen. Befchou ze dan hier als zeer ma- 
ger en naekt, daer ze op eene dorre rots zit. Haere handen 
en voeten zyn met touwen gebonden , die ze met de tanden 
zoekt los te krygen. De hairen hangen haer verwart om 't 
hooft, en haer rechte fchouder wort van eenen fchalbyter 

gefteken. 

Wy geven u hier de armoede niet op, van welke Ariflofanes in zynen 
Plutus gewaegt: want hy rekent daer ook voor armoede, wanneer iemant 
zoo veel heeft als tot onderhoudt des levens nodigh is [A] , zonder over- 

vloetj 

[A] De woorden van Ariftofanes zyn (i) : 

(i) Plut. -ïfTuyi jAiv ycc^ /Sia? , av a-v Kiym , ^y i';t i/^^i]) iyavr». 

TtifiyiyviijS'»! Jê CiuTÜ jAy,hiv , jA>l uiv TOl fAr,l' STTjAJiVeii'. 

Dat is : want te leven zonder iets te hebben {daer gj van /preekt) is een bedeUcrs le- 
ven: maer 't leven van een arm man is fober te leven en naerjtigh te werken , opdat hem, 
daer hy niets heeft, ook^niets moge ontbreh^n. De Latyncn noemen dat dikwyis ook 
armoede : en Scncka bcpack de armoede akius (z) . Paupertas efi , non cjutt pauca pojjidet , 
fed quis, multa non pojfidet : dat is , Armoede is , niet die weinige dingen bez^it , mner die 
(i]U\>A\\veele dingen niet bez.it. En in geen anderen zin gcbniikt het ook Piopeitius (3), datr 
El.é.v.éy.hy fpreekt van eenen Paetus, die uit al te grootc geltgierigheit rykdommen by de zee 
zoekende te halen , door ftorm was vcrgaen. Van dezen zegt hy dan akius : 

Quod fi contentus patrio bove veiteret agros , 

Verbaque duxillèt pondus habere mca , 
Viveret ante fuos dulcis conviva Penatcs 

Pauper, at in terra, ml ubi flerc potefl:. 



(1) Epift 
87. 



Dat is: 



A'Iaer z.00 hy met het vee z.yns vaders tcas te vreden 
Geweefi het akl^ervelt te bouwen, en ?;?;/,'' reden 
JViet had veracht , hy z.ou nogh als een blyde gafi 
Zyn in Z-yn eigen huis , ii'el arm , maer acn hei v tfi 
En veiltgh lant^ daer niets is om te hennen treurtn. 



ARMOEDE. 79 

vloet; neen: Wy befchryvende clendigc armoede van him, die aen leef- 
tochten alles gebrek hebben. Hierom malen wy ze naekt en mager en met 
verwarde vlechten. Dat ze met touwen op ccne rots geboeit zit, geeft te 
Ivcnnen , hoe jammerlyk een arm menfch van 't gebruik der dingen, die hem 
anders hadden kunnen vermaert maken [B] , berooft blyft. Hierom zegt 
Gregorius Nazianzenus dat de armoede een 'Vi'egh is ; 'welke 'ueele gangen en 
daden verhindert. En dat ze de ftri' ken of koorden met de tanden trachtte 
ontknoopen, verheelt, dat ze zich uit die hinderniffe zoekt te redden door 
verftant. Armoede zoel t lift en maekt gacuwe menfchen. Theok ryt 7.t'vt 
rC] dat zy alleen de prikkel is die de kunften doet ontwaken j 't geen dan 
vervolgens door het fteken of prikkelen des fchalbyters verheelt wort. 

[B] Waci-achtigh is het zeggen van Juvenalis, Sat. III. vs. 164. 

Haud facile eincrgunt, quomm virtutibus obftat 

Rcs angufta domi. 
Dat is : 

Zy krygen ^t hooft niet ligt nner hoven , welkers deugden 

Behoeftige armoe drtikj en nederhoudt. 
\Cy In Pilcatoribus live Idyl. 7.^. 

Aura.' Tl/o fAÓ'/^S'Bio JiSa'f>t«.Aor. 

Dat is : 

De armoe idcI^ alleen .^ o Diofam , de hnnjlen ^ 

En is een leermeeflres van arbeit. 

Bekent is de frraik van Virsiilius fi) : 

- T 1 • • (■) Georcr. 

L-abor omnia vincit L,!,. i. yf 

Improbus & duris urgcns in rebus egeftas. i45- 

Dat is , nacr Vondels vertaling : 

Cefladige artteit , noot en nypende armoe dringen 
Door al wat -wederflreeft , en z.wigten voor geen dingen. 
Pcrfius (2) noemt den bt'.ik^een leermeefier van kunfi en geever van verfiant. En bvCi) I'''"'- 
Arillofancs (g) toont de Armoede met een langs reden, dat men de uitvindin"' der ^' 
kunften aen hacr alleen fchuldigh is. Zoo zegt ook Plautus (4) : Paupertas omnes artes [,^' '^^ 
ferdocet : dat is , de armoede leert alle kunften. Men zic de lez nswaerdige aenmcrkinf fcqq. addc 
van den doorgeleerden II". Kazaubonus over de aengchaeldc pLicts van Periïus. 551. 

(4) Stich. 

A R 2vl O E D E. ^^^■^' 

E Ene mezcnde Vrou, die bleek van kleur, en in 't zwart 
gcklcet is: gelyk Ariftofanes hacr befchryft in zvne Ko- 
medie, gcnaemt PlLitiis(5). 

Men vertoont ze als dwaes en uitzinnigh, omdat de woorden en daden '^' ^'■'^'-^ 
van een' armen menfch meeft voor zotheit [A] geacht worden, enalsdin- 

V 2 gen 

I^A] Juvenal. Sat. 3. vers ifi 

Nil habct infelix paupertas durius in fe, 
Quam quod ridiculos homines facit. 
Dat is: 

In 'tongelukj^'g lot der armoe drukt geen fmert 

Zoz.waer als dat de menfch daer door befpotlyk wert. '*'' '^."■"* 

En Plautus (6j Qitia paupertas fecit , ridiculus forem: d.it is: om dat de armoede y^, 13. 
gemaekt heeft, dat il^befpottelyl^zoude zjn. En Filcmon : tÜv ya^ -mm-vm TriVd» iv. ïyii 
Ao'y©- , dat is , ^vmt de -n-oorden der armen vinden geen geloof. 



8o 



ARMOEDE. 



(U Ho- 
miU J. 

(i) Con- 
fol. ad 
Helr. 
cap. 9. 10. 
II. 11. &. 
111 Epill. 
piirun. 
fj) Apulej. 
in Apol. iSc 
Pecrarch. 
de Rfmed, 
(4! Ütr. 
Fort. Lih' 
II.Dial. 8. 
Controv. 9 
(y.Phorm. 

Aa.1. fc. 

1. V. 44. 



s;en die geen geloof of eer verdienen -, alzoo weinigh als die van een zinne* 
loozcn menfch. 

De bJeekheit verheelt het gebrek van lyftogt : want waer die ontbreekt ; 
verlciiiet ook de bloozende glans des gelaets zyne verf, en verandert in 
dootfcheit. s | 

Het zwart gewaet, 't geen de doot en alle onaengenaeme dingen door- 
gacns te kennen geeft , betekent dat de armoede eene verdrietige, laftige, . 
droevige [B] en elendige zaek is. 

[B] Hoe veel ook Chryzoftomus (i), Scncca (x) en andere (3) tot lof mogen by- 
brcngcn van de armoede , nochtans is het waerachtigh (ten zy ze de armoede begrypen 
nacrd.; bepaling van Ariilofanes ni 't vorige bcclt gtmelt)datze, gelyk onze Ichry ver hier 
zegt, cenc verdrietige, laftige, droevige en elendige zaek isj en myns oordeels heeft 
Arcllius Fufcus by Markus Scneka (4) zeer wel gezegt, dat het ligter valt de armoede 
te pryzen, dan te lyden. En Tercntius zegt (p ook niet zonder reden: Paupertas mi- 
hi onus vifum efl & miferum , & grave. Öat is : de armoede heeft mj toegeschenen te 
z.yn en een elendige en z.ware Ufi. En een Grieks komedilchry ver : 

Dat is: Daer is geen ZM'aerder lafi dan de armoede. Voeg hier by Theogn. VS. IJJ ^ 
feqq. Sc Ariftoph. Plut. 443. 




A R M O E D E IN EEN TREFLYK VERSTANT. 

HEt is waerlyk te beklagen, dat hemeliche vernuften 
dikvvyls door de armoede belet worden , om zich 
dooiluchtigh en onfterflyk te maken. 

De armoede die een braefverftant hindert, wort uitgebeek 
door eene Vrou, die, met flechtgewaedc omhangen, hnere 
rechte hant aen een zwaeren fteenvaftgeh echt voelt, welken, 
op de aerde leggende, zy niet kan optillen. Haereilinkchant 
ziet men ze ten hemel heffen , met twee uitgebreide wieken, 
tuilchen de hant en den arm. 

Door de armoede verftaet men eigentlyk een gebrek van zulke dingen, 
die de menfch vandoen heeft om het leven te onderhouden en deugden te 
verkrygen. Ieder 



A R M O F. D E. 8i 

Ieder kan licht begrypen dat de logge Trecn hier de tydcl) ke nooddruft 
TA] bed uit , die de behoeftige n, hoe geeftigli van zinnen anders , neder 
houdt, en verachtelyk onder htt geringe volk doet verf/hovcn blyven. 

De gevleugelde opgeheve flinke hant vertoont de uitgeflrekte begeerte, 
vvaermede het vlugge vernuft van kunftbeminncnde armen wort voortge- 
dreven, om den hoogen top van deugt en wyshcit, waer 't mogelyk [B], 

te bereiken. 

[Al Dat de armoede veele treffelylcc vcrftunden onderdrukt en even nis fmonrt, 'r, 
boven reets acngcroert. Zie wedciom Kaauboniis , als boven. De Egirtcnncrs licbbcn 
zulks in hunne bceldenfpi-ack ook te vcrflacn gegeven, wanneer ze, nacr de acnmcr- 
king van Horus Apollo (i), de Egiptifche letteren willende te kennen geven, inkt, cen['!^l^'^'''^' 
bics en een zift fchilderdcn. De bies vooreerft fèhilderden zy daerom, omdat ze die, cn<.jp ,'_ 
reen ander ding, gebruikten om daer mede te fehryvcn. Doeli dat z^c 'er de z.ifr by 
fielten , is ('t zyn de cigc woorden van Horus) omdat de ztft , het eerfte gercetfchap om 
broot tt bereiden, |]by de Egiptcnaers^ van biez.en gemaekt wort. Zj geve-n dan teken- 
nen , dat al ti'ie voorz.ien is van leeftocht , de z^elve z.ich z.al hegeven tot de letteroeffenirtg 
en <7eliertheit : doch die 'tr niet van voorzjen is , dat die z^ich moet leggen op het keren van 
endere k^nfien. Maerom de Geleertheit ool^by ben wort genaemt Sboo, het ii-'elk^ overge- 
zet zynde , betekent , volkpmen voed fel. 

[B] Dit zelve zinnebcelt vint men ook by Aleiatus (i) met dcszclfs uitlcgginge al- , ^ Emkl. 
• dus voorgeftelt : - ;-o. 

Dextra tcnct lapidcm , manus altera fuftinct alas : 

Ut me pluma Icvat, (ie grave mergit onus. 
Inecnio poteram fuperas volitare per arccs. 
Me nili paupertas invida dcprimcrct. 

ARMOEDE VAN GAVEN. 

E En armclyk geklcet Vroumenkh, dat op een deel dorre 
takken uitgeftrekt [A] Icit. 
De dorre takken verbeelden den toeftant van een menfch, die in zich 
niets bezit dat hem geacht kan maken; ja ook door geefl: noch handen iet 
uitwerken kan, dan dingen die, gelyl-" verdroogde ryzen, het vier waer- 
digh zyn. Ten opzicht dezer takken, die nergens toe dienen dan om een 
viertje te ftooken, kan men ook acnmer'en , dat luiden, die geheel van ga- 
ven ontbloot zyn, mccftindegrootflegevaeren gcwacgt worden, alsdingen 
die men wel mifi'enkan, en waeraen het fatfoen flcchts verloren kan worden. 

[Al Even als flapcndc ; want velen armen ftrekt de lla-p in placts van voedlcl , vol- 
gens net bekende Griekfche versje : 

Trrr.:? Ss Trsr.aJv ty,v y.»x.i<ryiiirov locpicc. 
Dat is : I^c flaep temt den honger , de boofle aller rdty/pen. 

En daer vandacn kamt !ict Ipreckwoort der Grieken : Trsivwo-av xxü^i-^a Lntwg iiti^yiTtu , 
dat is: een honger igen vos beliruipt de flaep. In welk fpreekAvoort een arm men(ch een 
vos wort gcnacmr, omdat d,e Arrrwede^ gelyk te voren gczegtis, hjl z.oekt: en men 
vcrhaelt van den vos., dat de lionger hem prangende, liy gatt leggen nlsof hy flacpt, 
om de vogels des te beter te kunnen bedriegen, zoodat dit fpreckwooit ook bekwame- 
Irk kan toegepalt worden op de zulke, die op eenigh voordeel loerende, hun oogmerk 
ontveinzen, tordat zv het beoogde binnen hun bereik hebban, ündeitufrchen gefchict - 
liet door een zekere natuurlyke reden, dat de flaep den tenger en doi-ft uitblufcht. Al- 
zoo is 'er naer 't getuigenis van Plinius (X) een zeker iboit van haeg-ofveltmuizcn, diel^,' ^'^,* 
den ganfchen winter door flapcn, en alzoo gevoct worden. Ja Martialis voeit zoi->ec-viii c 5-7 
ne muis aldus fprckende in C4) : (4) Lib. 

Tota mihi dormitur hycms, £c pinguior illo -^^III. E- 

Tempore fum, quo me nil nifi ibmnus alit. P'.?- 59- 

lk_bren<r den wi/iter door met flapcn ., en men z^iet 
My vetter, nis de flaep my voedt en anders niet. 

L Deel X BAIJ ING- 



82 



BALLINGSCHAP. 




BALLINGSCHAP. 




(i) Cicer. 

Tufc. 

Quift. 

Lib V. c. 

87. 

(xj Parad. 4 



'^n Man , gekleet als een bcdevaertganger of pel- 
grim. In zyne rechte hant heeft hy eenen wan- 
delftaf, en op de flinke vuift eenen valk. 
De Ballingfchap kan men in twee foorten verdeelerij dat is, in gedwon- 
ge of vrywillige. 

Degedwonge, en die eigentlyk eene ballingfchap is, heeft plaets in ie- 
mant, dieof uit fchult, of uit quaet vermoeden , door vorften of gemene- 
beften , voor een zekeren tyt , of ook wel voor eeuwigh ten vaderlande 
wort uitgebannen. 

De vrywillige ballingfchap is in haer natuur flechts eene verlating van 
het vaderlant, die veroorzatkt wort door toeval , of ongedwon ge verkie- 
zing om buiten het zelve te leven en te fterven : gelyk men dus luiden vint 
die buiten hun vaderlant [A] , zelfs met genoegen hun ganfche leven ver- 
ilyten. Dit flach van ballingfchap wort door des Pelgrims gewaet [Bi en 

wan- 

[A] Dus hebben eertyts Pythagoras zyn vaderlant Samos, en Solon Athene vrywil- 
ligh verlaten : gelyk ook veele andere meer gcdaen hcblxn. Doch wy willen den Le- 
zer niet verveelen met het optellen van voorbeelden , die beter uit de oude Hiftorii n 
zelfs gehaelt worden. Men zie Cicero in 't vyfdc boek zyner Tufculacnlèhe vragen, 
kap. 57. Ondertuflchcn is zoo een ballingfchap, ja Zr.lfs een gcdwonge ballinglcnap, 
indien zy door onfchult overkomt, en vooral met genoegen woit gedragen, ganfch 
geen ballingfchap te rekenen^ en heeft het zeggen van Teucer plaets, die van zyn 
Vader in ballingfchap gedreven, omdat hy zonder de doot van zynen Broeder Ajax 
gewroken te hebben , wederkeerde van de verwoefting van Trojc , zich omkccnnde 
tot zyn volk zeidc (1) : P atria efi, ubicHnejHe bene efi , dat is : 't FaderLmt ts overal, 
daer 't wel is. In tegendeel z.'jn alle fchelmen en boofwichten , die de ii^etten beveelcn 
te bannen , b '.Hingen , al blyven z.e in hun vaderlant , Zegt Cicero (2). Men zie over 
de ballingfchap verftandigh rcdcnecren Francifcus Pctrarchai, de Remed. Vtr. Fort. 
Lib. II. cap. G"]. en Sencka Confol. ad Helviam, en Plutarchus in zyn boek z-^m de 
hallingfchaj). 

[K] Want een pelgrim verlaet zyn vaderlant gewilligh. 



BALLINGSCHAP. 



8; 



wandelftok verheelt, gelyk ds vadgchoudcn valk [C] met de banden o;n 
zyne voeten, de eigtntly' e ballmgichap, die onvrywilligh is, aenduit. 

Ik hoope den lezer met te zullen verveelen met het aenv.oegen eeniger 
vaerzen, uit Euripides Gebroeders van Thebe, die door onzen groocen 
Vondel aldus vertaelt zyn, en op ons beek niet qualyk paffen. Jokafte 
fpreekt Folynices aen : 

Dit 'vragc ik eerjl, het "jijelk my dtep in '? harte ging:. 

Valt leven lajligh voor een' i'yxverfchoveling? 
Hierop wort geantwoort: 

Zoo Itijligh dat men V met geen 'H' oor den kan ontvowjoen. 

JOK. Waei om valt balling f c hap zoo lajlig h voor getrowji'en ? 

POL. Voor eer Jl hetfprekenjiaet den banneling niet vry. 

JOK. De flem te fmoren is een rechte Jlaverny. 

POL. Men moet het onbefcheit der magtigen verdragen. 

Wat lager volgt : 

JOK. Uiv adeldom heeft u alom ten fieun gedient . 

POL. Wie arm IS leef t tn [mart . geen (tam kan honger boeten. 

JOK. Is 't elk met aengenaem zyn vaderlant f ontmoeten? 

POL. Zoo aengenaem dat dit geen tong intfpreken kan. 

Maer wy worden airede uit de balUngfchap geroepen door het mededogen 
der 

[C] Anderen hebben een valk met banden acn zyn voeten (die de Valkeniers fchoe- 
nen noemen} gcbmikt om daerdoor te verbeelden, het geen kort te voren is te kennm 
gegeeven door de Vrouw, wiens rechte hant door een zwarcn fteen wort neergcn-okkcn , 
tcrwyl de Oinkc met vleugelen naer den hemel tracht tefti-cven, namenrl\'k Armoede in 
een treflykVei-ftant. Want al is 't, dat zoo een valk eenige vryheit heeft' om in de lucht 
op te vliegen, en daerdoor zyne begeerte te tooncn om 't wilt te vangen, nochtins is 
die vlugt bepaelt, en magh niet hooger gacn, dan de \^alkcnier wil toelaten. Anony- 
mus inHierogl. ColUÜ. Ltb. IV. cap. tngema pr^cUra fipe latent. 




X 2 



BARM- 



84 



BARMHARTIGHEIT. 




D 



BARMHARTIGHEIT, 

Jc men als eeneVroufchildert, blank van gelaet, groot 
van oogen^ en een weinigh verheven van neus. Op 
haer hooft heeft ze eenen olyf krans, en ftaet voorts met ope 
armen. In de rechte hant houdt ze eenen cedertak daer de 
vruchten aen zyn. Ter zyde ftaet eene kacu , of kraei. 
cap. 14. " De barmhartigheit wort van Johannes Damafcenus (1} befchrevcn, als 
eene genegentheit en medelydendesgemoets, wiens mewarigheit men toont 
over de rampen onzes naeften. 
fii c (j D Naer Ariftoteles meening (2) zyn een blank aengezigt, groote oogenen 
Phyfiog. een verheven neus, tekens van een barmhartigh gemoet. 

Door den olyf krans [A] wort de barmhartigheit zeer wel verheelt, en 
dat volgens de H. Schrift, door welke wy ons tot de kennis en betrachting 
dezer hooftdeugt behooren te laten leiden. De vruchtryke cedertak is, 
naer Piërius [B] zeggen, mede een teken van barmhartigheit. 

De 

[A] Zie onze aenmeikingcn over 't Zinncbcclt van de Aelmoes. 

f B3 Het geen hier van den ceder gczegt wort , is niet getrokken uit Piërius (daer de 

gehcugenis van onzen fchr>ver in mift) maer uit de Bccldcnfprack van eenen anderen 

onbekenden fchryver, doorgacns achter de Bceldcnfprack van Piërius gedrukt. Doch 

of men het beek der Barmhartigheit een cedertak in de hant moet geven, dan of het een 

citroentak moet zyn, blykt uit dien fchryver niet klacr. Zie daer zyne woorden zelfs 

(5) Lib.ll.(2): De Cedrus {Ceder) of Citrtts {^Citroenboom) , wuch/eu voortbrengende die z.eervoor- 

cap. 57. treffelyk^ z.yn in reuk^ en fmaek^, is een z.innebeelt van Barmhartigheit en Liefde. M'ant 

voor eerft geeft z.y eene z.eer k^ffh'kf hars , ciiria genocmt , zjjnde z.eer goet voor tantpyn. 

Def:i.elfs fup gcneeft de vullende z.tekte , en de verzjuecringen der longe : Het is goet tegen 

vergift, en brant getj\een k_aers. f^amraer de Hebreen een zekeren plechtigen d^gh met 

deft^clfs vrucht vierden., even als de h»lp der Goddelyl-e barmhartigheit /lenrcepende. J4'elke 

de Lacedemoniers naervolgende , hunne aoden met die vruchten hebben behranft- , die z.e oxi- 

mala Pcrlica noemen s het z.elvc dacrdoor te bennen gevende, dat de Hebreen te kennen 

gaven door [den citrus (citroen). Defz.elfs hout ook,, geensUns aen bederving ondertforpen , 

maekt dat de cedms {ceder) voor onfierflykheit en eeuuigheit genomen ïi>ort. Tot dus 

verre de woorden ^'an dezen Geleerden. Maer wie ziet niet, dat de ccdr;:s en citrus 

Ccedcr 



R A R M H A R T I G H E I T. 85 

De oope armen beduiden hier ook niet anders dan barmhartigheirja ver- 
beelden zelfs Kriftus, die de waere barmhartigheiüis, en met oope amien 
gereet flaet om boctvaerdige zcndaers te omhelzen, en uit hunne elende 
te redden. Dante zingt hierover (*) omtrent op deze wys : * Canr.ni 

Dil. 1'uï- 

Ai)n zonde-n liepen buiten mdet, S-''- 

Maer op myn droef gekerm 
Onam Godts genade ruy te baet j 

En nam my in haer' arm. 

Door den vogel, dien \vy vertoont hebben, wort by de Egiptenaers 
barmhartigheit betekent. Zie hierop Horus [C] Apollo. 




niet, maer wel in die van de cednis (z). De hars van den ccdnis noemt hy cedria C3),vidc & 
niet citria: maerhy fchryft zoo wel den oli\'andcn citrus (4), als de hars van den cfdfr.»// Sa! maf. 
(5-) de kracht toe van de tantpyn te genezen. Doch het genezen van de vallende ziekte };y"^\ 
en verzweeringen der longc Ichryft hy alleen toe aen het iap van den cedrus (6), niet ^ '" *'' 
vanden«Vr«j. Wat het vergift belangt, daer tegen is naer zyn zeggen zo wel de cedrus (^)Uh. 
(7) goet als de citrus (8) ; maer de citrtis meer in 't algemcin tegen alle Iborten. De on- XHI.c 5. 
verdci-flykheit in tegendeel van 't hout is cig^n aen den Ceder \c)), niet acn tien citnis. l') ^'f^- 
Ophctfeeft eindelyk der Loofhutten by de Joden (daer op hier gezien woit) W'icrcn'er ?^?^yi^'^'' 
naer'tverhaclvanjofefus (10), aen de takken vanraiitc-v/ilgc- en palmboomcn , dic zy xxui.' 
dan in hunne handen droegen, gehecht devmchcen van dtn citroen, niet van df:x\ ceder : cjp. « 
hoewel Levit. 15: 40. noch Neh. 8: 16. daer niets van gemclt woit. Maer de ver- '^) ^''■■'■ 
warring omttent deze boomen, de cedrus en citrus, is by de ouden zoo groot, dat zelfs 
Plinius en anderen daer omtrent niet vry zyn van miflidtingen. Men zie den zeer ge i^^j''ibid. 
leerden Salmafius in zyne doorwrogtc Exercitat. Piunan. m Solin. van pa^.66~.tot ój^-ly) ibul. 
& de Homon. Hjles fatric. cap. 6j & cap. 105. ' (8) Lib. 

[C] De leezcr zal vergecfïche moeite doen, indien hy dit by Horus tracht te vin-'''^'" Yr ' 
denj gelyk wy 'er ook vruchteloos naer gezocht ii.,bben. Ik vind ook nochte by Pieri-jo'/'^Or.a'. 
us, nochte ergens anders, de kaeu of kraei voor een zinneboelt van de barmhartig- l. xv.c.7. 
heit. Maerby Homs lees ik dit (11). De Egiptcrmers een Lirmhamgh mcnfch willende (9) !'!'"■ 
te kennen geven , fchilderden eencn gier; het nel^ aen fümmigen z.eer vrcemt z.a.1 foa;--^''^ ^'"* 
komen, omdat dez.e vogel alle anderen doot. Afaer om dit z.00 te verbeelden ■> zyn z.e aen-V^^ '*'*' 
gedreven, omd.tt de gier in die hondert en twiraigh dagen, in zuelke hy z.yne jongen op-^,o) ]öod- 
hrengt, bpia nooit uitvliegt , tzaer omtrent z.yne jongen en derz^elver ophrenging beu'jh «j. ichc H\\t. 
In welke dagen, indien hy gel/rek^ heeft acn aes om ^yt:e kj.'ks"^ te geven, z.00 byt hy het^ Bock 
diklie van t.jn been epen, en geeft zyn bloet aen de }o;;gcn , opdat z.e door gebrek^ aen ',"^^'^] 
voedz.el niet mogen flerven. Het zelve bcveftigt ook Piërius (12). Het ^eenhier vandcoiLib'^l" 
cier gezegtis,ten opzichte van het vocG:n der jongen met bloct, is bekender van den Pel- ?.it). 10. 
ïekaen: die daerom ook van ibmmigai \TOit gdttlt voor een zinn..:bcelt van Barmhar- ('-) H";- ■ 
tieheit. Doch Piërius merkt aen (12} , dat zulks met is in naervokinii der Ecïiptena--'^"^''' ^''^" 



ren, de oude uitvinders der Beeldenfprcck , maer een vond van latere Schryvers. Het cu, 
zoude ook tot een zoel zint', ken van bannhaitigheit kunnen ilrekken, indien men ons (13; Loco 
beek in plaets van een kraei of gier toevoegde een witt.n V^i.lk, v/at grocterdantcngc- "- '^ei" 
meene valk, met een andere vogel onJer hem. Want ÜlausMagnus verhadt (14), dat';'^' ^,'^- 
dit Üach van valken (dic men in Moskovic vint) andere vogels wel een geheelen nacht "j^',' t, ,. 
l.uig, omdcreclvcr natuurlyke warmte tegen de fcherpe koude van dat g^-wcft te bewa- Settent. ' 
ren, by zich houden en des morgens v/ederom onbefchadigt laten vliegen, nd. yinct.Ub. xtx. 
Anonymus in H'teroglyphic. Cvllectan. ex Kett. & Neoter. Lib. HL in voce Li ener op , '^■'P 4- 
fideles. 



I. Deel Y BE- 



8Ó B E D R O G H. 



B E D R O G H. 



E En Vrouwebeelt met twee aengezichten , van welke het 
eene een jeugdige en fchoone ged\ente heett, terwyl 
het andere naer een oucenlelyk wyfgelykt. De beeltenis toont 
zich bloot tot aen de borften , waervandaen een geel kleet 
nederhangt tot omtrent de helft der beenen, die in arents- 
klaeuwen eindigen, tufïchen welke men eenen fchorpioen- 
ftaert zich ziet nederftrekken. In de rechte hant houdt ze 
twee harten » in de flinke een momaengezicht. 

Het bedrogh is een godtloos bedryf van zulken, die door gebootfte 
plichten hunn'naeften mifleiden en verraden j gelyk dan de bedriegers altyt 
toeleggen op fnode vindingen tenquade van een ander, doch zoo kunftigh 
dat men ze, helaes ! doorgaens te laetgewaer wort. Hoe aerdigh weet het 
bedrogh de deugt en al wat goet is naer te bootfen ! Valfche vleitael, en 
als gy wilt, werken die men goet zou keuren, zyn dikke nevels, waeron- 
der het bedrogh zyne dubbelheit verbergt. Om deze reden heeft dit beelt 
zulke twee vcrfchiUende tronien [A]. 

De geele verf van hetgewaet betekent bedrieglykheit, verradery en [B] 
veranderlyke treken. 

Het valfche vertoonen en de geveinsde meening van het bedrogh wort 
door de twee [C] harten aengewezen ; gelyk de gryns verheelt, dat door 
het bedrogh de zaeken geheel anders voorgeftelt worden dan ze inderdaet 
zyn, alleen om het bedoelde wit te bereiken. 

De 



[A]. Waervaii de jeugdige troni de oprechthcit en eenvoudigheit , welke de jcugt, 
die nogh geen ondervinding genoeg heeft gehad , doorgaans eigen is : welke deugt echter 
de geütpcnfte bedriegers ni nun uiterlyk wezen \'ertoonen : die hier worden te kennen 
gegeven door de oude troni, omdat, hoe een bedrieger ouder wort, hoe meer hyzich 
UI 't bedrogh oefent. Uit deze acnmerking noemen de Latynen een doortrapt bedrieger 
met den naem van veter ator, dat is, een ouden -^ of, gelyk wy zouden zeggen, een w- 
den vos. Dat vooits het fchoori gelaet een zinnebcelt is van deugt z^em heit , het khk^ in 
tegendeel van ondeugt , zullen wy naderhant zeegen in onze acnmerkingcn B en Cover 
de Schilderkunft. Eindelyk , dat ons beelt zich naekt veitoont tot aan de borllen , niet 
tot beneden de zelve, beduit de nauiur der bedriegers, die hunne gedachten , welke door 
de borft dacr 't hait in beflotcn is, verheelt worden, zorgvuldiglyk bedekken e» ver- 
(I) Eurip. bergen. 

Rhcl' Att. 

1. \s'. i. L^] Omdat de geele verf geen vafien nochte befiendigen grom heeft ; Zal onze fchiyver 

(i) Horat. zeggen m 't zmnjlxelt der Quaetaerdigheit. 
Lib. 1. Od. 

6. [C] Waervan het eene wil het tegendeel van 't gcenc 't ander voorgeeft. Daer van 

(3)DeImi- j^^j^ noemcn wy in onze moedertael zulke menfchen dubbelhartigh. Zoo ook de Grie- 

Kib^ c'? '^^" ^^^ ^" Latynen (2). Het tegendeel daer van noemt Thomas a Kempis (3) inwen- 

digh enkel of eenvoudigh worden, voor, een afkeer hebben van bedricgeryen, tnteritts 

Jimplificari. Zie ook onze aemerking A over den Achterklap , pag. 12. 



B E D R o G H. 87 

I>e arentsvoetcn [D] en fchorpioenflaert [E] betekenen hebluft en ge- 
heim venyn, in welke het bcdrogh leeft, dat, als een roofvogel en ondier, 
altyt toeleit om iemants eer te verkleinen of goederen te ontroo'ven. 

[D] De arentsvoetcn komen hier des te beter te pas , omdat de Arcnt by Grcgorius 
verftrekt tot een zinnebeelt van den Duivel, den ceiilen en fnoodlkn bcJiKgcr, die de 
zielen wechrooft: welk zinnebeelt des te aerdiger is, oindat de Arent dit eigen Iiecft, 
gelyk Pienus (i) aentekent, dat hy uit de hoge lucht villchen in 't water ziende, {ehie- 
fyk komt ncdcrfchicten om de zelve te grypcn: de viilcn nu betekenen in de Beelden- j')^^''.'^- 
{praek ook zielen, naer de aenmerking \an den zelven Piërius (i). ^^j,| j,^' * 

fEI Semper canda QScorph] in itltt efi : -.mlioquc momento medimri ccffat, r.e cjuar.do [■i.)H\zrov. 
defit occafiom, zegt Plinius(3) j dat is: de fiaen van den Scorpioen is nltytgercet om te fle-^-'^'^^^. 
\ten , en hy laet mit na te pcmaen , dat hy gcene gelc^entheit magh latenvnorbygaen. Mcn^^P' ^}' 
zegt, dat zy zigh onder de lleenen verbergen, en indien iemant die Ib.cnenonvoorzi.ns j^,^^ ^[r 
opligt, dat hy dan van den bedrieglyken Schorpioen wort geftoken. Zoo leelirmenby xi.c. r^*. 
Nikander(4). ^ , ,,,.,, , (4;i:ifhc- 

Dat is : Vie Schorpioen onder een k[ein fieentje onvcrtt/acht lagen /eggende. En een out 
uitlegger van Ariltofanes haelt dit vers aen uit Sofoklcs ; 

Dat is: JT^«f een fchorpioen houdt onder allen fr een de w^jcht : door welke fprcuk wort tc 
kennen gegeven, dat 'er ova-al boozc menfchen worden g.. vonden, die op bedrogh toe- 
leggen, voor welke men zich moet wachten. Ariftolancs zinrpceltdacrop, ijk hyzegt (5) ',1 -j-i^^p. 

> ./ 1' ■_ ~ nioplicr. 

TMK ItOtfOtjyliXV O iTTMVU ' 

Tfiu VcIiXaixv. uTto A/9"ai yct,o 

TtctvTi Tra ^^tj' fAyi idKy) fn^Toi^ ol3^^ï(v. 

Dat is : £n ik^prjz.e dat oude fpreekwoort : want men moet z.ich -wachten , dat men niet 
door den eenen of anderen redenaer, onder een fieen fchuilende , zvorde geheeten. Waer- 
mede wort te kennen gegeven, dat men zich wachten moet van niet iets onvoorzichtigh 
te fprcken , op dat ons daerdoor geen quaet wedervare. Men zie den voorgemelden uit- 
keer van Ariilofanes over deze plaets: uit wien wy 't ge/egde meeftheblxn getrokken. 

B E D R O G H. 

E En Vrou die in haere hant eene angelroede houdt, wacr- 
mede zy eenen vifch gevangen hcefc; rervvyl ze airede 
een goet deel gedooJe viikhen in een vat heeh. 

Dit beek vertoont men aldus, omdat de bedrif gery goede dingen fchynt 
teverrichten, dieechter, van naby bezien, fchelmfch en lafterlyk bevonden 
worden. Dit wort uitgebeelt door het vifchgereetfchap , waermede het;ies 
den viflchen quanfuis milddadigh wort toeworpen , maer inderdaet om ze 
met den bedekten angel te bedriegen , uit den vloet te lichten en te doe- 
den [A]. 

{]A] Alles is in dit zinnebeelt zoo klacr, dat 'er niets nodigh is tot opheldering. 



BEDROGH 



88 



B E D R O G H. 




B E D R O G H. 

* p. xjo. "T^ Ante fchildert in zyne Hel '^ het bedrogh aldus : hy geeft 
J -J aen het zelve een vroom en zedigh gelact; het overige 
des lichaems laet hy cene flang zyn , die gevlekt en veelver- 
wigh, haeren fpitfcn flaert krult gelyk die van een fchor- 
pioen. Dit gruwzaem moortgercetrchap wort het bedrogh 
vervolgens door hem verziert te verbergen in het troebel en 
zwart water des donkeren hellevliecsj Cocvtiis[A]cnhetdus 
afgcfchildert hebbende, eigent hy het den nacm van Gerion toe. 

Door 

[A] De Poëten verdichten vier rivieren in de helle, genaemt, Acheron, Cocytus, 
Lethe, Phlegcthon, en het mcir Styx. Wy zullen hier alleen fpreken van den Cocy- 
tus, en ook iets van den -Acheron, zullende miflchicn nader gclegenheitkrvgen om ook 
van de andere iets te zeggen. Het woort Coo'r«^\vort afgcleit van het Grieklchewoort, 
KuKÜitv^ (kookuein) dat is, fchreyen, kj-^egen: gclyk ^cheros inzyncn oirfprongk eigent- 
lyk betekent, z.onder vreugde, of, naer de afleiding van anderen, Trearvlitt {\). Doch 
fij'A^H^o?, by de ouden is ook inderdaet een rivier bekent gewccfl:, die den naem droeg van Cocj'f»/, 
dolor, f E« hebbende een zeer bitter water, en niet verre van een andere rivier, Acheros genaemt, 
fl"°- , door Thefprotiein 't landfchap Epirus, vloeiende. P;:uzanias (xj is van gevoelen, dat 
Lib l""^* Homerus deze en andere plaetlcn in Epirus gezien hibbende, dacr uit eensdeels veele 
,y." ' andere dingen, aangaande den ftact der helle, in zvn gedichten heeft verzitit, entenan- 
(j) Vid. da-e ook de namen fg) van deze rivieren overgebragt tot de helfche v/aceren. Wat 
0<lyfl.Lib.acngaet, dat Dantc het water van den Cocytus tro.bv.1 en zwait maekt, dacrin heeft hy 
^\^^^^'^*" Virgilius gevolgt, die 'er aldus van fpreukt (4) : 

Quos circum limus niger Sc deformis arundo 

Cocyti, tai'daque palus innabilis unda 

Alligat. 
Het welk Vondel aldus in Duitfch oveigegoten heeft. 

En die men hier z^anh keeren 

Vi^n Tjivarte flib , en riet , dat om de jarnmermeeren , 

En 't onbsvAerlfre veer, en drahbigh ^l'ater groeit. 
Vcrfta nu door dit zwarte water van den Cocytus, daer deze fchorpioenflaert onder 
vcrboig^:Ji is, de helfche veinzery, daer het bedrogh zyn.n doode]\kun toeleg onder 
vcrfchuik. De vlekken en veelverwige huit van de ilang moaen overgebragt worden 
tot h^t gemoet, en verbreiden dat geene, het welk v.y over het beek dor ArgUfligheit 
met de fcbJ %'an d.n vos en den luipacrt uit Plutairhus h.bb.n aengs-wez-n. 



Lib. IV. 
V. 479 



BEDROG H, 89 

Door het ftilen ftemmigh wezen wort het uiterlyke der bednegers ver- 
toont, die met een effen gelaetj lief lyke woorden , ftatigen gang, zedigh 
gewaet, bevallige reden en andere behaeglyke dingen de menfchen verlei- 
den, fchuilende onder den valfchen fchyn van Godrsvrucht, doch altyt 
gewapent met loos heit en fchelmery, ja zwanger van venyn dat ten uiter- 
fte fcherp en doodelyk is. 

Dat hier Gerion [B] in 't fpel komt, gefchiet omdat hy , regeerende om- 
trent de Balearifche eilanden, met een vriendelyk gelaet, zoete woorden 
en allerlei bedriegelyke en geveinsde beleeftheit, vrienden en vreemden 
wift aen te lokken, die hy dan daerna verraderlyk als zy lliepen, om hals 
bragt. Hiervan fpreken oude en nieuwe fchryvers, en wel inzonderheit 
Bokatius m Genealog. Deorum. 

[B] Deze wort verzicrt drielyvigh geweeft te zyn, of, gelyk andere zeggen, drie- 
hoofdigh. Men zie hem naeuwkeurigh befchreven by A'poWodoxns Bibhot!). Ltb. H. Lees 
ook Pauzanias, Eliac. Lib. V. cap. 21. Silius Italicus Pan. Lib. I. v. 278. Lib. III. v. 
424. & Lib. XIII. V. 24. Hcfiodus Theogon. v. 287. en Palaepbatus de Ir.cred. Hifi. 25". 
Nacr de verfchcide bevatting der fchryvers, wort ook de oirfprongk van deze fab.l 
verfcheidentlyk verklaeit. Het gevoekn van Juflinus (i) komt ons niet on\v'acr(chyn- 
lyk voor, welke meent, datGenon daci'om ccn driedubbele gedacntc wort toegefcnrc- ( 1 ) Lib. 
ven, omdat zy met hun drie broeders geweeft waren, die zoo ccndnichtigh leefden, dac^|'iy:'^-** 
ze alk door eene ziel fchecnen beheerlcht te worden. Servius (2) heeft het hevcr daer '■^f^.^ ^^^ 
van daen willen balen, dat Gerion Koning- zoude geweeft zyn over drie eilanden , dicht Libf'vu. " 
by Spanje geleden, namentlyk over de twee Bakares, nu Majorka en Mmorka gehe-v. ui. 
ten, en over Ebufus, nu Yvika. Hy voegt 'er by, dat deze Gerion ook verdicht woit 
een hont met twee koppen gehad te hebben : liet welke hy uitlegt van de twcedcrlei 
magt van Gerion , zoo ter zee als te lande. En dat Herkules gezcgt woit met cencn 
koperen pot tot hem overgevarcn te zyn, (Apollodorus zegt, met een gouden beker) is 
volgens zyne uitlegging, omdat deze een fterk fchip had, dat wel met koper was gewa- 
pent: het zelve vint men by Albril^us (5). Andere meenen dat ze 't beter vatten, in- 
dien ze Gerion Koning malden van geheel Spanje (want daer plaetfen fbmmige zvn(3)De Dc- 
koningryk, gelyk wederom andere op Kadix (4) of op Erithea, 't welk echter 'moge-°'^" ^'^^o- 
lyk het zelve is als Kadix. Men zie Apollodoms Bibl. Lib. II. en Cellarius Geogrc.fh.'^^l^'y^^y^^^^, 
Anüq. Lib. IL cap. i. pag. 99. en Joh. Clericus in Hefwd. Teog. v. 290.) en den oir- Att.Lib. l. 
fprongk van de fabel ftellcn in de drie deelen, daer de ouden dit Land in verdeelden, cap. 35- 
Suidas brengt ook zyne gifling by, en zegt, dat hy daerom diiehoofdigh is genoemt, 
omdat hy gewoon was drie pluimen op zyn heimet te dragen , met weinigh waer- 
fchynlykhek. Van deze alle verfchilt Palefaet (5") in alles, zeggende, dat Gerion ge- 
woont heeft aen de Ponms Euxinus of zwarte zee, in eene ftadt, genaemt Trikarefiia. u'a""^ 
Wanneer men nu veihaelde, dat Herkules de mndercn van Gerion den Trikarener had ' ' ''^' 
wechgchaelt, zoo was dat verkeert verftaen, alsof Gerion drie hoofden had gehad, om- 
dat het woort r^ix.d^yiv'^ (trikareenos) driehoofdigh betekent. Doch de Heer Joh. Cle- 
ricus (6) meent in zyne aentekeningen over Hefiodus, dat de fabel is ontftaen uit een,^, j^ 
onkundighcit van de Phoenicifche tael;, te breet om hier in te voegen. Men zie hcniY. 187*. 
zelf. Ondertuflchen zoo deze uitlegging van Palefaet of een der anderen waer is, heb- 
ben die gene vergeeffche moeite gedaen , die de fabel op natuurkundige zaleen hebben 
toegepaft. Men zie Natalis Comes Mythol.Lib.FII.c.ip. i.nlt. Gyraldus in Hercule pag. 
5-79. en Voffius de Idolol. ^. 8. Het geen ondeituflchen onze fchryver hier melt van 't 
bedrogh van Gerion vint ik by geene der oude fchryvers : welke getuigen (7) dat hy ^7| ^^'*' 
van Herkules gedoot is, niet om enigh fnood bedryf , macr omdat hy, als Herkules hem Lfio^jèrus 
zyne runderen ontvoerde, zich daer tegen aenftelde. Mifl'chien zyn des fchryvers ge-& jufiuius 
dachten afgedwaelt op het geene hy gelezen had van Diomedes, den koning der Thra-Lib. L. 
ciers, van welken de bovengenoemde Albrikus (8) het zelve verliaelt, dat hier van' ^' F''^"-**' 
Gerion gezegt wort. Zie ook Apollodorus Biblmh. Lib. 2. fag. 104 Ed. Comm. ^3" j*^' 



ƒ. Dczl Z BEDROGH 



B E D R o G H. 




B E D R O G H. 



(i) Volj 
Hiftc.j*. 
(t) Hift. 
Nat. Lib. 
Vin.c. -7 
(3)Lib.L. 



E En Man, in gout gewaet, en wiens beenen van den mid- 
del af gekrongkelde flangeftaerten zyn. By hem ziet 
men eenen panter, die met den koptuflchen de pootenftaet 
te loeren. Het overige dat zich in deze printverbeclding 
vertoont , is toepaflelyk op de volgende zinnebeelden van 't 
bedrogh. 

Men geeft het beek een menfchelyk gelaet en goude klederen , maer laet 
het onderlyf in Hangen eindigen, om de geveinftheit der bedriegers te ver- 
beelden, die onder een fchoonen fchyn hunnen toeleg, tot nadeel van an- 
deren, verfchuilen, gelyk wy zoo even zeiden. 

De panter [A] , die zyn hooft tracht te verbergen , is hier mede een zin- 
nebeelt van lift en bedrieglykheit j want men zegt dat hy door de fchoon- 
heit zyner bonte hiiit andere dieren tot hem weet te lokken, die hy dan 
onverhoets met gewelt aenvalt en verfcheurt. 

[A] De Panter is het wyfïe van denpardus ofLuipaert : hoewel zommigen , deze als twee 
byzondere foorten van dieren rekenen : maer te onrecht , gelyk Salmalïiis zeer wel aen- 
toont in Exerc:t. Plirt. pag. 149 & i5'o. Het mannetje en wyfje worden daer door 
onderfcheidcn , dat de wyfjes een witte huit hebben met ronde goutgcelc vlakken of 
oogjes , daer de huit der mannetjes blaeuverwigh is , en met gclyke ^'lakkcn verfieit. 
Behalven 't fieraet van deze huit, hebben ze ook een zeer acngcnamen reuk, en lokken 
zoo wel door 't een als 't andere de dieren aen , zoo men Solinus ( i ) geloven magh ; en 
omti-ent den reuk, ook Plinius (2). Men zie hierover Picrius \^alerianus Hierogl. Lib. 
XI. c. 29. & 30. Dat ze den kop verbergen tuflchcn de pooten, is, omdat de dieren 
door deszelfs vrceflykheit anders worden afgefchrikt, gelyk de zoo evengcnocmdelchry- 
vers (3) verhalen. In de H. Schrift ftrckt de luipaert ook tot een zinnebeclt van bedrogh 
en lagen ferem. 5". vers 6. Een luipaert waekt tegen hitnne fieden , al iiie uit de z.elvt 
Hitgaet, z.al verfcheurt worden. In 'tvoorbygaen moeten wy zeggen, dat wy door den 
luipaert hier niet verftacn den Leopardus of da.t dier, dat uit de vemicnginge van een 
pardus en leeuwin voorkomt, maer den pardus zelve. Men zie Sohnus Polyhifl. cap. 
16. en over hem Salmaiius Exercit. pag. ij-o ext. er ifi. 



BEDROGH 



E 



B E D R O G H. 91 

B E D R O G H. 

EnlelykWyf, dat door het voordoen van een kunftigh 
„ , en fierlyk momaengezicht^ eene jonge en fchoone jof- 
fer geiykt ; doch onder de gryns ziet men een gedeelte van 
haer gelaet bloot, dat in alles naer eene oude, gryze en 
mismaekte kol zweemt. In de eene hant heeft ze een vat 
met water , in de andere een vat met vier [A]. Haer kleet 
is vol momaengezichten gefchilderc van allerlei fatfoen ; te 
kennen gevende dat de menfchcn, die of zich hebben aenge- 
went, cl' v:in. natuur geneigt zyn, dubbelh;irtigh te hande- 
len, in allegelegentheden gcreet zyn tot bedrcgh. 

[A] Dewyl 'er niets ftrydiger is dan water en vier, geeft dit den acrt van 't bedrogh 
te kennen, welke twee zeer llrydigc zaken tcgdvk vernclit, wel mtt den mondcvlu- 
cnde, maer met het harte verilinden betekenen. Het zinnebeelt fchynt opgemaekt uit 
een vers van Architochus, dat men vint by Plutairhus (i) waa'in hy fprcekt van een ('! ncpn- 
Vrou, die andere dingen denkt dan ze zegt, met deze woorden: mofngido 

Dat is , tn de eene hant droeg z.y , op bedrogh peinzende , witter , en in de andere , vier. 
Z'jkcrlyk is ons fpreekwooit , daer uit genomen , als wy met die zelve woorden zeg- 
gen, dat icmant in de eene hant water draegt en in de andere vier; te kennen gevende, 
dat men geen ftact op hem kan maken. Van een bedrieger zegt Plautus (2) ook niet K' " "' 
onaerdigh : Altera manu fert lapidem , panem ofientat altera. Dat is: in de eene hant draegt ^^ t.r.iS 
hy eenjieen, en met de andere laet hy hroot z.ien: Op hoedanige wyze men het bedrogh 
dan ook zeer wel zoude kunnen aflchildercn. Men zie Erafm. Chil. i Cent. 8. Ad. 29. 
tn Chil. 4. Cap. 8. Ad. 74. 

E E D R O G H. 



E En Man die met een geitevel beklcet is, en wel zooda- 
nigh, dat men zyn aengezicht naculyx zien kan. Hy 
houdt een net in zvne hant, in het welke eenige visjes zyn 
Sargi genaemt, hebbende omtrent de gedaente der vorellen. 
Aleiatus zingt hierover [A] : 

Neem eenmael op de loosheit acht; 
De viffcher draegt een gcitevacht , 
Zoo wort de vifch die geiten mint. 
Gevangen, door 't bedrogh 'verblmt, enz. 

Z 2 Eer 

[A] Emblem. jf. 

VillofÏE indutus pïfcator tegmiria capne, 

Addidit ut capiti cornua bina fuo ^ 
Fallit amatorem ftans fummo in littore largum, 

In laqueos fimi quem gregis ardor agit. 
Capni refcrt fcoitum : fimilis fit fargus amanti, 

Qiii mifer obfcaeno captus amore pcrit. 

Tot 



r- 



BEDROG IL 



Eer \vy 'erafifcheidcn, zullen we ncgh eene befchryving van dit zinne- 
beelt se ven. Zie dacr dan het 



ö^ 



Tot beter verftant van dit zinncbeclt, zullen wy den lezer mededcclcn 't geen Klau- 
(i) DeA- dius Minos uit Elianus (i) over deze plact? van Alciatus acntekent. Namcntlyk, de 
"""^' Sargi beminnen de geiten volgens dien ichryver zoo, dat, zooras de fchaduw van 
• ' P- **'een of twee geitjes, die acn ftrant gacn weiden, in 't water verfchynt, zy 'er even als 
met groote vreugt terftont nacr toe zwemmen, en pogingen doen , hocweltevcrgecffch, 
om by die geitjes uit het water te fpringcn ; welk.:rs reuk , die haer zeer aengenaem is , 
zy zelfs onder 't water kunnen fchcppen. De vifTchers dit wetende, doen gcitevcllcn 
acn met hoornen, en gacn op ftrant ftaen, zoodanigh datzcdezon van achteren hebben- 
de, de fchaduw van 't geitcvel op 't water komt. Dan werpen ze eenig deeg, dat 
ze met het fop van gcitevlees gekneet hebben, in 't water: waerop de Sargi, zoo door 
den reuk en fchaduw van 't vel als voornamcntlyk door den reuk v;m dit deeg uitgelokt, 
komen toezwcmmen, en m menigte van de vifl'chers worden gevangen met den angel. 
Fcftus merkt acn uit Lucilius, dat deze vis in de Egiptifche zee wort gevonden : doch 
Ennius (2) pryft die aen , die omtrent Brundifium wert gevangen. Gesnenis zegt , dat 
(x) Apud hy ront van lyf is, een kleinen kop heeft, en zwaitc vTakjcs aen den fraert. Alciatus 
Apulej. p.j^ ^j-j. zinnebeclt op de Hoeren toe, verflacnde die door den villcher met het gcitevel 
Apol.L. -^ggjyij^ ^jc geit: in de Beeldenfpraek een hoer betekent, naer de aentekcning van Picrius 
Valerianus Hierogl. Lih. 10. e. 9) en door de Sargi die gene die naer hoeren lopende, 
van de zelve worden in 't net gekregen tot hun verderf. 



V 



B E D R O G H 

Erbeelt door een' Man die in 't geel ^ekleet is, en in 
de rechte hant eenige angels houdt, terwyl hy met 
de flinke een' bondel van bloemen ten toon draegt , waeruit 
een adder komt kruipen. 

Van de geele kleur hebben wy over het eerfte beek des bedrogs gelpro- 
ken. 

De angels, diemenmetaes bedekt om de vifTchen te bedriegen, enaldus 

te vangen, zyn klaere beelden van lift en valfcheit (^3}. Zoo fielt een be- 

HierogL dtiegcr zich heufch en vriendelyk aen, om de eenvoudigen te mifleiden, 

Lib. iTv. hen quanfuis goet doende en opheffende, om ze onvoorziens te doen ne- 

"^' ''' derftorten dat ze den hals breken. 

Verfta nu voorts door den bloemebondel [A] den gemaekten reuk der 
geveinsde oprechtheit, onder welke zich de doodelyke flang der helfche 
bedriegery verbergt. De befchryving van dit lelyke beek, naer vermogea 
voltoit hebbende, zullen wy vervolgens wat anders gaen befchouwen. 

\K\ Virgilius Ecl. 3. vers 93. 

Qui legitis flores & humi nafcentia fraga, 
Fngidus, o pueri fugite hinc, latet anguis in herba 

Dat is, naer Vondels vertaling : 

Cj kftapert, die de bloem en ryfe aerdbez.i leejt. 

Vlucht haejlighlyk^van hier: want 't geen een uyz.e Vreejt i 

De waterjlange fchuilt in 't gras tn ender meitttt 



B E- 



BEGEERLYKHEIT. 



93 




BEGEERLYKHEIT. 

E En naekte Vrou , wiens oogen toegebonden zyn , met 
wieken aen de fchouders. 
Men maelt ze naekt, omdat zc zoo geheel lichtlyk haar wezen ontdekt 
£A] en laet kennen. 

Üe bewonde oogen beduiden de blintheit [B] des verftants-, want de 
begeerlykheit is een zekere luft die de palen der behoorlykheit en reden 
te buiten gaet. 

Door 

[A] Weinige zyn 'er, die hunne begeerlykheit kunnen ontveinzen en verber- 
gen, zoo dat zy zig doorgaens van zelf ontdekt, en door vcrfcheidenc tekenen opcn- 
baert. Ook kan de nacktheit beduiden, dat de begeerlykheit te weeg brengt, dat 
de racnfch even als behocftigh, arm, en naekt kan worden acngemcrkt, hoc veel hy 
ook bezit. Want de begeerlykheit nooit ophoudende van te begeeren, zoo dat de 
ecne uit des andtrs einde geboren 'wordt ^ gclyk Seneca (i) zechtj zoo is 'er altyt iets, (i) Epift, 
waeraen zy gebrek fchynt te hebben, en wacrin zy zich vcrbeclt behoeftigh te zyn. ^^" 
Doch de cerlle uitlegging is de befte. 

£B] Hccrlyk is het zeggen van Boëthius (2) : (2) Con 



Nee fperesaliquid, nee extimefcas, 

Exarmavcris impotentis iram. 

At quifquis trepidus pavet, vel optat, 

Quod non fit ftnhilis. fiiiqne ilirii, 

Abjecit clypeum, locoque motus 
Neftit, qua valeat trahi, catenam. 

Het welk de Heer Gargon aldus heeft vertaek: 

Die alle» hartstogt heeft ver bannen^ 
En niet meer hoopt of angftigh ducht , 
Kan ligt de magt der boozen dwingen : 
Maer die verlangt., eniven/cht., en zucht. 
En jaegt naer haej^verdweene dingen^ 
Die nooit geheel flacn in zyn magt , 
Derft redens fcbilt, en zweeft in '/ duijler'. 
En uit zyn vaflen flant gehragt., 
Boeit hy zich in eenjlaeffche klmjler. 

I. TfeeL Aa 



Ibl.Phil. 
Lib. I. 

Met. 4.. 



94- 



BEGEERLYKHEIT. 



Door de vleugels verbeek men de fnelheit, waermede de begeerlykheic 
den menich achterhaek en overvak [C], ftellende ons de zaeken akyc 
bchaeglyk en aengenaem voor. Vondel waerfchuwt ons regens de on- 

billyke begecrlykhe;it aldus: 

Sluit voor Begeerte uw gr aeg gezicht -y 
Zy loert , zy loert om in te varen. 

Sliüt d'oogen, venjiers van het licht i 
Indien gy wilt nw hart bewaren : 

IVant zoo Begeerte eens binnen jluipt ^ 
Zy zal bederf en jammer baren , 

"Dat eewwigh Jmart en eewwigh druipt, 
TDe dingen zyn niet als zy fchynen: 

1)e worm zit binnen lekker ooft. 
En levend kleur bedekt venynen. 

Hy doolt zeer licht , die licht gelooft : 
In paradyzen neftlen fangen : 

1) e fangen hangen boven 't hooft ^ 
'\Daer goude en blozende appels hangen : • 

T^ies wacht uw vingers, wacht uw hant^ 

Noch vat de 1)oot niet met uw' tant. 

[C] Of liever, waermede zy hem voortdryft en even als doet heene vliegen tot 
dat gcene, het welk hy wenfcht te verkrygen. 




BEGIN. 

HEt begin laet zich zien in de gedaente van eene blin- 
kende en heldere Strael , in eenen onbewolkten hemel , 
die vol ftarren is , en beneden het plant- en kruitryke aerd- 
rond befchynt. In die helderheit en luftige beemden vertoont 
zich een naekte Jongeling, wiens fchaemleden met eenen 
witten fluier gedekt zyn. In de rechte hant houdt hy het 
beelt der Natuur ; in de flinke een vierkant , waerop de Griek- 
fche A ftaet. 

Het 



BEGIN. 95 

Het woort bcgtt:- kan vcekrlei regelmatige bctekeniflen hebben. Men 
kan 'er de eerfle oorzaek , en den oorlprongk der dingen door vcrftacn , 
gelyk daer Petrareha zegt, Van'iz'aer het begin f7iyner doot [A] ont- 
Jiaet. Somtyts beduit het begin den eerften grontflagh der wetenfchap- 
pen en kunften, waerop de leerzaemheit dan vervolgens voortbouwt. Het 
betekent ook niet zelden een by zonderen aenvang -, dat is , ecrfte gedeel- 
te der dingen, en wort aldus een onderfcheit gemackt tuiTchcn begin., 
midden en einde i waervan de poëet zeit [*A]: lndien''tbegtn enemdc oi'er- 
een komen, zoo zal ook het midden een goede gemeenfchap met hutj hebben. Pla- 
to zeit ook dat [B] de dingen verdeelt en bepaelt zyn in acn'Vang, mid- 
den en einde. Eindelyk kan men door het begin mede het begin verltaendes 
Heelals, waeruit alle dingen voortvloeien. Dit begin is Godt [CJ zelf, 
van en om welken alle natuurlyke lichamen hunnen oorfprongk hebben 
ontfangen, omdat hy allereigentlykft is niet alleen de uitwerkende, eer- 
fte, algemeene, werkende, bewegende en voorbeeldige oorzaek, maer 
ook het algemeene, laetfte en opperfle einde van alle gcfchape dingen. 

De inwendige [D] beginfels der natuurlykezaken verfchillen onderling, 
en zyn beginfeis of van toejlelling of van 'verandering. De beginfels van toe- 
Jlelling zyn zulke, die een natuurlyk lichaem even als defzelfs deelen, toe- 
flellen, en daerom in het zelve blyven: en deze zyn twee, namentlyk de 
ftoffe en de gedacnte: doch het beginfel der "verandering wort befchrevente 
zyn eene natuurkundige derving, welke niets anders is dan eene ydelheit 
of ontbeering van gedaentein het onderwerp, of in de fboffe dieeene ge- 
daente kan krygen. En dit zyn de beginfels volgens de bepaling van Ari- 
itoteles, dieaendezelvezoo veel kracht toefchry ft, dathy'erdit vanzegt: 
T>e beginfels worden uit andere dingen met gemaekt , riochte ook onderling uU 
malkanderen: maer mi de beginfelen komen alk dingen voort. Met welk zeg- 
gen Cicero in zyne Tufculaenfche [E] vraegen overeenftemt. Ik zal 

Aa 2 Pla- 

[A] Dat is , vanwaer de eerfte oorzaek rhyncr doot hacr oirfprongk hecfc : On ds 
il principio di mia morte nacque , zyn de woorden van Petrareha zelf. 

\_*A.~\ S' al principio rifponde it fine , el Tftez.o. 

[B] De woorden van Plato (i) waerop hy hier ziet, zyn, naer de vertaling van 
Marillius Ficinus: Si []unum^ nullam habet partem , nee principium ettam, nequefinem, (i) In r.ir-' 
neq;te medium htibehit. Fartes enim ipflhs hxc ejfcnt. QHin etium principinm & finis ter- raeni'lt-'.vcl 
TKini CHJHslibet fttnt. Dat is : Indien de eenheit geen gedeelte heeft , z.00 z.al ze ook^ geen „ '\'^'^ ^' 
hegin , nochte einde ^ nochte midden hebben ; want dit zouden gedeelten van de zelve zyn. 

9a ook^ het begin en 't einde zyn de uiterllc palen Viin ieder zaei^ 

[C~\ Jcf. 41. '/. 4. Pfie heeft dit gewrocht en gcdaen ^ roepende de geflachten van den 
beginne? Ik.de Heer, di* de eerfte ben, en met de Lietfle ben ik, de zelve. En Jcf. 44. 
V. 6. Ik^ben de etrfie , en ik^ben de laetfie , en behalven mj is ^ er geen Godt. Zicookjcl. 
48. v. iz. en Hcbr. i. v. 12. 

[D] Inwendige beginfels der natuur noemen de Filofofen die dingen, die nochte uit 
:indcre, nochte onderling uit malkanderen zyn gefprotcn en toegcllclt, maer uit welke 
andere zichtbare natuurlyke lichamen gefprotcn en tocgcftelt zyn, als tot welkers vooit- 
teeling en tocllelling zy behooren. Inwendige beginfels worden zy gcnocmt, om ze 
van de uitwerkende oorzaek, en 't einde, welke de uitwendige beginfels der natuurlyke 
lichamen zyn, te onderfcheiden. 

[E] Wy menen dat de Lezer de zaek beft zal bcgiypcn , indien wy hem de woor- 
den van Cicero zelfs voordragen, behelzende zeer fchoone zaken aengaende dit Brgin. 
Hy Cnreckt dan aldus: Tufc. Qiixrt. Lib. I. cap. 23. Quod femper wovetur, étternttfn 
eft. Quod atttem motum ajftrt alicui ^ (juod^ue ipfum a^itatur alittnde , tjuindo finem h.t- 
bet motHS, vivendt habeat ncceffe efl. Solnm igitttr <jy.od fe ipfrm movet , qnianumqHam 

deferittir 



96 



BEGIN. 



^^'^^^^1™ Platoos (i) woorden weder bybrengen : fFortniet alhreerjl, zcithy, het 
' heoin otnidckt, zoo i-an deEcnhcit, als van elke ejidere zaek? ennahet bcgtn 
de overige dragen tothetemde toe? Daerom magh men het brgin vrylyk het 
edelile deel aller dingen noemen: -dewyl het zeker is, dat het geene geen 
begin heeft, ook geen einde kan hebben. Waerom een goet begin der za- 
ken door Plato nier zonder reden zetr wert geprezen, met deze woorden: 
(iiDcLee. ('3 Het bcgin IS de hdft van'tgeheek "ji-erk , zegt het fpreekc-oort; endengee- 
Lib. VI- «f», die Vi'el begonmn heeft ^ prjzen "jvy die : doch my dunkt dat het begin zelfs 
meer is dan het halve werk, en dat een goet begin van niemant oit genoeg gepre- 
fenis. Depocet zeit mede [F']: 

Dimidium fadi qui bene coepit habet. 

Dat is: 

De helft des arbeits is vervronnen 

Voor een' die pryjljk heeft begonnen. ■ Maer 

deferitur a fe , msm^uam ne moveri quidem definit ; qmn etiam ceteris , r^us. moven: ur , 
hic (ons, hoc principium ejl movendi. Prir.cipi! f.utem niilla efi or'tgo. N,:?» e priKcipio 
ori:i>:tnr cmrihi: ipfum atitem ntilU ex re alia th^fci potefi. Nee enit?^ ejfet principium , ri:od 
Tiqr.eretur ait»nde. jQuod fi numqHitm eritttr , ne occidit cjuidem umqu.im. Nam Prin- 
cipium exftinÜHnt r.ec ippsm ab alio renafcetur, t!cc a fe aitad crer.bit , Jicjv.idem necejfe efi 
a principio oriri omnia. Ld fit, ut motns printipi:im ex eo fit ^ quod tpfum a fe TKOvetur. 
ld iitittm nee nafci potefi , nee mori : vel concidat or/ine coelnm , omnif^ue natura confifiat 
necejfe efi , r.ec vim uHanf tiaiicifcatur , qua primo irftpulfit moveaiur. Dat Js : Het geen 
Altyt ben/o^en wort, is eeuzi'igh : doch het geen hewccgivgh aen iets toebrengt , 'en z.e/fs 
door iet anders bewogen wort, het zelve woet, li-.-vr.eer de hezveeging een einde heeft , 
ook^een einde hebben van leven. Dat gene dan alleen, dat z.ich z.elven beweegt , hout , 
omdat het noit verlaten tvort van z.ich zelve, ook^noit cp van bewogen te ii orden ; ja 
ook is het aen de overige dingen die bewogen ti'orden , een fontcm en begin van bewcegcn. 
liet begin nu heeft geen oirfprongl^; want uit het zelve Izomen alle dingen voort ; doch 
het l^n uit geene andere zaek_ geboren worden ; ii'ant het geen uit iet anders gebo- 
ren wierdt , zoude geen begin zyn. Indien het nu noit geboren wort , zoo fier ft het ool^ 
noit. IVant een' gcfiorven begin zal nochte zelf van iet anders herboren ivorden, twchte 
zal iet anders van zich voortbrengen^^ nademael alle dingen noodzakeljk^van het begin 
moeten aeboren worden. Zoo komt het, dat het begin der beweeginge uit dat geene ?.r, 
dat zelf door zich zelven bewogen %i'ort. Dat nu kan ncchte geboren worden, nochte fier- 
ven, of de ganfche hemel mofi infiorten, en de ganfche natuur ftil fiaen, nochte eenige 
kracht k^^y^en , waerdoor ze eerfi aengedreven zynde , beii'ogen wierde, 

[F] \Vie deze Poëet zy , is my onbekcnt ; doch hy heek dit versje met wcinigh 
verandering genomen uit Horatius, wiens woorden zyn (3) : Dimidium faüi qui cxpit 
Lb i"e habet; dat is: die begonnen heeft, heeft de helft van 't werk__ reeds gedaen. Hor.itiiis 
1. V. 48. zelEs heeft het genomen uit het bekende versje van He^odiis (4) : d^7*iii rot nf^xsu Trct-ré^. 
(4) Apud dat is : Het begin is de helft van 't gehele zterk^ Echter is het niet genoeg , dat men allecnlyk 
Lucun. in (,(-.j^ [^ei^in , maer nodigh, dat men ccn goet begin makc. Anders is zeker 't geen Euri- 
Hcrmoc. „jj^-^ ^^gf . y.ax.jjf «tt' a.f'yjf ylvirui Hm^ kockóv. dat is : van een quaet begin kjmt een 
quaet einde : gel}'k in tegendeel ook het zeggen van Sofokks : 

Dat is: yille ifer!^, indien iemant het wel begint, zal waerfchynlyk^ ook^ wel eindigen. 
Voorts heeft het voornoemde zeggen van Heflodus die goedkeuring gevonden, dat het 
niet alleen van Plato en Horatius, gelyk wy gezien hebben, maer ook van veele anderen 
is) Ad Ni- herhacit is; onder dezen ook Anftoteles (5-) : ^<^^ïi ^v ttAsjov >; rh r,(Aic-v tH ■zavTo^ h-m 
koniach. >! «j^vi . dat is : het be^in fchynt meer te zyn , dan de helft van "'t geheel ; cn v.'cderoin : 
Lib. 1/ ((^\ tj St d^yri y.iyiTcn ï-fAiar-j Jnai tS ■aci.rcg , Jp.t is, het begin ïvort gezegt de helft te zyn 
{6) Pohtic. ^^^ 't geheel. Aufonius heeft het nogh wat verder uitgebreit, op deze wyzc: 
^' ■ "* Incipe : dimidium facti eft ccepillc : luperfit 

Dimidium : rurfum hoc incipe : & efficies. 
Dat is. Begin: begonnen te hebben is half gedaen. De helft blj/ft 'er nogh over igh; be- 
gin die wederom , en gy zult ze voleindigen. 



BEGIN. 97 

M:ier om het beek te verklaren, dient geweten dat de helder blinkende 
jftrael de oneindelyke magt van Godt beduit, ^'an wien alle dingen hun we- 
zen j kracht en werking hebben , en in welke hy , als cerfte oorzaek en wer- 
ker, zyn wysheit en vermogen blyft vcrtoonen. Alle oorzacken dan, zoo 
wel de tweede als de derde, hangen ten eenemael van die eerlle en grootftc 
oorzaek af, zoodat alles wat 'er is zyn wezen en beftaen geheel aen Godts 
handen ichuldigh is. Maer fchoon alle dingen door hem voortkomen, en 
hy echter inderdaet geene gemeenfchap met de zelve heeft, zoo noemt hy 
niet te min zich zei ven Het licht der iverelt: 't v/elk indien wy wel over- 
wegen, zullen wy bevinden, dat, gelyk men in de zon zes trappen be- 
fpeurt die in orde naer malkander gefchikt zyn, aldus ook Godt zes zaken 
in zich bevat die met de zon wel overeen komen. In de zon is eerft -.xcii te 
merken haer wezen^ ten tweede haer inwendigh en wezenclyk licht Ci};(,) lhx. 
ten derde het uitwendigh licht (^2}, uit dat inwendigh licht voortvloeien- (^l^"'^*^"* 
de ; tenvierde de glans of het fchynfel dat uit het uitwendig licht ont- 
ftaet} ten vyfdede hitte door dit fchynfel ontflokenj ten zefle de voort- 
teehng, door den brant der hitte bevordert: en alzoo teelt het fchyn- 
fel der zonne, door middel van de hitte, alle lichaemelyke dingen. Die 
getal van trappen of hoedanigheden is echter in het Godtlyk vvezen on- 
eindigh heerlyker. De eerfte trap paft op de Eenheit -, de tv/eede op 
de goctheiti de derde op een zeker Godtlyk verftant, even als een uit- 
wendig (3) licht, uiteen inwendig (4) licht voortvloeiende: welk ver-(3)Lumeu. 
ftant in zich bevat, om zoo te zeggen, Ideen of eerfte denkbeelden vant'^) l»x- 
verfcheide gedaenten, gelyk aldus uiteene heldere ftrael van 't inwendig 
licht veele ftralen in 't uitwendigh licht voortkomen. Na deze vooro-e- 
fchetfte [G] werelt volgt ten vierde de ziel der lichaemlyke werclt, en dit 
is dan een redelyke werelt, zynde geftelt door de verftandelyke werelt, 
gelyk het fchynfel door het uitwendigh hcht. Ten vyfde volgt de natuur 
aller dingen, welke is de werelt die vruchtbaer of vol zaets is, en uit de bo- 
vengenoemde fpruit, gelyk de hitte uit het fchynfel. Ten leften komt 
deze lichaemlyke werelt van de voorgaende bezaedde voort, even gelyk de 
voortteeling der dingen van de hitte haer begin en oorfprongk heeft. Zie 
Marfilius Ficinus [H] in zyn kort begrip over Platoos Timeus. c. 8,9, 10. 

De hemel vol ftarren beduit de magt der planeeten of dwaellichten over 
; de ondermaenfche werelt, en over de lichamen die haer onderworpen zyn ; 
. welke magt, hoe zeer ze de voortteeling der bezielde en onbezielde dino-en 
bevordert, daeraen valt niet te twyfelen. Echter ftellen wy het gevoelen 
van fommige ftarrekimdigen ter zyde , die dryven willen , dat alle dingen 
dezer werelt geheel aen den hemel verknocht zyn, en naer des zelfs bewe- 
ging bcftiert worden. 

De jongeling houdt met de rechte hant het beek der Natuur, zynde die, 
gelyk Ariftoteles (5) zeit, het begm en de oorzaek van beweging en ruft. in 't (?) Phyf. 
geene daer zy m is [I]. Waeruit wy zullen trekken , dat zy het bc"-in al- ^'^- "• 
L Deel. B b ^0 ^^^cap.i. 

[G] Archety^us mundus ; dat is '. werelt vm 't cerfie ontwe-rp : fchets of patroon der ' 

wtrelt: werelt die zich Godt tn z.yne denkbeelden had even als voorgefchetft . Dezc WOrE 
by de Filozofen de verflandige werelt gcnocmt. 

[H] Uit wien al het bovengeftcldc , aengaende de trappen der zon, enz. byna van 
woort tot woort getrokken is, en verder licht, aengaende deze werelden kan gehaclc 
worden. 

[I] Namentlyk, door z.ich zelfs ^ en niet deor toeval, gelyk 'er Ariftoteles zeer wel 
byvoegt. 



98 BEGIN. 

Ier voorteelige is, zynde de voortteeling de voornacmfte hocdanighcitder 
bewcginge, onder de vier die door Arillotelcs gemelt zyn. Piato fteltda 
natuur onder de gelykenis van eene lichtkolom [K] voor, die tot een bant 
verftrekt van 't Heelal, willende daer door te kennen geven, dat de naUwr 
eene Icvenvevji'ekkmde enzaetlyke kracht is, door de ziel zelve der 'werelt am 
dejïojfe der 'uverelt mgcjlort ; ivelke natuur daer om een licht i:;ort genoemt , om-' 
dat ze levenver'-ji-'ekkend en doordringend is. Insgelyks '■jüort ze eem rechte ko- 
lom gcnoenit , om dat ze e-ven als in de langt e dejlojje aen alle kanten doordri^iPt^ 
en vervolgens veele trappen van gedaenten in fcvrt en gejlacht verfchdleride ^ 
voortbrengt. Zy vi-ort ook gezeit zich tut te Jlrekken door alledeelen, enden 
he/nel van alle kanten te binden, om dat ze overal geheel tegenwoordigh is , en 
alles te fanien hout: nademael zy doordringende zich verffreit , zich vcrfprei- 
dcnde alle dingen vervult , en vervullende bcjiiert. 

De menfchelyke beeltenis wort 'er, als het begin en 't alleredellle der 

gcfchapc dingen, bygedaenj dewyl, toen Godt de wereltlchiep,hy niet veel 

roeftel maekte of moeite aenwende, maer flechis fprak : Daer zy een uitfpan- 

(i) Gen. I y^^ ^^"s hemels (i}, en het was 'er aenftonts: daer zy een zon, eenmaenen 

^^5. 6. andere hemelfche lichamen (2} en terftont waren zy 'er. Maer wanneer hy 

|.^\^^"" 'den menfch wilde fcheppen, zeidehy: Laet ons menfchen maken, naer ons 

(3) Gcii. i.beelt en gelykenis (3}, om te betoonen [L] dat de menfch het edelfte [M] 
^" ^^* aller fchepfelen is. 

De 

[K] Deze lichtkolom, en 't gene hier van dezelve gezegt word, zal duifter blyven, 

(4) De Re- indien wy ze uit Plato zelfs niet ophelderen. Hy vcrhaek dan (4) , dat een zekere 
publ.Diil.£j^5 uit Pamfilien, die in een veldüagh gefneuvelt zynde, op den twaclfden dag daer- 
lo.cxci. ^^ -vvcderoni was levcndigh geworden, en in dien tuflchentyt veele wonderen gczitn had; 

onder anderen ook dit had weten te vertellen : dat de zieltjes der gcenen, die ui 't leven 

zullen ingacn, en ten deele uit den hemel, ten decle uit de aerde komen, zeven dagen 

in een zekeren beemt aiften ; doch dat ze op den achtften dag vandaer wederom moeten 

vertrekken, en dat ze eerft op den vierden dag daerna komen tot een zekere placts, daer 

zich van boven door den ganfchen hemel en aerde een licht fchynt uit te Itrekken, op- 

gaende even als een kolom , en zeer wel naer een regenboog gclykcnde , doch klaerder 

en zuiverder: dat dit licht de band is des hemels, en des zelfs ganfchen omtrek omvat; 

UI In Ar-^"^- ^^ "it^l^gg'^S ™^ v^ï^ ^^'^ vertelling vint men by Ficinus ff) uit wicn onze 

«iimentc fchiyvcr zyne verklaring hier volgende, van woort tot woort heeft getrokken. 

Dulogi fL^ Dat den menfch, zegt Nazianzenus (6) 't allerlefi gefchapen is, zijnde door Gods 

liudati. hant en met Gods heelt verjïert , Z-ulk^ meet niemant vreemt tocfchjnen. Want daer moefi 

(6) Urat. gcyjl ^ even als voor een koning.^ een paleis gebou^vt , en de koning alz.oo ingeleit 'U'orden, 

z.ynde nis van alle z.yne trau^t-'anten verz.elt. 

[Mj Indien iemant een heerlyke bcfchry ving van des menfchen voortreffèlykheit wil 
zien, die Iceze Cicero over de natuur der Goden, in 't I. Bock, kap. 5-4, ff', en 56. 
De placts was waerdigh hier uitgefchrcven te worden, indien ze zoo lang niet was : 
waerom wy ze alleenlyk aenwyzen , en ons zuKcn vergenoegen met een korter placts 

(7) Met. uit Nazo (7) : 



Lib. I. 



Sanftius his animal mentifque capcius alta: 
Deerat adhuc, 6c quod dominari in cetera pofltt: 
Natus homo eft. 

Het welk Vondel aldus vertaelt heeft : 

En nti gebrak, 'er nog een eenigh dier tot prael^ 

Dat heereijker was dan d' andere altemael. 

En met de reen begaeft , alle andren mogt hetoomen : 

Dus is dt menfch, het eêlji der fchepjlen , voortgekomen. 



B 



I N. 



99 



De witte fluier verheelt de [N] zuiverheitvan het begin, dat alleen van 
de grootheic, goetheit en ziuverheit des Scheppers voortkomt: gelyk 
Marlllius Ficinus (i) redeneert, zeggende: Het begin behoort 'vooyjaaer d- f '5 Com. 
fer eenn;oudig(i en beft te zyn : mus 'er mets een'voudiger dan de Eenheit^ nochte Piattnis" 
heter dan de goetheit. Want de Eenheit is met beter dan de goetheit ^ nochte de Tini..c. s. 
goetheit eenvoudiger dan de Eenheit . 

Door het vierkant, daer de Griekfche A op ftaet, wort te kennen gege- 
ven het begin van alle dingen; als zyndc de ecrfte letter in 't A, B, C, en 
ook de eerile onder de vokalcn, of geluitgevende letteren, zonder welke 
men niet een eenig wjoort kan uitfp reken. Godt zelf, zegt in de Openba- 
ringen van Joannes : Ik ben de Al^ha en de [O] Omega ^ het Begin oi het 
Einde. 



[N3 Zie de aenmerldng F over de Gerechtigheit. 

[Oj Zie Piéritis f^ttlerianus Hwogl. Lib XLVII. eap. 55. en Erafmns Chil. 4. Cent 
7. Ad. 98. 




EEGRYPLYKHEIT, 




Jt zinncbeelt vertoont zich als cene jonge Joffer , van 
middelbaere grootte, blont van hair, en in witte kle- 
deren; ftacnde voorts zeer levendigh en vaerdigh, alsot ze 
op iemants rede toeluifterde. In de flinke laant heeft ze een 
Kameleon , in de rechte een klaren fpiegel. 

De begryplykheit is een redelyk en natuurlyk deel van 't gemoedt, door 
wiens middel men de dingen die ons voorkomen, licht leert kennen en ver- 
ft aen. 

Een redelyk en natuurlyk deel , zeggen we j want zy is de redelyke na- 
tuur eigen i zynde de menich alleen bequaem om rerflaenbaere dingen mcc 

Bb 2 het 



ïoo B E G R Y P L Y K H E ï T. 

het verftant re kunnen begrypen , gelyk Juvcnael [A] zcit. Ariftoteles 
gelykt den menfch by eenc gladde tafel, op welke men allerhande dingen 
kan fchryvenen maelen. Deze vinding wort door Horatius [B] gevolgt. 
Homecr fprcekt 'er mede omtrent zoo van, daerhy denzangmeefterFemius 
invoert en laet zeggen [C] : Ik heb van zelf geleer t zondermeejler , de'-ji^yf 
Godt m m)n gemoedt veele knnjien beeft ingefiort. Zy is een deel van 't gc- 
moedt, want door haer leeren, verltaen en weten wy. 
fiRhctot. Zy wort jong gemaelt, naerdien, gelyk Ariftoteles (i) zeit, de gene- 
Li'o. II. gentheden in de jeugt groote kracht hebben, en ook de zinnen als dan le- 
vendigd en bequaemit zyn om de dingen, die het vcrftant betreffen, te be- 
grypen en uit te werken, Ipruitende deze hoedaniglieit uit de hitte der 
• geeften. 

Middelmatigh van lengte wort ze vertoont, dewyl naer Platoos oordeel 
de middelmatigheit het befte in alle dingen is : als ook omdat de middelma- 
tige geilalte der leden een blyk is van eene matige tempering der vochten, 
(z^Lib.ii. gelyk Porta in zyne Gelaetbefchouwing (2) verhaelt r en by gevolg ook 
cap- '• van eene goede bequaemheit voor de werking des verftants , zynde dit ge- 
meenc zeggen der Filofofen zeer waerachtigh, dat de zeden de gematigtheit 
des Uchaems -volgen. 

Zy heeft blont hair, omdat zulk hair een bewys is van de zachtheit van 
eene goede gefteltenis en leerzaem begrip. Dehaireuy zeit Porta [D] , dieo^ 
een acngename iz^yze na den blonde trekken ^ zyn tekens van vaerdigheit j heerlj- 
ke fcher^zinmgheit , en gaewunheit m '/ leeren der '■ji'etenfchap^en. 

Men 

[A] Sat. XV. V. 141. 

Separat hoc nos 

A grege mutorum , atque idto yencrabilc fbli 
Sortiti ingenium, divinorumque capaccs, 
Atque excrcendis capiendifque aitibus apti 
Senfum a coelefti demifllim traximus arcc, 
Cujus cgent prona 8c terram fpeótantia. 

Dat is : 

Dit fcheit ons van den hoop der domme en fiommeheefien. 

En hiertoe hebben wj alleen verheve geeflen 

Verkregen : en bequaem om z.aeken na te gaen 

Die hoog en godlyk^z.yn , en konften te verft nen 

En t'oef'nen , hebben uj uit d'hemel zelf ontfangen 

Een redeljk^vernuft , den dieren, die neerhangen 

Met d' hoofden voorwaerts naer het aerdryk^, niet verpinh 

[B] Alt, Poet. V. 108. 

Format enim natura prius nos intus ad omncs 
Fortunarum habitus. 

A. Pels heeft dit aldus overgezet : 

Wam eerft geeft ons natuur een hart , hequaem tt entfangen 
Na d' uiterlyke [lant een innerljk^beUngen 
Van alle zaleen. 
[C} Odyfl: Lib. XXII. VS. 347. 

'AuroSi'Jasxro? S' hfAi. 9-los Si [Aoi iv Cp^iflt ti^Ai 

{yy\ De Phyfiogn. Lib. IV. cap. 2. Capilli placide fubflavefcentes in difciplinis capien- 
dis prsmtitudimm , «gregiam animorum fubtilttattm & artiftanm tradunt. 



BEGRYPLYKHEIT. loi 

Men klcet haer in 't wit, omdat, gelyk in de fchilderkunfl de witte verf 
I tot een gront en fteunfel der andere kleuren ftrekt, alzoo ook het begrip de 
o-ront en Jict fteunfel is van alle redeneringen en overwegingen. 

Zy wort flaende, wakker, vaerdigh en als toeliiifterende gemaelt, om 
' de geftaltc en bereitwilligheit, waermede zy altyt gereet ftaet om te leeren 
en te begrypen , uit te beelden. 

In de flinke hant houdt ze een kameleon j want dat dier neemt de verwen 
[E] aen van alles dat het aenraekt. Aldus herfehept zich ook de begryp- 
lykheit in alle overwegingen en redenen die haer voorkomen. 

Defpiegelbeduit, dat ze, gelyk een fpiegel, zich zelve indrukt en toe- 
eigent alle dingen, die zy hoort, opmerkten begrypt. N u komen wy tot de 

[E] Volgens Ovidius Lib. XV. Metam. v. 411. 

ld qnoque qiiod vcntis animal nutritur & aura, 

Protinus uflimilat tnftu quofcunque colorcs. 
Het welk Vondel dus vcitaelt heeft : 

Ook, wet en ze gewis. 

Dat een Kameleon bj wint en lucht k^an leven ^ 

En alle verwen en gedaenten hier op klevtn. 
Het zelve getuigt ook Ariftoteles Lib. II. de Natur. Anim. en nevens bcm Plmius 
Hifi- Nat. Lib. FIH. cap. 3^. daer hy dit dier in 't brcede belchryft : maer hy zondert 
de v.'itte en rode verf uit , zeggende : Et coloris natm-a tyiirabilior. A'ïmut tutm/jue enm 
fibinde Ó" ochUs Ó" cauda CT" toto corpore ^ redditque femper cjHir/rcuiique froxime Mtivgit^ 
tr&ter rnbritm cAnd.idumque : dat is j En de natuur van z.yne verwe is nogh wonderljker. 
Hant hy verandert dezelve telkens en in de oogett , en in den fiaert , en over 'tganfche lyf^ 
en vertoont altyt die verwe , die hy 't naefl aenrael^t, behahen de roode en uitte. Hier 
van daen 't fprcekwooit, Chumsleonte mutabili/)r : Veranderlyker dan een Kameleon ; van 
iemant die ongeftadigh is, en, gtlyk men zegt, de huik naer alle winden hangt. Plu- 
tirchus in zyn bock aengacndc het onderfcheit van een vleier en waren vrient , fchynt 
alleen de witte venvc uit te zonderen , alwaer hy deze acrdige vergelykinge mackt tus- 
Ichen een vleier en den Kameleon : Een vleier , zegt hy , wedervaert het zelve als den 
Kameleon : want gelyk^ de Kameleon allerlei vereven kau aenneemen en vertoonen^ hchal- 
ven de witte ; alzoo volgt een vleier , omdat hy geen pryzenswaerdige dingen kan verrich- 
ten, alle 't geene na, dat fchandelyk^en leMis. Macr Alciatus heeft Plinius liever willen 
volgen, en heeft de vergel yking, door Plutaixhus uitgevonden, verder befchacft, en 
wel vrygeertig, op deze wyze (i) : ^^' "' 

Scmper hiat, fêmper tenuern, qua vefcitur, aurara 
Reciprocat Chamceleon : 

Et mutat faciem, varios fumitque colorcs, 
l^iLUtcr rubrura vel candidum. 

Sic & adulator populari vefcitur aura, 
Hiansque cunda devorat : 

Et Iblum mores imitatur piincipis atros, 
Albi 5c pudici nefcius. 
Dat is : Liet dier Kameleon gaept jleets naer wint , en treilt 

De dt/nne lucht Jleets iti , die hem voor voedfel ftrekt, 

Ferandert van gedaer.t en krygt verfcheide kleuren , 

Behalven root of wit. Dit ziet men ook,gebeuren 

In eenen vleier: die met open mont den wint 

Van ieders gunfi bejacgt , maer alles fel ver/lint , 

En volgt alleenlyk^na der forfien zwarte zeden. 

Niet wetende van wit of root , met graege fchreden. 
Namentlyk Qe;i-zt'^r/-ekleuriseenzinncbeeltvanboosheit en valichartigheit , de 7i'itte van 
oprechthcit j de rode van cerbaerhcit en fchaemte: gelyk gczcgtis over dcAchtbacrhcit, 
bladz. 1 2. Acnm. P. en over de Gerechtighcit , Aenm. F. Het gene ondcrtu llchen de Ka- 
meleon doet door aenraking, verricht de Taranda ook zonder dezelve. Dit is een dier 
in Ruilant, -van grootte als een rund, met een hartskop, dat de kleuren van zyne hai- 
rcn na de gedaentcns van alle plaetfen en Ibuiken, daer het omtrent komt, terilont ver- 
andert: gelyk Picrius acntckent uit Arillotelcs, Hierogl. Lib. XXriI cap. 24. 

/. Deel. Cc . BE- 



102 BEHEERSCHING van zich zelven. 




gi. Lib. I 
cap, 17. 



BEHEERSCHING van zich zelven. 

E En Man zittende op eenen gcbrcidelden leeu. Met de 
cene hant hout hy den toom, en in de andere heeft hy 
eenen prikkel, waermede hy het dier ftcekt en voortdryft. 
(i) Hiero- By de oudc Egiptcnacrs was de leeu een zinnebeelt van moedt en 
fterkte [A]. Waerover Piërius Valeriaen ("i} verhaelt, dat in eenige ou- 
de plaetfen een man gezien wort, even gelyk \vy hem hier vertoonen. De- 
ze beeltenis betekent, dat de reden het gemoedt, indien het te Hout wort, 
in den toom [B] moet houden, of aenprikkelen en voortdryven wanneer 
het tot flaperige traegheit vervalt. Hoe heerlyk en pryswaerdigh voorts 
de bcheerfching van ons zelven zy, melt ons de fenix der Nederduitfche 
Dichtkunft in deze vier vaerzen : 

'/ Eilant van geen zeven voeten 

Zich bemagtigen is meer 
Dan al V aertryk om te wroeten 
Met den degen en de fileer. 
\_K\ Tac Picrius Hierogl. Lib. I. c. 2. en 3. 

[B"l De toom betekent in de beeldenipraek de weêrhouding van quade driften en be- 
geerten. Zoo is by de ouden beroemt gcweert een beek van de godinne Ncmefis , heb- 
bende in de eenc hant een toom , en in de andere eenc elle : waer van men deze vaerzen vint : 



(t) Epift. 
Lib. I. Ep. 

i. T. <l. 



M>;r oii^iT^ov ri TtoiiTv, ^^,t' oi'yoiHvoti Xiyu-j. 
Dat is : Dm Nemejïs eene elle en toom heeft , ir ten telden , 

Dat niemant bmten maet moet doen , noch toomloos /preken. 

En Horatius les is (2) : 

Animum rege, qui nifiparet, 
Imperat: hunc frenis, hunc tu compelcc catena. 

Dat is : Regeer 't gemoet : het ivell^^ indien 

Gy 't niet regeert, u z.al reieeren. 

T> J ■ tl 

Bediumg bet dan , en tuil het leeren < 
Te hiiftren na.er dm toom der reet}. 



I 



BE HOU- 



BEHOUDING, 



103 




BEHOUD ING. 

Volgens 't verhael van Pierius Valerianus (i) wort de^'i^i^^""' 
Behouding verbeelr. door ecnen dolfyn , die een' toom 'xxvu. 
in den mont heefr ; zynde dit een teken der behoiidenille, 
omdat veele [A] door dezen virch uit het water zyn gehol- 
pen en gebergt. 

In den tempel van Neptunus op den Ifthmus [B] zagh men outtyts een 
beelt van het jongske [C] Palemon, dat, van gout en y voor gcmaekt, opee- 
nen dolfyn zat, zynde deze beelden door den Atheenfchen [D] Herkules 



c 2 



aen 



.V. 95. 



[A] De fiibel van Arion is bekent zelfs uit Ovidius (i). Gcllius vcrhaelt ze ook ge- (1) Faft. 
Tieel wydlopig uit Herodoot : bchalven anderen. Vcrfchcide andere vertellingen vanLib. 11. 
diergel)ke natuur vint men aengetekent by Piërius Hicrogl. Lib. XXVII. cap. 2. Zie"' 
hem ook cap. 10 & 11 in 't zelve boek. 

[B] Illhmus betekent een fmalle ftrecp lands , twee zeen vzn malkander fchcidcnde. 
Hier v,-ort die vcrdaen, die Pcloponnciüs , nu Morea, hecht aen 't overige valk lant 
der Gr>.-ken, en tuflchcn de Jonifche en E^ecfche zee leit. Op dezen Ifthmus lag de 
ftadt Konnrhc : warrom zy de Korinthilchc Ifthmus genocmt wierd j gcl)k meer an^ 
dcre dicrgelyke fh-eepen lands haren nacm droegen van nabygelcgene placticn , ol \-:in 
die landen, 'in welke ze waren. Maer die van Korinthe is zoo beroemt, dat ze alleen 
met den nacm van Ifihmus , zonder bvvo-ging van Korimlufcljen , genoeg b;.kent is. 
Nacr dezen Ifibmus zyn gcnoemt de IfthmiVche fpclen , die alle vyf jaren aldacr gcvieit 
werden, zvnde ter cc're van Neptunus door Thefeus, of vanPakmon, doorSilihis in- 
geftelt. Men zie Paulanias Lib. II. cap. i. Pkuarch. in Thefeo, en Alcxander ab A- 
Icxandro Gcnial. Dier. Lib. v. cap. 8. en over hem de acnmerkingen van Tiraquellus. 
Den tempel van Neptunus befchryft Pauzanias ter gezeidc placts in 't brede. 

[C] Het zoontje v;m Athamas en Ino. Men zic de fabel by Ovidius in 't vicrda 
boek der Herfcheppingen , v. 416. enz. 

[D] Hicrbegaet oitts fchrj'ver een mifllag, ftellcnde den Atheenfchen Herkules 
voor Herodes AttikHs , of den Atheenfchen Hcrodes ■ welke is geweeft een gelccrt en 
acnzienlyk man , die te Rome de burgerrnecfterlyke waerdigheit tweemael heeft bc- 
kleet, en geleeft onder de Keizers Hadnanus en Markus Antoninus. Deze heeft nacr 
't verhael van den \oornoemden Pauzanias {X) niet alleen deze, maer ook andere b;cl- ,,. 
den in den Tempel van Neptuin ingewyt. Palcmon ook wcrdt daer vertoont, doch'^' 

n-.t 



LofoL. 



104 B E H O U D I N G. 

acn Ncptuniis toegewydt. Dewyl voorts de zeeluiden, om behoiide reis 
te mogen doen, grooten eerbiet aen Palemon [E] beweezen, zoo kan hy 
gevoeglyk op eenen dolfyn [F] de behoudenis verbeelden. Maer laetons' 
nu eens zien hoe de eeuwige behoudenis een gevolg zy der oprechte 

niet zittende op den dolfyn, macr recht overeint ftaende; en zoo wel de dolfyn als hel 
jongskc wacren beide van gout en elpenbeen gemackt. Herkides eindelyk waf 
geen Athener, macr Thebaen: zoo dat onze fchry^ƒer hier in vcrfchcidc opzigten miit 




as zelf had nagezien. Van zoo groot een aengclegenthcit is 't, dat men met de oude 
Schiyvers zelf raetplcge. 

[E] Als de God der Havens, vanwacr hy by deLatyncn den naem draegt van Por- 
taufis : w ;int PaloKou wert hy by de Grieken genoemt. Voor dat hy een Zeegoc 
witrt, was zyn nacm Aleliccrta. Hoor Ovidius Faft. Lib. VI. v. 5'43. 

Numcn eris pelagi : natum quoque pontus habebit. 

In veftris aliud fiimite nomen aquis. 
Lcucothëe Grajis , Matuta vocabere nofti-is. 

In portus nato jus eritomne tuo. 
Quem nos Portunum, fua lingua Pala^mona dieet. 

Ite, precor, noftrisïequus uterquo locis. 

Dat is naer de vertaling van A. Hoogvliet : 

I j.^,"i^ .. Gy "t" 'U'ort een Zeegodin i een Zeegod werd uw z,99n *. 

ta. Neemt andre namen , in mv flroomgehiet gez.eten : 

Leucothea zal u de Griekjche lantaert heeten , 
En wy Matuta ; maer hiv z.oon krygt al 't gehiet 
Van ree en haven , dien men hier Portunus hiet , 
Palemon in zyn tael: gaet km, waert't uzal luflen-^ 
Maer weeft tog beide altydt genadig onze liften. 

Na ecne behoudene reis was het fcheepsvolk gewoon hunne gelofte ook aen hein te be« 
talen, zoo wel als aen andere zeegoden, gelyk men vint by Virgilius (i) : 

Lib. I. v'. Votaque feivati folvent in littore naut^e 

437- Glauco 6c Panopete , & Inoo Melicertse. 

Dat is by Vondel : 

En 't fcheepsvolkj, bly gelam , betaelt dan overal 
7,yn kerkbeloften aen Godt Güukus, A-feliccrte , 
Den zoon van Ine, en aen Panope bly van harte. 
Zie ook iEneid. Lib. V. vers. 241. , 

[F] Tc meer, om dat hy zelfs verdigt is geweeft door een dolfyn aen lanc te zyi 
gebracht, gelyk Paulanias, ter aengehaelde placts mede verhaclt. 



B E^ 



BEKEERING, 



305 




B E K E E R I N G. 

DEze fchildcrt men als eene zeer fchoone Vrou , die mid- 
delbner van ouderdom , ennaektis; doch echter n^t 
een witten en zeer fynenfluier eenigszins gedekt, op welken 
gefch reven fta et : in te, Domine, speravi, dat is, //rr, 
in u heb ik gehoopt. Voor haere voeten leggen allerlcie hem- 
den, als koülyke klederen, goude halsketens , paerlen, dia- 
manten en andere rykdommen ; ja zelfs ook blonde vlechten 
die ze van haer hooft afgcfneden en wechgewprpen heeft , to- 
nende dus, dat ze geen behagen meer fcheptinydelepronkc- 
ryen. Zy heft haer hooft om hoog en het gezicht ten he- 
mel , alwaer men cene zeer heldere ftrael ziet blinken , ter- 
"wyl ze als in tranen wechfmelt. Haere beide handen houdt 
ze kruifling voor de borft, en toont aldus blyken van groot 
berou en leetwezen. Onder haere voeten heeft ze eene Hy- 
dra of veelhoofdigh gedrocht, dat zich vflyk wringt, en 
tracht op te komen , om haer ter neder te werpen. 

Men maelt ze fchoon , omdat ze Gode aenf?cnaem, denmenfchtenhoo"-- 
ften [A] nutj en verre afgefcheiden is van de mismaektheit der vuile, af- 
fchuwbaere en dootlvke zonden. 

Wy geven ze eenen middelbaeren ouderdom, omdat deze levenstyt (i) (O Ariftot 
al het goede heeft dat tufTchen de jeugt en grysheit is: namentlyk men is Khctor 
dandejeugdelykedartelhedenontwafien, en nogh verre van de gebreken 
/. Deel. D d des 

[A"l Dit leert ons Elifas de Temaniter by Job cap. ^^. vs. 25. Zoo gj u bekeert tot 
den Almachtigen , gy z.ult gebouwt werden : doet het onrecht verre vtin ptue tenten , dan 
z.ult gy het gout op het fiof leggen , en het gattt van Ofir hy den rotsfieen der beehm. Jade 
Almachtige z.al u overvloedig gout z.jn , en h krAchtig z^ilver z.yn. Mant dan z.ult gy « 
over den Almachtige» verh'fttgen : en gy zjtlt tot God uw aengeucht opheffen. Cy ^Wf 
hem ernfielyk^bidden , en hy K.al « verhooren : en gy z.ult mir geloften betalen. 



10! 



B E K E E R I N G. 



XXXII 
cap. 34. 



des ouderdoms. Dus magh men zeggen dat in deze oudde de waere kennis 
zy om het qiiade te vlieden en het goede te volgen. Ovcrzulx paft op ons 
onderwerp de fpreuk j In medio confifiit virtns: De deugt bcjiaet m V midden. 

Zyisnaekt, uitgezeit dat een zeer fyne en fpierwitte fluier haer nogh 
een weinigh dekt : het geene zeggen wil, dat de bekeering zuiver [B], j 
oprecht j en van de vvereltfche ydelheit en bekooringe ten eenemael vreemt 
zyn moet. De woorden In te. Domme, fperavi beduiden , dat een waere be- 
keerde in een vaft voornemen ftact om zich door de zonde noit weder van 
Godtaf te laten fcheiden: derhalve hoopt hy op Godts genade, en ver- 
wacht met een geloovigh vertrouwen, de vergeving zyner misdaden; zulx 
dat te gelyk met het geloof ook de hoop in hem aenwaft, door middel van 
de begeerte, en 't verlangen dat hy heeft om zich in Godttemogen verbly- 
den. 

De prachtige lyffieraden, die ze van haer wechgefhieten heeft, verze- 
keren ons, dat iemant die zich tot Godt bekeert heeft, allen vergangkly- 
kenrykdom, pracht en ydelehovaerdy verachtj zoekende, gelykBernar- 
dus zeit [C] j in plaets van dien weitfchen tooi en omflagh, nu alleen zul- 
ke dingen die de ziel kunnen verfieren. 

Het affnyden en wechwerpen van haer blonde en gcvlochte hairen geeft 
(i) Lib. te kennen dat ze die nu haet. Piërius zeit (i}, dat het hair de gedachten 
[D] verheelt : en het is geen waere bekeerde, die geduurigh fnode en zon- 
dige overdenkingen blyft voeden. Die moeten afgefncden, uitgeroeit en 
verworpen worden, want zy verblinden het gcmoet, en beletten den acn- 
dacht van die zich wil bekeeren. 

Dat ze haer hooft om hoog heft en hemelwaert ziet, wil zeggen, dat het 
ons betaemt met een vaft betrouwen en geloof tot Godt te gaen, en hem om 
genade te fmeeken: hoewel hy ons zoo wel het een als 't ander geeft door 
zyne barmhartigheit, en niet om onze verdienften. W znt het geloof is een 
gae-vevan Godt , zegt Paulus : en David, De Heer zal genade en eer geven; 
het welk wy door de klaerhchtende ftrael [E] verbeelden. 

De overvloei van tranen, die langs haere wangen afbiggelen, beduit een 
hartgrondighberou.[F] en pynelyk leetwezen; gclyk de over malkander 
geflage handen blyken van droefheit en fmartzyn, diede bckeerehng gevoelt 
als hy Godt vertoornt heeft. 

De 

[R~] Hcbr. X. VS. tl. Zoo Liet ons dan toegaen met een ii'nerachtighartt , in volle ver- 
s^ch^rtheit des geloof s, onz.e harten gereinigt z,ynde van de cjn.'.de corifcicntie. 

[Cr\ Sup. Cantic. Serm. 26. OrnatHm cordons fanüi contemnunt fotitm anima decorem 
^Hcrèntes. 

[D] De reden daervan, die Picrius 'er by voegt, zyn, omdat gelyk het hooft met 
het hair, alzo de ziel met de gedachten, verfiert is : en omdat uit de ziele of het harte 
de gedachten voortkomen, gclyk uit het hooft de hairen, die 't verfieren en bedekken. 
Alzoo meent ook dezelve Piërius, dat daer door, dat dt h/tircn onz.es hoofts worden op- 
xcgigetelt te z.j» , moct verftacn worden, dat alle onze bedenkingen aen Godt openbner 
zyn. Gel)k nu het hair in de Bceldenfpraek de gedachten betekent, alzoo geeft heiaf- 
l(:hccren en wegwerpen van het zelve, te kennen het affnyden en wegdoen van overtol- 
lige en onnutte gedachten. Want dat de Egiptifchc Priciïers liunne hoofden alle dagen 
lieten kael afièheercn , zoo dat 'er niet het minfte teken van hair op overbleef, wilde 

niets anders zeegen, selyk de zelve Picrius (a) aentekcnt, dan dat men alles daroveitol- 
(1) Hicro- ,. °^ ° /l 

1 Lib ^S *-" onnut was, moeit verwerpen. 

xXXli. [E] Welke de Goddelykc hulp betekent: als breder zal gezegt worden in 'tzinne- 
cip. 45. beclt der Hulpe. 

[F] Volgens Cuitius Lib. V. cap. 10. n. 15 Lacrjmas etiam poenitentia indicespra- 
fhdernnt, dat is , oo\^hebben z.y tranen , blyken van berouw , gejïort. 



BEKEER! N G. 



107 



De Hydra, ccn vcelhoofdigh [G] ondier, 't geenze onder haerc A^octLn 
heeft, geeft te kennen, dat men de zonde moet verwinnen, en onderden 
voet treden; 't welk echter niet dan met zwaeren arbeit en moeilyke wor- 
flehngen toegact: want de zonde Vv'cnt hier alle haere magtaen, om den 
bekeerden het vorderen op den wegh der zaligheit te beletten j 't geen dsin 
mede door de Hydra, die zich zoo wreet aenftelt, niet onaerdigh wortuit- 
gebeelt. Voorts kan men haer, terwyl ze dit gedrogt met de voeten treet, 
aldus doen fpreeken : 

Divitix Attalicxjaceant, aurumqiie, comxque 

Et levis hxc tantum fafcia membra tegat 
Et modo jam menti fedeat fententia noftra:, 

Qux vela exornat peftoris alba mei. 
Hydra fedhxcpedibusjaceat fuppofita, diris 

Ne illius pereant pe£Vora noftra dolis. 
Cunö"a tenenda modo ftmt hxc de fede fuprema. 

Luminibus pateant lumina clara meis. 

Dat is : 

prech, kojl'ïe kïeed'reHj ii;ech; '■jvechgout^ '■iZ'echfchoonehaercn: 

Dees dunne Jlnier Jlechts bedekke myne leen. 
Dejpretik dte op den doek te lezen Jtaet, hcivaere 

Myn ziel in zich gep'ent j en hoope êpGodt alleen. 
Dees booze Hydra zy door mynen voet vertreden y 

Opdat zynfnoode lift myn ziele niet en deef 1 
Dit alles daele op my uit d' hoogte naer beneden: 

U-w helder licht beftrael myJieetSy o Hemelheen 

\G~\ Namentlyk fbmmige fchryven dit M'atergedrocht (want de naem hydra komt van 
een Grickfch woort dat water betekent : gelyk het ook door de Poëten verdicht wort 
in 't HTtir Lcrna in Peloponefiis zig te hebben onthouden, en van Herkules gcdoot te 
lyn) negen koppen toe , of ook wel acht j andere vyftig, de mcefte, honJcrt: gclvk 
Nikolaus Hcinfius acntekcnt over 't negende bock der Hcrfcheppingcn van Ovidius vers 
71. De vcrfchillendheit is hier in, gelyk in alle andere fabelen, /eer groot. Piërius 
(i) neemt die getallen cnkelyk op voor veele: omdat de Poëten gewoon zyn ccn zeker (,^ Hiero- 
getal te ftellen voor een onzeker, en negen, vjftig enz. voor veele te zeggen. Pauza- gl. Lib. 
nias (i) oordeelt, dat de Hvdra niet meer dan een hooft gehad heeft, maer dat Pizan- -"^^'i- «• 36. 
der in plaets van een 'er vcelc heeft aen gegeven, opdat het ondier des te vrccflyker mocht (^-'Lib. u. 
fchynen, en hy zyne gedichten daer door des te beter opfieren. Jonfton cgter mackt *^''P' ^^" 
gewagh van eenc zevenhoofdige hvdra , die te Venetië zoude zyn bewacit gewccft,zvn- 
dc eene rariteit van eenc ongelooflyke wacrdy. Ook fpreekt hy 'ervan een, die inden 
jaerc i5'5o uit Turkven te Venetië zoude zyn overgebracht, en aen den Koning van 
Vrankryk vereert. Op hoe een aerdige wyze vorder deze Hydi-a zinnebceldifch kan 
genomen worden voor de zonde , ja ook voor de Helfchc {lang den Duivel zelf, zie by 
den braven Piërius Valerianus Hierogl. Lib. XVI. cap. 38. 



Dd 2 B F- 



:o8 



BELEDIGING. 




D 



BELEDIGING. 

^Aer zyn ter werelt geene dingen die in zich zelve on- 
derling meer verfchillen, dan deugden en ondeugden. 
Zoo even befchouden wy het overfchoone beelt der bekee- 
ring: nu verfchynt ons, ter oorzaeke van het groot onder- 
fcheit der zaeken , eene lelyke Vrou ; die de belediging ver- 
heelt. Zy heeft een roeftverwigh kleet aen , dat overal met 
tongen en meflen bezet is. Met beide handen houdt ze een 
roer gereet, alsof ze fchieten wilde. By haer ziet men twee 
honden een ftekelzwyn bevechten ; op het welke zy hunne 
bekken aen 't bloeden byten. 

De belediging is eene ondaet die met voortveten en opzet gefchiet, tot 
(i)Ethic. nadeel van den perfoon, die de fchade lyt, zegt Ariftoteles (^i): of zeis 
eene verongelyking , waet door iemant een ander ongedwongen en uit-ei- 
ge beweginge befchadigt tegens recht en reden. 

Men geeft haer eene afzichtige [A] gedaente , dewyl niets in lelykheic 
by haer kan worden vergeleken. 

De rocftkleur [B] van het gewaet, ziet op des befchadigers boos en 
fchendigh voornemen, dat den roeft niet qualyk gelykt, door welken alle 
dingen die 'er by komen, of van aengcdaen zyn, befchadigt ot verteert 
worden. 

Door de tongen en meflen [C], boven vertoont, moet men verflaen, 
dat de belediging niet alleen met woorden, maer ook met daden befchadigt: 
lf^a?it [D] alles 'u;at tcgms recht en reden gaety is onrecht en belediging ^ hetzy 

die 

[|A] Zie de beeltenis der SchilderkHnfl aenmerk. B. en C. 

[B] Zie de Achterklap bladz. 16 aenm. F. 

[C] Zie wederom de Athterkjap aenm. D. en K. 

[D] Deze bepaeling is genomen uit Ulpianus, wiens woorden Tyn : Tnjuria ex eo 
diHa e(i , cjuod mn jure fiat. Omne enim ^uod non jure fit , injuria fieri dicitur. Digeft. 



Lib. V. 



Lib. XLVII. 
verbis 6cc. 



Ti. I. Lib. I. en, Injttriam antem fieri , Labeo ait , aut re ^ out 



BELEDIGING. 



IOC) 



die in 'woorden, of in iz'erken bejia. Diogcnes gelykf de tongen ook zelfs by 
meflen, 't geen uit de woorden blykt die hy eenen jongen ihnpper tocdaw- 
de: Schaemt gy uniet, zeide de filozoof, dat gy mt eene yvoore[E] fchede een 
looden mes trekt? David zegt ergens (i) : Hmmetongiseenfcherp [F] z-waertM''^^- ^"• 

Zy houdt een roer vaerdigh, op iemant loerende, om hem leet toe te 
brengen. Ver fta -hierdoor, dat ze met voordacht, en niet by geval, quaet 
doetj want de wil komt met haere booze daden ten vollen overeen. Dit 
aengaende zcit Auguftinuü [G] : Men moet zoo zeer niet aenmerken -wat een 
doet y maer int -icelk eengemoet en "jvil zyn bedry f 'voortkomt. 

De aenvalder honden op het yzerverkcn, dat hun bebloede muilen niaekt, 
geeft te kennen , hoe de terging des beledigers de gramfchap des lyders 
fomtyts tot tegenweer en wraek opwekt, en daerdoor worden niet zelden, 
die geduurigh quetfen willen, zelf gequetft. 

[E] Namcndyk die jongeling was fchoon, doch zyn gcfiwp onbetaemlyk. Vcrda 
dan door het looden mes zynen ydclcn praet, die van geen klem ter werclt v/as^ endoor 
de yvoore^ichccde het fchoonc lichacm van dezen jongeling. De laek vint men ver- 
haelt by Diogenes Laërtius Lib. VI. vers 65". 

TF] Zoo ook Pf 64. vers 4. Die hunne totig fcherpe» als een zwaert , een bitter 
■woort aenlcggen als hnmie pyl. En Jefiis Sirach Ecclef 28. vers 19. De f.^igh des 
geeffels maely jlriemen , maer de flagh der tonge vermorjfelt het gebeente. 

\G~\ Ia:'Epii1:. Joannis Hom. 7. Non efl conjider.indum., mid homo faciat , fed ejao 
Animo & voltmtate factat. 




BELEDIGING, (verongelyking.) 

E Ene jonge Meit, die 'er ganfch niet fraei uitziet. Voor 
eerll (om een nette befchryving van haer te geven) 
heeft ze een vreeilyk wangelaet, en daerin een paer Jonkers 
als hellclic kooien. Ten tweede (leekt ze een tong uit haer' 
mont, daer niet weinigh quyl en zever rontom aen zit, en 
al vry wat naer een adderstong zweemt. Voorts is ze in 't 
root gckleet, hebbende een bos doornen in haerc hant, en 
onder haere voeten eene weegfchael. 

/. Deel E e Ari- 



I lO 



BELEDIGING. 



Arjftoteles[A]zeir,dathet dejongelingfchapeigenis, wegens den over- 
vloet des bloets en natuurlyke hitte driffigh [Bj, ftout en vermetel te zya 
in het beledigen van anderen > en omdat ze de hoogheit [C] bemint , 
wil ze altyt haeren haen koning zien, het ga ook hoe het magh of kan > ora 
deze reden dan , is deze beeltenis zulk een jong mooi meisje. 

Door het lelyk gelaet en de vierige oogen >vort te kennen gegeven, dat 
de verongelyking waermede men iemant beledigt, uit de ontileltenis des 
gemoets voortkomt, die zich meeft in 't gezicht [D] laet merken. 

De tong, als van eene flang [E], beduit de vinnige fcherphcit der laf- 
ter-en fmaetwoorden , met welke de verongelyking gewoon is anderente 
fteeken , waerop ook de verbeelde dorens zien. 

Dat ze eene weegfchael met voeten treet, beduit de ongerechtigheit 
[F] , met welke zy onfchuldige luiden fchelt en laftert. Macr laet ons de- 
ze ïelykc langtong verlaten, en onze oogen eens gaen verklaren in het be- 
fchouwen van 't liefiyk wezen der 

'< 
[A] Rhctor. Lib. II. Zie ook Plutarcluis , de firtute Mow.tr.. 

(^B] Dacr in tegendeel bcdaegdc mannen doorgaens bcdacrder zyn. Horatius bekent 

diezwakheit van zyne jeugt zelfs, als hy zegt (i) : 

Ql ' ■ Ltnit aibcfccns animos capillus 

uk. Litium &C rixit; cupidos protervie. 

Non ero hoc ferrem calidus juvcnta 

Confule Planco. 
Dat is : 

De gryz.e hairen doen de z.innen, 
Geneigt tot twifi en hoos gekjf, 
Bedaeren en httn drift verwinnen. 
J\had dat nimmer, toen 'k^haefi vyf 
En twintig jaeren fiont te worden. 
En heete jeugt en driftig hloet 
My lichtelyk^tot gramfchap porden , 
Celeden met z.00 koel een' moet. 

[C] Ambrof in Pftlm. 118. Rara fane jnvenibus efi humilitas .^ ideoejue miranda 
dam Atas viget , dum vires folidit , dum fanguis aftttat. dat is : de nedri(rheit is voor- 
waer wat z.eldz,aems in jongelingen s terwyl %unne jaeren fris engez.ont, Jomne krachten 
volkonten , en hun hloet heet is. 

[D J Zie onze Acnmerking D. over 't Bcelt des Arbeits bladz. 73. 

[E] Zie de Achterklap, bladz. za. en bladz. 24. Acnm. C. 

[F] Want de weegfchael is een zinncbeelt van Rechtv^acrdighcir : gclyk in 't Bccit 
der Gerechtigheit breder zal worden aengetoont. Dat ze \^oortsin \Root gckleet is, be- 
duit haere bloctdorftigheit, alzoo de kleur des bloets root is. 




BELEEFT- 



B E L E E F T H E I T. 



1 1 1 




z 



BELEEPTHEIT. 

Y zit als eene Joffer, die, gcl)k een nimf gekicec, mee 
eene lachende bevalligheit een bontje in haeren arm 
houdt, hetwelk onder het vriendelyk quispelftacrten haer 
aengezicht likt. Ter zyde ziet men ccnoA olifant. 

De beleeftheit beftaet in het verbergen onzer grootheit ea hooghcit, en 
vervolgens in zich nedrigh te kunnen aenftellen , tot welbehagen en genoe- 
gen van andere luiden, al zyn ze laeger in rang dan wy. 

Zy pronkt in een nimfegewaet om de vrolyke [A] aengenaemheit hae- 
rer bejegeningen te verbeelden. 

Het hontje't geen zy draegt en liefkooft, geeft ook te kennen dat zy al 
haer doen behaeglyk wil maken. 

De olifant vergeet zyne grootheit, om de menfchen dienft te doen, van 
welke hy zoekt in eer en achting gehouden te worden ; en derhalve was hy 
by de ouden een zinnebeelt der beleeftheit [B]. 

[A] Omdat de Nimfjcs door de Poëten overal als zoete , mooijc, bevallige, hup- 
fche, en galante dieitjcs worden afgemaclt. 

[B] De bv;leeftheit vanden Olifant is zoo groot, volgens 't fchry ven van PI inius f 1}, 

dat hy een menfch inde wildernillên vind..nd.-, die daer ecnvoudiglyk gaet dv/aelen,!^,^^ '^^[ 
den zelvcn niet alleen geen quaet doet, maer in tegendeel vriendelyk den wegh wyll. yiii. c 

BELEEFTHEIT. 

E Ene Hof jofler in gulden gewaet. Zy is gekroont als ee- 
ne koningin , en ftroit halskccens , geit [A] en edel 
gerteentc. 

E e 2 Door 

[A] Deze nkdommcn woit dit beek hier gezcgt te ftrooien omdat de waere beleeft- 
heit beiVcict niet enkel in gcdicnftigc gebaerden en vriepdelyke woorden , maer ook in 
het belleden van weldaden: waerom ze in 't volgende beek ni£t alleen hacrcn Ichoot vol 

bloemt n 



I 12 



BELEEFTHEïT. 



(ODcRep 
Lib. III. 

(1) Art. 
Am, Lib. 
III. V. 653 



(sILib. I, 
de Orat. 



Door de hoflyke beleeftheit verftaet men eene aerdige wetenfchap, die 
dikwyls voor de gebreken van anderen de oogen fluit, omdat zy den wegh 
der goetwilligheit t' haerwaert niet zouden opdelvcn. 

bloemen heeft, maer ook een goude keten, om de gemoederen daennede aen haer te 
verbinden. Want niets vermagh 'er meer dan gefchcnkcn, die, volgens 'tzegg-n van 
een zeker dichter by Plato, (l) z.elfs de Goden en ontz^aghelyke Koningen b ertegen. 

AÜ^Ct ©êaV TTil'B'it X,»i «iJsi'üf /StfÉflA'^ar. 

Het zelve getuigt ook Ovidius met deze veraen (2) : 

Muncra (crede mihi) placant homincique Dcoique, 

Placatur donis Jupiter ip(è datis. 

Dat is : 

Cefckenken winnen 't hart van menfchen en van Goden. 

Jufyn {geloof my) x.elf , laet al zjyn gramfchap dooden 

Door milde gaven. 

Voorts omdat 'er niets zoo koningklyk en hccrlyk is dan veele mcnichcn door weldaden 
te verplichten, gelyk Cicero (3) zegt, is de I5eleeftheit hier verfiert nut een goude 
'kroon, gclyk een Koningin. 



BELEEFTHEIT. 

GEvocglyk geeft men dit zinnebcelc de gcdaente eener 
fchoone Vrou, die in hacrcn (chooc verfcheidc bloe- 
men, en in de flinke hant eene goude keten heeft. 

Verfta door de beleeftheit een zekere gemoetsneiging, waermede men 
anderen zoekt te behagen. Om die reden wort ze met bloemen vertoont, 
dewyl die altyt aengenaem zyn en 't gezicht ftrelen [A] -, en met de gou- 
de keten bint ze op een geeftige manier ieders gemoet aen haer, en doet elk 
vriendelyk en minzaem van haer gevoelen. 

[A] Gelyk de beleeftheit het gemoet. 




BfXOFTE 



BELOFTE. 



113 




BELOFTE. 




Ene Vrou, die de rechte hant en arm rechtuit houdt, 

en de flinke voor de borft. 

Het uitftrekken der rechte hant [A] betekent, dat 'er iet belooft wort j 

gelyk de flinke, aldus op de borft gehouden, een merk is van verzekering 

op trou en eedt, want de belofte moet vooruaemlyk uit hart en gemoet, 

daer wy de borft voor nemen, voortkomen. 

[ A] Tot een teken van ti-ouw , die 'er in de belofte vereifcht wort. De ouden ei- 
genden de bczondere leden des lichaems toe aen verfchcide £:^emoctsgell:eIteni{lcn als by 
■voorbcck, de knycn aen de barmhartigheit j den neus aen de befpottinge j en gelyk hier, 
de rechte hant aen den belofte en trouw : die men noch hcdendaegs tot een pant van 
trouwe gewoon is toe te reiken aen die men de belofte doet. Zoo klaegt Dido by Vir- 
gilius over 't verbreken van de belofte, haer op die wyzc door Encas gedaen, met deze 
woorden (i) : 

En dextra fidesque 
Quem fêcum patrios ajunt portare penatcs, 
Qiicm fubiillè humeris confeftum xtate parentem. 



Dut 



is: 



Zie daer de trottw en rechterkant 
Van hem , dis z,oo men z.e:rt de aoden visn zyn lant 
Voert met z.ich , en z.yn oude en afgeleefden V^der 
Op zyne fcbonders drveg uit Trojes vier. 



(1) J£n. 
Lib. IV. 
1. jjS, 




ƒ. Di'el 



F f 



BEROE- 



BEROEMING. 




BEROEMING. 



AL weder eene Vrou , maer hovaerdigh van wezen. Zy 
pronkt met een gewaet van paeuwcvederen , en hcctt 
in de flinke hant een bazuin : de rechte heft ze hoog op. 

De pochery is eene belachlyke ondeugt in zulken, die zich veel meer la- 
ten dunken dan ze inderdaet zyn , ofdaer ze voor bekent ftaen3 rtoflende 
op hunne bequaemheden met een winderigh gezwets of quakzalvcrs welfpre- 
kentheit. Hierom bekleden \vy haer met paeuwepluimen; dewyl naer 't 
zeggen der godtge leerden , deze ydele beroeming een dochter van de ho- 
vaerdyis, die doordepaeu [A] verheelt wortj want, gelyk deze vogel 
wegens de fchoone mengel kleuren zyner vederen zich verhovaerdigt, en 
van waen als opzwelt j aldus koeftert en bemint de zotte en opgeblaze eer- 
zucht zich zelve, trachtende geduurigh naer roemen glori, die ze geheel 
onwaerdigh is. De paeu wyders wort gezeit haere hovaerdy te toonen als 
ze zich van anderen [B] hoort pryzenj maer de pochery wil zich verheffen 

door 

(i)Lib.I. t-A] Dacrom ket Fcdrus zyne hovaerdige kaeu (i) zich opfchikken met pacuwcvc- 
Fab, 4. dereu. 

[B] Hier van daen noemt Polifcmus by Ovidius de zeenimf Galatca, die, hoc meer 
(i) Mcr. hy ze prees en vleide, hoe ze trotfêr tegen hem witrt (z) 

Lib. XIII. 

V. 8oz. Veel taeijer dan een tak^gefart met •wilgeblaeren 

En luitie ii/ynranl^, mm beweegbaer dan een rots , 

Keel ft erker dan de flroom , en rnim z.00 per en trots 

Als een geprez.e paeu. 



(3)Hilt. 
Nat. Lib. 
X. c 10. 



Laudato pavane fi'.perbior. Plinius (g) beveftigthet zelvc. Zeggende: Omuepjuerelicjttas 
in hts pavonum genus , cxm forma , turn intelleElit ejsts & gloria prAcedunt. Gemmames 
landMtis expandit colores ^ adverfo maxime file, ^uiafc fulgentius radiant'.: dat is, En 
alle de overige onder dez,e «vertrejfen het gefiacht der paeuwen i x.00 in fchoonheit , als daer 
in, dat z.e dez.ehe begrjfen , en 'er hovaerdtg op z.yn. Als z.y geprez.en tport , fpreit Z.Y 
haere kleirren , die als edele gefleenten blinken , 'Htt , en wel alhrmeefl recht fe^en over de 



I B E R o E M I N G. 115 

' door het breet uitmeten van eigen lof, 't geen wy door de [C] bazuin acn- 
duiden, die haer geklit, als 't wacre, met eigen monde uitblaefl:. Ten 
Jeften wort de dwaeze beroeming door de opgeheve [D] hant niet di-iifter 
te kennen gegeven. Nu vertoont zich, doch in eene geheel andere ge- 
daente, het 

-o«, opdat zjj des te lux^erryker mogen fchittereti. Zoo menze integendeel niet pryft, 
I zegt Ovidius, bet ze haeren llaeit hangen fi). (,j j^,.j 

I LauJatas oflcntat avis Junonia pennas : ^'"- ^''^" 

Si tacitus fpeóles, illa rccondit opcs. 
Dar is: 

De PaeHW , z.00 gj haer pj ft , z.a.1 haere fchoone veeren 

ZJitfpreiden^ en 'er trots mee voor hw oog braveeren: 
Alaer z.00 gj fiille fujgt , en haer alleen bezjet , 
Verbergt z.j al haer glans , en toont haer rjkdom niet. 

I ; Noch vcrhaek de voornoemde Plinius, fi) dat de Paeiiw, wanneer zy jaerlyks ruit(i) Lib. L. 
en haeren Ilacrt verloren heeft, zich in fchuilhocken zoekt te verbergen uit fchaemte en 
droefhcit, als nu niets hebbende, dacr zy trots op kan zyn. Eer wy hier affcheidcn, 
moeten wy 'er noch een wooitje bydoen voor de vrouwtjes: want waerom zouden wy 
haer onthouden, het gene haer Pié'rius f^) geeft? Nademael het , zegt hy, de vrouwen {^] H:cro- 
eiiren is, dat z.e in allerlei z.ak£n z.oeken geprezen te worden en roemz.Hchtig z.yn, z.00 is 'er^^- Lib. 
tujfchen de vroutu en de Paeuw een wonderljkf overeenflemming der natuere : z.00 dat het ' ' 

geenjlns te ver-wonderen is, dat 'er tn Lenkadia een meisje z.00 z.eer bemint is geu'eefi van 
een PaeHtv , die z.y opgevoet hadde , dat z.e , als 't meisje geftorven was , ool^ met haer 

i heeft ti.'illen fl erven. 

£C] Dat deze een zinnebeelt van lof is en van wytberoemde vermaerheit , hebben 
wy boven acngetoont over 't zinnebeelt van de Achterklap bladz. az. Aenm. C. 

[D] Omdat zy zich in hunnen lol verwonderen en verheugen , waeivan de opgeheve 
handen tekens zyn. Zoo komen ze voor by Horatius, van een roemzuchtigcn (preken- 
de , Lib. II. Sat. 5. vers 96. 

Importunus amat laudari ? donec , ohe jam , 
Ad coelum manibus fublatis, dixerit, urgc, 8c 
Crelcentem tumidis infla fèrmonibus utrem, 
\ Dat is : - . 

Is hy te zeer op roem gez.et en graeg geprez^en , 

^Tf/, prys hem: blaes dien z.ak^, van ydlen wint gerez.en , 
' JVog verder op , tot dat hy z.elf uit enkje vreugt 

I zy» handen ophejp naer den hemel, en verheugt 

Nh z.egg' , hou op, htu op. 

Men kan het ook afnemen uit de woorden van Cicero Tam. Lib. VU. Ep. ƒ. 
Suflulimus manus ego & Balbus ; tanta f uit opportunitas ; ut illud nefcio cjuid non fortui- 
turn , fed divinum videretur. Dat is : Ik, en Balbus hieven onz.e handen op : z.00 ter rech- 
ter tyt gefchiede dit , dat die z.aek. niet by geval , maer door goddeljke bejliering fcheen te 
gefchieden. 




F f 2 BEROU 



1 15 



BERG U. 




B E U O U. 



d} Met. 
Lib. XV. 
y. ii.;. 



OM dezen ftact des gemoets door de kunfl: bloot te leg- 
gen, maelt men eene oude en gryze Vrou. Mcn^^eefc 
ze een wit kleet aen, dat echter zeer bevlekt is. Zy zit in 
eenzaemheit op eene fteenrots , uit welke eene bron zuive- 
re waterftralen doet fpringen. Met gebogen halze ziet zy 
deze bron aen , en wort zelve een bron van tranen. Voorts 
fchynt ze haere kleders te willen uittrekken. 

Het berou dat wy hier vertoonen is eigentlyk een fmartent nawee der 
zonde, voortkomende meer uit liefde tot Godt dan uit vrees voor ftraf: 
of laet my zeggen dat het berou in ons geboren wort uit de befchouwing 
van de lelykheit onzer misdaden. Hierom befpiegelt deze beeltenis in ee- 
ne bron haer wezen, dat zy airede veroudert ziet, en fchynt daerom droe- 
vigh te klagen over het jammerlyk [A] verlies van den kollelyken tyt, die 
zoo qualyk befteet is. 

Het 

[A] Heel anders dun Milo en Htlccn by Nnzo (O, die in beek of fpicgcl hun wezen 
vervallen ziende, weenen; de eer fte over 't verlies van zyne krachten, de kctllc over 
dat van hare fchoonheit. De placts is nacr Vondels \'crraling : 

Stokoude Afilo z.ag z,yn fierke fpieren vafi, 

Eerfi Herkftles gf/jk^, bez.ii'yksn voor dm Idft , 

En d' armen heel verjlapt by 't lighaern nederhangen. 

Hy fchreide: en ook^ Heleen, nu dor en fchcr van wangen 

Aïoej} -lueenen , toen z.e z.U'ak^ in haren ouden d.ig > 

De rimpels op de kae]^ in bee\^ en fpiegel z.ag. 

Zy mompelde: ïvaerom liet ik.my tweewerf fchaken? 

Veel beter oorzaek van klachte vat hier uit haer veroudert wezen ons tegcnwooidig 
Beclt, wetende dat de fchadc des tyts onherftelbaer is, en dat ze verzuimt heeft te doen 
het geen ons Paulus vermaent Eph. 5". v. ijT- Ziet dan, hoe gy veorz-ichiigiyl^ wandelt } 
niet als onu'yz.e , maer als ii>yz^e: den tyt uitkopende , deuyl de dagen hoos zjyn. De be- 
fchryving verder van 't Bsro» uit Auzonius zie beneden in 't zmncbeelt der Gdegctihcit. 



i 



B E R o U. 



1^7 



Het witte gewaet betekent de uitwerking van de afwaflching der zonden 
door den H. Uoop [B],en de vlekken in het zelve, de vuilheit der zon- 
den , waer mede \vy ons dagelyx befmetten. 

De fleenrots daer zy op zit, en uit welke het water voortkomt, beduic 
Kriftus [C], die de ruft [D] des boetvaerdigen zondaers, de grontveft 
[h] der zaligheit en de eeuwig vloeiende bron [F] der genade is, in welke 
zy haere kkdcrs , die ze zoekt uit te trekken , van fmetten en vlekken (ver- 
fta khulden en ondaden) wenfcht te zien waffchen, en haere ziel rem en 
wit maken , volgens de woorden die David Gode biddender wyze toe- 
zingt: fVafch m/y o Heer, en ik zal witter zyn dmfneeu-, Pf. LI. v. p. 

De eenzaeme plaets beduit het geheim van 't harte , het welk als wy ter 
deeg doorzoeken, en van alle ydelheden en onreinheit zuiveren, zoover- 
krygt men op nieu vrede met Godt, en wifTelt de benaeutheit wegens de 
zonde, met de.eeuwige blyfchap der vergiffenis. 

[B] En door 't bloct van Kriflus. Openb. 7. v. 14. Deeze zyn V, die uit de 
'groote verdrukkingc komen : en zy hebben hunne lange klederen geiuajfchen , tn hebben hunne 
lange klederen -wit gemaekt in V bloet des Lams. Dat de -witte verf enkclyk de zuiverhcic 
des gemoers betekent, zal gezegt worden over 't eerfte zinnebeclt der Gerechtigheit % 
anderfins zoude 't een ibydigheit wezen, zyne klederen w/V te willen doen waf- 
fchen in bloct j het welk root is. 

[C] Volgens de woorden van Paulus i. Kor. 10. v. 4. H^ant zy (onze vaders) 
dronken uit de geeftelyke Jleenrotfe^ die volgde: en de fleenrots was Krijlus. 

[D] Math. II. V. z8. en 2p. 

[E] Zie I. Pet. z. V. 4, f , 6 en 7. Ephef. 2. v. 20, 21 en 22. en Matth. 21. v. 
42, 4J en 44. 

[F] Jezus zelve zegt van zich tot de Samaritaenfche Vrouw, Joh. 4. v. 14. Zoo 
ivie gedronken zal hebben van het water dat ik hem geven zal^ dien zal in eeuwighei t niet 
dorjlen ; macr het water dat ik hem zal geven , zal in hem worden een fontein van wa- 
ter j Jpriugende tot in het eeuwige leven. 

B E R O ü. 

Ene Vrouin afchgraeii gewaet [A] dat zeergefcheurt is. 
/ Zy ftaet treurigh en klaegt jammerlyk. In d'eene hant 
heeft ze een' dorentak en in d'andere eenen vifch. Dit wil 
zeggen , dat de boetvaerdigheit langs den wegh van zuchten 
[BJ en vaflen genade zoekt. 

[A] Waerom het berou hier ttnafchgraei'. kleet wort gegeven ,weet ik niet} ten zy 
het miflchien daerop mogt zien, dat de joden zich ten tyde van droeflieit met ftof en 
«/?/.> btflrooiden : (Zie Jon. 3.V. 6. en Pf 102. v. 10.) gclyk ze ook hunne klederen 
fcheurden: (Zie Gen. 37. v. 2p. en 34. En 2. Sam. i 3. v. ip) hoedanig het gewaet van 
't berou hier ook wort bcichreven. Waerachtig bcrou nu kan niet zyn zonder droef- 
heit, gelyk in 't vorig heelt gezegt is. Hiervandaen de fpreekwyze van zich in zak 
en ajfchc beheren , Math 1 1 v. 21. Miflchien gaven zy door dit ftrooien van afTche 
op hunne hoofden te kennen hunne ncdrigheit en geringheit, erkennende met Vader 
Abraham, Gen, 18. v. 27. &?it zy macr fiof en affche waren. En in dien zin zegt ook 
Job cap. 30. v. ip. Hy heeft my in 't flyk geworpen.^ en ik ben gelyk geworden ah fiof en 
affche. Maer zoo de Schryver het voornoemde gcwilt had, was het dan niet beterge- 
weeft het beelt een kleet, met afch be/lrooit^ te geven? 

[B] Het zuchten dan wort afgcbeelt door den dorentak, die met zyne fcherpte pyn 
en zuchten verwekt, gelyk het berou. Of zal men door den dorentak verifaen de (') lii 
bedrevene zonden, welkers bcfchouwing de confcientie fteekt en prikkelt.^ Altoos ■*''*''3'^' 
dat 'er in de H. Schrift door dorens op eene b^eltfpraekige wyze fomtyts zon- ^Jj^, j^y' 
den zouden worden vcrllacn , trachten uidas ( i) en Piërius (z) acn te wyzen, c j.&j. 

/. T>ee/. G g doch , 




cap. lo. 



ii8 B E R O U. 

doch uit zodanige pketfen , waeruit zulks niet klaer kan beweezen v/orden: zyn- 
de het evenwel zeker, dat by de kerkelyke Schryvers de zonden dikwyls by doornen 
(i) Vid. worden vergeleken (i). Op de eigenftc wyze merkt Piërius aan (z), dat ook /)>/f« in 
Suicer. in dc H. Schrift vceltyts gellelt worden voor de fmerten, die uit een bewuftheit van 
Thes.Ec- begane zonden 't hart prikkelen en fteeken. En tot bewys van zyn zeggen brengt 
"a ' 9- '^y ^y ^^ v/oorden van Pf. 38. v. 3. Uwe pykn zyn in my gedaelt ^ en uwe bant is op my 

(2) Hie-" nedergedaelt. Maer waer vint men in ons beek het 'vajlcn'^ Daer ben ik wederom me- 
rogl.Lib. de verlegen. Immers ik vreeze, dat het den verftandigen lezer niet voldoen zal, in- 
XLll. c. (jien ik zegge, dat zulks na den trant der Roomfchgezinden, hoedanig een man 

Ripa geweeil is, door den vifch verftaen wordt. Maer wat doet evenwel dc vifch hier 
anders ? Derhalven zal de i'ifch milTcIüen inderdaet hier een zinncbeelt van vaflen 
zyn, dcwyl de Roomfchgezinden, wanneer ze op hunne manier vaften, zich van 
vleefch onthouden en met fobercn vifch behelpen. Ik geloof evenwel, dat David an- 

(3) Pr. ders vafte, toen hy zeide(3): j^ls zy krank waeren^ was een zak myn kleef ; ik kwelde 
5j. V. 13. jfiyfig ziel met vaflen , en myn gebet keerde weder in mynen hoezem. Nadat ik dit gefchre- 

ven hadde, fchiet my te binnen, dat de vifch Cephalus (het is een vifchimet een 
groot hooft, en zeer f nel, zynde een foort van mugiles of Herders: zie hem breedcr 
befchreven by Jonfton in zyne Befchryving der Viflchen in 't 4. hoofttluk) in dc 

(4) Hie- beeldenfprack by fommige, volgens de aentekening van Pierius (4), genomen wort 
rogl.Lib. voor een mcnfch die vaft: omdat deze vifch niet anders eet dan zyn eigen flym, en 
•^-'^•^- zoo doende ecniger mate kan gezegt worden altyt te vaften. En daervan was het 

gemcenfpreekwoortonderdc Grieken )cs5-§£a)f/3/avT^/i3£(v, £f« ?/?«^i/^ o/ /:'e'''^^n /*w» 
leiden, in plaets van niets hebben om teceten, maer honger en gebrek lyden: gclyk 
Junius met verfcheidene voorbeelden uit Griekfchc Schryvers bewyft Cent. 4. ^dag. 
6p. Mugilis vitam degere. Maer zoo dit de mening van onzen Schryver waere gc- 
weeft, hadde hy den nacm van den vifch, dien hy zyn beek in de hant geeft, wel 
mogen uitdrucken , en dc natuur daervan met een woortjc aenraeken : gelyk hy 
zulks naderhandt doet in 't beek Vaflen, Zie ook 't geen wy acngetckent hebben 
over 't beek Soberheit. 

B E R O U. 

IN eene magere , ja geheel uitgeteerde gedaente laet zich het 
Vrouwebeelt des berouws hier befchouwen , omhangen 
met droeve en armelyke klederen. Het gezicht flaet ze met 
een zonderlinge aendachtigheit ten hemel ; terwyl ze met bei- 
de haere handen eenen roofter houdt. 

Het oprecht berou heeft drie voornaemedeelen,beftaende in verflagen- 
heit des gemoetSj bekentenis van fchult, en boete. Het cerfte wort uit- 
gebeelt door het mager en deerlyk wezen [A] der beeltenis j het tweede 
door het ernftigh opzien [B] ten hemel , alsof ze Godt om vergiffenis 
fmeektC} het derde, door het ten toon houden des roofliers [C], ftrek- 
kende die , by de godtgeleerden , een teken van waere boete. Want 
gelyk de rooftcr het midden is tuflchen het vier en 't geene op hem ge- 
braden wort, zoo is ook het boetvaerdigh berou een zeker midden tul^ 
fchen des zondaers droefheit en Godts liefde , door wien trouwens 
ook de boetvaerdigheit in ons wort opgewekt. 

[A] Als mede door de armelyke en droeve klederen: alzoo men al van outs af ge- 
woon is gcwceft in tyden van droefheit flechte klederen en rouwgcwaet aen te trek- 
ken ,en zo wierdt ook het beek des Berouws certyts opgefchikt door dien vcrmaer- 
den Schilder Apelles: gelyk te zien is in onze Aenm. A. over 't I. beek der Laftering. 

[B] Zie 't beek der Bekeeringe. 
[CJ Zie Piërius Valerianus ///>ro^/. Lib, XXXIF. cap. 14. 

BE- 



B 



iv 



o U. 



119 



B E R O U. 

^TOgh eens eene Vrou die mager, maer hier met een hai- 
^ ren gewaccbekleet is. In haerc rechte hant ziet gyeen' 
geeflel , en in de llinke een kruis, dat ze y verigh befchouwt. 
Het hairen kleet [A] wil zeggen, dat een boetvaerdige alle zondige wcl- 
luften verlaten, en het vleefch niet liefkoozen moet. 

De geeflel beduit tucht [B] en verbetering des levens j het kruis lyd- 
zaemheit en gedult. Aldus moet een boetvaerdige de werelt verachten en 
't lyden getrooft zyn ; want Kriftus zeit zelf (1} : Vie zjn knus met dracgt 
en rny navolgt , kan myn difcipel met zyn. 

[A] Tot ccn teken van een ftreng leven, dat wel voegt by 't berou : en zulks in 
navclginge van den Profeet Elias, die i Kon. i. z/. 8. bcfchrcven wort als een man met 
een hairig kleet en met eenen leieren gordel gegordt om z.yne lendenen : en van den twe- 
den Elias, Johannes den Dooper, den Prediker van berou en bekeeringej van wicn 
wort "czcgt, Afatih. 3. v. 4. fohannes hadde zyne hlcding vah liemelshair en eenen lede- 
ren gordel om z.yne lendenen , en zjn vaedz.el was fprinkhdneit en wilde honig. ZiC ook 
Mark. i. v. 4. en 6. In -.u/k eenen levensftyl , zegt de Heer van Til over deze woor- 
den van Matthcus , betoonde Johannes , dat hy niet den welltifi , maer de ecrc Gods ; niet 
het atrdfche , maer het Voningkryke der hemelen ; niet de goederen van de werelt , maer 
alleen het behont van de dierbaere z.ielen der menfchen z^ogt : al z.yn toejlel was gericht naer 
een boetprediker , die aehe betreurde den vervallen fiaet van de dochter Sions. Ooklhiet 
aen te merken, uit Piërius (2) dat 'er geen geleerden ontbreken , die door den z.akSGcn. 
27. v. 54. Toen fcheurde facob z.yne klederen .^ en leide eenen z.ak^om z.yne lendenen ; enhy 
hedretf rouwe over z.ynen sione veele dagen) verftaen een hairen kleet. Het welk indien 
wel s;cvat is, zoo komt het hairen kleet hier nog des te beter te pas. Zie het zoo even 
aengctekende over het tweede heelt hier voor , on de letters A en B. 

{W] Zie Piërius Valerianus Hierogl. Lib. LV. cap. 19. 



(i)Luc. 14 
V. 17, verg. 
Mirth. 10. 
y. 58. 



(1) Hicrn- 
gl L. XL. 
cap. 31. 




E 



BEROU. 

En Man in een zwart gewaet dat met donkertacnverwigh 
of bruingeel gevoedert is. Hy legt geknielt, en klopt 

G g 2 mee 



I20 



B E R O U. 



met de rechte hant op zyne boni. 't Hooft houdt hy een 
wcinighover de eeiiezydc, en ziethemelvvaert. Hyfchynt 
bitrerlyk te klagen > en heeft een pcüikacn by hem. 

Door het berou (zie de verklaring van het eerfte beek dezer deugt} ver- 
lla ik die droef heit en fmart, van welke de mcnfcïh aengedaen en overvallen 
wort, als hy de affchuwlykheit, fchandclykheit en fchade zyner bedreve 
misdaden befchoiit, en in zyn geweten zelf veroordeelt. Hierom zegt 
(i) Pf. 38. David (1} : Vaer is geen -vrede in myne beenderen, van wegen myne zonde. 
^' '*• De verf van 't kleet [A] en het flaen op de borft [B] zyn bcdiiitfels van 

droef heit en overtuiging van fchulden, gelyk gezeit is. 

Hy knielt en ziet ten hemel, om Gode de vergeving zyner zonden af te 
bidden. 

Belangende den pellikaen, Hieronimus zeit, dat deze vogel, wanneer 
hy zync jongen gedoot heeft, drie dagen lang in zyn nellblyft klagen, het 
geen, naer Rufcellus tael, een blykbaer teken van berou is. Ovidius laet 
in zyne Herfcheppingen, Biblis in eene bron [C] veranderen, om te too- 
nen dat het berou over de zonden, ons als in tranen moet doen fmelten. 

I^A] De zwarte verf is al van outs af, gclyk nog heden , een kleur gewceft van rou 
en droef heit, als boven gezegt is. Zie Picnus Hierogl. Lib. XL. cap. 20 en 31. En 
Ovid. Met. Lib. VI. v. 568. 
^ ^ . , fB"! Zoo komt Dido voor by Virsilius (a) , wanneer ze Eneas zag wccvaren : 

*-'''• ^^* Terquc quatcrquc manu peftus percufla decoram, 

Flaventefque abfcifla comas. 

Dat is by Vondel : 

Toen flocg z.e driewerf en nog eenwerf met misbaer 
Voor hettre fchoone horfi , eti trok^iist blonde kmer , 
De lokken uit haer hooft. 

Doch niet alleen floeg men in droefheit op de borft , maer ook op de armen : gclyk 
(3) Met. Biblis by Ovidius (3) : 
Lib. IX, Tum vero a peftore vcftem 

Deripuit, planxitque fuos furibunda lacertos. 
Dat is : 

Toen rfiktz.e haer boez.e/n bloot, 

Én jlaet mtz.innig, en mifiroojlig op haer armen. 
fC] Mctam. Lib. IX. vers 662. naer de vcrtaeling van Vondel. 

Zoa ftijolt ook^Biblis , die geen min verdunren kon , 
Aen eenen Voelen dau tran traenen tot een bron. 
Die heden in dit dal den naem draegt van haer vrouwe 
En fpringende aen een eik. noch tuigt van haren rouwe. 

LacrymA poenitentia indices ^ dat is, traenen z.jn de bl)'ken van bertu, gclyk wy bovcn 
acnhaelden uit Kurtius over 'tbeelt der Bekeermg. 



>• 63 5' 



B E- 



9. 

VS. 6i. 



B E R O U. 121 

E E R O U. 

EIndelyk kan men het berou verbeelden door eenen Man 
die de handen aen een ploeg houdt:, en eens terugziet, 
macr in zulk eene geftaice, dat men zynen volkomen afkeer 
van die handelingen, waertoe hy zich te voren had bege- 
ven, klaerlyk merken kan: en dit is overeenkomihgh met de 
woorden van Kriftus (i): N'iemant [A] dk zyne hant aen den {^]'l»<^- 
ploeg Jlaet , en ziet naer '/ geene achter is , is beqtiacm tot hst ' '' 
Koninghryk van Godt. 

[A] Maer Kriftus verbiet met deze woorden het »mmtz.ien : hoe haelt dan onze 
fchryvcr uil dezelve dit zinnebeek van 't berou? Wat onsbelangt, wy vinden in Kriftus 
woorden geen anderen zin, als onze geleerde kanttekenaers des Bybels, dacr in gezien 
hebben^ ai nmer kende, d?it\{\Qr \s Eene gelykenis genomin vaneen Akkerwan, die ploe- 
gende altjt moet voorwaert z-ien , of hy kan geen rechte gooren maeken ,• en vooits met 
deze plaets van Lucas vergclykende die van Paulus Philip. 3. v. 14. Adlaer een ding doe 
ik_, vergetende het geene dat achter is , en Jirekjicnde my tot het geene d^it vooren is , jae^^e 
ik^na het wit tot den prys der roepinge Gods, enz. 

BEROU. 

'^T\E Goddoosheit j die mit naer boven ziet, 

En hier zoo graeg een eetiwigh huis wou botrji.'en. 

Bemoeit zich met den fiaet der ziek niet. 
En acht het nut maer fymgend heroii'wen 

Voor zotterny , en een te vroege hel. 
Zy zou te no haef iz'ellujl laten jleuren , 

En li'cct met, dat een zaligh zielgequel 
Den Jleutel draegt van Godts genadedeuren. 

Haer divaesheit ziet de dingen avrechts in ; 
Vooral die deugt en heil en hemel raken. 

Hoe kan men oit met eerC verdvoaelden zin 
Dejlille reè der zoete rufi genakem 

O gy, die u met Godt verzoenen -ivilt 
Of met den menfch, fniffchien door ti beledigt. 

Omhels 't berou : hier dient geen tyt ge/pilt 
Totdat gy u in 't einde voelt bevredigt. 

De toornegloet die ons verteeren wou 

IVort beji gcblufcht met tranen van berou. 

H. K. POOT. 



/. Deel H h BE- 



122 



BESCHEIDENHEIT, 




(j) Hiero- 
gl. Lib. 
XXI. cap. 

(r) ld. Lib. 

XXI. C. I». 

(3) Itacro- 
bius ia 
fomn.Sc. 
lib.I. c.« 



BESCHEIDENHEIT. 

E Ene Vrou die bedaegt is, en ftatigh van wezen. Zydraegt 
een gouden kleet onder eenen violetkleurden mantd. 
Haer hooft houdt ze zydelings over den (linken fchouder. 
Den arm der zelve zyde fteekt ze met de ope hant omhoog, 
alsof ze met iemant medelyden hadde. In de rechte hant 
heeft ze eene Lesbifche ry, en op haercn fchcot eQncn ka- 
meel. 

Wy ftellen ze in eenen middelmatigen ouderdom , omdr.t in cezen tyt 
des levens het oordeel, de reden en befcheidenhcit heerlykft in ons re vin- 
den zynj welke laetfte hoedanigheit , door Bernardus, eene moeder der 
deugden genoemt wort. 

Door het gulden kleet en den violetkleurden mantel moet men zich niet 
alleen de verftandigheit en deftigheit [A], maer ook de billykheit, waer- 

heit 

[A] Dat het gout en de violettckleur deftigheit betekenen is licht te begrypen, zyn- 
de beide een fieraet dat deftig is in 't aenzien. Maer hoc ze 'czy beide, 'tzy ccn van 
beide, die andere dingen, die 'er hier van gezegt worden, kunnen uitbeelden , dunkt 
ons zoo klacr niet. Wat de verficndigheit aengaet, millchicn zou iemant denken, dat 
het gout een zinnebeek vr.n de verftandigheit kan zyn, omdat, gelyk het gout uitmunt 
onder de metakn, alzoo ook de veriïandigheit uitmunt onder de andere ziclshoe- 
danigliedcn , als zyndc rertim bonarnm ac malarum fiientia , dat is : eene kennis 
van goede en ijHc.de dingen, naer de bepacling van Cicero Retor. Lib. ü. die allehaere 
gedachten en tuerken fchikt naer het rigtfltoer der reden , en niets tegen de billikheit %vil of 
doet, gelyk 'er Makrobius van fprcekt, in fomn. Scip. Lib. /. cap. S. Maer (om de 
waerhcit te zeggen) deze vcrklaering voldoet my zelf niet, en fchynt my al te gedwon- 
gen. Piërius echter zegt fi) duidelyk, dat het gout in de fchrift dikwils wort gc- 
ilclt voor de ttitvindingen van verfiandige menfchen : v/acrom Godt door den Profeet 
zoude zeggen , Jk^ haete zjjn goKt en z.ilver. Zoo zeggen ze (2) van de vier rivieren, 
daer Zoroafter zeidc dat Gods Paradys mede befproeit wiert, en uit welke hy v.'ilde, 
dat zyne leerlingen de wateren des levens zouden haelen , zynde deze rivieren de Gan- 
ges , Nilus , Tigris , Eufratcs , dat door de zelve worden vcrftaen de vier deugden , in 
welke de wysheit wort verdeelt (5^, namentlykde vcrftandighjit of voorzigtigheit , de 



maug- 



B E S C H E I D E N H E I T. 123 

heit en rechtA^aerdigheit, in een befcheiden man, verbeelden. Thomas 
voegt de bcicheidenhcit en wyshcit byeen, en noemt de eerfte eene voort- 
teelfter, bewaerfter en beftierlter der deugden [B]. 

Zy houdt haer hooft wat fchuinsnaer de flinke zyde, en heft den flinken 
arm, met de hant open, om hoog, alsof ze medcdogentheit aen icmant 
bewees : want Ariftoteles zegt in zyn Zedekunft Lib. VI. dat een befcheiden 
menfch zich hchtlyk mewarigh en toegevend toont omtrent de dooHngen 
van anderen i houdende, met oordeel, veele mcnfchlyke onvolmaekthe- 
den in zynen naeften ten goede. 

De vertoonde ry beduit, dat een befcheiden man de billykheit vlytigh oe- 
fent en onderhoudt j welk doen wy by het looden liniael vergelyk^n, dat 
de Lelbiers gebruikten om hunne gebouwen te meten; buigende het zelve, 
omdat het van loot was, gemakkelyk naer de hoogte enlaegte[C], zon- 
der dat het daerom van zyne rechtheit oit afweek. Op deze wys 
dan buigt de befcheidenheit zich ook naer de menfchlyke onvolmaekt- 
heden. Hierin echter wykt zy niet van den wegh der gerechtigheit, de- 
wyl haer doen op oordeel gegrontveft is , en verknocht blyft aen de bil- 
lykheit , van welke zy naer heur vermogcii , eene oprechte uitvoer- 
fter is. 

Hh 2 De 



matigheit, de dapperheit en de rechtvaerdighcit : en wel in 'rBvzondcr door dcnGangcs 
de vcrftandigheit, om dat dcic ccn goutvocrc»de nv\cr b. Macr ondeitiillchcn zoo dit 
al zoo aengcnomen kan worden, van wacr haclcn wv nar, Qtti'aerheit cxi gerechtigheit ? 
Zullen wy eenvoudig zeggen, dat het gout deze zinnL'bccldcn Itan maken om zynczui- 
verheit, hoedanig de gerechtigheit en wacrheit \'ooral mn-tcn zyn? of zullen v/y lie- 
ver denken, dat het IS, om de betrekkingen vcrwantfehap , die de Chimiften lltllen 
tuflchen 't gout en de zon,' welke een recht beek is van de waerheit en gerechtigheit? 
{Zie Pihtus Hisr. Lib. XLIT. cap. 4. & Lib. XXXIII. cap. i. & Sahm. van Til 
' Malach. Illufi-r. cap. 4. vers 2. § 5. pag. 580 cr/ff^'.) Want zy fchrvvcn alle deme- 
' talen aen de Planeten toe : als 't koper ach Venus, 't quikzilvcr aen MercuriuS, het 
' tin aen Jupiter, het loot aen Saturnus , het yzer aen Mars , het zilver aen de Maen , en 
't gout aen de Zon. Ja de Filozofen noemen 't gout een zoon van de Zon, die hetzelve 
\ door hacre kracht en waraite wort gczegt te teclen in de ingcvv'anden der acrde. Aïcn 
' zie de aentckeningen van een zeker geiecrt man over Honjs ApoUo L/^. i Hierogl. i.cn 
nog een ander geleerde van een onbekenden naem, doorgacnsncnPiëriusgehcgt, Hierogl. 
\ Lil. I. iu Afcrcfirius. Maer genoeg hier van. Wy wilkn den Lezer niet vergen, 
[ dat hy deze onze uitlegging voor goet acnnemc. Wy hcbb:n bygebracht, het geene 
wy konden : en bekennen voorts onze onkunde. 

I [W\ Difcretio pertinet ad prudentiam , & e(l genitrix , citfios , moderatrixque virtfitum. 
3. Sent. Dift. 55. ij. I. art. f. 

' [C] Namcntlyk, men wil, dat de bouwftenen, die zy gebruikten, ganfch oncfkn 
wacrcn , zoo dat de eene fteen veel verder uitiVak dan de andere ; en dat was de reden, 

■ waerom de ry dikwils mocll gebogen v^^orden. Maer hoc onze Schry\'er zeggen durft, 

dat de ry daerom niet afweek van haerc rechtheit, begryp ik niet , daerdogAriiuotelesin , ,-. y 
zyne Zedckunde (i), uit v/ien hy dit genomen heeft, duidelyk zegt, dat die ryinzoo [^j, ',J_ 
een geval ceen ry meer blyft. De voornoemde Filozoof iprcekt daer van de wetten, 

■ welker gebrek hy bcwyft dat men door de billykheit en bcichcidenheit most vervullen, 
; richtende en buigende die, om zoo te zeggen, naer de zaken zelfs, en ze naer derzel- 

ver onderwerp vcrftaende , gelyk^., zegt hy , de loden ry van de Lesbifche gebouwen : want 
die wort gsboogen naer de gedaente van den ficen , en blyft geen rj/. Daerom gebniikt men 

I die fpreekwyze ook van dingen die verkeerdclyk gefchicden : als, wanneer men de re- 
den dwingt naer een dact, en niet de daet fchikt naer dereden. Men zie Erafinus C/;//. i. 

i' Cent. f. Addg. 95. Voorts weet ik niet veel meer van deze Lcsbifchc Rye te ziggen, 
als 't geen uit Ariftoteks zoo even is bygcbracht. 



124 



B E S C II E I D E N H E I T. 



De kameel verbeelt befcheidenheit, omdat hy geenen zwaerder laft [D] 
op hem wil geladen hebben dan hy dragen kan : en in naervolging van dit 
dier, moet een redelyk menfchaltyt met befcheidenheit in zyn bedryf tewerk 
gaen : want al wat met befcheidenheit gedaen wort is een deugt, maer alles 
dat met onbefcheit uitgevoert wort moet men voor ondeugt ach ren. Ja 
door Izidorus [E] wort zelf eene onbefcheide deugt voor ondeugt gerekent. 

[]D] Volgens Plinius Hifi. Nat. Lib. VIII. cap. i8. Nee ultra ajfuetum precedit fpa- 
tiuTK , nee plus tnflituto enere recipit : dat is , de kameel gaet niet verder d^in de geit-oone 
langte van z.yn iieg, noch neemt meer dan z.ynen geii/oonen lafi op z.ich. Die lail is in'tee- 
mccn zcshondeit ponden, of, zoo 't er op aenkomt, kan hy 'er duizent dragen. Maer 
gelyk de kameel zoo IxTchcidcn is tegen zich zelft, alzoo is hy ook tegen zyncn mee- 
fter, gacnde voor den zei ven, wanneer die hem tegen de knien Haet, op den gront leg- 
gen, opdat die hem zynen laft met te minder moeite oplade. Zie verder Jonltons Be- 
Ichryying der Vieivoctigc dieren, 2 B. 2 H. i L. 

(^El De Synod. Lib. \''I. Quic/^uid boni enm difcretione feceris virtits efi , ^uicaidd 
fine difcretione gejferis , vitium efi : virtus enim indifi:reta pro vitio reputatttr. 





BESCHERMING. 

Efchoü hier cencn Man, die in zynen arm een* ojevaer 

_ houdt, in wiens fnebbe men eenen platanustak ziet. 

De ojevaer ftaet in natuurlyke vyantfchap met den nachtuil, want deze 

vogel legt den ojevaer lagen, wiens nelthy opzoekt, omopdeszelveneiers 

te gaen zitten broeden, zynde eene zaek, welke voor die eiers ten uiter- 

Iten fchadelyk [A] is. Dit komt enkel voort uit eenen verborgen haet, 

o die 

[A~l Omdat die eieren , door eene natuurlyke verborgenheit, zoo 'er een nachtuil op 

gaet zitten, ftink worden. Of nu de platanustak den nachaiil van 't neft des ojevaers 

door zynen reuk verdryft, dat onze fchryver hier ftclt, dan of 'er die kracht in is, dat 

ze de eiers tegen die bc^'uiling bevryt , zulks laet Piërius dacr , Hierogl. Lib. Xril. 

(i) Hiero- *■"/• 7- Doch op een andere plaets (i) tekent hy uit Elianus eerfte boek der Dieren aen , 

"1. Lib. dat de nachtuil het aenraken van de platanusbladeren niet kan verdragen, en daerdoor 

VIII. c. II. lam wort. Ook fpreekt hy niet van een geheelen platanustak, maer enlcel van eenplata- 

nusblad : trouwens daer een blad goet is , zal een tak niet quaet zyn. De Platanus wort 

gemeenl)'k veitaelt oen Ahornboom , of PUenboom. By nader gelegenheit zullen wy ^ "un 

dezen boom meer moeten zeggen. 



BESCHERMING. 



1^5 



die deze vogels malkander toedragen. De ojevaerdan, om het onheil voor- 
te komen, zietin zyn neft eenen platanustak te krygen, wetende zeer wel 
dat de uil voor zulk een gewas groocen Ichrik heeft. Als dees dan het 
neft nad'^rt en dien tak ruikt, vliegt hy hcene, en aldus blyfc de ojevaer be- 
ichermt tegens de verraderyen en liftige lagen des nachtuils. 




I 



E S C H E R iVI I N G. 




Ene Vrou, w;ens hooftfïerfel van amianteii, 2,ag"aercn, 
agaeten en diamanten iamengellcit is. Om haeren hals 
draegt ze een foocr met koraelen, en in haere hant eenen 
zecajuin. By haere voeten ziet men een wezel die een v/yn- 
ruitetakje in den mont heeft. 

Izidoor (i} zegt dat de amiant (lach 'er toch niet om) goet is tegens aller- 
lei foorten van tovcry [A] ; gelyk de gagaet, naer Barth. Anglikiis (2) zeg- 
gen, een koftlyk ding is om 'er de fpokeryen en booze geeften, die den 
i menfch 's nachts quellen, mede te verjagen. Ook zeit hy (3}, dat de arent, 
I behalve den aëtites, ook den agaet [Bj in zyn noft brengt, om zich te be- 
/. Deel. I i fchermen 

[A] Het zeh'-e getuigt ook Plinius, Hifi. Nat. Lib. XXXri. cap. ig, uit wicn het 
Izidoius genomen heeft. Bciele zeggen ze 'er ook van , dat hy het vier wcerftact, en 
dacr door niets verheft. Ja wat meer is, Izidorus zegt duerenbovcn , dateenklect, v.m 
de wollc dezes ftecns geweven, insgclyks voor verbranding viy is, maer op het vuur 
gelcgt zyndc een glans krygt. Dat is zoo vreemt niet, nademael 't ons heugt, dat wy 

! ook een zekeren Itcen gezien hebben , van v/elken men een fbort van wol fchraptc , die , 

zoo ras zy door 't handekn vuil was geworden, door de vlam des viers wederom 

' wert wit gcmackt zonder verteert te worden. De voornoemde Plinius en Izidorus zeg- 

' gen beide, dat de amiant den aluin gelykt: maer Theofralcus wil Lih. vri^i aIóojv, dat 

hy vermolilmt of ghmhout gelyk is. 

[B] Htt is zeer waerfchynlyk, dat Bartholomeus Anglikus dit verhaclende van dcn 
I agaet, daerin een mifllag hceit, miflcit zyndc door de gelykheit van de namen ag^et en 
' g^igaet. Altoos ik weet ni:;manc behalvcn alleen Anglikus, die dit van den .tgaet 

verhaelt. Maer van den gagaet getuigt Scrinus , volgens de aenrelceningcn van Da- 
lekampius over Plinius, Hfi. Nut. Lii>. X. cap, 3. dat de arenden ais z.e broeden, den 

gagactlken 



(i) Orig. 
Lib. A Vl. 
cip. 4. 
U! Lib. 

■x:vi.c.49 

{5) Lib, XII 
cap. I. 



\ 

XVI. c 



(3 

Nat 

XX. c 



c 



126 BES C H E R M ï N\ G. 

ui Hift. fchermen tegens de venynige beeten der Hangen. PÜnius getuigt ("i) ins- 
xxx»tr.' gfl-.A-Sj dat de agaetfteen 't vergift, en zclfs de icliorpioenflekcn [C] af- 
cap. 10. weert. De voornoemde Izidorus [D], verluclt dat de diamant de inge- 
beelde vrees verdryft, en de toverkanll b-let. Aengaendehetkorael, dacr- 
.)Lib. van 7.zit B. Anglikus (2} dat het krachtigh werkt tegens duivelskunften 
■•'^- J3 en [L] veelerleifpookfels. Nukomen wy totden zeeajuin, dieookgezeit 
worL" zeer goet te zyn tegens de tovery. Altoos Plinius (3} getuigt dat Py- 
c. Lib. thagoras [F] gefchreven zoude hebben , dat wanneer men flechts zee- 
9- ajuin boven den ingang der huizen hangt , geene betoveringen daer kun- 
nen va komen. Wie zou dit van dien ajuin gedacht hebben.^ Zie nu den 
wezel eens met zynen ruitetak. De oude natuuronderzoekers zeggen, dat 

dit 



gag;ietftccn onder hen leggen , om zich dacrdoor te verkoelen , opdat ze de eieren door 
14) L, L. de -dl te groote hitte niet zou Jen bed-rven. Plinius (4) daerenboven zegt, dut dcaetites 
tngr.gates dc zelve fteenen zyn: hoewel de voornoemde Dalekampius met het getuigc- 
(5) Plin. nis van Galcnus en Diolcorides beweeit dat zy verfcheiden zyn. Salmafius (5') wil ook 
Exerc. p. dat men by Plinius ter g-.zcidc placts voor gag.it es moet lezen gangites ; gelyk deze 
151. a.b. fl-^en ook wort genoemt door den uitlegger vanlMikander (6) ; welke zegt , dat hy zoo 
i6)lnihc g^jiQ^mt is naer een zekere ftad in Lycie, Gangx of G^i»^/.; genaemt ; ofnaer Plinius (7) 
(7") Hift. '^'Sö-" (^-'S'^i ^^^ l"'y ccn plaets en rivier zegt te zyn in 't voornoemde lantlchap Lycie : 
Nat. Lib. daer zeggen zy, dat die itctn gevonden wort. Gerh. J. VofUus (8) wil, dat men ook 
XXXV 1. Jczc ftccntn, als twee byzondere, moet onderfcheidcn , en meent dat dc gftgates zvnen 
c^p. 19. n;u-m dracüit van 't £>:czeidc Ga(r£ in Lycie , en dc •z^tu'^ires , van de nvicr Gmihs 
\' ' in indic. Wat de nvicr Gagis in Lycic belangt, Gaknus fchryfi: dat hy ganfch Lycic 
(9) Orig. nuerdig doorzogt hebbende, haer echter niet heeft gevonden. ' Izidorus (9) fchynt ge- 
in Lib. xvi heel mis te zyn, als hy zegt, dat dc gagactlteen eerfl gevonden is in Sicilië, nitgeti-orpen 
'^•^ï' 4- door den vloet vu;i de rivier Gagates, daer hy z.yn naer» v an beeft gekregen ; zoo die plaets 
inaer niet bedorven is. Hy veijaegt, indien 'men Pünius en Izidorus geloven mag, dc 
fcrpentcn : en de lactftc voegt 'er nog by , dat hy de duivelskonftenaers verdelgt. Wat 
dc aëtitcs of acrcntllcen belangt, Plinius befchryft den zelven in zyne NatuurlykcHift. 
in 't "derde Hooftiluk van 't tiende Boek, en in 't iillc Hooftiluk van het ^óite Boek 
vry breed, en zegt, dat 'er twee zulke fteenen in een aerentsneft worden gevonden, en 
dat dc ccnc iteen is een mannetje, en de andere een wyfje, en dat de arenden zonder 
die fteenen de eieren niet kunnen uitbroeden. Waer in met hem ook overeenftemmen 
(ic) L.L. Izidorus (10) en anelere. Maer Florus fchryft, dat de arenden een Iteen, van wat fooit 
het ook zy, in hun ne.Q: dragen, om het zelve vaft te doen zitten tegen zwaere win- 
den. 

1_C] Die kracht fchryft Plinius niet toe aen alle dc agaetftcenen, maer alleenlyk aenj 
een byzondere fooit in Kretc, en hy gift het ook van de Siciliaenfche i\gaeten. Hun'' 
nacm hebben ze naer dc rivier Achates in Sicilië, daer ze allcreerft gevonden zyn. 

\jy^ L'ib. XVI. cap. 15. Fertur cjuoque in eleBri JJmilitudine venena deprehsr.dere^ 
metus varios ex feller e , malcftcis re/Ijlere cirtibus: dat is: men z.egt ook,, dat de diamatn, 
geljk^de amber, het vergift ontdekt, de y dele vrez.en verdry ft , en de é>ooz.e kunjlemirder- 
fiaet. Izidorus heeft ook dit, gelyk vele andere dingen, ontleent van Plinius: bywienj 
men Hijt. Nat. Lib. 57. cap. 4. dit van den Diamant vint aengctekent: Adamas & ve-\ 
nena irrita facit , O' lymphationes abi^it , metufcjue v/tnos e.vpellit a meme : dat is , de Dia- 
mant mael^ het vergift krachteloos , en verdrjft de kranï^innigheden , en verjaegt de\ 
ydele vreez.en,uit''het hart. Verfta dcrhalven door dc ydelc oUngebeelde vrees , die vrees, 
daer de menfchen, welkers harflènen ontftclt zyn, zich mede gequelt vinden, 
(n) Hift. [E]] Contra dtabulica & varia motifira valet. Plinius (11) getuigt, dat- de waerzeg- 
t^'ac. Lib. gei-s tjej. indiacncn mcenen , dat het dragen van het korael een krachtig middel is om ge- 
ca^'^'a' vaeren van zich af te weeren. En Izidorus (12) tekent aen, dat de waerz.eggers willen, 
(II) 6ng. '^^' ^^'^ '^^ bli.xemen ïoederfiaet. Dogh hoc lichtgelovigh hy anderfins in zulk flag van 
Lib. XVI.' zaken is, heelt hy echter hier de voorzichtigheit van 'er by te zeggen : z.00 men 't ge- 
cap. 8. looft. 

[F] Het zelve fchryft van den zeeajuin (Scilla) ook Thcofniftus Z,/^. FTI- cap. 12 
Zie Pintianus en Dalekampius over Plinius, Lib. XX. cap. 9. 



BESCHERMING. 



127 



dit dier met deze plant zich behelpt [G] tegens den baziliskus en allerlei 
I 1' Venynige flangen, en hierom wort hy by deze beeltenis ge voegt. 

fG] De zelve vooraf etende, gelyk Ariftoteles melt Animd. Lib. IX. c.ip. 6. en Pli- 
I j.hius Hifi. Nat. Lib. XX. cap. 13. Van den Baziliskus evenwel zeggen zy dit niet, 
welke, omdat hy alleen van den reuk des wezels fterft (zie ons over de Befmetting, 
Aenm. T.) zekerlyk geen wezel zal aendoen: en heeft daerom de wezel ook geen wyn- 
ruit nodig tot zync befcherming tegen den baziliskus. De wezel zelfs fchynt ook niet 
heel gereet om een baziliskus te bevechten, omdat Plinius verhaelt, Lib. Vlïl. cap. 21. 
: dat men hem in de gaten, daer zich een baziliskus onthout, imverpt, zoo dat hy 'er 
van zelfs niet fchynt in te willen : daer hy dan ook na de overwisning fterft. Izidorus 
zegt evenwel Orig. Lib. XH. cup. 4. dat de baziliskus den v/ezel ziende , vlucht : dogh 
dat deze hem vervolgt en doodt. 




BESCHERxMING. 

pEr wy 'er afichcidcn, zullen we de befcherming, als toe 
•*-* een toegift, vertoonen in degedacnteecncrjoni^eKrvgs- 
heldin, die een bloot zwacrt in haere rechte hant houdt. 
Aen den (linken arm heeft ze eenen fchilt, op welken een 
e2;el fredreven ftaet- 

Wy (lellen ze jong voor, naerdien de jongkheit wakker en vaerdigh is 
om zich tegens alle aenvallen te befchermen. 

Het zwaert en de fchilt beduiden, dat men zoo wel moet bezigh zyn tot 
fchade des vyants [A] , als tot befcherming van ons zelven. Aldus is dan 

I i 2 de 

[A] Een foldact, dien het zich alleen te befchermen genoeg ij, is onnut. Men leeft 
in dezen opzicht een aerdig zeggen van Scipio Afrikanus den ouden , den overwinnaer van 
Hannibal , tot een zeker ibldact , die zyn fchilt fraci hadde toegemaekt. 7;^ verwonder 
my met , zeide de Vclthccr , d^t gy uw fchilt met z.00 een groote z.orgvi!ldigheit hebt opge- 
fiert , als in 't welke gy meer vertrouwen fielt dan in uw zsvaert. Het zelve wort ook 
toegefchrcvcn ( i ) aen Scipio Afrikanus den jongen , die Kaïthago heeft verdelgt , dog enig- { , , j j^^ 
fins met andere woorden : Vw fchilt, o jongeling, is wel mooi: maer een dapper KomtinihiA. 
moet z.jn -hoop liever ftellen op z.yn rechte dan op z.yn fiinke handt. Namcntlyk den fchilt 

droeg 



128 BESCHERMING. 

de fchilt een teken der befcherming, gelyk ook de egel: door den welken 
de Egiptenaers [B] zulk eencn man afbeeldden, die voor alle lagen, o-e- 
vacr, en toevallen der fortuin veiligli was, dcwyl dit dier, zoo dra het 
eenige wilde beeflen ruikt, die 't zoeken , of honden hoort baflen, zich 
in ccnen ronden kloot te zamen, en fnuit en pootcn, gelyk een fchiltpad- 
de, binnenwaert trekt} zocdat, Godt geve waer gy'taengrypen wilt, het 
roniom fcherp wort bevonden, en wel voorzien van tegenweer indehartfte 
ontmoetingen. 

dro:g rnen in de flinke hant, gelyk men den degen voert met de rechte. Onder .de 
beloningen van ccre, die men outcyts aen die krygslieden gaf, die zich dapper in den 
ftryt hadden gcqucten, was ook het gefchenk van een fchilt, en, by de Romeinen, 
zoo icmant ecnig groot gcvaer van zyn vaderlant hadde afgewent, wert hem ter ge- 
dachtcrJllè van die bcfclicrmingc een fchilt gegeven , of voor hem in een tempel gewyt, 
wacrop die dact met figuren ftont verbech : gelyk in tegendeel zulken , die in den 
oorlog niets gcdenkwacrdigs hadden uitgcvoert , een witten of onbemaelden fchilt ge- 
bruikten: gelyk men kan afncemen uit de woorden van Virgilius (i): 

Lib. IX. Enfe levis nudó, parmaque wglorws db.t, 

"'•^'>'^- Dat is , naer Vondels vertaling : 

JLen \(rjgsman in zjjn rot 

Heel licht gewapent , flechts met z,ynen flechien houwer , 

En onbemaelden fchilt. 

Zie bre^^er over 't een en 't ander den wakkeren letterhelt Picrius Valerianus Hiei-ogl, 
(i) lliad. Lib. XLII. cap. ^4. en 4S. By Homerus (2) wort ook Ajax, als een onverwinncly- 
Lib. Vil. ke helt, door Hcftor befcliojiken met een zwacrt, toen zy lang te zamen gevochten 
■^- 303- hebbende, en de een den anderen niet kunnende overwinnen, in vrientldiap fcheid- 
den. De Heilige fchrift zelfs gebraikt de woordcnfchilt en z.rt-'aert in dusdanig een' beel- 
dcnfprakigen zin. Zoo fprcekt Paulus Ephef. 6. vers 16. en 17. van den fchilt des ae. 
loofs., waer door wy tegen de aenvallen des fitans befchermt worden, en van het:^ifaen 
des Cceftes , om den fatan te rug te dryven en even als te dooden. Zie Pf 3. v.4. Even- 
eens werden die twee roemruchtige Vcldoverften der Romeinen, Q^ Fabius Maximus 
en M. Klaudius Marceüus, in dien zwaereu oorlogh tegen Hannibal, door 't Room- 
fche volk genocmt, de ecrfte Sctitum Imperii-, dat is, een fchilt der Room fche Hccrfchap- 
pye , gelyk Florus getuigt Lib. II. cap. 6. §. 27, en de lactftc, Enfs Imperii ; dat is, 
het z.n-acrt der Roomfche Heerfchdppye , naer 't verhael van Plutarchus in 't leven van Fa- 
bius, cap. 56. Namentlyk, omdat Fabius alle gclegenhcit tot een gevegt vermyde , en 
oordeelde, dat 'er op dien tyt niets dienibger was voor de Romeinen , danalleenlvkver- 
wccrcnsw5'zc te oorlogen ; daer Marccllus niet naliet alle gelcgenheit aen te grj'p'en om 
(3) Lib. 111 met Hannibal te flaen. Zoo zeggen ook by Livius (3) de gezanten, tot het oprocriph 
cap. 5}. volk gezonden, zeer aerdigh : fcuto vobis magis cjuam gladio opus eft : dat is, gylieden 
hebt meer een fchilt , d.in een zwaert nodigh .• dat is , de macht om u tegen dc veronee- 
lykini^cn te befchermen, dan om hen te beledigen. 

[B] Al het geene hier van den Egel gezegt wort, is byna van woort tot wooit r'c- 
nomen uit Piërius Hierogl. Lib. VIH. cap. 18. met dien mifTlagh echter, dat hier de vin- 
ding van deze bceldenfpi-aek wort toegefch reven aen de Egiptenaers : daer doch Picrius 
ter gemelde plaets kap. 16, duidelyk zegt, dat 'er van den egel niets in de Egiptifche 
beeldenfpraek gevonden wort \ maer dat de oude Grieken en Latyncn veele beduide- 
niflên daer van hebben verzonnen. De egel, daer dit zinnebeclt van fprcekt, is de 
landegel ; niet de zeccgel : van welken laetften Piërius handelt in 't agtendertigfle boek 
van zync Beeldenfpraek , in 't 73fte en ccnige volgende Hooftftukken. 



I 



BESMET- 



BESMETTING. 



129 




BESMETTING. 



E Ene jonge Vrou die uitgeteert van leden en bleek van 
verf is. Zy vertoont zich in dordige en verfcheurde 
klederen , die daerenboven droevigh en onaengenaem van 
: kleur zyn. Zy houdt in de rechte hant den tak van een* 
nooteboom, en de ilinke op eenen baziliskus, die met een 
; wreet gelaet en zeer fel gezicht aen haere zyde ftaet. Omtrent 
ihaer ziet men eenen jongeling qiiynende en krank, ja ge- 
■ noegfaem half doot ter aerde leggen. 

De bcfmetting is by de Latynen contagium genoemt : welk woort komt 
i van conta^it , [A] aenraeking j omdat door de zelve de befmettende quae- 
. len van 'teene lichaem in 't andere overgaen. 

Naer Averroes meening is de befinetting tweederlei) te weten, wiskunf- 
tighof natuurlyk. De eerfte Ibort der befmettinge heeft niet akyt plaets 
tiillchen twee lichamen, maer paft op de grootheden der zelve, ziende 
het Y.'iikunftige ilcchts alleen op de buitenfte vlakten of andere maeten. 
. Het tweede iïagh, dat de fchryver natuurlyk noemt j valt altyt tuflchen 
twee lichamen die in eenc bepaelde plaets zynj anders wort het niet ge- 
zegt natuurlyker wyze gevonden te worden. 



/. Deel. 



K 



Doch 



\JC\^ Izidor. Orig. Lib. IV. cap. 6. Contagium a comingendo: cjHid qtism conügerit , 
foUttit. Ducis: 't Woort comagiiitn , bdmctnng, kjmt van chitiugere , acnraken; omdat 
z.e befjnct , al -u-ien ze aenr.ieht. Dj bsrekcnis van 't woort contagium of bcfmetting is 
vicrdcrki , volgens Daniel Scnnenus , Lib. IV. de Febr. cap. 2. ^ mt , zegt hy , voor 
ccr'i ziort d.tt iioort genomen voor de acnruehing zelfs van twee lichamen , door 't middel 
van z'.elke aenracking gelj^ ziekte wort veroorzaeht ■> of ii'.'icr door 't eene lichaem het an- 
der befmet. Ten tiveden wort het irenomen Voor de daet of tverking , v.aer door het eene 
lichizen; het Mider aenrahende , acn hst zelve mededeelt d.e zrtfl^te die 't zelfheeft. Ten derden 
wort het ger.Grncn voor de tcgennatunrljke acndoennig , die axai Cen ander lichaem wort me» 
degedeelt. Ten vierden , voor de kzanke fchcidt;:'r , of befnetting , of zaet , waeffem of 
geeft, of alierlfi ander lichaez'i-, door 't welke die tegcnnatnurlyl^c acndocnir.'r acn een ,v.:- 
der lichaem wort medeiedeelt. 



I30 



B E S i\I E T T I N G. 



Doch om te bepaelen , wat de befmerting zy , zullen \vy zeggen, dat ze 
eene kranke en booze hoedanigheit is, die of door de lucht of door het eene 
lichaem in 't andere wort overgezet -, gelyk ze dus by Merkuriael in 't 
XVII. Hooftftuk over de Koortfcn v/ort bei'chreven. Maer Joan. Baptifta 
MontanuSj geeft overAvicenna, hieromtrent eene voldcender bepaeling 
(,) Mate- op , vervattende dcjlofljke (i) , ijvezentlyke (2) en tiit'-ji'er kende (3) oorzaekj 
riaiis. zeggende, dat de befmetting eene ziekte zy, die van 't eene lichaem in 't 
ifc. ^ andere overgaet, 't zy door middelyke aenraeking, het zy door onmidde- 
ls) E*- lyke, namentlyk door de ovcreenkomft der ftoffe, of door de ftrydigheit 
uTrórma. vau een gedeelte des --ji-ezens ("4) oï der gedaente door 't middel ^^an de ver- 
is) h^ii^ii.- anderiiig (5} of ontjlelling der hitte, die de vochtige deelen onordcntlyk 
verteert. 

Tot nader verklaring hiervan, zeg ik dateene quael of kranV heit, die 
zich van 't eene lichaem in 't andere verfpreiden zal, het middel der bewe- 
ginge vandoen heeft: en deze moet juift zyn uit het viertal der bewegin- 
[6] Lib. V. gen, die Ariftcteles in zyne Natuurkunde (6) ftelt j te weten, bederving, 
vermeerdering, verandering, of verplaetfmg. Nu gefchiet hier geene 
plaetfelyke beweging, want men wort nictgewaer dat zich eenigc zaek van 
flede verwifl'elt. Men ziet ook geene vermeerdering, want daer komt niets 
by : zoo ftaet dan vaft, dat 'er verandering óf beder ving zyn m.oet: gaende 
altytde verandering voor de bederving. Wy hebben gezegt, dat de be- 
fmetting van 't'eene lichaem overgaet in 't andere, dewyl het nodigh is , dat 
in deze zaek een tf^OTJ, dat is, werkende, en ctnpatiens^ dat is, lydcnde 
hoedanigheit zyj ik meene een deel dat aenroert, en een deel dat aenge- 
roert wort. Het werkende deel is 't geene waernit de befmetting voort- 
komt: het lydende, 't geen de zelve aenneemt; en zoo moet noodwendigh 
in het lydende de zelve gefteltheit gebragt worden, die 'er in het werken- 
de is. De onmiddelyke aenraking is zulk eene die tuflchen twee lichamen 
zoo gefchiet, dat 'er niets [B] tuflchen beiden komt; als by exempel, dus 
zetten zich de Spaenfche [C] pokken over. De middelyke aenraking ge- 

ichiet 

[B] Behalven de aenraeking alleen. Dezaedcn hiervan zyn in de dikke ftofïè, eil 
worden allecnlyk door 'c z.weet en andere vuiligheden , die aen 't lichaem blyven han- 
gen, aen een ander lichaem medegcdeelt: doch de middelyke aenraking of Ixfmctting, 
vcreifcht geene onderlinge aenrakmg der lichacmen, maer waeilcmt iets duns en gccd- 
achtigs uit, weer door de lichamen, die 't zelve ontfangcn, befract worden, en geiy- 
ke quaelen krygen. 

[C] Over den naem van deze ziekte, alsook over den tyt, op welken zy eerfc bekent 
is geworden, ten minften in Europc, is verfchil. De Italianen noemen ze dcFranfihe 
ziekte, en zeggen dat ze onder deze natie allerecril: in Europe is bekent gevv'orden. De 
Franfchen in tegendeel nocm.en ze de Mtpe/fche of It.ilt,ienfche ; en dry ven, dat die 
quael zich allcreerll in 't Koninsrkryk van Napels, wanneer Karel de VllI.vanVnink- 
ryk aldacr oorloogde met den Konmg Alfonfus van Spanje, liedt geopenbaert en van 
daer verder heeft verfpreit. En fommige zeggen, dat de foldaten van Columbus, die 
in 'tjaer 1492 de ctrfte is geweeil die de Weftindien heeft gevonden , de zelv-e uit Ame- 
rika cerft m Spanje, en van daer in Italië, wanneer zy daer oorloogden, hebben over- 
gevoert: waerom zy de zelve de Spaenfche of ook de Amerikaer,fche noemen. Die aen 
geene natie den fmaet willen doen, van haer als ccrfte oorzack van dat lelvk auaet 
te ftellen, noemen ze de Venusziekte. Daer zyn 'er die meenen dat die quael al lang 
te voorcn aen de Genecsheeren zoude zyn bekent geweeft ; omdat men by Valclcus Ta- 
rantanus, die bekent is geweeft in't jacr 1418, en ook by Wilhelmus Sahcetus, diein 
den jare 1270 biocide, leeft van quaelen, die zich fbmmigen door te lopen by vuileen 
ftinkende hoeren , hadden op den hals gehaelt. Ja Ibmmigen zyn van gevodcn , dat Ga* 
lenus en ook Hippokrates al geweten hebben wat dit voor een placg was. Maerwy willen 
hier niet dieper mtreden, en laten 't verder onderzoek daer van over aen de Gcnee'sliecreni 



B E S M E T T ING. 131 

fchset tuilclu-n twee lichamen, door tufTchcnkomfl en middel van ecnigh 

derde lichaem : gelyk zich door het middel der kicht twee lichamen zoo 

■aenraekcn dat heteene zyne krankheit in het andere doet overvloeien: want 

jcerft lydt de lucht; die naderhant hacre lyding mededeelt aen een ander en 

Ivafter lichaem. De befmctte lucht dan, is hier een middel en overdracg- 

Iter der quaele. Merkurialis, deze waerheit beoogende, zeit in de aenge- 

'toge plaets, dat de quaelen die ons door aenraeking of befmetting toe ko- 

!men, gefchicden of door aenraeking der gccften, of door aenraeking der 

ivochten. Deswege dan is het onmooglyk dat vafte deelen dooracnracking 

kunnen bcfoiet worden. En dit is de reden, dat de befmetting [D] der 

liefde zeer licht gefchict, wordende naderhant de allerzwaerfte quelling, 

die 'er kan worden gevonden, naer Ficinus zeggen, over Platoos Gafb- 

mael. Maer hoe is'tmogelyk, zal iemant zeggen, dat een fyn llraeltje, 

i een zeer lichte geelt, of een weinigh bloets van den perfoon, die bemint 

jv^ort, zoo fchielyk en met zoo eene grootc fnelheit en kracht, en zoo ver- 

[derflykbefmet den geenen, van wien zy zoo vierigh wort bemint. De 

loorzaek is niets anders dan die waefTem der geeften en dat jeugdige bloet, 

j dat vier hoedanigheden heeftj als zynde dun, helder, heet en zoet [Ej. 

; K k 2 Want 

i [D] Vcrftac hier door niet de Vcnusziekte, of Spacnfchc pokken, zooeven gcnocmt, 
[inaer de verwekking van een liefdedrift in icmant tot eenander. Ficinus, dn. n onze 
[fchryvcr hier acnhaelt, difputeert daer (i), dat de verliefcheit of vcrflingcithcit op ie-,! Oiat. 
imant tene ziekte des liarten is, die uit ccnc befiinettingc des gczichts gefciiia. Op wat VU. c.j,4 
!wyze nu, kan dat begrepen worden ? Gelyk het bloet, dun, helder, heer en zoet is, 
en zulks wel in de jeugt (want de jacrcn verder voortgaende krygt het de tegcnih-ydige 
.hoedanigheden) zoo zyn de peeften in de jeugt ook dun, hekier, heet, en zoet: dc- 
wyl die door de hitte van 'tnaite uit het zuiverfte bloet worden geteelt, en altyt in 
'ons zodanig zyn, als het vogt des bloets is. Gelyk 'er nu dultlacnigen waeflcm van gcef- 
'ten wort geteelt uit het bloet, alzoo fchiet hy ook ftraelen, die hem gelyk zyn, uit door 
1de ogen, even als door glacze venfters. En gelyk het hart der wecrelt, ik meen do- 
zon, door zyncn omloop het ligt, en door het hgt zyne kragt naer beneden zent, alzo 
: ftort ook het hart van ons lichaem, door eene zekere geduungc beweegini;; het nadtc 
'■ bloet voortdryvende, uit het zelve geeften uit in hetgehcelc lichaem, en door diegcef- 
i ten ook vonkjes van licht, wel door alle deleden, maer allermeeft door de oogen. 
Want de geeften , omdat zy zeer licht zyn , vliegen naer de iiooglle deelen des lichaems 
op, en derzelver ligt fchittert door de oogen, dcwyl die helder en de klaerfte van alle 
de deelen zyn, overvlocdiglyk uit. Dat nu zoo een ftrael, gcfchooten uit de oogen, 
een wacflcm der geeften met zich trekt, en die wacflcm bloj:, blykt daer uit, datlecpe 
j en roode oogen door het uitichieten van een ftrael uit hun, de oogen van iemant , die ze 
i van naby aenzict, de zelve quael aenzct : waor uit het klacr is, dat zich die ftrael 
I uitftrekt tot iemant toe, die tegen hem over is, en dat 'er te gelyk met dien ftrael een 
; waefTem-van bedorven bloet uitvloeit, door wiens befrnetting het oog des aenichouwers 
I befinet wort, 

j Dit dan zoo omtrent vooraf geftelt hebbende , lact Ficinus volgen het gecne onze 
1 fchryver nu vervolgens ter nederiklt, zynde alles uit gemekicn Ficinus (2.) byna van,,, ,^,, 

woort tot woort, met zeer weinig verandering getrokken, tot daer hy wederkeert tot*" 
' Merkurialis. 

[E] Want de jaeren verder gacnde, ("gelyk reets acngeroet is) wort het, de dunfte 

I deelen gcdiflblveert zynde, dikker, en daerom ook donkerder. Namentlyk, dat dun is, 

is ook klaer en helder: dat dik is, is donker. Maer waerom wort het jeugdige bloet ge- 

I zegt heet en zoet te zyn? Omdat het leven en 't begin van leven, namenilyk, devooit- 

: teeling zelf, beftact in hitte en vogt, en 'tzact in de eerfte tceling der levenden heet en 

' vogt IS ; zoo is 'er ook zodanige natuur in de jeugt : en gelyk het helder is , omdat 

i het dun is; alzo is het heet en vocht, omdat het nieu en vers is: en omdat het heet en 

vogt is, daerom fchynt het ook zoet te zvn. Want de zoetheit woit \'eroorzackt door 

de mcngingc van 'c hcete en vogtc. Zoo redeneert 'er de voornoemde Ficinu^; van , ter 

plaetzc boven gcmclt. 



132 BES M E T T I N G. 

Want omdat het helder is, komt het met de oogen des minnaers overeen, 
de zelve zoodanigh liefkozende en aenlokkcnde , dat het gretigh door 
hem wort ingezogen. Omdat het dun is, vliegt het zeer Ihel naer 't hart, 
vanwaer het zich langs de aderen vcripreit door het ganfche lichaem heen. 
Omdat het heet is, werkt het krachtigh, en beweegt het bloct des minnaers 
zoo llerk, dat het zelve in zyne natuur verandert -, het welk Lukretius 
aldus heeft aengeroert [F] : Hier van dam is 'er eerfi een druppel van die zoet- 
heit der liefde in 't hart gevallen; en daerop is eeyie brandende begeerte gcvolgt. 
Daerenboven, omdat het zoet is, koeftert, voet en vermaekc het de inge- 
wanden} en zoo volgt daer uit, dat wie met zulk een quellaedje geplaegt 
wort, te gelyk genoegte en fmart in zich gevoelt: genoegte, om de kker- 
heit en zoetheit \:vn. dien wacflem en van dat jeugdige bloet der beminde: 
fmart, om des zelfs hitte en dunheit. 't Is dan nodigh, dat men, om 
voor die quelling bevryt te zyn, doe het geene Lukretius ons vermaent, 
daer hy , den geilen en ongeoorloofden minnehandel afradende , deze 
tael voert [G] : 

J'erdryf de Minnebeelden 

JDie wdi'e zinnen Jlreelden, 

En fchtKv het voedtfel daer de Min 

Uw hart mè lokt en zin. 

Maer laet ons Merkuriael nogh eens hooren : die zeit dat de vochten, wiet 
quade en bedorve hoedanigheden ons zullen kunnen bcfmetten, twee hoe- 
danigheden of eigenfchappen nodigh hebbeuj te weten, ze moeten zyn in 
de oppervlakte des hchaems, en daernevens eene taeiheit en lymachtigheit 
(ilAdPro-in zich hebben. Van dit gevoelen zyn ook Arilloteles en Alexander (i): 
bieni. 41. eri op deze wys zet zich de fchurft, omdat ze de twee voornoemde hoeda- 
nigheden heeft, zeer licht van 't eene lichaem in 't andere over. Maer op 
wat manier zyn evenwel dan de inwendige ziekten, als teering, quaetaer- 
dige koortfen en andere qualen befmettelyk? door 't middel, zal ik ant-i 
woorden, der uit waeflemingen, en door 't in- en uitademen der lucht, door 
welke de inwendige dcelen der long worden aengefteken of bcfmet, waer- 
uit voorts de naefte deelen hun ongemak onttangen, en dat door het ge- 
hcele lichaem verfpreiden. Hiermede willen wy nochtans niet gezcit heb- 
ben, dac de peft en de befmetting een en zelve zaek zoude zyn: v/ant de 
eerfte dezer quaelen is algemeen; de andere zoo niet. Hierom moet men 
weten, datmenfommige ziekten noemt Sporadici of verfpreide; andere Com- 
mtmes of algemeene. De verfpreide zyn , wanneer verfcheide ziekten vcr- 
fcheide volken en verfcheide menfchen overvallen. De algemeene deelt 
men in tweederlci flach, waervan het eerlte by de Grieken den nacmdraegt 
van Endemii, en by de Romeinen Inqiiilini, alsof men zeide, inn'oonende ^ 
inlantfche, of lant ziekten : en deze zyn wel gemeene ziekten, maer echter 
alleenlyk en in 't byzonder gemeen aen eene ibort van natie, en zulks meen 
aen d'eene dan d' andere. De tweede foort noemt men Epidemii, wy zou-j 
den zeggen, in- of aenkomende ziekten ^ en is gemeen aen alle menfchen, als' 

nament- 

[F] De Nat. Rer. Lib. IV. vers lof;. 

Hinc illcc primum Vencris dulcedinis in cor 

Strllavit gutta : 6c fucccffit fervida cura. i 

[G] Lib. IV. vers 105-7. 

Scd fugicare decet fimulacra, 6c pabula amoris 
Abfterrere fibi , arqiie alio convertere mentem. 



[cri- 



BESMETTING. 133 

ïiamentlyk de volkome peil ; in wiens tyt de menfchen door eenen verbor- 
gen gloet worden aengefteken en beirnet -, en deze vertoont hacre groot- 
fte kracht [H], 

JVanneer de lucht doet vee en menfchen qtiynen 

En plant en boom ; 
En pylen fchiet y gedoopt m dootsvenynen ^ 

Al 't lant ten jcbroom. 

,Deze woorden omtrent voerde de Eerw. Vader Alcxandcr (^i) den ftarrera- (i)in Apo' 

ders te gemoet. Maer om weder te keeren tot de bcpaeling dezer kwaele, ^"S- 

moet men v/eten dat de bcfmetting nodigh heeft gclvkheit van ftofFe, en 

ongelykheit van '■sseezen {2) oi gedaente. Want naerdien de werking ge- (».) Forma 

■rchiet door middel van tegenftrydigheit en ongelykheit , en voorts de eene 

.tegenftrydigheit de andere niet aenneemt, zoo moet 'er nootwendjgh ee- 

nigh onderwerp wezen 't geen deze tegenftrydigheit kan ontfangen^ en 

dit is de ftof die aen het eene en andere Kchaem gemeen isj wacruit voort- 

fpruit het werkende beginfel van die bedervinge en beweeginge, die de te- 

genftrydige en vervuilende gedaente van het ontfteken enbefincttingvorde- 

rend lichaem is i enookhetiydendebeginlel, het welk de ftof is van het 

üehacm, dat de vervuiling onderworpen en bequaem is om de tegcnftrydi- 

,ge gedaente aen te nemen. Laet ons nu zien hoe de ontftclling (^3} of ver- (jj ^i 

landering in de befmetting nodigh is. By de Filozofen wort vaftgeftelt,tio- 

dat de ontftelling of verandering voor alle bederving en verrotting gaet: 

en de verandermg gefchiet in de hoedanigheit. Derhalve zal het eene 

. verwaiTning zyn, die door 'tmiddel van haer werktuig, 't geen de hitte is, 

[ wort te weeg gebragt, en haer gewelt doende op het vochtige en drooge, 

die lydende hoedanigheden zyn, de zelve niet geheel volmaekt, nochte 

naer behooren kookt en verteert. Om deze reden zeit men, dat, alsdely- 

. dende hoedanigheden de werkende overmccftcren, daeruit de verrotting 

! voortkomt. Want omdat de warmte fomtyts zoo zwak is dat ze de voch- 

i ten niet kan overwinnen, of dat 'er een te groote overvloet van vochten is, 

zoo komt 'er eene ontfteking [I] , gelyk Ariftoteles (4) de zelve noenit,(4)Meteot. 

uit voort; op welke ontfteking eene verrotting volgt. En dit kan voor- ^''^- ^^■ 

I komen in beide de foorten der kookingen; namentlyk in 't zieden en in 't 

\ braden. Dus ziet men dat de dingen, die eene zeer groote hitte hebben, 

niet verrotten, maer verdroogen. Een bewys aengaénde dit zeggen, kan 

ftrekken het geene men verhaelt van het derde klimaet [K] of llreek des 

ƒ. Tjeel. L 1 aerd- 

TH] Subitc quum tabida mcmbris 

i CoiTupto oeli tractu , mifcrandaque vcnit 

Arboribusque latisquc lues & Icthifcr annus. 
; Her zyn verzen van Virgilius uit het derde bock van zyn Encas (f) waeruit ze Akxan- (j) vs.157 
der genomen heeft. Ik verwonder my , waerom onze 1'chryver liever Alexander hc^lc 
willen aenhaelen , dan Virgilius zelfs. 

[1] Het woort dat Ariftotebs gebruikt, en hier ontfleking rertaelt wort, is in 't 
Grieks /^oaJiti!-, hetwelke wel eigentlyk eene befmetting of bezoedeling, of verontrei- 
ning betekent : maer dat Ariftoteles 'er niet anders dacr ter plaetfc door verftatt als eene 
zekere lichte kooking , die weinig verfchilt van mcuwheit, kan men gemakkei) k af- 
nemen , zelfs uit het gcene 'er hier van gezegt woit. 

[K] De ouden ftcllen zeven klimaeten, de laetere fchry vers hebben 'er vierentwintig 
gevonden. Zie dacr breder van Ciuverii Introd. in Geogr. Vet. & Nov. Lib I. cap. 5. 



134 



BESMETTING. 



aerdbodems, dat is Arabië : namentlyk, dat aldaer dicht by de zee, zandi- 
ge plaetfen zyn, langs welice wanneer de koopluiden naer 't OoRcn reizen- 
de, door de hitte des zants en den brant der zonne verfmachten en heene- 
ftervcn , zoo verdroegen deze lyken door den gezeiden gloet zooda- 
nigh, dat ze al hunne vochtigheit verhezen, zoodat 'er de mmm [L] 
van voortkomt, die noit verrot, en vandaer naderhant in andere landen 
wort overgebragt. Dit doet de hitte : maer men weet ook dat de groote 
koude veele dingen voor bederf en verrotten kan behoeden, gelyk blykt 
aen de geftorve lichaemen in het Franfche gebergte van St. Bernard, die 
aldaer zonder bederving veele jaren in hun wezen blyven. Tot hier toe 
hebben wy dan de befmetting befchreven, en waer ze van daen komt 3 nu 
ontbreekt 'er de uitlegging der beeltenis nogh aen. 

Jong wort ze gefchildert, omdat de jeugt door den overvloet en hit- 
te des bloets, veel brants in zich heeft, die kracht heeft om iemant dun en 
mager te maken , en als te doen inkrimpen , en by gevolg kan behulp 
doen aen de ftofïelyke en uitwerkende oorzaek der befmetting -, te meer 
nogh dewyl de jonge menfchen zeer licht de befmetting aennemen, teroor- 
zaeke van hunne ongeregeltheit en de kleene zorg die ze voor hunnen wel- 
ftant dragen. 

Onze beeltenis over deze Hof vertoont zich bleek en rank, om den zeer 

quaden 

fL^ 't Is wel waer, dat 'er zulke lichaemen worden gevonden, doch de rechte 
munü komt daer niet van voort. De Thevenot in zyne Reisbeichryving (i) oordeelt, 
^''h 'k'^'^ dat het zant van die plaetfen veel doet tot de bewacringe van die lichaemen. Wam z.elf 
, TI i-j.j> in de groote tvoefiyuen van Arabie , Zegt hy , vint men fomtyts doude honden , en fomtjts 
ook "wel menfchen , die noch 't eenemael geheel en gaef z.yn , ivelke in Jlaep geraeht , of van 
de Karavaenen achter gebleven z.ynde , door de hevige winden , die een ganfche z.ce van 
z.ant met zjg voeren, overvallen^ en z.00 diep mder het gedachte z.ant geftolpt worden .dat 
het hen 't eenemael onmogelyk^is z.ich daer uit te redden. Dit z.ant, 't geen houtachtig is, 
beti/aert deze lichamen voor verrotten, door alle de vogtigheit daer uit te trek,ken. M'an- 
fieer nu een andere wint 't gemelde z.ant weer te rug drjft , vim men dez.e lichamen 't eene- 
mael verdroogt, dog niet verrot. Veele hebben gelooft , dat deze gedroogde lichamen de 
rechte Adumien waren ,■ doch z.y hebben daer een verkeert gevoelen af gehadt. Maer wat 
zyn dan de rechte Mumien? 't Zyn lichaemen van A^erftorvene menfchen, die de Egip- 
tenaeren door balfèmingc, beftaende uit verfcheide fpcceryen en andere dingen, bewaeit 
hebben voor de verrotting en het verderf. Zie van dicnb-iHèm, en dcfzelfs gebruik 
omtrent de lichamen , Herodot. Lib. II. Diodorus ficulus Lib. I. Btbliothec. Jl<fatthiol. 
in Lib. I. Diofcor. cap. 85". Scaliger Exercit. 104. 9. Reinerus Verzvey Dijfert. deVnction. 
Gentil. foh. Albert. Fabricii Bibliogr. Antiq. cap. 23. §. 7. Alexand. ab Alexandro 
Gen. Dier. Lib. III. cap. 2. ibique Tiraquel. en voor al de Thevenot ter aengehaelde 
plaetfc. Omdat nu een der voornaemftc fpeccryen , die tot deze balfcming werden ge- 
bruikt ook was de Amomum (Salmafius meent , dat Amomum niet een zekere Jpecery 
in 'tbyzonder, maer allerlei zuivere en onvervalfchte fpeccryen betekent , want het Grick- 
fche wooit a|WW|M(@- \_Amomos~\ is onberifpelykjts. zeggen) zoo heeft die ballêm den naem 
gekregen van Amomia (zie Voffii Etymol. in Amomum) waer van by verkoiting is 
gekomen momia-^ en hier uit mumia: welke naem vervolgens aen de lichaemen zelfs, 
door dien balfcm bewacrt, gegeven is. Thomas Gataker echter tekent aen over Markus 
Antoninus /'(«f . 175". dat het woort mumia gekomen is van het Arabifch woort Mum, 
dat wafch betekent : want wafch gebruikten fbmmige in placts van balfcm , om de 
lichamen te bcvvaeren , dezelve rontom befmecrende met walch , gelyk Cicero van de 
Perzen getuigt Tufcul. Quefi. Lib. I. cap. 45-. Perfr etiam cera circumlites [MortuosT 
condunt , ut quam maxime maneant diuturna corpora : dat is : de Perzen bcgraeven hunne 
doden ooh^ nadat ze dezelve met wafch rontom befmeert hebben , opdat de lichamen zoo 
lang mogen duurzaem blyven als 't mogelyk is. En onder die dingen, die de Egiptcnaers 
in hunnen dootbalfem deden, tellen Alexander ab Alexandro en Bodinus by Fabricius 
in de hier voor gemelde plaetfen , ook het wafch. 



BES M E T T I N G. 135 

quaden aeit der befmettelyke ziekten uit te drukken, die den menfch al- 
lengs doen uitteeren; gelyk daer zyn de voorheen gedachte pokken of Ve- 
nuszeer, teering, lazary en veele andere. 

Haer gefcheurt kleet beduit de groote en menigvuldige ongemakken, ^ 
die uit deze befmetting voortkomen, en den menfch ten lellen m elendige 
■armoede brengen : gelyk ook de droevige kleur van het gewaet te kennen 
geeft, het ontbeeren der vrolyk heit, en de verwachting des doots, inzulk 
leenen toeftant. 

Wy geven haer eenen nooteboomtak, omdat Plinius in zyn XVII Boek 
de fchaduw dezes booms befmettelyk [M] zeit te zyuj wezende hierin niet 
Izeer ongelyk den taxus in het gedeelte van Vrankryk, dat de Ouden 't 
Narbonenzifche [N] Gallie noemden, die naer Dioskorides getuigenis zoo 
fchadely'' is, dat wie onder den zelven flaept, of ook inzyne fchaduw zit,, 
geweldighontftelt wort: gelyk Fernelius, in de verborge oorzaeken der 
dingen (^i}verhaelt: alwaer hy het zelve ook van den noteboom zegt ; ko-(i)Lib. ii. 
mende hierin overeen met Ovidius, die zeit [O] dat de nooteboom op den "p- u- 
uiterften kant der verachtfte hoeken wort geftelt, opdat hy het gezaeide 
niet zoude befchadigeuj hebbende zoo eene groote kracht, dat hy 't ge- 
was, 't geen dicht by hem ftaet, nadeelighisj waerom de lantluiden hem 
ook veeltyts planten aen de gemeene wegen. Hoor den vcornoemden poëet 
daer hy dien boom laet zeggen [P] : 

Ik nooteboom, helaes! Jla aen den wegh gephtit , 
En 'Wort van 'f reizend volk metjleenen aengerant. 

LI 2 De 



[M] Cap. IZ. fuglatjdium [wx^ti]grAvis & mxia, etiam capiti humam, tmnibuf- 
efue juxta fatts: dat is, de fchnduw der noteboomen is z.waer en fchaedcly]^^ z.elfs voor 
het hooft Vitn een menfch , en voor alles dat 'er omtrent gez.aeit is. En een wcirugje ver- 
der: fugladium ^uidem [\i\r^i-:\?.pinorHme]He & picearKTK, &abietis, cjUdCMmque atti- 
gere , tion dubie venetwm eft ; dat is , de fchaduw der nootc- pjn- en pikboomen , en des 
dennebooms , is z.onder twyffel een vergift voor al het geen z.y aenraekf»- 

[N] Dat gedeelte beflaet tegenwoordigh Langcdocq, Savoje, het Daufiné en Pro- 
vence. Doch het geen hier uit Diofcorides woit tocgefchrcven aen den taxus in 't Nar- 
bonenfifche Gallie, het zelve, ja noch veel meer, heeft Seftius naer 't getuigenis van 
Plinius (z) toegefchreven aen den taxus in Arkadie, zeggende, ejfe inArcadi.i tam pra- 
fentis veneni, ut qui obdormiant fub ea , cibumve capiant , moriantur , dat is, datdetax-\\l "''-y 
us in Arkadie van z.oo een krachtig vergift 'ts , dat die geene , die onder dez.elve gaen flae- ^^^^.'^ ^ '^^ 
pen of z-itten te ecten, fierven. Plinius (5) zelf zeit 'er van, dat 'er in defz.elfs beden ^^,^ j^ L. 
voornamentlyk^ in Spanje, een dodeljk^ vergift is. En dat men bevonden heeft, dut 'er in 
Vrankryk^ vaeten van den taxus gemaekt voor reiz.igers , om 'er Ti^yn in te doen , doodelyk_ 
Z.yn gett/eefi. Dat 'er ook^ 2jjn , die meinen , dat het venrift , daer men de pylen in doopte, 
en dut toen toxicum wiert genoemt , voormaels naer dien boom was genoetnt taxicum. 

f03 In zyn gedicht genaemt de Noteboom, v. 61. in deeze woorden: 

Me, fata ne tedam, quoniam fata l:tdere dicor, 
Imus in extremo margine fundus habet. 

Voeg hier by het zoo even getaelde uit Phnius in de Acnmerking M. 
[P3 In 't zelve gedicht vers i. 

Nux ego junfta vix , quum fïm fine crimine vitte 
A populo faxis prsetereunte petor. 



i}6 



BES iM E T T I N G. 



De baziliskus [Q^] is, gclyk men fchryft, eenezekereflang, wiens acn- 
bkezing niet alleen, maer ook gezicht [iv] en biezen bcfmctlyk is. Ja 
nienzcgt, dat de dieren die door zyn vergift gedoot zyn, van geene an- 
dere dieren, hoe vratigh en gulzigh die ook mogten wezen, worden aen- 
'gerackt, ten zy door grooten honger, en dan derven ze [S] onder het ee- 
rcn tcrftont. Deze venynigheit maekt den baziliskus by alle dieren [T] , 
lehoon ze ook zeer vergiftigh waeren, ten uiterften affchuwlyk, omdat ze 

( 1 ) Lib. ri^et hun venyn by het zyne niet haelen kunnen. Dit zeggen Aetnis ( i} en 

viü-c.3 5 PHnius(2). 

viii^c''i.i De half do ode jongeling leit by deze beeltenis ter aerde uitgeftrekt, om 
reden, boven verhaelt, ziende ook op het lydende lichaem, dat de be- 
fmetting aenneemt van het werkende, dat is, van het geene, dat de be- 
fmctting overzet i de fchriklykheit van welke, ons doet overgacn tot het 
voliicnde beek. 

[(V] Deze naem draegt hy by de Grieken, de Latyncn heeten Iicm Regulits: beide 
betekent het, het Konmgl^ie. Dien naem heeft hy wegens cenige witte vlakjesopzynkop, 
als een koningklyke tulbant, gclyk Piinius (3) getuigt, waerom men hem in onze 
VIII 'c' II Nederduitfche tael den naem geeft van A>co«/?<i«^j- of omdat hy als een koning is over de 
andere fci-penten: gelyk Izidorus wil Ong.Lib. XII. cap. 4. Fcftus geeft keur van beide 
de gevoelens. 

[R] Dit zeggen 'er veele , maer andere ontkennen het , en beweercn , dat het niet 
anders gcfchict dan wanneer zyn aenblaezing iets kan bereiken. Zie de aentekeningcn der 
geleerden over Horus Appollo Lib. I. Hierogl. i. 

[S] Dit kan waer zyn omtrent die dieren , die juift door 't vergift zelfs van den Ba- 
ziliskus zyn geraekt : anders eetcn zy wel van 't zelve acs. Altoos Archelaus verhaek 
bv Elianus Animal. Lib. II. cap. 7. dat 'er in Afrika dikwils een grootc mcenigte fèr- 
pcntcn, om op de geftorvc muilezels te aezen, by malkanderen komt, en dat ze het 
gebies van den Baziliskus hoorende , zich daer op tcrftont in gaeten en onder 't zant ver- 
bergen, en dat de BaziHskus dan op zyn gemak zyn maekyt daer houdt, en na dat hy 
gegeten heeft , nog eens bieft , de fchuilende ferpenten even als teken daer door geven- 
de , dat hy nu weg gaet , en 't overige aes voor hen lact. Zoo konmglyk is zyn ge- 
dmch. Maer om noch iets te zeggen van de befmettelykheit van den Baziliskus ; Plimus 
., (4) verhaelt, dat men outtyts gelooft had, dat een inan te paert zittende en een Bazilis- 
VUi'c' II kus dodende, niet alleen zelf, het vergift door de piek heen trekkende aen zyn laant, 
(j) pharial was om hals geraekt, maer ook het paert. Lukanus (j) melt of verziert het zelve vaa 
Lib. IX. eenen Murrus, hoewel hy niet fpreekt van de doot van 't paert en Murrus zich redde' 
V. 818. Jq^j. 'tfchielyk afl':appen van zyn hanr. Julius CezarScaligcr, op wiens getuigenis ik ge- 
rufter zoude durven ftact mackcn dan op dat van Plinius of Lukanus, verhaelt over 
Ariftoteks tweede boek van de Dieren , een geval , dat hy zegt in zyn tyt gebeurt te zyn , 
ten ecnemael met dat van Plinius overeenkomende. 

[T] Het wezeltje evenwel heeft iets by zich, dat een vergift is voor den Baziliskus , 
als welke van des zelfs reuk ftcrft : gclylc ook het wezeltje zelf door 't vergift van den 
[6] L L. Baziliskus j naer 'tverhael van Plinius (6). Elianus (7) wü ook, dat hy benaeut isvoori 
(7;HilT:. een haen, en fterft, als hy hem hoort kraejen. Zie voorts onze aenmerldng G. overi 
Aium.Lib. het tweede bcclt der Ecfchcrming. i 

III.C.31. 



B E- 



BESPIEGELING. 




BESPIEGELING. 

THeoria^ een Griek fch woort, is tot ons overgekomen, en betekent 
befchowdaing of befpegelmg -, waerdoor te kennen wort gegeven alle 
leiding der reden , gegrontveft op de oorzaeken der dingen naer hunne or- 
ide,meL de kennifle der beginfelen, die niet van de uitwendige zinnen, maer 
Vanhetverftant afhangen} omdat de beginfels, die van de uiterlyke zinnen 
afhangkelyk zyn, de pratijk of daedelyke werking uitmaken, waervan de 
ihcori of befpiegeling [A] het tegengeftelde is, ten aenzien der beginfelen, 
j /. Deel. M m die 

[A] De verdeeling der kunften in haere byzondere fborten , is van de ouden ver- 
fcheidentlyk gemaakt. Bchalvcn Ariftoteles ftelt ook Cicero twee foorten, de Theori 
|en Praktyk, Acad.. Quitft. Lih. IF". cap. j. Artium aliad ejrtfmodi genns efi , uttitmnm- 
\modo animo rem cernat i almd, m moliatur alicjuid & faciat. dat is : de eene foort der 
kunfien is zoodanig, d.it z^y de z.ack^ alleen met het verflant befchoHWt ; en de a>idere, dat 
\z.j iets onderneemt en doet. Quintiliaen, die van Bafiiius M- gevolgt wort Homik I, 
brengt de verdeeling tot drie, en voegt 'er de 7!"0'>iTt)H]' of volhengkinifi by, Orat. Infi. 
Lib. II. cap. 18. Artitim- alia poJtt£ fttnt in infpeüione , id eft cognitione & i'.fUmatione re- 
■ rum , ijHalis efi Aftrologia , nnllum exigens atïum , fed ij>fi rei , cftjtfs (i:idium habet , /';;- 
telleÜH contenta, cjmz b-iu^nny.yi vocatur : alis. in agendo, <juarnm in hoc finis ef} , & ipfo 
: aSlu perfcirnr , mhiljue pofi aBum operis relincjuit , cjuii. 7r^«icT(/,>j d'tcit»r, <jttjlis efl lal- 
tatio : alidi in ejfeliH., ejnis, operts , quod octilis fubjicitur , confummattone finem accipiunt, 
cjuam ■JstvjTix.ijv appel/amus, cjHalis efi piftura. Dat is: fommige kfinflen befiaen in debe- 
fchouwing, dat is , in de l^ennijfe en waerdeering der zaeken , hoedanig is de StAVTckun'A, ' 

die geene dadehhe werking "jereifcht , maer met het verfiant van de z.acl^, die z.e bevly- 
tigt., te vreden is: tvelke de Belpicgclkundc ^fwoew^r wort. Andere beftaen tn 't dadeljj^ 
merken , %!/elhrs einde daer in gelegen is , en door de %i'erking z.elf volbragt wort , en na 
de werl^ing geen werk^ meer overLut , welke genoemt wort de wcrkingkunde(i) , geljk^als 
is de danskund:. Andere bcfiacn m de uitwerkjng , die door de voltoojing van een werli^^^' "^^'^ " 
dat den oogen wort voorgeftelt , haer einde ontfar.gen , 7uelke men den naem geeji van Voi- 
brengkundc , gelyk, als is de Schilderkunfi. Rodolfus Agrikola begrypt onder de wer- 
king- ook de voibrenghjinde : maer ftelt dacrenboven nog een nieuwe xerdceling , na- 
mentlyk de Logica of Kedenhmde. En Galenus weet nog een vierde ibort te verzinnen , 
onder den naem van ■"'■^yin-n.Y, o? verkrygkande , bcftaende in 't verkrygen van eenigezaek, 
als by voorbeelt is de fagtkunfl. üie nacmen ondertufichen worden acn de kunften 
gegeven naer haer voornaenifte declcn; want indien men ze te recht beziet , zalmen 
bevinden, dat 'er in alle is cene befihoiitving en werking : gelyk de doorgeleerde Tur- 
nebus over de aengehaelde placts van Quintiliaen zeer wel aenmerkt. 



138 BESPIEGELING. 

die geheel zyn gericht om wel te werken met kunft, dat is naer maet en be- 
dek , gelyk Anftotelcs dit in het begin zyner Bovennatiiurkunde getuigt. 
Waerom dan de tbeori genomen wort voor eene kennis en leiding der begin- 
felen, die zoo wel onmiddelyk, alsmiddelyk, van het verftant afhangen. 
En omdat, gelyk de beginfels die uit het begrip der uiterlyke zinnenlprui- 
ten, zoo veel te zekerder worden bevat en bewaert, hoe ze onmiddelyker 
daervan afhangen , men alzo ook in tegendeel van het verftant zal mogen 
zeggen, dat de beginfels des zelven dies te waerachtiger 'zyn, hoe ze ver- 
der van de uiterlyke zinnen zyn afgefcheidcn j zoo moeten wy dan vryejyk 
vaftftellen , dat het vafte , zaeklyke en eerfte beginfel van de geheele tbe- 
ori of befpiegeling niet anders is dan Godt zelf [B]. Want daer kan geen 
ding begrepen worden, dat verder van de uiterlyke zinnen is afgclcheiden 
dan hy, en dcsgelyx meer met het verftant vereent dan hy alleen ^ welke is 
de eerfte, oneindelyke en allermagtigfte van zich zelven, en met eenen de 
hooftoorzaek van ons verftant5 zulx dat het veel ftrydiger [C] met het 
menfchlyk wezen is, een verftant te hebben, datvreemt is van de Godts- 
kennis, dan uiterlyke zinnen te hebben, die verre afgefcheiden zyn van de 
kenniffe der beweginge, der hitte, der koude, en van andere diergelyke 
toevalligheden. Want gelyk deze dingen , die geheel van de uiterlyke 
zinnen afhangen, gelooft worden zonder ecnigc hulp des verftantS; alzoo 
hangt men ook Godt, wiens kennis geheel afhangt van 't verftant, met den 
verftande ras aen, zonder eenige werking van het uitwendige, dat van het 
inwendighenvaft oordeel der ziele weinigh geacht wort. En hierom hebben 
deGrieken miÜchienGodtTheos , naer het woort?/3fmö[D],genoemt: alsof 

Godt 

[B] Zie boven 't Zinncbeek van 't Begin, blad/. 94. 

^C] Omdat een verftant, begacft met de kenniftê Gods, het voornacmfteis, waerin 
de mcnlch de redelooze dieren ovcrtrctt : welke ook zelve met uiterlyke zinnen niet al- 
leen begacft zyn, zoo wel als de menich, maer hem in fommige ook verre te boven 
gaen , volgens de bekende yaerzen : 

Nos aper auditu prxcellit, aranea tadhi, 

Vultur odoratu , lynx vifu , fimia guftu. 

Dat is: Het wilde z.wyn overtreft ons in 't gehoor , de fpinnekpp in 't gevoel ^ de gier in 
den reuk^, de lofih in 't gezigt , de aep in den fmaek^ 

[D] Deeze afleiding ftelt Makrobiiis ook voor, Saturnal. Lib. I. cap. 23. Dog mis- 
fchicn is het tegendeel wacr, en komt htt woort Srm^lm. ^theoria'j van het woort cn-ji^u 
[^theoro'^ik^befchonw : welk woort Ichynt flimengeftelt uit 5-jsf \jheos'\ Godt ^cn^^^ \Jjoró'\ 
ik^ üe-, ik^befchoHtv : gevende alzo een bcfchouwing of belpicgeling te kennen van Godt 
en van goddelyke zaken. Het wooit ^'sös- zelf wort van verlcheidc andere naer de ver- 
fcheidc gedachten der geleerden afgcbragt. Sommige brengen 't ^'an 't woort dixoi/.at 
[thcaomai] insgclyks betekenende, tk_z.ie, ik^aenfchomi' : omdat Godt alles ziet, en 'er 
niets voor zyn alziende oogcn verborgen is, als zelf zynde de ^-^^ider der lichten, gelyk 
hem Jakobus noemt cap. i . v. 17. Waerom hem de Egiptifchc Priefters in hunne beel- 
dcnfpraek vertoonden dooreen oog, daer zy een fcepter by graveerden j betekenende 
door den fcepter, dat hy een bcfticrder is van 't gehcelal, en door 't oog, dat hy alles 
aenfchout: gelyk Piënus aentekcnt, Hierogl. Lib. XXXIII. cap. 2. Sc f. Andere, 
waerondcr ook Plato , mecncn , dat deze naem aen Godt gegeven zy van S-iuv , [thè'ein] 
dat is leopen : omdat de zon , maen en andere hemellichtcn , die de bygelovigheit der , 
ouden voor Goden hielt, in een gcduurigen loop en beweeging zyn. Sommige willen 't j 
liever afleiden van 't woort ^ê'ar, [deos] 'twelk z'r^f/ betekent : omdat hy van de menfchen 
0)1" '*■ moet geëert en gevreeft worden. Op welke .afleiding men meent, datby Pctronius(i) 
fi) The- ^^ Statius (2) gezinfpeelt wort in die ongodiftilche woorden : Prtmus in orbe Deos fech 
baid. 'Lxh.timor: dat is, de vrees heeft allcreerfl Goden in de weerelt gemaekt. Meer andere ge-j 
111. Y. ««lyoclens ontrent de afleiding van dit woort, achten wy onnodig by te brengen. Zoo) 
echter iemant naer de zelve bcgeerig is, die zie den roemwaerdigen Gcrh. J. Voffius in 
zyn doorwrocht Etymologicuiji , een werk , dat nooit genoeg kan geprezen worden. 



BESPIEGELING. 



139 



Godt aen onze redeneeringe niets anders is dan het begin en de eerfte vorm 

of gedaentc. En aldus verflacn zyndc, dat de theon en de pratfyk op ge- 

lyke wys worden onderfcheiden, als het verftanten de uiterlyke zinnen, of 

• een zack die tot het verftant, en een zaek die tot de uiterlyke zinnen be- 

. hoort j zoo kan men gcmakkelyk zeggen, dat van de vyf inwendige/^^töwy 

of bequacmheden, waervan Ariftoteles in zyne Zedekunde (1) fpreekt, '')^'''-"^ï 
, de kunll (2) en 't beleit (3), lotdipractyk behooren: maerde\vysheit(4} ^ifrêX^.?, 

en het verib.nt (5} tot def/jfor/, en dat de wetenfchap (6), die van beide ^"- , 
I de declen afhangt, voor het menfchelyk begrip de middelplacts heeft. Ten ,. j. ^j"!" 
I opzigt nu van het gezeide, meene il: dat de theori niet onaerdigh in de ge- dc"t -i. 
; daente eener Jongkvrouwe wort verheelt, die opwacrt ziet, en haere han- \^^„J^^*' 
\ den famengevoegt houdt op haer hooft, hebbende in dezclveeen' open pas- (?)i8f,in- 
fer, wiens punten om hoog ftaen. Zy is adclyk in hcmelsblaeu geklcet,|^ '^!.'"'^^J 
\ en fchynt naer boven op een trap te ftygen; vertoonende door deze omftan- ,w»;, fcien- 

Jigheden uitmuntentheit, edelheit en hoogheit. "^" 

I Haere jongk heit beduit, vlugheit [E], vaerdigheit, heeten yver, le- 
I ven, hoop en vrolykhcit j alle weikc dingen de tbcori zeer wel paffen. 
I Want de kennis van de orde der oorzaelcn houdt liet gemoct, wakker, 
I helthaftigh, ftout, bly, vlytigh, gereedt, ftanthaftigh van voornemen 
{ enkrachtigh. 

I De kleur des gewaets vertoont, dat, gelyk het uiterfte perk voor ons 
1 gezicht, door middel van 't licht, die verfis, die zich aen den hemelver- 
I toont; aldus het uiterfte perk voor ons vcrftant, door middel der redenee- 
ring, Godt zelve is -, wiens eige plaets en zetel , overeenkomftigh met zy- 
I ne natuur (die de natuur van alles is} de hemel verftrekt. 
, Het hcmelwaert zien, wil zeggen, dat men het verftant tot de hemel- 
fche dingen en Godt zelven moet opvoeren : en dat, gelyk het met onze 
oogen geftelt is omtrent den hemel, het licht en de zon, het alzooookmet 
het verftant geftelt zy [F] omtrent hemelfche dingen en Godt. En omdat 
in 't oog een zekere naerbootfeering of gelykenis des herhels is, als welks 
! ronde appel is omvangen met zeven velletjes, die de zeven kringen der 
I dwaelftarren [G] in den hemel vertoonen, hebbende daerenboven midden in 
zich een hart bolletje dat zyn licht vandiegrooteenkleenevliesrondendoor 
i verfcheidc weerkaetfingen ontfangt; 't geen dan den aerdkloot verheelt: 
i zoo 'an men daerom zeggen 3 dat in het verftant eene zekere naerbootfeering 
I ^ M m 2 of 

[E] Zie het geen de Ichryver boven in 'tzinncbcclt der Begrypeljkheit heeft aengcte- 
: kent uit Ariftoteles. 

[F] Namcr.tlyk, gelyk men in 'toog het licht der zonne ontfingt, om dacr mede 
, te zien lichamclyke dingen, alzoo ontHnigt men met het verflant het licht der kcnniilê 

om daer mede hemelfche dingen en Godc zelven te beiehou wen. Waer vnn daen I'ilode 
) Jode (7) zeer wel gezeclit hctft: Het licht der z.iele is z.eer gelyk.acn 't/ichr der z_n>ine (7) Lil-.. <Ie 

IVant gelyk^de oo<ren door de;; glans der z.on , ctlzoo wort de z.iel door de wysheit verlicht, togmt. 
1 -en plagt van ijt tot tjt fiherper te z.ien, z.hh be^Lich houdende met nienwc befpicgelir.gcn. 

[G] Met naeme, Saturnus, Jupiter, Mars, de Zon, Venus, Merkiirius en de 
, Ma;n, Diyaelfiiirren worden zy genoemt (het Griekfche woon Planeten en 't L.aiynlche 

Errones o? flelLt errantcs komt ten cenenmacl in betekeniliè daer mede over een) niet 
omdat ze een dwalende of onzekere beweging hebben [M'.r/it gcene z.ael^ dtt.-!elr, zegt 
Cicero (8) van dezelve, die in alle eeini^igheit haere voortgangen^ en te mg kecringen , en (8;Lib. II. 
[ andere bewegingen flantvajlig en zieker bewaert) maer omdat ze voor ons , die de Aerde ''<^ '^'^f- 
bcwooncn, dan fnel dan langzacm, dan voorwacrts dan achtervvaerts fchynen te gacn , ^'■'°^" '""'■' 
rn zomtyts eenigen t)'t ftil te blyven : het welke aen die lia.rc lopen niet ond:rzocht 
hebben, gelyk een dwaelen voorkomt enz. Zie de Heer B. Nicuwentvt in 't 25- 
Hooftftuk van zyne Wcrcltbefchouwing §. 82. bladz. 699. 



I40 BESPIEGELING. 

of p-elyVenis zy van Godr en von de Godtheit; maer die zich zoo klein en. 
naea vertoontj als zich de hemel veiroont in den rende kring onzer oo- '■ 
gen. 

De trap [H] , wiens fporten of treden ordentlyk naer den tredt der men- 
fchen gemeten, eneven verre boven malkander gcvoegt zyn, ten einde men 
met eene gely'r e beweging des lichaems , langs de zelve op een' en zelven 
tyt zou voorwaert en opwaert kunnen gaen, vertoont, dat de dingen, die 
tot het verftant behooren, op de zelve wyze hunne orde en gelykmatigheit 
hebben; om aldus door redeneermg als ym trap tot trap, van de zaeken 
dienabyzyn, door den tyt, die eene mact van de voortgaende beweging, 
ja van alle beweging is, óp te ftygen tot de dingen die verre zyn: kunnen- 
de het menfchlyk verftant, zonder den tyt, geen maet ramen van het meer 
of minder, nochte de redeneeringen dien aengaende vaft maken of verzeke- 
ren. 

De handen en armen die kringswyze gehouden worden, en het hooft in 
't midden, vertoonen eenigermaete de Griekfche letter © : en met dezelet- 
ter alleen plagt men kortheits halve de theot'i [I] uit te drukken. Vorders 
verheelt haere dusdanige geftalte, dat ze de befchouwing en kennis der oor- 
zaeken boven de ervarentheit [K] verheft, en de werkingen onderfteunt, 
welke middelen zyn van onderfteuning, daer de theon niet is. 

De 

[H] Dat hy de Theori hier ftelt op een trap, is in navolginge van Boëthius , die den 
iclven in 't begin v;in zyncn Trooft der Wysgecrte plactft op hctldcetvandeFilozofie, 
zeggende: haruni [veftium] in extremo margine n, /» fnpremo ver o © legebamr intex- 
turn. Atcjue intcr titrafqxe literas , in fclarum modum , grtidus (juidam injïgniti vide- 
hantur, ambus ab infcriore ad fuperius elememum ejjet adceafus, dat is: Op den beneden 
aoom van Jeeze [kleederen'J fiont een Gr'ukfche ingewrogte P, op den bovenz.oom eenThte 
lezen. En tujfchcn beide de letters fcheenen eerige trappen afgetekent , als een ladder , om 
van de onderfie letter na de bovenfie te klimmen. De P beduide de Praksjk^, de Th of 
© , de Theori. Welke nu die trappen zyn , vint men opgetck by Hierokles in zyne 
Verklaring over de guldc gedichten van Pythagoras. Dog langs welke trappen de 
Chriftenen komen tot de wysheit , dat is , lot het befpiegelcn \'an Godt , leert ons Au- 
guftinus Lib. II. de Doclr. 'Chiift. cap. 7. en Lib. IV. de Trin. cap. i. gelyk Re- 
nauis Vallinus ons over de aengchaelde plaets van Boëthius aenwyft. 

[I] Gelyk met de n of P, de praktyk, vi^crt beduit , 7co als tci-ftont is aengetoont uit 
Boëthius i de © voorts was ook van een ander gcbraik. De Rechters, over eenigc zwaere 
miidaet oordcclende, en den acngeklacgden ter doot doemende, gaven dat te kennen 
door het fchryvcn van de letter ieder op zyn ftemtafeltjc : zynde deze letter de eerfte 
in 't Griekfche ©a^iari,- [Thanatos] dat is, de doot. Waer op Perlius ziet, als hy 
tot Nero, Sat. V. v. i^- zegt: 

Et potis es nigrum vitio praefigcre theta. 
Dat is : Gy hebt macht om een z.ri'arte theia te zetten voor de boosheit : dat is , om dc 
boozen te veroordcelen tot de doot. Ook was zy in 't gebruik in de naemrollen der 
krygslieden, alwaer de namen der gefneuveldcn met deze zelve letter getekent wierden. 
Men zie Kazaubonus over Perfius, en Izidoor Orig. Lib. I. cap. 25. 

(_K] Fraei is het zeggen van Scncka Epift. 97. aenga..-nde de werkdadige en befpie- 
gclcnde Filozofie: Philofophia autem & contemplativ.i cfi , & aciiva: fpeflat, fimul(jHe 
agit. Erras enim , Ji il/ara put as tantum terreflres operas promittere : altius fpirat. To- 
tttm , incjuit j mundum fcrutor , nee me 'intra contubernium mortale contineo , [nadere vo- 
iiSf tic dijfuadere contenta : magna me vocant, Jkpra^ue vos pojita. 

Nam tibi de fumma coeli rationc, dcumquc, 
Diilcrcre incipiam, & rerum primordia pandam, 
Undc omnis natura creet res, auftet, alarque, 
Quoque eadem rurliis natura perempta rcfoivat : 
ut ait Lucretius. 

Dat 



' E E S P i E G E L i N G. 141 

Depafler, wiens punten zich opwaertfliekken, vertoont het zelve dat 
het aengezicht verheelt, namcnriyk, opmerking van hooge duigen. Daer- 
enboven is depaflerdoor zich zelven bynaaityteen teken der maete, de- 
wylhy het beqiiaemfte werktuig is om de dingen te meeten, als hebbende 
in zich gcene vaftc paeien noch einden, en kunnende gebruikt worden tot 
alle paeien en einden , tot de welke hy met zyne punten flrekt. Hy is dien- 
ftigh om den kring te trekken, die de eerfte redendervende figuur is, waer- 
van de reden aller andere figuuren afhangt, als van hun eèrlle en eigen 
beginlel. Hierom geeft Euklides m 't aenwyzen dereerllebeginfeien , den 
gely' zydigen driehoek de eerftep!ae':s, naerdien hy onmiddely! door den 
kring en de werking des pafTers bewezen wort. En hieruit ontftaetdezwae- 
righeit, die de wiskunilcnaers altyt gevonden hebben in de quadrature[L] 
of vierkante meeting, zynde de evenmatigheit des krings met de andere fi- 
guuren. De paflcr verheelt ook de oneindelykheit : en omdat zyne be- 
weging in een kring geen eindpael heeft, en tot oneindige eindpaelen kan 
gebrukt wordenj en dcwyl hy werkende teücns in niil en beweging is, 
zoo is hy een, en ook geen een, fanicngcvocgt en geicheiden , icherp en 
ftomp; fcherp als hy open, ftomp als hy toe is ; zoodat hy niet qua' ykge- 
lykt naer de heenen [M] en den tredt van een menfch. De Grieken ver- 
beelden den pafTer met deze twee letteren , : , /. die te famen dat geheel ver- 
toonen, 't geen Pyrhagoras in een alleen [N] aenmerkte. 

/. Deel. " N n Om 

Dnt is : 

De Filoz.Oiie is en laipiejrdendc en dade/ykji'erkei'ie : z.ybcfchouu'tenwerktte£elj\jiadehh^ 
MUrit 'jy dwaelt . indien «-y meent , dat z.e alleenl':k aerdlihe dinnen belooft te verrhien. Ik 
doorz,oeke^ z^egt ^y , het geheel al , en beteugel my z^elfs niet binnen de 7i'oni;ig der Jferve- 
Itniren ^ te vieden z-ynde met ti lieden te raden en te ont-,\^den. Ih^ivorde geroepen door dm-' 
qen die groot > eit boven u lieden geflelt z.jn. 

Want ih^T^al n bezinnen te redeneeren van de gehecle natuur des hemels en 
der Gcde<i , en de eerjfe beTinCelen der z.teke,; opcnlfTuen ; ti.ier uit dcna- 
tHur alle z^aeken vocrbrengt , ■vermeerdert en -voedt , en waer in z.j die i.el~ 
ve z.aeken , als -te verfhrven z,yn, zuederom ofitbhit. 
Gehl^ Lttkretitis z.egt. Hoor ook de woorden v;in Hicioklcs in zyn verklaringe over de 
Gedichten van Pytha"oras: 2''' ^ iWeV TtooncriKr (piAotroi^ici Sid rijf róiv d^irüiv 4>i/(r£«r «.»- 

/a'u^-ti, dat is, dar de dadehkji'erkende Filoz.oJie den Tr.enfch door de kragt der delgden 
vroom maekt , maer dat de befpiegelende Filoz.ojie hem , door de verltchtitige des verfiai.ts 
met de waerhcit , Code gclt\jhlt. 

[L] Wanneer men ccn andere figuur, gelyk uls ci_n knng, maekt tor ccn vierkant. 

[M] Nam.atlyk, omdat, g-'lyk de menfch, wann>_tr hy gacc, by b.urte met het 
eene been Ihlilaet tenvyl hy 't andere been voortzet, alzoo ook de palier met zyn cene 
been ruft , terwvl het andere voortgaet. 

[N] Wat de fchryver hier wi f zeggen, begrvp ik niet zeer wel. Hy fchynt te 
fprcken van de Gri:kfchc letter T , gemcnelvk dcletter van Pythagoras genoemt: niet 
omdat ze van Py thagoras 7.oudc zyn uitgevonden (v/ant de vindmg datrvan \vort nevens 
die cier leuers ït, ff^, ofr^, .v, enph, to;gcfchrevcn aen Palamedes. Zie Plinius 
Hift. Nat. Lib. 7.) maer omdat hv leerde, dat men in die letter de tv^^ee wegen des 
menfchelyken levens zag; namcntlyk de weg der deugt en die der ondeugt : M.n vint 
'er deze verzen van , op den naem ^'an Virgilius : 

Litcra Pythagora; difcrimine lecta bicorni, 
Humanae vitx' fpeciem pi-^fene videtur. 
Nam via virtutis dcxtrum petit ardua callem, 
DifficileiuquL r.ditum primum fpcctantibus offeit,- 
Sed requiem pi-^bet feffis in veitice fumtno. 



142 BESPIEGELING. 

Cm de nurbaerheit nu vin dit gerecrfchap is de naem des uitvinders daer- 
van nrrh in wezen, la'us van Athene, de zufters zocjn van Dedalus, 
heeft 'er den roem van [O] , dien hy ook verdient : want hoe bezwaerlyk 

zoude 

M )lle oftcntat itjr via l;ita : fcd ultima meta 
Piïecipi ;it captos, volvitquL- pjrardua faxa. 
Qiiisquis tnim duros cafus viitutis amore 
Viccrit, ilL' fibi laudvmque dccusquc parabit. 
At qiii dcfidiam, luxiinique fcquctur incrtcm, 
Dum fugit oppolitos incaura m.nte lab'Mxs, 
Turpis inopfque fimul miferabilc tranfiget a£\'um. 

Dat is ; r>e /etter van Pjthagoras , in twee leden als hoornen gefplitjl , fchynt de gedaente 
van 'smenfchen leven te vertoouen. Want de ri'eg der deugt Ivopt jleil na 't pad aen de 
regterhant , en vertoont die geene , die z.e eerjl zjen , een moeilyken toeganl^^ maer verschaft 
den vermoeiden rufle hoven op z.yn top. De brede weg vertoont een gemalde lyken gang ; 
maer desz.elfs uiterfte einde ftort den gevangenen van hoven neder , en tirrpt hem af over 
Jieile rotfen. Mant al wie harde rampen overwint uit liefde tot de deugt , die zal z.igh 
z.elven lof en eere verkjygen. Afaer die de traegheid en vadz^tge overdaet volgt., z.al , 
terwyl hy de ongemakken , die tegen hem over [iaën , met een onvoorz.igtig gemoed fchuwt , 
z.yn leven in fchande en armoede elendiglyk moeten doorbrengen. Uit de bcfchryving van 
deze letter in deze verlcn is licht te zien, dat des zelfs figuur oudtyts cnigfins anders is 
gcfchreven gcweeft , als nu doorgaens gefchiet. Men Vint 'er dit ook van by Laftan- 
tius Lib. VI. cap. 2. Omnis igitur h^c deduahus viisdifputatio ad frugaHtatent& luxu- 
riam fpeBat. Dicunt enim ImmanA vita curfum T liters fimilem : cjMod unuscjuiscjHe ho- 
minum , cum prim£ adolefcentia Urnen attigerit , &m eum locum venerit, partes ubi lê via 
findit in ambas , htereat nutahundus , ac nefciat , in (juam fe partem potius inclinet. Dat is : 
Dit ga!:fche vertoog dan , aengaende de twee iveegen zjct op de maetigheit en overdaedig- 
heit. PVant men z.egt, dat de loop des menfchen levens gelyh^is aen de letter T.; omdat een 
ieirelyk^ menfch , -wanneer hy den eerflen trap van zjyn jongelingfchap hetreed , en nu tot daer 
toe is gekomen , daer z.ich de weg in twe deelen fplyt , hhftftaen en waggelt , nietzi/etende, 
«a wat kant hy liever z.al overhellen. Maer wat bcti"ckking heeft dit tot den palier? die 
ik ook niet weet dat ooit door de T is vcrbeelt geworden; gelyk ook nooit in tegendeel 
de weg des menfchelyken levens (zoo miflchicn onze Ichryver dit mogt willen zeggen) 
door de letters v en K Het eenigfte , dat ik dicnacngacnde vinde , is dat een out uitleg- 
ger van Ariilofanes over defzelfs Komcdi genaemt de wolken , vers x 78. z; gt : i^yocMiov 
o S(*/3>i'T))f, TfoKhara iu%^t)5-ov Tê%KJMr, ria A ^o'^ê'V ttot^ioiKÓt , dat is: de Pajfer is een 
■werktuig , dat z.eer dienfiig is in veele konflen , eentgjins de letter A \J~^ gelykende. 

[O] Gelyk ook van het uitvinden der zaege : wacrom hy van Dedalus knyt worden- 
devan een hoogte is afgeworpen: na 'tverhael van Ovidius Met. Lib. VIII. vers 244. 

Ille ctiam medio fpinas in pifcc notatas 
Traxit in exemplum , ferroquc incidit acuto 
Perpetuos dcntcs ; & ferr^e repperit ufum. 
Primus 8c ex uno duo fcrrca brachia nodo 
Vinxit; ut, Eequali fpatio diftantibus illis. 
Altera pars fl-aret ; pars altera ducerct orbem. 
Dedalus invidit &c. 

Dat is naer Vondels vertaling : 

o Hy hefpiênde 't rnggebeen 

Van eenen vifch , nam daer een voorbeelt uit., met reen 

Gevat , en fnee terfiont een ry van yzjre tanden , 

En brocht de z.aegh in zwang, en hechte met zjyn handen 

"Twee priemen met een kt^oop , geljk^twee armen, vafi 

Aen een , z.00 flaen ze net en fix aen een gepaft. 

De fcherpe priem blyft flaen , en d' andre mag verflrek^n 

Om recht rondom ^ezwaeit een' ronden kring te treken. 

Dedael benyde dit enz. 

Andere noemen hem Attalus, Acalus, of Calus, en Ovidius geeft hem den naem van 
Perdtx, dat is, Patrys : in welken vogel hy verziert wort verandert te zyn. Men zie de 
aentekeningen van Farnabius. 



E E S r I E C E L I N G. ,.-. 

zoude men zonder pafier hebben kunnen maet nemen vandenafftant vanhe- 
m^l of aerdc? Ja hoe zcaide men zonder den zclven de rechte gelyl maciV- 
heit van het menlchlyk- lichaem en duiztnt andere dingen kunnen aentoo- 
ntn ? Om alle deze reden paft de palier op de theori, ftaende met de punten 
naer den hemel toe, die van een bolronde of k ringvormige o-edaente is- 
wiens nafpooren aldus wort aengewezen. De pafler voegt ook bovenalle de 
gemelde redenen by de thcori, omdat hy de waere wyze onzer wctenfchap 
kduit; w?at de mer.lchlyke kennis is niets anders dan alle dingen op hun- 
ne maet te paden, effenen en fehikken. Hierom werden de Fiiozofcn van 
outs Analogijien , dat is, overeenkomjlige oï evenmatige genoemt. Zie Dio- 
genes Laertius [F]. 

De pafler ^yyders beftaet in twee leden, die ten deele gelyk, ten deele 
ongely- zyn: gelyk, ten aenzien der lengtej ongelyk voor zoo veel de 
omdraeijing en de medcdeeling van het midden belandt. Want het eene 
deel raek t rnaer eenmael , namentlyk aen 't midden , het welke de famenbin- 
ding of toefluiting macktj daer 'r andere tweemael raekt, namentlyk de 
tweearmrjes, die men trekt. Hierin dan is ook een beduidenis der rede- 
neering, van welke alle onze] ennis afhangt, dewyl een rcdeneenng, als 
ze verïtandiglyk opgemaekt wort, mede tweeledigh is, waervan 't eene 
deel algemeener is dan het andere, maer beide van gelyke kragt, ten aenzien 
van 't befluit (i) : en de middelftelling (2) bint te famen de beide uiterfte (ti Con- 
ftellingcn (3}, die niet even algemeen, of ten minften niet even bekent *^'"''°-. 
zyn. Zoo goet en rechtvaerdigh als de pafTer is^ om eenen kring te mae- termïitus"' 
ken, en de hoegrootheit der dingen te meten, zoo oprecht en waerachtigh (JJTermi- 
is ook de reden, om door haer een betoog van den kring of lyni op te ma- "' 
ken. En dewyl het gebruik der reden tot een wit heeft, haere werken en 
handelingen net en effen te doen zyn; zoo komt het hieruit dat meteen 
leenfpreuk, genomen van den paffer, onze rechtvaerdige of onrechtvaerdige 
werken gezegt worden, wel of qualyk te paffen, naer dat ze met de reden 
of wetten overeen komen of niet. Welke rechtvaerdigheit naer de wetten, 
die de bant is van het burgerlyke leven, als dan volkomen volmackt is 
wanneer men van de lini een kring maekt, dat is, als ons leven tot Godts 
dienft bereit blyft, die het gegeven heeft : want dit is onwederfpreke'yk 
het trekken van de lini tot de A^ereeniging van zyn begin: en dit alleen is 't, 
datdeneernaem vanwysheit geeft; want het is eene zaek die het menfchlyk 
vermogen te boven gaet, en eene hemelfche kracht van doen heeft, om de 
ziel geheel te zuiveren van alle aertfche genegenthedeu; gelyk dit onder 
andere Platoniften Jamblichus bewyft, tot wien nochtans het heilzaeme 
licht noch niet was gekomen, het geen den navolgeren van Kriftiis , diede 
eeuwige wysheit des Vaders is, zoo heerlyk is opgegaen. 

[P] Prccem. §. 17. Vei-fta echter, niet dat alle de Filozofen wierden genoemt Ana- 
logiflen , maer allecnlyk een zekere byzondere fekte. Macr ook is de leziiige van de 
plaets by Laërtius niet zeker: alzo fommige voor i^iyit'rtx.oi iccl dioi'.oyiriKo, , dat is, 
overtuigende en evenmaetige Filoz.ofen, lezen thiyuWol k»ï «TsAsyjiroco,': 't welk zy verta- 
len Opponenten en Defendenten , of Tegenwerpers en p^erweerders . Zie de acnmcrkingen 
van Egidius Mcnagius over die plaets. 



m escreini. 



N n 2 BE- 



144 



BESPOTTING. 




BESPOTTING. 



NA het deftigh bedt der befpiegelinge volgt hier dat der 
befpotting : hoe groot een ondcrfcheit ! Wy zullen 
het echter vertoonen, en dat in de gedaente eener Vrouwe, 
die de tong uitrteekt , en met egelsvellen bekleet is. Men 
ziet haere armen en beenen naekt, en zy houdt den voorften 
vinger der rechte hant rechtuit, hi de llinke heeft ze een 
bos paeuwevederen , en leunt 'er mede op een ezelsrug; 
welke langoor den kop omhoog heft, de lippen van malkan- 
der trekkende, en zyne tanden zien latende. 

Thomas 2eit, dat de befpotting [A] is, wanneer men iemants quaet of 
gebrek ten fchimp of fpot ftelt, opdat de befpotte befchaemt worde. 

De tong uit te fteken, omdat zulks te doen in iemants tegenwoordigheit 
vry lelyk Haet , en niemant in zulk flach van groeten juift het grootfte ge- 
noegen fchept , is een teken van weinigh achting voor dien, omtrent 
wien men dat doet: gelyk de natuur zelfs den kleinen kinderen het uitfte- 
ken der tong in zulk een geval geleert heeft. Zoo eene gebaerte is ook 
een gewoonte gewetfl: by de oude Galli -, gelyk men by Livius leeft: [Bj 
van dien troticn Gallus, die de Romeinen verachtende, en wie uit hen 

maer 

j^AJ Derijïo efi , qnum alu^uis malum alicujus ferfons. ^ vel defeSlfim, in Itidum velri- 
Cum fonit , ut erubefcat & verecHndetur. 2. 1. ^. 75- 

{W\ Lib. VIL cap. 10. Manlium armatum ndornAttimqHe adverfus Gallum flolide 
l&tum , & (j^uotiiam id quocjue memoriA dignt'.m c.mtquts vifum efi) linguam etiain ab irrifit 
exeventem : producunt a^uales : dat is , Afanlius^ ztg getfapent en toegerufi hebbende , tport 
door zj)ne evenouders tegen den Gallns , die z.ig onverjhindig verbhdde , en de tong (nade- 
mael dit de ouden ook^gcdenh^ivaerdig heeft toegefchenen] he?n ten fpot uitjhkende , ten firyde 
gebracht. Onder de ouden, waer uit Livius dit aentekent, is geweell: Q^ Claudius 
Qiiadrigaiius , uitv.icns ccirtcjacibo^k A. Gel luis ons dat ftuk, waer in hy dit gevcgt 
bcichryft, bewaert hcdt iVo^f. ^^ttrc. Lib. IX. cap. i^. dacr menook dit Iccll, ^e/.'.v/f 
Gallus irridere, atcjue lingu,i7-a cxertare ioefit: dat is: daerna begon deGallus te ffottenen 

de 



BESPOTTING. 145 

macr wilde, ten {rryde uitdagende, de tong naer Titus Manlius , die de 
uitdaging aennam, uitftak, niaer in zyne trotsheif door hem zeer wel wierc 
beteugelt. 

Wat dunkt u vorders van de cgelshuit, die doorgaens zoo wat fcharp- 
achtigh valt ? Zy betoont dat de fpottcr gelyk ftaet met den egel, die al 
wie hem nadert, fteekt j en omdat de fpotters geftadigh op eens anders 
onvolmae" theit letten, en die trachten ten toon te ftellen, en aeneenieo-e- 
lyV aen te wyzen , fteekt her beelt den vinger vooruit [C]. 

De paCLivepluimen (weet dat de paeu een hovaerdigli diier is} komen 
hier ter baene, om de trofshcit [D] re verbeelden van zulken die anderen 
verachten en zich altyt de befte en fchoonftc waenen te zyn. Echter 
voegt het niemant, eens anders quade manieren zotlyk tebelachen, al weet 
hv 00': dat de zyne beter zyn. 

/. Deel. O o Wat 



. de tong uit te fleken. Macr dit uitfkkcn der tong is niet alleen by de Galli een teken 
van bcfporring gcweeil, maer ook by de Romeinen zelfs: by welke voornamentlyk 
drie zooit;n van bcfpotting door 't maken van zekere gcbceiten in gebruik waren. 
Nam?ntlvk, het uitfteken van de tong, g:!yk hier gemclt is. Ten tweden h.t uitftcken 
des %-ooi-ftcn vingers van de rechte handt, doch niet r^r/jf ;^;> , gclvk in ons beelt gefchict, 

; maerkroragcbogen en meteen geduurigc bewegingc, zoodathynittqualykdenbck van 
een klcppcndcn oyevaer geleek : wacrom ze dusdanige g beerte ook een vyevaer noem- 
den. En ten derden , het zetten van den duim aen de llag vzn 't hooft met een gcfta- 
di^e dnejing van de hand, verbeeldende zo doende enigrins de ooren van een ezel, 
die E^cduurig bewegen j om zoo te kennen te geven, dat zy dien voor een ezel liielden, 
dien'zv op die wyze befchimptcn. Alle iiric de foortcn van befjiotting roert PerHus 
aen Sat. i. vers 58. 

O Jane, a tergo qucm nulla ciconia pinfjt, 
Nee manus auriculas imitata cfl: mobilis auras , 
Nee lingux, quantum fitiat canis Appula, tantum. 

Waer van dit de zin is: O ^elukki^f Janns , ivien geen oyevaer v/t» achteren nA^lept 
Ydat is : wicn niemant den vinger tot fpot achter na fteekt : namendyk , om dat Janus 
twe acngczichten hebbende ook van achteren zacli) en em wien te befpottcn niemant met 
z.yn hiint ez.els oren heeft achter n^igemaekt , of de tong z.00 verre uitgcftoken , als een dor- 
fiige hont uit Apulie. Zie Kazaubonus over deze plaets. 

[C] Gebogen op die wvze, als wv gezecht hebben, niet rechtuit, gclvk onze 
fchr^vcr den vinger der bvfp^rtmg mackt. Aengaende echter de g' beerte van den vinger 
of bant in beipotting, die men Ojevcer noemde, zyn 'talie fchyvers niet eens. Kazau- 
bonus vat het zoo op als wy in onze vorige aenmcrking h- bben gemelt. Maer Kornu- 
tus over de acngehaeldc plaets van Pei-fius, en Picrius \"alerinnus Hierogl. Lrb. XriT. 
cr.p. 12. zeggen, dat men alle de vingers zoo by malkander trok, dat daer door de bek^ 
van een oyevaer vcrbcclt wieit. Ferrarius de Acelam. f^et. 11. ai. wil dat de vingers 
200 wierden famengetrokken , gekromt, en bewogen, dat zede figuur maekten van 
den hals van een kleppendcn Oyevaer. Hicronymus eindelyk lehynt begrepen te heb- 
btn: dat de gcbeerte niet enkel met de vingers , maer met de gcheele hant gcfchiede: 
Leen, zcs;t hy, {i^ uw oor niet aen fpotters mz.. indien gy fchielyl^omz.iet , z.p:lt gj bevin- 
den , dat 'er of oyevjers halten achter h gekromt U'orden of et.elsooren met de hant ge- [A A^t 
w.xekty of de fmagtende tong van een hont uitgefioken: en wederom {^): indien z.y .wis-^'^'^-^^^' 
ten, dat Hsld.t, wanneer de mannen ztirgen, gepr of eteert heeft , z.) z.euden hunne hant ,^^'p^'^\ 
noott achter mynen rugge I::>-ommen tot een oyevaer. adSop.Kon. 

[D] Want de trotsheit heeft a1t}t tot een onaffcheidclyke metgezcllinne by zich de 
7trachtinge van een ander, en deze wederom tot een dochter de befpottingc. 



14^ 



B E S T A N T. 



"Wat de ezel [E] beduit, heeft men de ouden, by Piërius te vragen. 
Maer laet elk de fpotwapens nederleggen, en komen tot het 

[K] Hoe dit dier in de befpotting te pas komt is reets enigfins uit het vorig gemelde 

gebleken. Doch behalven dat vertoont dit dier in die gedaente , als het by ons beek 

gcftclt is, eniger mate een wezen als ot het iemant uitlacht. Diogcnes Cvnikus heeft 

(i) Diog miflchien hier op gezien (i), wanneer hy iemant, die hem zeidc, veelelachen 'eromu^ 

Laërc. Lib. .^j^j-^yQQj-jg ^ mi^chien de ez.els ook^om ken: maer nochte z.^ geven iets om de ezjels , nochte 

VI- $■ 5^-tl^om hen. Zie Piërius Hierogl. Lib. Xll. cap. ii. 




Dit vertoont zich omtrent als eene Krygsheldin, diein'c 
midden ecner ftille zee, op een eilant zit. Een hoop 
byeen gebonde fpiefen en ander oorlogs^ereetfchap ftrekt 
haer tot eenen zetel. Zy draegt een borftharnas gelyk Bel- 
lona, en heeft op de rechte knie eenen ftormhoet, op wel- 
ken zy de rechte hant houdt, en in de zelve een roede, daer 
twee viflchen omgefjingert zyn door malkander, te weten de 
zeefnoek en herder. Met de flinke hant houdt ze een' honc 
en een kat aen een tou vaft , die ftil en vreedzaem by mal- 
kander zitten. 

Het beftant wort door M.Varro op tweederlei wyze bepaelt, noemende hy 
het eens , eenen leg er'vrede [ A] van i£:emig h dag en j en elders [B] , eenen rnjltyt 

des 

\_K] Lib. Human. apud A. Gellium No£t. Att. Lib. I. cap. 25*. Induc'u fum pax 
caftrenjis faucorum dierum. Byna op dezelve wyzc bepaelt het ook de Rechtsgeleerde 
Paulus L. Poflliminium ff Az capt. Inducid. funt , cum in breve Ó" in prafens tempus 
cenvenit , ne invicem fe /acejfant : dat is : Beflant is , wanneer men voor eenen korten en te~ 
gempoordigen tyt overeenkomt , dat men malkanderen niet vyandelyl^ z.al aentafien. En Do- 
natus over Terentius Eun. a. 1. ^. i. vers 15". Inducii, fant pax in paucos dies. dat is j 
Beftant is eene vrede voor enige u/eitiige dagen. 

[B] Apud Eundcm Gellium : Induciit fnnt belU feri*. 



B E S T A N T. 



H? 



des oor logs. Deze bepalingen voldoen echter A. Gellius niet zeer, dewyl 
hy ze meer houdt voor korte en zoete befchryvingen , dan voor goede en 
vülmaekte bepalingen. Want aengaende de tweede bepaling zeit hy, dat 
die meer gceiligh [C] dan klaer is, zynde 'tGriekfche woort i^ixi'^joi[E- 
kecheirid] dat in die tale bejiam te kennen geeft , veel duidelyker en 
nadriiklyKer, nademael het eigentlyk eene inhouding der handen-, om zoo 
te fprcken, beduit: want men maghdan niet vechten. En belangende de 
eerfte bepaling zeit hy, dat hec beftant geen vrede magh heeten, omdat 
de oorlogh nogh duurt, fchoon de daetlykheden ophouden. Het verdient 
ook den naem niet vanlegervrede, dat is, die in de legerplaets, of ver- 
fchanfingen derfoldaten getroffen wortj want men maekt dien ook buiten 
*t velt en de legerplaets der foldaten. Deze vrede is ook niet altyt van 
weinigh dagen, maar zelfs wel van maenden lang. Livius zeit (^i_), dat (i) uk,, 
de Romeinen aen de Karthagers op deze wys drie [D] , en aen den tiran ^^x. 
Nabis van Laccdemonie zes (^2} maenden ftilftant gegeven hebben. In het ") ub. 
eerfte van Quadrigarius Jaerboeken [L] ftaet, dat K. Pontius de Samni- xxxiy. 
ter een ftilftant van zes uuren, aen den Roonifchen'Z)/^<2/ör [F] verzocht ''^^" '''* 
heeft: waaruit nietduifter blykt , dat deze ftilftant niet altyt van zekere 
dagen isj maar ook wel van uuren en maenden zyn kan. T. Liviuszeit [G], 
dat op het verzoek van vrede , gedaen door die van Perugia , Korrona 
en Artzzo, hoottplaetfen vanToskane, aen de Romeinen, hun een beftant 
van dertigh jaren is ingewilligc. Zulk een dertigjarigh [H] beftant is ook 

tuflchcn 

[C] Omdat de aengchaclde woorden van Varro eigentlyk 200 veel te kennen ge- 
ven als Vacmüe des oorlogs. 

{iy\ En aen koning Filippus twee maenden, Lib. XXIX. cap. 12. 

[E] Nacr 't getuigenis van Gellius in de zoo even aengehaelde plaets: want de 
fchriftcn van Quadrigarius zelf zyn verloren, gelyk wy over 't vorige beclt reets heb- 
ben te kennen gegeven. Voorts is deze Kajus Pontius die Veltheer der Samniten ge- 
weeft, die de Romeinen by Kaudium onder 't juk heeft doen doorgaen. Zie Livius 
Lib. IX. cap. 4 y feqq. 

[F] Welke op dezen tyt was Luciui Kornelius ; hoewel Livius zegt Lib. IX. cap. 
17. dat het onzeker is, of de zoo evengemclde ichande der Romeinen gewroken zy 
door den Difiator, of Oppcrgezaghebber, Kornelius mci zyntn Magifier cquilurn., of 
Bevelhebber derRuitery (gelyk men 't gemeenlyk vcrtzeh) Lucius Papirius Kmfor, dm 
of het gefchiet is door ^intus PublUius Filo en Papiriiis,en wel voornamentlyk door 
den laetftcn , dog beide toen de waerdigheit bekledende van Confuks of Buigcr- 
mcefters. 

[G] Lib. IX. cap. 37. Itaque aferufta., & Cortona, ^ Jreiio , qu^ ferme capita 
Etruria popuhrv.m ea tcmpejïate erant, legati pacem foedufque ab Romanis petenUs^ indu- 
(ias in triginta annos impctraverunt. Twee van deze Steden hebben naderhant , het 
ccrftc beftant verbroken zynde, wederom een nieuw beftant verkregen van veertig 
jaren, volgens 't verhael van den zelven Livius Lib. X. cap. 37. Tres validijfimte ur- 
'bcs^ Etruria; capita, Folfmii, Peru/ia ö* Arctitim pacem petier e ^ Ö* -- inducias in 
qiiadraginta anfios if»petraverunt : dat is: drie zeer fier ke pdcn, Hooftplaetfen "jan Tos- 
kane^ Bolfena., Perugia en Arezzo^hcbbcmrede 'vcrzccht, en-— een bcfiaut van i-eer tig 
jaren verivorz-en. Opdat niemant egter mene, dat Livius zich zelven tegenfpreekt, 
omdat hy eerftKortona, en nuBoUena, een Hooftplaets vanToskane noemt, diC 
weete, dat die landftreck oudtyds twaelf hooftplaetfen gehad heeft. Zie ze opgetelt 
by Klureiius Gcogr. Vet. ü A'ö-j. Lib. IIL cap. 26. §. i, Arezzo onder de zelve is 
g'cweeft het vaderlant van den Monnik G«;V/o, die de muzykwooitjes, ut, re, rai^ 
fa, fol, la heeft uitgevonden. 

[Hj Waervan de voorwaerden gefneden ftonden op een kopere zuil, ftaende voor 
een zeker beek van Jupitcr te Olympia, na 't verhael van Pauzanias L//^. F. cap. 
23. Van dit zelve dertigjarig beftant fpreekt ook Juftinus Lib, UI. cap. 7. §. i. Docji 

/. T>eeL O o 2 ^e 



148 B E S T A N T. 

tuflfchen de Atheners en Laccdemoniers gefloten, toen de eerftc [1] Eubea 
wederom t' ondergebragt hadden. De zelve Livius zeir, dat de Romei- 
nen aen die van Veji [K] een wapenftiütant van twuirigh [1], van veer- 
tigh, ja ook van hondert jaren [M] hebben toegeftaen : gelyk ook aan die 
van Cere [N] dusdanigh een hondertjarige wapenfchorfnig door hen ver- 
gunt wert. Zynde dan het beflant van uuren, dagen, maendcn, jaren 
enz. [O], zoo magh men zeggen, dat de Vrede en het Beftant , alleen 
verfchillen in de bepaling des tyts. De voorwacrden , die men van dezen 
ftilftant der wapenen maekt , beftaen daer in, dat 'er zckerheit [P] gedaen 
wort, ren aenzien van zaeken en perfoonen, zoo lang het verlchil nogh 
onbeflecht is. Elk ziet dan hier, wat beftant of ftiIAant zy , namentlyk 
eene ophouding des oorlogs, geduurende tot aen het einde des verdra gs. 
Tot dus verre van de bepaling 

Naer Plinius reden, in zyn VII. Boek op 't 56. HooftQuk, is Likanor 
de uitvinder des ftilllants geweeft, en Thezeus die der verbonden. Van 

welke 

èe Laccdemoniers hebben 't de helft van dien tyt maer uitgehouden : en wederom 
verwonnen zynde, een nieuw beftant gcmaekt van vyftig jaren, hec welke zy egcer 
wederom trouwlooflyk na verloop van alleenlyk zes jaren hebben verbroken. Ju/. 
L'ib. III. cap. 7. §. 15. 

[I] Nu Negroponte genoemt. 

[K] Ook een van de twaelf hooftplaetfen van Toskane, zeer fterk: hetwelke ge- 
bleken is uit de tienjarige belegering, waerna ze eerft heeft kunnen verovert worden 
door den Romcinfchen Veltheer Kamillus. Livius Lib. F. cap. 22. 

[L] Gelyk ter zelver tyt aen de Equi alleenlyk van drie jaren. Livius Lib. IF". 
cap. 3f . Van diergelyke twintigjarige wapenfchorfing verleent aen die van Bolfena 
leeft men by den zelven Livius Lib. F. cap. 32. En van de vecrtigjaerigc, hier ver- 
meit, fpreekt hy Lib. II. cap. f4. en Lib. X. cap. 37. 

[JVI3 Al onder Romulus, in den allcreerftcn oorlog door hen met de Romeinen 
gevoert. Idem Lib. I. cap. i f. 

[N] Ook een der twaelf hooftplaetfen van Toskancn: wcrwaerts de Nonnen van 
Veftamet haer eeuwig vuur, en andere RoomfchePricfters met hunne heiligdommen, 
ten tyde van den Gallifchen oorlog gevlugt waren, zynde van de inwoonders min- 
nelyk ontfangen : de gedachtenifle van welke weldact veel toebragt tot het vergun- 
nen van deze hondertjarige wapenfchorfing, eer hen de oorlog, dien zy verdient 
hadden, wiert aengedaen. Livius Lib. FII. cap. 10. 

[O] Dit is gebleken door de voorbeelden, zoo door denSchryver zelve, als door 
ons bygebragt. Echter moet men de bepaling, die Varro van 't beftant gemaekt 
heeft, niet verwerpen als ten eenemacl quaet. Gellius, die hem wederlcgt heeft, 
ontfchuldigc hem zelf, op deze wyze: Scd profetlo noti id fuit Farroni negotiu/fi, ut 
inducias uperftitiofe definiret^ c? legibus rationibusque omnibus dcfimtionum inferviret. 
Satis enim vifum f/?, ejus f^odi facne demonftrationetn; qnod genus Grad tuVü? magis y 
J7roy;a4)jcf quam öcisy^ic vocant. dat is : maer vourivaer Farro heeft dit niet voorgehad, dat 
hy met de uiterjie omzichtigheit zoude bepalen , wat een beftant «, en alle de wetten en wy- 
zen van bepalingen voldoen. TFant het heeft hem toegcfchenen genoeg te zyn, dat hy een be- 
toog maekt van datjlag, dat de Grieken meer t-Óttoi e/ fchetfen en Cmy^oi,<^ci] o/ eerfte ont- 
werpen noemen, dan bi^nry.o) of bepalingen. 

[P] Longob. Leg. I. cap. i. Tregua eji fecuritas praflita rebus ^ pcrfonis , difcordia 
nondum finita. En Gellius Lib. I. cap. 2f. PaEium induciarum hujusmodi efl , ut in 
diem certum non fugnetur, nihijque incommodi detur: fed ex eo die poflea ut i jam omnia, 
heÏÏi jure agantur . dat is : Het verdrag des bef ants is zodanig, dat men tot f enen zekeren 
tyt toe niet vechte , nochte ?nalkanderen enige fchaede doe : maer dat naderhant na dien dach 
alles gefcbiede na '/ recht des oorlogs. Wat vorder 't Beftant en de dingen daertoe be- 
trekking hebbende, aengact, zie by FJugo Grotius in des zelfs doorwrocht werk van 
't recht van OorJog en Vrede III. B. 21. Hooftft. 



B E S T A N T. 149 

welke twee zs.cl'en de Fecialcs [Qj, of hcrouten rechters waren. Echter 
is Zaratino KallcHini, die dit zinnebcelt heeft opgefrelt, belangende de 
uitvinding des wapenitilftants, van gevoelen, dat Priamus [R]," Konnig 
vanTrojc, de cerlle voorileller daervan zy geweeft, dewyl hy, na eencn 
dootlykcn llagh [S], ge levert tegens de Grieken, die hier gewcldigh den 
dief Helden, en Trojes licht betimmerden, eenen gezant afvaerdigdc aen 
hunnen vckhccr Agamemnon , om llilftant te maken j ten einde 'elk der 
partyen gelcgcnthcit mogt hebben , om de dooden te verbranden [T] : 
wacrna het ftryden den ouden gang [V] veder had te gaen, tot dat het 
/. Dcd. Pp " noodt" 

[QJ ^^"^Jc deze gewceft zyn, zal gezcgt worden in 't Zinnebcelt van 't\''crbont. 

[R] De icden, die Zaratino Kailtllini liier geeft, waerora h> Priamus, niet Lika- 
nor, houdt voor den uitvinder des Beilanrs, komt ons niet voldoaiende voor. Want 
b'halvin dat my de leefryt van dezen Likanor niet bjkent genoeg is, en ik dacromgeen 
reden v'inde, waeroai men d:en later zoude moeten ftelien, dan dien vanPnamus, zoo is 
dog daerenboven 't bevvys hier uit Homerus gehaelt, al was het ook 7ekcr, dat L.ils;a- 
norvancen larcrcn leeftyt gcwecft wai'c dan Priamus, van geen genoegzame kracht: de- 
wvl de Poëten dikwils van zaken, die ze verhalen in oude tyden gebeurt te zyn, zoo 
fprcken niet gclyk ze gcweeil zyn in die oude tyden, macr zoo als diergchke zaken 
gcwoonlyk plegen te gefcheiden in die t)'den, in welke zy zelfs leven: gelvk wy met 
genoegzame bewyzcn (zoo God \\-il dat wy le\'en) over 'tZinnebeelt van de Schildcr- 
ivundzullen aentonen. 

[S] Zoo wel voor de Grieken , als Trojanen. 

[T] Volgens de oude gewoonte , en de ailche en overgeblevene beenderen vervol- 
gens ter begi-aveniflè te b.'ifedcn : omtrent h:t doen \an welkelaetftc ecre aen de doden 
de ouden met de uitcrfte zorgvuldigheit waeren ucngedaen. Dus antwoort Agamemnon 
by Homcrus den afgezonden zelf II. 7. vers 408. y^eng.iende het verbranden drr doden ^ 
:iull:s fla ik_ nier af. Want men moet op generlei ii'yz.e naLuen de lichamen der gefnetivel- 
den ten fpocdigjlfn den pligt der vcrbrandinge te beu'yz.en. En by V^irgilius yEneid. XI. 
vers 100 leeft men op dezelve wyze: 

Jamque oratores aderant ex urbc Latina , 
Velati nmis olca: , veniamque rogantes : 
Corpora , per campos ferro qusc fufa jacebant , 
Redderet , ac tumulo fineret fuccedere ten-az : 
Nullum cum viftis certamen & a."there caills : 

È *" 

Dat is naer Vondels vertaling : I 

iV« cjHamen 'er uit Vor(i Latinus fiadt gez.amen 
Met tacken vMi ohf .^ en blonde vredeplanten , 
j O/n hunne doon : dat hy de lichamen m 't velt 

Door 'tz.waert gefnettveld, en noch niet in 'tgrafbejlelt. 
Toch wederlevren ïi'o/ide , en aen 'tgebeent der hunnen 
Gelyi^de reden eifiht , een eerly k, graf vergunnen : 
Pfant niemant, volgens knghsgebruii^en oorlogsrecht , 
Met overwonnen volleen levenlooz.cn vecht: 

Waerop Eneas antwoort vers 119. 

Nunc ite & miferis fupponitc civibus ignem. 

Dat is, naer de vertaling van den zelven Vondel, 

Nugaet vry heene , enJJeekt, ten dienfi van al wat fneeft^ 
Het lykhoHt aen van uw verflage bttrgerye. 

[V] Dit bclaft Pnamus zynen gezant Idcüs by den voorllag van wapenfchorfing wel 
«luidelyk by te voegen. //. 7. v. 577. & 39). 2,ie ook lUad. Lib. XXIF. v. 66-; 



1-ro 



B E S T A N T. 



noüdrlot uitweeze , wie 'er ten leilen meefter zou blyven. Deze voor- 
flji;h wen door Agamcmnon aengenomenj ja hy zwoer, hefFjnde zynen i 
fchcptcrnaer den hemel, dien ftilftant onverbretkbaer te zullen houden: i 
gely^ Homerus dit verhaelt in zyn VII. Boek der lliaden. Dit onderfcheit 
[W] eindelyk , is 'er tuflchen een Kerbont en IVapenfchorJIng , dat het eene 
een onderhouding van eeuwigen vrede en vrientichap in zich lluit, maer 
het andere flcchts eene ophouding des oorlogs, voor eenen tyt. Laet ons 
nu de beeltenis wat nader bezichtigen. 

Zy zit in 't midden eener bezadigde zee op een eilant, om aen tewyztn, 
dat de ftaet van 't bcftanr is als een Itille zee, maer niet voor altyt, orüdac 
het ten laetften uitbarft tot llorm en onweer, en weder een woedende 
zee [X] gelyk wort: en even als, wanneer het onweer ophoudt, men vei^ 
ligh en geruit in 't midden van de zee magh varen , alzoo magh men ook, 
wanneer het onweer des oorlogs ophoudt, en zoo lang de flille ruil des Be- 
ftants duurt, zich veiligh begeven in 't midden van 's vyanrs landen. 

Dat men ze op eenen hoop bycengebonde fpielen ziet zitten, verheelt de 
ruft en het bedwang der wapenen ten tyde des ftilftants: die echter, detyc 
des beftants geëindigt zynde, weder zullen worden los gemaekt. 

Hacre borft is ge wapent gelyk Bellona [Y] , omdat de zorg dts oorlogs, 
geduurende den ftilftant, den volke nogh in. het hart zit, hoewel men h;c 
geweer niet bezigt. 

Al zittende houdt ze eenen helm op de knie, en niet op 't hooft, om des 
te meer de ruft te vertooncn , die men in den tyt des ftüftanrs geniet. Dat 
ze 'er de hant op heeft, bewyft hacre gereetheit, om ten einde des ftilftants 
den zelven weder op 't hooft te zetten. 

De zeefnoek en herder verbeelden het beftant, omdat, fchoon deze vis- 
fchen onderlinge dootvyanden zyn, zy nochtans, op zekere tyden te za- 
men vergaderen, naer het zeggen der natuurbefchryvers [ Z]. En hierom 
vertoont ons beek de zelve vorders door malkander geflingert om een roe- 
de : 



[W] Namentlyk zoo men eigentlyk en naeuwkeurig fpreekt: want in 't algemcin 
genomen kan Ferbonth^tckcncn allerlei vcrdrach en vcibintenillf, tuilchcn vyanclena'-n- 
scgacff en plcchtigh'k bjveftigt. Dus vii*mcn het beftant by Gntkiehe en LatAnkhe 
fchryvers iomtyts m,t den nacme van vrede en verbont zelfs b noemt. Zie PaHz.a;i!.is 
Ltb. f. cap. 25. LiviHs Lib, II. cap. j^.. & Lib. Vil. cup. 20 leem fnfiwHs Lib. III. 
tap. y. $. I. 2. i-i,. 6" 24. 

[X] Waerby de oorlog dikwils wort vergeleken. Zie Comelius Nepos Attic. cap. 6. 
^itnctil. Ltb. VIII. c.ip 6. HorM. Lib. I. üd 14. Livtus Lib. XXIV. cap. 8. 

[Y~\ De Huisvrouw, of zuller, en Wagenmenfter van Mars. Zie van haer Pomej 
Panthe'um Mythic. Pag. 63. en andere fchryvers der Oudheden : ook Zaundïfers Zin- 
nebeelden p. 550- 

[Z1 Ariftot. Hift. Anim. Lib. IX. cap. 2. De Zeefnoel^en herder, hoewel z.e dood- 
•vranden zjjn , vergaderen evemi'el op een vajlen tyt by mulkj-inderen. Het zelve getuio't 
ook Plinius uit Nigidius, Hift. Nat. Lib. IX. aip. 62. Ntgidms anctor efl prArodere 
caiidam mugili lupum , eosdem/^ue fiatis menjtbus concordes e/Jé. dat is .• Nigidms Jchryft , 
dat de Zeefuoeh^den he} der den flaert afbyt , en dat nochtans dez.e z.elve vijfchen in z^ei(,ere 
gez.ettc maenden met malk^ind.eren eendrachtig z^yn. Dat \vy voorts den lupus vertai n 
door Zeefnoeh^tn den Aiugü door herder , is , omdat deze woorden doorgaens , van an- 
deren zoo vertaelt worden. Wy kennen die villen niet te recht, en moeten den ie? r 
aengaende de zelve wyzen op Jonftons befehryving der viiien 2. B. 1. en 4 Hoofi:!. 
wiens vcrtaeler Grauzius den lupfts overzet door meirwolf., en den magtl door rr^etr- 
alet. 



B E S 1 A N T. 



ij-i 



de: want de partyen vereenigen [Aa] en verbinden zichwederzyds door het 
belhnt; eikanderen belovende de roede des vrcdes [Üb], dat is, de wet des 
bcltants te zullen breken, niaerechterhetrechtdervolkentehanthaven. Die 
hierin anders doen worden van T. Livius voor bedriegers gehouden. Dit 
zyn 's mans woorden [Cc] : Be leltheer zelfs ging rrl (prekende Ale de toegan- 
gender leger bmgt langs, en zette de krygslviden 7ri et allerlei aenhitimgen aen 
tot granijchap , bejchuldigende de vyandeu van hedrogh, als -ui'elke -vtede ver- 
zocht en bcjiant verkregen hebbende, evew^el ten tyde daervan, tegens het recht 
der volken , gekomen "s.'aren, om het leger te befprmgen. Zoo handelden de 
Karthagers bedrieglyV, aengaendc het beftant met de Romeinen, dat ze 
verbraken, eer de ryt daervan geèmdigt was. Liv. Lib. XXX. cap. 24. 
en 2^- . Voeg hierby de Longobarden, die onder de regecring van \iauri- 
tius (r), het verbont des flilitants m Italië dikwyls fchonden. Aldus bc- .'lRcI""" 
drogen de 1'hracit rs 00'. de Eeotiers : want de 1 hraciers in een' veltflagh •"'• *-''''• ^ 
door hen o\ erwonncn zynde , maekten met hun een beftant van vvf da«'-en • 
waerop de Beotiers , die op de overwinning fteunden, en zich op het be- 
ftant verlieten, zich begaven tot het doen van eenc olferhande aen de Go- 
dinne Minerva, en vervolgens tot vrol\ke gaftmalen Maer onder 't ver- 
richten van dien d;enft, en te midden in de vriugr, werden zy door de 
Thraciers overvallen en gcdoot of gevangen. En wanneer de Beotiers hen 
over'tfchendendcs belliints befchuldigden, antwoordden zy, dat het ge- 
; maekt was voor dagen, niet voor nachten [Dd]. Met reden ook beftraft 

Pp 2 Cicero 

[Aa] Gacnde veilig heen en weder, en zich onder malkander vermengende , even 
! gelyk by Virgiliiis tulichen Latinus en Encas. 

F'oor nes paer dae^en tyts een fiilftam -won beflooten , 

£n onder deez.en pais , bemiddelt by verdré.tch , 

Loopt Troijche en Latinifl te s: ader , dag op dug. 

Heel veilig in gebergte en bojfcben heene en %t/eder. 
Eneid. Lib. XI. vers 155. 

[Bb] Hyzinlpeek op de vrederoe, oudtyts by dt Grieken en andere volkeren (dog niet 
by de Romeinen) in gebruik : zynde een roede , om welke rwc ilangen zoo door mal- 
i kandcren waren geilingert, (onze fchryver flingerc 'er de bovengenoemde viflèn in de 
plaets om) dat ze aen 'r bovcnfte deel der zelve m .t de bekken aen malkandercn ratkrcn. 
Zie onze aentckeningen boven over de Amtvcrkoping p. 67 en 68. Met deze roede vcr- 
: 2agen ze d» hei'outen die ze zonden om van beftant of vrede te fpr,kcn. Nepos H.mnib. 
cap. XI. Tac ook Sch.fièrus de Milit. Nov. Vet. in adderdis p. ip^. en Vojfii Etyr/iol. 
in Caduceus. E);ier van dacn vind men op verlcheide oude penning n den vrede verheelt 
door een Ovenvinning.sbeeltje met duf-Janigen roeeie van Mrkurais, die ze wort ver- 
dieht te gebruiken om eendracht en v.vde te verwekken, in hacrc eene hant. ZiePic- 
riiis \';tlenanus Hierogl. Ltb. 11. cap. 45". en j.ó. Oudaen.s Roomfche Oudheden p. 510. 

[Cc] Lib. XL. cap. 27. Omnes portas [caftrorum.] concionabimdus ipfr imperator cir- 
\ CHvnit . (S" cjuibttscuno^Herrritamentispoterat , iras milit f-m acuehat , nttncfraudem hojiium in- 
cnfins ., e]u; pace petita, /ndr^c/is datis , per ipfum induciarum tempus contra jus gentimn 
ad ca(lra oppagnanda ventlfem. 

[Dd] De Ge{ehicu..n!(lè is te kzen by Polyienus Stratag. Ltb. ril. c-.p. 45. en by 
; Strabo Ceon^r. Ltb. IX. p. 401. Ed. Par. 162.0. vel 1616. Ed. Amfl. 1707. Dog de 
' tyt des belfants wort doo;- gjene van d -ze (chry vers bcpa: It. Suidas echter zegt , dac het 
ctn beltant is gcweeil van vyf dag.n, dog Zenodotus, Cent 4. 37. van tien dng-n. 
Hier van dacn was by de ouden het fprcekwoort Qf^y'» ^«^'v-'j-is-, een Thracifche z-oad, 
paliende op dic g^ne, die ecnig vcrdiach door deze of geene liftige vondt wifenteleur 
te itelLn. Str.-.bu Ltb. L. en Erafmus Chil. 1. Cent. 10. Ad. 18. \n de oude Gcichiede- 

nifiln 



152 B E S T A N T. 

Cicero in 't ecifte bock zyner Burgerplichten [Ec] andere diergelykc be- 
dricf^ers, dewyl ze onder ecne liltige en fnode duiding der beftancw et, dit 
onrecht deden. 

Om ten vollen de eigcnfchap van het beftant te vertoonen, laten wy 
cenen hont en kat zien, die aeneen verbonden zyn, dewyl het beftant de 
gemoederen der beide partyen vereen igt en in ruft houdt j maer als het be- 
ftant geèindigt is, leett men weder als honden en katten, die eenigen tyt 
met!malkanderte vreden geweeft zynde, dikwyls kort daerna op nieu mal- 
kander in 't hair beginnen te vliegen. De ü.idder P. K. Hooft, het hooft 
der Nederduitfche poëten en hiftorifchryvers verheelt ons beftant met 
Spanje zeer fraei in een zyner gedichten, waertoe wy den lezer hier kort- 
heitshalve moeten wyzen. Men vint het in 's mans MengeKverken die 
jongft uitgegeven zyn, bladz. 730. 

nillèn komen 'er meer voor, die zich met dicrgelyke uitvlugten hebben beholpen. Zo 
verhaelt de cvengcnocmdc Polyenus Ltb. P"! c 5-3. van <xx\&Vi jlgnon ^ die metdeThra- 
ciers een bcllant van drie dagen gemaekt hebbende , zyn voornemen des nagts uitvoer- 
de , en zich ook met de vooiverhaelde uitvlucht trachtte te ontfchuldigen. En b}' Plu- 
tarchus in Lacon. vindt men acngctekent van Kkomenes ^ dat liy met die van Argos een 
wapenfchoriing van zeven dagen acngcgacn hebbende, hen den derden nagt indenflacp 
overviel, en zich ook al met die zelfde uitvlucht, dat het bellant was gemaekt niet voor 
nachten, maer voor dagen, behielp. Het volgende geval , dat onze fchrp'eraente kent 
uit Cicero , mecnen Langius en Paulus Manutius , dat het zelve zoude zyn met dat ge- 
ne, dat zoo even uit Strabo en Polyenus verhaelt is : m;x;r alzo Cicero fpreekt van een 
beftant van derttghdagen ^ en Suidas en Zenodotus het beftant van de Thraciers en Beo- 
tiers op fv/ of op tien dagen bepalen, en Cicero zegt, dat de fchcnding van de wapen- 
ichoillng beftont in het verwoeften der Landen by nachte, daer de Thraciers het deden 
met hunne vyanden 's nagts op het lyf te vallen , en te vangen en te dooden \ zo lehvnt 
men dit met onzen fchryver als twee byzonderc gevallen te moeten aenmerken. Ey de 
oude Romeinen wcrt de trouw in 't onderhouden des beftants heiliger bewaert : want 
als zy , ten tydc dat ze door den Koning Porfena belegert waren , een beftant met hem 
gemaekt hebbende , de fpelen in 't renperk vierden , zyn de 0\'erften der vyanden niet 
alleen in de ftad gekomen om die fpelen te aenfchouwen ; maer 't is 'er ook zoo verrs 
van daen geweeft dat men hen beledigde, dat ze in tegendeel toegelaten wierden om 
mede met wagens te rennen tegen de Romeinen, en die van hen den prys verdienden, 
als overvvinnaers bekranft wierden: gelyk Seivius verhaelt over Virgilius ayEneidos 
Lib. XI. V. 154. 

I^Ee] Cap. 10. Exijlunt etiam fepe inJHritt calumnia cjundAm & nimis cal/ida , fed mu^ 

litiofa juris tnterpietatione : ut 'ille , cjui ^Hum trigvna dierum ejfent cnm hojre p^ct£ 

inditci£ , nociu pupuLibatur agros .^ cjuod dierum ejfem puct£ , non mctinm mducjf : dat is: 
Daer gefchieden ook^ verongelyki>'gen door een z.eker fchynrecht , en al te looz.e , doch fnode 
uitlegginge des rechts: — — gelyk. -^l^ die dede, detirlke , -wanneer er met den z/yant een 
wapenfchorjing VAti derttch dagen li/as aengegaen, des nachts de velden vemaeftte ^ omdat 
'er quaiifttj/s een befiant van dagen en niet van nachten gemaekt was. 



B E' 



I 



BESTRAFFING. 



153 




BESTRAFFING. 



E Ene vreeflyke Vrou , met een panfier en helm gewapent 
Zy heeft een zwaert aen hacr zyde, en houdt in de 
rechte hant een vat met vier, in de flinke eenen toethoren. 

Dit flach van beftraffing is eene aenzegging tot iemaiit, belangende zyne 
feilen, ten einde hy zich daervan zoude onthouden. Dat ze voorts in ee- 
ne vreeflyke gedaente en gewapent vertoont wort, geeft de vrees te ken- 
nen, die door het berifpen den fchuldigen wort aertgebragt. Want gelyk 
het zwaerü een werktuig is om het lichaem krachtigh te beledigen , aldus 
wort het gcmoedt door berifpende woorden ook geweldigh getroffen. 

Het vier verheelt het opwekken van de rootheit der fchaemte [A] in de 
fchuldigen die berifpt worden; gelyk de toethoren met zyn onbevaÜigh 
geklit de onaengename ftem der beftraffing te kennen geeft. 

\_K'y Nicet. Lib. de Conftant. Statu. Manfnetis itigeniis reprehetijiones flus fere volup* 
tatis afferunt ijuam dolorisi earHm^HemeiroriafcintiUastnanimis , velut ig^>iemfMbciner'tl>us 
delitescentem ad cavenda in fofterumfimiiia deliBa excitat. dat is : Aienfchen van een z.acht- 
moedigen aen brengen de befiraffngen meer vermaek^ Aen dan fmerte : en der x.tlver gtheu- 
gtnijfe verwekt in hunne gemoedere» vonken, even als een vunr , dat onder de ajfche fchnih ^ 
om ijch voor diergelyke mijflagen in het toekomende te u/dchten. 




l Deel 



aq 



BE- 



154 



BESTRAFFING. 




BESTRAFFING. 



O' 



^Ntfang dit zinnebcelt hier in de geftalte cener bedaegde 

_ Vrouwe , die ftatigh met een root gewaet bek! eet is. 

Met haere rechte bant houdt ze een tong daer een oog op 

ftact. Op haer hooft heeft ze eenen krans van alfem , en 

in de flinke hant mede een deel van het zelve gewas. 

Zy wort bedaegt vertoont, omdat de berifping en waerfchuwing beft 
eenen perfoon voegen die goede ervarentheit bezit. En dewyl de bedaegt- 
heit by elk eerwaerdigh is > zoo is ze bequaemft tot de berifpingen die ons 
verbeteren kunnen : als welke dies te meer te weeg brengen, hoe ze met 
meer deftigheit gefchieden , gelyk Cicero in zyne Burgerplichten [A] 
(i)XIProf.zeit. Hoorook Sanazarius in zyne ArkadiaCi}; Alynzoo/i, laethyzich 
hooren, de 'voorrechteri des ouderdoms zyn zoo groot ^ dat ze ons, fchoon wy 
ic'illen of met , tot gehoorzaemheit 'verbinden , zjnde de bejaertheit , doormid- 
del der ervarenis, bequaem om nut te doen met haer e bcjlrafjingen. En de pas 
genoemde Cicero zeit : De ervarentheit leert meer dan de oefening der ge- 
leertheit. 

Het deftigh gewaet van rode verf beduit, dat de berifper ftatigh fpreken 
moet, en binnen de paelen der betaemlykheit blyven, ten einde de beftraf- 
lïng heilzaem en voordeeligh moge zyn, en blyke dat ze een teken van 
waere liefde en oprechte min ftrekke. Want men moet niemants zonde 
beftraffèndanheufchelyk, en tot verbetering der zeden j ja zulx dat men 

dit 



(^Al Lib. I. cap. 38. Objurgatioties, etiam mnnutK^uam hicid:mt neceffariit , tn cjmbus 
Mtendum efi fortajfe & vocis contcntione majore & verhorum grAvttate acriore &c. dat is: 
fomtyts komen 'er ook^motz.akelyks befiraffingen voor: in welke men mogelyh^wel wat ver- 
TLivaering van fiem en enig/ins Jiherpe deftigheit van ivoarden mach gebruiken enz.. En 
wat verder: Atagna amem f ar te dementi cafiigatione licet uti, gravttateK^.r/tcn adjunSta^ 
ut Ó" fiveritas adhibeatnr & contHmelta repellatitr. dat is : Aten l:an voor een groet ge- 
deelte ri/el een zachte befirajfing gebruiken, echter z.o, dat 'er deftigheit by gevoegt z.j t 
ztlk^ dat 'er (nfiw^hdt bykoft^f enfmaet vAn geueert zy. 



B E S T R yV F F I N G. 155 

dit als eene liefdcdaet [B] voor Godt durft verantwoorden. Hierom vcr- 
, maentAiiguftinus den genen, die een ander beftraffen wil, aldus: [C]/??- 
mineejjiy enzegbdm, i:,'at gy op lemant begeert. Chrizoflomus woorden 
over Matth. XVIII. komen hier ook te pas (D)} ïVees^ zeithy, tegais uw 
eigen leven hart, maer tegen s eens anders goedertieren. 

De tong met het oog daerop is een beelc van het voorzichtigh fpreken : 
want de tong (gelyk de Filozoof Chilon (E) , naer 't verhael van Diogencs 
l,aèrtius, zeide) moet nietfnelkr zyn dan de gedachten; en 't bctaemr ons de 
rede wel te overwegen eer wy de tong te werk ftellcn, en gelyk men zeit, 
te zien wat we zeggen. Hierom wil Gellius in zyn 8fte. Boek (F), dat 
een wjs man zyne iz'oorden overdenke en toetfe in hetgemoet, eer hy ze van de 

Q.q 2 tong 

[B] Volgens de les van Augiiftinus over den brief van Paulus aen de Galaten, al- 
waei' liy zegt : nuncjHAm alieni peccAti objHrgandi fiifcifiendum ejl negotium , ni/t tjiuum 
internis interrogationibus examinantes confcientiam nofiram , li^uido nobis coram Deo ref- 
vondenmus , dileü:ione nos facere : dat is : men moet nooit ondernemen eens anders z.onde 
te beflrajfen i ten z.y na, dat.uy, onze confc'tentie met inwendige vragen onderzoekende , 
oprechteljk^ voor Godt z.ullen hebben geantwoort , dat wy 't uit liefde 'doen. Hoor ook 
de vermaning van Sencka Lib. I. de Ira cap. 14. Peccantes vero, cjuid habety ci<r ode- 
rit , c^tmm error iRos in hnjusmodi dcHBa compellat ? Non efi autem prudent is , errantes 
odijfe : alioc^uin ipfe Jibi odio erit. Cogitet ejuam multa, contra bonnm moremfaciat , ej:<am 
multa ex his cju& egit , veniam dejiderent : jam irafcetnr etiam fibi. Necjue enir/i a^uus 
judex aliam defua, aliam de aliena caufi fententiam f en. dat is : Want wat reden heeft 
{een vroom man) om de fondigende te haten , dewyl eene dwalinge hen tot diergelyke mis- 
grepen brengt ? En het is immers het iver]/^ niet van een ivjs mAn de dwalende te haten : 
anderjins z.al hy z.ich s.elven h,teten, Hy denke , hoe veele dingen hy tegen de goede zieden 
doet y en hoe veele ^er van die dingen^ die hy gedaen heeft, vergiffenijfe nodig hebben: en 
dan z.al hy z.ich vergrammen tegen zich zelven. Vl'ant een billyk, rechter velt geen ander 
vonnis aengaende z.yn eige zael^, als aengaende de z.aek^ van een ander. 

[C] Ibid. Dilige & die cjuid voles. 

\jy\ Circa vitam tnam eflo auflerHs ^ circa aliorum benignus. 

[_EÏ] Van Laccdemon , een der zeven Grickfche wyzen. Zyn les was ooic : dat men 
tyn tong moefl bedivingen^ en wel voornamentlyh^op een gaftmael: gclyk Lacrtius ver- 
hSiéx. Lib. I. $. 70. of gelyk Stobsus É-iJ/>. 45. wil; als gy drinkt, zoofpreekt niet veel: 
want gy z.ult zondigen. Het komt ten enen uit. 

[F] Zoo vind ik deze placts uit Gellius achfte Boek ook aengehaelt by Langius in 
Polyanth. in Locjuacitas. fapiens fermones fuos pmcogitat & examinat prins in peBore , 
quam proferat in ore. Dog het achtfte boek van Gellius is verloren en naer allen Ichyn 
nooit nog van Langius , nog van onzen fchry ver gezien : gclyk ook deze gehele plaets 
in Gellius, zoo als wy hem nu hebben niet is te vinden. Maer de woorden die Lan- 
gius aen de voorverhaelde aenhcgt, zyn genomen uit Gellius eerfte bock kap. 15". zoo 
dat 'er milTchien twe plaetfen van byzondcre fchryvers zyn onder een gefmoltcn. On- 
dertuflchcn vint men by den gezeiden Gellius deze voortreficlykc les aengaende de on- 
bcfonnenc langtongen : eorttm orationem bene exiflimatum efl in ore nafci , non 'm peBore : 
iinguam atitem debere ajunt non effe liherar/i nee vagam , fed vinculis de peBore imo ac de 
corde aptis moveri & cjHafi gubernari. dat is: A4en heeft heel wel geoor deelt , dat derzel- 
ver reden in den mont geboren wort en niet in deborfl : de tong nu zegt men, dat nietvry 
en los moet zyn , maer dat ze met banden , die aen 't binnenfie van de borfl en 't hart vafi 
zyn , moet bewogen en befiiert worden. En met reden : want gclyk de tong veel voor- 
deel aen den menlch kan toebrengen , alzo ook veel fchadc en verderh Dit gaven de 
Grieken te kennen met hun fpreckwoort, datErafmus uitSuidas en anderen acntekent: 
Tong , waer wilt gy heen ? om een Stad op te bouïuen , en de zelve wederom omver te 
werpen. Wv kunnen alles, dat dit aengaende treflèl)'k gefchrcvcn is, niet melden. 
Maer zoo de" lezer de aengehaelde plaets van Gellius, als ook Erafinus Chil. z. Cent. 5. 
ad. 39. (om nu niet te melden van 'tbyzonder werkje, dat hy van de tong gefchreven 
heeft) wil nalezen; wy verzekeren hem, dat hyzich die moeite niet zal beklagen. Wat 
nu verder het oog op de tong belangt, het zelve is genomen uit de bccldcnfpraek der 

Egip- 



>;6 



BESTRAFFING. 



(i) Senn. 
Lib. II. 
Sat. 1. T. 
75- 



tong hete gh den. Ook hebben \vy de tong niet gekregen, om ze tot ie* 
mants nadeel of ondergang te misbruiken, maer om 'er, door voorzichtige 
genegentheit, onzen evenmenfch nut en hulp door aen te brengen, zoo ia 
het geven van goeden raedt, als in trouhartige befl;rafïing der gebreken. 

De aliemkrans op haer hooft, en de takken van het zelve gewas in haerc 
flinke h?.nt, verbeelden by de Egiptenaers de nutbaere berifping omtrent 
ieniant, die van den rechten wegh tot de ondeugden overgeflagen, zyn le- 
ven, op getrouwe waerfchuwingen beterde. Want gelyk de allem bitter is, 
zoo is ook de beftraffing in 't eerfte onaengcnaem en wrang voor de fchul- 
digen. Maer de maeg wort door de bitterheit des alfems [G] gezuivert, 
en ftrckt derhalve een bequaem zinnebeelt van de nutbaerheit der heufche 
berifpingen. 

Egiptenncrs, die naer de aentckcning van Horus Apollo Hierogl. Lib. I. cap. x6. en Pi- 
ënus Valcrianus Hierogl. Ltb. XXX IJL cap. 7, enkclyk de fpraek, zoo als ze van de 
namur aen elk gegeven is, willende te kennen geven, alleenlyk een tong fchijderden: 
maer wanncerzc een nette en befchaefde tael wilden betekenen , zo ftelden ze onder die 
rong (niet boven, gelyk hier) een bloetagtig oog; vertonende alzoo door het zelve eenc 
zekere kracht of hecrichappy van de ziel , wiens woonplaets in 't bloet geftelt wort. 
Vermits evenwel geene reden voorzichtig kan geacht worden , ten zy de tong door de 
ziel en 't verftant beftiert worde , en het oog in de Egiptifche Beeldenfpraek volgens 
Piërius Lib. XXXIIL cap. 2. ook een zinnebeelt van beftiering is, verheelt hier de 
tong en oog niet onacrdig het vooraichrig fprckcn. 

[G] Waer toe te gelyk nodig is, dat de alfèm niet alleenlyk worde gedronken, maer 
ook ingehouden en niet .uitgebraekt ; alzoo is 't ook met de berifpingen: die geen voor- 
deel doen , zoo ze maer enkclyk gehoort , en ook nicc in 't harte bewaert worden. Ge- 
lyk nu de allem een zinnebeelt is van nuttige berifpingen : alzoo is de honig in te- 
gendeel een zinnebeelt van fchadelyke vleicrye: omdat, gelyk de allèm de gal vermin- 
dert , de honig dezelve alzoo vermeerdert , en den menlch daer door ziek maekt : want 
dulcia fe in bilem vertent , Tsxxz dingen zullen veranderen in galle, zegt Horatius. (i) 
Zie Pür. Val. Hierogl. Lib LVUL cap. 28. 




B E. 



BETROUWEN. 




BETROUWEN. 



nf Ic hier eene Vrou met uitgefpreide hairen ) en die meC 
^■^ beide de handen een fchip opnoudc. 

Het betrouwen fluit in zich eene kennis van aenftaende gevaeren, doch 
ook eene vafte hoop om ze te ontgaen. Zonder deze twee hoedanighe- 
den, zoude het betrouwen geen betrouwen zyn, maer van naem^n wezen 
veranderen. Het vertoonde fchip is een teken van goet betrouwen j de- 
wyl de zeeman zich daermede op de woefte golven waegt, die door haere 
wuftheit en gcduurige beweging hem onheil en jammer fchynen te dreigen. 
Want als de menfch van het lant fcheit, verlaet hy tefFens zyn element en 
gezette bepaling. Hierover zingt Flakkus [A] omtrent op deze wy«; 

Uy was voorwder weljloitt van harte 
Vied' eerjlejlorm en baren tartte y 
En V lyfbetroude in ^t holle fchip ^ 
Gedreigt van bank en blinde kJip. 

[A] Lib. I. Öd, 3. vers. 9. 

Illi robur & xs triplex 

Circa peftus crat, qui fragilem truci 
Commifit pelago ratem 

Primus , ncc timuit prscipitem Afi-icum 
Deceitantem Aquilonibus &c= 



/. Deel 



Rf 



B E' 



iXS 



BEVALLIG HEIT. 




BEVALLIGHEIT. 



DE naem van dit zinnebeelt brengt in zich zelfs eenc zon- 
derlinge aengenaemheit mede , gelyk ook de gellalte 
daervan zeer bekoorlyk is, zyndedie een overfchooneNimf 
gelyk, en wonder lieflyk van wezen. Zy dracgt een veelver- 
wigh kteet, en eenen gordel, op weiken Kupido met zyne 
brandende toortfen, nevens Merkurius gevlcugelden flan- 
geftaf geborduurt ftaet. Op haer hooft draegt ze een' krans 
van roozen. In de rechte hant houdt ze een heliochryfus , zyn- 
dc een goutgecle zonnebloem, en in de flinke een vogeltje 
dat de Grieken ^ynx noemen. 

De bevalligheit is eene zaek die aen de fchoonheit eenen volmaekten 
glans moet geven j want het is kenbaer dat fchoone menfc hen juift niet altyt 
te gelyk bevalhgh zyn. Suetonius zegt dit aengaende van Nero [A] , dat 
hy namentlyk meer fchoon dan bevalhgh van gelaet zi'as. Katulkis wilde 
ook omtrent daer heene, in de vergelyking tullchen Qiiintia en zyn bemin- 
de Lesbiaj Haende wel toe dat Qiiintia fchoon was, maer niet ten vollen, 
dewyl ze de bevalligheit ontbeerde i daer hy in tegendeel Lesbia geheel 
fchoon noemt, omdat ze de bevalligheit [B] by ccne volmaekte lichaems- 

geftaltenis 

\^Ar\ Ner. cap. Ji. yultu pulcro magis qttam venttflo fuit. 
\y>\ De verzen van Katullus zyn deze , Epigr. 87. 

Quintia fortnola cft mukis: mihi candida, longa, 

Refta efl. hoc ego : lic llngula confiteor. 
Totum illud , formola , nego. nam nulla veniiflas , 

Nulla in tam magno corpore mica filis. 
Lesbia formofi eft: quae quura pulchenima tota eft, 

Turn omnibus una omnes furripiüt Veneres. 

Wacf 



BEVALLIG HEIT. 



159 



I gcftaltenis voegde. De Ridder Jixkob Kats, wiens werken in ieders lian- 
, denzyn, en den tyt verduiiren zullen, heeft een gedicht, dat van ditzeg- 
I ^en niet zeer verichilt, en my derhalve bewoog om het hier uirteichryven. 

I C r z^'gfJ mjn Itcfisfchoon , maer 't is te veel geprezen ; 

Hner lyfis '■j:elgemaekt y -maer 't feilt haer aen dengeejt : 
Vefchoonheit vordert meer, danjlecbts het enkel '■jvezen^ 
V ïFelleven dient 'er by , en dacrop zie ik nieeji. 
i L^oi' lief, myn g o ede man , g el] kt de piramyden , 

P'^an buiten mooi genoeg , doch al maer enkel fchyn : 
In 't kiezen van een liefjiel ik ditganfch ter zyden; 
Die maer isfchoon van hint zal noit myn liefjle zyn. 

Wat wyders aen de fchoonheit een volmaekten zwier geeft, zegt ons de 
fchrandcre Goezenaer Antonides in dit fraeie rymftuk: 

De fchoonheid van een zacht gemoed. 
Dat opgefcherpt in puik van eedle zeden, 
Ten doel heeft '-s'ys beleit en reden, 

p"an hemeljpys, die zielen fterkt , gevoed; 
Is '■jL'aerder dan het mild korael 
Fan rozelippen , zoet op minnetael , 
Ofpoejlig lehzi'it, ofivondende oogen, 
IFaer door het hart 
Blyft opgetogen 
In de minnefmart. 
Die heerlykheit is zonder dntir. 
Een nevel kan haer gloeienthêen bederven , 
Gelyk de lucht de-waterverven ; 

Maer 't zielefchoon isgodlyk van natuur. 
Die luijler volgt m 't onder gaen 
De zomer zonne om fchooner op tejlaen , 
Die zich van geene fchaduw laet bevlekken. 
Zoo zal de deugt 
Terglorijirekken 
Aen defchoonejeugt. 

Maer trouwens wy dienen wel wat nader by het beek der bevaUigheit te 

R r 2 bly- 

Waer van de zin ten naeftcn by hier op uitkomt : 

Of Qnintia voor fchoon hy veelen wort jreprez.er} , 
By my z.00 niet: z.e is Lmg, regtfchaefe ^ en hlanl^vm wez.en: 
Zoo oordeele ikj dit ts , heken tk^, alles waer. 
Maer dat geheele fchoon ontken ikj u-unt in haer 
Is geen bevaUigheit , en in die groote leden 
Geen enl^e korrel z.outs van aengename z.edcn. 

Maer Lefhia is fchoon : die , daer hefir ganfche Ijf 
In allen deele draegt een fchoonheit ., buiten k^f 
l'^olmaekt , nog boven dien z.00 veel' hevalhgheden 
Bez.it , die heereijk. /^^^ fchoone Ijf bekleden , 

Dat z.y alleen, z.00 't fchynt en ieder een gelooft , 
De f^ennsgaeven aen alle and'ren heeft ontrooft. 
Dit puntdicht zyn wy genoodzaekt hier liehccl in te voegen , omdat de Schr)'ver in 't 
vervolg daer over redeneercnde , anderzins, onzes oordeels, wat duitkr zal zyn. 



i6o B E V A L L I G H E I T. 

blvvenj en zeggen deswege met Katulkis, dat de welgemaektheit van een 
groot en bhnlc lichaem de bcvalligheit ten hoogftcn van doen heeft, cm 
waerlyk fchoon te zyn. Dit duit evenwel deze poëet niet zoo zeer aen 
door het woort 'veniijtas (bcvaUigheit} als wel door de woorden nüca faliSy 
dat is, een korl zoutSj omdat namentlyk de pas gedachte Qiiintia te laf en 
ongezouten was, hebbende nochaerdigheitsncchbevallighcitsgenoegover 
zich. Waerover Alexander Guarini [C] aenmerkt dat, gelyk de fpys zoU' 
der zout onaengenaem is, alzoo ookGlumtia^ hoe-wel ze Jang en bUnk ijüas^ niet 
"joo?' fchoon kon gehouden worden ^ omdat ze de bevalhghcit ontbeerde. En dit 
geeft KatuUus zelf in 't voorgemelde gedicht te kennen, als hy zegt: Het 
fchynt dat LesbiadegavenvanVenvs alle vrouwen ontrooft heeft ; willende daer- 
mede zeggen, gelyk de genoemde Guarini het uitlegt, dat ze alle bevallig- 
heden aen alle andere vrouwen fcheen te hebben ontjlolen^ omdat alle aerdigheit 
en geeftigheit in haer alleen uitblonken : even gelyk in de fchildery van 
Zeuxis, dieom Juno Lacinia voor die van Agrigente [D] wel te fchilde- 
ren, de fchoonfte en bevalligfte maegden uitzogt die hy konde vinden, en 

verfierde 

[C"j De overgrootvaders grootvader van den Ridder Guarini , die de fcliryver is van 
het bekende lantlpel Pafior Hdo of den getrouwen harder. 

[D] Agrigente was een ftadt in Sicilië. De Heer Kaftellini volgt hier Plinius , die 
'er Hilb. Nat. Lib. 35". cap. 9. aldus van fpreekt : Zeuxis , een fchildery voor die van 
Agrigente zullende maken, om de zelve in den tempel van Juno Lacinia uit name van 
hunne ftadt in te wyen, bezag derzclver maegden naekt, en koos 'er vyf uit, opdat al 
wat het pryflykft in een iegelyk van die maegden ^vas , de fchildery zulks zoude verto- 
nen. Macr 't is waerichynelyk , dat Plinius mift. Altoos ik vinde geen reden, waer- 
om Zeuxis een bcelt van Juno Lacinia zoude fchildercn voor Sicilianen. Want de tem- 
pel, daer Juno met den toenaem van Lacinia in geëeit wert, was in Italië aen de kaep 
Lacinium (waer van daen zy dien toenaem droeg) zes duizentfchreden van de ftadt Kro- 
ten : wiens inwoonders dien tempel zeer godsdienftiglyk eerden , en met uitmuntende ichil- 
(i) De In- deryen hadden vcrfiert. Deze waercn 'tdan ook, na 'tvcrhael van Cicero (i), voor 
Tent. L. 1. welke Zeuxis het beelt, niet van Juno zelf, (gelyk de heer Kaftellini hier zegt) maer van 
'■ '' Hclena fchilderde om in dien Tempel geplacts te worden. Het welke eer hy ondernam, 
vroeg hy die van Kroton, wat voor fchoone maegden zy al hadden. Zy brachten hem 
in 't worftclperk , en vertoonden hem daer veele fchoone jongelingen. Over welke als 
hy zich verwonderde , zeiden zy , de z.uficrs van deez.e z.yn de maegden , die wy hebben : 
nu kt!nt gj uit deez.e giffen , hoedanig die maegden zyn. Zeuxis vei"Zocht de ichoonfts 
deraelvc, om zyn bcelt dacrna te mogen fchildei'en. Waerop die van Kroton eenever- 
gaderingc gehouden hebbende, een bcfluit mackten om haere maegden op eenc plactste 
zamen te brengen, en den fchilder toe te laten, dat hy uit de zelve konde uitkiezen, 
fi) L. t. welke hy wilde. Hy koos 'er vyf uit : welkers namen Cicero (2) getuigt dat door 
veele poëten zyn gerocmt geweeft : omdat ze voor fchoon waeren gefchat door 't oor.» 
deel ^^an den gcenen , die beft in ftaet Icheen te zyn om over de fchoonheit te oordeclcn. 
Dat hy 'er vyf koos, was, omdat hy oordeelde , dat hy alles , u-at hy tot eene bevallige 
fchoonheit vereifchte , in een lichaem niet vinden konde , gelyk 'er de meergemelde Cice- 
ro van fpreekt. Ondertuflchen fchynt Zeuxis twee bedden van Helena te hebben gc- 
^' ^^'^" fchildert. Altoos Elianus (5) fpreekt van een Helena van Zeuxis, die hy niet aen een 
lY 'c it. iegelyk wicwildc, nochte om niet, liet zien: maer datzy hemcerft een zekere bepaclde 
" fbmmc gclds mocften tellen. Waer van daen de Grieken die fchildery toen noemden 
Helena de Hoer. Nu is het niet waerlchynelyk , dat hy dit gebruik heeft kunnen 
maken van die Hclena, die hy voor die van Kroton had gelchildeit: 200 dat de Heer 

(4) Inl. Perizonius niet zonder reden (4) gift, dat Helena de Hoer een copie van deze geweeft 
L.JEliMü. zy , door Zeuxis zelfs geichildert: te meer, omdat 'er ook teAthenen in eene ftadsga- 

lery een Hclena van Zeuxis is geplaetft geweeft : gelyk Junius en de voornoemde Peri- 

(5) II. A. zonius uit Euftatius over Homerus (y) aentonen. Welke waerfchynclyk die tweede 

Helena geweeft zal zyn : alzoo die uit den tempel van Juno Lacinia derwaerts niet is 
•vergebracht. Van die tweede Helena gillè ik dat men ook verftaen moet het geene 

men 



. B E V A L L I G H E I T. ,6i 

verfierde dat ecnigh beelt met de aeidigfte zwieren zoo veeier fchoonhe- 
den. Deze uitlegging van 't v.oort zout wort ook beveiligt door Lukre- 
tius [E], 'm deze woorden: zoo ze klem en een dvjergje is, zeggen ze, dat 
zeeën der Godinnen van de BevaUigheit en enkel zout is: tooncnde diis'acn 
dat een kort en klein maegdeke haeren van liefde verblinden minnaer zoo 
fmakelyk en bekoorlyk voorkomt alsof ze eene van de Godinnetjes der Be- 
mlligheitzdfsw^s: welke ga^■c van bevalUghett by veelc fchryvers onder 
den naem van zout voorkomt: omdat de aerdighcit en bcvallic^c zwier de 
faus zyn, om zoo te fpreken, der fchoonheit, gelyk het zout dic der fpy- 
zen is, als wy zoo even Guarini hoorden zeggen: zie ook Plutarchus [F]. 
Hierom verdicht men, dat Venus, de fchoonfte der godmnen [*F], uit 
de zee, dat is uit het zout, geboren zy. Zoodat het zout en de venmga- 
I. Veel. S s rven, 

men by den zclvcn Ëliaen (i) leeft van den fchilder Nikoftratiis, of (gelyk Perizoniiisfi] Var. 
mccntj Nikomachus: namcntlyk, dat hv op het gezicht van Zcuxis Pïclcna verbacil Hift. Lib. 
bleef Itacn, en, gevraegt zynde, hoe hy zich zoo zeer verwonderde , geantwoort had,^^'^''^-+7 
gy z-oud nty dat niet vragen , indien gy myne ogen had. Van de rvkdommcn voorts , die 
Zcuxis met zyn fchildcrcn had gewonnen, zie Plinius Nat. Hift. Lib. XXXV. c. 9. 
Macr wat vorder den tempel van Juno betreft, zie dien acngaende Livius Lib. XXI\^. 
cap. ^. Plinius verhaelt (2) 'er van, dat fommigc fchr\'vers zeggen, dat daer de aflche(i) HifK 
van een altaer onder den blacuwen hemel onbeweeglyk bleef leggen, al bliezen de win- Nat Lib. 
den 'er van alle kanten op: doch Livius (5) houdt het, gelyk het is, voor een ver-'^- "^^ ^°7- 
dichtzel. Scrvius (4) weet 'er noch een ander mirakel van te vcitellcn: namcntlyk , p | Yj^; '' 
dat, indien iemant zyn naem met een yzer op dcfzelfs dakpannen fiieedt, dezelve 'erzoo^n ,. v. 
lang op bleef ftaen, als die man leefde, dic 'er zvncn naem op gezet hadde. Deczcjji. 
dakjTanncn waren van marmer, en metxoo ve:l konft gcmaekt en op den tempel ge- 
legt, dat, wanneer de Roomfche Tugtmeefter Q^ Fulvius Flakkus de helft der zelve 
haddc laten afnemen om 'er een tempel, dien hv zelf te Rome met veel pracht liet bou- 
wen , mede te vcrfieren ^ en de Racd , die dit ten hoogften qualyk nam , gelaft haddc 
die pannen te rug te brengen , van waer ze gchaelt vraercn ; 'er niemant gevonden wicrt , 
die kans zag om 'er dezelve wederom op te leggen : zoo dat men genoodzaekt was die 
by den tempel te laten leggen. I'ulvius naderhand niet te recht by zyne zinnen zynde , 
en eindelyk zich op de droevige tyding dat zyn ecnc zoon gefton^cn, en de andere dn- 
delyk ziek was, zelf verhangen hebbende, geloofde men, dat dit alles hem door d.; 
wraek van Juno Lacinia was overgekomen. Zoo verhalen 't Livius Lib. XLII.c. 3 
en 28. en Valerius Maximus Lib. I. cap. i. Ex. 20. 

[K] Lib. IV. VS. iifö. ParvoU, P umi Ito , '^a^ircav ïot, , tota merum fal. 

[F] Sympos. f. q. 10. Het z.0Ht fchym de faus, zegt hy, en lieflykheit van andere 
fpyz.e>i te ^y« : en daerom }wemen fomntige alle aengename bevalligheit met den naem van 
z.out. En een wcinigic verder : En mijfchien noemt men om deez.e reden eene met onver- 
mogende nogte onbevallige maer aengename en z^ielreerende fchoonheit van een frouiv , z.o/<t. 
Q[ntiliaen zelf het woort zottt in deze betekenifl'e verklarende Infi. Orat. Lib. 6. cap. 10. 
brengt daer toe by, het aengehaclde vers van Katullus. Zie de plaets zelfs, en 'tgeaic 
de geleerden daer over hebben aengetekent. En zie ook vorder geleerdelj'k over deze 
betekcnillè van z.efft redeneeren den roemwaerdigen Erafmus in Z)'ne fpreekwoorden , 
Chil. 2. cap. 3. ad. fi. zynde een werk van veel meer gclccrthcit en nuttigheit, als 
daer het door de onkunde der meeften gemeenlyk voor wort gehouden. 

j^*p-j 't; Is waerfchvnehker, dat zy dit daerom vcrzieit hebben, omdat het zout ge- 
looft woit eene zekere natuurlyke kracht te hebben om tcteeleU; als wekkende den teel- 
luft (waer van Venus de Godin was) door zyne warmte geweldig op : waerom de 
Egiptcnaers, wanneer ze rein wilden leven, gelyk Plutarchus meent, zich ten enen- 
mael van zout onthielden : zoodat ze zelf geen broot aten , daer zout in was. Om die 
reden zyn ook die gcene, die honden queken, gewoon dezelve met zout vleefch en an- 
dere zoute koft te voeden, omdat ze daer door hitzigcr worden. Ook ziet men, dat 
'er in de zecfchcpcn doorgaens een groot getal ratten en muizen won gevonden. En 
men meent, dat de Poëten ook daerom verdichten dat alle de zeegoden zoo vrugtbacr 

en 



i6i B E V A L L I G H E I T. 

ve», daer KatLillus van fprcekt, niet anders zyn dan eene geeftige liefcal- 
lif^hci t en aerdige bevaUig/mt : want het woort veniijias (bevalligheit} komt 
van l^enus , gelyk Cicero [G] getuigt. Om deze reden zeide Katullus 
dan, dat Lesbia alle de venusgaven , verfta gecftigheit en bevalligheit, ge- 
rooft hadde. Want Venus had , nevens de volmaekte gedacnte des Ü- 
chaems, zulke wonderbaere zwieren en geeftigheit over zich, als men tot 
den ftant ecner alvolkome bevallige fchoonhcit zou kunnen eiflchcn : wel- 
ke twee voorname gaven in zich. bevat, te weten aengenaemheit vangelaet, 
en lieftalligheit van ftcm. Tot het gelaet behoorcn, een bevallige kleur, 
bevallige bewegingen , bevallige lach en een bevalligh opflagh van oogen. 
Door de ftem willen wy verftaen hebben een bevalligh en geneuglyk fpre- 
ken, en om zoo te zeggen, de lieflyke tael der engelen te gebruiken, waer 
toe het ZQUt der wysheit ten hoogden noodzakelyk is. Quintiliaen zeit, 
dit belangende [H] , dat dat geene bevalligh is, 't'oi'elk met eene zoete aerdig- 
heit en -ji'ehoegfaeme liefjkheit gezegt •x'ort. En zoo getuigt hy [I], dat 
Izokrates alle de bevalligheden (veneres) der iji^elfprekentheit betrachtte. 

Alle de bovengenoemde deelen der bevaUigheit worden door Petrarcha 
aengcmcrkt, in den lof dien hy zyne Laura deswege toeeigent: haer zoo- 
clanigh afmaelende [K], dat zelf Jupiter, tentydezynergramfchap, door 
haere fchoonheit zou kunnen bewogen en van zinnen verandert worden. 
Hoe geeftigh pryft zyne dichtpen haer blank aengezicht [L] , blonde 
vlechten, bruine winkbraeu wen, heldere oogen, witte tanden, rode lip- 
pen 

en vaders van zoo veele kinderen zyn : altoos Nereus had alleen vyftig dogters by Do- 
ris , om nu van anderen niet te melden. Eindelyk is 'er ook geen een lantdier nog vo- 
gel zoo vrugtbaer als de zeedieren : 't welk dan alles gelooft wort de teelkracht van 't 
zout te bewyzen , gelyk de zoo evengenoemde Erasmus Ctó'. i. Cent. i. ad. 12. voor 
'tgrootfte gedeeke uit Plutarchus aentoont. 

[GJ De Natur. Deor. Lib. II. cap. 27. Ex Venere fotius venitfias, quam Venus ex 
Venujfate.^ di^a efi. 

[H] Inftit. Orat. Lib. VI. cap. 3. Venuftum ejfe, ^uod cum gratia qHamdam & 
Vertere dicatur , apparet. 

{y\ Lib. X. cap. i. Ificrates omnes dicendi veneres feüatus efl. 
[K] In deze vaerzcn : 

Tafto che del mio ftato fofli accorta , 
A me fi volfè in fi nuove colore, 
Ch' liavrebbe a Giove nel maggior furore 
Toko 1' arme di mano , 8c 1' im moita. 
Waer van de zin te naeften by hier op uit komt. 
Strax als z.y my heeft vernomen , 
Is z.y met z^oo'n lief gelaet 
V) iendeljk^ tot my gekomen , 
Dat z.e fcheen te z.jn in flaet 
Om Jttfyn de donder fchigt en 
In z.yn' gramfchaf , hoe verweet , 
"Vit de bant te kantten lichten. 
En neerz.etten zyn gemoet 
\\I\ La tefta orfino, 8c calda neve il volte, 

Hebeno i cigli , e gl' occhi eran due ftelle, 
Oud' Amor 1' arco non tendeva in fallo, 
Perle e rofè vermiglie, ove 1' accolto 

Dolor formava ardcnte voci e belle Scc. 

Het 



BEVALLIG H E I T. 16 



:> 



pen enz. ! altemacl zaekcn die ccnen bckoorlykenzwieraenbrengen, indien 
, zemeteenejuiftcgelykmatighcit in ccnen perfoon tcffens worden gevon- 
den. Hy let op haer gezicht [M] , fpraek , lach , gang enz. en fchat hier 
alles roemwaerdigh. En waerlyk in alle dusdanige gaven , als ze gepafte- 
lyk byeen gevoegt zyn, beftaet de bevalHgheit. Hierom dan draegtdit 
rcgenwoordigh bcelt een gewaet van mengelverwen : verbeeldende de'veel- 
vuldigc aerdigheden die in eene volmaekte fchoonheit vereifcht worden. 
Want de fchoonheit is, naer de ftelling van den Platonifchen Ficinus, een 
zekere bevalligheit en aengenaeniheit, die veeltyts in 't byzondcr voort- 
komt van het fieraet en de fraeiheit van verfcheide dingen: van welke fchoon- 
heit hy vervolgens drie foorten maekt. Eerft fielt hy de deugden, als fie- 
raden die de bevalligheit aen 't gemoet leveren. Ten tweeden g,c\cn de 
overeenkomft en evenmatigheit der verwen en trekken de bevalligheit acn 
het lichaem. Laetftelyk beftaet de derde en te gelyk grootfte bevalligheit 
in de lieflyke welluidentheit der ftem, en de zoete overeenkomft van den 
klank der woorden : zulx dat dit drietal de fchoonheit van den geheelen 
i menfch, namcntlyk van zyn gemoet, van zyn lichaem, en van zyn ftem, 
uitmaekt. Wat nu de bevalligheit des gemoets aengaet , de zelve be- 
fchouwt men met het verftant, gelyk die des lichaems en der ftemmc door 
het gezicht en gehoor zich laet befpeuren. Waerom de pasgemelde Ficyn 
aenmerlvt [N], dat de fchoonheit een zekere bevalligheit is, die de ziel door 
middel van 't verfiant^ van 't gezigt en van 't gehoor be-ji;eegt , en acnlokt. 

S s 2 Deze 

Het welke wy in 't Nederduitfch dus naftnmelcn : 
Heur hoofthair was z.00 hlont als gout , 
Heur aenzicht -won 't van fneeuw z^eer verre, 

Heur winkbraeHiif van het ebbenhoitt. 
Heur oogen waeren als tzvee fierre» , 
Waer uit de mingod nimmer fchichten 

Schoot z.onder een geivijfe wond' 
Waer voor het taeifie hart moefi zwichten , 
yol paerlen was heur fchoone mont 
En roode rotz.en enz.. 
[M] Onder anderen in deeze verzen. 

Per divina bellczza indarno mira, 

Chi gli occhi di coftei giammai non vide, 
Come foavementc ella li gira. 
Non la' oom' Amor fana, êc coffle ancide, 
Chi non la', come dolce ella fofpira, 
E conic dolce paria, c dolce ride. 
Waer van wy den zin in Nederduitfch rym dus trachten uit te drukkea]; 
Voor hem blyft 't rechte fchoon ver donkert 
Die Lauraes oogen nimmer ziet, 
Hoe lieflyk^ zj daer mede flonkert. 
Hy weet niet wat de min al biet 
Voor heil en onheil, wat genuchten 
En finert zjy al brengt aen den dach ; 
Die niet en weet , hoe z.oet heur zuchten , 
Hoe zoet heur fpraek^ zy , en heur lach. 
[N] Argumento in Platonis Hip. Major. P/dchrum ejfe gratiam quandam , qus. am- 
mam per mentem , vifur» , & auditum , movet & alliut. 



1^4 



BEVALLIGHEIT. 



Deze drie foorten vail fchoonheft, in welke, als ze met malkanderen ver- 
eenigt zyn, de volmaekte bevallighcit beftaet, heeft Petrarcha in zyne ge- 
dichten dcorgaens kiinftigh gade gcflagen, en vooral de deugt, die de be- 
valligheitdes gemoetsuitmaektj onder anderen als hy zegt [O]: -Deugt ^ 
eer , fchoonbeit , aengename gebaerteii , zoete ivoor den hebben my met fchoone 
banden geboeit , iz-anneer zy my het harte lieflyk 'verlokt. Doch wy blyven te 
lang op eene plaets, en worden voortgewenkt. 

Plato zeit in zyne Wetten, dat het bevallige en zedige de 'vrotiiven allerbcjl 
voegt. Waer van daen ook Cicero, die Plato veeltyts volgt, in 't Bock 
der Burgerplichten zegt: IVy moeten" t daer voor honden ^ dat de bevallighcit 
devrouv^en, doch de achtbaerheit den mannen paji. Doch het is te geloven 
[P] ,dat zy eene zekere vrouwelyke zachthcit, bekoorlyke lieftalligheit en 
zedigheit willen te kennen geven 3 maer niet, dat een aengename bevalhg- 

hcit 

[03 Virtutc, honor, bcUezza, atto gentile, 

Dolci parole, a i bei nimi m' ban giunto, 
Oye foavcmente il cuor m' invefca. 

[P] Indien de Heer Kaftellini de aengehaclde plaetfcn van Plato en Cicero te recht 
haddc ingezien en onderzocht, zoude hy ganfch gecnezwarigheit in de zelve hebben ge- 
vonden nochte deze oploffing nodig hebben geacht. Wat de plaets van Plato belangt, 
dezelve is van deze ftoff'e geheel vreemt, handelende niet van de bevalHgheit van gclaet, 
of zeden; maer allcenlyk onderzoekende, welke zaken in een welgcflekie rcpublykden 
mannen , en welke de vrouwen beft voegen : en onder andere zegt hy van 't gezang 
{ijDeLcg. (i) : Daerenboven moeten wy onderfchei den , ivelke gez.atjcren den mannen., en well^ de 
Dial. 7. vroHwen voegen: ----- Het geene groots is en heb na dapperheit , z.fei^s moet men rr.tin- 
Ijk^noemen : maer het bevallige en z.edige voegt de vromven beter. Het is dan klaer, dat 
Plato fpreekt van manlyke gezangen, die hy wil, dat van trcficlyke heldendaden zul- 
len handelen en hoogdravende zyn; en van gezangen der vrouwen, die in een bc\alli- 
ger en aengenamer ftofte moeten beftacn : mits echter, dat ze zedig zyn. En wat de 
plaets van Cicero betreft; die de eigentlyke betekenis van 't woort vennflas verlraet, 
zal lichtelyk zien , dat die Filozoof de bevallighcit in een man daer geenfins veroordeelt. 
Men wete dan, dat de Latynen twederlei fchoonheit ftellen; namentlyk een vrouwely- 
ke, die ze veiwfias , bevalligheit; en een manlyke, die ze dignitas, achtbaerheit, noe- 
j. men. Dit lecit Cicero zelf in de hier acngehaeldc plaets (2) duidelyk : Qutim amem 
fic Lib i f ffl'^britudinis duo genera fïnt , efHornm in altero venuftas Jit , in altere dignit.is -^ venujla- 
cap. 3 f), tem, mnliebrem ducere debemus , dignitatem virilem ; dat is: dewjl 'er ture foorten van 
fchoonheit zyn , in welker eene is eene bevalHgheit , in de andere eene achtbarrheit , z.oo 
moeten tfy 't daer voor houden , dat de bevallige fchoonheit de vrouwen , de achtbaere 
fchosnheit den mannen pa fi. Het onderfcheit nu, dat ze tullchen eene bevallige ichoon- 
heit en tuflchen eene achtbaere fchoonheit ftellen, is, dat 'er tot de mannclvke fchoon- 
heit ook vereiicht wort eene wel geproportioneerde ryzigheit van lichaem ; daer de be- 
vallige fchoonheit (zoo vertalen wy venujias. niet zo9 zeer om dat de betekenillè van 
dit wooit daer door volkomentlyk wort uitgediukt , maer om 't zelve zoo veel doenlyk 
is te onderfcheiden van de dignitas , die wy daerom achtbare fchoonheit overzetten ) ei- 
gentlyk plaets heeft in een korte lichaemsgcftalte : die volgens Aiiftoteles (X) eigcntlyk 
' V j '^* niet fthoon kan genoemt worden : •^ö ■/.oiK?,oi sV ^xiycthtf acautun. ói jAiufcl i' «jtra» -/mI fu(A- 
cap.'t.' I^^''?:^' > '4^'^'' ^ «• de fchoonheit , zegt hy, is in een grtot lichaem : maer kleine menfchen 
zyn wel bevalligh en welgemaekt , maer niet fchoon. Daerom heeft ook Homerus , wan- 
neer hy fchoone menfchen wil befchryven , dezelve , gelyk Eliaen aentekent Var. Hifi. 
Lib. Xn. cap. 14. vergeleken by boomen. Hier uit kan men dan vcrftacn , hoe men 
de woorden van Suetonius acngaende Nero , door Kaftellini in 't begin van dit beeltby- 
gebracht, dochmillchicn niet wel vcrftacn, moet bcgrypen. Nero, zegt hy, was meer 
van een fchoon dan bevallig gclaet. Waerom ? omdat liy meer onder de lange menlchen, 
dan de koite moeft gerckcnr worden, zynde, gelyk de zelve Suetonius (4) zegt, fta- 
o ^.^^' tura pi)ine jufia , dat )S, van eene byna volkome lange lichaemsgefraltenijfe. Was hy kor- 
ter gewccft, zoo zoude Zyn gelact niet /cW», maer bevallig (i'W»/?^w^ hebben moeten 

genoemt 



' B E V A L L I G H E ï T. 165 

heit qualyk ftaet aen een man : want een man die deze gaef ontbeert is onbe- 
, 'ualUgh en onaengenacm : en een onaengenaem menfch is alseene ontydige khcbt: 
in den mont der ongefchikten zal hy gedmnigh zyn, zegt Jezus Sirach (i). Ja (i) Ecdef. 
de aerdige geeftigheit en bevalligheit maeken eenen man aengenaem en be- "• ^o-^-'? 
mint, hoe lelyk hy ook zyn moge. Uhfles was juift de fchoonfte niet, 
nochtans bemagtigde hy door zyne bevallige en gefchikte redenen de har- 
ten aller Grieken j ja zyne aengename welfprekentheit deed zelfs godinnen 
op hem verlieven, gelyk Ovidius zeit [Q_]. De tooneelift Qiiintus Ro- 
, fcius zagh fcheel [R], en had een lel^^k aengezigt, dieshy, naer Celius 
[ /. Deel. T t Ro- 

gcnoemt worden : hoewel juift ons Duitfch woort, gelyk wy gezcgt hebben , zulks niet 
■ uitdrukt. De bevallige fchoonheit heeft dan plaets in een klein, doch welgemaekt lic- 
hacm, wiens leden alle met een bequaeine en nette gelykmatigheit met malkandercn 
overeenkomen : doch tot de achtbacre fchoonheit wort dacrenbovcn ook ryzigheit van 
lichaem vereifcht. Dat blykt klaer uit het geens Suetonius zegt van Auguftus, hem ^j y^^, 
aldus (2) befcliryvende : formd fmt eximia (y per omnes gradus zienufl-ijfnim: qy.anejH^xm c>p. -o." 
C^ omn'is lenocinii negligens ö'c. dat is : hy was van eene uitmmitende , en door alle zyn 
Lvoistrappen zeer bevallige fcheonbeit : hoewel alle opfmnh^ing achterlatende enz. En wat 
verder : habehat ftaturam brevem , - - - fed ejuA commodttate & <it.cjnitate membrortim 
occuleretMr : ut non nifi ex compaiatione adflantis ahcuJKs procerioris xntelligi pojfet. dat is : 
hy had een korte lichaems geflaltenijfe , maer die door de netheit en evenmatigheit van z.yne lede- 
maten bedekt ivert : z.00 dat z.e niet anders als door de vergelykjngs van iemant die langer 
was en bj hem flont , konde gemerkt worden. Omdat dan Auguftus kort was , fchryft hy hem 
eene bevallige fchoonheit toe. En zoo moet men ook begrypen het geene Kornelius Ne- 
pos zegt (^) van Eumencs: neqne tam magno corpore fnit , quam figura venafia. dat is: (,) Eum. 
hy is niet z.00 zeer groot van lichaem, als -wel bevallig van pofluur geiueefi ; verfta doorcap. 11. 
bevallig niet anders als welgemaekt, en welgeproportioneert in alle leden. Zoo fchryft 
in tegendeel de voornoemde Suetonius aen den Keizer Klaudius (4) een achtbaere fchoon- ^■^ Klaud. 
heit (Dignitas forma) toe, omdat hy lang en gezet was van lichaem. Dit is dan hetcap. 30. 
gccnc de Latyncn door 't wooit venuflas eigentlyk vei-ftaen hebben : hoewel ze 't ook 
hebben gebruikt om uit te drukken de aenminnigheit van gelaet, bevalligheit van ze- 
den, lief tal ligheit van fpraek en ftemme, en andere bekoorlykhcden meer. Ondeitus- 
fchen is 't echter gebleken, dat noch Plato, noch Cicero deze bevalligheit vandema»- 
ncn willen gcweert hebben. 

[Q^ Art. Amat. Lib. II. vers 124. 

Non formofus erat , fêd erat facundus Ulyflès : 
Et tamen aequoreas torflt amore Deas. 
Dat is : 

"Vlijfss was niet fchoon , mgtans z.00 wel befpraekt 

Dat Zeegodinnen zelf zyn door zyn min geraekt. 
[|R] Ja wel zeer fcheel ; zelf volgens 't gcmigenifle van Cicero de Nat. Deor, Lih^ 
I. cap. 28. Wie zou zich dan niet verwonderen , als hy dit volgende Lofdicht van de- 
zen Rofcius : door Quintus Katulus , toen ter tyt een van de allereerfte Mannen te 
Rome, by Cicero lecfl? 

Conftiteram, exorientem Auroram fortc falutans, 

Quum fubito a Ixva Rofcius exoritur. 
Pacc mihi liceat, Csckftes, dicere veftra, 
Moitalis vifus pulchrior efle deo. 
Dat is : 

/k.fiont, en groet e Auroor in de eerfien morgentyt , 

M'anneer my Rofcius zeer fcbielyk^kpmt op zyd: 

O Goden , acht myn reen toch niet als u ten fpot , 

Hy feheen , hoewel een menfch , my fchooner dan een godt. 

Maer Cicero loft deze zwarigheit dacr mede op , dat hy zegt , dat de gebreken van die 
wy beminnen, ons dilcwils aengenaem zyn : hef ziet geen leet , zegt ons fpreck- 

wooit. 



i66 B E V A L L I G H E I T. 

Rodiginus zeggen, om de mismaektheit zyns wezens te bedekken, deeer- 
Ite was die gemaskert ten toneele quam. Nochtans zagh en hoorde het 
volk hem liever zonder dan met een momaengezigt [S] : omdat hy behal- 
ve zyne zoete uitfpraek , een byzondere bevalligheit en aengenaemheit 
had in zyne beweeging en gebaeren , wetende met een behaeglyke veran- 
dering van poftuur en gelaet verfcheidene hartstogten geeftigh uit te druk- 
ken: zoo heerlyk woegen deze gaven de feilen van zyn gelaet op. Ziet 
men nu hier, dat de bevalligheit dit in een lelyk man uitwerkt, hoe veel 
te meer zal ze dan in een man die welgemaekt is, te wege brengen ? En ik 
bidu, waerom zou de bevalligheit geenen man voegen, indien ze zonder 
A^erwyftheit zy? En ten aenzien van een manlyke bevalligheit, weet men 
van eenen toneelfpeler te fpreken , die nevens de fchoonheit des lichaems 
zoodanigh eene bevalligheit in 't fpreken hadde, dat de luiden, eeten en 
drinken vergetende, geheele dagen lang naer zyne welfprekentheit met 
zoo groot eenen fmaek luifterden, dat ze niet uit den fchouburg vandaente 
krygen waren. Ja Zaratino Kaftellini zegt verfcheide mael gezien te heb- 
ben, dat Taflb by het toneel zynde, den mont vergat toe te doen, en 
ganfch onbewceglyk ftont daer hy ftont, wanneer Panigarola (zo hiete de- 
ze fpeicr} zyne tael liet liooren. Zie daer de krachten der bevalligheit en 
geciligen zwier, die den menfch als betoveren, en het gemoet verrukken. 
Aldus wert Alcibiades in verwondering opgetogen door de lieflyke reden 
van Sokrates , die nochtans lelyk en flordigh was [T] -, zeggende meer 
zoetheits te trekken uit 's mans fpreken, dan uit de welaengenacme muzyk 
der vermaerde zangmeefters Marfias en Olimpus [V] -, zulk eene bevallig- 
heit 

wooit. Aen Katulxs , zegt Cicero , fcheen Rofcius fchooner dan een godt : A-faer im- 
mers had hv, gelyk^hy nog heeft, zeer fcheele oogen. Wat k/m dit evemvel helpen, z,eo 
hem dit gebreic^z.elf , aerdigh en hevalligh toe fcheen ? Insgclyks was hy volgens Makro- 
bius Sat. Lib. EI. cap. lo. in groote achting by den Diftator Sylla, die hein met een 
gouden ring befchonk : en genoot voorts zoo veel eer en gunft, dat hem van de Stad een 
daggekwicrt gegeven van drie hondert guldens, dat hy alleen genoot zonder zyne medc- 
tooneliften. Cicero zelf hielt ook wonder veel van hem , en gebnukte hem tot een 
leermecfter in 't welmaekcn der gcbaertens. Zie Cic. Div. Lib. I. cap. 56. & Lib. 
II. cap. 51. Hy muntte daerin zoodanig uit, dat men, wanneer men wilde te kennen 
geven , dat iemant volmaekt was in zyne kunft , doorgaens zeide , dat hy daer in een 
Rofcius was, gelyk dezelve Cicero getuigt De Orat. Lib. I. cap. 28. Ja hy was zoo 
kunftig in 't vormen van welvoegende gcbaertens, dat hy met Cicero dikwils kampte, 
of deze Redenacr een en dezelve zaek met meerdcrhande veranderinge van woorden, dan 
of hy ze met meerderhande veranderinge van gcbaerten , kon uitdrukken. Waer door 
hy ook , na den voorzeiden Malcrobius gemigeniflè bewoogcn is geworden om een 
Gefchrift in 't licht te geven , waer in hy de welfprekenheit en de kuft van toncclfpee- 
len met malkanderen vergeleek. Zyn lof vooits vint men by Cicero op veele plattlen 
zeer uitgebreit. Zie Lambinusen Torrentiusovcr Horatius Lib. II. Epifi. i. vers. 82. 

fS] Cicero de Orat. Lib. III. cap. 5*9. Sed tn ore funt omnia. In eo autem ipfo do- 
mtnatus eft omnis oculorum : t^tto melius noflri illi fenes , cjui perfonatum , ne Rofcinm ijtii- 
dem , magnopere laudabant j dat is : in 't wel z.etten van 'ƒ gelaet befiaet alles voor een 
redenaer : en 'm 't gelaet -wederom heerfchen geheel de oogen : waerom ouz.e oude lieden des 
te beter hebben gedaen , datz.e z.elfs Rofcius , met een momaengez.icht voor , niet z.eer pree- 
zen. 

[T] Zie 't geen wy dit acngaende gczcgt hebben over de Achtbacrhcit , blada. 17. 
\Aenm. E. 

fV] Die hy echter nooit gehoort hadde: want Mai-fias en zyn leerling Olimpus 
hadden al lang voor de Trojaenlche tyden gekeft. V^edla dan , dat Alcibiades wil ztg- 
gen, dat hy onderftck, dat geen muzjk in de weerelt, zelft dat van dien vermaerden 

Maiiia» 



B E V A L L I G H E I T. i6j 

heit ftak 'er in de woorden en gcbaerden des Filozoofs. Hierom is deze 
, geeftigheitzeerroemwaerdigh, beide ten opzigt van het vriendelyk wel- 
zeggen , en de bevalligheit van mynen en gelaet. En dit is dan de manly- 
: ke aerdigheit, die ten hoogften prysbaer is: gelyk ze ook door alle de Rc- 
denaers zeer wort aengeprezen. Plutarchus roemt het aengcnaem wezen 
van Pompejus, omdat het vol bevalligheit en beleeftheit was, die zyne re- 
denen lieftalligh maekten; te meer, dewyl 'er aerdigheit en (latigheit in 
gemengt waren, en hy in de bloem zyner jaren eene koningklykc majcftcit 
liet uitblinken. Zoopryftook Suetoon [W] den Keizer Auguftus, van 
dat zyne gedaente door alle de trappen zyner oude zoo aenminnigh en be- 
valligh was. Zulk eene fchoone bevalligheit door alle de trappen des leef- 
; tyts Tchryven de Grieken ook hunnen Alcibiades[X] toe: en M. T. Cicero 
• zelf pryft [Y] zoodanigh een gelaet dat achtbaerheit en bevalhgheit te 
gelyk weet te vertoonenj waeruit al weder blykt dat ook de leftgenoemde 
i hoedanigheit den mannen geenszins misvoegt, maer wel heerlyk verliert. 
Nu gaen wy voort tot de belchryving der beeltenis. 

Wy hebben ze met den riem van Venus omgordt, dien de Grieken Ki^i? 
en de Romeinen Cejtns noemen. Dezen was de gezeide godin, als moeder 
van alle fchoonheit en zwierige geeftigheit, gewoon te dragen; om metee- 
ne uitnemende bevalligheit voor den dagh te komen. Want in dien gordel 
zat zulk eene wonderbaere kracht van minne , lieflykheit , bekooringen 
enz. dathy den grammen en razenden Mars kon ftillen. Juno had hem 
eens van Venus geleent, en had 'er dit voordeel van , dat ze 'er den don- 
derenden blixemfchieter, Jupiter, mê te vrede ilelde [Z]. De fcherfende 
Martiael, hierop zinfpelende, en willende {ulia pryzen [Aa] over haere 
fchoonheit en geeftige bevalligheit, zegt dat Juno en Venus zelf haer dien 

T t 2 riem 

' Mai*fias en Olimpus, zoo 't mogelyk was het zelve te hooren, hem zoo aengenaem 
kondc zyn als de reden van Sokrates. En op die wyze wort Alcibiades ten naeftcn by 
fprckcndc ingevoert by Plato in zyn Gaftmael ; daer Akibiadcs voorkomt als den lof 
, van Sokrates opmakende. De konft van de twe genoemde Muzikanten bellont voor- 
namentlyk in 't fluitfpelen. Behalven den gemelden Olimpus is 'er nog een ander kon-» 
ftig fluitfpeler gewecfl: van dien zelven naem , doch later, echter al ten tyde van Midas, 
gelyk Suidas wil. Zie verder bericht aengaende alle deze drie Muzykmcefters by den 
! zeer geleerden Jakobus Pcrizonius over Elianus Var. Hift. Ltb. XIÏI. cap. zo. en een 
menigte fchryvers, die hy daer acnhaelt. 

[W] De plaets is boven aengehaelt in deaenmerking P. Ja z.yn wezen was z.00 z.acht 
en vnende/jk., dat een van de voornaemfte uit Gallie onder zjjne landgenoten bekent heeft , 
dat hy daer door verhindert en vermurwt was ^ dat hy hem in 't overtrekken van de Al-^ 
pen , wanneer hy veifende hem te moeten fpreken dicht hy hem luas karnen te fiaen , niet van 
boven van een fteile rots afjliet , geljk. hy had voorgenomen. Srteton. ibid. 

[X] En aen Demetrius Poliorcetes, en Alexandcr denGrootcn: en onder de Romei- 
nen aen Scipio. Zie van deze alle, het geen Scheflfèrus en Kuhnius over Elianus Far. 
Hl/i. Ltb. XII. cap. 14. en Perizonius over den zelven fchryver Lib. IX. cap. 9. n. 4. 
acntckcncn. 

[Y] Orat. cap. 18. l^ultus vero , ejui fecundum vocem phtrimum potefi , quantam af- 
fert turn dignitatem , turn venttflatem ? dat is : hoe eene groote achtbaerheit , en hoe eene 
(Troote bevalÜThett brengt het gelaet aen , dat naefi de fiem allermeeft vermagh ! 

[Z] Niet alleen te vrede ftelde, maer ook zoo van liefde dcedt branden , als een 
bruidegom, die z\m bruit den eerften nacht omhelft, gelyk Homerus weet te verha- 
len I/iad. Lib. XIV. vers zp'?". & fecjcj. 

[Aa] De dochter van den Keizer Titus en Marcia Furvilla. Domitiaen, haer Oom, 
zeer verheft op hacr zyndc, hadde haer een fchoon bcclt van marmer ter eere opgerigt, 
dat den rkm van Venus in de hant hadde, om zoo te kennen te geven, dat hy door 

hacrc 



i68 B E V A L L I G H E I T. 

(il 11. 14. riem wel zouden willen af bidden. Van den zelven zingt Homcer (i): dat ■ 
*-2'i4- hy zeer kunjligh gebor duurt in'as : dat "er alle aenlokfils in isi'aren^ als liefde^ 
verlangen y famenfpraek en zoetvloeiende reden , die het gemoet der ivyzen zelf 
ver (inkt: dat Venus den zelven aen Jiino ter hantgefielt had met dit zeggen : 
Ontfang dezen gordel, die zoo ijvondcrlykge-s:even is , en verberg hem in irji-en 
fchoot ; alle dingen fchmlen "er in , en hy zal u beqnaem maken om tut te voeren 
al '■ji'at gy zult bcgeeren. Hieruit blykt dat deze riem ganfch van 't llechrfte 
flach niet geweeft zyn moet: en dat op den zelven geborduurt waren Liefde, 
Verlangen, en zoetvloeiende Reden. Welke drie zaken wy dan ook hier 
in onzen riem vertoonen: namentlyk de liefde verbeelden wy op de gewcone 
v/ys: te weten, door een gevleugeltjongske; fchetzende voorts het Ver- 
langen af door de brandende fakkel, omdat de harten der minnaers dooreen 
geduurigh verlangen, even als ontftoke fakkels branden: endoorMerkurius 
Itaf beduiden wy de zoetvloejende Reden of welfprekentheit: want de ou- 
de dichters erkenden dezen godt voor den vader der welfprekentheit en 
(4)inDial. opperhooft der bevalligheden [Bb]. Luciaen (2} voert hem daerom in als 
Vukam. hebbende Venus gordel geftolen, die hem zoo eene bevalligheit byzette, 
dat de godin hem lief kreeg, en minzaem omhelsde. En niet zonder reden 
was te Athene (^naer 't verhael van Pauzanias} Merkurius voor den ingang 
van het kafteel geftelt, en nevens hem de Bevalligheden [Cc]. De flan- 
gellaf [Dd] dan, als een eigen gereetfchap van Merkurius , verheelt hier 
welfprekentheit en lieftallige reden. Zoodat Homeer door het dusdanigh 
befchryven van dien gordel de kracht te kennen geeft van de bevalligheitj 
zonder welke de fchoonheit des lichaems niet veel waert is. De overfchoo- 
ne Venus moft dezen gordel, dat is, de bevalligheit te baet hebben, of ze 
wift den grimmigen Mars niet te verzachten, en tot haer te trekken : maer 
dit hebben wy alrcde gezien , alsook hoe deze riem met zyne geheime 

kracht 

haere liefde getroffen was. Op dit beek nu , en niet op de levende Julia , fpeelt Mar- 
tiael in 't hier aengehaelde puntdigt : het welke wy om defzelfs h-aeiheit hier geheel uic- 

(jjLib.Ylfchryven (3): . . . 

Ep. IJ. Quis te Phidiaco formatam, Julia, cxlo, 

Aut quis Palladise non putet aitis opus? 
Candida non tacita respondet imagine Lygdos, 

Et placido fulget vivus in ore decor. 
Ludit Acidalio , iêd non manus afpera, nodo, 

Qi-iem rapuit collo, parve Cupido, tuo. 
Ut Martis revoceuir amor fummique Tonantis, 
A te Juno petat ccfton & ipfa Venus. 
[Bb] Zie Gyraldus Hifi. Deor. Sym. 13. p. 419. F. 

[Cc] Deze beelden van Merkurius en der Bevalligheden waeren daer geplaetft door 
den vvvzcn Sokrates : gclyk Pauzanias verhaelt Lib. I. cap. 22. Venus weit ook door- 
gaens ,' gelyk Phurnutus getuigt , by Merkurius en de Bevalligheden gcvoegt. Macr wat 
Merkunus en de Bevalligheden belangt , die werden volgens Plutarchus verklaring by 
malkander geplaetfl, om dat, gelyk een wel gefchikte reden den menfch bevallig mackt, 
alzoo ook een reden zonder aengename bevalligheit niets vermag. Zie hier breder over 
den geleerden Antwerplchen Biiïchop Levinus Torrentius over Horatius Lib. I. Od. 20. 
vers. 8. 

[Dd] Waer van wy. hebben gefproken over 't Befiant, en over de Amptverkoping 
bl. 6j. H. Zie ook Gyrardus Hifi Deor. Synt. 9. p. 500. a. en e. Namentlyk door 
het toefchryven van zoo vecle krachten aen die roede, hebben ze niets anders willen te 
vcrftaen geeven als 'twonderlyk groot vermogen der welfprekenheit. Zie KUudius Mi- 
nos over Alciatus Zzw^/. 118. f. 4oj'. &, 406. . 



B E V A L L I G H E ï T. 169 

krachtj namentlykdebevallfghcir; Jiino te ftadc qiiam [Ee] in her ver- 
zoenen van hacrengemacl. Ziedaer, Juno was fchoon genoeg, maerkon 
'echter de bevalligheit in dit geval niet onrheercn. Dit is dan het vermo- 
gen dezer hocdanigheit die de harten bekoort, en byna alles doet verwer- 
ven war men bcgeeren kan. De Griekfche Filozoof Libanius fpreekt van 
Venus gordel en rozenhoer , naer her zeggen van Engel Poliriaen (i) , op (,) cent. 
deze wys: Juno en Pallas namenrlyk wilden dat Venus haercn gordel zou-"p. h- 
de afleggen, roen ze gezamenrlyk voor Paris ftonden om her vonnis der 
fchoonheir af te wachten; want ze wiften dar die roverriem haer eene won- 
derbaere bevalligheir verleende. Venus liet zich hiertoe overreden, maer 
verzogt dan ecnigh ander fierfel re mogen opzetten, omdat Juno een goude 
kroon en Pallas een' gouden helm voerde. De twee godinnen bewilgden 
in Venus eifch, waerop ze in een licflyk dal ging om leliën en vyolen te 
plukken. Dan hier wert ze eenen geur van rozen gewaer, en verlcoos dit 
o-ewas om 'er zich mede te vcrfieren. De rozen dan op heur hair gevoegt, 
[Ff] vermooiden de Mingodin der maete , dat Juno en Pallas haer den 
prys der fchoonheir, zonder het vonnis te verbeiden, goerwilligh rocllon- 
den, haer daerenboven komende omarmen en kuffen. Onderruflchen ging 
de rozekrans al vaft van 't eene godinnehooft op 't andere, totdar hy cin- 
delyk weder op Venus lokken geraekre. Dir geval, hoewel by anderen 
wel war anders voorgeftelr, deed ons hier aen de rozen gedenken, die om 
haere lieflykheit voor koninginnen der bloemen [Gg] gerekenr worden, en 
/. Deel. V V van 



[Ee] De Heer Zaratino mccnc dan , dat men door deze verdichtzelen heeft willen te 
; kennen geven, dat eene acngename btvaüighcit aUcrlei perfonen iiinccmt, hoc Ihiur en 
wreed Z)' ook zyn van harte , gclyk yls Mars ; en hoe verheven en hoog \Mn mocdt zy 
ook mogen v/ezen , gclyk als jupitcr: en niet quaiyk. Plutarchus {%) evenwel hadt(i)DeAu- 
. uit de fabel van juno, en de uitwerking die ze doet met Venus gordel, dezen zedcly-flieadisPo- 
ken zin: dat namentlyk dikv/ils loozc vrouwen met een geveinsde licfkozeijc en vlci-*^"^' '^' '' 
ende dog liftige reden en bevallige gcdienfcigheit de harten harer mannen betoveren om 
hen te bedriegen : want Juno leide 't daer alleen op toe by Homcer, datzcjupiterdoor 
haere min in Oaepmogt wiegen en hera zoo van de zorg over de mcnfchclvkc zaken af- 
getrokken hebbende , de Grieken en Neptuin zelf laten acnfporen om de 'Trojanen te 
overvallen en dood te flacn. Maer dat wederom djc genegcnhtit, die zy zich zoo ver- 
krygcn, niet alleenlyk van een korten duur is, maer ookveeltyts, als die Itrel ende wel- 
luft der liefde ophout, verandert in een afkeer en haet: gelyk Jupiter by Homcer ook 
onrwaekt zynds en het bedrogh ontdekt hebbende, Juno zecrfchcrpaenfpreekt, en zeer 
hart dreigt, Il'ud. Lib.XV. v. 14. & fe<jc]. Die voorts ook eene natuurkundige uit- 
legging van deze fabel begeert, zal ze vinden kortclyk aengerocrt by den pas genoem- 
den Plutarchus , en in 't brede verklacrt by Henildides Pontikus in zync Verbloemde 
Spreuken van Homerfes. 

[Ff] De Ridder en Drort: Hooft heeft in zyn Tafclipel van Paris oordeel (7^) deze 
verziermg van L.ibanius ook gevolgt , en Venus een roozenhoet opgezet. Maer Nikan- [|]j|^^° ," 
der, gelyk boven in de Akademi bladz. 5"!. gezegt is, doet haermetcrncnmiitckransin^j^jj. .^^ 
dat gerichte verfchynen. Martianus Kapella (4) fiert haer hooft, hoewel in een ander (4) Lib. i. 
geval, ook met een roozekrans : hnic rofis decujfatim vinculatis fertata contextis: deze,"» Knptiis 
zegt hy, haddc een krans op 't hooft van roozen, kraisv/yze door malkander gevloch-P^''°'°g' 
ten. 

[Gg] Hoor Achilles Tatius in zyn tweede bock der Minneryenvan Leucippe 

CnClitophon: «' roa i^'d^an iiirtKiv o ZêuV tViS-srva» ^MiAi», ra foJov rüi aiv^iui.' ifStiiri- 
/{i/t. yijf iqt KÓcfA^ , <^vTco» aiyKcbisiJt* , a^^ot,Ky.!>i dvBimt. Dat IS : indien Jupiter een Ke- 
ning wilde maken over de bloemen , z.00 ziende de roos de koningkh/ke heerfchappy over de- 
xjelve voeren. Zy is een fier net der aerde, een pronl^der gewajfen^ en het oog der bloe- 
men. 



lyo B E V A L L I G H E I T. 

van natuure bevalligh zyn. De poëten hebben den lof der rozen niet ver- 
geten, gelyk de honigzoete Anakreon [Hh] hiervan ten bewys ftrekt. Dus 
zingt die aerdige Griek naer de Duitfche vertaling : 

Wanneer men wil den lentetyd 
En zyne aenminnigheden roemen. 
Men dient voor al de Roos te noemen^ 

De Roos f die gom en menfch 'uerbljd; 

De Roos y ^tnatuurelyk fieraet 
Van minnaers en hun hartvriendinnen ; 
De Roos, van Fenus zelf te minnen. 

Als V bejle bloemt je dat 'er Jiaet. 

^t Vermaek der zmv're maegdefchaer , 
Die met Apol Par nas bewoonen^ 
De welhijl van Apollos zoonen 

Zyt gy , ofchoone Rozelaer. 

Schoon dat uw Jteeltje moeite baert 
Aen die uw bloemt jen af wil phüken ; 
De geur dien gy hem geeft te rmken. 

Is wel een ligt e wonde waerd. 

Men fir eelt u zagtjes met de hand. 
En als men gafien doet vergaêren 
Ter maeltyd, ziet w' uw ptrp're blaêren 

Bekranjfen difch en fchotelrand. 

Ook hult de frijfche dager aet. 
Wanneer hy , uit de zee aen 't klimmen^ 
Met glanffen verwt de morgenkimmen , 

Zig in roosver wig praelgewaed. 

De nimfjes bruiken uwe bloem. 
Om kronklend aen den arm te wringen, 
in plaets van goude of zilv're ringen: 

Ja Cypris zelve agt het voor roem. 

Dat zy naer u word bygenaemt 
Roosverwig van geleerde pennen , 
Dte uw waerdy en fchoonheit kennen. 

En maken die alom befaemt: 

De Roos verftrekt, door hare deugd. 
Een heelzalf voor gebrek en pynen : 
Geen tyt doet hare kragt verdwynen, 

In d' ouderdom bewaert z' haerjeugt. 

Vraegt iemant nu wanneer die plant 
Eerft haren oor ff rong heep genomen? 
Toen Vernis uit de zilte Jiroomen 

Enfchuim te voorfchyn quam aen't flrant, 

En toen het hooft van Godt Jupyn 
Minerve voor tbr agt, zag men bloozen 
Voor d' eerjie mael de geurge roozen, 

fHh] Lees ook een zeer kcurlyk gedicht aengaendc de Roozen by Auzonius Etdjt\ 
it4. en gy zuk bekennen, dat gy noit aengenamcr en bevalliger roozen gezien hcbr. 



B E V A L L I G H E I T. 171 

Die mi in zulk een ngüng zyn^ 

Dat zelfs de goden met het nat^ 
('t Geen Ganymedes op hun -ji-inken 
Moet fchenken, ds "t hun hijl te drinken') 

Befproeien 't gloeiend Roozeblad. 

Zie nu eens of wy de roos zonder reden by de bevalligheit voegen. Zy 
verlkrt zelf V^enus, en is hacr ook als een beek der fchoonhcit en lieflyk- 
hcit toegewydc [li] . De drie hoedanigheden die de bevalligheit uitmaken 
hebben wy, volgens de Platoniften, gezeit te beftaen in deugt, evenmatige 
overeenkomft van verwen en lieflykheit van ftem. Nu deze eigenfchappen 
zyn eenigszins in de roos te vinden. Haere deugt befpeurt men in het vcr- 
fterken der lichaemen, wanneer ze tot fyroopen en geurige wateren (i} ',',^a'""', 
wort verbezigt. Voeg hier nu eens by de fraeie gedaente en fchoone verf xx'i. cV. 
der rozen [Kk], als een tweede hoedanigheit die bevalligh is : en laet ons ^ *'• 
dan den geur als eene lieflykc ftem aenmerken. Haer reuk voorwaer is 
geen quaede gelykenis eener zoete ftemme, en dus zegt het Latynfche 
ïpreekwoort, rofasloqui[LÏ]y dat is, /■ö^.e«_/^rf/:f«, wanneeriemantbyuit- 

V V 2 ' ftek 

[li] Fulgentius Mythol. Lib. II. cap. 4. geeft 'er een undei-c reden van : Zj ftd'en ool^ 
de ■rooz.en onder de hoede van Kenus'. w*nt de rooz.en zyn root en fl e eken : gelyk^oo\^de on- 
tucht root is wegens de fch^nde der onkt^isheit , en Jleekt met de doornen der zfinde. En 
oeljk^ de rooz.e wel vermaek^ Aenbrengt , maer in een z^eer korten tjt tvort iveggenomen ; al. 
Z.00 is ook^de ontHchtigheit vermacklyk^voor een ogenbltk^tyts , maer fmert eettii/iglyk^ Maer 
Paiuanias (2) ftcrkt het gevoelen van onzen fcnryver, zeggende van de beelden van de 'il Lib. VI 
Godinnen der Bevalligheden te Elis: eene van dez.elve heef e een roos, de twede een knot *■'?■ ^*' 
of hik^l , en de derde een klein mirtetakje in de hant. M'elke de reden zy , dat z.e z.00 
verjtert zyn, kf-n iemant liehtelyk^giffen , die maer opmerkt^ dat de roos en de mirt aen 
Venus heiliz zyn : en dat de Bevalligheden boven andere (rodinnen aen l'^enus worden toe<re- 
voegt. De koot of v ikke l betekent het fpeelen der jongetjes en meisjes ^ het welk^ gelyk^ aen 
verder bejaerde niet zeer f^fi, alzoo v«or die teere jaren niet lehk^ is. Salmafius tekent 
aen , dat de Turken de roos noemen met een naem , die zoo veel te zeggen is , als Fe- 
nusbloem. De Homon. Hyl. Jatr. cap. af. uit. 

[KIe] Die eertyts wit waren, maer naderhant met het bloctjvan Venus befprcngtzyn- 
de, de kleur daer van inzogen en met de witte vermengende, een aengenaem inkarnaer 
of vleeskleur uitmaekten. Daerom fchryven de poëten Venus zelf ook een roozekleur 
toe \ als Virgilius (5) : ( ,) ^„eiJ. 

Dixit, & avertens rofêa cervice rcfiilfr, ^'''' '■ ^^• 

Ambrofixque comas divinum vertice odorem 
Spiravcre. 
Dat is , nacr de vertaling ^-an onzen Ncderlantfchcn \'irgilius : 

Zoofprak,zy *, en ging firyken. * Venus, 

De nek der fchoone blonkj, gelyk^ een roos van kleur : 
De hairlok^gaf een lucht en goddelyken geur , 
Gelyk^AmbroJia. 
Over welke woorden Erithreus (4) aenmcrkt, dat de poëten, zoo Griekfche als Lntyn- (4)111 in- 
fche, hals, borften en vingers een rooskleur toefchryven, als ze de fnccuwitte blank- dicc in 
heit van 't vel, daer 't lieflvk root van 't bloet bevalligh doorfchynt, willen te kennen R'^'e*- 
geven : hocdanigen kleur men ziet in de gemecne roezen. Het geen de poëten van de 
kleur der rooze verdicht hebben, hebben die oude Filozofen, die den oirfprongk aller 
zaken wat dieper hebben nagevifcht , aen de ftarre van Venus toegefchreven ; zeggen- 
de, dat de reuk en kleur van de roos voortkomt vin de ftarre van Venus zelf Zie 
daer dan den oirfprongk van dat verdichtzel. Lees Piërius Vakrianus Hierogl. Lib. 
LV. cap. 8. 

[LI3 Zie Erafmus Chil. 2. Cent. 6. yid. 42. 



172 B E V A L L I G H E I T. 

flek lieftallf gh is in zy ne reden : en zoo wort Venus met een poëtifchc fpreck- 
wyze gezcgt te fpreken met een' rozenmont [Mm]. Petrarcha gaet hierin , 
rulligh voor, en zegt [Nn] dat een acngcnaeme mont vol parels, rozen en > 
liefelyke woorden zit: verftaende door de parels de fneeuwitte tanden, en 
door de rozen het korael der lippen, uit welke de aengenaeme reden voort- 
vloeit. Dit is ook in deze manier van Taflb [Oo] waergenomen. 

De heliochryfus die van het beek in de hant gedragen wort, is een bloem 
die haeren naem, naer 't gevoelen van fommigen, ontleent van de nimf He- 
liochry fa , als die deze bloem , naer Thcmiftagoras zeggen , deeerfte zoude ge- 
plukt hebben. Maer de Hr.Kaftcllini, volgens wiens opftelwyvoor'tgrootfte 
deel dit beek vormen, meent dat deze naem daelt van 't Griekfche ^^//w[Pp] 
zon, en chryj os ^ont , omdat namentlyk deze plant bezyen draegt, dienoit 
verwelken, en, van dezonbeftraek, eenen wederfchyngevenCi), alsof ze 
['L^xxi. gout waren. Om deze reden bekranften de heidenen hunne goden met dit 
cap. ij. gebloemt, welk gebruik (2) door Ptolemeus, den Koning van Egipte, 
Ibid!'^'™ naerftigh wcrt onderhouden. Dat 'er voorts onderfcheit (Qg) tuflchen de 
heliochryfus^ cbryfanthemum en amarant zy , kan men afnemen uit het geene 
Plinius, Dioskorides en zyn uitlegger Matthiolus van die bloemen zeg- 
gen : hoewel fommige aen de eerlte ook de nacmen van de twee laetfte heb- 
ben gegeven. 

\Vy 

[^Mm] Virgilius ty£neid. Lib. IT. vers ^(^x. 

Dcxtraquc prchcnfum 
Continuit, rofeoque hsc infuper addidit ore. 

Dat is, naer Vondels vertaling : 

^ Zy * vat me liejitly\ by myne rechte hant, 

Ontjluit haer roz-enmont , en fprtekt , inzMlk, een ftant. 

j^Nn]] In decze vaersjes : 

La bella bocca angelica, di perie 
Piena, di rofê, e di dolce pai-ole. 

Zie ook de vaci-zcn te voorcn acngchaclt in de ecrfte aenmerking L. 

[Oo] E nel la bocca, ond' cfccauraamorola, 

Sola rolleggia, e lèmplicc è la roia. 

[Pp] De uitlegging, die Kaftcllini hier van den naem dezer bloem maekt, wort 
f \ Hift bcgunftigt door het geene hier uit Plinius (5) van dcfzelfs natuur woit aengehaclc 
Nat. Lib. Salmafius (4) echter zegt, dat ze dwalen, die het eerfte deel van dien naem afhalen van 
XXI.c. tjde zon: alzoo men in 't Grickfch niet fchryft, rihióx^v<T(^ , maer i^i'x?'^'^®' > g^Iyk by 
(4)Exetcit.];)ioskoridcs, (f) of sAj<o'xf u<r©-, gclyk by Thcophraftus (6) ftaet. Wy voegen 'er by, 
Plin-P' 9J jjjf qqJ^ Nikander (7) en Theocntus f8) hacr den naem geven van i>^tx^v<!(^. Die nu 
(5) Lib. IV '^s Griekfche tale kundig is, ziet gcmakkelyk, dat het wooit zoo gcfchreven wordende 
cap. 57. niet van >)A(©", dat de z.on betekent, kan afgebracht worden. Waerom het beter is, 
(*) Hift. ^xi mendefzelfs eerfle gedeelte afhalcvansAt^, dat is, een moeras^ of ï^^'©^, dat is, in 
Phn Lib. fffggy^jp„ groeiende: en is het dus evenveel of men fchryft Helichryfus of Heliochryfus. 
(7)'l"The- Deze afleiding zal den lezer, vertrouwen wy, te aennemelykcr voorkomen, indien wy 
riac. hem zeggen , dat Dioskorides (9) ons bericht , dat deze bloem groeit in rouwe plaetlèn 

(8) Idyl. I.cn in de holtens W^r beeken, die fomcrs droog lopen. Salmafius (10) meent, dat deze 
■^*- '°' bloem ook genacmt wort Holochryz.us , als of men zciAc geheel gouf^ van wegens haerc 
cip Vi' ^hoo^ goutklcur. 

(lo)Excrc. [Qg-] Zie Plinius Hifior. Nat. Lib. 21. cjp. 11. &. c. 25*. en Diofcorides Lib» 
Pliii. pag. ly. cap. fg. Dat voorts de naem van Chryfanthemum door de Grieken aen verfchcide- 
679.E&F,^^ bloemen om haerc goutkleur gegeven is, kan men vinden aengetckent by den zo evea 
genoemden Salm;ülus ExercK. F liman. p. 817. a. B. £c. C. 



BEVALLIG HEIT. 



173 



Wy hebben haer deze bloem ter hant geftclt, om eene zwierige acnfre- 
naemheit te vertoonen : want zeker dit gewas is zeer fchoon, en draegt 
daerom de zelve namen met het gout en de zonne : door wiens flralen zV 
befc henen wordende, Ichoon en heflyk bhnkt als gout, gelyk gczegt is. 
En wat kan men ook lieflykers vinden dan die heldere glans, die van 't 
gout afftraelt, als 'er de zon op affluit. Men zegt voorts van deze plant, 
dat als men 'er kransjes van vlecht en by zich draegt , wy dan zeer acnge- 
naem bevonden worden, en gunft en roem by elk verkrygen. Zie hiervan 
Plinius (i) en den Griek fchen fchryver Atheneus (2}. Dat dan deze bcel- ''' >=**• 
tenis de helwchnfus in de hant houdt, geeft te kennen, hoe licht de beval- (zj i ik" 
ligheit ons gemeenlyk overal roem en goetgunftigheit weet te verwerven: ^^- ^'^^'^ 
en omdat men door middel van de verworve gunft veele dingen verkrygt, Hiftl^Lib 
zoo zeggen de Latynen, acngacnde iemant wiens zaekcn gelukkigh ennaer ix.cn. 
wenfch beflaen , hyisvol kvallighcit. Dus zeit Pamfilus by Terentius in 
Hecyra, toen zyne zaeken, aengaende zyn lieflte, boven verwachting zoo 
voordeeligh uitvielen [P^r] : IVie is "€>• gelukkiger en voller i'an bevdUghdt 
dan ik ? In tegendeel noemt men hen otibevalligh die van de ongunftige For- 
tuin geduurigh gequelt worden. Zoo fpreekt een andere Pamfilus m Te- 
rentius Andria [Ss], wegens zyn aenftaende huwelyk , dat hy zoo gaern 
wilde vermyden : Is'er -jirleetngb menfcb omevalliger , en flecbter van 't ge- 
luk bejegent dan ik? Bevalligh dan wort hier, gelyk wy zeiden, geftelt 
voor gelukkigh, omdat die gcene, die de bevalligheit in zich heeft, daer- 
door lichtelyk de gunft en genegentheit van anderen wint, en alzoo geluk- 
kigh wort [Tt]. En dus hebben wy hier de heliochryfus tot een zinteken 
geftelt van de bevalligheit, omdat, gelyk deze bloem fchoon en bevalligh 
is, zy ook alzoo tot fieraet en bevalligheit kan ftrekken voor een die ze 
draegt : niet dat ik u zoude willen verzekeren , dat de heliochr)'fushtt ver- 
mogen heeft van iemant in de gunft van Prinfcn en Grooten te kunnen in- 
dringen , gelyk dit de '■Ji-yzen der Indianen zotlyk van de roos voorgeven (*} : 
neen, verwacht hier zulke bedroefde ftellingen niet. Wy verwerpen daer- 
om ook diergelyken beuzelpraet van hun die be weeren willen, datheteeten 
van haezevleefch ons aengenaemheit en bevalligheit zoude byzetten. Ja 
het is te verwonderen, hoe Piërius (3}, die anders een wakker en geleert (jiHcrog. 
/. Deel. X X man ^■^- ^'''' 

[Rr] Aa. S' ^c. 4. vers. 8, 

Quis me eft foitunatior, venufïatifque adeo plenior? 

[Ss] A£l. I. fc. ƒ. VS. 10. 

Adeon' hominem eflê invenuflum , aut infêlicem 
quemquam , ut ego fum ? 

[Tt] Deze reden is wel niet quaet, maer echter is ^er miflchien een betere te vinden. 
De lezer gelieve zich te herinneren, dat te voren is acngctoont, dat het wooit ve}iufras 
(be\^lligheit) is hcrkomftig van Venus. Dit dan aengcmerkt, zal venufttts eerftelyk be- 
tekenen iemant, die gunft heeft van Venus, en daer door gelukkigh is in zyne liefde. 
Dat blykt genocgzacm in de t\vce voorbeelden, hier acngehaclt door Zaratino zelf. 
Vervolgens heeft men 't ook gcbniikt om allerlei ander geluk uit te drukken. Alzoo 
weit de allergelukkigife werp die op de taerlingcn was, met den nacm van Venus ge- 
noemt : wanneer namentl}k alle de tacrlingen elk ccn byzondcr getal toonden. Zie 
Voflïï Etymol. in venuflüs^ Turncb. Adverf Lib. XXll. cap. 8. Lipfius ad Senecae 
Lib. n. de Benef cap. 28. en Sueton. Aug. cap. 71. 

(*) Hoe ze de roozen daer toe gcbmikten, wat ze 'er by in acht namen , en hos ze 
de zon dan aenbaden, zie by Piënus Valerianus in 't brede verhaelt, Hiercgl. Lib. LV.- 
cap. 8- 



174 



BEVALLIGHEIT. 



man is, zich tot deze dooling [*Tt] heeft kunnen laten bybrengen. Hy 
flooft zich uit om Phnius woorden te veranderen 5 want daer die fchryver 
Katoos zeegen nederzet ^ fommofos fieri kporefimto m abis, dat namentlyk ' 
het haczevleefch onsjlaperigh tnaekt, meent hy dat men in de plaets y^nfom- 
niofos, ilaperigh, moet lezen f ormofos, fchoon en bevalligh : want wat de 
woorden belangt, die by Plinius op de aengehaelde plaets volgen , te we- 
ten, dat de gcmeene man zich inbeelt, dat door 't eeten van haezevleefch 
het lichacm zeven dagen langh aengenaem en bevalligh wiert -, daerin ver- 
werpt hy de zotte beuzelary der mcnfchen, zeggende zelf, dat zulks een 
onnozel fprenkje was [Vv]. Dewyl 't ook kenlyk is dat de haes by gcene 
oude fchryvers, in wier tyden dat fpreukje onder den gemeenen man ver- 
fpreit was, voor een beelt der bevalhgheit te boek ftaet; zoo veel te min- 
der moet hy 'er nu voor gehouden worden, nu die inbeelding ophoudt. 
Dit fchynt evenwel Piërius tot zyn voordeel te duiden, dat by Filoftraet 
de Kupidoos afgemaelt zyn, hun vermaek fcheppende in eenen haes, ter- 
wyl hy in de fchaduw van eencn appelboom ging weiden, aen 't loopen te 
helpen, na te jagen, te vangen, en weder te laten ontglippen enz. maer 
wat komt dat by de bevalligheit te pas ? Duizent diergelyke geuren kan 
men te Rome in de lufthoven aen gevels, en lyften der gebouwen vinden, 
alwaer de nackte Liefdegoden verheelt ftaen, nemende hun vermaek in het 
fpelen met geiten , apen en andere genoeglyke dieren. Dat wy de Kupi- 
doos op de haezejagt gezien hebben, was enkel om dat wilt te vangen, en 
het dan aen Venus te gaen vereeren, niet als een beelt der bevalligheit, maer 
omdat het een zeer vruchtbaer[Ww]dier, en geweldigh tot Venus genegen 
is : waeromzy 'thaer als een zeer aengenaem gefchenk levendigh zogten toe 
te brengen: om welke reden ook niemant van de Kupidoos 'er met een pyl 
naer fchoot. Ja Filoftraet zelf noemt de minnaers zot, die meenden dat 'er 
in den haes eene eigenfchap zat, die kracht had om liefde te verwekken. 
Hierom ook geeft Piërius te vergeefs een fchimp- of puntdicht van Martiael 
op, daer de zin omtrent deze van is [Xx] : 

Gy zent my eenen haes^ en raedt my daer van f eeten , 
Ja zegt^ dat dan de menfch een inkeek van fchoonheit blaekt ; 
Maer zoogy hier nietfpot en krenkt het heterzveten , 
Zoo hebt ge ^ oGellia, noit haezevleefch gefmaekt. 

Dan dit zyn fpotvaerzen, waeraen men wel zien kan, dat het de dichter op 
Gelliaes lelykheit geladen had. Piërius maekt nogh gewagh van Alexan- 

der 

[^*Tt] Dat Piërius in deze doolingh niet gewecft is , zullen wy beneden aentonen in 
de aenmcrking Aaa. 

[Vv] Hift. Nat. Lib. XXVIII. cap. 19. Somms fieri le{>ore fumto in cibis Cato arbi' 
tramr : vulgus & gratiam corpori in feptem dies frivolo quidem jeco , cui tarnen aliqua de 
beat fubejfe canfa in tanta perfnajione. Dat is : Kato meent , dat 'er door 't eeten van hae- 
2.evlees Jlaep wort verwekt : de gemeene man gelooft ook^, dat 'er bevalligheit aen 't lichaem 
voor den tyt van zeeven dagen door wort bjgez^et , u'el met eenonnoz.el fpreuk^je , maer daer 
evenwel eenige reden in moet fleeken , dewyl men 'er z.00 een groote inbeelding van heeft, 

[WwJ Zie Piërius zelf, Hierogl. Lib. XIII. cap. 6. en 7. 
[Xx] Lib. IV. Epigr. 30. 

Si quando Icporetn mittis mihi, Gellia, dicis, 

Formofus fèptem, Marce, diebiis cris. 
Si non derides, fi vcrum, lux mca, narras, 
Edifli nunquam, Gellia, tu Icporem. 



BEVALLIG H EI T. 175 

der Scverus, zeggende, dat hy een bcvall.gh Yorft was, endikwylsluczen 
■ at: doch wat geldt zulx hier? Severus Lxhoefde zyne bevaUighcit geen 
I haezcvleefch dank te weten, macr hy had ze van natuure. Dat hy echter 
: veelmael haczen voor hem liet opdiflchen fpreek ik niet tegen; doch zoo 
, gy my naer de reden hiervan vracgt zal ik zeggen, dat het alleen de fmaek 
; was, dien hy in dat wilt gehad heeft. Laet ook iemantzoveel haezevleefch 
eeten als hy wil en kanj ik durf u wel verzekeren , dat, zoo hy geene na- 
, tuurlyke bevalligheit heeft, hy ze hierdoor niet bekomen zal." Picrius 
i haeltook een zeker poëet aen, dic eens al wat fcherp boerte met de veel- 
vuldige haezegerechten des genoemden Keizers, hem zeggende dat hy zy-^ 
ne bevalligheit daer aen fchuldigh was [Yy] : waerop hy, naer Lampridi-- 
i lis getuigenis, dit antwoort [Zz] van den Vorft ontfing: Indien gy, o elen- 
dtgh dichter, bet gemeene beuzelpraefje geloof gevende, meent, dat hei ■isvaer is , 
datHW koning zich fchoQn heeft gcgceten, zoo vergram ik my met : alleenlyk 
\ 'wilde ik '-Ji-el dat gy door het eeten van haezevleefch de vlekken mt vive ziel kofl 
• krjgen; opdat gy aldus fcboon mogt '■ji'orden , enniemant meer henyden. Uit den 
inhoudt van dit antwoort ziet men, dat de Keizer dat praetje van 't haeze- 
1 yleefch voor een belachelyke zaek heeft gehouden, dewylhy den maker van 
1 X X 2 dat 



[Yy] Eüus Lr.mpridius in Alexand. Scvcr. cap. 38. Quod Hle quotidie leporem habe- 
ret, jectis poëticus enterjït , idcirco quod tK uit i fep tem dubus piilchros ejje dicHUt eos , cjtii 
leporem comederint . 

Pulchrum quod vides eflè noftrum ijgcm, 
Qucm Syrum flia dctulit propago, 
Vcnatus facit & Icpus comcfus , 
Ex quo continuüm capit Icporcm. 
Dat is : 

Omdat hy * dageljkj haezevleefch op tafel hadde, is 'er [dit] fihimpdicht van een poëet voor * alexand. 
den dag gekomen , tmdat veele z.eggen% dat die geene z.even dagen lang fchoon z.pi, «a/Zf Severus. 
haez.evleefch hebben gegeten : 

Dat onze Koning , uit het Sirifch bloet gefpreten , 
Is fchoon , gelyk^gy ziet , dat doet , opdat gy 't weet ^ 
Het wil tbr act, en al 't vlees der haezen, die hy eet : 
Waerdoor hy fteets fchynt met bevalligheit begoten. 

Ons Nederduitfch vaers is onbcfchacft, gelyk ook het Latynfchcganfchnictnadckunft 
gemaekt is. Dogh het is genoeg, dat wy den lezer den zin doen zien. In 't Latyn- 
ichc fchimpdicht echter is nog cene zekere acrdighcit, die voornamentlyk belhet in het 
woort leporem^ het welke na de verfchciden uitfprack betekent, of bevalligheit, of een 1 

haes., wordende de middcUle lettergreep in de cerlle betekenis lang, doch in de twee- 
de, kort uitgefproken. 

[Zz] hl Griekfche vaeaert , waer\'an Lampridius ter gezeide plaets deze Latynfclie 
vertaling bybrengt j hoewel die ook ganfch niet fierl\k is : 

Pulchrum quod putas cfTe vcftrum rcgcrn 

Vulgari , miferande , de fabella : 

Si vemm putas eflè, non irafcor. , 

Tantum tu comedas velim Icpufclos 

Ut fias, animi malis repulfis, 

Pulchcr, nc invideas li\'orc mcntis. 



ï']6 



B E V A L L I G H E I T. 



dat vaers een élcndigh dichter noemt. Nademael \vy dan nieenen tegens Pië- 
rius [Aaa] getoont te hebben, dat de haes geene bevalligheitaenbrengt, 
nochte een beek der zelve kan ftrekken, zoo zullen wy hem daer laten, en 

houden 

[Aaa] Verkeerdclyk, Zaratino, veikeerdelyk ! Piërins heeft dat al zoo iveinigh £Te* 
looft, als Sevcrus of ecnig ander man v;in verftant. Want dat hy in de aengchaeTde 
woorden van Plinius fchoon wil lezen in plaets van Jlaeperigh , daer door toont hy gecn- 
fins , dat hy in zoo een verkeert gevoelen heeft gcftoken ; maer hfct geen hem tot die 
verandering (daer hem echter anderen, gclyk hy zelf te kennen geeft, in zyn voorge- 
gaen) bewogen heeft, is, dat hy heeft gcniccnt, dat Kato het zelfde van den haes ge- 
Ichreven hadde dat 'er de gemeene man z,ich van inbseldde : welke woorden hy ook tot 
bïveftiging van zyne verandering bybrengt. Of die inbeelding nu een onnoi^el fpreuk^^je- 
was of niet, dat doet hier niets tot de zaek, dewyl hy maer alleenlyk wilde bcwyzcn^ 
dat de menfehen die verbeelding hadden. Het geen men van den haes by Filoltratus 
leeft , daer uit tracht Piërius ook niets te trekken tot zyn voordeel , noch brengt dat by 
tot beveftiging van het gemelde gemeene mans praetje , als of dat waer was , maer enkel 
om te bewyzen, dat de haes aen Venus em zjne vrnchtbaerheit ~^cer aengenaem was ^ en 
onder de dieren^ daer z.y veel werks '^^''^ maekte , getelt ivtert; gelyk zyneeigewoordert 
zyn. Omdat nu dit dier aen Venus, de Godinne die Ichoonheit en be\'alligheit wcrt 
gelooft te geven, heilig was, zoo fchynt daeruit dat belachelykc praetje gefproten te zyn j, 
alsof ze ook die verborge kracht aen 't vleefch van haer geliefde beeftje hadde ingeftort. 
En zoo men de woorden van Piërius wel inziet, zal men bevinden, dat hy daer heeri 
wil. Plinius zelf geeft iets diergclyks te kennen, als hy zegt, dat 'er in dat fpreuh^je 
evenwel cenige reden moeft fleken , deti/yl men 'er z.00 eene groote inbeelding van had. Dat 
voorts de vaerzen van Martiael ipotvaerzen zyn, waer mede hy Gcllia haere lelykheit 
verwyt j neemt dat weg, dat 'er zoo een inbeelding geweeft zyF immers neen. Zoo' 
ze 'er niet geweeft was , wat flot , wat aerdigheit , wat geeft zou 'er dan in dat punt- 
dicht fteken ? daerom worden ze dan niet te vergeefs bygebragt van Piërius j en bewy- 
zen zeer wel, dat de menfehen die inbeelding hadden ; om weder de eige woorden van 
Piërius te gebruiken. Ook zegt hy niet, gelyk Kaftelliui hier wil, dit Sevcrus een be- 
vallig Vorft was , omdat hy zoo veel haezevlees at. Verre van daer ! Hy zegt alleenlyk 
dat de menfehen zulke dingen als een waerachtige zaek vertelden , en dat op die veitel- 
ïingen de acngehaelde vaerzen op Sevcnis gemaekt, zagen. Vi^at nu 't antwoort vant 
den Keizer daerop belangt, zulks toont immers ook al klaer, dat 'er wacrlyk zoo eer» 
gemeen heuz.elpraetje gelopen heeft, fchoon hy 't met reden voor belachelyk hielt. Ert 
dat is al het geene dat Piërius zoekt aen te toonen. Oj^ wat reden het fteunt, dat Za- 
ratino wil, dat de haes altoos nu, na dat die inbeelding, alsof zyn vleefch iemant kon», 
de bevalligh maken, ophout, voor geen zinrtebeelt van bevalligheit kan gehouden wor- f 
den, zulks begryp ik ten eenemael niet. Immers waerora maek^ hy dan hier den vogel 
Jynx tot een zinnebeelt van. de bevalligheit? Of gelooft iemant miffchien nu nogh, dac 
'er die dingen in waer zyn,- die 'er de ouden van vertelt hebben? By gevolge, indier» 
het aen Kaftellini vry ftaet de Jynx te maken tot een zinfchets van bevalligheit, omdat 
de Griekfclie dichters verziert hebben ,. dat deze vogel eenen ingefchapen acrt had om de 
liefde wakker re maken,, zoo ftaet het Piërius ook vry om den haes te maken tot een zin- 
nebeelt van be\^alligheit , omdat de ouden verziert hebben , dat het haeze^decs eencn in- 
gefchapen aert had, om die geene, die 't aten, fchoon en bevalligh te maken. Dus me- 
nen wy dan tegen Zaï-atino getoont te hebben, dat Piërius toe zoo eene dooling geen- 
fins is verrukt geweeft,. en de verbeelding niet heeft gehad, alsof het haezevlees iemant 
bevalligh maekte.- Wat nu eindclyk de verandering van de plaets van Plinius belangt, 
Piërius geeft zich daeromtrcnt niet veele moeite, maer roert ze enicel meteen woord aen:- 
zeggende, dat fommige daer, in plaets Sfzn Jlaeperigh kcim fchoon: en dat hem die lec- 
zing beter behaegt, omdat Plinius 'er terftont op lact volgen, dat de gemeene man ool^ 
gelooft , dat 'er het lichaem bevalligheit door wort bygez.et. Dit is al wat hy van die ver- - 
andcring zegt. Waerin ik hem echter te mii»dcr kan volgen, omdat het geenfinstege- 
ïooven IS, dat zoo een verflandig man als Kato was, dat bclachelyke bcuzelpraetje A'ai> 
onkundige menfehen in zyne fchriften, als eene waerachtige zaek zoude hebben willcii 
invoegen. Piërius zelf, zonder zyne verandering verder aen te dringen, gaet voort om 
aen te toonen dat de Icezing Jlaeperigh ook goet is. Zie hier zyne eige woorden : Maer^ 
zegt hy, Tvat de Jlaeperige aenbdangt , de Geneesheeren z.eggen , datheth.icz.evleesz.tvaer-' 

jetoediirhek 



B E V A L L I CH E I T. 177 

houden het met de rechte fieraden dezer beeltenis. Tc weten de rozckrans 
en heliochryfvs voegen haer beter, naerdien 'erin deze gewaflen zelve, ge- 
lyk gezeit is, een zonderHngc bevalligheit zich opdoet: en vermits de na- 
tuurlyke bevalligheit vermeerdert wort door kunftige ileraden, kunnen zy 
gezegt worden haer bevalligh te maken, die zy verlieren. Zoo zette 
de kroon Juno, de helm Pallas eenige bevaUigheit by : en Venus, hoewel 
van natuure fchoon en bevalligh, droeg tot geen ander einde hacren gordel 
dan om haere natuurlyke bevalligheit nogh bevalliger te maken : en dat ze 
den gordel afleggende, een tulbant van rezen 'm de plaets nam, was om 't 
geen liare bevalhgheit door 't miilün van 't eenc lleraet verloor, weder goct 
te maken door 't aennemen van een ander. Vrouwen toch paft het fieraet -, 
nnrs evenwel, dat ze blyven binnen de palen der ecrbaerheir. Laet ze fraei 
maer zcdigh geflert zyn. Hoerachtige pronkeryen geven in myn oog wel 
eene flechte bevalhgheit aen de vrouwen, die quanfuis nogh al eerbaer zyn 
willen. En 't behaegde voorwaer den Keizer Auguftus niet, hoewel hy 
'er een zwygen toe deed, dat hy zyne dochter Julia eens opgepronkt zagh 
meteen lichtvaerdigh en dartel gewaer, en zuix dat het haer ganfch niet 
betaemde. Daegs daeraen zagh hy haer weder, maer geheel anders, datis 
zedigh gckleet, waerophyhaerquamomarrnen,flakcndedezewoordenCi): ,j, ^^^^^^^ 
O hoe ixel beter i-oegt dit gc'-ji'aet de dochter ir.n Augnjitis dan de kleeding van Apopiuh. ' 
gifleren! Op welk zeggen zy evenwel geen antv/oort fchuldigh bleef, maer ^'^- ^^• 
pafte 'er dit op : Vatt daeg heb ik :ny "verfiert naer het oog van jnyaen vader ^ 
engijteren naer dat van mynen gemael. Echter paft het veel beter, dat de 
vrouwen zichzoopfchikken, dat ze lieveraldus haren vaderen behagen, dan 
haeren mannen. En dus hebben wy dan een regel of drie op den tooi der 
vrouwen geftelt. Volgen eenige kledyleflen enz. voor de mannen ; Dien 
voegt geheel geene ydele en zotte pronkery [Bbb], omdat ze met de man- 
lyke achtbaerheit ftryt. Wat echter binnen de palen der betaemlykheit 
blyft, zullen wy hun niet ontzeggen. Ovidius [Ccc] is 't hierin met ons 
eens, daer hy zegt dat te weits een pronk dèn mannen misftaet. ja het 
ruikt naer enkele verwyftheit, en ftrekt tot fchande van een' man, als hy 
in allerlei vroulyke opfmukkingen deleftgenoemde kunne tracht naer te boot- 
fen. Breng hier zulke zachte kleders niet, laet dat hairkrullen v/at ach- 
ter, endezefpiegels, reukwerken en ander poppetuig hier vandaen doen. 
Een man moet zyne achtbaerheit bewaren, en geene bevaUigheit uit zulke 
dingen trachten te halen. Men vint 'er die zich eencn tederen en gemaek- 
ten gang[Ddd]aenwennen, hun hooft en oogen quanfuis geeftigh draeien, 
met eene zachte en fyne ftem willen fprcken, en byna eenen geduurigen 
lach vertoonen. Maer in plaets dat dit hen bevalhgh zou doen zyn, maekt 
deze gemaektheit hen gchaet^ wordende tot de man(ykc bevalhgheit acht- 
/. 'Deel. Y y baerheit 

maedigheit voedt , en de ge ellen dof maeht , omdat het dik.bloet teelt, gelyk^Tfelltis z.egtin 
;:.yn boeltje aengaende de Eetwyz-e : want dat vleefch is z.ekciiyk^k3f{tachtigh , en heeft neer 
veel vochti^hcit tn z.ich ; en de fpjz.en die diisdanigh zyn , ^uorden bevonden flaep te ver-' 
wekken. Doch het is tyt, dat wy tot iets anders overgacn: dit echter moeiten wy zeg- 
gen , om te toonen dat 'deze groote man nooit zulke bedroefde flcllingen gcmaekt hecttv 
[Bbb] Zie onze aenmeikingen over 't beek van de Achtb/terhett blad::.. i6. C. 
[Ccc] Epiil. Phxd. vers. 6, 

Fmc coli modico forma virilis amat. 
Dat is. 

De fchoonheit van een man moet matig z.yn gejiert. 
[Ddd] Zie wederom de Achtbaerheit bladz. ij. aenm. F en G. 



178 



B E V A L L I G H E I T. 



baerheit en dapperheit vereifcht. Befchou Mecenas eens. Decs wert 't is 
waer om zyne miltheit door de poëten geprezen; maer wat zegt 'er de Fi- 
lozoof Seneka van? hy veracht 's mans groote gemaektheit, en fpreekt 'er 
in den CXIV- brief aldus over [Eee] : Hoe Mecenas geheft hebbe is bekender 
dan dat het hier behoeft verhaelt te iL'orden ; op iz-at 'u:ys hy ging ; hoe kiefch en 
'week hy zich hielt ; hoe hyji'ilde gezien z^'ezen, en met zyne gebreken pronken. 
Wat dan? ijl- ar en niet zyne iz'oorden al zoo los, als hy zelf? zyn zyne 'X'oorden 
niet al zoo opgefmtikt als zyn aengezicht, Jleep , hms en vrotiiv ? Zeker de ge- 
maektheit mishaegt elk; zelf dikwyis ook-aen hun, die anderszins deze 
perfoonen zelf buiten dat gebrek genegen zyn : hoewel de vlcizucht ze uit 
eigenbaet door de vingers ziet, en durft pryzcn. Suetonius en Makrobius 
verhalen, dat Auguftus een mishagen [Fff] fchepte in des gedachten Me- 
cenas gemaekte redevoeringen, hoewel hy hem anders zeer wel lydenmogt 
en beminde. Wie dan de bevalligheit langs verkeerde wegen tracht te be- 
halen, ftelt zich niet zelden ten fchimp zyner eige vrienden, enverliefteen 
groot deel van zyne achtbaerheit en gunft by wyze en deftige luiden. Maer 
aldus beginnen we dan allengs het einde fan dit zinnebeelt te naderen, en 
lant te zien; want wy komen tot het vogeltje dat onze fchoone nimf in hae- 
re flinke hant heeft. 

Dit wert, gelykin't begin gezeit is, in't Griekfch, en ook van Phnius 

lynx 



[Eee] Quomedo A{£cenas vixerit , notins efl, i^uam ut narrari nunc debeat : eiuomodo 
ambulaverit , tjuam delicatHs fnent , cjuam CHpierit videri , cjuum vitta fna latere noluerit. 
Ouid erf o ? non oratio ejus ttcjue foluta efi , e^uam iffe difcindus ? non tam inf.gnita HUhs 
-verba [nnt , quam Cftltus , tjnam comitatus , (juam domus, qnam ».xtr? 

fFff] Geen wonder, dewylhy zelf een liefhebber was van fierlyk, doch ook natuur- 
lyk , en voor al verftacnbaer te fchry ven en te fpreckcn. De gemaekte en opgclhiukte 
ipreckwyzcn van Mecenas noeoide hy niet onaerdig cincinni j^^^o^^iVj'? , als of men 
zeide, geperfumeerde hairkrullen, en befpotce die dikwils, door dezelve al boertende na 
(i) Aug. te volgen gelyk Suetonius (i) aentckent. Makrobius (2) heeft ons een ftuk van dier- 
cap. 86. gelykcn brief van Auguftus aen Mecenas zelf gefchrcven, bewaert, dat de kruidigheic 
(1) Samrn. y^j^ dczen ridder zeer aerdig verheelt: wy zuUen 't hier inlaflchen, en de lezer zal zich 
verwonderen , hoe de rechte en manlykc welfprckenheit in dien tyt , toen ze op haer hecr- 
lykfte was, begon bedorven te worden: want Mecenas was de enigfte niet, die dat ge- 
brek hadde. Zie hier het genoemde ftuk volgens de verbetering van Kazaubonus : 
Vale mei gemmeum MedHllKt , ebur ex Hetruria , lafer Aretinnm , adamas fupernas , 
Tiberinur» A-iargaritunt , Cilniorumfmaragde , fafpi fignlorum , beryile Porfenn* , Carbun- 
culum ItdU , K»; (';« fvvrïu'j} Troii'x , t^dAayj^x moechurnm. Wy kunnen dit onmoge- 
lyk zoo overzetten, dat het de aerdigheit die 't in 'tLatyn heeft, in 't Nedcrduitlch be- 
houde. Op dat echter de lezer, in talen onervaren, 'er ook enigfins begrip van mach 
maken, vertolken wy het aldus: Faerwel, o Koning van Medullia, z.00 ksflel als edel 
gefteente , o jvoor uitT'ofl^ne, Litz,erfap van Arez.z.0 , diamant der Bovenz.ee ^ Parel van 
den Tiber, Smaragde van 't geflacht der Ctlnien, fafpis der PottebakJ^rs , Beril van Por- ; 
fena, Rohjn van Italië , en om alles hort te z.eggen , Stoof f leifier der everfpelerejfen. De- 
ze wonderlyk opgefmuktc benamingen hier uit te leggen, behoort tot deze plaets niet. \ 
Auguftus gebruikte ze om 'er quanfuis de voortrcfielykheit en aengenaemheit van Mece- ' 
nas mede te kennen te geven , Ichcrtfende on Jertuffèn met den opgcpronktcn ftyl van dien 
Ridder. En 't komt ons niet onwaerichynelyk voor, dat de Keizer deze zoo kruidige 
fpretkwyzen voor 't grootftc gedeelte met voordacht uit enige fchriften van Mecenas heeft 
uitgekipt: hocdanigc fprcekwyzen men nog vint in hetrouwdicht, dat hy gcmaekt heeft 
op de doot van Horatius,^ aengehaclt by Poncanus over deze plaets van Makrobius. 
Een ander ftael van zyne opgefmukte fpreckwyzen vint men by Seneka in zynen negen- , 
tienden, en een wytlopiger in zyncn 114. briel-, daer hy hem dies wegen dapper over 
den hekel haelt. 



cap. 4. 



B E V A L L I G H E I T. lyp 

/rwxgenacmt, en is niet het zelve , dat by den Latynift JV/ö/^r///^ heet • ^e- 
lyk veele Ichryvers te onrecht hebben gemeent [Ggg]. Doch hoc het zy, 

Yy2 'CIS 

[Ggg] De opfteller van dit nederduitfch zinnebeck roert hier enkel aen, het eeene 
in 't Italiaenfche opftel van den Hcere Kaft.-llini breder is uitgevocrt. Dat liy 'er vanby 
een gebracht heeft, wiUen wy den lezercn, die liefliebbcryc in diergelyke zaeken moe- 
ten hebben niet benyden, en hun onze gedachten daer over ook niet onthouden. 'L\c 
hier 's mans woorden : Het vogeltje, zegt hy , dat ons heelt m de JUnhe ham heeft, van 
de Gnekfti en v.'.n onz.en Piimus genAemt lynx is met het zelve, «is de quikllaeit, '^v de 
Latynen motacilla^e/;(f««; , geljhhet eenige fchrpirs quAlykJiebben vertaelt by PindJrus , h 
Snidas, en bj den mtlegger v.:;i Theokritus in df Farmakentria, dweilende met noch veele 
andere voorname fchryz-ers : oi.der nrlke zyn Greg.GjrAldus Syntag. 8. iV.if.Cor/ïw Mythol. 
Lib. 8. en AlciatHs Emblem. 78. Insgeljki divaelt Theodorus Gaz.a met te z-sfren , dut 
de \\\vi gemeenlyk^U'ort genoemt Torquilla , en door de Ouden Turbo, "elyk^als fob.w- 
nes B.'ift.'fi.-i Pi lis aenwyfi in het twed.e hooftftn\!^z.jner aentekemngen. Zy wort van z.om- 
mige te recht genoemt Torcico, (dracifter) omdat dehjwx een vogel is, die den halsdraeit, 
terwyl het overige van 't lichaem vafi fiaet , volgens Artftoteles in het twaelfde hooftfiu^ 
van het twede boel^ aengaende de natuur der dieren : alii/aer hy redeneert van de verd.ee- 
lingen de-r teenen , ^.eggende , dat alle de vogelen vier teenen hebben, drie voorwaerts en 
een achterwaerts , behalven enige weinige, die 'rr aen elke zjyde van den voet twee hebben , 
gelyk. het vogeltje { z^egt hy) dat men lynx noemt , z.ynde een weinigje grooter dan een vinl^, 
bont van hhur , en hebbende een tong gelj/le^die der /langen, die z.e ter lengte van vier vin- 
geren tiitjleekl en dan rvcderom binnen den be\^ trekt : zy draeit den hals ook^ om , achter- 
waerts , het overige van 't lichaem rttflende. Dit is het ^eene 'er Ariftoteles van z.eTt die 
gevolgt wort door Plinins in het 47 hooftfiuk, van z.yn elfde Boek ' lynx lola utrimquc bi- 
nos digitos habet. Eadem Hnguam fcrpentium limik-m in magmm longitudinem por- 
rigit : circumagit collum in avcrfum. Ungues ci grandts lèu graccules. Dat is : de 
lynx alleen heeft aen beide de kanten van eiken voet rwec teenen. Zy fteekt haer tong, 
gelykende die der flangen, uit tot eene grootc lengte: zy draeit hacren hals om na ach- 
teren. Zy heeft groote klaeuwen even als de kaeuwen. 't Is z.eker, dat de motacilla, 
of de ^tiikftaert de teenen niet heeft verdeelt in twee aen elke zyde van den voet ; maer 
wel, dat z.e 'er drie van voor en en een van achteren heeft ; nochtc datz.e de toyr vier vin- 
geren lang uitfieeh , nochte den hals achterwaerts omdraeit blyvende met het overige van 
't lichaem fin ftaen , gelyk, de lynx deet: nademael de e]titk^(taert , gelyk, de naem te ken- 
nen geeft , z.yn ftaert beweegt. De lynx wort te Rnme gemeenljk picco ( fleeker , pil^ 
ker) genoemt , omdat z.y in de boomen pikt , waer door z.e de mieren doet Kitkomen : haer 
gez.angh komt aen Eliaen in zjyn Hifiorie der Dieren in 't iqde Hooftfluk^ van 't 6de 
Boek_z-oor als gelykende den klank,van een krom- blaes- of wal! hoer:; : r:v^ TrAayisi» oi-j7év. 
Tot dus verre de Heer Kaftcllini : welken wy, voor zoo veel als de lynx van Ariftote- 
les en Plinius, hier boven bcfchrcven, is rakende, gaern willen toeftaen, dat zy dezelve 
niet kan zyn als è^c motacilU of quikftacrt der L;itynjn ^ vermits de gemelde verdeeling 
der teenen : want wat het bev.'egen van den ftacit belaugt , ik zie zoo veel zwarigheit 
niet, v.acrom zulks niet zoude kunnen gefchieden, het Ivf ftilftaende. Daerom, ge- 
merkt datSuidas zelfde lynx vertaelt door c-c-ursirt/j'.V en Knat/Jnv, met welk woort He- 
fychius de lynx ook vertolkt, gcivk de oude Uitlegger van Theokritus door sua'Sect.-^ 
en het kcnbavr is aen die geene, die de Gnekfche tael verilaen, dat alle deczc woorden 
zeer wel mit het Latyniche motacilla en Ncderduitlche quikftaert overeenkomen , als 
gevende de beweging van de fiaert te kennen^ zoo zyn die fchryvers niet zeer te bcfchul- 
digcn die de nnx met een wooit vertaelt hebben, dat mede die fchuddinge van den ftaert 
uitdrukt: altoos verder niet, als dat ze daer tos juift een naem gebruikende, die reeds 
aen een anderen vogel gegeven was, geen genoegfaem onderlchcit tuflchen die twee vo- 
gelen laten. Want dat de lynx van Ariftoteles , en de motactlla der Latynen twee ver- 
fcheide vogels zyn , is uit het voorgemelde klaer. Zie ook Salmaf^ Exercit. Plin. pag. 
662. a. Voorts vinde ik geen reden, waerom de uitlegging van Gaza, door toicjmlla 
en turbo verworpen wort: daer Kaftellini zelfde uitlegging van die goedkeurt, die de- 
zen vogel torcico of dracifter noemen; en tor^mlla ook draeifier of draeih^ls, en turbo 
een tol (die gcdueriglyk draeit) betekent: en hoewel ik juift dezen vogel met die nam. -n 
by geen goede fchryvers benoemt vinde, drukt ze echter deszelfs nacuui- geno g uir. 

Tzttzes 



i8o B E V A L L I G H E ï T. 

'tis een vogel die den hals geduurigh dracit, terwyl 't overige lyf ftil ftaet. 
De fabelfchryvcrs verzieren dat lynx eene vrou geweert zy, maer door Ju- 
no in dezen vogel verandert, omdat ze door zekere toverkunll Jiipiterhad 
weten te doen verlieven op lo , Inachus dochter. Zie Tzetzes [Hhh] en 
anderen. Doch d' uitlegger van Theokritus [lii] wil , dat ze haere tc- 
vertreken te werk ftelde om Jupitcr op haer zelve te doen verflingeren. 
Het zy hiermede hoe 't wil, wy zullen flechts voortgaen. Kallimachus 
dan zeit ze eene dochter van Echo te zyn^ anderen van Pitho [Kkk] , die 
voor de godin der overredinge gehouden wert. Pindarus zegt in 't IV. o-e- 
zang van zyne Pithifche Spelen, daer hy de overwinning van Arceziiaus 
befchryft, dat Venus dezen bevalligen vogel uit den hemel hcefi: gcbra"-t 
enaenjazon vereert, om Medea tot liefde te verwekken. Altoos, dcou- 
de Grieken hebben dezen vogel gehouden voor bequaem totminnezuchtio-e 
betoveringen [LU]. Theokritus voert de nimf Simetha die op eenen Del- 
lis van Mindus verheft was, dus fprekende in zyne gezangen in: 



Vat Vel fis door het zoet geii-elt 

Ver liefde zygtraekt^ 
En^ ah dit wajch ^ doormingequelt, 

Eens ii:orde zacht gemaekt . 
Zie hoe dit kopen fpookrat rolt. 



Voor moeder Venus omgejblt. 

Trek, lynx, naer myn keur 
Ve zinnen dus van dezen rnan^ 
Vat hy niet langer myden kan 

Mjn '■odezen noch myn deur. 

Dewyl 

Tzetzes over Lykofron v. 510. befchryft ze zoo : De Ipx is eigtmlyk^een vogeltje dat 
den fitten altn beweegt , becjuaem en* liefde te verwekken- Het is bont van vederen , Imo- 
van hals , hebbende eene tong die z.eer lang uitfteekt , den hals dikjvils omwendende en drae- 
jende. Zie hier klaer het bewegen van den ftaert : waerom men zich te meer moet ver- 
wonderen, dat Zaratino die tcgenfpreekt , daer hy Tzetzes voor oogcn heeft gehad, en 
hem terftont aenhaelt. Wat haer tong belangt, Piërius zegt, dat zy die uitrekc en in- 
haelt op de wyze als een Pier zich zelve verlengt en weder intrekt. Zy vang: 'er de 
mieren mede, en wort getelt onder de fpechten. Zie Jonflon. Ondertuflchen moet 
men ook deZ/w-v van Ariftoteles niet vermengen met dekinkjos, (hoewel fommige, ook 
Tzetzes, meencn dat ze de zelve zyn) die van Suidas mede vertaelt wort (ti^fOTTvyk ^ en ' 
te voren ook door ons zelve is overgezet ^mk^fiaertje , en onderfcheiden van demotaal- 
la: want delpx van Ariftoteles ftaet, gelyk Kaftellini getoont heeft, met zyn lyf ftil 
en vaft ; daer nochtans de kinklos van agteren geheel zwak is : gclyk wy boven in 'c 
beek der Armoede pag. 77. hebben aengewczen. Ook toonden wy daer, dat de kifklor 
een zeevogel is^ raacr de /p.r is een lantyogel, gelyk blykt uit het gene 'er Jonfton van 
aentekent, van de Natuur der Vogelen, in 't derde Hooftftuk van 't derde boek. 

[|Hhh] Men zegt, zvn Zyne woorden, di^t lynx z.elf eerjl eene vromv geweefi ty , de 
dochter van Pitho , of Echo , en Pan , fy.piter door ttvery deende verheven , of ló , en door 
'juno verandert in een vogel. 

[lii] Zoo vertelt het ook Kallimachus. 

[Kkk] Omdat 'er in de liefde is een kracht van overreeding, kunnende eenen ver- 
zotten minnacr alles doen geloven wat zy ook wü : gelyk Pièrius het uitlegt. HierogL 
Lib. XXVI. cap. 5. ^ 

[LU] Hoor wederom Tzetzes, wiens woorden ook licht geven aen 't volgende vers 
van Theokritus : Dei.e vogel., zegt hy , is de tovereffen dienfttg in hare toverltederen om 
liefde te verweken : war.t z.y nemen de z.elve en binden z.e aen een z.eker rat , het welke 
zy rontom draeien, te gel';k^x.!ngende. Andere zeggen, dat zy ze te gelyk. met een) At van 
■wafch voor 't vitur brengen., en het zelve fmelten. En Ibmnüge willen, dat zehetinge- 
want 'er mttrekj^n , en *en het rat binden. Hit eerlte van deze drie dingen beveftigC 
ook Suidas, en zegt vorder, dat Inyx ook een zeker gereetfchap was, dat de tovereflèn 
wiilcn om te draeien om 'er de harten der beminden mede te rtreelen : hctwelke Nice- 
phorus Gregoras volgens 't getuigenis van Junius Ad. 94. Cent. 4. ook aentekent. Dat 
Theokritus vorder van waich fpreekt, ziet niet op het walfchen rat daer Tzetzes van melt, 
maer op iets anders. Namentlyk de toverelfen maekten beelden van wafch en andere 
ftofte, aen welke zy deeden , het geene zy wilden dat wedervaren zoude aendiegeene, 
die daerdoor verheelt wierden, V'ng'jl. Eclog. ^. v, -jó & Si. en anderen. 



B E V A L L ï G H E 1 T. i8i 

Dewyldan de Gnekfche dichters verzierden, dat deze vogel eenen in2;c- 
. fchapen aert had [Mram], om de liefde wakker te m^ken, zoo is 't dat de- 
ze lantacrt gemeenlyk, als by gelykenis, alle bekoorlyke dingen, d;c bc- 
quaem waren om liefde te verwekken, of iemant te ov£i-veden,Iymesnozm- 
de. Tzetzes heet uit dien hoofde de aengenaeme woorden i.oyt.cc'. ruj-ys,-, 
Tyngen de;- u-oorden, dat is, verlokkende en betoverende woorden j want 
. eene lieflyke reden kan zelf een ftaelen gemoet buigen. Hierom zeggen de 
: Grieken wydcrs, dat Helena zulke krachtige I)figc?i bezat, dat is te zeg- 
gen, zoobevalligh was, dat ze Priamus gramfchap belette boven te ko- 

■ men, fchoon hy zagh, dat zy de oorzack was van den ral van zyn ryk en 
koningsftat: in tegendeel noemde hy haer, met eene vaderlyke toegcne- 
gentheit, zyne dochter. Suidas zegt , dat Kleopatra door hacre lyyigen 

■ [Nnn], dat is, bevalligheden, Auguftus in liefde meende tot haer te lok- 
• ken, gelyk zedit Julius Cezar, en Ar.tonius geklaert had. Maer al ge- 
noeg hiervan. Het iuft ons op de verbloemde tacl van Pindarus te gaen 
letten. Te weten zyn zeggen is, dat Venus den meergemelden vogel uit 
den hemel nedergebragt heeft. Hiermede wil hy voorzeker te kennen ge- 
ven, gelyk het ook waerlyk is, dat de geellige bevaUigheit eene byzonde- 
re hemelgaef zyj waermede dcwyl Jazon verliert was, wert Medea zulx 
op hem verlieft, dat ze , in wederwil van den koning enkoningin van Kol- 

. chis, haeren vader en moeder, zich aen Jazon in hiiwlyk verbondt. Het 
; is ook eene onwraekbaere wacrheit, dat noch adel, nochfchoonheit machts 
genoeg heeft, om een wys gemoet tot haer te trekken, zonder het middel 
der bevaUigheit. Waerover Suetonius, aengaende Neroos fchoonheit te 
boekftelt, dat'ergeene bevaUigheit [Ooo] noch aenminnigheit by wasj 
maer dat de keizer alleenlyk aeneen hing van allerlei fchandelyke manieren, 
die hem in ieders haet bragten. Waere Nero bevalligh geweeft hy had 
minder noodt gehad: aengezien de bevaUigheit, geeftigheit en aerdigheic 
veel meer gewelt doen in het bewegen der gemoederen , dan de bloote 
fchoonheit. Hiervan hebben wy tot bewys de voorbeelden van Ulifles, 
Sokrates en Quintus liofcius bygebragt. Daer gaet ter dezer oorzaek by 
de Latynen een fpreekwoort in zwang, waermede men van iemant zegt, hy 
beeft eene Lnx [Ppp] : betekenende, dat hy zoodanigh eene bevaUigheit 
bezit, dat hy daerdoor een ieders hart door cencn lieflyken zwier tot zich 
kan trekken. Zie nu eens of we geen gelyk hadden, toen wy dezen vogel 
by ons beek voegden. Maer wy zullen u niet laten gaen, ten zy het u ge- 
lieve de volgende korte fchets mede te dragen, aengaende de 

rMmm^'i Sommige z.eggen (het zyn wederom de woorden van Tzetzes) dat lynx eene 
z.eer z.oet\!iinke;;de cither is, waer van daen al het geene lieflyl^en z.oet is , lynx gememt 
wort. Dit zoo zyndc , is het hcht te zien , wacruit de dichters gelegenheit genomen 
hebben om zoo ccne fabel van de lynx te verzicrcn. 

rNian~'| Zie Junius Adag. 94. Cent. 4. uit wien Kaftelhni deze plaets van Suidas , ook 
het geen hy van Helena zegt, hier vermeit, getrokken heeft. De plaets is waerdigh 
te worden nagelezen. 

[Ooo"] Wy hebben die plaets van Suetonius boven anders uitgelegt. 

[Ppp] Eralinus Cliil. 4. Cent. 6. Ad. 10, 6c Gilbcrt. Cognat. Adag. 286. 



/. Deel Z z BE- 



l82 



BEVALLIGHEIT. 




BEVALLIGHEIT3 

DTe wy hier vertoonen als een fchoon en lachend Mae^;- 
deke, dat aerdighmet een lluier gekleet, en metjafpis 
en andere koftelyke fteenen verficrc is. Met ecne wonder- 
lyke aerdigheit houdt ze een bos roozen , die zonder do- 
rens , en verfcheiden van kleur zyn , en die ze voorts met 
eene bevallige manier fchvnt te willen uitftrojen. Om hae- 
ren hals ziet men een parelfnoer. 

Men neemt den jafpis voor aengenaemheit, naerdien deze fteen [A] , als 
we hem by ons dragen , ons de gunft der menfchen weet te verwerven. 
Dit zeggen de natuurkenners. 

Het gezeide wort ook door de dorenlooze roozen [B] en parels ver- 
heelt, die door eene zonderlinge en verborge gunft der natuur eene aerdi- 
ge bevalligheit over zich hebben. En aldus isdebevalligheitindenmenfch 
een zekere zonderlinge aengenaemheit, die de gemoederen tot liefde be- 
weegt en trekt , baerende eene verborge verbintenis en goetwilligheit. 
Doch dit meenen we in de voorgaende verbeelding genoegfaem ontvouwen 
te hebben. 

(^Al Hidorus Lib. XVI. 7. Voluut autem ejuidam '^afpidem gemmam & grati<z & tu- 
teU ejfe gefiantibus : ^Hod credere non fidei , fed fupurftitionis ejl : dat is : z.ommige willen 
dat de jafpisfieen den geenen die hem dragen , verfirekt tot gftnjl en tot befcherminge : het 
■welke te geloven een werk. is niet van geloof, maer van bygeloof. 

QB] De roos zonder doornen aengemcrkt zynde is een teken van bevalligheit, en 
liefde , en voornamentlyk van die aengenaemheit , waer mede iemant begacft zynde de 
gencgenhcit van allen rot zich trekt , en de gemoederen van elk inneemt : gclyk Pië- 
rius aenmcrkt Hicrogl. Lib. \-N . tap. 8. Hoe ook Bazihus verhaelt, dat de roos 
eerft doorenloos is gcweeft , en wat zedeles hy daer uit trekt , zie by den zelven Piëri- 
us Hierogl. Lib. XXXF. cap. 2. Voorts is 'er van de roos o\'er 't vorige bcelt genoeg 
gezegt. 



B E- 



BEVALLIGHEIT. 183 



BEVALLIGHEIT. 




K. Tn dichtgeeji is vooriz'aer te grof 
Om van dit beelt naer eifch te ff reken; 

Het levert al te ryk eenftof^ 
By myn beqtiaemheit vergeleken. 

Het htjl my echter hier in "'t kort 
Iet niens den lezer aen te bieden^ 

Waertoe myn f en bewogen wort 
Omdat ik V noit dns zaghgefchiedefi. 

Twee maegden boden my haergnnjl^ 
Daer ik in eenzaemheit ging treden y 

Gtwijlyk om mynfchoone kiinfi 
En deftige hoedanigheden ^ 

Daer ik zoo wel mê ben verfiert: 
D' een deed my fchier vanfchrik verfiyven^ 

Enfcheen van "s Niger s boort ge [tiert 
Om kinders mê naer bedt te draven : 

Maer d^ andre zag 'erjmaeklyk uit, . 
Enfcheen vrou Helena naer V leven. 

Om wie eens Troje ten bef uit 
Den afgcpynden geef mof geven. 

Doch toen myn oor de tael vernam 
Van bei dees nimfen, zoo verfchilligh 

In leen en kleur, en toen het qitam 
Op welfiant aen, fchonk ik gewilligh 

Denprys aen haer die lelyk fcheen , 
Zoo maekten geef en zwier haer ryker. 

Ofikgelyk had is f Atheen 
Bepleit, en hangt nogh aen denfpyker. 



H. K. POOT. 



Z z 2 RE- 



i84 



BEVATTING, 




BEVATTING, (eerste indruk.) 



(t)Lib.l, 
Pofter. c. 



E Ene oude Vrou in zwarten gewaede. Men ziet aen beide 
de zydcn van haei* hooft een vleugeltje. Met de rech- 
te hant drukt ze een fignet op haer voorhooft, zy heeft in 
de flinke eene adderflang (afpis), die zy over einde op een 
aenbeelt houdt. | 

Door de bevatting verflacn wy een begrip van iet, dat allereerfl aen de 
verbeelding is voorgeftelt; en een zekeren ftact van't gemoet, dat hartnek- 
kigh is in zyn eerfbcn waen of meening, hoe valfch enongcgront ook, vall te > 
willen ftaendc houden en doen gelden, zelfs tegens alle billyke en befchei- ! 
deredenen, die 'er tot wending van hun verkeert gevoelen worden byge- 
bragt. Hierom heeft dit beek eene oude gedaente , want de ouderdom 
valt van natuure wat halftarrigh in het beweeren zyner gedachten. Hugo 
zeit hierover [A] : Onder alle de feilen dezer eewnr is de hartnekkigheit der ou- 
den de aller Jlimjle. 

Om u nu voort te doen zien wat de waen of meening zy, die de oorzaek 
is der hartnekkigheit, alsmede waer ze vandaen komt, zal ik ten opzigt 
des waens Ariftctelcs woorden {i) hier invoegen : Deivaen, zeit hy, is 
eene onmiddehke aenncnnng van iet y het zy dan dat het -jvaer ofvalfchzy. Ver- 
volgens ftelt hy dit ondericheit tuffchen wetenfchap en waen : dat nament- 
lyk de '■ji'etenjchap eene kennis behelft van ivaerachtige dingen , terwyl de waen 
ook valfche aennecrnt. Zulx dat de waen eigentlyk eene lofTe overweging is 
van dingen die licht miffen kunnen. En hy fpruit hieruit : te weten, 
wanneer het vcrilant de beelden ofgedaenten, dic het door de kracht der 
verbeelding heeft cntfan gen, overweegt, of ze waer of valfch zyn jen door 
eenige reden zyndc overreedt, die overrecding tocflcmt. En dacrom is de 
verandering van mecning een bewys van hette der harfenen : want te bewe' 
gen [B] (gelyk de Filozofen zeggen} is het werk der hette. AJaer hierin 

heeft 

\_^ Lib. I. deCIauft. Animal. Inter abftjïones hnjusfeadi fola major eftfenis objtinatif', 
TBJ Calidi efi agitare Ó' movere. 



BEVATTING. 



i8r 



heefc ook de ingebocre hctte, met de gecftcn, die uit het luirt voortkomen, 
' haere kracht : want gelyk door de bcweeging en hctte der "-eeften de ver- 
fcheide bewegingen deslichaems worden veroorzaekt, alzoo worden daer- 
door f)ok verandert de werkingen des gemoets. Derhalve fpr-jit onge- 
twyfeltdeonverzetlykhcit van den waen uit de koude tempering of aert 
der harienen : want de Filozofen zeggen [C] dar het korJe de oorzaek der o»- 
brji-eeghkbett zy ; het welk Galenus ook tocilaetdaerliydezetacIvoertrDT : 
Ve'vermi(krhkbeit dcrge-aodens IS een teken van eeyie heete zelfJi.:vidioheit der 
Iwfenen; maer derzeher bijlend igheit geeft eene koude gejkltheit der h%fenen te 
kermen. Maer ook heeft de droogte, naer Avicennaes (i) berecht, hier haer 
deel acn : want om te behouden 't geen wy eenmaei aengcnomen hebben, i'Jv,""'" 
geeft de droogte en grof heit der geellen een groot behulp : en gelyk zulken, 
die droog en heet van harte zyn, degramfchap z=er lang bev.'aren; (als v/e- 
dcrom Galenus (2} getuigt) alzoo behouden ook de gecncn die harfcncn 
van dusdanige tempering of aert hebben, hunnen eerllen indruk, en zyn mUc. "' 
hartnckkigh in hunne gevoelens : en daerom wort dit beek ook als out ver- ^-^P' 5'- 
toont, dewyl de tempcring der oude luiden dusdanigh is, en de acrde ge- 
lykt [E] : waerom de zodanige, omdat zy grove geeften en grof bloetheb- 
/. Veel. A a a ben, 

rC~} Fri'idum e(i immobi'it.ttis CAufa. 

[Dj De Art. Medic. cap. iz. MobtUtas opinicntim calidAm cerebri fithflantijtm indi- 
c.it ; flabilitas autem fiigid,im. 

[E] Om te bevatten , in wat opzicht de fchry ver dit zegt , heb ik my (beken ik) lang 
gepvningt: en kunnende 'er niets anders van maken, als dat hy mogelyk wilde zeiic!;.n, 
dat her tcmpcrmnent der oude luiden grof en dik was, gelyk de aerde is; niacrray dacr 
niet in voldoende , omdat dan alle oude luiden bot en plomp zouden moeten zyn , vol- 
gens 't geene liier geredeneeit wort; zoo begon ik al te vreezen, dat ik my zei ven on- 
der die bottcrikken zoude moeten tellen, die grove geeften en grof btoet hebben, en, 
gelyk onze fchryver dog wil, de aerde gelyken : wanneer ik cindelyk befpeurt hebbc, 
dat die goede man, altoos ten opzichte van deeze plaets, zich niet heeft kunnen ilcllen 
onder die gelukkigen , die by Juvcnael (5) voorkomen; als (3) Sar. 14. 

Quibus aite benigna. 
Et mcliore luto finxit praecordia Titan. 
Dat ist 

.Aen wien Prometheus 't hart uit evergroote gunjl 

Van de allerbefle kjay gevormt heeft na de kl^nfi. 

Hy begact hier ccnen koddigcn miflag, welke ïpruir uit een door hem qualyk bcgrcpc 
plaets van Ariftotclcs. Namentlyk de Filozoof, beichixven hebbende wat gematiatheit 
■en ingetogcnheit of bezadïgthcit, en de daer tegen ovcrgcftelde ondeugden, zyn, gact 
over tyt de hartnekkighcit : waer van hy aldus fprcckt (4) : Jyaer z.yn 'er z.07Mmige, die (^] Ediic. 
in hun meining bIjven volhArden : en dez.e z.yn't, die men h.irt>7ekkjge noemt , ivellie Lib.Vlh 
zich bezju'iierlyk^Lieten hen'egen en -vaii hun gevoelen nf brengen: z:y hebben tets, dat eenen c^P- '• 
bez,adio^den gehk^is: even als een vercjuijler iets heeft , dat geljk^is aen eenen mildadigen 
enz.. Eenen bezadigdcn nu, of ingetogen man bepaelt hy (f) als zoo eenen, die in ^'' 
z.yn gevoelen bejleudtg blyft en van de rechte reden niet /ifwjkt , door eenige gemaetsdrift. 
Nu is het zoo, dar het woort, het welke wy /'«■c^i^/Vr of /'wj-^roj-fw hebbrn vertaelt, 
comincns in de Latynfchc vertaeling van Ariftoteles voorkomende, ook wel ''tvttfie lant 
betekent, in tegcnftelling van een cilant : en dat heeft onze fchry^-er liier voor de uterde 
genomen : dat cclitcr de Latynfche tael niet lydt. Maer hoe weinig ook boven dien 
deze betekenis hier kan plaets hebben , ziet elk: en behalven dat in den Griekfchen text 
die twyfelachtigheit niet is, is 'er ook in denzelven zoo veel door Ariftoteles, aengaende 
de ro>»/KfK//*i of bcz;\digtheit gezegt, dat het gcnoegzaem onmogclyk is, dat iemaru, 
die den Filozoof zelf mogte hebben ingezien, tot zoo een grove misvattingc zoude kun- 
nen komen. Zoo dat liet dan blykt, dat deze plaets niet uit Ariftotclcs zelf getrokken, 
maer uit een f/or/7if^/«w Langti , of eenige andere dkrgelyke lïci'brng, daer ze nv.t 

genoeg- 



i86 BEVATTING. 

ben, bot en flecht van bevatting zyn, gelyk Ariftoteles [F] dacrvanin 
zyne Zcdekunft zeer hcerlyk ipreekt. En men moet weten dat de hart- 
nekkige geene reden gehoor geeftj maer allen flach van hartstochten enbe- 
geerlykheden opvolgt j fomtyts nochtans, om een ander te behagen, zich 
ten laetllen latende overwinnen. Dan deze foort van menichen is flechts 
een deel fteiloorige narren , en anders niet. Want zulke onverftandige 
botterikkcn plagten al van outs dit gebrek 'er by te hebben, dat ze zich in 
hunne hartnekkigheit verheugen, en treuren [G] als hunne zotte meenin- 
gen gewraekt worden j zich inbeeldende dat men de zelve voor Evangeliën 
behoorde aen te nemen. In tegenftelling van deze bedroefde wintbuilen, 
zyn zulken, wier harfens recht zitten, en die daertoe dun bloet en dunne 
geeften hebben, fcherpzinnigh van verftant, wakker van oordeel, en met 
reden om te zetten. 

Men kleet haer in 't zwart, dewyl, gelyk deze verf geene andere aen- 
neemt, dan die ze eerft heeft ontfangen, aldus ook de ftyfkoppigheit haer 
gevoelen vafthout , dat ze eerft in haer gemoet heeft ingedrukt: het welke 
wy daerom ook vertoonen door 't fignet, dat het beelt drukt op zyn voor- 
hooft. 

De hooftwieken beduiden de fnelheit des indruks, die in inbeeldingen 
beftaet. 

Door 't ferpent afps in haere flinke hant wort de fnode natuur aengewe- 
zenvanhun, die eenmael een quade bevatting gekregen hebbende, om 't 
leven niet lyden kunnen [H], dat men hun die verkeerde meeningen tracht 
te ontnemen door redenen, laet ze ook zoo deugdelyk en getrou zyn als ze 
willen. Waerom dan ten aenzien der ydelzinnigheit van zulke menfchen, 
zich David in zyn L VIII. harpliedt aldus laet hooren : 

Hun dolk mott'-jvil jlacht dejlang^ JJet Imjlert naergeen^ toveraer^ 
En ^t loos ferpent^ Die zich verftaet 

Dat d' oor en voor den tover zang Op gmchclkunfi , en loosgebaer: 
En toon tefioppen is gewent , Alleens verwerpt , en vlugt, en hact 

En met geene opene oor en Het menfchdom vroeg de redm 

'j Bezweerders rym wil hooren. En tucht en goude zeden. 

Het 

genocgfaem klacr in haerverbanf ftont, gehaelt is, en voorts zoo qualyk gebruikt. En 
wy hebben ook al meer befpeurt, dat de fchry ver zich van diergelyke hulpmiddclea 
wat veel bedient, en 'er zich al te veel op verlaten heeft. Dit zyn nu die fynt Italiaen- 
fchc geeficn daer zich elk zou over verwondert, en wacrby wy grove Nederlanders nies 
halen kunnen. OndertuITchcn hopen wy , dat het ons niet qualyk zal genome^ wor- 
den, dat wy diergelyke feilen in het toekomende niet vorder aenroeren, dan dat wy de 
vryheit nemen van ze ftilzwygens , zoo 't gefchieden kan , weg te nemen , en 'er iets 
beters in de plaets zetten. 

[F] Deze is wederom qualyk verftaen. De plaets waerop gedoelt wort is, Ethio, 
Lib. VII. cap. g. Die hun eigen gevoelen beminnen ^ en enbedrevene en boerfche menCchen^ 
z.yn hartnekkigh. 

[_G] Zie Ariftoteles ter gemelde plactfè. 

^H] Men zegt van den afpis, dat, als hy gewaer wort, dat men hem begint te be- 
toveren, hy tcrftont zyn een oor onder de aerdc verbergt, en 't andere met zyncnftaerc 
toeftopt, om den tovcrz,ang niet te kunnen hooren. Daerop zien de hier aengehaeldc 
woorden van David. De Italiaenfche dichter Ariofto geeft hetzelve ook te kennen, al9 
(I) Cant. hy zingt (i): 

^*" Da me s' afconde, come afpido fuole 

Che per flar empio il canto udire non vuolc. 
Zie Piërius Valerianus Hierogl. Lib. XIV. cap. ig. 



BEVATTING. 



187 



•Het is Vondels beryming, die wy de hartnekkigen eens te overwec^en «^e- ' 
ven. . En daer Galenus de uitwerkingen van den waen of het valfch'gcvoe- 
len befchryft, hoort men deze tael (i) : Wanneer verkeerde gevoelens der[i) De 
menfchen harten mnemen , maeken zy hen met alleen doof ^ maer ook blint -, zoo-'^""''^"^- 
dat ze met kunnen zien , 't geen anderen klaer befchouwen. ' ÏÏ'.''lüc' 

Dat het beek op het aenbeelt rechtop blyftftaen, betoont, dat, gclyk^'^- ^*"- 
het aenbeelt vaft en onbeweeglyk blyft [I] tegens de hamerflagen' aldus'*^' '' 
ook zy, die de eerfte bevattingen en indruk van een zaek in hun hart ont- 
fangen hebben, vallen onbeweeglyk blyren ftaen op hun gevoelen, hoc 
valfch en verkeert het ook wezen magh. Doch dit is in den aenvano^ de- 
zer beeltenifle al gezeit. Nu luft ons de voorgemelde harthoofden te ge- 
leiden tot de 

[I] Het ambeelt wort in de beeldenfpraek meer in een goeden zin genomen voor 
volharding in ftantvaftigheit. Zoo wort het gebriukt in een out Grickich puntdicht 
van een onzeker fchry ver : 

Dat is : 

Het yxjren ambeelt vreefi geen z.n>aere hamerjlagen : 
Zoo ook^een wj/z.e ziel voor geene felle plagen, 
Zk weder Pié'ri us Hierogl. Lib. XLVIU. cap. z. 




MIlTchien verwondert gy u al, wat voor eene gedaente 
wy deze zinnefchets (want daer moet de biecht al me- 
de voor deurgaen) toegcleit hebben. Ik houde u niet op. 
Zie daer eenc Vrou , die op eene fraeie manier alleenlyk een 
wit en dun kleet over haer naekt lichaem draegt , dekkende 
met aerdige zwieren de fchaemlcden. Zy heeft vleugels aen 
haere fchouders , en opent haeren mont , toonende dat ze be- 
reit is om haere zonden te belyden. Men ziet zemetdeknien 

A a a 2 leg;- 



i88 BIECHT. 

leggen tcgens den voetHial van cenenpilaer. Voorts vint ze 
zich in ecne afgezonderde ecnzacmhcitj blootshoofts en zon- 
der ecnigh verfierfel. Haer voorhooft is met eenen roden 
bant omwonden , en daer rollen veele tranen uit haere oo- 
gen. Met de rechte hant klopt ze voor hacre borft , en houdt 
den (linker arm rechtuit. Op den voetftal des pilaersziteene 
witte duif Aen de eene zyde van haer leit een hont op de 
aerde, aen de andere een lam. 

Thomas zeit dat tot eene volkome biecht zeftien zaeken behooren, als 
namentlykj dat ze moet zyn [A]: openhartigh, zuiver^ haejletide, gaernCy, 
oprecht , Jierk , dik'-jvyls ^ Jlil , fchaemachtigh , befchttïdigende , befchreiende ^ 
wdvaerdtgh ter gehoorzaemheit , eenvoudtgh , getroii , befcheiden , en nedrigh. 
Om nu alle deze hoedanigheden der waere biecht in ons beek aen te too- 
nen, zeggen wc: Eerflelyk, dat ze als naekt wort uitgebeelt, tenteken 
van haere ö/?e«/:?ri'^'//^f en onbewimpelde belydcnis; want de kleders zouden 
hier eenen dekmantel der misdaden kunnen beduiden ^ dacrom dan is ze 
klaer en bloot; te weten, de biechter legt zync zonden zoodanigh open, 
dat de Priefter [B] alle de omftandigheden der zelve, als van tyt, plaets, 
hoedanigheit, pcrfoonen enz. volkomen veribct. 

II. De witheit van haer klcet [C] beduit, dat de biecht zuiver en op- 
recht wezen moet, en famcngaen met een vaft voornemen, en vertrouwen, 
van beterfchap des levens, verzoening met Godt, vergeving der zonden 
en vryheit van ftraf. 

III. Het beek is gevleugelt, dewyl de biecht niet alleen ras moet be- 
tracht worden, maer ook omdat ze een middel ftrekt tot onze opheffing ter 
eeuwige heerlykheit. 

IV. en V. De open mont betekent dat ze haere fchultbelydenis bereit- 
willigh engaerne doet, en dat ze op geene fnode manier, hier en elders een 
gedeelte, maeralle haere misgangen tefïens aen eenen priefter wil openbaren. 

VI. en VII. Men ftelt ze by den voetftal eenes pilaers, omhaerebeften- 
digheit, ftantvaftigheit enjierkte [D] hierdoor aen te wyzen j te weten de 
boetvaerdige zondaer overwint zich zelven, en buigt zyne genegentheden 
onder de gehoorzaemheit der reden ; verftootende , in eene ronde fchult- 
bekenning, de fchadelykefchaemte, hoe leet het ook den duivel zynmagh. 
Uit welke fterkte dan ook fpruit, dat hy niet befchroomt is, om zyn ge- 
moet dikicylsy en zoo menigmael het nodigh is, te ontlaften. 



Gy^ 



fA] Lib. IV. Sent. Dift. 17. q. 3. Ait. 4. 

Sit fimplex, humilis confcflio, pura, fidclis, 
Atque frequcns, nuda, difcrcta, libcns, vcrccunda, 
Integra, fècrcfa, lacrymabilis , accclcrata, 
Fortis, & accufins, & fit parcre parata. 

[B] Dat gebiedt Godt nergens. Daer is ook geen beter biecht, dan dieaen Godt zel- 
ven gelchiet, die ook alleen de zonden kan vergeven: waertoe zich echter de bicchtprie- 
flers de macht acnmatigcn. 

[C] Zie beneden onze aenmerking F. orer de Gerechtigheit. 

[D~j Thomas 2. 2. q. 123. Art. 2. Fartimdo efi firmitas animi in fttjlinendis ó" re- 
fellenais his, in quihus maxime efi diffcile frmitatem habere propter bonnm vinutis ^ dat 
is : fifrkte is eene vsfligheit des gemaets in het uit ft aen en afweer en van Z-ulke dingen , in 
•welke het z.eer bez.waerljk^is vaftigheit te hebben em het goede der deugt: 



BIECHT. 

VIII. Gy ziet haer in eene afgefchcide en ftille plaers, dewyl ze nitcin'c 
openbacr, macr injlilheit haeren boezem uitfchudt, alsook omdat her gee- 
nen pricftcr tocflaet [E] het gebiechtte aen anderen te melden. 

IX. en X. De rode voorhooftbant, betekent dt fchaemte [F], die met 
deze verf boven komt, als de zondaer in zyn eigen gemoet daelt, en 'er de 
veelheit zyner wanbedryven gewaer wordende, gcnootzaekt is, zich zel- 
ven te befchuUigcn. Want defcbaemte is, volgens Ariftoteles woorden [G] , 
tene zrees voor rechtvderdtge fchande : hoedanigh eene gemoetsgeftckheit 
zeereerlyk is. 

XI. Dat zey?/:?mf is een teken van haeren rechten aert, namentlyk, de 
biecht moet van tranen verzelt zyn, en leet en droef heit toonen over de on- 
daden die Godts toorn verwekt hebben. Aldus flaet ze dan met de rechte 
hant voor haere borft, om haere ftrafwaerdigheit te betuigen. Zie daerde 
uitwendige tekens der innerlyke boetvaerdighcit. Q. Kurtius noemt de 
tranen [H] blyken van berou; en dus laet zich KalTiodoor over de Pfalmen 
hooren[I]: De tranen zyn een fpys der ziele , eene verjierki7ig der zinnen, ee- 
ne vryfpreking van zonden en eengevi-in derfchnlt. 

XII. Het knielen, en uitftrekken van den rechter arm, betekent de vry- 
willige handeling engereetheit tot het voldoen der boete, die den biechter op- 
geleit wort. 

XIII. Wyders beduit de witte duif eenvoudigheit , volgensdeH. Schrift, 
want die zegt: ff^eejl eenvoiidigh gelyk de duiven, 't geen vooral in de biecht 
vereifcht wort. De eenvoudigheit moet hier zyn eene oprechtheit omtrent 
de zuivering des gewetens, zonder veinzery. 

XIV. en XV. Dehont, die nevens het beek leit, hednitgetroiiheit\K]-^ 
en aldus moet de biechter ter goeder trouwe alle zyne zonden met haere om- 
ftandigheden bloot leggen, niet alleen zonder iet te verzwygen, gelyk al- 

/. Deel B b b rede 

[£■] Als hy niets weet, zal hy ook niets klappen. Zoo is het xtnt het veiligfte. 

[F] Dacro'm zeide Kato de oude (i) : dat hy meer behagen fchepte in jongelingen, die (,) j^^p^jj^ 
root, dan die hleel^ ttierden: te kennen gevende, dat het fchaemroot worden een teken Apciphth.' 
was van een ecrbacreni maer het bleek worden, van een fchelmfchen inboi-ft , criover-Lib. v. 
tujcino' van begane misdaden : i^vB-^dnoncn ya,^ Ji a.iyyii\xi\(n. ci hi rov B-u^xnv c^-.io^iUivci 
Ü-X^iairi. Mant die bcfchaemt zc'orden, zegt Ariftoteles (2), die werden root; maer ^'^ (*;! ^jy " 
voor de doot vreezen , werden bleekt En trefTelyk is hierop de xinfpeeling van Hora- ' '^ * 
tius (5): (?) Lib. I. 

liic murus aheneüs efto , p • i • t . 

Nil confcire fibi , nulla palleicere culpa. 

Dat zy H i aller tyt tot eenen fiaelen mnur , 

Dat g' u niet z.yt bewufl van quaet , noch teener kkt 

Een fnoo begaene daet k bleekte k^n aenjagen. 

Piërius (4) wil ook , dat by de Romeinen de jongens daerom een rok met purpere zoo- 
men droegen, om te kennen te geven, dat ze de Ichaemte moeften in acht nemen, en (4) Hicre- 
de cerbaerheit, waervan de purpere kleur een teken was, in hunne woorden en werken §'■ ^''^' 
betrachten. Zie ook onze aenmcrlcing P. over de Achtbaerheit. bladz. iz. ''^ ^'^ 

[ii] Lib. V. cap. 10. n. 15. Lacrjmas etiam foenitentia indices profudernnt. 

\\r\ FletHS cibfis efl animarnm , corroborat'to fenfnum , abfolHtiopeccatoritm , & Ittcrum 
culparftm. 

[K] Dat de hont in de beeldenfprack getrouw heit betekent, zal naderhant breder in 
het beek der CetroHwhett worden aengetoont. 



Dat is; 



190 



BIECHT. 



rede getoont is-, maer ook met die befcheidenhett , dat hy zich niet bezwaere 
fLl met het geene hy niet gedaen heeft. 

XVI. Het lam, waervan in 't hooft dczesbeelts gefpro'en is,wasalvan 
outs her een teken van tiedrigheit en zachtmoedigheit [M], gelyl- hiervan de 
fchriften der Ouden, ja ook de heilige bladen kennis dragen. En gebruik- 
ten ook de Heidenfche priefters lammeren in hunne offerhanden , omdat 
deze dieren rechte beelden zyn van een zuiver, ootmoedigh en lydzaem ge- 
moet. Ook wort de nedrigheit te kennen gegeven door het knielen en 't 
ongefierde en bloote hooft; beduidende dat daerenboven eerbiet en onder- 
werping: Eene 'oi'aerachtige nedngbeit IS [N], zegt Bernardus, diezichaen- 
biet tot verbetering van fchult. 

TLI Daerom is de kameel een heelt van befcheidenhcit ; omdat hy geen zwaerdcr lafl: 
op hein wil geladen hebben, dan hy dragen moet. Zie het beek der Bcfcheidenheit, 
' bladz. 114. 

[M] Zic Piërius Hicrogl. Lib. X. cap. ai. 

[N] In I Reg. Fera humilitas f/?, ^f(<e fe ad eulpA emendationem afert. 




BYGELOOF. 

DEzc en de voorgaende beeltenis zyn hier gebuurinnen; 
te beter , opdat de lezer des te gemnkkelyker zou kun- 
nen vonniiïèn , hoe veel ze van malkander in aert en wezen 
verichillen, of nier. Hier ziet ge eene oude Vrou die op 
haer hooft eenen gemeenen nacht- ofkerkuiU en nevens hae- 
re voeten, aen de rechte zyde, eenen anderen nachtuil heeft 
• van dat flach , dat de Latynen huk [A] noemen. Aen haere 
flinke zyde zit eene kraei. Zy draegt eenen halsbant, aen 
welken vele bezweerbrieven hangen. In de flinke hant houdt 

ze 

{[A] Van hem zullen wy een weinig lager fprcken, in de Aenmerking N. 



IJ Y G E L o O F. 191 

ze eenc ontfteke kaers, en eenen haes onder den arm der zel- 
ve zydc, dicht by hacren boezem. Met de rechte hantheft 
ze cencn kring ten toon, daer de vafte en dwalende Harren 
in ftaen, die ze met een befchroomt wezen befchouwt. 

Vracgt gy de bygeloovigheit welk haer vaderlant zy^ ik meen dat ze 
antwoorden zal, Toskancj gelyk haer ook die wereltflreek door Arnobius 
[B]in zyn VII boek, tot eene geboorteplacts en voedfterwieg gegeven 
wort. Zy heet Siiperfliti naer het Latynfchc woort Superjies, dat is, over- 
gebleven of overHyuende j ook lang Jtlevende, ®f na een ander in 't leven bly- 
vende: wacromtrent Cicero, in zyn tweede boek [C] van de Natuur der 
Goden, acntckent, dat in de Latynfche tael zulkcn eigentlyk fupcrftitieu- 
zen zyn genoemt , die de Goden geheele dagen lang baden en offerden , 
ten c'mdc hunne kinders hen mogten overleeven ; doch dat zich de bete- 
kenis van dien naem naderhant verder heeft uitgeftrekt, en voor allerlei 
bygelovigenis gebruikt geworden. Maerde Outvader Laktantius ftaet, 
<iit aengaende, met den vader der Latynfche welfprekentheit in geen eener- 
Ici gevoelen. Zie Laktantius IV boek [D] 28fte hooftftuk -, alwaer die 
fchryver zeit, dat zulke menfchen om die reden juift voor geene bygclo- 
vigente rekenen zyn^ naerdien de ouderlyke wenfch doorgaens behelft, 
jkinders te mogëii nalaten. Maer hy meent, dat zulken eerft dien naem ver- 
kregen, die de overgebleve gedachtenis der dooden geviert hebben j of dat 
deze benaming haren oorfprongk fchuldigh zy aen de geenen, die vader en 
moeder overlevende , der zelvcr beelteniflen tot Huisgoden ftelden. Want, 
2egt hy, die nmiijve flechtigheden van Godsdienjl aennamen^ zoodamgh, dat ze 
de dooden, die ze meenden dat van menfchen Goden waren geworden, even als 
; Goden eerden, deze noemde ?nenfiiperjiitieüzen of bygeloovigen ; ?naer godsdien- 
'• dienjlige [E] (religieufen) werden genoemt zulken , die 's Lands algemeene 
■m oude goden in waerde en achting bleven houden y en dienden. Dit zyn zeg- 
^ B b b 2 Ser- 



FB"] Neque genitrix & mater fuperftitionis Hetruria opinionem ejus novit am famam. 
De Toskancn hebben oudtyds alle andere volken in bygelovigheit, als vogelwichclary, 
befchoiuving van de ingewanden der flachtoftcrcn enz., om daeruit toekomende dingen 
te voorzeggen , zeo verre ONxrtroficn , dat de Romeinen gewoon wacriii , volgens een 
trenomen raedsbefluit alle jaeren een zeker getal edele kinderen na Toskanc te zenden, 
om aldaer in de voorzeide konften ondcrvv^ezen te worden. Zie Cicxro de Dtvinatiune 
Lib. I. cap. 41. en Valerius Maximus Lik I. cap. i. Ex. i. Alzoo dan heeft Rome het 
bygeloof gchaelt uit Toskane. (Zie wederom Cicero de Divin.j^ib. I. cap. a.) en daer- 
na byna de geheele waereh door voortgeplant. 

[C] Cap. 28. Qrji totes dies precabantur & immolahant , Ht fri Itberi fibi fnperftites 
effent, fuperjiitiojï ftint appcllati: qmd nomen poflea lattHS patuit &c. 

[D] Inftitiit. Divinar. SKpr.fitioft vocantirr , non ijui filtos fms fuperflites optant {omnes 
enim optiVnus) fed Aiit ü i^tii f»perfiitem memoriiim defunÜsrum colunt , aut cjuiparenttbus^ 
fnis ftiperflitcs colebant eontm imagines domi , tanejftam Deos penates. Nam qui mvos Jibi 

ritus ajfdmebant, ut deorum vice'mortuos honorareat , quos ex hominibus inccelumreeeptes 
putabant, hos fuperftitiofos voc.ibant. 

[E] Cicero hadde op de aengehaelde placts de religieufen van de fupcrftitieufen dus 
onderlcheiden : dat die gene, die alles wat tot den Godsdienft behoorde, neerftiglyk 
herhaeldcn, en even als herlaez.en, (want relegere betekent herleezen) religieufen zyn ge- (^L. L. 
noemt. Laktantius (i) wederfpreckt hem ook hier in, en wil, dat het woort religiojits 

komt van rel/gare, binden, omdat een godsdienftige door den bandt van liefde aen Godt 
verbonden is. '^ Zie breder over beide de woorden, den geleerden G. J. Voffiiis ni Et)- 
mol. in religiofus en fuperftitiofiis. 



192 B Y G E L o o F. 

gen tracht Lak tantius te bekrachtigen met een vaofs van Virgyl [F], dat 
omtrent hierop uitkomt : 

Het ydel bygeloof ^ het 'ü.-elk van d'oudegoon 
Onkundigh is. 
Servius in zyne verklaering van dit vaers, heeft den oorl'prongk van dit 
Y/oort beter gevat dan alle anderen, zeggende [G] dat het bygeloof ecnc 
overtollige en zotte vrees is, die den naem van fuperftitie heeft ontfangen 
naerdeoude vromvenj die 'er veele overlevende, wegens haere hooge ja- 
ren fufFen en raeskallen. Om deze reden dan verfchynt dit zinnebecltindc 
gedaente van een out wyf [H]. En 't is openbaerdat, gelyk deoudemen- 
,j j,^^^ fchenallervreesachtigft, zy ook allerbygeloovigft zyn. Tiraquellus on- 
derfceuntdit zeggen in zyne Huwlyxwetten (i}, zeggende, dat de oude 
(i) De Dl- vrou-ji-eum't byzonder genegen zyn tot bygelovigheit : En daerom geeft Ci- 
vinar. Lib. cero (^2} de bygeloüvigheit vecltyts den naem van oude '■jiyfs bygeloovig- 
"'aeNM.° hett; gelyk ook Apulejus in 't IX boek van zyn' Gulden Ezel zeit, dat het 
Dcoi. Lib. hekfen en toveryen zaeken zyn, die voornamcntlyk eigen zyn aen degryzc 
''■''■ '■^" besjes. Wat dunkt u daer af ? 

De verfaegde bygeloovigheit hield al van outs den nachtuil voor eenen 
jammervogel, die quanfuis altyt onheil zoude kraeien. Daerom hebben \vy 
hem op het hooft van dit beelt geftelt : en omdat hy een nachtvogel is, 
wert hy by de Egiptenaers voor eenen bode des doots [I] geacht j gelyk 
Piërius aentekent: vermits de uilezang gelooft wiert altyt eenigen ramp of 
vvederfpoet te dreigen. Om 't welke met eenigh exempel te fierken , ver- 
telt hy de ongelukkige hiftori van Pirrus, koning der Epiroten. Dees ge- 
reet ftaende om Argi te bevechten, wert onder 't voorttrekken eenen uil 
[*I] op zyne fpies gewaer, en hield dit geval voor een ongelukkighfchrik- 

teken 
{T~\ iEneid. Lib. VIII. v. 187. Vana fuperfiitio , veterumve ignara Beorum. 
[G"] Servius ftclt meer dan eenen oiriprongk voor; of dehiergemeldeookweldebcfte 
zy , ftact te twyflfèlen. Zie 't geen wy beneden op 't einde van dit Beek bybrengen in 
'\\Uh VII ^^ Acnmerking Mm. 

pag. 197. [H] En niet van een out man. li'ant alle menfchen (zegt Strabo) (3) z.yn van gevoe- 
len , dat de ivyven uitvindfiers en oorz.aeken z.yn van de bygelovigheit : en z.y zyn het , die 
(4) Hiero- den mannen aenlokj^n tot overtollige godsdienfioejfeningen , het vieren van feefiaagen enz.. 
gl Lib. II. ^j-j Y)c reden van deze zinnebeeldifche betckeniflè is , volgens Piërius (4) , tweeder- 
cap. 19- lei : (Je cei-fte is , omdat, dacr de kraei in de bceldenfprack voor een zintckcn wordt 
gehouden van een lang leven , (zie Horus Apollo Hierogl. Lib. II. en Piërius Ltb. XX. 
cap.id) men bevonden heeft, dat de nachtuil , door eene zekere natuurlyke vyantlchap 
het neft van d>? kraei meer bclaegt dan dat van andere vogelen, en door de duiftcrniflè 
des nachts bcgunftigt, dacr hcimelyk toe nadeit, en de «eren of jongen van de kraei 
vernielt. De twcde reden is, zegt Piërius, dat de doot ons heimelyk bekruipt, en de 
nacht voor de doot gcftclt wort ; als by Horatius Lib. I. Od. 28. v. i ƒ. 

ümnes una manct nox , 
Et calcanda lêmcl via lethi. 
Dat is : 

Een z.elve donhre nacht is naekende aen elk^ een , 
En teder moet den weg des doods eenmael betreen. 
En zoo by anderen meer. Ja ook de Heilige Schrift ftclt de duifternifle en de nacht 
voor de doot. Hoe in tegendeel de nachmil by de Athcnienfèn een teken was van over- 
winning, zie by Piërius Hierogl. Lib. XX. cap. i-j. en Alexander en Tiraquellus ter 
plaetft in de volgende aenmerking te melden. 

[*1] Nacr 't verhacl van Elianus Hifi. Anim. Lib. XF. cap. 5-9. Dion telt ook in 
zyn 4ifte boek, onder de voortekenen die Pompejus de ncdcrlacg tegen Cezat' voor- 
fpeldden, onder anderen op, dat 'er buiten gewoon veele nachtuilen gezien waren. Zi© 
ook Alexander ab Alexandro Gen. Dier. Lib. V, cap. 13. en aldaer de aenmerldngen van 
Andreas Tiraquellus. 



B Y G E L o o F. 



^95 



teken van zynen aenftaenden en fchandclykcn doot [K]^ gelyk het ook 
uitviel: want hy, zynen heirtogt vervolgende, wert onder 't indringen in 
deftadt, van zekeren jongeling met een lichte wonde geqiictftj waerop hy 
den zelven wraekgierigh najagende, zoo zagh de moeder, die al ecne ou- 
de vrouw was , van het huisdak haeren zoon in noodt , en klonk van 
boven met eenen daktegel Pirrus zoo op 't hooft , dat hy doot ter aerde 
viel [L]. Dit niet tegenftaende was het echter bygeloof [*L] in Pirrus, 
belangende het voorbeduif fel van den uil. Maer om zulke reden evenwel 
wort 'er ook de nachtuil biibo^ en een kraei, als tekens van quadc gevolgen, 
by de voeten van dit zinncbeelt gezien: En waerom niet? Virgyl zingtons 
belangende de kraei, in zyn' eerden Herderskout door Vondel aldus toe 

[M]: 

V Gedenkt me (had my 't hooft niet n-verechts gejla&i) 
Dat d' eiken y van het '■jveer getrojfen y Jiadigh eien 
Dit onheil fpdden-, dat de kraei ^ ter flinke zj de 
Des hollen ollembooms, ditfpelde, en -wel te tyde. 
I. Deel. C c c Maer 

[K] Omdat namentlyk niet alleenlyk eene Vrouw, maer eene oude Vrouw hem die 
aenbraclit. In tegendeel weit het voor ecne eer en trooft gehouden te fncuvclen door 
de handt van een voortreffilyken overwinnacr. Zoo Iprcekt Eneas (i) by Virgilius, 
tot Lauilis, dien hy gevek liadde: L.b x" 

Hoc tamen inf..h'x miferam fblaberc mortem, ys. si». 

Mnfx magni dextra cadis. 
Dat is naer Vondels vertaling : 

Gy die het leven derft ^ 
Vertroofl- u , dat gy van Eneas handen ft erft. 
Het welk Ovidius zynen Achilles in het tvvaelfde boek zyner herfcheppingen , daer hy 
Cignus aentaft, aldus lact nafpreken (i) : KA "V'- 8» 

QLiisquis es, o juvenis, fokmina mortis habeto , 
Dixit ; ab Hxmonio quod fis jugulatus Achille. 
Wacrvan ons Vondel wederom dit Diiitich levert : 

Het z.y dan wie gy zyt ^ getrooft «, onder 't kerven^ 
En ft eken ^ dat gy van Achilles hant moogt ft erven. 
\\S] Tuift niet dood , maer in zwymeling. Doch wanneer hy nu reets weer begon 
te bekomen, wiert hy van ccncn Zopvrus, en nog twee of drie anderen gedoot. Zie 
Plutarcluis in 't leven van Pimjs in 't jï^c Hooftftuk. 

£*L1 Dat Pirrus zelf daer bvg loof in gcftclt zoude hebben , blykt myns wetens uit 
gecnen fchryvcr. Immers zoo hy 't opgevat had als een quact voorbeduitzel , zoude hy 
zynen tocht geftaekt hebben. 
[M] Vs. V- 

Sspe malum hoc nobis, fi meus non la^va fuiflèt. 
De coelo taftas mcmini prxdicerc quercus. 
Sfcpe finiftra cava pr^dixit ab ilice cornix. 
Voorts heeft het zynen nadruk, dat hy 'er by voegt ter flinke zjyde : dewyl de raef ter 
rechter zyde vcrfchynende , en de kraei ter flinke, gelooft wierden den mcnfch iets goets 
te voorfpellen , of ten minftcn hem ten goede te waerfchouwen voor cenig quact : ge- 
lyk Cicero aentekent de Divin. Lib. I. cap. ^^9. Qpiid augur hahet , cur a dextra corvtts ^ 
aftniftra cornix faciat ratum? En Zoo ook Plautus Aftnar. Aü. 1. fc. i. v. 11. 

Quovis admittunt aves. 
Picus ^ cornix eft ab la^va , corvus porro ab dcxtera. 
Confuadent. 
Dat is : I)e vogelen voorfpellen my aen alle linten eenen goeden uitflttg van myn voornemen .- 
Aen myne flinke hant verfchynt een fpecht en eene kraei ^ en aen mjne rechte een raef. Zy 
raeden 't my beide aen. Zie Alexander ab Alexandro Dter. Genial. Lib. K. cap. i2;: en 
over die plaets de aenmerkingen vnn den geleerden Andrcas Tiraquellus : alsook Fedrus 
Ltb. UI. carm. 19. en 't geen de Geleerden daerover hebben aengetekent. Het gefchiet 

dan 



194 



B Y G E L O O F. 



Macr wy voegen den wiXbnbo en de kraei, als een zoetgezelfchap, en , ge- 
lyk men zeit, vogels van ccnerlei vederen, hierbyeen, dewyl ze alle beide 
by Plinius ineen quaetblaetje, en voor profeeten van ongeval be'ent ftaen, 
i 1 ) Oiig. gelyk de eerfte (N} dien tytel ook by Izidoor (i} en Islazo ontfangt. On- 
der 



.ib. Xii 

cap. 7 



d;in ook met voordacht, dat de opfteller van dit zinnebeelt de kraei juift plaetft aen de 
flinke zyde der bygdovighcit. Plinius maekt het voorzeide onderfchcit niet ten aenzicn , 
(i) Hift. van de zyde, aen welke de kraei zich vertoont, en zegt (2) enkel, dat ze eene vogel is 
Nat. Li b. van een quacd-voorfpcldendc fnapachtigheit : hoewel hy 'er byvocgt , dat ze van iom- 
X. c..p. II j^-)jg£ ^ij gocd-voorfpcllcndc wort geprezen. Doch by de Egiptenaeren wicit de kraei, 
volgens de acntckening van Homs Apollo Hierogl. Lih. I. cap. 7. zoo men 'er een alleen 
zag, altyt gehouden vooreen quaet voorteken, en als eene voorlpclling van een leven in 
denllatt van een wcduwenaer of weduwe : gelyk ze in tegendeel het huwelyk, en een- 
dracht in het zelve willende te kennen geven, twee kracien fchilderden : omdat namcnt- 
lyk deze vogels malkandercn zoo lief hebben , en zoo getrouw zyn, dat, wanneer 'er 
twee gepaeit zyn, en 't mannetje of wyfje komt te fterven, de overblyvcnde noit we- 
derom paert met een ander. Zie Homs Hierogl. Lib. I. cap. 7. en 8. en Piërius Hier. 
Lib. XX. cap. 27. en 28. 

[N] Zie dezen vogel bcfchreven by Jonfton in zvne Hiftorie der Vogelen , /. Boek^ 
"jde. Opfchrift. ifie. Hooftjinh^ Het is die uil , in welken Askalafus door Proferpma 
(die hy over 't afplukken en eeten van een granaetappel in Plutoos tuin b. klapt, en al- 
zoo 't vermogen om van 't onderaertfch geweft weder op de werelt te keeren benomen 
had) eertyts verandert wiert , volgens het getuigenis van den geloofwacrdigen Nazo in 
het vyfde Boek zyner Herfcheppingen j daer hy dezen vogel aldus befchryft (3) : 

'^' ^'•^■>5- Ingemuit Regina Erebi, teftemque profanam 

Fecir avem : fparfumque caput Phlegetontide lympha 
In rollrum 8c plumas 6c grandia lumina vertit. 

Ille fibi ablatus ftilvis araicitur ab alis { 

Inque caput crefcit , longofque refleftitur ungues , ) 

Vixque movet natas per inertia brachia pennas : i 

Fïedaque fit volucris venturi nuncia luétusj 

Ignavus bubo, diioim mortalibus omen. { 

Het welk onze groote Vondel met ganfch geen uilentoon aldus nazingt : 

Maer 's afgronts Koningin bedroeft , wou dit vergelden , 
En fprengde hem met nat van Flegeton uit wraek^. 

Verkeerde ^s^alafas , aenbrenger van decs' zaek,, •■ 

In eenen vogel; 't hooft in eenen bekeen veeren., 
En groote blikken. Hy bedekt in dit verkeeren 
Den rug met vlettglen , ros van verwe , en tr.ieg , niet licht. 
Het hooft groeit aen, vermafi het Ivf met overwigt. 
De nagels -worden lang : de vlerken , die hem voeren , 
En d' armen dekeen , z.yn pas machtig z.ich te roeren. 
^ . , Decs vuile vogel is een * naehtuil , boos van aert. 

Een gruii-'z.aem voorfpook^van 't geen menfchen ^vedervaerti 
Een bo van ongelukken droefheit reets voor handen. 

Plinius (4) mclt 'er ons dit van: De bubo., zegt hy, is een vogel, die eene aenfiaende doot 
T^ TV '^""''fp^^^ ' '** '^^'^ *'^" •^"'^ fuaet voorteken is, wanneer hy gez.ien wort in vogelwtchelnry , 
II. " die van ftads of 'slands wegen gefchiet, onthout z.ich in onbe-woonde, ja niet al'eenljk. «» 
wocfie , maer ool^in naere en ontocgankelyke plaetfen: hy is een moiijler des nachts, en 't 
geluit dat hy maekt , is geen gez.ang , maer een gefleen. Derhalven in Steden , en vooral 
hy dag, gez.ien zynde , voorfpelt hy iets gruwz.aems. Doeh zittende op de huizeen van par- 
ticuliere menfchen, lu^et tk^, dat hy aen verfcheide geen voorbode is ge%i>eeft van qunet. 

Hy 



"P 



B Y G E L o o F. 195- 

der het burgermeeftcrfchap van Scrvius Flakkus en Q. Kalpurnius hoorde 

, men zoo eenen uil op 't Kapitool (O} fchreeuwen-, en toen gingen de zae- 

■ ken der Romeinen voor Numantie 7.ccr flecht. Hoe fchriklyk onflcldc 

ganfch Rome zich (aengezien dit ook geen zaek was om mede te ipor- 

ten) toen 'er een bubo in de kapel (P) van 't Kapitool quam vliegen : 

Men zuiverde de ftadt daerom met eene ofïerhande. Dit viel voor , 

' naer Plinius zeggen (i), terwyl Sextus Pappellius Ifter en L. Pedianus(.)i.nvX. 

burgermee ilers waren. O ydel en zot over- en bygeloof ! Een dier, ccn"^'^' 

donderflagh, eene voetftooting aen den drerhpel [*P] enz. zouden ons, 

alsofzeinden hemelraet gezeten hadden, het genakende noodtlot voor- 

1 fpellen -, vertel dat aen de kinders. Dat 'er nochtans in 't geheel geene 

I voortekens van het toekomende zouden zyn te zien aen dieren, durf ik zoo 

vaft aen geenen pael binden, nochte zoude 'er voor inftaen willen j want 

C c c 2 men 

i/r homt met vliegen nooit , daer hy heen "wil, maer wort over dwars ter z.yden afgcdre- 
: ven. Ariilotclcs ichryft Hifi. Anim. lib. VIII. cap. '>. dat hy in gedacntc den nachtuil 
[ wel gelykt, macr in grootte niet klcindcr is, dan eenen arent. Alexander ab Alexan- 
I dro, dien wy nu reets eenige reizen hebben aengehack, merkt op, dat de l^fdo niet al- 
tyt wierde gelooft quaet te voorfjjellen, macr voornamentlyk dan, als hy zyne onaenge- 
naeme ftcm het hooren: voorts wyft hy uit Jofèphiis i8dc Boek (2) derJoodfchcOiid-/^] y^^ 
heden aen, dat den gevangen Agrippa het Koningryk der Joden door dezen vogel voor- Hooftft. 
fpclt wicrdc ; gclyk dezelve hem naderhant een boodfcliapper was van zyne doot. Zie 
't 8de Hooftlluk van 't 19 Boek der voorzcide Oudheden. By Virgilius voorlpelt de 
ftem van den i'uê'o de doot aen Dido in deze woorden f3) : / 1 /p • • 

Solaquc culminibus krali carmine bubo Lib. iv. 

Vila queri, Sc longas in fletum ducere voces. '*• 4<'i- 

Het welk Vondel dus vertaelt : 

Jl^en hoorde ook^dikwyls naer beneden 
Den * nachtuil van het dak^affieenen , daer hy z.at, * bubo. 

En klaegde in eenz.aemheit , en huilde een wjl z.ich mat. 
En z.ong een lyh^agt. 

Hier komt ons nu ten opzigt van 't voorzeide , zeer wel te pas de aentekening van den 
Taelkundigen Seivius over deze woorden van Virgyl : Be bubo., zegt hy, mae\it niet 
altjt een ^uaet vcorte^en , maer ivel als hy roept : U'ant z.yn geroep gelykt gefieen en gefchrei. 
yils hy ftille z.wygt , is hy een voorteken van gelul^, enz. Dcrhalven voorlpelt ook by 
Oviduis Alet. Lib. X. v. 4S'3. en Scneka Hercul. Fur. v. 687- niet de vogel zelf, macr 
Zyne ftcm , ramp en onheil. 

[^01 Om het quaet, dat voorfpelt wicrdt door dezen vogel , af te wenden, ftelde 
men een prys voor die geene die hem zoude vangen. Een vogclaer had dat geluk , en 
men verbrandde dat onheilaenbrengent fchrikdicr, en wierp de aflche in den Tiber : naer 
't verhael van julius Oblêquens de Prodig. cap. 85". De zelve fchryver heeft meermalen 
aengetekcnt , hoc dat deze uil den Romeinen is gewecft een voorbode van rampen. Zie 
hem cap. 86, 90, 92, 100, 103, 106, 107, 109, en 113. Zoo een bubo in eenig huis 
quam vliegen, liet men hem zeer zorgvuldig grypen, en aen de deur vaftfpykcrcn , op 
dat hy het verderf, dat hy 't huisgezin voorfpeldde, zelf mogte ondergaen : gelykApu- 
lejus ons melt Milef. Lib. III. 

[P] Het Kapitolium hadde drie kapellen : waervan de middelfte aen Jupiter ; die ter 
rechte zyde ftont, aen Minerva; en die ter flinke , aen Juno was toegewyt. Deze ka- 
pellen waeren de binnenfte deelen der Tempelen, in welke de beelden der goden fton- 
den , daer de tempelen aen waeren geheiligt. Aen zoo veele Goden daerom een tempel 
toegewyt was, zoo veele Kapellen had hy ook. Zie het doorgeleerde werk van Sal- 
mafius, Plinian. Exerc. P. Sfy. a. b. 

[*P] Andere diergclyke zothedcn meer zie by Alexander ab Alexandro in het vyfdc 
Boek, het gehcele dertiende hooftftuk door, doch voornamcntlyk des zelfs laetfte ge- 
deelte, daer noch al vry wat andere ftasltjes voor den dag komen als hier vermeit ftacn: 
die gy niet zonder vermack zult lezen. 



nj6 B Y G E L O O F. 

men zcit dat de ysvogel [Q_] Halcione te voren v/eetj wanneer de zee flil 
zal worden; waerop hy-dan üoereedt om jongen te broeden ; ja dat het wa- 
ter zeven dagen lang het bruizen ftaekt; in welken tyt de kiekens van dat 
waterdiertje gekipt zyn. Dan zulx is zekerlyk eene natimrlyke voorwe- 
tenfchap, die deze vogel zal hebben , belangende den aert van fommige 
jaerwinden: maer wat geit dit by het voorfpellen van oorlogh, peft, hon- 
crer, vrede, voorfpoet, heil enz. daer het bygeloof zoo veel voormer- 
i^en toe verziert? Van den lof dien Izidoor[R] enPlutarchus denysvogel, 
wegens het gezeide, geven. Komt de zwaen ook een gedeelte toe : want 
haere voorkennis, of wat het zy, wort gezegt van de zeeluiden ondervon- 
den te zyn: naementlyk wanneer hen deze vogel verfeheen, hielden ze het 
van üLits voor een hcilteken, flaende op Kalmte en flil weder. Hoor hier- 
op, hoe de Duitfehe Virgiluis, ik meen Vondel, denLatynfchennazingt. 
Venus vertrooft, in het eerfte boek van Eneas, den Trojaenfchen zwerve- 
ling haeren zoon, met deze woorden [S] : 

Nu voort ten hove naer de koningin gejlreeft : 

Want ik ver zeker e u , zoo met de ivichleryen 

Het 'üvaer zeggen met los door V menfchcn zinnen gly en ^ 

Dat ree de 'bvint op zee ge keert ts, en irja vloot 

En al uw volk gehergt . dit ziet ge naekt en bloot y 

Indienge wju oogenjlaet op deze zespaer vogels, 

Al zwanen , die (nadat haer d'arent met zjn vlogels 

En bek en klaenwen uit den hemel overviel^ 

By klaeren zonnefchyn , en baer gejcheiden hiel,') 

Zich vrolyk m een vlucht verqvikken, en vermeien. 

Nufchynen ze op een ry tefiryken in de weien: 

Nu ftygen ze m de lucht : en evencen<^ gelyk 

Zy haeren vyant zyn ontglipt , en zegenryk 

Nu dryven op haer pen, m 's hemels hooge plekken, 

Jn eene zelve vlvgt al fnorrende ommetrekken , 

En zingen uit de boyfl ; zoo loopt uw vloot enjeugt. 

Voor wint, voor Jtr oom, den nmit der haven m met vreugt; 

Üflegtaenlant. 

Ten 

[03 Van dezen vogel, en 't geen hier van hem gezegt woit, zal breeder worden 
gclprokcn in 'tzinnLb^ck der IlHuehks Fereeni^ing. 
[R] Zie ons beneden over de Huwelyks Fereeniging. 
[SJ Vers 593. 

Pergc modo, atque hinc te Rcginae ad limina perfer. 

Namque tibi reduccs fbcios , claficmque relatam 

Nimcio, Scintutum, verfis aquilonibus, aótam: 

Ni frulb-a augiirium vani docucre parentes. 

Adfpice bis ienos Ixtantcs agmine cygnos, 

iËthcrea quos lapla plaga Jovis aks aperto 

Turbabat coelo : nunc terras ordine longo 

Aut capcre , aut captas jam defpeftare vidcntur : 

Ut reduccs illi ludunt ftridentibus alis, 

Ut coetLi cinxerc polum, cantuique dcdcre : 

Haud aliter puppefque tus pubcfque tiiorum 

Aut poitum tenet , aut pleno fubit oftia velo. 

De zwacnen , zegt Servius over deze plaets , raaeken alleenlyk een voorlpclling aen de 

fcheeps- 



B Y G E L o o F. 197 

Ten aenzien van zulk ecne dierlykc voorzienigheit zyn 'er meer exempels 
voorhanden. Menfprcekt van eenen vifch, Echinus [T] gcnoemt, die 
ftorm en onweer al voorheene zou merken , en zich dan aen het ftrant be- 
dekken [V] met zant en fteentjes, tot tegenweer van het genakende on- 
heil > ja men voegt 'er by, dat de zeeman het bedryt van dezen vifch zoo 
dra niet gewaer wort, ofhy laet het anker vallen, enmaektzichgereette- 
gens de worftelende buien. Iet desgelyx verhaelt Plinius (i) van cenige (,, L,b 
andere dieren. En van den Pö//^?/j [W] zeit Plutarchus (2), dat als de- xvu'i.' 
ze vifch onweer voorziet, hy zich lantwaert aen fpoeit, om zich ergens J*?Qj;rt 
aen eenen fteen vaft te houden. Deze voorwetenfchap nochtans is natuur- Nat.c. n'. 
lyk, en komt in geene vergelyking met de heil- of ramptekens die de byge- 
Joovigcn aen veelerlei dingen te zottelyk toefchryven. Want elk kan licht 
bcgrypen, dat dezen waterfchepfelen de natuur van hun element ten vol- 
len [X] bekent zy. Lydt dit dan eenige verandering, door den wiflel- 
flant der lucht, die zich airede begint tot ftorm en woeftheit te bereiden, 
zoo kunnen zy op eene natuurlyke wys voorheene het onweer merken. 
Zulx dat de menfch tot zyn welwezen, zonder daerom bygeloovigh te 
/. Ded. D d d wordea 

fchecpsvaercndc luiden : en daertoe haelt hy deze twee versjes aen : 

Cygnus in auguriis nautis gratiffimus ales : 
Hunc optant ièmpcr, quia nunquam mergitur undis. 
Dat IS : De z.waen is in de vogelwichlaery een z.eer aengentteme vogel voor fcheepsvaercnde 
lieden. Zy wen[cheH dltyt om hem te z.ien , emdat hy nooit dmkt onder de baerea. 

[T] Of Zecëgel. Dien nacm draegt hy, omdat hy met fcherpe pinnen voorzien is, 
die hem bcfchermcn, gclyk den landegel. Deze pennen fh-ekken hem tot voeten, daer 
hy op gaet, of liever rondom rolt. Zie meer van hem by Jonfton van de Bloedelooze 
Watcrdieren 7, B. 'i^ Op f. x H. ir. L. alsook by Plinius Hifi. Nai. Lib. IX. cap. 51, 
en Lib. XVlil. cap. 3 f. insgelyks Plutarchus in zync Verhandeling aengaende de Sne- 
dieheit van Land- en Waterdieren cap. ^6. uit welke twee laetfte fchry vers voornament- 
lyk genomen is , het geen de opftoller van dit beek hier van dezen vilch verhaelt. Zie 
ook Picrius Valcrianus Hierogl. Lib. XXXVIII. cap. y6. 

[V] Dat doet hy voornamcntlyk , opdat hy door 't gewelt der baeren niet te veel 
zoude heen en weer geflingcit worden , en door 't geduurig omrollen zyne pinnen niet 
te veel afilytcn of verliezen : gelyk de zoo even acngchaelde fchryvers 'er van melden. 
Piërius tekent aen, hoe dat Bafilius verhaelt, dat hy van een zeker zeer ervaren zeeman 
hadde horen vertellen als ecne gewiflc zaek, dat een zeeëgel 't gewelt van winden en 
ftorm vooraf gemerkt hebbende, een rteentje, dat al redelyk groot was, had boven op 
zich gearbeit, en zich ze! ven alzoo in ftaet geftelt om door de drift van 't water niet te 
kunnen worden wechgefpoclt. 

fW] Of Veelvoet, zie van dezen vifch , behal ven anderen ook Plinius Hifi. Nat. 
Lib. IX. cap. 29. en 't geen de meergemelde Jonfton uit oude fchryvers dicnaengacnde 
heeft verzamelt in zync Hiftoric van de Bloedelooze Waterdieren IBoek^ zOpf. i Hooft J}. 

[X] Die is echter niet bekent aen alle waterfchepfelen : maer alleenlyk aen meeil al- 
le de zagte of wecke waterdieren. Hoe komt dat ? Plutarchus antwoorde voor my, 
Quxft. Nat. cap. 18. M'aerom, vraegt hy, is het., als wen den vifch teuthis z.iet ., een 
teken van een groot omieder ? Is het ook. daerom^ emdat alle vijfchen , die onder de z.agt€ 
behotren {de Grieken niemen z.e malakin) de koude bez.waerlyk^ kunnen verdragen van we- 
gen de naektheit en dunheit van hun vleefch*? Wam zjy z.yn noehte door een fchelp , nöchte 
door eene huit , noehte door fchubben gedekt , enz.. Derhalven worden z.e het naederent 
enweèr ras gewaer , de^iyl z.e de koude :^oo fchielyk.'voelen. Daerom wanneer de Teelvoet 
zich naer 't firant fpoeit en zyne voeten om fteenen flingtrt , is het een teken, dat 'er z.00 
dadelyk winden zullen uitberfien. Maer de teuthis fpringt uit de zee , omdat hy voor de 
koude en de ontroering., die 'er in de diepte der zee is, vliedt. Want die vifch heeft bo-' 
'Ben alle andere zagte vijfchen, teer vleefch* dat ligt k^n gekneufi werden. 

* Vleefch. De viflchen hebben cigentlyk wel geen vleefch ; maer men kan dit hier, 
zonder vcr\varring te veroorzaeken , niet wel anders zeggen. Ik leeze in goet Duitfck 
dikwyls van bet vleefch der vijfehen. 



198 



BYGELOOF. 



worden, wel op het doen dezer gedierten letten magh. Maerdenuil, de 
kraeij en wat niet al meer, kan en magh men tot geene voorzeggers van 
toekomcnt goet of quaet verkiezen, of men vervalt aenllonts tot het byge- 
loof. Echter hebben de vreesachtige bygcloovigen met zulke beiizclingcn 
en nietio;hcden veel op, en toonen al te klacr dat ze Hechts uileharfcns in 
hunnen kop voeren -, waerom dan ook dit beelt met'zulk eenen vogel op 
het hooft vcrfiert is: en dat ze zyn als de onverftandigekraei en domme bu- 
bo, die voor haere voeten ftaen; want zy ftellen daerop alle hunne gedach- 
ten , en gronden op de zelve hunne ydele waernrmingen. En daerom fchat 
Izidoor de by- en overgeloovigcn niet en' cl voor onvcrftandigh en ydel, 
maer noemt het eene groote grtrx'eUaet [Z], tegdooven dat Godt z,pie raed- 
Jlagen acn de kraeien zoude openbaeren. 

Het beelt draegt om den hals veele toverbricfjes, dewyl de dwaeze by- 
geloovigheit doorgaens medebrengt, zich met een deel lelyke lettermer- 
ken , dat is onleesbaere haeneklaeuwen, en miflyk flagh van woorden quan- 
fuis te wapenen tegens allerlei quade toevallen. Ten zelven einde draegt 
zenogh, om wel verzekert te zyn , een goet deel andere fnorrepypen by 
haer, die immers nergens toe nut zyn. Keizer Karakal Ia, hoeweleen hei- 
den, was nochtans een geflagen vyant van alzulke zotternyen, en deed met 
de doot ftrafFen [Aa] al wie hy met briefjes tegens de ander- en derdcn- 
daegfche koorts om den hals, achterhaelde. Ochof Godt gave, dat zul- 
ke uitzinnigheit van bygeloof thans niet meer te vinden waere! 'tishelaes! 
al te bekent, dat deze dwaesheit, om^ geen godtloosheit te zeggen, onder 
veelen, die echter mede al Kriftenen willen hieten, nogh heden in zwang 
gaet. Jadaerisgeen gebrek van menfchen, die hunne zonde van byge- 
loof nogh gaen verzwaeren, met de woorden der H. Schrift daertoe te mis- 
bruiken, die men immers met diepen eerbiet, en ootmoedige aendacht be- 
hoort te hebben, en in te zien, als eene fpys en trooft der ziele, maer niet 
tot zulk een afgodifch einde. Doch men magh over deze dwaelgeeften de 
fc houders eens ophalen, en zeggen, wat zal men doen ? of gaep wat tegens 
een' oven. De 

[Z"l Orig. Lib. XII. cap. 7. Magnum nefas hxc credere , ut Deus confilia fua cornici- 
bus mMidet. 

[Aa] Nacr 'c verhael van Elius Spaitianus in 'c leven van Karakalla er;». 5". De Gc- 

dciikichriftcn der oude Grieken en Latyncn zyn vol voorbeelden van zulke hiil['biicf- 

jes tegen koortfcn en andere ziektens; maer altyt zyn dusdanige middelen door luiden 

van verfrar.t \-croordeek. Thcofraftus bcrifpt net in den verilandigen Perikks , naer 't 

verliael van Plutarclius, als eene zotte dact, dat hy op zyn zickbcdde leggende, haddc 

toegelaten, dat hem zulk een tovermiddel door eenige vrouwlieden wierdt om den hals 

gehangen. Karakalla echter is de cerfte gevveeft, naer 't gc\'oclen van Kazau bonus, 

die de gebruikers van zulke briefjes zoo ftrcng gcftraft heeft. Doch met recht bcklaegt 

onze fcïiryver den ftaet des Kriftendoms, dacr zulk een ydel bygeloof by vecleh nog 

placts heeft : dat vooral gefchict by die van den Roomfchcn Godsdienft. De quael is 

al out en nog niet genezen, hoe treffclykc meefters 'er de hanJt ook hebben acngefla- 

gen. Chryzoftomus en andere Mannen ^'an achting hebben in hunne fchriftcn al dik- 

wyls zeer krachtig bcftraft die zoo eene Heideniche bygelovighcit voor gocdt keurden 

tn volgden: en men vint in de oude Concilien der VaJercn.vccle regels aengacnde de 

ftrafFen van zulke menfchen. Ja dit quaet had zulke diepe v/ortelcn in de gemoederen 

(i)Honnl.der gemeene Kriftenen gcfchotcn, dat de evengenoemde Cliryzoftomus (i) de verach- 

*• ^",1'^'^, ting van deze ydelheit cenigermaten gelyk ftelt met het martelacrfchap. Ook zyn 'er 

Coloff^ verlcheide wetten door Knften Vorften tegen deze en alle andere iborten van verbode 

konften gcmaekt: gclyk breder te zien is in de geleerde aentekeningen van den braven 

Kazaubonus , zoo even genoemt , over de aengehaelde plaets van Spai tianus j uit welke 

sientekeningen wy 't bovengemelde meerendeels hebben getrokken. 



B Y G E L o o F.. 199 

De ontfteke fakkel in de liant der beeltenis, vertoont den brandenden 
, yver, die in de bygeloovigen van eene verkeerde uitwerking is-, want ze 
hebben zulk een duider gezicht, dat, gelyk de geveinsden van anderen 
voor godtsdienfcigh gekeurt worden, zy zich zelven achten als exempels 
van godcvriichtigheit. Hierom zeit Tiraquellus [Bb], dat het bygeloofnaeji 
\bydegeveinjlbeit komt. Wat mogen evenwel deze arme halzen zich laten 
ivoorftaen? Want hunne vrees is geene godtvreezentheit, maer eene ydele 
i en fchandelykc verfaegtheit voor dingen die geen ontzagh waert zyn. Po- 
I lidorus Virgilius (i} noemt der bygelovigen godtsdienft verkeertcn dwaes 
dewyl 'er niets waerachtigs noch heiligs aen is. Let eens op 't verfchil : ^j^-n! 
Degodtsdienfteert enaenbidt Godtj het bygeloof onteert hem, en zoekt 
langs den kromften doolwegh hulp en byftant, en dat op eene fchendige 
wys. Deze is dan alleen de waere godtsdienft, die namentlyk de middel- 
baen houdt tulTchen over- of bygeloof en godtloosheir heene. Aldus ftaen 
''< alle deugden 'm 't midden van twee lafterlyke uiterften. Het eene nu de- 
zer genoemde gebreken, is een zonde door te veel; het andere door te wei- 
nigh doen. Het bygeloof vreeft meer dan naer behoorcn , terwyl de godt- 
loosheit niet met allen vreeft, gelyk Franciskus Konanus aenmerkt [Cc]. 
Zoo fpreckt 'er ook Seneka omtrent van j noemende de bygeloovigheit [Dd] 
eene d\z:aeze doohng envalfchengodtsdienjl; "ui-ant gelyk de '•jvaere , Godt ver- 
hcerlykt, zno fchcnt de bjgeloovigheit zjne glori. Dan dit hebben wy pas 
voorheene ook gezeit. Voorts ftaen de ydelheden des bygeloofs nogh dies 
te meer te vreezen , omdat ze uit het heidendom herkomftigh zyn, gelyk 
men met vecle oude poëten kan bewyzen. Hoor Ovidius in zyn VII. boek 
der Herfcheppinge eens opzingen [Ee] : 

Medca [pookt, gelyk een 'xynpaepin, hierby. 
Met hangend hair rantom de bar renende altaeren. 
En doopt de fakkels., die vol diepe groeven 'm' ar en, 
In ' t Z'-jr arte groef bloet , en ontjleekt ze aen elk altaer. 
Zoo znivert ze het lyfdesgryzen mans heel klaer 
Tot dry werf toe met vier, en dry werf met deplaffen 

En zwavel dry werf. 

D d d 2 Vir- 

[Bb~i Superftitio pro.xime Accedit ad hypocrijïn. 

\C,c\ Lib. II. cap. I. Ejl ergo religio , ut erKnis vhtus., iliter duo vitia pofïta, & mo- 
dus quidam intcr nimium ó'pirvHm: nam fuperjiitioffts dicitur ., ^iti plus jufrometuensefi 
religionis, e.v c^uo metu fdlfos fibi Deos iwAginatitr ^ cjuos venerettir & col at , negleilo inte- 
rim unius vert Dei ho>7ore <y chIih. Impitis ainem eff , cjui nnllos omnino Dcos ejfe cre- 
dit. 

[Dd~| Epift. 122. Suprrfiitio error infintis cff : amatidos timet i cjhos colit, violat. 
jQuid enira intere(l , titrprm Deos )iegcs, an infames ? Et Lib. de Ek'mcnt. II. cap. J". 
Religio Deos colit , fuperflitio vioLit. 
[Ec] Vs. 2J7. 

PaiTis Mcdca capillis 
Bacchantum ritu flagrantcs circuit aras : 
Multifidafquc Eices in foda üinguinis atra 
Tingit, & intinftas geminis accendit in aris. 
Terque fenem flamma, ter aqua, ter fulfurc luftrat. 
• Een reeks vati andere exempelen acngaende 't bygeloovig gebi-uik van de fjkkel , zie 
opgetelt door den Heer Jan Broekhuizen in zyné geleerde aenmerkingen over Tibullus 
Lw. I. El. 2. VS. 61. 



ritac. 



200 



B Y G E L O O F. 



Virgilius laet in zynen achtften Herderskout Alfezibeus , onder andere 
woorden, dit zeggen: 

Voor 't eerjle hinde tk u met dees dry Urine dromme, 
Van dry kokuren , draeg tru.- heelt dryji'erfrontomme 
V Altaer: onevental hrengt heil en zegen mê. 
Ik geve u Vondels vertaling van beide die dichtheiden, 't Is waer, alle 
deze vaerzen zyn wel eigentlyk betrekbaer tot de zoo genoemde tover- 
kunil, maer zet deze eens neffens de bygeloovigheit , gy zult uit haer we- 
zen zien , dat ze ten minden gezufters zyn van halven bedde. Luciaen 
geeft in zyne Samenfpraek van Menippus ook een deel orergeloovige ydel- 
heden op, daer hy zeit: In den middernacht vierde ze my tot aen den Tyger- 
Jlroom; daer reinigde en droogde ze my af, en zuiverde my met fakkels. En 
wat lager : Ondertujfchen eene hrandende toorts in de hand houdende, fiaekte zy 
het flil gemommel , en hegon zoo luidt tefchreeun-en als ze koji, roepende alle de 
helfche razernyen^ Hekate en de doorluchtige Proferpyn te zamen. In zulk ee- 
ne duifternis zat het malende heidendom, tot dat eindelyk het licht der za- 
ligmakende Wysheit Kriftus de ftinkende fakkel dier razende bygeloovig- 
heit verdoofde. Nu kan men voorts dit onderfcheit ftellen tuflchen de 
bygeloovigheit en oprechten godtsdienftj te weten, de menfchen die zich 
met heteerftebefmetten, hebben een' flaeffchen fchrik voor Godt ; maer 
die tot het tweede behooren, vreezen hem met eerbiedt als hun Vader, en 
niet als een vyant. Dit verfchil maekt 'er Budeiis (i) ook tuflchen. Ja 
(i) In Pau- jjgj^yge^QOvigen houden hunnen fchrik, die ze voor Godts magt hebben, 
VarroM. voor eene oprechte godtvruchtigheit. Maer helaes ! hoe byfter bedriegen 
ze zich hierin! Want men moet voor Godt niet vervaert zyn, maer hem 
ootmoedigh vreezen en beminnen te gelyk, eerende zyne deugden op eene 
heilige en betamelyke wyze. De dwingelanden worden gevreeft j maer 
heeft men 'er teffens liefde voor? o neen: men haet ze, en geeft hun ook 
geene eer, dan als gedwongen. Godt, in tegendeel, gelyk gezeit is, 
moet men vreezen en, alles ten aenzien van hem verachtende, lief hebben op 
ecnen en zei ven tyt. Dat eifcht ons het voornaemfle gebodt boven al ern- 
ftelyk af. Men ziet, 'tiswaer, debygeloovigen, gedrongen door hunne 
averechtfche godts vrees, fomtyts vallen, bidden, en andere, anderszins 
godtvruchtige werken doen : maer dit zyn in hun flechts doode werken, 
naerdien de liefde, die ze tot hunnen Schepper gcduurigh brandende be- 
hoorden te vertoonen, hiermede niet gemengt is, ja geheel doof en kout 
ter neder leit. In plaets zelfs van dat de bygeloovigen een waercn godts- 
dienft zouden oefenen, zo plegen ze altytheilfchendigekerkdievery, bee- 
zigende Godts eige woorden, quanfuis tot hun voordeel, op eene zeer 
vloek- en doemwaerdige manier. Plutarchus zeit dat deze foort van men- 
fchen de goden haet en vreeft, en derzelver vyant is [Ff], zynde dit een 

nood- 
[Ff] Deze ftelling maekt hy aldus op: namcntlyk, indien 't godloos is fnode dingen 
van de Goden te zeggen , zoo is het ook godloos 'er die van te denken : want Ichelt- 
woorden zyn een teken van quaetwilligheit , en die van ons qualyk fprckcn , achtert 
wy voor onze vyanden , als ontrouwe , en die niets goets omtrent ons voorhebben. 
De bygelovigen nu houden de Goden voor ontrouw, vcranderjyk, wreed, en zich 
over de allcrgcringfte dingen verftoorende : en zoo volgt daer dan uit, dat een bygelo- 
vige de Goden haet en vreeft : als van welke hy meent , dat hem reets zeer veel quacts 
is toegezonden en nog zal toegezonden worden : die nu Godt vreeft en haet, die is ze- 
kerlyk zyn vyant. Dit is ten naeften by de redeneering van Plutarchus ; uit wien ook 
de hier bygebrachte gelykenis , aengaende een Tiran is genomen. Zie hem zelf in zy- 
ne Verhandeling over de Bygeloovigheit, eaf. i8 f« 19. 



BYGELOOF. 



201 



noodwendigh gevolg hunner hoedanighcir. Verwonder u eVemvcI niet 
dat hunne vrees hen tot godtsdienftige werken dryft -, want men ziet ook 
de tyrannen groeten, ja Ibmtyts met goudc praelbeelden eeren, en dat wel 
door zulkcn die hen in 't verborgen docdclyk haten en vervloeken. De 
pasgenocmde Plutarchus tracht voorts te bewyzen, dat de over- of byge- 
loovige menlchen godtloozerzyn, dan de godtverzakers, en dat het'by- 

, geloof een oorfpronk der godtverzaking zy [Gg]. Zie dan eens, hoever- 

, re het zelve van den oprechten godtsdienft zy afgefchcidcn , te weten zoo 

i wydt als de waerheit en leugen in haer natuur vaneen wyken. An^njlyn in 

. ^I. boek van God^s Stadt [Hb], m Laktantms [li]. 

Onder den flinken arm, dicht by den boezem, in welke hant zy juift 

., ook de brandende kaers heeft, zietmeneenenhaes,omdatdeuiterlykefchyn 
des yvers van den godtsdienft der bygeloovigen met zulk eene ganfch qua- 
lyk beftierde , en in den boezem verborge vrees en fchrik te zamen gepaert 

; gaet> waervan de haes een bequaem zmteken ftrtkt, want die is vreesach- 
tigh en zeer verfiegt. Om deze reden plagt de poëet Kornificius de bloo- 
de foldaten, gehelmde haezen [Kk] te noemen; en Suidas zeit dat de Kala- 
briers van Reggio, omdat ze bloohartigh en bevreeft waren, haezen wier- 
den genoemt. De haes komt hier ook te pas, dewyl de luiden , wier ka(* 
rakter [*Kk] wy dus verre getoont hebben, het mede als een quaet voor- 
teken aenmcrken, wanneer ze dit dier voor hen over den wegh zien loo- 
pen [Lil. 

f /. Veel E e e Zy 

[Gg3 Wnnt de menfrhcn zyn tot het verzaken van de Godtheit niet gekomen, om- 
I dat ze lil dm heincl, in de ftarrcn, jacrgctydcn tn vordcrc bcftierirg van 't Gehedal 
iets onordcntt]} ks of bcrifpelyks befpeuvden : macr de btiachclyke daden der b}gclovi- 
gcn , hunne woorden, beweeghigcn , prevelingen, bezwccringcn, cnrcmc reinigin- 
gen, wrede en onmenfchelyke offerhanden, hebben acn fommigen gtlcgenhcit gegeven 
om te zeggen, dat het eer te denken was, dat 'er geheel geenc Goden waren, dan cat 
'er zouden zvn , die zulke zakken goetkturden en daer in vermaek fcheptcn. • Dit is we- 
derom de redenecring van Plutarchus in 't gemelde Werkje, c^p. 19. 20 en 21. Een 
godverzakcr, zegt hy, ook gelooft niet, dat 'er Goden zyn : macr een bygeloovige 
wenfeht, dat 'er gccne zyn , en gelooft het tegen zyn wil en dank, omdat hy daerm 
niet durft ongeloovigh zyn. Macr byaldien hy, gclyk Syzifus den ftecn zoekt van zich 
te ftootcn, atzoo ook zyn gevoelen (hetwelk hem al zoo zwaer drukt als zoo eene fteen) 
konJe van zich werpen , hy zoude zekcrlyk dat van den godvcrzaker aennemen , en 
hetzelve voor gclukkigh fehattcn. 

[Hh] Ook het deitigfte Hooftftuk van 't vierde boek. 

Qi^ Religio zeri cultus f/?, fuperfiitio faljl. 

[Kk] Erafm. Jpopht. Lib. VIII. Gregorius Nazianzenus ftelt ook een zekere gelyk- 
heit tuflchen blohartigc mannen en haezen , in dit versje : 

Dat is : de kiez.en fchrikhien voor 't geruifch der blaederen , en i/lohartige mannen voor de 
fchadu-wen van alle dingen. Zoo verwyt ook Demofthcnes aen Efekines (i) : ^*y"> (,) DeCo- 
/3<sv ê|>js-, SêJiMf z<*< T^ipnav, gy leide een leven gelyk, een haes , vreez.ende en heevende. roiia. 

[*Kk] Die 't rechte karakter of merk van een bygclovigcn b'-gecrt r<:^ weten, dielec- 
ze het XVI. Hooftftuk van Theophiaftus Zedelyh^ Karaiters of Mer^eber.enm^idiezQn- 
tekeningen van Izaacus K.azaubonus en Jacobus Duponus. Zie ook Plutarchus Ver- 
handeling over de Bygeloovigheit , en Kar. Pafcal. de Firtmib, & P'itiis., cap. ik. 

[LI] Een voorbéelt dacr van leeft men by Herodoms in 'c IV. Boek. Men vint 'er 
ook dit versje van by Suidas : 

Dat is : het verfchmen van een haes maekt ongeluktsgs uwegen. Maer voornamentlyk 

wiert 



202 



B Y G E L O O F. 



Zy houdt eenen kring vol darren in de rechte hant, en ziet 'er metgroo- 
te bcfchroomtheit op. Lukretius noemt, volgens de aentel- ening van S^r- 
viiis [Mm], het overgeloof eene ydele en onmatige vrees voor dingen die 
boven ons zyn, namentlyk hemelfche en godtlyke. Want het is ook eene 
eigenfchap der bygeloovigen, dat ze een vreezend ontzagh voor de ftarren 
enhemeltekens toonen, zich regulerende naer de planeeten, endocndelie- 
ver iet op woens- of donderdagh [Nn], dan op vry- of zaterdagh enz.j 
ftellende aldus den eenen dagh hooger dan den anderen, en makende, dat 
de zaek met eene te rug gaende orde beftemt worde op den dagh van de 
dwaelftar die 'er dan loopt. Deze dwaeling heeft haeren oorfprongk ge- 
nomen uit de ftarrekyk er yj gelyk Rodiginus wil [Oo]. Maer, o wyd- 

verdwaelde 

wicrt het voor een quaet teken gehouden, v/anneer de hacs den weg dien men gacn zou- 
de, over dwars overfprong, en dcnzclven alzoo even als vaneen fpk-ct en afbrak , gelyk 
ons de zelve Suidas vertelt. Evenwel is het zien van eenen hacs niet alr\t gehouden 
tl) Apoph. ^'°°^' '■'-" ï'^ken van tegenfpoct. Plutarchus (i) verhaelt van den Spartaenfchen Archi- 
Lacon. 4J. damiis , denzoon van Zcuxidamus, dat hy met zyn Icgcr voor Corinthen gekomen zyn- 
de , en ziende dat 'er uit een plaets , die dicht by de muuren was , eenigo haez:n óp- 
fj^rongen, zyne foldaeten daer uit hadden voorfpclt, dat zy de vyandcn gemak kelyk 
zouden overwinnen , omdat namentlyk eene ftad geenfins ftrytbaer fcheen , dacr de hae- 
zen zoo gemft by de muuren flicpen, die anderllns de plaetlcn fchuwen, dacr veel 
(ij ^^poph. mcnfchen komen. Elders (a) fchryft hy dit geval aen Lyzandcr toe , ecnigfins met 
L.1C. <)s. verandering. Gelukkig was het voorval, dat ons Piërius (X) verhaelt van den Koning 
13) Hicrog Arnulfus, wanneer die Romen belegerde. Een hacs door 't geraes der Ibldaten opgc- 
Lib. Xlll. jacgt, liep ftedcwaeit: de foldaten vervolgden hem in meenigte, hun geichreeuw vcr- 
^' ' hefiènde om den hacs nog harder te doen lopen. De Romeinen, dien de befcherming 
der veften was aenbevolcn, meenende dat 'er een acnval op de ftadt gefchicde, en dat 
zy dien om hunne zwakheit niet zouden kunnen weerftaen , verlieten de veften : 't welk 
de vyanden ziende , namen die gelegenheit waer , en hebbende een menigte zadels van 
paerden en laftdragende heeften op een hoop geftapcit, beklommen langs dezelve de 
veften , en vermeefterden die zonder flag of ftoot. Het was of al de vrees van dien 
hacs in alle was overgewaeit. 

[Mm] In iE,neid. Lib. VIII. v. 187. Superjlitio efi timor fuperflmis & Aelirm: ant 
ab aniculis diüa fnperfHtio , ^m multis fuperftites per étatem delirant & (lukt. funt : ant 
fecunduat Lucretium fuperflitio efi fuper[}-*ntium rerum , id efi ^ calefiium & divinarttm , 
quit frpra nos fiant , inanis & fuperfluus tintor ; dat is : fuperfiitie is eene overtollige en, 
z.otte vrees: of z.y is fuperfiitie genoemt na de oude besjes, die 'er veele overlevende , ue- 
gens haren ouderdom f"jf^^ ^" ^"^ ^y" i "f "volgens Lukretius is fuperfiitie een ydele en over- 
tollige vrees voor bovcnftaende z.aeken , [luperftare betclient bovenfiaen'] dat is , voor he- 
(4) Cap. c "^^((^^-^ ^" goddelyke , die boven ons ft aen. Nonius M;;rccllus (4) brengt nog eene an- 
' dere afleiding van dit woort by, met verwerping van die geenc, die in 't begin van dit 
bcelt uit Cicero is bygebragt, haclende het wel van den zelven oorfprongk als Lukre- 
tius, namentlyk van y»/)f>y?^^if, maer gevende dit woort eene andere betekeniilè, te we- 
ten , die van fuperfedere ; dat is , verwaerlooz.en , verzuimen : omdat , zegt hy , de by- 
gelovigen door hunnen godsdienfi hunne andere z.de\ien verwaerlooz..en. Maer of Nonius in 
ftaet gewecft zy om aen te tonen , dat fuperfiarc by de Latynen ooit verTi,-aerlêz.en heeft 
(j) In Ety- betekent , dacr aen twyffelen wy zeer. Voflius (5-) brengt het ook van dit zelve woort, 
"'ol. maer in de betekeniflc van overig z.yn, te veel zjyn ; zoo dat flipcrftitie of bvgelovigheit 

zy, wanneer 'er in den Godsdienft iets boven de juifte mact te veel gefchiet. 

[Nn] De woensdag is de dag van den Planeet Mercurius; de donderdag, die van 
den Planeet Jupiter j de vrydag, die van den Planeet Vcnus; de zaterdag, die van Sa- 
turnus. De zondag voorts, róaendag en dingsdag, zyn die van de Planeten Sol, Lu- 
na en Mars : dogh dit zyn gemeene zaken. 

LOo] Lib. V. cap. 59. Ex Afirologis. porro finu profluxijfe fuperfiitionnm omnium vani- 
tates , locupletifilmus au flor Farro tefiatur : dat is , Farro , een z.eer geloofwaerdig fchry- 
1/er , getuigt , dat de bygelovigheit uit den boez.em der fiarreJ^ykery is voortgev loeit. Ver- 

ftae die quade en belachelykc kunft van ftarrekyken, de Aftrologi, die uit de hemel- 
fche 



B Y G E L o o F. 



203 



verdwaelde noenfchen ! laet ü eenmael ten befte raden. Jeremias zegt im- 
mers zoo klaer in het X. Hooftftuk zyner Voorzeggingen: Leert den "ji'ech 
der heidenen niet, en ontzet u met voor de tekens des hemels enz. En op eene 
andere plaets zeit de Profeet: li^ant zy kunnen noch helpen noch fchaden. 
Gregorius laet zich dus hooren [Pp] : de rnenfch is met om der ftarreny maer 
defiarren zyn om 's menfchen wdgemaekt. 

fche lichaemen toekomende dmgen wil voorzeggen, en die daerom van Izidoor ('i)mct (,j onV 
recht bygeloovigh wort genocmt, en zeer wel ondcrlcheidcn van de Aflrommi of Starre:- Lib. 11.°' 
kunde ; welke loffèlykc wetenfchap zich bcezig houdt 4aiet het onderzoek van den he- «ap. lé. 
meiloop, op- en ondergang en bewcegingen der Harren enz. Zie Izidoius Lib. L, 
LPp] Homil. X. Neqtie enim fropter fieltas homo, fed flelU prepter homintm fati* 




BILLYKHEIT. 



"CEne in 't wit gckleede Vrou [A], die in de rechte hanc 
een weegfchael , en in de flinke eenen overvloetshoren 






houdt. 

Het wit verheelt de oprechtheit [B] van haer gemoet, dat zich door 
geene gefchenken [C] , nochte byzondere inzigten uit zynen ftant laet ver- 
wrikken. Op deze wys velt de billykheit een rechtmatigh oordeel over 
verdienden en gebreken., en weegt ze [D] loon of ftraf tocj doch alles 

E e e 2 '" 



min- 



[A] Zoo is ze afgebeelt op een ouden gedenkpenning van Gordianus. 

[^B] Zie de acnmerking F. over de Gerechtigheit. 

[Cr\ Zie de acnmerkingen E. en G. over 't zelve Bcclt. 

j^D] Men verhaek van een olifant, dat hy gezien hebbende, dat iemant onder 't gcc- 
ne hy een ander toewoog, zant en kleine fteentjcs mengde , in den pot, die'ermetvleeich 
by hem over 't vier hmg , afch van den haert wierp , even als hem 't zelve willende 
doen, 't geen hy een ander gedaen hadde. Men zoude daerom den olifant, als een dier 
dat de billykheit bemint, wel ter zyde van het beek kunnen plactfèn. ZiePiëriuSj 
Hierogl. Lii. II. cup. 8. 



204 B I L L Y K H E I T. 

minzaem [E] en op de zachtlle manier. Ten aenzien der fchuUigen, en 
het matigen der (IrafFc heeft de xiidder en Droft Hooft dit aerdigh zetleen 
uit Francois Gtucciardm nedergezet : Alle misdaders Jlraft -, tcgens vyjtun 
fchellmg m V pont mag h bejtaen enz . 

De weegichael [F] en overvloetshoren, brengen hunne eige uitleggin'» 
van zelf genoeg mede. Jooft van den Vondel , die al dikwyls op dit 
GROOT NATUUR- EN ZEDEKUNDIGH WERELTTO- 
NEEL zal verfchynen , fpreekt in zyne vertaling van de Thebaenfche 
Gebroeders als volgt: 

Indien V al recht "ji'aer is:at dien naem draegt op de tongen ^ 
Ter vierfchaer 'H'iert gepleit , gejlreden, noch gedongen. 
Nu draegt de bdljkheit en eendragt m elk lant 
Den blooten naem : de daet is verre van de hant. 

En een wemigh daerna: 

' Maer hoe veel beter tz'aer^t , om zicht igh en uit f chroom 
Foor onrecht y billykheit f omhelzen ^ die de Jijden 
Aenjleên, genoot eti aen genooten, door de reden ^ 
Gelyken door de liefde aen huns gelyken bint. 
V Is billyk dat elk een rechtmaetigheit bemint. 
Het minder wil doorgaens zich tegen V meerder zetten. 
Dus groeit de vyantfchap. de billykheit leert letten 
Op maet ^ g^t^h en 'onigt^ en 't voorgejielde merk. 

Deze vaerzen hebben we hier bygebragt, omdat ze, aengaende de bil- 
lykheit, leerzaem zyn, en op onze tyden en zeden niet geheel qualyk pas- 
fen. Wy zullen voortgaen. 

(i) Eth. pE,] Ecnbillykman, 1^^ Ax'Aott\es{i), is ^ die niet fiiptelyk^op zjn recht Haet ten ^uade^ 

Lib. 5. jnaer het z.elve verminicrt , hoewel hy de wet lOt eene helpfitr heeft: en dez.e gemoetsnei- 
°' * * ging z.elf wort billykheit gencemt ^ en is eene z.ekere foort van gerecht'igheit . Echter moet 
men zorg dragen, dat deze infchikkelykheit niet te groot zy. Want dew^l de billyk- 
heit (gelyk de Platonifche Speufippus in zyne bepaelingen 'er zeer deftig van fpreekt) 
eene gcduurige medegczellinne is van de Gcrcchtighcit , zoo bezorgt ze, dat het oefe- 
nen van de Gerechtigheit niet door eene al te groore tocgcvcnheit in vcrachtingc kome, 
nochte ook door eene al te groote ftrengheir wrect wcrdc. Want de billykheit is een 
poddelyke regel , die nooit zoo flyf nog fterk is , c at ze de aengenaemheit der goddc- 
l)'ke minzaemheit verlieze : en deszelfs gclaet is nochte door een ftuurfch nochte door 
een wreed gezicht , maer door eene eenvaerdige deftigheit ontzachclyk. Zy is de eige 
en rechte mact der gerechtigheit, en dat gcene, dat het midden is tufichen twee uitcr- 
ften, namcntlyk, tuflchcn eene al te groote ftrengheit en eene al te groote flaphcit ; 
tuflchen 't uiterfte recht , en 't uiterfte onrecht , en even als eene zrkere gelykmatigheit 
van 't geene genoeg is : zy is de weegfchatl \zx\. alle menfchen en van alle zaken : ofzy 
P is die cvenaer van Pithagons, die men vint onder de zinfpreuken van dien Filozoof: 
Chil. I. ' °^^^ welke hy wilde (z) , dat men niet zoude ovcrfpn'ngcn : gevende daerdoor niets an- 
cent. I*. ders te kennen , dan dat men niet doen moeit, hec geene buiten recht en billykheit 
Adag. was. 

[FJ Zie de Gerechtigheit, aanmerking C. 



BILLYK- 



B I L L Y K II E I T. 



E I L L Y K H E I T. 



205" 



pEn ontgort maegdeke, dat met de eenc hant een wceg- 
•L* fchael [A] , die juift in den evenaer hangt , ten toon 
houdt j en in de andere eene el of maetroede. 

[A] Met zoo cene weegfchael ziet men ze op vcrfcheide oude pcnninjrcn. 



B ILLYKHEIT. 

TEn ovcrvloet ziet gy hier dit zinnebeclt als cene Vrou , 
I die een Lesbifch pasloot in hacrc hant heeft. 
De Lesbiers maekten hunne gebouwen van ruwe fteenen, die alleen onder 
en boven gladt waren. Dewyl nu hun Imiael van loot was, voegde het 
zich naer den toeftant der fteenen, zonder [A] evenwel zync rechtheit te 
verliezen. En naerdien de billykheit zich mede fchikt en ncigr naer de 
; menfchelyke onvolmaektheden, betrachtende nochtans geduurigh de "-e- 
rechtigheitj daerom is ze met zoodanig een pasloot vertoont. Deze beel- 
tenis is dus uitgevonden door den voortreflykcn wiskunflenacr Pater Er. 
Ignatius, Biffchop van Alatri [B]. 

|]A] Zie onze acnmerking C. over 't heelt der Befiheidenhcit , bladz. li^, 
[B] En naderhant wiskunftenaer van Paus Grcgorius den XIH. 



B I T T E R H E I T. 

OM de bitterheit te verbeelden , fchildert men gevoeglyk 
eene in 't zwart gekleede Vrou, die met beide hacre 
handen een' honigract houdt;, uit welken een alfemp]ant[A"] 
opfchiet. 

Met reden magh men dit beek dus toeftcllcn, omdat, wanneer wy de 
/. Deel. Fff licHyke 

[A] De alfcm plant , groeiende uit de honigract, is van Picrius Hierogl. Lih. XXFI. 
cap. II. Onze fchryver heeft 'er alleen de Vrouw met het zwarte kleed b)gcvoegt. En 
wat het zwait belangt, 't is bekent, dat het Zclvc een kleur van rouwe en droef heit is : 
gelyk wy elders (i) breder acntoonen. De alfcm, als een zeer bitter kruit, Tpruitende ''' ^^''^'•"" 
uit het acngenamc zoet van den honig, drukt ook zeer wel uit, het geen de fchryver Fifi/b^Tv 
hier door 't zelve beoogt, en door Lukrctius (2) dus wort uitgcbragt. vs. my. 



Dat is: 



Quoniam medio de fonte leporum 
Surgit amari aliquid , quod in ipfis floribus angat. 

l^^ant midden uit de bron van 't liefeljk^ -Verin aek^ 
Ryfl iets dat bitter is , en door zjn e]naden fmael^ 
In 't eêlji' ook^van de vreugt benaeuwt. 



2o6 B ] T T E R H E I T. 

licflyke zoctheit van weelde en voorfpoet [B] genieten, meefl: in f^evaer 
zyn van 'm elende en jammer neer te ftoiten: of omdat wy dan allcrbeft van 
de zoetheit der voorfpoet kunnen oordeelen, wanneer wy de bitterheit van 
de tegenfpoet geproeft hebben [C] ; en het onderfcheit dezer twee ftaten 
ondervonden en de onderlinge ftrydigheit daervan krachtigft gevoelt heb- 
bende, kunnen uitroepen: O goede, maerook, helaes, o quade en ramp- 
zalige Fortuin ! Door den alfem wort ook het boosaerdigh gemoet [D] der 
inbittere meni'chen niet onaerdigh uitgebeelt. Luft u evenwel den alfem 
eens uit den honigh te zien opwaflen, zoo befchouw Floris den vyfden 
van Hollant, in Hoofts Gerard van Velzen.. De gevangen Gracf voert 'er 
dezetacl: 

IFat is de tnyn\€en val.' hoe ver ben ik verfmeten'. 
Opgijiren zat ik hoog, verzelfchapt met de pracht 
Des priejlerdoms ver'X'aent, en heer en, groot van magt; 
hl ''tfchoone midden van den drang der eedlefchaeren; 
Omrmgelt met denjioet van hfn'acht en dienaeren-, 
Ms een verrfTogen vorjl , envan ditvryelant 
d' Uttjlekentjleperfoon: en zon deez' gtdden bant. 
Die met dangraefljk hair gev:oon is te ver fc huilen , 
Met menigh koningskroon noo hebben vjtlkn ruilen. 
Nu leg ik als verjlenjl, van ieder te verfmaèn^ ,• 

On'-ji-aerdelyk geboeit , etiopmyn' halsgevaen: 
Des ik my zelven 't hooft, van troofieloosheit , pionder. 
, ■ In een' , in eenen dagh ben ik gev^orpen 't onder: 
En is verd'-ji'eenen heel, mynglori klaer, gelyk 
Als van den hemel valt defneeu , en fmelt in 't flyk. 
Gaetheen, vertrout het luk. my, dien met feèfiigh groeten , 
De morgen annehadt, en d' avont tradt met voeten. 
De oude en nieuwe hiftoriën zyn vol van diergelyke lotveranderingen. 

[^B] Namcntlyk , honig en al wat zoet is wort geftelt voor geluk , voorfpoet en ver- 
mack : (Zie Piërius Hierogl. Lib. XXFI. cap. 4, f, 6, j & 8.) alfèm , en al wat bitter 
is, voor ongeluk, tegenfpoet en verdriet. Zoo leeft men ferem. 19. vs. 15. in dien zin: 
Daerom z.eit de Heere der heirfchacren , de God Ifra'éls , alz.o : ziet ik^zal dit volk Jprzen 
met alfem. En Spreuk. 5- '^■f- 5, f« 4. komen de honig en alfem in den gezeiden zin bei- 
de te gelyk voor. De lippen der vreemder vrouvje (zegt de wyzc koning) druppen ho- 
nigzeem : ende haer gehemelte is gladd.er dan olie : maer het laeiile van haer is bitter als 
éilfem : fcherp als een tweepiydem zu'aert. Niet onaerdigh zcit ook Plaiitus Ciftell.AEl. i. 
fc. I. V. 71. 

Namque ecaftor amor Sc melle & felle cft foecundiiïïmus : 
Guftu dat dulce, amai'um ad fatietatem ulque oggerit. 
Dat is : 
Want voorivaer de liefde is zeer vrugtbaer en van honig en van gal Ie : zj Ltct u finaken 
t geene zoet is : maer met het gecne bitter ts , overlaedt ze h tot zat wordens toe. En 
'zoo noemt de dichtercfle Sappho by Hefeftion den prikkel der liefde yAu/cJ^nzfoi- z.oet- 
bitter ot bitterzoet. Meer diergelyke ipreekwyzen zie by Frcdrik Taubman over de 
aengehaelde plaets van Plautus , en by Adi'iaen Junius Adag. z. Cent. 3. 
[C] Zeer wel zegt Ariofto : 

Non conofce la pace, e non la ftima, 
Chi proyato non ha la guerra prima. 
Dat hierop uitkomt : 

Hjf kent dtn vrede niet^ noch fchat hem naer waerdy 
Die niet eerfi heeft geproeft hoe bitter d' oorlogh zy. 
\jy\ Deuteron. 29. v. 18. Dat onder ulieden niet en zy een wortel die galle en alfem 
drage. Zie onze geleerde kanttckenaers over deze plaets. BLOHAR- 



BLOHARTIGHEIT. 



207 




Jian. Ety- 
mol. 



BLOHARTIGHEIT. 

E Ene Vrou , die flecht gewact acn heeft , en daerenboven 
nogh wel deerlyk in 't flik leit gevallen. Den vogel 
weedhop "*^ houdt ze in haere hant, en durft haer gezicht 'Vide Ki 
niet opheffen. Nevens haer vertoont zich e<;n konyn. 

Men noemt zulken [A] blodaerts, die namentlyk, hét hart niet hebben, 
om te beftaen het geen ze vermogen, en met glori zouden kunnen te weeg 
brengen: Ja die, wegens het al te klein vertrouwen op zich zei ven, ganfch 
tot geene daden van dapperheit te bewegen zyn. En dewyl nu de blohar- 
tigheit en moedeloosheit doorgaens meer in de vrouwen dan in de mannen 
befpeurt wort, zoo laten wy het beelt de kunne der eerflgenoemde vertoo- 
nen. Ik bid u, hoe flecht is evenwel een ftaet bewaert, die zyne behoude- 
nis ftelt in krygsluiden, wier geeft door de flapmoedigheit gedreven wort! 
Men hoort ze in zulken zeer ernftigh veroordecltn, door Penta, koningin 
der Katten, daer ze zeit : 

O hoon! hierjia ik fraeigcdiende koningin ; 
Zoofchoon een hoop van volk, en niet een man daer in ^ 
Die ^tfpel van ^t gladde Jlael kan in 't gezicht gedogen; 
Of zien durft onverfaegt zyn' vyant onder d' oogen. 

De plaes is in het IV. bedryf van Hoofts Bato. Maer ter zaeke. 

Het lelyke kleet wil zeggen, dat zelfs de bloden niet denken op het be- 
hoorlyk verileren van hun lichacmj akyt bekommert zynde, of ze het naer 
deneifch wel zouden kunnen ronc fchieteu; gelyk ze op deze wys, byna 

F f f 2 in 



[A] Vcrfta hier juift niet de zulke, die ontbloot vanmocdt en diippcrhcit , voor alles 
vrezen, en acngctad zyndc, zich niet durven verwecren , dan door de vlugt; macr de 
zulke, die altvt l;'.G;e "edachten voeden van zich zelfs, en zich nooit durven opbeuren 



tot iet hoogs. 



2o8 B L o H A R T I G H E I T. i 

in alles wat hun voorkomt veelerlei zwaerigheden meenen te zien. Macr, 
o bloets, zal ik zeggen I My gedenkt dat de i-tidder Kats, die zeker zoo 
onnozel een dichter niet was als de neuswyze bedilallen hem hebben wil- 
len, ergens zeit, i 

Het hen is voor den outjlen , ' 

Het nefl voor hem die V vint , de vryjler voor denjlontjlen. 
De uitgang dezer vaerzen hebben de blohartigen tot hun nadeel, en komt 
in allen gevalle met ons fpreekwoort overeen: V Geh'.k [B] helpt de fiouten. 
Overal leit de blohartigheit, die toch niets treflyx durft ondernemen, ge* 
heel achter, en daerom ftellen wy haer beelt in eene vuile en modderige 
plactS) te meer, omdat de bloden, als gcmeenlyk vuil en flordigh van le- 
ven, niet in het licht, of gezelfchap der menfchen willen of durven ko- 
men, nochte nutten raedt bcgceren aen te nemen. ] 
De weedhop is, naerdien ze zich met allerlei vuilighcit voedt [C] , voor 

eenen 

[B] Het fpreekwoort geeft te kennen, dat men de fortuin klockmoediglyk moet be- 
proeven: nademael klockmoedigc ondernemingen doorgacns een goeden uitllag hebben, 
en als door 't geluk fchyncn bcgunlb'gt te worden , hctwclke zich een vyant toont der 
gcener , die niets durven ondernemen , en even als ilakken aky t in hunne huisjes fchui- 
Icn , volgens 't bekende versje : 

Audaces fortuaa juvat, timidofque repellit. 
Dat is : 

't Geluk^helpt fiouten , maer drjft hloodaerts van z.ich weg. ; 

En Sencka, Med.v. ijrg. Fortes fortuna mttuit : ignavos premit : dat is : 't gel/il^ ont- 
z.ict de dapperen : maer drukt de blodaerts. Evenwel moet men deze verandcrlyke Go- 
din hierin niet te veel lofs geven j dewyl ook wacr is, 't geen de evengenojmdc Scne- 
ka elders zegt , Herc. Fur. v. ^i4f O fortuna -oiris invida fortibus -. Quam non acfua bo' 
nis prdmiit dividis ! dat is : O Lttl^godin , benydfier tian dappere mannen , hoe weinigh 
deelt gy den vromen loon toe na verdienftenl En daerom, f^trtuti melius, cjuam forttine 
creditur. Publius Syrus zegt : men betrouwt z.ich beter op zjne dapperheit , dan op 't ge- 
lukt En Cicero zegt zeer wel Tulcul. Qiixft. Lib. II. cap. 4. Fortes enim non modo 
fortuna adjuvat , ut efi in veteri pröverbio , at multo magis ratio: dat is: ii'am de dap- 
pere worden niet alleenlyk^geholpen door 'r gelul^ , gelyk, het oude fpreekwoort z.egt , maer 
veel meer door hun goed btleit. Het fpreekwoort is oudt, en gebitiikt by veelen, als 
Ovidius, Livius , Virgilius, Cicero, Terentius, Ennius en anderen. Zie Ei-afmus 
Adag. 45:. Cent. 1. Chil. i. 

[C] Plinius geeft iets dicrgelyks te kennen, als hy hem noemt obfcma paflu avis, 
dat is , een vogel die vuil is in zyn eeten , Hifi. Nat. Lib. X. cap. 29. Dog anderen 
zeggen, dat zyn voedzel is miitebezicn, wormen , vliegen, muggen, en voornament- 
lyk druiven in den herffttyt. Macr vuil is hy voornamentlyk in 't maken van zyn nefl, 
dat hy in plaets van flyk, befmeeit met menfchendrek. Zie Obus Magnus Lib. XXIX. 
cap. 21. ty^lianus de Animal. Lib. IX. cap. i. En Ariftoteles Hifi. Ammal. Lib. IX. 
cap. if. hoevi^el hy fbmtyts ook zync eieren op den blooten gront, zonder flroo of iets 
anders daer onder , in de holle bomen fchynt te leggen : gelyk de zelve Arilloteles wil 
Hifi. Animal. Lib. VI. cup. i. Uit Ovidius is 't bekent, dat het deze vogel is, in wel- . 
ken Tereus woit verzieit verandert te zyn. Hoor den dichter zelve Metam. Lib. fl. 
VS. 6ji. 

lUe dolore fuo pocnazque cupidine velox 
Veititur in volucrem : cui ftant in veitice criflae : 
Prominet immodicum pro longa cufpide roflrum. 
Nomen Epos volucri : facies aimata videtur. 
Hetwelk Vondel dus vertaclt heeft : 

De Tractfche tirdn , va» wraekz.ucht fel bezweten , 
Verkeert van droef heit in een vogel, waert verbeten^ 
Met eenen kam op 't hooft, en kjrygt een Ungen fnuit , 
En wort een hop , en fchynt gewapent en op buit 
Te vlammen met den bekj, die fpits valt om te pik^n. 

Indien 



B L o H A R T I G fl E I T. 209 

eenen fnoden en verachtbaeren vogel bekent j vooral, dewyl ze tot het zoe- 
ken van haeren koft op andere wyzen als gezeit, geenen nioedt heeft j ge- 
lyk ook het nederzien dezer beeltenis, zoodanigh eene harteloosheit aen- 
wyft, beveiligt door het konyn, dat naer het fchryven van veelen een 
blood dier is. [D.] 



Indien k^m in onze Nederduitfche tael ook wort gcbniikt voor een kuif van vederen , 
zoo is de vertaling van deze veraen goet : anders is hier ter plactfe een misvattintr van 
Vondel : alzoo de weedhop niet een kam van vlecfch , macr ccn kuif van \'ederen op 
haeren kop heeft, en wel van zesentwintig, gelyk fbmmige weten op te tellen. Ph- 
nius Hift. Nat. Lib. X. cap. 29. Crifia vifenda pUcatili, contrahens enm fnhrinensque ver 
longitudinem capitis, dat is : de zi^eedhop is aenzienlyl^door een k^tif die z.y ksn toevouwen 
de z.elve intrek_kende en opfiekende langs de lengte van haeren kpp. Zie verder Jonilon van 
de Natuure der Vogelen , ///. Boel^ 9 Hooftfi. daer hy meer van dezen vogel uit oude 
en nieuwe fchryvers heeft verzamelt. Het heeft Vondel bedrogen, dat crifia, door 
Ovidius gebruikt , beide eenen kam en kuif betekent. Macr om nader te komen tot de 
betekenillê van ons beek j hoewel de weedhop niet alleenlyk om hacr flegt voedzel, 
maer ook omdat zy zich byna nooit op hoge boomcn durft begeven , macr altyt op den 
gront en in den drek zit , en ook een bange \'ogcl is (Zie Anlloteles Htfl. Anim. Lib. 
IX. cap. 49. en aldaer de verzen van Eicilus) eenigcrmaete kan ftrekken tot een beek 
van lage gedachten en klcinhaitigheit , zoo is zy echter, onzes wetens, daer nooit voor 
gebruikt van de oude fchryvers der Bceldenlpraek , maer heeft in dezelve in een andere 
beteekenis plaets gehad. Want de Egiptenaers dezen vogel fchildcrende, gaven alzoo 
te kennen, dat zy een goeden en ovci-vlocdigcn wynoogfl: te gemoet zagen : omdat men 
geloofde , dat , wanneer de weedhop voor den dniivetyd begon te roepen , 'er dan een 
rykelyk en goed gewas van druiven zoude zyn : gelyk Horus Apollo verhaek Hterogl. 
Lib. IL en uit hem Piërius Valerianus Hierogl. Lib. XXF. cap. 55", De zelve Egipte- 
naers , wanneer ze eenen menfch wilden verbeelden , die door den wyn bevangen , daer 
tegen eenig hulpmiddel zogt, fchilderden een weedhop met het kniit adiantus of Ve- 
nushair in den bek; omdat de weedhop zich dikwils dronken vretende in druiven, zoo 
ras hy zulks merkt, het gezeide kruit in zynen bek neemt, en met hetzelve eenigen 
tyt heen en weer lopende, zich zelven 200 genCcft: gelyk de twee aengehaelde fchry- 
vers ter aengewezcn plaets ook verhalen. In de H. Schrift willen fommigeGodtgeleer- 
de, volgens Piërius, dat door de weedhop zoude verftaen worden een menfch geneigt 
tot ondeugt. Zie hem zelf op de gemelde plaets. 

[D3 Daer van daen 't Italiaenfchc fpreekwoort , effer timido come un conigUo , zoo 
bang zyn als een konyn. Dog zoo deze reden hier plaets heeft, zie ik niet, waerom 
by dit beelt liever een konyn dan een haes gevoegt wort : immers wy hebben even te 
voren in 't beelt der bygelovigheit gezien , dat bloode Ibldatcn ^^an den Poëet Cornificius 
vry aerdigh gehelmde haez.en genoemt zyn. Maer 't konvn (welke reden onzes bedun- 
kens hier beter te pas kan komen) verre van na de hoogte te zoeken , is altyt genegen 
in de aerde te wroeten ; en zoude zoo eenigfins een menfch \'an laege en geringe gcdag- 
tcn kunnen uitdmkken : hoewel wy niet weten, dat dit dier daer voor in de oude 
Bceldenfpiack gebruikt is. De reden echter, waerom de ouden, willende te kennen 
geven een van natuure verheven gemoet, dat zich tot lacge en geringe dingen neer- 
werpt, een oyevaer fchilderden, die zyne eieren op den gront leide, omdat dit nament- 
lyk zeer afwyl^ende is van de natuur des oyevaers, die in de hoogte pleeg te neftelen; 
is niet ten eenenmael onovereenliomftigh met het gene wy zoo even van 't konyn zei- 
den. 



7. Deel G g g BOER- 



2IO B O E . R T E R y. 



BOERTERY. 

STel hiervoor een naektKint, dat gevleugelt is, en zyne 
beide handen opwaert ftrekt, om de afhangende vlecht 
te vatten van een vrouwehooft; 't geen in hoogte boven zyn 
bereik ftaet. Verfier dit hooft met een ftrook doeks of lap 
lakens [A], op zulk eenewys, dat de zelve tot het midden 
van de vlechten toe neeihange, en fchryf 'er 'Jocns op: dat 
is » joh of hoertery. 

De vleugels beduiden, dat de boertery in eene zekere fnelheit van ge- 
dachten, en vliegende geeftigheic beftaet. Voort leert de ridder Konftan- 
tyn Huigens, in zyne Spaenfche Wysheit, hoe de boertery of jok te ge- 
bruiken zy [B] , zeggende : 

't Jokken is een van de zaeken 
Die men op haer zoetii moetjtaken. 

\_k'] Dit hulfèl heeft niets byzonders in, nochte vervat eenige betekeniflè^ op de 
boertery betrekkelyk: alleenlyk is het een oud hulfèl, en de ouden maelden de boerte- 
ry zoo af, als ze hier vertoont wort. 

[B] Gel^k^het zout, ZegtErafmus, matigh op de fpyz.e gefprengt , de zelve goet houdt, 
^ en een aengenaemen fmaek^byzet , alzo wort ook. een reden ^ indien men 'er een weinig je aer' 

digheit en boertery e onder mengt , des te bevalliger : maer zoo men 'er te veel by doet , ii 
'er niets onaengenamer. Voorts wort tot een acngename boeitery dit vereifcht, dat men 
de zelve vryheit, die men daerin gebruikt, ook toeftae aen een ander. Keizer Augu- 
ftus, hoe groot hy was, konde echter wel lydcn, dat zyne boertery hem, al was het 
''K^if""^"' ^ ^^"^ ^^'^ fcherp, wiert betaelt gezet. Makrobius (i) vcrhaclt, dat 'er eens eenzeker 
cap'4.' jongeling te Rome was gekomen, die den Keizer zoo wonderlyk geleek, dat elk het 
oog op hem liet vallen. Auguftus zelf nieuwsgierig zynde om hem te zien , en hem 
ontboden hebbende , vroeg hem , fongman , is uw moeder ooit te Rome geweefi ? De 
kwant merkte de boertery van den Keizer, en had de hardieflè van te antwoorden, myn 
moeder nooit ^ maer myn vader dikwyls. Augufhis had hem zoo gevracgt, alsof hymis- 
fchien met de moeder van dezen jongeling te Romen wel wat gemeenichap mogt ge- 
had hebben, en zulke kenniflè, daer deze jongeling van konde zyn voortgekomen. 
Maer deze antwoorde den Keizer zoo, dat hy te kennen gaf, dat mogelyk zyn Vader 
met 's Keizers moeder of dochter diergclykc kcnnillè konde gehad hebben : dewyl zoo • 
wel twee broeders , of ook grootvader en neef malkander kunnen gclyken, als vader 
en zoon. Die voorts vermaek fchept in aerdige boeiteryen , die lecze den voornoemden 
Malirobius Saturn. Lib. II. cap. 2, 3, 4, ƒ, 6 f« 7 : alwaer hy een menigte van boerte- 
ryen der Ouden verzamelt heeft. 



BOET- 



BOETVAERDIGHEIT. 



211 




BOETVAERDIGHEIT. 

E Ene fchoone Vrou, ftaendc met losgetrokke en uitge- 
fpreide hairen [A]. Met een wit gewaet is ze gedekt, 
uitgezondert de borft, die men bloot ziet[B], enhaergereet 
om 'er met de rechte vuift op te flaen. Met de flinke hant 
werpt ze haere afchgraeuwe [C] en gefcheurde kleders wech. 
Zy ftaet als in een godvruchtige aendacht en ootmoedigheit 
opgetogen , en treedt op een momaengezicht. 

De boetvaerdigheit geeft men een fchoon wezen, om aen te wyzen, dat 
ze, vergezelfchapt van een gebroken en verflagen hart, Godebehaegt[D], 
en by hem noit veracht wort. Hoor hierover David in den LI. Harpzang, 

G g g 2 die 



[A] Betekenende ofte haere droef heit, ofte(dewyl de hairen een zinncbcclt zyn der 
gedachten) dat zehai-e te voren verborge gedachten nu open legt, en voor Godt even als 
ten toon fpreit. Zie 't geen te voren gezegt is over de Bekeering hladz. io6. aeyim.D. 

£B] Het zy om die te gevoeliger te n-encn door de flagen, 't zy ora ook te toonen, 
dat ze haer hait en innigfte gedachten nu voor Godt opent , en een voornemen heeft 
voortaen oprecht en eenvoudigh te leven ; hetwelke niet gefchieden kan zonder vooraf- 
gaende belydeniflè der zonden en Ichultbekentcniflè. Want quifqms verbum confeffiunis 
in ore habet , & in corde non habet, aut dolofus efi, aut vanus : jQui ver o in C9rde & 
von in ore , aut fuperbus efi aut timidus • dat is : al -wie het woort der belydeniffè in den 
mont heeft ^ en niet in 't hatte , die is of bedriealyk^ of jdtl : dogh die 't in het harte 
heeft en niet in den mont, die is «f hovaerdtg ofbevreefi. 't Zyn de woorden van Bcr- 
nardus de Nov. Mil. 

[C] Wat deze kleur hier bcduit, weet ik niet. Te voren bladz.. 117. heeft defchry- 
ver aen 't Berouw ook een afchgi-aeuw gewaet gegeven : waeromtrent wy toen ons ook 
verlegen gevonden, doch echter cenigc reden, zoo veel wy konden, uitgedacht en 
voorgeftelt hebben \ maer die ons hier niet zeer kunnen dienen. 
CDJ Zie de Bekeering , en aldacr de Aenmerking A. 



* Te wc 



212 B O E T V A E R D I G H E I T. 

die hier, volgens voorgang, de 5 ofte is, door Vondel aldus fpreken: 

Macr gy * zyt mm gedient met offerdieren. 
Godc. 't Br ant offer ^ dat ww majejleit behaegt y 

En gy verkiejt y 'voor kalveren ^ en (tier en , 
Is 't nedrigh hart, gebroken en verfaegt. 

Dus ftrekt dan de boetvaerdigheit een middel om ons met Godt te verzoe- 
nen, en eene volflage tegcnftelling der zonden, famengevoegt metdroef- 
heit [E] over de zelve, en belydenis en belofte van beterf chap. De even 
gedachte aertsdichter van Nederlant brengt in zynen Hippolytus dezevol- 
gende vaerzen te pas : 

Het eet ff 't geen ftrekt tot boete, is vroom te '■j^^ederjlreven 

De boosheit inet zyn" iz'il, en met op wegh te fneven ; 

Het ander 'fchaemte , na 't bekennen der fnó daet. Éfl 

Het woort boetvaerdigheit, zegt Thomas , brengt in zich zelfs eene verbre- 
king [F] en afilant van alle recht en verfchoning mede, die de hovaerdy an- 
ders zou willen voorwenden, ten aenzien van eenigh blykbaer goet in ons. 
' i Dat ze eene gryns vertrapt, bewyfl haere verachting [G] der wereltfche 
dingen, dit ons met een fchoon voorkomen vleien, en bedriegen -, ja en- 
kele hinderniflen zyn der zielnutte zelfkennis. 

Het verfniyten der vuile en gefcheurde klederen betekent de verlating 
van den ouden menfch; gelyk her wit gewaet [H] de heilkleders verheelt, 
waermede Kriftus de zielen zyner uitverkoornen verfiert. 

I^E] Zoo bcpaclen ren naeftcn by , fbmmige fchoolgelecrdcn de boetvaerdigheit : 
Contra io ffirltHalis efl dolor pro peccatis ajftimttts ^ cum propofito confitendi <cr fitisf.iciendi: 
dat is : Eene geeft elykf boetvaerdigheit is eene fmerte , aengtnomen over de z.onden , met 
een voornemen om dez.elve te belyden^ en boete daer voor te doen. 

[F] Omdat namentlyk contritio (boetvaerdigheit) eigentlyk betekent, eene verbryze- 
Itng oï verhreeking. 

[G] Ook haere aflegging van alle gcveinftheit en bedrogh , die mede door de gi-yns 
verheelt worden. 

[]H] Zie ook de Bekeering bladz.. 106. Alzo vorder dit beclt zeer veel gemeen heefc 
met de beelden van de Bekeer ing en 't Beren., zal de Lezer niet qualyk doen, dat hy 
die vcrgelyke met dit en 't volgende beek : in 't welke alzo niets is, dat nieuwe ophel- 
deringe nodigh heeft, willen wy den Lezer met geene overtollige aenmcrkingen daer- 
over ophouden. 

BOETVAERDIGHEIT. 

DE boetvaerdigheit lact zich gelyk het left voorgaendc beelt, hier we- 
der fchoon van wezen zien, en bereit om op de flinke borft te klop- 
pen. Den arm dier zyde houdt ze, met de geopende hant recht neder- 
waert, en de betraende oogen ten hemel, Het wezen flaet treurigh, en 
behoudt echter zyne bevaüigheit. 

De boete is een hartgrondigh leetwezen, over het vertoornen vanGodts 
goedertiere Majefleit : waerom de zondaer die zich tot Godt bekeert wel 
zeggen magh : 

Genade, o oorfprongk vangcna ! En , door zyn mis daet van uwfpoor 

Al komt boetvaerdigheit zo/pa. Gedwaelt , dien zielkrak heeft gekregm. 

Gedenk hoe 's volx natuur den zegen Verhoor de bede van ww knecht, 
hihunnengrootvaêr eerfi verloor j Genade ^ o vader, en geen recht. 

Zie Vondels Noah. BOOS- 



B o o S H E I TJ 



213 




B O O S H E I T. 

p Ene oude en zeer lelyke Moorin , omhangen meteen geel 
■■-' kleet, waerop veele fpinnekoppen zitten, die niet van 
't kleinfte flach zyn. In de plaets van hair ziet men eenen 
dikken nevel of dampigen rook haer hooft omringen. In 
haere rechte hant heeft ze een mesj in de flinke eene beurs, 
die wel vaft toegebonden is. Aen haere rechte zyde fl:aet 
een paeu, die met den uitgefpreiden flaert pronkt, en aen 
haere flinke een grammoedige beer. 

Men verheelt ze out , omdat de oude luiden al veel wat geemclyk en 
quaetaerdigh zyn [A] j duidende byna alle dingen ten argften. 

Zy is eene moorin ; naerdien zwart oï dtiijier^ volgens Piërius, by de 
Romeinen voor boos en fchadelyk wiert genomen : vanwaer ook by hen dit 
fpreekwoort zyn oorfprongk heeft [B] : Deze is zwart ^ wagt 11 voor henty 
o Romein. 

L 'Deel. H h h Y>c 

[A] Volgens Ariftoteles Rhct. Lib II. De oude luiden , zegt hy , z.jn ooJ^ q'üaetatr- 
digh : want het is cjuaetaerdigheit , dat men alles ten ejuaetften duide. 

[B] Hic ni^er efi , hmc tu , Romane , caveto. 't Is een Versje van Horatius Sat. 4. 
Lib. I. V. 8f. "ZieLambiniisenToiTentiiis over dat vers. Van den eigenften oorfprongk 
is 't fpreekwoort by de Romeinen , niet -weten of iemant wit of z.zi'art is , dat is , boos 

. of vroom: dat zy gebruikten van den zulkcn, welkers inborft hen geheel onbekent was. 
Zie Catullus Epigr. 94. Cicero Philip. II. cap. 16. en Foedrus Lib. III. cap. 16. Zwart 
ftcldcn ze ook voor ongelukkigh en fchadelyk : zoo noemden ze zwarte dugen de zul- 
ke, die ongelukkigh, nadeeligh en tcgtufpoedigh waren: gelyk in tegendeel blankecn 
witte, waerop zy geluk en voorfpoct hadden : zie de reden daer van by Plutarchus in 
't leven van Pcrikles. Voorts wil de zelve Plutarchus (i), dat die zinfpreuk van Pi- (1) De Li- 
thagoras ^<>i' yïvi<ydoii rüv \AiK»vS^u>v , dat is, f roef niet van die dingen, die een zwarten bns c<lu. 
flaert hebben , ons zoude vermanen niet te verkecren met menfchen van booze en on- '*" '*•; 
deugende zeden. Zie daer breder over den geleerden Erafmus C^//. i. Cent. i. prin- 
cip. en den wakkeren Piërius Hterogl. Lib. XXFUL eap. 63. en 64. Zie voorts ook on- 
ze Aenmerking F. over de Gcrechtigheit. 



2?4 : r^ O O S II E I T. 

De ganfch afzichtigc gcdaente geeft de Iclyke en fnode bedryven der 
boos heit te kennen. 

Het geel gewaet betekent quaetaerdigheit, verraet^ lift en verandering 
van gedachten. Altoos de gemelde verf" wort noit tot eenige deugden toe- 
gepaft, omdat ze in zich zelve geen' vaften noch beftendigen gront heeft. 

De fpinnekoppcn zyn beelden van quaetheit en arge tre'en, naerdicn ze 
bedrieglyke netten breien [C] tot dootlyk nadeel der vliegen : en dcwyl 
op dusdanigh eene wys de fchelmfche boosheit in fommige menfchen altyt 
bezigh is met verzieren van valfche dingen, om hunnen naeftcn te verftrik- 
ken en te plagen, waertoe ze zoozeer genegen zyn, daerom, zeg ik, ziet 
men de gezeide ondieren op het kleet dezer beeltenis. 

De dikke rook om haer hooft geeft te kennen, dat, gelyk de rook den 
oogen fchadelyk is , aldus oolc de fnode boosacrdigheit elk onheil brout, 
zelfs haer eigen mcefter niet uitgezondert. De rook bcduit ook hier de le- 
lykheit der fchelmery , en de verduiftering der oogen des gemoets [Dj. 

: Het 

[C] Tot deze gcl)'kenis geeft Kaffiodorus' aenleiding in zyne acntckcningen ovet 
Pfelm XC: De fpinnehnp zegt hy, is een zwak. en z,eer klein diertje, het74je!k z.ci^ere lifii- 
ge netten weeft voor de voQrbjh^mende vliegen ^ geljk^als de gemoederen van die gene, die 
tot booz.e werl^n geneigt zjn , zich bezigh honden met looze en Itflige praktyken. By de 
netten der fjiinnckoppen vcvgelykt de verftandige Ridder Jakob Kats (i) ook niet on- 
acrdigh de liftige ci> bedrieglyke rtrikken der i-ninne, wacnncde de onbcdagtzamc jonge 
(i) Zinne-lieJen dikwils gevangen worden: 

bcelt 40. • 

De webben , die de fpin gewoon is uit te zetten , 

Zyn van gclfken aert met Venus -warrenetten. 

Al 7i'at daer omme gaet , dat ziet men in de min : 

De hie die vliegt 'er deur , de mugge blyft 'er in. 

Leert jonge lieden^ leert door Venus garen breken^ 

Daer blyft maer klein gefpuis in fpinnewebben /?«•%«• 

En laet uw vryen geefl niet hinden als een ?Kugh : 

Of breekt 'er deur met kragt of keer met k!,:v.fi te rugh. 

Ook de bedrieglyke verlokfelen der werelt, op deze wyze: 

De netten van de/pin, die in de venfiers hangen. 
En konnen maer alleen de kleine muggen vangen. 
De wefpe met de bie , en al wat hooger ztvceft , 
Afaekt dat het brooze rag op hen geen vat en heeft. 
M'at kan een moedig hart zyrfgoeden weg beletten? 
Al %vat de werelt fpint en zyn maer booz.e netten. 
En agt , o waerde ziel., en agt geen loffe waen. 
De Tvint verflroit het l^tf, maer niet het 11/ichtigh graen. 

(i) Diog. Op de cigenfte wyze wierden by de zelve fpinnewebben door Solon (2) vergeleken de 
Lacr:. Lib. ^efucn ; als door welke de grooten en machtigen heen breken, daer de kleinen en zwak- 
fJ)Stibxus vermogenden 'er in blyven fttken. Andere (3) fchryvcn dit zeggen toe aen Zakucus, 
Serm. 43. den wetgever der Lokrcnzen: en andere (4) willen, dat de Filozoof Anacharfis met de- 
(4) Plut. ze gelykenifle zoude hebben bcipot de poginge van Solon, als hy hoorde, dat deze 
iiiSoloiie -w^ctten fchreef voor Athencn. 

Max Lib. tD] Eene gel ykenis , genomenuitChrizoftomusLib.il. de Cain & Abel. Sicut 

Vll.cap.z. /'^"^^■^ oeulis , fic iniquitas utentibus ea. ReEle 'tniquitas fum* comparatur , qu&velutcjua- 

Ex II. dam feculari caligtne aciem ment is obducit: gclyk de rook is, Ztgt hy, voor de oogen, 

alzoo is ook de boosheit voor den geenen, die 'er mede omgaen. Want de boosheit 

woit te recht vergeleken by den rook , omdat ze even als met ccne zekere wercltlche 

duiftcrnillc het gezichte des vcrftants betrekt. 



B o o S H E I 



2 i 



Het mes [E] in haere rechte hant betekent de wrccthcit der quactwillt- 
gen, wacrvan dit werktuig een zinnebcelt ftrekt. De Egiptenaers benoem- 
den Ochus 1- cning der Perlèn met dit woort, omdat hy ten uitcrllcn wreet 
enbloetgierighwas. Zieriënus in 't XLIl boek zynerBeeldcfprajk. c. 56. 

In de flinke hant [F] houdt ze een toegebonde beurs ; kduidendc dat 
de boosacrdige menfchen doorgaens geltgierigh zyn [G] , welke ondeugt 
de moeder is [HJ van wreetheit, bedrogh, twecdragt, ondanVbaerhcit, 
verradery; ja eene verdryfller van alle gerechtigheit, ''liefde, geloof, trou^ 
godtzaligheit en andere Krifledeugden. 

De paeu verheelt de hovaerdy [I] der quaetaerdigen , als die zich door 
ydele opgeblazenheit laten voorllaen, dat ze alles door hunne eige magt 
kunnen uitvoeren, paflende daerom op Godt noch menfchen. En de\Vyl 
de boosheit van allerlei zonden aenëen hangt, en in zich zelve eene fchri'k- 
lyke zaek is, hebben wy eenen grimmigen beer [K] , om deze ondeugt aen 
te wyzen , by de beeltenis gevoegt. 

[E] Dat het mes wel wreetheit kan betekenen, lii.bben wy. boven gezien i>Iadz. 26. 
in de Achterklap. Echter had de fchryvcr, vermits hy deze betekenis uit dcoudebeel- 
den{j''rcek tracht te bcveftigcn , beter een zwaeit in de handt der Boosheit gcbragt. Al- 
toos het zwaert-, niet het mes , wordt by Piërius voor wreetheit gebruikt , en Ochus 
droeg by de Egiptenaercn niet den naem van mes , maa- van z-waert : namentlyk , om- 
dat hy overal waer hy kwam, alles vcrwoeftte met het zwaeitdesoorlogs; jaookvoor- 
namentlyk omdat hy hunnen sfgod, den os Apis haddc gedoodt (i) en met zynchove- (i) itüan. 
lingen opgegeten, en alzoo geheel Egipten in rouwe en droef heit gebragt : tot weer- Vat.HilL 
wraek dat zy hem den verachtelyken naem van ts-f/ gaven, zeggende, dat de ezel den ^^' 
Egiptifchen os veiüondt. Macr niet alleenlyk is_hy vreet gcwcert tegen de Egiprena'e- pii,j j^' 
ren, die hy zeer hactte, maer ook tegen zvne eige bloctvricndcn (2), en alle andere Izid. &:0- 
menfchen (5). Doch zyne boosheit is in Egipten 't grootft gewceft. Waerom hy ook , zir-cap.i) 
naer 't verhael van Eliaen(4), door eenen Gefnedenen uit Egipten gcdoot zynde, acn f}l'n- 

' de katten te vreten is voorgewoi"pen , of van hem zelf opgegeten (j) : ja zyn haet ging [jj, x '"' 
zoo veiTC, dat hy van zyne beenderen gcveften voor zwacrÏJen liet maken (6), om hem cap.j.Vi 
'alzoo zyne moortgierigheit nog na zynen doot te verwytcn. (3) A.\iin. 

[F] Met recht geeft hy de beurs in deze hant , niet in de andere. \^^ant by -fom- ^*'^* ^''^• 
migen is ook de flinke hant alleen, zonder beurs, dog tocgenepen, een zinnebeelt van , ', j.j'.ft'^ 
gierigheit: gelyk ook de droomverklaerders de flinke handt ftellen tot een teken van var. Uh. 
winft en aengroei van goederen: als welke lomer zynde dan de rechte, bequamerisom VI. cap. 8. 
te bewaren en vaft te houden, dan om te werken. Men zie Picrius ///fro^/. Z/^. (ï)Suidas 
XXXr. cap. 2^. alwaer hv lezenswaerdis;cdine;cn, dezen acn^aende , eelyk zyneeeleelt- '"/t-f^'^ 
heit overal uitblinkt, heeft verzamelt. {_:^]^ L_ 

[G] Hoedanig ook Ochus was, die, volgens de wet van Cyms, bevelende dat de vïde & 
Koning der Perfen in eene ftadt van dat lantfchap komende, aen alle de vrouwen die 'er Diodor. 
in waeren , elk een zeker fl:uk geit van gout moert geven , niet genootzaekt te zyn dat yviV'' 
geit uit te tellen j gezegt wort, nooit in eenige ftadt van Pcrile te hebben willen ko- 
men: gclyk Plutarchus verhaclt in 't leven van Alcxander cap. 18. en van de Door- 
luchtige Vrouwen cap. cj. Tc gelyk wreet en geltgierigh zyn ook gewceft Nero, 
Kaligala en andere meer. 

[H] Zie onze aentekeningen over de Amptverkoping bladz.. 66. 
[V] Zie het heelt der Beroeming, bladz. 114. en het aengetekende aldacr. 
[K] Zie beneden het zinnebcelt der Gramfchap , en over het zelve onze aentekenin- 
gen. 



H h h ; BOOS- 



2 ld 



B O O S H E I T. 




BOOSHEI T. 

DEwyl de boosheit eene zeer quade gemoetsgeftalte is, 
verfchynt ze hier met recht in de gedaente van eenle- 
lyk en bleek Wyf, in roeftverwigh gewaet. Zy heeft een 
quakkel in haere bant, die zyn hooft ten hemel keert, en de 
vleugels uitfpreit. 

Dat ze lelyk is [ A] , geeft de affchuwbaerheit der boosaerdigen te kennen, 
door welke ze zich allen burgerlyken omgang geheel onwaerdigh maken. 

De bleekheit beduit hier nyt en afgunft. Het luft my den geeftigften 
van alle de Latynfche poëten, ik meen Ovidius, door den Vader der Ne- 
derduitfche dichtkunft, hieromtrent eens te hooren opzingen [B] : 

Miner've 

{K] Tac onze 'aenmerkina C. over het beek van de Schilderktttifi. 
[B] Opdat ook de liefhebberen van de Latynfche poëzy hier hun genoegen mogen 
(t) Met. vinden, zie daer ook des dichters verzen in hunne oorfprongkclyke tael (i): 

Pi'otinus Invidise nigro fqualentia tabo 
Tefta pctit, domus cll imis in valhbus antri 
Abdita, (ble carens, non ulli pcrvia vento; 
Triftis , & igiiavi plcniffima frigoris , & qux 
Igne vacct fcmper, cah'gine fcmper abundet. 
Huc ubi pcrvcnit belli metucnda virago, 
Conftitit ante domum (neque enim fuccedere tc6lis 
Fas habet) êc poftes extrema aifpide pulfat. 
Concufïïc patucrc fores. Vidct intus edcntem 
Vipcrcas carnes . vitioram ahmenta flioiiim , 
Invidiam , viluquc oculos avcrtit. At illa 
Surgit humo pigra, fcmefarumque relinquit 
Corpora fcrpentum , paflliquc incedit inerti. 
Utque Dcam vidit fomiaquc armilque decoram , 
Ingemuit, vukumquc ima ad fufpiiia duxit. 
Pallor in ore fcdet, macics in corpore toto. 



VS. 7^0. 



j B o o S H E I T. 21^ 

Alinerve vliegt naer 't huis van Haetenyt^ heel vml 
Fan bloet en etter ^ in een hol en diepen kuil. 
Hier fchynt geen zon. geen iznnt verkoelt dees nachtfpelonken. 
Het ts 'er naer en kout. men vint \r licht noch vonken. 
Ti" ontzc.ghre krygsheldin hier komende^ bleef ftaen: 
Want P alias fiont niet vry in dit vertrek te gaen. 
Zyjliet met haerefpeer de poort op dat het kraekte, 
En zagh de Nyt het vleefch vanjlangen, 't "ji'elk haer fmaektê, 
Herkaews.-en^ een gerecht daer zy venyn mt zoog. 
Zy iz'ende d' oogen van haer af, en zagh om hoog. 
-Ve maegre ryfi , en laet de halfgegeete fangen 
Halfgeete leggen y en genaekt met trage gangen. 
Toen zy de brave maegt in 't harrenas zagh ftaen , 
Verzuchte ze heel z^j^aer van fmarte, en keek ze eens aen. 
Zy zagh 'er mager iiity en dootfch, gelyk defchimmenj 
En bkek vanfpyt. 

Ik heb dit wat hoog opgehaelt om des te klaerder vertoog van den bleefceit 
nyt re geven, en wel meeft omdat deze ondeugt onfchcidbaer aen de boos- 
heit verknocht is. 

De kleur der klederen bedüit, dat, gelyk de roeft [C] alle metaelen be- 
fmet en wil verteeren, alzoo ook de boosaerdige menfchen enkel toeleg- 
gen, om de loflyke en deugtzaeme bedryven van anderen te benadeelen, 
en waer 't mogelyk te vernietigen. 

De quakkel is volgens Piërius, by de Egiptenaers eeii zinnebeelt van 
quaetaerdigheit , en dat om de volgende reden. Als deze vogel gedron- 
ken heeft, beroert hy [D] het overfchot des waters met bek en klaeuwen 
I. Deel. I i i 200- 

[C] Zie de yiehterklaf bladz. 15". en aldaer onze aenmerkingen Ë. en F. 

[D] Of dit de wacre reden van deze Beeldenfprack zy, hoewel ze ook Honis(i) ver- 

mclt, daer aen tvvyfelt Pieriiis(z), zynde van gedachten, dat, dcwyl niet alle dieren ^Yj^ |^''og> 
afkeerig zyn van troebel water, gelyk de olifanten, die, om door de verfchriklykheit cap 41. 
van hun eigc gedaente niet ven'aert te worden , het water eer ze drinken , met hunne (ijHicrog. 
poten beroeren; en de kameelen, die troebel water met meer fmaek drinken dan 'tkla- ^- XXiv. 
re, en het daerom insgelyks met hunne poten drabbig maken; de Egiptenaers veeleer '"^^ ^^^ 
tot het vei"zinnen van deze l^eeldtfpraek bewogen zyn door de ondeugende en booze na- 
tuur van den quakkel, die hy tegen de maen, welke Godin zy met zeer groten eerbiec 
dienden, betoont; wanneer dezelve opgaet, daer zeer tegen fch reeuwende, met een ge- 
luit, hetwelke geen eerbiet voor die Godin, gelyk dat der haenen voor de zon, maer 
veeleer een afkea-igheit en haet te kennen geeft: die daerdoor te klaerder bc fpcurt Wort, 
omdat hy met zyne poten het zant uit de aerde krapt , en zyne oogen telkens wryft , 
alsof hem 't maenlicht veiveelde; zynde eene zaek des te onverdnicglyker , omdat hy, 
daer de maen de voortteejing en 't voedzel van al dat leven heeft, bevordert, dus zyne 
ondankbaerheit tegen zyne weldaedereflê klaer doet zien. Het zelve wort hy gezegt ook 
te doen , wanneer de zon opgaet : zoodat de ouden hem niet zonder oorzaek hebben ge- 
ftelt voor een beek van overgegeve boosheit. De laetftgemelde reden geeft ook Horus 
(^). Maer daer is een groote zwarighcit, of men het bovengemelde van den quald^el (3)Lib. V. 
niet liever moet toefchryven aen een zekere wilde geit, of foort van een hert, dat een 
hoorn voor den kop heeft: want de woorden, waeraiede de Grieken den quakkel en die 
geit of dat hert, benoemen, komen zeer na by malkander, dragende die geit by hen den 

naem 



2i8 B o o S ïi E I T. 

zoodanigh, dat geen ander dier het zelve drinken kan. Hiermede komt 
Godts w'oort door den dienft van Ezcchiel overeen : £?/ zult gy de gczonke 
ijvatcrm druéaiy en de oixrgelate met trji'e voeteuvermoddereu^ikap. XXXIV 
vers 18. 

naem van °?^^, [oryx], en de quakkcldienvanof^"^ [^ortyx^: cnin deoudcaffchiiften 
(i) Lib. L. van Horus vint men zoo wel de cene als de andere Icezing. PiëriuB (i) is voor den 
(i) AilLib. quakkcl : ccn ander gclccrt man (a), die aenmcrkingen gemaekt hecff over de bsclden- 
L. Hon. jprack van Horus, houdt het met de geit. Wy vinden ons niet in ilact het vcrfchil 
wel te befliflèn ; omdat Horus van 't genoemde bceil dan eens fchynt te Ipreken alsof 
het een vogel , en dan eens wederom alsof het een viervoctigh dier wa; '.. Jonfton , die 
anderszins veel weiks heeft beftecdt in 't verzamelen van alles, wat oude en nieuwe 
ichryvers van vogelen, viervoetige dieren, villen enz. in hunne fchrift. :n hebben nage- 
(3) Van de bten, helpt ons in dL7.en ook op geenerlei wyzc: want daer hy hand^üt (5) van deze 
viervoetige ac'it^ haelt hy het getuigenis van Horus acn om de boosheit van dit dier legen de zon 
H '^oèk. '^^ macn te bcwyzcn, b;-engende daertoe ook nog by, dat de naem van è'ji/^ [oryx] by 
I 'opf. de Grieken afdaelt van ófyj-a-êd' [oryflein^ 't welk «^r^t/ew betekent, cvndat men z.eit , 
X Hocfcft. (voegt hy 'er by) dat z.j met het opkomen van de maen met de voorfie pot^r}j tegen 'tooften 
bl. 8. ft. gig aerde opgraeft : het Zelve haelt hy een wcinigjc verder nog breder op uit Aldrovan- 
Vo<'eka ^ '^"^* ^'^^^ <^^^i' ^y naderhant fprcekt (4) van den quakkcl , fchryft hy acn denzelven 
II iVock.' toe het geen hy cerft van deze geit hadgezegt, gebruikende daertoe (het gene te verwon- 
I Hooftft. deren is) wederom het getuigenis van Horus. Wat de oorfprongk der naem belangt 
ji Lidt. yan deze geit, 'tiswaerlchynelyker, dat dit dier of"! [oryx] genoemt wort, omdat des 
zelfs hoorn de gedaente heeft van een zeker fcherp gercetfchap, dienende om 'er de aer- 
de mede los te maken , en fteenen uit te graeven : hoedanig een gercetiêhap eigentlyk 
(5)Exerc. j^y ^^ Grieken ö'^u^ wort geheten. Dit is 't gevoelen van Salmafius (jt). Om nu cch- 
'"'c?^ ter nog iets te zeggen van deze becltfprack, of de quakkcl dan of de meergenoemde geit 
* daeitoe van de Egiptcnaers gebruikt zy, zoo kunnen wy niet ontvemzen, dat ons Sal- 
mafius , een man , wiens onafmctclyke geleertheit gclyk zich tot byna alle zaken heeft 
uitgeftrekt , alzo ook uitblinkt in. dingen , die de Natuurlykc Hiftorie rackcn , met veel 
waerfchynlykheit fchynt te bcweeren , dat by Horus gefprokcn wort niet van den quak- 
kcl, maer van de geit: en wat dan die zwarigheit belangt, die wy boven hebben ge- 
mclt , dat namentlyk Hoiois 'er ook van fprcekt als van ccn vogel , dezelve v«'ort ge- 
makkclyk uit den weg gcruimt, indien wy met Salmafius voor 't woort Tf^n^i^iv [ptee- 
noon] dat by Horus ftact en vogelen betekent , allecnlyk met verandering van de cerfte 
lettCT Icezen ^V-wv [ktecnoon], dat is, vee a? dieren, en wel in 't byzondcr, ojferdie- ^ 
ren. Zie den geleerden Helt zelf in zyne voortrefïèlyke Exercitationes Plinianx pag. 
157. b. C.&D. & pag. 335-. b. C. &c. 



157 




BRAS- 



BRASSER Y, 



219 




BRASSER Y. 



WY zyn hier wel degelyk met quade Wyven gefcheept, 
want om de brafTery te verbeelden , komt ons eene 
vette, afzichtigc en flordigh gekleede van de gezcide kunne 
tevooren, wiens heele maeg men fchier bloot ziet. Haer 
kop is tot de oogen toe omwoelt. Voorts houdt ze een leeus- 
hooft in haere hant. Omtrent haer ziet men eenige doode 
vogels, pafteicn enz. leggen. 

Dat ze als een lelyk wyf wort gemaelt, wil zeggen, dat de braflery de 
gedachten der mannen verwyft, en genoegfaem ydcl raaekt, zulx dat ze 
alleen om keuken en tafel denken. 

De flechte kleders geven te kennen, dat de braflers doorgaens luttel op 
de verfiering hunner lichamen pafl'en [Aj, als ze maer lekkere en volle 
fchotels mogen vinden. 



I 



112 



Docr 



[A] De flechte klcdcis kunnen ook bekwamclyk acnduidcn, dat de braflèrs en fmul- 
lers vecltyts tot armoede \'ervallen, dewyl die doorgaens de ilcmpcmpei's op de hielen 
volgt. 2ulk eenen belchryft Horatius Épiil. Lib. 1. Epiil. 1 5-. v. 26. 

Ma^nius ut rebus maternis atque paternis 
FoititCT abfumtis , urbanus coepit haberi, 
Scurra vagus, non qui certum prxfcpc teneret, 
Impranfus non qui civem dignoiceret holte. 
QuiElibct in quemvis opprobria lïngere iicvus : 
Pernicies Sc tempcftas, barathrumque macelli, 
Quidquid quxficrat, ventri donabat avaro. 
Hic , ubi nequitix fautonbus & timidis nil 
Aut pallum abftulerat, patinas ccenabat omali : 
Vilis Sc agnini , mbus urlis quod iatis ellêt : 
Scilicet ut ventres lamna candente nepotum 
Diccrct urcndos corrcCtus. Mccnius idem 

Quid- 



220 



BRASSER Y. 



Door de ontbloote maeg verheelt men den gezonden en fterken aert des 
braffers, die allerlei Ipyzen weet te verteeren j maer zyn bewonden hooft 
bewyft echter de pyn, die hem de opftygende dampen in het zelve veroor- 

De vetheit is een uitwerkfel der braiïery, vooral in zulken, die gccR 
zorg of kommer omtrent dit hun doen hebben. 

De leeuskop [B] is van outs her een zinteken der braflery geweeft, de- 
wyl namen tlyk dit dier zich zoo meellerlyk weet op te vullen, dat het wel 
drie dagen daerna vaften kan. 

De doode vogels, pafteien enz. brengen hunne beduidenis van zelf mede. 

Quidquid erat nactus pi-jedae majoris, ubi omne 
Vcitcrat in fumum & cinerem : non herculè miror, 
Ajcbat, i\ qui comedunt bona, cum fit obefo 
Nil melius turdo, nil vulva pulcrius ampla. 

Geen ander oogmerk, dan zoo eenen af te fchilderen , die zyne goederen vervreten cii 
verzopen hebbende , tot armoede is vervallen , heeft ook de geeftrykc Nazo m de fabel 
van Erifichton in 't 8ftc boek der Heifcheppingen. Zie eens, hoe nadrukkelyk be- 
fchryft hy zynen vreetluft, vs. 850. 

Uy elfchte zonder beiden 
ff 'at z.ee en aerde en lugt tot motdruft ons bereiden j 
En klaegt dat hy ten difch die reet fiaet en gedekt , 
Afet z.00 veel fpys, die Steen en heele landen fire^t 
Tot voet fel, ffjz^e zoekt , om zigb alleen, beladen 
Jidet honger , in dien noodt te fpyzen en verzaden. 
Hoe hy den leegen darm meer froft , en brajfent vnlt. 
Te meer begeert de maeg , terwyl hy brafi en [muit. 
Celyk^de ruime zee, verzu-elgende de flejfchen 
Van alle flroomen, nog den dorfi niet uit kan lejfchftt, 
£n regt ah vraetig vuur op alle fakkels teert. 
En nimmer zat , het aes te vraetiger begeert : 
Aldtts verflim de keel des heilig fchenders fchendig , 
Wat fpyze hy ontfangt , en eifcht meer fpys onendigh. 
De fpys eifcht weder fpys in onvernoegden fiaet. 
De hongerige bitik^blyft leeg en onverzaet. 

Maer hoor ook het droevig, dogh te gelyk nootwendig en verdient gevolg van dat in- 
gebeelde vermaek : 

I^/t <juijl zyn vraetigheit en honger vaders erven. 
En moet vermagert van gebrek, het voedzel derven. 

Voorbeelden van diergelyken vreetluft leeft men in de oude hiftoricn met verwondering. 
Y Eliaen verhaelt fi) van een zeker vrouwmenfch , Aglaïs genacmt, 't welk alle dag ge- 
Hift.Lib- woon was zoo te braflèn, dat ze 12 ponden vleefch en agt ponden broots at, en (opdat 
l.cap. lé. het haer des te beter mogt bekomen) daer toe zes pinten wyns dronk. Schandvlek van 
de natuur , die met zoo weinigh te vreden is ! Verfcheide anderen ook bovenmate on- 
matigh in 't vullen van den buik, vindt men by den zelven Elianus (2), en daer onder 
(i) Lib. L. ^^j^ jj^j^ beruchtcn koning van Pontus , Mithridates. Zie de acntekcningen van den 
"^ * zeer geleerden Heere Jakob Perizonius over Eliaen. Van dat llokdier Vitellius en an- 
deren, beter bekent, willen wy nu niet fpreken. 

[B] Een open lecusmuil fchynt we! bekwamclyk te kunnen zyn een zinnebeelt van 
braflery, of gulzigheit : indien men echter de oude voorgangers in de becldenfpraek wil 
volgen, zal men na derzelver yoorbeclt, al was het maer om de verwarring te myden, 
liever (childeren een leeu die eenige ftukken vleefch heeft by zich leggen , waer van hy 
gretigh vreet. Waer door, dewyl dit dier zyn maeg zoo veel te gelyk niet kunnende 
verteeren , dikwyls een lelyk ftinkenden adem krygt , zoo hebben fbmmigc dusdanigh 
eenen adem op een beeltlprakige wyze willende uitdrukken, een open leeusmuil ge- 
fchildert , gelyk Piërius acntekcnt Hierogl. Lib. L c<tp. 20. 

SR. Ab* 

\ 



B R A S S E R T. 221 



B R A S S E R Y. 

E Ene Vrou die in een zeer flecht groen gewaet voor dort 
dagh komt. Ze is echter vet en rosverwigh van avc- 
:zen. Met de flinke hant leunt ze op eenen fchik [A] , waer- 
in een tafel met veelerlei fpyzen gclchildert is, nevens dit 
omfchrift : Vera fdicïtas-, dat is waere gelukzalighcit. De 
, andere hant houdt ze op een verken. 

■ De braflery is eene ongeregelde eetluft, hecrfchende in zul ken wier bot 
verftant [B] niet verder reikt dan tot dingen die met de wysheit geen ge- 
meenfchap hebben. 

Het groen gewaet beduit de hoop [C] op verandering van fpyzen , om 
het leven daermede altyt in genoeglykheit door te brengen. 

De fchilt al&gezeit, betekent het einde dat de brafler zich voorftelt; zich 
namentlyk inbeeldende dat 'er in dusdanigh een overdaet eene wonder groo- 
te gelukzalighcit zit, gelyk Epikurus leerde [D]. 

Het verken is al van outs [E] een zinnebeelt van braflery, omdat het 
/. Ded. K k k zyne 

\_K\ Miflchien is dit genometi uit Suetonius in 't leven van Vitellius (i) : daer hy (i)Kap. 
vefhaelt, hoe dat dit monfterdier eens een fchotcl eeten hebbcndclaten toebereiden , daer 
hy behalvcn andere zeldzame en koftbaerc fpyzen ook hadde doen inmengen de hcrflc- 
nen van fezanten en paeuwen, en de tonge van een zekeren koftelykcn Afrikaenfchen 
vogel, dezelve om haere uitmuntende grootheitplechtiglyk hadde benoemt met den naem 
Van 't Schilt van Aünerva. 

[B] Daerom komen de bi-aflêrs ook voor onder den naem van ez.els. Zie Erafiuus 
in 't fpreekwooit Afini mandibttla of ezels kinnebak , Chil. 3. Cent. 5. Adag. 40, 
En Kuhnius en Perizonius over iElianus Far. Hifi. Lib. I. cap. 27. 

[C] Zie onze aenmerking B. over den Arbeit^ bladz. 72. tn 't zinnebeelt van de 
Hoop zelf. 

[D] Dit is dezen Fllozoof wel te laft gelegt door zyne tegenpaityders de Stoid ; maer 
te onrecht : altoos dat hy zeli niet overdadigh was in eeten of drinken, blykt uit zyne 
levensvvyz " ~' " ' ' ..._.. 
Stobeus (: 
maer bry 

heit. Zie ook Cicero Lib. II. de Fenib. en Diogenes Lacrtius in 't leven van Epicunis i f. 
§.130, 131. & fecjq. en de aentekcningen der Geleerden over de genoemde fchryvers. M Strom.] 
Gelyk nu zyn leven vreemt was van de overdadigheit , alzoo was ook zyne leere daer , ' '^ -V, 
ganfch tegen, zoo dat Scneka (6), een Stoifch Filozoof zelf, niet {chroomt dezelve ., , 
heiligh en goed t te noemen; getuigende voorts dat hy onverdieut wort btlchuldigt : »o« («jDcTita 
dico , (]({od pleri^ue mflrorum , feBam Epicuri fiagitiortim magiftram ejfe. Sed illud di-^^^^^ <^^]!' 
co, male audit ., infamis efi : & immer ito -^ dat is: ik^z.eg niet, het geen de meefle van '5» 

ens Stoifche Filozoof en z.cggen , dat de feiJe van MpikHrus een leermeeflereffe is van fnode 
fiukken ; maer dit z.eg il^ : z.^ heeft een ^jnaden naem , z.y is in een quaet gerucht , doch 
onvcrdient. De oorzaken van dat quaet gerucht zyn geweeft zyne leerlingen en navol- 
gers, die door hun onmatig leven en vcrdraejinge van zyne Icerftukkcn hem by al de 
werelt zoo gehact gemaekt hebben. 

[E] Als zyndc in die bctekeniflc al bekent by de Egiptenaeren. Tot een bcwys hier (-r) Ex Plu-; 
van haelt Picrius (wiens doorgeleerde Ichriften aengaende de Egiptii'che Beeldenfprack urcho de 
ons voornamentlyk dienft doen om dit tegenwoordig werk daeruit op te helderen en l'''|f & O- 
fieraet by te zetten) een pilaer aen (7), die eeityts in een tempel, te Thebe in Egipte '^' '^' ''^ 

was 




222 



B R A S S E R Y. 



zyne gedachten niet anders dan op vrecten en zuipen vcftigt. 

was opgcriciit: op dcnzelvcn ftondcn vele vervloekingen tegen den koning Menis^ die 
de oude Egiptcnaers ailercerft van hunne vorige fohciheit tn n-iarigheit huddc ovcrge- 
bragt tot een overdadigh en verwyft leven : en Menis zelf was op dien pilaer vcrbcclc 
door een verken. En Claudianiis veraiert niet onaerdigh , dat een der drie ondcracrd- 
Ichc richters Rhadamantiis , de zielen der gener, die in hun kven overdadigh en gul- 
v.igh zyn geweeft, in verkens doet overgaen. Op de zelve wyze wil ook Plotinus, 
dacr hy verliandelt, dat de mcnfchen na hun doot wederom worden herboren, dat die 
in hun leven zich in alle overdadigheit gemeft hebben als verkens , ook na hun doot m 
ware verkens wedcrkeeren. En Xenofon verhaclt van Sokrates , dat hy op de salbiiae- 
len altyt zeer fpaerzacm was geweeft in 'tceten, en gewoon te zeggen, dat Ciae door 
't opdillen van veelerlei lekkere fpys en drank menlchen hadde verandert in verkens, 
maer dat zy Uliflès niet hadde kunnen veranderen, omdat hy den raet, hem van Mer- 
kurius gegeven, dat hy namentlyk fpaerzaem en fobcr zoude zyn, was indachtig ge- 
weeft , en gevolgt had. Ook hebben wy te voren uit Horatius al aengetoont , hoe dat 
hy de navolgers van Epikurus noemt met den naem van verkens s hoewel forairjigedie 
plaets van den dichter anders lezen. Ondertufllhen wete de lezer , dat hy d'.'ze opiner- 
kingen heeft dank te weten aen de gelecrthcit van Piërius Hierogl. Lé. iX. cap. 15. Zie 
voorts de zinnebeelden der G»lz.iglxit. 

Aldus hebben wy dan de befchryving gegeven der Zinnebeelden, die 
onder de twee eerfte letters behooren , en zouden vervolgens hier plaets 
moeten maeken voor de C. Doch dewyl die by ons zeer weinige, ja ge- 
noegfaem geheel geene woorden ontgint, hebben wy ze uitgemonftert, en 
Happen over tot de D. Alles wat anderszins tot de C zou fchynen te be- 
hooren, zal de lezer onder letter K vinden. 




DANK- 



DANKBAERHEIT. 



22 ^ 




DANKBAERHEIT. 




^Ene Vrou die ccnen ojevaer in liaere hant houdt j 
als mede een erte- of boonerank. 
Horus Apollo roemt den ojevaer boven alle dieren , ten aen- 
..^»...»..=^--, zien der dankbaerheit die deze vogel zynen afgeleefden onde- 
rton [Aj betoont ; 't geen echter Hechts een billyke beantwoording is der 
overgroote liefde die de oude ojevaers hunne weerloozc jongen toedragen. 

K k k 2 Hoe 

[A] Deze dankbaerheit zoude rtaer 't zeggen van Horus (i) hierin beftacn, dat de ,,. j^ 
jonge ojevaers hunnen ouden, wanneer derzelver pennen door den ouderdom los worden ^\.s^.^ 
en uitvallen , een neft maken ter zclvcr plaetfè, daer zy door dezelve zyn uitgebrocit en Lib I' 
opgebragt , en dat zy zich zelven de onnodige vederen uirplukkende, hunne ouden 
daer mede in 't neft koefteren en dekken , en zoo lange aes toebrengen , totdat zy we- 
derom pennen kiygen en zelfs kunnen vliegen om den koft te zoeken. De nacm , wacr 
mede deze vogel, van welken Horus dit verhaelt, in den Grickfchen text, waerin die 
fchry ver is ovcrgebragt door ecnen Filippus , zyndc de fchriftcn van Horus in hunne 
oorfprongkelykc tael, al lang verloren, gcnoemt wort, is nochtc in 't GrieX nochtcin 
't Latyn bekent : echter meenen de Geleerden dat het een fooi t vAii een ojevaer is. Zie 
Picrius Hierogl. Lib. XFII. cap. ƒ. en de aentekeningcn der Geleerden over Horus ///>r. 
y^,. Lilr. I. Vergclyk ook Horus zelf Hier. ^^. Lih. II. Ten minften van den ojevaer 
wort deze deugt gerocmt door veele oude fchryvers, welkers gctuigcniflcn zyn te vin- 
den by Erafinus , daer hy handelt (2) over 't oude fpreckwoort avri7rêA«^7ê(v \jintife- [^-^^ 
largehi^, alsof men zeidc, ecnes ojevaers dicnjl weerom heu^yz.cn : dat is , onderlinge Ceu 
dankbaerheit vergelden voor genoten weldaden, inzonderheit met die te ondcriionden , ^^' 
van welke men is opgebragt : en is dit fpirekwoort genomen van de gemelde deugtza-' 
me natuur des ojevaers, dic in 't Griex -myyo-eylq ^pe/argos'j woit gcnoemt. üogh ver- 
mits de ojevaer een beelt is, niet van allerlei dankbaerheit, maervan dankbaerheit en lief- 
de tegens zyne ouders, gelyk in 't zinnebeelt van de Godtsvrugt tege)is ouders 7.7i\^cX.oont 
worden, zoo komt hier de olifint, dien hy in 't einde van dit beek mck, onzes oor- 
deels beter te pas. Ook was hier plaets te vinden voor den leeu , die mede voor een 
dankbacr dier bekent is. Zie hier een voorbeelt van deze deugt in dit redenlo~e dier, 
ter belchaming \'an die redcnmaclitige dieren , die zich met deze ondeugt befmet vin- 
dende, te onrecht den nnem van menfchen dragen. Elpis van Samus met zyn Ichip in 
Afrika bclant zynde, zr.g op ftrant een leeu met ecnen vcrfchrikkcl5'ken opgcfperdcn 

muii 



h 



224 D A N K B A E R H E I T. 

Hoe verre die gaet, kan men uit dit volgende voorbeelt opmaken : Op 
den derden Ma*!, ouden ftyls, MDXXXVI verbrandde de Stadt Delf, 
op een van wiens aenzienlykfte gebouwen een ojevaer zyn neft geplaetft 
had, maer geen kans ziende om zyne zoo teder beminde jongen uit den 
brant te bergen, worp hy zich, na alles ten beften der zelve gedaen te heb* 
ben, wat eenigszins in zyn vermogen was , met uitgefpreide wieken op 
zync onnozele kiekens, en brokte t' hunner liefde aldus zyn leven met hun 
in. Deze hiftori levert ons de heer Dirk van Bleiswyk in de befchryving 
der gemelde (tadt. Zie hieruit nu eens of de jonge ojevaers geen reden 
hebben om hunne teelers eene ongemeene dankbaerheit te bewyzen. Dit 
gaethelaes! onder de menfchen dikwyls heel anders. Theokryt liet zich 
al voor een reex van eeuwen hierover op deze wys hooren [B] : 

JVaer is de dankbaerheit te 'vinden? 

Voedt iji'olven op : voedt honden opy 
Opdat ze u fel verjlmden. 

De vaerzen ftaen 'm. Vondels berecht voor Palamedcs. In zynen Samfon 
leeft men dit : Geen onbefihaemder dier dan een ondankbaer menfch. 

De Egiptenaers wyders hadden zoo groot eene achting voor die trefFe- 

lykehoedanigheit des ojevaers, dat ze hunne fchepters [C] met den zei- 

ven verfierden. Nu komen we tot de genoemde aerdvruchten. 

, ^1^ Plinuis zegt (i} dat de erten en boonen [D] den gront daer ze op ge- 

Nj:. Lib. wafl'enzyn, vetmaekeUj waerom men ze dan met geen reden by het beelt 

der dankbaerheit eene plaets kan weigeren. 

Men magh voorts gevoeglyk by deeze beeltenis eenen olifant ftel- 
len, omdat dit dier by Piërius Valeriaen voor zeer beleeft en dankbaer 
[E] te boek ftaet. Elianus fpreekt van eenen olifant die, uit erkentenis 
der genote weldaden, zynen meefter in eenen kampftryt byftont, en den 
zelven, nadat hy verwonnen en gedoot was, met den fnuit opnam, en in 
zynen ftal droeg j betoonende in dezen dienft der elende, groot hartzeer 
en leet wezen. 

muil, en vluchtte voor hem wegh op eenen boom. De leeu naderde tot dien boom, 

en toonde zynen openen muil aen Elpis zoo , dat hy om hulp fchcen te bidden. EI- 

pft bemerkte dat 'er een been tuflchen des leeus tanden vaft zat , het welke hem met 

pyn quelde en honger deedt lydcn. Dacrop neemt hy de ftouthcit van uit den boom 

te klimmen, en het been uit den muil des leeus te haclen; die, zoo lang het Ichip van 

(i) Hift. Elpis aen 't ftrant lag, zyne dankbaerheit aen hem quam betoontn met hem cengedecl- 

Nat. Lib. te te brengen van zyne vangft. Dit vcrhaclt Plinius {i). Nog zcltzamer voorbeelt 

7Vtv'/ a^' ^''"^^^ "^^" by Gelhus (5) , hetwclke, omdat beneden in 't beelt der Geheugeuijfe van 

Attic °Lib, of'tfange weldaden voorkomt , zoo wyzen wy den lezer derwaerts. 

V. c:i'p. 14! [B] In Viatoribus v. 38, 

Dit vaers vindt men heel fraei vcrklacrt by den treffèlyken Erafinus in 't meergemelde 
werk der Spreekwoorden Cbil. 2. Cent. 1 . Ad. 86. 

[C]] Hiervan zullen wy meerder zeggen over 't beelt van de Godtsvrncht tegens de 
ouders. 

[D] Ltfpini & Fabit : de eerftc van welke twee gewaflên ook liever een fbort van 
boonen is, dan van eiten : fommigc zetten 't woort over door vyghoonen of ook wolfs- 
boonen. 

[E] Van zyne beleeftheh mackt Piërius gewagh Hierogl. X,fk. II. cap. 17. Doch 
oergcns, dat ik weet, van zyne dankbaerheit. 

DE F- 



xvni. 



D E F T I G H E I T. 22c 



DEFTIGHEIT. 

IN de geftalte eener Vrouwe, die op eene adelyke wys met 
purper beklcet is, vertoont zich deze beeltenis.' Acn 
haeren hals ziet men een verzegelt gefchrift, ofbullc, die 
jtot op de boril nederhangt. Op haer hulfel ftaet een pilacr, 
jcn op den zelven een klein beekje. Haer gcwaet is met 
ipaeuweoogen bezaeit, en ze heeft een ontfteken lantaren, 
die op de oude manier toegeftelt is, in haerc rechte hant. 

Het purper verheelt koningklyke en adelyke w^erdigheit [A] , gelyk 
het gefchrift aen haeren hals een merkteken ftrekt der waere edelheit, die 
eene vocdfler is van ftatigheit, hoogheit en glori. 

In plaets evenwel van den pilaer op haer hooft , ftaen \vy den fchilders 
en beelthouwers toe, indien 't hun zoo te pas komt, den zelven nevens 
haere zyde te ftellen -, maer zulx dat ze 'er met den flinken arm op leune. 
Vertoonende dit de treflyke werken [Bj , die de deftigheit op eene aen- 
zienlyke wys onderfteunen. 

De paeuweoogen beduiden de pracht die de deftigheit medebrengt; wor- 
dende geboren uit het oefenen eener edele eerzucht. 

De lantaren geeft te kennen, dat de deftige luiden, om zoo te fpreken, 
lichten der werelt zyn [C]. 

\^K] Plinius Hift. Nat. Lib. IX. cap. 56. Huk fafccs fecurefque Romans, \viam faci- 
utit : idemque pro majefiate pueritits, efi : diftingmt ab eqttite curiam : Diis advocatur pla- 
candis: omnemque veflem illumivat , 8cc. Dat is: loor dit purper [verfta hierdoor, ge- 
purperde Hoge Overheden] baenen de Roomfche rteden en hylen den wegh: het z.elve pur- 
per Jirekt ook^den kinderen tot een teken van hoogen fiaet : het onderfcheidt den groot en adel 
van de ridders : het wort aengetrok^n [^van de Overigheit^ in 't offeren aen de goden , en 
het verheer/jkS aller/ei kledinge , die 'er mede verfiert wort, enz. Wie vorder oudtyts 
te Romen het recht hadden van purper te dragen, en wie niet, zie by Alexander ab 
Alexandio Genial. Dier. Lib. V. cap. 18. en den geleerden Andreas Tiraquellus in zyne 
aenmcrkingen over die plaets. Lees ook Phnius Lib. IX. cap. 39. 

[B] Of ook de ftantvaftigheit des harten en geruftheit des gemoets , die iemant noodt- 
zakclyk inoet bezitten , eer hy met recht een deftig man kan genoemt worden : hoeda-» 
nigh ecnen de poëet Horatius dus befchryft, Lib. IIL Od. 5. 

Juftum 8c tenacem propofiti virum 
Non civium ardor prava jubentium , 
Non vultus inflantis tyranni 

Mcntc quatit folida : ncque aufter , 
Dux inquicti tiirbidus Adria;, 
Nee fulminantis magna Jovis manus. 
Si fraftus illabatur orbis, 
Impavidum ferient ruina:. 

Om dan deze ftantvaftigheit en geraftheit des gemoets uit te drakken , kan de pilaer 
dienen, welke in de bceldenden^prack een zinteken is van vaftigheit en beftcndigheit , 
als mede van geruftheit : gelyk Piè'rius aentekent Hierogl. Lib. XLIX. cap. 43 er 44. 
Tot het zelve oogmerk dient onzen ichryver de fteen in 't volgende beelt. 

(]C3 Gravitas efi interior lux animA , quis. ut totum hominem veneratione circumfundat, 
fuos radios ejeüat in exteriora & mores ; dat is : de deftigheit is een inwendigh licht der 
zjele, hetwelkcy om den geheelen menfch met eerbiedt te omfchynen, z.yne firaelenmtfchiet 
vaer het uitwendige en de zeden. Car. Pafcalius de VirtUt. Sc Vit. cap. 4. 

LDeel. Lil DE F- 



226 D E F T I G H E I T. 



DEFTIGHEIT. 

~\ ^ En kan ook dit zinnebeelt aldus vertoonen, te weten, 
^Ad- als cene ftatige en middeibaerbejaerde Joffer, die met 
beide haere handen eenen fteen , welke aen een koort verbon- 
den is , ophoudt. 

De rype bcjaerthcit geeft te kennen, dat de deftigheit meer in dezen ou- 
derdom dan in de jongkheit [A] befpeurt wortj gelyk de jeugt ook door- 
gaens minder op de eer en het betaemlyk matigen en beftieren der zeden [B] 
acht neemt. 

De fteen betekent het gewigt der deftige bedryven, en dat de flatigheit 
haeren handel verre afzondert van de lichtvaerdige ydelheit en verachtely- 
ke zotternyen. Hoe wel betrachtte de ongehikkige Palamedes (^ik behoef 
juift met den vinger niet aen te wyzen wie hierdoor gemcent wert^ de def- 
tigheit, zelfs in zynen uiterften noodt ! 

Hy keert, zoo ras hy Jiaet, naer V ryzende gebergt 
Dat fiat igh aenge zicht , ijvaermeê hy onbezweken 
Plagh in Mycenes zoel n}oor ^t heiUgh recht te fprekm^ 
En 'uoor den Griekfchen fiaet te dingen met zyn tongy 
^t Nieusgierigh volky door 's mans vrypofiigh iiüezeny hong 
In tinyfely enz. 

De fteen daer wy van zeiden, is ook een beek der ftantvaftige onveran- 
derlykheit [C] van het gemoet der deftige menfchen. 

[A] Dcftigh is de {preuk van den deftigcn Chilo den Spartaner, eenen der zewn 
Grickfche Wyzcn , zoo als ze ons opgegeven wort door Auzonius : 

Grata lênc(5tus homini, qu^ parilis juventce: 

lila juvcnta eft gravior, quas fimilis fèneéhE. 
Dat is: 
Een otiderdom , die gelyk^is aen de jeugt , is den menfih aengenaem : moer zfis eene /«g*,' 
die den ouderdom gelyk. is , is deftiger. 

[B] Hoim. Art. Poè'r. vs. 162. 

Itnbcrbis juvenis , tandem cuftode remoto , 
Gaudet equis, canibusque, & aprici gramine campi: 
Cereus in vitium flcfti, monitoribus afpcr, 
Utiliiim tardus provifbr, prodigus sris, 
Sublimis, cupidufque, 8c amata rclinqucrc pernix. 
Dat is, naer de vertaling van Andrics Pels: 

Een eerfiaeukpmelwg , nu eind/j!^ van 't bedil 
En de onderdtwigheit zjns Pedagoos ontjlagen , 
Js graeg in 't velt , heeft zin in vijfchen , vliegen , jaegen , 
Is buigchelyk^ als wafch , tot ondeugt i en U'ort cjuaet , 
Ah hem een %iyz.er tot de deugt en 't weldoen raet: 
Bez.orgt z.jn oorhaer traeg, als fiond hem niet te vrezen 
Voor de oude dag , en acht het geit geen waer te wezen : 
Is trots , in alles maekt hy gading ; maer zoo dra 
Hy 't lang gehoopte heeft , taelt hy 'er niet meer na. 
rCl Zie Piërius Lih. XLIX, cap. f. 

DENK- 



DENKBEELT. 



227 




DENKBEELT. 



EEneoverfchooneVroU:, die zich hemclwaert verhef t , en 
naekt is , uitgezeit , dat ze van eenen fpierwittcn en 
fynen finier ten deele bedekt won. Op haere kruin vertoont 
zich eene heldere viervlam ; terwyl men op haer voorhooft 
eenen gouden hairbant ziet • die met koftlyk gefteente en 
paerlen bezet is. In haeren flinken arm houdt ze het becit 
der Natuur, gemaelt in de gedaente van een jong kint, dat 
haere borften zuigt. Voorts wyft ze met den voorlkn vin- 
ger der rechte hant op eene zeer luftige landou, waerin ze 
zich bevint, en die met fteden^ bergen, dalen, rivieren, 
hoornen , planten , enz. heflyk verfiert is. Omtrent haer 
zweeven de blyde vogels door de aengenaeme lucht. 

De Idea of heteerftc ontwerp is, volgens Thomas, [A]é'c«e voorbeeldende 

fchets m het "cerfiant des kimjlenaey s , door '■jvelkefchetsde zaken 's^ordengemaekt 

cngekcnt. Want indien hy, eer zyne handen het kimftiluk ontginnen, [BJ 

geene verbeelding en bepaling van het zelve, in zyne zinnen beraemt had, 

L 11 2 - hy 

[A]] Part. I. Quxft. 13. Idea efi forma exemplaris, cfna res fimn ^ & cognofcuntur ^ 
*jUA eji in mente artificis. 

[B] Dit waren ook de gedachten van Plato, volgens Sencka in zyn 5'8ftcn brief: 
Ideds vocat [Plato] ex quibus omnia , cjHxcun^He videmus , fiant : & ad cjuas cnnclafor- 
manttir. Ha immortales , immntahiles , inviolahiler fnnt. Quid fit idea , td efl , cjuid 
Platoni ejfe videatttr^ audi. Idea eft eorum , (]U£ natura fiunt , exemplar Aternum. Ad- 
jiciam dffinitioni interpretationem, cjho ttbi res apertior fiat. Volo imaginem tuarri facere. 
exemplar pi^Hm te habeo , ex qno capit aliquem habitum mens , ijuem operi fiio imponat. 
Ita lila quA me docet ó" infiruu facies , a qua petitur imitatio , idea efi. Talia ergo e.v- 
emplaria infinita habet natura rerum hominum , pifcium , arborum : ad quA , quodcunque 
fieri ab tlla debet , exprimitur ; dac is : Denkbeelden noemt hy [TPlato] x.uUie z.aken , uit 
welke alle dingen , die wy den , gemaelt worden , en na welke alle dingen worden ge- 
vormt. 



228 D E N K B E E L T. 

hy zoude zyn wit niet bereiken, maer zich te vergeefs, en zelfs met fchan- 
de affloven, en blyven fteken in zyne verwarde en ydele bezigheit. Plato 
wil, [C] datdeZié'fieenezelfftandighcitinhetGodtlyk wezen zy, verre 
afgefcheiden van alle ftoflykheit: welke de gcdaente aen alle dingen geeft, 
die gefchapen, of noghre fcheppen zyn: namentlyk, naer de voorfchets 
die de Bouheer van 't heelal daertoe door zyne eeuwige wysheit heeft ge- 
maekt. 

I De Idea of het denkbeelt waervan wy met Plato hier fpreken , is dan 
(hoor hem in zynen Timeus.) eene gedaente die altyt het zelve blyft , en begin 
noch einde heeft , en die niets anders in zich ontfangt van elders, nochte zich tot 
iets anders nitflrekt , en door geene der uiterljke finnen des lichaems kan begrepen 
'■ji-orden. Om echter Platoos zin te verftaen , dient geweten, dat hydrie 
dingen [Ejeene gezamentlyke eeuwigheit toefchryft, alshet Goede, het 
Verftant, en de Ziel der werelt. Door het Goede meent hy Godt , den 
werkmeefterA^an alles, dien hy ook in zynen Parmenides zegt te zyn, en- 
kel, onveranderlyk en verre boven het begrip en de natuur aller fchepfe- 
len. Uit dit Goede dan , even als uit een vader, vloeit het Verftant voort, 

gelyk 

vormt. Deze denkbeelden z.yn onfierflyk^, onveranderlyk^, oncjuetshaef. Hoor eens ^ wat 
een denkbeelt zjy , of wat het aen Plato fchynt te z.yn. Een denkbeelt is eene eeuwige voor- 
fchets van die dingen , die door de natuur gemaekt -u/orden. By dez.e bepaling z.al ik eene 
vcrliluriiig voegen. Ik^^uil een beeltenis van u maken: tot eene voorfchetz.e van die fchiU 
derje heb ik^ u z.elven , waer door myn verfiant een z-ekere gcfleltheit Vrygt , die het aen 
zjyn werk^geve. Alzo is dat aengezigt , het welke my leert en onderrigt , en van het wel- 
ke de naerbootfeering gehaelt wort ^ het denkbeelt. Dusdanige voorfchetzen dan heeft de 
Natuur der zaken \yerjl.i hierdoor op zyn Stoyks, God~^ oneindig veel, als van menjchen, 
vijfchen , boomen : na welke voorfchetzen alles wort uitgedrukt , dat van de zelve [natuur 
der zaken, of God] moet gemaekt worden. Dus venT de woorden van Seneka. Zie 
heiii ook verder in zyncn vyfcnfcftigften brief. Denzelven wcgh wil ook Cicero heen , 
Orat. ad Bmtum cap. i. Nee vero ille artifex \Thidias'^ cjuum faceret fovis formam aut 
MinervA , contemplabatur alicjuem e cjuo Jimilitudinem duceret : fed ipjtus in ment e' injide- 
bat fpecies pulcritudinis eximia cju&dam , ^uam intuens , in eacjue defixus , ad illius fimi- 
Iniidmem artem & manum dirigebat. Igitur in formis dr fguris efi ali(^uid perfeElum 
CT excellens , cujus ad cogitatam fpeciem imitando referuntur ea , ^U£ fub oculos cadunt. 
Has igitur formas appellat ideas ille non intelligendi folum , fed etiam dicendi gravijfimus 
aullor Plato : eafcjue gtgni negat , & ait femper ejfe , ac ratione & intelligentia contineri : 
c&tera nafci, occidere, fuere, labi, nee diutius ejfe una df eodem flatu -^ dat is: Envoor- 
waer , wanneer de konjlenaer \Fidias~\^ een heelt van Jupiter of van Minerva maekte , be- 
fchouwde hy niemant , naer wien hy de gelykenis maekte : maer in zyn verftant was inge- 
prent eene zekere uitmuntende fchets van fchoonheit : welke hy befchouwende , en daerop 
even als geveftigt zjnde , na d.eszelfs gelykenis zyne konft en handt richtte. Derhalven is 
'er in de gedaenten en voorfchetzen iet uitmuntende , naer welk^s fchets , begrepen in de ge- 
dachten , die dingen door naerbootfeeringe gericht worden , dewelke kunnen worden gezien. 
Deze gedaenten dan noe?nt die zeer deftige meefter^ niet alleen des verflantSy maer oo^ 
der weljprekentheit , Plato, met den naem van ideen: en zegt, dat de zelve niet if orden 
geteelt , maer dat ze altyt zyn , en in de reden en 't verfiant vervat zyn : dogh dat de ove- 
rige dingen geboren worden, flerven , verfmelten, vcrgaen , en niet lang in een en dezelve 
fiaet blyven. Gedaenten , fchctzen , voorfchetzen noemt Cicero , 't geen Plato ideen of 
denkbeelden noemt. 

[C] Plutarchus de Placet. Philof Lib. I. cap. lo. Een denkbeelt, zegt hy, is 'eene 
onlichaemelyke zelfftandigheit , dewelke eensdeels dtor zich zelven beflaet , en ten anderen 
eene vormlooze fiofe vormt, en oorzack_is , dat 'er die dingen zyn, enkunnengetoont wor- 
den. Sokrates en Plato hebben gemeent , dat de denkbeelden zyn afgefcheiden van de (fojfe, 
en dat ze hun heflaen hebben in 't verftant en de gedachten van God. 

\jy\ Deze drie dingen met deraelver verklaering hebben wy reets boven in 't zinne- 
beelt van 't Begin, bladz. 97. in 't brede gehad, werwaerts wy dan den lezer, die hier 
meer licht raogtc begeeren, heene wyzen. 



D E N K B E E L T. 229 

gelyk een glanffigh licht, afdalende Van het ingefchapen licht der zonnc. 
Uit het verlbnt komt wyders de Ziel der werelt voort, gelyk ccn o-lans des 
lichts, die zich overal verfpreidende, alle dingen in 't leven houdt. Het 
Goede, door Plato gemelt, doet my hier gedenken aen den groeten Keu- 
lenaer, die in zyne Befpiegelingen aldus van Godts naem fpreekt: 

Dees fprmt in Dmtfch tut Goet, en melt den goeden acrt\, 
I Ven Gorfprongk van al 'tgoet, te vloeien wt dien ryken; 

Een naem zoofchoon, dat ivygeene andre tongen wyken^ 
In zjn betekening. 

Hierheene helt ook de Heer Karolus Tuinman, in zyne Fakkel der Ne- 

derduitfche Tael. Zie hem op pag. 117. 
I In het cerfte dan der drie bovengemelde zaken , even als de Vader van 
; alles, komt ons voor de eenvoudige en ondeelbaere Idea der Goetheit , uit 

welke [E], als uit eene onmetelyke en onuitputbaere bron, een tallooze 
/. Deel. M m m menigte 

[E] Dat Plato en Sokrates de denktjcelden i'n 't goddel yk vcrftant ftelden, hebben 
wy boven gezien: hoewel Ariftotcles, de leerling van Plato, zyns mecilicrs mening 
oHUouw verdraeide, en defzelfs denkbeelden verftont en befchreef als buiten 't vciftant 
door zich zelven beftaende, ea werkende op deftoflè gelyk ccn zege! opwafch, Piërius 
evenwel fpreekt Ariftotcles vry van deze onn-ou , Hierogl. Ltb. XXVI. f. 44. Hoe 't 
hier mede zy of niet , de rechte meinïng van Plato is bo\Tn gebleken uit de woorden 
bygebragt uit Senekaes ^Sften brief De mcefte andere F'ilofofcn hebben ze ook gevolgt, 
i vooinamentlyk de evengcnoemde Seneka in zynen öfften brief, alwaer men deze reden 
vint. Hac exemp/aria rerum omnium deus intro, fe habet , numerosque univerfornm cjhc 
agenda funt , & modos metite comflextts efi. Plenus his figuris efl , cjuas Plato Jdeas ap- 
fellat , immortaUs^ immutabiles , infatigabiles. Itaejuc homines cjuidem pereunt , ipfaatt- 
tem humanitas ^ ad quamhomo efjingitur, permanet: & hominibus laboranttbus, interenn- 
tibus, illa nil patitur. Dat is: Deez.e voorfchetz.en van alle zakf" heeft God in z.ich , en 
bevat met zjj/n verfiant de deelen en maeten van alle z.aken , die gedaen moeten worden. 
Hy is vol van z.ulke fchetfen, die Plato ideen noemt, welke zyn onfterflyk^^ onver ander Ijkt 
en envermoeibaer. Derhalven verfierven de menfchen wel, dog de menfcheit z.elf, na 
welke de menfch gevormt wort , bljft duurzjtem : en of fchoon de menfchen in noodt z.jn 
en omkomen t Ijdt nogtans de menfhett niet met allen. Zie Alcinous de doürina Platonis 
cap. 9 . Dat nu door deze Filofbfen verfcheiden en verlchillende denkbeelden worden 
geftelt in God, dewelke geheel eene ecnheit en zeer eenvoudige natuur is; daeromtrent 
merkt Lipfius (i) aen, dat men het dus verftaen moet, dat die denkbeelden wel ver- (,)phyficr. 
fcheidenzyn in onze bevattinge: maer dat in God alleenlyk een dcnkbeelt en eene voor- sróic. Lib. 
fchcts is-, die men egter in een iegelykezaek moet ondcrlcheiden. Voorts toont hy aen, H. Dul. 3. 
dat al Merkurius Trismegiftus zulks zeer wel heeft opgemerkt, zeggende: (2) God dan 
heeft maer een denkbeelt , het welk^hem eigen is, dat met geene ogen kan gezeten worden, ' "' 
als z.ynde onlichaemeljik^, en evenwel alle de denkbeelden in de lichaemen aenwyfl. Daer 
lezen wy dan van verfcheide denkbeelden in de lichaemen , doch van maer een dcnk- 
beelt in God. Het zelfde toont de gezeide Lipfius ook aen uit Pfellus , Dionyfius, Au- 
guftinus en anderen. Maa- waerdigh zyn de vaerzen van Boëthius, die hy aenhaelt, 
hier overgcfchreven te werden : (3). (j)dcCon- 

. lolat. Lib. 

O qui pci-petua mundum rationc gubernas, III. 

Terrarum ccelique iator, qui tempus ab a:vo 

Ire jubes , ftabilifque Hianens das cunfta moveri , 

Quem non externs pepulerunt fingere caufe: 

Materiïe fluitantis opus , verum infita fummi 

Forma boni , livore carens. tu cunfta fupcmo 

Ducis ab exemplo : pulcrum pulccmmus ipiê 

Mundum 



230 



DENKBEELT. 



menigte van verfcheidcnheden der Ideen of ecrfle gedaenten ontfpringen- 
gelyk men uit een' enkelen lichtftrael aen den hemel verfcheide lichtilra- 
len, van den anderen onderfcheiden , ziet voortkomen. Deze /(iff« bevat 
hetGodtlyk Verftantin zich, als in 't welke begrepen zyn de eeuwige I- 
dcen, of denkbeelden van alle dingen, welke geweeft zyn, noghzyn, en 
namaels wezen zullen. Uit deze Ideen komen voort verfcheide gedaenten 
van Ideen, die by manier van fpreken in de Ziel der werelt zyn ingelyfr, 
en vervolgens veroorzaken het op- en ondergaen, dat is, aenvang en uit- 
einde aller dingen, gelyk de ziel des lichaems eene geeftryke kracht van 
zich gevende, de werkingen, de krachten en de natuur van alle deszelfs 
deelen beftierten regeert: en aldus brengt men den oirfprongk en het be- 
ftier tot dit eenvoudigh en enkel begin alleen, (het welk is de Idea in het 
verftant van Godt} het geen geftclt zynde, alle dingen beftaeuj dogwech- 
genomen zynde, vergaen. En daerom zegt Xenokrates, de Idea is eene 
eewoinge voorfihets van de dingen , die 'volgens de natuur bejlaen. Maer laet 
ons een weinigh aenftappen, om het honk te naderen. 

De beeltenis is zeer fchoon, omdat de Idea eene voedtfter ftrekt van al- 
les wat fchoon is in de lichaemlyke werelt. Daerenboven maekt Plato, in 

{i) niai. 6 zyn boek van 't Gemeenebeft (i}, eene zwierige Schoonheit van ditzinne- 
beelt. Aldus luiden zyne woorden: het geene dan de ijvaerheit geeft aen de 
dingen, dtever [iaën --ji' orden, en den geenen die verjlaet , krachten "verfchaft om 
te ver ft aen, noem dat eene Idea van het Goede, en een oorzaek van kennis en 
in'aerheit , 'n'clke door het verftant '■juort begrepen. Deiayl nu deze twee dingen, 
te 's.'eten de -ji'etenfchap en waerheit , zulke fchoone zaeken zyn, zoo zult gy 
recht oor deelen, indien gy het Goede zelf voor iet anders als deze t'oiee dingen, 
en fchooner dan de zelve, fchat. Dus verre Plato. Porfirius geeft ook, in 

(i)Lib.iv zyne Filozoofifche Hiftori (2), de Ideen of denkbeelden den roem der 
fchoonheit, als hy van 't Verftant Iprekende, deze woorden gebruikt : In 
het 'welke, naementlyk verftant, zyn de Ideen en de ganfche zelfftandigheit 
der zaeken: en het '■ji'elke ten eerften aenzien eene fchoonheit en door zich zelven 
eene fchoonheit is, en eene gedaente heeft van fchoonheit. 

Zy heft zich in de lucht op, om aen te wyzen, dat ze een ftofFeloos we- 
zen 

Mundum ME NT E gerens, fimilique in IMAGINE formans, 
Perfcftafque jubcns perfeclum abfolvere paitcis. 

Hetwelke ons de eerwaerde Heer Matthcus Gargon in Nederduitfche vaerzen aldus ver- 
taelt : 

O Schepper , die 't heelal hint aen alwyz.e wetten ; 

En aerde, en Hemel grondt door eindelooz.e kracht. 
Die eeuwigh zyt, en hebt den tn z.yn loop doen zetten. 

En onbeweeglyl^, al aen het beweegen bragt. 
Die door geen oorzaek^z.yt van buiten aengedreven , 

Om uit de vloeib're ftof te brengen 't hnnfiu'erk. voort , 
Maer om als '/ hoogjle goet van goetheit blyk^te geven ,' 

En dat uw wysheit mogt daer in z.yn nagejpoort ! 
De fchoone u/aerelt hebt gy, Schoonfie! voort doen fpruiten. 

Na 't fchoon ONTWERP, dat gy had BY U Z^UFS gmatkf. 
De deelen Jlaen tot een , en volgen uw befluiten , 
Waer dtor het groot gebouw tot zjyn volmaek^heit raek^. 



DENKBEELT. 



251 



zen heeft [F] , 't geen daerom ook geene verandering onderhevigh is [G] : 
pok omdat ze een onmectbaer wezen is [H] ,en daerom nietverhindertdoor 
tuflchenwydte> en eindelyk omdat ze een wezen is zonder eenigc hocda- 
Inigheit [IJ, en daerom geenerlei beginfel van tegenftrydigheit in zich 
' [heeft. 

Men verheelt ze als naekt, naerdien ze vry van alle lichaemlyke neigin- 
gen en driften, en enkelyk eene eenvoudige wezenheit is; gclyk ze ook 
door Ficinus, over den VII brief van Plato [K] befchreven wort. 
|| De witte fluier beduit de zuivere oprechtheit [L] der Idea of voorbecl- 
digh ontwerp, ter onderfcheiding van zaken die door de uiterlyke zinnen 
begrepen worden, en lichaemlyk zyn , als zynde ftoffen, die veele gebre- 
ken en wiflelvalligheit onderworpen zyn [M]. Ten opzigt voorts van de 
[oprechtheit der voorfchets, geeft Thomas Jannyn [N] ons dit op : Indien 
\'er geene Idea was, zoo zou 'er niets of rechts nochte zuivers in 't gebouw der 
' werelt te vinden zyn ; want alle dingen met Jlofft vermengt , zouden Jïechts 
begonnen, gebreklyk en onvolmaekt zyn; en 't zoude (gelyk Plato in Timeus 
i zegt) zwaer vallen, aengaende de zelve iet zekers vaft te Jiellen. Pythago- 
iras, oogende miflchien op deze eenvoudigheit des dcnkbeelts, vergeleek 
de Ideen des verftants by de getalen, welke alle van de eenheit[0], zynde 
I het allerenkelfte, afhangen. Want gelyk door de getalen alles tot zyne 
• bepaelde orde wort gebragt, alzoo ftrekken zich ook door de mededeeling 
van de Idea alle dingen uit tot huns gelyken, en worden daerdoor gebragt 

M m m 2 tot 

[F3 Zie een weinig te voren de aenmcrking C. 

[G] Zie boven de aenmerkingen B en F. 

[]H] Zie de placts van Scneka boven in de aenmcrking B. 

f I] Appulejus de Dogmat. Platon. Initia rerum tria ejfe arbitratur Plato , T)eum , 
& mater tam , rerum^ne formas , t^uas ideas idem vocat ^ inabfoltitas ^ informes , nullafpe' 
cie vel qualitatis Jignificatione difiinüas i dat is: Plato meent, dat 'er drie eerfie begin fe- 
len der naken zyn, namentlyk^God , de fiojfe , en de voorfchetz.en der dingen , die hy Ideen 
noemt, zynde onvolmaekt ^ vormeloos ^ en door geenerlei gedaente ofte betekenis van hoeda- 
«igheit onder fcheiden. 

[K3 In deze woorden : Docetqm interea ideam a reli^uis longe differre , ejuattior pr£- 
cipue modis : ejuia fcilicet idea fubfiantia efi , Jtmplex , immobilis , contrario nonpermixta : 
dat is : en ondertujfchen leert by , dat de idea verre verfchilt v*n de overige dingen , voor- 
namentlyk^op vierderhande wyze : te weten, omdat de idea is eene zelfflandigheit , eenvott- 
dig , onbetueeglyk^, en niet vermengt met tegenftrydigheit. 

[L"] Zie onze aenmcrking F over de Gerechtigheit. 

[M] De Ideen in tegendeel zyn afgefchciden van allerlei ftofTclyke vcrmcnginge, en 
met malkanderen overeenkomende : en dewyl ze niets in zich hebben nochte eenige at- 
meetinge, nochte eenigc bcweeginge , zoo zyn ze verre van alle lichamelyke grootheit 
en kleinhcit, zoo dat men in haer vint eene zuivere eenvoudiglicit, en eene eenvoudige 
zuivcrheit. 

[N] Libro de Providentia cap. 8. Si non ejfent ide<e, nihil ftncerttm , nihil purum ef- 
fet in mundi ftruBura : cjuippe omnia ftnt materi<t permixt a, inchoata, manca & imper- 
feBa, de ipfisejue fit difficilc (ut ait Plato in Timxo) certum aViquid & firmnm aferere. 

[O] Ifidonjs Orig. Lib. III. cap. 3. Numerus autem efl multitttdo ex unitatibus con- 
fljtuta. Nam unum femcn numeri eJfe , non numerum , volunt \ dat is : Een getal is ee- 
ne menigte uit eenheden fawengeftelt. Want EEN willen ze dat het zaet van' t getal, en 
niet een getal zelf is. "Zoo noemde Zaratas, een leerling van Pithagoras, deeenheitdcn 
Vader van 't getal, en de tweeheit, de mceder: en wilde daerom dat die getalen de 
befte waren, die de eenheit meeft gelekeiVi gelyk Plutarchus (i) verhaelt. Namcntlyk (i) De a: 
Pithagoras en zyne navolgers ftelden de gcttien als de eerfte beginfelen der zaken, en nim.Proc. 
fchreven de zelve allefins groote kracht toe. Zie Plutarchus de Philof Placit. Lib. I. «^^P- *• 
cap. 3. & de Ifide & Ofiride cap. ii. Ö* 90. & de Ptocreat. animt, cap. 1. & if&fei]. 
& Macroh, in fomnium Scipionis p/ijfim , & Plat. in TimM. 



232 



DENKBEELT. 



tot hunne byzondere foort, orde, fchoonheit en eenheit. Waerom de left- 
genoemde Filozoof de Idea noemt eene tiitbreiding en "ji-erking der zaedeljke 
redenen , die in de cenheit regeer en. 

De vlam op haer hooft, betekent het eerfte der dingen, hierboven ge- 
noemt, die naerPlatoos gevoelen eeuwigh waren, namentlyk het Goede, 
waerdcor hy Godt verftont, den Schepper van alles, en van wien alle Ziem 
herkomftigh zyn, als boven gezeit. Voort zeit Juftyn de Martelaer en 
Filozoof, in zyne Vermaning tot de Heidenen , dat Plato Godts zelfftan- 
digheit van vier zeide te zyn; mogelyk omdat, gelyk het vier onder allede 
elementen en ook bencdenfte dingen, die werklyk zyn, het allerwerkbaer- 
fte is, en zelf in ftant blyvende, alle benedenfte dmgen verteert [P ] : al- 
zoo Godt alleen almagtigh is, en niemanthem kan wederftaen, enalledin- 
gen hun wezen van hem hebben gekregen, Celius Aureliaen zegt [Q.], 
dat de Perfianen en ook andere volken het vier als hunnen godt eerden; ge- 
lyk mede veele oude Filozoofen het zelve voor eene godtheit erkenden, 
onder welke, naer 't berecht van den Alexandrynfchen Klemens [R], Hip- 
pazus van Metaponte en Heraklitus de Efezier uitftaken. Sommige Stoy- 
ken zeiden ook, dat Godts natuur vierigh is: gelyk ons Joannes de Dama- 
(i) Lib. de fcener (i) verkuntfchapt. Maer laet de heidenen varen. In de H. Schrift 
Hcrehb. Qj^^bj-gi^en gcene exempels, daer Godt onder den naem van Vier veftaen 
wort. Aldus ftaet 'er in 't IV hooftftuk van Mozes V boek: De HEER. 
wwe Godt IS een verteerend vier. Op het einde van het XII hooftftuk des 
Briefs aen de hebreeuwen, wort het zelve gezeit. Men leeft ook in het 
tweede hooftftuk der Apoftelbedryven van verdeelde tongen als van vier, 

bedui- 

[1?~\ Zie Ariftoteles Meteor. Lib. IV. cap. i. 

[Qj Lcclion Antiq. Lib. VIIL cap. 56. Zie Andrcas Tiraquellus in Commentariis No- 
bihtutts cAp. ^1. num. 158. alwaer hy dit aentoont uit Herodonis, Sffabo en anderen. 
Zie ook Biiflonius de regno Perfarum Lib. II init. Men vertelt, dat de overblyfeelen 
van 't vier, wacr mede Zoroafter zoude zyn verbi^ant, even als een godlyk vier uit den 
hemel gevallen, door iemant zoude zyn opgczamelt, en den Perzen overgegeven, om 
als een eeuwigh vier bewacrt en gevoedt te worden : waerom ze met hun leger voort- 
trekkende, altyt vier op zilvere altaren voor het zelve lieten heendragen , hetwelke zy hei- 
ligh en eeuwigh noemden. Zie Kurtius Z.zi. III. c. 3. n. 9. & Lib. ir. c. 15. «. 12. & 
c. 14. «.24. Doch ook andere natiën hcbbtn de zelve gewoonte gehad, als de Spartanen 
en andere Grieken, gelyk Freinshemius aenmerkt over Kurtius Lib. IF. c.ip. 14. ». 24. 
En wat het eeuwigh vier belangt , hetzelve is in gebmik geweeft by de meeftc heide- 
nen , ja ook zelfs by de Joden. Zie de Rcpublyk der Hebreen van Kuncus //. Boek, 
15 Hooftji. Voorts hebben niet alleen de Perzen, maer ook de Lycicrs goddelyke eer 
aen 't vier bewezen, naer de acntckening van Piërius Hterogl. Lib. XLVI. cap. 58. 

(]R"] Protrcptico : Parmetiidts van Elea , zegt hy , hielt het Fier en de Aerde voor 
goden i maer Htppazj<s van Afetaponten , en de Efe^ifche Heraklitus , fchatteti alleenlykj^et 
eene van dez.e twee , namentlyk. het Fier , voor eene Godtheit. De Stoykcn helden hier 
ook na toe , noemende Gou een konftigh vier , voortgaende tot de voort teeling der 74/ereld 
enz. Zie Plutarchus de Placit. Philof. Ltb. I. cap. j. §. g. De ftelling vorder van Hip- 
pazus en Heraklitus was, dat het vier 't eei-fte bcginfel is van alle zaken. Want alles, 
zeiden zy , wiert geboren uit vier , en wederom ontbonden tot vier , en door de uit- 
blufTuige van 't vier was het geheelal gefchapen. Want vooreerft hadden deszelfs dücftc 
deelen, zich famenvoegende , de aerde uitgemaekt: de aerde daerna door de kracht des 
viers los geworden zynde, hadde het water uitgegeven; en 't water hadde door uitwae- 
fêming de lucht voortgebragc. Vooits zoude de werelt en alle lichaemen door vier ver- 
teert worden in 't verbranden \an 't heelal. En alzo was het Vier het Begin , waeruit 
alles ontftacn was, en 't Einde, door 't welke alles vergaen zoude. Zie PlutarcL de 
Placit. Philof. Lib. I. cap. 5. §.6. En Diogenes Laért. Lib. IX. %. 7. en aldaer de aen- 
tekeningen van Egidius Menagius. 



DENKBEELT. :>^3 

beduidende de tegenwoordigheit van den H. Geeft. Dit zal dan de reden 

■ zyn [S] y-x-.i het zorgvuldigh bewaren der tem pel vieren, omdat hef, na- 

j mer.tlyk een teken vvert geacht van het Godtlyk byzyn. Ja het werr in de 

; pritfters halsftrafbaer geoordeelt [!"] , indien ze het gezeidc vier oit lieten 

\ iiitgaen; wantmcnfteldevaft, datdcGodthcitdanjalVtwaerjuitdicplacts 

t gedreven wiert. Men kan wegens dien ecrbiedt omtrent het vier ook ccni- 

ge reden bybrengenj want het is de oorfprongk aller warmte, acn welke 

: alle g^ichape dingen hunne kragt en leven als verplicht zyn ; waerover 

: Varro aenmerkt , dat/^«/i-, het vier, afftamt van ^i^/g7Wf, datisteclen, 

t omdat daerdoor alle dingen geteelt en bclliert worden [V]. In Hoofts 

j Bate ontmoet ons eene fraije befchryving van de Godtheit en het vermogen, 

: 't geen de Katten aen het Vier toeëigcndcn, en hier wel waert Zou zyn ec- 

: ne plaets te bekleden, niaerwy dienen de kortheit ook in acht te nemen, 

en wy zen derhalve den Lezer tot het twecdö bedryf des genoemden treur- 

ipcls. 

De gulden hooftring, daer die edele en glansryke fleenen in pronken, 
beduit de volmaektheit des verflants, als zy:vde het allervolmackdc d;it 'er 
te vinden is, dewyl daerin de voorfchetfen zyn van alle dingen: en gclyk 
de gedaenten , zoo natuurlyke als kundige , meer in den werker, dart 
in het werk of werktuig zelf bloeien en uitblinken , alzoo zyn de gedaenten 
van het wonderbaer geftel des heelals, in den werker, ofte deszclfs fchep'- 
per, veel volmaekter en kragtiger, dan in de by zondere oorzaken of in de 
llofïe: hoewel ze ons uiterlyk zoo niet voorkomen. Doch de fchult is by 
ons alleen. Alles is, naer het denk beek des Scheppers, in eene vollvome 
en onwraekbare orde , op zyn believen, daer geweeft. Thomas Jannyn is 
met ons in eene fchuit, maer geeft hier wat moeite van nafchryvcn [W]. 
Indien isjy ^ ik volg zyne woorden, door Gods toelafmge, of door hel: isyerkder 
befpiegelingy tot de verjiatidtgcuverelt zullen opjleigeren, in welke het zeer hel- 
dere licht der Idcen fchynt ^ en het waere wezen der zaeken begrepen is, zoo 
zullen wy zofider t'iZ'j'fel , die dingen, die onder de iiitcrljkezinnenvallen, voor 
valfch en onwaerachtigh erkennen, en verdriet krygen in dit leven, in het welke 
wy onze uiterlyke zinnen te veel gelovende , door de verkeerde inbeeldingen der 
zaeken worden bedrogen ; enwy zullen naenlyks een zeer dunnen glans kunnen 
I. Veel. N n n zien 

[S"j Zie Johaniles den Dainafcener Lib. de Hares ; uit wicn de hier aengeliaeldc re- 
den genomen is. Van de Heilige vieren in de tempels, en hocze uitgegacn zynde we- 
derom mocftcn ontilokcn worden, zie Ale.xander ab Alexandro Gem.jl. Dier. Lib. V^ 
cAf. iz. en over den zclven ook de aentekeningen van Tiraqucllus. 

['T] By de Romeinen was de ftraffè van eene Nonnc , die 't eeuwig vier van Vefta 
door zorgclooshcit liet uitgacn, dat de Hogepriefter haer in een zeer heimelyk vertrek 
tact een zweep kallyde. Zie wederom Alexander ab Alexandio en Tiraquellus ter ge- 
zeider plaetfc. 

[V] Dat het vier eene zekere kragt heeft om te telen, lecrcn Plato Ltb. de Scientia., 
Ariftotcles Hijtor. Anim. Libro F. tap. ic). Sencca Natur. QtiAfl-. Lib. F- cap. 6. en 
Plinius Hift. Nat. Lib. XL cap. ^6. Doch andere, gclyk Vofllus aentekcnt EtymoL 
voce IGNIS , fprckcn dit gevoelen heftig tegen, omdat in 't Vier niet is die temperinge 
van werkende en lydendc hoedanigheden , die 'er tot de teeling vereifcht wort. Dog 
men leze Julius Cezar Scaliger Excrcit. 194. §. 4. 

[Wl Lib. de Providentia cap. 7. Si hei coticeJfn aut contemplatii-ms munere ad mun-' 
dum intelligibilcm afceiidemus, in (]ho Ihx fulget IdearMm fplendtdijfima , ó" vera ejfentia 
rerum comincttir , dubio procul hmc , (jH£ fcnjibtis occurrunt , f alfa , & ment ha agnofcemus^ 
tios vit ét htijus panitebit , in t^na nimis credentes fenjibits , a faljis rerum imaginatiovibus il- 
ludimur , vixque pojfimus afpiccre tenuijfimum fplcndorem HUhs lucis , <^Uit tn niundo int el» 
ligibili adeo clariJjlnK fplendet , tit ejns Ittmcn latijftme patent ^ & ad omnia pertineat. 



^3- 



D E N K B E E L T. 



zien van dat Jicht, het 'm.-clk m de verft cmdïgc vi'erelt zoo helder Hinkt, dat dei 
zelfs fchynjel zich zeer verre uitbreidt , en tot die dingen iiitftrekt. En dit 
komt dacr van dacn, omdat die licht zccr naby Godt .s, uit wicnhetontel- 
baere lichten ontfangt j gelyk ook Pkto zeit, dat by den Koning van alk 
dingen alles ts. Men moet hier wyders aenmerkcn, dat Plato twee werel- 
den (lelt [X]j eene verftandelykcj en eene zinnclykc: de eerfteisdcvoor- 
gefchetfte, of voorbeeldelykej de tweede is lichamelyk enftofl'ely' . Doch 
dit daer latende, zullen we kortheitshalve Filoos zeggen bybrengen, uit 
zyn boek van het Wereltgebou. Dus fpreekt hy : Nadat Godt nacr zym 
godlykheit voorzien hadde , dat geene naermaeking fchoon konde zyti, zondereen 
fchoon voor beek [Y], en dat geen ding, dat van de !iitterl)ke zinnen afhayigt, 
zonder eenige tegenfpraek voor goet ge kent kan vi'ordcn, indien het jiiet met eene 
eerfkfchets van eene verftandelyke Idea overeen komt ; zoo heeft hy , na dat hy 
beft aten had deze zigtbaere iz-erelt teftcheppen, eerft eene verftandelyke jchets van 
de zelve geniaekt ; teneindehy , naer het voorbeelt van eene onhchaewhke en hem 
zeer geh kende vi'erelt, eene lichaemhke iz'erelt voltoide, die in zich zorJehegry- 
pen net zoo veele foorten van zinnelyke zaken , als Vr verftandel.ke vL'aei en m de 
onhchaemelyke. Wat laeger zeit hy : Indien lemant nogh klaerder reden vi'ilde 
gebruiken, die zonde mogen zeggen, dat de veiftcndebke '■ji.-erelt niet iinders is 
dan het vi'oort van den nu fcheppenden Godt : IVant eene verftandel]ke ftadt is 
niet anders dan de reden en V overleg des boumecfters , die nu eene Jladt, zoo als 
hy ze tn zyn verft ant begrepen heeft , denkt te bowwen. 

Zy houdt het beek der Natuur [Z] in den arm, en geeft het de borft te 
zuigen, om de ziel der werelt uit te drukken, die de derde was onder de 
te gelyk eeuwige zaeken, boven uit Plato vermeit, en afhangt van het 
Godtlyke Verftant , gelyk de glans af daelt van het licht : watromtrcnt 
Fernelius in 't eerfte boek van de verborge oorzae' en der dingen , aldus 
fpreekt [Aa] : Zoiideniet, indien by gevaldat Licht den invloedvan zyne kracht 
te riigge trok, het leven bezny kende alles vervallen en ft oven? "ji-ant dit is 
Godts leven, dit is zyne v^rrking , de dingen , elk naer de beii-egmg van Z)ne na- 
tuur , teverivekken, en het leven een yder in te blazen : hy bezaeit den hemel met 
de zaden der onfterflykheit , maer de aerde met die der veranderingen. i\ldiisis 
dan de werelt, die de vier elementen of beginfels der natuur in zich be- 
grypt, een zeker lichaem, dat in zich zelve vereenigt is, en wiens deelen 
onderling acneen zyn verbonden, door de hulp van den eenigen Geeft en 
Ziele der werelt. Virgilius zingt ons door Vondel liierover in het VI 
boek van Eneas alcius toe [Bb] : 

Een 

[X] Zie het gene van de verfcheide werelden der Filozofen boven gezegt is in 't 
Zinncbcek van 't Begin bladz. 97. 

[Y] Zie ook Plato in Timcus niet verre van 't begin. 

QZ] Zie wederom 't Begin bladz. 97. . 

[Aa] Cap. 10. non id Ji forte virtittis [ha influxionem retraxerit , deficiënte vita in 
mortem corruent omnta. H&c enim Dei vi/a , hac tllins acïtenem ad matrones pro fua auam- 
que natura ciere , vttamejue omnibus infpirare ; & immortalttatis quidem [emimbHS CAlum 
confertt , terram vero mutiitionum. 

[Bb] Vers 719. 

Principio coeliim & terras, campofquc liquentes 
Lucentemque globutn Lunce Titaniaque allra 
Spiritus intus alit ; totamque inf uia per artus 
Mens agitat molem , £c magno fè corpore milcet 



"• ? ' 
- )J 



' D E N K B E E L T. 

Een innevloeiend g eejl , des levens eerfte bron , 
Voedt hemel, aerde en zee, de Jlarren , maen en zon ■' 
j Een eenighgeejt, ge flor t door allerhande leden, 

Be'-ji-eegt dit ganfch gevaert der '■jverelt , enhaerfledcn. 
En meng t zich m dit g root enfchrikkelyk g e-vaert. 

I Cicero zeit in zyn 2 Boek van de Natuur der Goden, [Cc] dat alle din- 
' gen door cenen Godtijken en gefladigen Geeft -jiw-den aen malkander gehouden. 
\ £n deze Geeft Axrfpreit zich en doorloopt het geheele Al, even als een le- 
! ven van de wcrelt, en is vergezelfchapt meteene hemelfche warmte, van 
I welke eenevoortteelende, voedende, vermeerderende en onderhoudende 
j zelfftandigheit afhangt, welke men zich ziet inftortenin alle gefchapc din- 
gen, even gelykalle de dieren door de melk leven, waflen en onderhouden 
i worden: Daerom volgt 'er op de zelve plaets des genoemden Poëets, dit 
■ aen [Dd]: 

Hieiiiit fprttit menfch en vee en vogel , en isjat aert 
Van vifch en dieren in het vloeiend marmer hielen. 
Een gloeiendige vaeg bezielt ontelbre zielen. 

Doch daerom zyn de metaelen , fteenen en andere ruwe dingen daervan 
niet ontbloot} want daer wort geen zaek, hoe veracht die ook zy, gevon- 
den, of deze Geeft begunftigt de zelve; dewyl hy alle dingen [Ee] door- 
dringende zich verfpreit, zich verfpreidende vervult, en vervullende voedt 
en bcftiert. Om dit aen te duiden geeft de beeltenis melk aen de Natuur, 
als een beginfel van de beweging en ruft, en by gevolg van de voortteeling, 
verderving, vermeerdering, ontftelling en plaetflyke verandering : begry- 
pende in zich alle de natuurlyke dingen. 

Het lantfchap met de boven gezeide Zaeken, en daer het beek op wyft, 
beduit de benedenfte, dat is, zinnelyke en ftoflyke werelt, die in alles en 
door alles van de Ideale of eerftvoorbeeldelyke afhangt. Maer om vele din- 
gen in weinigh woorden te begrypen en een kort befluit te maken, zeggen 
we, dat het Goede een zeer uitmuntent wezen vanGodt, endeSchoonheit 
een zekere werking of ftrael van hetzelve is, die alle dingen doordringt, 
eerftelyk in htt vcrftant der Engelen, ten tweeden in de ziel van het Heelal, 
ten derden in de Natuur, ten vierden in de lichaemelyke Stofte: Zy ver- 
fiert het Ideaelfche of denkbeeldige Verftant, met orde : de ziel vervult ze 
met een fchoone aeneenfchakeling van Ideen ; en de ftoftè pronkt ze op 
met vormen of gedaenten. En gelyk een enkele zonneftrael alle vier de 
Elementaere ofhooftftoffige lichaemen kan verlichten, alzoo verlicht ook 
een eenige ftrael der Godtheit het Verftant , de Ziel , de Natuur en de 

N n n 2 Stofl^e. 



[^Cc] Cap. 7. Nifi ca uno divino 8c continuato fpiritu continereritur. 

[Dd] Vers. 723. 

Inde hominiim pecudiimque genus , viticque volantiim , 

Et qux marmoreo fert monftra fub acquore pontus. 

Igncus eft illis vigor , & csleftis origo 
Seminibus. 

[[Ee] Zie alwedcrom het Begin bladz. 97 en 98. 



zfo D E N K B E E L T. 

Sroffo. Derhalve wacr men in deze vier Elementen of beginfelcn [F] het 
iiitwcndigh licht ziet, dacr bcfpeurtmcn ook deïlraelcndcrzonne, endoor 
middel \M\ deze , l;omt men tot de befchouwing van hacr inwendigh licht. 
Eveneens, alwie in deze vierdingen, te weten, het Verftant, de Ziel, 
de Natuuren 't Lichaem , derzelver overeenkomft belchouwt, en den 
goddciyken glans bemint, die komt doormiddel van dezelve daer toe, dat 
iivGodtziet, lieft, en eert, als den Schepper aller dingen. 

[F] IToofdfiofen cn cerftc begin felen worden hier voor de zclvG 7.ack genomen : dog 
Placo cn Arillotclcs met der zelver navolgers fielden 'er onderfchcit tuflchcn. Thales 
van Mikten echter nam ze voor een en 't zelve: maer wort daer in tcgengefproken en 
bcnfpt van Plutarchus de Placit Philof. Lib. I. cap. t. Want alle hooftftoff'en , zegt hy, 
z.jn fimeti're/hlt : maer beginfelen'Xyn mgte fiwengefielt , nogte gewrotht. By vocrheehy 
hoof Ijl ojfen noemen it'j de aerde, 't water ^ de Incht , en 't via-. Aïaer EERSTE BE- 
GINSELEN worden daerom z.00 genoemt , omdAt 'er niets is dat EERDER dan de z.elve 
•re-arefi z.y , -waer uit z.y z.ouden zjn gefproten. Want de naem van begin kgmt niet toeaen 
iet dat uit iet anders gefproten is ; maer liever aen dat gene , uit welke het z.elf is gefpro- 
ten. Eerder nu dan de oorfprongk, "^^n de aerde en 't water is de ftojfe , uit wcike z.y 
z.yn gefproten , welke floffe z.elf was vormeloos en z.onder gedaente: ten tweeden, de ge- 
(i) Cicero daente z.elf, diewy f' uTêAï';/j(« [Jat is (i) eene gcduirige en eeuwige bcwegmg] ntemen: 

Tufc. ^,j f^„ derden, de ontbeerin?. Derhalven is 't gevoelen van Thahs valfch, 
Quïfl. > <b <i ; 



Lib. I. 
cap. 10, 



(^Odt fchiep den baiert, livoefi en didjler. 

Natuur had maer een aengezigt^ 
Lagh vormeloos^ en zonder luifter. 

Toen fprak Ap hnogfte .- 'f werde Jicht : 
En daetlyk iioert het licht geboreni 

Een hchaemJoze fchemering, 
Die nogh geene oogen kon bekoorenl 

En evenwel haef ronden kring 
Voltrok^ in tweemael tivalej Jlonden^ 

Rontom den blinden baiert heen, 
Daer 's-jverelts zaet in lagh gewonden f 

En elke hooftjlof ondereen. 
O licht! wy komen u begroeten ^ 
Als d' outjle dochter aen Godts voeten, enz. 

Vondel, in Adam in Ballingfchap. 



DEUGT. 



DEUGT, 





It heerlyk zielfieraet vertoont men als een zeer fchoo- 
ne en aengenaeme Jongkvrou , met vleugelen aen de 
fchouders. In de rechte hant houdt ze een fpies •, in de 
flinke eenen lauwerkrans. Op haere borfl: ziet men een hel- 
dere zon. 

Men verheelt de Deugt jong, omdat ze noit out wort, maer altyt wak- 
leer en fterk blyft [A]j want haere werkingen verwekken in den menfch 
eene zekere geftelcheit, die hem eigen wort, en duurt zoo lang hy leeft, 

Haere fchoonheit [B] beduic, dat ze het befte fieraet des gemoets is. 

De vleugels verbeelden, dat het de Deugt eigen is, met haere vlugt 
boven de gewoonte der gemeene menfchen te fteigeren •, gelyk ze ook 
haere oefcnaers als tot de ftarren toe verheft en ophemelt [C]. Zoodoor- 
luchrigh maekt de Deugt den menfch. Ja zy doet hem eenigszins naer 
Godt zweemen, die de Deugt en Goetheit zelve is. 

De 

[A] Daer is geem heerlykernogte bejleitdlgcr zaek, zegt Izokrates {i) ^ dan de deugt -y (i) Orat. 
•wantdefchoonhtit da lighaems of vcrgaet door dentyt^ of verwelkt door ziekte : maer de ^ ^' 
hezittinge van de Deugt alleen blyft hy die geene , in welkers gemoederen zy te gelyk met 
der zeher jaeren aengrocit , duurzaem tot den ouder dotn toe. 

[B] Dat de fchoonheit des lichaems een beek ftrekt van de fchoonheit der ziele, 
zullen wy aentonen over de Schilderkunfl , Aenmcrking B. en C. Zie voorts een 
weinig lager, over 't vierde beek der Deugt. 

[CJ Naer Virgilius zeggen (z) : 

Pauci , quos «quus amavit 
Jupiter, aut ardcns evexit ad athera virtus^ 
Dis geniti potuere. 

Dat is, naer Vondels Vertaeling: 

Heel weinigen^ en wel hy God Jupyn geleden , 
Uit Goden voorgeteelt , of door bun vrorUigheit 
Verhemelfcht ^ en een floel hier bovtntoegeleitj 
Vermogten dit alleen. 
1. 'Deel. O o o Êa 



mon. 



(2) EL- 
neid. Ci. 

Y. 129. 



238 



DEUGT. 



De zon vertoont, dat, gelyk die uit den hemel het aerdryk verlicht, 
aldus ook de deugt haere welgefchikte vermogens uit het harte uitftorr, 
en even als zoo veele ftraelen uitfchiet [D] , om beweging en kracht by 
te zetten aen ons gcheele lichaem , 't geen door de Grieken eene kleine 
wvrelt genoemt is : waardoor ze het zoodanigh verlicht, verwarmt en op? 
wakkert, dat een groot deel der oude Filozoofen haer oordeelden [E] in 
zich zelve genoeg te zyn, om onze begeerten, reine vermaeklykheden en 
onzondige wenfchen geheel te vervullen. Dewyl voorts Kriftus in de 
H. Schrift den naem draegt van Zorme der Gerechtïgheit [F] , beduidende 
die algemeene gerechtigheit die alle deugden in zich fluit, heeft men al 
voor lang niet qualyk gtzeit, dat, wie Kriflus in 't hart draegt, het heer- 
lykfte fieraet der waerachtige en volmaekte deugt bezit. 

De lauwerkrans wort hier bygevoegt, omdat deze boom alryt groen 
blyft[G], en noit door den blixem geraektwort: het geen hier zinnebeel- 
difch met de deugt overeenkomt, die ook geduurigh in haere kracht blyft 
[H], het zyook wat rampen haer mogen bejegenen. Onder de afbeelding 
van den Nederlanfchen Énnius, ik meene Henrik Laurentszoon Spiegel, 
vint men dit : 

T)ien deugt -verheugt ■> 

Geneugt en vreugt 

Is ftaeg zyn lot. 

Zyn ruft: Jiaet i-aji 

In luft of lafi 

\Door hulp van Codt. 

Jeremias 
(i) Lib. En zeer fraei zegt Horatius (i) : 

Virtus, recludens immeritis mori 
Cceknu , negara tentat icer via: 
Ccetufque vulgares & udam 
Spcrnit humum fugiente penna. 

Dat is: 
De deugt aken ^ ioet^ die 't verdien , 
Hst lot der Jierflykheit outi-Jién , 

Langs ongcbaende tvegen 

Ten hemel ofgejiegen. 

(2) Ep. En Seneka (z) : Virtus extoïïit hominem^ ^ fupra aflra mortajes coUocat : dat is: de 
(-'") De deugt beurt den menfch om hoog, en plaetft de Jierveüngen boeven V gejlernte. 
Bei^c. [D] Seneka ( j) : Firtus in omnium «nimos lumen fuum permittit : ct'iam qui nonfequun- 
Lib, iV. tur illamy vident: dat is : de deugt laet baar Hebt in de gemoederen van alle menfchen fchy^ 
'' nen : zelfs die gene, die haer niet volgen , zien ze. 

[E] Zie Seneka, de Vita Beata, cap. 16. (y Epiji. 74. ^ Sf. £5? Cicero in Parad. 
2. 6? 6. in fine. 

[F] Zie de verklaringe daer vanby den Heer Salomon van Til, over Maleachiy 
cap. 4. V. 2. pag. 37S. enz. 

[G^TAedc Dichtkunft, Aenmerking E. 

[H] Daerom werden de dichters oudtyts ook met laurier bekranft} omdat hunne 

lof nooit verwelkt: gclyk in 't zinnebeelt de Dichtkunfi zal gczcgt worden. Nament- 

lyk de laurier is een zinncbeeldifch teken van behoeding en bewaring voor rampen r 

(4) Hie- gelyk Piërius (4) aenmerkt uit Proclus. Zoo wil hy, dat men de uitlcgginge van 

^gi- Lib. sommige oude penningen, waerop een eikekrans ( by de Romeinen een Burger krans 

' genaemt, omdat ze gegeven wierde aen zoo iemand, die een Roomfch burger in den 

Itryd redde en in 't leven behield) ftaet tufTchen twee lauriertakjes rondom dezelve 

gebogen, zodanig make, dat 'er die lauriertakjes als tot bewaring en befcherming van 

den eikekrans zouden zyn bygezct: gelyk ook deze penningen voeren tot een opfchrifc 

Qb fer- 



3. Od. 2 

T. 21 



DEUGT. 



239 



Jcremias de Dekker, een der braeffte Dichtheiden van Hollant, zingt, tot 
enderfchcit van fnoden en deugtzaemen: 

O '•ji'at verfchilt een hart, hei^iifi van quaet. 

Van een gemoedt , dat recht gaet in zyn wegen! enz. 

O o o 2 De 

Obfervr^tos chfs, dat is, om het behouden der burgers. En met zodanige takjes omringt 
mccnc hv ook, dat de cikekrans gcwcellzy, die te Romen hing voor of boven de 
deur van den Keizer Auguftus , tot een teken , dat de Roomfche Eurgcry haerc behou- 
denis acn dien Vorft was vcrfchuldigt, (gel yk ook liet opfchrift der bovengenoemde 
penningen, die op Aiiguur.s b^vel waren gemunt, klaer te kennen geeft. ZieÜudaens 
Roomiche Oudheden , bladz. 370, of 527) nadat hy de burgerlyke oorlogen gcëin- 
digt, en binnen en buiten 'sLands een gewcnfchten vrede verzorgt hadde. Dit meent 
hy af te kunnen nemen uit de woorden van Ovidius, in 't eciftc boek der Herfchcp- 
pingen, alwaer Apollo zyne Dafne, nu verandert in een Lauwerboom, aklus aen- 
^reekt : 

Paftibus Auguftis eadem fidiffiraa cuftos 

Ante fores ftabis, mediamqut tuebere quercHm, 

Dat is naer Vondels vcrtaeling : 

Gj Tjult Augufliis hof verjf eren , als z.jn ivagt, 

Den eik omgorden , die in 't midden praelt met pracht. 

Maer uit Dion Caffius blykt in dcszelfs j^fte boek, dat 'er voor Auguftus deur twee 
laurierbomen ftondcn, onder welke in 't midden een cikekrans hing; beduidende, zoo 
Dion wil, dat Auguftus een overwinnaer zyner vyanden was, (want een laurierkrans 
was een teken van overwinning) en een behouder zyner burgeren. Ja deze uitlegging 
maekt 'er Ovidius zelf van, Trift. Lib. III. Eleg. i. vs. 39. 

Cur tarnen appofita velatur janua lauro, 

Cingit &c Auguftas arbor opaca fores ? 
Num quia pcrpetuos meruit domus iila triumphos ? 

An quia Leucadio fêmper nmata Deo ? 
Ipiane quod fefta cll, an quod ftcit omnia fefta? 

Quam tnbuit terris , pacis an ifta nota cft ? 
Utque viret lêmper laurus, nee fronde caduca 

Carpitur, asternum fic habct illa decus? 
CauCi fuperpofitai fcripto teilata corona; 

Servatos civcs indicat hujus ope. 

Het welke met de woorden van Daniël Havart, hoewel niet zeer net, meerendeels 
aldus vcitaclt is : 

]\i^er -waerom wort de deur bedekt met tauwerbUden ? 

En ivaerom Z.et men daer dien boom nooit bladerloosf 
Is 't eok^omdat het huis door 's Heers manhafte daden 

De z.egepralingen verdient heeft voor altoos? 
Of dat de lauwerboom bemint word boven ailen 

Van God Apollo , die daer redenen toe heeft ? 
Of is de heiligheit op haer alleen gevallen ? 

Of is 't een teken van den vree , die hy ons geeft ? 
Of is 't omdat het huis z.al nimmermeer bez.wjken , 

Gelyk. de lauwer fieeds zyn groente en blad bewatrt ? 

Wat d' eikekrans beduit, \an uit het byfchrift blyken, 

Hoe dat de burgers door zyn huift zyn gejpaert. 

Tjqo 



% 



k 



240 



DEUGT. 



De fpies ftrekt hier een teken van voortreflykheit enhoogfte eer [I], die 
de ouden hierdoor verbeeldden, Zy beduit ook het gewelt en de magt, 
welke de deugt over de ondeugt heeft, die door haer over wonnen, ent'on- 
der gebragt wort [K]. Onze groote Vondel fchreef, tot lof dezer uit- 
muntende gemoetstogt, dit volgende op zeker graf: 

Hier rujl Arent . laet hemjlaperij 

Die zich brae f gedragen heeft. 
Zet zyn deugt -vry by zyn li'apeni 

Die dcfi dubblcn adel geeft. 

Zoo dat 'er ook by dezen krans het bovengemelde oplchrifr vnn Obfervatos cives fchynt te 
zyngcvocgt geweeft. J^Iacr om weder te keeren tot de betekenis van bcichcrming in den 
launtr; men ^doofde oudtyds dat dezelve dienltig was voor de gczonthcit. En daerom 
begaf zig de Keizer Kommodus, ten tyde van een zwaerc peil te Romen , naer 'tverhael 
van Htrodiaen Z/'^. /. c. iz, op den raed der Genecsheeren , naer een zekere lantftrcek, 
Laurentum gcnoemt, op hope, dat hy door de hulpe van de menigte der laurierbomen 
die daer groeiden , vry zonde zyn voor de befmetting. Om dezelve ooraack van ge- || 
zonthcit wierden de Romcinfche Overheden, wanneer ze in hun ampt traden op denjl 
eerikn Januarv , door 't volk befchonken met laurierbladeren, als tot wenich van go-H 
zonthcit : gclyk Baklerus o\cr de acngchaelde plaets van Herodianus aentekcnt uit Ox.- 
iius Rhodiginus 5". 7. uit wien hy ook bybrengt, dat de laurier mede gelooft wierd 
kragtig te zyn tegen 't vergift : vanwaer het quara, dat iemant, die te kennen wilde 
geven dat hy bevryd was voor lagen , met een gemeen fpreekwoort zeide , J«4^vi'i'>j» 
cpe'fw (èa.-/.rY,oixy , dat is, il^drAeg een Liurterflok^ Zie Erafmus Chtl. i. Cent. i. Ad.jq. 
Dit nu kan acrdig oveigebragt worden tot de waere deugt . die door 't befinettende ver- 
gift der laller niet kan bifehadigt, nogte gedoot worden. Want * Sjo? i;^^ cüJux Su- 
\df^itf ómohcjASirt, de deugt befchtii het itchaem -van een vroom mtin, zegt een verftandias 
by Boëthius in zyn vierde boek van de Vem-oofting der Filozofye. 

[1] Zie Picrius Hierogl. Lib. XLII. cap. 23. & 24. 

[Kj Zie wederom Piè'rius Hierogl, Lib. XLII. cap. 26. 




DEUGT 



DEUGT. 241 

DEUGT. 

^ Ene Vrou die met gout bekleet is, en een ontzaglyke 
£_j majeilcic vertoont. In de rechte hant houdt ze, gclyk 
het voorgaende bcelt, cenc fpics, en in de ilinkc een Hoorn 
van Overvloet. Onder haere voeten heeft ze een fchiltpad- 
de. 

Het gouden gewact betekent de waerdy der deugt [A], dicdengehee- 
Icn mcnft li vcrfiert en edel maekt. 

De fpics vertoont haeren flryt tcgens de zonden , die zy overwint en 



vervoU^L. 



Van den Overvloctshoorn zal hierna gefproken worden. [B] 

[A] Cicer. Parad. 6. cap. 2. NtdU pojfefflo ^ nnlla vis apiri & argenti, fluris ejutim 
virtus itjïimanda efr ; dat is : geene bez.itting , geene menigte van goud en zilver , moet 
men hoger fch.ttten d.vi de datgt. Te recht zegt dacrora ook Euripidcs: 

'Ou To vó[^tir[Ax MuKG^ a^yvoo! fAÓvov 

Dat is : A7f / ti/leen/yk^ het hlunke zilver en 't gout is geldt , maer ooh^ is allen menfchen 
tils een zekfr geldt > de deitgt 'weggelegt , dewelke rncn behoort te gebruiken . 

{W\ Namentlyk in 't Zinncbcclt der Eer. Voorts fchynt die zinncbcelt opgcmaekt 
uit twc andere beelden , voorkomende op zommigc penningen van den Keizer Vitelli- 
us, wacr op de Eer en de Deugt ftaen uitgedrukt op deze wyze: De Deugt vertoont 
zich als een Jongeling met een hcimct op zyn hooft, boven op het welke men enige 
rederen ziet. In zyne flinke hand heeft hy cenc fpits, in de regrc eencn fcheptcr, aen 
zync beenen Laerzen, en onder zyn rechte voet cenc Schildpadde, met zyn acngezichc 
gekeert na de Ecrc, die in de gedacnte van ecne vrou tegen hem overftaet, en die hy 
aenfchout. De Eere voorts ftact als half nackt, houdende een hoorn des Overvlocts , en 
ftacnde met haer eencn voet op een helm.ct. Van dezen penning maekt Crclius Auguf- 
tinus Curio { i ) de volgende verklaring: namentlyk, des Jongelings hooft bedekt mct('' ,^!''^^' 
een heimet bcduit, dat men by de deugt ook dapperhcit van noden heeft, om ons te^ • ^_' 
befchermen tegen lagen , die ons mogten over 't hooft hingen , waerom hy ook cenc 
fpies in zyn hant heeft : de pennen of vederbos betekenen fchcrpzinnigheit des verftants 
en dat men moet denken op hoge dingen : en de fcheptcr bcduit de macht om de on- 
deugden te temmen en de bcgeerlykhcden te toomcn. De lacraen hebben twederlei be- 
tekeniflc, voor ceril:, dat alwie de Deugt volgt, altyt moet gcreet zyn om zoo 't nodig 
is, van placts te veranderen om de deugt te oefiènen : ten twcdcn, dat wy onze voeten 
en beenen, dat is, onzezwakheit, die wy uit dit ons acrdfch lichaemontfangcn, en die 
ons bloot ftclt voor de flagcn der bcgcerfykhcdcn , moeten vcrfterken en wapenen met 
voorzichtighcit, wacr van de fchildpadde, die hy onder zyncn voet heeft, een zinnc- 
bcelt is, en dat wy onze gangen zoo moeten rigten met voorzichtijïhcit, dat wy ons 
zelvcn niet brengen in den noodt van te zondigen, tn Cat v/y in alle dingen moeten 
zien op ecre, en niet op rykdom. De eere nu woit liefft in een vrouwelyke gedacnte 
verkelt, om dat het de vrouwen voornamxntlyk bctacmt de eere te beminnen: zy 
won half naekt vertoont, om dat zeden rykdom veracht : zydraegt een Overvlocts hoorn 
en fract met den voet op een Iielmet , om dat uit de deugt voorrfprait overvloet van 
alle dingen, en een icgelyk achting heeft voor een man, die om zyne deugt in ecre ge- 
ftelt is *" Dus is de uitlegging vaneden genoemden Qdius. De Heer Oudacn in zyne 
Roomfchc Ouulicden (2) (c'hynt deze beelden gevonden te hebben op een Penning van (1) Bfidz. 
den Keizer Galba : en vcrftaet door 't woort, \\\zr deugt vertaclt, hcvcr kl Jgs deugt of >-iT.oi 
Manhafti(^heit : want, ZCgt hy, eecne andere deugt fchynt ender deze benaming van de -"}'• 

I. Deel ^ I' P P ^'" 



242 



DEUGT. 



Romeinen op de penningen gebracht, die daerom in rr.AHneljke geflalte is uagei^ct'.t , em dut 
hy mannelyk en flerk^ behoort te zjjn die kier bedtte. Wat de betekenis \tin 't woort 
dehgt of manh.iftigheit hier beduit, daer in houden wy 't met den HeerOudaen, en 
moet het woort deugt ook in fommige van onze tegenwoordige beelden zoo vei-ftaen 
Worden : niet te min is de uitlegging van CxHiis vernuftig. Uit Oudaen moaen wy 'er 
acngacndc de Eer en Deugt nog dit by voegen, ^an Markus Marcellus, zeat hy, 
71 ierden de tempels van de Deugt en de Eer aen een gebout op zoodanige ujs, dat niemant 
in den Tempel van de Eer kon komen z.onder door dien van de Deugt te gae». M'aer mede 
Ie Itennen iiiert gegeven , dat de Deugt de naejle toegang tot de Eer tvas : dog op de pen- 
ningen daer dez.e twee vervoegt z.jn, heeft de eer den voortogt , als z.ynde de eer de aen- 
leidinT tot de deugt. En een weinigje \'erdcr: Op een penning van Kordius KalenHSz.iet 
nicn insgeljks de Eer n;et de Deugt vervoegt , namentljk., de Deugt ten naafle» èj gedekt 
van di Eer , omdat ^ die eerljtk^is van hutten, ook^inweudtg deugdig behoort te tvez.en. 



DEUGT. 

ZIc hier een gevleugelt Macgdeke, datzcdighgeklect, en 
met laurieren gekroont is. Het houdt eenen ciketak 
in de hant, en in den zoom van het gewaet leeft men deze 
f p reuk : medio t u t i s s i m a , dat is , vcilïgfl op den mid- 

dclwegh. 

Silius Italikus zeit in 't XIII. boek [A] van den Karthaegfchen oor- 

logh, 

[A] Vs. 655-. 

ïpfa quidem virtus fibimLt pulcerrima merces : 
Dulce tarnen venit ad m.anes, quum gloria vitJe, 

Durat apud fuperos , nee cdunt oblivia laudem. 
Dat is : 

De deugt is voor z^ich z.elf tvel 't allerheerljkjt loon. 
T IS echter na de doodr een z.aek_ z.eer aengenaem , 
V. .innerr des levens roem en lojfeljke faem 
N(g by de jKenfchen duurt , en fieets blyft even fchoon. 

\'ooi-wacr een treffciykc en wncrachtigc fprcukc; waervan ons deze fi-aeje uitbreiding 
voorkomt by Klaudiacn , in zyn lofdicht op het Burgermeefterfchap van Mallius Thc- 
odorus, VS. I. 

Ipla quidem Virnis pretium (ibi , folaque late 

Fortunx fccura nitct : nee fafcibus ullis 

Erigitur, plaufuvc petit clarcfcere vulgi: 

Nil opis externs cupicns , nil indiga laudis, 

Diviriis animofa fuis , immotaque cunélis 

C^afibus ex alta moitalia dcfpicit arce. 

Attamcn invitam blande veftigat , 8c ultro 

Ambit Honor. Docuit totics a rure profechis 

Lictor , 8c inmcdiis Conful quasfitus aratris. 

(i) Koo;ti- Dat is, nacr de vertaling van den Heere Oudaen (i) : 

fchc Oud- 

lieid.bl. * Deugt is haer eigen loon, die, veiligh en ontjlagen 

T'ati 't heerfchen der fortuin , nooit wcrt ten top gedragen 

Door tekenen van fiaet j nooit gunfi verz.oekf ter leen , 

0»f luijlerig te z.jn , vati 't juichende gemeen ,• 

Of 



198 



DEUGT. 243 

logh , Jat de Deugt haer eigen loon is : het welk met de ftelling der 
Stoyken [B] zeer wel overeen komt -, want die zeiden , dat buiten de 
Deugt [C] zelve, geen ding ter werelt gevonden wiert, dat genoeg was 
om haer te beloonen. 

Deeiketak betekent de ftantvaftigheit der Deugt: want gclyk een eik 
triomfeert [D] over het bulderend gcwelt der llormwinden , zoo blyft 

P rt n 1 nol- 



P p p 2 ook 



Of wien geen lof en hecht , geen byflant heeft vermogen : 
Die rjk^ts in z.ig z.elf, en ^ t'elkens onberi'ogen , 
Als uit een hongen burgt vafi aenzjet en veragt 
't Bez4/egcn en 't getvoel z/.in 't menfchehl^geJI^gt ; 
Mlen tegen haren danl^Jleeds d'Ecr volgt op de hielen. 
En minzaem vleit en flreelt : dat bljkx '^^''^ groot fe zjelen : 
De Burgemeefleren , getrolike» v/in den ploeg , 
En d' Amptenaers in V ve'd gevonden hjaer genoeg. 

Zoo tic Iczei' de inoeite wil doen , van de Aenmcrkingcn van den doorgeleerden Kas- 
par Barthius over deze vaciv.cn in te zien, w}' verzekeren hem, dat hy 'er veel goede, 
ja hccrlvhc dingen van de Deugt zal vinden gczcgt. 

[B] Hiervan is reets een weinig te voren gefprokcn. 

fel Sommige gelyken daerom de deugt niet onacrdig by een Paeuw: want gelyk 
deze voï^cl met zvne acnseboornc fchoonhcit pronkt, en gcene ficrfelen van elders liaelt , 
alzoo blinkt de deugt helder genoeg door haer eigen glans : En Ovidius zegt , Lih. II. 
Pontic. Epifi. 3. •:'. 55'- 

Mercedc carct, per £-que pctenda eft 

Extemis virtus incomitata bonis. 

Dat is : 

De deugt behoeft geen loon, en is bcminnens waerf, 

Alleenlrk^om Z-ich z.elf, al gaet ze ook^niet gepaert 
Met hiterlyk Jieraet. 

\jy] Zoo bcfchryft hem Virgilius, Gcorg. Lib. II. v. 290. 

Altius ac pcnitus tcrrx defigitur arbos 

jEfculus inprimis : quce quantum vertice ad aui"as 

iEthcreas , tantum radice in tartara tcndit. 

Ergo non hyems illam, non flabra, neque imbres 

Convelkmt: immota manet, multofque per annos' 

Multa virum volvens durando fècula vincit. 

Dat is, mer Vondels vcrtaeling: 

Afaer boomen , en vooral die iveelige eikels teelen , 
En ei\en , dienen diep naer hunnen eifch geplant ; 
De bofcbeikj, die z.yn kruin z.00 hoog fieekt uit het zjint 
Ten hemel , als hy naar de helfche jammervlieten 
Zjn wortels op het hart van Pluto lipmt te fchieten : 
Dus lA/ort dees nimmer van de regenvlaeg verz.ivakt, 
Noch van de winterbuy ter aerde neergefmakt. 
De boom fiaet even vafi , verduurt een ry van jaren , 
Veel eeuwen levens , en veel hoofden , grys van haer en. 

Alzoo vcrgelykt die zelve voortreflfèlyke Dichter de ftantvaftigheit van Eneas, die zich 
door geenerlei gebeden van Dido liet verzetten van zyn voornemen , ook by een fterken 
eik, m 't vierde boek van zynen Eneas, v. 441. 

Ac 



244 



DEUGT. 



i 



ook de Deugt onbeweeglyk, tegens alle aenvallen der rampen [E]. Men! 
zou ze kunnen vergelyken by het heiligh Sion, dat naer Davids zang, in' 
den CXXV. Pfalm, ?uet "ji'ankelt , maer bljft in eeuwigheit. Dit heeft de 
Agrippyner aldus naergevolgt: 

ffie vafi en Jlerk op Godt bet r out. 

En, als Godts knecht y- 

Zyn burgerrecht 
In Godts Jeruzalem behoudt. 
Sta et vaji en pal, als Stons rotSy 
D' oneindigheit des tyts ten trots. 

De uitbreiding van het zelve harplicdt, gcdacn door den uitftekendcn Ze- 
dcdichter D. R. Kamphuizen ^ begint aldus: 

IVat '-ji-inden dat 'er rtnfchen , '■Ji-at regen dat 'erplajly 
Het hooge huis van Sionjlaet onbcu-eegt en vafi. 

Dit ftrekke hier flechts eenc vergelyking. Nu zouden \vy van den lau- 
wer fpreken, indien wy zulks in de voorgacnde beeltenis niet airede gedaen 
hadden. De 

Ac velut annofim valido ciim robore quercum 
Alpini BorcïC nunc hiiic, r.on fl-ttibus «Hinc 
Eriicre intcr ie artant- ir ib-idor, Sc altc 
Conftevnunt terram concuflb Ibpire frondes : 

Ipfa hanxt fcopulis, 6c quantum vcrtice ad aums 

^.rhercns, tar.rum radicc in Tartara tcndit. 

Haud iècus afliduis hinc atque hinc vocibus heros 

Tuiiditur, 6-: magno pri-ef.ntit pcftorc curas: 

Maïs immata manct, lacrjmx volvuntur inanes. 

Dat is , nacv \' ondcls vcrtaciing : 

~En evcu eens gelyk de fiuure I^oordcu'inden 
In d' y4/pe» onderling v^tft ivorfllen met gedruis. 
Van al! e l\intcn , om met bulderend q^erutfch 
Een dillen ouden eik^uit z.jnen grond te rukken, 
TertVyl hy knakt en hr.iek^ en oyider'tnederbuki^n. 
En fchMdden , cl den gront met bladeren i>ez.aett , 
Doch veel te hegt en taey gcvjortclt , hoe het ri-aeit ^ 
Blyft hangen aen de rots, daer hj , intop gewasfen 
Zyn kruin z.oo hooo- en fteil verheft naer 's hemels ajfen , 
Als hy z.yn wortels diep in ''t hart van Pluto fchiet : 
Zoo xi'ort de Troifche helt gedurig van verdriet , 
Gekerm en kjagt beflreen , heflormt aen alle z.yden 
En 's mans kjoekhartighest bcfeft niet Z-wal^ wat lyden 
Hier uit te dugten Jlaet : meer 't hart blyft gans ver(teent ,' 
Eh ''-f, heLies , vergeefs geki'-eeten, en geweent. 

een becU moet op z.yn voetfiak^, en een deugt faem man op zyn vroom vaornemen vafi flaen- 

de , or,beii'erglyk^z.yn : is dc Ics van Sokrates by Plato. 
nim "cd- C^L^^™. '^'^^^ '■'^'^'^" l^ell-n commigc ( i ) tot ccn zinncbcclt van dc deugt een zeker 
Ic'd. Hier- Indiacnich dier, by die van Mexico en Guinca genocmt Tatou, en byde Spanjaerts Ar- 
en;!. Lib 6. inadilk), als ot men zeidc, ge-wapent oï geharnafi , of, gelyk men 't in onze tale noemt. 
Hl Virtus. ccn fchiltverhen : omdat het van 't hooft af tot aen dc voeten toe even als met wapenen 

of ccn harnas bedekt, en zoo bcfchermt woit, dat het tegen alle aenvallen van buiten 

veilig is, en onquctsbaer. Zie Jonfton van dc vicrvoctiee dieren ; B. z Opp 21 

Hooftf 



DEUGT. 



245 



De Romeinfche fpreuk vcrklaert zich zelve : want de Deugt heeft ook 
haere buitenwegen [F], die als graftcn en putten zyn, waerin demenfch, 
wanneer hy het fpoor der reden misloopt , vak en verdrenkt. 

[F] Hy ziet op die 200 zeer bekende fpreuk van Horatius, Lii>. /. Serm. i. -j, 106. 



Dat is : 



Eft modus in i\bus, fiint ccrti dcnique fines: 
Qlios ultra citraquc ncquit conflllere verum. 

In alle z.al^n is een maet en z.ekre perken 

Waer hutten nog aen d' een nog andre k^nt de werken 

Der deugt niet kl^nnen fiaen. 

En Lib. I. Ep. 18. v. 9. 

Virtus eft medium vitiomm & utvimque redu£tura. 



Dat is: 



De deu(rt is 't midden der ondeuirdcn en dat qeen , 
Dat afgetrel^n is van alle hei de kanten. 



Naraentlyk zoo bcpakn de oude Filozofen de deugt : dat de middelmatigheden deugden 
z\n, deg overtflligheden ondeugden. Zie Ariftotclcs , op 't zesde Hooftiluk van het 
ade Boek zyner Zcdckunlt, en vooral Joh. Stobcus Eclog. Ethic. Lib. II. 



DEUGT. 

Volgens eenen gedenkpenning van Lucius V(?rus , kan 
men de Deiigr vertoonen door den fchoonen jonge- 
ling Bellerofon, zittende op het paertPegazus, meteenzwaert 
[A] in de hant, daer hy het monfter Chimera [B] mede ver- 
llact. 

ƒ. Titd. Q. q q > By 

I]A3 Apollodonis f O fchi-yft, dat Bellerofon dit monfter met pylen gedoot heeft, (i) Bibü- 
JMaer Natalis Comcs (2) melt uit Theopompus, dat de Chimera niet met pylen doot- oth. L. It. 
gelchoten, maer met eene fpies , in wiens bovenfte gedeelte een klomp loots zat, be- '*■' f^^ 
ftrcdenis: als dcrhalven Bellerofon dar gedeelte van de fpies in den bek van de Chime- 
ra hadde gcduvvt, zoo was het loot door de kragt des vum's gcfmolten en tot in den 
buik van de Chiriiera ncergevloeit , en hadde haere ingewanden alzoo vcrbrant en dit 
monfter gedoot. Het zelfde verhaclt ook Tzetzes over Lycofron, vs. 17. daer hv door 
dit loot verftatt den toom der Haverny , welke Bellerofon die gcweltdryvendc Vrouw 
met haere twee Broeders, hierna te noemen, hadde in den r.^.ont gclcgt, na dat hy ze 
hadde orcrwonncn en ondergebragt. 

[B] Dit wort verdicht een monftei' gewccft te z\'n dat van voren een leeuw, in 'c 
'midden een geit, (wacrvan 't Chimera woit genocmt: want dit wooit betekent in 't 
Griekfch een geit) en achter een Hang was : elk deel had. een hooft, en 't middelfte 
Ipoog vier. Zie Hcfiodus Theog. v. 514. en Homerus lUad. 6. v. ijg. Maer eigent- 
lyk is Chimera een brandende berg in Licie gevvceft, omtrent wiens top zichveellceu- 
wen onthielden , en op wiens midden, vermits 'er fc hooneen weelderige weiden waren, 
veele geiten graesden , en acn wiens voet een menigte Hangen kroop ; gelyk 'er de tael- 
kundigeSrrvius van getuigt over 't 6de boek der Encid. van Virgilius, vs. 288. Ovi- 
dius geeft ook iets diergelyks te kennen in 't 9de Bock van zyne Herfcheppingen , vs. 
645. daer hy de plaetfen, die Biblis was dooi-zworven , optellende, zegt: 

Jam 



2/{6 



DEUGT. 



By gelykenis verftaet men door de Chimeer cene zekere veelvuldige ver- 
fcheidenheit van gebreken ,^ die door Bellerofon gedoodt worden. Zyn 

naera 



Jam bragon & Lymiren , Xantique reliquerat undas , 
QjoqueChimjEra jugomediis in partibus ignem, 
Pe(5h]s Sc ora Les , caudam fcipentis habcbat. 

Dat is naer Vondels vertaling : 

iV« was z.y Krages en Litniere en Xantns vloeden^ 
En ook Chimeer voorby , die vier en vlam kan voeden , 
H/>«/ hooft een hofchleeuwin ^ wiens ftaert een veltflang fcbjnt. 

Nadcmacl nu Bellerofon, dat ongedierte hebbende weten weg te Icrygen, maekte, dat 
die berg veilig bewoont konde v/orden , zcide men , dat de Chimera van hem was ge- 
doot. Zie bchalven Servius ook Palcfiiet, cap. 29. 't Zoude ook kunnen zyn, dat de 
drie toppen van dezen berg gelegcnheit hebben gcge^'en tot de falxl : alzoo de voorfte 
derzclver ccnigfins de gedaente van een Leeuskop vertoonde ; de middclftc die \zn een 
Geitenhooft, en de achtcrfte die van een Slangenhooft : gclyk Klcrikusgiftinzyneaen- 
merkingen over Hefiodus; menende ook, dat denacmChimei-avanccnFcniciichwoort 
komt dat verbrant of verz.enit betekent , ziende on den brant des bercs. De inwoon- 
ders nu van deze drie heuvelen zouden na zync mening door Bellerofon zyn ovei-won- 
ncn: dien dacrom het vliegcnt paeit Pcgazus zoude zyn toegefchreven , omdat die top- 
pen zoo hoog waren , dat ze niet anders als met vleugelen fchcncn te kunnen genaekt 
worden. Hcraklitus maekt 'er Lib. de Incredib. cap. 15-. deze uitlegging van : Een ze- 
kere vrouw, zegt hy, die de hecrfchappy over dat gewcft had, hadde tot deelgenoten 
van haere regeering twee broeders , met name Leo , Leeuw , en Draco , Slang. Zy 
was een verbreekfter der verbonden en doodde de vreemdelingen ; dogh wiert van Bel- 
lerofon van kant geholpen. Hiei-van wykt niet verre af het gevoelen van dien geleerden 
Bochart Chanaan Lib. I. cap. 6. giflende, dat door de drie hoofden der Chimera zou- 
den vei-ftaen worden drie veldovei-ften der Solymi , een volk van Pifidien , ovenvonnen 
van Bellerofon : welkers namen hy meent cat de drie gezeidc dieren zouden betekenen. 
Doch Klcrikus fprcekt hem hierin tegen. Wederom tweederlei andere uitleggingen 
(i)DcVir- Yint men by Plutarchus (i) : dner zoude namentlyk zyn geweeft een zeker Amiibda- 
licr cïP ''us of Ifai-as, die met zyne rooffchepcn de Licifche ffcedcn veel fchade aenbragt, heb- 
]4&:ij. bende tot een Admirael zekeren Chimanjs , een ftrytbaer , dogwreetman: hetfchipvan 
deze hadde op den voorfteven een leeuw , en op den achterftevcn een draek uitgehou- 
wen of gefchildert. Dezen overwon Bellerofon, vervolgde hem met zyn Pegaiusfzoo 
was de nacm van zyn fchip, miflchien ook om dat 'er Pcgafus op uitgehouwen of ge- 
fchildert was. Zie Palefiiet ter aengehaelde plaets) en doodde hem. De tweede uitleg- 
ging by Plutarchus is deze: Dacr zoude in Licie een berg, Chimera geheten , geweeft 
zyn, die zoo vlak tegen de zon lag , dat deszelfs ftralen dacrop afkaetfênde, met zoo 
felle hitte vielen op de vlalite die aen deszelfs voet was, dat het koorn op 't velt ver- 
zengde. Bellerofon had de oorzaek dacrvan gemerkt, en het glatfte en fteenachtigfle 
gedeelte van dien berg hebbende doen weghouwen , het quaad alzoo weggenomen. Ful- 
gentius brengt de geheele fabel over tot de liefde, en vei-flact door de Chimera de drif- 
ten der minne: want als de liefde ecrft begint, komt ze fel aen gelyk een leeuw; als 
ze in 't midden is, is ze ontuchtigh en geil, gelyk de geit, die ook een zinnebcelt van 
geilhcit is: maer in 't einde is ze een flang gelyk, omdat ze wreede beten van berou 
nalact. Horatius noemt daerom een hoer, waerop iemant vei-flingcrt is, niet onacrdigh 
met den nacm van Chimera , Lib. L Od. 27. vs. 2g. Zie Piërius Valerianus Hierogl. Ltb. 
ƒ. cAp. 33. & Lib. X. cap. 6. & Lib. KIF. cap. 31. Zie Fulgentius zelf dit breed ver- 
handelen, Mythol. Lib. HL cap. 1. Nog andere uitleggingen , (want wy kunnen ze 
niet alle uitfchryvcn) zie by Natalis Comcs Mythol. Lib, IX, cap. ^ & ^- 



I 



( 



DEUG T. 247 

naem zelfs betekent dcocUng dergei/vcken [C]. Alciaet fi^reckt in zyne Zin- 
nebeelden omtrent op deze wys [D] : 

't fVas belt Beller cf on, 
Die 't Licifch fchrikgedrogt , Chimeer eertyts vcï'u.-an. 

Wilt gy Pegaes befchrjdefiy 
f^erdelg de zonden dan, dooy^ edelmoedigh firyden. 

T)sze vaerzcn geven te kennen, dat men door het opklimmen tot Godt, en 
door den goeden racdtder Deugt de Chimera, dat is het hovaerdigh ge- 
drogt der zonden, kan overweldigen en verwinnen. 

De fchoonhcit des jongelings verbeelt de fchoonheic, die waerlyk [E] 
in de Deugt te vinden is • en ook dat ze de gemoederen tot haer trekt [F] , 
en door heilzaeme bekoringen v/eet te behagen. Op eencn penning van 
Alexander ziet men de 

[C] Want Z^&'^-f f « {bellera] wil men , dat gebreken zoude betekenen, gelyk «^ov-'^f 
i/wi^fM te kennen geeft. Of miflchicn is /^s'^'^ff», liever r^w/^e», onheilen, te zeggen; 
en zoo zoude Bcllerofon dan te zeggen zyn, een (ifweerder van onheilen, of een die 
zich weet te wachten voor onheilen. Akoos zoo fchynt de meening van den ouden 
Grieklchcn uitlegger van Hefiodus te zyn, uit wien onze Schryver zyne ftclling waer- 
{chynlyk jrchaelt heeft. Fulgentius wil, dat de naem van Bellerofon (O zoudekomen, . Myth. 
van /3ifAi;$o«®- [boulecforos] dat is, een wys raetsman, een die uitmunt in goet bcleitLib. m. 
en ovcrkgh : welk gevoelen, gelyk ten opzichte van de afleiding verfchik van 't laetftcap. i. 
voorgcftdde, alzoo m de zack 'er niet veel van afwykt. Anderen nemen 't cenvoudi- 
ü eer op, en zeggen dat hy Bellerofon genoemt is, nadat hy Belkru:, den vorftderKo-; 
rinthas gedoot nadde, daer hy te voren Hipponous (2) heete. 

IDI Embl. 14. (1) Tzc«. 

Bellerophon ut fortis cques füperare Chimaeram^ '*• '^' 

Et Lycii potuit ftcrnerc monftra foli. 
Sic tu Pegafèis veéhis petis rethera pennis, 

ConfUioque animi monftra fuperba domas. 

[E] Dat fchoone hoedanigheden des lichaems gelooft wierden ook fchoone hoedanig- 
heden des gemocts te kennen te geven , hebben wy kort te voren gezcgt , en daerom 
zegt Virgilius (5) , dat de deugt fchooner is in een fchoon hchacm. 

(3)jEncid. 

Gratior & pula'o veniens in corpore virtus. Lib. V. ys. 

Dat is : 3^*- 

De deugt , die fchoener uit het fchoone lichaem (Iraelt. 

Maer dit vers berifpt Sencka in zyn 66ften brief, en toont ncn , dat een dcugtzaem gc- 
moet niet woit ontficit door de l'elykhek des lichaems, mrxrdatin tegendeel het liehaem 
vei-ficit wort door de fchoonhcit van een deugtzacm gemoct. Hy fchynt my te dwalen^ 
zyn zyne woorden , die 'er gez.cgt heeft , 

De deu^t , die fckooner uit het fchoone lichc.em firaelt. 
M'knt de deugt heeft gtenjierfel van noden: zy is en z.elf een groot feraet voorz.ichz.elfs, en 
z.y maekt haer Itchaem heiligh. . . . Z>it eene kleine hut k^n wel een groot man uitgaen : en 
cok^uit een mismatkt en kort lichaem een fchoone en groot e ziel. De natuur fchynt my der- 
halven fommigen daer toe zoodanig vosrt te brengen, opdat zybeuyz.ey dat de deugt op aU 
lerlei plaets kan worden gebooren , enZ. 

{¥~\ Cicer. de Amiat. cap. 8. Daer is niets aenminniger dan de deugt ^ en niets, dat 
meer aenlekt tot liefde, en zoo voort. Zoo ook de Offic. Lib. I. cap. 17. 



Q.q q 2 DEUGT 



248 DEUGT. 

DEUGT 

VErbeelt als eene fchoone en gewapende Vrou, die een 
manhaftigh wezen vertoont, en in dceenehantdewe- 
relc heeft , terwyl de andere een lans ten firydc vaerdigh 
houdt [A]. 

Zy ftaet gewapent, omdat ze een' eeuwigen oorlogh [B] tegens de 
ondeugden voert. 

Dat zy manlyk van wezen wort verheelt , komt overeen met haeren 
naem, dien ze by de Latynen dracgr, Virtvs: welke afkomt van 't woort 
^7r, dat is, t&nman [C], ofvan wr«, krachten [D] : enfterkte en dap- 
perheit voegt een deugdelyk man zeer wel. 

De werelt en fpeer willen zeggen, dat de Deugt de ganfche werelt bc- 
heerfcht en beftiert. 

[A] Zy fchynt dan een gevelde piek te houden , geen opgerichten : want met ge- 
velde pieken vfgt men . En hierom was 't oprechten der pieken in den ftrydt by de 
Maccdoniers een teken , dat ze zich overgaven : gclyk men leeft by Livius in 't 10 
Hooftlluk van zyn 53 Boek. 

[B] Of ook om te kennen te geven dat ze veilig is voorallegcvarenigclykvv'y reeds te 
voren met het zinncbcelt van her fchiltreiken hebben aengetoont : en de Filofoof An- 

(i; Diog. tirthcnes zeide niet qualyk, dat (i) de deugt een wapentuig is , het ■welk.e niet k^an afge^ 
Laeit. Lili. nomen worden. Maer vcrfta die woorden, gelyk ook dit geheele zinnebselt, van de 
y i • s • I i ■ i^^gsdetigt of manhaftigheit. 

De deugt is een zeer groot fchilt voor den fiervclingen^ 
z.egt MenAnder . 

[C] Cicero Tulcul. Qi-ieft. Lib. II. c- 18. Appellat tt efl n viro virtus: viri enim 
propria Maxime fortitudo. dat is, de naem van Virtus . deugt (of liever manhaftigheit> 
\(pmt van vir een man : want de dapper heit is allermeefl eigen aen een f^^n. Zie ook Varro 

(i)rvooni- Lib. IF. cap. L. Met recht dan wil de Heer (i) Oudacn, Jat men hier virtus vcr- 
fchc Outh. t-jle niet deugt, macr manhaftigheit : gclyk ook by de Grieken oivl^'-ia. [^andrcia] betcke- 
^•,^38. oi jjgfjje j^gj- 2,clfde als virtus, komt van ai-ti'f, dat ook een man betckcnr. 
I^D] Zier hier over Scaliger Lib . I. Toet . cap. 2z. 

DEUGT. 

>P de gedenkmunt van Domitiaen en Galba [A] ftaet de !^ 
^_^ Deugt verheelt als eene Amazoon , met eenen helm 
en een lang, doch punteloos zwaert [B]. Men ziet *er ook |- 
een fpies by, en zy zet den voet op een heimet, of op eene 
werelt. 

[A"] Ook op een van den Keizer Gallienus. 

[B] Dat dit zwaeit lang en punteloos is, heeft geene byzondere beduidingc van 't | 
een of 't ander op de deugt tocpaflèlyk : maer 't is alleenlyk een belchry ving van 'een 
zeker Ibort van een zwaert, hetwelke men paraztnium noemde, en doorgaens op de 
penningen daer de deugt ot manhaftigheit op wort vcrbcelt , gezien wort. Dat dit zwaert 
punteloos wort befchrcven, moet liever vcrftaen worden dat des zelfs punt ront, dan 
afgebroken is. Wat bewys ook onze Schryvcr heeft, dat de Paraz.onium lang zoude, 
zyn geweeft , is my onbckent : altoos andere houden 't , met meer waeifchynlykheit, 
voor kort, en een foort van ponjaeit. Zie Lipfius de Muit. Rom. Ltb. IIL Dial. ren 
andere Schryvcrs der Roomfche Outhcden. DEUGT. 



ijS 




DEUGT. 




DEUGT, (verachting der) 

E En Man in een koperrocftverwigh gewaet. Hy heeft in 
de flinke hanteenen reiger, dien hy met de rechte ftrcelc 
en hef kooft. Nevens hem vertreet een zwy n veele roozen en 
andere bloemen. 

De kleur van het kleet beduit de quaetwilL'gheit des gemoets fA] , die 
een oorfprongk van de verachting der deugt, en liefde tot de ondeugt, is. 
Dit wort voorts vertoont door de liefkozery, die hy den reiger acndoer, 
2ynde de zelve een vogel die van bedrogh [B], fcheljnery enontelbaere 

/. Veel. R r r gebre- 

fA"] Zie de Achterklap, Jefim. F. hUdz.. i6. 

[B] Dat zegt Alciatus juilt nitt, raacr fchrj'ft dezen vogel het ^chrt^iVixwedzJgheit 
en traegheit toe : wacrmcde al wie behebt is, die kan geen recht hef hebber der deugc 
zyn, als welke de wakkciheit en vvcr bemint. Omdat 'a' nu onder de drie fborten 
Tan reigers (want zoo veel telt 'er Plinius) (i) de grootfre en mooilte zoo loom is naer 
't getuigenis van Pau&nias (i"), dat hy zelden te voorfchyn komt, waerom hem de vo- capr'tfo. 
gehvichelaers niet te onrecht Oc««/ , dat is, luiae-rt , noanden, zxx) hebben de ouden (i) In PW 
niet qualyk verziert, gelyk ook Alciatus (^) te kennen geeft, en deszelfs uitlegger Clau- "*^- <^- *♦• 
dius Minos uit Ariftotcles (4) aentckcnt, dat een zekere luie flaef in dusdanig een vogel g^' E™W, 
zoude zyn verandert. En Antoninus Liberalis f5') vertelt, dat zekere Autonous, om-(j^)*j^^^ 
dat hy te loom was gewcell om zynen zoon Amhus te redden van de razcrny der mer- Auinj. l. 
ryen, die hem veiilonden, in den reiger Ocw^.; door de Goden wiert vei-anocrt: gelyk 9- c. 18. 
zy den knecht van Anthus, die mede verzuimt haddc zynen Heer by tvts tot hulpc toe '^^ • ^ 
te fchietcn, hcrfchicpcn in een tweede foort van een reiger, genacmt Erodms. Dat vor- 
der fbmmipen om een man, door onkuifchc bedrvven uitgetcert, en byna geheel van 
bloet berooft , naer 't verhaei van Piërius (6) hebben willen te kennen geven door het , , . ^{[e- 
fchilde3:n van de lactilgenocmdc foort van reigers, omdat men vcrhaelt, dut dezen vo- rooi. Lib. 
gel het treden van zyn wyfje zoo bang valt, dat hem het bloct uit de oogen zypt; ij'.c 
waen'andacn fbmmige meencndat hy den naem vanErodius zoude dragen, diezywlllen 
dat uit twee Grickiche v.'oordcn zoude te fimen zyn geilelt, die bloet z.u'eeten beteke- 
nen; zulks {chynt hier niet zeer te pas gebragt te kunnen worden om de onJeugt van 
den reiger te kennen te geven , dewyl dit niet zoo zeer voor een liiocd bedryf van dien 
vogel , als wel voor een gebrek in deszelfs natuur moet worden gerekent : behalven dat 
anderen dat bloetftorten geheel ontkennen. Zie fo;yjhn aengaende de Vogelen , f Boel^ 
1 Opf 3 Hooftfi. 



(OLib. 



4t. 



250 



DEUGT. 



gebreeken aeneen hangt, gelyk Alciatus in zyne Zinnebeelden melt, dien 
\vy dikwyls aenrotren om zyne naerftighcit, en de uitnementheit der din- 
gen in hem, die tot ons voorneemen dienen . 

Wat het zwyn belangt; de Egiptenaers [C] maelden dit dier, treden- 
de op roozen en andere bloemen, wanneer ze een menfch van fnode zeden 
wilden vertoonen. Hiermede ftemt de H. Schrift op veele plaetfenover- 
een, {lellende de roozen en lieflyke reuken voor de oprechtheit van leven 
en zeden. In Salomons Hoogelicdr, zeitdeBruit, dat de reuk des Brui- 
degoms, verfta een volkomen deugtzaem menfch, die rechtuic in Godts 
wegen wandelt, den reuk van een velt vol fchoone bloemen gelyk was. 

[C] Onze fchryver haelt fbmtyts den oorfpronk van d' een en d'anderc Beeldcnfpraek 

af van de oude Egiptenaers , daer hy ze in later tyden hadde mo;;ten zoeken : akoos zoo 

gact het hem hier : alzoo men de uitvinding van deze Beeldcnfpraek fchuldigh is ^en 

. Cntes, gelyk Picrius (i") en Ei-afiinus (2} aentekenen. Uit den ecrften deelen wy den 

L ixT'é ^^^^^' °°'^ '^^^ mede, datfommige fchryven, dat 'er in Arabic generlei foort vanzwynen 

(i)ChiL3. kan leven, omdat die lantftreek zeer vruchtbaer zynde van voortrcflyk riekende zaken, 

Ceiic. 7. met reden gemyt wort van een dier, dat een hater is van allen licflylien reuk. Wacrom-» 

Ad. 13 . ti-ent Lukretius (z) zeer aerdish zcet : 
(3)Lib.VI. ^^•^ ° ° 

Denique Amaracinum fugitat fus , 8c timet omne 
Unguentum : nam fètigeris fubüs acre venenum eft, 
Quod nos interdum tanquam recreare vidctur. 
At contra Nobis cosnum teterrima cum llt 
Spurcities, eadem fubus haec res munda videtur, 
Infatiabiliter toti ut volvantur ibidem, 

F^oor 'ƒ laetjl om kon te tjftt , ket z-ivyn is allenthalven 
Schuw en afk^erigh zelfs van de allerhefie z.ahen. 
Ifant 't geen ons door z.yn geur vaek^liefelyk^vercjuikt ^ 
Is aen dit dier een fel venjA , waervotr het fchrikt. 
In tegendeel daer ons het Jljfk.ptee£ t$e te fchynen 
Een vuil en onguur ding , is 't echter voor de z.wynen 
Zoo 'n aengename z.<tek^, dat zjy zich zonder endt 
Ontwent' len in den drek^ waertoe zy zyn gewent. 

Zoo is ook de fchalbyter, welk diertje zich vermaekt in den drek envuiligheit, 200 af-* 
kecrigh van den reuk der roozen, dat hy terftont fteift, zoo ras hy dezelve maer ruilct : 
gelyk de zelve Piërius aentekent uit Ariftoteles, Hierod. Lih. VIII. cap, te. cé' Lih 
Lr. cap. 8. 



V. 9"3- 



Dat is ; 



DIE^ 



A'S. 



a 



ï- r. 



' 2.SI 




DIERE TYT. 

BEfchou hier eenc magere en flechtgekleedde Vrou , die 
in de eene hant een wilgentak, en in de andere eenen 
puimfteen houdt. Ter zyde ftaet een magere koe. 

De diere tyt wort mager vertoont, ötü ket gevolg aen te wyzen van het 
gebrek der dingen , die tot onderhoudt des levens nodigh zyn . 

De wilgeboom is^ gelyk ook de puimfteen onvruchtbaer en fchrael, [A] 
én worden by deze beeltenis gevoegt, omdat de onvruchtbaerheit eene 
hooftoorzaek der diere tyden isj doch diefpruiten ook wel uitdeonver- 
Zactbaere gierigheit vanfommige koopluidcn die zich den opgeleiden voor- 
raedt niet anders dan als metgewelt uit de handen laten breken, waerdoor 
dan het arme volk in deerlyke benaeutheit zit . 

De magere koe, boven gemelt, is een teken van dieren tyt, [B} gelyk 
ze daervoor door Jozef in de H. Schrift verklaert wort, in de uitlegging 
van Faraoos droom . 

[AJ De wilge laet zyn zaet, volgens Pliriiüs getuigenis (i), zeer ras vallen, en voor (i] Hift. 
dat het ryp is : ook zegt hy , dat deszelfs zact de vrouwen onvrugtbaer maekt. Nat. Lib. 

[W\ Gelyk de vette koeien tekens waren van vrugtbare jaren. Dat voorts die vette ■^^'* "F* 
koeien uit de rivier de Nyl opquamen , zulks beduide te meer de aenftaende vrugtbaer- ^ 
heit, omdat de ovcrftroming van den Nyl de vrugtbaerhcit irt Egipte plagt te veroor- 
zaken; gelyk in tegendeel dat de magere koeien uit het mocrag, werwacits de vette van 
den oever waren afgedwaelt , opquamen ,; (want zoo verhaelt de Griekfchc gi^onttext 
van den Hiftorifchryver Jözefus dezea droom j hoewel de veitaling van den Heere Se- 
wel zulks niet hccftj te meer een teken waren van onvrugtbaerheit , omdat een moeras 
onvrugtbaer is, en voor een beek van onvrugtbaerheit gebruikt wort. Zie PiëiiusV^a- 
lerianus Hierogl. Lib. III. cap. 12. Dcwyl echter de H. Schnft zoo wel de magere als 
de vette koeien uit de rivier doet opkomen, weten wy niet, of die zinnebeeldiiche uit- 
legging van den drocMn , aengaende den Nyl en 't moeras magh worden placts gcgevco; 



R r r 3 



DIEVERY 



D I E V E R ï^ 




I E ^¥' E R Y. 



DEze fnode en dierverbodc ondcugt laet zich zien in " 
de gedaente van een bleeken Jongeling, die met 
een wolfsvel bekleet is. Zyne armen en bcenen zyn naekt, 
en de voeten gevlerkt. Voorts ilaet hy in eencn naerge- 
bootften middernacht. In de flinke bant houdt hy eene 
beurs, in de rechte een mes, als mede een haekHeutel, of 
breekyzer. Zyne oorcn hebben het £itfoen v?.n haez e le- 
pels, terwyl zyn wezen zeer ontdek, en fchriknchtigh flaet. 

Men maek de dievery jong , omdat de onbedaclitheit en gevaerlyke 
onvoorzigtighcic den jongenluiden wel meeft eigen isj voornamentlyk 
zulken, die zich tot fteelen begeven, daerze immers dagelyx de rampza- 
lige belooning van zien uitreiken aen de veroordeelden hunner foorte, dat 
is aen zulken die van de dievery, zonder zich te beteren, hun ambacht 
bly ven maken, en daerom eindelyk door een ront koordevcnfler moeten 
zien . 

Het bleeke en ontftelde gclaet en de haezeooren [A] betekenen de ge- 
lladige ongeruftheit en vrees, waerin de diefleett, alryt in angft van on- 
dekt te worden. Om die reden ook haeten vliet hy het licht, en zoekt 
den nacht, zynde die een begunftiger van oneerlyke werken. 

Men kleet hem in een wolfsvel, dewyl dat bofchdier alleen leeft van 
goederen, die het zelve niet toebehooren, dat is van roovery [B]; 

welke 

[A] Zie het beek der Bygeloovigheit , en aldacr onze Aenmcrkingen. 

[B] In de Heilige Schrift zelfs ilrekt de wolt ccn zinncbecltvanrovery, alsChriftiis 
by Afath. cap. 7: 15-. de valfche J^mfctcn grjpfnde wolven noemt: en zoo vaaierdende 
oude Filofofen, die de zielverhuizing valtltcldcn, dat een mcnich die altyt vacrdig en 
b^rcit was gcweeil tot roven en ftelen, na zyn doot v/icrt heifchapcn m een wolf: en 
hier op ziet de dichter Klaudiaen wanneer' hy zegt, dat de Rovers door den onder- 
aerdfchcn Rechter Rhadamanthus aen wolven tm prooje worden voorgeworpen. Zie 
breder Piërius Valerianus Ilierogl. Lib . XI. c.tp. 4. 



D I E V E R y. 



^5-3 



welke hocdanighcit van dit beeft, cene fchcts vertoont van den rechten 
aert der dieven . 

De beurs, [C] het mes, het breekyzer, of wat men hier al meer voor 
dicvcnvoer zoude mogen byvoegen , hebben geene uitlegging y;m 
noode. 

Door de bloote armen en beenen wart de gacuhandighcit en rasheic ver- 
heelt, die de diefin zyn heilloos bedryf doorgacns aenwcnC; gelykdehiel- 
wieken de bereitheic ter vlucht vertoonen, uit vrees der verdiende ftraffe. 
Het tweede beek der 

i .[C] Dat die den dief in de flinke ham woit gegeven, heefi: zyn nndruk: alzoo de 
ouden die hant aen de dicvery toeichrcven. Zic Plautus Perf. 2. 2. 44. en C.'atullus 
C.iriT!. 12. f. I. Zoo neemt Ajax by Ovidiiis, Alet. Ltb. 13. vs. lu. de Jlinks ^-''«"fvan 
\}]\&s gebtoren.tot dieverje. 

D I E V E R Y E 

V^y^Ort geraadtals een Jongeling met korte klederen. Op 
j W 't hooft heeft hy een muts , en aen de voeten vilte of 
i woile fchocnen. Hy draegt in de cene hant een dievcnlan- 
tnern, in de andere een haekileute] en ladder van touv/, en 
' allerlei ander die vengereetfchap, terwyl zyn kleet met groote 
: hommels bezacit is. 

1 De meefte dingen hiervan brengen hunne beduidenis mede: daer reft te 
[ (preken van den hommel. 

I Deze is een valfche by, die niet anders doet dan den honigh rooveuj 
welke door de vlyt en moeite der oprechte bycn is verzamelt en opgedacn. 
Dit paft op de dieven , want zy verteeren eens anders goet, dat met zweet 
en zorgvuldigheit verkregen is. Van de byen en hommels zingt Virgyl in 
1 boek van Eneas [AJ, door zynen weérgaloozen navolger Vondel op de- 
ze wys: 

Gelyk de by, by lente en zonnefchyn in ^t groen ^ 
Op velt en bloemen Jlaeft , om jongen aen te voèn; 
Of klaeren honigh ft win't , en vult de homgraten 
Js/let zoeten nekt ar ; of d" aenbrengende onderzaten 
l^an bunnen z'-jsaeren laft verlicht ; offtraf en ftout 
De hommels, in een' troep, uit haere korven houdt ^ 
En keert dat vuig gediert 
I. Deel S s s DOM- 

CA] Vs. 455. 

Qualis apes xftate nova per florca rura 

Exercet fub fble labor , cum gentis adultos 

Educunt foetus, aut cum liquentia mella 

Stipant, 8c dulci diftendunt neftare cellaS, 

Aut onera accipiunt vcnientutn , aut agmine faólo 

Ignavum fucos pecus a pncfêpibus arcent. 

Zic ook het vierde boek van Virgyls Landbouw vs. 161. En voeg 'er verderby Piëriüs 

Vale* 



254 



D I E V E R Y. 



Valerianus, Hierogl. Lih. XXri. cap. zj- De fhbelfchrj'ver Fedrus ftelt de hommels 
met een aerdigh vcrdichtlcl voor een zinncbeelt van Icttcrdievcn , die eens anders fchrif- 
ten voor de hunne uitgeven. De hommels, zegt hy, wilden zich eens den honigh die 
de byen gemaekt hadden , aencigcnen ; daer quam dan gefchil over , en de welp wierdt 
geftcit tot rechter. Deze beval beide de partyen van nieuws honigratcn te maken , op- 
dat hy acn 't werk mogte zien , wie van beide het naeft in maekfcl aen de ractcn quam 
daer de queftie over was : doch de hommels dit niet durvende ondernemen , bleek het 
kchtelyk wie de rechte makers waren. Zulke kunftjes worden 'er hedendaegs nogh al 
vry veel gepleegt : en moeften fommige eens van nieuws cenig werk maken , om daer 
aen te toetlèn, of het gene zy voor 't hunne uitgeven, het hunne wel waerlyk is, zy 
zouden 'er raogelyk met de hommels flccht afkomen, en vooi" Icttcrdievcn bekent wor- 
den, 

i». 

'f 




D O M H E I T. 



E Ene Vrou, die de rechte hant op het hooft van ccne 
geit legt, in wiens mont men het kruit Erwgioji ziet. 
In de flinke hant houdt ze een narcisbloem , en is ook met 
dat zelve gewas bekranft. 

De domheit is eene zekere traegheit des verftants , zoo wel in fpreken 
als in doen -, immers dus bepaelt ze Theofraftus in zyne Zedely)cc Merkte- 
kens [A], enzynmeefler Ariftoteles is in 't zelve gevoelen j want hy zeit 
in zyne Zedeleringen, Lib. I. cap. 27. Een dom menfch is voor een ieder y en 
voor alle dingen vervaert ; zynde zoo in doen als in fpreke?i ontbloot i'an alle 
fnedigheit. Zoodanig een is hy die in alle zaken verbaejijiaet. Elders zeit hy, 
dat de plompert overal den praet voert, daar 't niet te pas komt. De 
domme is volgens de ftelling van den zei ven Filofoof flrydig aen den eenen 
kant in 't goede, tegens de naerftigheit en yver, en aen den anderen kant 
in 't quade, tegens de vermetelheit . Want de vermetele is reukloos en ftout 
tegen alle zaken en tegen alle menfchen zoo 'm woorden als in daden: 
maer een domme is verfaegt en vreesachtigh , zoo wel in 't goede als in 't 
quade : zoo zeer mifleiden hem de ftompheit des verflants en de loomheit 

der 

[K] Aen 't 14de Hooftftuk, waerdigh gelezen te worden', gelyk ook over 't zelve 
de zeer geleerde aeatekeningcn van den wddicren Ifaakus Kazaubonus. 



D o M H E I T. 



255 



! der zinnen. De domheit wyders is in den menfch, of uit de natuur of 
' door toeval. De natuurlyke hangt te zaemen van logge zinnen, grof 
vernuft en verfaegtheit des gemoets . Door toeval ontftaet ze uit veeler- 
Ici oorzaken, namentlyk, krankheit, ontfteltenis of fchrik, verwonde- 
ringen vcrbaeftheit over eene ongewoone en vreemde zaek, die men in 
anderen hoort of ziet, of gevoelt in ons zei ven, te groot eene bcfpiege- 
ling in de oefeningen der geleerthcit, mae lende fommigen zoo ceuwigh 
in en over de boeken, dat ze bot, onzinnigh en als buiten zich zelven 
fchynen, en wat dies meer zy. Naer Suetonius zeggen was Keizer Klau- 
dius bot, [B] onbedachtzaem, ja als zonder geheugenis. De natuur- 
lyke domheit wort overwonnen door het naerftigh betrachten der deugt, 
gelykze doordeledighietaenwaft, [C] dewyl 't verftant daerdoor ver- 
droogt, en nogh botter wort, ja eindelyk door den dikken nevel deron- 
wetenrheit geheel verdonkert. De gelaetkenner Zopirus, eens by So- 
kratcs gebragt zynde, dienhy niet kende, befchoudezyn gelaeten liet zich 
daerop verluiden: Deze is van natuur e bot en plomp. [DJ. Het welk als 
de omllanders hoorden, [E] begoften ze te lachen, wetende dat So- 
krates zeer wys was, en alles dede met een ryp overleg en fyn oordeel. 
Sokratesevenwelverboodt hun het lachen,, daer by voegende, dat Zopi- 
rus de waerhcit zeide: want, vervolgde hy, zoodanigh zoude ik zyn, in- 
dien ik de gebreken myner natuure, door de oefening der filozofy niet had 
overwonnen [F]. Uit Galenus is een fpreekwoort genomen, luidende: 
Merknrkts en de Zanggodinnen zelfs zouden hem niet kunnen genezen. Het 
welk op zulk eenen paft, die boven maete dom en onwetend is: alsof men 
zeide, hy is zoo geheel plomp [G] dat 'er ganfch geen helpen aen zy. Te 
weten eene domheit daer Merkurius, de vinder der wetenfchappen, en al 
de Muzen geen verhelpen aen zien, moet al redelyk groot zyn. Evenwel 
blyft zeker, dat de oefening van deugt en kennis bequaem zy om het ver- 
ftant te fcherpen, en de domheit wech te nemen. 

S s s 2 De 

[B] Daervandaen wil Zaratino Kaftellini dat het zoude zyn , dat de Grieken in hun- 
ne tael met een en 't zelre woort i^irtu^ix [mcteoria] niet alleenlyk bclpiegeling van 
verhevene zaken , maer ook domheit uitdmkken : en met dat zelve woort meldt ook 
Suetonius van de domheit van Klaudius, daer hier ter plaetfè van gewaegt wordt (i). Kl«ud. 
Jnter C£ter/i , zyn zyne woorden, in eo mirati funt homines & oblivionem & inconjide- a^ . 3? 
rantiam, -vel, ftt Grace dicam , fjinai^Uv kccI x&M-^Uv. datis, onder anderen hebben zjch 

de menfchen in hem verii'ondert over zyne vergetelheit en onbedachtzjtemheit , ofy om het 
in 't Griekfch te z.e(rgen , meteoria en ablepfa. 

[C] Otiu}n confaetudine indies blandius, enervat cerfora animof^n e Zegt Livius, Lib. 
XXIII. cap. 18. dat is, de ledigheit , die van dagh tot dagh aenlok^lyker U'Ort doer de 
gewoonte, oniteniiti't de lichaemen en verzju/akt de geeflen. 

[D] En ook tot vrouwen genegen, gelyk Cicero getuigt de Fato, tap. f. 

[E] Zie Cicero Tufiul. Quxlt. Lib. ir. 'cap. 57. Onder dezelve noemt hy Alcibiades , 
de fato, c/ip. ^. 

\_F] Dat de gebreken der natuur door de kracht der geleertheit en filozofie kunnen 
verbetert worden , zulks lydt geen tegenfprack. Zoo getuigt men ook van den Filo- 
Zoof Stilpon , dat hy van natiuirc zeer geneigt is gcwceil: tot den wyn en vrouwen : en 
dit hebben zelfs zyne gemeenzame vrienden niet ontkent. Maer deze natuurlyke fouten 
heeft hy door zyne wetenfchappen en verftant zoo weten te temmen en te bedwingen, 
dat hem nooit iemant dronken, of ecnig teken van ontuchtige begeerte in hem gezien 
heeft; gclyk Cicero mede gctin'gt, de Fato, cap. 5. 

[G] Gclyk die Korocbus, die, daer hy nooit hoger dan Vyf hadde kunnen lecren 
tellen, echter 't getal dar baren in de zee zogt op te maken. Zie Erasmus Chil. 2. Ctnt. 
9. M. 64, 



25Ó D o M H E ï T. 

De geit, ter zydc van het beek, is een zinteken van botheit, Ariftote- 
les zeit in zyne Gelactbefchouwing cap lo. dat iemant wiens oogen naer de 
kleur van den wyngelyken, dom is, omdat zulke oogen naer die der gei- 
ten gelyken. De zelve Ariftotelcs verhaclt in zync Hiftori der Dieren, 
Lib. IX. cap. 3. dat, indien men uit eene kudde van dat vee flechts een ee- 
nige by de hairen der kinne trekt, alle de andere als verbaeft en ftil blyven 
flacn, en daerop kyken, bynaalsofzc volmaekt gek waren. 

Het kruit Eringion [H] , dat de geit 'n\ haeren mont vertoont, is naer 
Plutarchus zeggen van die natuur, dat wanneer een der gezeide dieren het 
zelve beftaet in den mont te nemen, zoo zal het cerfl: dat, en dacrnadege- 
heele kudde met een geweldige domheit [I] en roereloozc verbaeftheitaen- 
doen, die niet overgaet, voordat de herder 't genoemde gewas, van tus- 
fchen de tanden der geite wechhaelt. 

Belangende nu den Nards, dien het beek in de hant en op 't hooftdracgt, 
die is eene bloem, van welke m<en zeit, dat ze de harfens bezwacrt en ont- 
ftclt. Zy hiet geen Narcis ^ naer de fabel van den jongeling Narcifius, 
maer naer het Grieklche woort A''arce £K], dat vadzigheit en loomheit be- 
tekent. 

[H] Dit kruit wort bcfchrc\'cn als hebbende ccn ftcel ter hoogte van een elleboog, 
zynde knobbclachtigli, en fickclyke bladeren voortbrengende- Zie behalven MatthioUis 
ook Plinius, Li^. XXI. aif. 15-. & 21. caf. 7. 
(i) Libro \y\ Plutaichus (i) fehryft dat toe aen de IncHieit van dczclft reuk , die zich evenals 
cuin Princ. een vuur haeftigh tot het gecne nacil by is, zoüdc uitbreiden, en 'c zelve aengrypcn. 
Viris Phi-piërius (2) zegt, dat anderen in dit ziiMicbeelt in plaets van de Eringium flellen het 
° ■ " ?• kruit molj ^ andere het kmit nrigamim. l'linius (3) melc allcenlyk van een zieker kruit, 
(i)'H!cr. zonder verder bepaelinge, zeggende: aen de 'khi van alle ie genen hangt een hair^ het 
Lib. X. U/elke men arumtts memt: z.00 i f mant te);é van de l^^dde l/v dit hair grypt ^ z.00 flaen 't de 
ctp. j.i andere met verhaeftheit aen te z.ien: men tuil, dat z.'ilks ool^gebet^rt , als eene vandegei- 
N I h ten een zieker kriiit heeft afgebeten. Het liair, dat de Latynen aruntus noemen, meent 
«.cap.jó. Dalekamp dat by de Grieken den naem van'^V'^yy©' [eeryngos^ draegt, en dat Plutar- 
chus by gevolg Arillotcles qualyk zoude verftaen hebben, Ichryvende aen 't kruit £r/«- 
gium toe, het geen Ariftotelcs van 't hair aen de kin der geiten, [ecryngos^ zoude heb- 
ben gemck. Maer Salmafius, die verwondcrcnswacrdige man in allerlei fborten van 
wetenfchappen , toont aen> dat Plinius veeleer gcmift heeft in 't yerftaen van de plaets 
van Ariftotelcs, vattende van dat hair aen de kin der geiten op, het geen daer van 't 
kruit eringion gezegt wort: zoodat Plinius dat mirakel van 't hair aen de kin der geiten 
door misverftant zoude hebben in de werelt gcbragt. Zie dien grootcn Lettcrhclt zelf 
breder, de Homonimits Hyles Jatric^ cap. 60. 

[K] Altoos dat getuigt 'er Plinius van in 't igdc Hooftfluk van het 2ifte Boek zy- 
ner natuurlyke Hiftorie, zeggende dat de Genecsheeren willen, dat de narcis is nervis 
inimicum ^ cupm gravantem , & a narce narcijfum diflftm , non afabt^lofcjttefHero, nade- 
lig voor de zenuwen, het hooft bedwelmende, en narcis genoemt naer 't woort narce ^ 
en niet na dien fabuleuzen jongelingh. Het zelve leert ook Plut-.u'chus in 't derde boek 
(4) Queft.I zyner Gaftmalen f4) , alwacr hy aenmerkende , dat de Ouden aen vcele kruiden en hoo- 
rnen namen hebben gegeven, der zelvcr cigenfchap en kmcht uitdrukkende, van 
den narcis zegt, dat hy dien naem heeft gekregen, omdat hy een loomheit (narce) in de 
z.en$twen^ en een lome hooftpjn verwekt. Waerop Ovidius ook fchynt te zinfpelen, als 
hy van Narciflüs, wanneer deze tot die dwepa'ye gemekte, fprckcnde, hem vergclykt 
(ï) Met. by een loom en ftyf marmeren beek (5) : 

y^ ^ig, " Rem fine.corporc amat: coi-pus putat eflc, quod umbra eft 

Adftupet ipfè (ibi , vultuque immotus eodem 
Hsret, ut è Pario formatum marmore fignum. 

Dat is, naer Vondels vertaeling: 

En z.iet den fchyn aen voor een lichaem^ "ivaerdt gefrez.eHl 
Verwondert , mits de fchyn het leven niet bez.wjkt , 
En hj^ verjlomt tnjtil, (tn marmer be«lt geijkt. 



D o M H E I T. 257 

tekent. Dit Nam heeft den naem aen ^t\\ gcmelden jongeling gegeven, 
dewyl hy namentlyk, zich in het water fpiegelende, met zulk eene ver- 
baezende verwondering over de fchoonheit van zyne geftaltc aengedaen , 
en zoo bedwelmt in zyn verftant wiert , ^zx. hy daerdoor verteerde^, en in 
eene bloem veranderde. Om de quade hoedanighcit wyders dezer'plant, 
vlecht 'er Sofokles [L] krconcn van voor de helfche goden. 

[L] Naer 't getuigenis vr.n den zoo even genoemden Plutarchus op de acnjrehacldc 
plaets. De reden van die verzicring is gemaklyk te bedenken : omdat namenclyk in de 
doot alles loom is. Andere willen echter, dat de Narcisbloem daerom aen de onder- 
aerdiche Goden zoude hciligh zyn gewecft, omdat hy alleenlyk bloeit en voorb)'gaet, 
en geen vrucht van hem nalact, eveneens als vroege verfi::jiden zelden leven tot hunne 
volkomene rypheit. 

D O M H E I T. 

12T • -'' '"'^^^'^ 1^^" ^ weder eene Vrou , maer bezie haer ge- 
\. Jl i'^cc eens; het is roodt van kleur, en zy zelve leit plat 
ter aerdc. Met haere flinke hant houdt ze cenen ezel by den 
toom , en leunt met den rechter elleboog op een zwyn dat 
nevens hner leit. Voorts draegt ze een zwart hulfel. 

Ter aerde leggende vertoont men ze, dewyl de domheit niet bcquaem is 
cm op den wegh der deugt te wandelen, maer legt altyt in traegheit by de 
onkunde, hier door den ezel vertoont. De Egiptenaers [Ajmaelden, ge- 

/. 'Deel • T t t Jyk 

[A] Hier fchi-yft de Opfteller van dit beelt wederom aen de Egiptcnaren toe, het 
gene mifichien by dezelve niet is in gebruik gewecft. Altoos by Horus ApoUo (i)vin- (,) lj{,. j^ 
de ik niets anders aengaende den ezel, dan dat de Egiptenaers, een menfch willende af-cap. n. 
malen die nooit uit zyn vaderlant gegaeii is 5 of gereift heeft, een ezelskop fchilderdcni 
emdat z.00 een menfch, ZCgt Horus, nochte eenigerlei gefchiedenijfen hoort, nochte Treet^ 
11/iU 'er by ttitlantfche volkeren voorvalt. OndeituUchen evenwel is de ezel een waerach- 
tigh beek van domheit en onleerzaemheit, en daervoor ook by de Ouden gefchat: ge- 
lyk. zy met verfcheide fpreekwoorden , ontleent van den ezel , hebben te kennen gege- 
ven j die de nicuwsgiciige lezer onder de ipreckwoorden van Erasmus kan vmdcn. 
Hier zullen wy alleenlyk bybrengen, als niet ongevocglyk te pas komende, de woor- ,. ^^^^ 
den van Horatius (2) aenG;aende icmant die een ander te vergeefs zoekt te gewennen tot i.ib.1. Sat.' 
een zack dacr hy zich niet toe kan begeven. i. vs. 90. 

Infclix operam perdas , ut fi quis afellum 

In campo doceat parentem currerc frenis. 
Dat is : 

Cy z.oudt maer vruchteloos uw moeite en vlyt befieden. 

Alsof gy trachten tvoud' een ez.el , traeg in 't treden , 

Te wennen tot den loep , en breid' len met een t»om. 
Namentlyk de ezel is onbequaem om te leercn lopen, wegens zyne traegheit, die hem 
van natuurc eigen is. By de Hebreen integendeel, voornamcntlykdcKaballiftcn, was 
de ezel een zinnebcelt van wysheit, om reden, zeggen ze, dat die gene, die zich wil 
leggen op het vcrkrygen van wysheit, zich met fbbercn en geringen koft moet behelpen, 
• gelyk de ezel zich met flegt voeder geneert, makende geen onderfcheit tnfchen wreede 
difielen enzjsgte lattn, gdyk het fpreekwooit te kennen geeft. (5) Maer ook dient eenbe- (^' ^"'''"' 
trachtcr van wysheit , onvermoeit , en bvna een ezel te zyn in arbeit : waerom ook die (^^"^' J^_ 
zeer naerftigc Cleanthcs , de leerling van' Zeno , by Diogenes Lacitius (4) door zyne aj. 71. 
medeleerlingen gefcholden wordende voor een ezel, dacr zoo weinig Imaet in vondt, (4)Lib.IX, 
dat by antwoorde, dat hy wel een ez.el was , maer die Meen in fiaet was om 't zoware $• 173- 
fak^van Zeno te dragen dat is, deszelfi lellen te volbrene,eïv. 



258 



D O M H E I T. 



lyk wy hier, den ezel met eenen toom in den mont voor onleerzaemheit af, 
dcwyl dit dier niet gcftelt is om iet te leercn. Wyders willen de ftarrera- 
ders [B], dat als een menCch onder den zefiricndcn graedt van Leo geboren 
wort, het zelve een voorteken is van zyne onbequaemhcit tot leeren^ het 
welk zy te kennen geven met te verzieren, dat 'er alsdan een ezel ter werek 
komt met eenen toom in den mont. 

Zy leunt op een verken. Piëriiis zeit dat het zwyn, boven alle andere 
dieren, onvernuftigh en onicerzaem is [C]; en, dacr andere onredclyke 
fchepfeis nogh eenige naeriligheit betrachten, het verken geduurigh lm en 
loom blyft. 

Het zwarte hooftdekfel vertoont, dat, gclyk deze verf noit andere aen- 
necmt [D], aldus ook de domme is, niet deugende tot het wel oncfangen 
van wyze leflen en nutte Iccringen. Wat kloeke leermeefler ock zoude de 
waere domheit kunnen wakker krygen, en tot hooge bcfpiegclingen aen- 
2etten? , 

[W\ Tlz Piërius Valerianus Hiercgl. Lib. XII. cap. 8. 

[]C] Dacrom hebben fommigcn vcrziert, dat Marfyas, die de ftoutbcit haddevan A- 
pollo tot een muzykftryt uit te tarten, overwonnen zyndc, nadcrhant een varkcnsftacrt 
gehad heeft. En by de gelactkcnncrs is een vaikcnsvoorhooft, dat is, hctwclkc kort 
en hairigh is, ftacndc de haircn wat ftciiachtigh , ccn teken van onleerzaemheit. Van 
de domheit van 't varken is ook genomen hit Ijircekwoort fus Aimervam ^ dat is, het 
varken %vil Aïinerva onderrechten , wordende gebruikt wanneer een onbedrevenc iemant 
wil lecren , die zelfs ervaren is. Zoo vindt men ook de plompe Arkadicrs en botte Boe- 
otiers, by de oude- fchry vers gcnocmt met den naem \-A.r\v.o.rhe}is : fus Arcadica , fus Ba- 
otica: niet alleen om de vreetachtighcit, v/aeraen zich deze natiën overgaven , macrook 
om derzelvcr botheit, en onkunde in wetenfchappen. De Spartaners evenwel wiften 
de varkens nogh iets te lecren , als makende het manlyk gcflacht der zelve bequaem tot 
vechten: zoodat der zelver jongens die varkens van klein af tot vechten opgebragt en 
geocftènt hebbende, dezelve tot hun vcrmaek tegen malkanderen lieten kampen ; daer- 
uit vorders voorfpellendc , dat die gene, welkers varkens het wonnen, brave zaken zou- 
den uitvoeren. Zie al wederom Piërius Hierogl. Lib. IX. cap. 1 1. & 12. Onder de on- 
leerzame dieren worden ook getelt de vlieg en de zwaluw. Zie de reden daervan by 
den zoo even gemelden Piërius Hierogl. Lib. XXFI. c.ip. 57. 

. f DJ JSfigrit lanarum nullum colorcm bibunt , dat is , zwarte nwl neemt geen tindere 
verave aen , Zegt Plinius Hifi. Nat. Lib. FIII. cap. 48. De oorzack vorder, waerom 
dit beek een roode kleur wort toegcfchrcven , waervan de fchryver uc uitlegging hecfc 
verzuimt, is, omdat de domheit en onwctenheit doorgaens zeer afliirant en ftout is ; 
want men ziet veeltyls dat de ongcleertflc de onbelchaemtfte zyn; dacr verftandige kil- 
den, integendeel, omzichtigh zyn in woorden en daden j gclyk ook de Griekfcheiprcuk 
te kennen geeft, diAx^ix jaiv ^d^c-^ , ?.oyis-uoi- hoKvsv ^i;ii , dat is, onks^nde brengt fiout- 
heit aen, maer een verfiandigh overwegen van zaken veroarzaekt traegheit in 't onderne- 
men. De rode kleur nu vcrbeelt ftoutheit, gclyk Ariftotelcs wil in 't negende Hooft- 
ftuk van zyne Gelaetbefchouwing. Ook haddc onze fchiy ver , om de onleci-zacmhcit 
van zyn beelt des te beter uit te drukken, lictzclvc na de ftelrcgcls der Gelactbefchou- 
wers, ingedrongen oorcn, kort aen 't hooft vaifzittcnde gclyk die der apen, kunnen 
toefchryven , welke zy zeggen dat ccn domme onkunde en groote onleerzaemheit bete- 
kenen j gelyk in tegendeel uitftacnde ooren een blyk zouden zyn \d.n leerzaemheit en 
zachtmoedigheit. 



DOOR- 



D O OJL JLU C H T I G H E I T. 




^S9 




Hoe groot een onderfcheit is 'er in de beelden die hier 
na malkander ten toneele treden ! Sommige bedroe- 
ven, fommige ftreelen ons, gelyk op dit pas de Doorluch- 
tigheit : want die komt te voorfchyn als eene welfchoone en 
naekte Jongkvrou, die van heldere ftralen omringt ftaet, en 
in haerc hant eene zon houdt. 

Men noemt eigentlyk doorluchrigh, 't geene men door 't middel van 
het licht wel en helder aen alle kanten be(chou\ven kan, 't geen vervol- 
gens dan doorluchtigheit magh hccten. Dit brengt men ook over tot 
den menfch, en verftaet door den naem van doorluchtigheit ook de 
voortreflykheit en roem, die icmant of door zyn edeldom bezit, of door 
zyne deugt en brave daden [A] heeft verkregen , gelyk Piëriusaenmerkt. 

Ambro- 

[A] Zulke mannen noemen de befte Latynfchc Schryvers daerom ook met den 
nriem van lichten zelfs : omdat zy namentlyk door hunne deugt en dapperheit anderen 
even als voorbeelden ter naervolging voorlichten. Zoo zegt Cicero (l), dat 'er in (i) PhiL 
óeburgcrlyke oorlogen veele lichten zyn uitgedoofty dat is, trctfelyke mannen gefneu- ^- *^- ^^* 
velt. En Drances vcrwyt Turnus by Virgilius (i), dat het door zyn toedoen is , C-) -^"• 
dat de Latynen , ^- ^^- '' 

Zoo veele lichten van Krygsoverflen geblufcbt. 

En al de Stadt in rouiv zien zitten en ontrujl. 

Lumina tot cecidifte Ducum, totamque videmus 
Confedifle urbem lu£lu. 

Macr ook worden byzonderlyk die gene , die niet alleen uitmunten in anderen 
tnet hunnnc deugden voor te gacn, maer daerenbovcn door hunne treffelyke leere, 
waerinede zy anderen voorlichten , zich een glansryken naem verkrygen , lichten 
genoerat. Alzoo noemt Chriftus zyne Apoftelen Matth. f. v. 14. V licht der 
iverclt : ja ftelt ook zich zelven voor onder de benaming van '/ Ucht by Joharmes 
Kap. 8. v. 12. welken naem hy ook op meer andere plaetfen, als Joh. i. v. 4, 
f, 8, p, en elders draegt. En zoo zal ook de zin zyn van de plaets van Ambro- 
/. T>ee/. T t t 2 fius, 



349. 



26o D o o R L U C H T I G H E I T. 



(O Hie- 
rogl. Lib, 
XLIV. 
cap. 7.; 



Ambrofius noemt zulken allerdoorluchtigfl: , die zich in de werelt door 
eenen heiligen wandel en vroome leer, hebben beroemt gemaekt. Voorts 
zeit hy, dat de doorluchtigheit een van de vier gaven der zaligen in den 
hemel zy, 't welk men in beide de genoemde betekeniflen verftaen kan. 
Zy is jong verheelt, naerdien iemant dan doorluchtigfl is, wanneer zyne 
roemwaerdige daden meeft in hun bloeien zyn, en^ hem eenen helderen 
glans byzetten, gelyk een zon, die alles befchynt. Doch dit is van zelfs 
klaer genoeg, en behoeft deze zon vervolgens geen kaers tot verlichting. 

fius , waervan onze Schryver melt , doch die hy qualyk fchynt begrepen te heb- 
ben. Altoos Piërius (i), dien onze Schryver hier zelfs acntrekt , haelt aen uit 
Ambrofius , dat hy heilige mannen , die op de werelt hebben gewandck , noemt 
luwiaaria, dat is, lichten: want zulke mannen, voegt 'er Piërius by , deelachrigh 
zynde aen 't waerachtigh licht, zyn, de zielen, die zy onderwezen, uit de dui- 
fternifle der onkunde uitleidende, niet te onrecht Jichien genoemt. 

Dat voorts het beek naekt is, geeft te kennen, dat doorluchtige daden niet kun» 
nen bedekt zyn , maer zich naekt en bloot vertooncn voor elks oogen. 





Y komen hier tot een der fchrikbaerfte beelden , die 
een welvaerend menfch oit in den zin ontmoeten 
kunnen. Het is de Doot , door Kamillus [A] van Ferrara , 
een verftandig Schilder , gemaekt als eene foort van geraem- 
te , aen het welke alle de fpieren, zenuwen enz. doorge- 
Iheden zyn. De beeltenis is met een gouden geborduurden 
mantel bekleet , omdat de doot zoo wel den magtigen en ry- 

ken 

[A] De Schildery, die deze Kamillus van de doot gemaekt heeft, wordt door 
den Heer Zaunflifer een weinigje anders befchreven, dan ze hier voorkomt. Doch 
zyn Eerw. is bedrogen door de verkeerde vertaling, die Dirk Pieterz. Pers, gelyk 
overal , alzoo ook hier , heeft gemaekt van Cezare Ripa. Zoo als wy 't beek 
des doots hier opgeven , komt het volkomen met het , voornoemde Tafereel 
overeen. 



D o o T. 26ï 

ken hunne lieve panden, als den elendigcn en armen hunne 
fmarten , quy t maekr . Op 't voorhoofc heeft ze een mom- 
aengczicht van verfcheide verwen , dewyl de doot ieder 
menfch niet eveneens voorkomt, maer zeer verfcheiden. 
Hoor J. de Dekker eens in zynen Dooper. 

Die fchuUeloos de doot om moe ten gaet 
Treet haer gerv.fi. en cnverfchrokken tegen . 

Maer zoo de doot den fcknildigen ontmoet 
Slechts met den klank en fchadn-j!; haercr jlagen , 

Strax zal ze van zyn kaeken blos en bloct. 
En kouden fchrik door al zyn leden jagen. 

De boosbeit dracgt^ voor dootsgevaer bevrecjl , 
Een ziel vol angjldoor beigen, vier en baren; 

Maer deugde Jlreeft met onvervaerden geejiy 
De doot getrooji j door allerlei gevaren. 

Want fierven is van geen gevi-in ontbloot , 
't ïVelk het vernuft der boozen^ hoe bedreven, 

Geeufins begrjpt, en aller vroomen doot 
Verzelt en volgteen altyt zaligh leven. 

Dit onderfcheit is 'er in de doot, ten aenzien van vroomen en godtloozen; 
maer behalve dat, wort ze van verfcheide menfchcn verfcheidelyk aenge- 
merkt. Eenigen vlieden en fchroomen 'er voor, als iet dat hun ten aller- 
uiterften leelyk dunkt; anderen zouden haer wel van zelf in de armen loe- 
pen [B], en dat wel meelt om de verfchillende Fortuinen. Ja men zou, 
/. Deel. V V V niet 

[B] Zoo was zelfs de Iccre der Stoifche Filozofen , dat een wys man de doot fóm- 
tyts zelf mogt aenvaerdcn , dat hem zulks fbmtyts bctucmde , ja dat hy 't ook moeft 
doen. Namentlyk, zy rekenden onder de onverfchilligc zaken, gclyk herleven, alzo ook 
de doot: en dacrom wildtnze, dat men de doot kon acnncmen of niet aenncmcn, zoo 
als 't iemant beft gelegen quam : want wat onderfcheit is 'er, zegt Sencka, Epifl. 69. 
of de doot tot ons komt, dein ofivj tot haer gaen . Geloof z>dj}el)\, dat die gemeenefprenki 
der aller onkiindigjis menfchin valfch is j het is een goede z./tek^ z.yn eige doot te fierven . 
Dit hun gevoelen belderden zy op met deze gelykcniflè, dat het eveneens met het le- 
ven was geftek, als met een gaftmael of fpel: daer iemant van daen gatt, en uitfchiet, 
wanneer het hem begint te vervcelen . Want die , wanneer 't h'tn lufl , van een gaflmael 
mag opffaen, zegt Epikteet, (i) en uit het fpeelen feheiden -^ waerom doet die zich z.elven 
evgtmah^aen Tf.et langer te blyven? Daercnboven wilden zv niet, dat hun deze deur ' T^ 
om zoo te fprcekcn van vrjbert , die zy ten hoogden beminden, en als het einde en 
de vrugt der Wysi>eic reekenden, zoude worden toegellotcn: zoo dat hen iemant lan- 
ger als zy 't wilden dulden, tegen hunnen dank zoude kunnen quellen, pynigcn of 
befpottcn. Men moeft fterven, wilden zv, niet alken wanneer 't wclweezen van 't 
Vadcrlant of Vrienden zulks Ichcen te vereifchcn, maer ook in zwaerc ziels {irxitcn, 
lichameK ke ziektcns en quellingcn , laftigen ouderdom, armoede en andere oi)gem_ak- 
ken, die men niet Iclvecn te zullen kunnen te boven komen. Zoo 'er veele 7Kocielyk^ 
beden , die de genfiheit fiooren , voorkomen , zegt de zelve Sencka , Epifi. 70 , z.00 
laet een wys man z.ich z.elven \ji\t de deur des levens 1 ftit : en dit doet hy niet alleenlyk, 
in den niterfien noot : maer z.00 ras als hem de Fortuin i^egim verd.icht te z.yn. Ja wat meer 
is, zy wilden, dat een v/ys man fomtyts het leven mocftc verlaten, in 't midden van 
vooripoct en wclviuxntheit : in welke gevallen echter ^ zulks bepalen zy viy duifter en 

"^ verwarc 



26z D O O T. 

niet zonder reden, zeggen moogen, dat de gedachte Schilder haer wel 
zoo veele grynzen, indien 't mogelyk waere [Cj , had mogen geven, 
als 'er zinnen van menfchen zyn . 

De Schilder bckranfte ook haer hooft met eenen groenen lauwer [D^, 
om haere heerfchappy en eeuwige noodwet, over alle menfchen , te betoo-' 

nen 

verwart. Dog hoe verkcerdelyk en quaet zy in deze ftelHngen hebben gedwaelt, we^ 
ten die gene, dic in onzen waren Godtsdicnft zyn gegront .ja ook andere oude Filozofcn, 
verre zyndc van zulke fnode gevoelens, hebben betere gedachte gevoet: en zeer wel 
! '■ d Scn ^^^'^^ Pythagoras na 't gctuigenifle van Cicero geboden: (i) dat men z.onder hevel van 
ca'p. 19. ^7'''^'* Fehoverjlen^ dat is God, niet van de ti-'acht en pojl z.jns levens moet aftreken, 
Virgihus,delcer derStoyken ook veroordelende, verzicrt niet onatrdig, dat in de on- 
deraertiche gevveilcn , die gxne , die zich zelven hebben om 't leven gebracht , dacr 
(^[^"'^'''•van berouw hebben (2) : 



Lib. VI. T 
436 



Proxima deinde tenent mxsti loca, qui fibi lethun 
Infbntcs peperere manu , lucemque perofi 
Projceere animas , QLiam vellent Kthere in alto 
Nunc 6c paupericm , & duros perferre labores . 

Üat is naer Vondels vertaling. 

Hier naefl aen hehl^en veel bedrukten hun verblyf ^ 
Dit door hun eige ham de doot onnozel kpaz.en , 
£h, 't leven moe, hun ziel te brus}^ verreukeloozen: 
Helaes , hoe wenfcht men nu naer hoven toe te gaen , 
En zuur en arrebeit en armoede uit te fiaen! 

Zie het gevoelen der Stoyken breder voorgcftelt en zeer krachtig en geleerdclyk weder- 
legt door den voortrcfielyken Lipfius, Manud. ad Stoicam Philos, Lib. UI. differtt 
22. &. 2^. Voor 't laetft moeten wy hier dit nog byvocgen , dat de ouden de twe- 
dcrhande foort van doot , namentlyk , de natuurlyke , en de geweldige , of die iemant 
zich zelven aendoet, op een beeldenfprakige wyze aldus te kennen gaven: de natuur- 
lyke doot wicrt door hen verheelt door een vier, dat van zelfuitging;maer de geweldige 
/ iHietoel "'' ^'^^ '^^^'" ' '^^'- i'^"''^"'^ uitdoofde , en hier op meent Pierius , (3) dat ook ziet het groot ont- 
iib.XLVlzacbendie eerbiet der ouden voor het vier, zoo dat ze 't voor een gruwel hielden het zelve 
c. 6 &. 1 3 ten cnenmael uitte bluflchen , maer 't liever van zelfs allengskens lieten uitgaen : als of ze daer 
door op eenezinncbeeldifche wyze hadden willen te kennen geven, dat men 't leven en de 
ziel, die door 't vier verheelt wierden, niet met gewelt moeft dry ven uit het lichaem. 
\C\ Maer dat was onmoGjciyk : want Quot homines, tot fententi<e , zoo veel hoof- 
(4)Phorm. den, ZOO veel zinnen, zegt Terentius (4^. 

Act. iSc.4 j^D^ Pe vinding van den Schilder is goct: want de lauwerkrans was by de ouden 
*' *^' een teken van overwinning der vyanden : waerom 'er by de Romeinen de zegenpm- 
lende Vcltovcrftcns mede wierden vei-fiert, gelyk reets is aengetoont over 't fmnebeelt 
der Akademic bladz, 5*4. Anders zoude de doot niet qualyk voegen een krans van Ci- 
presloof, welke boom by de ouden, voor de deur geftelt zynde, een teken was, dat 
'er imant in dat huis was overleden; gelyk breder in de aenmerkingen over de Akade- 
(j) Sevcr. m'\c is acnge wezen Bladz. jö, en 5*7. Zoo verhaelt Spartianus (f) van den Keizer 
cap. 11. Scvcrus, dat hem op zekeren tyt een Moor, die onder zyne Soldaten was, met een 
krans van Ciprcfloof op het hooft tegenkomende, de Vorft beide die venvc en dien 
krans voor een quaet vooitekcn had gehouden, en koit daer na was geftoi-vcn . Ook 
zou men de doot gevoeglyk een pynkrans kunnen opzetten : vermits deze boom ook 
wort genomen voor een iinnebeelt van de doot, omdat hy eenmael afgehakt zynde wort 
gezcgt nooit weder uit te fpruiten : hoewel andere willen, dat het zoude zyn om de 
overgrote bitterheit van dien boom: nu wort bitterheit wel voor de doot genomen ^ 
en de doot zelfs bitter genocmt. Zie hier van breder fpreken onzen reets zoo menig- 
mael aengchaelden Piënus Hiero^l. Lib. ^z. cap. 11. 



D o o T. 253 

ïien. In de flinke hantmaelde hy een mes [E], dat met olyfrelgen om- 
Wonden was, dewyl men tot den vrede [F], en het gemak der werelt, 
niet geraken kan, ten zy men ook de doot nadere: ja de doot brengt 
door zich zelve vrede en ruft aen. 

Zy heeft eenen Pelgrimswandelftaf op haeren fchouder, behangen met 
kroonen, mytcrs, hoeden, boeken, muzyktiiig, riddcrketens, trourin- 
gen , edel gefteente [G] en allerhande blyktekens van werelrfche ver- 
makelykheden en geneugte, die natuur en kunÜ; ons verfchafl'en. De 
doet, nydig zynde over deze beide, gaet overal onruftigh zweven, om 
te rooven en tot haer te trekken, al wat men door naerftigheit en men- 

V V V 2 fchelyke 

[E] Niet qualyk wort het mes voor ccn teken van de doot genomen , en zulks 

na 'c voovbcclt der ouden. Alzoo vcrhack Elianus, (1) dut de VVyzcn der Perzen, [^|j^^"jj 
wanneer de Koning Artaxerxes was overleden, eu dcszclfs zoon Ochus in zyn plaets crl/i^. 
quam, iemant hadden beftclt, die de tafel tocgericht zyndc zoude opletten, 'acn wat 
zaken de nieuwe koning zync handen allereerft zoude llaen. Waer op bericht gekre- 
gen hebbende, dat hy acn de tafel gekomen zyndc terftont met zync rechte hand een 
mes, en met de andere een groot broot hadde aengcgrcpcn, en 't zelve in ftukkengc- 
fheden en met een ftuk vleefch gretig opgegeten , vooraeiden zy dacr uit twc dingen , 
namentlyk, dat \r geduurendc dcszclfs regeering ovcrvloet van koorngcwas zoude zyn, 
maer ook zync moorderyen menigvuldig: in welk laetfte altoos hy der zcl ver voorzeg- 
ging zoo vervult heeft, dat hy doorzyne wrcedheit den toenaem heeft gekregen van 't 
mes dï zjwaert , gelyk wy te vooren hebben verhaelt. Namentlyk allerlei geweer, 
't welk men pleegt te gebruiken om iemant te doden, knn ibxkkcn voor een zinnebeelr . 
des doots. Zoo hadden de Scythen, gelyk Pierius verhaelt, fi^ na de wyze der Egipte- ^^j ^ib! 
naren, van welke zoramigc Schryvcrs willen dat zy ook zouden onderwezen zyn, de x^LlI. caj«, 
gewoonte om door 't zwacrt de doot te betekenen, en als zy een zv/aeren eed deden, 67. 
te zweerenby hun zwacrt en byden wint: verftaende door 't eerfte leven en doot, als 
zynde bcquacm om iemant en te befchermen en van kant te helpen , en door 't laetfte 
de ziel, dat is, het leven: namentlyk omdat het leven zoo lang duurt, als wy den wint 
of lucht inademen. En van Kaligula verhaelt (3) Suetonius, dat men na zynedoot(5) Calig^ 
twc boekjes heeft gevonden, waerop met namen en tekens die gene ftonden gemerkt, "P* ■♦»• 
die hy ter doot hadde verordineeit; en wel zoo, dat het ccnc boekje voor een opfchritt 
voorde fonjaert; het andere degen: gevende de ponjaeit hcimelyken moort; de degen, 
openbaere doodtftraf te kennen . Ja de Bybcl Zelf gebraikt Ibmtyts ook diergclyke zin- 
nebeeldige fpreekwy zen : als by voorbeelt Ps* il. vs. 21. Reddet myne zjele van den 
zwaerde: daer onze geleerde kanttckenaers door verftaen, niet alleen, dezen fcherpen en 
bitteren flryt , dit vyant Ijkten dodelyk^gext/eh ^ dez.e wrede vervolginge en verwondinge ^ ja 
maer ook de doot z.elfs: gelyk zy vervolgens met andere bybelplaetfcn bewyzcn. 

[F] Waer van de Olyf by de oude een teken is geween: : gelyk breder zal verhan- 
delt worden over de agtftc zaligheit in ons derde deel , 

fG^ Alle mooie oplèhiklc-Is voor dat lelvke dier! hetwelk echter onze Schilder met 
alle die ficraden zal moeite hebben om iemant bchaeglyk te doen voorkomen . Wy 
ook geen kans ziende, om het daer toe te brengen, zullen 'er liever twe lelykc vogels 
met verlof van den Schilder byzctten: namentlyk de nachtraef ter eenre , enden nachtuil 
ter andre zydc, rechte vogels van haergezelfchap, en bootlchappers van hacrc vcrfchrik- 
kelyke komft . Wat den rachtuil belangt, hoe dat hy by de Egiptenacrs was een 
zinncbccit van de doot, en ook acn koning Pirrhus wort gezegt zyn acnftaende fne- 
ven te hebben voorbeduit, is reeds in 't Beelt van de Bygelovigheit aengewezen. En 
bctrcficndc de nachtrave f ook een foort van een nachtuil, njctokorax genoemt) de 
Egiptcnaren betekenden volgens Hoiois (4) daer door de doot, omdat, gelyk dczevo- {4) Hicr- 
gel 's nagts de jongen der kraejen fchielyk overvalt en opvreet, alzoo de doot de men- og'-l-ib.Iï 
ichen onvoorziens aengrypt en verflint. Wat voorts den Pelgrims ftaf belangt, die kan 
betekenen, dat ons leven en vcrblyf op de aerde onzeker is, en ook buiten ons rech- 
te vadcriant, gelyk de woning van een Pelgrim, (zie het beelt van de Baliingfchap) tot 
dat de doot de rechtveerdige derwaerts, namentlyk na den hemel, overbrengt, zyndc 
derzel ver ware vaderlant: gelyk ons de groote Apollcl Paulus leert //<r^. 11. w. 15. 
14 15-. 16. 



2^4 D o o T« 

fchelyke wysheit had bekomen. Men magh hier wel byvoegcn 't geen 
Vondel inzynen Solomon zeit. 

Helaes icv'^ is op wapens [lonty. 

Op yzer en op Jlael: 

Op kinderfpely en praél 
/-■'an pffiper , zilver en fyn gout ^ 
Bordmnfel, paerlen engejleent^ 

Maer laet ons voortgaen tot een tweede beek van de 



O O T, 

"^ 4 Et goeden overleg , gegront op het gezagh der H. 
xV_I.Schrift, zou icmant de doot kunnen afmalen naer 't 
gecnc in VlIÏ. hooiriluk van Amos Voorzeggingen gelezen 
wort. Godt, de door aen den Profeet willende vertoonen, 
vraegt hem; wat hy ^'ict . Anios antwoort; eenen horf met 
zoinervruchten. Andere verllaeii hier eenen Haek , waermede 
men het ooft van de hoornen rukt. Hoc liet zy, dit ver- 
beeldde de doot. Volgens die laetile lezing dan kan mende 
doot afbeelden niet alleen , gelyk veel geichict [x\] , met 
een zeiilèn in de eene, maer ook metdusdanigh eenen haek 
in de andere hant. 

Want gelyk dezeifTen gras, Hecht kruit en al wat dicht by de aerde 
groeit, waerdoor geringe en arme menfchen , die het grootftc getal nitma- 
ken, verftaen worden, affnytj alzoo dient de oofthaek om de fruiten, die 
aen hoge takken ftaen, en voor het plukken geveiligr fchynen, van boven 
neder te trekken: het welk ziet op de magtigen, ryken en zodanigen die 
in hoogheit geftelt zyn, en in alle voorfpoet dezer werelt leven. Zulk 
eene verbeelding geeft den aert der doot niet onaerdigh te kennen^ want 
zy is gewoon klein nocli groot, ryk noch arm, hoog noch lacg, of wat 
dies meer zy, te verfchoonen . Gepailelyk zingt Horatius hierover naer 

de 

[A] Wy bcrifpen de vinding \'an ccn Zeülcn te geven aen de doot niet, niser mer- 
ken ;illccnl)'k aen , dat dezelve \'an later f^è.z\\ is , xynde de zsiffen by de Ouden ge- 
wceil een zinncb;elt des tyts, die alle dingen rot hunne rypheic brengt, afihyt enweg- 
(i) Hiero 1 ^^cmt : en dacrop fchynt na Picrius gedachten (i) enigfins te zinfpeclcn de naem die 
Lib. XLil. de zeiflen by de Grieken diacgt, nnmentlyk l^i7Ta.i^y , drepanon \ welk afkomt van een 
cap. 74. ander Grieks woort S^Vj/v [drepein] dat is, afp/nkkfn, affnyden ^fTnaejen : en Piërius 
(i)Hierogl 1-necnt (i)dat Heziodus (3) door dit wooit o-fTra.aw (zeiflen) den oaf/r zelfs verftaet. Der- 
L. LVi.c.8 i^jiyj^ii hebben de Oud:n de Icillen niet qnalyk tocgelchreven aen Saturnus, 't zy om 
(5) InThc- (j.jt hy wiert gehouden voor den God des r\ts, die alles afmacjc (wacrom Makrobius (^4) 
T'' sVl ^ ook wil, dat hy by de Grieken de naem zonde hebben van x^iv©- [Chro?ws'] vcrlchil- 
cap T. " k-ntle maer een lettcije \'an x «ov^ [cronos] dat is , de tjt ) het zy , om dat hy voor de 
is) Microb uitvinder wort gehouden van den lantbouw (j) , van v-'elk ^ytrk het einde is 't koom 
Sat t.i:.io te raaeicn en in te zamelen: waerom de zelve Makrobius (6) wil, dat de Latyncn hem 
(ÉlFod.cio ^^^ naem van Saiumus zouden gegeven liebbcn a [atn , dat is, van 'c Saejen. 



D O O T. ^6s 

de vertaeling van den grooten Vondel: [ B] Z)e bleekt doot klopt zoowel 
aen der koningen hoven ^ als aen der armen hutten. Voeg 'er dit uit den zel- 
ven Lierdichter aen : [C] De felle Prozerpyn verfchoont memants hooft. 

[B] Lih, /. Od. 4 vers 15. 

Pallida mors Aquo pulfat pede pauperum tabernai, 
RegUmque turres. 

I [C] Lib. I. Od. 28 vers 19. 

Ntdlum 
Sava capHt Proferptn/i fugit. 



E 



DOOT. 

Ene oude blccke Vroii , [ A ] met geilote oogen , en 
in 't zwart geklcet : welke hoedanigheden haer de 
Poëten doorgaens toefchryven. ZieVirgilius, Lukretius en 
/. Veel. X X X andere. 

[ A ] Tc Diospolis in Egipte wierden in een zekeren tempel , gclyk Klemens de Alcx- 
andrincr ( i) getuigt, onder meer andere beelden gezien ook ccii beek van een jong (i) Strom. 
Kint en een van een out Man, het eerfte als een teken van de geboorte, en 't ander als ' • '^* 
een zinncbeelt van de doot : zoo dat de Vrou hier te recht als out wort vertoont . 
Want al is 't fchoon , dat de doot geen ondcrlcheit maekt tuflchcn jong nog out , nog- 
Dins is de ouderdom volgens den gewoonen loop der Natuure allcrnaeftaendedoot. Dat 
deze Vrou nu bleek wort verbcelt is eensdeels, omdat het bloet, in de oude jaren zo in 
menigte als in hitte verminderende, de wangen, die haere fchone kleur van 't bloet ont- 
fangen, nootzakelyk moeten bleek worden; anderdeels en wel voornamentlyk , om de 
uitwcrkmge van de doot, die de menleken bleek maekt, te kennen te geven: waerom 
de doot ook zelfs bleek genoemt woit . Maer laet ons dit lelyke wyf, dat tog haere 
zwarte klaeuwen, als 't onze tyt eens zal zyn, aen ons mede alflaen zal, ook handelen 
zoo als we maer kunnen. \'oor ecrft dan geef ik haer een fpinrok met woUe in de 
hant: dat is tog gereetfchap, dat een out wyf paft: laetfe fpinnen, hoewel ik wel te 
gcmoet zie, dat ze boosaerdig genoeg zal zyn om den draet geduurig af te breken. 
Maer 't moet nog al beter gaen : het weinige hair, dat ze op haer ouden bol heeft, moet 
geheel afgefneden worden , en dat nog wel wat harder zal nypen , de neus moet voor den 
kop heen. Met het gezeide fpingereetfchap hebben wy haer voorzien , omdat de Ouden 
door een fpinrok met wolle, dog zoo dat de draet afgebroken was, de doot hebben 
verheelt \ ziende op de fabel der drie fchikgodinncn , die ze verziert hebben , dat de 
eene, Clotho, de fpinrok vafthoudende ^ de tvrede , Lachefis , fpinnende; en de derde, 
Atropos , den draed affnydende , het wedervaren van alle menfchen van derzelver ge- 
boorte af, hun geheele leven door en tot hun doot toe bepacldcn : gelyk bekent is uit 
de Poëten. Het hair hebben wy haer afgefneden, omdat insgelyks de Dichters hebben 
verziert, dat een menfch niet eerder konde fterven, voordat hem het hair van 't hooft 
door Proferpina was afgefneden, om 't aen Pluto, aen wien het heilig wiert geagt, over 
te geven. Deze vcrzicring vint men by Virgilius, dacr hy (prekende van de harde 
doot van Dido, zegt, dat ze zoo bezwaerlyk aen haer einde kon komen, omdat Pro- 
ferpina haer het hooft-hair nog niet had afgefneden. Namentlykdie een natuurlykc doot 
of door verdiende ftraflè ftorven, fneet Proferpina , gaven ze voor , het hair terftont 
af, maer die de handen aen zich zclven floegen, holp ze zoo ras niet, op dat ze met 
de doot lang mogten worflelen . Daerom liet Juno uit mcdelyden het hair aen Di- 
do door Iris affnyden : het welke zoo ras gcfchiet was, ftorfzy terftont. Men hoore ^^^^^^^.^ 
Virgilius zelfs. ( 2 ) Lib.iy.vs! 

Turn Juno omnipotcns longum miferata dolorcm , 

Difiicilesque obitus, Irim demifit Olympo, 

Qiiaï 



566 D O O T. 

Qys: luftantem animam, nexosque refolveret artus. *' 

Nam quia ncc fato, mcvita iiec mortc peribat, 
Sed mifcra ante dicm, ilibitoquc accenla furore, 
Nondum illi flavum Profcrpina vertice crincm 
Abftulcrat, ftygioquc caput damnavcrat Orco. 
Ergo Jris croceis per caeliim rofcida pennis. 
Mille trahens varios adverlb Ible colorcs, 
Dcvolat, 6c fupra caput adftitit : hunc ego Diti 
Sacrum Jufla fero, teque ifto corpore folvo. 
Sic ait , & dextra crincm fecat. omnis £c una 
Dilapfus calor , atque in ventos vita rccelTit. 
Dat is naer Vondels vertaling . 

VroH Juno deerde dit verrvyUn van haer Jmerte , 
Zont Jris ^ om de kran\ie en %vorftelende z.tel 
Van 's lichaems taejen hant, die haer z.to l-ifiig ziel, 
In aller yl t ontflaen^ uit 's hemels troon heneden: 

Vl'ant Proferpjn heur hair nog niet had afgcfneden^ rf 

JSfoch 't hooft den jammerpoel van Plnto toerekent , ? 

Deu'ylz.e , onnoz,el en ontydig en gefchent , • 1;, 

Dhs deerlyk^door de torts van minne, die haer blaekte, 
£n 't hooft aen 't hollen brogt, aen haer e doot geraekte . 
De dauwende f lis dan , die met d' oranje fluim 
Wel duizent verven maelt , om hoog aen 't hemelfch ruim , 
Recht tegens over 't licht der z.onne , ejuam gegleden , 
En aen het hooft end van het bloedig bedt q^e treden^ 
Sprak^endelyk^: ik^wyde , uit lafl van 't hemel feh dah^ 
Dees haervlecht Pluto toe , ontjla u van het pal^ ' 

Des lichaems. hierop fneet zjy 't hair af, en met eenen 
Wert al het lichaem kput, en -warmte en geefi verdweenen. '^ 

Servius tekent aen, dat Virgilius dit ontleent heeft van Eripidcs, die hy zegt dat vaiï 
de llervcnde Alceftis veraiert , dat Mcrcurius was gezonden om haer het haer af te fny- 
den , omdat zy een vrywillige doot ftorf in plaets van haer man : hoewel Servius fchynt 
te willen, dat dit affnyden van 't hair, eer iemant konde llcrvcn, alleenlyk zoude no'* 
dig zyn gcweeft in die gene, die het in hun leven geheiligt hadden aen Pluto, waer- 
door zy meenden veilig te zyn tegen de rampen der foituine. De woorden echter van 
Charon by Eripides fchynen het tegendeel te kennen te geeven, namentlyk, dat het 
(i) Alceft. affnyden van 't hair aen de flervende in 't algemeen gelchicde: want (i^ 

Ad. I ,.;•,,■:/, ; 

"H S XI' yvv^ ndriifiv ïif aïss SoWïj-, 

Stei^w S'êV duTijv , üg nUTd^^cajAelt ^'^il. .^i 

Oi/'rx ró S'èyX©- K^ciTOf dyviaii T^i')(oi, 

Det.e Vrou dan, zegt hy, daelt neder naer de helfche woningen , en ik^gaenahaertoe, op\ 
dat ik^ze /lachte met het zjipaert : %vant hy is toegenydt aen de onderaerdfche Goden, al\ 
wiens hoofthair dit (lael z.al reinigen. In deofierhandcn der beeftcnwas het degev/ootv 
te, dat men de oflcrdiercn het hair voor den kop af fneet, eer men ze flagtte. Omdat nu 
een ftervent menfch enigfins als een flachtoffèr van Pluto bv de Heidenen kon acngc^- 
merkt worden :, gclyk ook de ftraksgemelde woorden van Charon te kennen geven, zol 
hebben ze niet qualyk , maer overeenkomende met de plechtigheden der off.rhanden 
verzonnen, dat Profcrpina, of Charon, of fbmtyts wel iemant anders uit lafl der go- 
den , de ftervende menfchen het hair afliicct. Ja dewyl Plato zegt , dat de menfch ge- 
lyk is aen een boom, alleenlyk met dat verfchil, dat de boom zync wortelen heeft ial 
de aerde, dog de menfch in de lucht, om dat de hoofthaircn eniglins de gedaente heb- 
ben van wortelen ; zoo kan het affnyden \an 't hair niet qualyk vergeleken worden by 
't afinydcn der wortelen van een boom waerna de boom nootzakelyk moet fterven. 
Maer wy vertragen , dunkt ons , ook al wat lang met het hair van dit Wyf af te fny- 
den, en deze doot alzoo doot te krygcn, Wy zyn ze echter nu mcefter, en Inyden 
haer den neus af, omdat , wanneer iemant ziek leggende zich verbeelde geen neus te 
hebben, de Oude Droomverklaerders zulks uitleiden als een zeker teken van zyne doot, 
omdat de neus het eerfte deel is, dat aen een doot hchacm vcrgact: gel)'k Piërius aen* 
vnakt Hierogl. Lib. X^XIII. cap. 27. 



D O O T. 



267 



Flakkus zegt , door zynen tolk Vondel, in het xxiv. Gezang van het 
■ I. boek [B] : Zal dan een eew^'ige pep Giumülms oogen haken ? Namentlyk, 
gelyk de flaep eene korte doot is [C] ,alzoo is de doet een lange flaep [D]. 
OokworcdedootindenBybeldikwylsmetdennacmvan flaep [E] benoemt.* 
De Ridder Hooft laet vrou Machtelt, in zynen Gerard van Velzen deze 
tael voeren : 

T>och is de doot^ de doot, een van de Z'-s;aerfte vloeken^ 
Te '■jaaert een gajl, om my verfoeide te bezoeken; 
Zoo zyt gy '■ji'elkom my in mynen hangen noodt, 
O zorgzachtende Jlaep , gy namaeg van de doot. 

i Ten befluite dezer fchrikbarendc beeltenis zal ik 'er nogh het volgende aen- 
'' laflen: Xxx 2 

L B ] Ergo Quinctilium pcrpetuus fopor 

U rgct ? 

[C] Dacrom wort de flaep gcnoemt een beek van de doot, by Nazo, ( i ) d) Amor. 

Lib. II. 

Infelix, tota quicunque quiefcere nofte El- 9- 

Suftinet , Sc fbmnos pixemia magiia vocat . 

Stulte, quid cft fomnus, gelidas nifi mortis imago? 

Longa quiefcendi tempora tata dabunt. 
Dat is: 

O ongeluhX'g menfch, dien V, al te vadzig, Ifffi, 

D.U hy den g/infchen nacht z.00 z.orgloos leit en rufi^ 

En durft den loggen jlaep als grote rykdom roemen. 

O z.ot , wat is de Jlaep ? indien m' Ijtter regt wil noemen , 
Zoo is z.e een beelt des doots . de doot , die niemant fpaert , 
Zal u een lange ruft heftellen onder d' aerd' . 

[ D 3 Zo noemt haer Hypermneflra by Horatius Lih. 5 Od. i i vs. 36. haer brui- 
degom waerfchouwende te vlieden voor het nakende gcvaèr . 



Dat is. 



Surge , ne longus tibi fomnus , unde 
Non times, dcttir. 



Stae op eer ü een lange flaep heel onverwacht ^ 

Van nvaer gy voor geen onheil vreeft ^ wert' toege^yagt'. 

Om de ovcreenkomft nu , die 'er tusfchen den flaep en de doot is , hebben de Poëten , 
als Homcrus, Hdlodus, Virgilius, Sencka en andere den flaep genoemt den broeder 
van de doot. En wanneer Gorgias de Leontincr nu out geworden , en in een ziekte 
geftoit zynde, allengskens in den flaep viel, en iemant van zyn vrienden hem komen- 
de bezoeken , hem vraegde , hoe hy al voer , anrwoorde hy ; de flaep begint my nu over 
te kveren aen zynen broeder : gelyk Elianus verhaelt Var. Hift. Lib. z cap. 55- over 
welke plaets men de Aentckeningcn van Scheficras breder kan nazien. Pauzanias (2) (i) Lib.V. 
fchr)'ft volgens de acnmerking van Lambinus over Horatius, (5) dat hy onder meer "P-^-S-A- 
andcrc beelden te Olympia ook gezien hadde een zeker vrouwenbeclt , houdende niet^^^^'^'j' ' 
hacre regte hant een wit kint, het welke flicp, en met hacre linke een zwait kint hctjj) Lib'r. 
welke fcheen te Jlapen : waervan het eene , gelyk de opfchriftcn van die beekjes uitwezen , od. 14. v $ 
was de doot, en 't andere de flaep, hebbende beide tot eene vocfl:er de Nacht, gelyk 
mede het onfchrift van dat beek aentoonde. 

(^ E 3 Matth 27 VS. 52 £n de graven wierden geopent , ende vele lichamen der Heiligen , 
die ontflapen nraren , wierden opgewekt. En by Johanncs ii. vers 11 zegt Jefus tot 
Zyne dilcipcl'^n : Laz.ariis onz.e vrient flaept : maer ik_ga henen om hem uit den flxep op 
te weckeen . Zyne difcipelen dan z.eideti , Heere , indien hy flaept , z.oq z.al hy gekout wor- 
den. Dog fefus hadde gefproken van zyne doot ; maer z.y meenden , dat hy [prak. van ds 
tufte des flueps. 



208 D O O T. 



D O O T. 

OP eene gevoeglyke manier zoude men de doot vertoó- ji 
nen kunnen met een bloot zwaert [A] indeeenehant, * 
en dat in een dreigende geftalte. In de andere mogt men 
haer eene viervlam geven ; om aen te vvyzen , dat ze het j 
ftcrflyke van het onrterflyke [B] wechnecmt, en alle vermo- 
gens der uiterlyke zinnen verteert; benemende de zelve hun- 
ne kracht, terwyl het lichaem een begin maekt, om in fto£ 
en afch te veranderen. ■ 

[A] Zie onze aenmcrking E over 't eerftc bccit der doot. 

[B] De mcnfchclyke natuur is volgens Adamantius zeer vciTnengt met loot, waer- 
door onze lichacmen bezwacit zyndc, na de acrdc hellen: daerenbovcn heeft ze ook 
nog andere metalen in zich , die 't roeften onderworpen zyn , en 't gout en zilver ver- 
vallchen. Gelyk nu dit gout en zilver van die quade ftoficn door het vier gcreinigt 
worden, alzoo wort daerdopr ook niet onaerdigh de fcheiding van de onfterflyke ziel 
en 't fterflyke lichaem, welke door de doot gelchict, te kennen gegeven. Daerheen 

» hebben ook de Poëten gewilt, wanneer zy willende Iccrcn, dat de deugt beloont wort, 

en de ziel van een vroom man na zyn doot ten hemel vaert, verzieren dat Herkules 
zich zei ven op den berg Oeta verbrandende, niet geheel verteert is, maer alleenlykhet 
llerflykc in hem gefcheiden van het onftei-flyke, het welk onbcfchadigt bleef, en ten 
hemel opvoer. Want zoo ipreekt Jupiter by Ovidius (i) tot de andere Goden ; 

(i) M«. Omnia qui vicit, vincct, quos ccrnitis, igncs: 

I-'t». IX. Nee nifi materna Vulcanum parte potcntcm 

^^* *^°' Sentiet. ^ternum eft, a me quod traxit, & expers 

Atque immune necis , nullaque domabile Hamma. 
^ Idque ego defunftum terra ca:lcftibus oris 

Accipiam , cunctisque meum Ixtabile fiiélum 

Dis fore confido. fi quis tarnen Hercule, fi quis 

Forte deo doliturus erii, data prceniia nolct, 

Sed meruiflè dari fciet, invitusquc probabit. 

Het wellc Vondel aldus heeft vertaelt. 

Hy z.00 braef in alle flrjden 
Zd by dit brandend vier geen fcha noch hinder lyden , 
En dit verflint niet meer door gloeiendige vlam 
Dan Jlegts het lichaem , dat van moeders zfde ^uam , 
Zyn vaders deel blyft vry van alle fierfljkheden. 
Het vier verflint dit niet; na 't affcheit van beneden 
Zal il^'t ont fangen in den hemel ^ en betreft^ 
Dat dit al 't godendom verheugt in ons aebou ; 
£n of hier iemant van den hemelraet wou kl^eiren 
Om 's htlts vergodendom , en door zjyn dwars mishaegen 
Dit Herkies weigerde door nyt en onbefcheit. 
Die weet' , i.yns ondanks, dat die loon hem is bereit 
Naer zjyn verdienjlen. 

Eln een weinig verder. 

Quodcunque fuit populabilc flammx, 
Mulcibcr abftulerat. 
Dat 16 volgens den zei ven veitaler. 

Het vier verteert al 't flerfelyhj 
* ^ietfihiet 'er over van Aleides dan 't vtrderfeljk: 

Zoo 



D o o T. 15^ 

Zoo tvillen de fabclfchryvers, dat Thctis, qualyk te vreden zynde, datzy door Jupitcr 
genootzackt was te trouwen acn Peleus , een lïerflyk mcnfcii , de zes ecrftc zoontjes 
die hy by haer teelde, in 't vier hadde geworpen, menende het fterfèlyke alzo te ver- 
branden, en het onfterfclykete behouden. Deze zes a'dus verteert zynde, poogde zy 
het zelve ook aen het zevende te doen: maer Peleus dat ziende, ontrukte hkr hctkint, 
en beftelde het aen Chiron ter opvoeding . Echter was de ene lip vm het jonTske reets 
verbrant: wacrom de vader hem den naem gaf van 'A^iAeuy [^^chileusl of^clyk het 
de latyncn uitfprekcn, ^c/p///« : het welke z-oader lip betekent, hebbende ook gedra- 

fen den naem van -uf 'V"? [ Pyrifoös ] dat is , behouden mt het vier. üezc fabel heb- 
en wy dacrom des te liever bygchaelt, opdat de Nederduitfche Lezers, die geen ge- 
meenfchap met Latynfche , veel min Griekfche Schry vers mogtcn hebben , echter ook 
dit van dien beroemden helt zouden weten. Men zie Tzctzes, Canterus, en Mcurfi- 
usovcr LykofronsCailandravers 178, en de verdere Schry vers , aldaer door deze geleer- 
de Mannen aengetrokktn . Hoe dat vorder ook in de heilige Schrift het vier wort ge- 
nomen voor T^itiverhige en vcrteeringe van 'tgeene quact is, en hoc Godt in dien op- 
zichte wort gezcgt te zyn een verteer ent vier ^ en dat 'er ftruomen vnn vier voor hem 
heen gaen , zie gcleerdelyk uitgelegt by Pierius in het dcrcigltc hooftftuk van het 46 
Bock zynerBceldcnfpraek: daer de lezer, behalven een gedeelte van 't reets gemelde, 
ook andere fraeie zaken tot zyn genoegen zal kunnen vinden . 

D O O T. [Overdenking der] 

E Ene VroLi met losgerukte hairen en in roiigewaet. Met 
den arm leunt ze op een grafgeboU:, en befchout met 
ernlt een dootshooft [A] , dat op den graflleen ftaet. Voor 
haere voeten heeft ze een lam [B] , dat zyn hooft om hoog 
heft , en het gegeten gras herkacut. 

[A^ De Egiptenaers hadden de gewoonte , dat , wanneer ze gaften hadden , en nu 
midden in de vreugt waren , dan een dootshooft te laten binnen brengen ; niet om de 
paften af te manen van overdadigheit , en te brengen tot een crnftige overweging des 
doots, maer veeleer om hen acn te zetten tot vrolykheit, of liever tot zuipen en zwel- 
gen j vermanende hen, dat ze, dewyl het menfchelyke leven zoo bros en onzeker was , 
zich wat wilden te goede doen, terwyl zy nog konden. Zoo ziet men, datby Petro- 
nius, caf. 54. op het gaftmacl van Trimalcio de figuur van diergelvk een hooft op tafel ge- 
worpen wordende, de ontlialer zyne gaften, op dat hooft wyzcndc, toeroept: 
Heu , heu , nos miferos , quam totus homuncio nil eft ! 
Sic erimus cun£ti, poftquam nos aufcret orcus. 
Ergo vivamus, dum licet eflè bene. 
Dat is : 

HeUes , hoe is de menfch geheel een enkel niet ! 
Zoo zjillen nve alle z.yn^ z.00 rafch het helfch gehiet 
Ons uegrtikt door de doot. Derhalven haet het treuren ^ 
En laet ons vroljl^ zjn , tem^yl 't ons mag gebeuren. 

Zoo een hooft hing men ook wel op aen den zolder van de eetzael : of inplaets van eer» 
recht dootshooft macktcnze wel een hooft of momaengezicht van zilver, of hout, of 
andere ftoffe, zodanig, dat het met leeden aen malkander gehcgt zynde, zeer acrdig- 
lyk konde worden bewogen, en zoo verandert, dat het veelerhande figuren verbeelde. 
Herodootw ' 
onder de ga 

de vermanii ^ ^ 

raemte . Zie de aentekeningcn der Geleerden over de aengehaelde plaets by Petronius. 
[B] 't Lam heeft alle ogenblikken de doot te vcrwagten, moetende altyt gereet 
ftaen voor de flagtbank . 

/. Deel Y y y DOOT- 




D o o T S L A G H. 




DOOTSLAGH. 



E En Man die zeer leelyk, gewapent, en met een' roden 
mantel bekleet is. Een tygerskop ftrekt zyn heimet. 
Hy ziet er bleek uit , en houdt in de flinke hant een afge- 
houwen menfchehooft by 't hair vaft. In zyne rechte heeft 

hy een bloot zwaert. 

De Dootllagh heeft een zeer leelyk gelaet, omdat hy niet alleen afgrys- 
lyk by de menfchen, maer ook fchriklyk voor Godt iSy die hem, onder 
andere dingen, fcherp verboden heeft, als zynde eene ondaet die Gode ten 
hoogden mishaegt [A]. Hy wilde dacrom dat de dootflager van het al- 
taer geweert zou worden. Zie Exod. XXI. Ge- 

\^A~\ Zoo waren zelfs de heidenen van gedachten: en daer ze anderfins veel aen de 
ofièrhanden , en voornamentlyk aen de reinigingen tocfchreven ( gclyk de Dichters 
verzieren, datOreftes van de bloetfchult, door 't vermoorden van zyn Moeder op hem 
leggende > en van de razernye, die hem daer door was overgekomen, is ontheft en ver- 
loil geworden, na dat hy zich volgens een antwoort van 't Orakel van ApoUo had af- 
gcwasfchen in een rievier, die zich met zeven ftromen vermengde, behalven meer ande- 
ren, die terilont zullen voorkomen.) Zoo hebben ze echter geoordeelt, dat van een 
moordfchult niemant zoo konde bevryc worden . Men hore Ovidius : Fafi. Lib. II. 
vers 3J. 

Omne nefas omnemque mali purgaraina cauflam 

Credebant noftri tollere pofle lènes . 
Gnecia principium moris fuit , illa nocentes 

Impia luftratos ponere fafta putat. 
Aótoridcn Peleus , ipfum quoque Pclea Phoci 

Caede per Hasmonias lol vit Acaftus aquas. 
Ve<^am fenatis per inane draconibus iEgeus 

Crcdulus immerita Phafida fovit ope, 
Amphiaraides Naupaéloo Acheloo, 

Solve nefas, dixit, fblvit Sc ille nefas. 
Ah nimium Faciles, qui triflia crimina ca;dis 

Fluminca tolli polTe putetis aqua ! 

Dac 



D o: o T S L A G H. 



271 



.Gewapent wort hy uitgebeek, omdat de dootflagh hem in ge vaer brengt 
' van wraeke, en hy zich deswege behoeft te wapenen. 

Het tygershooft beduit hier de felle wreetheit, die den menfch tot den 
dootflagh beweegt en aenhitfl. 

. De bleekheit [B] verheelt dcgramfchap; alsmede de vrees, die den 
dootflager tot bcrou en leetwezen perft. In Mozes eerfte boek wort ge- 
zeit, dat Kain, toen hy zynen broeder gedoot had, vluchtte; geheel be- 
; vreeft voor Godrs ftraffende rechtvaerdigheit, het geen Vondel Judas, tot 
zyne broeders, in Jozefs Treurfpel, dus lact nazeggen: 

't Zy verre, dat ik u of my by Kain zet. 

Die zich met Abels bloet zoo grwjvelyk befmet. 

Hoe dootfch zagh hy 'er uit! hoe 'öü er t zyn hart gegeten 

Van binnen i och, zynhair Qzoopymgt het geweten 

Deu broederjlagtigen) hing altyt nat van zweet. 

Hyvloodt, en waer hy vJoodt , hem dacht dat Abel kreet ; 

En Godts gerechte wr^ek den moor t zat of de hielen. 

Nu luft het ons een beek te befchouwen van het 

[ Dat is naei' de vcrtacling van Hoogvliet : 

Dus meenden de ouden , dat z.y Alle fchelmery , 

Zelfs de oorz.aek_ van het kji^aet, en d' allergrootfle z.onden 

A-fet deze reiniging weer fchoon uitiuijfchen konden. 

De Grieken leverden hun eerfi die plechtigheen : 

Die dagten dat z.j met dit reinigen alleen , 

Zich konden ZMivren, en hnnn gritweldaên bedek^n. 

Helt Peleus reinigde Patrokhts van zyn vle\^ni 

jik*ftt*s zjiiverde weer met Thejfulifch nat. 

Dien z.elfden Peleus, met zyn broeders bloet bejpat. 

JÜedea , door de lugt gevoert van felle draken , 

Liet z.ich door Egeus , dus van gr uw l en zjnver maVen. 

Wifch uit myn moortvlek zei ^Ikmeon onverfaegt. 

Tot AcheloMs, die z.yns 's meeders bloet afvaegt. 

Ach, ligtgeloovige , meent gy met waterflaffen 

"Uw yjlyke euveldaên uit uw gemoet te wajfchm ! 

\W\ Zie onze aenmerkingen over 't heelt der Boosheit: en van den rooden mantel, 
onze aenmerking F over de de Belediging, bladz. iio. over 't lelyk gelaet, onze aen- 
merking A over de Belediging, bladz. 108. 




y y y 2 DREI- 



271 



DREIGEMENT. 




DREIGEMENT. 

OM dit uit te drukken , verfchynt *er eene Vrou met den 
monc open, en die eenhulfel draegtdat naer een vrees- 
lyk monfter gelykt. Zy draegt een afchgraeu gewaet, door- 
mengt met roode en zwarte Itreepen. In de eenc hant heeft 
ze een' degen; in d' andere eenen ftok of knods, dien ze 
gereet houdt om te flaen. 

Het dreigen gefchiet om iemantfchrik en vrees aen te jagen. Voorts wort 
de vcrbaeftheit door vier zaeken verwekt , dat is door her hooft, door de 
kleeding, door het zwaert en door den flok. Zoo fpretkt 'er Eullathius 
van. 

Men maelt ze met ecnen open mont, om aen te wyzen, dat men in de 
drift der dreiginge fchreeut en de ftem verheft, her welk verfchnkking 
aenbrengt. En omdat de ftem door haer gekryt her bloet onrrorr, ziet 
men iet gruwzaems , ik weet niet wat, in haer gelaet. En gelyk de drei- 
gende ftem als een donderflagh in d'ooren is , zoo geven ook een lelyk we- 
zen en yslyk hulfel fchrik en fchreum van zich. 

Het afchgraeuwe kleet, zynde een mengfel van zwart en wit, dient hier 
om den nacht uit te beelden, niet wanneer hy zeer duifter is, maer 700 veel 
licht heeft, dat men flechts een weinigh zien kan , wanneer hy aüerbe- 
quaemft is om verfchrikkingh aen te brengen, omdat zich alsdan door 
de onzekerheit des lichts, veeltyts yslyke gedaentens [A] kunnen vertoo- 

nen, 

[A] Namentlyk dan hadden de fchimmetjes of zieltjes der verftorvene, volgens de 
Poëten, vryheit om zich op de aerdc te vertoonen, maer moeften, eer het licht wiL.Tt, 
weer vertrekken. Zoo zegt het zieltje van Anchifes tot Eneas, dien het s'nagts quam 
vermanen zyn reis voort te zetten na Italien, nu moetende weggaen, t^netd. Lik K 
w. 738, 

Jaraquc vale, torquet medios nox humida curfus. 

Et me fcevus equis Oricns afflavit anhelis. 

Dixem: &: tenues fugit ceu.fiimus in aurns. 'cWelk 



DREIGEMENT. 273 

i nen^ voornamcntlyk aen zwakke en bygelovige menfchen. De poëten 
j zeggen daerom, dat de hel vol duifter licht is, gelyk wanneer het fchyn- 
fel der maene noch niet doordringt en onzeker is: welke gelykenis 'er Vir- 
gilius [B] van maekt. 

De roode [C] en zwarte flreepen [D] op het gewaet, beduiden dat de 

! dreigementen ons fomtyts wonden, iomtyts de doot beloven. 

I Het zwaert en de ftok, drukken uit, welke foort van dreigementen men 

tegens kloekmoedige en brave vyanden, en welke men tegens knechts [E] 

/. Veel. Z z z eil 

't Welk Vondel aldus vcrtaclt : 

f^aeru'el , de midnacht dauwt, en is alree voorby'. 

De hatclyl^ dagh van 't Oofien ademt my 

Den ji'aejfem toe van V faert , dat hygende op komt fireven. 

Zoo fprak^hy , en verfloof^ als rook^in lucht verdreven. 

En 't fchimmetjc van Tirefias by Horatius, (i) eenigen tyt in gcfprck gewecll: zynde^jj^ib. II. 
metUlyllcs, breekt zyn reden af, zeggende, dat «^ir heerfchende Proferf ina hem belaft Sam. 5. 
/f >«^ te kpnien. Maer zie vooral Propertius Lib.. IF. El. 4. vs. 89. "'':• 

[B] iËneid. Lib. VI. vs. 268. 

Ibant oblcuri (bla fiib ncfle per ombras, 

Pcrquc domos Ditis vacuas, 6c inania rcgna. 

Quale per incertam Lunam ftib luce maligna 

Eli iter in Sylvis : ubi ccrlum condidit umbra 

Jupitcr, & rebus nox abllulit atra colorem. 

Dat is naer Vondels v^rtaeling : 

Zy gingen ongeu'is 
En eenz.aem in den nacht door Plutoos ydle fycken^ 
Door donkre fchaduwen , en onbewoonde wyken , 
Gelyk_ langs eenen wegh en fchcemerende baen > 
Die heenloopt door het bofch , by een betrocke maen ^ 
Wanneer Jupyn de lucht met [chadnw komt bedecken^ 
De bruine nacht doorgaens de dingen en de plecken , 
j4l even Z-wart verft. 

[C~\ Zie onze aenmcrking F. over de Belediging. Bladz. iio. 

[D] Zie boven het derde Beelt van de Doot. 

[ E ] Jefus Sirach Ecclcf! 55 vs. 24. Foor eenen ez.el behoort voeder , en een fioi^, 
en laft i voor eenen huisknecht fpys ^ en tucht ing en u/er k^. Daer ftaen tegen malkander 
voeder en fpys ; Lift en werkj^ flok^ en tuchting : zoo dat de ftok hier zeer wel voor een 
zinnebeelt van bedreiging omtrent kncgtcn kan worden gebruikt , vooral , wanneer de 
Iicdcndaegfchc gcwoontens worden ingezien . Maer mdien men de bedreiging der 
knechten uit de outheit wilde verbeelden , moeft men ons beelt liever een zweep m de 
hant geven : want daermede ftraften de ouden hunne flaven , dog vryc menfchen die 
ftraffe te willen acndoen , wiert gehouden voor verachtelyk , en ten eenenmael fmade- 
lyk. Zoo leeft men van Cyrus byjuftinus, Lib. I. cap. j". dat hy een jonge zynde 
en nog niet bekent voor gelprotcn uit koninglyken bloede rex inter ludentes forte dclcc- 
tus cjuum per lafciviam contumaces flagellis cecidijfet , a parentibus puerorum cjuerela. eft 
regi delata, indignantibus a fervo regio ingenuos homines fervilibus verberibus ajfeüos , 
onder de jongens , daer hy mee fpeelde , door 't lot tot koning zynde verkoren , en die 
gene, die hem niet wilden gehoorzamen met zweepflagen gekaftyt hebbende, derzel- 
ver ouders daer over hebben gaen klagen aen den koning, zynde zeer qualyk te vre- 
den, dat vrygebore kinderen door een flaef des konings met zweepfagen, die men aen 
flaven plagt te geven , waren bejegent. Zie de aentekeningen van Bongai-fius over die 
placts. Om deze reden wiert het te Rome voor een zeer quaet voorteken, en als een 

voor- 



274 D R E I G E M_E_ N T. 

en het gemeenevolk [F] moet gebruiken, dat is, zulken die geen befef 
hebben, van 't geene men eer noemt. j 

(i)Sueton. voorbeduiding van flaverny gehouden , dat Cicero (O gedroomt hebbende, dat hy eoi 
Aug.c.«i+. jonge met een goude keten zag neerlaten van den hemel, aen welken Jupiter, na dac 
die jonge aen de deur des Kapitolynfchen tempels was komen re ftaen, een zweep had- 
de in de hant gegeven , en des anderen daegs daerop CïEzar geleidende naer 't Kapitool , 
cn Auguftus, dien Ccezar derwaerts mede hadde genomen om te ofilren, onverwacht 
gezien hebbende, dien hy te voren nog niet hadde gekent, gezegt haddc, dac het die 
zelve was, wiens gedaente hy in den droom hadde gezien. Namentlyk die di-oom be- 
duide dan, dat Auguftus de viyhcit zoude met den voet treden , en de Romeinen tot 
flaverny brengen, waer van de zweep het teken was: want daer het, zoo lang devrv- 
heit nog ftont, niet geoorlofc was gewecft, een Roomfch burger zelft met roeden te 
gceflèlen , veel min met zweepen ; zoo zouden ze zekerlyk als flaven gehandclt wor- 
den , indien hunne ruggen nu niet meer vry waren van zweepflagen . Stokflagen by 
de Romeinen waren de ftraflè voornamentlyk van Soldaten, die fchandelyk waren ge- 
vlucht, of enig ander misdryf, tegen de krygstugt ftrydende, begaen hadden: en wel 
z,odanig , dat ze 'er veeltyds tot de doot toe mede wierden geftraft . Zoo vint men , dat 
'er zomtyts de tiende man van een gehcele meenigte op die wyze wierde gedoot , wor- 
dende daer toe het lot getrokken onder de misdadigen . Dit onderfchcit was 'a* 
nog, dat in zoo een geval de Soldaten, die Romeinen waren, wierden geftraft metftok- 
ken van wyngaertshout ; dog andere in Romeinfchen dicnft, met andere knuppels; 
wordende dit laetfte fchandelyker gerekent . Egter heeft de ftokftraf ook in andere 
misdaden placts gehad : en heeft niet altyt een halsrtraf gcweeft. Zie Kortius over Sal- 
luftius pag. 1006. en Boeclerus en Voflius over Vellcjus Paterculus Lib. II. cap. 78. 
nevens die gene, die gemelde geleerde mannen daer acnhalcn : vooral Lipfius de Mil. 
Rom. Lib. F. BiM. 18. In de aengehaelde placts uit Sirach, dat wy byna vergeten 
hadden te zeggen, ftaet eigentlyk ook z.u'efpjlagen in het Grieks, M«f'y£f, het welks 
onze Taelmannen hebben vertolkt tuchting. 

[F] De flaven by de Scy ten eens de wapenen opgevat hebbende tegen hunne Heeren, 
konden deze dezelve met oorlogen niet wel meefter worden : macr indachtig geworden 
zynde, dat ze niet met brave vyanden, maer met flaven te doen hadden, nemen ze 
roeden en zwepen met zich naer den ftryt, en die, als ze nu dicht by deze vyanden ge- 
komen waren, voor den dag halende en daer mede beginnende te dreigen, had zulks die 
uitwerking, dat zy die gene, die ze te voren met het ftacl niet hadden kunnen dwin- 
gen , nu met die enkele dreigementen op de vlucht kregen . Zoo verhaelt Juftinus de 
zaek in 't vyfde hooftftuk van zyn twede boek . 




DRIFT 




D R I F 



A Ë N V A L. 



E En Jongeling, ftouc en wreet van wezen. Hyftaetbyna 
naekt , en ichrap om zynen vyant met gewelt acn te 
randen. Men ziet hem eenen blooten degen om te quctfen 
gei'eet houden. Zyne oogen zyn bewonden , en hy heeft 
vleugels aen de fchouders. Ter zyde van hem ftaet een e- 
verzwyn , dat fchuimbekt , en tekens maekt alsof het ie- 
wilde aenvallen. 

Jong, byna naektj en voorts gel yk gezeit is, wort hy gemaelt , zynde 
by de jongkheit weinigh vrees, maer gerectheit en ftoutheit , om zich te- 
gcnselk, die haer wederftaet , met gewekte verzetten; daerom ftaet hy 
pal met zyn rapier in de hant. 

De oogen zyn hem geblint -, omdat een die zyne werken met gewelt en 
dolle drift uitvoeren wil, betoont, dat hy van 't licht des verftants berooft 
is, zynde het zelve een regel en rechtfnoer der menfchlyke handelingen. 

De vleugels verbeelden de groote vaerdigheit, die de ongeftuimejonge- 
ling met weinigh oordeel betracht, latende zich door zyne drift vervoeren. 

Het wilde verken wort by hem geftelt, omdat dit dier, door de gemee- 
ne toeftemming der poëten, voor een' geweldigen aenval in den ftryt wort 
genomen, gelyk men in Pièrius IX boek, kap. 19. zien kan. In Ariftofa- 
nesLiziftrata, zegt de Rei der vrouwen [A] : Ikz'xeere'xaerachtigh ^ indien 

Z z z 2 gy 

[A] Vs. 685. 

\vt:u> Tijv ifAotvTijf iv tyu Sf'. 

Deze Rei nu der vrouwen fchynt te zinfpelcn op het toen ter ty t bekende Iprcekwoort 
dv o^ihi, dat is^ Ijj, tergt een wilt zwyn ten (iryde i paflèndc op zoo icmant, die meteen 
ander krakkccl maekte die van zelfs dacr toe gereet genoeg was. Alzoo waren deze 
vrouwen ook, wilden ze zeggen, van zelfs vacrdig om haer gramfchap te tonen: men 
behoefde haer niet veel te tergen. De jagers verhalen van dit zwyn, dat, wanneer het 
door iemant met een gevelde fpriet getergt wort, het zelve, al is het een ander vervol- 
gende, zyn loop terftont keert, en op die gene los gaet, daer het van ten ftryde wort 
gctcrgr. Zie Erafmus Chil. 2. Cent. 7. ^d. 100. 



T. 



\ 



276 D R I F 

gy my heden tergt, zoo zal ik myn "jvilt verken (dat is gramfchap) tegens u los 
laten: namentlyk, gelyk men een' vinnigen hont loslaet om iemant aen te 
vallen. Ook ftaet 'er in het zelve fpel, hoe de rei der Lacedcmonifche 
vrouwen [B] Leonidas dreigt, dat ze hem zal aenvallen als een everziz-yn: 
want de genegentheit tot vechten is dit dier van natuure zoo eigen, dat » 

het, \ 

[B] Hoe wel het gene wyhicr zullen acntckenen, in zich zelft gering is, nogtans, , 
omdat deze placts klacrlyk zal acntonen , hoc zeer de zaken , door ': menigvuldig uit- 1 
fchryven van den enen Schry ver uit den anderen, dikwils van haer eeiilc gedacnte vcr- 
fchillen, en anders worden voorgefteld, als zy wacrlyk zyn, zullen wy hier ecndrie- 
derlci misflag aenwyzen, cerft van Piërius zelfs, daerop van Ripa, en dan vandeszelft 
vertaler Pers. Die van Piërius is zeer gering, bcftaende alleenlyk in een misflag der 
gchcugcnillë, dewyl hy zegt, dat by Ariiliofancs de Rei der Lacedemonifche man- 
nen (niet vrouwen) dreigt met Leonidas (niet op Leonidas) te zullen aenvallen als wil- 
de zwynen : daer dog by Ariftofanes dit niet gezegt wort door den gehelen Rei der La- 
ccdemonicrs, maer cnkelyk door een Lacedemonier geroemt, dat Leonidas met de La- 
ccdemoniers in den oologh tegen Xcrxcs op de Perfcn was aengevallen als wilde zwy- 
nen : niet dat zy met hem zouden aenvallen. Deze geringe raisilagen van Piërius heeft 
Ripa door wezentlyker fouten verergert, door Piërius dien hy hier, gelyk elders dik- 
wils, byna van wooit tot A^K)órt hem- Hitgefchrcven , qualvk teverftaen, of misfchicn 
ook door onachtzacmhcit : hoewel het ccrile ons waerfchvnlvkcr voorkomt, omdat wy 
ook elders door klare blyken hebben gemerkt, dat deze ïtaliacnfche Ridder geen .al te 
grondige kenniile van de Latynfche, en nogh veel minder van deGrickichc taele heeft 
gehad : met het welke aen te toonen wy ons nu niet langer zullen ophouden. Deze 
dan heeft van den Rei der Lacedcmonifche mannen by Piërius , gemaekt een Rei \:\n 
vrouwen, en zegt, niet met Piërius, dat dreigt met Leonidas, maer op Leonidas te 
bullen aenvallen. De goede Dirk Pieterfen Pers eindelyk heeft die fouten niet alleen- 
lyk behouden, maer ook vermeerdeit, noemende niet alleenlyk dit fpcl van Ariftofanes 
met den nacm van Liziftra in placts van Liziftrata, hetwelke gering is j maer ook dien 
dapperen en beroemden Leonidas, die dat machtig leger van Xerxes, alleenlyk met 
driehondcrt Lacedemoniers dorft weerftacn , in een vrouw herfcheppende. Welke on- 
kunde des te fchandelyker is , omdat de Hiflorie van dezen Leonidas niet alleenlyk uit 
Latynfche Schry vers, dieinonzeNederduitfche lale zyn overgezet, maerookuitNeder- 
lantlche Schry vers zelf , die ze in hunne fchriften hebben ingevocgt, ten eenenmael be- 
kent is. Wy hebben in de befchryving van ons beelt de fouten van Pers weggeno- 
men, maer die van Ripa, als deszelfs eerfle oprtcllcr, hier behouden; achtende het ge- 
noeg , dat de lezer daervan wierde gewaerfchout. Om echter niet genootzaekt te zyn 
hetzelve telkens te doen, hebben wy 't beter geacht op andere plaetzcn , zoo wel de 
misflagen van den eenen als van den anderen, altoos die van weinig belang, en wan- 
neer wy van der zelver zekerheit genoegfaem ovemiigt waren , meeftentyt maer ftil- 
zwygens te va-beteren. Daer wy dan van Pers, Ripa of Zaratino bevonden mogten 
worden te verfchillen, zulks gelieve de lezer vaft te ftellen, dat om gewichtige reden 

fcfchiet zy. Ondeituflchcn ziet men , dat zulke Veitaekrs zeer dikwils anderen , die 
un veilig meenen te kunnen volgen , fchandelyk misleiden ; hetwelke omtrent de zin- 
nebeelden van Ripa des te meer placts heeft, dewyl hy om de verfcheidenheit vanfrax 
zaleen, die 'er waerlyk in zyn, onder onze Nederlanders, m deszelfs vertaling veel is 
gelezen, en fommige fchryvers, die meeft al het hunne uit deze bron hebben gefchcpr, 
zoo wel zyn modder, als klaer water heeft doen indrinken. De placts nu van Arifio- 
fiines, V. 1 146. hier gemelt, is deze; of wy mogelyk een taelliundigen lezer acmroflën:., 

A' »iA(pi T»! yivjois d^fos tivvti , 






D R 



I 



T. 



177 



het, door de jagers aengerant, niet vluchten wil [C], maer van zelfden 

ftryt aenvangt, loopende met een felle drift op de jagtfprieten en andere 

I wapens zeer moedigh in. Hieruit is voorts het fpreekwoort, belangende 

' al te ftoute en fnelle vechters , gefproten [D], waervan men zegt, datzc 

door de punt der fpietfen tot ons loopen , gelyk het wilde zwyn. 

[C] Daerom vcrgelykt Homcrus dikwils zyne helden , die, fchoonvan vek befprongen , 
^ echter pal ftacn, by een wik zwyn: als Polipctes en Lconteus in 't 12 (i) en Ulif- I 
I fes in 't II Boek (z) van zyne Iliade : welke gelykcniflè Aridofimes ook heeft gehouden 
' aengaende Leonidas en de Spartanen: enVirgilius in 't 10 boek (3) van zyncnEneas aen- 
gaende Mezentius. Elianus fchryft in zyne boeken (4) van de Dieren , dat het zwyn , eer 
het op iemant acnvalt, zyne tanden gewoon is fchcrp te flypen op gladde ftcnen; enPli- 
nius wil (J), dat het zulks doet op ftenen en ook tegen bomen. Van het fcherpen dei- 
tanden tot den ibyt melden ook Homerus en Ariftohncs in de boven genoemde plact- 
ièn. Vooits fchryft Oppianus, gelyk Piërius aentekent, (6) dat de grainfchap en drift 
van 't zwyn onder 't vechten zoo groot is , dat het zelve op de jagt gevelt zynde zul- 
ke gloeiende tanden heeft, dat, wanneer men het beeft, terwyl het noch leit en fpar- 
tclt, enige borftcls uit den hals trekt en by de tanden hout, de zelve omkrullen als of 
ze gehouden wierden by gloeiende kolen: dog zoo men ze tegen die tanden aenlcgt, 
dat ze dan verzengen. Altoos indien de honden, zegthy, opdicntyt tegen des zwyns 
tanden acnkomen, zoo blyft hen altyt een kacle plek op de huit gebrant, als met een 
heet yzer. Hier by voegt Piërius nog uit Dcmokritus, dat de drift en aenval van het 
wilt zwyn gemakkelyk zoude kunnen vermyt worden met de fchaeren van een kreeft 
by zich te dragen: alzo Demokritus fchi-yft, dat, die met dit hulpmiddel voorzien zyn, 
nooit van een wilt zwyn worden acngevallen. Ik voor my, hoewel ik weet dat 'er 
wondere verborgenheden in de natuur zyn, zoude, met geen ander geweer voorzien 
Zynde, niet gacrn voor een gctergt zwyn ftaen. Luft het eenig jager de proef van dat 
middel te nemen, wy hebben 't hem hier opgegeven . 

[D] Op de zulke wort, voor zoo veel wy weten, dit fpreekwoort nooit tocgcpaft: 
maer wel op die gene, die in enig groot gevaer zyn. Erafmus haelt ook in zyne uit- 
leggingc der oude Spreekwoorden den oirfprongk van deze fpreuk af van geheel andere 
zaken: zie hem Chil. 5, Cent. i, Ad. 14. Men vintnog een ander fpreekwoort aengaen- 
de 't zwyn, mmcmlyk frs ful; f ufiem , dat is, 't verken loopt onder den fiol^: waerme- 
de wort te kennen gegeven, dat zich iemant in een zeer groot levens gevaer begeeft, 
om dat het by fbmmige de gewoonte was de varkens met flokken te doden : maer om- 
dat zulks fchynt te moeten verftaen worden van tamme varkens, zien wy niet, dat ook 
dit fpreekwooit hier kan te pas komen . Zie weder Erafmus Chil. z, Cent. 8, ad. 4. 



(l) VS. 14J 

(l) VS. 414 

(3) VS. 707 
f4)Lib. V. 
"p. 54. & 
Lib.Ylc.i 
(S) Lib. 

xviii.c.i 

(6)HierogI 
Lib. IX. 
cap. 19. 




/. Deel 



a. n 3i 



DROEF- 



278 



DROEFHEIT. 




D R 



DEze hartstogt wort verheelt als een halfnaekt Man , die 
aen handen en voeten gckluiftert , en omflingert is 
van eene (langv door welke hy zeer fel in de flinke zyde ge- 
beten wort. Het wezen ftaet hem duifter [A] en zwaermoe- 
digli. 

De 

[A] Hier by zoude men kunnen voegen gladde winkbraeuwen , eenbondekjeapium 
ofeppc, of van moftaertkruit, of een bounenftruik in zyn hant. Anders zoude men 
hem ook een neergebogen en bedekt hooft kunnen geven , en hem met de handen op 
zyn borft, armen of heupe kunnen doen flacn. De apium en boonenrtruik geeft de 
fchryver naderhant wel aen 't beek der Klachtej dogh onzes bedunkens, zouden ze hier 
beter voegen, dewyl zy wel een ftille droef heit, maer geen klachte kunnen verb:.-d- 
den : waeraen men dan liever het flaen op de borft, armen of hcupe zoude kunnen toe- 
fchryven , als behoorcnde tot het uiterlyke gebaer dat een klagende plagh te maken. 
Alle deze dingen dan betekenden by de Ouden in de beeldenfpratk , droef heit. Want 
wat vooreei-ft de gladde winkbraeuwen belangt , dezelve wierden gelooft, indien iemant 
droomde dat hy zulke winkbraeuwen hadde, naer de uitlegging der droomverklaer- 
ders, een voorbeduiding te zyn van droef heit, omdat de Ouden gewoon waren de 
winkbraeuwen in droef heit uit te plukken: gelyk Piërius fchryft, Hierogl. Lib. XIII. 
cap. 1 8. De cppe (want zoo vertaek men doorgaens 't Latynlchc apii^m , ook juffrou- 
merk^, en fomtyts pieterfely) wierdt by de Ouden voor heilig gcfchat aen de onderaerd- 
fche Goden , waerom 'er ook , naer 't verhael van Plutarchus , de graven der dooden 
mede wierden bekranft : gelyk ze ook in de ofterfpyzen der verftorvenen wierd ge- 
bruikt j om welke reden Chrifippus en Demokritus , volgens het fchry ven van Plini- 
us ("il, niet wilden dat men dit kruit onder de eetbaere fpyzen zoude plaets geven, ja 
zulks voor ongeoorloft hielden. Men was ook gewoon, eer men de lyken in de gra- 
ven leide , dezelve van onderen met eppe te beftrooijen , wacrvandaen 'er by de Grieken 
een fpreekwoort was, waermcde zy, wanneer iemant gevaerlyk ziek lagh, zeiden, dat 
, .-.• , zv hacft eppe zouden nodie; hebben: gelyk wv by Plutarchus (2) lezen: enopdekan- 
cap. 38. Sc "c" c" bekers die men op oude gratiteenen vindt uitgehouwen, ziet men ook veekyts 
Sympof. eppebladeren Verbeek, gelyk Piërius (3) aentckent : zoo dat het met recht voor een 
L. j. QiJ. droef kruit is gehouden. En in twee van die vemiaerde Prysfpelcn onder de Grieken, 
^ji Hier. jianicntlyk de Ifthmifche en Nemeè'fche, ingeftelt ter gedachteniflè van vei-ftorvene 
menfchen, wierden de ovei-winnaers bekranft met eppe, gelyk ons de zelve Piërius 

aen- 



(i) Hift. 
Nat. lib. 
XX. c. II 



Hier. 
Lib LH. 
cap, II. 



DROEFHEIT. 



279 



De ketens aen handen en voeten zyn tekens van het belemmert verflant, 

dker men anders alle werken mede overweegt, wieruitvoering een' rypen 

oterleg vandoen hebben. Daer men dan deze leden hier mede gebonden 

ï A a a a 2 ziet, 

aelitekcnc , en met hem Alexaiider ab Alcxandro Gen. Dier. Ltb. IL cap. 7. en Lil>. r, 
Citf. 8. en Pintarchus Sympof. Lib. F, Qu^fl. 5. Der hal ven wil ook Piè'iius (i), dat fi) Hit-r. 
de Ouden op hunne galbnalen, dacr ze allerki kruiden en bloemen in de kranilènvloch- Lil>. LH. 
ten, die ze dan op de hoofden zetten, zich altyt van de eppe zouden hebben onthou-'^^ï'' ^*' 
den. Echter is die geleerde Man in deze zvne mening bedrogen : want noclide Grie- 
ken, noch de Romanen, zyn nooit zoo afkecrig van dit kruit gewecft, of zv hebben 
'tin hunne kraniren, die ze op de drinkmalen op hunne hoofden zetten , wel gebruikt, 
gGlyk klacr blykt uit den Romeinfchen Lierdichter Horatius Lib. I. Od. ■>6. vs. 16. en 
Lib. IL Od. 7. VS. 24. en L\b. ir. Od. 11. vs. 5. en 't geen de zeer geleerde Torren- 
tius over de twee lactfte plactlln heeft aengetckent : het zy , dat ze zulks deedcn, opdat 
ze-daerdoor acn hunne rterflykhcit gedenkende, zich des te vrolykcr zouden maken, 
gelyk wy elders van het dootshooft by de Egiptenaren, hebben ge*zegt j het zy omdat 
de apium woit gezegt de dronkenfchap te wederftaen. Zie Torrcntius zclven. Aen- 
gaendc nu deze bygelovigheit omtrent dit kmit, verhaelt de evcngenoemdc Plutarchus, 
Ltb. L , dat Timolcon van Korinthen gezonden zynde naer Sicilien , om tegen de Kar- 
thagers te oorlogen ; wanneer hy nu niet verre van de v)'anden afwas, hem by ge- 
val cenigc muilezels met iipitim tegen quamcn; waerdoor wanneer de foldaten verfchnkt 
wierden, als welke het bovengemelde gebruik van dit kruit omtrent de graven weten- 
de, en het even vcrhaelde {pieekwoort kennende, zulks voor een ongelukkig voorte- 
ken hielden, zoo redde zich Timoleon uit die zvv'arighcit zeer vaerdig, zeggende, dat 
hen het geluk van zelfs al voor de overwinning, kranflen in de handt gaf, (want met 
zulke kranlTen wierden de overwinnaers in de Ifthmifchc fpelen by Korinthen eertyts 
verliert, gelyk reets gezegt is) en dat had zulk een uitwerking op de harten der krygs- 
lieden , dat zy vol moets geworden zynde , de vyandcn aenvielen en de overwinning 
behaelden. Maer laet ons komen tot het mofiaertkruit en den boonenftruik^ Het eci-fte 
is een vinding van den Spacnfchen Geneesheer Ludovikus Kafanova, verbeeldende de 
droef heit door een man die moftaertzaet kaeuwt , omdat zulks tranen , tekens van droef- 
heit, verwekt: waervandaen Ennius by Makrobius zegt, Satmu. Lib. FI. cap. j. 

Neque trifte quxritat finapi , neque cspc mceftum. 
Dat is : 
Jly zoekt nochte droevige mofiaert ^ nochte treurige uien. En zoo worden die gene, die 
een bovenmaten ftuur en droefgeeftigh gelaet toonen, gezegt by moftacrt te leven, als 
by Plautus Tracil. Aü. z.fc. 2. v. 6. 

Si Ecaftor hic homo finapi victitct, non cenfèam 

TiUïi eflê triftera poflè. 
Dat is : 
Voorvjaer , indien deze kflerel hy moflaert leefde , ik. geloof dat hy zoo fiuur niet zoude 
k^tnaen zjn. Zie de Aentekeningen van Hieronimus Kolumna over de nagelate ftuk- 
kcn van Ennius, bUAz. 297 , en Erasmus Chil. 4. Cent. y. Ad. 74. De boonenftruil^ 
In:bben wy 'er bygevoegt , omdat de boon bv de Romeinen wierd gehouden onder de 
zaken die de droef heit en rouw raekten, als op wiens bloem eenige letters gelooft wier- 
den te ftacn, die droef heit te kennen gaven, gelyk Piërius (2) uit Feftus Pompejusjfi) Hier. 
en Varro, aentckent. Daa-om was het den Priefter van Jupiter niet geoorloft niet al-^'''- ^^^• 
leen dezelve aen te raken, maer ook niet te noemen, als behoorende tot dedooden, en^^^pjj^^' 
in derzelver ofTi^rfpyze (3) gebruikt wordende. Altoos op het zielenfeeft, /.«'K«r;<ige-Lib.xvni 
naemt, dat den 9 Mcy wierdt gevicrt, wierden de geeften verzoent met boonen ; gelyk cap. n. 
te zien is by Ovidius, die 'er in het 5de boek van zyne Feeftdagen, vs. 435-. dit van (3) Pi'"- 



zegt 



Terque manus puras fontana proluit unda \ 

Vertitur, & nigras accipit ore fabas. 
Averfusque jacit : fed dum jacit, Hxc ego mitto; 

His, inquit, redimo meque meosque fabis. 
Hoc novies dicit, necrcfpicit, umbra putatur 

CoUigcre, 6c nuUo terga vidente fcqui. Dat 



28o D R o E F H E I T- 

ziet, zyn bitterheit en fmart, die hen beletten op hunne gewoonlyke wer- 
king acht te nemen, ten zy heel bezwaerlyk. 

Door 

Dat is , mer de vertaling van Am. Hoogvliet : ! 

Dan wafcht hy driemael^ in 't krifiAl van een fontein, 
Zyn handen j keert z.ig om , en neemt drie zjwarte boonen 
IJlt zjynen mond, en werpt, om zynenpligt te toonen^ 
Die over 't hooft , en z.eit : /j^ werp deez.e , en hevry 
jMet deez.e, my, en myn gejlagt van fpokery . 
Dit z.eit hy negenmael z.elfs z.onder om te kjkfn . 
Dan meent hy , dat de fioet der langbegrave lyken 
Die boonen opraept , en onz.igtbaer volgen komt . 

Waerotn de Heer Hoogvliet hier juifl: drie bonen neemt, welk getal in 't Latyn niet 
is uitgedrukt, weten wy niet. Men zoude eer mogen giflcn, dat 'er zeven zyn ge- 
wceft. altoos zoo veele wierden 'er op den laetften dag van een ander zielenfeell , dat 
geviert wiert in Februari , gebruikt in de Ofièrhande van de Zwyggodin , een van de ; 
onderacrdfche Nimfen , naer 't verhael van den zelfden Dichter in 't twede bock der ge- 
melde Feeftdagen : vers ^yi. . | 

Ultima placandis manibus illa dies . 
Ecce anus in mediis refidens annofa puellis , 

Sacra focit TacitïE : vix tarnen ipfa tacet . t 

Et digitis tria thura tribus fub limine ponit, 

Qiia brevis occultum mus fibi fecit iter , 
Tum cantata ligat cum fufco licia rhombo ; 

Et feptem nigras verfat m ore febas. 

Het welke de zelve Am . Hoogvliet dus heeft vertolkt .' 

Den lef en z.oendag xjt een oude kille bes , _ ! 

Jn 't gros der meifjes , om de fi'tlle Zwjggodes 

Haer ivierooV^te offren, daer z.y z.elfs nog naeuw k^nz.wygeH, 

Zy weet drie korlen, met drie vingeren, te krygen. 

En die te leggen by een kooltje, dat een muis 

ISlog kort te voren , had gegraven tot haer huis ,• 

Dan hajpelt z.y haer drom van 't rokj^n, vuil bevingert ^ 

Teruyl ze een zevental van zwarte boonen fingert 

Door haeren tovermmt. 

De bonen hebben zommige gemeent, dat in deze oflèrhanden gebruikt wierden, om- 
dat 'er bygclovigheit by de ouden was , dat de zielen der verftorvcnc in de bonen woonden ; 
en Diogcncs Laeitius (i) verhaelt ten dien opzichte van Pythagoras, (gelyk ook hier na 
Vlll.V^g in 't eei-ftc bcelt der Klagte wort bygebrachtj dat hy vervolgt wordende van die gene, 
die hem zochten te doden, nu met vlugtcn gekomen zynde aen een akker met bonen 
bezaeit, niet verder was gelopen , maer ftil bly ven ftacn , zeggende, dat hy zich liever liet 
vangen en dootflaen , dan dat hy de bonen , die hy hielt voor woonplactiên der zielen , zou- 
de vertreden : waerom ook fommige willen , dat hy 't eeten van bonen zoude hebben 
verboden. Zie vooral Erasmus Chil. i. Cent. i. l'ythagor& Sjmbolis: uit wien Piërius 
verfchcidc dingen getrokken heeft. En Mcnagius en Aldobrandinus, over Laè'itius 
Lib. mi, §. icf &. 24 &. 34. Dog lact ons overgaen tot het bedekte hoott. Dat 
was by de Ooftcrfche volkeren een blyk van drotfheit, gelyk men uit vcrfcheide plaet- 
fèn van den Bybel kan zien : als Eflher 6. vs. 12. Daerna keerde Mordechai weder tot 
de poort e des konings , maer Haman wiert voortgedreven na zyn huis, treurig ende metbe- 
dekten hoofde. En 2 Sam. 15. vers ^o. Ende David ging op door den opgang der oly- 

ven 



i 



DR O E F H E I T. 28 



Door de flang, die zich met verfcheide bogten om het beek krino-kelt, 
;\vort hier, gelyk ook van outs doorgaens , in 't gemeen quaer aengeduit 
i[B] ; en het qiiaet is omtrent ons de oorzaek van verwoefting, en het be- 
ginfel der droef heit. 

De Bybel vertoont dikwyis de flang in plaets van den Duivel zelven: en 
in de uitlegging van Hieronimus en Cyprianus, over de bede Ferlos ons 
van den boozeit , bewyzen de genoemde Outvaders, dat de Sathan ons al- 
lergrootilequaetis, als zynde de oorzaek van alle onvolmacktheit, zoo 
naer den in- als uitwendigen menfch. 

ven, opgaende ende weenende, ende het hooft was hem bewonden ^ ende hj z^elfs (riru kir- 
voets: ook^hAddcn al het volJ^, dat met hem ivas , een iegelyk^z.yn hooft bedekt , ende (din- 
gen op, opgaende ende weenende . En cap. 19 vs. 4. De Koning nu hadde z.yn aengez.tg- 
te toegewonden , ende de Koning riep met luider ftemme : myn t.one yibfilom, Abfilom myn 
z,one, myn zone! Ja ook wort Fcbus by Ovidius vemerc (i) zvn acngezicht uit rouw (O Mcr. 
over Faëthons doot te hebben bedekt : ' Lib. ll. 

Nam pater obduclos luctu milerabilis cegro ^^" ^*9' 

Condiderat vultus : 
Dat is : De vader Fehus deh^t vah tok het aengez.icht 

Af et eenen [luier . 
Maer ook een neei-gebogen hooft gaf droefheit te kennen. ^ef^S.v.^. Zoude het zulk een 
-vaften z.yn, d.it ikverktezen z.oude , dat de menfche zyne ziele eenen dagh quclle ? dat hy zyn hooft 
kromme gelyk^een bieze , ende eenen zak^ en ajfche onder zig fpreide ; zoudt gy dat een vafteti 
heeten, ende eenen dag den Heere aengenaem f En Klaegl. 2. vs, 10. De ottdfle der doater Zions 
zitten op der aerde , zy zwygen fiille , zy 7i'erpen Jiof op haer hooft, zy hebben zakj^naen- 
gegort : de jonge dogters van Jerufalem laten haer hooft ter aerde hangen. Van den Zak en 
aflche hebben wy iets gezegt over het twcde beek van 't Berou Aenm, A. bladz. 117. 
gelyk mede van het flaen op de boril: en amien, over 'tvyfdebcelt van 't Berou Aenm. 
B. Bladz. 110. Hier hebben wy 'er bvgevoegt het flaen op de heup: het welke in 
droefheit gcbmikelyk was, niet alleen by de Joden, als ferem. 51. vs. 19. Ze- 
ksrlyk^ na dat tk^ bekeert ben , heb ik^ beroutf gehadt , en na dat ik, my zelven ben bekent 
«emaekt, heb tk,op de het-'pe gekjopt : ik ben befchaemd , ja ook^fchaemroot gezt/orden , om 
dat ik^de fmaetheit myner jeugt gedragen hebbe . Maer ook by de Heidenen : alshy Ovi- 
dius, dacr hy fpreekt van Vrouwen in bomen verandert, en daer over rouwe bedry- 
vende: Met. Lib. XI. vs. 81. 

Et conata femur raoercnti plangcre dcxtra 

Robora Percuflit . 
Dat Vondel aldus overzet : 

Zy pogen met de ham de heup , dan och ! verloren , 

In haeren noot te Jlaen , en treffen niet dan hout . 
[^B] Of, dat de droefheit het harte doorknaegt, gelyk een wonn en flangcn. 7V/- 
flitia , zegt Chrizoftomus , (2) ammarum crudele , tormentum efi , dolor ejuidam inexplica- 
btlis , CS" judicium omni judtcio vindiflatjue deterius . Nam vermi e/} f milis venenato, (1) Ep, g. 
mn folummodo carnem, fed er animam ipfam perimens , & tinea non folum adojfa, fed ailOlymp. 
ad corda pertingens , & perpetnus quidam carntfex , non animam folum dilacerans , fed cr 
vires anim£ confumens, er jugis no.v , ac tenebra profund£ , & tempefias , & turbo, febris 
«on /ipparens , omne validiits incendens , & pugna requiem non habens . dat is : De droef- 
heit is een wrede pyniging der zielen , een zekere onoverkomelyke fmerte , en een oor- 
deel, dat nimmer is dan alle oordeel en wraek . Wantzy is gelyk een vergiftige worm , 
die niet allcenlyk het vleefch, maer ook de ziele zelf doot, en een mot, die niet alleen- 
lyk tot de beenderen, maer ook tot de haren toe doorvreet j een geduurigc beul, die 
niet alleen de ziel verfcheuit , maer ook de krachten der ziele verteert , en een eeuwige 
nacht, en diepe duifterniflè, en een onweer, en een ftorm, een vcrborge koorts , 
fterker brand verwekkende dan allei-lei vier, en een gevcgr dat geen eiixle heeft. Tot 
dus ven-e Chrizoftomus. Om deze uitwerkingen nu der droefheit hebben de oude Poë- 
ten de Helfche Furiën, fh-afllers der fchen3aden, gewapent met flangen, daer door 
niet anders te verftaen gevende, dan dat de droefheit, verwekt door de beten der conl^ 
cientie, de harten der fchuldigen even eens doorknaegt, als de felle beten der vergifti- 
ge flangen. En daerom wort de flang hier ook zeer wel in de linke zyde van ons 
Deelt bytende vertoont, als zynde de plaets, daer 't hart leit. 

/. Ved. B b b b DROEF- 




DROEPHEIT. 

ZEuxis maelde de droef heit als een treurigh en bleek Man, 
in 't zwart gekleet. Hy gaf hem in de hanc een uitge- 
blufchte fakkel, die nogh een weinigh rookte. 

De tekens der droef heit worden in de gefteltenis des gelaets, als in ee- 
ne toonplaets der ziele [A] , ontdekt. Op die markt brengt zy , naer het 
zeggen van zeker poëet, haere waeren te voorfchyn j beftaende in rim- 
pels, tranen, neérflachtigheit, bleekheit, enz. 

Be- 



(1) Hift. 
Nat. Lib. 
Xl.c.37. 



(i) Hier. 
Lib. I. 



[A] Daerom zyn by zommige de ogen genoemt een deure des gEmocts, en bode 
des harten, gelyk wy boven over 't eerftc beek des Arbeits 5/<ï<^^. jT^.Aenm. D. hebben 
acngewezen . Neque ulla ex parte, zegt PHnius, (i) majora an'im'i indicia cunctis ani- 
malihus, fed homini maxime, id ejl , moderationis , clement i<£ , mifericordia , odii , amoris 
trifiiti£ , UtitU . dat is : En in geen een deel des Hchaems hebben alle de dieren gro- 
ter kentekens van hunne gemoetsgefteltheit , dan in de ogen, maer allcnneeft de 
menfch , dat is van bczadigtheit , goedertierenhcit , medcdogentheit , haet , liefde , droef- 
heit , blydfchap . En een weinigje verder voegt hy 'er by , ProfeBo in oculis animut 
inki^itat , dat is , voorwaer in de ogen woont het gemoet . De reden daer van is , om 
dat wy met het gemoet ( gelyk de zelfde Plinius vorder zegt ) zien en bcfchouwen .- en 
de oogen deszelts ziende gedeelte, even als zekere vaten, ontfangsn en laten doorlopen: 
uinimo videmus , animo cernimus : oculi , feu v^fa cjundam , "vijibilem ejus fartem accipi- 
xnt, atcjHe transmittunt . Het welke op dat men 't nog te klaerdcr mag begiypen, 
ftelt hy tot bewys van 't gezegde, dat een diepe gedachte den menfch verblint, zynde 
't gezicht binnenwaerts ingetrokken : dat ook zoo in de vallende ziekte opene ogen niets 
zien , het gemoet vcrduiftert zyndc : ja dat alzo ook de haezen , en veele menichcn met 
opene ogen flapen, daer ze echter dan niets zien, A^agna cogitatio obcAcat , tibdnüo in- 
tut vifu . Siti morbo comcali apert inthil c er nunt animo taligante Quin & patent ibus dor- 
dormiunt leporis multicjue hominum . De Egiptenaers, menfchen, die in hunne Beel- 
denfprack zeer op de geheimeniflen en eigenfchappen der natuur hebben gezien , mael- 
den daerom , wanneer zy de fpraek wilden verbeelden , een tong en een oog van onder 
met bloet belopen . Waer van Horus Apollo deze reden geeft (z) : omdat z.y zegt hy , het 
voornaemfie en eer fl e weri^hi de fpraek^ toefchreven aen de tong, en het twede aen de 
oogen : en om dat de redenen des gemoets [[welks gefteltheit blyktuit de ogen ^ danvol- 
maektelyk^ beft aen , als z.y naer defzelfs beu'egingen worden gefihikt en verandert : voorna- 
mentljk.y omdat hy dg Egiptenaren het gemoet een twede Jpraek, wort genoemt . 

Door 



D R o E F H E I T. 283 

I f Belangende het zwarte gewaet , dat verheelt doorgaens fmart en droef- 
• heit [B] , dewyl die verf de duifternis gelykt [C] : en de donkerheit is ee- ' 
I B b b b 2 ne 

Door het bloet, waer mede het oog belopen was, gaven zy, volgens de uitlegging van 
Piërius Valcnanus (i) , te kennen de kracht van een wclgclchikte reden, ofte de heer- (O Hier. 
fchappy des gemocts ofte der ziele, wiens verblyfplacts wort gczcgt in 't bloedt tczyh.'-^^'^^"ï 
Ten opzichte van de kracht der ogen omtrent de ontdekking des gemocts iluiten wy ''''^" '" 
iiTiet deze plaetsvan Quintiliaen: (z) In ipfi vrdtn flurimum, valem omli, per jfios maxr (^^ lufti^ 
\me animus emanat, ut cttra motitm cjmque & hUaritate enhefcant & tri(Htia cjuoddam Orat. Lib 
\nubiltim ducant ^ &c. dat is, in "'t gelast z.etf zyn de oogen van z.eer veel vermogen, ^/j-'I. cap.3. * 
' door welke het gemoet voornam entlyk_als uitfypelt , z.00 dat ae z.elfs z.onder beweeainir hel- 
der blinken in blydfchap, en donker betreten in droef heit , enz^. 

[B] Zulks is al van outs afin gebruik geweeft, gelyk wy boven hebben aengcwe- 
zen, bUdz.. 120. aenmerking A. Servius wil , dat die gewoonte allercerft van de Egip- 
^ tcnaren zoude zyn uitgevonden , wanneer zyBacchus, den welken zy üfir'.s noemen, 
j door zyn broeder Tytbn gcdoot, in zwart gewaet betreurden , en dat ze dacrvandaen 
zoude overgcgacn zyn tot andere volkeren. By de Romeinen onder de Keizers hcb- 
: ben de vrouwen wkte klederen in rouw gedragen , de mannen 't zwart bchoudcndej 
waervan de reden ondcrzogt wort by Plutarchus Quxjl. Rom. 26. Witte klede- 
ren in rouw waren ook in gebruik te Argi : gelyk Plutarchus ook aentckent. Zie Pi- 
, tifci Lexic. Antiq. p. 105-9. Dogh van 't rouwgewaet der Ouden zullen wy elders 
j meer zeggen. 

j [C] Daerom droeg ook de Priefter van Pluto, als de God der duifterniflc, een 
I zwarten hoet of muts , en die hem oficrhandc wilden doen , trokken zwarte klederen 
acn. Altoos zoo tekent Picrius aen , Hterogl. Lib. IV. cap. ^o , van den Flamen Fala- 
cralis, dien hy voor den Priefter van Pluto houdt ; waertoe, hoewel wy niet twyffc- 
Icn, of die zeer geleerde man zal bewys hebben gehad uit oude Schryvers, zoo fcha- 
nien wy ons echter niet onze onkunde hierin te bekennen , als vindende zulks ingeenc 
oude Schryvers. Ja ook Varro zelfs zegt (5) dat de oodprongk van den naem van Fla- {i]DcL.L. 
men Falacer (want zoo noemt hy hem; niet Flamen FaUcralis met Picrius^ duifter is,'- VI. §. 3. 
en geeft 'er ons geen andere opening van, dan dat (4) Flamen Falacer ft a Divo Patre^/'^^^'^' 
Falacre, dat is, de naem van Flamen Falacer komt van den heiligen Vader Falacer. ^ * ' 
Maerookzieikdat Gyraldus (5") bekent , niet te weten hoedanig een Godt deze geweeft (j)DeDiss 
zy ; wederleggende tegelyk Alexander ab Alcxandro, die 'er den Godt van 't Ooft (6)Syntig. i. 
af maekt. Panvinus (7) bekent ook niets verders, dan hier gefteltis, van dien GodtteP^o„*°'.^" 
hebben kunnen ontdekken. Turnebus (8) heeft 'er wel iets meer van, doeh zulks p/g^. "^Lj^b' 
beftaet enkelyk in giftïngen, en behelft daerenboven niets, dat hier eenig licht kan by-yi. óp li 
brengen. Zulke rondborftige bekcnteniflcn van deze treflèlyke mannen behagen ons(7)DeCivit. 
beter, dan de ontveinzingen van veele, die zich tegcnwoordigh met het fchryven van^°'"- '^ 
boeken of aenmerkingen over Oudheden bezig houdende, zulke plaetfen ovcrllaen daer ^V ^j^^^.^ 
eenige moeilykheit in fteekt, en die zy niet willen bekennen niet te verftacn. Daer is Lib. VI. 
echter iets dat hen verontfchuldigt , namentlyk, indien zy hunne onkunde bekennen, cap. 5. 
en andere by geval de zaek eens beter weten , zoo zal men tcrftont die gene die zyne 
Zwakheit bekent heeft , als een groote weetniet zodanigh hekelen en roskammen dat 'er vel en 
vleefch aen blyft zitten ; daer 't nochtans zeer licht gebeuren kan , dat 'er acn iemant , 
die inderdaet veel weet, echter eenige zaek in de oudtheit onbckcnt of ontfchoten is, 
die een ander, veel minder in zaken bedreven, licht fchynt en klaer is. Die manier 
van doen is zeer quaet, en dikwyls oorzaek, dat, terwyl nicmant zyn onkunde durft 
bekennen, en de een den anderen dacrin navolgt, veele zaken niet onderzogt worden 
en onbekent blyven, die anders miflchien openbaer zouden zyn geworden. Gelyk ik 
nu die manier van doen altyt gehaet hebbe, alzoo zal ik ook niet fchroomen myne on- 
kunde overal daer my een zaek onbekent of duifter is, in deze aenmerkingen opentlyk 
te bclyden , en daer my of de Schryver , of ook Piërius fchynen te miflen , zoo 't za- 
ken van belang zyn, vrymoediglyk aen te toonen, gelyk wy reets al eenige reizen ge- 
daen hebben, en hier tegenwoordig noghdocn, hoewel wy deze placts van Piërius 
gemakkelyk onaengcroert hadden kunnen voorbygaen. Maer wy laten die lage gec?- 
ften, die door anderen als weetnieten uit te maken, zich zelven trachten te verheffen, 
het vcrmaek zeer gaern over, om met ons te doen wat zy. willen. Taft nu toe, heke- 
laers, hier hcbje vryheit. Dogh wy keeren weder tot de zwarte kleur acn Pluto hci- 
... ligh. 






a84 D R O E F H E I T. 

ne ontbeering van het licht, dat anders een oorzaek onzer vrolykheit [D] 
■ is, gelyk de blinde Tobias zeide, daer hy zyn ongeluk zynen zoone be- 
kent maekt. 

De uitgeblufchte fakkel beduit , dat de ziel (naer 't gevoelen fommiger 
Filozoofen} niets anders is dan een vier [E], 't welk doorgediiurigemoei- 
lykheit en verdriet of wort uitgeblufcht, of zoo veel lichts niet geeft, dat 

ze 

, . jp . , ligh. Om die reden wierden hem , nevens andere onderaerdfche Goden en de fchim- 
Lib. Y.^' ■ men der verftorvenen , ook zwarte heeften gcoflcrt, gclykServiusovcrVirgilius(i)aen- 
vs. '97. tekent, dacrden anderenGoden veeltyts witte llagibccftcn (2) geoflcrt wierden : gelyk 
(1) Virgil. ook de offcracrs zelfs doorgacns witte klederen aen hadden, als te zien is uit onze acn- 
J£ne\d. merking F over de Gcrechtigheit : waer by men nu ook kan voegen 't geen Alexander 
!••» jiJ^' ab Alexandro Gen. Dier. Lib . Ir cap. ij. en over hem andreas Tiraquellus, hebben 
' ' ' acngctckent . Zoo wierd het verfchynen \an een zwarte gedaente of Ipooklèl gehou- 
. , den voor een dodelyk voorbeduitfèl , gelyk te zien is uit het geene door Valerius Maxi- , 
cap. 7.' Ex ™"^ ^3^ ^^" eencn Caffius, en door Florus (4) van Brutus wort verhaelt : en insgelyks j- 
K ■;■. ' hebben wy uit Spartianus boven over het heelt des Doots na de bcfchryving van Kamil- 
UlLiblV. lus aengctekent, dat het ontmoeten van een Moor wiert gelooft hem de doot te heb- i 
cap.7.§.8 ben voor(peltzoo om den krans van Cipres, die hy op zyn hooft had , als om zynzwar- ' 
te verf : en op de zelve wys voorfpelde ook de ontmoeting van een Moriaen het verlies 1 
van den\''cltflag aen Caffius en Brutus, en aen den cerftcn ook de doot, wanneer zy 
nu gereet ftondcn om met Antonius en Cezar Oktavianus te flaen , naer 't verhael van den 
(j) Ibid. 2elven Florus: (j) en dat Pompejus op den dag, dat hy met Julius Cezar ftont te vech- 
ten, met een zwart kleet in 't hooftquartier gezien wiert, gaf ook een gewifle neder- 
laeg te kennen . Zie wederom Florus Lié>. ir. cap. 7. §. 45". en aldaer ae aentekenin- 
gen van Freinshemius en Grevius . Cicero befchuldigt ook Vatinius zeer dat hy op de 
maeltyt van Arrius was gekomen met een zwart gewaet, even als een zware mis- 
daet, en veel quacts voorfpcl lende. Zie den evengcmelden Alexander ah Akxandro 
Gen. Dier. Lib. F. cap. 22 met de aentekcningen van Tiraquellus . Ja de Ichrik voor 
deze kleur ging zoo verre by de bygelovigen , dat ze 't voor een voorlpelling van iets 
quacts hielden, als een andermans hont, die zwart was, in 't huis quam lopen; gelyk 
blykt uit Terentius Phorm. Aci. 4 fc. 4 vs. 26. Aengaende de zwarte dagen zie on- 
ze acntekeningen over de Boosheit . 

[ D 3 Hier van daen is 't dat de droefgeeftige 't licht doorgaens myden en haten . 
Zoo verzicrt Ovidius dat Apollo , bedroeft over 't verlies van Faethon , Mtt. Lib. II. 
vers 383. het licht niet veclen mogt. Dus zingt hy : 

Lucemque odit, Icque ipfè, diemque: 
Datque animum in luctus . 

Dat is naer Vondels veitaeling : 

De Vader haet het licht, zich zelven en den dagh. 
Geeft aen dien roH z.yn hart , met jammerljk^ geklagh , 
Ganfch over. 
(6) In" Ar- En wanneer Ceres over 't ontfchaken van Proferpina bedroeft was, trok zy nietalleen- 
cadicis. lyk een zwart kleet aen, maer verborg zich ook, naer 't verhael van Pauzanias ('6), in 
cap. ^1. e£ij zekere fpelonk van den berg Elaïus, niet verre van Figalia in Arkadie, enfchuw- 
de aldaer het licht een langen tyt. Dit hol wierdt nadcrhant genoemt het hol van 
Ceres , die om 't aenncmen van 't zwarte gewaet tocgenaemt wierdt de zwarte , zyndc 
haer eaft een houten, en dit door den brant verteert zynde, een koperen heelt tereerc 
opgerccht, met een altaer in die fpelonk. 

[E] Dit was eigentlyk de ftelling van Demokritus : gelyk te zien is by Plutarchus 
De Placitis Philos. Lib. 4. cap. 7^. Maer ook deStoyken waeren hier in van 't zelfde ge- 
voelen : gelyk Lipfius in 't brede aentoont . De Phyfologia Stoicorum Lib. III. Dijf. 
9. Zie ook Plutarchus De Facie in orbe Lum, cap. 16. Die leere was zelft Plato niet 
vreemt : welke ook Virgihus in 't zesde boek van zynen Eneas op deze wyze voor- 



ftelti vers 724. 



Principio Cïelura, ac terras, camposquc liquentcs 

Lucen- 



^ D R o E F H E I T. 28; 

zein haerebedryven kan ondcrfcheiden, wat oorbaer, of onnut zy. Een 
bedroeft menfch wyders, gclykt een pasuitgeblufchte fakkel, die nogh 
wel eenige hette heeft, maer in plaets van vlam Hechts rook en fmook op- 
werpt. Zoo voedt een bedroeft leven de treurigheit altyt acn. De rid- 
der en dichter J. Kats, die by fommige waenwyzen veracht, maer door de 
kunftkenners op zyne waerde gefchat wort, geeft ons ergens deze vaerzen 
op. Abrahams dienflmacgt, dienftmoeder wil ik zeggen, Hagar klaegt 
'er aldus ; ^ 

Ik ben bettaent tot aen myn droeve ziet. 

Ik ben ontjlelt in al myn ganfche leden, 
En^ naer my dunkt ^ ik hebbe goede reden ^ 
Mits ik zoo rafch en zoo elcndigh viel. 

Veele nogh treffender voorbeelden van droefheit zyri 'er voorhanden^ 
maer de tyt roept ons voort. 

Luccntemque globum Luna: , Tiraniaque aftra , 
Spiritus intus alit : totamque infufa per artus 
Mens agitat molem , 6c magno fc corpore mifcct . 
Inde homiimm pecudumquc genus, vitaequc volantumj 
Et qu£c Marmoreo feit monftra fub xquorc pontus 
Igneus eft ollis vigor, 6c cxleftis origo 
Scminibus: quantum non noxia corpora tardant, 
TeiTenique heberant artus , moribundaque membra . 
Hincmetuunt, cupiuntque, dolent, gaudentque, nee auras 
Reipiciunt, claufx tenebris 6c carcerc ca:co. 

Dat is naer Vondels vertaling : 

Een innevloeiend geefl des levens eerfle bron , 
Voedt hemel, aérde, enz.ee, de fi arren, maetii enz.on: 
Een eeniggeejt , gehort door alderhande leden. 
Beweegt dit ganfch gevaert der rverelt en haer fledenj 
En mengt z.ig in dit groot en fchrik^l^k gevaert . 
Hier uit fpruit menfch , en vee , en vogel , en wat aert 
Van vifch en dieren in het vloejend marmer krielen . 
Een gloeiendige vaeg bezielt ontelbre z.ielen. 
Die nemen haer begin uit z.eker hemel fch zaet , 
Zyn hemelfch uit den aert, z.00 lang in dez.en ffaet 
De lompe lichamen haer wezen niet vertragen ; 
En z.y met aerdfche leen en fchorjfen niet be/lagfn, 
IVoch met een Jlerflyk^pak^belaèn , noch z.waer noch [lomp ^ 
Behouden haer natuur : want met den grovtn romp 
Kan 't lighaem eens gemengt , z.00 hangen hartetogten , 
Begeerte , en vrees , en rou , en vreugt , geljk. verknogten , 
tieel vafi aen heur natuur : en in de duifiernis 
Van 's lichaems kerker hegt en d\gt gefloten , is 
Het omzien naer de lugt, en 't ligt, van tvaer ze quamen, 
Haer flreng ■verboón. 
Men zie Servius over dit zesde boek van het 704de vers af tot het 755"^ toe: en voor-' 
al Goropius Becanus in 't zevende boek van zyne Bceldcufprack. Voorts hebben lom- 
mige der Ouden den menfch verdeelt in drie deelen; namentlyk, een ziel, ccnlichacm 
en een fchimme , acn 't lichacm gelykcndc. Wanneer nu deze deelen door de doot 
-ontbonden waren, keerde elk, wilden zy, weder naer de plaets , vanwaer zycerftgeko- 
/. Deel. C c c c men 



286 



D R O E F H E I T. 



men waren; te weten de ziel, als zynde van vier, naer den hemel ^ 't lichaem, uit ftof 
gekomen , naer de aerde ; en 't fchimmetje naer de ondcraerdfchc geweften. Die dit nu 
geloofden, dien was 't geen wonder, dat boven mact bang en bcnaeut waren om door 
Ichipbreuk , of op eenigc andere wyze in 't water om te komen , opdat hun zieltje , als 
zynde een vier, daerdoor, als door een conti-arie element, niet mogte worden uitt^e- 
blufcht. Hiervandacn die klachte van Eneas by Virgilius in dat zwaere onweer, zMn, 
Lii>, I. VS, 58. 

O dmz.eMwtrf en nogh gelukj^ger z.yn z.j , 

Wien 't mogt gebeuren voor de foor t van Troje, bj •. 

En onder d' oogen van hunne ouderen te (neven ! 

O Diomedes, die de Grieken hebt irefleven 

Door uwe dapperheit , mogt ik^, o braefjie helt ! 

Dan niet voor Ilium , van u%ve hant ^evelt , 

Ter aerde vallen , daer de vroomen z.yn ontjlapen ? 

Daer Heüor legt gevelt , door helt Achilles wapen? 

Over welke plaets de taelkundige Servius niet heeft nagelaten aen te tekenen , dat die 
vrees van Eneas niet was voor de doot zelf, macr voor die foort van doot, om reden 
(i)O(lyf. boven gemelt:^ als ook, dat deze plaets van Virgilius ontleent is van Homerus (^i), 
daer hy Ulyflès ook invoert, klagende, dat hy voor Troje niet hebbende mogen 
fncuvelen, door fchipbreuk moet omkomen, noemende dat een naere doot. 



Lib. V. 
VS. 199 




DRONKENSCHAP. 



E Er ik voortga tot de befchryving van dit Beelt, Lezer, 
moet ik u vooraf iets tegen de dronkenfchap ingeven, 
gchaeltuitden fierlyken en netten dichtkruitwinkel van J. de 

Dekker. 

Onreine dronkenfchap l verfoeilyke pyje ! 

O iji'el vrywiWge, maer droeve razernye: 

Die wyze luiden zot, die bloode trots van woedt. 

Die trotfe korfel maekt, en korfele versvoet. 

En door een zelve giji ons" quade zeden zivilleny 

Om* 



DRONKENSCHAP. 287 

Ons' reden Jlmken doet; 'li' at broeit gy ons al grillen! 
Wat broiitgy ons, helaes: al ongevals en ramp [A]. 

C c c c 2 jIj 

[A] Indien wy de quadc gevolgen wilden ophalen , die de dronkcnfchap vcroor- 
zackt, en dcszelfs verfocilykhcit afichildcrcn nacr buhooren , hadden wy een geheel bock 
van noden. Zy is niet alleen van de Heilige Schrift, macr ook door de wetten van 
veele Heidenen verboden. Ja by de Grieken zelfs , die anders zulke groote liefheb- 
bers waren van den beker, dat de Latyncn tot dcrzelver verwyt en fchandc een wooit 
in hunne tael hebben geformeert, dat cigcntlyk uitdrukkende op z.jti Grtekj doen (Grx- 
cari) flcmpen en zuipen te kennen geeft; zo hebben 'er cgtcr gene in die natie ontbro- 
ken, welke die fchandelykheit hebben tegengegaen . Pittacus had een wet gcmackt, 
(i) dat al wie door dronkenfchap iets misdede, dezelve dubbelt zoude worden gcftraft; 
en Solon {^) , dat een Overigheits Perfbon dronken gevonden wordende , met de doot ^ l'^,' °^' 
moeil geftraft worden . En in die treffelyke Rcpublyk der Lacedemonicrs was onder p^^^ ^y, 
anderen ook deze inzettingc (^), dat niemant mogt drinken dan om den dorfl te lejfchen. (i) Idem 
En op dat zy de hunnen van kints been af een afkeer van de dronkenfchap mogten in-Lib. l. 
boezemen, lieten zy hunne flaven zich fmoordronken zuipen, en toonden ze dan aen P"' ^7- 
hunne kinderen , gelyk Plutarchus {4) aentekcnt . Trouwens dit was ook de les van criaiimi 
Pythagoras (5), welke wilde, dat men wel andere zaken , op een gaftmael voorgeval- de Rep. 
len, moeft vergeten, maer dit alleenlyk onthouden en telkens herdenken, wat men al Laced. 
belachelyks of quaets in zyne dronkenfchap bcgaen haddc: oordelende, dat dit het'^''^-^"" 
befte, middel was om dat quact zoo te verleeren . En Anachai-fis (6) vermaent den ^i^^\l([^^ 
'inenfch ook, dat hy zelf nuchteren befchouwende , het geen een ander dronken doet, Lac.cap. 8, 
•jn zich zelve een affchrik verwekke tegen deze fchandelykc en fchadelyke zonde. Hoe&inlyc. 
£;ehact en vcrfocjelyk verder de dronkenfchap by andere volkeren geweeft zy, gelieve '^•'P- J3- 
de taelkundc Lezer te zoeken by Alexandci- ab Alcxandro Gen. Dier. Lib. III. cap. 1 ^^l^^°\ 
cndiergelykeSchryvers. Alleenlyk zullen wy hier byvocgen een fraei vers, behelzende (gj Ojgo.' 
een vergclyking tuflchcn 't quact, voortlpruitcndc uit de dronkcnfchap en onkuisheit: Lal-rt. üb. 
van welk vers Virgilius van veelcn voor den Dichter wort cehouden'. i- § >' J- 

^ ^ & Stob. 

Nee Veneris , nee tu vini capians amore Sm-n.. j 6 

Uno namque modo vina venusquc noccnt. 
Ut Venus enervat vires, fic copia vini, 
: Et tentat greflus ; debilitatque pedes. 

Multos cxcus amor cogit (ccrcta fiteri , 

Arcanum demens dctegit ebrietas. 
Bellum Êepe petit ferus exitiale Cupido, 

Saspe manus iridem Bacchus ad arma vocat. 
Dcnique quum mentes hominum furiavit uterquc. 

Et pudor Sc probitas, 6c mctus, omnis abcft-. 
Compedibus Vcnercm , vinclis aftringc Lyjeum, 

Ne te muneribus Ixdat utcrque fuis. 
Vina fitim fcdant, natis Venus alma crcandis. 

Sed fincs horum tranfiliiflc nocct. 

' Dat wy dus navolgen : 

Wort noch door lufi tot rrjn, noch tot de min bevangen: 

Mlint beide min en tijn z.jn even fchadeljh^ 
Geijkt de min verz.wrikt , z.00 maekt de iijn de gangeft 

Onwis , en werpt den menfch omver verr.tdeijkz. 
De blinde min maekt dat geheimen vaek^ uitteken : 

De z.otte dronken(chap ontdekt z.e ook^ rcukeloos. 
De min doet menigmael verwoede degens trekj^n : 
- . De wm is ook^geneigt tot vechten al te boos. 



«re 



288 DRONKENSCHAP. 

Ik moet u niet ophouden. Zie daer , eene oude , roode en 
lachende Vrou. Bcfchou haer kleet eens ; het heeft een kleur 
gelyk de verilenfchte rozen. In haere hant ziet gy een glas 
vol wyns, en nevens haer eenen panter. 

In eene oude gedaente wort ze voorgeftelt, omdat het misbruiken des 
wyns de menfchen rafch veroudert, en zwak maekt. Fedrus laet ons in 
zyne Ezopifche Fabelen , door den vernuftigen Heer David van Hoog- ^^ 
ftraten, dit volgende, hoewel het een' anderen zin heeft, evenwel ten op- 
zigt der dronkenfchap, in goude fchotels opdifTchen: 

[B] Een oude beji , verjlmgert op het nat y 

Zagh op de Jiraet y by avontuur ^ een vat, 

Daer fchoone 'ivyn in was geiveeji voor dezen, 

Gelyk de naem^ en '/ opfchrift gaf te lezen. 

Zy pijl vol vreugt den geur , die zich verjpreit. 

Wanneer ze riekt y met zoete lieflykheit. 

O puik zegt zy van alle lekkernyen < 

O nekt ar y die de harten kan verblyen ! 

De panter [C] verheelt de razery der dronkerts , die vele fnode en 

wreede 

In 't kort, als dez.e twee 't gemoet door drift doen hrandtttf 

Verdwynen fchaemt en ter en vrees geheel en al. 
Leg Venus en den Godt des wyns aenfierks handen ^ 

Opdat z.e n door hun z.oet niet brengen tot den vaL 
X>e wyn firekt om den dorfl hehoorlyk^ te verz.aden : 

De min om echte vrucht te z.ien uit k/^ifche trouw. 
Aiaer Wi.icht u , -wacht u wel te gaen van dez.e paden , 

Vanwaer al %vie afwykt , die (lort in droeven rouw. 

j^B] Zie ook de woorden van Fedrus zelf, Lib. III. f. i. 

Anus jacerc vidit epotam amphoram , 
Adhuc , Falerna ftce , e tcfta nobili , 
Odorem qux jucundum late fpargeret. 
Hunc poftquam totis avida traxit naribus : 
O fuavis anima, quale in te dicam bonum 
Antehac fuiflè ^ tales cum fint reliquiae ? 

De Poëten doen dat zeer dikwils , datze de oude besjes voorftellen als lief hebfters van 
den wyn. Zie Ovidius Amor. Lib. I. El. 8. en Fafi. Lib. II. vs. fy^. Propert. Lib. IF. 
El. f. Maer vooral Nikolaes Heins over 't fyi. vers van 't gemelde twede boek van 
Ovidius Feeftdagen. Hoor ook den zelvenNazo Fajl. Lib. III. v. 765. op het Feeft van 
Bacchus. 

Cur anus hoc faciat, qusris? Vinofior jctas. 
Ha;c eft , Sc gravidae munera vitis amans. 

Dat de Heer Hoogvliet aldus vertaelt : 

JHaer vraegt ge , 7vaerom dit gejlhiet door oude wyven f\ 
Het is omdat de wyn den ouderdom k^n Jlyven: 
Zy z.elfs beminnen 't nat. 

[C] Het wyfje van een Luipaat: gelyk wy boven over 't vierde beek van 't Bedrog 
hebben aengewezen Blad. 90 aenmerk,. A. 



DRONKENSCHAP. 289- 

wreede manieren [D] over zich hebben, gelyk het genoemde dier, dat 
van x\riftoteles, in Eyn Dierboek, ontembaer geacht wort, gelyk ook ge- 

meenlyk 

[D] Hoc wrcet de zeden der dronkaerts zyn, heeft de droevige ondcrvindino- al 
lang geleei-t. Alexandcr doode zyncn lieven en trouwen vricnt Clitus door dronlcen- 
fchap, om nu van geen andere voorbeelden te fprekcn, en Pythagoras noemde daer- 
om de dronkenlchap met groot recht (i) een voorbedagte razerny. En niet onacr- (i) Stob. 
digh zcide Anacharils naer 't verhael van Laertius (i), dat de wynilok drie byzon- Scmi. ig. 
dere druiftroflen voortbracht, de ecrfte van vermaek, de twcde van donkenfchap, ['l Y-^-' 
en de derde van droef heit, of, van verongelyking, gelyk de Monniken Antonius en "" 

Maximus willen dat Pythagoras zoude gczegt hebben j of ook, naer 't voorftel van 
Stobeus ('3), de derde van verongelyking, en de lactftc van razerny : die deze fpreuk ^"'-^ ^'^™- 
aen den pas genoemden Anacharlis toefchryft : waervan noch iets naders zal gezecht ^^' 
worden in het derde deel over 't beek Froljkheit, Gejuich. Zie vorder Scneka in zvn 
83 brief, indien gy iets treffclyks wilt lezen tegen de dronkenfchap. Macr om by 
onze places te blyven, wy verwonderen ons, dat de Schryver het Panterdier by de 
Dronkenfchap heeft willen voegen juift om des dronkaerts wrede manieren uit re 
beelden, daer het in een veel beter betrekking hier kan plaets vinden, 't Is waer, de 
dronkaerts nemen de gedaente aen van verfcheidene heeften ; wordende in den begin- 
ne der dronkenfchap gelyk aen aepen, wanneer ze luchtig en vrolyk zynde allcrlian- 
de grimaflen en figuren maken als aepen j doch de dronkenlchap wat verder gaendc 
worden ze wrede heeften, beeren , leeuwen, tigers of panters, alles vcvfchcurcn- 
de zonder onderfcheit (gelyk de panter wort gezegt jagt te maken op allerhande die- 
ren, gene uitgezondert : waervandaen ze ook den naem van Panter zoude dragen: 
het eerfte deel van welk woort in'tGrieks alle, en 't laetfte een -wili l;eejl,en ook ja'^f, 
betekent : hoewel andere meenen, dat haer die naem gegeven is, omdat men op 
haer huit de kleuren van byna alle andere dieren ziet) en eindclyk nu fmoor dronken 
geworden zynde maken zy zich zelven gelyk aen zwyncn,zich in hun eigene vuilig- 
heit wentelende. En dus was het niet onaerdigh,'t gcenwy vanHeliogab.ilus lezen by 
Lampridius (4), die zync vrienden dronken gemaekt hebbende, hen in een' llaepka- (4) In 
mer opfloot :en's nagtsby hen inliet leeuwen, luipaerts, en beeren, van tanden en Heliog. 
klacuwen ontbloot: zo dat ze, als 't ligt was, en zy wakker wierden, een gezelfchap '^" "''" 
by zich vonden, daer zy zich zelven aen hadden gelyk gemaekt : hoewel Heliogaba- 
lus die geene niet was, die zulks dede om hen door dit doen een lefle te geven toe bc- 
terlchap. Doch dit niet tegenftaende zien wy geen reden, waerom onze Schryver van 
de voortreffelyke uitleggmge van Piërius Valerianus,van wien wy reets dikwyls met 
roem hebben gewaegt en noch menigmael zullen melden, heeft willen afwyken. Zie 
hier de woorden van den geleerden man zelf (f) : Dat de ïanter zoo een krachtige reuk (5) Hier. 
heeft ( zie hiervan onze Aenmerking A. op bladz. po. ) daervan menen de Filofofen dat ^'''- ^"^^• 
de reden is^ omdat de Panter begaeft is met zeer grote hitte ^ en dat die reuk daardoor i:er- *" ^'" 
wekt liiort : en deivylzy zoo doende een zekere oierecnkomfic met den ivyn fchynt te hebben .^ 
zoo zegt men, dat dit dier daarom eertyts is heiligh geiueeji aen Bacchus. Maer nademaeVtr 
zyn, die door de Panter de dronkenfchap ver flam, zoo zoude ik geloven , dat die Beelden- 
fpaek genomen is uit de gefchapenheit der zaek zelf : ivant de Panters zyn zeer gretig naer 
denwyn, en ivorden vieejien tyt door de jagers dronken gevangen, nadat zy de fonteinen, 
4aer ze aen komen drinken, met zeer zoeten, zeer ouden, en fier ken ivyn hebhen ver mengt, in 
zulk een" overvloei, dat die 't ivater van de bron verre overtreft: voant hiertoe zoeken ze 
met vlyt naar fonteinen , die niet zeer veel water opgeven. Somtyts, opdat zegeen vergecffche 
enkoflen en moeite mogen doen, graven ze, indien ze een hcquame plaets omtrent de bron vin- 
den om zich te vcrfchuilen, doorboorde riet halmen op een matige diepte onder de arrde, en la- 
ten die met het eene eind fchieten in de fontein, en met het andere in de plaets daer zy zich 
■hebben verfcholcn : en hebbende den komfl van het dier gade gcflagen , zoo gieten zy terftont uit 
een lederen wynzak, dien ze daertoe gcrect hebben, wyn in de buis: welke wyn even als tiyt 
^en bronader uit de fontein voortvloeiende , door zyn zuiverheit bet beefi nog vieer acnivkt, en 
de zaek des te raffer volbrengt, vallende de Panters doorgacns, eer ze haercn durft hebben 
gelefcht ,ftyf ter aerde. Wie ziet niet, dat deze reden gewichtiger en nadrukkclyker is, 
dan die onze Schryver heeft bygebracht? waerom wy ook niet twyfelcn, of de Lc- 
aer zal met ons den geleerden Piérius gacrn volgen. \\'at acngaet de Panter, d:vt die 

I. T>eel. Dddd hei- 



290 DRONKENSCHAP. 

meenlyk de aert der dronkerts i». Van de natuur en werking der dron- 
kenfchap ipreken de poëten veel, en de ervarentheit toont haere manie- 
ren (Godt betere het} dagelyx zo klacr, dat men wel redelyklieit in de 
heeften , en onrcdclykheit m de menfchen kan vinden. Een dier volgt de 
natuur, en vergenoegt zich deswege. Een menfch doet de natuur gewek 
aen, en verlieft aldus zyne edele hoedanigheden. Godt heeft den menfch 
naer zyn beek gefchapen > maer de menlch herfchept zich , door zulk 
eene overdadigheit, in een beeft, dat fchaemte noch eer kent. De reden 
en het verftant zyn verre te zoeken , en men ziet geen onderfcheit tuf' 
fchen heeften en dronke menfchen , dan aen het lichaem. O tyden ! o 
zeden ! maer ook o fchande! dat zoo edel een fchepfel als de menfch is, 
zich door dronkenfchap gaet hervormen in allerhande wanfchepfels. 

heiligh zouJe zyn geweefl: aenBacchus, geeft zelf Ovidius te kennen, die dit dier 
mede onder de beellen van Bacchus optelt in 't 3 boek zyner Herfchcpping,vcrs 666. 
* Bac- Men zagh rondom hem * heen gefpook van tyger dieren^ 

'-'^"^- Gevlakt en panter^ lofch^ en wreeden luipert zwieren. 

Zoo heeft hem Vondel vertaelt. Piërius getuigt ook op enige oude Penningen, aen 

den ccnen kant het hooft van Bacchus, aen den anderen een panter en een Ipies met 

vyngaertranken bewonden, te hebben gezien. Furnutus in zyn bock over de natuur 

;'i) Cap. '^"" Goden (i), getuigt ook, dat 'er Panters voor den wagen van Bacchus zyn ge- 

30. fpannen, en ook enige achter den zelven volgen, of om de verfcheidenheit der kleu- 

(2) Phur- ren, (dewyl hy verdicht wordt vermaek te hebben gefchept in bonte (i) klederen) 
nut. ibid. of om te tonen, dat 'er geen menfch zoo woeft van zeden is, of hy kan door 't ma- 
Si'c°Lib. ^'S^ gebruik des wyns getemt worden. Maer een zeker onbekent Grickfch Schry- 
IV^p.448. ver, die een korte verhandeling over ongelooflyke Hiftorien heeft gefchreven , en 
Philoftr. wiens uitgave wy aen Leo AUatius fchuldig zyn, wil (3), dat dit dier Bacchus zoude 
l°c 1%. ^y" toege voegt, om de verfcheidene en veelvuldige verbeeldingen en gedachten, die 
& Óvid. zich de dronkene menfchen vormen, te kennen te geven j wordende zulks door de ver- 
Met. L. fcheidene fprikkels van dit dier verheelt. Maer is ondertuflchen de befchryving van 
ssó^ ons beek al geheel voldaenPNiet ten vollen. Dat de Vrouw een glas wyn op de hanc 

(3) Cap. heeft , brengt zyn eigene uitlegginge mede: als ook dat ze een root en lachend wezen 
16. heeft : want de wyn , zegt Homerus (4) , doet zelfs een ivys man zingen , en zoetclyk lachen , 
Lib XiV ^'^ danfen^ en dingen zeggen die beter gezwegen waren. Met een glas, en even als daeruit 
V. 464. ' drinkende, had haer ook verbeeldt de oude Schilder Paufias,en wel zo, dat men haer 

aengezicht door het glas kon heen zien, volgens 't bcrigt van Paufanias Ub. II. cap. 
zj. Maer waertoc dat kleet van kleur als vcrflenfchte rozen? Zoo 't geoorloft is te 
raden, met wat voor gedachten de Schryver, die ze ons niet heeft gelieven mede te 
dcelen,dezc kleur heeft uitgekozen, zoo zouden wy geloven, dat hy den lezer daer- 
door heeft willen te binnen brengen de gewoonte, die de Ouden hadden, om op hun- 
ne drinkmalen zich zelven te bekranllen metfriiTche rozen; dewelke, als de gezel- 
fchappen wat lang en fomtyts tot in den morgenftont duurden, nootzakelyk moeiten 
verflenfchen, als zynde een teere bloem , en die, veel reuk uitwaeflemende,daerom, 
(5) Symp, volgens 't oordeel van Plutarchus (f) , zeer ras verwelkt, Somtyts ging het in over- 
],ib. m. dadige gaftmalen der Grooten zoo verre, dat 'er niet alleenlyk de tafels en tafelma- 
■ traflen, maer zelfs de geheele eetzael rykelyk mede beftrooit wierden. Het is onno- 
dig dit met voorbeelden te bewyzen, als komende dikwyls genoeg voor in de fchrif- 
ten der Ouden; waervan onder anderen ook blyken zyn drie zeer zoete Gedichten 
van den Griekfchen Anacreon op de roos gemaekt. De oorfprong van dit gebruik 
des rozenkrans is geweeft een enkele bant of ftrook , die ze om 't hooft wonden als 
(ó) Lib. ze galferecrden. Dit deden ze, zegt Athcncus (6), opdat ze, op de gaftmalen 
• '^- ^- wat hartelyk drinkende , zich mogten wapenen tegen de al te fterk opftygen- 
de dampen des wyns ; waertcgen zy meenden te bevinden dat het omwinden 
van 't voorhooft wonder hielp. Naderhant heeft men die ftroken of linten fle- 
raetshalven beginnen tebeftcken met bloemen, en is alzoo,van tyt rot tyt verder 
gaende, gekomen cerft tot de blocmkranflen, en toen tot de voorgemelde overda- 
digheit. Dit zegt 'er Atheneus van : waerin echter Plutarchus van hem ver- 
fchilt, die de oorzaek van dit gebmik der rozen en andere blocmkranflen op de gaft- 
malen 



DRONKENSCHAP. 291 

tnalcn, afhaelt (i) uit de medicynen, en zegt : de uitwaefemingen der bloemen zyn een 
wonder krachtig h-Mpmiddel tegen dit ^uaed , en fl er ken 't hooft, even als eenhnrn vm't \L ^In"^' 
lichaem, tot lm afii'ceren der dronl^enfchap : maer en de warme bloemen maken%or het q. i' S 4 
'zagt openen der zifeetgaten , dat de ivyn kan doorwaejfemen i en die dingen die een z.aTte 
koude in dch hebben, dryven door een middelmatige aenraking de dampen te rwrh : oXk 
de kranjfen van violet ten en rozen s want beide honden door haeren reukzin, en%lryven te 
riigh die dingen, die 't hooft bezjivaeren. En omd;it Plutarchiis wel voorzat, dat deze 
reden lemant zoude kunnen toefchynen al te verre te zyn gezogt , zoo voegt hy 'er dit 
by (2) : Dogh het moet niemant wonder voorkomen, dat de uitwaefemingen van bloem- 
kransen zoo eengroote kracht hebben s dewjl menfchryft, dat de Jchaditwe van de fmi.{^^ ^^'^^ 
lax, (men \-eitaelt het uinde of wrange) de menfchen die in dezelve Jlapen, doot , ten ^' 
tjde als de plant e meefi gezivollen is, en op het bloejen fiaet : en dat de lucht, van de 
mankoppen afvloeiende, niet zorgvuldig genoeg vermydt zynde van die gene , die^tpipver- 

. zamelen, de menfchen 't onder (Ie boven doet vallen : en dat het kruit ^/;;//«w«(ik vindchier 

■ geen vertaeling van : men zie Dalckamp over Plinius 24: u) de menfchen bevryt van 
den hik., z^oo 't maer enkeljkjn de hant genomen wort i ja fimmigen ook^als ze 't maer aen- 
zien, enz. Nu zouden wy hier ook ten diende van onzen Nederduitfche Lezer, uit 
den zclvcn Plutarchus (5) kunnen onderzoeken, om wat reden de Ouden ook een krans 
van veil onder 't drinken op hunne hoofden hebben gezet, en of hetzelve de dronken- *^^' ''''''• 

. fchap heeft be\'ordert of gekecrt j maer vrezende dat wy al te lang zullen worden, zul- '^' ^''^'' 

I len wy zien of wy daertoe nader gclcgenheit kunnen vinden. 

DWAESHEIT. 

E En bedacgt Man , wiens kleders lang en zwart zyn. Hy 
lacht, en rydt op eenen rietftok alsof hy te paert zat. 
In zyne rechte hant heeft hy een molentje van kaerten , ge- 
lyk daer de kinderen mede fpelen, dat hy met grooten luft 
in den wint houdt, en ziet omloopen. 

Bequacmlyk kan men de dwaesheit op deze wys uitbeelden; want zot 
of dwaes zyn is niets anders dan dingen teverrechten, tegensdewelvoegly- 
ke betamelykheitj en tegens de gemeene gewoonte der menfchen, zonder 
eenige reden, die een verftandigh man zoude kunnen goetkeuren. Daer- 
om is het beft, dat men van de gemeene gewoonte niet licht afwyke, al 
komt ze juift fomtyts niet zeer overeen met ons begrip. En hierop ziet dat 
gemeene zeggen , dat het y namentlyk, beter is, zotte zyn met veelefi, dan 
wjs met iz'einigen [A]. Want vermits wy weten, dat 'er gemeenlyk meer 

D d d d 2 ken- 

[A3 Namentlyk, die zich verheelt, dat hy byn.i alleen wys is, is zekerlyk of zot, 
of ten minften na acn zotheit. Zeer wel zegt Martiael: 
Qiiisquis plus jufto non liipit , ille (apit . 
Dat is : al wie niet al te wys is , die is recht wys . In Chrifippus wiert het bcfpot , nacr 
't verhacl van Lacrtius f4), dat hy, wanneer een zeker man hem quam racdt vmgen, 
onder wien hy zyn zoon allernuttigft zoude beftellen om in de Filofofie te worden on- (4) Lib. 
derwezen; tot antwoort gaf, dat hy hem dan aen zyne zorge moefte bevelen: want,VIl.§.i8j 
voer hy voort, indien ik^oor deelde , dat 'er iemant was , die my overtrof, ik^zoude van 
hem de Filofofie gaen keren. Maer hy verkreeg 'er ook dezen loon voor, dat men hem 
tot fchimp nazeide met een vers van Homerus , 



OlO? ■ïïiTtVora.l, TOi 6 W^fMOii XilTfOVffl 



Dat is : deze is alleen wys ; de andere vliegen 'er maer om als fthimmetjes . Met hoc 
veel meer lof wiert dit eigenlle versje eens van den ouden Kato toegepaft op den jon- 
gen Scipio die Kaïthago vernielt heeft? want gevraegt zynde , wat hy oordeelde van 
die geene, die in de belegeringe voor Karthago dienden, antwoorde hy met de woor- 
den 



%<)1 



D W A E S H E I T. 



il 









kennis in veelen , dan in weinigen is , zoo fchynt het daerom ook vei- 1 
ligft, dat wy de meelten , niet de weinigften , volgen: dcwyl het mee- 
fte deel der menfchen, het doen van andere luiden by 't hunne afmeten- 
de, die manieren zal voor goet keuren, die met de hunne overeen komen. 
Daerom is 't goet, ja noodigh, dat men, om tot dit goet begrip te komen, 
zich in zyne handelingen vergelyke met de gevoelens van anderen. Hierdoor 
komt het, dat men voor- en tegenfpoet, gelukkigh en rampzaligh acht, 
omdat het grootfte getal der menfchen die zaeken zoodanigh waerdeert. 
In de zelve betrekking moet men 't ook opvatten , wanneer men iet dwaes- 
heit of wysheit noemt -, want de vleugels van ons verftant zyn niet ge- 
noegzaem om te komen tot de kennis van zoo eene wysheit die aen dierge- 
lyke toevalligheden en meeningen niet onderhavigh is. Daervandaen l' 
wort het in eene ftadt een man van rype jaren voor wysheit toegerekent, 
dat hy zich met de beftiering van zyn huisgezin en het gemeene beft be- 
moeie. Maer met recht wort het voor dwaesheitgefchat, indien hy zich 
vervreemt van zulk eenen handel , en flechts zotte kinderfpelen btdryft, 
gelyk in het hooft van dit zinnebeelt gezeit is [B]. Maer wat ondertus- 
fchen het gemeene gevoelen der menfchen aengaet , zoo dient men zich ^, 
zorgvuldigh te wachten, datmen zich door de verkeerde gevoelens des ge- 
meenen volks, diedoorgaens ftrydigh zyn tegens de waere deugt, nietlaet 
vervoeren, hoe zeer ook het gemeene volk 't grootfte getal uitmaekt, en 
de fchaere der zotten oneindigh is [C]. 

De 

(i1 Apoph.den zoo even gcnocmt : gclyk Pkitarchus vcrhaelt(i). En echter was Scipio ccn 
Roman, ftü man , van zich zclven nooit roemende . Homcrus zelf had dit vers gebruikt van 
cip. 20 & jgj., Thcbaenfchen waei-zeggcr Tirefias,' zeggende, dat Proferpina hem alleen hadde 
*^^^^'^^P^ toigcftacn om nog na zyn door wys te zyn, de overige fehimmetjes 'er maer wat oin.-,. 
cap. II. 'vliegende. Zie Erasmus C^/7. 2. Cent. 1^. ^-Id. j-g. 

[133 Het ryden op een rietftok is genomen uit Horatius, die onder den dwazen han- 
del van bejaerde menfchen ook deze kinderachtige bezigheden optelt, huisjes maken^ 
muiz.en voor een wagentje [pannen , even en oneven raden ^ en op een lang riet ryden: Lib. 
II. Sat. 3. VS. 247. 

yEdificare cafis, ploftello adjungere mures, 
Ludere par impar, cquitarc in arundine longa. 
Si quem deleftct barbatum j amentia verfct . 

En echter hebben zich vvyze mannen fnmtyts niet onthouden om zulke fpelen mede te 
(i)Auff. plegen. De Keizer Auguftus zelf fchryft by Suetonius (2) aen zyn dochter, dat hy 
cap. 7"!. aen een iegelyk gaft hadde gegeven twee hondeit en vyftig fchellingen, indien zymo- \ 

gelyk genegcnheit hadden om over tafel met de bikkelen te gooien, of even en oneven i 
ib J ^'^ raden: ja zomtyts fpeclde hy met kleine jongens, die aerdig waren , zelf wel met I 
cap 83." bikkels, knikkers en noten : gelyk Suetonius (:^) mede van hem verhaelt. En Plutar- j 
(4I Agcfil.chus (4) en Eliaen (f) fchryven, gelyk Lambinus aenmcrkt, van den Lacedcmoni- i 
cap 9- & fchen Velthecr Agefilaus, dat hy dik wils met zyne kinderen ruiter te paerde fpeelde op f 
Apophth. j,^.j^ langen rietftok. Ja Sokrates zelf (6) , door 't Orakel geroemt voor den wyften aller \ 
^'^""■^''''ftcrvelingen, dcet het zelve, en wiert 'er niet eens beichacmt over , of Ichoon hem '1 
HiftLib. Alcibiades in dat poftuur zag. Meer diergelyke voorbeelden zie by Eliaen (8) en Va- 
Xll.c. I s-lerius (7) Maximus. Indien iemant deze mannen wil bcrchuldigen , dien wyzen wy 
(6) Val. nacrEfopus by Fedrus in de 14 Fabel van het derde boek: daerhycenb_hoorlykever- 
^'^"■•^ ■ antwoording zal vinden . Daer is onderfcheit , of men zulks doet tot uitlpanning en 
. N ^^ j_ verquikking der afgefloofdc leden en zinnen: dan of men daer in ftelt het innigfte ver- 
(gj lib. L.niack van zyne bezigheden. Lees Scnekaes laetfte hoofclluk van de Gcruftheit des 

Gemoets . 

[C] Namentlyk, daer is geen een mcnfch, ot hy houdt in d'ecnc of d' andere zaek 

een 



D W A E S H E I T. 



2,93 



De kch is, volgens Salomons woorden [D] een klaer teken van dwaes- 
! heit. Wyze luiden hebben hem zoo gereet niet j ja men zal nergens lezen 
[dat Kriftus, die dewaere Wysheitis, oit heeft gelachen. 

ccn handel , die met het gednigh van een wys man niet kan overeenkomen : want alle 
gebreken, daer zich de menfch van laet overhecrlchen , moeten ten opzichte van wyzc 
luiden voor dwacsheit worden gcfchat. üe ecne laet ïich vervoeren door geltzucht, 
een twede door welluft, een derde door eerzucht, een ander door iets anders, dat wel 

. in gezien zynde met recht voor dwaeshcit moet worden geichat . Dat llach ^ an zothc- 
den bcfchryft Horatius overvloedig en geleerdelyk in zyn derde Schimpdicht van het 

j twede Bock . 

' [D] Die worden in het twede beelt hier na aengchaelt. Voeg 'er by Predik^ 7. vs 
6. g^lyk. '•''' getuit der doornen onder eenen pot , alz.o is het lachen eenes ^.ots. Dc oorzack 

: van het' menigvuldig lachen der zotten fchynt te zyn, omdat ze altyt iets hebben, waer- 

' mede ze zich zei ven wonderlyk weten te kittclen. Zoo vint men by Eliaen (i) en 
Atheneus (zj van een zekeren Athenienzer met name Thrafillus , die een verbeelding ge- 
kregen hadde , dat alle de fchccpcn , die uit en in dc haven zeilden , hem toequamen : 
waervan hy ook naerilig boek hielt. En als 'er enige in quamen, die fchade geleden 

I hadden , daer vroeg hy 'er niet verder na : maer quamen 'er enige behouden binnen , zoo 

' was hy boven maten uitgelaten in vreugt. Dit duurde verlcheide jaren , tot dat zyn 
broeder Krito, weder gekomen uit Sicilië, een Genecsmcefter by hem riep, die hem 
genas. Thrafillus getuigde naderhant, dat hy nooit zoo vermakelyk geleeft hadde, 
als in zync dwaeshcit , en nooit grooter vreugde genoten , dan wanneer 'er ichepen be- 
houden acnquamen . 

Dat ondeituflchcn onze Schryver zyn beelt een zwart kleet geeft , waer van hy de 
reden niet mclt ; zulks fchvnt te gcfchiedcn om de duifternillè des verftants der dwae- 
zen te kennen te geven: gclyk 't licht in tegendeel wysheit beduit ; als elders gezegt is. 
Salomon mackt ook enigzins zinfpeling op diergelyke gelykeniflè Pred. 2. zs. 15. Doe 
z,Mh tk., dat de wysheit uitnementheit heeft boven de dwaesheit : geljk^het licht uitnemem- 
heit heeft boven de dnifierntffe . De uitleggingc van 't molentje volgt in het tweede 
beek hier na. 



(O Var. 
Hifl.Lib.^ 
IV. c.i# 
(1) Lib. 
XII. cxt. 





Efehou hier een Macgdeke [A] met loffe en llordighan- 
,^ gendehairen. Zyftaet blootsbcens, endraegteenehals- 
.kraeg van beerevel. Het kleet is gefchakeert van verwen , 

/. Deel. E e e e ' en 

1_A] Zoo als de dwaesheit hier befchreven wort, is ze vertoont ten tyde tocnPetrar- 
cha als Poëet wierde bekranfti waervan gewagh gemackt is m 't beelt der Akademie. 



294 



D W A E S H E ï T. 



en ze houdt in de rechte hant eene ontflcke kaers, daerzkh 
de zon niet verre van haer vertoont. 

De dwaesheit is eene zekere wangeftalte des gemoets, het zy van natuu- 
re , het zy veroorzaekt door zwaermoedigheit , gramfchap , droef heit, 
vrees, of iet anders. 

Met loshangent hair [B], barvoets en met blootc beenen verfchynt ze 
ten toneele, omdat de dwaesheit zich zelve noch anderen in acht neemt, 
zynde wel verre afgefcheiden van alle welvoegende zeden en burgerlyke 
verkeeringe, omdat ze het goede daervan niet kent, en niet omdat ze meer 
vryheit zoekt tot loffelyke befpiegelingen [C], of de werelt veracht uit 
liefde tot Godt: het welk ik zeg ten opzichte van die geene, die alle hun- 
ne natuurlyke geneigtheit tot de burgerlyke verkeering temmende, zich ) 
begeven tot een eenzaem leven. 

Het mengelverwigh gewaet beduit de ongeftadigheit die in de dwaezea 
heerfcht. 

Het beerevel betekent de gramfchap [D], door welke de zotten zich 
meerendeels laten regeeren , terwyl ze byna altyt zydgangen gaen , en 
quade fp rongen maken. 

Dat ze de zonne een kaers ontfteekt [E] , is een blykbaer teken van den 
aert der dwaesheit} vooral omdat ze zich inbeelr meer lichts te zullen ont- 
fangen van zoo klein een vlam, dan van het heldere en aldoorftraelende 
vier der zonne. 

[Bi] Alzoo de hairen in de beeldenfpraek de gedachten betekenen, gelyk wy over 't 
zinnebeelt der Bckeering, l^Lidz.. 106. aenm. D, hebben acngewezen, zoo kunnen hiel- 
de loflè hairen ook gevocglyk verbeelden, de lofle, verwarde en wilde gedachten, die 
de dwaezcn voeden. _ . .- - 

[C] Daertoe is zekerlyk de eenzacmheit en afzondering van 't gewoel der menfchea 
Rhetor. van noden; nademael volgens 't getuigenis van Cornificius (ij, dat ook door de on- 
dervinding wort beveiligt, het beter is te peinzen in een eenzame placts, dan daerveel 



volks is; om reden dat de vcelheit van menfchcn, en dcrzelvcr gewoel voor de oogen 



ad Her. 
Lib. III. 

de kentekens der bcelteniflèn, die men zich formeert, verwart en verzwakt: doch de 
eenzacmheit der zelver indrukfèls ongcfchonden bcwaert. Commodius eft in dereliBa 
quam in celebri regione locos [materiae pcrtraftandx] comparare : propterea ^nod frequen- 
• tia & obambulatio hominum conmrbat & infirmat tmagmum natas, folitudo confervat in- 
tegras ftmulacrorum figuras. En zeer wel zegt Horatius: 

Scriptorum chorus omnis amat nemus & fugit urbes. 
Dat is : 

De Schryvers minnen all' het ivout en vlièn de [leden. 
Zie den twedcn brief van het twedeboek van dien Dichter, van het 65'fte tot 86ftevers. 
En in zyne Dichtkunft, vs. 298. /xgt hy, dat die zich tot de poëzy begeven 
Op dam noch beurs noch brug verfchynen s doetfche firacten 
En burregïi/allen gaen bewandelen. 
Zoo vertaek Pels zyne woorden : 

Secrcta petit: loca , balnea vitat. 
I^D] Wacrvan de beer een zinnebeelt is: gelyk over 't beek der Gramfchap zal wor- 
den aengetoont. 

[E] Dat pleeg men ook te zeggen van die gene, die iemant wilden onderwyzen, 
welke veel geleerder en wyzer is, dan zy zelfs: ook wel, wanneer iemant iets gaet uit- 
leggen en verklaren , het geene van zich zelf duidclyk f n klaer is. Diergelyke fpreek- 
woorden zyn 'er vericheide. Men zie ze by Erafmus Chtl. i. Cent. 7. Ad. 58. & Chil. 2. 
Cent. 5-. Ad. 7. & Chil. 4. Cent. 8. Ad. 25". Echter komt dit ontfteken van een liaers 
voor de zon hier des te beter te pas, omdat licht onderwys betekent, gelyk over 't zin- 
nebeelt der Doorluchtigheit is aengcwezcn. 

DWAES- 



D W A E S H E I T. 295 



D W A E S H E I T. 

E Ene VroLi die flordigh gekleet is, en om een draeiend 
molentje lacht , dat zy in de hant houdt. Op het hoott 
heeft ze een i\uk loots , ter oorzaek van het Latynfche ipreek- 
woort plumbeum ingen'ium^ dat is, een looden verflaut [A]. 

Want gelyk het loot zwaer is, en volgens zyn' aertaltyt naer om laeg 
.zakt, zoo is 't ook met eenen dwaes gelegen, die zyn verftant of gemoet 
'noit opwaert heft tot het gebruik van eenige reden. En gelyk ook het 
gladtgemaekte loot wel een' zekeren glans krygt, maer den zelven ftrax 
'weder verheft, zoo gaet het mede met eenen zot, die by geval wel eens 
een wys woort fpreekt, maer aenftonts dacrnatot zynen aert, dat is de 
'dwaesheit, wederkeert. 

Hei lachen [B] zonder oorzaek is een zot bedryf : en daerom zeit Salo- 
mon, dat de overvloedige lach m den mont der zotten is. 

Door het kindermolentje wort aengewezen , dat de gedachten en daden 
van een' dwaes beide onnut zyn, en eeuwigh maelen en draeien. 



[A] Dit wort niet zoo zeer gczcgt van die geheel geen verftant hebben en zot Zyn^ 
als wtl van zulke, welkers vcrllant bot en plomp is: zoo dat de reden, die zy voort- 
brengen niet treft nog doorgaet , a'zoo weinig als een loden z.wuert . Zoo noemt Cice- 
ro (i) woorden van geen aendraug nog kragt met den naem van een loden fonjaert. En (O De Tin. 
in dien zin kan men ook opvatten 't antwoort, dat Diogcncs eens gaf aen een Ichoonen I-'b- lY. 
jongeling, die ruwen klap uitllocg (2) : fchaemt gy u niet een loden z.waert te trekjienuh''^^' l^: 
een elpenbeene Jchede ? Het loden zwaert was de llcgte reden , dic de jongeling voerde ; ^a^-^j L^|' 
de elpenbeene fchcdc, zyn fchoon licliacm . Want het zwacit betekent in de beelden- e. §.'«f 
fpraLk Ti^oo/den; gelyk elders gezcgt is. Zoo in tegendeel ff« tiieefnjdent Zwaert voor 
krachtig treffende en doordringende reden, in Godts woort zelt C5). Daerenboven kan (,)Hc1, 
het loot om zyne zwaerte niet anders dan traeg bewogen worden : en alzoo wort daer 
door verheelt de traegheitdcs verftants : want in iemant, die in verftant zal uitmunten, 
moet de bcwcgingc van den geeft zeer fiiel en vlug zyn . 

[W\ Zie de lattftc aenmerking over 't cerfte bcclt der Dwaesheit . 



DWAESHEIT. ZOTHEIT. 

MEn houdt ons hier met de dwaesheit al wat lang op: 
evenwel moet ik u nogh deze verbeelding doen mc- 
dedragen. Een lachende Vrou, die bykans naekt is, en op 
eene onbefchaemde wys die leden laet zien , welke de eer- 
baerheit ons leert bedekken. Nevens haer ftaet eenfchaep, 
en ze houdt een maen in haere hant. 

Men fchildert haer als naekt, en zonder fchaemte, omdat de dwaezen 
gewoon zyn hunne gebreken aen elk te vertoonen. 

E e e c 2 Het 



I ■ 

29<S D W A E S H E I T. jj^ 

Het fchaep is by de ouden dikwyis een teken van zotheit, gelyk Dantc 
dus ergens zeit [AJ : IVeefi menfchen ^ maer geen domme fchae^en. 

De 

I^A] Hmmini fiat e ^ & non pecore matte. Hoe het fchaep genomen wort vooreen - 
dwaes menfch, daer in geeft onze Erasmus , een man op wien ons Ncdcrlant met recht 
(i) cliil. magll roemen, ons veel (i) licht, haelende tot dien einde uit Anftotelcs negende boek ' 
3 . Cent I . acngaende de natuur der dieren deze woorden aen : De aert der fchaepen, gelyk^het 
All. 9 5 fpreekji'oort z.egt , is eenvoudig en dwaes: -u/ant het fchaep is 't allerfiompjlevan alle vier- 
voetige dieren. Het l^iiipt in woefle plaetfen , z.onder noot ^ en dikji'ilsgaet het in demuin.. 
ter buiten den ft al : en van de fneeuw overvallen z.ynde , wil het niet weg gaen , z.oo het 
de herder daer niet toebrengt : maer blyvende alleen flaen flerft het , ten z.y de herder 'er 
den ram bybrengt; want dan volgt het. Uit deze woorden dan ziet men, dat 'er een ipreek- 
woort, ontleent van de fchapcn,toepanclyk op dwaeze en domme menfchen, is in ge- 
bruils; gcweeil. Want hoewel Hcnrd^us Stefanus over dat fpreekwoort aente- 
kent j dut hy oordeelt, dat het zelve zoo wel ten goeden als ten quaden kan worden 
genomen , namentlyk, voor een cenvoudigcn en zachtmoedigen aert : omdat ook 
Ariftotcles een weinig te voren van de zachtmoedigheit van 't Ichaep had gefproken : 
zoo b'ykt echter genoeg uit de reden, die Ariftotcles zelf van dit fpreekwoor bybrengt, 
dat hy 't zelve alleen op de domheit van 't fchaep tocpaflyk maekt. Dacrenboven be- 
veftigen dit, gelyk ook Stehnus zelf bekent, andere fpreekwoorden by de Grieken, 
(i) V. 914 Zoo leeft men by Anftofanes in de Komedie, Plutus genaemt f2) van een fchaepen Ie- 
ven , het welke een out Grieks taelman daer vcrklaert voor het leven van een z.ot en 
(3) V. 34- dti/aes. En in de Komedie, genaemt M'espen (5), worden de Athenienzen befchimpt, 
als een talrjke vergadering vanfchapen, dat is, dwazen. En in de Komedie, de Wol- 
(4V. iioj ken geheten (4), vint men ümengcvocgt de fcheltwoorden , fieenen, prullen, fchapen. 
(y;Diog. In dien zin ook was het, dat die beruchte Diogencs (5'), gelyk Erasmus mede opgeeft, 
Lacrt. Lib. een Zekeren ongeleerdea rykaert noemde met den naem van ccn fchaep met gonde wolle. 
5-47- j^ ooi^ Origenes wil in zyne verklaringe over Levitikus, dat door de offerhande van 
een £'haep zoude verftacn worden, de verbeteringe van dwaeze en redelooze hertstog- 
ten . Hier uit blykt dan , dat by de Grieken , en mislchien ook by de Hebreen (want 
by de Egiptenaren is deze bceldcnfprack in geen gebruik geweeft 1 het fchaep een zin- 
nebeelt is geweeft van dwaesheit en domheit. De Latynen hebben hen hier in nage-l 
volgt, gelyk de zoo cvengcnoemde Erasmus aenwyft uit Plautus. Zoo noemde Kci- 
(5) Annal. zer Kaügula, gelyk Tacitus getuigt (6), Markus Silanus, een man die wel ryk, macr 
Lil>. XIU. dom en verftandeloos was, in navolging van Diogencs, een gonden fchaep. En die be- 
cap. I. kende Fabius Maxmius», die door 't voorzichtig ophouden van Hannibal de zaken der 
Romeinen heeft herftelt , heeft den toenaem van Ovicula , of Schaepje , naer de gedach- 
(7) Hier *-^" ^^" Piërius gekregen (7) , om dat hy in zyne kintsheit wat tiaeg en bot was in 'c 
Lib. X. ' leeren. Echter is het waerfchynelyker, dat hy dien gehad heeft, a dementia mortim ^ 
cap. !<!. datis, wegens de zachtz.imiigheit van z.jnen aert, nzcr''tgctuis,ems van Aurelius ViftorfS): 
(^J^^Vi- .welk gevoelen Plutarchus ook bcgunftigt : hoewel hy van 't andere niet ten eenen- 
cap' "j "^ "^'^^^ vreemt fchynt, zeggende (9).- 7*oen hy noch een jonge was, kj^eeg hy den hynaem 
(9)lu Fa- '^^'^ fchaepje om z.yncn z.Achten en beflendigen aert : want z.yne natuur was z.edig en ftil , 
bio.cap. i.f« in't nemen van vermack.lyhheden , den kinderen eigen, was hy voorzichtigh . Dacren- 
boven gaf zyne traegheit en moeite in 't leeren, en z.yn meegaend en gezeglyk^gedragh byde 
huisgenoten , aen den vreemden een vermoeden omtrent hem van een foort van domheit en 
(10) Hici. f echtheit. Eindelyk moeten wy hier uit Picrius nog byhaclen (10), dat Accius als een 
Lib, X. Ji-oom opgeeft, dat een ichaep tegen den Koning Tarquinius Superbus zoo was gaende 
"^■' * geworden, dat het hem om verre ftiet. Dit (chaep gaf Lucius Junius te kennen, die 
van Tarquinius voor onnozel en zot gefchat wiert, gelyk hy ook, om de lagen van 
dien wreden koning te vemiyden, die een iegelyk die in verftant of middelen boven an- 
deren uitmunte, van kant hielp, zich zei ven zot veinsde: waeromhy ook den bynaem 
^ii)Fafl:. v^nBrutus, datis, onvernuftig, kreeg. Waer op Ovidius ziende , zegt (11) * 

Lib.ll. - , . - . 

V. 717 Brutus crat ftulti lapiens imitator, ut efict ■ 

Tutus ab infidiis, dire Superbe, tuis. 



Dat is : 



De wyz.e Brutus droeg zich als een zot in fchyn , 
Om veilig voorTarijyns godlooze lift te zyn. 

En 



D W A E S H E I T. 



197 



De maen wort hier bygevoegt , naerdien het fchynt , dat de zotten wel 
meeft aen deze ftar [B] onderworpen zyn^ gelyk ze ook haere veranderin- 
gen rafch gewaer worden. 

En wat verder : vs. 857. 

Brutus adefl: : tandemque animo fua nomina fallit. 
Dal is : 

Toen doet zich Brutus op , en toont ten leften , dat 
Zjn borfi wM anders^ dan z.yn naem Imt , in zich vat. 
Wy hebben deze Beeldcnfpraek dacrom des te breder uitgchaclt, opdat het een Iczei', 
onbedreven in de oude fchriften, niet wat miflclyk zoude voorkomen, dat het Ichaep 
voor een zinnebeelt woit genomen van zotheit en domheit . Bekender is daer voor de 
Stmisvogel ., gc^yk wy over 't beelt der Gerechtigheit aenwyzen . 

[B] Of- veel liever met Piërius (i), om de menigvuldige verandering van de maen, [,) Hiero»! 
die alle dag een nieuw gelact vertoont. Want gelyk de zon om haer enerley gedaente Lib.XLiy. 
: wort gehouden voor een zinnebeelt van de waerheit, die altyt een en de zelve is j en '^P- *'• 
f om haer bcftendig licht, voor een verftant, bcgaeft met vafte reden- alzoo wort door 
de maen , om dcizclfs verandering en valich licht , onftantvaftigheit en ydelheit van ge- 
dachten verftaen . En in dezen opzichte komt hier zeer wel te pas de plaets die men 
yint by Jefus Sirach (ij : Des godvrezenden verhael is altyt vanwyiheit : maer de dwaze (^) Ecdef. 
•verandert gelyh^ de rnane . of, gelyk Piërius heeft , De riyze blyft , geljk^ de zon: 17 vs u 
maer de dwaze verandert, gelyh^de maen. En zoo leeft men by Mattheus(3J van een (J) Kap.17 
I maenzieken jongeling , die namentlyk op zekere tyden of veranderingen van de maen ^*' '^ 
met uitzinnigheit of enige andere ziekte gequekwiert, en dan eens in 't vier, dan in 'E 
water viel . \^an zodanig een quael fprcekt de Dichter Juvencus. 
Et Lunx curfum comitata ialania mentis. 
Dat is : . 

De uitzinnigheit des Geefi^ navolgende den loop 
Der maen . 
Wat dien jongeling aengaet by Mattheus, indien men de zaek overbrengt tot den 
geeft, zegt PiëriUs, zoo zal men bevinden, dat in de zulke even als zekere driften tot 
goede werken opkomen, zoo dat ze pryslyk fchynen, echter aen die gene, dicdcrzel- 
ver goede tuflchenpozcn niet weten : want men zal die driften wederom zien kleinder 
worden , en 't geen een licht in hun fcheen te zyn , is geen daghlicht , maer een nacht- 
licht, het welke zodanig afneemt, dat het ten eenenmael bezwykt. En de zulke val- 
len Ibmtyts in 't vier, dat is, tot den brant der begeerlykheit , tot hun oude ontbran- 
dingen in gramfchap , tot wraekzucht , tot geltgierighcit , en andere ondeugden ; fom- 
tyts in 't water, dat is, in de glibberige bckommerntflên der menfchen, tot wanhope 
om te volharden, in de baerenvan eerzucht, en in de golven van den burgerftaet, die 
door een geduurige onftantvaftigheit worden gedreven. Want het leven der menfchen 
wort zeer veel vergeleken by de ongeftadigheit der zee . Dit is dan aengaende deze 
plaets 't gevoelen van Piërius . Wat vooits door de maenziekte al verftaen wort , en 
Wat andere uitleggingen aen deze plaets gegeven worden , zie in 't Woordenboek van 
Matthias Maitinius in Lmaticns p. 228. a & b. en by Salomon van Til over Mattheus 
Kap. 4 VS. 24. Bliidz, 99. en cap. 17. vs. ij. en 18 Bladz. 525" en ^26. 




I. Deel F f f f DWA- 



298 



DWALING. 




DWALING. 



(1} Plut. 
in Fabio 
c»p. 11. 



E En Man, toegeruft als een reiziger. Deoogen zynhem! 
geblintdoekt, en hy zoekt of taft met zynen wandelftaf | 
naer den wegh. 

De dwaling gaet gemeenlyk vergezelt van de onwetenheit, en de Stoy- 
ken bepaelen het dooien aldusj dat het namentlyk zy een afwyking vani 
den rechten wegh, gelyk het niet dwalen daervan een volflage tegenftel- 
ling is, blykende aen het rechtuit gaen en fchuwen der zydgangen. Dic| 
wort nu voorts overgebragt tot het leven van den menfch, het welk by ee- 
ne reis vergeleken wort. Wie zich hierin fpoeien wil, om tot de geluk- 
zaligheit te geraken, moet zich, zoo veel mogelyk is , voor flruikelen en 1 
vallen [A] hoeden. 

Een 

[^A] Seneica Hippol. vers 1 59. 

Obftarc primum eft veile nee labi via : 
Pudor eft lêcundus, noflè peccandi modum ^ 
Dat is : het eerfie en voornaemfie is , dat men 't ijuaet wil wederfiant b'tên , en niet van 
den goeden wegh afdwalen : en het twede is , dat men z.yne misftagen pael en perk^flelle . 
En gelukkig is hy, in wien dit zeggen van den zelven Scneka plaets heeft , Oedip, 
vers 701 . 

Quisquis in culpa fuit, 
Dimifllis odit omne , quod dubium putat . 

Dat is: al wie een misjlag begaen heeft , haet, wanneer hy vry geraeht is, al dat gene ^ 
het welk^ hy voor twyfelachtigh aenz.iet . En verftandig was het overleg en de reden van 
Markus Minucius, die in den oorlog tegen Hannibal , zyncnVeltheerFabius Maximus, 
onder wien hy diende als tweede Generael , die men Magifter E^uitum of Opperhooft 
der Ruitery noemde, zoo by het volk hebbende weten te befchuldigen , dat hy gelyk 
met hem wierde geftelt , en het leger met hem verdeelde , maer kort daer op door 
Hannibal in groten noot gebragt , en door dien zelven Fabius geredt zynde ; tot zync 
Soldaten zeide (i) : nergens in te dwalen in groote z.aken is groter, dan 't menfchelyk^he- 
reik^z.ich uitfirekt : maer dat men dwalende z.yn dwalingen voor het toekomende gehnikt, 
t»t Itcrfinkj^en , z.Hlki is het werk,van een vrtem e» vtrfiandig man. 



DWALING. 299 

Een volkomen goet exempel in dezen , hebben wy aen 's werelrs Hcilant 
; Kriftus Luc. 24, wiens werken ons altemael ter onderwyzinge dienen en die 
iivericheen zynen leerlingen als een wandelaer [B]. Nogh meer: Godt be- 
veelt in Mozes Priefterboek aen Ifraël, dat ze niet van hem moften wy- 
ken, ter rechte noch ter flinke zyde. Billyk verheelt men dan de dwaling 
als een wandelaer, omdat 'er geen dooien plaets heeft dan daer misgetre- 
,dcn wort in werken, woorden, of gedachten. Helaes ! hoedunzynze 
'er gezaeit, die den Hollantfchen Palamedes, wiens noodlot ik altyt be- 
klaeg, met recht mogen nazeggen: 

O mannen i zei hy ^ of tfju heufcheit noit geloofde 
I Al 't geen de valfcheit heeft van lantverraet gedicht y 

Dat '■jvas myn lefle la^enfch. 'k heb volgens mynen plicht 
I Ganfch vroom en ongevemfi en opentlykgehandelt, 

Enfierfeen oprecht Griek gelyk ik hebge'-jvandelt. 

I De geblinde oogen [C] betekenen, dat wanneer het gezigtdes verftants 

, bedekt is met den fluier der wereltfche voordeden , of wat het anders zyri 
magh, dat, zeg ik, men dan zeer licht den doolwegh inflaet, 

I De wandelftok [D] , die dezen dwaelgeefl: den wegh moet wyzen, ver- 
heelt de uiterlyke zinnen', gelyk het oog een zinteken des verftants is. 
Hierby ftaet aen te merken, dat de gezeideftok een plomp ding is, daer 

' in tegendeel het oog om des zel^i hoedanigheit wel geeftigh heeten magh, 
en veel dienftiger is om ons den levenswegh aen te wyzen dan de onkundi- 
ge wandelftaf. Maer laet ons voortgaen. 



[B] Zie Erasmus Chil. i. Cent. i. Ad. 48. 

{C} Het oog betekent in de bceldenfpraek bcftiering en rcgcering : om dat wy tot 



belliering van lichamclyke bezigheden 't oog en 'c licht van noden hebben. En daerom 
heeft Cicero, gelykPiërius(i)uitMakrobius(2) aentckent, in den droom van Scipio de l'!^'""^ 
■ zon genoemt de z.iel en hefliering der werelt. En de oude Egiptifche Priefters, een Re- ^^p.' i. 
' geerder en Beftierder willende verbeelden, maclden niet alleen een fchepter, maer ook (1) la 
I een oog daer by; te kennen gevende, dat de macht moeft beftiert worden door 't licht Somn. 
des verftants, en door voorzichtigheit , naer de verklaring van Plutarchus [5]. Ja fbm- ^"P" ^'''* 
tyts bogen ze eenige takjes, ter zyde van den fchepter uitfchietende , zoodanig tot mal- /j^Ynifid.' 
kanderen toe in 't ronde, dat ze de gedaente hadden van een oog; verftaende daerdoor & ofir. 
hunnen afgod OJïris, even alsof zy een veeloogige zeiden: want os, zegt Piërius (4), is cap- ^o- 
in de Egiptifche tael veel., en iris een oog te zeggen. Met recht dan, die deze beftie- '+' ^'^' ^' 
ring des oogs mift, moet dwalen: en daerom worden dan in de H. Schrift door ^AW^ 
verftaen de zulke, die geene kennifle van Godt hebbende, en van 't licht der waerheit 
ontbloot, in de duifterniflc van onwetcnheit omdwalen. Zoo gift Piërius, dat moge- 
lyk moeten worden opgevat de woorden : xSam. 5". v. 8. Al wie de febttjiten Jlaet , en 
geraekl aen de watergoote , en die de k>^fipele en die de blinde^ die van Davids z,iele ge- 
haet z.yn s die z.al tot ■ een hooft , en tot een "ovfrfie z.yn : daerom zeit men , een blinde 
ende krenpele en z.al in 't huis niet komen. 

[D] Ni